← Geschiedenis van Arthur Pendennis

Geschiedenis van Arthur Pendennis (part 3 of 4)

Part 3 of 4 · William Makepeace Thackeray · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #77583, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (4)

Continue:

Geschiedenis van Arthur Pendennis (part 3 of 4)

De man aan het hek was prachtig uitgedost met kettingen, juweelen en een sierlijk vest, al hetgeen door de lichten in het huis zeer gunstig uitkwam; zijne laarzen glommen; hij had koperen knoopen aan zijn rok en groote witte manchetten over zijne handen; kortom, hij zag er zoo voornaam uit, dat X. zich verbeeldde, dat hij een lid van het parlement of een persoon van aanzien voor zich had. Dat parlementslid, of die persoon van aanzien, wat zijn rang dan ook wezen mocht, was zeer opgewonden van den wijn, want hij wankelde en struikelde onder het gaan, en zijn hoed stond zoo schuins boven zijne woeste en met bloed beloopen oogen, als nooit een nuchtere hoed had kunnen staan. Zijn dik zwart haar was blijkbaar valsch, en zijne bakkebaarden kon men bij het purper van Tyrus vergelijken.

Toen de lach van Strong, die op een zijner eigen gros mots volgde, door het venster naar buiten galmde, lachte en giggelde de heer aan het hek eveneens op de zonderlingste wijze, sloeg op zijne dij en keek naar James, die onder de portiek stond te peinzen, alsof hij zeggen wilde: „Jantje! beste jongen, is dat geen mooie historie?”

James’ aandacht was langzamerhand van de maan aan het hemelruim naar dit ondermaansche tooneel afgedwaald; en hij was verwonderd en ontsteld over de verschijning van den man met de glimmende laarzen. „Een twist,” merkte hij naderhand in de bediendenkamer op, „een twist met een kerel op straat dient nergens toe, en daar ben ik ook niet op gehuurd.” Na dus den man, die bleef lachen en zwaaien en met dronken gemeenzaamheid hem toeknikte, eenigen tijd in het oog gehouden te hebben, keek James uit de portiek naar buiten, riep zachtkens: „Diender!” en wenkte dien ambtenaar tot zich.

X. kwam dadelijk bij hem, met een zijner garen handschoenen in den gordel gestoken, en James wees eenvoudig met den voorvinger zijner rechterhand naar den persoon, die aan het hek stond te lachen. Geen enkel woord meer dan „diender” zeide hij, maar stond daar in den kalmen zomeravond kalm te wijzen: het was een verheven schouwspel.

X. begaf zich naar den aangewezen persoon en zeide: „Wilt gij zoo goed zijn, mijnheer, door te gaan?”

De vreemdeling, die in een zeer goed humeur was, scheen geen woord van den politieagent te verstaan, maar bleef grinnikend tegen Strong knikken, tot zijn hoed bijna van zijn hoofd binnen het hek viel.

„Kom, mijnheer, ga door: hoort gij mij niet?” riep X. op veel gebiedender toon, en raakte den vreemdeling zachtkens met een der vingeren aan, die in de garen handschoenen besloten waren.

De man met zijn overvloed van ringen schrikte of liever sprong achteruit in eene houding van zelfverdediging, begon den diender te dreigen en betoonde zich dapper en krijgshaftig, al was hij wat onvast op de beenen. „Hola! houd je handen van een gentleman af!” riep hij uit met een vloek, welken wij niet behoeven te herhalen.

„Ga van hier weg,” zeide X., „en belemmer de passage niet, door zoo in de eetkamers binnen te kijken.”

„Niet kijken – ho, ho! – niet kijken, – dat is wat moois!” hernam de ander met een spottenden grijns. „Wie zal mij beletten naar mijne vrienden te kijken als ik het goedvind? Gij niet, ouwe!”

„Vrienden? dat kunt ge begrijpen! Ga door!” antwoordde X.

„Als gij mij met een vinger aanraakt, vlieg ik je aan,” bulderde de ander. „Ik zeg je, dat ik hen allen ken: Dát is Sir Francis Clavering, baronet en lid van het parlement – ik ken hem en hij kent mij – en dát is Strong, en dát is de jonge snaak, die dat rumoer op het bal maakte. Strong! zeg eens, Strong!”

„Dat is die verd– Altamont,” riep de verschrikte Sir Francis daar binnen, met een zeer beangsten blik, terwijl Strong, eveneens met eene uitdrukking van ergernis op zijn gelaat, van de tafel opsprong en naar den indringer daar buiten liep.

Een heer met een wit vest, die blootshoofds uit eene eetzaal op straat vloog, een agent van politie en een fatsoenlijk gekleed persoon, die bijna aan het vechten waren, dit was genoeg om zelfs in die stille buurt ’s avonds ten half negen ure een oploop te veroorzaken, zoodat er dan ook eenige menschen voor Sir Francis Clavering’s deur begonnen samen te te scholen. „Kom, in ’s hemels naam, binnen,” riep Strong, greep zijn bediende bij den arm, en zeide op zachten toon tegen den lakei: „James, wees zoo goed eene vigilante te laten halen,” waarop hij den opgewonden heer binnenbracht; de buitendeur werd gesloten en de kleine samenscholing ging uiteen.

Mijnheer Strong was voornemens geweest den vreemde in Sir Francis’ zitkamer te brengen, waar de hoeden der heeren hen lagen te wachten, en, na hem daar met zachte woorden tot bedaren gebracht te hebben, hem weg te brengen zoodra de vigilante voorkwam. Maar de kolonel gloeide van verontwaardiging over de beleediging, die hem was aangedaan, en zeide, toen Strong hem naar die andere deur leidde, met eene beschonken stem: „Dat is de deur niet – dat is de deur van de eetzaal, waar zij aan het drinken zijn, – ik ga daar binnen, want ik moet ook wat hebben, voor den drommel; ik moet ook wat hebben!” De hofmeester, die zich in de vestibule bevond, stond versteend over zooveel onbeschaamdheid en plaatste zich voor de deur der eetzaal, maar deze ging achter hem open en de heer des huizes vertoonde zich met onthutste gelaatstrekken op den drempel.

„Ik moet wat hebben, bij –, dat moet ik,” schreeuwde de indringer toen Sir Francis verscheen. „Hola! Clavering, ik ben gekomen om een glaasje met je te drinken, – hè, ouwe jongen? hè, ouwe vrek? Een flesch van je geellak, ouwe! – de allerbeste, van honderd roepijen de kist.”

De gastheer dacht een oogenblik over zijn gezelschap na. Daar is, dacht hij, alleen Welbore, Pendennis, en die twee jongens – en met een gedwongen lach en een pijnlijk gezicht zeide hij: „Wel, kom binnen, Altamont. Het doet mij genoegen u te zien.”

Kolonel Altamont – want de scherpzinnige lezer zal in den vreemdeling reeds lang zijne excellentie den ambassadeur van den nabob van Lucknow herkend hebben – waggelde de eetzaal binnen, met een zegestralenden blik op James, den lakei, alsof bij zeggen wilde: „Nu, kereltje, wat zeg je dáárvan? Ben ik nu een gentleman of niet?” en viel toen op den eersten den besten leegen stoel neer. Met bedeesde stem stamelde Sir Francis Clavering den naam van den kolonel tegen zijn gast, mijnheer Welbore-Welbore, en zijne excellentie begon dadelijk wijn te drinken en het gezelschap rond te kijken, nu eens met verbazend dreigende blikken en dan weer met zijne behaaglijkste lachjes, en hikte onderwijl allerlei lofspraken op den wijn, welken hij gebruikte.

„Zeer zonderling man. Heeft lang aan een inlandsch hof in Indië vertoefd,” zeide Strong, met den grootsten ernst, want de chevalier verloor nooit zijne tegenwoordigheid van geest. „Men doet aan die Indische hoven allerlei vreemde gewoonten op.”

„Zeer vreemde,” herhaalde majoor Pendennis droogjes en zat zich af te vragen in welk gezelschap hij geraakt was?

Mijnheer Foker zag den nieuw aangekomene met genoegen. „Dat is de man, die in de Achterkeuken dat Maleische liedje wilde zingen,” fluisterde hij Pen toe. „Proef die ananas eens, mijnheer,” voegde hij vervolgens Altamont toe; „zij is overheerlijk.”

„Ananas! Ik heb de varkens met ananassen zien voeren,” zeide de kolonel.

„Al de varkens van den nabob van Lucknow worden met ananassen gevoerd,” fluisterde Strong den majoor in het oor.

„O, natuurlijk,” antwoordde de majoor. Sir Francis Clavering trachtte zich ondertusschen tegen Welbore te verontschuldigen over den toestand, waarin de vreemdeling zich bevond, en mompelde zoowat dat Altamont een zeer zonderling mensch en zeer excentriek was, Indische gewoonten had aangenomen en de regels der Engelsche samenleving niet kende, waarop Welbore, een slim oud heertje, die zijn glas zeer regelmatig ledigde, ten antwoord gaf, „dat dit wel te zien was.”

Daarop kreeg de kolonel Pen’s open gelaat in het oog, keek hem eenige oogenblikken met zooveel vastheid aan als zijn toestand veroorloofde, en zeide toen: „Ik ken je ook, jongmensch! Ik herinner mij u van het bal te Baymouth. Gij wildet met een Franschman vechten. Ik herinner mij u zeer goed,” en daarop begon hij te lachen en de vuisten te ballen en scheen zich tot op den dronken bodem zijner ziel te vermaken, terwijl deze herinneringen hem door het brein schoten of liever waggelden.

„Mijnheer Pendennis, gij herinnert u zeker kolonel Altamont uit Baymouth nog wel?” zeide Strong, waarop Pen, met eene tamelijk stijve buiging, antwoordde, „dat hij het genoegen had zich hem zeer wel te herinneren.”

„Hoe heet hij?” riep de kolonel, waarop Strong mijnheer Pendennis nogmaals noemde. „Pendennis? Laat Pendennis naar den drommel loopen!” bulderde Altamont tot ieders verbazing uit, terwijl hij met zijne vuist op de tafel sloeg.

„Ik heet óók Pendennis, mijnheer,” zeide de majoor, wiens waardigheid boven alle beschrijving gekrenkt was door de gebeurtenissen van dezen avond, door de vernedering dat men hèm, majoor Pendennis, op zulk eene partij had durven vragen, en door de introductie van een dronken persoon in zijn gezelschap. „Ik heet óók Pendennis, en gij zult mij genoegen doen, dien naam niet zoo hardop te verwenschen.”

Kolonel Altamont wendde zich om, ten einde den majoor aan te zien, en scheen van dat gezicht plotseling nuchter te worden. Hij wreef zich het voorhoofd en verschoof daardoor zijne zwarte pruik een weinig. Met een vlammenden blik keek hij den majoor aan, die van zijn kant, als een onversaagd oud soldaat, zijn tegenstander zeer scherp en onafgewend bleef aanstaren. Na deze wederzijdsche inspectie begon Altamont zijn rok met de koperen knoopen dicht te maken, stond plotseling van zijn stoel op en waggelde, tot verbazing van al de aanwezigen, naar de deur, die hij, door Strong op den voet gevolgd, uitging; het eenige wat Strong hem nog hoorde mompelen, was: „Kaptein Snavel, kaptein Snavel, zoo waar ik leef!”

Er was geen kwartier verloopen tusschen zijne onverwachte verschijning en zijn even onverwacht vertrek. De beide jonge heeren en de oude Welbore verwonderden zich over dit vreemd tooneel en konden het zich niet verklaren. Clavering was buitengemeen bleek en ontroerd en wendde zich met angstige blikken tot majoor Pendennis, die zijn gastheer eenige oogenblikken zeer scherp had aangezien. „Kent gij hem?” vroeg Sir Francis aan den majoor.

„Ik weet zeker, dat ik den kerel vroeger ergens gezien heb,” antwoordde de majoor, met een gezicht alsof hij ook niet zeker van zijne zaak was. „Ja, nu ben ik er! Het was een deserteur van de rijdende artillerie, die dienst nam bij den nabob! Ik herinner mij zijn gezicht zeer goed.”

„O!” zeide Clavering met een zucht, die bewees dat hem een pak van het hart genomen was, en de majoor zag met eene flikkering zijner slimme oude oogen naar hem op. De vigilante, die Strong had laten ontbieden, reed met den chevalier en kolonel Altamont weg; er werd koffie gebracht voor de achtergebleven heeren, die daarop naar de dames in de gezelschapszaal gingen, terwijl Foker aan Pen verklaarde, „dat dit de zonderlingste kerel was, dien hij ooit had ontmoet,” hetgeen Pen lachend deed antwoorden, „dat dit bewees, dat Foker een fijn opmerker was.”

Jufvrouw Amory maakte nu, volgens hare belofte, muziek voor de jonge heeren. Foker stond verrukt over de gaven, die zij ten toon spreidde, en was zoo goed zijne stem aan de hare te paren, als hij de muziek kende. Pen veinsde zich alleen met andere leden van het gezelschap te willen ophouden, maar Blanche trok hem spoedig aan de piano door zijne eigen verzen te zingen, het gedicht namelijk, dat wij in een vorig hoofdstuk hebben meegedeeld, en hetgeen de sylphide zelve, naar zij zeide, op muziek had gezet. Ik kan niet verzekeren in hoeverre de melodie van haar zelve was, of hoeveel Signor Twankidillo, die haar les gaf, daarvan voor haar gearrangeerd had; maar, of de muziek goed of slecht, oorspronkelijk of wat anders was, zeker is het, dat zij mijnheer Pen verheugde, die naast haar kwam staan en nu de muziekbladen zeer vlijtig voor haar omsloeg. „Och, wat zou ik niet willen geven, om verzen te kunnen schrijven zooals gij, Pen!” bekende Foker later met een zucht aan zijn vriend. „Ik verzeker u, dat ik het doen zou, als ik het maar kon! Maar, ge weet, ik was nooit een held in het schrijven, en het spijt mij nu wel, dat ik op school zoo lui ben geweest.”

In tegenwoordigheid van de dames werd er niet gezinspeeld op het merkwaardige tooneeltje, dat beneden had plaats gehad, ofschoon Pen juist op het punt stond het aan jufvrouw Amory te beschrijven, toen die jonge dame naar kapitein Strong vroeg, met wien zij een duet wenschte te zingen. Toevallig naar Sir Francis Clavering ziende, nam Pen eene uitdrukking van buitengewone ongerustheid op diens gewoonlijk nietsbeteekenend gezicht waar, en daarom besloot hij maar te zwijgen. Het was een vrij vervelende avond. Welbore dutte in, gelijk hij na een diner en onder muziek altijd deed; en majoor Pendennis onthaalde de dames niet op tal van anekdotes en eindelooze, ondeugende geschiedenissen, gelijk hij anders gewoon was, maar zat meerendeels stil, en scheen te luisteren naar de muziek en de jonge en schoone musicienne te bewonderen.

Toen het uur van vertrek gekomen was, stond de majoor op en betuigde zijn leedwezen, dat zulk een genoeglijke avond zoo snel was voorbijgegaan, waarbij hij inzonderheid zijn compliment aan jufvrouw Amory maakte over haar heerlijk talent voor den zang. „Lady Clavering,” zeide hij, „uwe dochter is volmaakt een nachtegaal, volmaakt een nachtegaal, op mijn woord! Ik heb zelden iemand gehoord, die met haar vergeleken kan worden, en hare uitspraak van alle talen – ja, van alle talen – houd ik voor onberispelijk. De beste huizen van Londen moeten open staan voor eene jonge dame met zulke talenten en – vergun een oud man het te zeggen, jufvrouw Amory – voor zulk een gezichtje.”

Blanche stond even verbaasd over dit compliment als Pen, die zijn oom nog zoo kort geleden in zeer af keurenden zin over de sylphide had hooren spreken. De majoor en de beide jonge heeren gingen te voet naar huis, nadat mijnheer Foker zijne moeder in haar rijtuig geholpen en zich een vlammetje voor eene reusachtige sigaar verschaft had.

Of het gezelschap, òf de tabak van Foker behaagde majoor Pendennis niet, want hij wierp verscheidene malen een schuinen blik op hem, waaruit duidelijk zijn wensch sprak, dat de jonge heer afscheid zou nemen; maar Foker bleef zich aan oom en neef vastklemmen en vergezelde hen tot zelfs aan de woning van den eerstgenoemde in Bury Street, waar de majoor de jongelieden goedennacht wenschte.

„Zeg eens, Pen,” zeide de majoor fluisterend tegen zijn neef, dien hij teruggeroepen had, „denk er aan, morgen eene visite in Grosvenor Place te gaan maken. Zij zijn buitengemeen beleefd geweest, – verbazend beleefd en vriendelijk.”

Pen beloofde het, vol verwondering, en toen Morgan de deur achter den majoor gesloten had, nam Foker den arm van Pen en wandelde, onder het rooken zijner sigaar, een tijdlang in stilte met hem voort. Toen zij eindelijk, op Arthur’s weg naar den Temple, Charing Cross bereikt hadden, luchtte Henry Foker zijn hart, en barstte los in die lofrede op de dichtkunst en dat beklag over zijne verwaarloosde jeugd, waarvan wij hierboven gesproken hebben. En den ganschen weg door het Strand en tot aan de trap van Pen, op het Lamb Court in den Temple, hield de jonge Henry Foker niet op met geestdrift over het zingen en over Blanche Amory zelve uit te weiden.

VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

AANGELEGENHEDEN VAN DEN HEER HENRY FOKER.

Sedert dien noodlottigen maar heerlijken avond op Grosvenor Place had mijnheer Henry Foker’s hart in zulk een staat van ontroering verkeerd, als men niet lichtelijk zou gedacht hebben, dat zulk een groot wijsgeer kon ondervinden. Wanneer wij ons herinneren hoeveel goeden raad hij in vroegere dagen aan Pen gegeven had, hoeveel vroegtijdige wijsheid en menschenkennis de begaafde jonkman aan den dag had gelegd, en hoe een aanhoudend leven van genot, gelijk aan een heer van zijne middelen en vooruitzichten paste, zijne onverschilligheid had moeten doen toenemen en hem met elken dag al minder en minder belang in iemand anders dan in mijnheer Henry Foker zelven had moeten doen stellen, – dan moet men zich verwonderen, dat hij in het ongeval geraakt was, dat de meesten onzer een paar malen in het leven overkomt, en dat zijne groote ziel verontrust werd door eene vrouw. Maar hoe vroeg ook Foker wijs was geworden, hij bleef altijd mensch. Hij kon het algemeene lot evenmin ontgaan als Achilles of Ajax, of Lord Nelson, of onze stamvader Adam, en nu zijn tijd gekomen was werd de jonge Henry een slaaf van de alverwinnende Liefde.

Toen hij dien avond, na van Arthur Pendennis op Lamb Court afscheid genomen te hebben, naar de Achterkeuken ging, had de grog en de gebraden kalkoen niets bekoorlijks voor hem; de grappen zijner vrienden lieten hem ongevoelig, en toen mijnheer Hodgen, de zanger van de Lijkendief, een nieuw lied voordroeg, nog akeliger en humoristischer dan het genoemde vermaarde gedicht, riep Foker, die de vriend van den kunstenaar was, wel „Bravo, Hodgen!” gelijk de beleefdheid en zijne positie als steunpilaar van de Achterkeuken van hem eischte, maar hij hoorde eigenlijk geen woord van het lied, hetwelk Hodgen onder den titel van de Kat in het kastje zoo beroemd heeft gemaakt. Laat en zeer vermoeid sloop hij naar zijne kamer en zocht de donzen peluw op; maar zijn slaap werd gestoord door de onrust, welke hem kwelde, en zoodra hij uit zijne koortsige sluimering ontwaakte, stond het beeld van jufvrouw Amory voor hem en voegde hem de woorden toe: „Hier ben ik, ik ben uwe prinses en uwe schoone; gij hebt mij gezien en zult u verder om niets anders meer bekommeren!”

Goede hemel wat kwamen hem zijne vroegere vermaken en vriendschapsbetrekkingen nietswaardig en smakeloos voor! Tot nog toe was hij niet veel gewoon geweest aan het gezelschap van vrouwen van zijn eigen stand. Als hij van zulke dames sprak, noemde hij ze „fatsoenlijke vrouwen.” Die deugd, die wij hopen dat zij ook bezaten, woog tot nog toe bij mijnheer Foker niet op tegen het gemis der levendigheid, waarmee de dames zijner eigen familie niet bedeeld waren, en die hij daarentegen bij mesdemoiselles, de dames van het tooneel, aantrof. Ofschoon zijne moeder goed en liefderijk was, vermaakte zij hem niet, en zijne nichten, de dochters van zijn oom van moederszijde, den achtbaren graaf van Rosherville, verveelden hem bovenmate. De eene was eene geleerde vrouw en hield zich met de geologie bezig; de andere reed te paard en rookte sigaren; de derde behoorde tot de uiterste gelederen der vrijzinnige kerk en koesterde in godsdienstzaken de meest kettersche gevoelens; zooals ten minste de vierde beweerde, die, van haar kant, tot de fijnste aanhangsters der rechtzinnige kerk behoorde, haar kabinetje tot een bidvertrekje had ingericht en, het gansche jaar door, elken Vrijdag vastte. Foker liet zich zelden bewegen, het ouderlijk huis dier dames te Drummington te bezoeken. Hij zwoer, dat hij liever naar het armenhuis wilde gaan dan dáár te logeeren. Hij was er dan ook niet zeer bemind. Lord Erith, de zoon van Lord Rosherville, beschouwde zijn neef als een gemeen persoon van jammerlijk slechte manieren, terwijl Foker, met evenveel recht, Erith voor een kwast en een domkop uitmaakte, en beweerde dat hij het Lagerhuis in slaap praatte, dat hij een steen des aanstoots voor den voorzitter was en dat hij tot de vervelendste der zoogenaamde philanthropische redenaars behoorde. En evenmin kon ook George Robert, graaf van Gravesend en Rosherville, ooit vergeten, dat zijn neef, op zekeren avond, toen hij zich had willen verwaardigen met dien jongen heer te biljarten, zijne lordschap met de queue in de ribben gestooten had onder den uitroep: „Wel, ouwe jongen ik heb menigen leelijken stoot gezien, maar nog nooit zoo’n leelijken als dien van jou!” De graaf speelde het spel met engelachtige zelfbeheersching af, want Henry was èn zijn gast èn zijn neef; maar het scheelde weinig of mylord kreeg in den nacht eene beroerte, en hij bleef op zijne kamer tot de jonge Foker Drummington verliet en naar Oxbridge terugkeerde, waar de opvoeding van dien belangwekkenden jongeling, ten dien tijde, voltooid werd. Het was een vreeselijke slag voor den achtbaren graaf; er werd in de familie nooit over het voorgevallene gesproken; hij ontweek Foker, als deze hem te Londen of buiten kwam bezoeken, en kon ternauwernood van zich verkrijgen om den jongen verworpeling stotterend te vragen: „Hoe vaart ge?” Doch de graaf wilde het hart zijner zuster Agnes niet breken door Henry geheel uit de familie te bannen; en, om de waarheid te zeggen, schikte het hem ook niet, om met mijnheer Foker senior te breken, met wien mylord vele vertrouwelijke zaken had gehad, bestaande in eene uitwisseling van orderbriefjes op Foker’s bankier en van eigenhandige geschriften van den graaf zelven, met de woorden „neme aan op vertoon te betalen” boven zijne doorluchtige handteekening.

Buiten de vier dochters van Lord Gravesend, wier verschillende eigenschappen wij reeds hierboven hebben opgesomd, was mylord nog met eene vijfde dochter gezegend, Lady Anna Milton, die sedert hare vroegste jeugd, ja van de wieg af, eene bestemming had gehad. Hare ouders hadden met hare tante vastgesteld, dat Lady Anna de vrouw van Henry Foker zou worden, zoodra deze den vereischten leeftijd bereikt had. Met dat denkbeeld was zij reeds gemeenzaam geweest, toen zij nog de kinderkleeren droeg en Henry, de slordigste van alle knapen, met blauw geslagen oogen van de school naar Drummington kwam, of naar zijn vaders buitenplaats Logwood, waar Lady Anna dikwijls bij hare tante logeerde. De beide jongelieden hadden zich zonder tegenwerpingen of verzet naar de beschikkingen hunner ouders gevoegd. Lady Anna kwam evenmin op de gedachte om zich tegen de bevelen van haar vader te verzetten, als het bij Esther zou opgekomen zijn de bevelen van Ahasverus te betwisten. De vermoedelijke erfgenaam van het huis Foker betoonde zich ook gehoorzaam, want toen de oude heer zeide: „Henry, ik ben met uw oom overeengekomen, dat gij, als gij den vereischten leeftijd hebt, Lady Anna zult trouwen. Zij zal geen geld ten huwelijk brengen, maar zij heeft edel bloed in de aderen en ziet er goed uit, en ik zal wel voor u zorgen. Als gij dat niet verkiest, zult gij hebben wat uwe moeder ten huwelijk heeft gebracht en tweehonderd pond ’s jaars zoolang ik leef,” – toen berustte Henry, die wist, dat hij zijn vader, ofschoon deze geen man van vele woorden was, blindelings kon vertrouwen, in het besluit der ouders en antwoordde: „Nu, vader, als Anna het goedvindt, ben ik er mee tevreden. Zij ziet er in het geheel niet kwaad uit.”

„En zij heeft het beste bloed van Engeland in hare aderen, Henry; uw moeders bloed, uw eigen bloed,” zeide de bierbrouwer. „Daar gaat niets boven.”

„Nu, vader, zooals gij het goedvindt,” hernam Henry. „Als het gebeuren moet, zeg het mij dan maar. Er is echter geen haast bij, en ik hoop, dat gij het nog lang zult uitstellen. Ik zou gaarne nog wat van de wereld genieten, eer ik trouw.”

„Ga je gang maar, Henry,” antwoordde zijn liefderijke vader. „Niemand verbiedt het u, niet waar?” Daarna werd er weinig meer over het onderwerp gesproken, en mijnheer Henry joeg die genoegens des levens na, die hem het meest toelachten; hij hing een klein portretje van zijne nicht in zijne zitkamer op, midden tusschen Fransche prenten, afbeeldingen van beroemde actrices en danseressen, tooneelen van wedrennen en paardrijden, waarin hij den meesten smaak had, en die zijne kunstgalerij uitmaakten. Het was een weinig beduidend portretje, een eenvoudig rond gezichtje, met krullende lokken, dat, wij moeten het bekennen, niet veel vertoon maakte naast mademoiselle Petitot, die op een regenboog danste, of mademoiselle Redowa, die met roode laarsjes en een lansiers-shako stond te grinniken.

Daar Lady Anna Milton geëngageerd en hare bestemming dus reeds aangewezen was, ging zij niet zooveel uit als hare zusters, en dikwijls bleef zij in het ouderlijke huis op Gaunt Square achter, als hare mama met de andere dames uitging. Zij praatten en dansten met den eenen heer na den anderen, en die heeren kwamen en gingen, en er waren verschillende praatjes omtrent haar in omloop. Maar met betrekking tot Lady Anna was het altijd dezelfde geschiedenis: zij was geëngageerd met Henry Foker en mocht nooit aan iemand anders denken. Het was geen heel vroolijke geschiedenis.

Welnu, op hetzelfde oogenblik toen Foker ’s morgens na het diner bij Lady Clavering ontwaakte, stond Blanche’s beeltenis met hare heldere grijze oogen en haar verleidelijken glimlach hem aan te staren. Haar air klonk hem in de ooren: „Ik zweef soms hier rond, – ik zweef soms hier rond,” hetgeen de arme Foker klaaglijk begon te neuriën, toen hij onder de rood zijden sprei in zijn bed opzat. Tegenover hem hing eene Fransche plaat, voorstellende eene Turksche dame met haar Griekschen minnaar, die door een eerwaardig Muzelman, den echtgenoot der dame, overvallen werden; aan de andere muur prijkte eene Fransche plaat van een heer en eene dame te paard, die in vollen galop elkander kusten; overigens was deze kuische slaapkamer met nog meer andere Fransche platen behangen, de portretten van in gaas gehulde nimfen der opera, of fraaie tooneelen uit romans, en met een paar Engelsche meesterstukken, waarop jufvrouw Calverley van de koninklijke Engelsche opera afgebeeld was in de engsluitende pantalon van hare geliefkoosde rol, als page, of jufvrouw Rougemont als Venus, terwijl de waarde dezer voorstellingen verhoogd werd door de handteekeningen dier dames, Mary Calverley, of Frederika Rougemont, die in keurig facsimile onder de platen prijkten. Aan zulke prenten haalde de eerzame Henry zijn hart op. Hij was niet slechter dan vele zijner makkers; hij was een leegloopend, pretmakend, welwillend, geldverkwistend jonkman; en als hij zijne kamers zoo overvloedig met voortbrengselen van de Fransche kunst versierde, dat de eenvoudige Lady Agnes, zijne mama, als zij in het vertrek trad, waar haar lieveling in geurige wolken van Latakia gehuld zat, dikwijls verstomd stond over al het moois, dat haar oog trof, moeten wij in aanmerking nemen, dat hij rijker was dan de meeste jongelieden, zoodat hij zijn smaak gemakkelijker kon bevredigen.

Op zijn bedtafeltje lag, te midden van sleutels, geldstukken, sigarenkokers en een takje verbena, dat jufvrouw Amory hem had gegeven, een brief van jufvrouw Calverley, die het fijne gewaterlijnde papier met eene zeer ongedwongen spelling en schrift bekrabbeld had en, na begonnen te zijn met mijnheer Henry haar „lieven Hoky-poky-foky” te noemen, hem verder herinnerde, dat de dag genaderd was, waarop hij „dat diner in the Elephant and Castle te Richmond moest geven, dat hij beloofd had;” verder een kaartje voor eene afzonderlijke loge bij jufvrouw Rougemont’s aanstaand benefice, een pakje toegangkaartjes voor „Ben Budgeon’s voorstelling, de bokser uit Noord-Lancashire, bij Martin Faunce in de Driekante Hoed in St. Martin’s Lane, waar Conkey Sam, Dick the Nailor en Deadman (de bokser uit Worcestershire) de bokshandschoenen zullen aantrekken en alle bewonderaars van de goede oud Britsche lichaamsoefeningen uitgenoodigd worden te verschijnen,” deze en nog verscheidene andere herinneringen aan de tijdverdrijven en vermaken van mijnheer Foker lagen op tafel naast zijn bed, toen hij wakker werd.

Ach, wat kwamen hem die zouteloos voor! Wat gaf hij om Conkey Sam of dien bokser uit Worcestershire? Wat om die Fransche dames, die hem uit alle hoeken zijner kamer toelonkten, om al dat verbazende moois? En wat schreef die Calverley slecht, en hoe durfde dat onbeschaamde vrouwspersoon hem Hoky-poky noemen? De gedachte van in the Elephant and Castle te Richmond te moeten dineeren met dat oude wijf (zij was stellig zeven en dertig jaar), vervulde hem nu met walging en ergernis, in plaats van het genoegen, dat hij nog gisteren bij dat uitstapje dacht te smaken.

Toen zijne teedere mama haar zoon dien morgen zag, merkte zij op hoe bleek zijne wangen waren en hoe neerslachtig hij scheen. „Waarom blijft gij toch zoo biljart spelen in die akelige zaal van Spratt?” vroeg Lady Agnes. „Kindlief, dat biljart zal u nog den dood aandoen; dat zal het zeker!”

„Het is het biljart niet,” antwoordde Henry somber.

„Dan is het die verschrikkelijke Achterkeuken,” hernam Lady Agnes. „Ik ben dikwijls voornemens geweest – weet ge, Henry – aan de kasteleines te schrijven en haar te verzoeken maar heel weinig wijn in uw glas te doen, en er op te letten dat gij uw doek omslaat, voordat gij in uw brougham stapt.”

„Ga uw gang maar, mama; jufvrouw Cutts is zeer vriendelijk en eene echte moeder,” zeide Henry. „Maar het is de Achterkeuken óók niet,” liet hij er met een akeligen zucht op volgen.

Daar Lady Agnes haar zoon nooit iets weigerde en in al zijne handelingen met de teederste inschikkelijkheid berustte, werd haar dit door het volkomenste vertrouwen van de zijde van den jongen Henry vergolden, die nooit voor haar ontveinsde welke plaatsen hij gewoon was te bezoeken: hij deelde haar integendeel eene keur van anekdotes uit de clubs en de biljartzalen mede, waarin de eenvoudige dame veel genoegen schepte, al begreep zij ze niet. „Mijn zoon gaat naar Spratt,” sprak zij tot hare vertrouwde vriendinnen. „Al de jongelui gaan naar Spratt, als zij van de bals komen. Het is de rigueur, mijne waardste; en zij spelen nu biljart, gelijk men in de dagen van mijnheer Fox macao en hazard speelde. Ja, mijn lieve vader heeft mij dikwijls verteld, dat zij in de club van Brooke altijd tot negen ure den volgenden morgen opzaten met mijnheer Fox, dien ik mij nog herinner met een geel vest en eene zwart satijnen kniebroek te Drummington gezien te hebben, toen ik een klein meisje was. Mijn broeder Erith heeft als jongmensch nooit gespeeld, noch laat opgezeten; zijne gezondheid liet het niet toe; maar mijn jongen moet met zijne vrienden meedoen, weet ge. En dan gaat hij ook dikwijls naar eene plaats, die de Achterkeuken heet, waar alle menschen van genie en schrijvers bijeenkomen, die men op gezelschappen niet ontmoet, maar wier omgang Henry als een groot voorrecht en genoegen beschouwt; daar hoort hij dan de vraagstukken van den dag bespreken; en mijn lieve vader zeide dikwijls, dat wij verplicht waren de letterkunde aan te moedigen, en hij had nog gehoopt Dr. Johnson te Drummington te ontvangen; – maar die stierf juist in dien tijd. Ja, mijnheer Sheridan kwam ook bij ons en dronk heel veel wijn – iedereen dronk veel wijn in dien tijd, en papa’s wijnkoopersrekening was tienmaal hooger dan die van Erith, die zijn wijn, als hij dien noodig heeft, van Fortnum en Mason neemt en er in het geheel geen kelder op nahoudt.”

„Dat was gisteren een bijzonder goed diner, mama,” merkte de listige Henry aan. „Hunne soep was beter dan de onze. Moufflet doet te veel kruiden in alles. De suprême de volaille was zeer lekker – buitengewoon lekker, en de confituren waren beter dan die van Moufflet. Hebt ge de plombière geproefd, mama, en die maraskino-gelei? Verbazend lekkere maraskino-gelei!”

Lady Agnes stemde zoowel met deze gevoelens van haar zoon als met schier al zijn andere oordeelvellingen in, waarop hij het gesprek behendig voortzette met de woorden:

„Mooi huis, dat van die Clavering’s. Gemeubeld zonder naar de kosten te vragen. Prachtig zilverwerk, mama,” welke opmerkingen de moeder mede toestemde.

„Aardige menschen, die Clavering’s.”

„Hm!” zeide Lady Agnes.

„Ik weet wat gij bedoelt. Lady C. is niet heel distinguée, maar uiterst goedhartig.”

„Dat is zij,” erkende mama, die zelve eene der goedhartigste der vrouwen was.

„En Sir Francis spreekt niet veel in tegenwoordigheid van dames, maar na het diner valt hij verbazend mee, mama; dan blijkt het, dat hij een hoogst onderhoudend en zeer knap mensch is. Wanneer zult ge hen te dineeren vragen? Doe het zoo spoedig mogelijk;” en daarop het zakboekje van Lady Agnes inziende, koos hij een dag, die slechts veertien dagen verwijderd was (ofschoon die veertien dagen den jongen heer eene eeuw toeschenen), waarop de Clavering’s in Grosvenor Street zouden genoodigd worden.

De volgzame Lady Agnes schreef de gewenschte uitnoodiging. Zij was gewoon dit te doen zonder voorkennis van haar man, die zijne eigen kringen en gewoonten had, en zijne vrouw hare vrienden alleen liet ontvangen. Henry keek het kaartje in en ontdekte een verzuim, dat hem niet beviel.

„Ge hebt jufvrouw – hoe heet zij ook? – jufvrouw Emery, Lady Clavering’s dochter, niet gevraagd.”

„O, dat kleine nest!” riep Lady Agnes uit. „Neen, die niet!”

„Wij kunnen toch niet nalaten jufvrouw Amory te vragen,” hernam Foker. „Ik – ik zou Pendennis ook willen noodigen, en – en die is dol op haar. Vindt gij niet, mama, dat zij heel mooi zingt?”

„Zij kwam mij al te vrij voor, en naar haar zingen heb ik niet geluisterd. Het had voor mij den schijn, dat zij alleen voor u en mijnheer Pendennis zong. Maar als gij het zoo gaarne wilt, Henry, zal ik haar ook vragen,” en derhalve werd jufvrouw Amory’s naam bij dien harer moeder op de kaart geschreven.

Toen Henry er dit proefstuk van diplomatie zegevierend afgebracht had, omhelsde hij zijne lieve moeder met de grootste innigheid, en begaf zich naar zijne eigen kamers, waar hij zich op zijne ottomane uitstrekte en in stil gepeins verzonken bleef, onder verzuchting naar den dag, die de schoone jufvrouw Amory onder zijn vaders dak zou brengen, en onder het smeden van honderderlei onuitvoerbare plannen om haar te ontmoeten.

Mijnheer Foker junior had bij zijne terugkomst van zijne reis door Europa een knecht meegebracht, die verscheidene talen sprak, de plaats van Domkop vervulde en zich wel verwaardigen wilde aan het diner, bij welke gelegenheid hij een geborduurd overhemd met tal van gouden knoopjes en kettingen aanhad, zijn meester en de oudere leden van het gezin te bedienen. Deze man, die eigenlijk tot geen bepaald land behoorde en alle talen even slecht sprak, was onzen Henry in velerlei opzichten van dienst; hij las de brieven van den argeloozen jonkman, kende zijne geliefkoosde plaatsen van uitspanning en de adressen zijner kennissen, en bediende bij de bijzondere diners, welke de jonge heer gaf. Toen Henry na het gesprek met zijne mama op de sofa, in eene prachtige kamerjapon, onder somber stilzwijgen aan zijne pijp lag te trekken, moet ook Anatole wel bemerkt hebben, dat er iets was dat zijn meester drukte, maar hij legde geene ongepaste meewarigheid met Henry’s ontstemden gemoedstoestand aan den dag. Toen Henry zich begon te kleeden, was hij zeer moeielijk te voldoen; hij was buitengewoon kregelig en moeielijk ten opzichte van zijn toilet; hij paste en verwenschte pantalons van allerlei strepen, ruiten en kleuren; al de laarzen waren ellendig gepoetst; de hemden hadden te schreeuwende patronen. Dien dag overstroomde hij zijne kleederen en zijn persoon met reukwateren, en hoe verbaasd moet de knecht niet gestaan hebben toen de jonge heer, na eenig blozen en aarzelen, vroeg: „Zeg eens, Anatole hebt gij, toen ik u engageerde – hm! – hebt ge toen niet gezegd, dat ge – dat ge kondt – kappen?”

„Ja,” antwoordde de knecht, „dat had hij gezegd.”

„Cherchy alors une paire de tangs – et – krully moi un piou,” zeide mijnheer Foker, alsof het hem niet schelen kon. Nog onzeker of zijn heer verliefd was dan wel naar een gemaskerd bal wilde, ging de knecht de verlangde voorwerpen zoeken, – eerst bij den ouden knecht, die de rol van kamerdienaar bij mijnheer Foker senior vervulde, op wiens kale kruin de tang ternauwernood honderd haren zou gepakt hebben, en vervolgens bij de dame, die met de zorg voor de kastanjebruine toer van Lady Agnes belast was. En toen monsieur Anatole de tang was machtig geworden, krulde hij de lokken van zijn jongen meester zoo lang, dat Henry’s hoofd zoo kroezig als dat van een neger was; waarna de jonkman zich met de uiterste zorg en pracht kleedde en zich gereedmaakte om uit te gaan.

„Hoe laat moet ik het rijtuig bij jufvrouw Calverley laten voorkomen, mijnheer?” vroeg de knecht fluisterend in zeer slecht Engelsch, toen zijn meester heenging.

„Laat haar naar den duivel loopen! – Zeg het diner af! Ik kan niet gaan!” zeide Foker. „Neen, voor den drommel – ik moet gaan. Poyntz en Rougemont, en al die anderen komen. Laat het rijtuig maar ten zes ure aan Pelham Corner zijn, Anatole.”

Dat rijtuig was geen van Foker’s eigen equipages, maar werd bij feestelijke gelegenheden van een stalhouder gehuurd; Foker nam echter dezen morgen zijn eigen rijtuig in gebruik; en met welk oogmerk denkt de geachte lezer wel? Niet anders dan om naar Lamb Court in den Temple te rijden, waarvoor hij zijn weg over Grosvenor Place nam (hetgeen, gelijk ieder weet, in de rechte lijn van Grosvenor Street naar den Temple ligt), bij welke gelegenheid hij het genoegen had naar de paarsche venstergordijnen van jufvrouw Amory te kunnen opzien, na welk genoegen hij naar Pen’s kamer reed. Waarom verlangde hij zoo sterk om zijn vriend Pen te zien? Waarom haakte en snakte hij zoo naar hem en scheen Foker’s leven als het ware er van af te hangen, dat hij Pen dien morgen nog zag, nadat hij hem pas den vorigen avond in de bloeiendste gezondheid verlaten had? Pen woonde reeds twee jaren te Londen en Foker had nog geen half dozijn bezoeken bij hem afgelegd. Wat deed hem nu zoo haastig daarheen snellen?

Wat? – Ik heb alleen maar te zeggen aan de jonge dames, die deze bladzijden lezen, dat, indien haar hetzelfde ongeval overkomt, dat nu sinds meer dan twaalf uren geleden Henry Foker getroffen had, menschen, om wie zij nog den vorigen dag geen zier gaven, haar belangstelling zullen inboezemen; evenals zij aan den anderen kant personen, van welke zij meenden dat zij veel hielden, vervelend en onaangenaam zullen gaan, vinden. Dan zal uwe liefste Eliza of Maria van onlangs, aan wie gij brieven zondt en haarlokken van eene el lang u, plotseling even onverschillig worden als uwe bekenden, bij wie niets zit; terwijl gij daarentegen zulk eene vurige belangstelling voor zijne familie zult opvatten! zulk eene genegenheid en begeerte zult koesteren, om bij zijne mama in een goed blaadje te staan! zooveel zult gaan houden van dien goeden ouden man, zijn vader! Wat zult gij eene moeite doen, indien Hij gewoon is in zeker huis te komen, om daar ook visites te mogen afleggen! Wanneer Hij eene gehuwde zuster heeft, zult gij gaarne heele ochtenden bij haar doorbrengen. Gij zult uwe dienstboden afbeulen, door haar twee of driemaal daags briefjes te zenden, waarbij de dringendste haast is. Gij zult in tranen uitbarsten, als uwe mama u verbiedt zoo dikwijls naar zijne familie te gaan. De eenige van dat gezin, dien gij niet lijden moogt, zal wellicht zijn jongere broeder zijn, die met de vacantie thuis is en die altijd in de kamer blijft als gij uwe pas gevonden boezemvriendin, zijn engel van eene jongere zuster, komt bezoeken. Iets van dezen aard zal u overkomen, jonge dames, of laten wij althans hopen, dat het u overkomen zal. Ja, gij moet de heete en koude vlagen van die genoeglijke koorts doorstaan. Als uwe moeders het maar bekennen wilden, zouden zij u zeggen, dat zij dat ook doorstaan hebben voordat gij geboren waart, en dat natuurlijk uw lieve papa – want wie had het anders kunnen zijn dan hij? – het voorwerp dier genegenheid was. En gelijk gij de ziekte ondergaat, zal het ook met uwe broeders op hunne manier en naar hun aard het geval zijn; zelfzuchtiger, levendiger en eigenzinniger dan gij, zullen zij hun lot te gemoet snellen, zoodra de voorbeschikte toovenares verschijnt. Of indien dit met u en met hen het geval niet is, dan sta de hemel u bij! Gelijk de speler van zijne dobbelsteenen zeide: liefhebben en winnen is het allerbeste, en dan volgt liefhebben en verliezen. Men sterft niet aan die ziekte; dat overkomt slechts weinigen. Het brave maar gewonde hart lijdt en overleeft het. Hij is geen man en zij is geen vrouw, die er in den strijd niet door overwonnen wordt en het daarna niet zelf weer overwint..... Indien wij dan nu vragen waarom de heer Henry Foker zoo’n haast maakte om Arthur Pendennis op te zoeken, hem plotseling op zoo hoogen prijs stelde en zooveel achting voor hem koesterde, dan kunnen wij gerust zeggen, dat dit daaruit voortsproot, dat Pen werkelijk veel waard was geworden in de oogen van mijnheer Foker, omdat Pen, indien hij niet de roos was, althans in de nabijheid van die geurige bloem der liefde had vertoefd. Was hij niet gewoon ten haren huize in Londen te komen? Woonde hij niet dicht bij haar op het land? Wist hij niet alles van de toovergodin? Wat zou Lady Anna Milton, de nicht en verloofde van mijnheer Foker, wel gezegd hebben, indien zij alles geweten had wat er in den boezem van dat luchtige heertje omging?

Helaas toen Foker in Lamb Court kwam en zijn rijtuig ter bewondering overliet aan de klerkjes, die onder den booggang slenterden welke naar Flag Court loopt, van waar men in Upper Temple Lane komt, bevond Warrington zich wel op de kamers, maar Pen was afwezig; hij was naar de drukkerij gegaan om proeven te corrigeeren. Warrington vroeg of Foker eene pijp wilde rooken, en of hij de schoonmaakster naar het Haantje zou zenden om eene kan bier, terwijl hij aangenaam verrast was door het schitterende toilet van dezen jeugdigen aristocraat, met zijne fijne geuren en blinkende laarzen. Maar Foker had hoegenaamd geen trek in tabak of bier; hij had zeer belangrijke zaken omhanden, zeide hij, en dus ijlde hij heen naar het bureau der Pall Mall Gazette, altijd in de hoop van Pen aan te treffen. Toen hij daar kwam, was Pen weer vertrokken. Foker had hem noodig, om met hem een bezoek bij Lady Clavering te gaan afleggen. Foker reed hopeloos weg en bracht een paar uren in de clubs zoek, en toen het visite-tijd werd, oordeelde hij, dat het niet anders dan fatsoenlijk en beleefd zou zijn, dat hij naar Grosvenor Place reed en een kaartje voor Lady Clavering afgaf. Hij had den moed niet, naar haar te vragen toen de deur geopend werd, en hij gaf dus slechts in stomme smart aan James twee kaartjes over, waarop Henry Foker gegraveerd stond. James nam ze aan en boog zijn gepoeierd hoofd. De geverniste deuren werden weer toegeslagen. Het geliefde voorwerp, ofschoon zoo nabij, was even ver van hem als ooit. Hij meende, dat hij de klanken van eene piano en van eene zingende sirene uit de zaal hoorde galmen en over het balkon met geraniums zweven. Hij zou gaarne gebleven zijn om te luisteren, maar dat mocht niet. „Rijd naar Tattersall,” zeide hij met eene door aandoening gesmoorde stem tegen den knecht, „en breng mijn paard hier,” voegde hij er bij, waarop de man snel wegreed.

Het geval wilde, dat de prachtige barouchet van Lady Clavering, die in een vorig hoofdstuk verre beneden verdiensten beschreven is, juist voor hare deur opreed, toen Foker het paard besteeg, dat hem wachtte. Hij beklom het vurige dier, slenterde rondom den ingang van het Groene Park en hield het rijtuig nauwkeurig in het gezicht, tot hij Lady Clavering zag instappen en te gelijk met haar – wie kon die engelachtige gedaante anders zijn dan de toovergodin, in een soort van hemelsch gewaad gehuld, met een paarschen hoed en eene lichtblauwe parasol, – wie anders dan jufvrouw Amory?

Het rijtuig voerde zijne schoone eigenaressen naar den mutsen- en kantwinkel van madame Rigodon, naar den tapisseriewinkel van jufvrouw Walsey, en wie weet naar hoeveel andere magazijnen van vrouwelijke handelsartikelen? Vervolgens reden de dames naar Hunter, om een glas ijs te gebruiken, want Lady Clavering was verzot op vertoon in hare gewoonten en uitspanningen, en hield er niet alleen van, in het opzichtigste rijtuig door Londen te rijden, maar ook zich daarin te laten zien; en derhalve at zij, met een witten hoed door eene gele veder gekroond, eene portie rozenkleurig ijs in den zonneschijn voor Hunter’s deur, totdat Foker op zijn paard en de rijknecht, die hem vergezelde, schier doodmoe waren geworden van het wachten.

Eindelijk echter sloeg zij den weg naar het Park in, en de vlugge Foker snelde voorwaarts. En om wat te doen? Om een knikje van herkenning van jufvrouw Amory en hare moeder te ontvangen; om beiden op den wandelrit zesmaal voorbij te rijden; om van den overkant van den vijver, waar de heeren te paard zich verzamelen als de muziek in de Kensington Gardens speelt, haar in het oog te houden en te belonken. Wat heeft men er aan, over een vijver heen naar eene dame met een paarschen hoed te kijken? Welk voordeel ter wereld kan men uit een hoofdknik trekken? Het is zonderling, dat de mannen met een dergelijk genoegen tevreden zijn, of, zoo niet tevreden, er toch zoo naar verlangen. Henry, wien het spreken anders zoo vlot afging, wisselde dien dag geen enkel woord met de godin van zijn hart. Zwijgend zag hij haar naar haar rijtuig terugkeeren en wegrijden, onder de eenigszins ironische groeten der jonge heeren in het park. De een zeide, dat de Indische weduwe de roepijen van haar vader snel onder de menschen wist te brengen; een ander beweerde, dat zij zich levend had moeten verbranden en het geld aan hare dochter nalaten. Eén vroeg er naar, wie Clavering was; en de oude Tom Eales, die iedereen kende en geen dag liet voorbijgaan zonder op zijn schimmel in het park te komen, was zoo goed hem in te lichten, dat Clavering een landgoed geërfd had, dat tot de volle waarde gehypothekeerd was, dat er verduiveld leelijke praatjes over hem geloopen hadden toen hij een jongmensch was, dat men van hem vertelde dat hij aandeel had in een speelhuis of zoogenaamde „hel,” en dat het zeker was, dat hij zich bij zijn regiment als een lafaard had doen kennen. „Hij speelt nog altijd,” besloot Eales, „en zit bijna elken avond in eene hel.”

„Dat geloof ik wel, sedert zijn huwelijk,” zeide een grappenmaker.

„Hij geeft drommels goede diners,” merkte Foker aan, die voor zijn gastheer van den vorigen dag partij trok.

„Dat wil ik wel gelooven, en ook dat hij Eales niet uitnoodigt,” hernam de snaak. „Zeg eens, Eales, dineert gij bij de Clavering’s – bij de begum?”

„Ik daar dineeren?” riep Eales uit, die bij Beëlzebub zou gedineerd hebben als er een goede kok was, en dan, na zijn vertrek, zijn gastheer zwarter zou gemaakt hebben dan het noodlot reeds gedaan had.

„Het had licht het geval kunnen zijn, ofschoon gij zooveel kwaad van hen spreekt,” zeide de grappenmaker weer. „Men zegt, dat het er zeer prettig is. Clavering gaat na het diner zitten dutten, de begum drinkt zich een roes aan kersenbrandewijn, en de jonge dame zingt liedjes voor de jonge heeren. Zij zingt mooi, niet waar, Foker?”

„Heerlijk,” zeide Foker. „Weet je, Poyntz, ze zingt als eene – hoe is het ook? – je weet wel wat ik meen – als eene meermin, weet je, maar zoo heet het niet.”

„Ik heb nooit eene meermin hooren zingen,” zeide mijnheer Poyntz, de grappenmaker. „Wie heeft ooit eene meermin gehoord? Eales, ge zijt oud genoeg, – hebt gij er ooit eene gehoord?”

„Houd mij niet voor den gek, Poyntz,” zeide Foker, die rood werd en bijna de tranen in de oogen kreeg; „ge weet wel wat ik bedoel; het zijn die – die – in Homerus. Ik heb nooit gezegd, dat ik geleerd was.”

„En nooit heeft iemand anders het van u gezegd, beste jongen,” antwoordde Poyntz, waarop Foker zijn paard de sporen gaf en met het hart vol aandoeningen, vol wenschen, vol teleurstellingen, Rotten Row afdraafde. Het speet hem erg, dat hij in zijn vroeger tijd zoo weinig werk van zijne boeken had gemaakt; anders had hij al die jonge heeren, die haar omringden, en die vreemde talen met haar spraken en verzen schreven en teekeningen in haar album maakten en en zoo meer – de loef kunnen afsteken. „Wat ben ik, bij haar vergeleken?” dacht de kleine Foker. „Zij is geheel ziel, dat is zij, en kan verzen schrijven en muziek componeeren, zoo gemakkelijk als ik een glas bier drinken. Bier? – ja, voor den duivel, dat is het eenige, waarvoor ik geschikt ben – voor bier drinken! Ik ben een arme, domme kleine rekel, goed voor niets dan voor Foker’s bier. Ik heb mijne jeugd verspild en mijn werk door mijne kameraden laten maken. En wat is nu het gevolg? O, Henry Foker, wat zijt ge een verwenschte kleine ezel geweest.”

Onderwijl hij die moedelooze alleenspraak hield, draafde hij uit Rotten Row het Park in en reed bijna eene groote oude familiekoets omver, die hij niet gezien had, en waaruit een helder stemmetje hem toeriep: „Henry! Henry!” Toen hij dus opkeek, zag hij zijne tante Lady Rosherville met twee harer dochters, van welke zij, die hem aangeroepen had, zijne verloofde, Lady Anna, was.

Met een bleek en verschrikt gelaat deinsde hij terug, want een denkbeeld, dat nog den ganschen dag niet bij hem opgekomen was, schoot hem door den geest. Daar zat zijne toekomst op de achterbank van het rijtuig.

„Wat deert u, Henry, dat gij zoo bleek ziet?” vroeg Lady Anna. „Gij zijt weer te veel uitgegaan en aan het rooken geweest, ondeugende jongen.”

„Hoe vaart ge, – tante? Hoe vaart ge, Anna?” vroeg Foker, geheel van streek, mompelde iets van weinig tijd te hebben (en inderdaad zag hij op de klok van het Park, dat hij het bestelde rijtuig bijna een uur had laten wachten) en wuifde de dames een vaarwel toe. Het mannetje en het paardje waren binnen een oogenblik uit het gezicht, en de groote koets rolde weer voort. Niemand daarin stelde veel belang in zijn komen of gaan; de gravin hield zich bezig met haar schoothondje, Lady Lucy vestigde hare oogen en gedachten op een bundel preeken, en Lady Anna de hare op een nieuwen roman, dien de zusters juist uit de leesbibliotheek ontvangen hadden.

EEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

BRENGT DEN LEZER TE RICHMOND EN TE GREENWICH.

De arme Foker vond het diner, te Richmond de vervelendste uitspanning, waaraan ooit een sterveling zijne guinjes verkwistte. „Ik verwonder mij, hoe ik ooit iets met die menschen heb opgehad,” dacht hij. „Ik kan de rimpels onder Rougemont’s oogen zien, en het blanketsel ligt zoo dik op hare wangen als bij een clown in de pantomime! De platte taal van die Calverley stuit mij; ik heb een hekel aan overmoed in eene vrouw. En die oude Colchicum! die oude Col, die in zijn brougham, met zijne kroon er op, hier komt en tusschen mademoiselle Coralie en hare moeder aanzit! Het is al te erg! Een pair van Engeland en eene paardrijdster van Franconi! Het deugt niet! bij den hemel, het deugt niet! Ik ben niet trotsch; maar daarmee wil ik mij niet meer inlaten!”

„Een dubbeltje om uwe gedachten te mogen weten, Foky!” riep juffer Rougemont, de sigaar van tusschen hare met vermiljoen beschilderde lippen nemende, tegen den in gepeins verzonken jonkman, die aan het hoofd der tafel zat bij versmeltend ijs en aangesneden ananassen en leege en volle flesschen en sigaar-asch, op de vruchten gevallen, kortom bij de ruïnen van een dessert, dat niets bekoorlijks voor hem had.

„Zou Foker ooit denken?” riep mijnheer Poyntz op lijmerigen toon. „Foker, gij hoort, dat eene schoone kapitaliste aan dit eind van de tafel eene aanzienlijke som biedt voor de vruchten, die uw hooggeschat en scherpzinnig brein op het oogenblik voortbrengt, ouwe jongen!”

„Waar drommel spreekt die Poyntz nu over?” vroeg mevrouw Calverley aan hare buurvrouw. „Ik heb een hekel aan hem, met zijne lijmerige en spottende spraak.”

„Wat een mal kereltje is die kleine Fokère, mylord,” zeide mademoiselle Coralie in hare eigen taal en met de neusklanken van dat zonnige Gascogne, waar hare donkere wangen en schitterende zwarte oogen hun vuur verkregen hadden. „Wat een kluchtig ventje! Hij ziet er uit, alsof hij nog geen twintig jaar was.”

„Ik wenschte, dat ik zijn leeftijd nog had,” zeide de eerwaardige Colchicum met een zucht, en boog zijn purperen gelaat over een groot glas wijn.

„C’te jeunesse! Peuh! je m’en fiche,” zeide mevrouw Brack, Coralie’s mama, en nam eene groote prise uit Lord Colchicum’s fraaie gouden snuifdoos. „Je n’aime que les hommes faits, moi. Comme milor. Coralie! n’est-ce pas que tu n’aimes que les hommes faits, ma bichette?”

„Gij vleit mij, mevrouw Brack,” zeide mylord met een grijns.

„Taisez-vous, maman, vous n’êtes qu’une bête,” riep Coralie, terwijl zij hare sterke schouders ophaalde; waarop mylord hernam, dat zij voorzeker niet vleide, en te gelijk zijne snuifdoos in zijn zak stak, daar hij niet verlangde, dat mevrouw Brack hare min zindelijke vingers al te dikwijls in zijne „macuba” zou dompelen.

Wij behoeven geen breedvoerig verslag van het levendige gesprek te geven, dat gedurende het overige van het feest gevoerd werd, want het zou niet tot bijzondere stichting van den lezer kunnen bijdragen. We behoeven ook wel niet te verzekeren, dat niet al de dames van het corps de ballet op jufvrouw Calverley gelijken, evenmin als de pairs op hun doorluchtigen medebroeder, wijlen den betreurden burggraaf Colchicum. Maar wij herinneren er ons nog zeer goed, die aan het gezelschap der onstuimige jeugd de voorkeur gaven boven dat van mannen van hun eigen leeftijd en rang, en die met hunne kostbare ondervinding en voorbeeld de jongelui voorgingen; en eveneens hebben er zeer geachte mannen bestaan, die niet zoozeer tegen de soort der uitspanningen bedenking hadden, als wel tegen de ruchtbaarheid, die deze konden verkrijgen. Ik houd mij, bij voorbeeld, overtuigd, dat onze vriend majoor Pendennis, niets tegen zulk een partijtje zou gehad hebben, mits het en petite comité ware geweest en mannen als Lord Steyne en Lord Colchicum er aan hadden deelgenomen. „Laten de jongelui hun genoegen nemen,” zeide deze waardige leidsman meer dan eens tegen Pen. „Ik behoor niet tot de onhandelbare zedepreekers; ik ben voor den drommel een oud man van de wereld; en ik weet, dat jongelui jongelui zullen blijven, zoolang de wereld bestaat.” En er waren dan ook eenige jongelui, aan welke deze achtenswaardige wijsgeer ongeveer zeventig jaren vergunde, om uit te razen; maar dat waren lui van aanzien.

Mijnheer Foker bracht dien avond zijne schoone gasten met zijn rijtuig naar haar huis in Brompton; maar hij was gedurende het kleine tochtje van Richmond af aanhoudend in gepeins en somberheid verzonken; hij luisterde niet naar de vrienden, die achter hem, of op den bok naast hem zaten, en wierp er niet als naar gewoonte zijne eigen grappen tusschen. En toen de dames, die hij reed, hare woning bereikt hadden en haar ervaren koetsier vroegen, of hij niet wilde binnenkomen, om nog een slokje te gebruiken, bedankte hij op zulk een melancholischen toon, dat zij onderstelden dat hij een twist met „zijn ouwe” had gehad, of dat hem eenige andere tegenspoed had getroffen; hij vertelde echter aan deze menschen niet wat de reden van zijn verdriet was, maar verliet mesdames Rougemont en Calverley, zonder acht te slaan op het roepen van deze laatste, die, als Jezabel over haar balkon gebogen, hem verzocht spoedig weer zoo’n partij te geven.

Hij zond het rijtuig met een der knechts naar huis en ging met de handen in den zak en in diep gepeins te voet verder. Maan en sterren prijkten kalm aan het hemelgewelf en zagen op mijnheer Foker neder, gelijk hij van zijn kant sentimenteel naar hen opkeek. Hij ging het huis op Grosvenor Place voorbij en staarde naar de vensters, welke hij voor die van het geliefde voorwerp hield, en daarbij zuchtte en kreunde hij zoo akelig, dat het de aandacht van diender X. trok, die aan de bedienden van Sir Francis Clavering vertelde, – toen zij, na mevrouw uit de Fransche opera thuis gebracht te hebben, aan de naaste herberg een glas bier dronken, – dat er dien avond weer een vent rondom het huis gezworven had, een klein kereltje, die nog al fatterig gekleed was.

Van nu af begon mijnheer Foker, met eene sluwheid, een overleg en een moed, die alleen aan zekeren hartstocht eigen zijn, jufvrouw Amory in Londen op den voet te volgen en zich overal te vertoonen waar hij hoop had haar te ontmoeten. Wanneer Lady Clavering naar de opera ging, waar mylady eene loge had, kon men mijnheer Foker, die – gelijk wij gehoord hebben – in de kennis der Fransche taal niet uitmuntte in eene der stalles zien. Hij wist te vernemen waar zij genoodigd was (het is niet onmogelijk, dat zijn knecht Anatole met Sir Francis Clavering’s gentleman bekend was en op die wijze inzage kreeg van mylady’s zakboekje) en op vele dier partijen vertoonde zich ook mijnheer Foker, – tot verbazing van de wereld en inzonderheid van zijne moeder, die hij verzocht uitnoodigingen tot die partijen, waarvoor hij tot dusverre den grootsten afkeer aan den dag had gelegd, voor hem te vragen. Hij vertelde aan Lady Agnes, die er zeer verheugd over was en volstrekt geen achterdocht koesterde, dat hij naar die partijen wilde gaan, omdat hij wat van de wereld behoorde te zien; hij maakte haar diets, dat hij naar den schouwburg ging om zich in de taal te oefenen, daar men die niet beter kon leeren dan door een blijspel of vaudeville; en toen Lady Agnes, buiten zich zelve van verwondering, hem op een avond zag opstaan om te dansen en hem haar compliment maakte over zijne nette en vlugge passen, verzekerde haar de kleine schelm van een leugenaar, dat hij te Parijs het dansen had geleerd, terwijl Anatole integendeel wist, dat zijn jonge meester in stilte naar eene dansschool in Brewer Street ging en zich daar des morgens eenige uren oefende. De casino’s van den tegenwoordigen tijd waren nog niet uitgevonden of verkeerden althans in hunne kindsheid, en de heeren op Foker’s leeftijd hadden niet zooveel gelegenheid om de wetenschap van het dansen machtig te worden als de tegenwoordige jongelingschap.

De oude Pendennis verzuimde zelden den kerkgang. Hij achtte zich als gentleman verplicht de instelling van den openbaren eeredienst te ondersteunen en beschouwde het als plichtmatig, om zich des Zondags in de kerk te vertoonen. Op zekeren dag wilde het toeval, dat hij en Arthur samen ter kerk gingen; deze laatste, die thans hoog in de gunst stond, was ten ontbijt geweest bij zijn oom, van wiens woning zij nu door het Park naar eene kerk niet verre van Belgrave Square gingen. In St. James’ zou eene preek voor een liefdadig doel gehouden worden, zooals de majoor gezien had uit de aanplakbiljetten op de zuilen der kerk zijner wijk, en dit had hem waarschijnlijk bewogen – want hij was van nature zuinig – zijne kerk dien dag links te laten liggen. Maar bovendien had hij voor zich zelven en Pen nog iets anders op het oog. „Wij zullen door het Park heen naar de kerk gaan, neef, en ons dan bij de Clavering’s aanmelden en als vrienden om een tweede ontbijt vragen. Lady Clavering heeft gaarne, dat men haar een ontbijt vraagt, en is ongemeen vriendelijk en verbazend gastvrij.”

„Ik heb hen verleden week op het diner bij Lady Agnes Foker ontmoet, oom,” zeide Pen, „en de begum was inderdaad zeer vriendelijk. Dat was zij buiten ook, en dat is zij overal. Maar ik ben het met u eens ten opzichte van jufvrouw Amory, – of ik was het althans met u eens, oom, want de laatste maal toen wij over haar spraken waart gij veranderd.”

„En hoe denkt gij dan nu over haar?” vroeg de oude heer.

„Ik beschouw haar als de uitgeleerdste kleine coquette in Londen,” gaf Pen lachend ten antwoord. „Zij deed een geweldigen aanslag op Henry Foker, die naast haar zat en dien zij met hare gansche oplettendheid vereerde, hoewel ik het was, die haar naar tafel had geleid.”

„Kom! Henry Foker is, gelijk iedereen weet, met zijne nicht geëngageerd; geen slecht overleg van Lady Rosherville, want als de oude Foker sterft en hij is niet sterk; ik weet. Arthur, dat hij verleden jaar eene beroerte heeft gehad – dan zal de jonge Foker niet minder dan veertien duizend pond ’s jaars uit de brouwerij hebben, behalve nog Logwood en de landerijen in Norfolk. Ik ben niet trotsch, Pen; wel wil ik bekennen, dat ik veel opheb met iemand van geboorte; maar voor den drommel, ik heb evenveel op met eene brouwerij, die veertien duizend pond ’s jaars geeft; hè, Pen? Dat zijn de soort van lui, die ik hebben moet. En nu gij voet hebt gekregen in de voorname wereld, geef ik u den raad u aan menschen van dat soort te hechten, – menschen, die bij de welvaart van het land betrokken zijn.”

„Foker hecht zich aan mij, oom,” gaf Arthur ten antwoord. „Hij is in den laatsten tijd meer dan eens op onze kamers gekomen. Hij heeft mij te dineeren gevraagd. Wij zijn bijna even groote vrienden als wij in onzen jongen tijd waren, en van ’s morgens tot ’s avonds heeft hij den mond vol over Blanche Amory. Ik ben zeker, dat hij smoorlijk op haar verliefd is.”

„En ik ben zeker, dat hij geëngageerd is met zijne nicht en dat men hem daaraan houden zal,” zeide de majoor. „De huwelijken in die soort van familiën zijn als het ware staatszaken. De vorige lord noodzaakte Lady Agnes den ouden Foker te trouwen, ofschoon men wist, dat zij verliefd was op haar neef, die later bij Albuera sneuvelde en haar te Drummington uit het water gered had. Ik herinner mij nog zeer goed, Arthur, dat Lady Agnes een buitengewoon schoon meisje was. Maar wat deed zij? Natuurlijk trouwde zij den man, dien haar vader voor haar gekozen had. Nu heeft mijnheer Foker tot op de invoering der reform-bill voor Drummington in het Lagerhuis gezeten, en verduiveld goed voor zijne plaats betaald ook. En reken er op, neef, dat de oude Foker, die een parvenu is en, evenals alle parvenu’s, zeer hoog loopt met groote lui, evenzeer voor zijn zoon als voor zich zelven groote plannen heeft en dat uw vriend Henry zal moeten doen wat zijn vader hem beveelt. Heere bewaar me! Ik heb wel honderd gevallen gekend, dat jonge heeren en dames op elkander verliefd waren. Maar begrijpt ge me wel, Arthur? Zij spartelen tegen en zijn weerbarstig en maken een geweld van belang, maar zij eindigen met naar rede te luisteren, voor den drommel.”

„Blanche is een gevaarlijk meisje, oom,” zeide Pen. „Eenmaal was ik zelf door haar bekoord, en het was ver genoeg gekomen; maar dat is jaren geleden.”

„Wezenlijk? En hoe ver was het gekomen? Moedigde zij u aan?” vroeg de majoor en keek Pen sterk in de oogen.

Lachend gaf Pen ten antwoord, dat er een tijd was geweest, toen hij meende vrij hoog in de gunst van jufvrouw Amory te staan. „Maar,” zeide hij, „mijne moeder was niet met haar ingenomen en de zaak sprong af.” Pen achtte het niet noodig zijn oom alles te vertellen, wat er gedurende die minnekoozerij tusschen hem en de jonge dame was voorgevallen.

„Men zou nog elders te recht kunnen komen en er slechter bij kunnen varen,” zeide de majoor, nog altijd zijn neef met een zonderlingen blik aanziende.

„Hare afkomst, oom! Haar vader was, naar men zegt, stuurman op een schip, en zij heeft ook geen geld genoeg,” merkte Pen met het air van een echten dandy aan. „Wat beteekenen tien duizend pond bij een meisje, dat opgevoed is gelijk zij?”

„Gij gebruikt mijne eigen woorden, en dat is heel goed, Pen; maar ik wil u wel in vertrouwen vertellen – onder stipte geheimhouding, onthoud dit, dat – ik geloof, dat zij een heelen boel meer dan tien duizend pond heeft; en naar hetgeen ik onlangs van haar gezien en – en gehoord heb, komt zij mij drommels talentvol en schrander voor en dunkt mij, dat zij voor een verstandig man eene goede vrouw zou kunnen zijn.”

„Hoe weet gij van haar geld af?” vroeg Pen met een glimlach. „Gij schijnt op de hoogte van ieders zaken te zijn en iedereen in de stad te kennen.”

„Ik weet wel het een en ander, Arthur; maar, let wel, ik vertel niet alles wat ik weet,” antwoordde zijn oom. „En wat die bekoorlijke jufvrouw Amory betreft – want bekoorlijk is zij, dat moet erkend worden – ik zou evenmin boos als verwonderd wezen, indien ik haar mevrouw Arthur Pendennis zag worden; en indien gij tegen die tien duizend pond bedenking maakt, wat zoudt gij dan wel zeggen, mijnheer, indien zij er dertig, veertig of vijftig had?” en de majoor zag Pen met nog meer beteekenis en nog sterker aan.

„Wel, oom,” zeide Pen tegen zijn peetoom en naamgenoot; „maak gij haar dan tot mevrouw Arthur Pendennis! Gij kunt dat evengoed doen als ik.”

„Kom, gij moet den draak niet met mij steken, Arthur.” gaf de oom eenigszins netelig ten antwoord; „en ook moet gij zoo dicht bij de kerk niet lachen. Hier zijn wij bij de St. Benedictus. Naar men zegt, is dominé Oriel zeer welsprekend.”

De klokken luidden, de gemeente stroomde naar het lieve kerkje en de rijtuigen der bewoners van die deftige wijk brachten de schoone kerkgangsters aan, in wier gezelschap Pen en zijn oom, die een einde aan hun stichtelijk gesprek hadden gemaakt, den tempel binnentraden. Ik weet niet of ook de andere menschen tot aan de kerkdeur met de behandeling hunner wereldsche belangen bezig waren. Arthur, die uit gewoonte en gevoel altijd hoogst eerbiedig gestemd was op eene plaats aan den eeredienst gewijd, dacht misschien wel na over de tegenstrijdigheid van hun gesprek met de plaats waar zij heengingen; doch de oude heer, die naast hem zat, was geheel onbewust, dat er zulk een contrast bestond. Zijn hoed was netjes afgeborsteld, zijne pruik onberispelijk opgemaakt, zijne das onverbeterlijk vastgestrikt. Wel zag hij naar ieder lid der gemeente, naar de kale hoofden en de hoeden, de bloemen en de veeren; maar zoo onopgemerkt, dat hij ternauwernood de oogen van zijn boek ophief – zijn boek, dat hij niet zonder bril kon lezen. Pen, van zijn kant, zag zijn ernst op eene zware proef gesteld, toen hij, toevallig den blik op de banken der lakeien slaande, den weledelgeboren heer Henry Foker, die deze plaats des gebeds ontdekt had, naast een stemmig heer in livrei zag zitten. Toen Pen de richting van Henry’s oogen volgde, die dikwijls van zijn boek afdwaalden, bespeurde hij, dat die op een gelen en op een paarschen hoed bleven rusten, en dat die hoeden op de hoofden van Lady Clavering en Blanche Amory prijkten. Zoo, de oom van Pen niet de eenige man is geweest, die tot aan de kerkdeur over zijne wereldsche zaken sprak, zou dan de arme Henry Foker de eenige geweest zijn, die zijne wereldsche liefde in de kerkgewelven meebracht?

Toen de kerk uitging, behoorde Foker onder de eersten, die er uit kwamen, doch Pen voegde zich weinige oogenblikken later bij hem, toen hij nog rondom den ingang slenterde, welken hij liefst niet verlaten wilde voordat mylady en hare dochter in de barouchet met den gepruikten koetsier het tooneel harer godvruchtige oefeningen verlaten hadden.

Zoodra de beide dames naar buiten kwamen, vonden zij de beide Pendennis’en, oom en neef, en Henry Foker, die aan den knop van zijn stok stond te zuigen, in den zonneschijn bij elkander. Hen te zien en ten eten te vragen, was hetzelfde voor de goedhartige begum, die de drie heeren onmiddellijk uitnoodigde het ontbijt bij haar te komen gebruiken.

Ook Blanche was ongemeen lieftallig. „Toe, gij moet komen!” zeide zij tegen Arthur, „als gij niet te voornaam zijt. Ik verlang zóó u te spreken over – maar hier mogen wij niet zeggen over wat, – dat begrijpt ge! Wat zou dominé Oriel er wel van denken?” En de vrome schoone sprong na hare moeder in het rijtuig. „Ik heb het van den eersten tot den laatsten regel gelezen. Het is adorable,” eindigde zij, nog altijd tegen Pen.

„Ik weet wel wie adorable is,” zeide mijnheer Arthur met eene veelbeteekenende buiging.

„Waar hebt ge het over?” vroeg mijnheer Foker, die niet wist hoe hij het had.

„Ik denk, dat jufvrouw Clavering Walter Lorraine bedoelt,” zeide de majoor, met een gewichtig gezicht en een knikje tegen Pen.

„Wel waarschijnlijk, oom. Er stond van morgen iets moois over in de Pall Mall; maar het was van Warrington en ik moet er mij dus niet te veel op verhoovaardigen.”

„Iets moois in Pall Mall! Walter Lorraine! Waar spreekt gij toch over?” vroeg Foker. „Walter Lorraine, dat arme schaap, stierf aan de mazelen, toen wij op de Grauwebroeders-school waren. Ik herinner mij nog, dat zijne moeder overkwam.”

„Gij zijt geen letterkundige, Foker,” antwoordde Pen lachend en nam zijn vriend onder den arm „Gij moet weten, dat ik een roman geschreven heb, waarover sommige bladen zich gunstig hebben uitgelaten. Maar wellicht leest gij de Zondagsbladen niet?”

„Ja wel, ouwe jongen; ik lees geregeld Bell’s Life in London,” gaf mijnheer Foker ten antwoord, waarover Pen weer begon te lachen, en de drie heeren stapten in eene zeer opgeruimde stemming naar Lady Clavering’s huis.

Na het ontbijt werd het gesprek door jufvrouw Amory, die meer van dichters en letterkundigen dan van iets anders hield, en van nature veel kunstgevoel bezat, weer op den roman gebracht. „Sommige gedeelten van het boek hebben mij doen schreien, wezenlijk,” verzekerde zij.

„Het maakt mij gelukkig,” zeide Pen met eenige verwaandheid, „dat ik mij vleien mag, deel aan vos larmes te hebben, jufvrouw Blanche,” en de majoor (die zeker niet meer dan een half dozijn bladzijden van Pen’s boek gelezen had) trok zijn gezicht in eene deftige plooi en zeide: „Ja, er zijn heel aandoenlijke, verbazend aandoenlijke gedeelten in, en –”

„O, als het u aan het schreien brengt,” zeide Lady Clavering, „dan zal ik het niet lezen, – wezenlijk.”

„Kom aan, mama!” zeide Blanche met het schouderophalen eener Française, en daarop ging zij aan het uitweiden over den roman, over de hier en daar ingevlochten verzen, over de beide heldinnen, Leonora en Neaera, over de beide helden Walter Lorraine en zijn medeminnaar, den jongen hertog. „En in wat voornaam gezelschap brengt ge ons,” zeide de jonge dame schalks: „quel ton! Hoeveel jaren hebt ge wel aan het hof doorgebracht, mijnheer Arthur; zijt ge misschien de zoon van een eersten minister?”

Pen begon te lachen en zeide: „Het is voor een romanschrijver even gemakkelijk iemand tot hertog als tot baronet te verheffen. Wil ik u eens een geheim vertellen, jufvrouw Amory? Op verzoek van den uitgever heb ik al mijne personen in rang verhoogd. De jonge hertog was aanvankelijk slechts een jonge baron, en zijn valsche vriend, de burggraaf, was een gewoon burgerman, en zoo is het met al de personen uit het verhaal gegaan.”

„Wat zijt gij toch ondeugend, en satiriek en scherp geworden! Comme vous voila formé!” zeide de jonge dame. „Wat een verschil met Arthur Pendennis op het land! Ach! ik geloof, dat Arthur Pendennis van het land toch nog de beste van beiden was!” en bij die woorden gaf zij hem de volle laag uit hare oogen, – zoowel den teederen en smeekenden lonk naar zijn gelaat, als den zedigen neergeslagen blik op het tapijt, die hare donkere oogleden en hare lange, zijdeachtige wimpers ten gunstigste deed uitkomen.

Natuurlijk beweerde Pen, dat hij in het minst niet veranderd was, waarop de jonge dame met een teederen zucht antwoordde; en nu van oordeel, dat zij genoeg gedaan had om Pen, naar gelang van omstandigheden, gelukkig of rampzalig te maken, ging zij tot het vleien van zijn vriend Henry Foker over, die onder dat letterkundige gesprek stilzwijgend aan den knop van zijn rotting had gezogen, heimelijk wenschende, dat hij zoo’n knappe kerel ware als die Pen.

