De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij (part 2 of 4)
Als wij dan besluiten het onderwerp nader te onderzoeken, en tot de overtuiging gekomen zijn--aan welke wij, met het oog op al het bewijsmateriaal nauwelijks ontkomen kunnen--dat, terwijl sexueele abstinentie, in zoover ze als mogelijk erkend kan worden, niet onbestaanbaar is met gezondheid, er toch vele volwassenen zijn, voor wie ze schadelijk is, en een nog veel grooter aantal voor wie ze, als ze lang aanhoudt, ongewenscht is, stuiten we op een ernstig probleem. Het is een probleem, waar ieder mensch tegenover komt te staan, en vooral de medicus die geroepen kan worden in deze zaak ambtelijk raad te geven aan zijn medemenschen. Als sexueele verhoudingen soms wenschelijk zijn voor ongehuwde of gehuwde personen, die om de een of andere reden van de huwelijksvereeniging uitgesloten zijn, is een dokter dan gerechtigd zulke sexueele verhoudingen aan zijn patient aan te raden? Dit is een vraag, die dikwijls besproken en in tegenovergestelden zin beantwoord is.
Verschillende beroemde medici, vooral in Duitschland, hebben het voor den plicht van den dokter verklaard sexueelen omgang aan zijn patient aan te bevelen, telkens als hij dit noodig acht. Gyurkovechky, bij voorbeeld, heeft deze kwestie uitvoerig behandeld, en ze bevestigend beantwoord. Nyström (Sexual-Probleme, July, 1908, p. 413) zegt, dat het de plicht van den medicus is, in sommige gevallen van sexueele zwakte, als alle andere behandelingsmethoden gefaald hebben, sexueelen omgang als het beste geneesmiddel aan te bevelen. Dr. Max Marcuse acht het den onvoorwaardelijken plicht van den dokter, sexueelen omgang in sommige gevallen aan te raden, zoowel aan mannen als aan vrouwen, en heeft bij vele gelegenheden in dezen geest gesproken (b.v. Darf der Arzt zum Ausserehelichen Geschlechtsverkehr raten? 1904). Marcuse is gedecideerd van meening, dat een dokter, die, terwijl hij zich laat influenceeren door moreele, sociologische of andere overwegingen, nalaat sexueelen omgang aan te raden, als hij dien voor de gezondheid van den patient wenschelijk acht, zijn beroep onwaardig is, en òf de geneeskunde moest opgeven, òf zijn patienten naar andere dokters moest zenden. Deze houding schijnt, hoewel ze gewoonlijk niet zoo nadrukkelijk geuit wordt, in ruimen kring aangenomen te worden. Lederer gaat zelfs nog verder, als hij zegt (Monatschrift für Harnkrankheiten und Sexuelle Hygiene, 1906, deel 3), dat het de plicht van den medicus is een vrouw, die lijdende is door de impotentie van haar man, aan te raden omgang te hebben met een anderen man, en hij voegt er bij dat "of zij dat doet met de toestemming van haar man, een zaak is, die den dokter niet aangaat, daar hij niet een bewaker is van de moraal, maar een bewaker van de gezondheid". De medici die in het publiek deze houding aannemen, vormen echter een kleine minderheid. In Engeland heeft, voor zoover ik weet, geen bekend medicus openlijk verklaard, dat het de plicht van den dokter is sexueelen omgang buiten het huwelijk aan te raden, hoewel, het is nauwelijks noodig het er bij te voegen, het in Engeland, evenals in andere landen voorkomt, dat dokters, zelfs vrouwelijke dokters, van tijd tot tijd in een persoonlijk onderhoud er hun ongehuwde en zelfs hun gehuwde patienten op wijzen, dat sexueele omgang waarschijnlijk weldadig zou zijn.
De plicht van den dokter om sexueelen omgang aan te raden is met evenveel nadruk ontkend, als ze aangeprezen wordt. Zoo wilde Eulenburg (Sexuale Neuropathie, p. 43), onder geen voorwaarde buitenechtelijke verhoudingen aan zijn patient aanraden; "zulke raad ligt geheel buiten de bevoegdheid van den dokter". Ze wordt natuurlijk ontkend door hen, die sexueele abstinentie beschouwen als altijd onschadelijk, zoo niet weldadig. Maar ze wordt ook ontkend door velen, die meenen dat, onder bepaalde omstandigheden, sexueele omgang goed zou doen.
Vooral Moll heeft, en dat bij vele gelegenheden, den plicht van den dokter besproken met betrekking tot de kwestie van het aanraden van sexueelen omgang buiten het huwelijk (b.v., in zijn uitgebreid werk Aerztliche Ethik, 1902; ook Zeitschrift für Aerztliche Fortbildung, 1905, Nos. 12-15; Mutterschutz, 1905, Heft 3; Geschlecht und Gesellschaft, deel II blz. 8). Eerst was Moll geneigd het recht van den medicus om sexueelen omgang onder bepaalde omstandigheden aan te bevelen, te handhaven; "zoo lang als het huwelijk overmatig uitgesteld wordt en sexueele omgang buiten het huwelijk bestaat", schreef hij, (Die Conträre Sexualempfindung, tweede uitgave, p. 287), "zoo lang, meen ik, dat we zulk een omgang therapeutisch mogen aanwenden, mits er geen rechten van een derde persoon (man of vrouw) worden gekrenkt". In al zijn latere geschriften echter, stelt Moll zich duidelijk en bepaald aan de tegenovergestelde zijde. Hij meent, dat de medicus geen recht heeft de mogelijke gevolgen van zijn raad over het hoofd te zien; die gevolgen kunnen wezen, het besmet worden met venerische ziekten, of, in het geval van een vrouw, zwangerschap en hij gelooft, dat deze ernstige gevolgen veel meer kans hebben voor te komen dan wel altijd toegegeven wordt door hen, die het goed recht van zulken raad verdedigen. En Moll wil ook niet toegeven, dat de medicus recht heeft de moreele zijden van de zaak over het hoofd te zien. Een dokter kan weten, dat een arm man vele dingen, die goed zijn voor zijn gezondheid zou kunnen krijgen door te stelen, maar hij kan hem niet aanraden te stelen. Moll neemt het geval van een Katholiek priester, die lijdt aan neurasthenie, voortkomende uit sexueele abstinentie. Zelfs al is de dokter er zeker van, dat de priester in staat zal zijn al de gevolgen van ziekte zoowel als van publiciteit te vermijden, dan is hij nog niet gerechtigd hem sexueelen omgang aan te raden. Hij moet in gedachte houden, dat hij, door een priester er toe te brengen zijn geloften van kuischheid te verbreken, aanleiding kan geven tot een geestelijken strijd en een bitter berouw, dat tot de slechtste resultaten kan leiden, zelfs voor de physieke gezondheid van den patient. Dergelijke moeilijkheden merkt Moll op, kunnen volgen op zulk een raad, als hij gegeven wordt aan een gehuwd man of een gehuwde vrouw, om niet te spreken van mogelijke echtscheidingsprocessen en daarmede samengaande ellenden.
Rohleder (Vorlesungen über Geschlechtstrieb und Gesamtes Geschlechtsleben der Menschen) neemt in deze zaak een eenigszins gematigde houding aan. Als een algemeene regel is hij er bepaald tegen sexueelen omgang buiten het huwelijk aan te raden aan hen, die lijden aan gedeeltelijke of tijdelijke abstinentie (de eenige vorm van abstinentie die hij erkent), gedeeltelijk omdat de nadeelen van abstinentie niet ernstig of duurzaam zijn, en gedeeltelijk omdat de patient toch zeker zijn eigen oordeel in deze zaak zal volgen. Maar in sommige gevallen beveelt hij zulken omgang aan, en vooral aan bisexueele personen, op grond, dat hij zijn patient zoodoende bewaart voor de strafschuldige gevaren van homosexueele praktijken.
Het schijnt mij toe, dat er niet de minste twijfel behoorde te wezen aan wat de correcte houding van den medicus naar aanleiding van deze kwestie van sexueelen omgang moet zijn. De dokter is nooit geroepen zijn patient sexueelen omgang buiten het huwelijk aan te raden, noch eenige wijze van verlichting, die gewoonlijk als onwettig beschouwd wordt. Er wordt gezegd, dat de medicus niets te maken heeft met overwegingen van de conventioneele moraal. Als hij meent, dat champagne goed zou zijn voor een armen patient, dan moest hij hem aanraden champagne te nemen; het ligt niet op zijn weg te overwegen of de patient de champagne zal vragen, leenen of stelen. Maar, ten slotte, zelfs als dat toegegeven is, dan moet nog gezegd worden, dat de dokter weet, dat de champagne, hoe ze dan ook verkregen is, waarschijnlijk niet vergiftig is. Als hij echter sexueelen omgang voorschrijft met dezelfde verheven onverschilligheid voor praktische overwegingen, dan weet hij dat niet. Als hij zulk een voorschrift geeft, dan weet de dokter inderdaad in het minst niet, wat hij voorschrijft. Misschien berokkent hij zijn patient een venerische ziekte; misschien geeft hij hem de angsten en verantwoordelijkheden van een onwettig kind; hij, die het voorschrift geeft, is geheel in het duister. Hij is in dezelfde positie alsof hij een kwakzalversgeneesmiddel had voorgeschreven, waarvan hij de samenstelling niet kende, met nog het nadeel, dat het geneesmiddel veel meer machtig explosief kan blijken, dan het geval is met het gewoonlijk onschuldige gepatenteerde geneesmiddel. Het uiterste, wat een dokter eigenlijk kan doen, is het geval onpartijdig aan zijn patient voorleggen en hem op de gevaren wijzen. De oplossing moet de patient dan zelf uitwerken, zoo goed als hij kan, want zij sluit in zich maatschappelijke en andere overwegingen, die, terwijl ze geenszins buiten de sfeer der geneeskunde liggen, zeker volkomen buiten de macht liggen van den individueelen praktiseerenden geneesheer.
Ook Moll is van meening, dat deze onpartijdige voorstelling van de zaak vóor en tegen sexueelen omgang de plicht van den dokter in deze questie is. Het is inderdaad een plicht, waaraan de medicus in vele gevallen nauwelijks ontkomen kan. Moll wijst er op, dat het in geen geval gepaard kan gaan, zooals sommigen meenen, met het aanbevelen van sexueelen omgang. Het is integendeel, naar hij opmerkt, veel meer analoog met den plicht van den medicus bij operaties. Hij legt den patient den aard van de operatie voor, de voordeelen en de gevaren ervan, maar hij laat het aan het oordeel van den patient over of deze de operatie wil ondergaan of niet. Ook Lewitt (Geschlechtliche Enthaltsamkeit und Gesundheitsstörungen, 1905) komt, na de verschillende meeningen over deze kwestie besproken te hebben, tot de conclusie, dat de dokter, als hij meent, dat omgang buiten het huwelijk weldadig zou zijn, de bezwaren moet uiteen zetten en het aan den patient overlaten zelf te beslissen.
Er is nog een reden, waarom een dokter, uit consideratie voor de heerschende moreele meeningen, ten minste onder de middelklasse, zich behoort te onthouden van het aanraden van buitenechtelijk verkeer: hij plaatst zich in een scheeve positie tegenover zijn maatschappelijke omgeving. Hij raadt een geneesmiddel aan, waarvan hij den aard niet openlijk erkennen kan, en zoo breekt hij het algemeene vertrouwen in hem af. De eenige medicus, die moreel gerechtigd is zijn patiënten aan te raden in buitenechtelijke verhoudingen te treden, is hij, die openlijk erkent, dat hij bereid is zulk een raad te geven. De dokter, die openlijk werkt voor maatschappelijke hervorming heeft misschien het moreele recht verworven raad te geven in overeenstemming met de strekking van zijn werkzaamheden in het publiek, maar zelfs dan nog kan het zeer twijfelachtig zijn of zijn raad gerechtvaardigd is, en het zou beter zijn als hij zijn pogingen voor maatschappelijke hervorming tot zijn publieke werkzaamheden beperkte. De stem van den dokter wordt, zooals Professor Max Flesch van Frankfort opmerkt, meer en meer gehoord in de ontwikkeling en den nieuwen groei van maatschappelijke instellingen; hij is een natuurlijk leider in zulke bewegingen, en voorstellen tot verbetering komen feitelijk van hem. "Maar", zooals Flesch voortgaat, "in het openbaar de uitnemendheid van bestaande instellingen aan te nemen en in de intimiteit van de consultatie-kamer raad te geven, die de onvolmaaktheid van die instellingen bewijst, is onlogisch en verwarrend. Het is de taak van den medicus raad te geven, die in overeenstemming is met de belangen van de gemeenschap als een geheel, en die belangen eischen, dat er sexueele verhoudingen zullen aangeknoopt worden tusschen gezonde mannen en vrouwen, die in staat en bereid zijn de gevolgen van hun vereeniging op zich te nemen. Dat moet de leiddraad zijn voor het gedrag van den medicus. Alleen zoo kan hij worden, wat men tegenwoordig zoo dikwijls zegt, dat hij is, de leidsman van de natie" [96]. Dit gezichtspunt is zooals we zien, niet geheel in overeenstemming met dat hetwelk aanneemt, dat de plicht van den medicus alleen en volkomen uitgaat naar zijn patient, zonder te letten op den invloed van zijn raad op diens maatschappelijk gedrag. De belangen van den patient gaan voor, maar ze zijn niet gerechtigd te komen in antagonisme tot de belangen van de maatschappij. De raad, die gegeven wordt door den wijzen medicus moet altijd in harmonie zijn met den maatschappelijken en moreelen toon van zijn tijd. Zoo komt het, dat de neiging onder de jongere generatie der medici tegenwoordig, om een actief deel te nemen in het verheffen van dien toon en in het bevorderen van maatschappelijke hervorming--een neiging, die niet alleen bestaat in Duitschland, waar deze belangen zoo acuut geweest zijn, maar ook in een zoo conservatief land als Engeland--vol belofte is voor de toekomst.
De dokter is er gewoonlijk mee tevreden, zijn plicht jegens zijn patient wat de sexueele abstinentie betreft als voldoende vervuld te beschouwen, als hij tracht sexueele overgevoeligheid te verminderen door medische of hygiënische behandeling. Het behoeft echter nauwelijks gezegd te worden, dat de resultaten van zulk een behandeling gewoonlijk onvoldoende zijn, en soms heeft de behandeling zelfs een resultaat, dat het tegendeel is van wat werd bedoeld. De moeilijkheid is gewoonlijk, dat, om effect te hebben, de behandeling moet worden voortgezet tot een uiterste, dat niet alleen de geslachtswerkzaamheden uitput of ze terughoudt, maar ook de werkzaamheden van het geheele organisme, en als ze dat niet doet, kan ze eer een prikkel dan een kalmeerend middel blijken te zijn. Het is moeilijk en gewoonlijk onmogelijk de sexueele werkzaamheden van een mensch te scheiden van alle andere werkzaamheden van zijn organisme en invloed uit te oefenen op deze werkzaamheden alleen. Sexueele activiteit is zoo nauw verbonden met de andere organische werkzaamheden, erotische weelderigheid is zoo zeer een bloem, gevoed door het geheele organisme, dat de slag, die ze verplettert, den geheelen mensch kan knakken. De bromiden worden algemeen erkend als machtige kalmeerende middelen, maar hun invloed in dit opzicht wordt eerst recht gevoeld als zij al de teerste krachten van het organisme hebben afgestompt. Physieke oefening wordt algemeen aanbevolen aan sexueel overgevoelige patiënten. Toch vinden de meeste menschen, mannen en vrouwen, dat lichaamsoefening een positieve prikkel is voor de sexueele werkzaamheid. Dit is vooral het geval met wandelen, en bizonder energieke jonge vrouwen, die last hebben van de hinderlijke werkzaamheid van haar gezonde sexueele emoties, brengen soms een groot deel van haar tijd door met vergeefsche pogingen in lange wandelingen haar activiteit te kalmeeren. Lichaamsoefening blijkt in dit opzicht alleen effect te hebben, als ze doorgevoerd wordt tot een hoogte, die algemeene uitputting veroorzaakt. Dan is inderdaad de sexueele werkzaamheid bedaard, maar tevens de geestelijke en lichamelijke werkzaamheden. Het is ongetwijfeld waar, dat oefeningen en spelen van alle soorten voor jonge menschen van beide geslachten een sexueel hygiënischen, zoowel als een algemeen hygiënischen invloed hebben, die ongetwijfeld weldadig is. Zij zijn in ieder geval beter dan langdurige zittende bezigheden. Maar het is dwaas te denken, dat spelen en oefeningen de sexueele impulsen zullen onderdrukken, want in zoover zij de gezondheid bevorderen, bevorderen zij al de impulsen, die het resultaat zijn van de gezondheid. Het eenigste, dat men ervan verwachten kan, is, dat zij de sexueele uitingen beperken door de energie, die zij voortbrengen, te verspreiden.
Er zijn vele heilzame regels en voorzorgen, die niet zonder reden aangeraden worden als gunstig om de sexueele werkzaamheid te beperken of te verminderen. Het vermijden van warmte en het aanwenden van kou is een van de belangrijkste van deze. Een warm klimaat, een benauwde atmosfeer, zwaar bed-dek, warme baden, deze alle kunnen het sexueele stelsel zeer prikkelen, want dat stelsel is een oppervlakkig zintuigelijk orgaan, en al wat de huid in het algemeen prikkelt, prikkelt het sexueele systeem. Koude, die de huid samentrekt, doodt ook de sexueele gevoelens, een feit, dat de asceten van den ouden tijd kenden en zich ten nutte maakten. De kleederen en de houding van het lichaam zijn niet zonder invloed. Knellen of drukken in de buurt van de sexueele streek, zelfs een nauw corset, zoowel als inwendige druk, bijv. door een volle blaas, zijn bronnen van sexueele prikkeling. Slapen op den rug, waardoor het bloed zich ophoopt in de ruggemergscentra, werkt ook op dezelfde wijze, zooals al lang bekend is geweest aan hen, die nauwkeurig letten op sexueele hygiëne; zoo wordt gezegd, dat het bij de orde der Franciskanen verboden is op den rug te liggen. Voedsel en drank zijn voorts machtige sexueele prikkels. Dit geldt zelfs van het eenvoudigste en gezondste voedsel, maar meer speciaal van vleeschspijzen, en vooral van alcohol in zijn sterkste vormen, zooals geestrijke dranken, likeuren, mousseerende en zware wijnen, en zelfs van vele Engelsche bieren. Dit is ten allen tijde erkend door hen, die ascetisme beoefenden, en het is een van de meest afdoende redenen, waarom men de jeugd geen alcohol moet geven. Zooals de heilige Jeronimus opmerkte, toen hij aan Eustochion schreef, dat zij wijn moest vermijden als vergift, "wijn en jeugd zijn de twee vuren der wellust. Waarom olie op het vuur te gieten" [97]? Ook ledigheid, vooral als ze samengaat met een weelderig leven, bevordert de sexueele werkzaamheid, zooals Burton in den breede uiteenzet in zijn Anatomy of Melancholy, terwijl voortdurende bezigheid daarentegen de ronddoolende krachten concentreert.
Geestesoefening heeft men somtijds evenals lichaamsoefening, aangeraden als een methode om sexueele opwinding te kalmeeren, maar ze schijnt onzeker te zijn in haar werking. Als ze zeer belangwekkend is en opwindend, dan kan ze de sexueele emotie eerder opwekken dan kalmeeren. Als ze weinig belangstelling opwekt, kan ze geenerlei invloed uitoefenen. Dit geldt zelfs van mathematische bezigheden, die door verschillende autoriteiten als hulpmiddelen bij sexueele hygiëne [98] zijn aangeraden, o.a. ook door Broussais. "Ik heb mechanisch geestelijk werk geprobeerd", schrijft een dame, "zooals het oplossen van rekenkundige of algebraische problemen, maar het doet mij geen goed; het schijnt zelfs alleen maar de opwinding te verergeren". "Ik studeerde en wendde mijn aandacht voornamelijk tot de wiskunde", schrijft een geestelijke, "met de bedoeling om mijn sexueele neigingen te beteugelen. In zekere mate had ik succes. Maar bij het naderen van een oude vriend, door een stem of een aanraking, kwamen deze neigingen met vernieuwde kracht terug. Ik vond wiskunde over het geheel echter het beste ding om mijn belangstelling van vrouwen af te wenden, beter dan godsdienstige oefeningen, die ik aanwendde toen ik jonger was (twee en twintig tot dertig)". Op hun best hebben zulke middelen echter alleen maar tijdelijke uitwerking.
Het is gemakkelijker, het opwekken van sexueele impulsen te vermijden dan ze door hygiënische maatregelen tot zwijgen te brengen als ze eens opgewekt zijn. Daarom moeten in de kindsheid en jeugd al deze maatregelen met verstand in acht genomen worden, om iedere voorbarige sexueele opwinding te voorkomen. In een groep van stevige normale kinderen gaan invloeden, die we zouden kunnen verwachten dat ze sexueel zouden werken, ongemerkt voorbij. Aan het andere uiterste is een andere groep kinderen zoo neurotisch en vroegtijdig gevoelig, dat geen voorzorgen hen zullen beschermen tegen zulke invloeden. Maar tusschen deze groepen zijn er andere kinderen, waarschijnlijk verreweg het grootste aantal, die weerstand bieden aan lichte sexueele aansporingen, maar die misschien voor sterker of langduriger invloeden bezwijken, en aan deze kunnen de zorgen van sexueele hygiëne met voordeel besteed worden [99].
Na de puberteit, als de spontane en innerlijke stem der sekse zich ieder oogenblik plotseling kan doen hooren, worden soms alle voorzorgen over boord geworpen, en zelfs de jongeling of het jonge meisje, dat er het meest op uit was de idealen van kuischheid te bewaren, kan dikwijls weinig meer doen dan wachten tot de storm voorbij is. Het komt soms voor dat een lange periode van sexueelen storm en drang spoedig na de puberteit zich voordoet en dan wegsterft, hoewel er weinig of geen sexueele bevrediging geweest is, om gevolgd te worden door een periode van betrekkelijke kalmte. We moeten ons herinneren dat bij vele, misschien wel bij de meeste individuen, mannen en vrouwen, de sexueele begeerte, anders als bij honger of dorst, na een langdurigen strijd teruggebracht kan worden tot een min of meer kalmen staat, die, verre van nadeelig te zijn, zelfs nuttig kan zijn voor de lichamelijke en geestelijke kracht in het algemeen. Dit kan gebeuren hetzij sexueele bevrediging verkregen is of niet. Als er nooit eenige bevrediging van dien aard geweest is, dan is de strijd minder hevig en spoediger voorbij, tenzij het individu van zeer erotisch temperament is. Als er bevrediging geweest is, als de geest vervuld is niet alleen met wenschen, maar met vreugdevolle ondervinding, waaraan het lichaam ook gewend is geraakt, dan is de strijd langer en neemt meer pijnlijk de gedachten in beslag. De verlichting echter, als ze komt, is soms meer volkomen en heeft meer kans verbonden te zijn met een toestand van psychische gezondheid. Want de grondondervindingen van het leven brengen onder normale omstandigheden niet alleen intellectueele gezondheid, maar gemoedsvrede. Een overwinning op de sexueele begeerten, die niet te eeniger tijd een bevrediging van deze begeerten genoten heeft, veroorzaakt zelden resultaten, die zich aanbevelen als rijk en mooi.
In deze worstelingen zijn er echter geen blijvende overwinningen. In het geval van een groot aantal personen kan, hoewel er emotioneele veranderingen kunnen zijn, die afhangen van een menigte omstandigheden, nauwelijks gezegd worden, dat er een overwinning is. Of zij geven altijd toe aan de impulsen, die op hen aanstormen, of zij verzetten zich altijd tegen die impulsen, in het eerste geval met berouw, in het tweede met ontevredenheid. In beide gevallen wordt veel van hun leven, op den tijd dat het leven op zijn krachtigst is, verspild. Bij vrouwen, als zij toevallig sterke hartstochten hebben en roekelooze impulsen tot overgave, kunnen de resultaten zeer ontzenuwend zijn, zoo niet verwoestend voor het algemeene psychische leven. Het is inderdaad aan deze oorzaak, dat sommigen de veel voorkomende middelmatigheid van het werk van vrouwen op artistiek en intellectueel gebied meenen te moeten toeschrijven. Vrouwen van intellectueele kracht zijn dikwijls, zoo al niet gewoonlijk, vrouwen van sterke hartstochten, en als zij weerstand bieden aan de neiging om op te gaan in de plichten van het moederschap, dan worden haar levens dikwijls verspild in gevoels-conflicten en haar zieleleven verarmd [100].
De mate, waarop sexueele abstinentie en de worstelingen, die ze in zich sluit, het individu het geheele leven door kan tegenhouden en in beslag nemen wordt goed duidelijk gemaakt in het volgende geval. Een dame, krachtig, stevig, en over het algemeen gezond, van groote intelligentie en hoog karakter, heeft den middelbaren leeftijd bereikt zonder te trouwen of ooit sexueele verhoudingen te hebben. Zij was een eenig kind, en toen ze tusschen den leeftijd van drie en vier jaar oud was, lichtte een vriendinnetje, die een jaar of zes ouder was, haar in over de gewoonte van met haar sexueele deelen te spelen. Zij was op dezen leeftijd echter geheel zonder sexueele gevoelens, en ze geraakte op natuurlijke wijze van de gewoonte af, zonder eenige kwade gevolgen, toen zij de buurt en de nabijheid van dit meisje verliet, ongeveer een jaar later. Haar gezondheid was goed en zelfs schitterend, en zij ontwikkelde zich krachtig tijdens de puberteit. Op den leeftijd van zestien echter was een geestelijke schok de oorzaak, dat het quantum der menstruatie eenige jaren lang verminderde en tegelijk met deze vermindering trad vanzelf spontaan sexueele opwinding voor het eerst op. Zij beschouwde zulke gevoelens als abnormaal en ongezond, en spande al haar krachten van zelfbeheersching in om ze te weerstaan. Maar kracht van wil had geen macht om de gevoelens te verminderen. Er was voortdurende en gebiedende opwinding, met het gevoel van trilling, spanning, druk, uitzetting en kieteling, misschien vergezeld van eenige congestie in de ovariën, want zij voelde, dat er aan de linkerzijde een netwerk van sexueele zenuwen was, en eenige jaren later werd retroversie van den uterus ontdekt. Zij leidde een werkzaam leven met vele plichten, maar ze kon geen bezigheid verrichten zonder dezen ondergrond van sexueele overgevoeligheid, die voortdurende zelfbeheersching eischte. Dit ging min of meer acuut zoo door vele jaren lang, toen de menstruatie plotseling geheel ophield, lang vóór den gewonen leeftijd van het climacterium. Op denzelfden tijd hield de sexueele opwinding op en werd zij kalm, vredig en gelukkig. Verminderde menstruatie ging samen met sexueele opwinding, maar overvloedige menstruatie en de algeheele afwezigheid ervan gingen beide vergezeld van verlichting van de opwinding. Dit duurde twee jaar. Toen werd zij, voor een lichte anaemie, onderworpen aan een lange en in haar geval onoordeelkundige behandeling met onderhuidsche inspuitingen van strychnine. Van dien tijd af, vijf jaar geleden, tot nu toe, is er voortdurende sexueele opwinding geweest en moet zij altijd op haar hoede zijn, dat ze niet door een sexueelen aanval overweldigd wordt. Haar ellende wordt verergerd doordat haar tradities het haar onmogelijk maken (behalve onder zeer buitengewone omstandigheden) op de oorzaak van haar lijden te zinspelen. "Een vrouw is al van tevoren in het nadeel", schrijft zij. "Zij mag nooit tot iemand over zulk een onderwerp spreken. Zij moet haar tragedie alleen doorleven, glimlachend zooveel zij kan onder den druk van haar verschrikkelijken last". Haar lijden nog vermeerderend, heeft zij zich twee jaren geleden gedrongen gevoeld haar toevlucht te nemen tot masturbatie, en dat heeft ze sedert omstreeks eens in de maand gedaan; dit brengt niet alleen geen werkelijke verlichting, het laat prikkelbaarheid na, slapeloosheid en donkere kringen onder de oogen, en is ook een reden tot berouw voor haar, want zij beschouwt masturbatie als volkomen abnormaal en onnatuurlijk. Zij heeft getracht zich verlichting te verschaffen, niet alleen door de gewone methoden van physieke hygiëne, maar door suggestie, Christian Science, enz., maar alles tevergeefs. "Ik mag zeggen", schrijft zij, "dat het de meest hartstochtelijke wensch van mijn hart is van dezen keten los te komen, opdat ik de verschrikkelijke jarenlange weerstandsspanning kan laten verslappen, en op mijne wijze gelukkig zijn. Als ik deze ellende eens in de maand had, eens in de week, zelfs tweemaal in de week, dan zou het kinderspel zijn ze te boven te komen. Ik zou mijn toevlucht niet willen nemen tot onnatuurlijke middelen, in hoe geringe mate ook. Maar ook zelfbeheersching kan men niet steeds ongestraft in praktijk brengen, en ik heb soms een gevoel, of het niet langer uit te houden is".
Terwijl het dus een enorm groot voordeel is in de physieke en psychische ontwikkeling, als de uitbarsting van hinderlijke sexueele emoties vertraagd wordt tot de puberteit of den jongelingsleeftijd, en terwijl het een zeer groot voordeel is, nadat die uitbarsting heeft plaats gehad, in staat te zijn de heerschappij over deze emotie te verkrijgen, zou het toch een waardelooze, ja een gevaarlijke overwinning zijn, die geen bevrediging met zich bracht, om de sexueele natuur geheel te vernietigen. "Als ik maar drie weken geluk gehad had", zeide een vrouw, "dan zou ik niet met het lot twisten, maar het geheele leven zoo volkomen ledig te doorleven, dat is verschrikkelijk". Als zulke ledige zelfbeperking uit beleefdheid een deugd genoemd kan worden, dan is het maar een negatieve deugd. De personen, die haar bereiken, als het resultaat van aangeboren zwakke sexueele ontwikkeling, hebben (zooals Gyurkovechky, Fürbringer en Löwenfeld allen gelijkelijk opgemerkt hebben) een deugd gemaakt van hun zwakheid. Vele anderen, wier instincten minder zwak waren, hebben, als zij de sexueele begeerten in hun eerste jeugd met minachting verjoegen, bevonden, dat in het latere leven die vijand met tienvoudige kracht en misschien in onnatuurlijke vormen terugkeert [101].
De opvatting van "sexueele abstinentie" is, zooals we zien, een volkomen valsche en kunstmatige opvatting. Ze is niet alleen slecht aangepast aan de hygiënische zijde van de zaak, maar ze roept ook geen echt moreele motieven op, want ze is uitsluitend egoïstisch. Ze wordt eerst echt moreel en waarlijk inspireerend, als we ze veranderen in de altruïstische deugd van zelfopoffering. Als we dat gedaan hebben, zien we, dat het element van abstinentie er in ophoudt tot het wezen ervan te behooren. "Van Zelfopoffering", schrijft de auteur van een boek, handelende over het sexueele leven, "wordt erkend dat het de basis is van deugd; de edelste voorbeelden van zelfopoffering worden ingegeven door sexueele liefde. Sympathie is het geheim van altruïsme; nergens is sympathie meer werkelijk en volkomen dan in de liefde. Moed, zoowel moreel als physiek, waarheidsliefde en eergevoel, ondernemingsgeest en de bewondering voor moreele waardigheid, worden ingegeven door liefde, meer dan door iets anders in de menschelijke natuur. Het celibaat ontzegt zich die inspiratie, of beperkt den invloed ervan, naar de mate van zijn ontzegging van sexueele intimiteit. Zoo beteekent het opzettelijk aannemen van een voortdurend ongehuwd leven het beperken van de emotioneele en moreele ondervindingen in een mate, die, van het ruime wetenschappelijke standpunt uit, niet gerechtvaardigd wordt door een van de voordeelen, die volgens vrome gedachten er uit voort komen" [102].
In een gezonde, natuurlijke orde zijn al de impulsen geconcentreerd in de vervulling van behoeften, niet in het zich ontzeggen ervan. Bovendien is het in deze speciale kwestie van sekse onvermijdelijk, dat de behoeften van anderen, en niet alleen de behoeften van het individu zelf, iemands gedrag zullen bepalen. Het zijn meer bepaald de behoeften van de vrouw, die den bepalenden factor vormen; want deze behoeften zijn veel meer verscheiden, samengesteld en bedriegelijk, en in het letten op de bevrediging ervan vindt de man een bron van eindelooze erotische satisfactie. Men zou kunnen denken, dat het invoeren van een altruïstisch motief hier enkel de eisch is van theoretische moraal, die er op staat, dat er een stevige rem zal zijn op het dierlijk instinct. Maar, zooals we den geheelen loop van dit boek door telkens weer zullen zien, is het zoo niet. Het dierlijk instinct zelf stelt dezen eisch. Het is een biologische wet, die door de geheele zoölogische wereld heerscht en op welke het algemeen voorkomen van het hof maken berust. Bij den mensch alleen is ze gewijzigd, omdat bij den mensch de sexueele behoeften niet zoo volkomen geconcentreerd zijn op reproductie, maar min of meer het geheele leven doordringen.
Terwijl van het standpunt van de maatschappij, evenals van dat der natuur, het doel en oogmerk van de sexueele impuls de voortplanting is, en niets dan de voortplanting, is dat in het geheel niet waar voor het individu, waarvan het hoofddoel moet zijn zich harmonisch uit te leven met die gepaste consideratie voor anderen, die de levenskunst eischt. Zelfs als sexueele verhoudingen niet het minste verband hadden met de voortplanting--zooals sommige stammen in Midden-Australië meenen--dan zouden ze toch nog te rechtvaardigen zijn, en werkelijk een onmisbaar hulpmiddel vormen voor de beste ontwikkeling van het individu, want alleen in een zoo intieme verhouding als die der seksen hebben de mooiste gaven en neigingen volle vrijheid. Zelfs de heiligen kunnen de sexueele zijde van het leven niet ontgaan. De beste en meest volkomen heiligen, van Jeronimus tot Tolstoy--zelfs de verdienstelijke Franciscus van Assisi--hadden in hun verleden al de ondervindingen opgezameld, die samenwerken tot de volkomen verwerkelijking van het leven, en als dat niet zoo ware, zouden ze te minder heiligen geweest zijn.
Het element van positieve deugd begint dus eerst daar, waar het beheerschen van de sexueele impuls het standpunt van strenge en steriele abstinentie te boven is gekomen en geworden is niet alleen een opzettelijk weigeren van wat er slecht is in het sexueele, maar een opzettelijk aannemen van wat er goed in is. Eerst op dat oogenblik wordt zulk een beheerschen een werkelijk deel van de groote levenskunst. Want de levenskunst, evenals alle andere kunsten, is niet vereenigbaar met strengheid, maar ze ligt in het weven van een voortdurende harmonie tusschen weigeren en aannemen, tusschen geven en nemen [103].
De toekomst behoort klaarblijkelijk aan hen, die langzaam aan bezig zijn gezondere tradities te maken voor den bouw van het leven. Het "probleem van sexueele abstinentie" zal meer en meer aan waarde verliezen. Dan blijven de groote werkelijkheid der liefde, de groote werkelijkheid der kuischheid. Zij zijn eeuwig. Tusschen die twee is er niets dan harmonie. De ontwikkeling van de eene sluit de ontwikkeling van de andere in zich.
We hebben dit probleem van "sexueele abstinentie" ernstig moeten behandelen, omdat we de tradities van tweeduizend jaar achter ons hebben, die gegrond zijn op bepaalde idealen van sexueele wet en sexueele vrijheid, te zamen met de langdurige poging om gewoonten te vormen, die min of meer op die idealen berusten. Wij kunnen niet onmiddellijk aan deze tradities ontkomen, zelfs als wij zelf de geldigheid ervan in twijfel trekken. Wij moeten niet alleen hun bestaan erkennen, maar we moeten ook het feit aannemen, dat zij nog eenigen tijd in een groote mate de gedachten en zelfs tot op zekere hoogte de daden van bestaande gemeenschappen moeten beheerschen.
Dat is zeker jammer. Het brengt mee het invoeren van een kunstmatigheid in een werkelijk natuurlijke orde. Liefde is werkelijk en positief; kuischheid is werkelijk en positief. Maar sexueele abstinentie is onwerkelijk en negatief, streng genomen misschien onmogelijk. De gevoelens van hen, die op het belang ervan den nadruk leggen, berusten hierop, dat een physiologisch proces goed of kwaad kan zijn al naar dat het uitgevoerd wordt onder bepaalde uiterlijke voorwaarden, die het geoorloofd maken of ongeoorloofd. Een daad van sexueelen omgang onder den naam van "huwelijk" is weldadig; precies dezelfde daad, onder den naam van "gebrek aan zelfbeheersching" is verderfelijk. Geen physiologisch proces, en nog minder eenig geestelijk proces, kan zulk een beperking verdragen. Men zou even goed kunnen zeggen dat een maal goed of slecht wordt, verteerbaar of onverteerbaar, afhankelijk van het feit of al dan niet een gebed uitgesproken is voor dat het gebruikt wordt.
Het is daarom te betreuren, omdat zulk een opvatting in zijn wezen onwerkelijk is en er op deze wijze een element van onwerkelijkheid ingevoerd wordt in een zaak van het grootste belang voor het individu en de maatschappij beide. Kunstmatige geschillen zijn opgeworpen, waar geen reden voor geschil behoeft te bestaan. Er is een strijd gevoerd, gekenmerkt door al de verwoedheid, die twisten kenmerkt over metaphysische en pseudo-metaphysische verschillen, die geen concrete basis hebben in de werkelijke wereld. Zooals in zulke gevallen gebeurt, was er ten slotte geen werkelijk verschil tusschen de twistenden, omdat het punt, waarover zij het oneens waren, onwerkelijk was. In waarheid had iedere zijde gelijk en had iedere zijde ongelijk.
We zien, dat het noodig is dat de balans in evenwicht gehouden wordt. Een absolute vrijheid is slecht; een absolute abstinentie--zelfs al worden sommigen door hun natuur of door de omstandigheden er krachtig toe gedrongen ze aan te nemen--is ook slecht. Zij zijn beide even ver verwijderd van het goedige evenwicht der natuur. En we zien, dat de kracht, die op natuurlijke wijze deze balans in evenwicht houdt, het biologische feit is, dat de daad der sexueele vereeniging de bevrediging is van de erotische behoeften, niet van éen persoon, maar van twee.
HOOFDSTUK VII
PROSTITUTIE
I. De Orgie.--De godsdienstige oorsprong van de orgie.--Het losbandigheidsfeest.--Erkenning van de orgie door de Grieken en Romeinen.--De orgie onder natuurvolken.--Het drama.--Het doel, beoogd door de orgie.
II. De oorsprong en de ontwikkeling van de prostitutie.--De definitie van prostitutie.--Prostitutie onder natuurvolken.--De voorwaarden, waaronder beroeps-prostitutie ontstaat.--Geheiligde prostitutie.--De dienst van Mylitta.-- Het uitoefenen van de prostitutie met het doel een huwelijksgift te verkrijgen.--Het ontstaan van de wereldlijke prostitutie in Griekenland.--Prostitutie in het Oosten: Indië, China, Japan, enz.--Prostitutie in Rome.--De invloed van het Christendom op de prostitutie.--De poging om de prostitutie te bestrijden.--Het middeleeuwsch bordeel.--Het ontstaan van de courtisane.--Tullia d'Arragona, Veronica Franco, Ninon de Lenclos.--Latere pogingen om de prostitutie uit te roeien.--Het politietoezicht op de prostitutie.--De nutteloosheid hiervan wordt langzamerhand algemeen erkend.
III. De oorzaken van de prostitutie.--Prostitutie als een deel van het huwelijkssysteem.--Het complex van oorzaken voor de prostitutie.--De motieven, aangegeven door de prostituées.--(1) De economische factor van de prostitutie.--Armoede is zelden het hoofd-motief voor de prostitutie.--Maar de economische druk oefent een zeer werkelijken invloed uit.--Het hooge percentage van de prostituées geleverd door de dienstboden.--Beteekenis van dit feit.--(2) De biologische factor van de prostitutie.--De zoogenaamde geboren prostituée.--De aangehaalde identiteit met den geboren misdadiger.--Het sexueele instinct bij prostituées.--De physieke en psychische eigenaardigheden van prostituées.--(3) De moreele noodzakelijkheid als een factor in het bestaan van de prostitutie.--De moreele voorstanders van de prostitutie.--De moreele houding van het Christendom jegens de prostitutie.--De houding van het protestantisme.--Nieuwere voorstanders van de moreele noodzakelijkheid van de prostitutie.--(4) Waarde van de beschaving als een factor van de prostitutie.--De invloed van het stadsleven.--De behoefte aan opwinding.--Waarom dienstmeisjes zoo dikwijls prostituée worden.--De geringe rol, die de verleiding speelt.--Prostituées komen in grooten getale van het land.--De lokstem van de beschaving trekt vrouwen naar de prostitutie.--De overeenkomstige aantrekking wordt door mannen gevoeld.--De prostituée als kunstenares en als leidsvrouw van de mode.--De bekoring van het vulgaire.
IV. De tegenwoordige houding der maatschappij tegenover de prostitutie.--Het verval van het bordeel.--De neiging tot humaniseeren van de prostitutie.--De pecuniaire zijde van de kwestie.--De Geisha.--De Hetere.--De moreele opstand tegen de prostitutie.--Vuile ondeugd gegrond op dure deugd.--De gewone houding tegenover prostituées.--De wreedheid hiervan is absurd.--De noodzakelijkheid de prostitutie te hervormen.--De noodzakelijkheid het huwelijk te hervormen.--Deze beide behoeften hangen nauw met elkaar samen.--De daarbij in aanmerking komende dynamische betrekkingen.
I. DE ORGIE
De traditioneele moraal, de godsdienst en de ingestelde conventies te zamen voeren niet alleen tot het uiterste van strenge abstinentie, maar ook tot dat van ongebonden uitspatting. Zij prediken en idealiseeren het eene, maar zij drijven hen, die er niet naar kunnen leven, tot het tegenovergestelde uiterste. In de groote eeuwen van den godsdienst gebeurt het zelfs, dat de gestrengheid van het voorschrift der abstinentie min of meer opzettelijk getemperd wordt, doordat men nu en dan uitbarstingen van losbandigheid toestaat. Zoo komt het tot de orgie, die in de middeleeuwsche dagen bloeide, en die in de ruimste beteekenis van het woord een algemeen verschijnsel is, omdat zij in iedere geordende en werkzame beschaving, die opgebouwd is op natuurlijke energieën, die door min of meer onvermijdelijke beperkingen gebonden zijn, een functie te vervullen heeft.
De beschouwing van de orgie, mogen we zeggen, heft ons uit de enkel sexueele sfeer op naar een hooger en ruimer gebied, dat tot den godsdienst behoort. Het Grieksche woord orgeia had oorspronkelijk betrekking op het uitoefenen van riten tot godsdienstige doeleinden, hoewel later, toen de dansen van de bacchanaliën en dergelijke hun heilig en inspireerend karakter verloren, het denkbeeld, dat zulke dingen immoreel waren, door het Christendom gevoed werd [104]. Toch was het Christendom zelf in zijn oorsprong een orgie van de hoogere geestelijke werkzaamheden, die vrij waren gemaakt van de onsympathieke slavernij der klassieke beschaving, een groot feest van de armen en de nederigen, de slaven en de zondaars. En toen met de noodzakelijkheid van ordelijke maatschappelijke organisatie het Christendom opgehouden had dit te zijn, erkende het nog, evenals het heidendom dit gedaan had, de behoefte aan een orgie nu en dan. Het blijkt dat er in 743, op een synode gehouden in Henegouwen, gewezen werd op de Februari-uitspatting (de Spurcalibus in februario) als een heidensche gewoonte; toch was het juist dit heidensche feest, dat in de door de Christelijke Kerk erkende gewoonten overging als de voornaamste orgie van het kerkjaar, het groote karnaval, dat voorafging aan de lange vasten voor Paschen. De viering van den Vastenavond-Dinsdag en den voorafgaanden Zondag vormden een Christelijk bacchanaal, waaraan alle klassen deelnamen. De grootste vrijheid van beweging werd aangemoedigd; "sommigen loopen zonder eenige schaamte naakt, anderen kruipen op handen en voeten, sommigen op stelten, weer anderen bootsen dieren na" [105]. Mettertijd verloor het karnaval zijn sterkst kenmerkende trekken als bacchanaal, maar het behoudt nog zijn meest essentieele karakter als een geoorloofde tijdelijke verslapping van den druk van beperkingen en conventies, door de gewoonte opgelegd. Het middeleeuwsche losbandigheidsfeest--een brassend doorgebrachte nieuwjaarsnacht--dat van de 12de eeuw af, vooral in Frankrijk, gewoonte werd--vertoonde een duidelijk beeld van een Christelijke orgie in zijn meest uitgelaten vorm, want hier werden de heiligste kerkelijke ceremonies phantastisch geparodieerd. De kerk erkende, volgens Nietzsche, zooals alle wijze wetgevers, dat, waar groote impulsen en gewoonten moeten aangekweekt worden, er schrikkeldagen dienden ingeschoven, waarop deze impulsen en gewoonten opzij gezet kunnen worden om er zoo opnieuw naar te leeren hongeren [106]. De geestelijkheid nam in deze volksfeesten de leiding, want voor de menschen van dien tijd, zooals Méray opmerkte, "bood de tempel bevrediging voor de menschelijke behoeften in al hun schakeeringen; zij vonden hier onderricht in hun plichten, troost voor al hun smarten, bevrediging voor alle vreugden. De heilige feesten van het middeleeuwsch Christendom waren niet een overblijfsel uit den Romeinschen tijd; zij kwamen voort uit het hart der Christelijke maatschappij" [107]. Maar, geeft Méray toe, alle groote en krachtige volken van het Oosten en het Westen hebben het noodig geacht soms met hun heilige dingen te spelen.
Onder de Grieken en Romeinen is deze behoefte overal zichtbaar, niet alleen in hun tooneel en hun literatuur over het algemeen, maar in het dagelijksch leven. Zooals Nietzsche naar waarheid opmerkt (in zijn Geburt der Tragödie) erkenden de Grieken alle natuurlijke impulsen, zelfs die, welke schijnbaar onwaardig zijn, en verhinderden ze kwaad uit te richten door er kanalen voor te openen, waarin, op speciale dagen en bij speciale godsdienstige plechtigheden, het te veel aan energie kon afgevoerd worden zonder nadeel te berokkenen. Plutarchus, de laatste en meest invloedrijke van de Grieksche moralisten zegt terecht, als hij feesten bepleit (in zijn verhandeling "On the Training of Children"), dat wij "zelfs bij bogen en harpen de snaren los maken, om ze weer opnieuw te kunnen spannen". Seneca, misschien de invloedrijkste van de Romeinsche, zoo niet van de Europeesche moralisten, raadde zelfs dronkenschap nu en dan aan. "Soms", schreef hij in zijn de Tranquillitate, "moesten we zelfs komen tot den toestand van bedwelming, niet om ons in den wijn te verdrinken, maar om er diep in onder te duiken. Want hij vaagt zorgen weg en heft onzen geest op uit de diepste diepten. De uitvinder van den wijn wordt Liber genoemd, omdat hij de ziel van de dienstbaarheid der zorgen bevrijdt, ze verlost uit de slavernij, ze aanvuurt, en ze sterker maakt voor alle ondernemingen". De Romeinen waren een strenger en ernstiger volk dan de Grieken, maar juist om die reden erkenden zij de noodzakelijkheid, nu en dan aan hun moreele krachten den vrijen loop te laten, om hun veerkracht te behouden, en moedigden zij het houden van feesten aan, die door veel meer vrijheid waren gekenmerkt dan die van de Grieken. Toen deze feesten hun moreele sanctie begonnen te verliezen en in verval geraakten, was de achteruitgang van Rome begonnen.
Over de geheele wereld, de meest primitieve natuurvolken niet uitgesloten--want zelfs het leven der natuurvolken is opgebouwd op systematische beperkingen, die soms behoefte hebben aan ontspanning--wordt het principe van de orgie erkend en aangenomen. Zoo beschrijven Spencer en Gillen [108] de Nathagura of vuurceremonie van den stam der Warramunga in Centraal-Australië, een feest, waaraan door beide seksen wordt deelgenomen, waarbij al de gewone regels van het maatschappelijk leven verbroken worden, een soort van Saturnalia, waarbij er echter geen sexueele vrijheid is, want sexueele vrijheid is, we behoeven het nauwelijks te zeggen, geen essentieel deel van de orgie, zelfs als de orgie den last der sexueele beperkingen verlicht. In een geheel ander deel van de wereld, in Britsch Columbië, geloofden de Salische Indianen, volgens Hill Tout [109], dat, lang voordat de blanken kwamen, hun voorouders een Sabbath of zevende-dagfeest in acht namen om te dansen en te bidden, waartoe men bijeenkwam bij het opgaan der zon en danste tot den namiddag. De Sabbath of periodiek terugkeerende orgie,--niet een dag van druk en beperking maar een vreugdefeest, een rust van al de plichten van het dagelijksch leven,--heeft, zooals we weten, een hoofdrol gespeeld in vele van de oude geordende beschavingen, waarop de onze opgebouwd is [110]; het is zeer waarschijnlijk, dat de duurzaamheid van deze oude beschavingen nauw verbonden was met hun erkenning van de behoefte aan een Sabbath-orgie. Zulke feesten zijn werkelijk, zooals Crawley opmerkt, processen van reiniging en krachtshernieuwing, pogingen, "den ouden mensch" af te leggen en "den nieuwen mensch" aan te trekken, om met nieuwe energie den weg van het dagelijksch leven weder te betreden [111],
De orgie is een instelling, die haar beteekenis geenszins alleen voor het verleden heeft. Integendeel eischen de hooge druk, de starre routine, de grauwe eentonigheid van het moderne leven dringend oogenblikken van organische verlichting, hoewel de juiste vorm, die die orgiastische verlichting aanneemt, noodzakelijk veranderen moet met andere maatschappelijke veranderingen. Zooals Wilhelm von Humboldt zeide, "evenals de menschen lijden noodig hebben om sterk te worden, zoo hebben zij vreugde noodig om goed te worden". Charles Wagner, die in later tijd (in zijn Jeunesse) aandringt op dezelfde behoefte in ons moderne leven betreurt het, dat het dansen op de oude, vrije, en natuurlijke wijze uit de mode geraakt, of ongezond geworden is. Dansen is inderdaad de meest fundamenteele en primitieve vorm van de orgie, en degene, die het volkomenst en gezondst zijn roeping vervult. Want, terwijl het ongetwijfeld, zooals we onder de dieren zien, een proces is, waardoor sexueele tumescentie veroorzaakt wordt, is het brandpunt ervan geenszins noodzakelijk sexueele detumescentie, maar het kan zelfs een detumesceerende ontlading worden van opgezamelde spanning. Om deze reden was het, dat, ten minste in vroeger dagen, de geestelijkheid in Spanje, op moreele gronden, openlijk den nationalen hartstocht voor het dansen aanmoedigde. Onder beschaafde volken van de nieuwere tijden, begint de orgie meer en meer een vorm aan te nemen, die alleen op de hersenen werkt, die minder gezond is, omdat ze niet leidt tot harmonieuze ontlading langs motorische kanalen. In deze betrekkelijk passieve vormen echter, begint de orgie steeds duidelijker naar voren te treden. Het beroemde gezegde van Aristoteles over de functie van de tragedie als een "reiniging" schijnt een erkenning te zijn van de weldadige gevolgen van de orgie [112]. Wagner's muziekdrama's beroepen zich machtig op deze behoefte; het tooneel, nu evenals altijd, vervult een groot werk van dezelfde soort, geërfd uit de oude dagen, toen het de geordende uitdrukking was van een sexueel feest [113]. Het tooneel begint inderdaad, in den tegenwoordigen tijd meer en meer van belang te worden en te naderen tot de meer ernstige dramatische opvoeringen uit de klassieke dagen, doordat het verplaatst is naar het daglicht en naar de open lucht. Voornamelijk Frankrijk heeft het initiatief genomen tot deze opvoeringen, die een zekere analogie vertoonen met de Dionysische feesten van de oudheid en de mysterie- en moraliteitsspelen van de middeleeuwen. De beweging begon eenige jaren geleden in Oranje. In 1907 waren er in Frankrijk al dertig openluchttooneelen ("Théâtres de la Nature", "Théâtres du Soleil", enz.), terwijl men voor het eerst sinds den klassieken tijd, in Marseille een openluchttooneel opgericht heeft [114]. In Engeland heeft de belangstelling van de bevolking zich ook verder uitgestrekt naar dramatische opvoeringen, en de kort geleden ingestelde optochten, die uitgevoerd worden en waaraan deelgenomen wordt door de bevolking van de streek, die vertoond wordt in de optocht, zijn feesten van hetzelfde karakter. In Engeland zijn echter tegenwoordig de werkelijk populaire orgiastische feesten de Bank-holidays, waarmee zich nu en dan andere feesten verbinden, zooals de "Maffekings", enz., die dikwijls door betrekkelijk onbeteekenende nationale gebeurtenissen worden te voorschijn geroepen, maar die toch nog voldoende zijn om orgiastische emoties op te wekken, even echt als die van de oudheid, hoewel ze schoonheid en godsdienstige wijding missen. Het is inderdaad gemakkelijk voor enghartige en strenge menschen zulke uitingen aan te zien met een meerderheidslachje, maar in de oogen van den moralist en den philosoof oefenen deze feesten een weldadigen en voorbehoedenden invloed uit. In iederen tijd van saaie en eentonige routine--en alle beschaving sluit zulk een routine in zich--worden vele natuurlijke impulsen en functies onderdrukt; zij vervallen tot uitdroging of perversie. Tegen dit gevaar zijn deze oogenblikken van vreugdevol bijeen zijn en van levensuiting noodig, oogenblikken waarin zij niet noodzakelijk hun volle werkzaamheid bereiken, maar waarin ze in alle gevalle, zooals Cyples het uitdrukt, zich bewust kunnen worden van de groote mogelijkheid van de krachten, die ze in zich dragen [115].
II. DE OORSPRONG EN DE ONTWIKKELING VAN DE PROSTITUTIE
De meer verfijnde vormen van de orgie bloeien in de beschaving, hoewel zij, daar zij voornamelijk de hersenen prikkelen, niet de weldadigste of de meest werkzame zijn. De meer primitieve en musculaire vormen van de orgie hebben, aan den anderen kant, neiging onder den invloed der beschaving in discrediet te geraken en voor zoover mogelijk, geheel onderdrukt te worden. Dit is voor een deel de wijze waarop de beschaving de prostitutie bevordert. Want de orgie in haar primitieve vormen zoekt, als haar verboden wordt zich openlijk te vertoonen, het donker; ze verbindt zich met een fundamenteel instinct, waarvoor de beschaafde maatschappij geen volledige wettige bevrediging biedt; ze verschanst zich midden in het beschaafde leven, en vormt zoodoende een probleem, dat uiterst moeilijk en belangrijk is [116].
Er wordt gewoonlijk gezegd, dat de prostitutie altijd en overal heeft bestaan. Die bewering is in het geheel niet juist. Een soort van amateur-prostitutie wordt nu en dan bij natuurvolken gevonden, maar gewoonlijk is het niet voordat het barbarisme volkomen ontwikkeld is en een zeker stadium van beschaving nadert, dat goed ontwikkelde prostitutie gevonden wordt. Ze bestaat in systematischen vorm in iedere beschaafde maatschappij.
Wat is prostitutie? Er is veel gestreden over de juiste definitie van prostitutie [117]. De Romein Ulpianus zeide, dat een prostituée iemand was, die openlijk haar lichaam geeft aan een aantal mannen zonder keuze, voor geld [118]. Soms is er gezegd, dat een prostituée iemand is, die zich aan vele mannen geeft. Om juist te zijn, moet een definitie echter passen op beide seksen gelijkelijk, en we zouden zeker aarzelen een man, die sexueelen omgang gehad heeft met vele vrouwen, een prostituée te noemen. Het begrip van de koopbaarheid, de bedoeling de gunsten van het lichaam te verkoopen, behoort tot het wezen van het begrip prostitutie. Zoo geeft Guyot de definitie van een prostituée als "een persoon voor wie sexueele verhoudingen ondergeschikt zijn aan winstbejag" [119]. Het is echter niet juist een prostituée te definieeren enkel als een vrouw, die haar lichaam verkoopt. Dat wordt alle dagen gedaan door vrouwen, die trouwen om een huis en een middel van bestaan te krijgen, en toch, hoe immoreel dit gedrag zijn mag van een hoog ethisch standpunt, het zou niet goed zijn en zelfs misverstand veroorzaken, als we het prostitutie noemden [120]. Het is daarom beter een prostituée te definieeren als een vrouw, die tijdelijk haar sexueele gunsten aan verschillende personen verkoopt. Zoo is, volgens Wharton's Law-lexicon een prostituée "een vrouw, die zonder onderscheid met mannen verkeert voor loon"; Bonger zegt, dat "die vrouwen prostituées zijn, die haar lichaam verkoopen voor het uitoefenen van sexueele daden en hiervan een beroep maken" [121]; Richard zegt, dat "een prostituée een vrouw is, die zich openlijk geeft aan den eersten den besten voor een geldelijke belooning" [122]. Daar, ten slotte, het veel voorkomen van de homo-sexualiteit geleid heeft tot het bestaan van mannelijke prostituées, moet de definitie gesteld worden in een vorm, die geen betrekking heeft op sekse, en we kunnen daarom zeggen, dat een geprostitueerde een persoon is, die er een beroep van maakt de lusten van verschillende personen van de tegenovergestelde of van dezelfde sekse te bevredigen.
Het behoort tot het wezen der zaak, dat de daad van prostitutie als een gewoonte uitgevoerd wordt met "verschillende personen". Een vrouw, die haar onderhoud verdient door de maîtres te zijn van een man, wien zij trouw is, is geen prostituée, hoewel zij er dikwijls later een wordt en er vroeger een geweest kan zijn. Het juiste punt, waarop een vrouw een prostituée begint te zijn, is een kwestie van groot belang in landen, waar de prostituées onderworpen zijn aan contrôle. Zoo ontmoette, niet lang geleden in Berlijn, een meisje, dat de maîtres was van een rijken kavalerie-officier en door hem onderhouden werd, tijdens de ziekte van den officier toevallig een man, dien zij vroeger gekend had, en zij noodigde hem eens of twee keer uit haar te bezoeken, terwijl ze geschenken in geld van hem kreeg. Dit kwam op de een of andere wijze ter kennis van de politie, en zij werd gearresteerd en tot een dag gevangenisstraf veroordeeld als een niet ingeschreven prostituée. Bij hooger beroep werd het vonnis echter vernietigd. Liszt zegt in zijn Strafrecht, dat een meisje, dat haar geheele inkomen of een deel van haar inkomen krijgt van "vaste verhoudingen" niet ontucht als bedrijf uitoefent in den zin van de Duitsche wet (Geschlecht und Gesellschaft, Jahrgang 1, Heft 9, p. 345).
Het is niet heel gemakkelijk den oorsprong uit te leggen van de systematische beroeps-prostitutie, met het bestaan waarvan we in de beschaafde maatschappij bekend zijn. De amateur-soort van prostitutie, die soms opgemerkt is onder primitieve volken--dat is het feit, dat een man een vrouw een geschenk mag geven als hij tracht haar te overreden hem toe te staan omgang met haar te hebben--is inderdaad geen prostitutie, zooals wij die kennen. Het geschenk is in zulk een geval alleen maar een deel van een soort van hof maken, dat leidt tot een tijdelijke verhouding. De vrouw behoudt min of meer haar maatschappelijke positie en is niet gedwongen er een beroep van te maken zich te verkoopen, omdat van nu af aan geen andere loopbaan mogelijk voor haar is. Toen Cook in Nieuw-Zeeland kwam, ondervonden zijn mannen, dat de vrouwen niet onoverwinlijk waren, "maar de termen en de wijze van toestemming waren even fatsoenlijk als die in het huwelijk bij ons", en "volgens hun opvattingen was de overeenkomst even onschuldig". De toestemming van de vrienden der vrouw was noodig, en als de voorbereidende maatregelen getroffen waren, was het noodig deze "dame voor den nacht" met "dezelfde égards te behandelen, die hier noodig zijn voor de vrouw, die men voor zijn leven heeft, en de minnaar, die zich eenige vrijheden aanmatigde, waardoor daaraan tekort gedaan werd, kon er van op aan, dat hij werd teleurgesteld" [123]. Men zegt, dat op sommige van de Melaneesische eilanden de vrouwen soms voor een tijd prostituées werden of wegens haar slecht gedrag soms gedwongen werden prostituées te worden; zij werden echter niet bijzonder veracht en als ze op deze wijze een zekere mate van bezit verworven hadden, konden ze een goed huwelijk sluiten, en daarna zou het niet gepast zijn haar te herinneren aan haar vroegere loopbaan [124].
Als de prostitutie het eerst optreedt bij een primitief volk, dan gebeurt het soms, dat er weinig of geen schande aan gehecht wordt, omdat de gemeenschap er nog niet aan gewoon is geraakt, eenige speciale waarde te hechten aan de aanwezigheid van maagdelijkheid. Schurtz haalt uit het werk van een ouden Arabischen aardrijkskundige Al-Bekri eenige belangwekkende opmerkingen aan over de Slaven: "De vrouwen van de Slaven zijn, nadat ze getrouwd zijn, trouw aan haar echtgenooten. Als echter een jong meisje verliefd wordt op een man, dan gaat zij naar hem toe en bevredigt haar hartstocht. En als een man trouwt en hij ontdekt, dat zijn vrouw maagdelijk is, dan zegt hij tot haar: "Als je iets waard was, dan zouden mannen van je gehouden hebben, en je zoudt er een uitgekozen hebben, die je maagdelijkheid had weggenomen". Dan jaagt hij haar weg en ziet van haar af". Het is een soortgelijk gevoelen, dat, bij sommige volken, een meisje er toe brengt trotsch te zijn op de geschenken, die ze vóor haar huwelijk van haar minnaars gekregen heeft en ze te bewaren als een huwelijkgift bij haar huwelijk, daar ze wel weet, dat haar waarde zoo nog meer verhoogd wordt. Zelfs onder de Zuidelijke Slaven van modern Europa, die veel van hun oorspronkelijke sexueele vrijheid bewaard hebben, is deze vrijheid, zooals Krauss, die de manieren en gewoonten van deze volken nauwkeurig bestudeerd heeft, verklaart, in den grond verschillend van misdaad, losbandigheid en onkuischheid [125].
Prostitutie ontstaat, zooals Schurtz heeft aangetoond, in iedere maatschappij, waar het vroege huwelijk moeilijk is en omgang buiten het huwelijk maatschappelijk afgekeurd wordt. "Koopbare vrouwen komen overal voor zoodra de vrije sexueele omgang van jonge menschen onderdrukt wordt, zonder dat de noodzakelijke slechte gevolgen worden tegengegaan door ongewoon vroege huwelijken" [126]. Het onderdrukken van sexueele intimiteiten buiten het huwelijk is een verschijnsel van de beschaving, maar het is op zichzelf geenszins een maatstaf voor het beschavings-niveau en kan daarom al op een vroegen trap optreden. Maar het is van belang op te merken, dat de primitieve en rudimentaire vormen van de prostitutie, als zij voorkomen, alleen tijdelijk zijn, en dikwijls--hoewel niet altijd--de vrouw in de algemeene achting niet verlagen, ja, soms zelfs haar waarde als vrouw verhoogen. De vrouw, die zich voor geld verkoopt zuiver als bedrijf, zonder eenige gedachte aan liefde of hartstocht, en die door haar beroep behoort tot een klasse van paria's, door haar geheele overige sekse streng gemeden, is een verschijnsel, dat zelden ergens anders gevonden wordt dan in een ontwikkelde en beschaafde maatschappij. Het is geheel onjuist van prostituées te spreken als een overblijfsel uit primitieve tijden.
Over het geheel berusten de sexueele verhoudingen onder natuurvolken, hoewel ze soms vrij zijn vóor het huwelijk en bij gelegenheid van speciale feestelijkheden, zelden op promiscuïteit en nog minder op omkoopbaarheid. Als vrouwen van natuurvolken zich tegenwoordig verkoopen, of door haar echtgenooten verkocht worden, dan blijkt gewoonlijk dat we te doen hebben met een besmetting van de Europeesche beschaving.
Er zijn ongetwijfeld vele wijzen, waarop prostitutie als beroep tot ontwikkeling kan komen [127]. Wij kunnen het eens zijn met den algemeenen regel die Schurtz heeft gegeven, dat altijd, als de vrije vereeniging van jonge menschen verhinderd wordt onder omstandigheden, waarin het vroege huwelijk ook moeilijk is, de prostitutie zeker moet ontstaan. Er zijn echter verschillende wijzen, waarop dit principe vorm kan aannemen. Zoover als onze Westersche beschaving betreft--dat is te zeggen, de beschaving, die haar oorsprong heeft aan de Middellandsche Zee--schijnt het wel, dat de oorsprong van de prostitutie hoofdzakelijk gevonden wordt in een godsdienstige gewoonte, en dat de godsdienst, de groote bewaarder van maatschappelijke tradities, in een veranderde gedaante een primitieve vrijheid in stand houdt, die bezig was uit het maatschappelijk leven te verdwijnen [128]. Het typische voorbeeld hiervoor is dat, vermeld door Herodotus, in de vijfde eeuw voor Christus, nl. dat iedere vrouw eens in haar leven in den tempel van Mylitta, de Babylonische Venus, moest komen en zich geven aan den eersten vreemdeling, die een muntstuk in haar schoot wierp, ter vereering van de godin. Het geld kon niet geweigerd worden, hoe klein het bedrag ook was, maar het werd als een offergave gegeven en de vrouw keerde, als ze den man gevolgd was en zoo aan Mylitta geofferd had, naar haar huis terug en leefde daarna steeds kuisch [129]. Zeer daarop gelijkende gewoonten bestonden in andere deelen van West-Azië, in Noord-Afrika, in Cyprus en andere eilanden van de Oostelijke Middenlandsche Zee, en ook in Griekenland, waar de tempel van Aphrodite op de burcht in Corinthe duizend hierodulen bezat, die van tijd tot tijd aan den dienst der godin gewijd waren, zooals Strabo zegt, door hen, die een dankoffer wenschten te geven voor genaden hun bewezen. Pindarus maakt melding van de gastvrije jonge Corinthische tempel-dienaressen, wier gedachten zich dikwijls keeren naar Curania Aphrodite [130], in wier tempel zij wierook brandden; en Athenaeus vermeldt het belang, dat gehecht werd aan de gebeden der Corinthische prostituées bij een of andere nationale ramp [131].
Wij schijnen hier te hebben niet alleen een godsdienstig overblijfsel van een grootere sexueele vrijheid, die vroeger [132] bestaan heeft, maar een gespecialiseerde en ritueele ontwikkeling van dien primitieven eeredienst van de verwekkende krachten der natuur, die het geloof in zich sluit, dat alle natuurlijke vruchtbaarheid verbonden is met en bevorderd wordt door daden van menschelijken sexueelen omgang in dienst van de godheid, die zoo een godsdienstige beteekenis krijgen. In een later stadium worden daden van sexueelen omgang, daar ze een godsdienstige beteekenis hebben, gespecialiseerd en in tempels gelocaliseerd, en door een logischen overgang van denkbeelden wordt er geloofd, dat zulke daden van sexueelen omgang in dienst van de godheid goed deden aan de persoon, die ze uitvoerde, meer speciaal als het een vrouw was, door haar vruchtbaarheid te verzekeren. Onder primitieve volken in het algemeen is deze opvatting voornamelijk belichaamd in den vorm van feesten der jaargetijden, maar bij de volken van West-Azië, die niet meer primitief waren, en bij wie traditioneele priesterlijke en hieratische invloeden een zeer grooten invloed hadden verkregen, had de vroegere generatieve eeredienst, naar het schijnt, op natuurlijke wijze zijn vormen veranderd, doordat hij aan de tempels verbonden werd [133].
De theorie, dat godsdienstige prostitutie zich in den regel heeft ontwikkeld uit het geloof, dat de voortbrengende werkzaamheid van menschelijke wezens een geheimzinnigen en heiligen invloed bezat, doordat ze de vruchtbaarheid der natuur in het algemeen bevorderde, schijnt het eerst door Mannhardt uiteengezet te zijn in zijn Antike Wald- und Feldkulte (pp. 283 et seq.). Ze wordt ondersteund door Dr. F. S. Krauss ("Beischlafausübung als Kulthandlung", Anthropophyteia, deel III, p. 20), die het belangwekkende feit vermeldt, dat in den tijd van Baruch, lang voor Herodotus, geheiligde prostitutie in de open lucht onder boomen plaats vond. Dr. J. G. Frazer heeft deze opvatting van den oorsprong der geheiligde prostitutie meer speciaal ontwikkeld in zijn Adonis, Attis, Osiris. Hij resumeert zijn tamelijk lang betoog aldus: "Wij mogen het besluit trekken, dat een groote Moeder-Godin, de personificatie van al de voortbrengende krachten der natuur, onder verschillende namen, maar met een in hoofdzaak gelijk zijn van mythe en ritueel, vereerd werd door vele volken van West-Azië; dat met haar verbonden was een minnaar, of liever een reeks minnaars, goddelijk en toch sterfelijk, met wie zij zich jaarlijks vereenigde, terwijl men meende, dat hun omgang noodzakelijk was voor de vermenigvuldiging van dieren en planten, ieder in zijn afzonderlijke soort: en verder, dat de fabelachtige vereeniging van het goddelijke paar gefingeerd was en als het ware over de aarde verveelvoudigd werd door de werkelijke, hoewel dan tijdelijke vereeniging van de menschelijke seksen bij het heiligdom der godin, om daardoor de vruchtbaarheid van den grond en de toename van mensch en dier te verzekeren. In den loop der tijden, toen de instelling van het persoonlijk huwelijk ontstond en het oude communisme meer en meer in discrediet geraakte, werd de hernieuwing van de oude gewoonte, zelfs voor een enkele gelegenheid in het leven van een vrouw, meer en meer strijdig met den moreelen zin van het volk, en daarom namen de vrouwen haar toevlucht tot verschillende hulpmiddelen, om in de praktijk de verplichting te ontloopen, die zij in theorie erkenden... Maar terwijl de meerderheid der vrouwen op deze wijze kans zag den vorm van den godsdienst in acht te nemen zonder haar deugd op te offeren, werd het toch voor het algemeen welzijn noodig geacht, dat een zeker aantal van haar de oude verplichting op de oude wijze nakwam. Deze werden hetzij voor het leven of voor een reeks van jaren prostituées in een van de tempels: gewijd aan den dienst der godheid, werden zij in zekeren zin als heilig beschouwd en haar roeping, wel verre van voor schandelijk te gelden, werd waarschijnlijk door de leeken langen tijd beschouwd als een uitoefening van meer dan gewone deugd, en beloond met een mengeling van verwondering, eerbied en medelijden, niet ongelijk aan die, welke in sommige deelen van de wereld nog gegeven wordt aan vrouwen, die haar Schepper op andere wijze trachten te eeren, door afstand te doen van de natuurlijke functies van haar sekse en van de teerste familiebetrekkingen" (J. G. Frazer, Adonis, Attis, Osiris, 1907, pp. 23 et seq.).
Het is moeilijk de conclusie te vermijden, dat deze theorie een voorstelling geeft van de centrale en primitieve idee, die leidde tot de ontwikkeling van de geheiligde prostitutie. Het schijnt echter even duidelijk dat, naarmate de tijd verliep, en vooral naarmate de tempeldiensten zich ontwikkelden en de invloed der priesters toenam, deze fundamenteele en primitieve idee zich begon te wijzigen en zelf vervormd werd. De oorspronkelijke opvatting werd gespecialiseerd in het geloof, dat godsdienstige gunsten, en vooral de gunst der vruchtbaarheid, verkregen werden door den vereerder, die door een daad van onkuischheid de gunst der godin zocht, welke daad, naar men meende, aangenaam was aan een onkuische godin. De ritus van Mylitta, zooals ze door Herodotus beschreven is, was een late ontwikkeling van deze soort in een oude beschaafde maatschappij, en het voordeel dat gezocht werd was klaarblijkelijk voor de aanbidster zelf. Dit is aangetoond door Westermarck, die opmerkt, dat de woorden tot de vrouw gesproken door haar partner, als hij haar het geld geeft--"Moge de godin u gunstig gezind zijn!"--zelf aanwijzen, dat het doel van de daad was haar vruchtbaarheid te verzekeren, en hij verwijst ook naar het feit, dat men meende dat vreemdelingen dikwijls een half-bovennatuurlijke gave bezaten, en hun weldaden van een speciaal krachtdadigen aard waren (Westermarck, Origin and Development of the Moral Ideas, deel II, p. 446). We kunnen hieraan toevoegen, dat de dienst van Mylitta zoodoende analoog werd met een andere plechtigheid aan de Middellandsche Zee, waarbij de daad van het simuleeren van verkeer met den vertegenwoordiger van een god of zijn beeld, de vruchtbaarheid van een vrouw verzekerde. Dit is de plechtigheid, die uitgevoerd wordt door de Egyptenaren van Mendes, waarbij de vrouw de ceremonie van gesimuleerden omgang doormaakte met een geheiligde bok, die beschouwd werd als de vertegenwoordiger van een godheid van op Pan gelijkende godsgestalte (Herodotus, boek II, hoofdst. XLVI; en zie Dulaure, Des Divinités Génératrices hoofdstuk II). Deze rite werd nog veel later in eere gehouden door Romeinsche vrouwen, en wel met de standbeelden van Priapus, en de heilige Augustinus vermeldt hoe Romeinsche matrones de jonge bruid op het opgerichte lid van Priapus plaatsten (De Civitate Dei, boek III, hoofdst. IX). Het begrip, dat blijkbaar aan deze geheele groep verschijnselen ten grondslag ligt, is, dat de godheid, of de vertegenwoordiger of zelfs alleen maar een beeld van de godheid in staat is, door een werkelijke of gesimuleerde daad van omgang op zijn aanbidster een deel van zijn eigen verheven verwekkende kracht over te dragen.
In een lateren tijd waren in Corinthe de prostituées nog de priesteressen van Venus, die min of meer nauw aan haar tempels verbonden waren, en zoolang dat het geval was, genoten zij een groote mate van achting. In dit stadium merken wij echter, dat de godsdienstige prostitutie nuttig kon wezen. Deze tempels bloeiden vooral in steden aan de zeekust, op eilanden, in groote steden, waar veel vreemdelingen en matrozen naar toe kwamen. De priesteressen van Cyprus brandden wierook op haar altaren en riepen haar gewaardeerde hulp in, maar terzelfder tijd spreekt Pindarus haar toe als "jonge meisjes, die vreemdelingen welkom heeten en hun gastvrijheid betoonen". Naast de godsdienstige beteekenis van de verwekkingsdaad begonnen de behoeften van mannen, die ver van huis waren, erkenning te vinden. De Babylonische vrouw was naar den tempel van Mylitta gegaan om een persoonlijken godsdienstigen plicht te vervullen; de Corinthische priesteres was begonnen te handelen als een erkende dienares van de sexueele behoeften van mannen in vreemde steden.
De gewoonte, die Herodotus in Lydië bij jonge meisjes opmerkte, dat zij prostituée werden om een huwelijksgift te verkrijgen, waarmee ze mochten doen wat ze wilden (boek 1, hoofdst. 93) kan zich zeer wel (zooals Frazer ook gelooft) uit de godsdienstige prostitutie ontwikkeld hebben; we kunnen inderdaad deze evolutie nasporen in Cyprus, waar in den tijd, toen Justinianus het eiland bezocht, het geld, dat de vreemdelingen aan de vrouwen gaven, niet langer op het altaar geplaatst werd, maar in een cassette werd gelegd, om een huwelijksgift voor haar te vormen. Dit is een gewoonte, die men kan vinden in Japan en verschillende andere deelen der wereld, vooral onder de Ouled-Nail van Algiers [134], en zij berusten niet noodzakelijk altijd op godsdienstige prostitutie; maar ze kan klaarblijkelijk niet bestaan dan onder volken, die niets onteerends zien in vrij sexueel verkeer met het doel om geld te verkrijgen, zoodat de dienst van Mylitta een natuurlijke basis ervoor vormde [135].
Toen een meer geestelijke opvatting van den godsdienst zich ontwikkelde, en toen de groei van de beschaving den sexueelen omgang van zijn geheiligden glans beroofde, werd de godsdienstige prostitutie in Griekenland langzamerhand afgeschaft, hoewel op de kusten van Klein-Azië zoowel de godsdienstige prostitutie als de prostitutie om een bruidsschat te verkrijgen bleef bestaan tot den tijd van Constantijn, die een eind maakte aan deze oude gewoonten [136]. Het bijgeloof was aan de zijde van de oude godsdienstige prostitutie; er werd geloofd, dat vrouwen, die nooit aan Aphrodite geofferd hadden, door lust verteerd werden, en volgens de legende door Ovidius vermeld--een legende, die schijnt te wijzen op een zeker antagonisme tusschen heilige en wereldsche prostitutie--was dit het geval met de vrouwen, die het eerst publieke prostituées werden. Het verval van de godsdienstige prostitutie, ongetwijfeld verbonden met de verlangens, die altijd ontstaan door den groei van de beschaving, leidde tot de eerste oprichting, door de legende aan Solon toegeschreven, van een publiek bordeel, een zuiver wereldsche instelling voor een zuiver wereldsch doel: het bewaren van de deugd van de algemeene bevolking en de vermeerdering der inkomsten van den staat. Met die instelling was de evolutie van de prostitutie, en van het moderne huwelijkssysteem waar ze een deel van uitmaakt, voltooid. Het Atheensche dikterion is het moderne bordeel; de dikteriade is de moderne, van staatswege gecontroleerde, prostituée. De vrije hetairae kwamen later ook wel, ontwikkelde vrouwen, die geen zweem in zich hadden van de dikterion, maar zij hadden evenmin eenig officieel aandeel in de publieke eeredienst [137]. De oorspronkelijke opvatting van de heiligheid van sexueelen omgang in dienst der godheid was geheel verloren gegaan.
