← De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij (part 1 of 4)

Part 1 of 4 · Ellis, Havelock · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #62660, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (4)

Continue:

De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

HAVELOCK ELLIS

DE PSYCHOLOGIE DER SEXEN DE SEXEN IN HARE VERHOUDING TOT DE MAATSCHAPPIJ

VERTAALD ONDER TOEZICHT VAN EN MET EEN VOORREDE VOORZIEN DOOR

Dr. A. W. VAN RENTERGHEM

GEAUTORISEERDE UITGAVE

BAARN HOLLANDIA-DRUKKERIJ 1915

WOORD VOORAF

De taak om een woord vooraf te schrijven bij de hollandsche uitgave van Havelock Ellis' "Studies over de psychologie der Sexen", "De Sexen in hare verhouding tot de maatschappij", heb ik met genoegen op mij genomen omdat ik innig overtuigd ben dat het lezen van dat werk aan vele mijner landgenooten ten goede zal komen door hen vertrouwd te maken met en opheldering te geven omtrent vraagpunten van hoog maatschappelijk belang betreffende het geslachtsleven. De studie van dit onderwerp toch is tot dusverre al te veel verwaarloosd gebleven en verdient ernstig ondernomen te worden opdat het publiek beter worde ingelicht omtrent deze materie en daardoor in staat gerake zich een juist en degelijk gegrond oordeel te vormen in deze zaken.

De aandachtige lezer die dit werk, van een geleerden, breed-denkenden vorscher als Havelock Ellis, tot zijn geestelijk eigendom zal hebben gemaakt, moet tot de overtuiging komen dat hem tot dusverre maar al te veel elementen hebben ontbroken en hij derhalve niet in staat was om zich een dergelijk deugdelijk inzicht in dit moeilijke vraagstuk te verschaffen.

Het is maar al te waar dat tot heden bij velen de sexueele kwestie in kwaden reuk stond. De vele vooroordeelen van godsdienstigen, conventioneelen en moreelen aard die eene ernstige, opene bespreking er van bezwaarlijk maken doen elken schrijver, die zich de behandeling van dat onderwerp tot taak heeft gesteld, zich wapenen met geduld en lijdzaamheid.

Nog in veel sterkere mate dan heden ten dage gold dit vooroordeel in den tijd dat Havelock Ellis het reuzenplan tot zijne Encyclopedie ontwierp, aan de volvoering waarvan hij 30 jaren van spannenden arbeid heeft ten koste gelegd. De eerste 15 jaren besteedde hij aan het verzamelen en ordenen van de noodige bouwstoffen, waarna hij--als inleiding tot zijn meesterwerk--"Man en Vrouw" schreef. Hierop liet hij achtereenvolgens in den loop van andermaal 15 jaren de zes deelen volgen waarmede zijn arbeid ten einde werd gebracht.

In het slotwoord van het laatste deel van de reeks, het boek dat hier aan het Nederlandsch publiek wordt aangeboden, wijst Schrijver op den grooten tegenstand die zijn arbeid ondervonden heeft en op de verdachtmaking waaraan hij zelf van de zijde zijner landgenooten is blootgesteld geweest. Een ware vervolging viel de uitgave van het eerste deel van zijn arbeid in Engeland ten deel, zoodat hij zich wel genoodzaakt zag de volgende deelen niet meer in zijn vaderland maar in het gastvrije en meer liberaal gezinde Amerika te doen verschijnen.

In de Vereenigde Staten, zoomede in Duitschland vond het werk een goed onthaal, werd het met de noodige waardeering ontvangen en niet lang duurde het of de Schrijver mocht zich verheugen in de eer, zijn arbeid, behalve in de Duitsche taal, ook in het Fransch, Spaansch en Italiaansch vertaald te zien.

Het lijkt vaak wel een wanhopige taak, merkt H. E. op in bovengemeld slotwoord, om met vrucht te strijden tegen domme vooroordeelen. En op geen gebied bestaan zij in zulke mate als op dat van het sexueele vraagstuk.

Het eenige wat ons troosten kan is de vaste overtuiging dat, als we eenige generaties verder zullen zijn, die vooroordeelen ook zullen opgeruimd wezen.

Als men de natuur tot richtsnoer neemt en steunt op hare wetten die niet door 's menschen geest zijn gemaakt, dan weet men ook dat tijd en eeuwigheid onze bondgenooten zijn tot het doen doordringen van de waarheid. Men oefene slechts geduld en vreeze niet!

De mensch sterft, maar zijne denkbeelden die men ten doode had willen opschrijven, leven voort.

Al mochten boeken als dit op den brandstapel worden geworpen, toch zullen de denkbeelden daarin vervat uit de vlammen oprijzen en zich in de volgende generatie vervormen tot menschelijke zielen.

De geneesheer in zijn spreekkamer, de onderwijzer op de school, de predikant op den kansel, de journalist in de pers, werken mede tot die vormverandering.

En voortdurend heeft die omvorming plaats; zij gaat langzaam maar zeker.

Havelock Ellis is overtuigd dat menigeen zijne opvatting van de sexueele kwestie niet zal deelen; de een zal haar wellicht te behoudend, de ander haar te revolutionair vinden.

Er zijn toch steeds menschen die zich krampachtig aan het verleden vasthouden en anderen die nieuwe ideeën met geestdrift aanvaarden.

Maar de wijze kiest den gulden middenweg, weegt en wikt het voor en het tegen van beide zienswijzen. Hij beseft dat we voortdurend ons bevinden in een tijdperk van overgang. Het tegenwoordige vormt eenvoudig het punt van overgang van het verledene tot het toekomstige en met beide moeten wij rekenschap houden. Een wereld zonder overleveringen kan men zich evenmin voorstellen als men zich een leven denken kan zonder beweging. Waar Heraclitus bij het eerste opleven der moderne philosophie terecht beweren mocht dat men geen tweemaal baden kan in eenzelfden stroom, weten wij heden dat de stroom niet ophoudt met vloeien en een oneindige cirkelgang vertoont. Nooit houdt het morgenrood op te gloren aan den horizont zoomin als ooit de zon vergeet onder te gaan.

Het past ons dus het naderend daglicht, zoodra de zon opkomt, te begroeten en wij voelen ons verplicht het ondergaan van de zon te eeren wegens het stervend licht dat eens aanving te gloren. Wij zelf zijn in de zedelijke wereld de lichtdragers en het kosmisch proces is in ons belichaamd. Als wij willen is het ons voor een spanne tijds gegeven de duisternis die ons pad omringt te verlichten.

Met den fakkel in de hand streven wij voorwaarts als in den fakkelloop der ouden door Lucretius als symbool van het leven gekozen. Achter ons ijlt de wedlooper die ons gaat voorbijsnellen. Laat ons gansche streven gericht zijn op het aan zijn hand toevertrouwen van de helderstralende brandende toorts, terwijl wij zelf in de duisternis verdwijnen.

De schrijver heeft zich loffelijk weten te beperken, zijn onderwerp niet uitgeput. Voor elk onderdeel had hij stof genoeg om wel een heel boek te vullen. Toch mocht hij erin slagen zoo volledig mogelijk te zijn, den lezer te boeien en hem nooit door langdradig zijn of in herhalingen vallen te vervelen.

Het boek is een vraagbaak, niet alleen voor ouders, opvoeders, geneesheeren, onderwijzers, maar in het algemeen voor ieder genoegzaam ontwikkeld mensch in wien de drang bestaat om zich op veilige wijze een weg te banen op het voor zoo velen--meestal tot hunne schade--onbekend gebied van het geslachtsleven.

Het vormt in vele opzichten eene aanvulling, een complement op het in 1908 in Hollandsch gewaad verschenen boek van Prof. Auguste Forel: "Het sexueele vraagstuk" waarvan onlangs een tweede uitgave verschenen is.

In de bedoeling van de uitgevers ligt het om de vijf voorafgaande deelen eveneens in de hollandsche vertaling te doen verschijnen als het mocht blijken dat de belangstelling van het publiek in Havelock Ellis' arbeid groot genoeg is om die uitgave te wettigen.

Dr. A. W. VAN RENTERGHEM.

Amsterdam, October 1915.

INLEIDING

In de andere deelen van deze "Studies" [1], heb ik mij voornamelijk bezig gehouden met de geslachtsdrift met betrekking tot haar voorwerp en ik heb derde personen buiten beschouwing gelaten, evenals de invloeden der omgeving, die toch machtig inwerken op die drift en hare bevrediging. Wij kunnen echter niet zonder meer deze betrekking van de geslachtsdrift tot derde personen en tot de maatschappij in haar geheel, met al haar van ouds ingestelde tradities, voorbijgaan. Wij moeten het geslacht beschouwen in zijn betrekking tot de maatschappij.

Daarbij zullen wij, beknopter dan in die andere deelen, de vele en belangrijke vraagstukken, die zich aan ons voordoen, kunnen behandelen. Bij de beschouwing van de meer speciale vragen der sexueele psychologie betraden wij een verwaarloosd gebied en het was noodzakelijk een zorgvuldige en nauwkeurige analyse door te voeren, zooals in vele opzichten nog nooit tevoren op deze kwesties beproefd was. Maar als wij komen aan de betrekkingen tusschen geslacht en maatschappij, behoeven wij voor het meerendeel niet zulk een verwaarloozing te ontmoeten. Het onderwerp van ieder hoofdstuk in dit deel zou gemakkelijk het onderwerp kunnen uitmaken van een afzonderlijk deel en heeft dat ook dikwijls uitgemaakt; en de literatuur over vele van deze onderwerpen is al zeer uitgebreid. Het zal daarom mijn voornaamste doel zijn, niet om feiten op te sommen, maar om beurtelings ieder onderwerp zoo duidelijk en beknopt mogelijk te behandelen met betrekking tot die grond-principes van de sexueele psychologie, die--voor zoover de gegevens het toelaten--in de andere deelen zijn uiteengezet.

Het kan misschien aan sommigen toeschijnen, dat ik mij bij deze uiteenzetting had moeten bepalen tot het tegenwoordige en dat ik niet ook een zoo ruimen blik had moeten slaan op den loop van de geschiedenis der menschheid en de tradities van het geslacht. Het zou vooral wel kunnen schijnen, dat ik te sterk den nadruk gelegd heb op den invloed van het Christendom op het vormen van sexueele idealen en het ontstaan van sexueele instellingen. Dat, ik ben er van overtuigd, is een dwaling. Het is omdat deze dwaling zoo dikwijls begaan is, dat de bewegingen van vooruitgang onder ons--bewegingen die nooit in eenige periode van de geschiedenis der maatschappij kunnen ophouden--door velen zoo ernstig worden misverstaan. Wij kunnen aan onze tradities niet ontkomen. Een "eeuw van het verstand" is er nooit geweest en kan er nooit zijn. De ijverigste zoogenaamde "vrijdenker", die naar hij meent het gezag van het Christelijk verleden geheel afwerpt, staat nog onder den invloed van dat verleden. Als de tradities daarvan hem niet geheel en al in vleesch en bloed zijn overgegaan, dan zijn zij toch samengeweven met de maatschappelijke instellingen waarbij hij is opgegroeid en zij werken in zelfs op zijne wijze van denken. De nieuwste wijzigingen in onze instellingen hebben onvermijdelijk den invloed ondervonden van den vroegeren vorm van die instellingen. Wij kunnen ons niet duidelijk voor oogen stellen waar we zijn, nòch waar we heen gaan, als we niet weten waar we vandaan komen. Wij kunnen de beteekenis van de veranderingen om ons heen niet begrijpen en wij kunnen ze niet met hoopvol vertrouwen onder de oogen zien, als wij niet bekend zijn met de richting van de groote stroomingen, die alle beschaving in eindeloozen kringloop voortbewegen.

Bij de uiteenzetting der sexueele vragen, die in zeer ruime mate aangelegenheden zijn van maatschappelijke hygiëne, zullen wij ons dus nog op psychologisch standpunt stellen. Zulk een standpunt ten opzichte van deze zaken is niet alleen gewettigd, maar ook noodzakelijk. Uiteenzettingen over maatschappelijke hygiëne, die zuiver medisch zijn of zuiver juridisch of zuiver moreel of zuiver theologisch leiden niet alleen tot conclusies, die dikwijls lijnrecht tegenover elkaar staan, maar ze leenen zich klaarblijkelijk niet tot toepassing op de samengestelde menschelijke persoonlijkheid. De voornaamste taak, die wij voor ons hebben, moet zijn vast te stellen wat de gezamenlijke behoeften en ideeën van beschaafde mannen en vrouwen het best uitdrukt en bevredigt. Zoo dat, terwijl wij wel voortdurend medische, wettelijke en moreele eischen in het oog moeten houden--die alle in sommige opzichten beantwoorden aan de eene of andere persoonlijke of maatschappelijke behoefte--het toch hoofdzaak is te voldoen aan de eischen van de geheele menschelijke persoonlijkheid.

Wij moeten op dit standpunt den nadruk leggen, omdat het wel eens schijnt, dat geen dwaling méer voorkomt onder hen, die over hygiënische en moreele sexueele vraagstukken schrijven, dan deze, dat zij het psychologisch standpunt buiten beschouwing laten.

Zij zullen b.v. staan aan de zijde van beperking op sexueel gebied of aan de zijde van het emancipeeren, maar zij stellen zich niet duidelijk voor oogen, dat zulk een eng punt van uitgang niet voldoet aan de behoeften van samengestelde menschelijke wezens. Van het meer-omvattend psychologisch standpunt erkennen wij, dat wij aan elkaar tegenover gestelde aandriften, die beide evenzeer gronden in het menschelijke psychische organisme, tot samenwerking moeten brengen.

In de andere deelen van deze "Studies" heb ik getracht mij te onthouden van het uitdrukken van eenige persoonlijke meening en, voor zoover dat mogelijk was een volkomen objectieve houding te handhaven. In deze poging ben ik, naar ik vertrouw, geslaagd, als ik mag oordeelen uit het feit, dat ik bewijzen van sympathie en van goedkeuring ontvangen heb van alle soorten van menschen, niet minder van den rationalistischen vrijdenker dan van den orthodoxen-geloovige, van hen, die onze meest heerschende ethische beschouwingen deelen, zoowel als van hen, die ze verwerpen. Zoo moet het ook zijn, want wat ook onze maatstaf ter bepaling der waarde van gevoelens en van levensgedrag is, het moet altijd nuttig voor ons zijn te weten, wat precies de gevoelens zijn van menschen en hoe die gevoelens strekken om in te werken op hun gedrag. In dit deel echter, waar maatschappelijke tradities noodzakelijk in overweging moeten komen en waar wij den groei van deze tradities in het verleden en hun waarschijnlijke ontwikkeling in de toekomst uiteen moeten zetten, daar heb ik niet de hoop, dat de objectiviteit van mijn houding den lezer even duidelijk zal zijn. Ik moet hier vaststellen, niet alleen, wat de menschen feitelijk voelen en doen, maar welke neiging tot ontwikkeling naar mijn meening hun voelen en hun handelen heeft. Dat is alleen maar een kwestie van appreciatie, met hoe ruimen blik en hoe voorzichtig men zich ook daartegenover stelt; het kan geen zaak zijn van absoluut bewijs. Ik hoop, dat zij, die mij vroeger gevolgd zijn, nog geduld met mij zullen hebben, zelfs als het hun onmogelijk is altijd de conclusies aan te nemen, waartoe ik zelf gekomen ben.

HAVELOCK ELLIS.

Carbis Bay, Cornwall, Engeland.

INHOUD

Hoofdstuk I blz.

Moeder en kind 3

Het recht van het kind om zijn voorouders te kiezen.--Hoe dit gedaan wordt.--De moeder is de naaste bloedverwant van het kind.--Moederschap en vrouwenbeweging.--De enorme beteekenis van het moederschap.--De sterfte onder de zuigelingen en de oorzaken daarvan.--De voornaamste oorzaak ligt bij de moeder.--De behoefte aan rust tijdens de zwangerschap.--Het veelvuldig vóorkomen van ontijdige geboorten.--De taak van den Staat.--Nieuwste vorderingen in puericultuur.--De kwestie van coïtus tijdens de zwangerschap.--De behoefte aan rust gedurende den zoogtijd.--De plicht van de moeder haar kind te zoogen.--De economische vraag.--De plicht van den Staat.--Nieuwste vooruitgang in moederbescherming.--Het mislukken van openbare kinderbewaarplaatsen.

Hoofdstuk II

Sexueele opvoeding 33

Zorg voor het kroost is even zoo noodig als kroost.--Vroege uitingen van de geslachtsdrift.--Moeten die als normaal beschouwd worden?--Het sexueele spel van kinderen.--Het liefdegevoel in de kinderjaren.--Zijn stadskinderen geslachtelijk eerder rijp dan kinderen van het land?--De kinderlijke voorstellingen over de herkomst van de kinderen.--De noodzakelijkheid met de sexueele opvoeding van de kinderen vroeg te beginnen.--Het belang van vroeg oefenen in verantwoordelijkheid.--Het verkeerde van de oude leer der stilzwijgendheid over geslachtszaken.--Het nadeel is grooter waar het meisjes geldt.--De moeder is de natuurlijke en beste leermeesteres.--De ziekelijke invloed van kunstmatige geheimzinnigheid in sexueele zaken.--De literatuur over de sexueele opheldering der jeugd.--Aard van de taak der moeder.--Sexueele opvoeding op de school.--De waarde van botanie.--Zoölogie.--Sexueele opvoeding na de puberteit.--De noodzakelijkheid den invloed van kwakzalver-literatuur te verijdelen.--Het gevaar dat voortkomt uit het niet tijdig voorbereiden op de eerste menstruatie.--De juiste houding tegenover het geslachtsleven der vrouw.--De dringende noodzakelijkheid van hygiëne der menstruatie tijdens de eerste jeugd.--Zulk een hygiëne is te vereenigen met de gelijkstelling der geslachten op opvoedkundig en maatschappelijk gebied.--De invaliditeit van vrouwen komt voornamelijk voort uit verwaarloozing der hygiëne.--De goede invloed van lichaamsoefening op vrouwen en de slechte invloed der athletiek.--De nadeelen van het onderdrukken van het gemoedsleven.--De noodzakelijkheid om jonge menschen de waardigheid van het geslachtsleven te leeren.--Invloed van deze factoren op het lot der vrouwen in het huwelijk.--Lezingen en toespraken over sexueele hygiëne.--De rol van den dokter in de sexueele opvoeding.--De invoering in de wereld der idealen tijdens de puberteit.--De plaats van het godsdienst- en zede-onderwijs.--De plechtigheden van natuurvolken bij het inleiden in de geslachtsrijpheid.--De sexueele invloed van literatuur.--De sexueele invloed van kunst.

Hoofdstuk III

Sexueele opvoeding en naaktheid 87

De houding van de Grieken tegenover de naaktheid.--Hoe de Romeinen die houding wijzigden.--De invloed van het Christendom.--Naaktheid in de Middeleeuwen.--De ontwikkeling van den afschuw voor de naaktheid.--Daarmede samengaande veranderingen in de voorstelling van de naaktheid.--Preutschheid.--De romantische beweging.--Het ontstaan van een nieuwe wijze van voelen jegens de naaktheid.--De hygiënische beschouwing van de naaktheid.--Hoe kinderen gewend kunnen worden aan naaktheid.--Naaktheid staat niet vijandig tegenover zedigheid.--Het instinct van lichaamstrots.--De waarde van naaktheid in de opvoeding.--De æsthetische waarde der naaktheid.--Het menschelijk lichaam als een van de voornaamste levenwekkende factoren van het leven.--Hoe naaktheid aangekweekt kan worden.--De zedelijke beteekenis der naaktheid.

Hoofdstuk IV

Het waardeeren van de geslachtsliefde 109

Het begrip geslachtsliefde.--De houding van het middeleeuwsche ascetisme.--St. Bernard en St. Odo van Cluny.--Het wijzen van de asceten op het bij elkaar liggen van de sexueele- en de excretie-organen.--De liefde als een sacrament der natuur.--De voorstelling van de onreinheid van wat betrekking heeft op het geslacht bij natuurvolken in het algemeen.--Theorieën over den oorsprong van deze voorstelling.--Het anti-ascetische element in den bijbel en het eerste Christendom.--Clemens van Alexandrië.--De houding van den heiligen Augustinus.--De erkenning van de heiligheid van het lichaam door Tertullianus, Rufinus en Athanasius.--De hervorming.--Het sexueele instinct beschouwd als dierlijk.--Het menschelijke sexueele instinct gelijkt niet op dat van het dier.--Wellust en liefde.--De definitie van liefde.--Liefde en namen voor liefde zijn onbekend in sommige deelen van de wereld.--Romantische liefde heeft zich eerst laat ontwikkeld bij het blanke ras.--Het mysterie van het sexueel verlangen.--De kwestie of liefde een begoocheling is.--De geestelijke zoowel als de physieke bouw van de wereld berust voor een deel op geslachtsliefde.--Het getuigenis van mannen van intellect voor de alleen-heerschappij der liefde.

Hoofdstuk V

De beteekenis der kuischheid 133

Kuischheid is onafscheidelijk van de waardigheid der liefde.--Het verzet van de 18de eeuw tegen het kuischheids-ideaal.--Onnatuurlijke vormen van kuischheid.--De psychologische basis van de ascese.--Ascese en kuischheid als deugden bij natuurvolken.--De beteekenis van Tahiti.--Kuischheid onder barbaarsche volken.--Kuischheid onder de eerste Christenen.--Worstelingen van de heiligen tegen de aanvechtingen van het vleesch.--De fictie van de Christelijke kuischheid.--Het verdwijnen ervan in de Middeleeuwen.--"Aucassin et Nicolette" en de nieuwe romance van kuische liefde.--De onkuischheid van de Noordelijke barbaren.--De boeten van de kerk.--Invloed van de renaissance en van de hervorming.--Het verzet tegen de jonkvrouwelijkheid als een deugd.--De moderne opvatting der kuischheid als een deugd.--De invloeden, die de deugd der kuischheid bevorderen.--Kuischheid als een wijze van tucht.--De waarde van kuischheid voor den kunstenaar.--Welke waarde het volk hecht aan potentie en impotentie.--De juiste definities van ascese en kuischheid.

Hoofdstuk VI

Het vraagstuk der sexueele abstinentie 165

De invloed van de traditie.--De theologische voorstelling van wellust.--Neiging van deze invloeden om de sexueele moraal te degradeeren.--Het resultaat daarvan de vorming van het vraagstuk der sexueele abstinentie.--De protesten tegen sexueele abstinentie.--Sexueele abstinentie en genialiteit.--Sexueele abstinentie bij vrouwen.--De voorstanders van sexueele abstinentie.--Bemiddelende houding.--Onbevredigende resultaten van de geheele discussie.--Critiek op het begrip sexueele abstinentie vergeleken met onthouding van voedsel.--Geen volledige analogie.--De moraal van sexueele abstinentie is geheel negatief.--Is het de plicht van den dokter buitenechtelijk geslachtsverkeer aan te raden?--Meeningen van hen die dit al of niet als plicht beschouwen.--De beslissing moet vallen tegen het geven van zulk een raad.--De dokter gebonden door de maatschappelijke en moreele denkbeelden van zijn eeuw.--De dokter als hervormer.--Sexueele abstinentie en sexueele hygiëne.--Alcohol.--De invloed van lichamelijke en geestelijke inspanning.--De ontoereikendheid van de sexueele hygiëne op dit gebied.--De onwerkelijke aard van het begrip sexueele abstinentie.--De noodzakelijkheid het door een meer positief ideaal te vervangen.

Hoofdstuk VII

Prostitutie 201

I. "De orgie":--De godsdienstige oorsprong van de orgie.--Het carneval.--De orgie erkend door de Grieken en Romeinen.--De orgie bij natuurvolken.--Het drama.--Het door de orgie bevorderde doel.

II. "Oorsprong en ontwikkeling van de prostitutie":--De definitie van prostitutie.--Prostitutie onder natuurvolken.--De voorwaarden waaronder prostitutie als bedrijf ontstaat.--Geheiligde prostitutie.--De dienst van Mylitta.--Het uitoefenen van de prostitutie met het doel een huwelijksgift te verkrijgen.--Het ontstaan van de wereldlijke prostitutie in Griekenland.--Prostitutie in het Oosten.--Indië, China, Japan, enz.--Prostitutie in Rome.--De invloed van het Christendom op de prostitutie.--De poging de prostitutie te bestrijden.--Het middeleeuwsch bordeel.--Het optreden van de courtisane.--Fullia D'Aragona.--Veronica Franco.--Ninon de Lenclos.--Latere pogingen de prostitutie uit te roeien.--Het politie-toezicht op de prostitutie.--De nutteloosheid wordt langzamerhand erkend.

III. "De oorzaken der prostitutie":--Prostitutie als een deel van het huwelijkssysteem.--Het complex van oorzaken voor de prostitutie.--De motieven aangegeven door de prostituées.--(1) De economische factor van de prostitutie.--Armoede is zelden het hoofd-motief voor de prostitutie.--Maar economische druk oefent een zeer werkelijken invloed uit.--Het hooge percentage van prostituées geleverd door de dienstboden.--Beteekenis van dit feit.--(2) De biologische factor van de prostitutie.--De zoogenaamde geboren prostituée.--De aangehaalde identiteit met den geboren misdadiger.--Het sexueele instinct bij prostituées.--De physieke en psychische eigenaardigheden van prostituées.--(3) De moreele noodzakelijkheid een factor in het bestaan van de prostitutie.--De moreele voorstanders van de prostitutie.--De moreele houding van het Christendom jegens de prostitutie.--De houding van het protestantisme.--Nieuwere voorstanders van de moreele noodzakelijkheid van de prostitutie.--(4) Waarde voor de beschaving als een factor van de prostitutie.--De invloed van het stadsleven.--De behoefte aan opwinding.--Waarom dienstmeisjes zoo dikwijls prostituée worden.--De geringe rol die de verleiding speelt.--Prostituées komen in grooten getale van het land.--De lokstem van de beschaving trekt vrouwen naar de prostitutie.--De overeenkomstige aantrekkingskracht wordt door mannen gevoeld.--De prostituée als kunstenares en als leidsvrouw van de mode.--De bekoring van het vulgaire.

IV. "De tegenwoordige houding der maatschappij tegenover de prostitutie":--Het verval van het bordeel.--De neiging tot humaniseeren van de prostitutie.--De pecuniaire zijde van de prostitutie.--De Geisha.--De Hetere.--De moreele opstand tegen de prostitutie.--Dure deugd ten koste van vuile ondeugd.--De gewone houding tegenover prostituées.--De wreedheid daarvan is absurd.--De noodzakelijkheid de prostitutie te hervormen.--De noodzakelijkheid het huwelijk te hervormen.--Deze beide noodzakelijkheden hangen nauw met elkander samen.--De daarbij in aanmerking komende dynamische betrekkingen.

Hoofdstuk VIII

De bestrijding der geslachtsziekten 291

De beteekenis van de geslachtsziekten.--De geschiedenis der syphilis.--Het vraagstuk van den oorsprong ervan.--De groote maatschappelijke beteekenis van de syphilis.--De maatschappelijke gevaren van de gonorrhoe.--De moderne verandering in de methoden ter bestrijding van de geslachtsziekten.--Oorzaken van het verval van het systeem van politie-toezicht.--Noodzakelijkheid de feiten onder de oogen te zien.--De onschuldige offers der geslachtsziekten.--Het zijn ziekten, en geen misdaden.--Het principe van aanmelding.--Het Scandinavisch systeem.--Kostelooze behandeling.--Straf op het overbrengen van venerische ziekten.--Sexueele opvoeding met betrekking tot venerische ziekten.--Lezingen, enz.--Uiteenzetting in romans en op het tooneel.--Het "leelijke" is niet "immoreel".

Hoofdstuk IX

Geslachts-zedeleer 331

Prostitutie met betrekking tot ons huwelijks-systeem.--Huwelijk en moraal.--De definitie van het woord "moraal".--Theoretische moraal.--Hare verdeeling in traditioneele moraal en ideëele moraal.--Praktische moraal.--Praktische moraal gegrond op gewoonte.--Deze is het eenige onderwerp van wetenschappelijke zedeleer.--De reactie tusschen theoretische en praktische moraal.--Sexueele moraal in het verleden is een toepassing van economische moraal.--De vereeniging van starheid en van laksheid in deze moraal.--Het ontstaan van een bijzondere geslachts-zedeleer en de ontwikkeling van moreele idealen.--Uitingen van sexueele moraal.--Gebrek aan eerbied voor de vormen van het huwelijk.--Proef huwelijk.--Huwelijk na de conceptie van een kind.--Verschijnselen in Duitschland, Angelsaksische landen, Rusland enz.--De positie der vrouw.--De historische neiging die de gelijkheid van vrouwen met mannen begunstigt.--De theorie van het matriarchaat.--De moeder-familie.--Vrouwen in Babylonië.--Egypte-Rome.--De 18de en de 19de eeuw.--De historische neiging, die moreele ongelijkheid van de vrouw begunstigt.--De tweeledige invloed van het Christendom.--Invloed van de Germaansche gewoonte en van het leenstelsel.--De ridderschap.--De vrouw in Engeland.--De vrouwenhandel.--Het afnemen van de onderworpenheid der vrouw.--Ongeschiktheid van den modernen man om te heerschen.--Het toenemen van de moreele verantwoordelijkheid bij vrouwen.--De daarmee samengaande ontwikkeling van economische onafhankelijkheid.--Het toenemen van het aantal werkende vrouwen.--Het binnendringen van de vrouwen in de moderne industrie.--In hoe ver dit maatschappelijk te rechtvaardigen is.--De sexueele verantwoordelijkheid van vrouwen en de gevolgen ervan.--De beweerde moreele inferioriteit van vrouwen.--De "zelfopoffering" van vrouwen.--De maatschappij heeft geen belang bij sexueele verhoudingen.--De voortplanting is het eenige sexueele belang van den Staat.--De zeer hooge beteekenis van het moederschap.

Hoofdstuk X

Het huwelijk 383

De definitie van het huwelijk.--Het huwelijk in de dierenwereld.--Het overheerschen van de monogamie.--Het vraagstuk van het groepen-huwelijk.--Monogamie is een natuurlijk feit, niet gebaseerd op een wet der menschen.--De neiging den vorm van het huwelijk te stellen boven het feit van het huwelijk.--De geschiedenis van het huwelijk.--Het huwelijk in het oude Rome.--Germaansche invloed op het huwelijk.--De bruidkoop.--De ring.--De invloed van het Christendom op het huwelijk.--De groote uitbreiding van dezen invloed.--Het sacrament van het huwelijk.--Oorsprong en ontwikkeling van de opvatting als sacrament.--De kerk maakte het huwelijk tot een openbare daad.--Het kanonieke huwelijksrecht.--De gezonde kern ervan.--De ontwikkeling ervan.--De onduidelijkheden en dwaasheden ervan.--Eigenaardigheden van het Engelsche huwelijksrecht.--Invloed van de hervorming op het huwelijk.--De protestantsche opvatting van het huwelijk als een wereldlijk verdrag.--De puriteinsche huwelijks-hervorming.--Milton als de pionier voor de huwelijks-hervorming.--Zijn inzichten over echtscheiding.--De achterlijke positie van Engeland op het gebied van huwelijks-hervorming.--Critiek op de Engelsche wet op de echtscheiding.--De tradities van het kanonieke recht werken nog voort.--De kwestie van schadevergoeding bij echtbreuk.--Onderlinge verstandhouding is een beletsel tegen echtscheiding.--Echtscheiding in Frankrijk, Duitschland, Oostenrijk, Rusland enz.--De Vereenigde Staten.--Onmogelijkheid de echtscheidingsgronden wettig vast te stellen.--Echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden.--De oorsprong en de ontwikkeling daarvan.--Belemmering door de tradities van het kanonieke recht.--Wilhelm von Humboldt.--Nieuwe voorstanders van echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden.--De argumenten tegen het gemakkelijker maken van de echtscheiding.--De belangen van de kinderen.--De bescherming der vrouwen; de tegenwoordige neiging van de echtscheidingsbeweging.--Het huwelijk is geen contract.--Het voorstel van het huwelijk voor een zeker aantal jaren.--Wettelijke beperkingen en nadeelen in de positie van man en vrouw.--Het huwelijk is geen contract maar een feit.--Alleen de bijkomende zaken van het huwelijk, niet de essentieele, leenen zich tot een regeling bij contract.--De wettelijke erkenning van het huwelijk als een feit zonder eenige ceremonie.--Contracten over de persoonlijkheid zijn niet te vereenigen met de moderne neigingen.--De factor van moreele verantwoordelijkheid.--Het huwelijk als een ethisch sacrament.--Persoonlijke verantwoordelijkheid sluit vrijheid in.--Vrijheid is de beste waarborg voor bestendigheid.--Onjuiste denkbeelden over individualisme.--De moderne neiging van het huwelijk.--Met de geboorte van een kind houdt het huwelijk op een persoonlijke aangelegenheid te zijn.--Ieder kind moet een wettigen vader en een wettige moeder hebben.--Hoe dit bereikt kan worden.--De vaste grondslag der monogamie.--De kwestie van huwelijks-variaties.--Zulke variaties staan niet vijandig tegenover de monogamie.--De meest gewone variaties.--De buigzaamheid van het huwelijk houdt variaties in toom.--Huwelijks-variaties tegenover de prostitutie.--Het huwelijk op verstandigen en humanen grondslag.--Samenvatting en besluit.

Hoofdstuk XI

De kunst van liefhebben 463

Het huwelijk is er niet alleen voor de voortplanting.--Theologen over het "Sacramentum Solationis".--Het belang van de "kunst van liefhebben".--De grondslag van bestendigheid in het huwelijk en de voorwaarde voor juiste voortplanting.--De kunst van liefhebben is het bolwerk tegen de echtscheiding.--De eenheid van liefde en huwelijk is een principe der moderne moraal.--Het Christendom en de kunst van liefhebben.--Ovidius.--De kunst van liefhebben onder natuurvolken.--Sexueele inwijding in Afrika en elders.--De neiging tot spontane ontwikkeling van de kunst van liefhebben in de jeugd.--Flirt.--Sexueele onwetendheid bij vrouwen.--De plaats van den echtgenoot bij de sexueele inwijding.--Sexueele onwetendheid bij mannen.--De opvoeding van den echtgenoot voor het huwelijk.--Het onheil gesticht door de onwetendheid van den man.--De physieke en geestelijke gevolgen van den onbeholpen coïtus.--Vrouwen verstaan de kunst van liefhebben beter dan mannen.--Oude en nieuwe meeningen over de veelvuldigheid van den coïtus.--Verschil in sexueele potentie.--De sexueele begeerte.--De kunst van liefhebben berust op de biologische feiten van het hofmaken.--De kunst aan vrouwen te behagen.--De minnaar vergeleken bij den musicus.--Het aanzoek als een deel van het hofmaken.--Divinatie in de kunst van liefhebben.--Het belang van de preliminariën bij het aanzoek.--De onbeholpen echtgenoot is dikwijls de oorzaak van de koelheid der vrouw.--De moeilijkheid van het hofmaken.--Gelijktijdig orgasme.--De nadeelen van onvolkomen bevrediging bij de vrouwen.--Coïtus interruptus.--Coïtus reservatus.--De menschelijke wijze van coïtus.--Variaties in coïtus.--Houding bij coïtus.--De beste tijd voor den coïtus.--De invloed van coïtus in het huwelijk.--De voordeelen van afwezigheid in het huwelijk.--De gevaren der afwezigheid.--Jaloezie.--De oorspronkelijke functie der jaloezie.--Het veel vóorkomen ervan bij dieren, natuurvolken, enz. en in pathologische toestanden.--Een tegen-maatschappelijk gevoel.--Jaloezie laat zich niet vereenigen met den vooruitgang der beschaving.--De mogelijkheid meer dan een persoon tegelijk lief te hebben.--De platonische vriendschap.--De voorwaarden, die ze mogelijk maken.--Het moederlijk element in de liefde der vrouw.--De eind-ontwikkeling van de huwelijksliefde.--Het vraagstuk der liefde is een van de grootste maatschappelijke kwesties.

Hoofdstuk XII

De wetenschap der voortplanting 523

De betrekking tusschen de wetenschap der voortplanting en de kunst van liefhebben.--Sexueele begeerte en sexueel genot als de voorwaarden der conceptie.--De voortplanting was vroeger overgelaten aan luim en begeerte.--Het vraagstuk der voortplanting als een godsdienstkwestie.--Het geloof in eugeniek.--Ellen Key en Francis Galton.--Onze schuld tegenover de nakomelingschap.--Het vraagstuk natuurlijke keuze te vervangen.--De oorsprong en de ontwikkeling der eugeniek.--Het algemeen aannemen van de principes der eugeniek tegenwoordig.--De twee wegen, waarop de principes der eugeniek in praktijk worden gebracht.--Het besef van sexueele verantwoordelijkheid bij de vrouwen.--Verwerping van het opgedrongen moederschap.--Het privilege van het vrijwillige moederschap.--Oorzaken van het in minachting brengen van het moederschap.--De beperking der conceptie.--Zij wordt tegenwoordig door de meerderheid der bevolking in beschaafde landen in praktijk gebracht.--De drogrede "zelfmoord van het ras".--Zijn groote families een merkteeken van degeneratie?--Het beperken van de voortplanting is het gevolg van natuurlijken en beschaafden vooruitgang.--Het toenemen der Nieuw-Malthusiaansche ideeën en gebruiken.--Facultatieve steriliteit onderscheiden van Nieuw-Malthusianisme.--De medische en hygiënische noodzakelijkheid van de beperking der conceptie.--Voorbehoedmiddelen.--Miskraam.--De nieuwe leer van den plicht miskraam op te wekken.--In hoeverre is dit te rechtvaardigen?--Castratie als methode om de voortplanting te beperken.--Negatieve eugeniek en positieve eugeniek.--De kwestie van getuigschriften voor het huwelijk.--De ontoereikendheid van het vaststellen der eugeniek door de wetgeving.--Het scherpen van het maatschappelijk geweten met betrekking tot de erfelijkheid.--Beperking van de geschiktheid voor het moederschap.--De voor de verwekking gunstige voorwaarden.--Steriliteit.--De kwestie van kunstmatige bevruchting.--De voor de voortplanting meest gunstige leeftijd.--De kwestie van het vroege moederschap.--De beste tijd voor de voortplanting.--De voleindiging van den goddelijken levenskring.

HOOFDSTUK I

MOEDER EN KIND

Het recht van het kind om zich zijn voorouders te kiezen.--Hoe dit verwerkelijkt kan worden.--De moeder is de naaste bloedverwant in de opgaande lijn van het kind.--Moederschap en vrouwenbeweging.--De enorme beteekenis van het moederschap.--De sterfte onder de zuigelingen en de oorzaken daarvan.--De voornaamste oorzaak ligt bij de moeder.--De noodzakelijkheid van rust tijdens de zwangerschap.--Het veelvuldig vóorkomen van ontijdige geboorten.--De taak van den staat.--Vooruitgang in den nieuweren tijd van de puericultuur.--Het vraagstuk betreffende den coïtus tijdens zwangerschap.--De noodzakelijkheid van rust gedurende den zoogtijd.--De plicht van de moeder om haar kind te zoogen.--De economische vraag.--De taak van den staat.--Vooruitgang der moederbescherming.--Teleurstellingen ondervonden bij het inrichten van openbare kinderbewaarplaatsen.

De sexueele natuur van den mensch wortelt, evenals alles wat het meest essentieele in hem is, in een bodem, die lang vóor zijn geboorte gevormd werd.--In dit opzicht, evenals in alle andere, ontleent hij de elementen van zijn leven aan zijn voorouders, hoe nieuw de veranderde combinatie ook moge zijn en hoezeer die ook gewijzigd moge worden door latere omstandigheden. Het lot van den mensch ligt niet in de toekomst, maar in het verleden. Dat is, juist beschouwd, de meest levende van alle levende werkelijkheden. Ieder kind heeft dus het recht zijn eigen voorouders te kiezen. Natuurlijk kan het dat alleen doen door plaatsvervangers, door zijn ouders. Het is de ernstigste en heiligste plicht van den toekomstigen vader de eene helft te kiezen van het karakter naar voorouders en erfelijkheid van zijn toekomstig kind; het is de ernstigste en heiligste plicht van de toekomstige moeder ook zulk een keuze te doen [2]. Toen zij elkander kozen, hebben zij te zamen al de voorouders van hun kind gekozen. Zij hebben de sterren bepaald, die zijn lot zullen besturen.

Vroeger werd dit besluit, dat zooveel mogelijkheden voor de toekomst bevat, gewoonlijk genomen op een hulpelooze, blinde, bijna onbewuste wijze. Het werd òf bestuurd door een instinct, dat over het geheel nogal goed gewerkt heeft, òf beïnvloed door economische belangen van wier resultaten men dat niet kan zeggen, of het werd overgelaten aan toevalligheden, die van nòg lager orde zijn dan zuiver dierlijke aandriften en die niets dan kwaad kunnen stichten. Voor de toekomst kunnen wij alleen het geloof hebben--want alle hoop van de menschheid moet op dat geloof berusten--dat een nieuwe impuls, die het natuurlijk instinct versterken en het mettertijd onafscheidelijk begeleiden zal, den beschaafden mensch den koers zal aangeven die het ras moet nemen. Evenals in het verleden het ras over het geheel gevormd is door een natuurlijke, gedeeltelijk sexueele, keuze, die onbewust was van zichzelf en onwetend omtrent de doeleinden waar ze toe leidde, zoo zal het ras in de toekomst gevormd worden door opzettelijke keuze, zal de scheppende energie van de natuur zelf bewust worden in het brein van den beschaafden mensch. Dit is niet een geloof dat zijn oorsprong heeft in een vage hoop. De problemen van het leven van het individu zijn verbonden aan het lot van het leven van het ras en ieder keer weer zullen wij bevinden, als wij peinzen over de individueele kwesties, met welke wij hier te maken hebben, dat zij in alle punten ten slotte samenloopen naar dit zelfde doeleinde van het ras.

Daar we hier nu de sexueele betrekkingen moeten nagaan van het individu ten opzichte van de maatschappij, zal het praktisch zijn op dit punt de kwesties van voorouders terzijde te stellen en het individu te nemen zooals het, met een reeds bepaalden erfelijken aanleg, ligt onder het hart der moeder.

Het is de moeder, die de naaste bloedverwant is van het kind. Op verschillende punten in de zoölogische ontwikkeling heeft het mogelijk geschenen dat de functies, die we nu kennen als die van het moederschap, in ruime mate en gelijkelijk gedeeld werden door den vader. De natuur heeft verschillende proeven genomen in deze richting, met visschen bijvoorbeeld, en zelfs met vogels. Maar hoe nuttig en uitmuntend deze proeven ook waren en ofschoon krachtig genoeg om hun voortzetting tot op dezen dag te verzekeren, blijft het toch waar, dat de mensch niet bestemd was zich langs dezen weg te verheffen. Onder al de zoogdieren, die er vóór den mensch geweest zijn, is het mannetje een indrukwekkende en belangrijke figuur in de eerste dagen van het hofmaken, maar nadat de conceptie verzekerd is, speelt de moeder de voornaamste rol in het leven van het ras. Het mannetje moet er zich mee tevreden stellen buiten het voedsel op te zoeken en op wacht staan als het thuis is in de voorkamer van het gezin. Als ze eenmaal bevrucht is, verwerpt het vrouwtje toornig de liefkoozingen, die zij tevoren zoo coquet in ontvangst genomen heeft, en zelfs bij den mensch is de positie van den vader bij de geboorte van zijn kind niet bijzonder waardig of aangenaam. De natuur staat aan den man slechts een tweede en betrekkelijk nederige plaats toe in het tehuis, de broedplaats van het ras; hij mag zich, als hij wil, schadeloos stellen door het zoeken van avonturen en roem in de wereld daarbuiten. De moeder is de naaste bloedverwant van het kind, en gedurende den tijd van de conceptie tot aan de geboorte, kan de hygiëne van den toekomstigen mensch alleen bevorderd worden door invloeden, die werken door haar.

Zoo fundamenteel en elementair als het feit is van de overheerschende positie van de moeder voor het leven van het ras, zoo onbetwistbaar als het schijnen moet aan allen die er studie van gemaakt hebben, moeten we toch toegeven, dat het soms vergeten is of niet geteld. In de groote tijden van de menschheid is het inderdaad aangenomen als een centraal en heilig feit. In het klassieke Rome werd in een bepaalde periode het huis van de zwangere vrouw versierd met guirlandes, en in Athene was het een onschendbaar heiligdom, waar zelfs de misdadiger bescherming kon vinden. Zelfs te midden van de gemengde invloeden van tijden zoo vol van schuimend leven, als aan de opkomst van de Renaissance voorafgingen, was de ideaal mooie vrouw, zooals wij nog kunnen zien op schilderijen, de zwangere vrouw. Maar het is niet altijd zoo geweest. Tegenwoordig, bij voorbeeld, is er geen twijfel aan, dat we nog pas bezig zijn los te komen uit een periode, waarin dit feit dikwijls werd betwist of ontkend, in theorie en praktijk beide, ook door de vrouwen zelf. Dit was vooral opmerkelijk in Engeland en Amerika beide, en het ligt waarschijnlijk voor een groot deel aan de ongelukkige, dwaze verblindheid, die vrouwen in deze landen er toe bracht mannelijke idealen na te jagen, dat nu de inspiratie voor den vooruitgang in de vrouwenbeweging voornamelijk komt van de vrouwen van andere landen. Moederschap en de toekomst van het ras werden systematisch gekleineerd. Het vaderschap, zoo werd gezegd, was maar een ondergeschikte gebeurtenis in het leven van den man: waarom zou het moederschap meer dan louter een gebeurtenis zijn in het leven van de vrouw? In Engeland waren de vrouwen, door een merkwaardig verdraaiden vorm van sexueele aantrekkingskracht zoo betooverd door den glans, die de mannen omgaf, dat zij al de feiten van organische constitutie, die haar ongelijk maakten aan den man, wilden onderdrukken of vergeten, zich haar glorie tot schande rekenden en dezelfde opvoeding zochten als mannen, dezelfde bezigheden als mannen, ja dezelfde sport. Zooals wij weten was er oorspronkelijk een element van rechtvaardigheid in dezen aandrang [3]. Hij was volkomen gerechtvaardigd in zoover hij een aanspraak was op bevrijding van een kunstmatige beperking, en een eisch tot economische onafhankelijkheid. Maar hij werd noodlottig en dwaas, toen hij zich ontwikkelde in een hartstocht om, in alle opzichten, dezelfde dingen te doen, die mannen doen; hoe noodlottig en hoe dwaas kunnen we beseffen als wij ons mannen voorstellen, hartstochtelijk de wijzen van doen en de werkzaamheden van vrouwen nabootsende. Vrijheid is alleen goed, als zij is een vrijheid om de wetten te volgen van iemands eigen natuur; zij houdt op vrijheid te zijn als zij wordt een slaafsche poging anderen na te bootsen en ze zou slechts ongeluk aanbrengen als ze ooit slagen kon [4]. Tegenwoordig heeft deze beweging theoretisch opgehouden vertegenwoordigsters te bezitten, die ernstigen invloed uitoefenen. Toch vertoonen zich de praktische resultaten nog zeer zichtbaar in Engeland en de andere landen, waarin zij gevoeld is. De sterfte onder de zuigelingen is enorm en begint nog slechts, tenminste in Engeland, een neiging te vertoonen om af te nemen; het moederschap is zonder waardigheid en de levenskracht der moeders neemt spoedig af, zoodat zij niet eens haar kinderen kunnen zoogen; onwetende jonge moeders geven haar kinderen aardappelen en jenever; overal spreekt men ons van de teekenen van ontaarding van het ras, of zoo al niet van het ras, dan toch in ieder geval van de jonge individuen van tegenwoordig.

Het zou misplaatst zijn en ons te ver voeren om hier deze verscheidenheid te bespreken van praktische gevolgen van de dwaze poging, om het enorme belang van het moederschap voor het ras te kleineeren. Het zij genoeg slechts dit eene punt aan te raken: de bovenmatige sterfte onder de zuigelingen.

In Engeland--dat uit een maatschappelijk oogpunt niet in zoo veel slechter toestand verkeert dan de meeste landen, want in Oostenrijk en Rusland is de kindersterfte nog hooger, hoewel ze in Australië en Nieuw-Zeeland veel lager is, maar toch nog buitensporig--komt jaarlijks meer dan een vierde van alle sterfgevallen van kinderen onder het jaar voor. Naar de meening van de medische ambtenaren van den gezondheidsdienst, die het best in de gelegenheid zijn om een opinie te vormen, hadden ongeveer de helft van deze sterfgevallen, in het ruwe berekend, absoluut voorkomen kunnen worden. Bovendien is het twijfelachtig of er een werkelijk dalende beweging is in deze sterfte; in de laatste halve eeuw is zij nu eens gestegen en dan weer gedaald, en hoewel in de paar laatste jaren de algemeene beweging van de kindersterfte voor kinderen onder de vijf jaar in Engeland en Wales een neiging getoond heeft om af te nemen, steeg in Londen (volgens J. F. J. Sykes, ofschoon Sir Shirley Murphy getracht heeft de beteekenis van deze cijfers te verminderen) de kindersterfte voor de drie eerste levensmaanden van 69 per duizend in het tijdverloop 1888-1892 tot 75 per duizend van 1898-1901. (Dit heeft, dat moeten we bedenken, betrekking op de periode vóór het invoeren van de wet op het kennisgeven van geboorten). In ieder geval is er, hoewel de algemeene sterfte een bepaalde neiging toont tot verbetering, zeker geen naar evenredigheid daarmee overeenkomende verbetering in de kindersterfte. Dit kan ternauwernood verwondering wekken, als wij ons voor oogen stellen, dat er geen verandering ten goede, maar eerder ten kwade, geweest is in de omstandigheden waaronder onze kinderen worden geboren en opgevoed. Zoo zegt William Hall (British Medical Journal, October 14, 1905), die een grondige kennis had, loopende over 56 jaar, van de achterbuurten van Leeds, en die verscheiden duizenden van achterbuurtkinderen gewogen en gemeten heeft, behalve dat hij meer dan 120.000 jongens en meisjes onderzocht heeft op hun geschiktheid voor fabrieksarbeid, dat "vijftig jaar geleden de moeder uit de achterbuurt veel verstandiger, zindelijker, huiselijker en moederlijker was dan zij nu is; zij was zelf beter gevoed en zij zoogde bijna altijd haar kinderen en na het speenen kregen zij meer voedzaam, beenderenvormend voedsel, en zij was in staat thuis gezonder voedsel klaar te maken". Het systeem van leerplicht heeft een ongelukkigen invloed uitgeoefend door den ouders een dwang op te leggen waardoor de toestanden van het tehuis slechter werden. Want, hoe uitstekend onderwijs is, het is niet de eerste levensbehoefte en het is verplichtend gemaakt, voordat de meer essentieele dingen van het leven even verplichtend gemaakt zijn. Hoe volkomen onnoodig deze groote sterfte is, kan blijken zonder dat we het goede voorbeeld van Australië en Nieuw-Zeeland noemen, wanneer wij slechts kleine Engelsche steden vergelijken: terwijl in Guildford de kindersterfte 65 per duizend is, is het in Burslem 205 per duizend.

Somtijds wordt gezegd, dat kindersterfte een economische kwestie is en dat ze zou ophouden te bestaan met loonsverbetering. Dit is alleen waar tot zekere hoogte en onder bepaalde voorwaarden. In Australië is geen nijpende armoede, maar het aantal sterfgevallen van kinderen onder het jaar is nog tusschen de 80 en 90 per duizend, en een derde van deze sterfte is volgens Hooper (British Medical Journal, 1908, vol II, p. 289) gemakkelijk te vermijden omdat ze voortkomt uit de onwetendheid van de moeders en den tegenzin in het zoogen. De loonarbeid van getrouwde vrouwen vermindert zeer de armoede van een familie, maar niets kan slechter zijn voor het welzijn van de vrouw als moeder, of voor het welzijn van haar kind. Reid, de medische ambtenaar van den gezondheidsdienst voor Staffordshire, waar twee groote centra zijn van werkmansbevolking met dezelfde gezondheidsvoorwaarden, heeft aangetoond, dat in het Noordelijk centrum, waar een groot aantal vrouwen in fabrieken werkt, ontijdige geboorten driemaal zooveel voorkomen als in het Zuidelijk centrum, waar feitelijk geen beroepsloonarbeid voor vrouwen is; de veelvuldigheid van abnormaliteiten is ook in dezelfde verhouding. De voorrang van Joodsche boven Christenkinderen en hun geringere kindersterfte, schijnen geheel te berusten op het feit dat Jodinnen betere moeders zijn. "De Joodsche kinderen in de achterbuurten", zegt William Hall (British Medical Journal, October 14, 1905), een man van ruime en nauwkeurige kennis, "waren beter in gewicht, wat hun tanden betreft en in algemeene lichamelijke ontwikkeling, en zij schenen minder vatbaar te zijn voor besmettelijke ziekten. Toch woonden deze Joden in overvolle woningen, zij namen weinig beweging, en de ongezondheid van hun omgeving was in het oog vallend. De kwestie was, dat hun kinderen veel beter gevoed waren. De zwangere Jodin werd beter verzorgd en voedde ongetwijfeld den foetus beter. Nadat de kinderen geboren waren, kregen 90 percent borstvoeding en later in hun jeugd kregen zij overvloedig beenderenvormend voedsel; eieren en olie, visch, versche groenten en vruchten namen een groote plaats in in hun diëet". G. Newman, legt in zijn belangrijk en groot boek over "kindersterfte" den nadruk op het besluit dat wij "allereerst moeten hebben een hooger standaard van physiek moederschap." Het probleem van kindersterfte, verklaart hij (bladz. 259), is er niet een alleen van hygiëne, van huisvesting, of zelfs van armoede als zoodanig, "maar het is voornamelijk een kwestie van moederschap".

De voornaamste behoefte van de zwangere vrouw is rust. Zonder een groote mate van rust voor de moeder kan er geen puericultuur zijn [5].

De taak een mensch te scheppen neemt al de beste krachten van een vrouw in beslag, vooral gedurende de laatste drie maanden vóor de geboorte. Zij kan niet ondergeschikt gemaakt worden aan de belasting, die er op de krachten gelegd wordt door handenarbeid of geestelijken arbeid, of zelfs door ingespannen maatschappelijke plichten en vermaken. De talrijke proeven en waarnemingen, die in de laatste jaren gedaan zijn in de inrichtingen voor kraamvrouwen, voornamelijk in Frankrijk, hebben afdoende aangetoond, dat niet alleen het tegenwoordige en toekomstige welzijn van de moeder en het gemak van haar bevalling, maar ook het lot van het kind, een zeer grooten invloed ondervinden van rust gedurende de laatste maand van haar zwangerschap. "Iedere arbeidster heeft aanspraak op rust gedurende de laatste drie maanden van haar zwangerschap". Dit besluit werd aangenomen door het Internationale Congres voor Hygiëne in 1900, maar het kan niet in de praktijk uitgevoerd worden dan door samenwerking van de geheele gemeenschap. Want het is niet genoeg te zeggen, dat een vrouw rust moet hebben tijdens de zwangerschap; het is de taak van de gemeenschap te zorgen, dat die rust behoorlijk verzekerd wordt. De vrouw zelf, en haar werkgever, daar kunnen we zeker van zijn, zullen hun best doen de gemeenschap te bedriegen, maar het is de gemeenschap, die schade lijdt, zoowel economisch als moreel, als een vrouw minderwaardige kinderen ter wereld brengt en de gemeenschap moet, in haar eigen belang zoowel werkgever als werkneemster controleeren. Wij kunnen niet langer laten zeggen, met de woorden van Bouchacourt, dat "tegenwoordig het schuim van het menschengeslacht--de blinden, de doofstommen, gedegenereerden, nerveuzen, misdadigers, idioten, zwakzinnigen, crétins en epileptici--beter beschermd worden dan de zwangere vrouwen" [6].

Pinard, die altijd geëerd moet worden als een van de stichters van de eugeniek, heeft, tezamen met zijn leerlingen, veel gedaan om den weg te bereiden voor het aannemen van dit eenvoudig, maar belangrijk axioma, door de gronden duidelijk te maken, waarop het berust. Uit lang voortgezette waarnemingen op zwangere vrouwen van alle standen, heeft Pinard de conclusie getrokken, dat vrouwen, die tijdens de zwangerschap rusten, betere kinderen hebben dan vrouwen, die niet rusten. Afgezien van de meer algemeene nadeelen van werk tijdens de zwangerschap, bevond Pinard dat het, gedurende de laatste maanden, een neiging had om de baarmoeder naar beneden te drukken in het bekken, en zoo de ontijdige geboorte te veroorzaken van onvoldragen kinderen; terwijl de weeën moeilijker en gevaarlijker gemaakt werden (zie bv. Pinard, Gazette des Hôpitaux, Nov. 28, 1895, en van denzelfden schrijver Annales de Gynécologie, Aug. 1898).

Letourneux heeft de vraag bestudeerd of rust tijdens de zwangerschap noodig is voor vrouwen, wier beroepsarbeid maar weinig vermoeiend is. Hij onderzocht 732 opeenvolgende bevallingen in de Clinique Baudeloque in Parijs. Hij bevond, dat 137 vrouwen, die vermoeiende bezigheden hadden (dienstboden, keukenmeiden, enz.) en die niet rustten tijdens de zwangerschap, kinderen voortbrachten van een gemiddeld gewicht van 3.081 gram; 115 vrouwen, die maar weinig vermoeiende bezigheden hadden (naaisters, modisten, enz.) en die ook niet rustten tijdens de zwangerschap, kinderen hadden van een gemiddeld gewicht van 3.130 gram; een klein verschil, maar toch van beteekenis, omdat de vrouwen van de eerste groep groot waren en sterk, terwijl die van de tweede groep teer en rank gebouwd waren. En weer, bij het vergelijken van groepen vrouwen, die tijdens de zwangerschap rustten, werd bevonden, dat de vrouwen, die gewend waren aan vermoeiend werk, kinderen hadden met een gemiddeld gewicht van 3.319 gram, terwijl zij, die gewend waren aan minder vermoeiend werk, kinderen hadden met een gemiddeld gewicht van 3.318 gram. Het verschil tusschen rust en geen rust is dus aanmerkelijk, daar het ook zware vrouwen, die vermoeiende bezigheden hebben, in staat stelt de teerder vrouwen, die minder vermoeiende bezigheden hebben, in te halen, niet ze te overtreffen. Wij zien ook, dat zelfs bij de betrekkelijk weinig vermoeiende bezigheden van modistes enz., rust tijdens de zwangerschap toch van belang blijft, en niet veilig gemist kan worden. "De maatschappij", zegt Letourneux, "moet rust verzekeren aan vrouwen, die niet in gunstige omstandigheden verkeeren, tijdens een deel van de zwangerschap. De kosten daarvan zal zij terugbetaald krijgen door de vermeerderde kracht van de aldus geboren kinderen" (Letourneux, "De l'Influence de la Profession de la Mère sur le Poids de l'Enfant", Thèse de Paris, 1897).

Dr. Dweira-Bernson ("Revue Pratique d'Obstétrique et de Pédiatrie," 1903, p. 370), vergeleek vier groepen van zwangere vrouwen (dienstboden met zwaar werk, met licht werk, boerenmeisjes, naaisters) die drie maanden lang rustten voor de bevalling, met vier evenzoo samengestelde groepen, die geen rust namen voor de bevalling. In iedere groep bevond hij, dat het verschil in het gemiddelde gewicht van het kind was bepaald ten gunste van de vrouwen, die gerust hadden en het was opmerkelijk, dat het grootste verschil werd bevonden in het geval van de boerenmeisjes, die waarschijnlijk de sterkste waren, die ook het hardst werkten.

De gewone duur der zwangerschap varieert tusschen 274 en 280 dagen (of 280 tot 290 dagen na de laatste menstruatie), en soms een paar dagen langer, hoewel men het niet eens is over den uitersten grens, die sommige autoriteiten zouden willen uitstrekken tot 300 dagen (Pinard in Richet's Dictionaire de Phisiologie, deel VII pp. 150-162; Taylor, Medical Jurisprudence, 5de uitgave, pp. 44, 98 en volgende; L. M. Allen, "Prolonged Gestation", American Journal Obstetrics, April 1907). Het is mogelijk, zooals Müller opperde in 1898 in een Thèse de Nancy, dat de beschaving de neiging heeft den duur der zwangerschap te verkorten en dat die in vroeger tijden langer was dan hij nu is. Zulk een neiging tot vroege geboorte onder de opwindende zenuwachtige invloeden van de beschaving zou dan overeenkomen, zooals Bouchacourt aangetoond heeft (La Grossesse, p. 113), met eenzelfde uitwerking op huisdieren. De sterke vrouw van het land verandert in de sierlijker, maar ook teerder vrouw van de stad, die eene mate van zorg en hygiëne noodig heeft, die de vrouw van het land met haar zenuwstelsel met meer weerstandsvermogen tot zekere hoogte ontberen kan, hoewel zelfs zij, zooals wij zien, schade lijdt in de persoon van haar kind, en waarschijnlijk in haar eigen persoon door de gevolgen van het werken tijdens de zwangerschap. De ernstige aard van deze neiging der beschaving tot vroege geboorte--waarvan gebrek aan rust in de zwangerschap echter maar een van de vele belangrijke oorzaken is--blijkt uit het feit dat Séropian (Fréquence Comparée des Causes de l'Accouchement Prématuré, Thèse de Paris, 1907) bevond, dat omstreeks een derde van de geboorten in Frankrijk (32.28 percent) in meerdere of mindere mate te vroeg zijn. Zwangerschap is geen ziektetoestand; integendeel, is een zwangere vrouw op het hoogtepunt van haar meest normale physiologische leven, maar tengevolge van de spanning, die er door veroorzaakt wordt, is zij er bijzonder aan onderhevig te lijden door iederen kleinen schok of druk.

Men moet opmerken, dat de verhoogde neiging tot ontijdige geboorte, terwijl zij gedeeltelijk mag berusten op algemeene neigingen der beschaving, ook voor een deel berust op zeer bepaalde oorzaken, die zeer goed te vermijden zijn. Syphilis, alcoholisme en pogingen om miskraam op te wekken, behooren onder de niet ongewone oorzaken van ontijdige geboorte (zie bv. G. F. Mc. Cleary, "The Influence of Antenatal Conditions on Infantile Mortality", British Medical Journal, Aug. 13, 1904).

Ontijdige geboorte moet vermeden worden, omdat het kind, dat te vroeg geboren is, onvoldoende is toegerust voor de taak, die voor hem ligt. Astengo bevond bij bijna 19.000 gevallen in het Lariboisière Hospital in Parijs en in de Maternité, dat, gerekend van den datum der laatste menstruatie, er een directe verhouding is tusschen het gewicht van het kind bij de geboorte en den duur der zwangerschap. Hoe langer de zwangerschap, des te beter het kind (Astengo, Rapport du Poids des Enfants à la Durée de la Grossesse, Thèse de Paris, 1905).

Ontijdige geboorten komen waarschijnlijk in Engeland evenveel voor als in Frankrijk. Ballantyne zegt (Manual of Antenatal Pathology; The Foetus p. 456) dat men voor praktische doeleinden de veelvuldigheid van ontijdige weeën in kraaminrichtingen kan stellen op 20 percent, maar dat, als alle kinderen, die minder wegen dan 3 KG. beschouwd moeten worden als ontijdig geboren, dit stijgt tot 41.5 percent. Dat het aantal ontijdige geboorten toeneemt in Engeland schijnt te blijken uit het feit, dat gedurende de laatste 25 jaar er een voortdurende toename is in de sterfte door ontijdige geboorte. Mc. Cleary, die dit punt bespreekt en die de toename als werkelijk bestaand beschouwt, komt tot het besluit, dat het schijnt, of er een vermindering is in de qualiteit, zoowel als in de quantiteit van onze kinderproductie. Zie ook een discussie, ingeleid door Dawson Williams, over "Physical Deterioration", British Medical Journal, Oct. 14, 1905.

Er behoeft nauwelijks op gewezen te worden, dat niet alleen onrijpheid een oorzaak is van ontaarding in de kinderen die blijven leven, maar dat deze alleen reeds er toe bijdraagt om het aantal der kinderen te verminderen die in het leven blijven. Zoo zegt Newman, (l.c.) dat in de meeste Engelsche stadsdistricten ontijdige geboorte de voornaamste oorzaak is van sterfte onder de zuigelingen en dat omstreeks 30 percent van de sterfgevallen van zuigelingen er onder gebracht kunnen worden; zelfs in Londen (Islington) bevindt Alfred Harris (British Medical Journal, Dec. 14, 1907) dat bijna 17 percent van de sterfgevallen van zuigelingen er toe gerekend kunnen worden. Newman meent, dat ongeveer de helft der moeders van kinderen, die sterven door ontijdige geboorte, gedecideerd ziek zijn of onvoldoende gevoed; zij zijn daarom niet geschikt om moeder te worden.

Rust tijdens de zwangerschap is een machtig voorbehoedmiddel tegen ontijdige geboorten. Zoo vergeleek Dr. Sarraute-Lourié 1.550 zwangere vrouwen in het Asile Michelet, die rust hadden vóor de bevalling met 1.550 kraamvrouwen in het Hôpital Lariboisière, die niet zoo'n rustperiode gehad hadden. Zij bevond, dat de gemiddelde duur der zwangerschap tenminste twintig dagen korter was in de laatste groep. (Mme Sarraute-Lourié, De l'Influence du Repos sur la Durée de la Gestation, Thèse de Paris, 1899).

Leyboff heeft aangedrongen op de absolute noodzakelijkheid van rust tijdens de zwangerschap, zoowel ter wille van de vrouw zelf als van den last, dien zij draagt, en hij toont de slechte resultaten aan, die volgen als de rust is verwaarloosd. Reizen per spoor, paardrijden, fietsen en zeereizen kunnen, naar Leyboff meent, ook nadeelig zijn aan het verloop van de zwangerschap. Leyboff erkent de moeilijkheden, waar zwangere vrouwen door de tegenwoordige toestanden in de industrie, onder lijden en komt tot het besluit, "dat het dringend noodig is vrouwen bij de wet te verhinderen gedurende de drie laatste maanden der zwangerschap te werken; dat er in ieder district een moederschapfonds moest wezen; dat gedurende dezen verplichten rusttijd een vrouw hetzelfde salaris moest ontvangen als wanneer zij werkt". Hij voegt er aan toe, dat kinderen van ongehuwde moeders moesten worden verzorgd door den Staat, dat er een acht-urige werkdag moest zijn voor alle arbeiders en dat geen kinderen onder de zestien jaar verlof mochten hebben om te werken. (E. Leyboff, L'Hygiène de la Grossesse, Thèse de Paris, 1905).

Perruc zegt dat een rust van tenminste twee maanden vóor de bevalling verplichtend moest worden gesteld, en dat de vrouw gedurende dien tijd een schadeloosstelling moest ontvangen van Staatswege. Hij meent, dat die den vorm zou moeten aannemen van verplichte verzekering en dat de arbeidster, de werkgever en de Staat er gelijkelijk voor moesten bijdragen (Perruc, Assistance aux Femmes Enceintes, Thèse de Paris, 1905).

Waarschijnlijk heeft werk gedurende de eerste maanden van de zwangerschap, als het niet buitensporig zwaar en vermoeiend is, weinig of geen slechten invloed; zoo bevond Bacchimont (Documents pour servir à l'Histoire de la Puériculture Intra-utérine, Thèse de Paris, 1898) dat, terwijl er een groote toename was in gewicht van kinderen van moeders, die drie maanden gerust hadden, er geen overeenkomstige toename was in de kinderen van die moeders, die langeren tijd gerust hadden. Gedurende de laatste drie maanden wordt vrijheid, rust, het ophouden van de verplichtende routine van een beroep noodig. Dit is de meening van Pinard, de voornaamste autoriteit in deze zaak. Velen echter, vreezende dat economische en industrieele voorwaarden zoo'n langen rusttijd praktisch tè moeilijk te bereiken zullen maken, zijn met Clappier en G. Newman tevreden met twee maanden als minimum te eischen; Salvat vraagt maar een maand rust vóor de bevalling, terwijl de vrouw, of zij getrouwd is of niet, dan een schadeloosstelling in geld zal krijgen gedurende dezen tijd en kosteloos geneeskundige hulp en medicijnen. Ballantyne (Manual of Antenatal Pathology: The Foetus, p. 475), zoowel als Niven, vragen slechts éen maand verplichte rust gedurende de zwangerschap met schadeloosstelling Arthur Helme echter overziet meer alle factoren van het probleem en komt in een belangrijk geschrift over "The Unborn Child: Its Care and Its Rights" (British Medical Journal, Aug. 24, 1907) tot het besluit: "Dat, waar het op aankomt, zou zijn zwangere vrouwen geheel te verhinderen naar haar werk te gaan en het komt er evenzeer op aan van het standpunt van het kind, dat dit verbod zich zoowel over de eerste als over de laatste maanden van de zwangerschap moet uitstrekken."

In Engeland is tot nog toe weinig vooruitgang gekomen met betrekking tot deze vraag van rust tijdens de zwangerschap, zelfs niet in het veranderen van de publieke opinie. Sir William Sinclair, professor in de verloskunde aan de Victoria University in Manchester, heeft uitgegeven (1907) A Plea for Establishing Municipal Maternity Homes. Ballantyne, een groot Engelsch autoriteit op het gebied van de embryologie van het kind, heeft uitgegeven een "Plea for a Pre-Maternity Hospital" (British Medical Journal, Jan. 11, 1908), en heeft de kwestie verder besproken in zijn Manual of Antenatal Pathology: The Foetus (Hoofdst. XXVII); hij stelt echter meer belang in het oprichten van ziekenhuizen voor de ziekten der zwangerschap dan in de meeromvattende en meer fundamenteele kwestie van rust voor alle zwangere vrouwen. In Engeland zijn wel is waar een paar inrichtingen welke ongehuwde vrouwen opnemen, die een getuigschrift hebben van goed gedrag en die voor de eerste maal zwanger zijn, want, zooals Bouchacourt opmerkt, verzetten Engelsche vooroordeelen zich tegen ieder medelijden, betoond aan vrouwen, die recidivisten zijn in de misdaad der conceptie.

Tegenwoordig wordt alleen in Frankrijk de dringende behoefte aan rust gedurende de laatste maanden der zwangerschap duidelijk in het oog gehouden en eenige ernstige en officieele pogingen zijn aangewend om er in te voorzien. In een belangwekkende Parijsche verhandeling (De la Puériculture avant la Naissance, 1907) heeft Clappier veel mededeelingen samengebracht, die betrekking hebben op de pogingen, die nu gedaan worden om de kwestie praktisch te behandelen. Er zijn vele Asiles in Parijs voor zwangere vrouwen. Een van de beste is het Asile Michelet, in 1893 gesticht door de "Assistance Publique" van Parijs. Dit is een sanatorium voor zwangere vrouwen, die in het midden van de achtste maand zijn. In naam worden alleen Fransche vrouwen toegelaten, die een jaar haar domicilie in Parijs hebben gehad, maar inderdaad schijnt het, dat vrouwen uit alle deelen van Frankrijk worden opgenomen. Zij worden bezig gehouden met nu en dan voorkomend licht werk voor de inrichting en zij worden voor dit werk betaald, en ook houden zij zich bezig met het maken van kleertjes voor het verwachte kind. Getrouwde en ongetrouwde vrouwen worden gelijkelijk opgenomen, daar alle vrouwen gelijk zijn van het standpunt uit van moederschap, en inderdaad zijn de meeste van de vrouwen, die naar het Asile Michelet komen, ongetrouwd en sommige zijn meisjes, die zich zelfs te voet gesleept hebben van Brittanje en andere ver verwijderde plaatsen van Frankrijk, om zich te kunnen verbergen voor haar vrienden in de gastvrije afzondering van deze toevluchtsoorden in de groote stad. Het is niet het minste voordeel van deze inrichtingen, dat zij ongetrouwde moeders en haar kind beschermen tegen de vele ellenden, waaraan zij zijn blootgesteld en zoo er toe bijdragen om misdaad en lijden te verminderen. Behalve de moederschapstoevluchtsoorden zijn er instellingen in Frankrijk om met hulp en raad die zwangere vrouwen bij te staan, die liever thuis blijven, maar die zoodoende de noodzakelijkheid vermijden van huiselijk werk dat niet voor haar past.

Er kan geen schaduw van twijfel zijn dat, zooals tegenwoordig in ons eigen land en eenige andere landen, die beschaafd heeten, moederschap buiten het huwelijk beschouwd wordt als bijna een misdaad, er dus de allergrootste behoefte is aan passende zorg voor ongetrouwde vrouwen, die op het punt zijn moeder te worden, een zorg, die haar in staat stelt in het geheim bescherming en verzorging te verkrijgen en haar gevoel van eigenwaarde en haar maatschappelijke positie te bewaren. Dit is noodig niet alleen in het belang der humaniteit en der publieke economie, maar ook, zooals te dikwijls vergeten wordt, in het belang der zedelijkheid, want het is zeker, dat door te verzuimen een passende voorzorg van deze soort te verschaffen, vrouwen gedreven worden tot kindermoord en prostitutie. In vroegere, meer humane tijden was het algemeen zorgen voor het heimelijk ontvangen van en zorgen voor onwettige kinderen zonder twijfel hoogst heilzaam. Het onderdrukken van de middeleeuwsche methode, die in Frankrijk langzamerhand plaats vond tusschen 1833 en 1862, leidde tot een groote toename van kindermoord en miskraam en was een onmiddellijke aanmoediging tot misdaad en zedeloosheid. In 1887 trachtte de "Conseil Général" van de Seine de heerschende verwaarloozing van deze zaak te vervangen door het aannemen van meer verlichte denkbeelden en stichtte een bureau secret d'admission voor zwangere vrouwen. Sedert dien tijd zijn zoowel kinderverlating als kindermoord zeer verminderd, hoewel zij toenemen in die deelen van Frankrijk, die geen faciliteiten van deze soort bezitten. Men meent in ruime kringen, dat de Staat de inrichtingen moest vereenigen voor het verzekeren van geheim moederschap en in zijn eigen belang de onkosten op zich nemen. In 1904 verzekerde de Fransche wet de bescherming van ongetrouwde moeders door haar geheim te waarborgen, maar zij organiseerde geen algemeene oprichting van geheime kraaminrichtingen en heeft aan de medici overgelaten het pionierswerk te doen in dit groote en menschlievende werk van algemeen belang (A. Maillard-Brune, Refuges, Maternités, Bureaux d'Admission Secrets, comme Moyens Préservatives de l'Infanticide, Thèse de Paris, 1908). Het behoort niet onder de geringste voordeelen van het dalende geboortecijfer, dat het geholpen heeft den stoot te geven tot deze nuttige beweging.

De ontwikkeling van een systeem van industrie, dat het menschelijk lichaam en de menschelijke ziel ondergeschikt maakt aan de dorst naar goud, heeft tijdelijk de belangen van het ras en zelfs van het individu verbannen uit de gedachten van de maatschappij, maar men moet wel begrijpen, dat dit niet altijd en overal zoo geweest is. Hoewel in sommige deelen der wereld de vrouwen van natuurvolken dòorwerken tot den tijd der bevalling, moet men in het oog houden, dat de arbeidsvoorwaarden in het leven der natuurvolken niet gelijken op het inspannende en voortdurende werken in de moderne fabrieken. In vele deelen van de wereld echter, mogen vrouwen niet hard werken tijdens de zwangerschap en zij worden op alle wijzen ontzien. Dit is, bij voorbeeld, zoo onder de Pueblo Indianen, en onder de Indianen van Mexico. Op dergelijke wijze wordt gezorgd op de Carolinen en de Gilbert Eilanden en in vele andere streken over de geheele wereld. Op sommige plaatsen worden vrouwen afgezonderd tijdens de zwangerschap, en op andere plaatsen worden zij gedwongen meer of minder uitmuntende regels in acht te nemen. Het is waar, dat de oorzaak, die aan deze regels wordt toegeschreven, soms de vrees is voor booze geesten, maar zij hebben niettemin dikwijls een hygiënische waarde. In vele deelen van de wereld is de ontdekking van zwangerschap de aanleiding tot een feest van meer of minder godsdienstig karakter, en veel goede raad wordt aan de aanstaande hoeder gegeven. De moderne Muzelmannen, en zelfs de Chineezen, zorgen er voor, te waken over de gezondheid van hun vrouwen, als ze zwanger zijn [7]. Zelfs in Europa in de 13de eeuw namen, zooals Clappier opmerkt, industrieele vereenigingen dezen toestand soms in aanmerking en wilden niet toestaan, dat vrouwen tijdens de zwangerschap werkten. In IJsland, waar nog veel van het primitieve leven van Scandinavisch Europa bewaard is gebleven, worden groote voorzorgsmaatregelen genomen met zwangere vrouwen. Zij moeten een rustig leven leiden, nauwe kleeren vermijden, matig zijn in eten en drinken, geen alcohol gebruiken, bewaard worden voor alle schokken, terwijl haar echtgenooten en alle anderen om haar heen haar moeten behandelen met onderscheiding, haar moeten bewaren voor vermoeienis en altijd geduld met haar moeten hebben [8].

Het is noodig op dit punt den nadruk te leggen, omdat wij ons voor oogen moeten stellen, dat de moderne beweging om de zwangere vrouw met teederheid en zorg te omringen, wel verre van enkel het gevolg te zijn van de zachtheid en verweekelijking der beschaving, naar alle waarschijnlijkheid is het terugkeeren op een hooger plan tot de gezonde practijken van die rassen, die den grondslag legden voor menschelijke grootheid.

