Geschiedenis van Arthur Pendennis (part 2 of 4)
Bloundell’s mededeelingen omtrent jufvrouw Fotheringay verwekten dus groote smart en schaamte bij Pen. Was hij vroeger reeds beschaamd geweest over zijne verliefde bui, wat moesten thans wel zijne gevoelens zijn, nu het voorwerp van zulk eene reine vereering, ja aanbidding, slechts eene verachtelijke bedriegster bleek te zijn, eene bedriegster, door iedereen behalve hem doorgrond! Het kwam bij Pen niet op, aan de zaak te twijfelen, noch te onderzoeken of de beweringen van een man gelijk zijn nieuwen vriend, die nooit van eenige vrouw iets goeds zeide, een schijn van waarheid hadden.
Gedurende eene der Paaschvacantiën, toen Pen aan zijne moeder en zijn oom bericht had, dat hij, in plaats van naar buiten te komen, te Oxbridge zou blijven doorstudeeren, liet hij zich echter overhalen met zijn vriend Bloundell een kort uitstapje naar Londen te doen. Zij namen hun intrek in een hotel in Covent Garden, waar Bloundell „thuis was,” zooals hij het noemde, en genoten de genoegens der stad met den ijver, dien men van jonge studenten gewoon is. Bloundell was nog altijd lid van eene militaire club, waar hij Pen een paar malen meenam om te dineeren (de jongelui reden daar met eene cab naar toe, uit vrees van majoor Pendennis op zijne wandeling door Pall Mall te ontmoeten), en hier werd Pen voorgesteld aan een aantal heeren met sporen en knevels, waarmee hij ’s morgens pale ale dronk en ’s avonds de stad doorslenterde. Hij zag op die wijze heel wat van de wereld en liep niet veel gevaar om zijn voogd in de schouwburgen en op de concerten te ontmoeten, die deze luidruchtige jonge losbollen bezochten. Op zekeren avond waren zij echter zeer dicht in elkanders nabijheid, want Pen, die in eene loge in het Museum-Theater zat, was alleen door een houten beschot van den majoor gescheiden, die zich met Lord Steyne in de loge van dien geachten edelman bevond. Jufvrouw Fotheringay pronkte in al den glans van haar roem. Zij had opgang gemaakt, of, met andere woorden, zij had bijna een jaar lang zeer volle zalen gehad; zij had de provinciën met den meest gunstigen uitslag bereisd, was te Londen teruggekomen, om daar met eenigszins getaanden luister te schitteren, en speelde nu „met steeds klimmenden bijval, enz.” en „tot roem van het goede oude Britsche drama,” zooals de affiches zeiden, voor zalen, waarin nog plaats genoeg was voor iedereen, die haar wilde zien.
Het was de eerste maal dat Pen haar zag, sedert dien gedenkwaardigen dag toen zij te Chatteries gescheiden waren. Het jaar te voren, toen zij te Londen zoo grooten roem inoogstte en de dagbladen hare schoonheid ophemelden, had Pen een voorwendsel weten te vinden om onder den studietijd naar de hoofdstad te gaan, waar hij dadelijk naar den schouwburg vloog, om zijne oude geliefde te zien. Hij riep zich de oude genegenheid eerder in het geheugen dan dat hij die hernieuwde. Hij herinnerde zich met welke gespannen verwachting hij te Chatteries de rol van den acteur bespiedde, die vóór Ophelia of Mevrouw Haller optrad. Toen die acteur nu bij deze gelegenheid optrad, gevoelde Pen eene soort van zwakke trilling; toen de zaal van toejuichingen begon te daveren en Ophelia met hare oude buiging en diepe nijging optrad, ondervond Pen eene lichte aandoening, maar hij bloosde sterk toen hij haar aanzag en dacht onwillekeurig, dat alle aanwezigen naar hem keken. Hij hoorde haar nauwelijks gedurende de eerste helft van het stuk, en dacht met zooveel ergernis aan de vernedering, waaraan zij hem had blootgesteld, dat hij zich begon in te beelden, dat hij jaloersch was en haar nog liefhad. Maar die zinsbegoocheling duurde niet lang. Hij liep naar de zijdeur van het tooneel om haar zoo mogelijk te zien; doch dit mislukte. Zij ging wel met eene gezellin rakelings langs hem heen, maar hij kende haar niet en zij van hare zijde herkende hem evenmin. Den volgenden avond kwam hij laat en bleef hij bedaard zitten om het nastuk te zien; en den derden en laatsten avond van zijn verblijf te Londen – wel, toen zou Taglioni in de opera dansen – Taglioni! en dan werd er Don Giovanni gegeven, dien hij boven alles bewonderde. Derhalve ging mijnheer Pen Don Giovanni en Taglioni zien.
Ditmaal was de illusie ten haren opzichte geheel voorbij. Zij was niet minder bevallig, maar toch, om welke reden dan ook, dezelfde niet meer. Het licht, dat vroeger uit hare oogen straalde, was verdwenen, of Pen werd er niet langer door verblind. Hare volle stem klonk als vanouds, maar deed Pen’s hart niet als vroeger trillen. Het kwam hem voor, dat hij het Iersch accent er tusschen door hoorde en dat de toon nu grof en valsch was. Het ergerde hem, dat hij weer denzelfden nadruk op dezelfde woorden hoorde, alleen een weinigje luider; en meer nog, dat hij die in het oog loopende navolging ooit voor genie had kunnen aanzien, – dat het van buiten geleerde snikken en zuchten hem van aandoening had doen wegsmelten. Hij had een gevoel alsof het in een ander leven was geweest, ja alsof het een ander mensch was, die haar zoo dolzinnig lief had gehad. Hij was beschaamd en diep vernederd en gevoelde zich als het ware verlaten. Ach, arme Pen, de dwaling is soms beter dan de waarheid, een schoone droom beter dan een treurig ontwaken!
De vrienden hadden dien avond een luidruchtig souper en mijnheer had den volgenden morgen haarpijn, waarmee hij naar Oxbridge terugkeerde, na al zijne comptante penningen verteerd te hebben.
Daar dit verhaal uit Pen’s eigen aanteekeningen getrokken is, zoodat de lezer zeker kan zijn, dat het woord voor woord waarheid bevat, maar Pen zelf zich nooit een duidelijk denkbeeld heeft kunnen vormen van de wijze, waarop hij eigenlijk zijn geld doorbracht en zich in aanhoudend grootere financieele moeielijkheden gewikkeld had gedurende zijn heilloos verblijf aan de hoogeschool van Oxbridge, zoo is het mij natuurlijk onmogelijk zijne ongelegenheden nauwkeuriger te schetsen dan door het algemeen overzicht van zijne levenswijze, hetwelk wij in de vorige bladzijden gegeven hebben. Hij spreekt niet al te bitter over de afzetterijen van de winkeliers in de academiestad, noch van die te Londen, die hij in den aanvang zijner academische loopbaan met zijne klandizie vereerde. Zelfs Finch de geldschieter, met wien Bloundell hem in kennis bracht en hij meer dan eens zaken had, waarbij de jonge schavuit zijne handteekening op gezegeld papier zette, behandelde Pen, volgens diens eigen bekentenis, met inschikkelijkheid en zette hem nooit meer dan honderd percent af. De oude kok van het Collegie, die hem eene vurige bewondering toedroeg, maakte eene afzonderlijke rekening voor hem op, wilde hem tot het laatste oogenblik diners blijven leveren en zou hem tot zijn laatsten ademtocht niet gemaand hebben. Arthur Pendennis had eene vriendelijkheid en openhartigheid over zich, welke de meeste menschen innam, die met hem in aanraking kwamen, en die hem, terwijl hij daardoor aan den eenen kant gemakkelijker ten prooi viel aan schurken, aan den anderen kant meer welwillendheid dan hij verdiende van den kant van brave menschen verwierf. Het was onmogelijk aan zijne goedhartigheid weerstand te bieden of, in zijne berispelijkste oogenblikken, niet te hopen, dat hij voor den algeheelen ondergang bewaard zou blijven.
Toen hij nog in den vollen roes der academievermaken verkeerde, zou hij de vroolijkste partij verlaten hebben, om een zieken vriend gezelschap te gaan houden. In de behandeling zijner bekenden maakte hij nooit onderscheid tusschen aanzienlijken en geringen, hoewel de smaak van den rampzaligen knaap, welke naar het weelderige overhelde, hem de voorkeur aan voornaam gezelschap deed geven; hij was maar al te bereidvaardig om eene guinje met een behoeftig vriend te deelen, en als hij geld had, bezat hij een onweerstaanbaren lust om te betalen, hetgeen hij zijn gansche leven door niet heeft kunnen afleeren.
In zijn derde studiejaar begonnen de schuldeischers op eene afgrijselijke manier rondom hem samen te scholen en was er eene vergadering voor zijne deur, die de leeraars vertoornde en menig stouter hart dan het zijne in de schoenen zou hebben doen zinken. Met sommige dier heeren disputeerde hij; anderen snauwde hij af (volgens den raad van mijnheer Bloundell, die doctor mocht heeten in die wetenschap, ofschoon hij het in geene andere werd) en bij enkelen bakte hij zoete broodjes. Men zegt, dat toen de kleine Mary Frodsham, de dochter van een armen vergulder en lijstenmaker, dien mijnheer Pen wel had willen begunstigen en die een aantal mooie lijsten voor zijne kostbare prenten had vervaardigd, met een hartbrekend verhaal tot hem kwam, dat haar vader ziek lag aan de koorts en zijn boel bij executie verkocht zou worden, – dat Pendennis toen in eene vlaag van berouw wegijlde, zijn groot horloge en elk kleinood – met uitzondering van twee oude gouden hemdsknoopjes, die aan zijn vader behoord hadden – verpandde en zich met het ontvangen bedrag naar Frodsham’s winkel spoedde, waar hij den armen ambachtsman, met tranen in de oogen en met de diepste wroeging en nederigheid, om vergiffenis smeekte.
Wij houden u dit niet voor, jonge heeren, als een bewijs van Pen’s deugd, maar veeleer van zijne zwakheid. Het zou veel deugdzamer geweest zijn, als hij in het geheel geen prenten had gekocht. Hij was nog altijd het geld schuldig voor de snuisterijen, die hij verpand of verkocht had om Frodsham’s rekening te voldoen, en zijne moeder moest zich op de pijnlijkste wijze bekrimpen om de nota van den juwelier te betalen, zoodat bij slot van rekening zij het was, die voor de onverantwoordelijke loszinnigheid en dwaasheden van den jonkman boeten moest. Wij stellen u Pen niet voor als een held of tot voorbeeld, maar alleen als een knaap, die, bij duizend ijdelheden en zwakheden, nog eenige edele opwellingen overgehouden heeft en niet geheel en al een schelm is.
Wij hebben vermeld, dat het eene ergernis voor den onderwijzer Buck was, dat Pen’s uitspattingen bekend werden. Om de wijze, waarop hij aan de academie was gekomen, de vrienden, waarmee hij omging, en de aanbevelingen van doctor Portman en den majoor, had Buck een tijdlang gedacht, dat zijn leerling een schatrijk personage was, zoodat hij zich zelfs eenigszins verwonderd had, dat Pen zoo eenvoudig leefde. Eens toen hij naar eene receptie ten hove te Londen gegaan was, om een adres van zijner majesteits getrouwe hoogeschool van Oxbridge over te brengen, had Buck den majoor Pendennis op het paleis van St. James in gesprek gezien met twee ridders van den Kouseband, en de verbijsterde geleerde zag hem na de receptie in het rijtuig van een hunner wegrijden. Zoodra hij te Oxbridge terugkwam, vroeg hij Pen op een glas wijn, stelde hem meer dan ooit vrij van het bijwonen van kerkdienst en lessen, en hield zich volkomen verzekerd, dat Pen een zeer vermogend jongmensch was.
Hij stond dus als van den donder getroffen toen hij de waarheid vernam en Pen zelf hem de noodlottige bekentenis deed. Pen’s academieschulden waren aanzienlijk, en met de Londensche schulden behoefde de onderwijzer zich niet in te laten, gelijk Pen er hem natuurlijk ook niet van inlichtte. Wie is er, die, door zijne vrienden aangespoord om te zeggen wat hij schuldig is, alles vertelt? De onderwijzer vernam genoeg om nu te weten, dat Pen arm was, dat hij een ruim, ja bijna rijk jaargeld had doorgebracht, en zulk een weelderigen oogst van schulden rondom zich had laten opgroeien, dat het bijna bovenmenschelijke krachten zou vorderen om die af te maaien, want er is geen plant, die sneller opwast dan deze, wanneer zij eenmaal wortel heeft geschoten.
Misschien omdat zijne moeder zoo teeder was en goed, schrikte Pen terug voor de gedachte, dat zij zijne zonden zou vernemen. „Ik kan het haar niet bekennen,” verklaarde hij aan zijn onderwijzer in zijne radeloosheid en zielesmart; „ik heb haar gemeen behandeld, mijnheer.” Hij had diep berouw; hij wenschte de gelegenheid te hebben om alles te boven te komen, en hij vroeg zich af, waarom zijn oom er zoo op aangedrongen had, dat hij met groote lui zou omgaan, en in welk opzicht zijne voorname kennissen hem van voordeel waren geweest?
Zij, van hun kant, ontweken Pen niet, maar hij dacht het, en hield zich dus gedurende den laatsten tijd van zijn verblijf aan de academie op een afstand. Hij was somber als een doodshoofd op de partijen, die hij ook zooveel mogelijk ontweek, zoodat zijne jonge vrienden ophielden hem te vragen. Iedereen wist, dat Pendennis op het punt stond van te „sjeezen.” Die Bloundell, die niemand kon betalen en na die cursussen genoodzaakt was te vertrekken, had hem in het verderf gestort, zeiden de studenten. Men kon Pen’s melancholische gestalte met eene gedeukte oude baret en een gescheurden tabbaard over de pleinen van de academie zien sluipen, en de man, die nog pas een jaar te voren de trots van de hoogeschool was, tegen wien de jonge studenten met eerbied opzagen, was nu het onderwerp der gesprekken op de partijtjes der groenen, die met verwondering en vreeze van hem gewaagden.
Eindelijk kwamen de examens. Menig jonkman, te gelijk met Pen aangekomen, met wiens zwaar bespijkerde schoenen Pen den draak gestoken, of wiens gezicht of kleeding hij bespottelijk gemaakt had, – menig student, dien hij in de collegiezaal met smaad bejegend of door zijne welsprekendheid in de debatteerclub overschaduwd had, menig student uit zijn eigen kring van bekenden, die niet de helft van zijn aanleg, maar wat meer werkzaamheid of bestendigheid bezat, kwam er met grooten lof, of althans draaglijk door. Maar waar op de examenlijst stond de prachtlievende Pen, de geestige en kwasterige Pen, de dichterlijke en welsprekende Pen? Ach, waar was Pen, de lieveling en de eenige roem der weduwe te vinden? Wij verbergen ons hoofd en maken een einde aan dit hoofdstuk. De lijsten werden openbaar gemaakt, en als een loopend vuurtje vloog de ontzettende mare de academie door, dat Pendennis van het Bonifacius-Collegie gedropen was.
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
DE VLUCHT NA DE NEDERLAAG.
Ieder, die slechts de minste kennis van de wapen- en geslachtkunde bezit, weet ongetwijfeld, dat de adellijke familie, waartoe Helena Pendennis, zooals wij gezien hebben, behoorde, als helmteeken een nest vol kleine pelikaantjes voert, de bebloede borst van een groote wijfjespelikaan pikkende, die de kleine schelmpjes overvloedig voorziet van het voedsel, waarmee de heraldieke legende zegt, dat zij groot gebracht worden. Het is zeer waarschijnlijk, dat de wijfjes-pelikanen gaarne zoo bloeden onder de egoïstische bekjes harer jongen, en zeker is het, dat dit het geval met de vrouwen is. De pijn der zelfopoffering moet met een soort van genoegen gepaard gaan, waarvan wij mannen geen begrippen hebben, en ik geloof werkelijk, dat sommige vrouwen bij voorkeur aldus lijden. Zij houden er van, zich op te offeren ten behoeve van het voorwerp, dat haar instinct haar leert lief te hebben. Of het voor een verkwistend echtgenoot, een losbandig zoon, een lieve schavuit van een broer zij, – hoe bereidvaardig is haar hart om zijne dierbaarste schatten uit te storten ten voordeele van den geliefde; en wat zijn wij van onzen kant bereidvaardig, om die lieve schepseltjes eene ruime mate van die weelde te verschaffen! Er is bijna geen man, die dit leest, die niet op deze wijze genoegen heeft verschaft aan zijne vrouwelijke betrekkingen; die haar niet onthaald heeft op het genot van hem vergiffenis te mogen schenken. Het kan haar niet schelen hoe zij zelve leven; maar als de verloren zoon terugkomt, richten zij een feestmaal aan en slachten het gemeste kalf voor hem; en bij den allereersten schijn, dat de zondaar weerkeert, maken die lieve engelen haar onthaal gereed, en gaan de Barmhartigheid en de Vergevensgezindheid hem met een glimlach te gemoet. Ik hoop, dat dit ons allen steeds weervaren moge! moesten wij ons alleen op de Gerechtigheid verlaten, dan sta de hemel ons bij!
Gedurende den laatsten tijd van Pen’s verblijf aan de academie was de genegenheid van zijn oom ten zijnen opzichte aanmerkelijk toegenomen. De majoor was trotsch op Arthur, die een fieren geest, beste manieren, een goed voorkomen en de houding van een volmaakt gentleman bezat. Het deed den Londenschen ouden vrijer goed, Pen te zien omgaan met de jonge patriciërs der hoogeschool. Majoor Pendennis, die nooit vrienden noodigde en wiens schrielheid tot een spreekwoord was geworden onder sommige snaken in de club, die hem de vele uitnoodigingen, welke hij ontving, benijdden en zijne armoede niet in aanmerking verkozen te nemen, gaf met genoegen aan zijn neef en de jonge lords allerprettigste dinertjes op zijne eigene kamers en onthaalde hen op goeden wijn en zijne beste bon mots en vertellingen, waarvan verscheidene te veel verliezen zouden als wij ze hier herhaalden; want de majoor bezat een ongeëvenaard talent om duidelijk en onderhoudend te vertellen, terwijl echter de herhaling van sommige zijner geschiedenissen niemand tot heil zou strekken. De majoor vleide de ouders door middel van de kinderen, en zich zelven als het ware door hun gezelschap. Hij deed meer dan eens een uitstapje naar Oxbridge, waar de jongelui er vermaak in vonden den ouden heer te onthalen en zij partijtjes, dejeuners en fêtes gaven, gedeeltelijk om eene grap met hem te hebben en gedeeltelijk om hem eer te bewijzen. Hij vergastte hen op zijne verhalen, werd weer jeugdig en uitgelaten in het gezelschap der jeugdige lords, ging Pen bij eene groote vergadering der debatteerclub hooren, schreeuwde en applaudisseerde, stampte met zijn rotting in koor met de studenten en stond verstomd over de welsprekendheid en het vuur van den knaap. Hij hield zijn neef voor een jongen Pitt. Hij droeg Pen eene bijna vaderlijke genegenheid toe, schreef hem brieven met schertsende raadgevingen en nieuwtjes uit Londen, snoefde op Arthur in zijne clubs en haalde hem gaarne in zijne gesprekken aan. Voor den drommel, zeide hij, die jongelui groeien de ouwen boven het hoofd; de aankomende jongens, de jonge Lord Plinlimmon, een vriend van mijn neef, de jonge Lord Magnus Charters, een kameraad van dien guit, enz., zouden meer figuur in de wereld maken dan hunne vaders ooit gedaan hadden. Hij vroeg verlof om Arthur op eene groote partij op Gaunt House mee te brengen, waar hij hem met onbeschrijfelijke zelfvoldoening met de zusters der bovengenoemde jonge edellieden zag dansen, en hij gaf zich zooveel moeite voor den knaap uitnoodigingen in sommige voorname huizen te bekomen, alsof hij eene mama ware geweest, die eene dochter uit te huwelijken had, en niet een oud gepensioneerd officier met eene pruik. Overal zwetste hij op de groote talenten en de verbazende redenaarsgaven van zijn neef, en op het schitterend examen, dat hij zou afleggen. Lord Runnymede zou hem op zijne ambassade meenemen, of de hertog van Wellington zou hem voor een zijner plaatsjes tot parlementslid doen verkiezen; dit schreef hij onophoudelijk aan Helena, die van haar kant maar al te gewillig was om alles te gelooven wat men ten gunste van haar zoon geliefde te zeggen.
En al die fierheid, al die genegenheid van oom en moeder had Pen door zijne verwenschte kwistzucht en luiheid door het slijk gesleept. Ik had niet in Pen’s plaats willen zijn, toen hij nadacht over hetgeen hij gedaan had. Terwijl hij had liggen slapen, had de schildpad den prijs in den wedloop behaald. Eene loopbaan, die schitterend had kunnen zijn, had hij reeds in den eersten aanvang bedorven. Onedelmoedig had hij de hand in de beurs eener milde moeder gestoken en haar bescheiden spaarpenning op laaghartige en roekelooze wijze verspild. O, het was eene lafhartige hand, die een zoo teeder schepseltje kon mishandelen en uitplunderen! En mogen wij, indien Pen gevoel had van het onrecht, dat hij jegens anderen had bedreven, niet vooronderstellen, dat een jong heer, met zooveel ijdelheid als hij, nog scherper de schande gevoelde, waarmede hij zich zelven beladen had? Wij kunnen ons verzekerd houden, dat geene wroeging folterender, geen gekerm hartbrekender is dan wanneer gekwetste eigenliefde er de oorzaak van is. Evenals Joe Miller’s vriend, die bij het examen den hoogsten graad behaald had, uit zijne loge in den schouwburg tegen het publiek boog, omdat hij toevallig te gelijker tijd met den koning binnenkwam, zoo hield ook Arthur Pendennis, met eene geenszins even streelende verwaandheid, zich overtuigd, dat gansch Engeland zou opmerken, dat zijn naam niet op de lijst der gepromoveerden voorkwam, en den mond vol zou hebben van zijn tegenspoed. Hoe kon hij zijn verontwaardigden onderwijzer, zijne talrijke schuldeischers, zijn oppasser en de beddenopmaakster, de studenten uit zijne eigene en uit jongere studiejaren, waarover hij den baas had gespeeld, of die hij bespot had, voortaan weer onder de oogen komen? Hij snelde naar zijne kamer, sloot zich daar op en wierp een brief aan zijn onderwijzer op het papier, vol van betuigingen van dank en achting, berouw en wanhoop, waarbij hij verzocht, dat zijn naam van de registers zou geschrapt worden, en den wensch en de verwachting te kennen gaf, dat de dood spoedig een einde zou maken aan het lijden van den geschandvlekten Arthur Pendennis.
Toen sloop hij weg, ternauwernood wetende waar hij heenging; maar werktuiglijk sloeg hij de stille straatjes achter de collegiegebouwen in, kwam zoo buiten het gebied der academie, volgde de oevers der Camisis, die nu stil was, maar anders zoo levendig kon zijn door menigen roeiwedstrijd en scharen van juichende studenten, en wandelde altijd maar voort, tot hij zich eenige mijlen van Oxbridge bevond, of liever daar gevonden werd door een paar kennissen, die de stad verlieten.
Terwijl Pen een heuvel beklom, waarbij een Januari-motregen hem in het gelaat sloeg en zijn gehavende tabbaard achter hem wapperde – want hij had zijne academische kleedij sedert dien morgen niet afgelegd – kwam een reiswagen langs den weg aanrollen, met een bediende op den bok, terwijl een jong heer binnen in, of liever half uit het portier, eene sigaar lag te rooken en met luider stemme den postiljon tot spoed aanspoorde. Het was niemand anders dan mijnheer Spavin, onze jeugdige kennis uit Baymouth, die zijn graad gehaald had en nu met postpaarden in triomf naar huis reed. Spavin kreeg de gestalte in het oog, die met de gebaren van een waanzinnige tegen den heuvel opklauterde, en herkende, terwijl het rijtuig voorbijstoof, het bleeke en verwrongen gezicht van Pen.
„Halt!” brulde mijnheer Spavin den postiljon toe, die de paarden in hunne dolle vaart stuitte en het rijtuig ongeveer vijftig ellen voor Pen deed stilhouden. Deze hoorde nu zijn eigen naam roepen en zag het bovenlijf van mijnheer Spavin, die hem met driftige gebaren tot zich wenkte, uit het venster van het rijtuig te voorschijn komen.
Pen stond stil, bedacht zich, schudde daarop met drift het hoofd en wees vooruit, alsof hij verlangde, dat de postiljon zou voortrijden. Hij sprak geen woord, maar hij moet er heel wanhopig hebben uitgezien, want na hem een oogenblik met sprakelooze ontzetting te hebben aangestaard, sprong Spavin uit het rijtuig, liep met uitgestrekte hand naar Pen, greep die van onzen vriend en riep uit: „Zeg eens, ouwe jongen, waar gaat ge naar toe, en wat is er aan het handje?”
„Ik ga waar ik naar toe behoor te gaan,” antwoordde Pen met een vloek.
„Maar dat is de weg niet,” hernam Spavin met een glimlach. „Die loopt naar Fenbury. Kom aan, Pen, laat uwe hersens niet op hol gaan, omdat ge gedropen zijt. Wanneer men er maar wat aan gewoon is, trekt men het zich niet meer aan. Ik ben driemaal gedropen, ouwe jongen, – en na den eersten keer kon het me niet meer schelen. Het doet me echter pleizier, dat het nu uit is. De volgende maal zal het u meevallen.”
Pen zag zijn vroegeren bekende aan, die gedropen was, die gesjeesd was, die pas na herhaalde mislukte pogingen behoorlijk had leeren lezen en schrijven en die, ondanks al deze ongunstige omstandigheden, tot de eer van een academischen graad was gekomen. „Deze man,” dacht hij, „is er dóórgekomen, en ik ben gedropen!” Het was bijna te veel, om te doorstaan.
„Vaarwel, Spavin,” hernam hij; „het doet mij genoegen, dat gij er door zijt. Laat ik u niet ophouden; ik heb haast – ik ga van avond nog naar Londen.”
„Gekheid,” zeide mijnheer Spavin. „Dat is de weg naar Londen niet, ik zeg u nog eens, dat hij naar Fenbury loopt.”
„Ik wou juist omkeeren,” hervatte Pen.
„Al de diligences zijn vol met studenten, die naar Londen gaan,” zeide Spavin. Pen scheen te schrikken. „Voor een bankje van tien pond zoudt ge geen plaats krijgen. Kom maar mede in mijn rijtuig; ik zal u te Mudford afzetten, waar ge misschien nog eene plaats in de diligence naar Fenbury zult vinden. Ik zal u een hoed en eene jas leenen; ik heb er eene menigte bij mij. Kom aan; er in gesprongen, ouwe jongen! Vooruit, postiljon!” en zoo zat Pen een oogenblik later in Spavin’s wagen en reed met dien heer naar de Ram te Mudford, vijftien mijlen van Oxbridge, waar de diligence van Fenbury van paarden verwisselde en Pen eene plaats naar Londen machtig werd.
Den volgenden dag heerschte er eene vreeselijke opschudding in het Bonifacius-Collegie te Oxbridge, want tot schrik van Pen’s onderwijzer en leveranciers was het gerucht in omloop gekomen, dat hij, uit wanhoop, omdat hij zijn graad niet verkregen had, zich van kant had gemaakt; men had althans drie mijlen ver op den weg van Fenbury, in de nabijheid van een molenvliet, eene afgedragen baret met zijn nog nauwelijks leesbaren naam er in en een wapen met zijn helmteeken, een adelaar, die in eene nu uitgedoofde zon staarde, gevonden, en vier en twintig uren lang geloofde men, dat Pen in den vliet gesprongen was, – tot er brieven van hem met het Londensche postmerk aankwamen.
De diligence kwam op het stille uur van vijven des morgens te Londen aan. Pen haastte zich naar zijn gewoon logement in Convent Garden, waar de altijd wakkere portier hem binnenliet en eene slaapkamer aanwees. Pen zag den man scherp aan, en was heimelijk nieuwsgierig of de laarzenpoetser óók zou weten, dat hij gedropen was. In bed kon hij den slaap niet vatten. Hij lag daar tot het aanbreken van het troebele Londensche daglicht te woelen, sprong toen wanhopig op en ging naar de woning van zijn oom in Bury Street, waar de meid, die de trappen schrobde, hem achterdochtig aankeek, daar hij ongeschoren was en zijn linnen van den vorigen dag nog droeg. Hij verbeeldde zich, dat zij ook al van zijn tegenspoed wist.
„Goeden hemel! Meneer Arthur, is er een ongeluk gebeurd?” vroeg Morgan de kamerdienaar, die juist de zorgvuldig geborstelde kleederen en glimmende laarzen aan de deur van zijn meesters slaapkamer gebracht had en nu met de pruik van den majoor naar binnen ging.
„Ik moet oom spreken,” riep Pen met eene holle stem en liet zich op een stoel nedervallen.
Morgan deinsde met een verschrikten en verwonderden blik voor het bleeke en wanhopige gezicht van den jongeling terug en verdween in de kamer van zijn meester.
„Zoo? Het examen afgeloopen? Eerste op de lijst, bovenaan in alle vakken, hè?” vroeg de oude heer. „Ik kom dadelijk,” en daarop verdween het hoofd.
„Zij weten nog niet wat er gebeurd is,” kermde Pen; „wat zullen zij wel zeggen als zij alles weten?”
Pen had met den rug naar het venster in dat twijfelachtige licht gestaan, waarmee Bury Street zich op een mistigen Januarimorgen bedeeld ziet, zoodat zijn oom de uitdrukking van zijn gelaat en den somberen en wanhopigen blik, die zelfs Morgan in het oog was gevallen, niet had kunnen zien. Toen de majoor netjes en deftig uit zijne kleedkamer te voorschijn kwam, voorafgegaan door zoete geuren uit den winkel van Delcroix, waar hij de reukwerken voor zijne pruik en zijn zakdoek kocht, reikte hij Pen de hand en wilde hem juist met zijne opgeruimde stem toespreken, toen hij eindelijk het gelaat van den jongeling opmerkte en, diens hand latende vallen, uitriep: „Goede god, Pen! wat is er gaande?”
„Gij zult het aan het ontbijt in de courant zien, oom,” antwoordde Pen.
„Wat zien?”
„Dat mijn naam er niet in staat, oom.”
„Wel, voor den drommel, waarom zou die er in staan?” vroeg de majoor, nog niets van de zaak begrijpende.
„Ik heb alles verloren, oom,” bracht Pen klagend uit; „mijne eer is verspeeld; ik ben reddeloos verloren; ik kan niet meer naar Oxbridge terugkeeren.”
„Uwe eer verspeeld!” schreeuwde de majoor. „In ’s duivels naam! gij wilt toch niet zeggen, dat gij u als een lafaard gedragen hebt?”
Pen lachte bitter. „Neen, oom, dàt niet,” sprak hij. „Ik ben niet bang om doodgeschoten te worden; ik wenschte, dat iemand het maar wou doen. Ik heb mijn graad niet gehaald. Ik heb er op het examen langs gekregen.”
De majoor had wel eens gehoord van „er langs te krijgen,” doch maar zeer terloops en oppervlak, zoodat hij zich ingebeeld had, dat dit eene ceremonie was, die lichamelijk aan weerspannige studenten voltrokken werd. „Ik begrijp niet hoe gij mij na zulk eene schande nog onder de oogen durft komen, mijnheer,” zeide hij, „en het verwondert mij, hoe gij als gentleman er u aan onderworpen hebt.”
„Ik heb er niets aan kunnen doen, oom. Mijn werk over de klassieken was vrij goed, maar die verwenschte wiskunde, die ik altoos verwaarloosd heb, heeft het mij gedaan.”
„En gebeurde dat – gebeurde dat in het publiek, mijnheer?” vroeg de majoor.
„Wat?”
„Toen gij er langs hebt gekregen?” hernam de voogd en zag zijn pupil met gespannen verwachting aan.
Pen ontdekte thans in welke dwaling zijn voogd verkeerde. De bok, dien de majoor geschoten had, perste den armen jongen, in weerwil van zijne ellende, een flauwen glimlach af, en deed het gesprek van den tragischen toon afdalen, waarop Pen voornemens was geweest het voort te zetten. Hij legde zijn oom nu uit, dat hij zich voor zijn examen aangemeld had, maar er niet doorgekomen was; waarop de majoor antwoordde, dat het, ofschoon hij iets beters van zijn neef verwacht had, echter geen groot ongeluk was, en er ook, zoover hij zien kon, geen schande in stak, zoodat Pen het maar opnieuw moest beproeven.
„Ik weer naar Oxbridge gaan, na zulk eene vernedering!” dacht Pen, want hij gevoelde, dat hij geen voet meer in die stad kon zetten, zoo hij haar ten minste niet kwam platbranden.
Eerst toen hij zijn oom inlichtte omtrent zijne schulden, ontstak deze voorgoed in verbazing en toorn en barstte hij in de hevigste verwijten tegen Pen los, waaraan de jonkman, zoo goed mogelijk, zich onderwierp. Hij had besloten open kaart te spelen en daarom had hij eene volledige, waarachtige lijst van al zijne rekeningen en schulden te Oxbridge en te Londen opgemaakt. Zij bestonden uit verschillende posten, zooals:
Kleermaker te Londen. Dito te Oxbridge. Modewinkel, voor hemden en handschoenen. Juwelier. Kok van het Collegie. Aan Crump, voor desserten. Laarzenmaker. Wijnkooper te Londen. Dito te Oxbridge. Rekening voor paarden. Prentenverkooper. Boeken. Boekbinder. Kapper en parfumerieën. Logementrekening te Londen. Diversen.
Al deze posten kan de lezer naar goedvinden invullen. De ouders van vele studenten hebben dergelijke rekeningen onder de oogen gehad. Die van mijnheer Pen beliepen bij elkander de som van ongeveer zevenhonderd pond, en men kon berekenen, dat hij nog het dubbele in gereed geld gedurende zijn verblijf te Oxbridge uitgegeven had. Die som had hij doorgebracht, en welke waarde kon hij er voor toonen?
„Gij behoeft iemand, die al in het slijk ligt, niet nog meer er door te halen, oom,” voegde Pen den majoor op somberen toon toe. „Ik weet zeer goed hoe slecht en lui ik geweest ben. Mijne moeder zou mij niet gaarne geschandvlekt zien, mijnheer,” ging hij voort, terwijl zijne stem hem begaf, „en ik weet, dat zij deze rekeningen betalen zal. Maar ik zal haar niet verder om geld vragen.”
„Zooals gij goedvindt, mijnheer,” antwoordde de majoor. „Gij zijt meerderjarig en ik wasch mijne handen van uwe zaken. Maar gij kunt zonder geld niet leven, en hebt, zoover ik weet, geen middel om geld te verdienen, ofschoon gij uitmuntend de kunst verstaat om het te verteren, en ik houd het er voor, dat gij zult voortgaan zooals gij begonnen zijt, en dat gij uwe moeder zult ruïneeren eer wij vijf jaar verder zijn. – Goedenmorgen! Het is mijn tijd om te gaan ontbijten. Ik zal u wegens mijne bezigheden niet veel kunnen zien gedurende uw verblijf te Londen. Gij zult zeker uwe moeder bekend maken met het nieuws, dat gij mij zoo even hebt meegedeeld?”
En zijn hoed op het hoofd drukkende en eenigszins bevende, stapte majoor Pendennis vóór zijn neef de kamer uit, om verdrietig zijn gewone hoekje in de club te gaan innemen. Hij zag de lijsten der examens te Oxbridge in de morgenbladen en las de namen, ofschoon hij van de zaak niet veel begrip had, met sombere aandacht na. In den loop van den dag raadpleegde hij verscheidene oude heeren van zijne kennis in de clubs: Wenham, een deken, en verscheidene ambtenaren. Hij vroeg hun gevoelen, toonde hun het bedrag der schulden van zijn neef, die hij op den achterkant van een kaartje had genoteerd, en vroeg hun wat daaraan te doen was, en of zij zulk een schuldbedrag niet monsterachtig en ongehoord vonden? Wat was er aan te doen? Niets anders dan te betalen. Wenham en de anderen deelden den majoor gevallen mee van jongelui, die tweemaal zooveel, vijfmaal zooveel schulden hadden als Arthur, zonder middelen hoegenaamd om te betalen. Die beraadslagingen, berekeningen en oordeelvellingen stelden den majoor wat gerust. Hij was het althans niet, die betalen moest.
Doch hij dacht met bitterheid aan de vele plannen, die hij gesmeed had om een groot man van zijn neef te maken, aan de opofferingen, die hij zich getroost had, en aan de wijze, waarop hij te leur gesteld was geworden. En daarop schreef hij een brief aan doctor Portman, waarbij hij hem de noodlottige gebeurtenissen meedeelde, die voorgevallen waren, en den doctor verzocht er Helena op voor te bereiden. Want de stijve oude heer hield zich in alle dingen aan de gewoonte, en oordeelde, dat het beter was iemand op een slecht nieuws te doen „voorbereiden” door middel van een bode (die licht onhandig of gevoelloos kan zijn), dan het eenvoudig met een briefje naar zijne bestemming te zenden. De majoor dan schreef aan doctor Portman, en ging toen uit dineeren als een der neerslachtigste mannen, welke dien middag te Londen aan een disch hebben aangezeten.
Pen schreef ook zijn brief en slenterde het overige van den dag door de straten van Londen rond, waar hij zich verbeeldde, dat iedereen hem aankeek en tegen zijn buurman fluisterde: „Dat is Pendennis van Bonifacius, die gisteren gedropen is.” Teederheid en zielswroeging spraken uit zijn brief aan zijne moeder; hij stortte er de bitterste tranen over, en het berouw en de ontboezemingen brachten hem, in zekere mate, tot rust.
Hij zag een gezelschap luidruchtige jonge studenten van Oxbridge in de koffiekamer van zijn logement, maar hij sloop weg en stapte de straat weer op. Hij zegt, dat hij zich de prenten herinnert, die hij onder den regen in den winkel van Ackermann zag hangen, en een boek, dat hij aan een stalletje nabij den Tempel las: des avonds ging hij in het parterre van den schouwburg om jufvrouw Fotheringay te zien, maar hij kan zich volstrekt niet meer voor den geest brengen in welk stuk het was.
Den tweeden dag kwam er een vriendelijke brief van zijn repetitor, die vele ernstige en toepasselijke opmerkingen bevatte over den tegenspoed, die hem weervaren was, maar hem krachtig aanspoorde om zijn naam niet van de registers der hoogeschool te laten schrappen, en integendeel alles in te spannen om een ongeluk uit te wisschen, hetwelk ieder wist, dat alleen aan zijne achteloosheid toe te schrijven was, en dat hij, door eene maand ijverig te werken, kon herstellen. Hij voegde er bij, dat hij Pen’s oppasser gelast had eenige koffers met de kleederen van den jongen heer te pakken, die ook behoorlijk aankwamen, met nieuwe afschriften van al de rekeningen van Pen er boven in.
Den derden dag kwam er een brief van huis, dien Pen op zijne slaapkamer las, met dat gevolg, dat hij op de knieën neerzonk, met het hoofd in zijne beddelakens, en daar uit den grond zijns harten bad en zich verootmoedigde. Vervolgens ging hij naar beneden, ontbeet stevig, stapte de straat op en nam in de Bull and Mouth in Piccadilly eene plaats in de diligence, welke dien avond naar Chatteries vertrok.
TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
DE TERUGKOMST VAN DEN VERLOREN ZOON.
Een brief als die van den majoor joeg natuurlijk doctor Portman naar Fairoaks, en hij spoedde er zich heen met die vlugheid, die een goedhartig mensch aan den dag legt als hij eene onaangename tijding moet meedeelen. Hij wenschte dat zoo spoedig mogelijk achter den rug te krijgen. Het doet hem leed, maar que voulez-vous? de tand moet er uit en hij duwt u in den stoel neer, en het is verbazend met hoeveel moed, met welk eene krachtige vuist hij er de tang aan zet. Misschien zou hij niet volkomen dezelfde vlugheid of vaardigheid aan den dag leggen als het zijn tand was; maar kort en goed, het is voor u plicht den uwen te laten trekken. De doctor las dus den brief aan Myra en mevrouw Portman voor, vergezeld van vele afkeurende ontboezemingen over den jongen schavuit, die zich al dieper en dieper in het verderf stortte, stelde die dames in de gelegenheid om de tijding in Clavering uit te bazuinen, hetgeen zij ook met hare gewone nauwkeurigheid en vlugheid deden, en wandelde toen naar Fairoaks, om de weduwe op het nieuws voor te bereiden.
Maar zij wist het al. Zij had Pen’s brief gelezen en het had haar in zekere mate verlicht. Vele, vele maanden lang had haar een benauwend voorgevoel van iets kwaads, dat in aantocht was, neergedrukt. Het ergste wist zij nu en haar lieveling was met een berouwhebbend en verbrijzeld hart tot haar teruggekeerd. Wat had zij meer noodig? Al wat de dominé wist aan te voeren (en zijne aanmerkingen werden hem ingegeven door zijn gezond verstand, en waren door hare ouderwetschheid van nog meer gewicht) was niet in staat om bij Helena eenige verontwaardiging of bijzondere verdrietelijkheden op te wekken, tenzij misschien de vrees, dat de jonkman zich ongelukkig zou gevoelen. Wat was die graad, waarom zooveel beweging gemaakt werd, en welk nut zou hij Pen doen? Waarom hadden doctor Portman en zijn oom er zoo op aangedrongen om den jongen naar eene plaats te zenden, waar hij zooveel verleiding te duchten had en zoo weinig goeds kon leeren? Waarom lieten zij hem niet thuis bij zijne moeder? Wat zijne schulden betrof, die moesten natuurlijk betaald worden, – zijne schulden! – kwam al het geld van zijn vader hèm niet toe en had hij het recht niet om het te verteren? Op deze wijze weerlegde de weduwe den eerzamen doctor en, zonderling! al de pijlen zijns toorns gleden machteloos van haar zachtzinnigen boezem af.
Een aangenaam bedrijf, sinds de oudste tijden bekend, waardoor broeders en zusters hunne genegenheid jegens elkander aan den dag leggen en waarmee ook Pen en zijn zusje Laura zich tamelijk druk in hunne kindsche dagen hadden bezig gehouden, was met de wederzijdsche toestemming van beiden sedert eenigen tijd nagelaten. Toen mijnheer Arthur, na in eenige maanden niet thuis geweest te zijn, van de academie terugkwam, vond hij, in plaats van het dood eenvoudige meisje, dat hij achtergelaten had, eene rijzige, slanke, bevallige jonkvrouw, wie hij zich niet verstouten kon den kus aan te bieden, dien hij vroeger gewoon was geweest haar toe te dienen; eene jonkvrouw, die hem ontving met eene gracieuse nijging, eene toegestoken hand en een sterken blos, die hare wang juist op die plaats kleurde, waar de jonge Pen zijn kus placht aan te brengen.
Ik heb geen slag om vrouwelijk schoon te beschrijven, en, om de waarheid te zeggen, geef ik er ook niet om, daar goedhartigheid en deugd, naar mijne overtuiging, veel nuttiger voor eene jonge dame zijn loutere bekoorlijkheden van gelaat en gestalte. Ik zal dus geene bepaalde schets van Laura Bell op zestienjarigen leeftijd trachten te geven. Zij had toen reeds hare tegenwoordige lengte van vijf voet vier duim bereikt, zoodat zij door sommigen van haar eigen geslacht, die liever zien, dat eene vrouw klein is, eene sliersperge en door anderen een boonenstaak genoemd werd; maar indien zij een boonenstaak was, droeg die toch fraaie rozen, en staat het vast, dat vele herders er gaarne rondom zouden gedanst hebben. Doorgaans zag zij er bleek uit, met een zwak blosje op de wangen; doch zij werden in een oogenblik rood als de gelegenheid het meebracht en bloosden nog heel lang na, want de rozen bleven, als de aandoening reeds voorbij was, die de lieve bloempjes in het leven had geroepen. Wij hebben reeds vroeger gezegd, dat hare oogen sinds hare vroegste jeugd zeer groot waren, en die eigenaardigheid ook later behielden. Welwillende critici (altijd dames) zeiden, dat zij met die oogen „werkte” en de heeren en dames, die in haar gezelschap waren, altijd toelonkte; doch zij schitterden van nature en konden het evenmin helpen, dat zij dit deden, als de eene ster het helpen kan, dat zij helderder flikkert dan de andere. Het was zeker om dit schitteren te temperen, dat mejufvrouw Laura’s oogen met een paar sluiers begiftigd waren in den vorm van de langste en fijnst mogelijke zwarte wimpers, zoodat dezelfde menschen, die zooveel aanmerking op die oogen hadden, van haar vertelden, dat zij, wanneer zij de oogen sloot, dit deed om hare wimpers te laten zien. Ik moet dan ook bekennen, dat het een lief gezicht moet geweest zijn haar te zien slapen.
Hare kleur was bijna zoo blank als die van Lady Mantrap, en dat wel zonder behulp van het poeier, waarvan die dame zich bedient. Haar neus moet ik aan de verbeeldingskracht van den lezer overlaten. Indien haar mond misschien wat groot was (zooals jufvrouw Piminy beweert, wier mond men zou meenen met een stuivertje te kunnen bedekken, als men niet wist, dat er zulke geduchte brokken in konden), gaf iedereen toe, dat zij een bekoorlijken lach had en daarbij twee rijen parelwitte tanden liet zien, terwijl hare stem zoo zacht en liefelijk was, dat men muziek meende te hooren als men naar haar luisterde. Daar zij gewoon is zeer lange kleedjes te dragen, zeggen de menschen natuurlijk, dat hare voeten niet heel klein zijn; maar zij zijn misschien van de grootte, die aan hare gestalte voegt, en al steekt mevrouw Pincher haar voet uit, dan volgt daaruit nog niet, dat alle andere dames de hare ook eeuwigdurend op het tapijt moeten brengen. Met één woord, jufvrouw Laura Bell was op haar zestiende jaar een heel lief jong meisje. Laten wij hopen, dat er zoo nog vele duizenden gevonden worden in dit land, waar nog geen gebrek aan goedheid, zedigheid, reinheid en schoonheid bestaat.
Jufvrouw Laura nu was sedert den tijd toen zij zelfstandig begon te denken (en in de twee laatste jaren had zij naar lichaam en geest eene buitengewone ontwikkeling gekregen) maar half tevreden geweest over Pen’s gedrag en manieren. Zijne brieven aan zijne moeder waren in den laatsten tijd zeer schaars en kort geworden. Tevergeefs voerde de liefhebbende weduwe aan, hoe druk Arthur het had met studeeren en hoe gebonden hij was. „Het is beter, dat hij een prijs verliest,” zeide Laura, „dan dat hij zijne moeder vergeet; en bovendien, mama, kan ik niet zien, dat hij vele prijzen behaalt. Waarom komt hij zijne vacantie niet bij u doorbrengen, in plaats van in de deftige huizen zijner voorname vrienden? Er is daar niemand, die half zooveel van hem houdt als – als gij.” „Als ik alleen, Laura?” zuchtte mevrouw Pendennis. Laura verklaarde onbewimpeld, dat zij geen zier om Pen gaf als hij zijne plichten jegens zijne moeder niet in acht nam; en zij liet zich niet overtuigen door de argumenten, die Helena in hare teerhartigheid opzocht, dat de knaap zijn weg in de wereld moest banen; dat zijn oom gaarne zag, dat hij kennis maakte met personen, die hem in zijn verder leven van nut konden zijn; dat mannen duizenden plichten en bezigheden moesten nakomen, waarvan de vrouwen geen begrip hebben, en meer van dien aard. Misschien geloofde Helena even weinig aan die redenen van verschooning als hare pleegdochter; maar zij trachtte te gelooven, dat zij er aan geloofde, en troostte zich met hare moederlijke verblinding. Het is een punt, waarover vermoedelijk menig man heeft nagedacht, dat wij, wat wij ook uitvoeren, tamelijk zeker zijn van het hart eener vrouw, hetwelk wij eenmaal bezeten hebben, en dat die onvermoeide teederheid en vergevensgezindheid ons nooit verlaten.
Al verder had er in Arthur’s gesprekken en manieren in den laatsten tijd eene vrijheid, om niet te zeggen roekeloosheid geheerscht, die Laura had gekwetst en geërgerd. Wel had hij haar nooit door ruwheid beleedigd, noch haar een enkel woord toegevoegd, dat zij niet had moeten hooren; want mijnheer Pen was een gentleman en gedroeg zich van nature, en ten gevolge van zijne opvoeding, wellevend jegens elke vrouw, van welken stand ook; doch hij sprak lichtvaardig en oneerbiedig over de vrouwen in het algemeen en was minder beleefd in zijne handelingen dan in zijne woorden, en achteloos in verschillende opzichten en in kleinigheden. Het ergerde mejufvrouw Laura, dat hij zijne akelige pijpen binnenshuis rookte, dat hij met zijne moeder niet naar de kerk wilde gaan, dat hij niet met haar ging wandelen of bezoeken afleggen, en dat men hem met een roman en in zijne kamerjapon geeuwende vond als de zachtzinnige weduwe van de vervulling dier plichten terugkeerde. De held uit Laura’s kindsche dagen, over wien zij zoo ontelbaar vele avonden had zitten praten met Helena (die eindelooze verhalen opdischte van de deugden, de hartelijkheid en den moed, die de jongen aan den dag had gelegd toen hij op school was), verschilde geheel en al van den jonkman, dien zij tegenwoordig kende, die onbeschroomd en geestig, spotziek en tartend was, die den draak scheen te steken met de eenvoudige bezigheden, vermaken of zelfs godsdienstige oefeningen der vrouwen, bij welke hij zich nu bevond en die hij onder zulke gezochte voorwendsels verliet.
Ook het gebeurde met jufvrouw Fotheringay wekte Laura’s ergernis en verontwaardiging op, toen zij er van hoorde, eerst door eenige spottende aanmerkingen van majoor Pendennis bij gelegenheid van een bezoek, dat hij op Fairoaks aflegde, en vervolgens door de buren te Clavering, die haar op dat punt ruimschoots konden inlichten. Had een Pendennis zich aan zulk eene vrouw willen wegwerpen! Moest de zoon van Helena dag op dag van zijn eigen huis wegrijden, om voor eene actrice op de knieën te vallen en met haar akeligen vader te zitten drinken! Kon een goed zoon zulk een man en zulk eene vrouw in zijn huis willen brengen, en haar boven zijne moeder stellen! „Ik zou weggeloopen zijn, mama; dat zou ik, al had ik barrevoets door de sneeuw moeten gaan!” zeide Laura.
„En dus zoudt gij mij ook verlaten hebben?” zeide Helena, waarop Laura natuurlijk hare woorden introk, en de beide vrouwen elkander in de armen snelden, met die drift, die aan beiden eigen was, en die niet weinigen van hare kunne kenmerkt. Vanwaar, dat jufvrouw Laura zoo verontwaardigd was over Arthur’s liefdesgeschiedenis? Misschien wist zij niet, dat, zoo de mannen zich aan vrouwen wegwerpen, de vrouwen zich evenzeer wegwerpen aan mannen; en dat men evenmin reden kan geven van de liefde als van eenige andere physieke voor- of tegeningenomenheid. Misschien was zij ook verkeerd ingelicht door de menschen te Clavering en de oude mevrouw Portman, die zeer verbitterd was op Pen, vooral sedert zijn ongemanierd gedrag jegens den doctor en sedert de rampzalige jongeling sigaren gerookt had onder kerktijd. En in de laatste plaats kan het zijn, dat zij jaloersch was, maar dit is eene ondeugd, waartoe men zegt, dat de dames slechts zelden vervallen.
Was zij boos op Pen, jegens zijne moeder bezielde haar een dergelijk gevoel niet. Zij wijdde zich aan Helena met al de kracht harer jeugdige genegenheid – eene genegenheid zooals vrouwen, wier hart nog vrij is, gewoon zijn aan de vriendin, die haar het naast is, toe te dragen. Het was eene toewijding, het was een hartstocht, het was eene mengeling van allerlei teerhartigheid en dwaasheid; het was een regen van lief koozingen, zoete woordjes en vleierijen, welke koele geschiedschrijvers met baarden niet mogen oververtellen. Wij mannen moeten op die instinctmatige uitingen niet laag neerzien, al kunnen wij ze zelven niet gevoelen. Die vrouwen zijn voor ons gemak en veraangenaming geschapen, mijne heeren, – evenals de andere mindere diersoorten.
Doch nauwelijks had jufvrouw Laura vernomen, dat Pen rampspoedig en verdrietig was, of al haar toorn verdween dadelijk en maakte plaats voor het teederste en onredelijkste medelijden. Hij werd op eens weer de oude Pen voor haar, de ronde en hartelijke, de edelaardige en teerhartige Pen. Dadelijk trok zij met Helena partij tegen doctor Portman, toen deze het uitschreeuwde over Pen’s gruwelijke misdrijven, Schulden? Wat bedroegen zijne schulden? Het was eene kleinigheid; op last van zijn oom was hij in een kring gekomen, die kostbaar was, en natuurlijk moest hij op denzelfden voet leven als de jonge heeren, met wie hij verkeerde. Schande, dat hij zijn graad niet gehaald had? de arme jonen was ziek toen hij zich aan het examen onderwierp; hij kon juist door die schulden, die hem drukten, niet aan de wiskunde en al die gekheid denken; zeker waren ook wel eenige van die akelige onderwijzers en leeraren jaloersch op hem, en hadden zij hunne eigene gunstelingen, die vóór moesten gaan. En zij was zeker, dat ook nog wel andere menschen een hekel aan hem hadden, hardvochtig voor hem waren en hem niet goed behandelden. In dier voege redeneerde dat jonge schepseltje, met gloeiende wangen, en oogen, die van toorn schitterden, en daarop ging zij vaar Helena, wier hand zij greep en ten aanschouwe van den doctor kuste, waarbij hare blikken hem trotseerden en schenen te vragen, hoe hij een woord durfde inbrengen tegen den zoon van hare „moeder?”
Toen de eerwaarde heer, niet weinig te leur gesteld en verbaasd over de onwrikbare hardnekkigheid dier vrouwen, vertrokken was, herhaalde Laura hare omhelzingen en argumenten met tiendubbele warmte jegens Helena, die gevoelde, dat er in de meeste dezer laatste veel waars lag. Er moest eene samenzwering tegen Pen bestaan. Zij hield zich overtuigd, dat hij een der examinatoren beleedigd had, die nu eene laaghartige wraak op hem had genomen: niets was waarschijnlijker. Alles bij elkander genomen, deed de tijding van Pen’s ongeluk deze beide dames zeer weinig aan. Pen, die te Londen van schaamte en verdriet wegkromp en door wroeging gefolterd werd als hij aan de smart zijner moeder dacht, zou zeer verbaasd hebben gestaan, indien hij gezien had hoe kalm zij den slag verdroeg. Ja, slagen zijn aan vrouwen welkom, als zij meenen, dat deze de afgedwaalde genegenheid weer zullen doen terugkeeren. Wees zeker, indien gij aan uwe geliefde slechts eene korst brood hebt overgelaten, dat zij er niet onder zal wegkwijnen, maar slechts een zeer klein stukje voor zich zelve zal nemen, als gij dan het overige maar in haar gezelschap wilt komen opeten.
Zoodra de doctor weg was, zorgde Laura, dat er vuur in de kamers van mijnheer Arthur aangelegd en zijn beddegoed gelucht werd, en daarmede was zij ongeveer op hetzelfde oogenblik klaar toen Helena een allerteersten en allerhartelijksten brief aan Pen voltooid had; waarop het meisje, met een lieftallig lachje, hare mama bij de hand nam en naar die vertrekken bracht, waar het vuur zoo vroolijk knetterde, en hier zetten de beide liefhebbende schepseltjes zich op het bed en spraken, ik weet niet hoelang wel, over Pen. Laura voegde een postscriptum bij Helena’s brief, waarin zij hem haar liefsten Pen noemde en uitnoodigde om dadelijk (met twee van de aardigste streepjes onder dat woord) thuis te komen en een gelukkig leventje bij zijne moeder en zijn toegenegen zusje Laura te leiden.
In het holle van den nacht (nadat deze twee damen des avonds heel wat in den Bijbel gelezen en, onder het gaan naar hare slaapkamer, nog eens even in Pens vertrekken gekeken hadden) – in het holle van den nacht dan gebeurde het, dat Laura, die niet zelden het kussen gebruikte, waarop de slaapmuts van den overleden Pendennis gerust had, plotseling uitriep: „Zijt gij wakker, mama?”
Helena schrikte en antwoordde: „Ja, ik ben wakker.” Ofschoon zij al dien tijd zoo stil als een muisje had gelegen, had zij inderdaad nog geen oog toegedaan, maar naar het nachtlichtje op den schoorsteen liggen kijken, en uur op uur aan Pen gedacht.
Daarop begon mejufvrouw Laura (die evenzeer gehuicheld had en, in hare eigen gedachten verzonken, zoo stil had gelegen als Helena’s speld met het haar van Pen en Laura, op het met kant omzoomde witte speldenkussen op de kaptafel) een merkwaardig plan aan mevrouw Pendennis uiteen te zetten, dat zij in hare bedrijvige hersentjes overlegd had, en waardoor alle bezwaren voor Pen in één oogenblik en zonder den minsten last voor iemand ter wereld zouden worden uit den weg geruimd.
„Ge weet, mama,” zeide de jonge dame, „dat ik tien jaar bij u gewoond heb en dat gij al dien tijd geen stuiver van mijn geld genomen, maar mij behandeld hebt, alsof ik om Godswil werd onderhouden. Dit nu heeft mij erg zeer gedaan, want ik ben trotsch en heb niet gaarne verplichting aan iemand. En daar het, als ik op kostschool was gegaan – maar dat heb ik niet willen doen – mij ten minste vijftig pond ’s jaars zou gekost hebben, is het duidelijk, dat ik u tienmaal vijftig pond schuldig ben, die ik weet, dat gij voor mij in de bank te Chatteries geplaatst hebt, maar die mij in het geheel niet toekomen. Nu zal ik morgen naar Chatteries gaan, om dien lieven ouden mijnheer Rowdy met zijn kale hoofd te spreken en er hem om te vragen, – ik meen niet om zijn hoofd, maar om die vijfhonderd pond. Hij zal er zeker nog wel tweehonderd pond bij willen geven, die wij kunnen uitsparen en teruggeven; daarop zullen wij dat geld aan Pen zenden, die er al zijne schulden mee kan betalen, zonder dat het iemand deert, en dan zullen wij verder gelukkig met elkander leven.”
Wij behoeven niet te herhalen wat Helena op die kleine redevoering antwoordde, daar de repliek der weduwe bestond uit een aantal onsamenhangende uitroepen, omhelzingen en andere betuigingen, die niets ter zake deden. Doch de beide vrouwen sliepen na dat onderhoud rustig in, en toen het nachtlichtje knetterend uitging en de zon schitteren boven de purperen heuvelen verrees en de vogels vroolijk begonnen te zingen en te fluiten in de bladerlooze boomen en blinkende sparren van Fairoaks, ontwaakte Helena ook, en toen zij een blik sloeg op het lieve gelaat van het meisje, dat naast haar lag te slapen, met hare lippen tot een glimlach geopend, met blosjes op hare wangen, terwijl haar boezem in zachte golvingen rees en daalde alsof er blijde droomen over heenzweefden, toen gevoelde Pen’s moeder zich zoo gelukkig en dankbaar, dat geene andere woorden het konden uitdrukken dan die, welke vrome vrouwen naar den weldadigen Gever van liefde en genade opzenden, tot wiens eere onophoudelijk een koor van dergelijke lofgezangen uit alle oorden van den aardbol opstijgt.
Ofschoon men Januari had en het vrij koud was, gevoelde mijnheer Pen zulk een oprecht berouw en stond zijn plan om zuinig te zijn zoo vast, dat hij geen plaats binnen in de diligence wilde nemen, maar achterop zat met zijn vriend den conducteur, die, zich zijner vroegere mildheid herinnerende, hem een overvloed van winterjassen leende. Misschien was de kou de oorzaak, dat zijne knieën knikten toen hij aan de portierswoning afstapte, of wellicht was hij ontroerd bij de gedachte, dat hij het vriendelijke wezen zou weerzien, welks liefde hij op zulk eene zelfzuchtige wijze vergolden had. De oude Jan stond te wachten om zijn meesters bagage aan te nemen, maar vertoonde zich nu in een bombazijnen jasje en droeg niet langer zijne bruine en blauwe livrei, „Ik ben nu tuinier en stalknecht en woon in het portiershuisje,” zeide de waardige man toen hij met een lachje en eene soort van kleur Pen verwelkomde; doch zoodra Pen den hoek van het geboomte om was en uit de diligence niet meer gezien kon worden, kwam Helena te voorschijn met een gelaat, dat van liefde en vergevensgezindheid straalde; want vergeven is eene zaak, waaraan sommige vrouwen de voorkeur geven boven alles.
Wij kunnen ons overtuigd houden, dat de weduwe, die zeker ander doelwit beoogde, geen tijd verzuimd had met het edele, grootmoedige, schitterende aanbod van Laura aan Pen te schrijven, waarbij zij haar brief verder opvulde met een stortvloed van zegeningen over hare beide kinderen. Het was waarschijnlijk de kennis van die geldelijke verplichting, die Pen zoo erg deed blozen bij het ontmoeten van Laura, die hem in het voorhuis opwachtte en deze maal – deze maal alleen – de kleine overeenkomst verbrak, die wij hiervoren gezegd hebben, dat in de laatste jaren tusschen haar en Arthur bestond; doch – wij hebben in het tegenwoordige hoofdstuk al veel te veel van kussen gesproken.
Dus kwam de verloren zoon weer thuis; men slachtte het gemeste kalf voor hem en het werd hem zoo aangenaam gemaakt als twee eenvoudige vrouwen dat vermochten. In den eersten tijd werden geene toespelingen gemaakt op het ongelukkige geval te Oxbridge, noch vragen gedaan omtrent zijne verdere plannen. Doch Pen overlegde alles druk bij zich zelven en op zijne eigen kamer, waar hij veel tijd in overdenking doorbracht.
Weinige dagen na zijne thuiskomst reed hij met zijn paard naar Chatteries en keerde hij boven op de diligence terug. Hij deelde daarop aan zijne moeder mede, dat hij zijn paard had weggebracht om het te laten verkoopen, en toen dit geschied was overhandigde hij haar den wissel voor het bedrag, hetgeen zij – en Pen misschien ook – als eene daad van buitengewone deugd en zelfverloochening beschouwde, doch hetgeen Laura verklaarde niet meer dan een staaltje van zijn plicht te zijn.
Zelden sprak hij over de leening, die Laura had aangeboden en die de weduwe dan ook slechts onder zekere voorwaarden aanvaard had; maar een paar malen zinspeelde hij zeer verlegen en stotterend op die welwillendheid en betuigde er zijn dank voor; maar blijkbaar kwetste het zijne ijdelheid, dat hij aan de weeze verplichting had voor dien bijstand. Hij kwelde zijn geest om middelen te vinden, om het haar te vergelden.
Hij staakte het wijndrinken en bepaalde zich, hoewel op zeer matige schaal, tot whisky-grog. Hij liet ook het rooken van sigaren na, maar wij moeten bekennen dat hij in de laatste jaren evenveel, zoo niet meer, van pijpen en tabak hield, zoodat dit offer hem niet zwaar viel.
Na den eten, wanneer hij zich bij de dames in de gezelschapskamer voegde, dutte hij veel, en het is ontegenzeglijk, dat hij zeer somber en melancholisch was. Hij keek met veel belangstelling naar het voorbijrijden der diligence, kuierde geregeld naar Clavering om de couranten te lezen, dineerde met iedereen, die zoo goed was hem te noodigen (en het deed de weduwe genoegen, als hij op die eenzame plaats eenige afleiding kon hebben), en speelde menig partijtje met kapitein Glanders.
Hij ontweek doctor Portman, die op zijne beurt telkens zeer strenge blikken van onder zijn breedgeranden hoed op Pen wierp, als zij elkander tegenkwamen. Hij ging echter geregeld met zijne moeder ter kerk en las in hare plaats de dagelijksche gebeden voor de huishouding. Die huishouding, altijd op een bescheiden voet ingericht, had nu nog eene groote vermindering ondergaan; een paar meiden deden al het huiswerk en de zilveren tafelstellen zagen in het geheel het daglicht niet meer. Jan trok des Zondags, als hij ter kerk ging, zijne livrei aan, om zijn stand op te houden, maar dat was enkel voor den vorm. Hij was tuinier en deed het buitenwerk, want zijn voorganger Upton had zijn ambt nedergelegd en was vertrokken. Er was maar een klein vuurtje in de keuken op Fairoaks, en Jan en de meiden dronken daar des avonds hun bier bij het licht van ééne enkele kaars. Dit alles was het bedrijf van mijnheer Pen en die staat van zaken kon niet bijdragen om zijne opgeruimdheid te vermeerderen.
Een tijdlang zeide Pen, dat geene macht ter aarde hem zou bewegen naar Oxbridge terug te keeren, nadat hij er zoo akelig vandaan was gekomen; doch op zekeren dag verklaarde hem Laura met menig blosje, dat zij van oordeel was, dat hij, als eene soort van vergoeding, eene soort van zelfbestraffing voor zijne – zijne luiheid, naar de academie behoorde terug te keeren om zijn graad te halen, indien hij dien op die wijze bekomen kon; en derhalve keerde mijnheer Pen daarheen terug.
Een gedropen student is een ongelukkig voorwerp aan eene academie; hij behoort daar tot geene bepaalde klasse van jongelui en niemand wil met hem te doen hebben. Pen gevoelde, dat al de mooie veeren, die hij gedurende zijne jaren van luister verworven had, hem ontvallen waren, en vertoonde zich dus zelden buiten zijn Collegie, want hij ging ’s morgens geregeld naar de kapel der academie en sloot zich des avonds in zijne kamer op, ver van het gedruis en de soupers der oud-studenten. Er zwierven geen schuldeischers rondom zijne vertrekken, want zij waren allen betaald. Er werd ternauwernood een enkel kaartje bij hem afgegeven. De studenten van zijn tijd hadden hun graad behaald en waren vertrokken. Hij onderwierp zich aan zijn tweede examen en kwam er met het meeste gemak door. Hij herkreeg een weinig rust, toen hij zijn graad als candidaat behaald had.
Op zijne terugreis van Oxbridge legde hij een bezoek bij zijn oom te Londen af; maar de oude heer ontving hem zeer koel en reikte hem ternauwernood den wijsvinger. Toen hij zich voor de tweede maal aanmeldde, zeide Morgan de kamerdienaar, dat mijnheer niet thuis was.
Pen keerde naar Fairoaks, zijne boeken, zijne ledigheid, zijne eenzaamheid en zijne wanhoop terug. Hij begon verscheidene treurspelen te schrijven en vervaardigde een aantal verzen, die een somberen geest ademden. Hij vormde allerlei plannen van studie en liet die weer varen. Hij dacht er aan om dienst te nemen, om zich bij het Spaansche legioen te laten inlijven, – om het een of ander beroep te kiezen. Hij ergerde zich over zijne gevangenschap en verwenschte zijne luiheid, die er de oorzaak van was. Helena zeide, dat hij het zich te veel aantrok, en zijne neerslachtigheid was haar eene foltering. Zoodra zij het met hunne geldmiddelen konden schikken, zou hij eene buitenlandsche reis doen – hij zou naar Londen gaan – hij zou van het vervelende gezelschap van twee arme vrouwen bevrijd worden. En het was vervelend – dat leed geen tegenspraak. De gewone zwaarmoedigheid der teerhartige weduwe scheen in eene nog somberder stemming over te gaan; en Laura zag met angst, dat hare dierbare vriendin ieder jaar meer verkwijnde en afviel terwijl hare bleeke wangen voortdurend holler werden.
DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
NIEUWE GEZICHTEN.
Terwijl de bewoners van Fairoaks dit eentonige leven leidden ontwaakte het groote huis op den heuvel, aan de overzijde van het riviertje de Brawl, uit den sluimer, waarin het gedurende het leven van twee geslachten zijner eigenaren verzonken had gelegen, en begon het ongewone teekenen van vernieuwde drukte te toonen.
Juist omstreeks den tijd van Pen’s kleinen tegenspoed, toen hij zoo diep in rouw gedompeld was, dat hij geen acht kon slaan op de lotgevallen van personen, waarin hij minder belang stelde dan in Arthur Pendennis, verscheen er in de provinciale bladen een bericht, dat althans in het graafschap, en in al de steden, dorpen, heerenhuizen, buitenplaatsen en pastorieën, vele mijlen rondom Clavering, groot opzien baarde. Op de markt te Clavering, op de kermis te Cackleby, bij de zittingen van het hof van assises te Chatteries, op de weide van Gooseberry, wanneer het rijtuig van den landjonker het éénspanssjeesje van den hulpprediker tegenkwam en beiden stilhielden om even een praatje te maken; aan de deur der kerk van Tinckleton, terwijl de klok op den zonnigen morgen luidde en de witte jurken en roode mantels in grooten getale over de groene weide aanstroomden om den zondagsdienst bij te wonen, in honderd gezelschappen in den omtrek – overal, kortom, had men er den mond vol van, dat Clavering Park op het punt stond van weer bewoond te worden.
Een vijftal jaren geleden had men uit advertentiën in de bladen van het graafschap vernomen, dat jonkheer Francis Clavering, eenige zoon van den baronet Sir Francis Clavering, van Clavering Park, in de kapel van het Britsche gezantschap te Florence gehuwd was met Jemima Augusta, dochter van den heer Samuel Snell te Calcutta en weduwe van den heer J. Amory. Het praatje ging toenmaals in het graafschap, dat Clavering, die sedert vele jaren geruïneerd was, eene niet onbemiddelde weduwe uit Indië had getrouwd. Sommige personen uit het graafschap hadden het pasgehuwde paar gezien. De Kicklebury’s hadden hen op hunne reis door Italië ontmoet. Clavering woonde toen in het paleis Poggi te Florence, gaf partijen en leefde er goed van, maar keerde niet naar Engeland terug. Een volgend jaar was de jonge Peregrine, van Cackleby, die in de groote vacantie eene reis deed, met de Clavering’s in aanraking gekomen, die toen het kasteel Schinkenstein aan het Mummelmeer bewoonden. Degenen, die er belang in stelden, hoorden nu en dan iets van het waardige paar te Rome, te Lucca, te Nizza, op de bad- en speelplaatsen aan den Rijn en in België, en geruchten, hen betreffende, woeien als het ware met buien naar Clavering’s voorouderlijke woning over.
Hunne laatste verblijfplaats was Parijs, waar zij met glans en op een grooten voet schijnen geleefd te hebben, nadat de dood van den heer Snell te Calcutta aan zijne dochter in Europa bekend was geworden.
Van het vroegere leven van Sir Francis Clavering is weinig te zeggen, dat dien geachten baronet tot eer zou verstrekt hebben. Die heer, de zoon van een vader, die in zijn land niet durfde terugkomen en op een somber oud kasteel in de nabijheid van Brugge woonde, had eene flauwe poging gedaan om het leven te beginnen als luitenant bij een regiment Dragonders, maar was bijna dadelijk op weg blijven steken. Het bezoeken der speeltafels bracht hem spoedig ten val, zoodat hij na een paar jaar dienst verplicht was zijne officiersplaats te verkoopen, eenigen tijd in harer majesteits gevangenis van Fleet Street doorbracht en toen naar Ostende overstak, om zijn vader, den jichtigen balling, op te zoeken. In België, Frankrijk en Duitschland kon men vervolgens dezen kalen en verongelukten verkwister eenige jaren lang zien rondsluipen in koffiehuizen en badplaatsen, zijn geluk wagen in speelhuizen, dansen op bals in kosthuizen, en aan wedrennen deel nemen, op de paarden van anderen.
Het was in een kosthuis te Lausanne, dat Francis Clavering – zooals hij het noemde – een gelukkigen coup deed en trouwde met de weduwe Amory, die eerst onlangs uit Calcutta was teruggekeerd. Zijn vader stierf kort daarop, en ten gevolge van dat overlijden werd zijne vrouw Lady Clavering. Mijnheer Snell van Calcutta was zoo opgetogen over dien titel, dat hij het jaargeld zijner dochter verdubbelde en iets later bij zijn overlijden aan haar en hare kinderen een fortuin naliet, dat, indien het door het gerucht niet vergroot was, inderdaad schitterend mocht heeten.
Vóór dien tijd hadden er omtrent de dame geruchten geloopen, die wel niet ongunstig voor hare reputatie luidden, maar toch een onaangenamen indruk nalieten. De voornaamste Engelschen in het buitenland ontweken hare kennismaking; hare manieren waren niet van de fijnste, en zij was van eene jammerlijk lage en onbekende afkomst. De Indische oudgasten, die men in grooten getale aantreft in elke stad op het vasteland waar Engelschen komen, spraken met minachting van haar vader, den slecht befaamden procureur en indigo-smokkelaar, en van haar eersten man Amory, die stuurman op den Oostindievaarder was geweest, waarmee jufvrouw Snell naar haar vader te Calcutta terugkeerde. Vader noch dochter verkeerden in de voorname wereld te Calcutta, en op het paleis van den gouverneur-generaal had men nooit van hen gehoord. De oude Sir Jasper Rogers, voormaals president van het gerechtshof te Calcutta, had eens tegen zijne vrouw gezegd, dat hij eene rare historie van Lady Clavering’s eersten man zou kunnen vertellen; maar tot groote spijt van Lady Rogers en van de jonge dames zijne dochters, had men den ouden president nooit kunnen bewegen het geheim te verklappen.
Iedereen verscheen echter gaarne op de partijen, die Lady Clavering gaf, toen zij zich in het hotel Bouilli, in de Rue Grenelle te Parijs, vestigde en gedurende den winter van 183– in de voorname wereld luisterrijk optrad. De Faubourg St. Germain nam zich harer aan. Burggraaf Bagwig, onze hooggeschatte ambassadeur, behandelde haar blijkbaar met achting. De prinsen van den bloede bezochten hare salons. De stijfste en aanzienlijkste Engelsche dames, die zich in de hoofdstad van Frankrijk ophielden, wilden haar wel kennen en hielden hare eer op, zooals de onbesproken Lady Elderbury, de stugge Lady Rockminster en de eerbiedwaardige gravin van Southdown, menschen, in één woord, die wegens hunne strengheid bekend waren en wier deugd iedereen in de oogen schitterde; – zulk een algemeenen en weldadigen invloed had het bezit van tien duizend pond ’s jaars (sommigen zeiden zelfs twintig duizend) op den naam en de faam van Lady Clavering uitgeoefend. Daaraan paarde zij eene onbegrensde mildheid en liefdadigheid. Iedereen (die tot de groote wereld behoorde) kon over hare beurs beschikken, zoodra een liefdadig plan op touw werd gezet. De Fransche dames de charité ontvingen bijdragen van haar, tot ondersteuning van scholen en kloosters; zonder onderscheid te maken, schreef zij in voor den Armenischen patriarch, voor pater Barbarossa, die naar Europa gekomen was om liefdegaven voor zijn klooster op den berg Athos in te zamelen; voor den zendingspost der doopsgezinden te Quashyboe, en voor de Episcopaalsche kolonie Feefawfoe, het grootste en meest woeste der Kannibalen-Eilanden. Men vertelt, dat, op denzelfden dag toen madame de Cricri vijf napoleons van haar ontving tot ondersteuning van de arme vervolgde Jezuïeten, die op dat oogenblik in Frankrijk in zeer kwaden reuk stonden, zij zich door Lady Budelight op de lijst liet zetten voor eene bijdrage ten behoeve van dominé J. Ramshorn, die in een visioen den last ontvangen had om den paus te Rome te gaan bekeeren. En behalve dit alles, en wel ten genoegen der wereldlingen, gaf de dame de beste diners en de luisterrijkste bals en soupers, die gedurende dat seizoen te Parijs gegeven waren.
In dien tijd moet het geweest zijn, dat de goedhartige dame de zaken met de schuldeischers van haar echtgenoot heeft weten te vereffenen; want Sir Francis vertoonde zich weder in zijn vaderland, zonder dat hij voor gijzeling beducht behoefde te zijn; de Morning Post en het blad van het graafschap vermeldden, dat hij zijn intrek in Mivart’s hotel genomen had, en op zekeren dag zag de oude huishoudster op Clavering House, die van nieuwsgierigheid brandde, een rijtuig met vier paarden de lange laan oprijden, en voor het met mos begroeide bordes van de groote en sombere portiek stilhouden.
Het was een open rijtuig, waarin drie heeren zaten. Op het achterbankje zat onze oude kennis, de heer Tatham van Chatteries, terwijl de eereplaatsen ingenomen werden door een heer van een knap en deftig uitzicht, met snorren, bakkebaarden, pelskraag en mantel uitgedost, en een bleek man met een lusteloos uitzicht die, schijnbaar zeer zwak, uit het rijtuig steeg, toen de kleine procureur en de heer in het bont er reeds luchtig uitgesprongen waren.
Zij klommen de groote bemoste stoep op en begaven zich naar de hoofddeur van het gebouw, waar een buitenlandsche knecht, met oorringen en eene pet met goudgalon, geweldig aan den grooten schelknop der gebarsten en gebeeldhouwde poort trok. Men hoorde het geluid der schel door het uitgestrekte en sombere gebouw weergalmen. Na eenige oogenblikken klonken er voetstappen door den marmeren gang, de deur werd geopend en daar stonden jufvrouw Blenkinsop, de huishoudster, Polly haar adjudant, en Smart de boschwachter nederig te buigen.