Een tamelijk typisch voorbeeld van de toestanden, die onder natuurvolken bestaan, wordt gevonden in de Zuidzee-eilanden van Rotuma, "waar prostitutie voor geld of voor geschenken geheel onbekend was". Echtbreuk na het huwelijk was ook onbekend. Maar er was groote vrijheid in het vormen van sexueele verhoudingen vóor het huwelijk (J. Stanley Gardiner, Journal Anthropological Institute, Februari, 1898, p. 409). Ongeveer hetzelfde wordt gezegd van de Bantu Bambola uit Afrika (op. cit., Juli-December, 1905, p. 410).
Onder de oude Cymri uit Wales, die een meer gevorderd maatschappelijk stadium vertegenwoordigen, schijnt prostitutie niet geheel onbekend geweest te zijn, maar publieke prostitutie werd gestraft met het verlies van belangrijke voorrechten (R. B. Holt, "Marriage Laws and Customs of the Cymri", Journal Anthropological Institute, Augustus-November, 1898, pp. 161-163).
De prostitutie was zoo goed als onbekend in Burma, en ze werd als schandelijk beschouwd vóor de komst van de Engelschen en het voorbeeld van de moderne Hindoes. De zendelingen hebben zonder het te bedoelen, maar ontegenzeggelijk, den groei der prostitutie begunstigd, doordat ze vrije verbintenissen veroordeelden (Archives d'Anthropologie Criminelle, November, 1903, p. 720). De Engelschen brachten de prostitutie naar Indië. "Dat is niet speciaal de schuld van de Engelschen", zeide een Bramaan tot Jules Bois, "het is de fout van uw beschaving. Wij hebben nooit prostituées gehad. Ik bedoel met dat afschuwelijke woord de verdierlijkte dienaressen van de grove begeerte van den voorbijganger. Wij hadden en wij hebben nog, kasten van zangeressen en danseressen, die gehuwd worden aan boomen--ja, werkelijk aan boomen--door roerende ceremoniën, die uit den tijd der Veda's stammen; onze priesters zegenen haar en ontvangen veel geld van haar. Zij weigeren niet zich te geven aan hen, die haar liefhebben en die haar behagen. Koningen hebben haar rijk gemaakt. Zij vertegenwoordigen al de kunsten; zij zijn de zichtbare schoonheid van het heelal" (Jules Bois, Visions de l'Inde, p. 55).
Godsdienstige prostituées, mogen we er aan toevoegen, "die dienaressen der godheid", worden gevonden in Zuidelijk Indië en in den Deccan. Zij zijn van haar vroegste jaren aan haar heilig beroep toegewijd, en haar voornaamste bezigheid is te dansen voor het beeld van den god, met wien zij gehuwd zijn (hoewel in Opper-Indië dansmeisjes van beroep gehuwd worden aan levenlooze voorwerpen), maar zij worden er ook in geoefend de begeerten van de pelgrims, die den tempel bezoeken op te wekken en te bevredigen. Voor de verlovingsriten, waardoor in Indië geheiligde prostituées worden gewijd, zie men b.v. A. van Gennep, Rites de Passage, p. 142.
In vele deelen van West-Azië, waar het barbarisme een hoogen trap van ontwikkeling bereikt had, was de prostitutie niet onbekend, hoewel ze gewoonlijk niet goedgekeurd werd. De Hebreeërs wisten dit, en de historische bijbelsche verwijzingen naar prostituées geven weinig blijk van afkeuring. Jephta was het kind van een prostituée; hij werd opgevoed met de wettige kinderen, en de geschiedenis van Tamar is leerzaam. Maar de wetten waren uiterst streng jegens de Joodsche meisjes, die prostituées werden (de fout was volkomen vergefelijk bij vreemde vrouwen), terwijl Hebreeuwsche moralisten hun scherpe aanvallen richtten op de prostitutie; het is voldoende een bekende passage uit het boek der Spreuken aan te halen (zie art. "Harlot", door Cheyne, in de Encyclopaedia Biblica). Mohammed veroordeelde de prostitutie ook streng, hoewel hij er in slavinnen wat meer verdraagzaam voor was; volgens Haleby was de prostitutie echter bij den Islam zoo goed als onbekend in de eerste eeuwen na den tijd van den profeet.
De Perzische aanhangers van de eenigszins ascetische Zendavesta kenden ook de prostitutie, en beschouwden ze met afkeer: "Het is de Gahi (de courtisane, als een incarnatie van de vrouwelijke duivel, Gahi), O Spitama Zarathustra! die in zich verenigt het zaad van den getrouwe en den trouwelooze, van den vereerder van Mazda en den vereerder van Dewa, van den slechte en den rechtvaardige. Haar blik doet een derde van de machtige wateren, die van de bergen stroomen opdrogen, o Zarathustra! haar blik doet een derde van de schoone goudkleurige, groeiende planten verdorren, o Zarathustra; haar blik verdroogt een derde van de kracht van Spenta Armaiti (de aarde); en haar aanraking doet in den getrouwe twee derde verdorren van zijn goede gedachten, van zijn goede woorden, van zijn goede daden, een derde van zijn kracht, van zijn macht tot overwinnen, van zijn heiligheid. Waarlijk ik zeg U O Spitama Zarathustra! zulke schepsels moesten gedood worden eerder nog dan kruipende slangen, dan huilende wolven, dan de wolvin, die de kudde aanvalt, of dan de kikvorsch, die met haar duizendvoudig broedsel het water verontreinigt" (Zend-Avesta, the Vendidad vertaald door James Darmester, Farfad XVIII).
In de praktijk is de prostitutie in het moderne Oosten echter goed geregeld. De bordeelen, die in de Tartaarsch-Turksche streek liggen buiten de buurten, die door de Christenen druk bezocht worden, zijn beschreven door een schrijver, die goed ingelicht schijnt te zijn ("Orientalische Prostitution", Geschlecht und Gesellschaft, 1907, deel II, afl. 1). Deze huizen worden niet beschouwd als immoreel of verboden, maar als plaatsen, waar de bezoeker een vrouw zal vinden, die hem voor een paar uur de illusie geeft van in zijn eigen huis te zijn, met het genoegen haar gezangen, dansen en voordrachten te genieten, en ten slotte ook haar lichaam. Betaling geschiedt aan de deur, en er ontstaat later geen enkele geldkwestie meer; de bezoeker is van het oogenblik af dat hij binnentreedt onder vrienden, bijna alsof hij in zijn eigen familie was. Hij behandelt de prostituée bijna alsof zij zijn vrouw was, en geen ongepastheden of ruwheid van spreken valt er voor. "Er is geen obsceniteit in het Oostersche bordeel". En tevens is er geen kunstmatig gehuichelde onschuld.
In Oost-Azië, onder de volken van Mongoolschen oorsprong, vooral in China, vinden we de prostitutie flink geregeld en georganiseerd op een praktische zakelijke basis. Prostitutie wordt hier geaccepteerd en niet beschouwd met een specialen tegenzin, maar de prostituée wordt niettemin met verachting behandeld. Jonge kinderen worden dikwijls verkocht om opgevoed te worden voor een leven van prostitutie, en worden van de wereld afgesloten gehouden. Ook jonge weduwen (daar wederhuwen niet goed gevonden wordt) vervallen dikwijls tot een leven van prostitutie. Chineesche prostituées sterven dikwijls door opium en de verwoestingen van syphilis (zie b.v. Coltman's The Chinese, 1900, hoofdst. VII). In het oude China zegt men, dat de prostituées een superieure klasse waren en een positie innamen, die eenigszins geleek op die van de hetaren in Griekenland. Zelfs in het moderne China echter, waar zij zeer talrijk zijn, en waar de bloemen-booten waarin zij in steden bij de zee gewoonlijk wonen zeer weelderig zijn, is het volgens sommige schrijvers voornamelijk voor amusement, dat men haar opzoekt. Tschang, militair attaché in Parijs (zooals aangehaald wordt door Ploss en Bartels) beschrijft de bloemen-boot als minder overeenkomende met het Europeesch bordeel, dan met een café chantant; de jonge Chinees komt hier voor muziek, voor thee, voor aangename conversatie met de bloemenmeisjes, die geenszins noodzakelijk geroepen zijn de lusten van haar bezoekers te bevredigen.
In Japan is het lot van de prostituées niet zoo treurig als in China. De grootere verfijning van de Japansche beschaving maakt, dat de prostituée een grootere mate van gevoel van eigenwaarde kan behouden. Zij wordt dikwijls met medelijden beschouwd, maar niet altijd met minachting. Zij kan openlijk met mannen omgaan, kan ten slotte trouwen, zelfs met een man van goeden maatschappelijken stand, en wordt dan dikwijls een ordelijke vrouw. "Toen ik den vorigen winter van Tokio naar Yokohama reed", merkt Coltman op (op. cit., p. 113), "zag ik een gezelschap van vier jonge mannen en drie heel aardige en vroolijk getooide prostituées, die in denzelfden wagen zaten en veel pleizier hadden. Zij hadden twee of drie flesschen met verschillende likeuren bij zich, sinaasappelen en koekjes en zij aten en dronken en zongen, maakten samen grappen en dartelden als jonge poesjes. Je kunt het geheele Chineesche rijk doorreizen zonder ooit zulk een tooneel te zien". Toch blijkt uit de geschiedenis van de Japansche prostituées (die beschreven is in een belangwekkend en betrouwbaar boek, The Nightless City, door een Engelsch student in de sociologie, die anoniem blijft), dat de prostitutie in Japan niet alleen streng gecontroleerd, maar dat er in ruimen kring op neergekeken wordt, en dat de Japansche prostituées dikwijls veel te lijden hebben gehad; zij waren op een tijd zoo goed als slavinnen en werden dikwijls zeer hard behandeld. Zij zijn nu vrij, en iedere behandeling, die de slavernij nadert wordt streng gestraft en tegengegaan. Het schijnt echter, dat de beste dagen voor de Japansche prostitutie eenige eeuwen geleden zijn geweest. Tot het midden van de achttiende eeuw waren Japansche prostituées zeer ver in zingen, dansen, muziek, enz. Omstreeks dezen tijd schijnen zij echter in de maatschappelijke achting gedaald te zijn; ook waren ze niet meer welopgevoed. Maar ook tegenwoordig nog, zegt Matignon ("La Prostitution au Japon", Archives d'Anthropologie Criminelle, October 1906) brengt de prostitutie in Japan minder eerloosheid mee dan in Europa, terwijl er tevens minder immoraliteit in Japan is, dan in Europa. Hoewel de prostitutie georganiseerd is evenals de post- of de telegraafdienst, is er toch ook veel geheime prostitutie. De wijken waar prostituées wonen zijn zindelijk, mooi en goed onderhouden, maar de Japansche prostituées hebben veel van haar oorspronkelijken goeden smaak in haar toilet verloren, doordat ze trachten Europeesche modes na te bootsen. Het was toen de prostitutie twee eeuwen geleden in verval begon te geraken, dat de geisha's voor het eerst optraden en zoo georganiseerd waren, dat zij zoo mogelijk niet als prostituées zouden wedijveren met de erkende en gepatenteerde bewoonsters van de Yoshiwara, het stadsdeel, dat de prostituées bewonen. De geisha's zijn natuurlijk geen prostituées, hoewel haar deugd misschien niet altijd onoverwinlijk is; in haar maatschappelijke positie komen zij overeen met de actrices in Europa.
In Korea, in ieder geval vóór Korea in handen der Japanners viel, scheen het wel, dat er geen onderscheid was tusschen de klasse der dansmeisjes en der prostituées. "Onder de courtisanes", zegt Angus Hamilton, "worden de geestelijke gaven geoefend en ontwikkeld met de bedoeling haar tot schitterende en onderhoudende gezellinnen te maken. Deze "bladen van zonlicht" worden gisaing genoemd en komen overeen met de geisha's van Japan. Officieel zijn zij aan het gouvernement verbonden; zij worden gecontroleerd door een eigen bureau, dat zij deelen met de leden van de hofkapel. Zij kleeden zich met buitengewonen smaak; zij bewegen zich met zeer groote bevalligheid; zij zijn teer van uiterlijk, zeer tenger en zeer zacht, zeer lief, vol sympathie en vol verbeeldingskracht". Maar hoewel ze zeker de mooiste vrouwen in Korea zijn, in de hoogste kringen der maatschappij zich bewegen, en maîtressen van den Keizer zouden kunnen worden, wordt haar niet toegestaan met mannen van goeden stand te huwen (Angus Hamilton, Korea, p. 52).
Van de geschiedenis van de Europeesche prostitutie, zooals van zoovele andere moderne prostituties kan men wel zeggen, dat ze in Rome begint. Hier vinden wij in de vroegste tijden reeds die inconsequent gemengde houding jegens de prostitutie, die op den huldigen dag nog bewaard is gebleven. In Griekenland was het in vele opzichten anders. Griekenland stond dichter bij de dagen van de godsdienstige prostitutie, en de zuiverheid en de verfijning van de Grieksche beschaving maakte het voor de betere soort van prostituées mogelijk een invloed uit te oefenen en waardig te zijn om uit te oefenen in alle departementen van het leven, dien ze nooit elders heeft kunnen uitoefenen, behalve misschien nu en dan, in veel mindere mate, in Frankrijk. De ruwe, krachtige, praktische Romein was volkomen bereid de prostitutie te dulden, maar hij was niet bereid die verdraagzaamheid tot de logische gevolgen ervan door te voeren; hij voelde zich nooit geroepen inconsequente feiten van het leven met elkaar in harmonie te brengen. Cicero, die toch een hoogstaand moralist was, kon zonder dat hij zijn goedkeuring aan de prostitutie hechtte, toch niet begrijpen, hoe iemand wenschen kon jongelieden af te houden van omgang met prostituées, daar zulk een gestrengheid niet in harmonie was met al de gewoonten van het verleden of van het heden [138]. Maar de hoogere klasse der Romeinsche prostituées, de bonae mulieres, hadden niet zulk een waardige positie als de Grieksche hetairae. Haar invloed was inderdaad groot, maar hij was, zooals ook het geval is met haar Europeesche opvolgsters van heden, beperkt tot modes, gewoonten en kunsten. Er was altijd een zekere moreele gestrengheid in den Romein, die hem verhinderde ver af te wijken in deze richting. Hij moedigde bordeelen aan, maar hij betrad ze alleen met den hoed op het hoofd en het gezicht in den mantel verborgen. En eveneens, terwijl hij de prostituée duldde, beperkte hij toch van een zeker punt af, in hooge mate haar voorrechten. Niet alleen was zij beroofd van allen invloed in de hoogere dingen des levens, maar ze mocht niet de vitta of de stola dragen; zij kon inderdaad bijna naakt loopen als ze dat wilde, maar ze moest niet de zinnebeelden van de respectabele Romeinsche matrone nabootsen [139].
De opkomst van het Christendom tot politieke macht bracht minder verandering van zeden te weeg dan men zou voorzien hebben. De Christelijke heerschers hadden feitelijk te maken met een zeer gemengde, woelige en halfheidensche wereld. De toongevende kerkvaders waren geneigd de prostitutie te dulden om grooter kwaad te voorkomen, en de Christelijke keizers wilden, evenals hun heidensche voorgangers, wel een belasting heffen op de prostitutie. Het recht van bestaan van de prostitutie werd echter niet langer zoo onbetwist erkend als in de heidensche dagen, en van tijd tot tijd trachtte de een of andere krachtige heerscher de prostitutie door strenge verordeningen te onderdrukken. Theodosius de jongere en Valentianus verordenden bepaaldelijk, dat er geen bordeelen meer mochten wezen, en dat ieder, die een schuilplaats verleende aan een prostituée, gestraft moest worden. Justinianus bekrachtigde dezen maatregel en beval, dat alle koppelaars op doodstraf moesten verbannen worden. Deze verordeningen waren volkomen zonder succes. Maar gedurende een duizend jaar werden zij telkens weer herhaald in verschillende deelen van Europa, en onveranderlijk met hetzelfde onbevredigende, of erger dan onbevredigende resultaat. Theoderik, koning der West-Gothen, strafte met den dood allen, die de prostitutie bevorderden en Recared, een Katholiek koning van hetzelfde volk in de zesde eeuw, verbood de prostitutie geheel en al en beval, dat een prostituée, als ze gevonden werd, drie honderd zweepslagen moest ontvangen en uit de stad verdreven worden. Karel de Groote, zoowel als Genserich in Karthago, en later Frederik Barbarossa in Duitschland maakten strenge wetten tegen de prostitutie, die alle geen uitwerking hadden, want zelfs, als zij uitwerking schenen te hebben voor het oogenblik, was de reactie later des te grooter [140].
In Frankrijk zijn de meest standvastige pogingen gedaan om de prostitutie te bestrijden. Het meest bekend van alle waren de pogingen van een Koning en Heilige, Lodewijk IX. In 1254 beval de heilige Lodewijk, dat prostituées geheel uitgedreven moesten worden en beroofd van haar geld en goed, zelfs van haar mantels en japonnen. In 1256 herhaalde hij deze verordening en in 1269, voordat hij aan de kruistochten deelnam, beval hij alle bordeelen te vernielen. De herhaling van die bevelen toont aan, hoezeer zij zonder uitwerking waren. Zij maakten de zaken zelfs erger, want de prostituées waren gedwongen zich met de gewone bevolking te vermengen en haar invloed breidde zich zoodoende uit. De heilige Lodewijk was niet in staat de prostitutie te onderdrukken zelfs in zijn eigen kamp in het Oosten, en ze bestond naast zijn eigen tent. Zijn wetgeving werd echter dikwijls nagevolgd door volgende heerschers over Frankrijk, zelfs tot het midden van de zeventiende eeuw, altijd met dezelfde nuttelooze of erger gevolgen. In 1560 schafte een edict van Karel IX de bordeelen af, maar het aantal prostituées werd daardoor grooter in plaats van kleiner, terwijl vele nieuwe soorten van bordeelen ontstonden in onverwachte vormen en zij waren gevaarlijker dan de meer erkende bordeelen, die afgeschaft waren [141]. Ten spijt van deze en dergelijke wetgeving, of juist daardoor, is er geen land geweest waar de prostitutie een grooter rol gespeeld heeft dan Frankrijk [142].
In Mantua was de afschuw door de prostituées verwekt zoo groot, dat zij gedwongen waren op de markten alle fruit of brood te koopen, dat door de aanraking van haar hand bezoedeld was. Zoo was het ook in 1243 in Avignon. In Catalonië konden ze niet aan dezelfde tafel zitten met een dame of edelman, of eenig achtbaar persoon kussen [143]. Zelfs in Venetië, het paradijs van de prostitutie, werden er vele en strenge maatregelen tegen genomen, en het duurde lang eer de heerschers van Venetië zich er bij neerlegden ze te dulden en te controleeren [144].
De laatste krachtige poging om de prostitutie in Europa uit te roeien was die van Maria Theresia in Weenen, in het midden van de achttiende eeuw. Hoewel ze van zoo laten datum is mogen we ze hier toch noemen, omdat ze middeleeuwsch was, zoowel in opvatting als in methode. Het doel ervan was inderdaad niet alleen de prostitutie te onderdrukken, maar ontucht in het algemeen, en de middelen daartoe aangewend waren boeten, gevangenneming, geeselen en pijniging. Alles wat men hield voor de oorzaken van ontucht werd ook met strengheid behandeld; korte kleeren waren verboden, biljardzalen en café's werden geïnspecteerd; er mochten geen kellnerinnen meer zijn, en als ze ontdekt werd, had een kellnerin kans geboeid en door de politie weggevoerd te worden. De Kuischheids-Commissie, die deze maatregelen streng ten uitvoer bracht, was, naar het schijnt, ingesteld in 1751 en werd door Keizer Jozef II in de eerste jaren van zijn regeering zonder vorm van proces afgeschaft. Het was de algemeene opinie, dat deze strenge wetgeving inderdaad zonder uitwerking bleef, en dat ze veel ernstiger verkeerdheden in het leven riep dan ze genas [145]. Het is in ieder geval zeker, dat zeer langen tijd meer zedeloosheid heerschte in Weenen dan in eenige andere groote hoofdstad van Europa.
Toch is de houding jegens prostituées altijd gemengd en inconsequent geweest op verschillende plaatsen of in verschillende tijden of zelfs in denzelfden tijd en op dezelfde plaats. Dufour heeft de prostituées zeer juist vergeleken met de middeleeuwsche Joden; zij werden voortdurend vervolgd, kerkelijk, burgerlijk en maatschappelijk, en toch waren alle klassen blij hun toevlucht tot hen te nemen en ze konden niet gemist worden. In sommige landen, ook in de veertiende eeuw in Engeland, werd een speciaal costuum ingesteld voor prostituées als een merkteeken van schande [146]. Toch was er in vele opzichten niet de minste schande aan de prostitutie verbonden. Hooggeplaatste ambtenaren konden betaling vorderen voor hun uitgaven, gemaakt door het bezoeken van prostituées, terwijl ze voor dienstzaken op reis waren. De prostitutie speelde soms een officieele rol bij feestelijkheden en ontvangsten, die door groote steden aan vorstelijke personen werden gegeven, en het bordeel kon een belangrijk deel van de gastvrijheid der stad vormen. Toen keizer Sigismund in Ulm kwam in 1434, waren de straten verlicht op de tijden, dat hij of zijn gevolg het gewone bordeel wenschten te bezoeken. Bordeelen onder stedelijke bescherming worden gevonden in de dertiende eeuw in Augsburg, in Weenen, in Hamburg [147]. In Frankrijk waren de best bekende abbayes van prostituées die van Toulouse en van Montpellier [148]. Durkheim meent, dat in de vroege middeleeuwen, voor dezen tijd, vrije liefde en huwelijk minder streng onderscheiden waren. Het was de opkomst van de middelklasse, naar hij meent, die, verlangend hun vrouwen en dochters te beschermen, leidde tot een gecontroleerde en openlijk erkende poging losbandigheid te leiden in een afzonderlijk kanaal, dat onder contrôle werd gebracht [149]. Deze bordeelen vormden een soort van publieken dienst, en de directeuren ervan werden bijna beschouwd als stedelijke beambten, die verplicht waren een zeker aantal prostituées te houden, betaling te vragen naar een bepaald tarief, en in hun huizen geen meisjes te ontvangen die tot de nabuurschap behoorden. De instellingen van deze soort duurden drie eeuwen. Het was, voor een deel, misschien de drang van de nieuwe Protestantsche beweging, maar vooral de verschrikkelijke verwoesting, veroorzaakt door de syphilis, aan het einde der vijftiende eeuw uit Amerika overgebracht, die, zooals Burckhardt en anderen aangetoond hebben, leidde tot het verval van het middeleeuwsch bordeel [150].
De superieure moderne prostituée, de "courtisane", die niet in verbinding stond met het bordeel, schijnt zich uit de Renaissance ontwikkeld te hebben en trad in Italië op aan het einde van de vijftiende eeuw. "Courtisane" of "cortegiana" beteekende een dame, die het hof volgde, en in dezen tijd begon het woord toegepast te worden op een superieure prostituée, die een zekere mate van decorum en terughouding in acht nam [151]. Aan het pauselijk hof van Alexander Borgia werd de courtisane geëerd, zelfs al was haar gedrag niet volkomen waardig. Burchard, de getrouwe en onberispelijke geschiedschrijver van dit hof, beschrijft in zijn dagboek, hoe op een avond in October 1501 de paus vijftig courtisanes liet komen, die naar zijn vertrek moesten gebracht worden; na het souper dansten zij, in tegenwoordigheid van Caesar Borgia en zijn jonge zuster Lucrezia, met de dienaren en anderen, die daar tegenwoordig waren, eerst gekleed, daarna naakt. De kandelaars met de brandende kaarsen er op werden toen op den grond geplaatst en kastanjes werden daartusschen gestrooid, die door de vrouwen, al kruipend op handen en voeten tusschen de kandelaars opgeraapt moesten worden. Ten slotte werden er prijzen voor den dag gebracht, die als belooning moesten komen aan die mannen "qui pluries dictos meretrices carnaliter agnoscerent"; wie de overwinnaar was in den wedstrijd werd bepaald door het oordeel van de toeschouwers [152]. Deze scene, die in het publiek in het paleis van den paus vertoond werd en zonder terughouding openbaar gemaakt werd door een onpartijdig secretaris, is tevens een opmerkelijke episode in de geschiedenis van de moderne prostitutie en een van de beste illustraties die we hebben van het heidendom van de Renaissance.
Voordat het woord "courtisane" in gebruik kwam, werden prostituées zelfs in Italië gewoonlijk "zondaressen" genoemd peccatrice. De naamsverandering merkt Graf op in een zeer belangwekkende studie over de prostituée van de Renaissance ("Una Cortigiana fra Mille", Attraverso il Cinquecento, pp. 217-351), "geeft blijk van een groote wijziging in denkbeelden en in leven"; een woord dat schande aanduidde, maakte plaats voor een dat goedkeuring te kennen gaf, en zelfs eer, want de hoven van den tijd der Renaissance vertegenwoordigden de mooiste ontwikkeling van den tijd. De beste van deze courtisanes schijnen niet geheel de eer, die zij ontvingen, onwaardig geweest te zijn. Wij kunnen dat bemerken in haar brieven. Er is een hoofdstuk over de brieven van de prostituées tijdens de Renaissance, vooral die van Camilla de Pisa; ze worden gekenmerkt door waren hartstocht in de Frauenbriefe der Renaissance van Lothar Schmidt. De beroemde Imperia, die door een paus in de eerste jaren van de zestiende eeuw "nobilissimum Romae scortum" genoemd werd, kende Latijn en kon Latijnsche verzen schrijven. Andere courtisanes kenden Italiaansche en Latijnsche verzen uit haar hoofd, en waren talentvol in muziek, dansen en spreken. Wij worden herinnerd aan het oude Griekenland, en Graf vindt, waar hij bespreekt in hoeverre de courtisanes van de Renaissance op de hetaren geleken, een groote overeenkomst, vooral in beschaving en invloed, hoewel er eenige verschillen zijn, die berusten op de vijandschap tusschen den godsdienst en de prostitutie in den lateren tijd.
De in alle opzichten meest bekende figuur was zeker Tullia D'Aragona. Zij was waarschijnlijk de dochter van kardinaal D'Aragona (een onwettige afstammeling van de Spaansche koningsfamilie) bij een courtisane uit Ferrara, die zijn maitres werd. Tullia was zeer beroemd om haar verzen. Haar beste sonnet is gericht aan een jong mensch van twintig jaar, dien zij hartstochtelijk liefhad, maar die haar liefde niet beantwoordde. Haar Guerrino Meschino, een vertaling uit het Spaansch, is een rein en kuisch werk. Zij was een vrouw van verfijnde instincten en aspiraties, en later gaf zij haar leven van prostitutie op. Zij werd zeer geëerd en geacht. Toen in 1546 Cosimo de hertog van Florence beval dat alle prostituées een sluier moesten dragen als een openlijk kenteeken van haar beroep, beriep Tullia zich op de hertogin, een Spaansche dame van een hoog karakter, en kreeg vrijstelling van het dragen van dit kenteeken wegens haar "rara scienzia di poesia et filosofia". Zij droeg haar Rime op aan de hertogin. Tullia d'Aragona was heel mooi, met blond haar en bijzonder groote heldere oogen, die hen, die met haar in aanraking kwamen, beheerschten. Zij gedroeg zich trots en boezemde ongewoon veel eerbied in (G. Biagi, "Un Etera Romana", Nuova Antologia, deel IV, 1886, pp. 655-711; S. Bongi, Rivista critica della Letteratura Italiana, 1886, IV, p. 186).
Tullia d'Aragona was klaarblijkelijk niet een courtisane in haar hart. Misschien wordt het meest typische voorbeeld van de courtisane der Renaissance op haar best gegeven door Veronica Franco, die in 1546 te Venetië geboren werd uit een familie uit den middenstand en op jeugdigen leeftijd met een dokter trouwde. Van haar is ook gezegd dat, terwijl ze van beroep een prostituée was, zij van aanleg een dichteres was. Maar zij schijnt wel tevreden geweest te zijn met haar beroep en er zich nooit over geschaamd te hebben. Haar leven en karakter zijn bestudeerd door Arturo Graf, en oppervlakkiger door Tassini. Zij was zeer ontwikkeld en kende verscheiden talen; zij zong ook goed en bespeelde vele instrumenten. In een van haar brieven raadt ze een jongen man, die krankzinnig verliefd op haar was, dat, als hij haar gunst wil verkrijgen, hij moet ophouden haar lastig te vallen en zich rustig aan de studie moet wijden. "Je weet wel", voegt zij er bij, "dat allen, die er aanspraak op maken mijn liefde te kunnen verwerven, en die mij zeer lief zijn, zich met ijver wijden aan gezette studiën... Als mijn vermogen het mij veroorloofde, dan zou ik al mijn tijd rustig in de genootschappen van deugdzame mannen doorbrengen". De Diotima's en Aspasia's van de oudheid zouden, zooals Graf er bijvoegt, niet zooveel van haar minnaars geëischt hebben. In haar gedichten kan men eenige van haar liefdesgeschiedenissen nasporen, en zij geeft soms blijk van hevige jaloezie bij de gedachte, dat mogelijk een andere vrouw den man zou kunnen naderen dien zij liefheeft. Eens werd ze verliefd op een geestelijke, misschien een bisschop, met wien ze niet in eenige betrekking trad, en na een lange afwezigheid, die haar liefde genas, werden zij getrouwe vrienden. Eens kreeg ze een bezoek van Hendrik III van Frankrijk, die haar portret wegnam, terwijl zij van haar kant beloofde, dat ze een boek aan hem zou opdragen; zij kwam deze belofte in zooverre na, dat ze eenige sonnetten aan hem richtte en een brief; "de koning voelde geen schaamte over deze intimiteit met de courtisane", merkt Graf op, "en zij dacht ook geen oogenblik dat hij er zich over schamen zou". Toen Montaigne door Venetië kwam, zond zij hem een van haar boekjes, zooals we uit zijn journal hooren, hoewel het niet blijkt dat zij elkander ontmoet hebben. Tintoret was een van haar vele beroemde vrienden, en ze was een ijverig voorstandster van de hooge kwaliteiten van moderne kunst in vergelijking van antieke. Zij was hartelijk in haar vriendschap, en het schijnt dat zij verschillende groote dames onder haar vriendinnen rekende. Zij schaamde zich echter zoo weinig over haar beroep van courtisane, dat zij in een van haar gedichten zegt, dat Apollo haar andere kunsten geleerd heeft dan die men gewoonlijk denkt dat hij onderwijst:
"Così dolce e gustevole divento, Quando mi trovo con persona in letto Da cui amata e gradita mi sento".
In een zekere catalogus van de prijzen van Venetiaansche courtisanes staat Veronica aangeschreven voor maar 2 scudi voor haar gunsten, terwijl de courtisane, aan wie de catalogus gewijd is, op 25 scudi wordt geprijsd. Graf meent, dat er hier een vergissing in het spel is of boosaardigheid, en een Italiaansch edelman van dien tijd zegt, dat zij niet minder dan 50 scudi vroeg van hen, aan wie zij bereid was toe te staan wat Montaigne noemde de "negotation entière".
Wat deze kwestie aangaat mogen we melden dat, zooals Bandello zeide, het de gewoonte was voor een Venetiaansche prostituée om zes of zeven mannen tegelijk als minnaars te hebben. Ieder had recht een avond per week bij haar te komen soupeeren en slapen, terwijl haar dagen vrij bleven. Zij betaalden haar zooveel per maand, maar zij behield zich altijd bepaald het recht voor, als ze dat wilde, een vreemdeling, die door Venetië kwam, te ontvangen, en dan den tijd van haar afspraak met haar minnaar voor den nacht te veranderen. De hooge en speciale prijzen die wij vermeld vinden zijn natuurlijk die, welke gevraagd werden van den nu en dan komenden aanzienlijken vreemdeling, die naar Venetië kwam, zooals in de zestiende eeuw Montaigne.
In 1580 (toen ze eerst vier en dertig jaar oud was) vertelde Veronica in de biecht, dat zij zes kinderen had gehad. In hetzelfde jaar vormde zij het plan een tehuis te stichten, dat niet een klooster zou zijn, waar prostituées, die haar levenswijze wenschten te veranderen, een toevlucht konden vinden met haar kinderen, als ze die hadden. Dit schijnt geleid te hebben tot de oprichting van een Casa del Soccorso. In 1591 stierf zij aan de koorts, verzoend met God en gezegend door vele ongelukkigen. Zij had een goed hart en een gezond verstand, en was de laatste van de groote courtisanes van de Renaissance, die het Grieksche hetarendom deden herleven (Graf, Attraverso il Cinquecento, pp. 271-351). Zelfs in het Venetië van de zestiende eeuw echter schijnt, naar we zien zullen, Veronica Franco niet geheel vrede gehad te hebben met de loopbaan van courtisane. Zij was klaarblijkelijk niet geschikt voor een gewoon huwelijk, en toch mag men er nog aan twijfelen of onder de gunstigste omstandigheden, die de moderne wereld ooit geboden heeft, de loopbaan van prostituée volkomen voldoening kan bieden aan een vrouw van een ruim hart en een ruim verstand.
Ninon de Lenclos, die dikwijls "de laatste van de groote courtisanes" genoemd is, kan wel een uitzondering genoemd worden op den algemeenen regel, dat een vrouw van een goed hart, hoog karakter en fijn verstand geen voldoening zou kunnen vinden in het leven van een prostituée. Maar het is een totaal verkeerde opvatting van het temperament van Ninon de Lenclos en van haar loopbaan haar in eenige ware beteekenis eigenlijk een prostituée te noemen. Eenige kennis van zelfs maar de minste schets van haar leven moest voorkomen, dat men zulk een vergissing beging. Geboren in het begin van de zeventiende eeuw, was zij van goede familie aan beide zijden; haar moeder was een vrouw van een strengen levenswandel, maar haar vader, een edelman uit Touraine bezielde haar met zijn eigen Epicuristische philosophie zoowel als met zijn liefde voor de muziek. Zij was uiterst welopgevoed. Op den leeftijd van zestien of zeventien had zij haar eersten minnaar, den edelen Gaspard de Coligny; hij werd een halve eeuw lang gevolgd door een reeks andere minnaars, soms meer dan een tegelijk; drie jaar was de langste tijd dat zij aan één minnaar trouw bleef. Haar aantrekkelijkheden bleven zoolang bestaan, dat men zegt dat drie generaties van Sévignés onder haar minnaars behoorden. Tallemant des Réaux stelt ons in staat haar liaisons in bijzonderheden te bestudeeren.
Het is echter niet de hoeveelheid minnaars, die een vrouw maakt tot een prostituée, maar de aard van haar verhoudingen tot hen. Sainte-Beuve schijnt, in een overigens bewonderenswaardige studie over Ninon de Lenclos (Causeries du Lundi, deel IV) haar onder de courtisanes te rekenen. Maar geen vrouw is een prostituée, tenzij zij mannen gebruikt als een bron van geldelijke winst. Niet alleen is er geen bewijs, dat dit het geval was met Ninon, maar alle gegevens, die er zijn, sluiten zulk een verhouding uit. "Er was veel slimheid voor noodig", zeide Voltaire, "en veel liefde van haar kant, om haar er toe te brengen, geschenken aan te nemen". Tallemant zegt wel, dat zij soms geld aannam van haar minnaars, maar dit gezegde slaat waarschijnlijk op niets anders dan wat besloten ligt in Voltaire's opmerking; en in allen gevalle zijn de praatjes van Tallemant, hoewel hij gewoonlijk goed op de hoogte is, niet altijd te vertrouwen. Allen zijn het eens over haar groote belangeloosheid.
Wanneer we van Ninon de Lenclos hooren in verband met geld, dan is het niet, dat ze een gift ontvangt, maar alleen, dat ze een oude schuld terugbetaalt aan een vroegeren minnaar, of een groote som teruggeeft, die bij haar onder haar veilige hoede achter gelaten was, terwijl de eigenaar in ballingschap verkeerde. Zulke voorvallen wijzen allerminst op de prostituée van welke eeuw ook, zij wijzen eer op verhoudingen, die zouden kunnen bestaan tusschen vrienden. Het karakter van Ninon de Lenclos was in vele opzichten verre van volmaakt, maar zij vereenigde vele mannelijke deugden, en vooral eerlijkheid, met een temperament dat over het geheel zeker vrouwelijk genoemd mag worden; zij had een afkeer van huichelarij, en zij werd nooit beïnvloed door geldelijke overwegingen. Zij was bovendien nooit roekeloos, maar behield altijd een zekere zelfbeperking en matigheid, zelfs bij eten en drinken, en gebruikte, naar ons verteld wordt, nooit wijn. Zij was, zooals Sainte-Beuve opgemerkt heeft, de eerste, die zich duidelijk voor oogen heeft gesteld, dat er dezelfde deugden moeten zijn voor mannen en voor vrouwen, en dat het dwaas is alle vrouwelijke deugden tot éene terug te brengen. "Onze sekse is belast met alle beuzelachtigheden", schreef zij, "en de mannen hebben voor zichzelf alle eigenschappen bewaard, die er op aan komen: Ik heb van mezelf een man gemaakt". Zij kleedde zich soms als man als ze paard reed (zie b.v. Correspondence Authentique van Ninon de Lenclos, met een goede introductie door Emile Colombey). Bewust of onbewust vertegenwoordigde zij een nieuw vrouwelijk denkbeeld op een tijd, toen--zooals we in veel vergeten romans door vrouwen van dien tijd geschreven zien kunnen--de gezichtskring der vrouwen zich begon uit te breiden. Zij was de eerste en ongetwijfeld in éen opzicht de uiterste vertegenwoordigster van een kleine en uitstekende groep Fransche vrouwen, onder wie George Sand de mooiste persoonlijkheid is.
Zoo is het nutteloos de geschiedenis van de prostitutie te versieren met den naam van Ninon de Lenclos. Een gedemoraliseerde oude prostituée zou nooit, zooals Ninon, aan het einde van haar lange leven, in staat geweest zijn de liefde en de achting van vele van de beste mannen en vrouwen van haar tijd te behouden of te verwerven; zelfs aan den gestrengen Saint-Simon scheen het toe, dat er in haar kleine hof een decorum heerschte, dat de grootste prinsessen niet bereiken kunnen. Zij was niet een prostituée, maar een vrouw van een persoonlijkheid met een eigen karakter, zelfs niet zonder eenige genialiteit. Dat zij niet na te volgen was, behoeven we misschien niet zeer te betreuren. Op het laatst van haar leven, in 1699, schreef haar oude vriend en vroegere minnaar Saint-Evremond, met maar een klein beetje overdrijving, dat er weinig prinsessen en weinig heiligen waren, die niet hun hof of hun klooster zouden verlaten om met haar van plaats te verwisselen. "Als ik van tevoren geweten had, wat mijn leven zou zijn, dan had ik mij opgehangen", was haar dikwijls aangehaalde antwoord. Het is inderdaad een op zich zelf staand gezegde, misschien niet meer dan de uitdrukking van een stemming van het oogenblik; men kan er wel te veel notitie van nemen. Meer waarlijk karakteristiek is het mooie gezegde, waarin haar Epicurische philosofie naar Nietzsche overhelt; "La joie de l'esprit en marque la force".
Het vrijmoedig goedkeuren van de prostitutie door de geestelijke of zelfs door de wereldlijke macht is, sinds de Renaissance, meer en meer een uitzondering geworden. Het tegenovergestelde uiterste, te trachten de prostitutie uit te roeien, is ook in de praktijk volkomen verlaten. Er zijn inderdaad sporadische pogingen gedaan de prostitutie met krachtige hand neer te drukken, zelfs in zeer moderne tijden. Het wordt nu echter erkend, dat in zulk een geval het geneesmiddel erger is dan de kwaal.
In 1860 gevoelde een burgemeester van Portsmouth het als zijn plicht te trachten de prostitutie te onderdrukken. "In den eersten tijd van zijn burgemeesterschap", zegt een door de "Select committee" voor de wet op besmettelijke ziekten gehoorde getuige (p. 393), "werd er een order uitgevaardigd, dat aan iederen bierhuis- en tapperijhouder met vergunning in de gemeente, waarvan men wist, dat hij vrouwen, vrouwen van verdachte zeden herbergde, een proces zou aangedaan worden en dat hij waarschijnlijk zijn concessie zou verliezen. Op een goeden dag werden ongeveer drie of vier honderd van deze ongelukkige schepsels alle tegelijk de straat op gedreven, en zij stelden zich op in een groote troep, vele van haar met alleen een hemd aan en een rok; met een menigte dronken mannen en jongens met een fluit en een viool achter zich aan trokken ze verscheiden dagen door de straten. Zij marcheerden alle naar het werkhuis, maar om vele redenen werden ze niet toegelaten... Deze vrouwen dwaalden twee of drie dagen lang rond zonder schuilplaats, en men gevoelde, dat het geneesmiddel erger was dan de kwaal; daarom werd de vrouwen toegestaan naar haar vroegere woonplaatsen terug te keeren".
Dergelijke proeven zijn in later tijd in Amerika genomen. "In Pittsburg, in Pennsylvanië werden de bordeelen in 1891 gesloten, de bewoonsters werden op straat gezet en de inwoners van die plaats weigerden haar huisvesting en zelfs voedsel. Een sterke protestbeweging door het geheele land, bij deze beleediging der humaniteit, veroorzaakte een reactie, die leidde tot een toestand, die in het geheel niet beter was dan de vroegere". In hetzelfde jaar kwam ook een dergelijk geval voor in New-York, met dezelfde ongelukkige resultaten (Isidore Dyer, "The Municipal Control of Prostitution in the United States", report presented to the Brussels International Conference in 1899).
In plaats van deze pogingen kwam men er toe de prostitutie te controleeren, ze half officieel te dulden, waardoor de autoriteiten in staat gesteld werden er contrôle over uit te oefenen, en zooveel mogelijk tegen de nadeelen ervan te waken door medisch onderzoek en politietoezicht. Het nieuwe bordeel-systeem verschilde van de oude middeleeuwsche bordeelen in vele opzichten; het omvatte een regelmatig medisch onderzoek en het trachtte iedere concurrentie door prostituées zonder vergunning daarbuiten, te onderdrukken. Bernard Mandeville, de schrijver van de Fable of the Bees, een scherpzinnig denker, was een groot voorstander van dit systeem. In 1724, in zijn Modest Defense of Publick Stews betoogt hij, dat "het aanmoedigen van het openlijk toelaten van de prostitutie niet alleen de meeste van de verkeerde gevolgen van deze ondeugd zal voorkomen, maar zelfs de mate van ontucht in het algemeen verminderen zal en ze zal terugvoeren tot de engste grenzen, waarin ze kan vervat worden". Hij stelde voor vrije prostitutie tegen te gaan door bij akte van het Parlement speciale privileges en vrijheden aan bordeelen te geven. Zijn plan omvatte het oprichten van honderd bordeelen in een speciaal stadsgedeelte, waar twee duizend prostituées en honderd flinke en ervaren matrones met dokters en chirurgijns zouden kunnen wonen, zoowel als een commissie om het geheel te overzien. Mandeville werd echter beschouwd als een cynicus of erger, en van zijn plan werd geen nota genomen of het werd met minachting behandeld. Het was overgelaten aan het genie van Napoleon om tachtig jaar later, het systeem van de "maisons de tolérance" in te stellen, dat tijdens het grootste deel van de vorige eeuw voor de vorming van de verhoudingen der prostitutie in Europa zulk een groote beteekenis gehad heeft, en nog heden in zijn overblijfsels aanleiding geeft tot groote meeningsverschillen.
Over het geheel kunnen we echter zeggen, dat het systeem van inschrijven, onderzoeken en controleeren van prostituées nu tot het verleden behoort. Veel strijd is er over deze kwestie gevoerd; van het meeste belang is de strijd, die in Engeland jarenlang over de wet op de besmettelijke ziekten (Contagious Diseases Acts) gevoerd is en die men vinden kan in het 600 bladzijden groote bericht van een speciaal comité voor deze wet, dat in 1882 uitkwam. De meerderheid van de leden van dit comité was vóor het aannemen van de wet, die desniettegenstaande in 1886 verworpen werd; sinds dien tijd is er geen ernstige poging gedaan haar weer aan te nemen.
Tegenwoordig vindt het oude systeem, hoewel het nog in veel landen blijft bestaan met de trage onbehouwenheid van eens ingestelde stichtingen, geen algemeene goedkeuring meer. Zooals Paul en Victor Margueritte naar waarheid gezegd hebben, in een scherp onderzoek naar de verschijnselen van door den staat gecontroleerde prostitutie zooals zij die in Parijs vonden, is het systeem "om te beginnen barbaarsch en bovendien bijna zonder uitwerking". De deskundige wijst iederen dag duidelijker op het gebrek aan uitwerking, dat het heeft, terwijl de psycholoog en de socioloog steeds meer overtuigd worden, dat het barbaarsch is.
Het kan echter in het geheel niet gezegd worden, dat er eenige overeenstemming tusschen de autoriteiten op dit gebied verkregen is. Het is klaarblijkelijk zoo dringend noodig een dam op te stellen tegen den vloed van ziekte en ellende, die direct voortkomt uit het verspreiden van syphilis en gonorrhea, en indirect uit de prostitutie, die de voornaamste verspreidster van deze ziekten is, dat we ons niet kunnen verwonderen, dat menigeen begeerig grijpt naar ieder systeem, dat een vermindering van het kwaad schijnt te beloven. Tegenwoordig echter hebben zij, die het best bekend zijn met de werking van het contrôle-systeem, zich ten duidelijkste voor oogen gesteld, dat de veronderstelde vermindering voor het grootste gedeelte denkbeeldig is [153], en dat ze in ieder geval verkregen wordt ten koste van het kunstmatig produceeren van andere verkeerdheden.
In Frankrijk, waar het systeem van inschrijven en van contrôle op de prostituées langer dan een eeuw bestaat [154], en waar dus de gevolgen ervan, als die er zijn, duidelijk merkbaar moeten wezen, ondervindt het bijna hartstochtelijke tegenkanting van bekwame mannen van iedere klasse der gemeenschap. In Duitschland is de tegenstand tegen geregelde contrôle langen tijd door wel-toegeruste deskundigen gevoerd, met Blaschko uit Berlijn aan het hoofd. Ook in Amerika wordt dit systeem verworpen. Gottheil uit New-York vindt, dat contrôle van gemeentewege op de prostitutie "geen succes heeft en ook niet wenschelijk is". Heidingsfeld komt tot het besluit, dat het systeem van regeling en contrôle, dat in Cincinnati in zwang is, weinig goed en veel kwaad gedaan heeft; onder dit stelsel zijn onder de particuliere patienten in zijn eigen kliniek gevallen van syphilis en gonorrhea gemiddeld beide toegenomen; "onderdrukken van de prostitutie is onmogelijk en contrôle is onpraktisch" [155].
In Duitschland worden de pogingen tot regeling der prostitutie het strengst vastgehouden, met gevolgen, die in Duitschland zelf als ongelukkig worden beschouwd. Zoo straft de Duitsche wet met een geldboete de hoofden van gezinnen, die onwettigen sexueelen omgang in hun huis toelaten. Dit is bedoeld om de prostituée zonder vergunning te treffen, maar inderdaad moedigt het de prostitutie aan, want een paar fatsoenlijke jonge menschen, dat besluit een verhouding aan te gaan, die zich later tot een huwelijk ontwikkelen kan, en die niet onwettig is (want buitenechtelijke sexueele omgang per se is niet in Duitschland, zooals in de verouderde wetten van verschillende Amerikaansche staten, een strafbare misdaad) wordt door de achterdochtige politie aan zooveel last en ergernis onderworpen, dat het voor het meisje veel gemakkelijker is prostituée te worden en zich onder de bescherming der politie te plaatsen. De wet was hoofdzakelijk gericht tegen hen, die prostituées uitbuiten. Maar in de praktijk werkt ze anders. De prostituée moet buitensporig hooge huren betalen, zoodat haar huisheer feitelijk leeft van de opbrengst van haar bedrijf, terwijl zij haar beroep met grootere inspanning en op ruimer schaal moet drijven om haar zware onkosten te dekken (P. Hausmeister, "Zur Analyse der Prostitution", Geschlecht und Gesellschaft, deel II, 1907, p. 294).
In Italië zijn de meeningen over deze zaak zeer verdeeld. Het regelen van de prostitutie is achtereenvolgens aangenomen, afgeschaft en weer aangenomen. In Zwitserland, het land van regeeringsproeven, zijn in verschillende kantons verschillende stelsels toegepast. In sommige wordt geen enkele poging gedaan zich met de prostitutie te bemoeien, behalve onder speciale omstandigheden; in andere is alle prostitutie, en zelfs ontucht in het algemeen, strafbaar; in Genève mogen alleen prostituées, die er geboren zijn, haar bedrijf uitoefenen; in Zürich is sinds 1897 de prostitutie verboden, maar er wordt voor gezorgd, dat er geen moeilijkheden in den weg gelegd worden aan de vrije sexueele verhoudingen, die niet om winst begonnen zijn. Met deze verschillende regelingen staat, naar men zegt, de moraal in Zwitserland over het algemeen tamelijk wel op hetzelfde niveau als elders (Moreau-Christophe, Du Problème de la Misère, deel III, p. 259). Dezelfde conclusie geldt voor Londen. Een onpartijdig waarnemer, Félix Remo (La Vie Galante en Angleterre, 1888. p. 237) kwam tot de conclusie, dat, niettegenstaande Londen's vrije handel, het vrije bestaansbedrijf van de prostitutie, de excessen op alcoholgebied, de deugden van allerlei soort, "deze stad een van de meest moreele hoofdsteden van Europa is". De emancipatie op dit gebied in de laatste jaren is gebleken uit het afschaffen van het systeem van de regeling op de prostitutie door Denemarken in 1906.
Zelfs de vurigste voorstanders van de regeling van de prostitutie erkennen, dat niet alleen de geest van de beschaving eerder ongunstig dan gunstig is aan het systeem, maar dat in de vele landen, waar het stelsel in stand blijft, de ingeschreven prostituées grond verliezen in den strijd tegen de heimelijke prostitutie. Zelfs in Frankrijk, het klassieke land van van politie-wege gecontroleerde prostituées, zijn de "maisons de tolérance" sinds langen tijd gestadig in aantal afgenomen, in het geheel niet omdat de prostitutie afneemt, maar omdat volks brasseries en kleine café-chantants, die gewoonlijk bordeelen zonder vergunning zijn, de plaats ervan innemen [156].
De regeling op grooten schaal van de prostitutie in beschaafde centra wordt tegenwoordig inderdaad nog slechts door weinigen aangeraden, alleen nog door eenige voorstanders van de nieuwere school. Op zijn hoogst wordt ze op bepaalde plaatsen onder speciale omstandigheden wenschelijk geacht [157]. Zelfs zij, die nog gaarne de prostitutie volkomen onder contrôle van de politie zouden willen hebben, erkennen nu, dat de ondervinding aantoont, dat dit onmogelijk is. Daar vele meisjes haar loopbaan zeer vroeg beginnen, zou een gezond systeem van regeling er geen bezwaar in moeten zien als vaste prostituées in te schrijven zelfs meisjes, die nog weinig meer dan kinderen zijn. Dat is echter een logische conclusie, waartegen de moreele zin en zelfs het gezonde verstand van een gemeenschap zich instinctief verzet. In Parijs mogen meisjes niet ingeschreven worden als prostituée voor zij den leeftijd van zestien bereikt hebben en sommigen vinden dien leeftijd zelfs te laag [158]. Bovendien kan de ingeschreven vrouw, als zij ziek wordt, of haar positie moede is, altijd uit de handen van de politie weg glippen en zich ergens anders vestigen als clandestiene prostituée. Iedere starre poging om de prostitutie in handen der politie te houden leidt tot hinderlijke bemoeiing met de daden en de vrijheid van respectabele vrouwen, die zeker ondragelijk moeten zijn in iedere vrije gemeenschap. Zelfs in een stad als Londen, waar de prostitutie betrekkelijk vrij is, heeft het politietoezicht aanleiding gegeven tot lasterlijke aanklachten van politieambtenaren tegen vrouwen, die niets hoegenaamd gedaan hebben, dat een verdenking tegen haar zou kunnen rechtvaardigen. Het ontsnappen van de geïnfecteerde vrouw aan het politietoezicht heeft, dat is duidelijk, de uitwerking, dat het gezondheidsniveau van ingeschreven vrouwen schijnbaar verhoogd wordt, en de statistieken van de politie geven nog verder op misleidende wijze een te mooi beeld door het feit, dat de bewoonsters van bordeelen gemiddeld ouder zijn dan clandestiene prostituées en tegen ziekte immuun zijn geworden [159]. Deze feiten beginnen nu tamelijk wel bekend en erkend te worden. De staatsregeling op de prostitutie is niet gewenscht, op moreele gronden om de reden, waarop dikwijls de nadruk is gelegd, dat ze alleen toegepast wordt op éen sekse, en op praktische gronden, omdat ze geen uitwerking heeft. De maatschappij vergunt de politie de prostituée te hinderen met kleine plagerijen wegens "aanhalen", "onbetamelijk gedrag", enz., maar ze is er niet langer van overtuigd, dat zij onder absolute contrôle van de politie behoort te staan.
Het probleem van de prostitutie schijnt, als we het nauwkeurig bezien, nu nog in dezelfde positie te zijn, waarin het te allen tijde in den loop van de laatste drie duizend jaren geweest is. Om echter de werkelijke beteekenis van de prostitutie te begrijpen, en tot een rationeele houding tegenover haar te komen, moeten we ze van een ruimer standpunt beschouwen; we moeten niet alleen de evolutie en de geschiedenis ervan bestudeeren, maar evenzeer de oorzaken, de verhoudingen en de verdere sociologische perspectieven ervan. Als wij op die wijze het probleem van een ruimer standpunt beschouwen, dan zullen we zien, dat er geen verschil bestaat tusschen de eischen van ethische en die van maatschappelijke hygiëne, en dat de werkzaamheid van beide gelijkelijk besloten ligt in de progressieve verfijning en zuivering van beschaafde sexueele verhoudingen.
III. DE OORZAKEN VAN DE PROSTITUTIE.
De geschiedenis van het ontstaan en de ontwikkeling van de prostitutie stelt ons in staat te zien, dat de prostitutie niet een toevallig bijkomstig iets is van ons huwelijks-systeem, maar dat het een essentieel bestanddeel is, dat tegelijk met de andere bestanddeelen ervan voor den dag komt. De geleidelijke ontwikkeling van de familie op patriarchale en grootelijks monogame basis, maakte het hoe langer hoe moeilijker voor een vrouw over haar eigen persoon te beschikken. Zij behoorde in de eerste plaats aan haar vader, wiens belang het was haar zorgvuldig te bewaken, totdat er een echtgenoot zou komen, die rijk genoeg was om haar te koopen. In de verhooging van haar waarde ontwikkelde zich geleidelijk het nieuwe denkbeeld van de marktwaarde der maagdelijkheid, en waar een "maagd" vroeger beteekend had een vrouw, die vrij was met haar eigen lichaam te doen wat zij wilde, werd de beteekenis ervan nu veranderd en begon het te beteekenen een vrouw, die van den omgang met mannen uitgesloten was. Als zij van haar vader overgedragen werd aan een echtgenoot, dan werd ze nog met dezelfde zorg bewaakt; echtgenoot en vader hadden er gelijkelijk belang bij hun vrouwen te beschermen tegen ongehuwde mannen. De toestand, die zoo ontstond, leidde tot het bestaan van een groote groep jonge mannen, die nog niet rijk genoeg waren om vrouwen te verkrijgen en een groote groep jonge vrouwen, die nog niet tot vrouw gekozen waren, en waarvan velen niet konden verwachten ooit te zullen huwen. Op zulk een punt van de evolutie is de prostitutie klaarblijkelijk onvermijdelijk; ze is niet zoozeer de onontbeerlijke aanvulling van het huwelijk, als wel een essentieel deel van het geheele systeem. Sommige van de overtollige of verwaarloosde vrouwen vinden, terwijl zij haar geldswaarde realiseeren en misschien meteen tradities doen herleven van een vroegere vrijheid, een maatschappelijken werkkring, door haar gunsten te verkoopen om de tijdelijke begeerten te voldoen van de mannen, die nog geen vrouw hebben kunnen krijgen. Zoo is iedere schakel in den keten van het huwelijkssysteem vast aaneengesnoerd en een cirkel gevormd.
Maar terwijl de geschiedenis van de opkomst en de ontwikkeling der prostitutie ons doet zien welk een onverwoestbaar en essentieel element de prostitutie is van het huwelijks-systeem, dat sinds lang in Europa bestaan heeft--onder verschillende toestanden van ras, staatkunde, maatschappij en godsdienst--verschaft het ons toch niet in ieder opzicht de feiten, die noodig zijn om tegenwoordig tot een bepaalde houding jegens de prostitutie te komen. Om de plaats van de prostitutie in ons bestaand systeem te begrijpen, is het noodig, dat we de voornaamste factoren van de prostitutie analyseeren. We kunnen die het gemakkelijkst leeren begrijpen, als we de prostitutie, naar volgorde, van vier gezichtspunten bekijken. Deze zijn: (1) economische noodzakelijkheid; (2) biologische predispositie; (3) moreele voordeelen; en (4) wat genoemd kan worden de waarde ervan voor de beschaving.
Terwijl deze vier factoren van de prostitutie mij degene toeschijnen, die ons hier voornamelijk aangaan, is het nauwelijks noodig er op te wijzen, dat vele andere oorzaken samenwerken om prostitutie te veroorzaken en te wijzigen. Prostituées zelf trachten dikwijls andere meisjes er toe te brengen dezelfde paden in te slaan; er moeten nieuwelingen gevonden worden voor bordeelen, waardoor we "den handel in blanke slavinnen" krijgen, die nu in vele deelen van de wereld krachtdadig bestreden wordt; terwijl al de vormen om meisjes tot dit leven te verleiden begunstigd worden door alcoholisme, dat dikwijls de prostitutie als het ware voorbereidt. Gewoonlijk zal men vinden, dat verscheidene oorzaken samengewerkt hebben om het meisje op den weg der prostitutie te voeren.
De wijzen, waarop verschillende factoren van omgeving en suggestie samenwerken om een meisje tot prostitutie te verleiden, worden aangeduid in het volgende gezegde, waarin een correspondent, als man van de wereld, zijn eigen conclusies over de zaak heeft uiteengezet: "Ik heb tamelijk veel ervaringen gehad met lichte vrouwen van allerlei soort en ik kan zonder aarzelen zeggen, dat niet meer dan 1 percent van de vrouwen die ik gekend heb, als beschaafd konden worden beschouwd. Dit wijst er op, dat zij altijd van lage afkomst zijn, en de verschrikkelijke gevallen van overbevolking, die dagelijks aan het licht komen, geven aanleiding te denken dat reeds op zeer jeugdigen leeftijd het gevoel van schaamte verloren gaat, en dat lang vóór de puberteit een zekere gemeenzaamheid met sexueele zaken ontstaat. Zoodra zij oud genoeg zijn, worden deze meisjes door haar minnaars verleid; de gemeenzaamheid, waarmee zij sexueele zaken beschouwen, neemt de terughouding weg die een meisje beschermt, dat haar jeugd in fatsoenlijken kring heeft doorgebracht. Later gaan de meisjes in fabrieken en winkels werken; als zij mooi en aantrekkelijk zijn hebben zij betrekkingen met chefs en meesterknechts. Dan brengt de lust tot opschik, die zoo'n grooten factor vormt in het vrouwelijk karakter er haar toe de "maitres" te worden van een man met geld. Een merkwaardig ding in deze verhouding is, dat zij zelden genot vinden bij haar beschermers, en dat ze aan de ruwer omarmingen van den een of anderen man, die in stand dichter bij haar is, zeer dikwijls een soldaat, de voorkeur geven. Ik heb niet veel vrouwen gekend die verleid waren en verlaten, hoewel dit een voorstelling is, die door prostituées dikwijls van de zaak gegeven wordt. Kellnerinnen nemen een groote plaats in in de gelederen van de prostitutie, voor een groot deel ten gevolge van haar verslaafd zijn aan den drank; dronkenschap leidt bij vrouwen altijd tot laksheid in de moreele terughouding. Een andere machtige factor voor het overgaan tot de prostitutie ligt in den glans van den opschik, waarmee gepronkt wordt door den eene of andere vriendin, die dit leven reeds aangenomen heeft. Een meisje, dat hard werkt, om te leven ziet een vriendin, die misschien een bezoek brengt in de straat waar het hard werkende meisje woont, prachtig gekleed, terwijl zijzelf ternauwernood genoeg kan verdienen om te eten. Zij maakt een praatje met haar modieuse vriendin, die haar vertelt hoe gemakkelijk zij geld kan verdienen, ze legt haar uit welk een levensgoed de sexueele organen zijn, en spoedig is er een nieuweling tot de gelederen der prostitutie toegetreden".
Het heeft eenig belang de redenen die meisjes leiden tot prostitutie te beschouwen. In sommige landen vindt men dienaangaande gegevens van menschen, die van ambtswege met de publieke vrouwen in aanraking komen. In andere landen is het regel dat meisjes, voor zij als prostituées worden ingeschreven, de redenen opgeven waarom zij de loopbaan wenschen te betreden.
Parent-Duchâtelet, wiens werk over prostituées in Parijs nog als gezaghebbend geldt, heeft het eerste overzicht van deze soort gepubliceerd. Hij bevond, dat van de vijf duizend prostituées er 1441 geïnfluenceerd waren door armoede, 1425 door verleiden van minnaars, die haar verlaten hadden, 1255 door het verlies van ouders door den dood, of door eenige andere reden. Bij zulk een overzicht wordt het geheele aantal in 't algemeen verklaard door ellende, dat is door economische oorzaken alleen (Parent-Duchâtelet, De la Prostitution, 1857, deel I, p. 107).
In Brussel werden gedurende een tijdvak van twintig jaren (1865--1884) 3505 vrouwen ingeschreven als prostituée. De oorzaken, die zij aangaven waarom zij deze loopbaan wenschten te betreden, geven een ander beeld dan dat, hetwelk door Parent-Duchâtelet gegeven wordt, maar misschien een dat meer betrouwbaar is, hoewel er eenige bepaalde en merkwaardige inconsequenties in zijn. Van de 3505 verklaarden 1523 dat uiterste armoede de oorzaak was van haar degradatie; 1118 bekenden vrijuit dat haar sexueele hartstochten de oorzaak waren; 420 schreven haar val toe aan slecht gezelschap; 316 zeiden dat zij genoeg hadden van haar werk en dat het haar verveelde, omdat de moeite zoo groot was en het loon zoo klein; 101 waren verlaten door haar minnaars; 10 hadden ongenoegen gehad met haar ouders; 7 waren door haar echtgenooten verlaten; 4 konden het niet vinden met haar voogden; 3 hadden familietwisten; 2 werden door haar echtgenooten gedwongen zich te prostitueeren, en 1 door haar ouders (Lancet, Juni 28, 1890, p. 1442).
In Londen bevond Merrick, dat van de 16.022 prostituées met wie hij in aanraking kwam gedurende de jaren dat hij kapelaan was aan de Millbank-gevangenis, 5061 haar huis of haar betrekking vrijwillig hadden verlaten voor "een leven van pleizier", 3363 gaven armoede op als de oorzaak; 3154 waren "verleid" en daarna op straat geraakt; 1636 waren door huwelijksbeloften bedrogen en door minnaar en betrekkingen verlaten. Over het geheel, zegt Merrick, dat 4790 of bijna een derde van het geheele aantal haar overgaan tot de loopbaan direct aan mannen toeschrijven, 11.232 aan andere oorzaken. Hij voegt er bij, dat van hen, die armoede als oorzaak opgaven, een groot aantal lui en onbekwaam was (G. P. Merrick, Work Among the Fallen, p. 38).
Logan, een Engelsch stadszendeling met een groote mate van bekendheid met prostituées, verdeelde ze in de volgende groepen: 1. Een vierde van de meisjes zijn dienstboden, vooral in herbergen, bierhuizen enz., en zoo in het leven der prostitutie ingeleid; 2. een vierde komt van fabrieken enz.; 3. bijna een vierde wordt door koppelaarsters geleverd, die provincie-steden, markten enz. bezoeken; 4. een laatste groep omvat aan den eenen kant haar, die door armoede, indolentie of een slecht humeur er toe gebracht zijn prostituée te worden, dingen, die haar ongeschikt maken voor gewone beroepen, en aan den anderen kant kant haar, die verleid zijn door een valsche huwelijksbelofte (W. Logan, The Great Social Evil, 1871, p. 53).
In Amerika heeft Sanger rapport uitgebracht over de resultaten van onderzoekingen, die gedaan zijn over twee duizend New-Yorksche prostituées aangaande de oorzaken, die haar er toe gebracht hebben haar beroep te kiezen:
Armoede 525 Neiging 513 Verleid en verlaten 258 Drank en dranklust 181 Slechte behandeling door ouders, betrekkingen of echtgenooten 164 Als een gemakkelijk leven 124 Slecht gezelschap 84 Overreding door prostituées 71 Te lui om te werken 29 Verkrachting 27 Verleid op schepen van landverhuizers 16 Verleid in herbergen voor landverhuizers 8 ---- 2000
(Sanger, History of Prostitution, p. 488).
Ook in Amerika heeft Professor Woods Hutchinson zich onlangs in verbinding gesteld met ongeveer dertig vertegenwoordigers in verschillende groote centra van het wereldverkeer, en hij noemt als volgt de antwoorden op zijn vragen aangaande de leer der oorzaken van de prostitutie.
Percent. Liefde voor vertoon, weelde en luiheid 42.1 Slechte behandeling thuis 23.8 Verleiding, waarbij zij onschuldige slachtoffers waren 11.3 Werkloosheid 9.4 Erfelijkheid 7.8 Primair sexueel verlangen 5.6
(Woods Hutchinson, "The Economics of Prostitution", American Gynaecologic and Obstetric Journal, September 1895; Id., The Gospel According to Darwin, p. 194).
In Italië waren in 1881 van de 10.422 ingeschreven prostituées van den leeftijd van zeventien en ouder, de oorzaken van de prostitutie als volgt in klassen verdeeld:
Ondeugd en verdorvenheid 2752 Dood van ouders, echtgenoot enz. 2139 Verleiding door een minnaar 1653 Verleiding door een werkgever 927 Verlaten door ouders, echtgenoot, enz. 795 Zucht naar weelde 698 Dwang door minnaar of ander persoon buiten de familie 666 Dwang door ouders of echtgenoot 400 Om ouders of kinderen te onderhouden 393
(Ferriani, Minorenni Delinquenti, p. 193).
De redenen door Russische prostituées aangegeven voor het kiezen van haar beroep zijn (volgens Federow) de volgende:
38.5 percent onvoldoende loon. 21.0 ,, verlangen naar amusement. 14.0 ,, verlies van betrekking. 9.5 ,, overreding door vrouwelijke bekenden. 6.5 ,, ontwend zijn aan de gewoonte van te werken. 5.5 ,, verdriet, en om een minnaar te plagen. 0.5 ,, dronkenschap.
(Opgesomd in Archives d'Anthropologie Criminelle, Nov. 15, 1901).
1. De Economische oorzaak van de Prostitutie.--Schrijvers over de prostitutie beweren dikwijls, dat economische omstandigheden ten grondslag liggen aan de prostitutie en dat de voornaamste oorzaak ervan armoede is, terwijl prostituées zelf dikwijls verklaren, dat het bezwaar om op andere wijze een bestaan te verdienen de voornaamste oorzaak was, die haar er toe gebracht heeft deze loopbaan te kiezen. "Van al de oorzaken van de prostitutie", schreef Parent-Duchâtelet een eeuw geleden, "vooral in Parijs, en waarschijnlijk in alle groote steden, is er geen die ernstiger is dan gebrek aan werk en onvoldoend loon". In Engeland zegt Sherwell, dat ook de moraal in hooge mate afhangt van den handel [160]. Zoo is het ook in Berlijn, waar het aantal prostituées in slechte jaren toeneemt [161]. Dat is ook het geval in Amerika, evenals in Japan; "de oorzaak der oorzaken is armoede" [162].
Zoo wordt overal door onderzoekers open en in het algemeen gezegd, dat de prostitutie in ruime mate en algemeen een economisch verschijnsel is, dat een gevolg is van de lage loonen van vrouwen of van plotselinge depressies in den handel. We moeten er echter bijvoegen, dat deze algemeene gezegden aanmerkelijk gewijzigd worden, in het licht van de nauwkeurige nasporingen gedaan door zorgvuldige onderzoekers. Ströhmberg, die 462 prostituées nauwkeurig onderzocht, ontdekte, dat er maar éen onder was, die armoede aangaf als de reden, waarom ze het beroep koos, en bij onderzoek bleek deze opgave een onbeschaamde leugen te wezen [163]. Hammer bevond, dat van de negentig ingeschreven Duitsche prostituées er niet éen haar loopbaan gekozen had uit gebrek of om een kind te onderhouden, terwijl sommige de straat op gingen terwijl ze nog geld hadden, of zonder dat ze wilden betaald worden [164]. Pastor Buschmann, van het Teltow Magdalena gesticht in Berlijn bevindt, dat het niet gebrek is, maar onverschilligheid voor moreele overwegingen, waardoor meisjes tot de prostitutie komen. In Duitschland wordt, voordat een meisje op het politieregister wordt ingeschreven, gepaste zorg gedragen, dat haar een kans gegeven wordt in een asyl te komen en werk te krijgen; in Berlijn waren, in den loop van tien jaar, maar twee meisjes--van de duizend--bereid van deze gelegenheid te profiteeren.
De moeilijkheid, die Engelsche reddingshuizen ondervinden om meisjes te vinden, die zich willen laten "redden" is bekend. Dezelfde moeilijkheid vindt men in andere steden, zelfs waar geheel andere toestanden heerschen; zoo ondervindt men in Madrid, volgens Bernaldo de Quiros en Llanas Aquilaniedo, dat de prostituées, die in de asyls komen, ondanks al de toewijding van de nonnen, tot haar oude leven terugkeeren, zoodra ze de asyls verlaten hebben. Terwijl de economische factor bij de prostitutie ongetwijfeld bestaat, berust de ongemotiveerde veelvuldigheid en de nadruk, waarmee hij op den voorgrond wordt gebracht en aangenomen, klaarblijkelijk voor een deel op onwetendheid aangaande de werkelijke feiten, voor een deel op het feit, dat zulk een onderstelling spreekt tot hen, die de zwakheid hebben alle maatschappelijke verschijnselen uit economische oorzaken te verklaren en voor een deel op de duidelijke aannemelijkheid ervan [165].
Prostituées komen voornamelijk voort uit de gelederen der fabrieksmeisjes, dienstmeisjes, winkeljuffrouwen en kellnerinnen. In sommige van deze betrekkingen is het moeilijk het geheele jaar door werk te vinden. Zoo worden vele modistes, kleermaaksters en naaisters prostituée, als het de slappe tijd is in het bedrijf, en ze gaan weer aan haar werk als het seizoen begint. Soms wordt het geregelde dagwerk aangevuld door prostitutie 's avonds. Er wordt gezegd, en misschien is dat waar, dat amateur-prostitutie van deze soort in Engeland zeer veel voorkomt, daar ze niet tegengegaan wordt door de voorzorgen, die, in landen waar de prostitutie geregeld is, de geheime prostitutie moet in acht nemen, om inschrijving te ontgaan. Er zijn bepaalde waschgelegenheden en kleedkamers in het centrum van Londen, die, naar men zegt, door de meisjes gebruikt worden om zich op de gebruikelijke wijze te blanketten, en om het blanketsel er ten slotte weer af te wasschen, voor zij naar huis gaan [166]. Het is zeker, dat in Engeland een groot deel der ouders, die tot den werkmansstand behooren en zelfs tot de lagere middelklasse, onbekend zijn met den aard van het leven, dat hun eigen dochters leiden. We moeten hieraan ook toevoegen, dat de ouders voor dit gedrag van de dochter nu en dan de oogen sluiten of het zelfs aanmoedigen; zoo schrijft een correspondent, dat hij "steden in Engeland kent, waar de prostitutie niet beschouwd wordt als iets schandelijks, en dat hij zich vele gevallen kan herinneren, waarin het huis van de moeder door de dochter gebruikt wordt met goedvinden van de moeder".
Acton zegt in een goed boek over de prostitutie in Londen, geschreven in het midden van de laatste eeuw, dat de prostitutie "een overgangsstadium is, waar een onnoemelijk groot aantal Engelsche vrouwen in verkeert" [167]. Deze bewering werd toen met nadruk bestreden door vele ernstige moralisten, die weigerden toe te geven, dat het voor een vrouw, die in zoo'n diepe put van vernedering gevallen was, mogelijk was om er ooit weer fatsoenlijk en wel uit te komen. Toch is het zeker waar wat een groote proportie vrouwen betreft, niet alleen in Engeland, maar ook in andere landen. Zoo zegt Parent-Duchâtelet, de grootste autoriteit over de Fransche prostitutie, dat "prostitutie voor het meerendeel alleen maar een overgangsstadium is; gewoonlijk wordt het al in het eerste jaar verlaten; er zijn maar zeer weinige prostituées, die prostituée blijven tot haar dood". Het is echter moeilijk zich precies te vergewissen in hoeverre dat waar is; er zijn geen feiten, die zouden kunnen dienen als een juiste basis voor nauwkeurige taxatie [168], en het is niet mogelijk te verwachten, dat fatsoenlijk getrouwde vrouwen zouden toegeven, dat zij ooit "op de straat" geweest zijn; zij zouden het misschien niet eens zich zelf altijd willen bekennen.
Het volgende geval, dat wel is waar geboekt is meer dan twintig jaar geleden, is tamelijk typisch voor een bepaalde klasse onder de lagere rangen van de prostituées, waarbij de economische factor een groote rol speelt, maar waarin we niet te haastig moeten aannemen, dat hij de eenige factor is.
Weduwe, dertig jaar oud, met twee kinderen. Werkt in een parapluiefabriek in het East-End van Londen, verdient achttien shilling per week met hard werken, en vermeerdert haar inkomen door nu en dan 's avonds de straat op te gaan. Zij komt meestal in een rustige straat, die dicht bij een groot stedelijk eindstation ligt. Zij is een vrouw met een aangenaam, bijna waardig voorkomen, rustig gekleed op een wijze, die alleen de aandacht trekt doordat de rokken tamelijk kort zijn. Als ze aangesproken wordt, zal ze misschien antwoorden, dat ze wacht "op een vriendin", op geaffecteerde wijze over het weer spreken, en langs haar neus weg haar aanbod doen. Zij zal een man naar een van de stille winkelstraten in de buurt brengen, of ze zal hem met zich mee naar huis nemen. Zij neemt iedere som aan, die de man kan of wil geven; soms is het een sovereign, soms is het sixpence; gemiddeld verdient zij een paar shilling per avond. Zij had nog maar tien maanden in Londen gewoond; vroeger woonde ze in Newcastle. Zij ging daar de straat niet op; "omstandigheden veranderen een mensch", merkt zij zeer verstandig op. Hoewel ze niet gunstig over de politie spreekt, zegt zij, dat ze zich niet met haar bemoeit, zooals met sommige van de meisjes. Zij geeft de politieagenten nooit geld; toch zinspeelt ze er op, dat het soms noodig is hun wenschen te bevredigen, om met hen op goeden voet te blijven.
Men moet altijd in gedachten houden, want het wordt soms door de socialisten en maatschappelijke hervormers vergeten, dat, terwijl de druk van de armoede een bepaalden invloed uitoefent op de prostitutie, in zooverre, dat hij de gelederen doet toenemen van de vrouwen, die door ontucht in haar levensonderhoud trachten te voorzien, zoodat de armoede wel degelijk kan beschouwd worden als een factor van de prostitutie, toch nooit eenige praktisch mogelijke verhooging van het arbeidsloon direct en alleen tot afschaffing der prostitutie zou kunnen leiden. De Molinari, een economisch-theoreticus merkt op, dat "de prostitutie een industrie" is, en dat, als andere concurreerende bedrijven vrouwen voldoende hooge loonen kunnen bieden, zij niet zoo dikwijls aangetrokken zullen worden door de prostitutie; hij gaat voort met er op te wijzen, dat hiermee de kwestie in het geheel niet opgelost is. "Evenals iedere andere industrie wordt de prostitutie beheerscht door den eisch van de behoefte, waaraan ze beantwoordt. Zoolang die behoefte en die eisch blijven bestaan, zullen zij een aanbod uitlokken. Het is de behoefte en de eisch, waarop we moeten werken, en misschien zal de wetenschap ons de middelen verschaffen dat te doen" [169]. Op welke wijze Molinari verwacht, dat de wetenschap de vraag naar prostituées verminderen zal, is niet duidelijk uitgedrukt.