Terwijl rust de hoofdplicht is van een vrouw tijdens de laatste maanden der zwangerschap, zijn er andere punten in haar leefregel, die verre van onbelangrijk zijn in hun invloed op het lot van het kind. Een daarvan is de kwestie van het gebruik van alcohol door de moeder. Ongetwijfeld is alcohol de oorzaak geweest van veel fanatisme. Maar de hoogdravende buitensporigheid van anti-alcoholisten moet ons niet blind maken voor het feit, dat de nadeelen der alcohol werkelijkheid zijn. Vooral op het reproductieproces, op de melkklieren en op het kind heeft de alcohol een belemmerenden en degenereerenden invloed zonder dat er eenige voordeelen tegenover staan. Het is bewezen door proeven op dieren en waarnemingen op den mensch dat de alcohol, die de zwangere vrouw tot zich neemt, vrij overgaat uit den bloedsomloop der moeder naar den bloedsomloop van den foetus. Féré heeft verder aangetoond, dat het mogelijk is door alcohol en aldehyde in te spuiten in kippeneieren tijdens den broedtijd, stilstand van ontwikkeling en misvorming te weeg te brengen in het kuiken [9]. De vrouw, die een kind in haar schoot draagt, of aan haar borst zoogt, moest er aan denken, dat de alcohol, die misschien onschadelijk is voor haarzelf, niet veel beter is dan vergif voor het onrijpe wezen, dat zijn voedsel neemt uit haar bloed. Zij moest zich bepalen tot de allerlichtste alcoholbevattende dranken in zeer matige hoeveelheden, en zij zou nog beter doen, als zij er geheel en al van afzag en in plaats daarvan melk dronk. Zij is nu de eenige bron voor het leven van het kind en zij kan niet te zorgvuldig zijn in het scheppen van een atmospheer van reinheid en gezondheid er omheen. Geen later uitgeoefende invloed kan fouten goedmaken, die in dezen tijd gemaakt worden [10].

Wat waar is van den alcohol, dat is even waar van andere sterk werkende geneesmiddelen en vergiften, die alle vermeden moesten worden zoover dat kan tijdens de zwangerschap, wegens den nadeeligen invloed, dien zij mogelijk direct op het embryo uitoefenen. Hygiëne is beter dan medicijnen, en er moet gelet worden op het diëet, dat in geenen deele overdadig moet zijn. Het is een dwaling te veronderstellen, dat de zwangere vrouw aanmerkelijk meer voedsel noodig heeft dan gewoonlijk en er is veel reden om aan te nemen, dat een zware vleeschvoeding neiging heeft steriliteit te veroorzaken, maar dat ze ook niet gunstig is voor de ontwikkeling van het kind in haar schoot [11].

Hoe lang, wordt dikwijls gevraagd, kan sexueele omgang voortgezet worden, als hij al toegelaten is, nadat de bevruchting duidelijk is vastgesteld? Dit heeft men niet altijd een gemakkelijke vraag gevonden om te beantwoorden, want bij het menschelijk paar komen altijd veel overwegingen samen om het antwoord gecompliceerd te maken. Zelfs de Katholieke theologen zijn niet heelemaal eensgezind geweest op dit punt. Clemens van Alexandrië zeide, dat, als het zaad gezaaid was, de akker moest rusten tot den oogst. Maar wij mogen wel als regel stellen, dat de kerk geneigd was den omgang te beschouwen op zijn hoogst als een vergeeflijke zonde, mits er geen gevaar was voor ontijdige geboorte. Augustinus, Gregorius de Groote, Thomas van Aquino en Dens, bij voorbeeld, schijnen deze meening te zijn toegedaan; voor sommigen is het, inderdaad, in het geheel geen zonde [12]. Onder dieren is de regel eenvoudig en gelijkvormig; zoodra het vrouwtje bevrucht is in den paringstijd, verwerpt zij iedere toenadering van het mannetje, totdat, nadat de geboorte en de zoogtijd voorbij zijn er een nieuwe paringstijd begint. Onder natuurvolken is de neiging minder gelijkvormig en heeft sexueele abstinentie, als ze voorkomt tijdens de zwangerschap, de neiging minder een natuurlijk instinct te worden dan een voorschrift van het ritueel, of een gewoonte, nu voornamelijk berustend op bijgeloof. Onder vele natuurvolken wordt abstinentie tijdens de heele zwangerschap bevolen, omdat men meent dat het zaad den foetus zou dooden [13].

De Talmud is ongunstig gestemd jegens den coïtus tijdens de zwangerschap, en de Koran verbiedt hem den geheelen tijd door, zoowel als tijdens den zoogtijd. Onder de Hindoes, aan den anderen kant, wordt de gemeenschap voortgezet tot aan de laatste veertien dagen van de zwangerschap en er wordt zelfs geloofd, dat het ingebrachte zaad den embryo helpt voeden (W. D. Sutherland, "Ueber das Alltagsleben und die Volksmedizin unter den Bauern Britischostindiens", Münchener Medizinische Wochenschrift, Nos. 12 en 13, 1906). De groote Indische medicus Susruta, echter, was tegen coïtus tijdens de zwangerschap, en de Chineezen stellen zich met klem aan dezelfde zijde.

Al naarmate de menschen zich los gemaakt hebben van de barbaarschheid in de richting der beschaving, is het dierlijk instinct van weigering na de bevruchting volkomen verloren geraakt bij vrouwen, terwijl terzelfder tijd beide seksen neiging hebben om onverschillig te worden voor die ritueele beperkingen, die in een vroegere periode bijna even bindend waren als het instinct. Sexueele omgang geraakte zoo in gebruik na de bevruchting evenzeer als er voor, als een deel van de gewone "huwelijksrechten", hoewel er toch soms een flauw vermoeden achterbleef, dat zich weerspiegelt in de aarzelende houding van de Katholieke kerk, waar we reeds op zinspeelden, dat zulke omgang een zondige toegeeflijkheid kan zijn. De moraal wordt echter te hulp geroepen, om deze toegevendheid te versterken. Als de echtgenoot in dezen tijd uitgesloten is van huwelijksverkeer, zegt men, dan zal hij verkeer buiten het huwelijk zoeken, zooals inderdaad in sommige deelen van de wereld erkend wordt dat hij wettig doen mag; daarom werken de belangen van de vrouw, die er op uit is de trouw van haar echtgenoot te bewaren, en de belangen van de Christelijke moraal, die de instelling der monogamie in eere wenscht te houden, samen om de voortzetting van den coïtus tijdens de zwangerschap te bevorderen. De gewoonte is in de hand gewerkt door het feit, dat bij beschaafde vrouwen tenminste, coïtus tijdens de zwangerschap gewoonlijk niet minder aangenaam is dan op andere tijden en door sommige vrouwen zelfs aangenamer wordt gevonden [14]. Dan is er verder nog de overweging, voor die paren die getracht hebben de conceptie te voorkomen, dat de omgang nu ongestraft genoten kan worden. Uit een hooger gezichtspunt kan zulk een omgang ook gerechtvaardigd zijn, want als, zooals al de betere moralisten over de sexueele aandrift nu gelooven, liefde haar waarde heeft, niet alleen voor zoover zij de voortplanting veroorzaakt, maar ook voor zoover zij individueele ontwikkeling bevordert en het wederzijdsch welzijn en de harmonie van het vereenigde paar, wordt deze omgang tijdens de zwangerschap moreel gerechtvaardigd.

Al in den ouden tijd echter, hebben groote autoriteiten zich verklaard tégen de gewoonte den coïtus uit te voeren tijdens de zwangerschap. Op het einde van de eerste eeuw heeft Soranus, de eerste der groote gynecologen gezegd in zijn verhandeling over de vrouwenziekten, dat sexueele omgang schadelijk is de geheele zwangerschap door en vooral schadelijk tijdens de laatste maanden. Langer dan zestienhonderd jaren schijnt de kwestie, nadat ze in handen van de theologen gevallen was, te zijn verwaarloosd van medische zijde, totdat in 1721 een beroemd Fransch verloskundige, Mauriceau, gezegd heeft, dat geen zwangere vrouw de laatste twee maanden omgang moest hebben en dat een vrouw, die neiging had tot miskraam in het geheel geen omgang moest hebben tijdens de zwangerschap. Langer dan een eeuw echter, bleef Mauriceau een pionier met weinig of geen volgelingen. Het zou lastig zijn, was de algemeene opinie, zelfs als het noodig was, om den omgang tijdens de zwangerschap te verbieden [15].

In de laatste jaren echter is er onder verloskundigen een toenemende sterke neiging geweest om met beslistheid te spreken over omgang tijdens de zwangerschap, hetzij om dien geheel te veroordeelen, of om er bij aan te manen tot groote voorzichtigheid. Het is zeer waarschijnlijk dat, in overeenstemming met de klassieke proeven van Doreste op embryo's van kippen, schokken en rustverstoringen op het menschelijk embryo ook nadeelige gevolgen kunnen te voorschijn roepen op den groei. De stoornis, die ontstaat door coïtus, tijdens den eersten tijd van de zwangerschap, kan zoodoende aanleiding geven tot misvorming. Als zulke toestanden gevonden worden in de kinderen van volkomen gezonde, krachtige en over het algemeen matige ouders, die zich zorgeloos aan coïtus hebben overgegeven in den eersten tijd van de zwangerschap, dan kan zulke coïtus op het embryo gewerkt hebben op dezelfde wijze, als wij weten dat schokken en dronkenschap werken op het embryo van lagere organismen. Hoe dit ook zij, het is zeker waar, dat bij vrouwen, die er aanleg voor hebben, coïtus tijdens de zwangerschap de oorzaak is van ontijdige geboorte; het gebeurt soms dat weeën beginnen een paar minuten na de daad [16]. Het natuurlijk instinct van dieren laat geen omgang toe tijdens de zwangerschap; het ritueele voorschrift van natuurvolken wijst in dezelfde richting; de stem van medische kennis, voor zoover zij spreekt, begint dezelfde waarschuwing te laten hooren en zal binnenkort waarschijnlijk dit kunnen doen op den grondslag van een meer soliede en samenhangend bewijs.

Pinard, de grootste der autoriteiten over puericultuur, verklaart, dat er volkomen opgehouden moet worden met sexueelen omgang tijdens de geheele zwangerschap en in zijn spreekkamer in de "Clinique Baudelocque" heeft hij een groot plakkaat geplaatst met een "Important Notice" in dezen geest. Féré was gedecideerd van meening, dat sexueele relaties tijdens de zwangerschap, vooral als zij roekeloos worden onderhouden, een belangrijke rol spelen in het veroorzaken van zenuwbezwaren bij kinderen, die erfelijk niet belast zijn en verder vrij van iedere ziekelijke infectie tijdens de zwangerschap en de ontwikkeling; hij vermeldde in bijzonderheden een geval, dat hij als afdoende beschouwde ("L'Influence de l'Incontinence Sexuelle pendant la Gestation sur la Descendance", Archives de Neurologie, April, 1905). Bouchacourt bespreekt het onderwerp in bijzonderheden (La Grossesse, pag. 177-214), en meent, dat sexueele omgang tijdens de zwangerschap zooveel mogelijk vermeden moet worden. Fürbringer (Senator en Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage, vol. I, pag. 226) beveelt abstinentie aan van de 6de of 7de maand af, en de geheele zwangerschap door waar er eenige neiging is tot miskraam, terwijl in alle gevallen veel zorg en zachtheid moeten uitgeoefend worden.

Het geheele onderwerp is onderzocht in een Thèse de Paris door H. Brénot (De l'Influence de la Copulation pendant la Grossesse, 1903); hij komt tot het besluit, dat sexueele relaties gevaarlijk zijn de geheele zwangerschap door, omdat zij dikwijls ontijdige bevalling of miskraam te voorschijn roepen en dat zij gevaarlijker zijn bij primiparae dan bij multiparae.

Bijna alles wat gezegd is over de hygiëne der zwangerschap en de behoefte aan rust, heeft ook betrekking op den tijd, die onmiddellijk op de geboorte van het kind volgt. Rust en hygiëne aan den kant der moeder blijven gelijkelijk noodig in haar eigen belang en in dat van haar kind. Deze behoefte heeft men meer algemeen en meer in de praktijk erkend dan de behoefte aan rust tijdens de zwangerschap. De wetten van verschillende landen maken een tijd van rust van beroepsbezigheid na de bevalling verplichtend, en in sommige landen trachten zij te voorzien in een vergoeding voor de moeder tijdens deze verplichte rust. In geen land echter wordt het principe zoo volkomen doorgevoerd en voor zoo langen tijd als wenschelijk is. Maar het is het juiste principe en het draagt in zich de kiem, die zich in de toekomst zal ontwikkelen. Er kan weinig twijfel aan bestaan, dat wat ook de zaken zijn, en dat zijn er zeker vele, die veilig overgelaten kunnen worden aan het oordeel van het individu, de zorg voor de moeder en haar kind daaronder niet behoort. Dat is een zaak, die meer dan eenige andere de gemeenschap als een geheel raakt en de gemeenschap mag niet traag zijn in het laten gelden van haar autoriteit daarin. De Staat heeft behoefte aan gezonde mannen en vrouwen en door iedere nalatigheid bij het in acht nemen van deze behoefte laadt hij zich ernstige moeilijkheden van allerlei soort op den hals en doet nadeel aan zijn kracht in de wereld. Volkeren zijn begonnen de wenschelijkheid van opvoeding te erkennen, maar zij zijn nog ternauwernood begonnen zich voor oogen te stellen, dat het nationaliseeren van de gezondheid van nog meer belang is dan het nationaliseeren van de opvoeding. Als het noodig was te kiezen tusschen de taak, kinderen onderwezen te krijgen en de taak, ze welgeboren en gezond te hebben, dan deed men beter het onderwijs te laten varen. Er zijn veel groote volkeren geweest, die nooit gedroomd hebben van nationale systemen van opvoeding; er is nooit een groot volk geweest, dat de kunst niet kende gezonde en krachtige kinderen voort te brengen.

De zaak wordt van bijzonder belang in groote fabrieksstaten zooals Engeland, de Vereenigde Staten en Duitschland, omdat in zulke staten een stilzwijgende samenzwering geneigd is te ontstaan, die nationale doeleinden ondergeschikt maakt aan individueele doeleinden, en die in de praktijk de ontaarding van het ras in de hand werkt. In Engeland bv. is deze neiging bijzonder duidelijk zichtbaar geworden, met ongelukkige resultaten. Het belang van de werkende vrouw heeft neiging één te worden met het belang van haar werkgever; te zamen wrijven zij als het ware de belangen van het kind, dat het ras vertegenwoordigt, fijn en ontduiken zij de wetten, gemaakt in het belang van het ras, hetgeen het belang is van de gemeenschap als een geheel. De werkende vrouw wil zooveel loon verdienen als zij kan en met de kortst mogelijke onderbreking; als zij dien wensch bevredigt, handelt zij terzelfder tijd in het belang van den werkgever, die dus zorgvuldig vermijdt haar te dwarsboomen.

Dit streven aan den kant van de werkende vrouw is in het geheel niet altijd en heelemaal het resultaat van armoede en zou daarom niet uit den weg geruimd worden door het verhoogen van het loon. Lang voor haar huwelijk, toen ze nog weinig meer dan een kind was, is zij gewoonlijk er op uit gegaan om te werken, en werken is haar een tweede natuur geworden. Zij doet haar werk goed, zij heeft een goede positie en wat voor haar "hoog loon" is; zij is onder vriendinnen en mede-arbeidsters; het leven en de drukte en de opwinding van de werkkamer of van de fabriek zijn haar een aangename prikkel geworden, waar ze niet meer buiten kan. Aan den anderen kant is haar huis haar niets; zij gaat daar alleen heen om te slapen, ze gaat er den volgenden morgen met het aanbreken van den dag, of eerder, uit; zij heeft zelfs de eenvoudigste huiselijke bekwaamheden niet; zij beweegt zich in haar eigen huis als een vreemd en onhandig kind. De enkele daad van huwen kan dezen stand van zaken niet veranderen; al wil ze nog zoo graag als ze trouwt een huiselijke vrouw worden, zij mist zoowel de neiging als de geschiktheid voor huiselijkheid. Zelfs ondanks haarzelf wordt ze naar de fabriek teruggedreven, naar de eenige plaats waar zij zich werkelijk thuis voelt.

In Duitschland mogen vrouwen niet werken vier weken na de bevalling en ook niet de twee volgende weken als de dokter het noodig oordeelt. De verplichte verzekering tegen ziekte, die vrouwen dekt bij de bevalling, verzekert haar een uitkeering in dezen tijd, die overeenkomt met een groot deel van haar loon. Getrouwde en ongetrouwde moeders hebben gelijke rechten. De Oostenrijksche wet is naar hetzelfde voorbeeld gemaakt. Deze maatregel heeft geleid tot een groote afname in kindersterfte, en daardoor tot een groote toename in gezondheid van hen, die in leven blijven. Hij wordt echter beschouwd als onvoldoende, en er is in Duitschland een beweging om den tijd te verlengen, het systeem toe te passen op een grooter aantal vrouwen en het nog meer bepaaldelijk verplichtend te maken.

In Zwitserland is het sinds 1877 onwettig eene vrouw te ontvangen in een fabriek na de bevalling, tenzij zij in het geheel acht weken rust genomen heeft, tenminste zes weken van dezen tijd nà de bevalling. Sinds 1898 zijn Zwitsersche werkende vrouwen bij de wet beschermd geweest tegen het doen van zwaar werk tijdens de zwangerschap en tegen verschillende andere invloeden, die waarschijnlijk nadeelig zijn. Maar deze wet is in de praktijk ontdoken, omdat ze niet als schadevergoeding een uitkeering verstrekt. Een poging, in 1899 gedaan, om de wet te verbeteren door zulk een uitkeering te verstrekken, werd door het volk verworpen.

In België en Holland zijn er wetten tegen het werken van vrouwen onmiddellijk na de bevalling, maar er wordt geen uitkeering verstrekt, zoodat werkgevers en werkende vrouwen gezamenlijk de wet ontduiken. In Frankrijk bestaat zulk een wet niet, hoewel dikwijls met nadruk verklaard is, dat ze noodig is (zie bv. Salvat, La Dépopulation de la France, Thèse de Lion, 1903).

In Engeland is het onwettig een vrouw "willens en wetens" in een fabriek aan het werk te hebben vier weken nà de geboorte van haar kind, maar de wet voorziet niet in een schadevergoeding voor de vrouw, van wie men op deze wijze eischt, dat ze zich opoffert voor de belangen van den Staat. De vrouw ontduikt de wet, in stilzwijgende overeenkomst met haar werkgevers, die altijd wel kunnen vermijden te "weten" dat er een geboorte heeft plaats gevonden en zoo kunnen ontkomen aan alle verantwoordelijkheid voor het aan het werk hebben van de moeder. Zoo kunnen de fabrieksinspecteurs niet ingrijpen en de wet wordt een doode letter; in 1906 kon maar één aanklacht ingebracht worden wegens deze overtreding. Door invoeging van dit "willens en wetens" wordt er een premie gesteld op onwetendheid. Het onverstandige van zoo van te voren een premie te stellen op de onwetendheid is altijd min of meer ontkend door hen, die de wetsartikelen maakten, al in de dagen van de Tien geboden en de wetten van Hamurabi. Het is de taak van de rechtbank, van hen die de wetten toepassen, verzachtende omstandigheden aan te nemen, waar die verzachtende omstandigheden aanwezig zijn; het is niet de taak van den wetgever het pad van den wetbreker te effenen. Er zijn klaarblijkelijk tegenwoordig wetgevers zoo nauwgezet of naïef, dat zij bereid zouden zijn te eischen dat geen zakkenroller vervolgd mocht worden, als hij in staat was onder eede te verklaren dat hij niet "wist", dat de beurs, die hij gestolen had, toebehoorde aan de persoon, van wie hij hem wegnam.

De jaarverslagen van de Engelsche fabrieksinspecteurs dienen slechts om deze wet belachelijk te maken, die er zoo wijs humaan uitziet en die toch niets beteekent, maar zij hebben tot nog toe geen enkele verandering kunnen bewerken. Deze verslagen bewijzen, bovendien, dat het bezwaar in omvang toeneemt. Zoo zegt Miss Martindale, een fabrieksinspectrice, dat in al de steden die zij bezoekt, van een rustige kathedraalstad af, tot een groote fabrieksstad toe, het aan het werk hebben van getrouwde vrouwen snel toeneemt; zij hebben haar geheele leven gewerkt in molens en fabrieken en zij zijn niet gewend aan koken, huiswerk doen en kinderen groot brengen, zoodat zij, na het huwelijk, zelfs als ze niet door armoede gedwongen zijn, liever voortgaan met werken zooals vroeger. Miss Vines, een andere fabrieksinspectrice, haalt de opmerking aan van een vrouw, die in de fabriek werkte. "Ik behoef niet te werken, maar ik blijf niet graag thuis", terwijl een andere vrouw zeide: "Ik ben honderd maal liever aan het werk dan thuis. Ik voel me ongelukkig thuis". (Annual Report Chief Inspector of Factories and Workshops for 1906, pp. 325 etc.)

Hier kan aan toegevoegd worden, dat alleen de Engelsche wet, die vier weken rust eischt voor de moeder na de geboorte van een kind, in de praktijk onuitvoerbaar is, maar de tijd zelf is belachelijk onvoldoende. Als een rusttijd voor de moeder is hij onvoldoende, maar de Staat stelt nog meer belang in het kind dan in zijn moeder, en het kind heeft veel langer dan voor vier weken behoefte aan de verzorging der moeder. Helme raadt aan verbod van staatswege voor vrouwen om te werken minstens zes maanden na de bevalling. Waar kinderbewaarplaatsen verbonden zijn aan de fabrieken, die de moeder in staat stellen haar kind te zoogen in de tusschentijden tusschen het werk, kan de tijd zonder twijfel verkort worden.

Het is van belang de aandacht te vestigen op het feit, dat het geenszins de vrouwen in fabrieken zijn, die er toe gebracht worden als gewoonlijk door te werken gedurende den geheelen tijd der zwangerschap, en tot haar werk terug te keeren onmiddellijk na den korten rusttijd der bevalling. Het Comitee van Onderzoek van de Christian Social Union (London Branch) ondernam, in 1905, een onderzoek naar het werk van vrouwen na de geboorte. Vrouwen in fabrieken en werkplaatsen waren van het onderzoek uitgesloten, dat alleen maar betrekking had op vrouwen met huiswerk, huisindustrie en met ongeregeld werk. Er werd bevonden, dat de meerderheid haar werk voortzetten tot op den tijd van de bevalling en dat zij het van tien tot veertien dagen daarna weer opvatten. De kindersterfte voor kinderen van vrouwen met enkel huiswerk was veel lager, dan die voor de kinderen van de andere vrouwen, terwijl, zooals altijd, de flesschenkinderen een veel grootere sterfte hadden dan de borstkinderen (British Medical Journal, Oct. 24, 1908, p. 1297).

In de groote Fransche gietstaalwerken in Creusot (Saône et Loire) worden de salarissen van haar, die moeder zullen worden onder de arbeidsters verhoogd; maatregelen worden getroffen, haar passende raad en medische hulp te verschaffen; zij mogen niet werken na het midden van de zwangerschap of naar haar werk terugkeeren nà de bevalling zonder een medisch attest, dat zij er voor geschikt zijn. Men zegt, dat de resultaten uitmuntend zijn, niet alleen voor de gezondheid van de moeders, maar voor de vermindering van ontijdige geboorten, de afname van de kindersterfte en het algemeen voorkomen van de borstvoeding. Het zou waarschijnlijk een hopelooze zaak zijn te verwachten, dat veel werkgevers in Angelsaksische landen deze politiek zullen aannemen. Zij zijn te "praktisch", zij weten hoe gering de geldswaarde van menschenlevens is. Bij ons moet de Staat tusschenbeide komen.

Er kan geen twijfel aan bestaan dat, over het geheel, moderne beschaafde gemeenschappen beginnen te erkennen, dat onder de sociale en economische toestanden, die nu neiging hebben meer en meer te gaan heerschen, zij in hun eigen belang moeten zorgen, dat de beste energie en levenskracht van de moeder aan het kind worden gewijd, zoowel vóor als nà de geboorte. Zij erkennen ook, dat zij hun plicht in dit opzicht niet kunnen volbrengen, als ze niet voldoende zorgen voor de moeders, die zoo gedwongen worden haar werk op te geven, om zich aan haar kinderen te wijden. Wij komen hier op een punt, waar Individualisme overeenstemt met Socialisme. De individualiteit móet zien, dat het tot iederen prijs noodig is de maatschappelijke toestanden te veranderen, die alle individualiteit vernietigen; de socialist móet zien, dat een maatschappij, die verzuimt orde te brengen op dit centrale en hoofdpunt, de voortbrenging van het individu, spoedig moet te gronde gaan.

Het behoort tot het juiste vervullen van den plicht van een moeder jegens haar jonge kind dat, als zij gezond is, zij het zoogen zal. In de laatste jaren is deze kwestie een zaak van ernstig belang geworden. In het midden van de 18de eeuw, toen de vrouwen van de hoogere klassen ongeneigd waren geworden, om haar eigen kinderen te zoogen, deed Rousseau een zoo luid en welsprekend protest hooren, dat het weêr eens mode werd voor een vrouw, haar natuurlijke plichten te vervullen. Tegenwoordig, nu hetzelfde kwaad weer gevonden wordt en in een veel ernstiger vorm, want nu betreft het niet de kleine hoogere stand, maar de grootere lagere klasse, zou de welsprekendheid van Rousseau machteloos zijn, want het betreft niet zoozeer de mode als het gemak en vooral een onhandelbare economische factor. Niet de minst dringende reden om vrouwen, en vooral moeders, op een gezonden economischen basis te plaatsen, is de noodzakelijkheid haar in staat te stellen, haar kinderen te zoogen.

Geen vrouw is normaal, gezond en geheel ontwikkeld als zij geen borsten heeft, die goed genoeg zijn om de belofte te geven van voldoende te werken, als de tijd voor haar werkzaamheid komt, en tepels die geschikt zijn tot zoogen. De ernst van de kwestie tegenwoordig blijkt uit de veelvuldigheid waarmee jonge vrouwen te kort schieten in dit essentieele element van vrouwelijkheid en de jonge man van tegenwoordig, zegt men, als hij een vrouw neemt "trouwt inderdaad slechts met een deel van een vrouw, waarvan het andere deel uitgestald staat in den apothekers winkel, in den vorm van een zuigflesch". Blacker bevond onder duizend patiënten van de moederschapsafdeeling van University College Hospital, dat 39 nooit gezoogd hadden, 747 hadden al haar kinderen gezoogd, en 214 hadden alleen maar enkele gezoogd. De voornaamste reden, die zij opgaven voor het niet zoogen was afwezigheid of onvoldoende toevoer van melk; andere redenen waren ongeschiktheid voor of tegenzin in het zoogen, en het weigeren van het kind om de borst te nemen (Blacker, Medical Chronicle, Feb. 1900). Deze resultaten onder de Londensche armen zijn zeker veel beter, dan die men zou kunnen vinden in veel industrie-steden, waar vrouwen na het huwelijk werken. In de andere groote landen van Europa vindt men even onbevredigende resultaten. In Parijs heeft Madame Dluska aangetoond, dat van de 209 vrouwen, die voor haar bevalling naar de Clinique Baudelocque kwamen, er maar 74 haar kinderen zoogden; van de 135, die niet zoogden, waren er 35 verhinderd door pathologische redenen of afwezigheid van melk, 100 door de noodzakelijkheden van haar werk. Zelfs zij, die zoogden, konden er zelden meer dan zeven maanden mee voortgaan tengevolge van de lichamelijke inspanning van haar werk (Dluska, Contribution à l'Etude de l'Allaitement Maternel, Thèse de Paris, 1894). Veel statistieke gegevens zijn in de Duitsche landen verzameld. Zoo vond Wiedow (Centralblatt für Gynäkologie, No. 29, 1895), dat van de 525 vrouwen in de kraaminrichting te Freiburg maar de helft goed kon zoogen tijdens de eerste twee weken; onvoldoende tepels werden opgemerkt in 49 gevallen en men bevond, dat de ontwikkeling van den tepel een directe betrekking had op de waarde van de borst als een afscheidingsorgaan. In München bevonden Escherich en Büller, dat bijna 60 percent vrouwen van de lagere klasse niet in staat waren haar kinderen te zoogen, en in Stuttgart waren driekwart van de jonge moeders in dezen toestand.

De redenen, waarom kinderen gezoogd behooren te worden aan de moederborst, zijn meer omvattend dan sommigen geneigd mogen zijn te gelooven. In de eerste plaats is de psychologische reden er een van geen gering belang. De borst met haar uiterst gevoeligen tepel, die trilt in harmonie met de sexueele organen, levert het normale mechanisme, waardoor moederliefde ontwikkeld wordt. Zonder twijfel kan de vrouw, die nooit haar kind zoogt, er van houden, maar zulk een liefde heeft neiging gebrekkig te blijven aan de fundamenteele en instinctieve zijde. Bij sommige vrouwen, die wij toch moeten aarzelen om abnormaal te noemen, ontwaakt de moederliefde in het geheel niet, voordat zij in werking gebracht wordt door dit mechanisme, door de daad van het zoogen.

Een meer algemeen erkende en zeker fundamenteele reden om het kind te zoogen is, dat de melk van de moeder, zelfs als zij maar tamelijk gezond is, het eenige voedsel is, dat ideaal geschikt is voor het kind. Er zijn sommige menschen, wier vertrouwen in de wetenschap hen er toe brengt te gelooven, dat het mogelijk is, soorten van voedsel te fabriceeren, die even goed zijn, of beter dan moedermelk; zij meenen, dat de melk die het best is voor het kalf, evenzeer het best is voor een zoo verschillend dier als het kind. Dat is een dwaling. Het beste voedsel voor het kind is hetgeen voortgebracht wordt in het lichaam van zijn eigen moeder. Alle andere voedsels zijn min of meer bruikbare surrogaten, die het moeite kost te vervaardigen zooals het behoort, en bovendien zijn ze blootgesteld aan verschillende gevaren, waarvan de moedermelk vrij is.

Een andere reden, voornamelijk onder de armen, tegen het gebruiken van ieder kunstmatig voedsel is deze, dat zij de omgeving van het kind er aan gewennen, proeven te nemen met zijn voedsel en zich te verbeelden, dat iedere soort van voedsel, die zij zelf eten, ook goed kan zijn voor het kind. Zoo komt het voor, dat brood en aardappelen, brandewijn en jenever, in den mond der kinderen gegoten worden. Bij het kind, dat de borst krijgt, is het gemakkelijker uit te leggen dat, behalve op raad van den dokter, niets anders moet worden gegeven.

Nog een andere reden waarom de moeder haar kind moet zoogen, is de nauwe en veelvuldige omgang met het kind, die er uit voortvloeit. Niet alleen wordt het kind in alle opzichten beter verzorgd, maar de moeder wordt niet beroofd van de tucht, die de verzorging meebrengt, en wordt ook in staat gesteld van het begin af aan den aard van het kind te leeren kennen en te begrijpen.

Het onvermogen om te zoogen verkrijgt groote beteekenis, als we erkennen, dat het waarschijnlijk in hooge mate als een directe reden verbonden is met kindersterfte. De sterfte van kunstmatig gevoede kinderen gedurende het eerste levensjaar is zelden minder dan tweemaal die van de borstkinderen, soms is ze driemaal zooveel als die van de borstkinderen, of zelfs nog meer; zoo sterven te Derby 51.7 percent kunstmatig gevoede kinderen beneden den leeftijd van twaalf maanden, maar slechts 8.6 percent borstkinderen. Zij, die blijven leven, zijn in het geheel niet vrij van ellende. Aan het einde van het eerste jaar heeft men bevonden, dat zij ongeveer 25 percent minder wegen dan de borstkinderen en dat ze veel kleiner zijn; zij zijn meer onderhevig aan tuberculose en Engelsche ziekte, met al de slechte gevolgen, die uit deze ziekten voortkomen; en er is reden om te gelooven, dat de ontwikkeling van hun tanden nadeel ondervindt. De slechte gesteldheid van de kunstmatig gevoede kinderen wordt juist aangeduid door het feit, dat van de 40.000 kinderen, die naar het kinderziekenhuis in München gebracht waren voor behandeling 86 percent met de flesch waren groot gebracht en dat de weinige, die gezoogd waren, de borst gewoonlijk maar voor een korten tijd gehad hadden. De nadeelige invloed wordt zelfs nog gevoeld op den jongelingsleeftijd. In sommige deelen van Frankrijk, waar bijna alle kinderen kunstmatig gevoed worden, heeft men bevonden, dat het percentage van afgekeurde lotelingen bijna tweemaal zoo groot is, als dat van Frankrijk in het algemeen. Overeenkomstige resultaten heeft Friedjung gevonden bij een groot Duitsch gymnastiekgezelschap. Van de 155 leden bevond men bij navraag dat 65 percent borstkinderen geweest waren (gemiddeld gedurende zeven maanden); maar onder de beste athleten steeg het percentage van borstkinderen tot 72 percent (voor een gemiddelden termijn van negen of tien maanden), terwijl voor de groep van 56, die het laagste stonden in athletische kracht, het percentage van borstkinderen daalde tot 57 (voor een gemiddelden tijd van slechts drie maanden).

De voordeelen voor een kind om door zijn moeder gezoogd te worden, zijn grooter dan dat ze verklaard kunnen worden door het enkele feit dat ze gezoogd zijn, in plaats van kunstmatig gevoed. Dit is aangetoond door Vitrey (De la Mortalité Infantile, Thèse de Lyon, 1907), die uit de statistieken van het Hôtel-Dieu in Lyon afleidde, dat kinderen, die door hun moeders gezoogd worden, een sterfte hebben van slechts 12 percent, maar dat, als zij door anderen gezoogd worden, de sterfte stijgt tot 33 percent. Wij kunnen hieraan toevoegen, dat, terwijl het zoogen een hoofdpunt is voor het volledig welzijn van het kind, het tevens hoogst wenschelijk is voor de gezondheid der moeder. (Eenige belangrijke statistieken zijn opgesomd in een artikel over "Infantile Mortality" in het British Medical Journal, 2 Nov. 1907, terwijl verschillende beschouwingen over het zoogen grondig besproken zijn door Bollinger, "Ueber Säuglings-Sterblichkeit und die Erbliche functionelle Atrophie der menschlichen Milchdrüse" Correspondenz-blatt Deutschen Gesellschaft Anthropologie, Oct., 1899).

Het schijnt dat het in Zweden, in het midden van de 18de eeuw een strafbare overtreding was, als een vrouw haar kind de flesch gaf, als zij het kon zoogen. In de laatste jaren heeft Prof. Anton von Menger, in Weenen, betoogd (in zijn Das Bürgerliche Recht und die besitzlosen Klassen) dat het toekomstige geslacht het recht heeft dezen eisch te stellen, en hij stelt voor, dat iedere moeder bij de wet verplicht zal zijn haar kind te zoogen, tenzij zij een getuigschrift heeft van een dokter, dat zij het niet kan. E. A. Schroeder (Das Recht in der Geschlechtlichen Ordnung, 1893, p. 346) betoogde ook, dat een moeder wettig verplicht moest zijn haar kind te zoogen minstens negen maanden lang, tenzij er voldoende redenen bijgebracht konden worden voor het tegendeel, en deze eisch, die redelijk schijnt te zijn en natuurlijk, daar het het voorrecht van een moeder is, zoowel als haar plicht, om haar kind te zoogen, als ze er toe in staat is, is met klem ook door anderen gedaan. Van het juridisch standpunt is hij ondersteund door Weinberg (Mutterschutz, Sept. 1907). In Frankrijk verbiedt de Loi Roussel een vrouw minnediensten te doen, vóor dat haar kind zeven maanden oud is, en dit heeft een uitmuntend effect gehad daarin, dat het de kindersterfte deed dalen (A. Allée, Puériculture et la Loi Roussel, Thèse de Paris, 1908). In sommige streken van Duitschland worden fabriekseigenaars gedwongen een kamer in de fabriek beschikbaar te stellen, waar moeders het kind de borst kunnen geven in de rusttijden tusschen het werk. De contrôle op en het onderhoud van deze kamers en het aanstellen van dokters en verpleegsters, geschiedt van gemeentewege. (Sexual-Probleme, Sept. 1908, p. 573).

Zooals de zaken tegenwoordig staan in moderne industrielanden, kan men het verbeteren van deze misstanden niet overlaten aan de natuur, dat is, aan de onwetende en onoordeelkundige aandriften van personen, die leven in een maalstroom van kunstmatig leven, waar de stem van het instinct verstikt wordt. De moeder, zijn wij geneigd te denken, mag men toevertrouwen, dat zij zal toezien op het welzijn van haar kind, en het is onnoodig, of zelfs "immoreel" haar te hulp te komen. Toch zijn er, naar ik meen, weinig dingen meer tragisch om te zien dan een jonge moeder uit Lancashire, die op de fabriek werkt, terwijl ze thuis moest blijven om op haar zieke kind te passen. Zij is gewend voor zonsopgang op te staan om naar de fabriek te gaan; zij heeft haar kind ternauwernood bij het licht der zon gezien, zij weet niets van wat het noodig heeft, de handen, die zoo goed het weefgetouw kunnen grijpen, kunnen het kind niet sussen. De moeder ziet er op neer in vage, onhandige, sprakelooze ellende. Het is een gezicht om nooit te vergeten.

Het is Frankrijk, dat de leiding neemt om te beginnen met de wetenschappelijke en praktische bewegingen voor de verzorging van het jonge kind voor en na de geboorte, en het is in Frankrijk, dat wij de kiem vinden van bijna alle methoden, die nu langzamerhand aangenomen worden om kindersterfte tegen te houden. Het systeem van het dorp Villiers-le-Duc, nabij Dijon in de Côte d'Or, is een kiem gebleken van deze vruchtbare soort. Hier mag iedere zwangere vrouw, die niet in staat is te zorgen voor de juiste voorwaarden voor haar eigen leven en dat van het kind dat zij krijgt, de hulp inroepen van de dorpsautoriteiten; zij heeft, zonder betaling, recht op behandeling van een dokter en een vroedvrouw en op éen franc daags gedurende het kraambed. De maatregelen, in dit dorp genomen, hebben feitelijk een einde gemaakt aan moeder- en kindersterfte beide. Een paar jaar geleden hoorde Dr. Samson Moore, de stadsdokter voor Huddersfield, van dit dorp en de heer Benjamin Broadbent, de burgemeester van Huddersfield bezocht Villiers-le-Duc. Er werd besloten in Huddersfield een beweging op touw te zetten om de kindersterfte te bestrijden. Toen ontstond, wat bekend staat als het Hudderfieldsche systeem, een systeem, dat schitterende resultaten heeft gehad. De punten van het Hudderfieldsche systeem zijn: (1) verplichte aangifte van geboorten binnen de 48 uur; (2) het aanstellen van dames tot behulp van de stadsdoktoren, om het huis te bezoeken, te onderzoeken, raad te geven en te helpen; (3) de georganiseerde hulp van dames-volontairs, onder toezicht van de gemeente; (4) recht van beroep op den stadsdokter, als het kind, dat niet onder medische verzorging is, niet groeit. De kindersterfte in Huddersfield is zeer gedaald door dit systeem [17].

Wij kunnen wel zeggen, dat het Hudderfieldsche systeem de oorsprong geweest is van de Engelsche wet op de Geboorte-Aangifte, die in 1908 in werking trad. Deze wet vertegenwoordigt in Engeland het nationale begin van een systeem voor de rassenverbetering, waarvan het niet mogelijk is de eindresultaten te voorzien. Als deze wet algemeen in werking komt, zal ieder kind in het land recht hebben--wettig en niet door individueele willekeur of philantropische minzaamheid--op medische verzorging van den dag van zijn geboorte af, en voor iedere moeder zal te bereiken zijn de raad van een beschaafde vrouw, die voeling houdt met de gemeenteautoriteiten. Er kon geen grootere triomf zijn voor de medische wetenschap, voor de nationale kracht en voor de zaak der menschlievendheid in het algemeen. Zelfs op het lagere plan van financieele belangen is het gemakkelijk te zien, dat een enorme besparing van openbare en persoonlijke middelen op die wijze zal bereikt worden. De wet is facultatief en niet verplichtend. Dit was een wijze voorzorg, want een wet van deze soort kan geen uitwerking hebben, tenzij zij grondig wordt doorgevoerd door de gemeenschap die haar aanneemt, en ze zal niet aangenomen worden eer een gemeenschap duidelijk de voordeelen ervan heeft erkend, en de methoden, om die te bereiken.

Een belangrijke aanvulling van deze organisatie is de School voor Moeders. Van zulke scholen, die overal beginnen op te komen, kan men zeggen dat zij hun oorsprong hebben in de Consultations de Nourrissons (met hun vertakking de Goutte de Lait), opgericht door Professor Budin in 1892, die zich over geheel Frankrijk uitgebreid hebben en in ruimen kring een invloed ten goede hebben gehad. In de Consultations worden kinderen iedere week onderzocht en gewogen en de moeders krijgen er raad en worden aangemoedigd haar kinderen te zoogen. De Gouttes zijn feitelijk poliklinieken voor melkafgifte, waar kinderen voor wie borstvoeding onmogelijk is, onder medisch toezicht met melk gevoed worden. Scholen voor Moeders zijn een uitbreiding van hetzelfde systeem; zij omvatten een menigte onderwerpen, die het voor een moeder noodig is te weten. Sommige van de eerste van deze scholen werden opgericht in Bonn, in de Beiersche stad Weissenberg en in Gent. Op eenige van die Scholen voor Moeders, en zooals bekend is in Gent (beschreven door Mrs. Bertrand Russell, in de Nineteenth Century, 1906), is de belangrijke stap gedaan jonge meisjes van 14 tot 18 jaar te onderrichten; zij worden ingelicht omtrent kinder-anatomie en physiologie, omtrent het bereiden van gesteriliseerde melk, omtrent het wegen van kinderen, omtrent het opnemen van temperaturen en het maken van tabellen, omtrent het besturen van crêches, en na twee jaar zijn zij in staat een salaris te verdienen. In verschillende deelen van Engeland worden nu scholen voor jonge moeders en voor jonge meisjes opgericht in dezen geest, eerst in Londen, onder toezicht van Dr. F. J. Sykes, stadsdokter voor St. Pancreas (zie bv. A School For Mothers, 1908, waarin een inrichting van deze soort te Somers Town beschreven wordt, met een voorrede van Sir Thomas Barlow; een verslag van de nieuwste pogingen, de verzorging van kinderen in Londen te verbeteren, zal men ook vinden in de Lancet, Sept. 26, 1908). We kunnen hier bijvoegen, dat sommige Engelsche gemeentebesturen depôts hebben opgericht om moeders goedkoop van goede melk te voorzien. Zulke depôts zullen echter waarschijnlijk meer kwaad dan goed doen, als zij de vervanging van borstvoeding door kunstmatige voeding bevorderen. Zij moesten nooit opgericht worden, behalve in aansluiting met de Scholen voor Moeders, waar een opvoedende invloed uitgeoefend kan worden, en geen moeder moest van melk voorzien worden als ze niet een medisch attest vertoont, waaruit blijkt dat zij niet in staat is haar kind te voeden (Byers, "Medical Women and Public Health Questions", British Medical Journal, Oct. 6, 1906). Het is een merkwaardig feit, dat binnenkort de plaatselijke autoriteiten door de wet gemachtigd zullen worden Scholen voor Moeders op te richten.

De groote voordeelen, door deze instellingen in Frankrijk veroorzaakt, zoowel wat betreft het verminderen van de kindersterfte als het bevorderen van de opvoeding der moeders en haar trots en belangstelling in haar kinderen, zijn uiteengezet in twee Thèses de Paris door G. Chaignon (Organisation des Consultations de Nourrissons à la Campagne, 1908), en Alcide Alexandre (Consultations de Nourrissons et Goutte de Lait d'Arques, 1908).

De beweging is nu bezig zich uit te breiden over geheel Europa en er is een Internationale Unie gevormd, die al de instellingen omvat, die speciaal berusten op de bescherming van kinderleven en de bevordering van puericultuur. Het permanente comité is in Brussel, en om het andere jaar wordt er een Congres gehouden voor Kinderbescherming (Goutte de Lait).

Men zal zien, dat al de bewegingen, die nu in werking gesteld worden voor de verbetering van het ras door het kind en de moeder van het kind, de intimiteit erkennen van de verhouding tusschen de moeder en haar kind en er op gericht zijn haar te helpen, zelfs als het noodig is door het uitoefenen van eenigen dwang, haar natuurlijke functies met betrekking tot haar kind, te vervullen. Voor den theoretischen philantroop, die begeerig is om de wereld op papier te verbeteren, schijnt niets eenvoudiger te zijn dan de tegenwoordige bezwaren van het opvoeden van kinderen uit den weg te ruimen door het oprichten van Staatskinderbewaarplaatsen, die tegelijk de moeders moeten ontheffen van alles wat met de productie van de menschen der toekomst in verband staat, behalve het genot--als het dat toevallig is--van ze te ontvangen en de moeite van ze te dragen, en ze tevens moeten opvoeden onafhankelijk van het tehuis, op een gezonde, zuinige en wetenschappelijke wijze [18]. Niets schijnt eenvoudiger, maar uit het fundamenteel psychologisch standpunt is niets onjuister. Het denkbeeld van een Staat, die er is buiten de gemeenschap, is een overblijfsel, in een anderen vorm van dat verouderde idee, dat Lodewijk XIV dwong te verklaren "L'État, c'est moi!" Een staat, die toelaat dat de individuen die hem vormen, niet in staat zijn hun heiligste en intiemste functies te vervullen en die op zich neemt, dit in hun plaats te doen, onderneemt een taak, die niet wenschelijk zou zijn, zelfs al kon zij volvoerd worden. Men moet altijd in gedachte houden dat een Staat, die zich voorstelt de leden die hem samenstellen te ontlasten van hun natuurlijke functies en verantwoordelijkheden, iets geheel anders is dan een Staat die zijn leden tracht te helpen hun eigen biologische en sociale functies meer naar behooren te vervullen. Een Staat, die moeders in de gelegenheid stelt te rusten als zij zwanger zijn, werkt aan een verstandige taak; een Staat, die de kinderen van zijn moeders overneemt, drijft de philantropie tot in het belachelijke. Het is gemakkelijk dit te erkennen, als wij den noodzakelijken loop der omstandigheden nagaan onder een systeem van "Staatskinderbewaarplaatsen". Het kind zou op den vroegsten leeftijd van de natuurlijke moeder verwijderd worden, maar iemand moet de moederplichten vervullen; en als die uitgeoefend worden onder gunstige omstandigheden, dan ontwikkelt zich een moederlijke betrekking tusschen het kind en de "moeder", die ongetwijfeld natuurlijke moederlijke instincten bezit, maar die door geen natuurlijken moederlijken band verbonden is met het kind, dat zij verzorgt. Zulk een verhouding heeft neiging om aan beide kanten praktisch en naar het gevoel de werkelijke verhouding te worden. Wij kunnen zeer dikwijls zien, hoe onbevredigd zulk een verhouding wordt. De kunstmatige moeder wordt beroofd van een kind, dat zij begonnen was te voelen als haar eigen; de gevoelens van het kind worden onderste boven gegooid, verdeeld en verdraaid; de echte moeder heeft het bittere gevoel, dat zij voor haar kind niet de echte moeder is. Zou het niet voor allen veel beter geweest zijn als de Staat het groote leger van vrouwen, die hij geoefend had voor de positie om de kinderen van andere vrouwen te verzorgen, had aangemoedigd om in plaats daarvan zelf kinderen te hebben? De moeders, die niet in staat zijn haar eigen kinderen te verzorgen, konden er dan toe opgevoed worden afstand te doen van het hebben van eigen kinderen.

Ellen Key (in haar Eeuw van het Kind, en elders) heeft voor alle jonge vrouwen aangeraden een jaar verplichte "dienst", overeenkomstig de militaire dienstplicht die in de meeste landen voor jonge mannen verplichtend is. Gedurende dien tijd zou het meisje geoefend worden in ordelijk huishouden, in de grondbeginselen der hygiëne, in de verzorging van zieken en vooral in de verzorging van kinderen en alles wat betrekking heeft op de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van kinderen. Het principe, dat aan dit voorstel ten grondslag ligt, is sindsdien in ruimen kring aangenomen. Marie von Schmid (in haar Mutterdienst, 1907) gaat zoo ver een algemeene oefening aan te raden van jonge vrouwen in die plichten, die gehouden moet worden in een soort van uitgebreide en verbeterde kraaminrichting. De dienst zou een jaar duren, en dan zou de jonge vrouw drie jaar lang in reserve blijven, en zou opgeroepen kunnen worden in dienst. Er is zeker veel te zeggen voor zoo'n voorstel, aanmerkelijk meer dan er voor militaire dienstplicht te zeggen is. Want terwijl het zeer twijfelachtig is, of een man ooit geroepen zal worden om te vechten, worden de meeste vrouwen wel opgeroepen om huishoudelijke plichten te vervullen of om op kinderen te passen, hetzij voor haarzelf, hetzij voor andere menschen.

HOOFDSTUK II

SEXUEELE OPVOEDING

Zorg voor het kroost is even noodig als kroost zelf.--Vroege uitingen van de geslachtsdrift.--Moeten die als normaal beschouwd worden?--Het sexueele spel van kinderen.--Het liefdegevoel in de kinderjaren.--Zijn stadskinderen geslachtelijk eerder rijp dan kinderen van het land?--De kinderlijke voorstellingen over de herkomst van kinderen.--De noodzakelijkheid, met de sexueele opvoeding van de kinderen vroeg te beginnen.--Het belang van vroeg oefenen in verantwoordelijkheid.--Het verkeerde van de oude leer der stilzwijgendheid over geslachtszaken.--Het nadeel is grooter waar het meisjes geldt.--De moeder is de natuurlijke en beste leermeesteres.--De ziekelijke invloed van kunstmatige geheimzinnigheid in sexueele zaken.--De literatuur over de sexueele opheldering der jeugd.--Aard van de taak der moeder.--Sexueele opvoeding op de school.--De waarde van botanie.--Zoölogie.--Sexueele opvoeding na de puberteit.--De noodzakelijkheid om tegen de geschriften van kwakzalvers te strijden.--Het gevaar dat voortkomt uit het niet tijdig voorbereiden op de eerste menstruatie.--De juiste houding tegenover het geslachtsleven der vrouw.--De dringende noodzakelijkheid van hygiëne der menstruatie in de eerste jeugd.--Zulk een hygiëne is te vereenigen met de gelijkstelling der geslachten op opvoedkundig en maatschappelijk gebied.--De invaliditeit van vrouwen komt voornamelijk voort uit hygiënische verwaarloozing.--De goede invloed van lichaamsoefening op vrouwen en de slechte invloed der athletiek.--De nadeelen van het onderdrukken van het gemoedsleven.--De noodzakelijkheid om jonge menschen de waardigheid van het geslachtsleven te leeren.--Invloed van deze factoren op het lot der vrouw in het huwelijk.--Lezingen en toespraken over sexueele hygiëne.--De rol van den dokter in de sexueele opvoeding.--De invoering in de wereld der idealen tijdens de puberteit.--De plaats van den religieuzen en ethischen leeraar.--De plechtigheden van natuurvolken bij het inleiden in de geslachtsrijpheid.--De sexueele invloed van literatuur.--De sexueele invloed van kunst.

Het mag sommigen toeschijnen dat, waar wij gewicht hechten aan de voorvaders, de bloedverwanten, de conceptie, de zwangerschap en zelfs aan de eerste jeugd van het kind, wij afdwalen van de sfeer van de psychologie van het geslacht. Dat is in het geheel niet het geval. Wij dalen, integendeel, af tot de wortels van het geslacht. Al onze aangroeiende kennis dient er toe, om aan te toonen, dat, tegelijk met zijn physieke natuur, de psychische natuur van het kind berust op geboorte en verzorging, op de hoedanigheid van den stam, waar het toe behoort, en op de zorg, die er aan besteed is in de eerste oogenblikken, als verzorgen van het grootste belang is om de goede hoedanigheid van dien stam te bewaren.

Wij moeten er natuurlijk aan denken, dat de invloeden zoowel van afkomst als van verzorging gelijkelijk werken op het lot van het individu. De invloed van verzorging is zoo duidelijk zichtbaar, dat weinigen die licht zullen onderschatten. De invloed van afkomst echter is niet zoo duidelijk, en wij kunnen nog wel menschen ontmoeten, die zoo slecht op de hoogte zijn, en misschien zoo bevooroordeeld, dat zij er in het geheel niet van weten willen. Ons aangroeiend inzicht in deze zaak moet wel het verkeerde idee bannen, doordat het doet zien hoe teeren en diepgaanden invloed de erfelijkheid heeft. Geen gezonde beschaving is mogelijk dan in een gemeenschap, die in zijn massa niet alleen goed verzorgd, maar ook goed geboren is. En in geen levensgebied is de invloed van het goed geboren zijn meer beslissend dan in de sexueele verhoudingen. Een leerzaam voorbeeld kan men vinden in de nauwkeurige en omstandige geschiedenis uit zijn jeugd, mij verstrekt door een zeer beschaafd Russisch man. Hij was in zijn kinderjaren opgevoed met zijn eigen broeders en zusters en met een klein meisje van denzelfden leeftijd, dat al in haar eerste jeugd was aangenomen, het dochtertje van een prostituée, die spoedig na de geboorte van het kind gestorven was. Het aangenomen kind werd behandeld als een van de familie, en al de kinderen dachten, dat zij werkelijk een zuster was. Toch ontwikkelde zij al heel vroeg instincten, ongelijk aan die van de kinderen, waarmee ze werd opgevoed; ze jokte, ze was wreed, ze deed graag kattekwaad. en zij ontwikkelde vroeg verkeerde sexueele neigingen; hoewel zorgvuldig opgevoed, nam zij toch het beroep van haar moeder aan en op 22 jarigen leeftijd werd zij naar Siberië verbannen wegens roof en poging tot moord. Het kind van een onbekenden vader en een prostituée is niet door het noodlot gedoemd tot ondergang; maar zulk een kind is van slechte afkomst en dat feit kan in sommige gevallen alle invloeden van goede opvoeding te niet doen.

Als wij den kinderlijken leeftijd bereiken, zijn wij de grondslagen en mogelijkheden van het sexueele leven al voorbij; dan zien wij in sommige gevallen al het werkelijk begin ervan. Het is een vastgesteld feit, dat auto-erotische uitingen soms al bij kinderen van minder dan twaalf maanden kunnen waargenomen worden. Het ligt nu niet op onzen weg dit punt van kwestie te bespreken en hoeverre zulke uitingen op dezen leeftijd normaal genoemd kunnen worden [19]. Een geringe mate van werkzaamheid van de ovariën en van de borstklieren bestaat soms bij de geboorte [20]. Het schijnt duidelijk, dat nerveuse en psychische sexueele werkzaamheid haar eerste bronnen vindt in dezen vroegen tijd en dat, naarmate de jaren voorbijgaan een toenemend aantal individuen zich door den drang aansluiten, totdat met de puberteit feitelijk allen meegesleept worden in den grooten stroom.

Terwijl het dus mogelijk en zelfs waarschijnlijk is, dat de flinkste en gezondste individuen geen bepaalde teekenen van nerveuse en psychische sexualiteit in de jeugd vertoonen, toch zijn zulke uitingen nog voldoende veel voorkomend om te kunnen zeggen, dat sexueele hygiëne geheel en al buitengesloten kan blijven, totdat de puberteit nadert.

Vroegtijdige physieke ontwikkeling komt voor als een eenigszins zeldzame variatie. W. Roger Williamson ("Precocious Sexual Development with Abstracts of over One Hundred Cases", British Gynaecological Journal, May, 1902) heeft een belangrijke bijdrage geleverd lot de kennis van deze afwijking, die veel meer voorkomt bij meisjes dan bij jongens. Bij de gevallen van Roger Williams zijn slechts 20 jongens op de 80 meisjes, en vroegrijpheid komt niet alleen meer voor, maar is ook meer geprononceerd bij meisjes, waarvan men weet, dat zij op haar achtste jaar bevrucht zijn geworden, terwijl 13 jaar genoemd wordt als de vroegste leeftijd waarop jongens zich in staat getoond hebben om kinderen te krijgen. Dit moeten we opmerken, is ook de vroegste leeftijd, waarop spermatozoën gevonden worden in zaadvloeistof van jongens; vóór dien leeftijd bevat de uitgeworpen stof geen spermatozoën, en, zooals Fürbringer en Mol gevonden hebben, kunnen die nog afwezig zijn op zestienjarigen leeftijd of nog later. Bij meisjes gaat vroegtijdige sexueele ontwikkeling minder dikwijls samen met een algemeene toename van lichamelijke ontwikkeling dan bij jongens. (Een afzonderlijk geval van vroege sexueele ontwikkeling bij een meisje van vijf jaar is volledig beschreven en met illustraties voorzien in het Zeitschrift für Ethnologie, 1896, deel 4, pag. 262).

Vroegtijdige sexueele impulsen zijn gewoonlijk vaag, op zich zelf staand en min of meer onschuldig. Een geval van zeldzamen en uitgesproken aard, waarbij een kind, een jongen van twee jaar, sexueel aangetrokken werd door meisjes en vrouwen, en al zijn gedachten en daden richtte op sexueele pogingen op haar, is beschreven door Herbert Rich, van Detroit (Alienist and Neurologist, Nov. 1905). Algemeen bewijsmateriaal uit de literatuur van het onderwerp van sexueele vroegrijpheid, de veelvuldigheid ervan en de beteekenis ervan, is samengebracht door L. M. Terman ("A Study in Precocity", American Journal of Psychology, April, 1905).

De erecties, die bij kleine jongens voorkomen, hebben gewoonlijk geen sexueele beteekenis, hoewel zij, zooals Moll opmerkt, die krijgen kunnen als ze de opmerkzaamheid van het kind trekken; zij zijn alleen maar reflex. Sommige meenen echter, en voornamelijk Freud, dat bepaalde kinderlijke eigenaardigheden, vooral het duimzuigen, een sexueele oorzaak hebben en dat de sexueele impuls zich voortdurend vertoont op zeer jeugdigen leeftijd. Het geloof, dat het sexueele instinct in de jeugd niet bestaat, beschouwt Freud als een ernstige dwaling, zoo gemakkelijk door waarneming te corrigeeren, dat hij zich verwondert, hoe zij kan ontstaan zijn. "In werkelijkheid", merkt Freud op, "brengt het pasgeboren kind sexualiteit mee ter wereld, sexueele gewaarwordingen vergezellen het tijdens de dagen van het zuigen en van de kindsheid en maar zeer weinige kinderen ondervinden geen sexueele aandriften en gevoelens vóór de puberteit" (Freud, "Zur sexuellen Aufklärung der Kinder", Soziale Medizin und Hygiene, Band II, 1907; cf. voor bijzonderheden zie men van denzelfden schrijver Drei Abhandlungen zur Sexualtheorie, 1905). Moll, aan den anderen kant, beschouwt Freud's beschouwingen over sexualiteit in de jeugd als overdreven en vindt ze beslist verwerpelijk, hoewel hij toegeeft, dat het moeilijk is, zoo niet onmogelijk, de gevoelens in de jeugd te onderscheiden (Moll, Das Sexualleben des Kindes, pag. 154.) Moll meent ook, dat psycho-sexueele uitingen, die optreden na den leeftijd van acht jaar, niet pathologisch zijn; kinderen, die zwak zijn en erfelijk belast, zijn niet zelden sexueel vroegrijp, maar aan den anderen kant heeft Moll kinderen gekend van 8 of 9 jaren met sterk ontwikkelde geslachtsdrift, die toch flink ontwikkelde mannen werden.

Rudimentaire sexueele uitingen in de jeugd, vergezeld van sexueele gevoelens, moeten inderdaad--als ze niet te uitgesproken of te vroegtijdig zijn--beschouwd worden als te vallen binnen de normale sfeer, ofschoon zij, als zij voorkomen bij erfelijk belaste kinderen, niet zonder ernstige gevaren zijn. Maar bij gezonde kinderen hebben zij gewoonlijk, na den leeftijd van zeven of acht jaar geen slechte resultaten en moeten ze als spel beschouwd worden. Spel, bij dieren en menschen beide, is zooals Groos met een wonderbare veelheid van voorbeelden heeft aangetoond, een nuttig opvoedingsproces; het jonge schepsel bereidt zich daardoor voor, die functies uit te oefenen, die het in later jaren meer volkomen en ernstiger moet uitoefenen. In zijn Spiele der Menschen past Groos dit denkbeeld toe op het sexueele spel van kinderen, en geeft als bewijs aanhalingen uit de literatuur. Keller heeft, in zijn "Romeo und Julia auf dem Dorfe" een bewonderenswaardig waar beeld gegeven van deze kinderlijke liefdesbetrekkingen. Emil Schultze-Malkowsky (Geschlecht und Gesellschaft, Bd. II. pag. 370) geeft eenige tooneelen uit het leven van een klein meisje van zeven jaar, die een duidelijk beeld geven van den waren aard van de sexueele uitingen op dezen leeftijd.

Een soort van rudimentaire sexueele omgang tusschen kinderen komt voor zooals Bloch (Beiträge etc. Bd. II, pag. 254) heeft opgemerkt, in vele deelen van de wereld, en wordt door hun ouders erkend als spel. Dit is bv. het geval onder de Bawenda van Transvaal (Zeitschrift für Ethnologie, 1896, Heft 4, pag. 364), en onder de Papoea's van Kaiser-Wilhelms-Land, met goedvinden van de ouders, hoewel veel terughouding in acht genomen wordt. (id., 1889, Heft 1, pag. 16) Godard (Egypte et Palestine, 1867, pag. 105) sloeg het sexueele spel gade van jongens en meisjes in Caïro. In Nieuw-Mexico heeft W. A. Hammond (Sexual Impotence, pag. 107) jongens en meisjes gezien die als spel sexueele vereeniging beproefden onder aanmoediging van mannen en vrouwen en in New-York heeft hij jongens en meisjes hetzelfde zien doen in tegenwoordigheid van hun ouders, met alleen maar een lachende terechtwijzing. "Vadertje en Moedertje spelen" is inderdaad zeer gewoon onder kinderen in waarlijke onschuld, en met een algeheele afwezigheid van verdorvenheid; en het beperkt zich in het geheel niet tot kinderen van de lagere maatschappelijke klasse. Moll maakt een opmerking over het veel voorkomen ervan (Libido Sexualis, deel 1, pag. 277), en het comité van evangelische geestelijken heeft, in hun onderzoek naar de moraal van het Duitsche landvolk (Die geschlechtlich-sittlichen Verhältnisse, Bd. 1, pag. 102) bevonden, dat kinderen die nog niet op school zijn, pogingen tot coïtus doen. Het sexueele spel van kinderen is in het geheel niet beperkt tot het vader en moedertje spelen; dikwijls wordt er gespeeld met een climax in het vertoonen van en het slaan op sommige lichaamsdeelen en nu en dan zijn er spelletjes van dokter zijn en onderzocht worden. Zoo zegt een jonge Engelsche vrouw: "Natuurlijk, toen wij op school waren (op den leeftijd van twaalf jaar en vroeger) speelden wij met elkaar, verscheidene van ons meisjes; we gingen dan naar een veld en deden of we dokters waren en elkaar moesten onderzoeken, en dan deden we onze kleeren in de hoogte en bevoelden elkaar".

Deze spelen sluiten niet noodzakelijk de medewerking van de sexueele impuls in, en nog minder bevatten zij eenig element van liefde. Maar liefdegevoelens, ternauwernood of in het geheel niet te onderscheiden van sexueele liefde van volwassenen, komen dikwijls op even jeugdigen leeftijd voor. Zij behooren tot het spel, in zoover spel een voorbereiding is voor de werkzaamheden van het latere leven, ofschoon zij, anders dan de spelen, niet als spel gevoeld worden. Ramdohr heeft, meer dan een eeuw geleden (Venus Urania, 1798) gewezen op de veel voorkomende liefde van kleine jongens voor vrouwen. Meestal wordt de liefde gevoeld voor individuen van de andere of van dezelfde sekse, die niet veel in leeftijd verschillen, hoewel zij gewoonlijk ouder zijn. De meest omvattende studie over deze zaak is gedaan door Sanford Bell in Amerika op een basis van 2,300 gevallen (S. Bell, "A Preliminary Study of the Emotion of Love Between the Sexes", American Journal of Psychology, July, 1902). Bell bevindt, dat de aanwezigheid van de aandoening tusschen de drie en de acht jaar blijkt uit daden als pakken, kussen, elkaar opbeuren, worstelen, dicht bij elkaar gaan zitten, bekentenissen doen aan elkaar en aan anderen, over elkaar praten als ze van elkaar af zijn, elkaar zoeken en de rest buitensluiten, verdriet bij scheiding, het geven van presenten, elkaar speciale beleefdheden aandoen, kleine opofferingen voor elkaar doen, jaloezie betoonen. De meisjes zijn, over het geheel, aggressiever dan de jongens en er minder op uit om de zaak geheim te houden. Na den leeftijd van acht, worden de meisjes bescheidener en de jongens worden nog schuwer. De physieke sensaties komen gewoonlijk niet voor in de sexueele organen; erectie van de penis en hyperaemia van de vrouwelijke geslachtsdeelen beschouwt Bell als teekenen van ongewone vroegrijpheid. Maar er is een verspreide vasomotorische opzwelling en een toestand van opgewondenheid, die te vergelijken is met wat ondervonden wordt op jongelings- en volwassen leeftijd, al is het dan niet hetzelfde. Over het geheel, besluit Bell terecht, staat de liefde tusschen kinderen van verschillend geslacht met betrekking tot de liefde tot volwassenen, als de bloem staat tot de vrucht en heeft ze misschien even weinig in zich van physieke sexualiteit als een appelbloesem in zich heeft van den appel, die er zich uit ontwikkelt. Moll meent ook, (op. cit., pag. 76) dat kussen en andere dergelijke oppervlakkige aanrakingen, die hij verschijnselen van contrectatie noemt, heel dikwijls de eerste en eenige uiting zijn van den sexueelen impuls in de jeugd.

Het is dikwijls gezegd, dat het voor kinderen gemakkelijker is hun sexueele onschuld te bewaren op het land dan in de stad en dat alleen in de steden de sexualiteit teugelloos en zichtbaar is. Dit is in geenen deele waar en in sommige opzichten is het het tegenovergestelde van de waarheid. Zeker, hard werken, een natuurlijk en eenvoudig leven en geen ingespannen geestesarbeid, werken dikwijls samen om den jongen van het land kuisch te houden in gedachten en daden, totdat de tijd der jongelingschap voorbij is. Ammon zegt, b.v. echter zonder bepaald bewijs te geven, dat dit gewoon is onder de lotelingen in Baden. Zekerlijk leiden ook al de velerlei zinsprikkelingen van het stadsleven er toe, de prikkelbaarheid van zenuwen en hersenen van de jonge menschen op te wekken op een betrekkelijk jeugdigen leeftijd op sexueel evenals op ander gebied en vroeg begeerte en nieuwsgierigheid aan te wakkeren. Maar aan den anderen kant biedt het stadsleven den jongen menschen geen bevrediging voor hun wenschen en nieuwsgierigheden. De openbaarheid van een stad, het algemeene toezicht, het bestudeerde decorum van een bevolking, die zich bewust is, dat ze voortdurend blootgesteld is aan den blik van vreemdelingen, werken samen om een sluier te werpen over de geheime zijde van het leven, die, zoo hij al niet voor de jonge menschen verbergt de groote-stadsprikkels van dat leven, toch voor het grootste deel verbergt hoe die prikkels bevredigd worden. Op het land echter bestaan deze beperkingen niet in overeenkomstigen graad; de dieren maken de elementaire feiten van het sexueele leven voor allen duidelijk zichtbaar; er is minder behoefte aan of respect voor decorum; men spreekt meer openlijk; toezicht is onmogelijk en gelegenheden voor sexueele intimiteit zijn in de ruimste mate voorhanden. Als men misschien zeggen kan, dat de stad onkuischheid van gedachten bij jonge menschen kan aanmoedigen, dan kan men zeker zeggen, dat het land onkuischheid in daden aanmoedigt.

De uitgebreide onderzoekingen van het Comité van Luthersche geestelijken over de sexueele moraal (Die geschlechtlich-sittlichen Verhältnisse im Deutschen Reiche), een paar jaar geleden uitgegeven, geven duidelijk blijk van de sexueele vrijheid op het platteland van Duitschland, en Moll, die bepaald van meening is, dat het land betrekkelijk niet vrij is van sexualiteit, zegt (op. cit., pp. 137-139, 239) dat zelfs het circuleeren van obscene boeken en prenten onder schoolkinderen meer schijnt voor te komen in kleine steden en op het land, dan in groote steden. In Rusland, waar men zou kunnen denken, dat toestanden van de stad en van het land minder contrast opleverden dan in vele andere landen, heeft men hetzelfde verschil opgemerkt. "Ik weet niet", schrijft een Russisch correspondent, "of Zola in La Terre het leven van Fransche dorpen juist beschrijft. Maar de manieren op een Russisch dorp, waar ik een deel van mijn jeugd doorgebracht heb, gelijken tamelijk wel op die, door Zola beschreven. In het leven van de landelijke bevolking, waarin ik terecht kwam, was alles doortrokken van erotica. Men was er omringd door dierlijke wellust in al zijn onbescheidenheid. Tegenovergesteld aan de algemeen gebruikelijke opinie, geloof ik, dat een kind zijn sexueele onschuld gemakkelijker kan bewaren in de stad dan op het land. Er zijn, zonder twijfel, veel uitzonderingen op dezen regel. Maar de functies van het sexueele leven zijn in de steden gewoonlijk meer verborgen dan op de velden. Zedigheid (hetzij ze van de meer oppervlakkige en uiterlijke soort is of niet) is sterker ontwikkeld bij de bevolkingen van de steden. Als zij over sexueele zaken spreken, omsluieren de menschen in de steden hun gedachten meer; zelfs de lagere klassen in steden gebruiken meer terughouding, meer euphemismen, dan boeren. Zoo kan in de steden een kind het gemakkelijk niet begrijpen als er over gewaagde onderwerpen gesproken wordt in zijn tegenwoordigheid. Men kan zeggen, dat de corruptie in de steden, hoewel meer verborgen, des te dieper is. Het kan zijn, maar die verborgenheid beschermt kinderen er tegen. Het stadskind ziet alle dagen op straat prostituées, zonder ze van andere menschen te onderscheiden. Op het land kan hij iederen dag in de ruwste bewoordingen hooren zeggen, dat dat of dat meisje 's nachts in een schuur of in een sloot gevonden is in liefdesverkeer met dien en dien jongen man, of dat het dienstmeisje iederen nacht bij den koetsier in bed kruipt, terwijl over de feiten van sexueelen omgang, zwangerschap en geboorte in de duidelijkste woorden gesproken wordt. In steden wordt de aandacht van het kind getrokken door duizend verschillende onderwerpen; op het land hoort hij, behalve over veldarbeid, die hem niet interesseert, alleen spreken over de voortbrenging van dieren en over de erotische prestaties van meisjes en jonge mannen. Als wij zeggen, dat het stadsleven meer opwindend is, dan denken we aan volwassenen, maar de dingen, die den volwassene prikkelen, hebben gewoonlijk geen erotische werking op het kind, dat echter niet lang zonder sexueel gevoel kan blijven als het ziet, hoe de groote boerenmeisjes zich, vurig als merries in een wedloop, geven in de armen van krachtige jonge mannen. Het moet wel deze vrije uitingen van sexualiteit opmerken, hoezeer de teere en perverse verfijningen van de stad aan zijn opmerkzaamheid zouden ontgaan. Ik weet, dat er in de landen van overdreven preutschheid veel verborgen corruptie is, meer, is men wel eens geneigd te denken, dan in minder huichelachtige landen. Maar ik geloof, dat dat een onjuiste indruk is, en ik ben overtuigd, dat juist tengevolge van al deze kleine geheimhoudingen, die het ondeugend vermaak opwekken van de vreemdelingen, er werkelijk veel meer jonge menschen in Engeland zijn, die kuisch blijven, dan in de landen die sexueele verhoudingen meer openlijk behandelen. In ieder geval, zoo ik al Engelschen heb leeren kennen, die zeer losbandig waren en zeer verfijnd in de zonde, ik heb ook jonge mannen van dezelfde natie gekend van over de 20 jaar, die zoo onschuldig waren als kinderen, maar nooit een jongen Franschman, Italiaan, of Spanjaard, waarvan men hetzelfde kon zeggen". Er is, ongetwijfeld, waarheid in deze bewering, hoewel wij toch moeten bedenken, dat, hoe uitstekend kuischheid ook is, als deze kuischheid berust enkel op onwetendheid, de bezitter ervan aan vreeselijke gevaren is blootgesteld.

De kwestie van sexueele hygiëne, meer bijzonder het speciale onderdeel ervan, de sexueele opheldering, hangt echter niet af van het feit, dat bij sommige kinderen de psychische en nerveuze uiting van sekse op een vroeger leeftijd aan den dag treedt dan bij andere. Het berust op het ruimere, algemeene feit, dat bij alle kinderen het verstand begint te werken op een heel vroegen leeftijd en dat deze werkzaamheid van het verstand neiging heeft zich te openbaren in een weetgierige begeerte om vele grondfeiten van het leven te kennen, die inderdaad berusten op sekse. De eerste en meest algemeen voorkomende van deze wenschen is de wensch om te weten, waar de kinderen vandaan komen. Er is geen vraag, die natuurlijker is; de vraag naar oorzaken is noodzakelijk een grondvraag in kinderlijke philosophieën, zooals zij het in verder gevorderde gedaanten is van de philosophieën van volwassenen. De meeste kinderen, hetzij zij geleid worden door mededeelingen, gewoonlijk de onjuiste mededeelingen van ouderen, of door hun eigen verstand, dat werkt onder die aanwijzingen die het krijgen kan, hebben een theorie over de herkomst van kinderen.

Stanley Hall ("Contents of Children's Minds on Entering School", Pedagogical Seminary, June, 1891) heeft eenige van de denkbeelden van jonge kinderen over de herkomst van kinderen verzameld. "God maakt de kinderen in den hemel, hoewel de Heilige Moeder en zelfs Sint Niklaas er ook maken. Hij laat ze naar beneden en laat ze zakken, en de vrouwen en de dokters pakken ze, of Hij legt ze op het trottoir, of Hij brengt ze naar beneden langs een houten ladder, die achterste voren is gezet en haalt dien weer in de hoogte; of moeder of de dokter of de baker gaan er op en halen ze, soms in een ballon, of zij vliegen naar beneden en leggen hier of daar hun vleugels af en vergeten waar, en zij springen naar beneden naar Jezus, die ze ronddeelt. Zoo werd er ook dikwijls gezegd, dat ze gevonden werden in meelvaten en het meel kleeft heel lang aan ze vast, of zij groeiden in koolen, of God legde ze in het water, misschien wel in het riool, en de dokter haalt ze er uit en brengt ze aan zieke menschen, die ze graag hebben willen, of de melkboer brengt ze 's morgens vroeg; zij worden opgegraven uit den grond, of ze worden in den kinderwinkel gekocht".

In Engeland en Amerika vertelt men dikwijls aan het nieuwsgierige kind, dat het kind in den tuin gevonden is onder een kruisbessenstruik of ergens anders; of meermalen wordt er gezegd met wat ongetwijfeld gevoeld wordt als een dichter naderen tot de waarheid, dat de dokter het gebracht heeft. In Duitschland is het gewone verhaaltje, dat men de kinderen vertelt, dat de ooievaar het kind brengt. Verschillende theorieën, voor het meerendeel gebaseerd op volkssagen, zijn voor den dag gebracht om dit verhaaltje te verklaren, maar zij schijnen geen van allen overtuigend te zijn (zie bv. G. Herman, "Sexual-Mythen", Geschlecht und Gesellschaft, Bd. 1, afl. 5, 1906, pag. 176, en P. Näcke, Neurologisches Centralblatt, No. 17, 1907). Näcke meent, dat er iets aannemelijks is in de suggestie van Professor Petermann, dat een kikvorsch, die zich wringt in den bek van een ooievaar, op een menschelijk wezentje gelijkt.

In IJsland vinden we, volgens Max Bartels ("Isländischer Brauch und Volksglaube", etc., Zeitschrift für Ethnologie, 1900, afl. 2 en 3) een overgang tusschen de werkelijkheid en de phantasie in de verhalen, die aan kinderen verteld worden over de herkomst van kinderen (de ooievaar is hier uitgesloten, want die komt niet verder dan tot de zuidelijke grens van de Scandinavische landen). In Noordelijk IJsland wordt gezegd, dat God het kind gemaakt heeft en dat de moeder het gedragen heeft, en dat zij daarom nu ziek is. In het Noord-Westen zegt men, dat God het kind gemaakt heeft en het aan de moeder heeft gegeven. Elders zegt men, dat God het kind gezonden heeft en dat de vroedvrouw het heeft gebracht en dat de moeder alleen maar in bed ligt om dicht bij het kind te zijn (wat maar zelden in een wieg wordt gelegd). Soms wordt ook gezegd dat een lam of een vogel het kind gebracht heeft. En dan weer zegt men, dat het in den nacht door het raam is binnengekomen. Soms echter vertelt men het kind, dat het kindje gekomen is uit de borsten van de moeder, of van onder haar borsten, en dat zij daarom ziek is.

Zelfs als de kinderen te weten komen, dat kleine kinderen uit het lichaam der moeder komen, dan blijft deze kennis dikwijls nog heel vaag en onnauwkeurig. Het gebeurt bv. heel dikwijls in alle beschaafde landen, dat de navel beschouwd wordt als het punt, waar het kind uit het lichaam komt. Dit is een natuurlijke conclusie, omdat de navel een kanaal schijnt te zijn naar binnen in het lichaam, en een kanaal waarvoor geen zichtbaar gebruik is, terwijl de geslachtsspleet zich niet zou opperen voor meisjes (en nog minder voor jongens) als de doorgang der geboorte, omdat die reeds gemonopoliseerd schijnt te worden door de afscheiding der urine. Dit geloof omtrent den navel wordt soms behouden den geheelen tijd der jeugd door, vooral bij meisjes van de zoogenaamde welopgevoede klasse, die te wel opgevoed zijn om de zaak te bespreken met haar getrouwde vriendinnen, en die werkelijk meenen, dat zij reeds voldoende op de hoogte zijn. Op dezen leeftijd kan het zijn, dat het geloof niet geheel onschadelijk is, in zooverre het er toe leidt den werkelijken toegang der sexualiteit onbewaakt te laten. In den Elzas, waar meisjes gewoonlijk gelooven, en waar haar ook geleerd wordt, dat de kinderen door den navel komen, loopen populaire verhalen (Anthropophyteia, deel III, pag. 89), die de verkeerde gevolgen doen zien van dit geloof, die soms leiden tot verlies der maagdelijkheid.