Smart trok aan eene lok van het hooikleurige haar, dat zijn door de zon verschroeid voorhoofd versierde, sloeg met den linkerhiel achteruit alsof een hond hem in de kuiten beet, en stak het hoofd vooruit om eene buiging te maken. De oude jufvrouw Blenkinsop maakte eene nijging. De kleine Polly, haar adjudant, nijgde eveneens en liet daarop verscheidene haastige buigingen volgen, terwijl jufvrouw Blenkinsop erg aangedaan stamelde: „Welkom op Clavering, Sir Francis. Het doet mij in het hart goed, nog eens iemand van de familie te zien.”
Die toespraak en die buigingen waren altemaal gericht tot dien voornamen heer met het bont en den mantel, die den hoed zoo kranig op één oor droeg en met zooveel zelfbehagen de snorren opkrulde. Maar die heer schaterde het uit van lachen en antwoordde: „Gij slaat de plank mis, oudje, – ik ben Sir Francis niet, die het erfslot zijner voorvaderen komt bezoeken. Vrienden en vasallen, ziet daar uw wettigen heer!”
En met die woorden wees hij op den bleeken, kwijnenden heer, die van zijn kant antwoordde: „Stel je zoo mal niet aan, Ned!”
„Ja, jufvrouw Blenkinsop,” ging hij voort, „ik ben Sir Francis Clavering; ik herinner mij u nog zeer goed. Mij hebt gij zeker vergeten? Hoe vaart ge?” en daarbij greep hij de bevende hand: der oude jufvrouw en knikte haar niet onvriendelijk toe, in weerwil van haar verbaasd gezicht.
Jufvrouw Blenkinsop verzekerde op haar geweten af, dat zij Sir Francis overal zou herkend hebben, want dat hij het evenbeeld was van Sir John, die dezen voorafgegaan was.
„Ja, ja – dank je – dat spreekt – zeer verplicht – en zoo voorts,” zeide Sir Francis, terwijl hij een wezenloozen blik door de groote zaal liet gaan. „Akelige ouwe spelonk, vindt je niet, Ned? Maar ééns van mijn leven hier geweest, toen mijn vader ruzie had gehad met mijn grootvader, in ’23.”
„Akelig? Heerlijk, zeg ik! Precies het kasteel van Otranto! Hier kunnen wij waarachtig de geheimen van Udolpho hebben!” antwoordde de heer, die met den naam van Ned werd aangesproken. „Wat een haard! Men zou er een olifant kunnen braden! Mooi gebeeldhouwde galerij! Het is zeker door Inigo Jones gebouwd. Ik wed vijf tegen twee, dat het van Inigo Jones is?”
„Het bovengedeelte is van Inigo Jones; het benedengedeelte is in den tijd van George I door den beroemden Hollandschen architect Van der Putty verbouwd, op last van Sir Richard, den vierden baronet,” berichtte de huishoudster.
„Zoo – oo!” zeide de baronet. „Nu, Ned, gij weet ook alles!”
„Ja, ik weet wel het een en ander,” antwoordde Ned. „Ik weet, dat dit schoorsteenstuk geen Snijders is – drie tegen één, dat het eene kopie is. Dat zullen wij restaureeren, beste jongen. Ge zult verwonderd staan, hoe het van een streekje vernis zal opkomen. Die ouwe heer in zijn rood costuum is zeker Sir Richard?”
„Die sheriff van het graafschap en in den tijd van koningin Anna lid van het parlement was,” zeide de huishoudster vol verbazing over de kennis van den vreemdeling; „die dame aan zijne rechterhand is Theodosia, de vrouw van Harbottle, den tweeden baronet, geschilderd door Lely en voorgesteld in het karakter van Venus, de godin der schoonheid; – naast haar staat haar zoon Gregory, de derde baronet, afgebeeld als Cupido, de minnegod, met boog en pijlen in de hand; in het andere vak ziet men Sir Rupert, die door Karel I tot ridder-banneret verheven werd en wiens bezittingen door Olivier Cromwell verbeurdverklaard zijn.”
„Dank je, jufvrouw Blenkinsop, maar ge behoeft niet verder voort te gaan,” zeide de baronet. „Wij zullen het gebouw wel alleen doorwandelen. Frosch, geef mij eene sigaar. Oók eene sigaar, mijnheer Tatham?”
De kleine Tatham probeerde het met de sigaar, die de koetsier van Sir Francis hem gaf, maar trok er de akeligste gezichten bij. „Gij behoeft niet met ons om te gaan, jufvrouw Blenkinsop. Zeg eens, jij – hoe heet je ook weer? – Smart, geef de paarden voer en wasch hun den bek. Ik zal niet lang blijven. Kom mee, Strong, – ik ken den weg, ik ben in ’23 hier geweest, in het laatst van grootvaders leven.” En Sir Francis ging met kapitein Strong, want dezen naam en titel voerde de vriend van den baronet, uit de groote zaal naar de receptiekamers en liet de teleurgestelde jufvrouw Blenkinsop vrij, om zich door eene zijdeur naar hare vertrekken te begeven, die voor het oogenblik de eenige bewoonbare kamers in het zoo lang ongebruikt gebleven heerenhuis waren.
Het gebouw was zoo reusachtig groot, dat geen huurder rijk genoeg was om het te bewonen, en toen Sir Francis en zijn vriend de eene kamer na de andere doorliepen, hadden zij de gelegenheid, om de ruimte, somberheid en voormalige pracht te bewonderen. Rechts van den hoofdingang waren de salons en gezelschapskamers en aan de andere zijde de eikenhouten kamer, de huiskamer, de eetzaal en de bibliotheek, waar Pen in vroeger dagen boeken gevonden had. Langs drie zijden der vestibule liep eene galerij, uit welke men door afzonderlijke gangen in de voornaamste slaapkamers kwam, waarvan vele een indrukwekkenden omvang hadden en nog overblijfselen van den ouden luister vertoonden. Op de tweede verdieping vond men een doolhof van kleine, ongemakkelijke zoldertjes, bestemd voor de bedienden der groote lui, die het huis in aloude tijden bewoonden. Ik ken geen verblijdender teeken van de meerdere menschlievendheid, die onzen tijd eigen is, dan de tegenstelling tusschen onze tegenwoordige wijze van bouwen en die onzer voorvaderen, en de betere zorg voor de dienstboden en de armen dan in die dagen toen mylord en mylady onder vergulde verhemelten sliepen en hunne bedienden zich op bovenvertrekjes behelpen moesten, die niet zoo luchtig of zindelijk waren als onze hedendaagsche stallen.
Bij die wandeling der beide heeren door het huis was de eigenaar zeer stil en legde weinig blijdschap over het bezit van zijn eigendom aan den dag, terwijl daarentegen zijn vriend de kapitein de plaatselijke gesteldheid met zooveel belangstelling en aandacht opnam, dat men hem voor den meester en den ander voor een onverschillig bezoeker van het gebouw zou gehouden hebben. „Ik zie, dat er wat van te maken is,” riep de kapitein uit. „Laat het maar eens aan mij over, en met geringe kosten zal ik het tot een sieraad van het land maken. Wat eene mooie tooneelzaal zou de bibliotheek kunnen zijn; het scherm zou tusschen de kolommen kunnen hangen, die de zaal verdeelen! Wat eene heerlijke kamer voor een galop! het gansche graafschap zou er in kunnen! Wij zullen de zaal behangen met het tapijtwerk uit uw tweede salon in de Rue de Grenelle en de eikenhouten kamer met die middeleeuwsche kabinetten en wapenrustingen meubileeren. Wapenrustingen steken heerlijk tegen donker eikenhout af, en er is op de Quai Voltaire een Venetiaansche spiegel te krijgen, die op een haar in dien hoogen schoorsteen passen zal. De lange zaal moet natuurlijk wit en karmozijn hebben, de gezelschapszaal geel satijn, en de kleine gezelschapskamer lichtblauw met kant er overheen, hé?”
„Ik herinner mij, dat mijn ouwe heer mij in die kleine kamer afroste,” zeide Sir Francis deftig; „de ouwe had altijd een hekel aan mij.”
„Chits zal wel waarschijnlijk de stof moeten zijn in de kamers van mylady en in de suite op het bovenportaal, de slaapkamer, de zitkamer en de kleedkamer? Wij zullen van het balkon eene broeikas maken. Waar wilt gij uwe kamers hebben?”
„Laat de mijne maar in den noordervleugel zijn,” antwoordde de baronet geeuwende, „buiten het bereik van jufvrouw Amory’s verwenschte piano. Die kan ik niet uitstaan. En van ’s morgens tot ’s avonds zit zij er bij te gillen.”
De kapitein schaterde het uit. In den verderen loop van hunne wandeling door het gebouw stelde hij de geheele overige inrichting der vertrekken vast, en toen de tocht was afgeloopen, traden zij de kamer van den rentmeester, nu bij jufvrouw Blenkinsop in gebruik, binnen, waar mijnheer Tatham een platten grond van het landgoed zat te bestudeeren en de oude huishoudster een collation ter eere van haar heer en meester had aangericht.
Vervolgens namen zij de keuken en de stallen op, voor welke Sir Francis veel belangstelling aan den dag legde, waarna kapitein Strong den tuin wilde bezoeken, doch de baronet riep uit: „Laat de tuin en al die boel naar den drommel loopen!” Ten slotte reed hij van de plaats even onverschillig weg als hij er gekomen was, en dien avond vernamen de bewoners van Clavering, dat Sir Francis Clavering het park bezocht had en voornemens was er zijn verblijf te vestigen.
Toen dit te Chatteries bekend werd, geraakte de gansche bevolking in beweging, zoowel hoogkerkschen als laagkerkschen, gepensioneerde kapiteins en oude vrijsters en douairières, jachtminnende landjonkertjes uit den omtrek, boeren, winkeliers en fabriekarbeiders: kortom, jan en alleman binnen en buiten het plaatsje. Het nieuws woei naar Fairoaks over en werd daar door de dames en mijnheer Pen met zekere opgewektheid vernomen. „Jufvrouw Pybus zegt, dat er een heel lief meisje in huis is, Arthur,” zeide Laura, die op dit punt even voorkomend en lief was als de vrouwen doorgaans zijn, – „zekere jufvrouw Amory, Lady Clavering’s voordochter. Natuurlijk zult gij, zoodra zij aankomt, op haar verliefd worden.”
„Praat toch zoo mal niet, Laura!” riep Helena uit, terwijl Pen er om lachte en uitriep: „Nu, er is een jonge Sir Francis voor u.”
„Die is pas vier jaar oud,” hernam jufvrouw Laura. „Maar ik zal mij met dien knappen officier troosten, dien vriend van Sir Francis. Hij zat verleden Zondag in de kerk in de bank der Claverings, en hij draagt heel mooie knevels.”
Het aantal leden van Sir Francis’ gezin (die alle in de bovenstaande regelen genoemd zijn) was vrij spoedig in het stadje bekend, evenals al wat verder zijne huishouding betrof, voor zoover menschelijke nieuwsgierigheid en vernuft het konden nasporen. De lanen en wandelpaden van het park werden nu op zomeravonden druk bezocht door de inwoners der stad, die zich naar het groote huis richtten, overal rondgluurden en hunne aanmerkingen maakten over de veranderingen, waarmee men bezig was. Ontelbare wagens uit Chatteries en Londen brachten de eene vracht meubelen na de andere aan, maar hoeveel er ook waren, kapitein Glanders wist wat elke wagen bevatte en geleidde de bagage naar het huis.
Want hij was reeds een vertrouwde kennis van kapitein Strong geworden. Deze laatste bewoonde te Clavering dezelfde kamers, die vroeger den vreedzamen Smirke gehuisvest hadden, en stond hoog in de gunst bij zijne huisvrouw, madame Fribsby. De kapitein had in persoon en kleeding een prachtig voorkomen; hij bezat eene frissche kleur, blauwe oogen, zwarte bakkebaarden, eene breede borst en eene athletische gestalte; eene kleine overhelling tot gezetheid benadeelde zijne flinke gestalte volstrekt niet en nooit bood dapperder soldaat den vijand eene breeder borst aan. Als hij de High Street te Clavering opging met den hoed op één oor, met zijn stok op de steenen slaande, en hij dien rondzwaaide en er houwen en steken mee uitvoerde, waarbij zijn vroolijke lach door de anders zoo stille straten weergalmde, dan was hij in het stadje zoo welkom als de zonneschijn en een troost voor de inwoners.
Reeds den eersten marktdag kende hij elk mooi meisje, dat ter markt kwam; hij maakte grappen met al de vrouwen, praatte met de boeren over hun vee en at des middags aan de boerentafel in het Wapen van Clavering, waar hij allen door zijne aardigheden en geestige zetten deed schudden van lachen. „Het is een aardige kerel, dat valt niet tegen te spreken,” was het eenparig gevoelen der heerenboeren. Hij schudde er wel twintig de hand toen zij op hunne oude knollen van het plein der herberg wegreden en wuifde hen zwierig met zijn hoed na, terwijl hij aan de deur van het logement zijne sigaar stond te rooken. In den loop van den avond was hij aan het buffet volkomen thuis, en wist hij hoeveel huur de kastelein betaalde, hoeveel bunders land hij in pacht had, hoeveel mout hij in zijn zwaar bier deed, en of hij zich ooit van Baymouth of van de visschersdorpen aan de kust wat brandewijn verschafte, waarvoor geen accijns betaald was.
Hij had zich eerst in het heerenhuis trachten in te richten, maar vond het zoo vervelend, dat hij het niet kon uithouden. „Ik ben voor de gezelligheid geboren,” zeide hij tegen kapitein Glanders. „Ik ben hier, om Clavering’s huis wat in orde te brengen, want, onder ons gezegd, Frans heeft geen vast karakter, mijnheer, geen vast karakter; hij heeft er geen hart voor, mijnheer,” (en bij die woorden zette hij zijne eigen borst op), „maar ik moet gezellig verkeer hebben. De oude jufvrouw Blenkinsop gaat om zeven uur naar bed en neemt Polly mee. De twee eerste avonden was er in dat groote huis niemand dan ik en het Spook, en, ik wil er wel voor uitkomen, mijnheer, ik houd van gezelschap. Dat doet een oud soldaat meestal.”
Glanders vroeg waar Strong gediend had, waarop de kapitein zijne knevels opkrulde en met een lachje antwoordde, dat de ander liever moest vragen waar hij niet had gediend. „Ik begon, mijnheer, als cadet bij de Hongaarsche ulanen, en toen de Grieksche onafhankelijkheidsoorlog uitbrak, verliet ik dien dienst ten gevolge van onaangenaamheden met mijn ouwe; ik behoorde tot de zeven, die zich uit Missolonghi redden, en vloog in de lucht met een van Bozzaris’ branders, alles nog pas op mijn zeventiende jaar. Ik zal u mijn kruis van den Verlosser laten zien, indien gij van avond op mijne kamer een glas grog wilt komen drinken, kapitein. Ik heb nog eenige andere van die nesterijen in mijn lessenaar liggen. Ik bezit den Witten Adelaar van Polen, dien ik op het slagveld van Ostrolenka uit handen van Skrzynecki ontving” (hij sprak Skrzynecki’s naam met eene verwonderlijke juistheid en welgevallen uit). „Ik was luitenant bij het vierde regiment, mijnheer, en wij marcheerden door de liniën van Diebitsch – dwars er doorheen, mijnheer, Pruisen in, zonder een schot te lossen. Och, kapitein, dat was eene slecht berekende onderneming! Deze wond ontving ik aan de zijde van den koning vóór Oporto – waar hij die volgelingen van Pedro, die alleen van beursspeculatiën verstand hadden, zou vernield hebben, indien Bourmont mijn raad had willen volgen. Vervolgens diende ik in Spanje bij de troepen van den koning tot aan den dood van mijn waarden vriend Zumalacarreguy; – toen ik zag, dat het spel uit was, zoodat ik mijn degen aan den wand hing, kapitein. Alva bood mij een regiment aan, de Muleteros der koningin; maar ik kon het niet van mij verkrijgen – waarachtig, ik kon het niet, – en nu, mijnheer, nu weet gij wie Ned Strong – de chevalier Strong, zooals men mij in het buitenland noemt – wie Ned Strong is, zoogoed als hij het zelf weet.”
Op deze wijze leerde bijna iedereen te Clavering Ned Strong kennen. Hij vertelde het aan madame Fribsby, aan den kastelein van den George, aan Baker in het leesmuseum, aan mevrouw Glanders en de kinderen aan tafel; en eindelijk vertelde hij het aan mijnheer Arthur Pendennis, die op zekeren dag, toen hij uit verveling Clavering binnendrentelde, den chevalier Strong in gezelschap met kapitein Glanders vond, die met zijn nieuwen bekende ten hoogste ingenomen was.
Het duurde maar heel kort, of kapitein Strong was evengoed thuis in Helena’s huiskamer als op de eerste verdieping bij madame Fribsby, en hij vroolijkte het eentonige huis met zijn opgeruimden zin en zijn onvermoeid gepraat op. De beide dames hadden nog nooit zoo iemand gezien. Hij hield haar bezig met duizenderlei verhalen van gevechten en gevaren, van Grieksche gevangenen, Poolsche schoonen en Spaansche nonnen. Hij kende dozijnen liederen in een half dozijn talen, zette zich aan de piano en zong ze met eene volle krachtige stem achter elkander af. De twee dames zeiden, dat hij alleraardigst was, en dat was hij ook; ofschoon zij tot nog toe niet veel ondervinding van mannelijk gezelschap hadden gehad, daar zij in den loop van haar leven slechts weinige mannen gezien hadden buiten den ouden Portman, den majoor en mijnheer Pen, die zonder tegenspraak een genie was, maar genieën zijn thuis nog al saai en vervelend.
Kapitein Strong maakte zijne nieuwe vrienden te Fairoaks niet alleen met zijn eigen levensloop, maar ook met de gansche geschiedenis der familie, die nu op Clavering zou komen wonen, bekend. Hij was het, die het huwelijk tusschen zijn vriend Frans en de weduwe Amory beklonken had. Zij had behoefte aan rang en hij aan geld. Kon men een doelmatiger huwelijk bedenken? Hij was het, die het tot stand gebracht en die twee menschen gelukkig gemaakt had. Er bestond geen zweem van romaneske verliefdheid tusschen die beiden; de weduwe was van geen leeftijd of gestalte voor romaneske buien, en als Sir Francis maar zijn spelletje biljart en zijn diner had, bekommerde hij zich om weinig anders. Maar zij waren zoo gelukkig als iemand maar zijn kan. Clavering zou naar zijn land en geboorteplaats terugkeeren, het fortuin zijner vrouw zou de hypotheken helpen aflossen, en zijn zoon en erfgenaam zou een der mannen van het graafschap worden.
„En jufvrouw Amory?” vroeg Laura, die buitengewoon nieuwsgierig ten opzichte van die jonge dame was.
Strong begon te lachen. „O,” zeide hij, „jufvrouw Amory is eene muze – jufvrouw Amory is een mysterie – jufvrouw Amory is eene femme incomprise” – „Wat is dat?” vroeg de eenvoudige mevrouw Pendennis; maar de chevalier gaf haar geen antwoord en kon dat misschien ook niet. „Jufvrouw Amory schildert, jufvrouw Amory schrijft gedichten, jufvrouw Amory componeert muziek, jufvrouw Amory rijdt als Diana Vernon. Met één woord, jufvrouw Amory is een pronkjuweel.”
„Ik heb een hekel aan knappe vrouwen,” zeide Pen.
„Dank je,” zeide Laura. Wat haar betrof, was zij zeker, dat zij jufvrouw Amory allerliefst zou vinden; zij smachtte letterlijk naar zulk eene vriendin. En daarbij keek zij Pen recht in de oogen, alsof elk woord, dat de kleine huichelares sprak, een Evangelie was.
Aldus werd van te voren de weg tot kennismaking tusschen de bewoners van Fairoaks en hunne rijke buren van het park gebaand; en Pen en Laura zagen even verlangend naar hunne overkomst uit, als de nieuwsgierigsten onder de bewoners van Clavering. Een Londenaar, die elken dag nieuwe gezichten ziet en er bij geeuwt, zal misschien lachen om de belangstelling, waarmee landbewoners een bezoeker te gemoet zien. Een bewoner der hoofdstad, die hen bezocht heeft, leeft in de herinnering zijner landelijke vrienden nog jaren na dat hij hen verlaten en, ver weg gespoeld op de onmetelijke Londensche zee, hen hoogst waarschijnlijk vergeten heeft. Doch de eilanders herinneren het zich nog lang na dat de zeeman weer heengestevend is en kunnen u nog opnoemen wat hij zeide en wat hij droeg, hoe hij er uitzag en hoe hij lachte. Om kort te gaan, de komst van een vreemde heeft op het land eene belangrijkheid, welke wij niet kunnen begrijpen, wij, die niet weten wie er naast ons woont en het ook liefst niet willen weten.
Toen de schilders en behangers en meubelmakers hunne taak op het heerenhuis volbracht hadden en het onder oppertoezicht van kapitein Strong zoodanig hadden verfraaid, dat hij zich wel op zijn smaak mocht beroemen, verklaarde die heer, dat hij naar Londen ging, waar thans de gansche familie was aangekomen, en dat hij spoedig zou terugkomen, om haar in hare herstelde woonstede te installeeren.
Zij werden voorafgegaan door detachementen bedienden. Rijtuigen werden van over zee aangevoerd en van Baymouth overgebracht door paarden, die daar reeds vooraf onder geleide van koetsiers en stalknechts waren aangekomen. Op zekeren dag kwamen er boven op de diligence Alacrity twee groote, droefgeestige mannen mee, die met hunne koffers aan de portiersloge werden afgezet. Het waren de heeren Frederik en James, lakeien, die in hoofdsteden thuis behoorden, maar zich wel een verblijf op het platteland wilden getroosten, en de gala- en gewone livreien der familie Clavering meebrachten.
Een anderen dag zette de wagen een buitenlandsch heer, die met vele lokken en kettingen versierd was, aan den ingang der buitenplaats af. Hij maakte aan het portiershuisje groot rumoer tegen de vrouw van den boschwachter (die, uit de westelijke graafschappen afkomstig, geen woord van zijn Engelsch of van zijn Gasconsch Fransch verstond), omdat er geen rijtuig gereed stond om hem naar het huis te rijden, dat eene mijl verder lag, en omdat hij in zijn vermoeiden toestand en met zijne verlakte laarzen geen uren ver kon loopen. Dit was monsieur Alcide Mirobolant, vroeger chef van zijne hoogheid den hertog van Borodino, van zijne eminentie kardinaal Beccafico en tegenwoordig chef de bouche van Sir Francis, baronet. Monsieur Mirobolant’s boekerij, schilderijen en piano waren reeds vroeger aangekomen onder geleide van een jong Engelschman van goeden aanleg, zijn adjudant. Hij werd verder bijgestaan door eene ervaren Londensche keukenmeid, die vrouwelijke beambten van minder rang onder hare bevelen had.
Hij dineerde niet in de kamer van den rentmeester, maar gebruikte zijn voedsel in eenzaamheid, in zijne eigen vertrekken, waar een dienstmeisje tot zijne beschikking was gesteld. Het was indrukwekkend, hem in zijne kamerjapon een menu te zien opstellen. Voordat hij daartoe overging, zette hij zich altijd aan de piano, om eenigen tijd te spelen. Indien hij daarin gestoord werd door de dienstbode, beklaagde hij zich op een aandoenlijken toon, want, zeide hij, elk groot kunstenaar had behoefte aan de eenzaamheid, om zijne werken tot volmaaktheid te brengen.
Maar in de overmaat onzer genegenheid en vereering voor monsieur Mirobolant loopen wij te ver vooruit en voeren wij hem vóór zijn tijd ten tooneele.
De chevalier Strong was bij het huren van al de Londensche bedienden betrokken geweest en scheen in werkelijkheid de heer des huizes te zijn. Sommigen hunner zeiden, dat hij de rentmeester was, maar vergunning had met de familie aan tafel te eten. Hoe het zij, hij wist zich te doen eerbiedigen en twee der aangenaamste kamers van het heerenhuis werden voor hem afgezonderd.
Hij wandelde op den gewichtigen dag op het terras, toen een open rijtuig en een dier reiskoetsen of familie-arken, zooals alleen de Engelsche ouderliefde kon uitvinden, onder het daverend luiden van de kerkklokken te Clavering, van welke de vlag wapperde, met snuivende paarden door het parkhek naar den hoofdingang van het huis rolden. De beide vleugeldeuren der gebeeldhouwde poort vlogen open. Twee hoogere beambten in het zwart, de groote en melancholische heeren thans in livrei en met poeier in het haar, en de plattelandsdienstboden, die aangenomen waren om hen te helpen, stonden in de vestibule hun meester op te wachten en bogen als rijzige olmen wanneer de najaarswind door het park huilt. Tusschen deze twee rijen bedienden ging Sir Francis Clavering met een volmaakt onverschillig gezicht heen; Lady Clavering met een paar schitterende zwarte oogen en een goedhartig gelaat, terwijl zij zeer genadig boog en knikte; de jonge heer Francis Clavering, die zijne mama aan haar kleed hield (en den optocht stuitte om den grootsten lakei te bekijken, wiens voorkomen den jongen heer scheen te treffen) en juffer Blandy, de gouvernante van den jongen heer Francis, en jufvrouw Amory, de dochter der lady, aan den arm van kapitein Strong. Het was zomer, doch er brandden vreugdevuren in den schoorsteen der groote zaal en in de kamers, die de leden van het gezin betrekken zouden.
Monsieur Mirobolant had den optocht van achter een der lindeboomen in de laan begluurd. „Elle est là,” zeide hij, en legde zijne met ringen versierde hand op zijn rijk geborduurd fluweelen vest met glazen knoopen. „Je t’ai vue, je te bénis, o ma sylphide, o mon ange!” en daarop dook hij weer in het struikgewas weg en spoedde zich naar zijne fornuizen en ketels terug.
Den volgenden Zondag nam hetzelfde gezelschap, dat wij zijn intocht op Clavering Park hebben zien doen, openlijk de antieke bank in de kerk in bezit, waar zoovele voorouders van den baronet gebeden hadden en nu in afbeeldsel knielden. Er was zulk een toeloop om de nieuw aangekomenen te zien, dat de afgescheiden kerk, tot groote ergernis van haar dominé, leeg bleef staan; en toen de staatsiekoets met de schimmels en den koetsier met zijne zilverwitte pruik en de statige lakeien voor de oude kerkdeur stilhield, was daar zulk een gedrang als men in een aantal jaren niet gezien had. Kapitein Strong kende iedereen en groette voor het gansche gezelschap. De landbewoners verklaarden, dat mylady in het geheel niet mooi was, maar brillant gekleed ging, hetgeen ook de waarheid was, want zij droeg den fijnsten shawl, de keurigste pelisse, den prachtigsten hoed met bloemen, dien men zich voorstellen kan, benevens eene macht van ringen, cameeën, broches, kettingen, gespen en andere snuisterijen, waarvan ik den naam niet weet, terwijl linten van alle breedten en met alle kleuren van den regenboog rondom haar heen wapperden. Jufvrouw Amory was gelijk eene vestaalsche maagd zedig in eene duivenkleur gedost, en de jonge heer Francis droeg het toenmaals zeer in zwang zijnde costuum van Rob Roy Macgregor, een vermaard Schotsch bandiet. De baronet legde meer levendigheid dan gewoonlijk aan den dag; hij had eene soort van benijdenswaardige ongevoeligheid over zich, die hem een diner, een sterfgeval of eene trouwpartij met dezelfde kalme onverschilligheid zou hebben doen te gemoet gaan.
De bedienden van Clavering hadden plaatsen in eene afzonderlijke bank, en de opgetogen gemeente zag de Londensche heeren „met meel op hun hoofd” en den verbazenden koetsier met zijne zilveren pruik zich daar nederzetten, zoodra hij zijne paarden in het Wapen van Clavering onder dak had gebracht.
Toen de godsdienstoefening aan den gang was, begon de jonge heer Francis zulk een keel op te zetten, dat Frederik, de langste der lakeien, door zijn meester gewenkt werd en op diens last den jongen heer wegdroeg, die het daarbij uitgilde en hem zoo heftig op het hoofd sloeg, dat het poeier als wierookwolken rondvloog. Hij kwam niet eer tot bedaren, dan toen men hem op den bok van het rijtuig geplaatst had, waar hij met John’s zweep koetsiertje speelde.
„Gij begrijpt wel, dat de kleine schavuit nooit te voren in de kerk was geweest, jufvrouw Bell,” zeide de baronet op slaperigen toon tegen eene jonge dame, die een bezoek bij de familie aflegde; „geen wonder, dat hij zooveel lawaai maakte. In de stad ga ik ook niet naar de kerk, maar ik geloof, dat men buiten een goed voorbeeld moet geven – en zoo voorts.”
Met een lachje antwoordde jufvrouw Bell, dat de kleine jongen geen bijzonder goed voorbeeld had gegeven.
„Och, dat weet ik niet,” zeide de baronet. „Het is geen kwaad voorbeeld ook. Als Frans iets hebben wil, schreeuwt hij er om, en als hij schreeuwt krijgt hij het ook.”
Hier begon het kind om een schotel gebakjes te huilen, die op de tafel stond, en er plotseling over het tafellaken heen zijn arm naar uitstekende, wierp hij een glas wijn over het beste vest van een der aanwezige gasten, mijnheer Arthur Pendennis, die erg boos was, dat hij zulk een mal figuur maakte en zijn vlekkeloos overhemd nu met wijn bezoedeld was.
„Wij bederven hem zoo!” zeide Lady Clavering tegen mevrouw Pendennis met een innigen blik op het engeltje, welks handen en gezicht op dit oogenblik vol zaten met het schuim, waarmee de gebakjes, die men meringues à la crême noemt, gevuld waren.
„Het is heel verkeerd,” zeide mevrouw Pendennis, alsof zij zelve nooit een kind bedorven had.
„Mama zegt, dat zij mijn broertje bederft – houdt gij dat wel voor mogelijk, jufvrouw Bell? Zie hem eens aan, – is het geen engeltje?”
„Ziet ge wel, dat ik gelijk had?” zeide de baronet. „Hij heeft geschreeuwd, en nu heeft hij het gekregen. Ga je gang maar, Frans, ouwe jongen!”
„Sir Francis is een zeer verstandig vader,” fluisterde jufvrouw Amory. „Vindt ge niet, jufvrouw Bell? Maar ik zal u niet meer jufvrouw Bell noemen – ik zal Laura zeggen. Ik heb u in de kerk zoo bewonderd. Uw kleed was niet gemaakt naar den laatsten smaak en uw hoed was niet heel frisch meer; maar ge hebt zulke mooie grijze oogen en zulk eene lieve kleur!”
„Ge zijt wel goed,” hernam jufvrouw Bell lachend.
„Uw neef is een mooie jongen en weet dit van zich zelven. Hij is verlegen de sa personne. Hij heeft de wereld nog niet gezien. Heeft hij genie? Eene zekere jufvrouw, een klein vrouwtje in verkreukt satijn en met fluweelen schoenen – zekere jufvrouw Pybus – is hier geweest en zeide, dat hij geleden heeft. Ik heb ook geleden, – en hoe is het met u, Laura, is uw hart ooit getroffen?”
Laura antwoordde: „Neen!” maar bloosde misschien een weinigje bij die gedachte, of op die vraag, zoodat de andere voortging:
„O Laura, ik ben er al achter! Het is de beau cousin. Vertel er mij eens alles van, want ik heb u reeds als eene zuster lief.”
„Gij zijt heel vriendelijk,” hernam jufvrouw Bell met een glimlach, „en – en ik kan niet ontkennen, dat het eene zeer plotselinge genegenheid is.”
„Dat is het geval met elke genegenheid. Het is iets electrisch, iets onwillekeurigs. Het is eene zaak van het oogenblik. Ik wist van het eerste oogenblik af, dat ik van u houden zou. Gevoelt ge het ook niet?”
„Voor het oogenblik nog niet,” antwoordde Laura, „maar – het zal zeker wel komen, als ik er mij op toeleg.”
„Noem mij dan voortaan bij mijn naam.”
„Maar ik ken dien nog niet,” riep Laura uit.
„Mijn naam is Blanche, – een lieve naam, niet waar? Noem mij voortaan zoo.”
„Blanche – waarlijk een heel lieve naam.”
„En, terwijl mama met die vriendelijke dame spreekt – in welke betrekking staat die tot u? Zij moet eenmaal zeer mooi geweest zijn, maar zij is nu eenigszins passée; zij is niet behoorlijk gantée, maar zij heeft eene fraaie hand. Terwijl mama haar bezig houdt, kunt gij wel eens meegaan naar mijne kamer –– mijne eigen, eigen kamer! Het is een juweeltje van eene kamer, ofschoon die akelige kapitein Strong ze ingericht heeft. Zit gij éprise van hem? Hij zegt dat van u, maar ik weet wel beter; het is de beau cousin. Ja, il a de beaux yeux. Je n’aime pas les blonds ordinairement. Car je suis blonde, moi – je suis Blanche et blonde,” en bij deze woorden keek zij in den spiegel en maakte eene moue, terwijl zij geen oogenblik naar Laura’s antwoord op hare vragen wachtte.
Blanche was blond en geleek eene sylphide. Zij had blond haar, met hier en daar een groenen weerschijn. Maar daarbij had zij donkere wenkbrauwen en lange zwarte wimpers, die heerlijke bruine oogen overschaduwden. Zij had zulk een dun middeltje, dat het verwonderlijk was, en zulke kleine voetjes, dat men denken moest, dat het gras er ternauwernood onder zou buigen. Hare lippen waren als lichtgekleurde rozenknoppen, en haar stemmetje gleed als glas over de liefste pareltjes van tandjes, die men zien kan. Zij liet ze ook dikwijls zien, want zij waren zeer mooi. Zij was zeer goedhartig, en een lachje deed niet alleen die tanden heerlijk uitkomen, maar liet ook twee lieve kuiltjes zien, die zich op hare beide wangen genesteld hadden.
Zij liet hare teekeningen aan Laura zien, die ze heerlijk vond. Zij speelde haar vlug en schitterend eenige van hare walsen voor en Laura was nog meer verrukt. En eindelijk las zij haar eenige gedichten in het Fransch en Engelsch voor, die ook van hare compositie waren en bewaard werden in een eigen boek – haar eigen, lief, klein boekje, dat in blauw fluweel gebonden was, met een verguld slot, en op het plat in gouden letters den titel droeg: Mes Larmes.
„Is dat geen lieve naam, Mes Larmes?” vroeg de jonge dame, die met al wat zij deed ingenomen was, en ook alles zeer goed deed. Laura erkende, dat het een lieve naam was. Zij had nog nooit in haar leven zoo’n meisje gezien, zoo iets liefs, zoo talentvol, zoo teer en zoo bekoorlijk; een meisje, dat als een vogeltje kwinkeleerde, door zulk een prettig kamertje rondtrippelde, en van zulk een aantal mooie boeken, schilderijen en bloemen omringd was. In hare opgetogenheid vergat het oprechte en welwillende landmeisje zelfs jaloersch te zijn. „Waarlijk, Blanche,” sprak zij, „alles in uw kamertje is lief, en gij zijt het liefste van alles.” Blanche lachte eens, keek in den spiegel, keerde naar Laura terug, wier beide handen zij greep en kuste, zette zich aan de piano en galmde een liedje uit, alsof zij een nachtegaal ware.
Dit was het eerste bezoek van Fairoaks op Clavering Park, ter beantwoording van het bezoek van Clavering Park aan Fairoaks, naar aanleiding dat Fairoaks eenige dagen na de aankomst van Sir Francis’ gezin kaartjes op Clavering Park afgegeven had. De vriendschap tusschen de beide jonge dames groeide zoo snel op als de boonenstaak in het sprookje, die in één nacht tot aan de wolken opschoot. De lange lakeien waren aanhoudend met rosé briefjes op weg naar Fairoaks, waar men een knap meisje in de keuken vond, hetgeen die heeren wellicht naar eene zoo nederige plaats lokte. Jufvrouw Amory zond muziek of een nieuwen roman of eene plaat uit het Journal des Modes aan Laura; of er kwamen vruchten met het compliment van mylady; of jufvrouw Amory verzocht en bezwoer jufvrouw Bell te komen dineeren, met de lieve mevrouw Pendennis, indien zij zich sterk genoeg gevoelde, en mijnheer Arthur, indien een bedaard gezelschapje niet te vervelend voor hem was; zij zou den hittenwagen zenden om mevrouw Pendennis af te halen en zij nam geene weigering aan.
Arthur was evenmin als Laura voornemens het te weigeren. Helena, die zich werkelijk niet al te wel gevoelde, was blij, dat die twee ten minste genoegen zouden hebben, zag hen met een liefdevollen blik na toen zij vertrekken, en bad inwendig, dat zij niet mocht opgeroepen worden voordat die twee menschen, die zij liever had dan iemand anders ter wereld, vereenigd zouden zijn. Terwijl zij bij hun vertrek de brug overgingen, herinnerde zij zich andere zomeravonden, vijf en twintig jaar geleden, toen ook zij haar korten lentetijd van liefde en geluk genoot. Dat alles was nu voorbij. De maan zag uit de purperen lucht neder en de sterren stonden daar te flikkeren evenals op die vroegere avonden, die haar nog zoo levendig voor den geest stonden. Hij lag daar in het verre land in het graf en de rollende golven scheidden hen van elkander. Goede hemel! wat herinnerde zij zich de uitdrukking van zijn gelaat bij hun afscheid nog duidelijk! Het zag haar nu nog even treurig en helder aan als op dat oogenblik, uit het verre verschiet van die vele jaren.
Mijnheer Pen en jufvrouw Laura vonden het gezelschap op Clavering Park een buitengemeen aangenaam toevluchtsoord op zomeravonden. Blanche verklaarde, dat zij van Laura raffoleerde, en hoogst waarschijnlijk was mijnheer Pen met Blanche wel ingenomen. Zijne levendigheid keerde terug en hij lachte en snaterde, dat Laura het met verbazing aanhoorde. De vlugge en geestige, de lachende en net gekleede Pen in Lady Clavering’s gezelschapskamer was niet meer dezelfde Pen, die in zijn jachtbuis in de huiskamer op Fairoaks zat te geeuwen. Soms werd er muziek gemaakt. Laura had eene liefelijke alt-stem en zong dan met Blanche, die het beste onderwijs in het buitenland genoten had en verrukt was hare vriendin tot leermeesteres te kunnen strekken. Nu en dan nam mijnheer Pen deel aan die concerten, maar veel meer gebeurde het, dat hij jufvrouw Blanche opgetogen zat aan te kijken terwijl zij zong. Enkele malen werden er veelstemmige liederen gezongen, waarbij kapitein Strong groote diensten bewees en een daverenden bas uitgalmde, waarop de kapitein niet weinig trotsch was.
„Aardige kerel, die Strong, – vindt ge niet, jufvrouw Bell?” voegde Sir Francis haar wel eens toe. „Speelt écarté met Lady Clavering – kan alles spelen, kruis of munt, piano, kaart, wat ge verkiest. Hoelang denkt ge wel, dat hij al bij mij is? Kwam met een reiszak eene week logeeren, en waarachtig, nu is hij al drie jaar gebleven. Aardige kerel, niet waar? Weet echter niet hoe hij aan een duit geld komt, – weet het waarachtig niet, jufvrouw Laura!”
En echter betaalde de chevalier altijd als hij aan Lady Clavering verloor; en zoo hij drie jaar bij zijn vriend had gewoond, had hij dat ook betaald – met opgeruimdheid, met voorkomendheid, met gezelligheid, met duizend kleine diensten, waardoor hij zich aangenaam maakte. Wie zou een beter vriend begeeren dan iemand, die altijd vroolijk, nooit te ver of te dichtbij, en tot elk dienstbetoon voor zijn patroon bereid was, hetzij om een liedje te zingen of eene conferentie met een advocaat te houden, een duel te vechten, of een kapuin voor te snijden?
Ofschoon Laura en Pen doorgaans te zamen naar Clavering Park gingen, deed mijnheer Pen soms zonder haar gezelschap eene wandeling daarheen, hetgeen hij haar niet vertelde. Hij kreeg liefhebberij in het hengelen in de Brawl, die door het Park loopt en niet ver van den tuinmuur voorbijstroomt, en door een toevalligen samenloop van omstandigheden wandelde jufvrouw Amory dan ook (daar zij naar hare bloemen was gaan zien) en was zeer verwonderd mijnheer Pendennis daar aan het visschen te vinden.
Ik ben benieuwd hoeveel forellen Pen ving, terwijl de jonge dame er naast stond te kijken? dan wel of jufvrouw Blanche het lieve vischje was, dat rondom zijne vlieg dartelde en dat mijnheer Pen trachtte te verschalken? Hij werd in ieder geval een groot liefhebber van die gezonde en versterkende hengeloefeningen en liet zijne vlieg aanhoudend op de wateren van de Brawl dansen.
Jufvrouw Blanche van haar kant bezat een gevoelig hart, en daar zij, gelijk zij zelve verklaarde, gedurende haar kort leven en ondervinding vrij wat „geleden” had, kon zij natuurlijk sympathie koesteren voor andere teergevoelige wezens, zooals Pen, die ook geleden hadden. Hare genegenheid voor Laura en die lieve mevrouw Pendennis verdubbelde; als deze niet op het Park waren, kon zij niet rusten voordat zij zelve te Fairoaks was. Zij speelde met Laura en las Fransch en Duitsch met haar, terwijl mijnheer Pen van zijn kant Fransch en Duitsch met beiden las, hij zette sentimenteele balladen van Schiller en Goethe voor de dames in Engelsche dichtmaat over, en Blanche ontsloot Mes Larmes voor hem en deelde hem eenige der klagende ontboezemingen van hare eigene teedere muze mede.
Het bleek uit die gedichten, dat dit jeugdig schepseltje inderdaad verbazend moest geleden hebben. Zij was met het denkbeeld van zelfmoord vertrouwd. Aanhoudend smachtte zij naar den dood. Eene verwelkte roos vervulde haar met zulke hevige smart, dat men gedacht zou hebben, dat zij er aan had moeten sterven. Het was wonder hoe zulk een jong meisje (dat een aangenaam „te huis” had, of op eene flinke kostschool geweest was en, voor zoover men zien kon, over geen verdrietelijkheden of harde behandeling te klagen had) zooveel geleden kon hebben, in zulk een oceaan van wanhoop en hartstochtelijkheid zich had kunnen storten (gelijk een ondeugende jongen, die volstrekt naar zee wil) en, na daarop rondgezwalkt te hebben, er het levend had kunnen afbrengen. Wat moet zij een aanleg voor schreien gehad hebben, om zoovele van Mes Larmes te kunnen storten!
Het is waar, jufvrouw Blanche’s tranen waren niet bijzonder zilt; maar Pen, die hare verzen las, beschouwde ze als zeer voldoende voor eene dame, en schreef zelf eenige verzen voor haar. Zij waren zeer woest en hartstochtelijk, zeer gloeiend, zoet en krachtig; en hij schreef niet alleen verzen, maar – o die schelm! o die bedrieger! hij werkte verzen uit vroeger tijd, die voor zekere jufvrouw Emily Fotheringay geschreven waren, ten behoeve van jufvrouw Blanche Amory om en maakte ze op haar vóórnaam toepasselijk.
VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
EEN ONSCHULDJE.
Elk huis heeft zijn kruis en het kan sommigen, die zich ongelukkig gevoelen, wellicht tot troost verstrekken, dat hunne gelukkigste en rijkste buren eveneens hunne rampen en redenen van ongerustheid hebben. Onze kleine onschuldige muze van eene Blanche, die zoo lief sprak en zoo zoet zong, dat men zou gedacht hebben dat zij overal waar zij kwam zonneschijn moest verspreiden, was het kruis, of de ramp, of de straf, of de Nemesis van Clavering House en van de meeste zijner bewoners. Gelijk een steentje in uw schoen, of tusschen het hoefijzer van uw paard, genoeg is om u beiden op de pijnbank te leggen en uw tocht tot eene hel te maken, zoo is in het leven een klein bezwaar toereikend om uw verderen loop te stremmen en u aan onophoudelijke verdrietelijkheden en onrust prijs te geven. Wie zou vermoed hebben, dat zoo’n kleine lachende fee als Blanche Amory een twistappel in een gezin had kunnen zijn?
„Zeg eens, Strong,” zeide de baronet op zekeren dag, toen beiden na het diner, met behulp van eene sigaar, die groote ontlokster van geheimen, aan het biljart vertrouwelijk met elkaar keuvelden, „zeg eens, Strong, ik wou voor den drommel, dat uwe vrouw dood was.”
„Ik ook, daar geef ik u mijn woord op! Maar zij wil niet; zij blijft eeuwig leven; – ge zult zien, dat ze het doet. Maar waarom, Frans, zoudt gij wenschen, dat zij van de baan was, beste jongen?”
„Wel, dan kondt ge juffie trouwen. Zij ziet er niet slecht uit en zij brengt tien duizend pond mee, wat een heele schep geld is voor zulk een armen drommel als gij zijt,” antwoordde de ander op sleependen toon. „Want waarachtig, Strong, ik begin elken dag een grooter hekel aan haar te krijgen.”
„Ik zou haar met nog eens zooveel geld niet willen hebben,” gaf kapitein Strong lachend ten antwoord. „Ik heb nooit van mijn leven zoo’n kleine heks gezien.”
„Ik zou haar wel willen vergeven,” hernam de baronet op plechtigen toon; „dat zou ik!”
„Wel, wat heeft zij nu weer uitgevoerd?” vroeg zijn vriend.
„Niets bijzonders,” gaf Sir Francis ten antwoord; „niets dan hare oude streken. Die meid heeft zulk een slag om iedereen uit zijn humeur te brengen, dat ik er verstomd van sta. Gisterenavond was zij oorzaak, dat de gouvernante schreiend van tafel wegliep. Later, toen ik voorbij Frans’ kamer kwam, hoorde ik den armen kleinen schelm in den donker huilen, en vernam ik, dat zijne zuster hem doodsbang gemaakt had, door hem van de spoken hier in huis te vertellen. Aan het tweede ontbijt gaf zij mylady een veeg, en ofschoon mijne vrouw niet hoog timmert, is het toch eene goede ziel, – waarachtig, dat is zij.”
„Wat deed juffie tegen haar?” vroeg Strong.
„Wel, de duivel haal me als ze niet begon te spreken over den dooden Amory, mijn voorganger,” antwoordde de baronet met een grijns. „Zij sloeg een portret in het Keepsake op en zeide, dat dit zeker op haar lieven vader moest gelijken. Zij wilde weten waar haar vader begraven was. Ik wou, dat haar vader ik weet niet waar zat! Als jufvrouw Amory over hem begint, barst mijne vrouw altijd in tranen uit, en de kleine heks spreekt over hem, om hare moeder van haar stuk te brengen. Toen zij er vandaag weer over begon, werd ik woedend en zeide, dat ik haar vader was, en – zoo meer, en toen, mijnheer, begon zij over mij.”
„En wat zeide ze wel van u, Frans?” vroeg mijnheer Strong steeds lachende aan zijn vriend en beschermer.
„Voor den drommel, zij gaf mij ten antwoord, dat ik haar vader niet was; dat ik niet in staat was haar te begrijpen; dat haar vader een man van genie en fijn gevoel moet geweest zijn, en meer van dien aard, en eindelijk, dat ik hare moeder alleen om haar geld getrouwd had.”
„Nu, is dat niet waar?” zeide Strong.
„Al is het waar, dan is het niet prettig zoo iets te moeten hooren,” gaf Sir Francis Clavering ten antwoord. „Ik heb geen verstand van letterkunde en zulke dingen; maar daarom ben ik zoo’n gek niet als zij mij afschildert. Ik weet niet hoe het komt, maar zij brengt mij altijd in het nauw, weet je? Zij regeert het heele huis op hare stille manier en met hare verwenschte sentimenteele airs. Ik wou, dat zij dood was, Ned!”
„Zoo even was het mijne vrouw, die gij dood wildet hebben,” hernam Strong, steeds met dezelfde opgeruimdheid, waarop de baronet met zijne gewone rondborstigheid antwoordde: „Wel, als de menschen mij zoo ergeren, dat ik het haast besterf, dan wensch ik, dat zij dood waren, en ik zou uit den grond van mijn hart willen, dat juffie onder in een put lag.”
Men ziet uit bovenstaand verslag van dit openhartig gesprek, dat ons talentvol vriendinnetje eenige kleine eigenaardigheden of gebreken bezat, die haar niet zeer bemind maakten. Het was eene jonge dame met eene zekere mate van genie, eene verbazende gevoeligheid en groote letterkundige bekwaamheid, die, gelijk zoo menig ander genie, met bloedverwanten moest verkeeren, die niet in staat waren haar te begrijpen. Noch hare moeder noch haar stiefvader bezaten letterkundigen aanleg. De lectuur van den baronet bepaalde zich tot Bell’s Life in London en den Almanak der wedrennen, en Lady Clavering schreef nog altijd als een schoolmeisje met eene ongeloofelijke onverschilligheid omtrent spelling of taalregelen. En daar jufvrouw Amory diep gevoelde, dat zij niet naar waarde geschat werd en dat zij met menschen verkeerde, die haar in verstand of maatschappelijke gaven niet evenaarden, liet zij geene gelegenheid voorbijgaan, om de leden van het gezin te doen gevoelen, dat zij beneden haar stonden; zij was niet enkel eene martelares, maar zorgde ook, dat iedereen dit wist. Indien zij werkelijk zoo zwaar leed als zij zeide en meende, kunnen wij ons dan verwonderen, dat een jeugdig schepseltje met zulk een teer gevoel heel wat gilde en schreide? Zonder deelneming heeft het leven niets te beteekenen en zou het dan geen gebrek aan oprechtheid in haar zijn geweest, indien zij eene opgeruimdheid had voorgewend, die zij niet gevoelde, of achting had gehuicheld jegens degenen, voor wie het onmogelijk was, dat zij eenigen eerbied zou koesteren? Indien eene dichteres niet over haar lot mag weeklagen, waartoe ter wereld dient dan hare lier? Blanche ontlokte aan de hare alleen de droevigste tonen, en maakte elegieën op hare afgestorven hoop en treurzangen op de door den killen winteradem gedoode bloesems harer jeugdige genegenheid, gelijk aan zulk eene treurige lotsbestemming en muze betaamde.
Hare wezenlijke rampen waren, gelijk wij reeds zeiden, tot op dit oogenblik niet groot geweest; maar hare smart huisde, zooals bij de meesten van ons, in hare eigene ziel, en daar deze neerslachtig en meestal ontevreden was, verwondere zich niemand, dat zij weende. Daarom stroomden Mes Larmes ten allen tijde op kommando uit hare oogen; zij kon eene onbepaalde hoeveelheid tranen leveren, en door langdurige oefening leerde zij die met steeds toenemende gemakkelijkheid storten. Want het gevoel, gelijk eene andere kwaal, waarvan Horatius spreekt, neemt toe wanneer men zich niet weet te onthouden (het spijt mij, dames, dat de bedoelde kwaal waterzucht heet) en hoe meer men schreit, des te meer zal men dit kunnen en willen doen.
Juffie was reeds op zeer jeugdigen leeftijd begonnen tranen te storten. Zoodra zij besef genoeg had om iets te gevoelen, werd Lamartine haar geliefkoosde bard, en verder had zij haar gemoed gevormd door eene vlijtige studie van de groote hedendaagsche schrijvers in de Fransche taal. Er bestond geen roman van Balzac of George Sand, welken het onvermoeide schepseltje niet verslonden had voordat zij zestien jaar was; en hoe weinig zij ook met hare huisgenooten sympathiseerde, had zij vrienden in de geestenwereld, zeide ze, waarmee zij de teedere Indiana, de hartstochtelijke en poëtische Lelia, den beminnelijken Trenmor, dien grootmoedigen misdadiger, dien engel der galeien, den vurigen Stenio, en de andere tallooze helden der Fransche romans bedoelde. Terwijl zij nog school ging, was zij op prins Rodolphe en prins Djalma verliefd geweest, en de vraagstukken over de echtscheiding en de rechten der vrouw had zij met Indiana uitgemaakt, nog voordat zij het hooge voorschoot had afgelegd. Het levendige dametje speelde minnaar en minnares met die denkbeeldige helden, gelijk zij nog kort te voren moedertje gespeeld had met hare pop. Het is merkwaardig die aardige, dichterlijke zieltjes te zien omgaan met dat speelgoed. Vandaag staat de pop met de blauwe oogen in gunst en wordt die met de zwarte oogen in de lade weggeborgen. Morgen ligt die met de blauwe oogen weer achter de bank, en krijgt een akelig monstertje, met een afgeschroeiden neus of een kaal hoofd en in het geheel geene oogen, de eerste plaats in de genegenheid van het juffertje, dat hem in hare armen troetelt en koestert.
Daar men het er voor houdt, dat romanschrijvers alles weten, tot zelfs de geheimen van vrouwenharten, waarvan de eigenaressen misschien zelve onkundig zijn, willen wij hier mededeelen, dat mademoiselle Betsy, zooals jufvrouw Amory toen genoemd werd, op haar elfde jaar eene teedere neiging had opgevat voor een jongen Savoyaard met een orgel te Parijs, dien zij verkoos te blijven beschouwen als een jongen prins, aan zijne ouders ontroofd; dat op haar twaalfde jaar een oude, afzichtelijke teekenmeester (maar ach, welke jaren of lichaamsgebreken zijn proefhoudend tegen vrouwenliefde?) haar jong hartje had doen kloppen, en dat er op haar dertiende, toen zij op de kostschool was bij madame de Caramel in de Champs Elysées (gelegen, zooals men weet, naast de jongeheeren-kostschool van monsieur Rogron, ridder van het legioen van eer), eene briefwisseling plaats had tusschen de séduisante miss Betsy en twee jonge heeren van het Collége Charlemagne, die bij den ridder Rogron in den kost waren.
In bovenstaande regels hebben wij onze jonge vriendin bij een anderen doopnaam genoemd dan dien, onder welken wij haar kortelings voorgesteld hebben. Jufvrouw Amory, door hare huisgenooten juffie genoemd, was werkelijk Betsy gedoopt, maar had uit eigen wil en fantasie den naam van Blanche aangenomen en zich daarmede gekroond; en het zwaard, dat de baronet haar stiefvader aanhoudend boven haar hoofd hield, was de bedreiging, dat hij haar openlijk Betsy zou noemen, waarvoor zij zoo bang was, dat hij er de jonge oproermaakster soms weer mede tot haar plicht bracht.
Wij spraken zoo even van kinderpoppen en van de manier, waarop de kleintjes hare geliefde popjes opnemen en wegwerpen, en hoogst waarschijnlijk zal dit verhaal verder wel in het licht stellen, dat jufvrouw Blanche hare levende poppen met dezelfde kinderlijke onbestendigheid tot zich trok en ze weer wegsmeet. Zij had zwermen van lieve, lieve boezemvriendinnen gehad en bewaarde in haar juweelkistje een klein museum van haarlokken, die zij op haar sentimenteelen levenstocht had bijeengezameld. Sommige dierbare vriendinnen waren getrouwd, eenige waren naar andere scholen gegaan; eene harer lievelingen, hare zielsvriendin, hare Léocadie, had zij na de kostschool uit het oog verloren en, o gruwel! teruggevonden in den winkel van haar vader, een kruidenier in de Rue du Bak, waar zij het boek hield; kortom, zij was vele malen gedesappointeerd en gedesillusioneerd, gelijk zij het in haar aardig Fransch mengelmoes uitdrukte, en had voor zoo’n jonge dame al heel wat gezien en geleden. Maar de gevoeligen moeten altijd lijden en het is het lot dergenen, die te goed van vertrouwen zijn, bedrogen te worden, zoodat zij gevoelde, dat zij in deze smarten en teleurstellingen slechts het lot onderging, dat aan het genie bereid is.
Intusschen vond zij gelegenheid om hare moeder, die goede vrouw, zoo ongelukkig te maken als de omstandigheden het toelieten, en bracht zij haar waardigen stiefvader zoo ver, dat hij wenschte, dat zij dood was. Met uitzondering van kapitein Strong, wiens onverstoorbare goedmoedigheid bestand was tegen de stekelige gezegden van het dametje, beheerschte zij iedereen in huis met hare tong. Als Lady Clavering van „sparzie” in plaats van „asperges” sprak, of „eindelijk” zeide in plaats van „eigenlijk”, wat die ongelukkige dame wel eens overkwam, verbeterde juffie kalmpjes die uitdrukkingen, en bracht hare moeder, die goede ziel, zoodanig van streek, dat zij nog veel meer fouten maakte, omdat zij in de tegenwoordigheid van hare dochter hoe langer hoe zenuwachtiger werd.
Als wij in aanmerking nemen welke groote belangstelling de aankomst der familie op Clavering Park aan de bewoners van het stadje ingeboezemd had, dan is het niet te vooronderstellen, dat madame Fribsby alleen onder al de bewoners van Clavering onverschillig en vrij van nieuwsgierigheid zou gebleven zijn. Bij de eerste verschijning der familie in de kerk nam madame elk stuk van het toilet der dames, van hare hoeden tot hare laarsjes, nauwkeurig op en liet ook haar oog over de kleeding der kameniers in de haar toegewezen bank gaan. Het is te vreezen, dat doctor Portman’s preek, ofschoon eene zijner oudste en doorwrochtste opstellen, dien dag weinig indruk op madame Fribsby maakte. Binnen weinige dagen had zij een onderhoud met Lady Claverings vertrouwde kamenier in de kamer der huishoudster op het park weten te verkrijgen, en waren hare adreskaartjes in het Fransch en Engelsch, die vermeldden, dat zij de nieuwste modes uit Parijs van hare correspondente madame Victorine ontving en dat zij de hof- en balcostumes voor den adel en de groote lui van het graafschap vervaardigde, in handen van Lady Clavering en jufvrouw Amory, die er, gelijk zij tot haar genoegen hoorde, gunstig over dachten.
Jufvrouw Bonner, Lady Clavering’s kamenier, werd spoedig eene trouwe bezoekster van madame Fribsby en nam aan menige versnapering ten koste van de modemaakster deel. Een kopje groene thee, wat kwaadspreken, wat koekjes en een beetje romanlectuur waren altijd tot jufvrouw Bonner’s dienst, als zij des avonds naar de stad mocht gaan. En daarvoor vond zij veel meer gelegenheid dan hare jongere ambtgenoote, jufvrouw Amory’s kamenier, die zelden een vrijen dag kon krijgen en door die onverbiddelijke kleine muze, hare meesteres, zoo hard afgebeuld werd als eene fabriekarbeidster.
De muze was gaarne mooi gekleed en daar zij eene levendige verbeeldingskracht bezat en met de zucht der dichters naar verandering behebt was, moest zij elken dag iets anders aanhebben. Daar hare kamenier de modemaaksterskunst verstond (dewijl zij te Parijs, alvorens in jufvrouw Blanche’s dienst te komen, bij eene modiste geweest was) werd zij van den morgen tot den avond bezig gehouden met het veranderen en vermaken van jufvrouw Amory’s kleederen, zoodat zij zeer vroeg opstond en zeer laat te bed ging, ten gevolge van de onophoudelijke grillen van hare kleine meesteres. Het meisje was de dochter van fatsoenlijke Engelsche ouders, zooals er vele te Parijs wonen, die betere dagen gekend hebben, niet geheel geruïneerd zijn, niet geheel van „tegemoetkoming” leven en deze toch niet kunnen missen; en daar haar vader gebrekkig was en buiten staat om te werken, en hare terugkomst het bezwaar en de ellende van het gezin slechts zou vermeerderen, wilde de arme Pincott gaarne blijven waar zij zelve den kost kon winnen en nog iets voor hare ouders afzonderen.
Met de rondheid, die onze muze kenmerkte, liet zij nooit na, hare kamenier aan hare positie te herinneren. „Ik zou lust hebben u weg te zenden, Pincott, want gij zijt veel te zwak en uwe oogen deugen niet, terwijl gij ook altijd zit te snikken en den dokter noodig hebt; maar ik zie het gaarne, dat gij uwe ouders ondersteunt; – onthoud dus, dat ik het mij om hunnentwil getroost,” zeide die lieve Blanche tegen haar bedeesd kameniertje. Of een andermaal „Pincot, uw vervallen voorkomen en slaafsche manieren en roode oogen jagen mij migraine aan; mij dunkt, ik moest u laten blanketten, om u wat vroolijker te doen uitzien,” of „Pincott, ik kan niet toelaten, al is het ook om uwe hongerlijdende ouders, dat gij zoo voortgaat met mij het haar uit het hoofd te trekken; ik zal hun moeten schrijven, dat ik u bedankt heb.” Na onder dergelijke toespraken het sidderende meisje een uur lang bezig gehouden te hebben aan heur haar, dat de jonge dame gaarne liet uitkammen, terwijl zij een van hare geliefkoosde Fransche romans zat te lezen, ging zij tegen één uur te bed en zeide: „Kom, Pincott, geef mij een Goedennacht! Zorg, dat mijn paarsch kleedje morgenochtend klaar is,” waarna zij, met een zegenwensch aan hare kamenier, zich omkeerde en insliep.
De muze kon ’s morgens zoolang in bed blijven liggen als zij verkoos en maakte ook van dat voorrecht gebruik; maar Pincott moest zeer vroeg opstaan, om gereed te komen met de taak, waarmee hare meesteres haar belast had, zoodat zij zich den volgenden dag weer met dezelfde roode oogen en hetzelfde ingevallen gelaat vertoonde, dat jufvrouw Amory zoo tegenstond wegens het gemis van elke blijde uitdrukking, en haar boos maakte, omdat hare dienares maar altijd goedvond er ziekelijk en neerslachtig te blijven uitzien. Maar het kwam geen oogenbilk bij Blanche in de gedachte, dat zij eene harde meesteres was. Bij wijlen behandelde zij Pincott als eene boezemvriendin en schreef zij eenige aardige verzen op „het eenzaam kameniertje, wier hart elders is.” Onze beminde Blanche was een hooger wezen en verwachtte als zoodanig bediend te worden. Ik weet niet of er nog meer dames zijn, die hare dienstboden of ondergeschikten op zulk eene wijze behandelen; doch wellicht zijn zij er, en dan is de dwingelandij, die zij over hare ondergeschikten uitoefenen, en de dolksteek, dien zij hun met eene lieve stem en een heel fatsoenlijk lachje weten toe te brengen, even wreedaardig als de folteringen, die de blank-officier met een vloek en de zweep de slaven doet ondergaan.
Maar Blanche was eene muze, een teer schepseltje, dat van gevoeligheid trilde en welks oogen bij de geringste aandoening vol tranen schoten; en wie weet of niet juist de fijnheid van haar gevoel de oorzaak was, dat het zoo gemakkelijk werd gekwetst. Men verplettert een vlinder, wanneer men dien maar aanraakt. Gewone menschen hebben er geen begrip van, hoe gevoelig eene muze is!
De kleine Pincott dus, die dag en nacht aan het stikken, zoomen, afscheuren, kammen, strijken en plooien voor hare meesteres werd gehouden en haar moest voorlezen als zij te bed lag (want het meisje kende de beide talen en bezat eene lieve stem en een goeden toon), kon geen deel nemen aan madame Fribsby’s soirées; maar men miste haar ook niet en achtte haar niet van genoegzaam gewicht, om op die partijen te verschijnen.
Maar er was een ander lid van het huishouden der Clavering’s, dat een trouw bezoeker van onze vriendin de modemaakster werd, en dit was de chef der keukens, monsieur Mirobolant, met wien madame Fribsby eerlang innig bevriend werd.
Daar de boersche inwoners van Clavering niet gewoon waren aan het voorkomen van, of den omgang met personen van de Fransche natie, maakten de manieren en het uiterlijk van monsieur Alcide niet zulk een gunstigen indruk op hen, als die heer wel zou gewenscht hebben. Zonder iets kwaads te vermoeden, wandelde hij op zekeren zomerschen namiddag, toen zijne tegenwoordigheid op het Heerenhuis niet vereischt werd, het stadje Clavering binnen in zijn geliefkoosd costuum, namelijk eene groene jas of paletot, een karmozijn fluweelen vest met blauwe glazen knoopen, eene Schotsche pantalon met heel groote en hard gekleurde ruiten, eene oranje satijnen das en stoffen laarzen met verlakte punten. Dit alles, met zijne goudgeborduurde muts, zijn rijk vergulden stok en verschillende andere sieraden van soortgelijken aard, maakte zijn gewoon Zondagspak uit, waaraan hij zich vleide, dat niets opzichtigs was (tenzij misschien de schoonheid zijner gestalte de aandacht mocht trekken), en waarmee hij meende, dat hij zich geheel als een heer van den besten Parijschen toon voordeed.
Hij wandelde dus op dien stillen zomeravond de straten door, elke vrouw tegenlachende en haar toelonkende met blikken, die hij dacht, dat haar dadelijk betooveren moesten, en over de hekken en in alle vensters kijkende, waar hij eene vrouw ontdekte. Doch Betsy, de meid van jufvrouw Pybus, deinsde terug met een: „Heere, bewaar me!” toen Alcide haar over het laurierboschje een lonkje toewierp; de jufvrouwen Baker en hare mama keken verwonderd op, en na eenige oogenblikken begon een zwerm havelooze straatjongens en kinderen den merkwaardigen vreemdeling te volgen en lieten zij de modderpoddingen, die zij bezig waren te vervaardigen, in den steek om hem na te loopen.
Hij dacht eenigen tijd, dat het alleen een gevoel van bewondering was, dat deze personen zijne voetstappen deed volgen, zoodat hij voortwandelde met het aangename bewustzijn, dat hij zeer gemakkelijk aan anderen een onschuldig genoegen verschafte. Maar bij de kinderen en modderhoopfabrikanten voegde zich spoedig meer volwassen nieuwsgierigen, en een aantal mannen en vrouwen van de fabriek, die juist naar huis gingen, vermeerderden den oploop en begonnen te lachen, te fluiten, te schreeuwen en den Franschman uit te schelden. Sommigen riepen: „Fransoos! Fransoos!” anderen: „Kikkert!” Eén van den troep vroeg om wat van zijn haar, dat zeer lang was en in golvende lokken neerhing, en eindelijk begon de arme artiste te bemerken, dat hij veeleer een voorwerp van bespotting dan van bewondering voor het lachende en onbeschaafde grauw was.
Het was op dit oogenblik, dat madame Fribsby dien rampspoedigen heer met den stoet op zijne hielen gewaar werd en het smadelijk gejoel hoorde, dat hem vervolgde. Zij liep naar buiten, de straat op, naar den vervolgden vreemdeling toe, reikte hem de hand, sprak hem in zijne eigene taal aan en noodigde hem in haar huis, en toen zij hem veilig binnen de deur had, plaatste zij zich onversaagd op den drempel voor de smalende arbeiders en arbeidsters der fabriek en verklaarde hun, dat zij zich lafhartig gedroegen door een arm man te vervolgen, die hunne taal niet machtig was en alleen en zonder hulp stond. De kleine oploop liet nog wel eenig ironisch gejuich en gejoel hooren, maar gevoelde desniettemin de waarheid van madame’s krachtige toespraak en droop af; want de oude jufvrouw stond in het stadje goed aangeschreven en hare eigenaardigheden en hare voorkomendheid hadden haar daar vele vrienden verworven.
De arme Mirobolant was hartelijk dankbaar, dat hij zijne moedertaal, hoe slecht dan ook, hoorde spreken. De Franschen vergeven onze vergrijpen tegen hunne taal veel gereeder dan wij hun slecht Engelsch verschoonen, en zullen onze lompe fouten in den loop van een langdurig gesprek aanhooren, zonder de minste neiging tot lachen aan den dag te leggen. De geredde artiste verklaarde, dat madame Fribsby zijn beschermengel was, en zwoer, dat hij tot nog toe zooveel vriendelijkheid en wellevendheid niet bij les Anglaises aangetroffen had. Hij was even beleefd en complimenteus tegen haar alsof hij tot de schoonste en voornaamste dame sprak; want Alcide Mirobolant bracht op deze wijze hulde aan het gansche vrouwelijke geslacht en kende geen verschil van rang in het rijk der schoonheid, gelijk hij zich uitdrukte.
Den volgenden dag bracht een der adjudanten van den chef in een mandje eene crême met ananas-geur, eene kreeftensalade met mayonnaise-saus, die hij zich vleide, dat zijner kunst evenmin onwaardig was als haar, aan wie hij de eer had deze hulde te bieden, en eene doos met geconfijte zuidvruchten ten huize van de modemaakster, met een galant briefje aan de beminnelijke madame Fribsby. „Hare vriendelijkheid,” schreef Alcide, „was gelijk eene oase in de woestijn zijns levens; – hare lieftalligheid zou in zijn geheugen altijd afsteken tegen de grossièreté van de boersche ingezetenen, die niet waardig waren zulk een juweel te bezitten.” Op deze wijze ontstond er eene kennismaking van den vertrouwelijksten aard tusschen de modemaakster en den chef der keukens; maar ik weet niet of de vriendschapsbetuigingen van den jongen Alcide haar genoegen dan wel verdriet veroorzaakten, want hij bleef haar onveranderlijk la respectable Fribsbi, la vertueuse Fribsbi noemen en aanhoudend verklaren, dat hij haar als zijne moeder zou beschouwen, terwijl hij hoopte, dat zij hem als haar zoon zou behandelen. Ach, dacht Fribsby, het was toch zoo lang niet geleden, dat men haar, in dat lieve fransch, woorden toegesproken had, die van een geheel andere soort van genegenheid getuigden. En toen zuchtte zij en wierp een blik op het portret van haar karabinier. Want het is verbazend hoe jong het hart van sommige menschen nog blijft, als hun hoofd reeds behoefte heeft aan een pruikje of wat haarkleursel, – en op dit oogenblik gevoelde zich madame Fribsby, gelijk zij den jeugdigen Alcide verklaarde, zoo romanesk als een meisje van achttien.
Wanneer het gesprek deze wending nam – en zoodra zij goed bekend werden, deed madame Fribsby tamelijk veel moeite om het die wending te doen nemen – bracht Alcide altijd zeer beleefd een ander onderwerp op het tapijt: hij verkoos de goede modemaakster maar niet anders dan als eene moeder te beschouwen. Hij wilde haar in geene andere hoedanigheid erkennen en de vriendelijke jufvrouw was genoodzaakt zich met die verwantschap tevreden te stellen, toen zij ontdekte hoe diep de genegenheid van den kunstenaar elders geworteld was.
Het duurde niet lang, of hij beschreef haar het voorwerp en den oorsprong zijner liefde.
„Ik declareerde mij aan haar,” zeide Alcide met de hand op zijn hart, „op eene wijze, die, naar ik mij vlei, even nieuw als aangenaam was. Waar zou de liefde niet kunnen doordringen, achtenswaardige madame Fribsby? Cupido is de vader der uitvindingen! – Ik onderzocht bij de bedienden welke plats mademoiselle het liefst at, en richtte dienovereenkomstig mijne kleine batterij in. Op zekeren dag, toen hare ouders uit dineeren waren gegaan (en het grieft mij te moeten zeggen, dat een grossier diner bij een restaurateur op den boulevard, of in het Palais Royal, eene heerlijkheid voor die van fijnen smaak ontbloote personen scheen te zijn), onthaalde de bekoorlijke Miss eenige kameraadjes van de kostschool, en ik besloot een klein diner boven te zenden, dat voor zulke fijne jonge verhemelten geschikt was. Haar lieftallige naam is Blanche. De sluier der maagd is wit, en de krans van rozen, dien zij draagt, is eveneens wit. Ik nam mij voor, dat mijn diner zoo smetteloos als sneeuw zou zijn. Op het gewone uur zond ik, in plaats van den lompen gigot à l’eau, die doorgaans op hare al te eenvoudige tafel werd voorgediend, een kleine potage à la reine – ik noemde het à la reine Blanche – zoo blank als haar eigen kleur en toebereid met de geurigste room en amandelen. Daarna legde ik op haar altaar een filet de merlan à l’Agnes neder, en een keurigen schotel, dien ik éperlan à la Sainte-Thérèse betitelde, en waarvan mijne charmante Miss met genoegen gebruikte. Ik liet hierop twee kleine entrées van gebak met kip volgen, en het eenige bruine, dat ik mij op dit diner veroorloofde, was een klein lams-rôti, dat ik in een weiland van spinazie plaatste, omringd van croustillons, die lammetjes voorstelden, en opgeluisterd met madeliefjes en andere wilde bloemen. Daarop kwam mijn second service; een podding à la reine Elisabeth (die, zooals madame Fribsby weet, eene maagdelijke vorstin was), een schotel opaalgekleurde pluviereieren, dien ik nid de tourtereaux à la roucoule noemde en waar ik twee van die teedere vogeltjes in het midden geplaatst had, die zaten te trekkebekken, alles toebereid uit boter; een korfje kleine gateaux met abrikozen, waar, dit weet ik, alle jonge dames dol op zijn; en een maraskino-gelei, blank, betooverend, bedwelmend als de aanblik der schoonheid; dit noemde ik ambroisie de Calypso à la Souveraine de mon Coeur. En het ijs – een ijs van plombière en kersen – hoe denkt gij wel, dat ik dat gefatsoeneerd had, madame Fribsby? In den vorm van twee harten aan een pijl geregen, waarover ik, voordat het binnengebracht werd, een bruidssluier van geknipt papier had gelegd, en daarop een maagdenkrans van oranjebloesems. Ik stond aan de deur te wachten, om te zien welk een indruk deze entrée zou maken. Het was één uitroep van opgetogenheid! De drie jonge dames vulden hare glazen met de bruisende Aï en brachten een toast op mij uit. Ik hoorde Miss van mij spreken – ik hoorde haar roepen: „Zeg aan monsieur Mirobolant, dat wij hem laten bedanken – dat wij hem bewonderen – dat wij hem liefhebben!” Mijne knieën knikten toen zij sprak.
„Kan ik, na dat voorval, met eenigen grond twijfelen, dat de jonge artiste zekere vorderingen gemaakt heeft in het hart der Engelsche Miss? Ik ben nederig, maar mijn spiegel zegt mij, dat ik er niet onbevallig uitzie. Nog andere veroveringen hebben mij daarvan overtuigd.”
„Gevaarlijk mensch!” riep de modemaakster uit.
„De blonde misses van Albion zien in de sombere bewoners van haar nevelachtig eiland niets, dat in vergelijking kan komen met het vuur en de levendigheid der kinderen van het Zuiden. Wij brengen den zonneschijn met ons; wij zijn Franschen en gewoon aan veroveringen. Zoudt gij denken, dat ik zonder deze liefdesgeschiedenis, zonder mijn besluit om eene Anglaise te trouwen, op dit eiland blijven zou (dat niet ten eenemale ondenkbaar is, daar ik hier eene teedere moeder in de respectabele madame Fribsbi gevonden heb), op dit eiland en in die familie? Mijn genie zou verstompen in het gezelschap van die boeren; – die vleeschetende eilanders kunnen de poëzie mijner kunst niet begrijpen. Neen – de mannen zijn akelig, maar de vrouwen – de vrouwen, waarde Fribsbi, dat moet ik bekennen, zijn verleidelijk! Ik heb gezworen, dat ik er eene trouwen zou; en daar ik niet op uwe markten kan komen om er volgens landsgebruik eene te koopen, heb ik besloten mij naar een ander gebruik te voegen en er met eene naar Gretna Green te vluchten. De blonde Miss zal wel meegaan. Zij is betooverd. Hare blikken hebben mij daarvan overtuigd. De blanke duif wacht maar op een sein, om uit te vliegen.”
„Hebt gij ooit brieven met haar gewisseld?” vroeg Fribaby vol verbazing, niet wetende of de jonge dame dan wel de minnaar aan eene romaneske inbeelding leed.
„Ik correspondeer met haar door middel van mijne kunst. Zij gebruikt van de gerechten, die ik opzettelijk voor haar gereedmaak. Op die wijze geef ik haar duizend wenken, die zij, daar zij enkel geest is, ook zeer goed begrijpt. Maar ik moest andere hulp in hare nabijheid hebben.”
„Daar hebt ge Pincott, hare kamenier,” zeide madame Fribsby, die, of uit aanleg of uit ervaring, eenige kennis van minnarijen scheen te hebben; maar de groote artiste fronste de wenkbrauwen op die raadgeving.
„Madame,” gaf hij ten antwoord, „er zijn punten, waaromtrent een galant man zich zelven het stilzwijgen moet opleggen; ofschoon hij, indien hij het geheim verraadt, dit nog op de minst onvoegzame wijze aan zijne beste vriendin, aan zijne pleegmoeder doet. Weet dan, dat er eene reden bestaat waarom Miss Pincott mij vijandig is, – eene reden, niet ongewoon bij uwe sekse: – de jaloezie.”
„Trouwelooze verrader, die gij zijt!” riep de confidante.
„Ach neen,” hernam de kunstenaar met eene diepe basstem en een tragischen toon, die de Porte Saint Martin en hare geliefkoosde melodrama’s waardig was: „niet trouweloos, maar noodlottig. Ja, ik ben een noodlottig mensch, madame Fribsbi. Het is mijn lot, hopelooze liefde in te boezemen. Het is mijne schuld niet, dat de vrouwen mij beminnen. Kan ik het helpen, dat die jonge vrouw bij den dag vermagert en wegkwijnt, omdat zij verteerd wordt door eene liefdevlam, die ik niet kan beantwoorden? Hoor eens! Er zijn nog anderen in die familie, die in dezelfde ongelukkige omstandigheden verkeeren. De gouvernante van den jongen Milor heeft mij op mijne wandelingen ontmoet en mij aangezien op eene wijze, die slechts voor ééne uitlegging vatbaar is. En Milady zelve, die reeds van rijpen leeftijd is, maar oostersch bloed in de aderen heeft, heeft een paar malen complimenten aan den eenzamen artiste gericht, waarin men zich niet vergissen kan. Ik vermijd de leden van het huisgezin; ik zoek de afzondering en ik onderwerp mij aan mijn lot. Ik kan er maar ééne trouwen en heb besloten, dat het eene dame van uwe natie zal zijn. En ik geloof, dat juist Miss mij het best zou passen, indien haar fortuin voldoende is. Ik zou wel wenschen te weten wat zij bezit, alvorens ik haar naar Gretna Green voer.”