Niet alleen moeten we toegeven, dat geen praktisch uitvoerbare verhooging van de loonen, aan vrouwen in gewone industrieën betaald met mogelijkheid kan wedijveren met de loonen, die tamelijk aantrekkelijke vrouwen van zeer gewone bekwaamheid met de prostitutie verdienen [170], maar wij moeten ook bedenken, dat een toename in den algemeenen welstand--die alleen een verhooging van de loonen van vrouwen gezond en normaal kan maken--een verhooging in de loonen van de prostitutie met zich brengt, en een toename in het aantal prostituées. Zoodat, als goede loonen moeten dienen om de prostitutie tegen te gaan, wij alleen kunnen zeggen, dat men met de eene hand meer terug neemt dan men met de andere geeft. Dit is zoo duidelijk, dat Després in een nauwkeurige moreele en demographische studie over de verdeeling van de prostitutie in Frankrijk tot de conclusie komt, dat wij de oude leer, dat "armoede prostitutie veroorzaakt" moeten omkeeren, daar prostitutie regelmatig toeneemt met weelde [171], en dat, naar mate een departement in weelde en voorspoed toeneemt, ook het aantal zoowel van ingeschreven als van vrije prostituées in dat departement vermeerdert. Hier schuilt echter een fout, want, terwijl het waar is, dat, zooals Després beweert, weelde naar prostitutie vraagt, zoo is het ook waar, dat een rijke gemeenschap de uitersten van armoede zoowel als van rijkdom in zich sluit, en dat het onder de armere elementen is, dat de prostitutie haar nieuwelingen vindt. De oude bewering "armoede veroorzaakt prostitutie" is nog geldig, maar ze is gecompliceerd geworden en veranderd door de samengestelde verhoudingen van de beschaving. Bonger heeft, in zijn knappe discussie over de economische zijde van de kwestie, zich den breeden en diepen grondslag van de prostitutie voor oogen gesteld, waar hij tot de conclusie komt, dat ze "aan den eenen kant de onvermijdelijke aanvulling is van de bestaande wettige monogamie, en aan den anderen kant het resultaat van de physieke en psychische ellende, waarin de vrouwen van het volk leven, en ook het gevolg van de ondergeschikte positie van vrouwen in onze hedendaagsche maatschappij" [172]. Een nauwkeurige economische beschouwing van de prostitutie kan ons geenszins tot den wortel van de zaak brengen.
Eén omstandigheid alleen moest al voldoende zijn geweest, om aan te toonen, dat de onbekwaamheid van vele vrouwen, om door arbeidsloon in haar dringendste levensbehoeften te voorzien, in geenen deele de voornaamste oorzaak is van de prostitutie: een groot deel der prostituées komt voort uit de gelederen der dienstmeisjes. Van al de groote groepen van loonarbeidsters zijn de dienstboden het meest vrij van economische zorgen; zij betalen niet voor voedsel en voor woning; dikwijls hebben zij het even goed als haar meesteressen, en in een groot aantal gevallen hebben zij minder geldzorgen dan deze. Bovendien voorzien zij in een bijna algemeene behoefte, zoodat er nooit zelfs voor maar zeer middelmatig bekwame dienstboden eenige nood is, dat ze zonder werk zullen zijn. Nu is het wel waar, dat zij een zeer groot lichaam vormen, dat natuurlijk een bepaald contingent nieuwelingen aan de prostitutie moest leveren. Maar als wij zien, dat huiselijke dienst het voornaamste reservoir is, waaruit de prostitutie vloeit, dan moet het wel duidelijk zijn, dat het verlangen naar voedsel en onderdak geenszins de voornaamste oorzaak is voor de prostitutie.
We kunnen hieraan toevoegen, dat, hoewel de beteekenis van dit overheerschend veel voorkomen van dienstmeisjes onder prostituées zelden erkend wordt door hen, die meenen, dat wegnemen van de armoede tevens is afschaffen van de prostitutie, het niet buiten beschouwing gelaten is door de meer nadenkende onderzoekers van maatschappelijke vraagstukken. Zoo wijst Sherwell er terecht op, dat tot zekere hoogte "de moraal op en neer gaat met den handel", en hij voegt er bij, dat het, tegenover het belang van den economischen factor, een feit is, dat zeer tot nadenken stemt en op iedere wijze indruk maakt, dat de meerderheid der meisjes, die het West-End van Londen bezoeken (88 percent, volgens de boeken van het Leger des Heils) voortkomt uit den huiselijken dienst, waar de economische strijd niet ernstig gevoeld wordt (Arthur Sherwell, Life in West London, hoofdst. V, "Prostitution").
Het is tevens opmerkelijk, dat dienstboden door de omstandigheden van haar leven meer dan eenige andere klasse op de prostituées gelijken (Bernaldo de Quiros en Llanas Aguilaniedo hebben dit aangetoond in La Mala Vida en Madrid, p. 240). Evenals prostituées zijn zij een klasse van vrouwen apart; zij hebben geen recht op de égards en kleine hoffelijkheden, die gewoonlijk aan andere vrouwen worden bewezen; in sommige landen zijn zij zelfs ingeschreven, evenals de prostituées; het kan ternauwernood verwondering wekken, dat als aan haar beroep dezelfde nadeelen verbonden zijn als aan dat van de prostituée, zij ook soms eenige van de voordelen van dat beroep wenschen te bezitten. Lily Braun (Frauenfrage, p. 389 et seq.) heeft in bijzonderheden deze ongunstige omstandigheden van huiselijken arbeid uiteengezet, in zooverre zij betrekking hebben op de neiging onder dienstmeisjes om prostituée te worden. R. de Ryckère heeft in zijn belangwekkend werk, La Servante Criminelle (1907, p. 460 et seq.; cf.), een artikel van dezelfden schrijver, "La Criminalité Ancillaire", Archives d'Anthropologie Criminelle, Juli en December, 1906, de psychologie van het dienstmeisje bestudeerd. Hij vindt, dat zij vooral gekenmerkt wordt door zorgeloosheid, ijdelheid, gebrek aan originaliteit, neiging tot nabootsen, en vluchtigheid. Dit zijn eigenschappen, die haar tot de prostituée doen naderen. De Ryckère schat het aantal der vroegere dienstmeisjes onder de prostituées over het algemeen op vijftig percent, en hij voegt er bij, dat wat de "blanke slavernij" genoemd wordt, hier haar meest meegaande en gewillige slachtoffers vindt. Hij merkt op, dat de dienstbode-prostituée over het geheel niet zoozeer immoreel is als wel zonder moraal.
In Parijs bevond Parent-Duchâtelet dat, wat het aantal betrof, dienstboden het grootste contingent leverden voor de prostitutie, en zijn nieuwere uitgevers vonden ook, dat zij ook in later jaren boven aan de lijst staan (Parent-Duchâtelet, uitgave van 1857, deel I, p. 83). Onder clandestiene prostituées in Parijs ontdekte Commenge onlangs, dat vroegere dienstboden veertig percent leveren. In Bordeaux vond Jeannel (De la Prostitution Publique, p. 102), dat in 1860 veertig percent van de prostituées dienstmeisjes geweest waren; daarna kwamen de naaisters met zeven en dertig percent.
In Duitschland en Oostenrijk is het al lang erkend, dat huisdienst het grootste aantal nieuwelingen voor de prostitutie levert. Lippert, in Duitschland, en Gross-Hoffinger, in Oostenrijk, hebben op dit overheerschen van dienstmeisjes gewezen en op de beteekenis daarvan voor het midden van de negentiende eeuw; onlangs heeft Blaschko gezegd ("Hygiene der Syphilis" in Weyl's Handbuch der Hygiene, deel II, p. 40), dat onder de Berlijnsche prostituées in 1898 de dienstmeisjes bovenaan stonden met een en vijftig percent. Baumgarten heeft geconstateerd, dat in Weenen het getal dienstboden acht en vijftig percent is.
In Engeland zijn, volgens het Rapport van een Select Committee van de Lords over de wetten tot bescherming van kinderen, zestig percent der prostituées dienstmeisjes geweest. F. Remo noemt tachtig percent in zijn Vie Galante en Angleterre. Het schijnt zelfs nog hooger te zijn voor het West-End van Londen. Voor Londen als een geheel genomen, bleek uit de uitgebreide statistieken van Merrick (Work Among the Fallen), kapelaan van de Millbank-gevangenis, dat van de 14.700 prostituées er 5823, of ongeveer veertig percent vroeger dienstmeisjes geweest waren; dat dan de waschvrouwen kwamen en daarna de naaisters; zijn feiten wat meer beknopt en ruwer klassificeerend, bevond Merrick, dat het aantal van de dienstmeisjes drie en vijftig percent was.
In Amerika zegt Sanger, dat drie en veertig percent der prostituées dienstmeisjes geweest waren, en dat de naaisters dan kwamen, maar na een langen tusschenpoos, met zes percent (Sanger, History of Prostitution, p. 524). Onder de prostituées van Philadelphia zegt Goodchild, dat "dienstmeisjes waarschijnlijk naar verhouding het meest voorkomen", hoewel er nieuwelingen kunnen gevonden worden uit bijna alle beroepen.
In andere landen is het hetzelfde. In Italië komen volgens Tammeo (La Prostituzione, p. 100) de dienstmeisjes het eerst onder de prostituées met acht en twintig percent, gevolgd door den groep van naaisters, costuumnaaisters en modemaaksters, zeventien percent. In Sardinië zegt A. Mantegazza, dat de meeste prostituées dienstmeisjes van buiten zijn. In Rusland is volgens Fiaux het aantal vijf en veertig percent. In Madrid komen, volgens Eslava (zooals aangehaald wordt door Bernaldo de Quiros en Llanas Aguilaniedo (La Mala Vida en Madrid, p. 239) dienstmeisjes bovenaan bij de ingeschreven prostituées met zeven en twintig percent--bijna dezelfde verhouding als in Italië--en ook gevolgd door de naaisters. In Zweden waren er, volgens Welander (Monatshefte für Praktische Dermatologie, p. 477) onder de 2541 ingeschreven prostituées 1586 (of twee en zestig percent) dienstmeisjes; op een grooten afstand volgden 210 naaisters, dan 168 fabrieksmeisjes, enz.).
De biologische factor van de prostitutie.--Economische overwegingen hebben, zooals we zien, een zeer belangrijken invloed op de prostitutie, hoewel het in het geheel niet juist is te beweren, dat zij de voornaamste oorzaak vormen. Er is een ander probleem, dat veel onderzoekers heeft bezig gehouden: In welke mate zijn prostituées tot dit beroep gepredestineerd door organische constitutie? Het wordt algemeen toegegeven, dat economische en andere omstandigheden een oorzaak zijn, die tot de prostitutie opwekken; in hoeverre zijn zij, die bezwijken, gepredisponeerd doordat ze abnormale, persoonlijke eigenschappen bezitten? Sommige onderzoekers hebben beweerd, dat deze predispositie zoo stellig bestaat, dat prostitutie wel mag beschouwd worden als een vrouwelijk equivalent voor criminaliteit, en dat in een familie, waar de mannen zich instinctief naar de misdaad keeren, de vrouwen zich instinctief keeren naar de prostitutie. Anderen hebben even beslist deze conclusie bestreden.
Lombroso heeft meer speciaal de leer voorgestaan, dat de prostitutie het plaatsvervangend equivalent is van de criminaliteit. Hiermee bracht hij de resultaten tot ontwikkeling, die in een belangrijke studie aangaande de familie Jukes, door Dugdale gepubliceerd zijn; Dugdale bevond dat "daar, waar de broeders misdaad plegen, de zusters tot de prostitutie komen"; de geld- en gevangenisstraffen van de leden der familie waren niet opgelegd wegens schending van het eigendomsrecht, maar voornamelijk wegens beleedigingen van de openbare zedelijkheid. "De psychologische, zoowel als de anatomische identiteit van den misdadiger en de geboren prostituée", tot dit besluit kwamen Lombroso en Ferrero, "kon niet meer volkomen zijn: beiden zijn gelijk aan den moreel krankzinnige, en daarom zijn ze, volgens het axioma, weer aan elkander gelijk. Daar is hetzelfde gebrek aan zedelijk gevoel, dezelfde hardheid van gemoed, dezelfde vroege lust tot het kwade, dezelfde onverschilligheid voor maatschappelijke schande, dezelfde wispelturigheid, luiheid en zorgeloosheid, dezelfde smaak voor lichtzinnige genoegens, voor de orgie en voor alcohol, dezelfde, of bijna dezelfde, ijdelheid. Prostitutie is slechts de vrouwelijke zijde van de criminaliteit. En zoo waar is het dat prostitutie en criminaliteit twee analoge, of, om zoo te zeggen, parallel gaande verschijnselen zijn, dat zij in hun uitersten elkaar ontmoeten. De prostituée is dus psychologisch een misdadige: als zij geen eigenlijke misdaden begaat, dan is het omdat haar physieke zwakte, haar gering verstand, het gemak waarmee zij alles wat zij noodig heeft op eenvoudige wijze verkrijgen kan, haar ontslaan van de noodzakelijkheid misdaden te begaan, en juist om deze redenen vertegenwoordigt de prostitutie den specifieken vorm van vrouwelijke criminaliteit". De schrijvers voegen er bij, dat "prostitutie, in zekeren zin, maatschappelijk nuttig is als een afvoerkanaal voor de mannelijke sexualiteit en een voorbehoedmiddel tegen de misdaad" (Lombroso en Ferrero, La Donna Delinquente, 1893, p. 571).
Zij, die dit gezichtspunt bestreden hebben, hebben zich op ander standpunt geplaatst dan Lombroso en Ferrero, en zij hebben in het geheel niet altijd de positie, die zij aanvielen, begrepen. Zoo betoogt W. Fisher met veel kracht (in Die Prostitution) dat prostitutie niet is een onschuldig equivalent van de criminaliteit, maar een factor van de criminaliteit. En Féré beweert (in Dégénérescence et Criminalité), dat criminaliteit en prostitutie niet equivalent zijn, maar identiek. "Prostituées en misdadigers", zegt hij, "hebben als gemeenschappelijk kenmerk hun onproductiviteit, en bijgevolg zijn ze onmaatschappelijk. Prostitutie vormt zoo een vorm van criminaliteit." Het essentieele kenmerk van misdadigers is echter niet hun onproductiviteit, want die hebben ze gemeen met een groot deel van de rijksten uit de hoogste standen; we moeten er ook bijvoegen, dat de prostituée, ongelijk aan den misdadiger, een werkzaamheid uitoefent, waar navraag naar is, waarvoor zij bereidwillig betaald wordt en waarvoor zij te werken heeft (het is soms opgemerkt, dat de prostituée neerziet op den dief, die "niet werkt"); zij oefent een beroep uit, en zij is niet meer of minder productief dan zij, die meer respectabele beroepen uitoefenen. Aschaffenburg meent dat hij staat tegenover Lombroso, waar hij eenigszins verschillend van Féré beweert, dat de prostitutie inderdaad niet is zooals Féré zeide, een vorm van criminaliteit, maar dat ze te dikwijls samengaat met criminaliteit om als een equivalent beschouwd te worden. Onlangs heeft Mönkemöller hetzelfde standpunt verdedigd. Hier is echter, als gewoonlijk, een groot verschil van meening aangaande de proportie van prostituées, waarvan dit waar is. Alle onderzoekers erkennen dat dit waar is voor een zeker aantal, maar terwijl Baumgarten bij onderzoek van acht duizend prostituées maar een kleine proportie vond die misdadigsters waren, vond Ströhmberg, dat van de 462 prostituées er 175 dieveggen waren. Aan den anderen kant staat Morasso (zooals in Archivio di Psichiatria aangehaald is, 1896, afl. 1), op grond van zijn eigen onderzoekingen, meer bepaald tegenover Lombroso, daar hij protesteert tegen iedere zuiver degeneratieve beschouwing van de prostituées, die haar op eenigerlei wijze zou gelijk maken aan misdadigers.
De kwestie van de sexualiteit van de prostituées, die in zekere betrekking staat tot haar neiging tot degeneratie, is door verschillende schrijvers in verschillenden zin opgelost. Terwijl sommige, zooals Morasso, beweren, dat de sexueele impuls de voornaamste oorzaak is die vrouwen er toe brengt de loopbaan van prostituée te kiezen, beweren andere, dat prostituées gewoonlijk bijna zonder sexueelen impuls zijn. Lombroso verwijst naar het veel voorkomen van sexueele koelheid onder prostituées [173]. In Londen zegt Merrick, die bekend was met meer dan 16.000 prostituées, dat hij "maar heel enkele gevallen" ontmoet heeft waarin grof sexueel verlangen de beweegreden geweest is tot het kiezen van een leven van prostitutie. In Parijs had Raciborski al veel vroeger gezegd, dat "men onder prostituées er maar zeer weinig vindt die tot losbandigheid gedrongen werden door sexueelen gloed" [174]. Ook Commenge, die zorgvuldig de Parijsche prostituée bestudeerd heeft, kan niet toegeven dat sexueele begeerte genoemd mag worden onder de ernstige oorzaken van de prostitutie. "Ik heb duizende vrouwen over dit punt ondervraagd", zegt hij, "en maar zeer weinige hebben mij verteld, dat zij tot de prostitutie gedreven waren ter bevrediging van haar sexueele behoeften. Hoewel meisjes, die zich aan de prostitutie overgeven, gewoonlijk niet zeer oprecht zijn, hebben zij geloof ik op dit punt geen behoefte om te bedriegen. Als zij sexueele behoeften hebben, dan verbergen zij die niet, maar integendeel vertoonen zij een zekere voorliefde om ze te erkennen als een voldoende rechtvaardiging voor haar leven; zoodat, als maar een zeer kleine minderheid deze beweegreden aanhaalt, de oorzaak is dat ze voor de groote meerderheid niet bestaat".
Er kan geen twijfel aan zijn dat de opmerkingen, die aangaande de sexueele koelheid van prostituées gemaakt worden, dikwijls veel te weinig bepaald zijn. Dit berust voor een deel zeker op het feit, dat ze gewoonlijk gedaan worden door hen, die spreken uit hun bekendheid met oude prostituées, wier gemeenzaamheid met normaal sexueel verkeer in zijn minst aantrekkelijken vorm tot resultaat heeft gehad, dat zij volkomen onverschillig werden voor zulk verkeer, zoover haar cliënten aangaat [175]. Het kan naar waarheid getuigd worden, dat voor de vrouw van diepen hartstocht de kortstondige en oppervlakkige verhoudingen van de prostitutie geen verleiding kunnen bieden. En we kunnen er bijvoegen, dat de meerderheid der prostituées haar loopbaan op zeer jeugdigen leeftijd begint, lang voor den tijd waarop bij vrouwen de neiging tot hartstocht nog gekomen is [176]. We kunnen ook wel zeggen, dat een onverschilligheid voor sexueele verhoudingen, een neiging er geen persoonlijke waarde aan te hechten, dikwijls een predisponeerende oorzaak is bij het aannemen van de loopbaan van prostituée; de geestelijke ondiepte van prostituées kan wel samengaan met ondiepte van physieke gemoedsbeweging. Aan den anderen kant schijnen veel prostituées, in ieder geval in het begin van haar loopbaan, een merkbare mate van zinnelijkheid te vertoonen, en voor vrouwen van ruwe sexueele kracht is de prostitutie in dit opzicht niet zonder aantrekkingskracht geweest; men weet, dat de bevrediging van physieke begeerte in sommige gevallen als motief gewerkt heeft en in andere is ze duidelijk na te wijzen [177]. Dit kan ternauwernood verwondering wekken als wij bedenken, dat prostituées in veel gevallen opmerkelijk sterke en gezonde menschen zijn wat haar algemeenen toestand betreft [178]. Zij bieden zonder moeite weerstand aan de gevaren van haar beroep, en hoewel de uitingen van sexueel gevoel onder den invloed daarvan in den loop van den tijd wel moeten gewijzigd worden of verdraaid, zoo is dit geen bewijs dat sexueele gevoeligheid oorspronkelijk afwezig was. Het is zelfs geen bewijs van het verlies ervan, want de werkelijke natuur van de normale prostituée en haar sexueele gloed vinden voornamelijk uiting niet in haar beroepsverhoudingen tot haar cliënten, maar in haar verhoudingen tot haar minnaar, die tevens haar souteneur is [179]. Het is volkomen waar, dat de omstandigheden van haar leven het dikwijls praktisch voordeelig maken voor de prostituées om aan zich verbonden te hebben een man, die voor haar belangen zorgt en die ze zoo noodig zal verdedigen, maar dat is alleen een bijkomend, toevallig en ondergeschikt voordeel van den "minnaar", voor zoover het prostituées in het algemeen betreft. Zij is in de eerste plaats tot hem aangetrokken omdat hij haar persoonlijk bevalt en zij hem voor zichzelf wil hebben. Het motief voor haar verbintenis is in hoofdzaak erotisch, in den vollen zin van het woord en sluit in zich niet alleen sexueele verhoudingen, maar bezit een gemeenschappelijk belang, een duurzaam en intiem leven, te zamen geleid. "Je weet dat, wat wij in ons beroep doen, ons hart niet kan vullen" zeide een Duitsche prostituée. "Waarom zouden wij niet een echtgenoot hebben zooals andere vrouwen? Ik heb ook behoefte aan liefde. Als dat niet zoo was, zouden we geen behoefte hebben aan een minnaar". En hij van zijn kant beantwoordt dat gevoel en wordt in het geheel niet alleen bewogen door eigenbelang [180].
Een van mijn correspondenten, die veel ondervinding gehad heeft met prostituées, niet alleen in Engeland, maar ook in Duitschland, Frankrijk, België en Holland heeft gevonden, dat de normale uitingen van sexueel gevoel veel meer gewoon zijn onder Engelsche prostituées dan onder die van het vaste land. "Ik zou zeggen", schrijft hij, "dat bij den normalen coïtus vrouwen van het vaste land gewoonlijk geen sexueele opwinding ondervinden. Ik geloof niet, dat ik ooit een vrouw van het vasteland gekend heb, die iets had, dat op geprikkeldheid leek. Engelsche vrouwen echter, geven zich, als een man maar gewoon vriendelijk is en toont dat hij wat gevoel heeft boven uitsluitend zinnelijke bevrediging, dikwijls over aan de meest wilde genoegens van sexueele opwinding. Natuurlijk is er in dit leven, evenals in andere, scherpe concurrentie, en een vrouw moet, om met haar mededingsters te wedijveren, haar mannelijke vrienden behagen; maar een man van de wereld kan altijd onderscheid maken tusschen echte en gesimuleerde hartstocht". (Het is echter mogelijk, dat hij het meeste succes zal hebben bij het opwekken van de gevoelens van de vrouwen van zijn eigen land). Aan den anderen kant vindt deze schrijver, dat de buitenlandsche vrouwen er meer op uit zijn in het genoegen van haar tijdelijke metgezellen te voorzien en zich te vergewissen wat hen genoegen geeft. "De buitenlandsche schijnt het tot de hoofdzaak van haar leven te maken de een of andere abnormale wijze van sexueele bevrediging voor haar metgezel te ontdekken". Voor haar eigen genoegen vragen buitenlandsche prostituées dikwijls om cunnilinctus, liever dan normalen coïtus, terwijl anale coïtus ook gewoon is. Het verschil is klaarblijkelijk, dat de Engelsche vrouwen, als zij bevrediging zoeken, die vinden in normalen coïtus, terwijl de buitenlandsche vrouwen meer abnormale methoden prefereeren. Er is echter een klasse van Engelsche prostituées, die deze correspondent als een uitzondering beschouwt op den algemeenen regel: de klasse van haar, die voortgekomen zijn uit de lagere rangen van het tooneel. "Zulke vrouwen zijn gewoonlijk losbandiger--dat is te zeggen, meer bekend met het bizarre in het sexueele--dan meisjes, die uit winkels komen of uit kroegen; zij vertoonen een bekendheid met fellatio, en zelfs van anale coïtus, en gedurende de menstruatie vragen zij dikwijls om inter-mammaire coïtus".
Over het geheel schijnt het, dat prostituées, hoewel ze haar leven gewoonlijk niet uit beweegredenen van zinnelijkheid kiezen, toch als ze haar loopbaan beginnen of in het eerste deel ervan een tamelijk gewone mate van sexueele impuls bezitten, met variaties in beide richtingen zoowel van exces en tekort, als van perversie. Op een wat later tijd is het nutteloos te trachten de sexueele impuls van prostituées af te meten naar de mate van genoegen, die zij vinden in het beroeps-uitvoeren van sexueelen omgang. Het is noodig zich te vergewissen of zij sexueele instincten hebben, die op andere wijze bevredigd worden. In een groot aantal gevallen vindt men, dat dit zoo is. Masturbatie is vooral onder prostituées uiterst gewoon; hoeveel ze ook voorkomt onder vrouwen, die geen ander middel hebben om sexueele bevrediging te verkrijgen, wordt toch toegegeven, dat ze onder prostituées nog meer voorkomt, ja bijna algemeen [181].
Homosexualiteit, hoewel ze niet zoo gewoon is als masturbatie, wordt onder prostituées zeer veel gevonden--in Frankrijk schijnt het, meer dan in Engeland--en men kan wel zeggen, dat ze meer voorkomt onder prostituées dan onder eenige andere klasse van vrouwen. Ze wordt begunstigd door den verkregen tegenzin tegen normalen coïtus, die voortkomt uit beroeps-omgang met mannen, die er toe leidt dat homosexueele verhoudingen door vergelijking met deze beschouwd worden als rein en ideaal. Het schijnt ook wel, dat in een groot aantal gevallen prostituées een aangeboren aanleg tot sexueele inversie hebben en dat zulk een aanleg, te zamen met onverschilligheid voor den omgang met mannen een oorzaak is, die haar voorbeschikt tot het kiezen van het leven van prostituée. Kurella beschouwt prostituées zelfs als een tweede variëteit van personen met aangeboren inversie. Anna Rüling in Duitschland zegt, dat ongeveer twintig percent van de prostituées homosexueel zijn; als haar gevraagd werd wat er haar toe bracht prostituée te worden, antwoordde meer dan een geïnverteerde vrouw van de straat haar, dat het zuiver een beroeps-zaak was en dat sexueel gevoel buiten kwestie bleef, behalve met een vriendin [182].
Het voorkomen van aangeboren inversie onder prostituées--hoewel we prostituées als een klasse niet als noodzakelijk gedegenereerd behoeven te beschouwen--doet de vraag ontstaan of het waarschijnlijk is, dat we een ongewoon groot aantal physieke en andere afwijkingen onder haar vinden. Het kan niet gezegd worden, dat er op dit punt eenstemmigheid van opinie is. Voor sommige autoriteiten zijn prostituées niets anders dan normale, gewone vrouwen van een lagen maatschappelijken rang, zoo inderdaad haar instincten niet eenigszins verheven zijn boven die van de klasse, waarin zij geboren zijn. Andere onderzoekers vinden onder haar een zoo groote proportie van individuen, die afwijken van het normale, dat zij geneigd zijn de prostituées over het algemeen te plaatsen onder de eene of andere abnormale klasse [183].
Baumgarten, die meer dan 8000 prostituées gekend heeft, bevond, dat maar een zeer klein deel crimineel is of psychopatisch in temperament of organisatie (Archiv für Kriminal-Anthropologie, deel XI, 1902). Het is echter niet duidelijk, dat Baumgarten eenige nauwkeurige en preciese onderzoekingen deed. Mr. Lane, een Londensch politie-rechter, heeft geconstateerd, als resultaat van zijn eigen opmerkingen, dat prostitutie "tegelijk een symptoom en een gevolg is van denzelfden gedegenereerden, physieken en decadenten aard, die aanleiding geeft tot het ontstaan van mannelijke landloopers, kleine dieven en bedelaars van beroep en dat de prostituée gewoonlijk het vrouwelijk analogon daarvan is" (Ethnological Journal, April, 1905, p. 41). Deze schatting is zeker juist, wat een groot deel der vrouwen aangaat, die, dikwijls verzwakt door drank, in de zittingen van de politie-rechters verschijnen, maar ze kan wel nauwelijks zonder nadere aanduiding toegepast worden op prostituées in het algemeen.
Morasso (Archivio di Psichiatria, 1896. afl. 1) heeft geprotesteerd tegen een enkel zuiver degeneratieve beschouwing van de prostituées op grond van zijn eigen opmerkingen. Er is, zegt hij, een categorie van prostituées, onbekend aan wetenschappelijke navorschers, die hij noemt die van de Prostitute di alto bordo. Onder haar zijn de teekenen van degeneratie zoowel physiek als moreel, niet in grooteren getale te vinden, dan onder vrouwen, die niet tot de prostitutie behooren. Zij vertoonen alle soorten van karakters, terwijl sommigen van haar een groote verfijning bezitten; ze worden voornamelijk gekenmerkt door een ongewone mate van sexueele begeerte. Zelfs onder de lagere groep van de bassa prostituzione beweert hij, dat wij een overheerschen vinden van sexueele, zoowel als van professioneele karakters eer dan teekenen van degeneratie. Het is voldoende nog een getuigenis aan te halen, zooals het vele jaren geleden gegeven is door een vrouw van hoog verstand en karakter, Mrs. Craik, de romanschrijfster: "De vrouwen, die vallen, zijn in het geheel niet de slechtste van haar stand", schreef zij. "Ik heb het hooren bevestigen door meer dan een vrouw--door eene vooral, wier ondervinding even groot was als haar welwillendheid--dat vele van haar behooren onder de beste, meest verfijnde, intelligente, waarheidlievende, en liefhebbende. "Ik weet niet hoe het komt", zeide zij dan, "of juist haar meerderheid haar ontevreden maakt met haar eigen stand--arbeiders zijn dikwijls zulke ruwe, boersche kerels!--zoodat zij gemakkelijker ten prooi vallen aan mannen, die in stand boven haar zijn: of dat, hoewel deze theorie veel menschen zal stuiten, andere deugden nog kunnen bestaan en bloeien, volkomen afgescheiden van, en na het verlies van dat, wat wij gewend zijn te beschouwen als de onmisbare eerste deugd van onze sekse--kuischheid. Ik kan het niet verklaren; ik kan alleen zeggen, dat het zoo is, dat sommige van mijn meest belovende dorpsmeisjes het eerst in het verderf zijn geloopen; en dat sommige van de beste en trouwste dienstmeisjes, die ik ooit gehad heb, tot schande kwamen, en als ik ze niet te hulp was gekomen en ze op weg had geholpen het kwaad weer goed te maken, ongetwijfeld "gevallen vrouwen" zouden geworden zijn"." (A Woman's Thoughts About Women, 1858, p. 291). Verschillende schrijvers hebben den nadruk gelegd op de goede moreele eigenschappen van prostituées. Zoo noemt in Frankrijk Despine eerst haar ondeugden op zooals (1) gulzigheid en drankzucht, (2) leugenachtigheid, (3) opvliegendheid, (4) gebrek aan orde en slordigheid, (5) wispelturigheid, (6) behoefte aan beweging, (7) neiging tot homosexualiteit; en dan gaat hij voort haar goede eigenschappen te specificeeren: haar moederliefde en haar kinderliefde, haar hulpvaardigheid voor elkaar; en haar weigeren elkaar aan te klagen; terwijl zij dikwijls godsdienstig zijn, soms bescheiden en gewoonlijk zeer eerlijk (Despine Psychologie Naturelle, deel III, p. 207 et seq.; wat de Siciliaansche prostituées betreft cf. Càllari, Archivio di Psichiatria, afl. IV, 1903). De hulpvaardigheid voor elkaar, die dikwijls in ellende getoond wordt, wordt in hooge mate geneutraliseerd door beroeps-achterdocht en jaloezie.
Lombroso meent, dat de basis van de prostitutie gevonden moet worden in moreele onnoozelheid. Als we door moreele onnoozelheid een toestand moeten verstaan die nauw verwant is aan krankzinnigheid, dan is deze bewering dubbelzinnig. Er schijnt geen duidelijke verhouding te zijn tusschen prostitutie en krankzinnigheid, en Tammeo heeft aangetoond (La Prostituzione, p. 76), dat het veelvuldig voorkomen van prostituées in de verschillende Italiaansche provincies in omgekeerde verhouding staat tot het veelvuldig voorkomen van krankzinnigen; naarmate de krankzinnigheid toeneemt, neemt de prostitutie af. Maar als we meenen een mindere mate van moreele achterlijkheid--dat is te zeggen, een stompheid in ontvankelijkheid voor de gewone moreele beschavingsoverwegingen, die, terwijl ze direct voortkomt uit den verhardenden invloed van een ongunstige jeugd-omgeving, ook kan berusten op een aangeboren aanleg--kan er geen twijfel aan zijn of moreele achterlijkheid wordt zeer dikwijls onder prostituées gevonden. Het zou ongetwijfeld aannemelijk zijn te zeggen, dat iedere vrouw, die haar maagdelijkheid geeft in ruil voor een onvoldoende weergave een achterlijke is. Als zij zich geeft uit liefde, heeft zij op zijn slechtst, een dwaze vergissing begaan, zooals jonge en onervaren menschen ieder oogenblik kunnen begaan. Maar als zij bepaald het plan heeft zich te verkoopen, en als ze dat doet voor niets of voor bijna niets, dan is het een ander geval. De ondervindingen van Commenge in Parijs zijn in dit opzicht leerzaam. "Voor veel jonge meisjes", schrijft hij, "bestaat er geen schaamtegevoel, zij ondervinden geen gemoedsbeweging als zij zich volkomen ongekleed vertoonen, zij geven zich aan den eersten den besten, waarvan zij niet weten, of zij hem ooit weer zullen zien. Zij hechten geen waarde aan haar maagdelijkheid; zij worden onteerd onder de vreemdste omstandigheden, zonder de minste gedachte aan of zorg over de daad, die zij doen. Nòch eenig gevoel, nòch eenige berekening, drijft haar in de armen van een man. Zij laten zich gaan zonder nadenken en zonder reden, bijna als een dier, uit onverschilligheid en zonder genot". Hij kende vijf en veertig meisjes tusschen den leeftijd van twaalf en zeventien, die door den eersten den besten onbekende, dien ze nooit terug zagen, onteerd werden; zij verloren haar maagdelijkheid, naar Dumas zegt, zooals zij haar melktanden verloren, en ze konden geen aannemelijke reden opgeven voor haar verlies. Een meisje van vijftien jaar, dat vermeld wordt door Commenge en dat bij haar ouders woonde, die haar alles gaven wat ze noodig had, verloor haar maagdelijkheid, doordat ze toevallig een man ontmoette, die haar twee francs aanbood, als ze met hem mee wilde gaan; ze deed het zonder aarzelen en begon spoedig uit zichzelf mannen aan te spreken. Een meisje van veertien jaar, die ook behagelijk bij haar ouders woonde, gaf haar maagdelijkheid op een kermis voor een glas bier, en begon van toen af zich aan te sluiten bij prostituées. Een ander meisje van denzelfden leeftijd, die op een Kermesse in den draaimolen wilde draaien, bood zich aan, aan den man die de machine bediende, voor het genoegen van eenmaal rond te draaien. Nog een ander meisje van vijftien jaar, op een ander feest, bood haar maagdelijkheid voor hetzelfde tijdelijke genoegen. (Commenge, Prostitution Clandestine, 1897, p. 101 et seq.). In de Vereenigde Staten legt Dr. W. Travis Gibb, behandelend geneesheer aan de "New York Society for the Prevention of Cruelty to Children", dezelfde getuigenis af van het feit, dat in een tamelijk groot deel van gevallen van "verkrachting" het kind het gewillige slachtoffer is. "Het is bepaald aandoenlijk" zegt hij (Medical Record, April 20, 1907), "te bemerken hoe een stuiversstuk of een kwartje voldoende zijn om de deugd van deze kinderen te koopen".
Indien we willen onderzoeken in hoeverre prostituées aangeboren physieke afwijkingen vertoonen, dan is het gelaat de ruwste en meest voor de hand liggende toetssteen, hoewel hij niet de meest preciese is en evenmin de meeste bevrediging geeft. Toen in Frankrijk, ongeveer 1000 prostituées wat haar uiterlijk betrof in vijf groepen verdeeld werden, vond men, dat slechts zeven tot veertien percent tot de eerste groep behoorden, nl. tot de groep van haar, waarvan men zeggen kon, dat ze jeugd en schoonheid bezaten. (Jeannel, De la Prostitution Publique, 1860, p. 168). En Woods Hutchinson, die een uitgebreide bekendheid met Londen, Parijs, Weenen, New York, Philadelphia en Chicago bezit, zegt, dat een mooie of zelfs maar aantrekkelijk-uitziende prostituée zeldzaam is, en dat het gewone schoonheidsniveau lager is dan in eenige andere klasse van vrouwen. "Voor welke andere verkeerdheden", merkt hij op, "de fatale macht van de schoonheid verantwoordelijk gesteld mag worden, ze heeft niets te maken met prostitutie" (Woods Hutchinson, "The Economics of Prostitution", American Gynaecological and Obstetric Journal, September, 1895). We moeten natuurlijk altijd in de gedachten houden, dat deze taxaties iets van haar waarde verliezen, doordat ze voornamelijk gebaseerd zijn op het onderzoek van vrouwen, die het duidelijkst tot de klasse der prostituées behooren en reeds door haar beroep ruw zijn geworden.
Als we tot de conclusie mogen komen--en over dit feit zal waarschijnlijk niet getwist worden--dat mooie, aangename, en harmonisch gevormde gezichten eer zeldzaam dan gewoon zijn onder prostituées, dan mogen we daarentegen zeggen, dat nauwkeurig onderzoek een groot aantal physieke abnormaliteiten aan den dag zal brengen. Een van de vroegste belangrijke physieke onderzoekingen op prostituées was die van Dr. Pauline Tarnowsky in Rusland (het eerst gepubliceerd in Vratch in 1887, en later als Etudes anthropométriques sur les Prostituées et les Voleuses). Zij onderzocht vijftig prostituées uit Petersburg, die niet langer dan twee jaren in een bordeel gewoond hadden, en ook vijftig boerenvrouwen van zooveel mogelijk denzelfden leeftijd en geestelijke ontwikkeling. Zij vond, dat (1) de prostituée kleiner schedel-middellijn had; (2) dat acht en veertig percent verschillende teekenen vertoonde van physieke degeneratie (onregelmatigen schedel, asymmetrie van het gezicht, afwijkingen in het harde verhemelte, tanden, ooren, enz.). Deze neiging tot afwijkingen onder de prostituées was tot zekere hoogte verklaard, toen er gevonden werd, dat ongeveer vier vijfde van haar, ouders hadden, die aan den drank verslaafd waren, en bijna een vijfde de laatst overlevenden van groote families waren; zulke families zijn dikwijls voortgebracht door gedegenereerde ouders.
Het veelvuldig voorkomen van erfelijke degeneratie is ook door Bonhoeffer onder Duitsche prostituées opgemerkt. Hij onderzocht 190 prostituées in de gevangenis in Breslau, die dus tot een meer abnormale klasse behoorden dan gewone prostituées, en hij vond, dat er 102 erfelijk gedegenereerd waren, meest met een of beide ouders dronkaards; 53 vertoonden tevens zwakzinnigheid (Zeitschrift für die Gesamte Strafwissenschaft, Bd. XXXIII, p. 106).
Het meest nauwkeurige onderzoek van gewone niet-misdadige prostituées, zoowel anthropologisch als wat het overheerschen van afwijkingen aangaat, is in Italië gedaan, hoewel niet op een voldoend aantal personen om absoluut beslissende resultaten op te leveren. Zoo onderzocht Fornasari zestig prostituées, voornamelijk uit Emilia en Venetië, en ook zeven en twintig andere uit Bologne; de laatste groep werd vergeleken met een derde groep van twintig normale vrouwen uit Bologne (Archivio di Psichiatria, 1892, afl. VI). Er werd bevonden, dat de prostituées van een kleiner type waren dan de normale individuen, met smaller hoofden en grooter gezichten. Zooals de schrijver zelf zegt, waren de personen die hij onderzocht, niet voldoende in aantal om ver strekkende generalisaties te rechtvaardigen, maar het kan toch de moeite waard zijn eenige van zijn resultaten op te sommen. Bij dezelfde grootte vertoonden de prostituées grooter gewicht; bij dezelfden leeftijd waren ze kleiner dan andere vrouwen, niet alleen van de gegoede, maar van de arme klasse: de lengte van het gezicht, de bizygomatische doorsnee (hoewel niet de afstand tusschen de jukbeenderen), de afstand tusschen de kin en de uitwendige ooropening, en de afmeting van de kaak waren alle grooter bij de prostituées; de handen waren, in vergelijking van den palm, langer en breeder dan bij gewone vrouwen; de voet was ook langer bij prostituées, en de dij was, in vergelijking van de kuit grooter. Het is opmerkelijk, dat bij de meeste bijzonderheden, vooral wat de metingen van het hoofd betreft, de variaties onder de prostituées veel grooter waren dan onder de andere vrouwen, die onderzocht werden; dit kan voor een deel, hoewel niet geheel, verklaard worden uit het iets grootere aantal van de eersten.
Ook Ardu gaf (in hetzelfde nummer van de Archivio) het resultaat van zijn onderzoekingen (op initiatief van Lombroso verricht) over het veelvoudig voorkomen van abnormaliteiten onder de prostituées. De personen waren vier en zeventig in aantal en behoorden tot de Clinica Sifilopatica van Professor Giovannini in Turijn. De abnormaliteiten, waarnaar onderzoek gedaan werd waren: mannelijke verdeeling van haar in de schaamstreek, op de borst en de ledematen, al te sterke haargroei op het voorhoofd, linkschheid, atrophie van den tepel, en tatoeëeren (dat maar eens gevonden werd). Ardu's verhandelingen over een andere serie onderzoekingen van vijf en vijftig prostituées door Lombroso, geven tot resultaat, dat mannelijke plaatsing van het haar gevonden wordt bij vijftien percent, tegen zes percent bij gewone vrouwen; eenige mate van hypertrichosis in achttien percent; linkschheid in elf percent (maar bij normale vrouwen wel twaalf percent volgens Gallia); en atrophie van den tepel in twaalf percent.
Guiffrida-Ruggeri (Atti della Società Romana di Antropologia, 1897, p. 216), vond bij het onderzoek van acht en twintig prostituées onregelmatigheden in de volgende orde van afnemende frequentie: neiging van de wenkbrauwen elkaar te ontmoeten, gebrek aan symmetrie van het hoofd, druk aan den wortel van den neus, onvoldoende ontwikkeling van de kuiten, hypertrichosis en andere afwijkingen van haar, vooruitstekend jukbeen, vooruitspringend voorhoofd en abnormale inplanting van de tanden, Darwinsche oor-tuberkel, dunne verticale lippen. Deze kenteekenen zijn ieder afzonderlijk van weinig of geen belang, hoewel ze te samen niet zonder beteekenis zijn als een aanwijzing van algemeene afwijking.
Later komt Ascarilla, in een uitgebreide studie (Archivio di Psichiatria, 1906, afl. VI, p. 812), over de vingerafdrukken van prostituées tot de conclusie, dat zelfs in dit opzicht prostituées eenigermate een klasse vormen, die morphologische inferieuriteit vertoont met normale vrouwen. De modellen vertoonen ongewone eenvoudigheid en gelijkvormigheid en de beteekenis hiervan wordt aangetoond door het feit, dat een zelfde gelijkvormigheid vertoond wordt door de vingerafdrukken van krankzinnigen en doofstommen (De Sanctis en Toscano, Atti Società Romana Antropologia, deel VIII, 1901, afl. II.)
In Chicago heeft Dr. Harriet Alexander, te zamen met Dr. E. S. Talbot en Dr. J. G. Kiernan in het Bridewell of verbeteringshuis dertig prostituées onderzocht; alleen de "domme" klasse van beroepsprostituées komen in deze instelling, en het kan daarom geen verwondering wekken dat zij meer bepaalde teekenen van degeneratie vertoonden. In ras waren bijna de helft van degenen die onderzocht werden Keltisch Iersch. Bij zestien waren de zygomatische processen ongelijk en zeer in het oog springend. Andere asymmetrieën van het gezicht waren gewoon. In drie gevallen waren de hoofden van Mongoolsch type; zestien waren epignatisch, en elf prognatisch; vijf vertoonden remming van den groei van het gezicht. Brachycephalie was overheerschend (zeventien gevallen); de rest was mesaticephalitisch; geen was dolichocephalitisch. Abnormaliteiten in den vorm van den schedel waren er vele, en vijf en twintig hadden verkeerd gevormde ooren. Vier waren beslist krankzinnig, en een was een epileptica (H. C. Alexander, "Physical Abnormalities in Prostitutes", Chicago Academy of Medicine, April 1893; E. S. Talbot, Degeneracy, p. 320; Id., Irregularities of the Teeth, vierde uitgave, p. 141).
Het schijnt over het geheel wel, voor zoover het bewijsmateriaal op het oogenblik strekt, dat prostituées niet volkomen normale vertegenwoordigsters zijn van den stand, waarin zij geboren zijn. Er is een keuze-proces geweest van individuen, die door haar aangeboren eigenschappen afwijken van het normale gemiddelde, en die dus in lichte mate ongeschikt zijn voor het normale leven [184]. De psychische eigenaardigheden, die met zulk een afwijking samengaan, zijn niet altijd bepaald ongunstig; het licht neurotische meisje van lagen stand--dat niet houdt van hard werken, uit geringe energie, en dat misschien gulzig is en zelfzuchtig--kan zelfs een verfijning boven haar stand schijnen te bezitten. Terwijl er echter onder prostituées een neiging tot afwijking is, moet het duidelijk erkend worden, dat die neiging gering is zoolang wij de geheele klasse van prostituées onpartijdig beschouwen. Die navorschers, die tot de conclusie zijn gekomen dat prostituées een zeer gedegenereerde en abnormale klasse zijn, hebben alleen maar speciale groepen van prostituées geobserveerd, meer speciaal degenen, die dikwijls in de gevangenis gevonden worden. Het is onmogelijk een juist denkbeeld te vormen van prostituées als we ze alleen in de gevangenis bestudeeren, evenmin als het mogelijk zou zijn een juist denkbeeld te vormen van dominees, dokters of advocaten door ze alleen in de gevangenis te bestudeeren; dit blijft waar, al komt een veel grooter deel der prostituées dan van de leden der meer geachte beroepen in de gevangenis; dat feit verklaart ongetwijfeld voor een deel de grootere abnormaliteit van prostituées.
We moeten natuurlijk in de herinnering houden dat de speciale levensvoorwaarden van prostituées er toe leiden het optreden van bepaalde beroeps-eigenaardigheden te veroorzaken, die volkomen kunstmatig verkregen zijn en niet aangeboren. Zoo kunnen we verklaren de geleidelijke wijziging van de vrouwelijke secundaire en tertiaire sexueele eigenaardigheden, en het optreden van mannelijke eigenaardigheden, zooals de veel voorkomende diepe stem, enz. [185]. Maar als we voldoende rekening houden met deze kunstmatig verkregen eigenaardigheden, blijft het toch waar, dat de vergelijking der uitkomsten van de verschillende onderzoekingen die tot dusverre gedaan zijn, mogen ze dan niet geheel overtuigend zijn, er toch op schijnen te wijzen dat, zelfs afgezonderd van het overheerschen van kunstmatig verkregen afwijkingen, de beroepskeuze, die individuen afzondert van de algemeene bevolking van een zelfde maatschappelijke klasse, die anthropometrische eigenaardigheden hebben; deze varieeren, maar behooren toch tot dezelfde soort. De gedane waarnemingen schijnen aan te duiden, dat prostituées over het algemeen niet in gewicht boven het middelmatige zijn, niet in gestalte; dat ze korter armen hebben, hoewel de handen langer zijn (dit is zoowel in Italië als in Rusland gevonden); zij hebben dunner enkels en zwaarder kuiten en betrekkelijk nog zwaarder dijen. De geraamde schedelinhoud, de omtrek en de doorsnede van den schedel zijn eenigszins beneden het middelmatige, niet alleen wanneer ze vergeleken worden met respectabele vrouwen, maar ook in vergelijking van misdadigsters; er is een neiging tot brachycephalie (in Italië en Rusland beide); de wangbeenderen springen gewoonlijk vooruit en de kaken zijn ontwikkeld; het haar is donkerder dan bij respectabele vrouwen, hoewel niet zoo donker als bij dieveggen; het is gewoonlijk overvloedig, niet alleen op het hoofd maar ook op de schaamdeelen en elders; men heeft bevonden, dat de oogen bepaald donkerder waren dan die van hetzij respectabele vrouwen, hetzij misdadigsters [186].
Voor zoover het bewijsmateriaal gaat, dient het om aan te toonen, dat prostituées over het algemeen het type naderen dat we zooals in het voorafgaande deel aangetoond is, met reden kunnen beschouwen als speciaal te wijzen op ontwikkelde sexualiteit. Het is echter onnoodig deze kwestie te bespreken voordat onze anthropometrische kennis van prostituées meer omvattend en meer precies is.
3. De moreele rechtvaardiging van de prostitutie.--Er zijn moralisten--zij zijn er altijd geweest en vele van hen zijn menschen wier opinie de ernstigste achting verdient--die meenen, dat mits de hygiënische voorwaarden verbeterd worden, het bestaan van de prostitutie geen ernstig probleem ter oplossing biedt. Ze is, zeggen zij, op zijn slechtst, een noodzakelijk kwaad, en, op zijn best, een weldadige instelling, het bolwerk van het tehuis, de onvermijdelijke keerzijde van het huwelijk. "De immoreele bewaakster van de publieke moraal", is de definitie van prostituées gegeven door een schrijver, die de zaak van een laag standpunt beschouwt, en een ander, die de zaak meer verheven bekijkt, schrijft: "De prostituée vervult een maatschappelijke zending. Zij is de bewaakster van de maagdelijke kuischheid, het afvoerkanaal voor overspelige begeerte, de beschermster van getrouwde vrouwen, die een laat moederschap vreezen; het is haar rol op te treden als schild voor "het gezin"". "Als vrouwelijke Decii", zeide Balzac in zijn Physiologie du Mariage van prostituées, "offeren zij zich op voor de republiek en maken van haar lichamen een borstwering ter bescherming van respectabele families". Op dezelfde wijze noemde Schopenhauer prostituées "menschelijke slachtoffers op het altaar der monogamie". Lecky vereenigt, in een vele malen aangehaalde passage der rhetorica [187] het hoogere en het lagere standpunt over de prostituée in de menschelijke maatschappij, en hij tracht er zelfs een priesterlijk karakter aan te geven. "Het uiterste type van de ondeugd", verklaarde hij, "is ten slotte de meest krachtdadige bewaakster van de deugd. Als zij er niet was, zou de ongerepte reinheid van onnoemelijk veel huizen besmet zijn, en niet weinige van de vrouwen, die in den trots van haar niet in verleiding gebrachte kuischheid aan de prostituée denken met een siddering van verontwaardiging, zouden zonder haar de ellenden van berouw en van wanhoop gekend hebben. Op die eene onteerde en onwaardige gestalte zijn al de hartstochten geconcentreerd, die de wereld met schande hadden kunnen vullen. Zij blijft, terwijl geloofsbelijdenissen en maatschappijen opkomen en te gronde gaan, de eeuwige priesteres van de menschelijkheid, bezoedeld door de zonden van het volk" [188].
Ik weet niet, of de Grieken ernstig gedacht hebben over de moreele rechtvaardiging van de prostitutie. Zij hadden haar geen bijzonder hinderlijke vormen laten aannemen en voor het grootste deel waren ze bereid haar te aanvaarden. De Romeinen namen ze gewoonlijk ook aan, maar, naar ons toeschijnt, niet zoo gemakkelijk. Er was een strenge, ernstige, bijna Puriteinsche geest in de Romeinen van de oude garde en soms schijnen zij de behoefte gevoeld te hebben zich te verzekeren, dat de prostitutie werkelijk moreel te rechtvaardigen was. Het is van belang op te merken, dat zij zich graag in de herinnering brachten dat Cicero gezegd had, dat hij blij was als hij een man uit een bordeel zag komen, omdat hij anders misschien de vrouw van zijn buurman onteerd zou hebben [189].
De maatschappelijke noodzakelijkheid van de prostitutie is het oudste van al de argumenten van moralisten, die het dulden van prostituées prediken; en als we de eeuwige geldigheid aannemen van het huwelijkssysteem, waarmee tegelijk de prostitutie zich ontwikkeld heeft, en van de theoretische moraal, die op dat systeem gebaseerd is, dan is dit een zeer krachtig, zoo niet een onweerlegbaar argument.
De komst van het Christendom, met zijn speciale houding jegens het "vleesch" veroorzaakte noodzakelijk een enorme toename van belangstelling voor de moreele gezichtspunten van de prostitutie. Toen de prostitutie niet veroordeeld werd, werd het natuurlijk noodzakelijk haar te rechtvaardigen; het was niet mogelijk voor een kerk met min of meer ascetische idealen zulk een zaak met welwillende onverschilligheid te behandelen. Als regel schijnen we wel overal te vinden, dat de meer onafhankelijke geestelijken, die geen verantwoording hadden, geneigd waren ze te veroordeelen, terwijl die theologen, die de zware verantwoordelijkheden van kerkelijk staatmansschap op hun schouders geladen hadden, over 't algemeen getoond hebben de prostitutie te rechtvaardigen, zij het dan ook aarzelend. Hiervan hebben we een uiterst belangrijk voorbeeld in den heiligen Augustinus, na den heiligen Paulus den voornaamsten stichter van de Christelijke kerk. In een verhandeling in 386 geschreven om de goddelijke regeling van de wereld te rechtvaardigen, verklaart hij dat, evenals de beul, hoe terugstootend hij ook zijn mag, een noodzakelijke plaats in de maatschappij inneemt, evenzoo de prostituée en haars gelijken, hoe vuil en leelijk en slecht zij ook zijn mogen, noodzakelijk zijn; verban de prostituées uit de maatschappij en gij zoudt de wereld met wellust bezoedelen: "Aufer meritrices de rebus humanis, turbaveris omnia libidinibus" [190]. Aquino, de eenige theologische denker van het Christendom, die tegelijk met Augustinus genoemd kan worden, was in deze kwestie van de prostitutie van dezelfde meening als hij. Hij hield vol, dat ontucht doodzonde was, maar hij nam de noodzakelijkheid aan van de prostitutie, als een nuttig deel van den bouw der maatschappij, en hij vergelijkt ze bij de afvoerkanalen van een paleis [191]. "Prostitutie in steden is gelijk aan het riool in een paleis; neem de riolen weg en het paleis wordt een onreine, stinkende plaats". Liquori, de meest invloedrijke theoloog van den nieuweren tijd, was van dezelfde meening.
Deze aarzelende en half toegevende houding jegens de prostitutie hebben de theologen inderdaad over het algemeen aangenomen. Sommige wilden, in navolging van Augustinus en Aquino, de prostitutie dulden om grooter kwaad te voorkomen; anderen waren er geheel en al tegen; en weer anderen wilden ze in de steden toelaten, maar nergens anders. Het werd echter algemeen door theologen aangenomen, dat de prostituée recht heeft op haar loon, en dat ze niet verplicht is het terug te geven [192]. De vroegere moralisten van het Christendom vonden het niet moeilijk staande te houden, dat er geen zonde in is een huis te verhuren aan een prostituée tot het uitoefenen van haar bedrijf; absolutie werd hiervoor altijd gegeven en onthouding niet geëischt [193]. Ontucht bleef echter altijd een zonde en van de twaalfde eeuw af heeft de kerk een reeks van pogingen gedaan om prostituées te bekeeren. Alle Katholieke theologen zijn van meening, dat een prostituée verplicht is de zonde der prostitutie te biechten, en de meeste theologen, hoewel niet alle, hebben gemeend, dat ook een man den omgang met een prostituée moet biechten. Terzelfder tijd, dat er een zekere toegevendheid was jegens de prostituée zelf, was de kerk altijd zeer streng jegens hen, die leefden van de voordeelen van het bevorderen van de prostitutie, jegens de lenones. Zoo weigerde het Concilie van Elvira, dat bereid was zonder boetedoening de prostituée die trouwde, te ontvangen, absolutie te geven, zelfs bij hun dood, aan personen, die schuldig geweest waren aan lenocinium [194].
Het protestantisme, dat den biechtstoel opgeruimd had, kon in deze, evenals in vele andere zaken van sexueele moraal gewoonlijk aan de noodzakelijkheid ontsnappen eenige bepaalde en verantwoordelijke uitleggingen te geven over de moreele positie van de prostitutie. Zoo het al eenige meening te kennen gaf, of eenige praktische voorschriften trachtte in te leiden, dan grondde het zich natuurlijk op de bijbelsche bevelen tegen de ontucht, zooals ze uitgedrukt zijn door den heiligen Paulus, en het toonde geen genade voor de prostitutie, noch verdraagzaamheid. Deze houding, de houding der Puriteinen, was des te gemakkelijker in Protestantsche landen, met uitzondering van speciale districten op bepaalde tijden--zooals Genève en Nieuw-Engeland in de zeventiende en de achttiende eeuw--omdat theologen in deze landen eerder geroepen zijn geweest godsdienstige vermaningen te geven dan praktische politiek toe te passen. Deze laatste taak hebben ze aan anderen overgelaten, en zoo is er dikwijls een zekere verwarring en onzekerheid ontstaan in den geest van den protestantschen leek. Deze weifelende houding der theologen wordt in Engeland zeer duidelijk gemaakt door Burton, een nadenkend en ernstig auteur, die een eeuw na de hervorming schrijft. Hij verwijst met gemengden bijval naar "onze Pseudo-Katholieken", die streng zijn jegens echtbreuk, maar toegevend jegens ontucht; zij zijn het misschien eens met Cato, dat de laatste aangemoedigd moet worden om erger verkeerdheden thuis te vermijden, en die meent, dat bordeelen "even noodzakelijk zijn als kerken" en dat het goed is heele huizen "vol courtisanen in de steden te houden". "Zij houden het voor onmogelijk", gaat hij voort, "dat niets uitvoerende jonge menschen als ze jong, rijk en vroolijk zijn, dat zooveel knechts en monniken, fatsoenlijk zouden leven, zij noemen het een te tyrannieken last hen te dwingen kuisch te zijn, en kunnen absoluut niet toestaan, dat arme mannen, jongere broeders of soldaten trouwen zouden, evenmin als zieke menschen, ordebroeders, priesters of bedienden. Om dus zoowel den een als den ander tevreden te stellen, verdragen zij deze soort van bordeelen en schuilhoeken en doen er een oogje voor toe. Vele argumenten hebben zij om te bewijzen, dat ze wettig en noodzakelijk zijn, en dat ze geduld moeten worden, evenals de woeker; zonder kwestie is er in de politiek niets tegen in te brengen, maar veel in den godsdienst" [195].
Niet voor het begin van de volgende eeuw is het oude argument van Augustinus ter moreele rechtvaardiging van de prostitutie in het protestantsche Engeland moedig en beslist uiteengezet door Bernard Mandeville in zijn Fable of the Bees; toen het boek voor het eerst uitkwam, scheen men het zoo stuitend te vinden, dat het verboden werd. "Als courtisanen en sletten vervolgd moesten worden met zooveel gestrengheid als sommige menschen het zouden willen", schreef Mandeville, "wat voor sleutels en grendels zouden we dan wel moeten hebben om de eer van onze vrouwen en meisjes te bewaren?... Het is duidelijk, dat het noodig is een deel der vrouwen op te offeren om het andere deel te beschermen en vuilheid van nog erger soort te voorkomen. Daaruit meen ik dat ik met recht mag besluiten, dat kuischheid gesteund kan worden door uitspatting, en dat de beste der deugden de hulp noodig heeft van de ergste der ondeugden" [196]. Na den tijd van Mandeville begon deze beschouwing van de prostitutie gewoon te worden in protestantsche zoowel als in andere landen, hoewel ze gewoonlijk niet zoo duidelijk uitgedrukt werd.
Het kan van belang zijn een paar meer moderne voorbeelden samen te brengen van gezegden, die voor de moreele rechtvaardiging van de prostitutie spreken.
Zoo legt in Frankrijk Meusnier de Querlon in zijn geschiedenis van Psaphion, geschreven in het midden van de achttiende eeuw, vele zeer belangwekkende overdenkingen over het leven en de positie van de prostituée in den mond van een Grieksche courtisane. Zij verdedigt haar beroep met veel bekwaamheid en zegt dat, terwijl mannen zich verbeelden dat prostituées alleen maar de verachte slachtoffers zijn van hun genoegens, deze vermeende tyrannen in werkelijkheid het slachtoffer worden; dat zij de behoeften bevredigen van de vrouwen, die zij onder hun voeten vertrappen, en dat zij zelve in gelijke mate de verachting verdienen, waarmee zij haar behandelen. "Wij betalen walging met walging, zooals zij zeker wel moeten bemerken. Wij geven hun dikwijls niets dan een standbeeld, en als zij zich verhit aan ongevoelige bekoorlijkheden te goed doen, genieten wij in rustige koelheid hun zinnelijkheid. Dan hernemen wij onze rechten. Wat warm bloed heeft deze trotsche schepsels aan onze voeten gebracht en ons meesteressen gemaakt van hun lot. Aan welke zijde, vraag ik u, is het voordeel?" Maar alle mannen, voegt zij er bij, zijn niet zoo onrechtvaardig jegens de prostituée, en zij gaat voort, niet zonder lichte ironie, een lofrede te houden op het nut, het gemak en de voordeelen van het bordeel.
Een groot aantal van de moderne schrijvers over de prostitutie noemen met nadruk den maatschappelijk weldadigen aard ervan. Zoo eindigt Charles Richard zijn boek over dit onderwerp met deze woorden: "Het gedrag van de maatschappij jegens de prostitutie moet uitgaan van het principe van dankbaarheid zonder valsche schaamte, voor het nut ervan en medelijden voor de arme schepsels, ten koste van wie dit nut verkregen wordt" (La Prostitution devant le Philosophe, 1882, p. 171). "Het huwelijk duurzaam maken is het moeilijk maken", merkt een Amerikaansch medisch schrijver op; "het moeilijk maken is het uitstellen; het uitstellen is in de gemeenschap houden een toenemend aantal sexueel volkomen individuen, met normale, of in gevallen waar langdurige onderdrukking is geweest, overmatige sexueele begeerte. Het maatschappelijk kwaad is het natuurlijk gevolg van de physieke natuur van den mensch, zijn geërfde impulsen, en de kunstmatige omstandigheden, waaronder hij gedwongen is te leven" ("The Social Evil", Medicine, Augustus en September, 1906). Woods Hutchinson beschouwt, terwijl hij met sterke afkeuring van de prostitutie spreekt en prostituées beschouwt als "de ergste exemplaren van haar sekse", toch de prostitutie als een maatschappelijke werking van de hoogste waarde. "Uit een medisch-economisch gezichtspunt noem ik haar een van de groote selectieve en elimineerende factoren van de natuur en van de hoogste waarde voor de gemeenschap. We kunnen ze in het ruwe karakteriseeren als een veiligheidsklep voor de instelling van het huwelijk" (The Gospel According to Darwin, p. 193; cf. het artikel van denzelfden schrijver over "The Economics of Prostitution", opgesomd in Boston Medical and Surgical Journal, November 21, 1895). Adolf Gerson zegt in ongeveer denzelfden geest ("Die Ursache der Prostitution", Sexual-Probleme, September 1908), dat "prostitutie een van de middelen is die de natuur gebruikt om de teelkracht der menschen te beperken, en vooral om den tijd der sexueele rijpheid te verschuiven". Molinari meent, dat de maatschappelijke voordeelen van de prostitutie van het begin af op verschillende wijzen tot uiting zijn gekomen; door bijvoorbeeld de meer overmatige uitingen van de sexueele impuls onvruchtbaar te maken nam de prostitutie de noodzakelijkheid weg van kindermoord op overtollige kinderen en leidde ze tot het tegengaan van die primitieve methode om de bevolking te beperken (G. de Molinari, La Viriculture, p. 45). Op geheel andere wijze dan die, vermeld door Molinari, heeft de prostitutie zelfs in zeer late tijden geleid tot het laten varen van kindermoord. In de Chineesche provincie Ping-Yang zegt Matignon, was het vele jaren geleden niet ongewoon voor arme ouders om 40 percent van hun pasgeboren meisjes te dooden, of zelfs allemaal, want zij waren te duur om ze op te voeden en ze brachten niets in, omdat mannen, die wilden trouwen, gemakkelijk een vrouw konden krijgen in de naburige provincie Wenchu, waar vrouwen zeer gemakkelijk te krijgen waren. Nu maakt echter de betere verbinding met Shang-Hai per stoomboot het zeer gemakkelijk voor meisjes de bordeelen van Shang-Hai te bereiken, waar zij geld kunnen verdienen voor haar families; de gewoonte haar te dooden is daarom uitgestorven (Matignon, Archives d'Anthropologie Criminelle, 1896. p. 72). "Onder de tegenwoordige omstandigheden", schrijft Dr. F. Erhard ("Auch ein Wort zur Ehereform", Geschlecht und Gesellschaft, Jahrgang 1, Heft 9), "is prostitutie (in de ruimste beteekenis, vrije verhoudingen medegerekend) noodig, opdat jonge menschen de vrouwen eenigermate kunnen leeren kennen, want conventioneele conversatie is daarvoor niet voldoende; een juiste kennis van de vrouwelijke gedachtengang is echter noodig voor een goede keuze, daar het maar zelden mogelijk is zich te verlaten op de betrouwbaarheid van het instinct. Het is ook goed, dat mannen zich de horens afloopen vóor het huwelijk, want de polygame neiging zal ergens doorbreken. De prostitutie zal alleen die mannen bederven, aan wie niet veel te bederven is, en als zij zoo het verlangen naar het huwelijk verliezen, dan zouden hun ongeboren kinderen reden hebben dankbaar te zijn". Neisser, Näcke en vele anderen hebben voor de prostitutie gepleit en zelfs voor bordeelen, als "noodzakelijk kwaad".
Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat velen zelfs van de sterkste voorstanders van de moreele voordeelen der prostitutie meenen, dat eenige verbetering nog wel wenschelijk is. Zoo verwacht Bérault een tijd, waarop van overheidswege bewaakte bordeelen minder veracht zullen zijn. Verschillende verbeteringen kunnen ze, meent hij, in de naaste toekomst "ontdoen van de barbaarsche eigenschappen, die ze voor de sceptische of onwetende menigte verachtelijk maken, terwijl hun tastbare voordeelen een einde zullen maken aan de minachting, die opgewekt wordt door hun cynisch aanzien" (La Maison de Tolérance, Thèse de Paris, 1904).
4. De beschavingswaarde van de prostitutie.--Het moreele argument voor de prostitutie is gebaseerd op het geloof, dat ons huwelijkssysteem zoo oneindig kostbaar is, dat een instelling, die als bolwerk ervoor dient in stand gehouden moet worden, hoe leelijk of hoe verwerpelijk op zich zelf zij ook is. Er is echter een ander argument ter ondersteuning van de prostitutie, waarop ternauwernood de nadruk valt dien het verdient. Ik bedoel haar invloed, voor zoover ze een element van vroolijkheid en afwisseling, dat op een of andere wijze noodzakelijk is, voegt in de geordende samenstelling van het moderne leven, een verlichting van den sleur der mechanische routine een afleiding in de saaie en fatsoenlijke eentonigheid ervan. Dit is wat anders dan de meer specifieke functie van de prostitutie als een veiligheidsklep voor overtollige sexueele energie, en dit kan zelfs van beteekenis worden voor hen, die weinig of geen omgang hebben met prostituées. Dit element kunnen we noemen de beschavingswaarde van de prostitutie.
Het zijn niet alleen de algemeene eigenschappen van de beschaving, maar meer speciaal de eigenschappen van het stadsleven, die dezen factor van beteekenis maken. Het stadsleven legt door den druk van de concurrentie een zeer strenge en veel krachten eischende routine op van vervelend werk. Terzelfder tijd maakt het mannen en vrouwen meer gevoelig voor nieuwe indrukken, meer verlangend naar opwinding en verandering. Het vermeerdert de gelegenheden tot maatschappelijken omgang; het vermindert de kansen op ontdekking van onwettigen omgang, terwijl het meteen het sluiten van een huwelijk verzwaart, want doordat het de maatschappelijke ambities en de uitgaven verhoogt, verschuift het den tijd, waarop een huisgezin kan opgezet worden. Het stadsleven verschuift het huwelijk en maakt toch de middelen van vergoeding voor het huwelijk meer dringend noodzakelijk [197].
Er kan niet de minste twijfel aan zijn, dat dit de beweegreden is--de poging om de onvolkomen gelegenheden voor zelfontwikkeling, die onze mechanische en arbeidzame maatschappij vol beperkingen aanbiedt, aan te vullen--die een van de voornaamste oorzaken vormt, die vrouwen er toe brengt, tijdelijk of voor goed, het leven van prostituée te kiezen. Wij hebben gezien, dat de economische factor, zooals vroeger gemeend werd, geenszins de hoofdrol speelt bij deze keuze. En er is ook geen reden om te veronderstellen, dat een buitengewoon sterke sexueele impuls de leidende factor is. Maar een groot aantal jonge vrouwen keeren zich instinctief naar het leven van prostituée, omdat zij bewogen worden door een duisteren drang, die ze haast zelf niet kunnen verstaan of uitleggen, en waarvan ze zich dikwijls schamen hem te openbaren. Het is daarom verwonderlijk, dat deze beweegreden zoo'n groote plaats inneemt, zelfs in de formeele statistieken van de prostitutie. Merrick vond in Londen, dat 5000, of bijna een derde van de prostituées, die hij onderzocht, met liefde een tehuis of een betrekking opgaven "voor een leven van pleizier", en hij acht dit de hoofdreden voor de prostitutie [198]. In Amerika vond Sanger dat "neiging" bijna bovenaan stond onder de oorzaken voor de prostitutie, terwijl Woods Hutchinson vond, dat "liefde tot vertoon, weelde en ijdelheid" op verre na de eerste plaats innamen. "Verveling en tegenzin tegen het werk" is de reden, die aangegeven wordt door een groot aantal Belgische meisjes, als zij aan de politie haar wensch te kennen geven om als prostituées ingeschreven te worden. In Italië meent men, dat een gelijke beweegreden een belangrijke rol speelt. In Rusland komt "verlangen naar vermaak" op de tweede plaats onder de oorzaken van de prostitutie. Ik geloof, dat er geen twijfel aan kan zijn, dat, zooals een oplettend waarnemer van het Londensche leven gezegd heeft, het probleem van de prostitutie "in den grond is een wild en onweerstaanbaar verlangen naar opwinding, een ernstige en opzettelijke opstand tegen de eentonigheid van alledaagsche idealen, en de geestdoodende verveling van het alledagsleven" [199]. Het is deze factor van de prostitutie, mogen we redelijker wijze besluiten, die voornamelijk verantwoordelijk is voor het feit, waarop F. Schiller [200] gewezen heeft, dat met de ontwikkeling van de beschaving de toevoer van prostituées neiging heeft grooter te worden dan de vraag.
Charles Booth schijnt van dezelfde meening te zijn, en citeert (Life and Labor of the People, Third Series, deel VII, p. 364) uit een rapport van een reddingsgenootschap: "De algemeene opvatting is, dat deze vrouwen verlangend zijn een leven van zonde te verlaten. De duidelijke en eenvoudige waarheid is, dat zij, voor het meerendeel, in het geheel geen behoefte hebben om gered te worden. Zoovele van deze vrouwen beschouwen de prostitutie niet als een zonde en willen ze niet als zoodanig beschouwen. "Ik word iederen avond meegenomen om in een restaurant te eten en daarna naar een publieke vermakelijkheid te gaan; waarom zou ik dat opgeven?"" Merrick, die vond, dat vijf percent van de 14.000 prostituées, die in de Millbank gevangenis kwamen, gewend waren godsdienstige gebruiken te vereenigen met het uitoefenen van haar beroep, zegt ook naar aanleiding van haar gevoelens over moraal: "Ik ben er van overtuigd, dat er vele arme mannen en vrouwen zijn, die in het geheel niet begrijpen, wat het woord "immoraliteit" beteekent. Uit beleefdheid zullen ze misschien ja zeggen op wat ge zegt, maar zij begrijpen uw bedoeling niet als gij spreekt van deugd of reinheid; gij spreekt eenvoudig over hen heen" (Merrick, op. cit., p. 28). Dezelfde houding kan men overal onder prostituées vinden. In Italië vermeldt Ferriani een meisje van vijftien jaar, dat, toen ze beschuldigd werd van onbetamelijkheid met een man in een park, met veel tranen en veel verontwaardiging ontkende. Hij bracht haar eindelijk tot bekentenis, en vroeg haar toen: "Waarom heb je geprobeerd mij te doen gelooven, dat je geen kwaad gedaan hadt?" Zij aarzelde, glimlachte, en zeide: "Omdat zij zeggen, dat meisjes niet moeten doen, wat ik doe, maar dat ze moeten werken. Maar ik ben, wat ik ben, en het gaat hen niet aan". Deze houding is dikwijls meer dan een instinctief gevoel; bij intelligente prostituées wordt het dikwijls een wel-overwogen overtuiging. "Ik kan alles dragen, als het moet", schreef de schrijfster van het Tagebuch einer Verlorenen (p. 291), "zelfs ernstige en edele minachting, maar geen spot. Minachting--ja, als ze verdiend is. Als een arm en mooi meisje met een moe en bitter hart alleen staat in de wereld, van alles uitgesloten, omringd door verzoekingen en verleidingen, die zich aan alle kanten aanbieden, en als ze dan toch, uit innerlijke overtuiging het grauwe en eentonige pad kiest van verzaking en van de burgerlijke moraal, dan erken ik in dat meisje een persoonlijkheid, die een zeker recht heeft met minachtend medelijden neer te zien op zwakkere meisjes. Maar die ganzen, die, onder de oogen van haar hoeders en levenslange eigenaars altijd op zachte groene weiden gegraasd hebben, hebben zeker geen recht minachtend te lachen over haar, die niet zoo gelukkig geweest zijn". En we moeten niet meenen, dat er noodzakelijk eenig sophisme behoeft te wezen in de zelf-rechtvaardiging van de prostituée. Sommige van onze beste denkers en waarnemers zijn tot een conclusie gekomen, die niet ongelijk is aan deze. "De werkelijke toestanden van de maatschappij verzetten zich tegen ieder hoog moreel gevoel in vrouwen", merkt Marro op (La Pubertà, p. 462), "want tusschen haar, die zich verkoopen in prostitutie en haar, die zich verkoopen in het huwelijk, bestaat het eenige verschil in den prijs en den duur van het contract".
Wij hebben reeds gezien welk een groot percentage in de prostitutie geleverd wordt door haar, die den huiselijken dienst verlaten hebben om dit leven te volgen (Ante p. 264). Het is niet moeilijk in dit feit een bewijs te vinden voor de soort van impuls, die er een vrouw toe drijft de loopbaan van prostituée te kiezen. "De dienstbode, in onze maatschappij van gelijkheid", schreef Goncourt, nadat hij vroegere tijden in de herinnering gebracht heeft, toen haar dikwijls een plaats ingeruimd werd in het familieleven, "is niets anders geworden dan een betaalde paria, een machine voor het doen van huishoudelijk werk, en het wordt haar niet langer toegestaan het menschelijk leven van haar werkgever te deelen" [201]. En in Engeland, vinden we, zelfs al een halve eeuw geleden, de zelfde gezegden over de positie van de dienstbode: "huiselijke dienst is een volkomen slavernij", met vroege uren en late uren en voortdurend trappen op en neer loopen, tot de benen gezwollen zijn; "er schijnt dikwijls een mate van vernuft gebruikt te worden, een betere zaak waardig, om de grootst mogelijke hoeveelheid werk uit de huiselijke machine te halen"; bovendien is zij "een soort bliksemafleider" voor het slechte humeur en de ziekelijke gevoelens van haar meesteres en van de jonge dames; zoodat, als sommigen gezegd hebben, "ik mij zoo ellendig voelde, dat het me niet kon schelen wat er van me terecht kwam, ik wilde maar, dat ik dood was" [202]. De dienstbode staat buiten alle menschelijke verhoudingen; zij mag niet het bestaan verraden van een eenvoudige impuls of natuurlijke behoefte. Tevens leeft zij op den rand der weelde; zij is omringd door de tantaliseerende visioenen van genoegen en amusement, waarnaar haar frissche jonge natuur verlangt [203]. Het kan geen verwondering wekken dat zij, overwerkt en aangetrokken door lediggang vol genot den eenigen sprong doet, die haar in staat zal stellen te genieten van de schitterende zijden der beschaafde maatschappij, die haar zoo begeerlijk toeschijnen [204].
