← De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij

De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij (part 3 of 4)

Part 3 of 4 · Ellis, Havelock · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #62660, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (4)

Continue:

De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij (part 3 of 4)

De Christelijke kerk nam eerst de vormen aan van het huwelijk, zooals ze reeds bestonden in de landen, waar het kwam, de Romeinsche vormen in de Latijnsche landen met Latijnsche traditie en de Germaansche vormen in de Teutonische landen. Het eischte alleen maar (zooals het ook geëischt wordt voor andere burgerlijke contracten, zooals een gewone verkoop), dat zij geheiligd zullen worden door een priesterlijke inzegening. Maar het huwelijk werd door de kerk erkend, zelfs bij afwezigheid van zulk een inzegening. Er was geen speciale godsdienstige huwelijksdienst, in het Oosten noch in het Westen, vroeger dan de zesde eeuw. Het was eenvoudig de gewoonte voor het pas getrouwde paar, nadat de huwelijksceremonies waren afgeloopen, den dienst in de kerk bij te wonen, naar den gewonen dienst te luisteren en het sacrament te nemen. Een speciale huwelijksdienst ontwikkelde zich langzamerhand, en die maakte geen deel uit van het werkelijke huwelijk. In de tiende eeuw (in ieder geval in Italië en Frankrijk) begon het de gewoonte te worden het eerste deel van de werkelijke bruiloft, nog een zuiver tijdelijke daad, buiten de kerkdeur te vieren. Dit werd spoedig gevolgd door de echte trouwmis, direct op de gelegenheid toepasselijk, in de kerk. In de twaalfde eeuw leidde de priester de ceremonie, die nu een indrukwekkend ritueel in zich sloot, dat buiten de kerk begon en eindigde met de bruidsmis in de kerk. In de dertiende eeuw leidde de priester, terwijl hij de voogden van het jonge paar verving, zelf de geheele ceremonie. Tot dien tijd toe was het huwelijk een zuiver persoonlijke handeling geweest. Zoo was, na meer dan duizend jaar van het Christendom, niet door de wet, maar door den langzamen groei van de gewoonte, het kerkelijk huwelijk ingesteld [321].

Het was ongetwijfeld een gebeurtenis van zeer groot belang, niet alleen voor de kerk, maar voor de geheele geschiedenis van het Europeesche huwelijk zelfs tot op dezen dag toe. De geheele wijze van bruiloft vieren van tegenwoordig is gegrond op die van de Katholieke kerk, zooals ze in de twaalfde eeuw ingesteld is en geformuleerd werd in de canonieke wet. Zelfs de afkondigingen vinden hier hun oorsprong, en het feit, dat in ons modern burgerlijk huwelijk de openlijke ceremonie plaats vindt op een kantoor en niet in een kerk kan wel het feit verbergen, maar niet veranderen, dat het huwelijk direct en ontwijfelbaar afstamt van de publieke kerkelijke ceremonie, die een belichaming was van den langzamen en slimmen triomf--zoo langzaam en slim, dat de geschiedenis ervan moeilijk is na te sporen--van Christelijke priesters over de persoonlijke aangelegenheden van mannen en vrouwen. Voordat zij deze taak op zich namen was het huwelijk overal de persoonlijke aangelegenheid van de personen, die er bij betrokken waren; toen ze die taak volbracht hadden,--en ze was niet geheel volbracht vóor het concilie van Trente,--was een niet-officieel huwelijk een zonde geworden en bijna een misdaad [322].

Op het eerste gezicht moet het onze verwondering wekken, dat de kerk, die, zooals we weten, een steeds grootere neiging had getoond om de maagdelijkheid te vereeren en om sexueele verhoudingen te minachten, toch, parallel met die beweging en met den aangroeienden invloed van het ascetisme, zoo'n grooten ijver getoond heeft om het huwelijk buit te maken en er een openbaar, waardig en godsdienstig karakter aan te verleenen. Er was echter geen tegenspraak. De factoren, die het Europeesche huwelijk, als een geheel genomen, vormden, waren werkelijk van geheel verschillenden aard en sloten dikwijls onverzoenbare tegenstellingen in zich. Maar wat de van de kerk uitgaande pogingen van de wetgevende geestelijkheid betreft, die kwamen voort uit een bepaald en begrijpelijk standpunt. Juist de geringschatting van het sexueele instinct sloot, daar het instinct niet uitgeroeid kon worden, de noodzakelijkheid in zich, er een wettig kanaal voor te openen, zoo dat het kerkelijk huwelijk, naar men gezegd heeft, "analoog is met de vergunning tot het verkoopen van sterken drank" [323]. Bovendien gaf het huwelijk blijk van de macht der kerk om aan de sexueele verhoudingen, die er door ontstonden, een waardigheid en een distinctie te verleenen, die ze duidelijk zouden onderscheiden van den algemeenen stroom van den lust. Sexueel genot is onrein, de geloovige kan er niet van gebruik maken, eer het gereinigd is door de sacramenten van de kerk. De heiliging van het huwelijk was het noodzakelijk gevolg van de heiliging van de maagdelijkheid. Het werd noodig het huwelijk te heiligen, en daaruit ontwikkelde zich het onverbreekbare sacrament van het huwelijk. De opvatting van het huwelijk als een godsdienstig sacrament, een opvatting van vèrstrekkenden invloed, is de groote bijdrage van de Katholieke kerk tot de geschiedenis van het huwelijk.

Het is van belang in de herinnering te houden, dat, terwijl het Christendom het denkbeeld van het huwelijk als een sacrament in den grooten stroom van de geschiedenis der instellingen van Europa gebracht heeft, dat denkbeeld alleen maar ontwikkeld was door de kerk, niet er door uitgedacht. Het is een oud en zelfs primitief denkbeeld. De Joden hielden het huwelijk voor een magisch-godsdienstigen band, die iets mystieks bevatte, dat op een sacrament geleek, en die opvatting, zegt Durkheim (L'Année Sociologique, achtste jaar, 1905, p. 419), is misschien zeer oud en hangt samen met den over het algemeen magischen aard van de sexueele verhoudingen. "De enkele daad van de vereeniging," merkt Crawley op (The Mystic Rose, p. 318) over natuurvolken, "is mogelijk een huwelijksceremonie van de sacramenteele soort... Men mag zelfs aan de vroegste animistische menschen een vage notie van die soort toekennen, voordat eenige ceremonie zich kristalliseerde". "Het wezen van een huwelijksceremonie", gaat dezelfde schrijver voort, "is het "zich vereenigen" van een man en een vrouw; in de woorden van den dienst in de Engelsche kerk, "daarvoor zal een man zijn vader en moeder verlaten en zal vereenigd worden met zijn vrouw; en zij zullen één vleesch worden". Aan de andere zijde van de wereld, onder de Orang Benuas, worden de volgende woorden door een van de oudsten van den stam uitgesproken als een huwelijk ingezegend wordt: "Luistert gij allen, die tegenwoordig zijt; zij, die verwijderd waren, zijn nu tezamen gebracht; zij, die tot nu toe gescheiden waren, zijn nu vereenigd". Huwelijksceremonieën kunnen in alle stadiën van de cultuur met even veel recht godsdienstig genoemd worden als iedere andere ceremonie, welke ook. Zij, die gescheiden waren, zijn nu verbonden, zij, die wederkeerig tabu waren, breken nu het tabu". Zoo voorkomen de ceremonieën de zonde en wenden het gevaar af.

De Katholieke opvatting van het huwelijk was, dat is duidelijk, in de hoofdpunten precies dezelfde als de primitieve opvatting. Het Christendom ontleende het denkbeeld van sacrament aan de oude tradities in het volksbewustzijn, en zijn eigen kerkelijke bijdrage lag daarin, dat het langzamerhand dat denkbeeld een formeelen en starren vorm gaf, en het voor onverbreekbaar verklaarde. Evenals onder natuurvolken was het in de toestemming, dat het wezen lag van het sacrament; de tusschenkomst van den priester was, in principe, niet noodig om aan het huwelijk zijn godsdienstig bindend karakter te geven. Het wezen van het sacrament was het wederkeerig aannemen van elkaar als man en vrouw, en technisch was de priester, die de ceremonie leidde alleen maar een getuige van het sacrament. Daar het grondfeit dus de geestelijke daad was van de toestemming, had het sacrament van het huwelijk het eigenaardige karakter van te zijn zonder eenig uiterlijk en zichtbaar teeken. Misschien was het dit feit, instinctief gevoeld als een zwak punt, dat leidde tot den enormen nadruk die gelegd werd op de onverbreekbaarheid van het sacrament van het huwelijk, reeds ingesteld door den heiligen Augustinus. De Canonisten hebben verschillende argumenten bijgebracht om die onverbreekbaarheid te verklaren, en een dikwijls herhaald argument is altijd geweest de aanhaling uit de schrift van den term "éen vleesch" voor getrouwde paren; maar het geliefkoosde argument van de Canonisten was, dat het huwelijk de vereeniging voorstelt van Christus met de kerk; die is onverbreekbaar, en daarom moet het beeld ervan ook onverbreekbaar zijn; (Esmein, op cit., dl. I, p. 54). Gedeeltelijk dus, mogen we wel gelooven, deed het denkbeeld van de onverbreekbaarheid van het huwelijk zich aan den kerkelijken geest voor als een natuurlijke associatie van denkbeelden: de gelofte van de maagdelijkheid in het kloosterschap was onverbreekbaar; moest niet de gelofte van sexueele verhouding in het huwelijk even onverbreekbaar zijn? Het schijnt wel, dat het niet voor 1164 was, in de Sentences van Peter Lombard, dat er een duidelijke en formeele erkenning van het huwelijk wordt gevonden als een van de zeven sacramenten (Howard, op cit., dl. I, p. 533).

De kerk echter had het huwelijk niet alleen gemaakt tot een godsdienstige daad; zij had het ook gemaakt tot een openlijke daad. De dienstdoende priester, die nu de autoriteit van het huwelijk was geworden, was gebonden door al de eischen en verbodsbepalingen van de kerk, en hij kon zich niet schikken naar de neigingen en belangen van afzonderlijke paren of hun voogden. Het werd dus onvermijdelijk, dat, evenals in andere zaken van gelijke soort, een wetboek met kerkelijke regels te zijner voorlichting ontstond. Deze behoefte van de kerk, die uit haar aangroeiende heerschappij over de wereldsche zaken voortkwam, was de oorsprong van de canonieke wetten. Met de ontwikkeling van de canonieke wetten, werd het geheele gebied van de regeling der sexueele verhoudingen, en de heerschappij over de afdwalingen ervan, een uitsluitend kerkelijke zaak. De wereldlijke wet kon voortaan evenmin direct kennis nemen van echtbreuk als van ontucht of onanie; bigamie, bloedschande en sodomie waren geen wereldlijke misdaden; de kerk was oppermachtig in de geheele sexueele sfeer.

Het was in de twaalfde eeuw, dat de canonieke wet het eerst ontstond, en Gratianus was de meesterlijke geest, die er het eerst vorm aan heeft gegeven. Hij behoorde tot de rechtsgeleerde school van Bologne, die de gezonde tradities van de Romeinsche wet geërfd had. De "canones", die Gratianus opstelde, waren echter niet méer het enkele resultaat van wettelijke tradities dan het resultaat van in kloosters uitgedachte theologische overwegingen. Zij waren een antwoord op de praktische behoeften van den dag voordat deze behoeften tijd gehad hadden stof te leveren tot fijn uitgesponnen subtiliteiten. Op een eenigszins later tijd, vóor het einde van de eeuw, werd de invloed der Italiaansche theologen overheerscht door dien der Gallische theologen van Parijs, zooals ze vertegenwoordigd werden door Peter Lombard. Het resultaat was het invoeren van verkeerde gecompliceerde toestanden, die de canonieke wet bijna hadden beroofd zoowel van haar beslistheid als van haar geschiktheid zich aan te passen aan de behoeften van de menschen.

Ondanks alle parasitische uitwassen echter, die zich snel begonnen te vormen om de canonieke wet heen, en die de praktische bruikbaarheid ervan sterk begonnen te verminderen, had die wetgeving toch in zich--voornamelijk in het begin en later onduidelijker--een gezonde kern van werkelijke waarde. De eerste canonieke wetten erkenden, dat het essentieele feit van het huwelijk de werkelijke sexueele vereeniging is, uitgevoerd met de bedoeling een permanente verhouding in het leven te roepen. De copula carnalis, het maken van twee tot "een vleesch", volgens de phrase van de schrift, een mystiek symbool van de vereeniging van de kerk met Christus, was het wezen van het huwelijk, en de wederkeerige toestemming van het paar alleen was voldoende om een huwelijk te vormen, zelfs zonder eenige godsdienstige inzegening, of zonder eenige ceremonie. Ook de informeele en niet ingezegende vereeniging was een werkelijk en bindend huwelijk als de twee partijen wilden, dat het dat zijn zou [324].

Welke harde dingen ook mogen gezegd zijn over de canonieke wetten, het moet nooit vergeten worden, dat ze door de middeleeuwen heen tot het midden van de zestiende eeuw de groote waarheid verder hebben gedragen, dat het wezen van het huwelijk niet ligt in riten en vormen, maar in de wederzijdsche toestemming van de twee personen, die samen trouwen. Toen de Katholieke kerk, in haar aangroeiende starheid, dat begrip verloor, werd het opgenomen door de Protestanten en de Puriteinen in hun eerste stadium van vurige geloofsijver, hoewel ze het weer min of meer loslieten, toen ze terugvielen in een staat van vormendienst. Het bleef ook steun ontvangen van moralisten en dichters. Zoo beschrijft George Chapman, de drama-schrijver, die zoowel moralist was als dichter, in The Gentleman Usher (1606), het huwelijk zonder godsdienstige plechtigheid van zijn held en zijn heldin, dat deze laatste ons aldus voorstelt:--

"May not we now Our contract make and marry before Heaven? Are not the laws of God and Nature more Than formal laws of men? Are outward rites More virtuous than the very substance is Of holy nuptials solemnized within? .... The eternal acts of our pure souls Knit us with God, the soul of all the world, He shall be priest to us; and with such rites As we can here devise we will express And strongly ratify our hearts' true vows, Which no external violence shall dissolve".

En tegenwoordig verklaart Ellen Key, de beroemde profetes van de hervorming van het huwelijk, aan het einde van haar Liefde en huwelijk dat het ware huwelijk maar éen paragraaf bevat: "Zij, die elkander liefhebben, zijn man en vrouw".

Het stellen van het huwelijk op deze gezonde en natuurlijke basis had verder het uitstekende resultaat, dat het den man en de vrouw die zoo een huwelijk konden aangaan door hun toestemming, zonder eenige égards voor de wenschen van hun ouders of hun familie, op hetzelfde moreele niveau plaatste. Hier volgde de kerk evenzeer de latere Romeinen als de eerste Christenen, als Lactantius en Hieronymus, die verklaard hadden, dat wat geoorloofd was aan een man ook geoorloofd was aan een vrouw. Ook de poenitentialiën trachtten voor beide geslachten deze zelfde zedewet vast te stellen. De Canonisten vergunden ten slotte een zekere suprematie aan den echtgenoot, hoewel zij, aan den anderen kant, soms zelfs de hoofdrol in het huwelijk schenen toe te kennen aan de vrouw, en de poging werd gedaan het woord matrimonium af te leiden van matris munium, waarmee ze verklaarden, dat de moeder-functie het hoofdfeit van het huwelijk was [325].

De gezonde elementen in de opvatting van de canonieke huwelijkswet werden echter al zeer vroeg in ruime mate, zoo niet geheel, te niet gedaan door de haarkloverijen, die ze op den achtergrond brachten, en zelfs door hun eigen fundamenteele gebreken. Zelfs in de dertiende eeuw begon men meer waarde te hechten aan een huwelijk, dat mondeling gesloten was per verba de praesenti dan aan een, dat gevormd was door de sexueele vereeniging, terwijl er zooveel bezwaren opgesteld werden tegen het huwelijk, dat het moeilijk werd om te weten welke huwelijken geldig waren, een punt van belang, aangezien een huwelijk aangegaan binnen de verboden graden slechts een waan-huwelijk was, d.i. een huwelijk, dat aangegaan wordt, terwijl een van beide partijen niet weet van een werkelijk bestaand beletsel. De ernstigste en meest onnatuurlijke trek van deze kerkelijke opvatting van het huwelijk was de in het oog springende tegenspraak tusschen de uiterste gemakkelijkheid, waarmee de poort van het huwelijk voor het jonge paar open geworpen werd, zelfs als zij nog weinig meer dan kinderen waren, en de uiterste gestrengheid, waarmee zij gesloten en gegrendeld werd als zij er in waren. Dat is nog heden het gebrek van het huwelijkssysteem, dat wij van de kerk geërfd hebben, maar in de handen van de canonisten werd er heel sterk de nadruk op gelegd, zoowel wat het gemak van er in te komen betreft, als de moeilijkheid van er uit te geraken [326]. Zoowel van het standpunt van rede als van menschelijkheid moet de poort, die men gemakkelijk binnen kan komen ook gemakkelijk opengaan om ons uit te laten; of, als de uitgang noodzakelijk moeilijk is, dan moet er zorg gedragen worden bij het binnenkomen. Maar geen van deze beide voorzorgen was mogelijk voor de canonisten. Het huwelijk was een sacrament en allen moesten bij een sacrament welkom zijn, vooral omdat ze anders in de doodzonde der ontucht vervallen konden. Aan den anderen kant kon het huwelijk, daar het een sacrament was, als het eenmaal waarlijk gesloten was, zonder de ingewikkelde voorwaarden en formaliteiten om het ongeldig te verklaren, nooit meer opgeheven worden. De instelling, die de kerk gemaakt had als bolwerk tegen de losbandigheid, werd zelf een werktuig, dat kunstmatig losbandigheid schiep, zoodat de canonieke wet op den langen duur een stand van zaken voortbracht, die--in de oogen van een groot deel van het Christendom--de gezondheid van de oorspronkelijke opvatting meer dan te niet deed [327].

In Engeland, waar van de negende eeuw af, het huwelijk algemeen door de kerkelijke en wereldlijke machten als onverbreekbaar beschouwd werd, was de canonieke wet in hoofdzaak ingesteld als bij de andere Christelijke landen. Er waren echter bepaalde punten, die door de Engelsche wet niet waren overgenomen. Bij de Engelsche wet was een ceremonie in tegenwoordigheid van een priester noodig om een huwelijk geldig te doen zijn, hoewel in Schotland de wet van het canonieke recht aangenomen was, dat toestemming van de partijen alleen, al was ze ook in het geheim gegeven, voldoende was om een huwelijk te vormen. Verder is het nageslacht van een onwettig huwelijk, dat in onschuld is aangegaan en het nageslacht van personen, die later met elkaar trouwen, wettig volgens de canonieke wet, maar niet volgens de gewone wet van Engeland (Geary, Marriage and Family Relations, p. 3; Pollock and Maitland, loc. cit.). De canonisten beschouwden de bezwaren, verbonden aan het bastaardschap, als een straf, welke opgelegd werd aan de ouders, die schuldig waren, en meenden daarom, dat de last niet op de kinderen moest vallen, als er te goeder trouw een ceremonie had plaats gehad van de zijde van ten minste een van de ouders. In dit opzicht is de Engelsche wet minder verstandig en humaan. Het was op het Concilie van Merton, in 1236, dat de baronnen van Engeland het voorstel verwierpen om de wetten van Engeland in overeenstemming te brengen met de canonieke wet, dat is, met de canonieke wet van het Christendom in het algemeen, die toestaat, dat de kinderen die vóor de bruiloft geboren zijn, zullen gewettigd worden door een huwelijk, dat er op volgt. Grosseteste putte zijn welsprekendheid en zijn argumenten uit ten gunste van de verandering, maar tevergeefs, en de Engelsche wet heeft sinds dien tijd in dit opzicht alleen gestaan (Freeman, "Merton Priory", English Towns and Districts). Het voorstel werd verworpen met deze beroemde woorden: "Nolumus leges Angliae mutare", een formule, die alleen maar uitdrukking gaf aan een onredelijke en onmenschelijke halsstarrigheid.

In de Vereenigde Staten heeft het huwelijk, dat volgt na de geboorte van een of meer kinderen, in vele van de Staten de uitwerking, de kinderen te legitimeeren, soms (zooals in Maine) van zelf, maar gewoonlijk (zooals in Massachusetts) door speciale erkenning van den vader, hoewel de gewone wet in dit geval de kinderen niet wettigt.

Het optreden van Luther en van de Hervorming veroorzaakte het verval van de canonieke wet voor zoover het Europa als een geheel aanging. Het was om vele redenen onmogelijk voor de Protestantsche hervormers om hetzij de Katholieke opvatting van het huwelijk of het wankele uitgebreide gebouw van wetten, dat de kerk op die opvatting had opgetrokken, formeel te bewaren. Echter kan niet gezegd worden, dat de houding der Protestanten jegens het denkbeeld der Katholieken een eenigszins duidelijke, logische of consequente houding was. Het was een opstand, een gemoedsdrang, meer dan een kwestie van beredeneerd principe. In de onvermijdelijke noodzakelijkheid van dien opstand tijdens de opkomst van het Protestantisme, ligt zijn rechtvaardiging en, over het geheel, zijn weldadige gezondheid. Het nam een vorm aan, die wel vreemd mag schijnen in een godsdienstige beweging; het verklaarde namelijk, dat het huwelijk niet een godsdienstige, maar een wereldlijke zaak is. Trouwen, zegt Luther, is "een wereldlijk iets", en Calvijn stelt het op hetzelfde niveau als het bouwen van een huis, de landbouw of het maken van schoenen. Maar, terwijl dit verwereldlijken van het huwelijk een uiting was van den algemeenen en tot het uiterste gedreven drang van het Protestantisme, waren de leiders van het Protestantisme het dikwijls onderling niet geheel eens, en evenmin waren ze helderziend in de zaak. Zelfs Luther was wat verward op dit punt; soms schijnt hij het huwelijk "een sacrament" te noemen, soms "een zaak van tijdelijken aard", die aan den staat overgelaten moet worden [328]. Dit laatste standpunt is werkelijk overheerschend geweest. Maar in het begin ontstond er een tijdperk van verwarring, zoo niet van chaos, in de hoofden van de Hervormers; niet alleen waren ze zelf niet altijd overtuigd; zij waren het samen niet eens, vooral over de zeer praktische kwestie der echtscheiding. Luther behoorde, met Calvijn en Beza, over het geheel tot de strengere partij die alleen echtscheiding wilde toestaan voor echtbreuk en kwaadwillige verlating; sommigen, daaronder vele van de eerste Engelsche Protestanten, waren er vóor, den man vrijheid te geven tot echtscheiding wegens echtbreuk, maar niet de vrouw. Een andere partij, met Zwingli, werden door Erasmus in een meer liberale richting geïnfluenceerd, en--het standpunt naderende van de Romeinsche Keizerlijke wetgeving--lieten ze verschillende oorzaken toe voor echtscheiding. Sommigen, als Bucer, die Milton voorafging, wilden zelfs echtscheiding toestaan, als de man niet van zijn vrouw kon houden. Eerst namen sommigen van de Hervormers het principe van zelf-scheiding aan, zooals het heerschte bij de Joden en aangenomen werd door eenige der eerste Concilies van de Kerk. Op deze wijze meende Luther, dat de oorzaak tot echtscheiding zelf de echtscheiding bewerkte, zonder eenig rechterlijk besluit, hoewel een besluit van den rechter noodig was om weer te huwen. Deze kwestie van het weder huwen en de behandeling van den echtbreker, gaven ook aanleiding tot oneenigheid. Gewoonlijk werd aangenomen, dat de onschuldige partij mocht hertrouwen; in Engeland ontstond deze meening in het midden van de zestiende eeuw, werd door den Aartsbisschop van Canterbury geldig verklaard en door het Parlement bekrachtigd. Vele hervormers echter waren er tegen dat de andere partij weer trouwde. Beust, Beza en Melanchton wilden hem laten ophangen, om zoo de kwestie van het hertrouwen te beslissen; ook Luther en Calvijn wilden hem ter dood brengen, maar daar de burgerlijke wetten die maatregel slechts langzaam aannamen, veroorloofden ze hem om weer te trouwen, zoo mogelijk in een ander gedeelte van het land [329].

Het slot was, dat het Protestantisme een opvatting van het huwelijk opstelde, voornamelijk gebaseerd op den wettelijken en economischen factor,--een factor die wel niet voorbijgezien werd door de Canonisten, maar door hen strikt ondergeschikt geacht werd--en het beschouwde in hoofdzaak als een contract. Zoodoende onstond er aan de negatieve zijde een werkelijke vooruitgang, want zij braken de macht van een verouderd en kunstmatig systeem, maar aan de positieve zijde keerden ze enkel terug tot een opvatting, die overheerschend is in barbaarsche maatschappijen, en die het duidelijkst aan den dag treedt, als het huwelijk het meest op een koop gelijkt. De stappen, door het Protestantisme gedaan, deden een groote verandering ontstaan in den aard van het huwelijk, maar niet noodzakelijk eenige groote verandering in den vorm. Het huwelijk was niet langer een sacrament, maar het was nog altijd een openbare en niet een persoonlijke zaak en werd nog, hoe inconsequent ook, in de kerk ingezegend. En daar het Protestantisme geen eigen wetboek had, sloot het zich zoowel in Duitschland als in Engeland aan bij het algemeene principe van de kanonieke wet, ze veranderend om in overeenstemming te komen met haar eigen houding en behoeften [330]. Het was de latere Puriteinsche beweging, eerst in Nederland (1580), dan in Engeland (1653), en daarna in Nieuw-Engeland, die een ernstige en samenhangende opvatting van het Protestantsche huwelijk invoerde en het op burgerlijke basis begon te stellen.

De Engelsche Hervormers onder Edward VI en zijn verlichte raadgevers, waaronder Aartsbisschop Cranmer, beschouwden het huwelijk liberaal, en waren bereid vele bewonderenswaardige hervormingen door te voeren. De vroege dood van dien koning oefende een grooten invloed uit op de wettelijke geschiedenis van het Engelsche huwelijk. De Katholieke reactie onder Koningin Mary bracht de meer radicale hervormers tot zwijgen, terwijl de daarop volgende troonsbestijging van Koningin Elizabeth, wier houding jegens het huwelijk illiberaal en ouderwetsch was, naderend tot de houding van haar vader, Hendrik VIII (zooals bijvoorbeeld bleek uit haar bepaalden tegenstand tegen het huwelijk van de geestelijkheid), een duurzamen invloed uitgeoefend heeft op de Engelsche wet. Ze werd minder liberaal dan die van de andere Protestantsche landen en kwam dichter bij die van de Katholieke landen.

De hervorming van het huwelijk echter, die door de Puriteinen beproefd werd, begon in Engeland in 1644, toen er een wet aangenomen werd, die inhield "dat het huwelijk geen sacrament was, en niet speciaal behoorde bij de kerk van God, maar gewoon was onder de menschen en van openbaar belang in iedere gemeenschap". De wet voegde er echter bij, dat het gepast was, dat het huwelijk ingezegend werd door "een wettigen bedienaar van het Woord". De meer radicale wet van 1653 verwierp deze voorwaarde, en maakte het huwelijk zuiver wereldlijk. De afkondigingen moesten in de kerk gedaan worden (door beambten, die daarvoor speciaal aangesteld waren), of (als de partijen dat wenschten) op de markt. Het huwelijk moest voltrokken worden door een vrederechter; de leeftijd waarop een huwelijk gesloten mocht worden, werd voor een man gesteld op zestien jaar, voor een vrouw op veertien (Scobell's Acts and Ordinances, blz. 86, 236). De Restauratie schafte deze verstandige wet af en voerde weer tradities in van de canonieke wet, maar de Puriteinsche opvatting van het huwelijk werd overgebracht naar Amerika, waar ze wortel schoot en bloeide.

Het was bovendien uit het Puritanisme, zooals het door Milton vertegenwoordigd werd, dat de eerste echt moderne, zij het ook nog onvolkomen opvatting van de huwelijksverhouding bestemd was te ontstaan. De eerste Hervormers handelden in deze zaak voornamelijk uit een duister instinct van natuurlijken opstand in een omgeving van plebejisch materialisme. De Puriteinen werden bewogen door hun gevoel voor eenvoud en burgerlijke orde als voorwaarden van godsdienstige vrijheid. Milton verklaarde, in zijn Doctrine and Discipline of Divorce, uitgegeven in 1643, toen hij vijf en dertig jaar oud was, dat het feit van het huwelijk meer waarde had dan de vorm van het huwelijk, en dat het individu het geestelijk recht had dien vorm te regelen. Hij had de beteekenis begrepen van die opvatting van persoonlijke verantwoordelijkheid, die de grondslag is van de sexueele verhoudingen, zooals zij tegenwoordig aan de menschen beginnen toe te schijnen. Als Milton niets nagelaten had dan zijn geschriften over het huwelijk en de echtscheiding, dan zouden die voldoende geweest zijn om hem tot een genie te stempelen. Het Christendom moest anderhalve eeuw wachten eer een ander genie van den eersten rang, Wilhelm von Humboldt, zich met even groote autoriteit en even duidelijk uitsprak ten gunste van het vrije huwelijk en de vrije echtscheiding.

Aan Milton komt de eer toe en we moeten hem er nu nog dankbaar voor zijn, de eerste te zijn geweest, die in het Christendom de leer heeft verkondigd, dat het huwelijk een persoonlijke zaak is, en dat het daarom moet kunnen ontbonden worden met wederzijdsch goedvinden, of zelfs op den wensch van een van de beide partijen. Wij hebben aan hem, zegt Howard, "de stoutmoedigste verdediging van de vrijheid tot echtscheiden te danken, die zich ooit vertoond heeft. In het abstracte genomen, en op beide geslachten van toepassing, is het misschien wel de sterkste verdediging, die door een enkele aanroep van autoriteit geschieden kan", hoewel zijn argumenten, daar ze gebaseerd zijn op rede en ondervinding, dikwijls weinig door zijn gezag ondersteund worden; hij spreekt in waarheid de taal van den modernen socialen hervormer, en Milton's geschriften over dit onderwerp worden tegenwoordig geschat onder de belangrijkste van al zijn werken (Masson, Life of Milton, deel III; Howard, op. cit., vol. II, p. 86, deel III, p. 251; C. B. Wheeler, "Milton's Doctrine and Discipline of Divorce", Nineteenth Century, Jan. 1907).

Het huwelijk, zegt Milton, "is niet enkel een vereeniging van het vleesch, maar het is een menschelijk verbond; waar dat verbond niet bestaat, kan geen werkelijk huwelijk zijn" (Doctrine of Divorce, boek I, hoofdstuk XIII); het is "een verbond, waarvan het wezen niet bestaat in gedwongen gemeenschap en in een onoprechte vervulling van plichten, maar in ongeveinsde liefde en vrede" (Ib., hoofdstuk VI). Ieder huwelijk, dat minder is dan dit, is "een afgodsbeeld, van geenerlei waarde in de wereld". Het zwakke punt in Milton's voorstelling van de zaak is, dat hij nooit openlijk dezelfde macht van initiatief in het huwelijk en in de echtscheiding toekent aan de vrouw als aan den man. Er is echter niets in zijn argument, dat verhindert dat het ook op de vrouw zal worden toegepast, een toepassing, die, al handhaaft hij ze nooit, hij toch ook nooit ontkent; en sommigen veronderstellen, dat hij aanneemt, dat de vrouwen de gelijken zijn van de mannen; hij eischt van haar geestelijke kameraadschap; hoe bereid Milton ook mag geweest zijn om volkomen gelijkstelling tot echtscheiding te geven aan de vrouw, het zou voor een Puritein van de zeventiende eeuw niet mogelijk geweest zijn gehoor te krijgen voor zulk een leer; zijn argumenten zouden dan nog meer onverschilligheid ontmoet hebben, als dat mogelijk was geweest, dan waarop zij in werkelijkheid gestuit zijn. (Het sonnet vol verontwaardiging van Milton over de ontvangst van zijn boek is wel bekend).

Milton zegt, dat in het conventioneele Christelijke huwelijk uitsluitend waarde wordt gehecht aan de vereeniging des vleesches. Zoolang die vereeniging mogelijk is, hoeveel antipathie er ook bij het paar bestaat, hoezeer ze zich ook vergist hebben "door dwaling, verborgen gebrek, of ongeluk", hoezeer het hun ook onmogelijk is "te leven in eensgezindheid of tevredenheid al hun dagen", toch blijft het huwelijk nog voortbestaan, de twee moeten samen hun weg gaan, (op. cit., Bk. I). Het is de canonieke wet, zegt hij, die het mis heeft, "ongetwijfeld door toedoen van den duivel", want de canonieke wet voert tot losbandigheid (op. cit.). Het is, zegt hij, de afwezigheid van een redelijke vrijheid, die de oorzaak is van losbandigheid, en het zijn de mannen, die de voorrechten van de losbandigheid wenschen te behouden, die zich verzetten tegen het invoeren van een redelijke vrijheid.

De juiste grond voor echtscheiding is "ongeschiktheid, gebrek aan begaafdheid of tegenzin, ontstaande uit een niet te veranderen oorzaak in den aard van een der partijen, die de voornaamste weldaden van den huwelijksomgang, troost en vrede verhindert en waarschijnlijk altijd zal verhinderen". Zonder de "diepe en ernstige waarheid" van wederzijdsche liefde, is het huwelijk "niets dan de ledige schaal van een uiterlijk samenleven", uitsluitend huichelarij, en moet het ontbonden worden (op. cit.).

Milton gaat verder dan het gewone Puriteinsche standpunt, en verwerpt niet alleen gerechtshoven en overheidspersonen, maar is voor de "zelfscheiding"; want echtscheiding kan niet rechtens behooren tot eenige burgerlijke of aardsche macht, daar "dikwijls de redenen tot het zoeken van echtscheiding zoo diep in de primitieve en onschuldige genegenheden der natuur liggen, dat het niet binnen het rechtsgebied van de wet ligt, er zich mee te bemoeien". Hij voegt er bij, dat er, om onrechtvaardigheid te voorkomen, speciale punten voor den overheidspersoon kunnen gebracht worden, die echter in geen geval het recht zou moeten hebben, om echtscheiding te verbieden (op. cit., Bk. II, hoofdst. XXI)., Sprekende van een standpunt, dat we nu zelfs nog niet bereikt hebben protesteert hij tegen de dwaasheid om "een gerechtshof het recht te geven om te redeneeren over en zich te verdiepen in de onbegrijpelijke en geheime redenen tot antipathie tusschen man en vrouw".

In den modernen tijd was Hinton gewoon de huwelijkswet te vergelijken bij de wet op het houden van den Sabbath, zooals die door Jezus gebroken werd. Wij vinden precies dezelfde vergelijking bij Milton. De Sabbath, meent hij, was gemaakt voor God. "Toch, als het welzijn van den mensch in de weegschaal komt, hooren we die stem van oneindige goedheid en zachtmoedigheid, dat "de Sabbath gemaakt is voor den mensch en niet de mensch voor den Sabbath". Welke zaak is ooit meer gemaakt geweest voor den mensch alleen, en minder voor God, dan het huwelijk?" (op. cit., Bk. I, hoofdst. XI). "Als de mensch de heer is over den Sabbath, kan hij dan minder zijn dan heer van het huwelijk?"

Milton stond in dit opzicht, evenals in andere opzichten, buiten zijn tijd. Zijn opvatting van het huwelijk maakte op het leven van zijn tijdgenooten niet meer indruk dan zijn Paradise Lost. Zelfs zijn eigen Puriteinsche partij, die de wet van 1653 had ingevoerd, had, vreemd genoeg, nagelaten gevallen van echtscheiding en van ongeldigheidsverklaring van huwelijken over te dragen op de wereldlijke gerechtshoven, wat tenminste een stap in de goede richting zou geweest zijn. De Puriteinsche invloed werd overgebracht naar Amerika en vormde het zuurdeesem, dat nog voortwerkt in de liberale, hoewel te nauwkeurig in bijzonderheden gaande wet op de echtscheiding van vele Vereenigde Staten. De Amerikaansche procedure van het wereldlijk huwelijk volgde die, opgesteld door de Engelsche Gemeenschap, en het gezegde van den grooten Kwaker, George Fox, "Wij trouwen niemand, maar we zijn er als getuigen bij tegenwoordig" [331], (wat inderdaad de gezonde kern was in de canonieke wet) wordt beschouwd als de geest van de huwelijkswet van den conservatieven, maar toch vrijzinnigen staat Pennsylvanië, waar, nog in 1885, een wet werd aangenomen, die nadrukkelijk aan mannen en vrouwen het recht gaf hun eigen huwelijk in te zegenen [332].

In Engeland zelf kwamen de hervormingen in de huwelijkswet, die de Puriteinen bewerkt hadden, met de restauratie weer zeer in het gedrang. Nog twee en een halve eeuw spraken de Engelsche geestelijke rechtbanken recht volgens wat in zijn kern was de oude kanonieke wet. Echtscheiding was moeilijker te bereiken geworden dan vóór de hervorming, en het lot van de getrouwde vrouw was ten gevolge daarvan zwaarder. Van de zestiende eeuw tot de tweede helft van de negentiende was de Engelsche wet bijzonder hard en streng, veel minder liberaal dan die van eenig ander Protestantsch land. Echtscheiding was in de gewone Engelsche wet niet bekend, en een speciale acte van het Parlement, met enorm groote kosten, was noodig om ze in speciale gevallen te verkrijgen [333]. Men nam zelfs een houding van zelfgenoegzaamheid aan over het in stand houden van dit systeem. Het werd als moreel beschouwd. Er was een algeheele afwezigheid van de erkenning, dat er niets meer immoreel is dan het bestaan van een onwerkelijke sexueele vereeniging, niet alleen uit het standpunt van theoretische moraal, maar ook van de praktische moraal, want geen gemeenschap zou een meerderheid van zulke vereenigingen kunnen dulden [334]. In 1857 werd er eindelijk met veel moeite een wet doorgehaald, die het systeem hervormde. Het was een eenigszins onsamenhangende en tijdelijke maatregel, en hij werd, naar erkend werd, alleen ingevoerd als een stap in de richting van verdere hervorming; maar zij beheerscht nog in haar wezen de Engelsche wetgeving van tegenwoordig, en heeft in de oogen van velen een duurzamen standaard van moraal ingesteld. De geest van blind conservatisme,--Nolumus leges Angliae mutare,--die zich weder vastgenesteld had na de groote beweging van de hervorming en het puritanisme, blijft nog bestaan. In huwelijkskwesties en in kwesties van echtscheiding zijn de Engelsche wetgeving en het Engelsche gevoel gelijkelijk ten achter bij het Latijnsche land Frankrijk en het puriteinsch aangelegde land de Vereenigde Staten.

De schrijver van een kundige en gematigde verhandeling over The Question of the English Divorce komt, waar hij de eigenaardigheden van de Engelsche wet op de echtscheiding opsomt, tot de conclusie, dat ze is: 1. onbillijk; 2. immoreel; 3. met zich zelf in tegenspraak; 4. onlogisch; 5. onzeker; en 6. niet in overeenstemming met de tegenwoordige behoeften. Ze werd slechts ongaarne opgenomen in een wetsontwerp, dat in 1857 aan het Parlement werd voorgelegd, waartegen hardnekkig tegenstand geboden werd een geheel seizoen lang, niet alleen op godsdienstige gronden door de tegenstanders van de echtscheiding, maar ook door de vrienden van de echtscheiding, die een meer liberalen maatregel eischten. Ze behandelde de seksen ongelijk, daar ze aan den man maar niet aan de vrouw echtscheiding toestond alleen voor echtbreuk. Toen hij met de wet voor den dag kwam, excuseerde de Procureur-Generaal zich over dit gebrek, zeggende, dat er niet bedoeld was, dat het een definitieve maatregel zou zijn, maar alleen een schrede naar een volgende wetgeving. Dat is meer dan een halve eeuw geleden, maar de schrede verder is nog niet gedaan. Hoe onvolledig en onvolkomen de maatregel ook was, hij schijnt toch door velen beschouwd te zijn als in de hoogste mate revolutionair en gevaarlijk. De schrijver van een artikel over "Modern Divorce" in de Universal Review voor Juli 1859 toch verklaarde, terwijl hij in principe het oprichten van een speciaal echtscheidingshof goedkeurde, dat "het nieuwe hof neiging had het huwelijk als een maatschappelijke instelling te vernietigen en de vrouwelijke kuischheid te niet te doen", en dat "iedereen nu naar zijn eigen wil man en vrouw is". "Niemand", voegt hij er bij, "zal er nu met recht over twisten, dat er niet talrijke huwelijks-onverkwikkelijkheden zijn".

Toch is volgens deze wet, het voor een vrouw zelfs niet mogelijk echtscheiding te verkrijgen voor de echtbreuk van haar man, tenzij hij ook wreed jegens haar is en haar verlaat. Eerst beteekende "wreedheid" physieke wreedheid en dan van ernstigen aard. Maar na verloop van tijd strekte de beteekenis van het woord zich uit tot de pijn den geest aangedaan, en tegenwoordig kunnen koelheid en verwaarloozing op zich zelf reeds bijna de wreedheid vormen, hoewel de Engelsche gerechtshoven dikwijls ten zeerste geaarzeld hebben, om de ernstigste vormen van verfijnde wreedheid aan te nemen, omdat er geen "physiek" element bij betrokken was. We kunnen echter met zeer veel waarschijnlijkheid verwachten dat de tijd zal komen, waarop, volgens een rechtsgeleerd schrijver (Montmorency, "The Changing Status of a Married Woman", Law Quarterly Review, April 1897), "men van bijna iedere daad van wangedrag op zich zelf zal meenen, dat ze zooveel ellende veroorzaakt aan het onschuldige slachtoffer, dat het de wreedheid vormt die vereischt wordt door de wet van 1857". (De kwestie van de wreedheid wordt in bijzonderheden besproken in de Commentaries on Marriage, Divorce and Separation, 1891, deel I, hoofdst. XLIX; vergelijk Howard, op. cit., deel II, p. 111).

Er kan niet veel twijfel aan bestaan of de wreedheid alleen is een reden tot echtscheiding. In vele Staten van Amerika, waar de echtscheiding veel gemakkelijker te verkrijgen is dan in Engeland, wordt wreedheid erkend als op zich zelf een voldoende reden, hetzij de vrouw de eischeres is of de man de eischer. De daden van wreedheid, die aangegeven werden, zijn soms van heel weinig beteekenis. Zoo zijn er echtscheidingen uitgesproken in Amerika op grond van het "wreede en onmenschelijke gedrag" van een vrouw, die de knoopen van haar man niet wilde aannaaien, of omdat een vrouw "den beklaagde een geweldigen slag gegeven had met haar tournure", of omdat de man de nagels van zijn teenen niet knipt, of omdat "ons geheele huwelijk door mijn man mij nooit mee uit rijden heeft genomen. Dit is een bron geweest van zieleleed en krenking". In veel andere gevallen, moeten we er aan toevoegen, is de wreedheid begaan door den man, zelfs ook door de vrouw--want hoewel meestal wèl is het toch niet altijd de man, die de bruut is--van een gruwelijken en hartverscheurenden aard (Report on Marriage and Divorce in the United States, uitgegeven door Hon. Carroll D. Wright, arbeidscommissaris, 1889). Maar zelfs in de vele schijnbaar nietige gevallen--zooals van een man, die zich niet wascht, en een vrouw, die voortdurend blijk geeft van een driftig karakter, moet toegegeven worden, dat omstandigheden, die in de gewone verhoudingen van het leven dragelijk kunnen zijn, ondragelijk worden in de intieme verhouding van de sexueele vereeniging. Als een feit heeft men, na zorgvuldig onderzoek bevonden, dat de Amerikaansche gerechtshoven nauwkeurig de gevallen nagaan, die voor hen gebracht worden, en dat ze niet zorgeloos zijn in het geven van echtscheidingsvonnissen.

In 1859 werd een overdreven waarde gehecht aan de grove redenen tot echtscheiding, aan de verwaarloozing van fijne, maar even noodlottige bezwaren tegen het voortzetten van het huwelijk. Dit werd aangetoond door Gladstone, die er tegen was echtbreuk te maken tot een reden tot echtscheiding. "Wij hebben vele redenen", zegt hij, "die noodlottiger zijn voor de groote verplichting, die het huwelijk oplegt, zooals ziekte, idiotisme, misdaad, die straf voor het leven met zich brengt". Tegenwoordig beginnen we niet alleen zulke redenen als deze te erkennen, maar ook andere van een veel intiemer aard die, zooals Milton lang geleden erkend heeft, niet vastgesteld kunnen worden in wetten, of bepleit in gerechtshoven. De huwelijksband is niet alleen een physieke vereeniging, en wij moeten leeren, zooals de schrijver van The Question of English Divorce (p. 49) opmerkt, "dat andere dan physieke afwijkingen feitelijk van veel meer belang zijn voor het veroorzaken van ongeluk in het huwelijk".

In Engeland en Wales zijn er meer mannen dan vrouwen, die om echtscheiding verzoeken, en het aantal vrouwen, dat er om vraagt, bedraagt ongeveer 40 percent van het geheel. Het aantal echtscheidingen neemt toe, hoewel het aantal niet groot is, in 1907 ongeveer 1300, waarvan minder dan de helft weer trouwden. Hoe onvoldoende de wet op de echtscheiding is blijkt wel uit het feit, dat in hetzelfde jaar door de overheidspersonen ongeveer 7000 bevelen tot rechterlijke scheiding werden uitgevaardigd. Deze scheidingsbesluiten geven niet alleen geen recht om weer te trouwen, maar zij maken het onmogelijk om echtscheiding te verkrijgen. Zij zijn in werkelijkheid een officieele permissie om verhoudingen aan te gaan buiten het Staatshuwelijk om.

In de Vereenigde Staten werden in de jaren 1887-1906 bijna 40 percent van de echtscheidingen uitgesproken wegens "verlating", hetgeen in de verschillende Staten verschillend uitgelegd wordt, en dikwijls moet beteekenen een scheiding met wederzijdsch goedvinden. Van de overigen waren er 19 pCt. wegens ontrouw, en evenveel wegens wreedheid; maar terwijl de echtscheidingen toegestaan aan de mannen wegens de ontrouw van hun vrouwen bijna driemaal zoo groot in aantal zijn als het aantal toegestaan aan vrouwen wegens de echtbreuk van den man, is het ten opzichte van de wreedheid juist andersom, de vrouwen verkrijgen 27 percent van haar echtscheidingen op dezen grond en de mannen maar 10 percent.

In Pruisen neemt het aantal echtscheidingen toe. In 1907 waren er achtduizend echtscheidingen, en de oorzaak was in de helft van de gevallen echtbreuk, en in ongeveer duizend gevallen kwaadwillige verlating. In de gevallen van verlating waren de mannen bijna tweemaal zoo dikwijls de schuldige partij als de vrouwen, in gevallen van echtbreuk maar een vijfde tot een achtste deel.

Er kan niet de geringste twijfel aan zijn, dat de moeilijkheid, de verwarring, de inconsequentie en de scandaleuze indecentie, die de echtscheiding en de methoden om ze te verkrijgen karakteriseeren, geheel en alleen het gevolg zijn van het verborgen voortbestaan van tradities, die aan den eenen kant gebaseerd zijn op de leerstellingen van de canonieke wet van de onverbreekbaarheid van het huwelijk en de zonde van sexueel verkeer buiten het huwelijk, en aan den anderen kant op het primitieve denkbeeld van het huwelijk als een contract, dat economisch de vrouw ondergeschikt maakt aan den man en haar persoon, of in ieder geval het recht haar te beschermen, maakt tot zijn bezitting. Alleen als we ons duidelijk voor oogen stellen, hoe diep deze tradities geworteld zijn in het godsdienstige, wettelijke, maatschappelijke en gevoelsleven van Europa, kunnen we begrijpen hoe het mogelijk is, dat barbaarsche ideeën over huwelijk en echtscheiding nu nog kunnen bestaan in een stadium van de beschaving, dat, in vele opzichten, zulke ideeën lang te boven is.

De opvatting van de canonieke wet over de abstracte godsdienstige heiligheid van het huwelijk, overgebracht op de moreele sfeer, maakt dat een breuk van de huwelijksverhouding een openlijk kwaad lijkt; de opvatting van de ondergeschiktheid bij contract van de vrouw maakt zulk een breuk van haar kant, en zelfs, door overdraging van denkbeelden, van zijn kant, tot een persoonlijke beleediging. Deze twee ideeën van kwaad bloeien zelfs nu nog, ieder afzonderlijk naast elkaar in den volksgeest.

De economische ondergeschiktheid van de vrouw als een soort van bezitting valt duidelijk in het oog als we bedenken, dat een man groote sommen gelds kan eischen, en die dikwijls ook krijgt, van den man, die zijn bezit sexueel nadert en door zulk een overtreding het beschadigt in de oogen van zijn meester [335]. Aan een psycholoog zou het duidelijk zijn, dat een echtgenoot, die niet in staat geweest is om zoo de liefde en het respect van zijn vrouw te winnen en vast te houden, dat het voor haar volkomen gemakkelijk en natuurlijk is de toenaderingen van iederen anderen man te verwerpen, haar minstens evenveel schadevergoeding schuldig is als zij of haar deelgenoot aan hem; terwijl, als de fout werkelijk aan haar kant is, als zij zoo weinig in staat is om liefde en vertrouwen te beantwoorden, en zoo gemakkelijk een prooi wordt voor een buitenstaander, dan moest de man wel verre van eenige vergoeding in geld te eischen, zich meer dan volkomen gecompenseerd rekenen, dat hij bevrijd is van de noodzakelijkheid om zulk een vrouw te onderhouden. Als er geen valsche tradities waren, zou dat duidelijk zijn. Het zou werkelijk niet onredelijk zijn, dat een man veel zou moeten betalen om zich te bevrijden van een vrouw, als hij blijkbaar een ernstige fout heeft begaan toen hij haar koos. Maar te bevelen, dat een man feitelijk schadevergoeding zou krijgen, omdat hij zich niet in staat heeft getoond om de liefde van een vrouw te winnen, is een denkbeeld, dat niet zou kunnen voorkomen in een beschaafde maatschappij, die niet verdraaid was door overgeërfde vooroordeelen [336]. Toch staan de zaken nu in de beschaafde landen zoo, dat het wettelijk voor een echtgenoot mogelijk is een verzoek in te dienen tot schadevergoeding tegen den minnaar van zijn vrouw te zamen met een verzoek om echtscheiding of tot een scheiding van tafel en bed. Op deze wijze is echtbreuk geen misdaad, maar een persoonlijke beleediging [337].

Terzelfder tijd echter komt de invloed van de canonieke wet inconsequent aan den dag en beweert, dat een huwelijksbreuk een openlijke overtreding is, een zonde die door den Staat veranderd wordt in iets, dat bijna of geheel een misdaad is. Dit wordt duidelijk aangetoond door het feit, dat in sommige landen de echtbreker kans loopt op gevangenisstraf, een kans, die tegenwoordig wel nauwelijks tot daden komt. Maar precies hetzelfde denkbeeld wordt duidelijk gemaakt door de leer van de "geheime verstandhouding", die, in theorie, in vele landen nog strikt wordt in acht genomen. Volgens de leer van de geheime verstandhouding moeten de voorwaarden, die noodig zijn om de echtscheiding mogelijk te maken, in geen geval geleverd worden door wederzijdsch goedvinden. In de praktijk is het onmogelijk min of meer geheime verstandhouding te voorkomen, maar als ze voor het gerecht bewezen wordt, is het een absoluut beletsel voor het toestaan van de echtscheiding, hoe gerechtvaardigd en gebiedend de eisch tot echtscheiding ook wezen mag.

De Engelsche wet op de echtscheiding van 1857 weigerde echtscheiding als er geheime verstandhouding was, zoowel als wanneer er een tegen-aanklacht was tegen den eischer, en de wet op de oorzaken tot echtscheiding van 1860 leverde de machinerie om de bolwerken tegen de echtscheiding te verzekeren. De kwestie der geheime verstandhouding wordt besproken door G. P. Bishop (op cit., dl. II, hoofdst. IX). "Hoe rechtvaardig een zaak ook moge zijn", merkt Bishop op, "als de partijen in geheime verstandhouding staan bij de behandeling ervan, zoodat in werkelijkheid beide partijen klagers zijn, terwijl medegedeeld is dat de eene klager en de andere beklaagde is, dan kan het proces geen voortgang hebben. Alle gedrag van deze soort verstoort den loop der gerechtigheid en valt binnen het algemeene denkbeeld van bedrog jegens het gerechtshof. Dat is in principe overal de leer".

Het is volkomen duidelijk, dat het uit maatschappelijk of moreel standpunt het beste is, dat, als een man en een vrouw niet langer te zamen kunnen leven, ze dan vriendschappelijk uit elkaar zullen gaan, en in harmonische overeenstemming alle maatregelen nemen, die door hun scheiding noodig gemaakt zijn. De wet verbiedt hen belachelijkerwijze om dat te doen, en verklaart, dat zij in het geheel niet van elkaar kunnen gaan, tenzij ze van elkaar willen gaan als vijanden. Om tot nog grooter punt van dwaasheid en immoraliteit te komen gaat de wet voort met te zeggen, dat, als zij er feitelijk in geslaagd zijn vijanden van elkaar te worden in die mate, dat ieder bezwaren heeft in te brengen tegen den ander, dat ze dan in het geheel niet gescheiden kunnen worden! [338] Dat is te zeggen, dat als een getrouwd paar een graad van scheiding bereikt heeft, die het dringend noodzakelijk maakt, dat ze gescheiden zullen worden, niet alleen in hun eigen belang, maar terwille van de moreele belangen van de maatschappij, opdat ook hun verhoudingen tot andere betrokken partijen geregeld zullen worden, dan kunnen ze in het geheel niet scheiden.

Het is duidelijk, dat deze voorzorgen van de wet geheel tegenovergesteld zijn aan de eischen van rede en moraliteit. Toch is het tevens even duidelijk, dat geen pogingen van juristen, hoe vernuftig en humaan die pogingen ook mogen zijn, de tegenwoordige wet in harmonie kunnen brengen met de eischen van de moderne beschaving. Het zijn niet de juristen, die falen; zij hebben hun best gedaan, en in Engeland komt het door de vernuftige en zorgvuldige wijze, waarop de rechters tot dusverre de wet gedrongen hebben tot harmonie met de moderne behoeften, dat onze verouderde echtscheidingswetten nog zijn blijven bestaan. Het is het systeem, dat verkeerd is. Dat systeem is het ongelukkige gevolg van de canonieke wet, die ontstond naar aanleiding van opvattingen, die al lang dood zijn. Het plaatst de persoon, die de theoretische onverbreekbaarheid van den huwelijksbond in gevaar brengt, in de positie van een misdadiger. Zulk een misdadiger te helpen of bij te staan is op zichzelf een vergrijp, en daar men den misdadiger niet wil straffen, moet, volgens een merkwaardig inconsequente methode, de helper van den misdadiger gestraft worden. Wij zeggen niet openlijk, dat de verdediger in een geval van echtscheiding een misdadiger is, dat zou al te duidelijk de belachelijkheid ervan aantoonen, en bovendien zou het nauwelijks overeen te brengen zijn met de permissie voor het eischen van schadevergoeding, die op een verschillend denkbeeld gebaseerd is. Wij zijn aangewezen op twee opvattingen van echtscheiding, beide slecht, geen van beide overeen te brengen met de andere, en geen van beide zoo, dat ze zich laat doorvoeren tot haar logische gevolgen.

Het resultaat is, dat, als een volkomen deugdzaam echtpaar komt en echtscheiding verlangt, hun wordt gezegd, dat daar geen sprake van kan zijn, want in zulk een geval moet er een "beklaagde" zijn. Zij worden dus gestraft voor hun deugd. Als zij beide echtbreuk begaan, dan wordt hun gezegd, dat van echtscheiden geen sprake kan zijn, want in zulk een geval moet er een "klager" zijn. Eerst werden zij gestraft voor hun deugd; nu werden zij op precies dezelfde wijze gestraft voor hun gebrek aan deugd. Het paar moet zijn toevlucht nemen tot een wijze van handelen, die beiden zeer tegenstaat. Als maar de vrouw alleen echtbreuk wil begaan, of de man alleen en als hij dan tevens een daad van wreedheid aan zijn vrouw wil plegen, als dan vervolgens de onschuldige partij er toe wil afdalen om detectives te gebruiken en getuigen op te zoeken, dan hebben beiden de wet op hun hand en deze verleent hun spoedig de permissie om te hertrouwen. Mits, natuurlijk, de partijen dit geregeld hebben zonder "onderlinge verstandhouding". Dat is te zeggen, dat onze wet, met haar kerkelijke tradities achter zich tot de vrouw zegt: Wees een zondares, of tot den man: Wees een zondaar en een misdadiger--dan zullen we alles doen wat je wilt. De wet stelt een premie op zonde en misdaad. Om dwaasheid op dwaasheid te stapelen zegt ze, dat dit gedaan wordt ter wille van de "publieke moraal". Aan hen, die dit standpunt innemen, schijnt het toe, dat het afschaffen van de wetten op de echtscheiding de grondslagen van de maatschappij zou ondermijnen. Toch kan er maar weinig twijfel aan bestaan, dat, hoe eerder zulke "moraal" ondermijnd, en volkomen vernietigd is, des te beter het voor de ware moraal zal zijn.

Er is in Engeland een invloedrijke beweging ter hervorming van de echtscheiding, op grond, dat de tegenwoordige wet onrechtvaardig, onlogisch en immoreel is, vertegenwoordigd door de Divorce Law Reform Union. Zelfs de vroegere president van het echtscheidingsgerechtshof, Lord Gorell, verklaarde in 1906 van den katheder, dat de Engelsche wet ellendige gevolgen heeft, en "vol is van inconsequenties, afwijkingen en onbillijkheden, die bijna aan absurditeit grenzen". De punten in de wet, die het meeste protest uitgelokt hebben, als zijnde het meest ten achteren bij de wet van andere naties, zijn de groote kosten van de echtscheiding, de ongelijke beoordeeling van de seksen, de onmogelijkheid om echtscheiding te verkrijgen voor verlating en in gevallen van ongeneeslijke krankzinnigheid, en het feit, dat vonnissen tot scheiding van tafel en bed de gescheiden partijen niet in staat stellen weer te trouwen. Vonnissen tot scheiding van tafel en bed worden door den overheidspersoon uitgesproken wegens wreedheid, echtbreuk en verlating. Deze scheiding van tafel en bed is inderdaad de directe afstammeling van de canonieke echtscheidingswet a mensa et thoro, en ook de onmogelijkheid om weer te trouwen, die ze in zich sluit, is niets dan een overblijfsel van de traditie van de canonieke wet. Tegenwoordig vaardigen de overheidspersonen--en dan oefenen ze hun bevoegdheid, naar toegegeven wordt, op zorgvuldige en voorzichtige wijze uit--jaarlijks ongeveer 7,000 vonnissen uit tot scheiding van tafel en bed, zoodat de bevolking elk jaar toeneemt met 14,000 individuen, meestal op den leeftijd van sexueele kracht, en weinig meer dan kinderen, wien door de wet verboden is een wettig huwelijk te sluiten. Zij leveren een aanzienlijke bijdrage tot de groote voorwaartsche beweging, die, zooals in het vorige hoofdstuk aangetoond is, de moraal van onze eeuw kenmerkt. Maar het is ten zeerste ongewenscht, dat vrije huwelijken op hulpelooze wijze zullen gevormd worden door paren, die geen keuze hebben in deze zaak, want het is niet waarschijnlijk, dat onder zulke omstandigheden een hoog niveau van persoonlijke verantwoordelijkheid kan bereikt worden. De zaak zou gemakkelijk verholpen kunnen worden door geheel en al afstand te doen van een traditie van de canonieke wet, die niet langer eenige levenskracht of beteekenis heeft, en door aan het vonnis van den overheidspersoon tot scheiding van tafel en bed de kracht van een echtscheidingsvonnis te verleenen.

Nieuw-Zeeland en de Australische koloniën, met Victoria aan het hoofd, hebben in 1889 echtscheidingswetten aangenomen, die, hoewel ze min of meer naar het Engelsche model gevormd zijn, een bepaalde vooruitgang zijn. Zoo zijn in Nieuw-Zeeland de gronden tot echtscheiding echtbreuk van beide zijden, kwaadwillige verlating, gewoonte-dronkenschap, en veroordeeling tot gevangenisstraf voor den tijd van eenige jaren.

Het is natuurlijk, dat de Engelschman zeer gevoelig is voor deze vlek in de wetten van Engeland, en dat hij wenscht dat een systeem, dat zoo blootstaat aan bijtend sarcasme, spoedig zal verdwijnen. Het is natuurlijk, dat ieder menschelijk wezen ongeduldig wordt bij het zien van zooveel vernielde levens, van zooveel ellende aan onschuldige menschen aangedaan--en aan personen, die, zelfs als ze technisch schuldig zijn, dikwijls het slachtoffer zijn van onnatuurlijke omstandigheden--door het blijven voortbestaan van een middeleeuwsch systeem van kerkelijke tyrannie en van inquisitorische onbeschaamdheid in een tijd, waarop we sexueele verhoudingen beginnen te beschouwen als het onschendbare geheim van de personen, die er van nabij in betrokken zijn, en nu we meer en meer ons verlaten op de verantwoordelijkheid van het individu bij het aangaan en het in stand houden van zulke verhoudingen.

Als wij onze gedachten echter niet concentreeren op speciale landen en als we de algemeene beweging van de beschaving in zake de echtscheiding in den laatsten tijd in het oog vatten, dan kan er niet de minste twijfel bestaan aan de richting van die beweging. Engeland was een halve eeuw geleden een pionier in die beweging, en tegenwoordig beweegt iedere beschaafde natie zich in dezelfde richting voort. Frankrijk brak in 1885 met de oude kerkelijke traditie van de onontbindbaarheid van het huwelijk door een wet op de echtscheiding, die in sommige opzichten zeer verstandig is. De vrouw kan echtscheiding verkrijgen op gelijke gronden als haar man (hoewel zij kans heeft op gevangenschap voor echtbreuk), de medeplichtige neemt een zeer ondergeschikte plaats in in aanklachten voor echtscheiding, en faciliteiten voor echtscheiding worden gegeven op grond van eenvoudige injures graves (daarvan zooveel mogelijk uitgesloten alleen incompatibilité d'humeur), terwijl de rechter de macht heeft, die hij dikwijls met succes aanwendt, om onder vier oogen een verzoening tot stand te brengen, of om zonder openlijk verhoor een echtscheidingsvonnis uit te spreken. De invloed van Frankrijk is ongetwijfeld bij het vormen van de echtscheidingswetten van de andere Latijnsche landen groot geweest.

In Pruisen bestond vroeger een verlichte wet op de echtscheiding, waarbij het mogelijk was om zonder schandaal te scheiden, als het duidelijk was gebleken, dat man en vrouw niet samen in overeenstemming konden leven. Maar de Duitsche wet van 1900 voerde, wat de echtscheiding betreft, bepalingen in, die--terwijl ze in sommige opzichten liberaler zijn dan de Engelsche wetten, vooral doordat ze echtscheiding toelaten bij verlating en krankzinnigheid--over het geheel een schrede achteruit zijn vergeleken bij de vroegere Pruisische wet en de zaak op een ruwer en grover basis plaatsen. Twee jaar nadat de wet in werking trad nam het aantal echtscheidingen af; daarna pasten het publiek en de rechtbanken zich aan aan de nieuwe bepalingen (meer speciaal aan een, die echtscheiding toestond voor ernstige verwaarloozing van huwelijksplichten) en het aantal echtscheidingen begon met groote snelheid toe te nemen. "Maar", merkt Hirschfeld op, "hoe pijnlijk is het nu geworden om over echtscheidingszaken te lezen! De eene partij scheldt de andere partij uit, komt met beschuldigingen van de platste soort, gebruikt detectives om de noodige bewijzen te krijgen van "oneerbaar en immoreel gedrag", terwijl vroeger alleen noodig was, dat de beide partijen wisten, dat ze zich in elkander vergist hadden, dat ze niet bij elkander pasten en dat ze niet langer samen konden leven. Zoo zien we, dat het beperken van de individueele verantwoordelijkheid in sexueele zaken niet alleen geen praktisch resultaat gehad heeft, maar dat het voert tot schadelijke gevolgen van een ernstige soort" [339]. In Engeland heeft een dergelijke stand van zaken geheerscht sinds den tijd, dat de echtscheiding ingesteld werd, maar deze toestand schijnt te gewoon geworden te zijn, dan dat iemand er last of displeizier door zou ondervinden. Toch heeft ze, zooals Adner zegt [340], zich voortbewogen in een richting, die tegenovergesteld is aan de algemeene neiging van de beschaving, niet alleen doordat ze de inquisitorische macht der publieke gerechtshoven vermeerderd heeft, maar ook doordat ze den nadruk gelegd heeft op zuiver uiterlijke redenen tot echtscheiding en de fijne innerlijke oorzaken, die met de verfijning van de beschaving voortdurend in belangrijkheid toenemen, buiten beschouwing laat.

In Oostenrijk heerschte tot kort geleden de canonieke wet absoluut, en het huwelijk was onontbindbaar, zooals het nu nog is voor de Katholieke bevolking. De resultaten voor het huwelijksgeluk waren in de hoogste mate bedroevend. Een halve eeuw geleden deed Gross-Hoffinger onderzoek naar het huwelijksgeluk van 100 paren in Venetië uit alle maatschappelijke klassen, voor de vuist genomen, en hij geeft een uitvoerige beschrijving van de resultaten. Hij vond, dat 48 paren beslist ongelukkig waren, slechts 16 waren ontwijfelbaar gelukkig, en zelfs onder deze was er maar éen geval, waarin het geluk het gevolg was van wederzijdsche trouw, en werd het geluk in de andere gevallen alleen bereikt, doordat de kwestie der trouw ter zijde gesteld was [341]. Dit beeld is, naar we hopen, niet meer waar. Er is een invloedrijke vereeniging tot hervorming van het huwelijk in Oostenrijk, die een blad uitgeeft, genaamd Die Fessel of "de keten". "De een was geketend aan den ander", vertelt het ons. "In zekere omstandigheden moet dit de ergste en kwellendste straf geweest zijn, die men zich denken kan. De meest dwaze en stuitende paringen vonden plaats. Wel waren er vele vriendschappelijke keten-gemeenschappen. Maar er waren er een heeleboel meer, die een eindelooze hoeveelheid leed berokkende aan een van de twee". Deze aanhaling, moeten we er aan toevoegen, heeft niets te maken met wat de Canonisten, den technischen term ontleenende aan de ketens van een gevangene, suggestief noemden de vinculum matrimonii; ze werd vele jaren geleden geschreven over de galeistraf van het oude Fransche systeem voor veroordeelden. Ze wordt echter weer in de herinnering gebracht door den titel, die de vereeniging tot hervorming van het huwelijk in Oostenrijk aan haar officieele orgaan gegeven heeft.

Rusland, waar de huwelijkswetten geregeld zijn door de Heilige Synode, geholpen door de juristen, staat bijna alleen onder de groote landen in den verstandigen eenvoud van zijn regeling van de echtscheiding. Vóor 1907 was echtscheiding in Rusland zeer moeilijk te verkrijgen, maar in dat jaar werd het voor een getrouwd paar mogelijk om van elkaar te gaan met wederzijdsch goedvinden, om, nadat ze een jaar lang gescheiden geleefd hadden, daardoor het recht te verkrijgen op echtscheiding, die hen in staat stelt om te hertrouwen. Deze regeling is in overeenstemming met de humane opvatting van de sexueele verhouding, die in Rusland altijd overheerscht heeft, waar, naar wij ons moeten herinneren, de strenge en onnatuurlijke idealen van gedwongen celibaat, door de Westersche kerk gekoesterd, nooit geheel zijn doorgedrongen; de geestelijken van de Oostersche kerk mogen trouwen, hoewel het huwelijk plaats moet vinden voordat ze priester worden, en zij zouden geen sympathie kunnen hebben voor den anti-sexueelen toon van de regeling van het huwelijk, die gemaakt is door de geestelijkheid van het Westen.

Ook Zwitserland, dat beschouwd wordt als het politieke laboratorium van Europa, staat apart in de liberaliteit van de echtscheidingswetgeving. Een echtscheiding voor twee jaar, die vernieuwd kan worden, kan in Zwitserland verkregen worden, als er zijn "omstandigheden, die een ernstig beletsel zijn voor het in stand houden van den huwelijksband". Aan het Groothertogdom Luxemburg komt ten slotte de eer toe van steeds het groote principe van echtscheiding met wederzijdsch goedvinden met kracht te hebben gehandhaafd onder wettelijke voorwaarden, zooals door Napoleon in 1803 was ingesteld. De kleinere landen zijn de grootere meestal vooruit in zaken van de echtscheidingswet. De Noorsche wet is liberaal. De nieuwe Rumeensche wet staat echtscheiding toe met wederzijdsch goedvinden, mits beide ouders evenveel van hun bezittingen aan hun kinderen geven. Het kleine vorstendom Monaco heeft onlangs een verstandige regeling ingevoerd, en staat echtscheiding toe, onder andere voor alcoholisme, syphilis en epilepsie, en beschermt op deze wijze het toekomstige ras.

Buiten Europa wordt het leerrijkste voorbeeld van de neiging tot echtscheiden ongetwijfeld geleverd door de Vereenigde Staten van Amerika. De echtscheidingswetten van de Vereenigde Staten zijn voornamelijk op een Puriteinsche basis gegrond, en daarin treedt niet alleen de Puriteinsche liefde voor persoonlijke vrijheid, maar ook de Puriteinsche vormelijkheid op den voorgrond [342]. In sommige staten, voornamelijk in Jowa, zijn de wetgevers voortdurend bezig geweest met het aannemen, veranderen, afschaffen en weer invoeren van bepalingen van hun echtscheidingswetten, en Howard heeft aangetoond hoeveel verwarring en ongemak er voortkomt door het steeds beuzelen van de wetgeving over kleinigheden.

Deze rustelooze vormelijkheid heeft wel eenigszins de over het algemeen breede en liberale neiging van de huwelijkswet in Amerika verborgen, en heeft de critiek van buitenlanders op Amerikaansche instellingen aangemoedigd. Het is een feit, dat het algemeen voorkomen van de echtscheiding in Amerika ten zeerste overdreven is. De verhouding van gescheiden personen in de bevolking schijnt minder te zijn dan eén percent, en, tegenovergesteld aan wat zoo dikwijls beweerd wordt, is het geenszins regel, dat gescheiden personen dadelijk weer trouwen. De speciale toestanden van het leven in de Vereenigde Staten in aanmerking genomen, zijn er niet veel scheidingen en de aard ervan geeft in het geheel geen blijk van een lagen graad van moraal. Een onpartijdig en bekwaam beoordeelaar van het Amerikaansche volk, Professor Münsterberg, merkt op, dat de werkelijke oorzaak, die voornamelijk aanleiding geeft tot echtscheiding in de Vereenigde Staten--niet de zuiver wettelijke voorwendsels, die noodig gemaakt zijn door de vormelijkheid van de wet--het ethische bezwaar is van uiterlijk te blijven voortleven in een huwelijk, dat opgehouden heeft geestelijk eensgezind te zijn. "Het zijn voornamelijk de vrouwen" zegt hij, "en gewoonlijk de allerbeste vrouwen, die er de voorkeur aan geven den stap te wagen, met al de moeilijkheden die er aan verbonden zijn, boven het voortzetten van een huwelijk, dat geestelijk huichelachtig en immoreel is" [343].

De bevolking van de Vereenigde Staten koestert meer dan eenige andere bevolking idealen van individualisme; onder hen vindt men ook de menschen onder wie, meer dan onder anderen, de grootste mate bestaat van wat Reibmayr noemt "bloed-chaos". Onder zulke omstandigheden zijn de moeilijkheden van het huwelijksleven natuurlijk buitengewoon groot, en heeft de huwelijksvereeniging kans te stooten op subtiele bezwaren, die de wet niet formuleeren kan [344]. Er kan niet veel twijfel aan bestaan, of de praktische slimheid van het Amerikaansche volk zal hen vroeger of later in staat stellen dit feit te erkennen, en het zal ten slotte den Puriteinschen drang van zijn echtscheidingswetgeving volgende--zooals die in zijn resultaat voorspeld is door Milton--overeenkomen om aan zijn burgers zelven de verantwoordelijkheid toe te vertrouwen in een zoo persoonlijke zaak als hun huwelijksverhoudingen, met, natuurlijk, het recht bij de gerechtshoven om er op toe te zien, dat er geen onrechtvaardigheden begaan worden. Het wekt inderdaad verwondering, dat het Amerikaansche volk, dat gewoonlijk zoo weinig inmenging van den Staat kan verdragen, in deze zaak zoo lang zulke inmenging in een zoo persoonlijke zaak verdragen heeft.

De echtscheidingsbeweging beperkt zich niet tot het Christendom; ze is een kenteeken van de moderne beschaving. In Japan is het aantal echtscheidingen grooter dan in eenig ander land, de Vereenigde Staten niet uitgesloten [345]. De krachtigste en meest vooruitstrevende landen zijn die, waar het sterkst aangedrongen wordt op reinheid in de sexueele vereenigingen. In de Vereenigde Staten werd er vele jaren geleden op gewezen, dat echtscheiding het meest voorkomt daar, waar de standaard van opvoeding en moraal het hoogst is. Het waren de Nieuw-Engelsche Staten, met strenge tradities van moreele vrijheid, die de leiding hebben gegeven bij het toestaan van faciliteiten tot echtscheiden. De echtscheidingsbeweging is niet, zooals sommigen dwazelijk gemeend hebben, een beweging, die leidt tot immoraliteit [346]. Immoraliteit gaat onvermijdelijk samen met het onverbreekbare huwelijk; de nadruk, die er gelegd wordt op de heiligheid van een zuiver vormelijke vereeniging, is niet bevorderlijk voor de ontwikkeling van de moreele verantwoordelijkheid wat de verbintenissen aangaat, die in haar schaduw groeien en voorwaardelijk heilig zijn. Als we er aan den anderen kant, door het instellen van faciliteiten tot echtscheiding, op aandringen, dat sexueele verhoudingen werkelijk zullen zijn, is dat de zaak van de moraal in de hand werken. De landen, waar echtscheiding met wederzijdsch goedvinden het langst heeft bestaan, behooren waarschijnlijk tot de moreelste en niet tot de minst moreele landen.

Men heeft er zijn verwondering over geuit, dat, hoewel echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden zich al twee duizend jaar geleden aan de met rechtszin begaafde Romeinen aanbevolen heeft als een klaarblijkelijk rechtvaardige en verstandige maatregel, die oplossing zelfs tegenwoordig nog zoo weinig door de moderne staten bereikt is [347]. Overal, waar de maatschappij op een stevig georganiseerde basis berust, en waar de eischen van de rede en der menschelijkheid voldoende overwogen worden--zelfs als het algemeene niveau van de beschaving niet in elk opzicht hoog is--daar vinden we een neiging tot echtscheiding met wederzijdsch goedvinden.

In Japan wordt het huwelijk, overeenkomstig het burgerlijk wetboek, ongeveer zooals het in het oude Rome was, gesloten door het mededeelen van het feit aan den ambtenaar van den burgerlijken stand in tegenwoordigheid van twee getuigen, onder toestemming (in het geval van jonge paren) van het hoofd van hun familie. Er kan ook een ceremonie zijn, maar die wordt door de wet niet geëischt. Echtscheiding wordt op precies dezelfde wijze verkregen, enkel door de inschrijving te laten schrappen, mits de man en de vrouw beiden boven de vijf en twintig jaar oud zijn. Voor jongere paren, die ongelukkig getrouwd zijn, en voor gevallen, waarin wederzijdsch goedvinden niet verkregen kan worden, bestaat er gerechtelijke echtscheiding. Deze wordt toegestaan voor verschillende speciale redenen, waarvan de voornaamste is "zware beleediging, zoodat het samenleven ondragelijk wordt" (Ernest W. Clement, "The New Woman in Japan", American Journal of Sociology, Maart 1903). Zulk een systeem schijnt, evenals zooveel anders, dat door Japansche organisatie bereikt is, verstandig, voorzichtig en krachtig te zijn.

