De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij (part 4 of 4)
[70] Voor Blake en voor Shelley, zoowel als, naar we er mogen bijvoegen, voor Hinton, is kuischheid, zooals Todhunter in zijn Study of Shelley opmerkt, een wijze van zich onderwerpen aan het actueele, een verzaken van het oneindige, en daarom voelen zij er niet voor. De kuische man, d.i. de man van voorzichtigheid en zelfbeheersching, is hij, die de naaktheid van zijn oorspronkelijke onschuld verloren heeft.
[71] Voor bewijsmateriaal voor de gebruiken van natuurvolken in deze zaak zie men ook hoofdst. IV en VII van de History of Human Marriage door Westermarck en ook hoofdst. XXXVIII en XVI van Origin and Development of the Moral Ideas van denzelfden schrijver, deel II; Golden Bough van Fraser bevat veel, dat op het onderwerp betrekking heeft, evenals ook Mystic Rose van Crawley.
[72] Zie bv. Westermarck, Origin and Development of the Moral Ideas, vol. II, pp. 412 et seq.
[73] Zoo verklaarde een oude Maori, eenige jaren geleden, dat de achteruitgang van zijn ras geheel te wijten is aan het verlies van het oude godsdienstige geloof in de tabu. "Want", zeide hij (ik doe een aanhaling uit een Auklandsche courant), "in den ouden tijd was ons tapu samengevlochten met het geheele maatschappelijke systeem. Het hoofd, het haar, plaatsen waar geestverschijningen zich vertoonden, plaatsen die de tohungas heilig noemden, zijn wij vergeten en hebben wij verwaarloosd. Wie denkt er tegenwoordig aan de heiligheid van het hoofd? Zie, als het water in den ketel kookt, dan springt de jonge man op, neemt zijn pet van zijn hoofd en gebruikt die om den deksel vast te pakken. Wie is er tegenwoordig, die niet met onverschilligheid toeziet als de barbier van het dorp, als hij dicht bij het vuur is, het losse haar van zijn laken er in gooit, en het gescherts en het lachen gaan door alsof niet een heilige handeling juist voleindigd was. Voedsel wordt gegeten op plaatsen, waar men het in vroeger dagen niet overheen durfde dragen".
[74] Zoo bestond, lang voordat er Christelijke monniken optraden, het ascetische kloosterleven in zeer gelijksoortigen geest in Egypte bij de vereering van Serapis (Dill, Roman Society, p. 79).
[75] 's Nachts, in de doopkapel, met lampen, die flauw brandden, werd der vrouwen zelfs haar tunica uitgetrokken, en werden zij driemaal in den poel gedompeld, dan gezalfd, in het wit gekleed, en gekust.
[76] Zoo verwijst Jeronimus, in zijn brief aan Eustachius, naar die paren, die "dezelfde kamer deelen, dikwijls hetzelfde bed, en die ons ergdenkend zouden noemen als wij daar conclusies uit trokken", terwijl Cyprianus (Epistola, 85) niet in staat is het gedrag van die mannen goed te keuren, waarvan hij hoort spreken en waarvan een zelfs een deken is, die in intiemen omgang leven met meisjes, en zelfs in hetzelfde bed met haar slapen; want, zegt hij, het vrouwelijk geslacht is zwak en de jeugd is lichtzinnig.
[77] Perpetua (Acta Sanctorum, March 7) wordt door Hort en Mayor genoemd "de mooiste bloem in den tuin van het na-apostolisch Christendom". Zij was echter geen maagd, maar een jonge moeder, met een kind aan de borst.
[78] De kracht van het oude Christelijke ascetisme lag in zijn spontaan en vrijwillig karakter. Toen, in de negende eeuw, de Carlovingen probeerden het celibaat in kloosters en aan de geestelijkheid op te leggen, was het resultaat een grote uitbarsting van onkuischheid en misdaad; nonnenkloosters werden bordelen, nonnen waren dikwijls schuldig aan kindermoord, monniken begingen niet te vermelden schanddaden, de vaste geestelijkheid knoopte bloedschendige betrekkingen aan met hun naaste vrouwelijke verwanten. (Lea, History of Sacerdotal Celibacy, vol. I, pp. 155 et seq.).
[79] Senancour, De l'Amour, deel II p. 233. De Islam heeft veel minder den nadruk gelegd op de kuischheid dan het Christendom, maar in de praktijk is er, naar het schijnt, dikwijls meer eerbied voor kuischheid onder Mohammedaansche dan onder Christelijke heerschappij. Zoo wordt gezegd door "Viator" (Fortnightly Review, Dec. 1908) dat het vroeger, onder Muzelmansche heerschappij, onmogelijk was de deugd van vrouwen in Bosnië te koopen, maar dat het nu, onder de Christelijke heerschappij van Oostenrijk, overal bij de Oostenrijksche grens mogelijk is dit te doen.
[80] De basis van dit gevoel werd versterkt, toen het bleek, dat door geleerden was aangetoond, dat de physieke deugd van "maagdelijkheid" onder een valschen naam vermomd was geweest. Een maagd te blijven schijnt in het eerst, onder volken van oude Arische cultuur in het geheel niet een gelofte van kuischheid beteekend te hebben, maar een weigering zich te onderwerpen aan het juk van het patriarchale huwelijk. De vrouwen, die er de voorkeur aan gaven buiten het huwelijk te blijven waren "maagden", zelfs als zij moeders van groote families waren, en Aeschylus spreekt van de amazonen als van "maagden", terwijl in het Grieksch het kind van een ongetrouwd meisje altijd "de zoon eener maagd" was. De geschiedenis van Artemis, de meest primitieve van de Grieksche godheden, is uit dit gezichtspunt leerzaam. Zij was oorspronkelijk alleen maagdelijk in den zin, dat zij het huwelijk verwierp, daar zij de godin was van een nomadisch en matriarchaal jagersvolk, dat het huwelijk nog niet aangenomen had en zij was de godin der bevallingen, die met orgiastische dansen en phallische zinnebeelden vereerd werd. Eerst door een latere gedaanteverwisseling werd Artemis de godin der kuischheid (Farnell, Cults of the Greek States, Deel II, pp. 442 et seq.; Sir W. M. Ramsay, Cities of Phrygia, Deel I, p. 96; Paul Lafargue, "Les Mythes Historiques", Revue des Idées, Dec., 1904).
[81] Zie b.v., Nicomachean Ethics, Bk. III, hoofdst. XIII.
[82] De Civitate Dei, lib. XV, cap. XX. Wat verderop (boek XVI, hoofdst. XXV) verwijst hij naar Abraham als naar een man, die met vrouwen kan omgaan zooals het behoort, met zijn vrouw met mate, met zijn bijwijf inschikkelijk, met geen van beide onmatig.
[83] Summa, Migne's uitgave, deel III, qu. 154, art. 1.
[84] De meerderheid der kuische jonge mannen, merkt een schrander criticus van het moderne leven op (Hellpach, Nervosität und Kultur, p. 175), wordt alleen gedreven door traditioneele principes, of door verlegenheid, vrees voor venerische infecties, gebrek aan zelfvertrouwen, geldgebrek, zeer zelden door eenige consideratie voor een toekomstige vrouw, en dat zou ook inderdaad een tragi-comische dwaling zijn, want een vrouw hecht geen waarde aan onaangeroerde mannelijkheid. Bovendien, voegt hij er bij, is de kuische man niet in staat met verstand een vrouw te kiezen, en het is onder de onderwijzers en de geestelijken,--de meest kuische klasse--dat de meeste ongelukkige huwelijken gesloten worden. Milton had dit feit al tot een argument gemaakt voor het gemakkelijk maken der echtscheiding.
[85] "Bij eten", zeide Hinton, "hebben wij de taak volbracht om genoegen te vereenigen met de afwezigheid van "lust". Het probleem voor man en vrouw is den sexueelen hartstocht zoo te gebruiken en te bezitten, dat hij gemaakt wordt tot een werktuig voor hoogere dingen, met geen andere beperking er op dan deze. Zij is essentieel verbonden met dingen van de geestelijke orde, en zou van nature zich daar naar voegen. Er over te denken als enkel lichamelijk is een dwaling".
[86] Ik heb op een andere plaats de behoefte in het moderne leven aan een natuurlijk en ernstig ascetisme breeder besproken (zie Affirmations, 1898) "St. Francis and Others".
[87] Der Wille zur Macht, p. 392.
[88] Op den leeftijd van vijf en twintig, toen hij reeds veel mooi werk had gemaakt, schreef Mozart in zijn brieven, dat hij nooit een vrouw had aangeraakt, hoewel hij naar liefde en huwelijk verlangde. Hij had geen middelen om te trouwen, hij wilde geen onschuldig meisje verleiden, een vergeeflijke verhouding was stuitend voor hem.
[89] Reibmayr, Die Entwicklungsgeschichte des Talentes und Genies, Bd. 1. p. 437
[90] Maagdelijkheid, dat wil zeggen het bezit van een ongeschonden hymen, kunnen wij--behoeven wij dit nog te herhalen--geheel buiten bespreking laten, daar zij louter een physieke eigenschap is, die niet noodzakelijk ethische verwantschappen heeft. De eisch van maagdelijkheid in vrouwen is, voor het grootste gedeelte, òf de vraag naar een meer verkoopbaar artikel, òf naar een machtiger prikkel voor de mannelijke begeerte. Maagdelijkheid sluit geen moreele eigenschappen in bij haar bezitster. Kuischheid en ascetisme zijn aan den anderen kant woorden zonder beteekenis, behalve als eischen, die de geest aan zichzelf stelt of aan het lichaam dat hij beinvloedt.
[91] Dit gezichtspunt was een dubbelzinnige verbetering van de opvatting, die, zooals Westermarck heeft aangetoond, onder primitieve volken algemeen heerschte, n.l. deze, dat de sexueele daad een vrouw alleen vernedert en haar waarde vermindert, in zooverre zij het eigendom is van een ander persoon, die de werkelijk benadeelde persoon is.
[92] Op deze ingewikkelde tegenstrijdigheid is van godsdienstige zijde fijn gewezen door den Rev. H. Northcote, Christianity and Sex Problems, p. 53.
[93] "Die Abstinentia Sexualis", Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Nov. 1908.
[94] P. Janet, "La Maladie du Scrupule", Revue Philosophique, Mei 1901.
[95] Zie Freud, Sexual-Probleme, Maart 1908. Zooals Adele Schreiber ook aantoont (Mutterschutz, Jan. 1907, p. 30), is het niet genoeg te bewijzen, dat abstinentie niet gevaarlijk is; we moeten in de gedachte houden, dat de geestelijke en physieke energie, die verbruikt wordt voor het onderdrukken van dit machtige instinct dikwijls een vroolijke, energieke natuur verandert in een zwakke schaduw. Evenzoo zegt Helene Stöcker (Die Liebe und die Frauen, p. 105): "De kwestie, of abstinentie schadelijk is, is, om de waarheid te zeggen, een belachelijke kwestie. Men hoeft geen zenuw-specialist te zijn om te weten, als iets dat vanzelf spreekt, dat een leven van gelukkige liefde en huwelijk het gezonde leven is, en dat de geheele afwezigheid daarvan wel leiden moet tot ernstige zenuw-depressie, zelfs als er geen directe physiologische stoornissen kunnen worden aangetoond".
[96] Max Flesch, "Ehe, Hygiene und Sexuelle Moral", Mutterschutz, 1905, aflevering 7.
[97] "Ik heb twee jaar lang nauwkeurige ondervinding en omgang met de Trappisten gehad", schreef Dr. Butterfield van Natal (British Medical Journal, Sept. 15, 1906, p. 668), "als medisch verzorger en als geloovig Katholiek beide. Ik heb ze bestudeerd en hun leven, gewoonten en diëet onderzocht, en hoewel ik het niet graag aan zou nemen, omdat het voor mij persoonlijk niet past, is de groote massa van hen van een absoluut ideale gezondheid en kracht, zij mankeeren zelden iets, zijn in staat tot veel werk, geestelijk en lichamelijk. Hun leven is zeer eenvoudig en zeer regelmatig. Het zou moeilijk zijn een gezonder gemeenschap van mannen en vrouwen, met volkomen gelijkmatigheid van humeur--op dit laatste leg ik den nadruk--te vinden. Gezondheid straalt uit hun oogen, hun gelaat en hun daden. Alleen bij ziekte of bij lange reizen worden hun krachtige spijzen toegestaan--vleesch, eieren, enz.--of alcohol".
[98] Féré, L'Instinct Sexual, tweede uitgave, p. 332.
[99] Het leven op het land, zooals we gezien hebben toen we de verhouding daarvan tot sexueele vroegrijpheid bespraken, is aan den eenen kant het ongekende van een bescherming tegen sexueele invloeden. Maar aan den anderen kant, voor zoover het hard werken op het land in zich sluit en eenvoudig leven, onder omstandigheden die niet prikkelend zijn voor het zenuwstelsel, is het gunstig voor een aanmerkelijk uitgestelde sexueele werkzaamheid in de jeugd en voor een betrekkelijke zelfbeheersching. Ammon vond in den loop van zijn anthropologische onderzoekingen op Badensche lotelingen, dat sexueele omgang op het land zeldzaam was voor de twintig, en dat zelfs sexueele zaaduitstortingen tijdens den slaap zeldzaam waren voor de negentien of twintig. In de dorpen wordt ook gezegd, herhaalt hij, dat niemand het recht heeft meisjes na te loopen die nog geen geweer draagt, en de oudere jongens mishandelen soms brutaal iederen jongeren jongen, die met een meisje gevonden wordt. Ongetwijfeld gaat dit dikwijls vooraf aan veel losbandigheid later.
[100] Het overwicht in aantal, dat ongetrouwde onderwijzeressen nu in het Amerikaansche schoolsysteem verkregen hebben, heeft bij vele goede opmerkers ernstige bezorgdheid gewekt, en men zegt, dat het bij jongens en meisjes onbevredigende onderwijsresultaten oplevert. Een bekend autoriteit, Professor McKeen Cattell ("The School and the Family", Popular Science Monthly, Jan. 1909) gaat, waar hij verwijst naar dit overheerschen van "oude juffrouwen zonder levenskracht of geslacht", zoover van te zeggen, dat "het eindresultaat van dit feit, dat men de ongetrouwde vrouw de gewone onderwijzeres laat zijn, geweest is, dat het een kwestie geworden is of het niet een voordeel zou zijn voor het land, als de geheele schoolplant uitgeroeid kon worden".
[101] Corre (Les Criminels, p. 351) zegt, dat van de dertien priesters, veroordeeld wegens misdaad, er zes schuldig waren aan sexueele pogingen op kinderen, en van de drie en tachtig veroordeelde onderwijzers acht en veertig soortgelijke misdrijven hadden begaan. Dit was op een tijd, toen onderwijzers praktisch bijna gedwongen waren een ongehuwd leven te leiden; veranderde omstandigheden hebben voor een groot deel deze soort van misdrijf onder hen verminderd. Zonder dat het tot misdaad komt, ondervinden vele moreele en godsdienstige mannen, geestelijken en anderen, die een ernstig abstinent leven geleid hebben in hun jeugd, soms op middelbaren leeftijd of later de uitbarsting van bijna niet te beheerschen sexueele impulsen, normaal of abnormaal. Bij vrouwen nemen zulke uitingen dikwijls den vorm aan van als een obsessie vervolgende gedachten, zooals b.v. in het geval (Comptes-Rendus Congrès International de Médecine, Moscou, 1897, deel IV, p. 27) van een kuische vrouw, die den drang in zich voelde om te kijken naar de geslachtsdeelen van mannen.
[102] J. A. Godfrey, The Science of Sex, p. 138.
[103] Zie bv. Havelock Ellis, "St. Francis and Others", Affirmations.
[104] Zie bv. Cheetham's "Hulsean Lectures" The Mysteries, Pagan and Christian, pp. 123, 136.
[105] Hormayr's Taschenbuch, 1835. p. 235. Hagelstange wijst er op, in een hoofdstuk over middeleeuwsche feesten in zijn Süddeutsches Bauernleben im Mittelalter, hoe bij deze Christelijke orgieën, die inderdaad van heidenschen oorsprong waren, de Duitsche menschen met geweldige en luidruchtige energie reageerden tegen de inspanning en de eentonigheid van hun dagelijksch leven.
[106] Dit werd duidelijk erkend door de meer intelligente voorstanders van het karnaval. Strenge menschen wilden dit feest afschaffen, en in een merkwaardig verzoekschrift, gezonden aan de Theologische Faculteit van Parijs (en aangehaald door Flogel, Geschichte des Grotesk-Komischen, vierde uitgave, p. 204) wordt het feest aldus verdedigd: "Wij doen dit volgens een oude gewoonte, opdat de dwaasheid, die 's menschen tweede natuur is en hem schijnt aangeboren te zijn, tenminste eenmaal in het jaar vrijen loop heeft. Wijnvaten zouden springen, als we niet nu en dan de spon losmaakten om lucht in the laten. Nu zijn wij allen slecht verzekerde vaten en tonnen, die den wijn der wijsheid zouden laten wegloopen, als wij ze door voortdurende toewijding en vrees voor God lieten gisten. Wij moeten lucht inlaten, opdat hij niet bederft. Zoo geven wij ons op sommige dagen aan vermaak over, dat wij later met des te meer ijver tot de vereering van God kunnen terugkeeren". Het losbandigheidsfeest werd niet verboden voor het midden van de zestiende eeuw en overblijfselen ervan bestonden nog (zooals in Aken) tot bijna aan het einde van de achttiende eeuw.