Wij moeten aan het oordeel van den lezer overlaten of Alcide een even onweerstaanbaar veroveraar als zijn naamgenoot, dan wel eenvoudig stapelgek was. Doch indien de lezer het geluk heeft gehad vele Franschen te leeren kennen, heeft hij misschien wel mannen onder hen aangetroffen, die zich als even onverwinnelijk beschouwden en, indien men hen gelooven wilde, evenvele veroveringen op de harten van les Anglaises hadden gemaakt.
VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
HANDELT ZOOWEL OVER LIEFDE ALS OVER JALOEZIE.
Onze lezers zijn reeds bekend gemaakt met Sir Francis Clavering’s rondborstige meening over de dame, die hem haar fortuin geschonken en de middelen verschaft had om in zijn vaderland en in de voorvaderlijke woning terug te keeren, en het is maar al te waar, dat de baronet zich niet geheel vergiste in zijn oordeel over zijne echtgenoote en dat Lady Clavering niet tot de verstandigste of best opgevoede vrouwen behoorde. Zij had gedurende een paar jaren eene Europeesche opleiding genoten in de voorstad Hackney te Londen, die zij tot haar laatsten levensdag ’Ackney bleef noemen, en van daar had haar vader haar op vijftienjarigen leeftijd naar Calcutta terug ontboden. Op die terugreis aan boord van den Oostindievaarder Ramchunder, kapitein Bragg, met welk schip zij twee jaar te voren naar Europa gekomen was, maakte zij kennis met mijnheer Amory, haar eersten man, die op dat vaartuig den post van derden stuurman bekleedde.
Wij zullen niet in de bijzonderheden van dat vroegere leven van Lady Clavering treden; maar kapitein Bragg, onder wiens opzicht jufvrouw Snell naar haar vader terugreisde – die een der patroons van den kapitein en aandeelhouder in den Ramchunder en vele andere schepen was, – zag zich genoodzaakt zijn oproerigen stuurman in de boeien te doen slaan en hem vervolgens aan de Kaap achter te laten, en leverde eindelijk het meisje aan haar vader te Calcutta uit, na eene stormachtige en noodlottige reis, waarbij de Ramchunder met zijne lading en passagiers groot gevaar liep en veel schade leed.
Eenige maanden daarna verscheen Amory, die vóór den mast van de Kaap gekomen was, weer te Calcutta, trouwde de dochter van den rijken procureur tegen wil en dank van dien ouden duitendief, vestigde zich als indigoplanter en ging failliet, beproefde zijn geluk als handelsagent en ging andermaal failliet, werd redacteur van den Sunderbund Pilot en ging ten derden male failliet, gedurende al welke ondernemingen en tegenspoeden hij aanhoudend met zijn schoonvader en zijne vrouw overhoop lag, en besloot eindelijk zijne loopbaan met zeker opzienbarend geval, dat hem verplichtte Calcutta te verlaten en naar de straf koloniën van Nieuw Zuid-Wallis te reizen. Het was in deze rampspoedige omstandigheden, dat mijnheer Amory waarschijnlijk Sir Jasper Rogers, den hooggeschatten president van het hoog gerechtshof te Calcutta, leerde kennen; en, als wij de waarheid moeten zeggen, was het ten gevolge van het ongepast gebruik van den naam van zijn schoonvader, die heel goed kon schrijven en geen hulp noodig had, dat de Fortuin mijnheer Amory voorgoed in den steek liet en hem noodzaakte allen verderen strijd met haar op te geven.
Daar het Europeesche publiek de gerechtelijke verslagen uit Calcutta niet zeer trouw leest, kende het die gebeurtenissen niet zoo goed als de ingezetenen van Bengalen, en vermits mevrouw Amory en haar vader het verblijf in Indië niet meer zeer aangenaam vonden, werd er bepaald, dat de dame naar Europa zou terugkeeren, met haar dochtertje Betsy, of Blanche, toenmaals vier jaar oud. Zij werden vergezeld door Betsy’s min, die wij in het voorgaande hoofdstuk aan den lezer voorgesteld hebben als jufvrouw Bonner, Lady Clavering’s vertrouwde kamenier, en kapitein Bragg nam voor de vrouwen een huis in de nabijheid zijner eigene woning in Pocklington Street.
Het was een zeer ongunstige zomer en een tijdlang na mevrouw Amory’s aankomst stortregende het dag aan dag. Bragg gedroeg zich zeer hoog en onaangenaam; misschien schaamde hij zich om de Indische dame aan haar lot over te laten en wellicht wenschte hij van haar af te zijn. Zij geloofde, dat iedereen te Londen over de schande van haar man sprak en dat de koning, de koningin en de directeuren der Oost-Indische Compagnie hare ongelukkige geschiedenis kenden. Zij genoot een ruim jaargeld van haar vader en er bestond geen reden waarom zij in Engeland zou blijven wonen, zoodat zij besloot buitenslands te gaan. Zij vertrok derhalve, blijde aldus aan het benauwende toezicht van dien akeligen bullebak, kapitein Bragg, te kunnen ontsnappen. Niemand maakte bedenking, in de steden van het vasteland waar zij stilhield en in de onderscheidene kosthuizen waar zij flink betaalde, om haar te ontvangen. Wel is waar noemde zij Hackney altijd ’Ackney (ofschoon zij anders het Engelsch met een licht buitenlandsch accent uitsprak, dat zeer aardig en niet onaangenaam was), kleedde zij zich opzichtig, trok zij de aandacht door haar eet- en drinklust, en maakte curries en pillaus gereed in elk kosthuis waar zij vertoefde; doch hare eigenaardigheden in spreken en doen gaven juist iets ongemeens aan haar omgang en mevrouw Amory was dus te recht populair. Zij was de goedhartigste, opgeruimdste en edelmoedigste vrouw, die men zien kon. Dadelijk was zij voor elk partijtje gereed, wie het ook had voorgesteld, en bij de „picnics” bracht zij driemaal meer champagne, gevogelte en ham mee, dan iemand anders. Zij nam tallooze plaatsen voor den schouwburg en biljetten voor de gemaskerde bals, en gaf die aan iedereen weg. Zij betaalde de houders der kosthuizen maanden vooruit, en hielp arme, kale dandies met prachtige knevels en douairières, wier remises maar niet aankwamen, aanhoudend met hare beurs. In dier voege reisde zij Europa door en vertoonde zij zich te Brussel, te Parijs, te Milaan, te Napels, te Rome, naarmate hare luim zulks ingaf. Zij ontving de tijding van Amory’s overlijden in laatstgenoemde stad, waar kapitein Clavering op dat oogenblik ook vertoefde, buiten machte om de rekening in zijn logement te betalen, gelijk ook het geval was met zijn vriend, den chevalier Strong; en de goedhartige weduwe trouwde den afstammeling van het oude geslacht der Clavering’s, zonder veel verdriet over het verlies van haar schavuit van een man aan den dag te leggen. Aldus hebben wij hare geschiedenis geschetst tot op het tegenwoordige oogenblik nu zij de meesteres van Clavering Park was, onder welks geboomte de beroemde schilder Pinkney haar heeft afgebeeld met haar zoontje aan hare zijde.
Juffie vergezelde mama op de meeste harer omzwervingen en kreeg aldus heel wat van de wereld te zien. Een tijdlang had zij eene gouvernante en na het hertrouwen van hare moeder genoot zij het voorrecht van eene opleiding op madame de Caramel’s voorname kostschool in de Champs Elysées. Toen de Clavering’s naar Engeland overkwamen, kwam zij natuurlijk mede. Eerst eenige jaren na den dood van haar grootvader en de geboorte van haar broertje begon zij te bemerken, dat hare positie in het leven veranderd was en dat jufvrouw Amory, de dochter van een onaanzienlijk man, een zeer onbeduidend personage in huis was, in vergelijking met den jongen heer Francis Clavering, den erfgenaam van een ouden baronetstitel en een aanzienlijk landgoed. Ware de kleine Frans er niet geweest, zij zou eene erfdochter geweest zijn in weerwil van den stand van haar vader; en ofschoon zij niet veel verstand had van geld en er zich ook niet veel om bekommerde, omdat zij er nooit gebrek aan had gehad, en hoewel zij eene romaneske kleine muze was, gelijk wij gezien hebben, zoo kon men toch in redelijkheid niet verwachten, dat zij jegens de personen, die zooveel hadden toegebracht om haar te benadeelen, dankbaarheid zou koesteren; zij wist zelfs niet eens nauwkeurig wat haar ware toestand was, voordat zij wat verder gekomen was en eene juistere kennis van de wereld had verkregen.
Doch zooveel was duidelijk, dat haar stiefvader suf was en zwak van karakter; dat mama de h’s wegliet waar zij behoorden, en niet fatsoenlijk in manieren en voorkomen kon heeten; en dat de kleine Frans een bedorven, ondeugende bengel was, die altijd zijn zin moest hebben, haar altijd in den weg zat, altijd zijn eten op haar kleedje morste en haar van haar erfdeel beroofde. Zij was overtuigd, dat geen van die allen haar begreep; en haar eenzaam hart haakte dus naar andere banden en zocht iemand, dien zij met de kostbare gave van hare onverdeelde genegenheid kon gelukkig maken.
Het lieve meisje was dus zoo aangenaam in huis uit gebrek aan sympathie, of om andere redenen, en maakte hare moeder zoo zenuwachtig en ergerde haar stiefvader zoo zeer, dat allen even sterk wenschten als zij zelve, dat zij maar trouwen zou. Vandaar de wensch, dien Sir Francis Clavering in het vorige hoofdstuk aan zijn vriend ontboezemde, dat mevrouw Strong sterven mocht en dat de chevalier dan Blanche tot zijne tweede echtgenoote zou nemen.
Daar dit echter niet gebeuren kon, zou men haar gaarne aan ieder ander gegund hebben; en een knap jonkman van een goed uiterlijk en eene goede opvoeding, zooals onze vriend Arthur Pendennis, had haar vrij mogen vragen, indien hij er lust toe had gevoeld, en zou door Lady Clavering met open armen als schoonzoon zijn ontvangen, wanneer hij moed genoeg had bezeten om naar jufvrouw Amory’s hand te staan.
Behalve andere gebreken evenwel, die Pen bezat, verkoos hij ook eene groote nederigheid ten opzichte van zich zelven te gevoelen. Hij was beschaamd over het mislukken zijner plannen in den laatsten tijd, over zijn lui en nutteloos leven, over de armoede, waarin hij zijne moeder door zijne dwaze streken gestort had, en onder dat weifelen en die bedeesdheid school evenveel ijdelheid als berouw. Hoe kon hij ooit op zulk een hoogste lot uit de loterij als de schitterende Blanche Amory hopen, die op een prachtig park en kasteel woonde en door een dozijn kerels als boomen, in livrei, bediend werd, terwijl op Fairoaks een dienstmeisje het sober maal binnenbracht en zijne moeder verplicht was uit te zuinigen en te berekenen om rond te komen? Hij zag hinderpalen, die van zelf zouden verdwenen zijn indien hij er dapper op ware losgegaan, voor onoverkomelijk aan en wilde liever wanhopen, of zijne wenschen bedwingen (die hij zich echter misschien nog niet duidelijk had voorgesteld), dan te trachten het doelwit zijner begeerte manmoedig te veroveren. Menig jonkman, die het maar voor het vragen zou hebben, mist zijn doel door die soort van ijdelheid, die men bedeesdheid noemt.
Wij willen daarmede echter niet zeggen, dat Pen hiervan tot nog toe een helder bewustzijn had, of dat hij veel meer deed dan zich voor te nemen verliefd te worden. Jufvrouw Amory was een bekoorlijk en levendig meisje, dat hem door duizenderlei kunstgreepjes of natuurlijke bevalligheden en vleierijen betooverde en streelde. Maar er waren, buiten bedeesdheid en ijdelheid, verborgen redenen, die hem terughielden. Pen’s moeder had het meisje, in weerwil van hare talenten en betuigingen en bekoorlijkheden, doorzien en vertrouwde haar niet. Mevrouw Pendennis zag, dat Blanche lichtvaardig en grillig was, en ontdekte in haar vele gebreken, die bij de reine en godsdienstige vrouw afkeuring verwekten; onder anderen een gemis van eerbied voor hare ouders en, gelijk Helena meende, voor nog veel heiliger zaken, kortom wereldzin en zelfzucht, onder mooie woorden en lieve uitdrukkingen vermomd. In den beginne bestreden Laura en Pen de weduwe met vuur, want Laura was voor het oogenblik nog vol geestdrift voor hare nieuwe vriendin, en Pen was nog niet verliefd genoeg om eenige poging te doen om zijne ware gevoelens te verbergen. Hij lachte om Helena’s bedenkingen en zeide: „Bah! moeder, gij zijt jaloersch op Blanche – alle vrouwen zijn jaloersch!”
Maar toen Helena binnen een paar maanden, terwijl zij het paar met die angstvalligheid gadesloeg, waarmee bezorgde moeders nagaan aan wie hare zonen hunne liefde wijden (en waarbij ik het voor zeker houd, dat de moeder eene sexueele jaloezie en een heimelijk hartzeer ondervindt) – toen Helena, zeg ik, zag, dat de kennismaking inniger werd en de beide jongelieden aanhoudend voorwendsels wisten te vinden om elkander te ontmoeten en dat jufvrouw Blanche elken dag op Fairoaks, of mijnheer Pen op het Huis was, toen begon de moed der arme weduwe te verflauwen, want haar geliefkoosd plan scheen in damp te vervliegen; zoodat zij op zekeren dag aan haar gevoel toegaf en ronduit aan verklaarde, wat hare bedoeling en hoop was geweest; dat zij gevoelde, dat zij zelve verminderde en niet lang meer op deze wereld zou verwijlen, en dat zij dus hoopte en bad, dat zij vóór haar verscheiden hare beide kinderen vereenigd mocht zien. De voorvallen van den laatsten tijd, Pen’s leven en zijne vroegere liefde voor de actrice hadden den moed dezer teedere vrouw neergedrukt. Zij gevoelde, dat hij haar ontsnapt was en niet meer tot het ouderlijk nest behoorde, en daarom klemde zij zich met eenige wanhopige hartelijkheid aan Laura, aan die Laura, welke haar door Francis in den hemel nagelaten was.
Pen gaf haar een kus en stelde haar op zijne voorname en beschermende wijze gerust. Hij had er wel iets van gemerkt; hij had al sinds lang vermoed, dat zijne moeder dit huwelijk tot stand wilde brengen. Wist Laura er iets van? (Neen, antwoordde mevrouw Pendennis; voor geen geld ter wereld zou zij er een woord van tegen Laura gerept hebben). Nu, nu, men had er nog den tijd mee; zijne moeder zou zoo gauw niet sterven, zeide Pendennis lachend; daarvan wilde hij niets weten; en wat de muze betrof, die was eene veel te groote dame om aan een zoo onbeduidend persoon als hij was, te denken; en Laura – wie wist of zij hem wel wilde hebben! „Natuurlijk zal zij alles doen wat gij haar voorschrijft,” sprak hij. „Maar ben ik haar waardig?”
„O Pen, dat zoudt gij kunnen zijn,” antwoordde de weduwe. Om de waarheid te zeggen, had Pen daaraan nooit getwijfeld; een gevoel van onbeschrijfelijke opgetogenheid en zelfbehagen beving hem, toen hij over het voorstel nadacht en zich Laura voor den geest riep, gelijk hij zich haar van jaren herwaarts herinnerde, altijd rond en eerlijk, vriendelijk en vroom, opgeruimd, teeder en trouw. Zijn blik helderde op, toen hij haar, aan het einde van het grasperk, uit den tuin zag binnenkomen met tamelijk roode wangen, een open en lachenden blik en een mandje rozen in de hand.
Zij nam er de mooiste van en bracht ze aan mevrouw Pendennis, die zich verkwikte aan geur en kleur van die bloem, en het meisje omhelsde haar hartelijk en gaf haar de roos over.
„En dien schat heb ik maar voor het vragen!” dacht Pendennis, met een gevoel van triomf, terwijl hij zijn blik op het lieve meisje liet rusten. „Zij is even schoon en liefelijk als hare rozen.” Het tafereel van die beide vrouwen bleef voor altijd in zijne ziel geprent en nooit kon hij het zich voor den geest roepen, zonder dat hem de tranen in de oogen kwamen.
Voordat Laura nog heel lang op vertrouwelijken voet met hare nieuwe vriendin verkeerd had, was zij verplicht in te stemmen met Helena’s oordeel, dat de muze zelfzuchtig, hardvochtig en onbestendig was. Natuurlijk nam Blanche hare boezemvriendin in het geheim van al hare kleine grieven en huiselijke onaangenaamheden; zij vertelde haar, dat niemand van het gezin haar kon begrijpen en dat zij dus te midden van die allen alleen stond; dat hare arme mama eene slechte opvoeding genoten had, zoodat zij over hare misslagen moest blozen; dat Sir Francis zwak en jammerlijk dom was en zich alleen op zijn gemak gevoelde als hij zijne akelige sigaren rookte; dat zij, na de geboorte van haar broertje, opgemerkt had, dat hare moeder hare hooggeschatte genegenheid, die zij op hooger prijs stelde dan iets anders op aarde, aan hare eenmaal zoo geliefde dochter onttrokken had; en dat zij nu alleen, alleen, alleen op de wereld stond.
Maar hoe ernstig en hartverscheurend deze smarten mochten zijn voor eene jonge dame met een overdreven gevoelig gestel, overtuigden zij Laura niet, dat Blanche zich in vele kleine omstandigheden des levens naar behooren gedroeg. Het kon bij voorbeeld zeer waar zijn, dat de kleine Frans heel ondeugend was en Blanche van de genegenheid harer mama beroofd had; maar dit was voor Blanche geen reden om het kind om de ooren te slaan, omdat het een glas water over hare teekening had gestort, en om het in het Engelsch en Fransch uit te schelden; en de voorkeur, die den kleinen Frans betoond werd, gaf haar geen recht om een vorstelijken toon van gezag tegenover de gouvernante van het kind aan te nemen en die jonge dame door het gansche huis heen te zenden om haar een boek te brengen, of om haar zakdoek te halen. Laura was altijd erkentelijk en vriendelijk als een bediende eene boodschap voor haar gedaan had; maar zij merkte op, dat de kleine muze niet het minste bezwaar maakte hare bevelen uit te deelen aan allen, die haar omringden, en ieders gemak aan het hare op te offeren. Het was Laura’s eerste ondervinding in de vriendschap, en het smartte het lieve meisje, dat zij de bekoorlijkheden en schitterende hoedanigheden, waarmede hare verbeelding hare nieuwe vriendin had toegerust, één voor één als ijdele droombeelden moest laten varen, en dat zij bevinden moest, dat de betooverende kleine fee slechts eene stervelinge en, alles bijeen genomen, geen heel beminnelijke stervelinge was. Zou er wel iemand van edele inborst zijn, die in zijn tijd niet op dezelfde wijze te leur gesteld is? en zou er wel iemand bestaan, die niet op zijne beurt anderen aldus te leur gesteld heeft?
Toen de kleine Frans, die weerspannige zoon en erfgenaam van het huis Clavering, de complimenten in het Fransch en Engelsch en den oorveeg van zijne zuster ontving, kon Laura, die een humoristischen geest bezat, niet nalaten zich de roerende en teere verzen te herinneren, die de muze haar uit Mes Larmes voorgelezen had, aldus beginnende: „Slaap zacht, mijn aardig broertje, Door de englenschaar bewaakt,” en waarin de muze, na den zuigeling over den voornamen rang, dien hij in de wereld bekleeden zou, gecomplimenteerd en dien met haar eigen verlaten toestand vergeleken te hebben, desniettemin verzekerde, dat het engelachtige knaapje nooit grooter genegenheid dan de hare, en in de valsche wereld, die voor hem lag, nimmer iets standvastigers en teerders zou leeren kennen dan het zusterhart. „Wellicht,” vervolgde de verlatene, – „wellicht zult gij ’t versmaden, Mijn cherubijntje zoet! Maar jaagt gij me uit uw boezem, Dan klem ik me aan uw voet! O laat mij u beminnen, Want eens vindt gij, met rouw, De wereld valsch en trouwloos, Maar ik blijf immer trouw!” En kijk, daar diende de muze nu oorvegen aan haar cherubijntje van een broertje toe, in plaats van aan zijne voeten te knielen, en gaf zij aan jufvrouw Laura hare eerste les in de cynische wijsbegeerte (hoewel niet de allereerste). Iets wat op deze zelfzucht en eigenzinnigheid, op dit contrast tusschen practijk en poëzie, tusschen hoogdravende dichterlijke ontboezemingen en het dagelijksche leven geleek, had zij thuis in den persoon van onzen jeugdigen vriend Pen bijgewoond.
Maar met Pen was het toch een ander geval. Pen was een man, en het scheen dus wel natuurlijk, dat hij koppig zou zijn en altijd zijn eigen zin wilde volgen. En onder zijne weerbarstigheid en zelfzucht schuilde inderdaad een welwillend en edelmoedig hart. Zulk een diamant tegen zulk een valschen steen als die andere te verruilen, was hard. Om kort te gaan, Laura begon genoeg te krijgen van hare bewonderde Blanche. Zij had haar op den toetssteen gebracht en haar onecht bevonden; en hare vroegere bewondering en opgetogenheid, die zij op hare gewone eenvoudige wijze had te kennen gegeven, maakte plaats voor een gevoel, dat geen verachting was, maar er zeer na aan grensde, ten gevolge waarvan Laura een ernstigen en bedaarden toon van meerderheid jegens jufvrouw Amory aannam, die aanvankelijk volstrekt niet naar den smaak der muze was. Niemand wil gaarne betrapt worden, of, na eene hooge plaats te hebben ingenomen, daarvan afdalen.
De overtuiging, dat dit haar boven het hoofd hing, strekte niet om jufvrouw Blanche’s goede luim te vermeerderen, en daar zij er kregelig en met zich zelve ontevreden door werd, maakte het haar nog onaangenamer voor hare omgeving. Zoo kwam het dan op zekeren dag tot een geregelden veldslag tusschen de liefste Blanche en de liefste Laura, waarin beider vriendschap bijna geheel vernietigd werd. De liefste Blanche had zich dien dag buitengemeen grillig en netelig betoond. Zij was tegen hare moeder onbeleefd geweest, tegen den kleinen Frans woest, tegen de gouvernante van den knaap alleronbeschaamdst en tegen hare kamenier Pincott onuitstaanbaar hardvochtig. Daar zij het niet waagde hare vriendin aan te tasten (want de kleine dwingeland bezat eene omzichtige kattennatuur en sloeg hare klauwen alleen in degenen, die zwakker waren dan zij), mishandelde zij die allen en inzonderheid de arme Pincott, die dienstbode, vertrouwelinge of gezelschapsjufvrouw (maar altijd slavin) was, naar gelang van de luimen harer jonge meesteres.
Toen dit meisje, dat bij de jonge dames in de kamer gezeten had, door de wreede bejegeningen harer meesteres schreiend de deur uitgedreven en nog door een bijtend gezegde achtervolgd was, kon Laura zich niet meer stilhouden, maar barstte in eene luide en verontwaardigde ontboezeming uit; zij gaf hare verwondering te kennen, dat iemand, nog zoo jong, zoozeer den eerbied vergeten kon, die zij zoowel aan hare meerderen in jaren als aan hare minderen in stand verschuldigd was, en dat zij, terwijl zij zelve zulk eene fijngevoeligheid voorwendde, de gevoelens van anderen zoo pijnlijk folteren kon. Laura verklaarde het gedrag van hare vriendin voor goddeloos, en riep uit, dat zij den hemel wel op hare knieën om vergiffenis mocht smeeken. Na met eene warmte en drift zich op die wijze ontboezemd te hebben, waarover zij zelve bijna evenzeer verwonderd stond als hare toehoorderes, nam zij hoed en doek, en ging in groote haast en ontroering door het park naar huis, tot verbazing van mevrouw Pendennis, die haar niet vóór den avond had terug verwacht.
Laura gaf aan Helena verslag van het voorgevallene en deed voor het vervolg afstand van hare vriendin. „O mama, gij hebt wel gelijk gehad,” sprak zij; „Blanche, die zoo zacht en vriendelijk schijnt, is zelfzuchtig en hardvochtig, zooals gij gezegd hebt. Al spreekt zij altijd van aandoeningen, zij kan geen hart hebben. Geen braaf meisje zou hare moeder zóó bedroeven, of eene dienstbode zóó kwellen; en – en ik zie van haar af, en ik wil geen andere vriendin dan u!”
Daarop hielden de beide dames de kus-oefening, die tusschen haar gebruikelijk was, en mevrouw Pendennis putte heimelijk een grooten troost uit dien twist, daar Laura’s verslag scheen te zeggen: „Dat meisje kan nooit eene vrouw voor Pen zijn, want zij is lichtvaardig en zonder hart, – onzen edelen held ten eenemale onwaardig. Hij zal dat zelf wel ontdekken, en dan tegen dat wufte schepseltje gewaarborgd zijn en uit zijn droom ontwaken.”
Doch mejufvrouw Laura vertelde niet aan mevrouw Pendennis, en wilde het misschien ook zich zelve niet bekennen, wat de eigenlijke oorzaak der oneenigheid was geweest. De kleine ondeugende muze van een Blanche verkeerde in een zeer slecht humeur en had allerlei kwaad in den zin, zoodat zij al zeer vroeg met hare kuren begon. Haar engel van een Laura was den dag bij haar komen doorbrengen, en zoodra zij bij elkander zaten, had Blanche goedgevonden het gesprek op mijnheer Pen te brengen.
„Ik geloof, dat hij erg wispelturig is,” had zij gezegd. „Jufvrouw Pybus, en vele anderen uit Clavering, hebben ons alles aangaande die actrice verteld.”
„Ik was nog een kind toen dat voorviel en weet er niets van,” antwoordde Laura met een hoogen blos.
„Hij heeft haar zeer slecht behandeld,” zeide Blanche, haar hoofdje schuddende. „Hij is haar ontrouw geworden.”
„Dat is hij niet!” riep Laura uit. „Hij heeft haar zoo eerlijk behandeld als men maar wenschen kan en alles willen opofferen om haar te trouwen. Zij is hem ontrouw geweest. Het heeft hem het hart bijna gebroken; hij ....”
„Ik dacht, dat gij niets van het gebeurde wist, liefje?” voegde jufvrouw Blanche er tusschen.
„Mama heeft het mij verteld,” antwoordde Laura.
„Nu, hij is heel knap,” hernam de andere lieveling. „Wat maakt hij lieve verzen! Hebt gij er ooit van hem gelezen?”
„Niets anders dan de Visscher en de Duiker, dat hij voor ons vertaald heeft, en zijn prijsvers, dat den prijs niet kreeg; en ik moet ook bekennen, dat ik het zeer hoogdravend en prozaïsch vind,” voegde Laura er lachend bij.
„Heeft hij dan nooit verzen aan u geschreven, lieve?” vroeg jufvrouw Amory.
„Neen, beste,” antwoordde jufvrouw Bell.
Op die woorden liep Blanche naar hare vriendin toe, kuste haar hartelijk, noemde haar minstens driemaal „mijn engel van een Laura,” keek haar schalks aan, knikte eens en zeide: „Als gij mij beloven wilt het aan nie-ie-mand te vertellen, zal ik u iets laten zien.”
En daarop de kamer doortrippelende, opende zij met een zilveren sleutel een met parelmoer ingelegd lessenaartje, en nam er een paar verkreukte en met iets groens bevlekte papieren uit, die zij aan hare vriendin ter hand stelde. Laura nam ze aan en las ze. Het waren zonder tegenspraak minneliederen, – iets over eene Ondine, – over eene Najade, – over eene rivier. Laura keek er een tijdlang in, maar, om de waarheid te zeggen, waren de regels niet zeer duidelijk voor hare oogen.
„En hebt gij ze beantwoord, Blanche?” vroeg zij, de papieren teruggevende.
„O neen! om alles ter wereld niet, liefje,” zeide Blanche, en toen Laura geheel klaar was met de verzen, trippelde zij terug en borg ze weer in het mooie lessenaartje.
Vervolgens ging zij naar hare piano en zong een paar liederen van Rossini, wiens muziek haar buigzaam stemmetje onverbeterlijk kon uitvoeren, en Laura zat er afgetrokken naar te luisteren. Waaraan dacht jufvrouw Bell onderwijl? Zij wist het ternauwernood zelve, maar zat stil neder terwijl de liederen voortgalmden. Na dit concert werden de jonge dames geroepen om het tweede ontbijt te gebruiken, en natuurlijk met den arm om elkanders middel geslagen, gingen zij naar beneden.
Jaloezie of boosheid kon het niet geweest zijn, dat Laura stil maakte; want toen zij den gang door- en de trap afgegaan waren en de zaaldeur openden, stond Laura stil, zag hare vriendin teer en oprecht in het gelaat en gaf haar met zusterlijke warmte een kus.
Maar daarna moet er iets gebeurd zijn – denkelijk kleine Frans manier van eten, of mama’s taalfouten, of Sir Francis’ tabakslucht – dat jufvrouw Blanche ergerde en haar die ondeugende streken deed bedrijven, die wij hierboven opnoemden, en welke den reeds beschreven twist uitlokten.
ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
EEN HUIS VOL GASTEN.
De oneenigheid tusschen de meisjes duurde niet lang. Laura was altijd te zeer gezind om te vergeven en zich te laten vergeven, en jufvrouw Blanche’s boosheid, die nooit zeer langdurig of blijvend was, werd niet opgewekt door het tooneel, dat wij geschilderd hebben. Niemand trekt het zich aan, dat hij van verdorvenheid beschuldigd wordt; die aantijging kwetst niemands ijdelheid. Blanche was eerder gestreeld dan geërgerd door de verontwaardiging van hare vriendin, die nooit zou losgebroken zijn zonder de reden, die beiden wel wisten, schoon geen van beiden er van sprak.
Laura moest dus met een zucht bekennen, dat het romantische gedeelte van hare eerste vriendschap afgeloopen was, en dat het voorwerp dier vriendschap op niet meer dan eene zeer alledaagsche soort van achting aanspraak kon maken.
Blanche, van haar kant, schreef dadelijk een roerend gedicht, waarin zij schetste hoe men haar verlaten had en hoe haar de oogen waren opengegaan. Het was niets dan de oude geschiedenis van liefde, die met koelheid, en trouw, die met ontrouw beloond wordt; en daar juist omstreeks dezen tijd eenige familiën uit Londen, die dochters hadden zich in den omtrek kwamen vestigen, had jufvrouw Amory de gelegenheid, om voor eeuwig eene vriendin onder deze jonge dames te kiezen en hare smarten en teleurstellingen aan die nieuwe vertrouwde mee te deelen. De lange lakeien brachten nu zelden briefjes aan de lieve Laura, en de hittenwagen werd slechts enkel naar Fairoaks gezonden ten behoeve van de dames aldaar. Blanche nam, toen Laura haar kwam bezoeken, een voorkomen van onderworpen lijden aan. Laura lachte over de sentimenteele buien van hare vriendin en behandelde die met eene luchtigheid, die volstrekt niet eerbiedig was.
Maar zoo jufvrouw Blanche nieuwe vriendinnen vond om haar te troosten, rust op den waarheidlievenden geschiedschrijver ook de plicht om te verklaren, dat zij kennissen van het andere geslacht ontdekte, die haar ook heel wat troost schenen te schenken. Waar dit argelooze schepseltje een jonkman ontmoette en een onderhoud van tien minuten met hem in den tuin, aan het venster der gezelschapszaal, of in de tusschenpoozen van eene wals had, schonk zij hem haar vertrouwen, liet zij hare mooie oogen spelen, sprak hem op een toon van teedere belangstelling eenvoudig en roerend toe – en liet hem staan, om dat zelfde aardige dramaatje ten genoegen van zijn opvolger te spelen.
In den eersten tijd nadat de Clavering’s op het park gekomen waren, deden zich voor jufvrouw Blanche weinige gelegenheden op om hare kunsten te vertoonen, zoodat Pen uitsluitend begunstigd werd met hare lonkjes en vertrouwde mededeelingen, en het onderhoud aan het venster, of de wandeling in den tuin met niemand behoefde te deelen. In het stadje Clavering, gelijk wij reeds gezegd hebben, waren in het geheel geen jonge heeren, en in de geheele omstreek slechts een paar hulppredikers of een boersche landjonker met groote voeten en slecht gemaakte kleederen. De baronet richtte geen uitnoodigingen tot de dragonders, die te Chatteries in garnizoen lagen, want het was ongelukkig zijn eigen regiment; toen hij het verliet, stond hij op slechten voet met sommige officieren van het corps; er liepen leelijke geruchten over het verkoopen van een paard, over eene betwiste speelschuld, over hazard-spel, over het weigeren van een duel; maar wat behoeven wij ons daarin te verdiepen? wij zijn niet geroepen om te veel in het vroegere leven onzer personages door te dringen, tenzij zulke tot opheldering der onderhavige geschiedenis noodig mocht zijn.
Maar in het najaar, toen de zitting van het parlement en het Londensche seizoen geëindigd was, kwamen een paar der voorname plattelands familiën op hare buitenplaatsen terug. Dit jaargetijde deed het naburige badplaatsje Baymouth tamelijk vol loopen, den koninklijken schouwburg van onzen vriend Bingley te Chatteries openen, en het gewone gezelschap op de bals bij het houden der assises en der wedrennen bijeenkomen. Tot dusverre hadden de oude familiën van het graafschap zich op een afstand van onze vrienden op Clavering Park gehouden, zooals de Fogy’s van Drummington, de Square’s van Tozely Park, de Welbore’s van de Barrow, enz. Er liepen in die kringen allerlei praatjes over de familie te Clavering. Niemand, die hen over hunne buren had hooren spreken, zou hebben kunnen volhouden, dat de menschen op het platteland geen verbeeldingskracht bezitten. Er liepen ontelbare vertelseltjes, die wij hier niet behoeven te herhalen, over Sir Francis en zijne vrouw, en hare afkomst en familie; over jufvrouw Amory en over kapitein Strong; zoodat de familie van het Park drie maanden in het graafschap gewoond had, alvorens de groote lui bezoeken kwamen afleggen.
Maar toen de graaf van Trehawk, lord-stadhouder van het graafschap, op het einde van het seizoen naar het kasteel Eyrie gekomen was en de gravin-douairière van Rockminster, wier zoon ook tot de aanzienlijken des lands behoorde, een huis op de Marine Parade te Baymouth betrokken had, brachten die voorname lui dadelijk en in staatsie een bezoek aan de familie op Clavering Park; en nu volgden de rijtuigen der overige familiën van het graafschap spoedig in het spoor, door de hoogadellijke wielen nagelaten.
Toen eerst begon Mirobolant gelegenheid te krijgen om zijne kunst ten toon te spreiden en onder dien arbeid de kwellingen der liefde te vergeten. Toen was het, dat de lange lakeien het te druk hadden op Clavering Park om boodschappen over te brengen of een glas dun bier met de arme dienstmeisjes op Fairoaks te ledigen. Toen was het, dat Blanche andere boezemvriendinnen dan Laura vond, en andere wandelplaatsen dan den oever der rivier, waar Pen zat te visschen. Hij kwam den eenen dag na den anderen; maar de visch wilde niet bijten en de Nimf niet verschijnen. En hier mogen wij wel een woordje zeggen over zekere kiesche zaak, waarop wij reeds vroeger gezinspeeld hebben; maar onder de roos, en met verzoek om het niet verder te vertellen. Wij hebben vroeger al gesproken van zekeren hollen boom, bij welken Pen zich plaatste toen hij nog dol was op jufvrouw Fotheringay, en in welks holte hij later andere dingen dan zijn aas en vischtuig verborg. Om de waarheid te zeggen, herschiep hij dien boom in eene brievenbus. Onder wat mos en een steen legde hij gedichtjes, of even dichterlijke brieven, gericht aan zekere Ondine of Najade die den stroom bezocht, en die een paar malen vervangen werden door een reçu in den vorm van eene bloem, of een paar woordjes tot dank, met een fijn handje in het Fransch of Engelsch, op geparfumeerd rosé papier geschreven. Het is zeker, dat jufvrouw Amory, gelijk wij gezien hebben, wel eens langs het riviertje wandelde, en dat zij geparfumeerd rosé papier voor hare brieven gebruikte. Maar sinds de grootelui Clavering Park bezocht hadden en de staatsiekoets den eenen avond na den anderen het hek uitreed en den weg naar de andere groote buitenplaatsen insloeg, kwam er niemand meer om Pen’s geschriften uit de brievenbus te halen; het witte papier werd niet tegen rosé verwisseld, maar bleef onaangeroerd onder den steen en het mos liggen, terwijl de boom zich in het water weerkaatste en de Brawl onvermoeid voortkabbelde. Er stond echter in die brieven niet veel, en in de rosé briefjes ternauwernood iets, hoogstens een paar half schertsende half meewarige woordjes, gelijk elke jonge dame ze zou kunnen schrijven. Maar, malle Pendennis, als gij dit meisje wildet hebben, waarom deedt gij dan uw mond niet open? Misschien meende geen van beiden het ernstig. Gij speeldet slechts den verliefde, en de schalksche kleine Ondine liet u met dat spelletje begaan.
Maar als men in zijn spel gedwarsboomd wordt, maakt men zich wel eens boos, en toen Pen’s gedichten door niemand meer werden afgehaald, begon hij die producten met een zeer ernstig oog te beschouwen. Hij gevoelde zich weer bijna zoo tragisch en sentimenteel als ten tijde van zijne eerste liefdesgeschiedenis, en in ieder geval had hij besloten, dat het tot eene verklaring moest komen. Den eenen dag begaf hij zich naar het Heerenhuis en vond de kamer vol bezoekers; den anderen dag kon hij jufvrouw Amory niet te zien krijgen, daar zij des avonds naar een bal moest en nu vooraf wat rust nam. Pen verwenschte de bals, de bekrompenheid zijner beurs en de onbeduidende plaats, die hij in het graafschap innam, zoodat zij, die zulke partijen gaven, hem voorbijgingen. Bij eene derde gelegenheid was jufvrouw Amory in den tuin en toen spoedde hij zich daarheen; maar zie, zij wandelde er met geen minder personage dan den bisschop van Chatteries, diens vrouw en hunne kinderen, die hem zuur aanzagen en eene stijve houding aannamen, toen hij aan hen werd voorgesteld en zij zijn naam hoorden. De hoogeerwaarde prelaat had dien reeds vroeger vernomen, evenals dat grapje in den tuin van den deken.
„De bisschop zegt, dat gij een losbandig jongmensch zijt,” fluisterde hem de goedhartige Lady Clavering toe. „Wat hebt gij toch gedaan? Ik hoop toch – niets, wat zulk eene lieve mama als de uwe verdriet zou kunnen doen? Hoe vaart uwe lieve ma? Waarom komt zij niet eens aan? Ik weet niet, in hoe langen tijd wij haar niet gezien hebben! Wij gaan tegenwoordig veel uit, zoodat wij weinig met onze buren kunnen omgaan. Doe haar en Laura mijn compliment, en komt allen hier morgen eten.”
Mevrouw Pendennis gevoelde zich te ongesteld om uit te gaan, maar Laura en Pen voldeden aan de uitnoodiging en vonden een groot gezelschap verzameld, zoodat Pen slechts in der haast een woordje met jufvrouw Amory kon wisselen. „Gij komt,” zeide hij, „tegenwoordig in het geheel niet meer aan de rivier.”
„Ik kan niet,” antwoordde Blanche, „want ons huis is tegenwoordig vol gasten.”
„Ondine heeft den stroom vaarwelgezegd,” hernam Pen, die trachtte poëtisch te zijn.
„Zij had dien nooit moeten bezoeken,” zeide jufvrouw Amory. „En zij zal er ook niet heengaan. Het was heel dwaas en verkeerd; het was ook maar scherts. Bovendien hebt gij een anderen troost thuis,” en bij die woorden zag zij hem een oogenblik vlak in het gelaat en sloeg toen de oogen neder.
Waarom sprak hij toen niet, indien hij haar had willen hebben? Zelfs toen nog zou zij wellicht „ja” hebben gezegd. Doch toen zij van een anderen troost sprak, dacht hij aan Laura, die zoo teeder en rein was, en aan zijne moeder, wier liefderijk hart op zijne verbintenis met hare pleegdochter gezet was. „Blanche!” begon hij dus op spijtigen toon: „jufvrouw Amory!”
„Laura ziet naar ons, mijnheer Pendennis,” zeide de jonge dame. „Ik moet mij weer bij het gezelschap voegen,” vervolgde zij en liet hem staan, zoodat hij in verlegenheid op de nagels stond te bijten en in den door de maan verlichten tuin te staren.
Laura keek inderdaad naar den kant van Pen. Zij was in gesprek met den heer Pynsent, den zoon van Lord Rockminster, of scheen althans naar hem te luisteren. Hij was de zoon der douairière Rockminster, die, op de eereplaats gezeten, met een deftig gezicht Lady Clavering’s slecht Engelsch aanhoorde en den suffen Sir Francis, wiens invloed in het graafschap zij ten voordeele van haar kleinzoon wenschte aangewend te zien, patroniseerde. Pynsent en Pen hadden samen te Oxbridge gestudeerd, waar de laatste, gedurende den korten tijd toen hij geld bezat en in de mode was, boven den jongen patriciër gestaan en hem misschien wel wat uit de hoogte behandeld had. Sedert hun afscheid van de academie hadden zij elkander aan dit diner voor het eerst ontmoet en elkander met dat hoogst impertinente en te gelijk kluchtige halve knikje van herkenning begroet, dat alleen in Engeland gebruikelijk is en slechts door studenten naar den vollen eisch wordt uitgevoerd, en waarmee men schijnt te willen zeggen: „Wat drommel! wat heb jij hier te maken?”
„Ik heb dien heer te Oxbridge als student gekend,” zeide mijnheer Pynsent tegen jufvrouw Bell: „zekere mijnheer Pendennis, geloof ik.”
„Ja,” antwoordde zij.
„Hij schijnt een goed oogje op jufvrouw Amory te hebben,” ging hij voort. Laura keek naar die beiden, en was misschien van hetzelfde gevoelen, maar zeide er niets van.
„Hij heeft hier in het graafschap groote goederen, niet waar? Hij sprak er van, dat hij voor dit district in het parlement dacht te komen. In de debatteerclub voerde hij dikwijls het woord. Waar liggen toch zijne goederen?”
„Zijne goederen liggen aan de overzijde der rivier, dicht bij de portierswoning,” antwoordde Laura glimlachend. „Hij is mijn neef, en ik woon daar ook.”
„Waar?” vroeg mijnheer Pynsent met een lachje.
„Wel, aan den overkant der rivier, op Fairoaks,” hernam jufvrouw Bell.
„Zijn daar veel fazanten? Ik zou het wel denken, naar het hout te oordeelen,” zeide de argelooze man.
Laura glimlachte nogmaals. „Wij hebben negen kippen en een haan, een varken en een ouden jachthond.”
„Heeft Pendennis dan geen eigen jacht?” hervatte de heer Pynsent.
„Gij moet hem maar eens een bezoek komen brengen,” antwoordde het meisje lachend, daar zij het zeer kluchtig vond, dat men haar Pen voor een rijk landbezitter hield en dat hij zelf zich misschien daarvoor uitgegeven had.
„Wel, het zal mij zeer veel genoegen doen onze kennis voort te zetten,” antwoordde mijnheer Pynsent beleefd en met een blik, die duidelijk zeide: „U zou ik eigenlijk wenschen te bezoeken,” welken blik en toespraak mejufvrouw Laura met een lachje en eene kleine buiging beloonde.
Op dit oogenblik kwam Blanche met haar betooverendste lachje en lonkje hare lieve Laura verzoeken, de tweede partij te zingen van een duo. Laura was tot alles bereid wat genoegen kon geven en zette zich aan de piano; zoolang het duet duurde, bleef mijnheer Pynsent er bij staan luisteren, maar toen jufvrouw Amory alleen begon te zingen, ging hij weg.
„Wat is dat een aardig, rondborstig, lieftallig, welopgevoed meisje, Wagg,” zeide mijnheer Pynsent tegen een heer, die met hem van Baymouth was gekomen; „ik meen die lange met die krullen en die roode lippen – verbazend rood, niet waar?”
„En wat zegt gij van de dochter des huizes?” vroeg mijnheer Wagg.
„Die houd ik voor eene magere, schrale bedriegster,” zeide mijnheer Pynsent met de grootste openhartigheid. „Zij steekt hare schouders zoo hoog mogelijk uit hare japon, zij kan hare oogen niet stilhouden, en zij lacht en lonkt met evenveel gemaaktheid als eene Fransche kamenier.”
„Pynsent, pas op,” riep de ander, „daar staat iemand, die hooren kan wat ge zegt.”
„O, het is Pendennis van Bonifacius,” antwoordde mijnheer Pynsent. „Een mooie avond, mijnheer Pendennis; wij hadden het juist over uwe bekoorlijke nicht.”
„Zijt gij familie van mijn ouden vriend, majoor Pendennis?” vroeg mijnheer Wagg.
„Ik ben zijn neef en heb het genoegen gehad u op Gaunt House te ontmoeten,” zeide mijnheer Pen zoo voornaam mogelijk, – en in een oogenblik was de kennis tusschen de heeren gemaakt.
Den volgenden namiddag vond mijnheer Pen, die uit visschen was geweest en niets gevangen had, bij zijne terugkomst de beide heeren, die op Clavering Park logeerden, in zijn moeders gezelschapskamer in druk gesprek met de weduwe en hare pupil. De lange, schrale heer Pynsent, met zijne groote bakkebaarden en een geduchten haarbos aan zijne kin, zat zeer dicht bij jufvrouw Laura schrijlings op een stoel. Zijne eenvoudige, oprechte taal, soms luimig en scherp, en doormengd met studenten-uitdrukkingen, vermaakte haar. Het was het eerste exemplaar van een jongen Londenschen dandy, dat Laura ooit gezien of gehoord had; want zij was nog een kind toen mijnheer Foker op Fairoaks verscheen, en die geestige heer was ook niet veel meer dan een knaap, met het vernis van school en academie.
Toen mijnheer Wagg op Fairoaks kwam, nam hij alles nauwkeurig op. „Een oude tuinman,” zeide hij, toen hij Jan in het portiershuisje zag; „een oud rood livrei-vest – kleeren te drogen gehangen op de bessenstruiken – blauwe voorschooten, eene witte broek – wel, dat moet de witte broek van den jongen Pendennis zijn – niemand anders van de familie draagt er een. Een nog al min plaatsje voor een parlementslid in den dop, – hè, Pynsent?”
„Een aardig buitentje„” zeide mijnheer Pynsent; „een allerliefst grasperkje.”
„Is mijnheer Pendennis thuis, ouwe heer?” vroeg mijnheer Wagg aan den bejaarden bediende, die daarop antwoordde: „Neen, de jonge heer Pendennis is uit.”
„Zijn de dames thuis?” ging de jongste der bezoekers voort, waarop Jan van zijn kant antwoordde: „Ja, dat zijn ze.” Terwijl het tweetal over de zindelijke kiezelpaden en langs het nette plantsoen naar het bordes van het huis ging, waar Jan de deur opende, lette mijnheer Wagg op alles wat onder zijne oogen kwam: den barometer en den brievenzak, de paraplu’s en de overschoenen der dames, Pen’s hoeden en Schotsch geruiten reisdoek, en op Jan, die de deur der kamer opendeed, om de bezoekers binnen te laten. Zulke kleinigheden trokken Wags’s aandacht en hij merkte ze op in weerwil van zich zelven.
„Die ouwe doet al het werk,” fluisterde hij Pynsent toe; „het is een tweede Caleb Balderstone. Het zou mij niet verwonderen, als hij bovendien keukenmeid was.” Een oogenblik later bevonden beiden zich in tegenwoordigheid der dames van Fairoaks, welke Pynsent voor twee volmaakt goed opgevoede dames moest verklaren, terwijl mijnheer Wagg haar met sierlijke buigingen en overmatige beleefdheid begroette, maar nu en dan een veelbeteekenend knipoogje naar zijn vriend wierp. Mijnheer Pynsent toonde evenwel niet anders, dat hij dit merkte, dan door mijnheer Wagg zeer uit de hoogte en de dames uiterst voorkomend te behandelen. Zoo er iets bespottelijk was in het oog van Wagg, dan was het de armoede. Hij bezat het gemoed van een lakei, die uit de dienstbodenkamer is geroepen, om in de gezelschapszaal voor gek te spelen. Hij kende een overvloed van aardigheden en zijn hart was zoo kwaad niet; maar hij scheen niet te begrijpen, dat men een gentleman kon zijn ofschoon men een kalen rok droeg, of dat eene dame aanspraak op achting kon maken, indien zij er geen rijtuig, of geen Fransche modemaakster op na hield.
„Een heerlijk buitentje, mevrouw,” zeide hij met eene buiging tegen de weduwe; „een prachtig uitzicht. Het is een groot genot voor ons Londenaars, die zelden iets anders dan Pall Mall te zien krijgen.” Waarop de weduwe met de meeste eenvoudigheid antwoordde, dat zij slechts ééns in haar leven te Londen was geweest, en wel vóór de geboorte van haar zoon.
„Mooi dorp, mevrouw, mooi dorp,” ging mijnheer Wagg voort, „en met den dag breidt het zich uit. Het is geen kwaad gekozen woonplaats, als men, niet geheel buiten kan wonen, en het loont de moeite van een bezoek.”
„Mijn broeder, majoor Pendennis, heeft ons dikwijls van u gesproken,” zeide de weduwe, „en wij hebben ons van harte vermaakt met eenige van uwe geestige boeken, mijnheer.” Om de waarheid te zeggen, zij had nooit smaak kunnen vinden in de boeken van mijnheer, en zij keurde den toon, waarin die geschreven waren, geheel en al af.
„Het is een zeer goed vriend van mij,” antwoordde mijnheer Wagg met eene diepe buiging; „hij komt bijna overal, en waar hij komt, stelt men veel prijs op hem – dat verzeker ik u. Hij is nu met onzen vriend Steyne te Aken. Steyne heeft een tikje van de jicht weg en – maar dit blijft onder ons – dat heeft uw broeder ook. Ik ga naar Stillbrook om fazanten te schieten, en vervolgens naar Bareacres, waar ik Pendennis zeker wel ontmoeten zal;” en in dier voege ging hij voort met een vloed van mededeelingen uit de groote wereld, waarin hij de namen van een paar dozijn pairs wist te vlechten, en altijd doorpraatte, terwijl de onschuldige weduwe hem met stille verwondering zat aan te hooren. „Wat een man!” dacht zij; „zouden al de voorname lui te Londen op hem gelijken? Ik ben zeker, dat Pen nooit op hem gelijken zal.”
Onderwijl had mijnheer Pynsent het druk met jufvrouw Laura. Hij noemde eenige der buitenverblijven in den omtrek op, waar hij ging logeeren, en drukte de hoop uit, dat hij haar in sommige dier huizen zou mogen ontmoeten, en dat hare tante haar een seizoen te Londen zou laten doorbrengen. Als het volgende parlement moest bijeenkomen, verhaalde hij, zou hij zich in dit graafschap candidaat stellen, waarbij hij hoopte, dat Pendennis hem met zijn invloed zou ondersteunen. Hij sprak van den roem, dien Pen als redenaar te Oxbridge behaald had, en vroeg of hij ook zou trachten zich tot parlementslid te doen verkiezen? Op die wijze praatte hij zeer onderhoudend en tot Laura’s genoegen voort, totdat Pen zelf verscheen en, gelijk wij gezegd hebben, deze heeren bij de dames vond zitten.
Pen gedroeg zich jegens het tweetal, nu het eenmaal den weg naar zijne kwartieren gevonden had, zeer beleefd, ofschoon hij zich met zekeren angst een gesprek te Oxbridge herinnerde, in tegenwoordigheid van Pynsent gevoerd, waarbij hij, na eene uitvoerige discussie in de debatteerclub en onder eene groote opgewondenheid – het gevolg van een souper met champagne – zijn voornemen had te kennen gegeven om zich in het graafschap, waar hij het levenslicht had aanschouwd, tot candidaat voor het parlement te stellen; zelfs had hij in eene sierlijke rede ronduit zijn dank betuigd als nieuwgekozen lid. Pynsent was echter zoo rond en hartelijk, dat Pen hoopte, dat de eerstgenoemde die kleine snoeverij en alle ander gezwets, waaraan hij zich wellicht had schuldig gemaakt, zou vergeten hebben. Hij voegde zich dus naar de manieren der bezoekers en sprak over Plinlimmon en Magnus Charters en de oude kennissen te Oxbridge met eene losse gemeenzaamheid en eene voorname luchtigheid, alsof hij elken dag met markiezen omging en een hertog voor hem niet meer dan een dorpsdominé te beteekenen had.
Maar toen onder dit gesprek zes uur geslagen was, kwam Betsy de meid, die niet wist, dat er vreemden waren, zonder andere inleiding dan dat zij de deur wijd openwierp, met het theeblad binnen, waarop drie kopjes met een trekpot en een bord met dikke boterhammen stonden. Op dit gezicht verdween al de voornaamheid van Pen, zoodat hij begon te stotteren en geheel van zijn stuk geraakte. „Wat zullen zij van ons denken?” was de vraag, die voor zijn geest oprees, en werkelijk stak Wagg de tong in de wang omdat hij die theepartij vreeselijk bespottelijk vond, en wenkte en knipoogde tegen Pynsent, om er diens aandacht op te vestigen.
Maar naar Pynsent’s oordeel was de zaak zoo natuurlijk mogelijk. Hij zag niet in, waarom men niet evengoed ten zes ure als op een ander uur thee zou drinken, als men dit verkoos, zoodat hij, toen zij terugkeerden, aan Wagg vroeg waarover hij, voor den drommel, zoo had zitten grinniken en grijnzen, en wat hij toch zoo grappig had gevonden?
„Hebt gij dan niet gezien, hoe de hokkeling zich over de dikke boterhammen schaamde? Ik wed, dat zij er stroop op gebruiken. Dat zal ik den ouden Pendennis eens vertellen, als wij te Londen terug zijn,” zeide mijnheer Wagg vol inwendig pleizier.
„Ik vat de aardigheid niet,” zeide mijnheer Pynsent.
„Dat had ik ook niet verwacht,” mompelde Wagg, waarop beiden tamelijk ontstemd naar huis wandelden.
Met sterke kleuren en verwonderlijke nauwkeurigheid in de bijzonderheden vertelde Wagg de geschiedenis aan het diner. Hij beschreef den ouden Jan, de kleeren die te drogen hingen, de overschoenen in de vestibule, en de huiskamer met hare meubelen en schilderijen: „Een ouwe heer met een haviksneus en een kaal hoofd, – ik wed twee tegen een, dat wijlen Pendennis er zoo uitzag; een levensgroot portret van een jonkman met baret en tabbaard, – natuurlijk de tegenwoordige markies van Fairoaks; de weduwe, als jeugdige schoonheid, in miniatuur. Bij onze komst had zij eene ouderwetsche japon aan en handschoenen, waarvan de vingertoppen waren afgesneden; zóó naait zij zeker de boordjes van haar zoon. De meid kwam binnen met de thee voor hun drieën en wij lieten hen dus bij hunne boterhammen.”
Blanche, die dicht bij hem zat en les hommes d’esprit aanbad, schaterde het uit van lachen en noemde hem een schalk van het eerste water. Doch Pynsent, die een geweldigen hekel aan hem begon te krijgen, zeide met luider stemme: „Ik weet niet, mijnheer Wagg, aan welk soort van dames gij in uwe eigen familie gewoon zijt, maar waarachtig, voor zooveel men naar eene eerste kennismaking oordeelen kan, heb ik nooit in mijn leven twee beter opgevoede vrouwen ontmoet, zoodat ik hoop, mama,” vervolgde hij tegen Lady Rockminster, die aan de rechterhand van Sir Francis Clavering zat, „dat gij haar een bezoek zult brengen.”
Sir Francis fluisterde tegen den gast aan zijne linkerhand: „Daar heeft hij Wagg mooi beet!” terwijl Lady Clavering den jongen edelman in verrukking een tikje met haar waaier gaf en hem met een lonk van hare zwarte oogen toevoegde: „Mijnheer Pynsent, gij zijt een juweel van een jongen.”
Na den twist met Blanche kon men in Laura’s toon tegenover haar neef een zeker verschil – hoe gering ook – waarnemen; iets weemoedigs, niet onvermengd met bitterheid. Zij scheen hem te wegen en óók te licht te bevinden; de weduwe zag hoe de heldere en openhartige oogen van het meisje soms op den jonkman gevestigd waren en bijna eene minachtende uitdrukking op haar gelaat verscheen als hij in de kamer bij de vrouwen lanterfantte, of vadsig op het grasperk liep te rooken, of onder een boom zat te suffen over een boek, waarvoor hij te lusteloos was om het te lezen.
„Wat is er tusschen u beiden voorgevallen?” vroeg de scherpziende Helena aan het meisje. „Er moet iets gebeurd zijn. Heeft die ondeugende Blanche kwaad gestookt? Vertel het mij toch eens, Laura.”
„Er is in het geheel niets gebeurd,” gaf Laura ten antwoord.
„Waarom kijkt gij Pen dan zoo aan,” vroeg diens moeder driftig.
„Hem aankijken, moedertje-lief?” hernam het meisje. „Wij vrouwen zijn geen gezelschap voor hem; hij stelt geen belang in ons; wij zijn niet knap genoeg voor zulk een genie als Pen. Bij ons verbeuzelt hij zijn leven en zijne krachten onder de pantoffel. Hij stelt nergens belang in en het is hem nauwelijks de moeite waard, het tuinhek uit te gaan. Zelfs kapitein Glanders en kapitein Strong vervelen hem,” liet zij er met een bitteren glimlach op volgen, „en dat zijn toch mannen en onze meerderen. Zoolang hij hier blijft, zal hij zich niet gelukkig gevoelen. Waarom gaat hij de wereld niet in, waarom kiest hij geen beroep?”
„Wanneer wij heel zuinig zijn, hebben wij genoeg daarvoor,” zeide de weduwe, wier hart sterk begon te kloppen. „Pen heeft in vele maanden niets uitgegeven. Het is een heel beste jongen, en ik ben overtuigd, dat bij zeer gelukkig met ons zou kunnen zijn.”
„Wind u niet op, moedertje-lief,” hernam het meisje. „Ik zie dat niet gaarne. Gij moet het u niet aantrekken, als Pen hier niet op zijn gemak is. Zoo zijn alle mannen. Zij moeten bezigheid hebben en naam in de wereld maken. Zie maar, die twee kapiteins hebben gevochten en zijn in den oorlog geweest; mijnheer Pynsent, dien wij hier hebben gehad en die eenmaal heel rijk zal zijn, is ambtenaar en werkt zeer hard, omdat hij wil vooruitkomen. Naar hij zegt, was Pen een der beste redenaars te Oxbridge en bezit hij zooveel talent als iemand onder de studenten. Pen zelf lacht om de beroemdheid van mijnheer Wagg (dien ik ook akelig vind) en zegt, dat hij een weetniet is en dat een boerenjongen zijne boeken zou kunnen schrijven.”
„Ik vind hem ook onuitstaanbaar en onbeschaafd,” merkte de weduwe aan.
„En toch heeft hij reputatie. – Zie de County Chronicle maar; die zegt: „De beroemde heer Wagg heeft zich te Baymouth opgehouden; onze groote lui en onze zonderlingen kunnen zich wel weer voorbereiden op iets van zijne satirieke pen.” Als Pen beter dan die heer schrijven en beter dan mijnheer Pynsent spreken kan, waarom doet hij het dan niet? Tegen ons kan hij geen redevoeringen houden, mama; hij kan zich hier niet onderscheiden. Hij moet weg van hier, – wezenlijk, dat moet hij!”
„Laura-lief,” zeide Helena, terwijl zij de hand van het meisje greep, „is dat nu lief van u, hem zoo te haasten? Ik heb de gelegenheid afgewacht en reeds vele maanden gespaard om – om u – uw voorschot terug te betalen.”
„Stil, moeder!” riep Laura uit, terwijl zij hare vriendin met drift omhelsde, „Het was mijn geld niet, maar het uwe. Spreek er nooit meer van! Hoeveel geld hebt gij opgespaard?”
Helena antwoordde, dat er meer dan tweehonderd pond in de bank stond en dat zij in het laatst van het volgende jaar in staat zou zijn alles af te betalen wat Laura geleend had.
„Geef hem die tweehonderd pond. Laat hem naar Londen gaan en advocaat of iets anders worden; laat hem zijne moeder – en de mijne, mama-lief, – waardig zijn,” sprak het goede meisje, waarop de teerhartige weduwe met hare gewone innigheid en aandoening verklaarde, dat Laura een schat voor haar was en dat er geen beter meisje bestond, – en in dit laatste opzicht vertrouw ik, dat niemand haar zal tegenspreken.
De weduwe had over dit punt nog meer dan één onderhoud met hare dochter en gaf aan de dringende redenen van het oprechte en standvastige meisje toe, want, als er door Helena een offer gebracht moest worden, dan was die lieve dame maar al te begeerig om het te doen. Maar zij volgde daarbij haar eigen weg en verloor, bij het mededeelen dezer nieuwe vooruitzichten aan Pen, het doel, waarnaar zij streefde, niet uit het oog. Op zekeren dag dus verhaalde zij hem, dat die plannen bestonden en dat het Laura was, die er op aangedrongen had, dat hij naar Londen zou gaan om te studeeren; dat Laura er niet van wilde hooren nu de geldelijke verplichtingen af te doen, die aangegaan waren toen hij van Oxbridge terugkwam; en eindelijk, dat het Laura was, die hij er voor danken moest, indien hij óók van meening was, dat hij naar Londen behoorde te gaan.
Bij die woorden begon Pen’s gelaat van genoegen te schitteren en drukte hij zijne moeder aan zijn hart met een vuur, hetwelk die liefhebbende vrouw, vrees ik, een beetje pijn deed; doch het werd haar weder goed, toen hij zeide: „Het is toch een edel meisje, en God Almachtig zal haar zegenen! O moeder, ik heb hier maanden lang gekwijnd en gesmacht naar werk, zonder te weten wat ik doen moest. De gedachte aan mijne schande, mijne schulden en mijne verwenschte buitensporigheden en dwaasheden heeft mij verpletterd. Ik heb helsche folteringen uitgestaan. Mijn hart is er half van gebroken, – maar dat doet er nu niet toe. Indien zich eene kans aanbiedt om het verledene uit te wisschen en mijne plichten jegens mij zelven en de beste der moeders te vervullen, dan zal ik die, op mijn woord, gretig aangrijpen. Ik zal mij uwer nog waardig betoonen. God zegene u en Laura! Waarom is zij niet hier? Dan zou ik haar mijn dank kunnen betuigen.” En zoo ging Pen onsamenhangend voort; hij liep de kamer op en neer, dronk het eene glas water na het andere, viel zijne moeder duizendmaal om den hals, begon te lachen en te zingen, en was blijder dan zij hem ooit gezien had sedert zijn jongelingsleeftijd en sedert hij geproefd had van dien ontzagwekkenden Boom des Levens, die sinds den beginne het gansche menschelijke geslacht in verzoeking heeft gebracht.
Laura was niet thuis, want zij logeerde bij de deftige Lady Rockminster, dochter van Lord Bareacres, zuster van wijlen Lady Pontypool, en bij gevolg verre familie van Helena, zooals de lady, die ver in de geslachtrekenkunde was, het eerst de beleefdheid had gehad, aan de bescheidene plattelandsbewoonster te herinneren. Pen was zeer verheugd, dat de familiebetrekking erkend werd, maar minder dat Lady Rockminster jufvrouw Bell voor een paar dagen meenam naar Baymouth, zonder de geringste uitnoodiging tot mijnheer Arthur Pendennis te richten. Er was te Baymouth een bal op til, waar jufvrouw Laura voor het eerst in het publiek zou verschijnen. De douairière kwam haar met het rijtuig af halen en zij vertrok met een wit balkleed in haar koffer, en blij en blozend, gelijk de roos, waarbij Pen haar vergeleek.
Het was thans de avond van het bal, eene publieke bijeenkomst in het Baymouth Hotel. „Te drommel!” zeide Pen: „ik ga er te paard heen. – Neen, ik ga niet te paard, maar ik zal er toch naar toe gaan!” Zijne moeder was verheugd dat hij gaan zou, en terwijl hij nog stond te beraadslagen met welk soort van rijtuig hij zich naar Baymouth zou begeven, kwam kapitein Strong als geroepen en verklaarde, dat hij ook ging, zijn paard Butcher Boy voor de sjees zou spannen en hem zou meenemen.
Wanneer het huis op Clavering Park vol aangenaam gezelschap was, vertoonde de chevalier Strong, die, gelijk zijn patroon zeide, nooit te dicht bij of te ver af was, zich zelden in dien kring, maar zocht elders zijne uitspanning. „Ik heb in mijn tijd groote diners genoeg bijgewoond,” zeide hij, „en aan eene tafel gegeten, waar een koning en een prins van den bloede aan het hooger- en aan het lagereind zaten en ieder gast ten minste zes ridderorden op zijn rok had; maar waarachtig, Glanders, ik heb geen pleizier in die deftigheid, en de Engelsche dames met hare verwenschte hoogheid en de landjonkers met hunne politieke gesprekken doen mij na tafel in slaap vallen; ik mag sterven, als het niet waar is! Ik zit liever ergens waar ik eene sigaar kan rooken na tafel en, als ik dorst heb, mijn bier in de kan krijg.” Wanneer het dus gala op Clavering Park was, vergenoegde zich de chevalier met het oppertoezicht over de inrichting van de tafel en met het drillen van den majordomo en de bedienden; doch na het menu met monsieur Mirobolant te hebben vastgesteld, verkoos hij niet het geringste deel aan het feestmaal te nemen. „Bezorg eene côtelet en eene flesch wijn op mijne kamer,” zeide onze philosoof en wierp uit de vensters van dat vertrek, hetwelk over het terras en de oprijlaan uitzag, een blik op het gezelschap, dat in zijne rijtuigen aankwam, of sloeg een oogje op de dames in de vestibule door een rond venstertje in zijn gang, dat in het voorhuis uitkwam. Als de gasten eindelijk aangezeten waren, stapte Strong het park door naar het huisje van kapitein Glanders te Clavering, of legde een bezoek bij de buffetjufvrouw in het Wapen van Clavering af, of zocht madame Fribsby bij haar roman en hare thee op. Waar de chevalier ook kwam, overal was hij welkom, en overal waar hij heenging, liet hij een geur van warmen brandewijngrog achter.
De Butcher Boy – geenszins het slechtste paard uit Sir Francis’ stal – was aan kapitein Strong tot zijn bijzonder gebruik toegekend; en de oude krijgsman reed er, onder den man of voor de sjees, op alle uren van den dag of den nacht mee uit en thuis, en rechts en links de omstreken door. Waar maar eene herberg was, die goed bier schonk, een heerenboer met eene mooie dochter, die piano speelde, – naar den schouwburg of de kazerne te Chatteries, naar alle pretjes, die er te Baymouth voorvielen, naar dorpskermissen en wedrennen, daarheen zag men den chevalier met zijn bruintje aanhoudend op weg, en die waardige krijgsman leefde als in een bevriend land op kosten der inwoners. De Butcher Boy bracht Pen en den chevalier spoedig naar Baymouth over. De laatstgenoemde was daar met het hotel en den kastelein even gemeenzaam bekend als met elk ander logement of koffiehuis in den omtrek, en nadat zij eene slaapkamer gekregen hadden, traden zij de balzaal binnen. De chevalier maakte een schitterend figuur; hij droeg drie kleine gouden kruisjes aan een gespje op de breede borst van zijn blauwen rok en zag er als een buitenlandsch veldmaarschalk uit.
Het bal was publiek en allerlei personen werden toegelaten of waren zelfs aangespoord om te komen, daar de jonge Pynsent wenschte, zich tot parlementslid voor het graafschap te doen verkiezen, en Lady Rockminster de beschermvrouw van het bal was. Aan het eene einde der zaal zou er eene quadrille voor de aristocratie zijn en stonden er afgezonderde banken voor de voorname lui. Heel dicht bij dat afgezonderde gedeelte verkoos de chevalier niet te komen (daar hij, naar zijn zeggen, om de „grooten” niet gaf); doch in het andere gedeelte der zaal kende hij iedereen, de dochters der wijnkoopers, herbergiers, zaakwaarnemers en boerenheeren, hare vaders en hare broeders, en met die allen wisselde hij handdrukjes.
„Wie is die man met dat blauwe lint en die ster met drie stralen?” vroeg Pen, een heer in het zwart met gefriseerd haar en een haarbosje aan de kin bedoelende, die, met den duim zijner ééne hand in het armsgat van zijn vest en in de andere zijne claque houdende, fier stond rond te kijken.
„Zoo waar ik leef, het is Mirobolant!” riep Strong uit, terwijl hij het van lachen uitschaterde. „Bonjour, chef! – Bonjour, Chevalier!”
„De la croix de juillet, Chevalier!” zeide de chef en legde de hand op zijne decoratie.
„Kijk, weer een lintje!” zeide Pen, vol pret, want een man met zeer zwart haar en bakkebaarden, blijkbaar met het purper van Tyrus geverfd, met fonkelende oogen en witte wimpers en duizenden rimpels op zijn gelaat, dat eene zonderlinge roode kleur vertoonde, met een vest, groote handschoenen en handen, en een schat van diamanten en juweelen op zijn vest en zijne stropdas, met lompe voeten, gewrongen in reusachtig groote laarzen en een tweekleurig lint in zijn knoopsgat, naderde op dit oogenblik en knikte den chevalier gemeenzaam toe.
De chevalier gaf hem de hand en zeide: „Mijn vriend, mijnheer Pendennis; – Kolonel Alfamont, van de lijfwacht zijner hoogheid den nabob van Lucknow.” De officier beantwoordde met eene buiging den groet van Pen, die op dit oogenblik ongeduldig uitzag of de persoon, waarnaar hij verlangde, de zaal reeds binnengetreden was.
Dit was het geval nog niet, maar het orkest begon spoedig te spelen: „Daar komt de overwinnaar aan,” en eene groep voorname lui trad binnen: de douairière gravin van Rockminster, de heer Pynsent en jufvrouw Bell, de baronet Sir Francis Clavering van Clavering Park, Lady Clavering en jufvrouw Amory, de baronet Sir Horace Fogy, Lady Fogy, kolonel Higgs met zijne echtgenoote en de „weledelgeboren heer Wagg” (zooals de courant van het graafschap hem later vermeldde).
Pen ijlde voorbij Blanche heen naar Laura en greep hare hand met de woorden: „God zegene u! Ik moet u spreken – ik moet u noodzakelijk spreken! Laat mij met u dansen!”
„Dat kan pas na de drie eerste dansen, Pen,” gaf zij met een lachje ten antwoord, waarop hij, van ergernis op de nagels bijtende, afdroop en Pynsent vergat te groeten.
Na het gezelschap van Lady Rockminster volgde dat van Lady Clavering in den optocht.
Kolonel Altamont nam het nauwkeurig op en schaterde het van lachen uit achter een sterk geparfumeerden zakdoek, dien hij voor zijn gezicht hield.
„Wie is die meid in het groen daar bij hen, kapitein?” vroeg hij aan Strong.
„Dat is jufvrouw Amory, de dochter van Lady Clavering,” gaf de chevalier ten antwoord.
De kolonel kon zijn lachlust ternauwernood bedwingen.
ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
BAL-AVONTUREN.
Arthur Pendennis vond goed zich met een somber en norsch gelaat onder eenige katoenen draperieën in eene donkere venster-nis te plaatsen, van waar hij het aanzag hoe jufvrouw Bell de eerste quadrille met mijnheer Pynsent danste. Die heer zag er zoo plechtig en zuur uit, als een Engelschman bij zulk eene gelegenheid gewoonlijk doet, en stapte in den dans gelijk hij in de kerk naar zijne bank zou gestapt zijn, zonder een lach op zijn gezicht en zonder zijne aandacht, door wat ook, te laten aftrekken van den gewichtigen plicht, dien hij vervulde. Laura’s gelaat echter straalde van genoegen en welwillendheid. Het licht en de menigte aanwezigen en de muziek wonden haar op. Terwijl zij haar witte kleedje uitspreidde en lachend en vroolijk deelnam, aan den dans waarbij hare bruine lokken van haar oprecht en frisch gelaat achterwaarts over hare blanke schouders vlogen, keek meer dan één heer in de zaal haar met bewondering aan. Lady Fogy, die een huis in Londen bezat en zich, als zij buiten vertoefde, zeer voornaam hield, vroeg aan Lady Rockminster wie die jonge dame was, noemde eene gevierde schoone te Londen, op welke het meisje, naar het oordeel der dame, geleek, en verklaarde, dat zij zeer „voldeed.”
Het zou Lady Rockminster zeer verwonderd hebben, indien eene protégée van haar niet voldaan had, en zij stond verbaasd over de onbeschaamdheid van Lady Fogy, die daarover een gevoelen durfde uiten. Zij nam Laura met majestueuse blikken door haar lorgnet op. Het onschuldige voorkomen van het meisje en hare opgeruimde en eenvoudige manieren bevielen haar. „Zij doet zich zeer goed voor,” dacht de lady. „Hare armen zijn wel wat rood, maar dat is een gebrek van de jeugd. Haar ton is veel beter dan die van die kleine nuffige jufvrouw Amory, die in den dans haar vis-à-vis is.”
Jufvrouw Blanche was werkelijk Laura’s vis-à-vis, en lachte hare lieve vriendin veelbeteekenend toe, knikte tegen haar, sprak haar aan, zij in de figuren der quadrille bij elkander kwamen, en beschermde haar niet weinig. Hare schouders waren de blankste in de gansche zaal en hielden zich onder haar kleedje geen oogenblik stil, evenmin als hare oogen, die onophoudelijk heen en weer zwierven, of als haar geheele figuurtje, dat aan iedereen scheen toe te roepen: „Kijk maar eens naar mij, – niet naar dat blozende gezonde, dikke boerinnetje, die juffer Bell, die nauwelijks iets van dansen wist voordat ik het haar leerde. Dit is de ware Parijsche manier, – dit is het mooiste voetje in de zaal, en het mooiste schoentje ook. Let er maar eens op, mijnheer Pynsent! Kijk er maar eens naar, mijnheer Pendennis, gij, die daar achter die gordijn staat te gluren; ik weet, dat gij er naar snakt, om met mij te dansen!”
Laura bleef dansen en onderwijl den heer Pen in zijne venster-nis in het oog houden. Hij verliet den schuilhoek gedurende de eerste quadrille niet, maar pas bij de tweede, toen de goedhartige Lady Clavering hem wenkte, onder het verhemelte op de eereplaats te komen, waar de douairières zaten en waarheen Pen zich nu blozend, en even weinig op zijn gemak als de meeste verwaande jongelui, begaf. Hij maakte eene zeer stijve buiging voor Lady Rockminster, die zijn groet ternauwernood beantwoordde, en naderde daarop de weduwe Amory, die met diamanten, fluweel, kant, veeren en allerlei soort modemaaksters- en goudsmidswerk pronkte.
De jonge heer Fogy, die toenmaals in de vijfde klasse op de school te Eton zat en met vurig verlangen zijn baard en zijne benoeming tot luitenant bij een regiment dragonders te gemoet zag, was de tweede danser, die met de hand van jufvrouw Bell vereerd werd. Hij was in bewondering van de jonge dame verzonken en geloofde nog nooit zulk een bekoorlijk wezen gezien te hebben. „Ik houd veel meer van u dan van dat Fransche meisje” (want de jonge heer had den vorigen dans met jufvrouw Amory gedaan), voegde hij haar met de meeste openhartigheid toe. Laura lachte er om en zag er vroolijker uit dan ooit; en daar zij midden onder haar lachen Pen in het oog kreeg, die er allerdwaast deftig en zuur uitzag, bleef zij aan het lachen. De daaropvolgende dans was eene wals, en de jonge Fogy herinnerde zich met een zucht, dat hij niet kon walsen, en besloot in de volgende vacantie daarin les te nemen.
Voor dezen dans vroeg mijnheer Pynsent jufvrouw Bell alweder, en Pen zag vol inwendige woede hoe zij, terwijl die heer met zijn arm haar middel omvat hield, door de zaal ronddraaide. Vroeger was hij nooit boos, als op de zomeravonden, zoodra de stoelen en tafels uit den weg geruimd waren en de gouvernante beneden geroepen was om op de piano te spelen, door hem en den chevalier Strong (die een onverbeterlijk danser was en als het vereischt werd eene Britsche horlepijp, eene Duitsche wals of een Spaanschen fandango kon uitvoeren) en de beide jonge dames, Blanche en Laura, kleine bals op Clavering Park geïmproviseerd waren. Laura vond thans het dansen zoo pleizierig en was zoo opgewekt, dat zij zelfs mijnheer Pynsent levendig maakte. Blanche, die zeer fraai kon dansen, had een ongelukkig partner, kapitein Broadfoot van de dragonders, die te Chatteries in garnizoen lag; want ofschoon de kapitein zich met groote inspanning op de zaak toelegde, kon hij nooit bijtijds rondkomen, en daar hij hoegenaamd geen gehoor voor muziek had, merkte hij niet, dat zijne bewegingen te langzaam waren.