In het heel andere en veel oudere huwelijkssysteem van China is de echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden even goed ingericht. Zulk een echtscheiding met wederzijdsch goedvinden vindt plaats voor "incompatibilité d'humeur", of als man en vrouw het beiden wenschen. Er zijn echter verschillende verouderde en eigenaardige regelingen in de Chineesche huwelijkswetten, en echtscheiding is verplichtend voor echtbreuk van de vrouw of voor ernstige physieke nadeelen, toegebracht door de eene partij aan de andere. (De huwelijkswetten van China zijn volledig uiteengezet door Paul d'Enjoy, La Revue, Sept. 1908).

Bij de oude bewoners van Wales, hadden de vrouwen zoowel voor als na het huwelijk, groote vrijheid, veel meer dan toegestaan werd door het Christendom of door de gewone Engelsche wet. "In de praktijk konden man en vrouw van elkaar gaan, als een van tweeën of beiden het wenschten" (Rhys en Brynmor-Jones, The Welsh People, p. 214). Zoo was het ook in het oude Ierland. Vrouwen hadden een zeer hooge positie, en de huwelijksband was zeer los, zoodat hij in de praktijk, naar het scheen, ontbindbaar was bij wederzijdsch goedvinden. Voor zoover de wetten van de Brehonen aantoonen, zegt Ginnell (The Brehon Laws, p. 212), "was de huwelijksverhouding buitengemeen los, en de echtscheiding even makkelijk, en kon op even geringen grond verkregen worden als nu het geval is in sommige Staten van Noord-Amerika. Het schijnt wel, dat ze gemakkelijker te verkrijgen was voor de vrouw dan voor den man. Als ze op haar verzoek verkregen werd, dan nam ze alle bezittingen mee, die zij haar man had aangebracht, of die haar man op haar had vastgezet bij hun huwelijk, en bovendien zooveel van de bezittingen van haar man als waarop het scheen, dat haar vlijt haar aanspraak gaf".

Zelfs in de oudste Fransche geschiedenis vinden we, dat echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden zeer gewoon was. Het was voldoende om in duplicaat een formeel document op te stellen van dezen inhoud: "Daar er tusschen N. en zijn vrouw oneenigheid is in plaats van liefde, zooals God bevolen heeft, en omdat het daarom voor hen onmogelijk is samen te leven, heeft het hen behaagd uit elkander te gaan en zij hebben dat gedaan". Ieder van de partijen was zoodoende vrij om in een klooster te gaan of om een andere vereeniging aan te gaan (E. de la Bedollière, Histoire des Moeurs des Français, deel I, p. 317). Zulk een gewoonte, hoe ze ook mocht overeenkomen met het gronddenkbeeld van toestemming, belichaamd in de canonieke wet, was te zeer strijdig met de kerkelijke leer van de sacramenteele onontbindbaarheid van het huwelijk om in stand te blijven, en ze werd geheel afgeschaft.

Het feit, dat we echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden maar zelden in het Christendom vinden voor het begin van de negentiende eeuw, dat het toen een man vereischte van het geweldige en revolutionaire genie als Napoleon, om ze weer in te voeren, en dat zelfs hij niet in staat was dit met effect te doen, is klaarblijkelijk een gevolg van de groote overwinning, die de ascetische geest van het Christendom, zooals die vastgelegd is in de canonieke wetten, verkregen had over de zielen en de lichamen van de menschen. Zoo gebukt gingen de Europeesche tradities en instellingen onder dezen geest, dat zelfs de vulcanische opstand van de Reformatie, zooals we gezien hebben, ze niet kon afschudden. Toen de Protestantsche Staten, zooals ook natuurlijk was, de heerschappij op zich namen over wereldsche zaken, die in handen van de kerk waren geweest, en toen ze aan den invloed der geestelijken die dingen ontworsteld had, die tot de sfeer van het individueele geweten behoorden, toen zou men zoo denken, dat het huwelijk en de echtscheiding onder de eerste zouden behoord hebben, die op die wijze werden overgedragen. Toch was, zooals we weten, Engeland bijna evenzeer onderworpen aan den geest en zelfs aan de letter van de canonieke wet in de negentiende als in de veertiende eeuw, en zelfs tegenwoordig blijft de Engelsche wet, hoewel ze niet langer door de publieke opinie gesteund wordt, aan dezelfde tradities getrouw.

Er schijnt echter weinig twijfel aan te bestaan, of de moderne echtscheidingsbeweging moet onvermijdelijk neigen naar het doel, een huwelijk ontbindbaar te maken, indien beide partijen dat wenschen onder juiste omstandigheden en beperkingen, indien een der partijen dat wenscht. Er wordt tegenwoordig de wil van twee personen vereischt om een huwelijk te vormen; de wet eischt dit onvoorwaardelijk [348]. Het is logisch, zoowel als rechtvaardig, dat de wet ook de volgende stap zal doen, die de historische ontwikkeling van het huwelijk met zich brengt, en er ook op aan zal dringen, dat de wil van twee personen noodig zal zijn om het huwelijk in stand te houden. Deze oplossing is ongetwijfeld de eenige weg om te ontkomen aan de ruwheden, de indecenties, de niet te ontwarren ingewikkeldheden, die in de wet ingevoerd zijn door de vergeefsche pogingen om in bijzonderheden te voorzien in al de mogelijkheden van huwelijksoneenigheden, die onder de voorwaarden van de moderne beschaving kunnen ontstaan. Het is bovendien, daar mogen we gerust op zijn, de eenige oplossing, die de aangroeiende moderne zin voor persoonlijke verantwoordelijkheid in sexueele zaken, die we in het vorige hoofdstuk hebben nagespoord--de verantwoordelijkheid van vrouwen zoowel als van mannen--geneigd zal zijn aan te nemen.

De fijne en samengestelde aard van de sexueele verhoudingen in een hooge beschaving en de ongelukkige gevolgen van de regeling ervan door den Staat al in 1792 zijn bijzonder goed uiteengezet door Wilhelm von Humboldt in zijn Ideeen zu einem Versuch die Grenzen der Wirksamkeit des Staates zu bestimmen. "Een vereeniging, die zoo nauw verbonden is met den aard zelf der respectieve individuen moet wel vergezeld gaan van de meest nadeelige gevolgen, als de Staat tracht ze bij de wet te regelen, of, door de kracht van zijn instellingen, haar op iets anders doet berusten dan uitsluitend op genegenheid. Als wij ons bovendien in herinnering brengen, dat de Staat alleen de nadeelige eindresultaten voor het ras kan nagaan, dan zullen we nog meer bereid zijn om de rechtvaardigheid van deze conclusie toe te geven. We mogen met rede betoogen, dat de bezorgdheid voor het ras slechts leidt tot dezelfde resultaten als de grootste bezorgdheid voor de mooiste ontwikkeling van den innerlijken mensch. Want, na zorgvuldig opmerken, heeft men gevonden, dat de ononderbroken vereeniging van een man met een vrouw het weldadigst is voor het ras, en het is evenmin te ontkennen, dat geen andere vereeniging voortkomt uit ware, natuurlijke en harmonieuze liefde. En verder mogen we opmerken, dat zulk een liefde leidt tot hetzelfde resultaat, als juist die verhoudingen, die wet en gewoonte neiging hebben om in het leven te roepen. De grondfout schijnt te zijn, dat de wet beveelt; terwijl zulk een verhouding zich niet voegen kan naar uiterlijke schikkingen, maar geheel afhankelijk is van neiging; en overal waar dwang of leiding in botsing komen met neiging, daar wenden ze die nog verder van het juiste pad af. En daarom schijnt het mij toe, dat de Staat niet alleen de banden in dit geval losser moet maken en aan den burger grooter vrijheid moet laten, maar dat hij geheel zijn werkzame bezorgdheid moet afwenden van het huwelijk, en het, zoowel in het algemeen als in bijzondere wijzigingen, moet overlaten aan de vrije keuze van de individuen en de verschillende contracten, die ze hierover willen aangaan. Ik zou mij zelfs niet laten afbrengen van het aannemen van dit principe door de vrees, dat alle familieverhoudingen zouden worden verstoord, want hoewel zoo'n vrees gerechtvaardigd zou kunnen zijn door overwegingen van bijzondere omstandigheden en plaatsen, zou ze niet best kunnen stand houden bij een onderzoek naar den aard van de menschen en van de staten in het algemeen. Want de ondervinding leert ons dikwijls, dat juist waar de wet geen boeien heeft aangelegd, de moraal het zekerste bindt; het denkbeeld van uiterlijke dwang is er een, dat geheel vreemd is aan een instelling, die, zooals het huwelijk, alleen berust op neiging en een innerlijk gevoel van plicht; en de resultaten van zulke gedwongen instellingen beantwoorden in het geheel niet aan de bedoelingen, die er aan ten grondslag liggen".

Een lange reeks van beroemde denkers--moralisten, sociologen, politieke hervormers--hebben herhaaldelijk gewezen op de maatschappelijke voordeelen van echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden, of, onder beperkte omstandigheden op verzoek van een van de partijen. Wederzijdsch goedvinden was de hoeksteen van Milton's opvatting over het huwelijk. Montesquieu zeide, dat ware echtscheiding het resultaat moest zijn van wederzijdsch goedvinden, en dat ze gebaseerd moest zijn op de onmogelijkheid om te zamen te leven. Senancour schijnt het met Montesquieu eens te zijn. Lord Morley (Diderot, deel II, hoofdst. I), voegt er, in navolging en onder goedkeuring van de conclusies van de Supplément au Voyage de Bougainville (1772), aan toe, dat het van elkaar gaan van man en vrouw "een handeling is, die volkomen natuurlijk is, maar onder sommige omstandigheden een plicht". Bloch legt (Sexual Life of Our Time, p. 240) met veel andere schrijvers den nadruk op de waarheid van het gezegde van Shelley, dat de vrijheid van het huwelijk de waarborg is voor de duurzaamheid ervan. (Dat de feiten van het leven in dezelfde richting wijzen is in het vorige hoofdstuk aangetoond). De geleerde Caspari (Die Soziale Frage über die Freiheit der Ehe), verklaart, terwijl hij weigert den vorm van het toekomstig huwelijk te voorspellen, dat, als de sexueele verhoudingen moreel moeten blijven of worden, er meer faciliteiten moeten zijn voor het ontbinden van het huwelijk. Howard (die zelf meent, dat het huwelijk behoefte heeft aan wettelijke regeling) voelt zich aan het einde van zijn uitgebreide geschiedenis van de huwelijksinstellingen (deel III, p. 220) toch gedrongen toe te geven, dat het volkomen duidelijk is voor den geschiedvorscher, dat de moderne echtscheidingsbeweging "maar een deel is van de machtige beweging tot maatschappelijke bevrijding, die steeds sinds de Hervorming in uitbreiding en kracht toegenomen is". En de voorzichtige en critische Westermarck eindigt het hoofdstuk over het huwelijk van zijn Origin and Development of the Moral Ideas (deel II, p. 398) met het gezegde, dat "als man en vrouw beiden wenschen van elkaar te gaan, het dan aan veel verlichte geesten toeschijnt, dat de Staat geen recht heeft tusschenbeide te komen om hen te verhinderen het huwelijkscontract te ontbinden, mits er behoorlijk voor de kinderen gezorgd wordt; en dat het voor de kinderen ook beter is, dat ze onder de leiding komen van een van de ouders alleen, dan van twee, die het niet eens zijn".

In Frankrijk schijnen de leiders van de maatschappelijke hervorming het er bijna geheel over eens te zijn, dat de eerstvolgende stap, wat de echtscheiding betreft, moet zijn, het instellen van de echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden. Dit was bijvoorbeeld het resultaat van een rondvraag, waaraan een-en-dertig beroemde mannen en vrouwen hun bijdrage leverden. Allen waren voor echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden; de eenige uitzondering was Madame Adam, die zeide, dat zij een stadium bereikt had van scepticisme over politieke en maatschappelijke hervormingen; maar die toegaf, dat ze bijna een halve eeuw lang een ijverig voorstandster van echtscheiding was geweest. Een groot aantal medewerkers waren voor echtscheiding op den wensch van de eene partij alleen (La Revue, Maart 1, 1901). Ook in andere landen is er een aangroeiende erkenning, dat deze oplossing van de zaak, met gepaste voorzorgen om misbruiken te voorkomen, die er anders licht bij zouden ontstaan, de juiste en onvermijdelijke oplossing is.

Wat de juiste methode aangaat, waarop echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden moet ten uitvoer gebracht worden, zijn de opinies verdeeld, en de zaak zal waarschijnlijk in verschillende landen verschillend geregeld worden. Het Japansche plan schijnt eenvoudig en oordeelkundig (zie boven, p. 421). Paul en Victor Margueritte, die (Quelques Idées blz. 3 et seq.) zich duidelijk voor oogen stellen, dat het gevoelsconflict in zake de persoonlijke verbintenissen beslissingen met zich brengt, die ten eenemale buiten de competentie van gerechtshoven liggen, erkennen evenwel, dat zulke gerechtshoven toch noodig zijn om orde te stellen op de bezittingen van gescheiden personen en ook in laatste instantie op de zorg voor de kinderen. Zij moeten de zaken niet in het openbaar behandelen. Deze schrijvers stellen voor, dat iedere partij een vertegenwoordiger zal kiezen, en dat deze twee te zamen een derde zullen kiezen; dat dan dit scheidsgerecht niet officieel onderzoek moet doen, en dat zij, als ze het eens zijn, de scheiding moeten doen registreeren, hetgeen zes of twaalf maanden later moet plaats vinden, of drie jaar later, als het alleen maar door een van de partijen gewenscht wordt. Dr. Schufeld ("Psychopathia Sexualis and Divorce") stelt voor, dat een rechter van het echtscheidingsgerecht geheel alleen het verhoor zal leiden van ieder geval van een huwelijksoneenigheid, terwijl de man en de vrouw direct voor hem verschijnen, zonder advocaat; wèl, zoo noodig, met hun getuigen; als medische deskundigen vereischt werden, dan moest de rechter alleen de macht hebben om ze op te roepen.

Als wij bedenken, dat het lange uitstellen van het aannemen van een zoo rechtvaardige en natuurlijke basis van echtscheiding berust op de kunstmatige spanning, die geschapen wordt door den druk van de doode hand van de canonieke wet--een spanning, die uitsluitend beperkt is tot het Christendom--dan mogen we ook erkennen, dat met het verdwijnen van die spanning de juiste en natuurlijke orde in deze verhouding des te sneller zal terugkomen, omdat het zoo lang geduurd heeft, eer die verlossing kwam. "De Natuur verafschuwt een ledig nergens zoozeer als in het huwelijk", merkt Ellen Key op in de taal van verouderde physieke beeldspraak; het ledig zal zich op de eene of andere wijze vullen, en als het zich niet kan vullen op een natuurlijke en ordelijke wijze, dan zal het zich vullen op onnatuurlijke en onordelijke wijze. Het is de zaak van de maatschappij er op te letten, dat geen wetten aan het instellen van een natuurlijke orde in den weg staan.

Hervorming op een verstandige basis is moeilijk gemaakt doordat ongelukkigerwijze het denkbeeld van misdaad behouden is gebleven. Met de tradities van de canonisten nog in ons hoofd, hebben wij onszelf op de eene of andere wijze ervan overtuigd, dat er geen echtscheiding kan wezen, tenzij er een misdadiger is, een werkelijk ernstige misdadiger, die, als hij kreeg wat hij verdiende, opgesloten en tot schande gebracht moest worden. Maar in de huwelijksverhouding is er, evenals in alle andere verhoudingen, maar een zeer klein aantal gevallen, waarin de eene partij tegenover de andere staat als misdadiger of zelfs als aanklager. Dit blijkt dikwijls duidelijk in de eerste stadiën van huwelijksverwijdering. Maar het blijft waar tot het eind toe. De vrouw begaat echtbreuk en de man neemt als een zaak, die van zelf spreekt, de positie in van aanklager. Maar wij vragen niet, hoe het komt, dat hij niet zóo haar liefde gewonnen heeft, dat echtbreuk van haar kant buiten kwestie is; zulk een navraag zou dikwijls tot de conclusie voeren, dat de werkelijke beklaagde de man is. En ook, als de man beschuldigd wordt van brutale wreedheid, dan draagt de wet geen zorg te onderzoeken of door het aanbrengen van minder brutale, maar niet minder scherpe wonden, de vrouw ook niet tot beklaagde behoorde gemaakt te worden. Er zijn enkele weinige gevallen, waarin de verhouding van aanklager en gedaagde niet een volkomen valsche en kunstmatige verhouding is, een immoreele, wettelijke fictie. In de meeste gevallen moesten, als de waarheid geheel bekend was, man en vrouw samen voor het echtscheidingsgerecht verschijnen en verklaren: "Wij hebben beiden ongelijk: wij zijn niet in staat geweest onze verplichtingen jegens elkander na te komen; wij hebben ons vergist, toen wij elkander kozen". De lange verslagen over de zaak in openbare behandeling, de wederzijdsche verwijten, de detectives, de dienstmeisjes en andere getuigen, het verfoeilijk navraag doen naar intieme geheimen--al deze dingen, die geen noodzakelijkheid ooit zou kunnen rechtvaardigen, zijn volkomen onnoodig.

Er wordt door sommigen gezegd, dat een man, als er geen beletsels bestonden tegen de echtscheiding, achtereenvolgens zou kunnen trouwen met een half dozijn vrouwen. Deze naïeve of onwetende personen schijnen niet te beseffen, dat zelfs als het huwelijk absoluut onverbreekbaar is, een man sexueele betrekkingen kan onderhouden met een half dozijn vrouwen, niet alleen na elkaar, maar als hij dat wil, tegelijkertijd; en dat hij dat ook dikwijls doet. Er is echter dit belangrijke verschil, dat in het eene geval, de man door de wet wordt aangemoedigd om te meenen, dat hij maar een van die zes vrouwen behoeft te behandelen met iets dat lijkt op rechtvaardigheid en menschelijkheid; in het andere geval dringt de wet er op aan, dat hij zijn verplichtingen zal nakomen jegens al de zes vrouwen. Het is een zeer belangrijk onderscheid, en er behoorde geen kwestie over te zijn, welke staat van zaken moreel is en welke immoreel. Het is geen zaak, die den staat aangaat, te onderzoeken met hoeveel personen een man of een vrouw sexueele betrekkingen wenscht te onderhouden; het is een persoonlijke zaak, die wel invloed kan hebben op hun eigen fijnere geestelijke ontwikkeling, maar waarvan het voor den staat onbeschaamd is er binnen te gluren. Het is echter de zaak van den staat, in het gemeenschappelijk belang en in dat van zijn leden, er op te letten, dat er geen onrechtvaardige dingen gedaan worden.

Maar hoe met de kinderen? Dat is noodzakelijk een zeer belangrijke kwestie. De kwestie van de bepalingen, die voor de kinderen gemaakt worden in gevallen van echtscheiding is er altijd een, waaraan de staat zijn volle aandacht moet wijden, want alleen als er kinderen zijn heeft de staat eenig werkelijk belang bij de zaak.

Er was een tijd, toen er zelfs door sommigen verondersteld werd dat het bestaan van kinderen een ernstig argument was tègen het bevorderen van de echtscheiding. Nu wordt algemeen een redelijker standpunt ingenomen. Er wordt in de eerste plaats erkend, dat een zeer groot aantal paren, die echtscheiding zoeken, geen kinderen hebben. In Engeland is de verhouding ongeveer veertig percent; in sommige andere landen is ze ongetwijfeld nog grooter. Maar zelfs als er kinderen zijn, dan kan niemand, die zich duidelijk voor oogen stelt hoe de toestanden zijn in families, waar de ouders gescheiden moesten wezen, maar het niet zijn, eenigen twijfel hebben of die toestanden zijn buitengewoon slecht voor de kinderen. De spanning tusschen de ouders neemt energie in beslag, die gewijd moest zijn aan de kinderen. Het zien van het verdriet of de twisten van hun ouders werkt demoraliseerend op de kinderen en is gewoonlijk fnuikend voor hun respect voor hen. Op zijn best is het hinderlijk bedroevend voor de kinderen. Een van de ouders, maar dan tot werkzaamheid instaat, is veel beter voor een kind, dan twee ouders, die niet tot werkzaamheid in staat zijn. Twee menschen, die samen in oneenigheid leven--de eene van hen, zooals niet zelden het geval is, abnormaal of zenuwziek--zijn niet geschikt om ouders te worden, en ook niet in den besten toestand voor de voortplanting. Het is daarom niet alleen een daad van rechtvaardigheid jegens het individu, maar een maatregel, door de belangen van den staat geëischt, dat geen nieuwe burgers in de gemeenschap gebracht zullen worden door zulke gebrekkige kanalen [349]. Uit dit gezichtspunt zijn al de belangen van den staat aan de zijde van vergemakkelijking van de echtscheiding.

Er is ten slotte nog een argument, dat dikwijls opgeworpen wordt tegen het vergemakkelijken van de echtscheiding. Het huwelijk, zegt men, is er ter bescherming van de vrouwen; maak de echtscheiding gemakkelijker en de vrouwen zullen van die bescherming beroofd worden. Klaarblijkelijk houdt dit argument geen steek bij echtscheiding met wederzijdsch goedvinden. Zeker is het noodzakelijk, dat echtscheiding alleen zal worden tot stand gebracht onder omstandigheden, die in ieder individueel geval de goedkeuring van de wet hebben verkregen, als rechtvaardig. Maar men moet zich altijd herinneren, dat het essentieele feit van het huwelijk niet van nature is, en nooit kunstmatig moet gemaakt worden, tot een economische kwestie. Het is mogelijk--dat is een kwestie, die de maatschappij zal hebben te overwegen--dat een vrouw betaald zal worden omdat ze moeder is, op grond dat zij nieuwe burgers opvoedt voor den staat. Maar noch de staat, noch haar man, noch iemand anders behoorde haar te betalen voor het uitoefenen van haar huwelijksrechten. Het feit, dat zulk een argument te berde kan gebracht worden toont aan, hoe ver we nog verwijderd zijn van de gezonde biologische houding jegens de sexueele verhoudingen. Even ongezond is de meening, dat de maagdelijke bruid aan haar man met het huwelijk een belangrijk kapitaal meebrengt, dat verbruikt wordt bij de eerste daad van verkeer, en dat nooit weer terug gekregen kan worden. Dat is een denkbeeld, dat is blijven voortbestaan in de beschaving, maar dat tot de barbaarschheid en niet tot de beschaving behoort. Voor zoover het eenige waarde heeft, ligt het binnen de sfeer van erotische perversiteit, die niet in overweging kan gebracht worden bij het schatten van moreele waarden. Voor de meeste mannen heeft echter in ieder geval, of zij het weten of niet, de vrouw, die ingewijd is in de geheimen van de liefde, een hoogere erotische waarde dan de maagd, en men behoeft zich op dezen grond geen zorg te maken voor de vrouw, die haar maagdelijkheid verloren heeft. Het is waarschijnlijk een feit van beteekenis, dat deze ongerustheid over de bescherming van de vrouwen door de beperking op de echtscheiding voornamelijk te berde gebracht wordt door mannen en niet door vrouwen zelf. Een vrouw wordt bij het huwelijk door de maatschappij en de wet beroofd van haar eigen naam. Zij is tot zeer kort geleden verstoken geweest van haar recht op haar eigen verdienste. Zij mist de meest intieme rechten op haar eigen persoon. Zij wordt, onder bepaalde omstandigheden, van haar eigen kind beroofd, zelfs als zij er niets verkeerds tegen gedaan heeft. Het behoeft misschien nauwelijks verwondering te wekken, dat zij niet bijzonder geneigd is de bescherming te waardeeren, die haar gegeven wordt door haar het recht te onthouden zich van haar man te laten scheiden. "O, neen, geen bescherming!" heeft een schitterende Fransche schrijfster geschreven. "We zijn lang genoeg beschermd geworden. De eenige bescherming, die men aan vrouwen kan geven is dat men ophoudt haar te beschermen" [350]. Het schijnt wel een feit te zijn, dat de echtscheidingsbeweging zich over het geheel ontwikkelt, mèt die ontwikkeling van de moreele verantwoordelijkheid van de vrouw, die in het vorige hoofdstuk is nagegaan; en waar de echtscheiding het vrijste is, daar nemen de vrouwen de hoogste positie in.

Als we den aard en de richting van de moderne echtscheidingsbeweging in het oog vatten, merken we duidelijk op, dat de eindneiging van die beweging is, zichzelf uit te wisschen.

Hoe noodzakelijk het echtscheidingsgerechtshof geweest is als onvermijdelijk gevolg van een onmogelijke kerkelijke opvatting van het huwelijk, nú is er geen instelling, die leelijker, en meer vreemd aan de instinctieve gevoelens, door een mooie beschaving voortgebracht, en meer tegenovergesteld aan de waardigheid van de vrouwelijkheid is [351]. Het verdwijnen van deze instelling en het ontstaan in plaats daarvan van persoonlijke bepalingen, een soort contracten, vooral als er kinderen zijn om onder wettig en zoo noodig rechterlijk toezicht voor te zorgen, is, en is altijd geweest, het natuurlijk resultaat van het bereiken van een eenigszins hoog stadium van beschaving. Het echtscheidingsgerecht is niets dan een phase geweest in de geschiedenis van het moderne huwelijk, en een phase, die werkelijk stuitend is geweest voor allen, die het aanging. Men behoeft haar eindelijk verdwijnen met niets anders dan tevredenheid te beschouwen. Ze was alleen maar het gevolg van een kunstmatige opvatting van het huwelijk. We moeten nu tot de beschouwing van die opvatting terugkeeren.

We hebben gezien, dat, toen de Katholieke ontwikkeling van de oeroude opvatting van het huwelijk als een sacrament, langzaam gevormd en weer versteend door de vernuftigheid van de Canonisten, ten slotte in naam onttroond, maar niet vernietigd werd door de beweging, die met de Hervorming samenging, ze vervangen werd door de opvatting van het huwelijk als een contract. Deze opvatting als contract vindt nog heden een grooten aanhang onder ons.

Er moeten altijd implicite of explicite contractselementen zijn in een huwelijk; dat werd zelfs duidelijk erkend door de Canonisten. Maar als we het huwelijk als een contract behandelen, en als niets dan een contract, dan moeten we inzien, dat we een zeer eigenaardigen vorm van contract ingesteld hebben, een, dat niet zooals andere contracten, verbroken kan worden op verzoek van de partijen, die het gesloten hebben, maar dat alleen ontbonden kan worden als een soort van straf voor misdrijf eer dan als de zelf gewilde vernietiging van een verbond [352]. Toen de Protestantsche Hervormers beslag legden op het denkbeeld van het huwelijk als contract, werden ze niet geïnfluenceerd door eenige met redenen omkleede ontleding van de eigenaardigheden van een contract; zij wenschten alleen maar een aannemelijken grond te vinden, zooals die reeds zelfs door de Canonisten was aangenomen, om bepaalde zijden van de huwelijksvereeniging te bemantelen, waarop zij zouden kunnen verklaren, dat het huwelijk een wereldlijke en niet een kerkelijke zaak is, een burgerlijke band en niet een sacramenteel proces [353].

Zooals zooveel in den Protestantschen opstand, lag de kracht van deze houding in het feit, dat ze een protest was, dat aan zijn negatieve zijde gebaseerd was op verstandige en natuurlijke gronden. Maar terwijl het Protestantisme gelijk had in zijn poging--want het was alleen maar een poging--om het gezag van de canonieke wet niet te erkennen, was die poging aan den positieven kant volkomen onbevredigd. Feitelijk is het huwelijk nooit een werkelijk contract geweest en evenmin is er ooit een poging gedaan om het in een werkelijk contract te veranderen.

Verschillende schrijvers hebben het huwelijk behandeld als een werkelijk contract of beweerd, dat het veranderd moest worden in een werkelijk contract. Mevr. Caird bijvoorbeeld ("The Morality of Marriage", Fortnightly Review, 1890) meent, dat, als het huwelijk werkelijk een contract wordt, "een paar hun overeenkomst moeten opstellen, of die taak opdragen aan hun vrienden, zooals nu gewoonlijk gedaan wordt met huwelijksvoorwaarden. Zij komen overeen om zoo of zoo te leven, en maken zekere bepalingen binnen de grenzen van het wetboek". De staat, zegt zij, moest echter een tusschentijd eischen tusschen de aankondiging van de echtscheiding en de echtscheiding zelf, als die nog gewenscht wordt, nadat deze tusschentijd verstreken is. Evenzoo dringt in de Vereenigde Staten Dr. Shufeldt ("Needed Revision of the Laws of Marriage and Divorce", Medico-Legal Journal, Dec. 1897) er op aan, dat het huwelijk geheel in handen moet gesteld worden van de rechtsgeleerden en "gemaakt tot een burgerlijk contract, uitvoerig in bijzonderheden, en termen bepalende voor echtscheiding, in geval een ontbinding van het contract later vereischt wordt". Hij voegt er bij, dat medische attesten van vrij zijn van geërfde of verkregen ziekte moesten geëischt worden, en dat ook behoorlijk geregelde proefhuwelijken behoorden ingesteld te worden.

In Frankrijk was een afgevaardigde van de Kamer er in 1891 zoo van overtuigd, dat het huwelijk een contract is, evenals ieder ander contract, dat hij verklaarde dat "muziek te maken bij het voltrekken van een huwelijk even belachelijk is als het zijn zou om een tenor te laten komen bij een notaris om den verkoop te vieren van brandhout". Hij dacht er heel anders over dan Pepys, die, een paar eeuwen vroeger even verontwaardigd geweest was over de afwezigheid van muziek bij een bruiloft, hetgeen, naar hij zeide, deze deed gelijken op het paren van een paar honden.

Een veel voorkomende eisch van hen, die er op aandringen, dat het huwelijk moet beschouwd worden als een contract, is het huwelijk aangegaan voor den tijd van eenige jaren. Er konden in het oude Japan huwelijken aangegaan worden voor den tijd van vijf jaar of minder, en men zegt, dat zij aan het einde van dien tijd bijna nooit ontbonden werden. Goethe laschte in zijn Wahlverwandtschaften (deel I, hoofdstuk X) als bijomstandigheid een voorstel in om huwelijken aan te gaan voor den tijd van vijf jaar, en hechtte veel waarde aan het verlengen van het huwelijk na dien tijd zonder uiterlijken dwang. (Bloch meent, dat Goethe waarschijnlijk gehoord had van de Japansche gewoonte, Sexual Life of Our Time, p. 241). Ook Professor E. D. Cope ("The Marriage Problem", Open Court, Nov. 15 en 22, 1888), raadde, om het huwelijk uit de sfeer van de caprice te verwijderen en een volledigen en behoorlijken proeftijd toe te staan, aan "een systeem van burgerlijke huwelijkscontracten, die over een bepaalden tijd zullen loopen. Deze contracten moesten van dezelfde waarde zijn en dezelfde uitwerking hebben als het bestaande huwelijkscontract. De tijdgrenzen behoorden snel toe te nemen, om te voorkomen dat vrouwen van rijper jaren zonder steun zouden zijn. Het eerste contract zou niet korter moeten duren dan vijf jaar, om ruimschoots gelegenheid te geven tot kennismaking en tot het oplossen van tijdelijke oneenigheden". Dit eerste contract, meende Cope, moest geëindigd kunnen worden op wensch van een der twee partijen; het tweede contract, voor tien of vijftien jaar, moest alleen geëindigd kunnen worden op den wensch van beide partijen, en het derde zou duurzaam moeten zijn en onontbindbaar. Ook George Meredith, de bekende romanschrijver, heeft in veel later tijd den wensch uitgesproken, dat huwelijken zouden worden aangegaan voor den tijd van een zeker aantal jaren.

Het kan echter niet gezegd worden, dat huwelijken voor den tijd van een zeker aantal jaren een zeer bevredigende oplossing bieden voor de moeilijkheden, die zich tegenwoordig voordoen. Zij zullen niet aanbevelenswaardig toeschijnen aan jonge menschen, die van elkaar houden, en die meenen, dat hun liefde eeuwig zal duren, en ook is er, zoolang de vereeniging bevredigend blijkt te zijn, geen noodzakelijkheid om het storende denkbeeld van een wettig einde van het contract in te voeren. Aan den anderen kant is het, als de vereeniging ongelukkig blijkt te zijn, niet verstandig, aan te dringen op de voortzetting, tien of zelfs maar vijf jaar lang van een ledigen vorm, die niet overeenkomt met een werkelijke huwelijksvereeniging. Zelfs als het huwelijk op de meest prozaïsche basis wordt geplaatst van contract, is het een vergissing en zelfs een onmogelijkheid, om van tevoren den duur ervan te bepalen. Het systeem van het van te voren vaststellen van den duur van het huwelijk voor een tijd van eenige jaren berust op precies hetzelfde principe als het systeem om het van te voren voor het leven vast te stellen. Hetzelfde bezwaar er tegen is van kracht, nl. dat het niet is overeen te brengen met eenige, het leven rakende verhouding. Naarmate de eisch van levende werkelijkheid in de maatschappelijke verhoudingen aangroeit, wordt dit feit meer en meer gevoeld. Wij zien precies dezelfde verandering bij het systeem van het opleggen van vooraf bepaalde vonnissen voor gevangenisstraf voor misdadigers. Het zenden van een man naar de gevangenis voor vijf jaar of voor het leven, zonder in het minst te denken aan het onbekende probleem van de op het leven inwerkende reactie van de gevangenisstraf op den man--een reactie, die verschillend zal zijn in ieder individueel geval--begint langzamerhand beschouwd te worden als een absurditeit.

Als het huwelijk werkelijk op de basis van een contract geplaatst werd, dan zou dat contract niet alleen geëindigd kunnen worden, zoodra de twee personen, die het gesloten hebben, het wenschten, zonder dat er eenige kwestie van misdadigheid ter sprake kwam, maar die partijen zouden bij het begin zelf de voorwaarden bepalen, die het contract zouden regelen. Maar niets kan meer ongelijk zijn aan ons werkelijke huwelijk. Der twee partijen wordt verzocht elkaar aan te nemen als man en vrouw; er wordt hun niet gevraagd om een contract te maken; er wordt hun niet eens gezegd dat, hoe weinig ze het ook mogen weten, zij in werkelijkheid een zeer gecompliceerd en uitgewerkt contract hebben gesloten, een contract, dat opgesteld is naar regels, die, voor het grootste gedeelte gemaakt werden twee duizend jaar voordat zij geboren waren. Als zij de wet niet bestudeerd hebben, weten zij ook in het geheel niet, dat dit contract paragrafen bevat, die onder sommige omstandigheden fataal kunnen zijn voor een van beide partijen. Alles wat er gebeurt is, dat een jong paar, misschien maar weinig meer dan kinderen, voor het oogenblik verblind door hun gevoel, voor den geestelijke of den ambtenaar van den burgerlijken stand verschijnt, om zich voor het leven te binden, terwijl ze niets van de wereld weten en bijna niet meer van elkaar, terwijl ze niets weten van de huwelijkswetten, soms zelfs niet eens dat er huwelijkswetten zijn, en terwijl ze zich nooit klaar voor oogen gesteld hebben, dat--zooals naar waarheid gezegd is--van de plaats, die zij onder een guirlande van bloemen betreden, er aan deze zijde van het graf geen andere uitgang is dan door het valluik van een riool [354].

Als een vrouw trouwt, geeft zij het recht op haar eigen persoonlijkheid op. Zoo kan, volgens de Engelsche wet, een man "niet schuldig zijn aan verkrachting van zijn wettige vrouw". Stephen, die in de eerste uitgave van zijn Digest of Criminal Law, meende, dat een man onder sommige omstandigheden veroordeeld kon worden wegens verkrachting van zijn vrouw, heeft die opinie teruggenomen. Een man kan een prostituée verkrachten, maar hij kan zijn vrouw niet verkrachten. Als zij eens haar toestemming gegeven heeft tot sexueelen omgang door de daad van het huwen met een man, dan heeft ze die voorgoed gegeven, welke nieuwe omstandigheden zich ook mogen voordoen, en hij behoeft haar toestemming niet te vragen voor sexueelen omgang, zelfs niet als hij weet, dat hij lijdende is aan venerische ziekte (zie b.v., een artikel over "Sex Bias", Westminster Review, Maart 1886).

De plicht van een vrouw om aan haar man "huwelijksrechten" toe te staan is een andere kant van haar wettelijke onderwerping aan hem. Zelfs in de negentiende eeuw werd een dame van goede familie uit Suffolk in de Ipswich gevangenis vele jaren lang gevangen gehouden tot haar dood en gevoed met water en brood, hoewel ze aan verschillende ziekten leed, alleen omdat ze niet wilde gevolg geven aan een vonnis, dat eischte, dat zij haar man huwelijksplichten zou bewijzen. Ongetwijfeld is de moderne neiging, hoewel ze maar langzaam voortschrijdt, tégen het toepassen van dwang op den man of de vrouw, om "huwelijksrechten" te verleenen; en sedert het geval Jackson is het in Engeland voor een man niet mogelijk zijn vrouw met geweld te dwingen om met hem te leven. Deze neiging is nog meer uitgesproken in de Vereenigde Staten; zoo besliste het hoogste gerechtshof in Iowa, eenige jaren geleden, dat buitensporig eischen van coïtus wreedheid vormde in een mate, die echtscheiding rechtvaardigde (J. G. Kiernan, Alienist and Neurologist, Nov. 1906, p. 466).

Het geringe eigendomsrecht van de vrouw over haar persoon is niet beperkt tot de sexueele sfeer, maar strekt zich zelfs uit over haar recht op het leven. In Engeland beging een vrouw vroeger, als ze haar man doodde, de zeer ernstige misdaad van "petit treason" en nog heden noemt men die misdaad moord. Maar, als een man zijn vrouw doodt en in staat is haar echtbreuk te bewijzen en zijn jaloezie, dan pleegt hij alleen maar manslag. (In Frankrijk, waar jaloezie met buitengewone toegevendheid beschouwd wordt, wordt zelfs een vrouw, die haar man gedood heeft, dikwijls vrijgesproken).

Men moet echter niet meenen, dat al de wettelijke ongelijkheden, die het huwelijk met zich brengt, ten gunste van den man zijn. Een groot aantal onbillijkheden worden ook den man aangedaan. De man, bijvoorbeeld, is wettig verantwoordelijk voor de lasteringen, die zijn vrouw zegt, en hij is wettelijk ook verantwoordelijk voor het bedrog, dat zij pleegt, zelfs als zij afgezonderd van hem leeft. (Dit werd, bijvoorbeeld, gemeend door een Engelschen rechter in 1909; "hij kon alleen zeggen, dat het hem speet, want het scheen een moeilijk geval. Maar zoo was de wet"). Belfort Bax heeft vooral in den laatsten tijd den nadruk gelegd op de moeilijkheden, door de Engelsche wet op zulke wijzen als deze, opgelegd. Er kan geen twijfel aan zijn, dat het huwelijk, zooals het tegenwoordig is ingericht, ernstige nadeelen meebrengt voor den man zoowel als voor de vrouw.

Het huwelijk is dus, niet alleen geen contract in den waren zin [355], maar in den eenigen zin, waarin het een contract is, is het een contract van een buitengewoon slechte soort. Toen de Canonisten de oude opvatting van het huwelijk als een koopcontract vervingen door hun sacramenteele huwelijk, bewerkten zij in vele opzichten een werkelijke vooruitgang, en de terugkeer tot het denkbeeld van een contract blijkt, zoodra de tijdelijke waarde ervan als een protest opgehouden heeft, geheel buiten harmonie te zijn met ons tegenwoordig stadium van beschaving. Het werd weer in het leven geroepen in de dagen, vóór de opstand tegen de slavernij begonnen was. Persoonlijke contracten zijn niet in harmonie met onze moderne beschaving en onze denkbeelden over individueele vrijheid. Een man kan zich niet meer door een contract als slaaf binden, of zijn vrouw verkoopen. Toch behoort het huwelijk, als contract beschouwd, tot precies dezelfde klasse als deze handelingen [356]. In ieder hoog stadium van beschaving wordt dit feit duidelijk erkend, en jonge paren mogen zich niet eens onvoorwaardelijk door contracten aan het huwelijk binden. Wij zien dit, bijvoorbeeld, in de wijze wetgeving van de Romeinen. Zelfs onder de Christelijke keizers werd dit gezonde principe gehandhaafd en de wetgever Paulus schreef [357]: "Het huwelijk was zoo vrij, volgens de oude opvatting, dat zelfs overeenkomsten tusschen de partijen om niet van elkaar te scheiden geen geldigheid konden hebben". Voor zoover het wezen van de huwelijksverhoudingen en niet eenige bijkomstige omstandigheid tot een contract gemaakt wordt, is het een contract van een soort waartoe de twee partijen, die het aangaat, niet bevoegd zijn om het aan te gaan. Biologisch en psychologisch kan het niet geldig zijn en met den groei van de beschaving heeft men het uitdrukkelijk voor ongeldig verklaard.

Want, er kan geen twijfel aan zijn, het intieme en essentieele feit van het huwelijk--de verhouding van sexueele gemeenschap--is geen contract en kan dat ook niet zijn. Het is niet een contract, maar een feit; het kan niet bewerkt worden alleen door een daad van den wil aan de zijde van de partijen, die het aangaan; het kan niet in stand gehouden worden alleen door een daad van den wil. Zulk een contract te willen, is het opvoeren van een erger dan zedelooze klucht. Zeker zijn vele van de omstandigheden van het huwelijk met recht het onderwerp van een contract, dat vrijwillig en met opzet aangegaan moet worden door de partijen. Maar het wezenlijke feit van het huwelijk--een liefde, sterk genoeg om de meest intieme van alle verhoudingen mogelijk en wenschelijk te maken een onbepaald aantal jaren door--dat kan niet gemaakt worden tot het onderwerp van een contract. Zoowel uit physiek oogpunt, als uit psychisch oogpunt kan met geen mogelijkheid een bindend contract gemaakt worden--en als een contract niet bindend is, dan is het waardeloos. En het maken van zulke pseudo-contracten over de toekomst van een huwelijk, vóór er zelfs is vastgesteld of het huwelijk wel ooit een feit kan worden, is niet alleen onmogelijk, het is belachelijk.

Het is natuurlijk waar, dat deze onmogelijkheid, deze belachelijkheid nooit zichtbaar zijn voor de partijen, die het contract maken. Zij hebben op de zaak toegepast àl de zeer beperkte proeven, die hun door de conventie zijn toegestaan, en de bevredigende resultaten van deze proeven, te zamen met het bewustzijn, dat zij een enorme en schijnbaar onuitputtelijke bron van liefde bezitten, schijnt hun toe voldoende te zijn tot het nakomen van het contract het geheele leven door, zoo niet in eeuwigheid.

Als kind van zeven jaar bevond ik mij op een half-tropisch eiland van de Stille Zuidzee, dat uit het binnenland van vruchten voorzien werd, vooral van druiven; een donkerkleurige vrouw van de markt bood dagelijks aan den kleinen Engelschman een groote tros druiven aan. Maar er kwam een dag, waarop de aangeboden tros beslist geweigerd werd; de overdaad van druiven had een reactie teweeg gebracht van walging. Een tijdsverloop van bijna veertig jaren was noodig om den tegenzin tegen druiven, aldus opgedaan, weer kwijt te raken. Toch kan er geen twijfel aan bestaan, dat, als men, aan dien jongen op den leeftijd van zes jaar had gevraagd om een contract te teekenen, dat hem er toe zou binden om iederen dag druiven aan te nemen, om ze altijd bij zich te houden, en er iederen dag van te genieten, dat hij dan dat contract even vroolijk geteekend zou hebben als een stralende bruidegom of zedige bruid het register in de kerkekamer teekent. Maar is het gemakkelijker aan een man of vrouw, met onbekende hoedanigheden, die veranderen of ontaarden kunnen, en met een onnoemelijk aantal geschiktheden om kwellingen op te leggen of walging op te wekken, gebonden te zijn, dan aan een heerlijke vrucht? Nog geen der landen van de wereld, waarin de subtiele invloed van de canonieke wet van het Christendom zich nog doet voelen, heeft de algemeene waarheid begrepen, die binnen de praktische ondervinding ligt van een kind van zeven jaar [358].

Het denkbeeld, dat zulk een verhouding als die van het huwelijk op een zoo zwakke basis kan berusten als een van tevoren opgesteld contract, is natuurlijk nooit in ruimen kring in zijn uitersten vorm van kracht geweest en was in vele deelen van de wereld volkomen onbekend. De Romeinen verwierpen het, zooals we weten, in duidelijke woorden, en erkenden zelfs op een tamelijk vroeg tijdstip de wettigheid van het huwelijk door usus, waarmee ze inderdaad verklaarden, dat het huwelijk een feit moet zijn en niet alleen maar een vorm zonder inhoud. Er is een vèrverspreide wettelijke neiging geweest, vooral waar de tradities van de Romeinsche wet eenigen invloed hebben behouden, om de cohabitatie van het huwelijk te beschouwen als het wezenlijke feit van de verhouding. Het was een oude regel zelfs in de Katholieke kerk, dat het huwelijk aangenomen kon worden van de cohabitatie af (zie b.v. Zacchia, Questionum Medico-legalium Opus, uitgave van 1688, deel III, p. 234). Zelfs in Engeland behoort de cohabitatie reeds tot de dingen, die aangenomen worden ten gunste van het bestaan van een huwelijk (hoewel ze niet noodzakelijk op zich zelf beschouwd wordt als voldoende), mits de vrouw van onbevlekt karakter is, en niet een gewone prostituée blijkt te zijn. (Nevill Geary, The Law of Marriage, hoofdst. III). Als echter, volgens de gerechtelijke uitspraak van Lord Watson in het geval Dysart Peerage, een man zijn maitres mee naar een hotel neemt of met haar naar een winkel van kindergoederen gaat en van haar spreekt als zijn vrouw, dan wordt er aangenomen, dat hij zoo handelt terwille van de zedelijkheid, en dit levert geen bewijs van een huwelijk. In Schotland wordt het huwelijk op veel losser gronden aangenomen dan in Engeland. Dit kan in verband gebracht worden met de diep-gewortelde gewoonte in Schotland van huwelijk door wederzijdsche toestemming. (Geary, op. cit., hoofdst. XVIII; vergelijk Howard, Matrimonial Institutions, deel I, p. 316).

In het geval Bredalbane (Campbell v. Campbell, 1867), hetgeen van groot belang was, omdat het ging om de opvolging van de uitgestrekte bezittingen van den Markies van Bredalbane, besliste het Huis der Lords, dat zelfs een connectie berustend op echtbreuk, een huwelijksverhouding kan worden als ze ophoudt echtbreuk te zijn, enkel door het feit van de toestemming der partijen, zooals die blijkt uit gewoonte en gerucht, zonder dat de noodzakelijkheid bestaat, dat het huwelijkskarakter van de connectie aangeduid wordt door een publieke daad, of dat het noodig is om den specialen tijd aan te wijzen, waarop deze toestemming gewisseld werd. Deze beslissing is bevestigd in het geval Dysart (Geary, loc. cit.; vergelijk C. G. Garrison, "Limits of Divorce", Contemporary Review, Feb., 1894). Evenzoo, naar beslist is door Rechter Kekewich in het geval Wagstaff 1907, moeten, als een man geld nalaat aan zijn "weduwe", op voorwaarde, dat zij nooit weer trouwen zal, hoewel hij nooit met haar getrouwd geweest is, en hoewel ze wettelijk met een anderen man getrouwd is, de bedoelingen van den testamenteur nagekomen worden. Garrison zegt, in zijn bespreking van dit gezichtspunt van het wettig huwelijk (loc. cit.), met kracht, dat bij de Engelsche wet het huwelijk een feit is en niet een contract, en dat, waar "een gedrag gekarakteriseerd door doel en duurzaamheid van samenleven" bestaat, er wettelijk een huwelijk bestaat, en dat het huwelijk alleen maar "een naam is voor een bestaand feit".

In de Vereenigde Staten bestaat ook het huwelijk "door gewoonte en gerucht" en het is in sommige staten zelfs bevestigd en uitgebreid door de wet (J. P. Bishop, Commentaries, deel I, hoofdst. XV). "Hoe de vorm van de ceremonie ook zij, en zelfs als van iedere ceremonie afgezien werd", zeide rechter Cooley uit Michigan, in 1875 (in een uitspraak, die als gezaghebbend door de fæderale gerechtshoven aangenomen werd), "als de partijen op dit oogenblik overeenkwamen om elkaar tot man en vrouw te nemen, en van dien tijd af onloochenbaar in die verhouding leefden, dan zou het bewijs van deze feiten voldoende zijn.... Dit is de gevestigde leer geweest van de Amerikaansche gerechtshoven". (Howard, op. cit., deel III, pp. 177 et seq. Drie en twintig staten sanctionneeren het huwelijk volgens het gewoonterecht, terwijl achttien iedere niet vormelijke overeenkomst verwerpen).

Deze wettelijke erkenning door de hoogste rechterlijke autoriteiten, zoowel in Engeland als in de Vereenigde Staten, dat het huwelijk in zijn wezen een feit is, en dat geen bewijs van eenigen vorm van ceremonie vereischt wordt voor de meest volledige wettelijke erkenning van het huwelijk, brengt ontwijfelbaar zeer belangrijke verwikkelingen met zich mee. Het werd duidelijk, dat de hervorming van het huwelijk mogelijk is zelfs zonder verandering in de wet en dat fatsoenlijke sexueele verhoudingen, zelfs als ze aangegaan zijn zonder eenigen wettelijken vorm, reeds volle recht hebben op wettige erkenning en bescherming. Er zijn echter, we behoeven dit hier nauwelijks bij te voegen, andere overwegingen, die een hervorming langs dezen weg onvolkomen maken.

Zoo bestaat de neiging, dat met den groei van de beschaving het opvatten van het huwelijk als een contract meer en meer in discrediet geraakt. Aan den anderen kant wordt erkend, dat persoonlijke contracten niet in harmonie zijn met onze algemeene en maatschappelijke houding, want, als wij het denkbeeld verwerpen, dat een menschelijk wezen zich bij contract mag verkoopen als slaaf, hoeveel te meer moeten we dan het denkbeeld verwerpen, dat menschen een contract zouden aangaan voor de nog intiemere verhouding van een getrouwd man of getrouwde vrouw; aan den anderen kant voelt men, dat het denkbeeld van van tevoren opgemaakte contracten in een zaak, waarover het individu zelf geen contrôle heeft, volkomen onwerkelijk is en als er strenge regels van billijkheid heerschen, noodzakelijk van geen waarde. Het is waar, dat er nog voortdurend schrijvers gevonden worden, die hun denkbeelden verkondigen over de plichten of de voorrechten, die vervat zijn in het "contract" van het huwelijk, en die de beteekenis van het woord "contract" in dezen zin niet meer analyseeren dan de Hervormers deden; maar men kan ternauwernood zeggen, dat deze schrijvers verder gekomen zijn dan het alphabet van het onderwerp, waarover ze leerstellingen verkondigen.

Het overbrengen van het huwelijk van de Kerk naar den Staat, hetgeen wij in de landen, waar het 't eerst voorkwam danken aan het Protestantisme, en in de Engelsch sprekende landen voornamelijk aan het Puritanisme, had, terwijl het een noodzakelijk stadium was, ongelukkig het gevolg, dat het de sexueele verhoudingen verwereldlijkte. Dat is te zeggen, dat het 't verheven element in de liefde, dat in werkelijkheid het essentieele deel van zulke verhoudingen is, negeerde, en dat het alle aandacht concentreerde op die vormelijke en toevallige deelen van het huwelijk, die alleen op een strenge en nauwkeurige wijze behandeld kunnen worden, en die eigenlijk alleen het onderwerp kunnen vormen van contracten. De canonieke wet, hoe fantastisch en onmogelijk zij ook in vele van haar ontwikkelingen werd, drong tenminste aan op het natuurlijke en werkelijke feit van het huwelijk als bovenal een lichamelijke vereeniging, terwijl ze, terzelfder tijd dat huwelijk niet beschouwde als enkel een wereldlijk zakelijk contract, maar als een geheiligde en verheven functie, een goddelijk feit, en het symbool van het goddelijkste feit van de wereld. Tegenwoordig komen we terug tot de opvatting van de Canonisten over het huwelijk op een hooger en vrijer plan, wij komen terug tot de verheven beschouwing van de canonieke wet, terwijl we toch het individualisme behouden, hetwelk de Puriteinen ten onrechte meenden dat zij konden verkrijgen op de basis van verwereldlijking, terwijl wij verder erkennen, dat de geheele zaak behoort tot de persoonlijke sfeer van moreele verantwoordelijkheid. Zooals Hobhouse, toen hij de geschiedenis van de ontwikkeling der moderne huwelijks-opvatting naging, terecht gezegd heeft, het sacramenteele denkbeeld van het huwelijk is weer voor den dag gekomen, maar op een hooger niveau; "van een sacrament in den magischen zin is het een sacrament in den ethischen zin geworden". Zoo zullen wij komen, hoewel wij het wettelijk nog niet bereikt hebben, tot het huwelijk, gevormd en in stand gehouden door wederzijdsche toestemming, "een vereeniging tusschen twee vrije en verantwoordelijke personen, waarbij de wettelijke rechten van beide verzekerd worden" [359].

Sommigen meenen, dat men, als men het huwelijk beschouwt als een sacrament, dan ook noodzakelijk het oude Katholieke gezichtspunt moet aannemen, dat belichaamd is in de canonieke wet, dat het huwelijk onontbindbaar is. Dat is echter een vergissing. Zelfs de Canonisten hebben nooit een samenhangende en steekhoudende reden kunnen opgeven voor de onontbindbaarheid van het huwelijk; die zich met eenigen grond kon aanbevelen, terwijl Luther en Milton en Wilhelm von Humboldt, die den godsdienstigen en heiligen aard van de sexueele vereeniging staande hielden--hoewel ze voorzichtig waren met het gebruiken van het woord "sacrament" met het oog op wat er in de kerk onder begrepen wordt--wel verre van te meenen, dat de heiligheid ervan onontbindbaarheid in zich sloot, in den tegenovergestelden zin spraken. Dit gezichtspunt kan zelfs van zuiver Protestantsch standpunt verdedigd worden. "Ik meen", zegt Mr. G. C. Maberly, "dat de definitie van het Prayer Book van een sacrament "als een uiterlijk en zichtbaar teeken van een innerlijke en geestelijke genade", algemeen aangenomen wordt. In het huwelijk zijn de wettige en physieke vereenigingen de uiterlijke en zichtbare teekenen, terwijl de innerlijke en geestelijke genade is de door God gegeven liefde, die maakt, dat de vereeniging van hart en ziel is: en juist omdat ik dit gezichtspunt over het huwelijk inneem, meen ik, dat de wettige en physieke vereeniging moest verbroken worden, telkens als de geestelijke vereeniging van onzelfzuchtige, goddelijke liefde en toegenegenheid opgehouden heeft te bestaan. Het schijnt mij toe, dat de sacramenteele beschouwing van het huwelijk ons dwingt te zeggen, dat zij, die de wettelijke en lichamelijke vereeniging voortzetten als de geestelijke vereeniging opgehouden heeft te bestaan, bezig zijn--om nog eens uit het Prayer Book woorden aan te halen, die van toepassing zijn op hen, die het uiterlijke teeken nemen van een ander sacrament, als de innerlijke en geestelijke genade niet aanwezig is--"hun eigen verdoemenis te eten"."

Als we van het standpunt, dat we nu bereikt hebben, terugzien op de echtscheidingskwestie, dan zien we, naarmate de moderne wijzen van beschouwing van de moderne huwelijksverhoudingen duidelijker door de gemeenschap beginnen erkend te worden, dat die kwestie enorm vereenvoudigd zal worden. Als het huwelijk niet enkel een contract is, maar een wijze van zich gedragen, en zelfs een heilige daad, is het vrije deelnemen van beide partijen noodig om het in stand te houden. Het denkbeeld in te voeren van misdaad en straf bij de echtscheiding, het aanmoedigen van wederzijdsche beschuldigingen, het aan de wereld openbaren van de geheimen van het hart of van de zinnen, is niet alleen immoreel, het is ten eenenmale misplaatst. In de kwestie: wanneer een huwelijk opgehouden heeft een huwelijk te zijn, kunnen de twee betrokken partijen alleen de opperste rechters zijn; de Staat, als de Staat er bij geroepen wordt, kan alleen de uitspraak opteekenen, die zij doen, en kan er alleen op letten, dat er geen onrechtvaardigheid geschiedt bij het ten uitvoer brengen van de uitspraak [360].

Toen we in het vorige hoofdstuk de richting bespraken, waarin de sexueele moraal neiging heeft zich te ontwikkelen met de ontwikkeling van de beschaving, kwamen we tot de conclusie, dat ze in haar hoofdlijnen vooral persoonlijke verantwoordelijkheid in zich sloot. Een verhouding, die onder natuurvolken vastgelegd is door een maatschappelijke gewoonte, die niemand durft te breken, en op een hooger trap van beschaving door vormelijke wetten, die naar de letter moeten opgevolgd worden, zelfs als ze gebroken worden naar den geest, wordt langzamerhand overgebracht in de sfeer van individueele moreele verantwoordelijkheid. Zulk een overdracht heeft natuurlijk geen beteekenis, en is zelfs onmogelijk, tenzij de toenemende kracht van den moreelen band vergezeld gaat van een toenemende kracht van den vormelijken band. Alleen door het losser maken van de kunstmatige beperkingen kunnen de natuurlijke beperkingen hun volle heerschappij uitoefenen. Dat proces heeft plaats op twee wijzen, voor een deel op een basis van onverschilligheid voor het vormelijke huwelijk, die de massa overal gekenmerkt heeft en ongetwijfeld teruggaat tot de tiende eeuw voordat de overheersching van het kerkelijke huwelijk begon, en voor een deel door de vooruitgaande wijziging van de huwelijkswetten, die noodzakelijk gemaakt werden door de behoeften van de bezittende klassen, die er op uit waren de staatserkenning van hun vereenigingen te verzekeren. Het geheele proces is noodzakelijk een geleidelijk en zelfs onmerkbaar proces. Het is niet mogelijk de bepaalde data vast te stellen van de stadiën, waarlangs de Kerk de enorme revolutie bewerkte, waardoor zij verkreeg en eindelijk aan den Staat overdroeg de volkomen contrôle op het huwelijk, want die revolutie werd bewerkt zonder inmenging van eenige wet. Het zal even moeilijk zijn het overgaan te bemerken van de contrôle op het huwelijk van den Staat op de betrokken individuen, en nog des te moeilijker omdat, hoewel het essentieele en intieme persoonlijke feit van het huwelijk niet een eigenlijke zaak is voor contrôle van den Staat, er toch bepaalde kanten zijn aan het huwelijk, die zoo nauw de belangen van de gemeenschap raken, dat de Staat verplicht is er op aan te dringen, dat ze opgeschreven worden en om aandeel te nemen in de regeling ervan.

Er wordt soms gezegd, dat het resultaat van het losser maken van de vormelijke gebondenheid van de huwelijksverhouding zou zijn een neiging tot moreele laksheid. Zij, die dit zeggen, zien het feit over het hoofd, dat laksheid neiging heeft haar maximum te bereiken als resultaat van gebondenheid, en dat daar, waar de strenge enkel uiterlijke autoriteit van een star huwelijk overheerschend is, de uitersten van ongebondenheid het meest bloeien. Het is, om dezelfde reden, ook ontwijfelbaar waar, dat ieder plotseling wegnemen van beperkingen noodzakelijk een reactie met zich brengt naar het tegenovergesteld uiterste van losbandigheid; een slaaf wordt niet ineens veranderd in een zelfstandigen vrije. Toch moeten we ons herinneren, dat de huwelijksorde bestond duizende jaren voordat er eenige poging gedaan werd om ze door menschelijke wetgeving in willekeurige vormen te kneden. Zulk een wetgeving was, naar we gezien hebben, de poging van den menschelijken geest om de eischen van zijn eigen instincten met meer nadruk te bevestigen. Maar het eindresultaat ervan is, dat ze de instincten, die ze geïnspireerd hebben, eerder verstikt en tegenhoudt dan dat zij ze bevordert. Het geleidelijk verdwijnen ervan geeft aan de natuurlijke orde vrij baan [361].

De groote waarheid, dat dwang niet werkelijk een kracht is aan den kant van de deugd, maar aan den kant van de ondeugd, is duidelijk erkend geworden door het genie van Rabelais, toen hij van zijn idealen maatschappelijken staat, de Abdij van Thelema, zeide, dat er maar één paragraaf was in het geheele reglement: Fay ce que vouldras. "Omdat" zeide Rabelais (Boek I, hoofdst. VII), "vrije menschen, die van goede geboorte en wel opgevoed zijn, en die zich in goede gezelschappen bewegen, van nature een instinct hebben en een drang, die hen tot deugdzame daden dwingt en hen van de ondeugd terughoudt. Indien deze zelfde menschen door lage onderwerping en dwang ten onder gebracht zijn en ten onder gehouden worden, dan keeren zij zich af van die edele gezindheid, waarin ze vrijwillig geneigd waren tot de deugd, om dien band der dienstbaarheid af te schudden en te verbreken". Zoo dat, als een man en vrouw, die onder den regel van Thelema geleefd hadden, elkander huwden, hun wederzijdsche liefde, naar Rabelais ons vertelt, onverminderd voort zou duren tot den dag van hun dood.

Als het verlies van autonome vrijheid niet leidt tot losbandigen opstand, loopt ze het tegenovergestelde gevaar en heeft neiging om te worden een zwak zich verlaten op een uiterlijken steun. De kunstmatige steun van de regeling van het huwelijk van Staatswege gelijkt dan op den kunstmatigen steun van het lichaam, die geleverd wordt door het dragen van het corset. De redenen voor en tegen het aannemen van een kunstmatigen steun zijn in beide gevallen dezelfde. Een corset geeft werkelijk een gevoel van steun; het geeft zonder moeite een tamelijk bevredigend uiterlijk van fatsoen; het is een werkelijke bescherming tegen ongevallen. Maar de prijs, ten koste waarvan het dit voordeel geeft, is groot, en de voordeelen zelf bestaan alleen maar onder onnatuurlijke omstandigheden. Het corset belemmert den vorm en de gezonde ontwikkeling van de organen; het verzwakt het stelsel der vrije spieren; het is onbestaanbaar met volmaakte gratie en schoonheid; het vermindert de som van de actieve energie, Het oefent, om kort te gaan, dezelfde soort van invloed uit op de physieke verantwoordelijkheid als het vormelijk huwelijk op de moreele verantwoordelijkheid.

Het is maar al te dikwijls vergeten, en moet daarom herhaald worden, dat getrouwde menschen niet te zamen blijven terwille van den een of anderen godsdienstigen of wettelijken band; die band is alleen maar het historisch gevolg van hun natuurlijke neiging om tezamen te blijven, een neiging, die zelf veel ouder is dan de geschiedenis. "De liefde zou nu nog in de wereld bestaan, even rein en even duurzaam", zegt Shufeldt (Medico-Legal Journal, Dec. 1897), "als de mensch nooit het "huwelijk" had uitgevonden. Waarlijk verwante paren zouden elkander trouw gebleven zijn zoo lang het leven duurde. Eerst als de menschen trachten de natuur te verbeteren, treden misdaad, ziekte en ongeluk op". "Het afschaffen van het huwelijk in den vorm, zooals die nu in praktijk gebracht wordt", schreef Godwin meer dan een eeuw geleden (Political Justice, tweede uitgave, 1796, deel I p. 248), "zal met geen nadeelen gepaard gaan. Wij zijn geneigd het ons voor te stellen als de voorbode van brutalen lust en verdorvenheid. Maar het gebeurt in dit geval werkelijk, evenals in andere gevallen, dat de positieve wetten, die gemaakt zijn om onze ondeugden in bedwang te houden, die juist aanwakkeren en vermeerderen". En waar Professor Law aandringt op de kracht van het monogamisch gevoelen in de moderne maatschappij, merkt hij naar waarheid op (International Journal of Ethics, Oct. 1896), dat de opstand tegen strakke huwelijksbanden "in werkelijkheid berust juist op het strakker maken van de ware banden van huwelijksgenegenheid, te zamen met een redelijke en volkomen gepaste vastberadenheid van den kant van het individu om, in een zoo belangrijke zaak, niets minder dan het echte artikel aan te nemen". "Als op eenmaal", zegt Professor Woods Hutchinson (Contemporary Review, Sept. 1905), "alle huwelijksbanden, die nu bestaan, verbroken of voor onwettig verklaard werden, dan zouden acht tiende van alle paren binnen de acht-en-veertig uur hertrouwd zijn, en zeven tiende zouden met bajonetten niet uit elkaar gehouden kunnen worden". Een proef van deze soort op kleine schaal was in 1909 te zien in een Engelsch dorp in Buckinghamshire. Er werd ontdekt dat de kerk van het kerspel nooit vergunning gekregen had voor het sluiten van huwelijken, en dat dus alle menschen, die in die kerk in de laatste halve eeuw getrouwd waren, door geen wettig huwelijk gebonden waren. Toch maakte, voor zoover als men te weten kon komen, geen enkel van de paren, die zoo bevrijd waren van den wettelijken dwang van het huwelijk, gebruik van de verkregen vrijheid. Gezien zulk een feit is het werkelijk onmogelijk eenige moreele waarde te hechten aan den vorm van het huwelijk.

Het is zeker onvermijdelijk, dat in een periode van overgang, de natuurlijke orde tot zekere hoogte verstoord wordt door het blijven bestaan, zij het dan in een verminderden vorm, van uiterlijke banden, waarvan men bewust begint te erkennen, dat ze vijandig zijn aan de gebiedende heerschappij van individueele moreele verantwoordelijkheid. Dit kunnen we tegenwoordig duidelijk opmerken. Een overgevoelige angst om te ontsnappen aan uiterlijken dwang brengt met zich een onderschatten van de beteekenis van persoonlijke beperking in de huwelijksverhouding. Iedereen kent waarschijnlijk wel gevallen, waarin een paar jarenlang te zamen zal leven zonder den wettigen huwelijksband aan te gaan, niettegenstaande moeilijkheden in hun wederzijdsche verhouding, die al lang aanleiding zouden hebben gegeven tot een scheiding van tafel en bed of tot een echtscheiding, als zij wettig getrouwd waren geweest. Als de moeilijkheden, die onafscheidelijk verbonden zijn aan de huwelijksverhouding, gecompliceerd worden door de moeilijkheden, die komen door uiterlijken dwang, dan slaat de ontwikkeling van de moreele verantwoordelijkheid twee wegen in, en voert tot gevolgen, die niet geheel bevredigend zijn. Dit heeft men gezien in de Vereenigde Staten van Amerika en er is door Amerikaansche denkers reeds dikwijls de aandacht op gevestigd. Het is natuurlijk voornamelijk in vrouwen opgemerkt, omdat de nieuwe groei van persoonlijke vrijheid en moreele verantwoordelijkheid zich onder de vrouwen voornamelijk heeft doen gevoelen. Het eerste ontstaan van deze nieuwe impulsen, vooral als ze samengaan, wat zoo dikwijls gebeurt, met onervarenheid en onwetendheid, voert tot ontevredenheid met de natuurlijke orde, tot een eisch van onmogelijke bestaansvoorwaarden, en tot een ongeschiktheid niet alleen voor de willekeurige banden van de wet, maar zelfs voor de gezonde en noodzakelijke banden van het menschelijk maatschappelijk leven. Het is altijd een harde les voor jonge en idealistische menschen, dat wij, om de natuur te beheerschen, haar moeten gehoorzamen; dit kan alleen geleerd worden door aanraking met het leven en door het bereiken van den vollen menschelijken wasdom.

Dr. Felix Adler vestigde (in een toespraak in de Society of Ethical Culture in New-York, Nov. 17, 1889) de aandacht op wat hij beschouwde als de diepst gewortelde oorzaak van een overmatig voorkomen van echtscheiding in Amerika. "Het valsche denkbeeld van individueele vrijheid wordt in Amerika algemeen aangenomen", en als het wordt toegepast op het familieleven, voert het dikwijls tot ongeduld met de plichten, die het individu òf door zijn geboorte heeft gekregen òf vrijwillig op zich heeft genomen. "Ik ben geneigd te gelooven, dat de veelvuldigheid van de echtscheiding in geen geringe mate moet worden toegeschreven aan den invloed van democratische denkbeelden--dat is van valsche democratische denkbeelden--en onze hoop is gevestigd op een hoogere en meer ware democratie". Een latere Amerikaansche auteur, ditmaal een vrouw, Anna A. Rogers ("Why American Marriages Fail", Atlantic Monthly, Sept., 1907) spreekt in denzelfden geest, misschien op minder geschikte wijze. Zij zegt, dat echtscheidingen in Amerika zooveel voorkomen om drie redenen: 1. het niet begrijpen van de vrouw, dat het huwelijk haar werk is in de wereld; 2. haar aangroeiend individualisme; 3. het verlies van de kunst om te geven, die vervangen is door een zeer ontwikkelde neiging om te ontvangen. De Amerikaansche vrouw, zegt deze schrijfster, heeft bij het ontdekken van haar eigen individualiteit nog niet geleerd hoe ze die beheerschen moet; die individualiteit is nog "in hooge mate een nuttelooze, onrustige factor die haarzelf even weinig vrede brengt als de in haar onmiddellijke nabijheid levende personen". Haar omstandigheden hebben neiging van haar te maken "een merkwaardig afwijkende bastaardvorm; een tusschending tusschen een prachtigen, tamelijk ongemanierden jongen en een bedorven veeleischende demi-mondaine, die in deze wereld van niemand oprecht houdt dan van zichzelf alleen". Zij heeft nog niet geleerd, dat het hoogste vrouwenwerk in de wereld alleen bereikt kan worden door het vrijwillig aannemen van de beperkingen van het huwelijk. Dezelfde schrijver voegt er bij, dat de fout niet alleen berust bij de Amerikaansche vrouwen, maar ook bij de Amerikaansche mannen. Hun vergoding van hun vrouwen is grootendeels de oorzaak van die onverdraagzaamheid en zelfzucht, die de oorzaak zijn van zooveel echtscheidingen; "Amerikaansche vrouwen worden, als regel, buitensporig vertroeteld en vereerd". Maar de mannen, die zich hiertoe leenen, voelen niet, dat zij hun vrouwen kunnen behandelen met dezelfde kameraadschappelijkheid, waarmee de Franschen hun vrouwen behandelen, of met hetzelfde vertrouwen haar raad zoeken; de Amerikaansche vrouw is op een onwerkelijk voetstuk geplaatst. Toch wijst een ander Amerikaansch schrijver er op (Rafford Pyke, "Husbands and Wives", Cosmopolitan, 1902), dat maar een klein deel der Amerikaansche huwelijken werkelijk ongelukkig is, en dat dat voornamelijk in de meer beschaafde standen voorkomt, waar de vrouwenbeweging ingang vindt; het komt meer voor, dat de vrouw teleurgesteld is in het huwelijk dan de man, en dit komt voornamelijk doordat zij niet in staat is haar individualiteit, niet noodzakelijk ondergeschikt te maken aan, maar te doen opgaan in een evenboortige met de zijne. "Het huwelijk wordt tegenwoordig in zijn succes meer en meer afhankelijk van de aanpassing aan omstandigheden, die psychisch zijn. Terwijl het in vroegere generaties voldoende was, dat een vereeniging physiek wederkeerig zou zijn, moet ze in onze eeuw ook psychisch wederkeerig zijn. En terwijl vroeger de gemeenschap van de belangen gemakkelijk bereikt werd, wordt dat nu veel moeilijker doordat de vrouwen van tegenwoordig niet geneigd zijn haar afzonderlijke persoonlijkheid te doen opgaan in die van haar man. En toch, als zij dit niet doet, hoe kan ze dan een volkomen en volmaakte belangstelling hebben in het te zamen leven, en hoe kan hij dat hebben?"

Professor Münsterburg, de beroemde psycholoog, die zich op een breeder standpunt plaatst in zijn vrijmoedige, maar waardeerende studie van Amerikaansche instellingen, The Americans, wijst er op, dat de invloed van de vrouwen op de moraal in Amerika niet in alle opzichten bevredigend geweest is, in zooverre ze neiging heeft gehad ondiepheid en oppervlakkigheid aan te moedigen. "De Amerikaansche vrouw, die nauwelijks een greintje opvoeding heeft", merkt hij op (p. 587), "is dadelijk klaar met een oordeel over ieder mogelijk onderwerp... De aanmatiging van dit vrouwelijk gebrek aan kennis is het symptoom van een diepen trek in het vrouwelijk karakter en in de vrouwelijke ziel, en wijst op gevaren, die voortkomen uit het overheerschen van de vrouw in het intellectueele leven... En in geen ander beschaafd land worden ethische opvattingen zoo verteerd door bijgeloof".

Zooals we gezien hebben wordt het huwelijk, volgens de moderne opvattingen, als een vrijwillige vereeniging erkend, die door twee vrije, gelijke, en moreel verantwoordelijke persoonlijkheden aangegaan wordt; men beschouwt die vereeniging eer als een ethisch sacrament dan als een contract, zoodat het in zijn wezen, als physieke en geestelijke band buiten de sfeer van de handelingen van den staat ligt. Het is noodig geweest dit punt uit te werken, voordat wij komen aan wat aan velen een totaal er aan tegenovergesteld gezichtspunt van het huwelijk zal toeschijnen. Als de huwelijksvereeniging zelf geen zaak kan zijn voor een contract, zoo leidt ze toch natuurlijk tot een feit, dat noodzakelijkerwijze een zaak is van een implicite of explicite overeenkomst, een zaak bovendien, waarbij de gemeenschap in haar geheel een werkelijk en gepast belang heeft: dat is het feit van de voortplanting [362].

De oude Egyptenaren--bij wie de huwelijksinstellingen zoo elastisch waren en de positie der vrouwen zoo hoog--erkenden een voorloopige en lichte huwelijksband, met het doel de vruchtbaarheid te onderzoeken [363]. Bij ons treft de wet zulke vaderlijke maatregelen niet, zij laat aan de jonge paren zelf de verantwoordelijkheid over voor alle eventueele proeven, een permissie, waarvan deze paren, zooals we gezien hebben, in ruime mate gebruik maken, terwijl ze gewoonlijk het wettelijk huwelijk sluiten vóor de geboorte van hun kind. Die wettelijke band is de erkenning, dat het inleiden van een nieuw individu in de gemeenschap niet, als de sexueele vereeniging, uitsluitend een persoonlijk feit is, maar dat het een maatschappelijk feit is, een feit, dat den staat wel moet aangaan. En hoe meer wij onderzoek doen naar de neiging van de moderne huwelijksbeweging, des te meer zullen we erkennen, dat de houding van vrijheid, van individueele moreele verantwoordelijkheid bij het vormen van sexueele verhoudingen gecompenseerd moet worden door een houding van gestrengheid, van nauwgezet maatschappelijk toezicht in de kwestie van de voortplanting. Twee personen, die een erotische verhouding aangaan, zijn, als zij tot de overtuiging komen dat hun verhouding een werkelijk huwelijk is, dat zijn natuurlijk doel heeft in de voortplanting, verplicht een contract te onderteekenen, dat, hoewel het henzelf persoonlijk vrij laat, toch hen allebei moet binden aan hun plichten jegens hun kinderen [364].