Indien de majoor gedacht had, dat hij jufvrouw Amory zou weerhouden verder acht te slaan op den jeugdigen erfgenaam van Foker’s Bier, door haar te vertellen, dat mijnheer Foker met zijne nicht, Lady Anna Milton, geëngageerd was (hetgeen de oude heer haar zeer duidelijk meedeelde toen hij aan het ontbijt naast haar zat), dan vergiste hij zich ten eenemale. Zij scheen daardoor slechts des te beminnelijker jegens Foker te worden; zij prees hem, en alles wat hem toebehoorde; zij prees zijne mama, het paard, dat hij in het Park bereed, de lieve snuisterijen, die hij aan zijn horlogeketting droeg, en dat heerlijke rottinkje, en die allerliefste apenkopjes met robijnen oogjes, die Henry’s overhemd versierden en ook tot knoopen van zijn vest dienden. En na den zwakken jonkman aldus zoo lang geprezen en gevleid te hebben dat hij van verrukking bloosde en beefde, en Pen oordeelde dat zij ver genoeg gegaan was, wendde zij over een anderen boeg.

„Ik geloof, dat die mijnheer Foker heel ondeugend is,” sprak zij, zich tot Pen keerende.

„Hij ziet er niet naar uit,” gaf Pen op spottenden toon ten antwoord.

„Ik meen, dat wij heel ondeugende dingen van hem gehoord hebben, niet waar, mama? Wat zeide mijnheer Poyntz ook onlangs over die partij te Richmond? O gij ondeugd!” Maar daar zij zag, dat Henry een zeer verschrikt gezicht zette, terwijl Pen het grappig scheen te vinden, wendde zij zich tot dezen met de woorden: „En ik geloof, dat gij even ondeugend zijt, en dat gij er ook wel bij hadt willen zijn; is het zoo niet? Ik weet, dat gij het wel gewenscht zoudt hebben, ja – en ik ook!”

„Heere bewaar me, Blanche!” riep mama uit.

„Wel, ik zeg het nog eens, dat ik er ook wel bij had willen zijn. Ik heb nooit eene actrice van nabij gezien. Ik zou er alles voor overhebben, er eene te zien, want ik aanbid het talent, en ik aanbid Richmond, dat doe ik, en ik aanbid Greenwich, en dus zeg ik, dat ik daar ook wel eens zou willen zijn.”

„Wel, waarom zouden wij drie heeren de dames niet verzoeken, ons de eer van haar gezelschap te Greenwich te willen schenken?” bracht de majoor hier galant in het midden, tot buitengemeene verbazing van zijn neef. „Moet Lady Clavering ons altijd gastvrijheid bewijzen, en zouden wij haar daarentegen nooit iets mogen aanbieden? Spreek op, jonge heeren! Wel te drommel! daar hebt ge mijn neef met zijne zakken vol geld – zijne zakken vol! en mijnheer Henry Foker, die, naar ik gehoord heb, heel wel af is in de wereld – hoe vaart uwe schoone nicht Lady Anna, mijnheer Foker? – hier zijn nu deze twee jonge heeren, en zij laten een oud man gelijk mij het woord doen. Lady Clavering, wilt gij mij de eer bewijzen mijn gast te wezen? dan zal jufvrouw Blanche die wezen van Arthur, indien zij zoo goed wil zijn.”

„O, dat is heerlijk!” riep Blanche uit.

„Ik houd ook wel van een pretje,” zeide Lady Clavering, „en wij zullen dan een dag nemen, als Sir Francis –”

„Als Sir Francis uit eten gaat, – ja, mama,” liet de dochter er op volgen; „o, dat zal verrukkelijk wezen!”

En een verrukkelijke dag was het. Er werd een diner te Greenwich besteld, en mijnheer Foker, al had hij jufvrouw Amory niet genoodigd, vond eenige heerlijke oogenblikjes gedurende het diner om met haar te spreken, en daarna op het balkon van hunne kamer in het hotel, en andermaal gedurende den terugrit, in de barouchet van mylady. Pen kwam naar Greenwich in Sir Hugh Trumpington’s brougham, welke de majoor voor die gelegenheid te leen had gevraagd. „Ik ben een oud soldaat, voor den drommel,” zeide hij, „en ik heb reeds vroeg in mijn leven geleerd het mij gemakkelijk te maken.”

En daar hij een oud soldaat was, liet hij de beide jonge heeren dan ook gezamenlijk het diner betalen, en onder den ganschen tocht naar huis in den brougham schertste hij tegen Pen over de voorkeur, die jufvrouw Amory hem blijkbaar betoonde, over haar goed voorkomen, hare levendigheid en haar geest, terwijl hij nog aan Pen – onder de diepste geheimhouding – verzekerde, dat zij veel rijker zou wezen dan de menschen dachten.

TWEE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

BEVAT EENE NIEUWE GEBEURTENIS.

Vroeger hebben wij in dit verhaal gemeld, dat mijnheer Pen, gedurende zijn verblijf in het ouderlijke huis, na de te Oxbridge geleden nederlaag, zich met het opstellen van verschillende letterkundige voortbrengselen bezig gehouden en, buiten andere werken, het grootste gedeelte van een roman geschreven had. Dit boek, ontworpen onder den invloed van jeugdige tegenspoeden in de liefde en in geldzaken, was van zeer opgewonden, somberen en hartstochtelijken aard; de wanhoop van Byron, de moedeloosheid van Werther, de bittere spot van den Mephistopheles van Faust, dit alles was in het karakter van den held herhaald en uitgewerkt; want onze jonge heer had pas Duitsch geleerd, en volgde, gelijk bijna alle jongelui van aanleg doen, zijne geliefkoosde dichters en schrijvers na. Bij verscheidene zinsneden in de werken, die hij eenmaal zoozeer op prijs stelde en thans zoo zelden leest, ziet men nog altijd de potloodstrepen, waarmee hij ze in die dagen merkte. Er droppelden wel eens tranen op de bladzijden van het boek, of op die van het handschrift, terwijl de hartstochtelijke jongen met vlugge hand zijne gedachten op het papier bracht. Als hij later het boek opnam, was hij niet meer geschikt of geneigd om de bladen met dien dauw van den vroegeren tijd te besprenkelen, zijn potlood was niet meer zoo vlug met zijne goedkeuring aan te duiden; maar bij het doorloopen van zijn manuscript herinnerde hij zich welke hartstochtelijke aandoeningen het geweest waren, die hem de bladzijden met tranen hadden doen bevochtigen, welke smart het geweest was, die hem de regels in de pen had gegeven. Indien de geheime geschiedenis der boeken, de eigen gedachten en opwellingen van den auteur naast zijn werk konden neergeschreven worden, wat zouden vele dorre boeken belangwekkend, vele vervelende verhalen boeiend worden voor den lezer! Er kwam menige bittere lach op Pen’s gelaat terwijl hij zijn roman overlas, en zich den tijd en de aandoeningen te binnen bracht, die hem onder het schrijven bezield hadden. Wat schenen sommige der verhevene zinsneden hoogdravend, en daarentegen hoe zwak vele andere, waarin hij de volheid van zijn hart meende te hebben uitgestort! Hij zag en erkende thans volmondig, dat menige bladzijde eene navolging van een geliefkoosd schrijver was, ofschoon hij toenmaals oorspronkelijk meende te zijn. Terwijl hij over sommige regels peinsde, herinnerde hij zich de plaats en het uur toen hij ze geschreven had; de schim van dat uitgestorven gevoel keerde onder dit mijmeren terug en hij bloosde bij het zien van die verflauwde verschijning. En wat beteekenden die vlekken op de bladzijden? Als men in de woestijn eene plek aantreft waar de hoeven der kameelen zich in den grond hebben afgedrukt en nog overblijfselen van verdord gras zichtbaar zijn, weet men, dat daar eenmaal water geweest is, en evenzoo was de plaats in Pen’s gemoed ook niet langer groen; de bron der tranen was opgedroogd.

In deze beeldspraak liet hij zich op zekeren morgen tegen Warrington uit, die onder het lezen eene pijp zat te rooken, en Pen smeet met heftige gebaren, als naar gewoonte, zoodra hij in een opgewonden toestand verkeerde, en met een bitteren lach zijn handschrift zoo hard op de tafel neer, dat het theegoed er van rinkelde en de blauwe melk in het kannetje opsprong. Hij had het manuscript den vorigen avond uit eene kist te voorschijn gehaald, die lang onaangeroerd had gestaan, en oude jachtbuizen, oude geschriften uit zijn studententijd, zijn havelooze baret en tabbaard bevatte, met nog andere herinneringen aan zijne jeugd, zijne school en zijn ouderlijk huis. Hij ging in bed het handschrift zitten lezen tot hij er bij in slaap viel, want de aanvang van den roman was een beetje saai, en hij was vermoeid van eene groote partij thuis gekomen.

„Bij den hemel,” zeide Pen terwijl hij de papieren neersmeet, „als ik bedenk, dat ik dit slechts weinige jaren geleden geschreven heb, dan schaam ik mij over mijn geheugen. Ik schreef dit, toen ik voor eeuwig verliefd meende te zijn op die kleine coquette jufvrouw Amory. Ik maakte toen verzen op haar, die ik in den hollen boom verborg en „Amori” toewijdde.”

„Eene heel lieve woordspeling,” zeide Warrington, terwijl hij eene rookwolk wegblies: „Amory – Amori. Er spreekt eene grondige geleerdheid uit. Laat me eens wat van dat prullewerk hooren.” En met die woorden boog hij zich in zijn leuningstoel voorover en pakte Pen’s manuscript met de tang, waarmee hij juist een kooltje aan zijne pijp had willen brengen. En na zich op die wijze in het bezit van het handschrift gesteld te hebben, begon hij te lezen in de Bladen uit het levensboek van Walter Lorraine.

„Zoo valsch als gij schoon zijt! even hardvochtig als bekoorlijk! Bespotting der Liefde!” voegde Walter aan Leonora toe; „welke booze geest heeft u uitgezonden, om mij aldus te folteren? O Leonora.”

„Sla dat maar over,” riep Pen en trachtte het geschrift weer in zijne handen te krijgen, maar zijn makker wilde het niet loslaten. „Of lees het in elk geval niet hardop! Dat heeft betrekking op mijne andere geliefde, mijne eerste – die nu Lady Mirabel is. Ik heb haar gisterenavond bij Lady Whiston gezien. Zij noodigde mij op eene partij, die zij geven zou, en zeide dat wij, als oude vrienden, elkander meer moesten zien. Ofschoon zij sinds twee jaren wist dat ik in de stad was, kwam het niet in haar op, mij te noodigen; doch toen zij Wenham met mij zag spreken en monsieur Dubois, dien Franschen letterkundige, die met een dozijn ridderorden behangen is en er als een maarschalk van Frankrijk uitziet, verwaardigde zij zich mij te vragen. De Clavering’s zullen er dien avond ook komen. Is het niet piquant, aan dezelfde tafel met de twee vrouwen te zitten, voor welke men in liefdevuur geblaakt heeft?”

„Twee liefdevuren! – Twee hoopen uitgebrande sintels,” zeide Warrington. „Komen die beide schoonen in dit boek voor?”

„Allebei, of het lijkt er ten minste eenigszins op,” zeide Pen. „Leonora, die den hertog trouwt, is jufvrouw Fotheringay. Den hertog heb ik gevolgd naar Magnus Charters, met wien ik te Oxbridge was; het portret gelijkt eenigszins op hem; en jufvrouw Amory is Neaera. Waarlijk, Warrington, ik had die eerste vrouw lief! Ik dacht aan haar, toen ik in den maneschijn van Lady Whiston’s partij terugkeerde, en al die vroegere tooneelen stonden mij weer voor den geest, alsof zij pas gisteren gebeurd waren. En toen ik thuis kwam, haalde ik de geschiedenis voor den dag, die ik drie jaar geleden over haar en de andere geschreven had; hoe overdreven de roman ook zij, weet je, zit er toch wat goeds in, en als Bungay de uitgave niet ondernemen wil, denk ik dat Bacon het wel zal doen.”

„Dat is zoo de manier van de dichters,” zeide Warrington. „Zij worden verliefd, bedriegen het meisje, of worden zelf bedrogen; het doet hun pijn en zij schreeuwen het uit, dat zij meer lijden dan eenig ander sterveling; en als zij dan aandoeningen genoeg ondervonden hebben, schrijven zij die op in een boek en brengen dit aan de markt. Alle dichters en alle letterkundigen zijn kwakzalvers: want zoodra iemand zijne gevoelens voor geld verkoopt, is hij een kwakzalver. Als een dichter pijn in het lijf krijgt, omdat hij te veel gegeten heeft, schreeuwt hij harder ai! ai! dan Prometheus.”

„Vermoedelijk omdat een dichter gevoeliger is dan een ander mensch,” zeide Pen niet geheel ten onpas. „Dat is het, wat hem tot dichter maakt. Ik houd het er voor, dat hij scherper ziet en gevoelt; dat is het, wat hem doet spreken van hetgeen hij gevoelt en ziet. Gij, van uw kant, schreeuwt hard genoeg in uwe hoofdartikelen, zoodra gij eene drogreden bij uwe tegenpartij opmerkt, of een kwakzalver in het parlement ontdekt. Paley, die geen zier geeft om iets anders ter wereld, zal een uur lang over eene rechtsquaestie spreken. Gun een ander het voorrecht, dat gij u zelven toekent; gun hem het vrije gebruik van zijne vermogens en laat hem dát wezen waartoe de natuur hem gemaakt heeft. Waarom zou iemand zijne sentimenteele aandoeningen niet evengoed mogen verkoopen als gij uwe staatkundige denkbeelden, of Paley zijne rechtsgeleerde kennis? Dat is alles eene zaak van ondervinding en praktijk. Het is het geld niet, dat u eene valsche stelling doet ontdekken, of Paley een gevoelen doet volhouden, maar een natuurlijke en door oefening gescherpte aanleg voor die onderkenning der waarheid; en een dichter werpt zijne gedachten en ervaringen op het papier gelijk een schilder een landschap of een gelaat op het doek brengt, naar zijn best vermogen en volgens den aard van zijn talent. Als ik me ooit verbeeld dat er genoeg in mij zit om een heldendicht te schrijven, bij den hemel, dan zal ik het doen! En als ik gevoel, dat ik alleen goed genoeg ben om eene aardigheid te vertellen, of een verhaaltje te schrijven, dan zal ik dat doen.”

„Niet kwaad gesproken, jonge heer,” zeide Warrington, „maar dat neemt niet weg, dat alle dichters kwakzalvers zijn.”

„Hoe? – Homerus, Æschylus, Shakespeare en al die anderen?”

„Deze namen mogen niet in één adem genoemd worden met ulieden pygmeën,” zeide mijnheer Warrington; „er is onderscheid tusschen mannen en mannen, mijnheer.”

„Welnu, Shakespeare was een man, die om geld schreef, evenals gij en ik,” antwoordde Pen, waarop Warrington hem naar den drommel wenschte, tot zijne pijp terugkeerde en weer in het manuscript begon te lezen.

Er kon dus niet de minste twijfel bestaan, dat dit geschrift een groot gedeelte van Pen’s persoonlijke ervaringen bevatte, en dat de Bladen uit het levensboek van Walter Lorraine nooit zouden geschreven zijn, indien Arthur Pendennis’ eigen smarten, hartstochten en dwaasheden niet bestaan hadden. Daar wij die in het eerste deel dezer levensbeschrijving hebben leeren kennen, zullen wij geen lange uittreksels uit den roman Walter Lorraine behoeven te geven, waarin de jonge heer die voorvallen en gevoelens uit vroeger tijd had geschetst, welke hij meende dat geschikt waren om den lezer te boeien of den loop van het verhaal te bevorderen.

Ofschoon de roman nu was blijven liggen bijna de helft van den tijd gedurende welken een kunstwerk, volgens de bewering van Horatius, moet liggen om te rijpen (eene stelling, wier waarheid sterk betwijfeld mag worden), had mijnheer Pen dien niet zoo lang weggeborgen, opdat het werk des te beter zou worden, maar omdat hij niet wist wat hij er anders mee zou doen en geen bijzonderen lust gevoelde om het geschrift te zien. Een schrijver, die een werk tien jaar lang wegbergt alvorens hij het aan de wereld wil meedeelen, of er zijn eigen meer gerijpt oordeel over wil laten gaan, behoort wel heel zeker te zijn van de verdienste of de duurzaamheid van zijn arbeid; anders zou het wel eens kunnen gebeuren, als hij het uit zijn schuilhoek te voorschijn haalt, dat het, gelijk geringe wijn, den geur had verloren, dien het eenmaal bezat, en smakeloos bleek te zijn als het geopend werd. Er bestaan werken van allerlei smaken en geuren, lichte en zware, sommige, die door het liggen verbeteren, en andere, die in het geheel niet bewaard kunnen worden, maar bij den eersten teug aangenaam zijn en verfrisschen en schitteren.

Pen had zelfs in de dagen van zijne jeugdige onervarenheid en van zijne levendigste verbeeldingskracht geen oogenblik de meening gekoesterd, dat het verhaal, hetwelk hij schreef, een meesterstuk was, of dat hij op gelijke lijn stond met de groote schrijvers, die hij bewonderde; en toen hij nu zijn kleinen arbeid weer overzag, was hij ten volle overtuigd van de gebreken er van en zeer bescheiden gestemd ten aanzien van zijne verdiensten. Hij begreep, dat zijn werk niet heel mooi was, maar het was niet slechter dan de meeste boeken van dat soort, die in de leesbibliotheken gevraagd werden en gedurende een seizoen opgang maakten. Hij had zelf meer dan één gevierden roman van de toen populaire schrijvers moeten recenseeren, en hij was van oordeel, dat hij evenveel gezond verstand had als die heeren en dames en evengoed Engelsch kon schrijven; en toen hij dus nu zijn vroeger werk doorliep, deed het hem genoegen, dat hij hier en daar zinsneden aantrof, waaruit verbeelding en kracht spraken, en trekken, zoo niet van genie, dan toch van echte hartstochtelijkheid en gevoel. In gelijken geest luidde ook de uitspraak van Warrington, toen de strenge criticus, na een half uur lang in het manuscript gelezen en een paar pijpen gerookt te hebben, met een geweldigen geeuw Pen’s boek neerlegde. „Ik kan nu niet meer van dien poespas lezen,” zeide hij; „maar het komt mij voor, Pen, mijn jongen, dat er wel wat goeds in zit. Er is iets ongekunstelds en frisch in, dat mij wel bevalt. Het waas gaat van de poëzie af, wanneer men zich begint te scheren. In latere dagen kan men er die natuurlijkheid en die onvervalschte rozenkleur niet meer op krijgen. Uw gelaat wordt bleek en krijgt eene vale tint door den invloed der avondgezelschappen; ge zijt genoodzaakt u van krultangen en Macasser-olie te bedienen en de hemel weet wat op uwe snorren te smeren; zij krullen prachtig en ge ziet er zeer indrukwekkend en voornaam uit; maar, och Pen, de lentetijd was toch de beste.”

„Wat drommel hebben mijne snorren met de zaak te maken waarover wij spreken?” vroeg Pen, wellicht geraakt door Warrington’s zinspeling op die gezichtssieraden, welke de jonge heer – om de waarheid te zeggen – op de overdrevenste manier verzorgde, krulde, met olie bestreek, met reukwater begoot en troetelde. „Denkt gij, dat wij iets met Walter Lorraine kunnen doen? Zullen wij hem naar de uitgevers brengen, of een auto da fé van hem maken?”

„Ik zie niet in, dat het tot iets zou dienen als wij hem verbrandden,” antwoordde Warrington, „ofschoon ik grooten lust heb hem op het vuur te werpen, om u voor uwe verfoeielijke kwakzalverij en huichelarij te straffen. Moet ik hem maar verbranden? Gij hecht te veel waarde aan hem, om een haar van zijn hoofd te krenken.”

„Doe ik dat? Daar gaat hij dan!” zeide Pen, en Walter Lorraine vloog van de tafel in den haard. Doch het vuur, dat zijn plicht had gedaan door den theeketel der jongelieden aan den kook te brengen, had zijn werk voor dien dag gestaakt en was uitgegaan, zooals Pen zeer goed wist, en Warrington pakte met een spottenden glimlach voor de tweede maal het manuscript met de tang aan en haalde het uit de onschadelijke sintels.

„O Pen, wat zijt gij toch een kwakzalver!” riep Warrington uit, „en wat nog het ergste is, een onhandig kwakzalver. Ik zag u kijken of het vuur wel uit was, eer gij Walter Lorraine achter de traliën van den haard smeet Neen, wij zullen hem niet verbranden, maar hem aan de Egyptenaren overleveren en hem verkoopen. Wij zullen hem verruilen tegen geld, ja, tegen zilver en goud, en tegen spijs en drank en tabak en lijfgewaden. Deze jongeling zal op de markt wel een goeden prijs opbrengen, want het is een fiksche knaap, al is hij niet oversterk; maar wij zullen hem vet mesten en hem een bad geven en zijn haar krullen, en dan zullen wij hem voor honderd piasters aan Bacon of Bungay verkoopen. Het geschrijf bezit koopwaarde, mijnheer, en ik raad u, als gij weer vacantie neemt, Walter Lorraine in uw valies te steken, hem een meer modern voorkomen te geven, sommige al te wilde ranken weg te snoeien, hoewel met omzichtigheid, en er wat vroolijkheid en spotternij en satire in te lasschen, en dan zullen wij hem ter markt brengen en verkoopen. Het boek is geen achtste wonder der wereld, maar het zal heel wel voldoen.”

„Gelooft ge dat, Warrington?” vroeg Pen met opgetogenheid, want dit was in den mond van zijn cynischen vriend eene groote lofspraak.

„Jonge malloot, ik houd het voor buitengemeen verdienstelijk,” hernam Warrington op vriendelijken toon, „en daar houdt gij het ook voor.” En daarop gaf hij Pen met het manuscript, dat hij in de hand hield, een tikje tegen de wang, waarop deze kant van Pen’s gelaat zoo rood werd als ooit in de eerste tijden, toen hij bloosde, het geval was geweest; hij greep de hand van zijn makker en zeide: „Dank je, Warrington!” met den meesten nadruk. Daarop keerde hij met zijn geschrift naar zijne eigen kamer terug en bracht het grootste gedeelte van den dag met het herlezen van zijn werk op zijn bed door; en hij handelde naar Warrington’s raad en veranderde niet weinig en voegde er heel wat bij, totdat hij aan Walter Lorraine eindelijk ongeveer de gedaante had gegeven, waarin het boek, gelijk de geachte romanlezer weet, later verscheen.

Terwijl hij aan dezen arbeid bezig was, wist de welwillende Warrington de beide heeren, die voor Bacon en Bungay de ter uitgave aangeboden handschriften lazen en beoordeelden, met de grootste nieuwsgierigheid ten aanzien van Walter Lorraine te vervullen waarbij, hij de bijzondere verdiensten van den voornamen schrijver onder hunne aandacht bracht. Het was in de dagen, toen de roman de Man van de wereld opgang onder ons maakte; en Warrington verzuimde niet in het licht te stellen, gelijk hij ook vroeger gedaan had, dat Pen zelf een man uit de groote wereld was en ten huize van sommige der eerste personages des lands ontvangen werd. De eenvoudige en goedhartige Percy Popjoy werd in den arm genomen om zijn invloed op mevrouw Bungay aan te wenden, aan wie hij mededeelde, dat zijn vriend Pendennis bezig was met een werk van den piquantsten aard, dat de gansche stad zou willen lezen, een werk, overvloeiende van geest, genie, satire, gevoel en elke andere goede eigenschap, die men zich kon voorstellen. Wij hebben reeds vroeger gezegd, dat Bungay even weinig verstand van romans als van Hebreeuwsch of algebra had, en geen der boeken, die hij uitgaf en betaalde, las of begreep; maar hij liet zich leiden door de personen in zijn dienst, die deze zaken beoordeelden, en door mevrouw B., en blijkbaar met het oogmerk om tot eene overeenkomst te geraken, vroeg hij Pendennis en Warrington weer ten eten.

Toen Bacon bemerkte, dat Bungay op het punt stond van in onderhandeling te treden, werd hij natuurlijk nieuwsgierig en naijverig en wenschte hij zijn mededinger de loef af te steken. Was er tusschen mijnheer Pendennis en dat akelige huis aan den overkant reeds iets bepaald omtrent het nieuwe boek? Mijnheer Hack, zijn lezer van manuscripten, werd gelast een onderzoek in te stellen en na te gaan of er iets aan kon gedaan worden, en het gevolg van de nasporingen van dien diplomaat was, dat Bacon op zekeren morgen zelf de trap in Lamb Court opzwoegde en aan de deur klopte, waarop de namen der heeren Warrington en Pendennis geschilderd stonden.

Wij moeten bekennen, dat de vertrekken, welke Pen met zijn vriend bewoonde, niet zeer geschikt waren voor een man van de voorname wereld, gelijk de arme Pen afgeschilderd was. Het havelooze karpet was in die twee jaren van gezamenlijke bewoning nog veel haveloozer geworden; de zitkamer was geparfumeerd met eene blijvende tabakslucht; Bacon tuimelde over de emmers der schoonmaakster in den gang; Warrington’s jachtbuis was doorgesleten aan de ellebogen, als gewoonlijk; en de stoel, dien Bacon bij zijne binnenkomst verzocht werd te nemen, brak onder den uitgever in stukken. Warrington begon het uit te schateren en zeide, dat Bacon den verkeerden stoel gekregen had, zoodat hij Pen verzocht een anderen uit zijne slaapkamer te halen. En toen Warrington opmerkte, dat de uitgever met eene uitdrukking van diepe meewarigheid en verwondering de kale kamer rondkeek, vroeg Warrington hem, of hij de apartementen niet elegant vond en of hij hem met eenige meubelen voor mevrouw Bacon’s gezelschapszaal kon dienen? Bacon wist, dat Warrington een grappenmaker was. „Ik weet nooit hoe ik het met dien snaak heb,” had men hem wel eens hooren zeggen, „en of hij in ernst spreekt, dan wel een loopje met mij neemt.”

Het is zeer mogelijk, dat mijnheer Bacon de beide heeren als bedriegers zou beschouwd hebben, indien er niet op de ontbijttafel eenige uitnoodigingskaarten hadden gelegen, die de post van dien morgen voor Pen had aangebracht en die van eenige zeer aanzienlijke leden der beau monde afkomstig waren, tot wier huizen onze jonge heer toegang had. Toen Bacon er zijn oog op liet vallen, zag hij, dat de markiezin van Steyne op zekeren bepaalden dag „thuis” zou zijn voor mijnheer Pendennis en dat een andere voorname dame zich voorstelde op een anderen avond eene danspartij ten harent te geven. Warrington zag, dat de uitgever die documenten met bewondering beschouwde. „Ja,” zeide hij met het kalmste gezicht van de wereld, „Pendennis is een van de minzaamste jonge heeren, die ik ooit ontmoet heb, mijnheer Bacon. Hij dineert met al de voorname lui van Londen en zal toch met u en mij van harte gaarne eene lamscôtelet eten. Er gaat toch niets boven de minzaamheid van den oud-Engelschen gentleman.”

„Neen, niets,” zeide mijnheer Bacon.

„En gij verwondert u zeker, waarom hij met mij op eene derde verdieping woont, niet waar? Ja, het is inderdaad een zonderlinge smaak van hem. Maar wij houden zeer veel van elkander, en daar ik in geen mooi huis kan wonen, is hij zoo goed deze havelooze kamers met mij te betrekken. Hij is een man, die overal zou kunnen wonen waar hij verkoos.”

„Ik geloof niet, dat het hem hier veel kost,” dacht mijnheer Bacon, en op dit oogenblik trad het voorwerp dezer lofspraken uit het belendende slaapvertrek binnen.

Mijnheer Bacon kwam nu voor den dag met het doel van zijn bezoek. Hij had vernomen, dat mijnheer Pendennis een roman in manuscript had, dien hij gaarne eens zou willen zien, terwijl hij niet twijfelde of zij zouden het over de voorwaarden van uitgave wel eens worden. Welken prijs vroeg hij er voor? zou hij de uitgave niet aan Bacon willen vergunnen? hij zou ons huis zeer onbekrompen vinden, en meer van dien aard. De verrukte Pen zette een onverschillig gezicht, en zeide dat hij reeds in onderhandeling met Bungay was, zoodat hij geen bepaald antwoord kon geven. Dit dreef den ander tot zulke rijkelijke ofschoon nog altijd onbepaalde aanbiedingen, dat Pen begon te denken, dat zich een Eldorado voor hem opende en zijn fortuin van dien dag af gemaakt was.

Ik zal de som niet noemen, die mijnheer Arthur Pendennis eindelijk voor den eersten druk van zijn roman Walter Lorraine ontving, opdat andere eerstbeginnende letterkundigen niet zouden verwachten even gelukkig te zijn als hij, en personen, wier vak het niet is, hun beroep (van welken aard het ook zij) niet zouden laten varen om de wereld van romans te voorzien, waarvan er reeds meer dan genoeg bestaan. Laten jongelieden niet op een dwaalspoor geraken en zich ter kwader ure aan het romanschrijven zetten: laten zij zich toch, tegen één boek dat opgang maakt, zich de vele herinneren, die te recht of ten onrechte mislukken, en zich er dus wijselijk van onthouden; of willen zij het toch wagen, laten zij het dan op eigen risico doen. Deze waarschuwing is natuurlijk niet gericht tot degenen, die reeds romans geschreven hebben. Laten zij hunne waar ter markt brengen; laten zij zich bij Bacon en Bungay en al de uitgevers in Paternoster Row, of in de gansche wereld vervoegen; ik wensch hun het meeste geluk op hunne onderneming. De wereld is zoo groot en de smaak der menschen loopt zoo uiteen, dat er altijd kans van welslagen voor iedereen bestaat en men door genie of goed geluk een prijs kan winnen. Maar hoeveel kans bestaat er om opgang te maken, of om te mislukken, om populariteit te verwerven, of die te behouden als ze eens verkregen is? De één gaat over het ijs, dat hem blijft dragen, en een dozijn anderen volgen hem en vallen er doorheen. Kortom, hetgeen met mijnheer Pendennis gebeurde, is eene uitzondering en alleen op hem zelven toepasselijk, en ik beweer plechtig en zal het tot mijn laatsten ademtocht volhouden, dat het heel wat anders is een roman te schrijven, dan wel geld er voor te krijgen.

Ten gevolge dan van verdienste of van geluk, of van den naijver tusschen Bungay en Bacon, dien Warrington behendig wist aan te vuren (en dien wij elk beginnend romanschrijver met genoegen zullen zien gaande maken bij twee uitgevers), werd Pen’s roman eindelijk voor zekere som gelds verkocht aan een van de twee uitstekende beschermheeren der letteren, met welke wij onze lezers hebben doen kennis maken. Die som was zoo aanzienlijk, dat Pen er aan dacht eene rekening-courant bij een bankier te openen, of een rijtuigje en paard te gaan houden, of naar de eerste verdieping in Lamb Court af te dalen en daar nieuw gemeubelde apartementen te nemen, of naar eene der fashionabele wijken van de hoofdstad te verhuizen.

Dit laatste plan werd door majoor Pendennis sterk aanbevolen. Hij zette groote oogen op, toen hij het fortuintje vernam, dat Pen weervaren was, hetwelk deze laatste, zoodra mogelijk, zich haastte aan zijn oom mee te deelen. De majoor was bijna kwaad, dat Pen zooveel geld ontvangen had. „Wie drommel leest dat soort van dingen?” dacht hij, toen hij vernam welk een koop Pendennis gesloten had. „Ik lees nooit romans of zulke zaken. Met uitzondering van Paul de Kock, die mij bepaald doet lachen, geloof ik niet, dat ik in dertig jaar zoo’n boek in handen heb genomen. Die Pen is toch een gelukskind! Mij dunkt, hij kan zoo’n roman wel in eene maand schrijven, – laten wij er eene maand voor stellen, dat is twaalf in een jaar. Wat drommel! hij kan dien onzin een jaar of vier blijven schrijven en dan is hij schatrijk. Intusschen zou ik wel wenschen, dat hij er fatsoenlijk van leefde, deftige apartementen nam en rijtuig hield.” En op grond van deze eenvoudige berekening gaf de majoor zijn raad aan Pen.

Lachend vertelde Arthur aan Warrington wat zijn oom hem geraden had, maar gelukkig bezat hij een veel verstandiger raadgever in zijn vriend en in zijn eigen bewustzijn, die hem zeiden: „Wees dankbaar voor dit gelukje en bega nu geen buitensporigheden. Betaal Laura af!” Hij schreef haar dan ook een brief, waarin hij haar van zijn dankbaarheid en zijn achting verzekerde, en sloot er een zoo aanzienlijk gedeelte van zijn schuld in, dat deze er bijna geheel door werd uitgedelgd. Er was wel reden voor de weduwe en Laura zelve om aangedaan te worden door dien brief. Hij was met echte teederheid en zedigheid geschreven; en toen de oude doctor Portman dat gedeelte van den brief las, waarin Pen, met een hart, van erkentelijkheid overvloeiende, nederig den hemel dankte, die hem thans met voorspoed gezegend en hem in zijn tegenspoed zulke dierbare en hulpvaardige vrienden gezonden had om hem te ondersteunen, toen bleef den ouden predikant de stem in de keel steken en kneep hij de oogen zenuwachtig dicht achter de glazen van zijn bril. En toen de doctor de lezing voltooid en den bril van zijn neus genomen en, na den brief weer te hebben toegevouwen, dien aan de weduwe teruggegeven had, ben ik verplicht te zeggen dat hij, na de hand van mevrouw Pendennis eenige oogenblikken te hebben vastgehouden, die dame naar zich toe trok en haar werkelijk kuste; na welke omhelzing Helena natuurlijk op des doctors schouder in schreien losbarstte, want haar hart was te vol om een ander antwoord te kunnen geven; en de doctor, die na dit bedrijf erg bloosde, geleidde de dame met eene buiging naar de sofa, waar hij zelf zich naast haar zette, terwijl hij op zachten toon eenige woorden herhaalde van den Grooten Dichter, dien hij zoo liefhad, waarin deze beschrijft hoe hij in de dagen van zijn voorspoed „het hart der weduwe van blijdschap had doen juichen.”

„De brief doet den jongen zeer veel eer, zeer veel eer, mijne waardste,” zeide hij en tikte op den brief, die op Helena’s knie lag, „en ik geloof, dat wij alle reden hebben om er dankbaar voor te zijn, – zeer dankbaar! Ik behoef u niet te zeggen waar wij onzen dank behooren uit te storten, mijne waardste, want gij zijt eene godzalige vrouw; ja, Laura-lief, uwe moeder is eene godzalige vrouw. En, mevrouw Pendennis, ik zal een exemplaar van het boek voor mij zelven, en een ander voor het leesgezelschap bestellen.”

Wij kunnen ons wel overtuigd houden, dat de weduwe en Laura den weg opwandelden, om de diligence te gemoet te gaan, die haar het exemplaar van Pen’s hooggeschatten roman zou brengen, toen dat werk gedrukt en ter verzending gereed was. Evenzeer kunnen wij verzekerd zijn, dat zij het aan elkander voorlazen, en het ook in stilte en afzonderlijk lazen, want toen de weduwe des nachts ten één ure in haar nachtgewaad met het tweede deel, dat zij juist uitgelezen had, uit hare kamer kwam, vond zij Laura in bed bezig met het derde deel te verslinden. Laura liet zich over het boek niet veel uit, maar Helena verklaarde, dat zij er Shakespeare, Byron en Walter Scott in terug vond, en hield zich overtuigd, dat haar zoon zoowel het grootste genie als het beste kind ter wereld was.

Dacht Laura niet over het boek en den schrijver, ofschoon zij er zich zoo weinig over uitliet? Zij dacht ten minste over Arthur Pendennis. De toon van zijn brief, hoe vriendelijk ook, deed haar zeer. Zijn verlangen om dat geld terug te betalen behaagde haar niet. Zij had liever gezien, dat haar broeder hare gift had aangenomen in den zin dien zij bedoeld had, en het griefde haar, dat zij geldzaken met elkaar hadden. Zijne brieven uit Londen, geschreven met de loffelijke bedoeling om zijne moeder te vermaken, waren vol beschrijvingen van de beroemde menschen en de uitspanningen en het prachtvertoon der groote stad. Zou hij niet naar een groot huwelijk uitzien, met dien listigen oom tot leidsman (van wien Laura altijd een grooten afkeer koesterde), dien onverbeterlijken wereldling, die aan niets dan vermaak en hoogen stand en rijkdom dacht? Hij gewaagde nooit van – van den ouden tijd, toen hij van haar sprak. Hij had misschien haar en hen allen verlaten; had hij andere zaken en personen niet vergeten?

Deze gedachten zijn wellicht bij jufvrouw Laura opgerezen, ofschoon zij ze aan Helena niet toevertrouwde en ook niet kon toevertrouwen. Zij hield nog ééne zaak voor de weduwe geheim, welke zij niet openbaren kon, daar zij wist hoe de weduwe er zich over verheugd zou hebben. Dit had betrekking tot eene gebeurtenis, die voorgevallen was gedurende dat bezoek van Laura tijdens de vorige Kerstmisweek bij Lady Rockminster, toen Pen de vacantie bij zijne moeder thuis doorbracht en mijnheer Pynsent, dien men als zoo koel en eerzuchtig beschouwde, zijne hand bepaaldelijk aan jufvrouw Bell had aangeboden. Niemand wist van dat huwelijksvoorstel dan zij zelve, en haar aanbidder; niemand wist ook, dat zij Pynsent had afgewezen. De redenen, die zij den teleurgestelden jonkman daarvoor opgaf, waren waarschijnlijk niet die, welke haar in wezenlijkheid tot die afwijzing aanspoorden, noch die zij aan zich zelve wilde bekennen. „Ik zou een aanbod gelijk, gij mij doet, nooit kunnen aannemen,” sprak zij tot Pynsent, „want gij bekent, dat uwe familie er niet van weet, en ik ben zeker, dat het haar onwelgevallig zou zijn. Er bestaat tusschen ons een te groot verschil van rang. Gij zijt zeer vriendelijk jegens mij, al te goed en te vriendelijk, waarde mijnheer Pynsent, maar ik ben weinig beter dan eene dienstbare.”

„Eene dienstbare!” riep Pynsent uit „Wie heeft u ooit als zoodanig beschouwd? Gij staat met iedereen gelijk.”

„Ik ben thuis ook afhankelijk,” zeide Laura zacht, „en ik zou niet anders willen zijn. Ik ben reeds vroeg wees geworden en ik heb toen de hartelijkste en teederste aller moeders gevonden, die ik beloofd heb nimmer, nimmer te verlaten. Heb de vriendelijkheid hierover niet te spreken – noch onder de uwen, noch elders. Het is onmogelijk.”

„En als Lady Rockminster het u zelve vraagt, zult gij er dan anders over denken?” vroeg Pynsent hartstochtelijk.

„Ook dan niet,” antwoordde Laura. „Ik smeek u, er nooit meer over te spreken. Als gij het doet, zal ik moeten weggaan;” en met die woorden verliet zij hem.

Pynsent riep Lady Rockminster’s voorspraak niet in, want hij wist, dat het vergeefs zou zijn daarop te hopen, en ook sprak hij nooit meer met Laura of iemand anders over dit onderwerp.

Toen de veelbesproken roman eindelijk in het licht verscheen, verwierf hij niet alleen de goedkeuring van onpartijdiger beoordeelaars dan mevrouw Pendennis, maar hij viel ook in den smaak van het publiek en verkreeg snel eene groote populariteit. Eer twee maanden verloopen waren, zag Pen tot zijn genoegen en verrassing, den tweeden druk van Walter Lorraine in de nieuwsbladen aangekondigd, en smaakte hij het genot, de beoordeelingen der verschillende letterkundige bladen en tijdschriften over zijn boek te lezen en naar zijne moeder op te zenden. Hunne aanmerkingen troffen hem niet diep, want de goedaardige jongeling onderwierp zich met de meeste nederigheid aan de afkeuring van anderen. Door hun lof liet hij zich ook niet over het paard tillen, want gelijk de meeste rechtschapen menschen, koesterde hij zijne eigen meening over zijn werk, en als een recensent hem ten onrechte prees, deed het compliment hem meer leed dan genoegen. Maar als eene recensie bijzonder gunstig luidde, was het hem zeer aangenaam die aan zijne moeder te Fairoaks te kunnen zenden en zich de blijdschap voor te stellen, die ze daar verwekken zou. Er zijn karakters – en gelijk wij reeds zeiden, kon men Pen wellicht daaronder rangschikken – die door voorspoed en vriendelijke bejegening verteederd worden, evenals er andere zijn, die, wanneer het geluk hen meeloopt, aanmatigend worden en hard. Gelukkig degeen, die onder goede en kwade buien der Fortuin zedig en welgezind blijft; die in zijne jeugd de voorbeelden der rechtschapenheid voor oogen heeft gehad en als kind het pad der eer heeft leeren betreden, en daardoor geschikt is geworden om aan het lot het hoofd te bieden!

DRIE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

ALSATIA.

Evenals een deurwaarder of verloopen praktizijn, in den omtrek der zetelplaatsen van het recht groot gebracht, kan men Shepherd’s Inn altijd dicht in de nabijheid van Lincoln’s Inn Fields en den Temple vinden. Ergens achter de zwarte gevels en roeterige schoorsteenen van Wych Street, Holywell Street, Chancery Lane ligt dat vierkant van gebouwen voor het oog der buitenwereld verborgen, en men komt er binnen door zonderlinge gangen en wonderlijk rookerige stegen, waarin de zon vergeet te schijnen. De nauwe doorgangen en donkere vensters zijn behangen met de waren van oude kleerenkoopers en handelaars in zoetigheden en koek, in prenten voor de jeugd, in havelooze meubelen en in beddegoed, dat aan alles doet denken behalve aan slapen. Aan de deuren ziet men een aantal belknoppen, en zwermen slordige kinderen spelen in ontelbare groepen op de deurstoepen, of omringen de uitstallingen der vischverkoopers op deze pleinen, welker vochtig plaveisel van het getrappel van houten klompen weergalmt en met nooit ontbrekende modder overdekt is. Liedjeszangers komen hier met akelige keelgeluiden satirieke liederen zingen tegen het Whig-ministerie, tegen de bisschoppen en de geestelijken met vette prebenden, en tegen de Duitsche verwanten van zeker doorluchtig koninklijk geslacht. Hier plaatst zich de poppenkast, die zeker is een publiek te vinden en nu en dan een halven stuiver te ontvangen van de talrijke bewoners dezer huizen. Vrouwen roepen hier op krijschenden toon hare kinderen terug, die in de goten morsen, of, wat erger is, varen tegen hare mannen uit, die met waggelende schreden uit de herberg komen. Er heerscht een eindeloos geraas en leven op die plaatsen, uit welke men op het stille en ouderwetsche vierkante plein van Shepherd’s Inn komt. Op een verwaarloosd grasperkje in het midden verheft zich het standbeeld van Shepherd, dat door een ijzeren hek tegen de baldadigheid der jongens beschermd wordt. De groote zaal der Inn, op welke het wapen van den stichter geschilderd staat, neemt eene der zijden van het vierkant in; de ruime en ouderwetsche kamers loopen twee andere zijden rond, en gaan over de middelpoort heen, die naar Oldcastle Street en aldus naar de groote Londensche Straten leidt.

De Inn is wellicht vroeger door rechtsgeleerden bewoond geweest; maar sinds lang heeft men er leeken in toegelaten; en ik weet niet dat tegenwoordig een enkel der groote kantoren van advocaten of procureurs daar gevestigd is. In eenige der kamers gelijkvloers wordt het kantoor der Polwheedle en Tredyddlum kopermijnen gehouden; in andere dat der Maatschappij tot registreering van gepatenteerde uitvindingen, en tot samenwerking van het genie met het kapitaal. De eenige heer, wiens naam te gelijk hier en op de rol der advocaten voorkomt, is mijnheer Campion, die snorren draagt, twee of driemaal ’s weeks in zijn rijtuig hier komt, en in het West-End zijn kantoor heeft in Curzon Street, Mayfair, waar mevrouw Campion de heeren van den hoogen en den kleinen adel ontvangt, aan wie haar man geld uitleent. In die wijk en op zijne geglaceerde kaartjes is hij Somerset Campion; hier is hij Campion en Co., en hetzelfde haarbosje, dat zijne kin versiert, bot ook uit aan de onderlip van de rest der firma. Als zijne vigilante voor de deur van zijn kantoor stilhoudt, is het heerlijk te zien, hoe rijkelijk het tuig van het paard met wapenschilden bezaaid is. Het schuim vliegt het dier van den bek, terwijl het op het blinkende gebit knabbelt en den kop schudt. De leidsels zijn, evenals de broek van den rijknecht, schitterend wit. De glans dier equipage verspreidt een zonneschijn over die schemerachtige plaats.

Onze oude vriend kapitein Costigan heeft menigen namiddag, als hij op zijne oude pantoffels, in zijne kamerjapon gehuld en met zijn ouden hoed op één oor ronddrentelde, dit rijtuig en dat paard van Campion in oogenschouw genomen. Hij drentelt dáár na het ontbijt in den zonneschijn, als het goed weer is, en legt vervolgens een bezoek af in de woning van den portier, waar hij de kinderen op de wangen tikt en met jufvrouw Bolton over de schouwburgen en „me dochter Lady Mirabel” spreekt. Jufvrouw Bolton was zelve vroeger bij het vak geweest en had weleer in Sadler’s Wells gedanst als de dertiende der veertig leerlingen van den heer Serle.

Costigan woont op de derde verdieping, No. 4, vroeger het verblijf van mijnheer Podmore, wiens naam nog altijd op de deur staat (in het voorbijgaan moeten wij aanmerken, dat op bijna al de deuren in Shepherd’s Inn de naam van iemand anders staat dan van hem, die er woont). Toen Charley Podmore (de verdienstelijke tenorzanger van den Drury Lane schouwburg en de Concertzaal der Achterkeuken) zich in het huwelijk begaf en eene woning in Lambeth betrok, deed hij zijne kamers aan mijnheer Bows en kapitein Costigan over, die er nu samen wonen, en dikwijls kan men er de klanken van mijnheer Bows’ piano hooren wanneer op mooie dagen de vensters openstaan en hij voor zijn genoegen speelt of een leerling – hij heeft er een paar – onderricht. Fanny Bolton, de dochter van de portierster, die hare moeder van haar vroegeren tooneelroem heeft hooren verhalen en nu van begeerte brandt om hare voetstappen te drukken, is een van die leerlingen. Zij heeft voor het tooneel eene goede stem en een lief gezicht en figuurtje; zij houdt de kamers schoon, maakt de bedden op en zet het ontbijt voor de heeren Costigan en Bows gereed, en tot vergoeding geeft deze laatste haar les in de muziek en in het zingen Als de kapitein zich maar niet zoo ongelukkig aan den drank te buiten ging (hetgeen zij echter vooronderstelt dat alle voorname lui met hem gemeen hebben), zou zij hem voor den knapsten heer ter wereld houden, en zij gelooft vast al de verhalen, die hij haar opdischt. Ook van mijnheer Bows houdt zij veel en zij is hem zeer erkentelijk, en dit schuwe en zonderlinge oude heertje draagt haar ook eene vaderlijke genegenheid toe, want zijn hart is door en door liefderijk en hij gevoelt zich nooit op zijn gemak als hij niet iemand liefheeft.

De rijtuigen van voorname bezoekers hebben wel eens voor Costigan’s nederige deur in Shepherd’s Inn gestaan; en als men hem ’s morgens hoort spreken (want zijn avondzang is van vrij wat melancholischer aard), zou men denken, dat Sir Charles Mirabel en diens vrouw hem telkens op zijne kamer bezochten en de bloem van den adel meebrachten, om bij „den ouden man, den braven gepensioneerden kaptein, den armen ouden Jack Costigan”, zooals Cos zich zelven noemt, hunne opwachting te maken.

Het ware van de zaak is, dat Lady Mirabel persoonlijk haar vader is komen bezoeken – hoewel niet in den laatsten tijd – en een kaartje van haar echtgenoot heeft meegebracht (hetgeen nu reeds vele maanden tusschen het spiegeltje boven den schoorsteenmantel in de zitkamer van No. 4 prijkt). Daar zij welwillend gezind is en ernstig hare plichten tracht na te komen, had zij, bij haar huwelijk met Sir Charles, een klein pensioen aan haar vader verzekerd, die ook nu en dan aan de tafel van zijne dochter en zijn schoonzoon genoodigd werd. In den beginne gedroeg de arme Cos zich vrij mal, doch niet geheel onbetamelijk „in de hoogste kringen”, zooals hij het gezelschap ten huize van Lady Mirabel betitelde. Gelijk hij zijn persoon in de fraaiste kleeren uitdoste, koos hij de langste en hoogdravendste woorden uit zijn taalschat om zijne gesprekken in te kleeden, en nam hij eene deftigheid aan, waarover ieder, die het bijwoonde, verbaasd stond. „Was mylady vandaag in het Park?” vroeg hij aan zijne dochter. „Ik heb tevergeefs naar uwe equipage uitgezien: de arme oude man heeft zich niet mogen verblijden in het gezicht van zijn dochters karos. Sir Charles, ik zag uw naam onder de heeren vermeld, die op het lever bij zijne majesteit geweest zijn; menig lever op het kasteel te Dublin heeft de arme oude Jack Costigan in zijn tijd bijgewoond. Zag de hertog van Wellington er nogal goed uit? Ik geloof, dat ik toch eens naar Apsley House zal gaan en een kaartje afgeven. Geef me nog wat champagne, James!” Hij was onovertreffelijk beleefd jegens iedereen, en richtte zijne gezegden niet enkel tot den heer des huizes en de gasten, maar ook tot de knechts, die aan tafel bedienden en moeite hadden om den ernst, in hun beroep vereischt, te bewaren als zij kapitein Costigan moesten bedienen.

De twee of drie eerste malen dat Costigan bij zijn schoonzoon dineerde, nam hij de matigheid in acht en stelde zich dan later voor het verlorene in de Achterkeuken schadeloos, waar hij zoo lang over den bordeaux en den bourgogne van zijn schoonzoon zat te zwetsen tot hem de tong bij zijn zesde glas whisky-punch begon dubbel te slaan. Maar zoodra hij zich bij zijn schoonzoon meer thuis begon te gevoelen, begaf hem zijne voorzichtigheid en de arme Cos bedronk zich jammerlijk aan de tafel van Sir Charles Mirabel. Men liet een rijtuig voor hem halen en sloot de deur van het gastvrije huis achter hem dicht. Dikwijls verklaarde hij op weemoedigen toon aan zijne vrienden in de Achterkeuken, dat hij op koning Lear uit het tooneelstuk van dien naam geleek, dat hij voorwaar een ondankbaar kind had, dat hij een arm, afgetobd, eenzaam oud man was en dat hij door die ondankbaarheid aan den drank geraakt was en zijn hartzeer in de punch trachtte te smoren.

Het is eene pijnlijke taak de zwakheden eens vaders te moeten vermelden, maar wij moeten nog verder van Costigan vermelden, dat hij niet zelden, als zijn krediet uitgeput en zijn baar geld verdwenen was, geld bij zijne dochter bedelde, en dan opgaven deed, die niet strikt met de waarheid strookten. Op zekeren dag schreef hij, dat de deurwaarders op het punt stonden hem in de gijzeling te brengen, „tenzij gij de voor u onbeduidende som van drie pond vijf shillings kunt meegeven om een armen grijsaard uit den kerker te redden.” De goedhartige Lady Mirabel zond daarop het geld, dat voor de vrijmaking van haar vader benoodigd was, met eene waarschuwing dat hij voortaan zuiniger moest zijn. Bij eene andere gelegenheid had de kapitein een schrikkelijk ongeluk gehad en eene winkelruit van spiegelglas in het Strand gebroken, waarvoor de winkelier vergoeding eischte. Lady Mirabel zond ook ditmaal het geld, benoodigd om haar papa’s ongeluk te herstellen, en haar bediende overhandigde het aan den haveloozen bode en adjudant van den kapitein, die den brief gebracht had waarin hij zijn tegenspoed berichtte. Indien de bediende des kapiteins adjudant, die het geld meenam, gevolgd had, zou hij gezien hebben dat die heer, een landgenoot van Costigan, (want hebben wij niet gezegd, dat, hoe arm een Iersch heer ook zij, hij altijd een nog armer Iersch heer onder zich heeft, die zijne boodschappen doet en zijne geldzaken bezorgt?) eene vigilante van de naaste standplaats riep en naar het Roscius’ Head in Harlequin Yard bij Drury Lane rende, waar de kapitein inderdaad in pand gehouden werd voor verscheidene glazen rumgrog of andere geestrijke verfrisschingen, die hij en zijne vrienden gebruikt hadden. Bij eene derde droevige gelegenheid schreef hij, dat hij ziek was geworden en geld noodig had om den dokter te betalen, dien hij genoodzaakt was geweest te ontbieden. Lady Mirabel, die over haar vader ongerust werd en zich wellicht verweet, dat zij hem in den laatsten tijd te weinig bezocht had, liet ditmaal haar rijtuig voorkomen en reed naar Shepherd’s Inn, waar zij afstapte en haar weg zocht naar de kamers van haar vader, „No. 4 op de derde verdieping, waar de naam van Podmore op de deur staat,” zeide de portierster met een aantal nijgingen, terwijl zij naar de deur van het huis wees, waar de liefhebbende dochter binnentrad en de smerige trap besteeg. Helaas! de deur, waarboven Podmore’s naam prijkte, werd door den armen Cos zelven in zijne hemdsmouwen geopend, met den rooster in de hand, bestemd om de lamscôteletten te ontvangen, die jufvrouw Bolton was gaan halen.

Ook was het niet aangenaam voor Sir Charles Mirabel, dat hij in de club telkens brieven ontving met de bijvoeging, dat kapitein Costigan in de vestibule op antwoord stond te wachten; of dat hij, als hij in de Reizigers-Club zijn rubber whist ging spelen, als een pijl uit den boog uit zijn brougham moest schieten en de stoep opvliegen, om niet door zijn schoonvader aangevallen te worden; of dat hij de overtuiging met zich moest omdragen, dat, terwijl hij de nieuwsbladen las, of zijn whist speelde, de kapitein met dien naren ouden hoed en de oogen onafgewend op de vensters der club gericht, aan den overkant van Pall Mall op en neer wandelde. Sir Charles was zwak van karakter; hij was een oud man met verschillende kwalen; schreiend beklaagde hij zich over zijn schoonvader tegen zijne vrouw, die hij met de dwaze aanbidding van een grijsaard liefhad; hij verklaarde, dat hij zich naar het buitenland zou moeten begeven, of dat hij naar zijne buitenplaats zou moeten gaan als hij dien man nogmaals zag, zou hij het besterven, of weer eene beroerte krijgen dat wist hij zeker. Alleen dus door een tweede bezoek bij kapitein Costigan af te leggen en hem voor te houden, dat zijn pensioen voor altijd zou ingetrokken worden indien hij Sir Charles nog verder met brieven lastig viel, hem op straat aansprak, of wederom geld ter leen vroeg, gelukte het Lady Mirabel haar papa in toom te houden en haar man tot rust te brengen. Bij gelegenheid van dit bezoek gaf zij tevens aan Bows haar ernstig misnoegen te kennen, dat hij niet beter op den kapitein paste; zij verlangde, dat men hem niet zoo schandelijk zou laten drinken en dat de menschen in die afschuwelijke kroegen, waar hij gewoon was te komen, gewaarschuwd zouden worden hem onder geen voorwendsel hoegenaamd krediet te verleenen. „Papa’s gedrag sleept mij naar het graf,” sprak zij (hoewel zij er heel welvarend uitzag), „en gij, mijnheer Bows, een oud man, die voorgaf belang in ons te stellen, moest u schamen hem daarin te stijven.” Dit was de dank, dien de eerzame Bows voor zijne vriendschap en zijne toewijding aan haar ontving. Ik geloof echter niet, dat die oude wijsgeer er slechter afkwam dan vele andere mannen, of grooter redenen van ontevredenheid had dan zij.

Op de tweede verdieping van het huis naast dat van Bows in Shepherd’s Inn, op No. 3, wonen twee andere van onze bekenden: kolonel Altamont, agent van den nabob van Lucknow, en de kapitein chevalier Edward Strong. Op hunne deur staat in het geheel geen naam. De kapitein wenscht niet, dat iedereen weten zal waar hij woont, en op zijne kaartjes staat het adres van een hotel in Jermyn Street. De gevolmachtigde minister van den Indischen potentaat is niet geaccrediteerd bij de hoven van St. James, of van de Oostindische Compagnie, maar bevindt zich hier op eene vertrouwelijke zending, geheel buiten de Compagnie of het Departement voor Indische zaken. „Daar kolonel Altamont’s zending van financieelen aard is,” zegt Strong, „en den verkoop van eenige der kostbaarste diamanten en robijnen uit de kroon van Lucknow ten doel heeft, wenscht hij zich niet aan te melden op het India House, of in Cannon Row, maar liever met particuliere kapitalisten te onderhandelen, waarmee hij dan ook zoowel hier te lande als op het vasteland zaken heeft gedaan.”

Wij hebben reeds vermeld, dat deze stille kamers van Strong zeer aangenaam gemeubeld en ingericht waren sedert de komst van Sir Francis Clavering te Londen, en de chevalier had allen grond om zich tegen de vrienden, die hem daar kwamen bezoeken, te beroemen, dat weinige gepensioneerde kapiteins pleizieriger waren ingekwartierd dan hij in zijn schuilhoekje in Shepherd’s Inn. Beneden waren er drie kamers het kantoor, waar Strong zijne zaken behandelde – van welken aard die dan ook mochten zijn – en waar nog altijd de lessenaars en hekjes der beambten, die hem daar voorafgegaan waren, stonden, en des kapiteins eigen slaap- en zitkamer. Uit het kantoor leidde eene trap naar twee bovenkamers, waarvan de eene door kolonel Altamont bewoond werd, en de andere tot keuken en slaapvertrek van Grady, den oppasser, ingericht was. Deze kamers waren op gelijke hoogte met de vertrekken onzer vrienden Bows en Costigan, No. 4 van het huis daarnaast; en als men over de tusschenliggende goot heenreikte, kon Grady het potje reseda grijpen, dat voor Bows’ venster bloeide.

Uit Grady’s keukenvertrek stegen dikwijls nog heerlijke geuren omhoog. De drie oud-soldaten, die het garnizoen van No. 3 uitmaakten, waren allen ervaren in de kookkunst. Grady was groot in het bereiden van gestoofde gerechten op zijn Iersch; de kolonel was beroemd voor het klaarmaken van pillau en curry: en wat Strong betreft, die kon alles koken. Hij bereidde Fransche gerechten en Spaansche gerechten, gestoofde schotels, fricassées en omelettes, alles onverbeterlijk; en geen mensch in Engeland was gastvrijer dan hij, wanneer zijne beurs gevuld of zijn krediet toereikend was. Op die gelukkige tijdstippen kon hij, gelijk hij zeide, een vriend op een goed diner en een goed glas wijn en daarna op een vroolijk liedje vergasten; en de arme Cos in zijne kamer gezeten, zoo ver van die feestgelagen verwijderd en er toch zoo dichtbij, hoorde dikwijls met nijd het galmen der koren bij Strong en het harmonische klinken der glazen. Het was niet altijd raadzaam, mijnheer Costigan er bij te noodigen; hij had eene jammerlijke gewoonte van zich te bedrinken, en bovendien verveelde hij Strong’s gasten met zijne verhalen als hij nuchter en met zijn aandoenlijke ontboezemingen en krokodillentranen zoodra hij dronken werd.

Die vrienden van den chevalier maakten eene zonderlinge en veelsoortige vergadering uit; en ofschoon majoor Pendennis niet veel genoegen in hun bijzijn zou gesmaakt hebben, waren Arthur en Warrington er niet weinig mee ingenomen, en Pen vond de aanwezigen even onderhoudend als de voornaamste heeren in de aanzienlijkste huizen, die hij de eer had te bezoeken. Elk lid van dit gezelschap bezat een eigen geschiedenis, en allen schenen een eb en vloed van geluk en van tegenspoed gekend te hebben. De meesten hadden heerlijke plannen en ontwerpen in den zak, om terstond een ontzaglijk vermogen te verwerven. Jack Holt, die in het leger van Don Carlos de wapenen had gedragen, toen Ned Strong voor de tegenpartij streed, had nu eene kleine onderneming op touw gezet, om tabak in Londen binnen te smokkelen, hetgeen dertig duizend pond ’s jaars moest opbrengen aan ieder die de vijftienhonderd pond wilde voorschieten, juist nog benoodigd om den laatsten tolbeambte om te koopen, die zich niet had willen laten vinden en die lucht had van het ontwerp. Tom Diver, die op de Mexicaansche vloot gediend had, wist de plaats waar in het eerste jaar van den oorlog een transportschip met driehonderd tachtig duizend dollars en honderd tachtig duizend pond sterling in staven en dubloenen gezonken was. „Geef mij achttienhonderd pond,” zeide Tom, „en morgen ga ik op reis met vier man en eene duikerklok, en binnen tien maanden kom ik terug om mij tot lid van het parlement te laten verkiezen en, zoo waar ik leef, mijne familiegoederen terug te koopen.” Keightley, de directeur der Tredyddlum en Polwheedle kopermijnen (welke vooralsnog onder water stonden), die evengoed de tweede partij kon zingen als een zanger van beroep, hield niet enkel het Tredyddlum-kantoor, maar had eene Smirna-sponzen-maatschappij en eene kleine speculatie in kwik op het oog, die hem dadelijk tot een gegoed man zou maken. Filby was van alles geweest: korporaal bij de dragonders, veldprediker, zendeling ter bekeering van de Ieren en acteur bij een kermistroepte Greenwich, voor welks tent hij door den procureur zijns vaders gevonden werd, toen die oude heer overleden was en hem die fameuse bezittingen had nagelaten, waarvan hij voor het oogenblik geen stuiver rente trok en welker juiste ligging geen mensch kende. Eindelijk behoorde de baronet Sir Francis Clavering tot dezen kring, waar het hem zeer behaagde, hoewel hij van zijn kant niet veel tot de vroolijkheid bijdroeg, doch het gezelschap stelde hem wegens zijn rijkdom en zijn aanzien in de wereld op hoogen prijs. Met de meeste minzaamheid vertelde hij tusschenbeide ook iets en zong hij een paar liedjes. Ook hij had, eer hij geld kreeg, zijn eigen geschiedenis gehad, en meer dan ééne gevangenis van binnen leeren kennen en zijn naam op menig blad gezegeld papier geschreven.

Toen Altamont het eerst van Parijs terugkwam en zich met Sir Francis Clavering in betrekking had gesteld van uit het hotel waar hij zijn intrek had genomen (en waar hij, de schatten aan diamanten en robijnen in aanmerking genomen, welke aan dien eerlijken man waren toevertrouwd, in een zeer armoedigen toestand aangekomen was), zond de baronet Strong op hem af, die de kleine rekening in het logement betaalde en den kolonel verzocht een paar nachten op zijne kamers te komen doorbrengen, waar hij vervolgens zijn verblijf vestigde. Met dezen man te moeten onderhandelen ging nog; maar zulk een persoon op zijne kamers te hebben en aanhoudend met zijn gezelschap opgescheept te zijn, viel niet bijzonder in den smaak van den chevalier, die daarover niet weinig tegen zijn chef gromde.

„Ik zou wel wenschen, dat gij dien beer in iemand anders kooi wildet plaatsen,” zeide hij tegen Clavering. „Die kerel is geen gentleman. Ik zou niet gaarne met hem gezien worden. Hij kleedt zich als een neger in zijn Zondagspak. Ik heb hem dezer dagen meegenomen naar den schouwburg, en ik verzeker u dat hij den acteur, die voor verrader speelde, uitschold en zoo erg tegen hem vloekte, dat de menschen in de loges riepen, dat hij de zaal moest uitgezet worden. Tot nastuk gaf men de Roover, waarin, zooals gij weet, Wallack gekwetst opkomt en sterft. Toen hij stierf, begon Altamont als een kind te huilen en zeide, dat het verd– schande was, en schreeuwde en vloekte zoo hard dat er weer eene opschudding ontstond en iedereen zat te lachen. Daarop moest ik hem wegbrengen, omdat hij met iemand, die om hem lachte, wilde vechten en hem toebulderde, dat hij maar als een man moest opkomen. Wie is hij toch? Waar drommel komt hij vandaan? Het beste zou zijn, dat gij mij de heele historie verteldet, Frans, zooals gij toch vroeger of later zult moeten doen. Ik houd het er voor, dat gij te zamen eene kerk bestolen hebt. Het zou het beste zijn, Clavering, uw hart maar dadelijk lucht te geven en mij te vertellen wie die Altamont is en welke macht hij over u heeft?”

„Laat hem naar den duivel loopen! Ik wenschte dat hij dood was!” luidde het eenig antwoord van den baronet, wiens gezicht zoo somber begon te staan, dat Strong het niet raadzaam achtte voor dit oogenblik zijn patroon verder te ondervragen, maar zich voornam, als het noodig was, op zijn eigen manier te ontdekken, welke geheimzinnige band er tusschen Altamont en Clavering bestond.

VIER EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN DE KOLONEL EENIGE VAN ZIJN AVONTUREN VERHAALT.

Vroeg in den voormiddag van den dag na het diner op Grosvenor Place, waar kolonel Altamont had goedgevonden te verschijnen, verliet hij zijne bovenkamer in Shepherd’s Inn en trad de zitkamer van Strong binnen, waar de chevalier met een dagblad en eene sigaar in een leuningstoel zat. Strong was een man, die het zich in zijne tent gemakkelijk maakte, overal waar hij ze opsloeg, en lang vóór de komst van Altamont had hij zich aan een overvloed van gebakken eieren en ham, door mijnheer Grady secundum artem klaargemaakt, te goed gedaan. Daar hij goedhartig en spraakzaam van aard was, had hij liever eenig gezelschap dan geen, en ofschoon hij niet de minste genegenheid voor zijn huisgenoot koesterde en het zich niet zou aangetrokken hebben indien hij vernomen had, dat den kolonel het ongeluk overkomen was, hetwelk Sir Francis Clavering hem zoo van harte toewenschte, bleef hij echter op een goeden voet met hem. Den vorigen avond had hij Altamont met groote bereidvaardigheid naar bed geholpen en uit vrees voor ongelukken zijne kaars meegenomen; en toen hij de flesch, waarop hij voor zijn avondslokje gerekend had, leeg vond, had hij, eer hij zich ter ruste legde, met de grootste gelijkmoedigheid zijne pijp onder het genot van een glas water gerookt. Nooit ontbrak het hem aan een gezonden slaap; hij verheugde zich altijd in het bezit van een gelijkmatig humeur, een onverbeterlijke spijsvertering en eene frissche kleur op de wangen; en onverschillig of de waardige kapitein den volgenden morgen in het vuur of naar de gevangenis moest marcheeren (hetgeen allebei zijn lot was geweest), in het kamp of in den kerker van Fleet Street, overal snorkte hij op de gezondste wijze den nacht door en ontwaakte hij met goeden moed en goeden eetlust, om den strijd, de bezwaren of de genoegens van den nieuwen dag te gemoet te gaan.

Het eerste wat kolonel Altamont deed, bestond daarin, dat hij Grady om een glas pale ale riep, dat hij eerst in eene tinnen kan overgoot en vervolgens naar den mond bracht. Hij zette de kan leeg neder, haalde diep adem en veegde den mond met zijne kamerjapon af. Het verschil van kleur tusschen zijn kinbaard en zijne geverfde bakkebaarden had reeds lang geleden de aandacht van kapitein Strong getrokken, die ook gezien had, dat het haar onder zijne zwarte pruik blond was, doch op dit een en ander geen aanmerking had gemaakt. De kolonel haalde dus diep adem en verklaarde dat die teug hem zeer verkwikt had. „Er gaat toch niets boven dat bier, als het hoofd gloeit,” merkte hij aan. „Menigmaal heb ik een dozijn flesschen ale van Bass te Calcutta gedronken, en – en –”

„En te Lucknow, waarschijnlijk,” zeide Strong lachend. „Ik heb het bier opzettelijk voor u laten halen, want ik wist na het voorgevallene van gisterenavond, dat gij het noodig zoudt hebben.” En daarop begon de kolonel over zijn avonturen van gisterenavond uit te weiden.

„Ik kan mij niet in toom houden,” zeide de kolonel, en sloeg zich met de zware hand tegen het hoofd. „Ik ben als dol en razend; zoodra ik wat gedronken heb, en men kan mij bij de flesch niet vertrouwen. Als ik er aan begin, kan ik niet uitscheiden voordat ze leeg is; en als ik den drank binnen heb, weet de hemel wat ik zeg of verzwijg. Ik heb hier thuis heel bedaard gegeten. Grady maakte twee glazen grog voor mij gereed, en ik was voornemens den avond zoo nuchter als een dominé bij het rouge et noir door te brengen. Waarom liet gij die verwenschte flesch jenever buiten de kast staan, Strong? Grady ging ook uit en bracht mij den ketel kokend water voor de thee. Wat ik ook deed, ik kon niet van de flesch afblijven. Waarachtig, mijnheer, ik dronk haar heelemaal uit, en ik geloof dat ik later in dat helsche dievenhol nog wat gedronken heb.”

„Hoe zijt gij daar óók geweest, en nog voordat gij naar Grosvenor Place kwaamt?” vroeg Strong. „Gij zijt vroeg begonnen.”

„Ja, dronken en uitgeplunderd te zijn vóór ’s avonds negen ure is vroeg genoeg, niet waar? Maar zoo was het. Ja, ik was een groote gek, dat ik daarheen ging; en ik vond die kerels, Blackland en den jongen Moss en nog een paar van die dieven aan het diner. Waren wij aan het rouge et noir gegaan, dan zou ik gewonnen hebben; maar wij kwamen niet aan het rood en zwart. Neen, voor den duivel, zij wisten, dat ik hun dan de baas zou geweest zijn – ik moest hen de baas zijn geweest – ik ben dat altijd, dat verzeker ik u. Maar zij waren mij te slim. Die schelm van een Blackland haalde de dobbelsteenen voor den dag, en wij speelden hazard op de eettafel. En ik verloor al het geld, dat ik ’s morgens van u gekregen had, – zoo waar ik leef! Dat maakte mij baloorig, en ik moet het heel benauwd gehad hebben, want ik herinner mij, dat ik uitging met de gedachte om nog wat geld van Clavering te krijgen, en daarna – daarna herinner ik mij niet al te best wat er gebeurd is, tot ik heden morgen wakker werd en den ouden Bows op No. 3 op zijne piano hoorde spelen.”

Strong dacht een oogenblik na, terwijl hij zijne sigaar aan een kooltje ontstak en zeide toen: „Ik zou wel eens willen weten, kolonel, hoe gij altijd geld van Clavering kunt krijgen?”

„Ha ha,” antwoordde de kolonel en barstte in lachen uit: „hij is het mij schuldig.”

„Ik weet niet, dat dit bij Frans eene reden zou zijn om te betalen,” hernam Strong. „Behalve aan u, is hij nog aan heel veel anderen geld schuldig.”

„Wel, hij geeft het mij, omdat hij zooveel van mij houdt,” zeide de kolonel met een grijnzenden lach. „Hij heeft mij als een broeder lief, dat weet gij wel, kapitein. – Weet gij het niet? – Is dat niet het geval? Nu misschien hebt gij gelijk, en als gij mij geen vragen deedt, zou ik u geen leugens op de mouw spelden, kapitein Strong. Steek dat op zak en doe er uw voordeel mee, beste jongen!”

„Maar ik zal die verwenschte brandewijnflesch opgeven,” ging de kolonel na een oogenblik stilzwijgens voort. „Ik moet er van afzien, of ze zou mijn ongeluk wezen.”

„Ze doet u althans vreemde dingen zeggen,” zeide de kapitein, terwijl hij Altamont strak aanzag. „Herinner u maar eens wat gij gisterenavond aan Clavering’s tafel gezegd hebt.”

„Wat ik gezegd heb? Wat heb ik dan gezegd?” vroeg de ander haastig. „Heb ik iets verklapt? Voor den duivel, Strong, heb ik iets verklapt?”

„Doe mij geen vragen, dan zal ik u geen leugens vertellen,” hernam de chevalier van zijn kant. Strong dacht aan de woorden, die mijnheer Altamont gebezigd had, en aan zijn overhaast vertrek uit de eetzaal en uit het huis van den baronet, zoodra hij majoor Pendennis – of kapitein Snavel, gelijk hij hem noemde – herkende. Maar Strong besloot de verklaring van die woorden van een ander dan van kolonel Altamont te zoeken en wilde ze niet in het geheugen van den ander terugroepen. „Neen,” gaf hij dus ten antwoord, „gij hebt niets verklapt, kolonel; het was enkel eene list van mij, om te zien of ik u aan het spreken kon krijgen; maar gij hebt geen woord gezegd dat te begrijpen was, – daarvoor waart gij te ver heen.”

„Des te beter,” dacht Altamont, en slaakte een diepen zucht, alsof hij zich aanmerkelijk verlicht gevoelde. Strong merkte zijn ontroering op, doch nam er geen notitie van, en de ander, die in eene spraakzame bui was, bleef aan het praten.

„Ja, ik erken mijne fouten,” ging de kolonel voort. „Er zijn sommige dingen, waaraan ik, wat ik ook doe, geen weerstand kan bieden, als daar zijn eene brandewijnflesch, een dobbelkroes en eene schoone vrouw. Geen man waar wat in zat, die iets waard was, heeft dat ooit kunnen doen, zoover ik weet. Er is bijna geen land in de wereld, waar die drie dingen mij niet in de klem hebben gebracht.”

„Wezenlijk?” zeide Strong.

„Ja, van mijn vijftiende jaar af, toen ik van huis wegliep en als kajuitsjongen op een Oostindievaarder kwam, tot nu, bijna op mijn vijftigste jaar, zijn de vrouwen altijd mijn ongeluk geweest. Het was er eene, met zulke zwarte oogen en met juweelen om haar hals, en in satijn en hermelijn als eene hertogin, dat verzeker ik u – eene te Parijs, die het grootste gedeelte van de duizend pond verzwolg toen ik heenging. Heb ik u dat nooit verteld? Nu, ik maak er geen geheim van. In den beginne was ik zeer voorzichtig en, zooveel geld hebbende, hield ik het goed bij elkaar en leefde er als een gentleman van – in het hotel Meurice, als kolonel Altamont en meer van dien aard – en ik speelde nooit, behalve aan de openbare tafels, waar ik meer won dan verloor. Nu was daar een kerel, dien ik in het hotel en ook in het Palais Royal zag, een eerste piet, met witte glacé handschoenen en eene sik aan de kin, zekere Bloundell Bloundell, waarmee ik kennis maakte, ik weet niet hoe. Hij vroeg mij ten eten en nam mij mee naar de soirées van mevrouw de gravin de Foljambe – eene vrouw, Strong! – een oog! – en zulk eene meesteres op de piano! Heere bewaar me! zij ging zitten en zong voor u en keek u aan, tot zij u bijna de ziel uit uw lichaam trok. Zij noodigde mij op hare Dinsdagavond-partijen, en ik nam loges in de opera voor haar en gaf haar diners bij den restaurateur. Doch het geluk liep mij mee aan de speeltafel, en het was niet aan die diners en operaloges, dat het geld van den armen Clavering heenging. Neen, voor den drommel, het liep op eene andere manier door mijne vingers. Op zekeren avond soupeerden wij met verscheidene gasten bij de gravin – mijnheer Bloundell Bloundell, jonkheer Deuceace, de markies de la Tour de Force – allen van je eersten adel, mijnheer, en wij hadden een souper en overvloed van champagne, en daarna dien verwenschten cognac. Ik wilde cognac hebben; ik deed er mij aan te goed; de gravin maakte de glazen punch voor mij, en wij kregen na het souper zoowel kaarten als grog, zoodat ik speelde en dronk tot ik eindelijk van geen hemel of aarde meer wist. Ik was in denzelfden toestand als gisterenavond. Men heeft mij op de een of andere wijze weggebracht en te bed gelegd; ik werd eerst den volgenden dag met woedende hoofdpijn wakker en hoorde toen van mijn bediende, dat jonkheer Deuceace gekomen was om mij te spreken en in de voorkamer zat te wachten. „Hoe vaart ge, kolonel?” vroeg hij, mijne slaapkamer binnenkomende. „Hoelang zijt ge gisterenavond na mijn vertrek nog gebleven? Het spel liep mij te hoog en ik had voor een avond genoeg aan u verloren.”

„„Aan mij?” zeg ik; „hoe kan dat, beste jongen?” (want ofschoon hij de zoon van een graaf was, waren wij zoo familiaar met elkander als gij of ik). „Hoe kan dat, beste jongen?” zeg ik, en daarop vertelt hij mij, dat hij bij het vingt-et-un dertig louis van mij geleend heeft, en dat hij mij daarvoor eene schuldbekentenis heeft gegeven, die ik in mijn zakboekje gestoken had voordat hij de kamer verliet. Ik kijk mijne portefeuille na (die de gravin voor mij geborduurd had) en daar vind ik inderdaad de schuldbekentenis, en hij telde de dertig louis in goud op mijn bedtafeltje neer. Ik zeide natuurlijk, dat hij zich als een echt gentleman gedroeg, en vroeg of hij niet iets wilde gebruiken, daar mijn bediende het dan dadelijk voor hem zou halen; maar jonkheer Deuceace drinkt ’s morgens niets en ging heen, daar hij nog andere zaken te verrichten had, naar hij zeide.

„Een oogenblik later werd er weer aan de buitendeur van mijn apartementen gescheld, en ditmaal kwamen Bloundell en de markies binnen. „Bong jour, markie?” zeg ik. „Goedenmorgen – geen hoofdpijn?” zeide hij. Ik antwoordde, dat ik wel hoofdpijn had, en dat ik den vorigen avond mooi buiten westen moest geweest zijn; maar allebei verklaarden zij, dat men niet aan mij had kunnen zien dat ik iets te veel had, en dat ik met een gezicht zoo ernstig als een rechter mijn drank gebruikt had.

„„Zoo,” zegt de markies, „is Deuceace bij u geweest? wij zijn hen, toen wij van het ontbijt kwamen, in het Palais Royal tegengekomen. Heeft hij met u afgerekend? Maak dat ge het binnen krijgt, want hij is te vangen als een aal bij zijn staart, en daar hij vijf en zeventig pond van Bloundell gewonnen heeft, zou ik u raden te zorgen, dat gij het uwe kreegt terwijl hij nog geld heeft.”

„„Hij heeft mij betaald,” zeg ik; „maar ik wist er even weinig van dat hij mij iets schuldig was, als van het uur van mijn dood, en herinner mij volstrekt niet, dat ik hem dertig louis heb geleend.”

„De markies en Bloundell kijken elkander lachend aan en Bloundell zegt: „Kolonel, gij zijt een zonderling mensch. Niemand ter wereld zou uit uwe manieren opgemaakt hebben, dat gij den ganschen avond iets anders dan thee hadt gedronken, en echter zijt gij ’s morgens alles vergeten. Kom, kom, beste vriend, maak dat een ander wijs; wij gelooven er niets van.”