Er wordt soms gezegd, dat het overheerschend veel voorkomen van de prostitutie onder meisjes, die vroeger dienstboden waren, komt, doordat zoo ontzettend veel dienstmeisjes verleid worden door den heer des huizes of door de jonge heeren van de familie, waar zij dienen, en zoo de straat op gedreven worden. Dit is ongetwijfeld in een zeker aantal gevallen, misschien soms in een vrij aanzienlijk aantal, een beslissende factor, maar het schijnt wel nauwelijks de hoofd-factor te zijn. Het bestaan van betrekkingen tusschen dienstboden en heeren des huizes, moeten we bedenken, sluit geenszins noodzakelijk verleiding in. In een groot aantal gevallen is de dienstbode in een huishouden, in sexueele zaken, eer de leermeesteres dan de leerling. (In "The Sexual Impulse in Women", in een ander werk van mijn hand, heb ik de rol besproken, die dienstmeisjes spelen als inwijdsters in sexueele zaken van de jonge jongens, in de huishoudens waarin ze geplaatst zijn). De meer preciese statistieken der oorzaken van de prostitutie geven zelden verleiding aan als de voornaamste oorzaak in meer dan ongeveer 20 percent van de gevallen, hoewel dit klaarblijkelijk een van de beweegredenen is, die het gemakkelijkst te bekennen is (zie ante p. 256). Verleiding door een of anderen werkgever vormt maar een deel (gewoonlijk minder dan de helft) zelfs van deze gevallen. Het speciale geval van verleiding van dienstboden door den heer des huizes kan dus geen zeer groote rol spelen als factor bij de prostitutie.
De statistieken over de afkomst van onwettige kinderen hebben ook eenige betrekking op deze zaak. In een serie van 180 ongehuwde moeders, die geholpen zijn door den Berlijnschen bond voor moederbescherming, worden bijzonderheden gegeven over de bezigheden der moeders, en voor zoover mogelijk, ook van de vaders. De moeders waren voor een derde dienstmeisjes, en de groote meerderheid van de rest waren winkeljuffrouwen, of meisjes, die thuis werkten. Bij de vaders (van de 120 gevallen) kwamen bovenaan werklui (33), dan kooplui (22); maar een klein aantal (20 tot 25) kon beschreven worden als "heeren", en zelfs dit aantal verliest iets van zijn beteekenis als er op gewezen wordt, dat sommige van de meisjes ook van de middelklasse waren; in negentien gevallen waren de vaders getrouwde mannen (Mutterschutz, Januari, 1907, p. 45).
De meeste autoriteiten in de verschillende landen zijn van meening, dat meisjes, die prostituée worden (gewoonlijk tusschen de vijftien en de twintig jaar) haar maagdelijkheid op jeugdigen leeftijd verloren hebben, en in de groote meerderheid der gevallen door mannen van haar eigen klasse. "Het meisje uit het volk valt door het volk", zeide Reuss in Frankrijk (La Prostitution, p. 41). "Het zijn haars gelijken, werklieden evenals zij, die de eerste vruchten plukken van haar schoonheid en haar maagdelijkheid. De man van de wereld, die haar met goud en juweelen belaadt, krijgt alleen wat zij overlaten". Ook Martineau (De la Prostitution Clandestine, 1885) toonde aan, dat prostituées gewoonlijk onteerd worden door mannen van haar eigen klasse. En Jeannel, in Bordeaux vond reden om te gelooven, dat het niet voornamelijk haar meesters zijn, die dienstmeisjes verleiden; zij gaan dikwijls in dienst, omdat ze op het land verleid zijn, terwijl luie, begeerige en domme meisjes van het land naar de stad gestuurd worden om te dienen. In Edinburg vond W. Tait (Magdalenism, 1842), dat soldaten meer dan eenige andere klasse in de gemeenschap de verleiders zijn van vrouwen, en dat vooral de Hooglanders in dit opzicht bekend zijn. Soldaten hebben deze reputatie overal, en vooral in Duitschland vindt men steeds, dat de tegenwoordigheid van soldaten in een plaats op het platteland, zooals bij de jaarlijksche manoeuvres, de oorzaak is van onkuischheid en onwettige geboorten; zoo is het ook in Oostenrijk, waar lang geleden Gross-Hoffinger heeft geconstateerd, dat soldaten verantwoordelijk waren voor ten minste een derde van alle onwettige geboorten, een aandeel, dat geheel buiten verhouding is tot hun aantal. In Italië vond Morro, bij zijn onderzoekingen naar de oorzaak van het verlies der maagdelijkheid bij twee en twintig prostituées, dat tien zich min of meer spontaan gaven aan minnaars of meesters, dat tien zwichtten in de verwachting van een huwelijk, en dat twee verkracht waren (La Pubertà, p. 461). Het verlies van de maagdelijkheid, hoewel het misschien niet de eerste oorzaak van de prostitutie is, leidt er toch dikwijls toe. "Als een deur eenmaal opengebroken is", zeide een prostituée tot hem, "dan is het moeilijk ze gesloten te houden". In Sardinië zijn, zooals A. Mantegazza en Ciuffo vonden, prostituées zeer dikwijls dienstmeisjes van het land, die reeds onteerd zijn door mannen van haar eigen klasse.
Deze beschavingsfactor van de prostitutie, de invloed van weelde en opwinding en verfijning, die het meisje uit het volk aantrekken, zooals de vlam de mot aantrekt, blijkt uit het feit, dat het de bewoonsters van het land zijn, die voornamelijk voor de bekoring bezwijken. De meisjes, wier jonge ontvlambare en orgiastische impulsen, soms aangewakkerd door een klein aangeboren gebrek aan zenuw-evenwicht, latent gebleven zijn in de saaie eentonigheid van het leven op het land, vinden eindelijk haar volkomen bevrediging in de loopbaan van prostituée. Voor het stadsmeisje, dat in de stad is geboren en opgevoed, heeft deze loopbaan gewoonlijk niet veel aantrekkingskracht, tenzij zij van het begin af aan opgevoed is in een omgeving, die haar predisponeert om ze te kiezen. Zij is van haar jeugd af gewoon aan de prikkels van de steedsche beschaving en zij bedwelmen haar niet; zij is, bovendien beter in staat op zich zelf te passen dan het meisje van het land, en ze weet te veel van de werkelijke feiten van het leven der prostituée, om zeer verlangend te zijn haar loopbaan te kiezen. Bovendien bezit de familie waartoe zij behoort, waarschijnlijk ook een aangeboren of verkregen weerstandsvermogen tegen de evenwicht-verstorende invloeden, dat het hun mogelijk gemaakt heeft zich in het stadsleven staande te houden. Zij is immuun geworden tegen de vergiften van dat leven [205].
In alle groote steden is een groot deel, zoo niet de meerderheid van de inwoners, gewoonlijk buiten de stad geboren (in Londen zijn maar vijftig percent van de hoofden van gezinnen bepaald vermeld als in Londen geboren); en het is dus niet te verwonderen, dat ook prostituées dikwijls van buiten de stad komen. Toch blijft het een feit van beteekenis, dat een zoo typisch steedsch verschijnsel als de prostitutie, in zoo ruime mate van nieuwe leden voorzien wordt van het land. Dit is overal het geval. Merrick noemt de streken op, waar 14.000 prostituées vandaan kwamen, die in de Millbank gevangenis terecht kwamen. Middlesex, Kent, Surrey, Essex en Devon zijn de graafschappen, die bovenaan staan, en Merrick taxeert het aantal voor Londen uit de vier graafschappen, die Londen vormen, op 7000, of de helft van het geheel; militaire steden, zooals Colchester en marine-havens, zooals Plymouth, voorzien Londen van veel prostituées; Ierland levert er veel meer dan Schotland, en Duitschland veel meer dan eenig ander Europeesch land, terwijl Frankrijk bijna in het geheel niet vertegenwoordigd is (Merrick, Work Among the Fallen, 1890, pp. 14-16). Het is natuurlijk mogelijk, dat de verhoudingen onder haar, die in een gevangenis komen, niet nauwkeurig de verhoudingen weergeven der prostituées in het algemeen. De lijsten van het Londensche reddingshuis van het Leger des Heils wijzen er op, dat zestig percent van de meisjes en de vrouwen van buiten komen (A. Sherwell, Life in West London, hoofdst. V). Dit is precies dezelfde verhouding die Tait een halve eeuw vroeger, onder prostituées in het algemeen, in Edinburg vond. Sanger zegt, dat van de 2000 prostituées in New-York er wel 1238 in het buitenland geboren waren (706 in Ierland), terwijl van de overige 762 de eene helft geboren was in den staat New-York, en een beslist (hoewel de juiste getallen niet aangegeven zijn) nog kleinere verhouding in de stad New-York. Prostituées komen uit het Noorden--waar het klimaat onpleizierig is, en waar fabrieksarbeid en zittende bezigheden het meest voorkomen--veel meer dan uit het Zuiden; zoo zond Maine, een koude, gure zeestaat, vier en twintig van deze prostituées naar New-York, terwijl Virginië, op denzelfden afstand liggende, dat er naar denzelfden maatstaf gerekend twee en zeventig moest gestuurd hebben, er maar negen zond; er was een zelfde verschil tusschen Rhode Island en Maryland (Sanger, History of Prostitution, p. 452). Het is leerrijk hier den invloed op te merken van een somber klimaat en eentonigen arbeid op het aanwakkeren van de begeerte naar een "leven van pleizier". In Frankrijk is er, zooals op een kaart in het werk van Parent-Duchâtelet aangetoond wordt (deel I, pp. 37-64, 1857) als het land verdeeld wordt in vijf gordels, die van Oost naar West loopen, een voortdurende vermindering in het aantal prostituées dat iedere gordel naar Parijs zendt, naarmate we verder Zuidwaarts komen. Weinig meer dan een derde schijnt tot Parijs te behooren, en, evenals in Amerika, is het het ernstige en hard werkende Noorden met zijn betrekkelijk koud klimaat, dat het grootste contingent levert; zelfs in het oude Frankrijk merkt Dufour op (op. cit., deel IV, hoofdst. XV), was prostitutie, zooals blijkt uit de fabliaux en romans, minder schandelijk in de langue d'oil dan in de langue d'oc, zoodat zij ongetwijfeld zeldzaam was in het Zuiden. Op een later tijd zegt Reuss (La Prostitution, p. 12) dat "bijna al de prostituées uit Parijs van buiten komen". Jeannel merkte op, dat van de duizend prostituées uit Bordeaux er maar zes en veertig in de stad thuis behoorden, en Potton (Appendix bij Parent-Duchâtelet, deel II, p. 446) zegt, dat van bijna vier duizend prostituées uit Lyon er maar 376 uit Lyon zelf waren. In Weenen merkt Schrank, in 1873, op, dat van meer dan 1500 prostituées er maar 615 in Weenen geboren waren. De algemeene regel is, zooals we zullen gezien hebben, hoewel de variaties vele zijn, dat weinig meer dan een derde van de prostituées van een stad stadskinderen zijn.
Het is opmerkelijk dat deze neiging van de prostituée om van ver naar steden toe te komen, deze zwervende neiging--die zij tegenwoordig gemeen heeft met de kellners--niet een modern verschijnsel is. "Er zijn weinig steden in Lombardije, of Frankrijk, of Gallië", schreef de heilige Bonifacius, "waar niet een echtbreekster is of een prostituée van de Engelsche natie", en de heilige schrijft dit toe aan de gewoonte der pelgrimstochten naar buitenlandsche heilige plaatsen. In den tegenwoordigen tijd is er geen duidelijk merkbaar Engelsch element onder de prostituées van het vasteland. Zoo zijn in Parijs volgens Reuss (La Prostitution, p. 12) de buitenlandsche prostituées in afnemende orde Belgisch, Duitsch (Elzas-Lotharingen), Zwitsersch (vooral uit Genève), Italiaansch, Spaansch, en eerst dan Engelsch. Kenners in deze zaak zeggen dat de Engelsche prostituée, in vergelijking met haar zuster van het vasteland (en vooral uit Frankrijk), niet voordeelig uitkomt, omdat ze gewoonlijk hebberig is in geldzaken en niet zeer bekoorlijk.
Het is de beschaving, hoewel niet het fijnste en het beste in de beschaving, die meer dan iets anders vrouwen roept tot de prostitutie. Het is noodig er op te wijzen dat ook de man door diezelfde beschaving tot de prostitutie gedreven wordt. De gewone en op onwetendheid berustende veronderstelling, dat de prostitutie bestaat om de grove zinnelijkheid van den jongen ongehuwden man te bevredigen, en dat, als hij geleerd heeft grove sexueele impulsen te bedwingen of er toe gebracht is vroeg te trouwen de prostituée geen bezoek zal ontvangen, is volkomen onjuist. Als alle mannen heel jong trouwden, dan zou niet alleen het geneesmiddel erger zijn dan de kwaal--het is hier de plaats niet dat punt verder te bespreken--maar het middel zou de kwaal niet genezen. De prostituée is iets meer dan een kanaal om overtollige sexueele energie af te voeren, en haar aantrekkingskracht houdt in het geheel niet op te bestaan als mannen getrouwd zijn, want een groot aantal van de mannen die prostituées bezoeken, zoo niet de meesten, zijn getrouwd. En toch, of zij getrouwd zijn of ongetrouwd, de beweegreden die hen naar de prostituée voert, is niet uitsluitend wellust.
In Engeland, merkt een schrijver, die goed op de hoogte is, op, dat "de waarde van het huwelijk als moreele factor blijkt uit het feit, dat al de betere prostituées in Londen bijna geheel onderhouden worden door getrouwde mannen", terwijl ook in Duitschland, zooals in een belangwekkende serie van herinneringen van een vroegere prostituée, Beichte einer Gefallenen door Hedwig Hard (p. 208), gezegd wordt, de meeste mannen, die prostituées bezoeken, getrouwd zijn. Deze bewering is waarschijnlijk overdreven. Neisser zegt dat maar vijf en twintig percent van gevallen van gonorrhoe voorkomen bij getrouwde mannen. Deze opgave is waarschijnlijk onjuist in omgekeerden zin, omdat getrouwde mannen zich in het verkeer met prostituées meestal zeer in acht nemen, meer dan de jonge en ongetrouwde mannen. Wat de beweegreden aangaat, die getrouwde mannen tot de prostitutie brengt, vertelt Hedwig Hard uit haar eigen ervaringen een voorval, dat leerzaam en ongetwijfeld typisch is. In de stad, waar zij rustig als prostituée woonde, werd een man van den hoogsten maatschappelijken stand door een vriend bij haar geïntroduceerd, en bezocht haar regelmatig. Zij had dikwijls zijn vrouw gezien en bewonderd, die een van de gevierde schoonheden van de plaats was en twee lieve kinderen had; man en vrouw schenen elkander zeer genegen, en ieder benijdde hen hun geluk. Hij was een man van verstand en beschaving, die Hedwig's liefde tot boeken aanmoedigde; zij geraakte zeer aan hem gehecht en eens waagde zij hem te vragen hoe hij zijn lieve, mooie vrouw kon verlaten om naar iemand toe te gaan, die niet waard was haar schoenriemen los te binden. "Ja, kind", antwoordde hij, "maar al haar schoonheid en ontwikkeling geeft mij niets voor mijn hart. Zij is koud, koud als ijs, fatsoenlijk en bovenal phlegmatiek. Vertroeteld en verwend als zij is, leeft zij alleen voor zich zelf; wij zijn twee goede kameraden en niets meer. Als ik bijvoorbeeld 's avonds uit de societeit kom en naar haar bed ga, misschien wel een beetje opgewonden, dan wordt ze zenuwachtig en vindt het ongepast, dat ik haar wakker maak. Als ik haar kus, dan verdedigt zij zich en vertelt mij, dat ik verschrikkelijk naar sigaren en wijn ruik. En als ik misschien meer probeer, dan springt ze uit bed, wordt boos alsof ik haar aanviel, en dreigt uit het raam te springen als ik haar aanraak. Dus laat ik haar om den wille der vrede met rust en kom hier". Er kan geen twijfel aan zijn, dat dit de ondervinding is van veel getrouwde mannen, die graag geliefde zoowel als vriendin in hun vrouwen zouden vinden. Maar de vrouwen hebben, met een verscheidenheid van oorzaken, bewezen, dat ze niet in staat zijn de sexueele makkers te worden van haar echtgenooten. En de echtgenooten, zonder dat ze gedreven worden door eenigen sterken hartstocht of door begeerte naar ontrouw, zoeken buitenshuis wat ze thuis niet vinden kunnen.
Dit is niet de eenige reden, waarom mannen prostituées bezoeken. Zelfs mannen, die gelukkig getrouwd zijn met vrouwen, die in de voornaamste opzichten bij hen passen, ondervinden dikwijls na eenige jaren huwelijksleven, een geheimzinnig verlangen naar afwisseling. Zij zijn hun vrouwen niet moe, zij hebben niet de minste wensch of bedoeling om haar te verlaten, zij willen haar, als zij het helpen kunnen, niet de minste pijn veroorzaken. Maar nu en dan worden ze door een onweerstaanbaren, en onwillekeurigen drang er toe gebracht een tijdelijke intimiteit te zoeken met vrouwen, met wie ze voor niets ter wereld zich voor goed zouden willen binden. Pepys, wiens Diary, afgezien van de andere verdienstelijke eigenschappen ervan, een psychologisch document van waarde is, levert een zeer karakteristiek voorbeeld van deze soort van impuls. Hij heeft een jonge, lieve vrouw getrouwd, aan wie hij zeer gehecht is, en hij leeft gelukkig met haar, op een paar nu en dan voorkomende twisten na, die spoedig door kussen uit den weg geruimd zijn; zijn liefde gaat samen met jaloezie, een jaloezie, die, zooals hij toegeeft, volkomen onredelijk is, want zij is een trouwe, liefhebbende vrouw. Toch kan Pepys, eenige jaren na zijn huwelijk, en midden in een leven van ingespannen beroepsbezigheid, de verleiding niet weerstaan de tijdelijke gunsten te zoeken van andere vrouwen, zelden prostituées, maar bijna altijd vrouwen van lagen maatschappelijken stand--winkeljuffrouwen, vrouwen van werklieden, fatsoenlijke dienstmeisjes. Dikwijls is hij er mee tevreden haar naar een rustig bierhuis mee te nemen, en zich een paar gewone vrijheden te veroorloven. Soms weigeren zij absoluut meer dan dit toe te staan; als dat gebeurt dankt hij herhaaldelijk den almachtigen God (zooals hij 's avonds in zijn Diary schrijft), dat hij bewaard is gebleven voor verleiding en voor tijd- en geldverlies; telkens weer is hij geneigd de gelofte te doen, dat het niet weer zal gebeuren. Toch gebeurt het altijd weer. Pepys is volkomen waar tegenover zich zelf; hij doet geen poging zich te rechtvaardigen of te excuseeren; hij weet, dat hij voor de verleiding bezweken is; het is een impuls, die nu en dan over hem komt, een impuls, dien hij niet in staat schijnt te zijn lang te weerstaan. Ondanks dit alles blijft hij een achtenswaardig en ijverig ambtenaar, en in de meeste opzichten een tamelijk deugdzaam man, met een echten afkeer van lichtzinnige menschen en onbeteekenende praatjes. De houding van Pepys wordt met onvergelijkelijken eenvoud en openhartigheid uiteengezet, omdat hij deze dingen voor zijn eigen oogen alleen neerschrijft, maar zijn geval is in werkelijkheid dat van een groot aantal andere mannen, misschien wel van den typischen homme moyen sensuel (zie Pepys, Diary, ed. Wheatley; e.g., deel IV, passim).
Er is een derde klasse van getrouwde mannen, minder groot in aantal, maar niet onbelangrijk, die gedwongen zijn prostituées te bezoeken: de klasse van sexueel geperverteerde mannen. Er zijn vele redenen, waarom zulke mannen kunnen wenschen te trouwen, en in sommige gevallen trouwen ze vrouwen, met wie zij den eigenaardigen vorm van sexueele bevrediging, waarnaar ze verlangen, kunnen verkrijgen. Maar in een groot aantal gevallen is dit niet mogelijk. De conventioneel opgevoede vrouw kan zichzelf er niet toe brengen zelfs maar aan een volkomen onschuldige fetischachtige gril van haar echtgenoot toe te geven, want die is te vreemd aan haar gevoelens en te onbegrijpelijk voor haar ideeën, zelfs als ze oprecht verliefd op hem is; in vele gevallen zou de echtgenoot niet durven vragen en ternauwernood zelfs wenschen, dat zijn vrouw er zich toe zou leenen de fantastische of misschien vernederende rol te spelen, die zijn wenschen eischen. In zulk een geval wendt hij zich natuurlijk tot de prostituée, de eenige vrouw, wier beroep het is in zijn bijzondere behoeften te voorzien. Het huwelijk heeft dezen mannen geen verlichting gebracht, en zij vormen een groot aantal cliënten van elke prostituée in iedere groote stad. De meest gewone prostituée van eenige ervaring kan gevallen meedeelen van haar eigen bezoekers, geschikt om een verhandeling over psychopatische sexualiteit te illustreeren. Het is hier voldoende een aanhaling weer te geven uit de bekentenissen van een jonge Londensche prostituée (Strand), zooals ze van haar lippen zijn neergeschreven door een vriend, aan wien ik het document dank; ik heb alleen een paar alledaagsche woorden in meer technische termen veranderd. Nadat ze beschreven had hoe, toen zij nog een dorpskind van dertien jaar was, een rijke, oude heer dikwijls kwam en zich aan haar en andere meisjes vertoonde, en hoe hij eindelijk gearresteerd werd en gevangen genomen, sprak zij over de perversiteiten, die ze ontmoet had, sedert zij prostituée was geworden. Zij kende een jongen man van ongeveer vijf en twintig jaar, gewoonlijk in een sportpakje gekleed, die altijd met een paar levende duiven kwam, die hij in een mand meebracht. Zij en het meisje, waar ze mee samenwoonde moesten zich ontkleeden, de duiven nemen en ze den nek omdraaien; hij stond dan voor haar, en als de nekken omgedraaid werden, trad bij hem geprikkeldheid op. Eens ontmoette zij een man op straat en hij vroeg haar of hij met haar mee mocht gaan en haar schoenen mocht likken. Zij stemde toe en hij nam haar mee naar een hotel, betaalde een halve guinje voor een kamer, en, toen ze ging zitten, kroop hij onder de tafel en likte haar schoenen, die vol modder waren; meer deed hij niet. Dan waren er dingen, zeide zij, die te vuil waren om te vertellen; bv. een man kwam met haar en haar vriendin naar huis, en liet haar in zijn mond urineeren. Zij had ook verhalen van geeseling, meestal van mannen, die de meisjes met de zweep sloegen, zeldzamer van mannen, die graag door haar geslagen werden. Een man, die iedere keer een nieuw riet meebracht, sloeg haar vriendin tot bloedens toe. Zij kende een anderen man, die niets deed dan haar hard op de billen slaan. Nu wortelen al deze dingen, die tot het gewone dagwerk van de prostituée behooren, in diepe en onweerstaanbare impulsen. Zij moeten een of anderen uitweg vinden. Maar alleen op de prostituée kan men rekenen, omdat haar belang en haar opvoeding het meebrengen, om den natuurlijken tegenzin tegen zulke handelingen te boven te komen en wenschen te bevredigen, die, als ze niet bevredigd werden, misschien andere en gevaarlijker vormen zouden aannemen.
Hoewel Woods Hutchinson met instemming de verklaring van een vriend aanhaalt: "Van de duizende prostituées heb ik er nooit een gezien met goede manieren aan tafel", gaat van de prostituée toch werkelijk, hoewel dan niet in voldoende mate, de bekoring van de beschaving uit. "Er was geen huis, waarin ik van tijd tot tijd het gezicht van een dame zien en de stem van een dame hooren kon", schreef de romanschrijver Anthony Trollope in zijn Autobiographie over zijn leven, toen hij pas in Londen was. "Geen opwekking tot fatsoenlijke vertrouwelijkheid kwam op mijn weg. Het schijnt mij toe, dat in zulke omstandigheden de verleidingen van een losbandig leven bijna zeker de overhand zullen krijgen over een jongen man. De verleiding kreeg in ieder geval de overhand over mij". In iedere groote stad, heeft men gezegd, zijn er duizende mannen, die niet het recht hebben eenige andere vrouw dan een kellnerin bij haar voornaam te noemen [206]. Al de schoone glans der beschaving schittert om hen heen in de straten, maar zij moeten op een afstand blijven. Het is de prostituée, die deze bekoring van de stad belichaamt, veel beter dan de maagdelijke vrouw, zelfs als intimiteit met haar binnen hun bereik was. De prostituée vertegenwoordigt ze, omdat zij ze zelf voelt, omdat zij zelfs haar vrouweneer opgeofferd heeft in de poging zich er mee te vereenzelvigen. Zij heeft ongebreidelde vrouwelijke instincten, zij is een meesteres in de vrouwelijke kunst zich op te sieren, zij kan tot hem spreken over de geheimen van de vrouwelijkheid en de weelden van haar geslacht met een zaakkennis en een vrijheid, waartoe het onschuldige meisje, dat aan haar huis gekluisterd is, niet in staat zou zijn. Zij is voor hem niet alleen daardoor aantrekkelijk, omdat zij de lagere sexueele begeerten bevredigen kan, maar ook omdat zij op hare wijze een kunstenares is, een deskundige in de kunst van vrouwelijke uitbuiting, een leidster op het gebied der mode. Want dit is zij, en er zijn, zooals Simmel in zijn Philosophie der Mode gezegd heeft, goede psychologische redenen, waarom zij dit altijd moet zijn. Haar onzekere maatschappelijke positie maakt alles, wat conventioneel en wettig is, hatelijk in haar oogen, terwijl haar temperament voortdurende nieuwigheden verrukkelijk voor haar maakt. In nieuwe modes vindt zij "een æsthetischen vorm van dat instinct van vernieling, dat eigen schijnt te zijn aan het leven van alle paria's, in zooverre zij geestelijk niet volkomen slaven zijn geworden".
"Hoe verwonderlijk het ook aan sommigen moge toeschijnen", merkt een modern schrijver op, "prostituées moeten op hetzelfde niveau gesteld worden als kunstenaars. Beide gebruiken hun gaven en talenten tot vreugde en genoegen van anderen, en, als regel, tegen betaling. Wat is het essentieele verschil tusschen een zangeres, die hoorders genoegen geeft met haar keel en een prostituée, die haar bezoekers genoegen geeft met een ander deel van haar lichaam? Alle kunst werkt op de zinnen". Hij verwijst naar het belangrijke feit, dat acteurs en voornamelijk actrices vroeger veelal even weinig geacht werden als prostituées nu (R. Hellmann, Ueber Geschlechtsfreiheit, pp. 245-252).
Bernaldo de Quiros en Llanas Aguilaniedo (La Mala Vida en Madrid, p. 242) gaan denzelfden invloed na nog lager op den maatschappelijken ladder. Zij beschrijven de vuilere soort van café's chantant, waar, in Spanje en elders, de slechtste en meest gedegenereerde vrouwelijke schepsels kellnerinnen worden (en soms zangeressen en danseressen), die dan de rol spelen van liefelijke en gedistingeerde hetaren voor een publiek van voerlieden en winkelbedienden, die deze plaatsen bezoeken. "Gekleed met wat den jongen man toeschijnt onberispelijke smaak te zijn, met zorgvuldig gefriseerde haren, en een schoon gezicht, dat versierd is met bloemen of sieraden, minzaam en soms hooghartig, in bekoring en in tooi verheven boven de andere vrouwen, die hij kent, worden de kellnerinnen het mooiste voorbeeld van de femme galante, die hij kan zien en toespreken, de courtisane van zijn sfeer".
Maar terwijl de prostituée voor den eenvoudigen, onwetenden en hongerigen jongen man aantrekkelijk is als belichaming van veel van de verfijning en perversiteiten van de beschaving, oefent zij op vele meer gecompliceerde en beschaafde mannen een aantrekkingskracht uit van een bijna tegenovergestelde soort. Zij trekt aan door haar frissche en natuurlijke ruwheid, haar vrije bekendheid met de ruwste feiten van het leven; en heft hen zoo voor een oogenblik op uit de verdorrende atmosfeer van kunstmatig denken en onwerkelijk gevoel, waarin zoo vele beschaafde personen gedwongen zijn het grootste deel van hun leven door te hengen. Zij voelen met de woorden, die de koninklijke vriend van een vrouw van dit temperament moet gebruikt hebben, toen hij een verklaring gaf van haar onbegrijpelijken invloed op hem: "Zij is zoo schitterend vulgair!"
Ter illlustratie van deze zijde van de aantrekkingskracht der prostitutie, wil ik hier een passage aanhalen, waarin de romanschrijver Hermant, in zijn Confessions d'un Enfant d'Hier (Lettre VII), de redenen uiteengezet heeft, die er het overbeschaafde kind van een beschaafde eeuw, dat toch geenszins radicaal of volkomen slecht is, toe kunnen brengen voldoening te vinden in den omgang met prostituées: "Zoolang mijn hart niet getroffen was, was het voorwerp van mijn satisfactie mij volkomen onverschillig. Ik hield bovendien veel van absolute vrijheid en die is alleen mogelijk in den kring van deze anonieme schepsels en in haar afgezonderde woonplaats. Daar kan men zich alles veroorloven. Tegenover andere vrouwen, hoe laag we haar ook zoeken, moeten zekere égards in acht genomen worden, een soort van protocol. Tegen de prostituée kan men alles zeggen: men is beschermd door zijn incognito en men weet zeker, dat niemand ooit te weten komt, wat men met haar beleeft. Ik maakte gebruik van deze vrijheid, zoo aantrekkelijk voor iemand van mijn leeftijd, maar met een perverse fantasie, die niet bij mijn jaren paste. Ik weet nauwelijks waar ik de woorden vandaan haalde, die ik tot haar zeide, want ze kwamen niet overeen met mijn smaak, die eenvoudig was en, als ik het zeggen mag, klassiek. Het is waar, dat onbeperkt naturalisme in liefdezaken altijd neigt tot het perverse, een feit dat alleen op het eerste gezicht paradox kan schijnen. Natuurvolken hebben veel trekken gemeen met gedegenereerden. Ik was echter alleen in woorden losbandig; en dit waren de eenige gelegenheden, waarbij ik mij herinneren kan, dat ik ernstig onwaarheid gesproken heb. Maar die behoefte, die ik toen ondervond, om een lage soort van onwaardige instincten uit te drijven, schijnt mij karakteristiek toe en vernederend. Ik mag er bij voegen, dat ik zelfs te midden van deze uitspattingen een zekere terughouding behield. De aanrakingen, waaraan ik mij overgaf, bezoedelden mij niet; er bleef niets van over, als ik naar huis terugkeerde. Ik heb altijd, uit dien geforceerden en onverschilligen omgang de gewoonte behouden om geen gewicht te hechten aan de handelingen van het vleesch. De liefdefunctie, die godsdienst en moraal omgeven hebben met geheimzinnigheid en gekruid met zonde, schijnt mij een functie toe als iedere andere, een beetje laag bij den grond, maar aangenaam, en een, waarvoor het gebruikelijk epiloog te lang is.... Deze soort kameraadschap duurde maar korten tijd". Bovenstaande ontleding van de houding van een beslist gewoon type van den beschaafden modernen man schijnt juist te zijn, maar het zal misschien bij sommige lezers opkomen, dat men van een omgang, die er toe geleid heeft de "handeling van het vleesch" te beschouwen als te zijn van geen waarde, bezwaarlijk zeggen kan, dat ze geen smet nagelaten heeft.
Op ongeveer gelijke wijze stelt Henri de Régnier in zijn roman Les Rencontres de Monsieur Bréot (p. 50) Bercaillé voor als iemand die bepaald bij voorkeur zijn genoegen zoekt bij dienstmeisjes, liever dan bij dames, want genoegen geven was, in zijn idee, een soort van dienst, die vrijwel overeenkwam met de diensten, die zij gewend waren te bewijzen; en daarbij zijn zij stevig en gezellig; zij hebben de naïviteit, die altijd bekoort en zij worden niet licht teruggestooten door die kleine voorvallen, die misschien het kieskeurige gevoel van fijn opgevoede dames zouden hinderen.
Bloch, die speciaal den nadruk gelegd heeft op deze zijde van de aantrekkingskracht der prostitutie (Das Sexualleben unserer Zeit, pp. 359-362), verwijst naar den teeren en gevoeligen jongen Deenschen schrijver, J. P. Jakobsen, die scherp het contrast schijnt gevoeld te hebben tusschen de hoogere en meer gewone impulsen en de nu en dan voorkomende uitbarsting van wat hij voelde als de lagere instincten; in zijn Niels Lyhne beschrijft hij het soort van dubbel leven, waarbij een man veertien dagen trouw is aan den God, dien hij vereert, en dan overwonnen wordt door andere machten, die hem dolzinnig meevoeren naar wat hij voelt als vernederend, pervers en vuil. "Op zulke oogenblikken", merkt Bloch op, "is de man een ander wezen. De "twee zielen" in zijn borst worden werkelijkheid. Is dat de beroemde geleerde, de verheven idealist, de fijn besnaarde aestheticus, de kunstenaar, die ons zooveel mooie werken gegeven heeft in poëzie en schilderkunst? Wij herkennen hem niet meer, want op zulke oogenblikken is een ander wezen aan de oppervlakte gekomen, een andere natuur is in hem in beweging en drijft hem met het geweld van een natuurkracht naar dingen, waarvan zijn "hooger bewustzijn" de beschaafde man in hem, zou rillen". Bloch meent, dat we hier te doen hebben met een soort normaal mannelijk masochisme en dat de prostitutie dient om dat te bevredigen.
SECTION IV
IV. De tegenwoordige houding der maatschappij tegenover de prostitutie
Wij hebben nu de prostitutie beschouwd van sommige van haar meest verschillende en typische kanten, en we hebben getracht, zoowel uit een verstands- als uit een gevoelsoogpunt, de fundamenteele rol te begrijpen, die ze als vormend element van ons huwelijkssysteem speelt. Tenslotte moeten wij de beweegredenen nagaan, waardoor de prostitutie in dezen tijd aan een groot en aangroeiend aantal menschen niet alleen een onvoldoende methode van sexueele bevrediging, maar een radicaal slechte methode toeschijnt.
De beweging van antagonisme jegens de prostitutie vertoont zich het duidelijkst, zooals men van tevoren verwachten kon, in een gevoel van tegenzin tegen den oudsten en meest typischen, eens den meest geliefden en best ingerichten verschijningsvorm, het bordeel. Het aangroeien van dezen tegenzin is niet beperkt tot een of twee landen, maar is internationaal, en men kan hem dus beschouwen als een typisch verschijnsel in onze beschaving. Hij is bij prostituées zelf even duidelijk uitgesproken als bij haar cliënten. De afkeer aan den eenen kant vermeerdert den afkeer aan den anderen kant. Daar alleen de meest hulpelooze of de domste prostituées in den tegenwoordigen tijd bereid zijn de slavernij van het bordeel aan te nemen, is de bordeelhouder gedwongen zijn toevlucht te nemen tot buitengewone methoden om slachtoffers meester te worden, om deel te nemen aan dien cosmopolitischen handel in "blanke slavinnen", die alleen bestaat om bewoonsters te verkrijgen voor de bordeelen [207]. Een natuurlijke reactie op dezen staat van zaken is het feit, dat ze den cliënten van de prostitutie een vooroordeel geeft tegen een instelling, die langzamerhand uit de mode gaat en haar goeden naam begint te verliezen. Een nog meer fundamenteele antipathie wordt hierdoor veroorzaakt, dat het bordeel niet beantwoordt aan den hoogen graad van persoonlijke vrijheid en verscheidenheid, die de beschaving met zich brengt en die ze altijd eischt, zelfs als ze ze niet met zich brengt. Aan den eenen kant heeft de prostituée geen lust zich te onderwerpen aan een slavernij, die haar gewoonlijk zelf geen belooning brengt; aan den anderen kant voelt haar cliënt het als een deel van de bekoring van de prostitutie in de tegenwoordige beschaafde maatschappij, dat hij een vrijheid zal genieten en een keuze zal hebben, die het bordeel niet geven kan [208]. Zoo komt het dat bordeelen, die eens al de vrouwen bevatten die er haar beroep van maakten de sexueele behoeften van mannen te bevredigen, nu alleen een afnemende minderheid bevatten, en de overgang van in bordeelen wonende prostituées tot vrije prostitutie door vele maatschappelijke hervormers goedgekeurd wordt als een winst voor de zaak der moraal gerekend [209].
Het verval van de bordeelen is, hetzij als oorzaak of als resultaat, vergezeld gegaan van een groote toename der prostitutie buiten bordeelen. Maar de tegenzin tegen bordeelen geldt in veel essentieele punten ook de prostitutie in het algemeen, en, zooals we zien zullen, oefent hij een invloed van diepgaande wijziging uit op die prostitutie.
Het veranderde gevoel jegens de prostitutie schijnt voornamelijk op twee wijzen zijn uitdrukking te vinden. Aan den eenen kant zijn er de menschen, die, zonder dat zij de prostitutie willen afschaffen, zich stooten aan de minderwaardige rol, die zij er bij moeten spelen, en die walgen van den leelijken verschijningsvorm. Zij hebben geen moreele bezwaren tegen de prostitutie, maar ze zien geen reden, waarom een vrouw niet vrij met haar eigen lichaam zou doen, wat zij wil. Maar zij meenen, dat, als prostitutie noodzakelijk is, de omgang van mannen met prostituées humaan en aangenaam voor beide partijen behoort te zijn en niet voor beiden vernederend. We moeten in herinnering houden, dat men in het beschaafde stadsleven, door den beroepsarbeid dikwijls zóó zeer in beslag genomen wordt, en de prikkels van dat stadsleven zoo voortdurend zijn, dat de overgave aan de orgie lang niet altijd een wenschelijke ontspanning kan zijn. De grove vorm der orgie heeft aantrekkingskracht, niet voor den stadsbewoner, maar voor den boer, en voor den matroos of den soldaat, die in de stad komt na lange tijden van vervelende sleur en ontbering van al wat het gevoel en de zinnen prikkelt. Het is zelfs onjuist te meenen, dat de aantrekkingskracht van de prostitutie onvermijdelijk berust op het uitvoeren van de geslachtsdaad. Integendeel, de meest aantrekkelijke prostituée kan een vrouw zijn, die, zelf weinig sexueele behoeften hebbende, door de bekoring van haar persoonlijkheid wenscht te behagen; deze meisjes doen dikwijls goede huwelijken. Er zijn veel mannen, die er zelfs zeer tevreden mee zijn als ze een paar uur intiem kunnen omgaan met een aangename vrouw, zonder eenige verdere gunst, zelfs al staat die hun vrij. Voor een groot aantal mannen onder stadsbestaansvoorwaarden houdt de prostituée op het verachte middel te zijn voor de wellustige begeerte van een oogenblik; zij zoeken een aangename, menschelijke persoonlijkheid, met wie zij eenige ontspanning kunnen vinden van den dagelijkschen druk en de dagelijksche routine van het leven. Als een daad van prostitutie zoo op een menschelijke basis geplaatst is, al draagt ze dan geenszins bij tot de beste ontwikkeling van een van beide partijen, dan is ze tenminste niet meer zoo wanhopig vernederend. Anders zou de godsdienstige prostitutie in oude tijden niet zoo lang in aanzien geweest zijn onder achtbare vrouwen van goede geboorte aan de oevers van de Middellandsche Zee, zelfs in streken als Lydië, waar de positie der vrouwen bijzonder hoog was [210].
Het is waar, dat de geldelijke kant van de prostitutie altijd blijft bestaan. Maar men kan de beteekenis ervan overdrijven. We moeten er op wijzen, dat, hoewel het gewoon is van de prostituée te spreken als van een vrouw, die "zich verkoopt", dit een tamelijk ruwe en onjuiste zegswijze is om, in zijn typischen vorm, de verhouding uit te drukken van een prostituée tot haar cliënt. Een prostituée is geen koopwaar met een marktprijs, als een brood of een schapenbout. Zij staat veeleer op het niveau van personen, die tot de beroepsklassen behooren, en die honorarium aannemen voor verleende diensten; het bedrag van het honorarium wisselt af, aan den eenen kant met de plaats, die de dienst-betoonende onder haar beroepsgenooten inneemt, aan den anderen kant met de materieele omstandigheden van den cliënt, en onder bijzondere omstandigheden vervalt het honorarium geheel. De prostitutie maakt intieme verhoudingen, die uit natuurlijke liefde moesten voortkomen, tot een voorwerp van betaling, en zoo doende verlaagt ze die. Maar, strikt gesproken, is er in zulk een geval geen kwestie van "verkoopen". Te zeggen, dat een prostituée "zich verkoopt" is zelfs ternauwernood een vergeeflijke rhetorische overdrijving; het is even onjuist als onrechtvaardig [211].
Deze, in een beschaafde maatschappij zich voordoende neiging om de prostitutie te humaniseeren is het omgekeerde proces, mogen we wel opmerken, van wat in een vroeger stadium van de beschaving plaats vond, toen de oude opvatting van de godsdienstige waardigheid van de prostitutie in discrediet begon te geraken. Toen de mannen ophielden vrouwen te vereeren, die prostituées waren in den dienst van een godin, stelden zij in haar plaats prostituées, die enkel verachte slavinnen waren, en zij vleiden zich dat zij zoodoende de zaak van "vooruitgang" en "moraal" bevorderden. Aan de oevers van de Middellandsche zee had dit proces meer dan twee duizend jaar geleden plaats; het is nauw verbonden met den naam van Solon. Tegenwoordig kunnen we hetzelfde proces zich in Indië zien afspelen. In sommige deelen van Indië (zooals in Jejuri, bij Poonah) worden eerst-geboren meisjes gewijd aan Khandoba of andere goden; zij worden gehuwd aan den god en heeten murali. Zij doen dienst in den tempel, vegen die, wasschen de heilige vaten; zij dansen, zingen en prostitueeren zich. Zij mogen niet trouwen en zij wonen thuis bij haar ouders, broeders of zusters; zij zijn gewijd aan den heiligen dienst en zij worden niet geminacht. Tegenwoordig echter, trachten Indische "hervormers" in den naam van "beschaving en wetenschap" de murali te overtuigen, dat zij "zich overgegeven hebben aan een vernederende loopbaan". Ongetwijfeld zullen mettertijd de vermeende moralisten de murali uit haar tempels en uit haar tehuizen verjagen, haar berooven van haar gevoel van eigenwaarde, en haar maken tot ellendige paria's, alles in naam der "wetenschap en der beschaving" (zie b.v. een artikel van Mrs. Kashibai Deodhar, The New Reformer, October, 1907). Zoo komt het, dat de oude hervormers voor de later komende hervormers de taak schiepen de prostitutie opnieuw te humaniseeren.
Er is geen twijfel aan, dat deze meer humane opvatting van de prostitutie tegenwoordig erkenning begint te vinden in het werkelijke beschaafde leven van Europa. Zoo merkt Dr. Robert Michels op, ("Erotische Streifzüge", Mutterschutz, 1906, Heft 9, p. 368): "Terwijl in Duitschland de prostituée gewoonlijk beschouwd wordt als een "paria", en als zoodanig behandeld, als een werktuig voor den mannelijken wellust, dat men gebruikt en weer weggooit, en dat men onder geen voorwaarde in het openbaar zou willen kennen, speelt in Frankrijk de prostituée in vele opzichten de rol, die eens beteekenis en roem gaf aan de hetaren van Athene". En nadat hij de achting en het respect beschreven heeft, die de Parijsche prostituée dikwijls van haar vrienden ondervindt, en de niet-sexueele verhouding van kameraadschap, waar ze in kan treden met andere mannen, gaat de schrijver voort: "Een meisje, dat zich geeft voor geld, maar geenszins voor het geld van den eersten den besten, en die, behalve haar "beroepsvrienden" om zoo te zeggen de behoefte voelt aan niet-sexueele kameraden, met wie zij kan omgaan op vrije vriendschappelijke wijze, en door wie zij behandeld en gewaardeerd wordt als een vrij menschelijk wezen, is niet geheel verloren voor de moreele waarde der menschheid". Alle prostitutie is slecht, besluit Michels, maar we zouden reden hebben onszelf geluk te wenschen als liefdebetrekkingen van deze Parijsche soort de laagst bekende soort vertegenwoordigden van buiten-echtelijke sexualiteit. (Wat de betrekkelijke achting aangaat, die aan prostituées gegeven wordt, mag ik er melding van maken, dat een Parijsche prostituée tegen een vriend van mij de opmerking maakte, dat Engelschen haar dingen vroegen, die geen Franschman zou durven vragen).
Het is echter niet alleen in Parijs, hoewel hier wel duidelijker en meer in het oog springend, dat deze humaniseerende invloed in de prostitutie zich begint te doen gevoelen. Het blijkt bij voorbeeld uit de meerdere openlijkheid van het sexueele leven van een man. "Terwijl hij vroeger in een bordeel sloop in een afgelegen straat", merkt Dr. Willy Hellpach op (Nervosität und Kultur, p. 169), "wandelt hij nu met zijn "liaison" rond, en bezoekt comedies en café's, wel zonder begeerte om zijn bekenden te ontmoeten, maar toch zonder eenige verlegenheid op dat punt. De zaak begint meer gewoon te worden, meer--natuurlijk". Ze begint zoodoende ook, zooals Hellpach weet aan te toonen meer moreel te worden, en veel ongezonde preutschheid en verhitheid gaat verloren.
In Engeland, waar veranderingen langzaam gaan, moge deze neiging om de prostitutie te humaniseeren minder zichtbaar zijn, maar ze bestaat toch. In het midden van de vorige eeuw schreef Lecky (History of European Morals, deel II, p. 285) dat "voortdurende prostitutie in geen ander Europeesch land zoo hopeloos slecht of zoo onherroepelijk is". Die bewering, die ook uitgesproken is door Parent-Duchâtelet en andere buitenlandsche onderzoekers, wordt ten volle bevestigd door het bewijsmateriaal in de geschiedenis. Maar het is een bewering, die men tegenwoordig niet gaarne zou uiten, behalve misschien voor speciale afgebakende wijken in onze steden. Ook in Amerika vinden we een neiging om de prostitutie te humaniseeren, en we kunnen die neiging ongetwijfeld weerspiegeld vinden in het verslag over The Social Evil (1902), opgesteld door een commissie in New York, die de prostitutie aanbeval (p. 176) door op te merken, dat de prostitutie niet langer als een misdaad beschouwd moest worden, in welk licht, zooals we bemerken, ze vroeger in New York beschouwd werd. Dat moge maar een kleine schrede zijn op den weg der humaniseering, maar zij is in de goede richting.
Het is geenszins alleen in Europa, dat we mèt de zich ontwikkelende beschaving, een verfijning en humaniseering van de meer vluchtige verbintenissen met vrouwen kunnen nasporen. In Japan voerden precies dezelfde eischen, vele eeuwen geleden, tot het verschijnen van de geisha. In den loop van een belangwekkende en nauwkeurige studie over de geisha merkt Mr. R. F. Farrer op (Nineteenth Century, April, 1904): "De geisha is allerminst noodzakelijk een courtisane. Zij is een vrouw, wier opvoeding tot doel had haar aantrekkelijk te maken, van haar jeugd af werd zij onderwezen in alle ingewikkeldheden van de Japansche literatuur; geoefend in vernuft en in gevatheid; gewend aan het levendig babbelen over alle onderwerpen tusschen hemel en aarde. Van haar vroegste jeugd af is zij opgevoed tot een innemende bevalligheid van gedrag, onbegrijpelijk voor den meest beschaafden Europeaan, en toch is zij altijd een bloesem van de lagere klassen, met korte, dikke vingers, en platte leelijke nagels. Haar opvoeding, zoowel physiek als moreel, is veel zwaarder dan die van de ballerina, en zij komt eerst na jaren van strijd en bittere kwelling tot succes... De maatschappelijke positie van de geisha kan vergeleken worden met die van de Europeesche actrice. Het Geisha-huis biedt prijzen aan, die even begeerlijk zijn als welke ook van het Westersch tooneel. Een bekende geisha met twintig edelen om zich heen, die om haar glimlach wedijveren en die voortdurend in spanning gehouden worden door de flikkerende pijlen van haar vernuft, heeft een positie, die niet minder hoog en roemrijk is dan die van Sarah Bernhardt in haar eersten bloei. Zij wordt evenzeer gezocht, evenzeer gevleid, even hartstochtelijk aangebeden, dat rustige, kleine, eenvoudige meisje in het mat blauw. Maar zij wordt zoo gewaardeerd voornamelijk om haar tong, waarvan de macht eerst tot volle rijpheid komt als haar physieke bekoorlijkheden verminderen. Zij eischt groote sommen voor haar impressario's en verschijnt en danst dan nog alleen als zij het zelf wil. Weinig Westerlingen zien ooit een werkelijk beroemde geisha. Zij is een tè groote persoonlijkheid om voor een Europeaan te verschijnen, behalve misschien op zeer hoog, of keizerlijk verzoek. Ten slotte kan zij, en dat doet zij dikwijls, een zeer goede partij doen. Uit dit alles vloeit niet de geringste noodzakelijkheid van ongepaste verhoudingen voort."
In sommige opzichten was de positie van de vroegere Grieksche hetare meer gelijk aan die van de Japansche geisha, dan aan die van de prostituée in de strenge beteekenis van het woord. Voor den Griek was de hetare inderdaad in het geheel geen porne of prostituée. De naam beteekende vriendin of kameraad, en de vrouw aan wie men den naam gaf, had een achtenswaardige positie, die men aan een gewone prostituée nooit had kunnen inruimen. Athenaeus (Bk. XIII, hoofdst. XXVIII-XXX) brengt geheele passages bijeen, die bewijzen, dat de hetare beschouwd kon worden als een onafhankelijke burgeres, rein, eenvoudig en deugdzaam, geheel verschillend van de gewone massa prostituées, hoewel deze misschien haar naam konden overnemen. De hetaren "waren bijna de eenige Grieksche vrouwen", zegt Donaldson (Woman, p. 59), "die het beste en edelste vertoonden, wat er in de vrouwelijke natuur is". Dit feit maakt het meer begrijpelijk hoe een vrouw van zulke uitnemende, geestelijke beteekenis als Aspasia een hetare geweest kan zijn. Er schijnt weinig twijfel te bestaan aan haar geestelijke verdienste. "Aeschines, in zijn dialoog "Aspasia"", schrijft Gomperz, de historicus van de Grieksche philosofie (Greek Thinkers, deel III, p.p. 124 en 343), "legt deze opmerkelijke vrouw een scherpe critiek in den mond op de levenswijze, die de traditie voor haar sekse eischte. Het zou buitengewoon vreemd zijn", voegt Gomperz er bij, waar hij beweert, dat daaruit een gevolgtrekking gemaakt kan worden aangaande de historische Aspasia, "als drie schrijvers--Plato, Xenophon en Aeschines--alle drie de vriendin van Pericles abusievelijk hadden bekleed met wat wij redelijkerwijze konden verwachten, dat zij bezitten zou,--een hoogbeschaafden geest en intellectueelen invloed". Het is zelfs mogelijk, dat de beweging voor de rechten der vrouw, die, zooals wij vaag uit de geschriften van Aristophanes raden, in Athene in de vierde eeuw voor Christus plaats vond, geleid werd door hetaren. Volgens Ivo Bruns (Frauenemancipation in Athen, 1900, p. 19) "hebben de meest bepaalde berichten, die wij over Aspasia bezitten, een sterke gelijkenis met het beeld, dat Euripides en Aristophanes ons geven van de leidsters van de vrouwenbeweging". Het was deze beweging, die toen de ideeën van Plato over de gemeenschap van vrouwen veel minder dwaas deden schijnen dan zij òns voorkomen. Sommigen zouden misschien kunnen meenen, dat deze beweging op een hooger plan die liefde tot vernielen vertegenwoordigde, of, laten we liever zeggen, die geest van opstand en eerzucht, die Simmel beschouwt als het kenmerk van de geestelijke en artistieke werkzaamheid van hen, die in de maatschappelijke hierarchie uit een klasse verbannen zijn of in geen klasse thuis behooren. Ook Ninon de Lenclos was, zooals we gezien hebben, niet eigenlijk een courtisane, maar zij was een pionier in het handhaven van de rechten der vrouw. Aphra Behn, die iets later in Engeland een even dubbelzinnige maatschappelijke positie innam, was ook een pionierster in de edelmoedige humaniseerende aspiraties, die sedert door de geheele wereld zijn aangenomen.
Deze verfijningen van de prostitutie, kan men wel zeggen, zijn het gevolg van de latere en meer ontwikkelde stadiën in de beschaving: "De opgewekte, handige en artistiek ontwikkelde hetare staat dikwijls als een ideale figuur tegenover de intellectueel niet ontwikkelde vrouw, die aan haar huis gebonden is. De courtisanes van de Italiaansche Renaissance, Japansche geishas, Chineesche bloemenmeisjes en Indische bayadères vertoonen alle eenige niet onedele trekken, een glimp van een vrij kunstenaarsbestaan. Zij hebben--wel is waar met opoffering van haar hoogste waarde een onafhankelijkheid bereikt ten opzichte van den drukkenden dwang van den man en van huishoudelijke plichten, en een deel van de vrouwelijke natuur, die zoo dikwijls verlamd wordt, komt in haar schitterend tot ontwikkeling. Prostitutie in haar besten vorm kan op deze wijze een gelegenheid bieden, waarbij deze vrouwelijke eigenaardigheden invloed kunnen uitoefenen op de ontwikkeling van de beschaving. Wij mogen tevens gelooven, dat de artistieke werkzaamheid van vrouwen in zekere mate een tegenwicht kan vormen tegen de slechte gevolgen van sexueele losbandigheid, daar ze verhindert, dat het gevoelsleven ruwer of zelfs vernietigd wordt; in zijn Magda heeft Sudermann een vrouwentype beschreven, dat van het standpunt van strikte moraal verwerpelijk kan schijnen, maar dat in de kunst een steun vindt, waarvan zelfs kwaadwilligen schoorvoetend de kracht moeten erkennen". In zijn Sex and Character heeft Weiniger op meer buitensporige wijze de opvatting ontwikkeld van de prostituée als een fundamenteel en essentieel deel van het leven, een blijvend vrouwelijk type.
Er zijn anderen, naar het schijnt in toenemend aantal, die het probleem der prostitutie naderen, niet van een artistiek standpunt, maar van een moreel standpunt. Deze moreele houding is echter niet die conventioneele moraal van Cato en den heiligen Augustinus en Lecky, die in de voorafgaande bladzijden uiteengezet is, volgens welke de prostituée op de straat moet aanvaard worden als de bewaakster van de getrouwde vrouw in het huis. Deze moralisten ontkennen inderdaad, dat deze beschouwing moreel geacht moet worden. Zij meenen, dat het moreel niet mogelijk is, dat de eer van sommige vrouwen gekocht zal kunnen worden door de oneer van andere vrouwen, omdat tot zulk een prijs de deugd al haar moreele waarde verliest. Als zij lezen, zooals Goncourt zeide, "dat de weelderigste artikelen van den uitzet van vrouwen, de trouwhemden van meisjes met een bruidsschat van zes honderd duizend francs, gemaakt worden in de gevangenis van Clairvaux" [212], dan zien ze hierin het symbool van de nauwe afhankelijkheid van onze weelderige deugd en onze vuile ondeugd. En terwijl ze de historische en sociologische bewijzen aannemen, die er blijk van geven dat de prostitutie een onvermijdelijk deel is van ons huwelijkssysteem, vragen zij, of het niet mogelijk is dat huwelijkssysteem zoo te wijzigen, dat het niet noodig zal zijn de vrouwelijke menschheid te verdeelen in "onfatsoenlijke" vrouwen, die zich opofferingen getroosten, die harer onwaardig zijn, en "fatsoenlijke" vrouwen, die opofferingen doen, die het niet minder onwaardig kan zijn aan te nemen.
Prostituées, heeft een bekend man van de wetenschap gezegd (Duclaux, L'Hygiène Sociale, p. 243), "zijn dingen geworden, die het publiek gebruikt als het ze noodig heeft, en die het op den mesthoop gooit, als het ze vuil gemaakt heeft. In zijn phariseeërschap heeft het zelfs de onbeschaamdheid haar beroep als schandelijk te behandelen, alsof het niet even schandelijk was op deze markt te koopen als te verkoopen". Bloch (Sexualleben unserer Zeit, Ch. XV) zegt met klem, dat de prostitutie veredeld moet worden, en dat dit tevens de eenige manier is om haar te verminderen. Isidore Dyer, uit New Orleans zegt, dat "we de prostitutie niet kunnen tegengaan, tenzij we in het gemoed van mannen en vrouwen een geest van verdraagzaamheid kweeken in plaats van onverdraagzaamheid jegens gevallen vrouwen". Dit punt kan geïllustreerd worden door een opmerking van de schrijfster van het Tagebuch einer Verlorenen die een prostituée was. "Als ons beroep niet langer schandelijk was", schreef zij, "dan zou het leger van "ongelukkigen" verminderen met vier vijfden--ik durf wel zeggen met negen tienden. Ik zelf bij voorbeeld! Hoe graag zou ik een betrekking aannemen als gezelschapsjuffrouw of gouvernante!" "Een van de twee dingen", schreef de uitmuntende socioloog Tarde ("La Morale Sexuelle", Archives d'Anthropologie Criminelle, Januari 1907), "òf de prostitutie zal verdwijnen, doordat ze voortgaat onfatsoenlijk te zijn en ze zal vervangen worden door een andere instelling, die beter de fouten van het monogame huwelijk zal verhelpen, òf ze zal blijven bestaan en geacht worden, dat is te zeggen, zich doen respecteeren, hetzij ze gunstig beoordeeld wordt of niet". Tarde meende, dat dit misschien gebeuren kon door een betere organisatie van de prostituées, een zorgvuldiger keuze uit haar, die toegelaten wenschen te worden tot haar gelederen en het aankweeken van beroepsdeugden, die haar moreel niveau zouden verhoogen. "Als courtisanes in een behoefte voorzien", heeft Balzac gezegd in zijn Physiologie du Mariage, "dan moeten zij een soort gilde worden".
Deze moreele houding wordt door de onvermijdelijke democratische neiging der beschaving gedragen en versterkt, welke neiging, hoewel ze geenszins het klasse-denkbeeld te niet doet, dat denkbeeld ondermijnt als een uitvloeisel van fundamenteele menschelijke onderscheidingen, en het overtollig maakt. De prostitutie maakt de vrouw niet langer tot slavin, zij behoorde haar ook zelfs niet tot een paria te maken: "Mijn lichaam is mijn eigendom", zegt de jonge Duitsche prostituée van tegenwoordig, "en wat ik er mee doe, gaat niemand aan". Toen de prostituée letterlijk een slavin was, waren de moreele verplichtingen jegens haar geenszins noodzakelijk dezelfde als de moreele plicht jegens de vrije vrouw. Maar als, zelfs in dezelfde familie, de prostituée door een groote en niet te overbruggen golf gescheiden kan zijn van haar getrouwde zuster, dan beginnen we in te zien, wat in de meening van velen dringend noodzakelijk is, dat onze moraal ten opzichte van haar ondersteboven gekeerd moet worden. Duizende jaren is de prostitutie verdedigd, op grond, dat de prostituée noodzakelijk is om "de reinheid van vrouwen" te verzekeren. In onze democratische eeuw begint men te erkennen, dat prostituées ook vrouwen zijn.
De zich ontwikkelende zin van een fundamenteele, menschelijke gelijkheid, die ten grondslag ligt aan de oppervlakkige klasseverdeelingen heeft neiging de gewone houding jegens de prostituée, de houding van haar cliënten zelfs meer dan die van de maatschappij in het algemeen, pijnlijk wreed te doen schijnen. De harde en ruw lichtzinnige toon, waarop zooveel jonge mannen over prostituées spreken, heeft men gezegd, is "eenvoudig wreedheid van een bijzonder brutale soort", die in geen andere levensverhouding te vinden is [213]. En als deze houding al wreed is alleen in woorden, ze is nog wreeder in daden, welke pogingen er ook gedaan worden om de wreedheid ervan te bemantelen.
Men kan wel zeggen, dat de opmerkingen van den kanunnik Lyttelton voornamelijk betrekking hebben op jonge mannen van den hoogeren middenstand. Over wat misschien de gewone houding is van menschen uit den lageren middenstand, mag ik aanhalen uit een merkwaardige mededeeling, die mij uit Australië bereikt heeft: "Wat zijn de ideeën van een jongen man, die in een Christelijke Engelsche familie uit den middenstand opgevoed is, over prostituées? Neem, bij voorbeeld, mijn vader. Hij sprak eerst over prostituées met mij, als ik mij wèl herinner, toen hij sprak over zijn leven vóór zijn huwelijk. En hij sprak over haar, zooals hij spreken zou over een paard, dat hij gehuurd had, waarvoor hij betaald had, en dat hij uit zijn gedachten gebannen had, toen het hem van dienst was geweest. Hoewel mijn moeder lief en goed was, sprak zij van gevallen vrouwen met walging en toorn als van een of ander onrein dier. Daar het de ijdelheid en den trots streelt met algemeene goedkeuring op iets te kunnen neerzien, begreep ik spoedig de situatie en nam een houding aan, die, in hoofdzaak die is van de Christelijke Engelsche mannen van den middenstand jegens prostituées. Maar met de ontwikkeling van de puberteit moet deze houding aangepast worden aan den wensch, dit schuim, deze moreele melaatsche, te gebruiken. De gewone jonge man, die wel van wat immoraliteit houdt en die wel wat immoreel is, als hij in de stad is en meent, dat het niet waarschijnlijk is, dat het zijn moeder of zusters ter oore zal komen, komt zijn aanmatiging en zijn tegenzin niet te boven of vermindert die ook maar in het minst. Hij neemt die met zich mee in het bordeel, min of meer vermomd, en zij kleuren zijn gedachten en daden al den tijd dat hij met prostituées slaapt, of haar kust, of zijn handen over haar heen strijkt, zooals hij doen zou met een merrie, om zooveel mogelijk voor zijn geld te krijgen. Om de waarheid te zeggen was dat, over het geheel, ook mijn houding. Maar als iemand mij gevraagd had naar de geringste reden voor deze houding, voor dit gevoel van meerderheid, trots, hauteur, en vooroordeel, dan zou ik, evenals iedere andere "fatsoenlijke" jonge man met den mond vol tanden gestaan hebben".
Op het moderne, moreele standpunt, dat wij nu innemen, is niet alleen de wreedheid, die besloten ligt in de schande van de prostituée, dwaas, maar even dwaas, en dikwijls niet minder wreed, schijnt de eer te zijn, die bewezen wordt aan de fatsoenlijke vrouwen aan den anderen kant van de maatschappelijke klove. Het is wel bekend, dat mannen soms naar prostituées gaan om bevrediging te vinden voor de opwinding, die gewekt is door de liefkoozingen van hun verloofden [214]. Daar de emotioneele en physieke resultaten van onbevredigde opwinding dikwijls ernstiger zijn bij vrouwen dan bij mannen, zijn de verloofde vrouwen in deze gevallen even gerechtvaardigd verlichting te zoeken bij andere mannen, en zoo zou de noodlottige cirkel der dwaasheid volkomen zijn.
Uit het gezichtspunt van den modernen moralist is er een andere overweging, die in het geheel niet geteld werd bij de conventioneele en traditioneele moraal, die wij geërfd hebben, en die in de praktijk inderdaad ook niet bestond in de oude dagen, toen die moraal nog een levende werkelijkheid was. Vrouwen zijn niet meer verdeeld in de twee groepen: vrouwen, die geëerbiedigd moeten worden, en prostituées, die de onteerde bewaaksters zijn van die eer; er is een groote derde klasse van vrouwen, die noch getrouwde vrouw noch prostituée zijn. Voor deze groep van ongetrouwde deugdzamen had de traditioneele moraal in het geheel geen plaats; zij negeerde ze eenvoudig. Maar de nieuwe moralist, die leert erkennen zoowel de eischen van het individu als de eischen van de maatschappij, begint te vragen of aan den eenen kant deze vrouwen geen recht hebben op bevrediging van haar affectioneele en emotioneele impulsen als zij dat wenschen, en aan den anderen kant of, daar een hooge beschaving een verminderd aantal geboorten met zich brengt, de gemeenschap geen recht heeft iedere gezonde en flinke vrouw aan te moedigen bij te dragen tot de instandhouding van het geboortecijfer, als zij dat wenscht.
Al de overwegingen, die in de voorafgaande bladzijden in het kort zijn aangeduid--de fundamenteele zin voor menschelijke gelijkheid, die gekweekt wordt door onze beschaving, de weerzin tegen de wreedheid, die de verfijning van het stadsleven vergezelt, het leelijke contrast van uitersten, die stuitend zijn voor onze zich ontwikkelende democratische neigingen, de aangroeiende zin voor de rechten van het individu op zijn eigen persoon, het recht waarop niet minder sterk de nadruk gelegd wordt van de gemeenschap op het beste wat het individu kan leveren--al deze overwegingen brengen er den modernen moralist iederen dag meer toe om jegens de prostitutie een houding aan te nemen, die geheel verschillend is van de moraal, die wij ontleend hebben aan Cato en Augustinus. Hij ziet de zaak op grootere en meer dynamische wijze. In plaats van te verklaren, dat het wel de moeite loont de prostituée te dulden en haar terzelfder tijd te verachten, om de heiligheid van de vrouw in haar huis te bewaren, is hij niet alleen meer geneigd ieder te beschouwen als de rechte bewaker van zijn eigen moreele vrijheid, maar hij is niet zoo zeker omtrent de door den tijd gesanctionneerde positie van de prostituée, en bovendien is hij er geenszins zeker van, dat de vrouw in haar huis niet evenzeer redding noodig heeft als de prostituée op de straat; hij is er toe bereid te overwegen of hervorming in deze zaak niet waarschijnlijk plaats zal vinden in den vorm van een meer juiste toemeting van sexueele rechten en sexueele plichten aan vrouwen in het algemeen, met het onvermijdelijk gevolg van verheffing van het leven van mannen ook.
De opstand van vele ernstige hervormers tegen de onrechtvaardigheid en de vernedering, die nu samengaat met ons systeem van prostitutie is zoo diepgaand, dat sommigen zich bereid hebben verklaard tot het aannemen van iedere revolutie van denkbeelden, die een meer gezonde verandering van moreele waardeeringen zou teweeg brengen. "Beter zou inderdaad een saturnalia zijn van vrije mannen en vrouwen", roept Edward Carpenter (Love's Coming of Age, p. 62) uit, "dan het schouwspel, dat nu onze groote steden 's nachts bieden".
Zelfs zij, die heel tevreden zouden zijn met een zoo conservatieve behandeling van maatschappelijke instellingen als mogelijk is, kunnen niet nalaten te erkennen, dat de prostitutie niet bevredigend is, tenzij wij al zeer bescheiden eischen stellen aan de sexueele daad. "De daad der prostitutie", verklaart Godfrey (The Science of Sex, p. 202), "is misschien physiologisch volkomen, maar ze is dit in geen andere beteekenis. Al de moreele en intellectueele factoren, die met het physieke verlangen samenwerken om de volmaakte sexueele aantrekking te vormen zijn aanwezig. Al de hoogere elementen van liefde--bewondering, eerbied, eer en zelfopofferende toewijding--zijn even vreemd aan de prostitutie als aan de egoïstische daad der masturbatie. De voornaamste bezwaren tegen de moraal van de daad zijn meer gelegen in wat er mee samengaat dan in de daad zelf. Iedere sprank van liefde, die een vrije connectie zou kunnen bezitten, wordt meteen bedorven door het invoeren van een geldelijk element. In de vernedering die er uit voortkomt, heeft de vrouw het grootste aandeel, omdat ze haar maakt tot een paria en haar onderwerpt aan al de verhardende en demoraliseerende invloeden van maatschappelijke uitsluiting. Maar haar vernedering dient er alleen toe haar invloed op haar partners nog meer vernederend te maken. De prostitutie", zegt hij tot besluit, "heeft een sterke neiging om de van nature zelfzuchtige houding van mannen jegens vrouwen te versterken en ze aan te moedigen in de begoocheling, die voortkomt uit ongeordende hartstochten, dat de geslachtsdaad zelf het doel en einde van het sexueele leven is. De prostitutie kan er derhalve geen aanspraak op maken ook maar een tijdelijke oplossing te geven voor het sekseprobleem. Zij vervult alleen de zending, die ze gemaakt heeft tot een "noodzakelijk kwaad"--de zending van palliatief tegen de physieke gestrengheid van coelibaat en monogamie. Dat doet ze ten koste van een groote mate van physieke en moreele ontaarding, waarvan veel ongetwijfeld berust op de maatschappij, die de vernedering van de prostituée volkomen maakt door voortdurende uitsluiting. Prostitutie was niet zulk een groot kwaad, toen ze niet als zoodanig beschouwd werd, toch was ze zelfs op haar best een werkelijk kwaad, een treurige en lage parodie op ernstige en natuurlijke hartstochtsverhoudingen. Zij is een kwaad, dat we bij ons moeten houden, zoolang het coelibaat gewoonte en monogamie wet is". Het is de vrouw zoowel als de prostituée, die vernederd wordt door een systeem, dat koopbare liefde mogelijk maakt. "De tijd is voorbij", merkt dezelfde schrijver elders op (p. 195), "dat een enkele ceremonie werkelijk heiligen kan wat laag is, en lust en begeerte kan veranderen in oprechte sexueele liefde. Als het in sexueele connecties treden met een man alleen voor een materieel doel een schande is voor de maatschappij, dan is het ook een schande onder den huwelijksband, afgezien van den huichelachtigen zegen van de kerk of de wet. Als de publieke prostituée een wezen is, dat als paria verdient behandeld te worden, dan is het hopeloos onredelijk ieder soort van moreele schande te onthouden aan de vrouw, die een dergelijk leven leidt onder andere uiterlijke omstandigheden. Of de getrouwde vrouw, die zich prostitueert, moet onder den moreelen ban komen, òf er moet een einde komen aan de algeheele uitsluiting, waaronder de prostituée lijdt".
De denker, die duidelijker en meer fundamenteel dan anderen, en het eerst van allen zich de dynamische verhoudingen van de prostitutie voor oogen heeft gesteld, was James Hinton. Meer dan dertig jaar geleden gaf Hinton, in fragmentarische geschriften, die nog onuitgegeven zijn gebleven, omdat hij ze nooit in ordelijken vorm omgewerkt heeft, krachtig en hartstochtelijk uitdrukking aan zijn gronddenkbeeld. Het kan misschien de moeite loonen een paar korte passages aan te halen uit Hinton's handschriften: "Ik voel, dat de wetten van het arbeidsvermogen ook behoorden te gelden te midden der golven van den menschelijken hartstocht, dat de verhoudingen der mechanica waar zijn en ook zullen heerschen in het menschelijk leven... Er ontstaat een spanning, een onderdrukking van de ziel, door ons moderne leven, en ze is op het punt plotseling tot een ontploffing te leiden, waarna de krachten zich opnieuw zullen ordenen. Het is een kwestie van dynamica, in moreele termen voorgesteld... Het houden van een deel van de vrouwelijke bevolking zonder uitzicht op een huwelijk, beteekent prostituées hebben, dat zijn vrouwen, die niets zijn dan werktuigen van de zinnelijkheid van den man, en dit beteekent voor velen van haar het dooden van alle zuivere liefde of de vatbaarheid daartoe. Dit is het feit, dat we onder de oogen moeten zien... Vandaag zag ik een jonge vrouw, wier leven verteerd werd door gebrek aan liefde, een geval van uiterste ellende: en zie nu den prijs, waarmee we haar slechte gezondheid betalen; voor haar slechte gezondheid betalen wij met den ondergang van een ander meisje. Dat geven wij er voor; haar ellende naar ziel en lichaam wordt gekocht door de prostitutie; wij hebben prostituées, die daarvoor zijn ... Wij leveren sommige vrouwen roekeloos aan het verderf over om een broeikasparadijs te maken voor anderen... De eene put zich uit in vergeefsche pogingen genoegens te verdragen waarvoor ze niet sterk genoeg is, terwijl andere vrouwen te gronde gaan door gebrek aan deze zelfde genoegens. Als het huwelijk dit is, is het dan niet belichaamde wellust? De gelukkige Christelijke tehuizen zijn de ware donkere plaatsen der aarde... Prostitutie voor den man, ontbering voor de vrouw--zij zijn twee zijden van hetzelfde ding, en het zijn allebei ontkenningen van de liefde, evenals weelde en ascetisme. De bergen van ontbering moeten gebruikt worden om de diepten van de overdaad aan te vullen".
Eenige van de denkbeelden van Hinton werden uiteengezet door een schrijfster, die goed met hem bekend was, in een vlugschrift, getiteld The Future of Marriage: An Eirenicon for a Question of To-day, door een achtenswaardige vrouw (1885). "Als de overtuiging eenmaal ingang heeft gevonden bij de "goede" vrouwen", merkt de schrijfster op, "dat haar plaats van eer en voorrechten verkregen is ten koste van de vernedering van anderen, dan zullen ze niet rusten voor zij die plaats verlaten hebben of een ander voetstuk gevonden hebben. Als ons onbuigzaam huwelijkssysteem tot voornaamste voorwaarde heeft het bestaan van de prostitutie, dan kan men slechts twee gevolgtrekkingen maken: òf er moet aangetoond worden, dat zij overeen te brengen is met het welzijn, zoowel moreel als physiek, van de vrouwen, die ze in praktijk brengen, òf ons huwelijkssysteem moet veroordeeld worden. Als het iemand duidelijk voor oogen gesteld werd, dan zou hij niet in ernst kunnen beweren, dat dat "deugd" is, wat alleen in praktijk gebracht kan worden ten koste van iemand anders ondeugd... Terwijl de wetten der natuurkunde zoo algemeen erkend beginnen te worden, dat niemand er van droomt een deeltje stof of kracht te willen vernietigen, passen we toch dezelfde opvatting niet instinctief toe op moreele krachten, maar wij denken en handelen alsof wij een kwaad konden uit den weg ruimen, terwijl we dàt onveranderd laten, wat er kracht aan geeft. Dit is de eenige beschouwing van het maatschappelijk probleem, dat ons hoop geeft. Dat de prostitutie zou ophouden te bestaan, terwijl alles bleef zooals het is, zou schadelijk zijn, als het mogelijk was. Maar het is niet mogelijk. Het zwakke punt van alle bestaande pogingen om de prostitutie te onderdrukken is, dat zij er tegen gericht zijn alsof zij een ding op zichzelf was, terwijl zij alleen een van de symptomen is, die voortkomen uit een algemeene kwaal".
Ellen Key, die in de laatste jaren de voornaamste apostel geweest is van een evangelie van sexueele moraal, die berust op de behoeften van vrouwen als de moeders van het ras, heeft, in ongeveer gelijken geest, zoowel de prostitutie als het starre huwelijk veroordeeld, verklarend (in haar Essays on Love and Marriage), dat "de ontwikkeling van het erotisch persoonlijk bewustzijn evenzeer gehinderd wordt door de maatschappelijk geregelde "moraal" als door de maatschappelijk geregelde "immoraliteit"," en dat "de twee laagste en maatschappelijk gesanctionneerde uitersten van sexueel dualisme, het starre huwelijk en de prostitutie, langzamerhand onmogelijk zullen worden, omdat zij met het ingang vinden van het denkbeeld van erotische eenheid niet langer zullen overeen te brengen zijn met de behoeften der menschen".
Wij kunnen den tegenwoordigen toestand, wat betreft de prostitutie, het best karakteriseeren door te zeggen, dat er aan den eenen kant een neiging is om ze te verheffen, in verband met de aangroeiende menschelijkheid en verfijning van de beschaving, een neiging, die onvermijdelijk leiden moet tot het meer en meer brandmerken zoowel van de vrouwen die prostituées worden, als van de mannen, die ze opzoeken; aan den anderen kant, maar misschien door dezelfde dynamische kracht, is er een neiging de prostitutie langzamerhand terzijde te stellen door een gelukkige concurrentie van hooger en reiner methoden van sexueele verhoudingen, die vrij zijn van geldelijke overwegingen. Deze verfijning en veredeling, deze concurrentie der prostitutie door betere vormen van sexueele liefde, zijn inderdaad een essentieel deel van den vooruitgang, naarmate de beschaving meer waarlijk gezond, krachtig en waarheidlievend wordt.
Waarschijnlijk zal deze moreele verandering vergezeld gaan van de erkenning, dat de feiten van het menschelijk leven van meer belang zijn dan de vormen. Want alle overgangen van lagere tot hoogere maatschappelijke vormen, van den natuurstaat tot de beschaving, zijn--voor zoover zij veranderingen zijn, die het leven raken--vergezeld gegaan van een langzaam en moeilijk tasten naar de waarheid, dat alleen in natuurlijke verhoudingen gezondheid en heiliging kan gevonden worden, want, zooals Nietzsche zeide, de "terugkeer" tot de natuur moest eerder de "opstijging" genoemd worden. Zoo alleen kunnen wij verkrijgen, dat uit onze harten eindelijk die vastgeroeste traditie verdreven wordt, dat er eenige onreinheid of schande is in daden van liefde, waarvoor de door het verstand voorgeschrevene en niet alleen de conventioneele voorwaarden vervuld zijn. Want het is een ijdel pogen te trachten onze wetten te verbeteren, of zelfs onze verordeningen, voordat we eerst onze harten verbeterd hebben.
Het zou misplaatst zijn hier verder in te gaan op de moreele kwestie, zooals zij zich heden ten dage begint te vormen in de sexueele sfeer. In een psychologische bespreking behoeven we alleen maar de werkelijke houding uiteen te zetten van den moralist en van de beschaving. De uitwerking van de praktische gevolgen van die houding moeten we aan moralisten en sociologen en de gemeenschap in het algemeen overlaten.