Er is een dubbele noodzakelijkheid voor zulk een handelwijze, zelfs afgezien van het feit, dat het in de hoogste mate in het belang van de ouders zelf is. Het is noodig in het belang van het kind. Het is noodig in het belang van den staat. Een kind kan opgevoed worden, en goed opgevoed, door een van de ouders, die daartoe in staat is. Maar om een kind voldoende toe te rusten voor zijn intrede in het leven, zijn de beide ouders even noodig. De Staat van zijn kant--dat is te zeggen, de gemeenschap, waarvan de ouders en het kind gelijkelijk deel uitmaken--is verplicht te weten wie de personen zijn, die borgen zijn geworden voor een nieuw individu, dat nu in hun midden is ingeleid. De meest individualistische en de meest socialistische Staat zijn gelijkelijk verplicht, als ze trouw zijn aan hun belangen, zoowel hun biologische als hun economische belangen, aan te dringen op het volle wettige en erkende ouderschap van den vader en de moeder van ieder kind. Dat wordt duidelijk geëischt door het belang van het kind; het wordt ook duidelijk geëischt door het belang van den Staat.

De slagboom, die zich in het Christendom tegenover de natuurlijke erkenning van dit feit gesteld heeft, dat zoo schadelijk is zoowel voor het kind als voor den staat, is klaarblijkelijk de starheid van het huwelijkssysteem geweest, meer speciaal zooals het door de canonieke wet gevormd is. De Canonisten hechtten een waarlijk buitengewoon groote waarde aan de copula carnalis zooals zij het technisch noemden. Voor hen lag het centrum van het huwelijk in de vagina; voor hen had de aanwezigheid of de afwezigheid van een kind weinig belang. De vagina is, zooals wij weten, niet altijd een even stevig centrum gebleken tot steun van het huwelijk, en dat centrum wordt nu langzamerhand overgebracht op het kind. Als wij ons van de Canonisten afwenden naar de geschriften van de modernen, zooals Ellen Key, die zoo juist weergeeft wat in den laatsten tijd het meest karakteristiek en essentieel is in de neigingen der huwelijksontwikkeling, dan schijnen we een nieuwe wereld te zijn binnengetreden, zelfs een door nieuw licht bestraalde wereld. Want "in de nieuwe sexueele moraal gaat het licht, evenals in Corregio's Notte, uit van het kind" [365].

Ongetwijfeld is deze verandering in ruime mate een zaak van gevoel, van, zooals we soms minachtend zeggen, uitsluitend gevoel, hoewel er in de menschelijke zaken niets zoo machtig is als dat gevoel, en de revolutie, bewerkt door Jezus, de latere revolutie, bewerkt door Rousseau, waren voornamelijk revoluties in gevoel. Maar de verandering is ook een zaak van de aangroeiende erkenning van belangen en rechten, en als zoodanig openbaart ze zich in de wet. We kunnen er nauwelijks aan twijfelen, dat wij bezig zijn een tijd te naderen, waarop algemeen begrepen zal worden, dat de intrede van ieder kind in de wereld, zonder uitzondering, voorafgegaan behoorde te worden door het vormen van een huwelijkscontract, dat, terwijl het op geenerlei wijze den vader en de moeder aan plichten bindt, of aan eenige voorrechten jegens elkander, hen beiden bindt aan hun kind en terzelfder tijd hun verantwoordelijkheid jegens den Staat verzekert. Het is voor den Staat onmogelijk meer te krijgen, maar het moest hem onmogelijk zijn minder te eischen. Zulk een contract "huwt" den vader en de moeder, voor zoover het ouderschap van het individueele kind betreft, en in geen ander opzicht; het is een contract, dat hun verleden, tegenwoordige, of toekomstige verhoudingen jegens andere personen volkomen onaangeroerd laat, anders zou het niet mogelijk zijn het af te dwingen. In alle deelen van de wereld begint deze elementaire eisch van maatschappelijke moraal langzamerhand erkend te worden, en daar hij invloed heeft op honderd duizenden kinderen [366], die jaarlijks gebrandmerkt worden als "onwettig" door geen daad van henzelf, kan niemand zeggen, dat de erkenning te vroeg is gekomen. Tot nog toe schijnt ze nergens volkomen te zijn.

De meeste pogingen of voorstellen tot regeling der rechten van onwettige kinderen hebben betrekking op het wettigen van vereenigingen van een minder bindenden graad dan het tegenwoordige wettige huwelijk. Zulke vereenigingen zouden dan moeten dienen om andere verkeerdheden tegen te gaan. Zoo zegt een Engelsch schrijver, die veel studie gemaakt heeft van sexueele kwesties, in een particulieren brief: "Het beste geneesmiddel voor de losbandigheid van ongetrouwde mannen en de geestelijke en lichamelijke ellenden van onthouding bij vrouwen zou te vinden zijn in een erkend fatsoenlijk systeem van vrije vereenigingen en proefhuwelijken, waarbij omgang met preventieve middelen in praktijk gebracht wordt, totdat het paar oud genoeg is om ouders te worden, en totdat zij voldoende middelen bezitten om een familie te onderhouden. Het vooruitzicht van een bestaan zonder liefde is voor jonge mannen en vrouwen van een vurigen aard ondragelijk en even verschrikkelijk als het vooruitzicht van pijnlijke ziekte en dood. Maar ik denk, dat de oude orde van zaken binnen kort zal moeten veranderen".

In de Teutonische landen bestaat er een duidelijk te onderscheiden gevoelsstrooming in de richting van het instellen van wettige vereenigingen van een lagere soort dan het huwelijk. Zij bestaan in Zweden, evenals in Noorwegen, waar bij een onlangs uitgevaardigde wet het onwettige kind aanspraak heeft op dezelfde rechten met betrekking tot beide ouders als het wettige kind, den naam van den vader draagt, en zijn bezittingen erft (Die Neue Generation, Juli, 1901, p. 303). In Frankrijk heeft de bekende rechter Magnard, die zoo eervol bekend is door zijn houding in gevallen van kindermoord door jonge moeders, gezegd: "Ik wilde van ganscher harte, dat naast de instelling van het huwelijk zooals het nu bestaat, een vrije vereeniging bestond, gevormd door een enkele verklaring voor een overheidspersoon en die bijna dezelfde familierechten gaf als het gewone huwelijk". Deze wensch heeft in ruimen kring weerklank gevonden.

In China worden, hoewel polygamie in de strikte beteekenis niet kan gezegd worden te bestaan, de belangen van het kind, de vrouw en de staat gelijkelijk beschermd door den man in staat te stellen een soort bij-huwelijk aan te gaan met de moeder van zijn kind. "Dank zij dit systeem", zegt Paul d'Enjoy (La Revue, Sept. 1905), "dat den man toestaat te trouwen met de vrouw, die hij wenscht, zonder daarin verhinderd te worden door vorige en niet verbroken vereenigingen, is het te begrijpen, dat we opmerken, dat er geen verleide en verlaten meisjes zijn, behalve zulke, die geen wet zou kunnen redden van wat werkelijk aangeboren verdorvenheid is; en dat er geen onwettige kinderen zijn, behalve zulke, wier moeders ongelukkigerwijze dichter bij de dieren staan door haar zinnen, dan bij menschelijke wezens, door haar verstand en waardigheid".

Het nieuwe wetboek van Japan, dat in vele opzichten zoo vooruitstrevend is, staat toe, dat een onwettig kind "erkend" zal worden door het aangeven bij den ambtenaar van den burgerlijken stand; als een getrouwd man zoo'n kind erkent, dan schijnt het, dat het kind door zijn vrouw als haar eigen kan aangenomen worden, hoewel het niet werkelijk gewettigd is. Deze stand van zaken vertegenwoordigt een overgangsstadium; het kan nauwelijks gezegd worden, dat het de rechten erkent van de moeder van het "erkende" kind. Japan, mogen we hier aan toevoegen, heeft het principe aangenomen van de automatische wettiging door het huwelijk, van de kinderen die aan het paar geboren zijn vóór het huwelijk.

In Australië, waar vrouwen een grooter aandeel hebben in het maken en uitvoeren van de wetten dan elders, begint men eenige belangstelling te wijden aan de rechten van onwettige kinderen. Zoo kan in Zuid-Wales het vaderschap bewezen worden vòòr de geboorte, en de vader zorgt (op bevel van de overheid) voor huisvesting een maand vòor en een maand nà de geboorte, zoowel als voor de baker, den dokter, en voor kleeding, en stelt een borg, dat hij zijn verplichtingen zal nakomen; na de geboorte betaalt hij, na uitspraak van de overheidspersoon een wekelijksche som voor het onderhoud van het kind. Een "ongehuwde" moeder kan ook zes maanden lang in een openbare instelling op staatskosten onderhouden worden, om haar in staat te stellen zich aan haar kind te hechten.

Zulke bepalingen hebben zich ontwikkeld uit het in ruimen kring erkende recht van de ongetrouwde vrouw om ondersteuning voor haar kind te eischen van zijn vader. In Frankrijk echter, en in de wetboeken, die het Fransche voorbeeld volgen, is het wettelijk niet geoorloofd navraag te doen naar het vaderschap van een onwettig kind. Het is onnoodig te zeggen, dat zulk een wet even onbillijk is tegenover de moeder, als tegenover het kind, als tegenover den staat. In Australië gaat de wet naar het tegenovergestelde, zeker redelijker uiterste en staat zelfs aan de moeder, die meerdere minnaars gehad heeft, toe, zelf uit te kiezen, wien ze verantwoordelijk wil stellen voor haar kind. Het Duitsche wetboek kiest den middenweg, en komt alleen aan die ongetrouwde moeder te hulp, die één minnaar heeft gehad. In al zulke gevallen echter is de hulp, die gegeven wordt, alleen geldelijk; ze verzekert de moeder geen erkenning of respect, en (naar Wahrmund naar waarheid gezegd heeft in zijn Ehe und Eherecht) is het nòg noodig aan te dringen op de "onvoorwaardelijke heiligheid van het moederschap, dat, onder welke omstandigheden het ook voorkomt, aanspraak heeft op respect en bescherming van de maatschappij".

We moeten hieraan toevoegen, dat, uit maatschappelijk gezichtspunt, het niet de sexueele vereeniging is, die wettelijke erkenning behoeft, maar het kind, dat het product is van die vereeniging. Het zou bovendien een hopelooze zaak zijn te trachten alle sexueele verhoudingen te wettigen, maar het is betrekkelijk gemakkelijk alle kinderen te erkennen.

Er is in vroeger tijd veel geredetwist over den specialen vorm, dien het huwelijk behoorde aan te nemen. Vele theoretici hebben hun vernuft ingespannen voor het uitvinden en prediken van nieuwe en ongewone huwelijksschikkingen, als panacee voor maatschappelijke nooden; terwijl anderen nog grootere energie hebben ten toon gespreid bij het bestrijden van zulke voorstellen als revolutionair. We mogen al zulke besprekingen, van beide zijden, als nutteloos beschouwen.

In de eerste plaats zijn de huwelijksgewoonten veel te fundamenteel, veel te intiem ingeweven met het wezen van het menschelijk, ja van het dierlijk samenleven, om ook maar in de geringste mate geschokt te worden door de theorieën of de praktijken van enkele individuen of groepen van individuen. De monogamie--de min of meer langdurende cohabitatie van twee individuen van verschillend geslacht--is het overheerschend type geweest van de sexueele verhouding onder de hoogere werveldieren en wel het grootste gedeelte van de geschiedenis der menschheid door. Dit wordt zelfs toegegeven door hen, die meenen (zonder eenig redelijk bewijs), dat de mensch door een stadium gegaan is van sexueele promiscuïteit. Er zijn neigingen geweest tot varieeren in beide richtingen, maar in het hoogste zoowel als in het laagste stadium is, voor zoover we zien kunnen, de monogamie de heerschende regel.

Het moet ook in de tweede plaats gezegd worden, dat het natuurlijk overheerschen van de monogamie als normaal type van sexueele verhouding, geenszins variaties uitsluit. Veeleer laat ze die toe. "Er is niets precies in de Natuur", zooals Diderot zegt. De lijn van de Natuur is een kromme, die slingert naar beide zijden van den norm. Zulke slingeringen komen onvermijdelijk voor in harmonie met veranderingen van de omgeving, en, ongetwijfeld, met eigenaardigheden van persoonlijke dispositie. Zoolang geen willekeurige en enkel uiterlijke poging wordt gedaan om de Natuur te dwingen, wordt de harmonie des levens in stand gehouden. Bij zekere soort van eenden worden, als er mannetjes te veel zijn, polyandrische families gevormd, en dan zorgen de twee mannetjes zonder jaloezie voor hun vrouwtje, maar als de geslachten weer gelijk in aantal worden, wordt de monogame orde weer ingesteld. De natuurlijke menschelijke afwijkingen van de monogamische orde schijnen over het algemeen van dezen aard te zijn en ze schijnen in hooge mate beïnvloed te worden door de maatschappelijke en economische omgeving. De meest gewone variatie en degene, die het duidelijkst een biologischen grondslag heeft, is de neiging tot polygynie, die in alle stadiën van de beschaving gevonden wordt, zelfs in een niet erkenden en min of meer gemengden vorm in de hoogste beschaving [367]. We moeten echter niet vergeten, dat erkende polygynie geen regel is, zelfs niet, waar ze overheerschend is; ze wordt alleen maar toegestaan; er is nooit zoo'n overvloed van vrouwen, dat meer dan enkele van de rijkere en meer invloedrijke personen meer dan één vrouw kunnen hebben [368].

Verder moet men in gedachte houden, dat een zekere elasticiteit van de formeele zijde van het huwelijk, terwijl ze aan den eenen kant variaties toelaat van de algemeene monogamische orde, waar die gezond zijn of noodig om het evenwicht in natuurlijke toestanden te herstellen, aan den anderen kant zulke variaties in zooverre binnen de perken houdt, als zij berusten op den storenden invloed van kunstmatige beperking. Veel van de polygynie, en van de polyandrie ook, die tegenwoordig onder ons heerscht, is een geheel kunstmatige en onnatuurlijke vorm van polygamie. Huwelijken, die op een meer natuurlijke basis zouden ontbonden worden, kunnen wettelijk niet ontbonden worden, en daarom nemen de betrokken partijen, in plaats van van deelgenoot te veranderen en zoo de natuurlijke monogamische orde te bewaren, er andere deelgenooten bij en voeren zoo een onnatuurlijke polygamie in. Er zullen altijd variaties zijn van de monogame orde en de beschaving staat tegenover sexueele variaties geenszins vijandig. Of we deze verhoudingen beschouwen als wettig of als onwettig, ze zullen er altijd zijn; daar kunnen we zeker van zijn. De maatschappelijke wijsheid schijnt aan den eenen kant de huwelijksverhouding buigzaam genoeg te zullen maken om deze afwijkingen tot een minimum terug te brengen--niet omdat zulke afwijkingen uit hun aard slecht zijn, maar omdat ze niet met geweld in het leven moesten geroepen worden--en aan den anderen kant aan deze afwijkingen, als zij voorkomen in zoodanige mate erkenning te zullen verschaffen, dat ze hun nadeeligen invloed verliezen en te zorgen, dat er rechtvaardigheid beoefend wordt jegens alle betrokken partijen. Wij vergeten maar al te dikwijls, dat het feit dat wij zulke variaties niet willen erkennen, alleen maar beteekent, dat wij in zulke gevallen een onwettige permissie geven om onrechtvaardigheid te bedrijven. In die deelen van de wereld, waar polygynie erkend wordt als een gepermitteerde variatie, is een man wettelijk gehouden aan zijn natuurlijke verplichtingen jegens al zijn sexueele deelgenooten en jegens de kinderen, die hij bij die deelgenooten heeft. In geen deel van de wereld is de polygynie zoo overheerschend als in de Christelijke landen; in geen deel van de wereld is het zoo gemakkelijk voor een man om te ontsnappen aan de verplichtingen, die hij zich door de polygynie op den hals gehaald heeft. En doordat we een man in staat stellen, zoo gemakkelijk te ontsnappen aan de verplichtingen van zijn polygame verhoudingen, moedigen wij hem, als hij gewetenloos is, aan, om ze aan te gaan; wij stellen een premie op de immoraliteit, die we uit de hoogte veroordeelen [369]. Onze polygynie bestaat niet wettelijk, en daarom kunnen de verplichtingen ervan ook geen wettig bestaan hebben. Men zegt, dat de struisvogel zijn hoofd in het zand steekt om moeilijkheden te ontloopen door te weigeren er naar te kijken; maar er is nog een bekend dier, dat zoo doet, en het heet Mensch.

Monogamie, in de fundamenteele biologische beteekenis, is de natuurlijke orde, waartoe de meerderheid van de sexueele feiten altijd van nature zal vervallen, omdat ze de verhouding is, die het meest gepast overeenkomt met alle physieke en geestelijke feiten, die er bij behooren. Maar als we ons voor oogen stellen, dat sexueele verhoudingen in de eerste plaats de menschen aangaan, die er bij betrokken zijn, en als we verder weten, dat het belang van de maatschappij in zulke verhoudingen beperkt is tot de kinderen, die zij voortbrengen, dan zullen we ook weten, dat het vaststellen bij de wet van het aantal vrouwen, met wie een man sexueele gemeenschap zal hebben, en het aantal mannen, waarmee een vrouw zich zal vereenigen onredelijker is dan het zou zijn om bij de wet vast te stellen hoeveel kinderen zij zullen voortbrengen. De Staat heeft het recht om te zeggen, of hij weinig burgers noodig heeft of veel; maar als hij tracht het aantal sexueele verhoudingen van zijn leden te regelen, dan beproeft de Staat een onmogelijke taak en maakt zich tevens schuldig aan een onbeschaamdheid.

Er is altijd in zekere stadiën van de beschaving een neiging om aan te dringen op een zuiver formeele en uiterlijke eenvormigheid, en een daarmee overeenkomend onvermogen om te zien, niet alleen dat zulk een eenvormigheid onwerkelijk is, maar dat ze ook een nadeelige uitwerking heeft, in zooverre ze weldadige variaties uitsluit. De neiging is geenszins beperkt tot de sexueele sfeer. In Engeland is er bij voorbeeld een neiging om bouwwetten te maken, die wat de huizen betreft, allerlei bepalingen opleggen, die in theorie weldadig zijn, maar die in de praktijk verkeerde uitwerking hebben, omdat zij vele eenvoudige en uitstekende menschelijke woonplaatsen absoluut onwettig maken, alleen omdat zulke woonplaatsen niet beantwoorden aan bepalingen, die, onder sommige omstandigheden niet alleen onnoodig zijn, maar kwaad stichten.

Variatie is een feit, dat zal bestaan of wij het willen of niet; ze kan alleen gezond worden als we ze erkennen en toestaan. Misschien moeten we zelfs wel erkennen, dat het een duidelijker sprekende neiging is in de beschaving dan in meer primitieve maatschappelijke stadiën. Zoo zegt Gerson (Sexual-Probleme, Sept., 1908, p. 538), dat, evenals de beschaafde mensch niet tevreden kan zijn met het ruwe en eentonige voedsel, waar de boer tevreden mee is, het in sexueele zaken evenzoo gaat; de boerenjongen en het boerenmeisje zijn in hun sexueele verhoudingen bijna altijd monogaam, maar beschaafde menschen, met hun meer veelzijdige gevoelige smaak, hebben neiging om naar verandering te snakken. Senancour (De l'Amour, deel II, "Du Partage", p. 127) schijnt de mogelijkheid aan te nemen van huwelijks-variaties, zooals van het samen deelen van een vrouw, mits er niets gedaan wordt om naijver op te wekken, of om nadeel toe te brengen aan de reinheid der ziel. Lecky verklaarde aan het eind van zijn History of European Morals, dat hij geloofde, dat, terwijl de duurzame vereeniging van twee personen het normale en overheerschende type is van het huwelijk, er geenszins uit volgt, dat dit, in het belang der maatschappij, de eenige vorm zou zijn. Evenzoo zegt Remy de Goncourt (Physique de l'Amour, p. 186), die toch constateert, dat het paar de natuurlijke huwelijksvorm is en de duurzame verlenging ervan een voorwaarde van menschelijke superioriteit, dat de duurzaamheid van de vereeniging slechts met moeite kan worden tot stand gebracht. Zoo zegt ook Prof. W. Thomas (Sex and Society, 1907, p. 193), die de monogamie beschouwt als dienstbaar aan maatschappelijke doeleinden: "Van het biologisch standpunt gesproken beantwoordt de monogamie in den regel niet aan de voorwaarden van de hoogste prikkeling, omdat hier de problematische en bedriegelijke elementen tot zekere hoogte verdwijnen, en het voorwerp van de belangstelling zoo gewoon is geworden voor het bewustzijn, dat gevoelsreacties gewijzigd worden. Dit is de oorspronkelijke verklaring van het feit, dat getrouwde mannen en vrouwen zoo dikwijls belangstelling gaan voelen voor anderen dan hun deelgenooten in het huwelijk".

Pepys, wiens onbewuste zelf-analyse zoo vele psychologische neigingen uitmuntend illustreert, toont duidelijk aan hoe--door een gevoelslogica, dieper dan eenige intellectueele logica--de toewijding aan de monogamie bestaat naast een onweerstaanbaren hartstocht voor sexueele verandering. Met een voortdurend terugkomende grillige aantrekking tot een lange reeks van vrouwen, behoudt hij doorloopend een diepe en onveranderlijke genegenheid voor zijn beminnelijke jonge vrouw. In de intimiteit van zijn Diary verwijst hij dikwijls naar haar in woorden, die niet geveinsd kunnen zijn; hij geniet van haar gezelschap; hij is zeer precies op haar kleeding; hij verheugt zich zeer in haar vorderingen in de muziek, en besteedt veel geld aan haar opvoeding; hij is bepaald jaloersch als hij haar in gezelschap vindt van een man. Zijn bijkomende verhoudingen met andere vrouwen komen onweerstaanbaar weer voor, maar hij wenscht ze in het geheel niet van langen duur te maken of toe te staan, dat ze hem te zeer in beslag nemen. Pepys vertegenwoordigt een gewoon type van den beschaafden "monogamist", die volkomen oprecht is en ten zeerste overtuigd in zijn pleidooi voor de monogamie, zooals hij ze begrijpt, maar die toch tevens gelooft en ook handelt naar het geloof, dat de monogamie geenszins de behoefte aan sexueele variatie uitsluit. Het gezegde van Lord Morley (Diderot, deel II, p. 20), dat "de man van instinct polygaam is", kan in zijn geheel niet aangenomen worden, maar als wij het zoo uitleggen, dat het beteekent, dat de man een instinctief monogaam dier is met een bijkomenden wensch naar sexueele variatie, dan is er veel ten gunste daarvan te zeggen.

Vrouwen moeten even vrij zijn als mannen om haar eigen liefdeleven te vormen. Velen meenen echter, dat zulk een vrijheid van de zijde der vrouwen uitgeoefend zal of moest worden binnen nauwer grenzen (zie b.v., Bloch, Sexual Life of Our Time, hoofdst. X). Voor een deel meent men, dat deze beperking berust op een grooter geabsorbeerd zijn van de vrouw in de taak van de geboorte en de opvoeding van de kinderen, en voor een deel aan een geringeren omvang van psychische activiteit. "Een man", zegt G. Hirth, (Wege zur Liebe, p. 342), "heeft niet alleen in zijn intellectueele horizon plaats voor zeer verschillende belangen, maar zijn macht van erotische uitzetting is veel grooter en meer onderscheiden dan die van vrouwen, hoewel hij misschien niet de intimiteit en de diepte van de toewijding van een vrouw heeft". We mogen wel zeggen, dat, daar variaties in de sexueele orde onvermijdelijk zullen plaats vinden hetzij we ze erkennen en er gezag aan toekennen of niet, er waarschijnlijk geen schade gedaan wordt als we het gewicht van maatschappelijk en wettig gezag gebruiken aan den kant, die gewoonlijk beschouwd wordt als de beste, en, voor zoover als mogelijk is den anderen kant met schande bedekken. Er zijn vele duidelijk in het oog springende fouten in zulk een houding, afgezien van het in de hoogste mate belangrijke feit, dat het hechten van schande aan sexueele verhoudingen een verachtelijke wreedheid is tegenover de vrouwen, die onvermijdelijk degenen zijn, die er het meest onder lijden. Niet het minst van belang is de onrechtvaardigheid en het belemmeren van levensenergie, die het aan de betere en meer nauwgezette menschen bezorgt ten gunste van de minder goede en minder nauwgezette. Dit gebeurt altijd als het gezag zijn macht uitoefent ten voordeele van een vorm. Toen in de dertiende eeuw Alexander III--een van de grootste en machtigste heerschers, ten tijde van het Christendom geconsulteerd werd door den bisschop van Exeter over ondergeschikte geestelijken, die trouwden ondanks 't verbod van de kerk, raadde de paus hem, onderzoek te doen naar het leven en het karakter van de overtreders; als zij geregelde gewoonten hadden en een ernstigen moraal, dan moesten ze met geweld gescheiden worden en hun vrouwen moesten weggejaagd worden; als zij mannen waren van bekend onordelijken aard, dan moest hun toegestaan worden hun vrouwen bij zich te houden, als ze dat wenschten (Lea, History of Sacerdotal Celibacy, derde uitgave, deel I, p. 396). Het was een slimme politiek, en ze werd ook elders door denzelfden paus gevolgd, maar het is gemakkelijk te zien, dat ze indruischt tegen de moraal in iedere beteekenis van het woord. Ze verwoestte het geluk en de werkkracht van de beste mannen; ze liet de slechtste mannen volkomen vrij. Nu zijn we volkomen bereid om de verkeerde resultaten van deze politiek te erkennen; ze werd aanbevolen door een paus en zeven honderd jaar geleden ten uitvoer gebracht. Toch brengen we in Engeland tegenwoordig precies dezelfde politiek in praktijk door middel van onze echtscheidingsbepalingen, die in ruimen kring worden rondgestrooid. Geen van de paren, die gescheiden zijn--en die nooit op het coelibaat getraind zijn als de Katholieke geestelijkheid van tegenwoordig--mag weer trouwen; in werkelijkheid bevelen we de meer nauwgezette onder hen om celibatairs te worden, en aan de minder nauwgezette geven wij de permissie om te doen wat ze willen. Dit proces wordt uitgevoerd ten gevolge van de traagheid van de gemeenschap in het algemeen, en als het ooit gebeurt, dat er argumenten voor aangehaald worden, dan zijn die van een zoo verouderden aard, dat ze alleen maar een medelijdenden glimlach kunnen te voorschijn roepen.

We mogen hier aan toevoegen, dat er nog een reden is, waarom het brandmerken van sexueele variaties van den norm als "immoreel" niet zoo onschuldig is als sommigen het doen voorkomen: zulke variaties schijnen niet ongewoon te zijn onder mannen en vrouwen van uitmuntende bekwaamheid, wier krachten onbelemmerd noodig zijn in den dienst van de menschheid. Te pogen zulke menschen te doen passen in de nauwe vormen, die goed zijn voor de meerderheid, is niet alleen een onrechtvaardigheid jegens hen als individuen, maar het is een vergrijp jegens de maatschappij, die redelijkerwijze mag eischen dat haar beste leden niet zullen belemmerd worden in haar dienst. Het denkbeeld, dat de mensch, wiens sexueele behoeften verschillend zijn van die van het gemiddelde, noodzakelijkerwijze een maatschappelijk slecht persoon moet zijn, is een denkbeeld, dat niet op feiten berust. Ieder geval moet op zichzelf beschouwd worden.

Ongetwijfeld is in alle stadiën van de menschelijke cultuur de meest gewone variatie van de normale monogamie geweest de polygynie of de sexueele vereeniging van éen man met meer dan een vrouw. Soms is ze maatschappelijk en wettelijk erkend geworden, en soms niet, maar ze is altijd voorgekomen. Polyandrie, of de vereeniging van een vrouw met meer dan een man is betrekkelijk zeldzaam geweest en om begrijpelijke redenen; mannen zijn gewoonlijk in een betere conditie geweest, economisch en wettelijk, om een huishouden te organiseeren met zichzelf als middelpunt; een vrouw is, anders dan een man, door de natuur en dikwijls door de gewoonte lange tijden achtereen voor den omgang ongeschikt; een vrouw heeft bovendien haar gedachten en haar liefde meer op haar kinderen geconcentreerd. Afgezien hiervan wijzen de biologische mannelijke tradities veel meer op polygynie dan de vrouwelijke tradities op polyandrie wijzen. Hoewel het waar is, dat een vrouw een veel grootere mate van sexueelen omgang kan verdragen dan een man, blijft het ook waar, dat de verschijnselen van het hofmaken in de natuur het tot den plicht van den man gemaakt hebben om er op uit te zijn, sexueel zijn attentie te wijden aan de vrouw, wier rol het geweest is zedig haar keuze uit te stellen, totdat ze zeker is van haar voorkeur. Polygynische toestanden zijn ook voordeelig gebleken, daar zij aan de krachtigste en meest succesvolle leden van een gemeenschap hebben toegestaan het grootste aantal deelgenooten te hebben en zoo hun eigen superieure eigenschappen over te dragen.

"Polygamie", schrijft Woods Hutchinson (Contemporary Review, Oct. 1904) die de voordeelen van de monogamie wel degelijk erkent, "als een instelling van het ras, heeft, onder dieren zoowel als onder menschen, vele belangrijke voordeelen, en ze heeft zoowel in menschelijke als in voor-menschelijke tijden geleid tot het voortbrengen van een zeer hoog type zoowel van individueele als van maatschappelijke ontwikkeling". Hij wijst er op, dat ze het verstand, de samenwerking en de verdeeling van den arbeid vermeerdert, terwijl de scherpe wedstrijd om vrouwen de zwakkere en minder aantrekkelijke mannen uitschakelt.

Onder onze Europeesche voorouders, evenzeer als onder de Germanen en de Kelten, bestonden polygynie en andere sexueele vormen als nu en dan voorkomende variaties. Tacitus merkte polygynie op in Duitschland, en Caesar vond in Engeland, dat broeders hun vrouwen te zamen hadden en dan werden de kinderen toegekend aan den man, aan wien de vrouw het eerst ten huwelijk was gegeven (zie b.v. van Trail Social England, deel I, p. 103, voor een bespreking van dit punt). De assistent van den echtgenoot, die kon worden opgeroepen om de vrouw te bevruchten als de man impotent was, bestond ook in Duitschland; dit was een Indo-Germaansche instelling (Schrader, Reallexicon, art. "Zeugungshelfer"). De daarmee overeenkomende instelling van de bijzit is nog dieper geworteld en nog verder verspreid. Tot betrekkelijk korten tijd geleden had,--in overeenstemming met de tradities van de Romeinsche wet, de bijzit een erkende en geëerde positie, lager dan die van de vrouw, maar met bepaalde wettelijke rechten, hoewel het niet altijd wettig of zelfs maar gewoon was voor een getrouwd man om een bijzit te hebben. In het oude Wales werd, evenals in Rome, de bijzit erkend en nooit veracht. (R. B. Holt, "Marriage Laws of the Cymri", Journal Anthropological Institute, Aug. en Nov. 1898, p. 155), Het feit, dat, als een bijzit het huis van een getrouwd man betrad, haar waardigheid en haar wettelijke positie minder waren dan die van de vrouw, bewaarden den vrede en beschermden de belangen van de vrouw (Een echtgenoot in Korea kan geen bijzit in zijn huis nemen zonder de toestemming van zijn vrouw, maar zij maakt maar zelden bezwaren, en schijnt van het gezelschap te genieten, zegt Louise Jordan Miln, Quaint Korea, 1895, p. 92). Wij moeten ons herinneren, zooals Dufour zegt, over den tijd van Karel den Groote (Histoire de la Prostitution, deel III. p. 226), dat in het oude Europa "bijzit" een eervolle term was; de bijzit was in het geheel niet een maitres, en ze kon van echtbreuk beschuldigd worden even goed als de vrouw. In Engeland, op het einde der dertiende eeuw, spreekt Bracton van de concubina legitima als recht hebbende op bepaalde rechten en welwillendheden, en zoo was de toestand ook in andere deelen van Europa, soms verscheidene eeuwen later (zie Lea, History of Sacerdotal Celibacy, deel I, p. 230). De Christelijke kerk was in den aanvang dikwijls geneigd de bijzit te erkennen, in ieder geval ten minste als ze verbonden was aan den ongetrouwden man, want wij kunnen in de Kerk "den wensch nasporen om iedere duurzame vereeniging tusschen een man en een vrouw te beschouwen alsof ze den aard heeft van een huwelijk in de oogen van God, en daarom in het oordeel van de Kerk" (art. "Concubinage", Smith and Cheetham, Dictionary of Christian Antiquities). Dit was het gevoelen van den heiligen Augustinus (die zelf, voor zijn bekeering, een bijzit had, die blijkbaar een Christin was), en het concilie van Toledo liet een ongetrouwd man toe, die trouw was aan zijn bijzit. Naarmate de wet van de Katholieke kerk meer en meer star werd, verloor ze noodzakelijkerwijze de voeling met de menschelijke nooden. Zoo was het echter niet in den eersten tijd van de kerk, in de eeuwen, toen ze de meeste levenskracht had. In die eeuwen werd zelfs de krachtigste algemeene regel van de monogamie minder streng toegepast, als zulk een verslapping verstandig scheen. Dit was bijvoorbeeld zoo in het geval van sexueele impotentie. Zoo zegt in het begin van de achtste eeuw Gregorius II, in een antwoord aan Bonifacius, den apostel in Duitschland, op een vraag van dezen laatsten, dat, als een vrouw door physieke onbekwaamheid niet in staat is haar huwelijksplichten te vervullen, het aan een echtgenoot geoorloofd is een tweede vrouw te nemen, hoewel hij moet blijven voortgaan de eerste te onderhouden. Wat later geeft Aartsbisschop Egbert van York, voorzichtiger, in zijn Dialogus de Institutione Ecclesiatica toe, dat, als de eene van twee getrouwde personen invalide is, de andere met toestemming van de invalidene, weer mag trouwen, maar dat de invalidene niet weer mag trouwen tijdens het leven van den ander. Impotentie tijdens het huwelijk maakte natuurlijk het huwelijk nietig zonder de tusschenkomst van de kerkelijke wet. Maar Thomas van Aquino en latere theologen geven toe, dat een buitengewoon groote tegenzin tegen een vrouw een man in zijn eigen oogen kan rechtvaardigen om zich in zijn betrekking tot haar als impotent te beschouwen. Deze regels zijn, natuurlijk, geheel afgescheiden van de permissie om de huwelijkswetten te breken, die aan koningen en prinsen wordt gegeven; zulke permissies gelden niet als bewijsmateriaal van de regels van de kerk, want, zooals het concilie van Constantinopel voorzichtig besliste in 809, "De goddelijke wet heeft geen macht jegens koningen" (art. "Bigamy", Dictionary of Christian Antiquities). De wet van de monogamie werd ook minder streng toegepast in gevallen van gedwongen of vrijwillige verlating. Zoo bepaalde het concilie van Vermerie (752). dat, als een vrouw haar man niet wil vergezellen als hij gedwongen is zijn heer te volgen naar een ander land, hij weer mag trouwen, als hij geen hoop heeft ooit terug te keeren. Theodorus van Canterbury (638) zegt o.a. dat een man, als zijn vrouw door den vijand is weggevoerd en hij haar niet terug kan krijgen, na verloop van een jaar weer mag trouwen, of, als er nog eenige kans is, dat hij haar terug kan krijgen, na verloop van vijf jaar; de vrouw kan dat ook doen. Zulke regels, al zijn ze niet algemeen, wijzen, zooals Merrick zegt (art. "Marriage", Dictionary of Christian Antiquities), op een bereidwilligheid "om tegemoet te komen aan speciale gevallen, als ze zich voordoen".

Toen de canonieke wet star begon te worden en de Katholieke kerk haar geschiktheid verloor om zich aan het leven aan te passen, werden sexueele variaties niet langer erkend binnen haar sfeer. We moeten voor eenige verdere beweging wachten tot de Hervorming. Velen van de eerste Protestantsche hervormers, vooral in Duitschland, waren bereid zich in een aanzienlijke mate naar het leven te schikken in de sexueele verhoudingen. Zoo raadde Luther aan getrouwde vrouwen, die impotente mannen hadden aan, in geval er geen wensch bestond of geen gelegenheid tot echtscheiding, om sexueele verhoudingen te hebben met een anderen man, liefst met den broeder van den man; de kinderen werden dan gerekend te zijn van den echtgenoot ("Die Sexuelle Frage bei Luther", Mutterschutz, Sept. 1908).

In Engeland kon de puriteinsche geest, die zich in zoo ruime mate bezig hield met de hervorming van het huwelijk, wel niet anders dan betrokken raken in de kwestie van sexueele variaties, en van tijd tot tijd vinden wij het voorstel om de polygynie te wettigen. Zoo publiceerde, in 1658, "A Person of Quality" in Londen een klein geschriftje, dat aan den Lord Protector was opgedragen, getiteld A Remedy for Uncleanness. Het was in den vorm van een aantal vragen gesteld, vragend waarom we niet polygamie zouden toelaten, om echtbreuk en kindermoord te voorkomen. De schrijver vraagt, of het niet "zou overeen te brengen zijn met een geest van genade, en in alle opzichten overeenkomstig de principes van een man, die godvreezend is en de heiligheid lief heeft, om meer dan een vrouw te hebben voor zijn eigen gebruik... Hij, die den os of den ezel neemt van een ander man is ongetwijfeld een overtreder; maar hij, die zich buiten de verleiding stelt door ze zelf te hebben, schijnt een recht, eerlijk en welmeenend man te zijn".

Meer dan een eeuw later (1780), heeft ook een knap, geleerd en beroemd Londensch geestelijke van hoog karakter (die een rechtsgeleerde was geweest eer hij geestelijke werd), de Reverent Martin Madan, de polygamie aangeraden in een boek, genaamd Thelyphthora: or a Treatise of Female Ruin. Madan was in nauw contact gebracht met de prostitutie door een kapelaanschap in het Lock Hospital, en, evenals de puriteinsche advocaat van de polygamie, kwam hij tot de conclusie, dat het alleen door de hervorming van het huwelijk mogelijk is tegen de prostitutie te werken en tegen de nadeelen van sexueelen omgang buiten het huwelijk. Zijn merkwaardig boek wekte veel tegenspraak en veroordeeling, zoodat hij het wenschelijk vond Londen te verlaten en buiten te gaan wonen. Voorstellen tot verandering van het huwelijk zijn sindsdien nooit weer van de kerk gekomen, maar van moralisten en philosophen, niet zelden echter van schrijvers van bepaald godsdienstig karakter. Senancour, die een zoo gevoelige en teere moralist in de sexueele sfeer was, voerde een gematigde bespreking over polygamie in in zijn De l'Amour (deel II, p. 117-126). Het scheen hem toe, dat ze niet positief tegenovergesteld aan en niet positief in overeenstemming met de algemeene neiging van onze tegenwoordige conventies was, en hij besloot, dat "de methode van bemiddeling voor een deel zou zijn niet langer te eischen, dat de vereeniging van een man en een vrouw alleen zou ophouden met den dood van een van beiden". Cope, de bioloog, uitte een meer gedecideerde opinie. "Er zijn sommige gevallen van ontbering", zeide hij, "waarvoor zulk een permissie het geneesmiddel zou zijn. Dat zou bijvoorbeeld het geval zijn, als de man of de vrouw het slachtoffer waren geworden van een ongeneeslijke ziekte; of, als beide partijen kinderloos waren, of in andere gevallen, die men zich denken kan". Er moest geen dwang zijn in eenige richting, en volle verantwoordelijkheid, zooals nu. Zulke gevallen moesten alleen maar als uitzondering voorkomen, en ze moesten de vijandschap van de maatschappij niet opwekken. Voor het grootste deel, merkt Cope op, "is de beste wijze om de polygamie te behandelen ze aan zich zelf over te laten" (E. D. Cope. "The Marriage Problem", Open Court, Nov. 15 en 22 1888). In Engeland was Dr. John Chapman, de uitgever van de Westminster Review, een nauw bondgenoot van de leiders van de beweging der Radicalen in het tijdperk van Victoria, tegen het geven van voorschriften door den Staat over den vorm van het huwelijk; hij meende, dat een zekere mate van sexueele variatie weldadig zou zijn voor de maatschappij. Zoo schreef hij in 1884 (in een vertrouwelijken brief): "Ik denk, dat, naarmate de menschen minder zelfzuchtig worden, polygamie (d.i. polygynie) en zelfs polyandrie, in een veredelden vorm, steeds meer zullen voorkomen".

James Hinton, die een paar jaren later veel gedachten en veel aandacht wijdde aan de sexueele kwestie, en ze zelfs beschouwde als het grootste van de moreele problemen, was evenzeer voor een grootere aanpassing aan het leven en aan menschelijke behoeften van de huwelijksregelingen, en een zooals de Christelijke kerk in het eerst toeliet. Het huwelijk, verklaarde hij, moet "ondergeschikt zijn aan den dienst", daar het huwelijk, evenals de Sabbath, gemaakt is voor den mensch en niet de mensch voor het huwelijk. Zoo wilde hij, in het geval dat de eene deelgenoot krankzinnig werd, den anderen deelgenoot toestaan te hertrouwen, terwijl de aanspraken van den krankzinnigen deelgenoot geldig bleven in geval van herstel. Dat zou een vorm zijn van polygamie, maar Hinton was er zorgvuldig op bedacht er op te wijzen, dat hij met "polygamie" bedoelde "minder een speciale huwelijksorde, dan wel zulk een orde als het best aan het doel beantwoordt, en die dus buitengemeen veranderlijk moet wezen. De monogamie moge goed zijn, zelfs de eenige goede orde, als ze komt bij vrije keuze; maar een wet ervoor is een ander ding. De sexueele verhouding moet een natuurlijke zaak zijn. Het ware maatschappelijke leven zal niet zijn eenige vastgestelde en bepaalde verhouding, als van monogamie, polygamie, of iets anders, maar een volkomen ondergeschiktheid van iedere sexueele verhouding aan de rede en het menschelijk welzijn".

Ellen Key, die een enthoesiast voorstandster is van de monogamie, en die meent, dat de ontwikkeling in de beschaafde maatschappij van persoonlijke liefde alle gevaar voor het aangroeien van de polygamie uitsluit, geeft toch toe, dat er variaties bestaan. Zij heeft dezelfde oplossingen van moeilijke problemen voor oogen als Goethe voor zich had, toen hij in zijn Stella trachtte aan te toonen, dat de kracht van banden van liefde en teedere herinneringen te groot is om toe te laten, dat ze door nieuwe verbroken zullen worden. Het probleem van de sexueele variatie echter, merkt zij op (Liebe und Ethik, p. 12) is, onder moderne voorwaarden van vorm veranderd, het is niet langer de strijd tusschen den eisch van de maatschappij van een strenge huwelijksorde en den eisch van het individu van sexueele bevrediging, maar het is het probleem geworden van het in harmonie brengen van de veredeling van het ras met verhoogde eischen van erotisch geluk. Zij wijst er ook op, dat het bestaan van een deelgenoot, die behoefte heeft aan den zorg van den anderen deelgenoot als verpleegster of als intellectueele makker, dien anderen deelgenoot in het geheel niet berooft van het recht op vaderschap en moederschap, en dat zulke rechten moeten beschermd worden. (Ellen Key, Ueber Liebe und Ehe, pp. 166-168).

Een op den voorgrond tredend en groot voorstander van de polygynie, niet als een slechts zelden voorkomende variatie, maar als een huwelijk van hooger orde dan de monogamie, wordt tegenwoordig gevonden in Professor Christian von Ehrenfels van Praag (zie b.v. zijn Sexualethik, 1908; "Die Postulate des Lebens". Sexual-Probleme, Oct. 1908; en brief aan Ellen Key in haar Ueber Liebe und Ehe, p. 466). Ehrenfels meent, dat het aantal mannen, dat ongeschikt is voor een bevredigende reproductie veel grooter is dan dat van vrouwen, en dat daarom, als deze buiten beschouwing gelaten worden, een polygynische huwelijksorde noodig wordt. Hij noemt dit "reproductie-huwelijk" (Zeugungsehe), en denkt dat het moreel hooger zal staan dan dit. Het zou gebaseerd zijn op persoonlijke contracten. Ehrenfels meent, dat de vrouwen geen bezwaar zouden hebben, omdat een vrouw, naar hij gelooft, minder waarde hecht aan een man als minnaar dan als vader van haar kind. Ehrenfeld's leer is ernstig aangevallen van vele zijden, en zijn voorstellen zijn niet in den lijn van onzen vooruitgang. Eenige radicale wijziging van de bestaande monogame huwelijksorde is niet te verwachten, zelfs als het algemeen erkend werd, hetgeen niet kan gezegd worden, dat ze wenschelijk is. De kwestie van sexueele variaties, moeten we ons herinneren, is niet een kwestie van het invoeren van een geheel nieuwen vorm van huwelijk, maar alleen van het erkennen van het recht van individuen, om buitengewone gevallen van dat huwelijk aan te nemen, en van het erkennen van de daarmee overeenstemmende verplichtingen van zulke individuen om de verantwoording op zich te nemen van ieder van die afwijkende vormen, die ze het beste zullen vinden. Voor zoover de kwestie van de sexueele variatie van het huwelijk meer is dan dit, is ze, volgens Hinton, een dynamische methode om te werken aan de afschaffing van de gevaarlijke promiscuïteit van de prostitutie. Een strenge huwelijksorde sluit prostitutie in zich; een buigzame huwelijksorde maakt voor een groot deel--hoewel misschien niet geheel--de prostitutie overbodig. De democratische moraal van tegenwoordig is, voor zoover de aanwijzingen gaan, tegenovergesteld aan een klasse van quasi-slaven, met verminderde maatschappelijke rechten, zooals de prostituées altijd in meerdere of mindere mate vormen. Het blijkt ook tamelijk duidelijk, dat de snel aangroeiende invloed van de medische hygiëne aan dezelfde zijde werkt. Wij mogen daarom in de toekomst redelijkerwijze een langzame, maar gestadige toename verwachten van de erkenning, en zelfs van de uitbreiding van die variaties in de monogamische orde, die in werkelijkheid nooit opgehouden hebben te bestaan.

Het is bedroevend, dat het, in dezen tijd van de wereldgeschiedenis, bijna twee duizend jaar nadat de wijze wetgevers van Rome hun werk voltooid hadden, nog noodig is tot het besluit te komen, dat we tegenwoordig eerst in een der eerste stadiën zijn van het plaatsen van het huwelijk op een redelijke en menschelijke basis. Ik heb er herhaaldelijk op gewezen in hoe groote mate de canonieke wet verantwoordelijk geweest is voor deze vertraging in de ontwikkeling. Men kan inderdaad zeggen, dat de geheele houding van de Kerk, nadat ze volkomen wereldlijke heerschappij verkregen had, verantwoordelijk moet gesteld worden. In de vroegere eeuwen was de houding van het Christendom over het geheel bewonderenswaardig. Het hield groote idealen hoog, maar het onthield zich van het opdringen van deze idealen tot iederen prijs; zoo bleven de idealen echt en konden ze niet ontaarden in enkel huichelachtige ledige vormen; veel buigzaamheid werd toegestaan, als ze voor het welzijn der menschen scheen noodig te zijn en als ze ingesteld werd om kwaad en onrechtvaardigheid te vermijden. Maar, toen de Kerk wereldlijke macht verkreeg, en toen die macht geconcentreerd raakte in de handen van Pausen, die moreele en godsdienstige belangen ondergeschikt maakten aan politieke belangen, toen sloeg men de aanspraken van het verstand en de humaniteit in den wind. Het ideaal werd niet meer een feit dan het tevoren was, maar het werd nu behandeld als een feit. De menschelijke verhoudingen bleven wat zij tevoren waren, even gecompliceerd en verschillend, maar van nu af aan werd éen streng willekeurig voorbeeld gesteld, dat bewonderenswaardig was als een ideaal, maar erger dan ledig als een vorm, en alle afwijkingen daarvan werden behandeld òf als niet te bestaan òf als verkeerd. Alle leven werd uit de meest vitale menschelijke instellingen verdreven en eerst nu begint er weer beweging in te komen.

Als wij--resumeerend--den loop nagaan, die de regeling van het huwelijk gehad heeft in het Christelijke tijdperk, het eenige tijdperk dat ons onmiddellijk aangaat, dan is het niet moeilijk de hoofdlijnen ervan te volgen. Het huwelijk begon als een bijzondere instelling, die de kerk, zonder ze te kunnen controleeren, bereid was in te zegenen, zooals ze zoo menige andere wereldlijke zaak inzegende; zij probeerde nog niet de natuurlijke aanpassing ervan aan menschelijke behoeften te beperken. Maar langzamerhand en onmerkbaar, zonder tusschenkomst van de wet, verkreeg het Christendom de volle heerschappij over het huwelijk, overeenkomstig de reeds ontwikkelde opvattingen over het kwaad van den lust, de deugd der kuischheid, de doodzonde van de ontucht, en, na door den invloed van deze heerschende opvattingen de buigzaamheid van het huwelijk in alle richtingen te hebben beperkt, plaatste ze het op een verheven, maar smal voetstuk als een sacrament. Om redenen, die in het geheel niet liggen in de natuur van de sexueele verhoudingen, maar die waarschijnlijk aan de priester-wetgevers dringend toeschenen, die haar assimileerden met de wijding tot priester, werd het huwelijk voor onontbindbaar verklaard. Niets was zoo gemakkelijk om binnen te gaan als de poort van het huwelijk, maar, evenals een muizenval, ging ze alleen naar binnen open en niet naar buiten; eens er in, kon men er levend niet weer uit komen. De regeling van het huwelijk door de kerk was, terwijl ze, evenals het coelibaat van de geestelijkheid, een succes was uit het oogpunt van kerkelijke politiek, en zelfs in het eerst uit het oogpunt van beschaving, want ze bracht orde in een maatschappelijken chaos, toch op den langen duur een mislukking uit een oogpunt van maatschappij en moraal. Aan den eenen kant verviel ze in belachelijke spitsvondigheden en haarkloverijen; aan den anderen kant had ze, omdat ze niet berustte op hetzij de rede of op de menschelijkheid, niets van die geschiktheid tot aanpassen aan de behoeften van het leven, die het Christendom in zijn eersten tijd in zoo ruime mate behield, terwijl het toch verheven idealen hoog hield. Aan den traditioneelen kant werd dit huwelijkswetboek onbeholpen en onpractisch; aan den biologischen kant was het een wanhopige misgreep. Zoo was dus de weg gebaand tot de opvatting der Protestanten van het huwelijk als een contract, maar die opvatting werd minder op den voorgrond gebracht ter wille van zich zelf, dan als een protest tegen de moeilijkheden en dwaasheden van de Katholieke canonieke, wet. Deze beschouwing als contract, die nog in ruime mate bestaat, zelfs nu nog, nam spoedig veel over van de leerstellingen van de canonieke wet over het huwelijk, en werd in de praktijk een soort van hervormde en verwereldlijkte canonieke wet. Ze paste zich eenigszins meer aan aan de moderne behoeften, maar ze behield veel van de starheid van het Katholieke huwelijk zonder den sacramenteelen aard ervan, en ze deed nooit een poging om meer dan in naam een contract te worden. Ze is te beschouwen als een compromis van deelen, die niet bij elkaar passen en ze is een overgangsstadium geweest naar het vrije persoonlijke huwelijk. Wij kunnen die phase herkennen in de neiging, die in de beschaafde landen duidelijk uitgesproken is, naar een steeds toenemende rekbaarheid van het huwelijk. Het denkbeeld en zelfs het feit van het huwelijk door overeenstemming en van de echtscheiding bij gebrek aan die overeenstemming, waar we nu heen gaan, is in werkelijkheid nooit geheel uitgestorven geweest. In de Latijnsche landen is het blijven bestaan in de traditie van de Romeinsche wet; in de Engelsch sprekende landen is het samengegroeid met den geest van het puritanisme, die er op aandringt, dat in de dingen die het individu alleen aangaan, het individu zelf opperste rechter moet zijn. Die leer, toegepast op het huwelijk, werd in Engeland schitterend tot uitdrukking gebracht door het genie van Milton, en in Amerika is zij het zuurdeesem geweest, dat nog voortwerkt in de huwelijkswetgeving naar een onvermijdelijk doel, dat nog nauwelijks in het zicht is. Het huwelijkssysteem van de toekomst zal op het oude Christelijke systeem gelijken in zoover het den geheiligden en sacramenteelen aard zal erkennen van de sexueele verhouding, en het zal gelijken op de burgerlijke opvatting in zooverre het er op zal aandringen, dat het huwelijk, wat de voortplanting aangaat, openlijk door den Staat zal worden geregistreerd. Maar in tegenstelling met de kerk zal het erkennen, dat het huwelijk, in zoover het zuiver een sexueele verhouding is, een persoonlijke zaak is, waarvan de voorwaarden moeten overgelaten worden aan de personen, die er in betrokken zijn; en in tegenstelling met de burgerlijke theorie zal het erkennen, dat het huwelijk in zijn wezen een feit is en geen contract, hoewel het aanleiding kan geven tot contracten, zoolang die contracten dat essentieele feit niet raken. En in een opzicht zal het gaan boven de kerkelijke opvatting en de burgerlijke opvatting beide. De mensch heeft in den laatsten tijd de heerschappij verkregen over zijn eigen voortbrengende krachten, en die heerschappij brengt mee een verplaatsen van het centrum van den ernst van het huwelijk, in zooverre het huwelijk een staatszaak is, van de vagina naar het kind, dat de vrucht is van den schoot. Het huwelijk, als een instelling van den Staat, zal zich concentreeren, niet om de sexueele verhouding, maar om het kind, dat het resultaat is van die verhouding. In zooverre het huwelijk een onschendbaar openlijk contract is, zal het van zulk een aard zijn, dat het vanzelf met zijn bescherming zal dekken ieder kind, dat in de wereld geboren wordt, zoodat ieder kind een wettigen vader en een wettige moeder zal hebben. Aan den eenen kant heeft het huwelijk dus neiging om minder bindend te worden; aan den anderen kant heeft het neiging meer bindend te worden. Aan den persoonlijken kant is het een intieme en heilige verhouding, waarmee de Staat niet te maken heeft; aan den maatschappelijken kant is het het aannemen van het verantwoordelijk openlijk borg zijn voor een nieuw lid van den Staat. Sommigen onder ons zijn bezig de eerste van deze beschouwingswijzen van het huwelijk te bevorderen, anderen de tweede. Beide zijn noodig om een volkomen harmonie te vormen. Het is noodig de twee beschouwingswijzen van het huwelijk afzonderlijk te houden, om gelijkelijk rechtvaardigheid te betrachten jegens het individu en jegens den Staat, maar als het huwelijk zijn idealen staat bereikt, worden die twee beschouwingswijzen tot een.

Wij hebben nu de bespreking van het huwelijk, zooals het zich voordoet aan den modernen mensch, die geboren is in wat in middeleeuwsche dagen het Christendom genoemd werd, voltooid. Het was geen gemakkelijk onderwerp om te bespreken. Het is werkelijk een zeer moeilijk vraagstuk, en eerst na vele jaren zal het mogelijk zijn de voornaamste richting te ontdekken van de schijnbaar aan elkander tegenovergestelde en verwarde stroomingen, als men er zelf midden in is. Voor een Engelschman is het misschien bijzonder moeilijk, want de Engelschman is vóor alles een eiland-bewoner; in dat feit liggen alle deugden die hij bezit, zoowel als zijn ondeugden [370].

Toch loont het de moeite te trachten een hoogte te beklimmen, vanwaar we den stroom van de neiging der maatschappij kunnen beschouwen in zijn ware proporties en de richting ervan kunnen taxeeren. Het is noodig dat te doen, als wij waarde hechten aan den vrede van onzen geest in een eeuw, waarin de geesten van de menschen in beweging worden gebracht door vele kleine beproevingen, die niets te maken hebben met hun groote tijdelijke belangen, om nog niets te zeggen van hun eeuwigheidsbelangen. Als wij een ruim overzicht over de vaststaande biologische feiten van het leven gekregen hebben, als wij de groote stroomingen zien, die te zamen het plan vormen van de menschelijke zaken, dan kunnen wij met kalmte toezien op de kleine maatschappelijke veranderingen, die in onze eeuw plaats vinden, zooals zij plaats vinden in iedere eeuw.

HOOFDSTUK XI

DE KUNST VAN LIEFHEBBEN

Het huwelijk is er niet alleen voor de voortplanting.--Theologen over het "sacramentum solationis".--Het belang van de kunst van liefhebben.--De grondslag van bestendigheid in het huwelijk en de voorwaarde voor juiste voortplanting.--De kunst van liefhebben is het bolwerk tegen de echtscheiding.--De eenheid van liefde en huwelijk is een principe van de moderne moraal.--Het Christendom en de kunst van liefhebben onder natuurvolken.--Sexueele inwijding in Afrika en elders.--De neiging tot spontane ontwikkeling van de kunst van liefhebben in de jeugd.--Flirt.--Sexueele onwetendheid bij vrouwen.--De plaats van den echtgenoot bij de sexueele inwijding.--Sexueele onwetendheid bij mannen.--De opvoeding van den echtgenoot voor het huwelijk.--Het onheil gesticht door de onwetendheid van den man.--De physieke en psychische gevolgen van den onbeholpen coïtus.--Vrouwen verstaan de kunst van liefhebben beter dan mannen.--Oude en nieuwe meeningen over de veelvuldigheid van den coïtus.--Verschillen in sexueele potentie.--De sexueele begeerte.--De kunst van liefhebben berust op de biologische feiten van het hof-maken.--De kunst aan vrouwen te behagen.--De minnaar vergeleken bij den musicus.--Het aanzoek als een deel van het hof-maken.--Divinatie in de kunst van liefhebben.--Het belang van de preliminariën bij het aanzoek.--De onbeholpenheid van den echtgenoot is dikwijls oorzaak van de koelheid der vrouw.--De moeilijkheid van het hof-maken.--Gelijktijdig orgasme.--De nadeelen van onvolkomen bevrediging bij de vrouw.--Coïtus interruptus.--Coïtus reservatus.--De menschelijke wijze van coïtus.--Variaties in coïtus.--Houding bij coïtus.--De beste tijd voor den coïtus.--De invloed van coïtus in het huwelijk.--De voordeelen van afwezigheid in het huwelijk.--De gevaren van afwezigheid.--Jaloezie.--De oorspronkelijke functie der jaloezie.--Het veel vóorkomen ervan bij dieren, natuurvolken en in pathologische toestanden.--Een tegen-maatschappelijk gevoel.--Jaloezie laat zich niet vereenigen met den vooruitgang der beschaving.--De mogelijkheid méér dan een persoon tegelijk lief te hebben.--De platonische vriendschap.--De voorwaarden, die ze mogelijk maken.--Het moederlijk element in de liefde der vrouw.--De eind-ontwikkeling van de huwelijksliefde.--Het vraagstuk der liefde is een van de grootste maatschappelijke kwesties.

Het zal uit de voorafgaande bespreking wel duidelijk zijn geworden, dat er in ieder huwelijk twee elementen zijn, beide even noodig om dat huwelijk volkomen te doen wezen. Aan den eenen kant is het huwelijk een vereeniging door wederzijdsche liefde ontstaan, die alleen door het koesteren van zulk een liefde in stand gehouden kan worden als een werkelijkheid, afgezien van de uitsluitend vormelijke zijde ervan. Aan den anderen kant is het huwelijk een methode om het ras voort te planten en heeft het zijn doel in de nakomelingschap. Aan den eenen kant is het doel ervan de erotische liefde, aan den anderen kant het ouderschap. Beide deze doeleinden zijn al sinds lang algemeen erkend geweest. Wij vinden ze bij voorbeeld openlijk genoemd in de huwelijksdienst van de kerk van Engeland, waar gezegd wordt, dat het huwelijk bestaat "zoowel tot wederzijdsch gezelschap, hulp en steun, die de een van den ander noodig heeft, als ook tot het voortbrengen van kinderen". Zonder den factor van wederzijdsche liefde kunnen de juiste voorwaarden voor de voortplanting niet bestaan; zonder den factor der voortplanting blijft de sexueele vereeniging, hoe mooi en heilig deze verhouding op zichzelf ook zijn mag, in haar wezen, een persoonlijke verhouding, onvolkomen als huwelijk en zonder openbare beteekenis. Daarom wordt het noodig de voorafgaande bespreking van het huwelijk in zijn algemeene trekken aan te vullen met een laatste en meer intieme beschouwing van het huwelijk in zijn wezen, voor zoover het de kunst van liefhebben en de wetenschap der voortplanting omvat.

Wij hebben reeds gelegenheid gehad van tijd tot tijd te verwijzen naar hen, die, van verschillend standpunt uitgaande, getracht hebben het doel van het huwelijk te beperken en het eene of het andere van zijn elementen te onderdrukken. (Zie b.v., boven, p. 135).

De moderne neiging is geweest den factor der voortplanting uit te sluiten en de huwelijksbetrekkingen alleen te beperken tot de verhouding van de twee partijen tot elkaar. Afgezien van het feit, waarvan het onnoodig is er weer de aandacht op te vestigen, dat, uit publiek en maatschappelijk standpunt, een huwelijk zonder kinderen, hoe belangrijk het ook zijn kan voor de twee personen, die het aangaat, een verhouding is zonder eenige openbare beteekenis, moeten we verder zeggen, dat ook het erotische leven zelf onder afwezigheid van kinderen kan lijden, want in het normale erotische leven, vooral bij vrouwen, heeft de sexueele liefde neiging uit te groeien tot ouderliefde. Bovendien wordt de volle ontwikkeling van die wederzijdsche liefde en afhankelijkheid bij de afwezigheid van kinderen met moeite verkregen, en er ontbreekt die allernauwste der banden, de wederkeerige samenwerking van twee personen bij het voortbrengen van een nieuw wezen. Het volmaakte en volkomen huwelijk in zijn volle ontwikkeling is een drieëenheid.

Zij, die den erotischen factor uit het huwelijk hebben trachten te verwijderen als niet tot het wezen ervan behoorende, of in ieder geval als alleen toe te laten als strikt ondergeschikt aan het doel van de voortplanting, hebben zich van tijd tot tijd in verschillende tijdperken doen hooren. Zelfs de ouden, Grieken en Romeinen gelijkelijk, raadden in hun meer ernstige oogenblikken de verwijdering aan van het erotisch element uit het huwelijk, en wilden het beperken tot buitenechtelijke verhoudingen, dat is te zeggen voor zoover het mannen aanging; voor de erotische behoeften van getrouwde vrouwen hadden ze geen bepalingen te maken. Montaigne, die vervuld was van den geest der klassieke tradities, heeft uitmuntend de redenen uiteengezet, die pleiten voor het verwijderen der erotische belangen uit het huwelijk: "Men trouwt niet voor zichzelf, wat er ook gezegd wordt; een man trouwt evenzeer, of meer nog, voor zijn nageslacht, voor zijn familie, de gewoonte en het belang van het huwelijk raken meer het ras dan ons zelf.... Zoo is het een soort van bloedschande om in deze waardige en geheiligde verhouding, de krachtsinspanningen en de buitensporigheden van de losbandigheid der liefde te verbruiken" (Essais, Boek I, hoofdstuk XXIX; Boek III, hoofdst. V). Dit gezichtspunt was zeer aannemelijk voor de eerste Christenen, die echter met opzet den tegenovergestelden kant ervan voorbijzagen, het hebben van erotische belangen buiten het huwelijk. "Omgang te hebben behalve voor de voortplanting", zeide Clemens van Alexandrië (Paedagogus, Boek II, hoofdst. X) "is de natuur onrecht aandoen". Terwijl deze bewering echter waar is voor de lagere dieren, is ze niet waar voor den mensch, en vooral niet voor den beschaafden man, wiens erotische behoeften veel meer ontwikkeld zijn, en veel nauwer verbonden met het beste en edelste deel van zijn organisme, dan het geval is bij de dieren in het algemeen. Voor het dier bestaat er geen sexueele begeerte behalve als ze in het leven geroepen wordt door de voorwaarden, die behooren tot de voortplantings-noodzakelijkheden. Het is geheel anders bij den mensch, voor wien, zelfs als de kwestie van de voortplanting geheel uitgesloten is, sexueele liefde toch een voortdurende behoefte is, en zelfs een voorwaarde voor de mooiste geestelijke ontwikkeling. Daarom heeft de Katholieke kerk, terwijl ze met bewondering een zelfbeheersching in het huwelijk beschouwde, die sexueele verhoudingen uitsloot behalve voor het doel van de voortplanting, den heiligen Augustinus gevolgd in zoover ze omgang, afgezien van de voortplanting met groote toegevendheid behandelde, en dan als een vergeeflijke zonde. Hier was de kerk echter geneigd de grens te stellen, en het schijnt wel, dat in 1679 Innocentius XI het voorstel verwierp, waarbij de "huwelijksdaad, gedaan alleen voor pleizier, uitgesloten wordt zelfs van de vergeeflijke zonde".

Protestantsche theologen zijn geneigd geweest verder te gaan, en daarbij vonden zij eenige autoriteit zelfs bij de Katholieke schrijvers. Johannes à Lasco, de Katholieke bisschop, die protestant werd en zich tijdens de regeering van Edward VI in Engeland vestigde, volgde menigen middeleeuwschen theoloog, toen hij het sacramentum solationis erkende, naast de proles, als een element van het huwelijk. Cranmer zeide, in zijn huwelijksdienst van 1549, dat "wederkeerige hulp en steun", zoowel als de voortplanting het doel van het huwelijk vormen. (Wickham Legg, Ecclesiological Essays, p. 204; Howard, Matrimonial Institutions, deel I, p. 398). Moderne theologen spreken nog duidelijker. "De sexueele daad", zegt Northcote (Christianity and Sex-Problems, p. 59), "is een daad van liefde. Behoorlijk geregeld, leidt zij tot de zedelijke welvaart van het individu en bevordert zijn capaciteit als lid van de maatschappij. De daad zelf, en de daarmee verbonden gemoedsbewegingen brengen het psychische leven machtig in beweging". In een vroeger tijd heeft ook Schleiermacher, in zijn Brieven over Lucinde, gewezen op de groote beteekenis van de liefde voor de ontwikkeling van het individu.

Edward Carpenter merkt naar waarheid op, in Love's Coming of Age, dat de sexueele liefde niet alleen physiek tot scheppen noodig is, maar ook psychisch. Ook Bloch komt (The Sexual Life of Our Time, hoofdst. VI) tot het besluit, dat "liefde en de sexueele omhelzing niet alleen hun doel hebben in de voortplanting, maar dat zij noodzakelijk een doel op zichzelf vormen en noodig zijn voor het leven, de ontwikkeling, en den innerlijken groei van het individu zelf".

Er wordt door sommigen, die toegeven, dat wederzijdsche liefde een grondvoorwaarde is voor het huwelijk, beweerd, dat zulke liefde, als ze eens bij het begin erkend is, voor uitgemaakt kan gehouden worden, en dat er geen verdere bespreking over noodig is; er is, naar zij meenen, geen kunst van liefhebben, die geleerd of onderwezen kan worden; ze komt van nature. Niets kan verder van de waarheid af zijn, vooral wat den beschaafden mensch aangaat. Zelfs de elementaire daad van den coïtus moet aangeleerd worden. Niemand zou een strenger puriteinsch gezichtspunt over sexueele zaken hebben kunnen aannemen dan Sir James Paget, en toch verklaarde Paget (in zijn lezing over "Sexual Hypochondriasis"), dat "Onwetendheid over sexueele zaken een groote eigenaardigheid schijnt te zijn van het meer beschaafde deel van het menschelijk ras. Onder ons gezegd, het is zeker, dat de methode van het paren geleerd moet worden, en dat zij, aan wie het nooit geleerd wordt, er onwetend in blijven". Gaillard merkt dan eveneens op (in zijn Clinique des Maladies des Femmes), dat jonge menschen, evenals Daphnis in de idylle van Longus, een mooi Lycenion noodig hebben om ze praktisch zoowel als theoretisch in deze zaken een goede opvoeding te geven, en hij meent, dat moeders haar dochters bij het huwelijk moesten inlichten en vaders hun zoons. Philosophen hebben van tijd tot tijd den ernst van deze kwesties erkend en hebben er over gediscussieerd; zoo besprak Epicurus, zooals Plutarchus ons vertelt [371], met zijn leerlingen verschillende sexueele zaken, zoo als de juiste tijd voor den coïtus; maar toen waren er evenals nu obscuranten, die zelfs de centrale feiten van het leven wilden overlaten aan het toeval en aan de onwetendheid, en deze waren ontevreden op de philosophen.

Er is echter in deze zaken veel meer te leeren dan de enkele elementaire feiten van het sexueele verkeer. De kunst van liefhebben sluit zulke grondfeiten van de sexueele hygiëne zeer zeker in zich, maar ze omvat ook de geheele erotische discipline van het huwelijk, en dat is de reden, waarom de beteekenis ervan zoo groot is, voor het welzijn en het geluk van het individu, voor de bestendigheid van sexueele vereenigingen, en indirect voor het ras, daar de liefdekunst ten slotte de kunst is van het verkrijgen van de juiste voorwaarden voor de voortplanting.

"Het schijnt zeer waarschijnlijk", schreef Prof. E. D. Cope [372], "dat, als het belang van dit onderwerp goed begrepen werd, en het, wat zijn praktischen kant betreft, deel kon worden van een geschreven maatschappelijke wetenschap, dan het monogamische huwelijk een veel grooter succes zou hebben dan dikwijls in het werkelijke leven gevonden wordt". Er kan niet de minste twijfel aan bestaan, dat dit het geval is. In de groote meerderheid van huwelijken hangt het succes uitsluitend af van de bekendheid met de kunst van liefhebben van de twee personen, die het aangaan. Een levenslange monogamische vereeniging kan wel blijven bestaan bij afwezigheid van de geringste aangeboren of verkregen kunst van liefhebben, uit godsdienstige onderwerping of zuivere domheid. Maar die houding begint nu minder gewoon te worden. Naar we in het vorige hoofdstuk gezien hebben, beginnen echtscheidingen meer voor te komen en gemakkelijker te verkrijgen te zijn in alle beschaafde landen. Dit is een neiging van de beschaving; het is een resultaat van den eisch, dat het huwelijk een werkelijke verhouding moet zijn, en dat, als het ophoudt werkelijk te zijn als verhouding, het dan ook moet ophouden als vorm te bestaan. Dat is een onvermijdelijke neiging, die besloten ligt in onze aangroeiende democratie, want de democratie schijnt meer te geven om werkelijkheden dan om vormen, hoe eerbiedwaardig ze ook mogen zijn. We kunnen er niet tegen strijden; en we moeten er ook niet tegen strijden, al konden we het.

Maar toch, terwijl we verplicht zijn de neiging tot echtscheiding te ondersteunen, en er op aan te dringen, dat voor een geldig huwelijk de wil noodig is van twee personen om het in stand te houden, is het toch voor ieder moeilijk om te beweren, dat echtscheiding op zich zelf wenschelijk is. Het is altijd de erkenning van een mislukking. Twee personen, die, als zij ook maar in de geringste mate bewogen zijn geweest door den normalen en regelmatigen impuls van de sexueele keuze, elkander als beminnelijk beschouwden, zijn, aan den eenen kant, of aan den anderen kant, of aan beide kanten, gebleken niet beminnelijk te zijn. Er is een mislukking geweest in de fundamenteele liefdekunst. Als we een tegenwicht moeten vormen tegen het gemak van de echtscheiding, dan is onze eenige gezonde wijze van handelen de standvastigheid van het huwelijk en dat is alleen mogelijk door het aankweeken van de kunst van liefhebben, de voornaamste grondslag van het huwelijk.

Het is volstrekt niet overbodig op dit punt den nadruk te leggen. Er zijn nog vele menschen, die het niet hebben kunnen inzien. Er zijn zelfs menschen, die schijnen te meenen, dat het van geen belang is, of er genoegen is bij de sexueele daad of niet. "Ik geloof niet, dat wederzijdsch genoegen in de sexueele daad eenige speciale betrekking heeft op het levensgeluk", merkte eens Dr. Howard A. Kelly [373] op. Zulk een gezegde beteekent--als het ten minste iets beteekent--dat de huwelijksband geen "speciale betrekking" heeft op het menschelijk geluk; het beteekent, dat de weg vrij open moet gezet worden voor echtbreuk en echtscheiding. Zelfs de meest perverse asceet van de Middeleeuwen kon het nauwelijks wagen een bewering te uiten, zoo lijnrecht tegenovergesteld aan de ervaringen van de menschheid, en het feit, dat een beroemd gynaecoloog van de twintigste eeuw ze uiten kan, met bijna het air van een waarheid te zeggen, is in ruime mate een rechtvaardiging voor den nadruk, die het tegenwoordig noodig is geworden op de liefdekunst te leggen. "Uxor enim dignitatis nomen est, non voluptatis", dat was een oud heidensch gezegde. Maar het is niet in harmonie met moderne denkbeelden. Het was zelfs niet geheel in harmonie met het Christendom. Voor onze moderne moraal is de eenheid van liefde en huwelijk een axioma [374].

De verwaarloozing van de liefdekunst is geen algemeen verschijnsel geweest; het is meer speciaal een verschijnsel van het Christendom. De geest van het oude Rome heeft ongetwijfeld Europa gepredisponeerd tot zulk een verwaarloozing, want met hun ruw aankweeken van militaire deugden en hun ongeschiktheid voor de fijnere gezichtspunten van de beschaving waren de Romeinen bereid liefde te beschouwen als een vergeeflijke zwakheid, maar ze waren niet, als een volk, bereid om ze aan te kweeken als een kunst. Hun dichters vertegenwoordigen in deze zaak het moreele gevoelen van hun beste burgers niet. Het is werkelijk een feit van zeer groote beteekenis, dat Ovidius, de meest bekende Latijnsche dichter, die veel over de kunst van liefhebben heeft nagedacht, die kunst niet zoozeer met de moraliteit in verband bracht als met de immoraliteit. Zooals hij het beschouwde, was de kunst van liefhebben minder de kunst om een vrouw in haar huis te houden, dan de kunst om haar er uit te lokken; het was eerder de kunst van den echtbreker dan van den echtgenoot. Zulk een opvatting zou buiten Europa onmogelijk zijn, maar ze bleek zeer gunstig te zijn aan den groei van de Christelijke houding jegens de kunst van liefhebben.

De liefde als een kunst, zoowel als een hartstocht, schijnt in de oudheid veel bestudeerd te zijn geworden, hoewel de resultaten van die studie verloren zijn gegaan. Cadmus Milesius, zegt Suidas, schreef veertien groote boekdeelen over den liefdehartstocht, maar ze zijn nu niet meer te vinden. Rohde geeft in (Der Griechische Roman, p. 55) een kort uittreksel uit de Grieksche philosophische schrijvers over de liefde. Bloch (Beiträge zur Psychopathia Sexualis, deel I, p. 191) somt de schrijfsters uit de oudheid op, die de liefdekunst behandelden. Montaigne (Essais, boek II, hoofdstuk V) geeft een lijst van oude klassieke boeken over de liefde, die verloren zijn gegaan. Ook Burton (Anatomy of Melancholy, uitgave van Bell, deel III, p. 2) geeft een lijst van boeken over de liefde, die verloren zijn gegaan. Burton zelf behandelde in den breede de menigvuldige teekenen van de liefde en de depressieve symptomen ervan. Boissier de Sauvages gaf in 't begin der achttiende eeuw een Latijnsche stelling uit, De Amore, waarin hij de liefde ongeveer in denzelfden geest behandelt als Burton, als een psychische ziekte, die behandeld moet worden en genezen.