Jufvrouw Blanche zag dus, dat hare beste vriendin Laura zoowel in de wals als in de quadrille al de eer van den dans had, en was met den opgang, door jufvrouw Bell gemaakt, gansch niet ingenomen. Na een paar toeren met den zwaren dragonder wendde zij vermoeidheid voor, zoodat zij verzocht naar hare plaats gebracht te worden bij hare mama, met wie Pen stond te spreken. Zij vroeg dezen, waarom hij haar niet voor de wals gevraagd, maar haar aan de genade van dien akeligen grooten man met zijn rooden rok en zijne sporen overgelaten had?
„Ik dacht, dat scharlaken en sporen voor jonge dames de aantrekkelijkste dingen ter wereld waren,” gaf Pen ten antwoord. „Ik zou mijn zwarten rok nooit hebben durven vertoonen naast dat schitterende roode wambuis.”
„Gij zijt zeer onvriendelijk, hardvochtig, norsch, ondeugend,” zeide jufvrouw Amory, weer met de schouders werkende „Ga maar weg! Uwe nicht kijkt over den schouder van mijnheer Pynsent naar ons.”
„Wilt gij met mij walsen?” vroeg Pen.
„Niet deze wals, want ik heb zoo even dien armen grooten kapitein Broadfoot weggezonden. Let eens op dien mijnheer Pynsent; hebt ge ooit zulk een wezen gezien? Ik zal de volgende wals met u dansen en de quadrille ook. Ik had mijn woord gegeven, maar ik zal mijnheer Poole zeggen, dat ik mijne belofte aan u vergeten had.”
„De vrouwen vergeten zeer gemakkelijk,” merkte Pendennis aan.
„Maar komen altijd terug en gevoelen berouw en spijt over hetgeen zij gedaan hebben,” antwoordde Blanche. „Kijk, daar komt de Pook aan, met Laura aan zijn arm hangende. Wat ziet zij er lief uit!”
Laura naderde hen en reikte hare hand aan Pen, tegen wien Pynsent eene soort van buiging maakte, die veel bevalliger was dan men van het stuk huisraad, waarbij jufvrouw Amory hem vergeleek, had kunnen verwachten.
Laura’s gelaat stond zeer vriendelijk. „Ik ben heel blij, dat gij gekomen zijt, lieve Pen,” sprak zij. „Ik heb nu gelegenheid om met u te spreken. Hoe vaart mama? De drie dansen zijn nu afgeloopen, en ik ben met u geëngageerd voor den volgenden, Pen.”
„Ik heb mij juist met jufvrouw Amory geëngageerd,” antwoordde deze, terwijl Blanche knikte en hare gewone kleine nijging maakte.
„Ik zie niet van hem af, Laura-lief,” sprak zij.
„Goed, – dan zal ik den volgenden keer met hem walsen, lieve Blanche,” hernam Laura; „niet waar, Pen?”
„Ik heb beloofd met jufvrouw Amory te walsen.”
„Nu, dat spijt mij zeer!” zeide Laura, die op hare beurt eene nijging maakte en onder de breede vleugelen van Lady Rockminster ging schuilen.
Pen was verrukt over het kwaad, dat hij gebrouwen had. De twee mooiste meisjes van het bal twistten om hem! Hij vleide zich, dat hij jufvrouw Laura eene goede les had gegeven. Hij leunde nu in eene gemaakte houding tegen den muur, terwijl hij met Blanche sprak en onbarmhartig den draak stak met al de menschen in de zaal: met de zware dragonders in hunne nauwsluitende uniformen, met de plattelandsjonkers en hun zonderlingen opschik, en met de smakelooze toiletten der dames. Volgens hem scheen de eene een vogelnestje op haar hoofd te dragen en de andere zes pond druiven in haar haar te hebben, hare valsche paarlen niet meegerekend. „Het is eene coiffure van amandelen en rozijnen,” zeide Pen. „die voor een dessert zou kunnen dienen.” In één woord, hij was verbazend satiriek en onderhoudend.
Gedurende de quadrille zette hij deze soort van conversatie met onverminderde bitterheid en levendigheid voort en hield Blanche onophoudelijk aan het lachen; want zijne hatelijkheden en aardigheden kwamen beiden van pas en Laura was wederom beider vis-à-vis en kon zien en hooren hoe vroolijk en vertrouwelijk zij waren.
„Arthur is van avond alleraardigst,” fluisterde Blanche Laura achter den uniformrok van den dragonderluitenant Perch toe, terwijl Pen een cavalier seul tegenover de dames danste en die figuur met een duim in elk armsgat doordrentelde.
„Wie!” vroeg Laura.
„Arthur,” antwoordde Blanche in het Fransch. „Ik vind dat zoo’n lieven naam!” Daarop gingen de jonge dames naar den kant van Pen over, en de luitenant voerde op zijne beurt den pas seul uit. Hij had geen vest om zijne duimen er in te steken, en zijne handen, die uit de nauwe mouwen van zijn rok langs zijn lijf neerhingen, zagen er groot en gezwollen uit.
In het tijdsverloop tusschen de quadrille en de daaropvolgende wals nam Pen geen notitie van Laura, uitgezonderd dat hij haar vroeg of haar danser, luitenant Perch, nog al aardig was, en of zij zooveel met hem op had als met haar anderen partner, mijnheer Pynsent. Na die twee dolken in Laura’s teedere hart geplant te hebben, bleef mijnheer Pendennis tegen Blanche Amory voortklappen en geestige of flauwe, maar altijd luide aardigheden afvuren. Laura kon geene aanleiding voor de bitsheid van haar neef opsporen en wist niet hoe zij hem beleedigd had; maar maakte zich van haar kant niet boos over Pen’s norschheid, want zij was de meest goedhartige en vergevensgezinde der vrouwen, en bovendien, een beetje jaloezie van den kant van een man is eener dame niet altijd ongevallig.
Daar Pen niet met Laura wilde dansen, nam zij gaarne de hand van den levendigen chevalier Strong aan, die veel beter danste dan Pen; en daar zij dol op het dansen was, zooals elk vroolijk en onschuldig, jong meisje wel zijn zal, ging zij van den vloer zoodra de walsmuziek begon en genoot volop. Bij deze gelegenheid was kapitein Broadfoot aan het ronddraaien met eene dame, weinig minder kolossaal dan hij zelf, – jufvrouw Roundle, eene zwaarlijvige jonge schoone in een krippen kleedje van de kleur van frambozen-ijs, de dochter van de dame met de druiven op het hoofd, wier trossen Pen bewonderd had.
En nu zijn oogenblik afwachtende, terwijl zijne schoone danseres Blanche vertrouwelijk in den arm leunde, die haar omvatte, begon mijnheer Arthur Pendennis zijne wals, waarbij hij zich overtuigd hield, terwijl zij zoo op de maat der muziek ronddraaiden, dat hij met Blanche een toonbeeld van danskunst opleverde. Het is niet onwaarschijnlijk, dat hij eens uitkeek of jufvrouw Bell het daarvoor ook niet hield; maar zij zag niet naar hem, of wilde niet naar hem zien, en was voortdurend druk bezig met kapitein Strong. Maar Pen’s triomf was niet bestemd om lang te duren, en het stond geschreven, dat de arme Blanche nog meer tegenspoed zou hebben op dien onzaligen avond. Terwijl zij en Pen met de lichtheid en vlugheid van een paar dansers van het corps de ballet rondvlogen, draaide kapitein Broadfoot met de dame, wier middel hij omvatte, overeenkomstig beider aard, op zijn gemak rond, zoodat zij iedereen in den weg kwamen. Maar zij liepen Pen meer dan iemand anders in den weg, want hij en Blanche bonsden in hunne vliegende omwentelingen tegen den zwaren dragonder en diens dame aan, en wel met zooveel kracht, dat alle vier de rondwentelende lichamen hun zwaartepunt verloren; kapitein Broadfoot en jufvrouw Roundle rolden letterlijk omver, evenals Pen, van zijn kant minder gelukkig dan jufvrouw Amory, die slechts op eene bank tegen den muur werd geslingerd.
Pendennis kwam dus vlak op den vloer te land en lag in de algemeene verwarring bij Broadfoot en jufvrouw Roundle te spartelen. De dikke, maar goedhartige kapitein was de eerste om het uit te schateren over zijn tegenspoed, zoodat niemand er op lette. Maar jufvrouw Amory was boos over haar ongeluk; jufvrouw Roundle, die op den grond zat en verslagen rondkeek, leverde een schouwspel op, dat weinigen konden aanzien zonder lachen; en Pen was woedend, toen hij de omstanders hoorde giggelen. Hij behoorde tot dat soort van spotzieke jonge heeren, die niet kunnen velen, dat men om hen lacht, en die voor niets zoo bang zijn als dat zij een bespottelijk figuur zullen maken.
Terwijl hij opstond, zag hij, dat Laura en Strong om hem lachten; iedereen was aan het lachen; Pynsent en zijne dame lachten, en Pen was zoo vervuld met woedenden toorn tegen dat paartje, dat hij beiden had willen overhoop steken Hij wendde zich half razend van hen af en begon excuses tegen jufvrouw Amory te stamelen. Het was, zeide hij, de schuld van die andere menschen; die dame in het paarsch had het gedaan; hij hoopte, dat jufvrouw Amory zich niet bezeerd had en dat zij niet zou opzien tegen nog een dans.
Maar jufvrouw Amory antwoordde spijtig, dat zij zich heel erg bezeerd had en niet meer wilde dansen, waarop zij met veel dank een glas water aannam, dat een cavalier, die eene driepuntige ster aan een blauw lint droeg, haastig voor haar was gaan halen, zoodra hij het jammerlijk ongeval gezien had. Zij dronk van het water, beloonde den brenger met een bevallig lachje, keerde op eene in het oog loopend trotsche wijze haar blanken schouder mijnheer Pen toe, en verzocht den heer met de ster, haar naar hare mama te geleiden, terwijl zij hare hand uitstak om zijn arm te nemen.
De man met de ster trilde van genoegen bij dit gunstbewijs. Hij boog over hare hand, drukte die vurig tegen zijn rok en zag zegevierend in het rond.
Het was niemand anders dan de gelukkige Mirobolant, dien Blanche tot haar geleider had uitverkoren. Maar het ware van de zaak was, dat de jonge dame den artiste nog nooit van dichtbij had gezien sedert hij ten huize van hare familie diende, en zich niet anders voorstelde, dan dat het een buitenlandsch edelman moest zijn, op wiens arm zij leunde. Maar toen zij heenging, vergat Pen in zijne verbazing zijne eigene vernedering en riep uit: „Bij den hemel, het is de kok!”
Zoodra die woorden over zijne lippen waren, speet het hem, dat hij ze gesproken had, want Blanche zelve had Mirobolant uitgenoodigd haar te geleiden, en de artiste kon bezwaarlijk anders doen dan gevolg geven aan het verzoek eener dame. Blanche vernam in hare ontroering niet wat Pen zeide; maar Mirobolant had het opgevangen en wierp over zijn schouder een woedenden blik op Pen, die dit buitengewoon grappig vond. Hij was in een kwaad en kregelig humeur en had misschien wel twist met dezen of genen willen zoeken; maar het denkbeeld, dat hij een kok had kunnen beleedigen, of dat zoo iemand zelfs iets zou bezitten, dat naar eergevoel geleek, rees niet eens op in den geest van onzen goedhartigen jongen aristocraat, den zoon van een apotheker.
De arme artiste had er nooit aan gedacht, dat hij als een mensch niet de gelijke zou zijn van ieder ander, of dat zijn beroep zoo onteerend was, dat hij zijn arm niet zou mogen geven aan eene dame, die er om vroeg. Hij had op de feesten in zijn eigen land deftige dames, hoewel geen jonge jufvrouwen (maar hij wist, dat de demoiselles anglaises veel meer vrijheid genoten dan de meisjes in Frankrijk), aan den dans zien deelnemen met Blaise of Pierre; en dus zou hij Blanche ook naar Lady Clavering geleid en haar misschien wel ten dans gevraagd hebben, indien hij Pen’s uitroep niet gehoord had, die hem als een donderslag trof en bitter vernederde en ergerde. Zij wist niet wat het was, dat hem plotseling deed opschrikken en een Gasconschen vloek tusschen de tanden mompelen.
Maar Strong, die den zielstoestand van den armen kerel kende, daar madame Fribsby hem die interessante inlichting gegeven had, was gelukkig dichtbij, toen men hem noodig had, en na haastig iets in het Spaansch gezegd te hebben, dat de ander begreep, noodigde de chevalier jufvrouw Amory uit om wat ijs te gebruiken eer zij naar Lady Clavering terugkeerde. De rampzalige Mirobolant liet daarop den arm varen, dien hij maar eene minuut had vastgehouden, en trad met eene allerdiepste maar melancholische buiging terug. „Weet gij niet wie dat is?” zeide Strong, terwijl hij jufvrouw Amory verder geleidde. „Dat is Mirobolant, de chef.”
„Hoe zou ik dat weten?” vroeg Blanche. „Hij heeft een croix; hij is zeer distingué en hij heeft heel mooie oogen.”
„De arme kerel is dol op uwe beaux yeux, geloof ik,” hernam Strong. „Het is een zeer goede kok, maar hij is niet heel wel bij zijn verstand.”
„Wat hebt gij in die vreemde taal tegen hem gezegd?” vroeg jufvrouw Blanche.
„Hij is een Gascogner en komt van de grenzen van Spanje,” gaf Strong ten antwoord. „Ik zeide hem, dat hij zijne betrekking zou verliezen, indien hij met u ging.”
„Die arme monsieur Mirobolant!” zeide Blanche.
„Hebt gij gezien hoe hij Pendennis aankeek?” vroeg Strong, die pleizier had in het aangerichte kwaad. „Ik geloof, dat hij den kleinen Pen wel aan een braadspit zou willen rijgen.”
„Het is een akelig, verwaand, lomp wezen, die mijnheer Pen,” zeide Blanche.
„Broadfoot zag er ook uit alsof hij hem zou willen vermoorden, en Pynsent eveneens,” zeide Strong. „Welk ijs zult gij gebruiken? gewoon, of à la créme?”
„Gewoon. Wie is die zonderlinge man, die mij zoo aankijkt? – die is ook décoré.”
„Dat is mijn vriend, de kolonel Altamont, een zeer vreemd personage, die in dienst is bij den nabob van Lucknow. Hè! wat is dat voor een lawaai? Ik kom dadelijk terug,” zeide de chevalier en vloog weer naar de balzaal, waar men een grooten oploop en luide stemmen hoorde.
De ververschingszaal, waar jufvrouw Amory zich thans bevond, was bestemd voor het souper, dat Rincer de kastelein à vijf shillings per persoon gereed had voor degenen, die er deel aan wilden nemen. Hier waren ook ververschingen van het fijnste soort te bekomen voor de heeren en dames van de voorname familiën uit het graafschap, die het bal bezochten; doch de minder aanzienlijken werden buiten het vertrek gehouden door een knecht aan de deur, die zeide, dat dit eene bijzondere kamer was voor de gezelschappen der Lady’s Clavering en Rockminster, en dat ze voor het publiek eerst opengesteld zou worden op het oogenblik van het souper, namelijk na middernacht. Pynsent, die met de dochters der kiezers danste, welke hij hoopte, dat hunne stem op hem zouden uitbrengen, leidde er die dames en hare mama’s binnen om eenige ververschingen te gebruiken, Strong, die overal waar hij kwam directeur en ceremoniemeester was, had er natuurlijk vrij entrée, en de eenige persoon, die zich nu in het vertrek bevond, was de heer met de zwarte pruik en de ridderlinten in zijn knoopsgat, de officier in dienst van zijne hoogheid den nabob van Lucknow.
Deze heer had reeds vroeg in den avond in die kamer zijn hoofdkwartier opgeslagen, waar hij, uitroepende, dat hij een verwenschten dorst had, eene flesch champagne had besteld. Uit zulk eene bestelling leidde de knecht dadelijk af, dat hij met een groot heer te doen had, en dus zette de kolonel zich neer en begon te eten en te drinken en met iedereen, die het vertrek binnentrad, een gezellig praatje aan te knoopen.
Dáár vonden hem Sir Francis Clavering en mijnheer Wagg, toen zij de balzaal verlieten, wat zij tamelijk vroeg deden, – Sir Francis om eene sigaar te gaan rooken en een blik te werpen op de buiten de balzaal en aan het strand vergaderde menigte, en mijnheer Wagg om aan den arm van een baronet te hangen, gelijk hij altijd gaarne aan den arm van den voornaamsten man uit het gezelschap hing. Kolonel Altamont had deze heeren zoo raar aangekeken toen zij de „vrije” kamer doorgingen, dat Clavering bij den kastelein gevraagd had wie dat was, en een sterk vermoeden te kennen had gegeven, dat de officier van den nabob dronken was.
Ook mijnheer Pynsent had de eer gehad in een gesprek met den dienaar van den Indischen potentaat te geraken. Het was Pynsent’s belang met iedereen te spreken (hetgeen hij, om hem recht te laten weervaren, op de meest linksche wijze deed), en hij had den heer met de zwarte pruik voor een kiezer, een zeekapitein, of een ander bewoner van het plaatsje, die veel reisde, gehouden. Toen Pynsent met eene dame, de vrouw van een kiezer, aan zijn arm deze ververschingszaal binnentrad, vroeg de kolonel, of hij hem met een glas champagne dienen kon? Pynsent nam het met veel deftigheid aan, maakte eene buiging, dronk eens van den wijn, verklaarde, dat die uitmuntend was, en blies met de uiterste beleefdheid den aftocht voor kolonel Altamont. Die deftigheid en wellevendheid bracht den kolonel meer van zijn stuk dan eenige andere handelwijze waarschijnlijk zou gedaan hebben; hij keek Pynsent verward na en verklaarde over het buffet heen aan den kastelein, dat dat een „rare vent” was. Mijnheer Rincer bloosde en wist niet recht wat hij zeggen moest. Mijnheer Pymsent was de kleinzoon van een graaf uit die streek, en zou zich candidaat voor het parlement stellen; en aan den anderen kant droeg kolonel Altamont ridderorden en diamanten, liet onophoudelijk de goudstukken in zijn zak klinken en betaalde royaal. Rincer wist dus eigenlijk niet wat hij antwoorden moest en maakte er zich af met te zeggen: „Ja, kolonel – ja, mevrouw, heeft UE. niet thee gevraagd? Kop thee voor mevrouw Jones, vrouw!” In dier voege onttrok hij zich aan het gesprek over den heer Pynsent, dat de officier van den Nizam scheen te willen aanknoopen.
Om de waarheid te zeggen, had mijnheer Altamont, die den ganschen avond bij het buffet gebleven was en daar niet stil had gezeten, zich zeer opgewonden, en hij zat nog altijd door te drinken, toen Strong met jufvrouw Amory binnentrad.
Toen de chevalier op het hooren van het gedruis naar de danszaal wegvloog, stond de kolonel, wiens kleine roode oogen als kooltjes gloeiden, van zijn stoel op en begaf zich eenigezins waggelend naar Blanche, die haar glaasje ijs zat te gebruiken. Zij was geheel verdiept in die bezigheid, daar het ijs bijzonder frisch en smakelijk was, of zij was niet nieuwsgierig naar hetgeen er in de zaal voorviel, ofschoon de knechts dat wèl waren, want zij liepen den chevalier Strong na. Toen zij dus opzag, bemerkte zij, hoe die zonderlinge man haar met zijne kleine roode oogen aanstaarde. Wie kon dat zijn? Het begon zeer interessant te worden.
„En dus zijt gij Betsy Amory,” zeide hij, na haar aangekeken te hebben. „Betsy Amory, zoo waar ik leef!”
„Wie – wie zijt gij?” vroeg Betsy, anders genaamd Blanche.
Maar het geweld in de balzaal wordt nu werkelijk zoo hevig, dat wij óók daarheen moeten snellen, om te zien wat de reden van die opschudding is.
ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
TWISTZIEK EN SENTIMENTEEL.
Er woedde een burgeroorlog, er vielen hooge woorden, de menschen stieten en verdrongen elkander op eene onfatsoenlijke wijze nabij een venster in den hoek der balzaal, dicht bij de deur, door welke de chevalier Strong zich een weg baande. Dat venster stond open, zoodat men de spottende aanmerkingen van het publiek op straat kon hooren, zooals: „Sla maar toe!” „Daar komen de dienders!” en meer van dien aard. Aan den éénen kant stond een kring van personen, onder welke madame Fribsby vooral in het oog viel, rondom monsieur Alcide Mirobolant geschaard, terwijl onze vriend Arthur Pendennis aan den anderen kant door verscheidene heeren en dames omringd was. Strong baande zich naar dit laatste groepje een weg, voorbij madame Fribsby, die zich over de verschijning van den chevalier verheugde en hem op angstigen en ontroerden toon toeriep: „Red hem, red hem!”
De verontwaardigde kleine chef van Sir Francis Clavering’s keukendepartement bleek deze opschudding veroorzaakt te hebben. Kort na dat Strong de zaal verlaten had en terwijl mijnheer Pen, ten hoogste verbolgen over zijn val bij het walsen, die hem belachelijk had gemaakt in de oogen van het publiek, en over jufvrouw Amory’s gedrag ten zijnen aanzien, dat hem nog verder in zijne eer had getast, zijn lichaam en ziel weer wat tot bedaren poogde te brengen door uit het venster naar de zee te staren, die in de verte glinsterde en met de grootste kalmte voortkabbelde, – terwijl hij, zeg ik, werkelijk tot rust trachtte te komen en zich zelven misschien bekende, dat hij dien avond zeer dwaas en onheusch was geweest, voelde hij eene hand op zijn schouder en zag hij, omkijkende, tot zijne onbeschrijfelijke verbazing en afgrijzen, dat die hand aan monsieur Mirobolant toebehoorde, wiens oogen uit zijn bleek gelaat en tusschen zijne haarlokken mijnheer Pen tegenglinsterden. Dat een Fransche kok hem op den schouder durfde tikken was een staaltje van familiariteit, dat het bloed der Pendennis’en in de aderen van hun afstammeling deed koken, en hem bijna nog meer verstomd dan verontwaardigd deed staan over zulk eene brutaliteit.
„Spreekt gij Fransch?” vroeg Mirobolant in zijne eigen taal aan Pen.
„Wat gaat u dat aan?” antwoordde Pen in het Engelsch.
„In ieder geval verstaat gij het,” vervolgde de ander met eene buiging.
„Ja, mijnheer,” hernam Pen, met zijn voet stampende; „ik versta u heel wel.”
„Vous me comprendrez alors, monsieur Pendennis,” zeide de ander en liet zijne r’s met Gasconsche kracht rollen, „quand je vous dis que vous êtes un lâche, Monsieur Pendennis – un lâche, entendez-vous?”
„Wat?” vroeg Pen, zich snel naar hem omkeerende.
„Verstaat gij de beteekenis van dat woord en de gevolgen, die het onder mannen van eer heeft?” ging de artiste voort, terwijl hij zijne hand op zijne heup plaatste en Pen strak aankeek.
„De gevolgen zijn, dat ik u uit het venster zal werpen, – onbeschaamde schurk!” bulderde mijnheer Pen, die op den Franschman toesprong en waarschijnlijk zijne bedreiging verwezenlijkt zou hebben, want het venster was dicht bij de hand en de artiste was geenszins tegen den jongen heer opgewassen, indien niet kapitein Broadfoot en een ander officier van de zware dragonders zich tusschen de twistenden hadden geworpen, indien de dames niet waren begonnen te gillen, indien de muzikanten niet hadden opgehouden met spelen, indien niet al de aanwezigen waren komen toesnellen, indien niet Laura met een heel verschrikt gelaat over de hoofden had heengekeken en verzocht had in ’s hemels naam te mogen weten wat er gaande was, indien niet Strong, die altijd bij de hand was als men hem noodig had, uit de ververschingszaal te voorschijn ware gekomen, die onzen vriend Alcide, tandenknarsend en in Gasconsch-Fransch vloekende, aantrof, terwijl Pen eene verbazend wraakzuchtige houding had aangenomen, ofschoon hij, toen de dames en de gasten kwamen aansnellen, er heel bedaard poogde uit te zien.
„Wat is er gebeurd?” vroeg Strong in het Spaansch aan den chef.
„Ik ben chevalier de Juillet,” antwoordde deze, terwijl hij op zijne borst sloeg, „en hij heeft mij beleedigd.”
„Wat heeft hij tegen u gezegd?” ging Strong voort.
„Hij heeft mij – cuisinier genoemd!” bracht de kleine Franschman sissend uit.
Strong kon met moeite zijn lachlust bedwingen en zeide:
„Ga met mij mee, arme chevalier! Wij moeten in tegenwoordigheid der dames niet twisten. Ga mee; ik zal uwe uitdaging aan mijnheer Pendennis overbrengen. – De arme man is niet wèl bij zijn hoofd,” fluisterde hij aan een paar omstanders toe, terwijl andere personen, onder welke men Laura’s beangst gelaat ontdekte, Pen omringden en hem naar de oorzaak der opschudding vroegen.
Pen zeide, dat hij het niet wist, maar voegde er bij: „Die man stond op het punt zijn arm aan eene jonge dame te geven, waarop ik zeide, dat hij een kok was, en toen noemde hij mij een lafaard en daagde mij uit. Ik moet bekennen, dat ik zóó verbaasd en verontwaardigd was, dat ik, indien gij, heeren, mij niet hadt tegengehouden, hem uit het venster geworpen zou hebben.”
„En dat zou hij ook verdiend hebben, die verwenschte, onbeschaamde gek,” zeiden de heeren.
„Het zou mij echter spijten, indien ik zijn gevoel gekwetst had,” liet Pen er op volgen, en het deed Laura goed hem dit te hooren zeggen; maar sommige jonge kwasten riepen uit: „Neen, laat de kerel naar den drommel loopen; weg met die brutale buitenlanders, een pak slagen zou hem goeddoen!”
„Gij zult hem toch de hand geven eer gij ter rust gaat, niet waar, Pen?” vroeg Laura, zich bij hem voegende. „Vreemdelingen zijn misschien gevoeliger dan wij en hebben andere gewoonten. Als gij het eergevoel van den armen man gekwetst hebt, ben ik zeker, dat gij de eerste zult zijn om hem vergiffenis te vragen. Gij doet het immers, Pen-lief?”
Terwijl zij dit zeide, scheen zij enkel vergevensgezindheid en lieftalligheid, – een engel gelijk, – waarop Pen hare beide handen vatte, haar in het vriendelijk gelaat zag en beloofde, dat hij het waarlijk doen zou.
„Wat houdt dat meisje toch veel van mij!” dacht hij, terwijl zij hem in de oogen zag. „Zou ik het haar nu niet zeggen? Neen, nu niet! Eerst moet die gekke geschiedenis met den Franschman uit den weg geruimd zijn.”
Laura vroeg of hij niet wilde blijven om met haar te dansen; want zij was even verlangend om hem in de zaal te houden, als hij om er uit te komen. „Blijf hier, en doe eene wals met mij, Pen! Ik ben niet bang, om met u te walsen.”
Deze woorden getuigden voor hare liefderijkheid, maar waren ongelukkig gekozen. Pen zag zich in gedachte op den vloer liggen, na over jufvrouw Roundle en den dragonder gestruikeld te zijn en Blanche tegen den muur te hebben gesmeten, – hij zag zich, zeg ik, op den grond liggende en door al de toeschouwers, waaronder ook Laura en Pynsent, uitlachen.
„Ik zal nooit weer dansen,” gaf hij met een somber en vast besloten gelaat ten antwoord, „Nooit weer! Het verwondert mij, dat gij het mij vraagt.”
„Misschien, omdat gij Blanche niet tot dame kunt krijgen?” vroeg Laura met ondeugende, maar ongelukkige spijtigheid.
„Neen, maar omdat ik geen mal figuur wil maken, om door anderen te worden uitgelachen,” antwoordde Pen, – „om door u uitgelachen te worden. Ik zag het van u en Pynsent. Bij den hemel, niemand zal mij uitlachen!”
„Pen, Pen, wees zoo ondeugend niet!” riep het arme meisje uit, pijnlijk getroffen door Pen’s akelige stijfhoofdigheid en verregaande ijdelheid. Hij gluurde in de richting, waar Pynsent was, op eene manier alsof hij dien heer bij den kraag wilde vatten, zooals hij den kok gedaan had. „Wie zou het u euvel duiden, dat gij bij het walsen gestruikeld zijt? Zoo Blanche het deed, wij doen het niet. Waarom zijt gij zoo lichtgeraakt en kwalijknemend?”
Het ongeluk wilde weer, dat mijnheer Pynsent op dit oogenblik bij Laura kwam en zeide: „Lady Rockminster heeft mij opgedragen u te vragen, of ik u naar het souper mag geleiden?”
„Ik – ik zou met mijn neef gaan,” antwoordde Laura.
„Neen, toch niet!” zeide Pen. „Gij zijt in zulke goede handen, dat ik niet beter kan doen dan u te verlaten. Ik ga naar huis.”
„Goeden avond, mijnheer Pendennis,” zeide Pynsent droogjes, hetgeen eigenlijk beteekende: „Loop naar den drommel, onbeleefde, jaloersche, brutale aap, dien ik de ooren wel eens zou willen wasschen!” Mijnheer Pendennis verwaardigde zich tot geen ander antwoord dan eene buiging en ging, in weerwil van Laura’s smeekende blikken, de zaal uit.
„Wat is het daar buiten prachtig helder en kalm,” zeide Pynsent, „en wat bruist de zee! Het zou aan het strand aangenamer wandelen zijn dan in deze benauwde zaal.”
„Ja zeker,” gaf Laura ten antwoord.
„Wat is het hier eene zonderlinge mengeling van menschen,” ging Pynsent voort. „Ik ben genoodzaakt geweest bij allen een praatje aan te knoopen en mij aangenaam te maken, – bij de dochters van den procureur, bij de vrouw van den apotheker, ik weet waarlijk niet bij wie al. In de ververschingszaal was een man, die mij volstrekt op champagne wilde onthalen – het scheen wel een zeeman – hij was heel opzichtig gekleed en waarschijnlijk half dronken. Als men het staatkundig gebied wil betreden, is men genoodzaakt met al die menschen op goeden voet te komen, maar het is eene zware taak, vooral indien men zoo gaarne ergens anders zou willen zijn,” en bij die woorden bloosde hij een weinigje.
„Ik vraag verschooning,” zeide Laura, „ik – ik hoorde u niet heel goed. Om de waarheid te zeggen, ik ben zoo verschrikt over die woordenwisseling tusschen mijn neef en dien – dien – Franschman.”
„Uw neef is van avond niet gelukkig geweest,” antwoordde Pynsent. „Er zijn verscheidene personen, wien hij niet behaagd heeft, zooals kapitein Broadwood, of hoe heet hij ook? – dien officier, – en die jonge dame in het rood, waarmee hij danste, – en jufvrouw Blanche, – en dien armen chef, – en ik geloof, dat ik hem ook niet bijzonder beviel.”
„Heeft hij mij dan niet aan uwe zorg overgelaten?” vroeg Laura, terwijl zij hare oogen naar Pynsent’s gelaat ophief, maar ze dadelijk, als eene kleine coquette, die hem wat op de mouw wilde spelden, doch betrapt werd, weer neersloeg.
„Ja, daarom kan ik hem dan ook veel vergeven,” gaf Pynsent met blijde haast ten antwoord, waarop zij zijn arm nam en hij zijn buit naar de eetzaal geleidde.
Zij had niet veel smaak in het souper, ofschoon het met Rincer’s bekend talent was aangericht, gelijk de courant van het graafschap zeide in het verslag, dat later van de partij gegeven werd. Laura was ongemeen afgetrokken en met zorg vervuld over Pen. Hij was vitzuchtig en twistziek, jaloersch en zelfzuchtig, wispelturig en driftig en onrechtvaardig, als de toorn hem het hoofd op hol bracht; en hoe kon hare moeder nu van haar vergen (hetgeen Helena toch door duizenderlei woorden en zinspelingen gedaan had), dat zij haar hart aan zulk een man zou schenken? en, indien zij dit deed, zou het hem dan toch wel gelukkig maken?
Maar eindelijk kreeg zij eenige verlichting, toen een knecht na een half uur (dat haar eindeloos was toegeschenen) haar een kort briefje in potlood van Pen bracht, luidende: „Ik vond den kok beneden, die met mij wilde vechten; maar ik heb hem verschooning gevraagd en ben er blij om. Ik had u heden avond willen spreken, maar zal nu wat ik te zeggen had, bewaren tot gij thuis komt. God zegen u! Dans maar den ganschen nacht door met Pynsent, en geniet zooveel mogelijk, Pen.” – Laura was innig dankbaar, dat zij dit briefje ontvangen had, en dat er toch nog een goed hart en vergevensgezindheid bij den zoon harer moeder gevonden werden.
Pen ging de trap af, terwijl zijn hart hem zijn dwaas gedrag jegens Laura verweet, wier lieftallige en smeekende blikken hem volgden en folterden; en nauwelijks was hij buiten de deur, of hij gevoelde eene opwelling om terug te keeren en haar vergiffenis te vragen. Maar nu schoot het hem te binnen, dat hij haar met dien verwenschten Pynsent had achtergelaten. In diens tegenwoordigheid kon hij zich niet jegens haar verontschuldigen. Hij zou geduld oefenen, zijne ergernis vergeten, en vrede sluiten met den Franschman.
De chevalier wandelde het voorhuis van het logement op en neer toen Pen uit de balzaal kwam, en hij trad dezen te gemoet met een gezicht, dat in de hoogste mate koddig en ondeugend stond.
„Ik heb hem daar in de gelagkamer met een paar pistolen en eene kaars,” zeide hij. „Of geeft gij misschien de voorkeur aan een duel met degens, op het strand? Mirobolant is een eerste meester op de punt en heeft op de Juli-barricaden met eigen hand vier gardes-du-corps doorstoken.”
„Voor den duivel!” riep Pen verbolgen uit: „ik kan toch met geen kok duelleeren!”
„Het is een chevalier de Juillet,” antwoordde Strong. „In zijn land presenteeren de schildwachten het geweer voor hem.”
„En zoudt gij, kapitein Strong, van mij vergen, dat ik met een bediende duelleerde?” vroeg Pen driftig; „ik zal een diender halen voor hem; maar – maar –”
„Wilt gij mij ook te lijf?” vroeg Strong lachend. „Maar het zal niet gebeuren; ik schertste slechts. Ik ben hier gekomen om geschillen bij te leggen, – niet om te vechten. Ik heb Mirobolant wat neergezet en hem verteld, dat met het woord „kok” niets beleedigends bedoeld was, maar dat het met alle gebruiken van dit land strijdig is, dat een bezoldigd beambte in eene familie, zooals ik het noemde, zijn arm aan de dochter des huizes geeft!” En daarop vertelde hij aan Pen het groote geheim, dat hij van madame Fribsby vernomen had, van de doodelijke verliefdheid, waaraan de arme artiste ter prooi was.
Toen Arthur dit verhaal hoorde, barstte hij in een hartelijken lach uit, waarmee Strong instemde, en was zijne verbittering tegen den armen kok in eens vergeten. Hij was zelf den ganschen avond belachelijk jaloersch geweest en had eene gelegenheid gezocht om Pynsent te beleedigen. Hij herinnerde zich nog, hoe naijverig hij tijdens zijne eerste liefdesgeschiedenis op Oaks was geweest, zoodat hij volkomen bereid was alles te vergeven aan een man, die onder de heerschappij van zulk een hartstocht stond. Hij trad dus de koffiekamer, waar Mirobolant zat te wachten, met eene uitgestrekte hand binnen en hield eene toespraak tot hem in het Fransch, waarin hij verklaarde te zijn „sincèrement faché d’avoir usé une expression qui avait pu blesser monsieur Mirobolant, et qu’il donnait sa parole comme un gentilhomme, qu’il ne avait jamais, jamais – bedoelé,” zeide Pen in zijne pogingen om een Fransch woord voor „bedoeld” te vinden – terwijl hij heimelijk zeer voldaan was over zijn vlot en zuiver Fransch.
„Bravo, bravo!” riep Strong, die evenveel pleizier had in Pen’s redevoering als in diens goedhartigheid. De chevalier Mirobolant trok natuurlijk zijne uitdaging in, en verklaarde, dat de uitdrukkingen, die hij gebezigd had, hem oprecht leed deden.
„Monsieur Pendennis heeft zelf mijne woorden gelogenstraft,” zeide Alcide met de grootste wellevendheid; „hij heeft getoond, dat hij een galant homme is.”
Zij gaven elkander dus de hand en gingen uiteen, terwijl Pen zijn briefje aan Laura schreef, eer hij zich door Strong huiswaarts liet rijden.
Onderweg maakte Strong aan Pen zijn compliment, zoowel over diens gedrag als over zijne bedrevenheid in het Fransch. „Ge zijt een goede kerel, Pendennis, en, op mijn woord, ge spreekt Fransch als Châteaubriand.”
„Ik ben er van jongs af aan gewoon geweest,” antwoordde Pen, en Strong had de barmhartigheid om vijf minuten lang zijn lach in te houden, maar toen schaterde hij het meer dan eens uit, waarvan Pen misschien tot den huidigen dag de reden niet begrepen heeft.
De dag brak aan toen zij aan den Brawl kwamen, waar zij van elkander gingen. Op dat oogenblik was het bal te Baymouth ook afgeloopen. Madame Fribsby en Mirobolant waren met de huurkoets van Clavering op weg naar huis; Laura lag met een gerust hart te slapen ten huize van Lady Rockminster, en de Clavering’s rustten uit in het logement te Baymouth, waar zij kamers genomen hadden. Weinige oogenblikken na den twist tusschen Pen en den chef was Blanche, zoo bleek als de dood, uit de ververschingszaal gekomen. Daar zij geen andere vertrouwde bij de hand had, vertelde zij aan hare kamenier, dat zij het meest romantische avontuur gehad, den meest zonderlingen man ontmoet had, – iemand, die den oorsprong haars levens gekend had – haar vervolgden, rampzaligen, heldhaftigen, vermoorden vader, en eer zij zich te bed begaf, begon zij een sonnet aan zijne schim te schrijven.
Pen was dus met zijn vriend den chevalier naar Fairoaks teruggekeerd, zonder een woord van de boodschap te reppen, die hij zoo gaarne aan Laura te Baymouth zou hebben overgebracht. Hij kon echter wachten tot hare terugkomst, die den volgenden dag zou plaats hebben. Hij was niet erg jaloersch op de vorderingen, die mijnheer Pynsent in hare gunst kon gemaakt hebben, en hield zich volkomen overtuigd, dat hij, gelijk bij alle andere huiselijke beschikkingen, het maar voor het vragen zou hebben, en dat Laura, evenmin als zijne moeder, hem niets zou kunnen weigeren.
Toen de nieuwsgierige blikken van Helena hem vroegen wat er te Baymouth gebeurd was, en of haar geliefkoosd plan was verwezenlijkt, vertelde Pen haar op vroolijken toon welke ramp hem getroffen had en voegde er lachend bij, dat geen mensch bij zulk een ongeval aan eene declaratie kon denken. Hij stapte, kortom, luchtig over de zaak heen. „Er zal, als Laura terugkomt, ruimschoots tijd zijn om aan ons hart lucht te geven, moedertje-lief,” zeide hij, en hij keek met het air van een overwinnaar in den spiegel, waarop zijne moeder hem het haar van het voorhoofd wegstreek, terwijl zij hem kuste, en zich natuurlijk overtuigd hield, dat geen vrouw hem weerstaan kon; in één woord, zij was dien dag boven de wolken.
In de oogenblikken, dat Pen niet in haar gezelschap was, hield hij zich bezig met het inpakken van boeken, het vullen van valiezen, het verbranden en ordenen van papieren, en het schoonmaken van zijn geweer, dat hij in het kistje borg: hij maakte, om de waarheid te zeggen, toebereidselen tot vertrek, want ofschoon de jonge heer bereid was om te trouwen, was hij ook zeer begeerig naar Londen te gaan; zeer te recht oordeelde hij, dat het op zijn drie en twintigste jaar hoog tijd werd de ernstige taak des levens te beginnen en zoo spoedig mogelijk fortuin te maken.
Hij had de middelen, om dat doel te bereiken, reeds bij zich zelven overlegd. „Ik zal mij bij een der Inns of Court laten inschrijven en daar kamers nemen,” sprak hij. „Met een paar honderd pond zal ik het eerste jaar wel rondkomen, en daarna twijfel ik niet, of ik zal mijn bestaan wel met mijne pen vinden, evengoed als verscheidene oud-studenten van Oxbridge, die thans te Londen zijn. Ik heb een treurspel, een blijspel en een roman, alle nagenoeg voltooid, in portefeuille, waarvoor ik zeker geld zal krijgen. Ik zal dus, zonder van mijne moeder te veel te vergen, vrij wel kunnen rondkomen, tot ik naam zal gemaakt hebben als advocaat. En dan zal ik op een fraaien dag terugkomen en haar verblijden door Laura te trouwen Het is een meisje met zoo’n goed hart en humeur als men maar wenschen kan; daarbij ziet zij er waarlijk zeer lief uit, en het engagement zal mij tot rust brengen, niet waar, Ponto?” Onder het rooken van zijne pijp en het praten tegen zijn hond, terwijl hij te midden der bloembedden en boschjes van het kleine domein van Fairoaks ronddrentelde, bouwde de jonge droomer aldus zijne luchtkasteelen. „Ja, het zal mij tot rust brengen, niet waar? En gij zult mij wel missen als ik weg ben, ouwe jongen, niet waar?” Op die vragen begon Ponto te kwispelstaarten en wrong zijn bruinen neus in de hand van zijn meester. Het dier likte Pens hand en laars, zooals allen in dat huis deden, en mijnheer Pen liet zich aller hulde welgevallen, gelijk anderen ook doen, als zij gevleid worden.
Laura kwam vrij laat op den avond van den tweeden dag terug, en het ongeluk wilde, dat mijnheer Pynsent haar met het rijtuig uit Clavering thuis bracht. Het arme meisje kon zijn aanbod niet van de hand wijzen, maar zijne verschijning deed Arthur Pendennis de wenkbrauwen fronsen. Laura zag dit en het griefde haar; doch de opgewonden weduwe merkte niets en maakte zich, kort na Laura’s thuiskomst, gereed om naar bed te gaan, daar zij zeker verlangde, dat de gewichtige vraag ten spoedigste gedaan zou worden; zij stond dus van de sofa op, waar zij tegenwoordig meestal rustte en naast welke Laura bij haar kwam zitten werken of lezen. Maar toen Helena oprees, zeide Laura blozende en met eene eenigszins benauwde stem, dat zij ook zeer vermoeid was en zich gaarne te bed zou begeven; zoodat de weduwe althans voor dezen avond in haar plan te leur gesteld en mijnheer Pen nog één dag in onzekerheid omtrent zijn lot gelaten werd.
Het kwetste hem in zijn gevoel van eigenwaarde, dat hij aldus in de antichambre moest blijven, terwijl hij eene audiëntie verlangde. Zulk een sultan als hij was behoorde men niet te laten wachten. Evenwel ging hij te bed en sliep daar, in weerwil van zijne teleurstelling, tamelijk gerust, zoodat hij niet vóór den vroegen morgen ontwaakte, toen hij, de oogen opslaande, zijne moeder in zijne kamer zag.
„Beste Pen, sta op,” zeide die dame, „wees niet lui! Het is de heerlijkste morgen, dien men zich kan voorstellen. Ik heb sinds het aanbreken van den dag geen oog meer kunnen toedoen en Laura is al een uur in den tuin. Op zulk een morgen als dezen behoorde iedereen in den tuin en buiten te wezen.”
Pen begon te lachen, want hij zag welke gedachten de eenvoudige vrouw bezielden. Zijn gulle lach beurde de weduwe op. „O gij ondeugd,” zeide hij, terwijl hij zijne moeder kuste. „Slim schepseltje! Mag dan niemand vrij loopen van uwe aanslagen? en wilt gij uw eenigen zoon tot uw slachtoffer maken?” Helena begon ook te lachen, te blozen en te stamelen en was zichtbaar ontroerd.
Na dus nog eenige veelbeteekenende wenken en afgebroken woorden met Arthur gewisseld te hebben, verliet Helena haar zoon, waarop onze jonge held uit zijn bed verrees, en tot het opsieren van zijn mooien persoon en het scheren van zijne bewonderenswaardige kin overging. Een half uur later kwam hij uit zijne kamer te voorschijn en trad den tuin in, om Laura op te zoeken. Onder het maken van zijn toilet was hij aan tamelijk sombere overdenkingen ten prooi geweest. „Ik ga mij voor mijn leven binden, om mijne moeder genoegen te doen,” dacht hij; „Laura is een uitmuntend meisje en – heeft mij met haar geld geholpen. Ik gaf er wel wat voor, dat ik het nooit ontvangen had, en ik wenschte wel, dat ik dezen plicht niet juist op dit oogenblik moest vervullen. Maar daar allebei die vrouwen haar hart op dit huwelijk gezet hebben, zal ik haar zin wel moeten doen. Dus er maar op los! Men zou slechter kunnen varen dan twee van de beste schepseltjes ter wereld gelukkig te maken.” Toen het er dus begon op aan te komen, was Pen zeer ernstig gestemd en volstrekt niet opgetogen, want hij hield zich overtuigd, dat hij een groot offer ging brengen.
Jufvrouw Laura was gewoon zich bij hare werkzaamheden in den tuin in een soort van uniform te kleeden, die, hoe eenvoudig ook, haar, naar veler oordeel, gansch niet kwaad stond. Zij droeg dan een grooten strooien hoed met breede linten, die waarschijnlijk tot niets nut waren; doch de hoed beschermde het lieve gezichtje zijner eigenares behoorlijk tegen de zon. Over haar gewone kleedje droeg zij een hoog voorschoot, dat door een netten gordel rondom haar fijn middeltje werd vastgehouden, en hare handen waren tegen de doornen van hare geliefkoosde rozestruiken beschermd door een paar dikke handschoenen, wat aan de jonge dame een krijgshaftig voorkomen gaf.
Het scheen of zij denzelfden glimlach op haar gelaat had, waarmee zij Pen den vorigen avond had uitgelachen, en de herinnering aan zijn rampspoed kwetste dien jongen heer weer. Doch ofschoon Laura hem het pad zoo somber en zorgelijk zag opkomen, begroette zij hem met het bekoorlijkste en innemendste lachje en ging hem te gemoet, terwijl zij hem een harer handschoenen reikte, opdat hij dien zou kunnen drukken indien hij het goedvond, – en mijnheer Pen verwaardigde zich daartoe inderdaad. Zijn gelaat verloor echter door dat gunstbetoon zijne tragische uitdrukking niet en hij bleef haar somber en plechtstatig aanzien.
„Excuseer mijn handschoen,” zeide Laura lachend, terwijl zij er Pen’s hand vriendelijk mee drukte. „Wij zijn toch niet meer boos, niet waar, Pen?”
„Waarom lacht gij mij uit?” sprak Pen. „Dat deedt gij gisterenavond ook, en daardoor hebt gij mij een mal figuur laten maken bij die menschen uit Baymouth.”
„Beste Arthur, ik bedoelde niets kwaads,” gaf het meisje ten antwoord. „Gij en jufvrouw Roundle zaagt er zoo kluchtig uit, toen gij – toen gij dat kleine ongeluk hadt, dat ik er wezenlijk niet om schreien kon. Beste Pen, gij hebt u toch bij dien val niet bezeerd, en bovendien was jufvrouw Roundle het meest te beklagen.”
„Ik wou, dat jufvrouw Roundle in de maan zat,” bulderde Pen.
„Daar zag zij ook net naar uit,” zeide Laura schalks. „Gij waart in een oogenblik op de been; maar dat arme meisje, zooals zij daar in haar rood krippen kleedje op den grond zat en met dat verslagen gezicht rondkeek, zal ik nooit vergeten.” En daarom begon Laura het gezicht, dat Jufvrouw Roundle in haar ongeluk trok, na te bootsen, maar zij hield zich dadelijk in, want zij kreeg er berouw over en zeide: „Nu, wij mogen haar niet uitlachen; maar u zouden wij wel moeten uitlachen, Pen, indien gij om zulk eene kleinigheid boos waart.”
„Gij althans behoordet mij niet uit te lachen,” zeide Pen met zekere bitterheid; „gij het minst van allen.”
„En waarom? Zijt gij zulk een groot man?” vroeg Laura.
„O neen, Laura, maar ik ben zulk een arm man,” gaf Pen ten antwoord. „Hebt gij mij niet reeds genoeg getergd?”
„En waarmee dan, beste Pen?” riep Laura uit. „ik dacht waarlijk niet, dat gij u over zulk eene kleinigheid boos zoudt maken. Ik meende, dat zulk een knap mensch als gij eene onschuldige grap van zijne zuster zou kunnen verdragen,” voegde zij er bij, terwijl zij hem nogmaals de hand toestak. „Lieve Arthur, heb ik u beleedigd, dan vraag ik u verschooning.”
„Uwe vriendelijkheid vernedert mij nog meer dan uwe spotternij, Laura,” hernam Pen. „Gij zijt altijd mijne meerdere.”
„Hoe! Meer dan de groote Arthur Pendennis? Hoe zou dat mogelijk zijn?” riep jufvrouw Laura, in wier karakter zoowel een klein beetje ondeugendheid als eene groote mate van beminnelijkheid vereenigd was. „Gij wilt toch niet zeggen, dat er ééne vrouw is, die op gelijke lijn met u staat?”
„Die weldaden bewijst moet niet plagen,” zeide Pen. „Ik kan niet verdragen, dat mijne weldoenster mij uitlacht, Laura: dat maakt de verplichting te drukkend voor mij. Gij veracht mij, omdat ik uw geld aangenomen heb, en ik verdien verachting; maar het is hard, dat mij die slag door u wordt toegebracht.”
„Geld! Verplichting! Foei, Pen, dat is laag!” zeide Laura met een gloeienden blos. „Heeft moeder niet recht op al wat wij bezitten? Ben ik haar niet al het geluk verschuldigd, dat ik op de wereld geniet, Arthur? Wat komt het op eenige ellendige guinjes aan, als wij haar liefderijk hart tot kalmte kunnen brengen, wanneer wij haar ten uwen aanzien kunnen geruststellen? Ik zou voor haar in het veld gaan werken, of mij als meid verhuren, – ik zou voor haar sterven! Gij weet, dat ik dat doen zou.” zeide jufvrouw Laura zeer opgewonden, „en durft gij dan dat ellendige geld eene verplichting noemen? Dat is wreedaardig, Pen; het is beneden u, het zoo op te nemen. Wie zou met mij mogen deelen wat voor mij overtollig is, zoo niet mijn broeder? Of, wat zeg ik! Het kwam mij niet eens toe: het was alles van mama, die er mee doen kon wat zij goedvond, gelijk haar alles behoort wat ik bezit, tot zelfs mijn leven,” zeide Laura; en bij die woorden zag het opgewonden meisje naar de vensters van de kamer der weduwe en zegende in haar hart de vriendin, die zich daar bevond.
Ongezien gluurde Helena uit dat venster, waar Laura’s oogen en hart onder het spreken heentrokken, en beschouwde hare beide kinderen met de meeste belangstelling en aandoening, hopende en wenschende, dat de begeerte haars levens nu vervuld zou worden. Wie weet hoeveel verzoekingen Arthur Pendennis bespaard zouden zijn, of welke geheel andere beproevingen hij ondergaan zou hebben, indien Laura nu gesproken had zooals Helena hoopte! Wellicht zou hij zijn leven lang op Fairoaks gebleven en als een landjonker gestorven zijn. Doch zou hij daarmede gered zijn geweest? De verzoeking is een volgzaam bediende, die niets tegen eene betrekking ten platten lande heeft; zij neemt, gelijk wij weten, zoowel in kluizenaarswoningen als in steden haar intrek, en vergezelt den hermiet, die haar tracht te ontvluchten, tot in de afgelegenste en ontoegankelijkste woestijn.
„Behoort uw leven aan mijne moeder?” zeide Pen, terwijl hij begon te beven en op eene zeer zenuwachtige wijze te spreken. „Weet gij, Laura, wat het groote doel van haar leven is?” en bij die woorden vatte hij nogmaals hare hand.
„Wat, Arthur?” vroeg zij, terwijl zij hare hand liet zakken, en nu eens naar hem, dan weer naar het venster zag, waarop zij de oogen neersloeg, om Pen’s blik te ontwijken. Ook zij beefde, want zij gevoelde, dat de crisis, waarop zij zich reeds lang heimelijk had voorbereid, gekomen was.
„Onze moeder koestert één wensch boven alle andere in de wereld, Laura,” sprak Pen, „en ik geloof, dat gij het weet. Ik moet u bekennen, dat zij er mij over gesproken heeft; en indien gij hem wilt vervullen, zusje-lief, ben ik bereid. Ik ben wel is waar nog zeer jong; maar ik heb reeds zooveel smart en teleurstellingen ondervonden, dat ik mij oud en afgetobd gevoel. Ik heb ternauwernood een hart meer om het u aan te bieden. Bijna eer ik den strijd des levens begonnen ben, gevoel ik mij uitgeput. Mijne loopbaan is bedorven; ik ben beschermd door degenen, die ik rechtens had moeten beschermen. Ik beken, lieve Laura, dat uw grootmoed en uwe edelmoedigheid mij beschaamd doen staan, ofschoon zij mij met dankbaarheid vervullen. Toen ik van onze moeder hoorde wat gij voor mij hadt verricht en dat gij het waart, die mij de wapenen in de hand hadt gegeven om den strijd nogmaals op te vatten, toen smachtte ik om mij aan uwe voeten te werpen en te zeggen: „Laura, wilt gij meegaan en dien strijd gezamenlijk met mij voeren? Uwe deelneming zal mij, zoolang die strijd duurt, opbeuren. Ik zal dan een der teerhartigste en edelmoedigste wezens onder de zon hebben, om mij te steunen en te vergezellen. Zult gij ja zeggen, Laura, om onze moeder gelukkig te maken?”
„Gelooft gij, dat mama gelukkig zou zijn, indien gij het niet waart, Arthur?” vroeg Laura op zachten en droeven toon.
„En waarom zou ik dat niet zijn met zulk een lief schepseltje als gij zijt aan mijne zijde?” riep Pen met vuur uit. „Ik kan u mijne eerste liefde niet schenken. Ik ben een ongelukkig mensch. Maar ik verzeker u, dat ik u hartelijk en oprecht zou liefhebben. Ik heb menige zinsbegoocheling en eerzuchtige gedachte verloren: doch ik ben nog niet geheel zonder hoop. Talenten weet ik, dat ik bezit, hoe jammerlijk ik ze ook misbruikt heb; zij kunnen mij nog van dienst wezen, en zouden dat zijn, indien ik eene drijfveer bezat. Laat mij heengaan met de gedachte, dat ik mijn woord verpand heb om tot u terug te keeren. Laat mij heengaan om te werken, met de gedachte, dat gij mijn geluk met mij zult deelen, als ik het herwin. Gij hebt mij zooveel gegeven, Laura; wilt gij van mij niets aannemen?”
„Wat hebt gij te geven, Arthur?” vroeg Laura met een droevigen ernst in hare stem, die Pen onthutst deed staan, daar hij inzag, dat hij zich versproken had. Inderdaad was zijne liefdesverklaring ook niet zoodanig als hij twee dagen vroeger zou hebben afgelegd, toen hij, vervuld met hoop en erkentelijkheid, naar Laura, zijne redster, gesneld was, om haar dank te zeggen voor zijne terugverkregen vrijheid. Had hij toen mogen spreken, hij zou geheel anders gesproken en zij van haar kant misschien geheel anders geluisterd hebben. Het zou toen een dankbaar hart geweest zijn, dat haar om het hare vroeg, geen afgetobd hart, dat haar werd aangeboden om het te nemen of niet. Laura gevoelde zich beleedigd door de bewoordingen, in welke Pen haar zijne hand had aangeboden. Hij had letterlijk gezegd, dat hij geene liefde koesterde, en desniettemin wilde hij zich niet laten afwijzen. „Ik bied mij aan u aan, om moeder genoegen te doen,” had hij gezegd; „neem mij maar, daar zij verlangt, dat ik dit offer zal brengen.” De fierheid van het meisje kwam in opstand tegen het denkbeeld, een echtgenoot onder zulke voorwaarden te kiezen; zij was niet voornemens zich in zijne armen te werpen, omdat Pen goedvond haar een wenk te geven, en uit haar toon, toen zij Arthur beantwoordde, sprak dus haar besluit om vrij te blijven.
„Neen, Arthur,” zeide zij, „ons huwelijk zou mama niet zoo gelukkig maken, als zij verwacht; want het zou u niet zeer lang bevredigen. Ook ik heb geweten wat zij begeerde, want zij is te openhartig om iets te verbergen, dat haar op het hart ligt; en er was misschien eens een tijd, dat ik dacht – maar dat is nu voorbij – dat ik u – dat het had kunnen gebeuren, zooals zij wenschte.”
„Gij hebt iemand anders gezien,” zeide Pen, die zich aan haar toon ergerde en wien de voorvallen der laatste dagen te binnen schoten.
„Die toespeling hadt gij kunnen laten,” hernam Laura en hief het hoofd op. „Een hart, dat op zijn drie en twintigste jaar reeds de liefde versleten heeft, zooals gij zegt, dat het uwe heeft gedaan, had ook de jaloerschheid behooren te overleven. Ik zal mij niet verwaardigen om te verklaren, of ik iemand anders heb gezien of aangemoedigd. Ik zal de beschuldiging erkennen noch tegenspreken, en verzoek u, er niet op terug te komen.”
„Ik vraag vergiffenis, Laura, indien ik u beleedigd heb. Maar als ik jaloersch ben, ligt daar het bewijs niet in, dat ik nog een hart bezit?”
„Niet voor mij, Arthur. Misschien gelooft gij, dat gij mij thans liefhebt; maar dat is slechts voor een oogenblik en omdat gij nu te leur gesteld zijt. Als er geen hinderpaal bestond, zoudt gij geen zucht gevoelen om dien te overwinnen. Neen, Arthur, gij draagt mij geen liefde toe. Gij zoudt mij in drie maanden moede zijn, zooals de meeste dingen; en mama zou, als zij zag, dat ik u tegenstond, rampzaliger zijn dan zij wezen zal, indien ik weiger de uwe te worden. Laten wij, gelijk tot dusverre, broeder en zuster voer elkander zijn, Arthur, – maar meer niet! Gij zult deze kleine teleurstelling wel te boven komen.”
„Ik zal het beproeven,” zeide Arthur met veel verontwaardiging.
„Hebt gij het niet reeds vroeger beproefd?” hernam Laura, met zekere drift; want zij was reeds sinds lang op Arthur boos, en had nu waarschijnlijk besloten haar hart lucht te geven. „En wanneer gij eene vrouw nog eens uwe hand aanbiedt, Arthur, zeg dan niet, zooals gij tegen mij deedt: „Ik heb geen hart, ik draag u geene liefde toe; maar ik ben bereid u te trouwen, omdat mijne moeder dit huwelijk wenscht.” Wij eischen meer dan iets dergelijks in ruil voor onze liefde – dat geloof ik ten minste. Ik heb er tot nog toe geen ondervinding van; ik heb de – de ervaring niet gehad, die gij bij mij ondersteldet, toen gij zoo even te kennen gaaft, dat ik iemand anders gezien had. Hebt gij ook aan uwe eerste beminde verteld, Arthur, dat gij geen hart bezat? of aan uwe tweede, dat gij haar niet liefhadt, maar dat zij u krijgen kon, indien het haar behaagde?”
„Wat – wat bedoelt gij?” vroeg Arthur blozende en nog altijd heel boos.
„Ik bedoel Blanche Amory, Arthur Pendennis,” antwoordde Laura met fierheid. „Het is nog pas twee maanden geleden, dat gij hebt zitten zuchten aan hare voeten – dat gij gedichten op haar hebt gemaakt en die aan den oever der rivier in holle boomen hebt verborgen. Ik wist alles. Ik hield u in het oog – dat wil zeggen, zij heeft ze mij laten zien. Geen van u beiden meende het wellicht ernstig; maar het is althans nog te vroeg voor u, Arthur, om eene nieuwe verbintenis aan te knoopen. Laat den tijd van uw – van uw weduwnaarschap eerst voorbijgaan en denk niet aan trouwen eer gij uit den rouw zijt.” Bij deze woorden schoten hare oogen, waarlangs zij hare hand streek, vol tranen. „Ik ben boos en gegriefd, en heb echter geene reden daartoe, zoodat ik u nu op mijne beurt vergiffenis vraag, Arthur-lief. Het stond u vrij, Blanche lief te hebben. Zij was duizendmaal mooier en knapper dan ik – dan eenig meisje in den omtrek; en gij kondt niet weten, dat zij geen hart bezat, zoodat gij ook weer het recht hadt om haar te verlaten. Ik mag u niet verwijten, dat gij het oog op Blanche Amory liet vallen en dat zij u bedroog. Vergeef mij, Pen;” en andermaal reikte zij hem de vriendelijke hand toe.
„Wij waren beiden jaloersch,” sprak Pen. „Laten wij elkander vergiffenis schenken, lieve Laura;” en bij die woorden greep hij hare hand en trachtte hij haar tot zich te trekken. Hij dacht, dat zij week werd, en nam reeds de houding van een overwinnaar aan.
Maar zij trok zich terug; hare tranen verdwenen en zij sloeg een zoo droefgeestigen en strengen blik op hem, dat de jonkman er op zijne beurt voor terugdeinsde. „Vergis u niet in mijne woorden, Arthur,” zeide zij; „het kan niet zijn. Gij weet niet wat gij eischt, en wees niet al te boos op mij als ik zeg, dat gij het, geloof ik, niet verdient. Wat biedt gij eene vrouw in ruil voor hare liefde, eer en gehoorzaamheid aan? Indien ik ooit die woorden uitspreek, Pen, hoop ik ze in vollen ernst uit te spreken en, met Gods hulp, mijne belofte te houden. Maar gij – welke band houdt u? Aan vele dingen, die wij, arme vrouwen, als heilig beschouwen, hecht gij niet. Ik zou niet gaarne onderzoeken of vragen hoever uw ongeloof gaat. Gij wilt in het huwelijk treden om uwe moeder genoegen te doen, en gij bekent, dat gij geen hart hebt. O, Arthur, wat is het dan, dat gij mij aanbiedt? Welk eene overijlde verbintenis zoudt gij lichtvaardig aangaan? Eene maand geleden zoudt gij u aan eene andere weggeschonken hebben. Ik bid u, speel niet zoo roekeloos met uw eigen hart en dat van anderen. Ga heen en werk; ga heen en verbeter u, Arthur, want ik ken uwe gebreken en durf er thans over spreken; ga en word beroemd, gelijk gij zegt, dat gij kunt; en inmiddels zal ik voor mijn broeder bidden en thuis voor onze lieve moeder zorgen.”
„Is dat uw laatste woord, Laura?” riep Arthur uit.
„Ja,” antwoordde Laura en boog het hoofd, en na hem nogmaals de hand te hebben gegeven, ging zij heen. Hij zag haar onder het klimop van het priëeltje doorgaan en in huis verdwijnen. Op hetzelfde oogenblik viel de gordijn van het venster op de kamer zijner moeder neer, maar hij merkte dit niet op, noch vermoedde zij, dat Helena getuige van het voorgevallene was geweest.
Was hij verheugd of verslagen over den afloop? Hij had haar gevraagd, en een heimelijke triomf vervulde zijn hart bij de gedachte, dat hij nog vrij was. Zij had hem afgewezen; maar had zij hem niet lief? Die kleine trek van jaloerschheid deed hem gelooven, dat haar hart hem nog altijd toebehoorde, wat hare lippen ook zeggen mochten.
En thans zouden wij wellicht een ander tooneel behooren te beschrijven, dat op Fairoaks tusschen de weduwe en Laura voorviel, toen deze laatste aan Helena verklaren moest, dat zij de hand van Arthur Pendennis had geweigerd. Misschien was dit de zwaarste van alle beproevingen, die Laura in deze zaak te verduren had en die haar het meeste leed veroorzaakte. Doch daar wij eene brave vrouw niet gaarne onrechtvaardig zien, zullen wij geen woord van den twist reppen, die nu tusschen Helena en hare pleegdochter volgde, noch van de bittere tranen, die het arme meisje dientengevolge storten moest. Het was het eenige geschil, dat ooit tusschen haar en de weduwe was gerezen, en daarom was het des te pijnlijker. Pen verliet het huis terwijl die oneenigheid nog voortduurde, – en Helena, die bijna alles door de vingers kon zien, kon eene rechtmatige daad van Laura’s zijde niet vergeven.
NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
BABYLON.
De lezer hebbe nu de goedheid de bosschen en stranden van het westen van Engeland, de praatjes van Clavering en het eentonige leven van het onbeduidende en kleine Fairoaks te verlaten, om zich in gezelschap van Arthur Pendennis met de diligence Alacrity naar Londen te verplaatsen, waarheen hij zich begeeft om het nu eens voorgoed tegen de wereld op te nemen en fortuin te maken. Terwijl het rijtuig in den nacht van het ouderlijk huis wegrolt, wikt en weegt de jonkman menig plan voor zijn verder leven en gedrag, waarbij hij zich voorstelt meer voorzichtigheid in acht te nemen dan vroeger en wellicht geluk en roem te verwerven. Hij weet, dat hij meer talent bezit dan menigeen, die hem tot nu toe op den levensweg is vooruitgesneld; zijne eerste schipbreuk heeft hem met wroeging vervuld en tot nadenken gebracht; maar zijn moed, of laten wij liever zeggen, de goede gedachte, die hij van zich zelven had, is niet vernietigd. Honderderlei schoone droombeelden en hoopvolle verwachtingen houden hem wakker. Wat hebben zijne tegenspoeden en een jaar nadenkens en zelf beproeving hem veel ouder gemaakt, sinds hij twaalf maanden geleden dezen zelfden weg bereisde op zijn tocht van en naar Oxbridge! In de stilte van den nacht keeren zijne gedachten met onuitsprekelijke hartelijkheid en teederheid naar zijne liefhebbende moeder terug, die bij het afscheid hem haar zegen gaf en hem, in weerwil van al zijne vroegere misstappen en dwaasheden, nog altijd vertrouwt en liefheeft. Terwijl hij naar de sterren opziet, bidt hij, dat Gods zegen op haar nederdale. O hemel, schenk hem kracht om te werken, te dulden, braaf te blijven, de verzoeking te ontwijken, en het minnende hart, dat hem zoo onverdeeld lief heeft, waardig te blijven! Zeer waarschijnlijk is zij op dat oogenblik ook wakker, en zendt zij reiner gebeden voor het welzijn van haar zoon tot denzelfden Vader op. De liefde dier vrouw is een talisman, waaraan hij zich vastklemt en waardoor hij de veilige haven hoopt te bereiken. En Laura’s liefde? Ook hare genegenheid zou hij gaarne met zich genomen hebben, maar zij heeft hem die geweigerd, omdat hij die niet waardig is. Hij geeft dit met schaamte en wroeging toe; hij erkent, dat haar karakter veel beter en edeler is dan het zijne – hij bekent het, en is toch blij, dat hij vrij is. „Ik ben niet goed genoeg voor zulk een schepseltje,” moet hij bij zich zelven bekennen. Hij deinst voor hare vlekkelooze schoonheid terug, als voor iets, dat hem schrik inboezemt. Hij gevoelt, dat hij eene levensgezellin als deze niet verdient, gelijk menig losbol, die in vroegere dagen vroom en schuldeloos was, uit de kerk wegblijft, die hij voormaals placht te bezoeken en die hij nu schuwt, niet omdat hij haar vijandig is, maar omdat hij gevoelt, dat hij geen recht heeft zich op die heilige plaats te bevinden.
Daar zulke gedachten Pen bezig hielden, viel hij niet in slaap voordat de kille dageraad van den October-morgen aanbrak; en toen de diligence op de oude pleisterplaats B. stilhield, waar hij sinds zijn jongenstijd menig vroolijk maal gebruikt had op zijn weg van en naar de school en de academie, ontwaakte hij merkelijk verfrischt. Toen men van daar weer vertrok, brak de zon helder door; de paarden liepen snel, de trompet liet zich hooren, de mijlpalen vlogen voorbij, en Pen rookte en schertste met den conducteur, de passagiers en de voorbijgangers op den welbekenden weg; elk oogenblik werd het voller en levendiger; het laatste span paarden kwam te H. voor den wagen en daarop reed die Londen binnen. Welk jonkman heeft niet zekere ontroering gevoeld toen hij die groote stad binnenkwam. Honderden andere rijtuigen, met hunne duizenden passagiers, snelden daar ook heen. „Hier is mijne plaats,” dacht Pen; „hier begint de strijd, waarin ik moet vechten en overwinnen, of sterven. Tot nog toe ben ik een kwajongen en een luiaard geweest. O, ik smacht om te toonen, dat ik een man kan zijn!” En van zijne plaats boven op den wagen zag de vurige jongeling op de stad neer, met dat soort van verlangen, hetwelk jonge krijgslieden ondervinden, wanneer zij op het punt staan een veldtocht te beginnen.
Onderweg had Pen kennis gemaakt met een vroolijken mede-passagier in een kalen mantel, die heel veel over de letterkundigen sprak, die hij kende, en zelf de correspondent van een Londensch nieuwsblad was, voor hetwelk hij eene groote bokspartij in het westen van Engeland was gaan bijwonen. Deze heer scheen al de voorname letterkundigen van zijn tijd familiaar te kennen en sprak over Tom Campbell, Tom Hood, Sydney Smith, kortom over iedereen, alsof hij tot hunne boezemvrienden behoorde. Toen men Brompton voorbijreed, maakte hij onzen vriend Pen opmerkzaam op mijnheer Hurtle, den recensent, die daar met zijne paraplu onder den arm wandelde. Pen boog zich voorover, om den grooten Hurtle goed op te nemen, en zeide, dat deze in het Bonifacius Collegie gestudeerd had, waarop mijnheer Doolan, van het dagblad de Ster (gelijk zijn naam en adres luidde op het kaartje, dat hij Pen overhandigde) ten antwoord gaf, dat dit ook inderdaad zoo was „en dat hij hem heel goed kende.” Pen beschouwde het als eene eer, den grooten Hurtle gezien te hebben, wiens werken hij bewonderde. Tot nog toe geloofde hij oprecht aan schrijvers, recensenten en redacteurs; zelfs Wagg, wiens boeken hem niet als meesterstukken van vernuft voorkwamen, vereerde hij heimelijk als een gevierd schrijver. Hij zeide, dat hij Wagg buiten ontmoet had, waarop Doolan hem verzekerde, dat die vermaarde auteur driehonderd pond per deel voor elk zijner romans ontving, en dadelijk begon Pen te berekenen, of hij zelf op die wijze niet vijf duizend pond ’s jaars zou kunnen verdienen.
De eerste bekende, dien Arthur in het oog kreeg toen de diligence voor het Gloster koffiehuis stilhield, was zijn oude vriend Henry Foker, die met witte handschoenen en witte leidsels achter een reusachtig paard Arlington Street in een open rijtuigje kwam afrennen. De natuur had hem thans met een belangrijken haarbos aan zijne kin versierd. Achter op Foker’s rijtuig zwaaide een klein knechtje heen en weer, met kromme knieën en in de nauwst mogelijke lederen broek, welk ventje den eervol ontslagen Domkop was opgevolgd. Foker keek naar het bestoven rijtuig en de dampende paarden der Alacrity, waarmee hij in vroeger tijd ook gereisd had. „Dag, Foker!” riep Pendennis uit, – „Hola, Pen! ouwe Jongen!” antwoordde de ander en wuifde tot vriendschapsteeken en groet met zijne zweep naar Arthur, die zeer verheugd was het kluchtige gezicht van zijn ouden kennis weer te zien. Mijnheer Doolan vatte grooten eerbied voor Pen op, die een bekende had, die zulk een prachtig rijtuig bezat, terwijl Pen zeer opgewonden en blij was, dat hij zich in vrijheid te Londen bevond. Hij noodigde Doolan uit, met hem te dineeren in het Covent Garden koffiehuis, waar hij zijn intrek zou nemen, en met groote opgewektheid riep hij eene vigilante en rolde derwaarts. Met genoegen zag hij den drukken knecht en den beleefd buigenden kastelein weer. Hij vroeg naar de vrouw van den kastelein, betuigde zijne spijt, dat de oude laarzenpoetser weg was, en zou wel iedereen de hand geschud hebben. Hij had honderd pond op zak. Hij kleedde zich zoo sierlijk mogelijk, dineerde in de koffiekamer met een bescheiden pintje sherry (want hij had besloten zeer zuinig te zijn) en begaf zich daarop naar den naburigen schouwburg.
Het licht en de muziek, de menschenmenigte en de levendigheid verrukten Pen en stemden hem vroolijk, een invloed, dien zulke tooneelen doorgaans op jongelieden uitoefenen, die van de academie of van het platteland komen, en voor wie ze tamelijk nieuw zijn. Hij lachte om de aardigheden en applaudisseerde de liedjes, tot vermaak van eenige der oude lustelooze habitués der loges, die sinds lang niet de minste opwekking meer vonden op die plaats, waar zij des avonds gewoon waren te verschijnen, zoodat zij met genoegen iemand zagen, die nog zoo groen was en zich zoo amuseerde. Na het voorstuk drentelde hij door de gangen van den schouwburg, alsof hij zich op eene allervoornaamste plaats bevond. Zou er wel één afgemat Londensch straatslijper zijn, die dergelijke jeugdige illusiën niet gekoesterd heeft en ze niet gaarne zou terugroepen? Daar was de jonge Foker weer, gelijk van zulk een vurig najager des vermaaks te verwachten was. Hij wandelde op en neer met Granby Tiptoff van de garde, Lord Tiptoff’s broeder, en Lord Colchicum, den oom van kapitein Tiptoff, een eerwaardig pair, die sedert de eerste Fransche omwenteling een man van de wereld was geweest. Foker liep met drift naar Pen en liet niet af, voordat deze was meegegaan naar zijne eigen loge, waar eene dame met de langste krullen en de blankste schouders, die men zich kan voorstellen, gezeten was. Dit was jufvrouw Blenkinsop, de talentvolle actrice. Achter in de loge zat de oude Blenkinsop, haar papa, onder eene pruik te dutten. Op de tooneelprogramma’s werd hij beschreven als „de veteraan Blenkinsop,” – „de onmisbare Blenkinsop,” – „de lieveling van het publiek, Blenkinsop.” Gewoonlijk vervulde deze veteraan op het tooneel de rollen van père noble, en werkelijk speelde hij zoowel in het openbare als in het bijzondere leven altijd de rol van tooneelvader.
Op dit oogenblik – het was omstreeks elf ure – lag mevrouw Pendennis op Fairoaks, te bed, vol nieuwsgierigheid of haar lieveling, Arthur, nu ook van zijne reis uitrustte. Ook Laura lag wakker. En op dit zelfde uur gisterenavond deed Pen, terwijl de diligence over den stillen weg voortrolde, langs de verlichte vensters van boerenwoningen en langs donkere bosschages, onder den helderen hemel, waar de sterren fonkelden, de gelofte, dat hij zich zou beteren en aan de verzoeking het hoofd bieden, want zijn hart was nog thuis..... Inmiddels werd het nastuk zeer vroolijk afgespeeld, en betooverde mevrouw Leary, in een huzarenwambuis en eene gegalonneerde broek, de toeschouwers met haar schalksch spel, hare bekoorlijke gestalte en hare overheerlijke liedjes.
Daar Pen een nieuweling in Londen was, zou hij gaarne naar mevrouw Leary geluisterd hebben; maar de anderen in de loge gaven niet om hare liederen, of hare pantalon, en zaten aanhoudend te praten. Tiptoff wist waar hare maillots vandaan kwamen. Colchicum had haar in 1814 voor het eerst zien optreden. Jufvrouw Blenkinsop zeide, dat zij heel valsch zong, tot ergernis en verbazing van Pen, voor wien zij zoo schoon was als een engel en zoo zoet als een nachtegaal kweelde; en toen Hoppus, als Sir Harcourt Featherby, den jeune premier, optrad, verklaarden de heeren in de loge, dat hij te oud werd, terwijl Tiptoff jufvrouw Blenkinsop’s bouquet aan Hoppus wilde toewerpen.
„Om alles ter wereld niet!” riep de dochter van den veteraan Blenkinsop; „ik heb het van Lord Colchicum gekregen.”
Pen herinnerde zich den naam van dien edelman, en zeide buigend en blozend, dat hij meende Lord Colchicum te moeten bedanken voor zijne goedheid, dat hij hem op verzoek van zijn oom, majoor Pendennis, tot lid van de Megatherium-club voorgehangen had.
„Zoo, zijt gij de neef van Pruikenburg, wezenlijk?” zeide de pair. „Ik vraag u verschooning; – onder ons noemen wij hem altijd Pruikenburg.” Pen werd rood, toen hij zijn achtbaren oom met zulk een spotnaam hoorde bestempelen. „Wij hebben u verleden week geballoteerd, geloof ik; ja, het was verleden Woensdagavond. Uw oom was er niet bij.”
Dat was een heerlijk nieuws voor Pen! Hij betuigde zijn innigen dank aan Lord Colchicum, in eene sierlijke toespraak, die de ander met zijn tooneelkijker voor de oogen aanhoorde. Pen was boven de wolken bij de gedachte, dat hij lid van die voorname club was.
„Kijk niet altijd naar die loge, ondeugd!” riep jufvrouw Blenkinsop den lord toe.
„Het is een duivelsch mooie vrouw, die Mirabel,” zeide Tiptoff, „ofschoon Mirabel een verd– gek was, dat hij haar trouwde.”
„Een ouwe stommerik!” zeide de pair.
„Mirabel!” riep Pendennis uit.