Freud, die meent dat kinderen niet hard gelooven aan den fabel van den ooievaar en dergelijke verhalen, die uitgevonden zijn om hen te misleiden, heeft een belangwekkend psychologisch onderzoek gedaan naar de werkelijke theorieën, die kinderen zelf maken als het resultaat van waarneming en nadenken van de sexueele feiten van het leven (zie Freud, "Ueber Infantile Sexualtheorien", Sexual-Probleme, Dec. 1908). Zulke theorieën, merkt hij op, komen overeen met de schitterende, maar onvolledige veronderstellingen, waar natuurvolken toe komen over den aard en den oorsprong der wereld. Er zijn drie theorieën, die, zooals Freud geheel naar waarheid besluit, zeer dikwijls door kinderen gevormd worden. De eerste en de verst verspreide is, dat er geen werkelijk anatomisch verschil is tusschen jongens en meisjes; als de jongen opmerkt dat zijn zusje geen zichtbare penis heeft, dan komt hij zelfs tot het besluit, dat het komt omdat ze nog te jong is, en het kleine meisje zelf denkt hetzelfde. Het feit, dat in de kindsheid de clitoris betrekkelijk grooter is en meer op een penis gelijkt, helpt deze gedachte bevestigen, die Freud in verband brengt met de neiging op lateren leeftijd tot erotische droomen over vrouwen voorzien van een penis. Deze theorie begunstigt, zooals Freud opmerkt, den groei der homo-sexualiteit, als de kiemen er van aanwezig zijn. De tweede theorie is de fæcale theorie van de herkomst van kinderen. Het kind, dat misschien denkt dat zijn moeder een penis heeft, en dat in ieder geval niet weet van de vagina, komt tot het besluit dat het kind ter wereld gebracht wordt door een werking, gelijk aan de werking van de ingewanden. De derde theorie, die misschien minder voorkomt dan de andere, noemt Freud de sadistische theorie van den coïtus. Het kind erkent, dat zijn vader op eene of andere wijze moet hebben deelgenomen aan zijn verwekking. De theorie, dat sexueele omgang bestaat in geweld, heeft een spoor van waarheid in zich, maar kinderen schijnen er op duistere wijze toe te komen. De eigen sexueele gevoelens van het kind worden dikwijls het eerst gewekt als het worstelt of vecht met een kameraadje; het kan ook zijn, dat hij zijn moeder min of meer speelsch ziet weerstand bieden aan een plotselinge liefkoozing van zijn vader; en als een werkelijke twist plaats vindt, dan kan die indruk versterkt worden. Wat de ideeën van het kind betreft over den huwelijkschen staat, bevindt Freud, dat hij gewoonlijk beschouwd wordt als een staat, die ingetogenheid afschaft; en de meest voorkomende theorie is, dat getrouwd zijn beteekent, dat de menschen in elkanders tegenwoordigheid kunnen urineeren, terwijl een andere gewone kindertheorie is, dat getrouwd zijn is, dat de menschen elkaar hun genitaliën laten zien.

Zoo komt het, dat wij al op een zeer vroeg stadium van het leven van het kind tegenover de kwestie komen te staan, hoe wij het wijste kunnen beginnen met zijn inwijding in de kennis van de groote centrale feiten van sekse. Het is misschien wat achterlijk het als een kwestie te beschouwen, maar dat is het toch onder ons, ofschoon drie duizend vijf honderd jaar geleden de Egyptische vader tot zijn kind aldus heeft gesproken: "Ik heb je een moeder gegeven, die je bij zich gedragen heeft, als een zware last, om jouwentwille, en zonder op mij te steunen. Toen je eindelijk geboren was, onderwierp zij zich aan het juk, want drie jaar lang waren haar tepels in je mond. Je uitwerpselen hebben haar nooit tegenzin ingeboezemd, of haar doen zeggen: Wat doe ik? Toen je naar school gezonden waart, ging zij regelmatig iederen dag om eigengebakken brood en eigengebrouwen bier aan je meester te brengen. Als jij op jouw beurt trouwt en een kind krijgt, voed dan je kind op, zooals je moeder jou opgevoed heeft" [21].

"Alles wat de liefde en zorgvuldigheid van ouderlijke liefde kan geven", schrijft Dr. G. F. Butler, van Chicago (Love and its Affinities, 1899, pag. 83), "alles wat de meest verfijnde godsdienstinvloed kan geven, alles wat de meest beschaafde vereenigingen kunnen tot stand brengen, dat kan door een enkel oogenblik teniet worden gedaan. Er is geen plaats voor ethisch betoog, ja, er is zelfs dikwijls geen bewustzijn van kwaad, maar alleen Gretchen's "Es war so süsz". Dezelfde schrijver voegt er aan toe (wat al tevoren opgemerkt was door Mrs. Craik en anderen) dat het onder de leden der kerk de fijnere en meer gevoelige organisaties zijn, die het meest onderhevig zijn aan sexueele emoties. Voor zoover het jongens aangaat, laten wij de mededeeling in geslachtszaken, het heiligste en meest centrale feit ter wereld, zooals de kanunnik Lyttelton opmerkt, over aan onreindenkende schooljongens, rijknechts, tuinjongens, in het kort aan iedereen, die op jeugdigen leeftijd voldoende bedorven is en voldoende roekeloos om er over te spreken". Er, wat meisjes aangaat, zooals Balzac lang geleden opmerkte, "een moeder kan haar dochter streng opvoeden, en haar onder haar vleugelen hoeden zeventien jaar lang; maar een dienstmeisje kan dat lange werk teniet doen door een woord, zelfs door een gebaar".

De groote rol, die door dienstmeisjes van de lagere klasse gespeeld wordt bij de sexueele inwijding van de kinderen van den middenstand, is toegelicht bij de behandeling van "De sexueele impuls bij vrouwen" in een van mijn andere werken, en behoeft nu niet verder besproken te worden. Ik wil alleen hier in het voorbijgaan een woord zeggen over de andere zijde. Hoe dikwijls dienstmeisjes ook deze rol spelen, moeten we toch niet zoo ver gaan van te zeggen, dat dit het geval is met de meerderheid. Wat Duitschland aangaat, heeft Dr. Alfred Kind onlangs zijn ondervinding medegedeeld: "Ik heb nooit in mijn jeugd een slecht of ongepast woord gehoord over geslachtsverhoudingen van een dienstmeisje, ofschoon de dienstmeisjes elkaar in ons huis opvolgden als zonneschijn en regenbuien in April en er was altijd een kameraadschappelijke betrekking tusschen ons kinderen en de dienstboden". Wat Engeland aangaat, kan ik er bijvoegen, dat mijn eigen jeugdondervindingen overeenkomen met die van Dr. Kind. Dit behoeft geen verwondering te wekken, want we kunnen zeggen, dat bij het gewone meisje in goede omstandigheden, hoewel haar deugd misschien niet ontwikkeld is tot heldenverhoudingen, toch gewoonlijk een natuurlijke eerbied is voor de onschuld van kinderen, een natuurlijke sexueele onverschilligheid jegens hen en een natuurlijke verwachting, dat de man de actieve rol moet spelen als er een sexueele verhouding zal ontstaan.

Men begint ook te voelen, dat, vooral met betrekking tot vrouwen, onschuld berustend op onwetendheid niet alleen is een te broos bezit om het behouden ervan waard te zijn, maar dat zij werkelijk verkeerd is, omdat zij het ontbreken van noodige kennis met zich mee brengt. "Het is weinig minder dan misdadig", schrijft Dr. T. M. Goodchild [22], "onze jonge menschen midden in de prikkelingen en verleidingen van een groote stad te zenden, met niet meer voorbereiding dan alsof zij in het Paradijs gingen leven". In het geval van de vrouwen, heeft onwetendheid nog verder het nadeel, dat het haar berooft van de kennis, die noodig is voor een sympathie, die andere vrouwen begrijpen kan. Het gebrek aan sympathie van vrouwen voor vrouwen berust dikwijls voor een groot deel op volkomen onbekendheid met de feiten van het leven. "Waarom", schrijft mij in een brief een getrouwde dame, die dit scherp voelt, "worden vrouwen opgevoed in zulk een diepe onwetendheid over haar eigen natuur en voornamelijk over die van andere vrouwen? Zij weten niet half zooveel van andere vrouwen als een man van de meest middelmatige capaciteit in den loop van een dag te weten komt". Wij probeeren onze fout bij het opvoeden van vrouwen in de hoofdfeiten van sekse, goed te maken door aan de politie en andere bewaarders van de algemeene orde, den plicht op te leggen de vrouwen en de moraal te beschermen. Maar, zooals Moll met nadruk zegt, het werkelijk probleem van kuischheid ligt niet in het vermeerderen van wetten en politiebeambten, maar in ruime mate in de kennis der vrouwen omtrent de gevaren van sekse en in het aankweeken van hun gevoel van verantwoordelijkheid [23]. Wij maken maar steeds wetten ter bescherming van kinderen en wij verscherpen het politietoezicht. Maar wetten en politie, hetzij hun werkzaamheid goed is of kwaad, zijn in beide gevallen zonder resultaat. Zij kunnen voor het grootste deel eerst ingeroepen worden als het nadeel al gedaan is. Wij moeten leeren tot op den wortel van de zaak door te dringen. Wij moeten onzen kinderen leeren zichzelf tot wet te zijn. Wij moeten hun die kennis geven, die hen in staat zal stellen hun eigen persoonlijkheid te bewaken [24]. Er is een ware geschiedenis van een dame, die had leeren zwemmen, tot grooten afschuw van haar geestelijke, die zwemmen onvrouwelijk vond. "Maar", zeide ze, "stel dat ik verdronk". "In dat geval", antwoordde hij, "moet ge wachten tot er een man komt, die u redt". Daar hebben we twee reddingsmethoden, die aan vrouwen gepredikt zijn, de oude en de nieuwe. In geen zee hebben vrouwen meer gevaar geloopen van te verdrinken dan in die van de sekse. Het moest geen vraag zijn, welke de beste methode van redding is.

Het is tegenwoordig moeilijk eenige ernstige argumenten te vinden tegen de wenschelijkheid van vroege sexueele inlichting, en wij vinden het bijna comisch te lezen, hoe de romanschrijver Alphonse Daudet, toen hem naar zijn meening over zulke inlichting gevraagd werd, betuigde--in een geest, die zeker gewoon was onder de mannen van zijn tijd--dat ze onnoodig was, omdat jongens alles konden leeren van de straat en uit de couranten, terwijl "wat jonge meisjes betreft--neen! ik zou ze geen van de waarheden der physiologie willen mededeelen. Ik kan alleen nadeelen zien in zulk gedrag. Deze waarheden zijn leelijk, ontnuchterend, zij zullen zeker den geest en de natuur van een meisje schokken, haar verschrikt maken en walging in haar wekken". We kunnen evengoed zeggen, dat het niet noodig is bronnen helder water te verschaffen, zoolang er plassen op straat zijn, waar iedereen uit drinken kan. Een tijdgenoot van Daudet, die een veel fijner geestelijk inzicht had, Coventry Patmore, de dichter, heeft in zijn verhandeling over "Ancient and Modern Ideas of Purity" in zijn mooi boek, Religio Poetae, reeds in mooie woorden geprotesteerd tegen die "ziekte der onreinheid", die voortkomt uit "our modern undivine silences", waar Daudet voor gepleit heeft. En Metchnikoff verklaarde, niet zoo lang geleden, van wetenschappelijke zijde, vooral sprekend wat vrouwen aangaat, dat kennis zóo noodig is voor moreel gedrag, dat "onwetendheid beschouwd moet worden als de meest immoreele daad". (Essais Optimistes, pag. 420).

De beroemde Belgische romanschrijver, Camille Lemonnier, behandelt in zijn L'Homme en Amour de kwestie van de sexueele opvoeding van de jeugd, door de geschiedenis te geven van een jongen man, opgevoed onder den invloed van de conventioneele en huichelachtige ideeën, die leeren, dat naaktheid en sekse weerzinwekkende zaken zijn. Zoodoende gaat hij de gelegenheden tot onschuldige en natuurlijke liefde voorbij, om ten slotte hopeloos de slaaf te worden van een zinnelijke vrouw, die hem enkel behandelt als het voorwerp van haar lust, als den laatsten van een lange rij minnaars. Het boek is een machtig pleidooi voor een verstandige, gezonde en natuurlijke opvoeding in geslachtszaken. Er werd echter in Brugge beslag op gelegd, in 1901, hoewel het proces tenslotte eindigde met vrijspraak. Zulk een uitspraak is in harmonie met de algemeene neiging van voelen in den tegenwoordigen tijd.

De oude ideeën, door Daudet uitgesproken, dat de sexueele feiten leelijk en ontnuchterend zijn, en dat zij den geest van de jeugd schokken, zijn beide evenzeer geheel onjuist. Zooals de kanunnik Lyttelton opmerkt, waar hij er op aandringt, dat de wetten der voorplanting aan de kinderen geleerd moeten worden door de moeder: "De wijze waarop zij die mededeeling ontvangen met aangeboren eerbied, waarheid van begrip en argelooze teerheid, is niets minder dan een openbaring van de oneindige schoonheid der natuur. Maar ik waag te zeggen, dat niemand heelemaal weet, wat het is, die het voorrecht gemist heeft van de eerste te zijn, die hun de ware beteekenis uitgelegd heeft van leven en geboorte en het mysterie van hun eigen wezen. Niet alleen laten we na gezonde kennis in hen op te bouwen, maar wij berooven onszelf van de kans iets te weten te komen, dat goddelijk moet zijn". Op dezelfde wijze spreekt Edward Carpenter, waar hij zegt dat het gemakkelijk en natuurlijk is voor een kind van het begin af aan zijn lichamelijke verhouding tot zijn moeder te weten (Love's Coming of Age, pag. 9): "Een kind op den leeftijd van de puberteit, bij de ontplooiing van zijn diep verborgen emotioneele en sexueele natuur, is zeer goed in staat tot de meest gevoelige, liefderijke en kalme appreciatie van wat sekse beteekent (gewoonlijk meer, zooals de zaken tegenwoordig staan, dan zijn wereldschen vader of voogd); en hij kan de inlichtingen, als die op sympathieke wijze gegeven worden, in zich opnemen zonder eenigen schok of stoornis voor zijn schaamtegevoel--dat gevoel dat zoo'n natuurlijke en belangrijke bescherming is van de eerste jeugd".

Hoe wijd verspreid, zelfs nog eenige jaren geleden, de overtuiging was ingeworteld, dat de sexueele feiten zoowel aan jongens als aan meisjes moesten medegedeeld worden, bleek toen de opinies van een zeer gemengde verzameling van min of meer op den voorgrond tredende personen gezocht werd over dit vraagstuk ("The Tree of Knowledge", New Review, June, 1894). Een kleine minderheid van slechts twee (Rabbi Adler en Mrs. Lynn Lynton) waren tegen die kennis, terwijl onder de meerderheid, die er vóór waren, zich bevonden Mme Adam, Thomas Hardy, Sir Walter Besant, Björnson, Hall Cain, Sarah Grand, Nordau, Lady Henry Somerset, Barones von Suttner en Miss Willard. De leidsters van de vrouwenbeweging zijn natuurlijk, vóór de kennis. Zoo keurde een vergadering van den "Bund für Mutterschutz" te Berlijn, in 1905, bijna eenstemmig een besluit goed, waarbij verklaard werd, dat de vroege sexueele inlichtingen aan kinderen over de feiten van het sexueele leven dringend noodig zijn (Mutterschutz, 1905, Heft 2, pag. 91). Wij kunnen er aan toevoegen, dat de medische opinie deze mededeelingen al lang goedgekeurd heeft. Zoo werd in Engeland namens de redactie gezegd in de British Medical Journal eenige jaren geleden (June 9, 1894): "De meeste medici van een leeftijd, waarop men confidenties krijgt over zulke zaken, zullen zich gevallen kunnen herinneren, waarin een onwetendheid, die belachelijk zou geweest zijn, als ze niet zoo droevig ware, ten toon gespreid werd over zaken, waarover iedere vrouw, die het huwelijk intrad, nauwkeurig ingelicht had moeten wezen. Wij meenen, dat er geen twijfel aan kan zijn, dat veel ongeluk en veel ziekte voorkomen zou worden, als jonge menschen van beide seksen een weinigje nauwkeurige kennis hadden over sexueele verhoudingen en als zij wel overtuigd waren van het groote belang gezonde wederhelften te kiezen. Kennis behoeft niet noodzakelijk leelijk te zijn, maar zelfs als ze dat was, dan is ze in dat opzicht zeker niet te vergelijken met de voorstellingen van de onwetendheid." Zoo ook in Amerika, waar bij een jaarlijksche meeting van de American Medical Association, Dr. Denslow Lewis, van Chicago, welsprekend aandrong op de behoefte om sexueele hygiëne te leeren aan jonge mannen en meisjes: al de negen volgende sprekers, sommige van hen doktoren van wereldberoemden naam, spraken in hoofdzaak hun instemming uit (Medico-Legal Journal, June--Sept., 1903). En Howard bevestigt aan het einde van zijn uitgebreide History of Matrimonial Institutions (vol. III, pag. 257) de noodzakelijkheid van opvoeding in sexueele zaken, als gaande tot den bodem van het huwelijksprobleem. "In het toekomstige opvoedingsprogramma", merkt hij op "nemen sexueele kwesties een eervolle plaats in".

Hoewel het nu echter in ruimen kring erkend wordt, dat kinderen aanspraak hebben op inlichtingen in sexueele zaken, kan niet gezegd worden, dat dit geloof in ruimen kring in praktijk gebracht wordt. Vele personen, die er ten volle van overtuigd zijn, dat kinderen vroeger of later behooren ingelicht te worden over de sexueele levensbronnen, zijn wat zenuwachtig angstig omtrent den juisten leeftijd, waarop deze inlichtingen moeten beginnen. Hun verborgen gevoelen schijnt te zijn, dat sekse een kwaad is en inlichtingen over sekse ook een kwaad, hoewel een noodzakelijk kwaad, en dat het voornaamste punt is het laatste oogenblik te zoeken, waartoe we veilig dit noodzakelijk kwaad kunnen uitstellen. Zulk een houding is, natuurlijk, geheel verkeerd. De weetgierigheid van het kind omtrent zijn oorsprong is een volkomen natuurlijke, eerlijke en onschuldige wensch, zoolang zij niet bedorven is, doordat zij gedwarsboomd wordt. Een kind van vier jaar zal over deze kwestie vragen doen, eenvoudig en spontaan. Zoodra de vragen gesteld worden, inzonderheid zoodra ze dringend worden, moeten ze beantwoord worden in denzelfden eenvoudigen, spontanen geest, naar waarheid, maar naar de mate van het verstand van het kind en van zijn capaciteit en weetgierigheid. Dit tijdstip moet en, als deze aanwijzingen opgevolgd worden, zal ook in geen geval uitgesteld worden tot na het zesde jaar. Na dien leeftijd is zelfs het meest zorgvuldig beschermde kind blootgesteld aan nadeelige mededeelingen van buiten. Moll wijst er op, dat de sexueele inlichtingen aan meisjes in hun verschillende stadiën altijd wat eerder moeten komen dan die aan jongens, en daar de ontwikkeling van meisjes tot aan de puberteit altijd sneller gaat, is deze eisch redelijk.

Als de elementen van sexueele opvoeding in de vroege jeugd moeten medegedeeld worden, dan is het duidelijk genoeg, wie de mededeelingen moet doen. Er is geen kwestie van of dit privilege behoort volgens alle recht aan de moeder. Behalve waar een kind kunstmatig gescheiden is van deze naaste van zijn opvoeders, is het inderdaad alleen de moeder, die de natuurlijke gelegenheid heeft deze vragen te krijgen en te beantwoorden. Zij behoeft in het geheel geen initiatief in de zaak te nemen. Het onvermijdelijke ontwaken van het verstand van het kind en de ontwikkeling van zijn grenzenlooze nieuwsgierigheid voorzien haar liefde en haar takt van alle gelegenheden om de gedachte en de kennis van haar kind te vormen. Ook behoeft zij op dezen trap niet de geringste technische kennis te bezitten. Zij moet alleen noodzakelijk het meest absolute geloof in de reinheid en in de waardigheid van haar lichamelijke verhouding tot haar kind hebben en zij moet er vrijmoedig en liefdevol over kunnen spreken. Als deze hoofdvoorwaarde vervuld is, dan heeft iedere moeder al de kennis, die haar jonge kind noodig heeft.

Onder de beste autoriteiten, zoowel mannen als vrouwen, in al de landen, waar de zaak de aandacht trekt, schijnt men nu eensgezind van meening te zijn, dat de grondfeiten van de betrekking van het kind tot zijn moeder aan het kind uitgelegd moeten worden door de moeder, zoodra het kind begint te vragen. Zoo heeft in Duitschland Moll herhaaldelijk in dezen geest gesproken; hij dringt er op aan, dat sexueele inlichtingen voornamelijk een vertrouwelijke en individueele zaak moeten zijn; dat er op scholen geen algemeene en persoonlijke waarschuwingen moeten zijn tegen onanie, etc. (hoewel hij op later leeftijd inlichting over venerische ziekten goedkeurt), maar dat de moeder de juiste persoon is om intieme kennis aan het kind mede te deelen, en dat iedere leeftijd goed is om met zulke inlichtingen te beginnen, als ze maar gegoten worden in een vorm die voor den leeftijd past (Moll, op. cit., pag. 264).

Bij de Mannheimer meeting van het Congres van het Duitsche Genootschap ter Bestrijding van Venerische Ziekten was, toen de kwestie van sexueele inlichting het eenige onderwerp van discussie uitmaakte, de meening ten gunste van vroege leering door de moeder, overheerschend. "Het is de moeder, die in de eerste plaats verantwoordelijk gesteld moet worden voor het duidelijk begrijpen van het kind der sexueele dingen, hetgeen zoo dikwijls ontbreekt", zeide Frau Krukenberg ("Die Aufgabe der Mutter", Sexualpädagogik, pag. 13), terwijl Max Enderlin, een onderwijzer, bij dezelfde gelegenheid zeide ("Die Sexuelle Frage in die Volksschule", id., pag. 35): "Het is de moeder, die het kind zijn eersten uitleg moet geven, want tot de moeder komt hij natuurlijk het eerst met zijn vragen". In Engeland zegt de kanunnik Lyttelton, die uitmunt onder de hoofden van Public Schools, niet het minst door zijn duidelijke en bewonderenswaardige gezegden over deze kwesties (Mothers and Sons, pag. 99), dat de rol van de moeder bij de sexueele inlichting en het sexueel bewaken van haar zoon van overwegend belang is, en dat die in de vroegste jaren een aanvang moet nemen. J. H. Badley, een andere schoolmeester ("The Sex Difficulty", Broad Views, June 1904), zegt ook, dat de rol van de moeder in de eerste plaats komt. Northcote (Christianity and Sex Problems, pag. 25) gelooft, dat de plicht van de ouders de hoofdzaak is in deze zaak, en dat de huisdokter en de onderwijzer in een later stadium komen. In Amerika dringt Dr. Mary Wood Allen, die een voorname en invloedrijke positie inneemt in de maatschappelijke bewegingen van vrouwen, er op aan (in Child-Confidence Rewarded, en andere pamphletten) dat een moeder moet beginnen haar kind deze dingen te vertellen zoodra het begint te vragen en dat de leeftijd van vier niet te jong is, en zij zegt hoe dit gedaan kan worden en geeft voorbeelden van de gelukkige resultaten ervan, daar het een teer vertrouwen tusschen het kind en de moeder bevordert.

Als, zooals sommigen willen, de eerste stap uitgesteld wordt tot het tiende jaar of zelfs later, dan komt de moeilijkheid, dat het niet langer zoo gemakkelijk is eenvoudig en natuurlijk over deze dingen te spreken; de moeder begint zich verlegen te voelen, om voor het eerst over deze moeilijke onderwerpen te spreken met een zoon of een dochter, die bijna zoo groot is als zij zelf. Zij voelt, dat zij het alleen maar onhandig kan doen en zonder succes, en zij besluit waarschijnlijk het in het geheel niet te doen. Zoo wordt een atmospheer van geheimzinnigheid geschapen met al de hinderlijke en verkeerde invloeden, die de geheimzinnigheid bevordert.

Er kan geen twijfel aan zijn dat, meer bepaald bij heel intelligente kinderen met vage en niet gespecialiseerde, maar aanhoudende sexueele impulsen, de kunstmatige geheimzinnigheid waarmee de sekse maar al te dikwijls omgeven is, niet alleen de natuurlijke nieuwsgierigheid accentueert, maar ook er toe neigt de ziekelijke intensiteit en zelfs het hevig verlangen van de sexueele impuls te begunstigen. Dit is al lang erkend geweest. Dr. Beddoes schreef aan het begin van de 19de eeuw: "Wij ontveinzen ons tevergeefs de gretigheid, waarmee kinderen van beide geslachten zich zekerheid trachten te verschaffen aangaande den bouw van het andere geslacht. Geen mate van terughouding bij volwassenen, geen middelen, geen zorg om boeken van zekere soort uit het gezicht te houden en om andere te schiften, heeft misschien ooit, met welke soort van kinderen ook, succes gehad om deze nieuwsgierigheid te voorkomen of te onderdrukken. Geen deel van de geschiedenis van menschelijke gedachte zou misschien zonderlinger zijn dan de krijgslisten, uitgedacht door jonge menschen in verschillende toestanden om zich meester te maken van het geheim. En iedere ontdekking, die zij aan hun eigen onderzoekingen danken, kan slechts even zooveel olie zijn, gegoten op een in vlam staande verbeelding". (T. Beddoes, Hygeia, 1802, vol. III, pag. 59). Kaan noemt, in een van zijn vroegste boeken over ziekelijke sexualiteit, geheimzinnigheid een van de oorzaken van psychopatia sexualis. Marro (La Pubertà, pag. 299) wijst er op, hoe de sluier van geheimzinnigheid, over sexueele zaken geworpen, alleen maar dient om er de aandacht op te vestigen. De beroemde Hollandsche schrijver Multatuli maakt, in een van zijn brieven (met toestemming aangehaald door Freud), opmerkzaam op het gevaar, de dingen voor jongens en meisjes te verbergen achter een sluier van geheimzinnigheid en hij wijst er op, dat dit slechts de nieuwsgierigheid van kinderen moet verhoogen, en verre van hen rein te houden, wat enkel onwetendheid nooit kan doen, hun verbeelding verhit en van de wijs brengt. Ook Mrs. Mary Wood Allen waarschuwt de moeder (op. cit., pag. 5) tegen het gevaar een geest van verwarring gevende geheimzinnigheid over deze dingen te laten komen. "Als hij, die de mededeelingen geeft, eenige gegeneerdheid voelt bij het beantwoorden van de vragen van het kind, dan is hij niet geschikt leermeester te zijn, want het gevoel van gegeneerdheid zal zich, ongemerkt, aan het kind mededeelen en het zal een onbepaald gevoel hebben van beleedigde kieschheid, hetgeen onnoodig en ongewenscht is. Het rein maken van iemand's eigen gedachten is dus de eerste stap er toe om op reine wijze de waarheid mede te deelen. Waarom", voegt zij er aan toe, "is dood, de uitgang van het leven, waardiger of plechtiger dan geboorte, de ingang in het leven? Of waarom is het nemen van aardsch leven een meer indrukwekkend feit dan het geven van leven?" Mrs. Ennis Richmond zegt, in een handleiding voor moeders, die veel wijze en ware dingen bevat: "Ik wil er den nadruk op vestigen, sterker dan op iets anders, dat het de geheimzinnigheid is, die zekere deelen van het lichaam en hun functies omgeeft, die ze gevaarlijk doet worden in de gedachte van het kind. Kleinen kinderen wordt, van hun vroegste jaren geleerd om aan deze deelen van hun lichaam te denken als geheimzinnig, en dat niet alleen, maar zij zijn geheimzinnig, omdat zij onrein zijn. Kinderen hebben er niet eens een naam voor. Als gij met uw kind er over spreken moet, doet gij het geheimzinnig en half fluisterend als over "dat deeltje van je waar je niet over spreekt", of in dergelijke woorden. Vóor alles is het van belang, dat uw kind een goeden naam weet voor deze deelen van zijn lichaam, en voor hun functies en dat hem geleerd moet worden, deze namen te gebruiken en te hooren, en dat wel even zoo natuurlijk en openlijk alsof hij of gij spraakt over zijn hoofd of zijn voet. De conventie heeft het, om verschillende redenen, onmogelijk gemaakt, zoo in het publiek te spreken. Maar gij kunt, in ieder geval in de kinderkamer, hiervan afwijken. Daar heeft deze regel der conventie geen voordeel, en menig ernstig nadeel. Het is gemakkelijk tot een kind te zeggen, de eerste keer dat hij een "rare" opmerking in het publiek maakt: "Kijk eens, kindje, je mag zeggen wat je wilt tegen mij of tegen vader, maar, om de eene of andere reden, moet je niet over deze (en zeg dan wat voor dingen) tegen andere menschen spreken". Maar laat uw kind de opmerking in het publiek maken eer gij spreekt (bekommer u niet om den schok aan de gevoelens van uw bezoeker), waarschuw hem er niet tegen, dit te doen" (Ennis Richmond, Boyhood, pag. 60). Sekse moet altijd een mysterie zijn, maar, zooals Mrs. Richmond terecht zegt, "de echte en ware mysteries van voortbrenging en geboorte zijn zeer verschillend van de vulgaire geheimzinnigheid waarmede de gewoonte ze omgeeft".

De kwestie van precies de namen, die gegeven moeten worden aan de meer intieme lichamelijke deelen en functies, is soms wat moeilijk op te lossen. Iedere moeder zal natuurlijk haar eigen instinct volgen, en waarschijnlijk haar eigen tradities in deze zaak. Ik heb elders er op gewezen (in de studie over "The Evolution of Modesty") hoe ver verspreid en instinctief de neiging is om op dit gebied voortdurend nieuwe verzachtende uitdrukkingen aan te nemen. De oude en eenvoudige woorden, die in Engeland een groot dichter als Chaucer nog op de juiste en natuurlijke manier gebruiken kon, zijn zoo dikwijls door de modder gesleept door lage geesten, dat er tegenwoordig een instinctmatige aarzeling is ze voor mooie dingen te gebruiken. Zij zijn echter ongetwijfeld de beste, en, naar hun oorsprong, de waardigste en krachtigste woorden. Vele menschen zijn van meening, dat zij daarom uit de modder opgevischt moesten worden, en dat hun heiligheid aan de kinderen geleerd moet worden. Een met mij bevriend dokter schrijft, dat hij altijd aan zijn zoon gezegd heeft, dat de vulgaire sexueele namen werkelijk mooie woorden zijn van ouden oorsprong en dat, als we ze juist verstaan, we met geen mogelijkheid eenige aanleiding er in kunnen zien voor platte grappen. Het zijn eenvoudige, ernstige en plechtige woorden, die de meest centrale feiten van het leven aanduiden, en alleen aan onwetende en plebejische platheid kunnen zij obscene vroolijkheid verschaffen. Een Amerikaansch geleerde, die voor eigen rekening en anoniem eenige geschriften over sexueele kwesties heeft laten drukken, neemt ook dit standpunt in en gebruikt methodisch de oude en eenvoudige woorden. Ik ben van meening, dat dit het ideaal is waar we naar zoeken moeten, maar dat er tegenwoordig in het oog springende moeilijkheden zijn om het te bereiken. In ieder geval echter, moet de moeder een juiste woordenlijst hebben voor al de lichamelijke deelen en daden, die voor haar kinderen nuttig zijn om te weten.

Er wordt soms gezegd, dat de werkelijke feiten van hun oorsprong aan kinderen op dezen jeugdigen leeftijd niet moest verteld worden, zelfs niet in een eenvoudigen en elementairen vorm, maar dat zij, in plaats daarvan een sprookje moesten hooren, dat een soort van symbolieke waarheid bevat. Deze bewering mag absoluut verworpen worden, zonder daardoor, in eenige mate, de belangrijke plaats te loochenen, die sprookjes hebben voor de verbeelding van jonge kinderen. Sprookjes hebben een werkelijke waarde voor het kind; zij zijn een geestelijk voedsel, dat het noodig heeft, zal het niet geestelijk honger lijden; het op dezen leeftijd van sprookjes te berooven is hem een kwaad toebrengen, dat nooit op eenigen lateren leeftijd kan goed gemaakt worden. Maar niet alleen zijn sexueele zaken van tè veel beteekenis zelfs in de kindsheid om veilig gemaakt te worden tot een onderwerp voor een sprookje, maar de werkelijke feiten zijn zelf zoo wonderbaarlijk als het mooiste sprookje, en werken op de phantasie van het kind even sterk als een sprookje.

Zelfs, als er geen andere redenen waren, om kinderen geen sprookjes te vertellen over geslachtszaken in plaats van de werkelijke feiten, dan is er toch een reden, die beslissend moest zijn voor iedere moeder die prijs stelt op den invloed op haar kind. Het zal zeer spoedig ontdekken, hetzij door mededeeling van anderen of door zijn eigen verstand, dat het sprookje hetwelk hem verteld werd in antwoord op een vraag over een eenvoudig feit, een leugen was. Met die ontdekking verdwijnt voor altijd moeders invloed op hem, want niet alleen heeft een kind er een afschuw van om bedrogen te worden, maar het is ook uiterst gevoelig voor iedere afwijzing van deze soort en doet nooit weer, wat men hem heeft laten voelen dat een fout was om zich over te schamen. Het zal zijn moeder niet meer lastig vallen met vragen over deze zaak; het zal haar niet vertrouwen; het zal zelf de kunst leeren om "sprookjes" te vertellen over geslachtszaken. Het had zich vol vertrouwen tot zijn moeder gewend; zij heeft niet met gelijk vertrouwen geantwoord, en zij moet de straf ondervinden, zooals Henriette Fürth zegt, te zien dat "de liefde en het vertrouwen van haar zoon haar ontstolen worden door den eersten jongen, met wien hij op straat vriendschap sluit". Als, zooals soms gebeurt (Moll vermeldt een geval), een moeder doorgaat met deze dwaze verhaaltjes te vertellen aan een meisje of een jongen van zeven jaar, die in het geheim goed ingelicht is, dan verlaagt zij slechts zichzelf in de oogen van haar kind. Het is deze noodlottige vergissing, zoo dikwijls door moeders begaan, die haar er eerst toe brengt zich in te beelden, dat haar kinderen zoo onschuldig zijn, en haar in later jaren zooveel uren van bitterheid veroorzaakt, wanneer zij bemerkt, dat zij het vertrouwen van haar kind niet bezit. In de zaak van vertrouwen moet de moeder de eerste stap doen; de kinderen, die hun moeders niet vertrouwen, herinneren zich, voor het meerendeel, de les die zij aan den schoot hunner moeder geleerd hebben.

Het aantal boekjes en vlugschriften, dat de kwestie behandelt der sexueele opheldering van de jeugd--hetzij zij bedoeld zijn om door de jonge menschen gelezen te worden, of om leiding te geven aan moeders en onderwijzers in de taak kennis mede te deelen--is in de laatste jaren in Amerika en Engeland buitengewoon groot geworden, vooral ook in Duitschland, waar in den laatsten tijd enorm veel van zulke literatuur geproduceerd is. Wijlen Ben Elmy, die schrijft onder den pseudoniem "Ellis Ethelmer" heeft twee boekjes gepubliceerd Baby Buds en The Human Flower (uitgegeven door Mrs. Wolstenholme Elmy, Buxton House, Congleton), die de feiten mededeelen op een eenvoudige en kiesche wijze, hoewel de schrijfster niet een bijzonder betrouwbare gids is wat betreft de wetenschappelijke gezichtspunten van deze vragen. Een mooi gesprek tusschen een moeder en haar kind, uit een Fransche bron, herdrukt door Edward Carpenter aan het einde van zijn Love's Coming of Age. How We Are Born door Mrs. N. J. (blijkbaar een Russische dame, die in het Engelsch schrijft), met een voorrede van J. H. Badley, is redelijk goed. Vermelding verdient ook The Wonder of Life, door Mary Tudor Pole. Song of Life, door Margaret Morley, een Amerikaansch boek, dat ik persoonlijk niet ken, wordt zeer geprezen. De meeste van deze boeken zijn bedoeld voor zeer jonge kinderen, en terwijl zij min of meer duidelijk den oorsprong van kleine kinderen verklaren, beginnen zij bijna altijd met de feiten van het plantenleven en raken zeer vluchtig, of in het geheel niet, de verhoudingen tusschen de seksen.

De boeken van Mrs. Ennis Richmond, die voornamelijk voor moeders bestemd zijn, behandelen deze vragen op een zeer gezonde, directe en uitmuntende wijze, en de boeken van den kanunnik Lyttelton, die deze kwesties in het algemeen bespreekt, zijn ook uitstekend. De meeste van de boeken, die we nu zullen noemen, zijn bedoeld om gelezen te worden door jongens en meisjes, die den leeftijd der puberteit bereikt hebben. Zij verwijzen min of meer precies naar sexueele verhoudingen en zij roeren even de onanie aan. The Story of Life, geschreven door een zeer ontwikkelde vrouw, wijlen Ellice Hopkins, is wat vaag en lascht te veel verheven godsdienstige ideeën in. Arthur Trewby's Healthy Boyhood is een boekje met een gezonden geest; het handelt voornamelijk over onanie. A Talk with Boys About Themselves en A Talk with Girls About Themselves, beide door Edward Bruce Kirk (het laatste boek geschreven in samenwerking met een dame) handelen over algemeene, zoowel als sexueele hygiëne. Er kan geen beter boek zijn om in handen te geven van een jongen of een meisje tijdens de puberteit dan Almost Fourteen van M. A. Warren, geschreven door een Amerikaansch schoolonderwijzer in 1892. Het is een mooi en fijn geschreven werkje, dat de onschuld van het gevoeligste meisje niet zou kunnen schokken. Niets echter is heilig voor de onreinen en het was voor hen gemakkelijk de wet op hun hand te krijgen en (in 1897) een wettige veroordeeling van dit boek uit te lokken als "obsceen". Alles wat een onreinen geest sexueel opwindt, is, het is waar, "obsceen voor dien geest", want, zooals Mr. Theodore Schroeder opmerkt, obsceenheid is "de bijdrage van den lezenden geest", maar wij hebben zulke boeken als dit noodig om het aantal onreine geesten te verminderen en de veroordeeling van een zoo volkomen bewonderenswaardig boek bevordert niet de moraliteit, maar de immoraliteit. Men heeft mij gezegd, dat het boek later opnieuw uitgegeven is, met zeer vele van de beste deelen eruit geschrapt en Schroeder zegt (Liberty of Speech and Press Essential to Purity Propaganda, pag. 34), dat de schrijver gedwongen werd zijn positie als hoofd van een "Public School" op te geven. Geschlechtliche Belehrung der Kinder door Maria Lischnewska (herdrukt uit Mutterschutz, 1905, afl. 4 en 5) is een uitstekende en grondige bespreking van de geheele kwestie van sexueele opvoeding, hoewel de schrijfster meer belang stelt in het aandeel van den onderwijzer in deze kwestie dan in dat van de moeder. Wenken aan moeders bevat Wo kommen die Kinder her? van Hugo Salus, Eine Mutterpflicht van E. Stiehl en vele andere boeken. Dr. Alfred Kind beveelt krachtig aan Der Verkehr mit meinen Kindern van Ludwig Gurlitt, meer speciaal door de combinatie van sexueele opvoeding met artistieke opvoeding. Op vele dergelijke boeken wijst Bloch in zijn Sexual Life of Our Time, hfdst. XXVI.

Ik heb de namen van deze boekjes opgenoemd, omdat zij dikwijls uitgegeven worden op een half geheime wijze en dat het zelden gemakkelijk is ze te krijgen of er van te hooren. Het verspreiden van zulke boeken schijnt gevoeld te worden als een bijna schandelijke daad, die slechts in het geheim gedaan mag worden. En zulk een gevoel schijnt niet onnatuurlijk, als wij zien, zooals in het geval van den schrijver van Almost Fourteen, dat een in naam beschaafd land, in plaats van een man, die voor het moreele en physieke welzijn ervan gewerkt heeft, met eerbewijzen te overladen, zooveel mogelijk tracht hem in het verderf te storten.

Ik mag er wel bijvoegen dat, terwijl het gewoonlijk zeer nuttig voor een moeder zou zijn om een paar van de boekjes, die ik genoemd heb, te kennen, zij toch goed doet, als zij met haar kinderen praat, zich in hoofdzaak te verlaten op haar eigen kennis en inspiratie.

De sexueele opvoeding, die tot de plicht en het voorrecht van de moeder behoort, beginnende in de prille jeugd van het kind, kan en moet niet technisch zijn. Zij krijge niet den aard van vormelijke mededeeling, maar zij een persoonlijke en intieme inwijding. Ongetwijfeld moet de moeder zelf onderricht worden [25]. Maar de opvoeding, die zij noodig heeft, is voornamelijk een opvoeding in liefde en inzicht. De werkelijke feiten, die zij in dit vroege stadium noodig heeft te weten, zijn zeer eenvoudig. Haar voornaamste taak is de intieme verhouding van het kind tot haarzelf duidelijk te maken en er op te wijzen dat alle jonge wezens in gelijke intieme verhouding staan tot hun moeders; om dit te generaliseeren is het ei het eenvoudigste en meest fundamenteele type voor het verklaren van den oorsprong van individueel leven, want de idee van het ei--in den ruimsten zin als het zaad--is niet alleen waar voor het menschelijk schepsel, maar kan de geheele dieren- en plantenwereld door toegepast worden. Onder deze verklaring behoeft de physieke verhouding van het kind tot zijn vader niet noodzakelijk begrepen te zijn; die kan overgelaten worden voor een later stadium, of totdat de vragen van het kind er toe leiden.

Behalve zijn belangstelling in zijn oorsprong, stelt het kind ook belang in zijn sexueele of, gelijk ze hem uitsluitend toeschijnen, zijn afscheidingsorganen en in die van andere menschen, zijn zusters en zijn ouders. Op die punten kan op dezen leeftijd de moeder eenvoudig en natuurlijk zijn eenvoudige en natuurlijke nieuwsgierigheid bevredigen en dan moet zij de dingen bij nauwkeurig vastgestelde namen noemen, hetzij de namen die zij gebruikt gewoon zijn of ongewoon, hetgeen een zaak is waarin zij haar oordeel en smaak kan oefenen. Zoodoende zal de moeder, indirect, in staat zijn haar kind van het begin af te vrijwaren zoowel voor preutsche als voor verhitte ideeën, die het later zal ontmoeten. Zij zal zoo, zonder onnoodigen nadruk, in staat zijn het kind te brengen tot een eerbiedige houding tegenover zijn eigen organen en aldus een invloed uitoefenen tegen het ongewenscht zich er mede bezighouden. Door met hem te spreken over den oorsprong van het leven en over zijn eigen lichaam en functies, op hoe elementaire wijze ook, zal zij het kind hebben ingeleid in sexueele kennis en sexueele hygiëne beide.

De moeder, die op vertrouwelijke voet komt met haar kind in deze eerste jaren, zal waarschijnlijk, als zij eenige mate van wijsheid en takt bezit, in staat zijn dat vertrouwen te behouden, zelfs na het tijdperk van de puberteit in de moeilijke jaren van jongelingschap. Maar als opvoedster in engeren zin zullen haar functies, in de meeste gevallen, eindigen mèt of vòor de puberteit. Een eenigszins meer technische en volkomen onpersoonlijke bekendheid met de essentieele geslachtelijke zaken wordt dàn wenschelijk, en die zou gegeven moeten worden door de school.

De groote, hoewel eigenaardige opvoeder Basedow, tot op zekere hoogte een leerling van Rousseau, was een pionier in de theorie en in de praktijk beide, om schoolkinderen inlichtingen te geven over de feiten van het sexueele leven, van den leeftijd van tien jaar af. Hij dringt zeer op dit onderwerp aan in zijn groote verhandeling, het Elementarwerk (1770-1774). De vragen van kinderen moeten naar waarheid beantwoord worden, zegt hij, en zij moeten leeren nooit te schertsen met iets zoo heiligs en zoo ernstigs als de sexueele verhoudingen. Hun moeten platen getoond worden over kindergeboorte en de gevaren van sexueele afwijkingen moeten hun tevens duidelijk uitgelegd worden. Jongens moeten mee naar ziekenhuizen genomen worden om de resultaten te zien van venerische ziekten. Basedow weet wel, dat vele ouders en onderwijzers zich zullen stooten aan zijn aandringen op deze dingen in zijn boeken en in zijn praktisch pedagogisch werk, maar zulke menschen, zegt hij, moesten zich stooten aan den bijbel (zie bv. Pinloche, La Réforme de l'Education en Allemagne au dixhuitième siècle: Basedow et le Philanthropinisme, pp. 125, 256, 260, 272). Basedow was zijn eigen tijd, en zelfs de onze, te ver vooruit om veel invloed te hebben in deze zaak en hij had weinig onmiddellijke navolgers.

Iets later dan Basedow heeft een beroemd Engelsch dokter Thomas Beddoes in nagenoeg dezelfde richting gewerkt en getracht sexueele kennis te bevorderen door lezingen en lichtbeelden. In zijn merkwaardig boek Hygeia, uitgegeven in 1802 (deel 1, Essay IV) zet hij de dwaasheid uiteen, dat "verstand en onwetendheid in hetzelfde hart zouden wonen", en behandelt uitvoerig de kwestie van onanie en de behoefte aan sexueele opvoeding. Hij weidt uit over het groote belang van lezingen over natuurlijke historie, die, naar hij bevonden had, uitstekend voor een gemengd gehoor konden gegeven worden. Zijn ondervindingen hadden hem geleerd, dat botanie, de amphibiën, de hen en haar eieren, menschelijke anatomie, zelfs ziekte en soms het gezicht ervan, heilzaam zijn van dit standpunt. Hij meent, dat het een goed ding is voor een kind, zijn eerste kennis van sexueel verschil te krijgen van anatomische onderwerpen en dat de waardigheid van den dood een goed begin is tot de kennis van sekse, die dan geen aanleiding geeft tot ziekelijke begeerte. Het is nauwelijks noodig op te merken, dat deze methode om kinderen de elementen te leeren van sexueele anatomie in de post-mortem kamer niet veel voorstanders of volgelingen gevonden heeft; zij is niet gewenscht, want zij neemt niet in aanmerking de gevoeligheid van kinderen voor zulke indrukken, en zij is onnoodig, want het is even gemakkelijk de waardigheid van het leven te leeren als de waardigheid van den dood.

De plicht van de school om kinderen opleiding te geven in geslachtszaken, is in de laatste jaren met kracht en bekwaamheid gepredikt door Maria Lischnewska (op. cit.), die met een dertigjarige onderwijzersondervinding en een intieme bekendheid met kinderen en hun huiselijk leven spreekt. Zij zegt dat bij de massa van de bevolking tegenwoordig, terwijl er in het huiselijk leven alle mogelijke gelegenheid is voor ruwe bekendheid met sexueele zaken, geen gelegenheid is voor een reine en wijze inwijding, daar de ouders voor het grootste deel moreel en intellectueel beide, niet in staat zijn hun kinderen hierin te helpen. Dat de school de leiding in deze taak zal nemen, is, naar zij meent, in overeenstemming met de geheele neiging van het moderne beschaafde leven. Zij zou de inlichtingen zóo verdeeld willen zien, dat gedurende het vijfde of zesde schooljaar de leerling inlichting zou krijgen met behulp van teekeningen over de sexueele organen en functies van de hoogere zoogdieren en dat dan de os en de koe bij voorkeur zouden uitgekozen worden. De feiten der zwangerschap zouden dan natuurlijk daaronder begrepen zijn. Als dit stadium bereikt was, zou het gemakkelijk zijn over te gaan tot het menschenras, door te zeggen: "Juist op dezelfde wijze als het kalf zich ontwikkelt in de koe, zoo ontwikkelt het kind zich in het moederlichaam".

Het is moeilijk om de kracht van het argument van Maria Lischnewska te ontkennen, en het komt zeer waarschijnlijk voor, dat de voorgestelde inlichting, naar zij beweert, ligt in den loop van onzen tegenwoordigen vooruitgang. Zulk een mededeeling zou vormelijk moeten zijn, niet emotioneel en onpersoonlijk; zij zou gegeven moeten worden niet als een specifieke instructie in geslachtszaken, maar eenvoudig als een deel der natuurlijke historie. Zij zou voor zoover het enkel kennis aangaat, de inlichtingen aanvullen, die het kind reeds van zijn moeder ontvangen heeft. Maar zij zou in geenen deele verdringen of vervangen de persoonlijke en intieme verhouding van vertrouwen tusschen moeder en kind. Dat moet altijd nagestreefd worden, en al is dit niet mogelijk onder de slecht opgevoede massa's van tegenwoordig, iets anders kan niet de plaats er van innemen.

Er kan echter geen twijfel aan zijn dat, terwijl in de toekomst de school zeer waarschijnlijk zal beschouwd worden als de juiste plaats om de beginselen der physiologie te onderwijzen--en niet zooals tegenwoordig enkel een ontzenuwde en verwijfde physiologie--de invoering van zulk een hervormd onderwijs nog in vele landen onpraktisch zou zijn. Een ruwe en slecht opgevoede gemeenschap draait rond in een circulus viciosus. De leden ervan zijn opgevoed in het geloof dat geslachtszaken vuil zijn en als zij volwassen worden protesteeren zij er hevig tegen dat hun kinderen deze vuile kennis zullen leeren. De taak van den leeraar wordt op deze wijze op zijn minst moeilijk gemaakt en onder democratische toestanden onmogelijk. Wij kunnen daarom niet op een onmiddellijke invoering van sexueele physiologie in de scholen hopen, zelfs niet in den bescheiden vorm, waarin zij alleen behoorlijk zou kunnen ingevoerd worden, dat is te zeggen als een natuurlijk en onvermijdelijk deel van algemeene physiologie.

Dit bezwaar tegen dierlijke physiologie geldt echter geenszins voor botanie. Er kan weinig twijfel aan zijn, dat botanie van alle natuurwetenschappen degene is, die het best gelegenheid geeft tot toevallige mededeelingen op geslachtelijk gebied, als wij te doen hebben met kinderen beneden den puberteitsleeftijd. Er zijn ten minste twee redenen, waarom dit zoo moet zijn. In de eerste plaats vertoont de botanie werkelijk de geslachtsverschillen in hun meest naakte en essentieele vormen; het maakt den aard, den oorsprong en de beteekenis van sekse duidelijk. In de tweede plaats kan men, als men planten behandelt, de sexueele feiten aan kinderen van beide geslachten of van iederen leeftijd volkomen duidelijk en naakt zonder eenige terughouding noemen, want niemand beschouwt tegenwoordig de botanische geslachtszaken ook maar eenigszins als stuitend. Wie het geslachtsverschil bij planten uitlegt, heeft ook op zijn zijde het voordeel, dat hij kan getuigen, zonder er naar gevraagd te zijn, van de geheele schoonheid van het sexueele proces. Hij stuit niet op de onwetendheid, slechte opvoeding en valsche gevolgtrekkingen, die het zoo moeilijk gemaakt hebben zoowel om te zien als om te doen zien de schoonheid van het sexueele bij dieren. Van het sexueele leven van planten tot het sexueele leven der lagere dieren is echter slechts een stap, die de leeraar naar zijn inzicht doen kan.

Een oud autoriteit op onderwijsgebied, Salzmann, heeft in 1785 aangeraden, kinderen op sexueel gebied in te lichten door ze eerst botanie te leeren en daarna zoölogie. In de moderne tijden is de methode om sexueele kennis mede te deelen aan kinderen, in de eerste plaats door middel van botanie, algemeen aangeraden en van de meest verschillende zijden. Zoo raadt Marro (La Pubertà, pag. 300) dit plan aan. J. Hudrey--Menos ("La Question du Sexe dans l'Education", Revue Socialiste, Juni, 1895), geeft denzelfden raad, Rudolf Sommer raadt in een geschrift getiteld "Mädchenerziehung oder Menschenbildung?" (Geschlecht und Gesellschaft, Jahrgang I, Heft 3) aan, de eerste inleiding in sexueele kennis aan kinderen te doen door met ze te praten over eenvoudige onderwerpen uit de natuurlijke historie; "er zijn eindeloos veel aanleidingen", zegt hij "over een sprookje, of een vrucht, of een ei, het zaaien van een zaad of het bouwen van hun nestje door vogels." De kanunnik Lyttelton (Training of the Young in Laws of Sex, p.p. 74 et seq.) raadt een eenigszins daarop gelijkende methode aan, hoewel hij den grootsten nadruk legt op het persoonlijk vertrouwen tusschen het kind en zijn moeder "er wordt verwezen naar de dierenwereld juist zoover als de kennis van het kind gaat, om te verhinderen dat de nieuwe feiten afzonderlijk zullen beschouwd worden, maar de meeste nadruk wordt gelegd op zijn gevoel voor zijn moeder en het instinct dat in bijna alle kinderen bestaat van eerbied voor de verhouding tot de moeder"; hij voegt er bij dat, hoe moeilijk het onderwerp ook schijnen mag, de essentieele feiten van het vaderschap ook aan jongens en meisjes gelijkelijk moeten uitgelegd worden. Ook Keyes raadt aan (New York Medical Journal, Febr. 10, 1906), aan kinderen al op een vroegen leeftijd de sexueele feiten uit het plantenleven te leeren en ook over insecten en andere lagere dieren, en zoo trapsgewijze te komen tot menschelijke wezens, omdat zoo de zaak ontdaan zou zijn van haar ongezonde geheimzinnigheid. Mrs. Ennis Richmond (Boyhood, p. 62) beveelt aan, dat kinderen voor een tijd op een boerderij gestuurd zullen worden, zoodat zij niet alleen bekend worden met de algemeene feiten van het buitenleven, maar ook met het sexueele leven van dieren, en zoo de dingen leeren, die het moeilijk is in woorden mede te deelen. Karina Karin ("Wie erzieht man ein Kind zur wissenden Keuschheit?" Geschlecht und Gesellschaft, Jahrgang I, Heft 4) geeft eenige van haar gesprekken met haar negenjarigen zoon weer, van den tijd af dat hij haar voor het eerst vroeg waar de kinderen vandaan kwamen, en laat zien, hoe zij begon met hem te vertellen over bloemen, om over te gaan tot visschen en vogels en ten slotte tot de feiten van menschelijke zwangerschap te komen; hoe zij hem platen liet zien uit een verloskundige handleiding van het kind in het lichaam van zijn moeder. We willen er aan toevoegen, dat het aanbevelenswaardige hetwelk gelegen is in het beginnen met de feiten uit de botanie bij het inlichten van kinderen over geslachtszaken, herhaaldelijk nadrukkelijk werd aanbevolen door verschillende sprekers op de speciale meeting van het Duitsche Congres ter Bestrijding van Venerische ziekten, die gewijd was aan het onderwerp van Sexueele inlichting (Sexualpädagogik, vooral p.p. 36, 47, 76).

De overgang van botanie tot de elementaire zoölogie van de lagere dieren, tot menschelijke anatomie en physiologie en tot de wetenschap der anthropologie, die op deze berust, is eenvoudig en natuurlijk. Het komt niet wenschelijk voor, ze in bijzonderheden te behandelen vóór den puberteits-leeftijd. Het geslacht komt bij al deze onderwerpen ter sprake en moet er niet opzettelijk buiten gehouden worden bij de opvoeding hetzij van jongens of meisjes. Leerboeken, waaruit het sexueele stelsel geheel en al weggelaten is, moesten niet langer geduld worden. De aard en de afscheiding van de zaadballen, de beteekenis van de eierstokken en van de menstruatie, zoowel als de beteekenis van de metaboliek en de urine-afscheiding, zou in hoofdlijnen duidelijk moeten zijn voor alle jongens en meisjes, die den leeftijd der puberteit bereikt hebben.

Met de puberteit komt er een nieuwe, machtige reden bij, waarom jongens en meisjes bepaalde inlichtingen moeten hebben over sexueele zaken. Vóor dien leeftijd is het mogelijk dat de dwaze ouder denkt, dat een kind bewaard kan worden in onwetende onschuld [26]. Met de puberteit is dat geloof niet langer mogelijk. Het uitbotten van de puberteit met zijn ontwikkeling van de sexueele organen, het voor den dag komen van haar op ongewone plaatsen, de algemeene organische veranderingen die er mee in verband staan, het spontaan en misschien verontrustende voorkomen bij jongens van zaaduitstortingen en bij meisjes van de menstruatie, het ongewone en soms acuut ondervinden van sexueel verlangen, vergezeld door nieuwe gevoelens in de sexueele organen, dikwijls misschien leidende tot onanie; deze alle wekken, zooals wij wel moeten erkennen, een nieuwe onrust in den geest van den jongen en van het meisje, en een nieuwe nieuwsgierigheid, die te meer acuut is in vele gevallen, omdat ze zoo zorgvuldig verborgen wordt als te intiem en zelfs te schandelijk om er tegen iemand over te spreken. Bij jongens, vooral als ze van een gevoelig temperament zijn, kan het lijden, dat aldus veroorzaakt wordt, hevig zijn en van langen duur.

Een doctor in de philosophie, die uitmunt in zijn beroep, schreef aan Stanley Hall (Adolescence, deel I, pag. 452): "Mijn geheele jeugd, van mijn zesde tot mijn achttiende jaar, is ellendig gemaakt door gebrek aan kennis, welke iedereen, die iets wist van den aard der puberteit, mij had kunnen geven; jarenlang dat gevoel van iets dat niet in orde is, die vrees voor werking der genitaliën, schaamte en angst, heeft een onuitwischbaar merkteeken achtergelaten". Er zijn zeker vele mannen, die hetzelfde zouden kunnen zeggen. Lancaster ("Psychology and Pedagogy of Adolescence", Pedagogical Seminary, July, 1897, pp. 123-5) spreekt met nadruk over de nadeelen van onwetendheid in sexueele hygiëne en het vreeselijke feit dat millioenen jonge mannen altijd in handen zijn van kwakzalvers die hen bedriegen, totdat ze gelooven, dat zij gedoemd zijn tot een ontzettend lot; alleen omdat zij nu en dan emissies hebben in den slaap. "Dit is geen geringe zaak", zegt Lancaster. "Zij raakt het diepste van ons innerlijk leven. Zij heeft te doen met het voortbrengend deel van onze natuur en moet een diepen, erfelijken invloed hebben. Het is een natuurlijk gevolg van de dwaze, valsche zedigheid, die betreffende alle sexueele inlichtingen in acht genomen wordt. Iedere jongen moest de eenvoudige physiologische feiten leeren kennen, eer zijn leven voor goed geschaad is door deze oorzaak". Lancaster heeft 1000 brieven in handen gehad, meest geschreven door jonge menschen die gewoonlijk normaal waren, gericht aan kwakzalvers die hen bedrogen. Van tijd tot tijd hoort men van zelfmoorden van jonge menschen om deze reden, en van veel geheimzinnige zelfmoorden is dit ongetwijfeld de werkelijke oorzaak geweest. "Week aan week", schrijft het British Medical Journal in een hoofdartikel ("Dangerous Quack Literature: The Moral of a Recent Suicide", Oct. 1, 1892), "krijgen wij wanhopige brieven van slachtoffers van die vuile roofvogels, welke hen, die zij berooven, kwellen en dikwijls ruïneeren, het eerst te pakken hebben gekregen door advertenties, opgenomen door couranten van een respectabel, ja zelfs van een achtbaar en geacht karakter". Er wordt aan toegevoegd, dat de rijke bezitters van zulke couranten, die dikwijls een reputatie hebben van welwillendheid, zelfs als de zaak hun onder de oogen gebracht wordt, weigeren tusschenbeide te komen, omdat zij daardoor een bron van inkomsten zouden verliezen. Er is een censuur op advertenties voorgesteld, doch dit is een moeilijke zaak en zou geheel onnoodig zijn, als jonge menschen behoorlijk inlichtingen kregen van hun natuurlijke voogden.

Onanie en de vrees dat zij door een nu en dan voorkomende en misschien al overwonnen gewoonte van onanie zichzelven onherstelbaar kwaad gedaan hebben, is een gewone bron van angst voor jongens. Het is lang een punt van kwestie geweest of een jongen tegen de onanie moest worden gewaarschuwd. Op een meeting van de Afdeeling voor Psychologie van de British Medical Association waren vier sprekers, daaronder de President (Dr. Blandford), er bepaald voor, dat ouders hun kinderen zouden waarschuwen tegen onanie, terwijl drie sprekers bepaald er tegen waren, voornamelijk op dezen grond, dat het mogelijk was zelfs door het schoolleven heen te komen zonder van onanie te hooren, en ook dat het waarschuwen er tegen, de gewoonte van onanie zou aanmoedigen. Het wordt meer en meer duidelijk erkend, dat onwetendheid, zelfs als ze bewaard kan worden, een gevaarlijk bezit is, terwijl de inlichting, die, als het goed is, bestaat in den raad van een liefhebbende moeder aan het kind, van zijn eerste jaren af, om zijn geslachtsdeelen met zorg en respect te behandelen, alleen tot onanie kan leiden bij een kind dat er reeds onweerstaanbaar toe getrokken wordt. De meeste handleidingen over geestelijke voorlichting voor jongens raken de onanie aan, soms overdrijven zij de bezwaren; zulk een overdrijving moet vermeden worden, want zij leidt tot erger kwaad dan zij tracht te voorkomen. Het schijnt niet wenschelijk, dat eenigerlei waarschuwing over onanie deel zou uitmaken van het schoolonderwijs, tenzij onder zeer bijzondere omstandigheden. De inlichtingen over sexueele zaken, op de school medegedeeld, moeten, zoowel over sexueele als over andere onderwerpen, volkomen onpersoonlijk en objectief zijn.

Op dit punt komen we aan een van de moeilijkheden bij de sexueele inlichting: de onwetendheid of het gebrek aan wijsheid van de zoogenaamde onderwijzers. Deze moeilijkheid bestaat op het oogenblik zoowel in huis als op school, terwijl zij de waarde teniet doet van vele handleidingen, geschreven tot sexueele inlichting van jonge menschen. De moeder, die de voornaamste vertrouwde en gids van het kind moest zijn in zaken van sexueele opvoeding en die dat van nature ook zou kunnen zijn als zij aan haar eigen gezonde instincten werd overgelaten, is gewoonlijk opgevoed onder valsche tradities, die een hooge mate van intelligentie en karakter vorderen om er aan te ontkomen; de schoolonderwijzer zelfs, als hij alleen maar geroepen wordt om inlichtingen te geven in natuurlijke historie, wordt gehinderd door dezelfde tradities, en door valsche schaamte ten opzichte van het geheele sexueele vraagstuk; de schrijver van handleidingen over geslachtszaken heeft zich dikwijls alleen maar bevrijd van deze banden om dogmatische, onwetenschappelijke en soms verkeerde opinies te verkondigen, die zich ontwikkeld hebben in volkomen onwetendheid omtrent de werkelijke feiten. Zooals Moll zegt (Das Sexualleben des Kindes, pag. 276) zoo noodig als sexueele opheldering is, voelen wij ons toch eenigszins sceptisch tegenover de resultaten ervan, zoolang als zij, die de inlichtingen geven, zelf dikwijls behoefte aan inlichting hebben. Hij wijst ook op het feit, dat zelfs onder bevoegde autoriteiten er verschil van opinie is over belangrijke feiten, zooals bv. of onanie physiologisch is bij de eerste ontwikkeling van den sexueelen impuls en in hoeverre sexueele abstinentie goed is. Maar het is duidelijk, dat de moeilijkheden, die voortvloeien uit valsche traditie en onwetendheid verminderen zullen, zoodra gezonde tradities en betere kennis in ruimer kring verspreid raken.

Het meisje is in de puberteit zich gewoonlijk minder scherp en bepaald bewust van haar sexueele natuur dan de jongen. Maar de gevaren, die zij loopt door onwetendheid op sexueel gebied, zijn, hoewel ze voor het grootste deel anders zijn, teerder en moeilijker te herstellen. Zij is dikwijls heel nieuwsgierig naar deze dingen; de gedachten van aankomende meisjes en dikwijls haar gesprekken als ze bij elkaar zijn, draaien veel om sexueele en daarmee verbonden geheimen. Zelfs in de zaak van bewusten sexueelen impuls is het meisje dikwijls niet zoo heel verschillend van haar broeder en heeft ook niet zooveel minder kans aan de besmetting van verkeerde mededeelingen te ontsnappen, zoodat de gewetensbezwaren van dwaze en onwetende personen, die vreezen "haar reinheid te bezoedelen" door gepaste inlichtingen, geheel misplaatst zijn.

Gesprekken, die loopen over de belangrijke geheimen van de menschelijke natuur zijn, naar aan Obici en Marchesini verhaald werd door dames, die vroeger leerlingen waren geweest van Italiaansche normaalscholen, aan de orde van den dag op scholen en universiteiten en draaien vooral om de voortplanting, het moeilijkste geheim van alle. In Engeland, zelfs op de beste en meest moderne universiteiten, waar aan spelen en lichaamsoefening veel wordt gedaan, zijn, zegt men mij, "de meerderheid van de meisjes geheel en al onwetend in sexueele zaken en zij begrijpen er niets van. Maar zij verwonderen zich er over en spreken er voortdurend over". "Het leven binnen enge perken en de aan banden gelegde geest van meisjes", schreef eenige jaren geleden een bekend dokter (J. Milner Fothergill, Adolescence, 1880, p.p. 20, 22) "geven haar minder gelegenheid haar gedachten werkzaam bezig te houden dan het geval is met jongens. Haar wordt ijverig geheimhouding geleerd, en een meisje kan een volmaakt model zijn van uiterlijk fatsoen en toch een heel vuilen geest hebben. De preutschheid, waarmee zij is opgevoed, laat haar niets anders over dan haar hartstochten te bezien van den leelijken kant van de menschelijke natuur. Iedere gezonde gedachte over het onderwerp wordt met kracht teruggedrongen. Alles wordt gedaan om haar geest te verduisteren en haar verbeelding te verontreinigen door haar over te laten aan haar eigen gedachten en aan een literatuur, waarvan zij zich schaamt te zeggen, dat zij ze kent. Het is tegen de beste belangen van een meisje, als men haar verhindert goede en juiste denkbeelden te hebben over zichzelf en haar natuur. Menig mooi jong meisje wordt reeds onherroepelijk in het verderf gestort op den drempel van het leven, zijzelf en haar familie wordt onteerd, evenzeer door onwetendheid als door misdaad. Als het oogenblik der verleiding komt, valt zij zonder eenigen merkbaren tegenstand; zij heeft geen geoefend, geschoold weerstandsvermogen in zichzelf; haar geheele toekomst hangt niet af van haarzelf, maar van de mate van volmaaktheid van de maatschappelijke bescherming, waardoor zij is ingesloten en omringd". Onder de vrije maatschappelijke orde van Amerika vindt men tegenwoordig voor een groot deel dezelfde resultaten. In een leerzaam artikel ("Why Girls Go Wrong", Ladies' Home Journal, Jan., 1907) levert B. B. Lindsey, die als rechter van het "Juvenile Court" te Denver met authoriteit kan spreken, ruim bewijsmateriaal op dit punt. Jongens en meisjes beide, heeft hij bevonden, bezaten dikwijls schriften, waarin zij de ruwste sexueele dingen neergeschreven hadden. Deze kinderen waren meestal lief om te zien, prettig om mee om te gaan, verfijnd en intelligent, en hadden achtbare ouders; maar niemand had ooit met hen over sexueele zaken gesproken, behalve de slechtste van hun schoolmakkertjes of de een of andere ruwe volwassene. Bij zorgvuldige navraag bevond Lindsey, dat slechts in één van de twintig gevallen de ouders eens met de kinderen hadden gesproken over sexueele zaken. In bijna alle gevallen erkenden de kinderen, dat het niet van hun ouders was, maar op straat of van oudere makkers, dat zij de sexueele feiten hoorden. De ouders meenden gewoonlijk, dat hun kinderen absoluut onwetend waren in deze dingen en waren verwonderd als zij hun vergissing bemerkten; "ouders kennen hun kinderen niet, en zij hebben niet het flauwste denkbeeld van wat hun kinderen weten of waar hun kinderen over spreken en wat ze doen als ze niet bij hen zijn". De ouders, die aan dit verzuim, hun kinderen niet in te lichten, schuldig zijn, zijn, zooals Lindsey verklaart, verraders van hun kinderen. Uit zijn eigen ondervinding oordeelt hij, dat negen tienden van de meisjes die "den verkeerden weg opgaan" hetzij zij achteruitgaan in de wereld of niet, daartoe komen door onoplettendheid van hun ouders, en dat in het geval van de meeste prostituées het kwaad in werkelijkheid gedaan wordt vóór den twaalfjarigen leeftijd; "ieder verloren meisje, waar ik mee gepraat heb, heeft mij van deze waarheid verzekerd". Hij houdt het er voor, dat negen tienden van de schooljongens en schoolmeisjes, in de stad zoowel als op het land, zeer nieuwsgierig zijn naar sexueele zaken en, tot zijn eigen verwondering, heeft hij bevonden, dat dit bij de meisjes even diepgaand is als bij de jongens.

Het is de taak van de moeder van het meisje evenzeer als van de moeder van den jongen, om over haar kind te waken van de vroegste jaren af en haar vertrouwen te winnen in al de intieme en persoonlijke zaken van sekse. In deze opzichten kan de school niet best tusschen beide komen. Maar in zaken van physische sexueele hygiëne, vooral van menstruatie, te welken opzicht alle meisjes gelijk staan, is het zeker de taak van den opvoeder, actief waakzaam te zijn en bovendien de geheele opvoeding in verband daarmee te leiden, en te zorgen dat de leerling rust krijgt steeds wanneer dat wenschelijk blijkt. Dit maakt deel uit van de allereerste grondslagen van de opvoeding van meisjes. Het niet letten hierop moest een onderwijzeres ongeschikt doen verklaren, verder deel te hebben aan opvoedkundig werk. Toch wordt het voortdurend en hardnekkig verwaarloosd. Een groot aantal meisjes zijn zelfs niet voorbereid door haar moeders en onderwijzeressen voor het eerste optreden van de menstruatie, soms met ongelukkige gevolgen voor haar lichamelijke en geestelijke gezondheid beide [27].

"Ik ken niet één groote meisjesschool", schreef een beroemd gynæcoloog, Sir W. S. Playfair ("Education and Training of Girls at Puberty", British Medical Journal, Dec. 7, 1895), "waar aan het absolute verschil dat er bestaat tusschen jongens en meisjes, aangaande de alles beheerschende menstrueele functie, systematisch gedacht en op gelet wordt. Inderdaad staan alle schooljuffrouwen beslist vijandig tegenover een dusdanig inzicht. De bewering is, dat er geen werkelijk verschil bestaat tusschen een jongen man en een jong meisje, dat wat goed is voor de een, ook goed is voor de ander, en dat het verschil dat er nu is, voortkomt uit de verkeerde gewoonten van het verleden, die aan vrouwen onthouden hebben de ambities en voordeelen, die voor mannen open stonden, en dat dit verdwijnen zal als een gelukkiger tijdperk begonnen is. Als dat zoo is, hoe komt het dan dat, terwijl iedere praktiseerende dokter van ondervinding veel gevallen heeft gezien van anæmia en chlorosis bij meisjes, vergezeld door amenorrhoea of menorrhagia, hoofdpijnen, hartkloppingen, vermagering en al de gewone verschijnselen van een instorting, dat een dergelijke toestand bij een schooljongen zóo zeldzaam is, dat we wel mogen betwijfelen of zij wel ooit gezien is?"

Echter zijn alleen de excuses voor deze bijna misdadige nalatigheid, zooals wij haar moeten betitelen, nieuw; de nalatigheid zelf is oud. Een halve eeuw geleden, vóór het nieuwe tijdperk in de opvoeding van vrouwen, zeide een ander beroemd gynæcoloog, Tilt, (Elements of Health and Principles of Female Hygiene, 1852, pag. 18) dat hij bij een statistisch onderzoek aangaande het begin van de menstruatie bij bijna duizend vrouwen bevond, dat "25 percent geheel onvoorbereid waren op het optreden ervan; dat dertien van de vijf en twintig zeer geschrikt waren, schreeuwden, of zenuwtoevallen kregen; en dat zes van de dertien dachten dat ze gewond waren en zich met koud water waschten. Van haar die geschrokken waren... was de algemeene gezondheid ernstig benadeeld".

Engelmann deelt, nadat hij gezegd heeft dat zijn ondervinding in Amerika gelijk was aan die van Tilt in Engeland, mede ("The Health of the American Girl", Transactions of the Southern Surgical and Gynæcological Society, 1890): "Aan onnoemelijk veel vrouwen heeft schrik, opwinding door zenuwen en emoties, blootstellen aan koude, kwaad gedaan in de puberteit. Wat is er natuurlijker dan dat het angstige meisje, verrast door het plotseling en onverwacht verlies van de kostbare levensvloeistof, tracht het bloeden van de wond--wat zij meent dat het is--te stelpen? Voor dit doel is het gebruik van koude afwasschingen en aanwenden van koud water gewoon, sommigen trachten zelfs het vloeien te doen ophouden door een koud bad, zooals gedaan werd door eene nu zorgvuldige moeder, die lang op den rand van den dood lag als resultaat van zulk een onbezonnenheid, en die maar langzaam, door jaren van zorg, haar gezondheid terugkreeg. De verschrikkelijke waarschuwing is niet verloren geweest, en gedachtig aan haar eigen ondervinding heeft zij haar kinderen een les geleerd, die maar weinigen zoo gelukkig zijn te leeren--de persoonlijke zorg gedurende de perioden van werkzaamheid der organen, die noodig is voor het behoud van de gezondheid der vrouw."

In een studie over honderd vijf en twintig meisjes van een Amerikaansche hoogeschool, vestigt Dr. Helen Kennedy de aandacht op de "kuischheid", die het onmogelijk maakt zelfs voor moeders en dochters om met elkaar te spreken over het doel der menstruatie. "Zes en dertig meisjes op deze hoogeschool werden vrouw zonder eenige kennis, uit zuivere bron, van alles wat haar tot vrouw maakt. Negen en dertig waren waarschijnlijk niet veel wijzer, want zij zeiden, dat zij wel eenige inlichting ontvingen, maar dat zij niet vrij uit over de zaak gesproken hadden. Uit het feit dat het nieuwsgierige meisje niet vrij uit sprak over wat haar natuurlijk interesseerde, blijkt, dat zij waarschijnlijk afgescheept werd met een paar woorden over persoonlijke zorg en met een vermaning over haar nieuwsgierigheid. Minder dan de helft van de meisjes voelde zich vrij om met haar moeders te praten over deze hoogst belangrijke zaak!" (Helen Kennedy, "Effects of High School Work upon Girls During Adolescence", Pedagogical Seminary, June, 1896).

Dezelfde staat van zaken is waarschijnlijk ook in andere landen overheerschend. Zoo beschreef, wat Frankrijk aangaat, Edmond de Goncourt in Chérie (pp. 137-139) de schrik van de jonge heldin bij het verschijnen van de eerste menstruatieperiode, waarop zij nooit voorbereid was geworden. Hij voegt er aan toe: "Het is maar heel zelden, dat vrouwen over deze mogelijkheid spreken. Moeders zijn bang haar dochters te waarschuwen, oudere zusters doen niet graag confidenties aan haar jongere zusters, gouvernantes zwijgen gewoonlijk tegenover meisjes, die geen moeders of zusters hebben".

Soms geeft dit aanleiding tot zelfmoord of tot pogingen tot zelfmoord. Zoo werd een paar jaar geleden een geval gemeld in de Fransche bladen van een jong meisje van vijftien jaar, dat zich te Saint-Ouen in de Seine geworpen had. Zij werd gered, en toen ze voor den commissaris van politie gebracht was, zeide ze, dat ze aangetast was door een "onbekende ziekte", die haar tot wanhoop gedreven had. Tactvol navragen bracht aan het licht, dat de geheimzinnige ziekte er een was, die alle vrouwen gemeen hebben, en het meisje werd teruggegeven aan haar niet voldoende gestrafte ouders.