[107] A. Méray, La Vie au Temps des Libres Prêcheurs, deel II, hoofdst. X. Een goed en op grondige bronnenstudie berustend verslag van het losbandigheidsfeest geeft E. K. Chambers, The Mediaeval Stage, hoofdst. XIII. Het is waar, dat de Kerk en de eerste Kerkvaders dikwijls het tooneel hebben gevloekt. Maar Gregorius van Nazianza wilde een Christelijk tooneel oprichten; de middeleeuwsche mysteriespelen stonden zeker onder de bescherming van de geestelijkheid; en de heilige Thomas van Aquino, de grootste van de scholastici, veroordeelt het tooneel slechts in bedekte termen.
[108] Spencer en Gillen, Northern Tribes of Central Australia, hoofdst. XII.
[109] Journal Anthropological Institute, July-Dec., 1904, p. 329.
[110] Westermarck (Origin and Development of the Moral Ideas, deel II, pp. 285-9) toont aan, hoe wijd verspreid de gewoonte is, een op gezette tijden terugkeerenden rustdag vast te stellen.
[111] A. E. Crawley, The Mystic Rose, pp. 273 et seq., Crawley brengt met dit doel van groote feesten de gewoonte in verband, die in sommige deelen der wereld gevonden wordt, van bij tijden van vrouwen te verwisselen. "Het heeft niets hoegenaamd te maken met het huwelijks-systeem, behalve dat het dat eenigen tijd verbreekt, zoodat vrouwen van een verboden graad van verwantschap te leen gegeven worden, op dezelfde gronden, waarop conventies en gewone betrekkingen bij feesten van het Saturnalische type verbroken worden; het doel is een verandering in het leven te brengen en weer opnieuw te beginnen, door alles om te ruilen wat men kan, terwijl de enkele ruilingsdaad een andere behoefte bevredigt, samengaat met het andere verlangen om de gemeenschap aaneen te smeden" (Ib., p 479).
[112] G. Murray, Ancient Greek Literature, p. 211.
[113] Het Grieksche drama ontstond waarschijnlijk uit een volksfeest van een min of meer sexueel karakter, en het is zelfs mogelijk, dat het middeleeuwsche drama een eenigszins daarmee overeenkomende oorsprong had (zie Donaldson, The Greek Theatre; Gilbert Murray, loc. cit.; Karl Pearson, The Chances of Death, deel ii, pp. 135-6, 280 et seq.).
[114] R. Canudo, "Les Chorèges Français", Mercure de France, 1 Maart 1907, p. 180.
[115] "Dit is inderdaad", verklaart Cyples (The Process of Human Experience, p. 743), "het groote doel van de Kunst--dat zij in ons bewust doet worden groote egoïstische mogelijkheden, ons op een rudimentaire wijze gewent aan grootere verwerkelijking van de persoonlijkheid", en zoo "zonder doel, maar toch op schitterende wijze de reine nog niet vervulde mogelijkheden in ons wekt".
[116] Zelfs als eentonige arbeid intellectueel is, is hij daardoor niet gevrijwaard tegen orgiastische reacties. Prof. L. Gurlitt toont aan (Die Neue Generation, Januari 1909, pp. 31-6) hoe de ingespannen, zonder verpoozing voortgezette intellectueele arbeid van de Pruisische seminariën zoowel onder leeraren als onder leerlingen, leidt tot de ergste vormen van orgie.
[117] Rabutaux bespreekt verschillende definities van prostitutie. De la Prostitution en Europe, pp. 119 et seq. Voor den oorsprong van de namen om prostituée aan te duiden, zie men Schrader, Reallexicon, art. "Beischläferin".
[118] Digest, boek XXIII, deel II, p. 43. Als zij zich alleen aan een of twee personen gaf, al was het dan voor geld, was het geen prostitutie.
[119] Guyot, La Prostitution, p. 8. Het element van koopbaarheid behoort tot het wezen van de zaak, en godsdienstige schrijvers (zooals Robert Wardlaw, D.D., uit Edinburg, in zijn Lectures on Female Prostitution, 1842, p. 14), die prostitutie definieeren als "de onwettige omgang van de seksen", en synoniem achten met theologische "fornicatie", vervallen in een dwaze verwarring.
[120] "Zulke huwelijken worden soms gebrandmerkt als "wettige prostitutie"", merkt Sidgwick op (Methods of Ethics, boek III, hoofdst. XI), "maar we voelen, dat de phrase buitensporig en paradox is".
[121] Bonger, Criminalité et Conditions Economiques, p. 378. Bonger meent, dat in haar wezen de daad van prostitutie "gelijk is aan de daad van een man of een vrouw, die om economische redenen een huwelijk aangaat".
[122] E. Richard, La Prostitution à Paris, 1890, p. 44. Het kan een punt van kwestie zijn of openlijkheid of algemeene bekendheid een essentieel deel moet vormen van de definitie; het schijnt er echter bij ingesloten te zijn want anders kan de prostituée geen klanten krijgen. Reuss zegt, dat ze bovendien geheel zonder middelen van bestaan moet zijn; dat behoort zeker niet tot het wezen der zaak. En het is ook niet noodig, zooals de Digesten nadrukkelijk zeggen dat de daad gedaan wordt "zonder genoegen": dat kan al of niet het geval zijn, zonder invloed uit te oefenen op den prostitutie-aard van de daad.
[123] Hawkesworth, Account of the Voyages, etc., 1775, deel II, p. 254.
[124] R. W. Codrington, The Melanesians, p. 235.
[125] F. S. Krauss, Romanische Forschungen, 1903, p. 290.
[126] H. Schurtz, Altersklassen und Männerbünde, 1902, p. 190. In dit werk brengt Schurtz eenige voorbeelden samen (p. 189-201) van den oorsprong der prostitutie bij primitieve volken. Vele feiten en aanwijzingen worden gegeven door Westermarck (History of Human Marriage p. 66 et seq., en Origin and Development of the Moral Ideas, deel II, p. 441 et seq.).
[127] Bachofen (meer speciaal in zijn Mutterrecht en Sage von Tanaquil) beweerde, dat zelfs godsdienstige prostitutie ontstond uit den weerstand van primitieve instincten tegen de individualisatie van de liefde. Cf. Robertson Smith, Religion of Semites, tweede uitgave p. 59.
[128] Wat de reden ook zij, godsdienst en prostitutie komen dikwijls te zamen voor; het is misschien tot op zekere hoogte een speciale uiting van dat algemeene verband tusschen de godsdienstige en de sexueele impulsen, dat elders besproken is. Zoo zegt A. B. Ellis, in zijn boek over de Ewe-speaking Peoples of West Africa (pp. 124, 141), dat hier vrouwen, die aan een godheid worden toegewijd, vrije prostituées worden. W. G. Summer (Folkways, hoofdst. XVI) brengt vele feiten samen over het wijd verspreid zijn van de godsdienstige prostitutie.
[129] Herodotus, Boek I, hoofdst. CXVIX; Baruch, hoofdst. VI, p. 43. Geleerden van den nieuweren tijd bevestigen uit de studie van de Babylonische literatuur de beweringen van Herodotus, hoewel ze geneigd zijn te ontkennen, dat de godsdienstige prostitutie een zoo groote plaats innam als hij er aan toekent. Een Tafel van het Gilgamash-epos maakt volgens Morris Jastrow melding van prostituées als dienaressen van de godin Isthar in de stad Uruk (of Erech), die dus een centrum was en misschien het hoofd-centrum van de door Herodotus beschreven plechtigheden (Morris Jastrow, The Religion of Babylonia and Assyria, 1898, p. 475). Isthar was de godin der vruchtbaarheid, de groote moeder-godin, en de prostituées namen als tempel-dienaressen deel aan de ceremoniën, die de vruchtbaarheid zinnebeeldig moesten voorstellen. Deze priesteressen van Isthar waren bekend onder den algemeenen naam Kadishtu, "de heiligen" (op. cit., pp. 485, 660).
[130] Het is gewoon onder moderne schrijvers Aphrodite Pandemos, eer dan Urania, in verband te brengen met koopbare of vrije sexualiteit, maar dat is een vergissing, want de Aphrodite Pandemos was zuiver politiek en had geen sexueele beteekenis. De vergissing was misschien wel met voorbedachten rade ingevoerd door Plato. Men heeft de mogelijkheid geopperd dat die aartsbedrieger, die niet van democratische denkbeelden hield, met moedwil trachtte de opvatting van Aphrodite Pandemos naar beneden te halen (Farnell, Cults of Greek States, deel II, p. 660).
[131] Athenaeus, Boek XIII, hoofdst. XXXII. Het schijnt, dat de eenige andere Grieksche gemeenschap, waar de tempeldienst onkuischheid met zich bracht een stad was van de Locri Epizephyrii (Farnell, op. cit., deel II, p. 636).
[132] Ik zeg niet een vroegere "promiscuïteit", want de theorie van de primitieve sexueele promiscuïteit is nu in ruimen kring in discrediet, hoewel er geen redelijke twijfel aan kan bestaan, dat het in vroeger tijd heerschende moederrecht gunstiger was aan de sexueele vrijheid van vrouwen dan het latere patriarchale systeem. Zoo kon in de alleroudste Egyptische dagen een vrouw haar gunsten schenken aan iederen man dien zij wilde, door hem haar kleed te zenden, zelfs als ze getrouwd was. Na verloop van tijd leidde het zich uitbreiden van de rechten der mannen er toe, dat dit beschouwd werd als misdadig, maar de priesteressen van Ammon behielden tot het laatst dit voorrecht, daar zij onder goddelijke bescherming stonden (Flinders Petrie, Egyptian Tales, pp. 10, 48).
[133] We moeten hieraan toevoegen, dat Farnell ("The Position of Women in Ancient Religion", Archiv für Religionswissenschaft, 1904, p. 88) de godsdienstige prostitutie van Babylonië tracht uit te leggen als een speciale godsdienstige wijziging van de gewoonte de maagdelijkheid voor het huwelijk te vernietigen, om den echtgenoot te vrijwaren tegen de mystieke gevaren van de defloratie. E. S. Hartland ("Concerning the Rite at the Temple of Mylitta", Anthropological Essays Presented to E. B. Tyler p. 189) veronderstelt, dat dit een godsdienstige plechtigheid bij de puberteit was, die in verband stond met de ceremonieele defloratie. Deze theorie is echter niet algemeen door Semitische geleerden aangenomen.
[134] De meisjes van dezen stam, die opmerkelijk knap zijn, keeren, nadat zij twee of drie jaar doorgebracht hebben met het verzamelen van zoo'n bruidsschat, naar huis terug om te trouwen; men zegt, dat zij zeer goede vrouwen en moeders worden. Zij worden beschreven door Bertherand in Parent-Duchâtelet, La Prostitution à Paris, deel II, p. 539.
[135] In Abyssinië (volgens Fiashi, British Medical Journal, Maart 13, 1897), waar de prostitutie altijd in hooge eer gehouden is, achten de prostituées, die tegenwoordig tweemaal in de week medisch onderzocht worden, haar beroep in geenen deele schandelijk; zij vinden later gemakkelijk echtgenooten. Ook Potter (Sohrab und Rustem, pp. 168 et seq.) geeft aanwijzingen over volken, die ver verspreid zijn over de Oude Wereld en de Nieuwe, onder wie de jonge vrouwen prostitutie uitgeoefend hebben om een bruidschat te verkrijgen.
[136] In Tralles, in Lydië was zelfs in de tweede eeuw voor Christus, zooals Sir W. M. Ramsay opmerkt (Cities of Phrygia, deel I, pp. 115) geheiligde prostitutie nog een eerbare handeling voor vrouwen van goede geboorte, die "zich geroepen voelen het goddelijke leven te leiden onder den invloed der goddelijke inspiratie".
[137] De geleidelijke secularisatie van de prostitutie van haar vroegeren godsdienstigen vorm is door verschillende schrijvers nagegaan (zie b.v. Dupouney La Prostitution dans l'Antiquité). De vroegste waardeerende vermelding van de hetare wordt in de literatuur gevonden, volgens Benecke (Antimachus of Colophon, p. 36), in Bacchylides.
[138] Cicero, Oratis prô Coelio, hoofdst. XX.
[139] Pierre Dufour, Histoire de la Prostitution, deel II, hoofdst. XIX-XX. De werkelijke schrijver van deze welbekende geschiedenis van de prostitutie, die, hoewel ze niet wetenschappelijk is in haar methoden, een groote massa interessant nieuws samenbrengt, zegt men, dat Paul Lecroix is.
[140] Rabutaux beschrijft, in zijn Histoire de la Prostitution en Europe, vele pogingen om de prostitutie te onderdrukken; cf. Dufour, op. cit., deel III.
[141] Dufour, op. cit., deel VI, hoofdst. XLI. Het was onder de regeering van Hendrik III, dat er verordend werd de bordeelen te dulden.
[142] In de achttiende eeuw vooral kwamen huizen van prostitutie in Parijs tot een verwonderlijken graad van glans en bloei. Dank zij de voortdurende waakzame belangstelling van de politie werd een groote mate van gedetailleerde inlichtingen over deze instellingen opgezameld, en in de laatste jaren is er veel van gepubliceerd. Een opsomming van deze literatuur zal men vinden in Neue Forschungen über den Marquis de Sade und seine Zeit, 1904, p. 97 et seq. van Dühren.
[143] Rabutaux, op cit., p. 54.
[144] Calza heeft de geschiedenis geschreven van de prostitutie in Venetië; en de inhoud van sommige van de documenten, die hij vond, is medegedeeld door Mantegazza, Gli Amori degli Uomimi, hoofdst. XIV. Bij het begin van de zeventiende eeuw, een tamelijk late periode, bezocht Coryat Venetië en gaf in zijn Crudities een volledig en belangwekkend verslag van de courtisanes daar, die toen, naar hij zegt, minstens 20.000 in getal waren; de belasting die zij voor den staat inbrachten onderhield een dozijn galeien.
[145] J. Schrank, Die Prostitution in Wien, deel I, pp. 152-206.
[146] U. Robert, Les Signes d'Infamie au Moyen Age, hoofdst. IV.
[147] Rudeck (Geschichte der öffentlichen Sittlichkeit in Deutschland, pp. 26-36) geeft vele bijzonderheden over de belangrijke rol, gespeeld door prostituées en bordeelen in het middeleeuwsche Duitsche leven.
[148] Zij worden beschreven door Rabutaux, op. cit., pp. 90 et seq.
[149] L'Année Sociologique, zevende jaar, 1904, p. 440.
[150] Bloch, Der Ursprung der Syphilis, Wat de Duitsche "Frauenhausen" aangaat, zie men Max Bauer, Das Geschlechtsleben in der Deutschen Vergangenheit, pp. 133-214. In Parijs, zegt Dufour, (op. cit., deel V, hoofdst. XXXIV), hadden bordeelen onder de verordeningen van den heiligen Lodewijk vele rechten, die zij ten slotte verloren in 1560, toen zij enkel huizen waren die geduld werden zonder statuten, speciale costuums, of beperking tot speciale straten.
[151] "Cortegiana, hoc est meretrix honesta", schreef Burckhardt, de secretaris van den paus, aan het begin van de zestiende eeuw, Diarium, ed. Thuasne, deel II, p. 442; andere autoriteiten worden door Thuasne in een noot aangehaald.
[152] Burckhardt, Diarium, deel III, p. 167. Thuasne haalt een andere autoriteit aan ter bevestiging.
[153] Het voorbeeld van Holland, waar sommige groote steden de contrôle hebben aangenomen en andere niet, is leerzaam, wat den denkbeeldigen aard van de voordeelen van de contrôle aangaat. In 1883 gaf Dr. Després cijfers, geleverd door Hollandsche ambtenaren, die aantoonen, dat in Rotterdam, waar de prostitutie onder contrôle stond, zoowel prostitutie als venerische ziekten meer voorkwamen dan in Amsterdam, een stad zonder contrôle (A. Després, La Prostitution en France, p. 122).
[154] In 1802 werd het medisch onderzoek van prostituées in Parijsche bordeelen ingevoerd, hoewel het niet voor 1825 ten volle ingesteld en algemeen gemaakt werd.
[155] M. L. Heidingsfeld, "The Control of Prostitution", Journal American Medical Association, January 30, 1904.
[156] Zie, b.v. G. Bérault, La Maison de Tolérance, Thèse de Paris, 1904.
[157] Zoo zijn de omstandigheden van het Engelsche leger in Indië van een speciaal karakter. Een aantal feiten (uit de rapporten van commissies, officieele publicaties, etc.) aangaande den goeden invloed van regeling bij het doen verminderen van venerische ziekten in Indië, samengebracht door den Kolonel-Geneesheer F. H. Welch, "The Prevention of Syphilis", Lancet, Augustus 12, 1899. Het systeem is afgeschaft, maar alleen tengevolge van den drang van het publiek en niet wegens ongunstige resultaten.
[158] Zoo wilde Richards, die regeling goedkeurt, en die de opdracht had er aan de Parijsche gemeenteraad verslag over te doen, meisjes niet als prostituées van beroep ingeschreven hebben voor zij meerderjarig zijn en in staat zich duidelijk voor oogen te stellen, waartoe zij zich verbinden (E. Richards, La Prostitution à Paris, p. 147). Maar op dien leeftijd oefenen vele prostituées haar beroep al jarenlang uit.
[159] In Duitschland, waar de behandeling van geïnfecteerde prostituées, die onder contrôle staan, bijna overal gedwongen is, gewoonlijk op kosten van de gemeenschap, heeft men bevonden, dat de gemiddelde leeftijd, waarop zij met syphilis geïnfecteerd worden, achttien jaar is; de gemiddelde leeftijd van prostituées in bordeelen is hooger dan die van haar, die er buiten wonen, en een veel grootere proportie is daarom immuun geworden tegen ziekte (Blaschko, "Hygiene der Syphilis", in Weyl's Handbuch der Hygiene, deel II, p. 62, 1900).
[160] A. Sherwell, Life in West London, 1897, hoofdst. V.
[161] Bonger brengt statistieken samen, die dit punt illustreeren, op. cit., pp. 402-6.
[162] The Nightless City, p. 125.
[163] Ströhmberg, zooals hij aangehaald wordt door Aschaffenburg, Das Verbrechen, 1903, p. 77.