De adem van het Christelijk ascetisme was over de liefde heengegaan; ze was niet langer als in de klassieke dagen een kunst, die beoefend, maar een ziekte, die genezen moest worden. De ware erfgenaam van den klassieken geest in dezen was, evenals in zooveel andere zaken, niet het Christendom, maar de Islam. The Perfumed Garden van den Sheik Nefzaoui was waarschijnlijk geschreven in de stad Tunis, in het begin der zestiende eeuw door een schrijver, die tot het Zuiden van Tunis behoorde. De aanroeping, waarmee het geschrift begint, toont duidelijk aan, dat het ver verwijderd is van de opvatting van liefde als een ziekte: "Eere zij God, die de grootste vreugde van den man gelegd heeft in de natuurlijke deelen van de vrouw, en die de natuurlijke deelen van den man bestemd heeft om de grootste genoegens te bereiden aan de vrouw". Het Arabische boek, El Ktab, of "The Secret Laws of Love"; is een modern werk door Omer Haleby Abu Othman, die in Algiers geboren was uit een Noorsche moeder en een Turkschen vader.

Voor het Christendom was de permissie om aan den sexueelen impuls toe te geven niets dan een concessie aan de menschelijke zwakheid, een toegeven, dat alleen maar mogelijk was onder de voorzichtigste voorzorgsmaatregelen. Bijna van het begin af aan begonnen de Christenen de maagdelijkheid aan te kweeken, en zij konden zich niet in die mate van hun gezichtspunt los maken, om voor de liefdekunst iets te voelen. Al hun hartstochtelijke bewondering in de sexueele sfeer ging uit naar de kuischheid. Door zulke idealen bezield konden ze de menschelijke liefde alleen maar dulden door aan een specialen vorm ervan het karakter te verleenen van een godsdienstig sacrament, en zelfs die glans van het sacrament gaf aan de liefde een quasi-ascetisch karakter, dat het denkbeeld uitsloot van de liefde te beschouwen als een kunst [375]. Liefde verkreeg een godsdienstig element, maar ze verloor een moreel element, daar, buiten het Christendom, de liefdekunst een deel is van den grondslag van de sexueele moraal, overal waar zoo'n moraal in eenige mate bestaat. In het Christendom werd aan de liefde in het huwelijk overgelaten zich te redden zoo goed als ze kon; de kunst van liefhebben was een kunst van twijfelachtig allooi, waarvan men vond, dat ze een zeker verband had met de immoraliteit en zelfs zelf immoreel was. Dat gevoel werd ongetwijfeld versterkt door het feit, dat Ovidius de meest in het oog springende meester was in de literatuur van de kunst van liefhebben. Zijn literaire reputatie--die veel grooter was dan ze ons nu toeschijnt [376]--gaf aan zijn kunst van liefhebben de plaats van het voornaamste bestaande handboek over de liefde. Met het humanisme en de Renaissance en de daarop volgende erkenning, dat het Christendom een zijde van het leven voorbijgezien had, werd Ovidius' Ars Amatoria geplaatst op een voetstuk, zooals nooit te voren of daarna. Het vertegenwoordigde een schrede voorwaarts in de beschaving; het openbaarde de liefde niet uitsluitend als een dierlijk instinct of als een ernstige plicht, maar als een samengestelde, menschelijke en verfijnde verhouding, die moest aangekweekt worden; "arte regendus amor". Bij Boccaccio geeft een wijs leeraar den scholieren de Ars Amatoria van Ovidius in handen. In een eeuw, die nog onder den druk was van den middeleeuwschen geest, was het een handboek, waaraan veel behoefte was, maar het had het fatale gebrek als handboek om de erotische eischen van het individu voor te stellen als afgescheiden van de eischen van een goede maatschappelijke orde. Het kwam nooit zoover, dat het het algemeen erkende handboek der liefde werd, en in de oogen van velen drukte het op het onderwerp, waar het over handelde, het stempel van te liggen buiten de grenzen van de goede moraal.

Als wij echter van een ruimer standpunt zien, en navraag doen naar de tucht voor het leven, die in vele deelen van de wereld aan jonge menschen wordt medegegeven, dan zullen we dikwijls bemerken, dat de kunst van liefhebben, op verschillende wijzen begrepen, een essentieel gedeelte is van die tucht. Hoewel de opvoedingsmethoden bij natuurvolken kort, maar toch over het algemeen voldoende zijn, sluiten ze niet zelden in een oefenen in die kunsten, die in de huwelijksverhouding een vrouw aangenaam maken aan een man en een man aan een vrouw, en het wordt dikwijls min of meer vaag erkend, dat het hofmaken niet is een enkele inleiding tot het huwelijk, maar een biologisch essentieel gedeelte van de geheele huwelijksverhouding.

Sexueele inwijding wordt zeer grondig in praktijk gebracht in Azimbaland, in Centraal Afrika. H. Crawford Angus, de eerste Europeaan, die het volk der Azimba bezocht, woonde een jaar onder hen, en heeft een beschrijving gegeven van de Chensamwali, of inwijdingsceremonie van meisjes. "Bij het eerste teeken van de menstruatie bij een jong meisje wordt zij onderwezen in de geheimen van de vrouwelijkheid en worden haar de verschillende houdingen gewezen voor den sexueelen omgang. De vagina wordt vrijelijk behandeld, en als ze niet tevoren verwijd is (hetgeen gebeurd kan zijn op het oogstfeest, als een jongen en een meisje verlof krijgen om samen over dag "huis te houden" en wanneer quasi-omgang plaats vindt) wordt ze nu verwijd door middel van een horen, die ingebracht en met een verband van boomschors bevestigd wordt. Als alle teekenen van de menstruatie over zijn, wordt er een algemeene aankondiging gedaan aan de vrouwen in het dorp voor een dans. Bij dezen dans worden geen mannen toegelaten, en alleen met heel veel moeite heb ik ik het gedaan gekregen er bij tegenwoordig te zijn. Het meisje, dat "verdanst" zal worden, wordt uit het kreupelbosch geleid naar de hut van haar moeder, waar zij in eenzaamheid gehouden wordt tot den morgen van den dans. Op dien morgen wordt ze in zittende houding op den grond gezet, terwijl de danseressen een kring om haar heen vormen. Verschillende gezangen worden dan gezongen met betrekking tot de genitaliën. Het meisje wordt dan naakt uitgekleed en moet mimisch de voltrekking van den sexueelen omgang doormaken, en als de bewegingen niet goed uitgevoerd worden, zooals dikwijls het geval is als het meisje jong is en verlegen, dan neemt een van de oudere vrouwen haar plaats in en wijst haar hoe ze doen moet. Vele liederen worden gezongen over de verhouding van mannen en vrouwen, en het meisje wordt ingelicht over al haar plichten als ze trouwt. Haar wordt ook geleerd, dat zij in den tijd van haar menstruatie onrein is, en dat ze gedurende haar maandelijksche periode haar vulva moet afsluiten met een bosje gras. Het doel van den dans is aan het meisje de kennis van het huwelijksleven in te prenten. Aan het meisje wordt geleerd trouw te zijn aan haar echtgenoot en hoe ze zich gedragen moet tijdens de zwangerschap, en haar worden ook de verschillende kunsten en methoden geleerd om zich verleidelijk en aangenaam voor haar echtgenoot te maken, en om hem zoo in haar macht te houden". (H. Crawford Angus, "The Chensamwali", Zeitschrift für Ethnologie, 1898, Heft 6, p. 479).

In Abyssinië, evenals op de kust van Zanzibar, worden jonge meisjes, volgens Stecker (aangehaald door Ploss-Bartels, Das Weib, afdeeling 119) geoefend in bekkenbewegingen, die haar bekoorlijkheid bij den coïtus doen toenemen. Deze bewegingen, van een draaienden aard, worden genoemd Duk-Duk. Niet op de hoogte te zijn van Duk-Duk is een groote schande voor een meisje. Bij de vrouwen van de Swahili in Zanzibar wordt een volkomen artistiek systeem van heupbewegingen aangekweekt, dat bij den coïtus in praktijk moet gebracht worden. Het is voornamelijk op de kust in zwang, en een vrouw uit Swanghali wordt niet als een lady "bibi" beschouwd, als ze niet met deze kunst bekend is. Zestig tot tachtig jonge vrouwen oefenen deze bekkendans tezamen, soms acht uren per dag, geheel naakt en zingen er bij. Publiek wordt niet toegelaten. De dans, die een soort van inwijding is tot den coïtus, is beschreven door Zache ("Sitten und Gebräuche der Suaheli", Zeitschrift für Ethnologie, 1899, Heft 2-3, p. 72). De beste danseressen verwekken algemeene bewondering. Bij het laatste gedeelte van deze inwijding worden verschillende feiten ingevoegd, om de handigheid en de zelfbeheersching van het meisje op den proef te stellen. Zij moet bijvoorbeeld naar een vuur toe dansen en midden uit dat vuur een ketel water, die tot het randje toe vol is, weghalen zonder er mee te morsen. Aan het einde van drie maanden is de oefening voorbij, en gaat het meisje in feestkleeding naar huis. Zij kan nu ten huwelijk gekozen worden. Men zegt, dat dergelijke gewoonten ook in Indië en elders bestaan.

De Hebreërs hadden erotische dansen, die ongetwijfeld in verband stonden met de kunst van liefhebben in het huwelijk, en onder de Grieken, en hun leerlingen, de Romeinen, bestond nog de opvatting van liefde als een kunst, die behoefte heeft aan oefening, behendigheid en aankweeking. Die opvatting werd teniet gedaan door het Christendom, dat, hoewel het de instelling van het huwelijk heiligde, die sexueele liefde naar beneden haalde, die in normale omstandigheden de inhoud is van het huwelijk.

In 1176 werd door een baron en een barones van Champagne, de kwestie of liefde bestaanbaar is met het huwelijk voor een liefdesgerechtshof gebracht. "Neen", zeide de baron, "ik bewonder en eerbiedig de zoete intimiteit van getrouwde paren, maar ik kan het geen liefde noemen. Liefde wenscht bezwaren te overwinnen, geheimzinnigheid, gestolen gunsten. Nu erkennen man en vrouw vrijmoedig hun verhouding; zij bezitten elkander zonder tegenspraak en zonder terughouding. Dan kan het geen liefde zijn, die zij ondervinden". En na rijpe overweging namen de dames van het hof de conclusies van den baron aan (E. de la Bedollière, Histoire des Moeurs des Français, dl. III, p. 334). Er was ongetwijfeld een grond van waarheid in de beweringen van den baron. Toch mag wel betwijfeld worden of het in eenig niet Christelijk land ooit mogelijk zou geweest zijn om de leer aangenomen te krijgen, dat liefde en huwelijk onvereenigbaar zijn. Deze leer was echter, zooals Ribot aantoont in zijn Logique des Sentiments, onvermijdelijk, toen, zooals bij de middeleeuwsche edelen, het huwelijk alleen maar een politiek of huiselijk verdrag was en daarom niet een methode kon zijn tot moreele verheffing.

"Hoe komt het", vroeg Rétif de la Bretonne, tegen het einde van de achttiende eeuw, "dat meisjes, die geen moraal hebben, verleidelijker zijn en beminnelijker dan fatsoenlijke vrouwen? Het is omdat zij, evenals de Grieksche courtisanen, aan wie bevalligheid en zinnelijkheid geleerd werd, de kunst bestudeerd hebben van te behagen. Onder hen, die dwaselijk mijn Contemporaines belasteren heeft geen enkele het philosophische doel gegist van bijna al deze vertellingen n.l. om aan fatsoenlijke vrouwen de methoden aan de hand te doen om zich bemind te maken. Ik zou graag de instelling der inwijding willen zien zooals ze bestond bij de ouden... Tegenwoordig wordt het geluk van de menschelijke soort overgelaten aan het toeval; al de ondervinding van de vrouwen is individueel, zooals bij de dieren; ze gaat verloren bij die vrouwen, die, daar ze van nature beminnelijk zijn, anderen konden hebben geleerd om het ook te worden. Alleen prostituées maken er een oppervlakkige studie van, en de lessen, die zij krijgen, zijn voor het grootste deel even schadelijk als die van de respectabele Grieksche en Romeinsche matrones heilig en eerbiedwaardig waren, daar ze alleen aanleiding geven tot losbandigheid, tot uitputting gelijkelijk van de beurs en van de physieke krachten, terwijl het doel van de oude matrones de vereeniging van man en vrouw en hun wederzijdsche gehechtheid door genoegen was. De Christelijke godsdienst vernietigde de Mysteries als schandelijk, maar we mogen die vernietiging wel beschouwen als een van de nadeelen door het Christendom toegebracht aan de menschheid, als het werk van menschen met weinig verlichting en bitteren ijver, gevaarlijke puriteinen, die de natuurlijke vijanden van het huwelijk waren" (Rétif de la Bretonne, Monsieur Nicolas, herdruk van 1883, dl. X, blz. 160-3). We mogen er aan toevoegen, dat Dühren (Dr. Iwan Bloch) Rétif beschouwt als "een meester in de Ars Amandi", en hem van dit standpunt bespreekt in zijn Rétif de la Bretonne (pp. 362-371).

Hetzij het Christendom verantwoordelijk gesteld moet worden of niet, er kan niet aan getwijfeld worden, dat door het Christendom is ontstaan een bedroevend gebrek aan erkenning van het allerhoogste belang, niet alleen erotisch, maar moreel, van de kunst van liefhebben. Zelfs in de groote herleving, die nu om ons heen plaats vindt, wordt nog maar uiterst zelden erkend, dat de eenige zaak, die in haar wezen noodzakelijk is bij de sexueele inlichting, bekendheid met de kunst van liefhebben is. Voor het grootste deel is de sexueele inlichting, zooals ze tegenwoordig gegeven wordt, zuiver negatief, niets dan een reeks van "Gij zult niet". Als dat gebrek berustte op de bewuste en opzettelijke erkenning, dat, terwijl de kunst van liefhebben gebaseerd moet zijn op physiologische en psychologische kennis, ze veel te fijn is, te samengesteld, te persoonlijk, om geformuleerd te worden in lezingen en handboeken, zou het verstandig en gezond zijn. Maar het schijnt geheel op onwetendheid te berusten, of erger.

Het hof maken is, evenals andere kunsten, een kunst, die gedeeltelijk natuurlijk is--"een kunst, die de natuur maakt",--en daarom is het een natuurlijk onderwerp voor leering en oefening in het spel. Kinderen, die aan zich zelf overgelaten worden, hebben neiging zoowel spelende als in ernst liefde in praktijk te brengen, zoowel van den physieken als van den psychischen kant [377]. Maar dit spel wordt van den physieken kant streng door de ouders onderdrukt, als het ontdekt wordt, en aan den psychischen kant wordt er om gelachen. Onder de wel-opgevoede klassen houdt het gewoonlijk op jeugdigen leeftijd op.

Na de puberteit, zoo niet eerder, is er een andere vorm, waarin de kunst van liefhebben in ruime mate beoefend en in praktijk gebracht wordt, vooral in Engeland en Amerika, de vorm van het flirten. In zijn eerste uitingen is het flirten volkomen natuurlijk en normaal; we kunnen het zelfs bij de dieren nasporen; het is eenvoudig het begin van het hofmaken, in een vroeg stadium, als het hofmaken nog, als men dat wil, kan afgebroken worden. Onder de moderne beschaafde toestanden is het flirten echter dikwijls meer dan dit. Deze voorwaarden maken het huwelijk moeilijk; zij maken liefde en de toenadering daartoe tot iets dat te ernstig is om het lichtzinnig te beginnen; zij maken het werkelijke sexueele verkeer gevaarlijk zoowel als schandelijk. De flirt past zich aan deze voorwaarden aan. In plaats van alleen het inleidende stadium te zijn van het normale hofmaken, heeft zij zich ontwikkeld tot een vorm van sexueele bevrediging zoo volledig als een behoorlijke inachtneming van de voorwaarde, die we reeds vermeld hebben, toe wil staan. In Duitschland, en vooral in Frankrijk, waar ze in hooge mate verafschuwd wordt, is dit de eenige bekende wijze van flirten; ze wordt beschouwd als een export-artikel van de Vereenigde Staten en wordt "flirtage" genoemd. Als praktisch product ervan wordt beschouwd de "demi-vierge", die al de vreugden der sekse kent en ondervonden heeft, terwijl zij toch haar hymen intact bewaard heeft.

Deze ontaarde vorm van de flirt, die aangekweekt wordt, niet als een deel van het hofmaken, maar om zich zelf, is uitvoerig en goed beschreven door Forel (Die Sexuelle Frage, pp. 97-101). Hij zegt, dat ze "alle uitdrukkingswijzen omvat van het sexueele instinct van een individu jegens een ander individu, die het sexueele instinct van den ander opwekken, den coïtus altijd uitgesloten". Eerst is het misschien alleen maar een beteekenisvolle blik of een eenvoudige aanraking schijnbaar zonder bedoeling; en met geringe overgangen komt het wellicht tot liefkoozingen, kussen, omhelzingen, en kan zich zelfs uitstrekken tot wrijving van de genitaliën, die soms tot orgasme leidt. Zoo, zegt Forel, kan een zinnelijke vrouw, door de aanraking van haar kleeren bij het dansen, ejaculatie te voorschijn roepen bij haar danser. Gewoonlijk is het proces dàt wellustige contact en die droomerij, welke in het Engelsche spraakgebruik genoemd wordt "spooning". In éen vorm echter bestaat de flirt geheel in de opwinding van een gesprek, dat gewijd is aan erotische en onfatsoenlijke onderwerpen. De man of de vrouw kan de actieve rol spelen bij het flirten, maar bij een vrouw wordt meer verfijning en handigheid vereischt om de actieve rol te spelen zonder den man terug te schrikken of haar naam te benadeelen. Ja, hetzelfde geldt ook voor mannen, want vrouwen, al houden zij dikwijls van flirten, prefereeren gewoonlijk de meer verfijnde vormen er van. Er zijn onnoemelijk veel vormen van flirt, en, terwijl ze als inleiding tot het hofmaken, haar normale plaats inneemt en gerechtvaardigd is, besluit Forel, dat ze "als een doel op zich zelf, en nooit boven zich zelf uitkomende, een degeneratieverschijnsel is".

Van het Fransche standpunt zijn "flirtage" en de flirt in het algemeen, besproken door Madame Bentzon ("Family Life in America", Forum, Maart, 1896), die echter niet de natuurlijke basis van de flirt bij het hofmaken erkent. Zij beschouwt het als een zonde tegen de wet "Gij zult niet met de liefde spelen", want deze moet de verontschuldiging hebben van een onwederstaanbaren hartstocht, maar ze meent, dat ze in Amerika betrekkelijk onschadelijk is (hoewel toch nog van verderfelijken invloed op vrouwen) wegens het temperament, de opvoeding en de gewoonten van de menschen daar. Wij moeten echter in de herinnering houden, dat het spel een zekere betrekking heeft op alle levensfuncties, en dat een redelijke critiek op de flirt eer betrekking heeft op de normale beperkingen, dan op het bestaansrecht ervan.

Terwijl de flirt in haar natuurlijken vorm--niet in de geperverteerden vorm van "flirtage"--een gezonde rechtvaardiging heeft, zoowel als een methode om den minnaar te leeren kennen, als om een klein deel van de kunst van liefhebben te verkrijgen, blijft ze toch een volkomen onvoldoende voorbereiding voor de liefde. Dit blijkt voldoende uit de veel voorkomende ongeschiktheid voor de kunst van liefhebben, en zelfs voor de enkele physieke daad der liefde, die zich zoo dikwijls bij mannen en vrouwen beide voordoet in de landen, waar juist de flirt het meest in eere is.

Deze onwetendheid, niet alleen van de daad der liefde, maar zelfs van de physieke feiten van de sexueele liefde, is duidelijk merkbaar, niet alleen bij vrouwen, vooral vrouwen van de middelklasse, maar ook bij mannen, want de beschaafde man, zooals Fritsh lang geleden opmerkte, weet dikwijls minder van de feiten van het sexueele leven dan een stalmeid. Ze vertoont zich echter op verschillende wijze bij de twee seksen.

Bij vrouwen varieert sexueele onwetendheid tusschen volkomen onwetendheid omtrent het feit, dat de omgang eenige intieme lichamelijke verhouding in zich sluit, tot misverstanden van de meest verschillende soort; sommigen meenen, dat de verhouding bestaat in het naast elkaar liggen, velen, dat de omgang plaats vindt bij den navel, niet weinigen, dat de daad den geheelen nacht in beslag neemt. Het is in een vorig hoofdstuk noodig geweest de algemeene nadeelen van de sexueele onwetendheid te bespreken; het is hier noodig te verwijzen naar de meer speciale nadeelen voor de huwelijksverhouding. Meisjes worden opgevoed met het vage denkbeeld, dat ze trouwen zullen,--volkomen terecht, want de meerderheid van haar trouwt ook,--maar het denkbeeld, dat zij moeten opgevoed worden voor de loopbaan, die van nature voor haar is weggelegd, is een denkbeeld, dat nog nooit bij de opvoedsters van de meisjes schijnt opgekomen te zijn. Haar hoofden worden volgepropt, totdat ze er dom van worden, met de kennis van feiten, die niemand belang kunnen inboezemen, maar de uiterst belangrijke opvoeding voor het leven zijn zij in het geheel niet in staat om te geven. Vrouwen worden geoefend voor bijna ieder beroep onder de zon; voor de hoogste roeping van het vrouw en moeder zijn, worden zij in het geheel nooit geoefend!

Men zegt, naar waarheid, dat de tegenwoordige onvoldoende opleiding van meisjes waarschijnlijk zoolang door zal gaan als de moeders van meisjes er mee tevreden zijn en niets beters eischen. We kunnen ook zeggen, met nog meer waarheid, dat er veel is, wat de kennis van sexueele verhoudingen betreft, dat de moeder zelf het best aan haar dochter kan meedeelen. Verder kunnen we verklaren, volkomen onweerlegbaar, dat de kunst van liefhebben, waarmee we hier meer speciaal te maken hebben, alleen geleerd kan worden door werkelijke ondervinding, die, dank zij onze maatschappelijke traditie voor een deugdzaam meisje moeilijk te verkrijgen is. Zonder te trachten hier het juiste deel te taxeeren van den blaam, die ieder geval treft, blijft het een droevige waarheid, dat een vrouw zoo dikwijls het huwelijk ingaat met de slechtst mogelijke uitrusting van vooroordeelen en misverstanden, zelfs als ze meent, zooals dikwijls gebeurt, dat zij er alles van weet. Zelfs met de beste uitrusting treedt een vrouw, onder de tegenwoordige toestanden, het huwelijk in onder nadeelige omstandigheden. Zij ontwaakt langzamer tot de volle erkenning van de liefde dan de man, en gemiddeld op later leeftijd, zoodat haar ondervindingen van het sexueele leven voor het huwelijk gewoonlijk van een veel beperkter soort zijn dan die van haar echtgenoot [378]. Zoodat, zelfs met de beste voorbereiding, het dikwijls gebeurt, dat een vrouw zich eerst na verscheidene huwelijksjaren duidelijk voor oogen stelt, wat haar eigen sexueele behoeften zijn en met juistheid de geschiktheid van haar man kan taxeeren om die behoeften te bevredigen. We kunnen niet te hooge waarde hechten aan het persoonlijke en maatschappelijke belang van een volkomen voorbereiding voor het huwelijk, en hoe grooter de moeilijkheden zijn, die aan de echtscheiding in den weg worden geplaatst, van des te meer belang is die voorbereiding [379].

Iedereen kent waarschijnlijk wel vele gevallen van de uiterste onwetendheid van vrouwen bij het aangaan van een huwelijk. Het volgende geval van een vrouw van zeven en twintig jaar, die ten huwelijk gevraagd was, is wel ongewoon, maar toch niet heelemaal een uitzondering. "Zij was niet heel zeker van haar gevoel en zij vroeg aan een nicht, wat liefde beteekende. Deze nicht leende haar het geschriftje van Ellis Ethelmer, The Human Flower. Zij leerde daaruit, dat mannen het lichaam van een vrouw begeeren, en dit verschrikte haar zoo, dat ze er dagen lang ziek van was. Den volgenden keer, toen haar minnaar trachtte haar te liefkoozen, vertelde zij hem, dat het "lust" was. Sedert dien tijd heeft zij Sister Teresa gelezen van George Moore, en de wetenschap "dat een vrouw even slecht kan zijn als een man" heeft haar treurig gestemd." De voorvallen, die vermeld zullen worden in de Aanhangsels van de volgende deelen van deze Studies, geven vele voorbeelden van de beklagenswaardige onwetendheid van jonge meisjes over de meest centrale feiten van het sexueele leven. Het is niet te verwonderen, dat onder zulke omstandigheden het huwelijk leidt tot teleurstelling en tegenzin.

Er wordt gewoonlijk gezegd, dat de plicht van het inwijden van de vrouw in de voorrechten en de verplichtingen van het huwelijk eigenlijk berust bij den man. Geheel afgezien echter van het feit, dat het onbillijk is tegenover een vrouw haar te dwingen zich in het huwelijk te binden, voordat ze geheel weet wat het huwelijk beteekent, moeten we zeggen, dat er vele dingen door een vrouw geweten moeten worden, waarvan het onredelijk is te verwachten, dat haar echtgenoot ze haar zal uitleggen. Dit is, bij voorbeeld, het geval met de meer vermoeiende en uitputtende uitwerking van den coïtus op een man, vergeleken met een vrouw. De onervaren bruid kan niet van zelf weten, dat de dikwijls herhaalde prikkelingen, die haar krachtig en stralend maken, een deprimeerenden invloed hebben op haar echtgenoot, en zijn mannelijke trots brengt hem er toe te trachten dit feit te verbergen. De bruid, in haar onwetendheid, weet niet, dat haar genoegen gekocht wordt ten koste van haar echtgenoot, en dat, wat geen overdaad voor haar is, ernstige overdaad voor hem kan zijn, De vrouw, die weet, (zooals bij voorbeeld een weduwe, die hertrouwt) zorgt in dit opzicht voor de gezondheid van haar man, door haar eigen gloed te temperen, omdat zij weet, hoe een man niet wil toegeven, dat hij niet in staat is om de wenschen van zijn vrouw te bevredigen. (G. Hirth heeft er ook op gewezen hoe belangrijk het is, dat de vrouwen voor het huwelijk de natuurlijke grenzen zullen kennen van de mannelijke potentie, Wege zur Liebe, p. 571.)

De onwetendheid van de vrouwen over alles wat de kunst van liefhebben aangaat, en haar volkomen gebrek aan voorbereiding voor de natuurlijke feiten van het sexueele leven, zouden misschien minder slechts voor het huwelijk voorspellen, als ze gecompenseerd werden door de kennis, de handigheid en den tact van den echtgenoot. Maar dat is geenszins altijd het geval. In gewone omstandigheden vinden we in ieder geval in Engeland, de groote groep van mannen, wier kennis van vrouwen vóór het huwelijk voornamelijk beperkt is geweest tot prostituées, en de belangrijke en niet onaanzienlijke groep van mannen, die geen intiemen omgang met vrouwen hebben gehad, wier sexueele ondervindingen beperkt zijn gebleven tot onanie of andere auto-erotische uitingen, en tot flirt. Zeker kan de man van gevoelig en intelligent temperament, wat ook zijn voorbereiding of gebrek aan voorbereiding geweest is, met geduld en tact er in slagen al de moeilijkheden te boven te komen, die op den weg der liefde geplaatst zijn, door de mengeling van onwetendheid en vooroordeelen, die zoo dikwijls bij vrouwen de plaats innemen van een opvoeding voor het erotische deel van haar leven. Maar men kan niet zeggen, dat een van deze beide groepen van mannen goed toegerust is voor hun taak. De oefening en ondervinding, die een man krijgt bij een prostituée, zelfs onder tamelijk gunstige omstandigheden, vormen geenszins de juiste voorbereiding voor het naderen van een vrouw, die geen intieme erotische ondervindingen gehad heeft [380]. Het veel voorkomende resultaat is, dat hij neiging heeft om te weifelen tusschen twee tegenovergestelde wijzen van handelen, die beide verkeerd zijn. Aan den eenen kant zal hij zijn bruid misschien als een prostituée behandelen, of als een nieuwelinge, die ten spoedigste gekneed moet worden in den sexueelen vorm, waarmee hij het best bekend is, en zoo loopt hij kans haar pervers te maken of haar te hinderen. Aan den anderen kant zal hij misschien, erkennende, dat haar reinheid en waardigheid haar in een geheel verschillende klasse plaatsen dan de vrouwen, die hij tevoren gekend heeft, overslaande naar het tegenovergestelde uiterste, haar behandelen met een overdreven eerbied, en zoo er niet in slagen haar erotische behoeften te wekken of te bevredigen. Het is moeilijk te zeggen, welke van deze twee wijzen, van handelen de ongelukkigste is; het resultaat van beide is echter herhaaldelijk, dat een huwelijk in naam nooit een werkelijk huwelijk wordt [381].

Toch kan er niet de minste twijfel aan bestaan, dat de andere groep van mannen, de mannen, die het huwelijk intreden zonder eenige erotische ondervindingen, nog grooter gevaar loopen. Dit zijn dikwijls de beste mannen, zoowel wat persoonlijk karakter aangaat, als in geestkracht. Het is werkelijk verwonderlijk hoe onwetend, zoowel in de praktijk als in de theorie, zeer bekwame en zeer ontwikkelde mannen soms in sexueele zaken zijn.

"Volkomen abstinentie in de jeugd", zegt Freud (Sexual-Probleme, Maart, 1908), "is niet de beste voorbereiding voor het huwelijk bij den jongen man. Vrouwen raden dit en geven de voorkeur aan diegene onder haar minnaars, die zich al mannen getoond hebben bij andere vrouwen". Ellen Key verwijst naar den eisch, die vrouwen soms stellen, van reinheid in mannen (Ueber Liebe und Ehe, p. 96), en vraagt dan, of vrouwen wel de uitwerking kennen van haar bewondering voor den ervaren en zelfvertrouwenden man, die de vrouwen kent, boven den verlegen en aarzelenden jongeling, "die misschien hard gestreden heeft om zijn erotische reinheid te bewaren, in de hoop, dat de gelukkige glimlach van een vrouw de belooning zal zijn voor zijn overwinning, en die er toe veroordeeld is te zien, hoe die vrouw met verheven medelijden op hem neerziet, en met bewondering kijkt naar den niet-vlekkelooze". "Als de minnaar in Laura Holm's Was war es? tot de heldin zegt, "Ik heb nog nooit een vrouw aangeraakt", dan keert het meisje zich met afschuw van hem af, en een koude rilling scheen door haar heen te gaan, een verkillende teleurstelling". Hetzelfde gevoel uit zich in overdreven vorm in den hartstocht, die krachtige meisjes van achttien tot vier en twintig jaar ondervinden voor oude losbollen. (Dit is besproken door Forel, Die Sexuelle Frage, p. 217 et seq.).

Andere factoren doen zich misschien gelden bij de voorkeur van een vrouw voor den man, die andere vrouwen heeft lief gehad. Zelfs de meest godsdienstige en moreele jonge vrouw, merkt Valera op (Dona Luz, p. 205), trouwt graag met een man, die vele vrouwen heeft lief gehad; het geeft grootere waarde aan zijn keuze van haar, het geeft haar ook gelegenheid hem tot hoogere idealen te bekeeren. Als de man zonder ondervinding in het huwelijk een vrouw ontmoet met even weinig ondervinding, dan slagen zij er ongetwijfeld dikwijls in zich aan elkaar aan te passen en dan wordt er een duurzame modus vivendi gevonden. Maar het is in het geheel niet altijd zoo. Als de vrouw leert door instinct of ondervinding, dan bestaat de kans, dat ze gehinderd wordt door de onhandigheid en de hulpeloosheid van den man in de kunst van liefhebben. Zelfs als zij onwetend is, kan zij voor goed vervreemd geraken en chronisch koel worden door de ruwe tactloosheid van haar onwetenden echtgenoot bij het ten uitvoer brengen van wat hij als zijn echtelijke plichten beschouwt. Soms is aan de bruid zelfs ernstig physiek nadeel aangebracht ten gevolge van deze onwetendheid van den man.

"Ik houd het er voor, dat de meeste mannen vóór het huwelijk sexueele verhoudingen hebben gehad", schrijft een correspondent. "Maar ik heb ten minste een man gekend, die tot zijn twintigste jaar zelfs geen denkbeeld had van sexueele zaken. Toen hij een en twintig was, een paar maanden voor zijn huwelijk, kwam hij mij vragen, hoe coïtus uitgevoerd wordt, en vertoonde een onwetendheid, waarvan ik niet zou hebben kunnen gelooven, dat ze bestond in den geest van een overigens verstandig man. Hij had blijkbaar geen instinct om hem te leiden, zooals de wilde dieren en zijn verstand was niet in staat de noodige kennis te verstrekken. Het is zeer merkwaardig, dat de mensch deze instinctieve kennis verliezen kan. Ik heb een anderen man gekend, die bijna even onwetend was. Hij kwam ook naar mij toe om raad in huwelijksplichten. Deze beide mannen masturbeerden, en zij waren normaal hartstochtelijk". Zulke gevallen zijn niet zoo zeldzaam. Gewoonlijk echter is een zekere mate van kennis verkregen uit den een of anderen, meestal onvoldoenden bron, en de onwetendheid bestaat maar voor een deel, hoewel zij op dien grond niet minder gevaarlijk is.

Balzac heeft den gemiddelden echtgenoot vergeleken bij een oerang-oetan, die op de viool speelt "Liefde is, zooals we instinctief voelen, de meest melodieuze harmonie. De vrouw is een heerlijk genotsinstrument, maar men moet er de vibreerende snaren van kennen, de houding er van bestudeeren, het teere toetsenbord, de veranderende en grillige vingerzetting. Hoeveel oerang-oetan-mannen, meen ik, trouwen zonder te weten wat een vrouw is!..... Bijna alle mannen trouwen in de diepste onwetendheid omtrent de vrouwen en de liefde" (Balzac, Physiologie du Mariage, Meditation VII).

Neugebauer (Monatsschrift für Geburtshülfe, 1889, Boek IX, blz. 221 et seq.) heeft over de honderd vijftig gevallen verzameld van vrouwen aan wie bij den coïtus nadeel was toegebracht door den penis. De oorzaken waren ruwheid, dronkenschap van de eene of de andere partij, ongewone positie bij den coïtus, niet geëvenredigd zijn van de organen, ziekelijke toestanden van de organen der vrouw (vergelijk R. W. Taylor, Practical Treatise on Sexual Disorders, hoofdst. XXXV). Ook Blumreich bespreekt de nadeelen teweeggebracht door gewelddadigen coïtus (Senator en Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage, deel II, blz. 770-779). C. M. Green vermeldt twee gevallen van breuk van de vagina door sexueel verkeer bij pas getrouwde vrouwen, zonder blijk van eenig geweld. Mylott (British Medical Journal, Sept. 16, 1899) vermeldt een dergelijk geval, dat voorkwam op den avond van het huwelijk. De mate van kracht, die soms bij den coïtus gebruikt wordt, blijkt uit de gevallen, die van tijd tot tijd voorkomen, waarbij verkeer plaats vindt door den urethra.

Eulenburg vindt, (Sexuale Neuropathie, p. 69), dat vaginismus, een toestand van krampachtige samentrekking van de vulva en vergroote gevoeligheid bij de poging tot coïtus, het gevolg zijn van gewelddadige en onhandige pogingen bij den eersten coïtus. Adler (Die Mangelhafte Geschlechtsempfindung des Weibes, p. 160) meent ook, dat de tot litteeken geworden overblijfsels van het hymen, te zamen met pijnlijke herinneringen aan een gewelddadigen eersten coïtus, de meest voorkomende oorzaak zijn voor vaginismus.

De nu en dan voorkomende gevallen echter van physiek nadeel of van pathologischen toestand, teweeg gebracht door gewelddadigen coïtus bij het begin van het huwelijk, vormen maar een klein gedeelte van het bewijsmateriaal, dat dient om de slechte resultaten te doen blijken van de heerschende onwetendheid aangaande de kunst van liefhebben. Wat Duitschland aangaat, schrijft Fürbringer (Senator en Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 215): "Ik ben er volkomen van overtuigd, dat het aantal jonge, getrouwde vrouwen, die voor goed een pijnlijke herinnering hebben aan haar eerste sexueele verkeer veel grooter is dan het aantal van haar, die het wagen een dokter te raadplegen". Wat Engeland aangaat, is de volgende ondervinding leerzaam: Een dame vroeg aan vijf getrouwde vrouwen na elkaar, in vertrouwen, op den zelfden dag, naar haar ondervindingen toen ze pas getrouwd waren. Voor allen was het sexueele verkeer gekomen als een schok; twee waren geheel onwetend geweest aangaande sexueele zaken; de anderen hadden gemeend, dat ze wisten wat coïtus was, maar waren er niettemin door bezeerd. Deze vrouwen waren van de middelklasse, misschien boven het gemiddelde in verstand; de eene was een dokter.

Breuer en Freud wezen er in hun Studien über Hysterie (p. 216) op, dat de huwelijksnacht in de praktijk dikwijls een verkrachting is, en dat ze soms leidt tot hysterie, die niet overgaat vóór bevredigende sexueele verhoudingen zich hebben gevormd. Zelfs als er geen geweld is, houdt Kisch het er voor (Sexual Life of Woman, deel II), dat onhandige coïtus, die zonder ondervinding uitgevoerd wordt, leidt tot onvoldoende opwinding bij de vrouw, als de voornaamste oorzaak van dyspareunia, of afwezigheid van sexueele bevrediging, hoewel groote onevenredigheid in de afmeting van de mannelijke en de vrouwelijke organen, of ziekte bij een van de twee partijen, soms tot hetzelfde resultaat leidt. Dyspareunia, voegt Kisch er bij, komt verwonderlijk veel voor, hoewel vrouwen er soms zonder rede over klagen om sympathie op te wekken voor zichzelf als slachtoffers op het huwelijksaltaar; het constante teeken is afwezigheid van ejaculatie van de zijde der vrouw. Ook merkt Kisch op, dat defloraties in den huwelijksnacht dikwijls werkelijk verkrachtingen zijn. Een jonge pas getrouwde vrouw, die hij kende, was zoo onwetend omtrent de physieke zijde van de liefde, en zoo verschrikt door de eerste pogingen van haar echtgenoot, dat zij in den nacht uit het huis weg vluchtte, en niets kon haar ooit er toe brengen om weer naar haar man terug te keeren. (Het is de moeite waard om op te merken, dat in de canonieke wet de kerk onder zulke omstandigheden het huwelijk voor ongeldig kon verklaren. Zie Moral Theology van Thomas Slater, deel II, p. 318, en een desbetreffend geval, beide aangehaald door den Reverent C. J. Shebbcare, "Marriage Law in the Church of England", Nineteenth Century, Aug., 1909, p. 263). Kisch meent ook, dat huwelijksreizen niet goed zijn; omdat de vermoeienis, de opwinding, de lange reizen, het gaan zien van merkwaardigheden, valsche bescheidenheid, slechte inrichting van hotels, dikwijls samenwerken om een ongunstigen invloed te hebben op de jonge vrouw en de kiemen van ernstige ziekte te voorschijn kunnen roepen. Dit is ongetwijfeld het geval.

Op het bijzonder groote belang van de wijze, waarop de daad van de defloratie volbracht wordt, wordt in sterke bewoordingen de nadruk gelegd door Adler. Hij beschouwt ze als een veel voorkomende oorzaak van duurzame sexueele anæsthesie. "Dit eerste oogenblik, als de individualiteit van den man zijn volle rechten verkrijgt, beslist dikwijls over het geheele leven. De onhandige, opgewonden echtgenoot kan dan de kiem leggen voor vrouwelijke ongevoeligheid, en door voortgezette onhandigheid en ruwheid kan hij die ontwikkelen tot duurzame anæsthesie. De man, die bezit neemt van zijn rechten met roekelooze, ruwe mannelijke kracht, veroorzaakt zijn vrouw angst en pijn, en vermeerdert met iedere herhaling van de daad haar tegenzin... Een groot aantal van de koude vrouwen zijn slachtoffers van mannen, hetzij als gevolg van onbewuste onhandigheid, of soms van bewuste ruwheid jegens de teedere plant, die had moeten gekweekt worden met bijzondere zorg en liefde, maar die nu beroofd is van den glans van haar ontwikkeling. Haar leven lang zal een angstige, sidderende vrouw de herinnering bewaren aan een ruwen huwelijksnacht, en dikwijls genoeg blijft het een voortdurend bezwaar iederen keer, dat de man opnieuw zijn wenschen tracht te bevredigen, zonder zich aan te passen aan de wenschen naar liefde van zijn vrouw" (O. Adler, Die mangelhafte Geschlechtsempfindung des Weibes, blz. 159 et seq., 181 et seq.). "Ik heb een fatsoenlijke vrouw zien sidderen van schrik bij de nadering van haar man", schreef Diderot lang geleden in zijn verhandeling "Sur les Femmes"; "ik heb haar zich in het bad zien dompelen en zich nooit voldoende afgewasschen gevoeld van de vlek van haar plicht". Hetzelfde kan nog gezegd worden van een groot aantal vrouwen, slachtoffers van een noodlottig systeem van moraal, dat haar valsche denkbeelden geleerd heeft over "huwelijksplichten" en dat aan haar echtgenooten niet de kunst geleerd heeft van liefhebben.

Als bij de vrouwen haar mooie natuurlijke instincten niet hopeloos verdraaid zijn door de preutschheden en vooroordeelen, waarmee zij zoo ijverig zijn opgevuld, dan begrijpen zij de kunst van liefhebben gemakkelijker dan mannen. Zelfs als ze nog weinig meer zijn dan kinderen, kunnen zij den wenk, die haar gegeven wordt, dikwijls volkomen begrijpen. Veel meer dan het geval is met mannen, in ieder geval in beschaafde landen, is de kunst van liefhebben bij haar een kunst, die de Natuur maakt. Zij weten altijd meer van de liefde, zooals Montaigne lang geleden gezegd heeft, dan mannen haar kunnen leeren, want "c'est une discipline née dans leur sang" [382].

De uitgebreide onderzoekingen van Sanford Bell (loc. cit.) geven er blijk van, dat de aandoeningen van sexueele liefde al met het derde jaar zich kunnen vertoonen. We moeten ons ook herinneren, dat physiek zoowel als psychisch, meisjes vroeger rijp zijn dan jongens (zie bv. Havelock Ellis, Man and Woman, vierde uitgave, blz. 34 et seq., 200 etc). Zoo heeft, tegen den tijd dat zij den leeftijd der puberteit bereikt had, een meisje den tijd gehad om een volleerde meesteres te worden in de kleinere liefdekunsten. Dat de leeftijd van de puberteit voor meisjes de leeftijd schijnt te zijn voor de liefde, blijkt in ruimen kring erkend te zijn door den volksgeest. Zoo zingt in een populair liedje van Bresse, een meisje:

"J'ai calculé mon age, J'ai quatorze à quinze ans. Ne suis-je pas dans l'âge D'y avoir un amant?"

Deze kwestie van de sexueele vroegrijpheid van meisjes heeft een groote beteekenis voor de kwestie van den "leeftijd tot toestemming" of den leeftijd, waarop het voor een meisje gewettigd zal zijn om haar toestemming te geven tot sexueelen omgang. Tot vijf en twintig jaar geleden stelde men dien leeftijd zeer laag (zelfs op tien jaar); dit was dan de leeftijd, waarop een man geen misdaad beging als hij omgang had met een meisje. In de laatste jaren is er een neiging geweest om in het tegenovergestelde en even ongelukkige uiterste te vervallen, door dien leeftijd zeer hoog te stellen. In Engeland heeft de aanvullingswet op de strafwet van 1885 de "age of consent" gesteld op zestien jaar (deze clausule van de wet werd in het House of Commons aangenomen met een meerderheid van 108 stemmen). Dit schijnt de redelijke leeftijd te zijn voor het stellen van den grens, en de uiterste hooge grens er van voor een warm klimaat. Het is de leeftijd, erkend door het wetboek van strafrecht in Italië; en in vele deelen van de beschaafde wereld. Gladstone was er echter voor hem te verhoogen tot achttien jaar, en Howard meent, als hij de kwestie voor de Vereenigde Staten bespreekt (Matrimonial Institutions, deel III, blz. 195-203) dat hij overal verhoogd moet worden tot een en twintig, om zoo samen te vallen met den leeftijd van wettige meerderjarigheid, waarop een vrouw een bedrijf kan beginnen of politieke verhoudingen kan aangaan. Er is op dit punt in de laatste jaren een breede variatiegrens geweest in de wetgeving van de verschillende Amerikaansche Staten; en het verschil tusschen de twee grenspunten was acht jaar; in sommige groote Staten wordt de daad van verkeer met een meisje onder de achttien jaar verklaard tot "verkrachting", en is ze strafbaar met gevangenisstraf voor het leven.

Zulke verordeningen echter zijn, wij moeten het erkennen, willekeurig, kunstmatig en onnatuurlijk. Zij berusten niet op een gezonde natuurlijke basis, en kunnen niet verdedigd worden door het gezond verstand van de gemeenschap. Er is geen juiste analogie tusschen den leeftijd van wettige meerderjarigheid, die ten naastenbij vastgesteld is met betrekking tot de geschiktheid tot het begrijpen van abstracte zaken van het verstand, en den leeftijd van de sexueele rijpheid, die veel vroeger valt, physiek zoowel als psychisch, en die bij vrouwen wordt bepaald door een zeer bizonder biologisch feit, de voltooiing van de puberteit met het begin van de menstruatie. Bij volken, die in natuurlijke omstandigheden leven, wordt in alle deelen van de wereld erkend, dat een meisje sexueel vrouw wordt met de puberteit; op dat tijdstip ontvangt ze haar inwijding in het leven der volwassenen en wordt vrouw en moeder. De verklaring dat de daad van omgang met een vrouw, die, naar het natuurlijk instinct van de menschheid in het algemeen beschouwd wordt als oud genoeg voor al de plichten van de vrouwelijkheid, een misdadige daad van verkrachting is, strafbaar met gevangenisstraf voor het leven, kan alleen beschouwd worden als een misbruik van de taal, en wat erger is, als een misbruik van de wet, zelfs als we alle psychologische en moreele beschouwingen buiten kwestie laten, want het berooft het denkbeeld van verkrachting van alles, wat het van nature en terecht stuitend maakt.

Het gezonde standpunt in deze kwestie is klaarblijkelijk, dat het de puberteit van het meisje is, die de maatstaf vormt voor de strafbaarheid van den man, als hij haar sexueel nadert. In de gematigde streken van Europa en Noord-Amerika is de gemiddelde leeftijd voor het optreden van de menstruatie, het kritieke oogenblik bij het intreden van volkomen puberteit, vijftien jaar (zie bv. Havelock Ellis, Man and Woman, hoofdst. XI; de feiten zijn in den breede uiteengezet in Sexual Life of Woman van Kisch, 1909). Daarom is het redelijk, dat de daad van een volwassen man, die sexueele betrekking heeft met een meisje onder de zestien jaar, met of zonder haar toestemming, terecht een strafbare daad is, die streng gestraft moet worden. In die landen, waar de gemiddelde leeftijd van de puberteit hooger of lager is, moest de leeftijd van de toestemming dienovereenkomstig verhoogd of verlaagd worden. (Bruno Meyer, die argumenten bijeen brengt tegen iedere poging om den leeftijd van toestemming te verhoogen boven de zestien, houdt het er voor, dat de juiste leeftijd voor de toestemming gewoonlijk veertien jaar is, als, naar hij terecht zegt, de lijn van afscheiding tusschen de rijpe en de onrijpe persoonlijkheid, en terwijl de laatste streng beschermd moet worden tegen de sexueele sfeer, kan alleen vrijwillige, niet gedwongen invloed gebruikt worden voor de eerste. Sexual-Probleme, April 1909).

Als we in onze beschouwing de ruimere overwegingen opnemen van psychologie, moraal en wet, dan zullen we ruime rechtvaardiging vinden voor dit gezichtspunt. Wij moeten in gedachte houden, dat een meisje, al de jaren van haar leven op school door, altijd physiek zoowel als psychisch den jongen van denzelfden leeftijd vooruit is, en we moeten erkennen, dat die vroegrijpheid zich ook uitstrekt over haar sexueele ontwikkeling; want zelfs al is het waar, dat over het algemeen het werkdadige sexueele verlangen gewoonlijk niet in vrouwen gewekt wordt voor een eenigszins later leeftijd, is er ook waarheid in de opmerking van Mr. Thomas Hardy (New Review, Juni 1894): "Het is mij nooit opgevallen, dat de spin altijd mannelijk is en de vlieg altijd vrouwelijk". Dus, zelfs als sexueele omgang plaats vindt tusschen een meisje en een jongen, die iets ouder is dan zij, dan is het waarschijnlijk, dat zij de rijpste van de twee is, dat zij de meeste zelfbeheersching heeft en het meeste gevoel van verantwoordelijkheid, en dikwijls degene is, die de meer actieve rol gespeeld heeft bij het aanleiding geven tot de daad. Men moet ook in herinnering houden dat, als een meisje eenmaal den leeftijd der puberteit bereikt heeft, en al de manieren en de gewoonten aangenomen heeft zoowel als de physieke ontwikkeling van een vrouw, dat het dan voor een man niet langer mogelijk is haar leeftijd te schatten. Het is gemakkelijk te zien, dat een meisje den leeftijd der puberteit nog niet bereikt heeft; het is niet mogelijk te zeggen of een rijpe vrouw boven of onder de achttien jaar oud is; het is daarom, op zijn zachtst gesproken, onrechtvaardig om het levenslot van haar mannelijken deelgenoot te doen afhangen van het herkennen van een onderscheid, dat geen basis heeft in de natuur. Zulke overwegingen zijn zoo in het oog springend juist, dat er geen kans is in de praktijk de leer door te voeren, dat een man voor zijn leven gevangen gezet moet worden, omdat hij omgang heeft gehad met een meisje, dat ouder is dan zestien jaar. Het is, uit wettig gezichtspunt beter, het net minder ver uit te werpen en er geheel zeker van te zijn, dat het er op gemaakt is den werkelijken en bewusten overtreder te vangen, die gestraft kan worden zonder het rechtsgevoel van de gemeenschap te beleedigen. (Vergelijk Bloch, The Sexual Life of Our Time, hoofdstuk XXIV; hij meent, dat de "leeftijd van toestemmen" moet beginnen aan het einde van het zestiende jaar).

Het kan noodig zijn hier bij te voegen, dat het bepalen van den "leeftijd van toestemming" op deze basis in het geheel niet beteekent, dat omgang met meisjes, die maar weinig boven de zestien zijn, aangemoedigd zou moeten worden, of zelfs maar maatschappelijk en moreel geduld. Hier zijn we echter niet in de sfeer der wet. Het is de natuurlijke neiging van het meisje van goede geboorte en van goede opvoeding onder beschaafde omstandigheden zich gereserveerd te houden, en de druk, waarmee die neiging door de geheele omgeving van het meisje, gehandhaafd en bevorderd wordt, moet geleverd worden in de eerste plaats door de verstandsoverdenking van het meisje zelf als zij den leeftijd van het jong meisje zijn bereikt heeft. Het kweeken in een jonge vrouw, die het tijdstip der puberteit al voorbij is, van het denkbeeld, dat zij geen verantwoordelijkheid heeft bij het bewaken van haar eigen lichaam en ziel, is niet in harmonie met het moderne gevoel, en ook ongunstig aan het geschikt maken van vrouwen voor de wereld. De Staten, die er toe gebracht zijn den hoogen grens voor den leeftijd voor toestemming aan te nemen, hebben daarmee inderdaad een verachtelijke bekentenis gedaan van hun onbekwaamheid om een fatsoenlijk moreel niveau in stand te houden door meer wettige middelen; zij kunnen als waarschuwing dienen, eerder dan als voorbeeld.

De kennis van vrouwen kan echter niet de onwetendheid van mannen goedmaken, maar dient integendeel alleen om die te doen uitkomen. Want in de kunst van liefhebben moet de man noodzakelijk het initiatief nemen. Hij is het, die het eerst het zegel moet afnemen van het mysterie van de intimiteiten en de stoutheden, die het hart van de vrouw bevat. Het gevaar van zelfs maar een schaduw te ontmoeten van tegenzin is tè ernstig dan dat een vrouw, zelfs een getrouwde vrouw, de geheimen der liefde zou kunnen openbaren aan een man, die zich niet een ingewijde daarin getoond heeft [383]. Ontelbaar zijn de joviale en tevreden echtgenooten, die nooit vermoed hebben, en nooit weten zullen, dat hun vrouw, soms met stillen wrok, de pijn met zich omdraagt van geheimzinnige taboes. Het gevoel, dat er heerlijke intimiteiten en voorrechten zijn, waarvan haar nooit gevraagd is ze te nemen, of die haar nooit opgedrongen zijn, scheidt een vrouw soms erotisch van een man, die zich nooit duidelijk voor oogen stelt, wat hij gemist heeft [384]. Het geval van zulke echtgenooten is des te harder, omdat, voor het grootste gedeelte, alles wat zij gedaan hebben het resultaat is van de moraal, die hun gepredikt is geworden. Hun is geleerd, van hun jongensleeftijd af, ernstig, mannelijk en rein te zijn, gedachten aan vrouwen of het verlangen naar sexueel genot uit hun gedachte te bannen. Hun wordt van alle kanten geleerd, dat het alleen in het huwelijk goed of zelfs veilig is, vrouwen te naderen. Zij hebben het denkbeeld in zich opgenomen dat sexueele toegevendheid en alles, wat er toe behoort, iets laags en vernederends is, op zijn slechtst een enkel natuurlijke behoefte, op zijn best een plicht, die vervuld moet worden op directe, fatsoenlijke en rechtstreeksche wijze. Niemand schijnt hun gezegd te hebben, dat de liefde een kunst is, en dat het verkrijgen van het volle bezit van de ziel en het lichaam van de vrouw een taak is, die al het beste, wat een man aan handigheid en inzicht heeft, vereischt. Het kan wel zijn, dat, als een man zijn les te laat leert, hij geneigd is woedend te worden op de maatschappij, die door haar complot van nagemaakte moraal haar best gedaan heeft om zijn leven en dat van zijn vrouw te verwoesten. In sommige van deze gevallen worden de man of de vrouw of beiden, ten slotte aangetrokken tot een derde persoon en een echtscheiding stelt hen dan in staat opnieuw met meer ondervinding onder gelukkiger voorteekens te beginnen. Maar zooals de zaken nu staan, is dat een treurige en ernstige loop van zaken, voor velen onmogelijk. Gelukkiger zijn zij, wier liefdesproeven voor het huwelijk, zooals Milton aangetoond heeft, "zoovele echtscheidingen geweest zijn om hun ondervinding te leeren".

De algemeene onwetendheid over de kunst van liefhebben kan men peilen aan het feit, dat misschien de vraag, die in deze zaak het meest gedaan wordt, de ruwe vraag is, hoe dikwijls geslachtsverkeer behoort plaats te vinden. Dat is inderdaad een kwestie, die de grondvesters der godsdiensten, de wetgever en de philosophen van de menschheid, van de vroegste tijden af heeft bezig gehouden [385]. Zoroaster zeide, dat het eens in negen dagen moest zijn. De wetten van Manes stonden verkeer toe veertien dagen van iederen maand, maar een beroemd Hindoe dokter, Susruta, schreef voor zes maal per maand, behalve in de zomerhitte, wanneer het eens in de maand moest zijn, terwijl andere Hindoe-autoriteiten spreken van drie of viermaal in de maand. Solon's voorschrift, dat voor den burger het verkeer drie maal per maand moet plaats hebben komt tamelijk wel overeen met dat van Zoroaster. Mohammed schrijft in den Koran verkeer voor eenmaal in de week. De Joodsche Talmud is minder algemeen in zijn voorschriften, en maakt onderscheid tusschen verschillende soorten van menschen; aan den krachtigen en gezonden jongen man, die niet gedwongen is hard te werken, wordt eenmaal per dag opgelegd, aan den gewonen werkman tweemaal per week, aan geleerden eens per week. Luther beschouwde tweemaal per week als de juiste maat voor omgang.

We kunnen, zooals te verwachten was, opmerken, dat deze voorschriften in ver terug liggende tijden, toen erotische opwekking waarschijnlijk gering en erotisch erethisme waarschijnlijk zeer zeldzaam was, neiging hebben een grooteren tusschentijd te bepalen, terwijl we kortere tusschenpoozen vinden, als we de moderne beschaving naderen. Ook zullen we kunnen opmerken, dat die variatie plaats vindt binnen tamelijk nauwe grenzen. Dit berust waarschijnlijk op het feit, dat deze wetgevers in alle gevallen mannen waren. Vrouwelijke wetgevers zouden waarschijnlijk grootere neiging vertoond hebben tot verschil, want de verschillen in den sexueelen impuls zijn bij vrouwen ruimer. Zoo verlangde Zenobia de nadering van haar echtgenoot eens in de maand, mits er geen bevruchting had plaats gehad in de vorige maand, terwijl een andere koningin zeer ver naar het andere uiterste oversloeg, want men zegt ons, dat de Koningin van Arragon, na rijp beraad, besliste, dat zes maal per dag de juiste regel was in een wettig huwelijk [386].

We moeten in het voorbijgaan opmerken, dat aan de bepalingen over de veelvuldigheid van het sexueele verkeer meestal ten grondslag ligt de veronderstelling, dat het tijdens de menstruatie ophoudt. Dit is vooral het geval voor de eerste tijden van de cultuur, toen omgang op dezen tijd gewoonlijk beschouwd werd als gevaarlijk of zondig, of beide. Onder beschaafde omstandigheden berust de belemmering op æsthetische gronden, daar de vrouw, zelfs als ze omgang wenscht, er een tegenzin tegen gevoelt om genaderd te worden op een tijd, waarop ze zich zelf als weerzinwekkend voorkomt, en omdat de man gemakkelijk die houding overneemt. Er kan echter op gewezen worden, dat de æsthetische bezwaren in zeer groote mate het resultaat zijn van de bijgeloovige vrees voor water, die nog in ruimen kring gevoeld wordt in dezen tijd, en dat die tot zekere hoogte zou verdwijnen, als een nauwgezetter zindelijkheid werd in acht genomen. Het blijft een goede algemeene regel om zich te onthouden van sexueelen omgang tijdens de periode der menstruatie, maar in sommige gevallen kan er voldoende reden zijn er mee te breken. Dit is zoo, als het verlangen op dezen tijd speciaal sterk is, of als de omgang physiek moeilijk is op andere tijden, maar gemakkelijker door de verslapping van de deelen, als gevolg van de menstruatie. Wij moeten ook in herinnering houden, dat de tijd, als de vloed der menstruatie begint op te houden, waarschijnlijk meer dan eenige andere tijd van de maand de biologisch juiste tijd is voor den sexueelen omgang, omdat niet alleen de omgang dan het gemakkelijkst is, en ook het meest bevredigend voor de vrouw, maar omdat ze ook de gunstigste gelegenheid geeft voor het verzekeren van de bevruchting.

Reeds langen tijd geleden bracht Schurig bewijsgronden te zamen (Parthenologia, p. 302 et seq.), waaruit blijkt, dat coïtus het gemakkelijkst is tijdens de menstruatie. Sommige van de Katholieke theologen (zooals Sanchez, en al later Liguori) gingen tegen de publieke opinie in en lieten zeer bepaald omgang tijdens de menstruatie toe, hoewel vele vroegere theologen hem beschouwden als een doodzonde. Van medische zijde raadt Kossmann (Senator en Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 249) coïtus aan, niet alleen aan het einde van de menstruatie, maar zelfs tijdens het laatste gedeelte van de periode, daar dat de tijd is, waarop vrouwen er gewoonlijk behoefte aan hebben, daar de uitgesproken humeurigheid van vrouwen op dezen tijd, naar hij zegt, komt door het door de gewoonte geëischte onderdrukken van een natuurlijke begeerte. "Het is bijna altijd in de menstruatie, dat de eerste wolken zich aan den huwelijkshemel vertoonen".

In moderne tijden zijn de physiologen en de medici, die eenige opinie over dit onderwerp hebben uitgesproken, gewoonlijk de uitspraak van Luther zeer nabij gekomen. Haller zeide, dat omgang niet veel meer moest plaats hebben, dan tweemaal in de week [387]. Acton sprak van eenmaal in de week, en Hammond ook, zelfs voor gezonde mannen tusschen den leeftijd van vijf en twintig en veertig [388]. Fürbringer komt maar even boven deze taxatie uit, daar hij aanraadt van vijftig tot honderd daden per jaar [389]. Forel raadt twee of driemaal per week aan voor een man in den eersten bloei der mannelijkheid, maar hij voegt er bij, dat voor sommige gezonde en krachtige mannen eens in de maand al overdaad blijkt te zijn [390]. Mantegazza zegt in zijn Hygiene of Love ook, dat, voor een man tusschen de twintig en dertig twee of driemaal per week de juiste maat is voor het verkeer, en tusschen den leeftijd van dertig en vijf en veertig, tweemaal per week. Guyot raadt aan om de drie dagen [391].

Het schijnt echter geheel onnoodig eenige speciale regels te geven aangaande de veelvuldigheid van den coïtus. Individueele begeerte en individueele geschiktheid verschillen enorm, zelfs binnen de grenzen der gezondheid. Bovendien, als we erkennen, dat de beperking van de begeerte soms wenschelijk, en dikwijls noodig is, lange tijden achtereen, dan is het verstandig zich te onthouden van zelfs den schijn van de noodzakelijkheid van sexueelen omgang vast te stellen op dikwijls herhaalde en regelmatige tijden. De kwestie is voornamelijk van belang om te behoeden tegen overmaat, of zelfs tegen de poging van als gewoonte dicht bij de grens te leven. Vele autoriteiten zijn er daarom op uit er op te wijzen, dat het niet raadzaam is om te bepaald te zijn. Zoo zegt Erb, terwijl hij opmerkt, dat voor sommigen de uitspraak van Luther het uiterste maximum vertegenwoordigt, dat anderen die maat ongestraft ver kunnen te buiten gaan, en hij meent, dat zulke verschillen aangeboren zijn [392]. Ribbing, die het over het algemeen eens is met den regel van Luther, protesteert tegen iedere poging om voor iedereen wetten op te stellen, en is geneigd te zeggen, dat het een veilige regel is, zoo dikwijls als men wil, zoolang als er geen slechte gevolgen zijn [393].

Het schijnt wel algemeen toegestemd te worden, dat slechte resultaten van onmatigheid in coïtus, als ze voorkomen, zeldzaam zijn bij vrouwen (zie b.v., Hammond, Sexual Impotence, p. 127). Nu en dan echter komen er slechte resultaten bij vrouwen voor. Een geval, dat mogelijk in dit verband moet vermeld worden, is dat van een man, die achtereenvolgens drie vrouwen had, die krankzinnig werden na het huwelijk (Journal of Mental Science, Jan., 1879, p. 611). In gevallen van sexueele onmatigheid wordt dikwijls groote physieke uitputting opgemerkt, met achterdocht en waanideeën. Hutchinson heeft drie gevallen vermeld van tijdelijke blindheid, alle bij mannen, het resultaat van sexueele onmatigheid na het huwelijk (Archives of Surgery, Jan., 1893). De oude medische autoriteiten brachten veel verkeerde dingen terug op onmatigheid bij coïtus. Zoo brengt Schurig (Spermatologia, 1720, p. 260 et seq.) gevallen samen van krankzinnigheid, apoplexie, syncope, epilepsie, verlies van herinneringsvermogen, blindheid, kaalheid, eenzijdig overmatig transpireeren, jicht, en dood, die aan deze oorzaak worden toegeschreven; vele gevallen van dood worden gegeven, sommige bij vrouwen, maar men kan gemakkelijk merken, dat post dikwijls in de plaats gesteld werd voor propter.

Er is echter een andere overweging, die ternauwernood aan de aandacht van den lezer van dit werk kan ontsnappen. Bijna al de taxaties van de wenschelijke veelvuldigheid van coïtus zijn gemaakt om aan te passen aan de veronderstelde physiologische behoeften van den man [394], en zij schijnen gewoonlijk gevormd te zijn in denzelfden geest van uitsluitende attentie voor die behoeften, alsof er kwestie was van de physiologische behoeften van het ledigen van de ingewanden of van de blaas. Maar sexueele behoeften zijn de behoeften van twee personen, van den man en van de vrouw. Het komt aan op de harmonische overeenstemming van deze twee groepen van behoeften. Die overweging alleen is, te zamen met de groote variaties van individueele behoeften, al voldoende om alle bepaalde regels van zeer weinig waarde te doen zijn.

Het is van belang de ruime grenzen van de variatie in de sexueele capaciteit in herinnering te houden, evenals het feit, dat zulke variaties in beide richtingen gezond en normaal kunnen zijn, hoewel variaties, als ze tot het uiterste overslaan, pathologische beteekenis kunnen hebben. Bekend is bijvoorbeeld het geval van een man, die eenmaal per maand omgang heeft en dit voldoende vindt; hij heeft geen emissies en ook geen sterke begeerten in den tusschentijd; toch leidt hij een ledig, lui en weelderig leven en wordt niet tegengehouden door eenige moreele of godsdienstige gewetensbezwaren; als hij ver boven zijn gewoonte gaat, dan voelt hij zich onwel, hoewel hij overigens volkomen gezond is, behalve een eenigszins zwakke spijsvertering. Aan het andere uiterste had een gelukkig getrouwd paar, tusschen de vijf en veertig en de vijftig jaren oud en elkander zeer genegen, twintig jaar lang iederen nacht sexueelen omgang gehad, behalve in den tijd der menstruatie en bij zwangerschap in de laatste maanden, hetgeen maar eenmaal was voorgekomen; zij zijn hartelijke, volbloedige, intellectueele menschen, gesteld op een goed leven, en zij schrijven hun genegenheid en standvastigheid toe aan het veelvuldig toegeven aan coïtus; het eenige kind, een meisje, is niet sterk, al is ze tamelijk gezond.

Er zijn vele gevallen bekend waarin, bij speciale gelegenheden, het mogelijk is voor menschen, die hartstochtelijk aan elkander gehecht zijn, de daad van den coïtus, of ten minste het orgasme, een buitensporig aantal malen binnen eenige uren te herhalen. Dit gebeurt gewoonlijk bij het begin van een intimiteit of na een lange scheiding. Zoo ondervond bijvoorbeeld een pas getrouwde vrouw orgasme veertien maal in een nacht, terwijl haar man het in dien tijd zeven maal had. In een ander geval ondervond een vrouw, die een kuisch leven geleid had, toen de sexueele verhoudingen eindelijk begonnen, het eens veertien of vijftien maal tegen haar echtgenoot driemaal. In een geval, waarvan ik zeer bepaald weet dat het waar is, geraakte een jonge vrouw van zeer erotisch, prikkelbaar, lichtelijk abnormaal temperament zes en twintig maal binnen de vijf kwartier in opwinding, na een maand afwezigheid van haar man; haar echtgenoot, een veel oudere man, had tweemaal orgasme in dezen tijd; de vrouw gaf toe, dat ze daarna zich volkomen geradbraakt gevoelde, maar het is wel zeker dat, als dit geval als waar beschouwd kan worden, de orgasmen van zeer geringe hevigheid waren. Een jonge vrouw, die pas getrouwd was met een physiek robusten man, had eens acht maal in twee uren omgang met hem, terwijl ieder keer orgasme voorkwam bij beide partijen. Guttceit (Dreissig Jahre Praxis, deel II, p. 311), in Rusland, kende vele gevallen van jonge mannen van twee en twintig tot acht en twintig jaar, die meer dan tien maal in een nacht omgang hadden, hoewel er na den vierden keer zelden meer eenig zaad aanwezig is. Hij had mannen gekend, die in hun vroege jeugd gemasturbeerd hadden, en die op hun vijftiende jaar waren begonnen met vrouwen om te gaan, en die toch krachtig bleven tot op hoogen leeftijd, terwijl hij anderen kende, die den omgang laat begonnen waren en op veertigjarigen leeftijd hun kracht verloren. Mantegazza, die een man kende, die veertien maal per dag omgang had, maakt de opmerking, dat de verhalen van de oude Italiaansche romanschrijvers aantoonen, dat twaalf maal beschouwd werd als een zeldzame uitzondering. Burchard, de secretaris van Alexander VI, zegt, dat de zoon van den gezant uit Florence, in Rome in 1489 "een meisje zevenmaal in een uur naderde" (J. Burchardi, Diarium, ed. Thuasne, deel I, p. 329). Olivier, de paladijn van Karel den Groote, pochte er, zooals de legende luidt, op, dat hij honderd maal per nacht zijn mannelijke kracht kon toonen, als hij mocht slapen met de dochter van den Keizer van Constantinopel; hem werd toegestaan het te beproeven, naar men zegt, en het gelukte hem dertig maal (Schultz, Das Höfische Leben, deel I, p. 581).

Men zal zien dat, telkens als de geslachtsdaad binnen korten tijd dikwijls herhaald wordt, de echtgenoot maar zeer zelden pas kan houden met de vrouw. Het is waar, dat de sexueele energie van de vrouw langzamer en moeilijker op te wekken is dan die van den man, maar als ze eens gewekt is, dan neemt de aandrang toe. De man, wiens energie gemakkelijk opgewekt wordt, is spoedig uitgeput; de vrouw bereikt dikwijls ternauwernood haar hoogtepunt, voordat het eerste orgasme voorbij is. Het is soms een verrassing voor een jongen echtgenoot, die gelukkig getrouwd is, te ontdekken, dat de daad van sexueelen omgang, die hem volkomen bevredigt, alleen gediend heeft om den gloed van zijn vrouw op te wekken. Zeer vele vrouwen gevoelen, dat de herhaling van de daad verscheidene malen achtereen noodig is, om, zooals zij het uitdrukken, "aan den gang te komen", en wel verre van slaperigheid en vermoeidheid teweeg te brengen, maakt ze haar vroolijk en levendig.

Jonge en krachtige vrouwen, die een kuisch leven geleid hebben, ondervinden bij het begin van het regelmatige geslachtsverkeer, iets alsof ze verscheidene mannen noodig hadden, en of ze behoefte hadden aan verkeer minstens eens per dag, terwijl ze later, als zij aangepast raken aan het gehuwde leven tot de conclusie komen, dat haar wenschen niet buitengewoon sterk zijn. De man moet zich aanpassen aan de sexueele behoeften van zijn vrouw, door zijn sexueele kracht, als hij die heeft, en, als hij ze niet heeft, door zijn handigheid en takt. De zeldzaam voorkomende mannen, die een aangeboren kracht bezitten, die zij kunnen gebruiken tot bevrediging van vrouwen, zonder nadeel voor henzelf, zijn door Professor Benedictus genoemd "sexueele athleten", en hij merkt op, dat zulke mannen gemakkelijk vrouwen beheerschen. Hij beschouwt terecht Casanova als het type van den sexueelen athleet (Archives d'Anthropologie Criminelle, Jan., 1896). Näcke vermeldt het geval van een man, dien hij beschouwt als een sexueelen athleet, die zijn geheele leven door eens of tweemaal per dag omgang had met zijn vrouw, of, als zij niet wilde, met een andere vrouw, totdat hij krankzinnig werd op den leeftijd van vijf en zeventig jaar (Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Aug., 1908, p. 507). Dit mag men echter eerder beschouwen als een geval van ziekelijke overgevoeligheid, dan van sexueele athletiek.

In dit stadium komen wij tot de grondelementen van de kunst van liefhebben. Wij hebben gezien, dat vele moreele gewoonten en moreele theorieën, die in ruimen kring bij het Christendom in zwang waren, tradities ontwikkeld hebben, die nog in het geheel niet onder ons zijn uitgestorven, volkomen tegenovergesteld aan de kunst van liefhebben. Het denkbeeld ontwikkelde zich van "huwelijksplichten", van "rechten van den man" [395]. De man had het recht en den plicht sexueelen omgang te hebben met zijn vrouw, wat ook haar wenschen in deze zaak mochten zijn, terwijl de vrouw het recht en de plicht had (terwijl de plicht in haar geval gewoonlijk vooropgesteld werd) om zich aan dien omgang te onderwerpen, waarvan haar gewoonlijk geleerd was, dat het iets laags en alleen physieks was, een onpleizierige en bijna vernederende noodzakelijkheid, waarvan het het beste was, als ze haar zoo spoedig mogelijk uit haar gedachten zette. Het is niet te verwonderen, dat zulk een houding tegenover het huwelijk het ongeluk in het huwelijk zeer begunstigd heeft, meer speciaal dat van de vrouw [396], en ze heeft er toe bijgedragen echtbreuk en echtscheiding te bevorderen. Het had ons meer moeten verwonderen als het anders geweest was.

De kunst van liefhebben is gebaseerd op het fundamenteele feit van het hofmaken; en het hofmaken is de poging van den man om zich aannemelijk te maken bij de vrouw. "De kunst van liefhebben", zeide Vatsyayana, een van de grootste der autoriteiten, "is de kunst aan vrouwen te behagen". "Een man moet zich nooit een genoegen met zijn vrouw veroorloven", zeide Balzac in zijn Physiologie du Mariage, "waarvan hij niet de handigheid gehad heeft het eerst door zijn vrouw te doen wenschen". Dat is de geheele kunst van liefhebben. Vrouwen trachten zich van nature en instinctief voor mannen begeerlijk te maken, zelfs aan mannen, voor wie ze volkomen onverschillig zijn, en de vrouw, die op een man verliefd is, tracht door een even natuurlijk instinct zichzelf te vormen naar den vorm, d.i. in de gedaante, die hem persoonlijk aangenaam is. Deze neiging wordt niet gewijzigd door het grondfeit, dat in deze zaak alleen de kunst, die door de natuur gemaakt is, waarlijk effect heeft. Het is ten slotte door wat hij is, dat een man de diepste aandoeningen van sympathie of antipathie in de vrouw opwekt, en hij behaagt haar dikwijls meer door zijn geschiktheid om een groote rol te spelen in de buitenwereld dan door enkele verkregen volkomenheden in de kunst van het hofmaken. Wanneer echter het ernstige en meer intieme spel der liefde begint, dan is de rol van de vrouw, zelfs biologisch, oppervlakkig de meer passieve rol [397]. Zij is, aan den physieken kant, onvermijdelijk in de liefde het instrument; het moeten 's mans hand zijn en zijn boog, die de muziek te voorschijn roepen.

Als we van de kunst van liefhebben spreken is het echter onmogelijk om geheel het geestelijke van het physieke los te maken. De poging alleen al om dit te doen is een fatale vergissing. De man, die alleen maar de physieke zijde van de sexueele verhouding kan zien, staat, zooals Hinton gewoon was te zeggen, op een hoogte met den man, die, als hij naar een viool-sonate van Beethoven luistert, zich alleen bewust is van het physieke feit, dat er een paardenstaart geschuurd wordt over schapen-ingewanden.

Het beeld van het muziekinstrument doet zich herhaaldelijk voor aan hen, die over de kunst van liefhebben schrijven. De vergelijking van Balzac van den onhandigen echtgenoot bij den oerang-oetan, die probeert viool te spelen, is reeds aangehaald. Dr. Jules Guyot komt in zijn ernstig en bewonderenswaardig boekje, Bréviaire de l'Amour Expérimental, tot dezelfde vergelijking: "Er zijn een onnoemelijk groot aantal onwetende, zelfzuchtige en ruwe mannen, die zich geen moeite geven om het instrument te bestudeeren, dat God hun heeft toevertrouwd, en die zelfs niet vermoeden, dat het noodig is het te bestudeeren, om er maar de geringste tonen uit te halen... Ieder direct contact, zelfs met de clitoris, iedere poging tot coïtus (zelfs als het vrouwelijk organisme niet geprikkeld is) roept een pijnlijk gevoel te voorschijn, een instinctieve afstooting, een gevoel van walging en afkeer. Iedere man, iedere echtgenoot, die dit feit niet kent, is belachelijk en verachtelijk. Iedere man, iedere echtgenoot, die, terwijl hij het weet, het buiten beschouwing durft te laten, heeft geweld gepleegd... In de eindelijke vereeniging van man en vrouw heeft het positieve element, de man, het initiatief en de verantwoordelijkheid voor het echtelijk leven. Hij is de minstreel, die met zijn hand en zijn boog harmonie of disharmonie kan te voorschijn roepen. De vrouw is uit dit gezichtspunt werkelijk het veelsnarige instrument, dat harmonieuze of disharmonieuze geluiden zal voortbrengen al naar dat zij goed of slecht bespeeld wordt" (Guyot, Bréviaire, blz. 99, 115, 138).