Een halve eeuw geleden werd van het sexueele leven van meisjes geen notitie genomen door haar ouders en onderwijzers om redenen van preutschheid; tegenwoordig, nu geheel andere meeningen heerschen over vrouwenopvoeding, wordt er geen notitie van genomen op den grond, dat meisjes even onafhankelijk moeten zijn van haar physiologisch sexueel leven als jongens dat zijn. Het feit, dat deze noodlottige nalatigheid gelijkelijk geheerscht heeft onder zulke verschillende omstandigheden, bewijst duidelijk, dat de verschillende redenen, die er voor aangegeven worden, niets dan dekmantels zijn der onwetendheid. Met het aangroeien van kennis mogen wij met reden hopen, dat een van de voornaamste kwalen, die tegenwoordig in de jeugd niet alleen gezond moederschap ondermijnen maar ook een gezonde vrouwelijkheid, langzamerhand uit den weg geruimd zullen worden. De feiten, die nu verzameld zijn, toonen niet alleen het veelvuldig voorkomen van pijnlijke, ongeregelde en wegblijvende menstruatie bij aankomende meisjes en jonge vrouwen aan, maar ook de groote en soms blijvende nadeelen, die zelfs gezonde meisjes ondervinden, wanneer zij bij het begin van het sexueele leven onderworpen zijn aan inspanning van welken aard ook. Men kan nu zeggen, dat medische autoriteiten van beide seksen bijna of geheel eenstemmig zijn op dit punt. Eenige jaren geleden is Dr. Mary Putnam Jacobi, in een zeer knap boek, The Question of Rest for Women, tot het besluit gekomen dat "gewoonlijk gezonde" vrouwen de periode der menstruatie kunnen negeeren, maar zij gaf toe, dat zes en veertig percent der vrouwen niet "gewoonlijk gezond" zijn en een minderheid, die zoo dicht bij een meerderheid komt, kan maar niet als "quantité négligeable" buiten beschouwing gelaten worden. De meisjes zelf zijn, meegesleept door den ijver voor haar werk of vermaak, gewoonlijk onverschillig, uit roekeloosheid en onwetendheid, voor de groote gevaren die zij loopen. Maar de meeningen der onderwijzeressen hebben nu neiging overeen te komen met de medische opinie in het erkennen van het belang van zorg en rust tijdens de jeugdjaren, en onderwijzeressen zijn zelfs geneigd toe te geven, dat een jaar onthouding van hard werken tijdens de periode waarin het sexueele leven van een meisje zich vestigt, haar gezondheid en kracht kan geven, zelfs zonder nadeel op te leveren uit een opvoedkundig gezichtspunt. Met den groei van kennis en het verval van oude vooroordeelen mogen wij met reden hopen, dat vrouwen zich los zullen maken van de tradities van valsche beschaving, die haar gedwongen hebben haar glorie als haar schande te beschouwen,--hoewel het nooit zoo geweest is onder krachtige natuurvolken,--en het is bemoedigend te bevinden, dat een zoo bekend opvoeder als Stanley Hall met vertrouwen zulk een tijd tegemoet ziet. In zijn groote werk over Adolescence schrijft hij: "In plaats van schaamte over deze functie behoorde aan meisjes de grootste eerbied ervoor ingeprent te worden en moesten deze helpen om haar normaal te doen worden door eenige jaren lang geregeld op vaste tijden alle andere belangen hieraan ondergeschikt te maken, tot ze goed gevestigd is en normaal. Hooger wezens, neerziende op het menschenleven zooals wij neerzien op de bloemen, zouden deze uren de meest belangwekkende en mooiste voor ontknopping vinden. Met meer zelfkennis zullen vrouwen meer zelfrespect hebben in dezen tijd. Natuurvolken hebben eerbied voor dezen toestand: het geeft aan vrouwen een mystiek ontzag. De tijd zal misschien wel komen, wanneer wij zelfs de verdeelingen van het jaar voor vrouwen moeten veranderen, dat we aan den man zijn week moeten laten en aan haar moeten geven hetzelfde aantal Sabbathdagen per jaar, maar in groepen van vier opvolgende dagen per maand. Wanneer de vrouw haar ware physiologische rechten beseft, zal ze hier beginnen, en dan zal ze roem dragen op wat in een eeuw van onwetendheid de man haar deed denken, dat haar schande was. Het verkeerde in de leidsters van de zoogenaamde emancipatie der vrouw is, dat zij, zelfs meer dan degenen die zij zouden willen overtuigen, de waardeering van den man voor dezen toestand aannemen" [28].

Deze wijze woorden kunnen niet te diep overdacht worden. Het verkeerde in den toestand is geweest--in ieder geval in het verleden, want nu is er een meer verlicht geslacht aan het opgroeien--dat de leidsters van de vrouwenbeweging zelf dikwijls de zaak der vrouwen verraden hebben. Zij hebben de idealen van mannen overgenomen, zij hebben vrouwen gedwongen tweede-hands-mannen te worden, zij hebben verklaard, dat de gezonde, natuurlijke vrouw geen acht geeft op de aanwezigheid van haar menstrueele functies. Dit is juist het tegendeel van de waarheid. "Zij eischen", merkt Engelmann op, "dat de vrouw in haar natuurlijken staat de physiek gelijke van den man zal zijn en wijzen voortdurend op de oorspronkelijke vrouw, de vrouw bij de natuurvolken als een voorbeeld van dit onderstelde axioma. Weten zij hoe goed deze zelfde wilde op de hoogte is van de zwakheid van de vrouw en haar gevoeligheid op zekere tijden van haar leven? En met wat een zorg hij haar beschermt tegen nadeel in deze tijden? Dat geloof ik niet. Het belang om vrouwen te omringen met zekere voorzorgen op het hoogtepunt van deze groote functioneele golven van haar bestaan, werd op de juiste waarde geschat door alle volken, die leven in een aan den natuurstaat grenzenden toestand, door alle rassen in alle tijden; en onder hun betrekkelijk weinige godsdienstige gewoonten werd die, welke rust verschafte aan vrouwen, degene waar het meest aan vastgehouden werd". Het is alleen onder de blanke rassen, dat de sexueele invaliditeit van vrouwen overheerschend is, en het zijn alleen de blanke rassen, welke, ontgroeiend aan de godsdienstige ideeën waarmede de afzondering tijdens de menstruatie verbonden was, die weldadige afzondering zelf hebben over boord gegooid, in een bijna letterlijken zin het kind wegwerpend met het badwater [29].

In Duitschland heeft Tobler onderzoek gedaan naar de geschiedenis van de menstruatie van meer dan duizend vrouwen (Monatsschrift für Geburtshülfe und Gynäkologie, Juli, 1905). Hij bevindt, dat bij de groote meerderheid van vrouwen tegenwoordig de menstruatie samengaat met bepaalde vermindering van de algemeene gezondheid, en vermindering van de functioneele energie. Bij 26 percent bestonden tevens plaatselijke pijn, algemeene malaise, en geestelijke en nerveuse afwijkingen; in grooter proportie komen de gevallen, waarin plaatselijke pijn, algemeene zwakke gezondheid of psychische abnormaliteit alleen voorkwamen in dezen tijd. Alleen bij 16 percent werden geen van deze symptomen gevonden. Bij een zeer kleine afzonderlijke groep waren de physieke en geestelijke functies in dezen tijd verhoogd, maar in de helft van die gevallen was er een bepaalde storing in den tijd tusschen de menstruaties. Tobler komt tot het besluit dat, terwijl de menstruatie zelf physiologisch is, al deze stoornissen pathologisch zijn.

Voor zoover Engeland betreft, werd er, bij een discussie over normale en pijnlijke menstruatie op een bijeenkomst van de British Association of Registered Medical Women op den 7den Juli, 1909, gezegd door Miss Bentham, dat 50 percent van meisjes die in goede omstandigheden verkeerden, leden aan pijnlijke menstruatie. Mrs. Dunnett zeide, dat het gewoonlijk voorkwam tusschen den leeftijd van vier en twintig en dertig, en dat het dikwijls ontstond uit het verwaarloozen van het rusten tijdens de menstruatie in de jongere jaren en Mrs. Grainger Evans had bevonden, dat deze toestand zeer gewoon was onder onderwijzeressen van de lagere school, die in haar meisjestijd hard gewerkt hadden voor examens.

In Amerika zijn verschillende onderzoekingen gedaan, die aantoonen het veel vóorkomen van stoornis in de sexueele gezondheid van schoolmeisjes en jonge vrouwen. Zoo verkreeg Dr. Helen P. Kennedy uitgebreide gegevens over het menstrueele leven van honderd vijf en twintig meisjes op de hoogeschool van ongeveer achttien jarigen leeftijd ("Effect of High School Work upon Girls During Adolescence", Pedagogical Seminary, June 1896). Slechts acht en twintig voelden geen pijn vóór de periode (zooals hoofdpijn, malaise, prikkelbaarheid van humeur), terwijl vier en veertig klaagden over andere symptomen behalve pijn tijdens de periode (vooral hoofdpijn en groote zwakte). Jane Kelley Sabine (aangehaald in Boston Medical and Surgical Journal, Sept. 15, 1904) vond in scholen in Nieuw Engeland onder de twee duizend meisjes, dat 75 percent moeilijkheden met de menstruatie had, dat 90 percent leucorrhea en neuralgia van de ovariën had en dat 60 percent haar werk twee dagen iedere maand moest opgeven. Deze resultaten schijnen meer dan gewoon ongunstig, maar zij zijn van beteekenis, omdat zij een groot aantal gevallen omvatten. De toestanden in de landen aan den stillen Oceaan zijn niet veel beter. Dr. Mary Ritter zeide (in een geschrift dat ze heeft voorgelezen voor de California State Medical Society in 1903), dat van 660 pas aangekomen meisjes aan de Universiteit van Californië, 67 onderhevig waren aan onregelmatigheden in de menstruatie, 27 percent aan hoofdpijnen, 30 percent aan rugpijnen, 29 percent hadden voortdurend constipatie, 16 percent hadden abnormale hartgeluiden, slechts 23 percent waren vrij van functioneele stoornissen. Dr. Helen Mac Murchey bevond in een belangwekkend geschrift over "Physiological Phenomena Preceding or Accompanying Menstruation" (Lancet, Oct. 5, 1901), door onderzoekingen onder honderd vrouwelijke dokters, verpleegsters, onderwijzeressen in Toronto over de aan- of afwezigheid van een en twintig verschillende menstruatie-verschijnselen, dat tusschen de 50 en 60 percent bekenden dat zij in dezen tijd neiging hadden tot onrustig slapen, tot geestelijke depressie, tot stoornis in de spijsvertering, of tot stoornis van de speciale zintuigen, terwijl ongeveer 25 tot 50 percent neiging hadden tot hoofdpijn, tot duizeligheid, tot verhoogde zenuw-energie, tot gebrek aan zenuw- en spierkracht, tot overgevoeligheid van de huid, tot vaatstoornissen, tot constipatie, tot diarrhee, tot vermeerderd urineeren, tot huiduitslag, tot vermeerderde vatbaarheid voor kouvatten, of tot hinderlijke waterige afscheiding voor of na de vloeiing der menstruatie. Dit onderzoek is van veel belang, omdat het duidelijk doet blijken, het heerschen bij de menstruatie van toestanden, die, hoewel ze niet noodzakelijk van eenig gewicht zijn, toch bepaaldelijk wijzen op een verminderd weerstandsvermogen tegen ziekelijke invloeden en verminderde geschiktheid tot werken.

Hoe ernstig bezwaar moeilijkheden door de menstruatie zijn voor een vrouw, blijkt uit het feit dat de vrouwen, die tot succes en roem komen, er zelden ernstig door schijnen geplaagd te zijn. Daar mogen we voor een deel aan toeschrijven de veelvuldigheid, waarmee leidsters van de vrouwenbeweging menstruatie behandeld hebben als een zaak van geen belang in het leven van een vrouw. Adèle Gerhard en Helene Simon hebben ook in haar belangrijk en onpartijdig werk, Mutterschaft und Geistige Arbeit (p. 312), niet kunnen vinden bij haar navragen onder vrouwen van uitstekende bekwaamheid, dat menstruatie beschouwd werd als ernstig het werk te belemmeren.

In den laatsten tijd is dikwijls, niet alleen van medische maar ook van opvoedkundige zijde, het denkbeeld ter sprake gebracht, dat aankomende meisjes niet alleen twee dagen achtereen gedurende de menstruatie moeten rusten, maar dat zij geheel vacantie van school moeten hebben het eerste jaar van haar sexueele leven. Bij een bijeenkomst van de Association of Registered Medical Women, waarvan we reeds melding gemaakt hebben, sprak Miss Sturge van de goede resultaten, die verkregen waren op een school waar in de twee eerste jaren na de puberteit de meisjes in bed werden gehouden gedurende de twee eerste dagen van iedere menstruatie-periode. Eenige jaren geleden schreef Dr. G. W. Cook ("Some Disorders of Menstruation", American Journal of Obstetrics, April, 1896), na eenige gevallen gegeven te hebben als waarover we spreken: "Het is mijn vaste overtuiging, dat geen meisje gedurende het jaar van haar puberteit zich moet bepalen tot de studie, maar ze moet een leven in de open lucht leiden". In een artikel over "Alumna's kinderen", door "Een Alumna" (Popular Science Monthly, Mei, 1904), handelend over de sexueele invaliditeit van Amerikaansche vrouwen en de zware inspanning van haar geëischt door het moederschap, pleit de schrijfster, hoewel zij geensdeels vijandig staat tegenover de opvoeding, die, naar zij verklaart, niet verkeerd is, voor rust voor het meisje in de puberteit. "Als haar hoofd haar geheele levenskracht in beslag neemt, hoe kan er dan eenige behoorlijke ontwikkeling zijn? Evenals zeer jonge kinderen eenige jaren lang al hun kracht moeten geven alleen aan physieken groei, voor wij aan de hersenen belangrijke eischen mogen stellen, zoo moet in dezen critieken tijd in het leven van de vrouw niets aan de ontwikkeling van dit belangrijke systeem in den weg staan. Een jaar, op zijn minst, moet speciaal gemakkelijk voor haar gemaakt worden, zonder geestelijke of zenuw-inspanning; en den geheelen verderen schooltijd door moet zij op de vaste tijden haar rustdag hebben, vrij van studie of te groote inspanning". In een ander artikel over hetzelfde onderwerp in hetzelfde tijdschrift ("The Health of American Girls", Sept 1907), raadt Nellie Comins een dergelijke wijze van handelen aan. "Ik ben er overtuigd van, eenigszins tegen mijn wil, dat er vele gevallen zijn, waarin het meisje geheel van school genomen moet worden, eenige maanden, tenminste een jaar lang ten tijde van de puberteit". Zij voegt er aan toe, dat het voornaamste bezwaar is, de eigen voorliefde en tegenzin van het meisje en de onwetendheid van haar moeder, die er aan gewend is te denken, dat pijn het natuurlijk lot is van een vrouw.

Zulk een periode van ontheffing van geestelijke inspanning behoeft, omdat ze het organisme krachtiger zou maken in zijn weerstand tegen mogelijken druk later, in het geheel niet verloren te zijn in den ruimeren zin van het woord, want de opvoeding, die verkregen wordt in schoolkamers is maar een klein deel van de opvoeding, die voor het leven geëischt wordt. En ze behoorde ook in het geheel niet alleen ten goede te komen aan het ziekelijke en zwakke meisje. Het tragische van het tegenwoordige verzuim om meisjes een werkelijk flinke en passende opvoeding te geven, is dat de beste en knapste meisjes er zoo dikwijls door te gronde gaan. Zelfs de Engelsche politie-agent, die, naar algemeen toegegeven wordt, in physieke kracht en kalmte behoort tot de bloem van de bevolking, is niet in staat de inspanning van zijn leven te verdragen, en men zegt, dat hij op is in vijf-en-twintig jaar. Het is even dwaas de mooiste bloemen der meisjesjaren te onderwerpen aan een druk, die, naar algemeen toegegeven wordt, te zwaar is.

Het schijnt wel duidelijk te zijn, dat de voornaamste factor in de gewone sexueele en algemeene invaliditeit van meisjes en jonge vrouwen slechte hygiëne is, in de eerste plaats bestaande in het verwaarloozen van de menstrueele functies, en in de tweede plaats in verkeerde gewoonten in het algemeen. In alle hoofdpunten, die betrekking hebben op de hygiëne van het lichaam, zijn de tradities van meisjes--en dit schijnt meer in het bijzonder het geval te zijn in Angelsaksische landen--minder goed dan die van jonge mannen. Vrouwen zijn veel meer geneigd dan mannen om deze dingen ondergeschikt te maken aan wat haar een meer dringend belang schijnt of aan een gril van het oogenblik; zij worden er in geoefend lastige en knellende kleedingstukken te dragen, zij geven niet om geregelde en voedzame maaltijden, gebruiken bij voorkeur onvoedzame en onverteerbare spijzen en dranken; zij zijn geneigd, niet te letten op de eischen van de ingewanden en de blaas, uit luiheid of kuischheid. Zij zijn zelfs onverschillig voor physieke reinheid [30]. In een groot aantal kleinere zaken, die afzonderlijk van weinig belang schijnen, werken zij een omgeving in de hand, tegen welke, daar deze niet altijd in overeenstemming is met hun speciale behoeften, aanzienlijke tegenstand noodzakelijk zou zijn, alleen reeds indien zij er ernstig aan gingen denken, zich ertegen te verzetten. Er is bevonden op een Amerikaansch Vrouwen-College, waar ongeveer de helft van de leerlingen corsetten droegen en de andere helft niet, dat bijna al de eerbewijzen en prijzen gingen naar haar, die geen corsetten droegen. Mc. Bride, die op dit feit de aandacht vestigt, maakt de opmerking: "Als het dragen van een enkel kleedingstuk dit verschil maakt in het leven van jonge vrouwen, en dat wel in den tijd van haar grootste kracht en weerstandsvermogen, hoe veel verschil zal dan een reeks ongezonde gewoonten maken, als ze een leven lang worden voortgezet? [31]

"Het schijnt gebleken te zijn", besluit A. E. Giles ("Some Points of Preventive Treatment in the Diseases of Women", The Hospital, April 10, 1897) "dat dysmenorrhea voor een groot deel voorkomen kan worden door te letten op de algemeene gezondheid en opvoeding. Korte werkuren, vooral van staand werk; veel lichaamsbeweging in de open lucht--tennissen, roeien, fietsen, gymnastiek, en wandelen voor hen die dit niet kunnen doen; regelmaat in maaltijden en voedsel van behoorlijke kwaliteit--niet voortdurend thee en koffie met koek; vermijden van te groote inspanning en van te veel vermoeienis; dit zijn eenige van de voornaamste dingen, die de aandacht vereischen. Laat meisjes studeeren, maar langzamer; zij zullen hetzelfde doel bereiken, maar wat later". Het voordeel van vrije beweging en oefening voor het geheele lichaam is ongetwijfeld zeer groot, zoowel wat betreft de sexueele en algemeen physieke gezondheid als het geestelijk evenwicht; om het zoover te brengen, is het noodig, zware en knellende kleedingstukken te vermijden, meer in het bijzonder rondom de borst, want juist in krachtig ademhalen en uitzetting van de borst, meer dan in eenig ander opzicht, staan meisjes achter bij jongens (zie bv. Havelock Ellis, Man en Vrouw, hoofdst. IX). In vroeger tijd lag het groote bezwaar voor de vrije lichaamsoefening van meisjes in het ideaal van vrouwelijk gedrag, dat in zich sloot een gemaakte dwang op iedere natuurlijke beweging van het lichaam. Tegenwoordig wordt dat ideaal niet met zooveel ijver gepredikt als vroeger, maar de traditioneele invloed ervan bestaat nog in zekere mate, terwijl er verder de moeilijkheid is, dat gepaste tijd en gelegenheid en aanmoediging in het geheel niet algemeen verschaft worden aan meisjes voor het ontwikkelen en oefenen van de stoei-instincten, die werkelijk een ernstig deel zijn van de opvoeding, want door zulk vrij oefenen van het geheele lichaam wordt het stelsel van zenuwen en spieren, de basis van alle levensactiviteit opgebouwd. De verwaarloozing van die opvoeding is tegenwoordig duidelijk zichtbaar in den bouw van onze vrouwen. Dr. F. May Dickinson Berry, Medisch examinator aan de Technical Education Board van de London County Council, bevond (British Medical Journal, May 28, 1904) dat van meer dan 1500 meisjes, die de bloem van de scholen vertegenwoordigen, sinds zij beurzen gekregen hadden, die haar in staat stelden tot scholen van een hoogeren rang op te klimmen, 22 percent een zekere mate van zijdelingsche kromming van den ruggegraat hadden, terwijl zulke gevallen zeer zeldzaam waren onder de jongens. Op dezelfde wijze vond Miss Lura Sanborn onder een dergelijke klasse van de beste meisjes van de normaalschool in Chicago (Doctors' Magazine, Dec., 1900) er 17 percent met kromming van de ruggegraat, in sommige gevallen van een zeer groote beteekenis. Er is geen reden, waarom een meisje niet een even rechte rug zou hebben als een jongen; de oorzaak kan alleen liggen in de onvoldoende ontwikkeling der spieren, die in de meeste van de gevallen geconstateerd werd, soms samengaande met anaemia. Hier en daar is er tegenwoordig, onder de betere maatschappelijke klassen, ruime gelegenheid tot ontwikkeling van spierkracht bij meisjes, maar in het algemeen is er geen voldoende gelegenheid voor zulke oefeningen onder de werkende klasse; vooral in dat deel ervan dat nadert tot de lagere middelklasse, is er, hoewel haar leven bestemd is om gevuld te zijn met een voortdurenden druk op het zenuw- en spierstelsel door werk thuis of in winkels etc., gewoonlijk een minimum van gezonde oefening en physieke ontwikkeling. Dr. W. B. Sellman van Baltimore ("Causes of Painful Menstruation in Unmarried Women", American Journal Obstetrics, Nov., 1907), legt den nadruk op de prachtige resultaten, verkregen met lichaamsoefening voor jonge vrouwen en door ze te oefenen in het zorgen voor haar lichaam en het doen uitrusten van haar zenuwstelsel, terwijl Dr. Charlotte Brown, in San Francisco terecht aandringt op het inrichten in alle steden en dorpen van gymnastiekvelden in de open lucht voor vrouwen en meisjes, en het hebben van een gebouw, behoorende bij iedere groote school, voor oefening in physieke kennis, handenarbeid en huishoudelijke kennis. Het verstrekken van speciale speelplaatsen is noodig waar lichaamsoefening van meisjes zóo ongewoon is, dat ze een hinderlijke mate van belangstelling veroorzaakt van de andere sekse, hoewel, als ze een gewoonte sedert onheugelijke tijden is, ze kan gehouden worden op de weide van het dorp zonder in het minst de aandacht te trekken, zooals ik in Spanje gezien heb, waar men ze wel in verband moet brengen met de physieke kracht van de vrouwen. Op jongensscholen worden spelen niet alleen aangemoedigd, doch verplichtend gesteld; maar dit is in het geheel geen algemeene regel op meisjesscholen. Het is niet noodig, en het is zelfs zeer ongewenscht, dat de daar aangenomen spelen, die van jongens zouden zijn. Vooral in Engeland, waar de bewegingen van vrouwen zoo dikwijls gekenmerkt worden door onhandigheid, hoekigheid en gebrek aan bevalligheid, is het van het hoogste belang, dat er niets gedaan zal worden om deze eigenaardigheden te versterken, want waar kracht geweld insluit daar hebben wij een gebrek aan voldoende samenwerking van zenuwen en spieren. Zwemmen, als het mogelijk is, en vooral sommige vormen van dansen, zijn uitmuntend geschikt om de lichamelijke bewegingen van vrouwen, zoowel krachtig als harmonieus te ontwikkelen (zie b.v. Havelock Ellis, Man en Vrouw, hoofdst. VII). Bij het Internationale Congres van schoolhygiëne in 1907 (zie o.a. British Medical Journal, Aug, 24, 1907) zeide Dr. L. H. Gulick, die vroeger de leiding had van de lichaamsoefeningen in de openbare scholen van New-York, dat men in de lagere en hoogere scholen in New-York, na vele proeven bevonden had dat het dansen van de volksdansen de allerbeste lichaamsoefening was voor meisjes. "De dansen, die uitgekozen waren, brachten groote spiermassa's van het lichaam tot samentrekking en hadden daarom een grooten invloed op ademhaling, bloedsomloop en voeding. Bovendien konden zulke bewegingen, wanneer ze als dansen gedaan werden, drie of viermaal zoo lang volgehouden worden zonder vermoeidheid te veroorzaken dan gewone gymnastiek. Vele volksdansen waren nabootsingen, een zaai- en oogstdans, dansen die bewegingen van ambachten uitdrukken (de schoenmakersdans), andere die aanval en verdediging voorstellen of het achtervolgen van wild. Zulke bewegingen van zenuwen en spieren zijn, om zoo te zeggen, zoo oud als het ras en passen in het dagelijksch leven van den mensch en neemt men eenmaal aan, dat de volksdansen inderdaad een voorstelling geven van de geschiedenis van het zenuw en spierstelsel van den mensch, en volstrekt niet zijn eenvoudige, doellooze bewegingen, dan behoorde op grond van deze biologische overwegingen aan de combinatie van volksdansen de voorkeur gegeven te worden boven onuitgezochte en zelfs boven op physiologische gronden aangenomen bewegingen. Uit een aesthetisch gezichtspunt kwam de zin voor schoonheid, zooals ze vertoond wordt bij het dansen, veel meer voor dan de aanleg om te zingen, te schilderen of te boetseeren".

We moeten er altijd aan denken dat, als wij de speciale eischen van de natuur der vrouw erkennen, wij daarom nog niet instemmen met het geloof, dat hoogere opvoeding ongeschikt is voor een vrouw. Die vraag mag nu als afgedaan beschouwd worden. Er is daarom nu geen behoefte meer aan den koortsigen ijver van de eerste leiders van vrouwenopvoeding, om aan te toonen, dat meisjes precies opgevoed kunnen worden alsof ze jongens waren en minstens even goede opvoedkundige resultaten geven. Thans is die ijver niet alleen onnoodig, maar nadeelig. Het is nu meer noodig om aan te toonen, dat vrouwen speciale behoeften hebben, juist zooals mannen speciale behoeften hebben en dat het even slecht is voor vrouwen, en daarom voor het menschdom, haar te dwingen de speciale wetten en beperkingen voor mannen aan te nemen, als het verkeerd zou zijn voor mannen, en daarom voor het menschdom, om mannen te dwingen de speciale wetten en beperkingen voor vrouwen aan te nemen. Iedere sekse moet trachten het doel te bereiken door de wetten te volgen van haar eigen natuur, hoewel het toch wenschelijk blijft dat, zoowel op school als in het leven, zij zoover als dat mogelijk is naast elkaar kunnen werken. Het groote feit, dat men altijd in herinnering moet houden is, dat niet alleen vrouwen in physieke afmeting en physieken bouw teerder en fijner zijn dan mannen, maar dat in een, onder mannen geheel onbekende mate, haar zwaartepunt neiging heeft verlegd te worden door de serie van rhythmische sexueele curven, volgens welke zij altijd leven. Zij zijn dus eerder uit haar evenwicht te brengen en iedere soort van druk of inspanning--van hersenen, zenuwen of spieren--heeft meer kans ernstige stoornissen teweeg te brengen en vereischt een nauwkeurig aanpassen aan haar speciale behoeften.

Het feit, dat het inspanning in het algemeen is, en niet alleen wetenschappelijke studiën, die schadelijk zijn voor jonge vrouwen, wordt voldoende bewezen, als er nog een bewijs noodig is, door het feit, dat sexueele belemmering en physieke en nerveuse instorting met groote veelvuldigheid voorkomen bij meisjes die in winkels of in fabrieken werken, zelfs bij meisjes die in het geheel nooit naar school zijn geweest. Zelfs onmatigheid in lichaamsoefeningen--die nu niet zoo heel zelden voorkomt als reactie tegen de onverschilligheid van de vrouw voor physieke oefening--is slecht. Fietsen is heilzaam voor vrouwen, die kunnen rijden zonder pijn of ongemak, en volgens Watkins is het zelfs heilzaam in vele toestanden van een ziek en verkeerd bekken, maar overdadig fietsen is verkeerd. Dit blijkt uit de resultaten bij vrouwen, vooral doordat het stijfheid van het perineum veroorzaakt in die mate zelfs dat bevallingen onmogelijk zijn en operatie noodig maken. Ik mag er wel bijvoegen, dat hetzelfde bezwaar geldt voor veel paardrijden. Op dezelfde wijze is alles wat schokken veroorzaakt aan het lichaam, geneigd om gevaarlijk te zijn voor vrouwen, omdat zij in de baarmoeder een teer geëquilibreerd orgaan bezitten, dat op verschillende tijden in gewicht wisselt; zoo zou het bv. onmogelijk zijn om voetbal aan te raden als een spel voor meisjes. "Ik geloof niet", schreef Miss H. Ballantine, directrice van het Tassar College Gymnasium aan Prof. W. Thomas (Sex and Society, p. 22), "dat vrouwen ooit, hoe ze zich ook oefenen, mannen kunnen nabij komen in hun physieke præstaties; en", voegt zij er verstandig bij, "ik zie niet in waarom ze dat zouden moeten". Er schijnen inderdaad, zooals reeds aangetoond is, redenen te zijn waarom ze het niet moeten, vooral als zij moeders denken te worden. Ik heb opgemerkt dat vrouwen, die een zeer gezond en athletisch leven in de open lucht geleid hebben, wel verre van altijd de gemakkelijke bevalling te hebben die wij zouden mogen verwachten, uiterst moeilijke tijden hebben, die het leven van het kind in gevaar brengen. Toen ik deze opmerking maakte tegen een beroemd verloskundige, wijlen Dr. Engelmann, die een vurig voorstander was van lichaamsoefening voor vrouwen (bv. in zijn presidenteele rede "The Health of the American Girl", Transactions Southern Surgical and Gynæcological Association, 1890), antwoordde hij, dat hij zelf deze opmerking gemaakt had, en dat gymnastiekonderwijzers, zoowel in Amerika als in Engeland, hem van zulke gevallen onder hun leerlingen verteld hadden. "Ik ben", schreef hij, "precies van uw meening [wat den ongunstigen invloed van spierontwikkeling bij vrouwen betreft]. Athletiek, d.i. overdreven lichaamsoefening, doet den bouw van het meisje naderen tot dien van den man; dit is zoo, hetzij het komt door sport of door noodzakelijkheid. De vrouw, die er aan toegeeft nadert tot het mannelijke in haar kenmerken; dit wordt duidelijk in verminderde sexueele intensiteit en in verhoogde moeite bij de bevalling, met ten slotte verminderde vruchtbaarheid. Gezonde gewoonten verbeteren vrouwelijke eigenschappen, maar mannelijke spierontwikkeling vermindert ze, hoewel het waar is dat de boerin en de werkende vrouw goede weeën hebben. Ik heb nooit spierontwikkeling voor meisjes aangeraden, alleen lichaamsoefening, maar ik heb er misschien te veel van gezegd en ze te zorgeloos aanbevolen. Op scholen en universiteiten echter is ze tot nu toe eer onvoldoende dan te veel; alleen de rijken hebben te veel golf en athletische sport. Ik ben bezig nieuw materiaal te verzamelen, maar uit wat ik al gezien heb, ben ik overtuigd van de waarheid van wat u zegt. Ik ben bezig het punt te bestudeeren en zal de verklaring nauwkeurig bewerken". Iedere publicatie over dit onderwerp werd echter verhinderd door den dood van Engelmann, eenige jaren later.

Een behoorlijke erkenning van den specialen aard van de vrouw, van haar bijzondere behoeften en haar waardigheid, heeft een beteekenis, nog verder strekkend dan het belang ervan voor opvoeding en hygiëne. De tradities en de oefeningen, waaraan zij hierbij onderworpen wordt, hebben een fijne en verstrekkende beteekenis, hetzij zij goed zijn of slecht. Als haar, stilzwijgend of uitgesproken, geringschatting voor de eigenaardigheden van haar eigen sekse geleerd wordt, dan ontwikkelt zij natuurlijk mannelijke idealen, die doorloopend haar kijk op het leven minder helder kunnen maken en haar praktisch werk kunnen verwringen; men heeft bevonden, dat wel vijftig percent Amerikaansche schoolmeisjes mannelijke idealen hebben, terwijl vijftien percent Amerikaansche en niet minder dan vier en dertig percent Engelsche schoolmeisjes graag mannen wilden wezen, terwijl er nauwelijks een enkele jongen was, die een vrouw wilde zijn [32]. Met dezelfde neiging kan in verband staan dat verzuim om gemoedsaandoeningen aan te kweeken, hetwelk, door een noodlottig overdreven maar onvermijdelijke reactie van het tegenovergestelde uiterste, soms de moderne opvoeding van vrouwen gekenmerkt heeft. Bij de mooi ontwikkelde vrouw is het verstand overal doordrongen van gevoel. Als er een overdreven en eenzijdige ontwikkeling van het verstand is, dan vertoont zich een neiging tot disharmonie, die het karakter verandert of de volkomenheid ervan benadeelt. In dit opzicht heeft Reibmayr opgemerkt, dat de Amerikaansche vrouw als een waarschuwing kan dienen [33]. Binnen de sfeer der gemoedsbewegingen zelf, kan men hier bijvoegen, is er een neiging tot disharmonie in vrouwen, die berust op den tegenstrijdigen aard van de gevoelens die door de traditie haar zijn ingeprent, een tegenstrijdigheid, die teruggaat tot de identificatie van heiligheid en onreinheid bij het begin van de beschaving. "Ieder meisje en iedere vrouw", schreef Hellmann, in een baanbrekend boek, dat een gezond principe tot buitensporige uitersten dreef, "leert haar geslachtsdeelen beschouwen als een kostbare en heilige plaats, die alleen genaderd mag worden door een echtgenoot of onder speciale omstandigheden door een dokter. Terzelfder tijd wordt haar geleerd, deze plaats te beschouwen als een soort van closet, over welks bezit zij zich zeer moet schamen, en waarvan het noemen alleen reeds haar een pijnlijke blos moet veroorzaken" [34]. De gewone vrouw, die niet nadenkt, neemt de ongerijmdheid van deze tegenstelling zonder vragen aan en raakt gewend zich aan ieder van deze onvereenigbaarheden aan te passen, al naar omstandigheden. De meer nadenkende vrouw werkt een eigen theorie uit voor zichzelf. Maar in zeer veel gevallen oefent deze noodlottige tegenstelling een fijnen verderfbrengenden invloed uit op den geheelen kijk op natuur en leven. In sommige gevallen, bij vrouwen van gevoelig temperament, ondermijnt en vernielt ze de psychische persoonlijkheid.

Zoo heeft Boris Sidis een geval vermeld, dat de ongelukkige resultaten doet zien, wanneer men een ziekelijk gevoelig meisje de leer van de onreinheid der vrouwen inprent. Zij was in een klooster opgevoed. "Terwijl zij daar was, was haar het geloof ingeprent, dat de vrouw een vat is van misdaad en onreinheid. Hiervan scheen zij te zijn doordrongen geraakt door een van de nonnen, die zeer heilig was en zelfvernietiging in praktijk bracht. Met het begin van haar menstruatie en met het observeeren daarvan in andere meisjes, was deze leer van de vrouwelijke onreinheid des te sterker in haar gevoeligen geest gedrukt". Het ontglipte echter aan haar bewuste herinnering en kwam alleen op den voorgrond in later jaren na de uitputting en de vermoeienis van aanhoudend kantoorwerk. Toen trouwde ze. Nu "heeft zij een vreeselijke afschuw van vrouwen. De vrouw is voor de patient: onreinheid, vuilnis, de verpersoonlijking zelf van vernedering en misdaad. De wasch van het huis mag niet gegeven worden aan een waschinrichting, waar vrouwen werken. Niets mag op straat opgeraapt worden, zelfs niet het meest kostbare voorwerp, misschien kon een vrouw het hebben laten vallen". (Boris Sidis, "Studies in Psychopathology" Boston Medical and Surgical Journal, April 4, 1907). Dat is het logisch gevolg van veel van wat volgens de traditie aan meisjes gegeven wordt. Gelukkig biedt de gezonde geest een natuurlijken weerstand tegen het algeheel aannemen er van, maar toch blijft het in eenige mate bestaan en oefent een noodlottigen invloed uit.

Het is echter niet alleen in haar relaties tot haarzelf en haar sekse, dat de gedachten en de gevoelens van een meisje neiging hebben om verwrongen te worden door de onwetendheid of de valsche tradities, waardoor zij zoo dikwijls zorgvuldig omringd is. Haar geluk in het huwelijk, haar geheele volgende loopbaan, wordt in gevaar gebracht. De onwetende jonge vrouw moet altijd veel wagen, wanneer ze de deur binnengaat van het onverbreekbaar huwelijk; zij weet waarlijk niets van haar man, zij weet niets van de groote wetten der liefde, zij weet niets van wat zij worden kan en, wat nog erger is, zij weet zelfs niet, dat ze niets weet. Zij loopt gevaar het spel te verliezen, terwijl zij nog bezig is met te beginnen het te leeren. Tot zekere hoogte is dat geheel onvermijdelijk, zoo lang wij er aan vasthouden, dat een vrouw zich door het huwelijk moet verbinden aan een man, eer zij den aard ondervonden heeft van de krachten, die dat huwelijk in haar kan ontketenen. Een jong meisje meent, dat ze een zeker karakter heeft; zij richt haar toekomst in in overeenstemming met dat karakter; zij trouwt. Dan bemerkt zij, in een groot aantal gevallen (vijf van de zes, volgens den romanschrijver Bourget), binnen een jaar of zelfs binnen een week, dat zij zich geheel en al vergist heeft in zichzelf en in den man, dien zij getrouwd heeft; zij ontdekt in zich een ander ik en dat ik verfoeit den man, waaraan ze gebonden is. Dat is een mogelijk lot, waartegen alleen de vrouw in wie reeds liefde is gewekt, zich als tamelijk goed beschermd kan beschouwen.

Er is echter een zekere soort van bescherming, die men aan de bruid kan verschaffen, zelfs zonder af te wijken van onze meest conventioneele opvattingen over het huwelijk. We kunnen er tenminste op aandringen, dat zij nauwkeurig wordt ingelicht over den juisten aard van haar physieke relaties tot haar echtgenoot en dat ze gevrijwaard zal zijn tegen de schokken en desillusies die het huwelijk anders zou kunnen meebrengen. Niettegenstaande het afnemen van vooroordeelen, mag het waarschijnlijk heeten dat zelfs nu nog de meerderheid van de vrouwen uit de zoogenaamd welopgevoede klasse trouwen met alleen de meest vage en meest onnauwkeurige denkbeelden, meer of minder in het geheim opgedaan, over den aard van de sexueele verhoudingen. Een zoo hoogst intelligente vrouw als Madame Adam heeft gezegd, dat zij zich verplicht gevoelde een man te trouwen, die haar op de mond gekust had, daar ze meende, dat dit de opperste daad van sexueele vereeniging was [35], en het is dikwijls voorgekomen, dat vrouwen getrouwd zijn met sexueel geïnverteerde personen van haar eigen sekse, terwijl ze dit niet altijd wisten, maar meenden, dat het mannen waren, en die nooit haar vergissing ontdekten; het is nog niet lang geleden, dat in Amerika drie vrouwen op deze wijze achtereenvolgens met dezelfde vrouw trouwden, terwijl klaarblijkelijk geen van haar ooit de werkelijke sekse van den "echtgenoot" ontdekte. "Het beschaafde meisje wordt", zooals Edward Carpenter opmerkt, "naar het altaar gevoerd, dikwijls in de uiterste onwetendheid, en de offergebruiken die op het punt staan voltrokken te worden geheel misverstaande". Zeker zijn meer verkrachtingen gedaan in het huwelijk dan daar buiten [36]. Het meisje is vol van vaag en romantisch geloof in de beloften van de liefde, dat dikwijls nog verhoogd wordt door de verrukkingen, die beschreven worden in sentimenteele romans, waaruit ieder spoor van gezonde werkelijkheid zorgvuldig verwijderd schijnt. "Al de oprechtheid van geloof is daar", zooals Senancour het uitdrukt in zijn boek De l'Amour, "de wenschen van de onervarenheid, de behoefte aan een nieuw leven, de hoop van een oprecht hart. Zij heeft al de vermogens der liefde, zij moet liefhebben; zij heeft al de middelen tot vermaak, zij moet bemind worden. Alles drukt liefde uit en eischt liefde: deze hand gevormd voor teere liefkoozingen, een oog waarvan men het nut niet zou weten als het niet er in toestemt bemind te worden, een boezem die bewegingloos en nutteloos is zonder liefde en die verwelken zal zonder te zijn aangebeden; deze gevoelens, die zoo groot, zoo teer, zoo wellustig zijn, de eerzucht van het hart, de heldenmoed der hartstocht! Zij moet noodzakelijk de heerlijke regel volgen, die de wet der wereld heeft voorgeschreven. Die opwindende rol, die zij zoo goed kent, waar alles aan herinnert, die de dag ingeeft en die de nacht afdwingt,--welke jonge, gevoelige, liefhebbende vrouw kan zich voorstellen, dat ze haar niet zal spelen?" Maar als het werkelijke drama der liefde zich voor haar begint te ontplooien en als zij den waren aard inziet van de "opwindende rol" die zij spelen moet, dan is het dikwijls gebeurd, dat het geval veranderde; zij vindt zichzelf geheel onvoorbereid en ze wordt overweldigd door schrik en ongerustheid. Al het geluk van haar huwelijksleven kan dan afhangen van een paar toevallige omstandigheden, de handigheid en welwillendheid van haar echtgenoot, haar eigen tegenwoordigheid van geest. Hirschfeld vermeldt het geval van een onschuldig jong meisje van zeventien--in dit geval, bleek het toevallig een geïnverteerde te zijn--die er toe overgehaald was om te trouwen, maar toen ze ontdekte wat huwelijk beteekende, zich krachtig verzette tegen de sexueele naderingen van haar man. Hij wendde zich tot haar moeder, dat deze aan haar dochter den aard der "huwelijksplichten van de vrouw zou uitleggen". Maar de jonge vrouw antwoordde op de vermaningen van haar moeder: "Als dat mijn vrouwenplicht is, dan was het Uw ouderplicht geweest mij dat van tevoren te zeggen, want, als ik het geweten had, zou ik nooit getrouwd zijn". De echtgenoot, die in dit geval veel van zijn vrouw hield, trachtte acht jaar lang haar te overreden, maar tevergeefs, en eindelijk had een scheiding plaats [37]. Dat is ongetwijfeld een uiterst geval, maar hoe veel onschuldige jonge geïnverteerde meisjes komen nooit haar waren aard te weten voor nà het huwelijk, en hoe veel geheel normale meisjes worden zóo geschokt door de plotselinge inwijding in het huwelijk, dat haar mooie jeugddroomen over liefde nooit langzaam en gezond zich ontwikkelen tot het bereiken van de nòg mooiere werkelijkheden?

Vóór den leeftijd der puberteit schijnt het wel dat de sexueele inwijding van het kind--afgezien van die wetenschappelijke inlichting, die een deel zou vormen van schoolcursussen in botanie en zoölogie--het uitsluitend voorrecht moet wezen van de moeder of van haar aan wie de moederplichten zijn toevertrouwd. Bij de puberteit is meer gezaghebbende en meer nauwkeurige raad noodig dan de moeder misschien kan of wil geven. Op dezen leeftijd moet zij haar zoon of dochter een of ander van de zeer talrijke handleidingen in handen geven, waar we reeds naar verwezen hebben (bladz. 49), die de physieke en moreele zijden verklaren van het sexueele leven en de grondbeginselen der sexueele hygiëne. De jongen of het meisje is dan reeds, dit mogen we aannemen, bekend met de feiten van het moederschap en den oorsprong van kinderen, en ook min of meer nauwkeurig met den rol van den vader in hun voortbrenging. De handleiding, die nu in zijn of haar handen gegeven wordt, moet ten minste in het kort, maar bepaaldelijk handelen over de sexueele verhouding, en moet ook uitleggen, waarschuwend maar niet in een verontrustenden geest, de voornaamste auto-erotische verschijnselen en geenszins alleen de onanie. Niets dan goed kan er voortkomen uit het gebruik van zulk een handleiding, als ze met wijsheid gekozen wordt; zij zal komen in de plaats van wat de moeder reeds gedaan heeft, wat de onderwijzer misschien nog doen zal en wat later misschien zal gedaan worden door een vertrouwelijk gesprek met een dokter. Men heeft aangevoerd, dat de jongen of het meisje, aan wie zulke lectuur wordt aangeboden, ze alleen maar zal maken tot een aanleiding tot ziekelijke brasserij en zinnelijk genot. Men kan wel aannemen dat dit soms zal gebeuren met jongens of meisjes, voor wie alle sexueele feiten altijd geheimzinnig verborgen zijn gehouden en dat, als zij eindelijk de gelegenheid vinden om hun lang onderdrukte en volkomen natuurlijke nieuwsgierigheid te voldoen, zij overweldigd worden door de opwinding van de gebeurtenis. Het zou niet kunnen gebeuren met kinderen, die natuurlijk en gezond opgevoed zijn. Later, tijdens den jongelingsleeftijd, heeft ongetwijfeld het systeem groot voordeel, dat nu veel toegepast wordt, vooral in Duitschland, n.l. lezingen te houden, toespraken of rustige gesprekken met jonge menschen voor beide geslachten afzonderlijk. De spreker is gewoonlijk een met zorg uitgekozen leeraar, een dokter of ander bevoegd persoon, die voor dit speciale doel komt.

Stanley Hall maakt de opmerking, dat sexueele opvoeding in hoofdzaak moet gegeven worden door vaders aan zoons en door moeders aan dochters, en voegt er bij: "Het kan wel zijn dat in de toekomst deze soort van inwijding weer een kunst zal worden en deskundigen ons met meer zelfvertrouwen zullen vertellen, hoe we onzen plicht moeten doen tegenover de vele eischen, typen en stadiën van de jeugd, en in plaats van bedrogen te worden en verslagen, zullen wij zien dat deze leeftijd en dit onderwerp het beste uitgangspunt zijn voor de hoogste pædagogie om haar beste en meest hervormende werk te doen, zoo goed als het de grootste van alle gelegenheden is voor den godsdienstleeraar om invloed uit te oefenen". (Stanley Hall, Adolescence, deel I, pag. 469). "Op Williams College, Harvard, Johns Hopkins and Clark", merkt dezelfde beroemde leeraar op (ib., pag. 465), "heb ik het tot mijn plicht gemaakt in mijn afdeelingsonderwijs zeer kort, maar duidelijk te spreken tot jonge mannen, die ik inlichten moet, persoonlijk, als mij dat verstandig toescheen, en dikwijls, hoewel hier alleen in algemeene termen, voor studentengezelschappen; ik geloof dat ik nergens meer goed gedaan heb, maar het is een pijnlijke plicht. Hij vereischt tact en een zekere mate van flink en doortastend gezond verstand, nog meer dan technische kennis".

Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat de gewone onderwijzer of onderwijzeres in het geheel niet geschikt is om over sexueele hygiëne te spreken. Het is een taak waarin alle, althans sommige onderwijzers geoefend moeten worden. Een begin in deze richting is gemaakt in Duitschland door het houden van cursussen voor onderwijzers over sexueele hygiëne in de opvoeding. In Pruisen werd de eerste poging gedaan in Breslau, toen de centrale schoolautoriteiten Dr. Martin Chotzen verzochten zulk een cursus te houden voor honderd vijftig onderwijzers, die de grootste belangstelling in de lezingen toonden, welke omvatten de anatomie van de sexueele organen, de ontwikkeling van het sexueele instinct, de voornaamste afwijkingen ervan, venerische ziekten en het belang van het oefenen in zelfbeheersching. In Geschlecht und Gesellschaft (deel I, afl. 7) geeft Dr. Fritz Reuther de korte inhoud van lezingen, die hij gehouden heeft voor een klasse van jonge onderwijzers; zij omvatten veelal hetzelfde terrein als die van Chotzen.

Het is niet gebleken, dat in Engeland de Minister van Opvoeding reeds stappen gedaan heeft om het houden van lezingen over sexueele hygiëne te verzekeren aan jongens die op het punt zijn de school te verlaten. In Pruisen echter toont de Minister van Opvoeding een levendige belangstelling in deze zaak, en zulke lezingen worden nu algemeen gehouden, hoewel het bijwonen ervan gewoonlijk niet verplichtend is. Eenige jaren geleden (in 1900), toen er voorgesteld werd een serie lezingen te houden over sexueele hygiëne voor de meergevorderde leerlingen van Berlijnsche scholen, onder de leiding van een genootschap ter verbetering der moraal, weigerde het gemeentebestuur zijn toestemming om de schoolkamers te gebruiken, omdat "zulke lezingen buitengemeen gevaarlijk zouden zijn voor den moreelen zin van een zoo jeugdig gehoor". Hetzelfde bezwaar is gemaakt door leden van het gemeentebestuur in Frankrijk. In Duitschland echter is er een snelle vooruitgang in de publieke opinie. In Engeland is nog weinig of geen vordering gemaakt, maar in Amerika worden stappen in deze richting gedaan, zooals door de Maatschappij voor Sociale Hygiëne in Chicago. Het moet gezegd worden dat zij, die zich in groote steden verzetten tegen sexueele opheldering van de jeugd, zich rechtstreeks tot bondgenoot maken, of zij het weten of niet, van de invloeden die misdaad en immoraliteit veroorzaken.

Zulke lezingen worden ook gegeven aan meisjes die van school gaan, niet alleen meisjes van de gegoede, maar ook die van de arme klasse, die ze zeker evenzoo noodig hebben en in sommige opzichten meer. Zoo heeft Dr. A. Heidenhain een lezing uitgegeven (Sexuelle Belehrung der aus den Volksschule entlassenen Mädchen, 1907) met anatomische tabellen, die hij gehouden heeft voor meisjes die op het punt waren de school te verlaten, en die bedoeld is haar in dien tijd in handen te geven. Salvat staat er op in een thèse de Lyon (La Dépopulation de la France, 1903), dat de hygiëne van de zwangerschap en de zorg voor kinderen een deel zou moeten uitmaken van het onderwerp van zulke lezingen. Deze onderwerpen konden echter wel tot een wat later tijd uitgesteld worden.

Iets is er klaarblijkelijk noodig behalve lezingen over deze onderwerpen. Het moet de taak zijn van de ouders of de andere verzorgers van iederen jongen man en ieder jong meisje, om het zóó in te richten dat, tenminste eenmaal in deze levensperiode, er een vertrouwelijk, persoonlijk onderhoud is met een dokter, om gelegenheid te geven voor een vriendschappelijk, vertrouwelijk gesprek over de hoofdpunten van sexueele hygiëne. De huisdokter zou het best zijn voor dezen plicht, omdat hij op de hoogte kan zijn van het persoonlijk temperament van den jongen man en met de neigingen van de familie [38]. Voor meisjes verdient een vrouwelijke dokter dikwijls de voorkeur. Sekse is feitelijk een mysterie; voor den onbedorven jongen man is ze dat instinctief; behalve in een abstracten en technischen vorm kan ze feitelijk niet het onderwerp zijn voor lezingen. In een vertrouwelijk en geïndividualiseerd gesprek tusschen den nieuweling in het leven en den deskundige kunnen vele noodzakelijke dingen gezegd worden, die in het publiek niet gezegd zouden kunnen worden, en bovendien kan de jonge man vragen stellen, die door schuwheid en terughouding moeilijk aan ouders gesteld kunnen worden, terwijl de gemakkelijke gelegenheid om ze op natuurlijke wijze aan den vakman te stellen anders zelden of nooit voorkomt. De meeste jonge menschen hebben hun eigen speciale onwetendheden, hun eigen speciale moeilijkheden; moeilijkheden en onwetendheden die soms door een woord uit den weg geruimd kunnen worden. Toch gebeurt het volstrekt niet zelden, dat zij ze meedragen vèr in het volwassen leven, omdat zij de gelegenheid niet gehad hebben, òf de handigheid en de onbeschroomdheid misten om de gelegenheid te maken, om inlichting te verkrijgen.

Men moet duidelijk begrijpen, dat deze gesprekken van medischen, hygiënischen en physiologischen aard zijn; zij moeten niet gebruikt worden om moreele platheden te debiteeren. Ze daarvoor te gebruiken, zou een noodlottige vergissing zijn. Jonge menschen zijn dikwijls zeer vijandig gezind tegenover enkel conventioneele moreele grondstellingen, en zij vermoeden de holheid ervan, niet altijd zonder reden. Het doel, dat hier beoogd wordt, is inlichting. Zeker kan kennis nooit immoreel zijn, maar er wordt niets gewonnen door kennis en moraal door elkaar te haspelen.

Als wij den nadruk leggen op den aard van de taak van den dokter in deze zaak, als zuiver en alleen die van wijze, praktische inlichting, dan is daar niets mee gezegd tegen de voordeelen en de enorme beteekenis voor de sexueele hygiëne van de moreele, godsdienstige, ideale elementen van het leven. Het is niet in de eerste plaats de taak van den dokter om deze in te boezemen, maar zij hebben een zeer intieme betrekking tot het sexueele leven, en aan iederen jongen en ieder meisje met de puberteit, en nooit vóór de puberteit, moet het voorrecht gegeven worden--en niet de plicht of de taak--om ingewijd te worden in die elementen van het leven der wereld, die tevens natuurlijke functies zijn van de jeugdige ziel. Hier is echter de sfeer van den leeraar in godsdienst of zedeleer. Tijdens de puberteit heeft hij een goede gelegenheid, de beste die hij ooit krijgen kan. Dit opbloeien van de sexe in het lichaam tijdens de puberteit, heeft zijn geestelijken tegenhanger in het terzelfder tijd opbloeien van de ziel. De kerken hebben van de vroegste tijden af de godsdienstige beteekenis van dit oogenblik erkend, want deze levensperiode hebben zij aangewezen als den tijd voor de bevestiging en dergelijke riten. Met het voortschrijden van de eeuwen worden zulke godsdienstige gebruiken weliswaar slechts formeele fossielen, oogenschijnlijk zonder zin. Maar zij hebben toch een beteekenis en kunnen weer tot leven gewekt worden. Ook moeten zij niet beperkt blijven, wat hun geest en hun innerlijk wezen betreft, tot hen die een bovennatuurlijk geopenbaarden godsdienst belijden. Zij gaan alle zedeleeraars aan: die moeten zich duidelijk voor oogen stellen, dat zij tijdens de puberteit de groote ideale aspiraties moeten inboezemen of bevestigen, die in dezen tijd neiging hebben om spontaan te ontwaken in de ziel van den jongen of van het meisje [39].

Het tijdvak van de puberteit, heb ik gezegd, is de periode waarin deze nieuwe soort van sexueele inwijding gewenscht is. Vóór de puberteit, hoewel de psychische emotie van liefde zich dan dikwijls ontwikkelt, zoo goed als soms physische sexueele emoties, die gewoonlijk vaag en verstrooid zijn, zijn bepaalde en plaatselijke sexueele gevoelens zeldzaam. Voor den normalen jongen of het normale meisje is liefde gewoonlijk een niet gespecialiseerde aandoening; het is, zooals Guyau zegt "een toestand, waarin het lichaam de kleinste plaats heeft". Bij het eerste opgaan van de zon van het geslacht ziet de jongen of het meisje, zooals Blake zei dat hij bij het opgaan van de zon zag, niet een rondgeel lichaam boven den horizon uit komen, of eenige andere physieke verschijning, maar een groot aantal zingende engelen. Met de bepaalde uitbarsting van physieke sexueele openbaring en verlangens, hetzij tijdens de puberteit of later in de jeugd, komt er een nieuwe onstuimige verontrustende invloed te voorschijn. Tegen de kracht van dezen invloed kunnen enkel intellectueele voorlichting of zelfs liefderijke moederlijke raad--de invloeden waarmee we tot dusver te doen gehad hebben--machteloos zijn. Om er macht over te krijgen, moeten wij hulp vinden in het feit, dat de puberteit de bloei is niet alleen van een nieuwe physieke, maar van een psychische kracht. De wereld der idealen ontplooit zich op natuurlijke wijze voor den jongen of het meisje met de puberteit. De tooverkracht van schoonheid, het instinct van zedigheid, het natuurlijke van zelfbeheersching, het denkbeeld van onzelfzuchtige liefde, de beteekenis van plicht, het gevoel voor kunst en poëzie, het verlangen naar godsdienstige opvattingen en aandoeningen--al deze dingen ontwaken spontaan in den onbedorven jongen of het onbedorven meisje met de puberteit. Ik zeg "onbedorven" want als deze dingen aan het kind opgedrongen zijn vóór de puberteit, wanneer zij nog geen beteekenis voor hem hebben--zooals ongelukkig veel te dikwijls gedaan wordt, meer speciaal wat godsdienstige ideeën aangaat--dan is het maar al te waarschijnlijk, dat het op dat oogenblik van zijn ontwikkeling niet behoorlijk zal reageeren op datgene waar hij anders op natuurlijke wijze gehoor aan zou geven. Onder natuurlijke omstandigheden is dit de tijd voor geestelijke inwijding. Nu, en niet eerder, is het tijd voor den godsdienst- of den zedeleeraar, al naar het geval is--want alle godsdiensten en ethische systemen kunnen zich gelijkelijk aan deze taak aanpassen--om den jongen of het meisje onder handen te nemen, niet met eenige speciale en opdringerige verwijzing naar de sexueele impulsen, maar om de ontwikkeling en manifestatie van deze psychische puberteit in de hand te werken, om indirect de jonge ziel te helpen ontsnappen aan de sexueele gevaren, door haar te laten voorlichten door een ster, die kan meewerken te voorkomen, dat ze vastraakt in de onreinheid van het vleesch.

Zulk een inwijding, het is van belang het op te merken, is meer dan een introductie in de sfeer van godsdienstig gevoel. Het is een inwijding in mannelijkheid, het moet een erkenning in zich sluiten van de mannelijke, zelfs meer dan van de vrouwelijke deugden. Dit is door de beste onder de natuurvolken wèl verstaan. Zij geven hun jongens en meisjes steeds een inwijding bij de puberteit; het is een inwijding die niet alleen opvoeding in de gewone beteekenis in zich sluit, maar een strenge discipline van het karakter, daden van uithoudingsvermogen, het beproeven van het karakter, het toetsen van de spieren der ziel, evenzeer als van die van het lichaam.

Ceremonies van inwijding in mannelijkheid--die physieke en geestelijke discipline in zich sluiten en die weken en maanden duren en nooit dezelfde zijn voor beide seksen--zijn een gewone zaak onder natuurvolken in alle deelen van de wereld. Zij omvatten bijna altijd het verdragen van een zekere mate van pijn en vermoeienissen, een wijze mate van oefenen, die de weekheid van de beschaving tè dwaas heeft laten vallen, want de geschiktheid om vermoeienis te verdragen is een grondvoorwaarde van alle werkelijke mannelijkheid. Als een verbeteringsmiddel voor deze neiging tot weekheid in de moderne opvoeding is de leer van Nietzsche zoo onschatbaar.

De inwijding van jongens onder de inboorlingen van Straat Torres is uitvoerig beschreven door A. C. Haddon (Reports Anthropological Expedition to Torres Straits, deel V, Hoofdst. VII en XII). Zij duurt een maand, omvat veel ernstige oefening, uithoudingsvermogen en uitmuntende moreele voorlichting. Haddon merkt op, dat het "een zeer goede tucht" was, en voegt er bij, "het is niet gemakkelijk om een krachtiger middel te bedenken voor snelle oefening".

Onder de oorspronkelijke bewoners van Victoria, Australië, duren de inwijdende ceremonies, zooals beschreven wordt door R. H. Mathews ("Some Initiation Ceremonies", Zeitschrift für Ethnologie 1905, afl. 6), zeven maanden en vormen ze een uitmuntende tucht. De jongens worden meegenomen door de ouderen van den stam, zij worden onderworpen aan menige proef van geduld en uithoudingsvermogen voor pijn en onbehagelijkheid, waartoe soms zelfs behooren het inslikken van urine en ontlasting; zij worden in aanraking gebracht met andere stammen, de wetten worden hun geleerd en de overleveringen van den stam, en aan het eind worden bijeenkomsten gehouden, waar verlovingen worden tot stand gebracht.

Bij de noordelijke stammen van Centraal Australië behooren tot de inwijdingsceremonies besnijdenis en gedeeltelijke opensnijding van de penis, zoowel als zware handenarbeid en vermoeienissen. De inwijding van meisjes tot vrouwelijkheid is verbonden met opensnijden van de vagina. Deze ceremonies zijn beschreven door Spencer en Gillen (Northern Tribes of Central Australia, hoofdst. XI). Bij verschillende volken in Engelsch Oost-Afrika (de Masai ingesloten) is inwijding tijdens de puberteit een groote ceremonieele gebeurtenis, die zich uitstrekt over een periode van vele maanden; zij sluit in besnijdenis bij jongens, en bij meisjes clitoridectomie, zoowel als, onder andere stammen, het wegnemen van de kleine schaamlippen. Een meisje, dat tijdens de bewerking steunt of schreit, raakt in ongenade onder de vrouwen en wordt uitgedreven uit de kolonie. Na bevredigenden afloop van de ceremonies is de jongen of het meisje huwbaar (C. Marsh Beadnell, "Circumcision and Clitoridectomy as Practiced by the Natives of British East Africa", British Medical Journal, April 29, 1905).

De inwijding onder de Afrikaansche Bawenda, zooals ze beschreven is door een zendeling, bestaat uit drie stadiën: (1). Een stadium van leering en tucht, waarin de overleveringen en heiligdommen van den stam geopenbaard worden, de krijgskunst geleerd, zelfbeheersching en uithoudingsvermogen gekweekt; dan worden de jongelingen beschouwd als volwassen. (2). In het volgende stadium wordt de danskunst beoefend, door iedere sekse afzonderlijk, overdag. (3). In het laatste stadium, dat het stadium is van volledige sexueele inwijding, dansen de beide seksen 's avonds te zamen; het tooneel, "laat zich" naar de meening van den zendeling "niet beschrijven"; de ingewijden zijn nu geheel volwassen, met al de voorrechten en verantwoordelijkheden van volwassenen (Rev. E. Gottschling, "The Bawenda", Journal Anthropological Institution, July to Dec., 1905, p. 372. Cf., een belangwekkend verslag van de Bawenda Tondo scholen door een anderen zendeling, Wessmann, The Bawenda, pp. 60 et seq.).

De inwijding van. meisjes in Azimba Land, Centraal Afrika, is volledig en belangwekkend beschreven door H. Crawford Angus ("The 'Chensamwali' or Initiation Ceremony of Girls", Zeitschrift für Ethnologie, 1898, Heft 6). Bij het eerste teeken van menstruatie wordt het meisje door haar moeder meegenomen buiten het dorp naar een hut van gras, die voor haar in orde is gemaakt, waar alleen de vrouwen haar mogen bezoeken. Aan het einde der menstruatie wordt zij meegenomen naar een afgelegen plaats en de vrouwen dansen om haar heen; er zijn geen mannen bij tegenwoordig. Het meisje wordt dan ingelicht over de hygiëne van de menstruatie. "Veel liederen worden gezongen over de betrekkingen tusschen mannen en vrouwen, en het meisje wordt ingelicht omtrent al haar plichten als ze trouwt. Het meisje leert trouw te zijn aan haar echtgenoot en de bezwaren van de zwangerschap te verdragen. De geheele zaak wordt beschouwd als iets natuurlijks en niet als iets, waarover men zich schamen moet of dat men moet verbergen; en daar zij zoo openlijk behandeld wordt en er geen geheim van gemaakt wordt, zijn de vrouwen van dezen stam zeer deugdzaam, omdat het onderwerp van het gehuwde leven geen betoovering voor haar heeft. Als een vrouw zwanger is, wordt er weer om haar gedanst: al de danseressen zijn naakt; haar wordt dan geleerd, hoe zij zich moet gedragen en wat zij doen moet als de tijd van haar bevalling komt".

Bij de Yuman Indianen van Californië, naar beschreven is door Horatio Rust ("A Puberty Ceremony of the Mission Indians", American Anthropologist, Jan. to March, 1906, pag. 28) worden de meisjes bij de puberteit voorbereid op het huwelijk door een ceremonie. Zij worden in dekens gewikkeld en gelegd in een warme kuil, waar zij blijven liggen en er heel gelukkig uitzien als ze uit hun deken kijken. Vier dagen en nachten liggen ze hier (ze gaan nu en dan weg om voedsel te halen), terwijl de oude vrouwen van den stam voortdurend om den kuil heen dansen en zingen. Nu en dan werpen de oude vrouwen zilveren muntstukjes onder de menigte om de meisjes te leeren edelmoedig te zijn. Zij geven ook doeken en tarwe weg, om haar te leeren vriendelijk te zijn voor de ouden en behoeftigen; en zij strooien met ruime hand wilde zaadkorrels over de meisjes uit om ze vruchtbaar te maken. Ten slotte moeten alle vreemdelingen zich verwijderen, er worden kransen op de hoofden der meisjes geplaatst en zij worden gebracht naar de helling van een heuvel. Daar wordt haar de groote en heilige steen getoond, die het zinnebeeld is van de vrouwelijke geslachtsorganen en er op gelijkt, waarvan men zegt, dat hij vrouwen beschermt. Dan wordt koren geworpen over alle aanwezigen, en de plechtigheid is afgeloopen.

De vrouwen van de Tlinkit Eskimo's zijn lang beroemd geweest door haar goede eigenschappen. Bij het begin der puberteit werden zij in afzondering gebracht, dikwijls een jaar lang; daarbij werden ze in het donker gehouden, in ellende en vuil. Toch, hoe gebrekkig en onvoldoende deze inwijding was, "meent Langsdorf", volgens Bancroft (Native Races of Pacific, deel 1, pag. 110), waar hij de deugden aanhaalt van de vrouwen der Thinkleets, "dat het wel gedurende dezen tijd van opsluiting kan zijn, dat de grondslag van haar deugden gelegd wordt; dat in bescheiden terughouding en nadenken haar karakter wordt gestaald, en dat zij, gereinigd naar den geest zoowel als naar het lichaam, weer voor den dag komt".

Bij ons zijn deze oude en waardevolle inwijdings-riten in mannelijkheid en vrouwelijkheid, met hun onschatbare moreele voordeelen, verloren gegaan; op zijn best hebben wij alleen behouden de schil, waarin de pit is vergaan. Mettertijd, wij kunnen er niet aan twijfelen, zullen zij in nieuwe vormen herleven. Tegenwoordig wordt de geestelijke inwijding van jongens en meisjes overgelaten aan de kansen van een of ander gelukkig toeval; gewoonlijk is zij van een zuiver verstandelijken aard die niet geheel gezond kan wezen, en op zijn best is ze belachelijk onvolledig.

Deze verstandelijke inwijding komt gewoonlijk tot den jongen man door middel van de literatuur. De invloed der literatuur strekt zich dus in de sexueele opvoeding, in een onberekenbare mate, uit buiten de nauwe sfeer van handboeken over sexueele hygiëne, hoe goed en wenschelijk deze ook zijn mogen. Het grootste deel van de literatuur is min of meer duidelijk doortrokken van erotische en auto-erotische opvattingen en impulsen; bijna alle verbeeldingsliteratuur komt voort uit den wortel sekse-verschil om op te bloeien in visioenen van schoonheid en extase. De "Divina Comedia" van Dante is hierin het onsterfelijke type van de ontwikkeling van den dichter. De jonge man raakt bekend met de phantastische uitbeeldingen van de liefde, voordat hij bekend raakt met de werkelijkheid van de liefde, zoodat, zooals Leo Berg het uitdrukt, "de weg naar de liefde bij beschaafde volken door de verbeelding gaat". Zoo is alle literatuur voor de jeugdige ziel een deel van de sexueele opvoeding [40]. Het hangt eenigszins, hoewel gelukkig niet geheel, af van het oordeel van hen die gezag hebben over de jonge ziel, of de literatuur waartoe de jongen of het meisje toegelaten wordt al of niet van groote en beschavende soort is.

Alle groote literatuur raakt naakt en gezond de centrale feiten van het geslachtsleven aan. Het is altijd troostrijk zich dit te herinneren in een tijd van kleingeestige preutschheid. En het is een voldoening te weten, dat het niet mogelijk zou zijn de literatuur van de groote tijden te ontmannen, hoe wenschelijk dit ook moge schijnen aan de menschen van meer gedegenereerde tijden, of om de toegangen tot die literatuur af te sluiten voor jonge menschen. Al onze godsdienstige en letterkundige tradities dienen om de positie van den Bijbel en van Shakespeare te versterken. "Zoo vele mannen en vrouwen", schrijft een correspondent, een letterkundig man, "krijgen in hun jeugd sexueele denkbeelden door het lezen van het Oude Testament, dat de Bijbel wel een erotisch tekstboek genoemd mag worden. De meeste personen van beide seksen, waarmee ik over dit onderwerp gesproken heb, zeggen, dat de Boeken van Mozes en de verhalen van Amnon en Tamar, Lot en zijn dochter, de vrouw van Potiphar en Jozef, enz. aanleiding waren tot overpeinzing en nieuwsgierigheid en hun inlichting gaven over de sexueele verhouding. Een jongen en een meisje van vijftien jaar, allebei vrienden van den schrijver, en nu boven de dertig jaar oud, zochten 's Zondags morgens in den Bijbel erotische plaatsen op, als ze in de kerk van de Dissenters waren, reikten hun Bijbels aan elkaar toe, met hun vinger op de plaats die hun belang inboezemde". Op dezelfde wijze heeft menige jonge vrouw Shakespeare geleend, om de gloeiend erotische poëzie van Venus en Adonis te lezen, waarvan haar vriendinnen haar verteld hadden.

De Bijbel, dit mag gezegd worden, is niet in ieder opzicht een model inlichting voor den jongen geest over seksevragen. Maar zelfs zijn vrije aanname, als van goddelijken oorsprong, van sexueele regels die zoo ongelijk zijn aan die welke in naam de onze zijn, zooals polygamie en concubinaat, helpt den gezichtskring verruimen van den jeugdigen geest, door hem te toonen, dat de regels die het kind omringen, niet altijd en overal van kracht zijn, terwijl de naaktheid en het realisme van den Bijbel niet anders kan zijn dan een gezond en tonisch verbeteringsmiddel voor conventioneele preutschheden.

Wij moeten altijd protesteeren tegen de dwaze verwarring, die een openhartige wijze van spreken gelijk stelt met immoraliteit, en dat niet minder, omdat ze dikwijls zelfs in wat beschouwd worden als intellectueele kringen, zoo dikwijls voorkomt. Toen in the House of Lords, in de vorige eeuw, de uitsluiting van Byron's standbeeld uit Westminster Abbey werd besproken, "ontkende" Lord Brougham "dat Shakespeare moreeler was dan Byron. Hij kon, integendeel, op een enkele bladzij van Shakespeare meer grofheid vinden dan in al Lord Byron's werken te vinden was". De conclusie, waar Brougham zoo toe kwam, dat Byron een onvergelijkelijk moreeler schrijver is dan Shakespeare, moest een voldoende reductio ad absurdum van zijn bewering geweest zijn, maar het blijkt niet, dat iemand gewezen heeft op de vulgaire verwarring, waartoe hij vervallen was.

We kunnen wel zeggen, dat de speciale aantrekkingskracht, die de naaktheid van groote literatuur soms heeft voor jonge geesten, ongezond is. Maar men moet zich herinneren, dat het bijzondere belang van dit element voornamelijk berust op het feit, dat overal elders een ingeroeste en abnormale geheimzinnigheid heerscht. Het moet ook gezegd worden, dat de uitingen van groote schrijvers over natuurlijke dingen nooit verlagend zijn, en zelfs niet erotisch prikkelend voor jonge menschen; wat Emilia Pardo Bazan van zichzelf vertelt toen ze een kind was en over haar pleizier in de historische boeken van het Oude Testament, dat de ruwe passages daarin niet de flauwste schaduw van onrust over haar jonge verbeelding wierpen, is even waar van de meeste kinderen. Het is zelfs noodig, dat deze naakte en ernstige dingen blijven staan, al was het alleen maar om een tegenwicht te vormen tegen de ontuchtige, comische pogingen om liefde en sekse te bezoedelen, die voor iedereen te zien zijn voor het raam van elken ordinairen boekwinkel.

Dit gezichtspunt werd krachtig verdedigd door de sprekers over sexueele opvoeding op het Derde Congres van de Duitsche Maatschappij ter Bestrijding van Geslachtsziekten in 1907. Zoo protesteerde Enderlin, die sprak als hoofd eener school, tegen de gewoonte om plaatsen te schrappen in gedichten en volksliederen voor het gebruik van kinderen en zoo ze te berooven van de mooiste introductie tot gezuiverde sexueele impulsen en de hoogste sfeer van emotie, terwijl zij terzelfder tijd roekeloos zijn blootgesteld aan de "psychische infectie" van de vulgaire humoristische bladen, die overal te koop worden aangeboden. "Zoolang kinderen te jong zijn om te reageeren op erotische poëzie, kan die hun geen kwaad doen; als zij oud genoeg zijn om er op te reageeren, dan kan zij hun slechts ten goede komen door hun de hoogste en zuiverste kanalen van menschelijke emotie te openen" (Sexualpädagogik, p. 60). Professor Schäfenacker (id., p. 98) uit zich in denzelfden geest en merkt op dat "de methode om uit schoolboeken te verwijderen al die passages die naar de meening van kortzichtige en enghartige onderwijzers niet geschikt zijn voor de jeugd, beslist moet veroordeeld worden". Iedere gezonde jongen en ieder gezond meisje dat den leeftijd der puberteit bereikt heeft, mag veilig toestemming gegeven worden in een goede bibliotheek te snuffelen, hoe verschillend de inhoud ervan ook is. Wel verre van leiding noodig te hebben, zullen zij gewoonlijk een veel verfijnder smaak toonen dan menschen die ouder zijn. Op dezen leeftijd, terwijl de emoties nog maagdelijk zijn en gevoelig, krassen de dingen, die realistisch, leelijk of ziekelijk zijn op den jongen geest en zij worden ter zijde geworpen, terwijl op den volwassen leeftijd, met het ruwer worden van het geestelijk weefsel, veroorzaakt door de jaren en door de ondervinding, deze tegenzin ongetwijfeld door een even gezond en natuurlijk instinct veel minder sterk kan worden.

Ellen Key somt in hoofdstuk VI van haar Eeuw van het Kind juist de redenen op die er zijn tegen de gewoonte om voor kinderen boeken te kiezen, die "geschikt" voor hen zijn, een gewoonte, die zij beschouwt als een van de dwaasheden van de moderne opvoeding. Het kind moet vrij zijn alle groote literatuur te lezen en het zal zelf bij instinct de dingen terzijde schuiven voor welke het nog niet rijp is. Zijn koele zinnen worden niet gehinderd door tooneelen die ouderen te prikkelend vinden, terwijl het zelfs in een later stadium niet de naaktheid van de groote literatuur is, maar veeleer de methode van den modernen roman, die kans heeft de verbeelding te bezoedelen, de waarheid te vervalschen en den smaak te beleedigen. Het is geheimzinnigheid die misleidt en ruw maakt, die een toestand van den geest schept, waarin zelfs de Bijbel een prikkel wordt voor de zinnen. De geschriften van de groote meesters geven het voedsel aan de verbeelding, dat het kind verlangt; het erotisch moment daarin is te kort om te veel te kunnen verhitten. Het is des te meer noodig voor kinderen, merkt Ellen Key op, om ingeleid te worden in de groote literatuur, omdat zij dikwijls weinig gelegenheid hebben zich er in hun later leven mee bezig te houden. Vele jaren tevoren had Ruskin in Sesame and Lilies welsprekend er op aangedrongen, dat zelfs aan jonge meisjes moest worden toegestaan vrij in bibliotheken te snuffelen.

Wat over literatuur gezegd is, is evenzeer van toepassing op de kunst. Kunst, zoowel als literatuur, en op dezelfde indirecte wijze, kan een waardevol hulpmiddel worden in de taak van sexueele inlichting en sexueele hygiëne. Moderne kunst kan voor het grootste deel voorbijgezien worden van dit gezichtspunt, maar kinderen kunnen niet te vroeg vertrouwd gemaakt worden met de voorstellingen van het naakt in de oude beeldhouwkunst en in de schilderijen van de oude meesters der Italiaansche school. Op deze wijze kunnen zij immuun gemaakt worden, zooals Enderlin het uitdrukt, tegen die voorstellingen van het naakt, die zich beroepen op de lagere instincten. Vroege bekendheid met het naakt in de kunst is terzelfder tijd een hulp tot het verkrijgen van een juiste houding tegenover reinheid in de natuur. "Hij die geleerd heeft", zooals Höller opmerkt, "rustig het naakt in de kunst te genieten, zal in staat zijn het naakt in de natuur te beschouwen als een kunstwerk".

Afgietsels van klassieke naakte standbeelden en reproducties van de schilderijen van de oude Venetiaansche en andere Italiaansche meesters kunnen goed gebruikt worden om schoolkamers te versieren, niet zoozeer als voorwerpen van onderricht dan als dingen van schoonheid, waarmee het kind niet te vroeg vertrouwd gemaakt kan worden. In Italië zegt men, dat het een gewone zaak is, dat schoolklassen door hun onderwijzers naar de museums van kunst worden meegenomen, met goede resultaten; zulke bezoeken vormen een deel van het officieele opvoedingsplan.

Er kan geen twijfel aan bestaan, dat zulke vroege vertrouwdheid met de schoonheid van het naakt in de klassieke kunst in ruimen kring een behoefte is onder alle maatschappelijke klassen en in vele landen. Aan dit gebrek in onze opvoeding moeten wij toeschrijven het nu en dan, en in Amerika en Engeland dikwijls, voorkomen van zulke voorvallen als verzoekschriften en protesten tegen het opstellen van naakte standbeelden in museums van kunst, het vertoonen van schilderijen zoo onschuldig als Leighton's "Bath of Psyche" achter winkelramen en de eisch van het drapeeren van de naakte personificaties van abstracte deugden in architectonische straatdecoratie. Zoo onvolkomen is nog de opvoeding van de massa, dat in deze zaken het slecht opgevoede fanatisme van de onreinheid gewoonlijk hoogtij viert. Zulk een stand van zaken kan slechts een ongezonde reactie hebben op de moreele atmosfeer van de gemeenschap, waarin ze mogelijk is. Zelfs uit een godsdienstig gezichtspunt is verhitte preutschheid niet te verdedigen. Northcote heeft zeer gematigd en gevoelig de kwestie van het naakt in de kunst besproken van het standpunt der Christelijke moraal. Hij wijst er op, dat niet alleen het naakt in de kunst niet onbevoegd veroordeeld mag worden en dat het naakte in het geheel niet noodzakelijk het erotische is, maar hij voegt er ook bij, dat zelfs erotische kunst, in zijn beste en zuiverste uitingen, slechts aandoeningen opwekt, die het waardige voorwerp zijn van de aspiraties van een mensch. Het zou zelfs onmogelijk zijn Bijbelsche verhalen goed op doek of in marmer voor te stellen, als de erotische kunst in den ban gedaan werd. (Rev. H. Northcote, Christianity and Sex Problems, hoofdst. XIV).