[164] Monatschrift für Harnkrankheiten und Sexuelle Hygiene, 1906. Heft 10, p. 460. Maar deze oorzaak werkt ongetwijfeld in sommige gevallen van ongetrouwde vrouwen in Duitschland, die niet in staat zijn werk te krijgen (zie het artikel van Henriette Arendt, assistente bij de politie te Stuttgart, Sexual-Probleme, December, 1908).
[165] Zoo vinden we bijvoorbeeld, dat Irma von Troll-Borostyáni in haar boek, Im Freien Reich (p. 176) zegt: "Ga en vraag deze ongelukkige schepsels of zij uit vrije wil zich aan de zonde hebben overgegeven. En zij zullen U bijna allemaal een verhaal vertellen van nood en armoede, van honger en gebrek aan werk, die haar er toe gedreven hebben, of anders van liefde en verleiding en de vrees voor ontdekking van haar misstap, die haar uit haar huis verdreven hebben, hulpeloos en verlaten, in den poel van misdaad, waaruit bijna geen redding is". Het is natuurlijk volkomen waar, dat de prostituée dikwijls bereid is zulke verhalen te doen aan philantropische personen, die verwachten ze te hooren, en soms haar zelfs de woorden in den mond geven.
[166] C. Booth, Life and Labour, laatste deel, p. 125. Zoo zegt Kullberg, dat in Zweden meisjes van dertien tot zeventien jaar, die thuis bij haar ouders in goede omstandigheden wonen, dikwijls op straat gevonden zijn.
[167] W. Acton, Prostitution, 1870, pp. 39, 49.
[168] In Lyon lieten van de 3884 prostituées er 3194 haar beroep varen, of het scheen tenminste, dat zij dit deden; in Parijs werden een groot aantal van haar dienstmeisjes, naaisters of kleermaaksters, beroepen, die zij in veel gevallen ongetwijfeld vroeger ook uitgeoefend hadden (Parent-Duchâtelet, De la Prostitution, 1857, deel I, p. 584; deel II, p. 451). Slogget (die aangehaald wordt door Acton) zeide, dat in Davenport 250 van de 1775 prostituées trouwden. Het is wel bekend, dat prostituées soms zeer goede huwelijken doen. Het werd bijna een eeuw geleden opgemerkt, dat huwelijken van prostituées met rijke mannen vooral in Engeland veel voorkwamen, en dat ze gewoonlijk gelukkig waren; hetzelfde schijnt nog waar te zijn. In haar eigen stand huwen zij meermalen met huurkoetsiers en politie-agenten, de twee klassen van mannen, waarmee ze op straat in nauw contact komen. Wat Duitschland betreft zegt C. K. Schneider (Die Prostituierte und die Gesellschaft), dat jonge prostituées allerlei soort van bezigheden en betrekkingen aannemen, terwijl ze soms, als ze wat geld gespaard hebben, een zaakje opzetten, terwijl oude prostituées koppelaarsters, bordeel-houdsters, toiletvrouwen enz. worden. Niet weinige prostituées trouwen, voegt hij er aan toe, maar haar aantal onder de ingeschreven Duitsche prostituées is heel klein, minder dan 2 percent.
[169] G. de Molinari, La Viriculture, 1897, p. 155.
[170] Reuss en andere schrijvers hebben typische uittreksels uit de kasboeken van prostituées gepubliceerd, die doen zien hoeveel zij verdienen. Zelfs in de gewone bordeelen in Philadelphia (volgens Goodchild, "The Social Evil in Philadelphia", Arena, Maart, 1896), verdienen meisjes twintig dollars of meer in de week, wat veel meer is dan wat zij in eenigen anderen werkkring, die voor haar open is, zouden kunnen verdienen.
[171] A. Després, La Prostitution en France, 1883.
[172] Bonger, Criminalité et Conditions Economiques, 1905, p. 378-414.
[173] La Donna Delinquente, p. 401.
[174] Raciborski, Traité de l'Impuissance, p. 20. We kunnen hier aan toevoegen, dat Bergh, een toonaangevende autoriteit over de anatomische eigenaardigheden van de uitwendige vrouwelijke sexueele organen, die meent, dat sterke ontwikkeling van de uitwendige genitaliën samengaat met losbandige neigingen, niet gevonden heeft dat zulke ontwikkeling veel voorkomt onder prostituées.
[175] Hammer, die veel gelegenheid gehad heeft om de psychologie van de prostituées te bestudeeren, merkt op, dat hij geen reden heeft gezien om sexueele koelheid te onderstellen (Monatsschrift für Harnkrankheiten und Sexuelle Hygiene, 1906, Heft 2, p. 85), hoewel hij, zooals hij elders geconstateerd heeft, meent, dat luiheid eer dan overmaat van zinnelijkheid de voornaamste oorzaak is van de prostitutie.
[176] Zie "The Sexual Impulse in Women", in het derde deel van deze Studies.
[177] Tait constateerde, dat in Edinburgh vele getrouwde vrouwen waren, die met haar echtgenooten in gunstige omstandigheden verkeerden, kinderen hadden, en die toch als prostituées leefden, nl. dat ze de gewoonte hadden afspraken met vreemdelingen te maken.
[178] Janke brengt gegevens te zamen, die hierop wijzen, Die Willkürliche Hervorbringung des Geschlechts, p. 275. "Als wij een prostituée van vijf en dertig jaar vergelijken met haar fatsoenlijke zuster", merkte Acton op (Prostitution, 1870, p. 39), "dan vinden we zelden dat de verwoestingen van het gestel, die men dikwijls denkt, dat de noodzakelijke gevolgen zijn van de prostitutie, veel erger zijn dan de verwoestingen, die moeten toegeschreven worden aan de zorgen voor een familie en den uitputtenden strijd van deugdzamen arbeid".
[179] Hirschfeld zegt (Wesen der Liebe, p. 35), dat de begeerte naar omgang met een sympathiek persoon verhoogd wordt en niet verminderd door een beroeps-coïtusdaad.
[180] Dit is duidelijk aangetoond door Hans Ostwald (aan wien ik de boven aangehaalde opmerking van een prostituée ontleen), een van de beste autoriteiten op het gebied van het leven en den aard der prostituées; zie b.v. zijn artikel, "Die erotischen Beziehungen zwischen Dirne und Zuhälter," Sexual-Probleme, Juni, 1908. In het volgende nummer van hetzelfde tijdschrift (Juli, 1908, p. 393) is Dr. Max Marcuse het eens met de beweringen van Ostwald, en zegt dat de brieven van prostituées en haar minnaars minnebrieven zijn precies zoo als de brieven van fatsoenlijke menschen uit dezelfde klasse, en met dezelfde elementen van liefde en jaloezie; deze verhoudingen, merkt hij op, zijn soms zeer standvastig. De prostituée-schrijfster van het Tagebuch einer Verlorenen (p. 147) geeft ook eenige opmerkingen over de verhoudingen van de prostituée en haar minnaar, en zegt dat het eenvoudig de natuurlijke verhouding is tusschen een meisje en haar minnaar.
[181] Zoo vond Moraglia, dat van de 180 prostituées in Noord-Italiaansche bordeelen en van 23 elegante Italiaansche en buitenlandsche cocottes allen toegaven, dat zij masturbeerden, bij voorkeur door wrijving van de clitoris; 113 van haar, de meesten, verklaarden, dat zij alleen uitgevoerde of wederkeerige masturbatie prefereerden boven normalen coïtus. Hammer zegt (Zehn Lebensläufe Berliner Kontrollmädchen in Ostwald's serie van "Grosstadt Dokumente", 1905) dat, als zij in het ziekenhuis zijn, de zestig prostituées allemaal op drie of vier na, masturbeeren, en dat zij, die het niet doen, door de andere uitgelachen worden.
[182] Jahrbuch für Sexuelle Zwischenstufen, Jahrgang VII, 1905, p. 148; Hammer vond, dat van de vijf en twintig prostituées in een verbeteringsgesticht er wel drie en twintig homosexueel waren, of op goede gronden verondersteld werden het te zijn. Hirschfeld (Berlins Drittes Geschlecht, p. 65) zegt, dat prostituées soms vrouwen uit den beteren stand aanspreken, waarvan zij, om haar mannelijk uitzien, meenen dat ze homosexueel zijn; van personen van haar eigen sekse nemen prostituées een kleinere belooning, en soms weigeren ze betaling geheel.
[183] Bij de prostitutie is het, evenals bij de erfelijkheid, natuurlijk moeilijk het element der erfelijkheid te scheiden van dat der omgeving, zelfs als wij goeden grond hebben om te gelooven, dat de factor der erfelijkheid hier, evenals door het geheele leven, niet na kan laten veel gewicht in de schaal te leggen. Het is in ieder geval zeker, dat prostitutie dikwijls "in de familie zit". "Het is dikwijls mijn ondervinding geweest", schrijft een vroegere prostituée (Hedwig Hard, Beichte einer Gefallenen, p. 156) "dat, als in een familie een meisje het pad der prostitutie betreedt haar zuster haar spoedig daarop volgt. Ik heb onnoemelijk veel gevallen gezien; soms staan wel drie zusters tegelijk op de lijst, en ik heb een geval gekend van vier zusters, wier moeder, een vroedvrouw, in de gevangenis was geweest, en waarvan de vader dronk. In dit geval raakten alle vier de zusters, die heel mooi waren, getrouwd, een ten minste zeer gelukkig, met een rijken dokter, die haar uit het bordeel nam, toen ze zestien jaar oud was en haar opvoedde".
[184] Dit wordt niet tegengesproken door het ontwijfelbare feit, dat prostituées in het geheel niet altijd tevreden zijn met het leven, dat zij kiezen.
[185] Dit punt is besproken door Bloch, Sexualleben unserer Zeit, hoofdst. XIII.
[186] Verschillende series observaties zijn geresumeerd door Lombroso en Ferrero, La Donna Delinquente, 1893, deel III, hoofdst. IV.
[187] History of European Morals, deel III, p. 283.
[188] In gelijken geest heeft Lord Morley geschreven (Diderot, deel II, p. 20). "De reinheid van het gezin, zoo liefelijk en dierbaar als ze is, is tot nu toe alleen maar verzekerd door het in stand houden van een groot en droevig leger van vrouwelijke paria's ... op wier hoofd, evenals op den zondebok van den Hebreeuwschen ritus, wij al de ongerechtigheden stapelen van ons en onze kinderen, alle overtredingen en alle zonden, en die we dan met verwenschingen wegzenden naar de onreine uiterste wildernis en het onbewoonde land".
[189] Horatius, Satires, boek I, 2.
[190] Augustinus, De Ordine, boek II, hoofdst. IV.
[191] De Regimine Principum (Opuscula XX), boek IV, hoofdst. XIV. Ik dank de verwijzing naar de juiste plaats, waar dit gezegde voorkomt, aan den Rev. H. Northcote; gewoonlijk wordt ze in vager termen aangehaald.
[192] Lea, History of Auricular Confession, deel II, p. 69. Er was, schijnt het, zelfs een excentriek besluit van de theologen uit Salamanca, dat bepaalde, dat een non geld kon aannemen, "licite et valide".
[193] Lea, op. cit. deel II, pp. 263, 399.
[194] Rabutaux, De la Prostitution en Europe, pp. 22 et seq.
[195] Burton, Anatomy of Melancholy, deel III, Sect. III, Mem. VI, Subs. II.
[196] B. Mandeville, Remarks to Fable of the Bees, 1714, pp. 93-9; cf. P. Sackmann, Bernard de Mandeville, pp. 101-4.
[197] Deze omstandigheden begunstigen tijdelijke vrije verbintenissen, maar zij begunstigen ook de prostitutie. De reden is, volgens Adolf Gerson (Sexual-Probleme, September, 1908), dat de vrouw uit de goede klasse geen vrije vereenigingen hebben wil. Gedeeltelijk door moreele tradities, en gedeeltelijk door een gevoel, dat een man wettig haar eigendom moet zijn, wil zij zich niet uit liefde aan een man geven; en daarom gaat hij naar de vrouw uit den lageren stand, die zich voor geld geeft.
[198] Vele meisjes, zeide Ellice Hopkins, komen in moeilijkheid, alleen omdat zij iets in zich hebben van het "zwarte geitje", dat vroolijk moet zijn en spelen, maar dat niet in gevaar wenscht te komen. "Is het niet hard", voegde zij er bij, "dat de mannen naast haar dwaze, dansende voeten een bodemlooze put gegraven hebben en dat zij haar dansen en springen niet in veiligheid kan genieten en haar mooie veeren kan aandoen als het dwaze vogeltje, dat ze is, zonder dat een enkele misstap haar over den rand stort en haar achterlaat, met al haar vrouwelijkheid in haar vernietigd?"
[199] A. Sherwell, Life in West London, 1897, hoofdst. V.
[200] Zooals aangehaald wordt door Bloch, Sexualleben unserer Zeit, p. 358. In Berlijn is in de laatste jaren het aantal prostituées toegenomen, bijna dubbel zoo snel als de algemeene bevolking toegenomen is. Het is ongetwijfeld waarschijnlijk, dat het aanbod de vraag zal doen toenemen.
[201] Goncourt, Journal, deel III p. 49.
[202] Vanderkiste, The Dens of London, 1854, p. 242.
[203] Bonger (Criminalité et Conditions Economiques, p. 406) verwijst naar het veel voorkomen van prostitutie onder naaisters en modistes, zoowel als onder dienstboden, omdat dit wijst op den invloed van de aanraking met de weelde, en voegt er bij, dat de rijke vrouwen, die neerzien op de prostitutie, zich niet altijd duidelijk voor oogen stellen dat zij zelf een belangrijke factor zijn voor de prostitutie, door haar weelderigheid en haar ledigheid beide; terwijl ze niet schijnen te begrijpen, dat zij evenzoo zouden handelen, als ze in dezelfde omstandigheden waren geplaatst.
[204] H. Lippert legde, in zijn boek over de prostitutie in Hamburg, zeer den nadruk op het verlangen naar kleeding en versiering, als een factor van de prostitutie, en Bloch (Das Sexualleben unserer Zeit, p. 372) meent, dat deze factor gewoonlijk onderschat wordt, en dat hij een speciaal machtigen invloed uitoefent op dienstboden.
[205] Sedert dit geschreven werd, is de invloed van het leven van verscheidene generaties in de stad tot het immuun maken van een familie voor de verkeerdheden van dat leven (hoewel zonder betrekking op de prostitutie) uiteengezet door Reibmayr, Die Entwicklungsgeschichte des Talentes und Genies, 1908, deel II, p.p. 73 et seq.
[206] In Frankrijk is deze intimiteit belichaamd in het heerlijke voorrecht van tutoyeeren, "Het mysterie van het tutoyeeren!" roept Ernest La Jeunesse in L'Holocauste: "Slagboomen, die vallen, sluiers, die opgelicht worden, en de genoegelijkheid van het bestaan! Eens, toen ik mij erg eenzaam voelde en trachtte te wennen aan Parijs en aan het ongeluk, was ik bereid mijlen af te leggen--te voet natuurlijk--om een nichtje en een tante op te zoeken, alleen maar om iemand te mogen tutoyeeren. Soms waren ze niet thuis, en dan moest ik weer terug met mijn behoefte aan vertrouwelijkheid en familiariteit en broederlijkheid".
[207] Voor Sommige feiten en verwijzingen naar de uitgebreide literatuur over dezen handel, zie men bv. Bloch, Das Sexualleben unserer Zeit, pp. 374-376; ook K. M. Baer, Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Sept. 1908; Paulucci de Colboli, Nuova Antologia, April 1902.
[208] Deze beschouwingen gelden niet voor vele soorten van sexueel geperverteerden, die een belangrijk aandeel vormen van de cliënten van bordeelen. Deze kunnen dikwijls, wat zij begeeren, gemakkelijker in een bordeel vinden dan daar buiten.
[209] Zoo raadt Charles Booth, in zijn groote werk over Life and Labor in London, laatste deel (p. 128) aan, dat "rendez-vous-huizen" in plaats van vervolgd te worden, moesten geduld worden als een schrede in de richting van het onderdrukken van bordeelen.
[210] "Steden, zooals Woolwich, Aldershot, Portsmouth, Plymouth", zegt men wel eens, "zijn vol van ellendige, vuile monsters, die niet meer op vrouwen gelijken; maar het is drank, verachting, ruwheid en ziekte, die haar in dezen toestand gebracht hebben, niet het enkele feit, dat ze omgang hebben met mannen".
[211] "Het prostitutie-contract kan in de oogen van de prostituées zelf", volgens Bernaldo de Quiros en Llanas Aguilaniedo, "niet gelijk gesteld worden met een koop-akte of een werk-contract, noch met een anderen ruilhandel, die door de burgerlijke wetgeving erkend wordt. Zij vinden, dat er in zulk een contract altijd een element komt, dat het meer doet gelijken op een gift. "Het lichaam van een vrouw heeft geen prijs" is een axioma van de prostitutie. Het geld, dat gelegd wordt in de handen van haar, die de bevrediging van sexueel verlangen verzekert, is niet de prijs voor de daad, maar een offer, door de priesteres van Venus geëischt voor haar onderhoud". Voor den Spanjaard is, wel is waar, iedere verrichting, die aan handel doet denken, verachtelijk, maar het principe, dat aan dit gevoelen ten grondslag ligt, geldt ook voor de prostitutie in het algemeen.
[212] Journal des Goncourt, deel III; dit was in 1866.
[213] E. Lyttelton, Training of the Young in Laws of Sex, p. 42.
[214] Zie bv. R. W. Taylor, Treatise on Sexual Disorders, 1897, pp. 74-75. Georg Hirth (Wege zur Heimat, 1909, p. 619) vertelt het geval van een jong officier, die opgewonden door de liefkoozingen van zijn verloofde, terwijl hij te veel respect voor haar had om verder te gaan dan dit en te veel respect voor zich zelf om te masturbeeren, niet beter wist te doen dan naar een prostituée te gaan. Syphilis ontwikkelde zich eenige dagen na de bruiloft. Hirth voegt er kort aan toe, dat de gevolgen vreeselijk waren.