Ons onderzoek heeft tevens, zooals we mogen hopen, aangetoond, dat wie de kwestie van de prostitutie in de praktijk behandelen wil in de allereerste plaats de waarschuwing niet vergeten mag, die, wat vele andere maatschappelijke problemen aangaat, belichaamd is door Herbert Spencer in zijn vermaard voorbeeld van de gebogen ijzeren plaat. Als we trachten de gebogen plaat plat te krijgen, dan heeft het geen zin, zooals Spencer aangetoond heeft, direct op het opgebulte gedeelte los te hameren; als we dat doen, dan blijkt al gauw, dat we de zaken erger gemaakt hebben; ons hameren moet, om resultaat te hebben, zijn in de omgeving van, en niet direct òp de hinderlijke verheffing, die we willen verwijderen; zoo alleen kan de ijzeren plaat plat gehamerd worden [215]. Maar dit axioma is door de moralisten niet begrepen. De gewone, praktische hervormer heeft--van den tijd van Karel den Groote af--altijd weer zijn vuist direct laten neerkomen op het kwaad der prostitutie en hij heeft de zaken steeds erger gemaakt. Alleen door met beleid buiten het kwaad en er om heen te werken kunnen we hopen het met succes te verminderen. Door er naar te streven de verhoudingen van mannen tot vrouwen, en van vrouwen tot vrouwen te ontwikkelen en te verheffen, door onze opvattingen over sexueele verhoudingen te wijzigen, en door een gezonder en meer ware opvatting over vrouwelijkheid en over de verantwoordelijkheden van vrouwen, zoowel als van mannen, in te voeren, door, maatschappelijk zoowel als economisch, een hooger niveau te bereiken van menschelijk leven--alleen door zulke methoden kunnen wij met reden eenige vermindering en verzachting van het kwaad der prostitutie verwachten. Zoolang wij niet in staat zijn tot zulke methoden, moeten we tevreden zijn met de prostitutie, die we verdienen, en dan moeten we leeren ze te behandelen met het medelijden, en den eerbied, waarop een zoo in het leven grijpende misvorming in onze beschaving aanspraak maken mag.
HOOFDSTUK VIII
DE BESTRIJDING DER VENERISCHE ZIEKTEN
De beteekenis der venerische ziekten.--De geschiedenis der syphilis.--Het vraagstuk van den oorsprong ervan.--De groote maatschappelijke beteekenis van de syphilis.--De maatschappelijke gevaren van de gonorrhoe.--De moderne verandering der methoden ter bestrijding van de venerische ziekten.--Oorzaken van het verval van het systeem van politie-toezicht.--Noodzakelijkheid de feiten onder de oogen te zien.--De onschuldige offers der venerische ziekte.--Het zijn ziekten en geen misdaden.--Het principe van aanmelding.--Het Scandinavische systeem.--Kostelooze behandeling.--Straf op het overbrengen van venerische ziekten.--Sexueele opvoeding met betrekking tot de venerische ziekten.--Lezingen, enz.--Uiteenzettingen van de kwestie in romans en op het tooneel.--Het "leelijke" is niet "immoreel".
Het kan misschien verwondering wekken, dat in de voorafgaande bespreking van de prostitutie nauwelijks een woord gezegd is over venerische ziekten. In de oogen van vele menschen is de kwestie der prostitutie eenvoudig de kwestie van syphilis. Maar van het psychologisch standpunt, dat ons hier direct aangaat, evenals van het moreele, waarmee we indirect wel bekend moeten zijn, kan de kwestie der ziekten, die verbonden kunnen zijn en ook zoo dikwijls verbonden zijn met de prostitutie, niet in de eerste plaats van beteekenis zijn. De twee kwesties zijn, hoe nauw ze ook met elkaar in verband mogen staan, in hun grondslag verschillend. Niet alleen zouden venerische ziekten blijven bestaan, al was de prostitutie volkomen verdwenen, maar, aan den anderen kant, als we syphilis op dergelijke wijze aan contrôle onderworpen hadden, als de eenigszins er mee verwante ziekte, lepra, dan zou het probleem der prostitutie nog blijven bestaan.
Toch is het nauwelijks mogelijk, zelfs van het standpunt dat we hier innemen, de kwestie der venerische ziekten buiten beschouwing te laten, want de psychologische en moreele gezichtspunten van de prostitutie, en zelfs de geheele kwestie der sexueele verhoudingen, ondervinden, tot zekere hoogte, den invloed van het bestaan van de ernstige ziekten, die vooral door sexueelen omgang verspreid worden.
Fournier, een van de leidende autoriteiten op dit gebied, heeft terecht gezegd, dat syphilis, alcoholisme en tuberculose de drievoudige pest is van den tegenwoordigen tijd. In een veel vroegeren tijd (1851) had Schopenhauer in Parerga en Paralipomena de meening geuit, dat de twee dingen, die het moderne maatschappelijk leven onderscheiden van dat van de oudheid, het ridderlijk eergevoel en de venerische ziekten zijn; te zamen, voegde hij er aan toe, hebben zij het leven vergiftigd en een vijandig en zelfs duivelsch element ingevoerd in de verhoudingen der seksen, dat indirect invloed heeft geoefend op alle andere maatschappelijke verhoudingen [216]. Het is als een koopwaar, zegt Havelburg van de syphilis, die de beschaving overal heen gevoerd heeft, zoo dat maar zeer weinige afgelegen landen van den aardbol (zooals Centraal Afrika en Centraal Brazilië) er tegenwoordig vrij van zijn [217].
Het is ongetwijfeld waar, dat in de oudere beschaafde landen de uitingen van syphilis, hoewel ze nog ernstig zijn en een oorzaak voor de physieke ontaarding van het individu en het ras, minder ernstig zijn dan ze waren, zelfs maar een generatie geleden [218]. Dit is gedeeltelijk het resultaat van vroegere en betere behandeling, voor een deel is het mogelijk het resultaat van het syphilitisch worden van het ras, daar een zekere mate van immuniteit nu een geërfd bezit geworden is, hoewel we toch in de herinnering moeten houden, dat een aanval van syphilis niet noodzakelijk immuniteit met zich brengt tegen den werkelijken aanval van de kwaal, zelfs bij hetzelfde individu. Maar we moeten er aan toevoegen, dat, ook al is ze minder ernstig geworden, de syphilis, in de meening van velen, toch nog bezig is zich uit te breiden, zelfs in de voornaamste centra der beschaving; dit heeft men evenzeer opgemerkt in Parijs als in Londen [219].
Volgens de meening, die tegenwoordig algemeen begint te heerschen, is syphilis naar Europa overgebracht aan het einde van de vijftiende eeuw door de eerste ontdekkers van Amerika. In Seville, de voornaamste Europeesche haven voor Amerika, was ze bekend als de Indische ziekte, maar toen Karel VIII en zijn leger ze in 1495 het eerst naar Italië overbrachten, werd ze de Gallische ziekte genoemd, hoewel deze connectie met de Franschen alleen maar toevallig was; "een monsterachtige ziekte", zeide Cataneus, "die in vorige eeuwen nooit gezien is en onbekend is in de geheele wereld".
De synoniemen voor syphilis waren eerst ontelbaar. Ferrara gaf in zijn Latijnsche gedicht Syphilis sive Morbus Gallicus, geschreven vóór 1521, en uitgegeven in Verona in 1530, eindelijk aan de ziekte den naam, die er nu algemeen voor aangenomen is, waarbij hij ter verklaring van de herkomst ervan een romantische sage uitvond.
Hoewel men tegenwoordig vrij algemeen schijnt te gelooven, dat de syphilis uit Amerika naar Europa is overgebracht, bij de ontdekking van de Nieuwe Wereld, is het eerst in de allerlaatste jaren geweest, dat deze meening grond gewonnen heeft; het schijnt zelfs nu niet eens zeker, dat, wat de Spanjaarden uit Amerika mee terug brachten, werkelijk een ziekte was, die geheel nieuw was in de Oude Wereld, en niet een krachtiger vorm van een oude ziekte, waarvan de uitingen goedaardig geworden waren. Buret, bij voorbeeld, (Le Syphilis Aujourd'hui et chez les Anciens, 1890), die eenige jaren geleden tot de diepe overtuiging kwam, dat "syphilis dateert van de schepping van den mensch", en die uit een nauwkeurige studie der klassieke schrijvers tot het geloof gekomen was, dat syphilis in Rome al bestond onder de Caesars, meende, dat ze op verschillende plaatsen en op verschillende tijden uitgebroken was, en dat ze in epidemische uitbarstingen verschillende combinaties vertoonde van haar verschillende symptomen, zoo dat ze op gewone tijden voorkwam zonder opgemerkt te worden en op de tijden van meer intense uiting beschouwd werd als een tot dusverre onbekende ziekte. Zoo werd er in de klassieke tijden gemeend, denkt hij, dat ze uit Egypte kwam, hoewel hij Azië voor haar werkelijk tehuis hield. Leopold Glück heeft ook passages aangehaald (Archiv für Dermatologie und Syphilis, January 1899) uit de medische epigrammen van een dokter uit de zestiende eeuw, Gabriel Ayala, die verklaart, dat syphilis niet werkelijk een nieuwe ziekte is, hoewel er gewoonlijk gemeend wordt, dat ze dat is, maar een oude ziekte, die met tot dusverre onbekende kracht uitgebroken is. Er is echter geen enkele overtuigende reden, om te gelooven, dat syphilis in de klassieke oudheid bekend was. A. N. Notthaft ("Die Legende von der Althertums-syphilis", in het Rindfleisch Festschrift, 1907, pp. 377-592) heeft critische nasporingen gedaan naar passages in klassieke schrijvers, waarvan Rosenbaum, Buret, Proksch en anderen meenden, dat ze sloegen op syphilis. Het is volkomen waar, geeft Notthaft toe, dat vele van deze passages misschien wel op syphilis zouden kunnen slaan, en dat een of twee zelfs beter zouden passen op syphilis dan op eenige andere ziekte. Maar over het geheel leveren zij in het geheel geen bewijs en geen syphiloloog, besluit hij, is er ooit in geslaagd te demonstreeren, dat syphilis in de oudheid bekend was. Dat geloof is een mythe. Het meest verpletterende bewijs er tegen is, zooals Notthaft zegt, het feit, dat, hoewel er in de oudheid groote medici waren, die nauwkeurige waarnemers waren, niet een van hen een beschrijving geeft van de primaire, secundaire, tertiaire en aangeboren vormen van deze ziekte. China wordt dikwijls vermeld als het oorspronkelijke tehuis van de syphilis, maar dit geloof is geheel zonder grond, en de Japansche medicus, Okamura, heeft aangetoond (Monatschrift für praktische Dermatologie, deel XXVIII, blz. 296 et. seq.) dat Chineesche verhandelingen niets over de syphilis melden vóor de zestiende eeuw. In de Parijsche Academie voor Geneeskunde werden in 1900 door Fouquet photografieën gedemonstreerd van menschelijke overblijfsels, die dateeren van 2400 voor Christus, die veranderingen in het beenderenstelsel vertoonen, die duidelijk syphilitisch schenen te wezen; Fournier echter, een van de grootste autoriteiten, meende, dat de diagnose van syphilis niet kon volgehouden worden, voordat andere toestanden, die dergelijke veranderingen in het beenderenstelsel hadden kunnen teweeg brengen, geëlimineerd waren (British Medical Journal, September 29, 1900, p. 946). In Florida en verschillende deelen van Centraal Amerika, op ongetwijfeld vòor den tijd van Columbus stammende begraafplaatsen, zijn zieke beenderen gevonden waarvan goede autoriteiten verklaard hebben, dat ze niet anders dan syphilitisch konden zijn (b.v. British Medical Journal, November 20, 1897, p. 1487), hoewel we kunnen opmerken, dat nog kort geleden, in 1899, de voorzichtige Virchow constateerde, dat de syphilis van vóor den tijd van Columbus voor hem nog een open kwestie was (Zeitschrift für Ethnologie, Deel 2 en 3, 1899 p. 216). Aan den anderen kant toont Seler, de bekende autoriteit over de Mexikaansche oudheid aan, dat de oude Mexikanen een ziekte kenden, die, zooals zij haar beschreven, wel syphilis had kunnen wezen. Het blijkt echter duidelijk, dat, terwijl de moeilijkheid om zieke beenderen te demonstreeren in Amerika wel even groot is als in Europa, de demonstratie toch, hoe volkomen ze ook zijn mag, niet voldoende zou zijn om aan te toonen, dat de ziekte niet ook reeds bestond in de Oude Wereld. De plausibele theorie van Ayala, dat de syphilis van de vijftiende eeuw een hevig optreden was van een oude ziekte is in de meer moderne tijden herhaaldelijk weer in het leven geroepen. Zoo denkt J. Knott ("The Origin of Syphilis" New York Medical Journal, October 31, 1908), dat hoewel ze niet nieuw was in het Europa van de vijftiende eeuw, ze toen nieuw ingevoerd werd in een vorm, die ernstiger geworden was doordat ze van een erotisch ras kwam, zooals men meent, dat dikwijls het geval is.
Het was in de achttiende eeuw, dat Jean Astruc het geloof begon te herstellen, dat syphilis werkelijk een betrekkelijk moderne ziekte is van Amerikaanschen oorsprong, en sindsdien hebben vele autoriteiten van gewicht hun instemming met dit gezichtspunt betuigd. Aan de energie en de bekwaamheid van Dr. Iwan Bloch, uit Berlijn (het eerste deel van zijn belangrijk werk, Der Ursprung der Syphilis, werd uitgegeven in 1901) danken wij de volledige samenstelling van het materiaal, dat het bewijs levert voor den Amerikaanschen oorsprong van de syphilis. Bloch beschouwt Ruy Diaz de Isla, een beroemd Spaansch medicus, als de voornaamste getuige voor den Indischen oorsprong van de ziekte, en besluit, dat ze naar Europa overgebracht werd door de mannen van Columbus, uit Midden Amerika, meer speciaal van het eiland Haiti, naar Spanje in 1493 en 1494, en onmiddellijk daarna door de legers van Karel VIII als epidemie verspreid werd over Italië en de andere landen van Europa.
We kunnen hieraan toevoegen, dat, zelfs als we de theorie moeten aannemen, dat de centrale streken van Amerika de plaats zijn van den oorsprong der Europeesche syphilis, we toch nog moeten erkennen, dat de syphilis zich op het vasteland van Noord-Amerika zeer veel langzamer verspreid heeft dan in Europa en ook meer gedeeltelijk, en zelfs tegenwoordig zijn er Amerikaansche Indiaansche stammen, onder wie ze onbekend is. Holder heeft op grond van zijn eigen ervaringen onder Indianen en van informaties door bemiddeling van verschillende medici een statistiek gemaakt die aantoont, dat van ongeveer dertig stammen en groepen van stammen, achttien bijna of geheel vrij waren van venerische ziekten, terwijl onder dertien ze zeer veel voorkwamen. Bijna zonder uitzondering weigeren de stammen, waar syphilis weinig voorkomt of onbekend is, sexueelen omgang aan vreemdelingen, terwijl zij, onder wie zulke omgang meer voorkomt, moreel laks zijn. Het zijn de blanken, die de bron zijn van infectie onder deze stammen (A. B. Holder, "Gynecic Notes Among the American Indians", American Journal of Obstetrics 1892, No. 1).
Syphilis is een, maar zeker de belangrijkste, van een groep van drie geheel verschillende "venerische ziekten", die eerst in den laatsten tijd onderscheiden zijn, en wat hun juisten aard en oorzaak aangaat inderdaad eerst nu beginnen begrepen te worden, hoewel twee er van zeker in de oudheid bekend geweest zijn. Het is eerst zeventig jaar geleden, dat Ricord, de groote Fransche syphiloloog, die na Bassereau kwam, het eerst de volkomen onafhankelijkheid verkondigd heeft van de syphilis, zoowel van gonorrhoe als van weeke schanker, terwijl hij tevens duidelijk de drie stadiën uiteengezet heeft, het primaire, het secundaire en het tertiaire, in welke de syphilis meestal tot uiting komt, terwijl men van den vollen omvang van de tertiaire symptomen der syphilis tegenwoordig bijna nog niet op de hoogte is, en men eerst nu algemeen begint te beseffen, dat twee van de meest voorkomende en ernstigste ziekten van de hersenen en van het zenuwstelsel--algemeene verlamming en ruggemergstering of locomotorische ataxie--hun voornaamste, hoewel niet uitsluitende oorzaak vinden in het binnendringen van het vergif der syphilis vele jaren vroeger. In 1879 begon een nieuw stadium van meer nauwkeurige kennis van de venerische ziekten met de ontdekking van Neisser van den gonococcus, die de eigenlijke oorzaak is van de gonorrhoe. Deze werd een paar jaar later gevolgd door de ontdekking van Ducrey en Unna van den bacil van den weeken schanker, de minst belangrijke van de venerische ziekten, omdat de gevolgen ervan alleen maar plaatselijk zijn. Ten slotte, in 1905, nadat Metchnikoff den weg bereid had, toen hij er in slaagde syphilis over te brengen van mensch op aap, en Lassar, door inenting, van aap op aap--deed Fritz Schaudinn zijn groote ontdekking van de protozoïsche Spirochaeta pallida (sedertdien soms genaamd Treponema pallidum), die nu algemeen beschouwd wordt als de oorzaak van de syphilis; daardoor ontdekte hij de schuilplaats van de gevaarlijkste en verraderlijkste vijanden van de menschheid [220].
Er is geen fijner vergif dan dat van de syphilis. Syphilis is niet, als kinderpokken of typhus, een ziekte, die een korten, plotselingen storm veroorzaakt, een hevigen strijd met de levenskrachten, waarin ze, zelfs zonder behandeling, meestal het onderspit delft, mits het organisme gezond is, terwijl ze weinig of geen sporen nalaat van haar verwoestingen,--neen, zij dringt dieper en dieper in het organisme door, ze leidt na verloop van tijd tot steeds nieuwe complicaties, en geen weefsel is veilig voor haar aanvallen. En zoo fijn is dit alles doordringende vergif, dat, hoewel de uitwendige verschijnselen ervan vatbaar zijn voor langdurige behandeling, het dikwijls moeilijk te zeggen is dat het vergif ten slotte volkomen gedood is [221].
Het enorme belang van de syphilis, en de voornaamste reden waarom het noodig is ze hier te beschouwen, ligt in het feit, dat de gevolgen ervan niet beperkt zijn tot het individu zelf, en zelfs ook niet tot de menschen aan wie hij het kan overdragen door besmetting, door aanraking in of buiten sexueele verhoudingen: ze tast de nakomelingschap aan en ze tast de teelkracht zelf aan. Ze grijpt mannen en vrouwen aan in de kracht van het leven, de voortbrengers van het komende geslacht, en leidt òf tot steriliteit òf tot onrijpe en ziekelijke producten van de conceptie. De vader alleen kan misschien syphilis op zijn kind overbrengen, zelfs als de moeder aan de besmetting ontkomt, en het kind, dat uit syphilitische ouders geboren is kan schijnbaar gezond ter wereld komen, om zijn syphilitischen oorsprong eerst na een periode van maanden of zelfs van jaren te openbaren. Zoo is syphilis waarschijnlijk een hoofdoorzaak voor den achteruitgang van het ras [222].
Zoowel bij het individu als bij zijn nakomelingschap vertoont de syphilis haar vernielende gevolgen op alle organen, maar voornamelijk op de hersenen en het zenuwstelsel. Er zijn, zooals Mott, een leidende autoriteit in deze zaak [223], aangetoond heeft, vijf wijzen, waarop syphilis de hersenen en het zenuwstelsel aantast: (1) door moreelen schok; (2) door de gevolgen van het vergif in het teweegbrengen van anaemie en algemeene voedingsstoornissen; (3) door het veroorzaken van ontsteking van de vliezen en de weefsels van de hersenen; (4) door het veroorzaken van degeneratie van de arterie, die aanleiding geeft tot hersenverweeking, verlamming en dementia; (5) als een zeer voorname oorzaak van de para-syphilitische aandoeningen van algemeene verlamming en ruggemergsverlamming.
Het is eerst in de laatste jaren, dat de medici de overwegende rol erkend hebben, die gespeeld wordt door verkregen of geërfde syphilis, bij het veroorzaken van algemeene verlamming, die in zoo ruime mate er toe medewerkt krankzinnigengestichten te vullen, en ruggemergsverlamming, hetgeen de belangrijkste ziekte is van het ruggemerg. Zelfs tegenwoordig kan men nauwelijks zeggen, dat er volkomen overeenstemming is betreffende het hooge belang van syphilis als factor in deze ziekten. Er kan echter weinig twijfel aan bestaan, dat in tenminste ongeveer vijf en negentig percent gevallen van algemeene paralyse syphilis aanwezig is [224].
Syphilis alleen is inderdaad geen voldoende oorzaak voor algemeene paralyse, want onder vele natuurvolken is syphilis zeer gewoon, terwijl algemeene paralyse zeer zeldzaam is. Het is, zooals Krafft-Ebing gewoon was te zeggen, syphilisatie en civilisatie, die tezamen werkende algemeene paralyse veroorzaken, misschien in sommige gevallen, naar er reden is om te meenen, op een nerveuzen bodem, die tot zekere hoogte erfelijk gedegenereerd is; dit blijkt uit het abnormaal veel voorkomen van aangeboren teekenen van degeneratie, die bij algemeene paralytici gevonden werden door Näcke en anderen. "Paralyticus nascitur atque fit", volgens het gezegde van Obersteiner. Eens ondermijnd door syphilis, zijn de ontaarde hersenen niet in staat weerstand te bieden aan de rukken en den druk van het beschaafde leven, en het gevolg is algemeene paralyse, die naar waarheid beschreven is als "een van de vreeselijkste geesels van moderne tijden".
In 1902 nam de psychologische afdeeling van de British Medical Association, die de meest bevoegde autoriteit over deze zaak is, met algemeene stemmen een besluit, hetwelk beval, dat de aandacht van de wetgeving en verschillende publieke lichamen gevestigd zou worden op de noodzakelijkheid van onmiddellijk handelen, gezien het feit, dat "algemeene paralyse een zeer ernstige en veel voorkomende vorm van hersenziekte, mèt andere variëteiten van krankzinnigheid in ruime mate voortkomt uit syphilis, en dus te voorkomen is". Toch is nog geen enkele schrede in deze richting gedaan.
De gevaren van de syphilis liggen niet alleen in haar macht en haar taaiheid, maar ook daarin, dat ze zooveel slachtoffers maakt. Het is moeilijk te constateeren hoeveel syphilis inderdaad voorkomt; maar in de verschillende landen zijn al veel gedeeltelijke nasporingen gedaan, en het is waarschijnlijk dat vijf tot twintig percent van de bevolking van Europa met syphilis besmet is, terwijl ongeveer vijftien percent van de syphilitische personen sterft aan oorzaken, die direct of indirect gevolgen van de ziekte zijn [225]. In Frankrijk heeft over het algemeen, naar een taxatie van Fournier, zeventien percent van de geheele bevolking syphilis gehad; in Toulouse constateert Andry, dat achttien percent van al zijn patiënten syphilitisch zijn, en in Kopenhagen, waar de aangifte verplicht is, zegt men, dat meer dan vier percent van de bevolking aan syphilis lijdt. In Amerika heeft een commissie van de Medical Society of New-York, als resultaat van een grondig onderzoek naar deze zaken gerapporteerd, dat in de stad New-York jaarlijks niet minder dan een kwart millioen gevallen van venerische ziekten voorkomen, en een toonaangevende dermatoloog uit New-York heeft geconstateerd, dat in de families van den beteren stand, die hij nauwkeurig kent, minstens een derde van de zoons syphilis gehad hebben. In Duitschland schat men, dat jaarlijks acht honderd duizend gevallen van venerische ziekten voorkomen, en aan de grootere universiteiten worden iederen collegetijd vijf en twintig percent van de studenten geïnfecteerd; venerische ziekten komen vooral onder studenten voor. Het jaarlijksch aantal mannen, dat in het Duitsche leger aan venerische ziekten lijdt is een derde van het geheele aantal, dat in den Fransch-Duitschen oorlog gewond is. Toch staat het Duitsche leger, wat de venerische ziekten aangaat, vrij hoog, vergeleken bij het Engelsche leger, dat meer syphilitisch is dan eenig ander Europeesch leger [226]. Daar het Engelsche leger uit beroepssoldaten bestaat en niet op algemeene dienstplicht berust, geeft het niet zoo'n juist beeld van het volk als het leger in landen, waar de een of andere vorm van dienstplicht bestaat. In een der Londensche ziekenhuizen kon worden vastgesteld, dat tien percent van de patiënten syphilis gehad had; dit beteekent waarschijnlijk een werkelijke verhouding van ongeveer vijftien percent, een hoog, hoewel niet een buitengewoon hoog aantal. Toch is het duidelijk, dat zelfs als het aantal werkelijk lager is dan dit, het nationale verlies in leven en gezondheid, in gebrekkig nageslacht en rasontaarding enorm en feitelijk onberekenbaar moet zijn. Zelfs in geld kan men het budget van venerische ziekten vergelijken met het algemeene budget van een groote natie. Stritch berekent, dat de onkosten voor de Engelsche natie aan venerische ziekten in het leger, de marine en de administratie alleen, jaarlijks 3.000.000 pond sterling bedragen, en als men pensioenen en ziekteverloven mederekent, die indirect door deze ziekten veroorzaakt worden, hoewel zij als zoodanig niet voorkomen op de officieele lijsten, dan wordt de juiste schatting van de onkosten voor de natie gezegd te zijn 7.000.000 pond sterling. Het nemen van eenvoudige, hygiënische maatregelen voor het voorkomen en het spoedig genezen van venerische ziekten zal niet alleen indirect, maar zelfs direct een bron zijn van enorme welvaart voor het land.
Syphilis is degene onder de venerische ziekten, die het duidelijkst en het meest in het oog springend, schrik aanjaagt. Toch komt ze minder voor en is in sommige opzichten minder arglistig dan de andere venerische ziekte gonorrhoe [227]. Er was een tijd, toen de ernstige aard van gonorrhoe, vooral bij vrouwen, weinig erkend werd. Mannen namen ze aan met een luchtig hart als een voorval van geringe beteekenis; vrouwen namen er geen notitie van. Dit niet inzien van den ernst van de gonorrhoe, soms zelfs van de zijde van medici--zoodat ze gewoonlijk, in Grandin's woorden, beschouwd werd alsof ze van weinig meer beteekenis was dan een neusverkoudheid--heeft geleid tot een reactie van de zijde van sommigen naar een tegenovergesteld uiterste, en de gevaren van de gonorrhoe zijn zeer overdreven. Dit is vooral het geval met betrekking tot de steriliteit. De ontstekingsgevolgen van gonorrhoe zijn ongetwijfeld een machtige oorzaak van steriliteit bij beide seksen; sommige autoriteiten hebben geconstateerd, dat niet alleen tachtig percent van de sterfgevallen door ontstekingsziekten van de organen in het bekken, en de meerderheid van de gevallen van chronische invaliditeit bij vrouwen, maar tevens negentig percent der niet gewilde onvruchtbare huwelijken, het gevolg zijn van gonorrhoe. Neisser, een groote autoriteit, schrijft aan deze ziekte ongetwijfeld vijftig percent van zulke huwelijken toe. Zelfs deze taxatie is naar de ervaring van sommige medici te hoog. Het is ten volle bewezen, dat de groote meerderheid der mannen, die gonorrhoe gehad hebben, zelfs als zij niet trouwen vòor twee jaar nadat ze geïnfecteerd werden, de kwaal niet overbrengen op hun vrouwen; en zelfs van de vrouwen, die door haar mannen geïnfecteerd zijn, hebben meer dan de helft kinderen. Dit is b.v. het resultaat van de onderzoekingen van Erb, en Kisch spreekt nog met meer nadruk in denzelfden zin. Bumm, die gonorrhoe beschouwt als een van de twee voornaamste oorzaken der steriliteit bij vrouwen, vindt echter dat ze niet de meest voorkomende oorzaak is, en dat ze alleen maar verantwoordelijk is voor ongeveer een derde van de gevallen; de andere twee derden zijn het gevolg van fouten in de ontwikkeling van de genitaliën. Dunning in Amerika heeft resultaten verkregen, die tamelijk wel overeenkomen met die van Bumm.
Wat een ander van de vreeselijke gevolgen der gonorrhoe betreft, de ongeneeslijke blindheid, die zij door infectie van de oogen bij de geboorte te voorschijn roept, daaraan heeft langen tijd geenerlei twijfel bestaan. De Commissie van de Ophthalmological Society in 1884, heeft gerapporteerd, dat dertig tot een en veertig percent van de bewoners van vier blindeninstituten hun blindheid aan deze oorzaak te wijten hebben [228]. In Duitsche instituten heeft Reinhard gevonden, dat dertig percent hun gezicht door dezelfde oorzaak verloren hebben. Het totale aantal personen, die blind zijn door infectie met gonorrhoe door hun moeders bij hun geboorte is enorm. De Engelsche koninklijke commissie, ingesteld tot onderzoek naar den toestand van blinden taxeerde, dat er ongeveer zeven duizend personen in het Vereenigd Koninkrijk alleen waren (of twee en twintig percent van de blinden in het land), die blind werden als gevolg van deze kwaal, en Mookerji constateerde in zijn toespraak over ophthalmologie op het Indische Medische Congres van 1894, dat in Bengalen alleen er zes honderd duizend totaal blinde bedelaars waren, van wie veertig percent het gezicht verloren bij hun geboorte door gonorrhoe van de moeder; en dit heeft alleen betrekking op de bedelaarsklasse.
Hoewel gonorrhoe vele en verschillende ellenden [229] te voorschijn kan roepen, kan er geen twijfel aan zijn, dat de meerderheid van met gonorrhoe besmette personen aan de gevaren der ziekte ontsnapt, zoowel wat henzelf als wat het aanbrengen van eenig zeer ernstig nadeel aan anderen betreft. De speciale reden, waarom gonorrhoe een zoo bijzonder ernstige geesel geworden is, is de buitengewone veelvuldigheid, waarmee ze voorkomt. Het is uiterst moeilijk het aantal van de mannen en vrouwen, die gonorrhoe gehad hebben, te taxeeren, en de taxaties varieeren binnen ruime grenzen. Dikwijls wordt het te hoog gesteld. Erb, uit Heidelberg, die alle overdrijving over het veelvuldig voorkomen van de gonorrhoe wenschte te voorkomen, ging in zijn eigen praktijk de geschiedenissen na van twee duizend twee honderd patienten (alle gasthuispatienten niet medegerekend) en vond, dat het aantal van hen, die aan gonorrhoe geleden hadden 48.5 percent was.
Onder den werkmansstand komt de ziekte veel minder voor dan onder menschen van hoogeren stand. In een ziekenkas in Berlijn hadden jaarlijks 412 van de 10.000 mannen en 69 van de 10.000 vrouwen gonorrhoe; gedurende een serie jaren vertoonde de statistiek een voortdurende toename in het aantal mannen, en een afname in het aantal vrouwen met venerische ziekten; dit schijnt er op te wijzen, dat de werkmansklassen meer omgang beginnen te hebben met prostituées en minder met fatsoenlijke meisjes [230]. In Amerika heeft Wood Ruggles (evenals Noggerath al vroeger, voor New York), de veelvuldigheid van gonorrhoe onder volwassen mannen geschat op 75 tot 80 percent; Tenney stelt ze veel lager, 20 percent voor mannen en 5 percent voor vrouwen. In Engeland heeft een schrijver in de Lancet, eenige jaren geleden [231], bevonden, dat 75 percent der volwassen mannen, die hij onderzocht, eens gonorrhoe gehad hebben, 40 percent tweemaal, 15 percent drie of meerdere malen. Volgens Dulberg komen 15 percent nieuwe gevallen voor bij getrouwde mannen van goeden maatschappelijken stand, terwijl de ziekte betrekkelijk zeldzaam is onder getrouwde mannen van de werkende klasse in Engeland.
Gonorrhoe komt dus, wat het veel voorkomen aangaat, alleen nà mazelen en naar den ernst van de gevolgen ervan, alleen na tuberculose. "En toch", zooals Grandin opmerkt, als hij gonorrhoe met tuberculose vergelijkt, "zie eens den energieken kruistocht, die tegen de laatste is ondernomen en de misdadige apathie, die ten toon gespreid wordt als het de eerste betreft" [232]. Het publiek moet leeren begrijpen, merkt een ander schrijver op, dat "gonorrhoe een pest is, die zijn hoogste belangen en zijn heiligste verhoudingen raakt, evenzeer als pokken, cholera, diphterie en tuberculose" [233].
Men kan evenwel niet zeggen, dat er geen pogingen gedaan zijn den stroom van venerische ziekten te keeren. Zulke pogingen zijn, integendeel, al eeuwen lang gedaan. Maar zij hebben nooit resultaten gehad [234]; zij zijn nooit gewijzigd naar veranderde omstandigheden; nu nog zijn zij wanhopig onwetenschappelijk en niet in overeenstemming met de maatschappelijke, evenmin als met de individueele eischen van moderne volken. Op de verschillende conferenties, die in de laatste jaren over deze kwestie gehouden zijn, is de eenige algemeene conclusie, die er het resultaat van is, dat al de bestaande systemen van tusschenbeide komen of van niet-tusschenbeide komen onvoldoende zijn [235].
De aard van de prostitutie is veranderd en de wijzen van ze te behandelen moeten daarmee veranderen. Bordeelen, en de systemen van officieele reglementeering, die speciaal voor deze bordeelen ontstonden, zijn evenzeer uit den tijd; zij hebben een middeleeuwsche tint over zich, ze ademen een geest van antiekheid, die ze in onzen tijd onaantrekkelijk en verdacht maken. Het openlijk als zoodanig erkende bordeel komt in discrediet; het absoluut onder politie-contrôle staande publieke meisje bestaat haast niet meer. De prostitutie begint zich langzamerhand minder te concentreeren, zich nauwer met het maatschappelijk leven over het algemeen te vermengen, minder gemakkelijk onderscheiden te worden als een bepaald, afzonderlijk deel van de maatschappij. Wij kunnen er tegenwoordig alleen maar invloed op uitoefenen door methoden, die op onze maatschappelijke toestanden als geheel werken.
De tegenzin tegen de reglementeering van de prostitutie groeit nog maar langzaam aan, maar hij ontwikkelt zich toch overal en kan evenzeer nagespoord worden in de opinie der wetenschappelijke mannen als in die van het volk. In Frankrijk hebben de gemeentebesturen van sommige van de grootste steden òf het systeem der reglementeering geheel afgeschaft, òf ze hebben hun afkeuring er over geuit, terwijl een onderzoek bij vele honderde medici aangetoond heeft, dat minder dan een derde er vóor waren de reglementeering te handhaven (Die Neue Generation, Juni 1909, p. 244). In Duitschland, waar in sommige opzichten meer geduldige verdraagzaamheid is voor hen, die inbreuk maken op de vrijheid van het individu dan in Frankrijk, Engeland of Amerika, worden nog steeds verschillende uitgebreide systemen voor het organiseeren van de prostitutie en den strijd tegenover de venerische ziekte, in stand gehouden, maar zij kunnen niet geheel in praktijk gebracht worden, en er wordt algemeen toegegeven, dat zij in ieder geval het beoogde doel niet kunnen bereiken. Zoo worden in Saksen geen bordeelen officieel geduld, hoewel zij natuurlijk toch bestaan. Hier zijn, evenals in vele andere deelen van Duitschland, de meest nauwkeurige en uitgebreide reglementen opgesteld voor het gedrag der prostituées. Zoo mogen zij in Leipzig niet op de banken zitten op de publieke wandelplaatsen, niet naar schilderijenmuseums gaan, of naar comedies, concerten of restaurants, niet uit haar ramen kijken, niet rondkijken op straat, niet glimlachen of wenken, enz. enz. Inderdaad, de prostituée, die de heldhaftige zelfbeheersching bezit om al deze bevelen uit te voeren, die officieel uitgevaardigd zijn om haar voor te lichten, zou wel recht hebben op een levenslang pensioen van staatswege.
Twee methoden om de prostitutie te behandelen komen in Duitschland het meest voor. In sommige steden worden publieke huizen der prostitutie geduld (hoewel ze geen concessie hebben); in andere steden is prostitutie "vrij", hoewel "geheim". Hamburg is de voornaamste stad waar huizen der prostitutie geduld worden in afzonderlijke deelen der stad. Maar er is geconstateerd, dat "overal verreweg het grootste deel der prostituées tot de zoogenaamde "geheime klasse" behoort". Alleen in Hamburg worden verdachte mannen, als ze beschuldigd worden vrouwen geïnfecteerd te hebben, officieel onderzocht; mannen van iedere klasse der maatschappij moeten een oproep van deze soort gehoorzamen, die in het geheim uitgevaardigd wordt en als ze ziek zijn, zijn zij verplicht zich onder behandeling te stellen, zoo noodig onder dwangbehandeling in het stedelijk ziekenhuis, totdat ze niet langer gevaarlijk zijn voor de gemeenschap.
In Duitschland wordt een vrouw, als men herhaaldelijk waargenomen heeft, dat ze op straat verdacht handelt, eerst rustig gewaarschuwd; als de waarschuwing in den wind geslagen wordt, wordt haar gevraagd aan de politie haar naam en haar adres op te geven en dan wordt zij ondervraagd. Eerst als deze methoden zonder resultaat blijven, wordt zij officieel als prostituée ingeschreven. De ingeschreven vrouwen dragen, in sommige steden ten minste, bij aan een ziekenfonds, dat haar onkosten betaalt als ze in het ziekenhuis zijn. De aarzeling van de politie om een vrouw op de officieele lijst in te schrijven is gerechtvaardigd en onvermijdelijk, want geen andere gedragslijn zou geduld worden; maar de meeste prostituées beginnen haar loopbaan zeer vroeg, en daar ze gewoonlijk in het eerste begin van die loopbaan geïnfecteerd worden, is het duidelijk, dat dit uitstel er toe bijdraagt het systeem der reglementeering zonder succes te doen zijn. In Berlijn, waar geen officieel erkende bordeelen zijn, zijn ongeveer zes duizend ingeschreven prostituées, maar men heeft getaxeerd, dat er meer dan zestig duizend prostituées zijn, die niet ingeschreven zijn. (De voorafgaande feiten zijn genomen uit een serie artikelen, die de persoonlijke nasporingen beschrijven die in Duitschland gedaan zijn door Dr. F. Bierhoff, uit New-York, "Police Methods for the Sanitary Control of Prostitution", New York Medical Journal, August, 1907). De taxatie van de clandestiene prostitutie kan natuurlijk nooit anders dan op gissen berusten; precies hetzelfde getal van zestig duizend wordt gewoonlijk genoemd als het waarschijnlijk aantal van prostituées, niet alleen in Berlijn, maar ook in Londen en in New-York. Het is absoluut onmogelijk te zeggen of het onder of boven het werkelijke aantal is, want geheime prostitutie is geheel ontastbaar. Zelfs als de feiten op wonderbaarlijke wijze geopenbaard werden, dan zou nog de moeilijkheid blijven te beslissen wat prostitutie is en wat niet. De erkende en publieke prostituée is in verschillende graden verbonden aan de eene zijde met het fatsoenlijke meisje, dat thuis woont en een kleine verlichting zoekt van den druk van haar fatsoen, en aan den anderen kant aan de getrouwde vrouw, die getrouwd is om een tehuis. In ieder geval echter is het volkomen zeker, dat publieke prostituées, die geheel leven van de opbrengst der prostitutie, maar een klein deel vormen van dat groote leger van vrouwen, die in een ruimen zin van het woord gezegd kunnen worden prostituées te zijn, d.i., die haar aantrekkelijkheden gebruiken om van mannen te verkrijgen niet alleen liefde, maar geld of goederen.
"De strijd tegen de syphilis is alleen mogelijk als wij het er over eens zijn, dat de slachtoffers er van beschouwd moeten worden als ongelukkig en niet als schuldig... Wij moeten het vooroordeel opgeven, dat geleid heeft tot het ontstaan van den naam "schandelijke ziekten", en dat verbiedt van dezen geesel van het gezin en der menschheid te spreken". In deze woorden van Duclaux, de vermaarde opvolger van Pasteur aan het Instituut Pasteur, in zijn edel en bewonderenswaardig werk L'Hygiène Sociale zien wij ons den eenigen weg aangewezen, daar ben ik van overtuigd, waarlangs we de rationeele en met goed gevolg bekroonde behandeling kunnen naderen van het groote maatschappelijke probleem der venerische ziekten.
Het hooge belang van dezen sleutel tot de oplossing van een probleem, dat dikwijls onoplosbaar geschenen heeft, begint tegenwoordig overal erkend te worden, in alle landen. Zoo zegt een beroemd Duitsch autoriteit, Professor Finger (Geschlecht und Gesellschaft, Bd. 1, Heft 5), dat venerische ziekte niet moet beschouwd worden als een wel-verdiende straf voor een liederlijk leven, maar als een ongelukkig toeval. Het schijnt echter in Frankrijk geweest te zijn, dat deze waarheid met den meesten moed en de meeste humaniteit verkondigd is en niet alleen door de volgelingen van de wetenschap en de geneeskunde, maar door velen, die zeer wel een verontschuldiging hadden kunnen vinden, waardoor ze zich niet zouden behoeven te mengen in een zoo moeilijke en ondankbare taak. Zoo hebben de broeders, Paul en Victor Margueritte, die een schitterende en eervolle plaats innemen in de tegenwoordige Fransche letterkunde, zich onderscheiden door te pleiten voor een meer humane houding jegens de prostituées, en voor een meer moderne methode bij het behandelen van de kwestie der venerische ziekten. "De ware methode tot voorbehoeding is die methode, die het duidelijk maakt aan allen, dat syphilis niet is een geheimzinnig en vreeselijk iets, de straf voor de zonde van het vleesch, een soort van schandelijk kwaad, dat gebrandmerkt is door den vloek der Katholieken, maar een gewone ziekte, die behandeld kan worden en genezen". We kunnen opmerken, dat de tegenzin om te erkennen dat men lijdende is aan venerische ziekte, in Frankrijk minstens even groot is als in eenig ander land; "maladies honteuses" is een gesanctionneerde term in Frankrijk, evenals "loathsome disease" in Engeland; "in het ziekenhuis", zegt Landret, "kost het veel moeite een erkenning te verkrijgen van gonorrhoe, en we mogen ons gelukkig rekenen als de patient het feit erkent, dat hij syphilis gehad heeft".
Geen verkeerdheden kunnen bestreden worden, voordat zij erkend zijn, eenvoudig en openlijk, en voordat ze eerlijk besproken zijn. Het is een veelbeteekenend en zelfs symbolisch feit, dat de bacteriën van een ziekte zelden tieren als zij blootgesteld zijn aan de vrije stroomen van frissche lucht. Geheimzinnigheid, vermomming, verborgenheid leveren de beste voorwaarden voor hun kracht en verspreiding, en deze begunstigende voorwaarden hebben wij eeuwen lang aan de venerische ziekten verschaft. Het is niet altijd zoo geweest, zooals ook het overleven van het woord "venerisch" zelf in dit verband, met zijn verwijzing naar een godin, alleen al voldoende aantoont. Zelfs de naam "syphilis", genomen uit een romantisch gedicht, waarin Fracastorus een mythologischen oorsprong vond voor de kwaal, legt getuigenis af van hetzelfde feit. De romantische houding is inderdaad evenzeer uit de mode als de houding van huichelachtige en bedeesde geheimzinnigheid. We moeten deze ziekten onder de oogen zien op dezelfde eenvoudige, directe en moedige wijze als reeds met goed gevolg gedaan is in het geval van pokken, een ziekte, die de menschen, van ouds op gelijken voet stelden met syphilis, en die werkelijk eens bijna even vreeselijk was in haar verwoestingen.
Op dit punt ontmoeten we echter hen, die zeggen, dat het niet noodig is een soort van erkenning te toonen voor venerische ziekten, en die het immoreel vinden iets te doen, dat toegevendheid in zich zou sluiten voor hen> die aan zulke ziekten lijden; zij hebben gekregen wat zij verdienen en men kan ze rustig laten omkomen. Zij, die dit standpunt innemen, plaatsen zich zoo ver buiten het gebied der beschaving--om nog te zwijgen van moraal of godsdienst--dat ze wel buiten beschouwing kunnen gelaten worden. De vooruitgang van het ras, de ontwikkeling der menschelijkheid, in feiten en in gevoelens, hebben samengewerkt om een houding uit de wereld te helpen, waarvan het een beleediging is voor natuurvolken, haar de houding van een wilde te noemen. Toch is het een houding, waar we rekening mee moeten houden, want ze heeft nog waarde in de oogen van de menschen, die te zwak zijn om weerstand te bieden aan hen, die met mooie moreele phrasen goochelen. Ik heb zelfs in een medische omgeving de bewering gehoord, dat venerische ziekten niet gelijkgesteld kunnen worden met andere infectieziekten, omdat ze "het resultaat van een handeling van den wil" zijn. Maar al de ziekten, ja, al de voorvallen en ongelukken van lijdende menschelijke wezens, zijn evenzeer het onwillekeurige gevolg van handelingen van den wil. De man, die overreden wordt, terwijl hij de straat oversteekt, de familie, die vergiftigd wordt door ongezond voedsel, de moeder, die de kwaal krijgt van het kind, dat zij oppast, deze allen lijden als onwillekeurig gevolg van de handeling van den wil tot het bevredigen van een of ander fundamenteel menschelijk instinct--het instinct van werkzaamheid, het voedingsinstinct, het liefde-instinct. Het sekse-instinct is even fundamenteel als ieder ander van deze, en de onwillekeurige nadeelen, die kunnen volgen op de wilsdaad om ze te bevredigen staan op precies hetzelfde niveau. Dit is het essentieele feit: een menschelijk wezen is gestruikeld en gevallen bij het volgen van de menschelijke instincten, die hem aangeboren zijn. Ieder mensch, die dit essentieele feit niet ziet, maar alleen den een of anderen ondergeschikten kant ervan, geeft blijk van een geest, die verdraaid en verwrongen is; hij kan geen aanspraak op onze belangstelling maken.
Maar zelfs als we het standpunt innemen van den would-be moralist, en overeenkomen, dat ieder maar moet lijden voor wat hij zelf verdiend heeft, dan is het nog lang geen feit, dat al degenen, die venerische ziekten opdoen, in eenigerlei beteekenis krijgen, wat ze verdienen. In een groot aantal gevallen hebben zij de ziekte op de meest onwillekeurige wijze opgeloopen. Dit is natuurlijk waar bij het groote aantal kinderen, die bij de conceptie of bij de geboorte geïnfecteerd worden. Maar het is ook waar op een nauwelijks minder absolute wijze bij een groot aantal personen, die op lateren leeftijd geïnfecteerd zijn. Men kan Syphilis insontium, of syphilis van de onschuldigen, in vijf groepen verdeelen: (1) het groote heir van syphilitisch geboren kinderen, die de ziekte erven van vader of moeder; (2) de voortdurend weer voorkomende gevallen van syphilis, door dokters, vroedvrouwen en minnen in hun beroep opgedaan; (3) infectie als resultaat van liefde, zooals bij het eenvoudige kussen; (4) toevallige infectie door contact of door het gemeenschappelijk gebruik van voorwerpen en werktuigen van het dagelijksch leven, zooals koppen, handdoeken, scheermessen, messen (zooals bij de besnijdenis), enz.; (5) de infectie van vrouwen door haar mannen [236].
Erfelijk aangeboren syphilis behoort tot de gewone pathologie van de kwaal en is een hoofdelement in het maatschappelijk gevaar ervan, daar ze verantwoordelijk is voor een enorme kindersterfte [237]. De gevaren van extra-genitale infectie bij de beroepswerkzaamheden van dokters, vroedvrouwen en minnen worden ook algemeen erkend. In het geval van minnen, die geïnfecteerd worden door de syphilitische kinderen van haar werkgevers aan haar borst, is de straf, die aan de onschuldigen opgelegd wordt al bijzonder hard en misplaatst. Vooral de invloed van geïnfecteerde vroedvrouwen uit de lagere klassen is gevaarlijk, want zij kunnen in haar onwetendheid het kwaad ver om zich heen verspreiden; zoo wordt het geval vermeld van een vroedvrouw, wier vinger geïnfecteerd raakte bij het uitoefenen van haar plichten, en die direct of indirect honderd personen infecteerde. Kussen is een bijzonder gewone bron van syphilisinfectie, en van al de extra-genitale streken is de mond de plaats, waar syphilisgezwellen verreweg het meest voorkomen. Het is waar, dat in sommige gevallen, vooral bij prostituées dit het gevolg is van abnormale sexueele aanrakingen. Maar in de meeste gevallen is het het gevolg van gewone en lichte kussen, zooals tusschen jonge kinderen, tusschen ouders en kinderen, tusschen minnenden, vrienden en bekenden. Typische voorbeelden, die ik vermeld vond, zijn die van een kind, dat door een prostituée gekust was, dat geïnfecteerd raakte en daarna zijn moeder en zijn grootmoeder infecteerde; van een jonge, Fransche bruid, die op haar trouwdag besmet werd door een van de gasten, die haar, volgens Fransche gewoonte, na de plechtigheid op de wang kuste; van een Amerikaansch meisje, dat, van een bal terugkomende, bij het afscheid, den jongen man, die haar naar huis gebracht had kuste, en die zoo de ziekte kreeg, die zij niet lang daarna op dezelfde wijze overbracht op haar moeder en haar drie zusters. Zij, die dit alles niet weten en die niet nadenken, zijn geneigd te lachen over hen, die wijzen op de ernstige gevaren van kussen in het wilde. Maar het blijft toch waar, dat menschen, die niet intiem genoeg zijn om den staat van elkaar's gezondheid te kennen, ook niet intiem genoeg zijn om elkaar te kussen. Infectie door het gebruik van huishoudelijke artikelen, linnen, enz. is, terwijl het betrekkelijk zeldzaam is onder de betere klassen der maatschappij, uiterst gewoon onder de lagere klassen en onder de minder beschaafde volken; in Rusland zijn, volgens Tarnowsky, de voornaamste autoriteit, zeventig percent van alle gevallen van syphilis in de landelijke districten, het gevolg van deze oorzaak en van gewoon kussen, en een speciale conferentie in St. Petersburg in 1897, ter overweging van de methoden om venerische ziekten te behandelen, sprak dezelfde opinie uit; hetzelfde schijnt waar te zijn voor Bosnië en verschillende deelen van het Balkan schiereiland, waar syphilis onder de boeren bevolking zeer veel voorkomt. Wat de laatste groep aangaat, krijgen, volgens Bulkley in Amerika, gewoonlijk ongeveer vijftig percent vrouwen syphilis onschuldig, voornamelijk van haar echtgenooten, terwijl Fournier zegt, dat in Frankrijk vijf en zeventig percent getrouwde vrouwen met syphilis geïnfecteerd zijn door haar mannen, meestal (zeventig percent) door echtgenooten, die zelf vóor het huwelijk geïnfecteerd werden en meenden, dat ze genezen waren. Onder mannen is het aantal met syphilis besmetten, die bij toeval geïnfecteerd zijn, hoewel kleiner dan bij vrouwen, toch nog zeer groot; men zegt, dat het minstens tien percent is, en misschien is het een veel grooter aantal gevallen. De nauwgezette moralist, die verlangt, dat ieder zal hebben wat hij verdient, moet toch nog dringender wenschen te voorkomen, dat onschuldigen lijden inplaats van de schuldigen. Maar het is absoluut onmogelijk voor hem deze twee doeleinden te vereenigen; syphilis kan niet terzelfder tijd vereeuwigd worden voor de schuldigen en afgeschaft voor de onschuldigen.
Ik heb alleen van syphilis gesproken, maar bijna alles, wat gezegd is over de toevallige infectie met syphilis, geldt evenzeer of nog meer voor gonorrhoe, want ofschoon gonorrhoe niet door zooveel kanalen in het lichaam dringt als syphilis, is het een meer voorkomende, zoowel als een listiger en meer zich verbergende ziekte.
De literatuur over de Syphilis Insontium is buitengewoon omvangrijk. Er is een bibliographie aan het einde van Syphilis in the Innocent van Duncan Bulkley, en een uitgebreid résumé over de kwestie in een Leipziger inaugurale dissertatie door F. Mozes, Zur Kasuistik der Extragenitalen Syphilis-infektion, 1904.
Maar zelfs, als we ter zijde stellen het groote aantal venerisch geïnfecteerde menschen, waarvan we in den engsten en meest conventioneelen moreelen zin kunnen zeggen, dat ze "onschuldige" slachtoffers zijn van de ziekte, die ze opgeloopen hebben, dan blijft er nog veel over deze kwestie te zeggen. Men moet zich herinneren, dat de meerderheid van hen, die venerische ziekten opdoen door onwettigen, sexueelen omgang, jong zijn. Zij zijn jongelingen, onwetend aangaande het leven, eerst pas van huis gekomen, nog onontwikkeld, onvolledig opgevoed en gemakkelijk door vrouwen te bedriegen; in vele gevallen hebben zij, naar zij meenden, een "aardig" meisje ontmoet, wèl niet strikt deugdzaam, maar, naar hun toescheen, boven iedere verdenking van ziekte verheven, hoewel zij in werkelijkheid een clandestiene prostituée was. Of zij zijn jonge meisjes, die wèl opgehouden hebben volkomen kuisch te zijn, maar die niet al haar onschuld verloren hebben, en die zichzelf niet beschouwen, en ook door anderen niet beschouwd worden, als prostituées; dat is inderdaad een van de rotsen, waarop het systeem der politie-contrôle zich te pletter loopt, want de politie kan de prostituées niet vroeg genoeg te pakken krijgen. Van de vrouwen, die syphilitisch zijn, zijn, volgens Fournier twintig percent geïnfecteerd vóór zij negentien jaar oud waren. De leeftijd, waarop infectie het meest voorkomt, is voor vrouwen twintig jaar (in de landelijke districten achttien), en voor mannen drie en twintig jaar. In Duitschland vindt Erb, dat vijf en tachtig percent mannen met gonorrhoe de ziekte opgedaan hebben tusschen den leeftijd van zestien en vijf en twintig, terwijl een zeer klein aantal geïnfecteerd wordt na de dertig. Deze jonge wezens geraakten voor het meerendeel in een val, die de Natuur met haar verleidelijkste lokaas voorzien had; zij waren gewoonlijk onwetend; niet zelden werden zij bedrogen door een aantrekkelijke persoonlijkheid; dikwijls waren zij door hartstocht overweldigd; meermalen was alle voorzichtigheid en ingetogenheid verloren geraakt in den roes van den wijn. Uit een waarlijk moreel standpunt waren zij ternauwernood minder onschuldig dan kinderen.
"Ik vraag", zegt Duclaux, "als een jonge man of een jong meisje zich overgeeft aan gevaarlijke liefkoozingen, of de maatschappij dan genoeg gedaan heeft om ze te waarschuwen. Misschien zijn haar bedoelingen goed geweest, maar toen precies weten noodig werd, heeft een dwaze voorzichtigheid haar terug gehouden, en ze heeft haar kinderen zonder reisgeld gelaten.... Ik wil zelfs verder gaan, en zeggen, dat in een groot aantal gevallen de echtgenooten, die hun vrouwen besmetten, onschuldig zijn. Geen mensch is verantwoordelijk voor het kwaad, dat hij doet zonder het te weten en zonder het te willen". Ik mag wel weer in de herinnering brengen het veelbeteekenend feit, waar reeds op gewezen is, dat de meeste echtgenooten, die hun vrouwen infecteeren, de ziekte opdeden vóór het huwelijk. Zij traden het huwelijk in, meenende, dat hun ziekte genezen was, en dat zij met hun verleden gebroken hadden. Dokters hadden soms (en kwakzalvers dikwijls) tot dit resultaat bijgedragen door een te sanguinisch taxeeren van den tijd, noodig om het vergif te vernietigen. Een zoo groot autoriteit als Fournier meende vroeger, dat de met syphilis besmette persoon veilig verlof kon gegeven worden tot trouwen drie of vier jaar na den datum van infectie, maar nu, met vermeerderde ondervinding strekt hij den tijd uit tot vier of vijf jaar. Het is ongetwijfeld waar, dat, vooral als de behandeling grondig en stipt geweest is, de ziek geworden constitutie in de meeste gevallen in een korter tijd dan deze onder volkomen contrôle kan gebracht worden, maar er is altijd een zeker aantal gevallen, waarin de infecteerende krachten nog jaren lang blijven bestaan, en zelfs als de syphilitische echtgenoot niet meer in staat is zijn vrouw te infecteeren, dan kan hij nog in een toestand zijn, die een ongelukkigen invloed oefent op zijn nageslacht.
In bijna al deze gevallen bestond er min of meer onwetendheid--wat maar een ander woord is voor onschuld, naar wat wij gewoonlijk onder onschuld verstaan--en als dan eindelijk, na de gebeurtenis, de feiten eenigszins openlijk aan het slachtoffer worden uitgelegd, dan roept hij dikwijls uit: "Dat heeft niemand mij verteld!" Het is dit feit, dat den pseudo-moralist veroordeelt. Als hij er voor gezorgd had, dat moeders de sexueele feiten aan haar kleine jongens en meisjes uitlegden van hun jeugd af aan, als hij (zooals Dr. Joseph Price met nadruk verlangt) de gevaren der venerische ziekten op de Zondagsschool onderwezen had, als hij openlijk van den kansel gepreekt had over de verhoudingen van de seksen, als hij er voor gezorgd had, dat iedere jongeling bij het begin van de puberteit eenige eenvoudige technische kennis van den huisdokter kreeg over sexueele gezondheid en sexueele ziekte--dan zou, al zou er nog behoefte zijn aan medelijden voor hen, die afgedwaald zijn van een pad, dat altijd moeilijk te begaan zal zijn, de vermeende moralist in ieder geval eeniger mate zonder schuld uitgaan. Maar hij heeft zelden ook maar een vinger uitgestoken om iets van deze dingen te doen.
Zelfs zij, die misschien niet een houding van persoonlijke moreele onverdraagzaamheid jegens de slachtoffers van venerische ziekten zullen willen laten varen, doen goed zich te herinneren, dat, daar de openlijke uiting van hun onverdraagzaamheid kwaad sticht, en op zijn best nutteloos is, het voor hen noodig is in het belang van de maatschappij zich te onthouden van het uitspreken van hun meening. Zij zouden niet minder vrij zijn hun eigen persoonlijk gedrag in de striktste overeenstemming te brengen met hun superieure moreele gestrengheid; en dat is voor hen tenslotte de hoofdzaak. Maar in het belang van de maatschappij is het voor hen noodig datgene aan te nemen, wat zij misschien beschouwen zullen als de conventie van een zuiver hygiënische houding jegens deze ziekten. De dwalenden worden door een houding van moreele afkeuring onvermijdelijk zóó afgeschrikt, dat zij tot methoden van verbergen komen, en deze veroorzaken een eindelooze keten van maatschappelijke nadeelen, die alleen door openlijkheid uit den weg geruimd kunnen worden. Zooals Duclaux met zooveel ernst gezegd heeft: het is onmogelijk met succes tegen de venerische ziekten te strijden, als we er niet toe overgaan onze vooroordeelen, of zelfs onze moraal en onzen godsdienst buiten beschouwing te laten, maar ze zuiver en eenvoudig te behandelen als een gezondheidskwestie. En als de pseudo-moralist nog moeite heeft mede te werken tot het genezen van dit maatschappelijk kwaad, dan mag hij wel bedenken, dat hij zelf--evenals wij allen, hoe weinig wij het ook weten--in de laatste vier eeuwen zeker een groot aantal met syphilis en gonorrhoe besmette voorouders gehad heeft. Wij zijn allen te zamen verbonden, en het is dwaas, zoo niet onmenschelijk, ons eigen vleesch en bloed te verachten.
Ik heb de houding van hen, die de moraal opgeven als een reden om geen notitie te nemen van de maatschappelijke noodzakelijkheid van het bestrijden der venerische ziekten, nogal in bijzonderheden besproken, omdat, al mogen er weinigen zijn, die ernstig en bewust zoo'n tegen-maatschappelijke en onmenschlievende houding aannemen, er zeker velen zijn, die blij zijn, dat er zoo'n mooi excuus bestaat voor hun moreele onverschilligheid of hun geestelijke traagheid [238]. Als zij in aanraking komen met dit groote en moeilijke probleem, dan vinden zij het gemakkelijk het geneesmiddel te geven der conventioneele moraal, hoewel zij er wel van overtuigd zijn, dat dit geneesmiddel al lang op groote schaal zonder resultaat is gebleken. Zij geven er met veel drukte de voorkeur aan het nuttelooze dikke eind van de wig aan te wenden op een punt, waar alleen met veel handigheid en voorzichtigheid het dunne einde kan ingebracht worden.
Het algemeen aannemen van het feit, dat syphilis en gonorrhoe ziekten zijn en niet noodzakelijk misdaden of zonden, is de voorwaarde voor iedere praktische poging deze kwestie te behandelen als een kwestie van gezondheid in plaats van politie-toezicht. De Scandinavische landen van Europa zijn de pioniers geweest in praktische moderne hygiënische methoden van behandelen van de venerische ziekten. Er zijn verschillende redenen, waarom dit gebeurd is. Al de sexueele problemen--de sexueele liefde zoowel als de sexueele ziekten--hebben in deze landen lang op den voorgrond gestaan, en een afwijzen van preutsche huichelarij schijnt hier duidelijker uitgesproken te zijn geweest dan ergens anders; wij zien dezen geest, bij voorbeeld, krachtig belichaamd in de tooneelstukken van Ibsen, en tot zekere hoogte in de werken van Björnson. Het moedige en energieke temperament van het volk dwingt hen tot praktisch ingrijpen in sexueele moeilijkheden, terwijl hun sterke onafhankelijkheidsinstincten hen afkeerig maken van de bureaucratische politie-methoden, die in Frankrijk en Duitschland gebloeid hebben. Zoo zijn de Scandinaviërs de natuurlijke pioniers geweest van de methoden ter bestrijding der venerische ziekten, waarvan men nu algemeen begint te erkennen dat zij de methoden zijn van de toekomst, en zij hebben het eerst ten volle, het systeem georganiseerd, dat venerische ziekten plaatst onder de gewone wet en ze behandelt als andere besmettelijke ziekten.
De eerste schrede bij het behandelen van een venerische ziekte is er de erkende beginselen van aangifte op toe te passen. Iedere nieuwe toepassing van het principe stuit evenwel op tegenstand. Het is zonder resultaat, het is een onverantwoordelijke inquisitie in de zaken van het individu, het is een nieuwe belasting op den druk bezetten praktiseerenden medicus, enz. Zeker zal aangifte op zich zelf niet den voortgang van eenige besmettelijke ziekte tegengaan. Maar ze is een essentieel element in iedere poging om het voorkomen van de ziekte te bevorderen. Tenzij wij de juiste bijomstandigheden, locale variaties, en tijdelijke zwenkingen van een ziekte precies kennen, zijn wij geheel in het duister en kunnen we alleen maar in het wilde om ons heen slaan. Alle vooruitgang in algemeene hygiëne is vergezeld geweest door de vermeerderde aangifte van ziekte, en de meeste autoriteiten zijn het er over eens, dat die aangifte nog verder uitgestrekt moet worden, terwijl iedere kleine ongeriefelijkheid die hierdoor aan individuen veroorzaakt wordt van gering belang is, vergeleken bij de groote publieke belangen, die op het spel staan. Het is waar, dat een zoo groote autoriteit als Neisser twijfel uitgesproken heeft over den invloed van de aangifte bij gonorrhoe; de diagnose kan niet onfeilbaar zijn en de patienten geven dikwijls valsche namen op. Deze bezwaren zijn echter klein; een diagnose kan maar heel zelden onfeilbaar zijn (hoewel op dit gebied niemand zooveel gedaan heeft voor juiste diagnosen als Neisser zelf), en namen zijn niet noodig voor de aangifte, en worden ook niet vereischt in den vorm van gedwongen aangifte, die eenige jaren geleden in Noorwegen bestond.
Het principe der gedwongen aangifte van venerische ziekten schijnt het eerst ingesteld te zijn in Pruisen, waar het dateert van 1835. Het systeem is echter niet geheel doorgevoerd, daar het niet verplichtend is in alle gevallen, maar alleen als naar de opinie van den dokter geheimhouding schadelijk zou kunnen zijn voor den patient of voor de gemeenschap; ze is alleen verplicht als de patient soldaat is. Deze methode van aangifte staat inderdaad op een verkeerde basis, ze is niet een deel van een uitgebreid gezondheidssysteem, maar alleen een hulpmiddel voor politiemethoden om prostitutie te behandelen. Volgens het Scandinavische systeem berust aangifte, hoewel ze niet een essentieel deel van dit systeem is, op een totaal verschillende basis.
Het Scandinavische stelsel is in een gewijzigden vorm onlangs in Denemarken ingevoerd. Dit kleine land, dat zoo dicht bij Duitschland ligt, volgde eenigen tijd lang in deze zaak het voorbeeld van zijn grooten nabuur en nam de politieregeling van de prostitutie en der venerische ziekten aan. De andere verhoudingen van het dieper in Scandinavië liggende Denemarken deden zich echter gelden, en in 1906 werd het systeem van contrôle afgeschaft en besloot Denemarken zich geheel op de systematische doorvoering van het reeds aangenomen gezondheidsprincipe te verlaten, hoewel er nog iets van den Duitschen invloed bestaat in de strikte reglementeering van de straten, en de straffen opgelegd aan de bordeelhouders, terwijl ze de prostitutie zelf vrij laat. Het essentieele punt van het tegenwoordige systeem is echter, dat de gezondheidsautoriteiten nu uitsluitend medici zijn. Iedereen, wat zijn maatschappelijke of finantieele positie ook is, heeft recht op vrije behandeling van venerische ziekten. Of hij daar gebruik van maakt of niet, hij is in ieder geval verplicht zich te laten behandelen. Ieder ziek persoon is dus, voor zoover dat bereikt kan worden, onder dokter's handen. Alle dokters hebben over zulke gevallen hun instructies; zij moeten niet alleen hun patiënten meedeelen, dat zij niet trouwen kunnen zoolang er nog gevaren voor infectie geacht worden te bestaan, maar ook, dat zij verantwoordelijk zijn voor de onkosten van de behandeling, zoowel als voor de gevaren, die geleden worden door personen, die ze misschien infecteeren. Hoewel het niet mogelijk geweest is het systeem in alle opzichten geheel werkzaam te doen zijn, wordt het algemeene succes ervan aangetoond door het groote vertrouwen, dat er nu in gesteld wordt, en het afschaffen van de politiecontrôle op de prostitutie. Een systeem, dat veel geleek op dat van Denemarken, werd eenige jaren geleden in Noorwegen ingesteld. Het principe van de behandeling van venerische ziekten op algemeene kosten bestaat ook in Zweden zoowel als in Finland, waar behandeling verplicht is [239].
Het kan nauwelijks gezegd worden, dat het principe van aangifte tot dusverre op groote schaal op venerische ziekten behoorlijk is toegepast. Maar het wordt voortdurend in ruimer kring voorgestaan, meer speciaal in Engeland en de Vereenigde Staten [240], waar het nationale temperament en de politieke tradities het systeem van politiecontrôle op de prostitutie onmogelijk maken--zelfs als het meer effect had dan het in de praktijk heeft--en waar het systeem van de behandeling der venerische ziekten op de basis van algemeene gezondheid erkend moet worden niet alleen als het beste, maar ook als het eenig mogelijke systeem [241].
In verband hiermee is het noodig, zooals ook steeds in ruimer kring erkend wordt, dat er de grootste faciliteiten moeten bestaan voor de kostelooze behandeling van venerische ziekten; vooral het algemeen oprichten van vrije, 's avonds geopende poliklinieken is noodig, want velen kunnen alleen op dezen tijd hulp en raad zoeken. In ruime mate wordt aan het systematisch invoeren van faciliteiten voor kostelooze behandeling de enorme vermindering van venerische ziekten in Zweden, Noorwegen en Bosnië toegeschreven. Het zijn de afwezigheid van deze faciliteiten voor behandeling en het stilzwijgend erkende gevoel, dat de slachtoffers van venerische ziekten geen lijders zijn, maar alleen misdadigers, die geen recht hebben op verzorging, die in het verleden zoo ongelukkig gewerkt hebben; deze twee invloeden zijn mede oorzaak van het verspreiden van ziekten, die te voorkomen waren geweest, of onder contrôle gebracht hadden kunnen worden.
Als wij afstand doen van de voorvaderlijke methoden van politieregeling, als wij ons verlaten op de algemeene principes van medische hygiëne, en als we voor de rest de verantwoordelijkheid voor zijn eigen goede of slechte daden aan het individu zelf overlaten, dan is er nog een verdere schrede te doen, die in principe reeds ten volle erkend is. Wij moeten ieder mensch verantwoordelijk stellen voor de venerische ziekten, die hij overbrengt. Zoolang wij weigeren de venerische ziekten te erkennen op hetzelfde niveau als andere besmettelijke ziekten, en zoolang wij geen volle en gunstige faciliteiten bieden voor de behandeling ervan, is het onrechtvaardig het individu verantwoordelijk te stellen voor het verspreiden der ziekten. Maar als wij het gevaar van venerische ziekten openlijk erkennen, en als we aan het individu vrijheid laten, dan moeten we onvermijdelijk met Duclaux zeggen, dat iedere man of iedere vrouw verantwoordelijk moet gesteld worden voor de ziekten, die hij of zij verspreidt.
Volgens het Oldenburger strafwetboek van 1814 was het een strafbare overtreding voor een venerisch ziek persoon om sexueelen omgang te hebben met een gezond persoon, hetzij infectie het gevolg was of niet. In Duitschland is tegenwoordig echter geen wet van deze soort, hoewel eminente Duitsche wets-autoriteiten, vooral von Liszt, meenen, dat een paragraaf aan het wetboek toegevoegd moest worden die zou moeten bepalen, dat sexueele omgang van de zijde van een persoon, die weet dat hij ziek is, gestraft moest worden met gevangenisstraf van niet meer dan twee jaar; deze wet niet toe te passen op getrouwde paren, tenzij op aanvrage van een van de partijen. Tegenwoordig is in Duitschland het overbrengen van venerische ziekten alleen maar strafbaar als een bijzonder geval van het toebrengen van lichamelijk letsel [242]. In deze zaak is Duitschland achter bij de meeste Scandinavische landen, waar persoonlijke verantwoordelijkheid voor venerische ziekten wel erkend en in de praktijk doorgevoerd wordt.
In Frankrijk worden, hoewel de wet niet streng en bevredigend is, aanklachten voor het overbrengen van syphilis met succes voor den rechter gebracht. Men is er hier beslist meer vóor dit vergrijp te straffen dan in Duitschland. In 1883 besprak Després de zaak en overwoog de bezwaren. Weinigen zullen misschien van de wet profiteeren, merkt hij op, maar allen zouden voorzichtiger worden door de vrees haar te overtreden; terwijl de moeilijkheden voor het nasporen en bewijzen van de infectie niet grooter zijn, zooals hij zegt, dan die van het nasporen en bewijzen van het vaderschap in het geval van onwettige kinderen. Després wenschte met gevangenisstraf van niet meer dan twee jaar, iedere persoon te straffen, die, terwijl hij wist dat hij ziek was, een venerische ziekte overbracht en hij wilde hen, die de besmetting overbrachten door onvoorzichtigheid, terwijl ze niet wisten, dat ze ziek waren, alleen beboeten [243]. De kwestie is niet lang geleden besproken door Aurientis in een thèse de Paris. Hij zegt, dat de tegenwoordige Fransche wet op het overbrengen van geslachtsziekten aanleiding geeft tot twijfelen en moeilijk toe te passen is, maar het is zeker rechtvaardig, dat zij, die besmet zijn geworden en op deze wijze nadeel hebben ondervonden, gemakkelijk schadevergoeding zullen kunnen krijgen. Hoewel het in principe toegegeven wordt, dat het overbrengen van syphilis bij de gewone wet, een overtreding is, is hij het eens met hen, die het als een speciale overtreding zouden willen behandelen, en er een nieuwe en meer praktische wet voor zouden willen maken [244]. Groote schadevergoedingen worden ook in den tegenwoordigen tijd aan de Fransche rechtbanken verkregen van mannen, die jonge vrouwen bij sexueelen omgang geïnfecteerd hebben, en ook van de dokters en de moeders van met syphilis besmette kinderen, die de minnen geïnfecteerd hebben, aan wie ze toevertrouwd waren. Hoewel de Fransche strafwet in het algemeen het openbaar maken van beroepsgeheimen verbiedt, is het toch de plicht van den behandelenden medicus de min in zulk een geval te waarschuwen tegen het gevaar, dat zij loopt, maar zonder de ziekte te noemen; als hij deze waarschuwing nalaat, kan hij verantwoordelijk gesteld worden.
In Engeland, zoowel als in de Vereenigde Staten, is de wet meer onbevredigend en meer ontoereikend, wat deze klasse van overtredingen aangaat, dan in Frankrijk. De ongelukkige en barbaarsche opvatting, waar we al over gesproken hebben, die een venerische ziekte beschouwt als het resultaat van onwettigen omgang en waarbij ze geduld moet worden als een rechtvaardige straf van God, schijnt in deze landen nog met noodlottige hardnekkigheid te blijven voortbestaan. In Engeland is het overbrengen van venerische ziekten door onwettigen omgang geen onrecht, waarover men een aanklacht kan indienen, als de geslachtsdaad uit vrije wil gedaan is, zelfs als de partij, die de infectie overbrengt, haar ziekte met opzet verzwegen heeft. Ex turpi causâ non oritur actio, heet het bondig; want er sluimert veel deugd in een Latijnschen stelregel. Geen wettige overtreding is begaan als een echtgenoot zijn vrouw besmet, of een vrouw haar man [245]. De "vrijheid", die in deze zaak genoten wordt door Engeland en de Vereenigde Staten wordt geïllustreerd door een Amerikaansch geval, door Dr. Isidore Dyer uit New Orleans aangehaald, in zijn verslag op de Brusselsche conferentie ter voorkoming van venerische ziekten, in 1899: "Een patiënt met primaire syphilis weigerde zelfs kostelooze behandeling en had een speciaal schrift waarin zij boek hield van het aantal mannen, dat zij geïnfecteerd had. Toen ik haar voor het eerst zag verklaarde zij, dat het aantal twee honderd negentien was geworden, en dat zij zich niet wilde laten behandelen, voordat zij wraak had genomen op vijfhonderd mannen". In een gemeenschap, waar ook maar de allereerste regels van rechtvaardigheid heerschten, zouden faciliteiten bestaan om deze vrouw in staat te stellen schadevergoeding te verkrijgen van den man, die haar nadeel toegebracht had, en tevens te bewerken, dat hij veroordeeld werd tot een tijd gevangenisstraf. Terwijl ze eenige schadevergoeding kreeg voor het kwaad haar aangedaan, en de "wraak" kon genieten, waar ze naar snakte, zou zij meteen aan de maatschappij een dienst bewezen hebben. Zij is uitgesloten van iedere handeling jegens de persoon, die haar in het verderf gestort heeft; maar als een soort van compensatie mag zij een brandpunt worden van de ziekte, mag veel levens verkorten, veel gevallen van dood veroorzaken, en onafzienbare schade aanrichten; en dat alles kan zij doen binnen haar wettige rechten. Een gemeenschap, die dezen stand van zaken aanmoedigt, is niet alleen immoreel, maar dom.
Er schijnt echter, zoowel in Engeland als in de Vereenigde Staten langzamerhand een opvatting op den voorgrond te komen, die het overbrengen van venerische ziekten strafbaar stelt met zware boete of met gevangenisstraf [246].
In ieder geval zou er in de wet geen nadruk op gelegd moeten worpen, dat de infectie "met voorkennis" overgebracht is. Iedere formeele beperking van deze soort is onnoodig, omdat in zulk een geval het hof altijd de onwetendheid of zelfs maar de nalatigheid van dengene, die het misdrijf doet, in aanmerking neemt, en ze is nadeelig, omdat ze een verordening zonder resultaat kan maken en een premie kan stellen op onwetendheid; de echtgenooten, die hun vrouwen met gonorrhoe infecteeren onmiddellijk nà het huwelijk, hebben dat gewoonlijk uit onwetendheid gedaan en het moest in elk geval noodig voor hen zijn te bewijzen, dat zij in hun onwetendheid versterkt zijn door medischen raad. Er wordt soms gezegd, dat de bestaande wet gebruikt zou kunnen worden om processen van deze soort te doen voeren, en dat er geen grootere faciliteiten gegeven moeten worden, uit vrees voor toenemende pogingen tot afpersing. De nutteloosheid van de wet op het oogenblik blijkt uit het feit, dat het zelden of nooit gebeurt, dat er eenige poging gedaan wordt om haar te gebruiken, terwijl er niet alleen een aantal bestaande strafbare overtredingen zijn, die het onderwerp zijn van pogingen tot afpersing, maar afpersing kan zelfs voorkomen in compromitteerende handelingen, die in het geheel niet wettig strafbaar zijn. Bovendien is de poging om geld af te persen op zichzelf een overtreding, die in de gerechtshoven altijd streng behandeld wordt.