Vroege bekendheid met het naakt in klassieke en oude Italiaansche kunst moet tijdens de puberteit verbonden worden met een even groote bekendheid met photographieën van mooie en natuurlijk ontwikkelde naakte modellen. In vroeger jaren waren boeken, die platen bevatten geschikt om op aantrekkelijke wijze aan jonge menschen voor te leggen, moeilijk te verschaffen. Nu bestaat die moeilijkheid niet langer. Dr. C. H. Stratz, Den Haag, is de pionier geweest in deze zaak. In een serie mooie boeken (vooral in Der Körper des Kindes, Die Schönheit des Weiblichen Körpers en Die Rassenschönheit des Weibes, alle uitgegeven door Enke in Stuttgart), heeft hij een groot aantal mooi uitgezochte photographieën van naakte, maar volkomen kuische figuren samengebracht. Kort geleden heeft Dr. Schufeldt, van Washington (die zijn werk opdraagt aan Stratz), uitgegeven zijn Studies of the Human Form, waarin hij, in denzelfden geest, de resultaten van zijn eigen studies van de naakte menschelijke gestalte gedurende vele jaren heeft verzameld. Het is noodig de indrukken, die uit klassieke bronnen gekregen zijn, te verbeteren door goede photographische illustraties, uit hoofde van de valsche conventies die in klassieke werken overheerschen, hoewel deze conventies niet noodzakelijk valsch waren voor de artisten die ze schiepen. De weglating van het schaamhaar, in voorstellingen van het naakt, was bij voorbeeld heel natuurlijk voor de volken van landen, die, nog onder Oosterschen invloed, gewend zijn het haar van het lichaam te verwijderen. Als wij onder geheel verschillende omstandigheden die artistieke conventie nu laten voortbestaan, stellen wij ons in een verkeerde verhouding tot de natuur. Er zijn vele bewijzen hiervoor. "Er is éen conventie zoo oud, zoo noodig, zoo algemeen", schrijft Frederic Harrison (Nineteenth Century and After), "dat het opzettelijk zondigen ertegen de gal kan opwekken van den minst overdreven kieskeurigen man en dat vrouwen zich ineens zouden terugtrekken". Als jongens en meisjes opgevoed waren aan moeders knie in bekendheid met platen van mooie en natuurlijke naaktheid, zou het voor een ieder onmogelijk zijn zulke dwaze en schandelijke woorden te schrijven als deze.

Er kan geen twijfel aan zijn, dat onder ons de eenvoudige en open houding van het kind jegens het naakt zoo vroeg is vernietigd, dat verstandige opvoeding noodig is om het in staat te stellen, te onderscheiden wat obsceen is en wat niet. Voor den jongen van den ploeg en het dienstmeisje van het land is alle naaktheid, óok die van een Grieksch beeld, even schandelijk of wellustig. "Ik heb ook een plaat met zulke vrouwen", zei een boer met een grijns, en hij wees naar een photographie van een van Tintoret's mooiste groepen, "die rooken cigaretten". En het meerendeel der menschen in de meeste Noordelijke landen is nog niet ver voorbij dit stadium van gebrek aan onderscheiding; in bekwaamheid om onderscheid te maken tusschen het mooie en het obscene staan zij nog op het standpunt van den jongen van den ploeg en van het dienstmeisje.

HOOFDSTUK III

SEXUEELE OPVOEDING EN NAAKTHEID

De Grieksche houding tegenover de naaktheid.--Hoe de Romeinen die houding wijzigden.--De invloed van het Christendom.--Naaktheid in middeleeuwsche tijden.--Ontwikkeling van den afschuw voor naaktheid.--De daarmee samengaande verandering in de opvatting van de naaktheid.--Preutschheid.--De romantische beweging.--Het ontstaan van een nieuw gevoel met betrekking tot de naaktheid.--De hygiënische beschouwing van de naaktheid.--Hoe kinderen aan naaktheid gewend kunnen worden.--Naaktheid staat niet vijandig tegenover zedigheid.--Het instinct van physieke trots.--De waarde van naaktheid in de opvoeding.--De aesthetische waarde van naaktheid.--Het menschelijk lichaam als een van de eerste opwekkingsmiddelen in het leven.--Hoe naaktheid gecultiveerd kan worden.--De moreele waarde van naaktheid.

De discussie over de naaktheid in de kunst brengt ons tot de aanverwante kwestie van naaktheid in de natuur. Wat is de psychologische invloed van vertrouwdheid met het naakt? In hoe verre moeten kinderen vertrouwd gemaakt worden met het naakte lichaam? Over deze kwestie hebben de menschen op verschillende tijden verschillende meeningen gehad, en gedurende de laatste jaren is er daarover een opmerkelijke verandering beginnen te komen in den geest van praktische opvoeders.

In Sparta, in Chios, en elders in Griekenland was er een tijd, dat vrouwen naakt gymnastische toeren deden en dansten, te zamen met de mannen, of in hun tegenwoordigheid [41]. Plato keurde in zijn "Republiek" zulke gewoonten goed en zeide, dat de bespotting van hen, die er om lachten, niets was dan "onrijp fruit, geplukt van den boom der kennis". Over vele kwesties zijn Plato's opinies veranderd, maar niet over deze. In de "Wetten", die het laatste resultaat zijn van zijn philosophische overdenking in zijn ouderdom, raadt hij nog (Bk. VIII) een dergelijke coëducatie van de seksen aan en hun coöperatie in alle werken van het leven, gedeeltelijk om den òverscherpen kant der sexueele begeerte af te stompen; met hetzelfde doel raadde hij aan het samen omgaan van jongens en meisjes zonder belemmering, in een kleeding, die den vorm niet bedekte.

Het is opmerkelijk dat de Romeinen, een ruwer aangelegd volk dan de Grieken en in onzen engen zin meer "moreel", geen gevoel toonden voor den veredelenden en verfijnenden invloed van de naaktheid. Naaktheid was voor hen alleen een wellustig toegeven, dat met minachting behandeld moest worden, zelfs als men er van genoot. Ze werd beperkt tot het tooneel en er werd om geroepen door het volk. Vooral in de Floralia schijnt de menigte het als haar recht geëischt te hebben, dat de acteurs naakt zouden spelen, waarschijnlijk, naar men denkt, als een overblijfsel van een volksritueel. Maar de Romeinen, hoewel ze met graagte naar de comedie gingen, voelden niets dan minachting voor de tooneelspelers. "Flagitii principium est, nudare inter cives corpora". Dat is, wat de oude Ennius dacht, zooals vermeld wordt door Cicero, en dat bleef tot het laatst het echte Romeinsche gevoelen. "Quanta perversitas!" zooals Tertullianus uitriep. "Artem magnificant, artificem notant" [42]. Zoo legden de Romeinen, hoewel zij den afschuw van de Christenen opwekten, toch in werkelijkheid den grondslag van de Christelijke moraal.

Het Christendom, dat het met zoo vele van Plato's ideeën eens was, wilde niets te doen hebben met zijn beschouwing van de naaktheid en zag de psychische juistheid ervan niet in. De reden was eenvoudig, en werkelijk onnoozel. De kerk was er hartstochtelijk op uit te vechten tegen wat zij "het vleesch" noemde, en zoo verviel zij in de dwaling, de subjectieve kwestie van sexueel verlangen te verwarren met het objectieve beschouwen van den naakten vorm. "Het vleesch" is slecht; dus moet "het vleesch" verborgen worden. En zij verborgen het, zonder te begrijpen, dat ze daarmee niet het verlangen naar de menschelijke gestalte onderdrukt hadden, maar dat ze dat integendeel aangewakkerd hadden door er de bekoring aan toe te voegen van een verboden mysterie.

Burton zegt, in zijn Anatomy of Melancholy (Deel III Sect. II, Mem II, Subs. IV), waar hij wijst op de raadgevingen van Plato: "Maar Eusebius en Theodoret geeselen hem er goed voor; en dat mogen ze ook wel doen: want, zooals de een zegt, het zien alleen van naakte deelen veroorzaakt enorme, hevige begeerten en prikkelt mannen en vrouwen beide tot brandenden lust". "Toch", voegt Burton er zelf verder in hetzelfde deel van zijn werk (Mem. V, Subs. III), zonder protest bij, "meenen sommigen, dat het zien van een naakte vrouw op zichzelf in staat is de genegenheid van een man te veranderen; en het verdient overweging, zegt de Franschman Montaigne, in zijn Essays, dat de kundigste meesters in liefdezaken als geneesmiddel voor liefdehartstochten aanraden een volledig beschouwen van het lichaam".

Er moest geen kwestie zijn over het feit, dat juist het versierde, gedeeltelijk verborgen lichaam en niet het volkomen naakte, werkt als een sexueele prikkel. Ik heb eenig bewijsmateriaal samengebracht over dit punt, in de studie over "The Evolution of Modesty". "In Madagascar, West-Afrika, en de Kaap", zegt F. G. F. Scott Elliot (A Naturalist in Mid-Africa, pag. 36), "heb ik altijd denzelfden regel gevonden. Kuischheid is omgekeerd evenredig aan de hoeveelheid kleeding". Men is nu inderdaad algemeen van opinie, dat een van de voornaamste bedoelingen van versiering en kleeding was: het sexueele verlangen aan te wakkeren, en schildersmodellen weten wel, dat als zij volkomen zonder kleeding zijn, zij het veiligst zijn voor ongewenschte toenadering van mannen. "Een van mijn geliefkoosde modellen vertelde mij", zegt Dr. Shufeldt (Medical Brief Oct. 1904), de beroemde schrijver van Studies of the Human Form, "dat zij gewoon was zich, zoo spoedig mogelijk, na het betreden van het atelier van den schilder te ontkleeden, want, daar mannen niet altijd verantwoordelijk zijn voor hun emoties, voelde zij, dat ze veel minder kans had ze op te wekken of te prikkelen, als ze geheel naakt was, dan wanneer ze maar half gekleed was". Dit feit is volkomen bekend aan schildersmodellen. Als het overwinnen van het geslachtsverlangen het eerste en laatste punt was waar het op aankwam in het leven, dan zou het verstandiger zijn om kleeding dan om naaktheid te verbieden.

Toen het Christendom de geheele Europeesche wereld beheerschte, kon dit strenge vermijden van zelfs het gezicht van "het vleesch", hoewel het in naam door allen aangenomen was als het wenschelijke ideaal, alleen geheel en volkomen doorgevoerd worden in het klooster. In de gewoonten van de wereld daarbuiten bleven, ofschoon de oorspronkelijke Christelijke idealen hun invloed behielden, verschillende heidensche en primitieve tradities, die aan de naaktheid gunstig waren, nog bestaan, en mochten zich, in zekere mate, uiten, evenzeer in het dagelijksch leven als bij bepaalde gelegenheden.

Hoe wijd verspreid de nu en dan voorkomende of algemeen gebruikelijke gewoonte van naaktheid in de wereld over het algemeen is, en hoe volkomen ze overeen te brengen is zelfs met de allergevoeligste zedigheid is uiteengezet in "The Evolution of Modesty", eveneens van mijne hand.

Zelfs tijdens het tijdperk van het Christendom is de impuls om naaktheid aan te nemen, dikwijls met het gevoel dat het een bijzonder geheiligde gewoonte was, blijven bestaan. De Adamieten van de tweede eeuw, die naakt lazen en baden en die naakt het sacrament vierden, volgens wat vermeld wordt door den heiligen Augustinus, schijnen weinig aanstoot gegeven te hebben, zoolang zij naaktheid alleen in praktijk brachten bij hun heilige ceremonies. De Duitsche Broeders van den Vrijen Geest, in de dertiende eeuw, verenigden zooveel kuischheid met algemeene naaktheid, dat orthodoxe Katholieken meenden, dat ze door den Duivel geholpen werden. De Fransche Picardiërs eischten, op een veel later tijd, openbare naaktheid, in het geloof, dat God, hun leider in de wereld gezonden had, om de wet der Natuur te herstellen; zij werden vervolgd en ze werden tenslotte uitgeroeid door de Hussieten.

In het dagelijksch leven werd echter tijdens de middeleeuwen een vrij groote mate van naaktheid toegestaan. Dit was vooral zoo in de openbare baden, die door mannen en vrouwen te zamen bezocht werden. Zoo maakt Alwin Schultz de opmerking (in zijn Höfische Leben zur Zeit der Minnesänger), dat de vrouwen van de aristocratische klassen, niet de mannen, dikwijls in deze baden naakt waren, behalve dat ze een hoed op hadden en een halssnoer om.

Er is somtijds gezegd, dat in de middeleeuwsche godsdienstige spelen Adam en Eva absoluut naakt waren. Chambers betwijfelt dit en meent dat zij vleeschkleurige tricots droegen, of dat ze evenals in een later spel van deze soort "gekleed waren in wit leder" (E. K. Chambers, The Mediæval Stage, deel I, p. 5). Het kan wel zoo zijn, maar het openlijk vertoonen zelfs van de sexueele organen was geoorloofd, en dat in aristocratische huizen, want John of Salisbury (in een passage, die aangehaald wordt door Buckle, Commonplace Book, 541) protesteert tegen deze gewoonte.

De vrouwen van de feministische zestiende eeuw in Frankrijk, zooals R. de Maulde la Clavière opmerkt (Revue de l'Art, Jan. 1898), hadden er geen bezwaar tegen haar aanbidders te beloonen, door hen tot haar toilet toe te laten, of zelfs tot haar bad. Op het einde der eeuw werden de dames nog minder preutsch, en vele welbekende dames lieten zich schilderen, naakt tot het middel, zooals we zien op het portret van "Gabrielle d'Estrées au Bain" in Chantilly. Vele van deze schilderijen echter zijn zeker geen werkelijke portretten.

Zelfs in het midden van de zeventiende eeuw was naaktheid in Engeland in het openbaar niet verboden, want Pepys vertelt ons, dat op den 29sten Juli 1667 een kwaker naar Westminster Hall kwam, roepende: "Hebt berouw! Hebt berouw!" geheel naakt, behalve dat hij "zeer netjes gedekt was om de geheime deelen, om schandaal te vermijden". (Dit was ongetwijfeld Solomon Eccles, die gewoon was in dit costuum rond te loopen, vóor en nà de Restoratie beide. Hij was een beroemd musicus geweest, en hoewel hij excentriek was, was hij blijkbaar niet krankzinnig).

In een hoofdstuk "De la Nudité" en in de appendices van zijn boek De l'Amour (deel I, p. 221) geeft Senancour voorbeelden van de nu en dan voorkomende gewoonte in Europa om zich naakt te vertoonen, en hij voegt er eenige belangwekkende opmerkingen van zichzelf bij; zoo ook Dulaure (Des Divinités génératives, hoofdst. XV). Als regel schijnt het dat, hoewel volkomen naaktheid in andere opzichten toegestaan was, het gewoonte was de geslachtsdeelen te bedekken.

Het verzet tegen de naaktheid heeft nooit geheel gezegevierd vóor de negentiende eeuw. Die eeuw vertegenwoordigde de triomf van al de krachten, die de naaktheid in het openbaar overal en geheel verboden. Als, zooals Pudor met nadruk zegt, naaktheid aristocratisch is en de slavernij van de kleeding een plebejische eigenaardigheid, aan de lagere klassen opgelegd door een hoogere klasse, die voor zichzelf het voorrecht behield van physieke beschaving, dan mogen we dit misschien in verband brengen met de uitbarsting van democratisch plebejerschap, die naar Nietzsche aantoonde, haar hoogtepunt bereikte in de negentiende eeuw. Het is in ieder geval zeker belangwekkend op te merken, dat de beweging te die tijde geheel van karakter veranderd was. Zij was algemeen geworden, maar terzelfder tijd waren de grondslagen ervan ondermijnd. Zij had in ruime mate haar godsdienstig en moreel karakter verloren en werd in plaats daarvan beschouwd als een zaak van conventie. De man van de negentiende eeuw, die het schouwspel zag van blanke ledematen, die in het zonlicht schitterden, voelde niet meer zooals de middeleeuwsche kluizenaar dat hij het heil van zijn onsterfelijke ziel in gevaar bracht of zelfs maar de achteruitgang van zijn moraal in de hand werkte; hij voelde alleen maar, dat het "onfatsoenlijk" was, of in het uiterste geval "walgelijk". Dat is te zeggen, hij beschouwde de zaak als eenvoudig een zaak van conventioneele etiquette, op zijn slechtst van smaak, van æsthetiek. Door zoo zijn tegenzin tegen naaktheid naar beneden te halen tot een zoo laag plan, had hij hem wel algemeen aannemelijk gemaakt, maar terzelfder tijd had hij hem beroofd van zijn hooge wijding. Zijn diepe afschuw van de naaktheid was buiten verhouding tot de lichtzinnige beweegredenen, waarop hij haar grondde.

Wij moeten echter niet de hardnekkigheid onderschatten, waarmee deze afschuw van de naaktheid werd vastgehouden. Niets geeft de diep ingewortelde haat, die de negentiende eeuw voor de naaktheid voelde, levendiger weer dan de woestheid--er is geen ander woord voor--waarmee Christelijke zendelingen naar wilden over de geheele wereld, zelfs in de tropen, er op aandrongen dat hun bekeerlingen de conventioneele kleeding van Noord-Europa zouden aannemen. Verhalen van reizigers loopen over van verwijzingen naar den nadruk, dien zendelingen legden op deze verandering in de gewoonte, die schadelijk was voor de gezondheid van het volk en tevens afbreuk deed aan hun waardigheid. Het is voldoende een getuige van gezag aan te halen, Lord Stanmore, vroeger Goeverneur van Fiji, die een lang stuk voorlas in de Anglikaansche Zendingsconferentie in 1894, over het onderwerp "Undue Introduction of Western Ways". "In het midden van het dorp", merkte hij op in een aanhaling van een typisch geval (en betrekking hebbende niet op Fiji maar op Tonga), "is de kerk, een houten gebouw, dat op een schuur gelijkt. Als het Zondag is, vinden wij den inboorling-voorzanger, gekleed in een groenzwarte pandjesjas, een das, die eens wit geweest is, en een bril, die hij waarschijnlijk niet noodig heeft, preeken voor een gemeente, waarvan het mannelijk gedeelte gekleed is op een wijze, die veel gelijkt op zijn kleeding, terwijl de vrouwen zijn opgetooid met oude hoeden en mutsen, en vormelooze japonnen als badcostumes, of misschien met ouderwetsche crinolines. Invloedrijke stamhoofden en vrouwen van hooge geboorte, die in de kleeding van hun stam er uit zouden zien en er ook werkelijk uitzien, als leden eener natuurlijke aristocratie, maken door hun Zondagsopschik den indruk van vogelverschrikkers. Als een bezoek gebracht wordt aan de huizen van de stad, nadat het huiswerk van de menschen gedaan is, vindt men de familie op stoelen zitten, lusteloos en ongezellig, in een kamer vol rommel. In de huizen van de hoogere geestelijkheid onder de inboorlingen ziet men nog grooter naäperij van de manieren van het Westen. Daar vindt men stoelen met afschuwelijke antimacassars, smakelooze ronde van wol gemaakte kleedjes voor niet aanwezige bloempotten, en een massa leelijke, goedkoope en ordinaire porseleinen schoorsteenmantelversieringen, die, omdat er geen haard is en daarom geen schoorsteenmantel, in het gelid uitgestald worden op een wankel houten tafeltje. Het geheele leven van deze dorpsmenschen is een doellooze comedie. Zij vragen zich voortdurend af of zij ook een van de straffen oploopen, die staan op het inbreuk maken op de lange lijst van verbodsbepalingen, en of ze wel zóo leven als het past bij de buitenlandsche kleeren, die zij dragen. Hun gezichten hebben voor het merendeel een uitdrukking van norsche ontevredenheid, zij bewegen zich stil en vreugdeloos, opstandelingen in hun hart tegen den dwang, die hen drukt, maar dien zij toch niet durven afwerpen, gedeeltelijk uit een vage angst voor mogelijke wereldsche gevolgen, en gedeeltelijk omdat zij meenen dat zij geen goede Christenen meer zijn, als zij dat doen. Zij hebben goede reden voor hun ontevredenheid. Op den tijd, toen ik de dorpen bezocht, waar ik bijzonder het oog op heb, was het strafbaar met geldboete en gevangenisstraf om kleederen van het land te dragen, strafbaar bij geldboete en gevangenisstraf om lang haar te dragen of een guirlande van bloemen; strafbaar met geldboete en gevangenisstraf om te worstelen of bal te spelen; strafbaar met geldboete en gevangenisstraf om huizen te bouwen op de wijze der inboorlingen; strafbaar om niet een hemd en broek te dragen, en op sommige plaatsen ook jas en schoenen; en als bijvoeging tot wetten, die een strikte puriteinsche inachtneming van den Zondag eischen, was het strafbaar met geldboete en gevangenisstraf op Zondag te baden. Op sommige andere plaatsen was het baden op Zondag strafbaar met geeselslagen en voor zoover ik weet zijn vrouwen gegeeseld om geen andere overtreding. In zulke omstandigheden zijn de menschen rijp voor opstand en soms komt het tot opstand".

Een in het oog springend resultaat van het terugbrengen van het gevoel voor naaktheid tot een dwaze, maar gebiedende conventie is de neiging tot preutschheid. Deze is, zooals we weten, een vorm van nagemaakte zedigheid, die, omdat ze een conventie is, vatbaar is voor onbegrensde uitbreiding. Zij beperkt zich in het geheel niet tot moderne tijden of tot Christelijk Europa. De oude Hebreërs waren niet geheel vrij van preutschheid, en we vinden in het Oude Testament, dat door een merkwaardig euphemisme de sexueele organen dikwijls vermeld werden als "de voeten". De Turken zijn in staat tot preutschheid. En ook de oude Grieken. "Dion, de philosoof, vertelt ons", merkt Clemens van Alexandrië op (Stromates, Bk. IV, hoofdst. XIV) "dat een vrouw, Lysidica, door overmaat van kuischheid, baadde in haar kleeren, en dat Philotera, als zij op het punt was in het bad te gaan, langzamerhand haar tunica naar boven trok, als het water haar naakte deelen bedekte; en dat ze haar dan, langzamerhand overeind komende, weer aantrok". Geaffecteerde preutsche vrouwen werden gevonden onder de eerste Christenen, en haar manieren zijn beschreven door den heiligen Jeronimus in een van zijn brieven aan Eustochius: "Deze vrouwen", zegt hij, "spreken tusschen haar tanden, of met bij elkaar getrokken lippen, en met een lispelende tong, en zij spreken haar woorden maar half uit, omdat zij alles wat natuurlijk is beschouwen als onbeschaafd. Zulke vrouwen", verklaart Jeronimus, en hier overwint de philoloog in hem den asceticus, "bederven zelfs de taal". Ieder keer wanneer een kunstmatige "zedigheid" aan natuurvolken opgedrongen wordt, is er kans dat er preutschheid optreedt. Haddon beschrijft dit voor de inboorlingen van Straat Torres, waar zelfs de kinderen nu nog lijden onder overdreven preutschheid, hoewel zij vroeger geheel naakt en zonder schaamte waren (Cambridge Anthropological Expedition to Torres Straits, vol. V, p. 271).

De negentiende eeuw, die den triomf gezien heeft van schuchterheid en preutschheid in deze zaak, heeft ook de eerste vruchtbare kiem voortgebracht van nieuwe opvattingen van naaktheid. Tot zekere hoogte waren die belichaamd in de groote romantische beweging. Rousseau had niet speciaal den nadruk gelegd op de naaktheid als een element van den terugkeer tot de natuur, dien hij met zooveel invloed predikte. Een nieuwe wijze van voelen in deze zaak ontstond echter met karakteristieke buitensporigheid in sommige van de tijdperken der revolutie, terwijl in Duitschland in het baanbrekende Lucinde van Friedrich Schlegel, een karakteristieke figuur in de romantische beweging, een nog ongewone opvatting van het lichaam werd uitgebeeld op ernstige en waardige wijze.

In Engeland verkondigde Blake, met zijn vreemd en vurig genie, een mystieke leer, die in zich sloot de geestelijke verheerlijking van het lichaam en verachting voor de kleederliefde van beschaafde menschen ("Wat een modernen mensch aangaat", schreef hij, "als hij van zijn kleerenlast ontdaan is, dan is hij als een lijk"); terwijl later in Amerika, Thoreau en Burroughs nòg meer bepaald, een niet ongelijke boodschap over het noodzakelijke van het terugkeeren tot de natuur verkondigden.

Wij vinden het belang van het zien van het lichaam--hoezeer ook binnen enge grenzen, tot het vermijden van bedrog bij de voorbereidselen tot het huwelijk--uiteengezet al in de zestiende eeuw door Sir Thomas More in zijn Utopia, dat zoo rijk is aan nieuwe en vruchtbare ideeën. In Utopia vertoont, volgens Sir Thomas More, een gezeten en eerbare matrone de vrouw, of zij een meisje is of een weduwe, naakt aan den minnaar. En evenzoo vertoont een wijs en betrouwbaar man den minnaar naakt aan de vrouw. Over deze gewoonte lachten wij en keurden haar af als dwaas. Maar zij, van hun kant, verwonderen zich zeer over de dwaasheid van alle andere volken, die, als ze een paard koopen, waar een beetje geld op het spel staat, zoo zorgvuldig en voorzichtig zijn dat, al is het bijna naakt, zij het niet koopen willen tenzij het zadel en het geheele harnas afgenomen is, uit angst dat onder deze bedekkingen een of ander galgezwel of wonde verborgen zal zijn. En toch, bij het kiezen van een vrouw, die voor hen hun geheel verdere leven tot een genoegen of tot een verdriet zal zijn, zijn zij zoo roekeloos, dat, terwijl de geheele rest van het lichaam der vrouw bedekt is met kleeren, zij haar schatten naar nauwelijks een handbreedte (want zij kunnen niet meer zien dan haar gezicht) en haar zoo aan zich verbinden, niet zonder gevaar te loopen van veel ellende, als misschien later iets aan haar lichaam hen mocht hinderen of onaangenaam aandoen. Onder deze bedekking kan vreeselijke mismaaktheid verborgen zijn, zóo, dat het den man geheel van zijn vrouw kan vervreemden, en zijn liefde van haar afwenden als hun lichamen niet meer zullen mogen scheiden. Als zulk een misvorming door eenig toeval voorkomt, nadat het huwelijk voltrokken is, nu, dan is er geen ander middel dan geduld. Maar het zou goed zijn als er een wet werd gemaakt, waardoor al zulke bedriegerijen van tevoren vermeden werden.

De duidelijke opvatting van wat men noemen mag de geestelijke waarde van de naaktheid--geenszins van More's standpunt, maar als een deel van natuurlijke hygiëne in den ruimsten zin, en als een hooge en bijzondere wijze van beschouwen van de zuiverende en veredelende functie der schoonheid--is van veel later datum. Zij is niet duidelijk uitgedrukt vóór den tijd der Romantiek. Wij vinden haar uitmuntend uiteengezet in De l'Amour van Senancour (eerste uitgave, 1806; vierde en vermeerderde uitgave, 1834), dat nog een van de beste boeken blijft over de moraal der liefde. Na de opmerking gemaakt te hebben, dat naaktheid in het geheel niet kuischheid uitsluit, gaat hij voort nu en dan bij bepaalde gelegenheden gedeeltelijke of geheele naaktheid aan te raden. "Laten we ons eens voorstellen", zegt hij, eenigszins in den geest van Plato, "een land, waar bij zekere algemeene feesten de vrouwen absoluut vrij waren om bijna of geheel naakt te zijn. Dat bij het zwemmen, walzen, wandelen, zij, die dat wilden, ongekleed mochten blijven in de tegenwoordigheid van mannen. Zonder twijfel zouden de illusies van de liefde weinig gekend worden, en de hartstocht zou een vermindering van zijn hevigheid ondervinden. Maar is het de hartstocht, die in het algemeen de menschelijke dingen veredelt? Wij hebben behoefte aan eerlijke gehechtheid en teere genoegens, en die kunnen we allemaal krijgen, terwijl we toch nog ons gezond verstand bewaren.... Zulk een naaktheid zou daarmee overeenkomende instellingen eischen, streng en eenvoudig, en een grooten eerbied voor die conventies, die voor alle tijden gelden". (Senancour, De l'Amour, vol. 1, p. 314).

Van dien tijd af worden verwijzingen naar de waarde en wenschelijkheid van de naaktheid meer en meer veelvuldig in alle beschaafde landen, soms vermengd met sarcastische toespelingen op de valsche conventies, die wij in deze zaak geërfd hebben. Zoo schrijft Thoreau in zijn dagboek op den 12den Juni 1852, als hij kijkt naar de jongens, die in de rivier baden: "De kleur van hun lichamen in de verte is aangenaam om te zien. Ik hoor het geluid van hun geplas over het water klinken. Tot nu toe bestaat de mensch in de Natuur niet. Wat een eigenaardig feit zou het zijn voor een engel, die deze aarde bezocht, om op te teekenen in zijn notitieboekje, dat den menschen bij de strengste straffen verboden was hun lichamen te vertoonen".

Iwan Bloch bespreekt, in hoofdstuk VII van zijn Sexual Life of Our Time, deze kwestie van de naaktheid uit het moderne gezichtspunt en komt tot de conclusie: "Een natuurlijke opvatting van de naaktheid: dat is het wachtwoord van de toekomst. Al de hygiënische, aesthetische en moreele pogingen van onzen tijd wijzen in die richting".

Stratz, zooals iemand betaamt die zoo ijverig gewerkt heeft in de zaak van menschelijke gezondheid en schoonheid, zet prachtig het standpunt uiteen, waarop we tegenwoordig, wat deze zaak betreft, staan. Nadat hij er op gewezen heeft (Die Frauenkleidung, derde uitgave, 1904, p. 30) dat, in tegenstelling met de heidensche wereld, die naakte goden vereerde, het Christendom de idee ontwikkelde, dat naaktheid enkel sexueel was, en daarom immoreel, gaat hij voort: "Maar boven alles uit, schitterde op de hemelsche hoogten van het Kruis, het naakte lichaam van den Heiland. Onder deze bescherming heeft zich langzamerhand uit de verwarring van ideeën een nieuwe veranderde vorm van naaktheid losgemaakt na een langen strijd. Ik zou dit willen noemen artistieke naaktheid, want, evenals ze onsterfelijk gemaakt is door de oude Grieken door de kunst, zoo is ze ook onder ons tot nieuw leven gewekt door de kunst. Artistieke naaktheid is, in haar aard, veel hooger dan hetzij de natuurlijke of de sexueele opvatting van de naaktheid. Het eenvoudige natuurkind ziet in naaktheid niets bijzonders, de met kleeren gekleede mensch ziet in het ongedekte lichaam slechts een sexueele prikkeling. Maar op het hoogste standpunt keert de mensch bewust tot de natuur terug, en erkent hij, dat onder de vele bedekkingen van menschelijk maaksel verborgen is het mooiste schepsel, dat God gemaakt heeft. Het kan zijn, dat de een blijft staan in stille, eerbiedige bewondering voor den aanblik; en dat een ander zich gedrongen voelt om het na te bootsen en om aan zijn medemenschen te toonen, wat hij in dat heilig oogenblik gezien heeft. Maar beide genieten het zien van menschelijke schoonheid met volle bewustheid en verheven reinheid van gedachte".

Het was echter niet zoozeer aan deze meer geestelijke zijden, maar aan de zijde der hygiëne, dat de negentiende eeuw haar voornaamste praktische bijdrage leverde tot de nieuwe wijze van voelen jegens de naaktheid.

Lord Monboddo, de Schotsche rechter, een pionier voor vele moderne denkbeelden, had zich reeds in de achttiende eeuw de hygiënische waarde van "luchtbaden" duidelijk voor oogen gesteld, en hij heeft die nu gewone naam uitgevonden. "Lord Monboddo" zegt Boswell, 1777 (Leven van Johnson, uitgegeven door Hill, deel III, p. 168) "vertelde mij, dat hij iederen morgen om vier uur wakker werd, en dan voor zijn gezondheid opstond en naakt in zijn kamer rond wandelde, met het raam open, wat hij noemde "een luchtbad nemen"". Er wordt ook gezegd, ik weet niet op wiens gezag, dat hij iederen morgen zijn dochters een luchtbad liet nemen op het terras. Een ander bekend man van dezelfde eeuw, Benjamin Franklin, werkte soms naakt in zijn studeerkamer op hygiënische gronden, en maakte eens een dienstmeisje, naar men zegt, aan het schrikken, door zoo, onaangekleed, de deur te openen in een oogenblik van gedachteloosheid.

Rikli schijnt de apostel te zijn geweest van luchtbaden en zonnebaden, beschouwd als een systematische methode. Hij stichtte licht- en luchtbaden meer dan een halve eeuw geleden in Triëst en overal elders in Oostenrijk. Zijn motto was: "Licht, waarheid en vrijheid zijn de beweegkrachten, die voeren naar de hoogste ontwikkeling van physieke en moreele gezondheid". De mensch is geen visch, verklaarde hij; licht en lucht zijn de eerste voorwaarden voor een hoog georganiseerd leven. Zonnebaden voor de behandeling van een menigte verschillende ontredderde toestanden zijn nu algemeen ingesteld en de meeste systemen van natuurgeneeswijze hechten groote waarde aan licht en lucht, terwijl men in de geneeskunde algemeen begint te erkennen, dat die invloed geenszins kan worden verwaarloosd. Dr. Fernand Sandoz zet in zijn Introduction à la Thérapeutique Naturiste par les agents Physiques et Dietétiques (1907) zulke methoden zeer begrijpelijk uiteen. In Duitschland zijn zonnebaden in ruimen kring gewoon geworden; zoo schrijft Lenkei (in een geschrift, dat geresumeerd wordt in de British Medical Journal, Oct. 31, 1908) ze met veel succes voor bij tuberculose, rheumatische aandoeningen, gezetheid, bloedeloosheid, neurasthenie, enz. Hij houdt het er voor, dat hun eigenaardige waarde ligt in de inwerking van het licht. Professor J. N. Hyde, van Chicago, gelooft zelfs ("Licht-honger in de voortbrenging van Psoriasis", British Medical Journal, Oct. 6, 1906), dat psoriasis veroorzaakt wordt door gebrek aan zonlicht, en het best genezen kan worden door het toepassen van licht. Deze meening, die echter niet algemeen aangenomen is in haar onvermengden vorm, steunt hij vindingrijk door het feit, dat psoriasis neiging heeft zich te vertoonen op de meest blootgestelde deelen van het lichaam, waarvan men denken kan, dat ze van nature de grootste hoeveelheid licht krijgen en noodig hebben, en door de afwezigheid van de ziekte in heete landen en onder de negers.

De hygiënische waarde van naaktheid blijkt uit de robuste gezondheid van de natuurvolken, de geheele wereld door, die naakt loopen. De kracht van de Ieren heeft men ook in verband gebracht met het feit, dat (zooals de Itinary van Fynes Morrison aantoont) beide seksen, zelfs onder personen van hooge maatschappelijke klasse gewend waren naakt te loopen, behalve dat ze een mantel droegen, vooral in de meer afgelegen gedeelten van het land, nog in de zeventiende eeuw. Overal waar de primitieve rassen de naaktheid plaats laten maken voor kleeding, neemt tevens de neiging tot ziekte, sterfte en degeneratie opmerkelijk toe, hoewel we niet moeten vergeten, dat het gebruik van kleederen gewoonlijk samengaat met de invoering van andere slechte gewoonten. "Naaktheid is de eenige toestand, die krachtige en gezonde natuurvolken gemeen hebben; op ieder ander punt misschien verschillen zij", merkt Frederik Boyle op in een geschrift ("Natuurvolken en kleederen", Monthly Review, Sept. 1905) waarin hij veel bewijsgronden bijeenbrengt voor het hygiënisch voordeel van den natuurlijken menschelijken staat, waarin de mensch "geheel aangezicht is".

Het is in Duitschland geweest, dat een terugkeer tot de naaktheid met verstand en kracht is aangeraden, voornamelijk door Dr. H. Pudor in zijn Nackt-Cultur, en door R. Ungewitter in Die Nacktheit (het eerst gepubliceerd in 1905), een boek, dat in ruimen kring gecirculeerd heeft in vele edities. Deze schrijvers raden met enthousiasme de naaktheid aan, niet alleen op hygiënische, maar op moreele en artistieke gronden. Pudor beweert speciaal met nadruk, dat "naaktheid, zoowel in gymnastiek als in sport, een methode is van genezing en een methode van herleving"; hij raadt co-educatie aan bij deze naakt-cultuur. Ofschoon hij groote eischen stelt aan de naaktheid--daar hij meent dat al de naties, die deze eischen in den wind geslagen hebben, snel achteruit zijn gegaan--is Pudor minder hoopvol dan Ungewitter met betrekking tot een spoedige overwinning over de vooroordeelen die aan de naakt-cultuur in den weg staan. Hij vindt, dat de onmiddellijke taak opvoeding is, en dat een praktisch begin het best kan gemaakt worden met den voet, die vooral behoefte heeft aan hygiëne en oefening; een groot deel van het eerste deel van zijn boek is gewijd aan den voet.

Daar de kwestie tegenwoordig beschouwd wordt door die opvoedkundigen, die evenzeer gevoelen voor hygiënische als voor sexueele overwegingen, worden de eischen van de naaktheid, voor zoover het jonge menschen betreft, beschouwd als een deel van de physieke en moreele hygiëne. De vrije aanraking van het naakte lichaam met lucht, water en licht, komt ten goede aan de gezondheid van het lichaam; gemeenzaamheid met het zien van het lichaam neemt kleingeestige begeerten weg, ontwikkelt het schoonheidsgevoel en komt ten goede aan de schoonheid van de ziel. Deze dubbele beschouwing van de zaak heeft ongetwijfeld veel gewicht in de schaal gelegd bij die leeraars, die nu gewoonten goedkeuren, die een paar jaar geleden, haastig veroordeeld zouden zijn als "indecent". Er is ook nog een groot verschil in meening over de grenzen, tot welke de gewoonte van naaktheid kan doorgevoerd worden, en ook over den leeftijd, waarop zij beperkt moet worden. Het feit, dat de volwassen generatie van heden opgegroeid is onder den invloed van den ouden afschuw van de naaktheid, is een onvermijdelijke hinderpaal voor alle mogelijke revolutionaire veranderingen in deze kwesties.

Maria Lischnewska, een van de bekwaamste voorstandsters van de methodische inlichting aan kinderen in sexueele zaken (op. cit.), stelt helder voor oogen, dat een gezonde houding tegenover het lichaam de grondslag is van een goede opvoeding voor het leven. Zij bevindt, dat het voornaamste bezwaar, dat men voor zulk een opvoeding ontmoet, is "de afschuw van den beschaafden mensch voor zijn eigen lichaam". Zij toont aan, dat er geen twijfel aan kan zijn, dat zij, die bezig zijn met de moeilijke taak te werken in de richting van het afschaffen van dien bijgeloovigen afschuw, een moreele taak van het grootste belang op zich genomen hebben.

Walter Gerhard wijst er op, in een wel doordacht en verstandig geschrift over de opvoedkundige kwestie ("Ein Kapitel zur Erziehungsfrage", Geschlecht und Gesellschaft, vol. 1, Heft 2), dat het de volwassene is, die opvoeding noodig heeft in deze zaak--evenals in zooveel andere zaken van sexueele inlichting--aanmerkelijk meer dan het kind. Ouders voeden hun kinderen van de eerste jaren af op in preutschheid, en vleien zich te vergeefs, dat zij daardoor hun kuischheid en moraal hebben vermeerderd. Hij vermeldt zijn eigen vroege leven in een tropisch land en het gewend zijn aan naaktheid van den beginne. "Niet voordat ik naar Duitschland kwam, toen ik bijna twintig jaar was, kwam ik tot de ontdekking, dat het menschelijk lichaam indecent is, en dat het niet vertoond moet worden omdat het "verkeerde aandriften zou wekken". Niet voordat het menschelijk lichaam geheel aan mijn gezicht onttrokken was en nadat mij voortdurend verteld was, dat er iets onfatsoenlijks achter kleeren verborgen was, heb ik dat kunnen begrijpen.... Tot dat oogenblik had ik niet geweten dat een naakt lichaam, door het enkele feit van de naaktheid, erotische gevoelens kon opwekken. Ik had erotische gevoelens gekend, maar die waren niet ontstaan door het zien van het naakte lichaam, maar waren langzamerhand opgebloeid uit de vereeniging van onze zielen". En hij trekt de eindconclusie dat, al was het alleen maar om de wille van onze kinderen, wij moeten leeren ons zelf op te voeden.

Forel (Die sexuelle Frage, p. 140), spreekt in geheel denzelfden geest als Gerhard en merkt op, dat preutschheid in kinderen kan worden gekweekt of tegen gegaan. Ze kan gekweekt worden door overmatigen angst bij het bedekken van hun lichamen en het verbergen voor hen van de lichamen van anderen. Ze kan tegen gegaan worden door hen zich voor oogen te doen stellen, dat er niets in het lichaam is, dat onnatuurlijk is en waar wij ons over behoeven te schamen, en ook door het baden van de seksen te zamen aan te moedigen. Hij wijst (p. 512) op de voordeelen van het bekend geraken van kinderen met de volwassen vormen, die zij eens zullen aannemen, en hij veroordeelt het gedrag van die dwaze personen, die denken, dat kinderen reeds de erotische gevoelens van volwassenen over het lichaam bezitten. Dat is zoo ver er vandaan het geval te zijn, dat kinderen dikwijls niet in staat zijn het geslacht van andere kinderen te onderkennen, afgescheiden van hun kleeren.

Op het Mannheimer Congres van de Duitsche Vereeniging ter Bestrijding van Venerische Zieken, speciaal gewijd aan sexueele hygiëne, vermeldden de sprekers steeds weer de noodzakelijkheid van het gemeenzaam zijn met het naakte lichaam. Zoo leggen Eulenburg en Julian Marcuse den nadruk op het belang van luchtbaden, niet alleen om de physieke gezondheid van de jonge menschen, maar in het belang van een rationeele sexueele oefening. Höller, een onderwijzer, die op hetzelfde congres spreekt (op cit. p. 85) gaat, nadat hij aangedrongen heeft op het gemeenzaam zijn met het naakt in kunst en literatuur, en na geprotesteerd te hebben tegen het pasklaar maken van gedichten voor jonge menschen, voort: "Door bepalingen over zwembroekjes is nog nooit een ziel van moreelen ondergang gered. Iemand, die geleerd heeft, in vrede het naakt in de kunst te genieten, wordt door het naakt in de natuur alleen aangedaan als door een kunstwerk". Enderlin, een ander onderwijzer, die in denzelfden geest spreekt (p. 58), wijst er op, dat naaktheid niet sexueel of immoreel op het kind werken kan, omdat de sexueele aandrift nog niet duidelijk uitgesproken is, en hoe eerder hij ingeleid wordt in het naakt in de natuur en in de kunst, des te minder hebben natuurlijk de sexueele gevoelens neiging zich vroegtijdig te ontwikkelen. Het kind wordt zoodoende immuun tegen onreine invloeden, zoodat later, wanneer voorstellingen van het naakt tot hem gebracht worden met de bedoeling zijn lichtzinnigheid op te wekken, zij niet bij machte zijn hem kwaad te doen. Het is voor het gemeenzaam zijn met het naakt in de kunst van belang, dat ze op school onderwezen wordt, want de meesten van ons moeten, zooals Siebert opmerkt, reinheid leeren door de kunst.

Naaktheid bij het baden, merkt Bölsche op in zijn Liebesleben in der Natur (vol. III, pp. 139 et seq.) hebben wij reeds eenigermate; wij hebben er behoefte aan in lichaamsoefeningen, eerst voor de beide seksen afzonderlijk; dan, als wij aan het idee gewend geraakt zijn, voor beide geslachten te zamen. We moeten verkrijgen de macht om de lichamen van individuen van de andere sekse te zien met zooveel zelfbeheersching en zulk een natuurlijk instinct, dat zij voor ons on-erotisch worden en dat we ze kunnen aanzien zonder erotische gevoelens. Kunst, zegt hij, toont ons, dat dit mogelijk is in de beschaving. Wetenschap, voegt hij er aan toe, komt hetzelfde gezichtspunt te hulp.

Ungewitter (Die Nacktheit, p. 57) raadt ook aan, jongens en meisjes te zamen bezig te houden met spelen en lichaamsoefeningen, geheel naakt in luchtbaden. "Op deze wijze", meent hij, "zou het gymnasium een school voor moraal worden, waar jonge menschelijke wezens in staat zouden zijn hun reinheid zoolang mogelijk te bewaren door het aan elkander gewoon geraken. Meteen zouden hun lichamen gehard worden en ontwikkeld en de vatbaarheid voor het waarnemen van schoone en natuurlijke vormen gewekt". Voor hen, die "moreele" twijfelingen hebben over de zaak, vermeldt hij de gewoonte in ver verwijderde landelijke districten van jongens en meisjes, die te zamen geheel naakt baden en dit zonder eenig sexueel bewustzijn. Rudolf Sommer raadt eveneens aan, in een uitmuntend artikel getiteld "Mädchenerziehung oder Menschenbildung?" (Geschlecht und Gesellschaft, Bd. i, Heft 3), dat kinderen gewend moeten worden aan elkanders naaktheid al in de vroege jeugd in het familieleven van huis en tuin, bij spelen en voornamelijk bij het baden; hij merkt op, dat ouders, die kinderen hebben van éen sekse alleen, om de wille van hun kinderen intieme verhoudingen moeten zoeken met een familie, die kinderen hebben van denzelfden leeftijd van het andere geslacht, zoodat ze te zamen kunnen opgroeien.

Het is nauwelijks noodig er bij te voegen, dat het cultiveeren van de naaktheid altijd moet samengaan met eerbied voor de natuurlijke instincten van ingetogenheid. Als de gewoonte van naaktheid de jonge menschen er toe bracht een verminderden eerbied te ondervinden voor hun eigen persoonlijkheid of voor die van andere menschen, dan zouden de voordeelen te duur gekocht zijn. Dit is voor een deel een zaak van gezond instinct, voor een deel van verstandige oefening. Wij weten nu, dat de afwezigheid van kleederen weinig verband houdt met de afwezigheid van ingetogenheid, en dat het verband, dat er is, van omgekeerde orde is, want de natuurvolken, die naakt loopen, zijn gewoonlijk meer ingetogen dan zij, die kleederen dragen. Het gezegde, aangehaald door Herodotus in de oude Grieksche wereld, dat "Een vrouw haar ingetogenheid aflegt met haar hemd" was een geliefkoosde tekst van de Christelijke Vaders. Maar Plutarchus, die ook een moralist was, had reeds daartegen geprotesteerd aan het einde van de Grieksche wereld: "In het geheel niet", verklaarde hij, "zij, die ingetogen is, kleedt zich in haar ingetogenheid, als zij haar tunica aflegt". "Een vrouw kan naakt zijn", zooals Mrs. Bishop, de reizigster, tot Dr. Baelz, in Japan, opmerkte, "en toch zich als een dame gedragen" [43].

De kwestie is gecompliceerd bij ons, omdat ingestelde tradities van streng verbergen een verhitheid gekweekt hebben, die een aanstootelijke beleediging is voor naakte ingetogenheid. In vele landen, waar de vrouwen gewoon zijn bijna of geheel naakt te zijn in tegenwoordigheid van hun eigen landgenooten, daar bedekken zij zich zoodra zij zich bewust worden van de begeerige, onderzoekende blikken van Europeanen. Stratz vermeldt dit overheerschen van dezen impuls van beleedigde kuischheid in Japan, en zegt, dat hij zelf die niet verwekte, alleen omdat hij dokter was en bovendien lang in een ander land (Java) gewoond had, waar de gewoonte van naaktheid ook overheerschend is [44]. Zoolang als deze onnatuurlijke verhitheid bestaat, wordt een vrije, onvermengde naaktheid moeilijk gemaakt.

Ingetogenheid is echter niet de eenige natuurlijke aandrift, die in beschouwing komt met betrekking tot de gewoonte van de naaktheid. Het schijnt waarschijnlijk, dat bij het kweeken van de gewoonte van naaktheid wij niet alleen een moreel en hygiënisch voorschrift ten uitvoer brengen, maar dat wij wettig vrij baan geven aan een instinct, dat op sommige tijden van het leven, vooral in de jeugd, spontaan en natuurlijk is en misschien zelfs gezond gebaseerd op de tradities van het ras in de sexueele keuze. Onze strenge conventies maken het voor ons onmogelijk de wetten der natuur te ontdekken, daar wij ze al dadelijk verstikken. Het kan wel zijn, dat er een rythmische harmonie en overeenkomst is tusschen impulsen van ingetogenheid en impulsen van ijdelheid, hoewel wij ons best gedaan hebben om de natuurlijke wet te verbergen onder onze domme en perverse bij-wetten.

Stanley Hall, die den nadruk legt op het belang van de naaktheid merkt op, dat wij met de puberteit alle reden hebben, om aan te nemen, dat in den natuurlijken staat er een zekere instinctieve trots is en neiging tot vertoonen, die de nieuwe plaatselijke ontwikkeling vergezelt, en hij haalt de opmerking aan van Dr. Seerley, dat de impuls om de sexueele deelen te verbergen vooral sterk is bij jonge mannen, die slecht ontwikkeld zijn, maar dat hij niet merkbaar is bij hen, die meer dan middelmatig ontwikkeld zijn. Stanley Hall (Adolescence, vol. II, p. 97) maakt ook melding van de veelvuldigheid, waarmee niet alleen "deugdzame jonge mannen, maar zelfs vrouwen, min of meer genieten van de gelegenheden, waarbij zij de schoonheid van hun vormen kunnen vertoonen zonder terughouding, niet alleen aan hen zelven en aan menschen die zij lief hebben, maar ook onder goede voorwendsels, aan anderen".

Velen hebben ongetwijfeld deze neiging opgemerkt, vooral bij vrouwen, en vooral bij haar, die zich bewust zijn van een mooie physieke ontwikkeling. Madame Céline Renooz meent, dat de neiging overeenkomt met een diepgeworteld instinct bij vrouwen, dat zich weinig of niet bij mannen openbaart, die daarom getracht hebben hun eigen mannelijke opvattingen van kuischheid aan de vrouwen op te dringen. "In het werkelijk leven van het jonge meisje tegenwoordig is een oogenblik, waarop zij met een verborgen atavisme de trots van haar geslacht voelt, de intuïtie van haar moreele meerderheid en dat zij niet begrijpen kan, waarom zij de oorzaak ervan moet verbergen. Op dit oogenblik weet zij, geslingerd tusschen de wetten der Natuur en van maatschappelijke conventies, ternauwernood of de naaktheid haar moet afschrikken of niet. Een soort van verwarde atavistische herinnering brengt haar in herinnering een tijd voordat kleederen bekend waren, en openbaart haar als een ideaal uit het paradijs de gewoonten van dat menschelijk tijdperk". (Céline Renooz, Psychologie Comparée de l'Homme et de la Femme, pp. 85-87). Misschien werd dit duister gevoeld door het Duitsche meisje (vermeld in Kalbeck's Life of Brahms), dat zeide: "Men geniet tweemaal zooveel van muziek als men gedécolleteerd is".

Van het standpunt, waarmee we hier voornamelijk te doen hebben, zijn er drie wegen, waarop het cultiveeren van naaktheid--voor zoover ze toegestaan is door de publieke opinie--neiging heeft invloed uit te oefenen: 1. Ze is een belangrijk element bij de sexueele hygiëne van jonge menschen, die een gezonde kennis en gebrek aan nieuwsgierigheid invoert in een sfeer, die eens overgegeven was aan preutschheid en verhitheid. 2. Het effect van naaktheid is gunstig voor hen, die wat ouder zijn ook, in zoover ze er toe leidt om het gevoel voor schoonheid aan te kweeken en tonische en troostende invloeden te verschaffen van natuurlijke kracht en bekoring. 3. De gewoonte van naaktheid heeft, bij haar begin tenminste, een dynamischen psychologischen invloed ook op de moraal, een invloed, die uitgeoefend wordt in het stellen van een krachtige en positieve moraal in de plaats van de enkel negatieve en schuchtere moraal, die in deze sfeer geheerscht heeft.

Misschien zijn er niet veel volwassenen, die zich duidelijk voor oogen stellen de intense en heimelijke concentratie van de gedachten van veel jongens en sommige meisjes op het probleem van den lichaamsbouw van het andere geslacht, en den tijd, het geduld, en de intellectueele energie, die zij bereid zijn te besteden aan de oplossing van het probleem. Dit wordt meest in het geheim gedaan, maar niet zelden vertoont de verborgen aandrang zich met een plotseling geweld, dat in de blinde oogen der wet beschouwd wordt als een misdaad. Een Duitsch rechtsgeleerde, Dr. Werthauer, heeft onlangs geconstateerd, dat, als er een voldoende mate van bekendheid was met de natuurlijke organen en de functies van het andere geslacht, dan negentig percent van de onzedelijke daden van jonge mannen met meisjes zouden verdwijnen, want in de meeste gevallen zijn dat geen aanvallen, maar alleen het onschuldig, hoewel onbedwingbaar resultaat van een onderdrukte natuurlijke nieuwsgierigheid. Het is volkomen waar, dat niet weinig kinderen moedig elkanders medewerking inroepen bij het vaststellen van de zaak en dat zij haar oplossen tot elkander's wederkeerige tevredenheid. Maar zelfs dit is niet geheel voldoende, want het doel wordt niet openlijk bereikt en op een gezonde wijze, met een gepaste onderschikking van wat specifiek sexueel is, maar met een bewustheid van verkeerd-doen en een uitsluitende opmerkzaamheid op het enkele physieke feit, dat onmiddellijk leidt tot sexueele opwinding. Als gemeenzaamheid met het naakte lichaam van het andere geslacht openlijk verkregen wordt en zonder gevoel van ongepastheid, bij werk of bij spel, in lichaamsoefening en gymnastiek, bij het loopen en bij het baden, van de eerste jaren van het kind af, dan gaan geen ongezonde resultaten samen met de kennis van de essentieele feiten van physieken bouw, die op zulk een wijze natuurlijk verkregen zijn. De verhitheid en de preutschheid, die gelijkelijk het sexueele leven in het verleden vergiftigd hebben, zijn evenzeer onmogelijk gemaakt.

Naaktheid heeft echter een hygiënische waarde, zoowel als een specifiek geestelijke beteekenis, zich uitstrekkende ver over den invloed ervan om de natuurlijke nieuwsgierigheid te doen bedaren van jonge menschen of om te werken als een voorbehoedmiddel tegen ziekelijke emotie. Zij is een inspiratie voor volwassenen, die al lang iedere jeugdnieuwsgierigheid zijn ontgroeid. Het zien van den essentieelen en eeuwigen menschelijken vorm, het ding dat ons het naast is in de geheele wereld, met zijn kracht en zijn schoonheid en zijn bevalligheid, is een van de machtigste opwekkingsmiddelen van het leven. "De macht van een vrouwenlichaam is niet méer lichamelijk", zeide James Hinton, "dan de macht van muziek een macht is van trillingen van de atmosfeer. Het is meer dan al de mooie en opwekkende dingen in de wereld, dan bloemen of sterren of de zee. De geschiedenis en de legende en de mythe openbaren ons den heiligen en ontzagwekkenden invloed van de naaktheid, want, zooals Stanley Hall zegt, naaktheid is altijd een talisman geweest van wonderbare macht bij menschen en goden". Hoe hevig verlangen de menschen naar het gezicht van het naakte lichaam--zelfs nu nog, nu geslachten achtereen ons het begrip ingeprent hebben, dat het onfatsoenlijk en zelfs walgelijk is--ziet men uit de begeerigheid, waarmee zij den aanblik zoeken van zelfs haar onvolkomen en bedriegelijke vormen, ofschoon deze zeker een koppige en prikkelende eigenschap hebben, die nooit kan gevonden worden in de pathetische eenvoud van naakte schoonheid. Het was een ander schouwspel, toen de koninginnen van het oude Madagascar op het jaarlijksche Fandroon, of badfeest, haar koninklijke kleeren ter zijde legden en terwijl haar onderdanen het voorplein van het paleis vulden, de marmeren trappen naar het bad afdaalden in volkomen naaktheid. Als wij onze conventies wat kleeding betreft streng maken, dan maken wij meteen open hof voor de wellust en wij ontzeggen ons een van de voornaamste opwekkingsmiddelen van het leven.

"Ik had eens een wanhopig gevoel en wandelde somber langs een straat in Melbourne", schrijft de Australische schrijver van een nog onuitgegeven autobiographie, "toen er drie kinderen uit een steeg kwamen loopen en in het volle daglicht den weg overstaken. De schoonheid en het weefsel van hun beenen in de open lucht vervulden mij met vreugde, zoodat ik al mijn ellenden vergat bij het kijken naar hen. Het was een lichtende openbaring, een onverwachte glimp van het paradijs, en ik heb nooit opgehouden dankbaar te zijn voor de gelukkige combinatie van vorm, zuiver bloed en fijne huid van deze arme kinderen, want de wind scheen hun gouden schoonheid te verhoogen, en ik behield het rozeroode visioen van hun natuurlijke ledematen die zooveel goddelijker zijn dan wanneer ze altijd onder bedekking gehouden worden. Een andere gelegenheid, waarbij naakte jonge ledematen mij al mijn somberheid en mijn gedruktheid deden vergeten, was bij mijn eerste bezoek aan Adelaide. Ik kwam een naakten jongen tegen, die bij het bad tegen het hekwerk leunde en de schoonheid van zijn gezicht, zijn romp en zijn mooie jonge ledematen en prachtige voeten vervulde mij met vreugde en vernieuwde hoop. De tranen kwamen mij in de oogen, en ik zeide tot mij zelf: "Zoolang er schoonheid in de wereld is, zal ik voortgaan te strijden"."

Wij moeten, zooals Bölsche verklaart (loc. cit.), ons gewennen het menschelijk lichaam te beschouwen precies zooals wij een mooie bloem beschouwen, niet alleen met het medelijden, waarmee de dokter het lichaam beziet, maar met vreugde in zijn kracht en gezondheid en schoonheid. Want een bloem, zooals Bölsche er naar waarheid bijvoegt, is niet alleen "naakt lichaam", zij is het heiligste deel van het lichaam, het sexueele orgaan van de plant.

"Voor meisjes is de eenige, waarlijk reine vorm van dansen, naakt te dansen", zegt Hinton, "en te zijner tijd zal het dus zoover komen. Dit is zeker: meisjes zullen naakt dansen en mannen zullen rein genoeg zijn om er naar te kijken". Het is al zoo geweest in Griekenland, merkt hij elders op, zooals het nu in Japan is (zooals onlangs beschreven is door Stratz). Het is bijna veertig jaar geleden sedert deze prophetische woorden geschreven werden, maar Hinton zelf zou waarschijnlijk verwonderd zijn over de vorderingen, die al gemaakt zijn, langzaam (want alle ware vorderingen moeten langzaam zijn) naar dit doel. Zelfs op het tooneel beginnen nieuwe en natuurlijker tradities in Europa overheerschend te worden. Het is nog niet vele jaren geleden, dat een Engelsche actrice als laster beschouwde het zeggen dat zij op het tooneel verscheen met bloote voeten, en dat zij een aanklacht uitbracht wegens laster, waarmee ze groote schadevergoeding kreeg. Zulk een resultaat zou nu niet wel mogelijk wezen. De beweging, waarin Isidora Duncan een pionier geweest is, heeft geleid tot een gedeeltelijk in onbruik geraken onder danseressen van de hinderlijke vinding van tricots, en het wordt niet langer als onfatsoenlijk beschouwd vele deelen van het lichaam te vertoonen, die het vroeger gewoonte was te bedekken.

We moeten hier echter meteen aan toevoegen dat danseressen, voor zoover zij echte artiesten zijn, recht hebben de voorwaarden te bepalen die het gunstigst zijn voor haar kunst, maar dat er niets hoegenaamd gewonnen wordt voor de zaak van een gezonde naakt-cultuur door de "levende beelden" en "levende schilderijen" die in de laatste jaren in alle landen in de mode zijn geweest. Het kan zijn dat ze gewettigd zijn, als vertooningen in Cafés Chantants, maar zij hebben niets hoegenaamd uit te staan met natuur noch met kunst. Dr. Pudor, die schrijft als een van de eerste apostels van de naakt-cultuur, heeft energiek tegen deze vertooningen geprotesteerd (Sexual-Probleme, Dec. 1908, p. 828). Hij wijst er terecht op dat naaktheid, om gezond te zijn, behoefte heeft aan open lucht, aan weiden en zonlicht, en dat naaktheid bij avond, in een café-chantant bij kunstlicht, in tegenwoordigheid van toeschouwers, die zelf gekleed zijn, geen element van moraal in zich heeft. Hier en daar zijn rustig pogingen gedaan om een zekere mate van wederzijdsche naaktheid aan te kweeken, zooals tusschen de seksen op afgelegen landelijke uitstapjes. Het is van beteekenis een verslag van zulk een proef te vinden in Die Nacktheit van Ungewitter. In dit geval ging een gezelschap menschen, mannen en vrouwen, geregeld elken Zondag afgelegen plaatsen in het bosch opzoeken of weilanden, waar ze zich dan legerden, picnicten en spellen deden. "Zij maakten het zich zoo gemakkelijk als ze konden, de mannen deden hun jassen uit, hun vesten, schoenen en sokken; de vrouwen haar blouses, rokken, schoenen en kousen. Langzamerhand, naarmate de moreele opvatting van naaktheid zich ontwikkelde in hun geest, viel meer en meer kleeding weg, totdat de mannen niets meer droegen dan een zwembroek en de vrouwen alleen maar haar hemd. In deze kleeding werden gezamenlijk spelen gehouden en een echt kampleven werd geleid. De dames (waarvan sommige ongetrouwd waren) lagen dan in hangmatten en de mannen op het gras en het gesprek was heerlijk. Wij voelden ons als leden van een familie en gedroegen ons als zoodanig. Op een geheel natuurlijke en onbelemmerde wijze gaven wij ons geheel over aan de vrijmakende gevoelens, die opgewekt werden door dit licht- en luchtbad, en wij brachten deze heerlijke uren door met vroolijk zingen en dansen, op lichtzinnig kinderlijke wijze, bevrijd van den last van een valsche beschaving. Het was natuurlijk noodig plaatsen te zoeken, die zoo ver mogelijk verwijderd waren van de hoofdwegen, uit angst van gestoord te worden. Terzelfder tijd schoten wij geenszins tekort in natuurlijke zedigheid en égards voor elkander. Kinderen, die geheel naakt kunnen loopen, kunnen permissie krijgen deel te nemen aan zulke bijeenkomsten van volwassenen, en zullen zoodoende opgevoed worden, vrij van ziekelijke preutschheid". (R. Ungewitter, Die Nacktheit, p. 58).

Ongetwijfeld is het ideaal in deze zaak, de mogelijkheid volkomen naaktheid toe te staan. Dit kunnen we wel toegeven, en het is ongetwijfeld waar, dat onze strenge politie-verordeningen er veel toe bijdragen om kunstmatig een verbergen te bevorderen in deze zaak, dat niet gegrond is op eenig natuurlijk instinct. Dr. Shufeldt vertelt in zijn Studies of the Human Form, dat hij eens bij een tocht, ondernomen om te photografeeren, in de bosschen twee jongens tegenkwam, die naakt waren op een zwembroek na, en die bezig waren in een vijver waterlelies te plukken. Hij vond hen een goed onderwerp voor zijn photografietoestel, maar zij konden er niet toe gebracht worden om hun broek uit te trekken, in het geheel niet uit zedigheid of nagemaakte zedigheid, maar eenvoudig omdat ze bang waren, dat ze mogelijk zouden worden gepakt en gearresteerd. Wij moeten erkennen, dat op het tegenwoordig oogenblik het algemeene gevoelen nog niet voldoende opgevoed is om publieke veronachtzaming toe te staan van de conventie de sexueele centra te bedekken, en alle pogingen om de grenzen van de naaktheid te verwijden moeten voldoende eerbied toonen voor dezen eisch. Wat vrouwen aangaat, heeft Valentine Lehr van Freiburg in Bresgau een kleeding uitgevonden (uitgebeeld in Die Nacktheit van Ungewitter) die geschikt is voor publieke waterbaden of luchtbaden beide, omdat ze tegemoet komt aan den eisch van hen wier minimum-eisch is, dat de voornaamste sexueele centra van het lichaam in het publiek bedekt moeten zijn, terwijl er overigens nog al bezwaren tegen aan te voeren zijn. Ze bestaat uit twee deelen, gemaakt van poreuze stof, een deel dat de borst bedekt met een band over de schouders, en het andere, dat het onderlijf bedekt onder den navel en tusschen de beenen getrokken is. Dit minimale costuum, dat noch ideaal, noch æsthetisch is, bedekt voldoende de sexueele deelen van het lichaam, terwijl het de armen, het middel, de heupen en de beenen geheel vrij laat.

Dan blijft er ten slotte de moreele beschouwing van de naaktheid. Hoewel hierop door velen gedurende de laatste halve eeuw de nadruk is gelegd, is zij nog vreemd aan de meerderheid. Het menschelijk lichaam kan nooit een zaak zonder beteekenis zijn. De wijze opvoeder moge toezien, dat jongens en meisjes opgevoed worden in een natuurlijke en gezonde gemeenzaamheid met elkaar, maar een zekere angst en schoonheid moeten altijd verbonden zijn met de beschouwing van het lichaam, een gemengde aantrekking en afstooting. Omdat het deze kracht heeft, roept het natuurlijk de deugd te voorschijn van hen, die deelnemen aan het schouwspel en maakt ieder week toegeven aan gemoedsbeweging onmogelijk. Zelfs als wij toegeven, dat het zien van naaktheid den hartstocht oproept, dan is het nog een oproep, die de veredelende hoedanigheden van zelfbeheersching te voorschijn brengt. Het is maar een armoedig soort van deugd, die gelegen is in het vluchten in de woestijn voor dingen, waarvan we vreezen, dat ze verleiding in zich hebben. Wij moeten leeren, dat het zelfs nog erger is te trachten een woestijn om ons heen te scheppen in de beschaving. Wij zouden niets zonder hartstochten kunnen doen, zelfs al wilden we dat; de rede, zegt Holbach, is de kunst de juiste hartstochten te kiezen, en opvoeding de kunst die te zaaien en te kweeken in de harten der menschen. Het zien van de naaktheid heeft zijn moreele waarde daarin, dat het ons leert te genieten van wat we niet kunnen bezitten, een les, die een hoofdbestanddeel is van het trainen voor iedere soort van mooi maatschappelijk leven. Het kind moet leeren naar bloemen te kijken en ze niet te plukken; de man moet leeren naar de schoonheid van een vrouw te kijken en niet te begeeren ze te bezitten. De vreugdevolle overwinning over die "erotische kleptomanie", zooals Ellen Key terecht gezegd heeft, geeft blijk van het bloeien van een mooie beschaving. Wij denken dat de overwinning moeilijk, zelfs onmogelijk is. Maar dat is niet waar. Deze aandrift heeft, evenals andere menschelijke aandriften, neiging zich onder natuurlijke omstandigheden matig en gezond te ontwikkelen. Wij drukken ze dom en ruw naar beneden, en dan wordt ze gedreven in de twee onnatuurlijke uitersten van onderdrukking en uitspatting, waarvan het eene uiterste even verkeerd is als het andere.

Voor hen, die opgevoed zijn onder slechte condities, mag het inderdaad hopeloos schijnen te trachten op te klimmen tot de hoogte van de Grieken en de andere fijner aangelegde volken van de oudheid, in het erkennen van de moreele, zoowel als de paedagogische, hygiënische en aesthetische voordeelen [45] van het toelaten in het leven van het schouwspel van het naakte lichaam. Maar als we dat niet doen, dan binden we ons zelf hopeloos vast op den weg van de beschaving, wij berooven ons tegelijk van een bron van moreele kracht en van vreugdevolle inspiratie. Juist zooals Wesley eens vroeg waarom de duivel al de beste melodieën moest hebben, zoo beginnen de menschen zich af te vragen, waarom het menschelijk lichaam, de goddelijkste melodie in de beste oogenblikken die de schepping heeft opgeleverd, het deel zou mogen worden van hen, die pleizier hebben in het obscene. En sommigen zijn er voorts van overtuigd, dat zij door ze in te brengen aan den kant van reinheid en kracht een zeer machtig bolwerk oprichten tegen het indringen van een slechte opvatting van het leven en de daarop volgende verlaging van het geslacht. Dit zijn overwegingen, die we niet langer buiten beschouwing kunnen laten, hoe groot de tegenstand ook zij, die zij verwekken onder hen die niet nadenken.

"De menschen zijn bang, dat zulke dingen de hartstochten zullen opwekken", merkt Edward Carpenter op. "Er is geen twijfel aan, dat ze dien kant uit kunnen werken. Maar waarom, mogen we vragen, moeten de menschen zoo bang zijn hartstochten op te wekken, die toch ten slotte de groote drijfkrachten zijn van het menschelijk leven?" Het is waar, gaat dezelfde schrijver voort, dat onze conventioneele moreele formules niet langer voldoende sterk zijn om den hartstocht voldoende te beteugelen, en dat we bezig zijn stoom te maken in een ketel, die weggevreten is van de roest. "Het remedie is niet de hartstochten af te snijden, of zwakkelijk ze te vreezen, maar een nieuwe, gezonde machine te vinden van algemeene moraal en gezond verstand waarin zij kunnen werken". (Edward Carpenter Albany Review, Sept., 1907).

Zoo ver ik weet echter was het James Hinton, die voornamelijk trachtte de mogelijkheid uiteen te zetten van een positieve moraal op de basis van naaktheid, schoonheid en sexueelen invloed, beschouwd als dynamische krachten die, als ze onderdrukt worden, verderf brengen, en als ze wijs gebruikt worden, er toe dienen het leven te inspireeren en te veredelen. Hij werkte zijn gedachten over deze zaak uit in manuscripten, geschreven van omstreeks 1870 tot zijn dood twee jaar later, die, omdat ze nooit in orde gemaakt waren om uitgegeven te worden, in een onsamenhangenden staat gebleven en niet gepubliceerd zijn. Ik haal een paar korte karakteristieke passages aan: "Is niet", schrijft hij, "de weigering van een Hindoe om een vrouw te zien eten, vreemdsoortig gelijk aan de onze om er een naakt te zien? De werkelijke zinnelijkheid van de gedachte is klaarblijkelijk dezelfde.... Stel dat ananassen, omdat zij lekker zijn om te eten, niet mochten gezien worden, behalve op schilderijen en dat men het daarover zelfs nog niet eens was. Stel dat niemand een ananas zien mocht, tenzij hij rijk genoeg was om er een te koopen voor zijn eigen maal, daar het zien en het eten onverbreekbaar verbonden was. Wat een begeerigheid zou er dan naar zijn, wat een voortdurend verlangen, wat een diefstal!... Miss ---- vertelde ons van haar Syrische avonturen, hoe zij in den winkel ging van een houtsnijder en hoe hij niet naar haar wilde kijken; en hoe zij een instrument opnam en werkte, tot hij ten laatste naar naar keek en zij beiden in lachen uitbarstten. Zal het niet zoo zijn met ons kijken naar vrouwen over het algemeen? Er zal een werk komen--en ten laatste zullen wij opkijken en in lachen uitbarsten.... Als mannen zien wat waarlijk verkeerd is en als zij met verstand en met voorzorg handelen wat de sexueele verhoudingen betreft, zullen zij er dan niet op staan, dat vrouwelijk schoon genoten wordt door jonge menschen, en van de eerste jeugd af, opdat het eerste gevoel dat moge zijn van schoonheid? Zullen zij niet zeggen: "Wij moeten de valsche reinheid niet toelaten, wij moeten de echte hebben". Wij hebben valsche beproefd en zij is niet goed genoeg; de macht moet verkregen worden om rein schoonheid te genieten; het is noodlottig te trachten het met minder te doen. Ieder leeraar van de jeugd moet zeggen: "Deze schoonheid van de vrouw, Gods voornaamste werk van schoonheid, het is goed, dat gij ze ziet; het is een genoegen, dat het goede dient; alle schoonheid dient het goede en deze meer dan alle, want de taak ervan is u rein te maken. Kom er heen, zooals gij komt naar uw dagelijksch brood, of naar zuivere lucht, of naar het reinigingsbad: dit is rein voor u, als gij rein zijt, het zal u helpen in uw pogen om het te zijn. Maar als iemand van u onrein is, en er voedsel der onreinheid uit maakt, dan moest gij u schamen en bidden; het is niet voor u, dat ons leven ingericht kan worden; het is voor menschen en niet voor beesten". Dit moet komen als de menschen hun oogen openen, en koel handelen, en met verstand en voorzorg en niet alleen in paniek als er kwestie is van sexueelen hartstocht in zijn moreele verhoudingen."

HOOFDSTUK IV

HET WAARDEEREN VAN DE GESLACHTSLIEFDE

Het begrip geslachtsliefde.--De houding van het middeleeuwsch ascetisme.--St. Bernard en St. Udo van Cluny.--Het wijzen van de asceten op het bij elkaar liggen van de sexueele en de excretie-organen.--De liefde als een sacrament der natuur.--De voorstelling van de onreinheid van wat betrekking heeft op het geslacht in de primitieve godsdiensten in het algemeen.--Theorieën over den oorsprong van deze voorstelling.--Het anti-ascetische element in den bijbel en het oudste Christendom.--Clemens van Alexandrië.--De houding van den heiligen Augustinus.--De erkenning van de heiligheid van het lichaam door Tertullianus, Rufinus en Athanasius.--De hervorming.--Het sexueele instinct beschouwd als dierlijk.--Het menschelijk sexueele instinct gelijkt niet op dat van het dier.--Wellust en liefde.--De definitie van liefde.--Liefde en namen voor liefde zijn onbekend in sommige deelen van de wereld.--De romantische liefde heeft zich eerst laat ontwikkeld bij het blanke ras.--Het mysterie van het sexueel verlangen. De kwestie of liefde een begoocheling is.--De geestelijke zoowel als de physieke bouw van de wereld berust voor een deel op sexueele liefde.--Het getuigenis van mannen van intellect voor de alléén-heerschappij van de liefde.

Het zal blijken, dat de gehouden bespreking over de naaktheid een diepere beteekenis heeft dan men uit het voorafgaande zou afleiden. De hygiënische waarde, zoowel physiek als geestelijk, van gemeenzaamheid met de naaktheid gedurende de eerste jaren van het leven, hoe groot ze ook wezen mag, is niet de eenige waarde, die zulk een gemeenzaamheid bezit. Behalve haar æsthetische waarde ligt er ook een moreele waarde in, een bron van dynamische kracht. En nog een stap verder gaande, mogen we wel zeggen dat ze een geestelijke waarde heeft met betrekking tot onze geheele opvatting van de sexueele aandrift. Onze houding tegenover het naakte lichaam is de toetssteen van onze houding tegenover het geslachts-instinct. Als ons eigen lichaam en dat van onze medemenschen ons in ons binnenste schandelijk of walgelijk toeschijnt, dan zal niets ooit in werkelijkheid onze opvattingen over sexueele liefde veredelen of louteren. Liefde verlangt naar het vleesch, en als het vleesch schandelijk is, dan moet hij, die liefheeft, schandelijk zijn. "Se la cosa amata è vile", zooals Leonardo da Vinci vol diepe wijsheid opmerkte, "l'amante se fa vile". Hoe onlogisch ze ook geweest mag zijn, er was inderdaad eenige rechtvaardiging voor de oude Christelijke identificatie van het vleesch met het sexueele instinct. Zij staan of vallen te zamen; wij kunnen niet het eene verlagen en het andere verheerlijken. Zooals onze gevoelens zijn tegenover de naaktheid, zoo zullen onze gevoelens zijn tegenover de liefde.

"De mensch is niets dan vuil sperma, een zak vol mest, het voedsel voor wormen.... Gij hebt nooit een vuiler mesthoop gezien". Dat was het resultaat van de Meditationes Piissimae [46] van St. Bernardus in het klooster. Soms wilden die middeleeuwsche monniken inderdaad wel toegeven, dat de huid een zekere oppervlakkige schoonheid bezat, maar zij gaven dat alleen toe om met meer nadruk te wijzen op de leelijkheid van het lichaam, als het ontdaan was van dezen schijn van schoonheid, en spanden al hun perverse intellectueele scherpzinnigheid en hun woeste ironie in, om met begeerigen spot te wijzen op ieder onderdeel van wat hun de armzalige menschelijke figuur toescheen. De heilige Odo van Cluny, de beminnelijke heilige, een pionier in zijn appreciatie van de wilde schoonheid der Alpen, die hij dikwijls was doorgetrokken, was er bijzonder ver in, de schoonheid van het menschelijk lichaam naar beneden te halen. Hij zegt met nadruk, dat schoonheid alleen in de huid ligt; als wij onder de huid konden zien, dan zouden vrouwen niets dan walging opwekken. Haar bekoorlijkheden zijn slechts bloed, slijm en gal. Als wij weigeren vuil en slijm aan te raken, zelfs maar met de toppen van onze vingers, hoe kunnen we dan begeeren een zak met vuil te omarmen? [47] De middeleeuwsche monniken van de meer beschouwende soort vonden hier dikwijls een heerlijk veld van meditatie, en de Christelijke wereld in het algemeen was er tevreden mee hun opinies in meer of minder verdunde lezing aan te nemen, of protesteerde er tenminste nooit bepaald tegen.