[215] Het is een dikwijls aangehaalde passage, maar ze kan haast niet dikwijls genoeg herhaald worden: "Ge ziet dat deze ijzeren plaat niet geheel plat is: ze heeft een bult, hier aan den linkerkant. Hoe moeten we ze plat krijgen? Natuurlijk, zult ge antwoorden, door op het uitstekende deel te slaan. Nu, hier is een hamer, en ik geef de plaat een slag, zooals ge aanraadt. Harder, zegt ge. Nog geen resultaat. Nog een slag? Nu, vooruit maar, en nog een en nog een. De verhevenheid blijft, ziet ge: het kwaad is even groot als vroeger--ja, zelfs grooter. Maar dat is niet alles. Kijk eens, hoe de plaat aan den anderen kant krom getrokken is. Waar ze tevoren plat was, daar is ze nu gebogen. We hebben ze mooi verknoeid. In plaats dat we het oorspronkelijke kwaad verbeterd hebben, hebben we er een tweede bij gemaakt. Als we een werkman gevraagd hadden, die ervaren was in het "pletten", zooals het genoemd wordt, dan zou hij ons vertellen, dat er geen goed te doen was, niets dan kwaad, door op het uitstekende deel te slaan. Hij zou ons geleerd hebben verschillend gerichte en speciaal geplaatste slagen met een hamer op een andere plaats te doen: zoo het kwaad aan te vallen, niet door directe, maar door indirecte handelingen. Het vereischte proces is minder eenvoudig dan ge gedacht had. Zelfs een metalen plaat kan niet met succes behandeld worden op die verstandige wijze, waarin ge zooveel vertrouwen hebt. Wat zullen we dan zeggen over een maatschappij?... Is de menschheid gemakkelijker in orde te krijgen dan een ijzeren plaat?" (The Study of Sociology, p. 270).
[216] Het is waarschijnlijk, dat Schopenhauer een meer dan speculatief belang bij deze zaak had. Bloch heeft goede gronden gevonden om te meenen, dat Schopenhauer zelf in 1813 syphilis kreeg, en dat dit een factor was die er toe bijdroeg zijn opvatting van de wereld te vormen en zijn constitutioneel pessimisme te bevestigen (Medizinische Klinik, Nos. 25 en 26, 1906).
[217] Havelburg, bij Senator en Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage, deel 1, p. 186-189.
[218] Dit is de zeer bepaalde overtuiging van Lowndes na een ondervinding van vier en vijftig jaar in het behandelen van venerische ziekten in Liverpool (British Medical Journal, Feb. 9, 1907, p. 334). Verder wordt ze bevestigd door het feit (als het een werkelijk feit is) dat sedert 1876 zoowel de kindersterfte als de algemeene sterfte door syphilis in Engeland afneemt.
[219] "Er is niet de minste twijfel aan, dat syphilis toeneemt in Londen, te oordeelen naar het hospitaalwerk alleen", zegt Pernes (British Medical Journal, March 30, 1907). Syphilis heerschte echter ook zeer veel, een paar eeuwen geleden, en er is geen reden om met zekerheid aan te nemen, dat ze tegenwoordig méér heerscht.
[220] Zie b.v., A. Neisser, Die experimentelle Syphilisforschung, 1906, en E. Hoffmann (die samenging met de ontdekking van Schaudinn), Die Aetiologie der Syphilis, 1906; D'Arcy Power, A System of Syphilis, 1908, enz.; F. W. Mott, "Pathology of Syphilis in the Light of Modern Research", British Medical Journal, February 20, 1909; ook, Archives of Neurology and Psychiatry, deel IV, 1909.
[221] Er is eenig verschil van opinie over dit punt, en hoewel het waarschijnlijk schijnt te zijn, dat vroege en grondige behandeling de ziekte gewoonlijk in een paar jaar geneest en verdere complicaties hoogst onwaarschijnlijk maakt, is het niet mogelijk, zelfs onder de meest gunstige omstandigheden, met absolute zekerheid iets over de toekomst te zeggen.
[222] "Dat syphilis geweest is, en nog is, een van de voornaamste oorzaken van de physieke degeneratie in Engeland, kan niet ontkend worden, en het is een feit, dat van alle kanten erkend wordt", schrijft Luitenant-Kolonel Lambkin, de commandant van het Londensche Garnizoens-Hospitaal voor venerische ziekten. "Te worstelen met de syphilis onder de burgerbevolking van Engeland moest het voornaamste doel zijn van hen, die belang stellen in de meest brandende kwestie, de physieke degeneratie van ons ras" (British Medical Journal, August 19, 1905).
[223] F. W. Mott, "Syphilis as a Cause of Insanity", British Medical Journal, October 18, 1902.
[224] Het kan zelden in meer dan tachtig percent van de gevallen bewezen worden, maar in twintig percent van oude gevallen van syphilis is het gewoonlijk onmogelijk sporen te vinden van de ziekten of een geschiedenis ervan te verkrijgen. Crocker vond, dat hij maar in tachtig percent van absoluut zekere syphilitische huidziekten een geschiedenis kon verkrijgen van syphilitische infectie, en Mott vond precies hetzelfde percentage in absoluut zekere syphilitische hersenveranderingen; Mott meent (bv. "Syphilis in Relation to the Nervous System", British Medical Journal, January 4, 1908), dat syphilis de essentieele oorzaak is van algemeene paralyse en van tabes.
[225] Andry, La Semaine Médicale, 26 Juni, 1907. Als Europeanen syphilis overbrengen naar landen, die bewoond worden door menschen van een lager ras, dan zijn de resultaten dikwijls zeer veel erger dan bovengenoemde. Zoo vond Lambkin, als resultaat van een speciale zending, om onderzoek te doen naar de syphilis in Uganda, dat in sommige districten wel negentig percent van de menschen aan syphilis lijden en dat vijftig tot zestig percent van de kindersterfte het gevolg is van deze oorzaak. Uganda wordt bewoond door de Baganda, een stam, intelligent, krachtig en goed georganiseerd, totdat zij door de syphilis in het volle genot kwamen van de beschaving en van het Christendom; dit laatste is (zooals Lambkin zegt) in hooge mate de oorzaak geweest van het verspreiden van de ziekte, doordat het maatschappelijke gewoonten omverwerpt en de vrouwen vrij maakt. Het Christendom is machtig genoeg om een oude moraal omver te werpen, maar niet machtig genoeg om een nieuwe op te bouwen (British Medical Journal, October 3, 1908, p. 1037).
[226] Zelfs binnen de grenzen van het Engelsche leger vindt men in Indië (H. C. French, Syphilis in the Army, 1907), dat venerische ziekten tienmaal meer voorkomen onder Engelsche troepen dan onder de troepen, die door inboorlingen gevormd worden. Als men de uit de volken zelf voortkomende legers niet mederekent, blijkt uit statistieken van ziekenhuizen en sterftetabellen, dat de Vereenigde Staten verreweg bovenaan staan, wat het veel voorkomen van venerische ziekten betreft; ze worden gevolgd door Engeland, dan Frankrijk en Oostenrijk, Rusland en Duitschland.
[227] Er bestaat geen strijd over den ouderdom van de gonorrhoe in de oude wereld, zooals over de syphilis. Ongetwijfeld was de ziekte al heel vroeg bekend. Zelfs Esar Haddon, de bekende koning van Assyrië, over wien in het Oude Testament gesproken wordt, werd door de priesters behandeld voor een kwaal, die, naar beschreven wordt in de op steenen geschreven mededeelingen van dien tijd, alleen gonorrhoe kan geweest zijn. Deze ziekte was ook bekend aan de oude Egyptenaren, en kwam blijkbaar veel voor, want zij vermeldden allerlei voorschriften voor de behandeling ervan. (Oefele, "Gonorrhoe 1350 vor Christi Geburt", Monatshefte für Praktische Dermatologie, 1899, p. 260).
[228] Zie: Memorandum by Sydney Stephenson, Report of Ophthalmia Neonatorum Committee, British Medical Journal, May 8, 1909.
[229] Het veelvuldig verspreid zijn van deze droeve gevolgen der gonorrhoe wordt b.v. in een uitgebreide verhandeling van Taylor, American Journal Obstetrics, January 1, 1908 uiteengezet.
[230] Neisser vermeldt cijfers, die betrekking hebben op het veel voorkomen van de gonorrhoe in Duitschland, Senator en Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage, deel II, p. 486-492.
[231] Lancet, September 23, 1882. Wat vrouwen aangaat, heeft Dr. Francis Ivens (British Medical Journal, Juni 19, 1909) in Liverpool gevonden, dat 14 percent van de gynaecologische gevallen blijk gaven van de aanwezigheid van gonorrhoe. De patienten waren gewoonlijk arme fatsoenlijke getrouwde vrouwen. Waarschijnlijk is het aantal zoo groot, doordat Liverpool een drukke zeehaven is, maar het is minder dan de taxatie van Sänger op 18 percent.
[232] E. H. Grandin, Medical Record, May 26, 1906.
[233] E. W. Cushing, "Sociological Aspects of Gonorrhoea", Transactions American Gynecological Society, vol. XXII, 1897.
[234] Alleen in heel kleine gemeenschappen, geregeerd door een autocratische macht met absolute autoriteit om toestanden te controleeren en menschen van beide seksen te onderzoeken, heeft reglementeering eenig effect. Dit wordt door Dr. W. E. Harwood aangetoond, die het systeem beschrijft, dat hij organiseerde in de mijnen van de Minnesota Iron Company (Journal American Medical Association, December 22, 1906). De vrouwen in de bordeelen op het grondgebied van deze onderneming waren van den laagsten stand, en er heerschte veel ziekte. Zorgvuldig onderzoek van de vrouwen werd ingesteld, en contrôle op de mannen, die, zoodra zij ziek werden, verplicht waren te zeggen, door welke vrouw zij geïnfecteerd waren geworden. De vrouw moest de rekening van den dokter betalen van den man, dien zij geïnfecteerd had, en zelfs zijn onderhoud, als hij voor zijn werk ongeschikt was, en de vrouwen werden gedwongen een fonds te onderhouden voor haar eigen verplegingskosten, als die noodig waren. Op deze wijze werden venerische ziekten, hoewel ze niet geheel uitgeroeid werden, toch aanmerkelijk verminderd.
[235] Een duidelijke en begrijpelijke uiteenzetting van den tegenwoordigen stand van zaken wordt door Iwan Bloch gegeven, Das Sexualleben unserer Zeit, hoofdst. XIII-XV. Hoezeer het systeem van politieregeling zonder resultaat is, zelfs in Duitschland, waar inmenging van de politie in zoo hooge mate verdragen wordt, kan duidelijk blijken uit het geval van Mannheim. Hier is de reglementeering van de prostitutie zeer streng en grondig; toch toonde een nauwkeurig onderzoek van de dokters van Mannheim (waarvan er twee en negentig in bijzonderheden gaande verslagen inzonden), in 1905 aan, dat van de zes honderd gevallen van venerische ziekten bij mannen, bijna de helft opgedaan was bij prostituées. Ongeveer de helft van de overige gevallen van infectie, (bijna een kwart van het geheel) had plaats gevonden door kellnerinnen en buffetjuffrouwen; dan volgden dienstmeisjes (Lion en Loeb, in Sexualpädagogik, the Proceedings of the Third German Congress for Combating Venereal Diseases, 1907, p. 295).
[236] Een zesde, minder talrijke klasse zou men hier aan toe kunnen voegen van de jonge meisjes, dikwijls niet meer dan kinderen, die verkracht zijn door mannen, die meenen, dat omgang met een maagd een geneesmiddel is voor hardnekkige venerische ziekte. In Amerika wordt dit dikwijls geloofd door Italianen, Chineezen, negers, enz. W. Travis Gibb, de medicus, die de onderzoekingen doet voor de New Yorksche maatschappij ter voorkoming van wreedheid aan kinderen, heeft meer dan 900 kinderen, die verkracht waren, onderzocht (maar een klein aantal van de gevallen, die werkelijk voorkomen, zegt hij), en vindt, dat dertien percent venerische ziekten hebben. Een tamelijk groot aantal van deze gevallen, onder meisjes van twaalf tot zestien jaar zijn, naar hij zegt, gewillige slachtoffers. Ook Dr. Flora Pollack, van de polikliniek van het Johns Hopkins Hospital, taxeert, dat in Baltimore alleen van 800 tot 1.000 kinderen tusschen den leeftijd van een en vijftien ieder jaar met venerische ziekten worden geïnfecteerd. Het grootste aantal, vindt zij, is op den leeftijd van zes, en de voornaamste oorzaak schijnt te zijn, niet wellust, maar bijgeloof.
[237] Voor een bespreking van de geërfde syphilis zie men b.v. Clement Lucas, Lancet, February 1, 1908.
[238] Veel kwaad is in sommige landen gedaan door de dwaze en verkeerde gewoonte van genootschappen en ziektekassen om geen notitie te nemen van venerische ziekten, en geen vrije medische hulp te verschaffen of ziekte-toelage aan die leden, die er aan lijden. Deze gewoonte heerschte bv. in Weenen tot 1907, toen er een meer humane en verlichte gedragslijn ingevoerd werd, en venerische ziekten op hetzelfde niveau geplaatst werden als andere ziekten.
[239] Actieve maatregelen tegen de venerische ziekten werden in Zweden ingevoerd in het begin van de vorige eeuw; ook verplichte en kostelooze behandeling. Verplichte aangifte werd vele jaren geleden in Noorwegen ingevoerd, en in 1907 verminderde het aantal gevallen van venerische ziekten zeer; er is verplichte behandeling.
[240] Zie bv. Morrow, Social Diseases and Marriage, hoofdst. XXXVII.
[241] Een commissie van de Medical Society van New-York, in 1902 benoemd om deze kwestie te overwegen, bracht rapport uit ten gunste van de aangifte zonder namen en adressen te geven, en Dr. C. R. Drysdale, die een werkzaam aandeel nam in de Internationale Conferentie in Brussel van 1899 raadde een dergelijk plan aan voor Engeland, British Medical Journal, Februari 3, 1900.
[242] Zoo werd in München, in 1908 een man, die een dienstmeisje met gonorrhoe geïnfecteerd had, om deze reden voor tien maanden naar de gevangenis gezonden. De stand der meeningen in Duitschland tegenwoordig over dit onderwerp wordt geresumeerd door Bloch, Sexualleben unserer Zeit, p. 424.
[243] A. Després, La Prostitution à Paris, p. 191.
[244] F. Aurientis, Etude Médico-légale sur la jurisprudence actuelle à propos de la Transmission des Maladies Venériennes, Thèse de Paris, 1906.
[245] In Engeland kan tegenwoordig "een echtgenoot, die willens en wetens zijn vrouw infecteert met een venerische ziekte, niet strafrechterlijk veroordeeld worden, nòch wegens aanranding, nòch wegens het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel" (N. Geary, The Law of Marriage, p. 479). Dit werd besloten in 1888, in het geval van R. v. Clarence, door negen tegen vier rechters (Court for the Consideration of Crown Cases Reserved).
[246] Het moderne democratische gevoel kant zich er tegen, dat een prostituée opgesloten zou kunnen worden, alleen omdat zij ziek is. Maar er kan niet de minste redelijke twijfel aan zijn, dat, als een geïnfecteerde prostituée een ander persoon infecteert, en niet in staat is de zeer hooge schadevergoedingen te betalen, die in zulk een geval gevraagd moesten worden, zij opgesloten behoorde te worden en aan een behandeling onderworpen. Dat is noodig in het belang van de gemeenschap. Maar faciliteiten voor medische behandeling zijn ook noodig, om te voorkomen dat er een premie gesteld wordt op het begaan van de overtreding, die kostelooze behandeling en onderhoud voor een prostituée zonder middelen ten gevolge zou hebben.
[247] Er is echter door het Parijsche Hof van Appel beslist, dat, als een man trouwt, als hij weet, dat hij lijdende is aan een venerische ziekte en die ziekte op zijn vrouw overbrengt, dit een voldoende oorzaak is voor echtscheiding (Semaine Médicale, Mei, 1896).
[248] Het groote boekdeel, getiteld Sexualpädagogik, dat de verhandelingen van het derde van deze congressen bevat, gaat nauwelijks in op het speciale onderwerp der venerische ziekten, en is gewijd aan de kwesties, die zich bezig houden met de algemeene sexueele opvoeding van jonge menschen, die, zooals vele van de sprekers hebben staande gehouden, beginnen moet met het kind aan den schoot van zijn moeder.
[249] "Werklieden, soldaten, en zoo voort", merkt Neisser op (Senator en Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage, vol. II, p. 485) "kunnen gemakkelijker meisjes van hun eigen stand vinden, die geen prostituée zijn, en toch bereid met hen in liefdesbetrekkingen te treden, die uitloopen op sexueelen omgang, en daarom zijn zij minder blootgesteld aan het gevaar van infectie, dan zij, die bijna uitsluitend hun toevlucht moeten nemen tot prostituées". (Zie ook Bloch, Sexualleben unserer Zeit, p. 437).
[250] De aard van zulke lezingen en hoever zij gaan moeten, wordt volkomen beschreven in de Verhandelingen van het Derde Congres van het Duitsche Genootschap ter Bestrijding van Venerische Ziekten, Sexualpädagogik, 1907.
[251] Ik laat buiten beschouwing, als buiten het bestek van dit werk, de hulpmiddelen, die bij het onderdrukken van venerische ziekten geleverd worden door de veelbelovende nieuwe methoden, die men eerst nu begint te begrijpen. (Zie, b.v. Metchnikoff, The New Hygiene, 1906).