Dat zulk een liefde overeenkomt met de behoefte van een vrouw kan niet betwijfeld worden. Alle ontwikkelde vrouwen willen bemind worden, zegt Ellen Key, niet "en mâle" maar "en artiste" (Liefde en Huwelijk, p. 92). "Alleen de man, waarvan ze gevoelt, dat hij de vreugde van den kunstenaar in haar heeft, en die deze vreugde toont door zijn schuchtere en teedere aanraking zoowel van haar ziel als van haar lichaam, kan de vrouw van tegenwoordig boeien. Zij wil alleen toebehooren aan een man, die nog voortgaat naar haar te verlangen, als hij haar reeds in zijn armen genomen heeft. En als zulk een vrouw uitroept: "Je hebt me noodig, maar je kunt me niet liefkoozen, je kunt me niet zeggen wat ik hooren wil", dan is die man geoordeeld". Liefde is werkelijk een teedere kunst, waarvoor, zooals Remy de Gourmont opmerkt, evenals voor muziek en schilderen, maar weinigen de gave bezitten.

Men moet niet meenen, dat de eisch aan den minnaar en den echtgenoot om de vrouw in denzelfden geest te naderen, met dezelfde tact en den ervaren aanslag, als waarmee de musicus zijn instrument aanvat, enkel een eisch is, welke gedaan wordt door de moderne vrouwen, die waarschijnlijk neurotisch of hysterisch zijn. Geen lezer van deze Studies, die de besprekingen over het hofmaken en de sexueele keuze in de vorige hoofdstukken heeft gevolgd, kan nalaten te erkennen, dat--hoewel wij getracht hebben onszelf te bedriegen door het geven van een verkeerde onwettige beteekenis aan het woord "ruw"--tact en respect voor het vrouwtje bijna algemeen is in de sexueele verhoudingen van de dieren, die lager dan de menschen staan; alleen onder de verst verwijderden van de wilde dieren, bij de beschaafde menschen, is sexueele "ruwheid" over het geheel gewoon, en zelfs daar is ze voornamelijk het gevolg van onwetendheid. Als we afdalen tot de insecten, die geen familieleven hebben, en die gewoonlijk beschouwd worden als zorgeloos en lichtzinnig, dan vinden we deze houding jegens het wijfje soms volkomen ontwikkeld, en de groote zorgvuldigheid van het mannetje voor het vrouwtje, dat hij toch stevig onder zich houdt, de teedere voorbereidingen, het uiterst geleidelijke naderen tot de sexueele daad, geeft ons een bewonderenswaardige les.

Deze grootere moeite en langzaamheid van den kant van de vrouwen in het beantwoorden van de erotische opwinding van het hofmaken is werkelijk zeer fundamenteel. Het karakteriseert het geheele erotische leven van de vrouw, van den vroegsten leeftijd af, als de kuischheid en het schaamtegevoel zich ontwikkelen. De liefde ontwikkelt zich bij de vrouw veel langzamer dan bij den man. Er is werkelijke physiologische beteekenis in het feit, dat het verlangen van een man naar een vrouw neiging heeft spontaan te ontstaan, terwijl het verlangen van een vrouw naar een man eerst langzamerhand gewekt wordt, naarmate haar betrekkingen tot hem zich samengestelder ontwikkelen. Daarvandaan is haar sexueele emotie dikwijls minder abstract, meer intiem verbonden met den persoonlijken minnaar, op wien ze geconcentreerd is. "De weg tot mijn zinnen is door mijn hart", schreef Mary Wollstonecraft aan haar minnaar Imlay, "maar vergeef mij! tot uw zinnen leidt dikwijls een kortere weg". Zij sprak voor het beste, zoo niet voor het grootste deel van haar sekse. Een man bereikt den uitersten grens van zijn physieke capaciteit tot liefhebben met een enkelen stap, en het schijnt wel dikwijls, dat zijn psychische grenzen niet moeilijker te bereiken zijn. Dit is het zekere feit, dat ten grondslag ligt aan het meer gewaagd gezegde, 't welk men zoo dikwijls hoort: dat de vrouw monogamisch is en de man polygamisch.

Wat den physieken kant betreft, merkt Guttceit op, dat een maand na het huwelijk niet meer dan twee van de tien vrouwen het volle genot ondervonden hebben van den sexueelen omgang, en soms is het eerst na zes maanden of een jaar, of zelfs eerst na de geboorte van verschillende kinderen, dat een vrouw werkelijk genot heeft van de physieke verhouding, en zelfs dan alleen met een man, dien zij volkomen liefheeft, zoodat de voorwaarden voor sexueele bevrediging veel meer complex zijn bij vrouwen dan bij mannen. Ditzelfde wordt door Ellen Key aan den psychischen kant opgemerkt (Ueber Liebe und Ehe, p. 111). "Het is zeker waar, dat een vrouw sexueele bevrediging begeert door een man. Maar terwijl bij haar dit verlangen niet zelden eerst optreedt, nadat zij hem genoeg liefheeft om haar leven voor hem te geven, begeert een man dikwijls physiek een vrouw te bezitten voordat hij genoeg van haar houdt om ook maar zijn pink voor haar te geven. Het feit, dat liefde bij een vrouw meestal gaat van de ziel naar de zinnen en deze laatste dikwijls niet bereikt, en dat ze bij een man meestal gaat van de zinnen naar de ziel en dikwijls dat doel nooit bereikt--dit is van al de bestaande verschillen tusschen mannen en vrouwen hetgene, dat aan beiden de meeste kwelling veroorzaakt". Het zal natuurlijk duidelijk zijn voor den lezer van mijn andere werken op dit gebied, dat de methode om het verschil te constateeren die aan Mary Wollstonecraft, Ellen Key, en anderen juist toescheen, niet strikt correct is; zoo zal b.v. de meest kuische vrouw, als ze een te warm bad genomen heeft, wel kunnen ondervinden, dat haar hart niet de eenige weg is, waardoor haar zinnen kunnen bereikt worden. De zinnen zijn de eenige kanalen naar de uitwendige wereld die wij bezitten, en liefde moet door deze kanalen komen of in het geheel niet. Het verschil schijnt echter een werkelijk verschil te zijn als wij zeggen, dat, zooals ik elders reeds trachtte aan te toonen, er bij vrouwen zijn 1o. specifiek zintuigelijke wegen van sexueele stimuli, zooals een schijnbaar overheerschen van tast- en gehoorswegen, vergeleken bij mannen; 2o. een meer massief, samengesteld en teer geëquilibreerd sexueel mechanisme: en als resultaat hiervan, 3o. eindelijk een grootere mate van sexueele irradiatie van de zenuwen en de hersenen.

We moeten echter in herinnering houden, dat, ofschoon deze onderscheiding een werkelijke neiging tot sexueel verschil aangeeft, met een organische en niet enkel traditioneele basis, er niets absoluuts in is. Er is een groot aantal vrouwen, wier sexueele plooibaarheid, en wel door een natuurlijke neiging en niet alleen door verkregen gewoonten, even duidelijk uitgesproken is als die van een man, en zelfs meer. Op sexueel gebied is de omvang van de veranderlijkheid bij vrouwen zelfs grooter dan bij mannen.

Het feit, dat liefde een kunst is, een methode om muziek uit een instrument te halen, en niet het enkele doen van een daad met wederzijdsche toestemming, maakt iedere overeenkomst tot liefde in woorden, van weinig belang. Als liefde een kwestie was van een contract, een louter intellectueele toestemming, van vraag en antwoord, dan zou ze nooit in de wereld gekomen zijn. Liefde vertoonde zich van den beginne af als kunst, en de latere ontwikkelingen van de kort samengevatte methoden van rede en spraak kunnen dat grondfeit niet veranderen. Dit wordt ternauwernood beseft door die slecht ingelichte minnaars, die meenen, dat de eerste stap bij het hofmaken--en misschien zelfs het geheele hofmaken--is, dat een man een meisje vraagt, zijn vrouw te worden. Integendeel gebeurt het dikwijls, dat de voorbarige uiting van een zoo ver strekkenden eisch in eens en voor goed alle kansen verijdelt. Het is ongetwijfeld treurig, dat een zoo ernstige en noodlottige zaak als het huwelijk zoo dikwijls beslist wordt zonder kalm overleg en verstandige voorzorg. Maar sexueele zaken kunnen nooit en moesten ook nooit enkel een zaak zijn van koele berekening. Als een vrouw plotseling voor den eisch gesteld wordt, dat ze zich als vrouw zal geven aan een man, die er nog niet in geslaagd is haar genegenheid te winnen, dan zal ze zeker vinden--mits ze verheven is boven de koele beweegredenen van de zelfzucht--dat er vele goede redenen voor haar zijn om neen te zeggen. En nadat ze zoo de kwestie in koelen bloede bezien en beslist heeft, zal ze voortaan dien minnaar waarschijnlijk tegemoet treden met een met staal ompantserde borst.

"Liefde moet zich openbaren door daden en niet zich verraden door woorden. Ik beschouw als abnormaal de zeldzame methode van een haastig toestemmen van tevoren; want ze is niet de directe weg der mededeeling, maar de reflexweg. Hoe normaal en aangenaam een bekentenis zijn mag, wanneer ze eenmaal wederkeerig is, als veroveringsmethode beschouw ik ze als gevaarlijk en zal ze waarschijnlijk het tegendeel uitwerken van het gewenschte resultaat!" Ik ontleen deze woorden aan een geestige verhandeling "Essai sur l'Amour" (Archives de Psychologie, 1904) door een niet psychologisch Zwitsersch schrijver, die zijn eigen ondervindingen vermeldt, en die ten zeerste aandringt op het overheerschen van het geestelijk element in de liefde.

Hier dient te worden opgemerkt; dat de erkenning, dat spreken bij het hofmaken misplaatst is, niet moet beschouwd worden als een verfijning van de beschaving. Bij natuurvolken wordt overal ten volle erkend, dat het liefdesoffer, en het aannemen of het weigeren ervan, gedaan moeten worden door symbolische daden, en niet door de ruwe methode van vraag en antwoord. Bij de Indianen van Paraguay, die veel sexueele vrijheid toestaan aan hun vrouwen, maar die nooit liefde koopen of verkoopen, zegt Mantegazza (Rio de la Plata e Tenerife, 1867, p. 225), dat een meisje uit het volk aan je deur zal komen of aan je raam en in de Guarani-taal schuchter en verlegen vragen om een dronk water. Bij de Taharumari-Indianen van Mexico, bij wie het initiatief van het hofmaken bij de vrouwen berust, doet het meisje den eersten stap door haar ouders, dan werpt ze kiezelsteentjes naar den jongen man; als hij ze teruggooit, is de zaak afgeloopen (Carl Lumholtz, Scribner's Magazine, Sept., 1894). In vele deelen van de wereld is het de vrouw, die haar man kiest (zie bv. M. A. Potter, Sohrab und Rustem, blz. 169 et seq.), en zeer dikwijls neemt ze een symbolische methode van aanzoek aan. Behalve wanneer het handelselement in het huwelijk overheerscht, wordt een dergelijke methode ook dikwijls door mannen aangenomen bij het doen van huwelijksvoorstellen.

Het is niet alleen bij het begin van het hofmaken, dat er bij de liefdedaad weinig plaats is voor vormelijke verklaringen, voor de vragen en de toestemmingen, die duidelijk in gesproken woorden kunnen uitgedrukt worden. Dezelfde regel blijft ook bestaan in de meest intieme verhoudingen van oude geliefden, het geheele huwelijksleven door. Het blijvende element in de schuchterheid, dat ieder sexueel gewennen overleeft om samen te smelten met de koenste driestheden van liefde, verbindt zich met een werkelijk erotisch instinct en verzet zich tegen in woorden geformuleerde eischen, tegen bevestigingen en ontkenningen in woorden. Liefde kan haren wensch niet in woorden uiten, en ook niet naar waarheid in woorden beantwoord worden; een fijn voorzeggingsvermogen blijft noodig zoolang als de liefde duurt.

Het feit, dat de behoeften der liefde niet uitgedrukt kunnen worden, maar dat ze geraden moeten worden, is al vroeger erkend door hen, die over de kunst van liefhebben geschreven hebben, evenzeer door schrijvers in Europa als buiten de Europeesch Christelijke tradities. Zoo wijst Zacchia, in zijn groote medisch-juridische verhandeling er op, dat een echtgenoot opmerkzaam moet zijn op de teekenen van sexueel verlangen bij zijn vrouw. "Vrouwen", zegt hij, "zijn gewoon, als sexueel verlangen in haar gewekt is, haar mannen vragen te doen over zaken van liefde; zij vleien en liefkoozen hen; zij laten een of ander deel van haar lichaam als bij toeval ongedekt; haar borsten schijnen te zwellen; zij vertoonen ongewone levendigheid; zij blozen; haar oogen worden glanzend; en als ze ongewonen gloed ondervinden, dan stamelen zij, verspreken zich en kunnen zich nauwelijks beheerschen. Tegelijk worden haar geheime deelen vol en warm. Al deze teekenen moesten een echtgenoot er op wijzen, dat zijn vrouw naar bevrediging verlangt". (Zacchiæ Questionum Medico-legalium Opus, lib. VII, tit. III, quæst. I; deel II, p. 624 in de uitgave van 1688).

De oude Hindoeschrijvers over erotica hechtten groote waarde aan de oplettendheid van den man voor de erotische behoeften van de vrouw, en ook aan zijn bekwaamheid en tact bij al de voorbereidselen tot de sexueele daad. Hij moet alles doen wat hij kan om haar genoegen te geven, zegt Vatsyayana. Als zij op haar bed zit, en misschien in een gesprek verdiept is, moet hij zachtjes de banden van haar ondergoed losmaken. Als zij protesteert, sluit hij haar mond met een kus. Sommige schrijvers, merkt Vatsyayana op, meenen, dat de minnaar moet beginnen met te zuigen aan de tepels van haar borsten. Wanneer er erectie is, raakt hij haar met zijn handen aan, zachtjes de verschillende deelen van haar lichaam liefkozend. Hij moet altijd die deelen van haar lichaam drukken, waarop zij haar oogen richt. Als zij verlegen is en het de eerste keer is, dan moet hij zijn handen tusschen haar beenen leggen, en zal ze die dan als bij instinct samendrukken. Als zij jong is, moet hij zijn handen op haar borsten leggen; dan zal zij die ongetwijfeld met de hare bedekken. Als zij rijp is, zal ze alles doen wat gepast en aangenaam is voor beide partijen. Dan zal hij heur haar en haar kin tusschen zijn vingers nemen en ze kussen. Als ze heel jong is, zal ze blozen en haar oogen sluiten. Door de wijze waarop ze zijn liefkoozingen in ontvangst neemt, moet hij raden, wat haar het meest bij het samenzijn bevalt. De teekenen van haar vreugde zijn, dat haar lichaam slap wordt, haar oogen zich sluiten, zij alle verlegenheid verliest en deel neemt aan de bewegingen, die haar zoo dicht mogelijk bij hem brengen. Als zij aan den anderen kant geen genot voelt, dan strijkt zij met haar hand over het laken, wil haar man niet toestaan door te gaan, is saai, bijt of slaat zelfs, en gaat met coïtusbewegingen voort als de man al opgehouden heeft. In zulke gevallen, voegt Vatsyayana er bij, is het zijn plicht de vulva vóór de vereeniging met zijn hand te wrijven tot ze vochtig is, en hij moet dezelfde bewegingen naderhand maken, als zijn eigen geprikkeldheid het eerst voorbij is.

Aangaande Indische erotische kunst in het algemeen, en meer speciaal over Vatsyayana, die eenige honderde jaren geleden schijnt geleefd te hebben, kan men inlichtingen vinden bij Valentino, "L'Hygiène conjugale chez les Hindous", Archives Générales de Médecine, April 25, 1905; Iwan Bloch, "Indische Medizin", Puschmann's Handbuch der Geschichte der Medizin, deel I, Heimann and Stephan, "Beiträge zur Ehehygiene nach der Lehren des Kamasutram", Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Sept., 1908; ook een overzicht van de Duitsche vertaling van de Kamashastra van Vatsyayana in het Zeitschrift für Ethnologie, 1902, afl. 2. Er heeft lang een Engelsche vertaling van dit werk bestaan. In de langdradige voorrede bij de Fransche vertaling wijst Lamairesse op de superioriteit van de Indische erotische kunst boven die van de Latijnsche dichters door den meer verheven geest, de meerdere reinheid en het grooter idealisme. Ze wordt in haar geheel gekenmerkt door eerbied voor de vrouwen, en de geest ervan wordt uitgedrukt in het welbekende spreekwoord: "Gij zult een vrouw niet slaan, zelfs niet met een bloem". Zie ook van Margaret Noble Web of Indian Life, vooral hoofdstuk III, "On the Hindu Woman as Wife", en hoofdstuk IV, "Love Strong as Death".

De raad door Guyot aan echtgenooten gegeven (Bréviaire de l'Amour Expérimental, p. 422) komt nauwkeurig overeen met den raad, die, onder geheel verschillende omstandigheden gegeven is door Zacchia en Vatsyayana. "In een toestand van sexueel verlangen zijn de lippen van de vrouw vast en zij trillen, de borsten zijn gezwollen en de tepels opgezet. De intelligente echtgenoot kan zich in deze teekenen niet bedriegen. Als ze niet bestaan, is het zijn rol ze door kussen en liefkoozingen te voorschijn te roepen en als, niettegenstaande zijn teedere en zachte opwekking de lippen geen warmte krijgen en de borsten geen zwelling, en vooral als de tepels onaangenaam aangedaan worden door zacht zuigen, dan moet hij zijn wenschen beheerschen en zich van alle contact met de voortplantingsorganen onthouden, want hij zou ze zeker in een toestand van uitputting vinden en geneigd tot afstooting. Als integendeel de medeplichtige organen bezield zijn of bezield worden onder zijn liefkoozingen, dan moet hij deze uitstrekken tot de voortplantingsorganen, en vooral tot de clitoris, die onder zijn aanraking vol en gloeiend zal worden".

Op het belang van voorafgaande streeling van de sexueele organen is zoowel door een lange reeks van dokters, als door erotische schrijvers de nadruk gelegd, van Ovidius af (Ars Amatoria Bk. II). Eulenburg (Die Sexuale Neuropathie, blz. 79) meent dat streeling soms noodig is, en Adler legt eveneens den nadruk op de voorbereidselen tot psychisch en physiek hofmaken (Die Mangelhafte Geschlechtsempfindung des Weibes, p. 188), en merkt op, dat de man, die begaafd is met inzicht en handigheid in deze zaken een bekoring bezit, die vonken van gevoel zal slaan uit het koelste vrouwenhart. De raad van den medicus komt in deze zaak overeen met de leerstellingen van den erotischen kunstenaar en met de behoeften van de liefhebbende vrouw. Bij het hof maken moet geen haast zijn, schreef Ovidius:

"Crede mihi, non est Veneris properanda voluptas, Sed sensim tarda prolicienda mora".

"Echtgenooten", heeft een vrouw eens geschreven, "missen, evenals kinderen, dikwijls het genoegen, dat ze anders zouden gehad hebben, door het op den verkeerden tijd te eischen. De man, die meent, dat dit langdurig hofmaken voorafgaande aan de daad van de sexueele vereeniging vervelend is, heeft het nooit geprobeerd. Het is het naderen tot de huwelijksomarming, evenzeer als de omarming zelf, die de bekoring uitmaken van de verhouding tusschen de geslachten".

Het gebeurt niet zelden, merkt Adler op (op. cit., p. 186), dat de ongevoeligheid van de vrouw behandeld moet worden--bij den man. En Guyot brengt hetzelfde punt op den voorgrond en schrijft (op. cit., p. 130): "Als, na een uitstel voor teedere bestudeering de man zijn jonge vrouw begrepen heeft, als hij in staat is voor haar de onuitsprekelijke gelukzaligheid en de droomen van de jeugd te verwezenlijken, dan zal hij voor goed bemind worden; hij zal haar heer en meester zijn. Als hij haar niet heeft kunnen verstaan, dan zal hij zich vermoeien en uitputten in vruchtelooze pogingen en haar ten slotte rangschikken onder de onverschillige en koele vrouwen. Zij zal uit plicht zijn vrouw zijn, de moeder van zijn kinderen. Hij zal zijn genoegen elders zoeken, want de man zoekt altijd een vrouw, die bij hem geslachtsgenot ondervindt. Zoo is het onbepaalde en domme zoeken naar een andere helft, die deel kan nemen aan die bacchantische finale, de hoofdoorzaak van alle huwelijksoneenigheden. In zoo'n geval gelijkt de man op een slecht musicus, die een andere viool neemt, in de hoop, dat een nieuw instrument hem de melodie zal brengen, die hij niet kan spelen".

Het feit, dat er dus een liefdekunst is, en dat de sexueele omgang niet alleen een daad is, die uitgevoerd moet worden door spierkracht, kan meehelpen om te verklaren, hoe het komt, dat in zoo vele deelen van de wereld de defloratie niet onmiddellijk na de bruiloft plaats vindt [398]. Ongetwijfeld kunnen er hier ook godsdienstige of magische redenen tusschenbeide komen, maar, zooals zoo dikwijls gebeurt, zijn zij in harmonie met het biologische proces. Dit is zelfs het geval onder onbeschaafde volken, die jong trouwen. De behoefte aan uitstel en aan tactvolle bedrevenheid is veel grooter, als, zooals bij ons, het huwelijk van een vrouw uitgesteld wordt tot lang na het intreden van de puberteit, tot een tijd waarop het moeilijker is de psychische en misschien zelfs de physieke slagboomen van de persoonlijkheid te verbreken.

Er moet aan toegevoegd worden, dat de kunst van liefhebben in de daad van het hofmaken niet beperkt wordt tot de enkele daad van den coïtus. In zekeren zin is het liefdeleven een voortdurend hofmaken met een voortdurenden voortgang. Het instellen van physieken omgang is alleen maar het begin ervan. Dit is vooral waar voor vrouwen. "De bekroning van liefdesverlangen", zegt Senancour [399], "die dikwijls het einde is van de liefde bij den man, is dikwijls het begin van de liefde bij de vrouw, een bewijs van vertrouwen, een uitmeten van komende vreugde, een soort van belofte van komende intimiteit". "De ziel en het lichaam van een vrouw", zegt een andere schrijver [400], "worden niet ineens gegeven op een bepaald oogenblik; maar alleen langzamerhand, beetje bij beetje, door vele stadiën heen worden beide aan den geliefde gegeven. Inplaats van de jonge vrouw op den avond van het huwelijk aan den bruidegom over te laten, als een gevangen muis, die aan de kat toegeworpen wordt om opgegeten te worden, zou het beter zijn het jonge bruidspaar naast elkaar te laten leven als twee vrienden en makkers, totdat zij langzamerhand leeren hoe zij hun sexueele bewustzijn moeten ontwikkelen en gebruiken". De conventioneele bruiloft is misplaatst als voorbereiding tot de huwelijksvoltrekking, alleen al op grond daarvan, dat het onmogelijk te zeggen is in welk stadium van het eindeloos lange proces van het hofmaken zij zou moeten plaats vinden.

Een vrouw is, anders dan een man, er door de Natuur op voorbereid om een handige rol te spelen in de kunst van liefhebben. De rol van den man bij het hofmaken, die de rol is van het mannetje de geheele dierenwereld door, kan moeilijk zijn en vol gevaar, maar het is een rechte lijn, tamelijk eenvoudig en direct. De rol van een vrouw, die op hetzelfde oogenblik twee geheel verschillende impulsen moet volgen, is noodzakelijk altijd een zig-zag of een curve. Dat is te zeggen, dat op ieder erotisch oogenblik haar gedrag de resultante is van de vereenigde kracht van haar begeerte (bewust of onbewust) en haar schaamtegevoel. Zij moet doorzeilen door een kronkelig kanaal met Scylla aan den eenen en Charybdis aan den anderen kant, en het al te angstig ontwijken van het gevaar aan den eenen kant kan schipbreuk beteekenen aan den anderen kant. Zij moet ondoordringbaar zijn voor iedereen, maar het moet een ondoordringbaarheid zijn, die niet al te dicht is voor het raadselvermogen van den rechten man. Haar spreken moet eerlijk zijn, maar zij moet toch in het geheel niet alles zeggen; haar daden moeten het gevolg zijn van haar impulsen, en juist om die reden moeten ze op twee wijzen uitgelegd kunnen worden. Alleen op het laatste oogenblik van volkomen intimiteit kan zij geheel vrouw worden,

"Whose speech Truth knows not from her thought, Nor Love her body from her soul".

Voor menige vrouw komt het laatste oogenblik van deze erotische openbaring--dit stralen in afgeworpen schaamte, "dat", zooals Pyke zegt, "het mooiste in de volmaakte liefde is"--nooit. Zij wordt gedwongen om tot het einde van haar erotische leven dat te zijn, wat zij bij het begin altijd moet zijn, een samengestelde en tweevoudige persoonlijkheid, van nature geslepen. Daarmee is zij beter dan de man er toe voorbereid om haar rol in de kunst van liefhebben te spelen.

De rol van den man in de kunst van liefhebben is echter in het geheel, niet gemakkelijk. Dat wordt niet altijd ingezien door de vrouwen, die zich beklagen over zijn gebrek aan handigheid bij het spelen van die rol. Hoewel een man niet dezelfde natuurlijke tweevoudigheid heeft aan te kweeken als de vrouw, moet hij een groote mate van raadselvermogen bezitten. Hij is daartoe niet wel toegerust, want de traditioneele mannelijke deugd is kracht eerder dan inzicht. Het werk van den man, zegt men ons, is heerschen, en door zulk heerschen wordt de vrouw aangetrokken. Er is een element van waarheid in die leer, een element van waarheid, dat gemakkelijk den man op een dwaalweg zou kunnen voeren, die zich er tè uitsluitend op verlaat in de kunst van liefhebben. Geweld is slecht in iedere kunst, en in de kunst van liefhebben wil de vrouw tot de liefde gewonnen en niet tot de liefde bevolen worden. Dat is fundamenteel. Wij zien de zaak soms zoo gesteld, alsof het bezwaar tegen kracht en overheersching in de liefde een geheel nieuwe en revolutionaire eisch was van de "moderne vrouw". Dat is, we behoeven het nauwelijks te zeggen, het gevolg van onwetendheid. De kunst van liefhebben, een kunst door de Natuur gemaakt, is nu in haar wezen dezelfde als ze altijd geweest is, en ze bestond al eer de vrouw in de wereld kwam. Dat ze niet altijd heel handig betracht is, is een andere kwestie. En, voor zoover den man aangaat, is het juist deze traditie van mannelijke overheersching, die bijgedragen heeft tot de moeilijkheid van het handig spelen van die rol. De vrouw bewondert de kracht van den man; zij wenscht zelfs gedwongen te worden tot de dingen, die zij zelf zoo gaarne wenscht; en toch schrikt zij terug voor iedere aanwending van geweld buiten deze nauwe grenzen, hetzij eer de grens bereikt is, of nadat de grens overschreden is. Zoo is de positie van den man in werkelijkheid moeilijker, dan van de vrouwen, die over zijn onhandigheid in de liefde klagen, altijd geneigd zijn toe te geven. Hij moet kracht aankweeken, niet alleen in de wereld, maar zelfs om ten toon te spreiden in de liefde; hij moet in staat zijn om de oogenblikken te raden waarop in de liefde kracht niet meer geweld is, omdat zijn eigen wil ook de wil is van zijn deelgenoote; hij moet tevens zichzelf volkomen in bedwang houden om niet in de noodlottige fout te vervallen van toe te geven aan zijn eigen aandrift tot heerschen; en dit alles juist op het oogenblik, dat hij zijn emoties het minst in bedwang heeft. We behoeven wel nauwelijks verwonderd te zijn, dat van de millioenen, die zich inschepen op de zee der liefde, maar zoo weinig vrouwen, en zoo heel weinig mannen, veilig de haven bereiken.

Het zal sommigen misschien toeschijnen, dat, als we stilstaan bij de wetten, die een richtsnoer moeten zijn in het erotische leven, om dat leven gezond en volkomen te doen zijn, wij afgedwaald zijn van de beschouwing van het sexueele instinct in zijn verhouding tot de maatschappij. Het kan daarom wenschelijk zijn tot de grondvragen terug te keeren en er op te wijzen, dat we nog vasthouden aan de grondfeiten van het persoonlijke en maatschappelijke leven. Het huwelijk is, zooals we reden hebben gezien om te gelooven, een groote maatschappelijke instelling; de voortplanting, die, aan den openbaren kant de hoogste functie ervan is, is een groot maatschappelijk doel. Maar het huwelijk en de voortplanting zijn beide gebaseerd op het erotische leven. Als het erotische leven niet gezond is, wordt het huwelijk verbroken, zoo al niet formeel, dan toch in de praktijk en het proces der voortplanting wordt uitgevoerd onder ongunstige voorwaarden of in het geheel niet.

Dit maatschappelijke en persoonlijke belang van het erotische leven is, hoewel het onder den invloed van een valsche moraal en een even valsche ingetogenheid soms in stadiën van kunstmatige beschaving op den achtergrond gekomen is, altijd duidelijk erkend door de menschen, die hun oog op het leven gericht hadden. Onder die onbeschaafde rassen schijnen er geen "sexueel koele" vrouwen te zijn. Het spreekt weinig ten gunste van onze eigen "beschaving", dat het tegenwoordig voor doktoren mogelijk zou zijn 25 percent vrouwen te vinden, die aldus kunnen beschreven worden.

De geheele bouw van de wereld berust op het algemeene feit, dat het intieme contact van den man en de vrouw, die elkander gekozen hebben, wederzijds genoegen geeft. Onder dit algemeene feit is het meer specifieke feit, dat bij het normaal volvoeren van de daad van de sexueele vereeniging de twee deelgenooten de acute bevrediging ondervinden van gelijk orgasme. Hierin, zegt men, ligt het geheim der liefde. Het is de basis zelf der liefde, de voorwaarde voor het gezond uitoefenen van de sexueele functies, en in vele gevallen waarschijnlijk ook de voorwaarde voor de bevruchting.

Zelfs wilden op een zeer lage trap van beschaving zijn soms geduldig en tactvol bij het te voorschijn roepen van en het wachten op de teekenen van sexueele begeerte bij hun vrouwen. In Katholieke tijden werkte de invloed der theologen gezond in dezelfde richting, hoewel die theologen zoo scherpzinnig waren de doodzonde van den lust te ontdekken. Wèl gaat de accentuatie van de Katholieken op de wenschelijkheid van gelijktijdig orgasme terug tot de op een misverstand berustende opinie, dat om conceptie te verzekeren, het noodig was, dat er "inseminatio" zou zijn aan den kant van de vrouw, zoowel als aan den kant van den man, maar dat was niet de eenige bron van het theologische standpunt. Zoo bespreekt Zacchia de vraag of een man behoort voort te gaan met zijn vrouw totdat zij orgasme heeft en zich bevredigd gevoelt, en hij beslist, dat dat de plicht van den man is; anders vervalt de vrouw in het gevaar van het ondervinden van het orgasme in den slaap, of nog waarschijnlijker door zelfbevrediging, "want veel vrouwen plaatsen, als haar wenschen niet bevredigd zijn door den coïtus het eene been op het andere, drukken en wrijven ze totdat orgasme plaats vindt, in de meening, dat ze geen zonde begaan, als ze haar handen niet gebruiken". Hij voegt er bij, dat sommige theologen dat geloof begunstigen, vooral Hurtado de Mendosa en Sanchez, en verder haalt hij de meening van dezen laatsten aan, dat vrouwen, die niet bevredigd worden bij den coïtus neiging hebben om hysterisch of melancoliek te worden. (Zacchide Quaestionum Medica-legalium Opus, lib. VII, tit. III, quaest. VI). In denzelfden geest hebben sommige theologen irrumatio (zonder ejaculatie) toegestaan, mits het alleen de voorbereiding is tot de normale sexueele daad.

Tegenwoordig hebben de medici ten volle de meening van Sanchez bevestigd. Het wordt erkend, dat vrouwen bij wie, uit welke oorzaak dan ook, acute sexueele opwinding dikwijls voorkomt zonder de behoorlijke natuurlijke verlichting van orgasme, onderhevig zijn aan verschillende symptomen van de zenuwen en van de spijsvertering, die haar vitaliteit schaden, en die zeer wel tot een ineenstorting van de gezondheid leiden kunnen. Kisch heeft, als neurose van het hart, van sexueelen oorsprong, beschreven een pathologische tachycardia, die een vermeerdering is van den physiologischen hartklop door sexueele opwinding. J. Inglis Parsons (British Medical Journal, Oct. 22, 1904, p. 1062) verwijst naar de pijn in de ovariën, veroorzaakt door sterke sexueele opwinding, dikwijls bij krachtige ongetrouwde vrouwen, en soms een oorzaak van groot verdriet. Een ervaren Oostenrijksch gynaecoloog vertelde aan Hirth (Wege zur Heimat, p. 613), dat van de honderd vrouwen, die bij hem komen met uterus-bezwaren er zeventig lijden aan congestie van de baarmoeder, wat hij beschouwde als een gevolg van onvolkomen coïtus.

Er wordt dikwijls gezegd, dat het nadeel van onvolkomen bevrediging en van afwezigheid van orgasme bij vrouwen voornamelijk komt von coïtus interruptus, waarbij de penis haastig teruggetrokken wordt als onwillekeurige ejaculatie op handen is; en soms wordt er gezegd, dat hetzelfde in ruimen kring voorkomende gebruik ook geringe of ernstige gevolgen te voorschijn roept bij den man (zie b.v. L. B. Bangs, Transactions New York Academy of Medicine, dl. IX, 1893; D S. Booth, "Coitus Interruptus and Coitus Reservatus as Causes of Profound Neurosis and Psychosis" Alienist and Neurologist, Nov. 1906; ook, Alienist and Neurologist, Oct., 1897, p. 588).

Het is ontwijfelbaar waar, dat coïtus reservatus, het plotseling terugtrekken aan den kant van den man, zonder te letten op het stadium van sexueele opwinding, dat zijn deelgenoote misschien bereikt heeft, dikwijls wel een nadeelige uitwerking moet hebben op de zenuwen van de vrouw, terwijl de nadeelige gevolgen op den man, die ejaculatie bereikt, gering zijn of in het geheel niet bestaan. Maar het gebruik is zoo wijd verspreid, dat men niet kan denken, dat het noodzakelijk dit slechte gevolg moet hebben. Ik ben er zeker van, dat er geen twijfel aan kan bestaan, dat Blumreich gelijk heeft, waar hij zegt (Senator and Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage, dl. II, p. 783), dat "onderbroken coïtus nadeelig is voor het systeem der genitaliën alleen van die vrouwen, die in haar wellustgevoelens gestoord worden door dezen vorm van cohabitatie, bij wie het orgasme niet voorkomt, en die urenlang daarna nog gekweld worden door gevoelens van een onbevredigd verlangen". Even nadeelige gevolgen ontstaan bij normalen coïtus, als het orgasme van den man te spoedig volgt.

"Deze verschijnselen", zegt hij, "zijn daarom geen eigenaardigheden van den onderbroken coïtus, maar gevolgen van een niet voldoende geëindigde cohabitatie als zoodanig". Ook Kisch zegt, in zijn uitgebreid en gezaghebbend werk over The Sexual Life of Woman, dat de kwestie van de slechte gevolgen van coïtus interruptus bij vrouwen eenvoudig een kwestie is, of zij sexueele bevrediging hebben of niet. (Vergelijk ook Fürbringer, Health and Disease in Relation to Marriage dl. I, blz. 232 et seq.). Dit is klaarblijkelijk het meest redelijke standpunt, dat wij kunnen innemen over de oudste der methoden ter voorkoming van de conceptie. In het Boek Genesis vinden we ze in praktijk gebracht door Onan, en in meer moderne tijden, in de zestiende eeuw schijnt ze bekend te zijn geweest bij Fransche dames, die, volgens Brantôme, ze aan haar minnaars aanbevolen.

coïtus reservatus,--waarbij de omgang zelfs zeer lange tijden achtereen wordt volgehouden, waarbij de vrouw verscheiden malen orgasme kan hebben, terwijl de man er in slaagt orgasme tegen te houden,--wel verre van nadeelig te zijn voor de vrouw, is waarschijnlijk de vorm van coïtus, die haar de meeste bevrediging en verlichting geeft. Voor de meeste mannen echter schijnt deze zelfbeheersching over de processen, die leiden tot de onwillekeurige daad der uitstorting, moeilijk te verkrijgen te zijn, terwijl het voor zwakke, zenuwachtige en prikkelbare personen onmogelijk is. Het is echter een wenschelijke voorwaarde voor geheel volledige coïtus, en in het Oosten wordt dit ten volle erkend en de methode zorgvuldig aangekweekt. Zoo zegt W. D. Sutherland ("Einiges über das Alltagsleben und die Volksmedizin unter den Bauern Britischostindiens", Münchener Medizinische Wochenschrift, No. 12, 1906), dat de Hindoe tijdens het verkeer rookt en praat om het orgasme te vertragen, en soms een opiumdeeg legt op de klieren van den penis met hetzelfde doel. Sommige autoriteiten hebben geconstateerd, dat de voortzetting van de coïtusdaad in zijn uitwerking nadeelig is voor den man. Zoo zegt R. W. Taylor (Practical Treatise on Sexual Disorders, third ed. p. 121), dat ze neiging heeft atonische impotentie te veroorzaken, en Löwenfeld (Sexualleben und Nervenleiden, p. 74) meent, dat de snelle en ongehinderde culminatie van de geslachtsdaad noodig is om de spankracht van de reflex-centra te verkrijgen. Dit is waarschijnlijk waar van uiterste en dikwijls herhaalde gevallen van onbepaalde verlenging van uitgesproken erectie zonder uitstorting, maar het is niet waar binnen de tamelijk wijde grenzen bij gezonde personen. Verlengde coïtus reservatus was een gebruik van het samengestelde huwelijkssysteem van de Oneida gemeenschap, en de nu overleden Noyes Miller, die het grootste deel van zijn leven in de gemeenschap doorgebracht had, heeft mij verzekerd, dat het gebruik geenerlei verkeerde gevolgen had. Coïtus reservatus werd in de Oneida gemeenschap tot principe verheven. Iedere man in de gemeenschap was theoretisch de echtgenoot van iedere vrouw, maar iedere man was niet vrij om kinderen te hebben met iedere vrouw. Sexueele inwijding had plaats spoedig na de puberteit bij jongens, een paar jaar later bij meisjes, door een veel ouder persoon van het andere geslacht. Bij het verkeer liet de man zijn penis wel een uur in de vagina zonder ejaculatie, hoewel orgasme plaats vond bij de vrouw. Er was gewoonlijk geen ejaculatie in het geval van den man, zelfs na het terugtrekken, en hij gevoelde geen behoefte aan ejaculatie. Het maatschappelijk gevoel van deze gemeenschap was een kracht ten gunste van dit gebruik, de zorgelooze, onhandige mannen werden vermeden door de vrouwen, terwijl ook het algemeene romantische gevoel van liefde voor al de vrouwen in de gemeenschap, een kracht was. Masturbatie was onbekend, en geen ongeregelde verhoudingen hadden plaats met personen buiten de gemeenschap. Het gebruik werd dertig jaar lang in stand gehouden, en eindelijk werd het afgeschaft, niet om de gebreken ervan, maar uit eerbied voor de buitenwereld. Mr. Miller gaf toe, dat het gebruik moeilijker werd in het gewone huwelijk, dat een meer mechanische gewoonte van omgang begunstigt. De opgaven van Miller worden aangevuld door een geschrift, getiteld Male Continence (de naam, die in de gemeenschap gegeven werd aan coïtus reservatus), geschreven in 1872 door den stichter, John Humphrey Noyes. De gewoonte is, naar hij zegt, gebaseerd op het feit, dat het sexueele verkeer in twee daden bestaat, een maatschappelijke daad en een voortplantingsdaad, en dat, als voortplanting wetenschappelijk zal zijn, er geen verwarring moet zijn tusschen deze twee daden, en dat voortplanting nooit onwillekeurig moet zijn. Het was, zegt hij, in 1844, dat dit denkbeeld bij hem opkwam, als het resultaat van een besluit om zich van sexueelen omgang te onthouden, tengevolge van de teere gezondheid van zijn vrouw en van haar ongeschiktheid om gezonde kinderen voort te brengen, en in zijn eigen geval achtte hij het gebruik "een groote verlichting. Het maakte een huishouden gelukkig". Hij wijst er op, dat de voornaamste leden van de Oneida gemeenschap "behoorden tot de meest respectabele families in Vermont, dat zij opgevoed waren in de beste scholen van moraal en verfijning van Nieuw Engeland, en dat ze, naar den gewonen standaard, onberispelijk waren in hun gedrag wat sexueele zaken aangaat, totdat zij in 1846 de proef namen met een nieuwe inrichting van de maatschappij, op grondbeginselen, die ze langen tijd rijpelijk hadden overwogen en die ze bereid waren voor de wereld te verdedigen". Wat de "male continence" aangaat, meende Noyes dus, dat de gemeenschap gevoegelijk kon beschouwd worden als "het Comitee van de Voorzienigheid, om de waarde ervan in het werkelijke leven te onderzoeken". Hij zegt, dat een zorgvuldige, medische vergelijking van de Statistieken van de gemeenschap had aangetoond, dat het aantal nerveuze kwalen in de gemeenschap aanmerkelijk lager was dan het gemiddelde daarbuiten, en dat er maar twee gevallen waren voorgekomen van nerveuse stoornissen, die met eenige waarschijnlijkheid konden teruggebracht worden tot een overdrijven van de "male continence". Dit is bevestigd door Van de Warker, die twee en veertig vrouwen uit de gemeenschap bestudeerd heeft zonder eenig buitengewoon overheerschen van vrouwenziekte te vinden, en ook kon hij geen ziekelijken toestand vinden, die kon worden toegeschreven aan de sexueele gewoonten van de gemeenschap. (vergelijk C. Reed, Text-Book of Gynecology, 1901, p. 9).

Noyes meende, dat "male continence" nooit tevoren een bepaald erkend gebruik geweest was, gebaseerd op theorie, hoewel het er nu en dan dicht aan toe is geweest. Dit is waarschijnlijk waar, als de coïtus reservatus is in de volle beteekenis, met volkomen afwezigheid van ejaculatie. Verlengde coïtus echter, die aan de vrouw gelegenheid geeft om meer dan eens orgasme te hebben, terwijl de man het niet heeft, is sinds lang erkend. Zoo besprak in de zeventiende eeuw Zacchia de kwestie, of zulk een gebruik gewettigd was (Zacchiæ Questionum Opus, ed. van 1688, lib. VII, tit. III, quæst. VI). In moderne tijden is het nu en dan in praktijk gebracht, zonder eenige theorie en het is altijd aangenaam gevonden door de vrouw, terwijl het geen slechte gevolgen schijnt te hebben voor den man. In zulk een geval gebeurt het wel, dat de daad van coïtus een uur duurt of zelfs langer, terwijl het maximum van het genoegen van de vrouw niet bereikt wordt voordat er drie kwartier zijn voorbijgegaan; in dien tijd ondervindt de vrouw vier of vijf maal orgasme, de man alleen bij het einde. Het komt nu en dan voor, dat de vrouw iets later weer verlangen heeft, en dan begint het verkeer opnieuw op dezelfde wijze. Maar daarna is ze bevredigd, en dan komt het verlangen niet weer terug.

Het kan wenschelijk zijn hier in het kort te verwijzen naar de voornaamste variaties in de methode van uitvoeren van den coïtus in hun betrekking op de kunst van liefhebben en het verkrijgen van een gepaste en bevredigende detumescentie.

Het voornaamste en essentieele kenmerk van de speciaal menschelijke methode van coïtus is het feit, dat hij plaats vindt met de gezichten naar elkaar toe. Het feit, dat bij de typisch normale voltrekking de vrouw op den rug ligt en de man boven op haar, is iets bijkomstigs. Psychisch is deze houding van aangezicht tot aangezicht een groot voordeel boven de methode van de viervoeters. De twee deelgenooten vertoonen elkaar den belangrijksten en den mooisten kant van hun persoonlijkheid, den kant, waarin de meeste uitdrukking is, en zoo verhoogen ze het wederzijdsch genoegen en de harmonie van de intieme daad der vereeniging. Bovendien heeft deze houding van aangezicht tot aangezicht een groote beteekenis in het feit, dat het het uiterlijke teeken is, dat het menschelijk paar de dierlijke sexueele houding te boven is gekomen van den jager, die zijn prooi in de vlucht grijpt, en die er mee tevreden is, deze in die houding, van achteren, te genieten. Men kan zeggen, dat de man bij de menschen dezelfde houding behouden heeft, maar dat de vrouw zich omgedraaid heeft; zij is haar deelgenoot gaan aanzien en is hem genaderd, en geeft zoo een symbool van haar opzettelijke toestemming tot de daad der vereeniging.

De variaties bij de menschen bij het uitoefenen van den coïtus zijn echter, individueel, zoowel als nationaal, uiterst veelvuldig. "Om volkomen de waarheid te zeggen", zegt Fürbringer (Senator en Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 213), "kan ik mij nauwelijks een combinatie denken, die niet voorkomt onder mijn aanteekeningen, als in praktijk gebracht door mijn patiënten". Wij moeten niet te haastig besluiten, dat zulke variaties het gevolg zijn van het zich gewennen aan de ondeugd. Dat is in het geheel niet het geval. Zij komen dikwijls natuurlijk en spontaan voor. Freud heeft er terecht op gewezen (in de tweede serie van zijn Beiträge zur Neurosenlehre, "Bruchstück" etc.), dat we niet al te zeer geschokt moeten zijn, zelfs als het denkbeeld van fellatio spontaan bij een vrouw opkomt, want dat denkbeeld vindt zijn onschuldigen oorsprong in de overeenkomst tusschen den penis en den tepel. Evenzoo kunnen we er aan toevoegen, heeft het verlangen naar cunnilinctus, dat bij de vrouwen zooveel meer verborgen aanwezig schijnt te zijn dan bij mannen, een natuurlijke analogie in het genoegen van het zuigen, een genoegen, dat werkelijk dikwijls erotisch getint is.

Iedere variatie in deze zaak, merkt Rémy de Gourmont op (Physique de l'Amour, p. 264) maakt deel uit van de zonde der wellust en sommige van de theologen in Europa hebben iedere positie bij den coïtus, behalve die welke gewoonlijk normaal geheeten wordt, doodzonde genoemd. Andere theologen daarentegen hebben zulke variaties uitsluitend beschouwd als vergeeflijke zonden, mits ejaculatie plaats had in de vagina, evenals sommige theologen irrumatio wilden toestaan als een voorbereiding tot coïtus, mits er geen ejaculatie was. Aquinas was zeer gestreng jegens de afwijkingen van het normale verkeer; Sanchez was meer toegevend, vooral met het oog op de leer, ontleend aan de Grieksche en Arabische natuurphilosophen, dat de schoot het zaad kan aantrekken, zoodat het natuurlijke doel toch bereikt kan worden zelfs in ongewone houdingen.

Wat voor meeningsverschillen er mogen geweest zijn onder oude theologen, het wordt door moderne medici erkend, dat variaties van de gewone methode van coïtus in speciale gevallen wenschelijk zijn. Zoo wijst Kisch er op (Sterilität des Weibes, p. 107), dat het in sommige gevallen voor de vrouw alleen maar mogelijk is om sexueele opwinding te verkrijgen, als coïtus plaats vindt in de zijdelingsche positie of als deze "a posteriori" gedaan wordt, of als de gewone houding omgekeerd wordt; en ook in zijn Sexual Life of Woman, beveelt Kisch verschillende variaties aan van de positie bij coïtus. Ook Adler wijst (op. cit., blz. 151, 186) op de waarde van dezelfde houdingen in sommige gevallen, en merkt op, dat zulke variaties dikwijls verborgen sexueele gevoelens als bij tooverij te voorschijn roepen. Zulke gevallen komen inderdaad tamelijk veel voor, terwijl het voordeel van de ongewone positie berust hetzij op physieke of op psychische oorzaken, en het ontdekken van de juiste houding wordt soms gevonden bij een zuiver speelsche poging. Het is nu en dan ook wel voorgekomen, dat, als het verkeer gewoonlijk heeft plaats gevonden in een abnormale positie, er geen bevrediging door de vrouw wordt ondervonden voordat de normale positie is aangenomen. De eenige tamelijk gewone variatie van coïtus, die onvoorwaardelijk wordt afgekeurd, is die in de staande positie. (Zie bv. Hammond, op. cit. blz. 257 et seq.).

Lucretius raadde vooral aan de variatie van de viervoetige dieren van coïtus (boek IV, 1258), en als Ovidius beschrijft (einde van boek III van de Ars Amatoria) wat hij beschouwt als aangename variaties, dan geeft hij als de gemakkelijkste en eenvoudigste methode de voorkeur aan die methode, waarbij de vrouw half op haar rug ligt en half op haar zijde. Misschien echter is de variatie, die het dichtst de normale houding nadert en die zich het meest en het meest volkomen aanbevolen heeft, en die klaarblijkelijk bekend is bij Arabische erotische schrijvers als dok el arz, deze, waarbij de man zit en zijn deelgenoot dwars over zijn dijen zit, zijn lichaam met haar beenen omspant en zijn hals met haar armen, terwijl hij haar middel omvat; hiervan zegt men in de Arabische Perfumed Garden, dat het de methode is, die het aangenaamst wordt gevonden door vrouwen.

De andere meest gewone variatie is de omgekeerd gewone positie waarbij de man op zijn rug ligt, en de vrouw zich aan die positie aanpast, hetgeen verschillende variaties toelaat, die tamelijk gunstig zijn, vooral als de man veel grooter is dan zijn deelgenoot. De Christelijke, zoowel als de Mohammedaansche theologen schijnen echter over het algemeen tègen deze superieure positie van de vrouw geweest te zijn, blijkbaar, naar het schijnt, omdat zij de letterlijke onderwerping van den man aan de vrouw, die hij in zich sluit, beschouwden als een symbool van moreele onderwerping. Vele menschen echter getuigen tegenwoordig voor deze houding, meer speciaal wat de vrouwen aangaat, omdat ze haar in staat stelt een betere aanpassing te verkrijgen en een grootere controle over het proces, en zich dikwijls op deze wijze sexueele bevrediging verschaffen, die ze moeilijk of onmogelijk in de normale positie zouden kunnen verkrijgen.

De theologen schijnen minder afwerend geweest te zijn tegenover een houding, zooals die bij de viervoeters normaal is, die "a posteriori", terwijl de oude poenitentialia deze streng behandelden, bv. die van Angers, die daarvoor 40 dagen boete verordende en die van den heiligen Egbert, die een driejarige kerkboete oplegde, als het uit gewoonte gebeurde. (Ze is besproken door J. Peterman "Venus Aversa", Sexual-Probleme, Febr., 1909). Er zijn goede redenen, waarom in vele gevallen deze positie wenschelijk is, meer speciaal van het standpunt van de vrouwen, die ze inderdaad herhaaldelijk prefereeren. Het moet altijd in herinnering blijven, dat, zooals ook reeds aangetoond is bij den voortgang van anthropoid tot mensch, het de vrouw is en niet de man, die de positie bij den coïtus veranderd heeft. Terwijl echter de menschelijke houding een psychische vooruitgang beteekent, is er nooit een volkomen physieke aanpassing geweest van de vrouwelijke organen aan de omgekeerde methode. Meer speciaal is de plaats van de clitoris zóó (op. cit., blz. 117-119) dat ze als regel gemakkelijker te prikkelen is door coïtus van achteren dan van voren. Een latere schrijver, Klotz, neemt in zijn boek Der Mensch ein Vierfüssler (1908) zelfs de tè uiterste positie in van te meenen, dat de wijze van coïtus van de viervoeters, omdat dat de eenige methode is die behoorlijk contact oplevert met de clitoris, de natuurlijke menschelijke positie is. Er moet echter toegegeven worden, dat de methode a posteriori van coïtus niet alleen een in ruimen kring verspreide, maar ook een zeer belangrijke variatie is, in beide haar voornaamste vormen: de Pompejische methode, waarbij de vrouw voorover buigt en de man haar van achteren nadert, of de methode beschreven door Boccaccio, waarbij de man op zijn rug ligt en de vrouw schrijlings zit.

Fellatio en cunnilinctus, die wel geen variaties zijn van den coïtus, omdat daarbij geen vereeniging van de genitaliën der beide geslachten voorkomt, zijn wijd verbreid als voorbereidingen tot de eigenlijke geslachtsdaad, of als plaatsvervangende vorm van den coïtus, evenzeer bij beschaafde als bij onbeschaafde volken. Zoo zegt men mij, dat in Indië fellatio bijna algemeen wijd verspreid is in de huishoudingen, en dat ze beschouwd wordt als een natuurlijke plicht jegens den pater familias. Wat cunnilinctus aangaat heeft Max Dessoir gezegd (Allgemeine Zeitschrift für Psychiatrie, 1894, afl. 5), dat de betere Berlijnsche prostituées zeggen, dat ongeveer een vierde van haar klanten ze wenschen in praktijk te brengen, en dat in Frankrijk en Italië het aantal nog grooter is; het aantal vrouwen, dat cunnilinctus aangenaam vinden, is ongetwijfeld veel grooter. Verkeer per anum moet ook beschouwd worden als een plaatsvervangenden vorm van coïtus. Het schijnt niet ongewoon te zijn, vooral onder de lagere volksklassen, en terwijl het dikwijls het gevolg is van den wensch om de conceptie te voorkomen, wordt het ook soms in praktijk gebracht als een sexueele afwijking, op wensch van den man of van de vrouw, daar de anus tot zekere hoogte een erogene zone is.

In alle beschaafde landen hebben van de vroegste tijden af schrijvers over de kunst van liefhebben formeel en systematisch de verschillende houdingen bij den coïtus uiteengezet. Het vroegste geschrift van deze soort, dat nu nog bestaat, schijnt een Egyptische papyrus te zijn, die bewaard wordt in Turijn, gedateerd van 1300 a. C; hierin zijn veertien verschillende houdingen beschreven. De Indianen kennen, volgens Iwan Bloch, in het geheel acht en veertig verschillende posities; de Ananga Ranga beschrijft twee en dertig hoofdvormen. De Mohammedaansche Perfumed Garden beschrijft veertig vormen, en zes verschillende soorten van beweging bij den coïtus. De Oostersche boeken van deze soort zijn over het geheel beter dan die door de Westersche wereld zijn geproduceerd, niet alleen door hun grootere grondigheid, maar door den hoogeren geest, waardoor ze dikwijls geïnspireerd zijn.

De oude Grieksche erotische geschriften, nu alle verloren gegaan, waarin de wijzen van coïtus beschreven zijn, worden bijna alle toegeschreven aan vrouwen. Volgens een legende, door Suidas vermeld, was de vroegste schrijver van deze soort Astyanassa, het dienstmeisje van Helena van Troje. De dichteres Elephantis heeft, naar men meent, negen posities bezongen. Verschillende vrouwen hebben in later tijd over deze onderwerpen geschreven en één boek wordt toegeschreven aan Polycrates, den sophist.

Aretino--die schreef, nadat de invloed van het Christendom erotische zaken verraderlijk laag tot het terrein van de pornographie had neergehaald, vanwaar ze eerst nu beginnen te worden te voorschijn gehaald--beschreef in zijn Sonnetti Lussoriosi zes en twintig verschillende soorten van coïtus, ieder voorzien van een illustreerende teekening van Giulio Romano, den voornaamsten van Raphael's leerlingen. Veniero beschreef in zijn Puttana Errante twee en dertig posities. Later heeft Forberg, de voornaamste moderne autoriteit, negentig posities opgenoemd, naar men zegt, dat maar acht en veertig zelfs bij de meest liberale taxatie beschouwd kunnen worden als te vallen binnen de sfeer van de normale variaties.

De oneer, die aan de daad van de paring is ten deel gevallen, en die ze gemaakt heeft tot een daad der duisternis, is ongetwijfeld grootendeels verantwoordelijk voor het feit, dat de voornaamste tijd voor de voltrekking ervan onder moderne beschaafde volken de donkerheid van den vroegen nacht is in stoffige slaapkamers, als de vermoeienis van het dagwerk in strijd is met de kunstmatige opwekking, teweeg gebracht door zware maaltijden en alcohol bevattende dranken. Deze gewoonte is voor een deel de schuld van de onverschilligheid, of zelfs den afkeer, waarmee vrouwen coïtus soms beschouwen.

Vele meer primitieve volken zijn wijzer. De Papoea's aan de baai van Astrolabe op Nieuw-Guinea hebben, volgens Vahness (Zeitschrift für Ethnologie, 1900, afl. 5, p. 414), hoewel men in herinnering moet houden, dat de combinatie van de sexueele daad met duisternis veel ouder is dan het Christendom, en in verband staat met zeer oude godsdienstige denkbeelden (vergelijk Hesiodus, Works and Days, Boek II), altijd omgang in de open lucht. De hard werkende vrouwen van de Gebvuka en Euru-eilanden zijn 's nachts te moe voor coïtus; hij wordt uitgevoerd bij dag onder de boomen, en ook de bewoners van de Serang-eilanden hebben coïtus in de bosschen (Ploss and Bartels, Das Weib, Boek I, hoofdst. XVII).

Deze voorbeelden kan men klaarblijkelijk in moderne steden niet volgen, zelfs niet als de werkzaamheden en het klimaat het toelieten. Men is het er ook over eens, dat sexueel verkeer moet gevolgd worden door rust. Er schijnt echter weinig twijfel aan te bestaan, dat de vroege morgen en het daglicht een gunstiger tijd zijn dan de vroege nacht. Conceptie behoort plaats te hebben bij licht, zeide Michelet (L'Amour, p. 153); sexueel verkeer in het donker van den nacht is een daad, gedaan met een vrouwelijk dier; bij dag is het de vereeniging met een liefhebbend en geliefd individueel persoon.

Dit is in ruimen kring erkend geworden. De Grieken beschouwden, zooals we van Aristophanes, in zijn Acharniërs hooren, zonsopgang als de gepaste tijd voor coïtus. De Zuidelijke Slaven zeggen ook, dat de ochtendschemering de tijd is voor coïtus. Vele moderne autoriteiten hebben zich uitgesproken ten gunste van coïtus in den vroegen morgen. De morgen, zeide Roubaud (Traité de l'Impuissance, blz. 15 1-3) is de tijd voor coïtus, en zelfs als het verlangen grooter is in den avond, is het genoegen toch grooter in den morgen. Ook Osiander raadde coïtus aan in den vroegen morgen, en Venette zegt in een vroeger eeuw, waar hij er over spreekt "op wat voor tijd een man zijn vrouw in liefde behoort te omarmen" (La Génération de l'Homme, Part. II, hoofdst. V) en de meening uit, dat het 't beste is zijn neiging te volgen, "dat een mooie vrouw er beter uitziet bij zonlicht dan bij kaarslicht". Een paar autoriteiten, zooals Burdach, zijn er tevreden mee geweest de gewoonte van coïtus bij nacht aan te nemen, en Busch (Das Geschlechtsleben des Weibes, deel I, p. 214) was geneigd om te meenen, dat de duisternis van den nacht de "natuurlijkste" tijd was, terwijl Fürbringer (Senator and Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage, deel I, p. 217) zegt, dat de vroege morgen "nu en dan" de beste tijd is.

Aan den anderen kant is voor sommigen het uitoefenen van sexueel verkeer bij zonlicht en in de open lucht van zooveel belang, dat zij geneigd zijn het te verheffen tot den rang van een godsdienstige oefening. Ik haal uit een mededeeling over dit punt, die ik uit Australië ontvangen heb, het volgende aan: "Dit schandelijk iets, waarover men niet moet spreken en dat men niet moet doen (behalve in het donker) zal, naar ik meen, eens de eenige godsdienstige plechtigheid worden van het menschelijk ras, in de lente. En wat voor lentes! De menschen zullen dan zeer gezond, wel opgevoed en aristocratisch zijn (allen aristocratisch), en over het geheel gekant tegen riten en bijgeloovige gebruiken, want zij zullen het verleden volkomen kennen. De vereeniging van menschen, die elkaar liefhebben in de lente zal de eenige godsdienstige plechtigheid zijn, die ze zich zullen veroorloven. Ik heb soms een visioen van het heilige tafereel, maar ik vrees, dat het te mooi is om te beschrijven. "De omgang tusschen de seksen, heb ik gedroomd, is onuitsprekelijk mooi, te mooi om mij te herinneren", schreef de kuische Thoreau. Waarlijk, menschelijke schoonheid, vreugde en liefde zullen hun meest goddelijke hoogte bereiken in die eerste dagen van het paren in de lente. Als de wereld één Paradijs is, zal de gemeenschap van de menschen die elkaar lief hebben, de jongste en mooiste, plaats vinden in bepaalde heilige valleien ten aanschouwe van duizenden, die vergaderd zijn om er getuigen van te zijn. Dagenlang zal het plaats hebben in deze valleien, waar de zon zal opgaan over een droom van hartstochtelijke stemmen, van elkaar omarmende lichamen, van bloemen en wateren, en het purper en goud van den zonsopgang zal weerkaatst worden op heuvels, die gekleurd zijn door violen. (Ik weet niet of de schrijver zich "Enamelled pansies used at nuptials still" van George Chapman herinnerde), en dat herhaalde voor gouden menschelijk vleesch en menschelijk haar. In deze geheiligde valleien zal de teere geur van de violen zich vermengen met de hemelsche geur van gezonde jonge vrouwen en mannen bij de lenteparing. Gij en ik zullen het niet zien, maar we kunnen helpen om het mogelijk te maken". Deze rhapsodie (een onbewuste herhaling van die van Saint-Lambert aan de tafel van Mlle Quinault in de achttiende eeuw) dient om een beeld te geven van den opstand, die plaats vindt tegen de onnatuurlijke en kunstmatige degradatie van de sexueele daad.

In sommige deelen van de wereld heeft het volkomen natuurlijk en redelijk geschenen, dat een daad zoo vol beteekenis als de coïtusdaad aan de godheid gewijd zou zijn, en daaruit ontstond de gewoonte van het gebed vóór het sexueel verkeer. Zoo verordende Zoroaster, dat een gehuwd paar vóór den coïtus moest bidden, en na de daad moesten ze te zamen zeggen: "O, Sapondomad, ik vertrouw u dit zaad toe, bewaar het voor mij, want het is een mensch". In de Gorong Archipel is het ook de gewoonte, dat man en vrouw te zamen bidden voor de sexueele daad (Ploss en Bartels, Das Weib, Bd. I, hoofdst. XVII). De beschaafde mensch daarentegen is er toe gekomen zijn maag als het belangrijkste van zijn organen te beschouwen, en hij zegt zijn conventioneele gebed niet voor de liefdedaad, maar voor het gebruik van voedsel. Zelfs is het in Europa moeilijk nog eenige sporen te vinden van ritueel van een godsdienstige erkenning van coïtus. We kunnen ze misschien ontdekken onder de Spanjaarden, met hun taai instinct voor ritueel, in de plechtige etiquette, waarmee in de zeventiende eeuw het volgens Madame d'Aulnay de gewoonte van den koning was om de slaapkamer van de koningin binnen te komen: "Hij heeft zijn pantoffels aan, zijn zwarten mantel over zijn schouder, zijn schild in zijn eenen arm, een flesch aan een koord aan zijn anderen arm hangen (deze flesch is niet om uit te drinken, maar voor een geheel tegenovergesteld doeleinde, dat gij wel zult kunnen raden). Bij dit alles moet de koning ook zijn groote zwaard in zijn eene hand hebben en een dievenlantaarn in de andere. Op deze wijze moet hij, alleen, de kamer van de koningin binnen treden" (Madame d'Aulnay, Relation du Voyage d'Espagne, 1692, deel III, p. 221).

Bij het bespreken van de kunst van liefhebben is het noodig een eerste plaats toe te kennen aan het centrale feit van den coïtus, wegens de onwetendheid, die daarover in ruimen kring heerscht, en de ongelukkige vooroordeelen, die in de duisternis er om heen welig tieren. De tradities van de Christelijke kerk, die geheel Europa hebben overstroomd, en die ter vereering een goddelijke maagd hebben gesteld en haar goddelijken zoon, terwijl ze beiden met uitgezochte verfijndheid onttrok aan persoonlijk contact met sexualiteit, vernietigde volkomen iedere poging om een heilig en uitspreekbaar ideaal te vinden in huwelijksliefde. Zelfs de pogingen van de kerk zelf om het huwelijk te verheffen werden te niet gedaan door haar eigen idealen. Die invloed oefent zelfs nu nog een drukkenden invloed op onze beschaving. Toen Walt Whitman zijn "Children of Adam" schreef, gaf hij een onvolkomen uitdrukking aan opvattingen over den godsdienstigen aard van sexueele liefde, die gezond en natuurlijk bestaan hebben in alle deelen van de wereld, maar die nog niet door de duisternis van het Christendom waren heengedrongen, waar ze nog vreemd schenen en nieuw, zoo niet verschrikkelijk. En de weigering om de heiligheid van de sekse te erkennen heeft een sluier van smaad en duisternis over de hoogste sexueele daad zelf gespreid. Ze werd uitgesloten van den zonneschijn en van de sfeer der vereering.

De geslachtsdaad is belangrijk uit het oogpunt van de kunst van liefhebben, niet alleen wegens de onwetendheid en de vooroordeelen, waardoor ze omgeven is, maar ook omdat ze een werkelijke waarde heeft zelfs voor den psychischen kant van het huwelijksleven. "Deze organen", zegt de oude Fransche dokter, Ambrose Paré, "maken den vrede in huis". Hoe dit gebeurt, zien we nu en dan geïllustreerd in het dagboek van Pepys. Terzelfder tijd is het nauwelijks noodig te zeggen, na alles wat vooraf is gegaan, dat deze oude bron van huiselijken vrede onbepaald wordt gecompliceerd door de oneindige verscheidenheid in erotische behoeften, die steeds meer uitgesproken worden met den groei van de beschaving [401].

De kunst van liefhebben begint inderdaad eerst met het plaats vinden van den sexueelen omgang. Bij het instellen van die verhouding worden alle krachten van de natuur zoo sterk in beslag genomen, dat onder volkomen gunstige omstandigheden--die inderdaad maar zeer zelden voorkomen in onze beschaving--de bekendheid met die kunst en een zekere handigheid in de uitoefening ervan bijna van zelf komen. De werkelijke proef voor den liefde-kunstenaar ligt in de bedrevenheid ze te doen voortduren langer dan den tijd, waarop de belangen van de natuur, nadat ze in werkelijkheid of in schijn verzekerd zijn, beginnen te verslappen. De geheele kunst van de liefde ligt daarin, dat men steeds iets nieuws vindt in de zelfde persoon. De liefdekunst is zelfs meer de kunst de liefde te behouden dan ze op te wekken. Anders dreigt ze te ontaarden in wat Shakespeare noemt lust,

"Past reason hunted, and no sooner had, Past reason hated",

hoewel men in gedachte moet houden, dat zelfs volgens de meest strikt natuurlijke zienswijze na hartstocht normaal niet tegenzin, maar genegenheid volgt [402].

De jonge man en vrouw, die tot de onbeperkte mogelijkheden van het huwelijk komen, terwijl gedurende dien tijd de begeerte nooit gevolgd werd door de bevrediging van die begeerte, zijn zeker niet in de beste omstandigheden om de kunst van liefhebben te leeren. Zij komen in de verleiding, door roekeloos zwelgen in de intimiteiten van het huwelijk op alle uren van den dag al de redenen te verwaarloozen, die het niet zoo noodig doen schijnen die kunst te leeren. "Er zijn getrouwde menschen", zooals Ellen Key opmerkt, "die elkander hun geheele leven hadden kunnen lief hebben, als ze niet gedwongen waren geweest alle dagen en het geheele jaar lang hun gewoonten, hun wil en hun neigingen naar elkander te richten".

Al de neigingen van ons beschaafde leven gaan, in persoonlijke zaken, naar het individualisme; zij sluiten specialisatie in zich, en zij verzekeren de heiligheid van persoonlijke gewoonten en zelfs van eigenaardigheden. Dit individualisme kan niet plotseling op een willekeurig bevel van een traditie te niet gedaan worden, of zelfs door de kracht van een hartstocht, waarvan de beperkingen zijn weg genomen. Uit ontzag voor de conventies en de vooroordeelen van hun vrienden, of uit onbeteugelde overgave aan jonge liefde of alleen maar uit vrees elkander te krenken, storten jonge paren zich dikwijls in een grenzenlooze intimiteit, die voor het duurzaam bestaan van het huwelijk zelfs nog nadeeliger is, dan algeheel uitblijven van volle intimiteit. Dat is een van de voornaamste redenen, waarom de meeste schrijvers over de moreele hygiëne van het huwelijk tegenwoordig afzonderlijke slaapkamers aanbevelen, en soms zelfs, met Ellen Key, geen bezwaar er in zien, dat zij in afzonderlijke huizen wonen. Zeker, de gelukkigste huwelijken hebben dikwijls de nauwste en meest ononderbroken intimiteit in zich gesloten, bij personen, die bijzonder voor zulk een intimiteit geschikt waren. Het is in het geheel niet waar, zooals Bloch heeft verzekerd, dat familiariteit noodlottig is voor de liefde. Ze is doodelijk voor een liefde, die geen wortels heeft, maar ze is het voedsel voor de diep gewortelde liefde. Toch blijft het waar, dat afwezigheid noodig is om de geurige frischheid en het mooie idealisme van de liefde te bewaren. "Afwezigheid", zegt Landor, "is de onzichtbare en lichaamlooze moeder van ideale schoonheid". Gehuwde gelieven, die elkaar maar betrekkelijk korten tijd kunnen ontmoeten tusschen lange tijden van afwezigheid, hebben dikwijls in deze ontmoetingen een het leven doorloopende keten van wittebroodsweken ondervonden [403].

Er kan geen twijfel aan zijn, dat, evenals aanwezigheid haar gevaren heeft voor de liefde, het evenzoo is met de afwezigheid. Beide zien ten slotte, als zij lang duren, het herinneringsbeeld der liefde verbleeken, en scheiding, met haar vele betrekkingen tot veraf-zijnde personen en dingen, brengt het gevaar der ijverzucht mee, hoewel het moeilijk is een graad van levensgemeenzaamheid te vinden, die de ijverzucht of ook maar alleen de motieven voor de ijverzucht uitsluit.

IJverzucht berust op fundamenteele instincten, die bij het begin van het dierlijk leven optreden. Descartes definieerde jaloezie als "een soort van vrees, die betrekking heeft op een begeerte om een bezitting te bewaren". Iedere aandrift tot toeëigenen wordt in de dierenwereld tot grootere activiteit aangespoord als er een concurrent is, die zich het begeerde voorwerp eerder kan toeëigenen, Dit schijnt een fundamenteel feit te zijn in de dierenwereld; het is een leven behoudende neiging geweest, want, zooals iemand gezegd heeft, een dier, dat er bij zou staan, als zijn kameraden zich aan voedsel te goed deden, en dat niets dan zuivere bevrediging ondervond bij dat gezicht, zou spoedig te gronde gaan. In dit feit zien we de natuurlijke basis der jaloezie [404].

Met betrekking tot voedsel doet zich dit verschijnsel het eerst en het duidelijkst voor onder de dieren. Het is een wel bekend feit, dat het samenzijn met andere dieren er een dier toe brengt om veel meer te eten, dan wanneer het alleen gehouden wordt. Het eet niet meer uit honger, maar het eet, naar het heet, om zijn voedsel te bewaren voor mededingers op de eenige veilige bewaarplaats, die het kent. Hetzelfde gevoel wordt onder dieren op het geslachtsgebied overgebracht. En verder wordt in de verhouding van honden en andere getemde dieren jegens hun meester de gemoedsbeweging der jaloezie zeer duidelijk opgemerkt [405].

Jaloezie is een gemoedsbeweging, die het meest tot uitdrukking komt bij dieren, bij natuurvolken [406], bij kinderen [407], bij oude menschen, bij gedegenereerden, en zeer speciaal bij chronische alcoholisten [408]. Het verdient onze aandacht, dat de beste artisten en kenners van het menschenhart, die de tragedie van de jaloezie het volkomenst uitgebeeld hebben, duidelijk ingezien hebben, dat ze òf atavistisch, òf pathologisch is; Shakespeare maakte zijn Othello tot een barbaar, en Tolstoy maakte den Pozdnischeff van zijn Kreutzer Sonate tot een krankzinnige. Ze is een tegenmaatschappelijke emotie, hoewel sommigen hebben staande gehouden, dat ze de oorzaak geweest is van kuischheid en trouw. Gesell bij voorbeeld geeft toe, dat ze tegenmaatschappelijk van aard is en doet aanhalingen om de kwelling en de ellende te laten blijken, die ze veroorzaakt, maar hij schijnt te meenen, dat ze toch behoorde aangekweekt te worden om sexueele deugden aan te moedigen. Zeer bepaalde opinies zijn uitgesproken in den tegenovergestelden zin. Jaloezie behoort, evenals andere schaduwen, zegt Ellen Key, slechts bij de morgenschemering en het begin der liefde, en een mensch moest voelen, dat het een wonder is, en niet zijn recht, als de zon nog op haar hoogtepunt staat [409].

Daarom, zelfs als jaloezie een gunstige invloed geweest is bij het begin van de beschaving, evenals onder de dieren--zooals waarschijnlijk kan aangenomen worden, hoewel ze over het geheel eerder het nevenproduct van een gunstigen invloed is, dan zulk een invloed zelf--is het toch in het geheel niet duidelijk, dat ze daarom een gewenschte gemoedsbeweging wordt in meer gevorderde stadiën van de beschaving. Er zijn vele primitieve emoties, zooals toorn en vrees, waarvan we het niet wenschelijk vinden ze aan te moedigen in meer gevorderde stadiën van de beschaving in samengestelde beschaafde maatschappijen, maar die we eerder trachten te beperken en te controleeren, en zelfs als we geneigd zijn een oorspronkelijke waarde toe te kennen aan de jaloezie, schijnt ze toch onder deze emoties geplaatst te moeten worden.

Miss Clapperton volgt, bij het bespreken van dit probleem (Scientific Meliorism, blz. 129-137) Darwin (Descent of Man, Deel I, hoofdst. IV); ze denkt, dat jaloezie geleid heeft tot "het inprenten van de vrouwelijke deugd", maar zij voegt er aan toe, dat ze ook de oorzaak geweest is van de onderwerping der vrouw, en dat ze nu uitgeschakeld moet worden. "Onszelf zoo spoedig mogelijk van jaloezie te verlossen is een hoofdzaak; anders zal de groote beweging ten gunste van de gelijkheid der seksen noodzakelijkerwijze op remmen en zware hindernissen stooten".

Ribot (La Logique des Sentiments, blz. 75 et seq.; Essai sur les Passions, blz. 91, 175) constateert, dat de taxatie van de jaloezie subjectief moet verschillen naarmate van het ideaal van het leven, dat men heeft, maar hij meent, dat we objectief geneigd moeten zijn tot een ongunstige taxatie. "Zelfs een korte hartstocht is een breuk in het moreele leven; het is het abnormale, zoo niet een pathologische toestand, een uitwas, een parasitisme".