„„En effet,” zegt de markies, zijne kleine zwarte snorretjes voor den spiegel opkrullende en een paar uitvallen doende zooals hij dat in de schermschool gewoon was. (Hij was een eerste meester op de punt, en ik heb hem bij Lepage veertienmaal achtereen de pop zien stuk schieten.) „Laten wij ter zake komen. Gij begrijpt, kolonel, dat het beste is, zaken van eer dadelijk af te doen. Misschien zou het u wel schikken die kleinigheid van gisterenavond te vereffenen?”

„„Welke kleinigheid?” zeg ik. „Zijt gij mij ook geld schuldig, markies?”

„„Kom aan,” zegt hij, „laten wij het schertsen staken. Ik heb eene schuldbekentenis van uwe hand ten bedrage van driehonderd veertig louis. La voici!” zegt hij, terwijl hij een papier uit zijne portefeuille haalt.

„„En ik van tweehonderd tien,” zegt Bloundell Bloundell en haalt zijn vodje papier uit.

„Ik was over die vertooning zoo woedend en verbaasd, dat ik uit mijn bed sprong en mijne kamerjapon omsloeg. „Komt gij mij hier voor den gek houden?” zeg ik. „Ik ben u geen tweehonderd, of geen twee duizend, of zelfs geen twee louis schuldig, en ik zal u geen duit betalen. Denkt gij, dat gij mij zult beethebben met die schuldbekentenissen? Ik lach er mee en met u, en houd u voor een paar –”

„„Een paar wat?” zegt mijnheer Bloundell. „Gij begrijpt natuurlijk, dat wij een paar mannen van eer zijn, kolonel Altamont, die niet hier zijn gekomen om gekheden te maken, of ons te laten uitschelden. Gij zult ons betalen, of wij zullen u als een oplichter bekend maken en u ook als een oplichter kastijden,” zegt Bloundell.

„„Oui, parbleu,” zegt de markies, – maar om hèm gaf ik niet, daar ik dat kereltje uit het venster had kunnen smijten; maar met Bloundell was het een ander geval; dat was een zwaar man, die vijf en twintig pond meer weegt dan ik, en zes duim langer is, zoodat ik geloof dat hij mij wel te machtig zou geweest zijn.

„„Monsieur zal mij betalen, of monsieur zal mij rekenschap geven waarom niet. Ik houd u voor weinig beter dan een polisson, kolonel Altamont,” – dat waren zijn eigen woorden,” zeide Altamont met een grijnslach. „Ik kreeg nog een aantal andere liefelijkheden van dien aard van die beide kerels naar mijn hoofd en was midden in mijn twist met hen, toen er weer iemand binnenkwam. Dat was een vriend van mij, – een heerschap, dat ik te Boulogne had leeren kennen en zelf bij de gravin voorgesteld had. Daar hij den vorigen avond in het geheel niet gespeeld en mij zelfs tegen Bloundell en anderen gewaarschuwd had, vertelde ik hem de historie en de beide anderen deden dit van hun kant ook.

„„Het spijt mij zeer,” zegt hij. „Gij wildet doorspelen, ofschoon de gravin u bezwoer er mee te eindigen. Deze heeren hebben u meer dan eens aangeboden op te houden. Maar gij waart het, die op hoog spel aanhieldt zij niet.” Kortom, hij was lijnrecht tegen mij; en toen de beide anderen waren heengegaan, verklaarde hij mij, dat de markies mij zou doodschieten, zoo zeker als ik heet – zooals ik heet. „Ik heb de gravin bovendien in tranen achtergelaten,” zeide hij verder. „Zij heeft een afkeer van die twee mannen en daarom heeft zij u dikwijls tegen hen gewaarschuwd” (hetgeen zij ook werkelijk gedaan had, daar zij meermalen aandrong, dat ik niet meer met hen zou spelen), „en nu, kolonel, heeft zij het bijna op hare zenuwen, uit vrees dat gij twist zult krijgen en dat die verwenschte markies u een kogel door het hoofd zal jagen. Het komt mij voor,” zegt mijn vriend, „dat die vrouw smoorlijk op u verliefd is.”

„„Denkt gij dat?” zeg ik, waarop mijn vriend mij verhaalde, dat zij zelfs voor hem op hare knieën was gevallen met den uitroep: „Red kolonel Altamont!”

„Zoodra ik gekleed was, ging ik die bekoorlijke vrouw bezoeken. Zij gaf een gil en viel bijna in zwijm toen zij mij zag. Zij noemde mij Ferdinand, zoo waar ik leef.”

„Ik dacht, dat uw naam Jack was!” zeide Strong lachend, waarop de kolonel sterk achter zijne geverfde bakkebaarden begon te blozen.

„Men mag toch wel meer namen hebben dan één, niet waar Strong?” vroeg Altamont. „Als ik met eene dame in gezelschap kom, houd ik van een mooien naam. Zij noemde mij bij mijn vóórnaam, en schreide zoo, dat mij het hart er van brak. Ik kan eene vrouw niet zien weenen – dat heb ik nooit kunnen verduren – althans niet zoolang ik van haar houd. Zij zeide, dat zij de gedachte niet verdragen kon, dat ik zooveel geld in haar huis had verloren, zoodat zij mij hare diamanten en halssnoeren aanbood, om er haar deel van te betalen.

„Ik zwoer echter, dat ik geen stuiver van hare juweelen zou aannemen, die ik ook niet geloof dat veel waard waren – maar wat kan eene vrouw meer doen dan alles geven wat zij bezit? Dat zijn de vrouwen, waarvan ik houd, en ik weet, dat er zóó vele zijn. Ik zeide haar dus, dat zij maar gerust moest zijn over het geld, want dat ik geen duit betalen zou.”

„„Maar dan zullen zij u doodschieten,” zegt zij; „dan zullen zij mijn Ferdinand vermoorden.”

„„Dan zullen zij mijn Jack vermoorden,” zou in het Fransch niet mooi geklonken hebben,” zeide Strong lachende.

„De namen komen er niet op aan,” hernam de ander knorrig; „ik geloof toch, dat een man van eer den naam mag aannemen, dien hij goedvindt?”

„Nu, ga maar voort met uw verhaal,” zeide Strong. „Zij zeide, dat zij u zouden vermoorden.”

„„Neen,” zeg ik, „dat zullen zij niet; want ik zal mij door dien schavuit van een markies niet naar de andere wereld laten zenden, en als hij de hand naar mij uitsteekt, zal ik van mijn kant hem de hersens inslaan, al was hij honderdmaal markies.”

„Op die woorden deinsde de gravin achteruit, alsof ik iets zeer onbetamelijks gezegd had. „Versta ik kolonel Altamont goed?” zegt zij. „Hoor ik goed, dat een Britsch officier weigert zich te meten met iemand, die hem naar het veld van eer daagt?”

„„Laat het veld van eer naar den duivel loopen, gravin,” zeg ik. „Zoudt gij willen, dat ik mij tot mikpunt stelde voor de pistool van dien kleinen schurk?”

„„Kolonel Altamont,” zegt de gravin, „ik dacht dat gij een man van eer waart, – ik dacht het, – maar het komt er niet op aan. Vaarwel, mijnheer,” en daarop zweefde zij de kamer uit, terwijl zij hare stem in haar zakdoek smoorde.

„„Gravin!” roep ik, terwijl ik haar naloop en hare hand grijp.

„„Verlaat mij, monsieur le colonel,” zegt zij, mij wegduwende, „mijn vader was een generaal van het Groote Leger. Een soldaat moet al zijne schulden van eer weten te betalen.”

„Wat kon ik doen? Iedereen was tegen mij. Caroline zeide, dat ik het geld verloren had, ofschoon ik mij geen zier van al het voorgevallene herinnerde Bovendien had ik het geld van Deuceace aangenomen; maar dat was, weet je, omdat hij het mij kwam brengen, en dat is een heel ander geval. Elk van die knapen was een man van eer en aanzien en de markies en de gravin behoorden tot de eerste familiën van Frankrijk. En dus, mijnheer, wilde ik liever het geld betalen dan haar beleedigen: vijfhonderd zestig gouden Napoleons, voor den drommel, behalve nog driehonderd, die ik er bij verloor, toen zij mij revanche gaven.

„En ik kan tot op dit oogenblik nog niet zeggen of ik al dan niet bedrogen ben,” eindigde de kolonel met een peinzend gezicht. „Soms geloof ik het; maar dan herinner ik mij weer, dat Caroline zoo innig veel van mij hield. Die vrouw zou het niet hebben kunnen aanzien, dat ik uitgeplunderd wierd; neen, dat zou zij nooit; ten minste, als het anders ware zou ik mij in de vrouwen vergissen.”

Indien Altamont gezind ware geweest verdere mededeelingen omtrent zijn vorig leven aan zijn trouwhartigen kameraad den chevalier te doen, werd hij daarin verhinderd door een kloppen op de buitendeur hunner kamers, waarop geen minder personage dan Sir Francis Clavering zich aan de beide waardige heeren vertoonde, zoodra Grady de deur geopend had.

„Waarachtig, de ouwe!” riep Strong uit, die met verwondering zijn patroon zag binnentreden. „Wat brengt u hier?” bromde Altamont, van onder zijne zware wenkbrauwen den baronet strak aanziende. „Zeker niets goeds, daar sta ik borg voor.” En inderdaad was het zelden iets goeds, dat Sir Francis Clavering hier of ergens elders heenvoerde.

Als de rampzalige baronet naar Shepherd’s Inn kwam, waren het geldzaken, welke hem binnen die muren brachten; en doorgaans zat er een heer van de geldmarkt op Strong’s kamers of daar beneden bij Campion op hem te wachten om wissels te verhandelen of te prolongeeren. Clavering behoorde tot die menschen, die nooit hunne schulden ruiterlijk overzien, ofschoon zijn heele leven daardoor verbitterd was geweest. Zoolang hij een wissel kon vernieuwen was hij er gerust op; en hij zou bijna elk papier onderteekend hebben, dat morgen eerst verviel, als hij dan heden maar met rust wierd gelaten. Hij was iemand, wien geen fortuin voorgoed uit de klem kon redden, iemand, die gemaakt was om geruïneerd te worden, om kleine winkeliers op te lichten en zelf het slachtoffer van slimmer bedriegers te worden; om inhalig en spilziek te zijn, en, even ontbloot van eerlijkheid als de lieden die hèm oplichtten, voornamelijk hun dupe te worden, omdat hij te kleingeestig was om met kans van goeden uitslag zelf een schurk te kunnen zijn. Hij had in zijn leven meer leugens verteld en meer lage listen te baat genomen om zich aan eene kleine schuld te onttrekken, of een arm schuldeischer uit te plunderen, dan een stoutmoodiger schelm zou noodig gehad hebben om fortuin te maken. Zelfs toen hij op het toppunt van het geluk stond, was hij laag en kruipend. Al ware hij een kroonprins geweest, hij had niet zwakker, onbruikbaarder, losbandiger of ondankbaarder kunnen zijn. Hij kon het leven niet doorgaan zonder op iemands arm te leunen; en echter had hij nooit iemand tot helper, of hij wantrouwde hem, en bedierf de plannen, die men ten zijnen voordeele beraamd had, door de menschen, wier diensten hij gebruikte, heimelijk tegen de werken. Strong kende Clavering en beoordeelde hem zeer juist. Beiden waren niet door de banden der vriendschap aan elkander verbonden; maar de chevalier werkte voor zijn principaal uit plichtgevoel en omdat hij er toe verplicht was, evenals hij met het leger een vermoeienden marsch gemaakt, of voor zijn deel de gevaren en ontberingen eener belegering doorstaan zou hebben. „Wat wil hij?” dachten dus de beide officieren van het garnizoen van Shepherd’s Inn, toen de baronet zich vertoonde.

Zijn bleek gelaat droeg de blijken, dat hij in de hoogste mate boos en geërgerd was. „Zoo, mijnheer!” zeide hij, het woord tot Altamont richtende, „gij zijt uw oude streken weer begonnen!”

„Welke?” vroeg Altamont spottend.

„Gij zijt gisterenavond weer aan het rouge et noir geweest,” riep de baronet uit.

„Hoe weet gij dat? Zijt gij er ook geweest?” vroeg de ander. „Ik was in de club, maar ik speelde niet op de kleuren, – vraag het den kapitein maar, wien ik alles verteld heb. Het was met de dobbelsteenen. Het was bij het hazardspel, Sir Francis, op mijn woord van eer;” en bij die woorden zag hij den baronet met een veelbeteekenenden maar koddigen trek van geveinsde onderdanigheid aan, wat alleen scheen te strekken om den ander nog boozer te maken.

„Wat duivel geef ik er om, mijnheer, hoe gij uw geld verliest, en of het bij het hazardspel of de roulette is?” schreeuwde de baronet met een aantal vloeken en zoo hard hij maar kon. „Wat ik niet verkies, mijnheer, is dat gij mijn naam gebruikt, of dien met den uwen verbindt. Voor den duivel, Strong, waarom past gij niet beter op hem? Ik zeg u, dat hij mijn naam alweer gebruikt, een wissel op mij getrokken en het geld aan de speeltafel verloren heeft. Ik kan het niet meer verdragen en ik wil het niet meer verdragen! Geen mensch zou dat kunnen uithouden. Weet gij hoeveel ik voor u betaald heb, mijnheer?”

„Dit was maar een kleintje, Sir Francis, – slechts vijftien pond, kaptein Strong; zij wilden geen anderen naam op den wissel hebben, en gij moest u niet zoo boos daarover maken, patroon! Het was zoo’n onbeduidend sommetje, dat ik er tegen Strong zelfs niet van gesproken heb, – niet waar, kaptein? Ik verzeker u, dat het mij geheel uit het geheugen gegaan was, enkel en alleen ten gevolge van dien verwenschten drank, dien ik gebruikt had.”

„Drank of geen drank, mijnheer, het gaat mij niet aan. Het kan mij niet schelen wat gij drinkt of waar gij het drinkt, – als het maar niet in mijn huis is. Ik wil niet, dat gij ’s avonds mijn huis binnenvalt en dat een kerel als gij zich aan mijn gezelschap opdringt. Hoe hebt gij u gisterenavond op Grosvenor Place durven vertoonen, mijnheer, en – en – wat moeten mijne vrienden wel van mij denken als zij een man van uwe soort ongenoodigd en dronken mijn eetzaal zien binnenstappen en hem om drank hooren roepen, alsof hij de heer des huizes was?”

„Zij zullen zeker denken, dat gij met een raar slag van volkje bekend zijt,” antwoordde Altamont met onverstoorbare goede luim. „Hoor eens, baronet, ik vraag verschooning; op mijn eer, dat doe ik. Is dat geen genoegzame verontschuldiging tusschen twee gentlemen? Ik erken, dat het eene krasse daad was, eene kajuit binnen te stappen en om drank te roepen, alsof ik de kaptein was; maar ik had reeds te veel op, weet je, en daarom wilde ik nog meer hebben; niets is eenvoudiger; en het was omdat zij mij bij het rouge et noir geen geld meer op uw naam wilden geven, dat ik op de gedachte kwam er u zelf over te gaan spreken. Dat gij mij geld weigerdet was niets; maar een wissel te weigeren, getrokken op u, die zulk een begunstiger van de speeltafel zijt geweest, die een baronet zijt en een parlementslid en een gentleman van den eersten rang, – voor den duivel, dat is ondankbaar!”

„Bij den hemel! als gij het ooit weer doet, – als gij u ooit weer in mijn huis durft vertoonen of mijn naam gebruikt in een speelhuis of eenig ander huis – ja, voor den drommel, eenig ander huis – of naar mij durft verwijzen, of mij op straat aanspreken, – dan trek ik mijne hand geheel van u af en zult ge geen enkelen stuiver meer van mij hebben.”

„Kom, patroon, terg mij niet,” antwoordde Altamont op knorrigen toon. „Spreek niet tegen mij van dit of dat te durven, want als ik boos word, is dat juist het middel om er mij toe te brengen. Ik had gisterenavond niet moeten komen, dat geef ik toe; toe maar ik heb u reeds gezegd, dat ik dronken was, en dat behoorde tusschen gentlemen voldoende te zijn.”

„Gij een gentleman! Voor den drommel, mijnheer,” riep de baronet uit, „hoe durft een kerel als gij zich een gentleman noemen!”

„Ik ben geen baronet, dat weet ik wel,” hernam de ander, „en ik heb bijna vergeten hoe men zich als gentleman moet gedragen, maar maar eenmaal was ik dat toch ook, en mijn vader was het, en ik verkies zulke taal niet van u te hooren, Sir Francis Clavering, – verstaat ge dat? Waarom komt ge niet met het geld over de brug, en laat mij dan loopen? Waarom moet gij u, voor den duivel, in schatten wentelen en ik niets bezitten? Waarom moet gij een huis hebben en eene tafel beladen met zilverwerk, en ik hier in dit bedelaarshol van een Shepherd’s Inn op eene zolderkamer wonen? Wij zijn toch compagnons, niet waar? Ik heb evengoed recht om rijk te zijn als gij, is het zoo niet? Vertel de geschiedenis maar eens aan Strong, als ge er lust toe hebt, en laat hem dan uitspraak tusschen ons doen. Ik zie er niet tegen op, mijn geheim te vertellen aan een man, die niet klapt. Hoor eens, Strong – misschien hebt gij de historie al gegist – het geval is, dat ik en de patroon –”

„Houd voor den duivel je mond!” schreeuwde de baronet verwoed uit. „Ge zult het geld hebben, zoodra ik het krijgen kan. Het geld wast mij niet op den rug. Ik word zoo benauwd en vervolgd, dat ik niet weet waarheen ik mij wenden of keeren moet. Ik zal er nog dol onder worden, bij den hemel, dat zal ik! Ik wenschte dat ik dood was, want ik ben de rampzaligste rekel op aarde! Let maar niet op mij, Altamont. Als ik mij niet recht wel gevoel – en ik ben van morgen verduiveld galachtig – dan scheld ik iedereen uit en weet ik niet wat ik zeg. Vergeef me, indien ik u beleedigd heb. Ik – ik zal die kleinigheid in orde trachten te brengen. Strong zal er moeite toe doen; op mijn woord, dat zal hij. Zeg eens, Strong, beste jongen, ik moet u eens spreken. Ga een oogenblikje mee naar het kantoor.”

Bijna alle aanvallen van Clavering eindigden op deze vernederende wijze, met een schandelijken aftocht. Altamont lachte om den baronet achter zijn rug, toen hij de kamer verliet en zich met zijn Strong naar het kantoor begaf.

„Wat is er nu gaande?” vroeg deze. „Zeker weer de oude geschiedenis?”

„Ja, voor den duivel,” zeide de baronet. „Ik heb gisterenavond twee honderd pond contant verloren en een wissel voor nog driehonderd pond afgegeven, tegen morgen, op de bankiers van mijne vrouw; en ik moet zorgen, dat het geld er is, want anders volgt er geen betaling. De laatste maal toen zij mijne speelschulden betaalde, zwoer ik, dat ik geen dobbelsteen meer zou aanraken; en zij zal, als ik voortga, woord houden, Strong, en de compagnieschap ontbinden. Ik wenschte, dat ik driehonderd pond ’s jaars had en ver van hier zat. Op eene Duitsche badplaats kan men met driehonderd pond ’s jaars drommels goed rondkomen. Maar ik ben zoo vervloekt spilziek! Ik wou, dat ik op den bodem der rivier lag. Ik wou dat ik dood was, bij den hemel, dat wou ik! Had ik die verwenschte dobbelsteenen maar nooit aangeraakt! Het geluk liep mij gisterenavond aanhoudend mee, totdat die schelmen mij met den wissel, dien Altamont op mij getrokken had, wilden betalen, en van dat oogenblik af keerde de Fortuin mij den rug toe. Ik kon niets meer winnen en ging uitgeplunderd heen, dien helschen wissel achterlatende. Hoe zal ik dien betalen? Blackland wil hem niet prolongeeren. Hulker en Bullock zullen er dadelijk over schrijven aan mijne vrouw. Bij den hemel, Strong, ik ben de rampzaligste mensch in gansch Engeland!”

Strong moest dus eenig plan bedenken, om den baronet in deze benauwdheid te hulp te komen; en ongetwijfeld gelukte het hem, geld voor zijn patroon op te nemen, want hij vertoefde dien dag een tijdlang op het kantoor van mijnheer Campion. Altamont had wederom een paar guinjes op zak, met belofte van nader aanvulling; en voor de eerstvolgende twee of drie maanden had de baronet geen reden, zich dood te wenschen. Strong, van zijn kant, bracht, hetgeen hij van den kolonel en van Sir Francis gehoord had, met elkander in verband en begon zich een vrij nauwkeurig denkbeeld te vormen van de soort van band, die deze twee mannen vereenigde.

VIJF EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN HOOFDSTUK VOL GESPREKKEN.

Na de partijen op Grosvenor Place en te Greenwich, waaraan wij majoor Pendennis hebben zien deelnemen, scheen de vriendschappelijkheid en hartelijkheid van dien waardigen heer voor de familie Clavering met elken dag toe te nemen. Hij legde er dikwijls bezoeken af en was onuitputtelijk in zijne beleefdheden voor de dame des huizes. Als oud man van de wereld, had hij het geluk in vele huizen ontvangen te worden, waar men eene dame van den stand van Lady Clavering ook behoorde te zien. Zou mylady de groote partij op Gaunt House niet willen bijwonen? Er zou een heel genoeglijk dejeuner dansant bij burggraaf Marrowfat te Fulham zijn. Iedereen zou daar zijn (en daaronder doorluchtige personen van den hoogsten rang); er zou eene quadrille à la Watteau gedanst worden, waarin jufvrouw Amory zeker betooverend er uitzien zou. Met voorkomendheid bood de gedienstige oude heer aan, Lady Clavering naar deze en dergelijke vermakelijkheden te geleiden, terwijl hij even bereidvaardig was om den baronet, in welk opzicht deze het ook wenschen mocht, van dienst te zijn.

In weerwil van Clavering’s tegenwoordig aanzien en fortuin, bleef de wereld met koelheid op hem neerzien en volgden hem zeer wonderlijke en verdachte geruchten op den voet. Hij werd achtereenvolgens in twee clubs gedeballoteerd. In het Lagerhuis ging hij alleen met eenige weinige der slechtst aangeschreven leden van dat vermaarde staatslichaam om, daar hij goed slag had om slecht gezelschap te kiezen, en zich zoo natuurlijk daarnaar schikte als anderen het doen naar het gezelschap van hunne meerderen. Het zou hatelijk klinken, indien wij al al de senatoren wilden opnoemen, waarmee Clavering gemeene zaak maakte; wij zullen er dus slechts eenige weinige aanstippen. Daartoe behoort kapitein Raff, de geachte afgevaardigde van Epsom, die na de laatste Goodwood-wedrennen afgetreden is, daar hij, volgens den heer Hotspur (het lid, dat belast is met de opsporing der afwezige leden zijner partij, wanneer het Huis tot eene stemming zal overgaan), eene diplomatische zending naar de Noordpool had aangenomen; en Hustingson, de patriottische afgevaardigde van Islington, dien men thans niet meer over het uitdeelen van gunsten hoort schreeuwen, sedert hij zelf tot gouverneur van het Coventry Eiland benoemd is; en Bob Freeny, van de Freeny’s van Booterstown, die met de pistool nooit zijn doel mist en van wien wij dus met het meeste ontzag spreken. Voor niemand van al die heeren, met welke mijnheer Hotspur door de hem opgedragen taak genoodzaakt was in aanraking te komen, koesterde hij méér verachting en afkeer dan voor Sir Francis Clavering, den afstammeling van een overoud geslacht, welks leden sinds onheuglijken tijd voor hun eigen stadje Clavering zitting in het Lagerhuis hadden gehad. „Als men dien man bij eene stemming noodig heeft,” zeide Hotspur, „dan kan men tien tegen één wedden, dat hij in eene speelhol gevonden wordt. Hij is groot gebracht in de gijzeling-gevangenis en, geloof mij, nog niet gevrijwaard tegen de strafgevangenis. Hij zal het fortuin der begum verkwisten met dobbelen, als zakkenroller betrapt worden en zijn leven in dwangarbeid eindigen.” En indien de hoogwelgeboren heer Hotspur, terwijl hij aldus over Clavering dacht, desniettemin beleefd jegens hem kon zijn, omdat zijne betrekking het meebracht, waarom zou de majoor Pendennis ook niet zijne bijzondere redenen kunnen hebben, om zich jegens dien beklagenswaardigen gentleman voorkomend te gedragen?

„Hij heeft een zeer goeden kelder en een zeer goeden kok,” zeide de majoor; „wanneer hij zwijgt, hindert hij niet, en hij doet maar zeer zelden den mond open. Wat gaat het mij aan, of hij gelieft te spelen en zijn geld aan schurken te verliezen? Wij moeten ons nooit te veel met de zaken van anderen bemoeien, Pen, mijn beste jongen; iedereen heeft een kabinetje in zijn huis, waar hij niet gaarne zou willen dat gij en ik inkeken. Maar waarom zouden wij daartoe ook moeite doen, als overigens het gansche huis voor ons openstaat? En een verduiveld goed huis ook, gelijk wij beiden weten. En al is de heer des huizes niet geheel zóó als wij hem zouden wenschen, de dames zijn toch zeer lief. De begum is niet al te beschaafd, maar er bestaat geen goedhartiger vrouw ter wereld en zij is drommels slim bovendien. En wat de kleine Blanche betreft, gij weet, guit, hoe ik over haar denk; gij weet dat ik het er voor houd, dat zij u gaarne lijden mag, en dat gij haar voor het vragen zoudt hebben. Maar gij wordt zulk een groot heer dat gij u zeker met niet minder dan de dochter van een hertog tevreden zult stellen – welnu, mijnheer, ik raad u aan er eene te vragen en het eens te probeeren!”

Pen was misschien wel eenigszins bedwelmd door den opgang, dien hij in de wereld gemaakt had, en het is ook wel mogelijk, dat de jonkman in het denkbeeld verkeerde (de aanhoudende zinspelingen van zijn oom droegen althans niet weinig bij, om hem in die meening te versterken), dat jufvrouw Amory niet ongenegen was, den kleinen minnehandel te hervatten, die in vroegere dagen aan den oever van den Brawl ondernomen was. Maar Pen zeide, dat hij voor dit oogenblik weinig neiging tot het huwelijk gevoelde, en sprak, in navolging van de wereldsgezinde wijze van beschouwing van zijn oom, met zekere minachting over die instelling en tot lof van het ongehuwde leven.

„Gij zijt zeer gelukkig, oom,” sprak hij; „gij brengt het er ongetrouwd zeer goed af, en ik van mijn kant ook. Als ik eene vrouw naast mij had, zou ik mijn standpunt in de maatschappij verliezen; en ik, voor mij, heb niet veel lust om met eene mevrouw Pendennis naar het platteland de wijk te nemen, of met mijne vrouw op gemeubileerde kamers te gaan wonen, met een enkele meid tot onze hulp. De tijd van mijne kleine illusiën is voorbij. Gij hebt mij gered van mijn eerste geliefde, die bepaald eene zottin was en die, indien zij mij genomen had, een zot tot man en wel een zeer norschen en ontevreden man zou gehad hebben Het leven van ons jongelui gaat snel voorbij, oom, en ik gevoel mij op mijn vijf en twintigste jaar even oud als vele der oude prui – – oude heeren – die ik aan het groote venster der club van Bays zie staan. Neem het mij niet kwalijk maar ik meen alleen, dat ik op het punt van liefde blasé ben, en dat ik mijn liefdevuur voor jufvrouw Amory evenmin weer zou kunnen aanblazen als ik Lady Mirabel weer zou kunnen aanbidden. Ik wenschte, dat ik het kon. Het bevalt mij in den ouden Mirabel, dat hij zoo op haar verzot is, en ik beschouw dien hartstocht als het loffelijkste stuk van zijn leven.”

„Sir Charles Mirabel was altijd een liefhebber van het tooneel, Arthur,” zeide de majoor, geërgerd dat zijn neef zoo lichtvaardig over iemand van het aanzien en den rang van Sir Charles durfde spreken. „Sedert zijne jeugd heeft hij tot het tooneel in betrekking gestaan. Hij speelde op Carlton House, toen hij page van den prins was; hij is altijd bij die zaken betrokken geweest; hij kon trouwen wie hij verkoos, en Lady Mirabel is eene hoogst achtenswaardige dame, die overal ontvangen wordt, – let wel: overal! De hertogin van Connaught ontvangt haar, en Lady Rockminster ook, en het past jongelui niet, over personen van zulk een stand lichtvaardig te spreken. Er is geen fatsoenlijker dame in Engeland dan Lady Mirabel; en de oude pruiken – gelijk gij hen noemt – in de club van Bays, behooren tot de eerste gentlemen van Engeland, van welke gijlieden jongelui, nog wat manieren en opvoeding en bescheidenheid zoudt kunnen leeren.” En de majoor begon te gelooven, dat Pen buitengewoon brutaal en verwaand werd, en dat de wereld hem te veel over het paard had getild.

De boosheid van den majoor vermaakte Pen. Hij bestudeerde de eigenaardigheden van zijn oom met aanhoudend genoegen en bleef altijd op goeden voet met zijn wereldschen Mentor. „Ik behoor nu reeds sinds vijftien jaar tot de jongelui, oom,” zeide hij zeer behendig, „en indien gij ons voor oneerbiedig houdt, wat zoudt gij dan wel zeggen van het tegenwoordige geslacht! Een uwer protégés heeft onlangs bij mij ontbeten; gij hadt gewenscht dat ik hem vragen zou, en ik heb het gedaan, om u genoegen te doen. Wij hebben dien dag met elkander allerlei merkwaardigheden bezichtigd, in de club gedineerd en ’s avonds den schouwburg bezocht. Hij zeide, dat de wijn in den Polyanthus zoo goed niet was als die bij Ellis te Richmond; na het ontbijt rookte hij Warrington’s cavendish-tabak en toen ik hem bij zijn vertrek een goudstuk voor zijn spaarpot gaf, zeide hij, dat hij er zelf genoeg had, maar het zou aannemen om te toonen dat hij niet trotsch was.

„Zeide hij dat? – en hebt gij den jongen Clavering gevraagd?” riep de majoor uit, die dadelijk tevreden was gesteld; „een knappe jongen, wel een beetje wild, maar een knappe jongen! De ouders zien gaarne, dat men zulke beleefdheden aan hunne kinderen bewijst, en gij kunt niet beter doen dan onze waardige vrienden van Grosvenor Place op dat punt genoegen te verschaffen. En dus hebt ge hem meegenomen naar den schouwburg en hem wat zakgeld gegeven? Dat was goed gedaan, mijnheer, heel goed!” En met die woorden scheidde Mentor van Telemachus, met de overtuiging, dat de jongelui toch nog zoo slecht niet waren en dat hij van zijn neef nog iets zou kunnen maken.

Naarmate de jonge heer Clavering in jaren en grootte toenam, ontgroeide hij aan het gezag van zijne liefhebbende ouders en van zijne gouvernante, zoodat hij hen veeleer regeerde, dan dat hij zich naar hunne bevelen schikte. In tegenwoordigheid van zijn papa was hij stil en stug en zelden vertoonde hij zich in de nabijheid van dien heer; doch tegen zijne mama schreeuwde en vocht hij, als er eenig geschil tusschen hen ontstond over de bevrediging van zijn eetlust, of over de vervulling van eenigen anderen zijner wenschen; en bij zijne oneenigheden met de gouvernante, wanneer hij leeren moest, schopte hij dat lijdzame schepseltje zoo geweldig tegen de schenen, dat zij zich geheel door hem liet overbluffen en onder den duim houden. Hij had zijne zuster Blanche wel op dezelfde wijze willen behandelen en deed een paar pogingen om ook over haar den baas te spelen; maar bij die gelegenheden legde zij een ongeloofelijke vastberadenheid en geestkracht aan den dag en sloeg hem zoo duchtig om de ooren, dat hij jufvrouw Amory voortaan den voet niet meer dwars zette, gelijk hij zijne gouvernante en zijne mama en mama’s kamenier deed.

Toen de familie zich eindelijk te Londen vestigde, gaf Sir Francis de meening te kennen, dat het beste zou zijn, den „kleinen schelm” naar school te zenden. Dientengevolge werd de jeugdige zoon en erfgenaam van het huis Clavering overgebracht naar de inrichting van opvoeding en onderwijs van den eerwaarden heer Otto Rose, te Twickenham, waar de zonen van adellijke en voorname heeren het voorbereidend onderwijs ontvingen, eer zij op de groote Engelsche openbare scholen konden worden aangenomen.

Wij zijn niet voornemens den jongen heer Clavering in zijn schoolleven te volgen; de paden naar den Tempel der Wetenschap werden voor hem gemakkelijker gemaakt dan voor sommigen onzer in vroeger tijd. Hij reed naar dat heiligdom in eene koets met vier paarden, en mocht bijna overal waar hij goedvond stilhouden, en eene verfrissching nemen. Sedert zijne prilste jeugd droeg hij verlakte laarzen, en had hij batisten zakdoeken en citroenkleurige glacé handschoenen van het kleinste model, dat Privat ooit vervaardigd heeft. Bij mijnheer Rose kleedden de jongelui zich altijd geregeld om aan het diner te komen; de jonge heeren hadden prachtige kamerjaponnen, vuur op hunne slaapkamers, deden nu en dan toertjes te paard of in rijtuig, en kregen olie voor hun haar. De meester paste nooit lichaamsstraffen toe, want hij was van oordeel, dat eene moreele tucht voldoende was om de jeugd te besturen; en de jongens maakten zulke snelle vorderingen in vele takken van wetenschap, dat zij, nog eer zij oud genoeg waren om op eene publieke school te komen, de kunst verstonden om sterke dranken te drinken en sigaren te rooken. In een verbazend vroeg tijdperk zijns levens stal de jonge Frank Clavering zijn vaders havana’s en bracht ze mee op school, of rookte ze in de stallen, en op zijn tiende jaar dronk hij zijn champagne bijna zoo stevig als een gesnorbaarde luitenant der dragonders had kunnen doen.

Toen dit belangwekkende jonge mensch met de vacantie thuis kwam, was majoor Pendennis even overdadig beleefd en voorkomend tegen hem als tegen de overige leden van het gezin; ofschoon de jongen vrij veel minachting voor den „ouwen Pruikenburg,” zooals de majoor genoemd werd, koesterde; hem achter zijn rug nadeed, zooals de wellevende majoor tegen Lady Clavering of jufvrouw Amory boog en vleide; en met breede trekken van die karikaturen teekende, waarin schrandere jongelui zooveel behagen scheppen en waarop des majoors pruik, neus, das enz. met kunstelooze overdrijving waren afgebeeld. De majoor, die onvermoeid was in zijne pogingen om zich aangenaam te maken, gaf den wensch te kennen, dat ook Pen bijzondere notitie van dit kind zou nemen, en spoorde Arthur dus aan, hem op zijne kamer te noodigen, hem in de club een diner te geven, hem mee te nemen naar de wassenbeeldengalerij van madame Tussaud, den Tower, den schouwburg en meer van dien aard, en hem, na afloop van den dag, iets voor zijn spaarpot te schenken. Daar Arthur een welwillend hart bezat en veel van kinderen hield, volbracht hij op zekeren dag al die plechtigheden. De jongen kwam in den Tempel ontbijten en maakte daar de beleedigendste aanmerkingen op de meubelen, het aardewerk en Warrington’s havelooze kamerjapon, waarna hij een kort pijpje rookte en verslag gaf van een gevecht tusschen Tuffy en Langbeen op de school bij mijnheer Rose, tot groote stichting van de beide heeren, die hem tot gast hadden.

Gelijk de majoor met veel juistheid voorspeld had, was Lady Clavering ten hoogste dankbaar voor de beleefdheden, die Arthur haar zoontje bewezen had, veel dankbaarder dan de jongen zelf, die zulke onderscheidingen beschouwde als iets dat hem toekwam, en wel waarschijnlijk meer goudstukken op zak had dan de arme Pen, die hem zeer edelmoedig één van zijn eigen geringen voorraad dier muntstukken afstond.

Met de scherpe oogen, die de natuur aan den majoor geschonken had, en met den bril van ouderdom en ondervinding, hield deze den blik op den jongen gevestigd en ging hij zijne positie in het gezin na, zonder al te veel nieuwsgierigheid naar de familie-aangelegenheden aan den dag te leggen. Doch als buurman op het land, als een man, wiens familie veel verplichting aan de Clavering’s had, als man van de wereld, nam hij elke geschikte gelegenheid waar om te onderzoeken, welke de geldmiddelen van Lady Clavering waren, hoe zij over haar kapitaal beschikt had en wat de jongen zou erven. En toen hij zich daartoe aan het werk had gezet – met welk oogmerk zal ongetwijfeld later blijken – had hij spoedig eene vrij nauwkeurige kennis van Lady Clavering’s zaken en fortuin en van de vooruitzichten van hare dochter en haar zoon verkregen. De dochter zou slechts een matig kapitaaltje ontvangen; het grootste gedeelte der bezittingen zou, gelijk reeds vroeger gezegd is, op den zoon overgaan, – zijn vader gaf niet om hem noch om iemand anders, – zijne moeder was op hem verzot, als het kind van haar later leeftijd, en zijne zuster had een hekel aan hem. Dit was in algemeene trekken hetgeen majoor Pendennis te weten kwam. „Ja lieve mevrouw,” zeide hij wel eens, terwijl hij den jongen op het hoofd tikte, „deze knaap zou bij een volgend kroningsfeest eene baronnenkroon op het hoofd kunnen dragen, als de zaken maar behoorlijk overlegd wierden en Sir Francis Clavering zijne kaarten goed wist te spelen.”

Op die woorden slaakte de weduwe Amory een diepen zucht. „Ik vrees, dat hij zijne kaarten maar al te slecht speelt, majoor,” gaf zij ten antwoord. De majoor gaf te kennen, dat dit hem niet onbekend was; hij ontveinsde niet, dat ook hij van Sir Francis Clavering’s ongelukkige neiging tot het spel gehoord had, en hij beklaagde Lady Clavering oprecht; doch dit deed hij met zooveel gevoel en zoo verstandig, dat mylady, blijde een persoon van ondervinding aan te treffen, wien zij haar verdriet en haar omstandigheden kon toevertrouwen, er zeer onbewimpeld tegen majoor Pendennis over sprak en gaarne zijn raad en zijne vertroostingen wilde ontvangen. Aldus werd de majoor de vertrouwde en de huisvriend van de begum, die hem in hare hoedanigheden van moeder, vrouw en kapitaliste raadpleegde.

Hij gaf haar te verstaan (en legde daarbij een eerbiedige meewarigheid aan den dag), dat hij met sommige omstandigheden van haar rampspoedig eerste huwelijk, en zelfs met den persoon van wijlen haar echtgenoot, dien hij zich uit Calcutta herinnerde (toen zij in afzondering met haar vader leefde), bekend was. Met tranen eerder van schaamte dan van smart, deelde de arme dame hem het voorgevallene uit haar standpunt mede. Toen zij, na twee jaren op eene school in Europa te hebben doorgebracht, nog bijna als kind naar Indië terugkeerde, was zij met Amory in aanraking gekomen en zoo dwaas geweest hem te trouwen. „O, gij weet niet welk een ellende die man mij heeft aangedaan,” sprak zij, „en welk een leven ik tusschen hem en mijn vader had. Voordat ik hem zag, had ik nooit eenig ander man dan de klerken van mijn vader en diens inlandsche bedienden gezien. Gij weet, dat wij in Indië niet in gezelschap kwamen, uithoofde van –” („Ik weet dat,” zeide majoor Pendennis met eene buiging.) „Ik was een hartstochtelijk, romanesk kind mijn hoofd was vervuld met de romans, die ik op school gelezen had. Ik hoorde hem zijne woeste geschiedenissen en avonturen verhalen, want hij was een roekeloos mensch, en ik vond, dat hij zoo heerlijk vertelde op die stille avonden van de uitreis, terwijl hij..... Nu, ik trouwde hem en was van dien dag af rampzalig; ik had mij het ongenoegen van mijn vader op den hals gehaald, wiens karakter gij gekend hebt, majoor Pendennis; ik zal er dus niet meer van zeggen, maar het was geen aangenaam man, mijnheer, noch voor mijn arme moeder, noch voor mij (uitgezonderd dat hij mij zijn geld naliet), noch voor iemand anders, zoover ik ooit gehoord heb, en ik vrees, dat hij niet veel goeds in zijn leven verricht heeft. Amory was bijna nog erger; mijn vader was gierig, maar hij was een verkwister; hij dronk vreeselijk en in zijn beschonken toestand was hij ontembaar. Hij is in geen enkel opzicht een goed of trouw echtgenoot voor mij geweest, majoor Pendennis; en indien hij in zijne gevangenis gestorven ware vóór zijn vonnis, in plaats van daarna, zou hij mij veel schande en rampzaligheid bespaard hebben, mijnheer. Want,” liet Lady Clavering er op volgen, „misschien zou ik niet hertrouwd zijn, indien ik niet zoo begeerig ware geweest mij van zijn verfoeiden naam te ontdoen, en ik ben in de keuze van mijn tweeden man niet gelukkig geweest, gelijk gij waarschijnlijk wel weet, mijnheer. Ja, majoor, ik heb geld en ben eene lady, en de menschen denken, dat ik heel gelukkig ben, – maar ik ben het niet. Wij allen hebben onze zorgen en verdriet en bezwaren; en menigen keer zit ik aan mijne groote diners met een gefolterd hart, en menigen nacht lig ik wakker op mijn prachtig bed, vrij wat ongelukkiger dan de meid, die het opgemaakt heeft. Want ik ben geen gelukkige vrouw, majoor, ofschoon de wereld het denkt, en de begum om hare diamanten en rijtuigen en de voorname lui, die ik bij mij ontvang, benijdt. Ik ben niet gelukkig met mijn man en evenmin met mijne dochter. Het is geen goed meisje, gelijk die Laura Bell op Fairoaks. Zij heeft mij vele tranen gekost, ofschoon gij ze niet ziet, en zij bespot mij, hare moeder, omdat ik niet veel geleerd heb. Hoe zou dat ook mogelijk geweest zijn? Ik ben tot mijn twaalfde jaar onder inlanders groot gebracht, en keerde weer naar Indië terug toen ik pas veertien was. Ach, majoor, ik zou eene goede vrouw zijn geweest, indien ik een goeden man had gehad. En nu moet ik naar boven om mijn oogen te wasschen, want ze zijn rood van het schreien. Straks komt Lady Rockminster mij afhalen, om een ritje door het Park te doen.” En toen Lady Rockminster verscheen, nam men op Lady Clavering’s gelaat geen spoor meer van tranen of verdriet waar; zij was integendeel zeer opgeruimd en spraakzaam en verminkte de goede Engelsche taal met de meeste levendigheid en tevredenheid.

„Het is voor den drommel toch nog zoo’n kwade vrouw niet!” dacht de majoor bij zich zelven. „Zij is wel niet zeer beschaafd, want zij zegt „Neefteunis” in plaats van „Neptunus”; maar zij heeft een goed hart – daarvan houd ik – en een drommelschen boel geld bovendien. Drie sterretjes bij haar naam op de lijst van aandeelhouders in de Oostindische Compagnie! en dat alles zal dat jonge rekeltje krijgen – zal hij?” En daarbij overdacht hij hoe gaarne hij een weinigje van dat geld op jufvrouw Blanche zou zien overdragen en hoeveel aangenamer het nog zou zijn, indien hij één van die sterretjes later bij den naam van mijnheer Arthur Pendennis mocht zien schitteren.

Altijd zijn doelwit voor oogen houdende, van welken aard dit ook ware, maakte de oude diplomaat gebruik van den goeden voet, waarop hij stond, en van zijn ouderdom, om met jufvrouw Blanche, als hij gelegenheid vond met haar alleen te zijn, op eene vriendschappelijke en vaderlijke wijze te spreken. Hij kwam zoo dikwijls op het ontbijt en werd zoo gemeenzaam met de dames, dat zij zich zelfs niet meer ontzagen in zijne tegenwoordigheid te twisten; en Lady Clavering, die eene luide stem en een driftig karakter bezat, leverde menigen slag aan de sylphide, terwijl de huisvriend er bij zat. Door hare gevatheid behield Blanche bij deze schermutselingen doorgaans het veld en hare geweerhaakte pijlen joegen hare vijandin smadelijk op de vlucht. „Ik ben een oud man,” zeide de majoor, „en heb niets omhanden. Ik heb goede oogen en ik kan zwijgen. Ik ben uw beider vriend, en al twist gij samen, waar ik bij ben, zal ik het toch aan niemand vertellen. Maar gij zijt beiden zulke lieve dames, dat ik het tusschen u zou willen bijleggen. Ik ben reeds dikwijls de bemiddelaar tusschen allerlei menschen geweest – mannen en vrouwen, vaders en zoons, dochters en mama’s. Ik houd daarvan en heb niets anders te doen.”

Op zekeren dag dan trad de oude diplomaat de gezelschapszaal van Lady Clavering binnen, juist toen deze er, blijkbaar in ziedenden toorn, uit kwam en hem voorbijliep, de trap op naar haar eigen vertrekken.

„Zij kon hem nu niet spreken,” riep zij; „zij was veel te boos op die – die – die kleine, ondeugende –” De boosheid smoorde de overige woorden of verhinderde mylady ze uit te spreken voordat zij reeds buiten het gehoor was.

„Goede, beste jufvrouw Amory,” zeide de majoor toen hij binnentrad, „ik zie wat er gebeurd is. Gij en mama hebt ongenoegen gehad. Het gebeurt in de voornaamste familien, dat er tusschen moeders en dochters oneenigheid bestaat. Nog pas verleden week heb ik een geschil tusschen Lady Clapperton en hare dochter Lady Claudia bijgelegd. Lady Lear en haar oudste dochter hebben in veertien jaar geen woord tegen elkander gesproken. Ik heb in heel mijn leven geen vriendelijker en braver menschen dan deze twee ontmoet; zij zijn voor iedereen, behalve voor elkander, al wat men wenschen kan. Maar elkander kunnen zij niet verdragen; zij moesten niet bij elkander wonen; en ik wenschte van ganscher harte, meisje-lief, dat ik u in een eigen huishouden mocht zien – geene dame te Londen is beter geschikt er een te besturen, – uw eigen huishouding, waar gij uwe huisgenooten gelukkig zoudt maken!”

„Hier ten minste ben ik niet gelukkig,” zeide de sylphide, „en mama’s domheid zou een engel zijn geduld doen verliezen.”

„Juist; gij zijt voor elkander niet geschikt. Uwe moeder beging in haar vroeger leven ééne fout – of was het, in uw geval, de natuur, mijne lieve? – zij had u niet moeten opvoeden tot het fijn beschaafde en geestige meisje, dat gij zijt, omringd, ik erken het, door menschen die uw genie of uwe beschaving niet bezitten Gij moest in de schitterendste kringen voorgaan, niet volgen, en in geen gezelschap den tweeden rang innemen. Ik heb op u gelet, jufvrouw Amory; gij zijt eerzuchtig, en te heerschen is uwe ware roeping. Gij behoordet te schitteren en dat kunt gij in dit huis nooit, – dat weet ik. Ik hoop, dat ik u eenmaal als meesteres in een ander en gelukkiger huis zal zien.”

De sylphide haalde met een minachtenden blik de lelieblanke schouders op, en vroeg: „Waar is de prins en waar is het paleis, majoor Pendennis? Ik ben bereid Maar er bestaat tegenwoordig geen romantische zin, geen waarachtige genegenheid in de wereld meer!”

„Neen, inderdaad niet,” antwoordde de majoor met het meest sentimenteele en natuurlijke gezicht, dat hij trekken kon.

„Ofschoon ik er niets van weet,” vervolgde Blanche en sloeg de oogen neer, „dan hetgeen ik in romans gelezen heb.”

„Natuurlijk niet,” riep majoor Pendennis uit; „hoe zoudt gij dat ook weten, mijne lieve jonge dame? en de romans bevatten geen waarheid, gelijk gij zeer juist aanmerkt, en er bestaat niets romanesks meer in de wereld. Och, ware ik maar een jong heer, gelijk mijn neef!”

„En wat zijn de mannen, die wij elken avond op de bals zien?” ging jufvrouw Amory peinzend voort; „dansende officieren, geldelooze ambtenaren, – in één woord, dwazen! Als ik zoo rijk was als mijn broeder, zou ik een huishouding kunnen hebben gelijk gij mij voorspiegelt: maar wat heb ik met mijn naam en mijne geringe middelen te verwachten? Een dorpsdominé, of een advocaat in een straatje bij Russell Square, of een kapitein der dragonders, die gemeubileerde kamers voor mij zal nemen, en dronken en naar tabaksrook riekende, gelijk Sir Francis Clavering, van de officierstafel thuis zal komen. Op die manier zijn wij meisjes bestemd ons leven te eindigen. O, majoor Pendennis, Londen, en de bals, en de jonge dandy’s met de haarbosjes aan de kin, en de onbeschaamde groote dames, die ons den eenen dag wél en den anderen dag niet willen kennen, de heele wereld in één woord staat mij tegen! Ik zou de gansche wereld willen vaarwelzeggen, om in een klooster te gaan, dat zou ik! Ik zal nooit iemand vinden, die mij begrijpt. En ik leef hier in mijne familie en in de wereld zoo eenzaam, alsof ik voor altijd in eene cel opgesloten was! Ik wenschte, dat hier Liefdadige Zusters waren en ik er kon opgenomen worden, dat ik eene besmettelijke ziekte kreeg en er aan stierf. Ik wenschte, dat ik de wereld uit was! Ik ben nog niet zeer oud; maar ik ben afgemat, want ik heb zooveel geleden! Ik ben zoo gedesillusioneerd – ik ben moe, ik ben moe. O, dat de Engel des Doods maar kwam en mij van hier riep!”

Men kan deze kleine redevoering als volgt vertolken. Weinig avonden geleden had eene groote dame, zekere Lady Flamingo, zich gehouden alsof zij jufvrouw Amory en Lady Clavering niet kende. Zij was buiten zich van ergernis, dat zij geen uitnoodiging tot het bal van Lady Drum kon krijgen; het was op het einde van het seizoen en niemand had haar zijn hart aangeboden; zij had volstrekt geen opzien gebaard, zij, die zooveel geestiger was dan alle andere meisjes van dat jaar en van de jonge dames, die haar bijzonderen kring uitmaakten. Dora, die maar vijf duizend pond had, Flora, die in het geheel niets bezat, en Leonora, die zich door rood haar onderscheidde, zouden gaan trouwen, en niemand was om Blanche Amory gekomen!

„Gij oordeelt zeer juist over de wereld en over uwe positie, lieve jufvrouw Amory,” zeide de majoor. „Gelijk gij wèl zegt, trouwt de prins tegenwoordig niet, tenzij de prinses een goeden stapel effecten bezit, of eene dame van zijn eigen rang is. De jongelui van groote familie trouwen in de groote familiën; bezitten zij geen fortuin, dan hebben zij toch elkanders hulp om in de wereld vooruit te komen, en dat is bijna evengoed. Een meisje met uw fortuin kan bezwaarlijk op een groot huwelijk rekenen; maar een meisje met uw genie en uw bewonderenswaardigen tact en beschaafde manieren kan, als zij een verstandig echtgenoot aan hare zijde heeft, elke plaats in de samenleving innemen. Wij zijn verbazend republikeinsch geworden. Het talent staat tegenwoordig op ééne lijn met rijkdom en geboorte; en een schrander man met eene schrandere vrouw kunnen zich in onze dagen op elk standpunt plaatsen, dat zij verkiezen.”

Jufvrouw Amory begreep natuurlijk in het allerminst niet, wat majoor Pendennis bedoelde. Misschien ging zij sommige omstandigheden in haar geest na en vroeg zij zich af, of hij een voorspraak voor een harer vroegere aanbidders kon zijn en wellicht het oog had op Pen? Neen, dat was onmogelijk. Hij was beleefd geweest maar niets meer. Derhalve vroeg zij lachend: „Wie is die schrandere man, en wanneer zult gij mij dien brengen, majoor Pendennis? Ik brand van verlangen, om hem te zien!”

Op dit oogenblik wierp een knecht de deur open en diende den heer Henry Foker aan; en op dien naam en op het gezicht van onzen vriend barstten de dame en de heer het van lachen uit.

„Dat is de man niet,” zeide majoor Pendennis. „Hij is met zijne nicht, de dochter van Lord Gravesend, geëngageerd! Vaarwel, lieve jufvrouw Amory.”

Werd Pen wereldsch, en zou een man geen ondervinding mogen opdoen en er zich op beroemen? „Wat hem betrof,” zeide hij, „gevoelde hij, dat hij zeer snel verouderde. Wat worden wij in deze stad vervormd en veranderd,” zeide hij eens tegen Warrington. Zij waren elk van hunne avondvermaken teruggekomen, en Pen zat zijne pijp te rooken en, volgens zijne gewoonte, zijn opmerkingen en ervaringen van dien avond aan zijn vriend te vertellen. „Wat ben ik veranderd,” riep hij uit, „sedert ik die onnoozele knaap te Fairoaks was, die op het punt stond zijn hart te breken over zijn eerste liefde! Lady Mirabel had heden avond receptie en was zoo statig en bedaard als eene geboren hertogin, juist alsof zij in haar gansche leven geen valluik gezien had. Zij bewees mij de eer van een onderhoud en sprak op zeer beschermenden toon over Walter Lorraine.”

„Wat eene genadige goedheid!” merkte Warrington aan.

„Niet waar?” zeide Pen met de meeste onnoozelheid, waarop de ander, als naar gewoonte, weer in lachen uitbarstte. „Hoe is het mogelijk,” zeide Warrington, „dat iemand op het denkbeeld komt, den uitstekenden schrijver van Walter Lorraine beschermend te behandelen!”

„Gij steekt den draak met ons beiden,” zeide Pen, een weinig blozende, „daartoe zou ik zelf wel gekomen zijn. Zij vertelde mij, dat zij het boek niet gelezen had (ik voor mij geloof, dat zij nooit in haar leven een boek heeft gelezen), maar wel Lady Rockminster, en dat de hertogin van Connaught het zeer mooi vond. Ik antwoordde, dat ik nu zalig kon sterven, want dat het juist het hoofddoel mijns levens was geweest die beide dames te behagen, en dat ik, nu zij mij hare goedkeuring schonken, natuurlijk niet meer naar die van iemand anders behoefde uit te zien. Lady Mirabel keek mij plechtig met hare mooie oogen aan en zeide: „O zoo!” alsof zij mij begrepen had, en vroeg mij daarop, of ik op de Donderdags-receptien der hertogin kwam, en toen ik „neen” zeide, drukte zij de hoop uit mij daar te zien en verzekerde, dat ik ook moest trachten te komen, want dat daar iedereen kwam – iedereen, die in de groote wereld verkeerde. Vervolgens spraken wij over den nieuwen ambassadeur van Timboektoe, die zooveel beter was dan de vroegere; en dat Lady Mary Billington met een dominé, ver beneden haar rang, ging trouwen; en dat Lord en Lady Ringdove drie maanden na hun huwelijk in onmin waren geraakt over Tom Pouter van de Garde, Lady Ringdove’s neef – en meer van dien aard. Als ge de deftigheid van die vrouw gezien hadt, zoudt ge gedacht hebben, dat zij in een paleis geboren was en al haar leven op Belgrave Square had gewoond.”

„En ik denk, dat gij deel genomen hebt aan het gesprek als de afstammeling van den graaf uw vader en de erfgenaam van het kasteel Fairoaks?” zeide Warrington. „Ja, ik herinner mij het verslag te hebben gelezen van de feesten bij gelegenheid van uwe meerderjarigheid. De gravin gaf eene schitterende thee aan den adel uit den omtrek, en de boeren werden in de keuken op een schapebout en eene kruik bier onthaald. Het overschot der lekkernijen is aan de armen van het dorp uitgedeeld, en het parkhek was geïllumineerd totdat de oude Jan de kaars uitdeed om naar bed te gaan.”

„Mijne moeder is geen gravin,” antwoordde Pen, „ofschoon zij zeer goed bloed in de aderen heeft; en hoewel zij maar tot den burgerstand behoort, heb ik nooit eene groote dame ontmoet, die meer dan hare gelijke was, mijnheer George. Als gij een bezoek op het kasteel Fairoaks wilt afleggen, kunt gij zelf over haar oordeelen en over mijne nicht bovendien. Zij zijn niet zoo geestig als de Londensche vrouwen, maar zonder tegenspraak evengoed opgevoed. De gedachten van de vrouwen op het platteland loopen over andere onderwerpen dan die der Londensche dames. Op het land heeft eene vrouw haar huishouden en haar armen, hare lange kalme dagen en hare lange kalme avonden.”

„Verduiveld lang,” zeide Warrington, „en veel te kalm. Ik heb er ondervinding van.”

„De eentonigheid van dat leven moet tot eene zekere hoogte iets melancholisch hebben – gelijk de wijs van een lang lied; en er moet een ernstige en liefelijke, eene droeve en teedere harmonie in gelegen zijn, anders zou het onuitstaanbaar wezen. De vrouwen op het land worden door haar eenzaamheid noodzakelijk zacht en sentimenteel. Daar zij een leven van kalme plichtsbetrachting, eenzelvige werkzaamheden en mystieke mijmering leiden, daar zij eene soort van nonnen zijn, aan wie vrijheid van beweging gelaten is, zou te veel vroolijkheid of gelach hare bijna heilige rust verstoren en daar even misplaatst zijn als in de kerk.”

„Waar men onder de preek indut,” zeide Warrington.

„Gij zijt een onverbeterlijk vrouwenhater, maar ik geloof, dat gij een hekel aan de schoone sekse hebt omdat gij haar zeer weinig kent,” vervolgde Pen op vrij verwaanden toon. „Als gij een afkeer van de vrouwen op het land hebt omdat zij zoo saai zijn, dan moeten de Londensche vrouwen u toch vlug genoeg wezen. Het leven gaat te Londen in een ontzaglijke vaart voorbij: ik verwonder mij hoe de menschen het uithouden, mannen en vrouwen! Neem eens eene dame van de wereld tot voorbeeld, en zie welk een leven zij gedurende het Londensche seizoen leidt. Men moet vragen hoe zij het kan uithouden, en of zij op het einde van Augustus niet in slaap valt, om met het voorjaar pas weer te ontwaken? Zij gaat elken avond op partijen en zit er bij, om hare huwbare dochters tot lang na het aanbreken van den dag te zien dansen. Waarschijnlijk heeft zij thuis de kinderkamer vol kleintjes, aan welke zij een goed voorbeeld moet geven en liefde betoonen; te gelijk moet zij haar oog laten gaan over boter en brood, den catechismus, de muziek en het Fransch, en zorgen dat er ten één ure een gebraden schapebout op de tafel staat; zij moet bezoeken bij dames van haar eigen rang afleggen, hetzij als een beleefdheidsvorm, hetzij in hare hoedanigheid van lid van liefdadige genootschappen, of balcommissiën, of commissiën voor de landverhuizing, of commissiën voor Queen’s College, en ik weet niet hoeveel andere plichten eener Britsche staatsvrouw zij nog vervult. Waarschijnlijk houdt zij er nog eene lijst van armenbezoek op na; of zij deelt met den dominé soep of kleedingstukken uit, of zorgt voor een doelmatig godsdienstig onderricht in hare wijk, en, als zij althans in zekere gedeelten der stad woont, gaat zij vermoedelijk naar de vroegpreek. Zij moet de couranten lezen en voor het minst weten wat de partij van haar man doet, om er met hare buren aan het diner over te kunnen spreken; en het staat vast, dat zij alle nieuwe boeken leest, die uitkomen; want zij weet over die alle te spreken, en dat wel zeer juist en goed, en men ziet ze ook alle op de tafel in haar salon liggen. Verder drukt op haar de zorg om het huishouden goed te besturen, om met het geld rond te komen; om de modistenrekeningen harer dochters zoodanig in te richten, dat zij den vader en betaalmeester der familie niet te ijzingwekkend voorkomen; om hier en daar heimelijk een klein buitengewoon postje van uitgaaf af te schaffen en het bedrag in de gedaante van een bankbiljet aan hare jongens op de hoogeschool of op zee te zenden; om de inhaligheid der leveranciers te keer te gaan en de geldelijke abuizen der huishoudster te herstellen; om de bedienden te beletten met elkander te kibbelen, – in één woord, om het geheele huis in orde te houden. Voeg hier nu bij, dat zij een heimelijken smaak voor de een of andere kunst of wetenschap koestert, dat zij in klei boetseert, scheikundige proeven neemt, of in stilte op de violoncel speelt – en ik durf, zonder overdrijving, zeggen, dat vele Londensche dames iets dergelijks doen – dan hebt gij een tafereel voor u, waarvan onze voorouders nooit gehoord hebben, en dat uitsluitend aan onzen tijd en onzen trap van beschaving eigen is. Groote goden! wat leven en groeien wij snel! In negen maanden kweekt mijnheer Paxton een ananas zoo groot als een reiskoffer, terwijl er vroeger eene, niet grooter dan eene Hollandsche kaas, drie jaar noodig had om tot rijpheid te komen; en gelijk met het geslacht der ananassen, zoo gaat het met het geslacht der menschen. Hoiaper – wat is het Grieksche woord voor ananas, Warrington?”

„Houd op, om ’s hemels wil, houd met het Engelsch op en begin maar niet aan het Grieksch!” riep Warrington lachend uit. „Ik heb u nog nooit zulk eene lange rede hooren uitspreken, evenmin als ik wist, dat gij zoo diep in de vrouwelijke verborgenheden waart doorgedrongen. Wie heeft u dat alles geleerd, en in welke boudoirs en kinderkamers hebt gij rondgegluurd, terwijl ik hier op mijn stroozak mijne pijp lag te rooken en mijn boek te lezen?”

„Gij zit aan den oever ouwe jongen, en ziet het aan hoe de golven door den wind opgezweept worden en hoe anderen tegen het geweld der zee worstelen,” antwoordde Pen „Ik ben nu midden in den stroom, en, bij den hemel, het bevalt mij! Wat gaan wij pijlsnel met den vloed af, niet waar? sterken en zwakken, ouden en jongen, aarde potten en ijzeren potten het lieve kleine porseleinen bootje dobbert vroolijk voort tot de groote en zware koperen schuit er tegen aanvaart en het in den grond boort – eh, vogue la galère! – men ziet iemand in dien wedstrijd zinken en roept hem het vaarwel toe; maar zie, hij is slechts onder de beenen van een ander heengedoken en komt een heel eind verder weer boven en zwaait zijne riemen. Eh, voque la galère, zeg ik! Het is heel genoeglijk, Warrington, – niet enkel het winnen, maar zelfs het wedijveren.

„Welnu, ga voort en overwin, jongen! Ik zal hier blijven zitten en naar het spel kijken,” zeide Warrington, terwijl hij den vurigen jongeling met bijna vaderlijke ingenomenheid aanzag. „Een edel karakter speelt om het genoegen van het spel, een laag karakter om den inzet; en een oude pruik zit bedaard zijne pijp te rooken, terwijl Piet en Klaas om den prijs vechten.”

„Waarom treedt gij dan ook niet in den kring, George, en trekt de bokshandschoenen eens aan? Gij zijt er groot en sterk genoeg voor,” zeide Pen. „Beste ouwe jongen, gij kunt er tegen tien van mijn slag opwegen.”

„Gij zijt stellig zoo groot niet als Goliath,” hernam de ander met een forschen en toch welwillenden lach; „maar wat mij betreft, ik ben machteloos geworden. In mijn vroeger leven heb ik een noodlottigen slag ontvangen. Ik zal u dat wel eens, op een anderen tijd, verhalen. Gij kunt ook uw meester nog vinden. Wees maar niet te voorbarig of te vermetel, of te wereldsgezind, beste jongen.”

Werd Pendennis inderdaad wereldsgezind of keek hij maar eens in de wereld rond of deed hij allebei? en is het een mensch zoo erg euvel te duiden, dat hij, alles bijeengenomen, slechts mensch is? Wie is het verstandigst en vervult zijn plicht het best: hij, die verre van den strijd des levens staat en dien kalm aanziet, of hij die het perk binnentreedt en deel aan den strijd neemt? „Die wijsgeer,” zeide Pen, „die afgemat uit de wereld trad en verklaarde, dat alles ijdelheid was en kwelling des geestes, had een aanzienlijke plaats onder de voorgangers van het menschdom bekleed en volop het aanzien, den rijkdom, den roem en het vermaak genoten, dat de wereld schenken kan. Menig godsdienstleeraar, dien wij eerbied toedragen, en die uit zijn rijtuig de rijk gebeeldhouwde hoofdkerk binnentreedt, zwaait zijne linnen manchetten over het fluweelen kussen heen en roept uit, dat die gansche strijd vervloekt is en dat al de werken der wereld boos zijn. Menig dweeper, wiens geweten hem kwelt, ontvliedt haar geheel en al, binnen wezenlijke of denkbeeldige kloostermuren, uit welke hij alleen kan omhoog zien naar de lucht en den hemel beschouwen, buiten welke geen rust en niets goeds bestaat.

„Maar de aarde, op welke onze voeten rusten, is het werk van dezelfde macht, die daar ginds het onpeilbare blauw geschapen heeft, in hetwelk de toekomst ligt, waarin wij met onzen blik zouden willen doordringen. Hij, die den arbeid tot voorwaarde des levens stelde, beschikte ook vermoeienis, ziekte, armoede, tegenspoed, voorspoed, – beschikte aan dezen man de eerste plaats en aan den anderen een strijd, in stilte gestreden, met den grooten hoop der menschen, – beschikte aan genen een smadelijken val of eene verlamming der ledematen, of onverwacht onheil, – aan iedereen eenig werk op den grond, dien hij betreedt, tot hij in den schoot daarvan wordt neergelegd.”

Terwijl zij aldus spraken, begon de dageraad door de vensters te schijnen, die Pen openwierp, om de frissche morgenlucht binnen te laten. „Kijk, George,” zeide hij, „daar rijst de zon op; zij ziet den boer naar het veld gaan; de naaister hare rampzalige naald hanteeren; den rechtsgeleerde misschien aan zijn lessenaar zitten; de schoone op haar donzen kussen slapen; of den uitgeputten losbol naar bed waggelen; of den koortslijder er op rondwoelen; of den dokter de smarten der moeder gadeslaan wegens het kind, dat geboren zal worden om zijn deel te nemen aan het lijden en strijden, het weenen en lachen, de misdaad, de wroeging, de liefde, de dwaasheid, de smart en de rust.”

ZES EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

DE DANSERS VAN JUFVROUW AMORY.

De edele Henry Foker, dien wij een tijdlang uit het oog verloren hebben, heeft zich intusschen, gelijk wij ook van een man van zijne standvastigheid verwachten mochten, bezig gehouden met het aankweeken van en het toegeven aan zijn alles verslindenden hartstocht, de liefde.

Ik wenschte, dat eenige mijner jeugdige lezers, die tot deze uitspanning overhellen, de moeite wilden nemen eens uit te rekenen hoeveel tijd daaraan verspild wordt. Zij zouden dan bevinden, dat het een der kostbaarste tijdverdrijven is, waarmee men zich kan bezig houden. Hoeveel brengt gij niet, jonge heeren en jonge dames met onrustige harten, daaraan inderdaad ten offer! In de eerste plaats veel uren van uw kostbaren slaap, waarin gij ligt te woelen en te denken aan het beminde voorwerp; daarop komt gij laat aan het ontbijt, als de morgen reeds half voorbij is en al de leden van het gezin sinds lang aan hunne dagelijksche bezigheden zijn gegaan. Als gij dan eindelijk zelf aan de uwe gaat, wijdt gij er geen zorg aan en werkt gij zonder lust, want al uwe gedachten en geestvermogens zijn elders bezig. Is het dagwerk eindelijk slordig afgedaan, dan verwaarloost gij uwe vrienden en familie, uwe dagelijksche makkers en uwe gewone levensgezellen, om een blik te kunnen werpen op uwe geliefde, of op te zien naar hare vensters, of naar haar rijtuig in het park te gluren. Des avonds vervelen u de eenvoudige genoegens van den huiselijken kring; mama’s gesprekken vallen u koud op het lijf; de gerechten, welke die goede ziel voor het diner van haar lieveling heeft gereed gemaakt, worden weggenomen zonder dat gij er van geproefd hebt – kortom, het gansche feestmaal des levens is smakeloos, met uitzondering van één enkelen plat. Het leven, de bezigheden, de familiebanden, de huiselijke haard, al wat eenmaal nuttig en aangenaam was, wordt onuitstaanbaar, en gij zijt nooit op uw gemak dan wanneer gij het voorwerp uwer liefde najaagt.

Ik geloof, dat deze gemoedsstemming bij verliefde jonge heeren niet zeldzaam is, en het was dan ook de toestand van mijnheer Henry Foker, die van jongs af had kunnen toegeven aan al wat hij begeerde en zich nu ook met zijne gewone zelfzucht aan deze inspraak overgaf. Mannen van de wereld behoeven zich niet te verwonderen, dat mijnheer Foker, hoewel hij zijn vriend Arthur Pendennis bij eene vroegere gelegenheid zeer veel goeden raad gegeven had, nu zelf, op zijne beurt, de slaaf van zijn harstocht werd. Wie onzer heeft niet overvloed van den allerbesten raad aan zijne vrienden gegeven? Wie heeft niet gepreekt, en wie heeft naar zijn eigene leer gehandeld? Gij, mevrouw, zijt ontegenzeglijk een volmaakt wezen en hebt in den ganschen loop van uw koel en onberispelijk leven nooit eene verkeerde gedachte gekoesterd; of gij, mijnheer, zijt veel te krachtig van geest, om door een dwazen hartstocht uw kalm overleg op uw kantoor te laten storen, of u van het bezoek op de beurs te laten afhouden; gij zijt zoo sterk, dat gij geen sympathie noodig hebt. Wij zullen u die dan ook niet schenken, maar de onze voor de nederigen en zwakken bewaren, die strijden en struikelen en weer opstaan en met den stroom van ons stervelingen medegaan. Waartoe zoudt gij, die nooit valt, eene helpende hand behoeven? Uwe vlekkelooze deugd wordt nooit door hartstocht overschaduwd, door verzoeking verontreinigd, door berouw verduisterd; voor zulk een engel zou meewarigheid eene beleediging zijn; maar het gezelschap van zoo iemand wordt onuitstaanbaar; juist ten gevolge van de verhevenheid uwer deugd en de voortreffelijkheid uwer hoedanigheden moet gij noodzakelijk eenzaam blijven; wij kunnen ons niet hoog genoeg verheffen, om met zulke potentaten gemeenzaam te spreken. Vaarwel dus; onze weg voert ons bij nederige menschen en niet bij doorluchtige hoogheden zooals gij; en wij moeten waarschuwen, dat er in deze geschiedenis geen volmaakte personen voorkomen, behalve misschien één enkele, en die is nog niet volmaakt, want nog tot den huidigen dag weet zij het zelve niet, zoodat zij zich met eene beklagenswaardige zelfmiskenning en verkeerde nederigheid voor eene zoo groote zondares houdt als er wel bestaan kan.

Dit jonge meisje bevindt zich in het tijdperk van ons verhaal niet te Londen, en het is geenszins om haars gelijke dat het gemoed van mijnheer Henry Foker in onrust verkeert. Maar wat hinderen eenige weinige gebreken? Behoeven wij engelen of engelinnen te zijn, om als zoodanig vereerd te worden? Laten wij de verscheidenheid van den smaak onder het menschdom bewonderen; de oudste, de leelijkste, de domste en de stijfste, de flauwste en de oppervlakkigste, de grootste misdadiger, tiran, domkop, Blauwbaard, Catharina Hayes, of George Barnwell onder ons, behoeft niet te wanhopen. Ik heb een verhaal gelezen van de liefde, die een gedeporteerde zakkenroller voor eene vrouwelijke veroordeelde had opgevat (beiden waren bejaard, afzichtelijk van voorkomen, onwetend, twistziek en aan den drank verslaafd), eene liefde van even grootschen aard als die van Cleopatra en Antonius, of Lancelot en Ginevra. De hartstocht, dien graaf Borulawski, de Poolsche dwerg, in den boezem der schoonste baronnes aan het hof te Dresden deed ontbranden, is ons allen bekend, evenals de vlam, die nog pas onlangs het hart van den jongen luitenant Tozer verteerde en hem mevrouw Battersby, die oud genoeg was om zijne mama te zijn, deed schaken en trouwen. Al die gevallen worden ons in de bladzijden der geschiedenis, of in de kolommen der nieuwsbladen medegedeeld. Moeten wij ons schamen of verblijden bij de gedachte, dat ons hart aldus geschapen is, dat de grootste en hoogst geplaatste Ajax in ons midden op zekeren dag knielen kan voor de houten klompen zijner keukenmeid; en dat er geen armoede, of schande of misdaad bestaat, die niet getorscht, zelfs met verrukking aangegrepen en inniger dan de deugd bemind kan worden door de hardnekkige getrouwheid en de bewonderenswaardige en standhoudende dwaasheid eener vrouw?

De weledelgeboren heer Henry Foker zuchtte dus naar zijne geliefde, en verwenschte het noodlot, dat hem van haar gescheiden hield. Toen Lord Gravesend met zijn gezin naar zijn buitenverblijf vertrokken was (nadat Mylord zijne volmacht, om in het Hoogerhuis voor hem te stemmen, aan den achtbaren Lord Bagwig had ter hand gesteld), bleef Henry zich te Londen ophouden, zekerlijk niet tot verdriet van Lady Anna, met wie hij verloofd was en die hem in het minst niet miste. Waar jufvrouw Amory heenging, bleef deze verdwaasde jonkman haar volgen en daar hij wist, dat zijn engagement met zijne nicht in de wereld bekend was, zag hij zich genoodzaakt een geheim van zijne liefde te maken en deze in zijn eigen borst op te sluiten, zoodat zij daar ingeperst en neergedrukt werd, en het wonder is, dat hij niet op den een of anderen dag door de uitzetting van dat geheim barstte en na die ontploffing dood ineenzakte.

Er was op zekeren schoonen Juni-avond eene groote partij op Gaunt House geweest en de bladen behelsden den volgenden dag bijna twee geheel uiterst compres gedrukte kolommen met de namen der adellijke en aanzienlijke personen, die met uitnoodigingen tot het bal vereerd waren geworden: Onder die gasten werden ook Sir Francis en Lady Clavering en mejufvrouw Amory vermeld, voor welke de onvermoeibare majoor Pendennis eene uitnoodiging had weten te verkrijgen, en onze jonge vrienden Arthur en Henry. Elk van beiden zette zijn beste voetje voor en danste heel veel met Blanche. De waardige majoor zelf nam de zorg van Lady Clavering op zich en geleidde haar naar die zaal, waar mylady zich inzonderheid kon onderscheiden, namelijk de ververschingszaal, waar den ganschen avond gesoupeerd werd, te midden van schilderijen van Titiaan en Giorgione, vorstelijke portretten van van Dyck en Reynolds, ontzaglijk groote gouden en zilveren vaatwerken, pyramiden van groote bloemen, en zonnestelsels van waskaarsen – alles, in één woord, op een voet, die bewees dat er niet naar de kosten gevraagd was. Het past ons niet te zeggen hoeveel crêmes, geleien, saladen, perziken, bouillons, druiven, patés, galantines, kopjes thee, glazen champagne en andere ververschingen Lady Clavering gebruikte. Hoeveel de majoor leed terwijl hij de eerzame dame volgde en de statige bedienden en de dienstmeisjes riep en met bewonderenswaardig geduld in Lady Clavering’s verschillende behoeften voorzag, dit weet niemand, want hij is er nooit voor uitgekomen. Hij zorgde, dat zijne zielesmart zich in het minst niet op zijn gelaat afspiegelde, en bracht met onvermoeide voorkomendheid het eene bord na het ander aan de begum.

Mijnheer Wagg telde al de gerechten, waarvan Lady Clavering gebruikte, zoolang hij tellen kon (maar daar hij zelf in den loop van den avond zeer ruim van den champagne gebruik maakte, kon men zich tegen het einde der partij niet meer op zijne rekenkundige bekwaamheden verlaten), en hij drukte Honeyman, Lady Steyne’s dokter, ernstig op het hart toch goed op de begum te letten en den volgenden dag naar den welstand van mylady te gaan informeeren.

Ook Sir Francis Clavering vertoonde zich en slenterde eenigen tijd door de prachtige zalen maar daar het gezelschap en de weelde, welke den baronet omringden, niet naar zijn smaak waren, verliet hij Gaunt House, na aan het buffet een paar bierglazen wijn naar binnen gezonden te hebben, en begaf zich naar de welbekende groene tafel in de nabuurheid van Jermyn Street, waar zijne vrienden Loder, Punter, de kleine Moss Abrams en kapitein Skewball vergaderd waren. Onder het ratelen van de dobbelsteenen en bij hun aangenaam onderhoud verhief zich Clavering’s geest tot zijne gewone hoogte van fletsche vroolijkheid.

Op een gegeven oogenblik kwam mijnheer Pynsent, die jufvrouw Amory ten dans genoodigd had, naar haar toe, om hare hand te vragen; doch er waren barsche blikken van herkenning tusschen hem en mijnheer Arthur Pendennis in de danszaal gewisseld, en plotseling stond dus Arthur op en liet zijn aanspraak op jufvrouw Amory voor dezen dans gelden, waarop mijnheer Pynsent, zich op de lippen bijtende en nog stuurscher kijkende, met eene diepe buiging terugtrad en zeide, dat hij van zijn aanspraak afzag. Er zijn sommige menschen, die ons in het leven altijd in den weg staan. Pynsent en Pen koesterden deze meening van elkander en beschouwden elkander dan ook met daaraan beantwoordende gevoelens.

„Wat is dat een verwenschte, verwaande gek van een plattelandsjonker,” dacht de een. „Zijn hoofd is op hol, omdat hij een prulroman geschreven heeft, en een ferm pak slaag zou goed zijn voor zijn opgeblazenheid.”

„Wat is die man een onbeschofte domoor,” merkte de ander tot zijne danseres op. „Zijne ziel huist alleen in zijne ministerieele bureaux; zijne das is papier; zijn haar is zand, linialen zijne beenen; van binnen bestaat hij uit zegelkoord en lak; hij was reeds in zijne wieg een kwast; sinds zijne geboorte heeft hij nog nooit gelachen, behalve driemaal om een en dezelfde aardigheid van zijn chef. Ik houd evenveel van dien man, jufvrouw Amory, als van koud kalfsvleesch.” En daarop maakte Blanche natuurlijk de aanmerking, dat Pen heel ondeugend, méchant, onuitstaanbaar was, en dat zij wel eens zou willen weten wat hij van haar zeide, als zij zich had omgekeerd!