[252] Max von Niessen, "Herr Doktor, darf ich heiraten?" Mutterschutz, 1906, p. 352.
[253] B.v., E. Belfort Bax, Outspoken Essays, p. 6.
[254] Zulke redenen staan in verband met het welvaren van de gemeenschap. "Alle immoreele daden leiden tot ongeluk van de gemeenschap, alle moreele daden tot geluk van de gemeenschap", zooals Prof. A. Mathews opmerkt, "Science and Morality", Popular Science Monthly, March, 1909.
[255] Zie Westermarck, Origin and Development of the Moral Ideas, deel I, blz. 386-390, 522.
[256] Westermarck, Origin and Development of the Moral Ideas, blz. 9, 159; ook het geheele hoofdstuk VII. Daden, die in overeenstemming zijn met de gewoonte geven aanleiding tot de algemeene goedkeuring; daden, die niet in overeenstemming zijn met de gewoonte, geven aanleiding tot algemeene afkeuring, en Westermarck komt met machtige argumenten om te bewijzen, dat die goedkeuring en die afkeuring de grondslag zijn van moreele oordeelvellingen.
[257] Dit wordt ook door rechtsgeleerden (bv. E. A. Schroeder, Das Recht in der Geschlechtlichen Ordnung, blz. 5) erkend.
[258] W. G. Sumner, (Folkways, p. 418) acht het zelfs wenschelijk den vorm van het woord te veranderen om den nadruk te leggen op de werkelijke en fundamenteele beteekenis van de moraal, en hij stelt het woord mores voor, om aan te duiden "populaire gewoonten en tradities, die leiden tot maatschappelijke hervorming". "Immoreel", zegt hij, "beteekent nooit iets anders dan tegengesteld aan de mores van tijd en plaats". Het is echter nergens voor noodig het goede oude woord "moraal" af te schaffen of er iets aan toe te voegen, zoolang wij ons duidelijk voor oogen stellen dat, aan den praktischen kant, het in zijn wezen beteekent gewoonte.
[259] Westermarck, op. cit., deel I, blz. 19.
[260] Zie bv. "Exogamie and the Mating of Cousins", in Essays Presented to E. B. Tylor, 1907, p. 53. "In het primitieve leven vinden wij veelal een naïef verlangen om, als het ware, de natuur te helpen, in het bekrachtigen van wat normaal is, om dan later de gevonden regels te bevestigen door den categorischen eisch van recht en gewoonte en wet. De neiging bestaat nog in onze beschaafde gemeenschappen en is als vereering van het normale dikwijls een doodsvijand van het abnormale en excentrieke, en verlamt maar al te dikwijls de originaliteit".
[261] De geest van het Christendom, zooals hij geïllustreerd is door Paulus, in een van zijn brieven, was uit Romeinsch oogpunt, naar Dill opmerkt (Roman Society, p. 11), "een afstand doen niet alleen van het burgerschap, maar van al de met moeite verkregen vruchten van beschaving en maatschappelijk leven".
[262] Zoo is het, dat, zooals Lecky in zijn History of European Morals zeide, "van alle afdeelingen van de zedenleer de kwesties over verhoudingen van de seksen en de juiste positie van de vrouw degene zijn, over welker toekomst de grootste onzekerheid bestaat". Misschien is er eenige vooruitgang gekomen sinds deze woorden geschreven werden, maar ze gelden toch nog voor de meerderheid der menschen.
[263] Aangaande het economisch huwelijk als een overblijfsel zie men b.v. Bloch, The Sexual Life of Our Time, p. 212.
[264] Senancour, De l'Amour, deel II, p, 233. De schrijver van The Question of English Divorce schrijft het ontbreken van een algemeene afkeer voor sexueele vrijheid toe aan de dwaze starheid van de wet.
[265] Bruno Meyer, "Etwas von Positiver Sexualreform", Sexual-Probleme, Nov. 1908.
[266] Elsie Clews Parsons, The Family, p. 351. Dr. Parsons beschouwt zulke verbintenissen terecht als een maatschappelijk kwaad als zij de ontwikkeling tegengaan van de persoonlijkheid.
[267] Vergelijk ook Rudeck, Geschichte der öffentlichen Sittlichkeit in Deutschland, 1897, blz. 146 et seq.
[268] Voor bewijsmateriaal aangaande de algemeene afwezigheid van het celibaat bij natuurvolken, zie men b.v. Westermarck, History of Human Marriage hoofdstuk VII.
[269] Er zijn b.v. twee millioen ongetrouwde vrouwen in Frankrijk, terwijl in België dertig percent van de vrouwen en in Duitschland soms zelfs vijftig percent ongetrouwd zijn.
[270] Zulk een positie zou biologisch niet onredelijk zijn, gezien de in hooge mate overwegende rol, die door de vrouw gespeeld wordt bij het sexueele proces, dat het behoud van het ras verzekert. "Als het sexueele instinct alleen maar van zijn physieke zijde beschouwd wordt", zegt D. W. H. Busch (Das Geschlechtsleben des Weibes, 1839, deel I, p. 201), "kan de vrouw niet beschouwd worden als het eigendom van den man, maar met gelijk en grooter recht kan de man beschouwd worden als het eigendom van de vrouw".
[271] Herodotus, deel I, hoofdst. CLXXIII.
[272] Dat macht en familiebetrekking geheel verschillende dingen zijn, werd vele jaren geleden aangetoond door L. von Dargun, Mutterrecht und Vaterrecht, 1892. Westermarck (Origin and Development of the Moral Ideas, deel I, p. 655), die geneigd is te denken, dat Steinmetz niet uitsluitend bewezen heeft, dat moederafstamming minder gezag in zich sluit van den echtgenoot over de vrouw, maakt de belangrijke opmerking, dat het gezag van den echtgenoot schade ondervindt als hij te midden van de familieleden van zijn vrouw leeft.
[273] Robertson Smith, Kinship and Marriage in Early Arabia; J. G. Frazer heeft er op gewezen, (Academy, March 27, 1886), dat de gedeeltelijk Semitische volken van den Noordelijken grens van Abyssinië, die niet onderworpen zijn aan het revolutionaire proces van den Islam, een systeem onderhouden, dat precies gelijkt op het beena huwelijk, zoowel als sommige sporen van het tegenovergestelde systeem, door Robertson Smith genaamd het ba'al huwelijk, waarbij de vrouw door koop verkregen wordt en een deel van den eigendom wordt.
[274] Spencer en Gillen, Northern Tribes of Central Australia, p. 356.
[275] Rhys en Brynmor-Jones, The Welsh People, blz. 55-6; vergelijk Rhys, Celtic Heathendom, p. 93.
[276] Rhys en Brynmor-Jones, op. cit., blz. 214.
[277] Crawley (The Mystic Rose, blz. 41 et seq.).
[278] Revillout, "La Femme dans l'Antiquité", Journal Asiatique, 906, deel VII p. 57. Zie ook Victor Marx, Beiträge zur Assyriologie, 1899, Bd. IV, Heft 1.
[279] Donaldson, Woman, blz. 196, 241 et seq. Nietzold, (Die Ehe in "Ägypten", p. 17), meent, dat het gezegde van Diodorus, dat geen kinderen onwettig waren, nadere toelichting behoeft, maar dat het onwettige kind in Egypte geen maatschappelijk nadeel ondervond.
[280] Amélineau, La Morale Egyptienne, p. 194; Hobhouse, Morals in Evolution, deel I, p. 187; Flinders Petrie, Religion and Conscience in Ancient Egypt blz. 131 et seq.
[281] Maine, Ancient Law, hoofdst. V.
[282] Donaldson, Woman, blz. 109, 120.
[283] Mercator, IV, 5.
[284] Digest XLVIII, 13, 5.
[285] Hobhouse, Morals in Evolution, deel I, p. 213.
[286] Voor een verslag van het werk van sommige van de minder bekende van deze pioniers, zie men een serie artikelen door Harriet McIlquham in de Westminster Review, vooral Nov. 1898 en Nov. 1903.
[287] De invloed van het Christendom op de positie der vrouwen is in den breede besproken door Lecky, History of European Morals, deel II, blz. 316 et seq., en nu onlangs door Donaldson, Woman, Bk. III.
[288] Migne, Patrologia, deel CLVIII, p. 686.
[289] Rasmussen (People of the Polar North, p. 56), beschrijft een verwoeden twist tusschen een man en vrouw, die elkaar om de beurt tegen den grond sloegen. "Een poosje later, toen ik naar binnen keek, lagen ze liefderijk te slapen, met hun armen om elkaar heen".
[290] Hobhouse, Morals in Evolution, deel II, p. 367. Dr. Stöcker wijst, in Die Liebe und die Frauen ook met nadruk op de beteekenis van dezen factor van persoonlijke verantwoordelijkheid.
[291] Vooral Olive Schreiner heeft den nadruk gelegd op de verkeerdheden van het parasitisme voor vrouwen. "De toegenomen weelde van den man", merkt zij op ("The Woman's Movement of Our Day", Harper's Bazaar, Jan. 1902) "behoeft aan de vrouw, aan wie hij ze besteedt, niet meer ten goede te komen, dan de meerdere rijkdom van zijn meesteres geestelijk of lichamelijk ten goede komt aan een poedel, die nu van haar een donsen kussen kan krijgen in plaats van een veeren, en een kippetje in plaats van rundvleesch". Olive Schreiner meent, dat het vrouwelijk parasitisme een gevaar is, dat tegenwoordig werkelijk de maatschappij bedreigt, en dat, als het niet afgewend wordt "de geheele vrouwelijkheid in beschaafde maatschappijen in een toestand van meer of minder absolute afhankelijkheid moet verzinken".
[292] In Rome en Japan heeft, zooals Hobhouse opmerkt (op. cit., deel I, blz. 169, 176) het patriarchale systeem zijn volste uitbreiding bereikt, en toch hebben de wetten van deze beide landen den man in een positie geplaatst van praktische onderworpenheid aan een rijke vrouw.
[293] Herodotus, Bk. II, hoofdst. XXXV. Herodotus merkte op, dat het de vrouw was en niet de man, op wie de verantwoordelijkheid rustte van het onderhouden van oude bejaarde ouders. Dat alleen al sloot in zich een hooge economische positie van de vrouwen. Het is niet te verwonderen, dat het aan sommige waarnemers, zooals aan Diodorus Siculus toescheen, dat de Egyptische vrouw de meesteres was van haar man.
[294] Hobhouse (loc. cit.), Hale, en ook Grosse meenen, dat een goede economische positie van een volk in zich sluit een hooge positie van de vrouw. Westermarck (Moral Ideas, deel I, p. 661) meent hier in overeenstemming met Olive Schreiner, dat deze opgave niet zonder wijziging kan aangenomen worden, hoewel hij het met haar eens is, dat de landbouw een goede uitwerking heeft op de positie der vrouw, omdat zij er zelf een werkdadig aandeel in neemt. Een goede economische positie heeft geen werkelijk effect in het verbeteren van de positie der vrouw, tenzij de vrouwen zelf er een werkzaam en niet een parasiet-achtig aandeel in hebben.
[295] Westermarck (Moral Ideas, deel I, hoofdst. XXXVI, deel II, p. 29) verwijst herhaaldelijk naar de eigendoms- en andere privileges, die de vrouwen bij natuurvolken hebben en die op een eenigszins hooger beschavingsniveau veelal verdwijnen.
[296] De geleidelijke toename van het aantal vrouwen onder de Engelsche werklieden in de machine-industrie begon in 1851. Er zijn nu, naar men taxeert, drie en een half millioen vrouwen aan het werk in de industrieele beroepen, behalve een half millioen dienstboden. (Voor bijzonderheden zie men, James Haslam, in een serie bladen van de Englishwoman, 1909).
[297] Zie b.v., J. A. Hobson, The Evolution of Modern Capitalism, tweede uitgave, 1907, hoofdst. XII, "Women in Modern Industry."
[298] Hobhouse, op. cit., deel I, p. 228.
[299] Fielding, Tom Jones, Boek III, hoofdst. VII.
[300] Zelfs de kerk nam ten slotte deze toewijzing van de verantwoordelijkheid aan, en "de sollicitatie", d.i. de zonde van een biechtvader, die zijn vrouwelijke boeteling verleidt, wordt steeds behandeld als uitsluitend de zonde van den biechtvader.
[301] Adolf Gerson, Sexual-Probleme, Sept. 1908, p. 547.
[302] Er is reeds vroeger verwezen naar de ongelukkige resultaten, die het gevolg kunnen zijn van de onwetendheid van de mannen, en het zal weer noodig zijn in het elfde hoofdstuk van dit werk.
[303] Pepys, Diary, uitg. Wheatley, deel VII, p. 10.
[304] Lombroso en Ferrero, La Donna Delinquente.
[305] Gury, Théologie Morale, art. 381.
[306] "De mannen zullen niet leeren wat de vrouwen zijn", merkt Rosa Mayreder op (Zur Kritik der Weiblichkeit, p. 199), "voordat zij opgehouden hebben ze voor te schrijven, wat ze behooren te zijn".
[307] Het is b.v. uiteengezet door Professor Wahrmund in Ehe und Eherecht, 1908. Ik behoef ternauwernood opnieuw te verwijzen naar de geschriften van Ellen Key, waarvan men bijna zeggen kan dat ze een nieuw tijdperk openen, vooral (in de Duitsche vertaling) Ueber Liebe und Ehe (ook in het Fransch vertaald), en (in de Engelsche vertaling, Putnam, 1909), het waardevolle, hoewel minder belangrijke werk, De eeuw van het kind. Zie ook Edward Carpenter, Als de menschen rijp worden voor de liefde; Forel, De sexueele kwestie (Engelsche vertaling, verkort, The Sexual Question, Rebman, 1908); Bloch, Het sexueele leven van onzen tijd, Rebman, 1908; Helene Stöcker, De liefde en de vrouwen, 1906; en Paul Lapie, De vrouw in het gezin, 1908.
[308] Rosenthal, uit Breslau, gaat zoo ver, dat hij van juridische zijde beweert ("Grundfragen des Eheproblems", Die Neue Generation, Dec., 1908), dat de bedoeling van de voortplanting voor het begrip van wettig huwelijk essentieel is.
[309] J. A. Godfrey, Science of Sex, p. 119.
[310] E. D. Cope, "The Marriage Problem", Open Court, Nov., 1888.
[311] Zie boven, p. 359.
[312] Wächter, Ehescheidungen, blz. 95 et seq.; Esmein, Marriage en Droit Canonique, deel I, p. 6; Howard, History of Matrimonial Institutions, deel II, p. 15. Howard meent (in overeenstemming met Lecky), dat van de vrijheid tot echtscheiden alleen misbruik gemaakt werd door een klein deel van de Romeinsche bevolking, en dat zulk een misstand, voor zoover hij bestond, niet de oorzaak was van achteruitgang van de moraal in Rome.
[313] De meeningen van de Christelijke Kerkvaders waren zeer afwisselend, en ze wisten soms zelf niet, wat ze meenden; zie bv. de meeningen, verzameld door Cranmer en opgesomd door Burnet, History of Reformation (ed. Nares), deel II, p. 91.
[314] Constantijn, de eerste Christelijke Keizer, stelde een streng en eigenaardige wet op de echtscheiding voor (die een vrouw toestond echtscheiding te verkrijgen van haar man, alleen als hij een moordenaar was, iemand vergiftigd had, of een grafschenner was), maar deze wet kon niet staande gehouden worden. Dus beval Anastasius in 497 echtscheiding met wederzijdsch goedvinden. Dit werd afgeschaft door Justinianus, die alleen echtscheiding toestond bij verschillende gespecificeerde oorzaken, daaronder echtbreuk van den man. Deze beperkingen bleken echter niet houdbaar, en de opvolger en neef van Justinianus, Justinus, herstelde weer de echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden. Ten slotte, in 870, kwam Leo de wijsgeer weer terug op het voorstel van Justinianus (zie b.v. Smith and Cheetham, Dictionary of Christian Antiquities, arts. "Adultery" en "Marriage").
[315] Het element van eerbied in de houding van de Germanen in den eersten tijd jegens vrouwen en de voorrechten, die zelfs getrouwde vrouwen hadden, schijnen, voor zoover als Tacitus als een betrouwbaar gids beschouwd kan worden, de overgebleven sporen te zijn van een vroeger maatschappelijk stadium op een meer matriarchale basis. Zij zijn zeer duidelijk zichtbaar bij het begin van de Duitsche geschiedenis. Van den beginne echter waren, hoewel echtscheiding met wederzijdsch goedvinden mogelijk schijnt geweest te zijn, de Duitsche zeden zonder erbarmen voor de getrouwde vrouw, die ontrouw was, of onvruchtbaar, of die op andere wijze aanstoot gaf, hoewel het eenigen tijd lang na het invoeren van het Christendom voor den Duitschen echtgenoot geen misdaad was echtbreuk te plegen. (Westermarck, Origin of the Moral Ideas, deel II, p. 453).
[316] "Deze vorm van huwelijk", zegt Hobhouse (op. cit., deel I, p. 156), "staat in nauw verband met de uitbreiding van de rechten van den man". Vergelijk Howard, op. cit., deel I, p. 231. De zeer lage plaats van de Duitsche vrouw in de middeleeuwen wordt duidelijk gemaakt door Hagelstange, Süddeutsches Bauernleben im Mittelalter, 1898, blz. 70 et seq.
[317] Howard, op. cit., deel I, p. 259; Smith and Cheetham, Dictionary of Christian Antiquities, art. Arrhae. Het schijnt echter dat de "bruidkoop", waarvan Tacitus spreekt, niet strikt de verkoop was van een stuk vee of van een slavinnetje, maar de verkoop van de mund of het recht van bescherming over het meisje. Het is waar, dat de beteekenis misschien niet altijd duidelijk is geweest aan hen, die deel namen aan de handeling. Evenzoo was de Angelsaksische verloving niet zoozeer een betalen van den prijs van de bruid aan haar verwanten, hoewel zij natuurlijk een voordeeltje uit de handeling konden slaan, als wel een verbond, dat fatsoenlijke behandeling van de vrouw als vrouw en weduwe eischte. Herinneringen hieraan, merken Pollock en Maitland op (op. cit., deel II, p. 364), kan men vinden in "die merkwaardige rommelkamer voor antiquiteiten, het huwelijksritueel van de Engelsche kerk".