„Ja, ja,” zeide Henry Foker lachende, „Wij hebben al vroeger van haar gehoord, niet waar, Pen?”
Het was Pen’s eerste liefde: het was niemand anders dan jufvrouw Fotheringay. Een jaar geleden was zij naar het huwelijksaltaar geleid door Sir Charles Mirabel, grootkruis van de Bath-orde en oud-gezant aan het hof van Pompernikkel, die zulk een belangrijk aandeel had genomen in de onderhandelingen op het congres te Zwammerdam en namens hare Britsche Majesteit den vrede van Pultusk had geteekend.
„Emily is altijd zoo dom als eene eend geweest,” merkte jufvrouw Blenkinsop aan.
„Eh! eh! pas si bête,” antwoordde de oude pair.
„O foei!” zeide de actrice, die er geen woord van verstond.
En Pen keek nog eens en zag zijne eerste liefde weer – en was verwonderd, dat hij haar ooit had kunnen beminnen.
Op die wijze zag mijnheer Arthur Pendennis, den allereersten avond van zijn verblijf te Londen, zich ingelijfd in eene club en in aanraking gebracht met eene actrice, een père noble van het tooneel, en een levendig gezelschap van oude en jonge vroolijke losbollen; want Lord Colchicum, ofschoon gebogen onder den last der jaren, kaal van hoofd en verzwakt van gestel, was nog altijd onvermoeid in het najagen van het vermaak, en de achtbare burggraaf beroemde zich, dat hij nog evenveel wijn kon drinken als het jongste lid van den kring, waarin hij verkeerde. Hij ging met de jongelui der stad om, gaf hun diners te Richmond en te Greenwich; onthaalde, als verlicht beschermer van het tooneel in alle talen, en van de kunst van Terpsichore, de dramatische kunstenaars van alle natiën op zijne partijen – Engelschen van de schouwburgen in Covent Garden en het Strand, Italianen van dien in de Haymarket, Franschen van hun eigen lief tooneeltje, of van de planken der Opera, waar zij dansten. En op zijne villa aan den Theems gaf deze steunpilaar van den Staat prachtige partijen aan dozijnen voorname jonge heeren, die zich zeer minzaam aansloten bij de heeren en dames van het tooneel – vooral bij de laatste; want de burggraaf Colchicum verkoos haar gezelschap boven dat harer broederen, daar hij het beschaafder en vroolijker vond.
Pen ging reeds den volgenden dag zijne entrée in de club betalen, welke operatie precies een derde gedeelte van zijne honderd pond verslond, waarna hij bezit nam van het gebouw en er met een onbeschrijfelijk welbehagen ontbeet. Hij begroef zich in de leeskamer in eene voltaire, en trachtte al de tijdschriften door te lezen. Hij was nieuwsgierig of de leden ook naar hem keken en verwonderde zich, dat zij in zulke prachtige vertrekken den hoed durfden ophouden. Hij ging op papier van de club een brief naar Fairoaks schrijven waarin hij uitweidde over de verpoozing, die deze plaats hem zou schenken, als zijn dagwerk was afgeloopen. Vervolgens begaf hij zich niet zonder angst naar de kamers van zijn oom in Bury Street, omdat het de stellige wensch zijner moeder was geweest, dat hij dadelijk een bezoek bij majoor Pendennis zou afleggen; en het nam hem een pak van het hart, toen hij hoorde, dat zijn oom nog niet van zijne reis terug was. Ooms vertrekken zagen er verlaten uit: de schrijftafel was met grijs linnen overtrokken, en op den schoorsteenmantel lagen brieven en rekeningen kalm op den geadresseerden te wachten. De majoor was, zooals zijne jufvrouw zeide, met den markies van Steyne op het vasteland te „Badnbadn.” Pen legde zijn kaartje, waarop nog Fairoaks stond, bij de overige op den schoorsteenmantel.
Toen de majoor te Londen terugkwam, hetgeen nog tijdig genoeg geschiedde om de November-misten te genieten, waarna hij zich voorstelde den Kersttijd bij eenige vrienden op het land te gaan doorbrengen, vond hij een tweede kaartje van Arthur, waarop Lamb Court, Temple, gegraveerd was, met een briefje van dien jongen heer en van zijne moeder, inhoudende, dat hij naar Londen gekomen was, zich in den Upper Temple had laten inschrijven en nu vlijtig in de rechten studeerde.
Lamb Court, Temple: – waar was dat? Majoor Pendennis herinnerde zich wel eens van voorname dames gehoord te hebben, dat zij met mijnheer Ayliffe, den advocaat, gedineerd hadden, die in „de wereld” kwam en in King’s Bench woonde, van welke gevangenis zich vermoedelijk eene afdeeling in den Temple bevond, waarvan Ayliffe dus, denkelijk, een beambte was. Mijnheer Deuceace, de zoon van Lord Crabs, had daar ook gewoond, naar hij zich te binnen bracht. Hij zond dus Morgan af, om uit te vorschen waar Lamb Court was, en verslag te doen over de soort van woning, die mijnheer Arthur gekozen had. Die snuggere afgevaardigde had weinig moeite, om Pen’s verblijf te ontdekken. De stille Morgan had in zijn tijd wel personen uitgevonden, die vrij wat moeielijker te ontdekken waren dan Arthur.
„Wat soort van plaats is het, Morgan?” vroeg de majoor den volgenden morgen van achter zijne bedgordijnen in Bury Street, toen de knecht te midden van den dikken, gelen Londenschen mist de toiletbenoodigdheden rangschikte.
„De plaats is een beetje raar,” antwoordde Morgan. „Er wonen daar procureurs en advocaten en hunne namen staan op de deur. Mijnheer Arthur woont op de derde verdieping, mijnheer. Mijnheer Warrington woont daar ook, mijnheer.”
„Van de Warrington’s uit Suffolk, denkelijk! Eene heel goede familie,” dacht de majoor; „de jongere zonen van vele onzer voorname familiën kiezen de rechtsgeleerdheid tot hun beroep. Zijn het mooie kamers, hé?”
„Ik heb alleen de deur van buiten gezien, mijnheer, met den naam van mijnheer Warrington en dien van mijnheer Arthur er op geschilderd, terwijl op een stuk papier geschreven stond: „Ten zes uur weer thuis.” Maar ik heb geen bediende kunnen vinden, mijnheer.”
„Dat is in ieder geval goedkoop,” zeide de majoor.
„Ja wel, mijnheer. Drie verdiepingen, mijnheer. Zoo’n vuile, donkere trap heb ik nog nooit gezien. Het verwondert mij, hoe een gentleman op zulk eene plaats kan wonen.”
„Zeg eens, wie heeft u geleerd waar gentlemen al of niet moeten wonen, Morgan? Mijnheer Arthur, vriendje, gaat studeeren voor advocaat, begrijpt ge?” zeide de majoor met groote deftigheid, maakte een einde aan het gesprek en begon zich onder den gelen mist te kleeden.
„Jongelui blijven jongelui,” overlegde de verteederde oom bij zich zelven. „Hij heeft mij een drommels aardigen brief geschreven. Colchicum zegt, dat hij hem te dineeren heeft gehad en vindt, dat hij zich als gentleman voordoet. Zijne moeder is het beste vrouwtje ter wereld. Als hij uitgeraasd heeft en zich op zijne zaken wil toeleggen, kan er nog iets van hem komen. Dat Charley Mirabel, die ouwe gek, dat vroegere liefje van hem, die Fotheringay, getrouwd heeft! Hij wil liefst niet hier komen voordat ik hem daartoe verlof geef en zet dat op eene echt fatsoenlijke en kiesche wijze uiteen. Ik was verduiveld boos op hem na zijne dwaasheden te Oxbridge en liet het hem ook gevoelen toen hij de laatste maal hier was. Wel, ik zal hem eens gaan bezoeken, – voor den drommel, dat zal ik doen!”
En na van Morgan vernomen te hebben, dat hij zonder veel moeite in den Temple kon komen en dat een der omnibussen hem daar aan de poort zou afzetten, stapte de majoor op zekeren dag, na in zijne club ontbeten te hebben – niet de Polyanthus, waar mijnheer Pen juist tot lid aangenomen was, maar eene andere, want de majoor was veel te slim om een neef tot bestendig bezoeker eener societeit te willen hebben, waar hij gewoon was zelf zijn tijd door te brengen – stapte de majoor, zeggen wij, op zekeren dag in een omnibus, en verzocht den conducteur hem aan de poort van den Upper Temple te laten uitstappen.
Toen de majoor die sombere poorten bereikte, was het ongeveer twaalf uren op den middag. Een beleefd persoon, aan zijne kleeding een bode, geleidde hem door eenige donkere gangen en verschillende sombere gewelven over pleinen, waarvan het eene nog donkerder was dan het andere, tot hij eindelijk Lamb Court bereikte. Indien het donker was in Pall Mall, wat was het dan wel in Lamb Court? Er brandden daar kaarsen in vele van de vertrekken – op het kantoor van den heer Hodgeman, den voornamen advocaat, waar zes leerlingen bij het kaarslicht zaten te schrijven; in de kamer van den klerk van Sir Hokey Walker, waar de klerk, verreweg deftiger en innemender van voorkomen dan de beroemde rechtsgeleerde zijn meester, aan de deur met veel deftigheid stond te praten met den eersten klerk van een procureur; en in den winkel van Curling den pruikmaker, alwaar, bij het flauwe schemerlicht van een paar kaarsen, groote advocaten- en rechters-pruiken somber neerhingen, terwijl de pruikebollen naar den lantarenpaal op het binnenplein schenen te kijken. Twee kleine klerkjes speelden kruis en munt onder het schijnsel van die gaspit. In eene der deuren ging eene schoonmaakster op klompen binnen: uit eene andere kwam een courantenjongen te voorschijn. Een kruier, wiens wit voorschoot slechts flauwtjes zichtbaar was, liep op en neer. Men kon zich onmogelijk eene somberder plaats voorstellen, en de majoor sidderde bij de gedachte, dat iemand daar zijn verblijf kon vestigen. „Goede Hemel!” zeide hij, „hier moet de arme jongen niet blijven wonen!”
De flauwe en smerige olielampen, waarmee de trappen in den Upper Temple des avonds verlicht worden, brandden natuurlijk niet over dag, en nadat majoor Pendennis met moeite den naam van zijn neef onder dien van mijnheer Warrington, op den muur van nº. 6 gelezen had, kostte het hem nog meer moeite om de afschuwelijke donkere trap te beklimmen, langs wier leuningen, die hare kille vochtigheid aan zijne handschoenen mededeelden, hij al tastende den weg zocht, tot hij op de derde verdieping aankwam. In den gang van een der twee reeksen kamers brandde eene kaars; de deuren stonden open, en de namen van Warrington en A. Pendennis waren voor den majoor zeer duidelijk leesbaar toen hij binnenging. Eene Iersche werkvrouw, met emmer en bezem toegerust, deed de deur voor den majoor open.
„Is daar het bier?” riep eene zware stem uit. „Geef het gauw hier!”
De heer, die dit zeide, zat met ongeschoren gezicht op eene tafel, een kort pijpje te rooken, en iets verder zat Pen op een stoel, met eene sigaar in den mond en de beenen bij het vuur. Een kleine jongen, die het ambt van klerk bij deze heeren waarnam, grinnikte in het gezicht van den majoor over het denkbeeld, dat men hem voor het „bier” had gehouden. Hier op de derde verdieping waren de vertrekken iets lichter, zoodat de majoor zien kon waar hij zich bevond.
„Pen, mijn jongen, ik ben het, – het is – het is uw oom,” zeide deze, half gestikt door den rook. Doch daar de meeste jongelui van aanzien ook, sigaren gebruikten, vergaf hij die praktijk gaarne.
Warrington sprong van de tafel af en Pen, vrij onthutst, van zijn stoel op. „Ik vraag verschooning, dat ik mij zoo straks in u vergiste,” zeide Warrington op openhartigen en luiden toon. „Mag ik u eene sigaar presenteeren, mijnheer? Ruim die dingen daar van den stoel weg, Pidgeon, en zet hem bij het vuur.”
Pen wierp zijne sigaar in den haard en was verheugd, dat zijn oom hem met zooveel hartelijkheid de hand drukte. Zoodra de majoor den invloed van het trappenklimmen en den rook te boven gekomen was en spreken kon, begon hij met veel vriendelijkheid Pen te ondervragen over zijn eigen toestand en dien zijner moeder; want het bloed doet zich toch altijd gelden en het verschafte hem genoegen den knaap weer te zien.
Pen gaf de gevraagde inlichtingen en stelde daarop aan zijn oom mijnheer Warrington voor – oud-student van het Bonifacius-Collegie – met wien hij deze kamers bewoonde.
De majoor was volkomen voldaan, toen hij hoorde, dat mijnheer Warrington een jongere zoon was van Sir Miles Warrington in Suffolk. Hij had, jaren geleden, met een oom van hem in Indië en Nieuw Zuid-Wallis gediend.
„Die is daar schapen gaan houden en heeft fortuin gemaakt, mijnheer, – dat was een beter baantje dan advocaat of soldaat,” zeide Warrington. „Ik geloof, dat ik ook maar daarheen zal gaan.” En toen, op dit oogenblik, het bier in eene kan met een glazen bodem binnenkwam, zeide Warrington lachend, dat de majoor daar zeker niet van gediend zou zijn, waarop hij er zelf eene lange teug uitnam en vervolgens zijn baard met de vuist afveegde, met de meeste voldoening. De jonkman was volkomen op zijn gemak en volstrekt niet verlegen. Hij droeg een oud, versleten jachtbuis en had een borsteligen, blauwen baard; hij dronk bier als een zakkendrager, en toch herkende men dadelijk in hem den fatsoenlijken man.
Na nog een paar minuten gezeten te hebben, ging hij heen en liet de kamer aan Pen en diens oom over, opdat zij hunne familiezaken zouden kunnen bespreken, als zij er roeping toe gevoelden.
„Uw kameraad schijnt een vrij ongegeneerd heer te zijn,” sprak de majoor, „van eenigszins anderen stempel dan uwe dandyachtige vrienden te Oxbridge.”
„Het zijn nu andere tijden,” zeide Arthur en werd rood. „Warrington is pas kortelings advocaat geworden en heeft nog niets omhanden; maar hij is vrij goed op de hoogte in de rechten, en zoolang ik niet in de leer kan komen bij een advocaat met drukke praktijk, gebruik ik zijne boeken en laat mij door hem voorlichten.”
„Is dat één van die boeken?” vroeg de majoor met een glimlach, want naast den poot van Pens stoel lag een Fransche roman.
„Dit is geen werkdag, oom,” zeide de knaap. „Wij waren gisterenavond zeer laat op eene partij gebleven – bij Lady Whiston,” voegde hij er bij, daar hij zijn ooms zwak kende. „Wij zagen daar alle voorname lui, die in de stad waren, behalve u; graven, ambassadeurs, Turken, ridders van den Kouseband, ik weet al niet wie – zij staan allen in de courant – en mijn naam ook,” liet Pen er met groote opgetogenheid op volgen. „Ik heb daar nog een oud liefje van mij ontmoet, oom,” zeide hij met een lach. „Gij weet wel wie ik meen, oom, – Lady Mirabel, – aan wie ik opnieuw werd voorgesteld. Zij gaf mij de hand en was zeer vriendelijk. Ik heb u nog altijd te danken, dat gij mij uit dien valstrik gered hebt. Zij stelde mij ook aan haar man voor – een ouden kwast met eene ridderorde en eene blonde pruik, en die niet hoog schijnt te timmeren. Zij heeft mij uitgenoodigd, haar een bezoek te brengen, oom, en ik kan er nu heen gaan, zonder de minste vrees van mijn hart te verliezen.”
„Hoe, hebben wij nieuwe minnarijen aan de hand gehad?” vroeg de majoor uiterst vroolijk.
„Een stuk of twee drie,” gaf Pen lachend ten antwoord. „Doch ik vat het thans niet meer doodernstig op; dat gaat er na de eerste liefdesgeschiedenis af.”
„Zeer goed ingezien, mijn jongen! Minnevuur en liefdeschichten en verliefdheid tot den dood en zoo voorts is heel goed voor een knaap, en gij waart niets anders toen dat geval met die Fotheringill – of Fotheringay (hoe heet zij eigenlijk?) – plaats had. Doch een man van de wereld laat die dwaasheden varen. Gij kunt nog zeer goed vooruitkomen. Gij zijt gekwetst geworden, maar gij kunt nog herstellen. Gij zult een klein inkomen erven, dat iedereen voor vrij wat grooter houdt dan het is. Gij bezit een goeden naam, goede vermogens, goede manieren en een goed voorkomen – en ik zie voor den drommel niet in, waarom gij niet eene vrouw met geld zoudt trouwen – waarom gij niet in het parlement zoudt komen en u daar onderscheiden – en zoo voorts. Bedenk, dat het even makkelijk gaat eene rijke als eene arme vrouw te trouwen; en het is verduiveld veel pleizieriger zich neder te zetten tot een fijn diner dan tot een schapebout, op gemeubileerde kamers. Prent u dat goed in. Eene vrouw met een goeden bruidschat te trouwen is verduiveld veel gemakkelijker dan de advocatenpraktijk, dat kan ik u verzekeren. Kijk maar eens goed uit de oogen; ik zal het van mijn kant ook voor u doen; en ik zal mijn hoofd gerust neerleggen, beste jongen, als ik u verbonden zie met eene vrouw, die eene echte dame is, en gij er een goed span paarden op nahoudt, in de wereld verkeert en uwe vrienden ontvangt, als een gentleman. Zoudt gij gaarne willen wegkwijnen, evenals uwe beste moeder op Fairoaks? Verduiveld, jongen! zonder geld en omgang in de groote wereld is het leven niets waard.” Op deze en dergelijke wijze was het, dat de liefhebbende oom sprak en zijne eenvoudige wijsbegeerte voor Pen uiteenzette.
„Ik zou wel eens willen weten, wat mijne moeder en Laura van dit alles zouden zeggen?” dacht de jongeling. Maar de zedeleer van den ouden Pendennis was niet de hare en zijne wijsheid was niet hare wijsheid.
Dit aandoenlijke onderhoud tusschen oom en neef was ternauwernood afgeloopen, toen Warrington weer uit zijne slaapkamer te voorschijn kwam, nu niet langer in een haveloos gewaad, maar gekleed gelijk een gentleman betaamde, met opgerichten hoofde en in eene opgeruimde stemming. Hij nam de honneurs van zijne slordige zitkamer met evenveel gemak waar, alsof het de fraaiste kamer in Londen ware geweest. En een kluchtig vertrek was het, waarin de majoor zijn neef aantrof. Het vloerkleed was vol gaten en de tafel stond vol kringen van Warrington’s bierkannen. Er was eene kleine verzameling van rechtsgeleerde boeken, dichtbundels en werken over de wiskunde, waarvan hij veel hield. (Hij was in zijn tijd een der grootste pretmakers en ijverigste studenten te Oxbridge geweest, waar de naam van Warrington den „Doordraaier” nog beroemd was wegens het afkloppen van schuitenvoerders, het roeien om het hardst, het winnen van prijzen en het drinken van melk met brandewijn.) Boven den schoorsteenmantel hing eene afbeelding van het oude Collegie, terwijl eenige vlijtig gelezen deelen van Plato, met het welbekende wapen van het Collegie op het plat, op de boekenplanken stonden. Verder zag men twee armstoelen, een staand lessenaar vol rekeningen, en eenige nietsbeduidende processtukken op eene schrijftafel met een verminkten poot. Er was om de waarheid te zeggen bijna geen meubelstuk, dat niet in den oorlog was geweest en kwetsuren had bekomen. „Kijk, mijnheer,” zeide Warrington, „hier naast is Pens kamer. Het is een dandy, zoodat hij zich gordijnen om zijn bed heeft aangeschaft; hij draagt verlakte laarzen en heeft eene zilveren toiletdoos.” De kamer van Pen was dan ook met zekere coquetterie ingericht, en er hingen een paar fraaie platen van opera-danseressen, boven en behalve eene afbeelding van Fairoaks, aan den muur. In Warrington’s kamer zag men ternauwernood eenig huisraad, buiten een groot stortbad en een stapel boeken naast zijn bed, waar hij op stroo lag en zijne pijp rookte en den halven nacht zijne geliefkoosde dichters of in wiskundige werken las.
Toen dus mijnheer Warrington zijn eenvoudig toilet gemaakt had, kwam hij uit zijne kamer te voorschijn en ging naar de muurkast om te zien wat er voor het ontbijt was.
„Mag ik u eene lamscôtelet presenteeren, mijnheer? Wij braden die zelven, heet van den rooster, en ik leer Pen de grondbeginselen van de rechtsgeleerdheid, de kookkunst en de zedekunde allemaal te gelijk. Hij is een luiaard, mijnheer, en nog veel te veel een dandy.”
En met die woorden veegde mijnheer Warrington een rooster met een stuk papier af, zette dat werktuig op het vuur, legde er twee lamscôteletten op en haalde uit eene kast een paar borden en wat messen en zilveren vorken, benevens eene peperbus.
„Zeg het maar ronduit, majoor Pendennis,” vervolgde hij; „er ligt nog eene côtelet in de kast, en anders gaat Pidgeon dadelijk halen wat gij verkiest.”
Majoor Pendennis zat dit alles met verwondering en vermaak aan te zien, maar zeide, dat hij pas ontbeten had en niets zou gebruiken. Warrington braadde dus de côteletten en wipte ze nog sissende en knappende op de borden.
Pen viel met een gezegenden eetlust op zijne côtelet aan, na een blik op zijn oom, die hem deed zien, dat die heer nog altijd in goede luim verkeerde.
„Begrijpt ge, mijnheer,” zeide Warrington, – „vrouw Flanagan is niet hier om ze te braden, en aan den jongen hebben wij niets, want die kleine schavuit is den ganschen dag bezig met de laarzen van Pen te poetsen. En nu nog een teugje bier! Pen drinkt thee; maar dat is een drank voor oude wijven.”
„En dus waart gij gisterenavond bij Lady Whiston?” zeide de majoor, die waarlijk niet wist waarmee hij tegenover dezen ruwen diamant voor den dag zou komen.
„Ik bij Lady Whiston? Neen, zóó gek niet, mijnheer! Ik geef niet om het gezelschap van dames. Om de waarheid te zeggen, ik verveel mij daar. Ik heb mijn avond wijsgeerig in de Achterkeuken doorgebracht.”
„In de Achterkeuken – wezenlijk?” zeide de majoor.
„Ik zie, dat gij die plaats niet kent,” hernam Warrington. „Vraag er Pen maar eens naar. Hij is er nog geweest, toen hij van de partij van Lady Whiston kwam. Kom, Pen, vertel majoor Pendennis eens wat van de Achterkeuken – wees nu niet beschaamd.”
En zoo vertelde Pen dan, dat het een klein en wel wat zonderling gezelschap van letterkundigen en pretmakers was, waarin men hem had opgenomen; en de majoor begon te gelooven, dat de jonge snaak reeds heel wat van het leven gezien had sedert hij te Londen was gekomen.
DERTIGSTE HOOFDSTUK.
DE TEMPELRIDDERS.
Academische collegiën, scholen en Inns of court koesteren nog eenigen eerbied voor den ouden tijd en hebben een groot aantal gebruiken en instellingen van onze voorvaderen in stand gehouden, welke door de menschen, die aan onze voorouders geen bijzondere hoogachting toedragen, of misschien niet heel goed met hen bekend zijn, sinds lang zijn afgeschaft. Voor gezondheid, gemak en zindelijkheid is in een goed ingericht werkhuis of gevangenis veel beter gezorgd dan op eene voorname school, die in den ouden tijd gesticht is, of in eene Inn, waar de geleerdheid troont. Op deze laatste plaats vinden de bewoners goed, in donkere vertrekjes te wonen, en voor eene zitkamer en de kast, die zij tot slaapkamer moeten gebruiken, een prijs te betalen, waarvoor zij eene villa met tuin in de voorsteden, of een ruim huis op een der minder bezochte pleinen van Londen zouden kunnen huren. De armste ambachtsman in Spitalfields heeft een regenbak, en kan over eene onbepaalde hoeveelheid water beschikken; maar voor de heeren in de Inns of court en aan de academiën wordt de hoeveelheid, die zij van dit kosmetiek behoeven, door waschvrouwen en beddenopmaaksters in kannen gehaald, en genoemde heeren wonen in huizen, die reeds lang gebouwd waren eer zindelijkheid en fatsoenlijkheid onder ons in de mode kwamen. Er leven nog personen, die op het volk smalen en er met verachtelijke bijnamen van spreken. Maar, mijne heeren, het lijdt weinig twijfel, dat uwe voorouders tot het groote gilde der ongewasschenen behoorden, en het is vrij zeker, dat de deugd der reinheid, die men zegt, dat het naast aan de vroomheid grenst, vooral in den Temple slechts onder groote bezwaren en in zeer beperkte mate in beoefening kon gebracht worden.
De oude Grump, die als advocaat de zittingen van het hof van assises te Norfolk bijwoonde, en dertig jaar de kamers onder die van Warrington en Pendennis bewoond had, werd doorgaans wakker van de kletterende stortbaden, welke die heeren in hunne vertrekken namen (en waarvan een gedeelte nu en dan door de zoldering in zijne kamer droop), en verklaarde, dat deze gewoonte eene dwaze en fatterige nieuwigheid was, terwijl hij dagelijks de waschvrouw verwenschte, die door het halen van water de trappen, welke hij beklimmen moest, glibberig maakte. Grump, die op het oogenblik veel meer dan eene halve eeuw oud was, had zich dan ook nooit de bedoelde weelde veroorloofd. Hij was er zeer goed zonder water gekomen, en onze vaderen vóór hem ook. Was er onder al de ridders en baronets, lords en gentlemen, wier wapens op de muren der vermaarde zaal in den Upper Temple geschilderd zijn, niet één menschlievend genoeg, om warme baden te stichten voor de rechtsgeleerden, die toen zijne makkers waren, of na hem zouden komen? De geschiedschrijver van den Temple meldt niet, dat er ooit zulk een plan bestaan heeft. Wel heeft men daar het Pomp-plein en het Fontein-plein met hunne watertoestellen; maar men heeft nooit vernomen, dat een rechter zich in de kom van de fontein verlustigd heeft, en men komt onwillekeurig tot de overtuiging, dat de pomp aan menigen advocaat, die in het recht van den ouden tijd zeer ervaren was, goed zou gedaan hebben.
Desniettemin bezitten die eerwaardige Inns, welke het Lam, de Vlag en het Gevleugelde Paard tot zinnebeelden hebben, aantrekkelijkheden voor degenen, die er wonen, en eene soort van behaaglijkheid en vrijheid, die men zich altijd met genoegen herinnert. Ik weet niet, of de beoefenaar van het recht zich de opwekking der geestdrift veroorlooft, of zich aan dichterlijke herinneringen overgeeft wanneer hij historisch geworden kamers voorbijgaat, en zegt: „Ginds heeft Eldon gewoond – hier zat Coke over Lyttleton na te peinzen – hier sloofde Chitty zich af – hier schreven Barnwell en Alderson te zamen hun beroemd werk – hier maakte Byles zijn groot boek over het Wisselrecht af en bracht Smith zijn onsterfelijk werk over de gerechtelijke antecedenten bijeen, – hier arbeidt Gustavus altijd voort, met Salomo tot zijn bijstand;” – maar de letterkundige kan niet anders dan liefde koesteren voor de plaats, die zoovele zijner medebroeders bewoond of met scheppingen van hun brein bevolkt hebben, scheppingen, die voor ons even wezenlijk zijn als de schrijvers, wier vindingen zij waren. Sir Roger de Coverley, die in den tuin van den Temple wandelt en zich daar met den Spectator onderhoudt over de schoonen met hoepelrokken en mouches, die over het gras drentelen, staat even duidelijk voor mijne oogen als de oude Samuel Johnson, die, met den Schotschen heer op zijne hielen, door den mist naar de kamer van Dr. Goldsmith in Brick Court draaft; of Henry Fielding, die met inktvlekken op zijne lubben en een natten handdoek om zijn hoofd, te middernacht artikelen voor het Covent Garden Journal afroffelt, terwijl de drukkersjongen in den gang zit te slapen.
Indien wij de geschiedenis van één enkelen dag konden vernemen, gelijk die wordt doorgebracht in elk dier huizen van vier verdiepingen op het morsige binnenplein, waar onze vrienden Pen en Warrington woonden, zou een of andere Asmodeus van den Temple er een merkwaardig boek over kunnen schrijven. Misschien woont er gelijkvloers een voornaam advocaat, die rechtszaken voor de balie van het parlement behandelt, en die op den tijd van het diner naar Belgravia rijdt, als wanneer ook zijn klerk een heer wordt, zijne vrienden onthaalt en in de wereld gaat. Nog slechts kort geleden woonde hij uitgehongerd en zonder bezigheden op een zolderkamertje; hij leefde van letterkundig werk, dat hij tersluiks verrichtte; hij hoopte en wachtte en verloor den moed, en er kwamen maar geen clienten; hij putte zijne eigen middelen en de hulpvaardigheid zijner vrienden uit; hij moest nederig uitstel verzoeken aan schuldeischers, en het geduld van arme crediteuren inroepen. Met volle zeilen scheen hij het verderf te gemoet te gaan, toen het rad der Fortuin plotseling eene wenteling maakte en den geluksvogel een dier prachtige prijzen in den schoot wierp, die soms in de groote loterij van het advocaatsberoep getrokken worden. Veel knapper advocaten dan hij hebben geen vijfde gedeelte van het inkomen van zijn klerk, die weinige maanden geleden ternauwernood krediet kon krijgen voor het poetsen van zijn meesters onbetaalde laarzen. Op de eerste verdieping zult gij misschien als bewoner een man met een beroemden naam vinden, die reeds eene halve eeuw in de Inn gewoond heeft en wiens brein vol boekengeleerdheid is, wiens planken buigen onder klassieke en rechtsgeleerde werken. Hij heeft al die vijftig jaren alleen geleefd, alleen en voor zich zelven, en geleerdheid verzameld en geld opgestapeld. Hij komt nu des avonds uit de club, waar hij heerlijk gedineerd heeft, op zijne eenzame kamers thuis, waar hij als een ondeugende oude hermiet leeft. Wanneer hij sterft zal de Inn eene marmeren plaat ter zijner gedachtenis in den muur laten metselen, terwijl zijne erfgenamen een gedeelte zijner boekerij zullen verbranden. Zoudt gij zulk een uitzicht voor uw ouden dag willen hebben, zoudt gij geld en geleerdheid willen opstapelen en zóó eindigen? Maar wij moeten niet te lang aan de deur van mijnheer Doomsday blijven staan. Boven hem woont de achtenswaardige mijnheer Grump, die ook een oud bewoner der Inn is, en als Doomsday thuis komt en Catullus gaat zitten lezen, met drie deftige rechtsgeleerde heeren van zijn leeftijd aan een stevigen rubber whist zit, na een diner, waar zij hunne drie stevige flesschen port gedronken hebben. Zondags kunt gij zien, hoe die oude knapen in de kerk van den Temple zitten te dutten. Zelden komen procureurs hen lastig vallen met de opdracht van eene zaak, en gelukkig hebben zij van zich zelven eenig vermogen. Aan den anderen kant van het derde portaal, waar Pen en Warrington wonen, zit mijnheer Paley, met den hoogsten graad gepromoveerd en tot fellow van zijn Collegie benoemd, lang na middernacht, ja tot twee ure des morgens, oude processen te lezen en er de hoofdpunten uit te noteeren; ’s morgens ten zeven ure staat hij weer op en zit dan op het kantoor van den advocaat, bij wien hij leert, zoodra het open is, waar hij werkt tot een uur vóór het diner; na den maaltijd, in de gemeenschappelijke zaal, komt hij thuis en gaat hij weer processen lezen en uittrekken tot het aanbreken van den volgenden dag, als wanneer misschien mijnheer Arthur Pendennis en diens vriend mijnheer Warrington van een of anderen hunner avontuurlijke tochten thuis komen. Wat heeft mijnheer Paley zijn tijd geheel anders besteed! Die heeft zich niet weggeworpen; hij heeft enkel en alleen een veelomvattend verstand met inspanning neergedrukt tot het peil van een onbeduidend onderwerp, en, om dit behoorlijk te overmeesteren, met vasten wil alle verhevene denkbeelden, alle dingen, die méér waard zouden zijn, al de wijsheid van wijsgeeren en geschiedschrijvers, al de vindingen der dichters, allen geest, alle verbeelding, alle denkvermogen, alle kunst, liefde, waarheid buitengesloten, opdat hij zich die onmetelijke fabel van het recht zou mogen eigen maken, met welks toelichting hij zijn onderhoud hoopt te verdienen. Warrington en Paley waren in vroeger dagen mededingers naar de eereprijzen der universiteit geweest en hadden elkander zeer na op de hielen gezeten; en iedereen verklaarde nu, dat de eerstgenoemde zijn tijd en zijne talenten verspilde, maar prees daarentegen Paley om zijne vlijt. Het zou echter nog de vraag kunnen zijn, wie van beiden zijn tijd het best besteedde. De een kon tijd vinden om te denken, en dat kon de ander nooit. De een kon genegenheid opvatten en vriendschap bewijzen, en de ander moest noodwendig altijd zelfzuchtig zijn. Hij kon geen vriendschapsband aanhouden, of eene weldaad doen, of een werk van genie bewonderen, of in geestdrift ontsteken op het zien van iets schoons, of op het hooren van een roerend lied; hij had geen tijd en geen aandacht voor iets anders dan zijne rechtsgeleerde boeken. Buiten den lichtkring zijner studeerlamp was alles donker. De liefde, de natuur, de kunst (die de uitdrukking is van onze lofprijzing van Gods heerlijke wereld en van de mate van ons begrip daarvan) gingen hem niet aan. En als hij des avonds zijne eenzame lamp uitdraaide, legde hij zich, met de vaste overtuiging, dat hij zijn dag nuttig had besteed, zonder dankgevoel en zonder zelfverwijt, ter ruste. Maar hij ijsde wanneer hij zijn oud kameraad Warrington op de trap ontmoette, en schuwde hem als iemand, die aan het verderf gewijd was.
Het kan het aanschouwen van die ziellooze vlijt en zelfbehaaglijke kleingeestigheid, die op Paley’s vaal gelaat te lezen stond en uit zijne half gesloten oogen sprak, of eene natuurlijke overhelling tot vermaak en gezelligheid, waarop wij bekennen moeten, dat mijnheer Pen buitengemeen verzot was, geweest zijn, welke dien rampzaligen jonkman weerhield zijn streven naar de waardigheden van opperrechter of lord-kanselier met dien ijver, of liever die volharding te vervolgen, die onmisbaar is voor heeren, welke tot die eerezetels willen opklimmen. Hij genoot het leven in den Temple met groote opgewektheid; zijne geachte familie meende, dat hij zoo vlijtig studeerde als een rechtgeaard student betaamde, en zijn oom schreef brieven vol gelukwenschen aan de liefhebbende weduwe op Fairoaks en berichtte haar, dat de jongen uitgeraasd had en de bestendigheid zelve werd. Maar het ware van de zaak was, dat het leven, hetwelk Pen nu leidde, eene nieuwe soort van prikkel voor hem bezat, en, nadat hij eenige der fatterige manieren en voorname airs had laten varen, welke hij aangenomen had onder zijne aristocratische medestudenten, waarmee hij nu weinig meer verkeerde, de minder verfijnde vermaken en uitspanningen van een ongetrouwd heer te Londen hem zeer nieuw en aangenaam waren, gelijk hij ze dan ook volop genoot. Er was een tijd, dat hij de dandy’s hunne fraaie paarden in Rotten Row benijd zou hebben, maar thans was het hem genoeg in het Park te wandelen en naar hen te zien. Hij was nog te jong om zonder een grooter naam en een aanzienlijker fortuin dan hij bezat, in de Londensche wereld opgang te maken, en te vadsig, om zonder die hulpmiddelen vooruit te komen. De oude Pendennis streelde zich met de overtuiging, dat hij zwaar in het recht studeerde, omdat hij van de gelegenheid, om in voorname wereld te verkeeren, geen gebruik maakte en, na een half dozijn bals en partijen bijgewoond te hebben, voor de verveling en eentonigheid dier bijeenkomsten terugdeinsde; en wanneer men den waardigen majoor naar zijn neef vroeg, gaf de oude heer ten antwoord, dat de jonge schavuit zich gebeterd had, zoodat men hem bijna niet van zijne boeken weg kon krijgen. Doch de majoor zou bijna even erg geijsd hebben als mijnheer Paley, indien hij geweten had welk een leven mijnheer Pen eigenlijk leidde en hoezeer hij zijne rechtsgeleerde studiën met vermaken afwisselde.
Eenige uren lezens des morgens, eene wandeling in het Park, een roeipartijtje op de rivier, een tochtje den heuvel op naar Hampstead en een bescheiden diner in eene restauratie, een avond hier of daar in vroolijkheid, maar niet in ondeugd doorgebracht (want Arthur Pendennis koesterde zulk eene oprechte bewondering voor de vrouwen, dat hij er geene in zijn gezelschap dulden kon, die niet braaf en rein waren, althans in zijn oog), een stil avondje thuis met een vriend, een pijpje en een matig teugje Britschen drank, waarvan vrouw Flanagan, de waschvrouw, steeds de qualiteit onderzocht: – dit waren de bezigheden van onzen jongen heer, zoodat men zal moeten erkennen, dat hij geen onpleizierig leven leidde. Gedurende den studietijd legde mijnheer Pen eene prijzenswaardige stiptheid aan den dag in de vervulling van ten minste één onderdeel der plichten van een student, namelijk het nuttigen van zijn diner in de eetzaal der Inn. De eetzaal van den Upper Temple levert ook inderdaad een belangwekkend gezicht op, en behoudens eenige onbeduidende veranderingen en anachronismen, die daar langzamerhand zijn ingevoerd, zou men er zich kunnen neerzetten, in de overtuiging, dat men aan een maaltijd in de zeventiende eeuw deel nam. De gepromoveerde advocaten en de studenten hebben hunne afzonderlijke tafels; degenen, die het reeds tot de waardigheid van rechter gebracht hebben, zitten aan de voornaamste tafel op eene verhevenheid, omringd van de portretten van opperrechters en vorstelijke personen, die de feestmaaltijden in deze zaal met hunne tegenwoordigheid, of met blijken van hunne goedkeuring, vereerd hebben. Toen Pen hier voor het eerst werd binnengeleid en rondkeek, vond hij het tooneel, dat zich aan zijn oog vertoonde, zeer aardig. Als medestudenten zag hij hier heeren van allerlei leeftijd, van zestig tot zeventien jaar; zwaarlijvige procureurs met grijze hoofden, die den als hooger beschouwden advocaatsrang wilden bekomen, dandy’s en heeren van de wereld, die, om de eene of andere reden, eenmaal wilden kunnen zeggen, dat zij sinds zeven jaar advocaat waren; bruinachtige, zwartoogige inboorlingen der koloniën, die overgekomen waren om hier te promoveeren en later op de eilanden, waar zij thuis behoorden, te praktizeeren, en eindelijk vele heeren van Iersche afkomst, die eenigen tijd in Middle Temple Lane doorbrengen, alvorens zij naar hun groen geboorteland terugkeeren. Er waren kleine groepjes hardwerkende studenten, die gedurende den ganschen maaltijd over het recht spraken; anderen, die hunne hoofdzaak van roeien maakten en wier gesprek over wedstrijden, den Vauxhall, de opera enz. liep; nog anderen, die ver waren in de politiek en in de debatteerclubs der studenten het woord voerden; en met al die soorten van studenten – uitgezonderd de eerste, wier gesprekken eene bijna onbekende en, in elk geval, in eene geheel onverschillige taal voor hem waren – maakte mijnheer Pen allengs kennis, daar hij in vele punten met hen sympathiseerde.
De oude en vrijgevige Inn van den Upper Temple verschaft in hare eetzaal voor een zeer matigen prijs een uitmuntend, hoewel eenvoudig diner, van soep, vleesch, gebak en portwijn of sherry, aan de advocaten en studenten, die daar komen eten. Elk tafeltje is voor vier gasten bestemd, en elk viertal krijgt een stuk ossevleesch of schapebout, een appeltaart en eene flesch wijn! Maar de eerzame bezoekers dier eetzaal, die tot den minderen stand der studenten behooren en desniettemin van een goed leventje houden, kennen verscheidene onschuldige kunstjes om hun maal te verbeteren; „loopjes”, zooals men in de gemeenzame spreektaal zegt, – waardoor zij fijnere schotels trachten machtig te worden, dan de gewone alledaagsche, waarmee de studenten zich moeten vergenoegen.
„Wacht eens even,” zeide mijnheer Lowton, een dier gourmands van den Temple, terwijl hij Pen aan zijn tabbaard trok; „de tafels hier zijn zeer vol, en daar ginds zitten slechts drie rechters voor tien schotels; als wij wachten, zullen wij misschien wel iets van hunne tafel krijgen.” Op die woorden keek Pen met zekere nieuwsgierigheid, gelijk Lowton met groote begeerigheid, naar de verheven tafel der rechters, waar drie oude heeren achter een dozijn zilveren schoteldeksels stonden, terwijl de kapelaan het gebed opdreunde.
Lowton was een groot man, wanneer het op de leiding van een diner aankwam. Hij trachtte het zoo aan te leggen, dat hij de eerste, of „kapitein” van de tafel was, waardoor hem het dertiende of laatste glas uit de flesch portwijn ten deel viel. Als zoodanig had hij dan ook het bestuur over het stuk vleesch, hetwelk hij op zijne geliefkoosde wijze voorsneed, en wist zich dikwijls behendig van de saus te bedienen, hetgeen Pen verbazend vermaakte. Arme Jack Lowton! wat gij van het leven genoot, was zeer onschuldig; hoewel gij door en door een epicurist waart, ging uwe begeerte de grenzen van anderhalve shilling niet te buiten!
Pen was een weinig ouder dan vele zijner medestudenten en had, gelijk wij reeds gezegd hebben, in houding en voorkomen iets voornaams en vrijmoedigs, dat hem voor een man van de wereld deed erkennen, – iets geheel anders dan die bleeke studenten, die met elkander over het recht spraken, en die geweldige dandy’s, met fantasie-overhemden en zonderlinge borstspelden en vesten, die het luierende gedeelte der kleine maatschappij vertegenwoordigden. De bescheidene en goedhartige Lowton had zich aangetrokken gevoeld door Pen’s voorname blikken en houding, en had aan tafel kennis met hem gemaakt door het gesprek te openen.
„Vandaag, geloof ik, dat het gekookt vleesch is, mijnheer,” zeide Lowton tegen Pen.
„Ik geef u mijn woord, mijnheer, dat ik het niet weet,” zeide Pen, nauwelijks in staat zijn lach te bedwingen; maar hij liet er op volgen: „ik ben hier nog vreemd, het is mijn eerste jaar,” na welke mededeeling Lowton hem de voornaamste personen in de zaal begon aan te wijzen.
„Die daar ginds is de rechter Boosey, die kale, die onder de schilderij zit en nu soep eet; ik wou wel eens weten of het schildpadsoep is! Zij krijgen dikwijls schildpadsoep. Die naast hem zit is Balls, de rijks-advocaat, en Swettenham – van de firma Hodge en Swettenham, weet ge. Dát is Grump, de oudste advocaat; men zegt, dat hij hier veertig jaar gedineerd heeft. De rechters zenden dikwijls visch van hunne tafel naar die van de oudste advocaten. Ziet ge die vier wel, die tegenover ons zitten? Dat zijn eerste pieten – van je voornaamste jongelui, dat kan ik u verzekeren: mijnheer Trail, zoon van den bisschop van Ealing, jonkheer Fred Ringwood, broeder van Lord Cinqbars; ik wil wedden om zooveel ge wilt, dat die wel eene goede betrekking zal krijgen; en Bob Suckling, die altijd met hem omgaat – ook een groote hans. Ha! ha!” En hier barstte Lowton in het lachen uit.
„Wat is er?” vroeg Pen, die in dit alles groot behagen schepte.
„Ik wil maar zeggen, dat ik met die jongelui gaarne dineer,” zeide Lowton, met een veelbeteekenend knipoogje, terwijl hij zich inschonk.
„En waarom?” vroeg Pen.
„Wel, omdat zij – weet je – hier niet komen om te dineeren, maar zich houden alsof zij het doen. Zij hier dineeren, de hemel bewaar me! Zij gaan naar een of ander van de voorname clubs, of anders op een groot diner. Gij kunt hunne namen in den Morning Post zien, als ergens eene voorname partij in Londen gegeven is. Ik wed, om wat ge wilt, dat Ringwood zijn cab en Trail zijn brougham (die Trail is een eerste doordraaier en brengt het geld van den bisschop onder de menschen, dat verzeker ik u) op dit oogenblik aan den hoek van Essex Street laat wachten. Zij dineeren! Ik geef u mijn woord, dat zij nog in geen twee uren dineeren!”
„En waarom zoudt gij gaarne met hen aanzitten, als zij toch niet dineeren?” vroeg Pen, die het nog altijd niet begreep. „Er is hier toch genoeg, niet waar?”
„Wat zijt gij toch groen!” zeide Lowton. „Ik vraag excuus, maar inderdaad gij zijt groen. Gij ziet, dat zij geen wijn gebruiken, en als men met die drie jongelui aanzit, heeft men de flesch alleen. Dat is de reden waarom Corkoran zich bij hen heeft ingedrongen.”
„Nu, mijnheer Lowton, ik moet zeggen, dat gij een slimme vogel zijt,” riep Pen zeer ingenomen met zijn nieuwen bekende; waarop de ander zedig antwoordde, dat hij het grootste gedeelte zijns levens in Londen had doorgebracht en zijne oogen natuurlijk niet op zak hield, waarna hij met zijne opmerkingen tegen Pen voortging.
„Er zijn hier heel wat Ieren,” zeide hij; „die Corkoran is er één van, en ik kan niet zeggen, dat ik het bijzonder op hem heb. Die knappe jongen daar, met die blauwe das, dat paarsche overhemd en dat gele vest, behoort er ook toe; het is Molloy Maloney van Ballymaloney, neef van den generaal-majoor Sir Hector O’Dowd – hi, hi,” zeide Lowton, die het Hibernisch accent poogde na te bootsen. „Hij bluft altijd op zijn oom en kwam denzelfden dag, toen hij ten hove voorgesteld was, met eene broek met zilveren strepen hier in de eetzaal. Die andere daar, naast hem, met dat lange, zwarte haar, is een vreeselijke rebel; als gij hem in de debatteerclub hoort, mijnheer, stolt u het bloed in de aderen! Die volgende is ook een Ier, Jack Finucane, Londensche correspondent van een dagblad. Al die Ieren hangen aan elkander. Het is uwe beurt om uw glas te vullen. Hoe? wilt gij geen port meer? Houdt gij niet van port onder het eten? Dan gaat dit op uwe gezondheid!” De goede man gevoelde zijne genegenheid voor Pen toenemen, omdat deze bij het diner niet van portwijn hield.
Terwijl Pen aan een dier diners met zijn bekende Lowton als „kapitein” van de tafel deel nam, voegde zich iemand in advocaten-toga bij hen, die geen plaats bij de heeren van zijn eigen rang scheen te kunnen vinden en nu naar hunne tafel kwam, en op de bank, waar Pen zat, plaats nam. Hij droeg oude kleeren en een valen tabbaard, dien hij nasleepte, en een hemd, dat wel helder, maar zeer versleten was en veel verschilde van het paarsche hemd van mijnheer Molloy Maloney, die aan de naaste tafel eene in het oog loopende plaats bekleedde. Het is gebruikelijk, dat de heeren, die in de zaal van den Upper Temple dineeren, hunne deelneming aan den maaltijd te kennen geven, door hun naam op een stukje papier te schrijven, dat daarvoor met een potlood op elke tafel gereed ligt. Lowton schreef zijn naam het eerst, daarop volgde Arthur Pendennis, en eindelijk kwam de heer met de oude kleeren. Hij glimlachte toen hij Pen’s naam las en keek hem aan. „Wij moeten elkander kennen,” sprak hij. „Wij zijn allebei studenten van het Bonifacius-Collegie. Ik ben Warrington.
„Zijt gij Warrington de doord...?” riep Pen uit, wien het verheugde dezen grooten man te zien.
„Ja, Warrington de doordraaier, ja wel!” antwoordde Warrington lachende. „Ik herinner mij u nog als jong student. Maar gij schijnt mij in het geheel niet meer te kennen.”
„In het Collegie spreekt men nog altijd van u,” zeide Pen, die eene gulle bewondering voor talent en moed koesterde. „Bil Simes, de schuitenvoerder, dien gij afgerost hebt – gij herinnert het u nog wel – zou u nog wel eens te Oxbridge willen zien. De jufvrouwen Notley, de dochters van de modemaakster –”
„St!” zeide Warrington; „het doet mij genoegen kennis met u te maken, Pendennis. Ik heb veel van u gehoord.”
De jongelui waren dadelijk vrienden en verdiepten zich oogenblikkelijk in een gesprek over de academie. Pen, die zich bij eene vorige gelegenheid als een voornaam heer had willen voordoen, toen hij aan Lowton te verstaan gaf, dat hij bij zijn diner geen portwijn kon drinken, vond – tot groote spijt van den goeden Lowton, geen bezwaar meer om nog wat te nemen, toen hij zag, dat Warrington zijn aandeel met grooten smaak gebruikte. Na afloop van het diner vroeg Warrington waar Arthur voornemens was heen te gaan?
„Ik wilde mij thuis kleeden, om Grisi in de Norma te hooren,” antwoordde Pen.
„Moet gij daar met iemand in gezelschap zijn?” vervolgde Warrington.
„Neen,” zeide Pen, „ik ga enkel om de muziek, want daarvan ben ik een groot liefhebber.”
„Ga liever met mij naar huis eene pijp rooken,” zeide Warrington, „eene enkele pijp. Ga mee; ik woon in Lamb Court; dan praten wij nog wat over de Academie en den ouden tijd.”
En dus gingen zij heen, terwijl Lowton hen zuchtend nazag. Hij wist, dat Warrington de zoon van een baronet was, en met innigen eerbied zag hij tegen de gansche! aristocratie op. Van dien avond af werden Pen en Warrington groote vrienden. Warrington’s opgeruimdheid en hartelijkheid, zijn gezond verstand, zijne ongegeneerde ontvangst en zijne nooit falende pijp tabak bezaten groote bekoorlijkheden voor Pen, die het aangenamer vond zich met hem naar publieke plaatsen te begeven, waar men zich voor een shilling kon vermaken, dan in deftige eenzaamheid, te midden der stille en wellevende bezoekers van den Polyanthus, te dineeren.
Weldra zeide Pen zijne kamers in St. James op, waar hij na het verlaten van zijn hotel zijn intrek genomen had; hij vond het veel voordeeliger zijn verblijf bij Warrington in Lamb Court te nemen, en dáár de ledige kamer van zijn vriend te meubileeren en te betrekken. Want het moet van Pen gezegd worden, dat niemand gemakkelijker dan hij te bewegen was iets te doen, als het iets nieuws was, of hij er lust toe had. Van nu af deelden Pidgeon, de loopjongen, en Flanagan, de waschvrouw, hunne trouw tusschen Warrington en Pen.
EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
OUDE EN NIEUWE KENNISSEN.
Opgetogen bij het denkbeeld, dat hij nu het leven zou zien, bezocht Pen honderderlei zonderlinge plaatsen te Londen. Hij maakte zich gaarne diets, dat hij met allerlei soort van menschen omging. Hij zag dus kolendragers in hunne herbergen; boksers in hunne gelagkamers; eerzame burgers, die een uitstapje in de buitenwijken of op de rivier deden. Hij had zelfs wel kennis willen maken met beroemde zakkenrollers of eene kan bier willen drinken met dieven, als het toeval hem geholpen had om kennis met deze standen der maatschappij te maken. Het was aardig te zien, met hoeveel ernst Warrington naar den „lieveling van Tutbury” of den „weergaloozen bokser van Brighton” in de Champion’s Arms luisterde; of welke belangstelling hij aan den dag legde voor het gilde der kolendragers, dat in den „Vos in het hol” vergaderde. Hij bezat eene verbazende kennis van de herbergen der hoofdstad en de bezoekers harer gelagkamers. Hij was persoonlijk bevriend met de kasteleins en de kasteleinessen en even welkom aan het buffet als in de gelagkamer. Hij hield, naar hij zeide, meer van dien omgang dan van dien met menschen uit zijn eigen stand, wier manieren hem ergerden, terwijl hun onderhoud hem verveelde. „In den gezelligen omgang,” placht hij te zeggen, „gelijkt de een op den ander, en draagt dezelfde kleeren, eet en drinkt op dezelfde wijze en zegt dezelfde dingen. De eene jonge dandy in de club spreekt en doet zich voor juist als de andere; de eene jonge dame gelijkt volkomen op de andere. Hier vindt men daarentegen kenmerkende eigenschappen. Ik praat gaarne met den sterksten man van Engeland, of met den man, die in gansch Engeland het meeste bier kan drinken, of met dien vervaarlijken republikein van een hoedenmaker, die Thistlewood den grootsten man in de geschiedenis vindt. Ik geef aan jenevergrog de voorkeur boven wijn, houd meer van een met zand bestrooiden vloer op Carnaby Market, dan van een gepolitoerden in Mayfair. Kortom, ik wil het gaarne bekennen: ik houd van ploerten!” Inderdaad was deze gentleman dan ook een republikein op maatschappelijk gebied; en als hij met Klaas en Piet praatte, kwam het niet bij hem op, dat hij hun meerdere was, ofschoon de eerbied, welken zij hem betoonden, hem misschien wel heimelijk streelde.
Pen volgde hem dus met groot genoegen en zeer getrouw naar al die verschillende plaatsen. Maar hij was veel jonger en, bijgevolg, aanmerkelijk voornamer en deftiger dan Warrington; hij deed zich voor als een vermomde jonge prins, die de armen van zijn vaders rijk bezoekt. En deze eerbiedigden hem als een jonkman van aanzien, een aardigen kerel, een eersten „piet.” Hij had zekere hooghartige welwillendheid over zich, eene flinke rondheid en majesteit, ofschoon hij niets anders dan de vermoedelijke erfgenaam was van een paar dubbeltjes en de zoon van een likkepot. Als wij in zulk een toestand geplaatst worden, schikken wij er ons vrij gemakkelijk in, en zijn wij altijd bereid eene meerderheid aan te nemen over personen, de evenveel beteekenen als wij zelven. Pen’s nederbuigende goedheid in dit tijdperk zijns levens was aardig om te zien. Bij knappe menschen gaat deze aanmatiging en onbescheidenheid met de eerste jaren der jeugd voorbij; maar het is aardig de verwaandheid van een edelgezinden en talentvollen jonkman bij te wonen; er ligt bijna iets roerends in die vroegtijdige tentoonspreiding van onnoozelheid en dwaasheid.
Na dus des morgens vrij wat gelezen te hebben, en, naar ik vrees, niet enkel rechtsgeleerde boeken, maar ook staatkunde en geschiedenis en fraaie letteren, die voor de vooruitzichten en de ontwikkeling van een jongmensch even noodzakelijk zijn als het dorre recht, – na zich tamelijk vlijtig verdiept te hebben in brieven, tijdschriften, eerste leerboeken over het recht en bovenal in nieuwsbladen, tot het etensuur naderde, – gingen de beide jonge heeren, met een opgeruimden geest en een scherpen eetlust de stad in, met het voornemen om een even genoeglijken avond door te brengen als zij een aangenamen voormiddag hadden gehad. Het was een vroolijke leeftijd, die van vier en twintig jaar, toen lichaam en ziel even gezond en levendig waren, toen de wereld nog al hare nieuwheid bezat, en men ze bezocht met een opgeruimd gemoed en de heerlijke vatbaarheid om te kunnen genieten. Zoo wij ons ooit daarna weer jong gevoelen, is het met onze makkers uit dien tijd; de wijzen, die wij in onzen ouderdom neuriën, hebben wij dàn geleerd. Soms komt de feesttijd van dat levensperk ons nog wel eens voor den geest; maar wat is de pleiziertuin dan verwilderd geworden, wat zien de bloemkransen er verlept uit, wat is het gezelschap klein en oud, en wat zijn er een aantal lichten sinds dien tijd uitgegaan! Grijze haren zijn er binnen gekomen, gelijk het daglicht – daglicht en te gelijk hoofdpijn. Het vermaak is naar bed gegaan met het blanketsel op de wangen. Welnu, vriend, laten wij nuchter en ernstig, maar altijd welwillend gezind, den dag trachten door te komen.
Wat zouden Laura en Helena wel gezegd hebben, indien zij de heeren Pen en Warrington hadden kunnen zien, – en daartoe zou dikwijls gelegenheid geweest zijn, indien zij op waren geweest en zich te Londen bevonden hadden, – zooals zij, in den zeer vroegen morgen, als de bruggen begonnen te blozen in het licht van den dageraad, na een hunner woeste avonden over de weergalmende straatsteenen ratelend naar den Temple reden, – woeste avonden; maar niet zoo slecht als zulke avonden somtijds zijn, want Warrington was een vrouwenhater en Pen was, gelijk wij reeds vermeld hebben, te hooghartig om zich tot eene gemeene minnarij te vernederen. Onze jonge prins van Fairoaks kon nooit anders dan met eerbied en beleefdheid tegen iemand van het schoone geslacht spreken en huiverde, uit aangeboren gevoel van kieschheid, voor een grof woord of gebaar; want ofschoon wij hem zien verlieven op eene malloot, evenals met zijne meerderen en minderen wel eens gebeurd is, en dit hem waarschijnlijk wel meer dan eens in zijn leven overkwam, beschouwde hij haar toch, gedurende den tijd zijner verblinding, altijd als eene godin, die hij als zoodanig diende. Op hunne knieën zijn de mannen gewoon de vrouwen te dienen; zoodra zij opstaan, gaan zij heen.
Dit waren de woorden, die een oude kennis op zijne onbewimpelde en onopgesmukte wijze tegen Pen zeide; een oud vriend, die hij te Londen weer ontmoet had; kortom, niemand anders dan de goede mijnheer Bows, van den schouwburg te Chatteries, die tegenwoordig op de piano den uitstekenden liedjeszanger accompagneerde, die elken avond het publiek in het Fielding’s Head in Covent Garden verrukte, waar ook eene kleine club vergaderde, die de Achterkeuken heette.
Een aantal van Pen’s vrienden bezochten deze allervroolijkste bijeenkomsten. Het Fielding’s Head was, bijna onafgebroken, eene plaats van publieke uitspanning geweest, sedert den tijd toen de beroemde schrijver van Tom Jones, als magistraat, in de naburige Bow Street fungeerde: men wees nog zijne plaats aan, en de stoel, waarop men zeide dat hij gezeten had, was de zitplaats van den president der avondbijeenkomsten. Meestal werd die plaats door den waardigen Cutts, den kastelein van het Fielding’s Head, bekleed, als de jicht of eenige andere ongesteldheid hem niet verhinderde. Sommige mijner lezers herinneren zich misschien nog wel zijn prettig voorkomen en zijne mooie stem; hij was, in den loop van zulk een gezelligen avond, gewoon onophoudelijk te zingen, en wèl de liederen van hetgeen men de Britsche grogschool zou kunnen noemen, zooals „de oude Britsche gentleman,” „lieve Tom, mijn bruine kruik,” en meer van dien aard, – liederen, waarin gevoel zich aan gulheid paarde en de lof van den drank en van het huiselijk leven met eene bariton-stem bezongen werd. De bekoorlijkheden onzer vrouwen en de heldendaden onzer land- en zeebevelhebbers worden in de balladen dier school dikwijls herdacht, en menigmaal heb ik het bewonderd, hoe Cutts als zanger, na ons allen tot patriottische geestdrift te hebben opgewonden door voor te stellen, op welke wijze de dappere Abercrombie zijne doodwonde ontving, of ons tot tranen bewogen te hebben, die hij zelf even rijkelijk stortte, als hij met eene bevende stem bezong, hoe het vallen der herfstbladeren „den ouden man – zijn naadrend eind voorspelde,” – hoe dan, zeg ik, Cutts de zanger eensklaps weer Cutts de kastelein werd, en eer het applaudissement wegstierf, dat wij tot loon zijner hartroerende melodieën met onze vuisten op de tafel sloegen, uitriep: „Kom aan, heeren, bestelt wat gij hebben wilt, de knecht is juist in de zaal – John, een glas champagne voor mijnheer Green! Hebt gij niet gezegd gestoofde aardappelen en saucijzen, mijnheer? John, bedien dien heer eens!”
„En geef mij ook een glas punch, John; maar zorg, dat het water goed kookt,” liet zich dan ook niet zelden eene stem hooren, die aan Pen zeer goed bekend was en hem deed blozen en opspringen, toen hij ze weer voor het eerst vernam – de stem van den achtbaren kapitein Costigan, die nu te Londen woonde en een der steunpilaren was van de muzikale bijeenkomsten in het Fielding’s Head.
Het gezelschap en de gesprekken van den kapitein trokken zeer veel jongelieden naar die plaats. Hij was een zonderling, wiens faam zich na zijne aankomst in de hoofdstad begon te verspreiden, en inzonderheid na zijn dochters huwelijk. Hij was onbetaalbaar, wanneer hij tegen zijn vriend van het oogenblik (hetgeen altijd degeen was, die naast hem zat te drinken) over „me dochter” uitweidde. Hij verhaalde dan van haar huwelijk en van de plechtigheden, die voorafgegaan en gevolgd waren; van de rijtuigen, die zij hield; van Mirabel’s verzotheid op haar en op hem; van de honderd pond, waarvoor hij altijd de vrijheid had op zijn schoonzoon te trekken, als de nood er hem toe dwong. En na dan verklaard te hebben, dat hij „stellig voornemens was aanstaanden Zaterdag te trekken – ik geef je mijn heilig woord van eer, aanstaanden Zaterdag, den veertienden, – en dan zal je me het geld bij Coutts zien uitbetalen, zoodra ik mijn wissel maar vertoon,” vroeg de kapitein niet zelden een daalder van zijn vriend te leen tot St. Juttemis, wanneer hij die kleinigheid, op zijn woord van eer, als officier en gentleman, zou terugbetalen.
Sir Charles Mirabel koesterde niet die vurige genegenheid voor zijn schoonvader, waarop deze laatste somtijds snoefde, ofschoon Cos in andere vlagen van aandoening wel eens met tranen in de oogen uitvoer tegen de ondankbaarheid van het kind van zijn boezem en de schrielheid van den ouden rijkaard, met wien zij getrouwd was. Doch Mirabel en zijne vrouw hadden zich niet karig jegens Costigan betoond: zij hadden hem een klein jaargeld toegelegd, dat regelmatig betaald werd en waarop de arme Cos met nog meer regelmatigheid voorschotten nam; de termijnen van betaling waren altijd welbekend aan zijn vriend in het Fielding’s Head, waar de brave kapitein met de bankbriefjes in zijne hand dadelijk heentrok en midden onder het zingen luid om kleingeld riep. „Zeg eens, Cutts, ouwe jongen, dat bankje, daar verwed ik alles onder, zal bij de Bank van Engeland niet geweigerd worden,” zeide kapitein Costigan dan. „Bows, kan ik je met een glas dienen? Gij behoeft u van avond niet te geneeren, en een glas punch zal u con spirito doen spelen.” Want hij was overdadig mild met zijn geld, als hij bij kas was, en men zag hem zijn broekzak niet dichtknoopen eer de laatste stuiver er weer uit was, of er misschien een schuldeischer in zijne nabijheid kwam.
In een dier oogenblikken van opgewondenheid was het, dat Pen zijn ouden vriend draaiende rondom de tafel der zangers in de Achterkeuken van het Fielding’s Head vond, terwijl hij glazen brandewijngrog bestelde voor alle kennissen, die de zaal binnenkwamen. Warrington, die op een vertrouwelijken voet met den baszanger stond, begaf zich naar dat gedeelte der zaal, en Pen volgde zijn vriend op de hielen.
Deze ontstelde en bloosde toen hij Costigan zag. Hij kwam juist van Lady Whiston’s partij, waar hij de dochter van den kapitein voor het eerst na die vroegere, nu lang verloopen dagen, weergezien en gesproken had. Hij kwam met uitgestrekte hand naar den ouden man, dien hij vriendelijk en met warmte verwelkomde; want de tijd, toen Costigan’s dochter alles ter wereld voor hem was, stond hem nog duidelijk voor den geest. Ofschoon onze jonge heer wel wat wispelturig in zijne minnarijen was geweest en zijne genegenheid wel eens van de eene op de andere vrouw had overgedragen, koesterde hij echter altijd ontzag voor de plaats waar de liefde gewoond had en verlangde hij, gelijk de sultan van Turkije, dat men de dame, wie hij eenmaal zijn vorstelijken zakdoek had toegeworpen, de verschuldigde eer zou bewijzen.
De dronken kapitein beantwoordde den druk van Pen’s hand met al de kracht zijner vingeren, die wat beverig waren geworden door het aanhoudend oplichten van glazen brandewijngrog, en keek hem sterk in het gelaat onder den uitroep: „Goede hemel, hoe is het mogelijk! Lieve jongen, beste kerel, dierbare vriend!” maar toen kon hij niet verder en eindigde dus met een vragenden, beschonken blik: „Ik ken u van aanzien, lieve vriend, maar ik heb uw naam vergeten!” Er waren vijf jaren van aanhoudend punchdrinken verloopen, sedert Pen en Costigan elkander gezien hadden. Arthur was veel veranderd en men kan het den kapitein dus niet kwalijk nemen, dat hij hem vergeten had; als iemand de dingen van het tegenwoordige dubbel ziet, kan men wel verwachten, dat zijn blik op het verledene wat beneveld zal wezen.
Pen zag in welken toestand hij verkeerde en lachte dus, maar was wel een beetje spijtig „Herkent gij mij niet, kapitein?” vroeg hij. „Ik ben Pendennis – Arthur Pendennis van Chatteries.”
De klank der vriendelijke stem van den jonkman wekte het bedwelmde herinneringsvermogen van Cos op en bracht hem op den rechten weg, en zoodra hij Arthur herkende, salueerde hij hem met eene volle laag van welkomstgroeten. Pen was zijn beste jongen, zijn dappere jonge vriend, zijn edele leerling, dien hij sedert hun scheiden steeds in zijn hart had gedragen: – hoe ging het zijn vader, neen, zijner moeder, en zijn voogd de generaal, neen, de majoor? „Ik maak uit uw voorkomen op, dat gij in het genot van uwe bezittingen gekomen zijt; en ik ben zeker, dat gij uw geld als man van de wereld besteden zult – daarvoor durf ik borgstaan. Niet? zijt gij nog niet aan uw geld gekomen? Nu, als gij eene kleinigheid noodig hebt, kom dan maar den armen ouden Jack Costigan, die nog een paar guinjes op zak heeft; bij den hemel, gij zult geen gebrek lijden, Arthur, mijn beste jongen! Wat zult ge gebruiken? John, kom eens hier en rep je wat; geef dezen heer een glas punch, voor mijne rekening. – is dat uw vriend? Dien heb ik meer gezien. Vergun mij, mijnheer, mij aan u voor te stellen en te vragen, of ik u met een glas punch kan dienen?
„Ik benijd Sir Charles Mirabel zijn schoonvader niet,” dacht Pendennis. „En hoe vaart mijn oude vriend Bows, kapitein? Weet gij iets van hem en gaat gij nog met hem om?”
„Ik denk, dat hij het heel wel maakt,” zeide de kapitein, met het geld in zijn zak rammelende en the little Doodeen neuriënde, een lied, waarmede hij in het Fielding’s Head grooten roem had verworven. „Mijn beste jongen – ik heb alweer uw naam vergeten – maar de mijne is Costigan, Jack Costigan, en gij zult mij pleizier doen, zooveel glazen punch voor mijne rekening te nemen als gij lust. Gij weet hoe ik heet; ik schaam mij niet over mijn naam.” En op deze en dergelijke wijze bleef de kapitein voortsnateren.
„Het is bij den generaal betaaldag,” zeide mijnheer Hodgen, de baszanger, met wien Warrington in druk gesprek gewikkeld was; „hij is al ver boven zijn theewater. Even voor dat ik Ring Death zong, heeft hij zijn Little Doodeen willen aanheffen, maar het bleef hem in de keel steken. Hebt ge mijn nieuw lied de Lijkendief gehoord, mijnheer Warrington? In de Saint Bartholomew-zaal heb ik het onlangs op vereerend verlangen tweemaal op één avond moeten zingen. Het is opzettelijk voor mij gecomponeerd. Misschien zoudt gij, of mijnheer uw vriend, wel een exemplaar van het lied willen hebben? John, wees zoo goed en geef eens een „Lijkendief” hier. Mijn portret staat op den omslag, mijnheer; – in het costuum van den Dief, zooals ik het zing – en het wordt als zeer welgelijkend beschouwd.”
„Ik dank je er voor,” zeide Warrington; „ik heb het al negenmaal gehoord en ken het van buiten, Hodgen.”
Op dit oogenblik begon de heer, die aan de piano zat, zijn instrument te bespelen, en toen Pen naar dien kant keek, zag hij mijnheer Bows in eigen persoon, naar wien hij zoo even gevraagd had, en dien Costigan tijdelijk geheel scheen vergeten te hebben. Het oude mannetje zat aan de afgerammelde piano (die haar gestel erg ondermijnd had door zooveel avonden op te blijven en nu slechts eene heesche en zwakke stem liet hooren) en accompagneerde de zangen, of speelde in de pauzen, tusschen de liederen met smaak en gevoel.
Bows had Pen, zoodra hij in de zaal kwam, gezien en herkend, en opgemerkt met hoeveel voorkomendheid en warmte de jonkman de kennis met Costigan hernieuwd had. Hij begon eene melodie te spelen, die Pen zich dadelijk herinnerde, dat door het koor der dorpelingen in Menschenhaat en berouw gezongen wordt, even voor dat Mevrouw Haller optreedt. Toen Pen dit hoorde, werd hij aangedaan. Het kwam hem weer voor den geest, hoe zijn hart klopte als dat air gespeeld werd voordat zijne goddelijke Emily verscheen. Niemand buiten Arthur gaf eenig acht op het spelen van den ouden Bows; men hoorde het nauwelijks te midden van het gekletter van vorken en messen, het geroep om eieren en nieren, en het geloop van gasten en knechts.
Pen ging naar Bows toen het stuk uit was en drukte hem hartelijk de hand, terwijl Bows hem van zijn kant met veel eerbied en gelijke hartelijkheid verwelkomde. „Zoo! gij hebt dus het oude wijsje niet vergeten, mijnheer Pendennis?” zeide hij; „ik dacht wel, dat gij het u herinneren zoudt. Ik geloof, dat het de eerste melodie van dien aard was, die gij ooit hadt hooren spelen, – niet waar, mijnheer? Gij waart toen nog zeer jong. De kapitein heeft het erg beet van avond, naar ik vrees. Hij gaat zich op betaaldag altijd te buiten; en ik zal heel wat moeite hebben, om hem naar huis te krijgen. Wij wonen bij elkander; want wij zijn nog altijd compagnons, mijnheer, ofschoon jufvrouw Em – Lady Mirabel uit de firma is getreden. En dus herinnert gij u den ouden tijd nog? Zij was toch eene eerste schoonheid, niet waar, mijnheer? Op uwe gezondheid;” – en bij die woorden nam hij eene teug uit de tinnen kan met porter, die naast hem stond.
Pen had later nog menige gelegenheid om zijne vroegere bekenden te zien en zijne betrekkingen met Costigan en den ouden muzikant te hernieuwen.
Terwijl zij dus in vriendschappelijk gesprek bijeen zaten, gingen bezoekers van allerlei soort en stand deze plaats van uitspanning in en uit, zoodat Pen het genoegen had zooveel verschillende exemplaren van zijn ras te zien als de ijverigste waarnemer kon wenschen. Boeren en handelaars van het platteland, wien de gezondheid op het gezicht geschilderd stond en die zich voor zaken te Londen bevonden, kwamen zich verkwikken aan de vroolijke liedjes en soupers in de Achterkeuken, – groepen leerlingen en winkelbedienden, over wier arbeid de luiken gesloten waren, kwamen herwaarts, zeker om een luchtje te scheppen, – winderige, vroolijke en rumoerige studenten in de medicijnen, opzichtig gekleed en toch (moeten wij het zeggen?) een beetje smerig, zaten hier te rooken en te drinken en juichten de liedjes daverend toe, – jonge studenten van de academie vond men hier ook, die zich kenbaar maakten door dien onbeschrijfelijk gemaakten toon, dien men alleen aan de knieën der Alma Mater leert, – en fatterige officieren van de garde en pretentieuse dandy’s uit de clubs in St. James Street, – ja, Engelsche en Iersche leden van het Lagerhuis, en zelfs leden van het Hoogerhuis.
De baszanger had ongeloofelijken opgang gemaakt met zijn lied de Lijkendief en de gansche stad liep er heen, om het te hooren. Er werd eene gordijn ter zijde geschoven, en nu zag men mijnheer Hodgen in de rol van den Dief, op eene doodkist gezeten, met eene flesch jenever vóór hem staande, en verder eene spade en eene kaars in een doodshoofd gestoken. Hij zong het lied inderdaad op bewonderenswaardige wijze en met huiveringwekkenden humor. De zanger liet zijne stem zoo diep dalen, dat zij als het ware door de ontzette ziel van den toehoorder heendaverde; en onder het koor stampte hij met zijne spade en liet hij een duivelsch: „Ha! ha!” hooren, dat de glazen op tafel als van schrik deed rammelen. Geen der andere zangers, zelfs Cutts niet, gelijk die groothartige man zelf erkende, kon zich met de Lijkendief meten, en doorgaans begaf hij zich ook naar de kamer van jufvrouw Cutts of in het buffet, voordat dit noodlottige lied hem de nederlaag toebracht. Little Doodeen, de ballade van den armen Cos, door Bows zoo lief op de piano geaccompagneerd, werd slechts voor eene handvol bewonderaars gezongen, die, na het vervaarlijke lied der lijkendieven, nog bleven hangen. Na dat muziekstuk liep de zaal meestal leeg en bleven er alleen eenige weinige volhardende najagers van het vermaak over.
Terwijl Pen en zijn vriend hier op zekeren avond, of liever morgen, bij elkander zaten, kwamen er twee habitués dezer plaats bijna te gelijk binnen. „Mijnheer Hoolan en mijnheer Doolan,” fluisterde Warrington aan Pen toe, terwijl hij die heeren groette, en in den laatsten herkende Pen zijn vriend van de diligence Alacrity, die, toen Pen hem uitnoodigde om mede te gaan dineeren, daaraan niet had kunnen voldoen, daar zijne beroepsbezigheden hem dit op Vrijdag beletten, gelijk hij met zijne complimenten aan mijnheer Pendennis had doen weten.
Doolan’s blad de Dageraad lag, erg met porter bevlekt, op tafel, rakelings bij Hoolan’s blad, dat wij de Dag zullen noemen; de Dageraad was liberaal en de Dag ultraconservatief. De staf van vele onzer bladen bestaat uit Iersche heeren, wier dappere brigade onder ons de pen voert, gelijk hunne voorouders in geheel Europa het zwaard voerden; zij verhuren zich onder allerlei vlag en zijn onderling goede vrienden zoodra de strijd voorbij is.
„Nieren, John, en een glas stout,” roept Hoolan. „Hoe gaat het, Morgan? hoe vaart mevrouw Doolan?”
„Dank je, heel wel, Mick, ouwe jongen – en bovendien zij is er aan gewoon,” zeide Doolan. „Hoe vaart de dame, die u in eigendom heeft? Misschien kom ik Zondag wel eens aanwippen om een glas punch te halen, op Kilburnsche manier.”
„Breng uw Patsey niet mee, Mick, want onze George heeft de mazelen,” zeide de welwillende Morgan, en dadelijk begonnen zij te spreken over zaken van hun beroep; de buitenlandsche posten, wie de correspondent te Parijs was en wie de brieven uit Madrid schreef; wat de koeriers wel aan het Morgenblad kostten, hoe groot de oplaag van de Avondster was, enz.
Lachend nam Warrington de Dageraad op, die vóór hem lag, en wees op een der hoofdartikelen van het blad, dat aldus begon:
„Gelijk de schurken in vroeger tijd, die een werk der duisternis in den zin hadden, zooals het uit den weg ruimen van een vijand, het in omloop brengen van valsch geld, het uitstrooien van een leugen, of het plegen van een moord, een meineedige of moordenaar van beroep gebruikten om het werk te doen, dat zij te bekend of te laf waren om zelven te verrichten, zoo bezigt onze beruchte zuster de Dag schavuiten buitensdeurs, om lastertaal tegen bijzondere personen te verspreiden, en roept bandieten te hulp, om den goeden naam dergenen, die haar hinderen, te bezwalken. Een schelm, die zijn gelaat met een zwart masker bedekt (maar dien wij zullen ontsluieren), en die onder den pseudoniem van Klaverblad schrijft, is op dit oogenblik een der voornaamste sluipmoordenaars op het bureau onzer zuster. Hij is de gesnedene, die de zijden koord overbrengt en op order van de Dag de slachtoffers worgt. Wij kunnen dezen lafhartigen slaaf beschamen en zullen dit ook doen. De beschuldiging, die hij heeft ingebracht tegen Lord Bangbanagher, omdat hij een liberaal Iersch pair is, en tegen de Commissie van verpleging van het armendistrict van Bangbanagher, is,” enz.
„Hoe vonden zij dit artikel op uw bureau, Mick?” vroeg Morgan; „als de kapitein er zich mee bemoeit, kan geen mensch het hem nadoen in de kunst om een moorddadig artikel te schrijven. Hij schreef het in twee uren – in de – ft! – gij weet wel waar, – terwijl de drukkersjongen zat te wachten.”