Forel (Die Sexuelle Frage, hoofdstuk V) spreekt met sterke woorden in denzelfden geest, en meent, dat het noodig is de jaloezie uit te schakelen door het niet jaloersch maken van de menschen. "Jaloezie is", verklaart hij, "de ergste en ongelukkig de diepst gewortelde van de "uitstralingen", of liever, de "contrastreacties", van sexueele liefde, geërfd van onze dier-voorvaders. Een oud Duitsch gezegde, "Eifersucht ist eine Leidenschaft die mit Eifer sucht was Leiden schafft", zegt geenszins te veel... Jaloezie is een erfdeel van dierlijkheid en barbarisme; ik zou dit in de herinnering willen brengen van hen, die ze, onder den naam "beleedigde eer", trachten te rechtvaardigen en op een voetstuk te plaatsen. Een ontrouw echtgenoot is voor een vrouw tienmaal wenschelijker dan een jaloersch echtgenoot... Wij hooren dikwijls van "gerechtvaardigde jaloezie". Ik geloof echter, dat er geen rechtvaardige jaloezie is; ze is altijd atavistisch of anders pathologisch; op zijn best is ze niets anders dan een brutale dierlijke domheid. Een man, die uit zijn aard, dat is door zijn erfelijke constitutie, jaloersch is, zal zeker zijn eigen leven en dat van zijn vrouw vergiftigen. Zulke mannen moesten onder geen voorwaarde trouwen. Opvoeding en keuze behooren saam te werken, om jaloezie uit het menschelijk brein uit te schakelen zooveel het maar kan".

Eric Gillard verklaart, in een artikel over "Jaloezie" (Free Review, Sept. 1896), in tegenstelling van hen, die meenen, dat jaloezie "het tehuis vormt", dat zij integendeel de voornaamste kracht is, die het tehuis ontbindt. "Zoolang het egoïsme ze begiet met de tranen van gevoel en ze beschermt tegen de koude vlagen van wetenschappelijk onderzoek, zoolang zal ze bloeien. Maar er zal een tijd komen, dat ze in den tuin der Liefde zal worden verbrand als een schadelijk onkruid. Haar verpestende invloed in de maatschappij kan niet verborgen blijven. Ze maakt tehuizen, die heiligdommen van liefde hadden kunnen wezen tot hellen van tweedracht en haat; ze geeft aanleiding tot zelfmoord, en ze brengt duizenden tot den drank, tot roekelooze uitspattingen en tot krankzinnigheid. Vormt het tehuis! Een van uw getrouwde vrienden ziet een waarschijnlijken verleider in iederen man, die tegen zijn vrouw glimlacht: een ander is jaloersch op de vriendinnen van zijn vrouw; een derde is beleedigd, omdat zijn vrouw zooveel belangstelling toont voor de kinderen. Sommige van de vrouwen, die gij kent, zijn jaloersch op iedere vrouw, onder de kennissen van haar man, en sommige op zijn hond. Gij moet geheel gemonopoliseerd worden, of gij bemint niet geheel. Gij moet niemand bewonderen, dan de eene persoon, waarmee ge u voor het leven hebt ingemetseld. Oude vriendschappen moeten verbroken worden, nieuwe vriendschappen moeten niet gevormd worden, uit vrees, dat de mooie emotie zal gewekt worden, die "het tehuis vormt"".

Zelfs als jaloezie in sexueele zaken kon worden toegelaten als een emotie, die werkte aan de zijde van den beschaafden vooruitgang, dan moeten we er toch op wijzen, dat ze alleen uiterlijk werkt; ze kan weinig of geen werkelijken invloed hebben; de persoon, die jaloersch is, maakt zich zelden beminnelijker door zijn jaloezie en dikwijls minder beminnelijk. Het voornaamste gevolg van zijn jaloezie is, dat ze de oorzaken voor de jaloezie doet toenemen, en ze niet zelden opwekt, en tevens, dat ze het huichelen aanmoedigt.

Al de omstandigheden, begeleidingsverschijnselen en gevolgen van huiselijke jaloezie in hun volkomen typischen vorm worden duidelijk door een zeer ernstige episode in de geschiedenis van het huishouden van Pepys, en ze zijn volledig en getrouw door den grooten dagboek-schrijver neergeschreven. Het vergrijp--een omarming van de kamenier van zijn vrouw--was maar gering, maar, zooals Pepys zelf toegeeft, in het geheel niet te verontschuldigen. Hij schrijft op den 25sten October 1668 (Lord's Day); hij is dan zes en dertig jaar oud. "Na het avondeten werd mijn haar gekamd door Deb, hetgeen mij de grootste ellende veroorzaakte, die ik ooit in deze wereld gekend heb, want mijn vrouw, die onverwacht binnenkwam, vond mij terwijl ik het meisje omarmde... Ik was er wonderlijk verlegen mee, en het meisje ook, en ik probeerde een uitvlucht te zoeken, maar mijn vrouw bleef zwijgen en werd boos... Ik was ernstig bedroefd over deze dwaasheid van mij... Zoo eindigt de maand", schrijft hij een paar dagen later, "met eenige mate van rust voor mijn geest, hoewel ze niet volkomen is na de groote onaangenaamheden met mijn arme vrouw, en door mijn dwaasheid, die ik met het meisje begaan heb en waarover ik reden heb bedroefd en beschaamd te zijn en nog meer bezwaard, ter wille van het arme meisje. Zes November. Opgestaan; hierna staat ook mijn vrouw op, wat zij nu als plicht iederen dag doet, om mij aan te kleeden, opdat ik Willet (Deb) niet zien zal; zij houdt mij in het oog, of ik haar aanzie of niet; zij tracht mij te verhinderen in de kamer te gaan waar zij is. Negen November. Opgestaan; ik meldde Deb in een klein briefje, dat ik haar toewierp, dat ik voort zou gaan te ontkennen, dat ik haar ooit gekust had, en dat ze gerust kon zijn. De waarheid is, dat ik mij, in de hoop op God's vergiffenis, deze leugen veroorloofde, wetende welk een moeilijk ding het voor mij zou zijn, en mogelijk de ondergang van het arme meisje; en ook, omdat ik wist, dat, als mijn vrouw alles wist, het haar niet mogelijk zou zijn ooit weer vrede met mij te sluiten en dat zoodoende ons geheele leven vergald zou zijn. Het meisje las het, en gaf mij het briefje terug, zooals ik haar verzocht had, mij het briefje in het voorbijgaan toewerpend". Den volgenden dag echter is hij in ernstige moeilijkheden, want zijn vrouw heeft een bekentenis verkregen van het meisje over het kussen. Een paar nachten hebben mijnheer en mevrouw Pepys niet geslapen, met veel weenen aan beide kanten. Deb neemt een andere betrekking aan en gaat weg op den 14den November, en Pepys is nooit in de gelegenheid haar te spreken voor zij het huis verlaat, omdat zijn vrouw hem voortdurend in het oog houdt. Het blijkt wel, dat Pepys zich nu zeer tot Deb voelt aangetrokken, hoewel het niet blijkt, dat dat ook al was, voordat zij het onderwerp van den twist werd. Op den 13den November, nadat hij gehoord heeft dat zij den volgenden dag zal vertrekken, schrijft hij: "De waarheid is, dat ik veel lust heb dit meisje haar maagdelijkheid te ontnemen". Hij was echter "zeer verontrust door het feit, dat het niet waarschijnlijk is dat mijn vrouw ooit weer goed op mij zal worden, en dat ik voor altijd haar slaaf zal zijn in zaken van genoegen". Terzelfder tijd was zijn liefde voor zijn vrouw in het geheel niet verminderd, en de hare voor hem ook niet. "Ik moet hier opmerken", zegt hij, "dat ik sinds dezen twist meer met mijn vrouw als echtgenoot geleefd heb, dan ik meen wel een jaar tevoren. En met meer genoegen voor haar dan al den tijd van ons huwelijk tevoren". De volgende dag was een Zondag. Op Maandag begint Pepys meteen onderzoek te doen om Deb op te sporen, Den 18den vindt hij haar. Zij komt bij hem in het rijtuig, en hij kust haar en veroorlooft zich vrijheden met haar en raadt haar tevens aan "voor haar eer te zorgen en God te vreezen", en dat ze niet moet toelaten dat iemand doet wat hij gedaan heeft; hij vertelt haar ook, waar zij hem vinden kan, als zij dat wenscht. Pepys voelt nu, dat alles naar bevrediging geregeld is en zijn hart is vol vreugde. Maar zijn vreugde is van korten duur, want mevrouw Pepys komt achter dit onderhoud met Deb op den daaropvolgenden dag. Pepys ontkent eerst, bekent dan, en er is een nog verwoeder scene dan ooit. Pepys wordt nu werkelijk bang, want zijn vrouw dreigt hem te verlaten; hij verlaat Deb nu bepaald en met gebeden aan God besluit hij om nooit meer zoo iets te doen. Mevrouw Pepys is echter nog niet tevreden, voordat zij haar man een brief heeft doen schrijven aan Deb, waarin hij haar zegt, dat ze weinig beter is dan een hoer, en dat hij haar haat, hoewel Deb hiervoor gespaard blijft, niet door eenigen list van Pepys, maar door de kieschheid van den vriend, aan wien de brief ter bezorging was toevertrouwd. Bovendien komt Mevrouw Pepys met haar man overeen, dat, ieder keer als hij van huis gaat, hij zich zal doen vergezellen door zijn secretaris. Wij zien, dat Mevrouw Pepys met schitterende handigheid en succes de rol speelt van de jaloersche en wrekende vrouw, en dat ze haar Fransche hakjes meedoogenloos in haar verslagen echtgenoot boort. Ongelukkig weten we niet wat het resultaat ten slotte was, want een poosje later was Pepys door een ooglijden gedwongen zijn dagboek te eindigen. Als we deze typische geschiedenis geheel overzien, blijkt al heel duidelijk, dat noch de man noch de vrouw ook maar in de geringste mate voorbereid waren op de alledaagsche positie, waarin ze geraakt waren; dat zij beiden in een pijnlijk, onwaardig en vernederend licht verschijnen; dat als gevolg van alles de man bijna een ware en sterke genegenheid opvat voor het meisje, dat de oorzaak van den twist is; en dat hij, ten slotte, al is hij voor het oogenblik gedwongen toe te geven, toch precies blijft wat hij bij het begin was. De man en de vrouw hadden ook niet den geringsten wensch om elkander te verlaten; de huwelijksband bleef stevig, maar hij was onteerd door onoprechtheid aan den eenen kant en door de jaloersche poging aan den anderen kant om trouw af te dwingen.

Geheel afgezien echter van de kwestie van de werkzaamheid der ijverzucht, en van de ellende die zij te voorschijn roept bij allen, die er bij betrokken zijn, is zij klaarblijkelijk onvereenigbaar met al de neigingen van de beschaving. Wij hebben gezien, dat een zekere mate van variatie behoort bij de sexueele verhouding, evenals bij alle andere verhoudingen, en dat we dat feit onder de oogen moeten zien en erkennen, als we niet vele verkeerdheden en onrechtvaardigheden willen bestendigen. Wij hebben ook gezien, dat onze ontwikkeling gaat in de richting van een voortdurende toename van moreele verantwoordelijkheid en zelf-bestuur, en die brengen op hun beurt niet alleen een groote mate van oprechtheid mee, maar ook de erkenning, dat geen mensch recht of macht heeft om invloed uit te oefenen op de gemoedsbewegingen en daden van een ander mensch. Als onze liefdezon nog in het zenith staat, zooals Ellen Key het uitdrukt, dan is dat een wonder, dat men met eerbied en dankbaarheid moet begroeten, en geenszins een recht, dat men eischen kan. De aanspraak op ijverzucht valt met de aanspraak op huwelijksrechten.

Het is best mogelijk, merkt Bloch op (The Sexual Life of Our Time, hoofdstuk X), tegelijkertijd meer dan een persoon lief te hebben, met bijna gelijke teederheid, en in eere beiden te kunnen verzekeren van den hartstocht voor hem of haar gevoeld. Bloch voegt er bij, dat de groote psychische differentiatie, die de moderne beschaving in zich sluit, de mogelijkheid van deze dubbele liefde doet toenemen, want het is moeilijk voor iemand zijn aanvulling in een enkel persoon te vinden; dat is van toepassing op vrouwen zoowel als op mannen.

Ook Georg Hirth wijst er op (Wege zur Heimat, blz. 543-552), dat het van belang is in de herinnering te houden, dat vrouwen, zoowel als mannen twee personen tegelijk kunnen liefhebben. De mannen vleien zich, merkt hij op, met het vooroordeel, dat het hart van de vrouw, of liever haar hoofd, maar één man tegelijk kan bevatten, en dat, als daar een tweede man is, het door een soort van prostitutie is. Bijna alle erotische schrijvers, dichters en romanschrijvers, zelfs medici en psychologen, behooren tot deze klasse, zegt hij; zij beschouwen de vrouw als bezit, en natuurlijk kunnen geen twee mannen een vrouw bezitten. (Wat romanschrijvers aangaat, kan de opmerking worden ingeschoven, dat er vele uitzonderingen zijn, en Thomas Hardy bijvoorbeeld teekent dikwijls een vrouw, die min of meer op twee mannen verliefd is). Tegen dezen wensch om de psychische geschiktheid van de vrouw naar beneden te halen, houdt Hirth staande, dat een vrouw niet noodzakelijk ontrouw aan een man behoeft te zijn, als zij hartstocht heeft opgevat voor een anderen man. "Tegenwoordig", verklaart Hirth naar waarheid, "kunnen alleen liefde en rechtvaardigheid gelden als eerlijke motieven voor het huwelijk. De moderne man staat aan zijn geliefde vrouw en levensgezellin dezelfde vrijheid toe, die hij zelf nam voordat hij getrouwd was, en die hij misschien ook nog in het huwelijk neemt. Als zij er geen gebruik van maakt, zooals te hopen is, zooveel te beter! Maar laten er geen leugens zijn, geen bedrog; de onontbeerlijke grondslag van het moderne huwelijk is grenzenlooze vriendschap en oprechtheid, diepst vertrouwen, liefdevolle toewijding en achting. Dit is de beste beveiliging tegen echtbreuk... Laat echter hij, die er door overvallen wordt, zich troosten met het ontwijfelbare feit, dat van twee, die werkelijk liefhebben, hij altijd de voorkeur zal hebben, die als vriend het edelst denkt en het diepst ziet." Deze wijze woorden kunnen niet te ernstig overdacht worden. De politiek der jaloezie heeft alleen maar succes--als ze ooit succes heeft--in handen van den man, die het uiterlijk omhulsel van de liefde voor kostbaarder houdt dan de kern.

Het schijnt sommigen toe, dat de erkenning van de variaties in sexueele verhoudingen, van de neiging van de monogamie om haar zelf gekozen grenzen te overschrijden, op zijn best een treurige noodzakelijkheid is, en een bedroevende val van een hoog ideaal. Dat is echter het tegendeel van de waarheid. Het groote nadeel van de monogamie, en het ernstigste zwakke punt ervan is haar neiging tot zelf-concentratie ten koste van de buitenwereld. De duivel komt altijd naar den man toe in den vorm van zijn vrouw en zijn kinderen, zeide Hinton. Het gezin is een groote maatschappelijke invloed, in zooverre het het beste middel is om kinderen te doen geboren worden, die de toekomstige burgers zullen uitmaken; maar in zekeren zin is het gezin een tegenmaatschappelijke invloed, want het heeft neiging in ongepaste mate de energie te absorbeeren, die noodig is voor de versterking van de maatschappij. Het is inderdaad mogelijk, dat dat feit geleid heeft tot wijziging van het monogame systeem in vroege ontwikkelingsperioden van de menschelijke geschiedenis, toen maatschappelijke uitzetting en samenhang de voornaamste noodzakelijkheden waren. Het gezin gelijkt maar al te dikwijls op de opeenhoopingen van insecten, die men op een nauwe plaats ontdekt, als we toevallig een platte steen in onzen tuin opbeuren. Hoe groot de problemen der liefde ook zijn, en hoe groot ook onze oplettendheid ervoor moet wezen, wij moeten altijd in herinnering houden, dat liefde niet een kleine kring is, die in zichzelf volkomen is. Het is de aard der liefde uit te stralen. Evenals het familieleven voornamelijk bestaat voor het maatschappelijk doel van het grootbrengen van het toekomstig ras, zoo heeft de familieliefde haar maatschappelijke doeleinden in de uitbreiding van sympathie en liefde aan degenen, die er buiten staan, en zelfs in doeleinden, die er buiten vallen [410].

De kwestie is nu en dan besproken, in hoeverre het voor een man en vrouw mogelijk is om een intieme vriendschap te hebben buiten de erotische sfeer [411]. Er kan geen twijfel aan bestaan, dat het volkomen mogelijk is voor een man en een vrouw voor elkaar een vriendschap te gevoelen, die nooit overgaat op het gebied der erotiek. Als regel echter gebeurt dit alleen onder speciale omstandigheden en dat zijn gewoonlijk omstandigheden, die de nauwste en meest intieme vriendschap uitsluiten. Als, zooals we gezien hebben, liefde kan aangeduid worden als een samenstelling van lust en vriendschap, dan raakt vriendschap zeker de erotische sfeer. Evenals sexueele emotie neiging heeft in vriendschap over te gaan, zoo heeft vriendschap tusschen personen van verschillend geslacht, als ze jong, gezond en aantrekkelijk zijn, de neiging sexueele emotie mee te brengen. De twee gevoelens zijn te nauw verwant, dan dat het mogelijk zou zijn er voor goed zonder protest een grens tusschen te trekken. Mannen, die aan vrouwen vriendschap aanbieden, vinden gewoonlijk, dat ze niet met veel genoegen aangenomen wordt, behalve als het eerste naderen tot een warmer verhouding, en vrouwen, die vriendschap aanbieden aan een man, ondervinden gewoonlijk, dat hij antwoordt met een liefdeaanbod; zeer dikwijls is de "vriendschap" van het begin af alleen maar een liefde of flirt, die zich achter een anderen naam verschuilt.

"Op den langen duur", schrijft een vrouw (in een brief, die uitgegeven is in Geschlecht und Gesellschaft, Bd. I dl. 7) "worden de zinnen ontevreden als ze geheel uitgesloten worden. En ik geloof dat een man alleen dan in de nauwste wederkeerige verbinding kan komen met een vrouw, als hij ook bewust of onbewust physiek wordt aangetrokken. Hij kan niet in innige psychische verbinding treden met een vrouw, waarvan hij zich niet zou kunnen voorstellen, dat hij sexueel met haar verkeerde. Zijn overheerschende wensch gaat uit naar het bezit van de vrouw, van de geheele vrouw, haar ziel zoowel als haar lichaam. En een vrouw kan zich ook geen intieme verhouding met een man voorstellen, waarbij niet haar hart en haar lichaam, evenals haar geest betrokken zijn. (Natuurlijk denk ik aan menschen met gezonde zenuwen en gezond bloed). Kan een vrouw jarenlang een Platonische vriendschap met een man onderhouden, zonder dat in haar opkomt de gedachte: "Waarom kust hij mij nooit? Heb ik geen bekoring voor hem?" En zal het niet gebeuren, dat zij in het meest verborgen hoekje van haar hart dat woord "kus" gebruikt in den meer omvattenden zin, waarin de Franschen het soms gebruiken?" Er is ongetwijfeld een element van waarheid in dit gezegde, De grens tusschen liefde en vriendschap is niet gedefinieerd, en een intieme omgang, die streng vrij gehouden wordt van het zich uiten in een liefkoozing, of in een andere physieke uiting van teedere intimiteit, heeft iets gedwongens en wekt onuitgesproken en niet uit te spreken gedachten en wenschen, die noodlottig zijn voor iedere vriendschap.

Ongetwijfeld zijn de eenige volkomen "Platonische vriendschappen" die, welke bereikt zijn langs den weg van een vroegere erotische intimiteit. In zulk een geval kunnen slechte gelieven, als zij het erotisch stadium resoluut doorgegaan zijn, uitstekend goede vrienden worden. Een bevredigende vriendschap is mogelijk tusschen broeder en zuster, omdat zij physiek intiem geweest zijn in hun jeugd, en omdat alle erotische nieuwsgierigheid afwezig is. De meest bewonderenswaardige "Platonische vriendschappen" kunnen dikwijls bereikt worden door man en vrouw, bij wie sympathie en genegenheid en gemeenschappelijk belang den hartstocht overleefd hebben. Bij bijna al de vriendschappen van beroemde mannen en vrouwen zooals wij in sommige gevallen weten en in andere raden--heeft de hartstocht van een uur, zooals Sainte-Beuve zegt, gediend als gouden sleutel om de kostbaarste en meest intieme geheimen van de vriendschap te ontsluiten [412].

De vriendschappen, die bereikt zijn langs den erotischen weg bezitten een intimiteit en behouden een geestelijk erotisch karakter, dat niet bereikt had kunnen worden op de basis van een normale vriendschap tusschen personen van dezelfde sekse. Dit is in veel hoogere mate waar voor de latere vriendschap, onder gelukkige omstandigheden, van man en vrouw in de jaren, nadat hartstocht onmogelijk is geworden. Zij hebben opgehouden hartstochtelijke gelieven te zijn, maar zij zijn niet enkel vrienden en makkers geworden. Hun verhouding neemt meer speciaal elementen aan van de verhouding van kind tot ouder en van ouder tot kind. Iedereen behoudt uit zijn eerste jaren iets van het kind, dat niet jegens de geheele wereld blijken kan; ieder verkrijgt iets van den vaderlijken of moederlijken geest. Man en vrouw zijn ieder kind voor den ander, en in werkelijkheid zijn ze ouder en kind bij beurten. En hier behoudt de vrouw altijd een zekere superioriteit, want zij is tot het einde toe meer kind dan een man ooit wezen kan, en zij is in haar wezen veel meer moeder dan dat hij vader is.

Groos (Der Aesthetische Genuss, p. 249) heeft er op gewezen, dat "liefde" in werkelijkheid bestaat uit sexueel instinct en ouderlijk instinct.

"Zoogenaamd gelukkige huwelijken", zegt Professor W. Thomas (Sex and Society, p. 246), "zijn een toestand van evenwicht, die daardoor wordt bereikt, dat het moederlijk belang van de vrouw zich uitstrekt tot den man, waarbij zij acht geeft op zijn persoonlijke behoeften als op die van de kinderen--terwijl ze hem koestert als een kind--of in een zich uitstrekken naar de vrouw van de zorg en de genegenheid van den man, die er in zijn natuur is voor alle bescherming-behoevende, hulpelooze (en meestal onmondige) schepsels".

"Als de toewijding van de verhouding van moeder en zoon", schrijft een vrouw, "gevoegd wordt bij de verhouding van man en vrouw, dan is de vereeniging door het huwelijk geraakt tot de hooge en mooie waardigheid, die ze verdient, en in deze wereld bereiken kan. Ze omvat sympathie, liefde en volkomen begrijpen, zelfs van de fouten en zwakheden aan beide kanten". "De bron van de liefde van elke ware vrouw", schrijft een andere vrouw, "is de teederheid van een moeder. Hij, dien ze liefheeft, is een kind, wat grooter dan de anderen, hoewel ze terzelfder tijd de grootste eerbied voor hem kan hebben".

Op de basis van deze elementaire menschelijke feiten hebben de duurzaam verlokkende en inspireerende verhoudingen van de sekse zich ontwikkeld, en niet door het te voorschijn komen van persoonlijkheden, die onmogelijk verheven eigenaardigheden vereenigen. "De taak is uiterst moeilijk", zegt Kisch in zijn Sexual Life of Woman, "maar een verstandige en deugdzame moderne vrouw moet trachten in haar persoonlijkheid alleen, te vereenigen de zinnelijke aantrekkingskracht van een Aspasia, de kuischheid van een Lucretia, en de intellectueele grootheid van een Cornelia". En in een vroegere eeuw wordt ons verteld in den roman van La Tia Fingida, die soms is toegeschreven aan Cervantes, dat "een vrouw moet zijn een engel op straat, een heilige in de kerk, mooi aan het venster, eerlijk in huis en een duivel in bed". De eischen, die aan mannen gesteld zijn door vrouwen, zijn aan den anderen kant bijna te verheven om bepaald gedefinieerd te kunnen worden. "Negen en negentig van de honderd vrouwen, die liefhebben", zegt Helene Stöcker, "zijn er zeker van overtuigd, dat, als duizend andere mannen onwaardig gehandeld hebben, en de vrouw, die ze lief hebben, verzaakt, slecht behandeld en bedrogen hebben, dat de man, dien zij lief hebben een uitzondering is op alle andere mannen; dat is de reden, waarom ze van hem houden". We mogen er echter aan twijfelen, of de groote minnaars ooit door het bezit van volmaaktheid zeer ver boven het gewone niveau der menschheid hebben gestaan. Zij zijn menschelijk geweest, en hun kunst van liefhebben is niet altijd uitgesloten geweest van het bezit van menschelijke zwakheden; volmaaktheid zou werkelijk, als ze al gevonden kon worden, een slechte bodem zijn voor de liefde.

Alleen als we ons den zeer samengestelden aard van de elementen, die de erotische liefde vormen, voor oogen stellen, kunnen we begrijpen hoe het komt, dat liefde zoo'n groote openbaring kan zijn en zoo'n diepen invloed kan uitoefenen zelfs op mannen van het grootste genie en het grootste intellect en in de sfeer van hun meest geestelijke werkzaamheid. Het is niet alleen hartstocht, of een bewuste handigheid in de kunst van liefhebben--van hoeveel belang die ook mogen zijn--die ons de verhouding kunnen verklaren van Goethe tot Frau von Stein, of van Wagner tot Mathilde Wesendonck, of die van Robert en Elisabeth Browning jegens elkaar [413].

Het zal nu misschien aan den lezer duidelijk zijn, waarom bij het bespreken van den sexueelen impuls in zijn verhouding tot de maatschappij het noodig geweest is de kunst van liefhebben te behandelen. Het is waar, dat er niets zoo intiem persoonlijk is als de erotische zaken van het individu. Toch is het even waar, dat deze zaken ten grondslag liggen aan het maatschappelijk leven, en dat zij de voorwaarden kunnen leveren--goede of slechte, al naar het geval is--voor de voortplantingsdaad, die van het hoogste belang is voor den staat. Het is, omdat de kwestie van liefde zulk een zuiver persoonlijk belang heeft, dat ze neiging heeft te worden opgelost in de kwestie van de nakomelingschap. Wij hebben ons voor oogen te stellen, niet alleen dat de kwestie van de liefde ondergeschikt is aan de kwestie van de voortplanting, maar ook, dat liefde een eigen, noodzakelijk, zelfs een maatschappelijk gezond recht heeft om op zich zelf te staan en op haar eigen waarde geschat te worden.

In een uiterst belangrijke verhandeling over de liefde, die de beroemde Tarde nagelaten heeft (Archives d'Anthropologie Criminelle, loc. cit.), vinden we eenige belangrijke opmerkingen over dit punt: "De maatschappij", zegt hij, "is veel meer en met meer intelligentie bezig geweest met het oplossen van het probleem van de "kwestie van de nakomelingschap", dan met de "kwestie van de liefde". Het eerste probleem vult al onze burgerlijke wetboeken en wetboeken voor den handel. Het tweede probleem is nooit duidelijk gesteld, of onder de oogen gezien, zelfs niet in de oudheid, nog minder sinds de komst van het Christendom, want alleen de oplossing te geven van het huwelijk en de prostitutie is klaarblijkelijk ontoereikend. Staatslieden hebben alleen de zijde gezien, waarmee de liefde grenst aan de vraag der bevolking. Vandaar de huwelijkswetten. Op steriele huwelijken zien ze met minachting neer. Toch is het duidelijk, dat, hoewel ze geboren is als slaaf van het geslacht, de liefde toch neiging heeft om door de beschaving ervan los te komen. In plaats van enkel een methode tot voortplanting is ze een doel geworden, heeft zich een titel verworven, een koninklijken titel. In onze tuinen kweeken we bloemen, die des te mooier zijn, omdat ze steriel zijn; waarom wordt de volle bloemkroon van de liefde als minder beschouwd dan de steriel gemaakte bloemen in onze tuinen?" Tarde antwoordt, dat de reden is, dat onze politici enkel eergierigen zijn, dorstende naar macht en rijkdom, en zelfs als ze minnaars zijn, zijn ze eerder als Don Juan dan als Vergilius. "De toekomst", gaat hij voort, "behoort aan de volgelingen van Vergilius, want, zooals vroeger het bezit van macht, de koninklijke rijkdom van Amerikaansche of Europeesche millionairs het ideaal op aarde scheen, nu trekt de liefde meer en meer de beste en edelste deelen der ziel aan zich, waar alles verborgen ligt, wat het grootste is in de wetenschap en in de kunst, en meer en meer neemt het aantal toe van die zielen, die, ingespannen bezig met hun vreedzame werkzaamheden, de zakenmenschen en de beroeps politici verafschuwen en er eenmaal in zullen slagen hen terug te dringen. Dat zal voorzeker de groote revolutie zijn van de menschheid, en een actieve psychologische revolutie: het erkend overwegen van die zijde van de menschelijke ziel, die nadenkt en overweegt, de zijde van den minnaar, over de koortsachtige, expansieve, rooflustige en eergierige zijde. En dan zal men begrijpen, dat een van de groote maatschappelijke problemen, misschien het moeilijkste van allen, het probleem van de liefde geweest is".

HOOFDSTUK XII

DE WETENSCHAP DER VOORTPLANTING

De betrekking tusschen de wetenschap der voortplanting en de kunst van liefhebben.--Sexueele begeerte en sexueel genot als de voorwaarden der conceptie.--De voortplanting was vroeger overgelaten aan luim en begeerte.--Het vraagstuk der voortplanting als een godsdienstkwestie.--Het geloof in eugeniek.--Ellen Key en Francis Galton.--Onze schuld tegenover de nakomelingschap.--Het vraagstuk natuurlijke keuze te vervangen.--De oorsprong en de ontwikkeling der eugeniek.--Het algemeen aannemen van de principes der eugeniek tegenwoordig.--De twee wegen, waarop de principes der eugeniek in praktijk worden gebracht.--Het besef van sexueele verantwoordelijkheid bij de vrouwen.--Verwerping van het opgedrongen moederschap.--Het privilege van het vrijwillige moederschap.--Oorzaken van het in minachting brengen van het moederschap.--De beperking der conceptie.--Zij wordt tegenwoordig door de meerderheid der bevolking in beschaafde landen in praktijk gebracht.--De drogrede "zelfmoord van het ras".--Zijn groote families een merkteeken van degeneratie?--Het beperken van de voortplanting is het gevolg van natuurlijken en beschaafden vooruitgang.--Het toenemen der Nieuw-Malthusianistische ideeën en gebruiken.--Facultatieve steriliteit onderscheiden van Nieuw-Malthusianisme.--De medische en hygiënische noodzakelijkheid van de beperking der conceptie.--Voorbehoedmiddelen.--Miskraam.--De nieuwe leer van den plicht miskraam op te wekken.--In hoeverre is dit te rechtvaardigen?--Castratie als methode om de voortplanting te beperken.--Negatieve eugeniek en positieve eugeniek.--De kwestie van getuigschriften voor het huwelijk.--De ontoereikendheid van het vaststellen der eugeniek door de wetgeving.--Het scherpen van het maatschappelijk geweten met betrekking tot de erfelijkheid.--Beperking van de geschiktheid voor het moederschap.--De voor de verwekking gunstige voorwaarden.--Steriliteit.--De kwestie van kunstmatige bevruchting.--De voor de voortplanting meest gunstige leeftijd.--De kwestie van het vroege moederschap.--De beste tijd voor de voortplanting.--De voleindiging van den goddelijken levenskring.

Wij hebben gezien, dat de kunst van liefhebben een zelfstandig en wettig recht heeft, geheel afgescheiden van de voortplanting. Zelfs als we nog meenden--zooals alle menschen moeten geloofd hebben en sommige stammen van Midden-Australië nog gelooven [414]--dat sexueel verkeer geen essentieel verband houdt met de voortplanting, dan zou dit verkeer toch nog zijn rechtvaardiging hebben. In zijn fijnere uitingen als kunst wordt ze in de beschaafde wereld vereischt voor de volle ontwikkeling van het individu, en ze is even noodzakelijk voor de duurzaamheid van de betrekkingen tusschen man en vrouw, die wel overal als een eisch der maatschappelijke moraal beschouwd wordt.

Als wij ons nu wenden naar den tweeden grondfactor van het huwelijk, de voortplanting, dan is het eerste punt, dat we ontmoeten, dat de kunst van liefhebben ook hier haar plaats heeft. Vroeger hield men de sexueele overeenstemming van iederen man met iedere vrouw voor iets, dat zóo van zelf sprak, dat alle vragen van liefde en van de kunst van liefhebben buiten beschouwing konden blijven. Men meende, dat de daad der voortplanting zóo onpersoonlijk, zoo zonder belangstelling kon gedaan worden als ze volgens de beschouwing der kerkvaders in het paradijs gedaan is. Deze opvatting is niet langer aannemelijk. Ze trekt de mannen niet aan en stoot de vrouwen af. Wij weten, dat in de beschaafde wereld, ten minste bij beschaafde menschen--en het is dikwijls ook zoo bij natuurvolken--erethisme niet licht tot stand komt tusschen twee op goed geluk te zamen gebrachte personen, zelfs niet als zij meer speciaal uitgekozen zijn. En wij weten ook uit de ervaring van bekende gynæcologen, dat het in vele gevallen voor de conceptie niet genoeg is, dat de cohabitatie plaats vindt, maar dat daarvoor een voorafgaand orgasme noodig is.

Vele natuurvolken en ook de theologen van de Middeleeuwen hebben gemeend, dat sexueele opwinding van de vrouw voor de conceptie noodig is, al was dit inzicht ook niet vrij van dwalingen en bijgeloof. Eenige van de voorzichtigste en meest ervaren moderne gynaecologen zijn van dezelfde meening. Zoo betoogde Matthews Duncan (in zijn verhandeling over Sterility in Women), dat de afwezigheid van sexueele begeerte bij vrouwen, en de afwezigheid van genot bij de sexueele daad beschouwd kunnen worden als machtige invloeden ter bevordering van de steriliteit. Hij geeft een statistiek naar aanleiding van zijn ziektegeschiedenissen, waaruit blijkt, dat van bijna vierhonderd steriele vrouwen slechts ongeveer een vierde sexueel verlangen ondervonden, terwijl minder dan de helft genot ondervond bij de sexueele daad. Daar er echter geen correspondeerende statistiek is over vruchtbare vrouwen, is hiermee niets absoluut bewezen en op zijn hoogst is er een waarschijnlijkheid vastgesteld.

Kisch heeft de kwestie onlangs (Sexualleben der Frauen, Sexual Life of Women) grondig behandeld en komt tot de conclusie, dat het "hoogst waarschijnlijk" is, dat de werkdadige erotische deelname van de vrouw aan den coïtus een belangrijke schakel is in den keten van voorwaarden, die aanleiding geven tot de conceptie. Ze werkt, naar hij opmerkt, op een van twee wijzen of op beide wijzen, doordat ze reflexveranderingen teweeg brengt in de afscheidingen der cervix, en zoo den doorgang voor de Spermatozoën vergemakkelijkt en doordat ze reflexveranderingen in de oprichting der cervix veroorzaakt, met een gering zakken van den uterus, waardoor het binnendringen van het zaad gemakkelijker gemaakt wordt. Kisch verwijst naar het analoge feit, dat het eerste optreden van de menstruatie begunstigd wordt door sexueele opwinding.

Sommige autoriteiten beweren zelfs, dat geen bevruchting mogelijk is, voordat sexueele opwinding bij vrouwen voorkomt. Deze bewering schijnt wel te boud. Het is waar, dat het voorkomen van bevruchting in den slaap, of bij anæsthesie, er niet tegenover gesteld kan worden, want wij weten, dat de onbewustheid van deze toestanden in het geheel niet belet, dat er volkomen sexueele opwinding plaats vindt. We moeten echter het feit, dat bevruchting dikwijls niet voorkomt maanden en zelfs jaren na het huwelijk, hiermee in verband brengen, dat sexueel genot bij coïtus aan den kant van de vrouw dikwijls ook niet voorkomt in een zelfde tijdsverloop.

"Van alle menschelijke instincten", heeft Pinard gezegd [415], "is dat van de voortplanting het eenige, dat in den primitieven toestand blijft en niet vervormd en veranderd is. Wij brengen tegenwoordig nog kinderen voort, zooals men in het steenen tijdperk kinderen voortbracht. De belangrijkste daad in het leven van den mensch, de verhevenste van alle daden, omdat het de daad is van de voortplanting, volbrengt de mensch tegenwoordig met even groote zorgeloosheid als in den tijd van den holbewoner". En hoewel Pinard zelf, als de stichter van de puericultuur, er in hooge mate toe heeft bijgedragen om de aandacht te vestigen op het groote belang van de daad der voortplanting, blijft er toch nog een bedroevende mate van waarheid in deze bewering. "Volgende geslachten", schrijft Westermarck in zijn groote geschiedenis van de moreele denkbeelden [416], "zullen waarschijnlijk met een soort van afgrijzen terugzien op deze periode, toen de meest belangrijke en in zijn gevolgen verst strekkende functie, die den mensch is ten deel gevallen, geheel was overgelaten aan de willekeur en den lust van het individu".

Men zegt ons, dat de groote Luther in zijn tafelreden gewoon was te zeggen, dat de wijze van God om den mensch te maken zeer dwaas was ("sehr närrisch"), en dat, als God zich verwaardigd had hem om raad te vragen, hij Hem ten sterkste zou hebben aangeraden om het geheele menschelijke ras te maken, zooals Hij Adam maakte, "uit klei". En zeker was er, als ze wordt toegepast op de zorgelooze en roekelooze wijze, waarop ten tijde van Luther, evenals nu nog voor het grootste gedeelte in onzen eigen tijd gewoonlijk bij de verwekking wordt gehandeld, veel waarheid in de opmerking van den Hervormer. Als dat de wijze is, waarop de voortplanting moet volbracht worden, zou het beter zijn ieder nieuw menschelijk wezen opnieuw uit klei te vormen; op die wijze zouden we ten minste slechte erfelijkheid kunnen vermijden. Het was echter onrechtvaardig de verantwoording op God te werpen. Het zijn de mannen en de vrouwen, die de menschen opvoeden, die de wereld goed of slecht maken. Zij trachten de verkeerdheden van de maatschappij te schuiven op iets buiten hen zelf. Zij zien hoe groot een aantal menschen ontaard zijn, treurig aangelegd, anti-maatschappelijk, niet in staat een gezond en mooi menschelijk leven te leiden. In oude theologische taal werd dikwijls gezegd, dat dezulken kinderen van den duivel waren, en Luther zelf was dikwijls bereid genoeg om het kwaad van de wereld toe te schrijven aan de directe inmenging van den duivel. Toch zijn deze treurig aangelegde menschen, die achter den maatschappelijken wagen aanhinken ten slotte in werkelijkheid menschenkinderen. De eenige duivel, die we met recht in deze zaak kunnen erkennen, is de mensch zelf.

Het gebod "Wees vruchtbaar en vermenigvuldig u", dat de oude Hebreeërs in den mond legden van den God van hun stam, was, zooals Crackanthorpe zegt [417] een gebod, dat waarschijnlijk uitgevaardigd werd toen er maar acht menschen op de wereld waren. Als de tijd ooit weer zou komen, waarop de inwoners van de wereld op iemands vingers konden geteld worden, zou zulk een aanmaning weer op haar plaats zijn. Maar we moeten in herinnering houden, dat tegenwoordig het menschengeslacht de aarde bedekt bij honderde en honderde en zelfs duizende millioenen van schepselen, waarvan een groot aantal, zooals maar al te duidelijk is, nooit had moeten geboren worden, en de stem van Jehova doet zich nu in zeer verschillenden zin hooren door de leiders van het menschengeslacht.

Het is niet te verwonderen dat, daar dit feit algemeen erkend begint te worden, de kwestie van de voortplanting van het ras een nieuwe beteekenis moet verkrijgen, en zelfs het karakter moet aannemen van een nieuwe godsdienstige beweging. Moraliteit alleen kan er ons nooit toe brengen ons te bekommeren om de toekomst van het ras en in vroeger dagen plachten de menschen te protesteeren tegen de neiging de belangen van den godsdienst ondergeschikt te maken aan die van "zuivere moraliteit". Er lag een gezond natuurlijk instinct ten grondslag aan dat protest, dat zoo dikwijls en met zooveel kracht door het Christendom is gedaan en dat nu weer in een meer intelligenten vorm herleefd is. De eisch van het ras is de eisch van den godsdienst. Wij moeten oppassen, dat we dien eisch niet ondergeschikt maken aan onze moraal. Moraal is werkelijk een onvermijdelijk deel van onze maatschappelijke orde, waaraan we niet kunnen ontsnappen; iedere gemeenschap moet haar mores hebben. Maar wij hebben geen recht een fetish te maken van onze moraal, waaraan wij de hoogste belangen opofferen, die ons zijn toevertrouwd. De naties, die dat gedaan hebben, hebben hun eigen doodvonnis geteekend [418]. Uit dit oogpunt is het geheele Christendom, goed beschouwd, met zijn diepe overtuiging van de noodzakelijkheid van voorzorg en voorbereiding tot het leven hiernamaals, een voorbereiding geweest voor de eugeniek, een leerschool voor het kweeken van een hooger ideaal in ons dan het zelf leerde, en we kunnen ons derhalve niet verwonderen over de stevigheid van de basis, waarop de eugenistische levensopvattingen zich ontwikkelen.

De meest bekende pioniers van de nieuwe beweging van toewijding aan de schepping van het ras schijnen onafhankelijk van elkaar den godsdienstigen aard ervan erkend te hebben. Deze houding is even duidelijk merkbaar bij Ellen Key als bij Francis Galton. In haar Eeuw van het Kind (in 1909 in het Engelsch vertaald), identificeert zij zich geheel met de beweging der eugeniek. "Het is alleen maar een kwestie van tijd", schrijft zij ergens anders (Over Liefde en Huwelijk, p. 445), "wanneer de houding van de maatschappij jegens een sexueele vereeniging niet zal afhangen van den vorm van die vereeniging, maar van de waarde van de kinderen, die er uit voortkomen. Mannen en vrouwen zullen dan denzelfden godsdienstigen ernst wijden aan het psychisch en physisch volmaken van deze sexueele taak, als de Christenen gewijd hebben aan de redding van hun ziel".

Sir Francis Galton, die een paar jaar later, in 1905, over "Beperkingen in het huwelijk" schrijft, maar ongetwijfeld onafhankelijk van de anderen, en ook over "Eugeniek als een factor in den godsdienst" (Sociological Papers van de Sociological Society, deel II, blz. 13, 53), merkt op: "Godsdienstige voorschriften, gegrond op de zedeleer en de gewoonte van vroeger dagen, hebben een nieuwen uitleg noodig om aan de behoeften van vooruitstrevende volken te voldoen. De onze zijn al zoo ver ten achter bij de moderne eischen, dat aanpassing aan het tegenwoordige zonder overdreven casuistiek niet mogelijk is. Het schijnt mij toe, dat er niet veel dingen zijn, die meer noodig zijn bij ons in Engeland, dan een herziening van onzen godsdienst, om hem in overeenstemming te brengen met het inzicht en de behoeften van dezen tegenwoordigen tijd... Evolutie is een groot phantasmagoria, maar ze ziet er oneindig veel belangwekkender uit, als we weten, dat de door het verstand bepaalde werking van den wil in zekere mate in staat is den loop ervan te leiden. De mensch heeft de macht dit in ruime mate te doen, voor zoover de evolutie van de menschheid aangaat; hij heeft al zoo'n grooten invloed uitgeoefend op de kwaliteit en de soortverdeeling van het organisch leven, dat de veranderingen in de oppervlakte van de aarde, alleen door zijn wegnemen van bosschen en zijn landbouw, te herkennen zouden zijn op een afstand zoo groot als die van de maan. De eugeniek is een mannelijk geloof, vol hoop, en dat zich richt tot de edelste gevoelens van onze natuur".

Zooals het altijd bij iedere groote beweging gaat, hebben eenige fanatici het geloof in het hooge godsdienstige belang van de voortplanting tot in het belachelijke doorgevoerd. Liefde, afgezien van de voortplanting, schrijft een van deze fanatici, Vacher de Lapouge, in den geest van sommige van de eerste Christelijke kerkvaders (zie boven p. 465), is een afwijking, die te vergelijken is met sadisme en sodomie. De voortplanting is de eenige zaak, die er op aan komt, en ze moet worden "een wettig voorgeschreven maatschappelijke plicht", die alleen kan uitgevoerd worden door zorgvuldig uitgekozen personen; ze moet aan anderen verboden worden, die noodzakelijkerwijze moeten worden beroofd van de macht tot voortplanting, terwijl miskraam en kindermoord onder sommige omstandigheden verplichtend moeten gesteld worden. Romantische liefde zal verdwijnen door een keuze-proces, en ook alle godsdienst behalve een nieuwe vorm van phallische eeredienst (G. Vacher de Lapouge, "Die Crisis der Sexuellen Moral", Politisch Antropologische Revue, No. 8, 1908). Het is voldoende er op te wijzen, dat liefde altijd is en altijd wezen moet de deur tot de verwekking. Dergelijke uitersten van fanatisme ten opzichte van de voortplanting konden niet uitblijven, en zij maken den nadruk waarmee hier de kunst van liefhebben besproken wordt, des te noodzakelijker.

"Wat heeft het nageslacht voor mij gedaan, dat ik iets voor het nageslacht zou doen?" heeft een cynicus eens gevraagd. Het antwoord is zeer eenvoudig. Het menschelijk ras heeft alles voor hem gedaan. Alles, wat hij is en zijn kan, is er het werk van; alles, wat hij doen kan, is het resultaat van de met moeite opgezamelde tradities ervan. Alleen door te werken voor het scheppen van een nog beter nageslacht kan hij de goede gaven terug betalen, die het menschelijk ras hem gegeven heeft [419]. Evenals binnen de grenzen van dit leven velen, die weldaden en vriendelijkheden hebben ontvangen, die ze nooit terug kunnen betalen aan de werkelijke gevers, er een genoegen in vinden ze in plaats daarvan door dergelijke gedragingen jegens anderen te vervangen, zoo kunnen we de van onze voorvaderen ontvangen erfenis nooit terug betalen, behalve door ze in een beteren vorm aan onze nakomelingen over te dragen.

Het is ongetwijfeld waar, dat de ontwikkeling van de eugenische idealen voor het grootste gedeelte niet is terug te brengen tot godsdienstige gevoelens. Zij is voornamelijk het gevolg geweest van een zeer geleidelijke, maar een zeer veel omvattende beweging in de richting van maatschappelijke verbetering, die meer dan een eeuw aanhoudt, en die een verbetering in zich sluit van al de levensvoorwaarden. De idealen van deze beweging zijn in de achttiende eeuw verkondigd, we kunnen hun invloed bemerken in 't begin van de negentiende eeuw, bij het invoeren van het moderne systeem van hygiëne, in den groei van de wetgeving op de fabrieken, in al de bewegingen, die het socialisme hand in hand met het individualisme bevorderd heeft. Onvermijdelijk heeft zich de neiging vertoond tot den bodem der zaken door te dringen; men begon te zien, dat betrekkelijk weinig kan bereikt worden door het verbeteren van de levensomstandigheden van jongelingen; de aandacht begon zich te concentreeren op het kind, op de embryo in den schoot van zijn moeder, en dit liep uit op de door Pinard geïnspireerde vruchtbare beweging der puericultuur, en eindelijk is het probleem teruggebracht tot zijn bron, tot de verwekking, en de regeling van de sexueele keuze tusschen families en individuen als de eerste levensvoorwaarde. Hier hebben wij de studie van de eugeniek, waarvoor Galton zooveel gedaan heeft om ze te maken tot een bepaalde, levensvatbare en praktische studie, en die hij in haar ruimere uitgebreidheid definieert als "de studie, die handelt over die maatschappelijke eugeniek, die geestelijk of physiek invloed uitoefent op de kwaliteiten van het ras van toekomstige geslachten". In haar ruimste beteekenis is de eugeniek, zooals Galton ergens anders zegt, de poging van den mensch "de natuurlijke keuze te vervangen door andere processen, die meer zachtzinnig zijn en niet minder uitwerking hebben".

In het laatste hoofdstuk van zijn Memories of My Life (1908), over "Verbeteringen van het ras", zet Sir Francis Galton den oorsprong en de ontwikkeling uiteen van zijn opvatting van de wetenschap der eugeniek. Het woord "eugeniek" gebruikte hij het eerst in 1884, in zijn Human Faculty, maar het begrip dateert van 1865, en zelfs van nog vroeger. Galton heeft niet lang geleden de problemen der eugeniek behandeld in verhandelingen, voorgedragen in de Sociological Society (Sociological Papers, deel I en II, 1905), in de lezing over Herbert Spencer over "Waarschijnlijkheid de grondslag der eugeniek" (1907) en elders. Galton's talrijke gegevens over dit onderwerp zijn nu uitgekomen in een verzameling door de Eugenics Education Society, die in 1907 opgericht werd, om de houding der eugeniek jegens maatschappelijke kwesties te bevorderen en populair te maken; door deze maatschappij wordt gepubliceerd The Eugenics Review. Aan den meer zuiver wetenschappelijken kant wordt de eugeniek bestudeerd aan het laboratorium voor eugeniek aan de universiteit te Londen, dat opgericht is door Sir Francis Galton, en nu samenwerkt met Professor Karl Pearson's biometrisch laboratorium, in University College. Veel van het statistieke werk van Professor Karl Pearson in deze en hiermee verwante richtingen, is de uitwerking van ideeën en wenken, aangegeven door Galton. Zie bv. de lezing van Karl Pearson over Robert Boyle, "Het doel en het belang voor den staat van de wetenschap der nationale eugeniek" (1907). Biometrica, door Karl Pearson uitgegeven te zamen met andere werkers, bevat talrijke statistische gegevens over de eugeniek. In Duitschland is het Archiv für Rassen und Gesellschafts-biologie en de Politisch-Anthropologische Revue in ruime mate bezig met verschillende van zulke onderwerpen, en ook in Amerika publiceert The Popular Science Monthly van tijd tot tijd artikelen, die betrekking hebben op de eugeniek.

Er is een tijd geweest, dat men geneigd was over de beweging der eugeniek te spotten of ze belachelijk te maken. Ze werd beschouwd als een poging van de menschen om menschen te fokken, zooals de boeren vee fokken, en men hield het voor gemakkelijk genoeg om deze nieuwe beweging uit den weg te ruimen met de opmerking, dat de liefde spot met deuren en grendels. Nu begint ze beter begrepen te worden. Alleen fanatici droomen ervan de liefde af te schaffen, om het paren volgens vaste regels te verkrijgen. Het is alleen maar de kwestie het mogelijk aantal deelgenooten te beperken, waaruit ieder een deelgenoot zou kunnen kiezen, en dat, moeten we in herinnering houden, is altijd gedaan, zelfs door natuurvolken, want, zooals wel eens gezegd is, "de eugeniek is de oudste van de wetenschappen". De kwestie heeft alleen een anderen vorm gekregen. In plaats van mechanisch beperkt te zijn door stand, beginnen we te zien, dat de keuze van sexueele deelgenooten met verstand beperkt moet worden door werkelijke geschiktheid. Geheel gemengde huwelijken zijn nooit regel geweest; de mogelijkheid der keuze is altijd beperkt geweest, en de meest primitieve volken hebben de duidelijkste zelfbeheersching vertoond. Dit is niet alleen het geval onder oudere rassen, maar onder onze eigen Europeesche voorvaders. Gedurende de geheele periode van de overheersching van de Katholieken heeft de kanonieke wet de bezwaren tegen het huwelijk vermeerderd, bv. door voor te schrijven, dat bloedverwantschap tot in den vierden graad, zoowel als geestelijke betrekking, een bezwaar is; door zulke willekeurige beletsels beperkte ze den kring van mogelijke deelgenooten ten minste evenzeer, als ze beperkt zou geworden zijn door de meer redelijke voorschriften van eugenistische overwegingen.

Tegenwoordig kunnen we wel zeggen, dat het principe van het vrijwillig beheerschen van de verwekking niet voor de zelfzuchtige doeleinden van het individu, maar om ziekte te doen verdwijnen, om de menschelijke ellende te doen verminderen, en om het algemeene niveau te verheffen van de menschheid door het ideaal van de kwaliteit in de plaats te stellen van het vulgaire denkbeeld der enkele kwantiteit, nu algemeen aangenomen is, evenzeer door medische pathologen, embryologen en neurologen, als door sociologen en moralisten.

Het zou gemakkelijk zijn over deze kwestie vele aanhalingen te geven van beroemde autoriteiten. Zoo wijst Metchnikoff er op (Essais Optimistes, p. 419), dat orthobiosis de beperking van het nageslacht in zich schijnt te sluiten in den strijd tegen de ziekte. Ballantyne besluit zijn groote verhandeling over Antenatal Pathology met de bewering, dat "Eugeniek" of het verkrijgen van gezonde kinderen een van de meest dringende problemen ter wereld is. Dr. Louise Robinovitch, de uitgeefster van de Journal of Mental Pathology heeft in een schitterende en diepzinnige verhandeling, die zij voorgedragen heeft op het Congres voor Psychologie in 1905, zeer juist in denzelfden geest gesproken: "De volken hebben nog niet de kracht van de voortteling verheven tot de waardigheid van een kracht. Andere krachten, die ons bekend zijn, zelfs van den laagsten graad, zijn reeds lang met wijsheid tot nuttigheid gebracht, en hun werkzaamheden gebaseerd op het principe van de striktst mogelijke economie. Deze economische utilisatie is niet teweeg gebracht door het opdringen van wettelijke beperkingen, maar door het gestadig voortschrijdend menschelijk verstand. Het economisch behandelen van de kwestie der verwekking zal, evenals de economische functie van andere krachten, teweeg gebracht worden door een gestadige en voortschrijdende verstandelijke ontwikkeling van de volken". "Er zijn omstandigheden", zegt C. H. Hughes ("Restricted Procreation", Alienist and Neurologist, Mei 1908), "waaronder het verwekken van een menschelijk leven even ernstig misdadig kan zijn als het nemen van een leven, dat reeds is begonnen".

Van algemeen biologische, evenals van sociologische zijde, wordt hetzelfde standpunt steeds meer algemeen ingenomen, want het wordt erkend als het onvermijdelijk gevolg van bewegingen, die reeds lang aan den gang zijn.

Haycraft, verwijzende naar de wet op het verhinderen van wreedheid voor kinderen (Darwinism and Race Progress, p. 160), schreef: "Reeds heeft de publieke opinie zich uitgesproken in den algemeenen regel, dat een man en een vrouw, als ze een kind krijgen, de verplichting op zich moeten nemen er voor te zorgen, dat dat kind niet aan wreedheid en ontbering onderworpen zal worden. Het is maar een stap meer, te zeggen dat een man en een vrouw verplicht moeten zijn geen kinderen voort te brengen als het zeker is, dat ze zullen hebben te lijden door een gebrekkig physiek, en dat ze een ongelijken strijd zullen hebben te strijden met hun medemenschen". Professor J. Arthur Thomson pleit in zijn boek over Heredity (1908) met kracht en toch gematigd voor verstandige methoden der eugeniek, zooals ze speciaal geëischt wordt in een tijd als de onze, waarin aan de ongeschikten een betere kans wordt gegeven zich te vermenigvuldigen dan zij ooit gehad hebben. En Bateson, die verwijst naar de aangroeiende kennis over de erfelijkheid (Mendel's Principles of Heredity, 1909, p. 305) merkt op: "Genetische kennis moet zeker leiden tot nieuwe opvattingen over rechtvaardigheid, en het is in het geheel niet onmogelijk, dat, in het licht van zulke kennis, de publieke opinie met genoegen maatregelen zal begroeten, die waarschijnlijk meer zullen doen voor het doen verdwijnen van den misdadiger en den gedegenereerde, dan door eeuwen van strafverordeningen bereikt is". Aankomende jongelingen en meisjes moeten leeren, zegt Anton von Menger, in zijn laatste boek, de overtuigende Neue Sittenlehre (1905), dat het voortbrengen van kinderen onder bepaalde omstandigheden een misdaad is; zij moeten ook leeren zich vrijwillig van conceptie te onthouden, ook al zijn zij gezond; zulk onderwijs, voegde Menger er terecht aan toe, is een noodzakelijke voorbereiding voor iedere wetgeving in deze richting.

In de laatste jaren zijn vele boeken en artikelen gewijd aan de beschrijving van eugenistische methoden. Wij mogen bij voorbeeld vermelden Population and Progress (1907), door Montague Crackanthorpe, President van de Eugenics Education Society. Zie ook Havelock Ellis, "Eugenics and St. Valentine", Nineteenth Century and After, May, 1906. Het verdient vermelding, dat bijna veertig jaar geleden Miss J. H. Clapperton, in haar Scientific Meliorism (1885, hoofdst. XVII) er op gewezen heeft, dat de vrijwillige beperking van de verwekking door Nieuw-Malthusianistische methoden, afgezien van zuivere voorzichtigheidsmotieven, die daar duidelijk erkend worden, "een nieuwe sleutel is tot de sociale positie", en een noodzakelijke voorwaarde voor "nationale hervorming". Het Groundwork of Eugenics (1909), van Professor Karl Pearson is misschien de beste introductie tot het onderwerp. We kunnen ook vermelden Parenthood and Race Culture (1909), dat op populaire en enthoesiaste wijze geschreven is.

In hoe ruimen kring de algemeene principes van de eugeniek zijn aangenomen als de gezonde methode om het niveau van het menschelijk ras te verheffen, bleek duidelijk op een bijeenkomst van de Sociological Society, in 1905, toen, nadat Sir Francis stukken over de kwestie had voorgelezen, de vergadering de meening hoorde van talrijke sociologen, economen, biologen en bekende denkers in verschillende landen, die tegenwoordig waren, of die bericht gestuurd hadden. Ongeveer een en twintig drukten min of meer onvermengden bijval uit, en maar drie of vier hadden bezwaren in te brengen, meest over bijzaken (Sociological Papers, gepubliceerd door de Sociological Society, dl. II, 1905).

Als we vragen langs welke kanalen deze impuls tot het controleeren van de verwekking voor de verheffing van het ras uitdrukking vindt in het praktische leven, dan zullen we zeker vinden, dat er minstens twee zulke kanalen zijn: 1) de aangroeiende zin voor sexueele verantwoordelijkheid bij mannen zoowel als bij vrouwen, en 2) het succes van het controleeren van de verwekking, dat in de laatste jaren bereikt is, door het algemeen aannemen van methoden voor het voorkomen van de conceptie.

Het is reeds noodig geweest in een vorig hoofdstuk de vèrstrekkende beteekenis te bespreken van de persoonlijke verantwoordelijkheid van de vrouw als een element in de wijziging van het sexueele leven van moderne gemeenschappen. Hier behoeven we er alleen op te wijzen, dat het autonome gezag van een vrouw over haar eigen persoon, in sexueele zaken, van haar kant een toestemming tot de daad der verwekking noodig maakt die opzettelijk moet zijn. Wij zijn geneigd te denken, dat dit een nieuwe en bijna revolutionaire eisch is; maar het is ongetwijfeld een natuurlijk, oud en erkend voorrecht van vrouwen, dat ze geen moeder zullen worden zonder haar eigen toestemming. Zelfs in de tot den Islam behoorende wereld van de Arabische Nachtvertellingen, vinden wij, dat groote lof wordt toegekend aan de "deugd en den moed" van de vrouw, die, nadat ze in haar slaap verkracht is, het kind, dat de vrucht is van deze onvrijwillige vereeniging, op den openbaren weg heeft tentoongesteld en verlaten, omdat zij, naar ze zeide, "niet de verantwoordelijkheid op zich wilde nemen voor Allah van een kind, dat zonder mijn toestemming geboren is" [420]. De goedkeuring, waarmee deze geschiedenis verteld wordt, toont duidelijk aan, dat het den aanhangers van den Islam volkomen rechtvaardig en menschelijk toescheen, dat een vrouw geen kind zou hebben, dan met haar eigen opzettelijken wil. Wij zijn later gewoon geweest te zeggen, dat de staat kinderen noodig heeft, en dat het de taak en de plicht van vrouwen is, die te verstrekken. Maar de staat heeft evenmin als het individu het recht een vrouw tegen haar zin te verkrachten. Wij beginnen ons duidelijk voor oogen te stellen, dat, als de staat kinderen noodig heeft, hij het voor vrouwen aangenaam moet maken om ze voort te brengen, zooals onder natuurlijke en billijke omstandigheden zeker het geval zal zijn. "De vrouwen zullen het probleem van de menschheid oplossen", zeide Ibsen in een van zijn zeldzame, overtuigende persoonlijke uitlatingen, "en zij zullen het doen als moeders". Maar het is niet denkbaar, dat een kwestie ooit zou kunnen opgelost worden door een hulpelooze, onwillige en onvrijwillige daad, die niet eens de hoogte bereikt heeft van dierlijke vreugde.

Er wordt soms gemeend, en zelfs aangenomen, dat de eisch van vrouwen, dat het moederschap nooit gedwongen zal zijn, beteekent, dat zij onder geen conditie moeders willen zijn. In een paar gevallen kan dat zoo wezen, maar het is zeker niet het geval wat de meerderheid van de gezonde vrouwen in alle landen betreft. Integendeel gaat deze eisch gewoonlijk gepaard met den wensch het moederschap te verheerlijken, en dikwijls zelfs met de gedachte het moederschap uit te breiden tot velen, die er tegenwoordig van uitgesloten zijn. "Het schijnt mij toe", schreef Lady Henry Somerset, eenige jaren geleden ("The Welcome Child", Arena, April, 1895), "dat het leven beter en edeler zal zijn, hoe meer wij erkennen, dat er geen onkieschheid is in den climax en de kroon van de scheppende kracht, maar dat ze eerder de hoogste glorie van het ras is. Maar als vrijwillig moederschap de kroon van het ras is, onvrijwillig moederschap is juist het tegenovergestelde.... Alleen als man en vrouw beiden geleerd hebben, dat de heiligste van alle functies, die aan de vrouwen gegeven zijn, moet uitgeoefend worden door den vrijen wil alleen, kunnen er kinderen geboren worden voor deze wereld, die in zich hebben de vreugdevolle wensch om te leven, die dat allerbeste voorrecht van de jeugd voor zich eischen: de zekerheid, dat zij zich kunnen ontplooien in den zonneschijn van de liefde, die hun toekomt." Ook Ellen Key, die er op wijst (Over Liefde en Huwelijk, blz. 14, 265), dat de tirannie van den ouden Protestantschen godsdienstigen geest, die van vrouwen eischte onbeperkte onderwerping aan een vreugdeloos moederschap binnen "het gepleisterde graf van het huwelijk" nu langzamerhand gebroken wordt, verheerlijkt de voorrechten van het vrijwillige moederschap, terwijl ze toegeeft, dat er enkele uitzonderingsgevallen kunnen zijn, waarin vrouwen zich misschien zullen onttrekken aan het moederschap ter wille van de andere eischen van haar persoonlijkheid, hoewel "als een algemeene regel, de vrouw, die het moederschap weigert om de menschheid te dienen is als de soldaat, die zich op den vooravond van een slag voorbereidt voor den komenden strijd door zich de aderen te openen". Helene Stöcker beschouwt ook het moederschap als een van de eischen, die tegenwoordig met steeds grooteren nadruk door de vrouwen gesteld worden. "Als tegenwoordig", zegt zij, (In de voorrede van Liefde en de Vrouwen, 1906), "alle goede dingen van het leven geëischt worden ook door de vrouwen--verstandelijke ontwikkeling, economische onafhankelijkheid, een gelukkige roeping in het leven, een geëerbiedigde maatschappelijke positie--en tevens, als even van zelf sprekend, het huwelijk en een kind, dan klinkt die eisch niet meer, zooals eenige jaren geleden, als de stem eens roependen in de woestijn".

De vernedering, waartoe het moederschap in de oogen van velen, vervallen is, berust voor een deel op de neiging de vrouwen van iedere stem in deze kwestie te berooven, en voor een deel op wat H. G. Wells noemt (Socialism and the Family, 1906) de monsterachtige dwaasheid, waarmee vrouwen haar hoogste maatschappelijke functie, het voortbrengen en opvoeden van kinderen, volbrengen in haar vrije oogenblikken, als het ware, terwijl zij haar "brood verdienen" door mee te werken aan het bijbrengen van het een of ander mechanisch element aan een industrie-product van weinig waarde. Het zou onpraktisch zijn, en zelfs niet wenschelijk, er op aan te dringen, dat getrouwde vrouwen niet zouden mogen werken, want werken is goed voor ieder. Men taxeert, dat meer dan dertig percent van de werkende vrouwen in Engeland getrouwde vrouwen zijn of weduwen (James Haslam, Englishwoman, Juni, 1909), en alleen in de fabrieken van Lancashire waren in 1901 120.000 getrouwde vrouwen aan het werk. Maar het zou gemakkelijk mogelijk zijn voor den staat om, in zijn eigen belang, het zoo in te richten, dat het werk van een vrouw in een ambacht altijd achter zou moeten staan bij haar werk als moeder. Het is te meer ongewenscht, dat getrouwde vrouwen zouden verhinderd worden in een beroep te werken, omdat er sommige beroepen zijn, waarvoor een getrouwde vrouw, of liever een moeder, beter toegerust is dan een ongetrouwde vrouw. Dit is vooral het geval met onderwijs, en het zou een goede politiek zijn aan getrouwde onderwijzeressen speciale voorrechten toe te staan in den vorm van meerderen vrijen tijd en meer verlof. Terwijl op vele gebieden van kennis een ongetrouwde vrouw een uitstekende onderwijzeres kan zijn, zou het in het geheel niet gewenscht zijn, dat kinderen en voornamelijk meisjes, uitsluitend gebracht werden onder den opvoedkundigen invloed van ongetrouwde onderwijzeressen.

Het tweede groote kanaal, waardoor de impuls tot het controleeren van de verwekking als verbetering van het ras het praktische leven binnen komt, is door het algemeen aannemen, onder de beschaafde standen van alle landen--en wij moeten in herinnering houden, dat, in deze zaak ten minste, alle standen langzamerhand beschaafd beginnen te worden--van methoden tot het voorkomen van de conceptie, behalve wanneer de conceptie bepaald gewenscht wordt. We mogen niet langer de geldigheid van deze contrôle bespreken, want zij is een feit en is deel geworden van onze moderne moraal. "Als een gedragslijn als gewoonte en met opzet gevolgd wordt door een groote menigte van menschen, die zich overigens goed gedragen, die waarschijnlijk een meerderheid vormen in de geheele beschaafde klasse van de natie", zooals Sidney E. Webb het terecht uitdrukt, "dan moeten wij aannemen, dat ze niet in strijd is met hun werkelijk wetboek van zedelijkheid" [421].

Er kan geen twijfel aan zijn, dat, voor zoover Engeland betreft, het voorkómen van de conceptie in praktijk wordt gebracht uit voorzichtigheids- of andere motieven, door de groote meerderheid van de welopgevoede standen. Dit feit is bekend onder allen, die nauwkeurig op de hoogte zijn van de feiten van het Engelsche familieleven. Zoo schrijft Dr. A. W. Thomas (British Medical Journal, Oct. 20, 1906, p. 1066): "Uit mijn ondervinding als huisdokter, kan ik zonder aarzeling zeggen, dat negentig percent van de jonge getrouwde paren van de welgestelde klasse voorbehoedmiddelen gebruiken". Als een feit schijnt deze taxatie in het ruwe eerder onder de waarheid te zijn dan er boven. In een zeer knappe verhandeling, die ik reeds heb aangehaald, waarin Sidney Webb aantoont, dat "de achteruitgang in het geboortecijfer veel grooter schijnt te zijn in die wijken van de bevolking, die bewijzen geven van voorspoed en voorzorg", en deze achteruitgang is "voornamelijk, zoo al niet geheel, het resultaat van opzettelijk willen", en dat "een regeling van den huwelijksstaat, zooals men hem zelf wenscht, nu overal bestaat door geheel Engeland en Wales, blijkbaar onder een groot gedeelte van de bevolking", worden de resultaten vermeld van een gedetailleerd onderzoek gedaan door de Fabian Society. Dit onderzoek omvatte 316 families, op goed geluk gekozen uit alle deelen van Groot-Brittanje, en behoorende tot alle deelen van de middelklasse. De resultaten zijn zorgvuldig geanalyseerd en men heeft bevonden, dat in vier en zeventig families het aantal kinderen onbeperkt was, in twee en veertig opzettelijk beperkt. Als echter de tien jaren van 1890 tot 1899 afzonderlijk als de typische periode genomen worden, vindt men, dat van de 120 huwelijken er 107 waren met beperkt aantal kinderen, en maar dertien met onbeperkt aantal, terwijl van deze dertien er vijf kinderloos waren. In deze tien jaren worden dus maar zeven vruchtbare huwelijken met een onbeperkt aantal kinderen vermeld, op een totaal van 120.

Wat waar is voor Engeland is waar voor alle andere beschaafde landen, en het vindt zijn uitdrukking in het welbekende verschijnsel van den achteruitgang van het geboortecijfer. In den modernen tijd is deze beweging van achteruitgang begonnen in Frankrijk, en veroorzaakte daar een langzamen, maar gestadigen achteruitgang van het jaarlijksch aantal geboorten; in Frankrijk schijnt de beweging nu bijna, of geheel, tot stilstand te zijn gekomen. Maar ze heeft plaats gehad in bijna alle andere vooruitstrevende landen, voornamelijk in de Vereenigde Staten, in Canada, in Australië, en in Nieuw-Zeeland, evenals in Duitschland, Oostenrijk-Hongarije, Italië, Spanje, Zwitserland, België, Holland, Denemarken, Zweden, en Noorwegen. In Engeland blijft ze voortgaan sinds 1877. Van de groote landen is Rusland het eenige, waar ze nog niet heeft plaats gevonden, en onder de massa van de Russische bevolking vinden wij minder opvoeding, meer armoede, een hooger sterftecijfer, en een grootere mate van ziekte dan in eenig ander groot, of zelfs klein land.

Er wordt soms gezegd, dat de achteruitgang van het geboortecijfer geheel het gevolg is van de vrijwillige contrôle op de voortplanting. Het is ongetwijfeld waar, dat zekere andere elementen, zooals het uitstellen van het huwelijk bij vrouwen tot een betrekkelijk laten leeftijd, er toe leiden om de grootte van het gezin te beperken. Maar dat alles toegegeven dan vindt men toch, dat de achteruitgang werkelijk bestaat en groot is. Dit is bij voorbeeld aangetoond door de statistische onderzoekingen, die gedaan zijn door Arthur Newsholme en Y. T. H. C. Stevenson, en door Yule, beide gepubliceerd in de Journal Royal Statistical Society, April 1906.

Sommigen hebben gemeend, dat, omdat de Katholieke kerk onvolkomen omgang verbiedt, deze beweging tot het controleeren van de verwekking een betrekkelijk veel grootere toename met zich zal brengen onder Katholieke, dan onder niet-Katholieke volken. Dit is echter alleen maar juist onder bepaalde voorwaarden. Het is volkomen waar, dat er in Ierland geen achteruitgang is geweest in het geboortecijfer, en dat de achteruitgang maar weinig in het oog springt in die steden van Lancashire, die een groot Iersch element hebben. Maar in België, Italië, Spanje, en andere voornamelijk Katholieke landen, vindt de achteruitgang in het geboortecijfer behoorlijk plaats. Wat er gebeurd is, is, dat de kerk--die altijd let op sexueele kwesties--het belang van de moderne beweging heeft erkend en er zich aan aangepast heeft, door aan haar minder ontwikkelde en onopgevoede kinderen te verklaren, dat onvolledige omgang een doodzonde is, terwijl ze er zich ter zelfder tijd van onthoudt in deze zaak navraag te doen bij haar beter opgevoede leden. De kwestie werd in 1842 bepaald onderworpen aan het oordeel van den Paus, door Bisschop Bouvier van Mans, die de zaak heel duidelijk voorstelde, en aan Paus Gregorius XVI meedeelde, dat het voorkómen van de conceptie zeer gewoon begon te worden, en dat, als het als doodzonde bleef beschouwd worden, het gevolg alleen maar zou zijn, dat de zondaars van den biechtstoel verdreven zouden worden. Na rijpe overweging antwoordde de Curia Sacra Poenitentiaria door er op te wijzen, met betrekking tot de gewone methode van den coïtus interruptus, die berust op een verkeerde daad van den man, dat de vrouw, die door haar man gedwongen wordt er in toe te stemmen, geen zonde begaan heeft. Voorts werd de bisschop herinnerd aan het wijze gezegde van Liguori, "den meest geleerden en ervaren mensch in zulke zaken", dat de biechtvader gewoonlijk niet geroepen is navraag te doen in een zoo teedere zaak als de debitum conjugale, en dat hij, als zijn opinie niet gevraagd wordt, moet zwijgen (Bouvier, Dissertatio in sextum Decalogi praeceptum; supplementum ad Tractatum de Matrimonio, 1849, blz. 179-182; aangehaald door Hans Ferdy, Sexual-Probleme, Aug. 19, 1908, p. 498). Wij zien dus, dat, zoowel onder Katholieke als onder niet-Katholieke volken, het gebruik van voorbehoedmiddelen tegen de conceptie samengaat met vooruitgang en beschaving, en dat het algemeene gebruik van zulke middelen door Katholieken (met de stilzwijgende toestemming van de kerk) alleen maar een kwestie is van tijd.

Van tijd tot tijd hebben vele energieke personen luide geëischt, dat er een einde zou komen aan den achteruitgang van het geboortecijfer, want, beweren zij, het beteekent "zelfmoord van het ras". Men begint nu echter te erkennen, dat deze roep een dwaze en noodlottige vergissing is geweest. Het is niet mogelijk door de straten te loopen van een groote stad, waar een groot aantal personen zijn, die klaarblijkelijk nooit hadden moeten geboren worden, zonder te erkennen, dat het geboortecijfer tot nog toe ver boven de normale en gemiddelde grens is. De grootste Staten zijn dikwijls de kleinste geweest, wat het aantal burgers betreft, want de kwaliteit telt en niet de kwantiteit. En omdat het waar is, dat het toenemen van de beste types van burgers een staat alleen kan verrijken, wordt het nu ontoelaatbaar, dat een natie zou toenemen door het opeenhoopen van nieuw geboren uitvaagsel in haar midden. Men begint nu te erkennen, dat dit niet alleen de kwaliteit van een volk verlaagt, maar dat het aan den Staat een buitensporigen finantieelen last oplegt.

Zelfs wordt nu erkend, dat groote families gepaard gaan met degeneratie, en, in de ruimste beteekenis, met abnormaliteiten van iedere soort. Zoo is het ontwijfelbaar waar, dat mannen van genie dikwijls tot zeer groote families behooren, hoewel we voor hen, die bang zijn voor een verontrustende afname van genie door de meerdere beperking van het gezin er op kunnen wijzen, dat de positie, die in de familie wordt ingenomen door het geniale kind meestal die is van eerstgeborene. (Zie Havelock Ellis, A Study of British Genius, blz. 115-120). De krankzinnigen, de idioten, de imbecielen en zwakzinnigen, de misdadigers, de epileptici, de hysterici, de neurasthenici, de tuberculeuzen, zij allen schijnen te behooren tot groote gezinnen (zie bv. Havelock Ellis, op. cit., p. 110; Toulouse, Les Causes de la Folie, p. 91; Harriet Alexander, "Malthusianism and Degeneracy", Alienist and Neurologist, Jan. 1901). Er is ook aangetoond door Heron, Pearson en Goring, dat niet alleen de eerstgeborenen, maar ook de tweede geborenen, speciaal neiging hebben om te lijden aan pathologische defecten (krankzinnigheid, misdadigheid, tuberculose). Er schijnt echter een fout te zijn in den gewonen uitleg, die van dit feit gegeven wordt. Volgens van der Velde wordt dit feit (zooals aangehaald wordt in Sexual-Probleme, Mei 1909, p. 381) volkomen in evenwicht gebracht door de toenemende sterfte van kinderen van den eerstgeborene af naar beneden. De grootere neiging tot pathologische toestanden van de eerste kinderen is dus eenvoudig het gevolg van een minder strenge keuze door den dood gedaan. Voor zoover zij, afgezien van deze vergissing, een werkelijk grootere pathologische neiging vertoonen, is deze misschien een gevolg van het vroege huwelijk. Een andere vergissing is het dikwijls aangehaalde gezegde, dat de kinderen in kleine gezinnen zwakker zijn dan die in grootere. We moeten onderscheid maken tusschen een van nature klein gezin, en een kunstmatig klein gezin. Een familie, die klein is enkel als gevolg van geringe voortplantingskracht van de ouders, zal waarschijnlijk een zwakke familie zijn; een familie, die klein is als gevolg van het met opzet beperken van de ouders, heeft natuurlijk niet zoo'n neiging.