Er is een begin aan te wijzen van een erkenning, dat het overbrengen van een venerische ziekte een zaak is, waarvan wettig nota kan genomen worden in de Engelsche gerechtshoven. Het is nu een uitgemaakte zaak, dat het infecteeren van een vrouw door haar echtgenoot beschouwd kan worden als de wreedheid, die, volgens de tegenwoordige wet, bewezen moet worden, gevoegd bij echtbreuk, voordat een vrouw echtscheiding van haar echtgenoot kan verkrijgen. In 1777 stelde Restif de la Bretonne voor in zijn Gynographes, dat het overbrengen van een venerische ziekte op zichzelf een voldoende grond zou wezen voor echtscheiding; dit wordt echter tegenwoordig niet algemeen aangenomen [247].
Er wordt soms gezegd, dat het zeer juist is het individu wettelijk verantwoordelijk te stellen voor de venerische ziekte, die hij overbrengt, maar dat de moeilijkheden om die verantwoordelijkheid te doen aanvaarden toch zouden blijven bestaan. En zij, die deze moeilijkheden toegeven, antwoorden dikwijls, dat wij in het ergste geval een middel in handen moesten hebben om het verantwoordelijkheidsgevoel te ontwikkelen; den man, die willens en wetens het gevaar liep zulk een infectie over te brengen, zou men moeten doen voelen, dat hij niet meer binnen zijn wettige rechten was, maar dat hij een slechte daad gedaan had. Zoo komen wij tot wat nu algemeen begint erkend te worden als de voornaamste en centrale methode voor het bestrijden van venerische ziekten; wij moeten aannemen, dat het principe van individueele verantwoordelijkheid in deze levenssfeer heerscht. Georganiseerde sanitaire en medische voorzorgen, en behoorlijke wettelijke bescherming voor hen, die schade geleden hebben, hebben geen uitwerking zonder den opvoedenden invloed van elementaire hygiënische voorlichting, gesteld in het bezit van iederen jongen man en iedere jonge vrouw. In een sfeer, die noodzakelijk zoo intiem is, kunnen medische organisatie en wettelijke hulp nooit afdoende zijn; kennis is noodig bij iedere schrede van ieder individu, om te leiden en zelfs te wekken dien zin van persoonlijke moreele verantwoordelijkheid, die hier altijd heerschen moet. Overal, waar het belang van deze kwesties duidelijk begint erkend te worden--en vooral op de Congressen van de Duitsche Maatschappij ter Bestrijding van Venerische Ziekten--lost het probleem zich voornamelijk op in een van opvoeding [248]. En hoewel de publieke opinie en de praktijk tegenwoordig in Duitschland meer geavanceerd zijn dan ergens anders, begint de overtuiging van deze noodzakelijkheid nauwelijks minder uitgesproken te worden in alle andere beschaafde landen, in Engeland en Amerika evenzeer als in Frankrijk en de Scandinavische landen.
Een bekendheid met de gevaren van ziekte bij sexueelen omgang, zoowel in als buiten het huwelijk--en ook geheel afgezien van sexueelen omgang,--is een verder stadium van die sexueele opvoeding, die, zooals wij reeds gezien hebben, wat de elementen aangaat, op een zeer jongen leeftijd moet beginnen. Jonge mannen en jonge meisjes moesten leeren, zooals de beroemde Oostenrijksche economist Anton von Menger, kort voor zijn dood in zijn uitstekend boek Neue Sittenlehre schreef, dat het voortbrengen van kinderen een misdaad is als de ouders syphilitisch zijn of op andere wijze door chronische overerfelijke besmettelijke ziekten niet geschikt. Inlichtingen over venerische ziekten moeten echter niet gegeven worden voor het intreden van de puberteit. Het is niet noodig en niet wenschelijk medische kennis te verstrekken aan jonge jongens en meisjes en ze te waarschuwen tegen gevaren, waarvan er nog weinig kans is, dat ze er aan blootgesteld zullen worden. Het is als de leeftijd der sterke sexueele instincten begint, hetzij deze werkelijk of alleen maar mogelijk zijn, dat de gevaren van het toegeven aan de instincten onder sommige omstandigheden, duidelijk voor den geest moeten gesteld worden. Niemand, die nadenkt over de werkelijke feiten van het leven, behoeft er aan te twijfelen, dat het in de hoogste mate wenschelijk is, dat iedere jonge man en ieder jong meisje, dat den volwassen leeftijd nadert, eenige elementaire kennis moest verkrijgen van algemeene feiten betreffende venerische ziekten, tuberculose en alcoholisme. Deze drie "geesels der beschaving" zijn zoo wijd verspreid, zoo fijn en menigvuldig in hun uitwerking, dat iedereen in zijn leven er mee in aanraking komt, en dat ieder de kans loopt te lijden, zelfs voordat hij er op verdacht is, misschien hopeloos en voor altijd, door de gevolgen van deze aanraking. Vage declamaties over immoraliteit en nog vagere waarschuwingen er tegen hebben geen effect en hebben geen zin, terwijl rhetorische overdrijving onnoodig is. Een zeer eenvoudige en beknopte uiteenzetting van de werkelijke feiten der gevaren, die het leven bedreigen, is volkomen voldoende. Deze behoefte voorbij te zien is alleen mogelijk voor hen, die een gevaarlijk lichtzinnige levensbeschouwing hebben.
De jonge vrouw, evenzeer als de jonge man, heeft behoefte aan deze voorlichting. Er zijn nog altijd menschen, die meenen, dat, hoewel het noodig kan zijn den jongen man in te lichten, het 't beste is zijn zuster rein te laten, zooals zij het noemen, onbekend met de feiten van het leven. Dit is juist wat we niet moeten doen. Het is inderdaad wenschelijk, dat allen bekend zullen zijn met de feiten, die van zooveel belang zijn voor ieder mensch, zelfs als hij er zelf niet persoonlijk mee in aanraking komt. Maar het meisje komt er nog meer mee in aanraking dan de man. Een man heeft de zaak meer in zijn macht, en als hij dat wenscht, kan hij al de grovere gevaren van aanraking met venerische ziekten vermijden. Maar met de vrouw is dat anders. Hoe rein zij zelf ook moge zijn, zij kan er niet zeker van zijn, dat ze niet te waken zal hebben tegen de mogelijkheid van ziekten in haar toekomstigen echtgenoot zoowel als in hen, aan wie zij misschien het geluk van haar kind toevertrouwt. Het is een mogelijkheid, die de vrouw van beschaving, wel verre van ervan vrij te zijn, meer kans heeft te ontmoeten dan de vrouw uit den werkmansstand, want venerische ziekten komen minder voor onder de armen, dan onder de rijken [249]. De zorgvuldige medicus acht het zijn plicht, zelfs als zijn patient een geestelijke is, te vragen of hij syphilis gehad heeft, en de geestelijke van den meest streng correcten levenswandel erkent de noodzakelijkheid van zulk een vraag; hij zal misschien glimlachen, maar hij zal zich zelden beleedigd gevoelen. De verhouding tusschen man en vrouw is nog veel intiemer en belangrijker dan die tusschen dokter en patient, en een vrouw is niet ontheven van de noodzakelijkheid van zulk een vraag aan haar toekomstigen echtgenoot door de overtuiging, dat het antwoord zeker gunstig moet zijn. Bovendien kan het in sommige gevallen zeer goed zijn, dat zij, als zij voldoende ingelicht is, het middel kan worden om hem, eer het te laat is, te bewaren voor de schuld van een te vroeg huwelijk en de noodlottige gevolgen daarvan, en dat zij zoo zijn altijddurende dankbaarheid verdient. En zelfs als zij er niet in slaagt die te verkrijgen, dan heeft ze toch nog haar plicht jegens zichzelf en jegens het toekomstig geslacht, dat haar kinderen zullen helpen vormen, te vervullen.
In de meeste landen begint men overtuigd te worden van de noodzakelijkheid om jonge vrouwen, evenzeer als jonge mannen, met betrekking tot de venerische ziekten in te lichten. Zoo vindt in Duitschland Max Flesch, in zijn Prostitution und Frauenkrankheiten, dat men alle meisjes aan het einde van haar schoolleven moest inlichten omtrent de ernstige physieke en maatschappelijke gevaren, waaraan vrouwen in het leven zijn blootgesteld. In Frankrijk eischt Duclaux (in zijn L'Hygiène Sociale) met nadruk, dat vrouwen niet langer onwetend moeten worden gehouden. "Reeds nu", zegt hij, "kunnen dokters, die tegen hun wil door hun ambtsgeheim medeschuldigen van den echtgenoot geworden zijn, u vertellen van de ironische blikken, die zij somtijds ontmoeten, als zij trachten een vrouw te misleiden aangaande de oorzaken van haar kwalen. De dag van opstand tegen de maatschappelijke leugen, die zooveel slachtoffers gemaakt heeft, begint te naderen, en dan zult ge genoodzaakt zijn vrouwen te leeren wat zij moeten weten om zich tegen u te beveiligen". Het gaat in Amerika precies zoo. Hervorming op dit gebied, zegt Isidore Dyer, moet als devies voeren het motto, "Kennis is Gezondheid", zoowel voor het lichaam als voor den geest, voor vrouwen zoowel als voor mannen. In een discussie, geopend door Denslow Lewis, op de jaarlijksche vergadering van de American Medical Association in 1901 over de bestrijding van de venerische ziekten (Medico-Legal Journal, Juni en September 1903), was men het er onder de sprekers tamelijk wel over eens, dat de voornaamste methode de opvoeding was, de opvoeding van vrouwen evenzeer als van mannen. "Opvoeding is de eenige weg tot verbetering", verklaarde een van de sprekers (Seneca Egbert, uit Philadelphia) "en we zullen nooit veel vooruitkomen, voordat iedere jonge man en iedere jonge vrouw, zelfs vóór zij verliefd worden en verloofd raken, weten wat venerische ziekten zijn, en wat het zeggen wil als zij iemand trouwen, die er aan lijdt". "Voedt vader en moeder op, en zij zullen hun zoons en dochters opvoeden", roept Egbert Grandin uit, vooral met betrekking tot gonorrhoe (Medical Record, May 26, 1906); "Ik leg den nadruk op de dochter, omdat zij het meest zal lijden door de besmetting, en het is haar recht te weten, dat zij op haar hoede moet zijn zoowel voor den lijder aan gonorrhoe als voor den alcoholist".
Wij moeten ten volle het feit onder de oogen zien, dat de vrouw zelf verantwoordelijk gesteld moet worden, evenzeer als de man, voor het verzekeren van de juiste voorwaarden van een huwelijk dat zij plan heeft aan te gaan. In de praktijk mag ongetwijfeld die verantwoordelijkheid eerst worden toevertrouwd aan ouders of voogden. Het is onredelijk, dat er aan een van beide zijden eenige valsche schaamte zou gevoeld worden over deze zaak. Geldzaken en kwesties van inkomen worden vóór het huwelijk besproken, en nu de publieke opinie gezonder wordt zal niemand de noodzakelijkheid in twijfel trekken van het bespreken van de nog ernstiger kwestie der gezondheid, evenzeer die van den toekomstigen bruidegom als die van de bruid. Een groote mate van ziekte en ongeluk in het huwelijk zou voorkomen worden als, voordat een engagement geheel voor gesloten verklaard werd, beide partijen zich door een dokter lieten onderzoeken en hem het recht toekenden het resultaat van dat onderzoek aan de andere partij mede te deelen. Zulk een onderzoek zou zich veel verder dan de venerische ziekten uitstrekken. Als de noodzakelijkheid ervan algemeen erkend werd, zou dat een einde maken aan veel bedrog, dat nu bij het aangaan van het huwelijk gepleegd wordt. Het gebeurt tegenwoordig voortdurend, dat de eene partij of de andere het bestaan verbergt van de een of andere ernstige kwaal, die spoedig na het huwelijk ontdekt wordt, soms met een pijnlijken en verontrustenden schok--bv. wanneer een man zijn vrouw op den huwelijksavond in een aanval van vallende ziekte vindt--en altijd met het bittere gevoel dat men er in geloopen is. Er kan geen redelijken twijfel aan bestaan, dat zulk verbergen een voldoende reden is tot echtscheiden. Sir Thomas More trachtte ongetwijfeld tegen zulk bedrog te waken, waar hij in zijn Utopia voorschreef, dat iedere partij voor het huwelijk naakt aan de andere partij zou vertoond worden. De dwaze ceremonie, die hij beschrijft, berustte op een verstandig idee, want het is belachelijk, als het niet dikwijls in zijn gevolgen tragisch was, dat eenig persoon zou genoodzaakt zijn in de meest intieme verhouding te leven met iemand, van wie hij of zij maar een klein deel gezien heeft.
Het kan noodig zijn er op te wijzen, dat iedere stap in deze richting de spontane handeling moet zijn van individuen, die hun leven inrichten naar de regels van een verlicht geweten, en niet ingevoerd kan worden door het bevel van de gemeenschap, die bij de wet haar bevelen doorzet. In deze zaken kan de wet eerst komen aan het einde en niet aan het begin. In de essentieele zaken van het huwelijk en de voortplanting, worden de wetten eerst gemaakt in het brein en het geweten van individuen als leiddraad voor henzelf. Zoolang zulke wetten niet belichaamd zijn in de werkelijke praktijk van de groote meerderheid der gemeenschap is het nutteloos voor regeeringen om ze bij statuten te bepalen. Zij zullen geen uitwerking hebben of anders zullen ze nog erger dan geen uitwerking hebben, doordat ze verkeerdheden in het leven roepen, die niet bedoeld waren. Wij kunnen alleen tot den wortel van de zaak komen door aan te dringen op opvoeding in moreele verantwoordelijkheid en onderwijs in feiten.
De kwestie doet zich voor, wie de beste persoon is om dit onderwijs te geven. Zooals we gezien hebben, kan er weinig twijfel aan zijn, dat vóor de puberteit de ouders en voornamelijk de moeder, de juiste leermeesters van hun kinderen zijn op sexueel gebied. Maar nà de puberteit is de zaak veranderd. De jongen en het meisje worden minder ontvankelijk voor den invloed der ouders, er ontstaat een zekere beschroomdheid aan beide kanten, en de ouders bezitten maar zelden de meer technische kennis, die nu vereischt wordt. Op dit stadium wordt het wenschelijk, dat de hulp van den dokter, van den huisdokter, als hij de juiste eigenschappen voor de taak bezit, moet worden ingeroepen. De methode, die gewoonlijk aanbevolen wordt, en die reeds nu in ruimen kring in praktijk gebracht wordt, is die van het houden van lezingen, die de voornaamste feiten over venerische ziekten, de gevaren ervan en de onderwerpen, die daarmee in verband staan uiteen zetten [250]. Deze methode is uitstekend. Zulke lezingen moesten bij tusschenpoozen door medici gehouden worden in alle groote steden, in havenplaatsen, in onderwijs-inrichtingen en militaire centra, waar een groot aantal jonge menschen te zamen zijn. Het moest de taak van de opvoedkundige autoriteiten van genoemde centra zijn, hetzij de lezingen zelf te organiseeren, hetzij aan hen, die gezag uitoefenen over jonge menschen of ze in dienst hebben, den plicht op te dragen voor zulke lezingen te zorgen. De lezingen moeten opengesteld worden voor allen, die den leeftijd van zestien jaar bereikt hebben.
In Duitschland schijnt het principe van onderwijs door middel van lezingen over venerische ziekten reeds doorgevoerd te zijn, in ieder geval wat jonge mannen betreft, en van zulke lezingen wordt voortdurend meer gebruik gemaakt. In 1907 richtte de Minister van Onderwijs cursussen op over sexueele hygiëne en venerische ziekten, die door dokters gehouden werden; het bijwonen ervan werd evenwel niet verplichtend gesteld. De cursussen, die tegenwoordig veelal door medici aan de hoogere klassen van de Duitsche lagere scholen over de algemeene grondbeginselen van sexueele anatomie en physiologie gegeven worden, omvatten bijna altijd sexueele hygiëne met speciale verwijzing naar venerische ziekten (zie bv, Sexualpädagogik, blz. 131-153). Ook in Oostenrijk worden lezingen gehouden over persoonlijke hygiëne en de gevaren van venerische ziekten worden aan de leerlingen, die op het punt zijn het gymnasium te verlaten en naar de universiteit te gaan, uiteengezet; de werkliedenclubs hebben cursussen ingesteld over dezelfde onderwerpen, ook gehouden door medici. In Frankrijk werken vele beroemde mannen, zoowel in als buiten de medische wereld voor de zaak van het onderwijs aan jonge menschen in sexueele hygiëne, hoewel zij tegen een meer hardnekkige mate van vooroordeel en preutschheid te strijden hebben van de zijde der middenklasse dan men in de Duitsche landen kan vinden. De Commission Extraparlementaire du Régime des Moeurs, te zamen met Augagneur, Alfred Fournier, Yves Guyot, Gide en andere beroemde professoren, leeraars enz., heeft zich onlangs uitgesproken ten gunste van het officieel instellen van onderwijs in de sexueele hygiëne, te geven in de hoogste klassen van de lycées, of in de eerste klassen van het eerste leerjaar van de universiteit; zulk onderwijs, beweert men, zou niet alleen de noodige kennis geven, maar het zou ook den zin voor moreele verantwoordelijkheid aankweeken. Er is in Frankrijk ook een werkzame en beroemde Société Française de Prophylaxie Sanitaire et Morale, die niet officieel is en die openbare lezingen houdt over sexueele hygiëne. Fournier, Pinard, Burlureaux en andere uitstekende medici hebben over dit onderwerp vlugschriften geschreven om in het openbaar te doen uitdeelen (zie bv. Le Progrès Médical van September 1907). In Engeland en de Vereenigde Staten is nog heel weinig gedaan in deze richting, maar in de Vereenigde Staten ten minste begint de publieke opinie ten gunste van deze actie snel te veranderen (zie bv. W. A. Funk, "The Venereal Peril", Medical Record, April 13, 1907). De "American Society of Sanitary and Moral Prophylaxis" (gebaseerd op de maatschappij, die in 1900 in Parijs gesticht werd door Fournier) werd in 1905 in New-York opgericht. Er zijn meer dergelijke maatschappijen in Chicago en Philadelphia. Het voornaamste doel is het bestudeeren van venerische ziekten en het aansturen op controleering ervan van staatswege. Dokters en leeken, zoowel mannen als vrouwen zijn lid. Lezingen en besprekingen worden nu onder bescherming van deze genootschappen met toenemend succes gehouden voor kleine groepen jonge vrouwen, die in maatschappelijke betrekkingen werkzaam zijn, op andere wijzen; de instelling der lezingen blijkt een uitstekende methode te zijn om de jonge vrouwen van den werkmansstand te bereiken, Zoowel mannelijke als vrouwelijke dokters nemen deel aan de lezingen (Clement Cleveland, Presidential Address over "Prophylaxis of Venereal Diseases", Transactions American Gynaecological Society, Philadelphia, deel XXXII, 1907).
Een belangrijk hulpmiddel bij het uitvoeren van de taak der sexueele hygiëne, en tevens voor het verspreiden van nuttige kennis, wordt verschaft door het geven van een kaart ter inlichting over hygiënische zaken aan iederen syphilitischen patiënt in klinieken, waar zulke gevallen behandeld worden, mèt een waarschuwing tegen de gevaren van een huwelijk binnen vier of vijf jaar na de infectie, en in geen geval zonder medischen raad. Zulk een gedrukte instructie in duidelijke, eenvoudige en scherpe taal moest aan iederen syphilis-patiënt in handen gegeven worden als een zaak van gewoonte, en het zou even goed zijn een daarmee overeenkomende kaart te hebben voor gonorrhoe-patiënten. Dit plan is reeds in sommige hospitalen ingevoerd, en het is een zoo eenvoudige en goede voorzorgsmaatregel, dat ze zonder twijfel algemeen aangenomen zal worden. In sommige landen wordt deze maatregel op ruimer schaal toegepast. Zoo worden in Oostenrijk, als het resultaat van de beweging, waarin verschillende universiteitsprofessoren een werkzaam deel genomen hebben, blaadjes en circulaires verspreid onder jonge werklieden, fabrieksarbeiders, studenten en leerlingen, die de handelsscholen verlaten, waarin in het kort de voornaamste symptomen uiteengezet worden van venerische ziekten en die waarschuwen tegen kwakzalvers en geheime middelen.
In Frankrijk, waar groote maatschappelijke kwesties soms met meer ridderlijken moed aangevat worden dan ergens anders, zijn de gevaren van syphilis, en de maatschappelijke positie van de prostituée, behalve door medici, ook door beroemde romanschrijvers en dramatici behandeld. Huysmans riep deze beweging in het leven met zijn eersten roman, Marthe, die onmiddellijk door de politie werd onderdrukt. Kort daarna publiceerde Edmond de Goncourt La Fille Elisa, de eerste belangrijke roman van deze soort door een bekend schrijver. Deze was met veel terughouding geschreven en was geen werk van hooge artistieke waarde, maar de schrijver zag een groot maatschappelijk probleem moedig onder de oogen en zette duidelijk de nadeelen van de gewone houding jegens de prostitutie uiteen. De roman werd tot drama bewerkt en door Antoine gespeeld in het Théâtre Libre, maar toen, in 1891, Antoine dit wilde opvoeren op het Porte-Saint-Martintooneel, kwam de censor tusschenbeide en verbood de opvoering om de "contexture générale" ervan. De Minister van Opvoeding verdedigde dit besluit, op grond dat er veel in het stuk was dat tegenzin en walging zou opwekken. "Afstooting is hier moreeler dan aantrekking", riep Paul Déroulède uit, en de couranten critiseerden een veroordeeling, die op het tooneel al de pikante onfatsoenlijkheden, die de prostitutie begunstigen, duldt, maar die geen aanval op de prostitutie verdragen kan. In later jaren hebben de broeders Margueritte, zoowel in romans als in tijdschriften, in ruime mate hun groote bekwaamheden en hun hooge literaire kunde dienstbaar gesteld aan de moedige en verlichte voorspraak van vele maatschappelijke hervormingen. Victor Margueritte heeft in zijn Prostituée (1907)--een roman, die in ruimen kring de aandacht getrokken heeft en in verschillende talen vertaald is--getracht den toestand der vrouwen in onze bestaande maatschappij te beschrijven, en meer speciaal den toestand van de prostituée onder wat hij beschouwt als een hatelijk en onrechtvaardig systeem, het systeem, dat nu nog bestaat. Het boek is een getrouw beeld van de werkelijke feiten, dank zij de hulp, die de schrijver ontving van de Parijsche Préfecture de Police, en voor een groot deel om die reden is het een niet geheel bevredigend kunstwerk, maar het geeft een levendig en scherp beeld van de wreedheid, onverschilligheid en huichelachtigheid, die zoo dikwijls door mannen aan vrouwen betoond wordt; het is een boek, dat om die reden niet in tè ruimen kring gelezen kan worden. Een van de meest bekende van de moderne tooneelstukken is Les Avariés van Brieux (1902). Deze beroemde dramatist, zelf een medicus, draagt zijn stuk op aan Fournier, den grootsten der syphilographen. "Ik denk met u", schrijft hij hier, "dat syphilis veel van zijn gevaarlijkheid zal verliezen, zoodra het mogelijk is openlijk te spreken van een kwaad, dat nòch een schande nòch een straf is, en wanneer zij, die er aan lijden, wetende welke ellenden zij misschien kunnen verspreiden, beter hun plicht zullen begrijpen jegens anderen en jegens zichzelf". De geschiedenis, die in het drama ontwikkeld wordt, is de oude en typische geschiedenis van den jongen man, die zijn jonggezellenleven doorleefd heeft op wat hij beschouwt als een fatsoenlijke en regelmatige wijze, daar hij maar twee meisjes gehad heeft, die geen van beide prostituée waren; maar aan het einde van dezen tijd, bij een vroolijk souper, waar hij afscheid neemt van zijn jonggezellenleven, vergeet hij zich en wordt met syphilis geïnfecteerd; zijn huwelijk nadert en hij gaat naar een beroemd specialist, die hem waarschuwt, dat behandeling tijd kost en dat een huwelijk voor verscheidene jaren onmogelijk is; hij vindt echter een kwakzalver, die het op zich neemt hem in een half jaar te genezen; aan het einde van dezen tijd trouwt hij; een syphilitisch kind wordt geboren; zijn vrouw ontdekt den stand van zaken en verlaat het huis om naar haar ouders terug te keeren; haar verontwaardigde vader, een lid van het Parlement, komt in Parijs; het stuk eindigt bij den grooten specialist, die eindelijk eenige vrede en hoop in de familie brengt. De moraal van het stuk is in hoofdzaak deze, dat het de plicht is van de ouders van de bruid vóor het huwelijk te informeeren naar de gezondheid van den bruidegom; dat de bruidegom een attest van den dokter moet overleggen; dat bij ieder huwelijk de rol van den dokter minstens even belangrijk is als die van den notaris. Zelfs als het een minder goed kunstwerk was, toch zou Les Avariés een stuk blijven, dat uit een maatschappelijk en opvoedkundig oogpunt alleen, door allen, die den jongelingsleeftijd bereikt hebben, moest gezien worden.
Een andere zijde van hetzelfde probleem wordt beschreven in Plus Fort que le Mal, een boek, dat in dramatischen vorm geschreven is (niet als een goed samengesteld tooneelstuk, dat bedoeld is voor het tooneel) door een beroemd Fransch medisch schrijver, die hier den naam aanneemt van Espy de Metz. De schrijver (die echter niet voor zijn eigen zaak pleit) vraagt om een meer sympathieke houding jegens hen, die aan syphilis lijden, en hoewel hij met veel minder dramatische vaardigheid schrijft dan Brieux, en zijn moraal nauwelijks in een zoo duidelijken vorm weet te gieten, is zijn werk een belangrijke bijdrage tot de dramatische literatuur van de syphilis.
Het zal waarschijnlijk wel eenigen tijd duren eer deze kwesties, belangrijk als zij zijn uit dramatisch en maatschappelijk oogpunt, op het Engelsche of het Amerikaansche tooneel ingevoerd zijn. Het is een opmerkelijk feit, dat, niettegenstaande het Puriteinsche element, dat nog in de Angelsaksische gedachte en gevoel over het algemeen bestaat, de Puriteinsche levensbeschouwing nooit hare uitdrukking gevonden heeft in het Engelsche of Amerikaansche drama. Op het Engelsche tooneel mag men zelfs niet zinspelen op de tragische zijde der losbandigheid; de ondeugd moet altijd verleidelijk gemaakt worden, zelfs als een deus ex machina toch zorgt, dat ze op het eind haar loon krijgt. Zooals Mr. Bernard Shaw gezegd heeft, bant het Engelsche tooneel geenszins de ondeugd; alleen wil het, dat ze aantrekkelijk gemaakt zal worden; de bekoringen ervan worden op den voorgrond gesteld, de straf ervoor verborgen. "Nu is het nutteloos te beweren, dat het tooneel niet de juiste plaats is voor het voorstellen en bespreken van onwettige verbintenissen, bloedschande en venerische ziekten. Als het tooneel de juiste plaats is voor het vertoonen en bespreken van verleiding, echtbreuk, promiscuïteit en prostitutie, dan moet het geopend worden voor het vertoonen van al de gevolgen van deze dingen, anders zal het de natie demoraliseeren".
De impuls om te eischen, dat de ondeugd altijd aantrekkelijk moet zijn, is werkelijk, wat de schijn ook moge wezen, geen slechte impuls. Hij komt voort uit een geestelijke verwarring, een gewone psychische neiging, die zich in het geheel niet beperkt tot Angelsaksische landen, en zelfs meer in het oog springt onder de beter opgevoede menschen. Er is hier een verwarring van het aesthetische met het moreele, en wat walging opwekt, wordt beschouwd als immoreel. In Frankrijk werd van de romans van Zola, den grootsten voorvechter voor de moraal, langen tijd geloofd, dat zij immoreel waren, omdat zij dikwijls walging opwekten. Hetzelfde gevoelen is nog meer verspreid in Engeland. Als een prostituée ten tooneele gebracht wordt, en als ze mooi is, goed-gekleed en verleidelijk, dan kan ze het geheele stuk doorzeilen en iedereen is tevreden. Maar als ze niet bijzonder mooi zou zijn, goed-gekleed, of verleidelijk, als het duidelijk bleek, dat zij ziek was en roekeloos anderen infecteerde met haar ziekte, als er op gezinspeeld werd, dat zij nu en dan leelijke taal kon uitslaan, als om kort te gaan, een beeld gegeven werd van het leven--dan zouden we hooren, dat de ongelukkige dramatist iets gemaakt had, dat "walgelijk" was en "immoreel". Walgelijk zou het kunnen zijn, maar juist daarom zou het moreel zijn. Er is hier een onderscheid, waarop de psycholoog niet te dikwijls kan wijzen, de moralist niet te dikwijls den nadruk leggen kan.
Het ligt niet op den weg van den medicus zijn eigen taak als leeraar gecompliceerd en verward te maken door ze te vermengen met beschouwingen, die tot de geestelijke sfeer behooren. Maar terwijl hij onpartijdig zijn speciale werk doet door de jonge menschen voor te lichten, zal hij altijd goed doen zich te herinneren, dat er in den geest van den jongeling, zooals we in een vorig hoofdstuk hebben moeten aantoonen, een spontane kracht is, die werkt ten gunste van de sexueele hygiëne. Zij, die gelooven, dat de geest van den jongeling alleen maar uit is op zinnelijk toegeven, zijn er niet minder naast en hebben niet minder nadeeligen invloed, dan zij, die het voor mogelijk en wenschelijk houden, dat jonge menschen in volkomen onwetendheid blijven over sexueele zaken. Hoe verborgen, onderdrukt, of vervormd--gewoonlijk door de misplaatste en voorbarige ijver van dwaze ouders en leeraren--er ontstaan in de puberteit ideale aandriften, die, al wortelen zij ook in de sekse, toch in hun doel boven de sekse uitkomen. Deze kunnen veel machtiger gidsen worden voor den physieken sekse-impuls, dan zuiver materieele of zelfs hygiënische overwegingen.
Het is tijd deze beschouwing over het voorkomen van venerische ziekten samen te vatten en te eindigen, welke ziekten, al mogen ze aan den oppervlakkigen beschouwer alleen maar een medische en gezondheidskwestie toeschijnen, buiten de sfeer van den psycholoog, toch bij nauwkeuriger beschouwing blijken in nauw verband te staan zelfs met de meest geestelijke opvatting van de sexueele verhoudingen. Niet alleen zijn venerische ziekten de vijanden van de fijnere ontwikkeling van het ras, maar wij kunnen niet komen tot een gezonde en mooie beschouwing van de verhoudingen van de seksen, zoo lang deze ieder oogenblik in hun oorsprong kunnen worden bedorven en ondermijnd. Wij kunnen nog niet precies den tijd berekenen, die moet verloopen eer, voor zoover Europa tenminste betreft, syphilis en gonorrhoe heengezonden zijn naar dat vagevuur van monsterachtige oude doode kwalen, waar pest en melaatschheid heengegaan zijn en waar de pokken al dicht bij zijn. Maar de maatschappij begint te erkennen, dat ook op dit gebied de wapenen licht en lucht moeten toegelaten worden, het zwaard en het harnas, waarmee alleen alle ziekten kunnen worden bestreden. Zooals we gezien hebben, zijn er vier methoden, waarop in de meer verlichte landen venerische ziekten nu beginnen bestreden te worden [251]. (1) Door openlijk te verklaren, dat de venerische ziekten ziekten zijn evenals iedere andere ziekte, hoewel ze arglistiger en vreeselijker zijn dan de meeste, die ieder kunnen aanvallen van het ongeboren kind af tot zijn grootmoeder toe, en dat ze niet, meer dan andere ziekten, de schandelijke, rechtvaardige straffen zijn voor zonde, waarvoor alleen verlichting gezocht kan worden, zoo ze al gezocht wordt, in het geheim, maar dat ze algemeen menschelijke kwalen zijn; (2) door het aannemen van methoden voor het geven van officieele voorlichting over de uitgebreidheid, de verdeeling en de verscheidenheid der venerische ziekten door middel van de reeds erkende methode van aangifte en op andere wijze, en door het verschaffen van zulke faciliteiten voor de behandeling, vooral voor een kostelooze behandeling, als noodig gevonden kunnen worden; (3) door het oefenen van den individueelen zin voor moreele verantwoordelijkheid, zoodat ieder lid van de gemeenschap zal erkennen, dat het besmetten van een ander persoon met een ernstige ziekte, zelfs alleen als resultaat van roekelooze nalatigheid, een ernstiger misdaad is, dan als hij of zij als aanval een mes gebruikt had of een geweer of vergif, en dat het noodig is in ieder land speciale wettige voorzorgen te nemen om er toe bij te dragen de nadeelen van zulke schaden te herstellen en straffen in te stellen door vrijheidsverlies of op andere wijze; (4) door het verspreiden van hygiënische kennis, zoodat alle jonge menschen, jonge mannen zoowel als jonge meisjes bij het begin van hun volwassen leven mogen worden voorzien van de noodige kennis, die hen zal helpen de grootere gevaren van besmetting te vermijden en hen in staat zal stellen het gevaar in de eerste stadien te herkennen en te bestrijden.
Eenige jaren geleden, toen geen methode ter bestrijding van venerische ziekten bekend was behalve het systeem van contrôle van politiewege, dat nu in verval is, zou het onmogelijk geschenen hebben zulke beschouwingen als deze te opperen; zij zouden een "utopie" geschenen hebben. Tegenwoordig worden zij niet alleen erkend als praktisch, maar zij worden feitelijk al in praktijk gebracht, hoewel met zeer varieerende energie en verschillend inzicht in verschillende landen. Toch is het wel zeker, dat in den wedstrijd der naties, zooals Max Neissen gezegd heeft, "dat land het best de leiding zal nemen in den loop van de beschaving, dat den profetischen blik heeft en den moed om die eischen van sexueele hygiëne in te voeren en door te voeren, die zoo'n ruime en veelbeteekenende betrekking hebben op zijn eigen toekomst, en op die van het menschelijk ras in het algemeen" [252].
HOOFDSTUK IX
SEXUEELE MORAAL
Prostitutie in verband met ons huwelijkssysteem.--Huwelijk en moraal.--De definitie van het begrip "moraal".--Theoretische moraal.--Hare verdeeling in traditioneele en ideëele moraal.--Praktische moraal.--Praktische moraal gegrond op gewoonte.--Het eenige onderwerp van de wetenschappelijke zedeleer.--De reactie tusschen theoretische en praktische moraal.--Sexueele moraal in het verleden als toepassing van economische moraal.--De vereeniging van starheid en laksheid in deze moraal.--Het ontstaan van een bijzondere sexueele moraal en de ontwikkeling van moreele idealen.--Uitingen van de sexueele moraal.--Gebrek aan eerbied voor de vormen van het huwelijk.--Proef-huwelijk.--Het huwelijk nà de conceptie van een kind.--Verschijnselen in Duitschland, de Angelsaksische landen, Rusland, enz.--De positie der vrouw.--De historische neiging, die de gelijkheid van vrouwen met mannen begunstigt.--De theorie van het matriarchaat.--De moederfamilie.--Vrouwen in Babylonië, Egypte, Rome.--De achttiende en de negentiende eeuw.--De historische neigingen, die de moreele onbevoegdheid der vrouw begunstigen.--De tweestrijd door het Christendom verwekt.--Invloed van de Germaansche gewoonte en van het leenstelsel.--De ridderschap.--De vrouw in Engeland.--De vrouwenhandel.--Het afnemen van de onderworpenheid der vrouw.--Ongeschiktheid van den modernen man om te heerschen.--Het toenemen van de moreele verantwoordelijkheid bij vrouwen.--De daarmee samengaande ontwikkeling van economische onafhankelijkheid.--Het toenemen van het aantal werkende vrouwen.--Het binnendringen van de vrouw in de moderne industrie.--In hoeverre dit maatschappelijk te rechtvaardigen is.--De sexueele verantwoordelijkheid der vrouw en de gevolgen ervan.--De beweerde moreele inferioriteit van vrouwen.--De "zelfopoffering" van vrouwen.--De maatschappij heeft geen belang bij sexueele verhoudingen.--De voortplanting is het eenige sexueele belang van den staat.--De zeer hooge beteekenis van het moederschap.
Het is noodig geweest de verschijnselen van de prostitutie zeer uitgebreid te behandelen, omdat, hoe wij onszelf ook persoonlijk daarvan verwijderd willen houden, zij ons in werkelijkheid tot de kern van de sexueele kwestie voeren, in zooverre ze een maatschappelijk probleem vormen. Als we de prostitutie oppervlakkig beschouwen als een objectief verschijnsel, als een kwestie van maatschappelijke krachten, dan zien we, dat ze niet alleen een toevallig en weg te nemen uitvloeisel van ons tegenwoordig huwelijkssysteem is, maar een samenstellend deel ervan, zoodat dit, als ze er niet was, uiteen zou vallen. Dit zal waarschijnlijk duidelijk zijn aan allen, die de voorafgaande uiteenzetting van de verschijnselen van de prostitutie hebben gevolgd. Er is echter meer te zeggen dan dit. Niet alleen is de prostitutie tegenwoordig, zooals ze meer dan twee duizend jaar geweest is, het bolwerk van ons huwelijkssysteem, maar als we het huwelijk beschouwen niet van den buitenkant als een vormelijke instelling, maar van den binnenkant, door te letten op de beweegredenen die tot een huwelijk voeren, dan vinden we, dat het in een groot aantal gevallen zelf in zekere opzichten een vorm van prostitutie is. Hierop is reeds zoo dikwijls de nadruk gelegd en van zoovele zeer verschillende standpunten, dat het wel nauwelijks noodzakelijk kan schijnen hier dieper op dit punt in te gaan. Maar deze kwestie is van het grootste belang voor de sexueele moraal. Onze maatschappelijke toestanden zijn niet gunstig aan de ontwikkeling van een hoog moreel gevoel in de vrouw. Het verschil tusschen de vrouw, die zich verkoopt in prostitutie en de vrouw, die zich verkoopt in het huwelijk, is volgens het reeds door ons aangehaalde gezegde van Marro, "alleen een verschil in prijs en in duur van het contract". Of, zooals Forel het uitdrukt, het huwelijk is "een fatsoenlijker vorm van prostitutie", dat is te zeggen, een wijze om uit geldelijke overwegingen sexueele verhoudingen aan te gaan. Het huwelijk is niet alleen een fatsoenlijker vorm van prostitutie, het is een vorm, geheiligd door de wet en den godsdienst, en de kwestie der moraal wordt er buiten gelaten. De moraal mag straffeloos beleedigd worden, als maar de wet en de godsdienst ingeroepen zijn. Zoo is het essentieele beginsel der prostitutie onder ons gewettigd en geheiligd. Daarom is het zoo moeilijk eenige ernstige verontwaardiging te wekken, of eenige met redenen omkleede bezwaren staande te houden tegen de prostitutie op zich zelf beschouwd. Het plausibelste argument is dat van hen [253], die, terwijl ze het huwelijk verlagen tot het niveau van de prostitutie, zeggen, dat de prostituée een onderkruipster is, die minder dan de marktprijs, d.i. het huwelijk, aanneemt voor de sexueele diensten, die zij bewijst. Maar zelfs dit lage standpunt is moeilijk vast te houden. De prostituée wordt werkelijk zeer goed betaald, als men in aanmerking neemt hoe weinig zij in ruil geeft; de getrouwde vrouw wordt werkelijk buitengewoon slecht betaald, in aanmerking genomen hoeveel zij dikwijls geeft en hoeveel zij noodzakelijk opgeeft. Terwille van het voordeel van economische afhankelijkheid van haar echtgenoot, moet zij, zooals Ellen Key opmerkt, de rechten op haar kinderen opgeven, evenals al haar bezittingen, haar werk, en haar eigen persoon, zoodat haar minder overblijft dan elke ongetrouwde vrouw, zelfs, kunnen we er bij voegen, minder dan elke prostituée. De prostituée toch geeft nooit het recht op haar eigen persoon op zooals de getrouwde vrouw verplicht is te doen; de prostituée, anders dan de getrouwde vrouw, behoudt haar vrijheid en haar persoonlijke rechten, hoewel deze gewoonlijk niet van veel waarde zijn. Het is eerder de vrouw dan de prostituée, die de onderkruipster is.
Het is in het geheel niet alleen in de laatste jaren, dat ons huwelijkssysteem voor de rechtbank der moraal geroepen is. Veertig jaar geleden klaagde James Hinton het met gloeiende woorden aan, toen hij de immoraliteit en de zelfzuchtige losbandigheid beschreef, die ons huwelijkssysteem met den mantel van wettigheid en heiligheid bedekt. "Er is iets ongezonds in onze huwelijksverhoudingen", schreef Hinton. "Niet alleen zijn ze in de praktijk vreeselijk, maar zij beantwoorden niet aan gevoelens en overtuigingen, die veel te veel in ruimen kring verspreid zijn, om ze buiten beschouwing te kunnen laten. Wie heeft nooit gehoord van vrouwen van erkende verdiensten, die er in toestemmen de geliefde te worden van een getrouwd man; van reine en eenvoudige meisjes, die zeggen, dat zij niet kunnen inzien, waarom zij een wettig huwelijk zouden moeten sluiten; van vrouwen, die zeggen dat zij, als zij liefhebben, geen wettigen band zouden willen hebben; waarom is het noodzakelijk--of wordt het door goede en wijze mannen noodzakelijk geacht--dat de eene sekse in bittere en soms noodlottige onwetendheid wordt gelaten? Deze dingen (en hoevele meer) wijzen op iets, dat diep ongezond is in de huwelijksverhoudingen. Dit moet onderzocht worden en wel tot den grond toe".
Al vroeger, in 1847, heeft Gross-Hoffinger, in zijn Die Schicksale der Frauen und die Prostitution--een merkwaardig boek, waarvan Bloch met een weinig overdrijving zegt, dat het opzienbarende beteekenis heeft--met kracht er op gewezen, dat het probleem der prostitutie in werkelijkheid het probleem is van het huwelijk, en dat we de prostitutie alleen kunnen hervormen door het huwelijk te hervormen, dit beschouwd als een dwang-instelling, die berust op een verouderde economische basis. Gross-Hoffinger was een voorganger van Ellen Key.
Meer dan anderhalve eeuw geleden heeft een man van een zeer verschillend type de moraal van zijn tijd scherp geanalyseerd, met een brutale vrijmoedigheid, die aan zijn tijdgenooten een stuitend cynische houding toescheen jegens hun heilige instellingen, zoodat zij gevoelden, dat hun niets overbleef dan zijn boeken te verbranden. Waar hij in zijn Fable of the Bee (1714, p. 64) het moderne huwelijk beschreef, met alle wantoestanden, die in dat huwelijk bekrachtigd zijn, schreef Mandeville: "De fijne mijnheer, waar ik van sprak, behoefde geen grootere zelfverloochening te toonen dan de wilde, en deze handelt meer in overeenstemming met de wetten van natuur en waarheid dan hij. De man, die aan zijn lust voldoet, op de wijze, die de gewoonte van zijn land hem toestaat behoeft geen veroordeeling te vreezen. Laat hij wellustiger zijn dan geiten of stieren, laat hem, zoodra de ceremonie voorbij is, zich verzadigen en uitputten aan vreugde en extases van genot, laat hij zijn lust afwisselend aanwakkeren en verzadigen, zoo overvloedig als zijn kracht en mannelijkheid het hem willen veroorloven. Hij kan veilig lachen om de wijze menschen, die hem zouden kunnen veroordeelen: al de vrouwen en meer dan negen van de tien mannen zijn op zijn hand; ja, hij kan zich zelfs verhoovaardigen op de kracht van zijn ongebreidelde hartstochten, en hoe meer hij wentelt in wellust en alles in zich er op spant om uitgelaten wellustig te zijn, des te eerder zal hij de welwillendheid ondervinden en de liefde winnen van de vrouwen, niet van de jonge, ijdele, en wulpsche alleen, maar van de voorzichtige, ernstige, en verstandigste matrones".
Zoo is de aanklacht, ingebracht tegen ons huwelijkssysteem van het standpunt van moraal, deze, dat het de sexueele verhouding ondergeschikt maakt aan overwegingen van geld en van wellust. En dat is juist het kenmerk van de prostitutie.
Het eenige wettige moreele doel van het huwelijk--of we het beschouwen uit het ruimere biologische standpunt of uit het oogpunt van de menschelijke maatschappij--is die van een sexueele keuze, gedaan overeenkomstig de wetten van de sexueele keuze, en die tot direct doel heeft een samenleven van volkomen wederkeerige liefde en als indirect doel de voortplanting van het ras. Als niet de voortplanting deel uitmaakt van het doel van het huwelijk, dan heeft de maatschappij er niets hoegenaamd mee te maken en dan heeft ze geen recht haar stem te laten hooren. Maar als de voortplanting een van de doeleinden van het huwelijk is, dan is het uit biologische en maatschappelijke gezichtspunten dringend noodig, dat geen invloeden behalve de juiste natuurlijke invloed der sexueele keuze bij het vormen der paren zullen gelden, want indien bij de sexueele keuze tusschenbeide gekomen wordt, is het waarschijnlijk, dat het nageslacht nadeel zal ondervinden en de belangen van het ras zullen geschaad worden.
Men moet natuurlijk goed begrijpen, dat het denkbeeld van het huwelijk als een vorm van sexueele vereeniging, gebaseerd niet op biologische, maar op economische overwegingen, zeer oud is, en dat het soms gevonden wordt in maatschappijen, die bijna in den natuurstaat zijn. Ieder keer echter, dat het huwelijk op een zuivere basis van bezit, en zonder voldoenden eerbied voor de sexueele keuze voorgekomen is onder betrekkelijk primitieve en krachtige volken, is het in hooge mate van zijn slechte gevolgen ontdaan door de besliste erkenning van zijn enkel economisch karakter, en door de afwezigheid van iedere poging om, ook maar in naam, andere sexueele verhoudingen te onderdrukken, die op een natuurlijker basis berustten en buiten dezen kunstmatigen vorm van het huwelijk ontstaan waren. Vooral polygamie werkte er toe mede om vereenigingen op economische basis te verbinden aan vereenigingen op natuurlijke sexueele basis. Ons modern huwelijkssysteem heeft echter een kunstmatige starheid gekregen, die de mogelijkheid van deze natuurlijke veiligheidsklep en vergoeding uitsluit. Welke de werkelijke moreele inhoud ervan ook zij, een modern huwelijk is altijd "wettig" en "heilig". Wij zijn zoo gewend aan economische huwelijksvormen, dat, zooals Sidgwick naar waarheid opmerkte (Method of Ethics, dl. II, hoofdst. XI) als van die vormen gesproken wordt als van "gewettigde prostitutie" het voortdurend voorkomt, dat men voelt, dat "de phrase buitensporig en paradox is".
Een man, die om geld of ambitie trouwt, wijkt af van de biologische en moreele doeleinden van het huwelijk. Een vrouw, die zich voor het leven verkoopt, staat moreel op hetzelfde niveau als eene, die zich voor een nacht verkoopt. Het feit, dat het loon grooter schijnt te zijn, dat ter vergoeding van het verleenen van bepaalde huiselijke diensten en bepaalde persoonlijke gedienstigheden--diensten en gedienstigheden, waarin ze misschien in het geheel niet deskundig is--zij zich een schuilplaats verzekert, waar ze gevoed en gekleed en geherbergd wordt voor het leven, maakt geen verschil in het moreele aanzien van de zaak. De moreele verantwoordelijkheid is, we behoeven het nauwelijks te zeggen, zeker evenzeer aan den kant van den man als aan dien van de vrouw. Verkeerde resultaten zijn dikwijls het gevolg van de onwetendheid en de onverschilligheid van de mannen, die dikwijls weinig of niets af weten van den aard der vrouwen en van de kunst van liefhebben. De onnoozelheid, waarmee zelfs mannen, die, naar men zou meenen, toch niet zonder ervaring konden zijn, als echtgenoote een vrouw kiezen, die, hoe mooi en bekoorlijk zij ook zijn mag, geen van de eigenschappen bezit, die haar minnaar werkelijk verlangt, is een voortdurend wonder. Zich te onthouden van het onderzoeken en beproeven van het humeur en de eigenaardigheden van de vrouw, die hij tot echtgenoote wenscht, is ongetwijfeld een beminnelijke trek van nederigheid aan de zijde van den man. Maar het is wel zeker, dat een man nooit tevreden moest zijn met minder dan het beste van wat de ziel en het lichaam van een vrouw kunnen geven, hoe onwaardig hij zich ook moge voelen voor zulk een bezit. Deze eisch, we moeten het opmerken, is het hoogste belang van de vrouw zelf. Een vrouw kan een man tenminste een deel van de geheimen van het heelal openbaren. De vrouw, die neerdaalt tot het niveau van een candidate voor een inrichting voor behoeftigen, verlaagt zich.
Onze beschouwing over de psychische sexueele feiten heeft ons dus, zullen we zien, gebracht tot de kwestie der moraal. Telkens weer is bij het uiteenzetten van de verschijnselen der prostitutie noodig geweest het woord "moreel" te gebruiken. Dat woord is echter vaag en kan zelfs op een dwaalspoor leiden, omdat het verschillende beteekenissen heeft. Tot dusverre is het aan den intelligenten lezer overgelaten geweest, zooals hij wel bemerkt zal hebben, uit het verband op te maken in welke beteekenis het woord gebruikt werd. Maar op het punt waar we nu zijn gekomen, is het, voordat wij overgaan tot het bespreken van de sexueele psychologie, noodig, om dubbelzinnigheid te vermijden, den lezer in herinnering te brengen, wat precies de voornaamste beteekenissen zijn, waarin het woord "moreel" gewoonlijk gebruikt wordt.
De moraal, waarmee ethische verhandelingen te maken hebben, is theoretische moraal. Ze handelt over datgene, wat menschen behoorden te doen--of wat voor hen goed is te doen. Socrates b.v. houdt zich in zijn dialogen van Plato met die theoretische moraal bezig, als hij de vraag bespreekt: wat de menschen in hun handelingen "moeten" zoeken? De groote massa der ethische literatuur--tot nog kort geleden toe mochten we zeggen de geheele literatuur--handelt over deze kwestie. Die theoretische moraal is eer een studie dan een wetenschap, want de wetenschap kan alleen gebaseerd zijn op wat is, niet op wat behoorde te zijn.
Zelfs in de sfeer van de theoretische moraal zijn er twee zeer verschillende soorten van moraal, zoo verschillend, dat de eene de andere soms zelfs als vijandig beschouwt, of op zijn best alleen, uit beleefdheid, met een tintje van minachting als "moreel". Deze twee soorten van moraal zijn de traditioneele moraal en de ideëele moraal. De traditioneele moraal is gebaseerd op de lang ingestelde gewoonten van een gemeenschap en bezit de stabiliteit van alle theoretische ideeën, die gebaseerd zijn op het vroegere maatschappelijke leven en die ieder individu, dat in de gemeenschap geboren is, van zijn vroegste jaren af omringen. Het wordt de stem van het geweten, die automatisch spreekt ten gunste van al de regels, die zoo stevig ingeprent zijn, zelfs als het individu zelf ze niet meer aanneemt. Vele menschen bij voorbeeld, die in hun jeugd opgevoed zijn in de puriteinsche heiliging van den Zondag, zullen zich herinneren, hoe, lang nadat zij opgehouden hadden te gelooven, dat zulk een heiliging "goed" was, toch, bij het schenden ervan, het protest van de automatisch gewekte stem van het "geweten" hooren, dat is te zeggen de uitdrukking in het individu van gewoonteregels, die wel opgehouden hebben voor hem bindend te zijn, maar die dat wel waren voor de gemeenschap waarin hij werd opgevoed.
Ideëele moraal aan den anderen kant heeft geen betrekking op het verleden van de gemeenschap, maar op de toekomst ervan. Ze is gebaseerd, niet op de oude maatschappelijke daden, die verouderd beginnen te worden, en misschien zelfs tegenmaatschappelijk in hun werking, maar op nieuwe maatschappelijke daden, die tot nog toe alleen in praktijk gebracht worden door een kleine, hoewel aangroeiende minderheid van de gemeenschap. In den nieuwen tijd is Nietzsche een op den voorgrond tredend voorvechter geweest van de ideëele moraal, de heldhaftige moraal van den pionier, van het individu van de komende gemeenschap, tegenover de traditioneele moraal, of, zooals hij het noemde, kudde-moraal, de moraal van de groote menigte. Deze twee soorten van moraal zijn noodzakelijkerwijze aan elkander tegenovergesteld, maar wij moeten in herinnering houden, dat ze beide gezond zijn en even slecht gemist kunnen worden, niet alleen door hen, die ze aannemen, maar door de gemeenschap, waarin ze beide samenwerken om ze in evenwicht te houden. We hebben ze bij voorbeeld beide zien toepassen op de kwestie van de prostitutie; traditioneele moraal verdedigt de prostitutie, niet om haar zelfs wille, maar terwille van het huwelijkssysteem, dat ze als kostbaar genoeg beschouwt om een opoffering waard te zijn, terwijl de ideëele moraal weigert de noodzakelijkheid der prostitutie aan te nemen, en uitziet naar de verbeteringen in het huwelijkssysteem die de prostitutie zullen veranderen en verminderen.
Maar geheel buiten de theoretische moraal, of de kwestie wat de menschen "moesten" doen, blijft de praktische moraal, of de kwestie wat in werkelijkheid de menschen doen. Dit is de werkelijk fundamenteele en essentieele moraal. Het Latijnsche mores en het Grieksche êthos hebben beide betrekking op de gewoonte, op de dingen, die zijn, en niet op de dingen, die behoorden te zijn, behalve in de indirecte en tweede beteekenis, dat datgene wat de leden van de gemeenschap werkelijk gezamenlijk, of "en masse" doen, is hetgeen zij voelen, dat zij moeten doen. In de eerste plaats echter werd een moreele daad gedaan, niet omdat men voelde, dat ze gedaan moest worden, maar om redenen van veel dieper en veel instinctiever aard [254]. Ze werd niet gedaan omdat men voelde, dat ze gedaan moest worden, maar men voelde, dat ze gedaan moest worden, omdat het werkelijk de gewoonte was geworden ze te doen.
De daden van een gemeenschap worden bepaald door de levensbehoeften van die gemeenschap onder de speciale omstandigheden van haar beschaving, haar tijd en haar land. Als het de algemeene gewoonte is voor kinderen om hun bejaarde ouders te dooden, dan wordt er altijd bevonden, dat deze gewoonte het best is niet alleen voor de gemeenschap maar voor de oude menschen zelf, die het wenschen; de daad is zoowel praktisch als theoretisch moreel [255]. En als, zooals bij ons, de ouden in leven worden gehouden, dan is die daad ook praktisch en theoretisch moreel; ze hangt op geenerlei wijze af van eenige wet of regel, die ons verbiedt iemand het leven te benemen, want wij dragen immers roem op het dooden van onzen medemensch onder den patriottischen naam van "oorlog", en zijn er tamelijk onverschillig onder als dit dooden door ons systeem van industrie geëischt wordt, maar het dooden van oude menschen bevredigt tegenwoordig geen enkele maatschappelijke behoefte; hun behoud daarentegen wel. Het dooden van een mensch is werkelijk zooals bekend is een daad, die op verschillende tijden en in verschillende landen zeer varieert in haar moreele waarde. Het was in Engeland twee eeuwen en minder geleden volkomen moreel een mensch te dooden voor geringe vergrijpen tegen den eigendom, want zulk een straf scheen aan den algemeenen zin van de beschaafde gemeenschap wenschelijk toe. Tegenwoordig zou het beschouwd worden als zeer immoreel. Wij beginnen er nu eerst aan te twijfelen, of het wel moreel is een meisje ter dood te veroordeelen of haar leven lang in de gevangenis te sluiten, dat bij de geboorte haar kind doodde, alleen omdat ze tegen alle natuurlijke instincten in, gedreven werd door het primitieve instinct van zelfverdediging. Er kan niet gezegd worden, dat we er al aan zijn gaan twijfelen of het moreel is menschen in den oorlog te dooden, hoewel we het dooden van vrouwen en kinderen, of zelfs van niet-vechtenden in het algemeen niet meer goedkeuren. Iedere eeuw en ieder land heeft zijn eigen moraal.
"De gewoonte, in de strikte beteekenis van het woord", zegt Westermarck terecht, "sluit een moreelen regel in zich... De maatschappij is de school, waar de menschen leeren onderscheid te maken tusschen goed en kwaad. De leermeester is de gewoonte" [256]. De gewoonte is niet alleen de basis van de moraal, maar ook van de wet. "Gewoonte is wet" [257]. Het veld der theoretische moraal is zoo'n betooverende speelplaats geworden voor knappe philosofen, dat er soms gevaar is geweest om te gelooven, dat het ten slotte niet de theoretische moraal is, maar de praktische, de kwestie van wat de menschen in de massa der gemeenschap werkelijk doen, die de werkelijke stof levert voor de moraal [258]. Als wij meer precies definieeren wat wij praktisch met moraal bedoelen, dan kunnen we zeggen, dat zij is samengesteld uit de gewoonten, die de meerderheid van de leden van een gemeenschap beschouwt als bevorderlijk aan het welvaren van de gemeenschap op een bepaalden tijd en een bepaalde plaats. Het is om deze reden--d.i. omdat het een kwestie is van wat is en niet alleen van wat sommigen meenen dat moest zijn--dat de praktische moraal het gepaste onderwerp vormt voor de wetenschap. "Als het woord "ethica" gebruikt moet worden als naam voor een wetenschap", zegt Westermarck, "dan kan het onderwerp van die wetenschap alleen zijn het bestudeeren van het moreele bewustzijn als een feit" [259].
De History of European Morals van Lecky is een studie in praktische, veeleer dan in theoretische moraal. Het groote werk van Westermarck, The Origin and Development of the Moral Ideas is een meer modern voorbeeld van de objectief wetenschappelijke bespreking van de moraal, hoewel dit misschien niet duidelijk uit den titel blijkt. Het is in zijn wezen een beschrijving van de werkelijke historische feiten van wat geweest is, en niet van wat "behoorde" te zijn. Morals in Evolution van Mr. L. T. Hobhouse, dat op bijna denzelfden tijd uitkwam, is evenzeer een werk, dat, terwijl het onloochenbaar feiten behandelt, d.z. regels en instellingen, en de taak verwerpt van te zijn "de geschiedenis van het levensgedrag", zich toch beperkt tot die regels, die "inderdaad het normale gedrag vormen van den gemiddelden mensch" (deel I, p. 26). Met andere woorden, het is in zijn kern een geschiedenis van praktische moraal en niet van theoretische moraal. Een van de scherpzinnigste en fijnste van de nu levende schrijvers, M. Jules de Gaultier, heeft in verschillende van zijn boeken, en vooral in zijn La Dépendance de la Morale et l'Indépendance des Moeurs (1907), het begrip moraal op vrijwel gelijke wijze ontleed. "Regels, die betrekking hebben op het levensgedrag, zijn evenals andere regels door de ervaring gegeven, zoodat de moraal, of de som van de wetten, die op een of ander tijdstip van de historische ontwikkeling op het menschelijk handelen zijn toegepast, van gewoonten afhangt". Ik verwijs ook naar de meesterlijke uitbeelding van deze opvatting over de moraal in La Morale et la Science des Moeurs van Lévy-Bruhl (er bestaat een Engelsche vertaling van).
Praktische moraal is dus het stevige, natuurlijke feit, dat de biologische grondslag vormt van de theoretische zedeleer, hetzij deze traditioneel of ideëel is. De buitensporige vrees, die in zoo hooge mate onder de menschen verspreid is, om de moraal te kwetsen, is misplaatst. Wij kunnen de moraal niet kwetsen, al kunnen we ons zelf kwaad doen. De moraal is gebaseerd op de natuur en kan op zijn hoogst alleen maar gewijzigd worden. Zooals Crawley terecht zegt [260], zelfs de categorische eischen van onze moreele tradities, wel verre van zooals dikwijls algemeen geloofd wordt, pogingen te zijn om de natuur te onderdrukken, ontstaan uit een pogen om de natuur te hulp te komen; zij zijn eenvoudig een poging om de natuurlijke aandriften in bepaalde termen te vatten. Het nadeel ervan is, dat ze, zooals alles wat star en dood wordt, meestal langer duren dan het tijdperk, waarin zij een weldadige, levende reactie vormden op de omgeving. Zoo roepen zij nieuwe vormen van de ideëele moraal in het leven; en de praktische moraal ontwikkelt nieuwe vormen, die in overeenstemming zijn met nieuwe levende verhoudingen, om in de plaats te komen van oudere en verdorde tradities.
Er bestaat duidelijk een nauw verband tusschen theoretische moraal en praktische of eigenlijke moraal. Want niet alleen is de theoretische moraal het bewust worden van erkende gewoonten, die in het algemeene leven in de gemeenschap belichaamd zijn, maar, na aldus bewust geworden te zijn, werkt ze terug op die gewoonten en ondersteunt of wijzigt ze, door zijn eigen groei. Deze inwerking is verschillend, naarmate wij te doen hebben met de eene of andere scherp bepaalde afdeeling van de theoretische moraal: de traditioneele moraal, die den levensgroei van moreele gewoonten tegenhoudt, of de ideëele en vooruitstrevende moraal, die den levensgroei van moreele gewoonten bevordert. Praktische moraal, of eigenlijke moraal kan gezegd worden tusschen deze twee afdeelingen van de theoretische moraal in te staan. De praktijk volgt altijd op de vooruitstrevende theoretische moraal, in zoover natuurlijk ideëele moraal vooruitstrevend is en niet, zooals zoo dikwijls gebeurt, op niets uitloopt. Traditioneele moraal volgt altijd de praktijk. Het resultaat is, dat, terwijl de werkelijke moraal, die te eeniger tijd op een of andere plaats gewoonte is, altijd in nauw verband staat met de theoretische moraal, ze toch nooit precies met een van haar vormen kan overeenkomen. Ze bereikt de ideëele moraal en is de traditioneele moraal altijd vooruit.
Het was hier noodig om bepaaldelijk de drie voornaamste vormen te definieeren, waarvoor het woord "moraal" gebruikt wordt, hoewel ze onder den een of anderen vorm wel aan den lezer bekend moeten zijn. Bij de bespreking van de prostitutie is het gemakkelijk geweest het gewone gebruik te volgen, waarbij de speciale beteekenis van het woord uit den samenhang bleek. Maar nu we ons voor het oogenblik direct met de speciale beteekenis van de evolutie der sexueele moraal bezig houden, moeten we meer precies zijn in het formuleeren van de woorden, die we gebruiken. In dit hoofdstuk, behalve als het anders vastgesteld is, houden wij ons in de eerste plaats bezig met de eigenlijke moraal, met het werkelijk gedrag, zooals het voorkomt in de massa van de gemeenschap, en alleen in de tweede plaats met de vooruitstrevende of de traditioneele moraal.
Sexueele moraal is, evenals andere soorten van moraal, noodzakelijk samengesteld uit geërfde tradities, gewijzigd door aanpassing aan de veranderende maatschappelijke omgeving. Als de invloed van de traditie te veel uitgesproken wordt, dan geraakt het moreele leven veelal in verval en verliest zijn geschiktheid om zich aan het leven aan te passen. Als het aanpassingsvermogen te groot wordt, wordt het moreele leven onvast en verliest zijn autoriteit. Het is alleen door een redelijke synthese van bouw en functie--van wat het traditioneele genoemd wordt met wat het ideëele genoemd wordt--dat het moreele leven zijn autoriteit kan bewaren, zonder zijn praktische waarde te verliezen. Velen, zelfs onder hen die zich moralisten noemen, hebben dit moeilijk kunnen begrijpen. In een vergeefsch streven naar een onbestaanbaar streng logisch redeneeren hebben zij òf te veel den nadruk gelegd op den ideëelen invloed op de praktische moraal, òf, nog meer, op den traditioneelen invloed, die zich aan hen heeft opgedrongen door de indrukwekkende autoriteit, die haar gezegden schijnen te hebben. De resultaten hiervan in de sfeer, met welke wij hier te doen hebben, zijn dikwijls ongelukkig geweest, want geen maatschappelijke impuls geraakt zoo gemakkelijk in opstand tegen verouderde tradities, is zoo geneigd tot vulkanische uitbarstingen als de geslachtsdrift.
Wij zijn gewend ons tegenwoordig huwelijkssysteem te identificeeren met "moraal" in het abstracte, en voor vele menschen, misschien wel voor de meeste, is het moeilijk zich voor oogen te stellen, dat de langzame en onmerkbare beweging, die in den tegenwoordigen tijd voortdurend op het maatschappelijke leven inwerkt evenals in iederen anderen tijd, onze sexueele moraal ten diepste raakt. Een overgang van waardebepalingen heeft voortdurend plaats; wat eens de eigenlijke standaard was der moraal wordt immoreel, wat eens zonder twijfel immoreel was, wordt moreel. Zulk een proces is bijna even verwarrend als twee duizend jaar geleden voor de Europeesche wereld de groote strijd tusschen de stad Rome en de Christelijke kerk was, toen het noodig werd te erkennen, dat, wat Marcus Aurelius, het groote voorbeeld van moraliteit getracht had uit te roeien, omdat het zonder twijfel immoreel [261] was, beschouwd begon te worden als de hoogste standaard der moraal. De klassieke wereld beschouwde liefde en medelijden en zelfopoffering als weinig beter dan zwakheid en soms als nog erger; de Christelijke wereld beschouwde ze niet alleen als moreele zaken, maar incarneerde ze in een God. Onze sexueele moraal heeft ook natuurlijke menschelijke emoties buiten beschouwing gelaten en is niet in staat om hen te begrijpen, die verklaren dat het vasthouden aan verkeerde traditioneele wetten, die tegenovergesteld zijn aan de levensbehoeften van menschelijke maatschappijen, niet moreel is, maar immoreel.
De reden waarom de geleidelijke evolutie van de moreele ideeën, die voortdurend in de sexueele sfeer plaats vindt, tenminste onder ons, een stadium begint te bereiken waarop er een tegenstelling schijnt te zijn tusschen verschillende standaards ligt in het feit, dat tot nog toe in het geheel geen specifiek sexueele moraal [262] bestond. Dat zal misschien eerst verwonderlijk toeschijnen aan ieder, die nadenkt over het ontzettende gewicht, dat gewoonlijk gehecht wordt aan "sexueele moraal". En het is ongetwijfeld waar, dat wij een moraal hebben, die wij toepassen op de sexueele sfeer. Maar die moraal is er een, die voornamelijk behoort tot de sfeer van den eigendom en ze heeft zich in zeer ruime mate ontwikkeld op een basis van bezit. Al de historici over moraal in het algemeen en van het huwelijk in het bijzonder, hebben dit feit op den voorgrond gesteld en het geïllustreerd met een massa historisch materiaal. Wij hebben tot nog toe geen algemeen erkende sexueele moraal, die op de specifieke sexueele feiten van het leven gebaseerd is. Dat wordt eerst recht duidelijk als wij ons het grondfeit voor oogen stellen, dat de sexueele verhouding gebaseerd is op liefde, op zijn allerminst op sexueel verlangen, en dat die basis zoo'n diepen grond heeft, dat ze zelfs physiologisch is, want als zulk sexueel verlangen niet bestaat, is het physiologisch onmogelijk voor een man omgang met een vrouw te hebben. Iedere specifieke sexueele moraal moet op dat feit gebaseerd zijn. Maar onze zoogenaamde "sexueele moraal", wel verre van op dat feit gebaseerd te zijn, tracht het geheel buiten beschouwing te laten. Het maakt contracten, het regelt sexueele verhoudingen van tevoren, het neemt op zich duurzaamheid van sexueele inclinaties te garandeeren. Dat is te zeggen, dat het overwegingen invoert van een soort, die volkomen gezond zijn in de economische sfeer, waartoe deze overwegingen rechtens behooren, maar die belachelijk weinig passen bij de sexueele sfeer, waarop ze plechtig worden toegepast. De economische verhoudingen van het leven in den ruimsten zin zijn, zooals we zullen zien, buitengemeen belangrijk in de evolutie van eene gezonde sexueele moraliteit, maar zij behooren tot de voorwaarden van zijn ontwikkeling en vormen niet zijn basis [263].
Het feit dat, uit het standpunt van de wet, het huwelijk oorspronkelijk een instelling is om de eigendomsrechten te verzekeren en de erfenisrechten, wordt geïllustreerd door de Engelsche echtscheidingswet van tegenwoordig. Volgens deze wet heeft een man, als zijn vrouw sexueelen omgang heeft met een anderen man dan haar echtgenoot, het recht echtscheiding aan te vragen; als echter de man omgang heeft met een andere vrouw dan de zijne, dan heeft zij geen recht op echtscheiding; dat kan alleen als hij bovendien wreed jegens haar geweest is, of haar verlaten heeft; uit een standpunt van ideëele moraal is zulk een wet in 't oog springend onbillijk; ze is dan ook in bijna alle beschaafde landen afgeschaft behalve in Engeland.
Maar van het standpunt van bezit en erfenis is ze zeer begrijpelijk en om die reden heeft ze nog den steun van de meerderheid der Engelschen. Als de vrouw omgang heeft met andere mannen, dan is er gevaar, dat het bezit van den man geërfd zal worden door een kind, dat het zijne niet is. Maar de sexueele omgang van den man met andere vrouwen wordt niet door zulk een gevaar gevolgd. De ontrouw van de vrouw is een ernstige beleediging van den eigendom; de ontrouw van den man is geen beleediging van den eigendom, en daarom kan ze met geen mogelijkheid beschouwd worden als een reden tot echtscheiding uit het wettelijk standpunt. Het feit, dat echtbreuk van den man gecompliceerd met wreedheid, zulk een reden is, is alleen maar een concessie aan het moderne gevoel. Toch heeft, zooals Helene Stöcker naar waarheid zegt ("Verschiedenheit im Liebesleben des Weibes und des Mannes", Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Dec., 1908) een getrouwd man, die een niet erkend kind heeft bij een vrouw buiten het huwelijk, een daad gedaan, die even ernstig tegenmaatschappelijk is als een getrouwde vrouw, die een kind heeft zonder te erkennen, dat haar man niet de vader is. In het eerste geval heeft de man, in het tweede geval de vrouw, een te groote verantwoordelijkheid gelegd op een ander persoon. (Hetzelfde punt is op den voorgrond gesteld door den schrijver van The Question of English Divorce, p. 56).
Ik leg hier den nadruk op het economisch element in onze sexueele moraal, omdat dat het element is, hetwelk er een soort van standvastigheid aan gegeven heeft en in de wet is vastgelegd. Maar als we onze sexueele moraal van een ruimer standpunt beschouwen, dan kunnen we wel niet anders of we zien het oude element van ascetisme, dat er godsdienstigen hartstocht en godsdienstige heiliging aan gegeven heeft. Onze sexueele moraal is dus in werkelijkheid een bastaard, geboren uit de vereeniging van eigendoms-moraal en primitieve ascetische moraal, die geen van beide in de ware verhouding staan tot de levensfeiten van het sexueele leven. Het is werkelijk het eigendoms-element, dat, met een paar inconsequenties tenslotte het hoofdelement geworden is van onze wet, maar het ascetische element heeft een belangrijke rol gespeeld bij het vormen van het populaire gevoel en bij het scheppen van een houding van afkeuring jegens sexueelen omgang per se, hoewel zulke omgang beschouwd wordt als een essentieel deel van de op eigendom gebaseerde en godsdienstig gesanctionneerde instelling van het wettig huwelijk.
De verheerlijking van de maagdelijkheid leidde in onmerkbare overgangen, tot het bestempelen van de "ontucht" als doodzonde, en ten slotte als een werkelijke wereldsche "misdaad". Er wordt soms gezegd, dat het niet voor het Concilie van Trente geweest is, dat de Kerk formeel allen in den ban deed, die meenden, dat de huwelijksstaat hooger was dan de maagdelijke staat, maar men had die meening min of meer vormelijk reeds vroeger geuit, bijna van de vroegste tijden van het Christendom af, en dat blijkt duidelijk uit de brieven van Paulus. Alle theologen zijn het er over eens, dat ontucht een doodzonde is. Caramuel, de beroemde Spaansche theoloog, die ongewone concessies deed aan de eischen van de rede en van de natuur, meende, dat ontucht alleen maar een kwaad is, omdat het verboden is, maar Innocentius XI verwierp deze clausule formeel. Ontucht als een doodzonde werd langzamerhand verwereldlijkt tot ontucht als een misdaad. Ontucht was in Frankrijk in de achttiende eeuw nog een misdaad, zooals Tarde bij zijn historische nasporingen van een crimineel proces in Périgord ontdekte; echtbreuk was ook een zonde en werd streng gestraft, volkomen onafhankelijk van eenige klacht van een van de beide partijen (Tarde, "Archéologie Criminelle en Périgord", Archives de l'Anthropologie Criminelle, Nov. 15, 1898).
De Puriteinen uit de dagen van Cromwell in Engeland (evenals de Puriteinen in Genève) volgden het voorbeeld der Katholieken en namen beleedigingen van de geestelijkheid tegen de kuischheid in de wereldsche wet op. Bij een acte van het Parlement, aangenomen in 1653, werd ontucht strafbaar gesteld met gevangenisstraf van drie maanden voor beide partijen. Bij dezelfde acte werd echtbreuk van de vrouw (van den man wordt niets gezegd) gemaakt tot misdaad, zoowel voor haar als voor haar deelgenoot in de schuld en daarom wordt ze strafbaar gesteld met den dood (Scobell, Acts and Ordinances, p. 121)
De werking van een valsche moraal, zooals onze sexueele moraal geweest is, is als die van een tweesnijdend zwaard. Aan den eenen kant voert ze tot een geheime en huichelachtige laksheid, aan den anderen kant ondersteunt ze een star en dood reglementenboek, waarvan maar zoo weinigen de voorschriften constant kunnen opvolgen, dat de theoretische moraal daardoor verlaagd wordt tot een min of meer ledigen vorm. "Het menschelijk ras zou veel winnen", zeide de wijze Senancour, "als de deugd niet zoo moeilijk gemaakt werd. De verdienste zou dan niet zoo groot zijn, maar wat is het nut van een hoogte van volkomenheid, waarop men zich maar zelden kan handhaven?" [264]. Tegenwoordig hebben wij, zooals Ellen Key, een latere moralist, het uitdrukt, alleen maar een immoraliteit, die de ondeugd begunstigt en de deugd niet te bereiken maakt; en zij roept dan ook met vergefelijke overdrijving uit, dat het prediken voor den jongen mensch van een gezondere moraal, zonder tevens de maatschappij te veroordeelen, die de overheerschende immoraliteit aanmoedigt, "erger is dan dwaasheid, dat het misdaad is".
In de richting, waarin Senancour een eeuw geleden en Ellen Key nu, groote pioniers zijn, bewegen de nieuwe vormen van de vooruitstrevende of ideale theoretische moraal zich voorwaarts, volgens de algemeene neiging in de moraal, van de traditioneele moraliteit en zelfs van de praktijk.
Er is een groote moderne beweging, die duidelijk aantoont, dat de sexueele moraal zich tegenwoordig beweegt naar een nieuw standpunt. Dit is de veranderende houding van de massa der gemeenschap zoowel jegens het burgerlijk huwelijk als jegens het godsdienstig huwelijk, en de aangroeiende neiging om staatsinmenging in sexueele verhoudingen af te keuren, onafhankelijk van de kinderproductie.
Er is ongetwijfeld onder de onderste lagen der bevolking van Europa altijd een neiging geweest sexueele verhoudingen aan te gaan zonder de officieele heiliging totdat zulke verhoudingen zich goed bevestigd hebben en totdat de hoop op een nageslacht gerechtvaardigd is. Deze neiging heeft zich gecristalliseerd in erkende gewoonten onder ontelbare landelijke gemeenschappen, die weinig last hebben van de storende invloeden van de buitenwereld of de beperkende invloeden van theologisch Christelijke begrippen. Maar in den tegenwoordigen tijd is deze neiging niet beperkt tot de meer primitieve en afgezonderde gemeenschappen van Europa, onder wie ze juist begint uit te sterven. Het is een ontwijfelbaar feit, zegt Professor Bruno Meyer, dat veel meer dan de helft van den sexueelen omgang nu plaats vindt buiten het huwelijk [265]. Vooral onder de intelligente klassen en in bloeiende en vooruitgaande gemeenschappen is deze beweging merkbaar. Wij zien door de geheele wereld het praktische gezond verstand van de menschen zich vormen in de richting, waarvan de ideëele moralisten de pioniers geweest zijn, die onveranderlijk voorafgaan aan den nieuwen groei van de praktische moraal.
De vrijwillig kinderlooze huwelijken van tegenwoordig hebben de mogelijkheid bewezen van zulke vereenigingen buiten het wettig huwelijk, en zulke vrije verbintenissen kunnen voor vooruitstrevende menschen het huwelijk vervangen [266]. De geleidelijke maar gestadige verhooging van den leeftijd voor het aangaan van een wettig huwelijk wijst ook in dezelfde richting, hoewel ze niet alleen wijst op een toename van vrije verbintenissen, maar op een toename van alle vormen van normale en abnormale sexualiteit buiten het huwelijk. Zoo waren in Engeland en Wales in 1906 maar 43 van de 1000 getrouwde mannen en 146 van de 1000 getrouwde vrouwen minderjarig, terwijl de gemiddelde leeftijd voor de mannen 28.6 jaar en voor de vrouwen 26.4 jaar was. Voor de mannen is de leeftijd zoowat acht maanden gestegen in de laatste veertig jaar, voor de vrouwen meer. In de groote steden, als Londen, waar de mogelijkheid voor buitenechtelijk verkeer grooter is, is de leeftijd voor het wettige huwelijk hooger dan op het land.