„Onze ouwe gelooft, dat het publiek geen pijp tabak geeft om al dat courantengekibbel,” antwoordde de ander. „Zij bespraken met hun beiden de zaak, op mijne kamer. De doctor had het nog wel willen voortzetten, want hij zegt, dat het zoo gemakkelijk van de hand gaat en men er niets voor behoeft na te zoeken en na te lezen, zooals voor de andere artikelen; maar de ouwe sneed hem den pas af.”
„De smaak voor de welsprekendheid sterft uit, Mick,” zeide Morgan.
„Ja, dat is zoo, Morgan,” zeide Mick. „Dat mocht eerst mooie stijl heeten, toen de doctor in de Phenix schreef, en hij en Condy Roony elkander dag op dag in de veeren zaten.”
„En evengoed met kruit en kogels als met papier,” zeide Morgan. „Ge weet, de doctor duelleerde tweemaal, en Condy Roony raakte hem in zijne vlerk.”
„Zij spreken over doctor Boyne en kapitein Shandon,” zeide Warrington, „de beide Iersche kemphanen van de Dageraad en de Dag; doctor Boyne is de kampioen der protestanten en kapitein Shandon de woordvoerder der liberalen. Ik geloof dat zij de beste vrienden ter wereld zijn, in weerwil van hunne gevechten in de nieuwsbladen; en ofschoon zij het uitschreeuwen, dat de Engelschen hun vaderland belasteren, durf ik verzekeren, dat zij zelve in één enkel artikel meer kwaad daarvan spreken, dan wij in een dozijn boekdeelen. Hoe vaar je, Doolan?”
„Dank je, heel wel, mijnheer Warrington. Het doet mij genoegen, mijnheer Pendennis, dat ik u weer mag zien. Die nachtreis boven op de Alacrity was een der aangenaamste, die ik van mijn leven gedaan heb, en het was uwe opgeruimdheid en wellevendheid, die dat tochtje zoo genoeglijk maakte. Ik heb nog dikwijls aan dien pleizierigen avond geacht, mijnheer, en met mijne vrouw er over gesproken. Uw eleganten jongen vriend, mijnheer Foker, heb ik ook dikwerf hier gezien. Hij komt tusschenbeide hier, waar men het ook inderdaad zeer goed heeft. Toen ik met u reisde, mijnheer Pendennis, was ik aan het Tom en Jerry Weekblad; thans heb ik de eer onderredacteur van de Dageraad te zijn, een der best geschreven bladen in het land,” – en hierbij maakte hij eene lichte buiging tegen mijnheer Warrington. Hij sprak zalvend en bescheiden en legde eene oostersche wellevendheid aan den dag, terwijl zijn toon, als hij met de beide Engelschen sprak, geheel verschillend was van dien, waarop hij zich met zijn makker onderhield.
„Te drommel! waarom maakt de kerel zooveel complimenten?” bromde Warrington op een spottenden toon, dien hij zich nauwelijks de moeite gaf te verbergen. „Zoo! wie komt daar aan? De gansche Parnassus schijnt van avond uit te zijn! Daar is Archer. Nu zullen wij pret hebben! Wel, Archer, is de parlementszitting gedaan?”
„Ik ben niet daar geweest. Ik was ergens,” zeide Archer met een zeer geheimzinnig gezicht, „van waar ik niet wegblijven kon. John, geef mij iets te eten – iets stevigs. Ik heb een hekel aan die voorname lui, waar men niets te eten krijgt. Als ik bij den hertog van Wellington, op Apsley House, was geweest, zou het een heel ander geval zijn. De hertog weet waarvan ik houd en zegt tegen zijn kamerdienaar: „Martijn, laat naar gewoonte wat koud vleesch, niet al te gaar, en eene flesch pale ale met wat sherry in mijn kabinet gereed zetten; Archer komt van avond.” De hertog zelf eet ’s avonds niet, maar hij ziet een mensch gaarne smakelijk eten en weet, dat ik vroeg dineer. Voor den drommel, men kan niet van de lucht leven!”
„Laat ik u mijn vriend, mijnheer Pendennis, voorstellen,” zeide Warrington met den grootsten ernst. „Pen, dit is mijnheer Archer, over wien gij mij hebt hooren spreken. Gij, mijnheer Archer, die iedereen kent, moet Pen’s oom, den majoor, kennen?”
„Ik heb eergisteren nog met hem op Gaunt House gedineerd,” zeide Archer. „Wij waren met ons vieren: de Fransche ambassadeur, Steyne, en wij beiden burgerlui.”
„Wel! mijn oom is in Schot–”, wilde Pen uitbarsten, maar Warrington trapte hem onder tafel op de teenen, tot teeken, dat hij zich moest stilhouden.
„Het was over dezelfde zaak, dat ik van avond op het paleis moest zijn,” ging Archer argeloos voort, „waar men mij vier uren in eene anti-chambre heeft laten wachten, met niets tot afleiding dan de Times van gisteren, die ik van buiten kende, daar ik zelf drie der hoofdartikelen geschreven had; en ofschoon de lord-kamerheer viermaal binnenkwam, eens zelfs met het theekopje en schoteltje voor den koning in zijne hand, zeide hij niet eens tegen mij: „Wilt ge een kop thee, Archer?”
„Wel, wat is er dan nu weer gaande?” vroeg Warrington, en vervolgde tegen Pen: „Gij weet zeker wel, dat, als men ten hove in de eene, of andere moeielijkheid verkeert, altijd de heer Archer ontboden wordt.”
„Er bestaat inderdaad eene moeielijkheid,” zeide mijnheer Archer, „en daar het toch over een paar dagen in de geheele stad bekend zal zijn, kan ik het wel vertellen. Toen ik, bij de laatste wedrennen te Chantilly, Brian Boru voor mijn ouden vriend, den hertog van Saint-Cloud, bereed, zeide de oude koning tegen mij: „Archer, ik maak mij ongerust over Saint-Cloud. Ik heb zijn huwelijk met prinses Marie Cunegonde in orde gebracht; de vrede van Europa hangt er van af, – want Rusland zal den oorlog verklaren, indien het huwelijk niet doorgaat, en de jonge gek is zoo dol op mevrouw Massena, dat hij tot het huwelijk niet wil toetreden.” Nu, mijnheer, ik heb er Saint-Cloud over onderhouden, en daar ik hem in goed humeur gebracht had, door den wedren en nog een aardig sommetje op den koop toe voor hem te winnen, zeide hij tegen mij: „Archer, zeg den ouwe maar, dat ik er nog eens over denken zal.”
„Hoe heet „ouwe” in het Fransch?” vroeg Pen, die zich niet weinig op zijne grondige kennis van die taal liet voorstaan.
„O, wij spreken Engelsch. Ik leerde het hem toen wij nog jongens waren en ik hem het leven te Twickenham redde, bij gelegenheid, dat hij uit een schuitje in het water viel,” zeide Archer, „Ik zal nooit den blik vergeten, dien de koningin op mij sloeg toen ik hem aan wal bracht. Zij schonk mij dezen diamanten ring en noemt mij tot den huidigen dag bij mijn vóórnaam, Charles.”
„Mevrouw Massena moet nu tamelijk oud zijn, Archer,” zeide Warrington.
„Verduiveld oud – oud genoeg om zijne grootmoeder te zijn, en dat heb ik hem ook gezegd, gaf Archer zonder aarzelen ten antwoord. „Maar die verliefdheden op oude vrouwen zijn drommelsche dingen! Dat gevoelt de koning ook en dat brengt de arme koningin evenzeer van stuk. Verleden Dinsdag hebben zij Parijs verlaten en op het oogenblik bevinden zij zich in het Hotel Jaunay.”
„Zijn zij in het geheim getrouwd, Archer?” vroeg Warrington.
„Daar weet ik niets van,” hernam Archer, „ik weet alleen, dat men mij op het paleis vier uren heeft laten wachten; dat ik nooit iemand zoo ontroerd heb gezien als den koning van België toen hij bij mij kwam, om mij te spreken, en dat ik een honger heb als een paard; maar daar komt mijn souper.”
„Hij is heden avond vrij wel op zijn praatstoel geweest, zeide Warrington toen hij met Pen naar huis ging; „maar ik heb hem vrij wat erger hooren doorslaan, zoodat men niet wist hoe men het met hem had. Als men die snoeverij buiten aanmerking laat, is Archer een knap en braaf man – een vlijtig arbeider, een uitmuntend vriend, en als echtgenoot, vader en zoon onberispelijk.”
„Om welke reden zwetst hij dan op zulk eene ongehoorde manier?”
„Dat is eene onschadelijke streep, die er doorheen loopt,” gaf Warrington ten antwoord. „Hij heeft door zijn praten nooit iemand benadeeld en van geen mensch ooit kwaad gesproken. In de politiek is hij daarenboven zeer standvastig en zou hij nooit iets schrijven of doen ten nadeele van zijne partij, gelijk velen van ons doen.”
„Van ons? Wie zijn dan wij?” vroeg Pen. „Wat is mijnheer Archer’s beroep?”
„Hij behoort tot het gilde der mannen van de pen – of van de pers, beste jongen, die de vierde macht in den staat is,” zeide Warrington.
„Behoort gij dan ook tot dat gilde?” vroeg Pendennis.
„Daarover zullen wij later nog wel eens spreken,” gaf de ander ten antwoord. Dus pratende, kwamen zij door het Strand en voorbij een dagblad-bureau, dat van boven tot onderen verlicht was en een schitterenden glans verspreidde. Berichtgevers kwamen de deur uit, of snelden in vigilantes aan; in de kamers der redacteurs stonden de lampen helder te branden, en op de bovenverdieping waren de zetters aan het werk; uit al de vensters van het gebouw straalde de gloed van gaslicht naar buiten.
„Zie dat eens aan, Pen,” zeide Warrington. „Daar hebt gij het vóór u – het groote werktuig, dat nooit rust. Het heeft zijne ambassadeurs in alle werelddeelen; zijne koeriers rennen op alle wegen. Zijne officieren trekken met alle legers uit, en zijne afgevaardigden treden de kabinetten der staatslieden binnen. Zij zijn alomtegenwoordig. Dat dagblad heeft een agent, die op het oogenblik te Madrid degenen omkoopt, die hij noodig heeft, en een anderen, die den prijs der aardappelen op de Covent Garden markt noteert. Kijk, daar komt de buitenlandsche expresse aan. Morgen zullen zij den minister van buitenlandsche zaken iets doen vernemen, dat hij nog niet weet. De effecten zullen daardoor rijzen of dalen; het winnen of verliezen van fortuinen zal er het gevolg van zijn; Lord B. zal in het Hoogerhuis met het dagblad in de hand opstaan en, als hij ziet, dat de minister aanwezig is, eene indrukwekkende rede houden. En mijnheer Doolan zal van zijn souper in de Achterkeuken worden weggeroepen, want hij is onderredacteur voor het buitenlandsche nieuws, en moet dit in de persrevisie nalezen eer hij naar bed gaat.”
Onder deze en dergelijke gesprekken traden de vrienden hunne woning binnen, op het oogenblik dat de dageraad begon aan te breken.
TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN DE DRUKKERSJONGEN AAN DE DEUR KOMT.
Te midden van zijne uitspanningen en vermaken, die bescheiden genoeg en, zoo al niet fijn, ten minste goedkoop waren, zag Pen een vreeselijk zwaard boven zijn hoofd hangen, dat eerlang moest nederstorten en een einde aan zijne pret en feestgelagen zou maken. Zijn geld was bijna op. De contributie voor zijne club had er een derde van verslonden. Hij had de voornaamste meubelstukken moeten betalen, waarmee hij zijn slaapkamertje voorzien had. Kortom, hij was aan zijn laatste bankbriefje van vijf pond gekomen, en wist geen middel te bedenken om het aan een opvolger te helpen; want onze vriend was tot nog toe als een jonge prins behandeld, of liever als een kind in de lange kleeren, dat dadelijk van zijne moeder voedsel krijgt, zoodra het schreeuwt.
Warrington wist niet, over welke middelen zijn makker beschikken kon. Daar Pen een eenig kind was, met eene moeder, die op eene buitenplaats woonde, en een ouden dandy van een oom, die elken dag met een groot heer dineerde, kon de ander niet weten, dat Pen geene aanzienlijke inkomsten had. Hij bezat gouden kettingen en eene toiletdoos, waarvoor een lord zich niet had behoeven te schamen. Zijne manier van leven was aristocratisch; wel was hij niet verkwistend; want met de meeste opgeruimdheid dineerde hij met eene kan porter en eene portie vleesch uit eene restauratie, waarbij hij de grootste tevredenheid en een goeden eetlust aan den dag legde, maar hij kon er niet toe komen om het, zooals men zegt, uit te rekenen. Hij kon niet besluiten, om maar een dubbeltje aan den knecht te geven; hij kon niet nalaten eene vigilante te nemen als hij er lust toe had, of als het regende, en even zeker als hij de vigilante nam, betaalde hij den koetsier te veel. Hij had een afkeer van gewasschen handschoenen en dergelijke kleine bezuinigingen. Hij had bezwaarlijk milder kunnen zijn, als hij tien duizend pond ’s jaars te wachten had gehad; en zoodra een bedelaar met eene aandoenlijke geschiedenis, of een paar aardige kinderen met pruilende gezichtjes hem in den weg kwamen, kon hij de hand niet uit zijn zak houden. Het was bij hem misschien eene grootschheid van karakter, die zich niet verledigen kon om op geld te letten; eene aangeboren edelmoedigheid en goedgeefschheid; en misschien eene kleine ijdelheid, die zich door lof, al ware het maar de lof van koffieknechts en koetsiers, gestreeld gevoelde. Ik geloof, dat de meest wijzen onder ons niet weten wat onze eigen beweegredenen zijn, en dat sommige handelingen, waarop wij ons het meest verheffen, ons zullen verbazen als wij, gelijk eenmaal het geval zal zijn, tot de ware bron daarvan opklimmen.
Warrington kende dus de geldelijke omstandigheden van Pen niet, die deze ook niet had goedgevonden hem toe te vertrouwen. Dat Pen aan de academie vroolijk geleefd had en zeer spilziek was geweest, wist de ander; iedereen was daar spilziek en vroolijk; maar hoe groot de verteringen van den zoon en hoe klein de inkomsten der moeder waren, dit waren punten, die men nog niet ter kennis van mijnheer Warrington gebracht had.
Eindelijk brak de bom los, toen Pen met een zuur gezicht naar het geld keek, nadat hij zijn bankje gewisseld had, en dat naast Warrington’s bierkan op het schenkblad uit de herberg lag.
„Dat is de laatste roze,” zeide Pen; „hare gelijken zijn reeds lang verdwenen, en nu heeft ook zij hare bladeren afgeworpen.” En daarop verhaalde hij Warrington alles wat wij weten van het fortuin zijner moeder, zijne eigen dwaasheden en Laura’s edelmoedigheid, hetgeen, Warrington onder het rooken van zijne pijp aandachtig aanhoorde.
„Schraalheid van kas zal u goeddoen,” zeide Pen’s vriend, terwijl bij, toen het verhaal uit was, zijne pijp uitklopte; „ik weet voor een mensch – let wel, een fatsoenlijk mensch, want voor andere heeft die artsenij geene kracht, –– niets heilzamers dan een toestand van geldgebrek. Het is een middel van afleiding en opwekking; het houdt den geest bij voortduring wakker; gelijk een ruiter, die over eene heg zal springen, of een man, die door zijn vijand met een wapen bedreigd wordt, die voorwerpen onafgewend in het oog moet houden en zijn moed verzamelt om over den hinderpaal heen te komen, of om den slag af te wenden. Een beetje nooddwang brengt uw moed aan het licht, zoo gij dien bezit, en schenkt u kracht om den strijd met de Fortuin te aanvaarden. Gij zult eens zien hoeveel dingen ge missen kunt, als ge geen geld hebt om ze te koopen. Ge zult geen behoefte hebben aan nieuwe handschoenen en verlakte laarzen, eau de Cologne en vigilantes. Gij zijt als een bedorven kind groot gebracht en door de vrouwen bedorven, waarde Pen. Als een ongetrouwd man, die gezondheid en talenten bezit, zijn kost niet kan verdienen in de wereld, verdient hij er niet te blijven. Laat hij zijn laatsten halven stuiver besteden om den tol op de Waterloo-brug te betalen en dan in de Theems springen. Laat hem een schapebout stelen en men zal hem naar eene strafkolonie zenden. Hij is niet geschikt om hier te leven. Dixi – ik heb gezegd. Nu nog een slokje bier!”
„Zeker hebt gij het gezegd; maar hoe kan men den kost verdienen?” zeide Pen. „Er is in Engeland overvloed van brood en vleesch, maar men moet het met werk of geld betalen. Wie wil echter van mijn werk gediend zijn? en welk werk kan ik verrichten?”
Op deze woorden barstte Warrington in lachen uit. „Indien wij eens,” sprak hij, „eene advertentie in de Times plaatsten voor eene betrekking als ondermeester op eene voorname kostschool, waar de jongelui voor de academie en den handel worden opgeleid, bijv.: Een candidaat in de letteren, van het St. Bonifacius-Collegie te Oxbridge, die bij zijn examen voor het doctoraat gedropen is –”
„Loop naar –” zeide Pen.
„– biedt zich aan om onderwijs te geven in de oude talen, de wiskunde en de eerste beginselen van het Fransch; hij kan haarsnijden, de kleinste leerlingen wasschen en aankleeden, en met de dochters van den hoofdonderwijzer quatre-mains op de piano spelen. Men adresseere zich aan A. P., Lamb Court in den Temple.”
„Ga je gang maar!” gromde Pen.
„Men kan allerlei beroepen bij de hand nemen. Daar hebt ge uw vriend Bloundell, bij voorbeeld; Bloundell is een oplichter van beroep; reist op het vasteland, tracht kennis met jongelui van aanzien te maken en licht hen dan op. Bob O’Toole, met wien ik heb schoolgegaan, is thans postbode op Ballynafad en brengt de brieven van den goeden Jack Finucane naar die stad. Ik ken iemand, mijnheer, een dokters zoon, evenals – nu, word maar niet boos, ik wil niets beleedigends zeggen – een dokters zoon, zeg ik, die hier de lessen in de hospitalen bijwoonde, maar met zijn vader twist kreeg over geldzaken. Wat deed hij, toen hij aan zijn laatste vijf pond gekomen was? hij liet zijne snorren staan, reisde naar eene provinciestad, gaf zich daar uit voor professor Spineto, eksteroogensnijder en nagelknipper van den keizer aller Russen, en kwam, door eene gelukkige operatie op den redacteur der provinciale courant, in eene drukke praktijk, zoodat hij er drie jaren goed van leefde. Hij is toen weder met zijne familie verzoend en nu in zijn vaders likpotten opgevolgd.”
„Laat de likpotten naar de maan loopen!” schreeuwde Pen. „Ik kan geen postkar rijden, geen likdorens snijden, en mijn kost niet met valsch spelen verdienen. Weet gij me niets anders aan de hand te doen?”
„Ja wel, gij kunt correspondent worden,” zeide Warrington. „Ieder heeft zijne geheimen, weet ge. Voordat gij mij op de hoogte bracht hoe het met uwe middelen stond, kon ik niet anders denken, dan dat gij iemand van fortuin waart, want met uwe verwenschte voornaamheid van manieren en voorkomen, moet ieder u daarvoor houden. Naar hetgeen gij mij van de inkomsten uwer moeder vertelt, is het duidelijk, dat gij haar niets meer moet afpersen. Gij kunt niet meer blijven teren op hetgeen die vrouwen bezitten. Gij moet dat juweel van een meisje het hare terugbetalen. Heet ze niet Laura? – nu, op uwe gezondheid, Laura! Word liever opperman, dan nog een enkelen stuiver van huis te vragen!”
„Maar hoe kan ik er dan zelf een verdienen?” vroeg Pen.
„Waarvan denkt ge wel, dat ik leef?” hernam de ander. „Van mijn erfdeel als jongere broeder, Pendennis? Ik heb mijne eigen geheimen, beste jongen,” en bij die woorden werd Warrington’s gelaat somber, „Vijf jaar geleden heb ik dat erfdeel opgemaakt, en het zou beter geweest zijn, indien ik wat vroeger mij zelven ook van kant gemaakt had. Sinds dien tijd heb ik op mijne eigen wieken gedreven. Ik heb niet veel geld noodig. Als mijne beurs plat is, zet ik mij aan het werk om haar te vullen, en dan lig ik weer als eene slang, of een Indiaan, te luieren, totdat ik den brok verteerd heb. Kijk maar eens! ik begin weer honger te krijgen,” besloot Warrington en liet aan Pen eene lange schrale beurs zien, die aan het ééne einde slechts weinige goudstukken bevatte.
„Maar hoe vult gij die beurs dan weer?” vroeg Pen.
„Ik schrijf,” gaf Warrington ten antwoord; „maar dat vertel ik aan de wereld niet,” voegde hij er met een blos bij. „Ik wil niet, dat men er mij naar vraagt; of misschien ben ik een ezel en laat ik mij niet gaarne nageven, dat ik om den broode schrijf. Maar ik werk voor de rechtsgeleerde tijdschriften; kijk eens, deze artikelen zijn van mij.” En bij die woorden sloeg hij eenige bladen om. „Ook schrijf ik nu en dan in een dagblad, dat onder redactie van een mijner vrienden staat.”
Toen Warrington op zekeren dag met Pen naar de club ging, liet hij zich eenige nommers van de Dageraad geven en wees met den vinger een paar artikelen aan, die Pen met genoegen las. Het kostte hem later geen moeite dien stijl, die krachtige denkbeelden en korte volzinnen, dat gezonde verstand, dien hekelenden geest en die geleerdheid te herkennen.
„Daartoe ben ik niet in staat,” zeide Pen met oprechte bewondering voor de talenten van zijn vriend. „Ik weet maar weinig van staatkunde en geschiedenis, Warrington; en mijne kennis van de letterkunde is zeer oppervlakkig. Ik kan mij op vleugelen als de uwe niet verheffen.”
„Maar gij kunt het op uwe eigene, mijn jongen, hetgeen gemakkelijker en misschien nog hooger gaat,” zeide de ander goedaardig. „Uit die kleine schetsen en verzen, die ik van u gezien heb, spreekt eene natuurlijke begaafdheid, die in deze dagen zeldzaam is. Gij behoeft niet te blozen, verwaande jonge aap! Gij hebt er sedert tien jaar evenzoo over gedacht. Gij bezit, geloof ik, het heilige vuur, een sprankje van den echten dichtergloed, mijnheer; en daarbij vergeleken, hebben al onze olielampen, hoe netjes ook afgeknipt, niets te beteekenen. Pen, gij zijt een dichter, beste jongen!” en bij die woorden strekte Warrington de groote hand uit en klopte Pen op den schouder.
Arthur was zoo opgetogen, dat de tranen hem in de oogen opwelden.
„Wat zijt gij vriendelijk voor mij, Warrington,” sprak hij.
„Ik houd van u, ouwe jongen,” zeide de ander. „Ik had het drommels eenzaam op mijne kamer; ik had iemand tot gezelschap noodig en uw open en eerlijk gelaat nam mij voor u in. De manier van uw lachen tegen Lowton, dien armen goeden klaplooper, beviel mij. Kortom, ik kan niet duidelijk zeggen waarom gij zulk een goeden indruk op mij hebt gemaakt – maar waarheid is het, jongetje. Ik sta alleen op de wereld, en ik moest iemand hebben, die mij gezelschap hield!” en uit Warrington’s oogen straalde een blik vol welwillendheid en droefheid.
Pen werd te aangenaam door zijne eigen gedachten bezig gehouden, dan dat hij de droefgeestigheid van den vriend, die hem zoo prees, opmerkte. „Ik dank u, Warrington,” riep hij uit, „ik dank u voor vriendschap, die gij mij betoont en – en voor hetgeen gij van mij zegt. Ik heb mij inderdaad dikwijls verbeeld, dat ik een dichter was. Ik zal het worden – ik geloof, dat ik het ben, als gij het zegt, al mocht ook de wereld van een ander gevoelen zijn. Wat – wat beviel u het best, – de Ariadne op Naros (ik was pas achttien jaar toen ik dat schreef) of mijn prijsvers?”
Op die toespraak schaterde Warrington het van lachen uit. „Wel, jonge ezel,” gilde hij bijna, „van al de ellendige rijmelarij, die ik ooit heb ingekeken, is de Ariadne op Naxos bijna de afgrijselijkste en walgelijkste; en het prijsvers is zoo hoogdravend en onbeduidend, dat het mij waarachtig verwondert, dat gij er de medaille niet voor gekregen hebt. Ik hoop toch niet, dat ge u voor een dichter van den ernstigen stempel houdt, die Milton en Æschylus zal overschaduwen? Zit ge van plan een Pindarus te worden, malle pimpelmees, en meent ge de krachtige wieken te bezitten, die den Thebaanschen adelaar als oppervorst in de azuren gewesten des hemels doen heerschen? Neen, jongetje, ik geloof, dat gij een artikel voor een tijdschrift en een aardig versje kunt schrijven; – dat is het, wat ik van u denk.”
„Voor den drommel,” riep Pen, opspringende en met den voet stampende; „ik zal u toonen, dat ik meer kan dan gij denkt.”
Warrington begon alleen nog harder te lachen en deed bij wijze van antwoord vier en twintig haastige trekken achter elkander uit zijne pijp.
Het duurde niet lang, of Pen kreeg gelegenheid om zijne kunst te toonen. Die voorname uitgever Bacon van Paternoster Row (vroeger Bacon en Bungay) zond niet alleen het rechtsgeleerde tijdschrift, waarin mijnheer Warrington schreef, en andere belangrijke en ernstige periodieke geschriften in het licht, maar onthaalde de wereld ook elk jaar op een sierlijk en verguld boekdeel, getiteld het Lente-jaarboek, dat onder redactie van Lady Violet Lebas stond en niet alleen de voornaamste, maar ook de hoogst geplaatste dichters van onzen tijd onder zijne medewerkers telde. De gedichten van Lord Dodo en die van jonkheer Percy Popjoy, wiens ridderballaden hem zooveel naam verschaft hebben, verschenen het eerst in dezen bundel; de Oostersche Liederen van Bedwin Sands en vele andere werken van onze adellijke jeugd werden voor het eerst wereldkundig gemaakt in het Lente-jaarboek, dat sedert het lot van andere lentebloemen gedeeld heeft en van het wereldrond verdwenen is. Het boek was luisterrijk versierd met de portretten der schoonste dames van dien tijd, of met andere voorstellingen van roerende en aandoenlijke tafereelen; en daar die platen lang te voren waren gekozen en het graveeren veel tijd kostte, waren het de uitstekende dichters, die de verzen bij de platen moesten maken, in plaats, dat de teekenaars hunne tafereelen ontwierpen naar de gedichten.
Juist toen dit jaarboek weder uitgegeven moest worden, wilde het geval, dat Warrington in Paternoster Row aanliep, om mijnheer Hack te spreken, die voor Bacon de handschriften nalas en het opzicht over de uit te geven werken hield; want daar mijnheer Bacon hoegenaamd geen begrip van poëzie of letterkunde had, bediende hij zich zeer wijselijk van de hulp van een deskundige. Toen Warrington dus naar kamer van Hack ging, om over zijne eigen zaken te spreken, vond hij dien heer met een stapel proefplaten en gedrukte vellen van het Lentejaarboek voor zich, en Warrington nam er eenige op om ze te bekijken.
Percy Popjoy had een vers bij een der platen, het Kerkportaal, geleverd. Een Spaansch dametje spoedde zich met een groot gebedenboek naar de kerk en werd bespied door een jong heer in een mantel, die zich in eene nis verborgen had. Het was een aardig tafereeltje, maar Percy Popjoy was door zijn verheven genie in den steek gelaten, want hij had er de verfoeilijkste verzen bij geschreven, waaraan zich ooit een jong edelman bezondigd heeft.
Warrington barstte in lachen uit toen hij het vers las, en mijnheer Hack lachte mee, doch als een boer, die kiespijn heeft. „Het kan niet gaan,” zeide hij; „het publiek zal er den draak mee steken. Bij Bungay zal men een zeer goed jaarboek uitgeven, en men heeft daar jufvrouw Bunyan tegenover Lady Violet gesteld. Wij hebben wel is waar de meeste getitelde medewerkers, maar de verzen zijn al te slecht. Lady Violet erkent het zelve, maar zij is aan haar eigen gedicht bezig, en wat moeten wij doen? Wij kunnen de plaat niet ongebruikt laten en het geld verliezen; de ouwe heeft er zestig pond voor betaald.”
„Ik ken iemand, die er, geloof ik, wel een vers bij zou kunnen maken,” zeide Warrington. „Laat mij het plaatje meenemen en zend dan morgenochtend maar bij mij om het vers. Ik verwacht echter, dat gij goed betalen zult.”
„Natuurlijk,” antwoordde Hack; waarop Warrington, na zijne eigen zaken te hebben afgehandeld, met de plaat in de hand naar huis ging.
„Kom aan, jongen, nu is er eene kans voor u!” zeide hij tegen Pen. „Maak me daar eens een vers bij.”
„Wat is dat? Het Kerkportaal – eene dame, die er binnengaat, en een jonge heer, die haar uit een herbergvenster begluurt. Wat drommel moet ik daarmee uitvoeren?”
„Probeer maar!” zeide Warrington. „Tracht nu voor ditmaal uw kost eens te verdienen, waarnaar gij zoo verlangt.”
„Nu, ik zal het probeeren,” hernam Pen.
„En ik ga eten,” zeide Warrington en liet mijnheer Pen in diep gepeins achter.
Toen Warrington dien avond zeer laat thuis kwam, was het vers gereed. „Daar is het,” zeide Pen, „Ik heb het er eindelijk uitgeperst. Ik geloof, dat het voldoende zal zijn.”
„Dat geloof ik ook, zeide Warrington nadat hij het gelezen had. Het luidde als volgt:
HET KERKPORTAAL.
’k Treed het heiligdom niet in, Maar verstout me, in wereldzin, Soms hier rond te dwalen, Wachtend bij ’t gewijd portaal, Dat haar oog een hemelstraal Op mij neer doe dalen.
’t Koor der klokken bengelt luid Boven ’t stadgewemel uit, Boven wind en stroomen. Thans verstomt de klokkengalm: ’k Hoor den statige’ orgelpsalm: Spoedig zal zij komen.
Eindelijk zie ’k mijn liefste, met Schuchtren maar verhaasten tred Naar het godshuis snellen. De oogen afgewend van mij Komt zij – is er – gaat voorbij. Moog haar God verzellen!
Kniel daar, heilige! ongestoord. Elke smeekbeê word’ verhoord, Die ge omhoog zult zenden! Ik blijf buiten; mijn gemoed Zou de reinheid en den gloed Van uw beden schenden.
Maar vergun me, een korten stond, Bij dien mij verboden grond Nog mij te bezinnen, Als een uitgebannen geest, Die door ’s hemels poort, bedeesd De englen ziet daarbinnen!
„Hebt ge nog meer van dien aard, jonge heer?” vroeg Warrington. „Wij moeten maken, dat ze u een paar guinjes per bladzijde geven; en als de verzen bevallen, zult ge ook voet krijgen in Bacon’s tijdschriften en kunt ge er een aardig duitje uit halen.”
Pen keek zijne portefeuille na en vond nog eene ballade, die hij meende, dat een goed figuur in het Lente-jaarboek zou maken, en na die kostbare stukken aan Warrington overhandigd te hebben, begaven beiden zich uit den Temple naar Paternoster Row, het vermaarde hoofd kwartier van de Muzen en hare meesters. Bacon’s winkel was een oud en lang gebouw, met eenige boeken, door deze firma uitgegeven, in het winkelraam onder het borstbeeld van den beroemden Bacon, Lord Verulam, en mijnheer Bacon’s naam op een koperen plaatje aan de afzonderlijke deur zijner woning. Vlak tegenover Bacon lag het huis van Bungay, dat pas geverfd en rijk versierd was in den stijl der zeventiende eeuw, zoodat men zich had kunnen voorstellen, dat de deftige Evelyn den drempel betrad, of dat de nieuwsgierige mijnheer Pepys de boeken in de toonkast bekeek. Warrington ging Bacon’s winkel binnen, maar Pen bleef buiten wachten. Hij had afgesproken, dat zijn ambassadeur geheel voor hem zou handelen, en hij wandelde nu in zenuwachtige spanning de straat op en neer, in afwachting van den uitslag der onderhandeling. Menige arme duivel had vóór hem die steenen betreden, met dezelfde bezorgdheid en benauwdheid op zijne hielen, daar zijn brood en zijn roem van het vonnis afhingen, dat zijne vermogende patronen in Paternoster Row over hem zouden uitspreken. Pen bekeek al het moois in de winkels en de merkwaardige verscheidenheid van letterkundige voortbrengselen in hunne kasten. In dezen winkel lagen boeken met gothische letters, of met de duidelijke doch magere letters der Aldussen en Elzeviers; in dien er naast zag men het Stuivers Gruwelen-Magazijn, de Halve stuivers Jaarboeken der misdaad en de Geschiedenis der beruchtste moordenaars uit alle landen, het Magazijn van allerlei, de Snaaksche bram en andere voortbrengselen van de stuiversdrukpers; aan een ander venster zag men portretten van heeren met een ongunstig uitzicht, waaronder het facsimile der geachte handteekeningen van de weleerwaarde heeren Grimes Wapshot en Elias Howle prijkte, terwijl exemplaren van de werken, die zij geschreven, en de preeken, welke zij gehouden hadden, aan iedereen, die niet tot de Britsche Staatskerk behoorde, tot wegwijzer strekten, waar hij zielevoedsel vinden kon. Een venstertje dicht in de nabijheid was behangen met zinnebeelden, medailles, rozenkransen, armzalige heiligenprentjes met goud en kleuren, en godgeleerde twistschriften, waaruit de geloovigen van de Roomsche belijdenis de beste wijze konden leeren om het met de Protestanten klaar te spelen, en wel voor een stuiver het stuk, of negen stuivers het dozijn ter verspreiding; terwijl men in den winkel daarnaast exemplaren van Verlaat den schoot van Rome zag liggen, eene predikatie, die bij de inwijding van het Herdersbosch Collegie gehouden was door John Thomas lord-bisschop van Ealing. Men kon zich bijna geene richting voorstellen, die in deze vreedzame oude Paternoster Row, onder den galm der klokken van de St.-Paulskerk, niet aangeprezen en verkondigd werd.
Pen keek de kasten en winkels in, zooals iemand, die een onderhoud met den tandmeester moet hebben, de boeken op de tafel in diens voorzaal bekijkt. Alles stond hem later nog duidelijk voor den geest. Het was hem, alsof Warrington nooit meer te voorschijn zou komen, en werkelijk had deze ook geruimen tijd noodig, om de zaak van zijn vriend te bepleiten.
Pen’s aangeboren verwaandheid zou nog vervaarlijker gestegen zijn, indien hij het verslag had kunnen hooren, dat Warrington van hem gaf. Toevallig kwam Bacon zelf in de kamer van Hack, terwijl Warrington daar stond te praten, en daar deze Bacon’s zwakke zijde kende, werkte hij zeer behendig ten behoeve van zijn vriend. In de allereerste plaats zette hij zijn hoed op om tegen Bacon te spreken en richtte, van de tafel af, waarop hij zich neergezet had, het woord tot hem. Bacon was er mee gestreeld als een gentleman hem grof behandelde, en paste dit van zijn kant weer op zijne kinderen toe, gelijk jongens elkander een klap overgeven. „Hoe! Kent gij mijnheer Pendennis niet, Bacon?” zeide Warrington. „Gij komt niet veel in de groote wereld, anders zoudt gij hem wel kennen. Het is een man van groote bezittingen in het westen van Engeland, van eene der oudste familiën in dit rijk, vermaagschapt aan, de helft van den adel – het is een neef van Lord Pontypool; – te Oxbridge behoorde hij tot de knapste studenten en elke week dineert hij op Gaunt House.”
„Och kom! is het wezenlijk waar, mijnheer? Wel, men zou zeggen! Wel Heere bewaar me!” zeide mijnheer Bacon.
„Ik heb daar juist verzen van hem aan mijnheer Hack laten zien en hij is gisterenavond laat opgebleven, om ze op mijn verzoek te schrijven. Nu wil Hack hem een exemplaar van dat boek geven – hoe heet dat ding ook?”
„Zoo! Zoo? Ja, hoe heet dat ding ook? Wel, wel!”
„Het Lente-jaarboek, zoo heet het, – als betaling voor die verzen. Gij begrijpt toch wel, dat een man als mijnheer Arthur Pendennis geen diner op Gaunt House laat loopen om niets? Gij weet zoo goed als iemand, dat de voorname lui betaald willen worden.”
„Ja, dat weet ik, mijnheer Warrington,” antwoordde de uitgever.
„En ik zeg u, dat hij een genie is, – dat hij opgang zal maken, mijnheer. Het is nog een nieuwe naam, mijnheer.”
„Dat is van zooveel van die voorname jonge heeren gezegd, mijnheer Warrington merkte de uitgever met een zucht aan. „Daar hadt ge burggraaf Dodo; ik gaf hem eene flinke som voor zijne gedichten en verkocht er slechts tachtig exemplaren van. De Agincourt van jonkheer Popjoy is geheel en al eene mislukte speculatie geweest.”
„Nu, dan zal ik mijn beschermeling aan den overkant bij Bunga brengen,” zeide Warrington en sprong van de tafel. Maar deze bedreiging was te veel voor Bacon, die dadelijk zijne bereidwilligheid te kennen gaf om in elk billijk voorstel van Warrington te treden en eindelijk aan zijn deskundige vroeg wat het voorstel was. Toen hij hoorde, dat de onderhandeling vooralsnog slechts over een paar balladen liep, die Warrington voor het Lentejaarboek aanbood, riep Bacon uit: „Wel Heere bewaar me! geef hem dadelijk een briefje op mijn bankier!” en met dit papiertje ging Warrington nu de straat op en overhandigde het met een glimlach aan Pen. Deze was even uitgelaten blij, alsof iemand hem een fortuin vermaakt had. Dadelijk bood hij Warrington een diner te Richmond aan. Wat zou hij nu voor Laura en zijne moeder koopen? want, zeide hij, iets moest hij toch doen.
„Het boek zelf, met den naam van den jongen heer onder de verzen, midden onder de groote lui, zal haar meer genoegen doen dan iets anders” zeide Warrington.
„Goddank! Goddank!” riep Arthur uit: „Nu behoef ik mijne oude moeder niet meer tot last te zijn. Nu kan ik Laura afbetalen. Nu kan ik in mijn eigen onderhoud voorzien. Nu kan ik zelf door de wereld komen!”
„Nu kan ik de dochter van den groot-vizier trouwen; nu kan ik een huis in Belgrave Square koopen; nu kan ik een mooi luchtkasteel bouwen!” vervolgde Warrington, die behagen schepte in de opgewondenheid van den ander. „Gij kunt nu een stuk brood verdienen, Pen, en ik moet bekennen, dat het brood, hetwelk men zelf verdient, goed smaakt.”
Dien middag hadden zij bij hun diner in de club eene fijne flesch op Pen’s kosten. Sedert lang had hij zich zulk eene weelde niet veroorloofd; maar Warrington wilde hem niet voor het hoofd stooten, en dus dronken zij gezamenlijk op het welslagen van het Lente-jaarboek.
Evenals een ongeluk, komt ook een geluk zelden alleen, en zoo deed zich spoedig eene nieuwe kans voor mijnheer Pen op, om tot een bestaan te geraken. Op zekeren dag wierp Warrington hem een brief over de tafel toe, dien de drukkersjongen gebracht had. „Van kapitein Shandon, meneer,” had de kleine afgezant gezegd, waarna hij op zijne gewone plaats, de bank in den gang, ging zitten en daar in slaap viel. Hij kwam er later nog dikwijls en bracht menige boodschap aan Pen.
„F. G., Dinsdagmorgen,
„Waarde Heer,
„Bungay komt straks, om over de Pall Mall Gazette te spreken. Gij zoudt de man zijn, dien wij hebben moeten, om ons aan artikelen over de wezenlijke groote wereld te helpen, – ge begrijpt mij: levendig, scherp en verduiveld aristocratisch. Lady Hipshaw zal er in schrijven, maar ge weet, dat zij niet veel beteekent; en wij hebben twee lords, maar hoe minder die uitvoeren, hoe beter. Wij moeten u hebben. Gij behoeft maar te zeggen wat uwe voorwaarden zijn. Wij zullen zeker opgang maken met de Gazette.
„Moet B. bij u komen om er over te spreken, of kunt gij mij hier eens komen opzoeken?
„Altijd de uwe,
C. S.”
„Nu gaan zij elkander nog meer in de wielen rijden,” zeide Warrington, toen Pen den brief gelezen had. „Bungay en Bacon haten elkander als de pest; ieder hunner heeft de zuster van den ander getrouwd, en vroeger waren zij de innigste boezemvrienden en compagnons. Hack zegt, dat het mevrouw Bungay is, die al het kwaad tusschen hen beiden gesticht heeft, terwijl Shandon, die veel voor Bungay werkt, zegt, dat het de schuld van mevrouw Bacon is; ik, voor mij, weet niet wie gelijk heeft: het is oud lood om oud ijzer. Maar sedert zij hunne vennootschap ontbonden hebben, voeren die twee uitgevers een verwoeden oorlog met elkander. Nauwelijks zendt de een een reisverhaal, een bundel verzen, een magazijn of een vierendeeljaars-, maandelijksch-, wekelijksch- of jaarlijksch-tijdschrift in het licht, of zijn mededinger komt met iets dergelijks in het veld. Ik heb den armen Shandon met de grootste pret hooren vertellen, hoe hij Bungay bewogen had een groot diner te Blackwall aan al zijne schrijvers te geven, door hem te vertellen, dat Bacon zijn corps op eene partij te Greenwich genoodigd had. Toen Bungay uw beroemden vriend Wagg had aangenomen tot redacteur van den Londenaar, haastte zich Bacon dadelijk om mijnheer Grindle over te halen zijn naam aan het Westminster Magazijn te leenen. Toen Bacon den comischen Ierschen roman Barney Brallaghan uitgaf, reisde Bungay dadelijk naar Dublin en kwam met zijne dolle Hibernische vertelling Looney Mac Twolter voor den dag. Toen doctor Hicks zijne Omzwervingen door Mesopotamië in het licht zond bij Bacon, ondernam Bungay professor Sandiman’s Onderzoekingen in de Sahara. Bungay geeft nu zijne Pall Mall Gazette uit, als een tegenwicht tegen Bacon’s Whitehall Review. Wij zullen eens iets naders van de Gazette gaan hooren. Wellicht is daarbij een plaatsje voor u te krijgen. Pen, mijn beste jongen. Wij moeten Shandon gaan opzoeken; hij is altijd thuis.”
„Waar woont hij?” vroeg Pen.
„In de Fleet-gevangenis,” antwoordde Warrington. „En hij is er ook zeer goed thuis; hij is daar koning.”
Pen had deze phase van het Londensche leven nog nooit gezien en trad met groote belangstelling de grijnzende poort van het sombere gebouw binnen. Zij gingen de voorzaal door, waar de beambten en bewaarders gezeten waren, en kwamen door een klein poortje in de gevangenis. Pen werd getroffen en in spanning gehouden door het gedruis en de menschenmenigte, het leven, het geschreeuw, de woeligheid en de armoede, die er heerschten. De menschen liepen onophoudelijk en rusteloos heen en weer, gelijk de dieren in de hokken eener menagerie. Mannen speelden op de plaats stuivertje-wisselen. Anderen wandelden en stampten op en neer; de een was in gesprek met zijn advocaat in een kalen zwarten rok; de ander wandelde droevig voort met zijne vrouw aan zijne zijde en een kind op zijn arm. Sommigen waren in havelooze kamerjaponnen gehuld en hadden een voorkomen van verloopen fatsoen. Iedereen scheen bezig te zijn en het druk te hebben en op het punt te staan van te verhuizen. Het was Pen alsof hem de keel toegesnoerd werd, en alsof men hem er nimmer weer uit zou laten, nu de deur achter hem gesloten was.
Zij gingen een plein over en eene steenen trap op, en door gangen vol menschen, vol gedruis, vol vallichten, waar allerwege zwarte deuren toegeslagen werden en galmden. Pen had een gevoel, zooals men in een koortsigen droom in den vroegen morgen kan hebben. Eindelijk zeide de kleine jongen, die Shandon’s brief had gebracht, en die hen onder het eten van appelen door de Fleet Street was gevolgd en hun den weg door de gevangenis had gewezen: „Dit is de deur van den kapitein,” waarop Shandon’s stem hen verzocht binnen te komen.
Ofschoon de kamer kaaltjes was, zag ze er niet onpleizierig uit. De zon scheen door het venster, waarbij eene dame zat te werken, die eenmaal schoon en opgeruimd was geweest, maar wier verwelkt gelaat nog altijd vriendelijk en vol uitdrukking was. Dit trouwe schepseltje aanbad haar man, in weerwil van al zijne gebreken en door eigen schuld veroorzaakte tegenspoeden en ongelukken, en hield hem voor den besten en knapsten der mannen, gelijk hij ook inderdaad een der goedhartigste was. Niets scheen ooit in staat, zijn opgeruimd humeur te verstoren: noch schulden, noch schuldeischers, noch ellende, noch de flesch, evenmin als het rampspoedige lot zijner vrouw of de vernietigde vooruitzichten zijner kinderen. Hij hield, op zijne manier, dol veel van zijne vrouw en de kleintjes; hij had altijd de zoetste woordjes en glimlachjes voor hen ten beste en bracht hen met de grootste liefde ten verderve. Hij kon zich zelven noch iemand anders een genoegen ontzeggen, dat met geld te koopen was; hij zou zijne laatste guinje met Piet en Klaas gedeeld hebben en men kon zeker zijn, dat hij een zwerm van dergelijke aanhangers bezat. Hij endosseerde de wissels van iedereen en betaalde nooit zijne eigene schulden. Hij was bereid voor elke partij te schrijven en zich zelven of een ander met gelijke onverschilligheid aan te tasten. Hij was een der geestigste, beminnelijkste en onverbeterlijkste der Ieren. Als men Charles Shandon eenmaal gezien had, moest men van hem houden, en zelfs degenen, die hij in ellende stortte, konden bezwaarlijk boos op hem zijn.
Toen Pen en Warrington binnentraden, zat de kapitein (die eenmaal bij een Iersch militieregiment gediend en daarvan nog den titel behouden had) in eene gescheurde kamerjapon op het bed, met een lessenaartje op zijne knieën, waarop hij iets schreef, zoo snel als zijne vlugge pen vliegen kon. De eene natbeschreven strook papier na de andere viel van den lessenaar op den grond. Boven zijn bed hing eene schilderij, met de portretten zijner kinderen, van welke het jongste, een meisje, door de kamer kroop.
Tegenover den kapitein zat mijnheer Bungay, een gezet man met een dom uitzicht, met wien het kleine meisje een gesprek trachtte aan te knoopen.
„Pa is heel knap, zegt ma,” zoo sprak het kind.
„Ja! heel knap,” zeide Bungay.
„En u is heel rijk, meneer Bundy,” kreet het kind, dat nog ternauwernood duidelijk kon spreken.
„Marie!” riep mama van haar werk.
„O, laat haar maar praten,” zeide Bungay met een zwaren lach; „laat haar zeggen dat ik rijk ben – hi, hi! – ja, ik ben vrij goed af, mijn schatje.”
„Als u rijk is, waarom haalt ge dan pa hier niet uit?” vroeg het kind.
Op deze woorden begon mama hare oogen af te wisschen met het werk, waaraan zij bezig was. (De arme dame had gordijnen voor de vensters gehangen, de schilderij der kinderen hier gebracht en boven het bed geplaatst, en nog enkele pogingen gedaan om het vertrek wat op te knappen). Mama begon dus te schreien; mijnheer Bungay werd rood en keek knorrig uit zijne kleine, roode oogen; Shandon’s pen ijlde voort, en op dit oogenblik klopten Pen en Warrington aan.
Kapitein Shandon zag van zijn arbeid op en zeide: „Hoe vaart ge, mijnheer Warrington? Binnen ééne minuut ben ik tot uw dienst. Gaat zitten, heeren, als gij ten minste plaats kunt vinden,” en voort ging de pen weer.
Warrington trok een ouden koffer vooruit – de eenige bruikbare zitplaats – en zette zich, na eene buiging tegen mevrouw Shandon en een knikje tegen Bungay, daarop neer; het kind kwam bij Pen staan en keek hem aandachtig aan; en na een paar minuten hield het krassen op; Shandon wierp zijn lessenaartje op zijde en bukte om de papieren op te rapen.
„Ik geloof dat dit wel voldoen zal,” sprak hij. „Het is het prospectus voor de Pall Mall Gazette.”
„En hier is het geld er voor,” zeide Bungay, terwijl hij een bankje van vijf pond neerlegde. „Ik ben een man van mijn woord, al zeg ik het zelf. Als ik gezegd heb, dat ik betalen zal, dan doe ik het ook.”
„Nu, dat is meer dan sommigen zeggen kunnen,” zeide Shandon en stak het bankje gretig op.
DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
DAT IN DEN OMTREK VAN LUDGATE HILL SPEELT.
Onze gekerkerde kapitein verkondigde in zijn prospectus, in kernachtige en bezielde taal, dat de gentlemen van Engeland eindelijk de noodzakelijkheid gevoeld hadden, om zich te vereenigen tot verdediging van hunne gemeenschappelijke rechten en van hun roemrijken maatschappelijken stand, thans van alle zijden bedreigd door buitenlandsche omwentelingen, radicale woelingen binnenslands, sluwe lasteringen van fabrikanten en katoenlords, en de domme vijandigheid der volksmassa’s, die zij misleidden en aanvoerden. „De oude monarchie,” zeide de kapitein, „werd aangerand door een verwoed republikeinsch gepeupel. De kerk werd verzwakt door den afval van wangunstigen en tersluiks ondermijnd door het ongeloof. De gezegende instellingen, die ons land met roem bekransd en den naam van „Engelsch gentleman” tot den aanzienlijksten in de wereld gemaakt hadden, bleven zonder bescherming en werden overgelaten aan de aanvallen en den smaad van menschen, die niets heiligs ontzagen, omdat zij in niets heiligs geloofden; die geene geschiedenis eerbiedigden, omdat zij te onkundig waren om van het verledene gehoord te hebben; en die zich door geene wet lieten binden, welke zij sterk genoeg waren te verbreken, zoodra hunne aanvoerders het sein tot plundering geven. Omdat de koningen van Frankrijk hunne gentlemen wantrouwden, ging de monarchie van den Heiligen Lodewijk te gronde,” deed mijnheer Shandon opmerken; „omdat het volk van Engeland nog in zijne gentlemen geloofde, bood dit land niet alleen het hoofd aan den geduchtsten vijand, dien eene natie ooit had gehad, maar het overwon hem; omdat de Engelschen door gentlemen werden aangevoerd, moesten de adelaars van de Douro tot de Garonne voor hen terugwijken. Het was een gentleman, die door de vijandelijke slagorde te Trafalgar brak, en een ander, die de vlakte van Waterloo schoonveegde.”
Bungay knikte op veelbeteekenende wijze en knipoogde toen de kapitein aan die zinsnede betrekkelijk Waterloo kwam, terwijl Warrington daarentegen in lachen uitbarstte.
„Gij ziet hoe onze geachte vriend Bungay aangedaan is,” zeide Shandon, met een schelmschen blik van zijne papieren opziende; „dat is de proef op de som. Ik heb den hertog van Wellington en den slag van Waterloo wel honderdmaal te pas gebracht, en nog nooit is het mij gebeurd, dat de hertog den gewenschten indruk niet maakte.”
De kapitein bekende verder met de meeste openhartigheid, dat de gentlemen van Engeland, in het volle vertrouwen op hun goed recht en zonder zich te bekommeren om degenen, die er aan twijfelden, tot nog toe de staatkundige belangen van hun stand, evenals het bestuur van hunne landgoederen of de regeling hunner rechtszaken, hadden overgelaten aan personen, welke opzettelijk met dat werk belast waren, en dus hunne belangen in de pers hadden laten voorstaan door de woordvoerders en verdedigers van beroep. Die tijd verklaarde Shandon nu te beschouwen als voorbijgegaan: de gentlemen van Engeland moesten hunne eigene kampvechters zijn. De verklaarde vijanden van hun stand waren dapper, machtig, talrijk en zonder genade. De gentlemen moesten thans die vijanden openlijk te keer gaan, zij moesten niet belachen en in een verkeerd daglicht geplaatst worden door gehuurde pennen; voor hen behoefden geen broodschrijvers Gazetten van Whitehall uit te geven; „dat is een steek op Bacon’s volk, mijnheer Bungay,” zeide Shandon tegen zijn uitgever.
Bungay stampte met zijn stok op den vloer, „Sla daarop los, raak hem, kapitein!” riep hij in vervoering uit, en zijn dommen kop heviger dan ooit schuddende, zeide hij tegen Warrington: „Als men een moorddadig artikel moet hebben, mijnheer, kan geen mensch het den kapitein verbeteren – geen mensch!”
De steller van het prospectus berichtte vervolgens, dat eenige gentlemen, wier namen, om licht te bevroeden redenen, niet konden bekend gemaakt worden (waarop Warrington weer begon te lachen), besloten hadden een dagblad op te richten, dat die en die beginselen zou voorstaan. „Die mannen zijn fier op hun stand en zullen alles inspannen om hem in eere te houden,” riep kapitein Shandon uit en zwaaide zijn papier met een grijns heen en weer. „Uit innige overtuiging en op het voetspoor hunner voorouders, zijn zij trouw aan hun vorst; zij hebben hunne kerk lief, waar zij hopen dat hunne kinderen zullen knielen en voor welke hunne voorvaderen hun bloed vergoten hebben; zij beminnen hun vaderland en wenschen het te doen blijven wat de gentlemen van Engeland, – ja, de gentlemen van Engeland (wij zullen dat met vette letters laten zetten, Bungay mijn jongen)! – wat de gentlemen van Engeland er van gemaakt hebben: het grootste en vrijste land ter wereld; en gelijk de namen van sommigen hunner onder het charter staan, waarbij onze vrijheden bevestigd werden te Runnymede –”
„Wat is dat?” vroeg mijnheer Bungay.
„Een mijner voorouders bezegelde het met den knop van zijn zwaard,” zeide Pen met de grootste deftigheid.
„Het is de Habeas Corpus acte, mijnheer Bungay,” zeide Warrington, waarop de uitgever antwoordde: „O, dan zal het wel goed zijn,” en geeuwde, maar zeide nog: „Ga voort, kapitein.”
„– te Runnymede, zoo zijn zij ook nog heden bereid die vrijheid met zwaard en pen te verdedigen, en nu nog, gelijk toenmaals, als één man pal te staan voor de oude wetten en vrijheden van Engeland.”
„Bravo!” riep Warrington uit. Het kleine kind stond nog vol verbazing te kijken; Shandon’s vrouw werkte in stilte voort en zag haar man met bewondering aan. „Kom eens hier, Marietje,” zeide Warrington en liet de fraaie lokken van het kind door zijne groote hand glijden. Maar de kleine deinsde voor zijne ruwe liefkoozingen terug, en ging liever haar heil zoeken aan Pen’s knieën, om met zijn mooien horlogeketting te spelen; en het behaagde Pen wel, dat zij bij hem kwam, want hij was zeer weekhartig en eenvoudig, ofschoon hij zijne zachtheid onder een schuw en deftig uiterlijk verborg. Het kind klom dus op zijn schoot, terwijl haar vader voortging met de voorlezing van zijn programma.
„Straks hebt gij gelachen, toen ik van die „licht te bevroeden redenen” sprak,” zeide de kapitein tegen Warrington. „Nu zal ik u laten hooren wat die redenen zijn, ongeloovige heiden!” – „Wij hebben gezegd,” ging hij voort, „dat wij de namen der bij deze zaak betrokken personen niet kunnen noemen, en dat er gegronde redenen voor die geheimhouding bestaan. Wij bezitten invloedrijke vrienden in de beide huizen van het Parlement en hebben ons bondgenooten in alle diplomatische kringen van Europa weten te verschaffen. De bronnen, waaruit wij onze berichten zullen putten, zijn van dien aard, dat zij onmogelijk publiek kunnen gemaakt worden; geen ander blad te Londen, of in Europa, zou ze, langs welken weg ook, tot de zijne kunnen maken. Wat wij echter zeggen mogen, is dit: dat men de eerste berichten over hetgeen er in Engeland of op het vasteland op staatkundig gebied voorvalt, alleen in de kolommen der Pall Mall Gazette zal aantreffen. De staatsman en de kapitalist, de landedelman en de godgeleerde zullen tot onze lezers behooren, omdat wij onze medewerkers onder hen tellen. Wij richten ons tot de hoogere standen der maatschappij; wij willen het niet ontkennen: de Pall Mall Gazette wordt door gentlemen voor gentlemen geschreven; hare schrijvers spreken tot de klassen, onder welke zij leven en geboren zijn. De veldpredikers hebben hun blad, de radicale vrijdenkers hebben het hunne: waarom zouden de gentlemen van Engeland geen eigen orgaan bezitten?”
Zeer bescheiden weidde mijnheer Shandon vervolgens uit over de letterkundige en fashionabele rubrieken van de Pall Mall Gazette, die door gentlemen van erkende verdiensten zouden bezorgd worden, – mannen, die zich met roem hadden overladen aan de academie (bij die zinsnede kon Pendennis een lach en een blos ternauwernood onderdrukken), die bekend waren in de clubs, en die tot de kringen behoorden, van welke zij verslag zouden geven. Aan degenen, die advertentiën te plaatsen hadden, gaf hij op eene fijne wijze te verstaan, dat geene andere courant aan de artikelen, welke zij te koop aanboden, zulk eene uitgebreide bekendheid zou kunnen verschaffen als de Pall Mall Gazette; en eindelijk deed hij een welsprekend beroep op de pairs van Engeland, de baronets van Engeland, de geëerde geestelijkheid van Engeland, de rechtsgeleerden van Engeland, de moeders, dochters, huizen en haardsteden van Engeland, om de goede oude zaak te ondersteunen, en toen de voorlezing afgeloopen was, ontwaakte Bungay uit een tweede dutje, dat hij zich veroorloofd had, en zeide andermaal dat het heel goed was.
Na deze kennisneming van het prospectus handelden de heeren over eenige bijzonderheden betreffende de staatkundige en letterkundige leiding van het blad, terwijl Bungay daarbij zat te luisteren en te knikken, alsof hij iets van het gesprek begreep en de geopperde inzichten goedkeurde. Bungay’s eigen inzichten waren inderdaad zeer eenvoudig. Hij hield het er voor, dat de kapitein de knapste man in Engeland was, om een moorddadig artikel te schrijven. Hij wenschte zijn concurrent Bacon te „vermoorden,” en dat kon, naar zijne meening, de kapitein doen. Indien de kapitein een brief van Junius op een stuk papier overgeschreven, of den catechismus gekopieerd had, zou mijnheer Bungay uitstekend voldaan zijn geweest en het stuk als een moorddadig artikel beschouwd hebben. Hij stak dus de papieren met het grootste welgevallen in zijn zak, en betaalde er niet alleen voor, gelijk wij gezien hebben, maar riep zelfs de kleine Marie en gaf haar een stuiver toen hij heenging.
Toen de voorlezing van het manuscript afgeloopen was, begon het gezelschap een algemeen gesprek te voeren, waarbij Shandon eene luchtige voornaamheid aan den dag legde, als een compliment aan de beide vreemden, die bij hem zaten en die hij naar hun voorkomen en manieren als leden van den beau monde beschouwde. Hij wist inderdaad zeer weinig van de groote wereld, maar hij had iets daarvan gezien en trok van die kennis zooveel mogelijk partij. Hij sprak van de meest bekende personen en van de aanzienlijkste onder de groote lui met gemak en gemeenzaamheid en maakte schertsende toespelingen op hen, alsof hij dagelijks met hen omging. Hij verhaalde anekdotes uit hun bijzonder leven en gesprekken, die hij gevoerd, en sprak van partijen, die hij bijgewoond had en waarop dit en dat gebeurd was. Het vermaakte Pen, den kalen gevangene in de gescheurde kamerjapon met zulk eene radheid van tong over de grootsten des lands te hooren spreken. Mevrouw Shandon was er altijd mee ingenomen als haar man die verhalen deed en geloofde ze allen gaarne. Voor zich zelve had zij geen verlangen om in de voorname wereld te verkeeren, want daar was zij niet knap genoeg voor; maar die groote wereld was de ware plaats, waar haar Charles behoorde te zijn; hij schitterde daar, hij was daar in aanzien. Werkelijk was Shandon eens bij den graaf van X. op het diner genoodigd, en zijne vrouw had de invitatie-kaart altijd als een schat in haar werkdoosje bewaard.
Mijnheer Bungay had spoedig van dat gesprek genoeg en stond op om afscheid te nemen, waarop Warrington en Pen ook opstonden om met den uitgever mee te gaan, ofschoon de laatste nog wel wat langer had willen blijven, om met het gezin, dat hem belangstelling inboezemde en zijne deelneming opwekte, nader kennis te maken. Hij mompelde iets van de hoop, dat hij zijn bezoek nog eens zou mogen hervatten, waarop Shandon met een pijnlijk glimlachje antwoordde, dat hij altijd thuis was en het hem veel eer zou zijn mijnheer „Pennington” te ontvangen.
„Ik zal u tot aan het hek mijner buitenplaats uitgeleide doen, heeren,” zeide de kapitein terwijl hij zijn hoed opnam, in weerwil van een smeekenden blik en den flauwen uitroep: „Charles!” van mevrouw Shandon. Op afgedragen pantoffels slofte de kapitein vóór zijne gasten uit en voerde hen door de sombere gangen der gevangenis. Hij voelde reeds in zijn vestzak waar Bungay’s bankbiljet geborgen was, toen hij aan het poortje van de drie heeren afscheid nam, van welke één, en wel mijnheer Arthur Pendennis, zich aanmerkelijk verlicht gevoelde, toen hij uit dat akelige gebouw was en wederom in vrijheid het plaveisel van Farringdon Street betrad.
Mevrouw Shandon ging droevig met haar werk voort aan het venster, dat uitzicht had op het binnenplein. Zij zag Shandon met een paar mannen achter zich haastig naar de cantine der gevangenis loopen. Zij had gehoopt, dat hij dien dag bij haar zou blijven eten; er was een stuk vleesch voorhanden en op de richel aan de buitenzijde van het venster stond eene kom met wat salade; ditmaal had zij verwacht, dat hij met haar en de kleine Marie zou deelen. Maar daarop bestond thans geen kans meer. Hij zou in de cantine blijven zitten tot het uur van sluiting kwam; vervolgens zou hij op de kamer van een ander gaan kaartspelen of drinken, en eindelijk, in zich zelven gekeerd, met verglaasde oogen en een weinig onvast in zijn gang terugkomen, om verder door zijne vrouw verzorgd te worden. O, wat doen wij onze vrouwen toch verschillende soorten van kwellingen aan!
Mevrouw Shandon ging dus nu naar haar kastje en zette wat thee, in plaats van een maal te gebruiken. Wat heeft die arme trekpot, sedert den tijd toen de opbeurende theeplant bij ons werd ingevoerd, tallooze malen de rol van vertrouweling gespeeld bij die verschillende soorten van pijn, waarvan wij zoo even spraken! Men kan zich verzekerd houden, dat myriaden vrouwen er bij zitten weenen. Bij hoeveel ziekbedden heeft hij staan dampen! Hoeveel koortsige lippen hebben er verfrissching uit ontvangen! De natuur had medelijden met de vrouwen, toen zij de theeplant schiep; en hoeveel tafereelen en groepen kan de verbeelding zich niet met een weinig nadenken voorstellen en rondom den trekpot en de kopjes rangschikken! Melissa en Sacharissa bespreken daarbij hare hartsgeheimen. De arme Polly heeft den trekpot en de brieven van haar minnaar op de tafel, de brieven van hem, die nog gisteren haar minnaar was, toen zij er uit blijdschap, niet uit wanhoop, bij schreide. Marie treedt op hare teenen moeders slaapkamer binnen en brengt een kop van den vertroostenden drank aan de weduwe, die niets anders gebruiken wil. Ruth zet bezorgd de thee voor haar man, die van den veldarbeid thuis komt. Men zou eene gansche bladzijde met dergelijke tooneelen kunnen vullen. Kortom, mevrouw Shandon en de kleine Marie zetten zich neder en drinken thee met elkander, terwijl de kapitein uitgaat en zijn vermaak zoekt. Zij verlangt niets anders, als haar man er niet bij is.
Een heer, met wien wij reeds oppervlakkig bekend zijn, mijnheer Jack Finucane, een stadgenoot van kapitein Shandon, vond diens vrouw en de kleine Marie (voor wie hij altijd iets lekkers meebracht) aan de thee. Jack beschouwde den kapitein als het grootste genie op het wereldrond; Finucane was een paar malen uit den nood geholpen door den goedhartigen verkwister, die altijd een vriendelijk woord en soms eene guinje, voor een vriend, die in het nauw zat, overhad. Hij deed daarom gaarne Shandon’s boodschappen en behandelde zijne geldelijke aangelegenheden met uitgevers en dagbladredacteurs, schuldeischers, leveranciers, houders van acceptatiën van den kapitein, en heeren, die in dat papier speculeerden; met een woord, hij nam de honderden kleine zaken waar van een Iersch heer, die in nood zit. Ik heb nog nooit een verarmd Iersch heer gezien zonder een adjudant van zijne eigen natie, die eveneens in geldelijke ongelegenheid verkeerde. Die adjudant heeft zelf weer ondergeschikten, die op hunne beurt weer insolvente volgelingen hebben. Zijn gansch leven hang marcheerde onze kapitein aan de spits van een haveloozen troep, die het lief en leed van zijn aanvoerder deelde.
„Ik wed een guinje, dat het bankbriefje van vijf pond niet lang in zijn bezit zal wezen,” zeide Bungay met het oog op den kapitein, toen hij met zijne metgezellen de gevangenis verliet. En de uitgever had zeer juist geoordeeld; want toen mevrouw Shandon de zakken van haar man nazag, vond zij slechts een paar shillings en eenige stuivers, als overschot van de ontvangst van dien morgen. Shandon had een pond sterling aan een zijner schuimloopers gegeven, een schapebout met aardappelen en bier aan een kennis in de armen-afdeeling der gevangenis gezonden, eene openstaande rekening betaald in de cantine, waar hij zijn bankbiljet gewisseld had, en aldaar een diner gebruikt met twee vrienden, aan wie hij later, bij het kaartspelen, ettelijke daalders verloren had; zoodat de avond hem even arm liet als de morgen hem gevonden had.
Na Shandon verlaten te hebben, had er tusschen den uitgever en de beide heeren nog een kort onderhoud plaats en herhaalde Warrington tegen Bungay wat hij tegen diens concurrent Bacon gezegd had, namelijk, dat Pen een knappe kerel was, een man van groot genie en, wat nog meer beteekende, op zijne plaats in de groote wereld en vermaagschapt aan „ik weet niet hoeveel” pairs. Bungay antwoordde, dat het hem aangenaam zou zijn met mijnheer Pendennis in betrekking te komen, terwijl hij hoopte de heeren eerlang eens bij zich aan tafel te zien, waarop men met wederzijdsche plichtplegingen en betuigingen van genoegen afscheid van elkander nam.
„Het is toch pijnlijk een man van zulk een veelzijdig talent en zoo ontegensprekelijke kunde en geest als Shandon, voor de helft van zijn leven de bewoner eener gevangenis en, als hij daaruit is, de slaaf van een boekverkooper te zien,” zeide Pen nadenkend, toen hij dien avond het tooneel, waarvan hij getuige was geweest, nog eens besprak.
„Ik ben ook de slaaf van een boekverkooper en gij zult in dezelfde betrekking uwe krachten beproeven,” zeide Warrington lachende. „Wij zijn allen in een of ander opzicht slaven. Ik ben liever wat ik ben, dan onze buurman Paley te zijn, die zooveel genot van zijn leven heeft als een mol. Er wordt ongeveer heel veel onverdiend medelijden verspild op hetgeen gij den slaaf van een boekverkooper noemt.”
„De vele pijpen en bier, in eenzaamheid gebruikt, hebben u tot een barbaar gemaakt,” hernam Pen. „Gij zijt een Diogenes bij een biervat, Warrington. Niemand zal mij overtuigen, dat een man van genie, gelijk die Shandon, voortgezweept behoorde te worden door zulk een dommen blank-officier als die Bungay, dien wij straks verlaten hebben, en die zich vetmest van de opbrengst van het brein van een ander, en zich verrijkt met den arbeid van zijn huurling. Ik erger mij, dat ik een gentleman als slaaf zie van zulk een kerel, een man niet eens in staat de taal te spreken van zijn vaderland en niet waardig Shandon’s laarzen te poetsen.”
„Zoo! dus zijt gij ook reeds begonnen tegen de uitgevers te velde te trekken en partij te kiezen voor ons gilde? Bravo, Pen, mijn jongen!” zeide Warrington, altijd lachende. „Wat hebt gij tegen Bungay’s betrekking tot Shandon? Zoudt gij denken, dat de uitgever den schrijver in de gevangenis had geworpen? Is het Bungay, die het bankbiljet, dat wij hebben zien uitbetalen, aan drank verkwist, of Shandon?”
„Het ongeluk kan een mensch in slecht gezelschap brengen,” zeide Pen. „Het valt gemakkelijk den steen op een armen kerel te werpen, die geen ander gezelschap heeft dan hetgeen hij in de gevangenis vinden kan, en geen andere uitkomst dan de vergetelheid en de flesch. Wij moeten toegeeflijk zijn voor de buitensporigheden van een genie, en bedenken, dat juist het vuur en de geestdrift, die den auteur zoozeer te baat komen, den mensch dikwijls van den rechten weg af brengen.”
„Gekheid met je genieën!” riep Warrington, die op sommige punten een zeer streng zedemeester was, ofschoon hij in de practijk misschien te kort schoot. „Ik spreek het tegen, dat er zooveel genieën zijn als de menschen, die over het lot der letterkundigen huilebalken, ons zouden willen wijs maken. Er zijn duizenden knappe kerels die, als zij wilden, verzen zouden kunnen maken, artikelen schrijven, boeken nalezen en een oordeel er over vellen; de gesprekken der recensenten en schrijvers van beroep zijn geen zier geestiger of diepzinniger, of onderhoudender dan die van elke andere vergadering van beschaafde lui. Indien een advocaat, een soldaat, een predikant zijne inkomsten te buiten gaat en zijne rekeningen niet betaalt, moet hij in de gijzeling; en dat moet een schrijver ook. Als een schrijver zich bedrinkt, weet ik niet, waarom hij den volgenden morgen vrij zou moeten zijn van hoofdpijn, en, als hij een rok bij zijn kleermaker bestelt, waarom hij dien niet betalen zou.”
„Ik wilde hem slechts meer geld geven om kleeren te koopen,” zeide Pen met een glimlach. „Ik zou natuurlijk liefst behooren tot een vak, welks beoefenaars goed gekleed gaan. Ik protesteer tegen dien ellendigen tusschenpersoon, dien ik tusschen het genie en zijn grooten klant, het Publiek, zie staan, en die meer dan de helft van de inkomsten en den roem des arbeiders tot zich neemt.”
„Ik ben een arbeider in het proza,” zeide Warrington; „gij, mijn jongen, zijt een dichter in het klein en acht u dus waarschijnlijk gerechtigd tot eene hooge vlucht. Wat wilt gij eigenlijk? Moet er eene vennootschap van kapitalisten opgericht worden, verplicht om de werken van alle schrijvers te koopen, die zich met hun manuscript in de hand aanmelden? Moet ieder, die een heldendicht schrijft, ieder knoeier, die kan spellen, of het misschien niet kan, en een roman of een treurspel bij elkaar lapt, zich enkel behoeven te vertoonen, om in ruil voor zijne prullige riemen papier een zak vol goudstukken te ontvangen? Wie zal beslissen wat goed of slecht is, wat al of niet koopers zal vinden? Wilt gij, kortom, den kooper de vrijheid laten, om al dan niet te koopen? Welnu, mijnheer, toen Johnson achter het schut in St. John’s Gate zijn maaltijd in eenzaamheid gebruikte, omdat hij te slecht in de kleeren zat en te arm was, om zich bij de letterkundige grooten te voegen, die zich rondom mijnheer Cave’s fijnste tafellaken te goed deden, toen deed de koopman hem geen onrecht. Men kon den uitgever toch niet dwingen den man van genie te herkennen in den haveloozen, vervallen en uitgehongerden jonkman, die zich aan zijn oog voordeed. Vodden zijn geen bewijs van genie; maar het kapitaal daarentegen heeft in den tegenwoordigen stand van zaken de absolute macht in handen en stelt dus onvermijdelijk zijne voorwaarden. Het bezit het recht om den letterkundigen uitvinder evenals ieder anderen uitvinder te behandelen. Indien ik op het gebied van den boekhandel iets nieuws voortbreng, moet ik er de meest mogelijke partij van trachten te trekken; maar ik kan mijnheer Murray evenmin noodzaken om mijn boek met reisverhalen of preeken te koopen, als mijnheer Tattersall om mij honderd guinjes voor mijn paard te geven. Ik moge mijne eigen meening over de waarde van mijn Pegasus hebben en hem voor het prachtigste dier houden; maar de kooper bezit ook het recht om eene meening te hebben, en heeft misschien een damespaard, of een paard voor een zwaren en bangen rijder, of een gewoon paard voor een wagen noodig, zoodat mijn beest hem niet dienen kan.”
„Gij verliest u in beeldspraak, Warrington,” zeide Pen, „maar gij zegt te recht, dat gij zeer prozaïsch zijt. Die arme Shandon! Er is iets in de vriendelijkheid van dien man en in de zachtaardigheid van dat lieve schepseltje van een vrouw, dat mij diep treft. Ik vrees, dat ik meer van hem houd dan van menig man, die beter is dan hij.”
„Ik ook,” zeide Warrington. „laten wij hem dus onze deelneming schenken en het medelijden met hem koesteren, dat wij aan zijne zwakheid verschuldigd zijn; hoewel ik geloof, dat die soort van welwillendheid door een hooghartiger man als eene beleediging zou beschouwd worden. Gij ziet, dat hij zijne vertroosting te gelijk met zijn rampspoed ontvangt, en de eene brengt de andere voort, of weegt er tegen op, zooals de loop der wereld is. Hij zit gevangen, maar daarom is hij niet ongelukkig.”
„Zijn genie zingt achter de traliën,” zeide Pen.
„Ja,” hernam Warrington met bitterheid; „Shandon weet zich vrij wel in eene kooi te schikken. Hij behoorde ter neer geslagen te zijn, maar hij heeft Piet en Klaas om mee te drinken en dat troost hem; hij zou eene hooge positie kunnen innemen, maar daar hij ze niet heeft, kan hij met Klaas en Piet drinken; hij zou kunnen werken voor zijne vrouw en kinderen, maar Kees en Jan zijn eene flesch brandewijn machtig geworden, welke zij hem uitnoodigen eens te komen proeven; hij zou den armen Snip, den kleermaker, die twintig pond kunnen betalen, die de arme drommel voor zijn huisbaas noodig heeft, maar Jan en Kees leggen beslag op zijne beurs; en dus drinkt hij, terwijl zijn leverancier naar de gijzeling en zijn gezin ten gronde gaat. Laten wij nu maar over de rampen van een genie weeklagen, en samenspannen tegen die dwingelanden van uitgevers, die de letterkundigen verdrukken!”
„Hoe! Neemt gij nog een glas grog?” vroeg Pen met een snaakschen blik. Het was in de Achterkeuken, dat het bovenstaande wijsgeerige gesprek tusschen de beide jonge mannen gevoerd werd.
Warrington begon als naar gewoonte te lachen, „Video meliora proboque – hetgeen zeggen wil, laat het goed warm zijn, Jan, met veel suiker,” zeide hij tegen den knecht.
„Ik zal niets meer nemen, want ik zou te veel krijgen,” zeide Pen. „Het komt mij voor, Warrington, dat wij niet veel beter zijn dan onze medemenschen.” En toen Warrington zijn laatste glas geledigd had, keerden beiden, naar hunne kamers terug.
Bij hunne thuiskomst vonden zij twee briefjes in de brievenbus, van hun nieuwen bekende van dien morgen, mijnheer Bungay. Die gastvrije heer zond zijne complimenten aan elk der heeren en verzocht op een bepaalden dag het genoegen van hun bijzijn aan zijn disch, waar zij eenige letterkundige vrienden zouden ontmoeten.
„Dat zal eene groote partij zijn,” zeide Warrington. „Wij zullen het geheele corps van Bungay zien.”
„Allen, met uitzondering van den armen Shandon,” antwoordde Pen, knikte zijn vriend goedennacht toe en begaf zich naar zijn eigen kamertje. Wat er dien dag was voorgevallen en de nieuwe bekenden, die hij gemaakt had, dit alles hield hem bezig, zoodat hij er eenigen tijd over lag na te denken, terwijl ondertusschen Warrington’s sterk en geregeld snorken, dat zich uit het belendende vertrek liet hooren, het bewijs leverde, dat die heer in diepen slaap verzonken lag.