Deze verschijnselen hebben, naar we zien zullen, geen invloed op het aantal gedegenereerden in groote gezinnen. Wij kunnen ze in verband brengen met de neiging, die dikwijls vertoond wordt door personen, die ongezond en abnormaal van zenuwen zijn, om te meenen, dat zij speciale geschiktheid hebben om goede kinderen voort te brengen. "Ik geloof, dat iedereen een speciale roeping heeft", zeide een man tot Marro (La Pubertà, p. 459); "ik acht het mijn roeping superieure kinderen voort te brengen". Hij kreeg er vier,--een epilepticus, een krankzinnige, een drankzuchtige en een die zwak van gezondheid was--en hij stierf zelf krankzinnig. De meeste menschen hebben wel eens eenigszins hierop gelijkende gevallen van deze begoocheling ontmoet, hoewel dan minder duidelijk uitgesproken. In een zaak, zoo vol toekomstmogelijkheden voor andere menschelijke wezens, kan niemand zich veilig verlaten op zijn eigen, door niets gesteunde indrukken.

De eisch van nationale kracht komt zoodoende overeen met den eisch van de zich ontwikkelende philanthropie, die, nadat ze eenmaal begonnen is te trachten de levensvoorwaarden te verbeteren, langzamerhand is begonnen te erkennen, dat het noodig is dieper te gaan en het leven zelf te verbeteren. Want, terwijl het ontwijfelbaar waar is, dat veel gedaan kan worden door systematisch invloed uit te oefenen op de levensvoorwaarden, de meer in bijzonderheden gaande analyse van een verderfelijk milieu dient toch alleen om aan te toonen, dat het voor het grootste gedeelte zijn grond vindt in het menschelijk organisme zelf en dat het niet alleen vóór de geboorte zijn oorsprong vindt, maar zelfs vóór de conceptie, daar het voortkomt uit de kwaliteit van het organisme van de ouders of van de voorouders.

Als we echter alle philanthropische overwegingen ter zijde stellen, zou toch de ernstige vergissing: te trachten den vooruitgang van de beschaving in de richting van het beheerschen der verwekking, niet voorgekomen zijn, als de algemeene neiging van de zoölogische evolutie begrepen was geworden, zelfs in haar elementen. Alle zoölogische vooruitgang gaat van de meer vruchtbare naar de minder vruchtbare; hoe hooger de soort, des te minder vruchtbaar zijn de individueele leden ervan. Dezelfde neiging wordt gevonden binnen de grenzen van de menschelijke soort, hoewel dan niet in een onveranderlijke rechte lijn; de groei van de beschaving sluit een vermindering in vruchtbaarheid in zich. Dit is in het geheel geen nieuw verschijnsel; het oude Rome en later Genève, "het Protestantsche Rome", getuigen ervan; ongetwijfeld is het voorgekomen in ieder hoog centrum van moreele en intellectueele beschaving, hoewel de gegevens waarnaar men de neiging kan afmeten niet meer bestaan. Als wij ons een voldoende ruim en duidelijk overzicht verschaffen, dan moeten we erkennen, dat de neiging van een gemeenschap om haar natuurlijke toename te verminderen, een essentieel verschijnsel is van iedere geavanceerde beschaving. De meer intelligente naties hebben de neiging het eerst vertoond en in iedere natie nemen de beter opgevoede klassen de leiding, doch het is alleen maar een kwestie van tijd, dat alle beschaafde naties, en alle maatschappelijke klassen in iedere natie, zich er bij zullen aansluiten [422]. Deze beweging is, zooals we in herinnering moeten houden--tegenovergesteld aan den onwetenden roep van zekere would-be moralisten en politici--een weldadige beweging. Ze beteekent een grooter respect voor de kwaliteit dan voor de kwantiteit van de toename; ze sluit in zich de mogelijkheid van met succes de nadeelen van een hooge beschaving te bestrijden, ziekte, overbevolking en al de menigvuldige ellenden, die onvermijdelijk samengaan met een te groot geboortecijfer. Want alleen in een gemeenschap, die langzaam toeneemt is het mogelijk de juiste economische voorwaarden te verkrijgen en de wijzigingen in het milieu, die noodig zijn voor een gezond burgerlijk en persoonlijk leven [423]. Als die menschen, die den kreet aanheffen van "zelfmoord van het ras" ten aanzien van den achteruitgang van het geboortecijfer de kennis hadden en het verstand om de velerlei nadeelen te erkennen, die zij te voorschijn roepen, dan verdienden ze als misdadigers behandeld te worden.

In de practijk is in de beschaafde maatschappij de kennis van de mogelijkheid van het voorkòmen van de conceptie ongetwijfeld nooit afwezig geweest en zelfs niet in lagere stadiën van de beschaving, hoewel ze meestal aangewend is geworden voor doeleinden van persoonlijk gemak of in praktijk gebracht in gehoorzaamheid aan regels der conventie, die kuischheid eischten, en ze is eerst in den laatsten tijd dienstbaar gemaakt aan de ruimere belangen van de maatschappij en aan de verheffing van het ras. Men kan wel zeggen, dat de theoretische basis van de contrôle op de verwekking, van zijn maatschappelijke en economische, afgezien van zijn eugenische gezichtspunten, dateert van den beroemden Essay on Population van Malthus, die het eerst uitgegeven werd in 1798, een opzienbarend boek,--hoewel de grondstelling ervan niet onmiddellijk te demonstreeren is,--daar het niet alleen diende als punt van uitgang voor de philanthropische beweging tot beperking van de verwekking, maar ook Darwin (en onafhankelijk van hem ook aan Wallace) het vruchtbare denkbeeld aan de hand deed, dat zich ten slotte ontwikkelde in de groote evolutietheorie van de natuurlijke keuze.

Malthus echter was er zeer ver vandaan te beweren, dat de beperking van de voortplanting, die hij aanraadde in het belang van de menschheid, uitgevoerd zou worden door het invoeren van voorbehoedmiddelen bij het sexueel verkeer. Hij meende, dat de beschaving een grootere mate van zelfbeheersching met zich bracht, die het mogelijk zou maken zich geheel van geslachtsverkeer te onthouden, als zulk een zelfbeheersching in het belang van de menschheid geëischt werd. Latere denkers hebben echter erkend, dat, terwijl het ontwijfelbaar waar is, dat de beschaving meer voorzorg en grootere zelfbeheersching in zich sluit, wij niet vooruit kunnen zeggen, dat die eigenschappen zich moeten ontwikkelen in zulk een mate, als Malthus eischt, vooral als de impuls, die beheerscht moet worden, van een zoo machtigen en explosieven aard is.

James Mill was de pionier voor het aanraden van Nieuw-Malthusiaansche methoden, hoewel hij zich voorzichtig uitsprak. In 1818, in het artikel "Colony" in het supplement van de Encyclopædia Britannica, gaat hij voort, na opgemerkt te hebben, dat het middel om het onbeperkt toenemen van de bevolking tegen te gaan, het belangrijkste praktische probleem is, waarop de wijsheid van den politicus en moralist zich richten kan: "Als de bijgeloovigheden van de kinderkamer uit de wereld werden verbannen en het nuttigheidsprincipe strak in het oog gehouden werd, zou het niet moeilijk zijn een oplossing te vinden". Vier jaar later drukte de vriend van James Mill, Francis Place, de radicale hervormer, meer precies de gedachte uit, die klaarblijkelijk in den geest van Mill aanwezig was. Na de feiten opgesomd te hebben, die betrekking hebben op de noodzakelijkheid van zelfbeheersching bij de verwekking en de nadeelen van het vroege huwelijk, die hij meent, dat men jonge menschen duidelijk voor oogen moest stellen, gaat Place voort: "Als een honderdste, misschien een duizendste gedeelte van de moeite gedaan werd om deze waarheden mede te deelen, die er gedaan wordt om dogma's te onderwijzen, dan zou er, in geen groot tijdsverloop een groote verandering ten goede plaats vinden in het vòorkomen en de gewoonten van de menschen. Als men, bovenal, duidelijk begreep, dat het geen schande was voor getrouwde menschen om voorbehoedmiddelen te gebruiken, die de conceptie voorkomen zonder nadeelig te zijn voor de gezondheid, of hinderlijk te zijn voor de vrouwelijke fijngevoeligheid, dan zou de toename van de bevolking ineens beperkt zijn tot binnen de middelen van bestaan; misdaad en ellende zouden, in niet geringe mate, uit de maatschappij verwijderd worden; en het doel van Mr. Malthus en Mr. Godwin, en ieder philanthropisch persoon zou bevorderd worden door het toenemen van comfort, van verstand, en van moreel gedrag, bij de massa van de bevolking. De aanbevolen gedragslijn zal eens, daarvan ben ik volkomen overtuigd, door de menschen gevolgd worden, zelfs als ze aan zich zelf zijn overgelaten" [424].

Het duurde niet lang of de prophetische woorden van Place begonnen erkend te worden, en nog een halve eeuw later had de beweging invloed op het geboortecijfer van alle beschaafde landen, hoewel nauwelijks gezegd kan worden, dat veel recht gedaan is aan de pioniers, die ze bevorderden ondanks veel vervolging van het onwetende en bijgeloovige publiek, dat zij trachtten goed te doen. In 1831 gaf Robert Dale Owen, de zoon van Robert Owen, zijn Moral Physiology uit, waarin hij de methoden uiteenzette ter voorkoming van de conceptie. Iets later wijdden de broeders George en Charles Drysdale (geboren in 1825 en 1829), twee vurige en onvermoeide philanthropen veel van hun energie aan het verbreiden van de Nieuw-Malthusiaansche grondbeginselen. George Drysdale publiceerde, in 1854, zijn Elements of Social Science, dat vele jaren lang in geheel Europa enorm veel gelezen werd, in acht verschillende talen. Het was zeker niet in alle opzichten een wetenschappelijk of gezond werk, maar het had een grooten invloed, en het kwam velen in handen, die nooit eenig werk over sexueele onderwerpen gezien hadden. Na veel vijandschap ondervonden te hebben, kreeg de zaak van het nieuw-Malthusianisme een schitterende rechtvaardiging in 1876, toen Charles Bradlaugh en Mrs. Besant, die vervolgd waren voor het verspreiden van brochures van deze strekking, vrijgesproken werden; de Lord Chief Justice verklaarde, dat een zoo slecht overlegde en onrechtvaardige aanklacht wel nog nooit in een gerechtshof was behandeld. Deze rechtszaak gaf, zelfs door haar publiciteit alleen al en afgezien van den afloop ervan, een grooten stoot aan de beweging van het nieuw-Malthusianisme. Het is wel bekend, dat de gestadige achteruitgang van het geboortecijfer in Engeland in 1877 begon, het jaar na het gerechtelijk onderzoek. Er kon geen schitterender illustratie zijn van het feit, dat, wat men gewend was te noemen "de werktuigen van de Voorzienigheid" inderdaad onbewuste werktuigen zijn tot het teweeg brengen van groote doeleinden, die wij zelf volstrekt niet bedoelden of wenschten.

In 1877 stichtte Dr. C. R. Drysdale de Malthusiaansche bond, en gaf een tijdschrift uit, The Malthusian, hierin steeds geholpen door zijn vrouw, Dr. Alice Drysdale Vickery. Hij stierf in 1907. (Het edele pionierswerk van de Drysdales is in hun eigen land nog niet voldoende erkend; een apprecieerend en wèl-ingelicht artikel door Dr. Hermann Rohleder, "Dr. C. R. Drysdale, Der Hauptvertreter der Neumalthusianische Lehre", verscheen in het Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Maart, 1908). Er zijn nu in alle beschaafde landen genootschappen en tijdschriften voor het verspreiden van de nieuw-Malthusiaansche grondbeginselen, zooals ze gewoonlijk genoemd worden, hoewel het goed zou zijn het gebruik van den naam van Malthus in dit verband te vermijden. Wat de medici betreft, begon het aanraden van voorbehoedmiddelen bij het sexueel verkeer, niet op maatschappelijke, maar op medische en hygiënische gronden, ongeveer dertig jaar geleden, hoewel in Frankrijk Raciborski al vroeger de methode aanraadde den tijd om en bij de menstruatie te vermijden. In Duitschland is Dr. Mensinga, de gynaecoloog, op medische en hygiënische gronden de meest op den voorgrond tredende voorstander van wat hij noemt "facultatieve steriliteit", die hij het eerst aanbevolen heeft in 1889. In Rusland werd, omstreeks denzelfden tijd, kunstmatige steriliteit openlijk aangeraden door den beroemden gynaecoloog, Professor Ost, in de maatschappij voor obstetrie en gynaecologie in St. Petersburg. Zulke medische aanbevelingen, in bijzondere gevallen, beginnen nu gewoon te worden.

Er zijn bepaalde gevallen, waarin iemand in het geheel niet behoort te trouwen; dit is, bij voorbeeld, zoo, als er een aanval van krankzinnigheid voorgekomen is; het kan nooit met zekerheid gezegd worden, dat iemand, die een aanval van krankzinnigheid gehad heeft, er niet nog een zal krijgen, en menschen, die zulke aanvallen gehad hebben moesten, naar Blandford zegt (Lumleian Lectures on Insanity, British Medical Journal, April 20, 1895) "hun deelgenoot voor het leven niet blootstellen aan den angst en het gevaar, die zulk een aanval meebrengt". Er zijn andere en talrijke gevallen, waarin het huwelijk kan toegestaan worden, of waar het al heeft plaats gevonden, onder gunstiger omstandigheden, maar waar het zeer wenschelijk is of geworden is, dat geen kinderen zullen komen. Dit is het geval als een eerste aanval van krankzinnigheid voorkomt na het huwelijk, des te dringender als de aangetaste de vrouw is, en vooral als de ziekte den vorm aanneemt van krankzinnigheid bij kraamvrouwen. "Wat kan bedroevender zijn", vraagt Blandford (loc. cit.), "dan een vrouw te zien ineenstorten bij de geboorte van een kind, haar te zien herstellen, weer te zien instorten en zoo voort, bij zes, zeven of acht kinderen, terwijl de tijd van herstel tusschen ieder kind korter en korter wordt, totdat zij bijna een chronische krankzinnige is?" Bovendien heeft Tredgold (Lancet, Mei 17, 1902) gevonden dat onder kinderen, die uit krankzinnige moeders geboren zijn, de sterfte tweemaal zoo groot is als de gewone kindersterfte, zelfs in de armste districten. In gevallen van vereeniging van personen met tuberculeuze antecedenten, wordt ook door velen gemeend (b.v. door Massalongo, waar hij tuberculose en huwelijk bespreekt op het Congres voor Tuberculose in Napels in 1900), dat alle voorzorgen genomen moeten worden om te maken, dat zulk een huwelijk kinderloos blijft. In een derde klasse van gevallen is het noodig het aantal kinderen tot éen of twee te beperken; dit is bij sommige gevallen van hartziekte, waarbij zwangerschap een toenemend verzwakkenden invloed heeft op het hart (Kisch, Therapeutische Monatsheft, Feb., 1898 en Sexual Life of Woman; Vinay, Lyon Medical, Jan. 8, 1889); in sommige gevallen van hartziekte is het echter mogelijk, dat het, hoewel er geen reden is om het huwelijk te beletten, voor een vrouw wenschelijk is in het geheel geen kinderen te hebben (J. F. Blacker, "Heart Disease in Relation to Pregnancy", British Medical Journal, Mei 25, 1907).

In al zulke gevallen is het aanbevelen van voorbehoedmiddelen bij het verkeer klaarblijkelijk een onmisbare hulp voor den medicus bij het leggen van den nadruk op het hooge belang van hygiënische voorzorgen. Als er zulke methoden niet zijn, kan hij er nooit zeker van zijn, dat zijn waarschuwingen gehoord zullen worden, en zelfs het volgen van zijn raad zou verschillende ongewenschte resultaten hebben. Het gebeurt soms, dat een gehuwd paar zelfs voordat ze trouwen, overeenkomt, samen te leven zonder sexueele betrekkingen, maar, om verschillende redenen, wordt het zelden mogelijk of praktisch bevonden deze leefwijze langen tijd vol te houden.

Het is de erkenning van deze en dergelijke overwegingen, die geleid heeft--hoewel dan eerst in de laatste jaren--naar we gezien hebben, aan den eenen kant tot het invoeren van de contrôle op de verwekking in de praktische moraal van alle beschaafde naties, en, aan den anderen kant, tot de bewering, die nu misschien, zonder uitzondering door alle medische autoriteiten in sexueele zaken gedaan wordt, dat het gebruik van middelen om de conceptie te voorkomen onder bepaalde omstandigheden dringend noodzakelijk is en volkomen onschadelijk [425]. Men glimlacht tegenwoordig, als men leest, dat het minder dan een eeuw geleden mogelijk was voor een kundig en geacht medisch schrijver om te verklaren, dat het gebruik van "verschillende afschuwelijke middelen" om de conceptie te voorkomen, gebaseerd is "op een zeer aanmatigenden twijfel aan de behoudende kracht van den Schepper" [426].

De toepassing van de theorie in de praktijk is nog niet volkomen, en we zouden ook niet kunnen verwachten, dat dat zoo was, want, naar we gezien hebben, is er altijd een tegenstelling tusschen de practische en de traditioneele moraal. Van tijd tot tijd komen er frappante voorbeelden voor van deze tegenstelling [427]. Zelfs in Engeland, dat een pioniersrol vervuld heeft bij het controleeren van de verwekking, worden nog pogingen gedaan--soms in kwartieren, waar we meer bekendheid verwacht zouden hebben--om een beweging in discrediet te brengen, waarvan men het recht van bestaan niet meer in twijfel kan trekken, sedert ze zoowel wetenschappelijk goedgekeurd wordt als in algemeen gebruik is gekomen.

Het zou misplaatst zijn hier de verschillende middelen te bespreken, die gebruikt worden ter controleering van de verwekking of de respectieve verdiensten en gebreken daarvan. Het is voldoende te zeggen, dat de condom, die de oudste is van alle middelen ter voorkoming van de conceptie, tegenwoordig door bijna alle autoriteiten beschouwd wordt, als het veiligste, het gemakkelijkste en het onschuldigste middel, indien hij tenminste gebruikt wordt, zooals het behoort [428]. Dit is de opinie van Kraft-Ebing, van Moll, van Schrenck-Notzing, van Löwenfeld, van Forel, van Kisch, van Fürbringer, om maar enkele van de meest bekende medische autoriteiten te noemen [429].

Het heeft zijn belang den oorsprong en de geschiedenis na te gaan van den condom, hoewel het onmogelijk schijnt dit met eenige nauwkeurigheid te doen. Waarschijnlijk werd hij, in een rudimentairen vorm, al in de vroege oudheid toegepast. In China en Japan worden, naar het schijnt, schijven geolied papier gelegd op den baarmoedermond, ten minste bij prostituées. Dit schijnt wel de eenvoudigste en duidelijkst mechanische methode te zijn om de conceptie te voorkomen, en zij kan wel aanleiding hebben gegeven tot het aanwenden van een beschutting om den penis, als een methode, die meer effect had. In Europa schijnen wij, in het midden van de zestiende eeuw, in Italië, het eerst te hooren van zulke middelen, in den vorm van linnen bedekkingen, in den vorm van den penis; Fallopius raadde het gebruik van zulke middelen aan. Langzamerhand werden er verbeteringen aangebracht in de vervaardiging; eerst werd de blinde darm van het lam gebruikt en later vischlijm. Het schijnt wel, dat er groote verbeteringen in de vervaardiging werden aangebracht in de zeventiende of achttiende eeuw, en deze verbeteringen werden algemeen in verband gebracht met Engeland. Het middel werd dus bekend als de Engelsche cape of mantel, de "capote anglaise", of de "redingote anglaise", en onder dezen naam wordt er naar verwezen door Casanova, in het midden van de achttiende eeuw (Casanova, Mémoires, ed. Garnier, dl. IV, p. 464). Casanova schijnt deze "redingotes" echter nooit zelf gebruikt te hebben, daar hij er, zooals hij zeide, niet van hield, "zich op te sluiten in een stuk doode huid om te bewijzen, dat hij volkomen levend" was. Deze capotes--toen uit goudvlies gemaakt--waren, naar het schijnt, al veel vroeger bekend aan Mme de Sévigné; zij was ze niet gunstig gezind, want, in een van haar brieven, verwijst zij er naar als "cuirasses contre la volupté et toiles d'arraignée contre le mal". De naam "condom" dateert uit de achttiende eeuw, en komt het eerst voor in Frankrijk; men meent algemeen, dat het de naam is van een Engelsch medicus, die het middel uitvond, of liever verbeterde. Condom is echter geen Engelsche naam, maar er is een Engelsche naam Condon, waarvan "condom" wel een verbastering kan zijn. Deze veronderstelling vindt nog meer grond, omdat het woord soms werkelijk geschreven werd "condon". Zoo vind ik, in een versje, door Bachoumont in zijn dagboek aangehaald, (Dec. 15, 1773), en waarvan men meent, dat het gericht was aan een vroegere ballet-danseres, die prostituée was geworden:--

"Du condon cependant, vous connaissez l'usage

Le condon, c'est la loi, ma fille, et les prophètes!"

De moeilijkheid blijft echter bestaan een Engelschman te ontdekken van den naam Condon, die met eenige waarschijnlijkheid in verband kan worden gebracht met den condom: ongetwijfeld heeft hij de zaak niet opgeschreven, omdat hij nooit dacht, dat zijn uitvinding beroemd, of dat zijn naam onsterfelijk zou worden. Ik vind geen enkelen Condon vermeld in de boeken van het College of Physicians, en wat de boeken van het College of Surgeons betreft, waarvan de oude lijsten zeer onvolkomen zijn, heeft Mr. Victor Plarr, de bibliothecaris mij, na vriendelijk onderzoek gedaan te hebben, verklaard, dat de naam niet vermeld wordt. Nog andere verschillende uitleggingen van den naam zijn gegeven, met meerdere of mindere zekerheid, maar gewoonlijk zonder eenig bewijs. Zoo zegt Hyrtl (Handbuch der Topographischen Anatomie, 7e dr. dl. II, p. 212), dat condom oorspronkelijk gondom genoemd werd, naar den naam van den Engelschen uitvinder, een ridder aan het hof van Karel II, die er het eerst een moet gemaakt hebben uit het eivlies van een schaap; maar Gondom is evenmin een Engelsche naam als Condom. Er is een Fransche stad in Gascogne, die Condom heet, en Bloch vermoedt, maar zonder bewijzen bij te brengen, dat de naam hier vandaan komt; als dat echter zoo is, dan is het niet waarschijnlijk, dat de naam onbekend zou zijn in Frankrijk. Hans Ferdy meent, ten slotte, dat hij afgeleid is van "condus"--dat, wat bewaart--en, in overeenstemming met zijn theorie, noemt hij den condom een condus.

De oudste geschiedenis van den condom wordt in korte woorden door verschillende schrijvers besproken, zooals door Proksch, Die Vorbauung der Venerischen Krankheiten, p. 48; Bloch, Sexual Life of Our Time, hoofdst. XV en XXVIII; Cabanès, Indiscretions de l'Histoire, p. 121, etc.

De beheersching van de verwekking door het voorkomen van de conceptie is, zooals we gezien hebben, een deel geworden van de moraal van beschaafde volken. Er is een andere methode, wel niet ter voorkoming van de conceptie, maar ter beperking van de nakomelingschap, die zich veel vroeger in de wereld heeft vertoond, hoewel ze op verschillende tijden zeer verschillend beschouwd is en nog zeer tegenstrijdige meeningen in het leven roept. Dit is het middel van de miskraam.

Terwijl het gebruik der miskraam geenszins, als het gebruik van het voorkomen van de conceptie, in de beschaafde wereld aangenomen is, schijnt het toch wel geen diepen tegenzin te wekken bij een groot deel van de bevolking in beschaafde landen. De meerderheid der vrouwen, wel-opgevoede en zeer moreele vrouwen niet uitgesloten, die zwanger worden tegen haar wensch, nemen de mogelijkheid van het opwekken van miskraam in overweging, zonder de minste gewetensbezwaren, en kennen gewoonlijk zelfs niet de gewone professioneele houding van de kerk, de wet en de geneeskunde met betrekking tot de miskraam. Waarschijnlijk zijn alle medici wel met dit feit in aanraking gekomen, en zelfs een zoo bekend en correct kenner der medische wetten als Brouardel zeide [430] dat hem tamelijk dikwijls gevraagd was geworden miskraam op te wekken, door dames, die het beschouwden als een volkomen natuurlijke zaak, en die in het minst geen vermoeden hadden, dat de wet het gevraagde als een misdaad beschouwde.

Het is derhalve niet te verwonderen, dat miskraam zeer gewoon is in alle beschaafde en vooruitstrevende landen. Ongelukkig kan niet gezegd worden, dat het afdrijven in praktijk is gebracht overeenkomstig eugenische overwegingen, en het wordt zelfs niet dikwijls aangeraden van het standpunt der eugeniek. Maar in een groot aantal gevallen van niet-gewenschte zwangerschap, die voorkomt bij vrouwen van karakter en energie, die niet gewend zijn zich rustig neêr te leggen bij toestanden, die ze niet gezocht hebben, en in ieder geval als niet-gewenscht beschouwen, wordt dikwijls de toevlucht genomen tot afdrijven. Gewoonlijk beschouwt men de Vereenigde Staten als het land, waar het gebruik vooral bloeit, en zeker moet een land, waar het ideaal van kuischheid voor ongetrouwde vrouwen, van vrijheid voor getrouwde vrouwen, van onafhankelijkheid voor allen, in de praktijk gevolgd wordt, wel gunstig gestemd zijn jegens het gebruik der afdrijving. Maar de wijze, waarop het veel voorkomen van de afdrijving erkend wordt in de Vereenigde Staten, berust waarschijnlijk voor het grootste gedeelte op de eerlijkheid van de Amerikanen bij het openbaar maken en het trachten te verbeteren van wat zij, te recht of ten onrechte, beschouwen als maatschappelijke gebreken, en het kan best, dat het niet beteekent, dat het werkelijk veel vóórkomt in de praktijk. Vergelijkende statistieken bewijzen niet veel, en het is zeker waar, dat afdrijving uiterst gewoon is in Engeland, Frankrijk en Duitschland. Waarschijnlijk kunnen nationale verschillen wel teruggebracht worden tot verschillen in algemeene maatschappelijke gewoonten en idealen. Zoo kan bv. in Duitschland, waar groote sexueele vrijheid aan ongetrouwde vrouwen wordt toegestaan en waar getrouwde vrouwen zeer gebonden zijn aan haar huis, afdrijving minder voorkomen dan in Frankrijk, waar reinheid met nadruk geëischt wordt van het jonge meisje, terwijl de getrouwde vrouw vrijheid eischt voor haar werk en haar vermaak. Maar zulke nationale verschillen, als ze al bestaan, beginnen uit te slijten en aanklachten wegens misdadig afdrijven worden in Duitschland steeds gewoner; hoewel het wel wezen kan, dat deze toename alleen berust op grooteren ijver bij het vervolgen van het vergrijp.

Brouardel (op. cit., p. 39) verdedigt de meening, dat in New-York slechts een van de duizend afdrijvingen ontdekt wordt. Dr. J. F. Scott (The Sexual Instinct, hoofdst. VIII), die zelf sterk tegen het gebruik is, meent, dat in Amerika de gewoonte om miskraam op te wekken "zulke groote verhoudingen aangenomen heeft, dat het haast niet te gelooven is", terwijl "een onnoemelijk aantal van gevallen" nooit aan het licht komen. "Het is zoo snel toegenomen in onzen tijd en in onze generatie", zegt Scott, "dat het verwondering en onrust gewekt heeft in den geest van alle conscientieuse personen die op de hoogte zijn van de mate, waarin het doorgevoerd wordt". (De bewering, dat zij, die het afdrijven goedkeuren, noodzakelijk geen "conscientieuse personen" zijn, is, zooals we zullen zien, een misverstand). De verandering heeft plaats gevonden na 1840. Het Michigan Special Committee on Criminal Abortion berichtte in 1881, dat uit een correspondentie met bijna honderd medici bleek, dat de faculteit te hooren kreeg van zeventien afdrijvingen op iedere honderd zwangerschappen; bij deze, meent de commissie, kunnen er nog verscheidene gevoegd worden, die den medicus nooit ter oore komen. Het comité haalde verder, trouwens zonder bevestiging, de meening aan van een dokter, die zegt, dat er tegenwoordig een verandering komt in de publieke opinie jegens den verwekker van miskraam, die in Amerika begint beschouwd te worden als een nuttig lid van de maatschappij, en zelfs als een weldoener.

Ook in Engeland schijnt er in de laatste jaren een duidelijke toename te zijn geweest van abortus, die misschien vooral duidelijk uitkwam onder de arme en hard-werkende klassen. Een schrijver in het British Medical Journal (April 9, 1904, p. 865) vindt afdrijven "gezond en systematisch", en geeft vier gevallen, die in zijn praktijk voorkomen in vier maanden, waarin vrouwen òf trachtten zelf miskraam op te wekken, òf hem vroegen het te doen; zij waren getrouwde vrouwen, gewoonlijk met een groot gezin en van zwakke gezondheid, en zij waren bereid iedere ellende te dragen, als ze maar bewaard werden voor verder kinderen krijgen. Miskraam wordt dikwijls opgewekt of beproefd door het innemen van "Vrouwenpillen", die kleine porties lood bevatten, en dus zeer ernstige verschijnselen kunnen te voorschijn roepen, hetzij zij miskraam opwekken of niet. Professor Arthur Hall, van Sheffield, die dit gebruik van lood speciaal bestudeerd heeft ("The Increasing Use of Lead as an Abortifacient", British Medical Journal, Maart 18, 1905), vindt, dat het gebruik in den laatsten tijd in het midden van Engeland zeer gewoon is geworden, en dat het, naar het schijnt, in steeds ruimer kring voorkomt. Het komt voornamelijk voor onder getrouwde vrouwen met gezinnen, die tot den werkmansstand behooren, en het komt vooral veel voor in tijden van economische crisissen (vergelijk G. Newman, Infant Mortality, p. 81). Vrouwen van de betere standen nemen haar toevlucht tot beroeps-afdrijvers en gaan soms naar Parijs.

Ook in Frankrijk, en vooral in Parijs, is in de laatste jaren de afdrijving zeer toegenomen. (Zie bv. een discussie in de Société de Médecine Légale in Parijs, Archives d'Anthropologie Criminelle, Mei, 1907). Doléris heeft aangetoond (Bulletin de la Société d'Obstétrique, Febr., 1905), dat in de Parijsche Maternités het percentage van de afdrijvingen bij bevallingen tusschen 1898 en 1904 tot het dubbele steeg, en Doléris taxeert, dat ongeveer de helft van deze miskramen kunstmatig waren opgewekt. In Frankrijk wordt miskraam opgewekt door beroeps-afdrijvers. Een van deze, Mme Thomas, die in 1891 tot tuchthuisstraf veroordeeld werd, erkende, dat ze 10.000 afdrijvingen had bewerkt in acht jaar; zij rekende twee francs en meer voor de operatie. Zij was een boerendochter, die opgevoed was in het huis van haar oom, een dokter, wiens medische en obstetrische boeken zij had verslonden (A. Hamon, La France en 1891, blz. 629-631). De publieke opinie in Frankrijk is toegevend voor afdrijving, vooral jegens vrouwen, die de operatie op zichzelf toepassen; niet veel gevallen worden voor het gerechtshof gebracht, en van deze worden er 40 percent vrijgesproken (Eugène Bausset, L'Avortement Criminel, Thèse de Paris, 1907). De beroeps-afdrijver echter wordt gewoonlijk naar de gevangenis gezonden.

In Duitschland schijnt de afdrijving in de laatste jaren ook zeer te zijn toegenomen, en het jaarlijksch aantal gevallen van misdadige afdrijving, dat voor de gerechtshoven gebracht werd, was in 1903 meer dan dubbel zooveel als in 1885. (Zie ook Elisabeth Zanzinger, Geschlecht und Gesellschaft, Bd. II, afl. 5; en Sexual-Probleme, Jan., 1908, p. 23).

Met het oog op deze feiten kan het geen verwondering wekken, dat het opwekken van miskraam in veel beschaafde landen is toegestaan en zelfs aangemoedigd wordt. Alleen het Christendom heeft de kunstmatige miskraam absoluut veroordeeld en dat op theoretische gronden. In Turkije bestaat, onder gewone omstandigheden, geen straf op de afdrijving. In de klassieke beschaving van Griekenland en Rome werd afdrijving ook toegestaan, maar onder bepaalde beperkingen en voorwaarden. Plato erkende, dat de moeder recht had te beslissen over de afdrijving, maar hij zeide, dat de kwestie zoo spoedig mogelijk in de zwangerschap moest beslist worden. Aristoteles, die afdrijving goedkeurde, was van dezelfde meening. Zeno en de Stoicijnen beschouwden den foetus als de vrucht van den schoot, die eerst bij de geboorte een ziel kreeg; in gelijken zin verklaarde de Romeinsche wet, dat de foetus eerst bij de geboorte een menschelijk wezen werd [431]. Bij de Romeinen was de afdrijving zeer gewoon, maar, in overeenstemming met de patriarchale basis van de oude Romeinsche instellingen was het de vader, en niet de moeder, die het recht had ze op te wekken. Het Christendom introduceerde een nieuwen kring van denkbeelden, gebaseerd op het belang van de ziel, op de onsterfelijkheid ervan, en de noodzakelijkheid van den doop als een methode tot redding van de gevolgen van de erfzonde. Wij vinden deze nieuwe houding al bij den Heiligen Augustinus, die, waar hij bespreekt of embryo's, die in den schoot zijn gestorven, zullen opstaan bij de opstanding, zegt: "Ik durf het niet bevestigen, noch ontkennen, hoewel ik niet kan inzien, waarom zij, als zij niet uitgesloten zijn van den dood, ook niet zouden kunnen komen tot de opstanding der dooden" [432]. Spoedig werd echter ingesteld, dat afdrijven misdadig was, en de eerste Christelijke keizers vaardigden, in overeenstemming met de kerk, vele fantastische en zware straffen uit tegen de kunstmatige miskraam. Deze neiging ging, onder kerkelijken invloed, onbeperkt voort, totdat de philantropische beweging van de achttiende eeuw, met Beccaria, Voltaire, Rousseau en andere groote hervormers, er in slaagde het getij van de publieke opinie te keeren tegen de barbaarschheid van de wetten, en de doodstraf op de afdrijving werd eindelijk afgeschaft [433].

De tegenwoordige medische wetenschap en practijk--hoewel nauwelijks gezegd kan worden dat zij volkomen eensgezind spreken--nemen over het geheel een houding aan, die het midden houdt tusschen die van de klassieke wetgeleerden en die van de latere Christelijke kerkelijken. Zij zijn over het geheel voor het opofferen van den foetus, telkens wanneer de belangen van de moeder zulk een opoffering eischen. De algemeene opinie der medici is echter op het oogenblik niet bereid om verder te gaan, en ze is er bepaald tegen de ouders te helpen bij het uitoefenen van een onbevoegde contrôle op den foetus in den schoot, en ze is ook nog niet bereid afdrijving op gronden der eugeniek in praktijk te brengen. Het is wel duidelijk, dat de geneeskunde in deze zaak niet het initiatief kan nemen, want het is de voornaamste plicht van de geneeskunde het leven te behouden. De maatschappij zelf moet de verantwoordelijkheid op zich nemen om het ras te beschermen.

Dr. S. Macvie ("Mother versus Child", Transactions Edinburgh Obstetrical Society, deel XXIV, 1899) bespreekt in den breede de respectieve waarden van den foetus en van de moeder op de basis van levensverwachting, en komt tot het besluit, dat de foetus uitsluitend is "een parasiet, die geen enkele functie uitoefent", en dat, "tenzij de levensverwachting van het kind de jaren dekt waarin zijn mogelijkheid veranderd wordt in werkelijkheid, de betrekkelijke waarden van het leven van den foetus en van de moeder zullen zijn als die van werkelijk tegen mogelijk". Deze bewering schijnt tamelijk gezond. Ballantyne (Manual of Antenatal Pathology: The Foetus, p. 459) maakt de bewering meer precies door te zeggen, dat "het leven van de moeder waarde heeft, omdat zij is wat zij is, terwijl de foetus alleen maar een waarde heeft om wat hij misschien worden zal".

Durlacher heeft onder anderen zorgvuldig en nauwkeurig de verschillende voorwaarden onderzocht, waaronder de medicus al dan niet miskraam moet opwekken in het belang van de moeder ("Der Künstliche Abort", Wiener-Klinik, Aug. en Sept., 1906); en ook Eugen Wilhelm ("Die Abtreibung und das Recht des Arztes zur Vernichtung der Leibesfrucht", Sexual-Probleme, Mei en Juni, 1909). Wilhelm bespreekt verder de kwestie, of het wenschelijk is de wetten te veranderen om den medicus grooter vrijheid te geven bij het beslissen tot afdrijving. Hij komt tot het besluit, dat dit niet noodig is en zelfs verkeerd zou kunnen werken door op ongepaste wijze de medische vrijheid te belemmeren. Iedere verandering in de wetgeving moet, meent hij, slechts zijn in de richting van de beschouwing, dat het vernietigen van den foetus niet afdrijving is in den wettelijken zin, mits het gedaan wordt naar de regelen der medische wetenschap. Wat de schuchterheid aangaat van sommige medici bij het opwekken van miskraam, merkt Wilhelm op, dat, zelfs bij den tegenwoordigen stand van de wet, de medicus, die na rijp beraad miskraam teweegbrengt, overeenkomstig zijn beste weten, zelfs als hij het mis heeft, zich als veilig kan beschouwen voor iedere wettelijke straf, en dat hij veel meer kans heeft met de wet in botsing te komen, als er bewezen kan worden, dat de dood het gevolg is van zijn verzuim miskraam teweeg te brengen.

Pinard, die het recht besproken heeft om invloed uit te oefenen op het leven van den foetus (Annales de Gynécologie, deel lii en liii, 1899 en 1900), komt, geïnspireerd door zijn enthusiaste propaganda voor de redding van het kinderleven, tot de onverantwoordelijke conclusie, dat niemand het recht heeft op het leven en den dood van den foetus; "het recht van het kind op zijn leven is een onvervreemdbaar en heilig recht, dat geen macht hem kan ontnemen". Er heeft hier een vergissing plaats, tenzij Pinard zich bepaaldelijk, evenals Tolstoy, stellen wil tegenover den stroom der beschaafde moraal. Wel verre er vandaan, dat het kind eenig "onvervreemdbaar recht op leven" zou hebben, heeft zelfs de volwassene, in menschelijke maatschappijen, zulk een onvervreemdbaar recht niet, en veel minder de foetus, die eigenlijk in het geheel geen menschelijk wezen is. Wij matigen ons het recht aan het leven te doen eindigen van die individuen, wier tegenmaatschappelijk gedrag hen gevaarlijk maakt, en in den oorlog maken wij met opzet, onder algemeene goedkeuring en algemeen enthusiasme, een einde aan het leven van mannen, die speciaal voor dit doel zijn uitgekozen wegens hun physieke en algemeene geschiktheid. Het zou dwaas inconsequent zijn te zeggen, dat wij geen recht hebben over het leven van schepselen, die, tot nog toe, in het geheel geen deel hebben aan de menschelijke maatschappij, en die zelfs nog niet geboren zijn. Wij bevinden ons hier in tegenwoordigheid van een oud theologisch dogma, en er kan niet veel twijfel aan zijn dat, van den theoretischen kant tenminste, het "onvervreemdbaar recht" van het embryo denzelfden weg zal opgaan als het "onvervreemdbaar recht" der spermatozoën. Van beide is het recht werkelijk "onvervreemdbaar".

In de laatste jaren heeft zich een nieuwe, en we moeten het toegeven, eenigszins onverwachte zienswijze aangaande deze kwestie der afdrijving voorgedaan. Tot nog toe is het een kwestie geweest, die geheel in handen was van mannen, eerst, volgens de Romeinsche tradities, van de Christelijke geestelijkheid, en later in handen van de beroepsklassen. Toch is de kwestie werkelijk in zeer ruime mate en zelfs voornamelijk een vrouwenkwestie, en tegenwoordig wordt ze, vooral in Duitschland, actief door vrouwen aangevat. Gravin Gisela Streitberg neemt met haar boek Das Recht zur Beseitigung Keimenden Lebens de pioniersplaats in in deze beweging, en zij werd spoedig gevolgd, van 1897 af, door een aantal beroemde vrouwen, die een voorname plaats innemen in de Duitsche vrouwenbeweging, onder andere Helene Stöcker, Oda Olberg, Elisabeth Zanzinger, Camilla Jellinek. Al deze schrijfsters betoogen met nadruk, dat de foetus nog niet een onafhankelijk menschelijk wezen is, en dat iedere vrouw, krachtens haar recht op haar eigen lichaam, er over te beslissen heeft of het een onafhankelijk menschelijk wezen worden zal. Op het Congres voor Vrouwen, gehouden in het najaar van 1905, werd een motie aangenomen, waarin geëischt werd dat afdrijving alleen strafbaar zou zijn, als ze gedaan werd door een ander persoon, tegen den wensch van de zwangere vrouw zelf [434]. Het aannemen van deze motie door een vergadering van afgevaardigden is een belangwekkend bewijs van de belangstelling, die de vrouwen tegenwoordig voor de zaak hebben en van de energieke houding die zij aannemen.

Elisabeth Zanzinger ("Verbrechen gegen die Leibesfrucht", Geschlecht und Gesellschaft, Bd. II, afl. 5, 1907) veroordeelt met kunde en energie de wet, die afdrijving tot een misdaad verklaart. "Een vrouw zelf is de eenige wettige bezitster van haar eigen lichaam en haar eigen gezondheid... Evenals het het persoonlijk recht en de meest intieme zaak van een vrouw is om haar maagdelijkheid als haar beste gave te geven aan den uitverkorene van haar hart, zoo is het zeker de persoonlijke zaak van een zwangere vrouw als zij, om redenen die haar goed toeschijnen, besluit de resultaten van haar daad te vernietigen". Een vrouw, die het embryo vernietigt, dat een last zou kunnen worden voor de gemeenschap, of dat waarschijnlijk een inferieur lid zou opleveren voor de maatschappij, zegt deze schrijfster, doet de gemeenschap een dienst; die behoorde haar daarvoor te beloonen, door haar misschien speciale voorrechten te verleenen bij het opvoeden van haar andere kinderen. Oda Olberg tracht in een diepzinnig geschrift ("Ueber den Juristischen Schutz des Keimenden Lebens", Die Neue Generation, Juni 1908), duidelijk te maken, dat alles vervat is in de poging het zich ontwikkelende embryo te beschermen tegen het organisme, dat het draagt, om op die wijze een schepsel te beschermen, dat bestaat, tegen zichzelf en zijn eigen instincten. Zij meent, dat de meeste van de vrouwen, die haar zwangerschap kunstmatig doen eindigen, slechts ongewenschte producten zouden voortbrengen, want de normale, gezonde, stevige vrouw wenscht geen miskraam op te wekken. "Er zijn vrouwen, die psychisch steriel zijn, zonder dat ze het physiek zijn, en die niets van moederlijkheid in zich hebben dan de geschiktheid om voort te brengen. Als deze miskraam opwekken, verbeteren zij eenvoudig een fout van de natuur". Als sommigen van haar voortgaan tot de tijd voorbij is, worden zij schuldig aan het veel erger vergrijp van kindermoord. Wat de vrouwen aangaat, die miskraam wenschen enkel uit motieven van ijdelheid of gemak, wijst Oda Olberg er op, dat de kringen, waarin deze motieven gelden, zeer wel in staat zijn hun kindertal te beperken, zonder hun toevlucht te nemen tot afdrijving. Zij komt tot het besluit, dat de maatschappij het jonge leven op alle wijzen moet beschermen, door maatschappelijke hygiëne, door wetten ter bescherming van werkende vrouwen, door het verspreiden van een nieuwe moraal op de basis van de erfelijkheidswetten. Maar wij behoeven het jonge schepsel niet tegen zijn eigen moeder te beschermen, want duizende natuurlijke krachten dwingen de moeder haar eigen kind te beschermen, en we kunnen er zeker van zijn, dat zij niet, zonder zeer goede redenen, zal ongehoorzaam zijn aan die krachten. Camilla Jellinek betoogt ook (Die Strafrechtsreform, etc., Heidelberg, 1909) in een indrukwekkende toespraak voor de verzamelde Duitsche vrouwen-vereenigingen, in Breslau, in denzelfden geest.

De wetgevers kwamen zeer spoedig de vrouwen in deze zaak te hulp, des te gereedelijker, voorzeker, omdat de tradities van het grootste en invloedrijkste wettelijk lichaam, aan één kant ten minste, reeds in dezelfde richting wezen. We kunnen inderdaad zeggen, dat het van den kant der wet geweest is--en in Italië, het klassieke land der wettelijke hervorming--dat deze nieuwe beweging het eerst begonnen is. In 1888 gaf Balestrini, in Turijn, zijn Aborto, Infanticidio ed Esposizione d'Infante uit, waarin hij betoogde, dat de straf op de afdrijving moest worden afgeschaft. Het was een kundig en geleerd boek, geïnspireerd door ruime ideeën en een philantropischen geest, maar, hoewel het belang ervan nu erkend wordt, kan niet gezegd worden dat het veel aandacht trok bij de publicatie.

Voornamelijk in Duitschland zijn in de laatste jaren de wetgevers de hervormsters nagevolgd, door meer of minder volkomen de afschaffing van de straf op de afdrijving aan te raden. Een zoo beroemd autoriteit als Von Liszt zegt in een persoonlijken brief aan Camilla Jellinek (op. cit.), dat hij de straf op de afdrijving beschouwt als "van zeer twijfelbaar recht", hoewel hij meent, dat het niet praktisch is ze geheel af te schaffen; hij meent dat afdrijving kon worden toegestaan in de eerste maanden van de zwangerschap, en komt zoo op het oude standpunt terug. Hans Gross zegt als zijn opinie (Archiv für Kriminal-Anthropologie, Bd. XII, p. 345), dat de tijd niet ver af is, waarop afdrijving niet meer gestraft zal worden. Radbruch en Von Lilienthal spreken in denzelfden geest. Weinberg heeft een verandering in de wet aangeraden (Mutterschutz, 1905, afl. 8), en Kurt Hiller (Die Neue Generation, April 1909), beweert, ook van den kant der wet, dat afdrijving alleen strafbaar moest zijn als ze bewerkt werd door een getrouwde vrouw, zonder voorkennis en toestemming van haar echtgenoot.

De medische stand, die in den nieuweren tijd de eerste schrede gedaan heeft tot autoriseeren van de afdrijving, heeft tot nog toe geen verdere stappen gedaan. Hij is er mee tevreden geweest de grondstelling te verkondigen, dat, als de belangen van de moeder staan tegenover die van den foetus, deze laatste opgeofferd moeten worden. Hij heeft geaarzeld den verderen stap te doen en de afdrijving te plaatsen op de basis der eugeniek en het recht te eischen op afdrijving aan te dringen ieder keer, dat de medische en hygiënische belangen van de maatschappij zulk een stap eischen. Deze houding is volkomen te begrijpen. Men heeft de geneeskunde altijd geïdentificeerd met het behouden van leven, zelfs van waardeloos en erger dan waardeloos leven. "Houdt alles in het leven! Houdt alles in het leven!" riep Sir James Paget nerveus. De geneeskunde heeft zich beperkt tot de nederige taak kwalen te genezen, en begint eerst tegenwoordig de grooter en edeler taak te ondernemen van ze te voorkomen.

"De schrede van het dooden van het kind in den schoot, tot het vermoorden van een persoon buiten den schoot, is een gevaarlijk kleine schrede", merkt een medisch schrijver van later tijd op, en hij spreekt waarschijnlijk voor vele anderen, die zich op eene of andere wijze blind houden voor het feit, dat deze "gevaarlijk kleine schrede" door het menschdom gedaan is, lang voordat afdrijving in de wereld bekend was.

Hier en daar echter hebben medische schrijvers van naam de verdere uitbreiding aangeraden van de afdrijving, met voorzorgen, en onder behoorlijk toezicht, als een hulp bij den vooruitgang der eugeniek. Zoo is Professor Max Flesch (Die Neue Generation, April, 1909) voor een verandering in de wet om afdrijving toe te staan (mits ze gedaan wordt door den medicus) in speciale gevallen, zooals wanneer de zwangerschap van de moeder door verkrachting is teweeg gebracht, als zij verlaten is geworden, of als, in het belang van de gemeenschap, het wenschelijk is de verspreiding te voorkomen van krankzinnige, misdadige, alcoholische of tuberculeuze personen.

In Frankrijk heeft een medicus, Dr. Jean Darricarrère een merkwaardigen roman geschreven, Le Droit d'Avortement (1906), waarin de stelling wordt verkondigd, dat een vrouw altijd volkomen het recht heeft op afdrijving, en dat zij de hoogste rechter is wat de vraag betreft of zij de pijn en de gevaren der geboorte van kinderen wil ondergaan of niet. De kwestie berust hier echter, klaarblijkelijk, niet op medische, maar op philantropische en feministische grondslagen.

Wij hebben gezien, dat zoowel van de zijde der praktijk als van die der theorie, in de laatste jaren een groote verandering heeft plaats gevonden in de houding jegens de afdrijving. Het moet echter duidelijk erkend worden, dat, in tegenstelling met de contrôle op de verwekking door methoden tot het voorkómen van de conceptie, facultatieve miskraam nog niet opgenomen is in onze aangenomen maatschappelijke moraal. Als ik hier een persoonlijke opinie mag invoegen, dan zou ik willen zeggen, dat het mij toeschijnt, dat onze moraal zich hier tamelijk verstandig gedraagt [435]. Ik ben bepaald van meening, dat een onbeperkte permissie aan vrouwen om afdrijving in haar eigen belang toe te passen, of zelfs voor gemeenschappen om ze toe te passen in het belang van het ras, niet zou passen bij onze tegenwoordige maatschappij. Zooals Ellen Key met kracht betoogt, een beschaving, die zonder protest toelaat, dat haar zorgvuldig uitgekozen volwassen mannen in den oorlog op barbaarsche wijze worden geslacht, heeft nog niet het recht verkregen met opzet ook maar zelfs haar meest inferieure levensproducten in den schoot te vernietigen. Aan een gemeenschap, die schuldig is aan zoo'n roekelooze verspilling van levens, kan niet veilig deze oordeel-vereischende functie worden toevertrouwd. De blinde en doellooze bezorgdheid om de meest hopelooze en verlaagde levensvormen te koesteren, zelfs van het ongeboren leven, mag wel een zwakheid heeten, en daar het dikwijls leidt tot grenzenloos lijden, een misdaad. Maar tot nog toe is er een onoverkomelijke hinderpaal, die vooruitgang in deze richting in den weg staat. Voordat wij gerechtigd zijn opzettelijk een leven te vernietigen om een leven te behouden, moeten wij leeren, hoe we het kunnen behouden door het afschaffen van die vernielende invloeden--oorlog, ziekte, slechte arbeidsvoorwaarden--die gemakkelijk binnen onze maatschappelijke macht als beschaafde naties liggen [436].

Er is verder een andere overweging, waarvan het mij toeschijnt, dat ze gewicht in de schaal legt. De vooruitgang van de beschaving gaat in de richting van grootere voorzorg, meer voorkómen, een verminderde behoefte om te strijden tegen het roekelooze gebrek aan vooruitzien. De noodzakelijkheid tot afdrijving is juist een van die resultaten van roekeloos handelen, die de beschaving neiging heeft om te verminderen. Terwijl we kunnen toegeven, dat bij een gezonder toestand van de beschaafde maatschappij er nog enkele gevallen zouden kunnen voorkomen, waarin het opwekken van miskraam wenschelijk zou kunnen zijn, schijnt het wel waarschijnlijk, dat het aantal van zulke gevallen eer zal afnemen dan toenemen. Om de behoefte aan afdrijving uit den weg te ruimen, en om de propaganda ten gunste er van tegen te gaan, moeten wij ons aan den eenen kant voornamelijk verlaten op een grootere zorgvuldigheid bij het bepalen van de conceptie en een meerdere kennis van de middelen ter voorkoming van de conceptie [437], en aan den anderen kant op een betere zorg door den Staat voor zwangere vrouwen, getrouwde en ongetrouwde gelijkelijk, en een erkenning in de praktijk van aanspraken binnen zekere perken, van de moeder op de maatschappij [438]. Er kan maar weinig twijfel aan zijn, dat, bij menige aanklacht wegens misdadige afdrijving, het werkelijke vergrijp ligt bij hen, die hun sociale en hun beroepsplicht niet hebben vervuld van het bekend maken van de meer natuurlijke en onschuldige voorbehoedmiddelen tegen de conceptie, of die anders door hun maatschappelijke houding de positie van de zwangere vrouw ondragelijk gemaakt hebben. Door werkdadige maatschappelijke hervorming in deze twee richtingen kan de nieuwe beweging ten gunste van de afdrijving in toom gehouden worden, en men heeft zelfs gevonden, dat, door het bevorderen van zulk een hervorming, die beweging weldadig is geweest.

Wij hebben gezien, dat de opzettelijke beperking van de conceptie een deel geworden is van onze beschaafde moraal, en dat de praktijk en de theorie van de facultatieve afdrijving vasten voet onder ons gekregen hebben. Er blijft nog een derde en meer radicale methode over ter controleering van de verwekking, de methode van het geheel wegnemen van de mogelijkheid van de verwekking door het castreeren, of door andere kleinere operaties, die eenzelfde verhinderende uitwerking hebben op de voortplanting. De andere twee methoden hebben alleen invloed op een enkele vereenigingsdaad of de gevolgen daarvan, maar castratie heeft invloed op alle volgende daden van sexueele vereeniging en vernietigt gewoonlijk voor goed de voortbrengende kracht.

Castratie voor verschillende maatschappelijke en andere doeleinden is een oude en ver verspreide gewoonte, die toegepast wordt op menschen en op dieren. Er heeft echter, over het geheel, een soort van vooroordeel tegen bestaan, als ze werd toegepast op menschen. Vele volken hebben een groote heilige waarde gehecht aan de ongeschondenheid van de sexueele organen. Bij sommige natuurvolken is het verwijderen van deze organen beschouwd geworden als een speciaal wreede beleediging, die alleen gedaan kon worden in oogenblikken van groote opgewondenheid, zooals na een veldslag. De geneeskunde heeft zich gekant tegen iedere inmenging met de sexueele organen. De eed, die de Grieksche medici afleggen, schijnt castratie te beletten: "Ik wil niet snijden" [439]. In moderne tijden heeft er een groote verandering plaats gevonden, castratie wordt zoowel aan mannen als aan vrouwen gedaan bij ziekelijke toestanden; dezelfde operatie wordt soms aangeraden en nu en dan gedaan in de hoop, dat zij sterke en abnormale sexueele impulsen uit den weg zal ruimen. En in de laatste jaren is de castratie te hulp geroepen, wegens haar meer radicaal karakter, in zake de negatieve eugeniek, en waarlijk in grootere mate, omdat ze een meer radicaal karakter heeft dan het voorkomen van de conceptie of de afdrijving.

De beweging, die de castratie begunstigt, schijnt begonnen te zijn in de Vereenigde Staten, waar verschillende pogingen gedaan zijn ze in de wet opgenomen te krijgen. Ze werd eerst uitsluitend aangeraden als een straf voor misdadigers, en vooral voor sexueele vergrijpen, door Hammond, Everts, Lydston en anderen. Van dit standpunt schijnt ze echter onvoldoende te zijn en misschien onwettig. In vele gevallen is castratie in het geheel geen straf en inderdaad een positieve weldaad. In andere gevallen, als ze gedaan wordt tegen den wil van de persoon, die het aangaat, kan ze zeer hinderlijke geestelijke gevolgen hebben, die bij reeds gedegenereerde of wilszwakke personen kunnen leiden tot krankzinnigheid, misdadigheid, en tegen-maatschappelijke neigingen, die veel gevaarlijker zijn dan de oorspronkelijke toestand. Overwegingen der eugeniek, die later op den voorgrond kwamen, vormen een veel grooter argument vóor castratie; in dit geval wordt de castratie geenszins verricht om een barbaarsche en vernederende straf op te leggen, maar, met toestemming van den geopereerde, om de gemeenschap te beschermen tegen het gevaar van nuttelooze en verkeerde leden.

Het feit, dat castratie eigenlijk niet langer als een straf kan beschouwd worden, blijkt wel uit de mogelijkheid de operatie met opzet te doen verrichten enkel voor het gemak, als een meer te verkiezen en uiterst werkdadig surrogaat voor het gebruiken van voorbehoedmiddelen bij het sexueele verkeer. Ik ken op het oogenblik maar eén geval, waarin deze gedragslijn gekozen is. Dit geval is van een medicus (van een Puriteinsch Nieuw Engelsche familie) met wiens sexueele geschiedenis, die volkomen normaal is, ik sinds lang bekend ben. Hij is nu negen en dertig jaar oud. Eenige jaren geleden begon hij voorbehoedmiddelen te gebruiken, omdat hij een voldoend groot gezin had. De daarop volgende gebeurtenissen verhaal ik met zijn eigen woorden: "De last, de voorzorg, enz., noodig gemaakt door voorbehoedmiddelen werden mij meer en meer hinderlijk naarmate de jaren voorbij gingen, en eindelijk legde ik de zaak voor aan een anderen medicus, en op zijn verantwoording en na rijp overleg met mijn vrouw, werd ik spoedig daarop geopereerd en steriel gemaakt door het aan beide zijden bloot leggen van het "vas deferens", en het tusschen twee zijden draden afbinden ervan. Dit werd gedaan nadat het door cocaine infiltratie ongevoelig gemaakt was, en was niet buitengewoon pijnlijk, hoewel de pijn, die het gaf, (het uittrekken van het koord door de spleet) zeer moeilijk te verdragen scheen. Ik behoefde mijn werk geen dag na te laten, en was op geenerlei wijze ernstig uit mijn doen. Na zes dagen werd het laatste naaisel verwijderd en na drie weken kon ik het verband weglaten, dat noodig was gemaakt door de uiterste gevoeligheid van de testikels en van den zaadstreng.

"De operatie is op alle wijzen gebleken een volkomen succes te zijn. De sexueele functies zijn op geenerlei wijze aangedaan. Er bestaat geen gevoel van ongemak of onbehagen in de genitaliën zelf, en wat mij het vreemdst van alles toeschijnt, is het feit, dat het zaad, voor zoover men kan waarnemen door gewone waarnemingsmiddelen, onverminderd is in hoeveelheid en onveranderd in kwaliteit. (Natuurlijk zou het microscoop de essentieele, beslissende verandering doen blijken).

"Mijn vrouw is verrukt, nu alle vrees uit onze liefde verbannen is, en, alles bij elkaar genomen, schijnt het, dat het leven voor ons beiden meer waarde heeft. Toevallig schijnen wij beiden gezonder dan gewoonlijk, en dit is vooral het geval bij mijn vrouw; zij schrijft dit toe aan den gunstigen invloed, die er door bereikt wordt, dat de zaadvloed op volkomen normale wijze wordt aangebracht en in aanraking blijft met de afscheidingen van de vagina, totdat hij op natuurlijke wijze verwijderd wordt.

"Daar deze operatie betrekkelijk nieuw is, en tot nog toe niet dikwijls op anderen gedaan is dan op krankzinnigen, misdadigers, enz., dacht ik, dat ze u misschien zou interesseeren. Als ik ook maar de geringste lichtstraal geworpen heb op dit grootste van alle menschelijke problemen, dan zal ik werkelijk blij zijn".

Zulk een geval, met zijn tot nu toe bevredigende resultaten, verdient zeker wel vermelding, hoewel het misschien nog niet veel navolging zal vinden.

De eerste, die, voor zoover ik heb kunnen vinden, de castratie als maatregel der negatieve eugeniek heeft aangeraden, en dat voor het speciale "doel van prophylaxis, als toegepast op de verbetering van het ras en de bescherming van de maatschappij", is Dr. F. E. Daniel, uit Texas, in het jaar 1893 [440]. Daniel verwarde echter castratie als methode tot zuivering van het ras, een methode, die uitgevoerd kan worden in verstandhouding met het individu, dat geopereerd wordt, met castratie als een straf, die opgelegd moet worden voor verkrachting, sodomie, beestachtigheid en zelfs masturbatie uit gewoonte, terwijl de wijze van uitvoering bovendien buitengewoon barbaarsch en primitief is, n.l. het geheel wegnemen van de genitaliën. In de laatste jaren zijn eenigszins meer gepaste, praktische en wetenschappelijke methoden der castratie aangeraden, die niet het verwijderen van de geslachtsklieren of organen in zich sluiten, en niet als een straf, maar eenvoudig ter bescherming van de gemeenschap en het ras tegen den last van waarschijnlijk onproductieve en mogelijk gevaarlijke leden. Näcke heeft, van 1899 af, herhaaldelijk de maatschappelijke voordeelen opgesomd van dezen maatregel [441]. Het vermeerderen van de minderwaardige elementen van de maatschappij, zegt Näcke, brengt ongeluk in het gezin en is een bron van groote uitgaven voor den Staat. Hij beschouwt castratie als het eenige krachtige voorbehoedmiddel, en hij komt daarom tot het besluit, dat we het moeten aannemen, zooals we ook de vaccinatie aangenomen hebben, er voor zorgende, dat we ons verzekeren van de toestemming van den persoon zelf of van zijn voogd, van de burgerlijke autoriteiten, en zoo noodig van een commissie van deskundigen. Ook Professor Angelo Zuccarelli uit Napels heeft van 1899 af, den nadruk gelegd op het belang van de castratie, voor het steriel maken van de epileptici, de krankzinnigen van verschillende klassen, de alcoholici, de tuberculeuzen en de instinctieve misdadigers, terwijl de keuze van gevallen ter operatie gedaan moet worden door een commissie van deskundigen, die schoolkinderen, candidaten voor openbare betrekkingen, of personen, die op het punt waren te trouwen, zouden moeten onderzoeken [442]. Deze beweging won spoedig veld, en in 1905, bij de jaarlijksche vergadering van Zwitsersche krankzinnigen-artsen, waren de leden het er algemeen over eens, dat het steriel maken van krankzinnigen wenschelijk is, en dat de kwestie wettelijk geregeld moet worden. In Zwitserland zijn, wat Europa betreft, de eerste stappen gedaan om de castratie als maatregel van maatschappelijke prophylaxe ten uitvoer te brengen. Het zestiende jaarlijksche rapport (1907) van het kantonale krankzinnigengesticht te Wil geeft vier gevallen van castratie, twee bij mannen en twee bij vrouwen,--gedaan met de toestemming van de patienten en de burgerlijke autoriteiten--uit maatschappelijke beweegredenen; beide vrouwen hadden tevoren onwettige kinderen gehad, die een last waren voor de maatschappij, en alle vier de patienten waren sexueel abnormaal; de operatie stelde de patiënten in staat van hun lasten bevrijd te worden en te werken, en de resultaten werden beschouwd als in alle opzichten bevredigend voor allen, die er bij betrokken waren [443].

Het invoeren van de castratie als een methode der negatieve eugeniek is vergemakkelijkt door het gebruik van nieuwe methoden om ze zonder gevaar uit te voeren, en zonder de testes en de ovariën te verwijderen. Voor mannen is daar de eenvoudige methode van vasectomie, zooals ze wordt aangeraden door Näcke en vele anderen. Voor vrouwen is er de hiermee overeenkomende, en bijna even eenvoudige en onschuldige methode van Kehrer door doorsnijding en onderbinding van de Fallopiaansche buizen, aanbevolen door Kisch, of het zeer daarop gelijkende proces van Rose, dat door een ervaren hand in een paar minuten wordt ten uitvoer gebracht, zooals aanbevolen wordt door Zuccarelli.

Men heeft gevonden, dat herhaald blootstellen aan x-stralen steriliteit teweeg brengt bij beide seksen, bij dieren zoogoed als bij menschen, en menschen, die met x-stralen werken, moeten verschillende voorzorgsmaatregelen in acht nemen om niet onder deze werking te lijden. Men heeft de onderstelling geopperd, dat het aanwenden van x-stralen een goed surrogaat zou zijn voor castratie: het schijnt, dat de uitwerking van de toepassing waarschijnlijk maar een paar jaren zal duren, en dat zou, in sommige gevallen, een voordeel wezen. (Zie British Medical Journal, Aug. 13, 1904; ib., Maart l.l., 1905; ib., Juli 6, 1907).

Het is welhaast niet mogelijk, naar het mij toeschijnt, de castratie als methode van negatieve eugeniek met groot enthusiasme te beschouwen. Bovendien moest de roekeloosheid, waarmee men soms voorstelt ze bij de wet toe te passen--waarschijnlijk ten gevolge van het feit, dat ze klaarblijkelijk niet zoo terugstootend is als het minder radicale proces van de afdrijving--ons zeer voorzichtig maken. Wij moeten ook het denkbeeld van castratie als een straf laten varen; als zoodanig is ze niet alleen barbaarsch, maar vernederend en is het niet waarschijnlijk, dat ze een gunstigen invloed zal hebben. Als methode van negatieve eugeniek behoort ze nooit in praktijk gebracht te worden zonder toestemming van den persoon, die het aangaat. Het feit, dat het in sommige gevallen noodig zou kunnen zijn om iemand te isoleeren, als hij niet overging tot castratie, zou ongetwijfeld een feit zijn, dat invloed zou uitoefenen ten gunste van het geven van toestemming; maar de toestemming is absoluut noodzakelijk als de persoon, die de operatie ondergaat, voor vernedering zal worden bewaard. Een mensch, die vernederd is en verbitterd door een opgedrongen castratie, zou niet gevaarlijk zijn voor het nageslacht, maar zou gemakkelijk een gevaarlijk lid kunnen worden van de maatschappij, waarin hij daadwerkelijk leefde. Met gepaste voorzorgsmaatregelen en veiligheidsmaatregelen kan de castratie ongetwijfeld een zekere rol spelen bij de verheffing en de verbetering van het ras [444].

De methoden, die we in overweging hebben genomen, in zooverre zij de kracht tot voortbrengen beperken van de minder gezonde en werkdadige families in een gemeenschap, zijn methoden der eugeniek. Men moet echter niet meenen, dat zij de geheele eugeniek zijn, of dat zij op eenigerlei wijze behooren tot het wezen van het plan der eugeniek. De eugeniek heeft betrekking op alle werkingen, die de menschelijke nakomelingschap verheffen en verbeteren; afdrijving en castratie zijn middelen, die tot dit doel gebruikt worden, maar het zijn geen middelen, die iedereen goedkeurt, en het is ook niet uitgemaakt, of de doeleinden, die zij bereiken niet beter bereikt kunnen worden door andere middelen; in ieder geval zijn het methoden der negatieve eugeniek. Blijft over het veld van de positieve eugeniek, die betrekking heeft niet op het doen verdwijnen van minderwaardige families, maar op het uitmaken van wat de betere families zijn en op het bevorderen van hun kracht tot voortplanting.

Terwijl de noodzakelijkheid van zich van voortplanting te onthouden niet langer een hinderpaal is voor het huwelijk, blijft de kwestie of twee personen met elkaar moeten trouwen in het meerendeel der gevallen een ernstige kwestie uit het standpunt van positieve en negatieve eugeniek beide, want het normale huwelijk moet wel kinderen in zich sluiten, zooals ook werkelijk het voornaamste en meest gewenschte doel ervan is. Wij moeten niet alleen in overweging nemen welke de families zijn, die niet geschikt zijn om nageslacht voort te brengen, maar ook welke de families of individuen zijn, die het meest geschikt zijn om nageslacht voort te brengen en onder welke voorwaarden de verwekking het best kan worden tot stand gebracht. De tegenwoordige onvolledigheid van onze kennis in deze zaken legt den nadruk op de behoefte aan zorg en voorzichtigheid bij het naderen tot deze vragen.

Het kan wel gepast zijn op dit punt te verwijzen naar de proef van de Oneida Community bij het instellen van een systeem van wetenschappelijke voortplanting, onder de leiding van een man, wiens kundigheid en aanzien als een pionier eerst in den tegenwoordigen tijd voldoende beginnen erkend te worden. John Humphrey Noyes was zijn tijd te ver vooruit, om op zijn juiste waarde geschat te worden; op zijn meest werd hij beschouwd als een slim en succesvol stichter van een secte, en zijn pogingen om de eugeniek op het leven toe te passen wekten alleen lachlust en vervolging, zoodat hij ongelukkig gedwongen werd een zeer leerzame proef tot een ontijdig einde te brengen. Zijn plan en zijn principe, die ongeveer veertig jaar geleden gedrukt zijn, zijn uiteengezet in een Essay on Scientific Propagation, waarin de problemen besproken worden, die eerst tegenwoordig de aandacht beginnen te trekken van de praktische menschen binnen de sfeer van de maatschappelijke politiek. Toen Noyes zijn krachtigen en praktischen geest richtte op de kwestie der eugeniek, was die kwestie uitsluitend in handen van de mannen der wetenschap, die al de natuurlijke schuchterheid voelden van den geleerde voor de verwerkelijking van zijn voorstellen, en die geen lust hadden ook maar een haarbreed af te wijken van de conventie van hun tijd. Met de proef van Noyes, in Oneida, begint een nieuw stadium in de geschiedenis der eugeniek; wat ook de waarde van de proef geweest mag zijn--en een eerste proef kan niet dadelijk eindresultaat hebben--met Noyes kwam de kwestie der eugeniek uit het zuiver academisch stadium, waarin ze, sinds den tijd van Plato, geweest was. "Het begint duidelijk te worden", zegt Noyes aan het begin, "dat de grondslagen van een wetenschappelijke maatschappij moeten gelegd worden in de wetenschappelijke wijze van voortplanting van menschelijke wezens". Als we dat doen, moeten we op twee dingen letten: bloed (of erfelijkheid) en opvoeding; en hij stelt bloed voorop. Daarin was hij het eens met de nieuwste voorstanders der eugeniek van den tegenwoordigen tijd ("de natie heeft jaren lang al haar aandacht gewijd aan "milieu", terwijl "erfelijkheid" in de eerste plaats komt", zooals Karl Pearson het uitdrukt), en hij gaf tevens blijk van de breedheid van zijn opvatting in vergelijking van den gewonen maatschappelijken hervormer, die in die dagen gewoonlijk een fanatiek geloovige was aan den invloed van opvoeding en milieu. Noyes zet de positie van Darwin uiteen ten opzichte van de grondbeginselen van de beschaving, en ook de schrede verder dan Darwin, die door Galton is gedaan. Hij merkt dan op, dat Galton, als hij aan het punt komt, waar het noodig is van de theorie over te gaan tot de plichten, die de theorie oplegt, "hij in het zachtzinnigste conservatisme verzinkt". (Men moet in herinnering houden, dat dit geschreven is in een tijd toen Galton's werk pas uitkwam). Deze conclusie was geheel tegenovergesteld aan het praktische en godsdienstige temperament van Noyes. "Onze plicht is duidelijk; wij zeggen, dat wij het moeten doen--wij willen het doen--maar wij kunnen niet. De wet van God drijft ons voort; maar de wet van de maatschappij houdt ons tegen. De moedigste weg is de veiligste. Laten we de wet eerlijk en vast onder de oogen zien. Het is alleen in de vreesachtigheid van de onwetendheid, dat de plicht onuitvoerbaar schijnt". Noyes was een voorganger van Galton, in zooverre hij de eugeniek beschouwde als een zaak van den godsdienst.

Noyes stelde voor het werk van de moderne wetenschap op het gebied van de voortplanting "Stirpicultuur" te noemen, waarin hij door anderen gevolgd is. Hij meent, dat het de taak van den stirpiculturist is om zoowel kwantiteit als kwaliteit van de familie voor oogen te houden, en hij meende, dat, zonder de kwantiteit te verminderen, het mogelijk was de kwaliteit te verbeteren door het uitoefenen van een zeer strenge keuze van de mannen. Op dit punt heeft Noyes steun gevonden bij Karl Pearson en anderen, die aangetoond hebben, dat maar een betrekkelijk klein gedeelte van een bevolking noodig is om de volgende generatie voort te brengen, en dat in werkelijkheid twaalf percent mannen van een geslacht vijftig percent van de volgende generatie voortbrengt. Wat wij moeten verzekeren, is, dat dit kleine deel van de bevolking, dat voort zal brengen, dat deel zal zijn, dat het best voor het doel geschikt is. "De hoeveelheid van de productie zal in directe verhouding staan tot het aantal vruchtbare vrouwen", zooals Noyes de kwestie zag, "en de waarde, die voortgebracht wordt, voor zoover het de keuze betreft, zal bijna in omgekeerde verhouding staan tot het aantal vruchtbare mannen". In deze zaak was Noyes een voorganger van Ehrenfels. De twee principes, die men voor oogen moet houden waren "Teel van de besten", en "Teel in denzelfden kring", met een zorgvuldig en nu en dan voorkomend toevoegen van nieuwe rassen. (Opgemerkt moet worden, zooals Reibmayr, in zijn nieuwe pas uitgekomen Entwicklungsgeschichte des Genies und Talentes, betoogt, dat de hoogere rassen en de hoogere individuen, in de menschelijke soort zijn voortgebracht door een onbewust aanhangen juist van deze principes). "Door het uitkiezen van hoogere families, en door het onder elkaar telen van deze, zouden hoogere soorten menschelijke wezens kunnen worden voortgebracht, die vergeleken zouden kunnen worden bij den volbloed onder al de huisdieren". Hij illustreert dit door de eerste geschiedenis van de Joden.

Noyes critiseert ten slotte de tegenwoordige methode, of gebrek aan methode, in zake de voortplanting. Ons huwelijkssysteem laat, zooals hij het uitdrukt, de paring over aan een algemeene verwarring. Door het groote verschil tusschen de seksen in kracht tot voortbrengen buiten beschouwing te laten, "beperkt het iederen man, wat ook zijn potentie en zijn waarde mogen zijn tot de mate van productie, waartoe een vrouw, in den blinde gekozen, misschien in staat is". Bovendien beslist het, gaat hij voort, "in de praktijk tegen de besten, en ten gunste van de slechtsten; want, terwijl de goede man door zijn geweten beperkt zal zijn tot wat de wet toestaat, zal de slechte, zonder eenige moreele beperking, zijn zaad uitstrooien buiten de wettige grenzen, zoover als hij maar durft". "Wij zijn op alle wijzen veilig als we zeggen, dat er geen mogelijkheid is de twee voorschriften van de wetenschappelijke voortplanting vast te leggen in een instelling, die aanspraak maakt op het maken van geen onderscheid, die geen onderdrukking toelaat, die niet meer vrijheid geeft aan de besten dan aan de slechten, en die, in werkelijkheid, altijd onvermijdelijk op de verkeerde wijze onderscheid moet maken, zoolang als de lagere klassen het vruchtbaarste zijn en het minst geneigd de waarschuwingen van wetenschap en moraal ter harte te nemen". Noyes legt er den nadruk op dat, als we onze sexueele instellingen gaan wijzigen, er twee hoofdpunten moeten zijn, die men in herinnering moet houden: het behoud van de vrijheid, en het behoud van het tehuis. Er moet geen dwang zijn in de menschelijke wetenschappelijke voortplanting; ze moet autonoom zijn, geregeld door zelfbestuur, "door de vrije keuze van hen, die genoeg van de wetenschap houden, om zichzelf tot eunuchen te maken terwille van het Koninkrijk der Hemelen". Het tehuis moet ook in stand gehouden, daar "het huwelijk het beste is voor den mensch, zooals hij is"; maar het is noodig het tehuis uit te breiden, te verruimen, want "als alle menschen konden leeren van andere kinderen te houden als van hun eigene, zou er niets zijn om de verbreiding van de wetenschappelijke voortplanting in den weg te staan in tehuizen, die veel beter zouden zijn dan die tegenwoordig bestaan".