Zelfs mannen van de wetenschap namen deze opvattingen aan en beginnen zich eerst nu los te maken van dat oude bijgeloof. R. de Graef vond het noodig in de Voorrede van zijn beroemde verhandeling over de voortbrengingsorganen van vrouwen, De Mulierum Organis Generatione Inservientibus, opgedragen aan Cosmo III de Medici in 1672, zich over het onderwerp van zijn werk te verontschuldigen. Zelfs een eeuw later veroordeelde Linnaeus in zijn groote werk, The System of Nature, als "afschuwelijk" de nauwkeurige studie der vrouwelijke genitaliën, hoewel hij het wetenschappelijk belang van zulke nasporingen toegaf. En als mannen van de wetenschap het moeilijk gevonden hebben tot een objectief standpunt te komen over vrouwen, dan kunnen we ons niet verwonderen, dat middeleeuwsche en nog oudere opvattingen dikwijls fijn doorweven zijn geweest met de ideeën van philosofische en half philosofische schrijvers [48].

We mogen als een speciale variëteit van het ascetisch bezien van de sekse beschouwen,--want de asceten grondden vrijelijk, zooals we zien, maar niet geheel terecht, hun ascetisme voor een groot deel op æsthetische overwegingen--dat herhaalde wijzen op het bij elkaar liggen van de sexueele en de excretorische centra, hetgeen in de oude Kerk zijn uitdrukking vond in de geringschattende bewering van Augustinus: "Inter faeces et urinam nascimur", en dat blijft voortbestaan bij velen, die het in het geheel niet altijd in verband brengen met godsdienstig ascetisme [49]. "Als resultaat van welk een belachelijke zuinigheid, en van welk een Mephistopheles ironie", vraagt Tarde [50], "heeft de Natuur gemeend, dat een functie zoo verheven, zoo de poëtische en philosofische hymnen, die ze bezongen hebben, waardig, niet beter verdiende dan haar uitsluitend orgaan te hebben te zamen met dat van de minste lichamelijke functies?"

Wij mogen er echter op wijzen, dat deze beschouwing van de zaak, hoewel onbewust, zelf het gevolg is van de ascetische depreciatie van het lichaam. Van een wetenschappelijk standpunt zijn de processen van stofwisseling van het lichaam van a tot z, alle met elkander ineen geweven en van gelijke waardigheid, hetzij ze chemisch of psychologisch beschouwd worden. Wij kunnen niet eenig speciaal chemisch of biologisch proces afzonderen en verklaren: Dit is leelijk. Zelfs wat wij uitwerpsel noemen, helpt nog de stof opbouwen van onze levens. Eten is sommigen een walgelijke bezigheid toegeschenen. Maar toch is het mogelijk geweest te zeggen, met Thoreau, dat "de goden inderdaad bedoeld hebben, dat de menschen zich als de goden zouden voeden, evenals zij zelve, met hun eigen nectar en ambrosia ... Ik heb gevoeld, dat eten een sacrament werd, een middel tot gemeenschap, een extatische oefening, en een zitten aan de avondmaalstafel der wereld".

De sacramenten van de natuur zijn op deze wijze overal samengeweven in het weefsel van de lichamen van mannen en vrouwen. Lippen, goed om te kussen, zijn voor alles goed om mee te eten en te drinken. Zoo opeengehoopt en over elkaar heen geschoven zijn de centra van kracht langzamerhand geworden, in den langen loop der ontwikkeling, dat alle slijmvliezen van de natuurlijke lichaamsopeningen, door de gevoeligheid, die zij verkregen hebben bij hun speciale werkzaamheid, werktuigen zijn geworden, die de ziel in vervoering kunnen brengen bij de aanraking in liefde; het is nutteloos verschil te maken tusschen hoog en laag, rein of onrein; ze zijn alle gelijkelijk reeds geheiligd door de uiterste wijding der natuur. De neus ontvangt den levensadem; de vagina ontvangt het levenswater. Ten slotte moet de waarde en liefelijkheid van het leven afgemeten worden naar de waarde en liefelijkheid, die de werktuigen van het leven voor ons hebben. De zwellende borsten zijn zulke goddelijk mooie teekenen van vrouwelijkheid ter wille van het kind, dat er mogelijk aan hangen en zuigen zal; de groote lijnen van de heupen zijn zoo wellustig ter wille van het kind, dat zij mogelijk eens zullen bevatten; er kan hier geen onderscheid gemaakt worden, wij kunnen de wortels niet van den boom scheiden. Het is waar, dat de hoogste functie van de mannelijkheid--het overreiken van de levenslamp aan toekomstige rassen, ten uitvoer wordt gebracht door hetzelfde werktuig, dat tot dagelijkschen afvoer van de blaas dient. Er is honend gezegd, dat wij geboren worden tusschen urine en uitwerpselen; er kon ook, vol eerbied, gezegd worden, dat de doorgang door dit geboortekanaal een sacrament is der natuur, heiliger en van meer beteekenis dan menschen het ooit zouden kunnen bedenken.

Soms zijn deze verhoudingen opgemerkt en is hun beteekenis erkend door een soort van mystische intuïtie. Wij nemen nu en dan sporen van zulk een inzicht waar, eerst onder de dichters en later onder de medici van de Renaissance. In 1864 zet Rolfincius, in zijn Ordo et Methodus Generationi Partium etc. aan het begin van zijn tweede deel, gewijd aan de geslachtsdeelen der vrouw, uiteen, wat oude schrijvers gezegd hebben over de Eleusische en andere mysteriën en over de toewijding en reinheid, vereischt van hen, die de heilige riten naderden. "Zoo is het ook met ons," gaat hij voort, "bij de riten van het wetenschappelijk onderzoek. Ook wij werken met heilige dingen. De geslachtorganen moeten onder heilige dingen gerekend worden. Zij, die deze altaren naderen, moeten komen met vromen geest. Laat de profanen buiten staan, laat de deuren gesloten worden". In die dagen waren, zelfs voor de wetenschap, alleen geloof en intuïtie mogelijk. Het is eerst in de laatste jaren, dat de microscoop van den histoloog en het proefbuisje van den physiologischen chemicus hem van een verstandelijke basis voorzien hebben. Het is niet langer mogelijk, de natuur in tweeën te knippen en te verzekeren, dat ze hier rein is en daar onrein [51].

Er schijnt dus geen voldoende grond te zijn om het eens te zijn met hen, die het bij elkaar liggen van de voortbrengende en de excretorische centra beschouwen als "een dom knoeiwerk der natuur". Een associatie, die zoo oud en primitief is als de natuur, kan alleen stuitend toeschijnen aan hen, wier gevoelens ziekelijk onnatuurlijk geworden zijn. We mogen verder opmerken, dat de anus, die aesthetisch het minst aantrekkelijke is van de excretorische centra, betrekkelijk ver verwijderd is van de sexueele centra, en dat, zooals R. Hellmann vele jaren geleden opmerkte, toen hij deze kwestie besprak (Ueber Geschlechtsfreiheit, p. 82): "In de eerste plaats pas afgescheiden urine niets bijzonder onaangenaams in zich heeft, en in de tweede plaats, als ze dat al had, we dan wel mochten bedenken, dat een rozenroode mond in het geheel niet zijn bekoring verliest, alleen omdat hij niet aanlokkend is om te kussen op het oogenblik, dat zijn bezitter bezig is te braken".

Een geestelijke oppert zelfs in een zijner geschriften, dat wij verder mogen gaan en een positief voordeel vinden in deze nabijheid. "Ik ben blij, dat gij het niet eens zijt met den man, die vond, dat de natuur geknoeid had, toen ze de genitaliën gebruikte voor de doeleinden van het urineeren; afgezien van teleologische en theologische redenen zou ik die redeneeringslijn niet kunnen volgen. Ik vind, dat er geen reden is voor walging wat de organen voor het urineeren betreft, hoewel ik gevoel, dat de anus nooit aantrekkelijk kan zijn voor den normalen geest; maar de anus is geheel afgescheiden van de genitaliën. Mijn opinie is, dat het nabij elkaar liggen een goed doel heeft, doordat het de organen min of meer geheim maakt, behalve in tijden van sexueele opwinding of in die van liefde. Het resultaat is, dat die deelen in gewone tijden een zekere mate van weerzin wekken, maar een sterke aantrekking oefenen in tijden van sexueele werkzaamheid. Vandaar dat het gewone beschermen van de geslachtsdeelen, uit vrees afkeer te wekken, zeer hun aantrekkelijkheid verhoogt op andere tijden, wanneer de sexueele werkzaamheid onbeperkt is. Verder is het gevoel van afkeer zelf alleen het resultaat van gewoonte en gevoelen, hoe nuttig het ook is, en volgens de Schrift is alles rein en goed. Het ascetisch gevoel van tegenzin berust, als we terug gaan tot zijn oosprong, op anderen dan christelijken invloed. Het christendom kwam voort uit het Judaisme, dat geen gevoel had voor de onreinheid van het huwelijk, want "onrein" beteekent in het Oude Testament eenvoudig "heilig". De ascetische zijde van den godsdienst van het christendom is geen deel van den godsdienst van Christus, zooals hij kwam uit de handen van den stichter, en het moderne gevoel in deze zaak is een weifelend overblijfsel van de ketterij van de Manichaeërs". Ik mag er echter wel bijvoegen, dat er, zooals Northcote zegt (Christianity and Sex Problems, p. 14), naast de vrije erkenning van sexualiteit in het Oude Testament, een kring van denkbeelden is, die blijk geeft van een gevoel van onreinheid en schaamte wat de sekse betreft. Het christendom heeft deze gemengde gevoelens geërfd. Het is inderdaad onder de oude en primitieve volken een ver verspreid en bijna algemeen gevoelen geweest, dat er iets onreins en zondigs is in de dingen van het geslacht, zoodat zij, die een godsdienstig leven zouden willen leiden, sexueele verhoudingen moeten vermijden; zelfs in Indië heeft het coelibaat eerbied ingeboezemd (zie b.v. Westermarck, Marriage, pp. et seq.) Wat den oorspronkelijken grond van dit denkbeeld aangaat--dien we hier niet nauwkeuriger behoeven te bespreken--zijn vele theorieën op den voorgrond gebracht; de heilige Augustinus zet, in zijn De Civitate Dei het vernuftige idee uiteen, dat de penis, omdat hij onderhevig is aan spontane bewegingen en erecties, die niet door den wil beheerscht worden, een orgaan is om zich over te schamen, dat de geheele geslachtssfeer in zijn schande meetrekt. Westermarck beweert, dat er onder bijna alle volken gevoelens voorkomen tegen sexueele verhoudingen met leden van dezelfde familie of hetzelfde huishouden, en daar het geslacht zoo verbannen werd uit de sfeer van het huiselijk leven, ontstond er een opvatting over de onreinheid ervan; Northcote wijst op het feit, dat het van het begin af aan noodig is geweest verborgenheid te zoeken voor sexueelen omgang, omdat het paar op dat oogenblik een prooi zou zijn voor vijandelijke aanvallen, en dat door een gemakkelijken overgang de sekse beschouwd begon te worden als iets, dat verborgen behoort te worden en daarom als iets zondigs. (Diderot had reeds in zijn Supplément au Voyage de Bougainville gewezen op dit motief voor afzondering als "het eenige natuurlijke element voor kuischheid"). Crawley heeft een groot deel van zijn suggestief werk, The Mystic Rose, gewijd aan het aantoonen van het feit, dat voor den wilde de sekse een gevaarlijk en verzwakkend element in het leven is en daarom zondig.

Het zou echter een dwaling zijn te denken, dat zulke mannen als St. Bernard en de heilige Odo van Cluny, hoe bewonderenswaardig zij ook de ascetische en zelfs de algemeen Christelijke gezichtspunten van hun eigen tijd vertegenwoordigden, beschouwd moeten worden als geheel typische voorbeelden van het echt Christelijke en primitief Christelijke gezichtspunt. Voor zoover ik heb kunnen ontdekken, vinden wij deze geconcentreerde intellectueele en emotioneele woestheid van aanval op het lichaam niet tijdens de eerste duizend jaar van het Christendom; die ontwikkelde zich eerst op het oogenblik toen, met paus Gregorius VII, het middeleeuwsche Christendom de climax bereikte van zijn overwinning over de zielen van de Europeesche menschen, in de instelling van het coelibaat van de wereldlijke geestelijkheid en den groei van de groote, in kloosters verzamelde gemeenschappen van monniken in streng geregelde en afgezonderde orden [52]. Daarvoor deden de leeraars van het ascetisme meer hun best om aan te sporen tot kuischheid en zedigheid dan dat ze een aanval deden op het geheele lichaam; zij concentreerden hun aandacht liever op geestelijke deugden dan op physieke onvolkomenheden. En als wij tot de Evangeliën teruggaan, dan vinden we weinig van den middeleeuwschen ascetischen geest in de gezegden en daden, die van Jezus vermeld worden, waarvan we zelfs eerder mogen zeggen dat ze over het geheel, niettegenstaande het ascetisme dat er aan ten grondslag ligt, een zekere teerheid openbaren en een toegevendheid jegens het lichaam, terwijl zelfs Paulus, hoewel hij niet zacht is voor het lichaam, tot eerbied er voor aanspoort als voor een tempel van den Heiligen Geest.

Wij kunnen niet verwachten, dat wij de Kerkvaders sympathiek gezind zullen vinden tegenover het vertoonen van het naakte menschelijk lichaam, want hun positie was gegrond op een opstand tegen het heidendom en het heidendom had het lichaam gekoesterd. De naaktheid was meer speciaal verbonden geweest met het publieke bad, het gymnasium en het tooneel; en daar het van harte deze heidensche instellingen afkeurde, werkte het Christendom de naaktheid tegen. Het feit, dat gemeenzaamheid met de naaktheid eer gunstig dan ongunstig was voor de kuischheid, waaraan ze zooveel waarde hechtte, kon de Kerk--hoewel ze op zekeren tijd de naaktheid opnam in het ritueel van den doop--voor het grootste deel niet inzien, als deze kuischheid al werkelijk een feit was, hetwelk de speciale condities van het decadente klassieke leven neiging hadden gehad te verbergen. Maar in hun bepaalde voorkeur voor het aangekleede lichaam boven het naakte aarzelden de eerste Christenen dikwijls om den verderen stap te doen door te verzekeren, dat het lichaam een brandpunt is van onreinheid en dat de physieke sexueele organen een uitvindsel zijn van den duivel. Integendeel spraken sommige van de beroemdste Kerkvaders, vooral zij die tot de Grieksche kerk behoorden en die den levenwekkenden adem gevoeld hadden van het Grieksche denken, zich nu en dan uit over de onderwerpen natuur, sekse, en het lichaam in een geest, die de instemming verworven zou hebben van Goethe en Whitman.

Clemens van Alexandrië was, met al de excentriciteit van zijn overfijn intellect, de meest Grieksche van al de Kerkvaders en het is niet te verwonderen, dat de laatste glimp van klassiek licht, die van zijn geest uitstraalde, eenig licht wierp over deze kwestie van sekse. Hij protesteerde bv. tegen die preutschheid die, toen de zon van de klassieke wereld onderging, begonnen was het leven te overschaduwen. "Wij moeten ons niet schamen te noemen wat God zich niet geschaamd heeft te maken" [53]. Het was een merkwaardige verklaring omdat, terwijl ze het oude klassieke gevoel aannam van geen schaamte jegens de natuur, ze dat gevoel plaatste op een nieuwe en godsdienstige basis in overeenstemming met het Christendom. Over het geheel, hoewel niet altijd consequent, verdedigt Clemens van Alexandrië het lichaam en de sexueele functies tegen hen, die ze met verachting behandelden. En daar de zaak van het geslacht de zaak is der vrouwen, houdt hij de waardigheid der vrouwen altijd krachtig staande en verkondigt hij ook de heiligheid van het huwelijk, een staat, dien hij somtijds plaatst boven dien der maagdelijkheid? [54]

Ongelukkig, het moet gezegd worden, meende de heilige Augustinus--een andere Noord-Afrikaner, maar uit Romeinsch Carthago en niet uit Grieksch Alexandrië--dat hij een overtuigend antwoord had op het argument dat Clemens opperde, en zoo groot was de kracht van zijn hartstochtelijk en machtig genie, dat hij ten slotte zijn antwoord overheerschend kon maken. Voor Augustinus was de zonde erfelijk, en de zonde had haar specialen zetel in de sexueele organen; de daad der zonde had de oorspronkelijke goddelijke daad der schepping gewijzigd, en wij kunnen de sekse en de sexueele organen niet behandelen alsof er geen erfzonde was geweest. Onze genitaliën, verklaart hij, zijn schandelijk geworden omdat zij, door de zonde, nu in beweging gebracht worden door de wellust. Toch neemt Augustinus op verre na niet de middeleeuwsche ascetische houding aan van minachtenden haat jegens het lichaam. Niets kan verder van Odo van Cluny af zijn dan het enthusiasme van Augustinus over het lichaam, zelfs over de volkomen harmonie van de deelen onder de huid. "Ik geloof, dat wij tot het besluit kunnen komen", zegt hij zelfs, "dat bij het scheppen van het menschelijk lichaam de schoonheid meer in het oog gehouden is dan het nut. Waarlijk, nut is een voorbijgaand iets, en de tijd zal komen dat we elkanders schoonheid kunnen genieten zonder wellust" [55]. Zelfs in de sfeer van sekse zou hij geneigd zijn reinheid en schoonheid aan te nemen, afgescheiden van den erfelijken invloed van Adam's zonde. In het Paradijs, zegt hij, als het Paradijs was blijven bestaan, zou de daad van het voortbrengen even eenvoudig zijn geweest en vrij van schande als de daad van de hand bij het uitstrooien van het zaad op de aarde. "Sexueele vereeniging zou onder de heerschappij van den wil geweest zijn zonder eenig sexueel verlangen. Het zaad zou in de vagina gebracht worden op even eenvoudige wijze als de menstrueele vloeistof er nu uitgeworpen wordt. Er zouden geen woorden geweest zijn die obsceen genoemd konden worden, maar al wat van deze deelen kon gezegd worden, zou even rein geweest zijn als wat gezegd wordt van de andere deelen van het lichaam" [56]. Dat is echter voor Augustinus wat had kunnen wezen in het Paradijs, waar, naar hij meende, sexueel verlangen niet bestond. Zooals de dingen zijn, meende hij, is het juist dat wij ons schamen, doen wij goed te blozen. En het was natuurlijk dat, zooals Clemens van Alexandrië vermeldt, vele ketters verder gingen op dezen weg en geloofden dat, terwijl God den mensch maakte tot aan den navel, de rest door een andere macht gemaakt was; zulke ketters hebben zelfs nu nog hun aanhangers onder ons.

Evenzeer in de Oostersche als in de Westersche kerken echter, zoowel voor en na Augustinus, hoewel niet dikwijls er na, hebben groote Kerkvaders en leeraars meeningen geuit, die eer die van Clemens dan die van Augustinus herroepen. Wij kunnen niet veel waarde hechten aan de uiting van den buitensporigen en dikwijls zichzelf tegensprekenden Tertullianus, maar het is de moeite waard op te merken, dat, terwijl hij verklaarde dat de vrouw de poort is tot de hel, hij toch ook gezegd heeft, dat wij de natuur moeten naderen met eerbied en niet met een blos. "Natura veneranda est, non erubescenda". "Geen Christelijk schrijver", heeft men gezegd, "heeft zoo energiek gesproken tegen de kettersche verachting van het lichaam als Tertullianus. Lichaam en ziel zijn, volgens Tertullianus, ten nauwste verbonden. De ziel is het levensprincipe van het lichaam, maar er is geen werkzaamheid van de ziel, die zich niet openbaart door en invloed ondervindt van het vleesch" [57]. Van meer belang is Rufinus Tyrannius, de vriend en medeleerling van den heiligen Jeronimus, in de vierde eeuw, die een commentaar schreef op de Apostolische geloofsleer, die zeer in aanzien was bij de oude en middeleeuwsche kerk en die zelfs nu nog gewaardeerd wordt. Rufinus zegt, in antwoord aan hen, die verklaarden dat er obsceniteit was in het feit van de geboorte van Christus door de sexueele organen van een vrouw, dat God de sexueele organen geschapen heeft, en dat "het niet de natuur is, maar alleen de opinie der menschen, die ons leert dat deze deelen obsceen zijn. Verder zijn al de deelen van het lichaam gemaakt van dezelfde klei, welke verschillen er ook mogen zijn in hun gebruik en hun functies" [58]. Hij bekijkt de zaak zooals we zien, wel vroom, maar toch natuurlijk en eenvoudig, zooals Clemens, en niet zooals Augustinus door het verwringende medium van een theologisch systeem. Athanasius sprak in de Oostelijke Kerk in denzelfden geest als Rufinus in de Westelijke. Een zekere monnik, genaamd Amun, had veel verdriet ondervonden door het voorkomen van zaaduitstortingen in den slaap, en hij schreef aan Athanasius om te vragen of zulke uitstortingen zonde zijn. In den brief, dien hij tot antwoord schreef, tracht Athanasius Amun gerust te stellen. "Alle dingen", zegt hij tot hem, "zijn rein voor den reine. Want wat, vraag ik u, lieve en vrome vriend, kan er voor zondigs of van nature onreins zijn in een uitwerpsel? De mensch is het werk van Gods handen. Er is zeker niets in ons dat onrein is" [59]. Als wij deze uitingen lezen, gevoelen wij, dat de zaden van preutschheid en verhitheid reeds in den geest van het volk aanwezig zijn, maar toch zien wij ook dat sommige van de meest bekende denkers van de eerste Christelijke Kerk in opvallend contrast met de meer ziekelijke en kleingeestige middeleeuwsche asceten, duidelijk afgezonderd stonden van de populaire beweging. Over het geheel werden zij overstemd, omdat het Christendom, evenals het Boeddhisme, van het begin af aan een kiem in zich droeg, die zich leende tot ascetische onthouding, en het sexueele leven is altijd de eerste impuls, die opgeofferd moet worden aan den hartstocht voor onthouding. Maar er waren ook andere kiemen in het Christendom, en Luther, die op zijn eigen plebejische wijze opkwam voor de rechten van het lichaam, ofschoon hij brak met het middeleeuwsch ascetisme, stelde daardoor geenszins de tradities van de oudste Christelijke Kerk ter zijde.

Ik heb gemeend, dat het de moeite waard was dezen bewijsgrond aan te voeren, alhoewel ik zeer wel weet, dat de feiten der Natuur geen meerderen steun verkrijgen door het gezag van de Kerkvaders of zelfs van den Bijbel. De natuur en de menschheid hebben bestaan vóór den Bijbel en zouden voortgaan te bestaan al zou de Bijbel vergeten zijn. Maar de houding van het Christendom op dit punt is zoo dikwijls zonder voorbehoud veroordeeld geworden, dat het wel goed schijnt aan te toonen, dat in zijn beste oogenblikken, toen het een jonge en aangroeiende macht in de wereld was, de uitingen van het Christendom dikwijls gelijkluidend waren met die van de Natuur en van de rede. Er zijn vele menschen, mogen we er aan toevoegen, die het een troost vinden te weten, dat zij, als zij in deze zaak den natuurlijken en verstandelijken weg volgen, daardoor niet geheel en al breken met de godsdienstige tradities van hun ras.

Het is wel nauwelijks noodig op te merken, dat wij, als wij ons van het Christendom afwenden naar de andere groote wereldgodsdiensten, gewoonlijk zoo'n dubbelzinnige houding jegens de sekse niet ontmoeten. De Mohammedanen waren even nadrukkelijk in het beweren, dat de sekse heilig was, als zij waren in hun zorg voor de lichamelijke reinheid; zij waren bereid de sexueele functies in het leven hiernamaals mee te nemen, en zij hebben zich nooit, zooals Luther en zoo vele andere Christenen, vermoeid met peinzen over het gebrek aan bezigheid in den Hemel. In Indië, hoewel Indië het tehuis is van de uiterste vormen van godsdienstig ascetisme, is de sexueele liefde in een grootere mate, geheiligd en vergoddelijkt geworden dan in eenig ander deel van de wereld. "Het schijnt nooit in de hoofden van de Hindoe-wetgevers te zijn opgekomen", zeide Sir William Jones lang geleden (Works, vol. ii, p. 311), "dat iets natuurlijks hinderlijk obsceen zou kunnen zijn, een eigenaardigheid, die al hun geschriften doordringt, maar die geen bewijs is voor de verdorvenheid van hun zeden". De sexueele daad heeft in Indië dikwijls een godsdienstige beteekenis gehad, en de meest nauwkeurige bijzonderheden van het sexueele leven en de verscheidenheden ervan zijn in Indische erotische verhandelingen op ernstige wijze besproken, terwijl nergens anders de anatomische en physiologische sexueele eigenaardigheden van vrouwen met zulk een nauwkeurigen en devoten eerbied zijn bestudeerd. "Liefde heeft in Indië, zoowel in theorie als in de praktijk" merkt Richard Schmidt op (Beiträge zur Indischen Erotik, p. 2) "een belangrijkheid, zooals wij ons zelfs niet kunnen voorstellen".

In Protestantsche landen heeft de invloed van de Hervorming, door de sekse als iets natuurlijks in eere te herstellen, indirect er toe geleid, in het populaire voelen jegens de sekse den smaad van zondigheid te vervangen door den smaad van dierlijkheid. Voortaan moet de sexueele impuls worden verborgen of opgetooid, om fatsoenlijk menschelijk te worden. Dit blijkt duidelijk uit een passage in het dagboek van Pepys, in de zeventiende eeuw. Op den morgen na den huwelijksdag was het gewoonte pas getrouwde menschen met muziek wakker te maken; de afwezigheid van deze muziek bij een bepaalde gelegenheid (in 1667), maakte op Pepys den indruk "alsof zij zoo maar als een paar honden bij elkaar waren gekomen". Wij geven niet langer om de muziek, maar hetzelfde gevoelen bestaat nog in den wensch naar andere vermommingen en versieringen voor den sexueelen impuls. Wij stellen ons niet altijd duidelijk voor oogen, dat liefde haar eigen heiliging met zich brengt.

Als tegenwoordig de tegenzin tegen de sexueele zijde van het leven zich vertoont, wordt bijna altijd beweerd niet zoozeer, dat ze "zondig" is als wel dat ze "dierlijk" is. Ze wordt beschouwd als dat deel van den mensch, dat hem het nauwste verbindt met de lagere dieren. Het moest nauwelijks noodig zijn er op te wijzen, dat dit een dwaling is. Van wat voor zijde we ze ook naderen, de bewering, dat sekse bij den mensch en bij de dieren hetzelfde is kan niet volgehouden worden. Van het standpunt van hen, die deze identiteit aannemen, zou het juister zijn te zeggen, dat de menschen inferieur zijn aan de dieren, dan dat ze gelijk zijn met de dieren, want bij dieren is onder natuurlijke omstandigheden het sexueele instinct strikt ondergeschikt aan de voortplanting en zeer weinig onderhevig aan afwijking, zoo dat van het standpunt van hen, die de sekse willen kleineeren, de dieren dichter bij het ideaal zijn, en zulke menschen moeten met Woods Hutchinson zeggen: "Alles te zamen genomen hebben onze dier-voorouders evenveel reden zich over ons te schamen, als wij over hen". Maar als we de zaak bezien van een ruimer biologisch standpunt van ontwikkeling, dan moet onze conclusie geheel verschillend zijn.

Wel verre van aan de dieren gelijk te zijn, behooren de menschelijke sexueele impulsen onder de minst op de dieren gelijkende aanwinsten van den mensch. De menschelijke sexueele sfeer verschilt in een buitengewoon groote mate van de dierlijke sexueele sfeer [60]. Ademhalen is een dierlijke functie en hierin kunnen we niet wedijveren met de vogels; beweging is een dierlijke functie en hier kunnen wij de viervoeters niet evenaren; wij zijn niet merkbaar vooruit gegaan wat onze circuleerende, verteringbevorderende, nier- of leverfuncties betreft. Zelfs wat het gezicht en het gehoor betreft, zijn er veel dieren, die scherper van gezicht zijn dan de mensch, en vele, die in staat zijn geluiden te hooren, die voor hem onhoorbaar zijn. Maar er zijn geen dieren, waarbij het sexueele instinct zoo gevoelig is, zoo hoog ontwikkeld, zoo verscheiden in zijn uitingen, zoo voortdurend waakzaam, zoo in staat om uit te stralen naar de hoogste en de verst verwijderde deelen van het organisme. De sexueele werkzaamheden van den man en van de vrouw behooren niet tot dat lagere deel van onze natuur, dat ons degradeert tot het niveau van het "dier", maar tot het hoogere deel, dat ons opheft tot al de hoogste werkzaamheden en idealen, waartoe we in staat zijn. Het is waar, dat er voornamelijk in den mond van enkele onwetende en slecht opgevoede vrouwen over sekse gesproken wordt als "dierlijk" of als "het dierlijke deel van onze natuur" [61]. Maar daar vrouwen de moeders en de onderwijzeressen zijn van het menschelijk ras is dit een onwetendheid en een blijk van slechte opvoeding, die niet te spoedig met wortel en tak kunnen uitgeroeid worden.

Er zijn sommigen, die schijnen te denken, dat zij de weegschaal in evenwicht hebben gehouden en de zaak voor goed opgelost, als zij erkennen, dat sexueele liefde zoowel mooi kan zijn als walgelijk, en dat beide beschouwingen even normaal en wettig zijn. "Luister om de beurt", merkt Tarde op, "naar twee mannen, die de een koud, de ander vurig, de een kuisch, de ander verliefd, beiden even welopgevoed en ruim van geest, de waarde van hetzelfde ding bepalen: de een noemt walgelijk, leelijk, weerzinwekkend en dierlijk, wat de ander heerlijk, verrukkelijk, onuitsprekelijk, goddelijk noemt. Wat voor den een, in de Christelijke phraseologie, een onvergeeflijke zonde is, dat is voor den ander de staat van ware genade. Daden, die voor den een een treurige en nu en dan voorkomende noodzakelijkheid schijnen te zijn, vlekken die zorgvuldig uitgewischt moeten worden door lange tusschenpoozen van zelfbeheersching, zijn voor den ander de gouden spijkers, waar het geheele overige levensgedrag en bestaan van afhangt, de dingen, die alleen aan het menschelijk leven zijn waarde geven" [62]. Toch mogen we wel betwijfelen of deze beide personen "even welopgevoed en ruim van geest" zijn. De wilde gevoelt, dat sekse gevaarlijk is en hij heeft gelijk. Maar de mensch, die gevoelt dat de sexueele impuls slecht is, of zelfs maar laag bij den grond en vulgair, is een absurditeit in het heelal, een afwijking. Hij is evenals die menschen in onze krankzinnigengestichten, die gevoelen, dat het instinct om zich te voeden slecht is en zoo er toe overgaan om zich uit te hongeren. Zij zijn evenzeer geestelijke verworpelingen in het heelal, welks kinderen zij zijn. Het is een andere zaak, als een mensch verklaart, dat hij persoonlijk in zijn geval een ascetisch ideaal heeft, dat hem er toe brengt zich zooveel mogelijk te onthouden van een van beide of van beide impulsen. De mensch, die gezond ascetisch is, streeft naar een discipline, die te hulp komt aan het ideaal, dat hij zich persoonlijk gesteld heeft. Hij kan theoretisch nog in harmonie blijven met het heelal, waartoe hij behoort. Maar verachting uit te spreken over het sexueele leven, den sluier der "onreinheid" er over uit te spreiden, dat is, zooals Nietzsche verklaarde, de onvergeeflijke zonde tegen den Heiligen Geest van het Leven.

Er zijn veel menschen, die vooroordeel en rede trachten te verzoenen in hun waardeering van de liefde door een scherpe scheidingslijn te trekken tusschen "lust" en "liefde", de eene verwerpend en de andere goedkeurend. Het is zeer juist zulk een onderscheid te maken, maar de wijze waarop het gemaakt wordt, kan gewoonlijk in het geheel geen onderzoek verdragen. Wij moeten uitmaken, wat we meenen met "wellust" en wat we meenen met "liefde", en dat is niet gemakkelijk, als zij beschouwd moeten worden alsof ze elkaar uitsluiten. Soms wordt gezegd, dat we onder "lust" moeten verstaan een roekeloos toegeven aan den sexueelen impuls zonder op andere overwegingen te letten. Als we hem zoo verstaan, kunnen we hem veilig verwerpen. Maar dat is een volkomen willekeurige definitie van het woord. "Lust" is inderdaad een zeer dubbelzinnig woord; het is een goed woord, dat zijn moreele waarde veranderd heeft, en daarom moeten wij het zeer zorgvuldig verklaren, eer wij het durven gebruiken. Eigenlijk gezegd, is "lust" een volkomen kleurloos woord [63] en beteekent eenvoudig verlangen in het algemeen en sexueel verlangen in het bijzonder; het komt overeen met "honger" of "dorst"; het in een beleedigende beteekenis te gebruiken is ongeveer hetzelfde als aan te nemen, dat het woord "hongerig" dezelfde beleedigende beteekenis heeft als "begeerig". Het resultaat is geweest, dat gevoelige geesten verontwaardigd het woord "lust" in verband met de liefde verwerpen [64]. In het vroegste gebruik van onze taal, had "lust" den zin van gezonde en normale sexueele kracht; nu is het woord zoo zeer naar beneden gehaald, dat, hoewel het gemakkelijk zou zijn het weer op zijn juiste plaats, die nog open blijft, te brengen, de poging hiertoe welhaast een hopelooze taak lijkt. Wij hebben de bronnen van gevoel in deze zaken zoozeer vergiftigd met middeleeuwsche ascetische ruwheden, dat al onze woorden voor sekse spoedig neiging-hebben met modder bespat te geraken; we kunnen ze oprapen uit de modder, waarin ze gevallen zijn en trachten ze te reinigen, maar aan vele oogen zullen ze toch nog vuil toeschijnen. Een gevolg van deze neiging is, dat wij geen eenvoudig, precies, natuurlijk woord hebben voor de liefde van de seksen, en we gedwongen worden onze toevlucht te nemen tot den algemeenen term, die zoo veelomvattend is, dat men in Engeland en in de meeste andere landen die den toon aangeven, met hetzelfde woord spreekt van God "liefhebben" of van eten "houden".

Liefde, in de sexueele beteekenis, is in het kort beschouwd, een samenstelling van lust (in den primitieven en ongekleurden zin van sexueele aandoening) en vriendschap. Er kan geen sexueele liefde zijn zonder lust; maar, aan den anderen kant, niet voordat stroomen van lust in het organisme zijn uitgestraald, zoo, dat zij andere deelen van het psychische organisme raken--ten minste de aandoeningen en de maatschappelijke gevoelens--is het sexueele liefde. Lust, de specifieke sexueele impuls, is wel het eerste en meest essentieele element in deze samenstelling, want die alleen is geschikt voor het doel van de reproductie, niet alleen bij dieren maar ook bij menschen. Maar niet voordat lust zich uitgezet heeft en uitgestraald is, ontwikkelt hij zich tot de heerlijke en betooverende bloem der liefde. Wij mogen ons voor den geest halen, wat onder de planten gebeurt: aan den eenen kant hebben wij de lagere organismen, waarbij het sexueele leven beknopt en cryptogamisch voortgaat zonder ooit eenigen overvloed van schitterende bloemen over de wereld uit te storten, en aan den anderen kant de hoogere planten, waar sekse zich geopenbaard vertoont en zich aanmerkelijk uitgezet heeft in vorm en kleur en geur.

Terwijl "lust" natuurlijk over de geheele wereld bekend is, en er overal woorden zijn om hem aan te duiden, is "liefde" niet algemeen bekend, en in vele talen zijn er geen woorden voor "liefde". De mislukte pogingen om liefde te vinden, zijn dikwijls opmerkelijk en onverwacht. We kunnen ze soms vinden, waar we ze het minst verwachten. Het sexueele verlangen raakte zelfs bij sommige dieren geïdealiseerd, (zooals Sergi opgemerkt heeft), voornamelijk bij vogels, want als een vogel zich dood treurt over zijn wijfje, kan dat niet voortkomen uit het ongecompliceerde sexueele instinct, maar moet het de combinatie in zich sluiten van dat instinct met de andere levenselementen in een mate, die zeldzaam is zelfs onder de meest beschaafde menschen. Sommige wilde stammen schijnen geen fundamenteele voorstelling te hebben over liefde, en (zooals de Amerikaansche Nahua's) geen elementair woord er voor, terwijl er, aan den anderen kant, in Quichua, in de taal van de oude Peruvianen, bijna zeshonderd combinaties zijn van het werkwoord munay, liefhebben. Bij sommige volken schijnt de liefde beperkt te zijn tot de vrouwen. Letourneau (L'Evolution Littéraire, p. 529) wijst er op, dat in verschillende deelen van de wereld vrouwen de leiding genomen hebben in het scheppen van erotische poëzie. In dit verband mogen we de opmerking maken, dat zelfmoorden uit erotische overwegingen bij primitieve volken voornamelijk voorkomen onder vrouwen (Zeitschrift für Sozialwissenschaft, 1899, P. 578). Verscheidene natuurvolken hebben liefdeliederen, b.v. de Suaheli (Velten, in zijn Prosa und Poesie der Suaheli, wijdt een deel aan liefdeliederen, geschreven in de taal der Suaheli). D. G. Brinton zegt, in een belangwekkend geschrift over "The Conception of Love in Some American Languages" (Proceedings American Philosophical Society, vol. XXIII, p. 546; 1886), dat de woorden voor liefde in deze taal blijk geven van vier hoofdwijzen om het begrip uit te drukken: (1) ongearticuleerde uitroepen van emotie; (2) betuigingen van hetzelfde te zijn of op elkaar te gelijken; (3) betuigingen van samen te hooren en verbonden te zijn; (4) betuigingen van een wensch, verlangen of een begeerte. Brinton voegt er bij, dat "deze zelfde denkbeelden ten grondslag liggen aan de meeste woorden voor liefde in de groote Arische taalgroep". Het opmerkelijke feit doet zich echter voor, dat de menschen, die de Arische taal spraken, langzaam waren in het ontwikkelen van hun opvatting van sexueele liefde. Brinton merkt op, dat de Amerikaansche Mayas gesteld moeten worden boven de volken van oude Arische beschaving, in dit opzicht, dat zij een grondwoord bezitten voor de vreugde der liefde, dat naar zijn beteekenis zuiver psychisch was en strikt betrekking had op den geestelijken toestand, en niet op gelijkheid noch op verlangen. Zelfs de Grieken waren laat met het vormen van eenig ideaal van sexueele liefde. Dit is duidelijk aangetoond door E. F. M. Benecke in zijn Antimachus of Colophon and the Position of Women in Greek Poetry, een boek, dat eenige gewaagde stellingen bevat, maar dat van het tegenwoordige standpunt uit zeer leerzaam is. De Grieksche lyrische dichters schreven om zoo te zeggen geen liefdeliederen aan vrouwen vóor Anacreon, en de zijne werden eerst geschreven toen hij oud was. Ware liefde was voor de Grieken bijna altijd homosexueel. De Ionische lyrische dichters van het oude Griekenland beschouwden de vrouw alleen als speelgoed en als de stichtster van de familie. Theognis vergelijkt het huwelijk bij het fokken van vee; Alcman spreekt, als hij complimenteus wil zijn voor de Spartaansche meisjes, van haar als van zijn "vrouwelijke vrienden". Aeschylus laat zelfs een vader zeggen, dat zijn dochters zich zullen misdragen als zij aan zichzelf zijn overgelaten. Er is geen sexueele liefde bij Sophocles, en bij Euripides zijn het alleen de vrouwen die verliefd worden. Benecke komt tot het besluit (p. 67), dat in Griekenland sexueele liefde tot een tamelijk laat tijdstip in minachting was, en dat ze beschouwd werd als niet waardig om in het publiek besproken of voorgesteld te worden. Het was in Groot-Griekenland eerder dan in Griekenland zelf, dat mannen belangstelling hadden voor vrouwen, en het was niet eerder dan in den tijd van Alexander, en vooral bij Asclepiades, zegt Benecke, dat de liefde van vrouwen beschouwd werd als een zaak van leven en dood. Daarna komt de opvatting van de sexueele liefde, van het romantisch gezichtspunt, in het Europeesche leven. Met de Keltische geschiedenis van Tristam verschijnt ze, naar Gaston Paris opmerkt, eindelijk in de Christelijke Europeesche wereld der poëzie als het voornaamste punt in het menschelijk leven, de groote drijfkracht voor het gedrag der menschen.

Romantische liefde is echter tot de massa in Europa niet doorgedrongen. In de zestiende eeuw, of in den tijd dat de ballade van "Glasgerion" geschreven werd, zien wij aangenomen, dat de verhouding van een boer tot zijn meisje beperkt is tot de enkele daad van sexueelen omgang; hij kust haar niet bij het komen of bij het weggaan; alleen de ridder, de man van de hoogere klasse denkt er aan, die teedere beleefdheid aan te bieden. En heden ten dage is, bijvoorbeeld in de streek tusschen Oost-Friesland en de Alpen, naar Bloch meedeelt (Sexualleben unserer Zeit, p. 29) in navolging van E. H. Meyer, het woord "liefde" bij de groote massa onbekend en erkent men alleen den ruwen tegenhanger ervan.

Aan de andere zijde van de wereld, in Japan, schijnt sexueele liefde evenzeer in discrediet te zijn als het was in het oude Griekenland; zoo merkt Miss Tsuda, het hoofd van een Japansche school en zelf een Christin, op (zooals aangehaald wordt door Mrs. Fraser in World's Work and Play, Dec. 1906): "Dat woord "liefde" is tot nog toe een woord geweest, dat niet bekend was onder onze meisjes, in de buitenlandsche beteekenis. Plicht, onderwerping, vriendelijkheid--dat waren de gevoelens, die een meisje voor den echtgenoot moest hebben, die voor haar gekozen was--en vele gelukkige, harmonische huwelijken waren hiervan het resultaat. Nu zeggen uwe lieve, sentimenteele buitenlandsche vrouwen tot onze meisjes: "Het is slecht te trouwen zonder liefde; de gehoorzaamheid aan ouders voert in zulk een geval tot geweld aandoen aan de natuur en aan het Christendom. Als je van een man houdt, moet je alles opofferen om hem te trouwen"."

Als liefde echter volledig ontwikkeld is, wordt ze een aandoening van een enorme uitgebreidheid en zeer samengesteld, en lust wordt, zelfs in de beste beteekenis van dat woord, een element, dat staat naast vele andere elementen. Herbert Spencer heeft, in een belangwekkende passage van zijn Principles of Psychology (Deel IV, hoofdst. VIII), liefde ontleed in negen onderscheiden en belangrijke elementen: (1) de physieke sexueele impuls; (2) het gevoel voor schoonheid; (3) genegenheid; (4) bewondering en eerbied; (5) behoefte aan goedkeuring; (6) gevoel van eigenwaarde; (7) gevoel van eigendomsrecht; (8) grooter vrijheid van handelen door de afwezigheid van persoonlijke hinderpalen; (9) verheffing van de sympathieën. "Deze hartstocht", zegt hij ten slotte, "smelt de meeste van de elementaire opwindingen, waartoe we in staat zijn, tot een enorm groote massa samen".

Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat het definieeren van de sexueele liefde, of zelfs het ontleden van de samenstellingen ervan, in het geheel niet hetzelfde is als het verklaren van het mysterie. Wij trachten ons verstand te bevredigen door middel van een samenhangend beeld der liefde, maar de afstand tusschen dat beeld en de werkelijkheid van de aandoening, die we ondervinden, moet altijd onmeetbaar en niet te overbruggen zijn. "Er is geen woord dat meer uitgesproken wordt dan dat van liefde", schreef Bonstetten vele jaren geleden, "en toch is er geen onderwerp, dat geheimzinniger is. Van dat, wat ons het naaste raakt, weten we het minste. Wij kunnen den loop van de sterren en we weten niet, hoe we liefhebben". En hoe bedreven we ook geworden zijn in het ontdekken en ontleden van de oorzaken, de bijkomstigheden en de resultaten van de liefde, moeten we toch nog heden dezelfde bekentenis doen. Wij kunnen trachten, zooals sommigen gedaan hebben, liefde te verklaren als een vorm van honger en dorst, of als een kracht, die overeenkomt met electriciteit, of als een soort van magnetisme, of als een soort van chemische affiniteit, of als een reflexwerking, maar deze verklaringen zijn niets meer dan pogingen om voor onszelf de grootheid van het verschijnsel, waarmee we te doen hebben, tot uitdrukking te brengen.

Wat altijd de menschen bij het denken over de sexueele liefde verbluft heeft, is de schijnbare onevenredigheid van de oorzaak ervan, het enorme verschil tusschen het noodzakelijk beperkte deel slijmvlies, dat het einddoel van zulke liefde is en de oceaan van wereld-omvattende gevoelens, waartoe het de toegang verleent, zoodat, naar Remy de Gourmont gezegd heeft, "de slijmvliezen, krachtens een onoplosbaar mysterie, in hun donkere plooien al de rijkdommen besloten houden van het oneindige". Het is een mysterie, waardoor de denker en de kunstenaar gelijkelijk overweldigd worden. Donnay beeldt, in zijn spel L'Escalade, een koud en streng man van de wetenschap uit, die liefde alleen beschouwt als een geestelijke ongesteldheid, die genezen kan worden evenals andere ongesteldheden en die tenslotte zelf wanhopig verliefd wordt. Hij dringt in de kamer van het meisje binnen op een ladder, midden in den nacht, en breekt los in een langen en hartstochtelijken woordenvloed: "Alles wat met je in aanraking komt, wordt voor mij geheimzinnig en heilig. O! te denken, dat iets zoo wel bekends als een vrouwenlichaam, dat beeldhouwers gemodelleerd hebben, waar dichters over gezongen hebben, dat mannen van de wetenschap, zooals ik, hebben ontleed, dat dit plotseling een onbekend mysterie moet worden en een oneindige vreugde, alleen omdat het 't lichaam is van een bepaalde vrouw--wat een waanzin! En toch, dat is, wat ik gevoel" [65].

Dat de liefde een natuurlijke waanzin is, een tijdelijke begoocheling, die het individu gedwongen is te lijden ter wille van het ras, is een uitleg, die menigeen, die door dit mysterie in verwarring is geraakt, in de gedachte is gekomen. Dat was, zooals wij weten, de uitleg, door Schopenhauer gegeven. Als een jonge man en een meisje elkaar in de armen vallen in liefdesextase, dan verbeelden zij zich, dat zij hun eigen geluk zoeken. Maar dat is zoo niet, zeide Schopenhauer; zij worden bedrogen door den genius van het ras tot zij meenen, dat zij een persoonlijk doel nastreven, opdat zij er toe gebracht zouden worden een veel grooter onpersoonlijk doel te bereiken: het scheppen van het toekomstige ras. De hevigheid van hun hartstocht is niet de maatstaf voor het persoonlijk geluk, dat zij verkrijgen zullen, maar de maatstaf voor hun geschiktheid om nakomelingschap voort te brengen. Als zij den hartstocht volgen en de raadgevingen van zorgvuldige voorzichtigheid in den wind slaan, dan offeren de jonge man en het meisje in werkelijkheid hun kansen op zelfzuchtig geluk op en vervullen zij de grootere doeleinden der Natuur. Zooals Schopenhauer de zaak zag, was er geen vulgaire illusie. De minnenden dachten, dat zij een grenzenloos persoonlijk geluk bereikten; zij bedrogen zich waarschijnlijk. Maar zij bedrogen zich, niet omdat de werkelijkheid minder was dan hun voorstelling, maar omdat ze meer was; inplaats van alleen maar een persoonlijk doel na te streven, zooals zij meenden, volbrengen zij het scheppingswerk van de wereld, een taak, die beter ongedaan was gebleven, zooals Schopenhauer het beschouwde, maar een taak waarvan hij de grootschheid volkomen erkende [66].

We moeten er aan denken, dat in de lagere beteekenis van het woord, liefde een ontgoocheling zijn kan en dat dikwijls ook is. Een man kan zich vergissen, of bedrogen worden door het voorwerp, dat hem aantrekt, in de eigenschappen die zij bezit of die ze niet bezit. Bij de eerste liefde, als ze in de jeugd voorkomt, is zulke teleurstelling zeker volkomen normaal, en bij zekere typen, die vatbaar voor indrukken en ontvlambaar zijn, heeft dit veel kans voor te komen. Deze soort van teleurstelling, hoewel ze veel meer voorkomt en veel meer in het oog valt in liefdezaken--en ernstiger is, omdat de huwelijksband zoo strak is--heeft neiging in iedere verhouding van het leven voor te komen. Voor de meeste menschen echter, en dat wel niet voor de minst verstandige of de minst wijze, blijft de herinnering aan de liefdeverrukking, zelfs als de tijd van die verrukking voorbij is, toch bestaan als, op zijn minst, de herinnering aan een van de meest werkelijke en essentieele feiten van het leven [67].

Sommige schrijvers schijnen de geneigdheid tot ontgoocheling en teleurstelling in liefdeszaken te verwarren met de meeromvattende kwestie van een wijsgeerige illusie in de beteekenis van Schopenhauer. Tot zekere hoogte bestaat deze verwarring misschien in het gesprek over liefde door Renouvier en Prot in La Nouvelle Monadologie (pp. 216 et seq.). Waar zij overwegen of liefde al of niet een begoocheling is, antwoorden zij, dat ze dat is of niet is naar gelang we al of niet worden beheerscht door zelfzucht en onrechtvaardigheid. "Het is geen essentieele dwaling geweest, die voorgezeten heeft bij de schepping van den afgod, want de afgod is alleen maar wat in alle dingen het ideale is. Maar om het ideale in de liefde te verwezenlijken zijn er twee menschen noodig, en dat is de groote moeilijkheid. We zijn nooit gerechtigd," zoo besluiten ze, "verachting op onze liefde te werpen, of zelfs op het voorwerp ervan; want als het waar is dat wij niet in het bezit zijn geraakt van de hoogste schoonheid van de wereld, dan is het even waar, dat wij zelf niet een trap van volmaking bereikt hebben, die ons reden zou gegeven hebben om met recht een zoo grooten prijs te eischen". En misschien mogen we er wel aan toevoegen, dat de meeste van ons ten slotte moeten toegeven als wij eerlijk zijn jegens onszelf, dat de liefdeprijzen, die we in de wereld verkregen hebben, wat hun gebreken ook zijn, veel grooter zijn dan we verdiend hebben.

Wij mogen wel erkennen, dat in zekeren zin niet alleen de liefde, maar al de hartstochten en begeerten van de menschen illusies zijn. In die beteekenis is het Evangelie van Boeddha gerechtvaardigd, en wij mogen wel de inspiratie erkennen van Shakespeare (in the Tempest) en van Calderon (in La Vida es Sueno), die voelden, dat ten slotte de geheele wereld een droom is zonder inhoud. Maar niet dan in deze groote en laatste visie kunnen wij van illusie spreken; wij kunnen niet toegeven, dat liefde een begoocheling is in eenige speciale en bijzondere beteekenis, waaronder de andere wenschen en aspiraties niet vallen. Integendeel is zij de meest vaste van alle werkelijkheden. Al de vormen van vooruitgang van het leven zijn opgebouwd op de sexueele aantrekking. Als wij de werking erkennen van sexueele keuze--zooals we wel bijna moeten doen als we ze ontdoen van de dingen, die er aan toegevoegd zijn zonder tot het wezen ervan te behooren [68]--dan heeft liefde de juiste vorm en kleur, de essentieele schoonheid gegeven, aan het leven van dieren en menschen gelijkelijk.

Als wij verder bedenken dat, zooals vele onderzoekers meenen, niet alleen de physieke bouw van het leven, maar ook de geestelijke bouw ervan--onze maatschappelijke gevoelens, onze moraal, onze godsdienst, onze poëzie en kunst--ten minste in zekere mate opgebouwd zijn op de sexueele impulsen, en dat zij, als ze al bestaan hadden, zeker geheel verschillend zouden geweest zijn, als andere dan sexueele wijzen van voortplanten geheerscht hadden in de wereld, dan kunnen we gemakkelijk erkennen, dat we slechts in verwarring kunnen geraken door de liefde af te wijzen als een begoocheling. Het geheele gebouw van het leven wankelt dan, want zooals de idealist Schiller lang geleden gezegd heeft, het is geheel en al opgebouwd van honger en van liefde. Liefde te beschouwen als in eenige speciale beteekenis een begoocheling, is niets anders dan het vallen in den strik van een ondiep cynisme. Liefde is alleen maar een waan in zooverre het geheele leven een waan is, en als wij het feit van het leven aannemen, dan is het onphilosofisch te weigeren het feit van de liefde aan te nemen.

Het is onnoodig hier de functies der liefde in de wereld te verheerlijken; het is voldoende de werking ervan na te gaan in eigen sfeer. Het kan echter de moeite loonen eenige uitdrukkingen aan te halen van denkers van verschillende scholen, die aangetoond hebben wat hun de ver strekkende beteekenis toescheen van de sexueele emoties voor het moreele leven. "De hartstochten zijn het hemelsch vuur, dat leven geeft aan de moreele wereld", schreef Helvetius lang geleden in De l'Esprit. "De werkzaamheid van den geest is afhankelijk van de werkzaamheid van de hartstochten, en het is ten tijde van de hartstochten, van den leeftijd van vijf en twintig tot vijf en dertig of veertig, dat mannen tot de grootste inspanningen van deugd en genie in staat zijn". "Wat de sekse raakt", schreef Zola, "raakt het middelpunt van het maatschappelijk leven". Zelfs ons gevoel voor de goed- of afkeuring van anderen heeft een sexueelen oorsprong, beweert Professor Thomas (Psychological Review, Jan. 1904, pp. 61-67), en het is de liefde, die de bron is van gevoeligheid in het algemeen en van de altruïstische zijde van het leven. "Het optreden van sekse", tracht Professor Woods Hutchinson aan te toonen ("Love as a Factor in Evolution", Monist, 1898), "de ontwikkeling van mannelijkheid en vrouwelijkheid, was niet alleen de grondslag voor genegenheid, de bron van alle moraal, maar een enorm economisch voordeel voor het ras en een absolute noodzakelijkheid voor den vooruitgang. Daarin vinden we het eerst eenig bewust verlangen naar een actieven impuls jegens een medeschepsel". "Als de mensch beroofd werd van het voortplantingsinstinct, en van alles wat daar geestelijk uit voortkomt", riep Maudsley uit in zijn Physiology of Mind, "dan zou op dat oogenblik alle poëzie en misschien ook alle zin voor moraal uit zijn leven verdwijnen". "We schijnen onszelf verheerlijkt, sterker, rijker, meer volkomen toe; we zijn meer volkomen", zegt Nietzsche (Der Wille zur Macht, p. 389), "we vinden hier de kunst als een organische functie: we vinden ze gelegd in het meest engelachtig instinct der "liefde": we vinden ze als de grootste prikkel van het leven... Het is niet alleen, dat ze het gevoel voor woorden verandert: hij, die liefheeft, is meer waard, is sterker. Bij dieren brengt deze toestand nieuwe wapens tot stand, kleuren en vormen, vooral nieuwe bewegingen, nieuwe rhythmen, een nieuwe verlokkende muziek. Het is niet anders met den mensch... Zelfs in de kunst is de deur voor hem geopend. Als wij uit de lyrische werken in woorden en geluiden datgene verwijderen, wat door dat inwendige vuur wordt ingegeven, wat blijft er dan over in de poëzie en de muziek? L'Art pour l'art misschien, de bluffende virtuositeit van oude kikkers, die in hun moeras omkomen. De geheele rest is door de liefde in het leven geroepen".

Het zou gemakkelijk zijn meerdere aanhalingen te geven, die aantoonen hoeveel verschillende denkers tot de conclusie zijn gekomen, dat de sexueele liefde (daarbij ingesloten de vader- en vooral de moederliefde) de bron is van de voornaamste uitingen in het leven. In hoeverre zij gerechtvaardigd zijn in die conclusie, het is niet onze zaak er navraag naar te doen.

Het is ongetwijfeld waar, dat, zooals we gezien hebben toen we de excentrieke en onvolkomene verdeeling van het begrip liefde, en zelfs van woorden voor liefde, over de geheele wereld, bespraken, volstrekt niet alle menschen even geschikt zijn om, in welken tijd van hun leven ook, de aandoeningen van sexueele exaltatie te ondervinden. Het verschil tusschen den ridder en den boer bestaat nog en beiden kunnen soms in alle maatschappelijke lagen gevonden worden. Zelfs de uitingen van sexueel genot, het is onnoodig er op te wijzen, berusten gewoonlijk op een zuiver physieken basis en hebben weinig uitwerking op het intellectueele deel der natuur [69]. Maar dit is niet het geval met de menschen, die het krachtigst invloed hebben uitgeoefend op de gedachte en de gevoelens van de wereld. De persoonlijke realiteit van de liefde, het belang ervan voor het leven van het individu, dat zijn feiten, waarvan getuigenis afgelegd is door eenige van de grootste denkers, na levens gewijd aan intellectueelen arbeid. De ondervinding van Renan, die tegen het einde van zijn leven in zijn merkwaardig drama L'Abbesse de Jouarre aan zijn overtuiging uitdrukking gaf, dat, zelfs van het standpunt van kuischheid, de liefde tenslotte het hoogste is in de wereld, staat in het geheel niet alleen. "Liefde is altijd beschouwd geweest als een mindere uiting van menschelijke muziek, de eerzucht als de hoogere", schreef Tarde, de beroemde socioloog, op het einde van zijn leven. "Maar zal het altijd zoo zijn? Zijn er geen redenen om te denken, dat de toekomst misschien voor ons in bewaring heeft de onuitsprekelijke verrassing van een omkeering van die wereldorde?" Laplace nam, een half uur voor zijn dood, een deel op van zijn eigen Mécanique Céleste, en zeide: "Dat is allemaal waardeloos, er is niets waar dan de liefde". Comte, die zijn leven besteed had aan het opbouwen van een positieve philosophie, die absoluut werkelijk zou zijn, vond (zooals we wel kunnen zeggen, dat de groote Engelsche positivist Mill ook vond) het toppunt van al zijn idealen in een vrouw, die zooals hij zeide, was Egeria en Beatrice en Laura in éen persoon, en hij schreef: "Er is niets werkelijk in de wereld dan de liefde. Men krijgt genoeg van denken en zelfs van handelen; men krijgt nooit genoeg van liefhebben en ook niet van het te zeggen. Bij de ergste kwellingen van de liefde heb ik nooit opgehouden te voelen, dat de hoofdzaak voor geluk is, dat het hart op waardige wijze gevuld zal zijn--zelfs met pijn, de bitterste pijn". En Sophie Kowalewsky schreef pathetisch, na intellectueele successen, die haar onder de meest beroemden van haar geslacht geplaatst hebben: "Waarom kan niemand mij liefhebben? Ik zou meer kunnen geven dan de meeste vrouwen, en toch worden de meest onbeteekenende vrouwen bemind en ik niet". Liefde, schijnen ze allen te zeggen, is het eenige ding, dat in hoogste instantie de moeite waard is. De grootste en schitterendste van de intellectueele reuzen der wereld bereiken blijkbaar, in hun oogenblikken van hoogste inzicht, het gewone niveau van de nederige en bijna anonieme personen, die, afgesloten van de wereld, schreven The Imitation of Christ of The Letters of a Portuguese Nun. En hoeveel anderen!

HOOFDSTUK V

HET WEZEN DER KUISCHHEID

Kuischheid is een wezenlijk bestanddeel van de waardigheid der liefde.--Het verzet van de achttiende eeuw tegen het kuischheidsideaal.--Onnatuurlijke vormen van kuischheid.--De psychologische basis van ascetisme.--Ascetisme en kuischheid als deugden onder natuurvolken.--De beteekenis van Tahiti.--Kuischheid onder barbaarsche volken.--Kuischheid onder de eerste Christenen.--Worstelingen van de heiligen tegen het vleesch.--De legende van de Christelijke kuischheid.--Het verval ervan in middeleeuwsche tijden.--Aucassin et Nicolette en de nieuwe legende van kuische liefde.--De onkuischheid van de Noordelijke barbaren.--De poenitentialia.--Invloed van de renaissance en de hervorming.--Het verzet tegen maagdelijkheid als een deugd.--De moderne opvatting van kuischheid als een deugd.--De invloeden, die de deugd der kuischheid bevorderen.--Kuischheid als een tucht.--De waarde van kuischheid voor den kunstenaar.--Potentie en impotentie in de algemeene schatting.--De juiste definities van ascetisme en kuischheid.

Het hooge belang van kuischheid, en zelfs van ascetisme, is nooit te eeniger tijd, of in een van levenskracht tintelende menschenmaatschappij, geheel zonder erkenning gebleven. Soms is de kuischheid in de schatting der menschen verheerlijkt en soms is ze naar beneden gehaald; ze heeft herhaaldelijk den aard van haar uitingen gewijzigd; maar ze is er altijd geweest. Wat meer zegt: zonder haar kan niemand een mooien, zelfs een deel van een mooien kijk op de Natuur hebben. "De glorie van de wereld wordt alleen gezien door een kuischen geest", zeide Thoreau met zijn fijne overdrijving. "Voor een ieder, voor wien dit feit geen ontzagwekkend, maar toch mooi mysterie is, bestaan er geen bloemen in de Natuur". Zonder kuischheid is het onmogelijk de waardigheid van sexueele liefde staande te houden. De maatschappij, waarin de waardeering daarvan tot een minimum daalt, is in de laatste stadia van ontaarding. Kuischheid heeft voor sexueele liefde een belang, dat ze nooit verliezen kan, en het allerminst tegenwoordig.

Het is volkomen waar, dat gedurende de achttiende en negentiende eeuw vele moreel en intellectueel zeer hoogstaande mannen het ideaal van kuischheid uitdrukkelijk veroordeeld hebben. De groote Buffon weigerde kuischheid als een ideaal te erkennen en verwees toornig naar "die soort van krankzinnigheid, die de maagdelijkheid van een meisje tot iets wezenlijks gemaakt heeft", terwijl William Morris eens, op de hem eigen openhartige wijze, in een bijeenkomst van de Fellowship of the New Life verklaarde, dat het "ascetisme de meest weerzinwekkende ondeugd is, die de menschelijke natuur bezocht heeft". Blake, hoewel hij in den meest conventioneelen zin een strikt moreel man was, voelt niets dan minachting voor kuischheid en voedt soms een soort van godsdienstigen eerbied voor het denkbeeld van onkuischheid. Ook Shelley, die in sexueele zaken misschien niet verstandig geweest is, maar die toch nauwelijks onkuisch genoemd kan worden, schijnt dikwijls godsdienst en moraal te verbinden niet met kuischheid, maar met onkuischheid, en ongeveer hetzelfde kan van James Hinton [70] gezegd worden. Maar al deze mannen--mèt andere mannen van een hoog karakter, die soortgelijke meeningen hebben uitgesproken--waren in opstand tegen valsche, decadente en conventioneele vormen van kuischheid. Zij kantten zich niet tegen een ideaal; zij trachtten een ideaal te stellen op de plaats waar zij bemerkten, dat een schadelijk voorwendsel prijkte als een moreele werkelijkheid.

Wij kunnen geen ideaal van kuischheid aannemen, als we niet onbarmhartig alle onnatuurlijke en ledige vormen van kuischheid verwerpen. Als kuischheid alleen maar is een vermoeiende poging om in de sexueele sfeer te wedijveren met de prestaties van mannen, die voor hun beroep vasten, een poging, die al de krachten van het organisme verbruikt, en op geen grooter succes uitloopt dan de abstinentie die ze in zich heeft, dan is ze zeker een onwaardig ideaal. Als ze is een zwak zich onderwerpen aan een uiterlijke wet der conventie, omdat men geen moed heeft er mee te breken, dan is ze in het geheel geen ideaal. Als ze een moreel voorschrift is, dat door de eene sekse opgedrongen wordt aan de andere, dan is ze een onrechtvaardigheid en prikkelt tot verzet. Als ze is een zich onthouden van de gebruikelijke vormen van sexualiteit, die dan vervangen worden door meer abnormale of meer geheime vormen, dan is ze eenvoudig een onwerkelijkheid, gebaseerd op een verkeerde voorstelling. En als ze alleen is een uiterlijk aannemen van conventies zonder eenige verdere aanname, zelfs in de daad, dan is ze een verachtelijke klucht. Dit zijn de vormen van kuischheid, die, in de laatste twee eeuwen, vele fijngevoelige mannen met kracht hebben verworpen.

Het feit, dat kuischheid of ascetisme een werkelijke deugd is, die aanleiding geeft tot mooie gebruiken, wordt duidelijk, als we ons voor oogen stellen, dat ze gebloeid heeft in alle tijden, in verband met alle soorten van godsdiensten en de meest verschillende moreele wetboeken. Wij vinden ze geldend onder natuurvolken, en de speciale deugden dier natuurvolken--harding, weerstandsvermogen en doodsverachting--zijn innig verbonden met het kweeken van kuischheid en ascetisme [71]. Het is waar, dat natuurvolken zelden een ideaal van kuischheid hebben in de lagere moderne beteekenis als een toestand van doorloopende abstinentie van sexueele verhoudingen, die dan op zichzelf verdienstelijk zou zijn, afgezien van ieder nut. Zij eeren kuischheid om de magische of werkelijke waarde ervan, als een methode van zelfbeheersching, die medewerkt tot het bereiken van belangrijke doeleinden. Het vermogen om pijn en dwang te verdragen is bijna altijd een hoofdbestanddeel bij het inwijden van jonge menschen tijdens de puberteit. De gewoonte, zich te onthouden van sexueelen omgang vóor oorlogs- of jachtexpedities en andere ernstige ondernemingen, die groote inspanning van spieren en hersenen vereischen is, welke de motieven ook zijn waar ze aan toegeschreven wordt, een wijze methode om kracht te sparen. De zeer ver verspreide gewoonte omgang te vermijden tijdens de zwangerschap en het zoogen, is weer een uitmuntende voorzorgsmaatregel in de sexueele hygiëne, die het onder de meer beschaafde volken zeer moeilijk is te blijven in acht nemen. Natuurvolken weten ook zeer wel hoe waardevol sexueele matigheid, te zamen met vasten en eenzaamheid is, om de geschiktheid te verkrijgen voor buitengewone geestelijke krachten.

Zoo geeft C. Hill Tout (Journal Anthropological Institute, Jan.-Juni 1905, pp. 143-145) een belangwekkend verslag van de zelftucht, waaraan diegenen onder de Salische Indianen van Britsch Columbia zich onderwerpen, die shamanistische krachten trachten te verkrijgen. De psychische uitwerking van zulk oefenen op deze menschen is, naar Hill Tout zegt, boven allen twijfel verheven. "Ze stelt hen in staat daden van buitengewone kracht, behendigheid en uithoudingsvermogen te ondernemen en te volbrengen; en ze geeft hun nu en dan, behalve een algemeene verheffing van de zinnen, ontwijfelbaar clairvoyante en andere bovennatuurlijke geestelijke en lichamelijke krachten". Ook aan de andere zijde van de wereld zijn, zooals aangetoond wordt door de Reports of the Anthropological Expedition to Torres Straits (vol. V, p. 321), dergelijke gewoonten gebruikelijk om bovennatuurlijke krachten te verkrijgen.

Er zijn fundamenteele psychologische redenen voor het veel voorkomen van het ascetisme en voor de opmerkelijke wijze, waarop het zelfvernietiging in zich sluit, zelfs acuut physiek lijden. Zulke pijn is een werkelijke psychische prikkel, vooral bij licht neurotische personen. Het bewijs hiervoor gaf een jonge vrouw, een patient van Janet, die leed aan geestelijke depressie en die gewoon was verlichting te vinden door even haar handen en voeten te branden. Zij begreep zelf duidelijk den aard van haar daden. "Ik voel", zeide zij, "dat ik een krachtsinspanning doe, als ik mijn handen op de kachel houd, of als ik kokend water op mijn voeten giet; het is een daad van geweld en ze maakt mij wakker: ik voel, dat ze werkelijk door mijzelf gedaan wordt en niet door een ander... Een geestelijke inspanning op zichzelf is mij te moeilijk; ik moet er physieke krachtsinspanningen voor in de plaats stellen. Ik heb op geen andere wijze succes gehad; dat is alles; als ik mijzelf er toe breng mij te branden, maak ik mijn geest voor verscheidene dagen vrijer, lichter en actiever. Waarom spreekt gij van mijn behoefte aan zelfkastijding? Mijn ouders gelooven hieraan, maar het is belachelijk. Het zou een zelfkastijding zijn als het lijden aanbracht, maar ik geniet van dit lijden, het geeft mij mijn geestvermogens terug; het verhindert, dat mijn gedachten stilstaan; wat zou men niet doen om zulk een geluk te bereiken?" (P. Janet, "The Pathogenesis of Some Impulsions", Journal of Abnormal Psychology, April 1906). Als wij dit psychologisch proces begrijpen, dan kunnen we beseffen hoe het komt, dat zelfs bij de hoogere godsdiensten, hoeveel ze overigens ook mogen verschillen, de praktische waarde van ascetisme en zelfkastijding bijna algemeen erkend is als noodzakelijk ter bereiking van den meest verheven godsdienstigen staat en met volkomen opgewektheid. "Ascetisme en extase zijn onafscheidelijk", zooals Probst-Biraben aan het begin van een belangwekkend geschrift over het Mohammedaansche mysticisme opmerkt ("L'Extase dans le Mysticisme Musulman", Revue Philosophique, Nov. 1906). Slechts door ascetisme bereikt men de geestelijke volmaking.

Zoo komt het, dat natuurvolken in ruime mate hun dikwijls bewonderenswaardige handhaving van ascetisme niet gronden op den praktischen basis, die het zou rechtvaardigen, maar op den godsdienstigen grondslag, die in discrediet komt met het aangroeien van het verstand [72]. Maar zelfs als de nauwgezette voorschriften van natuurvolken, zoowel in sexueele als in niet-sexueele zaken zonder eenigen merkbaren gezonden basis zijn, dan kan toch niet gezegd worden dat ze volkomen nutteloos zijn, als zij er toe leiden zelfbeheersching en het gevoel van eerbied aan te moedigen [73]. De zoogenaamde intelligente en praktische volken, die oorspronkelijke gebruiken opgeven, omdat die hun doelloos toeschijnen of zelfs belachelijk, moesten een nog fijner practischen zin hebben en een nog grooter verstand om te begrijpen dat, al zijn de redenen voor de gebruiken verkeerd geweest, toch de gebruiken zelf noodzakelijke methoden kunnen geweest zijn om persoonlijke en maatschappelijke capaciteiten te verkrijgen. Het gebeurt voortdurend in den loop van de beschaving, dat wij oude gebruiken moeten doen herleven, en dat wij ze moeten voorzien van nieuwe redenen.

Als wij de moreele hoedanigheid van kuischheid onder de natuurvolken beschouwen, dan moeten we zorgvuldig die kuischheid afscheiden, die onder half barbaarsche volken uitsluitend aan vrouwen opgelegd is. Deze heeft in het geheel geen moreele hoedanigheid, want ze wordt niet uitgeoefend als een nuttige tucht, maar ze wordt alleen opgedrongen om de economische en erotische waarde van de vrouwen te verhoogen. Vele autoriteiten meenen, dat het beschouwen van vrouwen als eigendom, de ware oorzaak is voor het wijd verspreide aandringen op maagdelijkheid in bruiden. Zoo zegt A. B. Ellis, waar hij spreekt over de Westkust van Afrika (Yoruba-Speaking Peoples, pp. 183 et seq.), dat meisjes van goeden stand verloofd worden terwijl ze nog slechts kinderen zijn, en dat ze zorgvuldig tegen mannen beschermd worden; terwijl meisjes van de lagere klassen zelden verloofd zijn, en mogen leven, zooals ze dat zelf willen. "In deze gewoonte van kinderverlovingen vinden we waarschijnlijk den sleutel tot dien merkwaardigen eerbied voor kuischheid vóór het huwelijk, die niet alleen gevonden wordt onder de stammen van de Goudkust en de Slavenkust, maar ook onder vele andere onbeschaafde volken in verschillende deelen der wereld". In een geheel anderen streek, in Noord-Siberië, "zien de Yakuts", zooals Sieroshevski zegt (Journal Anthropological Institute, Jan.--Juni 1901, p. 96), "niets immoreels in onwettige liefde, als er maar niemand materieele schade door ondervindt. Het is waar, dat ouders een dochter beknorren, als haar gedrag hen dreigt te berooven van hun deel aan den bruidsschat; maar als zij eenmaal de hoop verloren hebben haar uit te huwelijken, of als de bruidschat betaald is, dan vertoonen zij een volkomen onverschilligheid voor haar gedrag. Meisjes, die geen huwelijk meer verwachten, worden in het geheel niet teruggehouden; als zij het decorum in acht nemen, dan is dat alleen uit eerbied voor de gewoonte". Westermarck toont ook (in History of Human Marriage, pp. 123 et seq.) het verband aan tusschen de hooge achting voor de maagdelijkheid en de opvatting de vrouw als bezit te beschouwen, en als hij in zijn later werk, The Origin and Development of the Moral Ideas (vol. II, Ch. XLII), op de kwestie terugkomt, na er op gewezen te hebben, dat "het koophuwelijk zoo den standaard der vrouwelijke kuischheid heeft verhoogd", verwijst hij (p. 437) naar het veelbeteekenend feit, dat het verleiden van een ongetrouwd meisje "voornamelijk, zoo niet uitsluitend, beschouwd wordt als een beleediging, aangedaan aan de ouders of de familie van het meisje", en er is geen aanwijzing, dat natuurvolken ooit gemeend hebben, dat er eenig kwaad gedaan werd aan de vrouw zelf. Westermarck zegt terzelfder tijd, dat de voorkeur aan maagdelijkheid gegeven, ook een biologischen basis heeft in het instinctieve gevoel van jaloezie jegens vrouwen, die omgang hebben gehad met andere mannen, en vooral in de erotische bekoring, die er voor mannen gelegen is in den gemoedstoestand van verlegenheid, die met maagdelijkheid samengaat.

Het is nauwelijks nodig hier bij te voegen, dat het aandringen op maagdelijkheid van bruiden in het geheel niet, zooals A. B. Ellis schijnt te meenen, beperkt is tot onbeschaafde volken, en het is ook niet noodig, dat het koopen van vrouwen er altijd mede samengaat. De voorkeur bestaat nog steeds, niet alleen krachtens zijn natuurlijken biologischen basis, maar als een verfijning en uitbreiding van het denkbeeld dat de vrouw eigendom is, onder die volken, die evenals wijzelven een vorm van huwelijk hebben geërfd, die tot zekere hoogte gebaseerd is op den koop van de vrouw. Onder zulke omstandigheden heeft de kuischheid van een vrouw een belangrijke maatschappelijke functie te vervullen, daar ze, zooals Mrs. Mona Caird gezegd heeft (The Morality of Marriage, 1897, p. 88), de wachthond is van het bezit van den man. Het feit, dat geen element van ideale moraal in het geding komt, blijkt wel uit het gewoonlijk afwezig zijn van eenigen eisch van kuischheid vóór het huwelijk bij den man.

Wij moeten niet meenen, dat, indien er, zooals meestal het geval is, geen volkomen en voortdurend verbod van buitenechtelijken omgang is, enkel onbeperkte vrijheid overheerschend is. Dat is blijkbaar nooit ergens onder onvervalschte natuurvolken het geval geweest. Regel is blijkbaar, dat er, evenals onder de stammen in Straat Torres (Reports Cambridge Anthropological Expedition vol. v, p. 275), geen volkomen onthouding is vóór het huwelijk, maar ook geen onbeperkte vrijheid.