[318] J. Wickham Legg, Ecclesiological Essays, p. 189. We mogen er aan toevoegen dat het denkbeeld van de onderwerping van de vrouw aan den man in een tamelijk vroeg stadium in de Christelijke kerk voor den dag kwam, en ongetwijfeld onafhankelijk van Germaansche invloeden; de heilige Augustinus zeide (Sermo XXXVII, cap. VI) dat een goede mater familias zich niet moest schamen zich de dienstmaagd van haar man te noemen (ancilla).
[319] Zie b.v. L. Gautier, La Chevalerie hoofdst. IX.
[320] Howard, op. cit., deel I, blz. 278-281, 386. De Arrha kwam te voorschijn in de Romeinsche wet in de zesde eeuw.
[321] Howard, op. cit., deel I, blz. 293 et seq.; Smith and Cheetham, Dictionary of Christian Antiquities, art. "Contract of Marriage".
[322] Alle latere veranderingen in het Katholieke canonieke recht hebben het huwelijk alleen nog maar enger gemaakt en nog verder van de praktijk van de wereld afgebracht. Bij een decreet van den paus van 1907, wordt verklaard, dat burgerlijke huwelijken en huwelijken op niet-katholieke plaatsen van eeredienst niet alleen zondig zijn en onwettig (wat ze tevoren ook al waren), maar van nul en geenerlei waarde.
[323] E. S. P. Haynes, Our Divorce Law, p. 3.
[324] Het was het Concilie van Trente, in de zesde eeuw, dat de kerkelijke riten maakte tot een essentieel punt voor een bindend huwelijk; maar zelfs toen stemden zes en vijftig prelaten tegen die beslissing.
[325] Esmen, op. cit., deel I, p. 91.
[326] Soms zegt men, dat de Katholieke kerk de verkeerdheden van haar leer van de onontbindbaarheid van het huwelijk matigt door een aantal beletselen voor het huwelijk aan te nemen, terwijl ze vrije speelruimte laat aan hen, die vrijstelling van het huwelijk willen hebben. Dit schijnt echter nauwelijks het geval te zijn. Dr. P. J. Hayes, die als kanselier van de Katholieke aartsdiocese van New-York met gezag spreekt, zegt ("Impediments to Marriage in the Catholic Church", North American Review, Mei 1905), dat zelfs in een zoo moderne en gemengde gemeenschap als deze er maar weinig aanvragen zijn om dispensatie ten gevolge van beletsels; er zijn per jaar 15.000 Katholieke huwelijken in de stad New-York, maar alleen bij vijf per jaar wordt er navraag naar gedaan of ze wel geldig zijn, en dan voornamelijk op grond van bigamie.
[327] De Canonisten, zeggen Pollock en Maitland (loc. cit.), "hebben een willekeurige chaos gemaakt van de huwelijkswet". "Zelden", zegt Howard (op. cit., deel I, p. 340), "hebben theorie en fijne haarkloverijen verderfelijker gevolgen gehad in het practische leven dan toen ze het onderscheid tusschen sponsalia de praesenti en de futuro vaststelden".
[328] Howard, op. cit., deel I, p. 386 et seq. Over het geheel was echter de meening van Luther, dat het huwelijk, hoewel heilig en geheimzinnig, geen sacrament is; zijn verschillende gezegden over de zaak zijn te zamen gebracht door Strumpff, Luther über die Ehe, blz. 204-214.
[329] Howard, op. cit., deel II, p. 61 et seq.
[330] Waarschijnlijk bleef, als een resultaat van de eenigszins verwarde en onsamenhangende houding van de Hervormers, de canonieke wet in Protestantsche landen inderdaad langer van kracht dan in Katholieke landen; vooral in Frankrijk is ze ingrijpender veranderd. (Esmein, op. cit., deel I, p. 33).
[331] De opvatting der kwakers over het huwelijk is nog heden van machtigen invloed. "Waarom", zegt Mrs. Besant (Marriage, p. 19), "zouden we niet wat van de kwakers overnemen, en voor de tegenwoordige wettige vormen van het huwelijk een eenvoudige verklaring, in het openbaar gedaan, in de plaats stellen?"
[332] Howard, op. cit., deel II, p. 456. De werkelijke praktijk in Pennsylvanië schijnt echter weinig te verschillen van die in de andere Staten.
[333] Howard, op. cit., deel II, p. 109. "Het is werkelijk verwonderlijk", merkt Howard op, "dat een groote natie, die zich beroemt op liefde voor gelijkheid en maatschappelijke vrijheid, volle vijf generaties lang een hatelijke verdraagzaamheid toelaat, eer dan zich vrij en moedig te bevrijden van de banden van een kerkelijke traditie".
[334] "Het gedwongen voortzetten van een ongelukkige vereeniging is misschien het immoreelste ding, dat een beschaafde maatschappij ooit gezien, nog veel minder aangemoedigd heeft", zegt Godfrey (Science of Sex, p. 123). "Het moreele van een vereeniging hangt af van het wederzijdsch verlangen, en een vereeniging, die door een andere oorzaak wordt voorgeschreven, ligt buiten de beschaving, hoezeer de gewoonte ze moge erkennen, of de godsdienst en de wet ze moge goedkeuren".
[335] Echtbreuk wordt in de meeste wilde en barbaarsche maatschappijen, zooals Westermarck zegt, beschouwd als "een onwettig zich toeëigenen van de rechten, die de echtgenoot uitsluitend verkregen heeft door den koop van zijn vrouw, als een vergrijp tegen den eigendom"; de verleider wordt daarom gestraft als een dief, met boete, verminking, zelfs dood (Origin of the Moral Ideas, deel II blz. 447 et seq.; id., History of Human Marriage, p. 121). Bij sommige volken wordt alleen de verleider en niet de vrouw gestraft.
[336] Er wordt soms gezegd ter verdediging van de eischen tot schadevergoeding voor het verleiden van een getrouwde vrouw, dat vrouwen dikwijls zwak zijn en niet in staat weerstand te bieden aan toenadering van een man, zoodat de wet zwaar zou moeten drukken op den man, die zich die zwakheid ten nutte maakt. Dit argument schijnt wat verouderd. De wet begint de verantwoordelijkheid zelfs van de getrouwde vrouwen in andere opzichten aan te nemen, en kan wel nauwelijks weigeren ze ook aan te nemen voor het controleeren van haar eigen persoon. Bovendien, als het zoo natuurlijk is voor de vrouw om te zwichten, dan is het nauwelijks rechtmatig den man te straffen, met wien zij die natuurlijke daad gedaan heeft. Er moet verder gezegd worden, dat, als de echtbreuk van een vrouw alleen maar een onverantwoordelijke vrouwelijke zwakheid is, dat dan een zeer ongepaste ruwheid haar wordt aangedaan door het openlijk eischen van schadevergoeding van haar minnaar. Als we werkelijk dit argument aannemen, dan moeten we de middeleeuwsche kuischheidsgordel weer invoeren.
[337] Howard, op. cit., deel II, p. 114.
[338] Deze regel is in Engeland geenszins een doode letter. Zoo bracht in 1907 een vrouw, die haar huis had verlaten, terwijl ze een brief achterliet waarin ze zeide, dat haar man niet de vader van haar kind was, daarna een aanklacht uit wegens echtbreuk en omdat de man zich niet verdedigde, werd haar die toegestaan. Maar, daar de advocaat van de kroon (King's Proctor) de feiten vernomen had, werd het vonnis vernietigd. Toen diende de man een aanklacht in tot echtscheiding, kon die echter niet verkrijgen daar hij reeds had toegegeven dat hij echtbreuk begaan had, door zich in het vorige geval niet te doen verdedigen. Hij bracht de zaak voor het hof van appèl maar zijn verzoek werd niet ingewilligd, daar het hof van meening was, dat "het verleenen van steun in zulk een geval niet was in het belang van de algemeene moraal". De veiligste weg in Engeland om wat wettig "huwelijk" genoemd wordt absoluut onontbindbaar te maken, is dat beide partijen echtbreuk begaan.
[339] Magnus Hirschfeld, Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Oct. 1908.
[340] H. Adner, "Die Richterliche Beurteilung der "Zerrütteten" Ehe", Geschlecht und Gesellschaft, Band II, Deel 8.
[341] Gross-Hoffinger, Die Schicksale der Frauen und die Prostitution, 1847; Bloch geeft een volledige opsomming van de resultaten van dit onderzoek in een Appendix bij hoofdstuk X van zijn Sexual Life of Our Time.
[342] De echtscheiding in de Vereenigde Staten wordt in den breede besproken door Howard, op. cit., deel III.
[343] H. Münsterberg, The Americans, p. 575. Evenzoo meent Dr. Felix Adler, in een studie over "The Ethics of Divorce" (The Ethical Record, 1890, p. 200), hoewel hij zelf geen voorstander van echtscheiding is, dat de eerste oorzaak voor het veel voorkomen van de echtscheiding in de Vereenigde Staten is de hooge positie der vrouwen.
[344] In een belangwekkend artikel, met gevallen ter illustratie, over "Het Neurologische Element in den huwelijksafkeer" (Journal of Nervous and Mental Diseases, Sept. 1892) verwijst Smith Baker naar de gevallen waarin "een man hoe langer hoe meer antipathie tegen zijn vrouw begint te gevoelen, als hij haar naar verhouding minder ontwikkelde persoonlijkheid leert kennen. Terwijl hij misschien trouwde, voordat hij juist had leeren oordeelen over karakter en de neigingen daarvan, komt hij tot besef van het feit, dat hij in eere verplicht is zijn geheele physiologische leven te leven, niet met een werkelijke gezellin, maar met een surrogaat." De gevallen zijn nog talrijker, merkt dezelfde schrijver op, waarin de sexueele begeerte van de vrouw zich niet openbaart, behalve als resultaat van opvoeding en oefening. "Deze soort van natuurlijk-onnatuurlijken toestand is de bron van veel teleurstelling, en van intens lijden van de zijde van de vrouw evenzeer als van ontevredenheid in de familie". Toch zijn zulke oorzaken van echtscheiding veel te samengesteld om in wetboeken vermeld te worden, en veel te intiem om in gerechtshoven bepleit te worden.
[345] Tien jaar geleden, misschien nu nog wel, kwamen de Vereenigde Staten als de vierde wat de veelvuldigheid van echtscheiding aangaat, na Japan, Denemarken, en Zwitserland.
[346] Lecky, de historieschrijver over de Europeesche moraal, heeft gewezen (Democracy and Liberty, deel II, p. 172) op de nauwe betrekking in het algemeen tusschen het gemak van de echtscheiding en een hoogen standaard van de sexueele moraal.
[347] Zoo b.v., Hobhouse, Morals in Evolution, deel I, p. 237.
[348] In Engeland werd deze stap gedaan onder de regeering van Hendrik VII, toen het gedwongen huwen van vrouwen tegen haar wil bij de wet verboden werd (3 Henry VII, c. 2). Zelfs al in het midden van de zeventiende eeuw moest de kwestie van het gedwongen huwelijk weer behandeld worden (Inderwick, Interregnum, blz. 40 et seq.).
[349] Woods Hutchinson (Contemporary Review, Sept., 1905) beweert, dat als epilepsie, krankzinnigheid, moreele perversie, gewoonte-dronkenschap, of misdadig gedrag van eenigerlei soort voorkomt, de echtscheiding, ter wille van het komend geslacht, niet alleen toegestaan moest zijn, maar verplichtend. Echtscheiding alleen zou echter niet voldoende zijn om het gewenschte doel te bereiken.
[350] Evenzoo schrijft in Duitschland Wanda von Sacher-Masoch, die wat haar eigen karaktergebreken ook mogen geweest zijn, veel door het huwelijk geleden had, aan het eind van Meine Lebensbeichte, dat "zoolang de vrouwen den moed niet hebben, zonder tusschenkomst van den Staat of tusschenkomst van de kerk verhoudingen te regelen, die haarzelf alleen aangaan, zullen zij niet vrij zijn". In plaats van dit oude, vervallen huwelijkssysteem, dat zoo tegenovergesteld is aan onze moderne gedachten en gevoelens, wilde zij persoonlijke contracten hebben, gemaakt door een advocaat. In Engeland schreef al veel vroeger Charles Kingsley, een vurig voorstander van de vrouwenbeweging, wiens gevoel voor de vrouwen bijna tot vereering steeg, aan J. S. Mill: "Er kan nooit iets goeds komen voor de vrouwen, eer het laatste overblijfsel van de canonieke wet door de beschaving ter zijde is gesteld".
[351] "Er is nooit vuiler instelling uitgevonden", verklaarde Auberon Herbert vele jaren geleden, en daarmee drukte hij een gevoelen uit, dat later zeer gewoon is geworden; "en het bestaan ervan sleept zich, tot onze groote schande voort, omdat we niet den moed hebben om vrijuit te zeggen, dat de sexueele verhoudingen van man en vrouw, of van hen, die samen leven, hen zelf aangaan, en dat ze niet de glurende, gretige, zelfgenoegzame, en ontzettend onware buitenwereld aangaan".
[352] Hobhouse, op. cit., deel I, p. 237.
[353] Dezelfde opvatting van het huwelijk als een contract blijft nog tot op zekere hoogte ook in de Vereenigde Staten bestaan, waar ze heen gebracht was door de eerste Protestanten en Puriteinen. De Staten geven gewoonlijk geen definitie van het huwelijk, maar, naar Howard zegt (op. cit., deel II, p. 395), "inderdaad wordt het huwelijk behandeld als een verhouding, die zoowel iets heeft van den aard van een toestand als van een contract".
[354] Dit gezichtspunt is grondig uiteengezet door Paul en Victor Margueritte, Quelques Idées.
[355] Ik wil opmerken, dat dit vele jaren geleden door C. G. Garrison aangetoond werd, die de gevolgen hiervan besprak in zijn "Limits of Divorce", Contemporary Review, Feb., 1894. "We kunnen veilig zeggen", besluit hij, "dat het huwelijk in geen opzicht op een contract gelijkt, noch in vorm, noch als geneesmiddel, handelwijze of in resultaat; maar dat het in al deze opzichten integendeel de rechten, van de personen, die het aangaat, verkort". Het huwelijk is geen contract, maar een wijze van zich gedragen.
[356] Zie b.v. P. en V. Margueritte, op. cit.
[357] Zooals aangehaald door Howard, op. cit., deel II, p. 29.
[358] Evenzoo merkt Ellen Key (Ueber Liebe und Ehe, p. 343) op, dat te spreken over "den plicht van levenslange trouw" in veel opzichten hetzelfde is, als te spreken van "den plicht van levenslange gezondheid". Een mensch kan zijn best doen om zijn leven of zijn liefde te bewaren; hij kan dit niet onvoorwaardelijk op zich nemen.
[359] Hobhouse, op. cit., deel I, blz. 159, 237-9; vergelijk P. en V. Margueritte, Quelques Idées.
[360] "Echtscheiding", zooals Garrison zegt ("Limits of Divorce", Contemporary Review, Febr. 1894), "is de rechterlijke mededeeling, dat een gedrag, hetwelk eens dat van een huwelijk was in aard en doel, deze eigenschappen verloren heeft... Echtscheiding is een feitelijk iets, en niet een vrijheid om een belofte te breken".
[361] Zie boven, p. 325.
[362] Het is noodig geweest de voortplanting in het eerste hoofdstuk van dit werk te bespreken, en het zal weer noodig zijn in het laatste hoofdstuk. Hier hebben wij alleen te maken met de voortplanting als een element van het huwelijk.
[363] Nietzold, Die Ehe in Aegypten zur Ptolemäisch-römischen Zeit, 1903, p. 3. Deze band verzekerde ook rechten aan de kinderen, die tijdens het bestaan ervan geboren werden.
[364] Zie bv. Ellen Key, Moeder en Kind, p. 21. De noodzakelijkheid tot het combineeren van grooter vrijheid van sexueele verhoudingen met grootere gestrengheid van ouderlijke verhoudingen werd in een vroeger tijd duidelijk erkend door een andere bekwame schrijfster, Miss J. H. Clapperton, in haar beroemd boek Scientific Meliorism, uitgegeven in 1885 "Wettelijke veranderingen", schreef zij (p. 320), "zijn noodig in twee richtingen, en wel in de richting van grooter vrijheid van huwelijk en grooter preciesheid, wat het ouderschap aangaat. De huwelijksvereeniging is in haar wezen een persoonlijke zaak, waarmee de maatschappij niet geroepen is zich te bemoeien en waartoe ze ook geen recht heeft. De geboorte van een kind daarentegen is een openbare gebeurtenis. Ze raakt de belangen van de geheele natie."
[365] Ellen Key, Liefde en Huwelijk, p. 168; vergelijk van dezelfde schrijfster De Eeuw van het Kind.
[366] In Duitschland alleen worden ieder jaar 100.000 "onwettige" kinderen geboren, en het aantal neemt snel toe; in Engeland is het maar 40.000 per jaar, daar het sterke vooroordeel, dat dikwijls bestaat tegen zulke geboorten in Engeland (zooals ook in Frankrijk) aanleiding geeft tot het in wijden kring toepassen van middelen ter voorkoming van de conceptie.
[367] "Waar zijn werkelijk monogamisten te vinden?" vroeg Schopenhauer in zijn verhandeling "Ueber die Weiber". En James Hinton was gewoon te zeggen: "Wat is de bedoeling van het in stand houden van de monogamie? Is er eenige kans om ze te krijgen, zou ik wel eens willen weten? Noemt gij het Engelsche leven monogaam?"