„Wat anders dan dat gij het liefste figuurtje en het dunste middeltje van de gansche wereld bezit, Blanche – ik wil zeggen jufvrouw Amory. Ik vraag u wel verschooning. Nog een tour, wat ik u bidden mag; deze muziek zou een dominé doen dansen.”

„En valt gij nu niet meer, als gij walst?” vroeg Blanche, hem schalks in het gelaat ziende.

„In het leven valt men en staat men weer op, Blanche (gij weet, dat ik u vroeger altijd zoo noemde en het is de liefste naam ter wereld); bovendien heb ik mij sedert nog geoefend.”

„En waarschijnlijk wel met een groot aantal dames?” zeide Blanche met een gemaakt zuchtje, terwijl zij de schouders ophaalde. En inderdaad had mijnheer Pen zich op die wijze veel geoefend in dit leven en was het hem zonder twijfel gelukt beter te leeren dansen.

Was Pendennis meer dan vrijmoedig in zijn spreken, Foker daarentegen, die bij de meeste gelegenheden zoozeer op zijn gemak was en zoo spraakzaam, verstomde en werd melancholisch, als hij met jufvrouw Amory danste. Haar tengere gestalte te mogen omvatten was zaligheid; met haar door de zaal te draaien was zinsverbijsterend; maar tegen haar te spreken! wat kon hij zeggen, dat haar waardig was? Welke parel van conversatie kon hij aanbieden, geschikt om door zulk eene vorstin der liefde en der geestigheid als Blanche te worden aangenomen? Zij was het, die het gesprek voerde, wanneer zij zich in het gezelschap van dezen smoorlijk verliefden danseur bevond. Zij was het, die hem vroeg, hoe het met dat lieve hitje ging, en hem met zulk eene teedere lieftalligheid en droefgeestigheid aanzag en bedankte, toen zij het lieve hitje, dat hij haar ten geschenke aanbood, met zulk een aandoenlijk zuchtje weigerde. „Ik heb niemand, met wien ik in Londen kan rijden,” sprak zij. „Mama is bang en heeft ook te paard geen heel mooi figuur. Sir Francis gaat nooit met mij uit. Hij heeft mij lief als – men eene stiefdochter liefheeft. O, wat moet het heerlijk, zijn een vader te bezitten – een vader, mijnheer Foker!”

„O, overheerlijk,” zeide mijnheer Henry, die dezen zegen met groote kalmte genoot, waarop Blanche, het sentimenteel air vergetende, dat zij pas een oogenblik te voren aangenomen had, met hare grijze oogen Foker zoo schalks aanzag, dat beiden het uitschaterden en Henry, nu geheel verrukt en op zijn gemak, haar met allerlei onschuldige praatjes begon te onderhouden – van die goede en eenvoudige Fokerspraatjes, gekruid met een aantal uitdrukkingen, die men in geen woordenboek vinden zal, en betrekkelijk zijn eigen geschiedenis of die zijner paarden of andere zaken, die hem lief of gewichtig waren, of over de personen in de balzaal, die voorbijgingen en over wier voorkomen en karakter mijnheer Henry zich met ongekunstelde vrijmoedigheid en zeer humoristisch uitliet.

En het was Blanche, die, zoodra het gesprek verflauwde en de bedeesdheid van den jonkman terugkeerde en hem overweldigde, de levendigheid van haar metgezel weer wist op te wekken, en hem ondervroeg over Logwood, en of het eene mooie plaats was, – of hij een jager was, en of hij er van hield, dat vrouwen aan de jacht deelnamen? (in welk geval zij gereed stond te verklaren, dat zij er dol op was). Doch daar mijnheer Foker zich tegen de deelneming van vrouwen aan die uitspanningen verklaarde, en Lady Bullfinch, die hen juist voorbijging, uitlachte als eene paardenliefhebster, die hij had zien jagen met eene sigaar in den mond, verklaarde Blanche ook, dat zij alle veldvermaken verfoeide en dat zij rilde bij de gedachte aan het vermoorden van zoo’n lief, aardig vosje, waarop Foker begon te lachen en met nieuwe kracht en bevalligheid voortwalste.

En bij het einde van de wals – de laatste wals van dien avond – vroeg Blanche hem naar Drummington en wilde weten of het een mooi huis was? Zij had gehoord, dat zijne nichten zeer knap waren; Lord Erith had zij reeds ontmoet, maar van wie zijner nichten hield hij nu het meest? Was het niet Lady Anna? Ja, zij was er zeker van; zij zag het aan zijn oogen en aan zijn blozen. Zij was moe van het dansen; het was heel laat; zij moest nu naar mama gaan; – en zonder een enkel woord verder sprong zij weg van Henry Foker’s arm, greep dien van Pen, die door de balzaal drentelde, en riep andermaal: „Mama, mama! – breng mij naar mama, lieve mijnheer Pendennis!” terwijl zij, op de wijze der Parthen, Henry nog met een laatsten pijl doorboorde, als zij voor hem vluchtte.

Mylord Steyne, met zijn Kouseband en het lint dier orde, met een kaal hoofd, glinsterende oogen, en een krans van roode bakkebaarden rondom zijn gelaat, zag er bij plechtige gelegenheden altijd zeer deftig uit en maakte diepen indruk op Lady Clavering, toen hij zich op verzoek van den dienstvaardigen majoor Pendennis aan haar voorstelde. Met zijn eigen blanke en vorstelijke hand bracht hij mylady een glas wijn, zeide, dat hij van hare bekoorlijke dochter gehoord had, aan wie hij verzocht voorgesteld te mogen worden, en op dit zelfde oogenblik kwam juist mijnheer Arthur Pendennis met die jonge dame aan zijn arm bij het gezelschap.

De pair maakte eene diepe buiging en Blanche van haar kant de diepste nijging, die men ooit had gezien. Zijne lordschap reikte aan mijnheer Arthur Pendennis de hand, zeide, dat hij zijn boek gelezen had, hetwelk zeer talentvol maar ondeugend was, en vroeg aan jufvrouw Blanche of zij het gelezen had, waarbij Pen bloosde en niet op zijn gemak was, want, – Blanche was eene der heldinnen van den roman. Blanche met zwarte lokken en een weinig veranderd, was de Neæra van Walter Lorraine.

Blanche had het boek gelezen, en de taal der oogen gaf te kennen hoezeer het haar met bewondering en verrukking vervuld had. Nadat deze kleine vertooning was afgespeeld, maakte de markies van Steyne weer twee diepe buigingen voor Lady Clavering er hare dochter, en begaf zich naar andere gasten op zijne prachtige partij.

Mama en hare dochter waren onuitputtelijk in haar lof van den edelen markies, zoodra hij haar den breeden rug had toegekeerd. „Hij zeide, dat zij een heel aardig paartje zouden zijn,” fluisterde de majoor aan Lady Clavering toe. – Heeft hij dat wezenlijk gezegd? Mama geloofde ook, dat zij het zijn zouden; mama was zoo opgetogen over de eer, die haar pas weervaren was, en over andere verblijdende gebeurtenissen van dezen avond, dat haar opgeruimdheid geen grenzen kende. Zij lachte en wenkte en knikte Pen veelbeteekenend toe; zij tikte hem en Blanche en den majoor met den waaier op den arm; haar genoegen was buitensporig en hare manier om hare blijdschap aan den dag te leggen was zeer luidruchtig.

Toen het gezelschap de groote trap van Gaunt House afging, was het morgenlicht reeds helder en duidelijk boven de donkerkleurige boomen van het plein opgegaan; de hemel was met een purpergloed getint en de wangen van eenige bezoekers van het bal – o, wat zagen die er spookachtig uit! Vooral die bewonderenswaardige en trouwe majoor, die zich uren lang aan Lady Clavering’s zijde opgehouden, die haar bediend en hare maag gevuld had met al wat lekker was en haar oor met al wat zoet en vleiend klonk, – o, wat zag hij er uit! De kringen rondom zijn oogen hadden de kleur van de straatsteenen; die oogen zelve geleken op de kievitseieren, welke Lady Clavering en Blanche gegeten hadden; de rimpels van zijn verouderd gelaat waren diepe voren geworden; en zilverkleurige stoppels glinsterden als een onfrissche morgendauw aan zijne kin en naast zijne geverfde bakkebaarden, die thans slap neerhingen en uit de krul waren.

Daar stond hij als een toonbeeld van lijdzaamheid, onderworpen en zonder eene klacht te uiten, in stomme zielesmart; bewust, dat de menschen zien konden in welken toestand zijn gezicht verkeerde (want hij zag het immers zelf aan anderen van zijn eigen leeftijd, zoo mannen als vrouwen?) sinds uren smachtende om zich ter ruste te begeven; overtuigd, dat het avondeten hem bezwaarde, en toch een weinig mee gegeten hebbende, om zijne vriendin, Lady Clavering, te behagen; daar stond hij met nepen van de rheumatiek in zijn rug en zijne knieën, met afgematte voeten, die in zijne verlakte laarzen gloeiden, – zoo vermoeid, o zoo vermoeid en naar bed verlangende! Indien een man die met tegenspoed te kampen heeft en dezen moedig overwint, een schouwspel is, de goden waardig, dan moet de Macht, in wier tempels de oude majoor een trouw aanbidder was, met welgevallen op de standvastigheid waarmee Pendennis zijn martelaarschap verduurde, hebben neergezien. Er lijden er voor die zaak, gelijk voor zoo menig andere; de negers, die aan Mumbo Jumbo hunne hulde brengen, tatoueeren zich en pijnigen zich met gloeiende braadspitten, en leggen daarbij de grootste zielskracht aan den dag; en zoo lezen wij, dat de priesters van den Baälsdienst zich zelven onversaagd verwondden en hun bloed lieten stroomen. Gij die in staat zijt de afgoden te verbrijzelen, doet het met onversaagden moed; maar valt de afgodendienaars niet te hard, want zij bewijzen eer aan het hoogste wezen, dat zij kennen.

De beide Pendennis’en, de oude en de jonge, hielden Lady Clavering en hare dochter gezelschap tot haar rijtuig afgeroepen werd, en toen nam de marteling van den oude een einde, want de goedhartige begum wilde hem tot aan zijn huis in Bury Street brengen. Wellevend tot het einde toe en vast besloten zijn plicht te vervullen, nam hij na een paar flauwe buigingen en behoorlijke dankbetuiging eene plaats op de achterbank in. De begum wuifde met haar dik handje een afscheid aan Arthur en Foker toe, en Blanche vereerde de jonge heeren met een kwijnend lachje, en vroeg zich intusschen af, of zij er niet zeer bleek en groen onder hare rozenkleurige kap uitzag en of zij alleen in de spiegels van Gaunt House dan wel door de vermoeienis en het branden van haar oogen zulk een bleek voorkomen had.

Arthur zag waarschijnlijk zeer goed, dat Blanche zoo geel was, maar schreef die ongewone tint niet aan de spiegels noch aan een gebrek in zijn eigen oogen of de hare toe. Onze jeugdige man van de wereld kon zeer scherp kijken en zag dus Blanche’s gelaat vrij wel zoo als de natuur het gemaakt had. Maar voor den armen Foker bezat het een luister, die hem verbijsterde en verblindde; hij kon er evenmin gebreken in bespeuren als in de zon, die nu boven de toppen der huizen begon te schitteren.

De zedemeester zal bemerken, dat Pen, onder andere slechte Londensche gewoonten, die hij had aangenomen, ook begonnen was zich te gewennen aan laat opblijven, en zeer dikwijls te bed ging op een uur, waarop eerzame landbewoners zich gereedmaakten om op te staan. Men kan zich evengoed aan het een als aan het ander uur gewennen. Dagbladredacteurs, bezoekers van de Covent Garden markt, koetsiers en houdsters van koffiestalletjes, schoorsteenvegers en voorname heeren en dames, die op bals gaan, zijn dikwijls ten drie of vier ure des morgens, als gewone stervelingen liggen te snorken, de levendigheid zelve. In ons vorig hoofdstuk hebben wij doen zien, dat Pen op dien tijd nog wakker van geest was, en gaarne op zijn gemak eene sigaar rookte en zijn hart ontlastte.

Foker en Pen verlieten dus Gaunt House onder het genot van de beide genoemde vermaken, of liever Pen sprak, en Foker zag er uit alsof hij iets wilde zeggen. Pen hing den spotter en den dandy uit, als hij in het gezelschap van voorname lui was geweest; onwillekeurig bootste hij hunne eigenaardigheden en manieren na, en daar hij eene zeer levendige verbeeldingskracht bezat, hield hij zich zeer licht, hoewel ten onrechte, voor een persoon van gewicht Zoo snaterde hij voort en haalde nu dezen, dan genen over den hekel; hij smaalde op Lady John Turnbull’s slecht Fransch, waarmee die dame alle gesprekken doorspekte in weerwil van ieders spotlach, op de opzichtige kleeding en de valsche juweelen van mevrouw Slack Roper; op de oude en de jonge dandy’s, – kortom, wie was er, om wien hij niet spotte en lachte?

„Gij gaat iedereen te lijf, Pen; – men zou bang van u worden,” zeide Foker. „Gij hebt nu Blandel’s gele pruik en Colchicum’s zwarte pruik beetgehad; waarom slaat gij de hand niet eens aan eene bruine? ge weet wel wiens pruik ik meen. Zij heeft in Lady Clavering’s rijtuig plaats genomen.”

„Onder mijn ooms hoed? Mijn oom is een martelaar, Foker, beste jongen. Hij heeft den ganschen avond pijnlijke plichten vervuld. Hij gaat gaarne vroeg naar bed. Als hij laat opblijft en een souper gebruikt, krijgt hij vreeselijke hoofdpijn. Hij heeft altijd een aanval van de jicht te wachten als hij op een bal veel loopt of staat. Nu is hij laat opgebleven en heeft lang gestaan en gesoupeerd. Thuis wacht hem nu de jicht en de hoofdpijn, en dat om mijnentwil. Zou ik dan met den ouden heer den draak steken? Neen, om geen geld ter wereld!”

„Hoe bedoelt gij, dat hij dit om uwentwil gedaan heeft?” vroeg Foker, eenigszins met een onthutst gelaat.

„Vriendje, kunt gij een geheim bewaren als ik er u deelgenoot van maak?” riep Pen zeer opgewonden. „Zijt gij bescheiden? Wilt gij zweren? Zult gij zwijgen, of wèl klappen? Wilt gij zwijgen en hooren, of spreken en sterven?” En met die woorden nam hij een overdreven theatrale houding aan, tot verwondering der huurkoetsiers in Piccadilly, die over de vreemde manieren der beide jonge heeren grijnsden.

„Waar wilt gij voor den drommel naar toe?” vroeg Foker en begon er zeer ongerust uit te zien.

Pen bemerkte echter niet veel van zijn ontroering, maar ging op dezelfde luchtige en opgewonden wijze voort. „Henry, vriend mijner jeugd en getuige mijner vroegere dwaasheden,” riep hij uit, „ofschoon gij suf waart bij uwe boeken, ontbreekt het u echter niet geheel aan gezond verstand, – neen, bloos niet, Henrico, gij bezit een goed deel daarvan, en van moed en welwillendheid ook, om uwe vrienden van dienst te zijn. Als ik in armoede zat, zou ik de toevlucht nemen tot mijn Foker’s beurs. Leed ik onder droefenis, ik zou mijne smart ontlasten in zijn meewarigen boezem –”

„Allemaal gekheid, Pen, – ter zake!” riep Foker.

„Ik zou die ontlasten, Henrico, op uwe hemdsknoopjes en op dat linnen, dat door schoone handen gewerkt is, om uwe dappere borst te versieren! Weet, dan, vriend mijner kindsche dagen, dat Arthur Pendennis, van den Upper Temple, student in de rechten, gevoelt dat hij eenzaam begint te worden en dat de grijze Zorg zijne slapen doorploegt en de Kaalheid zijne kruin bezoekt. Willen wij even een kopje koffie aan dit stalletje gebruiken? ze ziet er warm en lekker uit. Kijk eens hoe die koetsier in zijn schoteltje blaast. Wilt gij niet? Dan ga ik weer met mijn verhaal voort, aristocraat! Ik begin op den levensweg te vorderen; ik bezit drommels weinig geld en heb wat noodig. Ik ben dus voornemens mij daarvan wat te verschaffen en een huishouden op te richten. Daar denk ik ernstig over. Ik denk aan trouwen, ouwe jongen! Ik wil een deftig man worden, zoo’n man van port en sherry, geacht in mijne wijk en met een stil huishoudentje van twee meiden en een knecht, en nu en dan eens een rijtuigje om met mevrouw Pendennis uit rijden te gaan, en een huis in de nabijheid der Parken, ten gemakke van de kinderen. Wat zegt gij daarvan? Geef antwoord aan uw vriend, gij eerzaam zoon des biers! Spreek! ik bezweer u bij al uwe vaten!”

„Maar gij hebt geen geld, Pen,” zeide de ander, nog altijd met een ongerusten blik.

„Neen, dat is waar; maar zij heeft het. Ik zeg u, dat mij goud beschoren is – niet wat gij geld noemt, gij die in den schoot der weelde zijt groot gebracht en gewiegd in het graan, en die uit duizend brouwketels schatten inslurpt. Wat weet gij van geld! Wat voor u armoede zou zijn, is rijkdom voor den geharden zoon van den geringen apotheker. Gij kunt niet leven zonder een huishouden op grooten voet en uwe huizen buiten en in de stad. Een lief huisje ergens in den omtrek van Belgravia, een rijtuigje voor mijne vrouw, eene fatsoenlijke keukenmeid en soms eene fijne flesch voor mijne vrienden, – ziedaar de kleine behoeften, waarmee ik mij tevreden stel, Foker.” En nu begon Pendennis ernstiger te zien, en zonder verdere grappen te maken, vervolgde hij: „Ik denk er bepaald over, mij te vestigen en te trouwen. Niemand kan in de wereld vooruitkomen, zonder wat geld tot ruggesteun. Men moet een zekeren inzet bezitten om mee te beginnen, eer men aan het groote spel deel kan nemen. Wie weet, wat ik nog onderneem, ouwe jongen! Slechter menschen dan ik ben hebben bij dat spel gewonnen. En daar ik niet genoeg geld van mijne vaderen geërfd heb, moet ik wat door mijne vrouw zien te krijgen, – ziedaar de zaak.”

Terwijl zij spraken, of liever terwijl het Pen was, die in de zelfzuchtige volheid van zijn hart sprak, stapten zij Grosvenor Street door, en Pen moet het te druk met zijn eigen zaken hebben gehad, om den angst en de ontroering van zijn metgezel op te merken, want hij vervolgde: „Wij beiden zijn geen kinderen meer, Henry Bah! onze romaneske tijd is voorbij. Wij trouwen niet uit liefde, maar uit voorzorg en om ons te vestigen. Waarom neemt gij uwe nicht? Omdat zij een aardig meisje en de dochter van een graaf is, en de oude lui het gaarne zien en zoo meer.

„En gij, Pendennis,” vroeg Foker, „houdt gij niet heel veel van het meisje – dat gij gaat trouwen?”

„Comme ça,” zeide Pen, de schouders ophalende; „ik houd vrij veel van haar. Zij is mooi genoeg en knap genoeg. Ik geloof, dat ik met haar tevreden mag zijn. En zij heeft ook geld genoeg – dat is het voornaamste. Kom, gij weet wel wie het is, niet waar? Op zekeren avond toen wij bij hare mama dineerden dacht ik, dat gij zelf een goed oogje op haar hadt. Het is de kleine Amory.”

„Dat – dat dacht ik wel,” zeide Foker; „en heeft zij uwe hand aangenomen?”

„Nog niet bepaald,” gaf Arthur ten antwoord met een lachje van zelfbehagen, hetgeen scheen te beteekenen: ik heb haar maar voor het vragen, en dan valt zij mij dadelijk in de armen.

„Beste Fo! wat deert u? Zijt ge niet wel?” riep Pen met ernstige ongerustheid uit.

„Gij denkt, dat het van de champagne op Gaunt House is, niet waar?” zeide Foker. „Maar dat is het niet. Kom binnen en hoor mij een oogenblik aan, dan zal ik het u vertellen. Voor den duivel, ik moet mijn hart aan iemand uitstorten!”

Op dit oogenblik waren zij aan mijnheer Foker’s deur. Henry opende die en trad met zijn vriend zijne vertrekken binnen, die in het achtergedeelte van het huis lagen, achter de eetzaal, waar de oude Foker, omringd van de portretten van hem zelven, zijne vrouw, zijn zoon als kind, op een ezel, en den vorigen graaf van Gravesend in zijn pairscostuum, gewoon was zijne gasten te ontvangen. Foker en Pen gingen deze zaal voorbij, die thans door hare gesloten luiken een doodsch voorkomen had, en betraden het eigen vertrek van den jongen man. In die kamer speelden de eerste zonnestralen en verlichtten de galerij van dansende meisjes en opera-nimfen met flikkerenden glans.

„Hoor eens, Pen! Ik moet het u vertellen,” sprak hij. „Juist sedert den avond toen wij daar gedineerd hebben, ben ik zoo verliefd op dat meisje, dat ik geloof het te zullen besterven als ik haar niet krijg. Soms is het mij, alsof ik er krankzinnig van zal worden. Ik kan u niet zoo over haar hooren spreken, en wel op dit oogenblik, dat gij haar trouwen wilt, alleen omdat zij geld heeft. Ach, Pen! dat is de vraag niet bij het trouwen; daarop verwed ik alles wat gij wilt. Van geld te spreken wanneer het zulk een meisje betreft – dat is – dat is – hoe zal ik het uitdrukken – gij weet wel wat ik zeggen wil – ik ben niet knap in het spreken – dáár dan: heiligschennis! Als zij mij hebben wilde zou ik straatveger willen worden, dat zou ik.”

„Arme Fo! ik geloof niet, dat dit haar zou aanlachen,” zeide Pen, die zijn vriend met oprechte belangstelling en medelijden aanzag. „Dit is geen meisje voor liefde in een hutje van klei.”

„Zij moest eene hertogin zijn, dat weet ik zeer goed, en ik weet ook wel, dat zij mij niet zou willen hebben indien ik haar geen aanzienlijke positie in de wereld kon verschaffen – want ik zelf heb niet veel te beteekenen – ik ben niet knap of iets van dien aard,” zeide Foker neerslachtig. „Indien ik al de diamanten bezat, welke al die hertoginnen en markiezinnen heden avond droegen, ik zou ze in haar schoot werpen. Maar wat baat het, er over te spreken? Ik kan den anderen dans niet ontspringen. Dat doet mij den dood aan, Pen. Ik kan er mij niet aan onttrekken, al wilde ik er mijn leven voor laten. En ofschoon mijne nicht een lief meisje is en ik wel van haar houd, had ik deze nog niet gezien, toen onze oude heeren de zaak beklonken. En toen gij zoo even zeidet, dat gij met haar tevreden kondt zijn en dat zij geld genoeg voor u beiden bezat, toen dacht ik bij mij zelven: dat een meisje geld heeft, of dat men haar eenvoudig mag lijden, moest niet genoeg zijn om te trouwen. Als iemand op die wijze gehuwd is, zal hij misschien ontdekken dat hij van een ander meisje méér houdt, en dan kan al het geld van de wereld hem niet gelukkig maken. Zie maar eens hoe het mij gaat; ik heb geld in overvloed, of ik zal het uit de brouwketels krijgen, zooals gij ze noemt. Mijn oude heer dacht eens goed voor mij te zorgen, door mijn huwelijk met mijne nicht vast te stellen. Maar ik verzeker u, dat het verkeerd zal uitkomen; en als Lady Anna haar man gekregen heeft, zal geen van ons beiden gelukkig wezen, en zij zal opgescheept zijn met den ellendigsten stumpert in Londen.”

„Arme jongen!” zeide Pen met een edelmoedigheid, die hem weinig kostte. „Ik wenschte, dat ik u kon helpen. Ik had nooit kunnen denken, dat gij zoo dol verliefd waart op dat meisje. Denkt gij, dat zij u zou willen hebben zonder uw geld? Neen. Denkt gij, dat uw vader zou willen toestemmen in het verbreken van uw engagement met uwe nicht? Daarvoor kent gij hem te goed; hij zou u eer onterven dan dat te doen.”

De rampzalige Foker antwoordde alleen met een gekerm en wierp zich, met het hoofd tusschen de handen geklemd, voorover op de sofa.

„Wat mijne belangen aangaat,” vervolgde Pen, „indien ik had kunnen denken, beste jongen, dat het met u zoo bedenkelijk stond, zou ik u ten minste geen verdriet gedaan hebben door u tot mijn vertrouwde te kiezen. En voor het oogenblik althans is de zaak met mij nog niet uitgemaakt. Ik heb daarover nog geen woord tegen jufvrouw Amory gesproken. Hoogst waarschijnlijk zou zij mij niet willen hebben, als ik haar vroeg. Maar ik heb er zeer veel met mijn oom over gehandeld, die zegt, dat dit huwelijk mij zeer voordeelig zou zijn. Ik tracht naar hooger en ik ben arm. En het schijnt, dat Lady Clavering haar een aanzienlijke som zal meegeven, en Sir Francis zou men kunnen bewegen om – nu dat doet er niet toe. Er is nog niets beslist, Henry. Zij gaan binnen kort uit de stad en ik beloof u, dat ik haar vóór dien tijd niet zal vragen. Er is geen haast bij; wij hebben allen den tijd. Maar indien gij haar kondt krijgen, Foker, herinner u dan, wat ge zoo even gezegd hebt over het huwelijk, en over de ellende van een man, die onverschillig is ten aanzien van zijne vrouw; maar welke soort van vrouw zou het zijn, die niet om haar man gaf?”

„Maar zij zou om mij geven,” riep Foker van zijne sofa, „dat wil zeggen, ik geloof, dat zij, het zou doen. Nog pas heden avond onder het dansen zeide zij –”

„Wat zeide zij?” riep Pen uit, verbolgen opstuivende. Maar wat hem aandreef, zag hij duidelijker in dan Foker het deed, en hij brak lachend af. „Nu, het komt er niet op aan, wat zij zeide. Jufvrouw Amory is een levendig meisje en zegt een aantal vleiende dingen – tegen u – tegen mij ook wel eens – en de drommel weet tegen wien nog meer! Er is nog niets bepaald, ouwe jongen. Mijn hart zal er ten minste niet van breken als ik haar niet krijg. Tracht haar te krijgen als gij kunt en ik wensch er u veel heil mee! Vaarwel! Denk maar niet langer over hetgeen ik u verteld heb. Ik was wat opgewonden; ik ben in die heete zalen verduiveld dorstig geweest en heb waarschijnlijk niet genoeg mineraalwater in de champagne gedaan. Goedennacht! Ik zal ook van u niet spreken. Wij moeten beiden den mond houden; „laat er eerlijk gevochten worden en de knapste man den prijs behalen,” zooals Peter Crawley zegt.”

Met die woorden wierp mijnheer Arthur Pendennis een veelbeteekenenden en vrij verdachten blik op zijn vriend en schudde hem de hand met eene soort van hartelijkheid, die met zijne pas gemaakte vergelijking van eene bokspartij strookte, gelijk mijnheer Bendigo de hand van mijnheer Caunt schudt, alvorens zij met elkander gaan boksen om den kampioensgordel en nog tweehonderd pond van weerszijden. Foker beantwoordde den afscheidsgroet van zijn vriend met een smeekenden blik en een klaaglijken handdruk, waarna hij weer in zijne kussens neerzonk, terwijl Pen den hoed opzette en naar buiten stapte, waarbij het niet veel scheelde, of hij struikelde over de werkmeid, die reeds zoo vroeg op was en het bordes dweilde.

„En dus zou hij haar ook willen hebben? Ei, ei!” dacht Pen onder het gaan, terwijl hij met eene weinig prijzenswaardige scherpzinnigheid en een bijna duivelsch leedvermaak waarnam, dat de smart en foltering, die Foker’s argeloos hart vervulden, juist iets aangenaams en pikants aan zijn eigen oogmerken ten opzichte van Blanche bijzette, indien men den naam van oogmerken mocht geven aan hetgeen tot nog toe louter spel en tijdkorting was geweest. „Zij zeide iets tegen hem? Zóó! Misschien heeft zij hem de weerga van dit bloempje gegeven?” en daarbij nam hij een arm verdord en gekneusd rozeknopje, dat door de warmte en den lichtgloed van dien avond verwelkt en zwart was geworden, uit zijn knoopsgat en liet het tusschen vinger en duim draaien. „Ik zou wel eens willen weten aan hoeveel anderen zij die onschuldige bewijzen van hare genegenheid gegeven heeft, – die kleine coquette! –” en daarop wierp hij den rozeknop in de goot, waar het water hem misschien verfrischt en een liefhebber van rozeknoppen hem wellicht opgeraapt heeft. En daarop, bedenkende dat het reeds helder dag was en dat de voorbijgangers hem om zijn ongeschoren kin en zijne witte das zouden kunnen aanzien, nam onze zedige jonge heer eene vigilante en reed naar den Temple.

Ach, is dit de knaap, die slechts weinige jaren geleden aan zijn moeders knie lag te bidden en voor wien zij waarschijnlijk op dit morgenuur hare gebeden omhoog zendt? Is deze afgematte en zelfzuchtige wereldling dezelfde jonkman, die nog zoo kort geleden bereid was, al wat hij op de wereld bezat, zijn eerzucht, zijne vooruitzichten in het leven, om den wille zijner liefde op te offeren? Dit is de man, op wien gij trotsch zijt, oude Pendennis! Gij beroemt u, dat gij hem gevormd en hem die malle en romaneske grillen en dwaasheden uit het hoofd gepraat hebt, en terwijl gij in uw bed onder uwe pijnen en rheumatiek ligt te kreunen, troost gij u met de gedachte, dat die knaap eindelijk iets zal doen om het een eind ver te brengen, en dat de Pendennis’en een aanzienlijke plaats in de wereld zullen innemen. Is hij de eenige, die op zijne reis door dit somber leven opzettelijk of toevallig van den weg afdwaalt, terwijl de aangeboren waarheidsliefde en hartelijkheid, die hem zouden moeten besturen, door de vergiftige lucht ontaarden en hem niet meer tot leidsterren kunnen strekken?

Na Pen’s vertrek stond de arme Henry Foker van de sofa op. Hij nam uit zijn vest – het vest met die prachtige knoopen en die schitterende borduursels, het werk van zijne mama – een wit rozeknopje, haalde uit zijne toiletdoos – ook een moederlijk geschenk – eene schaar, knipte er zorgvuldig den stengel van het bloempje mee af en zette het in een glas water tegenover zijn bed, waar hij eene schuilplaats zocht tegen de zorg en de bittere herinneringen.

Waarschijnlijk had jufvrouw Blanche Amory meer dan ééne roos in haar bouquet, en waarom zou dat lieve jonge schepseltje niet iets van haar overvloed uitdeelen, en zooveel dansers, als maar mogelijk was, gelukkig maken?

ZEVEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

MONSEIGNEUR S’AMUSE.

De inspanning van den vorigen avond op Gaunt House zou bijna te veel zijn geweest voor majoor Pendennis; en zoodra hij zijn oud en afgetobd lichaam zonder gevaar kon verplaatsen, begaf hij zich kermend naar Buxton, waar hij bij de geneeskrachtige bronnen leniging zijner smarten zocht. Het parlement ging uiteen. Sir Francis Clavering verliet met zijn gezin de stad, en de aangelegenheden, welke wij pas aan den lezer hebben meegedeeld, waren in de weinige dagen of weken, welke tusschen het tegenwoordige en het vorige hoofdstuk waren verloopen, niets gevorderd. Londen was echter in den tusschentijd eenzaam geworden en verlaten.

Het Londensche seizoen was nu geëindigd. Pen’s buren, de advocaten, woonden de zittingen der hoven van assises bij; en zijne meer voorname vrienden hadden passen naar het vasteland genomen, of zich om redenen van gezondheid of vermaak naar de Schotsche heidevelden begeven. Men zag ternauwernood iemand aan de groote vensters der clubs of op het verlaten plaveisel van Pall Mall. De roodrokken waren van de poort van het paleis verdwenen; de winkeliers van St. James zochten in het buitenland hun vermaak; de kleermakers hadden hunne knevels laten groeien en waren den Rijn opgegaan; de schoenmakers bevonden zich te Ems of te Baden en bloosden wanneer zij op die plaatsen van uitspanning hunne klanten ontmoetten, of zetten aan de speeltafels op, naast hunne schuldenaars; de dominé’s van St. James preekten voor eene halve gemeente, waaronder niet één zondaar van aanzien te vinden was; het muziekkorps in de Kensington Gardens had zijne koperen instrumenten en zijne zilveren trompetten weggeborgen; slechts een twee of drietal oude vigilanten en rijtuigen kropen traag langs de oevers der Serpentine voort, en Clarence Bulbul, die wegens zijne zeer drukke bezigheden als commies bij het departement van financiën in de stad moest blijven, vergeleek de eenzaamheid van Rotten Row, als hij daar zijn middagritje te paard deed, bij de verlatenheid der Arabische woestijn en zich zelven bij een Bedoeïn, die door deze stoffige wildernis zijn weg moest zoeken. Warrington pakte eene hoeveelheid cavendish tabak in zijn valies, en ging, volgens gewoonte, de vacantie ten huize van zijn broeder in Norfolk doorbrengen. Pen moest een tijdlang alleen op zijne kamers blijven, want deze man van de wereld kon niet altijd, als hij het verkoos, de stad verlaten, en werd nu teruggehouden door de zaken van zijn blad, de Pall Mall Gazette, waarbij hij de rol van redacteur en gevolmachtigde vervulde gedurende de tijdelijke afwezigheid van den chef, kapitein Shandon, die met de zijnen de heilzame baden te Boulogne sur Mer gebruikte.

Ofschoon wij gezien hebben, dat mijnheer Pen zich reeds sinds jaren voor een man had verklaard, geheel en al blasé en het leven moede, was hij in waarheid een buitengemeen gezond jongmensch, met een nog altijd stevigen eetlust, dien hij ten minste éénmaal daags met het grootste genot en behagen bevredigde, en met eene blijvende zucht naar gezelligen omgang, die het bewijs leverde, dat hij alles behalve een menschenhater was. Als hij geen goed diner kon krijgen, zette hij zich volkomen tevreden aan eene slechte tafel neer; kon hij het gezelschap van geestige, voorname of schoone dames niet genieten, dan vergenoegde hij zich met alle gezelschap, dat hem voor de hand kwam, en hij was volkomen tevreden in de gelagkamer van een koffiehuis, of aan boord van eene stoomboot naar Greenwich, of met een uitstapje naar Hampstead met mijnheer Finucane, zijn collega aan de Pall Mall Gazette, of met een bezoek in de zomertheaters aan den overkant der rivier, of in den „koninklijken” Vauxhall, waar hij op vriendschappelijken voet stond met den grooten Simpson en den eersten comischen zanger, of de schoone kunstrijdster de hand drukte. En terwijl hij de grappen van den eerstgenoemde, of de bevalligheden der laatste wist te waardeeren met een zweem van satire, die niet van sympathie ontbloot was, had hij ook een vriendelijken blik voor de toeschouwers veil, voor de dartele jeugd, die naar vermaak streefde en het hier genoot, voor de eerzame ouders met hunne opgetogen kinderen, die het bij de vertooningen uitschaterden van lachen en in de handen klapten, voor de arme verworpelingen, wier lach minder onschuldig ofschoon luider was en die met hare schande en hare jeugd hier kwamen, om ten minste tot aan den dageraad te dansen en vroolijk te zijn, en haar brood te winnen en hare zorgen te smoren. Op deze sympathie met alle standen van menschen beroemde Pen zich dikwijls; hij verheugde zich die te bezitten en zeide, dat hij ze tot zijn einde toe hoopte te behouden. Gelijk een ander met geestdrift voor de kunst, de muziek of de natuurwetenschappen bezield is, zeide Pen, dat de menschkunde zijne geliefkoosde studie was, en dus lette hij altijd met belangstelling op de ontelbare schakeeringen en schoone zijden der menschheid. Met een genoegen, dat nooit verflauwde, bestudeerde hij al haar exemplaren, waar hij ook kwam, het mocht het coquetteeren van eene gerimpelde douairière in de balzaal zijn, of het blozen van eene voorname jonge schoone, die daar voor het eerst verscheen; het mocht een lummel van een soldaat van de garde wezen, die aan een dienstmeisje in het Park zijn hof maakte, of het onschuldig kindje, dat kruimpjes aan de eendjes toewierp, terwijl de kindermeid naar den krijgsman luisterde. Een man, wiens hart tamelijk rein is, kan zich dan ook met een genot, dat nooit vermindert, aan die studie overgeven, die misschien te meer behaagt, niet alleen omdat zij van stillen aard is en door een trek van weemoed gekenmerkt wordt, maar ook omdat zoo iemand naar aanleg en geest zich eenzaam en, hoewel niet verlaten, toch aan zich zelven overgelaten gevoelt.

Ja, Pen placht op zijn onstuimige wijze tegen Warrington te snoeven en te zeggen: „Ik was in mijne jeugd zoo hevig verliefd, dat ik geloof dat dit vuur voor altijd is uitgebrand, en indien ik ooit trouw, zal het een mariage de raison zijn met een beschaafd, zachtzinnig, mooi meisje, dat wat geld en meer van dien aard heeft, wat op de reis door het leven de kussens van ons rijtuig gevuld kan houden. Wat het romaneske betreft, dat is geheel uit; ik heb het opgebruikt en ben oud voor mijn tijd – daarop draag ik roem.”

„Gekkenpraat,” bromde de ander; „nog pas onlangs hebt gij gedacht, dat gij kaal werdt, en daarop gezwetst gelijk ge op alles bluft! Maar gij zijt dadelijk begonnen met graisse d’ours te gebruiken, zoodra de kapper het u voorschreef, en sinds dien tijd zijt gij geparfumeerd als een barbier.”

„Gij zijt een Diogenes,” hernam Pen, „en zoudt wel willen, dat iedereen in eene ton woonde, gelijk gij zelf. Viooltjes rieken beter dan oude tabakslucht, grijnzende oude cyniker.” Maar Pen bloosde terwijl hij dit aan zijn min romanesken vriend ten antwoord gaf, en droeg in waarheid vrij wat meer zorg voor zijn persoon dan zulk een wijsgeer wellicht had moeten doen. Waarlijk, in aanmerking genomen, dat mijnheer Pen niet meer om de wereld gaf, deed hij niet weinig moeite om zich aangenaam bij haar te maken, en voor zulk een vermoeiden pelgrim als hij was, droeg hij al heel nauwe en blinkend verlakte laarzen.

Het was dus in dit stille getijde des jaars, dat mijnheer Pen op zekeren helderen Augustus-avond, nadat hij op het bureau van zijn blad een prachtig hoofdartikel voltooid had – een artikel zooals kapitein Shandon het had kunnen schrijven, indien hij er toe opgewekt ware geweest en lust tot werken had gehad, hetgeen hij echter nooit deed dan wanneer hij er toe gedwongen was – dat mijnheer Pen, zeggen wij, na zijn artikel geschreven en het met genoegen op het vochtige proefblad, dat op het bureau lag, overgelezen te hebben, op het denkbeeld kwam de rivier over te steken en zich aan de vuurwerken en de andere vermakelijkheden van den Vauxhall te vergasten. Hij verwaardigde zich dus het vrijbiljet, dat aan den „redacteur der Pall Mall Gazette met één vriend” toegang tot die plaats van uitspanning verleende, op zak te steken, en betaalde in ’s rijks-munt eene voldoende som, om de Waterloobrug te mogen overgaan. De wandeling van daar naar den tuin was zeer aangenaam; de sterren stonden aan den hemel te fonkelen en zagen op de „koninklijke” uitspanningsplaats neer, van waar de vuurpijlen nog niet waren opgestegen om de sterren de loef af te steken.

Alvorens den toovertuin binnen te treden, waar iederen avond twintig duizend lichten branden, hebben de meesten onzer den donkeren en somberen gang en de poortjes moeten doorgaan, die den luister van den Vauxhall voor het oog der oningewijden verbergen. In de muren van dien gang bevinden zich twee sterk verlichte holten, waarin men twee heeren voor lessenaars gezeten ziet, die uw geld in ontvangst nemen wanneer gij er als particulier komt, of uw vrijbiljet, als gij van zulk een pas tot den tuin voorzien zijt. Pen wilde zijn biljet aan eene dier openingen vertoonen, doch daar stonden reeds een heer en twee dames, die hem vóór waren geweest, te onderhandelen.

De heer, wiens hoed erg op één oor stond en die een korten en kalen mantel op een uiterst kranige wijze droeg, riep op een toon, die Pen dadelijk herkende:

„Voor den drommel, mijnheer, indien gij mijn eer in twijfel trekt, zult gij mij het genoegen doen uit uw bureau te komen, en –”

„Heere, kapitein!” riep de oudste dame uit.

„Leg niet te malen,” antwoordde de man in het bureau.

„En het mijnheer Hodgen, die in den tuin is, zelf te vragen of hij deze dames wil binnenbrengen. Wees niet bang, jufvrouw-lief; ik zal geen twist met dien heer maken, ten minste niet in de tegenwoordigheid van dames. Wilt gij, mijnheer, zoo goed zijn aan mijnheer Hodgen (ik ben met een vrijbiljet van hem gekomen en hij is een boezemvriend van mij, en ik weet dat hij hier van avond de Lijkendief zal zingen) – aan mijnheer Hodgen het compliment van kapitein Costigan te doen en hem verzoeken even naar buiten te komen om deze dames binnen te leiden – wat mij zelven betreft, mijnheer, ik heb den Vauxhall gezien en ik bedank voor alle voorspraak ten mijnen behoeve; maar van deze dames is ééne er nooit geweest, en me dunkt, gij moest van de ongelukkige omstandigheid, dat ik het biljet verloren heb, geen misbruik maken om haar te berooven van haar genoegen.”

„Dat helpt allemaal niet, kapitein. Ik kan uwe boodschap niet gaan doen,” zeide de man, die de biljetten moest aannemen, waarop de kapitein een vloek uitstiet en de oudste dame zeide: „Wat is dat verdrietig!”

De jongste zag den kapitein aan en zeide: „Het komt er niet op aan, kapitein Costigan; ik heb volstrekt geen lust om er in te gaan. Kom maar mee, mama!” Maar ofschoon zij volstrekt geen lust had om er in te gaan, werd zij door haar gevoel overweldigd, zoodat zij in tranen losbarstte.

„Arm kind!” zeide de kapitein. „Kunt gij dat aanzien, mijnheer, zonder dit onschuldige schepseltje binnen te laten?”

„Het gaat mij niet aan,” riep de kaartjesman norsch uit zijn helder verlicht hokje. Maar op dit oogenblik kwam Arthur er bij en zeide, toen hij Costigan herkende: „Kent gij mij niet, kapitein? Ik ben Pendennis!” Te gelijk nam hij den hoed af en maakte eene buiging voor de beide vrouwen. „Beste jongen! beste vriend!” riep de kapitein uit, terwijl hij Pendennis de hand der vriendschap toestak, en hem snel uitlegde wat hij een ergerlijk „contretong” noemde. Hij had een vrijbiljet voor twee personen van mijnheer Hodgen ontvangen, die zich in den tuin bevond en daar de Lijkendief, de Dood van Generaal Wolfe, de Bloedvlag en andere geliefkoosde liederen zou zingen, die hij reeds in de Achterkeuken en op de concerten van den adel voorgedragen had. Daar het biljet voor twee personen was, had de kapitein begrepen, dat er wel drie op konden doorgaan, en zich dus met zijne beide vriendinnen naar den tuin begeven. Maar onderweg had hij zijn biljet verloren; hij kon het althans niet vinden, en de dames zouden dus weer naar huis moeten gaan, tot groot verdriet van ééne van beiden, gelijk Pen wel zag.

Arthur was voor iedereen welwillend gezind en had gevoel voor het ongeluk van allerlei soorten van menschen; hoe zou hij dus zijne sympathie in een geval als het onderhavige hebben kunnen onthouden? Hij had dat onschuldige gezichtje gezien toen het den kapitein aankeek, den smeekenden blik van het meisje, de zenuwachtige trekking van haar mond, en eindelijk hare tranen. Al ware het zijne laatste guinje geweest, hij zou die neergelegd hebben, om het arme schepseltje genoegen te doen. Zoodra zij een vreemde gewaar werd, wendde zij hare droeve en smeekende oogen af en begon die met haar zakdoek af te wisschen. Arthur zag er zeer innemend en vertrouwen inboezemend uit, toen hij daar met zijn hoed in de hand, blozend buigend en voorkomend, van top tot teen een gentleman, voor die vrouwen stond. „Wie zijn zij?” vroeg hij bij zich zelven. Naar hij meende, had hij de oudste van beiden reeds vroeger gezien.

„Als ik u van dienst kan zijn, beschik dan vrij over mij, kapitein Costigan,” zeide de jonkman; „is er eenige moeielijkheid om deze dames in den tuin te brengen? Kan ik u met mijne beurs dienen? Ik – ik heb zelf een toegangsbiljet voor twee personen – wilt gij mij dus veroorloven, jufvrouw – ?”

De prins van Fairoaks was op het eerste oogenblik voornemens geweest voor het gansche gezelschap te betalen en zijn vrijbiljet weg te moffelen, gelijk de arme Costigan het zijne gedaan had. Maar eene soort van ingeving en het voorkomen der beide vrouwen deed hem gevoelen, dat zij meer op haar gemak zouden zijn als hij niet den schijn van een grand seigneur aannam, en dus reikte hij zijne beurs aan Costigan over en haalde lachend met de eene hand zijn biljet uit, terwijl hij de andere aan de oudste der beide dames bood, – of dames waren het eigenlijk niet – zij droegen hoeden en shawls en kraagjes en linten, en de jongste liet een lief klein voetje en laarsje onder haar eenvoudig grijs japonnetje zien, maar zijne hoogheid van Fairoaks was wellevend jegens iedereen, die eene japon droeg, van welke stof die ook was en hoe geringer de draagster was, des te deftiger en wellevender was dan juist zijne hoogheid.

„Fanny, neem mijnheers arm,” zeide de oudste van beiden; „als gij dan zoo vriendelijk wilt zijn: – ik heb u dikwijls onze poort zien binnenkomen, mijnheer, om naar kapitein Strong op No. 4 te gaan.”

Fanny maakte eene kleine nijging en legde hare hand op Arthur’s arm. Dat handje was slechts met een armoedig handschoentje overdekt, maar het was lief en klein. Zij was geen kind meer, maar nog ternauwernood eene vrouw: hare tranen waren nu opgedroogd, hare wang was met jeugdige blosjes overtogen, en haar oogen glinsterden van genoegen en erkentelijkheid, toen zij naar Arthur’s vriendelijk gelaat opzag.

Op eene beschermende wijze legde Arthur zijn andere hand op het handje, dat op zijn arm rustte. „Fanny is een heel lief naampje,” zeide hij, „en dus kent gij mij wezenlijk?”

„Wij zijn de portiers van Shepherd’s Inn, mijnheer,” antwoordde Fanny met eene nijging: „en ik ben nooit in den Vauxhall geweest, mijnheer, en pa wou niet dat ik ging – en – en – O – O – Heere! hoe heerlijk!” En onder het spreken van die woorden deinsde zij terug, verstomd van verbazing en genot, toen zij den tuin daar voor haar zag schitteren in den gloed van honderd millioen lampen, met een luister, waarvan het mooiste tooververhaal, de heerlijkste pantomime, die zij ooit in den schouwburg gezien had, geen denkbeeld gaf. Pen vermaakte zich met hare verrassing en drukte het kleine handje, dat zich zoo vertrouwelijk aan hem vastklemde, aan zijne zijde. „Wat zou ik niet geven, om ook een weinigje van dat genoegen te smaken,” zeide de geblaseerde jonkman.

„Daar is uwe beurs, Pendennis, mijn beste jongen,” liet de stem van den kapitein zich achter hem hooren. „Wilt gij het geld natellen? het is geheel in orde. – Niet? vertrouwt gij den ouden Jack Costigan? (gij ziet hoe hij mij vertrouwt, jufvrouw.) Gij zijt mijn redder geweest, Pen (ik heb hem van kind af gekend jufvrouw Bolton; het is de eigenaar van het kasteel Fairoaks, waar ik menige flesch wijn gedronken heb met de eersten adel uit de graafschap.) Mijnheer Pendennis, ge zijt mijn redder geweest en ik zeg er u dank voor: mijne dochter zal er u voor bedanken: – uw onderdanige dienaar, mijnheer Simpson.”

Pen was bewonderenswaardig in zijne wellevendheid jegens de dames: maar wat was zijne deftigheid in vergelijking met kapitein Costigan’s buigingen rechts en links en met de wijze, waarop hij „bravo!” riep tegen de zangers!

Een man als Costigan, gesproten uit eene lange reeks van Hibernische koningen, opperhoofden en andere aanzienlijken en sheriffs van het graafschap, bezat natuurlijk te veel voornaamheid en zelfbewustheid om met eene jufvrouw, die van tijd tot tijd zijne kamer veegde en zijne côteletten braadde, gearmd te gaan: op den tocht van Shepherd’s Inn naar den Vauxhall had kapitein Costigan naast de dames gewandeld, haar op beschermende en voorkomende wijze de gebouwen getoond, die haar aandacht verdienden, en, als naar gewoonte, uitgeweid over de steden en landen die hij bezocht had en de groote lui waarmee hij de eer had gehad kennis te maken. En het was evenmin te verwachten – gelijk jufvrouw Bolton het dan ook niet verwachtte – dat de kapitein, wanneer zij zich in den „koninklijken” tuin bevonden, die door twintig duizend extralampions zoo helder als de dag verlicht was, zijne deftigheid zou temperen en den arm zou geven aan eene dame, die weinig beter was dan eene huisbewaarster of werkvrouw.

Maar Pen, van zijn kant, behoefde zich door dergelijke bedenkingen niet te laten weerhouden. Fanny Bolton maakte zijn bed niet op en zijne kamers niet schoon, en hij wilde zijne lieve kleine gezellin niet gaarne laten varen. Fanny kreeg een sterker blos en hare heldere oogen schitterden van nog meer genoegen, toen zij bescherming vond aan den arm van zulk een voornaam heer als Pen. Zij keek naar de vele andere dames in den tuin en naar de dozijnen andere heeren, onder wier hoede deze op en neer wandelen, en zij vond, dat haar heer er knapper en deftiger uitzag dan iemand der anderen. Natuurlijk waren daar najagers des vermaaks van allerlei rang: losbandige studenten in de chirurgie, winderige klerken van koopmans- en andere kantoren, eenige dandy’s uit de regimenten der garde, en andere heeren van gelijken stempel. De oude Lord Colchicum was er ook en begeleidde mademoiselle Caracoline, die in den circus gereden had, hare Fransche moedertaal zeer luid sprak en buitengewoon krachtige, eigenaardige uitdrukkingen gebruikte, terwijl zij, op den arm van mylord leunende, rondwandelde. Colchicum volgde dus zijne mademoiselle Caracoline, evenals de kleine Tom Tufthunt Lord Colchicum volgde en daarmede ook zeer ingenomen was. Als Don Juan den muur beklimt, ontbreekt het nooit aan een Leporello om de ladder vast te houden. Tom Tufthunt gevoelde zich zeer gelukkig wanneer hij den bejaarden burggraaf een vriendschapsdienst bewijzen en aan het souper het gevogelte voorsnijden en de salade bereiden mocht. Toen Pen met zijn dame het gezelschap van den burggraaf tegenkwam, sloeg de pair slechts in het voorbijgaan een blik van herkenning op Arthur, terwijl mylord zijn oog van Pen’s gelaat onder den hoed van diens gezellin liet gaan. Maar Tom Tufthunt knikte Arthur vriendelijk toe met de woorden: „Hoe gaat het, ouwejongen?” waarbij hij hem, die aan deze geschiedenis den naam gegeven heeft, veelbeteekenend aankeek.

„Dat is die knappe rijdster uit den circus van Astley; daar heb ik haar gezien,” zeide Fanny, terwijl zij mademoiselle Caracoline nakeek; „en wie is die oude man? dat is de heer toch niet, die in den circus stond?”

„Dat is mylord de burggraaf Colchicum, jufvrouw Fanny,” antwoordde Pen op beschermenden toon. Hij bedoelde geen kwaad; het streelde hem, dat hij dit jonge meisje onder zijne hoede had; het mishaagde hem niet, dat zij er zoo aardig uitzag, dat zij zoo aan zijn arm hing en dat die oude Don Juan haar daar had gezien.

Fanny was eene zeer liefelijke verschijning; zij bezat donkere, schitterende oogen, en tanden als paarltjes, en haar mondje was bijna even rood als dat van mademoiselle Caracoline wanneer het vermiljoen er pas opgelegd was. En welk een verschil bestond er tusschen de stem der eene en die der andere, tusschen het lachen van het meisje en dat der vrouw! Werkelijk was Fanny pas zeer onlangs, toen zij eens onder het afstoffen in het kleine spiegeltje boven den schoorsteenmantel van Bows-Costigan gekeken had, tot het vermoeden gekomen, dat zij eene schoonheid was. Nog slechts een jaar geleden was zij een lomp en linksch meisje, dat door haar vader bespot werd; op school bij jufvrouw Minifer in Newcastle Street bij het Strand (wier jongere zuster de hoofdrollen vervulde bij de tooneelvoorstellingen, die ter gelegenheid van de zittingen van het hof van assises te Norwich in 182– gegeven werden en zij zelve had niet zonder lof twee seizoenen achtereen in de koninklijke Engelsche Opera en in den koninklijken schouwburg van Sadler’s Wells gespeeld, toen zij door een valluik viel en haar been brak) – op die school namen de meisjes geen notitie van Fanny en beschouwden zij haar als een suf schepseltje, zoolang zij het onderricht van jufvrouw Minifer genoot; en in de donkere portiersloge van Shepherd’s Inn lette men er niet op en zag men het ternauwernood, dat deze kleine bloem tot eene schoonheid ontlook.

Dit jonge meisje hing dus aan mijnheer Pen’s arm en wandelde met hem den tuin door. Hoe leeg Londen ook heette te zijn, drentelden er toch nog altijd twee millioen menschen rond, en daaronder een twee- of drietal der kennissen van mijnheer Arthur Pendennis.

Hiertoe behoorde de weledelgeboren heer Henry Foker, die stil, eenzaam en bleek en met de handen in zijn zak voorbijging en Arthur met een weemoedig hoofdknikje groette. De jonge Henry trachtte zijn gemoed tot rust te brengen door van de eene plaats naar de andere te zwerven en zich van de eene uitspanning in de andere te storten; maar hij dacht altijd aan Blanche terwijl hij de donkere lanen doorwandelde, en evenzeer dacht hij aan haar wanneer hij de figuren beschouwde, die men met de lampions samengesteld had. Hij raadpleegde de waarzegster over haar, en werd boos toen die heidin hem vertelde, dat hij verliefd was op eene donkere dame, die hem gelukkig zou maken. Onder het concert verscheen geen enkele glimlach op Foker’s vriendelijke lippen, ofschoon mijnheer Momus zijne kluchtigste comische liedjes zong en de verwonderlijkste raadsels opgaf. Om de waarheid te zeggen, hoorde hij Momus in het geheel niet.

Pen en Fanny Bolton stonden zeer dicht in zijne nabijheid naar hetzelfde concert te luisteren, en de laatste maakte een aanmerking over Foker’s droevig gezicht, waarover Pen lachen moest.

Fanny vroeg waarom dat mannetje, dat er zoo ouwelijk uitzag, zoo wanhopig keek. „Ik geloof, dat hij een blauwtje geloopen heeft!” antwoordde Pen „Is dat niet voldoende om iemand wanhopig te doen kijken, Fanny?” En daarbij zag hij op haar neder met eene houding van hooghartige bescherming, gelijk Egmont op Clara, in het drama van Goethe, of Leicester op Amy, in den roman van Scott.

„Een blauwtje geloopen? arme jongen!” zeide Fanny met een zucht en vestigde haar blik vol vriendelijkheid en medelijden op hem; maar Henry merkte die mooie donkere oogen niet op.

„Hoe vaar je, mijnheer Pendennis?” viel hier eene stem in, afkomstig van een jonkman met eene lange witte jas en eene roode das, waarover een smal, onzindelijk boordje was neergeslagen, zoodat er een hals van twijfelachtige zindelijkheid zichtbaar werd. Voorts was hij opgesierd met eene groote speld van koper of ander metaal, een vreemdsoortig vest met buitengemeen zonderlinge glazen knoopen, en eene broek, die den beschouwer als het ware toeschreeuwde: „Kijk mij eens aan en zie maar hoe goedkoop en opzichtig ik ben, en wat een kale kwast mijn eigenaar is?” En met een klein stokje in een der zakken van zijne jas en met eene dame in het paarsch aan zijn ander arm, herhaalde de jonkman: „Hoe vaar je? – Zeker mij vergeten? Huxter – Clavering.

„Hoe vaart gij, mijnheer Huxter?” zeide de prins van Fairoaks op zijne vorstelijke manier: „óók nog wel?”

„Als een vischje in het water, dankje wel.” En daarbij knikte mijnheer Huxter aanhoudend met het hoofd. „Zeg eens, Pendennis, ge hebt verbazend veel opgang gemaakt sedert we dat standje bij Wapshot hadden, weet ge nog wel? Groot schrijver, hè? Omgang met de eerste pieten! Zag je naam in den Morning Post. Als ge geen te groot heer zijt om bij een oud vriend te soupeeren, kom dan morgenavond in Charterhouse Lane, – er komen eenige verduiveld prettige kameraden uit het St.-Bartholomeus-hospitaal, en wij zullen wat heerlijk jeneverpunch maken. Hier is mijn kaartje.” En bij die woorden haalde mijnheer Huxter de hand uit den zak waarin de stok zat, trok met zijne tanden het deksel van zijn kaartjeskoker af, en nam er een kaartje uit, dat hij Pen overhandigde.

„Gij zijt bijzonder vriendelijk,” hernam Pen, „maar het spijt mij, dat ik morgenavond bezet ben.” En met verwondering hoe zulk een wezen de vermetelheid kon hebben hem een kaartje toe te reiken, stak de markies van Fairoaks dat van mijnheer Huxter met achtelooze beleefdheid in zijn vestzak. Misschien vermoedde mijnheer Samuel Huxter niet, dat er een groote maatschappelijke afstand tusschen hem en mijnheer Arthur Pendennis bestond. Huxter’s vader was chirurgijn en apotheker te Clavering, evenals Pendennis’ papa chirurgijn en apotheker te Bath was geweest. Maar de brutaliteit van sommige menschen grenst aan het ongeloofelijke.

„Nu, het komt er niet op aan, ouwe jongen,” zeide mijnheer Huxter, die altijd rond en gemeenzaam en nu, door den wijn opgewonden, nog vriendelijker dan naar gewoonte was. „Als gij er ooit voorbij komt, loop dan eens aan; Zaterdags ben ik doorgaans thuis en er ligt meestal een stukje kaas in mijne kast. Adieu! – Daar luidt de bel voor het vuurwerk. Kom mee, Mary,” en daarop begon hij met de overige aanwezigen hard te loopen in de richting van het vuurwerk.

Toen de onderhoudende Huxter uit het gezicht was, begon Pen even hard met zijne kleine gezellin te loopen, terwijl jufvrouw Bolton, met kapitein Costigan aan hare zijde, hen volgde. Maar de kapitein bezat te veel majesteit en waardigheid om voor vriend of vijand hard te loopen, en stapte op de gewone zwaaiende manier, die zijn gang kenmerkte, voort, zoodat Pen en Fanny hem en jufvrouw Bolton spoedig vooruit waren.

Misschien had Arthur vergeten, of verkoos hij het zich niet te herinneren, dat de beide anderen geen geld op zak hadden, zooals gebleken was door hun avontuur aan den ingang van den tuin. Hoe dit zij, Pen betaalde een paar shillings voor hem zelven en zijne gezellin, en klom met haar, terwijl zij aan zijn arm hing, de trap op naar de galerij, van welke men het vuurwerk bezichtigt. De kapitein en mama hadden hen kunnen volgen, indien zij er lust toe hadden gehad, maar Arthur en Fanny hadden het te druk om achter zich te kijken. De menschen duwden en drongen hen van ter zijde en van achteren. Een al te haastig mensch snelde voorbij Fanny heen en stiet haar zoodanig met zijn elleboog, dat zij met een gilletje op zijde viel, waarop Arthur haar natuurlijk zeer behendig in zijn armen opving en haar, om haar goed te beschermen, aldus omvat hield, tot zij werkelijk de trap beklommen en hunne plaatsen innamen.

De arme Foker zat in verlatenheid op eene der hoogste banken, waar zijn gelaat door het vuurwek of, als dit er niet was, door de maan verlicht werd. Arthur zag hem daar zitten en lachte om hem, doch liet zich aan zijn vriend niet veel gelegen zijn. Hij hield zich nu met Fanny op. Wat stond zij verwonderd! wat was zij blij! wat riep zij O, O, O! wanneer de vuurpijlen hoog in de lucht opstegen en weer in azuur en smaragdkleur en vermiljoen neerdaalden. Terwijl die wonderwerken daar voor haar oog vlamden en weer verdwenen, trilde en beefde het meisje van genot aan Arthur’s zijde; zij had hare hand nog op zijn arm en hij voelde hoe zij dien drukte, terwijl zij vol verrukking omhoog staarde.

„Wat is dat heerlijk, mijnheer!” riep zij uit.

„Noem mij niet mijnheer, Fanny,” zeide Arthur.

Snel overtoog een blos het gelaat van het meisje. „Hoe moet ik u dan noemen?” vroeg zij zacht en op liefelijk trillenden toon. „Wat wilt gij dat ik zeggen zal, mijnheer?”

„Daar zegt ge het weer, Fanny! Maar het is goed zoo, mijne lieve,” zeide Pendennis heel vriendelijk en zacht. „Ik mag u toch Fanny noemen?”

„O zeker!” gaf zij ten antwoord; het kleine handje drukte zijn arm nogmaals innig, en het meisje klemde zich zoo dicht aan hem vast, dat hij haar hart tegen zijn schouder voelde kloppen.

„Ik mag u Fanny noemen, omdat gij een jong en lief meisje zijt, Fanny, en ik een oud man ben. Doch gij moet mij maar niet anders dan mijnheer, of mijnheer Pendennis noemen, als ge wilt, want wij leven in een zeer verschillenden stand, Fanny. Denk nu niet, dat ik hard spreek, en – en waarom trekt gij uwe hand terug, Fanny? Zijt gij bang voor mij? Denkt gij, dat ik u kwaad zou willen doen? Om geen geld ter wereld, meisje-lief! En – en kijk eens hoe mooi de maan en de sterren staan, en hoe kalm die schijnen als de vuurpijlen uitgebrand zijn en die gedruismakende zonnen met knetteren en schitteren hebben opgehouden. Toen ik van avond hierheen kwam, dacht ik niet, dat er zulk een lief meisje naast mij zou zitten, om dat mooie vuurwerk aan te zien. Ik schrijf in boeken en couranten, Fanny, en ik was doodelijk afgemat, en verwachtte dat ik hier den ganschen avond alleen zou zitten; en – waarom schreit ge nu, lief, lief kind?” vroeg Pen vriendelijk, plotseling een eind makende aan de bedaarde redevoering, die hij aangevangen had; want het zien van vrouwentranen bracht hem altijd van zijn stuk, en dus begon hij haar dadelijk te vleien en gerust te stellen, en honderd kleine woordjes van medelijden en sympathie af te vuren, die wij hier niet behoeven te herhalen, omdat zij, gedrukt, heel mal zijn. Even dwaas zou de praat van eene moeder tegen haar kind en van een minnaar tegen zijn liefje er in druk uitzien. Die zoete en kunstelooze poëzie kan niet vertaald worden en is te fijn voor de lompe verklaringen van taalkundigen. Men heeft niet anders dan dezelfde drie letters voor de liefkoozing, die men zijner grootmoeder op het voorhoofd drukt, en voor die, welke men op de gewijde wang zijner geliefde mag drukken; niets anders dan dezelfde drie letters, en daaronder komt niet ééne lipletter voor! Zouden wij daarmee willen te kennen geven, dat mijnheer Arthur Pendennis zich van het bedoelde éénlettergrepige woord bediende? In het geheel niet! Vooreerst was het donker; het vuurwerk was uit, en niemand kon hem zien; ten tweede was hij de man niet, om een geheim van dien aard te hebben en het te vertellen; en in de derde en laatste plaats, vragen wij den eerlijken jongen, die ooit een mooi meisje gekust heeft, wat hij zelf in zulk een moeielijk geval zou gedaan hebben?

Nu dan, waarvan gij mijnheer Pen ook verdenkt, en wat gij zelf onder dergelijke omstandigheden zoudt gedaan hebben, of wat mijnheer Pen gaarne zou hebben uitgevoerd, de waarheid is, dat hij zich fatsoenlijk en als man gedroeg. „Ik zal met het hart van dit meisje niet spelen,” sprak hij bij zich zelven, „en mijn eigen eer noch de hare vergeten. Zij schijnt eene gevaarlijke en eenigszins aanstekelijke gevoeligheid te bezitten, zoodat ik blij ben dat het vuurwerk afgeloopen is en ik haar bij hare moeder kan terugbrengen. Kom mee, Fanny; pas op de trap en leun op mij. Pas op, dat ge niet struikelt, onvoorzichtig meisje. Hierheen; daar staat uwe mama aan de deur.”

En daar stond werkelijk jufvrouw Bolton, die erg ongerust was en hare paraplu vast omklemde. Zij pakte Fanny met moederlijke kwaadaardigheid en drift beet, en schold het meisje op haastigen doch gesmoorden toon uit. De uitdrukking op kapitein Costigan’s gezicht terwijl hij achter de matrone stond en van onder zijn hoed Pen knipoogde – was, ik moet het zeggen, onbeschrijfelijk kluchtig, – zóó kluchtig, dat Pen zich niet kon weerhouden het uit te schateren. „Gij hadt mijn arm moeten nemen, jufvrouw Bolton,” zeide hij en bood haar dien aan. „Het doet mij genoegen, dat ik u Fanny weer behouden kan terugbrengen. Wij dachten, dat gij ons op de galerij zoudt gevolgd zijn. Wij hebben pleizier van het vuurwerk gehad, niet waar?”

„O ja!” antwoordde Fanny, met een vrij bedeesden blik.

„En die laatste bundel vuurpijlen was prachtig,” vervolgde Pen „Maar het is tien uren geleden dat ik iets te eten heb gehad, dames, en ik vraag dus verlof, u tot een souper te mogen noodigen.”

„Nu, nu,” zeide Costigan, „ik zou wel een hapje lusten; maar ongelukkig heb ik mijne beurs vergeten, anders zou ik deze dames reeds een collation hebben aangeboden.”

Jufvrouw Bolton gaf daarop vrij scherp ten antwoord, dat zij hoofdpijn had en liever naar huis wilde gaan.

„Kreeftensalade is het beste middel ter wereld tegen hoofdpijn,” zeide Pen galant, „en een glas wijn zal u bepaald goeddoen. Kom, jufvrouw Bolton, wees zoo goed en doe mij dat genoegen. Ik zou het niet over mij kunnen verkrijgen, zonder u te soupeeren, en ik geef u mijn woord van eer, dat ik niet gedineerd heb. Geef mij den arm en laat ik die paraplu dragen. Costigan, gij zult jufvrouw Fanny wel willen geleiden. Ik zal het er voor houden, dat jufvrouw Bolton boos op mij is, als zij mij niet met haar gezelschap vereeren wil. Wij zullen stilletjes soupeeren en dan met elkander in de vigilante naar huis rijden.”

De vigilante, de kreeftensalade, het oprechte en vriendelijke voorkomen van Pendennis, terwijl hij de waardige matrone lachend uitnoodigde, deed haar achterdocht en haar toorn bedaren. Als hij dan toch zoo vriendelijk wilde zijn, zou zij een enkel stukje kreeft gebruiken, en dus begaven zij zich allen naar een der tafels, waar Costigan met zulk eene luide en krijgshaftige stem een knecht riep, dat dadelijk een van die beambten kwam aanloopen.

De spijskaart werd bekeken en Fanny uitgenoodigd haar liefste gerecht op te noemen, waarop het lieve kind zeide, dat zij dol was op kreeft, maar ook heel veel van frambozentaart hield. Pen liet deze lekkernijen komen, terwijl bovendien eene flesch van de meest mousseerende champagne ten genoege van de dames besteld werd. De kleine Fanny dronk er van; – wat had zij niet al voor zoets en bedwelmends dien avond ingeslurpt!

Toen het souper zeer levendig en vroolijk afgeloopen was, en kapitein Costigan en jufvrouw Bolton nog wat arakpunch hadden gebruikt, die in den Vauxhall zoo lekker is, betaalde Pen de rekening met de meeste mildheid, „als een deftig jong Engelsch gentleman uit den ouden tijd, bij den hemel!” zooals Costigan met geestdrift aanmerkte. En daar hij, toen zij weder naar buiten traden, vooruitstapte en jufvrouw Bolton zijn arm aanbood, viel Fanny aan Pen ten deel, en wandelden de beide jongelieden met elkander ten hoogste opgeruimd voort in het spoor, dat de beide ouderen baanden.

De champagne en de arakpunch, ofschoon door allen in matige hoeveelheid gebruikt (behalve misschien door den armen Cos, die waggelde, hoe weinig ook), had hen vroolijk en prettig gemaakt, zoodat Fanny begon te huppelen en hare kleine voetjes te bewegen op de maat van het orkest, dat walsen en galoppen voor de dansers speelde. Toen zij bij de dansplaats kwamen, schenen de muziek en Fanny’s voeten beiden sneller te gaan – zij scheen als van zelve van den grond op te wippen, alsof er kracht zou noodig geweest zijn, om haar neer te houden.

„Hebt ge pleizier in een enkel toertje?” vroeg de prins van Fairoaks „dát zou aardig wezen! Jufvrouw Bolton, geef haar verlof, ééns met mij rond te gaan.” Waarop Costigan zeide: „Vooruit maar!” en daar jufvrouw Bolton het niet tegensprak (om de waarheid te zeggen was zij een oud krijgsros, dat gaarne op het geluid der trompet zelf het perk zou binnengetreden zijn), was Fanny’s shawl in een oogenblik van hare schouders en draaide zij met Arthur in eene wals rond, te midden van een wel zonderling, maar uiterst vroolijk gezelschap.

Pen beging ditmaal geene lompheid met de kleine Fanny, zooals hij in den ouden tijd met jufvrouw Blanche had gedaan, – althans geene lompheid, waaraan hij zelf schuld had. Het paar danste zeer vlug en vergenoegd voort, – eerst eene wals, toen een galop, toen weer eene wals, tot zij bij de tweede wals tegen een ander paar aanstieten, dat zich ook onder de reien van Terpsichore gevoegd had. Het was mijnheer Huxter met zijne jeugdige vriendin in het paarsch, van wie wij reeds een woordje gezegd hebben.

Ook mijnheer Huxter had waarschijnlijk gesoupeerd, want hij was nog meer opgewonden dan toen hij de kennis met Pen had willen hernieuwen; en nu hij tegen Arthur en diens danseres gebotst en beiden bijna omvergeworpen had, begon deze lieve jonge heer natuurlijk menschen uit te schelden, die hij beleedigd had, en gaf hij het onschuldige paar de volle laag in studententaal. „Nu wat moet dat? Blijf van de baan, ouwe knol, als gij niet dansen kunt!” brulde de jonge chirurgijn, waarbij hij nog veel krachtiger uitdrukkingen bezigde, en in dat schelden werd hij bijgestaan door de schelle stem en het gelach zijner danseres, tot groote stoornis van het algemeen genoegen, tot schrik van de arme kleine Fanny en tot onbeschrijfelijke verontwaardiging van Pen.

Pen was woedend; maar hij was nog niet zoo boos over het geschil als wel over de schande, die er mee gepaard ging. Een twist met zulk een kerel! Een opschudding op eene publieke plaats en met eene portiersdochter aan zijn arm! Welk een toestand voor Arthur Pendennis! Hij sleepte de arme kleine Fanny haastig van de dansers weg naar hare moeder, en wenschte dat die jufvrouw Costigan en de arme Fanny liever onder den grond hadden gezeten, dan daar in zijn gezelschap en onder zijn geleide te zijn.

Toen Huxter zijn aanval begon, had die luidruchtige jonge heer niet gezien wie zijne tegenpartij was; maar zoodra hij zag dat het Arthur was dien hij beleedigd had, begon hij verontschuldigingen te maken. „Houd je leelijken mond, Mary,” zeide hij tegen zijne dame. „Dat is een oud vriend van mij, een kameraad van thuis. Ik vraag u verschooning, Pendennis; ik zag niet dat gij het waart, ouwe jongen!” Mijnheer Huxter had onder de jongens der school te Clavering behoord, die getuigen waren geweest van het vroeger door ons vermelde gevecht, toen de jonge Pen den sterksten vechtersbaas van het instituut ter aarde velde, en Huxter wist dus, dat het gevaarlijk was Arthur boos te maken.

Maar zijne verontschuldigingen klonken Pen even hartelijk in de ooren als zijne scheldwoorden. Pen stuitte hem dus in zijn opgewonden verklaringen door hem het zwijgen op te leggen en hem te gebieden den naam van Pendennis hier noch elders te noemen: waarop hij den tuin uitstapte met een afdeeling der volksmenigte op zijne hielen, die hij wel man voor man had willen vermoorden, omdat zij getuigen van het voorgevallene waren geweest, waarover hij zich zoo zeer schaamde. Hij verliet dus den tuin en vergat geheel de arme kleine Fanny, die bevende met hare moeder en den deftigen Costigan hem volgde.

Hij kwam weer tot bezinning door een woord van den kapitein, die hem, juist toen zij de binnenpoort doorgingen, op den schouder tikte.

„Men kan er niet weer inkomen, of men moet opnieuw betalen,” zeide de kapitein. „Zou het niet beter zijn, dat ik nu nog terugging, om den kerel uw uitdaging over te brengen?”

Op die woorden schaterde Pen het uit. „Hem uitdagen!” vroeg hij. „Denkt gij, dat ik met zulk een kerel zou vechten?”

„Neen, neen, doe dat niet!” riep de kleine Fanny uit. „Hoe kunt gij zoo slecht zijn, kapitein Costigan?” De kapitein mompelde iets van eer en knipoogde Pen met veel beteekenis toe, maar Arthur zeide galant: „Wees maar niet bang, Fanny! Het was mijne schuld, dat ik op zulk eene plaats danste. Ik vraag u verschooning, dat ik u gevraagd heb om daar te dansen.” En daarop gaf hij haar weder zijn arm, riep eene vigilante en plaatste er zijne drie vrienden in.

Hij wilde den koetsier betalen en zelf een ander rijtuig nemen, toen de nog altijd verschrikte kleine Fanny haar handje uitstak, hem bij zijne jas greep en hem bad en smeekte ook in de vigilante te komen.

„Zijt ge anders ongerust, dat ik zal terugkeeren om met hem te vechten?” vroeg Pen vroolijk. „Nu dan zal ik u thuis brengen. Naar Shepherd’s Inn, koetsier!” Het rijtuig rolde weg. Arthur was buitengemeen gestreeld door de bezorgdheid, die het meisje voor hem aan den dag legde: hare teederheid en angst deed hem zijne vroegere ergernis geheel vergeten.

Na de beide vrouwen vriendelijk de hand gedrukt te hebben, zag hij haar in de portierswoning binnengaan, en de kapitein fluisterde hem toe, dat hij hem ’s morgens nog eens zou opzoeken, om, als hij nog tot andere gedachten was gekomen, zijn uitdaging aan dien schelm over te brengen. Maar de kapitein verkeerde, toen hij dat voorstel deed, in zijn gewonen toestand, en Pen was vast overtuigd, dat noch hij noch mijnheer Huxter bij hun ontwaken iets meer van den twist zouden weten.

ACHT EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN BELEEFDHEIDSBEZOEK.

Costigan kwam Pen niet wakker maken; geen uitdaging van mijnheer Huxter kwam hem verstoren; en toen Pen ontwaakte, gevoelde hij zich luchtiger en levendiger dan de afgematte en geblaseerde bewoner van Londen doorgaans op dat oogenblik is. De koopman of bankier moet dadelijk weer aan zorgen en effecten denken, en de beurs en het kantoor maken zich van hem meester zoodra de slaap van onder zijne nachtmuts vliedt; de advocaat wordt reeds in den vroegen morgen wakker om te denken aan de zaak, waaraan hij den ganschen dag zal moeten werken, en aan den onvermijdelijken procureur wien hij zijne papieren nog vóór den avond beloofd heeft. Wien onzer staat, zoodra hij na de genoten nachtrust de oogen opent en de wereld weer overziet, zijne zorg niet dadelijk voor oogen? Nachtrust, vriendelijke versterkster, die ons in staat stelt met vernieuwden moed de dagtaak weer te aanvaarden! Heerlijke beschikking der Voorzienigheid, die de rust schept, gelijk zij den arbeid toedeelt!

Mijnheer Pen’s arbeid, of liever zijn aard, was van die soort, dat zijne dagelijksche bezigheden hem niet veel belangstelling inboezemden, want het genoegen van het schrijven verflauwt weldra bij den gehuurden werkman, en het genot van zich in druk te zien, houdt slechts gedurende de twee of drie eerste artikelen in een magazijn of dagblad stand. Als Pegasus in het tuig is en elken dag een bepaalden rit moet doen, is hij even prozaïsch als elk ander paard, zoodat hij zonder de zweep, of zijn rantsoen haver, niet werken wil. Op die wijze volbracht mijnheer Arthur zijn werk aan de Pall Mall Gazette (waar zijn honorarium, sedert den opgang dien hij als romanschrijver gemaakt had, verhoogd was), zonder de minste geestdrift; hij deed zijn best, of maar zóó zóó, en schreef nu eens slecht en dan eens goed. Hij was op het letterkundig gebied een paard, dat van nature vlug liep en zich in den strijd dapper gedroeg.