Als wij den leeftijd, waarop gemiddeld een wettig huwelijk gesloten wordt, moeten beschouwen als de leeftijd, waarop de bevolking in sexueele verbintenissen treedt, dan is die ongetwijfeld te laat. Beyer, een toonaangevend Duitsch neuroloog, vindt, dat er even ernstige bezwaren zijn tegen vroege als tegen late huwelijken, en komt tot de conclusie, dat in gematigde streken de beste leeftijd voor vrouwen om te trouwen is het een en twintigste jaar, en voor mannen het vijf en twintigste jaar.
Toch zijn, onder slechte economische omstandigheden en met een starre huwelijkswet vroege huwelijken in ieder opzicht verkeerd. Bij de armen zijn zij een teeken van groote armoede. De allerarmsten trouwen het eerst, omdat zij het gevoel hebben, dat hun toestand niet erger worden kan. (Dr. Michael Ryan heeft veel belangwekkend bewijsmateriaal verzameld over de oorzaken van het vroege huwelijk in Ierland in zijn Philosophy of Marriage, 1837, blz. 58-72). Onder de armen is een vroeg huwelijk dus altijd een ongeluk. "Vele goede menschen", zegt Mr. Thomas Holmes, secretaris van de Howard Association en zendeling bij de politiehoven (in een interview, Daily Chronicle, Sept. 8, 1909), "raden jongens en meisjes aan te trouwen om te voorkomen wat zij noemen "schande". Dit houd ik voor geheel verkeerd, en het leidt tot veel grootere verkeerdheden, dan die het met mogelijkheid kan afwenden".
Vroege huwelijken zijn een van de meest gewone oorzaken, zoowel voor de prostitutie als voor echtscheiding. Zij leiden in onnoemelijk veel gevallen tot prostitutie, zelfs als geen uiterlijke scheiding plaats vindt. Het feit, dat zij tot echtscheiding leiden, blijkt uit de veelbeteekenende omstandigheid, dat in Engeland, hoewel maar 146 van de 1000 vrouwen onder de een en twintig zijn bij haar huwelijk, toch van de vrouwen, die betrokken zijn in echtscheidingsprocessen er 280 van de 1000 onder de een en twintig waren bij haar huwelijk, en deze tegenspraak is zelfs nog grooter dan ze schijnt, want in de gegoede klassen, die zich alleen de luxe van een echtscheiding kunnen veroorloven, is de normale leeftijd bij het huwelijk veel hooger dan voor de bevolking in het algemeen. Onervarenheid, zooals lang geleden bewezen werd, door Milton (die deze les te zijnen koste geleerd had), leidt tot schipbreuk in het huwelijk. "Zij, die het wildst geleefd hebben", schreef hij, "blijken het meeste succes te hebben in hun huwelijk, omdat hun ongebonden genegenheden die ze naar believen konden eindigen, zoovele echtscheidingen geweest zijn, waardoor ze ondervinding hebben opgedaan".
Miss Clapperton raadt, wat de beschaafde standen betreft, zeer vroeg huwen aan, zelfs nog tijdens het studentenleven, dat dan tot zekere hoogte naast het huwelijksleven zou kunnen voortgezet worden (Scientific Meliorism, hoofdst. XVII). Ook Ellen Key raadt het vroege huwen aan. Maar zij voegt er wijselijk aan toe, dat zulks de noodzakelijkheid in zich sluit van gemakkelijk echtscheiden. Dat is werkelijk de eenige voorwaarde, waaronder vroeg huwen in het algemeen wenschelijk kan zijn. Jonge menschen--tenzij zij een zeer eenvoudige en rustige natuur hebben--kunnen nòch den loop van hun eigen ontwikkeling en hun sterkste behoeften voorspellen, nòch nauwkeurig den aard en de kwaliteit van een andere persoonlijkheid taxeeren. Een huwelijk, dat op zeer jeugdigen leeftijd gesloten is, houdt spoedig op in eenig opzicht behalve den naam een huwelijk te zijn. Soms vraagt een jong meisje om scheiding van haar echtgenoot op den dag na haar huwelijk.
De meer of minder duurzame vrije vereenigingen, die onder ons in Europa gevormd worden, moeten gewoonlijk niet anders beschouwd worden dan als proefhuwelijken. Dat is te zeggen, dat zij een voorzorg zijn, die wenschelijk gemaakt wordt door de onzekerheid, zoowel aangaande de harmonie als de vruchtbaarheid van een vereeniging, voordat de werkelijke proef is genomen, en door de onmogelijkheid in de praktijk om op andere wijze een vergissing goed te maken, ten gevolge van de verouderde starheid van de meeste Europeesche echtscheidingwetten. Zulke proefhuwelijken worden dus geëischt door de voorzichtigheid en de wijsheid en naarmate het vooruit zien in de toekomst met de ontwikkeling van de beschaving toeneemt, en voortdurend onder ons toeneemt, mogen we verwachten, dat er een evenredige ontwikkeling zal zijn in de veelvuldigheid van het proefhuwelijk en in de houding van de maatschappij jegens zulke vereenigingen. De eenige uitweg--die een radicale hervorming in de Europeesche huwelijkswetten even goedkoop en even gemakkelijk zal maken als de echtscheiding in een vrij huwelijk--kan nog niet verwacht worden, want de wet komt altijd achteraan bij de publieke opinie en het praktische levensgedrag.
Als wij de zaak echter uit een ruimer historisch standpunt beschouwen, dan zien we, dat we ons in tegenwoordigheid van een verschijnsel bevinden, dat, hoewel het door moderne omstandigheden begunstigd wordt, toch zeer oud is en ver verspreid en dat, wat Europa betreft, dateert uit den tijd, toen de kerk voor het eerst het kerkelijk huwelijk trachtte op te dringen, zoodat het feitelijk een voortzetting is van de oude Europeesche gewoonte van het privaathuwelijk.
Proefhuwelijken gaan door onmerkbare nuances over in de groep van gewoonten bij het hof maken, die, terwijl ze de jonge menschen toestaan den nacht te zamen door te brengen, in een positie van meerdere of mindere intimiteit, toch als regel, feitelijken sexueelen omgang uitsluiten. Nachtelijke vrijage bloeit onder de soliede, krachtig gebouwde bevolking van streken in Europa, die niet door aanraking met vreemden gedesorganiseerd zijn. Zij schijnt vooral veel voor te komen in Teutonische en Keltische landen, en is bekend onder verschillende namen, als Probenächte, fensterln, Kiltgang, hand-fasting, bundling, sitting-up, courting on the bed, etc. Zij is in Wales welbekend; zij wordt ook gevonden in verschillende Engelsche graafschappen b.v. in Cheshire; zij bestond in het Ierland van de achttiende eeuw (volgens de Travels van Richard Twiss) in Nieuw-Engeland was zij bekend als tarrying; in Holland bestaat zij ook. In Noorwegen, waar het nacht-loopen genoemd wordt, wegens den verren afstand tusschen de verschillende erven, moet zij nog algemeen bestaan, hoewel de geestelijken er tegen preeken; het meisje trekt verscheidene extra rokken aan en gaat daarmee naar bed, en de jonge man komt door het raam naar binnen en gaat bij haar in bed; zij praten den geheelen nacht door en zij behoeven niet te trouwen, tenzij het meisje zwanger wordt.
Rhys en Brynmor-Jones (Welsh People, blz. 582-4) geven een interessante mededeeling over deze nachtelijke vrijage met talrijke verwijzingen naar de literatuur. Wat Duitschland betreft, zie men b.v. Rudeck, Geschichte der öffentlichen Sittlichkeit, blz. 146-154. Wat het proefhuwelijk over het algemeen aangaat, worden veel feiten en verwijzingen gegeven door M. A. Potter (Sohrab und Rustem, blz. 129-137).
De gewoonte van vrije huwelijksverbintenissen, die gewoonlijk gewettigd worden vòor of nà de geboorte van kinderen, schijnt tamelijk veel voor te komen in vele, misschien wel in alle landelijke districten van Engeland. De vereeniging wordt gewettigd, als ze bevredigend blijkt te zijn, zelfs als er geen uitzicht is op kinderen. In sommige graafschappen moet het een bijna algemeene gewoonte zijn, dat vrouwen sexueele verhoudingen hebben vóor het wettig huwelijk; soms trouwt een vrouw met den eersten man, dien ze probeert; soms probeert ze verschillende mannen, eer ze den man vindt, die haar past. Zulke huwelijken vallen natuurlijk, over het geheel, beter uit dan huwelijken, waarin de vrouw, die niets weet van hetgeen haar te wachten staat en geen andere ondervinding ter vergelijking heeft, geneigd is zich teleurgesteld te voelen of te meenen, dat ze "het beter had kunnen treffen". Zelfs als wettige erkenning niet gezocht wordt voor nà de geboorte van kinderen, volgt daar nog in het geheel niet uit, dat er moreele corruptie aan verbonden is. Zoo in sommige deelen van Staffordshire, waar het algemeen voorkomt, dat de vrouwen een kind hebben vóor het huwelijk, zijn zij, niettegenstaande deze "corruptie", naar wij vernemen (Burton, City of the Saints, Appendix IV), "zeer goede buurvrouwen, uitstekende, hardwerkende en liefhebbende echtgenooten en moeders".
"De lagere maatschappelijke klassen, vooral de boeren", merkt Dr. Ehrhard op ("Auch ein Wort zur Ehereform", Geschlecht und Gesellschaft, jaargang I. afl. 10), "weten beter dan wij, dat het huwelijksbed de grondslag is van het huwelijk. Daarom hebben zij de primitieve gewoonte van het proefhuwelijk behouden, dat in de Middeleeuwen zelfs nog in de beste kringen in praktijk werd gebracht. Het heeft het verdere voordeel, dat het huwelijk niet gesloten wordt, voor het gebleken is vruchtbaar te zijn. Het proefhuwelijk toont natuurlijk aan, dat de maagdelijkheid niet geschat wordt op meer dan haar juiste waarde". Wat dit punt aangaat, mogen we vermelden, dat in vele deelen van de wereld, een vrouw hooger geschat wordt, als ze vóor haar huwelijk sexueelen omgang gehad heeft (zie b.v., Potter, op. cit., blz. 164 et seq.). Ofschoon maagdelijkheid een van de sexueele attracties is, die een vrouw kan bezitten, een attractie die gebaseerd is op een natuurlijk instinct, zoo kan toch een overdreven aandacht voor deze maagdelijkheid, niet anders beschouwd worden dan als een sexueele perversie, die verwant is aan paedophilia, de sexueele aantrekking tot kinderen.
In zeer kleine dicht bijeen liggende gemeenten vertoont de primitieve gewoonte van het proefhuwelijk neiging tot verval, als er een groote invasie plaats heeft van vreemdelingen, die niet opgevoed zijn in die gewoonte (welke voor hen geen verschil schijnt te vertoonen met de losbandigheid van de prostitutie), en die niet de verplichtingen op zich willen nemen, welke het proefhuwelijk oplegt. Dit gebeurde bij de zoogenaamde "eiland-gewoonte" van Portland, die tot in de negentiende eeuw bleef bestaan; volgens deze zede leefde een vrouw voor het huwelijk met haar minnaar, totdat ze zwanger was en trouwde dan met hem; zij was hem altijd strikt trouw, terwijl ze met hem leefde, maar als ze niet zwanger werd kon het paar overeenkomen, dat zij niet voor elkander bedoeld waren, en de betrekking afbreken. Het gevolg was, dat er jaren achtereen geen onwettige kinderen geboren werden, en weinig huwelijken kinderloos waren. Toen zich echter de Portland-cementhandel ontwikkelde, profiteerden de uit Londen geïmporteerde werklieden van de gewoonte van het eiland, maar ze weigerden hun verplichtingen na te komen als er zwangerschap volgde. Dientengevolge geraakte de gewoonte in onbruik (zie b.v. de noot van den vertaler bij Sexual Life of Our Time van Bloch p. 237, en de aanhalingen daar gegeven van Hutchins, History and Antiquities of Dorset, deel II, p. 820).
Maar niet alleen op het land, ook in de groote steden zijn huwelijken in den beginne vrije vereenigingen. Zoo constateerde in Parijs Després meer dan dertig jaar geleden, (La Prostitution à Paris, p. 137), dat in de meeste arrondissementen der stad negen van de tien wettige huwelijken de bevestiging zijn van een vrije verbintenis; hoewel, ofschoon dit het gemiddelde was, het er in een paar arrondissementen maar drie van de tien waren. Het is in Parijs tegenwoordig tamelijk wel hetzelfde; tenminste de helft van de huwelijken zijn, naar men zegt, van deze soort.
In Germaansche landen zijn vrije verbintenissen een zeer oude en vastgewortelde gewoonte. Zoo zegt Ellen Key, dat in Zweden de meerderheid van de bevolking op deze wijze hun getrouwde leven begint (Liebe und Ehe, p. 123). De regeling wordt weldadig bevonden, en "huwelijkstrouw is even groot als vrijheid voor het huwelijk ongebonden is". In Denemarken heeft de conceptie van veel kinderen ook plaats voordat de vereeniging van de ouders gewettigd is (Rubin en Westergaard, aangehaald door Gaedeken, Archives d'Anthropologie Criminelle, Feb. 15, 1909).
In Duitschland zijn onwettige huwelijken niet alleen zeer talrijk, in Berlijn is het aantal 17 percent, en in sommige steden nog veel grooter, maar conceptie voor het huwelijk heeft plaats in bijna de helft van de huwelijken, en soms in de meerderheid. Zoo heeft in Berlijn bij meer dan 40 percent van alle wettige eerstgeboren kinderen de conceptie plaats gehad vóor het huwelijk, terwijl in sommige landelijke provincies (waar het aantal onwettige geboorten lager is) het aantal huwelijken, dat volgt op conceptie voor het huwelijk, veel grooter is dan in Berlijn. De toestanden van het landelijk Duitschland zijn speciaal onderzocht door een commissie van Luthersche geestelijken en ze zijn eenige jaren geleden uiteengezet in twee deelen, Die geschlechtlich-sittlichen Verhältnisse im Deutschen Reiche, die vol zijn van inlichtingen omtrent de sexueele moraliteit in Duitschland. In Hannover, wordt in dit werk gezegd, zeggen de meeste autoriteiten, dat omgang vóor het huwelijk regel is. Op zijn minst wordt een probe, of proef, beschouwd als een vanzelfsprekend iets, dat het huwelijk voorafgaat, omdat niemand "een kat in den zak" wenscht te koopen. Ook in Saksen, zegt men, heeft een meisje bijna altijd omgang vóor het huwelijk, òf haar eerste kind wordt geboren of in ieder geval ontvangen buiten het huwelijk. Dit wordt beschouwd als een gewettigd probeeren van de bruid, voordat men haar voor goed neemt. "Men koopt nog geen pijp van een stuiver zonder ze te probeeren", vertelde men aan een Duitsch geestelijke. Rondom Stettin wordt in twaalf districten (bijna de helft van alle), sexueele omgang voor het huwelijk beschouwd als gewoonte, en in de andere, zoo het al niet bepaald de gewoonte is, komt het toch zeer veel voor, en wordt door de publieke opinie niet gestreng of zelfs in het geheel niet veroordeeld. In sommige districten volgt het huwelijk onmiddellijk op de zwangerschap. In de buurt van Dantzig komt, volgens het Luthersche comité, omgang vóor het huwelijk voor in meer dan de helft van de gevallen, maar er volgt niet altijd een huwelijk op de zwangerschap. Bijna al de meisjes, die gaan dienen, hebben minnaars, en menschen op het land zeggen soms aan hun dienstmeisjes, als zij ze huren, dat ze 's avonds en 's nachts mogen doen wat ze willen. Deze toestand schijnt gunstig te zijn voor de echtelijke trouw. Het Duitsche boerenmeisje, merkt een andere autoriteit op (E. H. Meyer, Deutsche Volkskunde, 1898, pp. 154, 164) heeft haar eigen kamer; zij mag haar minnaar ontvangen; het is geen schande als zij zich aan hem geeft. Het aantal vrouwen, dat het huwelijk als maagd ingaat is niet groot (dit heeft meer speciaal betrekking op Baden), maar de publieke opinie beschermt ze, en die opinie is niet gunstig aan het niet nakomen van de verantwoordelijkheden, die sexueele verhoudingen met zich brengen. De Duitsche vrouw is minder kuisch vóor het huwelijk dan haar Fransche of Italiaansche zuster. Maar, voegt Meyer er aan toe, zij is waarschijnlijk trouwer na het huwelijk dan deze.
Het wordt door velen aangenomen, dat deze staat van Duitsche moraliteit zooals hij tegenwoordig is, een nieuw verschijnsel is, en het teeken van een snelle nationale ontaarding. Dat is in het geheel niet het geval. In dit verband mogen we de bewijsgronden aannemen van Katholieke priesters, die door de ondervinding van den biechtstoel in staat zijn met gezag te spreken. Een oud priester uit Beieren schrijft het volgende (Geschlecht und Gesellschaft, 1907, Bd. II, Heft 1): "Op ethische congressen hooren we den lof verkondigen van "den goeden ouden tijd", toen trouw en zedelijkheid onder de bevolking heerschten. Of dat juist is, is een andere kwestie. Toen ik een jong priester was hoorde ik van even zoovele en even zoo ernstige zonden als nu ik een oud man ben. De zedelijkheid van de menschen is niet grooter en ook niet minder. De dwaling is het geloof, dat de immoraliteit uit de steden komt en het land vergiftigt. De menschen praten alsof het land zuiver een paradijs van onschuld was. Ik wil onze menschen van het land geenszins immoreel noemen, maar uit een ervaring van vele jaren kan ik zeggen, dat er in sexueele opzichten geen verschil is tusschen stad en land. Ik heb meer dan honderd verschillende gemeenten leeren kennen, en op de meest verschillende plaatsen, in de bergen en op de vlakte, op arm land en op rijk land. Maar overal vind ik dezelfde moraal en gebrek aan moraal. De menschen zijn overal hetzelfde, hoewel er op het land dikwijls beter Christenen zijn dan in de steden".
Als we echter veel verder teruggaan dan menschenheugenis, dan schijnt het zeer waarschijnlijk, dat de sexueele gewoonten van het Duitsche volk van den tegenwoordigen tijd niet in hun wezen verschillen--hoezeer ook nu en dan met de verandering van tijden en omstandigheden zich veranderingen mogen voorgedaan hebben--van wat zij waren bij het begin der Duitsche geschiedenis. Dit is de meening van een van de grondigste kenners van Indo-Germaansche oertoestanden. In zijn Reallexicon (art. "Keuschheit") wijst O. Schrader er op, dat de dikwijls aangehaalde Tacitus, strikt beschouwd, alleen kan dienen om te bewijzen, dat de vrouwen kuisch waren na het huwelijk, en dat er geen prostitutie bestond. Er kan geen twijfel aan bestaan, en, voegt hij er aan toe, het vroegste historische bewijsmateriaal wijst er op, dat vrouwen in het oude Duitschland niet kuisch waren vóor het huwelijk. Dit feit is verborgen gebleven door de neiging van de oude klassieke schrijvers om de Noordelijke volken te idealiseeren.
Zoo moeten we ons duidelijk voor oogen stellen, dat het begrip "Duitsche deugd" dat aan de wereld door een lange reeks van Duitsche schrijvers zoo bekend is geworden, in het geheel geen bijzondere graad van toewijding aan de deugd der kuischheid beteekent. Tacitus schijnt werkelijk op die plaats, die in Duitschland meer aangehaald wordt dan eenige andere plaats in de klassieke literatuur, terwijl hij met juistheid den nadruk legt op de late puberteit van de Duitschers en hun ruwe wijze van straffen van echtelijke ontrouw aan den kant van de vrouw, er op te doelen, dat zij ook kuisch waren. Maar we moeten altijd in herinnering houden, dat Tacitus schreef zoowel als sarcastisch moralist als historicus, en dat hij, als hij in vervoering raakte over de deugden van de Duitsche barbaren, een oog gevestigd had op de galerij met Romeinen, wier ondeugden hij wenschte te hekelen. Vrijwel dezelfde verwarring is geschapen door Gildas, die, waar hij de gevolgen beschreef van de overwinning der Saksen in Engeland, schreef als prediker zoowel als historicus, en dezelfde moreele opzet (zooals Dill gezegd heeft) maakt het beeld van Salvianus over de ondeugden van het Gallië van de vijfde eeuw onwaar [267].
De vrijheid en de verdraagzaamheid van de sexueele gewoonten onder de Russen is tamelijk welbekend. Zooals een Russisch correspondent mij schrijft, "het liberalisme van de Russische manieren stelt jonge mannen en jonge meisjes in staat volkomen onafhankelijkheid te genieten. Zij bezoeken elkaar alleen, zij wandelen samen alleen, en zij komen thuis zoo laat ze willen. Zij hebben een vrijheid van beweging zoo volkomen als van volwassen personen; sommigen maken er gebruik van om over politiek te praten en anderen om elkaar het hof te maken. Zij kunnen zich ook alle boeken verschaffen, die zij willen; zoo zag ik op de tafel van een meisjesstudentje, dat ik kende, de Elements of Social Science, dat toen in Rusland verboden was; dit meisje woonde bij haar tante, maar ze had haar eigen kamer, waar alleen haar vrienden mochten binnen komen; haar tante of andere familieleden kwamen er nooit. Natuurlijk ging zij uit en kwam zij weer thuis op de tijden, die zij zelf wilde. Vele andere vrouwelijke studenten genieten in haar families dezelfde vrijheid. Dit is nu geheel anders dan in Italië, waar meisjes geen vrijheid van bewegen hebben, en nòch alleen kunnen uitgaan, nòch heeren alleen kunnen ontvangen, en waar, geheel verschillend van Rusland, een meisje, dat sexueelen omgang gehad heeft buiten het huwelijk, werkelijk "verloren" en "onteerd" is" (vergelijk Sexual-Probleme, Aug., 1908, p. 506).
Het schijnt wel dat vrijheid van sexueele verhoudingen in Rusland--afgezonderd van den invloed van de oude gewoonte--in groote mate noodzakelijk gemaakt is door de moeilijkheid van het echtscheiden. Getrouwde paren, die zich geen echtscheiding konden verschaffen, gingen uiteen en vonden nieuwe deelgenooten zonder wettig huwelijk. In 1907 werd echter een poging gedaan om dit defect in de wet te herstellen; een liberale echtscheidingswet is ingevoerd, terwijl wederzijdsch goedvinden met scheiding voor den tijd van meer dan een jaar erkend wordt als een voldoende grond tot echtscheiden (Bijblad bij Geschlecht und Gesellschaft, Bd. II, Heft 5, p. 145).
In de laatste jaren heeft zich onder de ontwikkelde jonge mannen en vrouwen in Rusland een neiging ontwikkeld tot sexueele losbandigheid, die, hoewel ze ongetwijfeld ondersteund wordt door de oude tradities van sexueele vrijheid, geenszins verward moet worden met die vrijheid, omdat ze direct berust op oorzaken van een geheel verschillende orde. De ingespannen revolutionaire pogingen, die in de laatste jaren van de afgeloopen eeuw gedaan zijn om politieke vrijheid te verkrijgen, hebben het jongere en meer energieke deel van de ontwikkelde klassen in beslag genomen, hebben een groote mate van geestelijke spanning met zich mee gebracht en gingen vergezeld van een neiging tot ascetisme. Het vooruitzicht van den dood stond hun voortdurend voor oogen, en het zich inlaten met sexueele zaken zou gevoeld zijn als niet in harmonie met den revolutionairen geest. Maar in deze eeuw is er in ruimen kring een einde gekomen aan de revolutionaire werkzaamheid. Deze is in hooge mate vervangen door een belangstelling in sexueele kwesties en een toegeven aan sexueele ongebondenheid, die dikwijls een eenigszins losbandig en zinnelijk karakter aanneemt. Vereenigingen van "vrije liefde" zijn door de studenten van beide seksen gevormd tot het aankweeken van deze neigingen. Een roman van Artzibascheff, Ssanin, is van grooten invloed geweest op het verspreiden van deze neigingen. Het is niet waarschijnlijk, dat deze beweging, in haar meer buitensporige vormen, van langen duur zal zijn. (Voor een verslag hierover zie men bv. van Werner Daya, "Die Sexuelle Bewegung in Russland", Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Aug., 1908; ook "Les Associations Erotiques en Russe", Journal du Droit International Privé, Jan., 1909, waarvan een beknopt, doch volledig overzicht in de Revue des Idées, Febr., 1909).
De beweging voor de sexueele vrijheid in Rusland ligt echter veel dieper dan deze mode van sexueele losbandigheid; ze wordt gevonden in ver verwijderde en niet aan de mode onderhevige deelen van het land, en ze staat in verband met zeer oude gewoonten.
Het is interessant, dat bij zulke mannelijke, krachtige, tot schitterende praestaties bekwame volken, zooals de Duitschers en de Russen, zich zoo lang een sexueele vrijheid heeft staande gehouden, die men dikwijls ten onrechte als immoreel aangeduid heeft, want wat in harmonie is met de zeden van een volk, kan niet immoreel zijn. Het is misschien echter nog interessanter de ontwikkeling na te gaan van dezelfde neiging onder nieuwe bloeiende en in hooge mate vooruitgaande gemeenschappen, die de gewoonte van sexueele vrijheid niet geërfd hebben, of ze nu eerst weer zien herleven. We kunnen bv. het voorbeeld nemen van Australië en Nieuw-Zeeland. Het kan zijn, dat deze ontwikkeling niet van den jongsten datum is. De openlijkheid van de sexueele vrijheid in Australië, en de verdraagzaamheid waarmee ze beoordeeld werd, waren al dertig jaar geleden duidelijk merkbaar voor hen, die uit Engeland kwamen om in het Zuidelijk vasteland te leven, en waren ongetwijfeld al vroeger merkbaar. Ze schijnt echter toegenomen te zijn met het aangroeiend bewustzijn van een eigen beschaving. "Na zorgvuldig onderzoek", zegt H. Northcote, een geestelijke, die vele jaren in het zuidelijk halfrond gewoond heeft (Christianity and Sex Problems, Hoofdst. VIII), "vind ik voldoende bewijsgronden, dat in de laatste jaren verkeer buiten het huwelijk in sommige deelen van Australië bepaald aan het toenemen is". Coghlan, de voornaamste autoriteit in Australische statistieken constateert hetzelfde meer precies in zijn Childbirth in New South Wales, dat eenige jaren geleden uitkwam: "Het veel voorkomen van geboorten, waarvan de conceptie voor het huwelijk heeft plaats gehad--een zaak, die tot nu toe weinig is begrepen--is nu geheel onderzocht. In Nieuw Zuid-Wales waren in zes jaar 13.336 huwelijken, waarbij conceptie vóor het huwelijk voorkwam, en, daar het geheele aantal huwelijken 49.641 was, volgden minstens zeven van de honderd huwelijken na de conceptie. In dienzelfden tijd bedroeg het aantal onwettige geboorten 14.779; er waren dus 28.145 gevallen van conceptie bij ongetrouwde vrouwen; in 13.366 gevallen ging het huwelijk vooraf aan de geboorte van een kind, zoodat de kinderen gewettigd werden in meer dan zeven en veertig van de honderd gevallen. Een studie van de cijfers van geboorten bij conceptie vóor het huwelijk maakt het duidelijk, dat in een zeer groot aantal gevallen het verkeer vóor het huwelijk niet is een vooruit loopen op een huwelijk, dat reeds vastgesteld is, maar dat de huwelijken aan de partijen opgedrongen worden, en niet aangegaan zouden geworden zijn als het niet was geweest om den toestand van de vrouw" (vergelijk Powys, Biometrika, deel I, 1901-'02, p. 30). Dat een huwelijk, naar Coghlan het uitdrukt, "aan de partijen opgedrongen" zou worden is natuurlijk niet wenschelijk in het algemeen moreel belang, en het is ook een teeken van onvolkomen moreele verantwoordelijkheid bij de partijen zelf.
Het bestaan van zulk een toestand in een jong land, dat behoort tot een deel van de wereld, waar het algemeene niveau van welvaart, verstand, moraal en maatschappelijke verantwoordelijkheid waarschijnlijk wel hooger is dan in eenig ander land, bewoond door menschen van het blanke ras, is voor ons, die trachten de richting te voorspellen, waarin de beschaafde moraal zich voortbeweegt, een feit van de allergrootste beteekenis.
Er wordt soms gezegd, of ten minste te verstaan gegeven, dat in deze beweging de vrouwen alleen maar een lijdelijke rol spelen, en dat het initiatief ligt bij de mannen, die waarschijnlijk gedreven worden door de begeerte zich aan de verantwoordelijkheid van het huwelijk te onttrekken. Dit is in het geheel niet het geval.
Op de actieve rol, die Duitsche meisjes in sexueele zaken spelen is herhaaldelijk gewezen door de Luthersche dominées in hun breedvoerige en in bijzonderheden gaande verslagen. Van het district Dantzig wordt gezegd "de jonge meisjes geven zich aan de jonge mannen, of verleiden hen zelfs". De militaire manoeuvres zijn dikwijls een bron van onkuischheid in landelijke districten. "De fout ligt niet alleen bij de soldaten, maar vooral bij de meisjes, die half dol worden, als ze een soldaat zien", wordt vermeld van het district Dresden. En bij het samenvatten van de toestanden in Oostelijk Duitschland zegt het rapport: "In sexueele losbandigheid staan de meisjes niet achter bij de jonge mannen; zij laten zich maar al te gemakkelijk verleiden; zelfs volwassen meisjes gaan dikwijls met halfwas jongens, en meisjes geven zich dikwijls aan verscheiden mannen achtereen. Het is in het geheel niet altijd de jonge man, die de oorzaak is van de verleiding, het zijn zeer dikwijls de meisjes, die de jonge mannen verleiden tot sexueelen omgang; zij wachten niet altijd tot de mannen naar haar kamer komen, maar gaan naar de kamers van de mannen en wachten ze op in hun bed. Met deze neiging tot sexueelen omgang is het niet te verwonderen, dat vele menschen meenen, dat na haar zestiende jaar geen meisje meer maagd is. Onkuischheid is onder de arbeidende bevolking op het land zeer algemeen, en ze komt evenveel voor bij beide geslachten" (op. cit., deel I, p. 218).
Onder vrouwen van de ontwikkelde klassen zijn de toestanden eenigszins anders. De remmen zijn hier innerlijk zoowel als uiterlijk veel sterker. De jonkvrouwelijkheid wordt, ten minste wat het physieke aangaat, meestal bewaard tot lang na den meisjesleeftijd, en als ze verloren is gegaan, wordt dat verlies verborgen met een nauwgezette zorg en voorzichtigheid, die niet bekend zijn onder de werkmansbevolking. Toch blijven de grondneigingen dezelfde. Wat Engeland betreft, schrijft Geoffrey Mortimer geheel naar waarheid (Chapters on Human Love, 1898, p. 117), dat de twee groepen van vrouwen, die in voortdurende geheime verstandhouding leven met een enkelen minnaar, en van vrouwen, die zich onbevreesd aan mannen geven uit de kracht van haar hartstochten, "veel grooter zijn, dan algemeen geloofd wordt. In alle klassen van de maatschappij zijn er vrouwen, die alleen in naam jonkvrouwelijk zijn. Velen hebben kinderen gehad zonder dat iemand ze zelfs van gemeenschap met een man zou durven verdenken; maar de meesten nemen middelen in acht om de conceptie te voorkomen. Een dokter in een kleine provinciestad vertelde mij, dat zulke onregelmatige verbintenissen in zijn district regel waren en geenszins uitzondering". Wat Duitschland betreft zegt Frau Adams-Lehmann, een vrouwelijke dokter, in een werk over de handelingen van de Duitsche maatschappij tot het bestrijden van venerische ziekten (Sexualpädagogik, p. 271): "Ik kan zeggen, dat ik op mijn spreekuur zeer weinig jonkvrouwen van boven de dertig zie. Deze vrouwen", voegt zij er aan toe, "zijn verstandig, moedig en natuurlijk, dikwijls de besten van haar sekse; en wij moesten haar onzen moreelen steun geven. Zij bereiden den weg voor een nieuwe eeuw".
Er wordt dikwijls gezegd, dat de uitgesproken neiging, die men tegenwoordig waarneemt om zoolang mogelijk zich te behelpen zonder de formeele ceremonie van het bindende huwelijk ongelukkig is, omdat ze de vrouwen in een onvoordeelige positie plaatst. In zooverre de maatschappelijke omgeving, waarin zij leeft, sexueele verhoudingen zonder vormelijk huwelijk met afkeuring beschouwt, is het gezegde klaarblijkelijk waar, hoewel men aan den anderen kant moet opmerken, dat als de maatschappelijke omgeving het wettige huwelijk ernstig begunstigt, ze werkt als een drijfkracht in de richting van het wettigen van vrije verbintenissen. Maar als de afwezigheid van den formeelen huwelijksband in sexueele verhoudingen een werkelijk en echt nadeel was voor vrouwen dan zouden ze zich niet steeds meer gereed toonen er afstand van te doen. En zij, die nauwkeurig bekend zijn met de feiten, verklaren dat de afwezigheid van een formeel huwelijk dikwijls meerdere égards voor de vrouwen geeft en dat ze zelfs gunstig is aan de trouw en den duur van de vereeniging. Dit schijnt waar te zijn voor menschen van de meest verschillende maatschappelijke klassen en zelfs voor verschillende rassen. Het is waarschijnlijk gebaseerd op fundamenteele psychologische feiten, want het gevoel van dwang pleegt altijd een toestand van verbittering en opstand te voorschijn te roepen. Wij hebben op deze plaats niet te onderzoeken in hoeverre het formeele huwelijk gebaseerd is op natuurlijke feiten; dat is een kwestie, die wij in een later stadium zullen bespreken.
Dat vrije verbintenissen voor vrouwen de voorkeur verdienen boven dwanghuwelijken, blijkt wel uit het geval van de arbeidende klassen van Londen, onder wie sexueele verhoudingen vóór het huwelijk niet ongewoon zijn, en met toegevendheid beschouwd worden. Dat wordt, bij voorbeeld, duidelijk te kennen gegeven in het groote werk van C. Booth, Life and Labour of the People. "Het wordt zelfs gezegd van ruwe arbeiders", lezen wij bij voorbeeld in het laatste deel van dit werk (p. 41), "dat zij zich het best gedragen, als ze niet getrouwd zijn met de vrouw, met wie ze leven". Het bewijs op dit punt maakt dikwijls te meer indruk, omdat het geleverd wordt door menschen, die er werkelijk zeer ver vandaan zijn, er algemeene conclusies op te willen baseeren. Zoo wordt in hetzelfde boek een geestelijke aangehaald, die zegt: "Deze menschen spelen het klaar tamelijk vreedzaam samen te leven zoo lang zij niet getrouwd zijn, maar als ze trouwen, schijnt dit altijd aanleiding te geven tot oneenigheid".
We kunnen zeggen, dat wij in zulk een geval niet zoozeer de werking zien van een natuurlijke wet als de invloeden van een groot beschavingscentrum, dat zijn invloed zelfs uitoefent op hen, die buiten de wettig erkende instelling van het huwelijk staan. Maar wij vinden geheel dezelfde neiging in Jamaica, waar de bevolking veelal uit kleurlingen bestaat, en waar men nauwelijks kan zeggen, dat de druk van een hooge beschaving heerscht. Het wettig huwelijk wordt hier in nog grootere mate vermeden dan in Londen; er wordt b.v. weinig zorg besteed aan het wettigen van de kinderen door het huwelijk. Er werd bevonden door een commissie, aangesteld om onderzoek te doen naar de huwelijkswetten in Jamaica, dat drie van iedere vijf geboorten onwettig zijn, dat is te zeggen, dat formeele onwettigheid opgehouden heeft immoreel te zijn, omdat het de erkende gewoonte geworden is van de meerderheid van de bewoners. Er is geen maatschappelijk gevoel tegen onwettigheid. De mannen keuren het verval van het wettig huwelijk goed, omdat zij zeggen, dat de vrouwen beter in huis werken, als zij niet getrouwd zijn; de vrouwen keuren het goed, omdat zij zeggen, dat mannen trouwer zijn, als ze niet gebonden zijn door een wettig huwelijk. W. P. Livingstone heeft dat in zijn belangwekkend boek, Black Jamaica (1899) voortreffelijk blootgelegd. De menschen erkennen, vertelt hij ons (p. 210), dat "trouw samenleven huwelijk beteekent", zij zeggen, dat zij "getrouwd zijn, maar niet door den dominee". Een reden tegen het wettige huwelijk is, dat zij niet geneigd zijn de kosten te dragen van de officieele sanctie. (In Venezuela, mogen we er aan toevoegen, waar ook de meerderheid der geboorten plaats vindt buiten het officieele huwelijk, zegt men, dat de voornaamste reden niet is moreele laksheid, maar dezelfde tegenzin om de kosten van de officieele sanctie te dragen). Dikwijls laten de paren zich later, soms als zij volwassen zoons en dochters hebben, wettig trouwen. (Ook in Abyssinië, zooals Hugues Le Roux zegt, waar de menschen Christenen zijn en het huwelijk onverbreekbaar en de ceremonie kostbaar is, is het gewoonte, dat getrouwde menschen hun vereeniging niet wettigen, voordat zij oud beginnen te worden, Sexual-Probleme, April, 1908, p. 217). Het is van beteekenis, dat deze stand van zaken in Jamaica, evenals elders, samengaat met de superioriteit van de vrouwen. "De vrouwen van de boerenklasse", merkt Livingstone op (p. 212), "zijn nog feitelijk onafhankelijk van de mannen en zijn meermalen hun meerderen, zoowel lichamelijk als geestelijk." Zij weigeren zich te verbinden aan een man, die mogelijk nergens voor zal deugen, die een last kan worden in plaats van een hulp en een beschermer. Zoo lang de vereenigingen vrij zijn, is er kans op, dat ze duurzaam zijn. Als ze wettig gemaakt worden, bestaat er gevaar dat ze ondragelijk worden en eindigen zullen, doordat een van de partijen de andere verlaat. "De noodzakelijkheid van wederzijdsche vriendelijkheid en verdraagzaamheid biedt den besten waarborg voor duurzaamheid" (p. 214). Er wordt echter gezegd, dat onder den invloed van godsdienstigen en maatschappelijken druk de menschen meer geneigd worden om "fatsoenlijke denkbeelden" aan te nemen over sexueele verhoudingen, hoewel het schijnt, dat naar het gezegde van Livingstone, zulke fatsoenlijkheid veelal een afname van werkelijke moraliteit in zich sluit. Livingstone wijst echter op een ernstig gebrek in de tegenwoordige toestanden, waardoor het immoreele mannen gemakkelijk gemaakt wordt aan de verantwoordelijkheid als vader te ontsnappen, en dat is de afwezigheid van een wettelijken dwang tot het inschrijven van den naam van den vader op de geboortebewijzen (p. 256). In ieder land, waar de meerderheid der geboorten onwettig is, is het een maatschappelijke behoefte, dat de namen van beide ouders behoorlijk op alle geboortebewijzen ingevuld worden. Het is een onvergeeflijke fout geweest van het gouvernement van Jamaica, dat het de eenvoudige maatregel verwaarloosde van aan "ieder kind, dat in het land geboren werd, een wettigen vader" te geven (blz. 258).
Wij zien dus, dat we tegenwoordig een positie bereikt hebben, waarin--gedeeltelijk ten gevolge van economische oorzaken en gedeeltelijk ten gevolge van oorzaken, die dieper wortelen in de neigingen, die de beschaving met zich brengt--vrouwen meer dan vroeger los worden van wettige sexueele betrekkingen tot mannen en dat beide seksen minder geneigd zijn dan in vroegere stadiën van de beschaving om hun onafhankelijkheid te offeren, als zij zulke betrekkingen aangaan. "Ik heb nog nooit van een vrouw boven de zestien jaar gehoord, die, voordat de oorspronkelijke gewoonten in verval waren gekomen na de komst van de blanken, niet een man gehad had", schreef Curr van de Australische zwarten [268]. Zelfs wat sommige deelen van Europa betreft, kan men nu nog bijna hetzelfde zeggen. Maar in al de rijkere, meer energieke en vooruitstrevende landen heerschen geheel verschillende toestanden. Het huwelijk vindt laat plaats en een zeker aantal mannen, en een nog grooter aantal vrouwen (die de mannen in de algemeene bevolking overtreffen), trouwen nooit [269].
Eer wij ingaan op de noodlottige beteekenis van dit feit van het aangroeiend aantal volwassen ongetrouwde vrouwen, wier sexueele betrekkingen niet erkend worden door den Staat en die in ruimen kring in het geheel niet erkend worden, kan het goed zijn een kort overzicht te geven van de twee groote historische stroomingen, die beide nog onder ons werken, die invloed hebben op de plaats van de vrouwen, de eene, die de maatschappelijke gelijkheid van de vrouwen begunstigt en de andere, die de maatschappelijke onderwerping van de vrouwen begunstigt. Het is niet moeilijk deze beide stroomingen na te gaan zoowel in toestanden als in beschouwingen, in de praktische en in de theoretische moraal.
Op zekeren tijd werd de theorie wijd verspreid, dat in de eerste stadiën van de maatschappij vóór het bestaan van het patriarchale tijdperk, dat de vrouwen plaatste onder de bescherming van den man, er een matriarchaal tijdperk geweest is, waarin de vrouwen de hoogste macht bezaten [270]. Bachofen was, een halve eeuw geleden, de groote kampioen voor dit gezichtspunt. Hij vond een typisch voorbeeld van een matriarchalen staat onder de oude Lyciërs in Klein-Azië, bij wie, volgens Herodotus, het kind den naam krijgt van de moeder, en haar stand volgt, niet dien van den vader [271]. Die volken waren, naar Bachofen meent, gynaecocratisch; de macht was in handen van de vrouwen. Het kan niet gezegd worden, dat deze opinie, in den vorm waarin Bachofen die had, nog eenigen belangrijken aanhang heeft. Wat de wijd-verspreide overheersching aangaat van de moederafstamming, er is niet den minsten twijfel aan, dat die in zeer ruimen kring overheerscht heeft. Maar zoo'n afstamming door de moeder, heeft men erkend, sluit in het geheel niet noodzakelijk in zich de macht van de moeder, en moeder-afstamming kan zelfs samengaan met een patriarchaal systeem [272]. Er is zelfs een neiging geweest naar het tegenovergestelde uiterste van Bachofen over te slaan en te ontkennen, dat de moederafstamming eenigen specialen eisch van égards voor vrouwen met zich bracht. Dat schijnt echter ternauwernood in overeenstemming met het bewijsmateriaal, en kon zelfs bij afwezigheid van bewijsmateriaal nauwelijks als waarschijnlijk beschouwd worden. Het schijnt wel, dat we als type van de matriarchale familie die kunnen nemen, welke gebaseerd is op het ambil anak huwelijk van Sumatra, waarin de man leeft in de familie van de vrouw, niets betaalt en een ondergeschikte positie inneemt. Het voorbeeld van de Lyciërs is hier van belang, want, zooals Herodotus vermeldt, hoewel er niets is dat aantoont, dat er iets van den aard van een gynaecocratie in Lycië was, weten wij, dat de vrouwen in al deze streken van Klein-Azië zeer geacht waren en veel invloed hadden, waarvan de sporen ontdekt kunnen worden in de oudste literatuur en geschiedenis van het Christendom. Een beslissend en beter bekend voorbeeld van den gunstigen invloed van de moederafstamming op de positie van de vrouw wordt geleverd door het beena huwelijk van het oude Arabië. Onder zulk een systeem is de vrouw niet ontheven van de onderwerping, die in den koop besloten is, en die altijd een schaduw op haar werpt van de inferieuriteit behoorende bij den eigendom, maar zij zelf is eigenares van de tent en van de bezittingen van het huishouden, en zij geniet de waardigheid, die altijd samengaat met het bezit van eigendom en de macht zich van haar echtgenoot te bevrijden [273].
Ook is het onmogelijk te vermijden, dat men de primitieve neiging tot moeder-afstamming en den nadruk, die er gelegd wordt op het feit dat de moeder meer aandeel aan de voortplanting heeft dan de vader, in verband brengt met de neiging om in de primitieve godenwereld de godin eerder dan den god op den voorgrond te plaatsen, een neiging, die onmogelijk nalaten kan eer te geven aan de sekse, waartoe de voornaamste godheid behoort, en die de groote rol verklaart, welke vrouwen vroeger dikwijls speelden in de godsdienstige handelingen. Zoo namen de vrouwen vroeger, volgens tradities die onder de stammen van Midden-Australië nog voortleven, een zeer groot aandeel in de uitvoering van de heilige ceremoniën, die nu beschouwd worden als uitsluitend te vallen binnen het terrein der mannen, en bij een der stammen, die de oude gewoonten schijnt in stand te houden, nemen de vrouwen nog heden feitelijk deel aan deze ceremoniën [274]. In Europa schijnt de toestand vrijwel dezelfde geweest te zijn. Wij merken ook, zoowel in de Keltische godenwereld als onder de volken aan de Middellandsche zee op, dat, terwijl de oude goden op den achtergrond geraakt zijn, de godinnen nog uit de duisternis te voorschijn komen, grooter dan de goden [275]. In Ierland, waar aan oude gewoonten en tradities altijd zeer taai vastgehouden is, hebben de vrouwen een zeer hooge positie behouden en veel vrijheid, zoowel vòor als nà het huwelijk. "Iedere vrouw", zeide men, "is vrij te gaan waar zij wil", en na het huwelijk had ze een betere positie en grootere vrijheid tot echtscheiden dan verleend werd hetzij door de Christelijke Kerk of door de Engelsche gewone wet [276]. Het is minder moeilijk te erkennen, dat speciaal de moederafstamming gunstig was aan den hoogen staat van vrouwen, als wij ons voor oogen stellen, dat zelfs onder ongunstige omstandigheden vrouwen in staat zijn geweest een grooten druk uit te oefenen op de mannen en met succes de pogingen weerstonden, die ten doel hadden haar te tyranniseeren [277].
Als we de positie van de vrouw in de groote rijken van de oudheid beschouwen, dan vinden we over het geheel, dat, in hun eerste stadium, het stadium van groei, zoowel als in hun laatste stadium, het stadium van vruchtdragen, de vrouwen over 't algemeen een gunstige positie innemen, terwijl in hun middelste stadium, gewoonlijk het stadium van overheerschende militaire organisatie op een patriarchale basis, de vrouwen er minder gunstig aan toe zijn. Deze kringloop schijnt bijna een natuurlijke wet te zijn van de ontwikkeling van maatschappelijke groepen. Ze was al zeer duidelijk in den standvastigen en ordelijken groei van Babylonië. In de vroegste tijden had een Babylonische vrouw volkomen onafhankelijkheid en gelijke rechten met haar broeders en haar echtgenoot; later (zooals blijkt uit de wet van Hamurabi) waren de rechten van de vrouw meer omschreven, niet haar plichten; in een nog later stadium in de nieuw Babylonische tijden verkreeg ze weer gelijke rechten met haar echtgenoot [278].
In Egypte was de positie der vrouwen het hoogst, maar ze schijnt wel de geheele Egyptische geschiedenis door hoog te zijn geweest, en voortdurend verbeterd te zijn, terwijl het feit, dat er weinig waarde werd gehecht aan kuischheid vóor het huwelijk en dat huwelijkscontracten geen nadruk legden op de jonkvrouwelijkheid schijnt te wijzen op de afwezigheid van de opvatting van vrouwen als bezit. Meer dan drie duizend jaar geleden erkende men mannen en vrouwen als gelijken in Egypte. De hooge positie van de vrouw in Egypte blijkt duidelijk uit het feit, dat haar kind nooit onwettig was; onwettigheid werd niet erkend, zelfs niet in het geval van het kind van een slavin [279]. "Het is de glorie van de Egyptische moraal", zegt Amélineau, "dat ze het eerst de waardigheid der vrouw tot uitdrukking gebracht heeft" [280]. Het denkbeeld huwelijksautoriteit was ten eenen male onbekend in Egypte. Er kan geen twijfel aan zijn, of de hooge positie der vrouw onder twee beschavingen, zoo stabiel, zoo levenskrachtig, zoo lang levend, en zoo van invloed op de menschelijke beschaving als die van Babylonië en Egypte, is een feit van groote beteekenis.
Onder de Joden schijnt er geen tusschenstadium geweest te zijn van onderwerping van de vrouwen, maar in plaats daarvan doorloopend een geleidelijke vooruitgang van volkomen onderwerping van de vrouw als echtgenoote tot steeds grootere vrijheid. In het eerst kon de man zijn vrouw zonder oorzaak verstooten naar zijn wil. (Dit was niet een uitbreiding van het patriarchale gezag, maar een zuivere huwelijksautoriteit). De beperkingen van deze autoriteit namen geleidelijk toe en beginnen merkbaar te worden reeds in het Boek van Deuteronomium. De Mishnah ging verder en verbood echtscheiding altijd wanneer de toestand van de vrouw medelijden inboezemde (zooals bij krankzinnigheid, gevangenschap, enz.). Omstreeks 1025 v. C. was echtscheiding niet langer mogelijk, behalve om wettige redenen of met goedvinden van de vrouw. Terzelfder tijd begon de vrouw het recht van echtscheiding te verkrijgen in dezen vorm, dat zij den man kon dwingen haar te verstooten op straffe van boete in geval van weigering. Nà de echtscheiding werd de vrouw een onafhankelijke vrouw met haar eigen rechten, en mocht zij de huwelijksgift, die de man haar bij het huwelijk gegeven had, meenemen. Zoo gaf de buigzame rechtspraak van de Rabbi's niettegenstaande het Joodsche respect voor de letter van de wet, in harmonie met den groei van de beschaving een steeds aangroeiende mate van sexueele rechtvaardigheid en gelijkheid aan de vrouwen.
Onder de Arabieren is de neiging tot vooruitgang ook in vele opzichten gunstig geweest aan de vrouwen, vooral wat erfenissen aangaat. De wetgeving van den Koran wijzigde dezen regel, zonder hem geheel af te schaffen, en plaatste de vrouwen in een veel betere positie. Dit wordt grootendeels toegeschreven aan het feit, dat Mohammed behoorde niet tot Medina, maar tot Mecca, waar nog sporen van matriarchale gewoonten bestonden (W. Marçais, Des Parents et des Alliés Successibles en Droit Musulman).
Er mag wel op gewezen worden--want het is niet altijd erkend--dat zelfs dat stadium van beschaving, dat de ondergeschiktheid en de onderwerping van de vrouw en haar rechten in zich sluit, in werkelijkheid zijn oorsprong heeft in de behoefte aan bescherming van de vrouwen, en dat het zelfs soms een teeken is van het verkrijgen van nieuwe voorrechten door vrouwen. Zij worden als het ware, opgesloten, niet om haar van haar rechten te berooven, maar om die rechten te beschermen. In het latere, meer stabiele stadium van de beschaving, als de vrouwen niet meer blootgesteld zijn aan dezelfde gevaren, wordt dit motief vergeten en de bewaking van de vrouwen en haar rechten schijnt, en is ook inderdaad geworden, een druk, eerder dan een voordeel.
Van den staat van de vrouwen in Rome in de vroegste tijden, weten we weinig of niets; het patriarchale systeem stond reeds op stevigen grondslag, toen de Romeinsche geschiedenis vaste vormen begon te krijgen en het sloot gewoonlijk buitengewoon strenge ondergeschiktheid van de vrouw aan haar vader eerst en dan aan haar echtgenoot in zich. Maar niets is zekerder, dan dat de positie van de vrouwen in Rome beter werd, met het vooruitgaan van de beschaving, precies op dezelfde wijze als in Babylonië en Egypte. In Rome echter waren het de aangroeiende verfijning van de beschaving en de uitbreiding van het Rijk, verbonden met de prachtige ontwikkeling van het systeem van de Romeinsche wet, die de positie van de vrouwen bepaalden. In de laatste dagen van de Republiek begonnen de vrouwen reeds hetzelfde niveau te bereiken van de mannen, en later aanvaardden de groote rechtsbesluiten van Antonius, geleid door hun theorie van de wet der natuur, de opvatting van de gelijkheid der seksen als een principe van het wetboek der rechtvaardigheid. De ondergeschiktheid van de vrouw aan haar vader kwam geheel in discrediet, en dit ging door totdat, in de dagen van Justinianus, onder den invloed van het Christendom, de positie der vrouwen minder goed begon te worden [281]. In de beste dagen maakten de oudere vormen van het Romeinsche huwelijk plaats voor een vorm (blijkbaar oud, maar tot dusverre niet beschouwd als eervol) die in de wet neerkwam op een tijdelijk toevertrouwen van de vrouw door haar familie aan den man. Zij was onafhankelijk van haar echtgenoot (meer speciaal daar ze tot hem kwam met haar bruidsschat) en alleen in naam afhankelijk van haar familie. Het huwelijk was een persoonlijk contract, desgewenscht vergezeld van een godsdienstige ceremonie, en daar het een contract was, kon het, om iedere reden ontbonden worden, in tegenwoordigheid van bevoegde getuigen en met gepaste wettelijke vormen, nadat het oordeel ingewonnen was van den familieraad. Toestemming was het hoofdpunt van zulk een huwelijk en daarom werd er geen schande gehecht aan de ontbinding ervan. Het had ook geen slechten invloed op het geluk of de zede van de Romeinsche vrouwen [282]. Zulk een systeem is ongetwijfeld meer in harmonie met het moderne beschaafde gevoel dan eenig systeem, dat ooit tijdens het Christendom bestaan heeft.
Ook in Rome was het wel duidelijk, dat dit systeem niet slechts een uitvinding der wet was, maar het natuurlijke gevolg van een verlicht gevoel, dat gunstig was aan de gelijkheid van mannen en vrouwen, dikwijls zelfs op het gebied van de sexueele moraal. Plautus, die den ouden slaaf Syra laat vragen, waarom er in dit opzicht [283] niet dezelfde wet is voor den man en de vrouw, was maar een voorganger van den wetgever Ulpianus, die schreef: "Het schijnt wel zeer onbillijk, dat een man kuischheid van zijn vrouw eischt, terwijl hij er zelf geen voorbeeld van geeft" [284]. Zulke eischen liggen dieper dan maatschappelijke wetgeving, maar het feit, dat deze vragen zich voordeden aan de typische Romeinsche mannen geeft blijk van de algemeene houding jegens de vrouwen. In het laatste stadium van de Romeinsche maatschappij slonk de band van het patriarchale systeem voor zoover de vrouwen aanging tot een enkelen draad, die haar bond aan haar vader en haar volkomen vrij liet tegenover haar echtgenoot. "De Romeinsche matrone van het Keizerrijk", zegt Hobhouse, "was meer volkomen haar eigen meesteres dan de getrouwde vrouw van welke vroegere beschaving ook, mogelijk met uitzondering van een zekere periode in de Egyptische geschiedenis, en, moet er aan toegevoegd worden, dan de vrouw van welke latere beschaving ook, tot op onze eigene generatie toe" [285].
Op grond van de gezegden van twee satyrische schrijvers, Juvenalis en Tacitus, hebben vele menschen verondersteld, dat de Romeinsche vrouwen van den lateren tijd overgegeven waren aan losbandigheid. Het is echter vruchteloos bij satirici te zoeken naar eenig juist beeld van een groote beschaving. Hobhouse (loc. cit., p. 216) komt tot het besluit, dat de Romeinsche vrouwen over het geheel waardig de plaats innamen als gezellinnen van haar mannen, hun raadgeefsters en vriendinnen, de plaats, die ze ook ingenomen hadden toen een streng systeem haar wettelijk in hun macht stelde. De meeste autoriteiten schijnen tegenwoordig van deze opinie te zijn, hoewel Friedländer zich vroeger meer twijfelachtig uitdrukte. Zoo zegt Dill in zijn oordeelkundig Roman Society (p. 163), dat de positie van de Romeinsche vrouw, zoowel wettelijk als feitelijk, onder het Keizerrijk beter werd; zonder dat ze minder deugdzaam of minder geëerbiedigd werd, werd ze ontwikkelder en meer aantrekkelijk; met minder beperkingen had zij grootere bekoringen en grooteren invloed, zelfs in publieke zaken, en was ze meer en meer de gelijke van haar echtgenoot. "In de laatste eeuw van het Westersch Keizerrijk kwam er geen afwijking in de positie en den invloed van de vrouwen". Ook Donaldson schrijft in zijn merkwaardige schets, Woman (p. 113), dat er geen achteruitgang in zeden was in het Romeinsche Keizerrijk; "de losbandigheid van het heidensche Rome is niets vergeleken bij de losbandigheid van Christelijk Afrika, Rome en Gallië, als we eenig geloof kunnen hechten aan de beschrijving van Salvianus". De beschrijving van Salvianus van het Christendom is waarschijnlijk overdreven en eenzijdig, maar precies hetzelfde kan gezegd worden in zelfs nog hoogere mate van de beschrijvingen van het oude Rome, die nagelaten zijn door knappe heidensche satirici en ascetische Christelijke predikers.
Het wordt dus noodig aanmerkelijk meer dan twee duizend jaar over te springen, vóor we komen aan een stadium van beschaving, dat eenigermate de hoogte nadert van het laatste stadium van de Romeinsche maatschappij. In de achttiende en de negentiende eeuw vinden we, het eerst in Frankrijk, dan in Engeland, nog eens een moreele en wettelijke beweging, die streeft naar de gelijkmaking van vrouwen met mannen. Wij vinden ook een lange serie pioniers van die beweging, die aan de ontwikkeling ervan voorafgaan: Mary Astor, "Sophia, a Lady of Quality", Ségur, Mrs. Wheeler, en niet te vergeten Mary Wollstonecraft in A Vindication of the Rights of Woman, en John Stuart Mill in The Subjection of Women [286].
De groote Europeesche stroom van invloeden in deze zaak heeft, sedert historische tijden, daar kunnen we nauwelijks aan twijfelen als we het samenstel der verschijnselen ervan in aanmerking nemen, het onderhouden van een ongelijkheid ten nadeele van de vrouwen met zich gebracht. De mooie nalatenschap van de Romeinsche Wet aan Europa was wel gunstig voor de vrouwen, maar die nalatenschap raakte verspreid en voor het grootste deel verloren in den overheerschenden invloed van de Germaansche gewoonte te zamen met de krachtig georganiseerde Christelijke kerk. Niettegenstaande niet alle feiten in dezelfde richting wijzen, en er dientengevolge eenig verschil van meening is, schijnt het toch wel te zijn, dat over het geheel zoowel de Germaansche gewoonte als de Christelijke godsdienst niet gunstig waren voor de gelijkheid van vrouwen met mannen. De Germaansche gewoonte in deze zaak werd bepaald door twee beslissende factoren: (1) het bestaan van het koophuwelijk, dat, zooals Crawly heeft aangetoond, geenszins noodzakelijk de verlaging van de vrouwen in zich sluit, heeft zeker neiging haar in een inferieure positie te plaatsen, en (2) bezig zijn met oorlog, wat altijd samen is gegaan met een depreciatie van vreedzame en vrouwelijke bezigheden en onverschilligheid voor de liefde. Het Christendom was bij zijn oorsprong gunstig voor de vrouwen, omdat het de meest essentieel vrouwelijke gemoedsbewegingen vrijmaakte en verheerlijkte, maar toen het een vastgestelde en georganiseerde godsdienst werd met bepaald ascetische idealen, werd de geheele stemming voor de vrouwen ongunstig. Het had ze van den beginne uitgesloten van iedere priesterlijke functie. Het beschouwde ze nu als de speciale vertegenwoordigsters van het verachte sekse-element in het leven [287]. De excentrieke Tertullianus had eens verklaard, dat de vrouw was janua Diaboli; bijna zeven honderd jaar later schreef zelfs de zachtzinnige en philosophische Anselm: Femina fax est Satanae [288].
Zoo was bij de Franken, waar de gewoonte van het monogame huwelijk overheerschte, een vrouw nooit vrij; zij kon niet koopen of verkoopen of erven zonder de permissie van hen, aan wie ze toebehoorde. Zij ging door schenking over in het bezit van haar echtgenoot, en als hij den huwelijksdag vaststelde, gaf hij haar ouders kleine geldstukjes als arrha, en op den dag na het huwelijk kreeg zij van hem een geschenk, de morgengabe. Een weduwe behoorde weer aan haar ouders (Bedollière, Histoire de Moeurs des Français, deel I, p. 180). Het is waar, dat de Salische wet een geldelijke boete eischte voor het aanraken van een vrouw, zelfs voor het drukken van haar vinger, maar het is duidelijk, dat de overtreding, die zoo begaan werd een overtreding was jegens den eigendom, en in het geheel niet jegens de heiligheid van de persoonlijkheid eener vrouw. De Duitsche echtgenoot van den ouden tijd kon zijn kinderen verkoopen, en soms zijn vrouw, zelfs als slaven. In de elfde eeuw hoort men nog van gevallen van het verkoopen van kinderen en vrouwen, hoewel het niet langer door de wet erkend wordt.
De tradities van het Christendom waren gunstiger voor de sexueele gelijkheid dan de Germaansche zeden, maar toen ze met deze vermengd raakten, voegden zij er hun eigen speciale bijdrage bij van de onreinheid der vrouw. Deze geestelijke minderwaardigheid van de vrouw bleek duidelijk uit de beperkingen, die soms der vrouwen opgelegd werden in de kerk, en zelfs in het recht om een kerk binnen te treden; op sommige plaatsen werden zij gedwongen in de narthex te blijven, zelfs in kerken die niet bij kloosters behoorden (zie voor deze regels Smith en Cheetham, Dictionary of Christian Antiquities, art. "Sexes, Separation of").
Door de poging om het begrip man van sexualiteit te ontdoen en het begrip vrouw met sexualiteit te overladen, verlaagde het Christendom noodzakelijk de positie van de vrouw en het begrip vrouwelijkheid. Zooals Donaldson terecht opmerkt, waar hij hier den nadruk op legt (op. cit., p. 182): "Ik mag een man wel definieeren als een mannelijk menschelijk wezen en een vrouw als een vrouwelijk menschelijk wezen... Wat de eerste Christenen deden, was het schrappen van het "mannelijk" uit de definitie van man, en het "menschelijke wezen" uit de definitie van vrouw". De godsdienst schijnt in het algemeen een machtig deprimeerende invloed geweest te zijn op de positie van de vrouw, niettegenstaande het beroep dat hij op de vrouw doet. Westermarck meent (Origin and Development of the Moral Ideas, deel I, p. 669), dat de godsdienst "waarschijnlijk de krachtigste oorzaak is geweest van de onderwerping van de vrouw aan de macht van den man".
Er is wel eens gezegd, dat de Christelijke neiging om vrouwen in een inferieure positie te plaatsen zoover ging, dat een kerkbesluit formeel ontkende, dat vrouwen zielen hadden. Dit dwaze verhaal is inderdaad op papegaaienmanier door een groot aantal schrijvers herhaald. De bron van het verhaal wordt waarschijnlijk gevonden in het feit, dat door Gregorius van Tours in zijn geschiedenis vermeld wordt (deel VIII, hoofdst. XX), dat op het concilie van Mâcon, in 585, een bisschop er over in twijfel was of het woord "mensch" ook de vrouw in zich sloot, maar hij werd door de andere leden van het concilie overtuigd, dat het dat wel deed. Dezelfde moeilijkheid heeft zich in later tijd aan rechtsgeleerden voorgedaan, en ze is niet altijd zoo gunstig voor de vrouw opgelost als door het Christelijk concilie van Mâcon.
De geringe waardeering van de vrouwen, die zelfs in de oudste kerk heerschte, wordt door de Christelijke geleerden toegegeven. "Wij moeten", schrijft Merrick (art. "Marriage", Smith and Cheetham, Dictionary of Christian Antiquities), "zelfs bij de grootsten van de Christelijke kerkvaders een beklagenswaardige geringschatting van de vrouwen opmerken, en dientengevolge van de huwelijksverhouding. Zelfs de heilige Augustinus kan geen rechtvaardiging voor het huwelijk vinden, behalve in een ernstig, bepaaldelijk aangenomen verlangen om kinderen te hebben; en in overeenstemming met dit gezichtspunt wordt alle huwelijksgemeenschap, behalve voor dit uitsluitend doel, streng veroordeeld. Als het huwelijk gezocht wordt om de kinderen, dan is het te rechtvaardigen; als het aangegaan wordt als een remedium om erger kwaad te vermijden, dan is het vergefelijk; het denkbeeld van het wederkeerige gezelschap, de hulp en het gemak, dat de een van den ander behoort te hebben, zoowel in voorspoed als in tegenspoed, bestond ternauwernood en kon ook ternauwernood bestaan".
Van het standpunt der vrouw komt Lily Braun, in haar belangrijk werk over de vrouwenkwestie (Die Frauenfrage, 1901, pp. 28 et seq.) tot het besluit, dat, in zooverre het Christendom der vrouwen gunstig gestemd was, wij dien gunstigen invloed moeten zien in het plaatsen van de vrouwen op hetzelfde moreele niveau als de mannen, zooals geïllustreerd wordt door het gezegde van Jezus: "Laat hij, die zonder zonden is den eersten steen werpen", waarmee hij bedoelde, dat iedere sekse verplicht is tot dezelfde trouw. Het heeft, voegt zij er aan toe, niet meer bereikt dan dit. "Het Christendom, dat de vrouwen met zooveel enthusiasme aannamen als een bevrijding en waarvoor ze als martelaren stierven, heeft haar hoop niet vervuld".
Zelfs wat de moreele gelijkheid van de seksen in het huwelijk aangaat, was de positie van de Christelijke autoriteiten soms dubbelzinnig. Een van de grootste Kerkvaders, de heilige Basilius, maakte in de laatste helft van de vierde eeuw onderscheid tusschen echtbreuk en ontucht, als ze begaan werden door een getrouwd man; met een getrouwde vrouw was het echtbreuk; met een ongetrouwde vrouw was het enkel ontucht. In het eerste geval mocht een vrouw haar echtgenoot niet weer ontvangen; in het tweede geval wel (art. "Adultery", Smith en Cheetham, Dictionary of Christian Antiquities). Zulk een beslissing sloot, door de hoogste waarde te hechten aan een onderscheid, dat voor de vrouw geen verschil kon maken, een gebrek aan erkenning van haar moreele persoonlijkheid in zich. Vele van de Vaders echter, zooals Jeronimus, Augustinus en Ambrosius, konden niet inzien, waarom de zedelijke wet niet dezelfde zou zijn voor den man als voor de vrouw, maar daar het gevoelen van de latere Romeinen zoowel van de wettelijke als van de populaire zijde reeds dat gezichtspunt naderde, was de invloed van het Christendom ternauwernood noodig om het te verkrijgen. Het verkreeg eindelijk formeele sanctie in de Romeinsche canonieke wet, die besliste, dat echtbreuk gelijkelijk begaan wordt door beide partijen van het huwelijk in twee graden: (1) simplex, van de getrouwden met de ongetrouwden, en (2) duplex, van de getrouwden met de getrouwden.
Er kan echter nauwelijks gezegd worden, dat het Christendom er in slaagde dit gezichtspunt van de moreele gelijkheid van de seksen in de praktische actueele moraal opgenomen te krijgen. Het werd in theorie aangenomen; het werd niet uitgevoerd in de praktijk. W. G. Summer komt, als hij deze kwestie bespreekt, tot het besluit (Folkways, blz. 359-361): "Waarom bestaan deze gezichtspunten niet in de mores? Ongetwijfeld omdat zij dogmatisch van vorm zijn, uitgedacht of opgelegd door theologische autoriteit of door philosofische beschouwing. Zij groeien niet uit de levenservaring en kunnen er niet aan getoetst worden. De redenen voor die gezichtspunten liggen ten slotte in de physiologische feiten, waardoor de eene een vrouw is en de andere een man". We zullen later echter meer over dit punt zeggen.
Het was waarschijnlijk niet zoozeer de kerk als wel de Germaansche gewoonte en de ontwikkeling van het leenstelsel, met de mannelijke en militaire idealen, die het kweekte, welke voornamelijk beslissend waren bij het vastleggen van de inferieure positie van de vrouwen in de middeleeuwsche wereld. Zelfs de ideeën van ridderlijkheid, waarvan men dikwijls gemeend heeft dat ze speciaal gunstig waren voor de vrouwen, schijnen voor haar van geringe praktische beteekenis geweest te zijn.
In zijn groote werk over de ridderschap toont Gautier o.a. aan, dat de geest van het leenstelsel, evenals de militaire geest altijd en overal, over het geheel een minachting voor vrouwen met zich bracht, zelfs als zij ze nu en dan idealiseerde. "Gaat in uw geschilderde en vergulde kamers", lezen we in Renaus de Montauban, "zit in de schaduw, maakt het u aangenaam, drinkt, eet, doet handwerkjes, verft zijde, maar bedenkt, dat gij u niet met onze zaken bemoeien moet. Onze zaak is het stalen zwaard te zwaaien. Zwijgt!" En als de vrouw aanhoudt, dan wordt ze in haar gezicht geslagen tot bloedens toe. De man had een wettig recht om zijn vrouw te slaan, niet alleen voor echtbreuk, maar ook als ze hem tegensprak. De vrouwen waren echter niet geheel zonder macht, en in een verzameling van Coutumes wordt vermeld, dat een man zijn vrouw alleen maar resnablement, d.i. met verstand, mocht slaan. (Wat het recht van den man betreft om zijn vrouw te slaan, zie men ook Hobhouse, Morals in Evolution, deel I, p. 234. In Engeland werd de man eerst onder de regeering van Karel II, van wien zooveel moderne bewegingen dateeren, beroofd van dit wettige recht).
In de oogen van den edelman uit den tijd van het leenstelsel wedijverde, mogen we er aan toevoegen, de schoonheid van een paard dikwijls met succes met de schoonheid van een vrouw. In Girbers de Metz rijden twee edellieden Garin en zijn neef Girbert langs een raam, waar een mooi meisje zit met het aangezicht van een roos en het blanke vleesch van een lelie. "Zie, neef Girbert, zie! Bij de heilige Maria, wat een mooie vrouw!" "O", antwoordt Girbert, "wat een mooi dier is mijn paard!" "Ik heb nooit zoo iets moois gezien, als dit jonge meisje met haar frissche kleur en haar donkere oogen", zegt Garin. "Ik ken geen paard, dat te vergelijken is met het mijne", antwoordt Girbert. Als de mannen zoo geabsorbeerd zijn in de dingen, die tot den oorlog behooren, dan is het niet te verwonderen, dat het aan jonge meisjes overgelaten is amoureuse avances te maken. "In alle chansons de geste", merkt Gautier op, "zijn het de jonge meisjes, die de avances maken, dikwijls geheel zonder terughouding", hoewel, voegt hij er bij, de vrouwen als deugdzamer voorgesteld worden. (L. Gautier, La Chevalerie, p. 236-50).
In Engeland schijnt, volgens Pollock en Maitland (History of English Law, deel II, p. 437), een levenslange onmondigheid van de vrouwen, zooals bij de Germaansche volken, nooit bestaan te hebben. "Van den tijd van Willem den Veroveraar af", zegt Hobhouse (op. cit., deel I, p. 224), "wordt de ongetrouwde Engelsche vrouw, als ze haar meerderjarigheid bereikt, volkomen toegerust met alle wettelijke en civiele rechten, evenzeer een persoonlijkheid voor de wet als de Babylonische vrouw drie duizend jaar geleden geweest is". Maar de ingewikkelde Engelsche wet gaf aan de ongetrouwde vrouwen voor deze privileges een tegenwicht door de inconsequente wijze, waarop ze de getrouwde vrouw wikkelde in eindelooze omhulsels van onverantwoordelijkheid, behalve als ze de groote overtreding beging van haar heer en meester te beleedigen. De Engelsche vrouw, gaat Hobhouse voort (loc. cit.) was, zoo al niet de slavin van haar echtgenoot, toch ten minste zijn leenplichtig vazal; als zij hem beleedigde, dan was het "hoogverraad", de opstand van een onderdaan tegen den koning in een miniatuur koninkrijk, en een ernstiger misdaad dan moord. Moord kon zij in zijn tegenwoordigheid niet begaan, want haar persoonlijkheid was in de zijne opgenomen; hij was verantwoordelijk voor de meeste van haar misdaden en vergrijpen (het was dit feit, dat hem het recht gaf haar te kastijden), en hij kon zelfs niet in een contract met haar treden, want dat zou zijn in een contract treden met zich zelf. "Het wezen zelf en het wettelijke bestaan van een vrouw is geschorst tijdens het huwelijk", zeide Blackstone, "of is tenminste belichaamd en samengevoegd met dat van haar man, onder wiens bescherming zij alles doet. Zoo'n groote gunsteling", voegde hij er aan toe, "is de vrouwelijke sekse van de wetten van Engeland". "De sterkte van de vrouwen was haar zwakte", zegt Hobhouse, waar hij de beteekenis uitlegt van de Engelsche wet. "Zij overwon door toe te geven. Haar liefelijkheid moest bewaard worden voor het tumult van de wereld, haar geur zacht en frisch gehouden, ver van het stof en den rook van den strijd. Daarom had ze behoefte aan een kampioen en een bewaker".
In Frankrijk nam de vrouw van de middeleeuwen en van de Renaissance vrijwel dezelfde positie in in het huis van haar echtgenoot. Hij was haar heer en meester, het hoofd en de ziel van "het vrouwelijke en zwakke schepsel", die hem "volkomen liefde en gehoorzaamheid" verschuldigd was. Zij was zijn voornaamste dienstbode, de oudste van zijn kinderen, zijn vrouw en onderdaan; zij teekende zich "uw nederige en gehoorzame dochter en vriendin", als zij aan hem schreef. De historicus, De Maulde la Clavière, die op dit punt bewijsmateriaal heeft samengebracht in zijn Femmes de la Renaissance, merkt op, dat, hoewel de man zoo'n verheven en superieure positie in het huwelijk bekleedde, hij het toch gewoonlijk was, en niet de vrouw, die klaagde over de bezwaren van het huwelijk.
Wet en gewoonte namen aan, dat een vrouw min of meer onder de bescherming van den man zou staan, en zelfs de idealen van een mooie vrouwelijkheid, die in deze maatschappij ontstonden, tijdens de feudale en in latere tijden, waren door dezelfde opvatting getint. Zij sloot in zich de ongelijkheid van de vrouwen vergeleken bij de mannen, maar onder de maatschappelijke toestanden van een feudale maatschappij was zulk een ongelijkheid in het voordeel van de vrouw. Mannelijke kracht was de voornaamste factor in het leven en het was noodig, dat iedere vrouw een deel er van aan haar zijde zou hebben. Dit gezonde en verstandige denkbeeld bleef bestaan, zelfs nadat de groei der beschaving kracht tot een veel minder beslissenden factor maakte in het maatschappelijk leven. In het Engeland van den tijd van koningin Elisabeth moest geen vrouw zonder meester zijn, hoewel de vrouwelijke onderdanen van koningin Elisabeth in haar souverein een schitterend voorbeeld hadden van een vrouw, die een mooie en werkdadige rol in het leven kon spelen en toch volkomen zonder meester bleef. Nog later, in de achttiende eeuw, spreekt een zoo fijn moralist als Shaftesbury, in zijn Characteristics van minnaars van getrouwde vrouwen als van schenders van den eigendom. Als zulke opvattingen nog heerschten zelfs in de beste geesten, dan is het niet te verwonderen, dat zij in dezelfde eeuw, en zelfs in de volgende eeuw in de praktijk doorgevoerd werden door minder welopgevoede menschen, die ongestraft vrouwen kochten en verkochten.
Schrader wijst er op, in zijn Reallexicon (art. "Brautkauf"), dat oorspronkelijk de aankoop van een vrouw was de aankoop van haar persoon, en niet alleen van het recht om haar te beschermen. De oorspronkelijke opvatting bleef waarschijnlijk in Groot-Brittannië lang bestaan, omdat dit zoo ver afgelegen was van de centra der beschaving. In de elfde eeuw wilde Gregorius VII, dat Lafranc het verkoopen van vrouwen in Schotland en op andere plaatsen in Engeland zou doen ophouden. (Pike, History of Crime in England, deel I, p. 99). De gewoonte stierf echter in ver verwijderde landelijke districten nooit geheel uit.
Zulke zaken zijn er zelfs in Londen gedaan. Zoo lezen wij in het Annual Register voor 1767 (p. 99): "Ongeveer drie weken geleden verkocht een metselaarsknecht in Marylebone een vrouw, waarmee hij verscheidene jaren had samengewoond, aan een mede-arbeider voor een kwart guinje en een pint bier. De werkman ging heen met zijn aankoop, en sindsdien heeft zij het fortuintje gehad een legaat te krijgen van 200 pondsterling, en wat zilver, dat haar nagelaten werd door een oom, die in Devonshire overleed. Het paar trouwde verleden Vrijdag."
De geestelijke J. Edward Vaux (Church Folk-lore, tweede uitgave, p. 146) vertelt twee authentieke gevallen, waarin vrouwen door haar mannen openlijk op de markt gekocht waren, en dat in de negentiende eeuw. In het eene geval werd de vrouw, met haar eigen volkomen toestemming naar de markt gebracht met een touw om den hals, verkocht voor een halven kroon en naar haar nieuwe huis gebracht, twaalf mijlen ver door haar nieuwen man, die haar gekocht had; in het andere geval kocht een herbergier de vrouw van een anderen man voor twee pinten jenever.