[368] "Bijna overal", zegt Westermarck van de polygynie (die hij in den breede bespreekt in de hoofdstukken XX-XXII van zijn History of Human Marriage) "is ze beperkt tot het kleinste gedeelte van de menschen en het grootste deel is monogaam". Maurice Gregory (Contemporary Review, Sept. 1906) geeft statistieken, die aantoonen, dat er bijna overal een neiging tot gelijkheid in aantal van de geslachten te vinden is.
[369] In een polygaam land is een man natuurlijk door zijn verplichtingen evenzeer gebonden aan zijn tweede vrouw, als aan zijn eerste. Bij ons wordt de tweede vrouw onteerd door den naam maitres, en hoe slechter de man haar en haar kinderen behandelt, des te meer wordt zijn moraal goedgekeurd, evenals de Katholieke kerk, toen ze trachtte het coelibaat onder de geestelijkheid in te stellen, meer goedkeuring had voor den priester, die onwettige verhoudingen had met vrouwen, dan den priester, die fatsoenlijk en openlijk trouwde. Als zijn verwaarloozing er de maitres van een getrouwd man toe brengt haar verhouding tot hem bekend te maken, dan heeft de man recht haar te vervolgen, en zijn advocaat zal, van de algemeene sympathie verzekerd, voor het gerechtshof zeggen, dat "deze vrouw zoo slecht is geweest van te schrijven aan de vrouw van den klager!"
[370] Howard, in zijn oordeelkundige History of Matrimonial Institutions (deel II, blz. 96 et seq.), kan niet nalaten de aandacht te vestigen op den bijna krankzinnig opgewonden aard van de taal, die in Engeland nog maar weinige jaren geleden gebruikt werd door hen, die waren tègen het huwelijk met de zuster van de overledene vrouw, en hij stelt die tegenover de meer redelijke houding van de Katholieke kerk. "Er zijn voorbeelden gegeven", merkt hij op, "van de moreele anarchie, die zulke huwelijken moeten te voorschijn roepen, en die zijn door opmerkers uit Amerika, uit de koloniën en van het vasteland gelezen met een ongerustheid, die niet onvermengd was met tegenzin, en het zijn werkelijk merkwaardige illustraties van het uiterst insulair karakter van den Engelschen geest". Nog in A.D. 1908 werd er een wetsontwerp gebracht in het House of Lords, hetwelk voorstelde, dat verlating zonder oorzaak twee jaren lang een reden zou zijn tot echtscheiding, een redelijke en menschelijke maatregel, die als wet geldt in de meeste deelen van de beschaafde wereld. De Lord Kanselier (Lord Loreburn), een liberaal, en een verlicht en scherpzinnig leider in de sfeer van de politiek, verklaarde, dat zulk een voorstel "absoluut onmogelijk" was. Het Huis verwierp het voorstel met 61 tegen 2 stemmen. Zelfs de huwelijksbesluiten van het concilie van Trente werden niet door zulk een overweldigende meerderheid aangenomen. Inzake de huwelijkswetgeving is Engeland nog nauwelijks ontwassen aan de Middeleeuwen.
[371] Quaestionum Convivalium, lib. III, quaestio 6.
[372] E. D. Cope, "The Marriage Problem" Open Court, Nov. 1888.
[373] Columbusmeeting van de American Medical Association, 1900.
[374] Ellen Key, Ueber Liebe und Ehe, p. 24.
[375] In een bewonderenswaardig artikel over Friedrich Schlegel's Lucinde (Mutterschutz, 1906, Heft 5) beschouwt Heinrich Meyer-Benfey, die er op wijst, dat de Katholieke opvatting van het huwelijk liefde toestond, maar ze niet verhief, Lucinde, met hare gebreken, als de eerste uitdrukking van de eenheid van de zinnen en de ziel, en, als zoodanig als de basis van de nieuwe zedeleer der liefde. We moeten er echter bijvoegen, dat vier honderd jaar geleden Pontano deze zelfde eenheid der liefde veel krachtiger en veel gezonder uitgesproken had dan Schlegel, hoewel het Latijnsche vers, frisch en vol leven als het is, zonder invloed bleef. Pontano's Carmina, met de "De Amore Conjugali", zijn eindelijk door Soldati in een schooluitgave herdrukt.
[376] Van de dertiende tot de zeventiende eeuw was Ovidius inderdaad de meest populaire en invloedrijkste van de klassieke dichters. Zijn werken speelden een groote rol bij het vormen van de literatuur van de Renaissance, niet het minst in Engeland, waar Marlowe zijn Amores vertaalde, en Shakespeare, tijdens de eerste jaren van zijn literaire werkzaamheid, hem veel verschuldigd was (zie bv. Sidney Lee, "Ovid and Shakespeare's Sonnets", Quarterly Review, April 1909).
[377] Dit is reeds in hoofdstuk II besproken.
[378] Op den leeftijd van vijf en twintig jaar, naar G. Hirth opmerkt (Wege zur Heimat, p. 541) heeft een energiek en sexueel aangelegd man in een groote stad meestal al verhoudingen gehad met ongeveer vijf en twintig vrouwen, misschien al wel met vijftig, terwijl een wel opgevoede en beschaafde vrouw op dien leeftijd eerst begint de langzaam zich opeenhoopende opwindingen van de sekse te realiseeren.
[379] In zijn studie over "Conjugal Aversion" (Journal Nervous and Mental Disease, Sept., 1892) wijst Smith Baker op de waarde van voldoende sexueele kennis voor het huwelijk voor het verminderen van de gevaren voor zulk een aversie.
[380] "Het mag tot eer van de mannen gezegd worden", merkt Adler naar waarheid op, (op. cit., p. 182), "dat het misschien niet dikwijls hun bewuste brutaliteit is, die in deze zaak het kwaad sticht, maar alleen gebrek aan handigheid en gebrek aan begrijpen. De man, die niet speciaal door de natuur en door de ondervinding begaafd is voor den psychischen omgang met vrouwen, zal waarschijnlijk niet, door zijn vroegeren omgang met Venus vulgivaga, eenige nuttige kennis mee ten huwelijk brengen, hetzij psychisch of physiek".
[381] "Den eersten nacht", schrijft een correspondent over zijn huwelijk, "vond zij de daad zeer pijnlijk en was zij verschrikt en verwonderd over de grootte van mijn penis, en daarover, dat ik zoo plotseling op haar af kwam. Wij hadden vóór het huwelijk zeer openlijk over sexueele zaken gesproken, en het kwam nooit bij mij op, dat ze de bijzonderheden van de daad niet kende. Ik dacht, dat het haar zou hinderen over deze zaken te spreken; maar ik zie nu in, dat ik haar de dingen had moeten uitleggen. Vóór ik trouwde was ik tot de conclusie gekomen, dat de eerbied, die men aan zijn vrouw verschuldigd is, niet vereenigbaar was met een wijze van spreken, die indecent zou kunnen schijnen, en ook had ik besloten niet tot haar te spreken over wat ik toen meende, dat vuile dingen waren, zelfs over het naakt zijn, en haar naakt te hebben. Ik was inderdaad het slachtoffer van onware ingetogenheid; het was een kunstmatige reactie op het leven, dat ik vóór mijn huwelijk geleid had. Nu schijnt het mij natuurlijk toe, dat als men een vrouw liefheeft, men met haar doet wat in u of in haar opkomt. Als ik het niet als een fout gevoeld had zulke daden tusschen ons aan te moedigen, dan zou er zich tusschen ons een sexueele sympathie hebben kunnen vormen, die mij nauwer aan haar zou verbonden hebben".
[382] Montaigne, Essais, boek III, hoofdstuk V. Het is een feit van beteekenis, dat zelfs in de kwestie van inlichting, vrouwen, niettegenstaande veel onwetendheid en onervarenheid, dikwijls beter toegerust zijn voor het huwelijk dan mannen. Naar Fürbringer opmerkt (Senator en Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 212), hoewel de vrouw gewoonlijk kuischer is bij het huwelijk dan de man, "is zij toch gewoonlijk beter ingelicht in zaken, die tot den huwelijkschen staat behooren, niettegenstaande nu en dan voorkomende verwondering wekkende bekentenissen."
[383] Een fijnvoelend man schrijft in een brief over zijn vrouw: "Zij verliest nooit haar gevoel van eigenwaarde, noch mijn respect voor haar, eenvoudig omdat wij wanhopig op elkander verliefd zijn, en alles, wat wij beiden doen--en wat menige prostituée weigeren zou--voor ons slechts de altijd nieuwe poging is om onzen hartstocht in handelingen om te zetten. Nu eerst begrijp ik, wat de woorden "den reine is alles rein" beteekenen, en dat hij, die liefheeft, zich over geen koenheid te schamen heeft. Ik heb het altijd gevoeld, dat haar lief te hebben beteekent een emancipatie tot het hoogere". Het is duidelijk, dat alleen het innemen van zulk een houding, het voor een kuische vrouw mogelijk maakt, hartstochtelijk te zijn.
[384] "Werkelijk verstaan te worden" naar Rafford Pyke terecht zegt, "te zeggen wat zij wil, haar innigste gedachten op haar eigene wijze te uiten, de traditioneele conventies, die haar hinderen en drukken op zij te schuiven iemand bij zich te hebben, met wien ze volkomen vrij kan zijn, en toch te weten, dat geen syllabe van wat zij zegt verkeerd uitgelegd of verkeerd begrepen zal worden, maar eer juist begrepen, zooals zij het alles voelt--hoe wonderheerlijk is dit voor iedere vrouw, en hoe weinig mannen zijn er, die het haar kunnen geven!"
[385] In de jongste tijden is ze besproken geworden in verband met het veel voorkomen van spontane nachtelijke emissies.
[386] Naar Zenobia's gewoonte verwijst Gibbon Decline and Fall, ed. Bury. dl. I, p. 302. De beslissing van de Koningin van Arragon wordt vermeld door een jurist uit Montpellier, Nicolas Bohier (Boerius) in zijn Decisiones, etc., ed. van 1579, p. 563; er wordt door Montaigne naar verwezen in zijn Essais, Bk. III, hoofdst. V.
[387] Haller, Elementa Physiologiae, 1779, deel III, p. 57.
[388] Hammond, Sexual Impotence, p. 129.
[389] Fürbringer, Senator en Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 221.
[390] Forel, Die Sexuelle Frage, p. 80.
[391] Guyot, Bréviaire de l'Amour Expérimental, p. 144.
[392] Erb, Ziemssen's Handbuch, Band XI, II, p. 148. Guttceit beschouwde het ook zoo, dat de zeer ruime variaties, die gevonden worden, aangeboren en natuurlijk zijn. We kunnen er aan toevoegen, dat sommigen meenen, dat er rasverschillen zijn. Zoo is er geconstateerd, dat de aanleg van de Engelschen gering is, en die van de Franschen (vooral uit Provence, Languedoc, en Gascogne) groot, terwijl Loewenfeld meent, dat het Germaansche ras het Fransche overtreft in geschiktheid tot het veelvuldig herhalen van de geslachtsdaad. Het is waarschijnlijk, dat deze meeningen niet veel waarde hebben, en dat de voornaamste verschillen eerder individueel zijn dan dat ze tot het ras behooren.
[393] Ribbing, L'Hygiène Sexuelle, p. 75. Kisch spreekt dezelfde opinie uit in zijn Sexual Life of Woman.
[394] Mohammed, die dikwijls égards voor vrouwen vertoonde, die zeer zeldzaam zijn bij de stichters van godsdiensten, is een uitzondering. Zijn voorschrift van eens per week was het recht van de vrouw, geheel onafhankelijk van het aantal vrouwen, dat een man zou kunnen hebben.
[395] Hoe broos de aanspraak is van de "huwelijksrechten" kan voldoende blijken uit het feit, dat velen het er nu voor houden dat het woord "huwelijksrechten" zelf op een schrijffout berust, terwijl men voor "rights" (rechten) het evenzoo klinkende woord "rites" (riten) had moeten schrijven (zie Notes and Queries, 16 Mei 1891, 6 Mei 1899). Deze uitleg, moeten we er aan toevoegen, heeft alleen betrekking op den geijkten term, want er kan geen twijfel aan zijn, dat het denkbeeld, dat er aan ten grondslag ligt, zijn bestaan heeft, geheel onafhankelijk van het woord.
[396] "In de meeste huwelijken die niet gelukkig zijn", zegt Rafford Pyke in zijn interessant geschrift over "Husbands and Wives" (Cosmopolitan, 1902), "is het eer de vrouw dan de man, die de meeste malen teleurgesteld is".
[397] Het wordt echter door erotische schrijvers wel erkend, dat vrouwen soms een tamelijk actieve rol spelen. Zoo zegt Vatsyayana, dat de vrouw soms de positie van den man inneemt, en met bloemen in heur haar en met glimlachen en zuchten en met gebogen hoofd, hem liefkoozend en haar borsten tegen hem aandrukkende, zegt: "Je bent mijn veroveraar geweest; het is nu mijn beurt je om genade te doen smeeken".
[398] Zoo wordt, volgens Zache, onder de Swahili op den derden dag na het huwelijk den bruidegom door de zede toegestaan om de defloratie te voltooien, Zeitschrift für Ethnologie, 1899, II-III, p. 84.
[399] De l'Amour, deel II, blz. 57.
[400] Robert Michels, "Brautstandsmoral", Geschlecht und Gesellschaft, Jahrgang I, Heft 12.
[401] Hier is b.v. op gewezen door Rutgers, "Sexuelle Differenzierung", Die Neue Generation, Dec., 1908.
[402] Zoo zegt Rasmussen, dat onder de Eskimo's, die nu en dan van vrouwen verwisselen, "een man gewoonlijk ontdekt dat zijn eigen vrouw, ondanks alles, de beste is".
[403] "Ik heb altijd gemeend met den nu overleden Professor Laycock", merkt Clouston, (Hygiene of Mind, p. 214) "die een zeer fijn opmerker van de menschelijke natuur was, dat een getrouwd paar niet altijd samen behoeft te zijn om gelukkig te zijn, en dat in werkelijkheid tamelijk lange tijden van afwezigheid en scheidingen leiden kunnen tot een eindelijke en nauwere vereeniging". Dat het lang stand houden van den hartstocht alleen bestaanbaar is met afwezigheid behoeft wel nauwelijks gezegd te worden; zooals Mary Wollstonecraft lang geleden gezegd heeft (Rights of Woman, original ed., p. 61), alleen bij afwezigheid of in het ongeluk is de hartstocht duurzaam. We kunnen er echter bij voegen, dat zij in haar liefdesbrieven aan Imlay schreef: "Ik heb altijd gezegd, dat twee menschen, die te zamen willen leven, niet lang gescheiden moeten wezen".
[404] "Uit een ruim gezichtspunt beschouwd", zeide Arnold L. Gesell, in zijn belangwekkende studie over "Jealousy" (American Journal of Psychology, Oct. 1906), schijnt jaloezie een zoo noodzakelijk begeleidingsverschijnsel van het biologisch gedrag, midden in den concurrentiestrijd, dat men geneigd is ze genetisch als een van de oudste gemoedsbewegingen te beschouwen, die bijna synoniem is met den wensch om te leven, en ze bijna niet minder fundamenteel te maken dan vrees of toorn. Waarlijk, jaloezie gaat gemakkelijk over in toorn, en ze is zelf een soort van vrees.... In maatschappelijkheid en wederzijdsche hulp zien we de keerzijde van de medaille; maar de jaloezie, hoe tegenmaatschappelijk ze ook mag zijn, behoudt een functie in de zoölogische anatomie: b.v. om het individu in bescherming te nemen tegen de groep. Het is het groote verbeteringsmiddel van de natuur tegenover de zuiver maatschappelijke gevoelens.
[405] Vele voorbeelden hiervan vindt men bij Gesell in zijn studie over "Jealousy".
[406] Jaloezie is soms bij lagere rassen vermomd of gewijzigd door gewoonten van den stam. Zoo zegt Rasmussen (People of the Polar North, blz. 65), als hij verwijst naar het verwisselen door de Eskimo's van hun vrouwen: "Een man heeft me eens verteld, dat hij zijn vrouw alleen sloeg, als ze geen andere mannen wilde ontvangen. Zij wilde met niemand iets te doen hebben dan met hem--en dat was haar eenige gebrek!" Rasmussen toont ergens anders aan, dat de Eskimo's in staat zijn tot groote jaloezie.
[407] Zie b.v. Moll, Sexualleben des Kindes, blz. 158; vergelijk van Gesell "Study of Jealousy".
[408] Jaloezie is bij dronkaards een algemeen bekend verschijnsel. Naar K. Birnbaum aantoont ("Das Sexualleben der Alkoholisten", Sexual-Probleme, Jan. 1909), is deze jaloezie in de meeste gevallen min of meer gegrond, want de vrouw, die genoeg heeft van haar man, zoekt natuurlijk elders sympathie en gezelschap. Toch gaat de jaloezie der drankzuchtigen veel verder dan haar basis, de feitelijke aanleiding er toe, en hangt samen met waandenkbeelden en hallucinaties. (Zie b.v. G. Dumas, "La Logique d'un Dément", Revue Philosophique, Febr. 1908; ook Stefanowski, "Morbid Jealousy", Alienist and Neurologist, Juli 1893).
[409] Ellen Key, Over liefde en huwelijk, blz. 335.
[410] Schrempf wijst er op ("Von Stella zu Klärchen", Mutterschutz, 1906, afl. 7, p. 264), dat Goethe in Egmont getracht heeft aan te toonen, dat een vrouw teruggestooten wordt door de liefde van een man, die niets anders kent dan zijn liefde voor haar, en dat het voor haar gemakkelijk is zich te wijden aan den man, wiens plannen liggen in de grootere wereld buiten haar. Er is een diepe waarheid in deze wijze van zien.