De samenleving, of hetgeen hij daarvan te zien kreeg, vervroolijkte of vermaakte hem ook niet bijzonder. In weerwil van zijn snoeven of zwetsen, waaruit men het tegendeel zou afgeleid hebben, was hij nog te jong voor den omgang met vrouwen, welken men vermoedelijk eerst ten volle genieten kan, als men niet meer aan zijn eigen persoon denkt en alle denkbeelden aan veroveringen opgegeven heeft; hij was evenzeer te jong om op den voet van gelijkheid met mannen te verkeeren, die hunne rol in de wereld gespeeld hadden en bij wier gesprekken hij weinig meer mocht doen dan luisteren. Aan den anderen kant, hij was te oud voor de pretmakers van zijn eigen leeftijd en te veel een pretmaker voor de mannen van zaken, zoodat het zijn lot in de wereld was, zeer dikwijls eenzaam te moeten wezen. Het lot verwijst menigeen tot die eenzaamheid, en vele menschen zijn er ten gevolge van hun eigen smaak mee ingenomen, gelijk velen het ook zonder moeite dragen. Pen onderging het in waarheid met groote zielskalmte, maar beklaagde er zich volgens zijne gewoonte niet weinig over.

„Wat een aardig onschuldig schepseltje was dat,” dacht mijnheer Pen, zoodra hij na het gebeurde in den Vauxhall ontwaakte; „wat is zij lief en natuurlijk, en hoeveel aangenamer ging haar alles af dan die gemaaktheden van de jonge dames op de bals,” (en hierbij schoten hem voorbeelden te binnen van de voorgewende eenvoudigheid van jufvrouw Blanche, die hem wel in het oog had moeten vallen, en van de malle nuffigheden van andere jonge dames uit de groote wereld); „wie zou gedacht hebben, dat zulk een mooi roosje in eene portierswoning groeide, of in dien leelijken ouden bloempot van Shepherd’s Inn bloeien kon? En dus leert zij zingen van den ouden Bows? Als zij zoo lief zingt als zij spreekt, moet het een mooi stemmetje zijn. Ik houd wel van die diepe, gevoileerde stemmen. „Hoe wilt gij dat ik u noemen zal?” Men zou zeggen! Arme kleine Fanny! Het ging mij aan het hart, dat ik zoo hooghartig tegen haar wezen en haar verzoeken moest mij „mijnheer” te noemen. Maar ik moet mij met die gekheden niet inlaten – wij moeten geen Faust en Margaretha spelen. Die oude Bows! En dus leert hij haar zingen? Ei, ei! Het is een goede kerel, die oude Bows; een gentleman in eene kale jas; een wijsgeer, die bovendien een goed hart heeft. Wat was hij goed voor mij, in dat geval met die Fotheringay! Ook hij heeft smart en verdriet gekend. Ik moet de vriendschap met den ouden Bows aanhouden. Men moet menschen van allerlei slag leeren kennen. Die voorname lui beginnen mij te vervelen. Bovendien is er thans niemand in de stad. Ja, ik zal Bows gaan opzoeken en Costigan ook; wat een kluchtig karakter! Ik zal hem goed bestudeeren en in een boek partij van hem trekken.” Op deze wijze sprak onze jonge anthropoloog bij zich zelven; en daar de Zaterdag van iedere week een vrije dag was, omdat de Pall Mall Gazette dan werd uitgegeven, zoodat de medewerkers van het blad hunne hersens en inktpotten niet verder op schatting behoefden te stellen, besloot mijnheer Pendennis zijn vrijen tijd te gebruiken om een bezoek in Shepherd’s Inn te gaan afleggen – natuurlijk om den ouden Bows te zien.

Om de waarheid te zeggen, Arthur zou, indien hij de stoutmoedigste roué en de listigste Lovelace ware geweest, die zich ooit op het misleiden van een jong meisje toelegde, bezwaarlijk betere middelen dan die, welke hij den vorigen avond had aangewend, in het werk hebben kunnen stellen, om de arme kleine Fanny Bolton te betooveren en voor zich te winnen. Zijn voornaam en beschermend gedrag, zijn ingenomenheid met zich zelven, zijne mildheid en zijn opgeruimdheid, zelfs de braafheid en eerlijkheid, die hem in staat hadden gesteld de schuchtere toenadering van het onschuldig schepseltje tegen te gaan en van hare onervarenheid en vatbaarheid voor indrukken geen misbruik te maken – kortom, zoowel zijne gebreken als zijne deugden dwongen haar bewondering af; en indien wij in Fanny’s bed konden zien (dat zij in een kabinetje met twee kleine zusjes deelde, aan welke wij mijnheer Costigan koek en appelen hebben zien uitreiken), dan zouden wij het arme meisje rondwoelende vinden op de matras, tot groote stoornis van de beide andere slaapsters, terwijl zij al het genoegen en al de gebeurtenissen van dien heerlijken en aan gebeurtenissen rijken avond en al de woorden, blikken en handelingen van Arthur, den schitterenden held van het feest, lag te overdenken. Fanny had thuis in stilte vele romans in drie deelen en in afleveringen gelezen. De periodieke literatuur was nog niet tot de hoogte gestegen, die zij sedert bereikt heeft, en voor de meisjes van Fanny’s tijd bestond geen gelegenheid om voor een stuiver zestien bladzijden opwekkende lectuur te koopen, vol verhalen van misdaad en moord, van verdrukte deugd en hardvochtige aristocratische verleiders; maar zij had gebruik kunnen maken van de leesbibliotheek, die jufvrouw Minifer gezamenlijk met hare school, een snoepwinkeltje en eene kleine modezaak hield, – en Arthur was in haar oog dadelijk de type en de verpersoonlijking van al de helden uit al die geliefkoosde geel gewordene boekdeelen, welke het jonge meisje verslonden had. Mijnheer Pen was, gelijk wij reeds weten, zeer keurig op zijn overhemden en in het algemeen op zijne kleeding. Fanny had met verrukking de fijnheid van zijn linnen, de pracht zijner hemdsknoopjes, de sierlijkheid van zijn batisten zakdoek en zijne witte handschoenen en het schitterend verlaksel van zijne nette laarzen opgemerkt. De prins had zich vertoond en de arme dienstbare aan zijne zegekar geboeid. Zijn beeld verscheen haar telkens in haar onrustigen slaap; de toon zijner stem, het blauwe licht zijner oogen, zijn lieve blik, waaruit half liefde, half meewarigheid sprak, zijn manhaftige, beschermende lach, de gulle, innemende wijze waarop hij het kon uitschateren, dit alles rees weer in de herinnering van het meisje op. Zij voelde nog altijd hoe zijn arm haar omvatte en zag hem voornaam glimlachen toen hij dat heerlijke glas champagne inschonk. En daarop dacht zij aan hare vriendinnetjes, die den neus voor haar optrokken, – aan Emma Baker, die zoo trotsch was (het had wat te beteekenen!) omdat zij geëngageerd was met een kaaskooper met een wit voorschoot, in de nabijheid van Clare Market; en aan Betsy Rodgers, die altijd den mond zoo vol had van haar vrijer, een procureursklerk (verbeeld je!), die met een zak vol papieren moest rondloopen!

Derhalve was Fanny, toen omstreeks twee uur (nadat het middagmaal der familie Bolton was afgeloopen) een heer met witten hoed en witte broek zich in de poort der Inn vertoonde en bij het deurtje van den portier stilhield (mijnheer Bolton, die, buiten zijne betrekking als portier van de Inn, nog in dienst was van de heeren Tressler, de groote ondernemers van begrafenissen, in het Strand, was de stad uit met de lijkstaatsie van de gravin van Estrich) – toen was Fanny zeggen, wij, in het minst niet verwonderd; zij was alleen verrukt en verblijd en bloosde sterk. Zij wist, dat het niemand anders kon zijn dan Hij. Zij wist dat Hij zou komen. Daar was Hij; daar was zijne koninklijke hoogheid, die haar in de poort tegenstraalde. Zij riep: „Mama, mama!” aan hare moeder, die op de bovenvertrekken aan het werk was, en liep dadelijk naar het deurtje om het open te doen en duwde de andere kinderen op zijde. Wat bloosde zij, toen zij hem de hand reikte! Wat nam hij beleefd den witten hoed af, toen hij binnenkwam, terwijl de kinderen hem aanstaarden! Hij vroeg aan jufvrouw Bolton, of zij na de vermoeienissen van den vorigen avond goed geslapen had, en gaf de hoop te kennen dat zij geen hoofdpijn voelde, en hij voegde er bij, dat hij, daar hij juist dien weg uit moest, de deur niet had willen voorbijgaan zonder naar den welstand van zijne danseres te vernemen.

Jufvrouw Bolton was tegenover deze vriendelijkheid wel wat stroef en achterdochtig; maar Pen bezat een onuitputtelijke goedhartigheid en bemerkte niet, dat hij onwelkom was. Hij zag in het vertrek naar een stoel rond, en daar er geen vrij was, want op den eenen stond een schoteldeksel en op den anderen een werkdoosje en zoo voorts, nam hij een van de kinderstoeltjes en zette zich op die ongemakkelijke verhevenheid neder. Hierover begonnen de kinderen te lachen, en het kind, dat Fanny heette, luider dan iemand anders, – althans vond zij het grappiger dan iemand der kinderen en tevens stond zij verbaasd over de nederbuigende goedheid van zijne koninklijke hoogheid. Moest hij op dat stoeltje zitten, dat kleine kinderstoeltje! Ontelbare malen zag zij het er later op aan. Heeft niet bijna ieder onzer dergelijke meubelen op zijne kamer, die de verbeelding met dierbare gestalten bevolkt en ons geheugen met lieftallige en lachende gezichten vervult, welke ons misschien nooit meer zullen aanzien?

Pen zette zich dus neer en sprak met groote radheid van tong tegen jufvrouw Bolton. Hij vroeg hoe het met de begrafeniszaken ging en hoeveel huilebalken de kist van Lady Estrich volgden, en hoe het met de Inn stond en wie daar woonden? Hij scheen zeer veel belang in het rijtuig en het paard van mijnheer Campion te stellen en zeide, dat hij dien heer wel in gezelschap ontmoet had. Hij dacht wel, dat hij eenige aandeelen in de Polwheedle en Pontydiddlum-mijnen zou nemen; hield jufvrouw Bolton ook die kamers schoon? Stonden er kamers te huur in de Inn? Het was er beter dan in den Temple; hij zou ook wel in Shepherd’s Inn willen wonen. Wat kapitein Strong betrof, en – kolonel Altamont – heet hij zoo? ook in deze beiden stelde hij groot belang. De kapitein was bij hem aan huis een oud vriend geweest. Hij had hier op zijne kamer wel met hem gedineerd, eer de kolonel bij hem kwam wonen. Wat soort van man was die kolonel? Was het niet een zwaar man, met veel goud en juweelen, en eene pruik en groote zwarte snorren – heel zwart (bij deze woorden was Pen verbazend snaaksch, zoodat de dames het van de pret uitschreeuwden) – wezenlijk heel zwart of eigenlijk blauwzwart, dat wil zeggen mooi groenachtig purper? Ja, dat was de man; dien had hij ook ontmoet, bij Sir Fr.... – in gezelschap.

„O, wij weten het wel,” zeiden de dames, „Sir Fr .... is Sir Francis Clavering. Die komt dikwijls hier, – twee of driemaal ’s weeks bij den kapitein. Mijn kleine jongen heeft wel zegels voor hem moeten halen. O heere! ik vraag excuus, ik had geen geheimen mogen verklappen,” stamelde jufvrouw Bolton, die thans door Pen’s gebabbel volkomen in haar humeur was gebracht. „Maar wij weten, dat gij een gentleman zijt, mijnheer Pendennis, want dat hebt gij getoond, – niet waar, Fanny?”

Fanny hield om dat gezegde nog eens zooveel van hare moeder, en zeide met eene stem vol gevoel, terwijl zij hare donkere oogen naar de lage zoldering opsloeg: „Ja, dat is zoo, waarlijk, ma!”

Pen was vrij nieuwsgierig naar die zegels en het verhandelde op Strong’s kamer, en vroeg wanneer Altamont bij den chevalier kwam, of hij ook zegels liet halen, wie hij was, of hij vele menschen zag, en zoo meer. Argeloos en naar haar beste weten, hetgeen niet veel te beteekenen had, beantwoordde jufvrouw Bolton deze vragen, met veel slimheid door Pen gedaan, die zijn eigene redenen had om belang in Sir Francis Clavering’s doen en laten te stellen.

Toen die vragen beantwoord waren en Pen er geene meer wist te bedenken, herinnerde hij zich gelukkig de voorrechten, die hij als lid van de dagbladpers bezat, en vroeg aan de dames of zij geen vrijkaartjes voor den schouwburg wilden hebben? De schouwburg was haar hoogste genot, gelijk altijd het geval is met personen, die in betrekking tot het tooneel hebben gestaan. Wanneer Bolton voor zijne beroepszaken uit was (het scheen, dat de portier van Shepherd’s Inn in den laatsten tijd fijn was geworden, heel veel dronk en zich nog op verscheiden andere wijzen onaangenaam maakte voor de dames van zijn gezin), dan deden zij niets liever dan naar den schouwburg gaan, terwijl het zoontje, Barney, de wacht hield in de portiersloge; en Pen’s vrijgevig en beleefd aanbod van kaartjes werd dus met onbegrensde dankbaarheid door moeder en dochter aangenomen.

Fanny klapte van pret in de handen en haar gelaat glinsterde van blijdschap. Zij knipoogde en knikte en lachte tegen hare mama, die evenzeer van haar kant knikte en lachte. Jufvrouw Bolton was nog niet te oud om genoegen te hebben, noch, naar zij meende, om bewonderd te worden. En het is niet onwaarschijnlijk, dat mijnheer Pendennis in zijn gesprek met haar eenige complimentjes had laten vloeien, of zijn onderhoud althans zóó had ingericht, dat het haar behaagde. Na eerst tegen Pen te zijn geweest en achterdocht jegens hem te hebben gekoesterd, was zij nu zijne voorstandster, ja bijna met evenveel geestdrift voor hem bezield als hare dochter. Wanneer twee vrouwen te zamen met een man ingenomen zijn, helpen zij elkander voort, – de eene stuwt de andere vooruit, – en de tweede wordt uit loutere sympathie even opgewonden als degene, die er het meest bij betrokken is: – dat verzekeren althans wijsgeeren, die het ver in deze wetenschap gebracht hebben.

Het aanbod der vrijbiljetten en andere aardigheden brachten dus allen in een opgeruimde stemming, die slechts een oogenblik verstoord werd toen een der jonge kinderen op het hooren van den naam van „Astley” kwam aanloopen met de verklaring, dat zij ook heel graag zou meegaan, waarop Fanny tamelijk scherp zeide: „Zult ge uw mond eens houden!” en mama van haar kant riep: „Maak dat je weg komt Betsy-Jane, en ga op het plein spelen!” waarop de twee kleintjes, met name Betsy-Jane en Amelia-Anna, met hare onschuldige voorschootjes heengingen en op het kiezelzand rondom het standbeeld van den grooten Shepherd op het plein aan het spelen raakten.

En terwijl zij daar speelden, hebben zij wellicht met een oud bekende, een medebewoner der Inn, gesproken, want terwijl Pen zich bij de dames in de portierswoning, die om zijne geestige zetten lachten, aangenaam maakte, ging een oud heer onder de poort van het plein der Inn door en keek de deur der woning binnen.

Hij trok een zeer stug en bezorgd gezicht, toen hij Arthur, als Macheath in het drama, in een luchtig gesprek met jufvrouw Bolton en hare dochter gewikkeld, op de tafel zag zitten.

„Zóó! Mijnheer Bows? Hoe gaat het, Bows?” riep Pen op vroolijken en luiden toon. „Ik was op weg om u op te zoeken en vroeg uw adres aan deze dames.”

„Kwaamt gij mij opzoeken, mijnheer? Wezenlijk?” zeide Bows, waarop hij met zijn weemoedig gelaat binnentrad en Arthur de hand drukte. „Ik wou, dat die ouwe man in de maan zat!” dacht iemand in de kamer, en misschien ook nog iemand anders buiten haar.

NEGEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

IN SHEPHERD’S INN.

Onze vriend Pen zeide dus: „Hoe gaat het, mijnheer Bows?” op luiden en vroolijken toon, toen hij dien heer gewaar werd, en verwelkomde hem op levendige en luchtige wijze; maar toch zou men een blos op Arthur’s wang hebben kunnen bespeuren (weerkaatst door Fanny, wier gelaat onmiddellijk een soortgelijk flikkerend rood signaal opheesch); en nadat Bows en Arthur elkander de hand hadden gegeven, en de eerste zich op ironische wijze des anderen verzekering, dat hij op de kamer van mijnheer Costigan een bezoek had willen afleggen, had laten welgevallen, ontstond er eene sombere en eenigszins schuldbewuste stilte in het gezelschap, welke Pen dadelijk trachtte te verdrijven door veel drukte en gebabbel. De stilte verdween natuurlijk bij mijnheer Arthur’s luidruchtigheid, maar de somberheid bleef bestaan en nam toe, gelijk met de duisternis in een gewelf het geval is, als men een enkele kaars ontsteekt. Pendennis trachtte op eene grappige wijze de voorvallen van gisterenavond te beschrijven en deed moeite om Costigan na te bootsen, zooals hij vruchteloos had staan twisten met den bureaulist in den Vauxhall. Het was geene volmaakte nabootsing; wie zou dat toppunt van volmaaktheid aanschouwelijk kunnen voorstellen? Niemand van het gezelschap lachte er om. Jufvrouw Bolton begreep volstrekt niet wie het was, dien mijnheer Pendennis nabootste, den bureaulist of den kapitein. Fanny zette een verschrikt gezicht en waagde een schuchter lachje; de oude Bows zag er zoo ernstig uit alsof hij in het orkest vedelde, of op de piano in de Achterkeuken een moeielijk stuk uitvoerde. Pen gevoelde dat zijn aardigheid mislukt was; aan het slot van zijn verhaal daalde en stierf zijne stem op eene jammerlijke wijze weg: zij flikkerde nog even op en ging uit, en alles was weer donker. Men kon de voetstappen van den kruier, die zich altijd in den omtrek van Shepherd’s Inn ophoudt, op de steenen onder de poort hooren; iedereen merkte het gekletter van de hakken zijner laarzen op.

„Gij hadt mij een bezoek willen brengen, mijnheer?” zeide Bows. „Zoudt gij dan de goedheid willen hebben met mij naar mijne kamer te gaan? Gij zult mij voorwaar eene groote eer bewijzen. Het is tamelijk hoog; maar –”

„O, ik woon zelf op eene zolderverdieping,” viel Pen hem in de rede, „en Shepherd’s Inn is veel vroolijker dan Lamb Court.”

„Ik wist, dat gij uwe kamers op eene derde verdieping hadt,” zeide mijnheer Bows, „en ik wilde juist zeggen – ik hoop dat gij het mij niet kwalijk zult nemen – dat de lucht, drie trappen hoog gezonder, is voor gentlemen dan de dampkring van eene portiersloge.”

„Mijnheer!” zeide Pen, wiens kaars door zijn toorn weer opflikkerde en die in eene stemming verkeerde om zoo twistziek te wezen als de menschen zijn wanneer zij ongelijk hebben. „Gij zult mij wel veroorloven mijn gezelschap te kiezen zonder –”

„Gij hadt de beleefdheid te zeggen, dat gij mijn nederig verblijf met een bezoek wildet vereeren,” zeide Bows op zijn droeven toon. „Wil ik u den weg wijzen? Mijnheer Pendennis en ik zijn oude vrienden, jufvrouw Bolton, – zeer oude kennissen. In den allereersten morgenstond van zijn leven ontmoetten wij elkander.”

De oude man wees met een bevenden vinger naar de deur, met zijn hoed in de andere hand, en in eene houding, die wel wat theatraal was, evenals zijne woorden het waren, die hij eenigszins gemaakt uitsprak en die hij gekozen had uit de taal, welke hij zijn leven lang van de geblankette lippen der redenaars voor de voetlichten gehoord had. Doch ofschoon Pen wel lust gevoelde, met het melodramatische voorkomen van den ouden man den spot te drijven, gevoelde hij zeer goed, dat deze geen rol speelde of aannam. „Kom dan mee, mijnheer,” zeide hij, „als gij er zoo sterk op aandringt. Goedendag, jufvrouw Bolton. Vaarwel, jufvrouw Fanny; ik zal mij altijd met genoegen onzen avond in den Vauxhall herinneren, en ik beloof u, dat ik aan de toegangsbiljetten voor den schouwburg denken zal.” En met die woorden nam hij hare hand en drukte die, kreeg een wederdruk, en verdween.

„Wat is dat een lief jongmensch!” riep jufvrouw Bolton uit.

„Niet waar, ma?” zeide Fanny.

„Ik zat mij te bedenken op wien hij toch geleek. Toen ik aan den Sadler’s Wells-schouwburg verbonden was met mevrouw Serle,” vervolgde jufvrouw Bolton, terwijl zij tusschen de gordijntjes door Pen nakeek, die met Bows het plein overging, „toen was er een jong heer uit de City, die een witten hoed droeg en met eene tilbury kwam, en die sprekend op hem geleek, uitgezonderd dat hij zwarte bakkebaarden had en die van mijnheer P. zijn rood.”

„Heere! ma! zij zijn van het mooiste bruin, dat men zien kan,” zeide Fanny.

„Hij kwam om Emily Budd, die de colombine was in „Harlekijn’s horlepijp, of de slag van Navarino,” toen jufvrouw de La Bosky ziek was – eene knappe danseres en een mooi figuurtje voor het tooneel – en hij was een voornaam banketbakker in de City en had eene buitenplaats te Omerton. Hij placht haar in zijne tilbury naar Goswell Street Road te rijden, en eens, dat hij daar weer heen reed, lieten zij zich trouwen in de Bartholomeuskerk in Smithfield, waar hunne geboden heel in de stilte waren afgekondigd, en nu houdt zij rijtuig en ik heb haar naam in de courant gezien onder de dames directrices van het bal op het Mansion House ten voordeele van het liefdadig gesticht voor waschvrouwen. En zie Lady Mirabel eens – kapitein Costigan’s dochter – die is op het tooneel geweest, zooals iedereen weet.” Jufvrouw Bolton zeide dit een en ander, en nog meer betrekkelijk dit onderwerp, terwijl zij nu eens door de gordijntjes keek en dan weer de kroezen en borden schoonmaakte en in het kastje in den hoek wegzette; en zij eindigde hare rede eerst toen zij met Fanny het tafellaken uitschudde en opvouwde en het op zijne plaats in de lade der tafel legde.

Ofschoon Costigan bij eene vroegere gelegenheid vrij nauwkeurig omtrent den staat van Pen’s geldmiddelen en vooruitzichten was ingelicht, moet ik vooronderstellen, dat Cos die kennis, welke hij jaren geleden te Chatteries had verkregen, vergeten had, of dat hij door zijn aangeboren zucht tot overdrijving verleid was geworden het inkomen van zijn vriend te hoog aan te slaan. Toen hij den vorigen avond, gedurende Pen’s kleine échappade met Fanny, met jufvrouw Bolton wandelde, had hij haar Fairoaks-Park met de gloeiendste kleuren afgeschilderd; hij had uitgeweid over de ontzaglijke schatten van Pen’s vermaarden oom, den majoor, en een innige bekendheid met Pen’s bezittingen en effecten en landerijen aan den dag gelegd. Zeer waarschijnlijk had jufvrouw Bolton in hare wijsheid den ganschen nacht over die aangelegenheden liggen na te denken en in den geest Fanny reeds in hare koets zien rijden, gelijk jufvrouw Bolton’s voormalige vriendin, de danseres van Sadler’s Wells.

Bij die laatste operatie van het opvouwen van het tafellaken kwamen de beide dwaze vrouwen natuurlijk zeer dicht bij elkander; en toen Fanny het laken aanvatte en er de laatste vouw aan gaf, legde de moeder haar vinger onder de kin van het jonge meisje en gaf haar een kus. Wederom vertoonde zich het roode signaal en flikkerde het op Fanny’s wang. Wat beteekende dat nu? Ditmaal was het geen schrik. Het was van genoegen, dat de arme kleine Fanny zoo bloosde. Arme kleine Fanny! Hoe? zou de liefde zondig zijn, daar zij aanvankelijk zoo aangenaam is en ten slotte zoo bitter?

Na die omhelzing vond jufvrouw Bolton goed te zeggen, dat zij voor zaken uit moest, en dat Fanny op de portiersloge moest passen, waarin het meisje na niet meer dan eene zeer flauwe tegenwerping bewilligde. Jufvrouw Bolton zette dus haar hoed op, nam hare boodschappenmand mede en ging uit; en zoodra zij weg was, zette Fanny zich aan het venster, waar zij het gezicht had op de woning van Bows, en wendde haar oogen van dat gedeelte van Shepherd’s Inn niet meer af

Betsy-Jane en Amelia-Anna zaten in een hoek van de kamer te stoeien en hielden zich alsof zij in een prentenboek lazen, dat een van beiden het onderste boven hield. Het was een ernstig en huiveringwekkend traktaatje uit mijnheer Bolton’s boekverzameling. Fanny hoorde niet hoe hare zusjes daarover keuvelden. Zij lette op niets dan op de huisdeur bij Bows.

Eindelijk schrikte zij eventjes en haar oogen glinsterden. Hij was er uitgekomen. Hij zou hare deur weer voorbijgaan. Doch reeds een oogenblikje later betrok haar gezichtje, want Pendennis kwam wel naar buiten, maar Bows volgde hem op den voet. Beiden gingen onder de poort door. Hij nam alleen zijn hoed af en maakte eene buiging toen hij naar binnen zag, maar hij hield niet stil om met haar te spreken.

Na een minuut drie vier kwam Bows alleen terug en trad de kamer van den portier binnen. Fanny wist niet juist hoeveel tijd er verloopen was, maar zij keek hem woedend aan toen hij binnentrad.

„Waar is uwe ma, liefje?” vroeg hij aan Fanny.

„Dat weet ik niet,” gaf zij met eene spijtige hoofdbeweging ten antwoord. „Gij denkt toch niet, mijnheer Bows, dat ik ma als hare schaduw volg?”

„Ben ik mijn moeders hoeder?” zeide Bows met zijne gewone melancholische bitterheid. „Kom eens hier, Betsy-Jane en Amelia-Anna; ik heb een koekje voor degene, die hare letters het best kent, en dan nog een voor die daarop volgt.”

Toen de jonge dames het examen doorstaan hadden, dat Bows haar afnam, werden zij beloond met hare medailles van koek, die zij op het plein gingen opeten. Onderwijl haalde Fanny eenig werk te voorschijn en hield zich alsof zij daarmee druk bezig was, ofschoon zij, terwijl hare naald heen en weer ging, zeer opgewonden en boos was. Bows had zich zoodanig geplaatst, dat hij het gezicht had op den uitgang van de woning naar de straat. Doch de persoon, dien hij misschien dacht te zullen zien, kwam niet meer opdagen; en toen jufvrouw Bolton van de markt terugkwam, vond zij Bows op de plaats van den persoon, dien zij verwacht had te zullen zien. De lezer kan misschien wel gissen hoe hij heette.

Het onderhoud van Bows met zijn gast, toen beiden de trap opklommen naar het vertrek, dat de eerstgenoemde met den afstammeling der Milesische koningen bewoonde, was voor beide partijen niet bijzonder aangenaam. Pen was norsch, en zoo Bows iets op het hart had, wilde hij zich daarvan niet ontlasten in tegenwoordigheid van kapitein Costigan, die al den tijd van Pen’s bezoek in de kamer bleef en, om de waarheid te zeggen, ook slechts weinige minuten vóór de komst van dien heer zijne slaapkamer verlaten had. Wij hebben het déshabillé van majoor Pendennis bijgewoond; zou iemand de kamerdienaar van onzen anderen held, Costigan, willen zijn? Het scheen dat de kapitein, alvorens zijn slaapvertrek te verlaten, zich met extract van whisky besproeide. Er ging een sterke geur van dat heerlijke reukwater van hem uit, toen hij zijn bezoeker de hand der vriendschap reikte. Die hand beefde jammerlijk, en het was een wonder hoe ze het scheermes kon vasthouden, waarmee de arme gentleman dagelijks over zijne kin voer.

De kamer van Bows was integendeel even net als die van zijn medebewoner slordig was. Zijn armoedige kleederen hingen achter een gordijn. Zijne boeken en geschrevene muziek stonden ordelijk op planken. Een gesteendrukt portret van jufvrouw Fotheringay in de rol van Mevrouw Haller, met de min fraaie handteekening der actrice, hing trouw boven het bed van den ouden heer. Lady Mirabel schreef veel beter dan jufvrouw Fotheringay ooit had gedaan. Mylady had zich sinds haar huwelijk zeer bevlijtigd om de schrijfkunst aan te leeren, en kweet zich zeer loffelijk als zij, ook in naam van haar man, een briefje moest schrijven om een uitnoodiging te doen of aan te nemen. Bows hield echter het meest van het oude schrift, de eerste manier, van de schoone kunstenares. Hij bezat slechts één proefje van de nieuwe manier, een briefje van dankbetuiging voor een lied, gecomponeerd voor en opgedragen aan Lady Mirabel door haar zeer onderdanigen dienaar Robert Bows, welk stuk hij als een schat onder de andere archieven in zijn lessenaar bewaarde. Tegenwoordig leerde hij Fanny Bolton zingen en schrijven, gelijk hij het Emily in vroegere dagen geleerd had. Het was voor dien man eene behoefte zich aan iets te hechten. Toen Emily hem ontrukt werd, nam hij een andere in hare plaats, gelijk een man, die een been verloren heeft, naar eene kruk uitziet, of, als hij schipbreuk geleden heeft, zich aan eene plank vastbindt. Latude had ongetwijfeld zijn hart aan eene vrouw geschonken, voordat hij zich in de Bastille zoo innig aan eene muis hechtte. Er zijn menschen, die in hunne jonge jaren eene vurige liefde gekoesterd of ingeboezemd hebben, en eindigen met zich gelukkig te gevoelen in de vriendschapsbewijzen van een poedel, of in angst te geraken over de ziekte van zulk een dier. Maar het was hard voor Bows, en pijnlijk voor zijn gevoel als mensch, en wel als sentimenteel mensch, dat hij Pen alweer op zijn weg vond en wel als bewonderaar van deze kleine Fanny.

Intusschen koesterde Costigan hoegenaamd geen vermoeden, dat zijn gezelschap niet volmaakt welkom was aan de heeren Pendennis en Bows, en dat het bezoek van den eerstgenoemde niet bepaald voor hem zelven bestemd was. Hij betuigde dus zijn groot genoegen over dit bewijs van beleefdheid en beloofde zich zelven om althans die schuld – niet de eenige welke de kapitein in zijn leven had aangegaan – door verscheidene tegenbezoeken bij zijn jongen vriend uit te wisschen. Hij sprak met hem op de voorkomendste wijze over het nieuws van den dag, of liever van den dag te voren, want in zijne hoedanigheid van dagbladschrijver herinnerde Pen zich, dat hij verscheidene van des kapiteins opmerkingen in het Nieuwsblad voor de jacht en van het tooneel, hetgeen Costigan’s orakel was, gelezen had. Hij deelde mede, dat Sir Charles Mirabel en zijne vrouw naar Baden-Baden waren vertrokken, en hem met verzoeken bestormden, om ook daarheen te komen. Pen gaf met de meeste deftigheid ten antwoord, dat hij gehoord had, dat het te Baden-Baden zeer lief was en dat de groothertog zich jegens de Engelschen zeer gastvrij betoonde. Costigan hernam, dat de wetten der gastvrijheid heilig moesten zijn voor een groothertog, en dat hij er ernstig aan dacht, het echtpaar te gaan opzoeken, waarna hij eenige bijzonderheden mededeelde omtrent de prachtige feesten op het kasteel te Dublin, toen zijn Excellentie de graaf Portansherry daar als lord-stadhouder zijn hof hield, en waarvan Costigan een nederig doch tevreden toeschouwer was geweest. Terwijl Pen deze verhalen aanhoorde, die Costigan zoo dikwijls gedaan had en die hij zich zoo goed herinnerde, stond hem de tijd weer voor den geest, toen hij ze gedeeltelijk geloofd had en voor den kapitein een zeker ontzag koesterde. Emily, zijn eerste liefde, het kamertje te Chatteries en het vriendschappelijk gesprek met Bows op de brug, kwamen hem weer levendig voor den geest. Hij gevoelde iets hartelijks voor zijne beide oude bekenden en drukte hun hartelijk de hand, toen hij opstond om te vertrekken.

Hij had de kleine Fanny Bolton geheel vergeten terwijl de kapitein sprak en hij zelf in egoïstische overdenkingen verzonken zat. Hij herinnerde zich harer eerst weder, toen Bows de trap achter hem afstrompelde, blijkbaar om hem Shepherd’s Inn te zien verlaten.

Bows’ voorzorg was niet gelukkig gekozen. De machtelooze vervolging van den armen ouden man deed den toorn van mijnheer Arthur Pendennis ontbranden. „Voor den duivel, waarom volgt hij mij zoo op den voet?” dacht Pen, en schaterde het uit, toen hij in het Strand alleen was, over de krijgslist van Bows. Het was geen eerlijke lach, Arthur Pendennis! En dat gevoelde Arthur misschien zelf ook, want hij bloosde om zijn eigen grappigheid.

Hij poogde de gedachten te verjagen, die zich aan hem opdrongen, wat die dan ook zijn mochten, en zocht afleiding op verschillende plaatsen van uitspanning, maar met weinig bevredigenden uitslag. Hij zwoegde de hoogste trappen van het Panorama op, maar toen hij hijgende den top bereikt had, was de Zorg mede met hem naar boven geklommen en hield zij hem gezelschap. Hij begaf zich naar de club en schreef een langen, uiterst geestigen en sarcastischen brief naar huis, waarin hij echter geen woord van den Vauxhall, of van Fanny Bolton repte, omdat hij meende dat dit onderwerp, hoe boeiend ook voor hem zelven, aan zijne moeder en Laura niet veel belangstelling zou inboezemen. Noch de romans noch de leestafel konden hem bezig houden – evenmin als de deftige en achtenswaardige Jawkins (de eenige man die in de stad gebleven was), die een praatje met hem wilde maken, of de publieke plaatsen, waar hij afleiding zocht na Jawkins ontvlucht te zijn. Op weg naar huis ging hij een vaudeville-theater voorbij, waar hij met groote roode letters voor de deur zag aangeplakt: „Verbazend kluchtspel!” „Men lacht zich dood!” „Goede oud-Engelsche pret en genoegen!” Hij nam plaats in het parterre en zag de lieftallige mevrouw Leary als naar gewoonte in mansgewaad, en den beroemden komiek Tom Horseman in vrouwenkleeren. Horseman’s vermomming was in zijn oog eene verschrikkelijke en afschuwelijke vernedering, en mevrouw Leary’s lonkjes en enkels maakten hoegenaamd geen indruk op hem. Hij lachte weer bitter toen hij zich den indruk herinnerde, dien zij den eersten avond van zijne komst te Londen op hem gemaakt had, nog zoo kort – en toch, reeds hoe lang geleden!

VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

IN OF BIJ DEN TUIN VAN DEN TEMPLE.

De voorname wereld heeft sinds lang den groenen en lieven tuin van den Temple veronachtzaamd, waar Shakespeare de hertogen van York en Lancaster de onschuldige witte en roode rozen laat plukken, die de leuzen in hunne bloedige oorlogen werden; en de geleerde en vermakelijke schrijver van het Handboek van Londen bericht ons, dat de gemeenste en taaiste rozensoort in dien rookerigen dampkring niet meer ontluikt. Waarschijnlijk weten of bekommeren zich slechts weinige der tegenwoordige bewoners van de gebouwen daar ter plaatse, of er al dan niet rozen groeien, en gaan zij de oude poort alleen door op weg naar hunne kantoren. De procureursklerken dragen geen bloemen in hunne zakken, of bouquetten onder den arm, als zij naar de kantoren der advocaten gaan en de enkele rechtsgeleerden, die voor hunne gezondheid wandelen, denken zeer weinig aan York en Lancaster, vooral nu er geen spoorwegzaken voor die beide steden meer te behandelen zijn. Alleen liefhebbers van oudheid en letterkunde nemen den tuin met veel belangstelling in oogenschouw en stellen zich den goeden Sir Roger de Coverley en Mijnheer den Spectator met zijn rond gelaat voor, zooals zij te zamen de paden op en neer wandelen; of dien lieven Olivier Goldsmith in het koepeltje, misschien peinzende over een volgend nommer van „de Wereldburger” of over het nieuwe pak kleeren, dat Filby voor hem maakt, of over den brandbrief, dien mijnheer Newbery hem heeft gezonden. Met zware stappen op het kiezelzand, majestueus rondwandelende in een snuifkleurig gewaad en met eene pruik, die groote behoefte heeft aan het poeier en de krulijzers van den kapper, ziet men den Grooten Doctor Johnson naar hem toekomen (met zijn Schotschen lakei, Boswell, op de hielen van den schrijver van het woordenboek), terwijl beiden meer of minder bevangen zijn door den portwijn, in de herberg gebruikt, – waarop mijnheer Johnson mijnheer Goldsmith uitnoodigt met hem mee naar huis te gaan en een kopje thee bij jufvrouw Williams te drinken. Liefelijke getrouwheid der verbeeldingskracht! Sir Roger en mijnheer de Spectator staan zoo duidelijk voor ons oog als de beide doctors en de beschonken en eerlijke Schot. De gestalten, door de poëzie geschapen, leven even tastbaar in onze herinnering als de werkelijke personen, en daar mijnheer Arthur Pendennis een romanesken en letterkundigen aanleg bezat en geenszins verslaafd was aan de in dien omtrek gebruikelijke rechtsgeleerde studiën, mogen wij aannemen, dat die jonge heer met eenige van die dichterlijke herinneringen vervuld was, toen hij, den avond na de gebeurtenissen, in het vorige hoofdstuk beschreven, den tuin van den Temple tot de plaats zijner lichaamsbeweging en overdenkingen koos.

Des Zondagavonds is het gewoonlijk stil in den Temple. De kamers staan voor het meerendeel leeg; de voorname rechtsgeleerden geven groote diners in hunne huizen in Belgravia of Tyburnia; de beminnelijke jonge advocaten zijn ook afwezig, wonen die partijen bij en maken mijnheer Kewsy een compliment over zijn uitmuntenden wijn, of hun hof aan de talentvolle dochters van mijnheer Ermine, den rechter. Degenen, die nergens genoodigd zijn, gebruiken een goedkoopen schapebout en een bescheiden half fleschje wijn in de club, en vermaken zich zelven en de overige bezoekers in de koffiekamer met anekdotes, die zij bij de zittingen van de rechtbank hebben opgedaan, en met geestige zetten, of rechtsgeleerde spitsvondigheden. Niemand, kortom, blijft op zijne kamers in den Temple dan de arme mijnheer Cockle, die ziek ligt en wiens waschvrouw gerstewater voor hem zet; of mijnheer Toodle, die een liefhebber van de fluit is, zoodat men hem in de eenzaamheid kan hooren blazen op zijne kamer op de derde verdieping; of de jonge Tiger, de student, uit wiens geopende vensters dikke wolken tabaksrook opstijgen, en aan wiens deur een aantal schotels en deksels te zien zijn met het merk van Dicks of van den Haan. Maar wacht even! waarheen voert ons de verbeelding? Het is vacantie, en met uitzondering van Pendennis is er geen mensch hoegenaamd op de kamers.

Het was dus misschien de eenzaamheid, die Pen naar den tuin dreef; want ofschoon hij nooit nog te voren de poort was doorgegaan en vrij onverschillig naar de lieve bloembedden en de groepjes stedelingen, die over de nette grasperken en de breede kiezelpaden langs de rivier wandelden, had gekeken, wilde het toeval dezen avond, gelijk wij gezegd hebben, dat de jonge heer, na in eene restauratie nabij den Temple alleen gegeten te hebben, op het denkbeeld kwam, toen hij naar zijne kamers terugkeerde, om eene kleine wandeling door den tuin te doen en zich met de frissche avondkoelte en het gezicht op den schitterenden Theems te verlustigen. Na een oogenblikje gewandeld en de talrijke vreedzame en blijde groepjes in het rond beschouwd te hebben, begon hem dat werk te vervelen, zoodat hij een der koepeltjes, die aan beide zijden aan het einde van het hoofdpad staan, binnentrad en zich daar in stilte neerzette. Waarover dacht hij thans? De avond was heerlijk helder en stil; de lucht was onbewolkt; de schoorsteenen op den tegenoverliggenden oever rookten niet, de werven en pakhuizen waren door de avondzon verguld en zagen er zoo helder uit, alsof ook zij zich voor dezen dag van uitspanning hadden opgeknapt. De stoombooten, beladen met menschen die uitstapjes deden, vlogen de rivier op en af. De klokken der talrijke kerken van Londen noodigden tot het avondgebed. Wellicht dat Pen zich dergelijke vreedzame sabbat-avonden uit zijne vroegere dagen herinnerde, toen hij, met den arm om de middel zijner moeder, het grasperk voor het ouderlijk huis op en neer wandelde. De zon verlichtte zoowel den kleinen Brawl als den breeden Theems en zonk trotsch achter de olmen van Clavering en den toren van het welbekende dorpskerkje weg. Was het deze gedachtenloop of alleen de gloed der ondergaande zon, welke dien blos op het gelaat van den jonkman opriep? Hij tikte op de bank de maat van het gelui der klokken, sloeg met zijn zakdoek het stof van zijne blinkende laarzen, en sprong toen op en riep uit, terwijl hij met den voet stampte: „Neen, bij den hemel! ik zal naar huis gaan.” En toen hij dit besluit genomen had – waaruit bleek, dat er in zijn gemoed een zekere strijd had plaats gehad of hij kon blijven waar hij was, dan wel of hij den tuin moest verlaten – stapte hij het koepeltje uit.

Het scheelde weinig of hij liep twee kleine kinderen omver, die niet veel hooger dan zijne knie reikten, en die over het kiezelpad draafden, terwijl hunne lange blauwe schaduwen schuins oostwaarts vielen.

Het eene kind riep: „O!” en het andere begon te lachen en zeide op kinderlijk gemeenzame wijze: „Meheer Pendennis!” waarop Arthur, naar beneden kijkende, zijne beide kleine vriendinnetjes van den vorigen dag, mesdemoiselles Amelia-Anna en Betsy-Jane, ontwaarde. Op dat gezicht bloosde hij sterker dan te voren; hij nam het kind op, dat hij bijna onder den voet geloopen had, wierp het in de lucht en gaf het een kus, bij welken onverhoedschen aanval Amelia-Anna, erg verschrikt, het begon uit te schreeuwen.

Deze kreten deden dadelijk twee dames met schoone kraagjes, nieuwe linten en mooie shawls aansnellen, te weten jufvrouw Bolton, met een vuurrooden Schotschen cachemiren shawl en eene zwart zijden japon, en jufvrouw F. Bolton, met eene gele sjerp en een lief gebloemd mousselientje en eene parasol – van top tot teen de dame. Fanny sprak geen enkel woord, ofschoon haar oogen een welkomstgroet uitstraalden en zoo helder schitterden als de sterkst verlichte vensters van Paper Buildings. Na Betsy-Jane eene vermaning gegeven te hebben, zeide jufvrouw Bolton: „Heere! Hoe zonderling, mijnheer, dat wij u hier ontmoeten! Hoe vaart u, mijnheer? Is het niet zonderling, Fanny, dat wij mijnheer Pendennis tegenkomen?” Waarom lacht gij, mesdames? Is het nooit gebeurd, wanneer de jonge Croesus op eene buitenplaats logeerde, dat gij, door een toevalligen samenloop van omstandigheden, met uwe Fanny aan het wandelen waart in het plantsoen? Hebt gij met Fanny nooit staan luisteren naar de muziek der zware dragonders te Brighton, als de jonge de Boots en kapitein Padmore met rinkelende sporen het havenhoofd afkwamen? Waart gij met uw engelachtige Françoise nooit bij de oude weduwe Wheezy in dat hutje op de heide, als de jonge hulpprediker binnentrad met een traktaatje tegen de rheumatiek? Denkt gij, dat, als er zulke toevalligheden in het heerenhuis gebeuren, zij ook niet voorvallen in de portierswoning?

Het was, zonder twijfel, een toeval, anders niet. In den loop van het gesprek van den vorigen dag had mijnheer Pendennis op de ongezochtste wijze, die men zich kan voorstellen, en in antwoord op eene vraag van de jonge jufvrouw Bolton, gezegd dat, ofschoon sommige pleinen somber waren, andere gedeelten van den Temple zeer vroolijk en aangenaam waren, vooral de kamers die op de rivier en den tuin uitzagen, en dat die tuin eene zeer genoeglijke wandeling des Zondagavonds opleverde en door een groot aantal menschen bezocht werd – en ziedaar nu, op de toevalligste wijze ontmoeten al onze bekenden elkander daar, juist als het met zoovelen in de voorname wereld gaat. Wat kan ongezochter, genoeglijker of natuurlijker zijn?

Pen zag er zeer statig, deftig en voornaam uit. Zijne kleeding was buitengemeen net en schitterend. Zijne witte broek, zijn witte hoed, zijne veelkleurige das, zijn licht vest, zijne gouden kettingen en hemdsknoopjes schonken hem minstens het voorkomen van een prins van den bloede. Wat stond die pracht hem goed! Nooit was iemand bij hem te vergelijken geweest, dacht een der leden van het gezelschap. Hij bloosde – wat stond die blos hem bevallig, zeide dezelfde persoon in haar hart. Zijn voorkomen had den vorigen dag zoo zeer de aandacht der kinderen getrokken, dat zij na zijn vertrek Pendennisje gespeeld hadden. Amelia-Anna had hare kleine mollige vingertjes in de armsgaten van haar voorschoot gestoken, gelijk Pen het in zijn vest deed, en gezegd: „Betsy-Jane, nu ben ik meheer Pendennis.” Fanny had bij die voorstelling tranen gelachen en haar zusje bijna doodgezoend. Wat was zij ook blij, toen zij Arthur het kind zag omhelzen!

Was Arthur rood, Fanny zag er daarentegen zeer afgemat uit. Hij merkte het op en vroeg haar vriendelijk naar de reden van haar oogenschijnlijke vermoeidheid.

„Ik heb den ganschen nacht wakker gelegen,” zeide Fanny en begon een weinig te blozen.

„Ik heb hare kaars uitgedaan en gezegd dat zij moest gaan slapen en met lezen uitscheiden,” kwam hare liefhebbende moeder er tusschen.

„Waart gij aan het lezen? En wat hield u dan zoo bezig?” vroeg Pen, dien hare bekentenis vermaakte.

„O, ik vind het zoo mooi!” zeide Fanny.

„Wat?”

„Walter Lorraine,” antwoordde zij met een zucht. „O, ik heb zoo’n hekel aan die Neara of Næra – ik weet niet hoe ik dien naam moet uitspreken. En ik houd zooveel van Leonora! En die Walter, wat is die lief!”

Hoe had Fanny ontdekt, dat er een roman Walter Lorraine bestond en dat Pen daarvan de schrijver was? Ons kleine persoontje herinnerde zich elk woord, dat mijnheer Pendennis den vorigen avond gesproken had, en dus ook dat hij in boeken en couranten schreef. Maar welke boeken? Zij was daarnaar zoo nieuwsgierig, dat zij op het punt stond vriendelijk te worden tegen den ouden Bows, die sinds gisteren onder haar ongenade zuchtte; doch eerst besloot zij zich tot Costigan te wenden. Zij begon met den kapitein te vleien en hem op haar innemendste wijze toe te lachen, terwijl zij zijn diner aanrichtte en zijn nederig vertrekje in orde bracht. Zij verklaarde zich overtuigd, dat zijn linnen wel eens mocht nagezien worden (en werkelijk bevatte het linnenkastje van den kapitein eenige merkwaardige staaltjes van manufacturen van vlas en katoen); zij zou zijne hemden verstellen – al zijne hemden. Wat verschrikkelijke gaten – wat kluchtige gaten! Zij stak haar gezichtje door een dier openingen en lachte den ouden krijgsman op de lieftalligste wijze toe. Het zou een aardig portretje van haar zijn geweest, zoo kijkende door die gaten. Daarop ruimde zij netjes Costigan’s tafelgoed op en trippelde door de kamer, gelijk zij het de danseressen op het tooneel had zien doen; en daarop huppelde zij naar het kastje van den kapitein en haalde er zijne whiskyflesch uit, en maakte een glas voor hem klaar, en vroeg of zij er eens van proeven mocht, een enkel dropje, en de kapitein moest haar een van zijne liedjes, een van die lieve liedjes voorzingen, en het haar leeren. En toen hij met zijne volle en beverige stem een Iersch deuntje gezongen had, en zich verbeeldde dat hij het was, die de kleine sirene betooverde, bracht zij haar kleine vraagje omtrent Arthur Pendennis en diens roman op het tapijt, en toen zij daarop antwoord gekregen had, bekommerde zij zich om niets meer, maar liet den kapitein alleen aan de piano zitten, waar hij juist nog een liedje voor haar zou zingen, en vergat den bak met het tafelgoed in den gang en de hemden op den stoel, en rende zoo hard zij kon naar beneden.

Kapitein Costigan had gezegd, dat hij geen letterkundige was en ook nog geen tijd had kunnen vinden om het schoone boek van zijn jongen vriend te lezen, maar dat hij de eerste gelegenheid de beste zou waarnemen om er een exemplaar van te koopen. Maar hij kende den naam van Pen’s roman, doordien de heeren Finucane, Bludyer en andere bezoekers van de Achterkeuken, wanneer zij van Pen spraken (hetgeen niet altijd met lof geschiedde, want Bludyer noemde hem een verwenschten kwast, en Hoolan gaf zijne verwondering te kennen, dat Doolan hem niet de zaal uitschopte, enz.), hem met den bijnaam Walter Lorraine aanduidden, en daardoor was Costigan in staat om Fanny de begeerde inlichting te geven.

„En zij ging naar de leesbibliotheek en vroeg er om,” zeide jufvrouw Bolton, – „naar verscheidene bibliotheken, en sommige hadden het boek, maar het was uit, en andere hadden het niet; en eene der bibliotheken, die het hadden, wilde het haar niet geven, of zij moest een pond sterling tot pand laten, en zooveel had zij niet, zoodat zij schreiende thuis kwam – niet waar, Fanny? – en toen heb ik haar het geld gegeven.”

„En ik was zoo bang, dat iemand het uit de bibliotheek zou komen halen terwijl ik weg was,” zeide Fanny, met roode wangen en schitterende oogen. „En o! het is zoo mooi!”

Arthur was door deze ongekunstelde blijken van sympathie geroerd; hij was er bovenmate door gestreeld en getroffen. „Bevalt het u!” zeide hij. „Als gij wilt meegaan naar mijne kamer, zal ik – Neen, ik zal u een exemplaar brengen – Neen, ik zal het u zenden. Goedennacht. Ik dank u, Fanny. God zegen u. Ik kan niet bij u blijven. Vaarwel, vaarwel!” En nogmaals hare hand drukkende en hare moeder en de kinderen toeknikkende, ging hij den tuin uit.

Toen hij haar verliet versnelde hij zijne schreden, en in zich zelven mompelende, liep hij de poort uit. „Lief, lief schepseltje!” zeide hij. „Engel van een Fanny! Gij weegt tegen alle anderen op! Ware Shandon maar terug! dan zou ik naar huis gaan, naar moeder. Ik moet haar niet weerzien; ik wil niet. Ik wil niet, zoo waarlijk helpe mij –”

En terwijl hij aldus sprak en voortsnelde, zoodat de voorbijgangers bleven staan om hem na te kijken, liep hij tegen een oud mannetje aan, in wien hij mijnheer Bows herkende.

„Uw onderdanige dienaar, mijnheer,” zeide Bows met eene spottende buiging en nam zijn kalen hoed af.

„Goedendag,” antwoordde Arthur norsch. „Laat ik u niet ophouden, of van u de moeite vergen, mij weer op den voet te volgen. Ik heb haast, mijnheer. Goedenavond.”

Bows vermoedde, dat Pen reden had om zoo naar zijne kamer te ijlen. „Waar zijn zij?” riep het oude heertje uit. „Gij weet wel wie ik meen. Zij zijn niet op uwe kamer, mijnheer, – niet waar? Zij hebben aan Bolton gezegd, dat zij in den Temple ter kerk gingen; maar daar zijn zij niet. Zij zijn op uwe kamer en zij mogen op uwe kamer niet zijn, mijnheer Pendennis!”

„Voor den duivel, mijnheer!” riep Pendennis woedend uit. „Kom mee, en zie of zij op mijne kamer zijn; hier zijn wij op het plein aan de deur – kom binnen en zie zelf!” en Bows, na den hoed afgenomen te hebben, boog en volgde den jonkman.

Zij waren niet op Pen’s kamers, gelijk wij reeds weten. Doch toen de tuin gesloten werd, keerden de beide vrouwen, die slechts eene treurige wandeling hadden gedaan, neerslachtig met de kinderen terug en traden Lamb Court binnen, en plaatsten zich bij den lantarenpaal, die het midden van het vierkant versiert, van waar zij naar de derde verdieping van het huis, waar Pendennis zijne kamers had, opzagen, alwaar een oogenblik later een licht ontstoken werd. Daarop gingen die twee dwaze vrouwen heen, de vermoeide kinderen medeslepende, en keerden naar mijnheer Bolton terug, die in de portiersloge van Shepherd’s Inn bij zijn glas rumgrog zat te suffen.

Mijnheer Bows keek de ledige kamer rond, die door den jonkman bewoond werd, en sinds den tijd, toen wij haar het laatst zagen, slechts met weinige sieraden of meubelen opgeschikt was. Warrington’s oude boekenkast en havelooze bibliotheek, en Pen’s schrijftafel met den berg van papieren, hadden een zeer gezellig voorkomen. „Wilt gij ook eens in de slaapkamers zien, of mijne slachtoffers dáár verscholen zijn, mijnheer Bows?” vroeg Pen bitter, „dan wel of ik de kleine meisjes vermoord en in het kolenhok verborgen heb?”

„Uw woord is mij voldoende, mijnheer Pendennis,” antwoordde de ander op weemoedigen toon. „Als gij zegt dat zij er niet zijn, dan geloof ik het. En ik hoop, dat zij er nooit geweest zijn en er nooit komen zullen.”

„Op mijn woord, mijnheer, gij zijt wel goed, mijne kennissen voor mij te kiezen,” zeide Arthur op hoogen toon, „en te verstaan te geven, dat mijn gezelschap niet zeer wenschelijk is. Ik herinner mij, mijnheer Bows, dat ik u erkentelijkheid verschuldigd ben voor uwe vriendelijkheid in lang vervlogen dagen; anders zou ik mij sterker uitlaten dan ik thans doe over de soort van vervolging, waaraan gij mij schijnt te willen onderwerpen. Gij hebt mij gisteren tot buiten de Inn gevolgd, alsof gij wildet oppassen, dat ik niets stal.” Maar zoodra Pen dit gezegd had, begon hij te stotteren en te blozen, want hij gevoelde, dat hij den ander hier een wapen in de hand had gegeven, hetwelk deze dan ook dadelijk aangreep.

„Ik geloof inderdaad, dat gij kwaamt om iets te stelen, zooals gij het uitdrukt, mijnheer,” zeide Bows. „Zoudt gij willen volhouden, dat gij een bezoek aan den armen ouden Bows, den speelman, of aan jufvrouw Bolton in de portiersloge kwaamt brengen? Och kom! Zulk een voornaam man als de weledelgeboren heer Arthur Pendennis verwaardigt zich niet naar mijn zolderkamertje te klimmen, of in de keuken van eene waschvrouw te gaan zitten, indien hij er geen bijzondere redenen toe heeft. En ik houd het voor zeker, dat gij kwaamt, om het hart van een lief meisje te stelen, om haar te gronde te richten en daarna te verstooten, mijnheer Arthur Pendennis! Dat is het, wat de wereld van u, jonge dandy’s, van u, voorname jongelui, maakt, van u, hooge en vermogende aristocraten, die het volk vertrapt. Het is voor u spel; maar wat denkt ge wel, dat het voor de armen is, voor de offers uwer genotzucht, waarmee gij speelt, om ze op straat te werpen, als gij er genoeg van hebt? Ik ken den stand, waartoe gij behoort, mijnheer. Ik ken uwe zelfzucht en uw aanmatiging en uw trots. Wat deert het mylord, dat de dochter van den armen man ongelukkig en hare familie met schande overladen wordt? Gij moet uw vermaak hebben en het volk moet het betalen. Waar zijn wij anders voor geschapen? Zoo zijt gij allen, mijnheer, allen!”

Bows had zich op een verkeerd terrein geplaatst en daarmee kon Pen zijn voordeel doen, hetgeen hem niet speet: het was hem niet onwelkom, dat hij het debat kon afleiden van het punt, waar zijne tegenpartij het aanvankelijk had begonnen. Arthur barstte dus in een lach uit, waarvoor hij Bows verschooning vroeg. „Ja, ik ben een aristocraat,” zeide hij, „in een paleis drie verdiepingen hoog, met een vloerkleed bijna zoo mooi als het uwe, mijnheer Bows! Ik breng mijn leven door met het verdrukken van het volk, niet waar? met het verleiden van meisjes en het bestelen van de arme lui? Beste heer, dit alles is heel aardig in een blijspel, waar Job Thornberry zich op de borst slaat en aan mylord vraagt, hoe hij een eerlijk man vertrappen en den haard van een Engelschman verwoesten durft; maar hoe kunt gij, mijnheer Bows, in het werkelijke leven, van aristocraten, die het volk verdrukken, spreken tegen iemand, die even hard voor zijn brood moet werken als gij? Heb ik u ooit kwaad gedaan? of mij eenige meerderheid over u aangematigd? Hebt gij mij niet vroeger genegenheid toegedragen – in een tijd toen wij beiden romaneske jongelui waren, mijnheer Bows. Kom, wees nu niet boos op mij, en laten wij even goede vrienden zijn als wij het vroeger waren.”

„Dat was een heel andere tijd,” gaf mijnheer Bows ten antwoord, „en mijnheer Pendennis was toen een eerlijk, hartstochtelijk jonkman, misschien wel wat zelfzuchtig en verwaand, maar toch eerlijk. En ik hield toen van u, omdat gij bereid waart u voor eene vrouw op te offeren.”

„En thans, mijnheer?” vroeg Arthur.

„Thans zijn de tijden veranderd en wenscht gij dat eene vrouw zich zal opofferen voor u,” antwoordde Bows. „Ik ken dit kind, mijnheer. Ik heb altijd gezegd, dat dit lot haar boven het hoofd hing. Zij heeft hare hersentjes zoo vol met romans, dat zij aan niets anders dan aan minnaars en minnaressen denkt en ternauwernood meer ziet, dat haar voet op een keukenvloer rust. Ik heb het schepseltje onderwezen. Zij bezit vele talenten en bekoorlijkheden, dat verzeker ik u. Ik houd innig veel van dat meisje, mijnheer. Ik ben een verlaten oud man; ik leid een leven, dat mij niet behaagt, onder kameraden, die mij bedroefd maken. Ik geef om niets anders dan om dat kind. Heb medelijden met mij en neem haar niet van mij weg, mijnheer Pendennis, – neem haar niet van mij weg!”

Onder het spreken bleef de stem den ouden man in de keel steken. Het aandoenlijke in zijn toon trof Pen veel meer dan de dreigende of sarcastische wijze, waarop Bows begonnen was.

„Gij beoordeelt mij inderdaad verkeerd,” zeide hij vriendelijk, „indien gij u verbeeldt, dat ik de arme kleine Fanny eenig leed zou willen aandoen. Jongstleden Vrijdagavond heb ik haar voor het eerst van mijn leven gezien. Op de toevalligste wijze bracht onze vriend Costigan haar mij te gemoet. Ik koester geen bedoelingen jegens haar – dat wil zeggen –”

„Dat wil zeggen, dat gij zeer goed weet, dat zij een dwaas meisje is en hare moeder eene dwaze vrouw – dat wil zeggen, dat gij haar in den tuin van den Temple ontmoet, natuurlijk zonder eenige afspraak, – dat wil zeggen, dat toen ik haar gisteren lezende vond in het boek, dat gij geschreven hebt, zij mij hare verachting deed gevoelen,” zeide Bows. „Waartoe dien ik, dan om uitgelachen te worden? een mismaakt oud schepsel gelijk ik ben, een oude vedelaar, die eene kale jas draagt en zijn brood verdient door deuntjes in eene herberg te spelen? Gij zijt een dandy! Gij hebt reukwater op uw zakdoek en een ring aan uw vinger. Gij gaat uit eten bij voorname lui. Wie geeft ooit eene korst brood aan den ouden Bows? En echter had ik evenveel kunnen beteekenen als de beste onder u. Ik had een man van genie kunnen zijn, als de omstandigheden mij gediend hadden, en met de eerste genieën des lands kunnen omgaan. Maar alles is mij tegengeloopen. Er was een tijd, dat mij de eerzucht bezielde en ik tooneelstukken, gedichten, muziek schreef, – maar niemand wilde mij aanhooren. Geen vrouw had ik ooit lief, of zij lachte mij uit, en hier sta ik nu in mijn ouderdom alleen, alleen! Ontneem mij dit meisje niet, mijnheer Pendennis, smeek ik nogmaals! Laat mij haar nog een korten tijd behouden. Tot op gisteren was zij een kind voor mij. Waarom kwaamt gij er tusschen, om mijne mismaaktheid door haar te doen bespotten?”

„Daaraan ben ik ten minste onschuldig,” antwoordde Arthur met een soort van zucht. „Op mijn woord van eer, ik wenschte dat ik het meisje nooit gezien had. Ik ben geen verleider van beroep, mijnheer Bows. Tot – tot heden avond had ik er geen gedachte van, dat ik op de arme Fanny indruk had gemaakt. En toen deed het mij leed, mijnheer, en toen ik u ontmoette, ontvlood ik juist de verzoeking. En,” voegde hij er met een gloed op het gelaat, die zijn bezoeker in de toenemende duisternis niet zien kon, en met eene merkbare trilling in zijne stem bij, „ik wil niet voor u verbergen, mijnheer, dat ik op dezen Sabbat-avond, toen de kerkklokken luidden, aan mijn eigen huis dacht, en aan de vrouwen, als engelen zoo rein en goed, die daar wonen, en dat ik, toen ik u tegenkwam, zoo snel hierheen liep, om het gevaar te ontwijken dat mij bedreigde, en van God Almachtig kracht te bidden om bij mijn plicht te blijven!”

Op deze woorden van Arthur volgden eenige oogenblikken van stilte, en zijn bezoeker sprak, toen hij het onderhoud hervatte, op een veel kalmer en vriendelijker toon. En toen Bows afscheid nam, verzocht hij Pen de hand te mogen drukken; van beide kanten was dit afscheid warm en hartelijk, en Bows vroeg verschooning, dat hij Arthur had miskend, en maakte hem eenige complimenten, die ten gevolge hadden, dat de jonkman de hand van zijn ouden vriend andermaal met innigheid drukte. Bij het vaarwel aan de deur zeide Arthur, dat hij eene gelofte gedaan had, en hoopte en vertrouwde, dat mijnheer Bows zich daarop zou verlaten.

„Amen op dat gebed!” zeide Bows en ging langzaam de trap af.

EEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

HET GELUKKIGE DORP ANDERMAAL.

In het eerste gedeelte van dit verhaal hebben wij de gelegenheid waargenomen om van het stadje Clavering, in welks nabuurschap Pen’s vaderlijk erfgoed, Fairoaks lag, en van sommige bewoners van dat plaatsje te spreken, en aangezien die kringen in geenerlei opzicht vermakelijk of aangenaam waren, hebben wij er niet zeer breedvoerig over uitgeweid. Mijnheer Samuel Huxter, de heer met wien wij onlangs in den Vauxhall kennis maakten, was een der uitverkorenen van het stadje wanneer hij het in zijne vacantiën kwam bezoeken, en verlevendigde aldaar de tafelvreugde zijner vrienden door aardigheden uit het St.-Bartholomeushospitaal en de praatjes der deftige Londensche kringen in welke hij verkeerde.

Mijnheer Hobnell, de jonge heer, die, ten gevolge van den twist over jufvrouw Fotheringay, door Pen was afgerost, was, toen hij nog te Clavering schoollag, dikwijls door jufvrouw Huxter, Samuel’s moeder, op thee genoodigd en had vrijen toegang tot de apotheek, waar hij den weg naar de tamarindepotten wist en zijn zakdoek met rozenwater mocht besproeien. In dit tijdperk zijns levens had Hobnell genegenheid voor de jonge jufvrouw Sophie Huxter opgevat, die hij, na het overlijden van zijn vader, huwde en naar zijn buiten The Warren, weinige mijlen afstands van Clavering, heenvoerde.

Zijne familie had daar vele jaren lang als eigenaars of pachters landerijen bezeten en bebouwd. Hobnell’s vader had de oude boerderij afgebroken en een blinkend nieuw gewit heerenhuis opgetrokken, met ruime stallen en eene piano in het salon; hij hield eenige koppels jachthonden en noemde zich „mijnheer”. Toen hij stierf en zijn zoon in zijne plaats regeerde, kon de familie beschouwd worden als voor vast gerangschikt onder de deftige geslachten van het graafschap, zoodat Sam Huxter te Londen niet veel overdreef als hij tegen zijne kameraden in het hospitaal, die hem met bewondering aanhoorden, over het landgoed, de paarden, de honden en de gastvrijheid van zijn schoonbroeder zwetste. Ieder jaar deed Hobnell een uitstapje naar Londen gewoonlijk, op den tijd wanneer mevrouw Hobnell, wegens de vermeerderde zorgen voor hare kinderkamer, niet van huis kon. Hij nam dan kamers in het Tavistock Hotel en ging met Sam de vermaken der stad genieten. Ascott, de schouwburgen, de Vauxhall en de prettige koffiehuizen in den vroolijken omtrek van Covent Garden waren de plaatsen, die de levendige landjonker dan met zijn geleerden broeder bezocht. Wanneer hij zich te Londen bevond, zeide hij, hield hij er van, te doen gelijk de Londenaars doen, en het er eens van te nemen, en als hij naar buiten terugkeerde, nam hij een nieuwen hoed en shawl voor mevrouw Hobnell mee en verwisselde de weelderige vermaken van het Londensche leven, voor de elf volgende maanden, tegen landelijke uitspanningen en bezigheden.

Sam Huxter stond steeds in briefwisseling met zijn schoonbroeder en hield hem op de hoogte van de nieuwtjes der hoofdstad, uit dankbaarheid voor de manden met hazen, patrijzen en den room, die de landjonker en diens goedhartige vrouw aan Sam zonden. Zij kenden geen geestiger en beschaafder jonkman dan Sam. Hij was het leven en de ziel van hun huis, als hij zich in zijne geboorteplaats vertoonde. Op The Warren schaterde men aanhoudend van het lachen over zijne liedjes en zetten en grappen. Hij had het leven van de oudste dochter gered door haar eene graat uit de keel te halen; kortom, hij was de ziel van hun huiselijken kring.

Het ongeluk wilde, dat Pen, drie dagen na het gebeurde in den Vauxhall, mijnheer Huxter alweer ontmoette. Getrouw aan zijne belofte, was hij de kleine Fanny niet gaan bezoeken. Hij trachtte haar door werken en andere inspanning van den geest uit zijn hart te verdrijven. Onophoudelijk, hoewel met niet veel vrucht, zat hij op zijne kamer te werken, en in zijne hoedanigheid van recensent voor de Pall Mall Gazette richtte hij eene bloedige slachting aan onder dichters en romanschrijvers, die voor zijn rechterstoel verschenen. Na dezen gebeuld te hebben, ging hij dineeren in de eenzame Polyanthus-Club, waar de leege zalen hem benauwd en somber stemden. Hij zocht uitspanning in een schouwburg. De gansche zaal daverde van het lachen en het applaudisseeren; maar hij zag slechts eene zoutelooze klucht, die hem ergerde. De komiek zou zijne vroolijkheid verloren hebben, indien hij Pen’s stuursch gelaat had gezien. Hij wist ternauwernood wat er gebeurde; alles ging als in een droom of in eene koorts hem voorbij. Daarop besloot hij naar de Achterkeuken te gaan, zijn geliefkoosd toevluchtsoord met Warrington, want hij gevoelde nog geen slaap. Den vorigen dag had hij, om tot rust te komen, twintig mijlen over de heide van Hampstead en door de lanen van Hendon gewandeld, en toch des nachts geen oog gesloten. Hij zou dus de Achterkeuken opzoeken. Het was hem een soort van troost, dat hij daar Bows zou zien. Bows was er ook en zat zeer kalm aan de oude piano. Er werden eenige verbazend comische liedjes gezongen en de zaal daverde van het lachen. Wat kwamen zij Pen vreemd voor! Hij zag niets dan Bows. Het was verwonderlijk, dat hij in een uitgebranden vulkaan, gelijk hij zijne borst noemde, zulk eene vlam kon gevoelen! Twee dagen van toegeven hadden haar doen ontbranden; – twee dagen van onthouding hadden haar tot een lichten laaien gloed aangeblazen. Hierover napeinzende en het eene glas na het ander drinkende, wilde het ongeluk dat Arthur’s oog op mijnheer Huxter viel, die, evenals hij, naar den schouwburg was geweest en nu met een paar kameraden de zaal binnentrad. Tot Pen’s groote ergernis fluisterde Huxter zijne buren iets toe, en Arthur gevoelde, dat de ander over hem sprak. Gevolgd door zijne vrienden, baande Huxter zich daarop een weg door de zaal, en zette zich tegenover Pen neder, dien hij gemeenzaam toeknikte en hem eene morsige hand toestak.

Pen reikte zijn stadgenoot de hand, en dacht dat hij dien avond in den Vauxhall al te opvliegend tegen hem was geweest. Huxter van zijn kant, die met zich zelven en de gansche wereld volkomen tevreden was, vermoedde in het minst niet, dat hij wien ook onaangenaam kon zijn, want dat kleine geschil – of „standje”, gelijk hij het noemde – in den Vauxhall was eene beuzeling, waaraan hij in het geheel geen gewicht hechtte.

Nadat de volgeling van Galenus vier glazen bier besteld had, waarmede hij en zijn gezelschap zich te goed deden, begon hij te overleggen wat wel het prettigste onderwerp van gesprek voor Pen zou zijn, en bepaalde zich juist tot dat, hetgeen onzen jongen heer het pijnlijkst was.

„Prettige avond in den Vauxhall, niet waar?” zeide hij, terwijl hij hem een veelbeteekenend knipoogje toewierp.

„Het doet mij pleizier dat gij er genoegen hebt gehad,” antwoordde de arme Pen, zijn verdriet verbergende.

„Ik was verduiveld aangeschoten – erg – had met eenige jongelui te Greenwich gegeten. Ge hadt daar een aardig lapje mousseline aan den arm wie was het?” vroeg de bekoorlijke student.

Die vraag was te veel voor Arthur. „Heb ik u naar uwe zaken gevraagd, mijnheer Huxter?” zeide hij.

„Ik heb u niets beleedigends willen zeggen – ik vraag verschooning – wat drommel, het is of gij me wilt opeten!” hernam de ander verbaasd.

„Herinnert ge u niet meer wat er dien avond tusschen ons is voorgevallen?” vroeg Pen met klimmenden toorn. „Zijt ge het vergeten? Dat is wel waarschijnlijk, want gij waart beschonken, gelijk ge zoo even zelf gezegd hebt, en zeer onbeschoft.”

„Voor den drommel, mijnheer, ik heb u reeds verschooning gevraagd,” zeide Huxter, rood wordende.

„Dat hebt gij, en ik heb het u van harte vergeven. Maar als ge het u herinneren kunt, heb ik u verzocht mij voortaan van de lijst uwer kennissen te schrappen en, wanneer wij elkander weer in het openbaar ontmoetten, de moeite niet te nemen van mij te herkennen. Wees zoo goed dit voor het vervolg te onthouden, en daar het zingen juist weder begint, zult ge me wel veroorloven u aan het ongestoorde genot der muziek over te laten.”

Daarop nam hij zijn hoed, maakte eene buiging voor den verbaasden Huxter en verliet de tafel, terwijl Huxter’s kameraden, na een oogenblik van verbazing, zoo hard om den jongen chirurgijn begonnen te lachen, dat de president der vergadering er zich mee moest bemoeien en uitriep: „Stilte, heeren! weest toch wat stil voor de Lijkendief!” want dat populaire lied werd juist aangeheven, toen Pen de Achterkeuken verliet. Hij vleide zich, dat hij zich volmaakt beheerscht had. Eigenlijk had hij gewenscht, dat Huxter zich strijdlustig zou betoond hebben, want hij had gaarne met hem of iemand anders willen vechten. Hij ging naar huis. Het werk van dien dag, de tooneelvertooning, de whiskygrog, het krakeel, – niets had medegewerkt om hem tot bedaren te brengen. Hij sliep niet beter dan den vorigen nacht.

Eenige dagen later schreef mijnheer Sam Huxter een brief aan mijnheer Hobnell ten platten lande, waarvan mijnheer Arthur Pendennis het hoofdonderwerp uitmaakte. Sam beschreef Arthur’s levenswijze te Londen en zijn verwenscht onbeschaamd gedrag jegens zijne vrienden van thuis. Hij was, zeide Huxter, een reddelooze schavuit, een eerste don Juan, een kerel die, wanneer hij op het land kwam, buiten fatsoenlijke huizen moest gesloten worden. Hij had hem in den Vauxhall zien dansen met een onschuldig meisje van de mindere klasse, dat hij tot zijn slachtoffer maakte. Van een Iersch heer (die vroeger bij het leger gediend had) en die ook eene club bezocht, waarvan Huxter lid was, had deze laatste vernomen wie het meisje was, op hetwelk deze verwaande kwast zijne helsche kunstgrepen aanwendde; hij dacht er over om haar vader te waarschuwen, enz., enz. Vervolgens liep de brief over het algemeene nieuws, drukte den dank van den schrijver voor de laatste bezending van huis en de konijnen uit, en gaf te verstaan, dat hij volgaarne bereid was verdere geschenken aan te nemen.

Gelijk wij gezegd hebben, was er gemiddeld ééns per jaar gelegenheid voor eene doopplechtigheid op The Warren, en het geval wilde, dat deze plechtigheid den dag nadat Hobnell den brief van zijn schoonbroeder te Londen had ontvangen, plaats had. Het kind (een dotje van een meisje) werd Myra Lucretia gedoopt, naar hare twee peetmoeders, jufvrouw Portman en jufvrouw Pybus van Clavering, en daar Hobnell natuurlijk Sam’s brief aan zijne vrouw had medegedeeld, maakte mevrouw Hobnell hare beide vriendinnen met den gruwelijken inhoud bekend. Het was eene mooie historie, die in den loop van den dag mooi door heel Clavering verteld werd!

Myra verhaalde het geval niet aan hare mama – daarvoor was zij er te veel van ontroerd, maar jufvrouw Pybus behoefde zich daardoor niet te laten weerhouden. Zij sprak over de zaak niet alleen met mevrouw Portman, maar met mijnheer Simcoe en zijne deftige vrouw, met mevrouw Glanders (wier dochters bijtijds de kamer werden uitgezonden), met madame Fribsby, kortom met iedereen, die iets beteekende te Clavering. Met een slinkschen blik op de afbeelding van den dragonder en een innerlijken blik in haar eigene droevige herinneringen, zeide madame Fribsby, dat mannen mannen bleven, en, zoolang zij mannen waren, verleiders zouden zijn; en daarop zeide zij mijmerend eenige regels uit Marmion op, waarin zij verzocht ingelicht te worden, waar minnaars, die bedriegers zijn, zouden moeten rusten? Jufvrouw Pybus kon haar haat, haar afschuw, hare verachting voor een schelm, die tot zulke laagheden in staat was, niet sterk genoeg uitdrukken. Dit waren de gevolgen van te veel toegeeflijkheid in de jeugd, van onbeschoftheid, van losbandigheid, van aristocratischen bluf (het was eene waarheid, dat Pen geweigerd had thee te gaan drinken bij jufvrouw Pybus), van het bijwonen dier schandelijke en afschuwelijke partijen in dat verschrikkelijke hedendaagsche Babylon! Mevrouw Portman moest, tot haar leedwezen, erkennen, dat de noodlottige ingenomenheid zijner moeder den jongen bedorven had; dat zijn voorspoed op de letterkundige loopbaan zijn hoofd op hol had gebracht, en dat zijne booze hartstochten hem de beginselen hadden doen vergeten, die doctor Portman hem in zijne jeugd had ingeprent. Toen Glanders, die snoode dragonderkapitein, door mevrouw Glanders van het voorgevallene onderricht werd, begon hij te fluiten en maakte hij aan het diner koddige toespelingen daarop, tot mevrouw hem een ongevoelig mensch noemde en de meisjes weer de kamer uitzond, daar de kapitein begon te schateren van het lachen. Mijnheer Simcoe vernam het nieuws met kalmte, ofschoon het hem niet onwelkom was; want het bevestigde de meening, die hij altijd van dien rampzaligen jonkman had gekoesterd. Niet dat hij iets bijzonders van hem wist, niet dat hij ooit een regel van zijne gevaarlijke en venijnige werken had gelezen, dat verhoede de hemel; maar wat kon men van zulk een jongeling en van zulk een verschrikkelijk, beklaaglijk, betreurenswaardig gemis van ernst verwachten? Pen leverde het onderwerp voor eene tweede preek in de Kapel der Ruste te Clavering, waarin de gevaren van Londen en het misdadige van het lezen of schrijven van romans, op zekeren Zondagavond voor eene talrijke en belangstellende gemeente werden uiteengezet. Zij wachtten niet af, of hij schuldig dan wel onschuldig zou bevonden worden. Zij namen zijne boosheid als bewezen aan, en onder deze uitstekende zedemeesters was het een wedstrijd, wie den eersten steen op den armen Pen zou werpen.

Onverzeld, en van aandoening en afmatting bezwijkende, wandelde of liever liep mevrouw Pendennis den volgenden dag naar de woning van doctor Portman, om den raad van den goeden man in te roepen. Zij had een naamloozen brief ontvangen; een of ander christen, of christin, had het van zijn of haar plicht geacht, de goede ziel, die nooit iemand leed had gedaan, een dolk in het hart te stooten, – een naamlooze brief vol bijbelteksten, waarin het lot van dergelijke zondaren werd omschreven, alles vergezeld van een uitvoerig verslag van Pen’s misdaden. Zij verkeerde in een staat van schrik en ontroering, jammerlijk om te aanschouwen. De twee of drie uren, dat zij deze foltering had doorstaan, hadden haar verouderd. In haar eerste oogenblikken van ontzetting had zij den brief laten vallen, welken Laura daarop gelezen had. Zij bloosde er over, en beefde over haar gansche lichaam, – maar van toorn. „Die lafaards!” riep zij uit. „Het is niet waar, – neen, moeder, het is niet waar!”