„Zal ik dan inderdaad,” dacht Pendennis, terwijl hij van zijn bed naar de heldere maan lag te staren, die een hoek van zijne kaptafel en de lijst van de kleine teekening van Fairoaks, door Laura’s hand geschetst en boven zijne latafel opgehangen, met hare stralen verlichtte, „zal ik dan inderdaad eindelijk mijn brood verdienen en wel met de pen? zal ik mijne lieve moeder niet meer ten laste zijn, en misschien nog naam en reputatie in de wereld verkrijgen? Het zal mij veel genoegen doen als ze komen willen,” dacht de jonge plannenmaker, die, hoewel geheel alleen en in het midden van den nacht, in zich zelven lachte en bloosde, toen hij gevoelde hoe vurig hij eer en roem op prijs zou stellen, indien hij ze verwerven kon. „Als de Fortuin mij gunstig wil zijn, zal ik haar loven; als zij mij den rug toekeert, laat ik haar varen! Ik bid den hemel, dat ik in voor- of tegenspoed braaf moge blijven, dat ik de waarheid moge spreken, voor zoover ik ze ken, en dat ik er, noch door vleierij, noch uit baatzucht, noch uit persoonlijke veete, noch uit partijzucht van moge afwijken. Lieve, beste moeder, wat zult gij trotsch zijn, indien ik iets kan verrichten onzen naam waardig! en gij, Laura, zult mij niet als een nutteloozen luiaard en verkwister verachten, als gij ziet dat ik – dat ik getoond heb – och, wat een uil ben ik toch, omdat ik nu vijf pond voor mijne gedichten gekregen heb en een half dozijn artikelen in een nieuwsblad zal mogen schrijven!” Gelukkiger en hoopvoller en in eene onderworpener stemming dan hij in langen tijd bij zich had waargenomen, zette hij dit gepeins voort. Hij dacht over de misstappen en de vadsigheid, de driften, de buitensporigheid, de teleurstellingen zijner jeugd; hij stond uit het bed op, wierp het venster open en keek in den nacht naar buiten; en daarop trad hij, volgens de inspraak van zijn hart, die wij hopen dat uit eene reine bron voortkwam, naar de afbeelding van Fairoaks, drukte er een kus op, wierp zich bij zijn bed op de knieën en vertoefde eenigen tijd in die houding van hoop en onderwerping. Toen hij oprees, stroomden de tranen uit zijne oogen. Hij bemerkte, dat hij werktuiglijk eenige woordjes herhaalde, die hij als kind gewoon was geweest aan den schoot zijner moeder op te zeggen, waarna zij hem dan zachtkens opnam en in zijn bedje droeg, de gordijnen toehaalde en hem met een zegen in slaap suste.
Den volgenden dag bracht hun knechtje Pidgeon een groot pak in grijs papier binnen, dat met de complimenten van mijnheer Trotter voor „den weledelgeboren heer G. Warrington” gekomen was, vergezeld van een briefje, dat Warrington doorliep.
„Pen, jou schelm!” galmde Warrington naar Pen, die op zijne eigen kamer zat.
„Hola!” riep Pen terug.
„Kom eens hier, wij hebben je noodig,” schreeuwde Warrington weer en Pen kwam te voorschijn.
„Wat is er?” vroeg hij.
„Pak aan!” riep Warrington en slingerde het pak naar het hoofd van Pen, die er door neergeveld zou zijn, indien hij het niet opgevangen had.
„Het zijn boeken ter recensie voor de Pall Mall Gazette,” zeide Warrington; „trek er op los.” Pen van zijn kant was in zijn leven nog niet zoo verheugd geweest; zijne hand beefde toen hij het touwtje van het pak lossneed en daarin eene sierlijke verzameling nieuwe, netjes in linnen gebonden boeken, reizen, romans en gedichten aantrof.
„Sluit de deur, Pidgeon,” zeide hij. „Ik ben vandaag voor niemand thuis.” Hij wierp zich in een armstoel en gunde zich nauwelijks den tijd om zijne thee te drinken, zooveel haast had hij om aan het lezen en aan het recenseeren te gaan.
VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN DE GESCHIEDENIS NOG ALTIJD IN DEN OMTREK VAN FLEET STREET BLIJFT SPELEN.
Op aansporing van mevrouw Shandon, die zich anders zelden met zaken bemoeide, had kapitein Shandon bedongen, dat de weledele heer John Finucane, van den Upper Temple, tot onderredacteur van de aanstaande Pall Mall Gazette zou worden aangesteld, welke post dientengevolge door den schranderen eigenaar van dat blad aan den heer Finucane werd opgedragen. En hij verdiende ook elk voordeel, dat Shandon hem bezorgen kon, zoo innig was hij, gelijk wij reeds zeiden, aan den kapitein en diens gezin gehecht, en zoo bereidvaardig om hun van dienst te zijn. Het was op Finucane’s kamer, dat Shandon zich in vroeger dagen placht te verbergen, als hij in gevaar verkeerde en de deurwaarders op hem loerden, totdat die schuilhoek eindelijk bekend werd en de mannen van het gerecht den kapitein even geregeld in Finucane’s woning als in zijn eigen huis kwamen zoeken. In Finucane’s vertrek was het, dat de arme mevrouw Shandon onophoudelijk hare beproevingen en hare grieven kwam klagen en middelen ter bevrijding voor haar aangebeden kapitein beramen. Menigen keer verschafte Finucane haar en haar kind daar een maaltijd. Het was eene eer voor zijne kleine vertrekjes, dat zij door zulk eene dame bezocht werden, en als zij met den sluier over haar gelaat de trap afging, bleef Fin haar over de leuning nakijken, om te zorgen, dat geen Lovelace uit den Temple haar onderweg aanrandde, terwijl hij misschien heimelijk hoopte, dat het een schavuit in den zin mocht komen haar te belagen, opdat hij (Fin) dan het genoegen mocht hebben haar te hulp te snellen en den schelm af te rossen. Het deed mevrouw Shandon innig genoegen, toen de noodige schikkingen waren gemaakt, en haar vriendelijke en brave beschermer de medehelper van haar man aan het blad zou zijn.
Hij ware gewis bij mevrouw Shandon blijven zitten zoo lang als het reglement der gevangenis veroorloofde, en menigmaal was hij dan ook getuige geweest, hoe de kleine Marie in haar kribje, dat in de kamer stond, te slapen werd gelegd, op wier avondgebedje, dat God haar papa mocht zegenen en beschermen, onze Finucane, hoewel zelf tot de Roomsche Kerk behoorende, altijd uit den grond zijns harten Amen had gezegd. Maar hij had eene afspraak met mijnheer Bungay, met wien hij onder een eenvoudig diner de aangelegenheden van het blad moest bespreken. Hij verliet mevrouw Shandon dus ten zes ure, maar legde den volgenden morgen weer zijn gewoon bezoek in de Fleet-gevangenis af, thans uitgedost met zijne fraaiste kleederen en versierselen (die, hoewel weinig kostbaar, toch door kleur en vorm eene schitterende vertooning maakten) en met vier pond twee shillings op zak, het bedrag van zijn wekelijksch salaris aan het blad, min twee shillings, die hij op weg naar de gevangenis tot den aankoop van een paar handschoenen besteed had.
Hij had den vorigen dag in het koffiehuis met mijnheer Bungay en diens corrector en letterkundigen zaakwaarnemer mijnheer Trotter „zijn hapje gebruikt,” gelijk Bungay gewoon was zich uit te drukken, en bij die gelegenheid zijne denkbeelden over de leiding van de Pall Mall Gazette breedvoerig uiteengezet. Op meesterlijke wijze had hij in het licht gesteld, hoe het gewone nieuws moest ingericht worden; welke lettersoort men voor de verschillende artikelen moest gebruiken; wie de marktberichten moest leveren, wie de verslagen van de wedrennen en de bokspartijen, wie het kerknieuws en wie het gekeuvel over de voorname wereld. Hij was bekend met heeren, die deze verschillende vakken van wetenschap beoefenden en daarna hunne bevindingen aan het publiek meedeelden. Kortom, Jack Finucane was, gelijk Shandon van hem verzekerd had en hij zelf met fierheid bevestigde, een der beste onderredacteurs in geheel Londen. Hij kende het wekelijksch inkomen van iedereen, die met de drukpers in betrekking stond, en was op de hoogte van honderden kunstgrepen of vindingrijke bezuinigingen, waardoor men ondernemende kapitalisten, die een blad wilden oprichten, geld kon doen uitwinnen. Hij wist Bungay, die traag van begrip was, te gelijk te verblinden en te overbluffen door de vlugge berekeningen, die hij op het papier zette, terwijl zij aan tafel in het koffiehuis zaten. Later verklaarde Bungay aan zijn handlanger mijnheer Trotter, dat die Ier een knappe kop scheen te zijn.
Nadat het hem gelukt was dien indruk op mijnheer Bungay te maken, bracht de trouwe kerel het gesprek op de zaak, die hem het naast aan het hart lag, namelijk de bevrijding van zijn geëerden vriend en meester, kapitein Shandon, uit de gevangenis. Hij kende tot een stuiver toe, het bedrag der vorderingen tegen den kapitein, die in de kamer van den portier der Fleet-gevangenis berustten. Ja, hij beweerde zelfs al de schulden van den kapitein te kennen; maar dit was onmogelijk, want geen mensch in Engeland, zelfs de kapitein niet, kende die ten volle. Hij gaf op wat de kapitein op dit oogenblik te betalen had en zette uiteen hoeveel beter hij werken zou als hij uit de gijzeling ontslagen was (ofschoon Bungay dit tegensprak, „want,” zeide deze, „als de kapitein achter de traliën zit, weten wij, dat hij altijd thuis is, terwijl men hem, wanneer hij op vrije voeten is, nooit bij den kraag kan krijgen”). Eindelijk echter werkte hij zoo sterk op Bungay’s gevoel, door te beschrijven hoe mevrouw Shandon in de gevangenis wegkwijnde en het kind daar ziekelijk werd, dat hij den uitgever de belofte afperste, dat hij zien zou wat hij doen kon, indien mevrouw Shandon den volgenden morgen bij hem komen wilde. Het gesprek eindigde ditmaal met een tweeden aanvoer van glazen grog. Ofschoon Finucane, die vier guinjes op zak had, met groot genoegen de rekening zou voldaan hebben, zeide Bungay: „Neen, mijnheer; dit is mijne zaak, met uw verlof. James, betaal de rekening, en houd er achttien stuivers voor u zelven af,” waarbij hij het vereischte geld aan den knecht overhandigde. Zoo kwam het, dat Finucane, die, na het diner, in den Temple te bed ging, waarachtig des Zaterdagmorgens zijn wekelijksche salaris nog onaangeroerd in zijn zak vond.
Hij gaf mevrouw Shandon zulk een veelbeteekenenden en verheugden wenk, dat dit zachtzinnige schepseltje begreep, dat hij eene goede tijding voor haar had, en zich haastte haar hoed en doek te gaan halen toen Finucane vroeg, of hij de eer mocht hebben eene wandeling met haar te doen en haar een luchtje te laten scheppen. De kleine Marie sprong van blijdschap op bij de gedachte aan dit pretje, want Finucane verzuimde nooit haar een stukje speelgoed te geven, of haar naar eene of andere vertooning mee te nemen, terwijl hij vrijbiljetten voor allerlei soorten van Londensche uitspanningen voor het kind op zak had. Hij had het gansche gezin van harte lief, en zou door het vuur geloopen zijn, om hun of zijn aangebeden kapitein van dienst te wezen.
„Kan ik gaan, Charles? of zal ik bij u blijven, want, mijn beste, gij zijt heden morgen in het geheel niet fiksch? Hij heeft zoo’n hoofdpijn, mijnheer Finucane. Hij lijdt altijd aan hoofdpijn, en ik heb hem gezegd, dat hij maar te bed moest blijven,” zeide mevrouw Shandon.
„Ga je gang maar met Polly. Pas goed op haar, Jack. Geef mij Burton’s Anatomy eens, en laat mij dan aan mijn eigen lot over,” zeide Shandon met de meeste goedhartigheid. Hij was bezig met schrijven en putte doorgaans zijne Grieksche en Latijnsche aanhalingen (waarvan hij als schrijver partij wist te trekken) uit dat verwonderlijke magazijn van geleerdheid.
Derhalve gaf Fin den arm aan mevrouw Shandon, terwijl Marie door de gangen der gevangenis huppelde, en zoo kwamen zij door de poort in de vrije lucht. Het is van Fleet Street naar Paternoster Row niet ver. Toen het drietal den winkel van mijnheer Bungay bereikte, ging mevrouw Bungay juist de deur van het woonhuis binnen met een papieren zakje in hare hand, benevens een handschrift in een rooden band, dat niets meer of minder dan de aanteekeningen van hare handelsbetrekkingen met den slachter op de naburige markt bevatte. Mevrouw Bungay droeg een prachtig zijden kleed met weerschijn, waarop roode en purperen vlammen schenen te spelen, en een gelen shawl, terwijl zij roode bloemen in haar hoed en eene schitterende lichtblauwe parasol in de hand had. Mevrouw Shandon had een oud kleedje van zwarte gewaterde zijde aan; haar hoed had even weinig zonnige dagen van voorspoed gekend als zijne eigenares; en desniettemin zag zij er, in welke kleeding dan ook, als eene echte dame uit. De beide vrouwen maakten, ieder op hare eigene wijze, eene buiging voor elkander.
„Hoe vaart u, mevrouw?” zeide mevrouw Bungay.
„Mooi weertje vandaag,” zeide mevrouw Shandon.
„Wilt ge niet binnenkomen, mevrouw?” vroeg mevrouw Bungay, zoo strak naar Marie kijkende, dat het kind er bijna van schrikte.
„Ik – ik kwam om mijnheer Bungay over zaken te spreken; – ik – ik hoop dat hij heel wèl is?” zeide mevrouw Shandon bedeesd.
„Als gij hem op het kantoor gaat spreken, zoudt gij dan dat – dat kleine meisje niet zoolang bij mij kunnen laten?” vroeg mevrouw Bungay met eene stem als een dragonder en een tragischen blik, terwijl zij met één vinger naar het kind wees.
„Ik wil bij mama blijven,” kreet de kleine Marie en verborg haar gezichtje in het kleed van hare moeder.
„Kom, Marie, mijn lievertje, ga met mevrouw mee,” zeide de moeder.
„Ik zal je mooie prentjes laten kijken,” zeide mevrouw Bungay, met de stem van een boeman, „en nog heel veel ander moois. Kijk eens hier,” – en het papieren zakje opendoende, liet zij eenige van die lekkere koekjes zien, die Bungay zoo gaarne bij zijn wijn gebruikte. Dit haalde Marie over en nu gingen allen het huis binnen, uit hetwelk eene zijdeur toegang tot Bungay’s kantoor gaf. Hier echter verloor het kleine meisje, toen zij op het punt stond van hare moeder te scheiden, den moed weer, zoodat zij opnieuw zich aan hare japon vastklemde. De zachte en vriendelijke mevrouw Shandon, den blik van teleurstelling op mevrouw Bungay’s gelaat bespeurende, zeide op goedhartigen toon: „Als ge het veroorlooft, zal ik een oogenblikje bij u vertoeven,” waarop allen de trap opgingen. Een tweede koekje maakte de kleine Marie geheel vertrouwelijk, zoodat zij na een paar minuten, zonder de minste eenkennigheid, weer aan het babbelen was.
De trouwe Finucane had ondertusschen mijnheer Bungay in onhandelbaarder stemming gevonden dan den vorigen avond, toen zijn gemoed door twee derden van eene flesch portwijn en twee groote glazen brandewijngrog tot geestdrift was opgewonden, zoodat hij de schoonste beloften in het belang van kapitein Shandon gedaan had. Toen hij thuis was gekomen, had zijne knorrige vrouw hem den mantel uitgeveegd. Zij had gelast, dat hij den kapitein aan zijn lot zou overlaten, want het was een deugniet, die met geen geld te helpen was; zij keurde de oprichting der Pall Mall Gazette af en voorspelde, dat Bungay er geld mee verliezen zou, gelijk zij met het Whitehall Journal aan den overkant ook deden (haar broeders zaak bestempelde zij altijd met den naam van „den overkant”). Shandon moest maar in de gevangenis blijven en daar zijn werk doen; het was de beste plaats voor hem. Finucane’s pleiten en beloften en smeeken bleef vruchteloos, want zijn vriend Bungay had dien morgen een bedsermoen van een uur lang moeten aanhooren en was dus onverbiddelijk.
Maar hetgeen de brave Jack gelijkvloers op het kantoor niet bewerken kon, dat brachten de innemende gezichtjes en manieren van moeder en dochtertje in de gezelschapszaal op de eerste verdieping teweeg, waar zij het hart van de driftige, doch inderdaad goedhartige, mevrouw Bungay vermurwden. Er lag eene ongemaakte lieftalligheid in mevrouw Shandon’s stem en eene innemende rondheid in hare manieren, om welke de meeste menschen haar liefkregen en beklaagden; en moed scheppende uit de ruwe hartelijkheid, waarmee mevrouw Bungay haar ontving, verhaalde de kapiteinsvrouw hare geschiedenis en beschreef de goedheid en de deugden van haar man en de achteruitgaande gezondheid van haar kind (van twee kinderen, zeide zij, had zij moeten scheiden; zij had hen naar school moeten zenden, want zij wilde hen in die verschrikkelijke plaats niet bij zich houden), – zoodat mevrouw Bungay, ofschoon zoo barsch als Lady Macbeth, door dit eenvoudige verhaal geheel verteederd werd en zeide dat zij naar beneden zou gaan om eens met Bungay te spreken. In dit huishouden nu stond spreken bij mevrouw Bungay met bevelen gelijk, en hooren bij mijnheer Bungay met gehoorzamen.
Het was juist op dit oogenblik toen Finucane aan het welslagen zijner bemoeiingen wanhoopte, dat de majestueuse mevrouw Bungay bij haar echtgenoot verscheen en mijnheer Finucane beleefdelijk verzocht zich eenige oogenblikken bij mevrouw Shandon in de gezelschapskamer te vervoeren, daar zij mijnheer B. even spreken moest; en toen het echtpaar alleen was gaf des uitgevers wederhelft hem te kennen, welke plannen zij met de vrouw van den kapitein had.
„Wat is er nu gaande?” vroeg de Maecenas, vol verwondering over de veranderde stemming zijner vrouw. „Heden morgen wildet gij er niet van hooren, dat ik iets voor den kaptein doen zou. Wat heeft u zoo van inzicht doen veranderen?”
„De kaptein is een Ier,” gaf mevrouw Bungay ten antwoord, „en ik heb altijd gezegd, dat ik die Ieren niet kan uitstaan. Maar zijne vrouw is eene echte dame, dat kan men haar wel aanzien; en eene goede vrouw, de dochter van een dominé, eene vrouw uit het westen van Engeland, B., waar ik van moederszijde ook vandaan ben – en o, Marmaduke, hebt ge niet op dat kleine meisje gelet?”
„Ja wel, ik heb dat kindje gezien.”
„En hebt ge dan niet opgemerkt, B., hoe sprekend zij op ons engeltje van een Bessy gelijkt?” en bij die woorden ging mevrouw Bungay in den geest achttien jaren terug, toen Bacon en Bungay zich pas kortelings als kleine boekverkoopertjes in eene provinciestad gevestigd hadden, en toen zij een kind met name Bessy had gehad, dat eenigszins op de kleine Marie geleek, die thans haar medelijden had gaande gemaakt.
„Nu, nu, mijne beste,” zeide Bungay, toen hij zag dat de kleine oogjes zijner vrouw begonnen te trekken en rood werden; „de kaptein zit voor geen groote som in de doos. Hij is maar gegijzeld voor honderd dertig pond. Finucane zegt, dat wij hem voor de helft van dat geld uit de gevangenis kunnen verlossen, en wij zullen hem dan maar half loon uitbetalen tot hij het voorschot aangezuiverd heeft. Toen dat kleintje zeide: „Waarom haalt ge pa hier niet uit?” toen gevoelde ik het ook, Elizabeth, op mijn woord!” Het gevolg van dit gesprek was, dat mijnheer en mevrouw Bungay te zamen de trap opgingen naar de gezelschapskamer, waar Bungay in eene taaie en hortende toespraak aan mevrouw Shandon berichtte, dat hij bereid was de vijf en zestig pond, waarvoor hij gehoord had, dat haar man vrij kon komen, voor te schieten, die hij dan van het salaris van den kapitein zou inhouden, maar dat hij dit deed onder voorwaarde, dat zij zelve met de schuldeischers de schikkingen zou maken om haar man in vrijheid te doen stellen.
Ik geloof, dat dit de gelukkigste dag was, dien mevrouw Shandon en mijnheer Finucane in langen tijd beleefd hadden. „Te drommel, Bungay, ge zijt een juweel!” galmde Fin uit met zijn zwaarste Iersche accent en tot in zijne ziel aangedaan. „Geef mij de hand, ouwe jongen! We zullen de Pall Mall Gazette tot tien duizend abonnenten opdrijven, of ik heet niet Finucane!” en onderwijl huppelde hij de kamer rond en wierp hij de kleine Marie onder honderden bokkesprongen in de hoogte.
„Als ik u ergens met mijn rijtuig heen kan brengen, mevrouw Shandon, is het geheel tot uw dienst,” zeide mevrouw Bungay met een blik op een rijtuigje met één paard, dat juist was voorgekomen en waarin zij nog al dikwijls een luchtje schepte; en de twee dames, met de kleine Marie tusschen haar beiden (wier tengere handje de vrouw van Maecenas in hare groote vuist vasthield) en den verrukten Finucane op het achterbankje, reden van Paternoster Row weg, terwijl de eigenares van het rijtuig zegevierende blikken op de vensters van Bacon aan den overkant wierp.
„Het zal den kapitein niet helpen,” dacht Bungay, toen hij naar zijn lessenaar en zijne rekeningen terugkeerde. „maar mevrouw B. geraakt geheel van streek, als zij aan haar verlies denkt. Ware het kind in het leven gebleven, dan zou het gisteren meerderjarig geweest zijn, zooals Bessy mij gezegd heeft;” en hij verwonderde zich, dat de vrouwen zulk een goed geheugen hebben.
Het doet ons genoegen te kunnen mededeelen, dat mevrouw Shandon in den haar opgedragen last zeer goed slaagde. Zij, die schuldeischers had moeten verteederen toen zij geen stuiver en niets dan tranen en smeekingen bezat om hen tot inschikkelijkheid te bewegen, had geen moeite om hen genadig te stemmen door de betaling van tien shillings van elk pond sterling, en de volgende Zondag was de laatste, althans voor eenigen tijd, welken de kapitein in de gevangenis doorbracht.
VIJF EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
EEN DINER IN PATERNOSTER ROW.
Op den bepaalden dag vervoegden onze beide vrienden zich aan de deur van mijnheer Bungay in Paternoster Row, niet de publieke toegang waar de boekverkoopersjongens uitkwamen met zakken vol boeken, die Bungay uitgegeven had, en waar bedeesde, pas beginnende letterkundigen met hunne maagdelijke handschriften rondzwierven, die zij gaarne aan den sultan Bungay wilden verkoopen; maar de afzonderlijke deur van het woonhuis, waaruit de prachtig gekleede mevrouw Bungay te voorschijn kwam om in haar rijtuigje te stappen en een ritje te doen, waarbij zij zich op de kussens neervlijde en uitdagende blikken naar de vensters van mevrouw Bacon aan den overkant wierp – van mevrouw Bacon, die tot nog toe eene vrouw zonder rijtuig was.
Bij zulke gelegenheden en wanneer mevrouw Bacon meer dan gewoonlijk verontwaardigd was over het prachtvertoon van hare schoonzuster, schoof zij het raam harer huiskamer op en keek met hare vier kinderen naar het rijtuig, alsof zij zeggen wilde: „Kijk die vier engeltjes eens aan, Betsi Bungay! Dit is de reden waarom ik geen rijtuig kan houden; maar gij zoudt eene koets met vier paarden willen missen, om hetzelfde te kunnen zeggen.” En met deze pijlen uit haar koker schoot Emma Bacon Betsi Bungay dood, als zij wangunstig en kinderloos in haar zegewagen zat.
Toen Pen en Warrington aan Bungay’s deur kwamen, hielden eene koets en eene vigilante bij Bacon stil. Uit de koets steeg Dr. Slocum heel langzaam; zijne equipage was even zwaar als zijn omgang met hem saai was, doch beiden maakten een allerweldadigsten indruk op de uitgevers in de Row. Uit de vigilante kwamen twee blinkende witte vesten te voorschijn.
Warrington moest lachen. „Ge ziet,” zeide hij, „dat Bacon ook een diner geeft. Dat is Dr. Slocum, de schrijver der Gedenkschriften van de vergifmengers. Men zou onzen vriend Hoolan bijna niet herkennen met dat prachtige witte vest. Doolan echter behoort tot de volgelingen van Bungay, en waarlijk, daar komt hij.” De heeren Hoolan en Doolan waren in ééne vigilante uit het Strand gekomen en hadden onderweg kruis of munt geraden wie den shilling betalen zou. Doolan stapte van de andere zijde der straat over; hij was in het zwart uitgedost en had een paar groote witte handschoenen, die hij onwillekeurig met genoegen bekeek, over zijne handen uitgebreid.
De huisportier in avondcostuum en heeren met handschoenen, zoo groot als die van Doolan, maar van het vermaarde Berlijnsche garenfabricaat, stonden in den gang bij Bungay, om de hoeden en overjassen der gasten aan te nemen en hunne namen de trap op te schreeuwen. Er waren reeds eenige gasten aanwezig toen de drie laatstgekomenen binnentraden; maar het schoone geslacht was nog alleen vertegenwoordigd door mevrouw Bungay, in rood satijn en met eene toque op het hoofd. Zij maakte eene neiging voor elken genoodigde, die de gezelschapskamer binnenkwam, maar haar geest werd blijkbaar door andere gedachten bezig gehouden. Het was mevrouw Bacon’s diner, dat hare kalmte verstoorde, en zoodra zij iemand van hare eigen gasten ontvangen had, vloog zij naar het venster terug, van waar zij de rijtuigen van Emma Bacon’s vrienden kon opnemen, die door de Row kwamen aanrollen. Het gezicht van Dr. Slocum’s groote koets, met de magere huurpaarden, sloeg Betsi Bungay geheel ter neer, want er hadden dien dag nog niets anders dan huurrijtuigen voor hare eigene deur stilgehouden.
Al de aanwezigen waren letterkundigen, ofschoon vooralsnog onbekend aan Pen. Daar was mijnheer Bole, de eigenlijke redacteur van het magazijn, waarvan Wagg in naam de bestuurder was: mijnheer Trotter, die aanvankelijk als een dichter van tragisch allooi, niet vrij van overhelling tot zelfmoord, voor het oog der wereld was opgetreden, maar nu in een van Bungay’s achterkamers ondergegaan was als corrector van dien heer; en kapitein Sumph, een voormalig modepop, die nog altijd in de wereld verkeerde en in eene eenigszins duistere betrekking tot de letterkunde en den adel stond. Men zeide, dat hij eenmaal een boek had geschreven, dat hij een vriend van Lord Byron was geweest, dat hij familie was van Lord Sumphington. Anekdotes betreffende Byron waren bij hem dan ook schering en inslag, en zelden deed hij den mond open, of de naam van dien dichter of van sommige zijner tijdgenooten kwam er uit, bijv.: „Ik herinner mij, dat de arme Shelley op school eene goede aanteekening kreeg voor verzen, waarvan ik, voor den drommel, elken regel geschreven had;” of: „Ik herinner mij dat ik, toen ik met Byron te Missolonghi was, op Gamba wilde wedden,” en meer van dien aard. Pen merkte op, dat mevrouw Bungay met groote oplettendheid naar dezen heer luisterde; zijne anekdotes van de aristocratie, waarvan hij een lid was, bekoorden de uitgeversvrouw, en hij was in haar oog bijna een nog grooter man dan de groote mijnheer Wagg zelf. Ware hij maar met eigen rijtuig gekomen, mevrouw zou Bungay genoodzaakt hebben, elk werk van zijne pen, onverschillig over welk onderwerp, te koopen.
Mijnheer Bungay ging bij zijne gasten rond naarmate zij aankwamen en nam de honneurs van zijn huis met de grootste hartelijkheid waar. „Hoe vaart ge, mijnheer? Mooie dag, mijnheer? Verheugd u te zien, mijnheer! Betsi, mijne waardste, laat ik de eer hebben mijnheer Warrington aan u voor te stellen. Mijnheer Warrington, mevrouw Bungay; mijnheer Pendennis, mevrouw Bungay. Hoop dat ge goeden eetlust hebt, heeren. Gij hebt dat zéker, Doolan, want gij hebt altijd eene drommels goede maag gehad.”
„Heere, Bungay!” riep mevrouw Bungay uit.
„Nu, Bungay, die hier niet smakelijk eet, is moeielijk tevreden te stellen,” antwoordde Doolan met een knipoogje, en sloeg met de groote handschoenen op zijn mager been; terwijl hij te gelijker tijd eene vriendschappelijke toenadering tot mevrouw Bungay beproefde, welke die brave dame met verachting afwees. „Zij kon dien Doolan niet uitstaan,” verklaarde zij in vertrouwen aan hare bekenden, en al zijne vleiende pogingen om hare gunst te winnen, waren dan ook vruchteloos.
Onder die gesprekken kreeg mevrouw Bungay, die uit haar venster den blik over het menschdom liet gaan, een heerlijk visioen van een reusachtigen schimmel in het oog, dat met snelheid naderde. Achter het paard werden een paar witte leisels zichtbaar, door kleine witte handschoenen vastgehouden. Een gelaat, dat bleek, doch met een haarbos aan de kin rijk versierd was, het hoofd van een dwergachtig knechtje, dat boven de cab uitkeek, – deze heerlijke dingen openbaarden zich aan de verrukte mevrouw Bungay. „Nu, ik moet zeggen, dat mijnheer Percy Popjoy stipt op zijn tijd is,” riep zij uit en zweefde naar de deur om den jongen edelman af te wachten.
„Het is Percy Popjoy, zeide Pen, toen hij uit het venster keek en een heer met blinkende verlakte laarzen uit de heen en weer zwaaiende cab zag stijgen; en het was inderdaad die jeugdige spruit van den adel – Lord Falconet’s oudste zoon, zooals wij allen best weten – die gekomen was, om met zijn uitgever, zijn uitgever in de Row, te dineeren.
„Op de school te Eton stond hij onder mij,” zeide Warrington; „ik had hem een beetje meer moeten afrossen.” Percy en Pen hadden eenige discussiën gehad in de debatteerclub te Oxbridge, waarvan de laatstgenoemde altijd verreweg het best was afgekomen. Percy kwam nu binnen met zijn hoed onder den arm en met een onbeschrijfelijken blik van zelfbehagen en onnoozelheid op zijn rond gelaat, met kuiltjes in de wangen, een gelaat, waarop de natuur een baardje onder de kin had doen ontspruiten, met zooveel inspanning echter, dat zij het overige van zijn gezicht geheel haarloos had gelaten.
De fungeerende kamerheer galmde uit: „Jonkheer Percy Popjoy,” tot groote verlegenheid van dien heer, dat hij zich zoo bij zijn titel hoorde aandienen.
„Waarom wilde die knecht volstrekt mijn hoed wegnemen, Bungay?” vroeg hij den uitgever. „Ik kan mijn hoed niet missen, – ik heb hem noodig om mijn compliment aan mevrouw Bungay te maken. Wat ziet ge er vandaag goed uit, mevrouw. Ik heb uw rijtuig niet in het park gezien; waarom zijt ge er niet geweest? Ik heb u daar gemist, – wezenlijk, dat is zoo!”
„Ik geloof, dat gij er eene aardigheid van maakt,” zeide mevrouw Bungay.
„Aardigheid? Ik heb nog nooit eene aardigheid gezegd in mijn gansch – Hé, wien zie ik hier? Hoe vaart ge, Pendennis? Hoe maakt ge het, Warrington? Oude vrienden van mij, mevrouw Bungay. Wel, wel, hoe drommel komt gij hier?” vroeg hij nogmaals en draaide zijne verlakte hielen naar mevrouw Bungay toe, die eerbied voor de beide jeugdige gasten van haar man begon te krijgen, nu zij zag, dat zij op vertrouwelijken voet met den zoon van een lord stonden.
„Hoe! kennen zij hem?” vroeg zij haastig aan mijnheer B.
„Deftige jongelui, dat verzeker ik je; de jongste is familie van den geheelen adel,” antwoordde de uitgever, en het echtpaar snelde glimlachende en buigende voorwaarts om bijna even groote personages als den jongen lord te verwelkomen; want er werden op dit oogenblik geen mindere lui dan de groote mijnheer Wenham en de groote mijnheer Wagg aangediend.
Mijnheer Wenham trad binnen met het stemmige gelaat en den half onderdrukten glimlach, waarmee hij gewoonlijk naar de punten zijner nette en kleine, glimmende laarzen, maar zelden naar den persoon, met wien hij in gesprek was, keek. Het witte vest van Wagg daarentegen was, als het ware, bestemd om de aandacht te trekken; zijn dik en rood gezicht, stralende bij de gedachte aan levendige grappen en een goed diner, schitterde daarboven uit. Hij deed gaarne zijne intrede in een gezelschap met een lachje en liet even gaarne, als hij des avonds heenging, eene grap achter, waarover men, na zijn vertrek, kon lachen. Geen rampen of tegenspoeden (waarvan deze humorist evenzeer zijn deel had als de menschen, die geen grappen maken) konden zijne vroolijkheid geheel dempen. Welk verdriet hij hebben mocht, het vooruitzicht op een goed diner versterkte zijne verheven ziel weer, en zoodra hij een lord zag, begroette hij hem met eene woordspeling.
Wenham naderde dus mevrouw Bungay met een veelbeteekenenden glimlach en fluisterde haar iets toe, keek van onderen naar haar op en liet haar de punten zijner laarzen zien. Wagg verklaarde, dat zij er bekoorlijk uitzag, en ging daarop recht op den jonkheer los, dien hij kortaf Pop noemde, en dadelijk op eene grappige historie onthaalde, die, met hetgeen de Franschen gros sel noemen, gekruid was. Het deed hem evenzeer genoegen dat hij Pen zag, dien hij de hand schudde en gemeenzaam op den schouder klopte, want hij was zeer levendig en opgeruimd. Hij sprak op zeer luiden toon over hunne laatste ontmoeting, te Baymouth, en vroeg hoe het met hunne vrienden op Clavering Park ging en of Sir Francis het seizoen niet te Londen kwam doorbrengen, en of Pen een bezoek bij Lady Rockminster had afgelegd, die in de stad gekomen was – knappe oude dame, die Lady Rockminster! Dit alles zeide Wagg niet zoozeer om den wille van Pen, als wel tot stichting van het gezelschap, dat hij gaarne op de hoogte wilde brengen dat hij bezoeken op de buiterplaatsen van voorname lui aflegde en op een gemeenzamen voet met den adel stond.
Ook Wenham drukte onzen jongen vriend de hand – al hetgeen mevrouw Bungay met eerbied en genoegen opmerkte, zoodat zij later haar gevoelen over den invloed van mijnheer Pendennis aan Bungay te kennen gaf – een gevoelen, waarvan Pen meer voordeel trok dan hij vermoedde.
Pen, die eenige der werken van jufvrouw Bunion gelezen en zelfs bewonderd had (en iemand in haar dacht te vinden, eenigszins beantwoordende aan de beschrijving, die zij van zich zelve gegeven had in de Passiebloem, volgens welke zij in hare jeugd was:
Een bloempje, dat zijn blaeren Voor stormwind tracht te sparen, Een schuchtre hinde, in schaûw der linde, Die vrijwaart voor gevaren,
en wier rijpere schoonheid zeker wel eenigszins verschillen zou van de ongekunstelde lieftalligheid harer eerste jeugd, maar die toch nog in de hoogste mate bekoorlijk en wegslepend zou wezen), zag, tot zijne verbazing en vermaak, eene groote en beenderige vrouw in eene satijnen japon voor zich, die met een stap als een grenadier op krakende schoenen de kamer binnenkwam. Wagg zag dadelijk, dat zij aan den gekreukten zoom van haar kleed een stroohalmpje binnenbracht, en zou zich gebukt hebben om het op te rapen; maar jufvrouw Bunion ontwapende de kritiek door dit sieraad zelve op te merken; zij zette er een harer groote voeten op, waardoor zij het van hare japon losmaakte, en bukte toen om het op te nemen, waarbij zij tegen mevrouw Bungay zeide, dat het haar speet, dat zij wat laat kwam omdat de omnibus zeer langzaam ging, maar dat het toch een groot geluk was, dat men dien ganschen langen weg van Brompton voor zes stuivers kon rijden. Niemand lachte om deze ontboezeming der dichteres, daar zij er zoo eenvoudig mee voor den dag kwam. De achtenswaardige dame dacht aan geen schaamte over eene handeling, die het gevolg was van hare bekrompen omstandigheden.
„Is dat de Passiebloem?” vroeg Pen aan Wenham, naast wien hij stond. „Op haar portret in het boek is zij eene jonge vrouw, die er zeer goed uitziet.”
„Ge weet, dat passiebloemen, evenals alle andere, op den duur verwelken,” zeide Wenham; „jufvrouw Bunion’s portret is waarschijnlijk een aantal jaren geleden geschilderd.”
„Het neemt mij voor haar in, dat zij zich over hare armoede niet schaamt.”
„Mij ook,” antwoordde Wenham, die liever broodsgebrek zou geleden hebben dan met een omnibus naar een diner te rijden; „maar ik geloof niet, dat zij dat strootje zoo behoefde heen en weer te zwaaien, – gij wel, mijnheer Pendennis? Waarde jufvrouw Bunion, hoe vaart ge? Ik was van morgen bij eene voorname dame, waar iedereen met uw laatste werk dweepte. Dat vers op den doop van Lady Fanny Fantail perste der hertogin tranen uit de oogen. Ik zeide, dat ik het genoegen dacht te hebben u heden te zien, waarop zij mij verzocht u haar dank te betuigen en u te zeggen, dat het haar een overgroot genoegen had gedaan.”
Deze op natuurlijken toon en met een glimlachend gelaat verhaalde geschiedenis van eene hertogin, die Wenham pas dien zelfden morgen gesproken had, sloeg de douairière en den baronet van den armen Wagg geheel uit het veld en plaatste Wenham, als man van de groote wereld, boven Wagg. Wenham zorgde dit onschatbaar voordeel te behouden, en daar hij nu het woord geheel alleen had, liep hij van stapel met een aantal anekdotes betreffende de aristocratie. Hij trachtte Popjoy in het gesprek te trekken door het woord op deze of dergelijke wijze tot hem te richten: „Ik zeide nog heden morgen tegen uw vader,” of: „Ik geloof dat gij onlangs er bij waart, op die partij toen de hertog dit en dat zeide;” doch mijnheer Popjoy wilde hem zijn zin niet geven door aan het gesprek deel te nemen, maar voegde zich liever bij mevrouw Bungay aan het boogvenster, om naar de rijtuigen te kijken, die voor de deur aan den overkant stilhielden. Zoo hij niet wilde spreken, hoopte de gastvrouw ten minste, dat die akelige Bacon’s het zien zouden, dat zij zoo’n groot heer als Percy Popjoy op hare partij had weten te krijgen.
De klok der St.-Paulskerk verkondigde, dat het een half uur later was dan het uur, waarop mijnheer Bungay zijne gasten genoodigd had, en het gezelschap was nu voltallig, op twee personen na, die eindelijk voor den dag kwamen en waarin Pen met genoegen kapitein Shandon en diens vrouw herkende.
Toen beiden aan den heer en de vrouw des huizes hun compliment gemaakt en meer of minder hartelijke groeten met de meesten der aanwezigen gewisseld hadden, gingen Pen en Warrington naar hen toe en drukten met warmte de hand van mevrouw Shandon, die eenigszins ontroerd was bij de ontmoeting en de gedachte waar zij hem slechts weinige dagen te voren gezien had. Shandon was zoo netjes mogelijk gekleed en zag er zeer goed uit, met een rood fluweelen vest en een jabot, waarin zijne vrouw hare mooiste speld gestoken had. In weerwil van mevrouw Bungay’s voorkomendheid, of misschien juist ten gevolge daarvan, was mevrouw Shandon zeer onthutst en bedeesd toen zij haar naderen moest. Mevrouw Bungay was dan ook ontzagwekkender dan ooit met haar rood satijnen kleed en den paradijsvogel op haar hoofd, en eerst toen zij met hare zware stem naar het lieve meisje gevraagd had, kreeg mevrouw Shandon weer wat moed en waagde zij het te spreken.
„Eene knappe vrouw,” fluisterde Popjoy tegen Warrington, „Stel mij aan kapitein Shandon voor, Warrington. Ik heb gehoord, dat hij een verbazend knappe kerel is, en zoo waar ik leef, ik aanbid al wat door verstand uitmunt!” En dit was de waarheid: de hemel had den heer Popjoy zelven niet met veel verstand toegerust, maar hem de gelukkige vatbaarheid geschonken om het verstand van anderen, zoo niet te begrijpen, althans te bewonderen. „En stel mij insgelijks aan jufvrouw Bunion voor. Ik heb gehoord, dat die ook heel knap is. Zij ziet er zeker wel wat wonderlijk uit, maar dat doet er niet toe. Wat drommel; ik beschouw mij zelven als een letterkundige en wensch daarom alle menschen van talent te kennen.” Aldus hadden de heeren Popjoy en Shandon het genoegen kennis met elkaar te maken. En thans werden de deuren der belendende eetzaal opengeworpen, waar de gasten binnentraden en hunne plaatsen aan tafel innamen. Pen had aan den éénen kant jufvrouw Bunion, en Wagg aan den anderen kant, want Wagg was met schrik de ledige plaats naast de dichteres ontvlucht, zoodat Pen zich genoodzaakt zag die te bezetten.
Het hoogbegaafde wezen sprak gedurende het diner niet veel, maar Pen merkte op, dat zij met den grootsten smaak at en nooit voor den wijn bedankte, dien de knecht haar aanbood. Nadat jufvrouw Bunion onzen vriend Pen, die eene voorname houding aannam en uiterst prachtig gekleed en versierd was met zijne mooiste kettingen, hemdknoopjes en linnengoed, een oogenblik had bekeken, beschouwde zij hem – en niet zonder reden – als een kwast, zoodat zij het beter achtte zich met haar eten te bemoeien, dan eenige notitie van hem te nemen. In later tijd vertelde zij hem dit, met hare gewone openhartigheid, zelve. „Ik hield u voor een dier fatjes uit de groote wereld,” bekende zij aan Pen. „Gij keekt zoo deftig als een kleine lijkbidder; en daar ik aan dien akeligen vent aan den anderen kant een vreeselijken hekel had, begreep ik, dat het beste was maar door te eten en te zwijgen.”
„En dat hebt gij allebei uitmuntend gedaan, beste jufvrouw Bunion,” gaf Pen lachend ten antwoord.
„Dat is ook zoo, maar eene volgende maal zal ik heel veel met u spreken; want gij zijt niet zoo deftig of dom, of ingebeeld als gij er uitziet.”
„Nu, jufvrouw Bunion, ik snak naar die „volgende maal,”” zeide Pen met lachende galanterie. Maar wij moeten nu tot den dag van heden en het diner in Paternoster Row terugkeeren.
De maaltijd was van den uitgezochtsten aard: „in den bloemrijken Gothischen stijl, zou ik het noemen,” fluisterde Wagg met zachte stem tegen Pen, die naast den humorist zat. De mannen met krakende laarzen en garen handschoenen waren talrijk en deftig, en voerden afgebroken gesprekken achter den rug der gasten, terwijl zij met de gerechten heen en weer liepen. Doolan, die er een iets wilde vragen, riep: „Jan!” en bloosde bij de gedachte hoe erg hij zich vergist had. Het knechtje van mevrouw Bungay was verloren onder al die statige en zwartgerokte knechts.
„Let eens op dien vreeselijk dikken kerel,” zeide Wagg. „Dat is een lijkbidder uit Amen Corner, die begrafenissen en diners waarneemt. Hij zorgt voor warm en koud vleesch, begrijpt ge? Hij speelt hier voor keldermeester, en ik verzeker u, waarde heer Pendennis, zooals gij in uw leven ook zult ondervinden, dat, wanneer men bij een Londensch diner een nagemaakten keldermeester ziet, men ook nagemaakten wijn te drinken krijgt. Wat een bocht van sherry! – Zeg eens, Bungay, vriend, waar hebt gij deze heerlijke sherry vandaan gekregen?
„Het doet mij pleizier, dat ze u bevalt, mijnheer Wagg. Mag ik een glas met u drinken?” zeide de uitgever, „ik heb een partijtje uit den kelder van alderman Benning gekregen, en ik kan u verzekeren, dat ik er een goeden prijs voor betaald heb. Mijnheer Pendennis, doet gij mede? Op uwe gezondheid, heeren!”
„Die ouwe guit! denkt hij ons beet te hebben? Zijne sherry komt rechtstreeks uit de herberg,” zeide Wagg. „Zij is zoo buitengewoon koppig, dat men twee man noodig heeft om een paar glazen daarvan weg te dragen! Ik wou, Pendennis, dat ik hier eene flesch van den wijn van den ouden Steyne had; ik heb er met uw oom menige geledigd. Hij zendt dien wijn naar de menschen, waar hij gaat dineeren. Ik herinner mij nog, dat bij den armen Rawdon Crawley, den broeder van Sir Pitt Crawley – gouverneur van het Coventry-eiland Steynes’ chef altijd ’s morgens kwam en de keldermeester hem volgde met de champagne van Gaunt House, die reeds in het ijs stond.”
„Wat is dat lekker!” zeide Popjoy goedaardig. „Gij moet een cordon bleu in uwe keuken hebben.”
„Ja zeker,” antwoordde mevrouw Bungay, die hoogst waarschijnlijk in het denkbeeld verkeerde, dat hij van een braadspit sprak.
„Ik meen een Franschen kok,” zeide de wellevende gast.
„O ja, mylord,” hernam de gastvrouw van haar kant.
„Zegt uw artiste, dat hij een Franschman is, mevrouw?” riep Wagg.
„Dat weet ik niet!” antwoordde de vrouw van den uitgever.
„Als hij het zegt, dan is hij een farceur,” galmde mijnheer Wagg uit; maar niemand vatte de aardigheid, hetgeen den grappenmaker eenigszins in verlegenheid bracht. „Het diner is van Griggs op het plein der St.-Paulskerk; dat van Bacon ook,” fluisterde hij Pen toe. „Bungay schrijft, dat hij een daalder per couvert méér geeft, – en dat doet Bacon ook. Zij zouden elkanders ijs vergiftigen, als zij er bij konden komen. En wat de gemaakte schotels betreft, die zijn niets anders dan vergif. Deze – hm – ha – deze brimborion à la Sévigné is uitmuntend, mevrouw,” zeide hij, zich van een gerecht bedienende, dat de lijkbidder hem aanbood.
„Het doet mij genoegen dat het u smaakt,” antwoordde mevrouw Bungay rood wordende, daar zij niet wist of het gerecht zoo heette als Wagg het noemde, maar een duister vermoeden had, dat die heer den draak met haar stak. Bij gevolg begon zij mijnheer Wagg met vrouwelijke hartstochtelijkheid te haten, en zij zou hem van het kommando over Bungay’s tijdschrift ontzet hebben, indien zijn naam niet zoo beroemd ware geweest onder de boekhandelaars en zijne reputatie niet zoo groot in den lande.
Door de verschikking der gasten was Warrington aan de rechterhand van mevrouw Shandon gekomen, die in een eenvoudig zwart zijden kleedje, met verkleurde sieraden naast den welgedanen uitgever zat. De weemoedige glimlach der dame bewoog zijn niet licht te verteederen hart tot medelijden. Niemand trok zich harer aan en zij zat naar haar man heen te zien, die zelfs eenige verlegenheid scheen te gevoelen tegenover sommige leden van het gezelschap. Wenham en Wagg kenden hem en zijne omstandigheden. Hij had met dezen laatste gewerkt en stond verre boven hem in geest, genie en kunde; maar Wagg schitterde als eene ster in de wereld en de arme Shandon was daar onbekend. Hij kon, onder het luidruchtig geschreeuw van dien minder beschaafden maar meer voorspoedigen man, niet aan het woord komen en dronk dus in stilte zijn wijn – zooveel wijn als men hem geven wilde; want hij stond onder toezicht. Bungay had den lijkbidder gelast, het glas van den kapitein niet te dikwijls te vullen en niet te vol te schenken. Het was eene treurige voorzorg, en des te treuriger omdat ze noodzakelijk was. Ook mevrouw Shandon wierp over de tafel heen onrustige blikken op hem, om zich te vergewissen, dat hij de palen niet te buiten ging.
Daar Wagg door het mislukken zijner eerste aardigheid uit het veld geslagen was, want hij was onbeschaamd en toch nog spoedig van zijn stuk gebracht, beperkte hij zijne conversatie gedurende het overige van het diner meerendeels tot Pen en sprak natuurlijk hoofdzakelijk over hunne buren. „Dit is een van Bungay’s groote revues,” zeide hij. „Wij allen hier zijn Bungavianen. Hebt ge Popjoy’s roman gelezen? Het was een oud verhaal, dat de arme Buzzard jaren geleden in een tijdschrift had geschreven, en dat geheel vergeten was, totdat Trotter (die dáár met dat groote halsboord is Trotter) het opvischte en op de gedachte kwam, dat het op de jongste schaking toepasselijk kon gemaakt worden. Bob schreef dus eenige hoofdstukken, die daarop betrekking hadden, Popjoy vergunde hem het gebruik van zijn naam en voegde er misschien hier en daar eene bladzijde bij, – en zoo verscheen de Verdwijning, of de Vlucht der hertogin. Het aardigste is, Popjoy naar zijn werk te vragen, want hij weet er geen woord van, – Zeg eens, Popjoy, wat is dat een heerlijk tooneel in het derde deel, waar de vermomde kardinaal, nadat de bisschop van Londen hem bekeerd heeft, de dochter der hertogin ten huwelijk vraagt.”
„Ik ben blij, dat gij het mooi vindt,” antwoordde Popjoy; „ik beschouw het ook als een mijner beste bladzijden.”
„Er staat geen woord van in het heele boek,” fluisterde Wagg Pen toe. „Ik heb het zelf uitgevonden. Nu, het zou geen slecht onderwerp voor een roman op kerkelijk gebied zijn.”
„Ik herinner mij, dat de arme Byron, Hobhouse, Trelawny en ik bij kardinaal Mezzocaldo te Rome dineerden,” begon kapitein Sumph, „en wij kregen Orvieto wijn aan tafel, waarvan Byron veel hield. Ik herinner mij nog hoe de kardinaal zich beklaagde, dat hij ongetrouwd was. Twee dagen later vertrokken wij naar Civita Vecchia, waar het jacht van Byron lag, – en, waarlijk, de kardinaal stierf binnen drie weken, en Byron was er zeer bedroefd over, want hij hield veel van hem.”
„Waarachtig! eene verduiveld boeiende geschiedenis,” zeide Wagg.
„Gij moest eenige van die verhalen in het licht geven, kapitein Sumph,” zeide Shandon, „wezenlijk, dat moest gij doen! Zulk een bundel zou onzen vriend Bungay rijk maken.”
„Waarom verzoekt gij Sumph niet, ze in uw nieuw blad – de – Hoe heet het ook? – te plaatsen, Shandon?” galmde Wagg uit.
„Waarom vraagt gij hem niet, ze af te staan voor uw oud magazijn, het Wissewasje?” riep Shandon terug.
„Komt er een nieuw blad uit?” vroeg Wenham, die het heel goed wist, maar zich over de betrekking, waarin hij tot de drukpers stond, schaamde.
„Gaat Bungay een blad uitgeven?” riep Popjoy uit, die integendeel trotsch was op zijn letterkundigen naam en zijne bekendheid met letterkundigen. „Gij moet er mij ook bij gebruiken. Mevrouw Bungay, doe een goed woordje voor mij, dat hij mij gebruike! Wat moet het wezen: proza of verzen? Novellen, gedichten, reisbeschrijvingen, hoofdartikelen, wat ge maar wilt. Als Bungay maar betaalt, dan ben ik tot zijne orders, – dat ben ik, lieve mevrouw Bungay, wezenlijk.”
„Het zal Keukenpraatjes heeten,” bromde Wagg, „en de kleine Popjoy wordt belast met de rubriek Allerlei voor de jeugd.”
„Het zal de Pall Mall Gazette heeten, mijnheer, en het zal ons veel genoegen doen, als gij tot de medewerkers wilt behooren,” zeide Shandon.
„Pall Mall Gazette! Waarom Pall Mall Gazette?” vroeg Wagg.
„Omdat de redacteur te Dublin is geboren en de onderredacteur te Cork, omdat de eigenaar in Paternoster Row woont en het blad in Catherine Street, in het Strand, gedrukt zal worden. Vindt ge die redenen niet voldoende, Wagg?” zeide Shandon, die boos begon te worden. „Elke zaak moet een naam hebben. Mijn hond Ponto heeft ook een naam. Gij hebt ook een naam, en eene faam, die gij in meerdere of mindere mate verdient. Waarom maakt gij aanmerking op den naam van ons blad?”
„Elke andere naam zou evengoed zijn,” hernam Wagg.
„In ieder geval verzoek ik u, in gedachte te houden, dat het blad niet Hoe heet het ook genaamd is, mijnheer Wagg,” zeide Shandon. „Gij kent zijn naam zeer goed en – den mijnen ook.”
„En uw adres evenzeer,” zeide Wagg, maar op gedempten toon, en de goedhartige Ier was bijna oogenblikkelijk na de ontboezeming zijner drift weer kalm en noodigde Wagg met vriendelijke stem uit, een glas wijn met hem te drinken.
Toen de dames de tafel verlaten hadden, werd het gesprek nog luidruchtiger, en een oogenblik later stelde Wenham in eene beleefde rede voor, dat men op het welslagen van het nieuwe blad zou drinken, waarbij hij met hoogen lof over den geest en de geleerdheid van den redacteur, kapitein Shandon, uitweidde. Hij had tot stelregel zich nooit een dagbladschrijver tot vijand te maken, en in den loop van den avond deed hij de ronde en vereerde hij elk letterkundige met een opzettelijk voor hem bestemd compliment; den een verklaarde hij, dat zijn laatste artikel een diepen indruk op den minister van buitenlandsche zaken had gemaakt, en den ander vertelde hij, hoe opgetogen zijn boezemvriend, de hertog van Dit en Dat, was geweest over het talent, dat uit de laatste nommers van het tijdschrift sprak.
De partij liep af, en in weerwil van al de genomen voorzorgen stond de arme Shandon onvast op zijne beenen, en keerde hij naar zijne nieuwe woning terug met zijne trouwe gade aan zijne zijde, terwijl de koetsier om hem lachte. Wenham had een eigen rijtuig, waarmee hij Popjoy thuis bracht; en toen de „schuchtere” jufvrouw Bunion zag, dat mijnheer Wagg, die dicht in hare nabijheid woonde, zich gereedmaakte om te vertrekken, vroeg zij hem eene plaats in zijn rijtuig, tot groote spijt van dien heer.
Pen en Warrington wandelden in den maneschijn naar huis. „En zeg mij nu eens,” zeide Warrington, „nu gij de letterkundigen van nabij gezien hebt, of ik ongelijk had toen ik zeide, dat deze stad duizenden menschen bevat, die geen boeken schrijven en echter even knap en geestig zijn als de personen, die het wèl doen?”
Pen moest bekennen, dat de letterkundige personages, waarmee hij kennis had gemaakt, in den loop van den avond niet veel hadden gezegd, dat het onthouden waard was. Eigenlijk was er gedurende de geheele partij geen woord over letterkunde gesproken; en, onder de roos, willen wij aan die oningewijden, die gaarne de levenswijze der letterkundigen en die heeren zelven zouden willen kennen, wel toevertrouwen, dat er geen lieden bestaan, die zoo weinig over boeken spreken, of ze misschien lezen, als juist de letterkundigen.
ZES EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
DE PALL MALL GAZETTE.
Het nieuwe blad maakte aanvankelijk veel opgang. Algemeen geloofde men, dat het door eene invloedrijke staatkundige partij ondersteund werd, en onder de medewerkers noemde men aanzienlijke namen. Bestond er grond voor die geruchten? Wij mogen ons niet uitlaten of zij juist of onjuist waren, maar wel mededeelen, dat een artikel over de buitenlandsche politiek, hetwelk men algemeen toeschreef aan een lord, wiens betrekkingen tot het departement van buitenlandsche zaken zeer goed bekend waren, eigenlijk gesteld was door kapitein Shandon in de gelagkamer der herberg the Bear and Staff in de nabijheid van Whitehall Stairs, waar de drukkersjongen hem op het spoor was gekomen, en waar een zijner letterkundige handlangers, zekere mijnheer Bludyer, tijdelijk zijn verblijf hield; en dat eene reeks artikelen over de financiën, die ieder afkomstig achtte van een groot staatsman in het Lagerhuis, in waarheid uit de pen van den heer George Warrington, van den Upper Temple, gevloeid waren.
Het is echter zeer mogelijk, dat er eenige betrekkingen tusschen de Pall Mall Gazette en deze invloedrijke partij bestaan hebben. Men zag Percy Popjoy (wiens vader, Lord Falconet, tot die partij behoorde) niet zelden de trap naar Warrington’s kamer opklimmen; en er kwamen eenige berichten in het blad voor, die de aandacht trokken en alleen uit zeer bijzondere bronnen afkomstig konden zijn. Er verschenen ook verscheidene gedichten, schraal van gedachte, doch gezwollen en opgeblazen van toon en met de letters P. P. onderteekend, in de Pall Mall Gazette voor, en het valt niet te ontkennen, dat Popjoy’s roman op het overdrevenste in het nieuwe blad geprezen werd.
Aan het staatkundige gedeelte van het blad nam mijnheer Pen geen deel, maar bij de rubriek Letterkunde behoorde hij tot de ijverigste medewerkers. Het bureau der Pall Mall Gazette was, gelijk wij vernomen hebben, in Catherine Street, in het Strand, en dikwijls liep Pen met zijne manuscripten op zak en met groote drukte en genoegen daarheen – een genoegen zooals men bij den aanvang zijner letterkundige loopbaan smaakt, als het nog iets nieuws is, zich gedrukt te zien en men zich nog vleit met de gedachte, dat men door zijn schrijven eenig opzien in de wereld baart.
Hier was het, dat de heer Jack Finucane, als onderredacteur, met behulp van schaar en stijfsel, het blad „opmaakte”, eene zorg, die aan hem opgedragen was. Hij liet een arendsoog over al de dagbladberichtjes gaan, die met de voorname wereld, welke zijne rubriek was, in eenig verband stonden. Hij liet geen sterfgeval of geen diner onder de aristocratie voorbijgaan, zonder ze in de kolommen van zijn blad te vermelden; en uit de meest onbeteekenende provinciale blaadjes en de verst verschijnende Schotsche en Iersche couranten vischte hij verbazende berichten en nieuwtjes betrekkelijk de hoogere kringen der maatschappij op. Het was een verheven, ja een treffend gezicht voor een wijsgeer, den weledelen heer Jack Finucane, met een bord eten uit de restauratie en een glas porter uit de herberg, hetgeen zijn middagmaal uitmaakte, de feesten der grooten te zien beschrijven alsof hij mede aangezeten had, en hem in eene gelapte broek en morsige hemdsmouwen de schitterendste partijen der voorname wereld met opgeruimden zin te zien schetsen en rangschikken. De tegenstrijdigheid tusschen Finucane’s werk en zijne manieren en kleeding kwam zijn nieuwen vriend Pen zeer kluchtig voor. Sedert Jack het dorp verlaten had, waar hij geboren was en vermoedelijk geene zeer hooge positie had bekleed, had hij zelden ander gezelschap gezien dan dat der gelagkamers waar hij verkeerde, terwijl men daarentegen uit hetgeen hij schreef zou afgeleid hebben, dat hij met ambassadeurs dineerde en dat het groote venster der club van White de plaats was, waar hij zich gewoonlijk ophield. Wel is waar vergiste hij zich wel eens in zijne beschrijvingen; maar het was de Ballinafad Sentinel, waarvan hij de particuliere correspondent was, die daarvan te lijden had, en niet de Pall Mall Gazette, want Jack mocht daarin niet veel schrijven, omdat zijne Londensche patroons van oordeel waren, dat hij de schaar en den stijfselpot beter hanteerde dan de pen.
Pen gaf zich veel moeite om zijne recensiën zoo goed mogelijk te maken, en daar hij vrij veel algemeene lectuur in zijne jeugdige jaren verzameld had, en eene levendige verbeelding en eene zekere soort van humor bezat, bevielen zijne artikelen aan de bestuurders van het blad en aan het publiek, zoodat hij het fiere bewustzijn had, dat hij het geld verdiende, dat hij ontving. Wij kunnen ons overtuigd houden, dat de Pall Mall Gazette geregeld op Fairoaks ontvangen en daar door de beide dames met verrukking gelezen werd. Ook op Clavering Park, waar wij weten dat eene jonge dame, die grooten smaak had in de letterkunde, woonde, was men er op geabonneerd; en de oude doctor Portman zelf, aan wien de weduwe de nommers zond, nadat zij haar zoons artikelen van buiten had geleerd, gaf zijne goedkeuring over de voortbrengselen van Pen te kennen en zeide, dat de jongen geest, smaak en verbeeldingskracht bezat en, zoo niet als een geleerde, althans als een gentleman schreef.
En wat stond onze vriend majoor Pendennis verbaasd en verrukt, toen hij in een zijner clubs, de Regent, Wenham, Lord Falconet en eenige andere heeren van naam en rang, die daar bijeen waren, hoorde spreken over de Pall Mall Gazette en over een artikel in dat blad, waarin bitter de draak werd gestoken met een boek, dat de vrouw van een lid der oppositie onlangs uitgegeven had. Het was eene Reis door Spanje en Italië door de gravin van Muffborough, waarin men niet wist wat het wonderbaarlijkste was, het Fransch of het Engelsch, welke beide talen de lady even slecht schreef, zoodat de recensent met blijkbaar leedvermaak hare „bokken” bij de horens had gegrepen. Die recensent was niemand anders dan Pen; met de grootste dartelheid en uitgelatenheid sprong en danste hij rondom zijn slachtoffer; en dit alles met verwonderlijk goed voorgewenden ernst en wellevendheid. Er was geen woord in het gansche artikel, dat onbeleefd was of een gentleman niet zou betaamd hebben, en echter werd het ongelukkige voorwerp der kritiek ontleed en gedurende de operatie uitgelachen. Op Wenham’s galachtig gelaat verscheen een trek van boosaardig genoegen, terwijl hij die kritiek las. Lady Muffborough had hem het gansche afgeloopen jaar niet ééns op hare partijen genoodigd. Lord Falconet grinnikte en lachte hardop, want hij en Lord Muffborough waren sedert hunne intrede in het leven mededingers geweest. Deze heeren nu maakten hun compliment aan majoor Pendennis, die tot dusverre ternauwernood acht had geslagen op sommige wenken in de brieven van Fairoaks, betrekkelijk „het aanhoudende en zware letterkundige werk van mijn lieven Arthur, die, naar ik vrees, de gezondheid van den armen jongen ondermijnen zal,” en het geheel beneden zijne waardigheid als majoor en gentleman had gerekend, eenige notitie van mijnheer Pen en zijne courantwerkzaamheden te nemen.
Maar toen het orakel Wenham het stuk van den jonkman prees; toen Lord Falconet, die door Percy Popjoy was ingelicht, aan den jongen Pen genie toekende; toen de groote Lord Steyne zelf, wien de majoor het artikel toonde, er bij lachte en schaterde, en zwoer dat het „best” was en dat die Muffborough er van zou krimpen als een walvisch onder den harpoen, toen begon de majoor, door plichtgevoel gedreven, zijn neef zeer te bewonderen, en riep hij uit: „Te drommel, er zit toch wat in den jongen schavuit en hij zal het nog wel tot iets brengen; dat heb ik altijd gezegd!” en met eene hand, die van genoegen beefde, schreef hij aan de weduwe te Fairoaks al wat die groote lui tot lof van Pen gezegd hadden; en tevens richtte hij eene uitnoodiging aan den „jongen schavuit” om eene côtelet bij zijn ouden oom te komen eten, en voegde er bij, dat hij in last had hem op een diner op Gaunt House mede te brengen, daar Lord Steyne met iedereen ingenomen was, die hem door dwaasheid, geestigheid, botheid, zonderlingheid, gemaaktheid, opgeruimdheid of eenige andere eigenaardigheid vermaken kon. Pen wierp dien brief over de tafel aan Warrington toe, en was wel wat te leur gesteld, dat de ander er niet opgetogen van stond.
Jonge recensenten bezitten een ongeloofelijken moed. Zij klimmen op den rechterstoel en vellen, bijna zonder aarzelen, een oordeel over de ingewikkeldste of diepzinnigste werken. Als men in die dagen Macaulay’s Geschiedenis, of Herschel’s Sterrekunde aan Pen had voorgelegd, zou hij de deelen doorbladerd, onder het genot eener sigaar zijn oordeel gevestigd en daarop zijne hooge goedkeuring over die beide schrijvers te kennen gegeven hebben, alsof hij van nature hun meerdere en hun toegevende meester en patroon ware geweest. Met behulp van de Biographie universelle of van het Britsch Museum maakte hij een beknopt overzicht van een of ander tijdperk der geschiedenis, en haalde namen, datums en feiten op zulk eene meesterlijke en ongedwongen wijze aan, dat hij zijne mama op Fairoaks, die zich verwonderde waar haar zoon zoo verbazend veel kon gelezen hebben, verstomd deed staan; wat hem zelven ook overkwam, als hij zijne artikelen na verloop van twee of drie maanden herlas en het onderwerp, dat hij toen behandelde, en de boeken, die hij raadpleegde, vergeten had. Mijnheer Pen erkent, dat hij in dat tijdperk zijns levens niet geaarzeld zou hebben, binnen vier en twintig uren over de grootste geleerden een gevoelen te uiten, of een oordeel over de Encyclopaedie te vellen. Gelukkig was Warrington dáár, om hem uit te lachen en door aanhoudende en heilzame spotternijen zijne aanmatiging te temperen; anders zou hij wellicht onuitstaanbaar verwaand zijn geworden, want Shandon was met de voortvarendheid en luchtigheid van zijn jongen adjudant zeer ingenomen, en Pen’s vlugge en geestige stijl beviel hem werkelijk beter dan dergelijke betoogen van den ouderen medewerker.
Maar ofschoon men Pen wegens zijne onbescheidenheid en eene zekere voorbarigheid in zijn oordeel te recht moest misprijzen, was hij een volkomen eerlijk recensent en zelfs veel te onschuldig voor de bedoelingen van Bungay, die meer dan eens bitter gromde over Pen’s onpartijdigheid. Zelfs geraakte Pen daarover op zekeren dag in woordenwisseling met zijn patroon den kaptein. „Wat hebt gij daar in ’s hemels naam gedaan, mijnheer Pendennis,” riep Shandon uit; „daar hebt gij een van Bacon’s boeken geprezen! Bungay kwam heden morgen woedend bij mij, toen hij eene gunstige beoordeeling van een der werken van die gehate firma aan den overkant in het blad vond.”
Pen zette van verbazing groote oogen op. „Wilt gij daarmee zeggen, dat wij geen boek moeten prijzen, dat bij Bacon uitgegeven is?” vroeg hij; „of dat wij, al zijn de boeken goed, ze slecht moeten noemen?”
„Beste jonge vriend – denkt gij, dat een welgezind uitgever een kritisch blad opricht om zijn mededinger te bevoordeelen?” vroeg Shandon.
„Natuurlijk om zich zelven te bevoordeelen, maar tevens om de waarheid te spreken,” antwoordde Pen: „ruat coelum, om de waarheid te spreken!”
„En mijn prospectus dan?” vervolgde Shandon met een spottenden lach; „zoudt gij, wat daarin gezegd is, voor evangelie houden?”
„Met uw verlof, dat is de vraag niet,” zeide Pen, „en ik geloof ook niet, dat gij sterk op een antwoord aandringt. Ik had wel eenig gemoedsbezwaar over dat prospectus en heb er met mijn vriend Warrington over gesproken. Wij kwamen echter daaromtrent overeen,” vervolgde Pen lachend, „dat, ofschoon het prospectus vrij winderig en dichterlijk gesteld was en de reus buiten op het uithangbord veel grooter was geschilderd dan het origineel binnen in de tent, ons die kleine onnauwkeurigheid niet behoefden aan te trekken, maar ons deel in de vertooning konden spelen zonder onze eer te verbeuren of er gewetenswroeging bij op te doen. Wij zijn de vedelaars en spelen onze deuntjes; maar gij zijt de spelleman.”
„En de aanvoerder van de karavaan,” zeide Shandon. „Nu, het doet mij in ieder geval pleizier, dat uw geweten u de vrijheid geeft, voor ons te spelen.”
„Ja maar,” zeide Pen, vervuld met de waardigheid zijner positie, „wij zijn in Engeland allemaal partijmannen, en ik zal, als Brit, aan mijne partij getrouw blijven. Ik zal de onzen zoo zacht mogelijk behandelen, want men behoeft zijne eigen glazen niet in te smijten, en den vijand zoo hard raken als gij verkiest, kapitein, maar met eerlijke wapenen. Ik geloof, dat men niet altijd de volle waarheid kan vertellen; maar men kan zorgen niets te vertellen dan de waarheid; en ik zou liever honger lijden, bij den hemel, en nooit een duit meer met mijne pen verdienen,” (Pen zwaaide dat geduchte wapen nu sinds zes weken en sprak er met de grootste geestdrift en eerbied van) „dan een tegenstander op verraderlijke wijze te treffen of hem, indien ik hem eene plaats moest aanwijzen, lager te stellen dan hij verdiende.”
„Nu, mijnheer Pendennis, als wij Bacon willen verbrijzelen, zullen wij een anderen hamer moeten zoeken,” zeide Shandon met onverstoorbare goede luim, terwijl hij zeer waarschijnlijk bij zich zelven dacht: „Over eenige jaren zal de jonge heer zoo moeielijk niet meer zijn.” De oude aanvoerder zelf kende zulke gemoedsbezwaren niet meer. Hij had sinds jaren aan zooveel verschillende zijden gevochten en gemoord, dat zijn geweten niet meer sprak. „Wel, wel, wat hebt gij een fijngevoelig geweten, mijnheer Pendennis,” riep hij uit. „Het is de schat van alle nieuwelingen, en ik geloof dat ik eens zelf er ook een gehad heb; maar die soort van waan verdwijnt, als men in de wereld komt, en ik zal de moeite niet doen om een kunstmatig vernis over mij heen te leggen, zooals onze vrome vriend Wenham, of die Wagg, dat toonbeeld van deugd.”
„Ik weet niet, kapitein, of de schijnheiligheid van sommigen niet nog beter is dan de schaamteloosheid van anderen.”
„Het is in ieder geval voordeeliger,” zeide de kapitein, op de nagels bijtende. „Die Wenham is zoo’n domme kwakzalver als ooit zijne kunsten vertoond heeft, en echter ziet ge in welk een fraai rijtuig hij naar zijne diners rijdt. Te drommel, het zal lang duren eer mevrouw Shandon in haar eigen rijtuig rijdt. God sta het arme schepseltje bij!” En na deze kleine woordenwisseling en samenspraak verliet Pen zijn chef en trok zijne eigen moraal uit de beschouwingen van den kapitein. „Daar hebben wij nu een man,” dacht hij, „toegerust met genie, geest, geleerdheid en andere gelukkige natuurlijke begaafdheden; en zie nu hoe hij die verwoest heeft door zijne eer te verkoopen en de achting voor zich zelven te verspelen. Pas op u zelven, Pen! gij zijt al verwaand genoeg! Wilt gij uwe eer voor een appel en een ei verkoopen? Neen, met Gods hulp zullen wij, wat er gebeure, eerlijk blijven en zal onze mond, als die zich opent, niets dan de waarheid spreken.”
Er was voor mijnheer Pen eene straf of ten minste eene beproeving in aantocht. Uit het eerstvolgende nommer van de Pall Mall Gazette las Warrington, gierende van het lachen, een artikel voor, dat onzen vriend Arthur, die juist zelf aan eene recensie voor het volgende weeknommer van dat blad zat te werken, in het geheel geen pleizier deed, want het Lente-jaarboek werd daarin door een onbekend schrijver vreeselijk gehavend. En geen der medewerkers van het jaarboek kwam er slechter af dan juist Pen. Zijne verzen waren niet met zijn eigen naam, maar onder een verdichten naam in het Lente-jaarboek verschenen. Hij had het werk zelf niet willen recenseeren, waarop Shandon het aan Bludyer gegeven had, met aanbeveling om het kort en klein te slaan. En dit had de ander ook trouw gedaan. Bludyer, die geene geringe talenten bezat en tot een ras van dagbladschrijvers behoorde, hetwelk, naar ik geloof, tegenwoordig geheel uitgestorven is, bezat onder zijne beroepsgenooten een zekeren naam, wegens zijn toomeloozen humor. Hij vernielde en vertrapte de arme lentebloemen met even weinig barmhartigheid als een os in een bloembed dat doet; en toen hij dat deeltje naar hartelust had vermorzeld, verkocht hij het aan een boekenstalletje en onthaalde zich voor de opbrengst op eene flesch cognac.
ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN PEN IN DE STAD EN TEN PLATTEN LANDE OPTREEDT.
Men zal ons wel vergunnen eenige maanden in het leven van mijnheer Arthur Pendennis met stilzwijgen te laten voorbijgaan, in welke misschien vele gebeurtenissen hebben plaats gehad, die belangrijker en treffender voor hem zelven waren dan zij waarschijnlijk voor den lezer dezer gedenkschriften zouden zijn. Wij zagen hem in het vorige hoofdstuk geregeld werkzaam als broodschrijver, zooals mijnheer Warrington zich zelven en zijn vriend geliefde te betitelen; en wij weten, dat al wat men om den broode doet, hetzij op rechtsgeleerd of letterkundig gebied, hetzij als hulpprediker, of als krijgsman, of als kantoorklerk, een vervelend en langdradig routinewerk is. De arbeid van den eenen dag gelijkt maar al te zeer op dien van den anderen. Een letterkundige moet dikwijls, evenals ieder ander loonbediende, zijn werk verrichten als het hem walgt, of tegen zijn zin en ondanks ziekelijkheid of luiheid, of al stuit de zaak, waaraan hij juist zijne kunst moet toonen, hem tegen de borst. Wanneer gij uw brood met Pegasus moet verdienen (gelijk licht het geval kan zijn met dengeen, die niets anders geldwaardigs bezit), vaarwel dan poëzie en hemelvlucht; Pegasus gaat voortaan, evenals mijnheer Green’s luchtbol, op vooraf bepaalde tijdstippen omhoog, als de toeschouwers hun geld neergepast hebben. Pegasus loopt in het tuig met eene kar, of een rijtuig achter zich, over den steenweg. Dikwijls hijgt Pegasus onder het werk en knikken hem de knieën, en niet zelden krijgt hij van den koetsier nog een zweepslag op den koop toe.
Laat ons medelijden met Pegasus echter niet al te groot zijn. Er bestaat niet ééne reden waarom dit dier, meer dan eenig ander schepsel op Gods wereld, van arbeid, ziekte of achteruitgang bevrijd zou zijn. Als Pegasus de zweep krijgt, heeft hij die dikwijls verdiend, en ik, voor mij, protesteer gaarne met mijn vriend George Warrington tegen de leer, welke sommige dichterlijk-gezinde bewonderaars ingang zouden willen doen vinden, dat de letterkundigen, de zoogenaamde menschen van genie, bevrijd zouden moeten zijn van de prozaïsche verplichtingen van het dagelijksche, broodbehoevende, belastingbetalende leven, en niet zouden moeten werken en betalen gelijk hunne naasten.
Daar de Pall Mall Gazette voorgoed gevestigd en Arthur’s verdienste als een levendig, geestig en onderhoudend recensent erkend was, werkte hij iedere week zeer vlijtig aan beoordeelingen van werken, die binnen den kring van zijn gebied lagen, en schreef hij zijne beschouwingen ontegenzeglijk luchtig, maar eerlijk, en zoo goed hij kon. Misschien werd een geschiedschrijver van vijf dozijn jaren, die het vierde eener eeuw besteed had aan het samenstellen van een werk, waarover onze jonge heer, na een paar dagen zoekens in het Britsch Museum, den staf brak, wel eens niet geheel naar verdienste behandeld door zulk een vlug beoordeelaar; of werd een dichter, die verhevene sonnetten en oden zoolang gepolijst had tot hij ze het publiek en zijn roem waardig achtte, geërgerd door twee of drie dozijn scherpe regels van mijnheer Pen, waarin de verdiensten van den dichter werden geschat door den criticus, alsof deze een rechter op zijn zetel was en de ander een ellendig beschuldigde, die voor hem sidderde. De tooneelspelers beklaagden zich ook bitter over hem, en zeer waarschijnlijk is het, dat hij te bar jegens hen was. Doch, alles wel beschouwd, richtte hij niet veel schade aan. Tegenwoordig is het anders, gelijk wij weten; maar er waren in Pen’s tijd zoo weinige groote geschiedschrijvers, groote dichters of groote acteurs, dat er bijna geene optraden, om aan zijn lessenaar hun vonniste komen vernemen. Degenen, die eene kleine afstraffing ondergingen, kregen over het geheel niets anders dan hun verdiend loon, ofschoon de rechter niet veel knapper of wijzer was dan de personen, die hij vonniste, en zich ook niet als zoodanig beschouwde. Pen bezat veel gevoel voor humor en rechtvaardigheid en koesterde daarom geen overdreven ingenomenheid met zijne eigen werken; bovendien had hij zijn vriend Warrington aan zijne zijde – een geducht criticus zoodra de jonkman overhelling tot verwaandheid aan den dag legde, en onbarmhartiger voor Pen dan deze ooit was voor degenen, die bij zijne letterkundige rechtbank hun vonnis vernamen.