Het is dezelfde opvatting van de vrouw als bezitting, die, zelfs tegenwoordig nog, oorzaak is geweest, dat in veel wetboeken paragrafen behouden zijn gebleven, die een man veroordeelen tot het betalen van een schadevergoeding in geld aan de vrouw, tevoren een maagd, met wie hij omgang heeft gehad en die hij daarna heeft verlaten (Natalie Fuchs, "Die Jungferschaft im Recht und Sitte", Sexual-Probleme Feb., 1908). De vrouw is "onteerd" door sexueelen omgang; verlaagd in haar marktwaarde, precies evenals een nieuw kleedingstuk "tweede-hands" wordt, zelfs als het maar ééns is gedragen. Een man zou het denkbeeld ver van zich werpen, dat zijn persoonlijke waarde zou kunnen verminderen door een aantal daden van sexueelen omgang.
Dit feit heeft zelfs sommigen er toe geleid "de afschaffing van de physieke maagdelijkheid" aan te raden. Zoo raadt de Duitsche schrijfster van Una Poeninentium (1907), in overweging nemende, dat de bescherming van de vrouw zeker niet zoo goed verzekerd is door een stukje slijmvlies als door de aanwezigheid van een trouwe en zorgvuldige ziel van binnen, aan om meisjes reeds als kind door een operatie het hymen weg te nemen. Het is ongetwijfeld waar, dat het onevenredige belang, dat er gehecht wordt aan het hymen, geleid heeft tot een verkeerde en ongezonde opvatting omtrent de vrouwelijke "eer", en de vrouwelijke reinheid.
Gewoonte en wet passen zich langzamerhand aan aan de veranderde maatschappelijke toestanden, die niet langer de onderwerping van de vrouw eischen, hetzij in haar eigen belang of in het belang van de gemeenschap. Tegelijk met deze veranderingen is een verschillend ideaal van vrouwelijke persoonlijkheid bezig zich te ontwikkelen. Evenwel wordt het oude ideaal van de heerschappij van den man over de vrouw nog steeds min of meer bewust bekrachtigd onder ons. De man zegt dikwijls aan de vrouw welke werkzaamheden zij niet doen moet, welke plaatsen zij niet moet bezoeken, met welke menschen ze niet moet omgaan, welke boeken ze niet lezen moet. Hij matigt zich het recht aan haar te controleeren, zelfs in persoonlijke zaken, die geen betrekking op hem hebben, krachtens het oude mannelijke voorrecht van den sterkste, dat de vrouw, zooals de oude aartsvaderlijke juristen zeiden, ondergeschikt maakte aan den man. Het begint echter meer en meer erkend te worden, dat zulk een rol niet past voor den modernen man. De moderne man is er niet langer voor toegerust, zooals Rosa Mayer aangetoond heeft in een verhandeling, die tot nadenken stemt, om de overheerschende rol te spelen in de verhouding tot zijn vrouw. De "edele wilde", die een woest leven leidt op berg en in bosch, die gevaarlijke dieren najaagt en zoo noodig vijanden scalpeert, kan nu en dan zijn spade zacht en met effect doen neerkomen op het hoofd van zijn vrouw, misschien tot haar dankbare bevrediging [289]. Maar de moderne man, die meestal zijn dagen tam aan een lessenaar doorbrengt, die er op gedrild is stilzwijgend de beleedigingen en vernederingen te verdragen, die superieuren of patroniseerende klanten hem kunnen aandoen, deze typisch moderne man kan niet langer met succes de rol van den "edelen wilde" aannemen, als hij thuiskomt. Hij is werkelijk zoo ten eenenmale ongeschikt voor die rol, dat zijn vrouw het hem kwalijk neemt, als hij tracht haar te spelen. Hij begint dit langzamerhand te erkennen, zelfs afgezien van eenige bewustheid van de algemeene richting van de beschaving. De moderne verstandige man erkent, dat, als een kwestie van principe, zijn vrouw recht heeft op gelijkheid met hemzelf; de moderne man van de wereld voelt, dat het zoowel belachelijk als lastig zou zijn, als hij zijn vrouw niet ongeveer dezelfde soort van vrijheid toestond, die hij zelf heeft. En bovendien, terwijl de moderne man tot zekere hoogte vrouwelijke eigenschappen gekregen heeft, heeft de vrouw in overeenkomstige mate mannelijke eigenschappen gekregen.
Hoe kort en alleen op de hoofdpunten ingaande deze discussie noodzakelijkerwijze geweest is, zal ze toch gediend hebben om ons van aangezicht tot aangezicht te brengen met het grondfeit in de sexueele moraal, dat de groei van de beschaving in den tegenwoordigen tijd onvermijdelijk gemaakt heeft: persoonlijke verantwoordelijkheid. "Het verantwoordelijke menschelijke wezen, man of vrouw, is het centrum van de moderne zedenleer evenals van de moderne wet"; dat is de conclusie van Hobhouse in zijn bespreking over de evolutie van de menschelijke moraal [290]. De beweging, die er is onder ons om sexueele verhoudingen te bevrijden van een buitensporige gebondenheid aan vastgestelde en willekeurige regels, zou onmogelijk geweest zijn en nadeelig, als er niet mee samen was gegaan een groei van den zin voor persoonlijke verantwoordelijkheid onder de leden van de gemeenschap. Ze zou geen jaar hebben kunnen bestaan zonder te degenereeren in losbandigheid en wanorde. Vrijheid in sexueele verhoudingen sluit in zich wederzijdsch vertrouwen en dat kan alleen maar berusten op een basis van persoonlijke verantwoordelijkheid. Waar geen vertrouwen kan zijn op persoonlijke verantwoordelijkheid, daar kan geen vrijheid zijn. Op de meeste gebieden van moreele werkzaamheid wordt deze zin voor persoonlijke verantwoordelijkheid verkregen in een tamelijk vroeg stadium van maatschappelijken vooruitgang. De sexueele moraal is het laatste gebied van de moraal, dat in de sfeer van de persoonlijke verantwoordelijkheid kan gebracht worden. De gemeenschap legt de verschillende samengestelde en kunstmatige wetten van sexueele moraal op aan haar leden, vooral aan haar vrouwelijke leden, en natuurlijk is ze altijd zeer wantrouwend aangaande haar vermogen om deze wetten na te komen, en is zeer zorgvuldig om haar, voor zoover dat mogelijk is, geen persoonlijke verantwoordelijkheid in de zaak te laten. Maar een oefening in zelfbedwang, als die doorgevoerd is een lange reeks van generaties door, is de beste voorbereiding voor de vrijheid. De wet, die aan de vroegere generaties opgelegd is geweest, is, zooals de oude theologie de zaak uitlegde, de leerschool geweest om de latere generaties tot Christus te brengen; of, zooals de nieuwe wetenschap precies hetzelfde denkbeeld uitdrukt, de latere generaties zijn immuun geworden en hebben ten slotte een soort van vrijstelling gekregen tegen de ziektestof, die de vroegere generaties zou hebben vernietigd.
Het proces, waardoor een volk verstand krijgt van persoonlijke verantwoordelijkheid gaat langzaam, en misschien kan ze niet geheel voldoende verkregen worden door rassen, die een hoogen graad van zenuworganisatie missen. Dat geldt vooral van de sexueele moraal, zooals bij de aanraking van een hoogere met een lagere beschaving dikwijls gebleken is. Het is telkens weer vooorgekomen, dat zendelingen--zeer tegen hun eigen wensch--dat behoeven we niet te zeggen--door het straffe moreele systeem, dat zij vonden, omver te werpen, en door ervoor in de plaats te stellen de vrijheid van de Europeesche gewoonten onder volken die geheel onvoorbereid waren voor zulk een vrijheid, hoogst nadeelig op de zedelijkheid gewerkt hebben. Dit is het geval geweest onder de vroeger goed georganiseerde en zeer moreele Baganda van Centraal-Afrika, zooals vermeld is in een officieel rapport door Kolonel Lambkin (British Medical Journal, Oct. 3, 1908).
Ook wat Polynesia aangaat, wees R. L. Stevenson er in zijn belangwekkend boek In the South Seas (hoofdst. V) op, dat, terwijl vóór het komen van de blanken de Polynesiërs over het geheel kuisch waren, en de jonge menschen zorgvuldig bewaakt werden, het nu geheel anders is.
Zelfs in Fiji, waar, volgens Lord Stanmore--die Generaal-gevolmachtigde van de Zuidzee, en een onafhankelijk beoordeelaar was--het streven van de zendelingen "wonderbaarlijk wel geslaagd" geweest is, waar allen ten minste in naam zich Christenen noemen, waardoor het leven en de volksaard zeer veranderd zijn, heeft de kuischheid zeer geleden. Dit heeft een commissie over den toestand van de inboorling-rassen in Fiji aangetoond. Mr. Titchett, die verslag geeft over deze commissie (Australasian Review of Reviews, Oct., 1897) merkt op: "Niet weinige, door de commissie gehoorde getuigen verklaren, dat de moreele vooruitgang op Fiji als merkwaardig knoeiwerk voor den dag komt. De afschaffing van de veelwijverij is bij voorbeeld niet in ieder opzicht gunstig uitgevallen voor de vrouwen. De vrouw heeft het zware werk te doen op Fiji; en toen het onderhoud van den man verdeeld was over vier vrouwen was de last op iedere vrouw minder dan nu, nu hij door één gedragen moet worden. In den heidenschen tijd werd de kuischheid van de vrouw bewaakt door de knots; een trouwelooze vrouw, een ongehuwde moeder werden kortweg ter dood gebracht. Het Christendom heeft het knotsrecht afgeschaft, en alleen moreele beperking of de vrees voor de straffen van de wereld hiernamaals nemen voor de begrensde verbeelding van de bewoners van Fiji niet geheel de plaats ervan in. Zoo is de standaard van de kuischheid in Fiji bedroevend laag".
We moeten ons altijd herinneren, dat, als het hoog georganiseerde systeem van gemengde geestelijke en physieke beperkingen weggenomen is, kuischheid teerder begint te worden en onstabiel van evenwicht. De controleerende invloed van persoonlijke verantwoordelijkheid, hoe waardevol en essentieel die ook is, kan niet voortdurend en onafgebroken de vulcanische krachten in bedwang houden van den liefdeshartstocht, zelfs in hooge beschavingen. "Geen volmaaktheid van moreelen aanleg bij een vrouw," heeft Hinton terecht gezegd, "geen kracht van wil, geen wensch en besluit om "goed" te zijn, geen macht van den godsdienst of contrôle van de gewoonten, kan verzekeren wat genoemd wordt de deugd van de vrouw. Het gevoel van volkomen toewijding, waarmede de een of andere man haar kan vervullen, zal ze allemaal wegvagen. Waar de maatschappij zich op die basis wil oprichten, kiest ze onvermijdelijk wanorde, en zoo lang ze voortgaat die te kiezen, zal ze steeds hetzelfde resultaat hebben".
Wij moeten nog verder ingaan op deze persoonlijke verantwoordelijkheid in zaken van sexueele moraal, in den vorm waarin ze zich onder ons doet gevoelen, en onderzoek doen naar alles wat er onder begrepen is. Het belangrijkste punt is ongetwijfeld economische onafhankelijkheid. Die is werkelijk van zooveel belang, dat men nauwelijks kan zeggen, dat er moreele verantwoordelijkheid bestaat in den besten zin van het woord, waar de economische onafhankelijkheid ontbreekt. Moreele verantwoordelijkheid en economische onafhankelijkheid zijn werkelijk identiek; zij zijn maar twee kanten van hetzelfde maatschappelijke feit. De verantwoordelijke persoon is de persoon, die voor zijn daden kan instaan en, als het noodig is, ervoor kan betalen. De economisch afhankelijke mensch kan een crimineele verantwoordelijkheid op zich nemen; hij kan met een leege portemonnaie in de gevangenis gaan of in den dood. Maar in de gewone sfeer van alledaagsche moraal wordt die groote straf niet van hem gevergd; als hij ingaat tegen de wenschen van zijn familie of zijn vrienden of van zijn gemeente, dan kunnen ze hem den rug toekeeren, maar ze kunnen gewoonlijk niet de uiterste straffen van de wet tegen hem eischen. Hij kan zijn eigen persoonlijke verantwoordelijkheid uitoefenen, hij kan vrij zijn eigen weg kiezen en zich daar op handhaven voor de oogen van zijn medemenschen, op voorwaarde, dat hij in staat is er voor te betalen. Zijn persoonlijke verantwoordelijkheid heeft weinig of geen beteekenis, indien ze niet tevens economische onafhankelijkheid is.
Naarmate de beschaafde maatschappijen tot rijpheid komen, beginnen de vrouwen een steeds grootere mate zoowel van moreele verantwoordelijkheid als van economische onafhankelijkheid te krijgen. Iedere nieuwe vrijheid der vrouwen en iedere schijnbare gelijkheid van mannen en vrouwen, zelfs als ze inderdaad den schijn aanneemt van meerderheid is onwerkelijk, indien ze niet op economische onafhankelijkheid gebaseerd is. Ze wordt dan alleen maar geduld; het is de vrijheid, die aan een kind gegeven wordt, omdat het er zoo lief om vraagt of omdat het misschien schreeuwen zal, als men ze hem weigert. Dit is slechts parasitisme [291]. De basis van economische afhankelijkheid verzekert een meer werkelijke vrijheid. Zelfs in maatschappijen, die door wet en gewoonte de vrouwen in strikte onderworpenheid houden, geniet de vrouw, die toevallig in het bezit is van eigendom een hooge mate van onafhankelijkheid zoowel als van verantwoordelijkheid [292]. De groei van een hooge beschaving schijnt inderdaad zoo nauw verbonden te zijn met economische vrijheid en onafhankelijkheid van de vrouwen, dat het moeilijk te zeggen is wat oorzaak is en wat gevolg. Herodotus merkte in zijn mooi verslag over Egypte, een land dat hij beschouwde als meer bewonderenswaardig dan alle andere landen, met verbazing op, dat de vrouwen de mannen thuis lieten om het weefgetouw te behandelen en dat ze zelf naar de markt gingen om zaken te doen of om handel te drijven [293]. Het is de economische factor in het maatschappelijk leven, die de moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen verzekert en die voornamelijk de positie bepaalt van de vrouw tegenover haar man [294].
In dit opzicht keert de beschaving in haar laatste stadium terug tot hetzelfde punt, dat ze innam bij het begin, toen, zooals reeds opgemerkt is, wij grootere gelijkheid met de mannen vonden en tevens grootere economische onafhankelijkheid [295].
In al de toonaangevende moderne beschaafde landen, hebben, in de laatste eeuw, gewoonte en wet samengewerkt om een steeds grootere economische onafhankelijkheid aan de vrouwen te verzekeren. In sommige opzichten heeft Engeland de leiding gehad daardoor, dat het het eerst het kapitalistisch systeem gevormd heeft en de vrouwen langzamerhand heeft ingelijfd in de scharen der arbeiders [296], waardoor de verandering in de wet onvermijdelijk werd, die, in 1882, aan een getrouwde vrouw het bezit verzekerde van haar eigen verdienste. Dezelfde beweging met dezelfde gevolgen zien we elders. In de Vereenigde Staten, evenals in Engeland, bestaat er een groot leger van vijf millioen vrouwen, dat zich snel uitbreidt, die haar eigen brood verdienen, en haar positie is in verhouding tot de mannelijke arbeiders zelfs beter dan in Engeland. In Frankrijk zijn van de vijf en twintig tot de zeven en twintig percent van de werklieden in de meeste van de voornaamste industrieën--de vrije beroepen, handel, landbouw, fabrieksindustrieën--vrouwen, en in sommige van de grootste, zoo als de huis-industrieën en textiel-industrieën, zijn meer vrouwen aan het werk dan mannen. In Japan, zegt men, dat drie vijfden van de fabrieksarbeiders vrouwen zijn, en al de textiel-industrieën zijn in handen van de vrouwen [297]. Deze beweging is een zichtbare uitdrukking van de moderne opvatting van persoonlijke rechten, persoonlijke waarde en persoonlijke verantwoordelijkheid, die, zooals Hobhouse opmerkt, de vrouwen gedwongen heeft zelf haar leven aan te pakken, en die tegelijkertijd de oude huwelijkswetten tot een anachronisme gemaakt heeft en het verouderde idee van vrouwelijke onschuld van de wereld weggevaagd heeft als niets dan een stuk valsch sentiment [298].
Er kan geen twijfel aan zijn, dat het binnentreden van de vrouwen in het gebied van den industriearbeid, in wedijver met de mannen en onder ongeveer dezelfde omstandigheden als zij, ernstige vragen van een andere soort doet rijzen. Dat de beschaving in het algemeen neigt naar de economische onafhankelijkheid en de moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen, ligt voor de hand. Maar het is in het geheel niet absoluut zeker, dat het beste is voor de vrouwen, en daarom voor de gemeenschap, dat zij al de gewone beroepen en bezigheden zullen uitoefenen, en dat onder dezelfde omstandigheden. Niet alleen hebben de omstandigheden van de beroepen en betrekkingen zich ontwikkeld in overeenstemming met de speciale geschiktheden van de mannen, maar het feit, dat het sexueele proces, waardoor het ras zich voortplant, een onvergelijkelijk grootere hoeveelheid tijd en energie eischt van de vrouwen dan van de mannen, verhindert de vrouwen in den regel zich zoo uitsluitend als mannen te wijden aan industrieel werk. Voor sommige biologen schijnt het inderdaad duidelijk te zijn, dat de vrouw buiten het huis en de school in het geheel niet werken moet. "Iedere natie, die zijn vrouwen laat werken is veroordeeld," zegt Woods Hutchinson (The Gospel According to Darwin, p. 199). Dit is een uiterste opvatting. Toch beschouwt ook Hobhouse Hobson, die deze kwestie van den economischen kant bekijkt, den invloed van de industrie, die de vrouwen uit haar huis verjaagt, als "een invloed, die strijdig is met de beschaving". De verwaarloozing van het tehuis, zegt hij, is, "over het geheel, het ergste nadeel, dat de moderne industrie toegebracht heeft aan ons leven, en het is moeilijk in te zien hoe dit goedgemaakt kan worden door een toename van materieele producten. Het fabrieksleven voor de vrouwen ondermijnt behalve in uiterst zeldzame gevallen, de moreele en physieke gezondheid van de familie. De eischen van het fabrieksleven zijn niet overeen te brengen met de positie van een goede moeder, een goede vrouw, of een goede huisvrouw. Behalve in geheel uiterste gevallen kan geen vermeerdering van het loon van de familie opwegen tegen deze verliezen, waarvan de waarde op een qualitatief hooger niveau staat". (J. A. Hobson, Evolution of Modern Capitalism, hoofdst. XII; vergelijk wat in hoofdstuk I van dit werk gezegd is). Men begint nu te erkennen, dat de eerste pioniers van de vrouwenbeweging, die werkten om "de onderwerping van de vrouw" te doen verdwijnen, toch nog beheerscht werden door de oude idealen van die onderwerping, volgens welke de mannelijke sekse in alle opzichten de superieure is. Wat goed was voor een man, dachten ze, moest ook goed zijn voor een vrouw. Dat is de bron geweest van alles wat de eerste uitingen der "vrouwenbeweging" zoo onvast maakte, soms ook zoo roerend en dwaas. Men merkte niet, dat, voor alles, de vrouwen haar rechten moeten laten gelden op haar eigen vrouwelijkheid als moeders van het ras, en daardoor de eerste wetgevers op het gebied der sekse, en het groote levensgebied, dat van haar sekse afhankelijk is. Deze speciale positie van de vrouw zal waarschijnlijk een aanpassing van de economische verhoudingen aan haar behoeften noodig maken, hoewel het niet waarschijnlijk is, dat zulk een aanpassing inbreuk zou maken op haar onafhankelijkheid en haar verantwoordelijkheid. Wij hebben, zooals Juliette Adams zegt, de rechten van de mannen gehad, die de rechten van de vrouw opofferden, gevolgd door de rechten van de vrouw die het kind opofferden; dat moet gevolgd worden door de rechten van het kind, die de familie weer in eere herstellen. Het is reeds noodig geweest dit punt in het eerste hoofdstuk van dit boek aan te raken en het zal in het laatste hoofdstuk weer noodig zijn.
De vraag naar de middelen, waardoor de economische zelfstandigheid van de vrouwen geheel verzekerd zal worden, en naar de rol, die de gemeenschap tot haar beveiliging zal moeten spelen, met inachtneming van de bijzondere barings-functiën van de vrouw, is, van het standpunt dat ons op het oogenblik bezig houdt, bijzaak. Er kan echter geen twijfel zijn aan de werkelijkheid van de beweging in die richting, welke twijfel er ook mag zijn aan het aanpassen ten slotte van de onderdeelen. Op deze plaats behoeven wij alleen maar op sommige van de algemeene en meer duidelijk zichtbare veranderingen te wijzen, waarin de groei van de verantwoordelijkheid van de vrouw de sexueele moraal raakt.
De eerste en meest merkbare wijze, waarop deze zin voor moreele verantwoordelijkheid werkt, is een aandringen op werkelijkheid in de verhoudingen tusschen de seksen. De moreele onverantwoordelijkheid van de vrouw heeft, met haar economische afhankelijkheid te zamen, er toe geleid, dat zij de sexueele gebeurtenis, die biologisch van het grootste gewicht is, alleen maar als een vroolijke en alledaagsche gebeurtenis beschouwt, op zijn hoogst als een gebeurtenis, die haar een triomf gegeven heeft over haar mededingsters en over den superieuren man, die, van zijn kant, gewillig zich er toe leent om voor het oogenblik de rol van overwonneling te spelen. "Gallanterie voor de dames", wordt ons verteld van den held van de grootste en meest typische Engelsche roman, "behoorde tot zijn grondbeginselen van eer, en hij vond, dat hij evenzeer verplicht was een oproep tot liefde aan te nemen alsof het een oproep was geweest om te vechten"; hij gaat heldhaftig mee naar huis met een dame van hoogen stand, die hij ontmoet op een maskerade, hoewel hij toen zeer verliefd was op een meisje, waar hij later mee trouwt [299]. De vrouw, wier macht alleen in haar bekoorlijkheden ligt, en die vrijheid heeft den last van de verantwoordelijkheid op de schouders van den man te laden [300], kan gemakkelijk de rol van verleidster spelen en daardoor onafhankelijkheid en gezag uitoefenen in de eenige vormen, die voor haar openstaan. De man van zijn kant, die het denkbeeld van "eer" invoert in een gebied, waaruit het natuurlijke denkbeeld van verantwoordelijkheid verbannen is, is bereid, als een dame het hem vraagt, in de arena af te dalen volgens de oude legende, en haar handschoen terug te halen, zelfs als hij haar die later verachtelijk in het gezicht gooit. De oude opvatting van gallanterie, die Tom Jones zoo goed belichaamt, is het directe gevolg van een systeem, dat de moreele onverantwoordelijkheid en economische afhankelijkheid van de vrouwen in zich sluit, en is tegenovergesteld aan de opvattingen van sexueele gelijkheid, die in vroegere en latere beschaafde stadiën geheerscht hebben, evenzeer als aan de biologische tradities van een natuurlijken vorm van het hofmaken in de wereld in het algemeen.
Terwijl ze haar eigen sexueele leven controleeren, en zich duidelijk voor oogen stellen, dat haar verantwoordelijkheid voor zulk controleeren niet langer op de schouders geschoven kan worden van de andere sekse, zullen de vrouwen indirect invloed hebben op het sexueele leven van de mannen, zooals deze reeds invloed uitoefenen op dat van de vrouwen. Op welke wijze die invloed in hoofdzaak zal uitgeoefend worden, is nog niet te voorspellen. Volgens sommigen zijn, evenals vroeger de mannen hun vrouwen kochten en maagdelijkheid voor het huwelijk eischten in het zoo gekochte artikel, op dezelfde wijze tegenwoordig onder de betere klassen de vrouwen in staat haar mannen te koopen en op haar beurt zijn ze geneigd kuischheid te eischen [301]. Dat is echter een te simpele wijze van de zaak te beschouwen. Het is genoeg er op te wijzen, dat de vrouwen niet aangetrokken worden door maagdelijke onschuld in een man en dat zij dikwijls goede reden hebben om zulk een onschuld met wantrouwen aan te zien [302]. Toch mogen we wel gelooven, dat de vrouwen er meer en meer de voorkeur aan zullen geven een zekere critiek uit te oefenen op het verleden van haar man. Hoezeer een vrouw ook instinctief moge wenschen, dat haar man ingewijd zal zijn in de kunst van het hofmaken, mag zij er toch dikwijls wel aan twijfelen of de beste inwijding verkregen kan worden bij de gewone prostituée. Prostitutie is, zooals we gezien hebben, ten slotte evenmin overeen te brengen met complete sexueele verantwoordelijkheid als het patriarchale huwelijks-systeem, waarmee ze nauw verbonden is geweest. Ze is een schikking, die in hoofdzaak bepaald wordt door de behoeften van de mannen, hoezeer ze ook toevallig aan verschillende behoeften van de vrouwen tegemoet gekomen is. De mannen hebben het zoo ingesteld, dat een groep van vrouwen afgezonderd zou worden om uitsluitend hun sexueele behoeften te dienen, terwijl een andere groep opgevoed zou worden in ascetisme als candidaten voor het privilege van te voorzien in de behoeften van hun huishouden en familie. Dat dit in veel opzichten een uitmuntend systeem geweest is, blijkt wel voldoende uit het feit, dat het zoo'n langen tijd gebloeid heeft, ondanks de invloeden, die het tegenwerkten. Maar het is klaarblijkelijk alleen maar mogelijk gedurende een zeker stadium van de beschaving en in verband met een bepaalde maatschappelijke organisatie. Het komt niet volkomen overeen met een democratisch stadium van de beschaving, dat in zich sluit de economische onafhankelijkheid en de sexueele verantwoordelijkheid van beide seksen gelijkelijk in alle klassen van de maatschappij. Het is mogelijk, dat de vrouwen dit feit eerder beginnen te erkennen dan de mannen.
Het wordt ook door velen geloofd, dat de vrouwen zullen erkennen, dat een hooge trap van moreele verantwoordelijkheid niet gemakkelijk overeen te brengen is met de praktijk van het veinzen, en dat economische afhankelijkheid het bedrog--dat altijd de toevlucht is van de zwakken--zal berooven van iedere moreele rechtvaardiging, die het zou kunnen bezitten. Hier is het echter noodig met voorzichtigheid te spreken, of we zouden onrechtvaardig worden jegens de vrouwen. We moeten opmerken, dat in de sexueele sfeer de mannen ook dikwijls de zwakken zijn, en neiging hebben hun toevlucht te nemen tot het hulpmiddel van de zwakken. Met de erkenning van dat feit moeten we ook erkennen, dat vele van de dwaze meeningen, die eeuwenlang geheerscht hebben in den mannelijken geest bij het beschouwen van de vrouwelijke wijzen van doen, voor een groot deel veroorzaakt zijn door teleurstellingen in vrouwen. De mannen hebben voortdurend de dubbele fout begaan, de veinzerij van de vrouwen òf voorbij te zien òf er te veel waarde aan te hechten. Dit feit heeft er altijd toe bijgedragen om het onvermijdelijk moeilijk pad van de vrouwen door den kronkelweg van het sexueele gedrag nog moeilijker te maken. Pepys, die zoo levendig en zoo open een beeld geeft van de deugden en gebreken van den gewonen mannelijken geest, vertelt hoe eens, toen hij Mevr. Martin bezocht, haar zuster Doll heenging om een flesch wijn te halen en verontwaardigd terugkwam, omdat een Hollander haar in een stal getrokken en met haar had willen stoeien. Daar Pepys zichzelf dikwijls vrijheden met haar veroorloofd had, scheen het hem toe, dat haar verontwaardiging op den Hollander "het beste bewijs was van de onoprechtheid van de vrouw, dat er ter wereld maar wezen kon" [303]. Hij neemt zonder meer aan, dat een vrouw, die het voorrecht van familiariteit heeft toegekend aan een man, dien zij kent en naar we hopen, respecteert, ook bereid zou moeten zijn om met genoegen de brutale attenties aan te nemen van den eersten den besten dronken vreemdeling, dien zij op straat tegenkomt.
Het was het aannemen van de onoprechtheid in de vrouwen, dat den ultra-mannelijken Pepys bracht tot een tamelijk dwaze vergissing. Op dit punt ontmoeten wij iets, wat aan sommigen een ernstig bezwaar voor de volle moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen toegeschenen heeft. Veinzen, zeggen Lombroso en Ferrero, is bij de vrouw "bijna physiologisch", en zij geven verschillende gronden aan voor deze uitspraak [304]. De theologen, van hun kant, zijn tot hetzelfde besluit gekomen. "Een biechtvader moet niet dadelijk de woorden van een vrouw gelooven", zegt Vader Gury, "want vrouwen hebben gewoonlijk neiging om te liegen" [305]. Deze neiging, waarvan men gelooft, dat de vrouwen als sekse haar hebben, hoezeer een groot aantal individueele vrouwen er vrij van zijn, kunnen we naar waarheid zeggen, dat in groote mate het resultaat is van de onderworpenheid van de vrouwen en daardoor waarschijnlijk verdwijnen zal, zoodra de onderworpenheid verdwijnt. In zoover ze echter "bijna physiologisch" is, en op onvernietigbare vrouwelijke eigenschappen gebaseerd is, zooals schaamtegevoel, gevoeligheid en sympathie, die een organische basis hebben in de vrouwelijke constitutie en daarom nooit geheel kunnen veranderen, schijnt het wel nauwelijks waarschijnlijk dat de vrouwelijke veinzerij zal verdwijnen. Het beste, dat men kan verwachten is, dat ze in toom zal gehouden worden door den ontwikkelden zin van moreele verantwoordelijkheid, en, na teruggebracht te zijn tot zijn eenvoudige natuurlijke verhoudingen, als begrijpelijk erkend zal worden.
Het is onnoodig op te merken, dat er geen sprake kan zijn van eenige aangeboren moreele meerderheid van het eene geslacht boven het andere. Deze kwestie werd vele jaren geleden uitvoerig behandeld door een van de meest fijngevoelige moralisten van het liefdeleven. "Alles te zamen genomen", besloot Senancour (De l'Amour, deel II, p. 85), "hebben we geen reden om de meerderheid van de eene sekse boven de andere vast te stellen. Beide seksen, met hun dwalingen en goede bedoelingen, vervullen gelijkelijk de doeleinden der natuur. We mogen wel gelooven, dat bij ieder van de twee afdeelingen van de menschelijke soort de som van goed en kwaad ten naastenbij gelijk is. Als we bijvoorbeeld, wat de liefde aangaat, het zichtbaar losbandig gedrag van de mannen met de schijnbare ingetogenheid van de vrouwen vergelijken, dan zou het een onjuiste waardeering zijn, want het aantal fouten begaan door vrouwen met mannen is noodzakelijk hetzelfde als dat van mannen met vrouwen. Er bestaan onder ons minder nauwgezette mannen dan volkomen eerlijke vrouwen, maar het is gemakkelijk te zien hoe de weegschaal in evenwicht komt. Als deze kwestie van de moreele meerderheid van het eene geslacht boven het andere niet onoplosbaar was, dan zou ze nog zeer gecompliceerd blijven met betrekking tot de geheele soort, of zelfs de geheele natie, en iedere strijd schijnt hier nutteloos".
Deze conclusie is in overeenstemming met de algemeen compenseerende en aanvullende verhouding van vrouwen met mannen.
Kort geleden, bij een rondvraag over de kwestie of vrouwen moreel inferieur zijn aan mannen, met een speciale verwijzing naar geschiktheid voor loyaliteit (La Revue, Jan. 1, 1909), waarbij verscheidene beroemde Fransche mannen en vrouwen hun meening te kennen gaven, verklaarden sommigen, dat vrouwen gewoonlijk de meerderen zijn; anderen beschouwden het eerder als een kwestie van verschil dan van meerderheid of minderheid; allen waren het er over eens, dat, als zij dezelfde onafhankelijkheid genieten als mannen, vrouwen even loyaal zijn als mannen.
Het is ongetwijfeld waar, dat--gedeeltelijk als een resultaat van oude tradities en opvoeding, gedeeltelijk van echt vrouwelijke karakter-eigenschappen--vele vrouwen beschroomd zijn wat haar recht op moreele verantwoordelijkheid aangaat en niet geneigd ze te aanvaarden. En er is een poging gedaan om haar houding te rechtvaardigen door te beweren, dat de rol van de vrouw in het leven van nature die is van zelfopoffering, of, om het gezegde in een meer technischen vorm te stellen, dat de vrouwen van nature masochistisch zijn; en dat er, zooals Krafft-Ebing zegt, een natuurlijke "sexueele onderwerping" is van de vrouw. Het is in het geheel niet duidelijk, dat het gezegde absoluut waar is, en als het waar was, zou het niet dienen om de moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen te niet te doen.
Bloch (Beiträge zur Aetiologie der Psychopathia Sexualis, deel II p. 178), ontkent, in overeenstemming met Eulenburg met klem, dat er zulk een natuurlijke "sexueele onderwerping" van de vrouwen bestaat, en beschouwt die als kunstmatig in het leven geroepen, het resultaat van de maatschappelijk inferieure positie van de vrouwen, en beweert, dat zulke onderwerping in veel hoogere mate een physiologische eigenaardigheid is van mannen dan van vrouwen. Het schijnt duidelijk, dat de opvatting, dat vrouwen vooral geneigd zijn tot zelfopoffering, weinig biologische waarde heeft. Zelfopoffering, die afgedwongen wordt, hetzij door physieken of moreelen dwang, is den naam zelfopoffering niet waard; als ze met bedoeling geschiedt, is ze eenvoudig het opofferen van een minder goed om een grooter goed te verkrijgen. Zoo zou men van een man, die een goed diner verorbert, kunnen zeggen, dat hij zijn honger "opoffert". Zelfs binnen de sfeer van de traditioneele moraal heeft de vrouw, die haar "eer" opoffert ter wille van haar liefde voor een man, door haar opoffering iets verkregen, dat zij meer op prijs stelt. "Wat een triomf is het voor een vrouw", heeft een vrouw gezegd, "vreugde te geven aan den man, dien zij lief heeft!" En in een moraal, gegrond op een gezonde basis, wordt hier geen "opoffering" geëischt. Eerder kan er gezegd worden, dat de biologische wetten van het aanzoek in hun grond meer zelfopoffering eischen van den man dan van de vrouw. Zoo geeft, volgens Gérard den leeuwenjager, de leeuwin zich aan den sterksten van haar leeuw-minnaars; zij moedigt ze aan om onder elkaar te strijden om den voorrang, terwijl zij op haar buik ligt om naar het gevecht te kijken en van plezier met haar staart kwispelt, ieder vrouwelijk wezen wordt door vele mannelijke wezens het hof gemaakt, maar zij neemt er maar éen aan; het is niet van het vrouwtje, dat erotische zelfopoffering geëischt wordt, maar van het mannetje. Dat is werkelijk een deel van de goddelijke compensatie van de natuur, want daar het grootste deel van den last der sekse op de vrouw rust, is het gepast, dat zij minder geroepen wordt tot afstand doen.
Zoo schijnt het wel waarschijnlijk, dat de toename van de moreele verantwoordelijkheid er toe leiden zal het gedrag van een vrouw begrijpelijker te maken voor anderen [306]; het zal er in ieder geval toe leiden, dat anderen er zich minder mee bemoeien. Dit geldt zeer bijzonder voor de verhoudingen van de seksen. Vroeger waren het de mannen, die zich in vele vormen van deugd moesten oefenen; terwijl maar éen deugd voor de vrouwen openstond. Dat is niet langer mogelijk. Als we de vrouw belasten met de voornaamste verantwoordelijkheid voor haar eigen sexueel gedrag, dan berooven we daarmee dat gedrag van zijn duidelijk openlijk karakter als een deugd of als een ondeugd. Sexueele vereeniging is zoowel voor de vrouw als voor den man een physiologisch feit; het kan ook een geestelijk feit zijn; maar het is geen maatschappelijk feit. Het is integendeel een daad, die, meer dan alle andere daden, terugtrekking en heimelijkheid voor hare voltrekking noodig heeft. Dat is inderdaad een algemeen menschelijk, bijna zoölogisch feit. Bovendien wordt deze eisch van heimelijkheid meer speciaal gedaan door de vrouw, ten gevolge van haar grootere ingetogenheid, die, zooals we reden hebben om te gelooven, een biologische basis heeft. Niet voordat een kind geboren is of ontvangen, heeft de gemeenschap eenig recht zich te interesseeren voor de sexueele daden van haar leden. De sexueele daad gaat de gemeenschap niet meer aan, dan eenige andere persoonlijke physiologische daad. Het is onbeschaamd, zoo niet ergerlijk, hier navraag te doen. Maar de geboorte van een kind is een maatschappelijke gebeurtenis. Niet wat den schoot ingaat, maar wat die schoot baart, is van belang voor de maatschappij. De maatschappij wordt uitgenoodigd een nieuwen burger te ontvangen. Ze heeft recht te eischen, dat die burger een plaats in haar midden waardig zal zijn, en dat hij behoorlijk zal worden geïntroduceerd door een verantwoordelijken vader en een verantwoordelijke moeder. De sexueele moraal draait, zooals Ellen Key gezegd heeft, heelemaal om het kind.
Bij dit laatste punt van onze bespreking over de sexueele moraal zullen we misschien de enorme verandering kunnen opmerken, die de ontwikkeling bij de vrouwen van de moreele verantwoordelijkheid in zich sluit. Zoolang alle verantwoordelijkheid aan de vrouwen ontzegd werd, zoolang een vader of een man, gesteund door de gemeenschap, zich verantwoordelijk stelde voor het sexueele gedrag van de vrouw, voor haar "deugd", was het noodig, dat de geheele sexueele moraal zou draaien om den ingang van de vagina. Het werd absoluut het hoofdpunt voor het behoud van de moraal, dat alle oogen van de gemeenschap steeds zouden gericht zijn op dat punt, en ook de geheele huwelijkswet moest er op gericht zijn. Dat is niet langer mogelijk. Als een vrouw haar eigen moreele verantwoordelijkheid op zich neemt, in sexueele evenals in andere zaken, dan wordt het niet alleen ondragelijk, maar ook zonder beteekenis voor de gemeenschap, in haar meest intieme physiologische of geestelijke daden te speuren. Zij is zelf direct verantwoordelijk aan de maatschappij, zoodra zij een maatschappelijke daad doet, en niet vóor dien tijd.
Vooral met betrekking tot het moederschap is de verwerkelijking van alles, wat in de nieuwe moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen besloten is, van beteekenis. Onder een systeem van moraal, waarbij een man vrijgelaten wordt de verantwoordelijkheid op zich te nemen voor zijn sexueele daden, terwijl een vrouw niet even vrij is om dat ook te doen, wordt een premie gesteld op sexueele daden, die niet uitloopen op voortplanting, en wordt er een straf gesteld op de daden, die tot de voortplanting leiden. De reden is, dat bij de eerste klasse van daden de mannen voornamelijk bevrediging vinden; en dat in de andere klassen de vrouwen voornamelijk bevrediging vinden. Want het tragische in de oude sexueele moraal was, dat, terwijl ze alleen de mannen verantwoordelijk stelde voor sexueele daden, waarin de man en de vrouw beiden deel namen, de vrouwen zoowel maatschappelijk als wettelijk in de onmogelijkheid gesteld werden zich het feit van de mannelijke verantwoordelijkheid ten nutte te maken, tenzij ze de voorwaarden vervuld hadden, die de mannen voor haar gemaakt hadden, en die ze zichzelf toch niet oplegden. De daad van sexueelen omgang, die de daad was, waarin de mannen het meeste genoegen vonden, was onder alle omstandigheden een daad van gering maatschappelijk belang; de daad van het ter wereld brengen van een kind, die voor de vrouwen de meest werkelijk bevredigende van alle sexueele daden is, werd als een misdaad beschouwd, tenzij de vrouw van tevoren de voorwaarden vervuld had, die door den man geëischt werden. Dat was misschien het ongelukkigste en zeker het onnatuurlijkste van de resultaten van de patriarchale regeling van de maatschappij. Ze heeft nooit bestaan in een of anderen grooten Staat, waar de vrouwen wetgevende macht bezeten hebben.
Natuurlijk is er door abstracte theoretici gezegd, dat de vrouwen de zaken zelf in de hand hebben. Zij moeten nooit van een man houden, eer zij hem veilig in de wettige banden van het huwelijk vast hebben. Zulk een argument dient nergens toe, want het neemt geen nota van het feit, dat, terwijl liefde en zelfs monogamie natuurlijk zijn, het wettige huwelijk alleen maar een uiterlijke vorm is, met een zeer zwakke macht om de natuurlijke impulsen ten onder te brengen, behalve wanneer deze impulsen zwak zijn, en in het geheel geen macht om ze duurzaam ten onder te brengen. Beschaving sluit in zich den groei van het vooruitzien, en van zelfbeheersching in beide seksen; maar het is dwaas deze fijnste en laatste uitloopers van de beschaving bloot te stellen aan een druk, waartegen ze nooit bestand zouden kunnen zijn. Hoe dwaas het is, is kort en bondig, aangetoond door Lea in zijn bewonderenswaardige History of Sacerdotal Celibacy.
Vergelijken wij verder de geschiktheid van de beide geslachten op dit bijzondere gebied met elkaar, dan moeten wij er aan denken, dat mannen meer kracht van vooruitzien en zelfbeheersching bezitten, niettegenstaande de bescheidenheid en terughouding van de vrouwen. De sexueele sfeer is oneindig veel uitgebreider bij de vrouwen, zoodat, als de werkzaamheid eenmaal opgewekt is, het veel moeilijker is ze meester te worden of te beheerschen. Het is derhalve oneerlijk jegens de vrouwen, en het begunstigt in ongepaste mate de mannen, als een te hooge prijs wordt gesteld op vooruitzien en zelfbeheersching in sexueele zaken. Daar de vrouwen de overheerschende rol spelen in deze zaak der sexueele sfeer, moeten haar natuurlijke behoeften, eer dan die van de mannen, den standaard aangeven.
Met het erkennen van de moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen vinden de natuurlijke levensverhoudingen weer hun juiste oriënteering. Het moederschap wordt in zijn oude heiligheid hersteld. Het wordt de zaak van de vrouw zelf, en niet van de maatschappij of van eenig individu, om de voorwaarden te bepalen, waaronder het kind zal ontvangen worden. De maatschappij heeft het recht te eischen, dat de vader in ieder geval het feit van het vaderschap zal erkennen, maar ze moet de voornaamste verantwoordelijkheid voor al de omstandigheden van de kindervoortbrenging overlaten aan de moeder. Dat is het gezichtspunt, dat nu grond wint in alle beschaafde landen, zoowel in theorie als in de praktijk [307].
HOOFDSTUK X
HET HUWELIJK
De definitie van het huwelijk.--Het huwelijk in de dierenwereld.--Het overheerschen van de monogamie.--Het vraagstuk van het groepen-huwelijk.--De monogamie is een natuurlijk feit, niet gebaseerd op een wet der menschen.--Neiging om den vorm van het huwelijk te stellen boven het feit van het huwelijk.--De geschiedenis van het huwelijk.--Het huwelijk in het oude Rome.--Germaansche invloed op het huwelijk.--De groote uitbreiding van dezen invloed.--Het sacrament van het huwelijk.--Oorsprong en ontwikkeling van de opvatting als sacrament.--De kerk maakte het huwelijk tot een openbare daad.--Het canonieke huwelijksrecht.--De gezonde kern hiervan.--Zijn ontwikkeling.--Zijn onduidelijkheden en dwaasheden.--Eigenaardigheden van het Engelsche huwelijksrecht.--Invloed van de hervorming op het huwelijk.--De Protestantsche opvatting van het huwelijk als een wereldlijk verdrag.--De Puriteinsche huwelijks hervorming.--Milton als pionier voor de huwelijks hervorming.--Zijn beschouwingen over echtscheiding.--De achterlijke positie van Engeland op het gebied van de huwelijkshervorming.--Critiek op de Engelsche wet op de echtscheiding.--De tradities van het canoniek recht werken nog voort.--De kwestie van schadevergoeding bij echtbreuk.--Onderlinge verstandhouding is een beletsel voor echtscheiding.--Echtscheiding in Frankrijk, Duitschland, Oostenrijk, Rusland enz.--De Vereenigde Staten.--Onmogelijkheid de echtscheidingsgronden wettig vast te stellen.--Echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden.--De oorsprong en de ontwikkeling hiervan--Belemmering door de tradities van het canoniek recht.--Wilhelm von Humboldt.--Nieuwe voorstanders van echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden.--De argumenten tegen het gemakkelijker maken van de echtscheiding.--De belangen der kinderen.--De bescherming der vrouwen.--De tegenwoordige neiging in de behandeling van de echtscheidingsbeweging.--Het huwelijk is geen verdrag.--Het voorstel van een huwelijk voor een aantal jaren.--Wettelijke beperkingen en nadeelen in de positie van man en vrouw.--Het huwelijk is geen contract, maar een feit.--Alleen de bijkomende zaken van het huwelijk, niet de essentieele leenen zich tot een regeling bij contract.--De wettelijke erkenning van het huwelijk als feit zonder eenige ceremonie.--Contracteeren van de persoon is niet te vereenigen met de moderne neigingen.--De factor van de moreele verantwoordelijkheid.--Het huwelijk als een ethisch sacrament.--Persoonlijke verantwoordelijkheid sluit vrijheid in zich.--Vrijheid is de beste waarborg voor bestendigheid.--Onjuiste denkbeelden over indivudualisme.--De moderne neiging van het huwelijk.--Met de geboorte van een kind houdt het huwelijk op een persoonlijke aangelegenheid te zijn.--Ieder kind moet een wettigen vader en een wettige moeder hebben.--Hoe dit bereikt kan worden.--De vaste grondslag der monogamie.--De kwestie van huwelijksvariatie.--Zulke variaties staan niet vijandig tegenover de monogamie.--De meest gewone variaties.--De buigzaamheid van het huwelijk houdt variaties in toom.--Huwelijks variaties tegenover prostitutie.--Het huwelijk op humanen grondslag.--Samenvatting en besluit.
De bespreking in het vorige hoofdstuk van den aard van de sexueele moraal, met de korte schets, die zij bevatte van de richting, waarin die moraal zich beweegt, heeft noodzakelijk vele punten onaangeroerd gelaten. De vraag blijft nog open, welke bepaalde vormen de sexueele vereenigingen onder ons beginnen aan te nemen, en welke betrekking deze vereenigingen hebben op de godsdienstige, maatschappelijke, en wettelijke tradities, die wij geërfd hebben. Dit zijn zaken, waarover een vrij groote mate van onzekerheid schijnt te bestaan, te oordeelen naar de ongewoon revolutionaire of eccentrieke meeningen, die men er over te hooren krijgt.
Sexueele vereeniging, die tijdelijk of duurzaam cohabitatie van twee of meer personen in zich sluit, en die tot voornaamste doeleinden heeft het voortbrengen en de verzorging van een nageslacht, wordt gewoonlijk huwelijk genoemd. De groep, die zoo gevormd wordt, heet een familie. Dit is de beteekenis, waarin de woorden "huwelijk" en "familie" meest eigenlijk gebruikt worden, hetzij we spreken van de dieren of van den mensch. We zien dus, dat er gelegenheid is voor variaties, zoowel wat den duur van de vereeniging aangaat, als wat het aantal van de haar vormende individuen betreft, terwijl de hoofdfactor voor de bepaling van deze punten het belang van de nakomelingschap is. In de praktijk echter hebben sexueele vereenigingen, niet alleen bij den mensch, maar ook bij de hoogere dieren, de neiging langer te duren dan het belang van de nakomelingschap van een seizoen het eischt, terwijl het feit, dat bij de meeste soorten het aantal der mannetjes en der vrouwtjes ongeveer gelijk is, het onvermijdelijk maakt, dat de familie gevormd wordt door een enkel paar individuen van verschillend geslacht, zoodat monogamie, hoewel steeds met vele uitzonderingen, hoofdregel is.
We zien dus, dat het huwelijk zijn middelpunt vindt in het kind en dat het in den oorsprong geen reden van bestaan heeft buiten de welvaart van de nakomelingschap. Onder de lager georganiseerde dieren, die van het begin van hun leven af in staat zijn voor zich zelf te zorgen bestaat geen familie en geen behoefte aan het huwelijk. Als bij menschen op de geslachtsvereeniging geen nakomelingschap volgt, dan kunnen er wel gronden bestaan voor het voortduren van die vereeniging, maar dit zijn geen gronden, waarbij hetzij de natuur of de maatschappij eenig direct belang heeft. Het huwelijk, dat zich onder de dieren door erfelijkheid gevormd heeft op de basis der natuurlijke keuze, en dat door de lagere menschenrassen voortgezet is door gewoonte en traditie, door de meer beschaafde rassen door den daarbij komenden regelenden invloed van wettige instellingen, is geweest huwelijk terwille van het nageslacht [308]. Zelfs bij beschaafde rassen, bij wie het aantal kinderlooze huwelijken groot is, is het huwelijk meestal zoo ingericht, dat het steeds het verwekken van kinderen aanneemt, en de duurzaamheid in zich sluit, die daarvoor geëischt wordt.
Bij vogels, die, wat hun erotische ontwikkeling betreft, in de dierenwereld bovenaan staan, is de monogamie dikwijls overheerschend (volgens sommige schattingen ongeveer 90 percent), en de vereenigingen zijn meestal duurzaam; denzelfden toestand vindt men, al is 't niet zoo volkomen, bij sommige van de hoogere zoogdieren, vooral bij de anthropoide apen; zoo bestaan onder de gorilla's en oerang-oetans permanente monogamische huwelijken, waarbij de jongen soms bij de ouders blijven tot hun zesde jaar, terwijl alles, wat lijkt op loszinnig gedrag van den kant van het wijfje, door het mannetje streng gestraft wordt. De variaties, die voorkomen, zijn dikwijls een kwestie van aanpassing aan de omstandigheden; zoo zegt J. G. Millais (Natural History of British Ducks, pp. I, 63), dat de lepeleend, hoewel zij normaal monogamisch is, polyandrisch wordt als er te veel mannetjes zijn, en dat dan twee mannetjes voortdurend en vriendschappelijk zorg dragen voor eén wijfje, zonder teekenen van jaloezie; ook bij de monogamische wilde eenden komen nu en dan polygynie en polyandrie voor. Zie ook R. W. Schufeldt, "Mating Among Birds", American Naturalist, Maart, 1907; voor huwelijken onder de zoogdieren zie men een belangrijk geschrift van Robert Müller, "Säugethierchen", Sexual-Probleme, Jan., 1909, en wat het overheerschen van de monogamie aangaat, zie men Woods Hutchinson, "Animal Marriage", Contemporary Review, Oct., 1904, en Sept. 1905.
Men is het onder de historici van het huwelijk lang oneens geweest over den oorspronkelijken vorm van het menschelijk huwelijk. Sommigen meenen, dat een oorspronkelijk bestaande gemengde staat zich langzamerhand in de richting van de monogamie gewijzigd heeft; anderen beweren, dat de mensch begon waar de anthropoide aap ophield, en dat de monogamie over het geheel doorloopend overheerschend geweest is. Deze beide tegenovergestelde gezichtspunten, in hun uitersten vorm, schijnen onhoudbaar, en de waarheid zal wel in het midden liggen. Het is door verschillende schrijvers, en voornamelijk door Westermarck (History of Human Marriage, hoofdst. IV-VI) aangetoond, dat er geen gezonde bewijsgronden zijn voor een oorspronkelijken gemengden staat, en dat er tegenwoordig weinig natuurvolken zijn, zoo ze er al zijn, die in echte onbeperkte gemengde staat leven. Deze theorie van een oorspronkelijke promiscuïteit schijnt ontstaan te zijn, naar J. A. Godfrey aangetoond heeft (Science of Sex, p. 112), door de gemengde prostitutie, die in beschaafde maatschappijen bestond, hoewel deze gemengde staat in werkelijkheid eerder het gevolg was dan de oorzaak van het huwelijk. Aan den anderen kant kunnen we nauwelijks zeggen, dat er eenig overtuigend bewijsmateriaal is van oorspronkelijke strikte monogamie, behalve de onderstelling, dat de eerste mensch de sexueele gewoonten van den anthropoiden aap voortzette. Het schijnt echter waarschijnlijk, dat de groote schrede voorwaarts, die het overgaan van aap tot mensch met zich bracht, samenging met een verandering in de sexueele gewoonten, die leidde tot het aannemen van een meer samengesteld systeem dan de monogamie. Het is moeilijk te zien op welk ander maatschappelijk gebied dan dat der sekse, de oorspronkelijke mensch werkzaamheid kon vinden voor de zich ontwikkelende intellectueele en moreele bekwaamheden, de fijne onderscheidingen en de moreele beperkingen, waarvoor de strikte monogamie, door de dieren in praktijk gebracht, geen ruimte liet. Het is even moeilijk te zien, op welke andere basis, dan die van de sekse, een nauwer verbonden sexueel systeem, de vereenigde en harmonieuze pogingen, noodig voor maatschappelijken vooruitgang, zich konden hebben ontwikkeld. Het is waarschijnlijk, dat tenminste een van de beweegredenen tot de exogamie, of het huwelijk buiten den groep, is (zooals waarschijnlijk het eerst door den heiligen Augustinus is aangetoond in zijn De Civitate Dei) de behoefte, een grooter maatschappelijken kring te stichten en zoo de maatschappelijke werkzaamheden en den maatschappelijken vooruitgang te vergemakkelijken. Precies hetzelfde doel wordt bereikt door een samengesteld huwelijkssysteem, dat een groot aantal personen samenbindt door gemeenschappelijke belangen. De strikt kleine en beperkte monogamische familie, hoe uitstekend ze ook zorgde voor de belangen van het nageslacht, hield geen belofte in voor een ruimeren maatschappelijken vooruitgang. Wij zien dit zoowel bij de mieren als bij de bijen, die van alle dieren de hoogste maatschappelijke organisatie bereikt hebben; hun vooruitgang was slechts mogelijk door een grondige wijziging van het systeem van sexueele betrekkingen. Zooals Espinas vele jaren geleden gezegd heeft (in zijn tot nadenken stemmend boek Des Sociétés Animales): "Het samenhangen van de familie en de mogelijkheid van het geboren worden van nieuwe maatschappijen staan in omgekeerde verhouding". Of, zooals Schurtz onlangs aangetoond heeft, hoewel het monogame huwelijk in den beginne min of meer overheerscht heeft, hebben de eerste maatschappelijke instellingen, de eerste denkbeelden en de eerste godsdienst sexueele gewoonten met zich gebracht, die een strikte monogamie wijzigden.
De meest primitieve vorm van een samengesteld menschelijk huwelijk die tot nu toe is uitgebeeld, en die nog schijnt te bestaan, is wat het groepenhuwelijk genoemd wordt, waarbij al de vrouwen van de eene klasse beschouwd worden als werkelijke of in ieder geval als mogelijke echtgenooten van al de mannen in een andere klasse. Dit is opgemerkt bij sommige stammen uit Midden-Australië, stammen, die zoo primitief zijn en afgezonderd van uiterlijke invloeden als men ze maar vinden kan, en het schijnt vroeger onder hen nog meer te zijn voorgekomen. "In den stam der Urabunna bijvoorbeeld", zeggen Spencer en Gillen, "hebben een groep van mannen werkelijk voortdurend en als normale toestand, huwelijksverhoudingen met een groep vrouwen. Deze staat van zaken heeft niets ter wereld te maken met polygamie, of ook met polyandrie. Het is eenvoudig een kwestie van een groep mannen en een groep vrouwen, die wettig mogen hebben wat wij huwelijksverhoudingen noemen. Er is niets hoegenaamd abnormaals hierin, en naar alle waarschijnlijkheid is dit systeem van wat men een proefhuwelijk zou kunnen noemen, omdat het er toe dient groepen van individuen, die wederkeerig belang hebben bij elkander's welvaart, min of meer nauw aan elkaar te binden, een van de machtigste werktuigen geweest in de eerste stadiën van de voortschrijdende ontwikkeling van het menschelijk ras" (Spencer en Gillen, Northern Tribes of Central Australia, p. 74; vergelijk A. W. Howitt, The Native Tribes of South-East Australia). Het groepenhuwelijk, met de afstamming in de vrouwelijke lijn, zooals ze in Australië gevonden wordt, schijnt zich langs verschillende stadiën van vooruitgang te wijzigen in het individueele huwelijk met de afstamming in de mannelijke lijn, terwijl een overblijfsel van het groepenhuwelijk misschien is blijven bestaan in het veel besproken jus primae noctis. (We moeten hieraan toevoegen, dat Mr. N. W. Thomas, in zijn boek over Kinship and Marriage in Australia, 1908, tot de conclusie komt, dat het groepenhuwelijk in Australië niet gedemonstreerd is, en dat Professor Westermarck in zijn Origin and Development of the Moral Ideas, evenals in zijn vroegere History of Human Marriage, een sceptische meening staande houdt jegens het groepenhuwelijk in het algemeen; hij meent, dat de gewoonte der Urabunna zich misschien zal ontwikkeld hebben uit het gewone individueele huwelijk, en hij beschouwt de theorie van het groepenhuwelijk als "het legaat van de oude theorie der promiscuïteit". Ook Durkheim meent, dat het Australische huwelijkssysteem niet tot het primitieve behoort, "Organisation Matrimoniale Australienne", L'Année Sociologique, achtste jaar, 1905). Het is gemakkelijk te zien dat met het bereiken van een bepaald niveau van maatschappelijken vooruitgang een ruim en gecompliceerd systeem van sexueele verhoudingen ophoudt zijn waarde te hebben, en dat een min of meer gequalificeerde monogamie neiging heeft te overheerschen als meer in harmonie met de eischen van maatschappelijke stabiliteit en zich uitende mannelijke energie.
De beste historische bespreking van het huwelijk is waarschijnlijk nog de History of Human Marriage door Westermarck, hoewel ze nu op sommige punten behoefte heeft aan verbetering en aanvulling; onder andere nieuwere boeken, die handelen over primitieve sexueele opvattingen mogen we speciaal noemen de Mystic Rose van Crawley, terwijl de feiten over de verandering van het huwelijk onder de hoogere menschelijke rassen uiteengezet zijn in de History of Matrimonial Institutions (3 deelen), dat vele verwijzingen bevat naar andere boeken. Er is een uitmuntende beknopte, maar duidelijke en begrijpelijke schets van de ontwikkeling van het moderne huwelijk in Pollock en Maitland, History of English Law, deel II.
We moeten vrijheid laten voor variaties, en daarbij moeten we de uiterste theoretici vermijden, maar we mogen toch tot de conclusie komen, dat--zooals het vrijwel gelijke aantal mannen en vrouwen aanduidt--in de menschelijke soort, evenals onder vele van de hoogere dieren, een min of meer duurzame monogamie over het geheel neiging heeft gehad te overheerschen. Dat is een feit van groote beteekenis in zijn verwikkelingen. Want wij moeten ons voor oogen stellen, dat wij hier staan tegenover een natuurlijk feit. Sexueele verhoudingen volgen, zoowel in menschelijke als in dierlijke maatschappijen, een natuurlijke wet, terwijl ze aan beide zijden van den norm varieeren en er is geen plaats voor de theorie, dat die wet willekeurig opgelegd was. Als alle kunstmatige "wetten" afgeschaft konden worden, dan zou de natuurlijke orde van de sexueele verhoudingen toch in hoofdzaak blijven bestaan, zooals ze op het oogenblik is. Deugd, zeide Cicero, is alleen maar Natuur tot het uiterste doorgevoerd. Of, zooals Holbach het uitdrukt, waar hij beweert, dat onze instellingen neigen in de richting, die de natuur aanwijst, "kunst is alleen maar natuur, werkend met behulp van de instrumenten, die zij zelf gemaakt heeft". Shakespeare had reeds zoowat dezelfde waarheid gezien, toen hij zeide, dat de kunst, die aan de natuur toevoegt, "een kunst is, die de natuur maakt". De wet en de godsdienst hebben de monogamie gesteund; ze berust niet op deze, maar op de behoeften van de menschheid, en deze heiligen de monogamie in voldoende mate [309]. Of, zooals Cope zegt, het huwelijk is niet de schepping van de wet, maar de wet is de schepping van het huwelijk [310]. En Crawley legt, in zijn studie over primitieve sexueele verhoudingen, den nadruk op het feit, dat ons formeele huwelijkssysteem niet is, zooals zoovele godsdienstige en moreele schrijvers gemeend hebben, een met geweld onderdrukken van natuurlijke impulsen, die in meer vloeibaren vorm van het begin af aan in de menschelijke natuur aanwezig zijn geweest. We moeten wel gelooven, dat onze conventioneele vormen geen nieuwe elementen van waarde hebben ingevoerd; integendeel zijn ze in sommige opzichten nadeelig geweest.
Het is noodig in de herinnering te houden, dat de conclusie, dat het monogame huwelijk natuurlijk is, en een orde te zien geeft, die in harmonie is met de instincten van de meerderheid van het volk, in het geheel niet een meegaan met de onderdeelen van eenig bijzonder systeem van monogamie in zich sluit. Het monogame huwelijk is een natuurlijk biologisch feit. Als een hoog geacht psychiater, Dr. Clouston, schrijft (The Hygiene of Mind, p. 245) "er is maar één natuurlijke wijze om de sexueele nisus en het instinct van reproductie te bevredigen, namelijk het huwelijk", dan vereischt de bewering de noodige toelichting eer ze kan worden aangenomen, of zelfs een begrijpelijke beteekenis kan krijgen, en als we onder "huwelijk" moeten verstaan den specialen vorm en de speciale verwikkelingen van de Engelsche huwelijkswet, of zelfs van de iets meer verlichte Schotsche wet, is de bewering absoluut valsch. Er is een wereld van verschil, zooals J. A. Godfrey opmerkt (The Science of Sex, 1901, p. 278), tusschen het natuurlijke monogame huwelijk en ons wettelijk systeem; "het eerste is de uiterlijke uitdrukking van het beste, dat er in de sexualiteit van den mensch is; het tweede is een schepping, waarbij godsdienstige en moreele bijgeloovigheden een hoogst belangrijke rol gespeeld hebben, niet altijd ten voordeele van de gezondheid van het individu en van de maatschappij".
Wij moeten ons derhalve wachten voor de meening, dat er iets stars of formeels is in de natuurlijke orde der monogamie. Sommige sociologen zouden zelfs de natuurlijkheid van de monogamie nog verder willen beperken. Zoo accepteert Tarde de neiging tot monogamie als natuurlijk onder de tegenwoordige toestanden, verzacht door meer of minder heimelijk concubinaat, om te overheerschen over alle andere huwelijksvormen, en hij meent, dat het niet berust op een of ander onweerstaanbaren invloed, maar alleen op het feit, dat dit soort van huwelijk door de meerderheid van de menschen in praktijk wordt gebracht, de meest beschaafden niet uitgesloten.
Met de erkenning van de neiging tot monogamie zijn we niet aan het einde van de sexueele moraal, maar eerst aan het begin. Het is niet de monogamie, die het hoofdpunt is, maar het soort van leven, dat de menschen in de monogamie leiden. Het aannemen van een monogamischen regel brengt ons maar een klein eindje verder. Dat is een feit, dat niet nalaten kan zich op te dringen aan hen, die de sexueele kwesties van psychologische zijde naderen.
Als de monogamie zoo'n stevige basis heeft, is het onredelijk te vreezen voor, of te hopen op eenige radicale wijziging in de instelling van het huwelijk; dit huwelijk, dat men niet alleen uit godsdienstig of wettelijk oogpunt moet beschouwen, maar als een orde, die op aarde verscheen zelfs nog eerder dan de mensch. De monogamie is de meest natuurlijke uiting van een impuls, die als regel niet goed tot vollen wasdom kan komen onder omstandigheden, die een minder langen tijd van wederzijdsche gemeenschap en intimiteit met zich brengen. Variaties, beschouwd als onvermijdelijke slingeringen om den norm, zijn ook natuurlijk, maar vereeniging in paren moet altijd de regel zijn, omdat het aantal individuen van de seksen altijd ten naastenbij gelijk is, terwijl de behoeften van het gemoedsleven, zelfs afgezonderd van de behoeften van de nakomelingschap, eischen, dat zulke vereenigingen, gebaseerd op wederzijdsche aantrekking, zooveel mogelijk duurzaam zullen zijn.
Het moet hier weer herhaald worden, dat het de werkelijkheid is, en niet de vorm of de duurzaamheid van de huwelijksvereeniging, die er het essentieele en belangrijke deel van is. Het is niet de wettelijke of godsdienstige formaliteit, die het huwelijk heiligt, het is de werkelijkheid van het huwelijk, die den vorm ervan heiligt. Fielding heeft in Nightingale, den vriend van Tom Jones, het kleingeestige gezichtspunt van de maatschappij over het huwelijk bespot, daar deze de werkelijkheid van het huwelijk verlaagt om den vorm te verheffen. Het kost Nightingale de grootste moeite een meisje te trouwen, waarmee hij reeds sexueele gemeenschap gehad heeft, hoewel hij de eenige man is, die betrekkingen met haar heeft gehad. Op de argumenten van Jones antwoordt hij: "Het gezond verstand bekrachtigt alles wat je zegt, maar toch zul je wel weten, dat de opinie van de wereld er zóo tegen is, dat, als ik met een hoer zou trouwen, al was ze dan ook de mijne, ik mij zou schamen om ooit weer mijn aangezicht te vertoonen". Het kan niet gezegd worden, dat Fielding's satyre zelfs nu nog verouderd is. Zoo schijnt het in Pruisen, volgens Adèle Schreiber ("Heiratsbeschränkungen", Die Neue Generation, Febr. 1909), nu nog feitelijk voor een militair officier onmogelijk te zijn om te trouwen met de moeder van zijn eigen onwettig kind.
De verheerlijking van den vorm ten koste van de werkelijkheid van het huwelijk is zelfs in poëzie beproefd door Tennyson in het minst geïnspireerde van zijn werken, The Idylls of the King. In "Lancelot and Elaine" en "Guinevere" (zooals Julia Magruder aanduidt, North American Review, April 1905) is Guinevere getrouwd met koning Arthur, dien zij nooit gezien heeft, toen ze al verliefd was op Lancelot, zoodat het "huwelijk" slechts een ceremonie was, en niet een werkelijk huwelijk (vergelijk May Child, "The Weird of Sir Lancelot", North American Review, Dec. 1908).
Het zal misschien sommigen toeschijnen, dat een zoo conservatieve appreciatie van de neigingen der beschaving in zaken van sexueele liefde berust op een vreesachtig hangen aan louter tradities. Dat is het geval niet. Wij moeten erkennen, dat het huwelijk stevig in evenwicht gehouden wordt door den druk van twee tegenovergestelde krachten. Er zijn twee stroomingen in den loop van onze beschaving: de eene, die zich voortbeweegt naar een steeds grooter wordende maatschappelijke orde en samenhang, de andere die zich voortbeweegt naar een steeds grootere individueele vrijheid. Er ligt werkelijke harmonie ten grondslag aan de schijnbare tegenstelling in deze twee neigingen, en elk is de onvermijdelijke aanvulling van den ander. Er kan geen werkelijke vrijheid zijn voor het individu in de zaken, die dat individu alleen aangaan, tenzij er een samenhangende orde is in de dingen, die hem aangaan als maatschappelijke eenheid. Het huwelijk raakt in één opzicht alleen de twee individuen, die het samenstellen, in een ander opzicht raakt het hoofdzakelijk de maatschappij. De twee krachten kunnen niet samenwerken om het huwelijk te vernietigen, want de eene werkt de andere tegen. Zij werken samen om de monogamie in alle hoofdpunten op de basis, waarop zij sedert onheugelijke tijden gestaan heeft, staande te houden.
Hier moet aan toegevoegd worden, dat in de niet essentieele omstandigheden van de monogamie er altijd een voortdurende verandering geweest is en dat die er altijd zal blijven. Alle traditioneele instellingen, hoe stevig ze ook wortelen in natuurlijke impulsen, worden altijd op sommige punten dood en star, en groeien op andere punten verder. Het is de poging om hun levenskracht in stand te houden, en hun elastische aanpassing aan de omgeving te bewaren, die dit systeem van wijzigingen in zaken van nevenbelang in zich sluit.
De eenige weg, waarlangs wij met vrucht de kwestie van de waarde der veranderingen, die nu plaats vinden in ons huwelijkssysteem, kunnen naderen, is het beschouwen van de geschiedenis van dat systeem in het verleden. Op die wijze leeren we de werkelijke beteekenis kennen van het huwelijkssysteem, en we begrijpen welke veranderingen al of niet samengaan met een mooie beschaving. Als we bekend zijn met de veranderingen van het verleden, kunnen we met meer vertrouwen de veranderingen van het heden onder de oogen zien.
De geschiedenis van het huwelijkssysteem van de moderne beschaafde volken begint in de latere dagen van het Romeinsche Keizerrijk in den tijd toen de grond gelegd werd voor die Romeinsche wet, die zoo'n grooten invloed uitgeoefend heeft in het Christendom. Wij hebben reeds verwezen [311] naar het belangrijke feit, dat in den laatsten tijd van het Romeinsche rijk de vrouwen een positie van bijna volkomen onafhankelijkheid tegenover haar mannen verkregen hadden, terwijl de autoriteit, die door haar vaders over haar werd uitgeoefend, voor het grootste deel, nog bijna alleen in naam bestond. Deze hooge staat van de vrouwen ging, zooals we dat altijd zien, samen met een hoogen graad van vrijheid in het huwelijkssysteem. De Romeinsche wet had geen macht om bij het vormen van huwelijken tusschenbeide te komen, en er waren geen wettelijke vormen van huwelijk. De Romeinen erkenden, dat het huwelijk een feit was en niet enkel een wettelijke vorm; in het huwelijk door usus was in het geheel geen ceremonie; het werd gevormd door het enkele feit van samen te leven een geheel jaar lang; toch werd zulk een huwelijk beschouwd als even wettig en volkomen alsof het begonnen was met de heilige rite van de confarreatio. Het huwelijk was een zaak van eenvoudige persoonlijke overeenkomst, waarbij de man en de vrouw elkander ontmoetten op den voet van gelijkheid. De vrouw behield de volle heerschappij over haar bezittingen; de barbaarschheid van het instellen van een proces tot teruggave van huwelijksrechten was onmogelijk, echtscheiding was een persoonlijke handeling, waarop de vrouw even volkomen recht had als de man, en er was geen inquisitorische tusschenkomst noodig van den magistraat of van het gerechtshof; wel verklaarde Augustinus, dat een openlijke verklaring noodig was, maar de echtscheiding zelf was een persoonlijke wettige daad van de twee personen, die het aanging [312]. Het is interessant deze verlichte opvatting van het huwelijk op te merken, zooals ze heerschte in het grootste en krachtigste Keizerrijk, dat ooit over de wereld geheerscht heeft, niet ten tijde van zijn grootste macht,--want het maximum van kracht en het maximum van uitbreiding, de knop en de volle bloem, zijn noodzakelijk onvereenigbaar,--maar ten tijde van zijn grootste ontwikkeling. In den chaos, die op de ontbinding van het Keizerrijk volgde, bleef de Romeinsche wet bestaan als een kostbaar legaat aan de nieuwe zich ontwikkelende naties, maar zijn invloed was onafscheidelijk verbonden met dien van het Christendom, dat, hoewel het eerst niet geneigd was geweest zelf huwelijkswetten in te stellen, langzamerhand een aangroeiend ascetisch gevoel ontwikkelde, dat gelijkelijk vijandig werd aan de waardigheid van de getrouwde vrouw en aan de vrijheid van huwelijk en van echtscheiding [313]. Met dien invloed ging samen de invloed, die van den Bijbel uitging, van het barbaarsche Joodsche huwelijkssysteem, dat aan den echtgenoot rechten gaf in huwelijk en echtscheiding, die ten eenenmale aan de vrouw ontzegd werden; dit was een invloed, die nog grooter kracht kreeg met de Reformatie, toen de autoriteit, eens aan de Kerk toegekend, grootendeels op den Bijbel werd overgedragen. Eindelijk was er in een groot deel van Europa, dat de meest energieke en uitgestrekte deelen insloot, de invloed van de Germanen, een invloed, die nog primitiever was dan die van de Joden, die de opvatting deed ontstaan, dat de vrouw als het ware behoorde tot den veestapel van den man, en dat het huwelijk een koop was. Al deze invloeden botsten tegen elkaar en verschenen dikwijls naast elkaar, hoewel ze niet in harmonie gebracht konden worden. Het resultaat was, dat de vijftien honderd jaar, die volgden op de volkomen overwinning van het Christendom, over het geheel de meest lagen toestand laten zien, waartoe het huwelijkssysteem voor zoover we weten, ooit tijdens den geheelen duur van de menschelijke geschiedenis zóó langen tijd vervallen is.
In het eerst duurde de heilzame invloed van Rome nog eeniger mate voort en ontwikkelde zich zelfs opnieuw. In den tijd van de Christelijke Keizers werd de vrijheid tot echtscheiden afwisselend in stand gehouden en afgeschaft [314]. Wij vinden zelfs de wijze en ver-ziende voorzorg van de wet, die zegt, dat een contract van de twee partijen om nooit te scheiden, geen wettige kracht kon hebben. Het verbod van Justinianus om echtscheiding te verkrijgen bij wederzijdsch goedvinden gaf aanleiding tot veel huiselijk verdriet, en zelfs tot misdaad, hetgeen de oorzaak schijnt geweest te zijn, dat het onmiddellijk weer opgeheven werd door zijn opvolger. Theodosius, die nog de oude Romeinsche traditie staande hield van de gelijkheid van de seksen, verleende aan de vrouw de vrijheid om evenzeer als de man echtscheiding te verkrijgen voor echtbreuk; dat is een punt, dat we in het tegenwoordige Engeland nog niet bereikt hebben.
Het schijnt aan alle kanten toegegeven te worden, dat het in ruime mate de fatale invloed van den inval van de barbaarsche Germanen geweest is, die, toen zij ze niet konden doen verdwijnen, de edele opvatting van de gelijkheid van vrouwen met mannen naar beneden haalden, evenals de waardigheid en de vrijheid van het huwelijk, die zich langzamerhand door het organiseerend genie van den Romein gevormd hadden tot een traditie, die nu nog een hooge waarde behoudt. De invloed van het Christendom had eerst geen verlagenden invloed van deze soort; want het ascetische ideaal was nog niet overheerschend, priesters trouwden als of het vanzelf sprak, en er bestond geen moeilijkheid om de huwelijksorde aan te nemen, die ingesteld werd; het was zelfs mogelijk er nieuwe levenskracht en vrijheid aan toe te voegen. Maar de Germanen, met al de primitieve hebzuchtige en strijdlustige instincten van ongetemde wilden, gingen in het onderwerpen van hun vrouwen veel verder dan zelfs de oude Romeinen; wel stonden zij aan hun ongetrouwde meisjes een groote mate van toegevendheid en zelfs sexueele vrijheid toe,--evenals ook de Christenen hun maagden vereerden [315],--maar het Germaansche huwelijkssysteem plaatste de vrouw, vergeleken met de vrouw van het Romeinsche Keizerrijk, in een toestand, die maar weinig beter was dan die van een huisslaaf.
In den een of anderen vorm, onder de eene of andere vermomming overheerschte bij de Germanen het systeem van koop van de vrouw, en altijd, als dit systeem van invloed is, zelfs als de vrouw geëerd wordt, worden haar voorrechten ingekort [316]. Bij de Teutonische volken in het algemeen, evenals bij de eerste Engelsche, was het huwelijk werkelijk een persoonlijke handeling, maar ze nam den vorm aan van een verkoop van de bruid door den vader, of anderen wettigen voogd, aan den bruigom. De beweddung was een werkelijk koopcontract [317]. Het "koophuwelijk" was de meest gewone vorm van huwelijk. De ring was niet, zooals sommigen hebben gemeend, een teeken van ondergeschiktheid, maar eerder een vorm van bruidprijs, of arrha, dat is te zeggen een boetegeld voor het huwelijk en zoo het symbool ervan [318]. Eerst een teeken van den koop van de bruid, verkreeg de ring later de beteekenis van onderwerping aan den bruidegom, en die beteekenis werd in de Middeleeuwen nog nadrukkelijker daaraan gehecht door andere ceremonies. Zoo moest in Engeland, volgens de handboeken van York en Sarum de bruid, na het geven van den ring, den bruidegom te voet vallen, en soms zijn rechter voet kussen. Ook in Rusland kuste de bruid de voeten van haar man. Op een lateren tijd, in Frankrijk, werd deze gewoonte verzacht en werd het de gewoonte, dat de bruid den ring voor het altaar liet vallen, en dan voor de voeten van haar man bukte om hem op te rapen [319]. Het leenstelsel zette deze Teutonische invloeden voort en vergrootte ze door zijn militair karakter. Een leengoed was land, dat gehouden werd op voorwaarde van militairen dienst, en de aard van den invloed daarvan op het huwelijk blijkt wel uit dit feit. De vrouw werd gegeven met het leengoed en haar eigen wil telde in het geheel niet mee [320].