„Het is wel waar, en gij zijt er de oorzaak van, Laura!” antwoordde Helena driftig „Waarom hebt gij hem afgewezen, toen hij u vroeg? Waarom hebt gij mij het hart gebroken, door hem te bedanken? Gij zijt het, die hem tot misdaad gebracht hebt. Gij zijt het, die hem in de armen van die – die vrouw hebt geworpen. Spreek niet tegen mij! Geef mij geen antwoord! Ik zal het u nooit vergeven – nooit! Martha! breng mijn hoed en doek. Ik moet uit. Ik wil niet, dat gij met mij meegaat. Ga weg! Laat mij alleen, hardvochtig kind waarom hebt gij die schande over mijn hoofd gebracht?” En na hare dochter en hare dienstboden gelast te hebben haar ongemoeid te laten, liep zij den weg naar Clavering op.

Na den brief doorgezien te hebben, zeide doctor Portman, die natuurlijk met de tegen den armen Pen ingebrachte beschuldigingen reeds bekend was, dat hij het schrift meende te kennen. De waardige doctor trachtte wellicht in strijd met zijn overtuiging (want hij had, gelijk de meesten onzer, van nature een grooten aanleg om geruchten, die ongunstig voor zijne bekenden luidden, te gelooven), Helena te troosten; hij stelde in het licht, dat de lastertaal van iemand afkomstig was, die zijn naam niet durfde noemen, en dus het werk van een slecht mensch moest zijn; dat de beschuldiging wellicht – waarschijnlijk zelfs – ongegrond was en dat Pen minstens gehoord moest worden voordat hij veroordeeld werd; dat de zoon van zulk eene moeder niet licht zulk eene misdaad zou bedrijven, enz., enz.

Helena doorzag oogenblikkelijk deze voorgewende bedenkingen en tegenspraak. „Gij gelooft, dat hij het gedaan heeft,” sprak zij; „gij zult mij niet tegenspreken, dat gij het gelooft! Och, doctor Portman, waarom heb ik hem ooit verlaten, of van mij laten heengaan! Maar hij kan niet eerloos zijn – God geve het, niet eerloos – dat gelooft gij ook niet, – niet waar? Herinner u hoe hij zich jegens die andere vrouw gedragen heeft – hoe dolzinnig hij aan haar gehecht was. Hij was toen een eerlijke jongen – en dat is hij nog! En ik dank God – ja, ik val er voor op mijne knieën en dank God, dat hij Laura afbetaald heeft. Gij hebt gezegd, dat hij goed was – dat hebt gij zelf gezegd! En als nu deze vrouw hem liefheeft – en iedereen, dat weet gij, moet hem liefhebben – als hij haar uit haar huis geroofd heeft, of als zij hem in den strik heeft gelokt, hetgeen het waarschijnlijkst is – welnu, dan moet zij zijne vrouw en mijne dochter worden. En hij moet zich aan die verschrikkelijke wereld onttrekken en bij mij terugkomen, – bij zijne moeder, doctor Portman. Laten wij er heenreizen en hem terugbrengen, – ja, hem terugbrengen – en er zal vreugde zijn over – den zondaar die zich bekeert. Laten wij dadelijk gaan, beste vriend, nog dezen zelfden –”

Verder kon Helena het niet brengen. Zij zonk in onmacht neer. Men bracht haar ten huize van den meewarigen dominé te bed en ontbood een geneesheer om haar te verzorgen. Den ganschen nacht lag zij in een bedenkelijken toestand. Laura kwam naar haar toe, of liever naar de pastorie, want Helena wilde Laura niet zien. Doctor Portman, van zijn kant, die het meisje bezwoer zich bedaard te houden en die meer overtuigd en doordrongen werd van Arthur’s onschuld, naarmate hij het verschrikkelijke hartzeer der arme moeder bijwoonde, schreef een brief aan Pen om hem te verwittigen van de geruchten, die er over hem in omloop waren, en hem dringend te verzoeken berouw te hebben en eene verbintenis af te breken, die zoo noodlottig was voor zijne tijdelijke belangen en voor het heil zijner ziel.

En Laura? Werd haar hart niet getroffen door de gedachte aan Arthur’s overtreding en Helena’s misnoegen? Was het voor het onschuldige meisje geen verpletterende slag, dat zij op eenmaal al de liefde verloor, welke zij op aarde op prijs stelde?

TWEE EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

HETGEEN BIJNA HET LAATSTE VAN DIT VERHAAL ZOU GEWEEST ZIJN.

Doctor Portman’s brief ging aan Pen’s adres naar Londen, en de brave dominé trachtte mevrouw Pendennis tot zekere kalmte te brengen tot er een antwoord zou komen, hetgeen de doctor verwachtte, of althans beweerde, dat ten aanzien van mijnheer Pen’s zedelijkheid gunstig zou luiden. Helena’s voornemen om zich naar Londen te begeven en in persoon haar zoon over zijne goddeloosheid te bestraffen, was minstens gedurende een paar dagen onuitvoerbaar. Den eersten dag verbood de geneesheer zelfs haar vervoer naar Fairoaks en pas den volgenden morgen bevond zij zich weder in haar eigen huis op hare sofa, met de trouwe, doch zwijgende Laura, als oppasster aan hare zijde.

Ongelukkig voor hem zelven en voor de betrokkenen las Pen de vermaning, die doctor Portman tot hem gericht had, eerst vele weken nadat die geschreven was; en dag op dag wachtte de weduwe op het antwoord van haar zoon op de tegen hem ingebrachte beschuldigingen, terwijl haar eigene ziekelijkheid met elken dag van uitstel toenam. Het was eene harde beproeving voor Laura die spanning te doorstaan, het lijden van hare liefste vriendin te aanschouwen, en bovenal Helena’s misnoegen te verdragen en de smart, die deze onthouding van genegenheid haar veroorzaakte. Maar onze jonge dame was gewoon, tot het uiterste toe, met behulp van den genadigen bijstand, dien de hemel haar op hare reine en onverpoosde gebeden verleende, haar plicht te doen. En daar zij dien plicht zonder ophef vervulde, – terwijl de smeekgebeden, welke haar de noodige kracht tot die vervulling schonken, ook plaats hadden in hare binnenkameren, verre van ieder sterfelijk oog – moeten wij noodwendig ook het stilzwijgen bewaren over deze haar eigene deugden, die evenmin geschikt zijn om in het openbaar besproken te worden, als eene bloem om in eene balzaal te bloeien. Dit alleen willen wij zeggen, dat eene goede vrouw de liefelijkste bloem is, die onder het uitspansel bloeit, en dat wij met liefde en bewondering hare stille bevalligheid, haar reinen geur, hare teedere schoonheid waarnemen. Is het niet jammer, dat wij de liefelijke en de schoone, de bevallige en de vlekkelooze, door de smart en den onverbiddelijken dood zien neerbuigen en verslinden, in ziekte verkwijnen, door langdurige pijnen verteren, of door een plotseling onheil in haar eersten bloei zien wegrukken? Wij verdienen wellicht rampspoed, – maar waarom moeten zij ongelukkig zijn? tenzij wij in aanmerking nemen, dat de hemel degenen, die hij het liefst heeft, kastijdt, en het hem behaagt deze reine zielen door herhaalde beproevingen nog meer te louteren.

Pen dan kreeg den brief niet, ofschoon deze behoorlijk op de post was gedaan en door den brievenbesteller plichtmatig in de brievenbus van Lamb Court was geworpen, vanwaar hij met het overige van mylord’s correspondentie op zijne schrijftafel was gebracht; en van dit vertrek hebben wij eene teekening gezien, – voorstellende hoe hij uit de belendende slaapkamer trad, terwijl vrouw Flanagan, zijne waschvrouw, bezig was zijne jeneverflesch leeg te drinken.

De welwillende lezers, die mijnheer Arthur tot dusverre op zijne loopbaan gevolgd en, zooals zij wel moeten doen, hunne opmerkingen over het karakter en de eigenaardigheden van onzen vriend gemaakt hebben, zullen thans wel weten wat het grootste gebrek van mijnheer Pen en wie die grootste vijand was, op wien in den titel van dit werk gezinspeeld wordt, en tegen wien hij had te strijden. Zeer velen onzer, bemind publiek, hebben met denzelfden schavuit te kampen, een schelm, die elke gelegenheid waarneemt om ons in moeielijkheden te brengen, ons in twisten te wikkelen, ons tot luiheid en slecht gezelschap te verleiden, en ons nog een aantal andere streken te spelen.

Kortom, Pen’s grootste vijand was hij zelf, en daar hij dien persoon zijn leven lang had getroeteld en gevleid en in alles toegegeven, was de guit brutaal geworden, gelijk met alle bedorven dienstboden het geval is, zoodat hij bij de minste poging om hem tot zijn plicht te brengen, of hem iets te doen verrichten dat hem niet beviel, woedend boos en onhandelbaar werd. Iemand, die gewoon is aan opofferingen (zooals bij voorbeeld Laura, die gewend was van hare genoegens afstand te doen ten behoeve van anderen), zoo iemand doet dat zeer gemakkelijk; doch Pen, die niet gewoon was aan eenige zelfverloochening hoegenaamd, leed er bloedig onder, toen hij ook zijn aandeel moest bijdragen, en ergerde zich dood, dat hij zich iets, wat hem behaagde, ontzeggen moest.

In zijne hooghartigheid had hij dus besloten, Fanny niet weer te zien, en daarbij hield hij zich. Hij trachtte door aanhoudende werkzaamheid, door lichaamsbeweging, door vermaak en gezelligen omgang, het beeld van het bekoorlijke schepseltje uit zijn geest te verdrijven. Bij gevolg werkte hij te veel, reed en wandelde veel, at, dronk en rookte veel; maar al de sigaren en glazen punch, die hij gebruikte, konden het beeld der kleine Fanny niet uit zijn gloeiend brein verdrijven, en aan het einde eener week van dergelijke werkzaamheid en zelfverloochening lag onze jonge heer met de koorts te bed. De lezer, die nooit op gestoffeerde kamers aan de koorts heeft gelegen, mag den ongelukkige, die deze ramp ondervindt, wel van harte beklagen.

Eene commissie van huwbare dames, of van christelijkgezinde personen, die zich de aanmoediging der huiselijke deugden tot doelwit stelt, moest aan een Cruikshank of Leech, of een ander gevoelvol teekenaar, die de dwaasheden van den dag veraanschouwelijkt, het vervaardigen van eene reeks platen opdragen, die de akeligheden van het ongehuwde leven op kamers voorstelden, en den beschouwer opwekten om tot beter inzicht te komen en zich een aangenamer lot te bereiden. Wat toch is ongezelliger dan het eenzaam ontbijt van den ongetrouwden heer, als de zwarte ketel in het midden van den zomer op het smeulende vuur staat, of, erger nog, als het vuur op Kersttijd is uitgegaan, een half uur nadat de werkvrouw de zitkamer heeft verlaten? De eigenaar treedt bibberend deze woestenij binnen en moet zijne dagtaak aanvangen met eene jacht naar kolen en hout; en alvorens aan zijn arbeid als geleerde te gaan moet hij eerst de plichten eener werkmeid vervullen, in de plaats van vrouw Flanagan, die afwezig is zonder verlof. Of wat kan verder een gewenschter onderwerp voor den klassieken teekenaar zijn dan het overhemd van den ongetrouwden heer, – dat kleedingstuk, dat hij juist tegen den tijd van het diner wil aantrekken, maar waaraan alle knoopen ontbreken om het vast te maken? Dan hebt ge vervolgens de terugkomst van mijnheer op zijne kamers, nadat hij op een prettig buitentje vol lieve gezichtjes, waar de ontvangst en het afscheid even hartelijk waren, eene vroolijke Kerstweek heeft doorgebracht. Hij laat zijn valies in den barbierswinkel op het plein; hij ontsteekt zijn armzalige, oude kaars aan het spattende lampje op de trap; hij treedt zijne welbekende holle kamer binnen, waar de eenige bewijzen, dat men belang in zijn persoonlijk welzijn stelt, de nieuwjaarsrekeningen zijn, die, liefelijk op zijne schrijftafel uitgespreid, op hem liggen te wachten. Wanneer men nu bij deze schetsen een schrikinboezemend tafereel van het ziekbed van een ongetrouwd heer voegt, zullen de huren in den Temple op den dag, dat deze sombere tooneelen worden uitgegeven, beginnen te dalen. Zoolang men gezond is, mag het leven op kamers reeds droefgeestig en eenzaam en zelfzuchtig genoeg heeten; doch ziek te liggen op kamers, – nachten in pijn en slapeloosheid door te brengen, naar den morgen en de werkvrouw te smachten, – zelf uwe medicijnen, volgens de aanwijzing van uw eigen horloge, in te nemen, – geen ander gezelschap gedurende de traag voortkruipende uren te hebben dan uw eigene verwarde gedachten en ijlende droomen, geen vriendelijke hand om u een drank te reiken, wanneer gij dorst hebt, of het gloeiende kussen op te schudden, dat zich onder uw hoofd in plooien kronkelt, – dit is in waarheid een zoo beklagenswaardig en treurig lot, dat wij over zijn afgrijselijkheid niet zullen uitweiden, en alleen de ongetrouwde heeren in den Temple beklagen, die het elken dag trotseeren.

Dit lot trof Arthur Pendennis na de verschillende door ons vermelde buitensporigheden, waaraan hij zijn rampzalig brein had blootgesteld. Op zekeren avond ging hij ziek te bed, en toen bij ontwaakte was hij nog erger. Buiten de waschvrouw, was de drukkersjongen van het bureau van de Pall Mall Gazette zijn eenige bezoeker, dien hij, zoo goed het gaan wilde, trachtte tevreden te stellen. De inspanning, om zijn werk af te maken, deed zijne koorts toenemen; hij kon slechts een gedeelte der kopie leveren, waarvoor hij doorgaans zorgde; en daar Shandon op reis was en Warrington zich niet te Londen bevond om een handje te helpen, zagen de kolommen met politieke beschouwingen en hoofdartikelen in de Gazette er zeer mager uit, terwijl de onderredacteur ook niet wist hoe hij ze moest vullen.

Mijnheer Finucane ijlde naar Pen’s kamers en vond dien heer zoo doodziek, dat de goedhartige Ier aan het werk ging om hem zoo mogelijk te vervangen, en eene reeks van politieke en cristische artikelen uit zijne mouw schudde, die de lezers van het blad, waaraan hij en Pen verbonden waren, zeker verbazend gesticht zullen hebben. Toespelingen op de grootheid van Ierland en op het genie en de deugden der inwoners van dat miskende land, vloeide uit Finucane’s pen als van een leien dakje; en toen Shandon, de hoofdredacteur, die er te Boulogne-sur-Mer zijn gemak van nam, het blad doorliep, dat hem geregeld toegezonden werd, herkende hij dadelijk de hand van den grooten onderredacteur. „Kijk eens, Marie,” zeide hij tegen zijne vrouw en wierp haar lachend het blad toe, „daar is Jack weer aan den gang geweest.” Het moet erkend worden, dat Jack een warm vriend en een moedig strijder was, en als hij de pen in de hand had, liet hij dan ook zelden de gelegenheid voorbijgaan om de wereld te onderrichten, dat Rafferty de grootste schilder van Europa was, en zijne verwondering te betuigen over den kleingeestigen naijver der academie van beeldende kunsten, die hem niet tot lid wilde verkiezen; om te berichten, dat het Iersche parlementslid Rooney, volgens geruchten in welonderrichte kringen, tot gouverneur van Barataria benoemd was; of om tusschen het onderwerp, dat hij op het oogenblik behandelde, van welken aard het ook ware, een compliment aan de Ronde Torens of den Reuzenweg in Ierland in te vlechten. En niet alleen verrichtte deze welwillende makker, naar zijn best vermogen, het werk van Pen, maar hij bood ook aan, zijne vrije Zaterdagen en Zondagen op te offeren en Arthur te komen oppassen die er echter op aandrong, dat de ander zich zijn uitspanningen niet ontzeggen zou, en hem onder dankbetuiging verzekerde, dat hij zijne ziekte best alleen kon doorstaan.

Toen Finucane des Vrijdagavonds, na zijne taak aan het blad volbracht te hebben, zijn avondmaal in de Achterkeuken gebruikte, gaf hij kapitein Costigan kennis, dat hun jeugdige vriend in den Temple ziek lag, waarop de kapitein, toen hij zich twee dagen later dat bericht herinnerde, naar Lamb Court ging en den zieke op een Zondagnamiddag een bezoek bracht. Hij vond vrouw Flanagan, de schoonmaakster, schreiende in de zitkamer, waar zij hem slechte tijdingen over den lieven jongen heer daarbinnen meedeelde. Zij was zoo geschokt door Pen’s toestand, dat zij zich door cognac moest opwekken, om de smart te kunnen verduren, die zijne ziekte haar veroorzaakte. Toen zij zich over zijn bed had gebogen om hem te helpen, hadden hare bemoeiingen hem gehinderd, zoodat hij haar op kregeligen toon verzocht had, niet dicht bij hem te komen. Vandaar dat zij tranen gestort en voor hare verdubbelde smart opnieuw troost gezocht had bij de brandewijnflesch, die zij gewoon was als pijnstillend middel te gebruiken. De kapitein haalde de schoonmaakster krachtig door over hare verslaafdheid aan den drank en bracht haar de noodlottige gevolgen onder het oog, die haar onvermijdelijk te wachten stonden, indien zij op dien verkeerden weg voortging.

Ofschoon Pen op dit oogenblik hevig de koorts had, was hij toch zeer verheugd over Costigan’s bezoek. In zijne slaapkamer liggende, hoorde hij diens welbekende stem in de zitkamer en riep den kapitein met levendigheid bij zich, terwijl hij hem dankte voor zijne komst en hem verzocht een stoel te nemen en wat met hem te praten. Met groote deftigheid voelde de kapitein des jonkmans pols (waarbij zijn eigen bevende en klamme hand voor een oogenblik vast werd, terwijl hij den vinger op Arthur’s kloppende ader legde). Die pols sloeg zeer woest, Pen’s gelaat was ontsteld en gloeiend, zijn oogen waren met bloed doorloopen en stonden dof, en zijn baard was sinds bijna eene week niet geschoren. Pen verzocht zijn bezoeker plaats te nemen, en trachtte, terwijl hij lag te woelen en zich om te wentelen in zijn ongemakkelijk bed, op levendige wijze met den kapitein over de Achterkeuken en den Vauxhall te spreken, en over zijn wensch om nog eens daarheen te gaan, en over Fanny – hoe maakte het de kleine Fanny?

Ja, hoe maakte zij het? Wij weten, dat zij den vorigen Zondagavond zeer treurig was thuis gekomen, nadat zij Arthur op zijne kamer het licht had zien ontsteken, toen hij daar in gesprek was met Bows. Bows keerde een oogenblik later naar zijn eigen kamer terug, kwam de portierswoning voorbij, en keek eens, volgens belofte, bij jufvrouw Bolton binnen, doch met een zeer droefgeestig gelaat. Fanny bracht ook weer dien nacht slapeloos door. Door hare rusteloosheid maakte zij hare kleine slaapkameraden meer dan eens wakker. Zij durfde niet meer in Walter Lorraine lezen; vader was thuis en wilde niet dat er licht aangehouden wierd. Zij legde het boek onder haar hoofdkussen en tastte er telkens naar gedurende den nacht. Zij was juist ingeslapen, toen de kinderen met den vroegen morgen, bijna zoo vroeg als de vogeltjes, ontwaakten.

Ofschoon zij op Bows zeer boos was, begaf zij zich op haar gewoon uur naar zijne kamer, waar de goedhartige muzikant een praatje met haar trachtte aan te knoopen.

„Ik heb mijnheer Pendennis gisterenavond gezien, Fanny,” zeide hij.

„Zoo? Dat dacht ik wel,” gaf zij ten antwoord en keek het droefgeestige oude heertje met vlammende oogen aan.

„Ik heb van u gehouden sinds het oogenblik, dat wij hier kwamen wonen,” ging hij voort. „Gij waart een kind toen ik hier kwam; en gij hield ook van mij, Fanny, tot nu drie of vier dagen geleden, toen gij dien heer voor het eerst zaagt.”

„Van wien gij nu waarschijnlijk kwaad gaat spreken,” zeide Fanny. „Ga uw gang maar, mijnheer Bows – dat is het beste middel om mij weer van u te doen houden.”

„Dat zal ik niet doen,” hernam Bows, „ik houd hem voor een besten, braven jongen.”

„Wezenlijk? Gij weet ook wel, dat als gij iets tot zijn nadeel zeidet, ik nooit een woord meer tegen u spreken zou, – neen, nooit!” riep jufvrouw Fanny uit, terwijl zij haar vuistje balde en in de kamer op en neer liep. Met bewondering en droefgeestige sympathie sloeg Bows het hartstochtelijke schepseltje gade, en lette op en volgde haar. Hare wangen gloeiden, haar lichaam beefde; liefde, toorn, uittarting straalden uit haar oogen. „Gij zoudt gaarne kwaad van hem willen spreken,” riep zij uit, „maar dat durft gij niet, – gij zult het niet tegenspreken: gij durft niet!”

„Ik heb hem vele jaren geleden leeren kennen,” vervolgde Bows, „toen hij nog bijna zoo jong was als gij thans zijt en eene romantische genegenheid had opgevat voor de dochter van onzen vriend den kapitein, de tegenwoordige Lady Mirabel.”

Fanny begon te lachen. „Waarschijnlijk waren er toen anderen ook, die eene romantische genegenheid voor jufvrouw Costigan koesterden,” zeide zij. „Ik wil er niets van hooren.”

„Hij wilde haar trouwen, maar zij verschilden te veel in leeftijd en in stand. Zij wilde hem niet hebben, omdat hij geen geld bezat. En zij handelde zeer verstandig toen zij hem afwees, want zij zouden zeer ongelukkig met elkander zijn geweest, en zij was niet geschikt om met zijne familie te verkeeren, of hem een aangenaam huiselijk leven te verschaffen. Mijnheer Pendennis moet zijn weg nog in de wereld maken en eene dame uit zijn eigen stand trouwen. Eene vrouw, die een man liefheeft, zal de oorzaak niet willen zijn, dat zijne vooruitzichten bedorven worden, dat hij met zijne familie in onmin geraakt en om harentwil in armoede en ellende vervalt. Dat doet een braaf meisje niet, – om haar eigen niet, en ook niet om den wille van hem, van wien zij houdt.”

Fanny, die tot dusverre eene tartende en vertoornde houding had aangenomen, ontstelde nu en verviel in een smeekenden toon. „Wat weet ik van trouwen, Bows?” sprak zij. „Daarvan is immers geen woord gerept? Wat is er tusschen mij en dien jongen heer voorgevallen, dat men er op zoo harden toon over spreken moet? Het is mijne schuld niet, en die van Arthur – van mijnheer Pendennis – ook niet, dat ik hem in Vauxhall leerde kennen. De kapitein had ma en mij daarheen gebracht. Wij hebben aan niets kwaads gedacht. Hij kwam ons te hulp en maakte dat wij konden doorgaan; en hij was zoo vriendelijk! Toen kwam hij ons bezoeken en vragen hoe wij het maakten, en het was heel, heel vriendelijk van zulk een voornaam heer, dat hij zoo beleefd was jegens zulke geringe menschen als wij zijn. En gisteren gingen ma en ik even in den tuin van den Temple wandelen, en – en – ” hier brak zij in het gebruikelijk en onweerlegbaar vrouwelijk argument der tranen uit, onder den uitroep: „O, ik wou dat ik dood was! Ik wou dat ik in mijn graf lag, en hem nooit, nooit gezien had!”

„Dat zeide hij zelf ook, Fanny,” hernam Bows, waarop Fanny tusschen hare snikken door vroeg, waarom hij wenschte, dat hij haar nooit gezien had? Had zij hem ooit kwaad gedaan? O, zij zou liever sterven, dan hem eenig leed aandoen. De muzikant deelde haar daarop het gesprek van den vorigen dag mede, bracht haar onder het oog, dat Pen haar niet kon of mocht beschouwen als eene voor hem passende vrouw, en dat zij, als zij prijs stelde op den naam van een braaf meisje, hem moest trachten te vergeten. Toen verliet Fanny, wel overtuigd maar toch onveranderd in hare gevoelens, den muzikant, wien zij beloofde het gevaar te zullen vermijden, dat haar dreigde, en keerde naar de portierswoning terug, waar zij aan hare moeder alles vertelde. Zij sprak over hare liefde tot Arthur en jammerde op haar ongekunstelde manier over de ongelijkheid van stand, die een slagboom tusschen hen beiden oprichtte. „O ma,” zeide Fanny, „wat hield ik veel van mijnheer Macready, toen ik hem in de Dame van Lyon zag spelen, en van Pauline, omdat zij zoo getrouw was aan den armen Claude en altijd aan hem dacht; en wat was het heerlijk, toen hij na het doorstaan van alle gevaren als officier tot haar terugkwam! En als iedereen Pauline bewondert – hetgeen zeker iedereen doet, omdat zij zoo trouw is aan een arm man – waarom zou een heer zich dan behoeven te schamen, dat hij een arm meisje liefheeft? Niet dat mijnheer Arthur mij liefheeft – O neen, neen! Ik ben hem niet waard; eene prinses alleen is zulk een heer als hij is waardig. En hij is zulk een dichter! hij schrijft zoo heerlijk en ziet er zoo voornaam uit! Ik ben zeker dat hij van adel is en tot een oude familie behoort, die hem zijne goederen onthoudt. Misschien is het zijn oom, die ze in bezit heeft. Och, als ik mocht, wat zou ik hem gaarne dienen en voor hem werken en sloven, dat zou ik! Meer zou ik niet verlangen, ma, – niets meer dan hem ’s morgens eens te mogen zien en dat hij dan soms zeide: „Hoe maakt ge het, Fanny?” of: „God zegen u, Fanny!” zooals hij verleden Zondag deed. En ik zou werken, o zoo werken! Ik zou den heelen nacht opzitten, en lezen en leeren om hem waardig te worden. De kapitein zegt, dat zijne moeder op het land woont en daar eene groote dame is O, wat zou ik gaarne willen, dat ik daarheen mocht gaan en hare meid wezen, ma! Ik kan veel doen en netjes werken; en – soms zou hij dan thuis komen en zou ik hem zien.”

Onder het spreken zonk het hoofd van het kind op den schouder harer moeder, waar zij den vrijen loop liet aan een stroom van meisjestranen, waarbij de matrone natuurlijk de hare voegde. „Gij moet niet meer aan hem denken, Fanny,” sprak zij. „Als hij niet tot u terugkeert, is hij een afschuwelijk, een slecht mensch.”

„O, moeder, noem hem zoo niet!” hernam Fanny. „Hij is de beste van alle menschen, de beste en vriendelijkste. Bows gelooft, dat het hem verdriet doet, dat hij de arme Fanny verlaten heeft. Het was zijne schuld niet – niet waar? – dat wij elkander ontmoetten, en het is evenmin zijne schuld, dat ik hem niet moet weerzien. Hij zegt, dat ik het niet moet doen – en dat moet ik ook niet, moeder. Hij zal mij vergeten, maar ik zal hem nooit vergeten. Neen, ik zal voor hem bidden, en hem altijd liefhebben – tot ik sterf – en ik zal sterven, dat weet ik – en dan zal mijne ziel heengaan en bij hem zijn.”

„Gij vergeet uw arme moeder, Fanny, en zult mij het hart breken als gij op die wijze voortgaat,” zeide jufvrouw Bolton. „Misschien zult gij hem nog wel zien; ik ben er zeker van. Ik ben overtuigd, dat hij nog heden komen zal. Als ik ooit iemand verliefd gezien heb, dan is hij het. Toen Emily Budd’s vrijer in het eerst om haar kwam, werd hij door den ouden Budd weggezonden, die een heel fatsoenlijk man was, die in het orkest van Sadler’s Wells de violoncel speelde; en zijn eigen familie wilde er ook niet van hooren. Maar hij kwam terug, en wij wisten allen wel, dat hij het doen zou. Emily zeide het altijd, en hij trouwde haar; en deze mijnheer zal ook terugkomen. Onthoud de woorden van uwe moeder maar, en let eens op, of hij het niet doen zal, liefje.”

Bij dit punt van het gesprek kwam mijnheer Bolton de portiersloge binnen, om zijn avondmaaltijd te gebruiken. Bij vaders verschijning werd het onderhoud tusschen moeder en dochter dadelijk gestaakt. Jufvrouw Bolton vleide den norschen doodgravers-adjudant en zeide: „Heere! Bolton, wie zou gedacht hebben, dat gij op een Zaterdagavond uit de herberg zoudt blijven! Fanny, mijn liefje, zet wat eten klaar voor uw vader. Wat wilt ge hebben, Bolton? Het arme meisje heeft eene zinking op het oog gekregen, of iets er in – ik keek er juist naar bij uw binnenkomen.” En daarbij kneep zij hare dochter in de hand, tot teeken om voorzichtig en stil te wezen. Fanny’s tranen droogden op; alle sporen van ontroering verdwenen door de beoefening van die verwonderlijke kunst van veinzen en vermomming, waarvan de vrouwen zich weten te bedienen en die de natuur haar als wapenen van verdediging geschonken heeft; en zij zette zich in een hoek aan haar werk, zoo kalm en stil, dat haar weinig oplettende vader niet het minste vermoeden kreeg, dat haar iets deerde.

Alsof het lot dus besloten had de ziekelijke aandoening en den hartstocht van het arme kind aan te vuren en te vermeerderen, spanden alle omstandigheden en alle personen, die haar omringden, te zamen om daaraan voedsel te verschaffen. Hare moeder moedigde hare liefde aan en keurde die goed, en zelfs de woorden, waarmee Bows hare liefdevlam had trachten uit te dooven, verhoogden die rampzalige koortsvlaag. Pen was geen booswicht, geen verleider; hij legde grootheid van ziel aan den dag, toen hij het besluit nam haar te vermijden. Pen, die brave en voorname, die schitterende jongeling met zijne gouden kettingen en zijn geparfumeerd bruin haar, had haar lief! Ja, dat had hij ook, – of misschien zou hij haar vijf jaar geleden aldus hebben liefgehad, voordat de wereld den vurigen en onnadenkenden knaap verstaald had, – voordat hij zich over eene dwaze en onvoorzichtige liefde schaamde en ze smoorde gelijk arme vrouwen haar onwettige kinderen doen, niet om den misstap, maar om de schande, en uit vrees dat de wereld haar met den vinger zal aanwijzen.

Welk fatsoenlijk mensch zal tegenspreken, dat hij volmaakt gelijk had een huwelijk met een slechtopgevoed meisje van geringen stand te vermijden, wier manieren in haar nieuwen stand niet zouden passen? – en welk wijsgeer zou hem niet verzekeren, dat het beste wat men kan doen met die kleine hartstochtjes, zoodra zij ontkiemen, is zich er van te bevrijden, ze voorbij te laten gaan en te genezen; dat geen man om eene vrouw sterft, en vice versa; en de een of de andere, na in dit bijzondere geval de mogelijkheid te hebben ingezien om zijn of haar wensch te vervullen, de zaak ten beste moet opnemen en den andere vergeten, elders uitzien en eene nieuwe keuze doen? En echter zou er misschien voor het tegenovergestelde gevoelen ook wel wat aan te voeren zijn. Wellicht had Bows gelijk, dat hij dien hartstocht van Pen, hoe onredelijk en onvoorzichtig ook, bewonderde, die hem bereid deed zijn alles voor zijne liefde op het spel te zetten; het kon ook wel wezen, dat, ofschoon zelfverloochening eene prijzenswaardige deugd is, de zelfverloochening uit louter wereldsche beweegredenen niet veel lof verdient. In het kort, laat dit een punt blijven ter beslissing van iederen zedemeester, die het gelieft te behandelen.

Zooveel is zeker, dat mijnheer Pen, met de wereldkennis die hij nu bezat, het denkbeeld om een doodarm meisje uit de keuken te trouwen verworpen en bespot zou hebben. En daar dit nu eenmaal bij hem vaststond, handelde hij niet anders dan als fatsoenlijk man door alle ongelukkige genegenheid, die hij voor de arme kleine Fanny mocht koesteren, te onderdrukken.

Zij wachtte dus van het eene oogenblik op het andere, dat Arthur zou komen. Zij wachtte eene gansche week, en eerst aan het einde van dien tijd vernam het arme schepseltje van Costigan, dat Arthur doodziek lag.

Het toeval wilde, dat, denzelfden avond nadat Costigan zijn bezoek bij Pen had afgelegd, Arthur’s oom, de achtenswaardige majoor, van Buxton, waarheen hij was gegaan tot herstel van gezondheid, te Londen terugkwam en zijn kamerdienaar Morgan afzond om naar den welstand van Arthur te vernemen en dien heertegen den volgenden morgen bij den majoor op het ontbijt te vragen. De majoor trok slechts door Londen, op weg naar Stillbrook, de buitenplaats van Lord Steyne, waar hij op de jacht genoodigd was.

Morgan kwam met een zeer neerslachtig gezicht bij zijn meester terug. Hij had mijnheer Arthur gezien, maar mijnheer was er zeer slecht aan toe, want mijnheer lag met de koorts te bed. Er moest noodzakelijk om een dokter gezonden worden, want Morgan hield het voor een zeer bedenkelijk geval.

Mijn hemel! dat mocht wel een treurig nieuws heeten. Hij had gehoopt, dat Arthur zou meegaan naar Stillbrook; hij had dat reeds overlegd en van Lord Steyne een uitnoodiging voor zijn neef weten te krijgen. Hij zelf moest gaan; hij kon Lord Steyne niet te leur stellen; de koorts kon besmettelijk wezen; het kon de mazelen zijn; hij had die nooit gehad, en op zijn leeftijd konden die zeer gevaarlijk wezen. Was er iemand bij mijnheer Arthur?

Morgan antwoordde, dat er niemand was, die mijnheer Arthur oppaste.

Daarop vroeg de majoor, of zijn neef geneeskundige hulp had, en Morgan antwoordde, dat hij dit ook gevraagd had, maar vernomen had, dat er bij mijnheer Pendennis geen dokter kwam.

Morgan’s meester was oprecht getroffen, toen hij van Arthur’s ziekte hoorde. Hij had wel naar hem toe willen gaan; maar wat kon het Arthur baten, dat de majoor ook de koorts kreeg? Zijn eigene kwalen maakten het hem onmogelijk iemand anders dan zich zelven op te passen. Doch de jongen moest hulp hebben, de beste hulp, en Morgan werd door majoor Pendennis onmiddellijk met een briefje naar dokter Goodenough gezonden, die gelukkig in Londen en thuis was en dadelijk van zijn diner opstond, zoodat zijn rijtuig zich binnen een half uur in Upper Temple Lane, in de nabijheid van Pen’s kamers, vertoonde.

De majoor had den vriendelijken geneesheer verzocht hem eenige tijding van zijn neef te brengen in de club, waar hij zelf dineerde, en in den loop van den avond verscheen de dokter daar ook. Het was een zeer ernstig geval; de patiënt had zware koortsen; hij had Pen dadelijk doen aderlaten, en zou hem den volgenden morgen heel vroeg gaan bezoeken. De majoor ging met dit onzalige nieuws geheel verslagen te bed. Toen Goodenough hem den volgenden dag, overeenkomstig zijne belofte, kwam bezoeken, moest de dokter een kwartier lang luisteren naar een verslag van des majoors eigene kwalen, alvorens deze gelegenheid had iets betrekkelijk Arthur aan te hooren.

Hij had een zeer slechten nacht gehad, zeide zijn – oppasster; eens was hij aan het ijlen geweest. Het kon slecht afloopen, en daarom was het wenschelijk, dat zijne moeder dadelijk ontboden wierd. De majoor schreef den brief aan mevrouw Pendennis met de grootste vlugheid en te gelijk met de fijnste voorzorgen. Wat een bezoek van hem zelven bij den knaap betrof, dat was in zijn toestand onmogelijk. „Kan ik hem van eenig nut zijn, waarde dokter?” vroeg hij.

„Neen,” antwoordde de dokter met een fijn lachje; hij geloofde niet dat de majoor van eenig nut kon wezen; zijn eigene kostbare gezondheid eischte de meeste zorg. Het best wat hij kon doen, was zich naar buiten te begeven en daar te blijven. De dokter zelf zou den patiënt tweemaal daags bezoeken en alles voor hem doen wat hij vermocht.

De majoor verklaarde op zijn eer, dat hij dadelijk naar Pen’s kamer zou snellen, als hij eenige hulp kon aanbrengen. Zooals de zaken nu stonden, moest Morgan er maar heengaan, om te zorgen dat alles behoorlijk gedaan werd. De dokter moest met elke post naar Stillbrook schrijven. Het was maar veertig mijlen van Londen, en als er iets gebeurde, zou hij overkomen, wat het ook kostte.

Majoor Pendennis oefende zijne liefdadigheid per zaakwaarnemer en per post uit. „Wat kon hij anders doen?” gelijk hij zeide. „Ge weet, in zulke gevallen is niets beter dan den patiënt met rust te laten. Indien het met zoo’n armen kerel een slechten loop neemt, weet men, dat er niets meer aan te doen is. Maar om beter te worden (en ik ben zeker, waarde dokter, dat gij het op dit punt met mij eens zult zijn), is het beste hem stil te houden, volmaakt stil!”

Dit was de wijze, waarop de oude heer zijn geweten trachtte te sussen. Hij sloeg dien dag per spoortrein den weg naar Stillbrook in (want in den loop van dit verhaal zijn de spoorwegen ontstaan, ofschoon zij in Pen’s graafschap nog niet tot de alledaagsche zaken behooren) en verscheen in zijne gewone nette kleeding en gekrulde pruik aan de tafel van den markies van Steyne. Maar wij moeten den majoor het recht laten weervaren van te verklaren, dat hij zeer verdrietig en afgetrokken was. Wagg en Wenham staken den draak met zijne neerslachtigheid, vroegen hem of hij een blauwtje geloopen had, en vermaakten zich op velerlei wijze ten zijnen koste. Aan de whisttafel, na het diner, verloor hij zijn geld en troefde zelfs de hoogste schoppen van zijn maat. De gedachte aan den lijdenden knaap, op wien hij trotsch was en dien hij op zijn eigene manier liefhad, hield den ouden heer den halven nacht wakker en maakte hem koortsig en ongerust.

Des morgens ontving hij een briefje van eene hand, die hij niet kende. Het was die van mijnheer Bows, die berichtte, dat mijnheer Pendennis een tamelijk rustigen nacht had doorgebracht, en dat hij, Bows, dit bericht per spoor zond, omdat dokter Goodenough had gezegd, dat de majoor op de hoogte van den toestand van zijn neef wenschte gehouden te worden.

Den volgenden dag was hij op het punt met eenige der heeren, die ten huize van Lord Steyne logeerden, op de jacht te gaan, en het gezelschap stond op het terras voor het huis op de rijtuigen te wachten, toen een huurrijtuig van het naburige station kwam aanrijden, waaruit een grijs oud heertje, van een vrij kaal voorkomen sprong, en naar majoor Pendennis vroeg. Het was mijnheer Bows. Hij nam den majoor ter zijde en sprak met hem, en de meeste der aanwezige heeren zagen aan het ontstelde gelaat van den majoor, dat er iets gewichtigs gebeurd was.

„Het is een deurwaarder, die den majoor komt pakken,” zeide Wagg, maar niemand lachte om de aardigheid.

„Hola! Wat is er gaande, Pendennis?” riep Lord Steyne op zijn snijdenden toon; „is er een ongeluk gebeurd?”

„Mijn – mijn – arme jongen is dood,” antwoordde de majoor en barstte in tranen uit, want de oude man was geheel verpletterd.

„Nog niet dood, mylord,” zeide mijnheer Bows op zachten toon, „maar op het uiterste toen ik Londen verliet.”

Op dit oogenblik, toen de drie mannen stonden te spreken, kwam er een rijtuig voor. De pair zag op zijn horloge. „Gij hebt nog twintig minuten om den sneltrein te halen. Spring er in, Pendennis, en rijd alsof de duivel u op de hielen zat! Verstaat gij mij niet, mijnheer?”

Het rijtuig reed snel met Pendennis en zijn bezoeker weg, en wij hopen, dat de vloek van den markies van Steyne vergeven zal worden.

De majoor reed even snel van het station naar den Temple, en bevond dat eene reiskoets hem daar reeds vóór was en de nauwe Temple Lane versperde. Er stapten twee dames uit, die aan de kruiers den weg vroegen. Toevallig keek de majoor naar het portier van het rijtuig en herkende het uitgesleten helmteeken van den adelaar, die naar de zon opziet, met het motto: Nec tenui pennâ daaronder geschilderd. Het was het oude rijtuig zijns broeders, vele, vele jaren geleden gemaakt, en het waren Helena en Laura, die den weg naar de kamer van den armen Pen vroegen.

Hij liep naar haar toe, nam zijne zuster haastig bij den arm en kuste hare hand, waarop het drietal Lamb Court binnentrad en de hooge en donkere trap beklom.

Zachtkens klopten zij aan de deur, op welke Arthur’s naam stond en die door Fanny Bolton geopend werd.

DRIE EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN KRITIEK HOOFDSTUK.

Toen Fanny de beide dames zag en het ontstelde gelaat der oudste waarnam, die haar met een onbeschrijfelijk ontroerden en verschrikten blik aanzag, begreep het jonge meisje dadelijk, dat het Pen’s moeder was, die voor haar stond; er was gelijkenis tusschen de angstige blikken der weduwe en die van Arthur, terwijl hij in bed onder de aanvallen der koorts lag te woelen. Fanny zag bedeesd mevrouw Pendennis en vervolgens Laura aan; het gelaat dezer laatste was zoo strak als dat van een marmeren beeld. Het gelaat der pas aangekomen vrouwen drukte hardvochtigheid en somberheid uit, en geen van beide betoonde den flauwsten zweem van barmhartigheid of sympathie met Fanny. Wanhopig wendde zij haar blik van de dames op den majoor, die achter beiden stond. De oude Pendennis sloeg de oogen neer, doch keek tersluiks even naar de arme kleine oppasster van Pendennis op.

„Ik – ik heb u gisteren geschreven, mevrouw,” zeide Fanny, van het hoofd tot de voeten bevende, en zoo bleek als Laura, wier droefgeestig en dreigend gelaat over den schouder van mevrouw Pendennis heenkeek.

„Zoo, jufvrouw?” zeide mevrouw Pendennis. „Ik zal u zeker nu wel mogen ontslaan van de moeite om mijn zoon op te passen? Ik ben zijne moeder, – begrijpt ge?”

„Ja, mevrouw. Ik – dit is de weg naar zijne – O, wacht even,” riep Fanny uit. „Ik moet u voorbereiden op zijn –”

De weduwe, wier gelaat hopeloos wreed en onbarmhartig had gestaan, deinsde op deze woorden snikkend en met een kleinen gil, dien zij dadelijk onderdrukte, achteruit.

„Zóó heeft hij sedert gisteren gelegen,” zeide Fanny, hevig sidderende, terwijl hare tanden klapperden.

Uit Pen’s kamer, welker deur openstond, klonk een ijzingwekkende lach, en na verscheiden akelige kreten begon de beklagenswaardige jongen een studentenlied te zingen en daarop „hoezee” te roepen en te juichen, alsof hij zich op eene drinkpartij bevond, en met zijne vuist tegen het beschot te slaan. Hij was aan het ijlen.

„Hij kent mij niet, mevrouw,” zeide Fanny.

„Wezenlijk? Misschien zal hij zijne moeder wèl kennen; laat mij, als het u belieft, voorbij, om bij hem te komen.” En haastig schoof de weduwe voorbij Fanny, en ging den donkeren gang in, die naar Pen’s zitkamer leidde. Ook Laura stoof Fanny voorbij, zonder een woord te spreken, en majoor Pendennis volgde. Fanny zette zich weenend op eene bank in den gang, en bad, zoo goed als zij het vermocht. Zij zou voor hem hebben willen sterven, en deze menschen haatten haar. Die voorname dames hadden geen woord van bemoediging of dank voor haar over. Zij zat daar – zij wist niet hoelang – in den gang. Niemand kwam naar buiten om met haar te spreken. Zij zat daar nog toen dokter Goodenough zijne tweede visite dien dag kwam maken, en hij vond het arme schepseltje voor de deur.

„Wel oppasster? Hoe gaat het met uw patiënt?” vroeg de goedhartige dokter. „Is hij rustig geweest?”

„Vraag het die anderen maar; zij zijn daar binnen,” gaf Fanny ten antwoord.

„Wie? zijne moeder?”

Fanny knikte, maar sprak niet.

„Gij moet zelve naar bed, arm kind,” zeide de dokter; „anders zult gij ook ziek worden.”

„Och, mag ik hem niet eens zien, – mag ik hem niet eens zien! Ik – ik heb hem zoo lief!” zeide het meisje, viel bij die woorden op hare knieën en greep met zooveel wanhoop des dokters hand, dat het hart van den vriendelijken geneesheer week werd toen hij haar zoo zag en er een nevel voor zijn bril kwam.

„Bah! bah! Gekheid! Heeft hij zijn drankje ingenomen? Heeft hij gerust? Natuurlijk moet gij hem zien, en ik ook.”

„Zij zullen mij hier toch wel laten zitten, niet waar, mijnheer? Ik zal volstrekt geen leven maken. Als ik hier maar blijven mag!” zeide Fanny, waarop de dokter haar eene kleine malloot noemde, haar op de bank neerdrukte, waar de loopjongen van Pen’s blad zoo dikwijls had gezeten, met den vinger haar op de bleeke wang tikte en daarop de achterkamer binnentrad.

Bleek en statig zat mevrouw Pendennis in een armstoel naast Pen’s bed. Haar horloge lag op het bedtafeltje naast Pen’s medicijnen. Op haar schoot had zij den bijbel, dien zij altijd op reis meenam. Nadat zij haar zoon gezien had, was haar eerste werk geweest Fanny’s hoed en shawl, die op zijne ladetafel lag, uit de slaapkamer te brengen en op zijne schrijftafel neer te leggen. Daarop had zij de deur voor den neus van majoor Pendennis en ook van Laura gesloten en bezit genomen van haar zoon.

Zij had in groote spanning en vrees verkeerd, dat Arthur haar niet zou kennen; maar die smart werd haar ten minste ten deele bespaard. Pen herkende zijne moeder en lachte vertrouwelijk tegen haar, terwijl hij haar toeknikte. Toen zij binnentrad, verbeeldde hij zich dadelijk, dat zij zich thuis te Fairoaks bevonden, en begon hij op eene verwarde en woeste wijze te praten, te keuvelen en te lachen. Laura kon hem daar buiten hooren. Zijne lachbuien drongen haar als vergiftigde pijlen in het hart. Het was dus waar; hij was schuldig geweest – en met dat schepsel! eene minnarij met eene dienstmeid; en zij had hem bemind – en nu lag hij waarschijnlijk te sterven – ijlend en onbekeerd! Nu en dan deed de majoor op zachten toon eene opmerking, of sprak hij een woord van troost, dat Laura ternauwernood hoorde. Voor allen was het een pijnlijk samenzijn, en toen Goodenough kwam, was het alsof er een engel in de kamer verscheen.

Niet enkel voor den zieke, maar ook voor de vrienden van den zieke is het, dat de dokter komt. Zijne tegenwoordigheid is dikwijls even nuttig voor hen als voor den patiënt en zij zien zijne komst met nog meer verlangen te gemoet. Wat hebben wij allen op hem zitten wachten! wat heeft het rollen van zijn rijtuig op straat en eindelijk het stilhouden voor de deur ons ontroerd! wat hangen wij aan zijne lippen, en hoeveel troost putten wij niet uit een paar glimlachjes van hem, als hij aanleiding vindt om onze duisternis met dien zonnestraal op te helderen! Wie heeft niet de moeder met angst zijn gelaat zien bespieden, om na te gaan, of er nog hoop is voor het zieke kind, dat niet spreken kan en welks kleine lichaampje ginds met de koorts ligt te worstelen? Ach, wat kijkt zij hem naar de oogen! Hoeveel dankbaarheid als daar hoop uit spreekt; hoeveel zielesmart en ellende als hij ze neerslaat en niet durft zeggen: „Heb goeden moed!” Of als het de man des huizes is, die daar neerligt, met hoeveel ontzetting ziet de vrouw dan niet toe, wanneer de geneesheer den patiënt den pols voelt, terwijl zij hare radeloosheid tracht te verbergen en de kinderen last krijgen niet zoo luidruchtig te spelen of te praten. Tegenover den lijder in de koortshitte, de vrouw in afwachting, de kinderen die nog nergens van weten, staat de dokter alsof hij het Noodlot, de beschikker over leven en dood, ware. Ach, hij moet ditmaal den patiënt nog in het land der levenden laten; de vrouw bidt zoo vurig om uitstel! Men kan zich voorstellen, hoe geducht de verantwoordelijkheid moet zijn voor een rechtschapen man, hoe vreeselijk het bewustzijn, dat hij een verkeerd middel heeft gegeven, of dat er een beter te bedenken ware geweest, hoe pijnlijk de sympathie met de overblijvenden, indien de ziekte ongunstig afloopt, hoe onbeschrijfelijk de vreugde der overwinning!

Na eene haastige buiging en kennismaking met de nieuwaangekomenen, wier aankomst hem door de kleine oppasster, die met een verslagen hart buiten zat, was medegedeeld, onderzocht de dokter den zieke, omtrent wiens hevigen koortstoestand niemand zich vergissen kon, zoodat hij het noodig achtte de sterkste ontstekingwerende middelen, die hij kende, aan te wenden. Hij troostte de verslagen moeder zoo goed mogelijk, en gaf haar de meest geruststellende verzekeringen, die hij durfde wagen, namelijk, dat er nog geen reden bestond om te wanhopen, dat men nog alles van de jeugd en een sterk gestel kon hopen, en meer van dien aard; en na aldus zijn uiterste best te hebben gedaan om de schrikbeelden der ontzette matrone te verdrijven, nam hij den ouden Pendennis in de ledige kamer (Warrington’s slaapkamer) ter zijde, om een klein consult met hem te houden.

Het was een zeer kritiek geval. Als de koorts niet gestuit kon worden moest en zou de jongeling bezwijken, hij moest dadelijk adergelaten worden, en zijne moeder moest van die noodzakelijkheid worden onderricht. Waarom had zij die jonge dame meegebracht? Die was in eene ziekenkamer niet op hare plaats.

„En daar is, voor den d–, nog een andere vrouw,” zeide de majoor, „dat – dat meisje, dat de deur opendeed.” Zijne schoonzuster had den hoed en den shawl van het arme schaap naar buiten gebracht en op de schrijftafel neergesmeten. Wist Goodenough iets van dat – dat meisje? „Ik keek haar eventjes aan, toen wij hier binnengingen,” zeide de majoor, „en zij zag er drommels goed uit.” De dokter zette een raar gezicht en glimlachte; in de ernstigste oogenblikken, als er sprake is van leven en dood, komen zulke zonderlinge contrasten en aardigheden voor, en vertoonen zich dergelijke lachjes, als het ware om de somberheid te bespotten en haar nog somberder te maken.

„Ik weet er al wat op,” zeide hij eindelijk, de studeerkamer weer binnentredende, waar hij ijlings een paar briefjes schreef en een daarvan verzegelde. Daarop den hoed en den shawl van de arme Fanny en de beide briefjes meenemende, begaf hij zich in den gang naar het arme meisje. „Rep u, oppasster!” zeide hij. „Breng dit briefje naar den chirurgijn en verzoek hem dadelijk te komen; en ga dan naar mijn huis, vraag naar mijn bediende Harbottle en zeg, hem, dat hij dit recept moet klaarmaken, en wacht dan tot – tot het gereed is. Het zal misschien wel een poosje duren eer het klaar is.”

De arme Fanny vloog weg met hare beide briefjes. Zij vond den apotheker thuis, die dichtbij in het Strand woonde en, met het lancet op zak, dadelijk kwam aandraven, om zijn patiënt te behandelen, en vervolgens begaf zij zich naar het huis van den dokter op Hanover Square.

De dokter was weer thuis eer het recept klaar was, waarvoor zijn bediende Harbottle zooveel tijd had noodig gehad; en gedurende den verderen loop van Arthur’s ziekte vertoonde de arme Fanny zich niet meer in de hoedanigheid van oppasster op zijne kamers. Maar dien dag en den volgenden kon men een klein figuurtje in den omtrek van Pen’s trap zien rondsluipen, – een droef, zeer droef kopje, dat den apotheker en diens loopjongen en de waschvrouw en den vriendelijken dokter zelven ondervroeg, wanneer zij uit de kamers van den zieke kwamen. En den derden dag hield het rijtuig van den welwillenden geneesheer voor Shepherd’s Inn op, waar de brave en weldadige man de portierswoning binnentrad en zijne zorgen aan eene kleine patiënte wijdde, die hij daar had, en voor wie hij geen beter geneesmiddel bezat, dan toen hij Fanny Bolton kon vertellen, dat de crisis voorbij was en er eindelijk alle hoop op het behoud van Arthur Pendennis bestond.

De weledelgeboren heer J. Costigan, vroeger in harer majesteits militairen dienst, zag het rijtuig van den dokter en maakte de paarden en het bijbehoorende tot het onderwerp zijner kritiek. „Groene livreien, voor den drommel!” zeide de Generaal, „en zulk een prachtig paar koetspaarden als ooit een gentleman mee gereden heeft, – laat staan een dokter! De hoogmoed en aanmatiging van die dokters is tegenwoordig ongehoord, – ofschoon dit een van de goeden is, een man van wetenschap en een beste kerel, waarlijk; hij heeft dat arme meisje mooi door hare koorts geholpen; Bows, beste jongen,” en mijnheer Costigan was zoo opgetogen over de handelwijze en de bekwaamheid van den geneesheer, dat hij er in het vervolg een punt van eer van maakte, als hij Dr. Goodenough in diens rijtuig tegenkwam, om hem op zulk eene hoffelijke en omslachtige wijze te groeten, alsof de dokter de lord-stadhouder van Ierland ware en kapitein Costigan in al zijne glorie in het Phenix Park wandelde.

De dankbaarheid der weduwe jegens den dokter kende geene of ternauwernood eenige grenzen. De hulpvaardige man lachte om het denkbeeld, dat hij van een letterkundige, of van de weduwe van een kunstbroeder geld zou aannemen, waarop zij besloot hem, zoodra zij op Fairoaks terug zou zijn, de zilververgulde vaas te zenden, het pronkstuk van het huis en de trots van wijlen John Pendennis, wien het zorgvuldig in groen baai bewaarde kunstwerk te Bath door Lady Elizabeth Firebrace ten geschenke was gegeven, na de herstelling van haar zoon, nu wijlen Sir Anthony Firebrace, van het roodvonk. Nog heden vertoont de vaas Hippocrates, Hygeia, den beschermgod der stad Bath en een krans van slangen; zij was door de heeren Abednego in Milsom Street in hun prachtigsten stijl bewerkt, terwijl de heer Birch, de gouverneur van den jongen baronet, er het opschrift voor had vervaardigd.

Dit onwaardeerbare kunstjuweel besloot de weduwe aan Goodenough, den redder van haar zoon, te schenken. Er was schier geen gunst, die zij hem in het vuur harer dankbaarheid niet zou bewezen hebben, behalve de ééne, die hij het meest verlangde, namelijk dat zij wat barmhartig en vriendelijk over de arme Fanny zou denken, van wier eenvoudige, droevige geschiedenis hij in zijne gesprekken met haar iets vernomen had, zoodat hij zeer welwillend over het meisje dacht. Hij oordeelde niet zeer gunstig over het gedrag van Pen in deze zaak en wist ook niet recht hoedanig het gedrag geweest was. Evenwel wist hij genoeg om in te zien, dat het arme verblinde meisje vooralsnog zonder schuld was; dat zij in Pen’s kamer was geweest, om hem, naar zij meende, in zijn laatste oogenblikken bij te staan; dat Arthur ternauwernood bewust was geweest van hare tegenwoordigheid; en dat zij in de diepste en roerendste smart verkeerde bij de gedachte hem in dood of leven te zullen verliezen.

Maar bij een paar gelegenheden, dat Goodenough op Fanny zinspeelde, nam het anders altijd zachtzinnige en vriendelijke gelaat der weduwe eene zoo wreedaardige en onverbiddelijke uitdrukking aan, dat de dokter inzag, dat hij tevergeefs rechtvaardigheid of barmhartigheid van haar zou verwachten, zoodat hij alle voorspraak naliet en geene verdere toespelingen op zijne kleine patiënte maakte. Volgens een populair dichter uit de dagen van koningin Elizabeth, bestaat er eene kwaal, waartegen de slaapbol en de mandragora en al de geneesmiddelen van het Oosten niets vermogen en die, wanneer zij zich bij vrouwen vertoont, door geene latere ontdekkingen of praktijken op het veld der geneeskunde, door homoeopathie, noch hydropathie, door mesmerismus, noch door dokter Simpson, noch door dokter Locock kan genezen worden; – die kwaal zullen wij niet jaloezie noemen, maar met den zachten naam van naijver en mededinging tusschen dames bestempelen.

Die bemoeizieke en prozaïsche menschen, die elke mededeeling van den romanschrijver ziften en napluizen en bijv., wanneer de helden elkander den dolk op de keel hebben gezet, willen weten hoe de schrijver hen weer uit den moorddadigen toestand zal weten te redden, zullen wellicht vragen hoe het mogelijk was in een apartement van den Temple, bestaande uit drie kamers, twee kabinetjes, een gang en een kolenhok, een gezelschap te bergen, samengesteld uit den zieken Arthur, Helena, zijne moeder, Laura, haar aangenomen dochter, Martha, beider meid van het platteland, jufvrouw Wheezer, een oppasster uit het St.-Bartholomeushospitaal, vrouw Flanagan, een Iersche waschvrouw, majoor Pendennis, een gepensioneerd officier, Morgan, diens kamerdienaar, Pidgeon, den loopjongen van mijnheer Arthur, en nog anderen meer. Maar die vraag is dadelijk beantwoord door de mededeeling, dat bijna al de bewoners van den Temple uit de stad waren en dat zich schier niemand in Pen’s huis op Lamb Court bevond dan degenen, die rondom de sponde van den zieke geschaard waren, van wiens lijden wij geen uitvoerig verslag hebben willen geven, evenmin als wij breed zullen uitweiden over het genoeglijker onderwerp van zijne herstelling.

Gelijk wij zeiden, was iedereen uit de stad, en dus kon men natuurlijk niet verwachten, dat zulk een voornaam heer als de jonge Sibwright, die kamers op de tweede verdieping van Pen’s woning had, in Londen zou zijn. Vrouw Flanagan, de waschvrouw van Pen, was bekend met vrouw Rouncy, die de kamers van mijnheer Sibwright schoonhield, en de slaapkamer van dien heer werd dus ingericht voor jufvrouw Bell, of mevrouw Pendennis, wanneer deze laatste geneigd mocht zijn het ziekvertrek van haar zoon te verlaten en zelf een weinigje rust te zoeken.

Wat zou die jonge dandy van een Percy Sibwright, die bloem van Baker Street, fier op zijne slaapkamer zijn geweest, indien hij geweten had wie dat vertrek gebruikte; wat zou hij verzen op Laura geschreven hebben! (verscheidene zijner gedichten waren in de jaarboekjes en in handschrift in de albums van den adel te vinden). Hij was een oud student van Camford en het had, naar men zeide, weinig gescheeld, of hij had den prijs voor de Engelsche dichtkunst weggedragen. Doch Sibwright was afwezig en zijn bed was aan jufvrouw Bell overgeleverd. Het was het aardigste koperen ledikantje ter wereld, met paarsch gevoerde chitsen gordijnen. Voor het venster zijner slaapkamer stond een potje reseda, en reeds het gezicht alleen van zijne kleine tentoonstelling van blinkende laarzen, die in nette rijen op zijne kleerkast geschaard stonden, was eene verlustiging voor den beschouwer. Verder had hij een museum van reukwateren en potten met pommade en berenvet, merkwaardig om te zien; en aan de nette muren van zijn elegante rustplaats prijkte eene keurige verzameling portretten van vrouwen, die bijna alle in droefheid gedompeld en meerendeels verkleed, of in négligé waren. Medora, met hangende haren, troostte zich over de afwezigheid van haar Conrad; prinses Fleur de Marie (van Rudolstein, uit de Mystères de Paris) lonkte droevig naar buiten tusschen de tralies harer kloosterkooi, in welke zij als een arm opgesloten vogeltje wegkwijnde; de Dorothea van Don Quijote waschte als altijd hare voeten; kortom, het was zulk een elegante galerij als men bij zulk een galant aanbidder van het schoone geslacht verwachten kon. In Sibwright’s zitkamer stond maar eene magere verzameling rechtsgeleerde boeken in net kalfsleder gebonden, en eene vrij groote hoeveelheid boeken in de oude talen, die hij niet lezen kon, en Engelsche en Fransche dichtwerken en romans, die hij veel te veel las. Zijn uitnoodigingskaarten van het afgeloopen seizoen staken nog tusschen den spiegel. Er was bijna niets anders, dat aan den advocaat herinnerde, dan de pruikendoos naast de Venus op de middelste plank der boekenkast waarop, men in gouden letters Mr. P. Sibwright las.

Sibwright deelde zijne kamers, naar het heette, met mijnheer Bangham. Deze was een liefhebber van jagen enz. en had eene rijke weduwe getrouwd. Bangham had geen praktijk en kwam geen driemaal in het seizoen op zijne kamer, doch maakte de omgangen met het hof van assises mede, om die raadselachtige redenen, welke sommige advocaten aansporen tot het deelnemen aan die tochten. Zijn ongebruikte kamer was een groot gemak voor Sibwright, als die jonge heer zijne kleine diners gaf. Wij moeten verklaren, dat deze beide heeren in geenerlei betrekking hoegenaamd tot ons verhaal staan en er waarschijnlijk niet meer in zullen voorkomen; doch wij kunnen niet nalaten eventjes in hunne kamers te kijken, wanneer die toevallig voor ons openstaan en wij ons naar Pen’s woning begeven; gelijk wij, op onzen levensweg, in het Strand, in de club, ja zelfs in de kerk, niet kunnen nalaten te kijken naar de winkels, die wij voorbijgaan, naar het diner van onzen buurman of naar de gezichten onder de hoeden in de naaste bank.

Vele jaren na de gebeurtenissen, die wij thans beschrijven, bekende Laura met een blosje en een zeer schalkschen lach, dat zij een Franschen roman had gelezen, die eenmaal sterk in den smaak was, en toen haar echtgenoot met verwondering vroeg waar ter wereld zij dat boek kon machtig geworden zijn, gaf zij te kennen, dat het in den Temple was geweest, toen zij de kamer van mijnheer Percy Sybwright bewoonde.

„En zoo heb ik ook nooit verteld wat ik nu bij deze gelegenheid eveneens zal bekennen,” sprak zij, „namelijk dat ik de verlakte doos opendeed, er die wonderlijke pruik uitnam, haar opzette en mij toen in den spiegel bekeek.”

Indien Percy Sibwright op dat oogenblik eens ware binnengekomen? Wat zou de opgetogen guit wel gezegd hebben? Wat zouden al de afbeeldingen der verkleede schoonen op zijne kamer te beteekenen hebben gehad, in vergelijking met dat levend exemplaar? Ach, wij spreken van zeer oude tijden, toen Sibwright nog ongetrouwd en nog geen rechter in een provinciaal gerechtshof was, – toen de menschen, de meeste menschen nog jong waren. Thans zijn andere menschen jong, maar wij niet meer.

Men zal wel begrijpen, dat, toen jufvrouw Laura die grap met de pruik speelde, Pen daar boven niet meer doodziek was; anders zou zij, ofschoon zij bijna niets meer om hem gaf, zich door haar gevoel en de eischen der welvoeglijkheid hebben laten weerhouden van grappen of verkleedingen.

Maar er hadden in de laatstverloopen dagen verschillende gebeurtenissen plaats gehad, geschikt om haar opgeruimdheid te vermeerderen of te rechtvaardigen, en er was thans eene kleine kolonie van des lezers oude vrienden en bekenden op Lamb Court in den Temple vereenigd en rondom Pen’s ziekbed geschaard. Vooreerst was Martha, de dienstmaagd van mevrouw Pendennis, van Fairoaks overgekomen, van waar de majoor haar ontboden had, die zeer te recht oordeelde, dat zij hare meesteres en den jongen heer tot gemak en hulp kon zijn, daar het gezelschap van vrouw Flanagan (die gedurende Pen’s ziekte meer dan ooit geestrijke opwekking noodig had om haar staande te houden) aan geen van beiden aangenaam kon wezen. Martha verscheen dus ter juister ure bij mevrouw Pendennis, want deze had zich geen enkele maal te bed begeven voordat de trouwe dienstbode bij haar was, en toen legde zij zich, met een hart vol moederlijke dankbaarheid, ter ruste op Warrington’s stroomatras en te midden zijner wiskundige boeken, die wij reeds vroeger vermeld hebben.

Voor dien dag had er echter reeds eene groote en verblijdende verandering in Pen’s toestand plaats gegrepen. Door dokter Goodenough’s pleisters, drankjes en lancetsteken overwonnen, had de koorts den jonkman verlaten, of hem bij tusschenpoozen nog slechts even bezocht; zijne dwalende zinnen hadden weer vasten post gevat in zijn verzwakt brein; hij had gelegenheid gehad zijne moeder te kussen en haar te danken voor hare komst, en Laura en zijn oom te roepen (die beiden, naarmate van hun verschillend karakter, geroerd waren door zijn vermagerd voorkomen, zijne tengere en doorschijnende handen, zijne holle oogen en holle stem, en zijn ingevallen en ongeschoren gelaat) en beider handen te drukken en hun hartelijk dank te zeggen; en toen de bezoekers na dit wederzien door zijne zorgvuldige oppasster de kamer uitgezet waren, was hij in een verkwikkenden slaap gevallen, die omtrent zestien uren aanhield; waarna hij ontwaakte en uitriep dat hij honger had. Zoo het aan den eenen kant beklagenswaardig is ziek te zijn en van het eten te walgen, wat is het aan den anderen kant aangenaam weer beter te worden en honger te hebben, – en o, welk een honger! Helaas, het genoegen der herstelling wordt met het toenemen der jaren flauwer, gelijk het ook met andere genoegens gaat; en eindelijk – eindelijk komt die ziekte, waarop in het geheel geen herstel meer volgt.

Op dien gelukkigen dag kwam nog iemand anders in Lamb Court aan. Groote wolken tabaksrook gingen naar de zitkamer van Pen en Warrington vooruit; achter die wolken volgde een persoon met eene sigaar in zijn mond en een reiszak onder zijn arm. Het was Warrington, die uit Norfolk kwam aangesneld, daar mijnheer Bows zorg had gedragen, hem te schrijven welke ramp zijn vriend getroffen had. Doch hij was afwezig toen die brief ten huize van zijn broeder aankwam; de oostelijke graafschappen konden zich toen nog niet op het bezit van een spoorweg beroemen (want wij verzoeken den lezer wel in aanmerking te willen nemen, dat wij alleen anachronismen begaan wanneer wij het goedvinden en wanneer door die verkrachting der natuurwetten eene groote zedelijke waarheid in het licht moet gesteld worden). In één woord, Warrington verscheen pas met de overige gelukjes op den gelukkigen dag nadat Pen’s herstelling gezegd kon worden voorgoed aangevangen te zijn.

In ieder geval was zijne verwondering niet groot, dat hij de kamers van zijn zieken vriend bezet vond, en dat zijn oude kennis de majoor op zijn gemak in een armstoel zat (want Warrington was met zijn eigen sleutel in de kamers gekomen), luisterende of schijnende te luisteren naar eene jonge dame, die hem, met zachte en liefelijke stem, een stuk van Shakespeare voorlas. De jonge dame hield op en verschrikte bij de verschijning van den langen reiziger met de sigaar en het valies en legde het boek neer. Hij bloosde, wierp zijne sigaar in den gang weg, nam den hoed af, liet dien vallen, en ging toen naar den majoor, drukte den ouden heer de hand en vroeg naar bijzonderheden omtrent Arthur.

De majoor antwoordde hem met eene trillende, maar opgeruimde stem (het was opmerkelijk hoe zeer de aandoening hem scheen verouderd te hebben); hij beantwoordde Warrington’s handdruk met eene bevende hand en vertelde hem Arthur’s gelukkig doorgestane crisis, en de aankomst zijner moeder met hare jonge pupil – met juffer....

„Gij behoeft mij haar naam niet te noemen,” zeide mijnheer Warrington met groote levendigheid, want hij was getroffen en opgetogen bij de gedachte aan de herstelling van zijn vriend; „gij behoeft mij haar naam niet te noemen. Ik begreep dadelijk, dat het Laura was.” En daarbij strekte hij zijne hand uit en nam de hare. Terwijl hij haar aanzag en toesprak, straalde er een onuitsprekelijke vriendelijkheid en teederheid van onder zijne ruige wenkbrauwen en was die tevens in zijne stem waar te nemen. „En dit is dus Laura!” scheen zijn blik te zeggen. „En dit is Warrington!” was de weerklank in het hart van het lieve meisje. „Arthur’s held – die edele en hulpvaardige man, die honderden mijlen ver gekomen is om bijstand te bieden, toen hij den rampspoed van zijn vriend vernam!”

„Ik dank u, mijnheer Warrington,” was evenwel alles wat Laura zeide, en toen zij zijn vriendelijken handdruk beantwoordde, bloosde zij zoo sterk, dat zij blijde was dat de lamp achter haar stond en de gloed op haar gelaat dus verborgen bleef.

Terwijl beiden in die houding stonden, werd de deur van Pen’s slaapkamer zoo voorzichtig geopend als men van mevrouw Pendennis gewoon was, en zag Warrington een andere dame, die eerst hèm aankeek, en zich toen naar het bed omkeerde en met opgeheven hand: „St!” zeide.

Het was Pen, naar wien Helena zich keerde, om hem tot voorzichtigheid te vermanen. Maar Pen riep met zwakke en trillende, doch blijde stem uit: „Kom binnen, kameraad – kom binnen, Warrington. Ik wist dat gij het waart – aan, – aan den – den rook ouwe jongen,” zeide hij en stak zijne vermagerde hand uit, en verwelkomde zijn vriend met tranen zoowel van zwakheid als van blijdschap.

„Ik – ik vraag verschooning voor mijn rooken, mevrouw,” zeide Warrington, die op dit oogenblik bijna voor het eerst van zijn leven over zijne slechte gewoonte bloosde.

Helena zeide enkel: „God zegen u, mijnheer Warrington!” Zij gevoelde zich zoo gelukkig, dat zij George wel had willen kussen. Nadat de vrienden een kort, zeer kort onderhoud hadden gehad, gaf de verheugde doch onverbiddelijke moeder de hand aan Warrington en zond hem de kamer uit naar Laura en den majoor, die de lezing van het tooneelstuk Cymbeline niet weer hadden opgevat ter plaatse waar zij die hadden afgebroken, toen de rechtmatige eigenaar van Pen’s kamers binnentrad.

VIER EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

DE HERSTELLING.

Wij zijn thans verplicht een feit ten aanzien van Pendennis mee te deelen, dat, hoe schandelijk en onverantwoordelijk ook wanneer men het van den held en den peet van een roman vermelden moet, evenwel aan het publiek, dat zijne waarachtige gedenkschriften leest, dient bekend gemaakt te worden. Nadat hij, met de koorts en ook in zekere mate ziek door den hartstocht der liefde te bed gegaan zijnde, de lichamelijke ziekte doorstaan had en ten ader gelaten en gepleisterd en kaal geschoren en geneeskundig behandeld en van medicijnen voorzien was, naar het voorschrift van den dokter, – is het een feit, dat zijne zielsziekte, toen hij van zijne lichaamsziekte verlost was, hem ook verlaten had en hij evenmin meer op Fanny Bolton verliefd was als gij of ik, die veel te verstandig of te zedelijk zijn, om ons aan portiersdochters te verslingeren.

Hij moest in zich zelven lachen, toen hij, op zijne sponde uitgestrekt, over deze tweede genezing nadacht, die hij ondervonden had. Hij gaf thans niet het minste meer om Fanny; hij verwonderde zich, dat hij het ooit gedaan had, en volgens zijne gewoonte opende hij het lijk van dien dooden hartstocht en ontleedde hij zijn eigen overleden gevoel voor zijn arme kleine oppasster. Wat kon hem slechts weinige weken vroeger zoo vurig en verlangend ten haren opzichte gestemd hebben? Niet haar geest, niet hare beschaving, niet hare schoonheid, – er waren honderden vrouwen, die er beter uitzagen dan zij. Die hartstocht was van hem zelven uitgegaan, want in haar lag die niet. Zij was dezelfde, maar de oogen, die haar beschouwden, waren veranderd en – helaas, dat wij het zeggen moeten! – niet zeer begeerig om haar ooit weer te zien. Hij was jegens het schepseltje zeer welwillend gezind en wat meer van dien aard is; maar de vurige persoonlijke belangstelling, die hij nog maar weinige weken geleden voor haar gekoesterd had, was onder den invloed van de pillen en het lancet, die de koorts in zijn lichaam gedood hadden, verdwenen. Het was ook een onbeschrijfelijke bron van geruststelling en dankbaarheid voor Pen (ofschoon er iets egoïstisch in dat gevoel lag, gelijk in de meeste andere gevoelens van jongelieden) dat hij in staat was gesteld de verzoeking te weerstaan ten tijde toen het gevaar het grootst was, en dat hij, zoover hij zich zijn gedrag jegens het jonge meisje herinnerde, geen bijzondere reden van zelfverwijt had. Als uit een afgrond, in welken hij was neergetuimeld, liet hij, uit de koorts van welke hij juist hersteld was, zijn oog over den valstrik van Fanny Bolton gaan, waaraan hij nu ontkomen was; maar ik zou niet durven verzekeren, dat hij zich niet schaamde over de voldoening, die hij hierdoor smaakte. Het is misschien verblijdend, maar toch vernederend, wanneer men bekennen moet, dat men niet meer liefheeft.

De vriendelijke lachjes en de teedere zorgen zijner moeder naast zijn bed vervulden intusschen den jongen met vrede en gerustheid. Deze onvermoeibare oppasster wenschte niets anders dan zijne gezondheid te zien terugkeeren, en zij kende geen grooter blijdschap en voldoening dan aan elke gril of bevel van haar patiënt gevolg te geven. Hij voelde zich door hare liefde omstrengeld, en verbeeldde zich, dat hij er haar bijna even dankbaar voor was als in zijne zwakke en hulpelooze kindsheid.

Pen had wellicht eenige schemerachtige herinneringen uit den eersten tijd zijner ziekte, dat Fanny hem had opgepast; doch zij waren zoo flauw, dat hij zich die niet duidelijk kon voorstellen, noch ze onderscheiden van hetgeen hij wist dat hersenschimmen uit zijn ijlenden toestand waren, die hem nog waren bijgebleven. En daar hij het bij vorige gelegenheden niet raadzaam had geacht zich over Fanny Bolton tegen zijne moeder uit te laten, kon hij haar natuurlijk thans niet over zijne gevoelens ten aanzien van Fanny onderhouden, noch de waardige dame tot zijne vertrouwde maken. Het was aan beide zijden eene rampzalige omzichtigheid en gebrek aan vertrouwen, want een paar woorden op zijn pas zouden aan de goede dame en aan degenen, die tot haar in betrekking stonden, zeer veel smart en bezorgdheid bespaard hebben.

Het spijt mij te moeten zeggen, dat mevrouw Pendennis, toen zij de jonge jufvrouw Bolton als oppasster bij Pen aantrof, de slechtst mogelijke uitlegging aan de betrekking tusschen deze beide rampspoedige jongelieden gegeven had, en zich in haar hart overtuigd hield, dat de tegen Pen ingebrachte beschuldigingen op waarheid gegrond waren. Waarom gaf zij zich de moeite niet, dit te onderzoeken? Er loopen geruchten ten nadeele van een man, welke de vrouwen, die het meest van hem houden, altijd het meest geneigd zijn om te gelooven. Is de vrouw van een man niet dikwijls de eerste om jaloersch op hem te zijn? De arme Pen kreeg zijn deel van die achterdochtige soort van liefde van de oppasster, die hem thans verzorgde; en de liefhebbende en reine vrouw dacht, dat haar zoon eene veel ontzagwekkender en vernederender kwaal dan de louter lichamelijke koorts doorstaan had en dat hij zoowel door misdaad onteerd als door ziekte verzwakt was. Het bewustzijn hiervan moest zij natuurlijk stilzwijgend dragen; zij moest haar inwendige zekerheid, wanhoop en afgrijzen achter een masker van opgeruimdheid en vertrouwelijkheid verbergen.

Toen kapitein Shandon te Boulogne het volgende nommer van de Pall Mall Gazette las, maakte hij tegen zijne vrouw de opmerking, dat Jack Finucane’s hand niet meer in de hoofdartikelen zichtbaar was en dat mijnheer Warrington de pen weer moest hebben opgevat. „Ik zou het klappen zijner zweep en de striemen, die hij nalaat, uit honderden herkennen. Daar hebt ge Jan Bludyer; die gaat als een slachter te werk en slaat zijne tegenpartij tot brij; maar mijnheer Warrington brengt zijn vijand naar de regelen der kunst om hals en snijdt hem in mooten, en elke snede kost bloed.” Op die afgrijselijke beeldspraak riep mevrouw Shandon uit: „Heere! Charles, hoe kunt gij zoo spreken! Ik heb mijnheer Warrington wel altijd voor heel trotsch, maar toch voor een zachtzinnig mensch gehouden, en voor de kinderen was hij althans zeer lief.” Waarop Shandon antwoordde: „Ja met de kinderen is hij heel lief, maar woest met de menschen. Doch, liefje, gij begrijpt geen woord van hetgeen ik daar zeide; en dat is ook maar het best, want het schrijven voor nieuwsbladen levert weinig goeds op. Het is hier beter te Boulogne, waar wij genoeglijk zijn, waar de wijn overvloedig is en de cognac slechts twee franken de flesch kost. Maak mij nog een glas gereed, Marie-lief; ik zal spoedig weer in het gareel moeten. Cras ingens iterabimus æquor, – voor den drommel!”