Met dezen critischen arbeid en door nu en dan hoofdartikelen aan het blad te leveren, als onze uitstekende publicist zijn gevoelen kon openbaren zonder nadeel voor het blad, verdiende mijnheer Arthur Pendennis met vrij wat moeite de som van vier pond vier shillings ’s weeks. Hij leverde ook opstellen aan magazijnen en tijdschriften en wordt verdacht gehouden (ofschoon hij zich daarover nooit heeft willen uitlaten) de Londensche correspondent van de Chatteries Champion te zijn geweest, die toenmaals verscheidene zeer levendige en keurig geschreven brieven uit de hoofdstad bevatte. Op deze wijze gelukte het den voorspoedigen jonkman bijna vierhonderd pond ’s jaars te verdienen, en de tweede Kerstmis na zijne aankomst te Londen kon hij werkelijk honderd pond voor zijne moeder meebrengen, als korting op hetgeen hij aan Laura verschuldigd was. Elk lezer, die de zoon-aanbidding van moeders heeft bijgewoond, die de argelooze liefde kent, waarmee vrouwen ten platten lande de loopbaan harer lievelingen te Londen volgen, zal zich kunnen voorstellen, dat mevrouw Pendennis al de werken van haar zoon tot de laatste letter las en hem voor den diepzinnigsten denker en den sierlijksten schrijver van zijn tijd hield; dat zij die betaling van honderd pond als een bewijs van engelendeugd beschouwde; dat zij vreesde, dat hij door dit werken zijne gezondheid knakken zou, en dat zij verrukt stond toen hij haar vertelde van de kringen, waarin hij verkeerde, en van al de mannen, groot in de letteren en in de wereld, waarmee hij in aanraking kwam. Welke zaligheid vervult het hart der moeders en zusters thuis in Somersetshire, als aan Jan eene rechtszaak is opgedragen, als Piet op een of ander bal is genoodigd, als Klaas dezen of genen grooten en vermaarden man op een diner ontmoet heeft! Wat worden de brieven van den veelbelovenden lieveling herlezen en in het geheugen bewaard! Wat leveren zij stof tot dorpsgesprekken en gelukwenschingen van vrienden! In den tweeden winter kwam Pen voor zeer korten tijd over en bracht vroolijkheid in de eenzame woning te Fairoaks. Helena had haar zoon nu geheel voor zich zelve; Laura was uit logeeren bij de oude Lady Rockminster; de bewoners van Clavering Park waren afwezig; de enkele oude huisvrienden, met doctor Portman aan het hoofd, kwamen een bezoek bij mijnheer Pen afleggen en behandelden hem met in het oog loopenden eerbied. Er heerschte niets dan liefde, vertrouwen en genegenheid tusschen moeder en zoon. Het waren de gelukkigste paar weken, die de weduwe, en misschien haar zoon ook, tot nog toe beleefd had. Die vacantie ging maar al te spoedig voorbij: Pen keerde in het gewoel der wereld terug en de teerhartige weduwe bleef weer eenzaam achter. Zij zond Arthur’s geld aan Laura. Ik weet niet waarom deze jonge dame de gelegenheid aangreep om het huis te verlaten toen Pen daarheen kwam, en evenmin of hare afwezigheid Pen speet dan hem wel verlichting schonk.
En ten gevolge van zijne eigen verdiensten èn door de aanbevelingen van zijn oom was hij in dezen tijd te Londen goed geïntroduceerd en zoowel in de letterkundige als in de voorname kringen bekend. In de eerstgenoemde was zijn roep van voornaamheid hem van geen geringen dienst. Men hield hem voor een heer van ruime middelen, die nog meer te wachten had, en die voor zijn genoegen schreef, en beter aanbeveling dan dit laatste bestaat er niet voor een jongmensch, die de letterkundige loopbaan wil betreden. Bacon, Bungay en Co. achtten zich vereerd, dat zij artikelen van hem ontvingen; mijnheer Wenham vroeg hem te dineeren; mijnheer Wagg beschouwde hem met een gunstig oog, en zij vertelden overal, hoe zij hem ten huize van voorname lui ontmoet hadden, waar hij zeer welkom was, daar men er zich om zijne tegenwoordige of toekomstige middelen niet bekommerde en hij zich goed wist voor te doen en den naam van knapheid had. Ten slotte werd hij in het eene huis gevraagd, omdat men hem in het andere gezien had; en op die wijze vertoonde zich het Londensche leven in al zijne verscheidenheid aan zijn oog; hij werd met allerlei slag van menschen, van Paternoster Row tot Pimlico, gemeenzaam bekend, en was evengoed thuis op de diners in Mayfair als aan de tafels in de herbergen, waar verscheidene zijner pengenooten gewoonlijk bijeenkwamen.
De jonkman, die vol levenslust en weetgierigheid was en zich gemakkelijk schikte naar iedereen met wien hij in aanraking kwam, gevoelde zich op zijn gemak onder die zonderlinge verscheidenheid en mengeling van menschen en maakte het zich overal, waar hij kwam, aangenaam of althans gemakkelijk. Zoo ontbeet hij bijv. heden of morgen bij mijnheer Plover met een pair, een bisschop, een redenaar uit het parlement, een paar voorname dames, een populair predikant, den schrijver van den laatsten nieuwen roman, en den allerlaatsten lion, die uit Egypte of Amerika was aangevoerd; en dit voorname gezelschap verwisselde hij vervolgens met de achterkamer van het dagbladbureau, waar hem pen en inkt en de vochtige proefbladen lagen te wachten. Daar zat dan Finucane met de laatste nieuwstijdingen uit de Row; en een oogenblik later kwam Shandon binnen, groette Pen met een hoofdknik, en begon aan het andere eind der tafel, met een fleschje sherry naast zich, dat de loopjongen altijd stilzwijgend kwam brengen zoodra hij den kapitein in het oog kreeg, zijn hoofdartikel te krabbelen; of men hoorde mijnheer Bludyer’s bulderende stem in het voorvertrek, waar die bloeddorstige criticus de boeken op de toonbank in beslag nam, in weerwil van het bedeesde verzet van mijnheer Midge, den uitgever van het blad, en na de boeken dan doorgebladerd te hebben, verkocht hij ze aan zijn gewone boekenstalletje, at en dronk in eene herberg van de opbrengst, vroeg vervolgens om papier en inkt en begon den auteur van zijn diner en van den roman „uit te kleeden.” Tegen den avond wandelde mijnheer Pen den weg naar zijne club op en haalde Warrington daar af, om eene wandeling voor hunne gezondheid te gaan doen. Door deze lichaamsbeweging zetten zich de longen uit en verschafte men zich eetlust, waarna Pen het geluk had zijne opwachting te mogen gaan maken in verscheidene alleraangenaamste huizen, die voor hem openstonden; of hij had de geheele stad voor zich tot zijne uitspanning. Dan had men verder de opera; de herberg de Adelaar; of een bal in Mayfair; of een stil avondje met eene sigaar en een boek en een lang gesprek met Warrington; of een heerlijk nieuw lied in de Achterkeuken. In dezen tijd zijns levens zag mijnheer Pen alle soorten van plaatsen en menschen; en zeer waarschijnlijk is het, dat hij niet wist hoe goed hij zich vermaakte dan eerst daarna, toen bals hem geen genoegen meer opleverden, en kluchtspelen hem niet meer deden lachen, de aardigheden in de koffiehuizen hem volstrekt niet meer troffen, en de lieftalligste danseres, die ooit hare enkels liet zien, niet in staat was hem na het diner van zijn stoel te lokken. Op zijn tegenwoordigen rijpen leeftijd, zijn al deze genoegens voorbij, en de tijd daarvoor is ook voorbij. Het is nog slechts zeer weinige jaren geleden – maar die jaren zijn verdwenen, gelijk de meeste dier menschen. Bludyer zal nooit meer de schrijvers vertrappen of de kasteleins oplichten. De geleerde en verkwistende, de geestige en onverstandige Shandon is in den laatsten slaap gewiegd. De eenvoudige Doolan is onlangs begraven; hij zal nooit meer kruipen of pluimstrijken, nooit meer zwetsen of whisky-grog drinken.
Het was thans in het drukste van het seizoen, en de bladen, die het nieuws uit de voorname wereld behelsden, stonden vol berichten over de groote feestmaaltijden, partijen en bals, die de aanzienlijke kringen verlevendigden. De koning hield levers en receptiën in het St.-Jamespaleis; aan de vensters der clubs zag men niets dan hoofden en roode gezichten van deftige heeren, die de couranten zaten te lezen; duizenden rijtuigen rolden langs de Serpentine, en geheele eskadrons dandy’s te paard draafden door Rotten Row. In één woord, iedereen was in de stad, en natuurlijk kon majoor Arthur Pendennis, die ook wat te beteekenen had, niet afwezig zijn.
Het hoofd met een sierlijken zijden zakdoek omwikkeld en de magere gestalte in eene bonte, Turksche kamerjapon gehuld, zat deze waardige heer op zekeren morgen in het hoekje van den haard met de voeten in een lauw warm bad, terwijl hij zijn eerste kopje thee dronk en de Morning Post doorliep. Hij kon den dag niet ingaan, zonder twee uren aan zijn toilet te besteden, zonder zijn kopje thee te drinken, zonder de Morning Post te lezen. Ik geloof, dat niemand ter wereld buiten Morgan, ja Morgan’s meester zelf niet, wist hoezeer de majoor verzwakte en veranderde, en welk een aantal kleine gemakken hij noodig had.
Gelijk wij mannen, naar onze gewoonte, smalen op eene oude coquette, op haar blanketsel, hare reukwateren, hare lokken, en op de ontelbare, ons onbekende kunstgrepen, die men zegt dat zij aanwendt om de verwoestingen van den tijd te verhelpen en de bekoorlijkheden weer terug te roepen, waarvan de jaren haar beroofd hebben, zoo mogen wij ook vooronderstellen, dat de dames van haar kant zeer goed weten dat de mannen even ijdel zijn als zij, en dat het toilet van een ouden fat even omslachtig is als het hare. Hoe houdt de oude Blushington dat eeuwigdurende rozenblosje op zijne wangen? en waar haalt de oude Blondel het middel vandaan, dat zijn zilverwit haar voor goudblond moet doen doorgaan? Hebt gij ooit Lord Hotspur van paard zien stijgen, als hij denkt dat niemand naar hem kijkt? Als hij uit de stijgbeugels gelicht is, kunnen zijne blinkende laarzen ternauwernood de stoep van Hotspur House opstrompelen. Wanneer hij door Rotten Row rijdt en men hem van achteren ziet, is hij nog altijd een eerste dandy; maar als ge hem te voet ontmoet, wat is hij dan oud! Hebt gij u ooit kunnen voorstellen, hoe Dick Lacy (hij wordt nu al zestig jaar lang Dick genoemd) er in zijn natuurlijken toestand en zonder zijn korset uitziet? Al die mannen zijn voorwerpen, welke een nauwkeurig waarnemer van het leven en de handelingen der menschen met evenveel nut kan bestudeeren als de meest verouderde Venus in Belgravia, de meest onverbeterlijke Jezabel in Mayfair. Een oude guit, die sinds vijftig jaar niet gebeden heeft, behalve misschien in het publiek; een oude fat, die nog zooveel van de gebruiken der jeugd bijhoudt als zijne verzwakte gezondheid toelaat, die van de flesch heeft moeten afzien, maar er onder een glas water en een stuk brood met jonge snaken bij zit, en die geen bewonderaar van de schoonen meer zijn kan, maar er even ondeugend over spreekt als de jongste roué van het gezelschap, – zulk een oude kerel zou, indien een of andere dominé in Pimlico of St. James hem door de kerkeknechts in het midden der gemeente op een armstoel liet zetten en hem tot onderwerp eener preek nam, voor een enkelen keer in zijn leven tot een goed doel gebruikt kunnen worden en wellicht zelf verstomd staan bij de ervaring, dat er eenige nuttige les uit hem te trekken was. Maar wij dwalen van ons onderwerp, den eerzamen majoor af, wiens voeten onderwijl in het bad koud worden; Morgan neemt ze dus uit die plaats der verkwikking, droogt ze voorzichtig af, zet vervolgens den ouden heer op de beenen en voorziet hem eindelijk van zijn lendeband en pruik, zijne gestijfde das en zijne smettelooze laarzen en handschoenen.
Gedurende deze uren van het toilet hielden Morgan en zijn meester hunne vertrouwelijke gesprekken, want zij kwamen op andere tijdstippen van den dag niet veel met elkander in aanraking; de majoor toch verafschuwde het gezelschap zijner eigen tafels en stoelen op zijne kamers en Morgan had dus, na ’s morgens zijn heer gekleed en hem de brieven, overhandigd te hebben, den tijd grootendeels tot zijne eigene beschikking.
Dezen vrijen tijd besteedde die levendige en beleefde heer onder de knechts en hofmeesters van den adel, die den kring zijner bekenden uitmaakten; en Morgan Pendennis, gelijk men hem noemde – want de knechts van gentlemen worden in hunne eigen kringen met aldus samengestelde namen aangeduid – was een trouw en welkom bezoeker aan verscheidene der aanzienlijkste tafels dezer stad. Hij was lid van twee groote clubs in Mayfair en Pimlico, waardoor hij alle stadspraatjes vernam en zijn meester zeer aangenaam gedurende de twee uren van het toilet kon bezig houden. Hij kende honderd verhalen en legenden betrekkelijk personen van den hoogsten ton, wier bedienden hunne doorluchtige geheimen bespreken, eveneens, lieve mevrouw, als onze eigene meiden en bedienden in de keuken over ons karakter, onze schrielheid of mildheid, ons geld of ons geldgebrek en onze kleine huiselijke of huwelijkstwisten en oneenigheden handelen. Als ik dit handschrift open op tafel laat liggen, ben ik zeker dat Betje het zal lezen en er heden avond met hare kameraden in de keuken over spreken; en morgen zal zij mij met zulk een onschuldig, trouwhartig gezicht mijn ontbijt komen brengen, dat niemand haar van spionneeren zou durven verdenken. Indien gij en de kapitein ergens hooge woorden over hebt gehad, hetgeen altijd mogelijk is, dan zullen de bijzonderheden van den twist en uw beider karakters onpartijdig en welsprekend aan de theetafel in de keuken besproken worden; en als de kamenier van mevrouw Smith bij geval een kopje thee komt drinken bij de uwe, zal hare tegenwoordigheid het aangeknoopte gesprek niet doen afbreken; zij zal openhartig haar gevoelen zeggen, en den volgenden dag zal hare meesteres waarschijnlijk weten, dat kapitein Jones en zijne vrouw, als naar gewoonte, twist hebben gehad. Niets blijft geheim! Prent u maar in, dat Jan alles weet, en dat het in onze nederige kringen gaat gelijk in de grootste: een hertog is evenmin een held voor zijn kamerdienaar als gij of ik; en in zijne club bespreekt de bediende van zijne genade, in gezelschap van andere heeren van gelijken maatschappelijken rang, het karakter en de zaken van zijn meester, met die onbewimpelde waarheidsliefde, die mannen past als zij vertrouwelijk met elkaar omgaan. Wie een gierigaard is en zijn geld oppot; wie in de handen van geldschieters is gevallen en zijn edelen naam achter op wisselbrieven schrijft; wie op vertrouwelijken voet staat met de vrouw van een ander; wie hare dochter aan zeker iemand ten huwelijk wil opdringen (hetgeen hij zich niet zal laten doen, neen, voor geen geld ter wereld!) – al dergelijke zaken worden door de vertrouwde bedienden van gentlemen onderling besproken, en worden gehoord en onderzocht door iedereen, die eenige aanspraak op eene plaats in de voorname kringen heeft. Kortom, daar de oude Pendennis den naam had van alles te weten en eene wonderbaarlijke kwaadsprekendheid aan de loffelijkste discretie wist te paren, is het niet anders dan billijk dat wij verklaren, dat de majoor een groot gedeelte zijner nieuwtjes van Morgan vernam, die er voor hem op uitging en ze opspoorde. En welken beteren weg kan men inslaan, om de Londensche maatschappij te leeren kennen, dan door te beginnen van den grond af, namelijk in de keukengewesten?
Mijnheer Morgan en zijn meester onderhielden zich dus met elkander onder het toilet van dezen laatste. Er was den vorigen dag receptie ten hove geweest, en de majoor las in zijn blad, dat Lady Clavering door Lady Rockminster, en jufvrouw Amory door hare moeder, Lady Clavering was voorgesteld, – en in eene andere kolom van het blad werd de kleeding dier dames met eene nauwkeurigheid en in eene taal beschreven, die den oudheidkenner in latere eeuwen verlegen zal doen staan, maar die hem te gelijk vermaken zal. Het lezen van die namen deed den majoor met zijne gedachten naar het platteland teruggaan. „Hoelang zijn de Clavering’s reeds te Londen, Morgan?” vroeg hij. „Hebt gij iemand hunner bedienden gesproken?”
„Sir Francis heeft zijn vreemden kamerdienaar weggezonden, mijnheer,” antwoordde Morgan, „en een mijner vrienden in zijne plaats aangenomen, mijnheer. Hij is er op mijn aanraden naar toe gegaan. Misschien herinnert gij u Towler nog wel, mijnheer, – een lang man met rood haar, maar dat geverfd is. Hij was kamerdienaar bij Lord Levant, tot de zaken van mylord in de war raakten. Het is een achteruitgang voor Towler, mijnheer, maar als men arm is, kan men niet kieskeurig zijn.” zeide de knecht met eene aangedane stem.
„Wel, wel! dat is verduiveld hard voor Towler,” zeide de majoor, die er zich mee vermaakte, „en voor Lord Levant ook niet pleizierig, hi hi!”
„Ik wist wel dat het daartoe komen zou, mijnheer. Nu St. Michiel vier jaar geleden, heb ik er reeds van gesproken, toen mylady de diamanten verpandde. Het was Towler, mijnheer, die ze in twee cabs naar Dobree bracht, en een groot gedeelte van het zilver ging denzelfden weg. Herinnert ge u niet, dat ge het te Blackwall gezien hebt, met het wapen en de kroon van Lord Levant er op, terwijl mylord er zelf bij zat op het diner van Lord Steyne? Ik vraag excuus, mijnheer; heb ik u gesneden?”
Morgan was op dit oogenblik bezig aan de kin van den majoor, en vervolgde zijn onderwerp, terwijl hij zijn kunstrijk scheermes op den riem aanzette. „Zij hebben een huis in Grosvenor Place genomen, mijnheer, en leven op een buitengewoon grooten voet. Mylady zal drie partijen geven, behalve nog een diner elke week. Haar fortuin zal en kan er niet tegen bestand zijn.”
„Te drommel, zij had zoo’n goeden kok toen ik op Fairoaks was,” zeide de majoor, zeer weinig bekommerd om het geld der weduwe Amory.
„Hij heette Marobblan, mijnheer; – Marobblan is weg, mijnheer,” zeide Morgan, waarop de majoor deze maal met innige sympathie hernam, „dat het verduiveld spijtig was, dat zij hem verloren hadden.”
„Er is eene geweldige opschudding over dien mesjeu Marobblan geweest,” ging Morgan voort. „Op een bal te Baymouth, mijnheer, – ik weet niet hoe hij zoo onbeschaamd heeft durven zijn, – daagde hij mijnheer Arthur tot een duel uit, mijnheer, en mijnheer Arthur stond op het punt om hem neer te slaan en uit het venster te smijten, hetgeen hij ook verdiend zou hebben; doch de chevalier Strong, mijnheer, kwam er bij en maakte een einde aan het standje – ik vraag excuus, mijnheer, aan den twist – want die Fransche koks zijn zoo trotsch en brutaal alsof zij echte gentlemen waren.”
„Ik heb iets van die onaangenaamheid gehoord,” zeide de majoor; „doch dáárvoor is Mirobolant toch niet weggezonden?”
„Neen, mijnheer, – dat geval (mijnheer Arthur vergaf het hem en heeft zich daarin heel mooi gedragen) werd door de vingers gezien; maar het was om jufvrouw Amory, mijnheer, dat hij zijn ontslag kreeg. Die Franschen denken, dat ieder meisje op hen verliefd is, en hij klom dus langs dien grooten wijngaard tegen haar venster op, mijnheer, en deed moeite om binnen te dringen. Maar hij werd betrapt; mijnheer Strong kwam naar buiten; men voerde de tuinspuit aan en spoot hem nat, en dat gaf een allergeweldigst leven, mijnheer.”
„Wat een onbeschaamde kerel!” riep de majoor uit. „Maar gij wilt toch niet zeggen, dat jufvrouw Amory hem voet had gegeven?” liet hij er op volgen, plotseling getroffen door eene zeer bijzondere uitdrukking op Morgan’s gelaat.
Morgan trok zijn gezicht weer in de stemmige plooi. „Ik weet er niets van, mijnheer,” gaf hij ten antwoord. „Wij bedienden weten niets van zulke dingen. Hoogst waarschijnlijk was er niets van aan; er worden zooveel onwaarheden van de groote familiën verteld. Marobblan ging met pak en zak, met potten en piano weg – want de kerel had eene piano en schreef Fransche verzen; en hij nam eene kamer te Clavering en zwierf rondom het huis, en men vertelde zelfs, dat madame Fribsby, die modemaakster, brieven aan jufvrouw Amory overbracht, ofschoon ik geen woord daarvan geloof, evenmin als dat hij zich door kolendamp van het leven heeft willen berooven, hetgeen alles afgesproken werk was tusschen hem en madame Fribsby; en het scheelde weinig of hij was door den boschwachter van het park doodgeschoten.”
In den loop van denzelfden dag stond de majoor aan het groote venster van Bays’ Club in St. James’ Street, op dat namiddaguur wanneer men een dozijn oude fatten zich op dezelfde wijze ziet vermaken (Bays Club is thans eene ouderwetsche societeit en vele van hare leden zijn den middelbaren leeftijd reeds te boven; maar in den tijd van den prins-regent stonden die oude snaken, die toen tot de grootste dandy’s van het gansche rijk behoorden, reeds aan hetzelfde venster). Toen majoor Pendennis zoo door dat groote venster naar buiten keek, zag hij juist zijn neef Arthur met diens vriend, jonkheer Popjoy, voorbijwandelen.
„Kijk eens!” zeide Popjoy onder het voorbijgaan tegen Pen, „zijt ge ooit de club van Bays ten vier ure voorbijgegaan, zonder die verzameling van oude pruiken daar te zien? Het is bepaald een museum. Zij moesten in was afgebeeld en in het wassenbeeldenkabinet van madame Tussaud ten toon gesteld worden.”
„In eene afzonderlijke „kamer der gruwelen””, zeide Pen lachende.
„In eene kamer der gruwelen! Heel aardig, drommels aardig!” riep Pop uit. „De meesten zijn oude schelmen, dat is buiten tegenspraak. Daar hebt ge den ouden Blondel; daar hebt ge mijn oom Colchicum, den verfoeilijksten ouden zondaar in Europa; daar hebt ge – hola! daar tikt iemand aan het venster en knikt tegen ons.”
„Dat is mijn oom de majoor,” zeide Pen. „Is dat ook een oude zondaar?”
„Een erkende ouwe zondaar,” zeide Pop, het hoofd schuddende. „Hij wenkt u; hij wil u spreken.”
„Ga mee binnen,” zeide Pen.
„Neen, dat kan ik niet,” gaf de ander ten antwoord. „Ik heb twee jaar geleden onaangenaamheden met oom Col gehad over mademoiselle Frangipane,” en met die woorden nam de jonge zondaar afscheid van Pen en van de club der bejaarde misdadigers en drentelde die van Blacquière binnen, eene societeit in de nabijheid, die de verzamelplaats van snoodaards van zijn eigen leeftijd was.
Colchicum, Blondel en de oudste fatten hadden juist staan spreken over de familie Clavering, wier komst te Londen het onderwerp van het morgengesprek van majoor Pendennis met zijn knecht had uitgemaakt. Mijnheer Blondel’s huis stond naast dat van Sir Francis Clavering op Grosvenor Place. Daar hij zelf zeer goede diners gaf, had eenige beweging in de keukens van zijn buurman zijne aandacht getrokken. Sir Francis bezat werkelijk een nieuwen kok, die meer dan eens bij mijnheer Blondel was overgekomen om diens diners te regelen; want daar die heer slechts ééne vaste vrouwelijke artiste bezat, die echter buitengewoon knap was, gebruikte hij, wanneer hij groote feestmalen gaf, die koks van naam uit de buurt, die dan juist vrij waren. „Zij maken, naar ik hoor, verduiveld groote uitgaven en ontvangen verduiveld slecht gezelschap,” zeide mijnheer Blondel „zij loopen waarachtig de straten af, om menschen te zoeken, die bij hen willen dineeren. Champignon zegt dat zijn hart er van breekt, dat hij voor hun gezelschap diners moet klaarmaken. Het is schande, dat zulk volk geld heeft!” riep mijnheer Blondel wiens grootvader met veel lof leeren broeken had gemaakt, terwijl zijn vader geld had geleend aan de prinsen.
„Ik wenschte maar, dat ik zelf de weduwe ontmoet had,” zuchtte Lord Colchicum, „en dat die verwenschte jicht mij niet te Livorno had terug gehouden. Ik zou het mensch zelf getrouwd hebben. Ik heb gehoord, dat zij zesmaal honderd duizend pond in de drie percents bezit.”
„Zóóveel niet,” zeide majoor Pendennis. „Ik heb hare familie in Indië gekend; haar vader was een oude, schatrijke indigo-planter. Ik weet alles van haar. Clavering’s landerijen liggen naast de onze. Ha, daar gaat mijn neef met–” „Met den mijnen, dien vervloekten jongen rekel!” zeide Lord Colchicum, onder de zware wenkbrauwen naar Popjoy glurende, en verliet het venster toen majoor Pendennis er op begon te tikken.
De majoor was bijzonder opgeruimd. De zon scheen helder en de lucht was frisch en versterkend. Hij had besloten dien dag een bezoek bij Lady Clavering te gaan afleggen, en het viel hem in, dat Arthur een goede tochtgenoot op de wandeling door het Groene Park naar het huis van mylady zou wezen. De jonge heer wilde dien tocht gaarne met zijn voornamen oom doen, die hem op den korten weg door St. James’ Street een dozijn groote mannen aanwees, en groeten ontving van een hertog toen zij over de straat staken, van een bisschop te paard en van een minister met eene paraplu onder den arm. De hertog reikte den ouden Pendennis een vinger van een met pijpaarde witgemaakten handschoen, welken de majoor met den grootsten eerbied aanraakte; en het bloed tintelde in al de aderen van Pen, toen hij zich dus als het ware in aanraking bevond met dien beroemden man (want Pen had des majoors linkerarm vast, terwijl de andere vleugel van dien heer de rechterhand van zijne genade vasthield), zoodat Pen wel gewenscht had, dat de gansche Grauwebroeders-school, de gansche universiteit van Oxbridge, gansch Paternoster Row en de Temple, met Laura en zijne moeder van Fairoaks, langs beide zijden van de straat geschaard hadden gestaan, om de ontmoeting van hem en zijn oom met den beroemdsten hertog der christenheid te aanschouwen.
„Dag, Pendennis, – mooi weer,” waren de merkwaardige woorden, die zijne genade sprak, en met een knik van zijn doorluchtig hoofd ging hij weer door – met een blauwen rok, eene vlekkelooze witte broek, en eene witte stropdas met een blinkenden gesp van achteren.
De oude Pendennis, wiens gelijkenis met zijne genade wij reeds vermeld hebben, begon hem, nadat zij van elkander waren gegaan, onwillekeurig na te bootsen, door, naar het voorbeeld van den grooten man, in zeer korte volzinnen te spreken, ieder onzer heeft ongetwijfeld meer dan één officier ontmoet, die aldus de manieren van zekeren grooten veldheer dezer eeuw navolgde, en misschien zijn natuurlijken aard en aanleg veranderd heeft, omdat het lot hem met een haviksneus had begiftigd. Hebben wij niet gelijkerwijze menig ander zich zien verhoovaardigen, omdat hij een hoog voorhoofd had en eenigszins op den heer Canning geleek? Hebben wij niet menig ander het levenspad zien bewandelen, opgeblazen van zelf behagen op grond eener gewaande gelijkenis met den grooten en vereerden George IV (wij zeggen „gewaand”, omdat het onmogelijk is, dat iemand inderdaad op dien schoonsten en volmaaktsten der mannen zou geleken hebben)? Anderen droegen omslagen boordjes, omdat zij meenden dat zij er dan uitzagen als Lord Byron. En heeft het graf zich niet pas onlangs boven den armen Tom Bickerstaff gesloten, die, met even weinig verbeeldingskracht als mijnheer Joseph Hume, zich, als hij in den spiegel zag, verbeeldde dat hij op Shakespeare geleek? zijn voorhoofd schoor om nog meer op dien onsterfelijken dichter te gelijken, onophoudelijk treurspelen schreef, en stapelgek stierf, als een slachtoffer van zijn voorhoofd? Deze en dergelijke grillen der ijdelheid moeten de meesten, die in de wereld verkeerd hebben, met eigen oogen hebben gezien. De snaaksche Pen lachte in zijn vuistje over de wijze, waarop zijn oom den grooten man begon na te bootsen, dien zij zoo even verlaten hadden; maar mijnheer Pen was in zijne soort even ijdel als de oude heer en stapte dus zelf met eene tamelijk hooge borst naast den majoor voort.
„Ja, beste jongen,” zeide de oude jonkman terwijl zij het Groene Park doorgingen, waar zich een aantal arme kinderen met groote pret vermaakten en loopjongens kruis of munt speelden, en zwarte schapen in den zonneschijn liepen te grazen, en een acteur op eene bank zijne rol zat te leeren, en kindermeiden met de aan hare zorgen toevertrouwde kleinen heen en weer drentelden, en verscheidene paartjes op hun gemak wandelden; „ja, geloof mij, beste jongen, dat er voor iemand, die arm is, niets boven het bezit van voorname vrienden gaat. Wie denkt ge wel, dat die heeren waren, waarmee ge mij aan het venster bij Bays zaagt staan? Twee daarvan waren pairs des rijks. Hobananob wordt pair, zoodra zijn oudoom, die nu reeds zijne derde beroerte heeft, sterft; en onder de andere vier is er niet één, die minder dan zeven duizend pond ’s jaars heeft. Hebt gij dien donkerblauwen brougham, met dat ontzaglijk groote paard, aan de deur der club zien staan? Gij zult dien wel eens meer zien. Die brougham behoort aan Sir Hugh Trumpington; men heeft hem nog nooit zien loopen; nooit ziet men hem op straat te voet, nooit. Zelfs als hij twee deuren ver gaat om zijne moeder, de oude douairière, te bezoeken (waar ik u stellig zal introduceeren, want zij ontvangt van het beste gezelschap te Londen), wel, mijnheer, dan stijgt hij aan No. 23 te paard en klimt aan No. 25 A weer af. Hij zit nu op de bovenzaal in de club van Bays met graaf Punter piket te spelen; hij is op één na de beste speler in Engeland, en dit is natuurlijk, want elken dag zijns levens, uitgezonderd des Zondags (daar Sir Hugh een buitengewoon godsdienstig man is), speelt hij van ’s middags half vier tot half acht en gaat zich dan kleeden voor het diner.”
„Eene zeer godsdienstige manier om zijn tijd door te brengen,” zeide Pen lachende en niet vreemd aan het denkbeeld dat zijn oom begon te bazelen.
„Voor den drommel, mijnheer, dat is de questie niet! Een man van zijne positie in de maatschappij mag zijn tijd doorbrengen zooals hij verkiest. Als gij baronet zijt en lid van het parlement, met tien duizend bunders van het beste land in Cheshire en zulk een landgoed als Trumpington (ofschoon hij er nooit heengaat), dan kunt gij óók doen wat gij goedvindt.”
„En dat was dus zijn brougham, oom?” vroeg neef bijna spottend.
„Zijn brougham – o ja, ja – dat brengt mij weer op mijn onderwerp – revenons à nos moutons. Ja, voor den drommel, revenons à nos moutons. Welnu, als ik het verkies, is die brougham tusschen vier en zeven ure tot mijne beschikking, zoo goed alsof ik ze bijv. van Tilbury voor dertig pond ’s maands gehuurd had. Sir Hugh is de beste kerel ter wereld, en indien het niet zulk mooi weer was, zoudt gij op het oogenblik met mij in dien brougham op weg naar Grosvenor Place zijn geweest. Dat voordeel heeft men er bij, als men met rijke lui omgaat: – ik dineer voor niets, Arthur; – voor niets ga ik naar buiten en krijg ik paarden. Anderen houden jachthonden en boschwachters voor mij. Sic vos non vobis, gelijk wij bij de Grauwebroeders zeiden, niet waar? Ik ben het eens met mijn ouden vriend Leech, van het 44ste regiment, een verduiveld goede maar slimme kerel, gelijk de meeste Schotten. Leech zeide altijd, dat hij arm was, om er arme kennissen op te kunnen nahouden.”
„Gij handelt niet naar uwe beginselen, oom,” zeide Pen goedhartig.
„Niet naar mijne beginselen, mijnheer? Hoe meent ge dat?” vroeg de majoor min of meer geraakt.
„Gij hadt mij in St. James’ Street zeker niet moeten kennen, oom,” zeide Pen, „indien gij in de practijk niet toegeeflijker waart dan in de theorie. Gij, die met hertogen en de grootsten des lands omgaat, zoudt dan van een armen drommel als ik ben geen notitie genomen hebben.” Uit deze kleine reden kunnen wij zien, dat mijnheer Pen vorderingen maakte in de wereld en evengoed kon vleien als in zijn vuistje lachen.
Majoor Pendennis was dadelijk tevreden en zeer in zijn schik. Na zijn neef hartelijk op den arm geklopt te hebben, waarop hij leunde, zeide hij: „Gij, neef, zijt van mijn eigen vleesch en bloed. Wat drommel! ik ben zeer trotsch op u en houd veel van u, als ge maar zulke verwenschte dwaasheden en buitensporigheden niet begaan hadt. Ik hoop, dat gij uitgeraasd hebt, dat hoop ik van harte. Ik zou een man van u willen maken, Arthur; ik zou u eene plaats in de wereld willen zien innemen, die aan uw naam en den mijnen past. Gij hebt nu eenige reputatie verworven met uwe letterkundige talenten, die ik verre ben van gering te achten, ofschoon, voor den drommel, poëzie en genie en al dat soort van dingen in mijn jongen tijd verduiveld gemeen waren. Daar hadt ge, bij voorbeeld, den armen Byron, die er zich door ruïneerde en door zijn omgang met dichters en dagbladschrijvers en lui van dat slag de slechtste gewoonten aannam. Maar de tijden zijn nu veranderd – de letterkunde is in de mode – knappe kerels worden in de beste huizen der stad toegelaten. Tempora mutantur, mijnheer; en ik geef toe, dat „al wat is, is goed,” zooals Shakespeare zegt.”
Pen achtte het niet noodig zijn oom in te lichten welke auteur het eigenlijk was, die deze merkwaardige uitdrukking gebezigd had, en het paar, dat nu juist het Groene Park verliet, sloeg den weg naar Grosvenor Place in en naar het huis, door Sir Francis en Lady Clavering bewoond.
De luiken der eetzaal van dit fraaie verblijf waren opnieuw verguld; de klopper blonk als goud op de pas geschilderde deur; het balkon voor de gezelschapszaal was een hangende tuin van de schoonste gewassen, prijkende met witte, paarsche en roode bloemen; de vensters van de bovenkamer (ongetwijfeld het heiligdom en de kleedkamer van mylady) en zelfs een aardig klein venstertje op de derde verdieping, dat de scherpziende mijnheer Pen onderstelde te behooren tot de maagdelijke slaapkamer van jufvrouw Blanche Amory, waren op dezelfde wijze met bloemen versierd, en het geheele huis leverde uitwendig het schitterendste voorkomen op, dat nieuwe verf, blinkend spiegelglas, pas schoongemaakte steen en vlekkelooze kalk er aan kunnen verschaffen.
„Wat moet Strong zich verheugd hebben toen hij al die pracht in het leven riep,” dacht Pen, want hij herkende het genie van den chevalier in den luister, die hem hier tegenblonk.
„Lady Clavering gaat uit rijden,” zeide de majoor. „Wij zullen dus onze bordpapiertjes maar afgeven, Arthur.” Hij gebruikte het woord „bordpapiertjes,” dat hij van eenige vernuftige adellijke jongelui gehoord had, als eene moderne uitdrukking, die voor Pen’s jeugdige jaren geschikt was. Inderdaad kwam er een wagen voor, juist toen de beide heeren de deur bereikten, een prachtig geel rijtuig, van binnen met brocaat of satijn van teedere roomkleur bekleed, en getrokken door schoone schimmels met bonte linten en een tuig, dat overal met de helmteekens der familie prijkte. Niet minder dan drie van die heraldieke zinnebeelden pronkten boven de wapens op de portieren, die uit een ongeloofelijk aantal kwartieren bestonden, ten bewijze van de oudheid en den luister der huizen Clavering en Snell. Op het prachtige kleed van den bok (waarop dezelfde wapens in koper herhaald waren) zat een koetsier met eene eng sluitende witte pruik en hield de steigerende schimmels in bedwang; het was nog een jonkman, maar met een plechtig gelaat, een gegaloneerd vest en gespen op de schoenen, – kleine gespen, geheel anders dan die, welke John en James, de lakeien, dragen, en die wij weten, dat groot zijn en zich sierlijk over den voet uitspreiden.
Een der vleugels van de voordeur was open en John, een der zwaarsten van zijn ras, stond tegen den deurpijler te leunen met poeier in zijn geurig haar en met gekruiste beenen, met keurige zijden kousen en met een stok in de hand, goudgeknopt, dolichoskion. James was onzichtbaar, maar toch in den omtrek, want hij stond met den „gentleman” buiten livrei in de vestibule te wachten en hield zich gereed eene rol kleed uit te werpen, waarover mylady naar haar rijtuig zou treden.
Het vermelden van al deze mannen en voorwerpen, die het geoefende oog met één blik opmerkt, kost tijd, zoodat de majoor en Pen nauwelijks de straat waren overgestoken, toen de tweede vleugel der deur reeds werd opengeworpen; het paardenharen kleed rolde van de treden der stoep naar die van het rijtuig; John opende het aan de eene zijde en James aan de andere, en twee dames naar de allerlaatste mode gekleed, gevolgd door eene derde, die een jankend schoothondje aan een blauw lintje droeg, kwamen naar buiten, om in het rijtuig te stijgen.
Jufvrouw Amory was de eerste, die er in moest gaan, hetgeen zij met de vlugheid eener fee deed, waarop zij de plaats innam, die haar het best behaagde. Toen volgde Lady Clavering, maar zij was van meerder leeftijd en zwaarder van voet, zoodat een verrukt bewonderaar van vrouwelijk schoon, indien hij juist op het oogenblik van deze indrukwekkende plechtigheid daar ware voorbijgekomen, een dier voeten, in een groen satijnen laarsje gevat, benevens een gedeelte van eene kous, die zeer fijn was, – wat er dan ook ware van den enkel, die er door omsloten werd. – had kunnen zien zwaaien op de trede van het portier, toen zij op den arm van den onwrikbaren James leunde.
De Pendennis’en senior en junior aanschouwden die bekoorlijkheden toen zij aan de deur kwamen, waarbij de majoor ernstig en hoffelijk keek en Pen een weinig verlegen werd op het zien van het rijtuig en de dames, want hij dacht aan ettelijke kleine gebeurtenissen te Clavering, die zijn hart sneller deden kloppen.
Op dat oogenblik kreeg Lady Clavering, omziende, het paar in het oog; zij stond op de eerste trede en zou een oogenblik later in het rijtuig gezeten hebben; maar zij maakte eene beweging, die wat poeier uit het haar van den geparfumeerden James deed vliegen, en riep uit: „Heere, daar is Arthur Pendennis met den ouden majoor!” Dadelijk sprong de goedhartige vrouw weer op terra firma, stak twee vette handen uit, die in nauwe, oranjekleurige handschoenen geperst waren, en heette den majoor en zijn neef hartelijk welkom.
„Komt binnen allebei! Waarom zijt gij niet vroeger gekomen? Kom er uit, Blanche, en verwelkom uwe oude vrienden. Ik ben zóó blij, dat ik u zie! Wij hebben u ik weet niet hoe lang al gewacht. Komt binnen, het ontbijt is nog niet weggeruimd,” ging de gastvrije dame voort, terwijl zij Pen’s handen in beide de hare drukte (zij had die van den majoor na eene korte kneep van herkenning weer losgelaten), en daarop steeg Blanche, na de oogen omhoog naar de schoorsteenen te hebben geslagen, met een bedeesd, blozend en smeekend gezichtje ook uit het rijtuig en reikte haar kleine handje aan majoor Pendennis.
De gezelschapsjufvrouw, met het schoothondje, keek besluiteloos rond, alsof zij overlegde of zij Fido toch zijn luchtje niet moest laten scheppen; maar ook zij maakte rechtsomkeert en trad na Lady Clavering, hare dochter en de beide heeren binnen. Het rijtuig met de steigerende schimmels bleef dus niemand anders dan den koetsier met de witte pruik dragen.
ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN DE SYLPHIDE WEER TE VOORSCHIJN KOMT.
Aanzienlijker lui dan Morgan de kamerdienaar waren niet zoo goed als die heer onderricht omtrent het bedrag van Lady Clavering’s rijkdom; en toen mylady in de hoofdstad aankwam, ging de roep van haar uit, dat zij een onmetelijk fortuin bezat. Als de bronnen van hare schatten noemde men indigo-fabrieken, opium-schepen, banken, die van roepijen overstroomden, diamanten en juweelen van indische vorsten en ontzaglijke interesten, welke deze betaalden voor geld, dat zij zelven, of hunne voorgangers, bij Lady Clavering’s vader hadden opgenomen. Hare rekening bij haar Londenschen bankier kende men tot op een stuiver, en die som bevatte zooveel nullen, dat zij den verbaasden toehoorder evenveel O’s van bewondering deed slaken. Het was eene bekende zaak, dat een afgevaardigde van een Indisch vorst, zekere kolonel Altamont, eerste gunsteling van den nabob van Lucknow, een zeer buitengewoon man, die, naar men zeide, het Mohammedaansche geloof omhelsd en duizenden hachelijke en gevaarlijke avonturen beleefd had, zich op het oogenblik in het land bevond, om met de begum (Indische vorstin) Clavering te onderhandelen over den verkoop van den vermaarden diamant uit den neusring van den nabob, „het licht van den Dewan.”
Onder den titel van „begum” begon reeds de faam van Lady Clavering in Londen zich te verspreiden, eer zij zelve nog in de hoofdstad was gekomen: en gelijk Delolme en Blackstone en alle andere lofredenaars van de Britsche Constitutie het ten hoogste prijzen, dat wij verdiensten van allerlei aard onder onze aristocratie opnemen en de laagstgeboren man, als hij het maar verdient, met het pairsgewaad kan bekleed worden en naast een Cavendish of een Stanley zitting nemen: zoo kunnen onze voorname kringen er zich op verhoovaardigen, dat, hoe trotsch zij zijn, hoe jaloersch op hunne voorrechten, hoe nauwlettend op degenen, die zij opnemen, echter alle slagboomen dadelijk vallen, als een mensch slechts rijk genoeg is, en dat hij of zij verwelkomd wordt gelijk de rijkdom dat verdient. Deze omstandigheid stelt onze Britsche onafhankelijkheid en de eerlijkheid van ons hart in het licht; onze hoogere standen zijn niet zulke trotsche aristocraten als de domkoppen beweren; integendeel, als iemand maar geld genoeg heeft, zullen zij hem de hand toesteken, zijne diners komen eten, op zijne bals dansen, zijne dochters trouwen of hunne eigene lieftallige meisjes aan zijne zoons ten huwelijk geven, en wel met evenveel voorkomendheid als de geringste roturier dat zou doen.
Evenals onze vriend, de chevalier Strong, het bestuur had gevoerd over de inrichting van het landelijk verblijf stond hij aan de voorname Londensche behangers, die het huis in de stad voor de ontvangst der familie Clavering gereedmaakten, met zijn raad en zijn smaak ten dienste. Bij de opsiering van dit elegante verblijf was de brave Strong even verheugd alsof hij er zelf de eigenaar van geweest ware. Hij hing de schilderijen op en liet ze weer verhangen, hij maakte eene studie van de plaatsing der canapé’s, hij had bijeenkomsten met de kooplieden en leveranciers, die het benoodigde voor de nieuwe huishouding moesten verschaffen; en te gelijk nam de zaakwaarnemer en vertrouwde vriend van den baronet deze gelegenheid waar, om zijne eigene kamers behoorlijk in te richten en zijn eigen keldertje te voorzien; zijne vrienden maakten hem hun compliment over het nette voorkomen zijner vertrekken, en de uitverkoren gasten, die eene côtelet bij Strong kwamen eten, vonden ook eene flesch uitmuntenden wijn om het maal te kruiden. De chevalier was thans goed af, gelijk hij het noemde, en had zeer pleizierige kamers in Shepherd’s Inn. Hij werd bediend door een voormalig soldaat van het Spaansche legioen, een zijner krijgsmakkers, dien hij in de bres van een Spaansch fort achtergelaten en in een dwarsstraatje in Tottenhamcourt Road teruggevonden had, en dien hij had verheven tot den rang van lijfknecht voor hem zelven en voor den kameraad, die op dit oogenblik zijne kamers met hem deelde. Die kameraad was niemand anders dan de gunsteling van den nabob van Lucknow, de manhaftige kolonel Altamont.
Niemand was minder nieuwsgierig, of, zoo men wil, meer bescheiden dan Ned Strong, zoodat hij den eigenlijken aard der geheimzinnige betrekkingen, die zeer spoedig na hunne eerste ontmoeting te Baymouth tusschen Sir Francis Clavering en den afgevaardigde van den nabob ontstonden, niet trachtte uit te vorschen. De kolonel kende blijkbaar een geheim, dat den baronet in zekere mate in zijne macht leverde; en Strong, die wist dat zijn patroon vroeger een vrij ongeregeld leven had geleid en dat zijne loopbaan bij zijn regiment in Indië niet heel eervol was geweest, onderstelde, dat de kolonel, die zwoer dat hij Clavering te Calcutta zeer goed gekend had, een zeker gezag op Sir Francis kon uitoefenen, waaraan deze genoodzaakt was zich te onderwerpen. Strong had dan ook reeds lang ontdekt, dat Sir Francis Clavering besluiteloos, zonder beginselen en zwak van verstand, kortom naar lichaam en ziel een onbeduidend mensch en een lafaard was.
Zijne excellentie had na de ontmoeting te Baymouth een paar malen een onderhoud met den armen Clavering gehad; de baronet deelde den aard dier gesprekken aan Strong niet mede, hoewel hij door middel van dezen heer, die zijn gevolmachtigde in allerhande zaken was, brieven aan Altamont deed toekomen. Bij een van die gelegenheden moet de afgevaardigde van den nabob echter in een zeer slecht humeur geweest zijn, want hij frommelde Clavering’s brief in de handen samen en riep op zijne eigenaardige manier en met nadruk uit:
„Honderd pond! laat hem naar den drommel loopen! Ik wil geen brieven meer hebben en geen gekheden meer aanhooren. Zeg Clavering dat ik duizend moet hebben, of dat ik, bij den hemel! spreken en hem vernietigen zal. Als hij mij duizend pond wil geven, ga ik naar buitensland en verpand mijn woord van eer, dat ik hem een jaar lang niet meer lastig zal vallen. Breng hem die boodschap van mijnentwege over, Strong, beste jongen; en zeg hem, dat, indien het geld aanstaanden Vrijdag ten twaalf ure niet hier is, zoo waar als ik heet gelijk ik heet, een bericht in de dagbladen van Zaterdag zal plaatsen en de volgende week den ganschen boel in de lucht zal laten vliegen!”
Strong bracht die woorden aan zijn principaal over, op wien zij zulk een indruk maakten, dat de chevalier op den dag en het uur, die bepaald waren, met de geëischte som in Altamonts hotel te Baymouth verscheen. Altamont zeide, dat hij een gentleman was, en gedroeg zich ook als zoodanig; hij betaalde zijne rekening in het logement, en het dagblad van Baymouth vermeldde, dat hij naar het buitenland vertrokken was. Strong was er bij, toen hij zich te Dover inscheepte. „Het moet voor het minst eene valsche handteekening zijn, waardoor Clavering zich in de macht van dien kerel gegeven heeft,” dacht hij, „en die wissel zal in het bezit van Altamont zijn.”
Eer het jaar echter verloopen was, had ons land het geluk den kolonel weer op zijne stranden te zien aankomen. Een verwenscht ongeluk op het rouge te Baden-Baden, zeide hij, had hem den hals gebroken; geen gentleman kon het uithouden tegen eene kleur, die veertienmaal achtereen bovenkwam. Hij was genoodzaakt geweest op Sir Francis Clavering te trekken, om naar het vaderland te kunnen terugkeeren; en ofschoon Clavering zelf aan geld gebrek leed (want hij moest uitgaven voor zijne verkiezing tot lid van het parlement doen, hij had zijne buitenplaats moeten inrichten en hij was bezig zijne Londensche woning te meubileeren), wist hij toch middel te vinden om kolonel Altamont’s wissel te accepteeren, hoewel tegen wil en dank, want Strong hoorde Sir Francis, onder vele vloeken, den wensch uiten, dat de kolonel in Duitschland voor zijn leven gevangen ware gezet, en dat hij op die wijze voorgoed van hem bevrijd ware geworden.
Sir Francis was genoodzaakt deze gelden voor den kolonel buiten weten van zijne vrouw op te nemen; want ofschoon de goede dame in hare uitgaven zeer mild en zelfs overdadig te werk ging, had zij te gelijk met het groote fortuin van haar vader Snell veel aanleg voor de behandeling van geldzaken van hem geërfd, en legde zij haar man wel eene ruime som toe, maar niet meer dan zij oordeelde dat voor een heer van zijn stand noodig was. Nu en dan gaf zij hem nog iets extra of betaalde eene openstaande speelschuld; maar zij vorderde altijd eene vrij nauwkeurige opgaaf van de onderwerpen, waarvoor die gelden bestemd waren: en wat de subsidiën aan den kolonel betrof, verklaarde Clavering ronduit aan Strong, dat hij zijne vrouw daarover niet kon spreken.
Het verschaffen van deze en andere gelden aan zijn patroon was een gedeelte van mijnheer Strong’s levenstaak; en op de kamers van den chevalier in Shepherd’s Inn hadden talrijke onderhandelingen tusschen heeren van de geldmarkt en Sir Francis Clavering plaats en werden vele banknoten van aanzienlijk bedrag en reepen gezegeld papier over en weer gewisseld. Het schijnt, dat, als iemand sedert zijne jeugd de gewoonte heeft gehad zich in schulden te steken en zijne promessen, om over een jaar te betalen, te verruilen tegen dadelijke geldsommen, een goed geluk hem van duurzaam nut kan zijn; zeer korten tijd na dat tijdperk van voorspoed is de geldschieter weer in huis en komen de wissels met de oude onderteekening weer op de markt. Clavering vond het raadzamer die heeren in Strong’s woning dan in zijn eigen huis te ontvangen; en de chevalier droeg den baronet zulk eene vriendschap toe, dat men, ofschoon hij geen duit bezat, zijn naam als trekker op de meeste wissels kon zien, die Sir Francis Clavering accepteerde. Nadat zij van die acceptatie voorzien waren, ging Strong ze in de City disconteeren. Zoodra de vervaldag naderde, ging hij met de houders der wissels onderhandelen en betaalde hun iets op rekening, of kreeg uitstel tegen nieuwe acceptatiën. De menschen moeten leven, hoe het ook ga, op regelmatige of onregelmatige wijze; en gelijk wij uit den Hongaarschen opstand van 1849 weten, dat het garnizoen van Komorn onbekommerd en vroolijk was, tooneelstukken opvoerde, op de bals danste en kalm de rations opat, ofschoon zij met eene bestorming van de Oostenrijkers en, indien deze de overwinning behaalden, met de galg bedreigd werd, – zoo leven er honderden onversaagde lui te Londen, die levenslustig rondwandelen, elken dag tamelijk vroolijk en overvloedig dineeren, des nachts rustig slapen, en toch altijd een deurwaarder meer of minder dicht in de nabijheid en een strop van schulden om den hals hebben, – kleine beproevingen, welke Ned Strong, de oud-soldaat, zeer kalm doorstond.
Maar wij zullen nog wel nader gelegenheid hebben, met deze en andere belangwekkende bewoners van Shepherd’s Inn kennis te maken, en ondertusschen laten wij Lady Clavering met hare vrienden veel te lang op de stoep in Grosvenor Place wachten.
Het allereerst kwamen zij in de prachtige eetzaal, die op middeleeuwschen stijl was ingericht, ofschoon Lady Clavering, al had het haar leven gegolden, niet had kunnen zeggen waarom dat was geschied, „tenzij,” merkte de eenvoudige vrouw lachend aan, „omdat Clavering en ik menschen van middelbaren leeftijd zijn,” – en thans werd den bezoekers het rijkelijke overschot van het ontbijt aangeboden, waarvan Lady Clavering en Blanche zoo even gebruik hadden gemaakt. Wanneer er niemand bij was, wist onze kleine sylphide, die aan het diner nauwelijks meer dan zes rijstkorreltjes at, gelijk Amina, de vriendin der Ghouls in de Arabische Nachtvertellingen, een geducht gebruik van mes en vork te maken en at zij eene belangrijke hoeveelheid lamscôteletten, in welk soort van huichelarij zij, naar men gelooft, op andere voorname jonge dames geleek. Pen en zijn oom bedankten voor het onthaal, doch betuigden met de noodige complimenten hunne bewondering over den stijl der eetzaal, dien zij „zeer zuiver” noemden, hetgeen de vereischte uitdrukking was. Er stonden Hollandsche stoelen met hooge ruggen uit de zeventiende eeuw; er was een gebeeldhouwd buffet uit de zestiende; een kastje, samengesteld uit de gesneden beschotten eener kerk in de Nederlanden, en eene groote koperen kerkkroon boven de ronde eikenhouten tafel; men zag er oude familieportretten, gekocht bij de kunstkoopers in Wardour Street, en tapijtbehangsels uit Frankrijk, stukken van wapenrustingen, slagzwaarden en strijdbijlen van carton-pierre, spiegels, heiligenbeeldjes en Saksisch porselein, – in één woord, niets kon zuiverder zijn. Achter de eetzaal lag het boekvertrek, voorzien van borstbeelden en boeken, alle van één formaat, en heerlijke armstoelen en statige bronzen groepen in den streng klassieken stijl. Hier, achter dubbele deuren, kwam Sir Francis na het diner eene sigaar rooken, Bell’s Life in London lezen en een slaapje doen, als hij niet in zijne clubs bij het biljart stond te rooken, of in de speelhuizen in St. James op rouge en noir zette.
Maar wat kon den zuiveren smaak der gezelschapszalen evenaren? De tapijten waren zoo dik en donzig, dat uwe voetstappen daarop even weinig gedruis maakten als uwe schaduw; op den witten grond prijkten rozen en tulpen zoo groot als beddepannen, in het rond stonden hooge stoelen, stoelen met gedraaide pooten, stoelen zoo tenger, dat zeker niemand anders dan eene sylphide er op zitten kon, ingelegde tafels met zeldzame nesterijen, porseleinen sieraden uit alle tijden en landen, bronzen beeldjes, vergulde dolken, prachtjaarboekjes, yatagans, Turksche pijpen en doozen Parijsche bonbons. Waar men ook ging zitten, had men herders en herderinnen van Saksisch porselein bij en naast zich; voorts waren er lichtblauwe poedels en eenden en hanen en hennen van porselein; er waren nimfen van Boucher en herderinnen van Greuze, alles inderdaad zeer kuisch; nog zag men er mousselinen gordijnen en brocade gordijnen, vergulde kooien met papegaaien en andere buitenlandsche vogels, twee gillende kakketoes, waarvan de eene de andere trachtte te overschreeuwen en te oversnateren; eene klok, die deuntjes speelde, op eene console, en eene andere op den schoorsteenmantel, die galmende slagen gaf als een torenuurwerk; er was in één woord alles aanwezig, wat de weelde begeeren en de sierlijkste smaak verzinnen kon. Eene Londensche gezelschapszaal, die ingericht is zonder naar kosten te vragen, is ontegenzeglijk eene der verrukkelijkste en merkwaardigste vertooningen van den tegenwoordigen tijd. De Romeinen uit den laatsten tijd van het Romeinsche Rijk, de lieve markiezinnen en gravinnen uit de dagen van Lodewijk XV, kunnen ternauwernood een gekuischter smaak bezeten hebben dan onze tijdgenooten aan den dag leggen; en ieder, die de receptiezalen van Lady Clavering zag, was verplicht te erkennen, dat zij allerelegantst waren, en dat de fraaiste zalen van Londen, die van Lady Harley Quin, die van Lady Hanway, of die van mevrouw Hodge Podgson, de vrouw van den grooten spoorwegkoning, met geen uitstekender „zuiverheid van smaak” waren ingericht.
De arme Lady Clavering had echter weinig verstand van zulke zaken en laboreerde aan een bedroevend gebrek aan eerbied voor de pracht, die haar omringde. „Ik weet alleen, dat het ontzettend veel geld kost, majoor,” voegde zij haar gast toe, „en dat ik niemand raden zou op die teere vergulde stoelen te gaan zitten; één brak er onder mij, den avond toen wij ons tweede diner gaven. Waarom zijt gij ons niet vroeger komen opzoeken? Wij zouden u ook gevraagd hebben.”
„Gij hadt mama zeker gaarne dien stoel willen zien breken, mijnheer Pendennis?” zeide Blanche op spottenden toon, want zij was boos dat Pen met mama praatte en lachte, en omdat mama een aantal verkeerde woorden had gebezigd toen zij haar huis beschreef – en om nog honderd andere zeer geldige redenen.
„Ik had er bij willen zijn, om Lady Clavering den arm te bieden, als zij hem noodig had gehad,” antwoordde Pen met eene buiging en een blos.
„Quel preux chevalier!” riep de sylphide uit en wierp haar hoofdje in den nek.
„Herinner u, dat ik medelijden moet hebben met iedereen die valt;” hernam Pen; „ik heb eenmaal zelf dat ongeluk ondervonden.”
„Maar gij keerdet naar kuis terug, om u door Laura te laten troosten,” zeide jufvrouw Amory. Pen schrikte. Hij hoorde zich niet gaarne herinneren aan den troost, dien Laura hem had toegediend, en het deed hem zeer weinig genoegen, dat de afwijzing, die hij van haar ondergaan had, aan de wereld bekend was. Daar hij dus niets wist te antwoorden, begon hij eene verbazende belangstelling in de meubels, die hem omringden, aan den dag te leggen, en den smaak van Lady Clavering ten hoogste te prijzen.
„Prijs mij niet,” gaf de eerlijke Lady Clavering ten antwoord; „het is alles het werk van den behanger en van Strong; zij deden het, terwijl wij nog op het park waren – en – en – Lady Rockminster is hier geweest en heeft gezegd, dat de salons er zeer goed uitzagen,” zeide Lady Clavering, met een gelaat en op een toon, die van grooten eerbied getuigden.
„Mijne nicht Laura logeert thans bij haar,” zeide Pen.
„Ik bedoel de douairière niet, maar de jonge Lady Rockminster.”
„Zoo?” riep majoor Pendennis uit, toen hij dien naam uit de groote wereld hoorde. „Als mylady het goedgekeurd heeft, Lady Clavering, dan kan er niet veel aan ontbreken. Lady Rockminster is, als het ware, het middelpunt van den kring der lieden van aanzien en smaak, Arthur. En de zalen zijn inderdaad zeer fraai!” en toen de majoor dit van de groote dame zeide, sprak hij op fluisterenden toon; en met een eerbied en een ontzag, alsof hij zich in de kerk bevond, liet hij zijn oog door de vertrekken gaan.
„Ja, Lady Rockminster is het eindelijk, die ons onder den arm heeft genomen,” zeide Lady Clavering.
„Eigenlijk, mama,” riep Blanche haar met eene schelle stem toe.
„Nu, eigenlijk dan,” zeide mylady: „het is zeer vriendelijk van haar, en wij zullen er ons wel in schikken; maar het is eindelijk – och, eigenlijk – niet altijd pleizierig. Zij regelt onze bals voor ons, en wil de gasten opgeven, die voor onze diners genoodigd moeten worden. Maar dat kan ik niet toelaten; ik wil mijne oude vrienden bij mij zien, en daarom wil ik haar niet al de kaarten laten uitzenden en als een stomme aan het hoofd van mijne eigen tafel zitten. Gij moet bij ons komen eten, Arthur, en gij ook, majoor, – laat eens zien, – den 14den. Het is geen van onze groote diners, Blanche,” sprak zij en keek om naar hare dochter, die zich op de lippen beet en voor eene sylphide een heel zuur gezicht zette.
De majoor antwoordde met een lach en eene buiging, dat hij veel liever in een klein, stil gezelschap dan aan een groot diner wilde komen. Hij had genoeg van die groote partijen gehad en gaf de voorkeur aan de eenvoudigheid van den huiselijken kring.
„Ik vind altijd, dat een diner den tweeden dag het best smaakt,” vervolgde Lady Clavering in de meening dat zij hare eerste rede verbeterde. „Den 14den zullen wij een prettig gezelschapje uitmaken,” bij welken tweeden misslag jufvrouw Blanche hare handen in wanhoop ineensloeg en uitriep: „O mama, vous êtes incorrigible!” Majoor Pendennis verklaarde, dat hij dol was op prettige gezelschapjes, en verwenschte in zijn hart de onbeschaamdheid van mylady, dat zij een man als hem op het overschot van een groot diner durfde vragen. Maar hij was van zuinigen aard, en dus bedenkende, dat hij deze menschen kon laten loopen zoodra zich iets beters opdeed, nam hij de uitnoodiging met een heel kalm gezicht aan. Wat Pen betreft, deze had nog geen dertig jaren dineerens achter den rug en het denkbeeld van een fijn diner in een prachtig huis lachte hem nog altijd toe.
„Wat was dat voor eene kleine woordenwisseling tusschen u en jufvrouw Amory?” vroeg de majoor aan Pen, toen zij heengingen. „Ik dacht, dat gij vroeger met haar au mieux waart?”
„Vroeger is eene rekbare uitdrukking als het eene vrouw betreft,” gaf Pen op fatterigen toon ten antwoord, „Was en is zijn twee verschillende woorden, oom, vooral als er vrouwenharten bij betrokken zijn.”
„Och, zij veranderen evenals wij,” hernam de oude heer. „Ik herinner mij nog, dat er, toen wij de Kaap de Goede Hoop bemachtigd hadden, eene dame was, die voorgaf zich te willen vergiftigen om den wille van uw onderdanigen dienaar; en voor den drommel, binnen drie maanden liep zij van haar man weg en ging met een ander op de vlucht! Verslinger u niet aan die jufvrouw Amory. Zij is vrijmoedig, nuffig en slecht opgevoed, en hare positie is eenigszins – nu, dat doet er niet toe. Maar denk niet om haar; tien duizend pond is niet genoeg voor u. Wat is tien duizend pond, beste jongen? Men zou met de renten ternauwernood de modemaakstersrekening van dat meisje kunnen voldoen.”
„Gij schijnt een kenner van modemaaksterszaken te wezen, oom,” zeide Pen.
„Dat ben ik ook geweest, mijnheer,” antwoordde de majoor; „en een oud krijgsros kan de trompet niet hooren, of het begint te brieschen, begrijpt ge!” en te gelijk begroette hij een voorbijrijdend rijtuig, dat het Park binnenrolde, met een blik en eene buiging, die bestemd waren diepen indruk te maken, maar er wel wat ouderwetsch uitzagen.
„Het rijtuig van Lady Catherine Martingale,” zeide hij; „geweldig, mooie meisjes, die dochters, ofschoon ik mij hare moeder nog zeer goed herinner, die duizendmaal mooier was. Neen, Arthur, beste jongen, met uw voorkomen en vooruitzichten moet gij eenmaal een goeden coup in zaken van huwelijk doen; en ofschoon ik dit niet zou willen zeggen op Fairoaks, jonge guit! ha, ha! doet eene reputatie van een beetje ondeugend, ja een homme dangereux te zijn, een jonkman geen kwaad bij de vrouwen. Het bevalt haar, mijnheer – zij hebben een hekel aan een melkbaard. Jongelui moeten jongelui zijn, weet ge. Maar wat het huwelijk betreft,” ging de oude zedemeester voort, „dat is geheel wat anders! Trouw eene vrouw met geld. Ik heb u reeds vroeger gezegd, dat men even gemakkelijk eene rijke als eene arme vrouw kan krijgen; en dat het verduiveld veel pleizieriger is bij een goed toebereid diner aan te zitten, met uwe kleine entrées behoorlijk opgediend, dan niets te hebben dan een verd – koude schapebout voor u en uwe vrouw. Wij zullen den 14den een lekker diner hebben, als wij bij Sir Francis Clavering gaan; laat het daarbij blijven met die familie, mijn jongen. Houd hen aan, maar alleen om te dineeren. Wacht u verder voor jeugdige dwaasheden en dien onzin van liefde in een hutje van klei.”
„Het moet een hutje met koetshuis en stalling zijn, oom,” zeide Pen, zinspelende op het algemeen bekende liedje van den Duivelstocht; maar zijn oom kende dat gedicht niet (ofschoon het niet onmogelijk is, dat hij Pen juist tot dat reisje voorbereidde) en ging met zijne wijsgeerige opmerkingen voort, waarbij hij met de vatbaarheid van den leerling, tot wien hij ze richtte, zeer ingenomen was. Arthur Pendennis was ook inderdaad een handelbare jongen, die gereedelijk den toon van zijn buurman aannam en dit maar al te gemakkelijk vond.
De brompot Warrington gromde, dat Pen zulk een fat werd, dat hij spoedig onuitstaanbaar zou wezen. Maar eigenlijk was de voorspoed en de levenslust van den jonkman een prettig iets voor zijn ouderen makker. Deze zag Pen gaarne opgeruimd en dartel, overvloeiende van gezondheid, leven en hoop, evenals iemand, die sinds lang geen vermaak meer vindt in paillas en harlekijn, nog altijd genoegen schept in het genot, dat een kind van de pantomime heeft. Mijnheer Pen’s vroegere neerslachtigheid verdween met de komst van meerderen voorspoed, en toen de zon hem begon te beschijnen, look hij weer op.
NEGEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN KOLONEL ALTAMONT VERSCHIJNT EN VERDWIJNT.
Op den bepaalden dag ging majoor Pendennis, die geene betere uitnoodiging gekregen had, met Arthur, die geene betere verlangde, ten huize van Sir Francis Clavering dineeren. Toen Pen en zijn oom de gezelschapszaal binnentraden, vonden zij daar niemand dan Sir Francis, zijne vrouw en onzen vriend kapitein Strong, dien Arthur blij was weer te zien, terwijl de majoor hem zeer zuur aankeek, daar hij in het geheel niet gestreeld was door het vooruitzicht van aan te zitten met Clavering’s verd–n hofmeester, gelijk hij Strong zeer oneerbiedig noemde. Maar toen mijnheer Welbore, wiens landgoed naast dat van Clavering lag en die zijn medelid in het parlement was, spoedig daarop binnenkwam, werd de oude Pendennis weer wat tevreden gesteld, want, ofschoon Welbore zeer droog was en even weinig deel nam aan het gesprek bij tafel als de knecht achter zijn stoel, was hij een aanzienlijk landjonker van oude afkomst, met een inkomen van zeven duizend pond ’s jaars; en in zulk gezelschap gevoelde de majoor zich altijd op zijn gemak. Hierop volgden nog andere aanzienlijke personen: de douairière Lady Rockminster, die hare redenen had om op goeden voet met de familie Clavering te willen staan, en Lady Agnes Foker, met haar zoon Henry, onzen ouden bekende. Mijnheer Pynsent kon niet komen, daar zijne parlementaire plichten hem noodzaakten in het Lagerhuis te blijven, ofschoon de twee andere wetgevers die plichten van hun kant zeer licht telden. Jufvrouw Blanche Amory was de laatste van het gezelschap, die verscheen. Zij was in een verrukkelijk wit zijden kleedje gedost, dat hare blanke schouders op het voordeeligst deed uitkomen. Foker fluisterde aan Pen, die haar met blijkbare bewondering aanzag, de woorden in het oor, dat hij haar als een „dooddoener” beschouwde. Zij vond goed zich heden zeer beminnelijk jegens Arthur te gedragen, stak hem op de hartelijkste wijze de hand toe, sprak over het mooie Fairoaks, vroeg naar de lieve Laura en zijne moeder, zeide, dat zij er naar snakte om weer naar buiten te gaan, en was in één woord volkomen eenvoudig, minzaam en natuurlijk.
Henry Foker verbeeldde zich nog nooit zulk een beminnelijk en bekoorlijk meisje gezien te hebben. Hij was het gezelschap van dames niet gewoon en zat er meestal sprakeloos bij; maar hij bemerkte, dat hij in tegenwoordigheid van jufvrouw Amory spreken kon, en daardoor werd, hij ongehoord levendig en woordenrijk, zelfs voordat het diner opgedragen en het gezelschap naar de benedenvertrekken gegaan was. Hij zou gaarne zijn arm aan de schoone Blanche gegeven en haar de met tapijten belegde breede trap afgevoerd hebben; maar zij viel bij deze gelegenheid aan Pen ten deel, daar mijnheer Foker, ten gevolge van zijn hoogeren rang als kleinzoon van een graaf, aangewezen werd om mevrouw Welbore-Welbore te geleiden.
Maar ofschoon Foker toen zij naar beneden gingen van het voorwerp zijner wenschen gescheiden was, stond hij verrukt dat hij zich aan tafel weer aan de zijde van jufvrouw Amory bevond, en hij vleide zich, dat die gezegende plaats het gevolg was van zijne behendige kunstgrepen. Het is echter zeer waarschijnlijk, dat die regeling niet zijn werk, maar dat van iemand anders was. Blanche had aldus de beide jonge heeren tot hare bevelen, één aan elke zijde, en ieder hunner trachtte zoo galant en innemend mogelijk te zijn.
Foker’s mama, die van hare plaats het oog op haar lieveling had, stond verbaasd over zijne levendigheid, want Henry sprak aanhoudend tegen zijne schoone buurvrouw over al de onderwerpen van den dag.
„Hebt ge Taglioni in de Sylphide gezien, jufvrouw Amory? Breng mij die suprême de volaille nog eens,” (dit werd gesproken tot den knecht in zijne nabijheid); „dank je! Waar de suprêmes toch vandaan komen? ik zou wel eens willen weten waar de pooten der vogels blijven? Zij is betooverend in de Sylphide, niet waar?” en daarop was hij zoo vriendelijk het lieve air te gaan neuriën, dat door dat liefste aller balletten heenloopt, hetwelk nu met die schoonste en bevalligste aller danseressen tot het verledene behoort. Zullen de jongelieden ooit iets zoo bekoorlijks, zoo klassieks, – ooit iets als Taglioni weerzien?
„Jufvrouw Amory is zelve eene sylphide,” zeide Pen.
„Wat hebt gij eene heerlijke tenorstem, mijnheer Foker,” zeide de jonge dame. „Gij hebt ongetwijfeld goed onderricht gehad. Ik zing zelve een weinig en zou wel eens met u willen zingen.”
Pen herinnerde zich, dat de jonge dame bijna gelijkluidende woorden tot hèm had gericht en in vroegere dagen zoo gaarne met hèm had gezongen. En daarover bij zich zelven smalende, kwam de nieuwsgierige vraag bij hem op, met hoeveel andere heeren zij wel sedert dien tijd duetten zou gezongen hebben? Doch hij achtte het niet raadzaam, die onbescheiden vraag hardop te doen, en zeide dus alleen, met de teerste uitdrukking, die hij op zijn gelaat kon roepen: „Ik zou u wel gaarne eens weer hooren zingen, jufvrouw Blanche; ik weet niet dat ik ooit eene stem gehoord heb, die mij zóó beviel als de uwe.”
„Ik dacht, dat gij die van Laura zoo mooi vondt,” antwoordde jufvrouw Blanche.
„Die van Laura is eene alt, en die stem is, gelijk gij weet, dikwijls van streek,” hernam Pen bits. „Ik heb te Londen veel muziek gehoord,” ging hij voort. „Maar die zangers van beroep vervelen mij, want zij schreeuwen te hard, of ik ben te oud, of wel te veel blasé geworden. Men wordt te Londen zeer spoedig oud, jufvrouw Amory. En evenals alle oude menschen, stel ik alleen nog belang in de liederen, die ik in mijne jeugd gehoord heb.”
„Ik houd het meest van Engelsche muziek, en geef niet veel om vreemde liederen. Geef mij wat van dat lamsvleesch,” zeide mijnheer Foker.
„Ik ben dol op Engelsche balladen,” zeide jufvrouw Amory.
„Wilt ge na het diner een der oude liederen voor mij zingen?” vroeg Pen met smeekende stem.
„Wil ik na het diner een Engelsch liedje voor u zingen?” vroeg de sylphide aan mijnheer Foker, tot wien zij zich keerde. „Als gij belooft spoedig boven te komen, zal ik het doen,” en bij deze woorden gaf zij hem de volle laag uit hare oogen.
„Nu, ik zal spoedig genoeg na het diner komen,” zeide hij met eenvoudigheid. „Ik geef niet veel om wijn na tafel – onder het diner neem ik mijne lading in – gebruik ik mijn aandeel, weet ge; en als ik genoeg heb, kom ik aan de thee. Ik ben van huiselijken aard, jufvrouw Amory; ik ben een zeer eenvoudig mensch, en als ik mijn zin krijg, ben ik doorgaans in een goed humeur, niet waar, Pen? Die gelei, als het u belieft – niet die, – die andere, met de kersen er in. Hoe krijgen zij toch die kersen binnen in de gelei?” En op die wijze praatte de argelooze jonkman altijd door, en jufvrouw Amory luisterde naar hem met onverstoorbare kalmte. Toen de dames naar de bovengewesten vertrokken, perste Blanche de beide jonge heeren de stellige belofte af, dat zij de tafel spoedig zouden verlaten, waarna zij met een vriendelijken blik voor elk van hen vertrok. Zij liet hare handschoenen naast Foker en haar zakdoek naast Pen vallen. Aan elk van beiden bewees zij deze of gene kleine oplettendheid; hare beleefdheid gaf wellicht aan mijnheer Foker een weinig meer voet dan hare vriendelijkheid aan Pen; maar het welwillende schepseltje deed haar best, om de beide heeren genoegen te doen. Foker ving haar laatsten blik op, toen zij de deur uitsnelde; die schitterende blik gleed over het breede witte vest van mijnheer Strong heen en trof Henry recht in het hart. De deur ging achter de toovenares toe, en hij zette zich met een zucht neder en zond een glas wijn naar binnen.
Daar het diner, waaraan Pen en zijn oom deel namen, niet tot de groote partijen behoorde, was het aanmerkelijk vroeger opgedragen dan die plechtige feestmalen van het Londensche seizoen, welke volgens het ingevoerde gebruik weinig vroeger dan negen ure aanvangen; en daar het gezelschap slechts klein was en jufvrouw Blanche, die gaarne aan de piano in de gezelschapszaal wilde gaan, aanhoudend hare moeder wenkte om op te staan, gaf Lady Clavering daartoe spoedig het sein, zoodat het nog volle daglicht was toen de dames in de bovenvertrekken terugkeerden, van welker met bloemen beladen balkons zij het uitzicht hadden op de twee Parken, op de arme echtparen en kinderen, die nog door het eene park drentelden, en op de equipages met dames en de paarden der dandy’s, die de poort van het andere doorreden. Kortom, de zon was nog niet achter de olmboomen van Kensington Gardens ondergegaan en verguldde nog het standbeeld, dat de dames van Engeland ter eere van zijne genade den hertog van Wellington opgericht hebben, toen Lady Clavering en hare vriendinnen de heeren bij den wijn achterlieten.
De vensters der eetzaal stonden open, om de versche lucht binnen te laten, en gaven dus aan de voorbijgangers een aangenaam of wellicht tergend gezicht op zes heeren met witte vesten, die een aantal karaffen en allerlei soorten van vrachten voor zich hadden; straatjongens, die onder het voorbijgaan tegen het hek opklommen, om eens een kijkje te nemen, zeiden tegen elkander: „Hi, hi, Jan, zoudt ge daar ook niet eens willen zitten en een stukje van die ananas proeven?” – de paarden en rijtuigen van den adel reden voorbij en brachten hunne vrachten naar Belgravia, om toilet te maken; de agent van politie liep met zware stappen voor de huizen op en neer; de avondschemering viel; de lantarenaansteker kwam en deed het gas voor de deur van Sir Francis ontvlammen; de hofmeester trad de eetzaal binnen en ontstak de antieke Gothische kroon boven de antieke eettafel van gesneden eikenhout; en dus zag men van buiten een avondtafereel van feestgenot en waskaarsen daar binnen; en van binnen af had men het gezicht op een stillen zomeravond en den muur van St.-Jamespark en de lucht daar boven, waarin juist een paar sterren begonnen te flikkeren.
James, die met gekruiste beenen tegen den deurpijler van zijn meesters huis stond te leunen, keek peinzend naar dit laatstgenoemde kalme tafereel, terwijl een toeschouwer, die zich aan het hek had vastgeklemd, het eerstgenoemde tooneel beschouwde. De diender X., die voorbijging, vestigde zijne aandacht op geen van beiden, maar wel op den man, die de staven van het hek vastklemde en in Sir Francis Clavering’s eetzaal keek, waar Strong, die het woord voor het gansche gezelschap voerde, zat te lachen en te praten.