Het voorbeeld van Tahiti is leerrijk wat het algemeen voorkomen van kuischheid betreft onder volken, die wij gewoonlijk beschouwen als op lagen trap van beschaving staande. Tahiti is, volgens allen, die het bezocht hebben, van de eerste onderzoekers af tot dien beroemden Amerikaanschen dokter wijlen Dr. Nicholas Senn toe, een eiland, dat eigenschappen bezit van natuurlijke schoonheid en uitmuntendheid van klimaat, die we onmogelijk te hoog kunnen stellen. "Ik scheen overgeplant te zijn in den hof van Eden", zeide Bougainville in 1768. Maar, vooral onder den invloed van de eerste Engelsche zendelingen, die denkbeelden hadden over theoretische moraal, geheel verschillend van die van de bewoners van die eilanden, zijn de bewoners van Tahiti het geijkte voorbeeld geworden van een bevolking, overgegeven aan losbandigheid en al de verschrikkelijke gevolgen ervan. Zoo zegt William Ellis in zijn beroemde Polynesian Researches (second edition, 1832, vol. i Ch. IX), dat de bewoners van Tahiti "de ergste bevlekkingen in praktijk brachten, waaraan een mensch schuldig kon zijn", hoewel hij ze niet nader aanduidt. Als wij echter zorgvuldig de verhalen van de eerste bezoekers van Tahiti nagaan, voordat de bevolking besmet werd door de aanraking met de Europeanen, dan wordt het duidelijk, dat deze beschouwing ernstig behoefte heeft aan wijziging. "De groote overvloed van goed en voedzaam voedsel", schreef een der eerste onderzoekers, J. R. Forster (Observations Made on a Voyage Round the World, 1778, pp. 231, 409, 422), "gepaard met het mooie klimaat, de schoonheid en de toeschietelijkheid van de vrouwen van het land, noodigen zeer tot de vreugden en genoegens van de liefde. Zij beginnen al zeer vroeg zich over te geven aan de meest losbandige tooneelen. Hun liederen, hun dansen en dramatische uitvoeringen, ademen een geest van weelderigheid". Toch wordt hij ieder keer gedrongen feiten mede te deelen, die blijk geven van de deugden van deze menschen. Hoewel tamelijk verwijfd van bouw, zijn ze athletisch, zegt hij. Bovendien vechten zij in hun oorlogen met grooten moed en ongeëvenaarde dapperheid. Verder zijn ze gastvrij. Hij merkt op, dat zij hun getrouwde vrouwen met grooten eerbied behandelen, en dat de vrouwen over het algemeen bijna de gelijken zijn van de mannen, zoowel in verstand als in maatschappelijke positie; hij geeft een mooie beschrijving van de vrouwen. "In het kort, hun karakter is zoo beminnelijk", besluit Forster, "als dat van eenige natie, die ooit onverbeterd uit de handen der Natuur kwam", en hij merkt op, dat, zooals door de volken van de Zuidzee in het algemeen gevoeld werd, we altijd, als we naar dit gelukkige eiland kwamen, duidelijk den rijkdom en het geluk van zijn inwoners konden bemerken. Het is ook opmerkelijk, dat ondanks het groote belang, dat de bewoners van Tahiti hechtten aan de erotische zijde van het leven, zij niet te kort schoten in eerbied voor de kuischheid. Toen Cook, die Tahiti verscheidene malen bezocht, te midden van "dit welwillende en menschlievende" volk was, merkte hij hun achting voor kuischheid op, en bevond hij, dat, niet alleen verloofde meisjes streng bewaakt werden voor het huwelijk, maar dat men ook meende, dat mannen, die zich eenigen tijd voor het huwelijk van sexueelen omgang onthouden hadden, bij hun dood onmiddellijk naar het verblijf der gezegenden overgingen. "Hun gedrag schijnt, bij alle gelegenheden, een groote openhartigheid en edelmoedigheid van aard aan te duiden. Ik heb ze nooit, onder welke moeilijkheid ook, zien werken onder een schijn van angst, nadat het kritieke oogenblik voorbij was. En ook schijnt nooit de zorg hun voorhoofd te rimpelen. Integendeel kan zelfs de nadering van den dood hun gewone levendigheid niet veranderen" (Third voyage of Discovery, 1776-1780). Turnbull bezocht Tahiti op een lateren tijd, (A Voyage Round the World in 1800, etc., pp. 374-5), maar terwijl hij allerlei ondeugden onder hen vindt, moet hij toch hun deugden erkennen: "Hun wijze van vreemdelingen toe te spreken, is, van den koning tot den minsten onderdaan, in de hoogste mate beleefd en minzaam... Zij leven voorzeker onder elkaar in meer harmonie dan het de gewoonte is onder Europeanen. Den geheelen tijd, dat ik onder hen verkeerde, heb ik nooit zoo iets als een gevecht gezien... Ik herinner mij niet, dat ik ooit een bewoner van Tahiti gezien heb, die uit zijn humeur was. Zij bespotten elkaar vrijer dan de Europeanen, maar deze spotternijen worden nooit slecht opgenomen... Wat voedsel aangaat, is het, geloof ik, een onveranderlijke wet in Tahiti, dat al wat de een bezit, voor allen gemeenschappelijk is". Zoo zien we, dat zelfs bij een volk, waarnaar gewoonlijk verwezen wordt als naar het voorbeeld bij uitnemendheid van een natie, die overgegeven is aan onbeteugelde losbandigheid, de eischen der kuischheid werden erkend, en vele andere deugden krachtig bloeiden. De bewoners van Tahiti waren dapper, gastvrij, vol zelfbedwang, beleefd, zij sloegen acht op de behoeften van anderen, waren ridderlijk voor vrouwen, waardeerden zelfs de voordeelen van sexueele beperking, in een mate, zooals ze zelden of misschien wel nooit gekend is onder die Christelijke naties, die op hen hebben neergezien, alsof ze overgegeven waren aan verschrikkelijke ondeugden.

Als wij ons van de natuurvolken afwenden naar de volken in de barbaarsche en de beschaafde stadiën, vinden wij een algemeene neiging tot kuischheid, in zoover ze een gewoon bezit is onder de lagere klassen, die minder in acht genomen behoeft te worden, of alleen maar behouden wordt als een traditioneele conventie, die in onbruik begint te geraken. De oude beweegredenen voor de kuischheid in primitieve godsdiensten en tabu hebben hun kracht verloren en geen nieuwe beweegredenen zijn ervoor in de plaats gekomen. "Hoewel de vooruitgang der beschaving", schreef Gibbon lang geleden, "ongetwijfeld er toe bijgedragen heeft de woestere hartstochten van de menschelijke natuur te verzachten, schijnt ze minder gunstig geweest te zijn voor de deugd der kuischheid", en Westermarck komt tot het besluit, dat "ongeregelde betrekkingen tusschen de seksen over het geheel een neiging hebben vertoond zich met den voortgang van de beschaving te ontwikkelen".

Het voornaamste verschil in de maatschappelijke functie van kuischheid als deugd, schijnt bij den overgang van primitieve toestanden tot de hoogere stadiën van beschaving, te zijn, dat ze ophoudt te bestaan als een algemeene hygiënische maatregel of als een algemeene regel van ceremonieel, en voor het grootste deel beperkt wordt tot speciale philosofische en godsdienstige sekten, die ze tot een uitersten graad, min of meer als een beroep aankweeken. Dit is de stand van zaken in het Romeinsche Keizerrijk tijdens de eerste eeuwen van het Christelijk tijdperk [74]. Het Christendom zelf was in het begin een van die sekten, welke bekoord waren door het ideaal van de kuischheid; maar door zijn grootere levenskracht verving het al de andere en drong ten slotte zijn idealen, niet zijn primitieve gebruiken, op aan de Europeesche maatschappij in het algemeen.

De kuischheid vertoonde zich in het primitieve Christendom op twee verschillende, toch niet aan elkaar tegenovergestelde wijzen. Aan den eenen kant nam het een strengen en praktischen vorm aan bij krachtige mannen en vrouwen, die, na opgevoed te zijn in een maatschappij, die een hoogen graad van sexueele vrijheid toestaat, plotseling overtuigd werden van het zondige van zulk een toegeven. De strijd met de maatschappij, waarin ze geboren waren, en met hun eigen oude aandriften en gewoonten, werd zoo hevig, dat zij zich dikwijls gedrongen zagen zich geheel van de wereld terug te trekken. Zoo kwam het, dat de dorre woestijnen van Egypte bevolkt werden met hermieten, die zich voornamelijk bezig hielden met het vraagstuk, hun eigen vleesch te onderwerpen. Men kan wel zeggen, dat hun aandacht voor sexueele zaken, ook merkbaar in de oudste Christelijke literatuur, veel grooter was, dan het geval was in de heidensche maatschappij, die zij verlaten hadden. Het heidendom was toegevend in sexueele aangelegenheden, en kon ze dus uit zijn gedachten bannen, zoodat we in de klassieke literatuur zeer weinig melding vinden gemaakt van sexueele bijzonderheden, behalve bij schrijvers zooals Martialis, Juvenalis en Petronius, die ze speciaal voor satirische doeleinden invoeren. Maar de Christenen konden niet ontsnappen aan de benauwenis der sexualiteit; ze was altijd met hen. Wij krijgen nu en dan belangwekkende kijkjes op hun worstelingen, in de Brieven van den heiligen Jeronimus, die zelf een athleet geweest is in dezen ascetischen strijd.

"O, hoe dikwijls", schreef de heilige Jeronimus aan Antiochia, de maagd aan wie hij een van de langste en meest belangwekkende van zijn brieven richtte, "heb ik in de woestijn, in die wijde eenzaamheid, die, verbrand door de gloeiende stralen der zon, slechts een afschuwelijke woonplaats aanbiedt aan monniken, mijzelf voorgesteld te midden van de genoegens van Rome! Ik was alleen, want mijn ziel was vol bitterheid. Mijn ledematen waren bedekt met een ellendigen zak en mijn huid was zoo zwart als die van een Ethiopiër. Iederen dag weende en steunde ik, en als ik buiten mijn wil door slaap overvallen werd, lag mijn magere lichaam op den naakten grond. Ik zeg niets van mijn voedsel en drank, want in de wildernis hebben zelfs zieken geen anderen drank dan koud water, en gekookt voedsel wordt beschouwd als een weelde. Nu dan, ik, die mijzelf uit vrees voor de hel tot deze gevangenis veroordeeld had, een metgezel van schorpioenen en wilde dieren, scheen dikwijls in mijn verbeelding onder troepen jonge meisjes te vertoeven. Mijn gezicht was bleek van het vasten en mijn geest in mijn koude lichaam gloeide van begeerte; het vuur der wellust vlamde nog op in een lichaam, dat reeds dood scheen. Dan, van alle hulp verstoken als ik was, wierp ik mij voor de voeten van Jezus, waschte ze met mijn tranen en droogde ze met mijn haren en bracht mijn vleesch door lang vasten ten onder. Ik herinner mij, dat ik meer dan eens den nacht doorbracht schreeuwende en mij op de borst slaande, tot God mij vrede zond". "Onze eeuw", schreef de heilige Chrysostomus in zijn Discourse to Those Who keep Virgins in Their Houses, "heeft vele mannen gezien, die hun lichamen met kettingen gebonden hebben, die zich gekleed hebben in zakken, die zich teruggetrokken hebben tot de toppen der bergen, waar zij geleefd hebben in voortdurend bidden en vasten, en die het voorbeeld gaven van de strengste tucht en alle vrouwen verboden den drempel van hun nederige woning te overtreden; en toch, ondanks al de gestrengheid, die zij op zichzelf toepasten, konden zij nog maar met moeite de woede van hun hartstochten onderdrukken". Hilarion, zegt Jeronimus, zag visioenen van naakte vrouwen als hij neerlag op zijn eenzaam leger, en heerlijke maaltijden, als hij neerzat aan zijn sober maal. Zulke ondervindingen maakten de eerste heiligen zeer nauwgezet. "Zij zeiden", zoo vertelt men ons in de belangwekkende geschiedenis van de Egyptische kluizenaars in het Paradise of the Holy Fathers van Palladius, hetwelk behoort tot de vierde eeuw (A. W. Budge, The Paradise, vol. II, p. 129), "dat Abbâ Isaac uitging en op den weg een voetspoor van een vrouw vond, en hij dacht er over na in zijn geest en vernietigde hem, zeggende, "als een broeder hem ziet, zou hij kunnen vallen"." Evenzoo mochten, volgens de regels van den heiligen Caesarius van Arles voor nonnen, geen kleedingstukken van mannen in het klooster gebracht worden om ze te wasschen of te verstellen. Zelfs in den ouderdom bleef er nog een zekere ongerustheid bestaan over de kuischheid. Een van de broeders, naar ons verteld wordt in The Paradise (p. 132) zeide tot Abbâ Zeno, "Zie, gij zijt oud geworden, hoe is het met de ontucht?" De waardige heilige antwoordde, "Ze klopt aan, maar ze gaat voorbij".

Naarmate de eeuwen voorbijgingen bleef dezelfde groote ongerustheid nog bestaan, en de oude strijd kwam voortdurend weer voor den dag (zie b.v. Migne's Dictionnaire d'Ascétisme, art. "Démon, Tentation du"). Het is waar, dat sommige heiligen zoo bovenaardsch aangelegd waren, dat zij nooit den prikkel van het sexueel verlangen gevoelden. Deze schijnen echter uitzondering geweest te zijn. De heilige Benedictus en de heilige Franciscus ondervonden zeer zeker de moeilijkheid van het ten onder brengen van het vleesch. De heilige Magdalena de Pozzi rolde zich, om sexueele verlangens te verjagen, tot bloedens toe op doornige struiken. Sommige heiligen hadden een speciale ton met water in hun cellen waar ze in konden gaan staan (Lea, Sacerdotal Celibacy, vol. I, p. 124). Aan den anderen kant vertelt ons de heilige Angela de Fulginio in haar Visiones (cap. XIX) dat zij, zoolang, totdat haar biechtvader het haar verbood, brandende kolen in haar geheime deelen bracht, in de hoop door werkelijk vuur het branden van de ontuchtige begeerte uit te dooven. St. Aldhelm, de heilige bisschop van Sherborne in de achtste eeuw, nam ook een homoeopathische wijze van behandelen aan, en dan van een meer letterlijke soort, want William van Malmsbury zegt, dat hij, als hij door het vleesch in verleiding kwam, vrouwen bij zich liet komen zitten en liggen, totdat hij weer kalm werd; de methode bleek zeer doelmatig, omdat, naar men meende, de Duivel voelde, dat hij voor den gek was gehouden.

Na eenigen tijd werd de Katholieke praktijk en theorie van het ascetisme meer formeel en uitgebreid, en de weldadige gevolgen ervan strekten zich, naar men meende, verder uit dan het individu zelf. "Ascetisme van het Christelijk standpunt", schrijft Brenier de Montmorand in een belangwekkende studie ("Ascétisme et Mysticisme", Revue Philosophique, Maart, 1904) "is niets anders dan al de therapeutische middelen, samenwerkend tot moreele heiliging. De Christelijke asceet is een athleet, die zijn verdorven natuur tracht te veranderen en een weg tot God te banen door de hinderpalen heen, die door zijn hartstochten en door de wereld veroorzaakt worden. Hij werkt niet alleen in zijn eigen belang, maar--door den terugslag van verdienste, welke die der solidariteit in de dwaling weer goed maakt--voor het nut en het heil van de geheele maatschappij".

Dit is het gezichtspunt van de ascese, waarop het oudste Christendom het meest den nadruk gelegd heeft. Maar er is een ander gezichtspunt, dat misschien minder gewoon is, maar dat in het geheel niet minder van belang is geweest. Primitieve Christelijke kuischheid was aan den eenen kant een strenge tucht. Aan den anderen kant was ze romantisch en dit was wel de meest speciaal Christelijke kant, want athletisch ascetisme is verbonden geweest met de meest verschillende godsdienstige en philosofische geloofsbelijdenissen. Als ze niet de bekoring bezeten had van een nieuwe sensatie, van een verrukkelijke vrijheid, van een onbekend avontuur, dan zou ze nooit de Europeesche wereld veroverd hebben. Er zijn er in die wereld maar enkelen, die den aanleg voor moreele athleten in zich hebben; er zijn er velen, die op de aantrekkelijkheid van het romantische reageeren.

De Christenen verwierpen de grovere vormen van sexueel toegeven, maar terwijl ze dat deden, gaven zij zich met des te meer ijver over aan de meer verfijnde vormen van sexueele intimiteit. Zij kweekten een verhouding aan van broeders en zusters, zij kusten elkaar; op een bepaalden tijd schaamden zij zich niet, bij de geestelijke braspartij van den doop bij voorbeeld, volkomen naakt te zijn [75].

Een zeer leerrijk beeld van de vormen, die de kuischheid onder de eerste Christenen aannam, is ons gegeven in de verhandeling van den heiligen Chrysostomus Against Those who Keep Virgins in their Houses. Onze vaders, begint Chrysostomus, kenden alleen maar twee vormen van sexueele intimiteit, huwelijk en ontucht. Nu is er een nieuwe vorm voor den dag gekomen: mannen nemen jonge meisjes in hun huis en houden die daar doorloopend, terwijl ze haar maagdelijkheid eerbiedigen. "Wat", vraagt Chrysostomus, "is de reden? Het schijnt mij toe, dat het leven te zamen met een vrouw, aangenaam is, zelfs buiten huwelijksvereeniging en vleeschelijken omgang. Dat is mijn gevoelen; en misschien is het niet mijn gevoelen alleen; het is misschien ook het gevoelen van deze mannen. Zij zouden hun eer niet zoo te grabbel gooien en geen aanleiding geven tot zulke schandalen, als dit genoegen niet hevig en tyranniek was.... Dat deze verhouding werkelijk genoegen geeft, dat ze een liefde veroorzaakt, die vuriger is dan huwelijksvereeniging, zal u misschien in het eerst verwonderen. Maar als ik u de bewijzen geef, zult ge overtuigd zijn van de waarheid mijner bewering". In het huwelijk, gaat hij voort, leidt de afwezigheid van beperking der begeerte dikwijls tot spoedige walging, en zelfs afgezien daarvan verwoesten de sexueele omgang, zwangerschap, geboorte, het zoogen, het opvoeden van kinderen, en al de moeiten en pijnen en angsten, die met deze dingen samengaan, de jeugd en stompen het genoegen af. De maagd is vrij van deze lasten. Zij behoudt haar kracht en jeugd, en zelfs op den leeftijd van veertig kan zij wedijveren met het jonge huwbare meisje. "Een dubbele gloed brandt dus in het hart van hem, die haar liefheeft en met haar leeft, en nooit dooft de bevrediging van het verlangen de heldere vlam, die voortdurend in kracht toeneemt". Chrysostomus beschrijft in bijzonderheden al de kleine zorgen en attenties, waaraan de moderne meisjes van zijn tijd behoefte hadden, en die deze mannen met vreugde aan hun maagdelijke geliefden besteedden, zoowel in het publiek als tehuis. Hij kan echter niet nalaten te denken, dat de man, die een vrouw, wier maagdelijkheid hij eerbiedigt, met kussen en liefkoozingen overlaadt, zichzelf Tantaluskwellingen aandoet. Maar deze nieuwe verfijning van teedere kuischheid, die als een heerlijke ontdekking kwam tot de eerste Christenen, die resoluut de losbandigheid van de heidensche wereld hadden verworpen, had diepe wortels geschoten, zooals wij kunnen opmerken uit de veelvuldigheid, waarmee de ernstige Kerkvaders, bang voor schandaal, zich geroepen gevoelden ze te laken, hoewel hun veroordeeling soms niet zonder geheime sympathie is [76].

Er was éen vorm, waarin de nieuwe Christelijke kuischheid overvloedig en ongehinderd bloeide: zij maakte zich meester van de literatuur. De bekoorlijkste en zeker de meest populaire literatuur van de oudste kerk vormden de onnoemelijk vele legenden van erotische kuischheid--tot zekere hoogte misschien wel gebaseerd op feiten--die samengevat zijn in de Acta Sanctorum. Wij kunnen, zelfs in de meest eenvoudige en weinig wonderbaarlijke oudste Christelijke verslagen van het martelaarschap van vrouwen zien, dat de schrijvers zich volkomen bewust waren van de teere bekoring van de heldin, die, evenals Perpetua, in Carthago, door wilde dieren in de arena heen en weer geworpen, opstaat om zich in haar gescheurde kleeren te hullen en haar verwarde haren in orde te brengen [77]. Van deze legenden tot de verhalen van romantisch avontuur was een gemakkelijke stap. Onder deze heerlijke verhalen mag ik voornamelijk verwijzen naar de legende van Thekla, die, misschien wel ten onrechte, al in de eerste eeuw gesteld wordt, "De Bruid en Bruidegom van Indië" in de handelingen van Judas Thomas, "De Maagd van Antiochië", verteld door den heiligen Ambrosius, de geschiedenis van "Achillus en Nereus", "Mygdonia en Karish", en "Twee Minnenden van Auvergne", zooals ze verteld zijn door Gregorius van Tours. De oudste Christelijke literatuur is vol van verhalen van minnenden, die hun kuischheid bewaard hadden, en die toch de heerlijkste geheimen van de liefde hadden ontdekt.

Thekla's dag is de drie en twintigste September. Er is een zeer goede Syrische lezing (door Lipsius en anderen beschouwd als ouder dan de Grieksche vertaling) van de Handelingen van Paul en Thekla (zie b.v. van Wright, de Apocryphal Acts). Deze Acts behooren tot het tweede gedeelte van de tweede eeuw. De geschiedenis is, dat Thekla, daar ze weerstand bood aan den hartstocht van den hoogepriester van Syrië, naakt op een gordel (subligaculum) na, geplaatst werd op den rug van een leeuwin, die haar de voeten likte en tegen de andere dieren vocht, en die bij haar verdediging stierf. De andere dieren deden haar echter geen kwaad en zij werd eindelijk los gelaten. Een koningin overlaadde haar met geld, zij veranderde haar kleeding om er als een man uit te zien, ging op reis om Paulus te ontmoeten, en bereikte een hoogen ouderdom. Sir W. M. Ramsay heeft een belangwekkende studie over deze Handelingen geschreven (The Church in the Roman Empire, hoofdstuk XVI). Hij meent, dat de Handelingen hun grondslag vinden in een document uit de eerste eeuw, en hij ziet kans om verscheidene elementen van waarheid uit het verhaal los te warren. Hij zegt, dat het het eenige bewijs is, hetwelk wij bezitten van de denkbeelden en van de daden van vrouwen gedurende de eerste eeuw in Klein-Azië, waar haar positie zoo hoog was en haar invloed zoo groot. Thekla vertegenwoordigt de handhaving van de rechten der vrouw en zij diende het sacrament van den doop toe, hoewel deze trekken in de bestaande vertalingen van de Handelingen onduidelijk geworden zijn of uitgewischt.

Sommige van de meest typische van deze Christelijke legenden worden beschreven als Gnostisch in oorsprong, met iets van de zaden van het Manichaeisch dualisme, die vervat waren in den schoot van het gnosticisme, terwijl de geest van deze legenden ook zeer Montanistisch is, met de gemengde kuischheid en gloed, den uitgesproken feministischen toon, die past bij den oorsprong ervan in Klein-Azië, en die het kenmerk was van het Montanisme. Het kan echter niet ontkend worden, dat zij in grooten getale overgingen in den stroom van Christelijke traditie, en een essentieel en belangwekkend deel van die traditie vormen. (Renan wijst, in zijn Marc-Aurèle, hoofdst. IX en XV, op de enorme schuld van het Christendom aan Gnostische en Montanistische bijdragen). Een karakteristiek voorbeeld is de geschiedenis van "De Verloofde uit Indië" in de Handelingen van Judas Thomas (Wright's Apocryphal Acts). Judas Thomas werd door zijn meester Jezus verkocht aan een Indischen koopman, die een timmerman noodig had om met hem naar Indië te gaan. Toen ze zich in de stad Sandaruk ontscheepten, hoorden ze de tonen van muziek en zang, en werd hun verteld, dat het het huwelijksfeest was van de dochter des konings, waarbij allen moesten tegenwoordig zijn, rijken en armen, slaven en vrijen, vreemdelingen en burgers. Judas Thomas ging, met zijn nieuwen meester naar het feestmaal en lag aan, met een myrthe guirlande op zijn hoofd geplaatst. Toen een Joodsche fluitspeler kwam en tegenover hem ging staan en speelde, zong hij de liederen van Christus, en zij zagen, dat hij schooner was dan allen, die daar waren en de koning liet hem roepen om het jonge paar te zegenen in de huwelijkskamer. En toen zij allen weg waren gegaan en de deur van de huwelijkskamer gesloten was, naderde de bruigom de bruid, en het scheen hem toe, alsof Judas Thomas nog met haar praatte. Maar het was onze Heer, die tot hem zeide: "Ik ben niet Judas, maar zijnen broeder". En onze Heer zat neer op het bed naast de jonge menschen en begon tot ze te zeggen: "Herinner u, mijn kinderen, wat mijn broeder tot u gesproken heeft, en weet aan wien hij u opgedragen heeft, en weet, dat als gij uzelven bewaart voor dien onreinen omgang, gij reine tempels zult worden en beveiligd tegen vele en verborgen smarten en tegen den zwaren zorg van kinderen, waarvan het einde altijd bittere smart is. Om hunnentwille zult gij onderdrukkers worden en roovers, en gij zult bitter lijden door hun verkeerdheden. Want kinderen zijn de oorzaak van vele ellenden; hetzij de koning beslag op hen legt, of dat een duivel ze te pakken neemt, of dat zij bezocht worden door verlamming. En als zij gezond zijn, komen zij tot het kwade, door echtbreken of diefstal, of ontucht of begeerte, of ijdelheid. Maar als gij u door mij wilt laten raden, en uzelven rein voor God zult bewaren, dan zult gij levende kinderen hebben, tot wie geen van deze ellenden en bezwaren komen; en gij zult zonder zorg zijn en zonder ergernis en zonder smart, en gij zult hopen op den tijd, waarop gij het ware huwelijksfeest zult aanschouwen". Het jonge paar was overtuigd; zij zagen van den wellust af en onze Heer verdween. En 's morgens toen de dag aanbrak, liet de koning de tafel vroeg aanrichten, en bracht die binnen bij den bruidegom en de bruid. En hij vond ze tegenover elkaar zitten, en het gelaat der bruid was onbedekt en de bruidegom was zeer vroolijk. De moeder van de bruid zeide tot haar: "Waarom zit je zoo en schaam je je niet, maar doet net alsof je al lang getrouwd waart, vele dagen?" En ook haar vader zeide tot haar: "Is het de groote liefde voor je echtgenoot, die je ervan terughoudt je te sluieren?" En de bruid antwoordde en zeide: "Waarlijk vader, mijn liefde is zeer groot, en ik bid den Heer, dat ik deze liefde, die ik vannacht ondervonden heb, zal blijven behouden. Ik ben niet gesluierd, omdat de sluier der verdorvenheid van mij afgenomen is, en ik schaam mij niet, omdat de daad, die schaamte geeft, ver van mij verwijderd is, en ik ben opgewekt en vroolijk, en ik veracht deze daad der verdorvenheid en de vreugden van dit huwelijksfeest, omdat ik uitgenoodigd ben tot het ware huwelijksfeest, Ik heb met mijn echtgenoot geen omgang gehad, waarvan het einde bitter berouw is, omdat ik verloofd ben met den waren Echtgenoot". De echtgenoot antwoordde ook in dezelfden geest, zeer natuurlijk tot schrik van den Koning, die een bode zond naar den toovenaar, aan wien hij gevraagd had zijn ongelukkige dochter te zegenen. Maar Judas Thomas had de stad reeds verlaten en in de herberg, waar hij gelogeerd had, vond de bottelier van den Koning alleen den fluitspeler, die daar zat en weende, omdat hij hem niet meegenomen had. Hij was echter blij, toen hij hoorde wat er gebeurd was, haastte zich naar het jonge paar en woonde daarna altijd met hen samen. De Koning werd ten slotte ook verzoend en alles eindigde in kuischheid en geluk.

In deze zelfde Handelingen van Judas Thomas, die niet van later datum zijn dan van de vierde eeuw, vinden we (vierde daad), de geschiedenis van Mygdonia en Karish. Mygdonia, de vrouw van Karish, wordt door Thomas overtuigd en vlucht, naakt, alleen bedekt door een gordijn van de kamerdeur, dat zij omgeslagen heeft, van haar echtgenoot naar haar oude min. Met de min gaat zij naar Thomas, die heilige olie over haar hoofd giet, terwijl hij de min verzoekt haar er geheel mee te zalven; dan wordt er een laken om haar lendenen geslagen en hij doopt haar; waarna zij aangekleed wordt en hij haar het sacrament geeft. De jonge verrukking over de kuischheid wordt soms lyrisch, en Judas Thomas roept uit: "Reinheid is de athleet, die niet overwonnen wordt. Reinheid is de waarheid, die niet terugdeinst. Reinheid is waardig voor God, een vertrouwde dienares voor Hem te zijn. Reinheid is de boodschapper van eendracht, die de vredestijdingen brengt".

Een andere kuischheidslegende wordt gegeven in de episode van Drusiana in The history of the Apostles, die volgens de traditie toegeschreven wordt aan Abdias, den Bisschop van Babylon (Bk. v. hoofdst. IV, et seq.). Drusiana is de vrouw van Andronicus; ze is zoo vroom, dat ze geen omgang met hem wil hebben. De jongeling Callimachus wordt doodelijk op haar verliefd, en zijn verliefde pogingen hebben vele opwindende avonturen ten gevolge, maar ten slotte overwint de kuischheid van Drusiana.

Een karakteristiek voorbeeld van de literatuur die wij hier bedoelen, is de geschiedenis van den heiligen Ambrosius over "de Maagd in het Bordeel" (verteld in zijn De Virginibus, Migne's editie van de werken van Ambrosius, deelen iii-iv, p. 211). Een zekere maagd, vertelt de heilige Ambrosius ons, die onlangs in Antiochië woonde, werd veroordeeld om òf aan de goden te worden geofferd òf om naar het bordeel te gaan. Zij koos het laatste alternatief. Maar de eerste man, die bij haar binnen kwam, was een Christen soldaat, die haar "zuster" noemde en die haar verzocht niet te vreezen. Hij stelde voor, dat zij van kleederen zouden verwisselen. Dit werd gedaan en zij ontsnapte, terwijl de soldaat weggevoerd werd, om ter dood gebracht te worden. Op de plaats van de terechtstelling kwam zij echter te voorschijn en riep, dat het niet den dood was, dien ze vreesde, maar de schande. Hij stond er echter op, dat hij in haar plaats ter dood veroordeeld werd. Ten slotte werd de kroon van het martelaarschap, waarvoor ze gestreden hadden, aan beiden toegekend.

In de oudere documenten van deze romantische literatuur der kuischheid nemen we voortdurend waar, dat er op kuischheid aangedrongen wordt, volstrekt niet voornamelijk om de belooning ervoor na den dood, en ook zelfs niet, omdat de maagd, die er zich aan wijdt, in Christus een altijd jongen minnaar ziet, wiens guldenharige schoonheid soms met nadruk vermeld wordt. De voornaamste bekoring ervan ligt in de eigen vrijheid, en in de zekerheid, dat men ontkomt aan al de moeiten, ongemakken en banden van het huwelijk. Deze oudste Christelijke beweging van romantische kuischheid was klaarblijkelijk in groote mate een opstand van vrouwen tegen de mannen en tegen het huwelijk. Dit wordt wel duidelijk uit de leerzame geschiedenis, die men veronderstelt dat haar oorsprong heeft in de derde eeuw, van de eunuchen Achilles en Nereus, zooals ze verteld wordt in de Acta Sanctorum, van den 12en Mei. Achilles en Nereus waren Christelijke eunuchen van de slaapkamer van Domitia, een maagd van edele geboorte, die verwant was aan Keizer Domitianus en verloofd met Aurelianus, den zoon van den consul. Eens, toen hun meesteres bezig was zich te versieren met haar juweelen en haar purperen gewaden, met goud geborduurd, begonnen zij om beurten haar te spreken over al de genoegens en voordeelen van de maagdelijkheid, vergeleken met een huwelijk met niet meer dan één man. Zij had ten gevolge daarvan veel te lijden van Aurelianus, en toen hij bewerkte, dat zij naar een eiland verbannen werd, ging zij daarheen met Achilles en Nereus, die ter dood gebracht werden. Als een onderdeel van het verhaal wordt de dood van Felicula, een andere kuischheidsheldin, beschreven. Toen zij op de pijnbank gelegd werd, weigerde zij voortdurend Jezus te verloochenen, dien zij haar minnaar noemde. "Ego non nego amatorem meum".

Een speciale afdeeling van deze literatuur heeft betrekking op de geschiedenissen van de bekeeringen of het berouw van courtisanes. De heilige Martinianus bijvoorbeeld (Feb. 13) werd in verleiding gebracht door de courtisane Zoe, maar bekeerde haar. De geschiedenis van de heilige Margaretha van Cortona (Feb. 22), een berouwvolle courtisane, is van lateren datum, want zij behoort tot de dertiende eeuw. Het mooiste document in deze literatuur is waarschijnlijk de laatste, de Italiaansche stichtelijke legende uit de veertiende eeuw, genaamd The Life of Saint Mary Magdalen, die gewoonlijk in verband gebracht wordt met den naam van Frater Dominico Cavalca. (Ze is in het Engelsch vertaald). Het is de zoo fijn en mooi vertelde legende van de kuische en hartstochtelijke liefde van de beminnelijke zondares Maria Magdalena voor haar geliefden Meester.

Naarmate de tijd verliep, werd het aandringen op de vreugden van de kuischheid in dit leven minder in het oog vallend, en werd zij meer en meer beschouwd als de toestand, die alleen zijn volledige belooning vindt in het toekomstig leven. Toch worden zelfs in de bekoorlijke geschiedenis van Gregorius van Tours van "De Twee minnenden van Auvergne", waarin deze houding duidelijk is, de genoegens van kuische liefde in dit leven evenzeer op den voorgrond gesteld als in een van de eerste legenden (Historia Francorum, lib. I, hoofdst. XLII). Twee senatoren van Auvergne hadden ieder een eenig kind en die verloofden zij met elkaar. Toen de huwelijksdag kwam en het jonge paar te bed gelegd was, keerde de bruid zich naar den muur en weende bitterlijk. De bruidegom smeekte haar hem te zeggen wat er was; toen keerde zij zich tot hem en zeide, dat zij haar verdriet niet kon uitwisschen, al zou zij al de dagen van haar leven weenen, want dat zij besloten had haar kleine lichaam onbevlekt aan Christus te geven, onaangeroerd door mannen; nu had zij in plaats van onsterfelijke rozen alleen maar verlepte rozen op haar voorhoofd gehad, die het eer mismaakten dan dat zij het versierden, en in plaats van den bruidsschat van het Paradijs, dien Christus haar beloofd had, was zij de echtgenoote geworden van een sterfelijk man. Zij beklaagde haar droevig lot lang en met veel liefelijke welsprekendheid. Ten laatste voelde de bruidegom, door haar lieve woorden overtuigd, dat het eeuwige leven voor hem geschenen had als een groot licht, en verklaarde hij, dat als zij zich wenschte te onthouden van vleeschelijke begeerten, hij dat ook wilde. Zij was zeer dankbaar, en met gevouwen handen vielen zij in slaap. Verscheidene jaren leefden zij zoo te zamen, in kuischheid hetzelfde bed deelende. Ten slotte stierf zij en werd begraven; haar minnaar gaf haar onbevlekt over in de handen van Christus. Spoedig daarna stierf ook hij en werd in een afzonderlijke graftombe begraven. Toen geschiedde er een wonder, dat de grootschheid van deze kuische liefde duidelijk in het licht stelde, want de twee lichamen werden gevonden, op geheimzinnige wijze bijeen geplaatst. Tot op dezen dag, zoo besluit Gregorius (schrijvende in de zesde eeuw), noemen de menschen van de plaats hen "De Twee Minnenden".

Hoewel Renan (Marc-Aurèle, hoofdst. XV) met korte woorden de aandacht op het bestaan van deze uitgebreide oude Christelijke literatuur vestigt, die de romantiek der kuischheid voortzet, schijnt ze tot nog toe weinig of niet bestudeerd te zijn. Ze heeft echter groot belang, niet alleen om zichzelf, maar ter wille van de psychologische beteekenis, daar ze den aard van de beweegkrachten duidelijk maakt, die de kuischheid gemakkelijk en aantrekkelijk maakten voor de menschen van de vroegste Christelijke wereld, zelfs als ze volkomen sexueele abstinentie met zich bracht. De oude Kerk vervloekte de erotiek van de Heidensche wereld en bande ze uit op de meest krachtdadige wijze door een eigen nieuwe en fijnere erotiek er voor in de plaats te stellen.

Gedurende de middeleeuwen begon de oorspronkelijke frischheid van de Christelijke kuischheid haar bekoring te verliezen. Geen kuischheidslegenden werden geschreven en in het werkelijke leven zochten de menschen geen avonturen meer op het gebied der kuischheid. Voor zoover de oude idealen al in leven bleven, was dit op het wereldsch gebied der ridderlijkheid. De laatste bekende figuur, die streefde naar de heldenfeiten van de eerste Christenen was Robert van Arbrissel in Normandië.

Robert van Arbrissel, die, in de elfde eeuw, de beroemde en bekende orde van Fontevrault voor vrouwen stichtte, kwam uit Bretagne. Deze Keltische oorsprong is ongetwijfeld van beteekenis, want hij kan misschien zijn nooit falenden ijver en zijn enthusiaste vereering voor vrouwen verklaren. Zelfs zij, onder zijn vrienden, die afkeurden wat zij zijn schandelijk gedrag noemden, leggen getuigenis af van zijn nooit falend vroolijk temperament, zijn wakkerheid in het handelen, zijn bereidwilligheid voor welke daad van humaniteit ook en zijn volkomen vrij zijn van gestrengheid. Hij trok groote massa's menschen van allerlei soort aan, vooral vrouwen, ook prostituées, en zijn invloed over vrouwen was groot. Eens ging hij in een bordeel om zijn voeten te warmen en bekeerde terloops alle vrouwen die daar waren. "Wie zijt gij?" vroeg een van haar, "ik ben hier al vijf en twintig jaar en niemand is mij hier ooit komen spreken over God". Robert's betrekking tot de nonnen van Fontevrault was zeer intiem, en hij sliep dikwijls met haar. Dit wordt door vrienden van hem, bisschoppen en abten, nauwkeurig beschreven, waarvan een opmerkt, dat Robert "een nieuwen, maar vruchteloozen vorm van martelaarschap ontdekt had". Een koninklijke abdis van Fontevrault, in de zeventiende eeuw, beweerde, dat de vereerde stichter van de orde met geen mogelijkheid schuldig kon geweest zijn aan zulk schandelijk gedrag, en dat de brieven daarom valsch moesten zijn en liet de origineelen vernietigen voor zoover dat mogelijk was. De Bollandisten namen, in een niet wetenschappelijk en onvolledig verslag van de zaak (Acta Sanctorum, Feb. 25), dit gezichtspunt over. J. von Walter echter toont in een onlangs verschenen en grondige studie over Robert van Arbrissel (Die Ersten Wanderprediger Frankreichs, deel I) aan, dat er hoegenaamd geen reden is om aan het echte, authentieke en betrouwbare karakter van de bestreden brieven te twijfelen.

De vroeg-Christelijke kuischheidslegenden hadden echter hun opvolgers. Aucassin et Nicolette, dat waarschijnlijk in Noordelijk Frankrijk geschreven is tegen het einde van de twaalfde eeuw, is vooral de afstammeling van de geschiedenissen in de Acta Sanctorum en elders. Het belichaamde hun geest, droeg hem verder en vereenigde hun teer gevoel voor kuischheid en reinheid met het ideaal van monogamische liefde. Aucassin et Nicolette was de doodsklok van de primitief Christelijke kuischheidslegende. Het was de ontdekking, dat de kuische verfijningen van teerheid en toewijding mogelijk waren binnen de strikt normale sfeer van sexueele liefde.

Er waren minstens twee oorzaken, die de neiging hadden de primitief Christelijke voorliefde voor de kuischheid uit te wisschen, zelfs afgezonderd van den invloed van de Kerk-autoriteiten bij het terugdringen van de romantische uitingen ervan. In de eerste plaats verwijderde het ondergaan van de oude heidensche wereld, met zijn gewoonte en tot op zekere hoogte zijn ideaal van sexueele toegevendheid, den achtergrond, die gratie en teerheid gegeven had aan de teedere vrijheid der jonge Christenen. In de tweede plaats waren de gestrengheden, die de eerste Christenen met vreugde in praktijk hadden gebracht ter wille van de gezondheid hunner ziel, beroofd van hun bekoring en vrijwilligheid, toen zij tot een formeel deel gemaakt waren van strafwetboeken voor zonde, eerst in de Poenitentialia en later in de handen van biechtvaders. Dit was, we mogen het er aan toevoegen, te meer noodzakelijk geworden, omdat het ideaal van Christelijke kuischheid niet langer in ruimen kring het bezit was van verfijnde menschen, die immuun gemaakt waren tegen heidensche losbandigheid, doordat zij te midden daarvan opgevoed waren en er zelf in ondergedompeld waren geweest. Het was klaarblijkelijk van het begin af aan een ernstige zaak voor de hartstochtelijke Noord-Afrikanen het ideaal van kuischheid te handhaven en toen het Christendom zich over Noordelijk Europa verspreidde, scheen het bijna een hopelooze taak de idealen ervan te acclamatiseeren onder de wilde Germanen. Later werd het noodig, het celibaat aan de vaste geestelijkheid op te leggen door de sterke kracht van kerkelijke authoriteit, terwijl vrijwillig celibaat alleen levendig gehouden werd door een opeenvolgende reeks van godsdienstige enthusiasten, die telkens weer nieuwe orden stichtten. Een ascetisme, dat zoo opgedrongen was, kon niet altijd vergezeld gaan van de vurige exaltatie, die noodig is om het in stand te houden, en in zijn kunstmatige pogingen tot zelfbehoud, viel het dikwijls van de onzekere hoogten in de diepten van onbeteugelde losbandigheid [78]. Toen de middeleeuwen voorbij waren, begonnen helderziende denkers het fatale van alle gewaagde pogingen om de normale grenzen van de menschelijkheid te buiten te gaan, te erkennen. "Qui veut faire l'ange", zeide Pascal, terwijl hij met scherpte deze beschouwing van de zaak opsomde, "fait la bête". Dat was dikwijls duidelijk gebleken in de geschiedenis van de Kerk.

In de zevende eeuw begonnen de Poenitentialia in gebruik te komen; ze werden gedurende de negende en tiende eeuw zeer overheerschend en hadden groote authoriteit. Zij waren wetslichamen, gedeeltelijk geestelijk en gedeeltelijk wereldsch, en werden gegoten in den vorm van catalogussen van vergrijpen met de juiste maat van straf, voorgeschreven voor ieder vergrijp. Zij vertegenwoordigden de introductie van maatschappelijke orde onder ongetemde barbaren en waren meer wetboeken van strafwet dan deel van een systeem van sacramenteele confessie en boetedoening. In Frankrijk en Spanje, waar reeds orde en regel bestond op een Christelijke basis, waren zij weinig noodig. Zij hadden hun oorsprong in Ierland en Engeland en bloeiden voornamelijk in Duitschland; Karel de Groote ondersteunde ze (zie, b.v. Lea, History of Auricular Confession, deel II, p. 96, ook hoofdst. XVII; Hugh Williams, uitgave van Gildas, deel II, Appendix 3; de voornaamste Poenitentialia worden vermeld in de Bussordnungen van Wasserschleben). In 1216 maakte het Lateraansch concilie, onder Innocentius III, biechten verplichtend. Het voorrecht van den priester om de mate van de straf te regelen naar omstandigheden met grooter buigzaamheid dan de strenge Poenitentialia toelieten, werd eerst absoluut gehandhaafd door Peter van Poitiers. Toen wierp Alain van Rijssel de Poenitentialia als verouderd ter zijde en verklaarde, dat de priester zelf navraag moest doen naar de omstandigheden van iedere zonde en precies de schuld ervan moest afwegen. (Lea, op. cit., deel II, p. 171).

Lang voor dezen tijd echter hadden de idealen der kuischheid, voor zoover zij een belangrijke mate van zelfbeheersching in zich sloten, ofschoon zij stevig vast gegroeid waren in de conventioneele tradities en idealen van de Christelijke Kerk, opgehouden eenige bekoring of kracht te hebben voor de bevolking, die in het Christendom leefde. Onder de Noordelijke barbaren, met hun verschillende tradities van een krachtiger en natuurlijker soort achter zich, werden de geslachts-eischen dikwijls vrijmoedig ten toon gespreid. De monnik Ordericus Vitalis vestigt in de elfde eeuw de aandacht op wat hij noemt de "wulpschheid" van de vrouwen van de Noorsche veroveraars van Engeland, die, toen ze alleen thuis gelaten waren, boodschappen stuurden, dat ze, als haar echtgenooten niet spoedig terug kwamen, andere mannen zouden nemen. Het celibaat van de geestelijkheid werd alleen met de grootste moeite ingesteld en toen het ingesteld was, werden de geestelijken onkuisch. Aartsbisschop Odo van Rouaan, in de dertiende eeuw, vermeldde in het dagboek van de bezoeken in zijn diocese, dat er éen onkuische geestelijke was op iedere vijf gemeenten, en zelfs toont de monnik Salimbene in zijn merkwaardige autobiographie met betrekking tot het Italië van denzelfden tijd aan, hoe weinig kuischheid in het godsdienstige leven in acht genomen werd. Kuischheid kon nu alleen gehandhaafd worden door geweld, gewoonlijk door de moreele kracht van kerkelijke autoriteit, die zelf door onkuischheid ondermijnd werd, maar soms zelfs door physiek geweld. Het was in de dertiende eeuw, volgens de opinie van sommigen, dat de kuischheidsgordel (cingula castatis) zich het eerst begint te vertoonen, maar de voornaamste autoriteit Caufeynon (La Ceinture de Chasteté, 1904) meent, dat ze dateert uit de Renaissance (Schultz, Das höfische Leben zur Zeit der Minnesänger, deel V. p. 272; Krauss, Anthropophyteia, deel III, p. 247). In de zestiende eeuw werden de kloosters bijna tot bordeelen, zooals we hooren op het niet bestreden gezag van Burchard, een secretaris van den Paus, in zijn Diarium, uitgegeven door Thuasne, die nog meer autoriteiten voor deze bewering samenbrengt in een noot onder aan de bladzij (deel II, p. 79); dat zij dat bleven in de achttiende eeuw, zien wij duidelijk in de bladzijden van de Mémoires van Casanova en in veel andere documenten van dien tijd.

De Renaissance en de opkomst van het humanisme had ongetwijfeld invloed op het gevoel jegens het ascetisme en de kuischheid. Aan den eenen kant werd er een nieuwe en oude wettiging gevonden voor het niet in acht nemen van deugden, die de menschen begonnen te beschouwen als enkel monnikachtig, en aan den anderen kant begonnen de fijnere geesten, die den invloed van de nieuwe beweging ondervonden, zich duidelijk bewust te worden, dat kuischheid beter gekweekt kan worden en in acht genomen door hen, die vrij waren te doen zooals zij wilden, dan door hen, die onder den dwang stonden van priesterlijke autoriteit. Dat is het gevoel, dat in Montaigne overheerscht, en dat is het idee van Rabelais, toen hij het tot den eenigen regel van zijn abdij van Thelème maakte: "Fay ce que vouldras".

Iets later werd deze leer in verschillende toonaarden herhaald door vele schrijvers, alle meer of min verlicht door de beschaving, die door de Renaissance in de mode was gebracht. "Zoolang Danae vrij was", merkt Ferrand op in zijn verhandeling uit de zestiende eeuw, De la Maladie d'Amour, "was zij kuisch". En Sir Kenelm Digby, de laatste vertegenwoordiger van den geest der Renaissance, wijst in zijn Private Memoirs op het feit, dat de vrijheid, die Lycurgus "de wijste menschelijke wetgever, die er ooit geweest is", aan de vrouwen gaf om haar lichaam te geven aan mannen, tot wie zij zich door edele genegenheid en door de hoop op een goed nageslacht voelden aangetrokken, de ware oorzaak was, dat "werkelijke kuischheid in Sparta meer bloeide dan in eenig ander deel van de wereld".

In Protestantsche landen werd het ascetisch ideaal nog verder in discrediet gebracht door de Hervorming, die voor een groot gedeelte een opstand was tegen gedwongen celibaat. Zoodoende werd de godsdienst niet langer aan de zijde van de kuischheid geplaatst. In de achttiende eeuw, zoo niet eerder, werd de autoriteit van de Natuur ook gewoonlijk ingeroepen tegen de kuischheid. Zoo is het gekomen, dat in de laatste twee eeuwen ernstige denkers maar gedeeltelijk gunstig gestemd waren jegens de kuischheid. Het begon gevoeld te worden, dat een ongelukkige en schadelijke vergissing begaan was door te trachten een verheven ideaal te handhaven, hetgeen huichelarij aanmoedigde. "Het menschelijk ras zou veel winnen", zooals Senancour in het begin der negentiende eeuw in zijn merkwaardig boek over liefde schreef, "als de deugd niet zoo moeilijk gemaakt werd. De verdienste zou niet zoo groot zijn, maar wat is het nut van een verhevenheid, die zelden kan volgehouden worden?" [79].

Er kan geen twijfel aan zijn, dat de overmatige minachting, waartoe de kuischheids-idee in de achttiende eeuw en later begon te vervallen, voornamelijk voortkwam uit het bestaan van die enkel uitwendige en conventioneel physieke kuischheid, die willekeurig opgedrongen werd, voor zoover ze opgedrongen kon worden, en die in zekere mate nog opgedrongen wordt, in naam of in werkelijkheid,--aan alle respectabele vrouwen buiten het huwelijk. De opvatting van de physieke deugd der maagdelijkheid had de opvatting van de geestelijke deugd van kuischheid verlaagd. Een enkele gewoonte, voelde men, voorgeschreven aan een geheele sekse, of zij het wilde of niet, kon nooit de schoonheid en de bekoring bezitten van een deugd. Terzelfder tijd begon men zich voor oogen te stellen, dat de staat van gedwongen maagdelijkheid niet alleen niet een staat is, die bijzonder gunstig is voor het kweeken van werkelijke deugden, maar dat die verbonden is met eigenschappen, die niet langer beschouwd worden als te zijn van hooge waarde [80].

"Hoe willekeurig, kunstmatig en strijdig met de Natuur is het leven, dat nu in deze zaak der kuischheid aan vrouwen opgedrongen wordt!" schreef James Hinton veertig jaar geleden. "Denk aan dezen regel: "Een vrouw, die in overweging neemt, is verloren". Wij scheppen het gevaar, door de geheele vrouwelijkheid afhankelijk te maken van een punt als dit, en door haar te omringen met onnatuurlijke en bovennatuurlijke gevaren. Er wordt thans een lichtzinnige onredelijkheid belichaamd in het leven der vrouw; de tegenwoordige "deugd" is een ziekelijke ongezonde plant. De Natuur en God hebben nooit het leven van een vrouw zoo op de punt van een naald gewogen. Het geheele moderne denkbeeld der kuischheid heeft sensueele overdrijving in zich, die zeker voor een deel is overgebleven uit andere tijden, terwijl wat er goed in was voor het grootste gedeelte verdwenen is".

"De geheele bekoring der maagdelijkheid", schreef een andere Philosoof, Guyau, "is onwetendheid. Maagdelijkheid kan, evenals sommige vruchten, alleen bewaard worden door een proces van verdroging".

Mérimée wees op denzelfden verdrogenden invloed van de maagdelijkheid. In een brief, gedateerd van 1859 schreef hij: "Ik vind, dat tegenwoordig de menschen veel te veel waarde hechten aan kuischheid. Niet, dat ik ontken, dat kuischheid een deugd is, maar er zijn graden in deugden evenals in ondeugden. Het schijnt belachelijk, dat een vrouw uit de maatschappij verbannen zal worden, omdat zij een minnaar gehad heeft, terwijl een vrouw, die gierig is, onoprecht en zuur, overal vrij uit kan gaan. De moraal van deze eeuw is zeker niet die, die geleerd wordt in het Evangelie. Naar mijn meening is het beter te veel lief te hebben, dan te weinig. Tegenwoordig worden droge harten in de hoogte gestoken" (Revue des Deux Mondes, April, 1896).

Dr. H. Paul heeft een daarmee verwant punt behandeld. Zij schrijft: "Er zijn meisjes, die zich, zelfs al als kinderen, geprostitueerd hebben door onanie en wulpsche gedachten. De reinheid harer zielen is al lang verloren en niets blijft voor haar verborgen, maar--zij hebben haar hymen bewaard! Dat is ter wille van den toekomstigen echtgenoot. Laat niemand haar onschuld durven betwijfelen, met dat onwederlegbaar bewijsmateriaal! En als dan een ander meisje, dat haar kindsheid in volkomen reinheid doorgebracht heeft, nu, met ontwaakte zinnen en warme, onstuimige vrouwelijkheid, zich in liefde of ook maar alleen in hartstocht aan een man geeft, dan staan ze allen op en roepen, dat zij "onteerd" is! En niet het minst het geprostitueerde meisje met het hymen. Zij is het juist, die het hardst schreeuwt en die de grootste steenen gooit. Toch behoeft de "onteerde" vrouw, die gezond en krachtig is, niet bang te zijn, te vertellen wat zij gedaan heeft aan den man, die haar ten huwelijk begeert, als zij spreekt van het eene menschelijke wezen tot het andere. Zij behoeft niet te blozen; zij heeft haar menschenrechten uitgeoefend en geen verstandig man zal haar om die reden minder achten". (Dr. H. Paul, "Die Ueberschätzung der Jungfernschaft", Geschlecht und Gesellschaft Bd. II, p. 14, 1907).

In gelijken geest schrijft F. Erhard (Geschlecht und Gesellschaft Bd. I, p. 408): "Maagdelijkheid in een zekere beteekenis heeft haar waarde, maar in de gewone beteekenis wordt ze grootelijks te hoog geschat. Afgezonderd van het feit, dat een meisje, dat ze bezit, toch door en door verdorven kan zijn, leidt deze overschatting van de maagdelijkheid er toe, dat het meisje, die ze niet heeft, veracht wordt, en verder heeft ze tot resultaat gehad de ontwikkeling van een speciale industrie om meisjes klaar te maken, door middel van een preutsche kloosterachtige opvoeding, die haar echtgenooten de speciale delicatesse zullen brengen van een bruid, die nergens van weet. Natuurlijk kan dit alleen bereikt worden ten koste van iedere verstandige opvoeding. Wat de onontwikkelde kleine gans kan worden, dat kan niemand voorzien".

Freud (Sexual-Probleme, Maart, 1908) wijst ook op het slechte resultaat van de opvoeding voor het huwelijk, die aan de meisjes gegeven wordt op den basis van dit ideaal van maagdelijkheid. "Opvoeding onderneemt de taak de zinnelijkheid van een meisje terug te dringen tot den tijd van de verloving. Zij verbiedt niet alleen sexueele verhoudingen en stelt een hooge premie op onschuld, maar ze onttrekt de rijpende vrouwelijke individualiteit aan de verleiding, door een staat van onwetendheid te handhaven omtrent de praktische zijde van de rol, die zij in het leven zal moeten spelen, en door geen opwekking tot liefde toe te laten, die niet tot het huwelijk kan leiden. Het resultaat is, dat, als haar plotseling door de autoriteit van de ouders wordt toegestaan te verlieven, het meisje zich psychisch niet kan aanpassen, en dat zij het huwelijk ingaat, onzeker van haar eigen gevoelens. Als een gevolg van deze kunstmatige vertraging van de liefdesfunctie, brengt zij niets dan teleurstelling aan haar man, en is koel in haar physieke verhouding tot hem".

Senancour (De l'Amour, deel i, p. 285) meent zelfs, dat, als het mogelijk is de kwestie van de nakomelingschap er buiten te laten, niet alleen de wet van kuischheid gelijk zal worden voor de beide geslachten, maar dat er een neiging zal zijn om de verhouding van de seksen, in zekere mate, te veranderen. "Zelfbeheersching wordt dan een raad eerder dan een voorschrift, en dan zal in vrouwen de wellustige neiging met de meeste toegevendheid beschouwd worden. De man is gemaakt om te werken; hij ontmoet het pleizier alleen maar in het voorbijgaan; hij moet er mee tevreden zijn, dat de vrouwen zich er meer mee zullen bezig houden dan hij. Het zijn de mannen, die er door uitgeput raken, en mannen moeten altijd voor een deel hun wenschen beperken".

Als wij ons echter bevrijden van den band van een gedwongen physieke kuischheid, dan wordt het mogelijk kuischheid als een deugd in eere te herstellen. In den tegenwoordigen tijd kan het niet langer gezegd worden, dat er van den kant van denkers en moralisten eenige actieve vijandigheid jegens het denkbeeld van kuischheid bestaat; er is integendeel een neiging om de waarde van kuischheid te erkennen. Maar deze erkenning is vergezeld gegaan van een terugkeer tot de oudere en gezondere opvatting van de kuischheid. Het bewaren van een strenge sexueele abstinentie, niets dan de maagdelijkheid, kan alleen beschouwd worden als een pseudo-kuischheid. De eenige positieve deugd, die Aristoteles op dit gebied kon erkend hebben was een matiging, die beperking van de lagere impulsen in zich sloot, een wijs uitoefenen en niet een niet-uitoefenen [81]. De beste denkers van de Christelijke Kerk hebben dezelfde opvatting gehad; de heilige Basilius hechtte in zijn belangrijke reglementen voor monniken geen waarde aan zelftucht als een doel op zichzelf, maar beschouwde ze als een werktuig, om den geest in staat te stellen, macht over het vleesch te krijgen. De heilige Augustinus verklaarde, dat zelfbeheersching alleen uitstekend is, als ze in praktijk gebracht wordt in het geloof aan het hoogste goed [82], en hij beschouwde kuischheid als "een ordelijke beweging van de ziel, die lagere dingen ondergeschikt maakt aan hoogere dingen, en die voornamelijk moet blijken in huwelijksverhoudingen"; Thomas van Aquino die de kuischheid op veelal dezelfde wijze aanduidde, definieerde onreinheid als het smaken van sexueel genot dat niet van de rechte soort is, noch wat het voorwerp, noch wat de omstandigheden aangaat [83]. Maar een tijdlang werden de stemmen van de groote moralisten niet gehoord. De deugd der kuischheid was ondergegaan in den populairen Christelijken hartstocht voor de vernietiging van het vleesch, en dat gezichtspunt werd in de zestiende eeuw ten slotte geheiligd door het Concilie van Trente, dat formeel een banvloek uitsprak over iedereen, die zou willen verklaren, dat de staat van maagdelijkheid en celibaat niet beter was dan de huwelijksstaat. Nu behoort de pseudo-kuischheid, die waarde had alleen op grond dat iedere soort van zelfbeheersching beter was dan iedere soort van sexueele verhouding, tot het verleden, behalve voor hen, die aan oude ascetische geloofsbelijdenissen hangen. De mystieke waarde van de maagdelijkheid is verdwenen; zij schijnt in den geest van den modernen mensch alleen maar het denkbeeld op te wekken van een pikantheid, die begeerd wordt door den verstokten lichtmis; het zijn de mannen, die zelf al lang den leeftijd der onschuld voorbij zijn, die zooveel waarde hechten aan de onschuld van hun bruiden. De opvatting van levenslange zelfbeheersching als een ideaal is ook verdwenen; op zijn best wordt ze beschouwd als een zaak van persoonlijke voorkeur. En de conventioneele veinzerij van algemeene kuischheid, om voor respectabel te gelden, begint men te beschouwen als een bezwaar, eer dan als een hulp voor het kweeken van eenige werkelijke kuischheid [84].

De kuischheid, die door den moralist van tegenwoordig als een deugd beschouwd wordt, heeft haar waarde geensdeels in haar abstinentie. Zij is niet, in de woorden van de heilige Theresa, de deugd van de schildpad, die haar leden onder haar schild terugtrekt. Zij is een deugd, omdat zij een oefenen in zelfbeheersching is, omdat ze het karakter en den wil helpt stalen, en omdat ze direct gunstig is voor het kweeken van het mooiste, meest verheven en meest krachtige sexueele leven. Zoo beschouwd, mag men kuischheid stellen tegenover de eischen van het verlaagde middeleeuwsche Catholicisme, maar zij is in harmonie met de eischen van ons beschaafde leven van tegenwoordig en in het geheel niet in disharmonie met de eischen der Natuur.

Er is altijd een analogie tusschen het instinct van reproductie en het instinct van voeding. Bij de voeding is het de invloed van de kennis, van physiologie, die ten slotte een overdreven ascetisme op zijde heeft geschoven, en eten "rein" gemaakt heeft. Hetzelfde proces is, zooals James Hinton duidelijk aangewezen heeft, mogelijk gemaakt in de sexueele verhoudingen; "kennis heeft den sleutel in handen tot reinheid" [85].

Vele invloeden hebben echter samengewerkt om een aandringen tot kuischheid te bevorderen. Er is in de eerste plaats een onvermijdelijke reactie geweest tegen de sexueele gemakkelijkheid, die men als natuurlijk was beginnen te beschouwen. Men bemerkte, dat zulk een gemakkelijkheid geen moreele waarde had, want zij had neiging de moreele kracht te verslappen en ze was niet gunstig voor de mooiste sexueele satisfactie. Ze kon niet eens aanspraak maken op natuurlijkheid in de ruime beteekenis van het woord, want in de natuur in het algemeen is de sexueele bevrediging meestal zeldzaam en moeilijk. Het hof maken kost moeite en is van langen duur; de tijd der liefde is strikt afgeperkt, de zwangerschap onderbreekt sexueele verhoudingen. Zelfs onder natuurvolken, zoolang zij niet door de beschaving besmet zijn, wordt mannelijkheid gewoonlijk gehandhaafd door een mooi ascetisme; het verdragen van ontbering, zelfbeheersching en beperking, gematigd door zeldzame orgiën, geven een tucht, die zoowel het sexueele deel als ieder ander deel van het leven der natuurvolken beheerscht. Om dezelfde mannelijkheid in het beschaafde leven te behouden, moeten wij, dat mogen we wel inzien, opzettelijk een deugd kweeken, die onder levenstoestanden bij natuurvolken natuurlijk is [86].

De sympathie van Nietzsche, zoowel direct als indirect, is geweest aan de zijde van de deugd der kuischheid in haar moderne beteekenis. Het voorschrift: "Wees hard", zooals Nietzsche het gebruikte, was niet zoozeer een opdracht tot ongevoelige onverschilligheid jegens anderen, als wel een beroep op een meer energieke houding jegens onszelf, het kweeken van een zelfbeheersching, die in staat is de krachten der ziel te verzamelen en in te houden, om ze te besteden aan met opzet gekozen doeleinden. "Een betrekkelijke kuischheid", schreef hij, "een fundamenteel en wijs overleg in erotische zaken, zelfs in gedachte, is een deel van een mooie gematigdheid in het leven, ook in rijk begaafde en volkomen naturen" [87]. In deze zaak is Nietzsche een typische vertegenwoordiger van de moderne beweging tot herstel van de kuischheid op haar juiste plaats als een werkelijke en nuttige deugd, en niet als louter conventie. Zulk een beweging kon niet nalaten zich te doen voelen, want men begrijpt spoedig, dat alles wat gemakkelijkheid en weelderige zachtheid in sexueele zaken begunstigt, het karakter verlaagt en de heerlijkste erotische satisfactie vermindert. Want erotische satisfactie van de hoogste soort is alleen mogelijk als wij aan den sexueelen impuls een hooge mate verzekerd hebben van wat Colin Scott noemt "irradiatie", dat wil zeggen een in ruime mate zich verspreiden door het geheele psychische organisme. En dat kan alleen bereikt worden door belemmeringen op te werpen op den weg naar de snelle en directe bevrediging van de sexueele begeerte, door haar te dwingen haar kracht te vermeerderen, lange omwegen te nemen, het geheele organisme zoo sterk te laden, dat de eindelijke climax van bevredigde liefde niet triviale afdoening van een klein verlangen is, maar de enorme vervulling van een hartstocht, waarin zoowel de geheele ziel als het geheele lichaam zijn aandeel heeft. "Alleen de kuische kan werkelijk obsceen zijn", zeide Huysmans. En op een hooger plan: alleen de kuische kan liefhebben.

"Physieke reinheid", merkte Hans Menjago op ("Die Ueberschätzung der Physischen Reinheit", Geschlecht und Gesellschaft, deel II, hoofdst. VIII) "werd oorspronkelijk gewaardeerd als een teeken van grootere sterkte van wil en kracht van karakter; ze beteekende een zich verheffen boven primitieve toestanden. Deze reinheid was moeilijk te bewaren; ze was zeldzaam en ongewoon. Uit deze zeldzaamheid ontstond het bijgeloof van een bovennatuurlijke macht, die in de maagd zou wonen. Maar deze heeft geen beteekenis, zoodra reinheid algemeen wordt en een speciaal zichtbare mate van kracht van karakter niet langer noodig is om ze te handhaven... Physieke reinheid kan alleen waarde bezitten als zij het resultaat is van individueele sterkte van karakter, en niet als zij het resultaat is van gedwongen moreele regels".

Konrad Höller, die speciale aandacht gewijd heeft aan de sexueele kwestie op scholen, merkt met betrekking tot physieke oefening op: "Het grootste voordeel van physieke oefening is echter niet de ontwikkeling van actieve en passieve kracht van het lichaam en zijn behendigheid, maar het instellen en het versterken van de heerschappij van den wil over het lichaam en zijn behoeften, die zoozeer te lijden heeft van traagheid. Hij, die geleerd heeft voor een bepaald doel honger en dorst en vermoeidheid te verdragen en te overwinnen, zal beter in staat zijn sexueele impulsen en de verleiding om er aan toe te geven te weerstaan, wanneer beter inzicht en æsthetisch gevoel hem duidelijk gemaakt hebben, dat toegeven nadeelig en schandelijk zou zijn" (K. Höller, "Die Aufgabe der Volksschule", Sexualpädagogik, p. 70). Professor Schäfenacker (id., p. 102), die ook den nadruk legt op het belang van zelfbeheersching en zelfbeperking, meent dat een jong mensch zijn toekomstige zending als burger en vader van een familie in gedachte moet houden.

Een fijn en diepzinnig denker van den tegenwoordigen tijd, Jules de Gaultier, heeft, waar hij over moraal schrijft, zonder te verwijzen naar deze specifieke kwestie, besproken tot welke nieuwe, innerlijke, verbodsmotieven wij ons kunnen wenden als wij het oude uiterlijke verbod van autoriteit en geloof, dat nu in verval is geraakt, willen vervangen. Hij antwoordt, dat de gemoedstoestand, waar oude geloofsbelijdenissen op gebaseerd waren, nog bestaat. "Kan niet", vraagt hij, "het verlangen naar een ding, dat wij liefhebben en waar wij naar verlangen, gevoegelijk de plaats innemen van het geloof, dat een ding bestaat door den goddelijken wil of door de natuur der dingen? Zal niet de beteugeling van de waanzin van het instinct zich openbaren als een nuttige houding, aangenomen door het instinct zelf voor zijn eigen behoud, als een symptoom van de kracht en gezondheid van het instinct? Is niet de heerschappij over zichzelf, de macht zijn daden te regelen, een teeken van superioriteit en een reden voor zelfrespect? Zal niet deze trotsche vreugde dezelfde autoriteit hebben bij het bewaren van de instincten, als eens bezeten werd door godsdienstige vrees en de beweerde dwang der rede?" (Jules de Gaultier, La Dépendance de la Morale et l'Indépendance des Moeurs, p. 153).

H. G. Wells (in A Modern Utopia), die wees op het belang van de kuischheid, hoewel hij het celibaat verwierp, roept, evenals Jules de Gaultier het motief van den trots op. "De beschaving heeft zich veel sneller ontwikkeld dan de mensch veranderd is. Onder de onnatuurlijke volmaking van veiligheid, vrijheid en overvloed, die onze beschaving heeft bereikt, is de gewone ongeoefende mensch tot excessen geneigd in bijna alle richtingen; hij heeft neiging te veel te eten en te overvloedig, te veel te drinken, lui te worden sneller dan zijn werk kan verminderen, zijn belangstelling aan vertoon te verspillen, en te veel en te omslachtig lief te hebben. Hij verliest zijn training en concentreert zijn aandacht op egoïstische en erotische peinzerijen. Onze groote voorgangers zochten motieven op uit allerlei soorten van bronnen, maar ik denk, dat de beste bron om de menschen zelfbeheersching te leeren, de trots is. Trots is misschien niet het mooiste wat er in de ziel is, maar het is toch nog de beste koning. Zij bedoelden ermede den mensch rein en gezond te houden. In deze zaak, evenals in alle zaken van natuurlijke begeerte, meenden zij, dat geen begeerte moet worden verzadigd, geen begeerte kunstmatige prikkels moet hebben en evenzeer, dat geen begeerte van gebrek moet omkomen. Een mensch moet van tafel komen, voldaan, maar niet overladen. En in de zaak der liefde was een oprecht en rein verlangen naar een rein en oprecht medeschepsel het ideaal van onze voorouders. Zij bevalen een huwelijk tusschen gelijken aan als de plicht jegens het ras, en zij maakten aanwijzingen van de meest preciese soort, om die echtelijke onscheidbaarheid, dien echtelijken staat te verhinderen, die somtijds een paar er toe brengt, te zamen minder te zijn dan ieder afzonderlijk was".

Met betrekking tot de kuischheid als een element van erotische satisfactie, schrijft Edward Carpenter (Love's Coming of Age, p. 11): "Er is een soort van illusie omtrent physieke begeerte, die gelijk is aan die waaraan een kind lijdt als het, wanneer het een mooie bloem ziet, die onmiddellijk aftrekt en in een paar oogenblikken den vorm en de geur vernielt, die het aantrokken. Hij alleen krijgt de volle glorie, die zich een weinig terughoudt, en hij alleen bezit waarlijk, die als het noodig is in staat is niet te bezitten. Hij is inderdaad een levensmeester, die, terwijl hij de grovere begeerten aanneemt, als zij tot zijn lichaam komen en ze niet weigert, ze weet te veranderen naar zijn wil in de zeldzaamste en geurigste bloemen van menschelijke emotie".

Behalve haar functies in het opbouwen van het karakter, in het verhoogen en veredelen van het erotisch leven, en in het dienstbaar zijn aan de gepaste vervulling van familie- en maatschappelijke plichten, heeft de kuischheid een meer speciale waarde voor hen, die de kunsten beoefenen. We zijn misschien niet altijd geneigd de schrijvers te gelooven, die verklaard hebben, dat hun vers alleen losbandig is, maar hun leven kuisch. Het is zeker waar, dat een verhouding van deze soort neiging heeft om voor te komen. De grondslag van het sexueele leven is de grondslag van de kunst; als zij in het eene kanaal verbruikt wordt, is ze verloren voor het andere. De meesters in al de meer intens emotioneele kunsten hebben dikwijls een hoogen graad van kuischheid in praktijk gebracht. Dit is vooral het geval, wat muziek betreft; men denke aan Mozart [88], Beethoven, aan Schubert, en aan vele mannen van minder beteekenis. In het geval van dichters en romanschrijvers schijnt kuischheid gewoonlijk minder overheerschend te zijn, maar ze is dikwijls duidelijk merkbaar, en wordt niet zelden verborgen onder de weergalmende echo's, die zelfs de geringste liefde-episode uitoefent op het dichterlijk organisme. Het leven van Goethe schijnt, op het eerste gezicht, een lange reeks van onophoudelijke liefde-episoden. Maar als wij bedenken, dat het het zeer lange leven was van een man, wiens kracht bleef tot het einde, dat zijn liefden een langen en diepen invloed uitoefenden op zijn emotioneele werk en op zijn leven, en dat hij met de meeste van de vrouwen die hij vereeuwigd heeft, nooit werkelijke sexueele verhoudingen heeft gehad, en als we ons bovendien voor oogen stellen, dat hij door alles heen, een bijna onbegrijpelijk groote hoeveelheid werk deed, dan zullen wij waarschijnlijk tot het besluit komen, dat het toegeven aan sexualiteit een veel kleiner deel had in het leven van Goethe dan in dat van menig gewoon man, op wien het geen merkbaar emotioneel of intellectueel spoor achterlaat. Sterne verklaarde, dat hij altijd een dulcinea in zijn hoofd moest hebben dansen, maar toch schijnt de mate van zijn intieme verhoudingen met vrouwen maar klein geweest te zijn. Balzac bracht zijn leven door met zwoegen aan zijn schrijftafel en met het volhouden van een liefde-correspondentie vele jaren lang met een vrouw, die hij bijna nooit zag en met wie hij ten slotte een paar maanden huwelijksleven doorbracht. Dezelfde ondervinding hebben vele artistieke scheppers van kunstwerken gehad. Want, in de woorden van Landor, "afwezigheid is de onzichtbare en onlichamelijke moeder der ideale schoonheid".

Wij doen goed ons te herinneren, dat, terwijl de auto-erotische manifestaties door de hersens van oneindige verscheidenheid en belang zijn, de hersens en de sexueele organen toch de groote mededingers zijn voor het verbruiken van de lichamelijke energie, en dat er een antagonisme is tusschen uiterste hersenkracht en uiterste sexueele kracht, al kunnen zij soms beide op verschillende tijden in hetzelfde individu voorkomen [89]. In deze beteekenis is er geen paradox in de woorden van Ramon Correa, dat potentie impotentie is en impotentie potentie, want een groote mate van energie, hetzij in athletiek of in intellect of in sexueele activiteit, is ongunstig voor het ontvouwen van energie in andere richtingen. Iedere hooge mate van potentie heeft haar daarmee in verband staande impotenties.

We mogen er aan toevoegen, dat we een merkwaardig onlogisch bewijs van het bovenmatige belang, dat aan sexueele functies gehecht wordt door een maatschappij, die systematisch de sekse tracht te kleineeren, vinden in de schande die gehecht wordt aan het gebrek aan "mannelijke" potentie. Hoewel het beschavingsleven een enorme plaats aanbiedt voor de werkzaamheden van sexueel impotente personen, laat men den impotenten man voelen, dat, terwijl hij het zich niet behoeft aan te trekken, als hij lijdt aan nerveuse stoornissen van de spijsvertering, het bijna een misdaad is als hij, even onschuldig, lijdt aan nerveuse stoornissen van den sexueelen impuls. Een treffend voorbeeld hiervan vertoonde zich, eenige jaren geleden, toen er geopperd werd, dat de betrekkingen van Carlyle tot zijn vrouw het best verklaard konden worden door te veronderstellen, dat hij lijdende was geweest aan sexueele impotentie. In eens stormden er bewonderaars naar voren, om Carlyle te "verdedigen" tegen deze "schandelijke" aantijging; zij waren meer geschokt, dan wanneer beweerd ware, dat hij syphilitisch was. Toch is impotentie, op zijn meest, een zwakheid, hetzij ze voortkomt uit eenig aangeboren gebrek, of aan een stoornis van het zenuwevenwicht in het teere sexueele mechanisme, zooals het neiging heeft voor te komen bij mannen van abnormaal gevoelig temperament. Het is niet schandelijker daar aan te lijden, dan aan dyspepsia, waarmee het ook samen kan voorkomen. Vele mannen van genie en hoog moreel karakter zijn sexueel misvormd geweest. Dit was het geval met Cowper (hoewel dit veelbeteekenend feit door zijn levensbeschrijvers is verheeld); Ruskin heeft zijn huwelijk ontbonden om een dergelijke reden; en van J. Stuart Mill zegt men, dat hij sexueel weinig meer ontwikkeld was dan een kind.

Tot op dit punt heb ik de kuischheid en de hoedanigheid van ascetisme in hun meest algemeene beteekenis beschouwd zonder eenige poging tot preciese onderscheiding [90]. Maar zullen wij deze aannemen als moderne deugden, die tegenwoordig nog gelden, dan is het noodig, dat wij wat precieser zijn als we ze definieeren. Het schijnt het gemakkelijkst, en ook strikt overeenkomende met de etymologie, als wij aannemen om met ascetisme of ascesis te bedoelen de athletische eigenschap van zelfbeheersching die, niet bepaald noodzakelijk voor onbeperkt lange perioden, de bevrediging van den sexueelen impuls in bedwang houdt. Onder kuischheid, die in de eerste plaats de eigenschap der reinheid is en in de tweede plaats die van heiligheid, veeleer dan van abstinentie, kunnen wij het best een gepaste verhouding tusschen erotische eischen en de andere eischen van het leven verstaan. "Kuischheid is", zooals Ellen Key juist opmerkt, "harmonie tusschen lichaam en ziel met betrekking tot liefde". Zoo begrepen, is ascetisme de deugd van beperken, die leidt tot erotische bevrediging, en kuischheid de deugd, die haar harmonie brengenden invloed uitoefent over het erotische leven zelf.

We zullen zien, dat ascetisme niet noodzakelijkerwijze voortdurende zelfbeheersching in zich sluit. Juist verstaan, is ascetisme een tucht, een oefening, die betrekking heeft op een doel, dat niet in zichzelf ligt. Als ze gedwongen voortbestaat, hetzij naar de voorschriften van een godsdienstig dogma, of enkel als een fetish, dan berust ze niet langer op een natuurlijke basis; dan is ze ook niet meer moreel, want de onthouding van een mensch, die zijn geheele leven in een gevangenis heeft doorgebracht, is van geen waarde voor het leven. Om natuurlijk te zijn en moreel, moet ascetisme een doel hebben buiten zichzelf, moet ze de doeleinden van het levenswerk dienen, die niet gediend kunnen worden door een persoon, die in een voortdurenden strijd gewikkeld is met zijn eigen natuurlijke instincten. Een mensch kan, wel is waar, als een kwestie van smaak of van voorkeur, zijn geheele leven vrij en gemakkelijk in sexueele abstinentie doorbrengen, maar in dit geval is hij geen asceet, en zijn ascetisme is noch een voorwerp van toejuiching, noch van critiek.

Op dezelfde wijze heeft kuischheid, wel verre van sexueele abstinentie in zich te sluiten, alleen waarde, als ze onder invloed gebracht wordt van de erotische sfeer. Een reinheid uit onwetendheid is, als de leeftijd van kinderlijke onschuld eenmaal voorbij is, enkel een domheid; ze is dichter bij de misdaad dan bij de deugd. Reinheid is ook niet gelijkluidend met inspanning en strijd; in dat opzicht verschilt ze van ascetisme. "Wij overwinnen de gebondenheid der sekse", zegt Rosa Mayreder, "door ze aan te nemen en niet door ze te ontkennen, en mannen kunnen dit alleen maar doen met behulp van vrouwen". De zoogenaamde kuischheid van koude berekening is even onschoon als onwerkelijk, en zonder eenigerlei waarde. Een ware en waardige kuischheid kan alleen onderhouden worden door een vurig ideaal van een nieuwe romantiek, of, zooals tegenwoordig, als een meer menschelijk erotisch ideaal. "Alleen erotisch idealisme", zegt Ellen Key, "kan enthoesiasme voor de kuischheid wekken". Kuischheid kan dus in een gezond ontwikkeld persoon alleen mooi toegepast worden in het werkelijk erotische leven; voor een deel is zij het instinct van waardigheid en matigheid; voor een deel is zij de kunst de sexueele dingen aan te raken met handen, die zich hun geschiktheid herinneren voor al de mooie doeleinden van het leven. Boven de ingangspoort tot het binnenste heiligdom der liefde staat dus hetzelfde opschrift als boven de poort voor het Epidaurische Heiligdom van Aesculapius: "Alleen de reine mag hier binnentreden".

Men zal opmerken, dat de definitie van kuischheid aan nauwkeurigheid te wenschen overlaat. Dat is onvermijdelijk. We hebben aan reinheid geen stevig houvast, want, evenals sneeuw voor de zon, smelt ze in onze handen weg. "Reinheid zelf verbiedt een te nauwkeurig systeem van regels voor het in acht nemen van reinheid", zegt Sidgwick zoo juist (Methods of Ethics, Bk, III, hoofdst. XI). Elders (op. cit.; Bk, III, hoofdst. XI) tracht hij de kwestie te beantwoorden: Welke sexueele verhoudingen zijn essentieel onrein? en komt hij tot de conclusie, dat geen antwoord mogelijk is. "Er schijnt geen bepaald principe te zijn, dat eenige aanspraak heeft op vanzelfsprekendheid, waarnaar de kwestie kan beantwoord worden, zóó dat ze algemeene goedkeuring vindt". Zelfs wat "Vrije Liefde" genoemd wordt, voegt hij er aan toe, "in zoover als ze ernstig aangeraden is als een middel tot een meer volkomen harmonie van gevoelen tusschen mannen en vrouwen, kan niet als onrein veroordeeld worden, want het schijnt paradoxaal, reinheid van onreinheid te onderscheiden alleen door een mindere snelheid van overgang".