Warrington zette zich met alle macht aan het werk in de plaats van zijn vriend, die nog niet arbeiden kon, en deed meer dan het noodige voor Pen’s aandeel aan de Pall Mall Gazette. Hij schreef beschouwingen en letterkundige overzichten, bezocht de schouwburgen en de concerten, en liet zich daarover op zijne gewone krachtige wijze uit. Zijne hand was te zwaar voor zulke lichte onderwerpen, en het behaagde hem aan Arthur’s moeder, diens oom en Laura te vertellen, dat er in het gansche gilde der penvoerders niemand was die bevalliger en luchtiger, onderhoudender en sierlijker wist te schrijven dan Pen. „Men heeft in dit land geen begrip van stijl, mevrouw,” zeide hij tegen mevrouw Pendennis, „of men zou de verdiensten van onzen jongen erkennen. Ik noem hem den onzen, mevrouw, want ik heb hem opgeleid; en ik ben zoo trotsch op hem als gij zelve kunt zijn. Een beetje eigenzinnigheid, een beetje zelfzucht en een beetje fatterigheid ter zijde gelaten, ken ik geen eerlijker, trouwhartiger en handelbaarder schepsel dan hem. Soms is zijne pen wel wat ondeugend, maar hij is zoo zachtzinnig als eene jonge juffer – als jufvrouw Laura hier – en ik geloof, dat hij geen sterveling leed zou kunnen aandoen.”

Ofschoon Helena een diepen, diepen zucht slaakte en Laura ook treurig gegriefd was, waren beiden Warrington toch innig dankbaar voor de goede meening, die hij omtrent Arthur koesterde, en hadden zij hem lief om zijne gehechtheid aan Pen. En de majoor was uitbundig in zijne loftuigingen op Warrington, uitbundiger en warmer dan men van hem gewoon was. „Het is een gentleman, zusjelief,” zeide hij tegen Helena, „van top tot teen een gentleman, mijne waardste – van de Warrington’s uit Suffolk – door Karel I tot baronets verheven. Wat zou hij, uit zulk eene familie gesproten, anders dan een gentleman kunnen zijn? Zijn vader was Sir Miles Warrington, die op den loop ging met – ik vraag verschooning, jufvrouw Bell. Sir Miles was in Londensche kringen zeer bekend; het was een vriend van den prins van Wallis. Deze heer is een man van de grootste talenten, van de uitstekendste begaafdheden. Hij zou het ver brengen, als hij maar een prikkel bezat om te toonen waartoe hij in staat is.”

Laura bloosde terwijl de majoor over Arthur’s held uitweidde en hem zoo prees. Toen het jonge meisje in Warrington’s mannelijk gelaat en zijne donkere droefgeestige oogen had gezien, was zij over hem aan het denken gegaan en had zij bij zich zelve uitgemaakt, dat hij het slachtoffer van een ongelukkige liefde moest geweest zijn; en toen jufvrouw Bell zich op die gedachte betrapte, bloosde zij.

Warrington voorzag zich van kamers in de onmiddellijke nabijheid, Grenier’s kamers op Flag Court; en als hij des morgens Pen’s taak met grooten vlijt had afgewerkt, was het hem een geluk en een genoegen des middags bij den zieke te komen zitten en hem tot den helderen najaarsavond gezelschap te houden; en meer dan eens had hij de eer jufvrouw Bell den arm te geven, om met haar eene wandeling in den tuin van den Temple te doen; en toen de rondborstige Laura aan Helena verlof vroeg, om die uitspanning te mogen nemen, zeide de majoor levendig: „Wel zeker, wel zeker, – natuurlijk kunt gij met hem uitgaan, – het is hier volmaakt als op het land; iedereen gaat in dien tuin wandelen met wien hij wil, – en, weet ge, er zijn wachters en dergelijke – iedereen gaat in den tuin van den Temple wandelen.” Als de groote scheidsrechter op het punt van zeden er geen bedenking tegen maakte, waarom zou Helena het dan doen? Zij wilde gaarne dat het meisje de frissche lucht zou genieten, die aan den oever der rivier te bekomen was, en verheugde zich als zij haar met verhoogde kleur en verlevendigden geest van die onschuldige uitstapjes zag terugkeeren.

Het was, moet men weten, tusschen Laura en Helena tot eene kleine verklaring gekomen. Toen de tijding van Pen’s bedenkelijke ziekte ontvangen werd, drong Laura er op aan, om de ontstelde moeder naar Londen te vergezellen; zij wilde zich aan de weigering niet onderwerpen, die zij van de nog altijd vertoornde Helena ontving; en toen zij ten tweeden maal op nog strenger toon afgewezen werd, toen men aan het leven van den armen afgedwaalden knaap scheen te moeten wanhopen, en toen het bekend was geworden, dat zijn gedrag van dien aard was geweest, dat er geen gedachte kon bestaan aan eene verbintenis, had zij aan hare moeder een geheim geopenbaard, waarmee elk oplettend lezer van dit verhaal reeds bekend is. Moest haar, nu zij hem toch nimmer kon huwen, de troost ontzegd worden van te bekennen hoe innig, hoe oprecht, hoe onverdeeld zij hem had liefgehad? Het lenigde de bitterheid van de smart der beide vrouwen eenigszins, dat zij hare tranen konden vermengen, en het temperde de zielskwelling en de angsten harer reis in zekere mate, dat zij die te zamen deelden.

Wat kon Fanny verwachten, toen zij plotseling voor zulk een paar rechters werd gebracht om haar vonnis te ontvangen? Niets anders dan een overhaaste veroordeeling, eene geduchte straf, een onbarmhartige verwijdering! Vrouwen zijn wreedaardige beoordeelaarsters in zulk een geval als dat, waarin de arme Fanny betrokken was; en wij zien dat ook wel gaarne; want niet alleen plaatst een man eene wacht bij zijn harem, en bezit de vrouw in haar hart, hare trouw en haar eer verdedigingsmiddelen, maar al hare vriendinnen houden het oog op haar, dat zij niet afdwale, en staan gereed haar te verscheuren als zij op verkeerde wegen geraakt. Wanneer onze Mahmoud’s of Selim’s van Baker Street of Belgrave Square hunne Fatima’s met de verdiende straf treffen, naaien hare moeders den zak, waarin de Fatima’s gestoken worden, en houden hare zusters en schoonzusters er een oogje op, dat zij behoorlijk te water worden gelaten. En de schrijver van dit verhaal keurt dat niet af. Hij betuigt plechtig, dat hij ook een Turk is. Hij draagt een tulband en een baard, gelijk de anderen, en is van harte voor het gebruik van den zak, – Bismillah! Maar, o gij vlekkeloozen, bij welke het recht van leven en dood berust, ziet althans wèl toe, dat gij de ware schuldige om hals brengt. Weest daarvan volkomen zeker, eer gij de boot laat afvaren, en werpt uw slachtoffer niet in den Bosphorus voordat gij stellig weet, dat zij het verdient. Dit is het eenige wat ik ten voordeele der arme Fatima wil aanvoeren, – bepaald het eenige – geen woord meer, bij den baard van den Profeet! Is zij schuldig, dan naar beneden met haar; til den zak overboord, werp hem in de kabbelende golven van den Gouden Hoorn, en nu er recht gedaan is, grijpt de riemen, mannen, en teruggeroeid om te gaan soupeeren!

De majoor maakte derhalve geen bedenking tegen Warrington’s aanhoudende wandelingen met Laura, maar moedigde als een welwillend oud heer den omgang van het paar op alle mogelijke wijzen aan. Wanneer er in de stad iets te zien was, was hij er voor, dat Warrington Laura daarheen zou geleiden. Indien Warrington had voorgesteld haar zelfs naar den Vauxhall mee te nemen, zou deze inschikkelijkste der menschen er geen kwaad in gezien hebben, – evenmin als Helena, wanneer de oude Pendennis het zoo bepaald had. Ook zou er geen kwaad in hebben gelegen voor twee personen van geheel onbezoedelde eer, – voor Warrington, die voor de eerste maal zijns levens eene reine en fiere en ongekunstelde vrouw van nabij leerde kennen, – en voor Laura, die ook voor het eerst van haar leven bestendig in gezelschap was met een heer van groote natuurlijke begaafdheden en een aangenamen omgang, die talenten van den verschillendsten aard, een hart vol geestdrift, eenvoudigheid en humor en die frischheid van gemoed bezat, welke hij aan zijn eenvoudige levenswijze en gewoonten had te danken en welke zoo sterk afstaken bij Pen’s voorname onverschilligheid en flauwe spotternij. Zelfs in Warrington’s ongegeneerdheid lag iets verfijnds, dat aan de verfijning van den ander ontbrak. Wat verschilde zijn energie, zijn eerbiedig gedrag, zijn wensch om aangenaam te wezen, zijn hartelijke lach, of zijne eenvoudige en vertrouwelijke, gevoelvolle taal, van sultan Pen’s geeuwerig oppergezag en onverschillige aanvaarding van alle huldebetuigingen! Wat had Pen thuis tot zulk een dandy en despoot gemaakt? De vrouwen hadden hem bedorven, gelijk wij gaarne hebben – en zij zelve ook – dat zij ons doen. Zij hadden hem zoolang verzadigd met gehoorzaamheid en vervolgd met lieftalligen eerbied en onderworpenheid, dat de slavinnen, die hem bedienden, hem begonnen te vervelen en hare liefkoozingen en vertroetelingen niets aanlokkelijks meer voor hem hadden. Buiten hare tegenwoordigheid was hij onstuimig, levendig, belangstellend en hartstochtelijk genoeg, gelijk het geval is met de meeste mannen, die zulk een karakter bezitten en zoo opgevoed zijn als hij. De schrijver hoopt niet, dat deze zinsnede, gelijk eene vorige, verkeerd zal uitgelegd worden, en dat iemand zou onderstellen, dat hij de vrouwen tot opstand zou willen aanhitsen. Dat nooit, zegt hij weer, bij den baard van den Profeet! Hij draagt óók een baard, en verlangt dat zijne vrouwen slavinnen zullen zijn. Welk man verlangt dit niet? Welk man zou onder de pantoffel willen zitten, vraag ik? Eer zullen wij alle koppen in het Christendom en het Turkendom afhouwen.

Hoe kwam het dan nu, dat terwijl Arthur zoo lusteloos, onverschillig en zorgeloos was ten aanzien van de gunstbewijzen, die hij ondervond, Laura zulk eene liefde en vurige ingenomenheid voor hem koesterde, dat de onvolledige uiting daarvan het meisje den ganschen weg van Fairoaks naar Londen, terwijl zij met Helena die reis aflegde, aan het praten hield? Zoodra Helena de eene geschiedenis betrekkelijk den lieven jongen geëindigd had en onder tallooze snikken en uitroepingen en hemelwaartsche blikken eenige treffende voorvallen uit den tijd, toen onze held in de korte kleederen werd gestoken had verhaald, begon Laura een andere even belangwekkende en evenzeer met tranen opgeluisterde geschiedenis, hoe heldhaftig hij zich een tand had laten trekken, of het ook wel eens niet toegelaten had, of hoe onversaagd hij een vogelnestje had uitgehaald, of hoe edelmoedig hij dit had nagelaten, of hoe hij een aalmoes aan die oude vrouw op de heide had gegeven, of hoe hij van zijne boterham afstand had gedaan ten behoeve van den bedeljongen die op de plaats kwam, – en meer van dien aard. Onder snikken zongen de beide vrouwen klaagliederen tegen elkander over haar held, die, gelijk mijn geachte lezer reeds sinds lang bemerkt zal hebben, evenmin een held is als één van ons beiden. Hoe kon een verstandig meisje, als wij in aanmerking nemen wat hij was, zooveel van hem houden?

Dit punt is reeds vroeger in eene rampzalige zinsnede behandeld, waarmee de schrijver zich onlangs Ierlands ziedenden toorn op den hals heeft gehaald en waarin gezegd werd, dat de grootste schelmen altijd iemand gehad hebben, die veel van hen hield; en indien dit met die monsters het geval is geweest, waarom zou het zich dan niet bij gewone stervelingen voordoen? En op wien anders zal eene jonge dame verlieven dan op den persoon, dien zij dagelijks ziet? Men kan toch niet verlangen, dat zij haar hart in een droom zal verliezen, gelijk eene prinses uit de Arabische Nachtvertellingen; of dat zij hare jeugdige genegenheid zal schenken aan het portret van een heer op de tentoonstelling, of aan eene teekening in de Illustrated London News. Er leeft een instinct in u, dat u noopt u aan iemand te hechten; gij ontmoet zeker Iemand; gij hoort zeker Iemand aanhoudend prijzen; gij wandelt, rijdt, walst, praat of zit op dezelfde bank in de kerk met zeker Iemand; gij komt telkens en telkens met hem in gezelschap, en uwe lieve mama zegt: „De huwelijken worden in den hemel gesloten,” en speldt u den krans van oranjebloesems op, terwijl hare zachte oogen door tranen beneveld worden, en er is een bruiloftsmaal en gij trekt uw wit satijnen kleedje uit en stapt in de koets met vier paarden, en gij en hij zijt een gelukkig paar. Of de zaak springt af, en dan, arm lief gewond hart! dan ontmoet gij Iemand Anders en vereert Nommer Twee met uwe genegenheid. Het ligt in uwe natuur, dat te doen. Denkt gij, dat het alleen ter wille van den man is, dat gij bemint, en niet ook een beetje om u zelve? Denkt gij, dat gij drinken zoudt als gij geen dorst hadt, of eten indien gij niet hongerig waart?

Laura hield dus van Pen, omdat zij op Fairoaks bijna niemand anders zag dan doctor Portman en kapitein Glanders, en omdat Arthur onophoudelijk door zijne moeder geprezen werd, en omdat hij zich als gentleman gedroeg, er vrij goed uitzag en tamelijk geestig was, en bovenal, omdat het in haar aard lag iemand lief te hebben. Na die beeltenis eenmaal in haar hart te hebben opgenomen, koesterde zij die daar teederlijk – peinsde in stilte daarover bij zijn langdurig afzijn en haar aanhoudende eenzaamheid, en troetelde zij die, – en wat ter wereld zou haar, toen zij daarna te Londen kwam en op tamelijk gemeenzamen voet met mijnheer George Warrington geraakte, hebben kunnen beletten om hem als een heel zonderling, origineel, onderhoudend en aangenaam persoon te beschouwen.

Wellicht dat lang daarna, toen deze dagen voorbij waren en het Noodlot op zijne bijzondere wijze huis gehouden had met de onderscheidene personen, die nu in het sombere gebouw op Lamb Court bijeen waren, sommigen hunner naar dien tijd terugzagen en zich herinnerden welk een genoeglijke tijd het toen was en hoe aangenaam de avondgesprekken, de kleine wandelingen en de eenvoudige vermaken rondom de sofa van den herstellenden Pen waren. Sinds dien tijd dacht de majoor gunstig over het doorbrengen van de maand September te Londen, en in zijne clubs en in de gezelschapskringen verklaarde hij, dat de stille tijd in de hoofdstad dikwijls aangenaam was, verduiveld aangenaam, voor den drommel! Meestal, wanneer hij ’s avonds naar zijne kamers in Bury Street terugkeerde, verwonderde hij zich dat het reeds zoo laat was en dat de avond zoo ongemerkt was voorbijgegaan. Hij verscheen vrij geregeld des avonds in den Temple, en zwoegde de hooge donkere trap met goedaardige levendigheid en volharding op. En hij maakte afspraak met den kok in de club van Baye (dien vermaarden kok, die in de hoofdstad moest blijven wegens de uitgave van zijn werk over de Gastronomie, waarop de begaafde auteur het toezicht moest houden), om kleine geleien, geurige bouillons, aspics en andere kleinigheden, die voor zieken geschikt waren, gereed te maken, welke Morgan de kamerdienaar dan geregeld naar het kleine gezelschap op Lamb Court overbracht. En toen dokter Goodenough aan Pen verlof gegeven had om een paar glazen zuivere sherry te drinken, verhaalde de majoor bijna met tranen in de oogen, dat zijn edele vriend de markies van Steyne, toen hij op zijne reis naar het vasteland door Londen kwam, gelast had een onbepaalde hoeveelheid zijner heerlijke, zijner onbetaalbare Amontillado, die koning Ferdinand aan den markies ten geschenke had gegeven, ter beschikking van mijnheer Arthur Pendennis te stellen. De weduwe en Laura proefden er met eerbied van (ofschoon zij den bitteren nasmaak volstrekt niet lekker vonden); maar de zieke werd er ongemeen door versterkt en Warrington verklaarde den wijn voor meer dan lekker, terwijl hij op zekeren dag bij het diner, de eerste maal dat die wijn werd voorgediend, de gezondheid van den majoor, van den markies van Steyne en van de gansche aristocratie onder het houden eener voorgewend ernstige rede instelde.

Majoor Pendennis betuigde er met den meesten ernst zijn dank voor in een antwoord, waarin hij het behoorlijk aantal malen de woorden „deze plechtige gelegenheid” gebruikte. Pen juichte het met zijne zwakke stem uit zijn leuningstoel toe. Warrington leerde aan jufvrouw Laura hoe zij „Hip, hip, hoera!” moest roepen, en sloeg met zijne kneukels op de tafel. Pidgeon, de loopjongen, grinnikte, en dokter Goodenough vond het gezelschap op die vroolijke wijze bezig, toen hij, naar gewoonte, trouw zijne kostelooze visite kwam doen.

Warrington was met Sibwright bekend, die beneden woonde, en deze galante heer schreef in antwoord op een brief, waarbij hem bericht werd hoe zijn kamers in beslag waren genomen, op de beleefdste en bloemrijkste wijze, dat het hem zeer aangenaam was. Hij stelde zijne kamers ten dienste van de schoone bewoonsters, stelde zijn bed tot hare beschikking en legde zijne karpetten aan hare voeten. Iedereen was jegens den zieke en zijne betrekkingen welwillend gezind. Hij smolt weg van aandoening (en zijne moeder ook, gelijk wij wel kunnen begrijpen), bij de gedachte aan zooveel voorkomendheid en goedhartigheid. Men zal het Pen’s levensbeschrijver wel ten goede willen houden, dat hij zich een nog niet lang geleden tijdstip herinnert, toen een eenigszins gelijksoortige ramp hem zelven met een door de Voorzienigheid gezonden vriend, een trouwhartig geneesheer, in aanraking bracht en hem duizenden bewijzen van de roerendste en verrassendste vriendschap en sympathie deed ondervinden.

Er stond eene piano op mijnheer Sibwright’s kamer, want die heer, een beminnaar van alle kunsten, speelde zelf piano – en wel onbeschrijfelijk slecht – en had het genoegen gehad, dat hem een lied was opgedragen (de woorden van hem zelven en de muziek van zijn toegenegen vriend Leopoldo Twankidillo); en aan die speeldoos, gelijk Warrington het instrument noemde, speelde en zong Laura, hoewel aanvankelijk zeer ontroerd en blozende (hetgeen haar bijzonder goed stond), des avonds soms eenvoudige wijsjes en oude liedjes van thuis. Zij bezat eene volle contra-alt-stem, en Warrington, die nauwelijks de eene melodie van de andere kon onderscheiden en slechts één air of deun op zijn répertoire had – eene hoogst wanluidende nabootsing van God save the king, – zat in verrukking naar die liederen te luisteren. Hij kon de maat, zoo niet de melodie volgen, en zat met bestendige en dagelijks toenemende geestdrift het reine, teedere, edelaardige schepseltje te bewonderen, dat de muziek maakte.

Ik zou wel willen weten, hoe de muziek aan het arme bleeke meisje, met het zwarte hoedje, beviel, dat soms des avonds bij den lantarenpaal op Lamb Court naar de open vensters stond te kijken, uit welke het geluid kwam? Als het Pen’s tijd was om naar bed te gaan, hield het gezang op. Er verscheen licht op de bovenkamer, op zijne kamer, waar de weduwe hem altijd heen geleidde; en vervolgens zette zich de majoor met Warrington en soms met jufvrouw Laura aan een spelletje écarté of triktrak; of zij ging bij hen zitten werken aan een paar geborduurde pantoffels – heerenpantoffels – die voor Arthur, of George, of majoor Pendennis bestemd konden zijn; althans zou elk van die drie alles wat men maar wilde voor die pantoffels gegeven hebben.

Terwijl dit alles binnenshuis voorviel, kwam een oud heer in vrij kale kleeding het bleeke meisje met het zwarte hoedje halen en wegbrengen, want het meisje moest niet in de avondlucht uit zijn, en daarop gingen de kruiers van den Temple, de waschvrouwen en andere liefhebbers, die naar het concert geluisterd hadden, ook uiteen.

Even vóór tienen had er een andere muziekuitvoering plaats, namelijk die van het klokkenspel der St.-Clementskerk in het Strand, dat met heldere en opbeurende tonen een psalm speelde, alvorens de tien noodlottige slagen vielen. Onderwijl hun galm wegstierf, begon Laura hare pantoffels op te rollen; Martha van Fairoaks vertoonde zich met eene nachtkaars en een onveranderlijken glimlach op haar gezicht; de majoor zeide: „Heere bewaar me! is het al zoo laat!” Hij en Warrington stonden van hun onvoltooid spel op en gaven jufvrouw Bell de hand, Martha van Fairoaks lichtte hen den gang door en de trap af, en terwijl zij naar beneden gingen, konden zij haar de tusschendeur hooren grendelen en sluiten, om zich en hare jonge meesteres te beveiligen. Indien er gevaar ware geweest, zeide de grinnikende Martha, „dat zij die kromme sabel zou hebben genomen, die in mijnheers kamer hing,” waarmee zij de Damascener kling bedoelde, met den naam van den Profeet op de kling en op de roodfluweelen scheede, die de weledelgeboren heer Percy Sibwright van zijne reis in den Levant had meegebracht, te gelijk met een Albaneesch gewaad, waarmee hij zooveel opzien baarde op het gecostumeerd bal bij Lady Mullinger in Gloucester Square, nabij Hyde Park. Hij verwarde er zich mee in de sleepjapon van jufvrouw Kewsey, die het kleed droeg waarin zij met hare mama was voorgesteld aan de koningin (de laatstgenoemde door de echtgenoote van den lord-kanselier), hetgeen gebeurtenissen ten gevolge had, die volstrekt in geen betrekking staan tot dit verhaal. Is jufvrouw Kewsey thans niet mevrouw Sibwright? En is Sibwright geen lid van een provinciaal gerechtshof? – Goedennacht, Laura en Martha van Fairoaks. Slaap wel en ontwaak blijde, reine en lieve dame!

Na deze avonden gebeurde het soms, dat Warrington een eindje met majoor Pendennis opwandelde – een heel klein eindje – niet verder dan tot aan de poort van den Temple – tot aan het Strand – tot aan Charing Cross – tot aan de club – ging hij niet naar de club? nu dan, tot aan Bury Street, waar hij den majoor op diens eigen drempel lachend de hand gaf. Zij hadden dien ganschen weg over Laura gesproken. Het was verwonderlijk, hoe ingenomen de majoor met de jonge dame was geworden, van wie hij vroeger, gelijk wij weten, een afkeer had. „Drommels beschaafd meisje – mijne schoonzuster heeft de manieren van eene hertogin en zou elk meisje goed groot brengen. Jufvrouw Bell is een klein beetje provinciale, maar dat geeft haar iets ongemeens. Wat kan zij blozen! De Londensche meisjes zouden menige guinje voor zulk een bouquet geven, – natuurlijke bloemen, voor den drommel! En zij heeft wat geld ook – niet de moeite waard om er van te spreken – maar toch een aardig duitje.” Zonder twijfel stemde mijnheer Warrington met al die gevoelens in, en ofschoon hij nog lachte toen hij den majoor de hand drukte, betrok zijn gelaat zoodra hij den veteraan verliet. Hij keerde naar zijne kamer terug, rookte de eene pijp na de andere tot diep in den nacht, en schreef artikel op artikel, het eene nog barscher dan het andere, in de plaats van zijn door ziekte verhinderden vriend Pen.

Het was een gelukzalige tijd voor al de betrokkenen. Pen nam dagelijks in beterschap toe. Zijn eetlust was iets verschrikkelijks. Hij durfde die voor Laura niet toonen en ook bijna niet voor zijne moeder, die er om lachte en hem aanmoedigde. Als de gebraden kip van tafel werd weggenomen, keek hij den vertrekkenden vriend met een smachtenden blik na, en begon dan naar gelei, of thee, of wat het maar ware, te verlangen. Kortom hij at als een wolf. De dokter riep wel: „Houd op!” maar Pen luisterde er niet naar. De natuur liet zich sterker gelden dan de dokter, en de inschikkelijke en vriendelijke geneesheer leverde hem zeer gaarne aan de zorg van die verzorgster over.

Wij moeten hier, op kiesche wijze en onder de stiptste geheimhouding, gewag maken van iets dat hem overkwam, en waarop hij altijd ongaarne hoorde zinspelen. Gedurende zijn ijlenden toestand had de barbaarsche Goodenough last gegeven ijs op zijn hoofd te leggen en al zijn mooie haar af te snijden. Dat was in den tijd van – van de andere oppasster, die elk haartje natuurlijk in een papier achterliet, opdat de weduwe ze kon natellen en wegbergen. Deze geloofde altijd, dat het meisje er zich wat van had toegeëigend; maar de vrouwen zijn ook zoo achterdochtig in zulke zaken!

Toen majoor Pendennis dat betreurenswaardige verlies opmerkte, hetgeen hij wel doen moest zoodra hij voor de eerste maal des jonkmans geschoren hoofd zag, en Pen geheel buiten gevaar was en dagelijks in krachten toenam, zeide de majoor, met een soort van blosje en een kluchtig knipoogje, dat hij ie – iemand kende – kortom een kapper – een vertrouwd man, dien hij naar den Temple zou zenden, en die hem een – een – tijdelijk hulpmiddel tegen dat ongeluk zou verschaffen.

Laura keek Warrington met eene schalksche flikkering in haar oog aan, en Warrington schaterde het uit van lachen; zelfs de weduwe moest lachen, en de majoor, die rood werd, verwenschte den overmoed der jongelui, en zeide dat hij, als hij zijn haar liet knippen, een lokje voor Laura zou afzonderen.

Warrington stelde voor, dat Pen een advocaatspruik zou opzetten; die van Sibwright was beneden en zou hem onverbeterlijk staan. „Gekheid!” zeide Pen, en zag er even verlegen uit als zijn oom. Maar het slot van dit alles was, dat zeker heer uit de Burlington Arcade den volgenden dag zijn opwachting bij mijnheer Pendennis kwam maken en een bijzonder onderhoud met hem op zijne slaapkamer had; en eene week daarna verscheen dezelfde persoon weer met eene doos onder den arm en een onbeschrijfelijken grijns van beleefdheid op zijn gezicht, en verklaarde, dat hij mijnheer Pendennis’ pruik medegebracht had.

Het moet een treffend maar melancholisch tafereel zijn geweest, Pen in de verborgenste hoeken van zijn vertrek weemoedig zijne verwoeste schoonheid en de kunstmiddelen, om die verwoesting te verbergen, te zien beschouwen. Eindelijk kwam hij met zijne pruik uitgedost voor den dag; doch Warrington schreeuwde het zoo uit van het lachen, dat Pen boos werd, en zijn fluweelen kapje ging halen, een sierlijk stuk, dat de teederste der moeders voor hem gewerkt had Daarop haalden mijnheer Warrington en jufvrouw Bell eenige bloemen uit de hoeden der dames en maakten daar een krans van, waarmee zij de pruik versierden, die zij in processie ronddroegen en daaraan hulde bewezen. Zij gaven zich aan honderd spelletjes, grappen, snakerijen en petits jeux innocents over, zoodat de tweede en derde verdiepingen van nº. 6 op Lamb Court in den Temple van meer vroolijkheid en gelach weergalmden dan men sinds langen tijd in die vertrekken gehoord had.

Na tien dagen eindelijk van een dergelijk leven, kwam er op zekeren avond, toen de kleine bespiedster van het pleintje hare gewone standplaats bij den lantarenpaal innam, geen muziek meer uit het venster der tweede verdieping en was er geen licht meer op de kamers der derde verdieping; de vensters van al die vertrekken stonden open en de bewoners waren verdwenen. Vrouw Flanagan, de schoonmaakster, vertelde aan Fanny wat er gebeurd was. De dames waren met de anderen naar Richmond gegaan, om verandering van lucht te genieten. De ouderwetsche reiskoets was weer voorgekomen en met een aantal kussens belegd voor Pen en zijne moeder; en Laura was op de eenvoudigste wijze met den omnibus gegaan, onder de hoede van mijnheer George Warrington. Deze kwam dien avond terug en nam weer van zijn oud bed op de ledige en eenzame kamers bezit, en had weer genot van zijn oude pijpen, maar misschien niet van zijn ouden slaap.

De weduwe had eene vaas met net gerangschikte bloemen op zijn tafel laten staan, die, toen hij binnentrad, het verlaten vertrek met haar geur vervulden. Het waren herinneringen aan de lieve, zachte menschen, die vertrokken waren en deze eenzame, vreugdelooze plaats een korten tijd opgeluisterd hadden. George gevoelde, dat hij de gelukkigste dagen van zijn leven had doorgebracht; hij begreep dit nu zij pas weg waren; en dus nam hij de bloemen op en rook er aan en kuste ze misschien. Toen hij ze neerzette, streek hij met een bitter woord en een bitteren lach met de ruwe hand over zijn oogen. Hij had leven en ziel willen afstaan, om den prijs te winnen, dien Arthur verwierp. Was zij begeerig naar roem? hij zou dien voor haar verworven hebben; – naar hartelijke toewijding? een grootmoedig hart, vol van lang ingehouden teederheid en liefde en welwillendheid was hier voor haar, indien zij het mocht aannemen. Maar dat kon niet zijn. Het noodlot had het anders beschikt. „En al kon het anders, dan zou zij mij toch niet begeeren,” dacht George. „Wat is er aan een leelijken ruwen ouden kerel gelijk ik, dat eener vrouw behagen kan? Ik word oud, en heb het tot niets gebracht. Ik bezit noch voorkomen, noch jeugd, noch geld, noch naam. Om zich door eene vrouw te doen beminnen, moet een man nog tot iets anders in staat zijn dan haar aan te staren en op zijne knieën haar zijne lompe hulde te bieden. Wat kan ik doen? Een aantal jonge kerels zijn mij in den wedren voorbijgestreefd; wat zij de prijzen des levens noemen, scheen mij de moeite van den strijd niet waard. Doch om haar te winnen! Indien zij de mijne ware geweest en een diamant begeerd had, zou ik gezorgd hebben, dat zij dien had gedragen! Och, wat ben ik een dwaas, te snoeven op hetgeen ik zou gedaan hebben! Wij zijn de slaven van het lot. Ons lot wordt voor ons voorbeschikt, en het mijne is sinds lang beslist. Kom laat, ik nog eene pijp opsteken, om den geur van deze bloemen te verdrijven. Arme stille bloempjes! morgen zult gij dood zijn. Waarom ook moest gij uwe roode wangetjes op deze sombere plaats vertoonen?”

Naast zijn bed vond George een nieuwen Bijbel, dien de weduwe daar geplaatst had, met een inschrift, luidende dat zij dit boek niet gezien had onder zijne verzameling in eene kamer waar zij een aantal uren had doorgebracht, en waar God haar op hare gebeden het leven van haar zoon had geschonken, zoodat zij aan Arthur’s vriend het beste aanbood wat zij hem schenken kon; zij verzocht hem nu en dan eens in dat boek te lezen en het te bewaren als eene gedachtenis aan de achting en genegenheid eener dankbare moeder. Weemoedig kuste de arme George het boek, gelijk hij de bloemen gedaan had; en de morgen trof hem nog lezende aan in die indrukwekkende bladzijden, waarin zoovele geslagen harten, zoovele teedere en geloovige zielen troost onder rampen en toevlucht en hoop onder beproeving gevonden hebben.

VIJF EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

FANNY HEEFT AFGEDAAN.

Gelijk wij gezien hebben, had de goede Helena sinds de ziekte van haar zoon dien jongeling met zijne laden en kastjes en al wat daarin bevat was, in volslagen bezit genomen. Zij had nagezien aan welke hemden knoopen moesten worden gezet, welke kousen gestopt moesten worden, en – moeten wij het openbaren? – ook de brieven in beslag genomen, welke tusschen die kleedingstukken lagen en die natuurlijk, gedurende Arthur’s zwakken en hulpeloozen toestand, noodzakelijk door iemand beantwoord moesten worden. Misschien was mevrouw Pendennis door eene loffelijke begeerte bezield om iets naders te weten omtrent dat vreeselijke geval met Fanny Bolton, waarover zij nog geen woord tegen haar zoon gerept had, ofschoon het haar altijd voor den geest stond en haar onuitsprekelijken angst en ongerustheid veroorzaakte. Zij had den koperen klopper van de binnendeur der kamers laten afschroeven, daar het zware kloppen van den brievenbesteller, gelijk zij zeer juist aanmerkte, de rust van haar patiënt zou verstoren, en zij liet geen der aankomende brieven onder zijn oogen komen, noch van laarzenmakers die hem lastig vielen, noch van hoedenmakers, die aanstaanden Zaterdag eene zware som moesten betalen en zich zeer verplicht zouden rekenen indien de heer Arthur Pendennis de goedheid wilde hebben die kleinigheid af te doen, enz. Pen, die altijd kooplustig en onnadenkend was, kreeg van die documenten natuurlijk zijn bescheiden deel, en ofschoon niet zeer groot, was dat deel toch meer dan genoeg om zijne zuinige en nauwgezette moeder angst aan te jagen. Zij had een spaarpotje gemaakt. Pen’s edelaardige zelfverloochening en haar eigene zuinigheid, die door hare groote eenvoudigheid en afkeer van vertoon bijna aan gierigheid grensde, had haar gelegenheid verschaft een sommetje gelds ter zijde te leggen, waarvan zij volgaarne een gedeelte besteedde om de schulden van den jongen af te doen. Tegen dezen prijs zou menig onberispelijk jongmensch en geachte lezer zijne correspondentie gaarne aan zijn ouders overhandigen, en er is misschien geen grooter bewijs van iemands geregeld leven en gerust geweten, dan dat hij den brievenbesteller zonder ontroering durft afwachten. Gelukkig hij, die zich over de komst van dien beambte verblijdt! De braven verlangen er naar; maar de boozen beven als zij hem hooren. En derhalve was het dubbel vriendelijk van mevrouw Pendennis, dat zij Pen gedurende zijne ziekte den last bespaarde iets van zijne brieven te hooren of ze te moeten beantwoorden.

Er kon zich niets in de laden of kasten van den jonkman bevonden hebben, dat hem in eenig opzicht beschuldigde; er was niets, dat het geval met Fanny Bolton genoegzaam ophelderde, want de weduwe moest haar schoonbroeder vragen, of hij iets wist van die akelige zaak en van de vreeselijke minnarij, waarmee haar zoon zich had ingelaten. Op zekeren dag toen zij zich te Richmond bevonden, en Pen zich met Warrington op het terras op eene bank had gezet, nam de weduwe majoor Pendennis ter zijde, en bekende hem haar angst en verlegenheid, zooveel althans als zij goedvond aan haar raadsman toe te vertrouwen; want, naar de gewoonte van mannen en vrouwen, openbaarde zij niet alles, en ik geloof niet dat één verkwister, dien men om de lijst zijner schulden heeft gevraagd, of eene voorname dame, die hare modemaakstersrekeningen aan haar man moet overleggen, ze ooit geheel zuiver heeft opgegeven.

Toen zij den majoor dus vroeg, welken weg zij ten aanzien van deze verschrikkelijke deze afschuwelijke zaak moest inslaan, en of hij er iets van wist, trok de oude heer een scheef gezicht, zoodat men niet wist of hij al dan niet lachte; daarop wierp hij een schelmschen blik uit zijne kleine oogjes op de weduwe, sloeg ze weer neer en zeide: „Schepseltje-lief, ik weet er niets van, en ik wensch er ook niets van te weten. Als gij mijn gevoelen vraagt, houd ik het er voor, dat het ook voor u het beste is er niets van te weten. Jongelui zijn jongelui; en waarlijk, zusje-lief, als gij denkt, dat onze jongen een Jozef –”

„Ik verzoek u mij dit te besparen,” viel Helena hem met verbazende deftigheid in de rede.

„Kind-lief,” zeide de majoor heel beleefd buigende, „vergun mij u te herinneren, dat ik het gesprek niet begonnen ben.”

„Ik kan van zulk eene zonde – van zulk een ijselijke zonde, niet op die manier hooren spreken,” zeide de weduwe, terwijl tranen van verdriet in haar oogen opwelden. „Ik kan er niet aan denken, dat mijn jongen zulk eene misdaad zou bedreven hebben. Ik wenschte bijna, gestorven te zijn vóór dien tijd. Ik weet niet hoe ik het overleven zal; want mijn hart, majoor Pendennis, breekt bij de gedachte, dat zijn vaders zoon – mijn zoon – dien ik mij nog als zoo braaf herinner – o zoo braaf en zoo vol eergevoel – zoo vreeselijk diep zou gevallen zijn, dat hij – dat hij –”

„Dat hij met eene kleine grisette gecoquetteerd heeft, schepseltje-lief?” zeide de majoor. „Nu, indien de harten van al de moeders in Engeland moesten breken, omdat – Kom, kom, op mijn woord van eer, wees niet zoo zenuwachtig – ga nu niet schreien. Ik kan geen vrouw zien weenen – dat heb ik nooit kunnen aanzien – nooit! Maar hoe weten wij, dat er iets ernstigs gebeurd is? Heeft Arthur u iets gezegd?”

„Het blijkt uit zijn stilzwijgen,” snikte mevrouw Pendennis achter haar zakdoek.

„In het geheel niet. Er zijn onderwerpen, mijn beste, waarover een jonkman toch niet met zijne mama kan spreken,” voerde haar schoonbroeder aan.

„Zij heeft aan hem geschreven,” riep de dame van achter het batist.

„Hoe, voordat hij ziek was? Wel waarschijnlijk.”

„Neen, daarna,” snikte de rouwdraagster achter het batisten masker; „niet vroeger; dat wil zeggen, dat geloof ik niet, dat wil zeggen, ik –”

„Alleen daarna, – en gij hebt – ja, ik begrijp het al. Gij hebt u zeker van zijne brieven meester gemaakt, toen hij te ziek was om ze te lezen?”

„Ik ben de ongelukkigste moeder op den geheelen aardbodem,” riep de rampzalige Helena uit.

„De ongelukkigste moeder op den geheelen aardbodem, omdat uw zoon een man en geen kluizenaar is! Pas op, zusje-lief! Indien gij brieven van hem hebt achtergehouden, kunt gij u zelve veel kwaad hebben gedaan, en kan hieruit, indien ik Arthur’s karakter wél ken, een oneenigheid tusschen u en hem voortspruiten, die u uw gansche leven berouwen zal, – een oneenigheid, die drommels veel meer te beteekenen heeft, vrouwtje-lief, dan die kleine – kleine – gekheid, die er de oorzaak van is.”

„Het is maar één brief geweest,” zeide Helena, „een heel kleintje – maar weinige woorden. Hier is hij. O, hoe kunt – hoe kunt gij zoo spreken?”

Toen de goede ziel „een heel kleintje” zeide, kon de majoor eigenlijk in het geheel niet spreken, zooveel lust had hij om te lachen, in weerwil van den angst der arme vrouw, die hij een hartelijk medelijden en te gelijk veel genegenheid toedroeg. Doch elk hunner beschouwde de zaak uit zijn of haar eigen oogpunt en volgens zijn begrip van zedelijkheid, en de lezer weet, dat des majoors zedeleer niet die van een kluizenaar was.

„Ik raad u,” hernam hij met een ernstig gezicht, „het briefje weer toe te maken (die soort van brieven zijn gewoonlijk met een ouwel gesloten), het tusschen Pen’s andere brieven te leggen en het hem te geven zoodra hij er om vraagt. Of, als we het niet meer kunnen toemaken, moeten wij maar zeggen, dat wij het geopend hebben, in de meening dat het eene rekening was.”

„Ik kan mijn zoon geen leugen vertellen,” zeide de weduwe. De brief was twee dagen vóór hun vertrek uit den Temple stilletjes in de brievenbus gestoken en Martha had hem aan mevrouw Pendennis gebracht. Deze had natuurlijk nog nooit Fanny’s schrift gezien, maar toen zij den brief in handen kreeg gevoelde, zij dadelijk wie de schrijfster was. Sedert Pen’s ziekte had zij als het ware op dien brief zitten wachten, en verscheidene zijner andere brieven geopend, in de hoop, dat deze er onder zou zijn. Op dit zelfde oogenblik verpestte het afgrijselijk stuk papier haar zak, en zij nam het er nu uit en bood het haar schoonbroeder aan.

Er kwam een spotlach op zijn gezicht toen hij het adres „Aan den weledelen heer Arthur Pendennis” in een bevend en onregelmatig handje las. „Neen, mijne beste,” sprak hij, „ik wil niet verder lezen. Maar daar gij den brief gelezen hebt, kunt gij mij wel vertellen wat er in staat. Enkel zegenwenschen voor het herstel zijner gezondheid in eene slechte spelling, zegt gij? en het verlangen om hem te zien? Nu, daarin steekt niet veel kwaads. En als gij mij vraagt,” hier begon de majoor van zijn kant een weinig zonderling te kijken en trok zijn gezicht in de stemmigste plooi, „als gij mij vraagt wat ik er van weet, mijne waardste, nu, dan wil ik u wel zeggen, dat – ah – dat mijn knecht Morgan eens geïnformeerd heeft naar die zaak, en dat – mijn vriend dokter Goodenough heeft er ook naar onderzocht – en het schijnt, dat dit meisje smoorlijk op Arthur verliefd is geweest dat hij met haar den Vauxhall bezocht en de entrée voor haar betaald heeft, zooals Morgan van een oud bekende van Pen en van ons hoorde, te weten van een Ier, die eens op het punt heeft gestaan om de eer te hebben – nu, om kort te gaan, van een Ier, – dat de vader van het meisje, een ruw man, die zich aan den drank te buiten gaat, hare moeder heeft geslagen, die aan den eenen kant tegen haar man volhoudt dat hare dochter volmaakt onschuldig is, terwijl zij aan den anderen kant aan Goodenough vertelde, dat Arthur zich gemeen jegens haar kind gedragen had. Gij ziet dus, dat de geheele geschiedenis een raadsel is. Wilt gij het opgelost hebben? Ik behoef het Pen maar te vragen en hij zal het mij dadelijk zeggen, – want hij is een man van eer bij uitnemendheid.”

„Eer!” zeide de weduwe op bitteren en smadelijken toon. „O, broeder, wat noemt gij eer? Als mijn jongen schuldig is geweest, moet hij haar trouwen. Ik zou er hem op mijne knieën om smeeken.”

„Goede Hemel! zijt gij gek?” schreeuwde de majoor, want hij herinnerde zich vroegere voorvallen uit de geschiedenis van Arthur en Helena, en begreep, dat haar zoon, indien zij hem dat verzoek deed, het meisje zou trouwen; hij was doorzettend en stijfhoofdig genoeg om elke denkbare dwaasheid te begaan, als de vrouw, die hij liefhad, er in betrokken was. „Zusterlief, hebt ge uw verstand verloren?” ging hij voort (na een oogenblik van spanning, gedurende hetwelk de evengenoemde onzalige overweging hem voor den geest kwam), en dit sprak hij op zachtzinniger toon. „Met welk recht zouden wij aannemen, dat er tusschen hem en dit meisje iets voorgevallen is? Laat mij den brief eens zien. Haar hart breekt; „schrijf mij toch als het u belieft spoedig – thuis ongelukkig – harde vader – uwe oppasster – de arme kleine Fanny,” – eene spelling, gelijk gij wel zegt, in strijd met alle begrippen van fatsoen. Maar, hemeltje, mijne waardste, wat steekt er nu in dit alles? niets anders dan dat het arme schaap nog altijd op hem verliefd is. Nu, zij kwam pas op zijne kamers, toen hij zoo erg ijlde, dat hij haar niet kende. Dat heeft de waschvrouw – hoe heet zij ook? – Flanagan, aan mijn knecht Morgan verteld. Zij is er in gezelschap van een oud man, zekeren mijnheer Bows, gekomen, die ook zoo vriendelijk is geweest mij van Stillbrook te komen afhalen – en nu herinner ik mij, dat ik hem in de cab heb laten zitten en de vracht niet betaald heb. Het was drommels vriendelijk van hem. Neen, er is geen gevaar bij de gansche historie.”

„Gelooft gij dat? Ik dank de hemel er voor, Goddank” riep Helena uit. „Ik zal met den brief naar Arthur gaan en het hem vragen. Kijk, daar is hij op het terras met mijnheer Warrington. Zij spreken met kinderen; mijn jongen hield altijd veel van kinderen. Hij is onschuldig, – Goddank, Goddank! Ik zal dadelijk naar hem toegaan.”

De oude Pendennis had zijn eigen gevoelen over de zaak. Toen de oude heer zich slechts een oogenblik te voren van Arthur’s onschuld overtuigd verklaarde, was hij waarschijnlijk van een andere meening dan die, welke hij openbaarde en beoordeelde hij den jongen naar het geen hij zelf zou gedaan hebben. Als zij naar Arthur gaat en deze voor de waarheid uitkomt, dacht hij, dan is alles verkorven, en dus wendde hij nog eene laatste poging aan.

„Beste, goede ziel,” zeide hij, terwijl hij Helena’s hand nam en die kuste, „hebt gij wel recht om u in deze zaak te mengen, daar uw zoon er u niet mee bekend heeft gemaakt? Als gij hem voor een man van eer houdt, waarom zoudt gij dan aan zijn eer in dit geval twijfelen? Wie is zijn aanklager? Een schelm, die zich niet noemt en die geene bepaalde beschuldiging tegen hem aanvoert. Zouden de ouders van het meisje niet opgekomen zijn, als er wezenlijk grond toe bestond? Hij is niet verplicht eene naamlooze aantijging te weerleggen, evenmin als gij om die te laten gelden, en hem voor schuldig te houden, omdat een meisje van dien stand hem op zijne kamer oppaste; – wel, gij zoudt evengoed kunnen vergen, dat hij die verwenschte oude dronken Iersche schoonmaakster, die vrouw Flanagan, trouwde.”

De weduwe moest tusschen hare tranen om dat denkbeeld lachen en de oude veldheer had de overwinning behaald.

„Ja, jufvrouw Flanagan trouwde, – voor den drommel!” herhaalde hij en klopte haar op de tengere hand. „Neen, de jongen heeft er u niets van verteld en gij weet er niets van. De knaap is onschuldig – dat spreekt van zelf. En welke gedragslijn moeten wij nu volgen? Stel, dat hij aan het meisje gehecht is – kijk nu niet zoo verslagen, het is maar een onderstelling – en, wat drommel! een jongmensch mag toch wel eene genegenheid koesteren – niet waar? Zoodra hij hersteld is, zal hij weer naar haar toegaan.

„Hij moet mee naar huis komen! Wij moeten dadelijk naar Fairoaks terugkeeren.” riep de weduwe uit.

„Schepseltje-lief, op Fairoaks zal hij zich doodkniezen. Hij zal daar niets te doen hebben dan aan de liefde te denken. Er is geen plaats ter wereld waar eene kleine liefde weliger tiert en een mensch meer genoodzaakt wordt zich met zijn eigen gedachten bezig te houden, dan zoo’n verwenscht buitenplaatsje, waar men niets om handen heeft. Wij moeten hem bezig houden, hem afleiding verschaffen en met hem buitenslands gaan; hij heeft nog nooit een tochtje in den vreemde gedaan, dan een enkel uitstapje naar Parijs. Wij moeten wat met hem reizen. Hij moet iemand hebben, die hem oppast en in alle opzichten voor hem zorgt, want Goodenough zegt, dat hij maar ternauwernood de dans ontsprongen is (zie er nu maar niet zoo verschrikt uit), en dus moet gij meegaan om het oog op hem te houden. Waarschijnlijk zult gij jufvrouw Bell wel meenemen en ik zou Warrington wel eens willen verzoeken ook mee te gaan. Arthur houdt drommels veel van Warrington, en kan zonder hem niet leven. Warrington’s familie behoort tot de oudste van Engeland, en hij is een der fatsoenlijkste jonge menschen, die ik ooit in mijn leven ontmoet heb. Ik houd buitengewoon veel van hem.”

„Weet mijnheer Warrington iets van dit – dit geval?” vroeg Helena. „Ik weet, dat hij reeds twee maanden van huis was toen het gebeurde; dat heeft Pen mij geschreven.”

„Geen woord – ik heb er hem naar gevraagd en hem uitgehoord. Hij heeft nooit iets van de zaak vernomen, nooit; daar geef ik u mijn woord op,” riep de majoor eenigszins onthutst. „En ik geloof, mijne waardste, dat het ook het beste is, dat gij hem er niet over spreekt, – het allerbeste, natuurlijk, want het is een zeer kiesch en pijnlijk onderwerp.”

De argelooze weduwe greep haar broeders hand, die zij drukte. „Ik dank u, broeder,” sprak zij. „Gij zijt zeer vriendelijk voor mij geweest, allervriendelijkst, en hebt mij veel troost geschonken. Ik zal naar mijne kamer gaan en eens overleggen wat gij gezegd hebt. Ik ben door die ziekte en deze – deze aandoeningen – erg van streek, en gij weet, dat ik niet sterk ben. Maar ik zal er God voor danken, dat mijn jongen onschuldig is. Hij is toch onschuldig, – daar houdt gij het immers ook voor?”

„Ja, ja, schatje-lief,” zeide de oude heer, die haar hartelijk kuste en door de teederheid, welke zij aan den dag legde, geroerd was. Hij keek haar, toen zij zich verwijderde, met een welwillendheid na, die pikant werd door een zekeren spot, waarmee dat gevoel gepaard ging. „Onschuldig!” zeide hij. „Ik zou er liever een eed op doen dat hij onschuldig is, dan die goede ziel smart te veroorzaken.”

Na die zegepraal behaald te hebben, strekte de vermoeide maar verheugde krijgsman zich op de sofa uit, wierp zijn geel zijden zakdoek over zijn gelaat en gaf zich aan een verkwikkelijk dutje over, dat zonder twijfel door zeer aangename droomen verlevendigd werd, daar hij met eene behaaglijke regelmatigheid snorkte. De jongelieden zaten ondertusschen de laatste uren van den zonneschijn zeer genoegelijk op het terras te genieten, waarbij althans Pen zeer spraakzaam was. Hij zette aan Warrington het plan van een nieuwen roman en een nieuw treurspel uiteen. Lachte Warrington om het denkbeeld, dat hij een treurspel zou schrijven? Bij den hemel, hij zou toonen, dat hij er toe in staat was, en daarop begon hij eenige regels uit het stuk op te dreunen.

De kleine solo, die de majoor op het blaasinstrument uitvoerde, werd gestoord door het binnentreden van jufvrouw Bell. Zij was op bezoek geweest bij haar oude vriendin Lady Rockminster, die gedurende de zomermaanden eene villa in de buurt bewoonde. Toen mylady van Arthur’s ziekte en van de komst zijner moeder te Richmond hoorde, had zij aan deze laatste een bezoek gebracht en, ofschoon zij den eersten niet lijden mocht, toch een schat van druiven, patrijzen en andere lekkernijen voor hem gezonden. De oude dame hield onbeschrijfelijk veel van Laura en snakte naar het oogenblik, dat het meisje weer bij haar zou komen logeeren; doch Laura kon hare moeder in de tegenwoordige omstandigheden niet verlaten, daar Helena’s eigen gezondheid, door haar waken voor die van Arthur, zwaar geleden had en dokter Goodenough dus evenzeer voor haar als voor zijn jongeren patiënt recepten had moeten schrijven.

Toen de jonge dame binnenkwam, schrikte de oude Pendennis op, want hij was licht van slaap. Hij hield eene zeer galante toespraak tegen haar; – in den laatsten tijd vloeide hij van galanterie voor haar over. Waar had zij die rozen geplukt, die op hare wangen bloeiden? Wat was hij gelukkig, dat zijne droombeelden door zulk eene verrukkelijke werkelijkheid vervangen werden! Laura bezat veel humor en oprechtheid, en deze beide eigenschappen waren oorzaak, dat zij den ouden heer een gevoel toedroeg, hetwelk zeer van nabij aan minachting grensde. Zij had er genoegen in, hem met zijne wereldsche inzichten voor den dag te laten komen, en dezen trouwen bezoeker van clubs en gezelschapszalen zijne bazelende vertellingen over de groote lui en zijne beschouwingen over de moraliteit te laten mededeelen

Ditmaal had zij echter geen lust om satiriek te zijn. Zij was, zeide zij, met Lady Rockminster uit rijden geweest in het Park en had wild voor Pen en bloemen voor mama meegebracht. Zij zag den toestand van mevrouw Pendennis, die zij zoo even bezocht had, zeer ernstig in. Helena was zeer afgemat en Laura hield het er voor, dat zij zwaar, heel zwaar ziek was. Hare groote oogen toonden de duidelijke sporen van hare meewarigheid met den toestand harer vriendin. Laura was zeer ongerust over haar; zou die goede, die lieve dokter Goodenough haar niet kunnen genezen?

De majoor antwoordde langzaam, dat Arthur’s ziekte en nog andere zorgen Helena zeer zeker geschokt hadden. Een gloeiende blos op het gelaat van het meisje bewees, dat zij de toespeling van den ouden man zeer goed gevat had, maar zij zag hem flink in de oogen en gaf geen antwoord. „Dat had hij mij kunnen besparen,” dacht zij. „Wat bedoelt hij, met mij aan dat schandelijk geval te herinneren?”

Het is zeer mogelijk, dat hij er een doel mee had; de oude diplomaat sprak zelden zonder bedoeling. Dokter Goodenough had hem over den gezondheidstoestand van beider lieve vriendin onderhouden, zeide hij, en verklaarde, dat zij rust en verandering van lucht noodig had, – ja, verandering van lucht. Zekere pijnlijke gebeurtenissen, die plaats hadden gevonden, moest men vergeten en niet meer ophalen, en hij vroeg jufvrouw Bell verschooning, dat hij er tegen haar op gezinspeeld had; hij zou het nooit meer doen, – en zij ook niet, daarvan hield hij zich overtuigd. Men moest alles in het werk stellen, om hunne vriendin tot kalmte te brengen en haar een riem onder het hart te steken, en daarom stelde hij voor, dat zij van het najaar gebruik zouden maken om zich naar eene badplaats in de nabijheid van den Rijn te begeven, waar Helena haar afgematten geest weer zou kunnen verstalen en Arthur moest trachten een nieuw mensch te worden. Laura zou hare moeder toch niet alleen laten gaan?

Natuurlijk niet. Laura was om Helena bezorgd, alleen om Helena, – dat wil zeggen, om harentwil ook voor Arthur. Zij zou met Helena naar het buitenland, of waar dan ook gaan.

En toen Helena de zaak een uur lang in hare kamer overdacht had, was zij in dien tusschentijd zoo begeerig geworden naar het tochtje, als een schooljongen, die een reisverhaal gelezen heeft en nu naar zee wil. Waar zouden zij naar toe gaan? Hoe verder hoe beter; naar eene plaats zoo ver afgelegen, dat men hen zelfs met de verbeelding niet zou kunnen volgen, – zoo heerlijk, dat Pen er niet vandaan zou willen: – overal waar hij maar gelukkig zou zijn. Met bevende vingeren opende zij haar lessenaartje, nam er haar bankiersboekje uit en telde het bedrag harer bescheidene spaarpenningen op. Was er meer noodig, dan had zij haar diamanten kruis nog. Zij zou weer van Laura leenen. „Laten wij gaan, laten wij gaan,” dacht zij; „zoodra hij tegen de reis kan, moeten wij vertrekken. Kom, lieve dokter Goodenough, kom spoedig, en geef ons verlof, Engeland te verlaten.”

Dien zelfden dag kwam de goede dokter aanrijden, om bij hen te dineeren. „Als gij u zoo opwindt,” zeide hij, „en uw hart zoo klopt, en gij u zoo angstig gelieft te maken over een jongen heer, die zoo snel mogelijk beter wordt, zult gij ook naar bed moeten en zal jufvrouw Laura u moeten oppassen; en daarna zal zij ook ziek worden, en ik zou den dokter wel eens willen zien, die u allen omniet zou willen komen helpen. Mijne vrouw is reeds jaloersch op u, en zegt, volkomen naar waarheid, dat ik op mijne dames-patiënten verlief. Wees dus zoo goed het land hoe eerder zoo liever te ruimen, opdat ik in mijn eigen huis een beetje vrede moge hebben.”

Toen men aan Arthur een buitenlandsch reisje voorsloeg, omhelsde die heer dat plan met de grootste gretigheid en geestdrift. Hij had wel dadelijk op weg willen gaan. Van dat oogenblik af liet hij zijne snorren groeien, waarschijnlijk om zijn mond de plooi te geven, voor een onberispelijke uitspraak van Fransch en Duitsch benoodigd; en het was hem een nagel aan zijne doodkist, dat zijne knevels, toen zij kwamen, bepaald rood van kleur waren. Hij had een najaarsverblijf op Fairoaks verwacht, en het vooruitzicht daar twee of drie maanden door te brengen lachte den jonkman wellicht niet toe. „Er is daar geen mensch met wien men spreken kan,” zeide hij tegen Warrington. „Ik kan de preeken van den ouden Portman en zijne vervelende gesprekken na het diner niet uitstaan. Ik ken al de verhalen van den ouden Glanders over den oorlog op het Spaansche schiereiland. De Clavering’s zijn de eenige christenmenschen in den omtrek, en die gaan, zooals oom zegt, niet vóór Kerstmis naar buiten; bovendien wensch ik van hier weg te komen. Terwijl gij op reis waart, overkwam mij eene verzoeking, waaraan ik ontsnapt ben, en ik ben er innig dankbaar voor; ik houd het er zelfs voor, dat mijne ziekte juist bijtijds gekomen is, om er een eind aan te maken.” En daarop vertelde hij aan zijn vriend wat er in den Vauxhall voorgevallen was en hetgeen de lezer reeds weet.

Warrington zette op het vernemen van dit verhaal een zeer ernstig gezicht. Het zedelijk kwaad daargelaten, was hij in het belang van Arthur zeer verblijd, dat deze aan een gevaar ontsnapt was, hetwelk hem voor zijn gansch leven rampzalig had kunnen maken, „en dat zeer zeker,” zeide Warrington, „het meisje ongelukkig gemaakt en ten verderve gebracht zou hebben. En wat zou het een verdriet voor uwe moeder en – en voor degenen, die gij liefhebt, geweest zijn!” voegde Pen’s vriend er bij, zonder te vermoeden welk hartzeer en smart deze goede menschen er reeds aan hadden te wijten gehad.

„Geen woord daarover tegen mijne moeder!” riep Pen zeer ontsteld uit. „Zij zou het niet te boven komen. Ik geloof, dat een esclandre van dien aard haar het leven zou kosten. En weet ge,” liet hij er met een veelbeteekenenden blik op volgen, alsof hij, gelijk een jonge schelm, zijn gansch leven betrokken was geweest in hetgeen men affaires de coeur noemt: „het beste middel, wanneer men door een gevaar van dien aard bedreigd wordt, is het niet onder de oogen te zien, maar het den rug toe te keeren en de vlucht te nemen.”

„En waart gij erg verliefd?” vroeg Warrington.

„Hm!” zeide Don Juan. „Zij liet de h’s weg, maar het was toch een lief, aardig meisje.”

O Clarissa’s in dit leven! O arme, onkundige en ijdele, dwaze meisjes! als gij maar eens wist op welke wijze de Lovelace’s over u spreken: indien gij hooren kondt wat Jan in de koffiekamer eener club naar Tom aan het ander eind der zaal toeroept, indien gij zien kondt hoe Klaas uw arme briefjes uit zijn sigarenkoker haalt en ze over de officierstafel heen aan Jan, Piet en Klaas ter lezing toereikt, dan zoudt gij niet zoo gereed zijn om te schrijven, of zoo bereid om te luisteren! Er bestaat eene soort van misdaad, die haar volkomen beslag niet heeft, indien de bevoorrechte schelm er later niet op snoeft; en houdt maar altijd in gedachten, dat de man, die begint met uw eer te verraden, vrij stellig uw geheim ook verklappen zal.

„De strijd is zwaar en men valt licht,” merkte Warrington op somberen toon aan. „En wanneer een gevaar van dezen aard iemand boven het hoofd hangt, Pendennis, dan is er, gelijk gij zegt, niets beters dan zich om te keeren en het hazenpad te kiezen.”

Na deze weinige woorden over een onderwerp, waaromtrent Pen zich eene maand vroeger met vrij wat meer welsprekendheid zou hebben uitgelaten, kwam het gesprek weer op de buitenlandsche reis, en drong Arthur ten sterkste er op aan, dat zijn vriend van de partij zou wezen. Warrington was een lid van de familie, hij was noodig voor Pen’s genezing, en Arthur zeide, dat hij zonder Warrington niet half zooveel genoegen zou hebben.

Maar George zeide neen, en verklaarde, dat hij niet kon meegaan. Hij moest thuis blijven, om Pen te vervangen, waarop de ander aanmerkte, dat dit onnoodig was, daar Shandon zich nu weer te Londen bevond en Arthur aanspraak had op eenige vacantie.

„Dring niet langer er op aan,” zeide Warrington, „want ik kan niet gaan. Ik heb bijzondere zaken, die mij hier houden, en ik ben ook het best thuis. Ik heb geen geld om te reizen – nu weet ge het in eens; want reizen kost geld, weet ge!”

Deze kleine hinderpaal was in Pen’s schatting van zeer noodlottigen aard. Hij sprak er over met zijne moeder, die er groote spijt van had, want mijnheer Warrington was zoo bijzonder voorkomend geweest. Maar zij erkende, dat hij zelf het best moest weten wat hem schikte; en zonder twijfel verweet zij zich haar zelfzuchtig verlangen, om haar zoon mede te voeren en hem geheel voor haar zelve te hebben.

„Wat hoor ik daar van Pen, waarde mijnheer Warrington?” vroeg de majoor op zekeren dag toen zij onder vier ooge waren en hij Warrington’s weigering vernomen had. „Gaat gij niet met ons? Dat kunnen wij niet toelaten, want Pen kan buiten uw gezelschap niet beter worden. Ik verzeker u, dat ik hem niet kan oppasssen. Hij moet iemand hebben, die sterker en vroolijker is en hem beter kan opvroolijken dan een rheumatisch oud man, zooals ik. Als ik gezien heb waar gijlieden u vestigt, ga ik waarschijnlijk naar Karlsbad. Het reizen kost tegenwoordig niets – of ten minste zoo weinig! En – en – zeg eens, Warrington, herinner u, dat ik een zeer oud vriend van uw vader ben geweest, en indien gij niet met uw broeder op zulk een voet staat dat gij – dat gij een voorschot op uwe toelage als jonger zoon kunt nemen, vergun mij dan uw bankier te zijn, want Pen staat immers bij u in de schuld voor de drie weken dat gij met zulk onvergelijkelijk talent en genie verricht hebt wat hij mij meedeelt dat eigenlijk zijne taak was?”

In weerwil echter van dit vriendelijk aanbod en deze ongehoorde edelmoedigheid van den majoor, bleef George Warrington weigeren en verklaarde hij thuis te willen blijven; hij deed dit echter met eene haperende stem en op een aarzelenden toon, die bewees, dat hij gaarne had willen gaan, ofschoon zijn mond neen zeide.

Maar de volhardende majoor liet zijne vriendschappelijke bedoelingen niet op die wijze verijdelen. Toen Helena dien avond de theetafel voor een oogenblik verlaten had om naar Pen te gaan zien, die zich te bed had begeven, hervatte de oude Pendennis den aanval en plaagde Warrington over zijne weigering om hen te vergezellen. „Is dat niet ongalant, jufvrouw Bell?” vroeg hij, het woord tot die jonge dame richtende. „Is dat niet onvriendelijk? Wij zouden het genoeglijkste gezelschapje van de wereld uitgemaakt hebben, als dit akelig zelfzuchtig wezen het niet in duigen wierp!”

Jufvrouw Bell’s lange wimpers richtten zich nederwaarts over haar theekopje en Warrington bloosde sterk, maar sprak geen woord. Jufvrouw Bell sprak evenmin, maar toen hij bloosde, bloosde zij ook.

„Vraag gij hem om mee te gaan, kindlief,” zeide de minzame oude heer; „naar u zal hij misschien luisteren –”

„Waarom zou mijnheer Warrington naar mij luisteren?” vroeg de jonge dame schijnbaar aan haar theelepeltje en niet aan den majoor.

„Vraag het hem maar eens; dat hebt gij nog niet gedaan,” zeide Pen’s onschuldige oom.

„Ik zou wezenlijk zeer blij zijn, als mijnheer Warrington wilde meegaan,” zeide Laura tegen haar theelepeltje.

„Is dat zoo, – inderdaad?” vroeg George.

Op die vraag zag zij op en antwoordde: „Ja,” Hunne oogen ontmoetten elkander. „Ik zal heengaan waar gij wilt, of doen wat gij verkiest,” zeide George op gedempten toon, alsof het uitspreken van die woorden hem pijn veroorzaakte.

De oude Pendennis was verrukt; de hartelijke oude heer klapte in de handen en riep: „Bravo! bravo! Dat is afgesproken! Geeft er elkander de hand op, jongelui.” Met een helderen blik vol teederheid strekte Laura hare hand naar Warrington uit. Terwijl hij die hand greep, was er eene zonderlinge ontroering op zijn gelaat zichtbaar. Hij scheen op het punt van iets te zeggen, toen Helena uit Pen’s belendende kamer binnentrad en hen aanzag, terwijl de kaars, die zij in de hand hield, haar bleek en onthutst gelaat verlichtte.

Laura werd rooder dan ooit en trok hare hand terug.

„Wat gebeurt hier?” vroeg Helena.

„Wij hebben een koop gesloten, schatje-lief,” zeide de majoor op zijn vleiendsten toon. „Wij hebben mijnheer Warrington juist de belofte afgenomen, dat hij met ons op reis zal gaan.”

„Zoo!” zeide Helena.

ZES EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN FANNY EEN NIEUWEN DOKTER AANNEEMT.

Zou Helena gevreesd hebben, dat Pen’s ongelukkige genegenheid voor de kleine Fanny bij den terugkeer van zijne gezondheid ook weer ontwaken zou? Ofschoon zij na haar onderhoud met den majoor geen woord meer over dat meisje sprak en oogenschijnlijk niet bewust was dat er eene Fanny op de wereld bestond, hield zij nauwkeurig het oog op alle gangen van den jongen heer Arthur; onder voorwendsel, dat hij nog zoo zwak was, verloor zij hem bijna geen oogenblik uit het gezicht; en inzonderheid stelde zij er prijs op, dat hij zich, althans voor het oogenblik, met geen briefwisseling vermoeien zou. Niet onwaarschijnlijk is het, dat Pen zijne brieven met zekere ontroering aanzag, – niet onwaarschijnlijk, dat hij elken dag, als hij ze aan de ontbijttafel ontving, en gevoelde, dat zijne moeder het oog op hem hield (ofschoon de aandacht der goede ziel op haar kopje of haar boek gevestigd scheen), een klein schrift verwachtte te zien, dat hij zou gekend hebben, ofschoon hij het nooit onder de oogen had gehad. Zijn hart klopte dus, als hij de aan hem gerichte brieven opnam. Deed het hem genoegen of verdriet, dat zijne verwachting dag op dag werd te leur gesteld, en nam het hem een pak van het hart, dat er geen brief van Fanny kwam? Hoewel het in zulke gevallen, zoodra Clarissa Lovelace begint te vervelen (of omgekeerd), voor beide partijen het beste is de betrekking maar dadelijk af te breken, zoodat elk van beiden, na de mislukte poging tot eene verbintenis, zijn eigen weg kan gaan en de levensreis in eenzaamheid voortzetten, zoo kwetst toch die plotselinge bankbreuk onze eigenliefde, ons medelijden, of ons gevoel van betamelijkheid. Alvorens wij aan de wereld bekend maken, dat onze firma van Lovelace en Co. niet meer aan hare verplichtingen kan voldoen, trachten wij in schikkingen te treden; hebben er treurige bijeenkomsten van de deelgenooten plaats; wij stellen het sluiten van de luiken en de droevige aankondiging van het faillissement zoo lang mogelijk uit. Dat oogenblik moet eenmaal komen; maar wij verpanden onze juweelen, om de zaken nog een poosje gaande te houden. Alles bijeengenomen, geloof ik, dat het Pen speet dat hij geene verwijten van Fanny ontving. Hoe? kon zij zóó van hem scheiden, zonder nog een enkele maal om te zien? kon zij zinken, zonder ééns haar handje uit te steken en te roepen: „Hulp, hulp, Arthur!” Nu, nu, – niet allen, die deze reis ondernemen, gaan te gronde. Enkelen verdrinken, als het schip zinkt; maar de meesten krijgen enkel een koud bad en scharrelen naar den oever; en de lezer zal uit de kennis, die hij van den weledelgeboren heer Arthur Pendennis van den Upper Temple heeft, kunnen afleiden, of die heer tot de personen behoorde, die kans hadden te verzinken of zich te redden.

Ofschoon Pen nog te zwak was om eene halve mijl ver alleen te wandelen, en, om den wille van zijne kostbare gezondheid niet alleen mocht uitrijden zonder een oppasster aan zijne zijde, kon Helena echter niet ook mijnheer Warrington bewaken, evenmin als zij de bevoegheid bezat om dien heer te beletten naar Londen te gaan, wanneer zijne zaken hem daarheen riepen. Indien hij heengegaan en weggebleven ware, zou de weduwe misschien haar eigen redenen gehad hebben om zich daarover te verblijden; maar zij onderdrukte die zelfzuchtige begeerte, zoodra zij ze ontdekte of waarnam; en daar zij zich Warrington’s groote liefde en dienstvaardigheid en bestendige vriendschap voor haar zoon herinnerde, behandelde zij hem, met hare gewone droeve vriendelijkheid en onderworpen berusting, bijna als een lid van de familie. Desniettemin raadde zij op zekeren morgen, toen hij voor zijne zaken de stad in moest, dat hij op een welbekenden tocht uitging en voor Pen inlichtingen omtrent Fanny moest inwinnen.

Werkelijk had Pen met zijn vriend gesproken en hem verteld welke avonturen hij met Fanny had gehad (die de lezer reeds kent) en welke gevoelens hij haar toedroeg. Hij was zeer dankbaar, dat hij aan het dreigende gevaar had mogen ontkomen, waarop Warrington van ganscher harte amen zeide; dat hij zich over zijn gedrag te haren opzichte niet veel te verwijten had, doch dat hij, indien zij scheidden, haar Gods besten zegen toewenschte en hoopte, dat zij hem in vriendschap zou blijven gedenken. Zoo ernstig en aangenaam liet hij zich over deze zaken tegen Warrington uit, dat George, die zich ook ten sterkste voor de scheiding verklaard had, begon te vreezen, dat zijn vriend niet zoo goed van dien hartstocht genezen was als hij zich verbeeldde, en dat het gansche gevaar en de geheele verzoeking weer doorstaan zou moeten worden, indien beiden opnieuw met elkander in aanraking kwamen. En dan met welk gevolg? „De strijd is zwaar en men valt licht,” had Warrington gezegd, „en wij arme menschen kunnen niet beter doen dan het gevaar ontvluchten. Ik zou niet wezen wat ik nu ben, als ik zelf gehandeld had op die wijze.”

„En wat hebt gij dan gedaan, George?” vroeg Pen nieuwsgierig. „Ik weet, dat er iets voorgevallen is. Vertel het mij nu eens, Warrington.”

„Er is iets voorgevallen, dat niet verholpen kan worden en dat reeds vroeg in mijn leven al mijne vooruitzichten verwoest heeft,” gaf Warrington ten antwoord. „Ik heb gezegd, Pen, dat ik het u eenmaal zou vertellen; en dat zal ik doen, maar niet op dit oogenblik. Neem thans de moraal zonder de fabel ter harte, Pen; en als gij iemand wilt zien, die voor zijn gansche leven schipbreuk geleden heeft, omdat hij als knaap op één onzalige klip heeft gestooten – hier staat hij voor u, Arthur; wees dus gewaarschuwd!”

Wij hebben medegedeeld, dat mijnheer Huxter, toen hij aan zijne vrienden te Clavering schreef, gewag maakte van eene voorname club te Londen waarvan, hij lid was en waar hij dikwijls een aanzienlijk Iersch officier ontmoette, die hem, met andere nieuwtjes, de berichten omtrent Pendennis had verschaft, welke de jonge chirurgijn naar Clavering had overgemaakt. Die club was niets anders dan de Achterkeuken, waar de discipel van Galenus den Generaal placht te ontmoeten, wiens eigenaardig Iersch accent, voorkomen, karakter en gesprekken de jonge heeren, die de Achterkeuken des avonds tot hunne plaats van uitspanning en verversching kozen, grootelijks vermaakten. Huxter, die van natuur veel aanleg had om iedereen en alles na te bootsen, – onverschillig of het een geliefkoosd treurspeler of komiek was, of een haan op een mesthoop, een kurketrekker, die in eene kurk geschroefd werd, of eene kurk, die uit de flesch kwam, of een Iersch officier van deftigen huize, die zich maar al te zeer als een voorwerp ter nabootsing bloot gaf en onophoudelijk den mond roerde en op zijn armzalige wijze aan het zwetsen sloeg, zoodra hij iets te drinken, een toehoorder en de gelegenheid daartoe vond, – Huxter dan bestudeerde onzen vriend den Generaal met groote belangstelling en maakte den goeden man menigen avond aan den gang. De waardige oude heer beet altijd aan een lokaas, dat uit een brandewijngrogje bestond, en zoodra deze drank zijn invloed op hem uitoefende, was niemand gelukkiger dan hij wanneer hij over de triomfen van zijne dochter en van hem zelven in de liefde, den oorlog, het drinken en in voornaam gezelschap mocht opsnijden. Aldus kreeg Huxter gelegenheid om Costigan in verschillende toestanden voor zijne vrienden na te bootsen: Costigan, die in het Phenix-Park duelleerde, – Costigan, die een onderhoud met den hertog van York had, – Costigan aan de tafel van zijn schoonzoon, in gezelschap van den hoogsten adel, – Costigan in beschonken toestand, schreiende en zich beklagende over de ondankbaarheid zijner dochter, die haar grijzen vader vóór zijn tijd in het graf hielp. Aldus lokte onze vriend naar de Achterkeuken een aantal jongelui, die den drank van den kastelein gebruikten, terwijl zij zich met de eigenaardigheden van den Generaal vermaakten, zoodat de kastelein vele zwakheden van dezen laatste door de vingers zag, uit aanmerking van de klandizie, die hij hem aanbracht. Zeker was dit geen hoog standpunt in de maatschappij, geen positie, die wij een oud man, indien wij hem eerbied toedragen, zouden wenschen te zien innemen; maar de oude potsenmaker had niet het minste vermoeden, dat het geen aanzienlijke plaats was, die hij bekleedde, en in zijn met whisky doortrokken bloed was geen droppel wangunst, in zijn verward brein geen gevoel van bitterheid jegens wien ook. Hij zou zelfs zijn kind, zijne hardvochtige Emily, aan zijn hart gedrukt en haar onder een stroom van tranen vergiffenis geschonken hebben, en wat kan men meer tot lof van iemands christelijke liefde zeggen, dan dat hij werkelijk bereid is, dengenen, die hem alle mogelijke vriendschap bewezen hebben en jegens wie hij ongelijk heeft, vergiffenis te schenken?

Onder de jongelui, die gewoon waren in de Achterkeuken te komen en zich met het gezelschap van kapitein Costigan te vermaken, liep het praatje, dat de kapitein uit vrees voor schuldeischers, of uit begeerte om ongestoord te blijven, een geheim van zijne woonplaats maakte en zeker in een allerwonderlijkst verblijf toefde. De kastelein wilde, wanneer men hem daarover ondervroeg, geen opheldering geven; zijn stelregel was, dat hij de heeren, die zijne zaal bezochten, alleen in die zaal kende; dat zijne betrekking tot hen ophield, zoodra zij als fatsoenlijke mannen hun gelag betaald en zich als heeren gedragen hadden; en dat hij, daar hij zelf gentleman was, het onderzoek naar de woonplaats van een ander gentleman als onbetamelijke nieuwsgierigheid beschouwde. Ook Costigan wist in zijne meest beschonken en vertrouwelijke oogenblikken het antwoord op de daartoe betrekkelijke vragen of wenken te ontwijken. Er was, gelijk wij gezien hebben, daar wij meer dan eens de eer hadden zijne woning te betreden, geen bijzonder geheim aan verbonden maar gedurende de lotwisselingen van zijn lang leven had hij dikwijls genoeg in huizen gewoond waar hij, om ongestoord te blijven, zich moest schuilhouden en waar de verschijning van zekere bezoekers hem alles behalve verheugd zou hebben. Grappenmakers of lichtgeloovige personen brachten dus allerlei legenden met betrekking tot zijne woonplaats in omloop. Men beweerde, dat hij doorgaans in een kleppermanshuisje in de City den nacht doorbracht, of in eene vigilante in den stal, waar een koetsier hem vergunde te slapen, of in de kolom van den hertog van York enz., en het was de koddige en verbeeldingrijke Huxter, die de wonderbaarlijkste van die theorieën opperde. Want, als Huxter niet overbluft werd door de aanwezigheid van groote heeren, maar zich onder zijn eigen vrienden bevond, was hij een heel andere kerel dan de jonkman, dien wij door Pen’s aanmatigende manieren tot zwijgen hebben zien brengen, en, terwijl zijne familie in zijne geboorteplaats hem aanbad, was hij de ziel van den kring, waarin hij zich bevond, hetzij aan den feestdisch, hetzij rondom de ontleedtafel.

Op zekeren helderen Septembermorgen, toen Huxter, na in den Vauxhall een heerlijken nacht met dansen te hebben doorgebracht, zich aan een stalletje in Covent Garden op een kopje koffie vergastte, ontdekte hij den Generaal, die de Henriëtta-Straat doorwaggelde, met eene bende juilende kwajongens op zijne hielen, die zoo tijdig hunne slaapplaatsen onder de bogen der bruggen verlaten hadden en reeds rondzwierven om een ontbijt machtig te worden en op hunne eigenaardige wijze den kost voor dien dag te verdienen. De arme oude Generaal verkeerde in zulk een toestand, dat de spotternijen en aardigheden der jonge schavuiten niet veel vat op hem hadden; de koetsiers en de loopjongens, bij de standplaats der cabs, kenden hem en maakten hunne aanmerkingen; de politie-agent keek hem na en wenkte met blikken van minachting en meewarigheid tegen de jongens, dat zij hem met rust moesten laten; maar wat konden de minachting en meewarigheid der menschen, de spotternijen van baldadige kinderen den Generaal schelen? Hij zwaaide met glazige oogen over de straat, en had nog juist bewustheid genoeg om te weten waar hij naar toe wilde en zijn gewonen weg huiswaarts te volgen. Hij ging zoo dikwijls als wie ook in geheel Londen naar bed, zonder te weten op welke wijze hij het gevonden had. Hij ontwaakte en vond zich daar liggende en vroeg er niet verder naar, en zoo was hij nu weder op zijne dagelijksche, hoewel gevaarlijke reis, toen Huxter, van zijne plaats aan het koffiestalletje, hem in het oog kreeg. Zijn vriend te zien en zijne twee stuivers te betalen (en hij had er nog maar acht over, of hij zou eene vigilante van den Vauxhall genomen hebben om naar huis te rijden), was voor den nieuwsgierigen Huxter het werk van een oogenblik. Costigan sloeg de nauwe straatjes bij den Drury-lane schouwburg in, waar het van herbergen, oesterwinkels en magazijnen van costumen wemelt, wier eigenaren nu achter hunne luiken in slaap gedompeld lagen, terwijl het rozeroode morgenlicht hunne schoorsteenen begon te vergulden; en door die stegen en straatjes volgde Huxter den Generaal, tot hij Oldcastle-Street bereikte, in welke de poort van Shepherd’s Inn uitkomt.