[411] Eene bespreking over "Platonische vriendschap" van deze soort door verschillende auteurs, meest vrouwen, wier opinies bijna gelijkelijk verdeeld waren, kan men, bij voorbeeld, vinden in de Lady's Realm, Maart, 1900.
[412] Er zijn ongetwijfeld belangrijke uitzonderingen. Zoo was de beroemde vriendschap van Mérimée met Mlle. Jenny Dacquin, die vervat is in de Lettres à une Inconnue misschien volkomen Platonisch aan den kant van Mérimée, terwijl Mlle. Dacquin zich aan die houding aanpaste. Vergelijk A. Lefebvre, La Célèbre Inconnue de Mérimée, 1908.
[413] De minnebrieven van al deze beroemde personen zijn uitgegeven. Rosa Mayreder (Zur Kritik der Weiblichkeit, blz. 229 et seq.) bespreekt de nederige en absolute wijze, waarop zelfs mannen van het meest mannelijke en heerschzuchtige genie zich overgeven aan de inspiratie van de geliefde vrouw. Het geval van de Brownings, die genoemd zijn "de held en de heldin van de mooiste liefdesgeschiedenis, die de wereld kent", is vooral bekend; (Ellen Key heeft in Menschen over de Brownings geschreven uit dit gezichtspunt, en we kunnen verwijzen naar een artikel over de minnebrieven van de Brownings in de Edinburgh Review, April, 1899). Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat een erotische verhouding van veel belang kan zijn voor personen van groote intellectueele bekwaamheid, zelfs als de uitslag niet gelukkig is; van Mary Wollstonecraft, een van de op intellectueel gebied meest beroemde vrouwen kan gezegd worden, dat de brieven, die haar liefde bevatten voor den onwaardigen Imlay, tot de meest hartstochtelijke en pathetische minnebrieven behooren, die er in het Engelsch bestaan.
[414] Spencer and Gillen, Northern Tribes of Central Australia, p. 330.
[415] Académie de médecine de Paris, 31 Maart 1908.
[416] The Origin and Development of the Moral Ideas, deel II, blz. 405.
[417] Population and Progress, p. 41.
[418] Vergelijk Reibmayr, Entwicklungsgeschichte des Talentes und Genies, Bd. II, p. 31.
[419] "De schuld, die we hebben aan hen, die vóór ons gekomen zijn, kunnen we alleen maar terugbetalen aan hen, die na ons komen", zegt Haycraft (Darwinism and Race Progress, p. 106).
[420] Mardrus, Les Mille Nuits, dl. XVI, p. 158.
[421] Sidney Webb, Popular Science Monthly, 1906, p. 526 (vroeger gepubliceerd in de London Times, Oct. 11, 16, 1906). In hoofdstuk IX van dit werk hebben we reeds de beteekenis moeten bespreken van het woord "zedelijkheid".
[422] Zoo was in Parijs, in 1906, in de rijke wijken, het geboortecijfer op de 1000 inwoners 19.09; in welgestelde wijken 22.51; en in arme wijken 29.70. Hier zien we, dat, terwijl het geboortecijfer valt en stijgt met de maatschappelijke klasse, het geboortecijfer zelfs onder de arme en minst beperkte klasse nog maar weinig hooger is dan het algemeen gemiddelde voor Engeland, waar voorbehoedmiddelen in zeer ruimen kring verspreid zijn, en zeer aanmerkelijk lager dan het gemiddelde (dat nu snel daalt) in Duitschland. Het blijkt duidelijk, dat er onder de arme klassen een neiging is om in deze zaak met de hoogere klassen gelijk te komen.
[423] Ik heb deze punten meer in bijzonderheden ontwikkeld in twee artikelen in het Independent Review, November 1913 en April 1914. Zie ook Bushee, "The Declining Birthrate and Its Causes", Popular Science Monthly, Aug. 1913.
[424] Francis Place, Illustrations and Proofs of the Principle of Population, 1882, p. 165.
[425] Zie b.v. een belangrijk hoofdstuk in het Sexualleben und Nervenleiden van Löwenfeld, een van de meest oordeelkundige autoriteiten op het gebied der sexueele pathologie. Vijf en twintig jaar geleden werd, zooals velen zich zullen herinneren, den student in de medicijnen gewoonlijk geleerd, dat het gebruik van voorbehoedmiddelen bij het verkeer leidde tot allerlei ernstige nadeelen. Toen schijnen echter roekelooze en ongewenschte voorbehoedmiddelen meer voorgekomen te zijn dan tegenwoordig.
[426] Michael Ryan, Philosophy of Marriage, p. 9. Het in staat stellen van de "behoudende kracht van den Schepper" om zich uit te strekken tot de myriaden spermatozoën, die zelfs één man in zijn leven afscheidt, zou een wereld vol vrouwen noodig maken, terwijl het hiermee overeenkomende probleem wat een vrouw aangaat, heelemaal te moeilijk is om te verwezenlijken. Het proces, waardoor het leven opgebouwd wordt, wel verre van een proces te zijn van algemeen behoud, is een proces geweest van strenge keuze en groote vernieling; het proces, dat in de beschaafde wereld wordt uitgevoerd, bestaat in het maken van dit blinde proces tot een door het verstand bestuurde daad.
[427] Zoo werd in België, in 1898 (Sexual-Probleme, Febr. 1909, p. 136) een dokter (Dr. Mascaux), die op den voorgrond was getreden bij het bevorderen van de kennis van voorbehoedmiddelen voor de conceptie, veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf voor "een misdrijf tegen de zeden!" In zulk een geval, zegt Dr. Helene Stöcker (Die Neue Generation, Jan., 1909, p. 7), is "zeden" een andere naam voor onwetendheid, verlegenheid, huichelachtigheid, preutschheid, ruwheid, en gebrek aan geweten. Wij moeten echter in herinnering houden, als uitleg van dit onbillijke oordeel, dat eenige jaren lang de clericale partij in België den boventoon heeft gevoerd.
[428] Tegen het gebruik van de condom is ingebracht, dat hij niet gebruikt kan worden door de allerarmsten om de kosten, maar Hans Ferdy toont in een in bijzonderheden gaand geschrift aan (Sexual-Probleme, Dec. 1908), dat het gebruik van den condom gebracht kan worden binnen het bereik van de allerarmsten, als men er maar voor zorgt hem in water te bewaren, als hij niet gebruikt wordt. Nyström, (Sexual-Probleme, Nov. 1908, p. 736) heeft een blaadje uitgegeven ten bate van zijn patiënten en anderen, waarin hij den condom aanbeveelt, en uitlegt hoe hij gebruikt moet worden.
[429] Zoo besluit Kisch, in zijn Sexual Life of Woman, nadat hij de verschillende voorbehoedmiddelen voluit besproken heeft, ten gunste van den condom. Fürbringer komt ook (Senator en Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage, dl. I, blz. 232 et seq.) tot het besluit, dat de condom "betrekkelijk het meest volmaakte voorbehoedmiddel tegen de conceptie is". Forel (Die Sexuelle Frage, p.p. 457 et seq.) bespreekt de kwestie ook in den breede; ieder bezwaar, dat er gemaakt wordt tegen den condom, voegt Forel erbij (p. 544), berust op het feit, dat wij er niet aan gewend zijn; "een bril is niet speciaal æsthetisch, maar de poëzie van het leven heeft niet buitengewoon veel te lijden door het gebruik ervan, en in vele gevallen, kan men er niet buiten".
[430] L'Avortement, p. 43.
[431] Er zijn in de Romeinsche wet en de Romeinsche gewoonte eenige punten van kwestie aangaande de afdrijving; zij worden besproken in het belangrijke werk van Balestrini, Aborto. blz. 30 et seq.
[432] Augustinus, De Civitate Dei, Boek XXII, hoofdstuk XIII.
[433] De ontwikkeling van de publieke opinie en van de wet aangaande de afdrijving is nagespoord door Eugène Bausset, L'Avortement Criminel, Thèse de Paris, 1907. Voor een overzicht van de gebruiken van verschillende volken met betrekking tot de afdrijving zie men W. G. Sumner, Folkways, hoofdst. VIII.
[434] Die Neue Generation, Mei 1908, p. 192. We mogen hieraan toevoegen, dat in Engeland het opleggen van straf op de afdrijving, als ze plaats vindt in de eerste maanden der zwangerschap (voordat er "leven" is), enkel een moderne nieuwigheid is.
[435] Zelfs Balestrini, die tegen het straffen van afdrijving is, is er geen voorstander van. "Overal, waar afdrijving een maatschappelijke gewoonte wordt", merkt hij op (op. cit., p. 191), "daar is ze de uiterlijke verschijning van den achteruitgang van een volk, en veel te diep geworteld door de enkele poging de uiterlijke verschijning te onderdrukken".
[436] Vergelijk Ellen Key, Eeuw van het Kind, hoofdst. I. Hirth (Wege zum Heimat, p. 526) is er ook tegen afdrijving aan te moedigen, hoewel hij feitelijk niet de zwangere vrouw zou willen straffen, die miskraam opwekt. Ik wil speciaal de aandacht vestigen op een kundig en overtuigend artikel van Anna Pappritz ("Die Vernichtung des keimenden Lebens", Sexual-Probleme, Juli, 1909), die beweert, dat de vrouw niet de eenige beschermster is van het embryo, dat zij draagt, en dat het niet in het belang is van de maatschappij en zelfs niet in haar eigen belang, als zij vrij zou zijn het naar believen te vernietigen. Anna Pappritz geeft toe, dat de tegenwoordige barbaarsche wetten met betrekking tot de afdrijving gewijzigd moeten worden, maar zij staat er op, dat ze niet moeten worden afgeschaft. Zij stelt voor (1) een zeer verminderde straf op de afdrijving; (2) deze straf uit te strekken tot den getrouwden of ongetrouwden vader (een maatregel, die in Noorwegen reeds in praktijk wordt gebracht, zoowel voor afdrijving als voor kindermoord); (3) verlof voor den medicus om miskraam op te wekken als er goede reden is om erfelijke degeneratie te vermoeden, en als de vrouw verkracht is geworden.
[437] Vergelijk Dr. Max Hirsch, Sexual-Probleme, Jan., 1908, p. 3.
[438] Bausset (op. cit.) noemt verschillende maatschappelijke maatregelen ter verzorging van de zwangere vrouw en de kraamvrouw, die er toe zouden leiden misdadige afdrijving te verminderen.
[439] Gomperz, Greek Thinkers, dl. 1, p. 564.
[440] F. E. Daniel, President of the State Medical Association of Texas, "Should Insane Criminals or Sexual Perverts be Allowed to Procreate?" Medico-legal Journal, Dec., 1893; id., "The Cause and Prevention of Rape", Texas Medical Journal, Mei, 1904.
[441] P. Näcke, "Die Kastration bei gewissen Klassen von Degenerirten als ein Wirksamer Socialer Schutz", Archiv für Kriminalanthropologie, Bd. III, 1899, p. 58; id. "Kastration in gewissen Fallen von Geisteskrankheit", Psychiatrisch-Neurologische Wochenschrift, 1905, No. 29.
[442] Angelo Zuccarelli, "Asessualizzazione o sterilizzazione dei Degenerati", L'Anomalo, 1898-99; No. 6; id., "Sur la Nécessité et sur les Moyens d'empêcher la Réproduction des Hommes les plus Dégénérés", Internationaal Congres der Crimineele Anthropologie, Amsterdam, 1901.
[443] Näcke, Neurologisches Centralblatt, Maart 1, 1909. Het oorspronkelijke verslag van deze operaties wordt gegeven in het Psychiatrisch-Neurologische Wochenschrift, No. 2, 1909, met een commentaar van instemming van den redacteur, Dr. Bresler. Wat de castratie in Amerika aangaat, zie men Flood, "Castration of Idiot Children", American Journal Psychology, Jan. 1899; ook, Alienist and Neurologist, Aug., 1909, p. 348.
[444] Waarschijnlijk kan castratie vooral gunstig blijken te zijn in het geval van zwakzinnigen. "In Somersetshire", zegt Tredgold ("The Feeble-Mind as a Social Danger", Eugenics Review, Juli, 1909) "heb ik gevonden, dat van een totaal aantal van 167 zwakzinnige vrouwen, bijna twee vijfde (61) kinderen hadden gekregen, voor het meerendeel onwettig. Bovendien is het niet ongewoon, maar veeleer regel, dat deze arme meisjes telkens opgenomen worden in de kraaminrichtingen van het werkhuis, en het gemiddelde aantal van de kinderen, die ze ieder hebben, is waarschijnlijk drie of vier, hoewel zes ook niet ongewoon is". In zijn werk over Mental Deficiency (blz. 288-292) toont dezelfde schrijver aan, dat de voortplanting door de geestelijk zwakken in Engeland is "een verschrikkelijk en ver verspreid kwaad".
[445] Dit voorbeeld wordt aangehaald door Ledermann, "Skin Diseases and Marriage", bij Senator en Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage.
[446] Opnieuw verwijs ik hier naar Leas leerzame History of Sacerdotal Celibacy.
[447] In Engeland worden jaarlijks 35.000 candidaten voor de marine afgekeurd, en hoewel de physieke eischen voor de inschrijving in het leger tegenwoordig buitengewoon bescheiden zijn, wordt er geschat door Generaal Maurice, dat ten minste zestig percent nieuwelingen, en zij, die nieuwelingen hadden willen wezen, teruggezonden worden als ongeschikt. (Zie b.v., William Coates, "The Duty of the Medical Profession in the Prevention of National Deterioration", British Medical Journal, Mei 1, 1909). Men kan nauwelijks aannemen, dat mannen, die niet goed genoeg zijn voor het leger, wel goed genoeg zijn voor de groote taak van het scheppen van het ras der toekomst.
[448] De erkenning van epilepsie als een reden om geen nageslacht te verwekken is niet nieuw. Men zegt, dat in de archieven van de stad Luçon een geval vermeld wordt, waarin epilepsie geoordeeld werd een geldige reden te zijn voor het verbreken van een verloving (British Medical Journal, Febr. 14, 1903, p. 383).
[449] British Medical Journal, April 14, 1906. In Californië en sommige andere plaatsen in Amerika, schijnt het, dat bedrog met het oog op den gezondheidstoestand een reden is tot het nietig verklaren van het huwelijk.
[450] F. Galton, Inquiries Into Human Faculty, Everyman's Library edition, blz. 211 et seq.; vergelijk Galton's verzamelde Essays in Eugenics, onlangs uitgegeven door de Eugenics Education Society.
[451] Voor een verslag aangaande de methode en de resultaten van het werk in scholen, zie men Bertram C. A. Windle, "Anthropometric Work in Schools", Medical Magazine, Feb. 1894.
[452] De meest bekende stappen in deze richting zijn in Duitschland gedaan. Voor een verslag van de proef te Karlsruhe zie men Die Neue Generation, Dec. 1908.
[453] Wiethknudsen (zooals aangehaald is in Sexual-Probleme, Dec. 1908, p. 837) spreekt in sterke bewoordingen, hoewel toch niet te sterk, over de dwaasheid van een willekeurige premie op de voortplanting.
[454] Van wetenschappelijke zijde wordt er, behalve van de vruchtdragende methoden der statistische biometrie, die wij reeds genoemd hebben, veel verwacht van werk, dat in die richting gedaan wordt door Mendel: zie W. Bateson, Mendel's Principles of Heredity, 1909; ook W. H. Lock, Recent Progress in the Study of Variation, Heredity and Evolution, en R. C. Punnett, Mendelism, 1907 (Amerikaansche uitgave, met een belangwekkende voorrede van Gaylord Wilshire, uit socialistisch gezichtspunt, 1909).
[455] De studie van de juiste voorwaarden voor de voortplanting is zeer oud. In den nieuweren tijd vinden we, dat zelfs het allereerste Fransche medische boek in de landstaal, het Régime du Corps, geschreven door Alebrand van Florence (die dokter was bij den koning van Frankrijk), in 1256, grootendeels aan deze kwestie gewijd is, waarover het veel goede raad geeft. Zie J. B. Soalhat, Les Idées de Maistre Alebrand de Florence sur la Puériculture, Thèse de Paris, 1908.
[456] Hesiodus, Works and Days, II, 690-700.
[457] Dit is lang de aangenomen opinie geweest van medische autoriteiten, zooals men kan beoordeelen uit de verslagen, twee eeuwen geleden samengebracht door Schurig, Parthenologia, blz. 22-25.
[458] De bewering, dat de beste leeftijd voor mannen voor de verwekking gemiddeld eerder voor de veertig ligt dan daarna, beteekent in het geheel niet, dat er een "kritieke" leeftijd bij mannen bestaat, die overeenkomt met het climacterium bij vrouwen. Dit is soms beweerd, maar men is het er niet over eens. Restif de la Bretonne (Monsieur Nicolas, deel X, p. 176) zeide, dat op den leeftijd van veertig de teerheid van het gevoel begint te vermeerderen. Fürbringer meent (Senator en Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 222), dat er een bepaalde wending is in het leven van een man tusschen den leeftijd van de vijftig en de zestig, wanneer de begeerte en de potentie verminderen. J. F. Sutherland zegt ook (Comptes-rendus Congrès International de Médecine, 1900, Section de Psychiatrie, p. 471), dat er bij mannen een verandering is in het vijf en vijftigste jaar, gelijkend op het climacterium bij vrouwen, maar alleen maar bij een bepaald aantal mannen. Het schijnt wel, dat bij de meeste mannen het afnemen van het sexueele gevoel en de potentie zeer geleidelijk is, en dat het zich het eerst uit in een vergroote macht om zich te beheerschen.
[459] Bij dieren zegt men ook, dat die welke in het voorjaar geboren worden, de beste zijn.
[460] De resultaten van Bossi zijn opgesomd in de Archives d'Anthropologie Criminelle, Sept, 1891. Alebrand van Florence, de medicus van den Franschen koning in de dertiende eeuw, raadde ook verkeer aan een dag na het einde van de menstruatie.