Moll komt van het standpunt van medische psychologie tot dezelfde conclusie als Sidgwick van dat van ethica. In een verslag over de "Waarde van Kuischheid voor de Menschen", dat gepubliceerd is als een appendix bij de derde uitgave (1899) van zijn Konträre Sexualempfindung, bespreekt de beroemde Berlijnsche medicus de zaak met zeer veel gezond verstand, en wijst hij er op, dat "kuisch en onkuisch betrekkelijke ideeën zijn". Wij moeten niet, zegt hij, zooals dikwijls gedaan wordt, "kuisch" identificeeren met "sexueele onthouding". Hij voegt er bij, dat wij niet gerechtigd zijn ieder buitenechtelijk sexueel verkeer onkuisch te noemen, want, als we dat doen, zullen we gedwongen zijn bijna alle mannen en sommige zeer respectabele vrouwen als onkuisch te beschouwen. Hij staat er terecht op, dat wij in deze zaak denzelfden regel zullen toepassen op vrouwen als op mannen, en hij wijst aan, dat sexueele omgang niet noodzakelijk onkuisch is, zelfs al rangschikt men er onder wat technisch echtbreuk kan zijn. Hij noemt het geval van een meisje, dat op haar achttiende jaar, toen ze geestelijk nog onrijp was, trouwt met een man, met wien zij het niet mogelijk vindt samen te leven; een scheiding heeft ten gevolge daarvan plaats, hoewel een wettige echtscheiding onmogelijk te verkrijgen is. Als zij nu hartstochtelijk verliefd wordt op een man, dan kan haar liefde geheel kuisch zijn, hoewel zij omvat wat technisch echtbreuk is.

Als we zoo ascetisme en kuischheid en hun weldadige functies in het leven begrijpen, zien wij, dat zij een plaats innemen midden tusschen de kunstmatig overdreven positie die zij eens hadden, en die waartoe zij verlaagd waren door de onvermijdelijke reactie en algemeene onverschilligheid of werkelijke vijandigheid, die er op volgde. Ascetisme en kuischheid zijn geen strenge categorische eischen; zij zijn nuttige middelen tot wenschenswaardige doeleinden, zij zijn wijze en schoone kunsten. Zij hebben recht op onze achting, maar niet op onze overschatting. Want, waar we ze overschatten, wordt te dikwijls vergeten, dat wij het sexueele instinct overschatten. Het sekse-instinct is inderdaad zeer belangrijk. Toch heeft het niet dat alles omvattende en uitnemende belang, dat sommigen, zelfs van hen die er tegen strijden, gewoon zijn er aan te hechten. Dat kunstmatig vergrooten van de belangrijkheid van den sexueelen impuls wordt versterkt door den kunstmatigen nadruk, die op ascetisme gelegd wordt. Wij kunnen de werkelijke plaats van den sexueelen impuls leeren kennen, als we leeren inzien, hoe we de beperkingen van dien impuls met verstand en op natuurlijke wijze kunnen beschouwen.

HOOFDSTUK VI

HET VRAAGSTUK VAN SEXUEELE ONTHOUDING

De invloed van de traditie.--De theologische voorstelling van wellust.--Neiging van deze invloeden om de sexueele moraal te degradeeren.--Het resultaat ervan voor de vorming van de sexueele abstinentie.--De protesten tegen sexueele abstinentie.--Onthouding en genialiteit.--Sexueele abstinentie bij vrouwen.--De voorstanders van sexueele abstinentie.--De middenrichting.--Onbevredigende resultaten van de geheele discussie.--Critiek op het begrip abstinentie.--Sexueele abstinentie vergeleken met het onthouden van voedsel.--Geen complete analogie.--De moraal van sexueele abstinentie is geheel negatief.--Is het de plicht van den dokter buitenechtelijk geslachtsverkeer aan te raden?--Meeningen van hen, die dezen plicht bevestigen of ontkennen.--De beslissing moet vallen tègen het geven van zulk een raad.--De dokter gebonden door de maatschappelijke en moreele denkbeelden van zijn eeuw.--De dokter als hervormer.--Sexueele abstinentie en sexueele hygiëne.--Alcohol.--De invloed van geestelijke en lichamelijke inspanning.--De ontoereikendheid van de sexueele hygiëne op dit gebied.--De onwerkelijke aard van het begrip sexueele abstinentie.--De noodzakelijkheid om het door een meer positief ideaal te vervangen.

Als wij de zaak beschouwen uit een zuiver abstract of zelfs zuiver biologisch gezichtspunt dan zou het kunnen schijnen, dat wij, door te beslissen, dat ascetisme en kuischheid van hooge waarde zijn voor het persoonlijke leven, alles gezegd hebben, wat er te zeggen valt. Dat is echter op verre na het geval niet. Wij bemerken hier, evenals bij ieder punt in de praktische toepassing van sexueele psychologie, dat het niet voldoende is langs biologische lijnen den weg te bepalen, die in abstracten zin de rechte is. Wij moeten onze biologische eischen in harmonie brengen met maatschappelijke eischen. Wij worden beheerscht niet alleen door natuurlijke instincten, maar door geërfde tradities, die in het verre verleden stevig gebaseerd waren op begrijpelijke gronden, en die zelfs nu nog, door het enkele feit van hun bestaan, een macht uitoefenen, die we niet kunnen en niet mogen voorbijzien.

Toen we de waarde van den sexueelen impuls bespraken, hebben wij bevonden, dat wij alle reden hadden, liefde zeer hoog te schatten. Bij het bespreken van kuischheid en ascese vonden we, dat ook deze zeer hoog geschat moeten worden. En wij hebben gezien, dat hier geen contradictie in opgesloten ligt; integendeel, dat liefde en kuischheid in al hun fijnste ontwikkelingen zijn samengegroeid, en dat er dus een volkomen harmonie is in een schijnbare tegenspraak. Maar als wij de zaak in bijzonderheden beschouwen, in haar speciale persoonlijke toepassingen, dan zien wij, dat een nieuwe factor zich doet gelden. Wij bemerken, dat onze geërfde maatschappelijke en godsdienstige tradities een druk uitoefenen, geheel aan éen zijde, die het onmogelijk maakt de verhoudingen van liefde en kuischheid op de basis van biologie en rede alleen te stellen. Aan den eenen kant hebben deze tradities het woord "lust"--beschouwd als uitdrukking gevend aan al de uitingen van den sexueelen impuls, die buiten het huwelijk liggen of die niet het huwelijk als hun direct en zichtbaar doel hebben--belast met geringschattende en sinistere beteekenissen. En aan den anderen kant hebben deze tradities het probleem geschapen van "sexueele abstinentie", dat niets te maken heeft met ascetisme of met kuischheid, zooals deze in het vorige hoofdstuk gedefiniëerd zijn, maar dat alleen den zuiver negatieven druk op den sexueelen impuls bedoelt, die, onafhankelijk van de wenschen van het individu, door zijn godsdienstige en maatschappelijke omgeving wordt uitgeoefend.

De theologische opvatting van "lust" of "libido" als zonde, volgde logisch op de oud-Christelijke opvatting van het "vleesch", en werd onvermijdelijk, zoodra die opvatting algemeen was geworden. Niet alleen hadden de oud-Christelijke idealen een kleineerenden invloed op de waardeering van het sexueel verlangen per se, maar zij hadden neiging de waardigheid van de sexueele verhouding in discrediet te brengen. Als een man een vrouw buiten huwelijk sexueel naderde, en haar daardoor binnen den verachten kring van "wellust" bracht, dan bracht hij haar nadeel toe, omdat hij afbreuk deed aan haar godsdienstige en moreele waarde [91]. De eenige wijze, waarop hij de aangerichte schade kon goed maken, was haar geld te betalen of een gedwongen en daardoor waarschijnlijk ongelukkig huwelijk met haar aan te gaan. Dat wil zeggen, dat sexueele verhoudingen door de kerkelijke tradities op een pecuniaire basis geplaatst waren, op hetzelfde niveau als prostitutie. Door haar welgemeende pogingen om de theologische moraal, die zich op een ascetische basis ontwikkeld had, te steunen, ondermijnde de kerk dus feitelijk zelf dien vorm van sexueele verhouding, dien zij heiligde.

Gregorius de Groote vaardigde het bevel uit, dat hij, die een meisje verleidde, met haar trouwen moest, of, in geval van weigering, lichamelijk streng gestraft moest worden en in een klooster opgesloten om boete te doen. Volgens andere kerkelijke regels werd van hem, die een meisje verleid had, zelfs indien hij in het geheel niet verantwoordelijk gesteld werd door den civielen rechtbank, gevergd, dat hij haar zou trouwen, of een echtgenoot voor haar vinden en haar een bruidsschat verschaffen. Zulke regels hadden hun goede zijde en waren vooral billijk, als het verleiden door bedrog was geschied. Maar zij droegen er in ruime mate toe bij om alle kwesties van sexueele moraal ondergeschikt te maken aan een geldkwestie. De vergoeding aan de vrouw werd ook daardoor zeer noodig, omdat de kerkelijke opvatting van wellust haar waarde deed verminderen door aanraking met dien wellust, en de vergoeding als een deel van de boete kon gelden. Aquino was van meening, dat wellust, in hoe geringe mate ook, een doodzonde was, en de meeste van de meer invloedrijke theologen namen een bijna zoo streng, zoo al niet even streng standpunt in. Sommigen meenden echter, dat een zekere mate van genot op dit gebied mogelijk is zonder doodzonde, of verzekerden bij voorbeeld, dat het voelen van de aanraking van een zachte en warme hand geen doodzonde is, zoolang daardoor geen sexueel gevoelen wordt opgewekt. Anderen meenden echter, dat zulke onderscheidingen niet mogelijk zijn en dat alle genoegens van deze soort zondig zijn. Tomás Sanchez trachtte regels te maken voor de gecompliceerde problemen van genot, die op deze wijze ontstonden, maar hij was gedwongen toe te geven, dat geen regels werkelijk mogelijk zijn, en dat zulke zaken overgelaten moeten worden aan het oordeel van een voorzichtig man. Op dit punt houdt het sophisme op te bestaan en het moderne gezichtspunt komt voor den dag (zie b.v. Lea, History of Auricular Confession, deel II, blz. 57, 115, 246, etc.).

Zelfs nu nog leeft de invloed van de oude tradities der Kerk onbewust onder ons voort. Dat is onvermijdelijk bij godsdienstonderwijzers, maar ook bij mannen van wetenschap, zelfs in Protestantsche landen, is die invloed merkbaar. Het resultaat is, dat geheel tegenstrijdige dogma's naast elkaar voorkomen, zelfs bij denzelfden schrijver. Aan den eenen kant worden de uitingen van den sexueelen impuls nadrukkelijk veroordeeld als zoowel onnoodig als slecht; aan den anderen kant wordt het huwelijk, dat fundamenteel (wat het verder ook wezen moge) een uiting is van den sexueelen impuls, evenzeer met nadruk goedgekeurd als de eenige moreele vorm van leven [92]. Er kan geen redelijke twijfel bestaan, dat het de overlevende en doordringende invloed is van de oude traditioneele theologische opvatting van libido, waaraan wij voor een groot deel het enorme verschil van meeningen onder medici moeten toeschrijven over de kwestie van sexueele abstinentie, en de overigens onnoodige scherpte, waarmee deze meeningen somtijds worden geuit.

Aan de eene zijde vinden wij de nadrukkelijke bewering, dat sexueele omgang noodig is en dat de gezondheid niet kan in stand blijven tenzij de sexueele werkzaamheden geregeld uitgeoefend worden.

"Alle deelen van het lichaam, die ontwikkeld zijn voor een bepaald doel, worden alleen gezond, en in het genot van een flinken groei en van een lange jeugd gehouden door het vervullen van dat gebruik, en door hun gepaste oefening in de werkzaamheid waaraan zij gewend zijn". In die bewering, die voorkomt in de groote verhandeling van Hippocrates "On the Joints", hebben wij de klassieke uitdrukking van de leer, die in altijd veranderende vormen onderwezen is door allen, die tegen sexueele abstinentie geprotesteerd hebben. Als wij komen tot de zestiende eeuwsche opkomst van het Protestantisme, vinden wij, dat Luther's opstand tegen het Catholicisme voor een deel een protest tegen de leer der sexueele abstinentie was. "Hij, aan wien de gave van zelfbeheersching niet gegeven is", zeide hij in zijn Tafelrede, "zal niet kuisch worden door vasten en nachtwaken. Wat mij betreft, ik werd niet bovenmatig gekweld (hoewel hij elders spreekt van de groote vuren van wellust, waardoor hij verontrust werd), maar toch, hoe meer ik mij kastijdde, des te vuriger werd ik". En driehonderd jaar later nam Bebel, de would-be Luther van de negentiende eeuw van een ander soort Protestantisme, dezelfde houding jegens de sexueele abstinentie aan, terwijl Hinton, de medicus en philosoof, levend in een land van streng sexueel conventionalisme en sexueele preutschheid, door een warme sympathie met het lijden, dat hij om zich heen zag, bewogen, in hartstochtelijk sarcasme losbrak, telkens als hij met de leer der sexueele abstinentie in aanraking kwam. "Er zijn onnoemelijk veel kwalen--verschrikkelijke kwellingen, zelfs krankzinnigheid, de verwoesting van levens--waarvoor de omhelzing van man en vrouw het geneesmiddel zou zijn. Niemand denkt er aan het in twijfel te trekken. Afschuwelijke kwalen en een geneesmiddel in een genoegen en genot! En de mensch heeft verkozen zoo zijn leven te verknoeien, dat hij zeggen moet: "Daar, dat zou een geneesmiddel zijn, maar ik kan het hier niet gebruiken. Ik moet deugdzaam zijn!""

Als wij ons beperken tot moderne tijden en tot tamelijk preciese medische opgaven, dan vinden we in Schurig's Spermatologia (1720, blz. 274 et seq.), niet alleen een bespreking van de voordeelen van een matigen sexueelen omgang voor een aantal gezondheidsstoornissen, zooals door beroemde autoriteiten getuigd wordt, maar ook een lijst van gevolgen--anorexia, krankzinnigheid, impotentie, epilepsie, zelfs dood er onder begrepen--die men meende, dat voortkwamen uit sexueele abstinentie. Dit uiterste standpunt van de mogelijke nadeelen van sexueele abstinentie schijnt een deel te zijn geweest van de tradities van de Renaissance in de geneeskunde, aangewakkerd door een zekere oppositie tusschen godsdienst en kennis. Het werd nog krachtig staande gehouden door Lallemand, in het begin van de negentiende eeuw. Daarna werden de medische opgaven over de slechte gevolgen van sexueele abstinentie meer gematigd, hoewel ze dikwijls nog uitgesproken werden. Zoo meent Gyurkovechky, dat deze gevolgen even ernstig kunnen zijn als die van sexueele uitspatting. Krafft-Ebing toonde aan, dat sexueele abstinentie een toestand van algemeene nerveuse opwinding kon te voorschijn roepen (Jahrbuch für Psychiatrie, Bd. VIII, Heft 1 en 2). Schrenck-Notzing beschouwt sexueele abstinentie als een oorzaak van uiterste sexueele overgevoeligheid en van verschillende perversies (in een hoofdstuk over sexueele abstinentie in zijn Kriminalpsychologische und Psychopathologische Studien, 1902, pp. 174--178). Hij vermeldt, ter verduidelijking, het geval van een man van zes en dertig jaar, die als jongen matig gemasturbeerd had, maar die twintig jaar geleden de gewoonte op moreele gronden geheel liet varen, en die nooit sexueelen omgang gehad heeft; hij was er trotsch op, dat hij het huwelijk zou ingaan als een kuisch man, maar heeft nu jaren lang geleden aan sexueele overgevoeligheid, terwijl zijn gedachten voortdurend op sexueele onderwerpen geconcentreerd waren, ondanks een sterken wil en het besluit om niet te masturbeeren of zich aan ongeoorloofden omgang over te geven. In een ander geval lijdt een krachtig en gezond man, die niet geïnverteerd is en sterke sexueele wenschen heeft, en die kuisch bleef tot zijn huwelijk, aan psychische impotentie, en zijn vrouw blijft maagd ondanks al haar liefde en haar liefkoozingen. Ord meende, dat sexueele abstinentie vele kleinere bezwaren in het leven kon roepen. "De meesten van ons", schreef hij (British Medical Journal, Aug. 2, 1884) "zijn ongetwijfeld geraadpleegd door mannen, die, kuisch in daden, door sexueele opwinding geplaagd worden. Zij vertellen u verhalen van lang aanhoudende, plaatselijke sexueele opwinding, gevolgd door intense vermoeidheid in de spieren, of door hevige pijn in den rug en de beenen. Bij sommigen heb ik klachten gehoord over opzwellen en stijfheid van de beenen, en over pijnen in de lendenen en gewrichten, vooral in de knieën"; hij vertelt het geval van een man, die na lange kuischheid leed aan ontsteking van de knieën en die door het huwelijk genezen werd. Pearce Gould, mogen we er aan toevoegen, merkt op, dat "bovenmatige onbevredigde sexueele begeerte" een van de oorzaken is van acute orchitis. Remondino "Some Observations on Continence as a Factor in Health and Disease", (Pacific Medical Journal, Jan., 1900) vermeldt het geval van een man van bijna zeventig jaar, die gedurende een langdurige ziekte van zijn vrouw, leed aan veel voorkomend en hevig priapisme, dat slapeloosheid veroorzaakte. Hij was er zeker van, dat zijn bezwaren niet voortkwamen uit zijn zelfbeheersching, maar alle behandeling bleef zonder succes en er waren geen spontane emissies. Ten slotte raadde Remondino hem aan om, zooals hij het uitdrukte "Salomo na te volgen". Hij deed het en al de symptomen verdwenen in eens. Dit geval is van bijzonder belang, omdat de symptomen niet vergezeld waren van eenig bewust sexueel verlangen. Het wordt niet langer algemeen geloofd, dat sexueele abstinentie soms tot krankzinnigheid kan leiden, en men zal opmerken dat de nu en dan voorkomende gevallen, waarin voortgezet en intens sexueel verlangen bij jonge vrouwen gevolgd wordt door krankzinnigheid, alleen voorkomen op een basis van erfelijke degeneratie. Vele autoriteiten meenen echter, dat kleinere geestelijke stoornissen, van een min of meer vaag karakter, zoowel neurasthenie als hysterie, dikwijls voortkomen uit sexueele abstinentie. Zoo vindt Freud, die zorgvuldig de angst-neurose, de obsessie van angst bestudeerd heeft, dat zij een gevolg is van sexueele abstinentie, en dat zij inderdaad beschouwd mag worden als een uiting van zulke abstinentie (Freud, Sammlung Kleiner Schriften zur Neurosenlehre, 1906, blz. 76 et seq.).

Het geheele onderwerp van de sexueele abstinentie is in den breede besproken door Nyström, uit Stockholm, in Das Geschlechtsleben und seine Gesetze, hoofdst. III. Hij komt tot het besluit, dat het wenschelijk is, dat zelfbeheersching beoefend wordt, zoolang het mogelijk is, om de physieke gezondheid te versterken en het verstand en het karakter te ontwikkelen. De leer van voortdurende sexueele abstinentie beschouwt hij echter als geheel valsch, behalve in het geval van een klein aantal godsdienstig en philosofisch aangelegde personen. "Volkomen abstinentie gedurende een lange periode van jaren kan niet verdragen worden zonder ernstige gevolgen te hebben, zoowel voor het lichaam als voor den geest.... Zeker, een jonge man moet zijn sexueele impulsen zoolang mogelijk terugdringen en alles vermijden wat kunstmatig als een sexueele prikkel kan werken. Als hij dat echter gedaan heeft, en hij lijdt nog aan onbevredigde normale sexueele begeerten, en als hij geen mogelijkheid ziet binnen afzienbaren tijd te trouwen, dan mag niemand zeggen dat hij zonde doet, als hij met wederzijdsch goedvinden in sexueele betrekkingen treedt met een vriendin, of tijdelijke sexueele betrekkingen aanknoopt, mits hij namelijk de fatsoenlijke voorzorg neemt geen kinderen te krijgen, tenzij zijn deelgenoot nadrukkelijk wenscht moeder te worden, en hij bereid is al de verantwoordelijkheden van het vaderschap op zich te nemen". In een artikel van later datum ("Die Einwirkung der Sexuellen Abstinenz auf die Gesundheit", Sexual-Probleme, Juli, 1908) zet Nyström op krachtige wijze zijn gezichtspunten uiteen. Hij noemt onder de gevolgen van sexueele abstinentie orchitis, veel voorkomende onwillekeurige zaaduitstortingen, impotentie, depressie, en een groote menigte nerveuze stoornissen van een vager karakter, daar onder begrepen verminderd vermogen om te werken, beperkte levensvreugde, slapeloosheid, nerveusheid, en het vervuld zijn van sexueele verlangens en voorstellingen. Meer speciaal noemt hij verhoogde sexueele prikkelbaarheid met erecties, of zaaduitstortingen bij de minste aanleiding, zooals bij het kijken naar een aantrekkelijke vrouw of in het maatschappelijk verkeer met haar of in tegenwoordigheid van kunstwerken, die naakte figuren voorstellen. Nyström heeft de gelegenheid gehad te onderzoeken en te vermelden negentig gevallen van personen, die deze en soortgelijke symptomen vertoond hebben, naar hij meent, als het resultaat van sexueele abstinentie. Hij heeft sommige van deze gevallen gepubliceerd (Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Oct., 1908), maar we kunnen er aan toevoegen, dat Rohleder ("Die Abstinentia Sexualis", ib., Nov., 1908) deze gevallen gecritiseerd heeft en twijfelt of eenige daarvan afdoende zijn. Rohleder meent, dat de slechte gevolgen van sexueele abstinentie nooit duurzaam zijn, en ook, dat geen anatomische pathologische toestanden (zooals orchitis) er door veroorzaakt kunnen worden. Maar hij meent toch, dat zelfs onvolledige en tijdelijke sexueele abstinentie tamelijk ernstige gevolgen kan hebben, en vooral neurasthenische stoornissen van verschillenden aard, zooals nerveuze prikkelbaarheid, angst, depressie, ongeschiktheid om te werken; ook emissies bij dag, vroegtijdige ejaculaties, en zelfs een staat, die grenst aan satyriasis; en bij vrouwen hysterie, hystero-epilepsie, en nymphomaniacale uitingen; al deze symptomen kunnen echter, naar mijn meening, genezen, als de abstinentie ophoudt.

Vele voorstanders van sexueele abstinentie hebben gewicht gehecht aan het feit, dat mannen van groote genialiteit schijnbaar volkomen zelfbeheerscht zijn geweest, hun geheele leven door. Dit is zeker waar (zie boven, p. 173). Maar dit feit kan nauwelijks aangehaald worden als een argument ten gunste van de voordeelen van sexueele abstinentie onder de gewone bevolking. J. F. Scott kiest Jezus uit, Newton, Beethoven en Kant als "mannen van kracht en scherpzinnigheid, die kuisch geleefd hebben als jonggezellen". We kunnen echter niet zeggen, dat Dr. Scott gelukkig geweest is in de vier figuren, die hij heeft uitgekozen uit de geheele geschiedenis van het menschelijk genie als voorbeelden van levenslange sexueele abstinentie. Wij weten van Jezus weinig met absolute zekerheid, en zelfs als wij de diagnose verwerpen, die Professor Binet-Sanglé (in zijn Folie de Jesus) opgebouwd heeft uit een nauwkeurige studie van de Evangeliën, zijn er vele redenen, waarom wij ons moeten onthouden van het leggen van den nadruk op het voorbeeld van zijn sexueele abstinentie; Newton was, afgezien van zijn machtig genie op een speciaal gebied, een onvolkomen en onbevredigend mensch, die ten slotte in een toestand kwam, die zeer veel had van krankzinnigheid; Beethoven was een door en door ziekelijk en ziek man, die een intens ongelukkig leven leidde; Kant was van het begin tot het einde een zwakke zieke. Het zou waarschijnlijk moeilijk wezen een gezond, normaal man te vinden, die vrijwillig het leven zou aannemen, dat geleid werd door een van deze vier, zelfs tot den prijs van hun roem. J. A. Godfrey (Science of Sex, pp. 139-147) bespreekt in den breede de kwestie, of sexueele abstinentie gunstig is voor gewone intellectueele kracht en hij beslist dat zij dat niet is, en dat we voor den normaal ontwikkelden man geen gevolgtrekking kunnen maken uit de nu en dan voorkomende sexueele abstinentie van mannen van genie, die dikwijls abnormaal aangelegd en physiek beneden het middelmatige zijn. Sexueele abstinentie is in het geheel niet altijd een gunstig teeken, mogen we er aan toevoegen, zelfs bij mannen, die intellectueel boven het middelmatige zijn. "Ik heb niet den indruk gekregen", merkt Freud op (Sexual-Probleme, Maart, 1908), "dat sexueele abstinentie nuttig is voor energieke en onafhankelijke mannen van de daad of voor oorspronkelijke denkers, voor moedige bevrijders en hervormers. Het sexueele gedrag van een mensch is dikwijls het symbool van zijn geheele wijze van reageeren in de wereld. Van den man, die energiek het voorwerp van zijn sexueele begeerte neemt, mogen wij verwachten dat hij een dergelijke onvermoeibare energie zal vertoonen bij het streven naar andere doeleinden".

Velen, hoewel niet allen, die ontkennen, dat voortgezette sexueele abstinentie onschadelijk is, nemen vrouwen in deze bewering op. Er zijn inderdaad eenige autoriteiten die meenen, dat, hetzij eenig bewust sexueel verlangen aanwezig is of niet, sexueele abstinentie minder gemakkelijk verdragen wordt door vrouwen dan door mannen.

Cabanis zeide, in 1802, in zijn beroemd en vooruitstrevend werk, Rapports du Physique et du Moral, dat vrouwen niet alleen sexueel exces gemakkelijker verdragen dan mannen, maar dat zij onder sexueele ontberingen meer lijden, en een zorgvuldig en ervaren onderzoeker van den tegenwoordigen tijd, Löwenfeld, (Sexualleben und Nervenleiden, 1899, p. 53), hoewel hij niet meent, dat normale vrouwen sexueele abstinentie minder gemakkelijk verdragen dan mannen, voegt er bij, dat dit niet het geval is met vrouwen van een neuropatischen aanleg, die uit deze oorzaak veel meer lijden, en die òf masturbeeren als sexueele omgang onmogelijk is, of in hystero-neurasthenische toestanden vervallen. Busch zegt (Das Geschlechtsleben des Weibes, 1839, deel I, blz. 69, 71), dat niet alleen de werking van de sexueele functies in het organisme bij vrouwen sterker is dan bij mannen, maar dat de slechte gevolgen van sexueele abstinentie duidelijker merkbaar zijn bij vrouwen. Sir Benjamin Brodie heeft lang geleden gezegd, dat de nadeelen van zelfbeheersching voor vrouwen misschien grooter zijn dan die van onmatigheid, en in den tegenwoordigen tijd zegt Hammer (Die Gesundheitlichen Gefahren der Geschlechtlichen Enthaltsamkeit, 1904) dat, om gezondheidsredenen sexueele abstinentie aan vrouwen niet meer moet aangeraden worden dan aan mannen. Nyström is van dezelfde meening, hoewel hij verklaart, dat vrouwen sexueele abstinentie beter verdragen dan mannen; hij heeft deze speciale kwestie in den breede besproken in een hoofdstuk van zijn Geschlechtsleben und seine Gesetze. Hij is het eens met den ervaren Erb, dat een groot aantal volkomen kuische vrouwen van hoog karakter, die in het bezit zijn van uitmuntende eigenschappen van geest en hart, min of meer ongesteld zijn door sexueele abstinentie; dit is vooral dikwijls het geval met vrouwen, die getrouwd zijn met impotente mannen, hoewel het meestal niet vóór den leeftijd van dertig jaar is, dat, zooals Nyström opmerkt, vrouwen zich van haar sexueele behoeften duidelijk bewust worden.

Een groot aantal vrouwen, die gezond, kuisch en ingetogen zijn, gevoelen bij tijden zulk een machtig sexueel verlangen, dat zij nauwelijks de verzoeking kunnen weerstaan de straat op te gaan en den eersten den besten man, dien zij tegen komen, te vragen. Niet weinige van zulke vrouwen, dikwijls van goeden huize, bieden zich inderdaad aan aan mannen, die ze misschien maar weinig kennen. Routh vermeldt zulke gevallen (British Gynaecological Journal, Feb. 1887), en de meeste mannen hebben te eeniger tijd dergelijke vrouwen ontmoet. Als een vrouw van hoog moreel karakter en sterke hartstochten voor een zeer langen tijd aan den voortdurenden druk van zulk sexueel verlangen onderworpen wordt, vooral als dit samengaat met liefde voor een bepaald persoon, dan kan er een reeks van slechte, physieke en moreele gevolgen optreden. Vele beroemde medici hebben zulke gevallen vermeld, die plotseling in volkomen herstel eindigden, zoodra de hartstocht bevredigd werd. Lauvergne beschreef lang geleden een dergelijk geval. Een tamelijk typisch geval van deze soort werd in bijzonderheden medegedeeld door Brachet, (De l'Hypochondrie, p. 69) en door Griesinger samengevat in zijn klassieke werk over "Mental Pathology". Het betrof een gezonde gehuwde dame van zes en twintig jaar, die drie kinderen had. Een kennis, die haar bezocht, won haar liefde, maar zij bood ernstig weerstand aan den verleidenden invloed en verborg den hevigen hartstocht, dien hij in haar gewekt had. Verschillende ernstige, physieke en geestelijke symptomen begonnen zich langzamerhand te vertoonen, en er traden verschijnselen op, die op tering wezen. Een verblijf van zes maanden in het zuiden van Frankrijk bracht geen verbetering in den lichamelijken of geestelijken toestand. Toen ze thuis kwam, werd ze nog erger. Daar ontmoette zij het voorwerp van haar hartstocht weer, zij bezweek, verliet haar echtgenoot en kinderen, en vluchtte met hem. Zes maanden later was zij onherkenbaar: schoonheid, frischheid en gevuldheid hadden de plaats ingenomen van dorheid en magerheid; terwijl de symptomen van tering en alle andere bezwaren geheel verdwenen waren. Een eenigszins hierop gelijkend geval wordt vermeld door Camill Lederer, uit Weenen (Monatsschrift für Harnkrankheiten und Sexuelle Hygiene, 1906, aflevering 3). Een weduwe begon eenige maanden na den dood van haar echtgenoot te kuchen, met symptomen van longcatarrh, maar geen bepaalde teekenen van longlijden. Behandeling en verandering van klimaat bleken geheel onvoldoende een verbetering te weeg te brengen. Twee jaren later trouwde ze weer, daar er geen teekenen van ongesteldheid in de longen verschenen waren, hoewel de symptomen voortduurden. Binnen zeer enkele weken waren alle symptomen verdwenen en was zij volkomen frisch en gezond.

Talrijke beroemde gynaecologen hebben als hun overtuiging vermeld, dat sexueele opwinding een geneesmiddel is voor verschillende ongesteldheden in de sexueele organen van vrouwen, en dat abstinentie een oorzaak is van zulke ongesteldheden. Matthews Duncan zeide, dat sexueele opwinding het eenige geneesmiddel is voor amenorrhoea; "het eenig menstruatie-bevorderend geneesmiddel, dat ik ken", schreef hij (Medical Times, Feb. 2, 1884), "wordt niet gevonden in de Pharmacopae: het is erotische opwinding. Er is geen twijfel aan de waarde van erotische opwinding". Anstie verwijst in zijn werk over Neuralgia, naar het weldadige gevolg van sexueelen omgang op dysmenorrhoë, en hij maakt de opmerking, dat de noodzakelijkheid van de volle natuurlijke uitoefening van de sexueele functie blijkt uit de groote verbetering in zulke gevallen na het huwelijk, en vooral na de geboorte van een kind. (Wij moeten opmerken, dat niet alle autoriteiten dysmenorrhea verbeterd vinden door het huwelijk; sommige meenen, dat de kwaal er dikwijls door verergerd wordt; zie, b.v., Wythe Cook, American Journal Obstetrics, Dec., 1893). De beroemde gynaecoloog Tilt noemde al vroeger, met nadruk (On Uterine and Ovarian Inflammation, 1862, blz. 309), de slechte gevolgen van sexueele abstinentie, doordat ze prikkeling en misschien eenigszins acute ontsteking van de ovariën te voorschijn roepen, en hij merkt op, dat ze vooral veel voorkomen bij jonge weduwen en bij prostituées, die in verbeteringsgestichten geplaatst worden. Intens verlangen, merkte hij op, veroorzaakt organische bewegingen, gelijkende op de bewegingen, die noodig zijn voor de bevrediging van de begeerte. Deze brandende verlangens, die alleen maar gedoofd kunnen worden door hun wettige bevrediging, worden nog verder verhoogd door den erotischen invloed van gedachten, boeken, schilderijen, muziek, die dikwijls sexueel nog meer prikkelend zijn dan vleeschelijke omgang met mannen, maar de opwinding, die zoo te voorschijn geroepen wordt, wordt niet verlicht door dien natuurlijken terugval, die op iedere levensaanzwelling zou moeten volgen. Nadat hij gewezen heeft op de biologische feiten, die de uitwerking aantoonen van psychische invloeden op de ontwikkelingskracht van de vrouwelijke geslachtsorganen bij dieren, gaat Tilt voort: "Ik mag hieruit gerust besluiten, dat dergelijke prikkels op den geest van vrouwen een opwekkende uitwerking kunnen hebben op de ovulatie organen. Ik weet herhaaldelijk van menstruatie, die in den verlovingstijd onregelmatig, overvloedig of abnormaal was bij vrouwen, bij wie niets dergelijks te voren was voorgekomen; dit maakte dan de behandeling van chronische ovaritis en van ontsteking van den uterus noodzakelijk". Bonnifield, van Cincinnati (Medical Standard, Dec., 1896) meent, dat onbevredigde sexueele begeerte een belangrijke oorzaak is van catarrhale endometritis. Het is wel bekend, dat gezwellen van den uterus in een zekere betrekking staan tot de organische sexueele activiteit, en dat sexueele abstinentie, voornamelijk de lang voortgezette ontbering van zwangerschap, een zeer belangrijke oorzaak is van de kwaal. Dit wordt bevestigd door een analyse van A. E. Giles (Lancet, Maart 2, 1907) van honderd vijftig gevallen. Zes en vijftig van deze gevallen, meer dan een derde, waren ongetrouwde vrouwen, hoewel ze bijna alle over de dertig jaar oud waren. Van de vier en negentig getrouwde vrouwen, waren vier en dertig nooit zwanger geweest; van haar, die zwanger geweest waren, waren zes en dertig niet zwanger geweest in de laatste tien jaar. Zoo waren acht en veertig percent òf nooit zwanger geweest, òf ze waren ten minste de laatste tien jaar niet zwanger geweest. Het blijkt dus duidelijk, dat verhindering van de sexueele functie, hetzij die abstinentie van sexueelen omgang met zich brengt of niet, een belangrijke oorzaak is van febroide uterusgezwellen. Balls-Headley, uit Victoria, (Evolution of the Diseases of Women, 1894, en "Etiology of Diseases of Female Genital Organs", Allbutt en Playfair, System of Gynaecology), meent, dat onbevredigd sexueel verlangen een factor is bij zeer vele ongesteldheden van de sexueele organen bij vrouwen. "Mijn meeningen", schrijft hij in een particulieren brief, "berusten op een zeer speciaal gynaecologische praktijk gedurende twintig jaar, in welken tijd ik zeven duizend diagnosen bizonder zorgvuldig heb opgemaakt. De normale vrouw is sexueel goed gevormd en haar sexueele gevoelens eischen bevrediging door het voortbrengen van het volgende geslacht, maar onder de beperkende en vooral nu abnormale omstandigheden van de beschaving ondergaan sommige vrouwen erfelijke atrophie, en zijn de uterus en de sexueele gevoelens zwak; bij anderen van gemiddelde goede locale ontwikkeling staat het gevoel onder druk; bij weer anderen zijn de gevoelens zoowel als de organen sterk en als normaal gebruik onthouden wordt, komen er verkeerde gevolgen. Als wij deze vele verscheidenheden van aangeboren ontwikkeling wat de verschillende toestanden van maagdelijkheid, steriel of vruchtbaar huwelijk betreft, in gedachte houden, dan dringt zich de wijze van ontstaan en de ontwikkeling der ziekte aan den geest van den medicus op, en er is voor hem niet meer aanleiding tot verwondering, dan er is voor den wiskunstenaar, die de kegelsneden bestudeert, als hij de grondslagen ervan heeft leeren kennen. Het vraagstuk is opgeworpen: Zijn een aantal niet met elkander verband houdende vrouwenziekten uit de lucht komen vallen, of zijn deze kwalen noodzakelijkerwijze een gevolg van de omstandigheden eener onnatuurlijke levenswijze?" We kunnen er aan toe voegen, dat Kisch (Sexual Life of Woman), die toch tegen iedere overdreven waardeering van de gevolgen van sexueele abstinentie protesteert, meent, dat ze bij vrouwen niet alleen vele plaatselijke ongesteldheden, maar ook nerveuse stoornis, hysterie, en zelfs krankzinnigheid ten gevolge kan hebben, terwijl bij neurasthenische vrouwen "geregelde sexueele omgang een actief weldadige uitwerking heeft, die dikwijls opvallend is".

Het is van belang op te merken, dat de slechte gevolgen van sexueele abstinentie bij vrouwen, naar de meening van hen, die op het belang er van den nadruk leggen, in het geheel niet alleen te wijten zijn aan onbevredigde sexueele begeerte. Zij kunnen aanwezig zijn, zelfs als de vrouw zelf niet het minste bewustzijn heeft van sexueele behoeften. Dit werd veertig jaar geleden duidelijk aangetoond door den scherpzinnigen Anstie (op. cit.). Bij vrouwen vooral, merkt hij op, "schijnt een zekere rustelooze overgroote werkzaamheid van geest, en misschien van het lichaam ook, de uiting te zijn van den onbewusten wrok der natuur over de verwaarloozing der sexueele functies". Zulke vrouwen, voegt hij er bij, hebben zich vrij gehouden van masturbatie "ten koste van een voortdurende en bijna woeste werkzaamheid van geest en spieren". Anstie had opgemerkt, dat sommige van de ergste gevallen van nervositeit en neurasthenie, die hij "spinale prikkeling" noemde, dikwijls samen gaande met een gevoelige maag en bloedarmoede, beter worden met het huwelijk. "Het kan niet ontkend worden", gaat hij voort, "dat een zeer groot aantal van deze gevallen bij ongetrouwde vrouwen (die verreweg het grootste getal vormen van lijderessen aan ruggemergsprikkeling) voortkomen uit deze bewuste of onbewuste prikkeling, die onderhouden wordt door een onbevredigde sexueele behoefte. Het is zeker, dat zeer veel jonge menschen (vooral vrouwen) geplaagd worden door de prikkeling van de sexueele organen zonder ook maar de minste bewustheid te hebben van sexueele begeerte, en dat zij het treurig schouwspel opleveren van een mislukt leven zonder ooit de ware reden te kennen van het ongeluk, dat hen ongeschikt maakt voor al de actieve plichten van het leven. Het is een opmerkelijk feit, dat er zelfs voorbeelden zijn kunnen van twee zusters, die dezelfde soort van nerveuzen aanleg geërfd hebben, beiden geplaagd door de verschijnselen van ruggemergsprikkeling en beiden waarschijnlijk lijdende door teruggedrongen sexueele functies, maar waarvan de eene rein van geest kan zijn en volkomen onbewust van de werkelijke oorzaak van haar moeilijkheden, terwijl de andere een slachtoffer is van bewuste en vruchtelooze sexueele prikkeling". In deze zaak kan Anstie beschouwd worden als een voorlooper van Freud, die met groote fijnheid en ontledingskracht de leer ontwikkeld heeft van den overgang van teruggedrongen sexueel instinct bij vrouwen in ziekelijke toestanden. Hij meent, dat de nervositeit van tegenwoordig voor een groot gedeelte te wijten is aan de nadeelige werking op het sexueele leven van dat terugdringen van natuurlijke instincten, waarop onze beschaving opgebouwd is (Misschien kan men de duidelijkste korte opsomming van de ideeën van Freud over deze kwestie vinden in een zeer suggestief artikel, "Die Kulturelle Sexualmoral und die Moderne Nervosität", in Sexual-Probleme, Maart 1908, herdrukt in de tweede serie van de Sammlung kleiner Schriften zur Neurosenlehre, 1909). Wij bezitten de geschiktheid, zegt hij, onze sexueele activiteiten te sublimeeren of te veranderen in andere activiteiten van een psychisch daarmee verwant, maar niet-sexueel karakter. Dit proces kan echter niet uitgevoerd worden in een onbegrensde mate, evenmin als de verandering van warmte in mechanisch werk in onze machines. Een zekere mate van directe sexueele bevrediging is voor de meeste gestellen noodzakelijk en de verzaking van deze individueel verschillende mate wordt gestraft met verschijnselen, die wij wel als ziekelijk moeten beschouwen. Het proces van het sublimeeren leidt, onder den invloed van de beschaving, tot sexueele perversies en psycho-neuroses beide. Deze twee toestanden staan nauw met elkaar in verband, wat blijkt uit de wijze, waarop Freud het proces van hun ontwikkeling beschouwt; zij staan tot elkaar als positief en negatief, en dan zijn sexueele perversies de positieve pool en psycho-neurosen de negatieve. Het gebeurt dikwijls, merkt hij op, dat een broeder sexueel pervers kan zijn, terwijl zijn zuster met een zwakker sexueel temperament, een zenuwlijderes is, wier symptomen een wijziging zijn van de perversies van den broeder; terwijl in veel families de mannen immoreel zijn en de vrouwen rein en verfijnd, maar zwaar nerveus. Die vrouwen, die geen tekort aan sexueele impuls hebben, lijden toch onder denzelfden druk van de beschaafde moraal, die ze in neurotische toestanden drijft. Het is een zeer ernstige onbillijkheid, merkt Freud op, dat de standaard der beschaving voor het sexueel leven dezelfde is voor alle menschen, omdat, hoewel sommigen hem, door hun gestel, gemakkelijk kunnen aannemen, hij voor anderen de zwaarste psychische opofferingen in zich sluit. Het ongetrouwde meisje, dat zwak van zenuwen geworden is, kunnen we niet aanraden verlichting te zoeken in het huwelijk, want zij moet sterk zijn om het huwelijk te "verdragen", terwijl wij een man aanraden in geen geval te trouwen met een meisje, dat niet sterk is. De getrouwde vrouw, die de teleurstellingen van het huwelijk ondervonden heeft, vindt gewoonlijk geen weg ter verlichting, dan door haar deugd op te geven. "Hoe strenger zij opgevoed is, en hoe volkomener zij onderworpen is geweest aan de eischen van de beschaving, des te meer vreest zij deze wijze van ontkomen, en in dezen strijd tusschen haar wenschen en haar plichtgevoel zoekt ook zij haar toevlucht--in de neurose. Niets beschermt haar deugd zoo zeker als de ziekte". Als we den invloed van de enge "beschaafde" opvatting van de sexueele moraal op vrouwen van een nog ruimer standpunt beschouwen, heeft Freud opgemerkt, blijkt, dat die niet beperkt is tot het voortbrengen van neurotische toestanden; hij raakt de geheele intellectueele geschiktheid van vrouwen. Haar opvoeding ontzegt haar iedere belangstelling voor sexueele kwesties, hoewel zulke kwesties van het hoogste belang voor haar zijn, want zij prent haar het oude vooroordeel in, dat iedere nieuwsgierigheid in zulke zaken onvrouwelijk en een bewijs van slechte neigingen is. Zoo worden zij afgeschrikt van het denken, en het weten verliest zijn waarde. Het denkverbod strekt zich automatisch en onvermijdelijk uit ver buiten de sexueele sfeer. "Ik geloof niet", eindigt Freud, "dat er een tegenstelling is tusschen intellectueel werk en sexueele werkzaamheid, zooals door Möbius verondersteld werd. Ik ben van meening, dat het ontwijfelbare feit van de intellectueele inferioriteit van zoo vele vrouwen voortkomt uit de belemmering in het denken, die haar opgelegd wordt met het doel haar sexualiteit te beteugelen".

Het is eerst in de laatste jaren, dat dit probleem erkend is en in het oog gevat, hoewel eenzelvige denkers, zooals Hinton, zich scherp bewust zijn geweest van het bestaan ervan; want "treurende deugd", zooals Mrs. Ella Wheeler Wilcox het uitdrukt, "schaamt zich meer voor haar smart dan ongelukkige zonde, omdat de wereld tranen heeft voor deze en voor gene alleen spot". "Het is een bijna cynische trek van onze eeuw", schreef Hellpách eenige jaren geleden, "dat ze voortdurend het probleem behandelt van prostitutie, van politie-contrôle, van den leeftijd, waarop toestemming tot sexueelen omgang gegeven kan worden, van de "blanke slavernij", en dat zij den moreelen strijd van de vrouwelijke ziel voorbijgaat, zonder eenige poging om haar brandende vragen te beantwoorden".

Aan den anderen kant zien we, dat medische schrijvers niet alleen met veel moreel vuur beweren, dat sexueele omgang buiten het huwelijk altijd en volkomen onnoodig is, maar bovendien voor de onschadelijkheid en zelfs voor de voordeelen van sexueele abstinentie pleiten.

Ribbing, de Zweedsche professor, raadt, in zijn Hygiène Sexuelle sexueele abstinentie buiten het huwelijk aan, en beweert, dat ze onschadelijk is. Gilles de la Tourette, Féré, en Augagneur in Frankrijk zijn het daarmee eens. In Duitschland zegt Fürbringer (Senator and Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 228), dat zelfbeheersching mogelijk is en noodig, hoewel hij toegeeft, dat ze toch in buitengewone gevallen ernstige schade kan doen. Eulenburg (Sexuale Neuropathie, p. 14), betwijfelt of wel iemand, die overigens een verstandig leven leidde, ooit ziek werd, of meer beslist neurasthenisch door sexueele abstinentie. Hegar ontkent in zijn antwoord op de argumenten van Bebel in zijn welbekend boek over vrouwen, dat sexueele abstinentie ooit satiriasis of nymphomania kan veroorzaken. Näcke, die herhaaldelijk het vraagstuk der sexueele abstinentie behandeld heeft (bv., Archiv für Kriminal-Anthropologie, 1903, deel I en Sexual-Probleme, Juni 1908), houdt staande, dat sexueele abstinentie, op zijn ergst zeldzame en lichte ongunstige gevolgen kan hebben, en dat ze niet meer kans heeft om krankzinnigheid te veroorzaken, zelfs bij individuen die er aanleg voor hebben, dan de tegenovergestelde uitersten van sexueele excessen en masturbatie. Hij voegt er bij, dat voor zoover zijn eigen waarnemingen betreft, de patienten in krankzinnigengestichten maar zelden lijden onder hun gedwongen sexueele abstinentie.

Het is echter in Engeland, dat de deugden van sexueele abstinentie het luidst en met den meesten nadruk verkondigd zijn, soms inderdaad met een groot gebrek aan verstandige matiging. Acton zet, in zijn Reproductive Organs het traditioneele Engelsche standpunt uiteen, evenals Beale in zijn Morality and the Moral Question. Een meer bekend vertegenwoordiger van hetzelfde gezichtspunt was Paget, die in zijn verhandeling over "Sexueele Hypochondriasis", sexueelen omgang verbond met "diefstal of leugen". Ook Sir William Gowers (Syphilis and the Nervous System, 1892, p. 126) verkondigt de voordeelen van "ongeschonden kuischheid", meer speciaal als een methode om syphilis te vermijden. Hij is echter niet zeer hoopvol, zelfs wat zijn eigen geneesmiddel aangaat, want hij voegt er bij: "Wij kunnen maar weinig grond vinden voor de hoop, dat de kwaal zoodoende belangrijk zal verminderen". Hij zou echter aan het individu toch kuischheid willen prediken en doet het met al den ijver van een middeleeuwsch monnik. "Met al de kracht, die kennis, welke ik bezit en met de autoriteit, die ik heb, geven kan, verklaar ik, dat geen mensch nog ooit in het minst er slechter aan toe was, omdat hij zelfbeheersching in praktijk bracht, of er beter aan toe, omdat hij dat niet deed. Van de laatsten zijn allen moreel slechter geworden; een duidelijke meerderheid is er ook physiek op achteruit gegaan; en voor geen klein deel is het resultaat, en dat zal het altijd zijn, volkomen physieke schipbreuk op een van de vele scherpe, puntige rotsen, die op den levensweg voorkomen en die niemand kan vermijden". In Amerika geldt hetzelfde standpunt in ruimen kring en Dr. J. F. Scott betoogt in zijn Sexual-Instinct (tweede druk, 1908, hoofdst. III) met veel kracht en met een grooten woordenvloed ten gunste van sexueele abstinentie. Hij wil zelfs niet toegeven dat de zaak van twee kanten beschouwd kan worden, hoewel als hij hierin gelijk had, de lengte en de kracht van zijn betoog onnoodig zouden zijn geweest.

Onder medische autoriteiten, die de kwestie van sexueele abstinentie in den breede hebben behandeld is het inderdaad gewoonlijk niet mogelijk zulke onvermengd gunstige meeningen te vinden, als die ik juist aangehaald heb. Er kan echter geen twijfel aan zijn, dat een groot deel der medici, op den voorgrond tredende en uitstekende autoriteiten niet uitgesloten, als zij nu en dan tegenover de kwestie komen te staan of sexueele abstinentie onschadelijk is, meteen den weg zullen inslaan, die klaarblijkelijk den minsten tegenstand geeft en antwoorden: Ja. Slechts in een paar gevallen zullen zij eenige beperking maken bij dit bevestigend antwoord. Deze neiging wordt zeer goed geïllustreerd door een onderzoek gedaan door Dr. Ludwig Jacobsohn, van St. Petersburg ("Die Sexuelle Enthaltsamkeit im Lichte der Medizin", St. Petersburger Medizinische Wochenschrift, Maart den 17den 1907). Hij schreef aan meer dan twee honderd bekende Russische en Duitsche professoren in de physiologie, neurologie, psychiatrie, om hun te vragen of zij sexueele abstinentie als onschadelijk beschouwden. De meerderheid gaf geen antwoord; elf Russische en acht en twintig Duitsche professoren antwoordden, maar vier van hen zeiden alleen maar, dat "zij geen persoonlijke ondervinding" hadden etc.; er bleven er dus vijf en dertig over. Van deze was P. E. Pflüger, uit Bonn, sceptisch gestemd jegens het voordeel van eenige propaganda voor de abstinentie: "als al de autoriteiten van de wereld verklaarden, dat abstinentie onschadelijk was, dan zou dat geen invloed op de jeugd hebben. Er zijn hier krachten in het spel, die door alle hinderpalen heenbreken". De onschadelijkheid van abstinentie werd toegegeven door Kräpelin, Cramer, Gärtner, Tuczek, Schottelius, Gaffky, Finkler, Selenew, Lassar, Seifert, Gruber; de laatste voegde er echter aan toe, dat hij zeer weinig abstinente jonge mannen kende, en dat hijzelf abstinentie alleen goed vond vóór de volle ontwikkeling, en omgang zelfs vóór dien tijd niet gevaarlijk achtte, als hij matig was. Brieger kende gevallen van abstinentie zonder schadelijke gevolgen, maar hij zelf meende, dat geen algemeene opinie kon gegeven worden. Jürgensen zeide, dat abstinentie op zichzelf niet schadelijk is, maar dat in sommige gevallen omgang een meer weldadigen invloed heeft. Hoffmann zeide, dat abstinentie onschadelijk is, en hij voegde er bij dat, hoewel ze zeker tot onanie leidt, deze beter is dan gonorrhea, om van syphilis te zwijgen, en gemakkelijk binnen de perken gehouden kan worden. Strümpell antwoordde, dat sexueele abstinentie onschadelijk is, en indirect nuttig, omdat ze beschermt tegen het gevaar van venerische ziekten, maar dat sexueele omgang, daar deze het normale is, altijd meer wenschelijk blijft. Hensen zeide, dat abstinentie niet onvoorwaardelijk aanbevolen kan worden. Rumpff antwoordde, dat abstinentie voor de meeste menschen niet schadelijk was vóór den leeftijd van dertig, maar dat er na dien leeftijd een neiging was tot geestelijke obsessies, en dat het huwelijk op vijf en twintigjarigen leeftijd gesloten moest worden. Ook Leyden meende dat abstinentie onschadelijk is tot omstreeks dertig jaar, waarna ze leidt tot psychische onregelmatigheden, vooral toestanden van angst en een zekere onnatuurlijkheid. Hein antwoordde, dat abstinentie onschadelijk is voor de meesten, maar dat ze bij sommigen leidt tot hysterische uitingen en indirect tot slechte gevolgen door masturbatie, terwijl voor den normalen mensch abstinentie niet direct weldadig kan zijn, omdat omgang natuurlijk is. Grützner meende, dat abstinentie bijna nooit schadelijk is. Neisser geloofde, dat een langer volgehouden abstinentie dan nu de gewoonte is, weldadig zou zijn, maar gaf toe, dat door onze beschaving de sexueele prikkels ontstaan; hij voegde er bij, dat hij natuurlijk voor gezonde menschen geen bezwaar zag in omgang. Hoche antwoordde, dat abstinentie volkomen onschadelijk is bij normale personen, maar niet altijd bij abnormale personen. Weber meende, dat ze een nuttigen invloed had door het vermeerderen van de kracht van den wil. Tarnowsky zeide, dat abstinentie goed is op jeugdigen mannelijken leeftijd, maar dat ze waarschijnlijk ongunstig zal werken na de vijf en twintig jaar. Orlow antwoordde, dat ze vooral in de jeugd onschadelijk is en dat een man even kuisch moest zijn als zijn vrouw. Popow zeide, dat abstinentie op iederen leeftijd goed is en de energie bewaart. Blumenau zeide, dat op den volwassen leeftijd abstinentie noch normaal noch weldadig is, en gewoonlijk tot masturbatie leidt, hoewel niet altijd tot nerveuze ongesteldheden; maar dat zelfs masturbatie beter is dan syphilis. Tschririew zag tot dertig jaar geen nadeel in abstinentie, en meende, dat sexueele zwakte waarschijnlijk eer volgen zou op exces dan op abstinentie. Tschish beschouwde abstinentie als weldadig eer dan als schadelijk tot vijf en twintig of acht en twintig, maar meende, dat het na dien leeftijd moeilijk was te beslissen; dan schijnen nerveuze veranderingen te worden veroorzaakt. Darkschewitz beschouwde abstinentie als onschadelijk tot vijf en twintig jaar. Fränkel zeide, dat ze onschadelijk is voor de meesten, maar dat voor een groot aantal menschen omgang noodzakelijk is. Erb's opinie wordt door Jacobsohn beschouwd als alleen te staan; hij plaatste den leeftijd, waarop abstinentie onschadelijk is op twintig jaar; na dien leeftijd beschouwde hij ze als nadeelig voor de gezondheid, en hij meent, dat ze een ernstige belemmering is voor het werk en voor het karakter, terwijl ze bij neurotische personen tot nog ernstiger gevolgen leidt. Jacobsohn komt tot de conclusie, dat de algemeene opinie van hen, die de vraag beantwoorden, aldus kan uitgedrukt worden: "De jeugd behoort abstinent te zijn. Abstinentie kan hen op geenerlei wijze benadeelen; integendeel, ze is weldadig. Als onze jonge menschen abstinent willen blijven en buitenechtelijk verkeer vermijden, dan zullen zij een hoog liefde-ideaal behouden en zich bewaren voor venerische ziekten".

De onschadelijkheid van sexueele abstinentie werd in Amerika evenzeer verkondigd in een besluit, dat de American Medical Association in 1906 nam. De conclusie, die aldus formeel aangenomen werd, was in deze woorden vervat: "Zelfbeheersching is niet onbestaanbaar met gezondheid". We moeten ons algemeen voor oogen stellen, dat abstracte voorstellen van deze soort geen waarde hebben, omdat zij niets beteekenen. Ieder persoon, die in het bezit van zijn verstand is, moet, als hij gesteld wordt voor den eisch stoutweg de verklaring "Zelfbeheersching is niet onbestaanbaar met gezondheid" goed te keuren of te verwerpen, die goedkeuren. Hij zou vast kunnen gelooven, dat zelfbeheersching onbestaanbaar is met de gezondheid van een ieder, en toch, als hij eerlijk was in het gebruik van de taal, zou het onmogelijk voor hem zijn om de vage en abstracte propositie, dat "Zelfbeheersching niet onbestaanbaar is met gezondheid" te verwerpen. Zulke verklaringen zijn daarom niet alleen waardeloos, maar werkelijk misleidend.

Het is duidelijk, dat volstrekt onbeperkte opinies ten gunste van sexueele abstinentie niet berusten op medische, maar op wat de schrijvers beschouwen als te zijn moreele overwegingen. Bovendien is het, daar dezelfde schrijvers zich gewoonlijk even nadrukkelijk uitspreken over de voordeelen van sexueelen omgang in het huwelijk, duidelijk, dat zij zich schuldig gemaakt hebben aan een tegenstrijdigheid. Dezelfde daad kan niet, zooals Näcke terecht zegt, goed of slecht worden, al naar dat ze gedaan wordt in het huwelijk of daar buiten. Er is geen tooverkracht in een paar woorden, uitgesproken door een priester of een ambtenaar van den burgerlijken stand.

Remondino (loc. cit.) merkt op, dat de autoriteiten, die zich schuldig hebben gemaakt aan verklaringen ten gunste van de onvoorwaardelijke voordeelen van sexueele abstinentie, dikwijls in drie dwalingen vervallen: (1) zij generaliseeren te veel; in plaats van ieder geval afzonderlijk te beschouwen, naar zijn aard; (2) zij stellen zich niet duidelijk voor oogen, dat de menschelijke natuur door zeer heterogene en samengestelde motieven beïnvloed wordt en dat men niet kan aannemen, dat ze alleen afhankelijk is van motieven van abstracte moraal; (3) zij negeeren het groote leger van onanisten en sexueel perversen, die niet klagen over sexueel lijden, maar die door het volhouden van een strenge sexueele abstinentie, voor zoover het normale verhoudingen betreft, langzamerhand in stroomen geraken, waaruit geen terugkeer mogelijk is.

Tusschen hen, die onvoorwaardelijk de onschadelijkheid van sexueele abstinentie toegeven of verwerpen, vinden wij een gematigde partij van autoriteiten, wier opinies meer voorwaardelijk zijn. Velen van hen, die deze meer voorzichtige positie innemen, zijn mannen, wier opinie groot gewicht in de schaal legt, en het is waarschijnlijk, dat eerder bij hen, dan bij de meer uiterste voorstanders aan beide zijden, de verstandigste zienswijze voorkomt. Een zoo samengestelde kwestie als deze kan niet goed alleen in het abstracte onderzocht worden en kan evenmin door kortweg een ontkenning of bevestiging opgelost worden. Het is een zaak, waarin ieder geval zijn eigen speciale en persoonlijke overweging vereischt.

"Waar zulk een duidelijke tegenstelling tusschen de meeningen is, daar ligt de waarheid niet uitsluitend aan één kant", merkt Löwenfeld op (Sexualleben und Nervenleiden, tweede uitgave, p. 40). Sexueele abstinentie is zeker dikwijls nadeelig voor neuropatische personen. (Dit wordt tegenwoordig door een groot aantal autoriteiten aangenomen, en werd misschien het eerst beslist geconstateerd door Krafft-Ebing, "Ueber Neurosen durch Abstinenz", Jahrbuch für Psychiatrie 1889, p. 1). Löwenfeld vindt geen speciale neiging tot neurasthenie onder de Katholieke geestelijkheid, en als ze voorkomt, is er geen reden een sexueele oorzaak aan te nemen. "Bij gezonde en niet erfelijk neuropatische menschen is volkomen abstinentie mogelijk zonder nadeel voor het zenuwstelsel". Schadelijke gevolgen, gaat hij voort, komen, als zij zich voordoen, zelden voor tusschen de vier en twintig en zes en dertig jaar, en zelfs dan zijn ze gewoonlijk niet ernstig genoeg om aanleiding te geven tot een bezoek aan den dokter, daar ze voornamelijk bestaan in het veelvuldig voorkomen van zaaduitstortingen, pijn in de ballen of in het rectum, overgevoeligheid in tegenwoordigheid van vrouwen of het zich verdiepen in sexueele denkbeelden. Als zich echter omstandigheden voordoen, die speciaal de sexueele emoties prikkelen, dan kan neurasthenie veroorzaakt worden. Löwenfeld is het eens met Freud en Gattel, dat de angstneurose meermalen voorkomt bij de abstinenten, en dat zorgvuldig onderzoek aantoont, dat de abstinentie een factor is, die ze te voorschijn roept in beide seksen. Het is een gewoon verschijnsel bij jonge vrouwen, die getrouwd zijn met veel oudere mannen, en komt dikwijls voor in de eerste jaren van het huwelijk. Onder speciale omstandigheden kan abstinentie dus schadelijk zijn, maar over het geheel zijn de moeilijkheden, die voortkomen uit deze abstinentie niet ernstig; zij veroorzaken alleen bij uitzondering werkelijke stoornissen in de nerveuze en psychische sferen. Ook Moll neemt een dergelijk gematigd standpunt in. Hij beschouwt sexueele abstinentie vóor het huwelijk als het ideaal, maar hij wijst er op, dat wij alle doctrinaire uitersten bij het prediken van sexueele abstinentie moeten vermijden, omdat zulke prediking slechts leiden zal tot huichelarij. Omgang met prostituées en de neiging om van vrouw te veranderen als van een kleedingstuk, voeren tot verlies van gevoeligheid voor het geestelijke en persoonlijke element in de vrouw, terwijl de gevaren van sexueele abstinentie niet meer overdreven moeten worden dan de gevaren van sexueelen omgang (Moll, Libido Sexualis 1898, deel i p. 848; id., Konträre Sexualempfindung, 1899, p. 588). Ook Bloch (in een hoofdstuk over de kwestie van sexueele abstinentie in zijn Sexualleben unserer Zeit, 1908) neemt een dergelijk standpunt in. Hij raadt aan onthouding in de jeugd en tijdelijke onthouding op den volwassen leeftijd, omdat zulke abstinentie waarde heeft niet alleen voor het behouden en wijzigen van de energie, maar ook om den nadruk te leggen op het feit, dat het leven andere dingen heeft om na te streven dan alleen sexueele. Redlich (Medizinische Klinik, 1908, No. 7) neemt in een nauwkeurige studie over de medische gezichtspunten van de kwestie, een gemiddeld standpunt in, wat de betrekkelijke voor- en nadeelen van sexueele abstinentie betreft. "Wij zouden willen zeggen, dat sexueele abstinentie niet een toestand is, die onder alle omstandigheden en tot iederen prijs moet vermeden worden, hoewel het waar is, dat voor de meerderheid van de gezonde volwassen personen geregeld sexueel verkeer goed is en soms zelfs moet aangeraden worden".

We kunnen er bijvoegen, dat van het standpunt van Christelijke godsdienstige moraal deze zelfde houding tusschen de uitersten van beide partijen, die de voordeelen van sexueele abstinentie erkent, maar er niet op staat, dat zij tot iederen prijs moeten verkregen worden, ook vertegenwoordigers heeft gevonden. Zoo behandelt in Engeland een Anglikaansch geestelijke, de Reverend H. Northcote (Christianity and Sex Problems, blz. 58, 60) gematigd en op sympathieke wijze de moeilijkheden van sexueele abstinentie; hij is er in het geheel niet van overtuigd, dat zulke abstinentie altijd een onvermengd voordeel is; terwijl in Duitschland een Katholiek priester, Karl Jentsch (Sexualethik, Sexual Justiz, Sexualpolizei, 1900) zich er toe zet, de sterke en onvermengde beweringen van Ribbing ten gunste van de sexueele abstinentie te weerleggen. Jentsch drukt zijn opinie aldus uit: "De houding van vaders, van de publieke opinie, van den Staat en van de Kerk tegenover den jongen man in deze zaak moest zijn: Tracht u te onthouden tot het huwelijk. Velen slagen hierin. Als gij slaagt, is het goed. Maar als ge niet kunt slagen, is het onnoodig uzelf verwijten te doen en u te beschouwen als een schurk of als een verloren zondaar. Als gij u maar niet overgeeft aan enkel genot of losbandigheid, maar tevreden zijt met wat noodig is om uw gemoedsrust, zelfbeheersching, en opgewekte geschiktheid tot werken te herstellen, en mits gij vooral de voorzorgen in acht neemt, die dokters of ervaren vrienden u op het hart drukken".

Als wij zoo de drie stroomen van meeningen van deskundigen over deze kwestie van sexueele abstinentie analyseeren en nauwkeurig onderzoeken--de opinies van hen, die er gunstig jegens gestemd zijn, van hen, die er tegen zijn, en van hen die den middenweg kiezen--dan kunnen we nauwelijks nalaten tot de conclusie te komen, dat de geheele discussie al zeer onbevredigend is. De toestand van "sexueele abstinentie" is een volkomen vage en onbepaalde toestand. Het onbepaalde karakter, het zinlooze zelfs van de uitdrukking "sexueele abstinentie" blijkt uit de veelvuldigheid waarmee zij, die er over redeneeren, aannemen dat ze kan, misschien zal, of zelfs moet omvatten masturbatie. Dat feit op zichzelf berooft ze voor een groot deel van haar waarde als moraal en ook als abstinentie. Op dit punt komen we inderdaad tot de meest fundamenteele critiek, die op het begrip van "sexueele abstinentie" toepasselijk is. Rohleder, een ervaren medicus en een erkend autoriteit in kwesties van sexueele pathologie, heeft de gangbare denkbeelden over "sexueele abstinentie" aan een scherpe critiek onderworpen in een tamelijk uitgebreid en belangrijk artikel [93]. Hij ontkent, dat er strikte abstinentie bestaat. "Sexueele abstinentie", zegt hij, in de strikte beteekenis van het woord, moet abstinentie in zich sluiten niet alleen van sexueelen omgang, maar ook van auto-erotische uitingen, van masturbatie, van homosexueele daden, van alle sexueel perverse handelingen. Ze moet verder omvatten een voortdurende abstinentie van toegeven aan erotische voorstellingen en wellustige droomerijen. Als het echter mogelijk is zoo het geheele psychische veld te maken tot een tabula rasa, voor zoover de sexueele werkzaamheid betreft--en als ze dat niet voortdurend en onafgebroken is, dan is er geen strikte sexueele abstinentie--dan, zegt Rohleder, moeten wij overwegen of we niet te doen hebben met een geval van sexueele ongevoeligheid, anaphrodisia sexualis. Dat is een kwestie die maar zelden zoo al ooit in het oog gevat wordt door hen, die sexueele abstinentie bespreken. Het is echter een uiterst gepaste kwestie, zooals Rohleder met nadruk zegt, want, als er sexueele ongevoeligheid bestaat, dan vervalt de kwestie van sexueele abstinentie, daar wij ons alleen kunnen "onthouden" van handelingen, die in onze macht zijn. Volkomen sexueele ongevoeligheid is echter een zoo zeldzame toestand, dat ze in de praktijk buiten beschouwing kan blijven, en daar de sexueele impuls, als zij bestaat, door een physiologische noodzakelijkheid soms op een of andere wijze werkzaam moet worden--zelfs als het, volgens het standpunt van Freud alleen maar is door verandering in een of anderen neurotischen toestand--komen wij tot de conclusie, dat "sexueele abstinentie" strikt onmogelijk is. Rohleder heeft een paar gevallen gehad, waarbij het scheen dat hij met geen mogelijkheid kon ontkomen aan de conclusie, dat sexueele abstinentie bestond, maar bij deze alle vond hij later dat hij zich vergist had, meestal ten gevolge van de gewoonte van masturbatie bij den patient, waarvan hij meent, dat ze zeer veel voorkomt en zeer dikwijls vergezeld gaat van een hardnekkige poging om den medicus over het bestaan ervan te misleiden. De eenige soort van "sexueele abstinentie", die bestaat, is een gedeeltelijke en tijdelijke abstinentie. In plaats van, zooals sommigen, te zeggen: "Voortdurende abstinentie is onnatuurlijk en kan niet bestaan zonder lichamelijk en geestelijk nadeel", moesten we volgens Rohleder zeggen: "Voortdurende abstinentie is onnatuurlijk en heeft nooit bestaan".

Als we deze chaotische massa van opinies beschouwen, moeten wij wel gevoelen dat de geheele discussie om een zuiver negatief denkbeeld draait, en dat fundamenteele feit is verantwoordelijk voor wat op het eerste gezicht verbluffend tegenstrijdige verklaringen schenen te zijn. Als wij dat, wat algemeen beschouwd wordt als het godsdienstige en moreele standpunt van de zaak, zouden moeten uitschakelen, een standpunt, laten we dat niet vergeten, dat geen betrekking heeft op de essentieele natuurlijke feiten van de kwestie--dan moeten we wel opmerken, dat deze groot schijnende verschillen in overtuiging binnen zeer nauwe en beuzelachtige grenzen zouden worden teruggebracht.

Wij kunnen de impuls van reproductie niet gelijk stellen met de voedingsimpuls. Er zijn zeer belangrijke verschillen tusschen de twee, meer speciaal het fundamenteele verschil, dat, terwijl de bevrediging van de eene impuls absoluut noodzakelijk is voor het leven van het individu en van het ras beide, de bevrediging van de andere alleen absoluut noodzakelijk is voor het leven van het ras. Maar als we deze kwestie terug voeren tot een van "sexueele abstinentie", dan plaatsen we ze klaarblijkelijk op dezelfde basis als die van abstinentie van voedsel, dat is te zeggen juist aan den tegenovergestelden pool dan waarop we ze plaatsen, als we ze (evenals in het voorafgaande hoofdstuk) beschouwen van het standpunt van ascetisme en kuischheid. Zoo komt het, dat er op deze negatieve basis werkelijk een belangwekkende analogie bestaat tusschen onthouding van voedsel, hoewel die noodzakelijkerwijze alleen maar onvolkomen en voor korten tijd kan worden gehandhaafd, en sexueele abstinentie, die langer en meer volkomen volgehouden wordt. Een patient van Janet schijnt deze overeenkomst duidelijk aan te toonen. Nadia, die Janet vijf jaar lang kon bestudeeren, was een jonge vrouw van zeven en twintig, gezond en intelligent, en niet lijdende aan hysterie of anorexia, want zij had een normalen eetlust. Maar ze had een manie; zij wenschte mager te zijn en om dit doel te bereiken verminderde zij haar maaltijden tot op een minimum, alleen wat soep en een paar eieren. Zij leed zeer onder de abstinentie, die zij zich zelf zoo oplegde, en was altijd hongerig, hoewel soms haar honger verborgen werd door de onvermijdelijke maagbezwaren, door een zoo lang volharden in dit régime veroorzaakt. Soms was ze wel zoo hongerig geweest, dat ze begeerig alles verslonden had wat ze machtig kon worden, en herhaaldelijk kon zij de verleiding niet weerstaan in het geheim een paar biscuits te eten. Zulke daden veroorzaakten haar een verschrikkelijk berouw, maar toch deed zij ze weer. Zij besefte de groote krachtsinspanning, die van haar door deze levenswijze geëischt werd, en beschouwde zichzelf werkelijk als een heldin, omdat ze zoo lang weerstand bood. "Soms", vertelde zij aan Janet, "bracht ik uren door met denken aan voedsel, zoo hongerig was ik. Ik slikte mijn speeksel in, ik beet op mijn zakdoek, ik rolde mij over den grond, zoo verlangde ik naar eten. Ik zocht boeken op met beschrijvingen van maaltijden en feesten, ik trachtte mijn honger te bedaren, door mij te verbeelden dat ook ik al die goede dingen genoot. Ik was werkelijk uitgehongerd, en behalve een paar zwakheden met biscuits, weet ik dat ik veel moed getoond heb". [94] Het denkbeeld, dat Nadia bewoog mager te willen wezen, komt overeen met het denkbeeld van den abstinenten mensch, dat hij "moreel" wil leven, en verschilt er alleen van doordat het het voordeel heeft van eenigszins meer positief en persoonlijk te zijn, want het denkbeeld van den persoon, die sexueel toegeven wil vermijden, omdat het "niet goed" is, is dikwijls niet alleen negatief, maar onpersoonlijk en opgelegd door zijn maatschappelijke en godsdienstige omgeving. Nadia's nu en dan voorkomende uitbarstingen van roekelooze begeerigheid komen overeen met de plotselinge impulsen om zijn toevlucht te nemen tot de prostitutie, en haar geheime zwakheden met de biscuits, gevolgd door scherp berouw, tot terugvallen in de gewoonte van masturbatie. Haar buien van strijd en van rollen op den grond zijn precies gelijk aan de uitbarstingen van nutteloos begeeren, die nu en dan voorkomen bij jonge abstinente mannen en vrouwen, als ze gezond en sterk zijn. Het in gedachten vervuld zijn met maaltijden en met literaire beschrijvingen van maaltijden is duidelijk analoog met het bezig zijn van den abstinenten mensch met wellustige gedachten en erotische boeken. Ten slotte komt de overtuiging van Nadia, dat zij een heldin is, geheel overeen met de houding van zelfgenoegzaamheid, die de sexueel abstinenten zoo dikwijls kenmerkt.

Als wij de diepe en suggestieve studie van Freud over het probleem van sexueele abstinentie met betrekking tot de "beschaafde" sexueele moraal raadplegen, dan vinden we, dat, hoewel hij geen melding maakt van de analogie met het onthouden van voedsel, zijn woorden voor het grootste gedeelte gelijkelijk toepasselijk zouden zijn op beide gevallen. "De taak, een zoo machtig instinct als de sexueele impuls ten onder te brengen, anders dan door bevrediging", schrijft hij, "is er een, die de geheele kracht van een mensch verbruikt. Onderwerping door sublimeeren, door de sexueele krachten op hoogere paden van beschaving te leiden, kan misschien aan een minderheid gelukken, en zelfs aan deze alleen maar voor een tijd, het minst gemakkelijk in de jaren van vurige jeugdenergie. De meerderheid wordt neurotisch of komt op andere wijze in moeilijkheden. De ondervinding leert, dat het meerendeel van de "beschaafde" menschen door hun gestel niet opgewassen zijn tegen de taak der abstinentie. Wij zeggen wel, dat de strijd met dezen machtigen aandrang, en de nadruk die deze strijd legt op de ethische en æsthetische krachten in de ziel, het zieleleven, het karakter "staalt", en voor eenige gunstig aangelegde naturen is dit waar; we moeten ook erkennen, dat het verschil in individueel karakter, dat zoo uitgesproken is in onzen tijd, alleen mogelijk wordt door sexueele beperkingen. Maar in verreweg de meeste gevallen verbruikt de strijd met de zinnelijkheid al de beschikbare kracht van het karakter, en dit juist op den tijd, dat de jonge man al zijn kracht noodig heeft om zich een plaats in de wereld te veroveren" [95].

Als wij het probleem op deze negatieve basis van abstinentie geplaatst hebben, dan is het moeilijk in te zien hoe we de juistheid van Freud's conclusies kunnen betwisten. Zij gelden evenzeer voor onthouding van voedsel als voor onthouding van sexueele liefde. Als wij het probleem op een meer positieve basis plaatsen, en als we in staat zijn de meer actieve en vruchtbare motieven van ascetisme en kuischheid op te roepen, dan is deze ongelukkige strijd tegen een natuurlijken aandrang veroordeeld. Als kuischheid een ideaal is van het harmonieuze spel van al de organische impulsen van ziel en lichaam, als ascetisme eigenlijk is het athletisch streven naar een waardig doel, dat, voor een tijd, een onverschilligheid veroorzaakt voor het bevredigen van de sexueele impulsen, dan staan wij op gezonden en natuurlijken grond en wordt er geen energie verspild in een vruchteloos streven naar een negatief doel, hetzij dit kunstmatig van buiten af opgelegd is, zooals gewoonlijk, of dat het vrijwillig gekozen is door het individu zelf.

Want er is in werkelijkheid geen volkomen analogie tusschen sexueel verlangen en honger, tusschen abstinentie van sexueele verhoudingen en abstinentie van voedsel. Als we ze beide op de basis plaatsen van abstinentie, dan plaatsen we ze op een basis, die past voor de impuls voor sexueele liefde. Wij kunnen geen genoegen verschaffen en geen dienst bewijzen aan ons voedsel, als wij het eten. Maar de helft van sexueele liefde, misschien de meest belangrijke en veredelende helft, ligt in wat wij geven en niet in wat wij nemen. Als we deze kwestie terugbrengen tot het lage niveau van abstinentie, dan leggen we het zwaartepunt ervan niet alleen in een negatieve ontkenning, maar we maken er een kwestie van, die alleen ons zelf raakt. In plaats van te vragen: Hoe kan ik vreugde en kracht geven aan iemand anders? vragen we alleen: Hoe kan ik louter mijn deugd bewaren?

Daarom is het, dat, van welk gezichtspunt we de kwestie ook beschouwen,--hetzij met betrekking tot de in het oog springende tegenspraak, welke er is tusschen de autoriteiten, die deze kwestie besproken hebben, of van het door elkaar halen hier van moreele en physiologische overwegingen, of van het enkel negatieve en onnatuurlijke karakter van de "deugd", die zoo ingesteld wordt, of in het mislukken, dat er in opgesloten ligt, van alle pogingen om de veredelende, altruïstische en wederkeerige zijde van sexueele liefde te vatten,--van welk standpunt wij het probleem van "sexueele abstinentie" ook naderen, we moeten overeenkomen dit alleen te doen onder protest.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us