Maar juist toen de Generaal in het gezicht zijner woning was, trapte hij op eene noodlottige sinaasappelschil, waardoor de arme oude man achterover viel.

Huxter snelde dadelijk toe. Na een oogenblik, gedurende hetwelk de veteraan, door den val en de gebruikte whisky bedwelmd, zoo goed mogelijk zijn versuft denkvermogen bijeenbracht, hielp de jonge chirurgijn den hinkenden Generaal op de been en bood vriendelijk en hulpvaardig aan, hem thuis te brengen. Op de vragen van den student in de medicijnen, weigerde de sufferige Generaal te antwoorden waar hij woonde; hij verklaarde, dat het dichtbij was en hij er zonder moeite kon komen. Hij maakte zich van Huxter’s arm los en nam een loopje, als om zonder bijstand zijne woning te bereiken; maar hij waggelde en zwaaide zoo erg, dat de jonge chirurgijn hem volstrekt wilde geleiden en er eindelijk, door vele geruststellende betuigingen en opbeurende gezegden, in slaagde, des Generaals onzindelijke oude hand onder hetgeen hij zijn eigen vlerk noemde te krijgen, en hem, klaaglijk steunende, de straat over te brengen. Hij bleef stilstaan toen zij aan de oude poort kwamen, die met het wapen van den achtbaren Shepherd versierd is. „Hier is het,” zeide hij, voor het portaal stand houdende, waar hij met goed gevolg een ruk aan de schel gaf, die dadelijk den ouden Bolton voor den dag deed komen, met een gezicht zoo zuur als azijn en brommende als een beer, gelijk zijne gewoonte was elken morgen, wanneer hij op zijne beurt dezen nachtvogel moest binnenlaten.

Costigan trachtte Bolton een oogenblikje vriendschappelijk aan de praat te houden, maar deze weigerde norsch zich daartoe te leenen. „Hou mij niet op,” riep hij uit; „ga naar uw eigen bed, kapitein, en houd fatsoenlijke lui niet uit het hunne.” De kapitein stak dus het binnenplein over en kwam aldus aan zijn eigen trap, welke hij, met den braven Huxter op zijne hielen, opstrompelde. Hij had een sleutel bij zich, dien Huxter voor hem in het sleutelgat stak, zoodat mijnheer Bows niet uit den slaap behoefde gewekt te worden, waarin de oude muzikant nog niet lang verzonken lag; en toen Huxter zijn beschonken patiënt zich had helpen ontkleeden en daarbij bevonden had, dat hij geene beenderen gebroken had, bracht hij hem te bed en legde compressen met water op een zijner knieën en schenen, welke Costigan bij zijn val hevig geschramd had, gelijk hij ook de broek had gescheurd, waarin die lichaamsdeelen besloten waren. Op den leeftijd van den Generaal en met diens levenswijze komen zulke wonden, als hij zich had toegebracht, slechts langzaam tot genezing: er volgde eene vrij hevige ontsteking, en de oude man moest onder pijn en koorts eenige dagen het bed houden.

Mijnheer Huxter nam de behandeling van zijn belangwekkenden patiënt met zelfvertrouwen en vlugheid op zich en zette die met groote bekwaamheid voort. Elken dag bezocht hij zijn vriend en stelde hem door zijn levendig onderhoud en gesnap schadeloos voor het gemis van het gezelschap, waaraan Costigan behoefte gevoelde en van hetwelk hij altijd zulk een sieraad was geweest. Huxter schreef aan de oppasster van den zieke uitdrukkelijk voor, hoeveel whisky de patiënt gebruiken mocht, en deze instructiën kon de arme man zelf niet overtreden, daar hij vele dagen lang niet zonder hulp van zijn bed of zijne sofa kon komen. Bows, jufvrouw Bolton en onze kleine vriendin Fanny pasten, als zij er tijd toe hadden, den Generaal beurtelings op en men maakte het den ouden krijgsman onder zijne beproeving zoo gemakkelijk mogelijk.

Huxter, wiens innemende manieren en gezellige aard hem spoedig op goeden voet brachten met de personen, waarmee hij in aanraking kwam, en die niet zoo kieskeurig waren dat zij zich voor de gemeenzaamheid van dezen jongen heer terugtrokken, werd dus zoowel met onze bekenden op de bovenverdieping als met die in de portierswoning spoedig zeer vertrouwelijk. Hij meende Fanny ergens gezien te hebben, ja, hij was er zeker van; maar het was geen wonder dat hij het zich niet duidelijk kon herinneren, want het arme meisje vond niet goed hem in te lichten waar zij hem ontmoet had; en hij zelf had haar aanschouwd op een oogenblik, toen zijn eigen blik en zijn begrip van recht en onrecht verduisterd waren door het drinken en dansen; bovendien was de kleine Fanny zeer veranderd en vermagerd door de koorts, de aandoening, den hartstocht en de wanhoop, die gedurende de drie laatste weken zich van dat kleine slachtoffer hadden meester gemaakt. Haar hoofd was thans gebogen en haar gelaat ingevallen en bleek, en dikwerf had haar droevig oog in dat van den brievenbesteller gestaard als hij naar de Inn kwam, en was haar de moed ontzonken wanneer hij weer heenging. Toen mijnheer Costigan dat ongeluk kreeg, was het Fanny niet onwelgevallig, dat zij gelegenheid vond nuttig te zijn en iets degelijks te verrichten, iets waardoor zij misschien haar eigen kleine verdrietelijkheden zou kunnen vergeten; zij gevoelde, dat zij die beter kon dragen als zij haar plicht vervulde, ofschoon ik zeker ben, dat er menige traan in het gerstewater van den Ier neerdroppelde. Ach, roer dat gerstewater maar goed om en schep moed, kleine Fanny! Indien ieder, die aan uwe kwaal geleden heeft, er dadelijk aan stierf, wat zouden de doodgravers een gezegend beroep hebben!

Hetzij uit meewarigheid met zijn eenigen patiënt, òf uit ingenomenheid met diens gezelschap, kwam mijnheer Huxter ten minste twee- of driemaal daags Costigan bezoeken, en indien er geen lid van het gezin uit de portiersloge tegenwoordig was, had de jonge dokter hun onvermijdelijk eenige bijzondere voorschriften te geven, die hij dan zelf in hunne woning kwam brengen. Hij was een allervriendelijkst mensch; hij maakte of kocht stukjes speelgoed voor de kinderen, bracht appelen en suikergoed voor hen mee, stak een masker bij zich en maakte hen bang, en riep een lach op het gelaat der bleeke Fanny te voorschijn. Jufvrouw Bolton noemde hij jufvrouw B., en gedroeg zich zeer vertrouwelijk, gemeenzaam en grappig jegens die dame, geheel anders dan dat „trotsche wezen zonder hart”, gelijk jufvrouw B. zekeren jongen heer van onze kennis noemde, wien zij nu verklaarde dat zij nooit had kunnen uitstaan.

Van deze dame, die zich zeer vrij uitliet, was het, dat Huxter eerlang vernam, welke ziekte de kleine Fanny zichtbaar ondermijnde en hoe Pen zich jegens haar gedragen had. Men kan zich wel voorstellen, dat jufvrouw Bolton’s verslag van het gebeurde niet volkomen onpartijdig was. Men zou uit haar verhaal hebben afgeleid, dat de jonge heer eene reeks van de onvermoeidste en listigste kunstgrepen in het werk had gesteld om de genegenheid van het meisje te winnen, dat hij de plechtigste beloften gedaan en geschonden had, en dat hij een ellendeling was, die door iederen bewonderaar van het vrouwelijk geslacht verfoeid en gekastijd moest worden. In zijne tegenwoordige stemming ten aanzien van Arthur en nog vertoornd over diens minachtende behandeling, was Huxter natuurlijk bereid om alles, wat hem ten nadeele van dien rampzaligen zieke verteld werd, voor waarheid aan te nemen. Maar waarom schreef hij nu niet naar Clavering gelijk de vorige maal? waarom gaf hij geen verslag van Pen’s wangedrag, met bijvoeging van de nadere bijzonderheden, die nu te zijner kennis gekomen waren? Eens meldde hij in een brief aan zijn schoonbroeder, dat „die lieve jongen”, die mijnheer Pendennis, door koortsen was aangetast en er slechts ternauwernood het leven had afgebracht, en dat gansch Clavering, „waar hij zoo populair was,” zich zeker over zijn herstel zou verheugen; en daarop liet hij volgen, dat hij een mooi geval van eene dubbele beenbreuk onder handen had bij een voornaam officier, hetgeen hem noodzaakte in de stad te blijven; maar wat Fanny Bolton betrof, hij maakte in zijne brieven even weinig gewag van haar als – Pen gedaan had in de zijne. O gij moeders thuis! Hoeveel meent gij wel, dat gij van uwe jongens weet? Hoeveel gelooft gij, dat u ten hunnen opzichte bekend is.

Maar er was geen reden waarom Huxter zijn hart niet voor Bows zou uitstorten, en derhalve deed mijnheer Sam, zeer kort na zijn gesprek met jufvrouw Bolton, aan den muzikant het verhaal van zijne vroegere bekendheid met Pen, dien hij een verwenschten, verwaanden schelm noemde, wien hij wel de brutale hersens zou willen inslaan, zoodra hij maar genoegzaam hersteld was om zijne tegenpartij als man te durven staan.

Toen nam Bows van zijn kant het woord en gaf zijne lezing van het verhaal, waarvan Arthur en de kleine Fanny de held en de heldin waren. Hij deelde mee, dat hunne ontmoeting geen toeleg was van Pen, maar het gevolg van eene domheid van den ouden Ier, die nu met een ziek been te bed lag; dat Pen zich als eerlijk man en met zelfbeheersching in die zaak gedragen had, en dat jufvrouw Bolton eene zottin was; en daarop verhaalde hij het gesprek, dat hij met Pen had gehad, en de verklaringen, die de jonkman had afgelegd. Het verhaal van Bows wekte wellicht eenige gewetensknagingen in de borst van Pen’s beschuldiger op; althans die heer verklaarde openhartig, dat hij Arthur verkeerd beoordeeld had, en zag af van zijn voornemen om mijnheer Pendennis de ooren te wasschen.

Doch zoo mijnheer Huxter zijne vijandige plannen ten aanzien van Pen liet varen, verminderde hij daarom zijne beleefdheden jegens Fanny niet, hetgeen de ongelukkige mijnheer Bows weer met zijne gewone jaloezie en verbittering, opmerkte. „Ik behoef maar genegenheid voor iemand te koesteren,” dacht de oude man, „en dadelijk komt er een ander en wordt voorgetrokken. Van mijn jongelings-leeftijd af, tot nu ik zestig jaar ben, heeft mij altijd hetzelfde ongeluk vervolgt. Wat zou een man als ik anders verwachten dan uitgelachen te worden? Voorspoed te hebben en gelukkig te zijn is het deel van jongelui en niet van oude dwazen zooals ik. Ik heb mijn gansche leven de tweede viool gespeeld,” sprak hij met een bitteren lach; „hoe kan ik verwachten dat het fortuin zou keeren, na mij zoolang tegengeloopen te zijn?” Op deze zelfzuchtige wijze overzag Bows den stand van zaken, ofschoon weinigen zouden gedacht hebben, dat er eenige reden voor zijne jaloerschheid bestond, wanneer zij het bleeke en neerslachtige gelaat van het rampzalige meisje, het voorwerp zijner ijverzucht, gezien hadden. Fanny nam Huxter’s welwillende pogingen om haar te vertroosten en zijne beleefdheden vriendelijk op. Nu en dan lachte zij om zijn aardigheden en om de spelletjes, die hij met hare zusjes deed; doch weldra verviel zij weer tot eene moedeloosheid, die mijnheer Bows had moeten overtuigen, dat de nieuwe bekende vooralsnog geen plaats in haar hart had ingenomen; – indien het den jaloerschen Bows mogelijk ware geweest helder uit de oogen te zien.

Maar dat kon hij niet. Fanny schreef Pen’s stilzwijgen aan een of andere bemoeienis van Bows toe. Zij haatte Bows en behandelde hem steeds ruw en onrechtvaardig. Zij wendde het hoofd van hem af als hij sprak en walgde van zijne pogingen om haar moed in te spreken. Het was een hard lot voor mijnheer Bows en een bitter loon voor de belangstelling, die hij haar betoonde.

Toen Warrington als afgezant van Pen in Shepherd’s Inn kwam, vroeg hij naar de kamer van mijnheer Bows (ongetwijfeld volgens afspraak met den principaal, voor wien hij deze kiesche zending volbracht). Hij kreeg geen schijn van jufvrouw Fanny te zien, toen hij aan de poort der Inn even ophield, om die inlichting te vragen. Men wees Warrington natuurlijk den weg naar de kamers van den muzikant. Deze was bezig den patiënt aldaar te verzorgen en kwam uit diens kamer, om zich bij zijn bezoeker te vervoegen. Wij hebben reeds vermeld, dat zij elkander vroeger gekend hadden, en dus drukten zij elkander vrij hartelijk de hand. Na eenige inleidende woorden, verklaarde Warrington, dat hij namens zijn vriend Arthur Pendennis en diens betrekkingen Bows kwam bedanken voor zijne hulp in het begin van Pen’s ziekte en voor zijne vriendelijkheid om persoonlijk den majoor van buiten te gaan halen.

Bows gaf ten antwoord, dat hij niet meer dan zijn plicht had gedaan; toen hij Pen’s oom ging halen, had hij gedacht, dat hij den jongenheer niet meer levend zou weerzien, en hij verheugde zich dus, dat mijnheer Pendennis hersteld was en zijne vrienden bij zich had. „Gelukkig degenen, die vrienden hebben, mijnheer Warrington,” zeide de muzikant. „Ik zou op dit zolderkamertje kunnen liggen zonder dat iemand naar mij omkeek, of er zich om bekommerde of ik levend of dood was.”

„Hoe? De Generaal óók niet, mijnheer Bows?” vroeg Warrington.

„De Generaal houdt meer van zijne whisky-flesch dan van iets anders ter wereld,” antwoordde Bows; „uit gewoonte en om het voordeel, wonen wij bij elkander; maar hij geeft om mij niet méér dan gij doet. Wat komt gij mij eigenlijk vragen, mijnheer Warrington? Ik weet zeer goed, dat gij niet komt, om mij een bezoek te brengen. Niemand komt mij bezoeken. Het is om Fanny, de portiersdochter, dat gij gekomen zijt, – dat begrijp ik zeer goed. Wenscht mijnheer Pendennis, nu hij zijne gezondheid heeft teruggekregen, haar weer te zien? Is Zijne Hoogheid de sultan voornemens haar zijn zakdoek toe te werpen? Zij is doodziek geweest, mijnheer, sinds dien dag toen mevrouw Pendennis haar de deur uitzette, – zeer lief van eene dame, niet waar? Het arme meisje en ik, wij vonden den jongen heer in een ijlende koorts liggen, zonder dat hij iemand kende en met niemand anders tot oppassing dan zijne dronken waschvrouw. Zij waakte dag en nacht bij hem. Ik ging zijn oom halen. Mama komt en wijst Fanny dadelijk het vierkante gat. Oom komt en laat mij de vracht van de vigilante betalen. Doe mijn compliment aan de dames en aan mijnheer, en zeg, dat wij hun allebei zeer dankbaar, ten hoogste dankbaar zijn! Wel, eene gravin kon zich niet beter gedragen hebben, en voor de vrouw van een apotheker, zooals ik vernomen heb dat mevrouw Pendennis is geweest, is hare handelwijze buitengemeen aristocratisch en fatsoenlijk. Zij moest een dubbel vergulden stamper en vijzel in haar wapen voeren.”

Zeker moest Bows de afstamming van Pen vernomen hebben van Huxter, en zoo hij voor Pen partij trok tegen den jongen chirurgijn en Voor Fanny tegen mevrouw Pendennis, was het omdat het oude heertje in zulk een opgewonden stemming verkeerde, dat hij niet kon nalaten iedereen tegen te spreken.

Warrington’s nieuwsgierigheid werd gaande gemaakt, terwijl de bitterheid en gevoeligheid van den muzikant hem niet mishaagden. „Ik heb nooit van die dingen gehoord,” zeide hij, „of althans slechts een zeer gebrekkig verslag daarvan van majoor Pendennis ontvangen. Wat moest de dame doen? Ik houd het er voor (ik heb nooit met haar over de zaak gesproken), dat zij van meening was, dat het meisje en mijn vriend Pen op een – op een voet van – van vertrouwelijkheid stonden, die mevrouw Pendennis natuurlijk niet kon goedkeuren.

„Natuurlijk niet, mijnheer. Zeg maar ronduit uw gevoelen, mijnheer; zeg maar terstond wat gij meent; dat de jonge heer uit den Temple het meisje uit Shepherd’s Inn tot zijn slachtoffer had gemaakt, niet waar? En dus moest zij de deur worden uitgezet – of levend fijn gestampt worden in den dubbel vergulden vijzel en stamper, – bij den hemel! Neen, mijnheer Warrington, daar was niets van aan; er is geen slachtoffer geweest, – of was er een, dan was het mijnheer Arthur, en niet het meisje. Hij is een eerlijke kerel, ofschoon hij soms verwaand en fatterig is. Hij kan gevoelen als man, en als man de verzoeking ontvlieden. Dat beken ik, ofschoon ik er onder lijd, – dat beken ik. Hij heeft een hart, dat heeft hij, – maar het meisje niet, mijnheer. Dat meisje, mijnheer, zal alles doen om een man te winnen, en hem daarna zonder de minste gewetensknaging wegjagen. Indien zij zelve weggejaagd wordt, mijnheer, zal zij het wel gevoelen en het uitschreeuwen. Zij kreeg de koorts nadat mevrouw Pendennis haar de deur had uitgezet, en toen coquetteerde zij met den dokter, Dr. Goodenough, die haar kwam genezen. Nu heeft zij het weer met een anderen kerel – een anderen been afzetter aangelegd, – ha, ha! voor den duivel, mijnheer, zij houdt van den vijzel en den stamper, en zucht om de pillendoozen, zoozeer is zij er op verzot, en zoo heeft zij dan nu zoo’n kerel uit het Bartholomeushospitaal, die achter een mombakkes gezichten trekt tegen hare zusjes en hare zwaarmoedigheid verdrijft. Ga het zelf maar zien, mijnheer; waarschijnlijk zit hij op dit oogenblik in de portiersloge. Als gij iets omtrent jufvrouw Fanny wilt weten, moet ge het aan huis bij den dokter vragen, mijnheer, – niet bij een ouden speelman, zooals ik ben. Ik wensch u goedendag, mijnheer; ik hoor mijn patiënt roepen.”

En op dat oogenblik hoorde men inderdaad eene stem, eene welbekende stem uit de slaapkamer van den kapitein roepende: „Bows, ik heb dorst ik zou wel iets willen drinken.” En misschien verblijd te vernemen, dat dit de staat van zaken was en dat het door Pen verlaten meisje zich wist te troosten, nam Warrington afscheid van den lichtgeraakten muzikant.

Het toeval wilde, dat Huxter, juist toen Warrington de portierswoning voorbijging, bezig was de kinderen met het masker, waarvan Bows gesproken had, bang te maken, terwijl Fanny flauwtjes om zijne grappen lachte. Op Warrington’s gelaat vertoonde zich een bittere lach. „Zijn alle vrouwen aan deze gelijk?” dacht hij. „Ik geloof dat er ééne bestaat, waarmee dit het geval niet is,” liet hij er met een zucht op volgen.

Terwijl George in Piccadilly op den omnibus naar Richmond wachtte, trof hij samen met majoor Pendennis, die ook daarheen wilde gaan, waarop hij den ouden heer vertelde wat hij van Fanny gehoord en gezien had.

Majoor Pendennis was zeer verblijd en maakte, gelijk men van zulk een wijsgeer verwachten mocht, dezelfde opmerking, die aan Warrington ontsnapt was. „Alle vrouwen zijn dezelfde,” zeide hij. „La petite se console. Wat drommel, reeds op school, als ik in Télémaque las: Calypso ne pouvait se consoler – en gij weet wat er volgt, Warrington – dan zeide ik, dat dit onzin was. Onzin! waarlijk, dat is het! En dus heeft het kleine portierstertje nu een anderen soupirant? Het was een verduiveld aardig meisje. Wat zal dit Pen treffen! denkt ge het ook niet, Warrington? Wij moeten hem er zachtkens op voorbereiden, of hij zal in zulk een vuur geraken, dat hij haar weer zal opzoeken. Wij moeten den jongen menageeren.

„Mij dunkt, dat mevrouw Pendennis behoort ingelicht te worden, dat Pen zich in die zaak zeer goed gehouden heeft. Zij acht hem blijkbaar schuldig, en echter heeft Arthur zich, volgens mijnheer Bows, braaf gedragen,” zeide Warrington.

„Beste Warrington,” zeide de majoor met een eenigszins ongerust gelaat: „in den geschokten toestand, waarin mevrouw Pendennis zich bevindt, geloof ik, dat het beste wat wij doen kunnen is, geen woord over de zaak tegen haar te reppen. Of wacht, laat het maar eens aan mij over: ik zal haar er over spreken; weet je, ik zal haar voorbereiden en wat meer van dien aard noodig is. Ik geef u mijn woord, dat ik het doen zal. En dus is Calypso al getroost, niet waar?”

Pen was zeer nieuwsgierig om van zijn afgezant te vernemen wat de uitslag van diens zending was geweest; en zoodra de beide jongelieden gelegenheid vonden elkander afzonderlijk te spreken, beantwoordde de ambassadeur de belangstellende vragen van Arthur.

„Gij herinnert u nog wel uw gedicht van Ariadne op Naxos, Pen? – ofschoon het ontegenzeglijk een verduiveld slecht vers was,” zeide Warrington.

„En verder?” vroeg Pen in groote spanning.

„Weet gij nog wat Ariadne weervoer, toen Theseus haar verlaten had, jonge heer?”

„Dat is eene leugen, eene leugen! Dat kunt gij niet meenen!” riep Pen uit en sprong op, terwijl zijn gelaat begon te gloeien.

„Ga zitten, uilskuiken,” zeide Warrington en duwde met twee vingers Pen weer op zijn zetel neer. „Het is beter voor u, zooals het er nu mee staat, jongmensch,” liet hij er weemoedig op volgen, als antwoord op den toornigen gloed, die Arthur’s wangen kleurde.

ZEVEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

IN HET BUITENLAND.

De achtenswaardige majoor vervulde de belofte, die hij aan Warrington gedaan had, in dier voege, dat hij zijn eigen geweten bevredigde en de arme Helena in zooverre omtrent haar zoon geruststelde, dat zij vernam, dat de betrekking tusschen Arthur en die hartelijke portierster afgebroken was, zoodat zij niet verder behoefde bang te zijn voor een ondoordachte liefde of een vernederend huwelijk van Pen’s kant. En nadat de jonkman hersteld was van den schok, dien zijn ijdelheid ondergaan had, was het ook hem een pak van het hart, dat jufvrouw Fanny niet van liefde voor hem zou sterven en dat er van die onzalige en kortstondige betrekking geen onaangename gevolgen te vreezen waren.

Het gantsche gezelschap kon dus vrijelijk het voorgenomen tochtje naar het vasteland aanvaarden, en „Arthur Pendennis, rentier, voyageant avec madame Pendennis et mademoiselle Bell, et George Warrington, particulier, ágé de 32 ans, taille 6 pieds (anglais), figure ordinaire, cheveux noirs, barbe idem, etc.,” kregen paspoorten van den consul van Zijne Majesteit den koning der Belgen te Dover, en staken uit die havenplaats naar Ostende over, van waar het gezelschap op zijn gemak verder reisde en op weg naar Brussel en den Rijn, Brugge en Gent bezocht. Wij zijn niet voornemens dien veelbereisden weg te beschrijven, noch Laura’s verrukking over die stille en oude steden, die zij thans voor het eerst zag, of Helena’s verwondering en nieuwsgierigheid bij het bezoeken der bagijnen-kloosters, of het gevoel, dat bijna aan ontzetting grensde, waarmee zij de zwartgesluierde nonnen met opgeheven armen geknield zag voor de verlichte altaren, en de vreemdsoortige plechtigheden en ceremoniën der Katholieke Kerk aanschouwde. Barrevoeter monniken op straat, gekroonde beeldjes van de heiligen en H. Maagden in de kerken, welke het volk knielende aanbad, naar haar overtuiging in lijnrechten strijd met het woord, dat geschreven stond; priesters, die met kostbare gewaden prijkten, of in biechtstoelen verscholen zaten; het spelen in de schouwburgen en het dansen der bevolking op Zondag, – al deze nieuwe tafereelen en gewoonten ergerden en verbijsterden de eenvoudige plattelandsdame, en wanneer de jongelieden des avonds van een rijtoertje of eene wandeling bij de weduwe en haar aangenomen dochter terugkwamen, vonden zij hare stichtelijke boeken op tafel, en bij hun binnentreden hield Laura doorgaans op met het lezen van eenige der psalmen of van de gewijde bladzijden, die Helena hooger schatte dan iets anders ter wereld. De jongste gebeurtennissen, waarbij haar zoon betrokken was geweest, hadden haar zwaar geschokt; met eene groote, doch verholen bezorgdheid lette Laura op alle bewegingen van hare dierbaarste vriendin; en onverpoosd en met de meeste teederheid bewees de arme Pen alle oplettendheden aan zijne moeder, wier gewond hart vol liefde naar hem smachtte, ofschoon er tusschen hen beiden een geheim bestond en de moeder eene soort van kwelling, ja bijna woede ondervond bij de gedachte, dat zij in zekere mate van het bezit van haar zoons hart ontzet was, of dat daarin schuilhoeken waren, die zij niet moest, of niet durfde onderzoeken. Een pijnlijk gevoel beving haar, wanneer zij overdacht, dat die in de gewijde dagen zijner kindsheid anders was geweest, toen het hart van haar Arthur geen geheimen kende en zij voor hem alles in alles was: toen hij zijne verwachtingen en genoegens, zijne kinderlijke verdrietelijkheden, ijdelheden en triomfen voor haar uitstortte, terwijl zij hem te gemoet snelde en hem teeder omhelsde; toen hare woning nog zijn nest was; en voordat het lot, de zelfzucht en de natuur hem hadden doen uitvliegen op weerbarstige vleugelen, om zijn eigen weg te kiezen, zijn eigen zang te kweelen en zich zelven eene woonstede en eene gezellin te zoeken. Eens zeide Laura, die deze verterende smart en deze folterende spijt bij Helena had waargenomen, tegen hare vriendin: „Indien Pen mij had liefgehad op de wijze zooals gij het wenschtet, zou ik hem hebben gewonnen; maar ik zou u hebben verloren, mama, dit weet ik zeker; en ik wenschte gaarne, dat gij mij het meest liefhebt. De mannen, geloof ik, weten niet wat het is, lief te hebben zooals wij,” en met een zucht stemde Helena met dit gedeelte der rede van de jonge dame in, ofschoon zij protesteerde tegen het eerste gedeelte. Ik, voor mij, houd het er voor, dat jufvrouw Laura in beide opzichten gelijk had, en dat inzonderheid de laatste bewering maar al te waar is: de liefde duurt bij ons een uur, maar bij eene vrouw dag en nacht door. Damon heeft te denken aan de belastingen, de preek, de parade, de kleermakersrekeningen, zijne plichten als volksvertegenwoordiger en de drommel weet wat nog meer: Delia heeft aan Damon te denken – Damon is de eik (of de boonenstaak), die rechtop staat, en Delia is de klimop, of de kamperfoelie, die hem met haar armen omstrengelt. Is het niet waar, Delia? Ligt het niet in uwe natuur, aan zijne voeten te kruipen en die te kussen, u rondom zijn stam te winden en daar te blijven hangen? en is het niet in de natuur van Damon, als een Brit daar te staan met de handen in zijn broekzak, terwijl het aardig en minnende woekerplantje hem omarmt?

De oude Pendennis had onze vrienden slechts tot aan den waterkant vergezeld, hen aan boord van de boot verlaten en het opperbestuur van de kleine expeditie aan Warrington opgedragen. Hij zelf was verplicht een kort bezoek ten huize van een groot man, een zijner vrienden, af te leggen, waarna hij voornemens was zich op de Duitsche badplaats, waarheen het gezelschap trok, bij zijne schoonzuster te voegen. De majoor was, voor zich, van oordeel, dat zijne langdurige bemoeienissen met zijne zieke familie hem aanspraak hadden gegeven op eene kleine ontspanning, – en ofschoon de beste patrijzen reeds geveld waren, kon men te Stillbrook, welks hoogadellijke eigenaar daar nog vertoefde, toch nog eenige fazanten schieten. De oude Pendennis begaf zich dus naar dat gastvrij verblijf en vermaakte zich daar uitermate. Er waren er een prins van den bloede, eenige aanzienlijke vreemdelingen, eenige beroemde staatslieden en eenige zeer onderhoudende heeren ten bezoek; het deed den ouden majoor goed, zijn naam in den Morning Post onder de voorname gasten vermeld te zien, welke de markies van Steyne op zijn landgoed Stillbrook onthaalde. Hij maakte zich op eene buitenplaats zeer nuttig en aangenaam. De jongelui hield hij op de jachtpartijen, of in de rookzaal, waar zij met en om hem lachten, met kluchtige anekdotes en dubbelzinnige geschiedenissen bezig. Des morgens maakte hij zijn opwachting bij de dames in de voor haar bestemde vertrekken. De nieuw aangekomenen leidde hij het park en de tuinen rond; hij maakte hen met den omtrek bekend en toonde hun de plaatsen, van waar men het beste gezicht op het huis en het schoonste uitzicht over het meer had. Hij liet de boomen zien, die geveld moesten worden, en wees hoe de oude weg liep voordat de nieuwe brug gebouwd en de heuvel geslecht was; hij toonde de plaats in het bosch, waar de oude Lord Lynx, Sir Phelim O’Neal op zijne knieën voor mylady vond, enz.; hij noemde de portiers en tuinlieden bij den naam; hij wist hoeveel bedienden er in de kamer der huishoudster zaten en hoeveel er in de dienstbodenkamer dineerden; voor iedereen en over alles had hij een woordje, en ook wel een weinigje tegen iedereen. Hij was, met één woord, onbetaalbaar op het land, en verdiende en genoot zijne vacantie na zijn arbeid ten volle. Wellicht was het den majoor ook niet onaangenaam, dat hij, terwijl hij zich aldus naar verdienste met zijne vrienden buiten vermaakte, aan Warrington het kommando over de familie-expeditie naar het vasteland opdragen en hem aldus met geweld in den dienst van de dames kon houden, – eene dienstbaarheid, welke George maar al te bereid was zich om den wille van zijn vriend en van een omgang, dien hij iederen dag aangenamer vond, te getroosten. Warrington was zeer ervaren in de Duitsche letterkunde en wilde gaarne aan jufvrouw Laura, die blijde was zich verder te kunnen oefenen, les in die taal geven, terwijl Pen van zijn kant te zwak, of te lui was, om de studie van het Duitsch weer op te vatten. Warrington vervulde de rol van koerier en tolk; hij hield toezicht op het vervoer der bagage in en uit schepen, logementen en rijtuigen, bezorgde de geldzaken en hield den kleinen troep steeds marschvaardig. Warrington onderzocht waar de Engelsche kerk was en ging met de grootste deftigheid mee, als mevrouw Pendennis en jufvrouw Laura geneigd waren die te bezoeken. Hij liep naast den ezel van mevrouw Pendennis, wanneer die dame haar avondritje deed, of bezorgde haar rijtuigen, of wist Galignani’s Messenger voor haar te krijgen. Hij zocht gemakkelijke zitplaatsen onder de lindeboomen voor haar op, als de badgasten na het eten op en neer wandelden en het orkest der Kursaal van de badplaats, waar onze vrienden zich ophielden, zijne liefelijke muziek onder de boomen uitvoerde. Menige fatterige en gesnorbaarde Pruisische of Fransche dandy, die voor het trente-et-quarante naar de badplaats was gekomen, wierp smachtende blikken op het lieftallige en blozende Engelsche meisje, dat de bleeke weduwe vergezelde, en zou gaarne een galop of wals met haar gedaan hebben. Maar Laura vertoonde zich niet meer dan hoogstens een paar keeren in de balzaal, toen Pen zich verwaardigde eens met haar uit te gaan; en wat Warrington betreft, die ruwe diamant was door geen dansmeester gepolijst en verstond de kunst van walsen niet, – ofschoon hij het gaarne zou geleerd hebben, indien hij op zulk eene danseuse als Laura had mogen rekenen. Zulk eene danseuse! ach, wat had een onbehouwen vrijgezel met dansen en walsen te maken? waar moest het op uitloopen, dat hij voortdurend met haar omging? dat hij genot inzwelgde met wie weet hoeveel gevaar van latere droefheid en spijt en stil verdriet? Maar toch bleef hij. Wanneer men gezien had welke onverpoosde zorg en oplettendheid hij aan de weduwe wijdde, zou men gedacht hebben, dat hij haar zoon was, of een avonturier, die haar fortuin wilde trouwen, of in ieder geval, dat hij een zeer grooten schat of eene zeer gewichtige gunst van haar verwachtte – en waarschijnlijk was dit ook wel het geval – want ons verhaal is, gelijk de lezer wellicht reeds ontdekt zal hebben, een verhaal vol zelfzucht; en bijna elk der personen houdt zich overeenkomstig zijn aard, die meer of minder edel is dan die van George, en overeenkomstig des werelds beloop, naar het ons toeschijnt, met Nommer Eén bezig. Aldus wijdde Warrington zich uit zelfzucht aan Helena, die uit zelfzucht zich aan Pen wijdde, die zich voor het tegenwoordige op zelfzuchtige wijze aan zich zelven wijdde, daar er geen ander persoon of voorwerp was, dat hem bezig hield, dan de gezondheidstoestand zijner moeder, die hem inderdaad een ernstige en diepgevoelde bezorgdheid inboezemde; doch ofschoon zij bij elkander zaten, spraken zij met elkander niet veel, daar er nog altijd eene wolk tusschen hen beiden hing.

Elken dag zag Laura naar Warrington uit, dien zij met steeds grootere voorkomendheid en blijdschap begroette. Hij bespeurde, dat hij tegen haar op eene wijze sprak, zooals hij niet wist, dat hij spreken kon Hij betrapte zich zelven op het geven van bewijzen van galanterie, die hem verbaasden nadat hij ze gegeven had; hij ontdekte, dat hij peinzend in den spiegel zat te staren naar de rimpels rondom zijn oogen, naar het grijs, dat zich hier en daar in zijn haar begon te vertoonen, en naar de verraderlijke zilveren sprietjes in zijn ruigen, blauwzwarten baard. Hij ontdekte, dat hij naar de jonge fatten in de badplaats keek, naar de blonde, eng geregen Duitschers, naar de huppelende Franschen, met hunne geverfde knevels en hunne nette verlakte laarzen, naar de Engelsche dandy’s, en daaronder ook naar Pen, met hunne kalme gebiedende houding en hunne aan het brutale grenzende onverschilligheid, en dat hij aan elk hunner het een of ander voorrecht of eigenschap van jeugd of goed voorkomen benijdde, welke Warrington gevoelde dat hij miste. Elken avond verliet hij den kleinen kring met grooter tegenzin, en wanneer hij zich dan naar zijn eigen kamer in de buurt begaf, gevoelde hij zich des te verlatener. De weduwe moest wel tegen wil en dank de liefde leeren kennen, die hij in zijn hart koesterde. Thans begreep zij waarom majoor Pendennis (die altijd een heimelijk tegenstander van haar geliefkoosd plan was geweest) zoo sterk er op had aangedrongen, dat Warrington van de partij zou wezen. Laura kwam er openlijk voor uit, dat zij hem eene groote en oprechte achting toedroeg, en Arthur wilde van zijn kant geen enkelen stap doen. Hij verkoos niet te zien wat er gebeurde, of trachtte dit althans niet te stuiten, zoo hij het zelfs niet aanmoedigde. Zij herinnerde zich, dat zij hem dikwijls had hooren zeggen, dat hij niet begreep hoe een man tweemaal aanzoek kon doen om de hand eener vrouw. Zij verkeerde nu in pijn en banden; zij was in heimelijke tweespalt met haar zoon, die voor haar het dierbaarste op aarde was; zij koesterde een twijfel, dien zij zich zelve niet durfde bekennen, omtrent Laura; zij had een afkeer van Warrington, die zoo goed en edelaardig was. Geen wonder, dat de geneeskrachtige wateren van Rozenbad haar geen goed deden, en dat dokter von Glauber, de baddokter, toen hij de arme dame kwam bezoeken, geen spoor van beterschap waarnam. Pen ging intusschen snel vooruit; twaalf uren van de vier en twintig sliep hij door als een os; hij at als een wolf, en had, na een paar maanden, bijna geheel de krachten en het gewicht teruggekregen, die hij vóór zijne ziekte bezeten had.

Toen zij zich reeds ongeveer veertien dagen op hunne plaats der ruste en verpoozing bevonden, kondigde majoor Pendennis schriftelijk zijne spoedige komst in Rozenbad aan, en kort na dien brief verscheen de majoor zelf, vergezeld van zijn trouwen knecht Morgan, zonder wiens hulp de oude heer geen voet verzette. Op reis droeg de majoor een los en jeugdig kostuum; als men hem op den rug zag, zou men hem voor een dier jonge heeren gehouden hebben, wier ranke leest en jeugdig voorkomen Warrington begon te benijden. Eerst als de waardige heer zich bewoog, merkte de toeschouwer op, dat de Tijd zijn oude knieën verzwakt, en op onheusche wijze de vlugheid der nette verlakte laarsjes gestremd had, in welke de opgeruimde oude reiziger nog altijd zijne voeten klemde. Er hielden zich in dat najaar groote heeren zoowel uit ons eigen land als uit het buitenland te Rozenbad op. Pendennis senior liep den avond van zijn aankomst de vreemdelingenlijst met groot genoegen door, waarop hij zich verheugde verscheidene goede lui van zijne kennis aan te treffen; hij zou de eer hebben zijn neef binnen weinige dagen aan eene Duitsche groothertogin, eene Russische prinses en een Engelschen markies voor te stellen. Pen had niets tegen de kennismaking met die aanzienlijke lui, daar hij zelf smaak had in de voorname wereld en den luister en de genoegens, die daaraan verbonden zijn. Dien zelfden avond vertoonde zich de onverschrokken oude heer, op den arm van zijn neef geleund, in de zalen van het Kurhaus en won of verloor een paar napoleons aan de tafel, waar het trente et quarante gespeeld werd. Hij zeide, dat hij niet speelde om te winnen of te verliezen, maar dat hij deed gelijk anderen deden, en zijn napoleon opzette en het voor lief nam zooals het uitviel. Hij wees Arthur de Russen en Spanjaarden aan, die om bergen gouds dobbelden, en keurde hunne speeldrift als iets gemeens en barbaarsch af; een Engelsch gentleman behoorde te spelen waar het gebruikelijk was, maar zich niet te laten opwinden of neerslaan door het spel; en daarop verhaalde hij, hoe hij het had bijgewoond, dat zijn vriend, de markies van Steyne, toen hij nog Lord Gaunt was, eenmaal achttien duizend pond op een enkelen avond verloren had, en een andermaal drie avonden achtereen de bank te Parijs had doen springen, zonder de minste ontroering bij zijne nederlaag of zijn overwinning aan den dag te leggen. – „En dat is het, wat ik een Engelsch gentleman heet, beste Pen,” zeide de oude heer, die bij deze herinneringen warm werd; „dat noem ik le grand air, die nog alleen bij ons en bij eenige weinige familiën in Frankrijk overgebleven is.” En toen hem Russische prinsessen voorbijgingen, wier reputatie sinds lang niet meer twijfelachtig was, en verdachte Engelsche dames, die men op deze vroolijke plaatsen der losbandigheid aanhoudend ziet met haar trouwen doch lijdelijken aanbidder, vertelde de majoor met levendige spraakzaamheid en ondeugend vermaak, wonderbaarlijke bijzonderheden uit het leven dier heldinnen aan zijn neef en onderhield hij den jonkman met duizenderlei kwaadsprekerijen. Wat drommel! het was hem of hij weer jong was, gelijk hij aan Pen verklaarde, toen de geblankette en grinnikende prinses Obstropski, met haar reusachtigen jager op hare hielen, die haar shawl droeg, hem met een lachje herkende en aansprak. Hij herinnerde zich harer nog van het jaar 14, toen zij actrice in een schouwburg op een der boulevards te Parijs was en Obstropski – adjudant van keizer Alexander, een man van groote talenten, die heel wat had kunnen vertellen omtrent den dood van keizer Paul en een duivel aan de speeltafel was – haar trouwde. Hoffelijk en eerbiedig vroeg hij de prinses verlof een bezoek bij haar te mogen afleggen, om haar zijn neef, den heer Arthur Pendennis, voor te stellen, waarna hij dezen laatste nog een half dozijn andere personages aanwees, die even vermaarde namen droegen en even stichtelijke levensgeschiedenissen achter den rug hadden. Wat zou de arme Helena gedacht hebben, indien zij die verhalen had kunnen hooren, indien zij geweten had, aan welke soort van lieden haar schoonbroeder haar zoon voorstelde? Slechts ééns, op Arthur’s arm geleund, was zij de zaal doorgegaan waar de groene tafels voor het spel gereed stonden en de schorre croupiers hunne noodlottige „Rouge gagne” en „couleur perd” uitgalmden. Vol ontzetting was zij uit dit pandemonium weggevlucht en had zij Pen bezworen en hem op zijn woord van eer de belofte afgeperst, dat hij nooit aan die tafels spelen zou; maar het tooneel, dat de eerzame weduwe met zooveel ontzetting vervulde, vermaakte slechts den wereldschen ouden veteraan, en deed hem wederom jong worden! Hij kon den dampkring, die haar deed stikken, met genoegen inademen, Hare wegen waren niet zijne wegen; wat voor hem voedsel was, dat was voor haar vergif. Zoo verschillend is de vatbaarheid der menschen, en met zulk eene verscheidenheid van schepselen is deze wonderbare wereld bevolkt. Tot eer van mijnheer Pen moeten wij verklaren, dat hij de belofte, aan zijne moeder afgelegd, trouw nakwam, en zijn oom onbewimpeld kennis gaf van zijn voornemen om zich daaraan te houden.

Toen de majoor was aangekomen, scheen het alsof zijne tegenwoordigheid een drukkenden invloed op ten minste drie leden van het kleine gezelschap uitoefende: – op Laura, die hem alles behalve eerbied toedroeg; op Warrington, die hem onwillekeurig uit de hoogte en met minachting behandelde; en op de bedeesde en onthutste weduwe, die de vrees koesterde, dat hij hare geliefkoosde plannen met haar zoon, hoe weinig hoop ook nog voor de verwezenlijking daarvan bestond, zou dwarsboomen. En de majoor was dan ook inderdaad, ofschoon hij het zelf niet wist, de overbrenger van tijdingen, die aan de aangelegenheden van al onze vrienden een zwaren slag zouden toebrengen.

Pen bewoonde met zijne beide dames apartementen in de stad Rozenbad; de goede Warrington had eene kamer in de nabijheid betrokken; en de majoor had, gelijk aan zijne waardigheid betaamde, bij zijn aankomst te Rozenbad kamers in een der groote hotels genomen, den Keizer van Rome, of de Vier Jaargetijden, waar dagelijks twee of driehonderd spelers, vermaakzoekers of zieken, aan de onmetelijke table d’hôte aanzaten en zich de maag overlaadden. Den morgen na de aankomst van den majoor begaf Pen zich naar dat hotel, om plichtmatig zijn opwachting bij zijn oom te maken. Hij vond diens zitkamer behoorlijk in orde gebracht en opgeruimd door mijnheer Morgan, de hoeden van den majoor geborsteld, zijne jassen uitgelegd, zijne cassetten en paraplu-zakken, zijne reisboeken, paspoorten, kaarten en andere omslachtige benoodigdheden van een Engelsch reiziger zoo netjes gerangschikt als zij op hun meesters eigen kamer in Jermyn Street hadden kunnen zijn. Alles stond gereed, van de bij den apotheker versch gevulde medicijnflesch tot het kerkboek van den ouden heer, dat hem altijd op zijne reizen vergezelde; want het was bij hem een punt van eer, zich in elke plaats, die hij met zijn verblijf vereerde, in de Engelsche kerk te vertoonen. „Iedereen doet dit,” zeide hij; „ieder Engelsch gentleman doet het,” en het zou dezen godvruchtigen heer evenmin in de gedachte zijn gekomen uit de nationale plaats der godsvereering weg te blijven, als het afleggen van een bezoek bij den Engelschen gezant in eene hoofdstad op het vasteland na te laten.

De oude heer had een der baden genomen, voor welke Rozenbad beroemd is en die iedereen neemt, en zijn toilet na het bad was nog niet voltooid toen Pen zich aanmeldde. De oude man riep met een opgeruimde stem Arthur toe uit het achtervertrek, waar hij met Morgan bezig was en, een oogenblik later kwam de knecht binnen met een pakje aan Pen’s adres – brieven en papieren voor mijnheer Arthur, zeide Morgan, die hij van mijnheer Arthur’s kamers te Londen had meegebracht, en die hoofdzakelijk uit nommers van de Pall Mall Gazette bestonden, welke onze vriend, mijnheer Finucane, van oordeel was geweest, dat zijn medewerker gaarne zou zien. Die papieren waren bij elkander gebonden; de brieven waren in een enveloppe gesloten, met een adres aan Pen van laatstgenoemden heer.

Onder die brieven bevond zich een klein briefje, gericht – evenals een vroeger schrijven waarvan wij vernomen hebben – aan „den weledelen heer Arthur Pendennis,” hetgeen Arthur met zekeren schrik en een blos opende en met innige belangstelling, spijt en eerbied las. Fanny Bolton schreef, dat zij zich naar Arthur’s woning begeven en daar bevonden had, dat hij vertrokken was, – vertrokken naar Duitschland, zonder een woordje voor haar achter te laten, noch eenig antwoord op haar vorigen brief, waarin zij hem om slechts één enkel vriendelijk woordje verzocht had, noch de boeken, die hij haar in gelukkiger tijden vóór zijne ziekte beloofd had en die zij gaarne als een gedachtenis aan hem had willen bewaren. Zij verklaarde, dat zij niets zou verwijten aan degenen, die haar bij zijn bed hadden gevonden toen hij met de koorts lag en niemand kende, en die het arme meisje, zonder haar een woord toe te spreken, de deur hadden uitgezet. Zij had gedacht, dat zij het zou bestorven zijn, vervolgde zij, maar dokter Goodenough had haar liefderijk verzorgd en in het leven behouden, op een oogenblik toen het misschien nergens nut toe was, dat zij in het leven bleef; maar zij vergaf iedereen, en wat Arthur betrof, zij zou altijd voor hem bidden. En toen hij zoo ziek lag en zijn haar werd afgesneden, was zij zoo vrij geweest een klein lokje voor zich te behouden; dat moest zij bekennen. Mocht zij het nog behouden, of zou zijne mama gelasten, dat zij dat ook moest teruggeven? Zij was bereid hem in alles te gehoorzamen, want zij zou zich altijd herinneren, dat hij eenmaal zoo vriendelijk, o zoo goed en vriendelijk, voor de arme Fanny geweest was.

Toen majoor Pendennis netjes en met een vriendelijk lachje, na zijn toilet voltooid te hebben, uit zijn slaapvertrek de zitkamer binnentrad, vond hij Arthur met dit briefje in de hand en een uitdrukking van woesten toorn op zijn gelaat, die den ouden heer verbaasd deed staan. „Wat voor nieuws uit Londen, beste jongen?” vroeg hij vrij flauwtjes; „vallen de beren u lastig, dat gij er zoo betrokken uitziet?”

„Weet gij iets van dezen brief, mijnheer?” vroeg Arthur.

„Welken brief, waarde neef?” vroeg de ander droogjes, dadelijk begrijpende wat er gaande was

„Gij weet wat ik meen – van, van jufvrouw – jufvrouw Bolton – dat arme lieve meisje,” barstte Arthur los. „Wanneer is zij op mijne kamer geweest? Was zij er toen ik lag te ijlen? – ik verbeeldde het mij; – was dat zoo? Wie is het, die haar uit mijne kamer weggezonden heeft? Wie heeft de brieven, die zij aan mij geschreven heeft, teruggehouden? Wie heeft dat durven doen? Zijt gij dat geweest, oom?”

„Ik ben niet gewoon de brieven van een gentleman achter te houden, noch verd – onbeschaamde vragen te beantwoorden,” riep majoor Pendennis, van ontroering en verontwaardiging bevende. „Er was een meisje op uwe kamer, toen ik, met groot ongemak voor mij zelven, naar u toekwam, voor den duivel, en het is, bij den hemel, alles behalve pleizierig, mijnheer, op deze wijze beloond te worden voor de genegenheid, die ik u betoond heb, – alles behalve pleizierig!”

„Dat is de vraag niet, oom,” antwoordde Arthur opgewonden, „en – en – ik vraag u verschooning! Gij zijt altijd allervriendelijkst voor mij geweest; maar ik vraag u nog eens, of gij iets hards tegen dit arme meisje gezegd hebt? Zijt gij het, die haar van mij hebt weggezonden?”

„Ik heb geen enkel woord tegen het meisje gesproken,” antwoordde zijn oom, „en ik ben het niet, die haar van u weggezonden heb. Ik weet niets méér van haar, en wensch niets méér van haar te weten, dan van den man in de maan.”

„Dan is het mijne moeder, die het gedaan heeft,” barstte Arthur los. „Heeft mijne moeder het arme kind weggezonden?”

„Ik herhaal, mijnheer, dat ik er niets van weet,” zeide de oude heer korzelig. „Laten wij, als het u belieft, over iets anders praten.”

„Ik zal het dengeen, die dat gedaan heeft, nooit vergeven,” riep Arthur uit, terwijl hij opsprong en zijn hoed greep.

„Wacht even, Arthur! In Gods naam, wacht even!” riep de majoor, maar eer hij dien volzin had uitgesproken, was Arthur de kamer uitgesneld, en een oogenblik daarna zag de majoor hem haastig de straat oversteken, in de richting van zijne woning.

„Zet het ontbijt gereed!” zeide de oude heer tegen Morgan en schudde zuchtend het hoofd, terwijl hij uit het venster zag. „Arme Helena! arme ziel! Dat zal een opschudding geven! Ik wist, dat het er van komen zou; en wat drommel! het is altemaal olie in de vlam!”

Toen Pen thuis kwam, vond hij alleen Warrington, die in de zitkamer der dames hare komst afwachtte, ten einde haar naar de zaal te geleiden, waar de weinige Engelschen te Rozenbad des Zondags kerk hielden. Helena en Laura waren nog niet voor den dag gekomen; de eerstgenoemde was ongesteld, en hare dochter bevond zich bij haar. Pen’s verontwaardiging was zoo groot, dat hij die niet ontveinzen kon. Hij wierp Fanny’s brief over de tafel aan zijn vriend toe. „Zie eens, Warrington,” zeide hij; „zij heeft mij in mijne ziekte opgepast, mij uit de arm des doods gered, en op deze wijze is het lieve schepseltje behandeld geworden. Men heeft hare brieven aan mij achtergehouden: men heeft mij als een kind, en haar, dat arme schaap, als een hond behandeld. Dat heeft mijne moeder gedaan!”

„Als dat zoo is, moet gij in aanmerking nemen dat het uwe moeder is,” kwam Warrington er tusschen.

„Dat zij het is, die het gedaan heeft, maakt de misdaad des te grooter,” gaf Pen ten antwoord. „Zij had de beschermster van het meisje, niet hare vijandin, moeten zijn. Zij behoorde zich op de knieën te werpen en haar vergiffenis te vragen. Dat moet zij, en dat wil ik. Ik gruw van de wreede bejegening, die men haar heeft aangedaan. Zij schonk mij alles, en is dit hare belooning? Zij offert alles voor mij op, en men schopt haar weg.”

„Stil!” zeide Warrington; „men kan u in de kamer hier naast hooren.”

„Hooren? Laten zij het hooren!” riep Pen slechts des te luider uit. „Zij, die mijne brieven achterhouden, mogen ook mijne woorden beluisteren. Ik zeg, dat dit arme meisje schandelijk behandeld is, en ik zal al het mogelijke doen om haar recht te laten weervaren; dat zal ik.”

De deur der naaste kamer ging open en Laura trad met een bleek en ernstig gelaat binnen. Zij zag Pen met vlammende blikken van fierheid, uittarting en afkeer aan. „Arthur, uwe moeder is zeer onwel,” sprak zij; „het is jammer dat gij zoo luid spreekt, dat hare rust er door verstoord wordt.”

„Het is jammer, dat men mij genoodzaakt heeft te spreken,” antwoordde Pen. „En ik heb nog meer te zeggen, eer ik heb afgedaan.”

„Ik geloof, dat hetgeen gij te zeggen hebt ternauwernood voor mijn ooren gepast zal zijn,” hernam Laura hooghartig.

„Gij kunt het aanhooren of niet, volkomen naar uw goedvinden.” zeide mijnheer Pen „Ik zal naar binnen gaan, om met mijne moeder te spreken.”

Laura trad snel vooruit, om niet door hare vriendin daar binnen verstaan te worden. „Nu niet, mijnheer!” voegde zij Pen toe. „Als gij het doet, kunt gij haar den dood berokkenen. Uw gedrag heeft genoeg bijgedragen, om haar rampzalig te maken.”

„Welk gedrag?” riep Pen woedend uit. „Wie durft iets op mijn gedrag aanmerken? Wie durft zich met mijne zaken bemoeien? Gij zijt het, die deze vervolging aanstookt!”

„Ik zeide reeds zoo even, dat het een onderwerp was, waarvan het mij niet paste te hooren, of te spreken,” zeide Laura. „Maar wat mama betreft, indien zij anders had gehandeld dan zij gedaan heeft met opzicht tot – tot de persoon, in welke gij zooveel belang schijnt te stellen, had ik het moeten zijn, die uw huis verliet, en niet die – die persoon.”

„Bij den hemel, dat is te veel!” riep Pen met een zwaren vloek uit.

„Dat hadt gij misschien wel gewenscht,” zeide Laura, haar hoofd oprichtende. „Maar niets meer hiervan, als het u belieft; ik ben niet gewoon zulke onderwerpen in zulk eene taal te hooren behandelen,” en met eene statige buiging keerde de jonge dame naar de kamer harer vriendin terug en zag op dien terugtocht, terwijl zij de deur voor Pen’s neus sloot, hare wederpartij strak in het gelaat.

Pen stond verbijsterd van verwondering, verlegenheid en woede over deze monsterachtige en onredelijke vervolging. Toen Laura hem verliet, barstte hij in een luid en bitter lachen uit, en bespotte met bitse gezegden en scheldwoorden, gelijk iemand die onder een operatie samenkrimpt, zoowel zijn eigen smart als de verontwaardiging zijner vervolgster. Die lach, – een bittere lach, maar geen zwakke of hatelijke smartkreet onder een allerwreedste en onverdiende foltering, – werd in het belendende vertrek gehoord evenals, het geval met zijne vorige ongelukkige uitdrukkingen was geweest, en werd, gelijk deze, door de hoorderessen geheel verkeerd uitgelegd. Dat geluid drong als een dolksteek in Helena’s gewond en teedere hart; het doorboorde Laura de ziel, en vervulde dit fiere meisje met minachting en toorn. „En aan dezen verstokten losbol.” dacht zij, „die op zijne gemeene minnarijen snoeft, had ik mijn hart geschonken.” – „Hij schendt de heiligste wetten,” dacht Helena. „Hij schenkt aan het voorwerp van zijn hartstocht de voorkeur boven zijn eigene moeder, en lacht en roemt over zijne misdaad, wanneer hij berispt wordt. „Zij schonk mij alles,” ik hoorde het hem zeggen,” peinsde de arme weduwe; „en daarop zwetst hij en lacht er om, en breekt zijner moeder het hart.” De ontroering, de schaamte, de smart, de vernedering deden haar bijna den dood aan. Zij gevoelde, dat zijne hardvochtigheid haar het leven zou kosten.

Warrington dacht aan Laura’s gezegde: „Dat hadt gij misschien wel gewenscht.” „Zij heeft Pen nog altijd lief.” sprak hij. „Het was de jaloezie, die haar dit deed zeggen.” – „Kom mee, Pen. Kom mee; laten wij naar de kerk gaan en tot kalmte trachten te komen. Gij moet die zaak duidelijk aan uwe moeder uitleggen. Zij schijnt de ware toedracht niet te kennen; en zoo staat het ook met u, beste jongen. Kom mee, en laten wij er eens over praten.” En andermaal herhaalde hij bij zich zelven: „Dat hadt gij misschien wel gewenscht.” Ja, zij bemint hem. Waarom zou zij hem niet beminnen? Wien anders zou ik verlangen dat zij liefhad? Wat kan zij anders voor mij zijn dan de liefste, schoonste en beste der vrouwen?

En terwijl zij de beide vrouwen op gelijke wijze bezig achterlieten, stapten de heeren weg, elk met zijn eigen gedachten vervuld en een geruimen tijd het stilzwijgen bewarende. Ik moet die zaak in orde brengen, daar zij hem nog altijd lief heeft, overlegde de trouwhartige George; „ik moet hem inlichten over die andere vrouw.” En naar dit liefderijke plan handelende, begon onze goede vriend breedvoeriger te vertellen wat Bows hem had meegedeeld over het gedrag en de lichtvaardigheid van de jonge jufvrouw Bolton, zoodat hij het meisje als niet veel beter dan eene loszinnige kleine coquette afschilderde; en wellicht overdreef hij de vroolijkheid en tevredenheid wel een weinig, die hij bij haar meende waargenomen te hebben bij het tooneel met mijnheer Huxter.

Maar al de berichten van Bows waren door de waanzinnige jaloezie en wangunst van dien ouden man sterk gekleurd, en in plaats dat Warrington’s mededeelingen dus Pen’s herlevende begeerte, om zijne kleine aanbidster weer te zien, temperden, vuurden zij Pendennis aan en vervulden hem met verontwaardiging, zoodat hij nog sterker verlangde dan te voren, om zich, zooals hij het bleef noemen, bij Fanny te rechtvaardigen. Spoedig bevonden zij zich aan de kerkdeur, maar vermoedelijk verstonden beiden ternauwernood één woord van de liturgie en geen lettergreep van dominé Shamble’s preek, daar elk te zeer in zijn eigen overdenkingen verdiept was. De majoor, met zijn gladgeborstelden hoed en nette pruik en met zijn luchtigste en opgeruimdste voorkomen, voegde zich na afloop van den kerkdienst bij hen. Hij maakte hun zijn compliment dat zij zich in de kerk vertoond hadden, en herhaalde, dat geen man comme il faut, wanneer hij in het buitenland vertoefde, de Engelsche godsdienstoefening verzuimde, waarna hij met de jongelieden terugkeerde, aanhoudend vroolijk voortsnappende, buigingen makende tegen voorbijgaande bekenden, en in zijn eenvoudigheid denkende, dat Pen en George opgetogen waren over zijn anekdotes, die zij met minachtende en sprakelooze lijdzaamheid lieten voorbijgaan.

Onder de preek van dominé Shamble (een rondzwervend Anglicaansch predikant, die op de plaatsen, waar de Engelschen plachten samen te vloeien, voor het seizoen gehuurd werd en, naar men zeide, aan het schuldenmaken, den drank en zelfs de roulette verslaafd was) – onder die preek had Pen, verwoed over de wijze, waarop de vrouwen zijner familie hem vervolgden, zitten broeien over eene groote daad van verzet en, gelijk hij zich zelven ingeprent had, van rechtvaardigheid; en Warrington had van zijn kant de meening opgevat, dat het ook in zijn eigen aangelegenheden tot eene crisis was gekomen, zoodat hij genoodzaakt zou zijn eene betrekking te verbreken, die hem elken dag rampzaliger maakte en hem toch dierbaarder werd. Ja, die tijd was thans gekomen. Hij nam die noodlottige woorden: „Dat hadt gij misschien wel gewenscht,” tot tekst voor eene sombere preek, die hij in de donkere binnenkameren van zijn hart tot zich zelven hield, terwijl dominé Shamble zijne leerrede met eene vervelende stem voordroeg.

ACHT EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

„FAIROAKS TE HUUR.”

Onze arme weduwe had (met bijstand van de trouwe Martha van Fairoaks, die vermaakt en verwonderd over de Duitsche manieren, het bestuur over de eenvoudige huishouding voerde) ter eere van de overkomst van majoor Pendennis een klein feestje aangericht, waaraan echter alleen de majoor en zijne beide jonge vrienden deel namen, daar Helena liet weten, dat zij zich te ongesteld gevoelde om aan tafel te verschijnen, terwijl Laura haar gezelschap wilde houden. De majoor voerde het woord voor allen en bemerkte niet of verkoos niet te bemerken, hoe somber en stil de beide andere deelnemers aan dit bescheidene diner waren. Het was avond eer Helena en Laura zich bij het in de zitkamer vergaderde gezelschapje voegden. De weduwe kwam op Laura’s arm geleund binnen, met haar rug naar het afnemende daglicht, zoodat Arthur niet kon zien hoe doodsbleek en onthutst haar gelaat stond, en toen zij naar Pen ging, dien zij den ganschen dag niet had gezien, en haar armenliefderijk om zijn hals sloeg en hem teeder kuste, liet Laura haar staan en begaf zich naar het ander eind van het vertrek. Pen bespeurde, dat de stem, ja, dat de gansche gestalte zijner moeder beefde, en hare hand was klam toen zij die op zijn voorhoofd legde en hem met een smartelijk gevoel omhelsde. Maar het gezicht van hare droefenis strekte alleen om de ontevredenheid en de opgewondenheid van den jonkman te vermeerderen. Hij beantwoordde ternauwernood den kus, dien de lijdende vrouw hem gaf; en hardvochtig en barsch was het gelaat, waarmee hij haar smeekenden blik bejegende. „Zij is het, die mij vervolgt,” dacht hij, „en zij nadert mij met het voorkomen van eene martelares.” – „Gij ziet er zeer slecht uit, mijn kind,” sprak zij, „ik zie u niet gaarne op die wijze staren.” En daarop ging zij naar eene sofa, terwijl zij eene zijner handen, die hij lijdelijk aan haar overliet, in hare tengere, kille vingers bleef klemmen.

„Er is veel, dat mij gehinderd heeft, moeder,” gaf Pen met haperende stem ten antwoord, en onder zijn spreken begon Helena’s hart zoo hevig te kloppen, dat zij halfdood en sprakeloos van schrik daarneder zat.

Warrington, Laura en majoor Pendennis hielden allen den adem in, overtuigd dat de storm op het punt stond van los te barsten.

„Ik heb brieven uit Londen ontvangen,” ging Arthur voort, „en daaronder één, die mij grooter smart heeft veroorzaakt dan ik nog ooit in mijn leven ondervonden heb. Ik zie daaruit, dat vroegere brieven van mij onderschept en achtergehouden zijn; dat – dat een jong schepseltje, hetwelk mij de grootste liefde en zorg betoond heeft, allerwreedaardigst behandeld is door – door u, moeder.”

„Houd om Gods wil op,” riep Warrington uit. „Zij is onwèl – ziet gij niet dat zij onwèl is?”

„Laat hem maar voortgaan,” zeide de weduwe met eene zwakke stem.

„Laat hem maar voortgaan en haar vermoorden!” riep Laura uit en snelde naar hare moeder toe. „Ga voort, mijnheer, als gij haar voor uw oogen wilt zien sterven.”

„Gij zijt wreed,” riep Pen, nog meer verbitterd en nog woester, daar zijn van nature zacht en week hart vol van verontwaardiging in opstand kwam over het onrechtvaardige van de smart, die hèm verweten werd. „Gij zijt wreed, die al dat verdriet aan mij wijt. Gij zijt wreed met uwe booze verwijten, uw boozen twijfel aan mijn eer, uwe booze vervolging van degenen, die mij liefhebben, – ja, die mij liefhebben en die alles voor mij verduren en die gij veracht en vertrapt, omdat zij van lager stand zijn dan gij. Wil ik u eens vertellen wat ik doen zal, – wat ik besloten heb te doen, nu ik weet wat gij gedaan hebt? – Ik zal terugkeeren naar dat arme meisje, hetwelk gij de deur hebt uitgezet, en haar verzoeken mee te gaan en mijn huis met mij te deelen. Ik zal den hoogmoed, die haar vervolgt, en de onbarmhartige achterdocht, waarmee men haar en mij beleedigt, neerslaan.”

„Bedoelt gij daarmee, Pen, dat gij –,” viel de weduwe hier met glinsterende oogen en uitgebreide handen in; doch Laura stuitte haaren riep: „Stil, lieve moeder, zwijg!” En de weduwe zweeg. Hoe woest Pen ook doorsprak, was zij maar al te begeerig om te hooren wat hij verder zou zeggen. „Ga voort, Arthur, ga voort, Arthur!” was al wat zij zeide, terwijl zij bij die woorden bijna in zwijm viel.

„Bij den hemel, hij zal niet voortgaan, of ik zal hem althans niet aanhooren, voor den drommel!” zeide de majoor, evenzeer van woede bevende. „Als gij, mijnheer, na al wat wij voor u gedaan hebben, na al wat ik zelf voor u heb gedaan, kunt goedvinden uwe moeder te beleedigen en uw naam te schandvlekken door eene laaggeboren dienstmeid te trouwen, ga dan uw gang maar, voor den drommel, – maar laten wij verder niets meer met hem te doen hebben, mevrouw! Ik trek mijne handen van u af, mijnheer; ik trek mijne handen van u af! Ik ben een oud man, ik zal niet lang meer op deze wereld zijn. Ik behoor tot eene familie, zoo oud en geëerd als eenige in geheel Engeland, en ik hoopte, dat de jongeling dien ik liefhad, dien ik groot gebracht, dien ik door het leven geleid heb, iets zou doen, bij den hemel, eer ik van hier ging, om te toonen dat onze naam, ja, de naam van Pendennis, ongeschonden zou achterblijven; maar als hij dat, voor den duivel, niet doen wil, dan zeg ik er amen op! Bij G–, mijn vader en mijn broeder Jack waren de fierste mannen in Engeland, en ik had nooit gedacht dat er schande over mijn naam zou komen, – nooit – en – en ik schaam mij, dat het Arthur Pendennis is, die dat doet!” De stem van den ouden man werd verder door snikken gesmoord; het was de tweede maal, dat Arthur tranen uit die gerimpelde oogleden deed vloeien.

Het geluid van zijne haperende stem stuitte oogenblikkelijk Pen’s toorn en hij hield op met de kamer op en neer te loopen, gelijk hij tot dusverre gedaan had. Laura stond bij Helena’s sofa, en Warrington was tot hiertoe een zwijgend, hoewel niet onverschillig toeschouwer van den familietwist gebleven. Onder het spreken der onderscheidene personen was het bijna donker geworden, en na de stilte, die op de hartstochtelijke ontboezeming van den majoor gevolgd was, hoorden de aanwezigen met geene geringe ontroering George’s zware stem, die thans door de schemerende kamer trilde.

„Wilt gij mij vergunnen, lieve vrienden, iets te verhalen wat mij zelven betreft?” vroeg hij. „Gij zijt zoo goed voor mij geweest mevrouw, – gij hebt mij zooveel vriendschap betoond, Laura (ik hoop, dat ik u zoo noemen mag), – mijn beste Pen en ik zijn zulke goede vrienden geweest, dat – dat ik u sinds lang mijne geschiedenis heb wenschen te verhalen zooals die is en die ik u reeds vroeger zou meegedeeld hebben, indien zij niet zoo treurig was en het geheim van een ander bevatte. Het kan echter voor Arthur nuttig zijn die te kennen, – en het is wenschelijk, dat iedereen hier ze verneme. Het zal de gedachten van een onderwerp afleiden, dat, ten gevolge van een noodlottig misverstand, bij allen groote smart heeft veroorzaakt. Wilt gij het mij vergunnen, mevrouw Pendennis?”

„Spreek, als het u belieft,” was al wat Helena zeide. Eigenlijk boezemde het haar niet veel belang in; haar geest was vervuld met een ander denkbeeld, dat Pen’s woorden bij haar hadden opgewekt, en zij koesterde de onzekere hoop, dat, hetgeen hij had aangeduid, mocht zijn wat zij wenschte.

George schonk zich een glas wijn in, dat hij ledigde, waarna hij begon te verhalen. „Gij allen weet wat ik thans ben,” zoo ving hij aan, „een mensch zonder begeerte om in de wereld vooruit te komen, die geen moeite doet om naam te maken en die op een zolderkamertje woont en van den eenen dag op den anderen leeft, ofschoon ik vrienden en een naam en, ik durf zeggen, talenten bezit, die mij van nut zouden zijn, indien ik er lust toe gevoelde. Doch let wel, dat ik dien lust niet bezit. Waarschijnlijk zal ik op mijn zolderkamertje in eenzaamheid sterven. In mijn jongen tijd heb ik mij zelven aan dat lot vastgekluisterd. Wil ik u eens vertellen wat mij jaren geleden belangstelling voor Arthur deed opvatten en mij genegenheid voor hem inboezemde zoodra ik hem zag? De studenten van ons College te Oxbridge wisten te verhalen van die vroegere geschiedenis met de actrice te Chatteries, over wie Pen mij later zoo dikwijls onderhouden heeft, en die, zonder het beleid van den majoor, op dit oogenblik uwe schoondochter had kunnen zijn, mevrouw. Ik kan Pen thans in de duisternis niet zien, maar ik ben zeker dat hij er om bloost, en ik houd het er voor, dat jufvrouw Bell het ook doet; en mijn vriend majoor Pendennis lacht zeker, zooals hij wel doen mag, want – hij won het spel. Wat zou Arthur’s lot thans zijn, indien hij op zijn negentiende jaar verbonden ware geworden aan een onbeschaafde vrouw, die ouder was dan hij, terwijl zij met elkander geen hoedanigheden gemeen hadden, die den een tot een geschikt gezelschap voor de andere maakte, geen gelijkheid van stand, geen vertrouwen, geen liefde? Wat had hij anders kunnen zijn dan diep rampzalig? En toen hij zoo even van eene soortgelijke verbintenis sprak en daarmee dreigde, kunt gij zeker zijn dat dit eene bedreiging was, die uit zijn toorn voortsproot, hetgeen gij mij wel zult veroorloven te zeggen, mevrouw, dat van zijn kant zeer natuurlijk was, want na zijn edel en moedig gedrag, – laat ik, die zeer goed met den loop der zaak bekend ben, zeggen, dat het hoogst edel en moedig was en van groote zelfverloochening getuigde, wat zeldzaam bij hem is, – heeft hij van sommige zijner betrekkingen eene zeer kwetsende verdenking moeten ondergaan en heeft hij zich over de onheusche behandeling van een andere onschuldige te beklagen gehad, aan wie gij allen groote verplichting hebt, evenzeer als hij.”

Op deze woorden wilde de weduwe opstaan, en Warrington, die hare poging om op te staan zag, vroeg: „Verveel ik u, mevrouw?”

„O neen – ga voort – ga voort!” zeide Helena met opgeruimde stem, waarop Warrington zijn verhaal vervolgde.

„Hij beviel mij, begrijpt gij, om die gebeurtenis uit zijn vroeger leven, die mij aan de academie ter oore gekomen was, en omdat ik achting koester voor een man – indien gij mij veroorlooft dit te zeggen, jufvrouw Laura – die het bewijs levert, dat hij een innige – al is het ook onberedeneerde – liefde voor eene vrouw kan koesteren. Dat was de reden waarom wij vrienden werden – en hier allen vrienden zijn – voor altijd, niet waar?” liet hij er zachter op volgen, terwijl hij zich tot haar overboog, „en Pen heeft veel troost opgeleverd en is een gewenscht gezelschap geweest voor een verlaten en ongelukkig man.

„Begrijpt mij wel, dat ik mij niet over mijn lot beklaag; want niemands lot is juist zooals hij het wenschen zou; en daar boven op mijn zolderkamertje, waar gij die bloemen hebt achtergelaten en ik mijn oude boeken en mijne pijp tot vrouw heb, ben ik tamelijk tevreden, en benijd ik slechts nu en dan andere mannen, die een schitterender levensloop hebben, of die hun tegenspoed kunnen temperen door datgeen, waarvan het noodlot en mijn eigen schuld mij beroofd heeft, – namelijk de genegenheid van eene vrouw, of een kind.” Op dit oogenblik liet zich in Warrington’s nabijheid uit de duisternis een zucht hooren en werd er eene hand naar hem uitgestoken, die zich echter dadelijk weer terugtrok, want onze dames zijn zoo preutsch, dat men haar leert aan haar zelve en de welvoeglijkheid te denken en bij de geringste aanleiding te blozen, voordat zij aan eenig gevoel lucht geven, of eenige vriendelijkheid of achting mogen betoonen. De zedigheid stuitte natuurlijk, gelijk betaamde, die natuurlijke opwelling en stelde zich in postuur; het vriendschappelijk gevoel deinsde terug en Warrington hervatte zijn verhaal. „Mijn lot is gelijk ik het gemaakt heb, en het is niet gelukkig voor mij, noch voor anderen, die er in betrokken zijn.

„Ook ik had een avontuur, eer ik naar de academie ging; en er was niemand om mij te redden zooals de majoor Pen gered heeft. Vergeef mij, jufvrouw Laura, dat ik deze geschiedenis ten uwen aanhoore vertel. Het is wenschelijk, dat gij allen mijne bekentenissen verneemt. Voordat ik naar de academie ging, als knaap van achttien jaren, woonde ik bij een huisonderwijzer, en daar vatte ik, evenals Arthur, genegenheid op – ten minste ik verbeelde mij dit – voor eene vrouw van veel lager stand en veel hooger leeftijd dan ik. Gij schrikt voor mij terug –”

„Neen, dat doe ik niet,” zeide Laura en nu kwam de hand vastberaden te voorschijn en legde zich in die van Warrington. Uit enkele vroegere gezegden, die hij zich had laten ontvallen, en uit de eerste woorden waarmee hij begonnen was, had zij zijne geschiedenis geraden.

„Zij was de dochter van een landman uit den omtrek,” zeide Warrington met eene vrij onvaste stem, „en ik verbeeldde mij – wat alle jongelieden zich verbeelden. Haar ouders wisten wie mijn vader was en lokten mij met allerlei lompe kunstgrepen en verraderlijke vleierijen, die ik thans doorzie, naar hun huis. Om haar recht te laten weervaren, moet ik bekennen, dat zij geen zier om mij gaf, maar door de bedreigingen en den aandrang van hare familie gedreven werd tot hetgeen er gebeurde. Gave God, dat ik niet misleid ware! maar in dergelijke zaken worden wij misleid, omdat wij dit zelf wenschen, en ik dacht dat ik het arme meisje beminde.

„Wat moesten de gevolgen van een dergelijk huwelijk zijn? Het duurde niet lang, of ik werd gewaar, dat ik met eene boerin getrouwd was. Zij kon geen enkele zaak vatten, die mij belang inboezemde. Hare domheid versufte mij en boezemde mij eindelijk walging in. En nadat deze rampzalige en heimelijke verbintenis eenigen tijd geduurd had – want ik wil u alles verhalen – vond ik ergens brieven (en wat voor brieven!) die mij het bewijs leverden, dat haar hart, voor zoover zij een hart had, nooit het mijne was geweest, maar altijd aan een persoon van haar eigen stand had toebehoord.

„Bij mijn vaders dood betaalde ik de schulden, die ik tijdens mijn verblijf aan de academie gemaakt had, en zette ik al wat mij overbleef vast, tot een jaargeld voor – voor degenen, die mijn naam droegen, onder voorwaarde, dat zij zich verborgen zouden houden, zonder dien naam te voeren. Zij zijn die voorwaarde nagekomen, gelijk zij haar voor meer geld zouden verbreken. Indien ik naam of roem verworven had, zou die vrouw gekomen zijn om er haar deel van te eischen; indien ik voor mij zelven een naam had gemaakt, zouden zij, die er geen aanspraak op hadden, dien gedragen hebben; en zoo trad ik, God zij mij genadig, op mijn twintigste jaar zonder hoop en geheel geruïneerd het leven in! Ik was als knaap het slachtoffer van gemeene bedriegers, en eerst onlangs heb ik gevoeld hoe moeielijk het valt – o zoo moeielijk! – hun te vergeven. Reeds vroeger had ik u de moraal verteld, Pen; thans heb ik u de fabel meegedeeld. Zorg toch bovenal, dat gij niet buiten uw eigen stand trouwt. Ik geloof, dat ik voor een beter lot in de wieg was gelegd; maar God heeft mij het tegenwoordige toegewezen, – en aldus, ziet ge, is het mijne bestemming om toe te kijken en met een hart, zoo min mogelijk verbitterd, anderen voorspoedig en gelukkig te zien.”

„Wel drommel, mijnheer,” riep de majoor allervroolijkst uit, „ik had u aan jufvrouw Laura hier willen uithuwen.”

„En te drommel, meester Shallow, ik ben u duizend pond schuldig,” zeide Warrington.

„Wat spreekt gij van duizend pond? het zijn er maar vijf en twintig, mijnheer,” antwoordde de majoor onnoozel, hetgeen den ander in lachen deed uitbarsten.

Wat Helena betreft, zij was zoo opgetogen, dat zij opsprong met den uitroep: „God zegen’ u, mijnheer Warrington, God zegen’ u voor eeuwig!” zijne beide handen kuste, naar Pen toeliep en zich in zijn armen wierp.

„Ja beste moeder,” zeide hij, terwijl hij haar aan zijn hart drukte en haar vol teederheid en ontroering omhelsde en vergiffenis schonk. „Ik ben onschuldig, en mijne lieve, lieve moeder heeft mij verongelijkt.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us