De merkwaardige brochure geeft geen beschrijving van de juiste maatregelen, die de Oneida-gemeenschap genomen heeft om deze principes ten uitvoer te brengen. De twee hoofdpunten waren, zooals we weten, "zelfbeheersching der mannen" (zie boven, p. 502), en de vergroote familie, waarin alle mannen de werkelijke of de mogelijke deelgenooten waren van alle vrouwen, maar er vond geen vereeniging plaats ter verwekking, behalve als gevolg van verstandelijke overlegging en bepaald besluit. "De gemeenschap", zegt H. J. Seymour, een van de eerste leden (The Oneida Community, 1894, p. 5), "was een familie, even duidelijk afgescheiden van de omringende maatschappij als gewone huishoudens. De band, die ze te zamen bond, was even duurzaam, en ten minste even heilig als die van het huwelijk. De zorg van iederen man en al het gemeenschappelijk eigendom werd verpand voor het onderhoud en de bescherming der vrouwen, en het onderhoud en de opvoeding der kinderen". Het is niet waarschijnlijk, dat de Oneida-gemeenschap in bijzonderheden het voorbeeld was, waarnaar de menschelijke gemeenschap in het algemeen zich vormen zal. Maar op zijn minst geschat, toont het succes ervan wel aan, zooals Lord Morley ons duidelijk heeft gemaakt (Diderot, deel II, p. 19), "hoezeer sommige feiten van den bestaanden menschelijken aard, die gewoonlijk beschouwd worden als definitief en onuitroeibaar, voor wijziging vatbaar zijn", en dat "het disciplineeren van de driften en neigingen der sekse", waarop de toekomst van de beschaving in ruime mate berust, absoluut geen onmogelijkheid blijkt te zijn.

In vele opzichten was de Oneida-gemeenschap haar tijd,--en zelfs den onzen,--vooruit, maar het is belangwekkend op te merken, dat in zake de beheersching van de conceptie ons huwelijkssysteem op één lijn is gekomen met de theorie en de praktijk van de Oneida-gemeenschap; het kan niet gezegd worden, dat wij de conceptie altijd beheerschen in overeenstemming met de principes der eugeniek, maar het feit, dat zulk controleeren nu een algemeen aangenomen gewoonte van de beschaving geworden is, ontneemt aan de critiek van Noyes op ons huwelijkssysteem tot zekere hoogte de kracht, die ze een halve eeuw geleden had. Nog een andere verandering in onze gewoonten--het aanraden en zelfs de gewoonte van afdrijving en castratie--zou zijn goedkeuring niet verworven hebben; hij was sterk tegen beide, en bij de hooge moraal, die in zijn gemeenschap heerschte, was ook geen van beide noodig tot in stand houding van de stirpicultuur, die overheerschte.

De Oneida-gemeenschap duurde een generatie lang, en eindigde in 1879, in het geheel niet door een erkenning van mislukking, maar door een wijs wijken voor uiterlijken druk. De leden ervan, vele van hen van hooge beschaving, gingen voort de herinnering van de gewoonten en idealen van de gemeenschap in eere te houden. Noyes Miller (de schrijver van The Strike of a Sex, en Zugassant's Discovery) bleef tot het laatst met rustig vertrouwen uitzien naar den tijd waarop, naar hij meende, de groote ontdekking van Noyes aangenomen zou worden door de wereld in het algemeen. Een ander lid van de gemeenschap (Henry J. Seymour) schreef veel later over de gemeenschap, dat "ze een voorbode en een onvolkomen miniatuur van het Koninkrijk der Hemelen op aarde was".

Misschien is het gewoonste type van de voorstellen of pogingen om het biologisch niveau van het ras te verbeteren wel het uitsluiten van bepaalde klassen gedegenereerden van het huwelijk, of het aanmoedigen van de gemeenschap om te trouwen. Dit schijnt op het oogenblik de meest populaire vorm der eugeniek, en in zooverre dit niet bereikt wordt door dwang, maar het gevolg is van een vrijwillig besluit om de kwestie van het ras te behandelen met jaloersche zorg en de bescherming, die een zoo geweldig ernstige, zoo goddelijke taak met zich brengt, is er veel voor en weinig tegen te zeggen.

Maar het is een geheel andere zaak als er een poging gedaan wordt zulk een instelling als het huwelijk bij de wet te regelen. In de eerste plaats weten we nog niet genoeg van de grondbeginselen van de eugeniek en de erfelijkheid van ziekelijke toestanden om ons in staat te stellen gezonde wettelijke voorstellen op deze basis te gronden. Zelfs een betrekkelijk zoo eenvoudige zaak als de verhouding tusschen tuberculose en erfelijkheid kan nauwelijks gezegd worden een zaak te zijn, waarover men het algemeen eens is, zelfs als we aannemen, dat wij voldoende materiaal bezitten, waarop we tot een algemeene overeenstemming zouden kunnen komen. Verondersteld, dat onze kennis van al deze zaken veel verder gevorderd was dan ze is, dan zouden we nog niet een positie bereikt hebben, waarin het mogelijk zou zijn algemeene voorstellen te doen over de wenschelijkheid of de niet-wenschelijkheid van het voortplanten van bepaalde klassen. De kwestie is noodzakelijkerwijze een persoonlijke kwestie, en ze kan alleen beslist worden, als al de omstandigheden van het individueele geval behoorlijk onder de oogen zijn gezien.

Het bezwaar tegen een wettelijke en gedwongen regeling van het recht om te huwen is echter veel fundamenteeler dan de overweging, dat onze kennis op het oogenblik onvoldoende is. Het ligt in de algemeene verwarring, in den geest van hen, die zulk een wetgeving aanraden, tusschen het wettig huwelijk en de voortplanting. De menschen, die in die verwarring vervallen, hebben het a-b-c van het onderwerp, waarover ze zich aanmatigen een oordeel uit te spreken, nog niet geleerd, en ze zijn niet meer bekwaam om wetten te geven dan een kind, dat geen A van een B kan onderscheiden, in staat is om te lezen.

Het huwelijk, in zooverre het een bondgenootschap is voor wederkeerige hulp en troost van twee menschen, die vrij zijn in zulk een bondgenootschap sexueele vereeniging uit te oefenen, als zij dat willen, is het elementair recht van ieder persoon, die niet schuldig is aan bedrog of geheimhouding, en die waarschijnlijk den gekozen deelgenoot geen nadeel zal toebrengen, want in dat geval heeft de maatschappij het recht tusschen beide te komen krachtens haar plicht om haar leden te beschermen. Maar het recht om te trouwen sluit, als het zoo verstaan wordt, het recht om nakomelingen te verwekken in het geheel niet in. Want terwijl het huwelijk op zich zelf alleen invloed heeft op de twee individuen, die het aangaat, en op geenerlei wijze den Staat raakt, heeft de voortplanting in de eerste plaats invloed op de gemeenschap, die ten slotte bestaat uit voortgebrachte personen, en eerst in de tweede plaats op de twee individuen, die de werktuigen zijn der voortplanting. Zoodat, evenals het individueele paar het eerste recht heeft bij de kwestie van het huwelijk, zoo heeft de Staat het eerste recht bij de kwestie van de voortplanting. De Staat is even onbekwaam om de wet op het huwelijk te maken, als het individu onbekwaam is de wet op de voortplanting te maken.

Dat is echter maar de eene helft van de dwaasheid, die begaan wordt door hen, die de candidaten voor het huwelijk zouden willen kiezen bij de wet. Laat ons eens aannemen--zooals inderdaad gemakkelijk aan te nemen is--dat een gemeenschap gedwee de abstracte verbodsbepalingen van het wetboek zal aannemen en haar leden rustig weer naar huis zullen gaan als de ambtenaar van den burgerlijken stand hun mededeelt, dat zij uitgesloten zijn van het wettige huwelijk door de nieuwe lijst van verbodsbepalingen. Een uitgesproken verbod tot voortplanting in het huwelijk, is een onuitgesproken permissie tot voortplanting buiten het huwelijk. Zoo wordt de ongewenschte voortplanting, in plaats van uitgevoerd te worden onder de gunstigste omstandigheden, uitgevoerd onder de gevaarlijkste omstandigheden en het eindresultaat voor de gemeenschap is geen winst, maar een verlies.

Wat gewoonlijk schijnt te gebeuren, bij een formeel wettelijk verbod tegen het huwelijk van een bepaalde klasse, is een combinatie van verschillende nadeelen. Voor een deel wordt de wet een doode letter, voor een deel wordt ze ontdoken door handigheid en bedrog, voor een deel wordt ze gehoorzaamd om aanleiding te geven tot nog ernstiger nadeelen. Dit gebeurde, bij voorbeeld, in het district Terek, in den Caucasus, waar, op verzoek van een medische commissie, aan priesters verboden werd te trouwen met personen, onder wier betrekkingen of voorouders gevallen van melaatschheid waren voorgekomen. Zooveel en zoo verschillende soorten van verkeerdheden werden door dezen maatregel veroorzaakt, dat hij spoedig werd ingetrokken [445].

Als wij in herinnering houden, dat de Katholieke kerk meer dan duizend jaar bezig is geweest met de poging het huwelijksverbod op te dringen aan haar priesters,--een welopgevoede en geoefende klasse van mannen, die ieder geestelijk en wereldlijk motief hadden om het verbod na te komen, en die er bovendien toe opgevoed waren ascetisme als het beste ideaal in het leven [446] te beschouwen,--dan kunnen we begrijpen hoe dwaas het is te trachten hetzelfde doel te bereiken door enkele toevallige verbodsbepalingen uit te vaardigen jegens ongeoefende menschen, die geen enkel motief om aan die bepalingen te gehoorzamen en geen idealen van coelibaat hebben.

De hopeloosheid en zelfs de dwaasheid van het bewerken van eugenistische verbetering van het ras door het enkel plaatsen in het wetboek van verbodsbepalingen aan bepaalde klassen van personen om het huwelijk, zooals het nu is ingesteld, aan te gaan, geeft blijk van de zwakheid van hen, die het eugenistische belang van het milieu onderschatten. Zij, die beweren, dat erfelijkheid alles is, en milieu niets, schijnen op vreemde wijze te vergeten, dat het juist de lagere klassen zijn--degenen, die het meest onderworpen zijn aan den invloed van een slecht milieu--die het veelvuldigst voortbrengen, met de grootste roekeloosheid en het ongelukkigst. De beperking in de voortplanting, en een daarmee samengaande eerbied voor de erfelijkheid, nemen pari passu toe met de verbetering van het milieu en een verhooging van het maatschappelijk welzijn. Als er nu reeds gezegd kan worden, dat waarschijnlijk vijftig percent van het sexueele verkeer--misschien wel de meest voor de voortplanting productieve helft--plaats vindt buiten het wettige huwelijk, dan wordt het wel duidelijk, dat wettelijk verbod aan de ongeschikte klassen om zich van het wettige huwelijk te onthouden, alleen ten gevolge zal hebben, dat zij zich zullen aansluiten bij de voortbrengende klassen buiten het wettige huwelijk. Het is ook duidelijk, dat, als we den factor van het milieu buiten beschouwing willen laten, en de lagere klassen willen overlaten aan de onwetendheid en roekeloosheid, die het gevolg zijn van zulk een milieu, dat dan de eenige praktische methode zal zijn, die aan de eugeniek wordt opengelaten, die van castratie en afdrijving is. Maar deze methode--als ze in het groot wordt toegepast, zooals ze zou moeten worden [447] en zonder toestemming van het individu--is lijnrecht tegenovergesteld aan het moderne gevoel. Zoo zien kortzichtige beoefenaars der eugeniek het belang voorbij van het milieu, het eenige praktische kanaal, waardoor hun doel bereikt kan worden. Zorg voor de voortplanting en zorg voor het milieu zijn niet, zooals sommigen gemeend hebben, aan elkander tegenovergesteld, maar zij volmaken elkaar. De zorg voor het milieu leidt tot een beperken van roekelooze voortplanting, en de beperking op de voortplanting leidt tot een verbeterd milieu.

Als de wetgeving op het huwelijk resultaat zal hebben, dan moet ze ingeprent worden tehuis, in de school, in de spreekkamer van den dokter. Geweld kan hier niets uitwerken; er is opvoeding noodig, niet alleen voorlichting, maar de opvoeding van het geweten en van den wil, en het beheerschen van de emoties.

De wet kan hierbij meewerken om het proces te bevorderen, maar ze kan er niet voor in de plaats komen. Zoo is het zeer wenschelijk, dat, als er een ernstige ziekte verborgen gehouden is door een der partijen bij een huwelijk, zulk verbergen een reden zal zijn tot echtscheiding. Epilepsie kan aangemerkt worden als typisch voor de ziekten, die een reden zouden zijn om geen kinderen te mogen hebben, en het bestaan van de ziekte verzwijgen zou gelijk staan met een nietigverklaring van het huwelijk [448].

In de Vereenigde Staten heeft een hof van cassatie het hof van appèl competent verklaard om een bevel tot echtscheiding uit te spreken, als een van de partijen het bestaan van epilepsie verzwegen heeft. Deze groote belangrijke beslissing, heeft men terecht gezegd [449], is een schrede vooruit op den weg van het menschdom. Er zijn vele andere ernstig pathologische toestanden, waarin echtscheiding zou moeten uitgesproken worden, of van zelf plaats vinden, behalve wanneer men afgezien heeft van het verwekken van kinderen, want in dat geval heeft de Staat niet langer belang bij de verhouding, behalve om te straffen voor ieder bedrog, dat begaan is door verborgen houden.

De eisch, dat een medisch attest bij het huwelijk verplichtend zal worden gesteld, is voornamelijk in Frankrijk gedaan. In 1858 stelde Diday van Lyon, voor, dat alle menschen, zonder uitzondering, zouden gedwongen worden een attest over gezondheid en ziekte bij zich te hebben, een soort van gezondheidspas. In 1872 raadde Bertillon aan, (Art. "Demographie", Dictionnaire Encyclopédique des Sciences Médicales) bij het huwelijk de voornaamste anthropologische en pathologische trekken van de betrokken partijen op te schrijven (lengte, gewicht, kleur van het haar en de oogen, spierkracht, grootte van het hoofd, toestand van het gezicht, het gehoor enz., misvormingen en gebreken, enz.), niet zoozeer echter om ongewenschte huwelijken te voorkomen, als om de studie van menschelijke groepen op bepaalde tijden te vergemakkelijken. Latere eischen van een meer beperkt en partieel karakter voor medische getuigschriften als een voorwaarde voor het huwelijk, zijn gemaakt door Fournier (Syphilis et Mariage, 1890), Cazalis (Le Science et le Mariage, 1890), en Julien (Blénorrhagie et Mariage, 1898). In Oostenrijk betoogt Haskovec uit Praag ("Contrat Matrimonial et l'Hygiène Publique", Comptes-rendus Congrès International de Médecine, Lissabon, 1906, Sectie VII, p. 600), dat, bij het huwelijk, een medisch attest moest worden overgelegd, waaruit blijkt, dat de persoon vrij is van tuberculose, alcoholisme, syphilis, gonorrhoe, ernstigen slechten toestand van den geest of van de zenuwen, die kans heeft nadeelig te zijn voor den anderen deelgenoot of voor het nageslacht. In Amerika vinden Rosenberg en Aronstam, dat ieder huwelijkscandidaat, man zoowel als vrouw, een streng onderzoek moest ondergaan door een deskundige commissie van medici over (1) Familie en Geschiedenis van het Verleden (syphilis, tering, alcoholisme, zenuw- en geestesziekten), en (2) Tegenwoordigen Toestand (grondig onderzoek van alle organen); als dit bevredigend is, zou dan een attest moeten gegeven worden van geschiktheid om gekozen te worden voor het huwelijk. Er wordt op gewezen, dat een maatregel van deze soort voorkomt in de wetten, door sommige Staten gemaakt ter bestraffing met boete, of gevangenschap, van het verborgen houden van een ziekte. Ellen Key meent ook (Liefde en Huwelijk), dat beide partijen bij een huwelijk een attest moesten overleggen van gezond zijn. "Het schijnt mij juist even noodig toe", merkt zij ergens anders op (Eeuw van het Kind, hoofdst. I), "een medisch getuigschrift te vragen voor de geschiktheid om te huwen, als voor de geschiktheid om in militairen dienst te treden. In het eene geval is het een kwestie van het geven van leven; in het andere van het nemen ervan, hoewel voorzeker tot nu toe de laatste zaak beschouwd is geweest als verreweg de ernstigste".

Het getuigschrift, zooals het gewoonlijk aangeraden wordt, zou een persoonlijke, maar noodzakelijke wettiging zijn van het huwelijk in de oogen van de burgerlijke en godsdienstige autoriteiten. Zulk een stap, geëischt ter bescherming van den deelgenoot in het huwelijk en van het nageslacht, zou een nieuwe wettelijke organisatie in zich sluiten van het huwelijkscontract. Dat zulke eischen zoo dikwijls gedaan worden, is van veel beteekenis voor den groei van het moreele bewustzijn in de gemeenschap, en het is goed, dat de gemeenschap bekend wordt met de dringende behoefte er aan. Maar het is zeer ongewenscht, dat zij op het oogenblik of misschien wel ooit zullen worden vastgelegd in wetboeken. Wat noodig is, is het gevoel van persoonlijke verantwoordelijkheid, en de ontwikkeling van afkeer jegens de individuen, die hun verantwoordelijkheid niet inzien. Het is de werkelijkheid van het huwelijk en niet de enkel wettelijke vorm ervan, die we moeten trachten te verbeteren.

De methode van vrijwillige aangifte is de eenige gezonde wijze om deze zaak te naderen. Duclaux meende, dat de huwelijkscandidaat een getuigschrift van gezondheid zou moeten bezitten, ongeveer op dezelfde wijze als de candidaat voor een levensverzekering, want dat de kwestie van beroepsgeheim en die van dwang, niet meer te pas komt bij de eene dan bij de andere zaak. Er is geen reden, waarom zulke getuigschriften, van een geheel vrijwilligen aard, niet gewoon zouden worden onder personen, die voldoende verlicht zijn om al de ernstige gevolgen voor de persoon, de familie en de maatschappij te erkennen, die in het huwelijk voorkomen. Het systeem van eugenisch getuigen, zooals het ingesteld is en ontwikkeld door Galton, zal een waardevol hulpmiddel zijn voor het verhoogen van het moreele bewustzijn in deze zaak. De eugenische getuigschriften van Galton zouden voornamelijk betrekking hebben op de natuurlijke deugden van hooger erfelijk nageslacht--"de openlijke erkenning van een natuurlijken adel"--maar zij zouden ook in zich sluiten de kwestie der persoonlijke gezondheid en van persoonlijke geschiktheid [450].

Verplichte gezondheidsattesten te eischen bij het huwelijk is beginnen bij het verkeerde einde. Het zou niet alleen leiden tot ontduikingen en protesten, maar het zou waarschijnlijk een reactie teweeg brengen. Het is eerst noodig enthusiasme te kweeken voor gezondheid, een moreel geweten in de zaken der voortplanting, te zamen met, aan den wetenschappelijken kant, een algemeene gewoonte om anthropologische, psychologische en pathologische gegevens over het individu op te schrijven, van zijn geboorte af, geheel afgezien van het huwelijk. De vroegere vragenlijsten van Diday en Bertillon stonden dus niet alleen op een gezondere maar ook op een meer practische basis. Als zulke lijsten van de geboorte af aan voor ieder kind bijgehouden werden, zou een speciaal onderzoek bij het huwelijk niet noodig zijn, en het materiaal zou voor veel andere doeleinden bruikbaar zijn. Het is nu nog moeilijk, zulke lijsten te verkrijgen van het oogenblik van de geboorte af, en voor zoover ik weet, zijn er nog geen pogingen gedaan ze stelselmatig in te richten. Maar het is zeer goed mogelijk te beginnen bij het begin van het schoolleven, en dit wordt tegenwoordig op vele scholen gedaan, o.a. op kostscholen in Engeland, Amerika en elders, meer speciaal met betrekking tot de anthropologische, physiologische, en psychologische gegevens, terwijl ieder kind onderworpen wordt aan een nauwkeurig anthropometrisch onderzoek, en zoo voorzien van een systematische opgave aangaande zijn physieken toestand [451]. Dit onderzoek moest, volgens een eenvoudig systeem algemeen worden, en na bepaalde tusschenpoozen herhaald. "Ieder kind moest", zooals naar waarheid gezegd is door Dr. Dukes, den dokter van de Rugby school, "als hij op een openbare school komt even zorgvuldig en grondig onderzocht worden, alsof het voor een levensverzekering was". Als deze wijze van handelen algemeen was van de jeugd af, zou er geen moeilijkheid zijn bij het te voorschijn brengen van het overzicht bij het huwelijk, en er zou geen gelegenheid zijn tot bedrog. Ieder's dossier mocht wel door den Staat geregistreerd worden, zooals dat tegenwoordig gebeurt met testamenten, en moest, als bij deze, na verloop van een eeuw, vrijelijk opengesteld worden voor onderzoekers. Totdat dit verscheiden eeuwen lang zal gedaan zijn, zal onze kennis der eugeniek rudimentair blijven.

Er kan niet veel twijfel aan zijn, of de eugenische houding jegens het huwelijk, en de verantwoordelijkheid van het individu voor de toekomst van het ras, begint langzamerhand meer erkend te worden. Het komt herhaaldelijk voor, dat menschen, die op het punt staan te trouwen, bij den medicus komen in ernstige bezorgdheid over dit punt. Urquhart (Journal of Mental Science, April, 1907, p. 277) meent, dat huwelijken maar zelden nagelaten worden om deze reden; dit schijnt echter een te pessimistische zienswijze, en zelfs als het huwelijk niet nagelaten wordt, wordt het besluit genomen geen nakomelingschap te verwekken. Clouston, die den nadruk legt (Hygiene of the Mind, p. 74) op het belang van "navraag, door elk der partijen van het contract voor het leven gedaan, door hun ouders en hun dokters, wat erfelijkheid, temperament en gezondheid aangaat", is veel hoopvoller aangaande de resultaten dan Urquhart. "Ik heb in de laatste jaren zeer den indruk gekregen", schrijft hij (Journal of Mental Science, Oct. 1907, p. 710), "dat dit onderwerp de intelligente menschen bezighoudt, door het aantal malen, dat ik geraadpleegd word door jonge mannen en jonge vrouwen, die plan hebben te trouwen, of door hun vaders of moeders. Ik heb lang in het diepst van mijn ziel de overtuiging gehad, als ik geraadpleegd werd, dat het er niets toe deed, wat ik zei, dat het geen verschil zou maken. Maar het maakt wèl verschil; en ik, en andere, kunnen vertellen van dozijnen huwelijken, die niet doorgegaan zijn ten gevolge van psychiatrisch medischen raad".

Ellen Key verwijst ook naar de toenemende neiging, zoowel onder mannen als vrouwen, om zich te laten influenceeren door overwegingen der eugeniek bij het vormen van levensgemeenschappen (Eeuw van het Kind, hoofdst. 1). De erkenning van de eugenische houding tegenover het huwelijk, het scherper worden van het maatschappelijk en individueel geweten in zaken der erfelijkheid, evenals het systematisch invoeren van het geven van getuigschriften en het registreeren er van, zal bevorderd worden door de aangroeiende neiging om de geneeskunde te maken tot een zaak der maatschappij, en zou volkomen onmogelijk zijn, als dit niet gebeurde. (Zie b.v. Havelock Ellis, The Nationalization of Health). De Medische Gezondheidsorganisatie van staatswege neemt gestadig en voortdurend toe, en dekt een steeds grooter veld. De dagen van den particulieren medicus--die, zooals Duclaux (L'Hygiène Sociale, p. 263), het uitdrukte, in zijn spreekkamer zit "als een kruidenier, in wiens winkel de klant kan binnenkomen en er weer uitgaan, zooals hij wil, en wanneer hij wil"--zullen ongetwijfeld spoedig voorbij zijn. Men begint tegenwoordig te gevoelen, dat gezondheid een veel te ernstige zaak is, om aan den willekeur van het individu overgelaten te worden, niet alleen uit individueel, maar ook uit maatschappelijk gezichtspunt. Er is, bij sommigen, een neiging om te vreezen, dat de maatschappij den een of anderen dag in het andere uiterste zal vervallen, en voor de geneeskunde denzelfden eerbied zal gaan koesteren, die ze eens had voor de theologie. Dat gevaar ligt nog ver in de toekomst, en het is ook niet waarschijnlijk, dat de geneeskunde zich ooit een gezag van deze soort zal aanmatigen. De geest van de geneeskunde neigt, zeer bepaald, meer in de richting van het ascetisme dan van het dogma, en de fanatici op dit gebied zullen altijd in de overgroote minderheid zijn.

Het algemeen invoeren van authentieke persoonlijke acten met alle essentieele--erfelijke, anthropometrische en pathologische--feiten, moet wel een kracht zijn aan de zijde van de positieve, zoowel als van de negatieve eugeniek, want het zou bevorderlijk zijn aan het voortplanten van de geschikten en dat van de ongeschikten beperken, zonder eenigen wettelijken dwang. Met het toenemen van de eugenische vorming zou het respect voor zulke acten als iets, dat aan het huwelijk voorafgaat, evenzeer een van zelfsprekende zaak worden, als eens het respect was voor geld of voor stand. Een vrouw kan er gewoonlijk voor zorgen, dat ze geen man trouwt zonder geld of vooruitzichten; een man kan hartstochtelijk verliefd zijn op een vrouw van lageren stand dan hij zelf is, maar hij trouwt haar zelden. Er is niets anders noodig dan een duidelijk algemeen begrip van alles wat erfelijkheid en gezondheid in zich sluit, om overwegingen der eugeniek van even grooten invloed te doen zijn.

Een verstandig toezien op de kwaliteit van het nageslacht zal gunstig werken aan den kant der positieve eugeniek, doordat ze in de plaats van de noodlottige neiging om een premie te stellen op een groot aantal kinderen, de meer rationeele methode stelt van het stellen van een premie op de kwaliteit van het kind. Het is een van de ongelukkigste gevolgen geweest van de manier om te protesteeren tegen den achteruitgang van het geboortecijfer, dat altijd en overal het resultaat van de beschaving geweest is, dat er een neiging geweest is om speciale maatschappelijke of geldelijke voordeelen aan te bieden aan de ouders van groote gezinnen. Daar groote families neiging hebben tot degeneratie, en dikwijls een last voor de gemeenschap worden, daar snel op elkaar volgende zwangerschappen niet alleen een ernstige uitputting van de krachten der moeder ten gevolgen hebben, maar daar men nu weet, dat ze een ernstig schadelijken invloed uitoefenen op de kwaliteit van het nageslacht, en daar bovendien in groote families ziekte en sterfte veelvuldig voorkomen, pleiten al de belangen van de gemeenschap tegen het stellen van een premie op groote gezinnen, zelfs als de ouders van goeden stam zijn. De staat heeft veel meer belang bij de kwaliteit dan bij de kwantiteit van zijn burgers, en er moest een premie gesteld worden niet op gezinnen, die een bepaalde grootte bereikt hebben, maar op afzonderlijke kinderen, die een bepaalden standaard bereiken; het komen tot dezen standaard zou moeten gebaseerd zijn op opmerkingen, gemaakt van de geboorte af, tot het vijfde jaar. Een premie op deze basis zou voor den Staat even weldadig zijn, als een premie op een groot aantal kinderen verkeerd is.

Deze overweging is tevens in hooge mate van toepassing op de voorstellen der "moederschapspremie", waarvan we meer en meer hooren. Een zoo gematigd en verstandig maatschappelijk hervormer als Mr. Sidney Webb schrijft: "Wij zullen het probleem van de moederschapspremie onder de oogen moeten zien, en dit meest onontbeerlijke van alle beroepen op een fatsoenlijke economische basis plaatsen. Tegenwoordig wordt het genegeerd als een beroep, niet beloond, en op geenerlei wijze door den Staat geëerd" [452]. Hoe waar deze bewering ook is, moeten we toch altijd in herinnering houden dat iets, dat onontbeerlijk vooraf moet gaan aan een voorstel tot een premie op het moederschap door den Staat, is een duidelijk begrip van het soort van moederschap, waar de Staat behoefte aan heeft. Het stellen van een premie op het roekelooze en willekeurige moederschap, dat we om ons heen zien, dat is door hulp van den Staat de productie aan te moedigen van burgers, die de Staat, als hij durfde, graag zou willen vernietigen als ongeschikt, is een al te belachelijk voorstel om er ook maar over te spreken [453]. De eenige gezonde reden voor het stellen van een premie op het moederschap is, dat het den Staat in staat zou stellen in zijn eigen belang de natuurlijke keuze van de geschikten te bevorderen.

Wat de positieve eigenschappen aangaat, waar de Staat recht heeft bij het aanmoedigen van het moederschap een premie op te stellen, is het nog te vroeg om met volkomen zekerheid daarover te spreken. De negatieve eugeniek is de positieve eugeniek vooruit; het is gemakkelijker verkeerde stammen te ontdekken dan om volkomen zeker te zijn van goede. Zoowel van wetenschappelijke als van maatschappelijke zijde beginnen wij echter duidelijker in te zien welk doel we willen bereiken en meer precies te weten met welke middelen we dat doel moeten bereiken [454].

Zelfs wanneer we een tamelijk duidelijk inzicht gekregen hebben welke stammen en individuen wij met recht mogen aanmoedigen om de taak te ondernemen geschikte burgers voor den Staat voort te brengen, zijn de problemen der voortplanting daarmede nog geenszins ten einde. Voordat we er ook maar onderzoek naar kunnen doen wat de voorwaarden zijn, waaronder uitgekozen individuen zich het best zullen voortplanten, is daar nog de allereerste vraag, die beslist moet worden: of die individuen vruchtbaar en potent zijn, want dit wordt niet gewaarborgd door het feit dat ze van goede stammen komen, en zelfs is het feit, dat een man en een vrouw met andere personen vruchtbaar zijn in het geheel geen positieve proef, dat ze met elkaar vruchtbaar zullen zijn. Onder de groote massa's van de bevolking, die niet trachten hun vereenigingen te wettigen voordat die vereenigingen vruchtbaar gebleken zijn, wordt deze moeilijkheid op eenvoudige en praktische wijze opgelost. De kwestie is echter bij den tegenwoordigen staat der huwelijkswet in de meeste landen ernstig en vol risico voor die klassen, die gewoon zijn zich in het wettig huwelijk te binden zonder dat ze iets weten van hun potentie en hun vruchtbaarheid met elkaar. De zaak wordt meestal aan het toeval overgelaten, en daar het wettig huwelijk gewoonlijk niet ontbonden kan worden, op grond dat er geen nakomelingen zijn, zelfs al wordt de voortplanting gewoonlijk verklaard tot het voornaamste doel van het huwelijk te behooren, wordt de kwestie zeer ernstig. Steriliteit komt voor bij 7 % tot 15 % van alle huwelijken, en in zeer vele daarvan is ze een bron van groot verdriet. Dit zou, in zekere mate, vermeden kunnen worden door een onderzoek voor het huwelijk, en bijna geheel, door te bepalen dat, daar een huwelijk alleen door de nakomelingen belang heeft voor den Staat, een wettig huwelijk na een bepaalden tijd ontbonden zou kunnen worden bij afwezigheid van nakomelingen.

Vroeger meende men dat, als een vereeniging onvruchtbaar bleek, dit de schuld was van de vrouw. Die meening is men lang te boven, maar, ook nu nog, interesseert een man zich gewoonlijk veel meer voor zijn potentie, dat is, zijn geschiktheid om de mechanische daad van den coïtus uit te voeren, dan voor zijn vruchtbaarheid, dat is zijn geschiktheid om levende spermatozoën voort te brengen; terwijl toch deze laatste omstandigheid een veel meer vóórkomende bron is van steriliteit. "Van iederen man", zegt Arthur Cooper (British Medical Journal, 11 Mei 1907), "die een sexueel gebrek of een sexueele misvorming heeft, of die geleden heeft aan een kwaal of een beleediging van de genito-urinale organen, zelfs als die betrekkelijk gering of eenzijdig is, en terwijl zijn macht tot paren ongeschonden kan gebleven zijn, moet men veronderstellen dat hij misschien steriel is, totdat er eenig bewijs van het tegendeel verkregen is". In geval van een steriel huwelijk moest de mogelijke oorzaak eerst nagespoord worden bij den man, want het is betrekkelijk gemakkelijk het zaad te onderzoeken en zich te vergewissen of het actieve spermatozoën bevat. Prinsen zegt in een veel omvattende studie over steriele huwelijken ("Die Sterilen Ehen", Zeitschrift für Sozialwissenschaft, 1904, afl. 1 en 2), dat in twee vijfden van de steriele huwelijken de fout bij den man ligt; een derde van zulke huwelijken is het resultaat van venerische ziekten bij den echtgenoot zelf, of overgebracht op de vrouw. Gonorrhoe wordt tegenwoordig niet beschouwd als een zoo belangrijke oorzaak van steriliteit als eenige jaren geleden; Schenk beschouwt ze als verantwoordelijk ervoor maar ongeveer dertien percent van de steriele huwelijken (vergelijk Kisch, The Sexual Life of Woman). Pinkus (Archiv für Gynäkologie, 1907) vond dat, van de bijna honderd gevallen, waarin hij de beide deelgenooten onderzocht, in 24.4 percent de steriliteit direct berustte bij den man, en in 15.8 percent indirect, omdat ze veroorzaakt was door gonorrhoe, waarmee hij zijn vrouw geïnfecteerd had.

Als steriliteit het gevolg is van een gebrek in de spermatozoën van den man, en als ze niet vóor het huwelijk ontdekt is, wat gewoonlijk wel gekund had, dan is nu en dan de vraag gerezen de vrouw door andere middelen te bevruchten. Echtscheiding op grond van steriliteit is niet mogelijk, en zelfs als dat was, heeft het paar, hoewel het een kind wil hebben, dikwijls niet den minsten wensch om te scheiden. Onder deze omstandigheden is nu en dan de poging gedaan om het gewenschte doel te bereiken, zonder af te wijken van in ruimen kring aangenomen regels der moraal, om kunstmatige bevruchting teweeg te brengen door injectie met het zaad van een gezond man. Er zijn door verschillende bekende mannen, van John Hunter tot Schwalbe, pogingen gedaan om kunstmatige bevruchting teweeg te brengen, maar het is bijna altijd zeer moeilijk te doen, en dikwijls geheel onmogelijk. Dit laat zich gemakkelijk verklaren, als wij ons in het geheugen roepen, waar al op gewezen is (zie boven p. 524) dat de erotische opwinding bij de vrouw tot het verzekeren van de conceptie van grooten invloed is; het is klaarblijkelijk een moeilijke taak, zelfs voor de meest gevoelige vrouw om erotisch enthusiasme te voelen voor een medischen spuit. Schwalbe vermeldt bijvoorbeeld een geval (Deutsche Medizinische Wochenschrift, Aug. 1908, p. 510) waarin--ten gevolge van de steriliteit van den man en den wensch van de vrouw om, met goedvinden van den man, met het zaad van een anderen man bevrucht te worden,--hij herhaalde zorgvuldige pogingen deed om kunstmatige bevruchting teweeg te brengen; deze pogingen hadden echter geen resultaat, en de drie betrokken partijen legden zich ten slotte neer bij de gewone wijze van omgang, die succes had. In een ander geval, door Schwalbe vermeld, waarin de man impotent was, maar niet steriel, werden zes pogingen gedaan om kunstmatige bevruchting te bewerken, en werd van verdere pogingen afgezien, omdat allen, die er bij betrokken waren, er van walgden.

De algemeene opinie is, over het geheel, niet geweest vóor het gebruik van kunstmatige bevruchting, zelfs afgezien van de mogelijkheid van succes. Zoo heeft in Frankrijk, waar een uitgebreide literatuur over het onderwerp bestaat, de Parijsche Medische Faculteit in 1885, na eenige aarzeling, geweigerd de stelling van Gérard aan te nemen over de geschiedenis van de kunstmatige bevruchting, die later afzonderlijk uitgegeven is. In 1883 heeft het gerechtshof te Bordeaux verklaard, dat kunstmatige bevruchting onwettig was en een maatschappelijk gevaar. In 1897 verklaarde ook de Heilige Stoel dat het gebruik onwettig was ("Artificial Fecundation before the Inquisition", British Medical Journal, 5 Maart 1898). Geheel onafhankelijk van deze houding van de geneeskunde, de wet en de Kerk, schijnt het voorzeker, dat zij, die een nageslacht wenschen, als regel goed zullen doen den natuurlijken weg te volgen, die ook de beste is, of anders aan anderen de taak der voortplanting over te laten, waar ze niet voldoende voor zijn toegerust.

Als wij er ons van overtuigd hebben, dat twee individuen beide tot gezonde stammen behooren, en verder, dat ze beide geschikt zijn voor de voortplanting, dan blijft er nog over te overwegen, onder welke omstandigheden zij het best verwekking kunnen tot stand brengen [455]. Dan rijst bijvoorbeeld de vraag, die zoo dikwijls gedaan wordt, wat is de beste leeftijd voor de voortplanting?

De overwegingen, die bij het beantwoorden van deze kwestie van gewicht zijn, zijn van twee verschillende soorten, physiologisch en sociaal of moreel. Dat is te zeggen, dat aan den eenen kant physieke rijpheid volkomen moet bereikt zijn, en dat de sexueele cellen volkomen moeten ontwikkeld zijn; terwijl aan den anderen kant de man in staat moet zijn om een gezin te onderhouden, en dat beide deelgenooten een oefening in het leven zullen hebben ontvangen, die hen in staat stelt op gepaste wijze de verantwoordelijkheden en zorgen op zich te nemen, die samengaan met het opvoeden van kinderen. Terwijl er op verschillende tijden verschillende meeningen zijn geuit, schijnt de algemeene opinie aangaande den besten tijd der voortplanting in Europa in de laatste eeuwen nauwelijks veel gewisseld te hebben. Hesiodus zeide al, dat een vrouw moest trouwen op haar vijftiende jaar en een man op zijn dertigste [456], maar obstetrici zijn gewoonlijk tot het besluit gekomen, dat zoowel in het belang van de ouders als van de kinderen het leven der voortplanting niet moet beginnen bij vrouwen, voordat ze twintig zijn en bij mannen voordat ze vijf en twintig zijn [457]. Na de dertig bij vrouwen en na de vijf en dertig of veertig bij mannen schijnen de beste voorwaarden tot de voortbrenging te verminderen [458]. Tegenwoordig is er in Engeland en in verschillende andere beschaafde landen een neiging geweest om den leeftijd voor het huwelijk te verhoogen tot een steeds grooter aantal jaren, gemiddeld een paar jaar later dan de leeftijd, die gewoonlijk aangenomen wordt als de gunstigste leeftijd voor het begin van het voortplantingsleven. Maar over het geheel wijkt het gemiddelde zelden ver af van den aangenomen standaard en er schijnt geen reden te zijn, waarom we deze neiging zouden wijzigen.

Toch volgt hier in het geheel niet uit, dat groote verschillen niet onder speciale omstandigheden, niet alleen vergefelijk, maar zelfs wenschelijk zijn. De man is in sommige gevallen in staat tot de voortplanting van ongeveer dertien jaar tot ver over de negentig, en op dezen hoogen leeftijd kan het nageslacht, zelfs als het niet opmerkelijk is door groote physieke kracht, hooge intellectueele kwaliteiten bezitten. (Zie bv. Havelock Ellis, A Study of British Genius, blz. 120 et seq.). Geschiktheid tot voortbrengen van de vrouw begint al vroeger (soms op haar achtste jaar), hoewel ze gewoonlijk ophoudt met de vijftig of vroeger, en dat ze slechts in enkele gevallen voortduurt tot zestig of daarboven. Er worden gevallen vermeld van kinderen, die geboren zijn, terwijl de moeder negen en vijftig jaar was (bv. Lancet, 5 Aug. 1905, p. 419). Lepage (Comptes-rendus Sociêté d'Obstétrique de Paris, Oct. 1903) vermeldt een geval van een eerstgeborene, waarvan de moeder zeven en vijftig jaar was; het kind werd dood geboren. Kisch (Sexual Life of Woman, deel II) verwijst naar de gevallen van zwangerschap bij oudere vrouwen, en er wordt van verschillende gevallen melding gemaakt in het British Medical Journal, 8 Aug. 1903, p. 325.

Van meer belang is de kwestie van vroege zwangerschap. Verschillende onderzoekers hebben hun aandacht aan deze kwestie gewijd. Zoo heeft Spitta (in een Marburger inaugureele dissertatie, 1895) een overzicht gegeven van de klinische geschiedenis van 260 weeën bij primiparae van 18 jaar en daaronder, zooals hij ze waargenomen had in de Marburger kraaminrichting. Hij bevond, dat de gezondheid in het algemeen tijdens de zwangerschap niet slechter was dan die van andere zwangere vrouwen, terwijl de sterfte onder de kinderen bij de geboorte en in de volgende weken niet hoog was, en de sterfte onder de moeders volstrekt niet hoog was. Picard (in een Parijsche thesis, 1903) heeft de bevalling bestudeerd bij acht en dertig moeders onder den leeftijd van zeventien jaar. Hij vond, dat, hoewel het pelvis zeker nog niet geheel ontwikkeld is bij zeer jonge meisjes, de gewrichten en beenderen echter veel elastischer zijn dan bij volwassenen, zoodat de bevalling, wel verre van moeilijker te zijn, gewoonlijk vlug en gemakkelijk is. De weeën verloopen over het algemeen normaal in deze gevallen, en, zelfs als er onregelmatigheden voorkomen (lage plaatsing van de placenta is een gewone onregelmatigheid) is het opmerkelijk, dat de patienten er niet onder lijden, zooals oudere vrouwen. Het gemiddelde gewicht van het kind was ongeveer 6 pond; soms was speciale verzorging noodig in de eerste dagen na de geboorte, misschien omdat de weeën in deze gevallen altijd wat langzaam verloopen. Het herstel van de moeder verliep, in ieder geval, volkomen normaal, en het feit, dat deze jonge moeders weer spoediger zwanger worden dan primiparae van rijper leeftijd, draagt er verder toe bij, om aan te toonen, dat bevallingen vóór den leeftijd van zestien jaar op geenerlei wijze nadeelig zijn voor de moeder. Gache (Annales de Gynécologie et d'Obstrétique, Dec, 1904) heeft een en negentig bevallingen waargenomen van moeders onder de zeventien jaar, in het Rawson Hospitaal in Buenos Ayres; zij waren van zoogenaamd Latijnsch ras, meest Spaansch of Italiaansch. Gache vond, dat deze moeders in het geheel niet meer blootgesteld waren aan miskraam of andere complicaties van de zwangerschap dan andere. Behalve in vier gevallen van tamelijk nauw bekken, was de verlossing normaal, hoewel ze wat langer duurde dan bij oudere primiparae. Schade aan de weeke deelen werd echter zelden toegebracht, en, als ze voorkwam, was ze spoedig weer genezen. Het gemiddelde gewicht van het kind was 3,039 gram, of ruim 6 pond. Het verdient opmerking, dat de meeste waarnemers gewoonlijk vinden, dat zeer vroege zwangerschappen voorkomen bij vrouwen, die op ongewoon jeugdigen leeftijd beginnen te menstrueeren, b.v., een paar jaar voordat de vroege zwangerschap optreedt.

Het is echter duidelijk, dat bij jonge moeders alles bijzonder goed verloopt, terwijl er niet de minste twijfel aan bestaat, dat zij buitengewoon flinke kinderen ter wereld brengen. Kleinwächter vond zelfs, dat, hoe jonger de moeder is, des te grooter het kind. Niet alleen physiek zijn de kinderen van jonge moeders beter. Marro heeft opgemerkt (Pubertà, p. 257), dat de kinderen van moeders onder de 21 jaar beter zijn, dan die van oudere moeders, zoowel in gedrag als in verstand, mits de vaders niet te oud zijn of te jong. Gedetailleerde bijzonderheden over afzonderlijke gevallen bevestigen deze feiten, zoowel voor de moeder als voor het kind. Zoo vermeldt Milner (Lancet, Juni 7, 1902) een geval van zwangerschap bij een meisje van veertien jaar; de weeën waren niet hevig en de verlossing was gemakkelijk. E. B. Wales, uit New Jersey, heeft de geschiedenis vermeld (weergegeven in de Medical Reprints, Sept. 15, 1890) van een negerin, die op elfjarigen leeftijd zwanger werd. Zij was middelmatig groot, eer lang en teer, maar goed ontwikkeld en ze begon te menstrueeren op den leeftijd van tien jaar. Zij was goed gezond en opgewekt tijdens de zwangerschap, en tot werken in staat. De bevalling was gemakkelijk en natuurlijk, duurde niet bijzonder lang en was blijkbaar niet bijzonder pijnlijk, want er was geen gekreun of opwinding. Het kind was een mooie, gezonde jongen, die niet minder woog dan elf pond. Moeder en kind maakten het beiden goed, en er was rijkelijk melkafscheiding. Whiteside Robertson (British Medical Journal, Jan. 18, 1902) heeft een geval vermeld van zwangerschap op den leeftijd van dertien jaar, bij een meisje uit de Kaapkolonie, dat uit een ander gezichtspunt opmerkelijk is. Zij scheen tijdens de zwangerschap anaemisch te zijn, slecht ontwikkeld, met slecht ontwikkeld bekken. Toch had een normale bevalling plaats, op den juisten tijd, zonder moeite of beschadigingen, en het kraambed verliep in ieder opzicht goed. Het kind was goed gevormd en woog 7 1/2 pond. "Ik heb zelden een primipara gemakkelijker weeën zien hebben", besloot Robertson, "en ik heb er nooit een gezien, die de verwerkelijking van het moederschap met meer bevrediging tegemoet zag".

De feiten, die bijeen gebracht zijn door obstetrici aangaande de goede resultaten van vroege zwangerschap, voor moeder zoowel als voor kind, zijn nog niet met die aandacht beschouwd geworden, die ze verdienen. Zij worden echter bevestigd door vele algemeene neigingen, die tegenwoordig erkend worden. Het veel beteekenend feit is, bij voorbeeld, bekend, dat bij moeders boven de dertig het aantal miskramen en ontijdige geboorten tweemaal zoo groot is als bij moeders tusschen den leeftijd van vijftien en twintig, die in dit opzicht weer hooger staan dan de moeders van den leeftijd tusschen de twintig en de dertig (Statistisches Jahrbuch, Budapest, 1905). Verder heeft Matthews Duncan aangetoond, in zijn lezing te Goulstone, dat de kansen op steriliteit bij een vrouw toenemen met den leeftijd. Er is verder aangetoond door Kisch (Sexual Life of Woman, Part II), dat, hoe ouder een vrouw bij het huwelijk is, des te grooter het gemiddelde tijdsverloop is voor de eerste bevalling, een neiging, die er op schijnt te wijzen, dat de zeer jonge vrouwen in de beste conditie zijn voor de voortplanting; Kisch is niet geneigd te denken, dat dit betrekking heeft op vrouwen onder de twintig, maar het feit, dat door andere accoucheurs opgemerkt is, dat moeders onder de achttien neiging hebben na een buitengewoon kort tijdsverloop weer zwanger te worden, neutraliseert de door Kisch gemaakte uitzondering. We kunnen er ook op wijzen, dat, bij kinderen van zeer jonge moeders, de seksen meer gelijk zijn in aantal dan het geval is met oudere moeders. Dit zou er op schijnen te wijzen, dat we hier staan tegenover een normaal evenwicht, dat afneemt, naarmate de leeftijd van de moeder meer verandert in abnormale richting.

Het gemak van de geboorte op een vroegen leeftijd, kunnen we opmerken, komt overeen met een gelijk gemak bij den sexueelen omgang, een feit, dat dikwijls over het hoofd is gezien. In Rusland, waar het huwelijk nog vroeg plaats vindt, had het vroeger al plaats, als de vrouw eerst twaalf of dertien jaar oud was, en Guttceit (Dreissig Jahre Praxis, deel I, p. 324) zegt, dat vrouwen, die op dezen leeftijd trouwden, hem verzekerd hadden, dat de eerste coïtus geen speciale moeilijkheden meebracht.

Er is ongetwijfeld tegenwoordig een groote mate van vooroordeel jegens het vroege moederschap. Voor een deel ligt dit er aan, dat men niet heeft kunnen inzien, dat vrouwen sexueel veel vroeger rijp zijn dan mannen, physiek zoowel al psychisch (zie boven p. 35). Er is een verschil van ongeveer vijf jaar. Dit verschil is al erkend geworden duizenden van jaren geleden, in het oude geloof, dat de leeftijd van de keuze tot de voortplanting ongeveer twintig of minder is voor vrouwen, maar omstreeks vijf en twintig voor mannen; en men heeft onlangs ontdekt dat, terwijl de man nooit bekwaam is tot verwekken vóor zijn dertiende jaar, de vrouw in sommige gevallen op haar achtste jaar al zwanger kan worden. (Eenige van de voorbeelden, die vermeld zijn, zijn aangehaald door Kisch). Gedeeltelijk is er ook bezwaar tegen het op zich nemen van een zoo zware verantwoordelijkheid als die van het moederschap door een jong meisje, en er bestaat een zeer redelijk gevoel, dat de verplichtingen van een duurzamen huwelijksband niet op een jeugdigen leeftijd moeten op zich genomen worden. Aan den anderen kant is het, afgezien van de physieke voordeelen, zoowel wat de moeder aangaat als het kind, in zake vroege zwangerschappen, een voordeel voor het kind een jonge moeder te hebben, die zich met sympathie en zonder terughouding aan zijn belangen kan wijden, in plaats van het droevige schouwspel te leveren, dat we zoo dikwijls zien in de vrouw van middelbaren leeftijd, die moeder wordt als haar jeugd en geestelijke buigzaamheid voorbij zijn, en haar gewoonten en smaak zich in andere banen hebben vastgelegd; het is soms een groote zegen geweest, zelfs voor de allergrootste mannen, als Goethe, dat ze een jonge moeder gehad hebben. Het zou in veel gevallen ook een voordeel zijn voor de vrouw zelf, als zij haar hoofdtaak als moeder op haar vijf en twintigste jaar tot een einde had gebracht, zoodat ze dan, niet gehinderd door het krijgen van kinderen en van rijpere ondervinding, vrij zou kunnen zijn om zich te wijden aan de ruime werkzaamheden in de buitenwereld, waarvoor zij misschien geschikt is.

Zulk een inrichting van de aangelegenheid der voortplanting van vrouwen zou, klaarblijkelijk alleen maar een variatie zijn op het nu bestaande, en zou waarschijnlijk ongeschikt zijn voor de meerderheid. Ieder geval moet afzonderlijk beoordeeld worden. De beste leeftijd voor de voortplanting zal waarschijnlijk steeds, voor de meeste vrouwen tenminste, gerekend worden omstreeks de twintig. Maar in een tijd als de tegenwoordige, waarin er een ongelukkige neiging is om het moederschap uit te stellen, wordt het noodig de voordeelen van vroeg moederschap, in vele gevallen, te doen uitkomen.

Er zijn andere voorwaarden, die gunstig of ongunstig zijn voor de voortplanting, waarvan het nu onnoodig is ze in bijzonderheden te bespreken, daar ze reeds op overeenkomstige plaatsen in mijne andere werken behandeld zijn. Daar is, bijvoorbeeld, de vraag, welke tijd van het jaar en van den menstrueelen cyclus de meest geschikte is om gekozen te worden voor de voortplanting. De beste tijd is waarschijnlijk die, waarop de sexueele begeerte het sterkst is, dat is de tijd waarop de conceptie natuurlijk het meest zal voorkomen. Dit zegt men dat in de lente is, of in den vroegen zomer [459], en onmiddellijk na (of kort voor) de periode van de menstruatie. De Chineezen hebben opgemerkt, dat de laatste dagen van de menstruatie en de twee volgende dagen--die overeenkomen met den "oestrus" de gunstigste tijd zijn voor de bevruchting, en Bossi, uit Genua, heeft gevonden, dat de groote meerderheid der succesvolle gevallen, zoowel van natuurlijke als van kunstmatige bevruchting, in dien tijd plaats vinden [460]. Soranus zoowel als de Talmud hebben den tijd omstreeks de menstruatie aangeduid als de beste voor de bevruchting, en Susruta, de Indische medicus, zeide, dat, in dezen tijd, zwangerschap het gemakkelijkste intreedt, omdat dan de mond van de schoot van de vrouw open is als de bloem van de waterlelie in den zonneschijn.

We hebben nu het punt weder bereikt, waar we van zijn uitgegaan, het oogenblik van de conceptie, en weer ligt het kind in den schoot van de moeder. Er blijft niets meer te zeggen over. De goddelijke kringloop van het leven is volbracht.

NASCHRIFT

"Het werk, waartoe ik geboren was om te doen, is gedaan", schreef een groot dichter, toen hij eindelijk zijn taak had volbracht En hoewel ik geen recht heb een "Nunc dimittis" te zingen, weet ik toch wel, dat de taak, die het beste gedeelte van mijn leven in beslag heeft genomen, maar weinige jaren en weinig kracht kan overlaten voor werk, dat nog na komt. Het is meer dan dertig jaar geleden, dat het eerste denkbeeld om het boek te schrijven, dat hier nu voleindigd is, zich vaag, maar toch met klem aan mij begon op te dringen; de studie en de voorbereiding heeft meer dan vijftien jaren in beslag genomen, en is geëindigd met de uitgave van Man and Woman, dat geplaatst is als inleiding voor het hoofdwerk, hetwelk, met schrijven en uitgeven, de vijftien volgende jaren in beslag heeft genomen.

Het is misschien gelukkig geweest voor mijn gemoedsrust, dat ik bij het begin niet al de bezwaren voorzien heb, die mijn weg zouden bemoeilijken. Ik wist natuurlijk, dat zij, die ernstig en nauwkeurig onderzoek doen naar een onderwerp, dat de menschen gewend zijn te vermijden, zich blootstellen aan misverstand en zelfs aan lasterpraatjes. Maar ik meende, dat een teruggetrokken-levend onderzoeker, die zich voorzichtig bezighield met levensvragen der maatschappij, en zich niet wendde tot het publiek in het algemeen, maar alleen tot de leeraren van het publiek, en die de resultaten van zijn onderzoekingen vastlegde in technisch geschreven boekdeelen, slechts voor weinigen toegankelijk, ik meende, dat zulk een onderzoeker ten minste veilig zou zijn voor grove aanvallen van den kant van politie of van regeering, onder welker bescherming hij meende te leven. Dat is een dwaling gebleken. Toen nog pas een deel van deze Studies geschreven en uitgegeven was, in Engeland, werd, ten gevolge van een vervolging door de regeering bevolen, aan den verkoop van dat deel in Engeland een einde gemaakt, en dit bracht mij er toe te besluiten, dat de volgende deelen niet in mijn eigen land moesten worden uitgegeven. Ik beklaag mij er niet over. Ik ben dankbaar voor de ware sympathie, die mijn werk gevonden heeft in Duitschland en de Vereenigde Staten, en ik moet erkennen, dat het zoo ten slotte een grooteren kring lezers gevonden heeft, zoowel in de Engelsche taal als in de andere belangrijke wereldtalen, dan het bij de aanvankelijke bescheiden wijze van uitgeven, die onze regeering mij toen onmogelijk gemaakt heeft, had kunnen vinden. Ook heeft de poging om mijn werk te onderdrukken, mij geen aanleiding gegeven, ook maar een woord daarin te veranderen. Ik heb, mèt of zonder hulp, mijn weg tot het einde toe voortgezet.

Ik stam van vaders- zoowel als van moederszijde van Engelsche families, die, bijna drie honderd jaar geleden, precies deze zelfde moeilijkheden en gevaren hebben ontmoet. In de zeventiende eeuw ging de strijd om het probleem van den godsdienst, zooals hij nu gaat om het probleem van de sekse. Sedert in de laatste jaren die analogie mij duidelijk is geworden, heb ik dikwijls gedacht aan sommige van die bewonderenswaardige, niet bekende mannen, die verjaagd zijn, beroofd en vervolgd, sommige door de kerk, omdat de geest van het Puritanisme hen bezielde, sommige door de Puriteinen, omdat zij hingen aan de idealen van de kerk, beide echter even rustig en onbuigzaam, beide gelijkelijk vechtend voor de zaak der vrijheid of der orde, op een gebied, waar men nu niet meer over strijdt. Die overwinning heeft mij dikwijls een goed voorteeken geschenen voor het misschien ontaarde kind van deze mannen, die nu tracht de zaak van vrijheid en orde voor te staan op een ander gebied.

Soms schijnt het werkelijk een wanhopige taak beweging te brengen in den druk der logge vooroordeelen, die op geen gebied zoo hardnekkig zijn, als op geslachtelijk gebied. Het kan er toe bijdragen de sereniteit van ons optimisme te herwinnen, als we maar duidelijker wilden erkennen, dat in maar zeer enkele generaties al deze vooroordeelen zullen zijn te gronde gegaan en vergeten. Hij, die voortschrijdt in de voetstappen der natuur volgens een wet, die niet door menschen gemaakt is, maar boven en buiten den mensch is, heeft tijd en eeuwigheid op zijn hand, en kan zoowel geduldig zijn als zonder vrees. Menschen sterven, maar de denkbeelden, die zij nastreven, blijven leven. Men kan onze boeken in de vlammen werpen, maar in de volgende generatie worden die vlammen tot menschelijke zielen. De verandering geschiedt door den dokter in zijn spreekkamer, door den leeraar op de school, den prediker op den preekstoel, door den journalist in de pers. Het is een verandering, die, langzaam maar zeker, zich om ons heen voltrekt.

Ik weet zeker wel, dat velen zich niet in staat zullen gevoelen, de opvatting over den toestand der sexueele kwestie, zooals die hier uiteen is gezet, voornamelijk in het laatste deel, te aanvaarden. Sommigen zullen die opvatting te conservatief vinden, anderen te revolutionair. Want er zijn altijd menschen, die zich hartstochtelijk aan het verleden vasthouden; en er zijn altijd anderen, die hartstochtelijk dàt grijpen, wat zij voor de toekomst houden. Maar de wijze staat tusschen beide partijen in en sympatiseert met beide, omdat hij weet, dat wij altijd in een toestand van overgang zijn. Het tegenwoordige is in iederen tijd alleen het keerpunt, waar het verleden in de toekomst overgaat, en wij kunnen en moeten met beide vrede hebben. Er kan geen wereld zijn zonder tradities; en er kan geen leven zijn zonder beweging. Zooals Heraclitus al wist bij het begin van de moderne philosophie, wij kunnen niet tweemaal in denzelfden stroom baden, hoewel toch, zooals we tegenwoordig weten, de stroom vloeit in een eindeloozen kringloop. Er is nooit een oogenblik, waarop de nieuwe dageraad niet over de aarde aanbreekt, en nooit een oogenblik waarop de zon niet meer ondergaat. Het is goed zelfs den eersten glimp van den dageraad kalm te begroeten als we hem zien, er niet met ongepaste haast heen te snellen, en het ondergaan der zon niet den rug toe te keeren zonder dankbaarheid voor het stervende licht, dat eens de dageraad was.

In de moreele wereld zijn wij zelf de lichtdragers, en het cosmische proces wordt in ons verwezenlijkt. Voor een korten tijd kunnen wij, als wij willen, de duisternis verlichten, die ons pad omgeeft. Evenals de toortsdragers der oudheid, die aan Lucretius toeschenen het symbool van het leven te zijn, snellen wij voorwaarts, met den fakkel in de hand. Spoedig loopt iemand achter ons, die ons zal inhalen. Al ons kunnen bestaat daarin, dat wij den brandenden fakkel helder en zonder flikkeren in zijn hand geven, terwijl wij zelf in het duister verdwijnen.

HAVELOCK ELLIS.

AANTEEKENINGEN

[1] Deze deelen zijn in bewerking en zullen eveneens bij uitgeefster dezes in het Nederlandsch verschijnen.

[2] Het is natuurlijk niet altijd letterlijk waar, dat iedere ouder juist de helft van de erfelijkheid aanbrengt, want, zooals we in het algemeen onder de dieren zien, nadert de nakomelingschap somtijds meer tot de eene ouder, somtijds tot de andere, terwijl onder planten, zooals De Vries en anderen hebben aangetoond, de erfelijkheid nog wel ongelijker verdeeld is.

[3] Het zal wel haast niet noodig zijn te zeggen, dat, waar wij zeggen dat het moederschap de hoogste functie is van een vrouw, wij daar in het geheel niet beweren, dat haar werkzaamheden zich tot het tehuis moeten beperken. Dat is een opinie, die nu wel mag beschouwd worden als niet meer bestaande, zelfs onder hen, die het meest de functie van de vrouw als moeder verheerlijken. Zooals Friedrich Naumann en anderen zeer waar gezegd hebben, is een vrouw niet volkomen toegerust om haar functies van moeder en opvoedster van de kinderen te vervullen, als zij niet in de wereld geleefd en een beroep uitgeoefend heeft.

[4] "Als de hoedanigheden van hoofd en hart dezelfde waren in beide geslachten", zegt Lily Braun terecht (Die Frauenfrage, pag. 207), "dan zou het binnentreden van de vrouw in het publieke leven geen waarde hebben voor de menschheid, en zou zelfs leiden tot een nog heviger concurrentie. Alleen de erkenning, dat de geheele aard van de vrouw verschillend is van dien van den man, dat zij beteekent een nieuw, levenwekkend beginsel in het menschelijk leven, maakt de vrouwenbeweging, ondanks de verkeerde opvattingen van haar vijanden en haar vrienden, een maatschappelijke revolutie". (Zie ook Havelock Ellis, Man en vrouw, vierde uitgave, 1904, vooral hoofdstuk XVIII).

[5] Het woord "puericultuur" is uitgevonden door Dr. Caron in 1866, om aan te duiden de ontwikkeling van kinderen na de geboorte. Het was Pinard, de bekende Fransche verloskundige, die er, in 1895, een ruimer en meer ware beteekenis aan gaf, door het te gebruiken óok voor de ontwikkeling van kinderen vóór de geboorte. Het wordt nu gedefinieerd als "de wetenschap, die zich ten doel stelt, te zoeken naar de kennis, die betrekking heeft op de reproductie, de instandhouding en de verbetering van het menschelijk ras". (Péchin, La Puériculture avant la Naissance, Thèse de Paris, 1908).

[6] In "La Grossesse" (pp. 450 en volgende) heeft Bouchacourt de problemen van puericultuur tamelijk uitvoerig besproken.

[7] Het belang der puericultuur voor de geboorte werd ten volle erkend in China duizend jaar geleden. Zoo schreef Madame Cheng te dien tijde over de opvoeding van het kind: "Zijn opvoeding kan zelfs vóor de geboorte beginnen; en daarom lag de toekomstige moeder van vroeger, als ze lag, rechtuit; als ze zat, zat ze rechtop; en als ze stond, stond ze rechtop. Ze wilde geen vreemde smaken proeven, noch iets te maken hebben met spiritualisme; als haar voedsel niet klein gesneden was, wilde ze het niet eten en als haar mat niet recht gelegd was, wilde ze er niet op zitten. Zij wilde naar niets zien, dat onaangenaam was, niet luisteren naar een onaangenaam geluid, geen ruw woord spreken en geen onrein ding aanraken. 's Avonds bestudeerde zij een klassiek boek, overdag hield zij zich bezig met ceremonieel en met muziek. Daarom werden haar zoons oprecht en uitmuntend in talenten en deugden; dat was het resultaat van de opvoeding vóor de geboorte". (H. A. Giles, "Woman in Chinese Literature". Nineteenth Century, Nov. 1914).

[8] Max Bartels "Isländischer Brauch", etc. Zeitschrift für Ethnologie, 1900, p. 65. Een opsomming van de gewoonten van verschillende volken met betrekking tot de zwangerschap wordt gegeven door Ploss en Bartels, Das Weib, Sect. XXIX.

[9] Over den invloed van alcohol tijdens de zwangerschap op het embryo, zie men b.v. G. Newman, Infant Mortality p.p. 72-77. W. C. Sullivan (Alcoholism, 1906, Ch. XI), resumeert het bewijsmateriaal, dat aantoont, dat alcohol een factor is bij menschelijke ontaarding.

[10] Er is zelfs reden te gelooven, dat het alcoholisme van den vader van de moeder, schade doet aan haar geschiktheid als een moeder. Bunge (Die Zunehmende Unfähigkeit der Frauen ihre Kinder zu Stillen, 5de uitgave, 1907), bevindt, bij een onderzoek, dat zich uitstrekt over 2.000 families, dat chronische alcoholvergiftiging bij den vader de voornaamste oorzaak is van de ongeschiktheid van de dochter om te zoogen, en dat deze ongeschiktheid gewoonlijk niet in orde komt in volgende geslachten. Tegenover Bunge heeft zich echter gesteld Dr. Agnes Bluhm "Die Stillungsnot", Zeitschrift für Soziale Medizin, 1908 (geheel door haarzelf geresumeerd in Sexual-Probleme, Jan. 1909).

[11] Zie bv. T. Arthur Helme, "The Unborn Child", British Medical Journal, Aug. 24, 1907. Het voedsel moet natuurlijk goed zijn. Noel Paton heeft aangetoond, (Lancet, Juli 4, 1903) dat onvoldoende voeding van de zwangere vrouw het gewicht van het kind vermindert.

[12] Debreyne, Maechialogie, p. 277. En van den kant der Protestanten zie men Northcote (Christianity and Sex Problems, hoofdst. IX) die geslachtsverkeer tijdens de zwangerschap toestaat.

[13] Zie ook Ploss en Bartels, loc. cit.

[14] Zoo schrijft een dame: "Ik heb maar éen kind gehad, maar ik mag wel zeggen dat tijdens de zwangerschap het verlangen naar vereeniging veel sterker was, den geheelen tijd door, dan op eenigen anderen tijd". Bouchacourt (La Grossesse, pag. 180-183) zegt, dat als regel, sexueel verlangen niet verminderd wordt door zwangerschap en nu en dan vermeerderd.

[15] Dit "lastig zijn" blijft nog altijd een struikelblok bij veel uitmuntende autoriteiten. "Behalve als er een neiging is tot miskraam", zegt Kossmann (Senator en Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage, vol. I, pag. 257), "moeten wij zeer voorzichtig zijn met het aanbevelen van abstinentie tijdens de zwangerschap", en Ballantyne (The Foetus, pag. 475) maakt voorzichtig de opmerking, dat het een moeilijke kwestie is om te beslissen. Ook Forel (Die Sexuelle Frage, 4de editie, pag. 81), die niet geneigd is volkomen sexueele abstinentie aan te raden tijdens een normale zwangerschap, geeft toe dat het een vrij lastige kwestie is.

[16] Dit punt wordt bv. besproken door Séropian in een Thèse de Paris (Fréquence comparée des Causes de l'Accouchement Prématuré, 1907); hij komt tot de conclusie, dat coïtus tijdens de zwangerschap een méer vóorkomende oorzaak is van ontijdige bevalling dan gewoonlijk gedacht wordt, vooral in primiparae, en dat vooral in de negende maand.

[17] "Infantile Mortality: The Huddersfield Scheme", British Medical Journal, Dec. 1907; Samson Moore, "Infant Mortality", ib., August 29, 1908.

[18] Ellen Key heeft voorstellen van deze soort (zooals ze zijn ontwikkeld door C. P. Stetson) in haar Essays "On Love and Marriage" schitterend behandeld. In tegenstelling met dergelijke voorstellen oppert Ellen Key dat vrouwen, die behoorlijk geoefend zijn voor moederplichten en die niet in staat zijn zichzelf te onderhouden, terwijl zij ze uitoefenen, een subsidie moeten ontvangen van den Staat, gedurende de drie eerste levensjaren van het kind. Wij kunnen hier aan toevoegen, dat in Leipzig het plan moeders te subsidieeren die (onder behoorlijk medisch en ander toezicht) haar kinderen zoogen, reeds is ingevoerd.

[19] Deze uitingen zijn behandeld in de studie over Auto-erotiek in een onzer andere werken. Wij kunnen er bijvoegen, dat het sexueele leven van het kind tot in de fijnste bijzonderheden onderzocht is door Moll, Das Sexualleben des Kindes, 1900.

[20] Deze geslachtsbloei in de sexueele klieren en borsten bij de geboorte of in de vroege jeugd is in een thèse de Paris behandeld door Camille Renouf (La Crise Génital et les Manifestations Connexes chez le Foetus et le Nouveau-né, 1905); hij kan geen bevredigende verklaring van deze verschijnselen geven.

[21] Amélineau, La Morale des Egyptiens, pag. 64.

[22] "The Social Evil in Philadelphia", Arena, Maart, 1896.

[23] Moll, Konträre Sexualempfindung, third edition, pag. 592.

[24] Deze machteloosheid van de wet en de politie wordt wel erkend door mannen van de wet, die op de hoogte zijn van de zaak. Zoo dringt T. Werthauer (Sittlichkeitsdelikte der Grosstadt, 1907) voortdurend aan op het belang van ouders en onderwijzers om kinderen van hun vroege jeugd af een langzamerhand toenemende kennis van sexueele zaken mede te deelen.

[25] "Aan ouders moet geleerd worden hoe ze inlichtingen moeten geven", zegt E. L. Keyes ("Education upon Sexual Matters", New York Medical Journal, Febr. 10, 1906), "en dit leeren van de ouders moet beginnen, wanneer zij zelf nog kinderen zijn."

[26] Moll (op. cit., pag. 224) zet zeer juist uiteen, hoe onmogelijk het is kinderen te behoeden voor het zien en ondervinden van dingen, die met het sexueele leven in verband staan.

[27] Meisjes zijn zelfs niet voorbereid in vele gevallen op het voor den dag komen van de schaamharen. Deze onverwachte haargroei bezorgt jonge meisjes dikwijls veel heimelijken angst, en zij knippen ze dikwijls zorgvuldig af.

[28] G. S. Hall, Adolescence, deel I, p. 511. Vele jaren geleden, in 1875, raadde wijlen Dr. Clarke, in zijn Sex in Education rust tijdens de menstruatie voor meisjes aan en verwekte daardoor een hevigen tegenstand, die zeker nu niet voorgekomen zou zijn, nu de speciale gevaren van de vrouwelijkheid meer en meer duidelijk begrepen worden.

[29] Voor een resumé van de physieke en geestelijke verschijnselen van de periode der menstruatie, zie men Havelock Ellis: Man en Vrouw hoofdst. XI. De primitieve voorstelling van de menstruatie is meer uitgebreid besproken door J. G. Fraser in The Golden Bough. Een groote verzameling van feiten met betrekking tot de afzondering tijdens de menstruatie van vrouwen over de geheele wereld, zal men vinden in Ploss en Bartels, Das Weib. De afzondering van meisjes tijdens de puberteit in Straat Torres is speciaal bestudeerd door Seligmann, Reports Anthropological Expedition to Torres Straits, deel V, hoofdst. VI.

[30] Zoo ontdekte Miss Lura Sanborn, die de leiding heeft van de lichaamsoefeningen aan de normaalschool te Chicago, dat een bad eenmaal in de 14 dagen niets ongewoons was. Bij de periode der menstruatie is er speciaal nog een bijgeloovige vrees voor water. Aan meisjes moet altijd geleerd worden, dat in dezen tijd zindelijkheid bovenal gebiedend noodzakelijk is. Zij moeten een lauw zitbad nemen 's avonds en 's morgens, en een vaginauitspoeling (die nooit koud moet wezen) is altijd goed zoowel voor veraangenaming als voor zindelijkheid. Er is niet de minste reden om tijdens de menstruatie bang voor water te zijn. Dit punt werd eenige jaren geleden in het British Medical Journal besproken met volkomen eensgezindheid van opinie. Een bekend Amerikaansch verloskundige, Dr. J. Clifson Edgar, komt na een zorgvuldige studie over opinie en praktijk in deze kwestie ("Bathing During Menstrual Period," American Journal Obstetrics, Sept. 1900) tot de conclusie, dat het mogelijk en heilzaam is koude baden te nemen (geen zeebaden) tijdens de periode, mits er gepaste voorzorgen in acht genomen en de gewoonten niet plotseling veranderd worden. Zulk een wijze van handelen behoeft niet zonder onderscheid toegepast te worden, maar er kan geen twijfel aan zijn, dat bij stoere boerenvrouwen, die er in haar jeugd aan gewend zijn, een lange onderdompeling in de zee bij het visschen geen slechte resultaten heeft, en dat die zelfs goed is. Housel (Annales de Gynécologie, Dec. 1894) heeft statistieken gepubliceerd over het menstrueele leven van 123 visschersvrouwen op de Fransche kust. Zij waren gewend garnalen te vangen, uren achtereen dikwijls tot boven het middel in zee staande, en dan rond te loopen in haar natte kleeren om garnalen te verkoopen. Zij beweerden allen nadrukkelijk, dat haar menstruatie gemakkelijker was als zij aan haar werk bezig waren. Haar perioden zijn merkwaardig regelmatig en haar vruchtbaarheid is groot.

[31] J. H. Bride, "The Life and Health of Our Girls in Relation to Their Future", Alienist and Neurologist, Febr., 1904.

[32] W. G. Chambers, "The Evolution of Ideals", Pedagogical Seminary, Maart, 1903; Catherine Dodd. "School Children's Ideals", Natural Review, Febr. en Dec., 1900, en Juni, 1901. Geen Duitsche meisjes kwamen uit voor den wensch om mannen te willen zijn; zij zeiden dat het slecht zou zijn. Onder Vlaamsche meisjes bevond Varendonck te Gent echter (Archives de Psychologie, Juli 1908) dat 26 percent mannen tot ideaal hadden.

[33] A. Reibmayr, Die Entwicklungsgeschichte des Talentes und Genies, 1908, deel 1, bladz. 70.

[34] R. Hellmann, Ueber Geschlechtsfreiheit, pag. 14.

[35] Dit geloof schijnt veel voor te komen onder jonge meisjes op het vasteland van Europa. Het vormt het onderwerp van een van Marcel Prevost's Lettres de Femmes. In Oostenrijk is het, volgens Freud, niet ongewoon, uitsluitend onder meisjes.

[36] Toch is, volgens de Engelsche wet, verkrachting een misdaad, die een echtgenoot niet aan zijn vrouw kan begaan, (zie b.v., Nevill Geary, The Law of Marriage, hoofdst. XV, afd. V). De voltrekking van de huwelijksplechtigheid echter, zelfs als ze noodzakelijk een duidelijke verklaring in zich sloot van de voorrechten van den man, kan niet beschouwd worden als een voldoende rechtvaardiging voor een daad van sexueele gemeenschap, volbracht met geweld of zonder de toestemming van de vrouw.

[37] Hirschfeld, Jahrbuch für Sexuelle Zwischenstufen, 1903, pag. 88. We kunnen hieraan toevoegen, dat een afschuw tegen coïtus niet noodzakelijk behoeft voort te komen uit een slechte opvoeding en dat die ook wel voor kan komen in erfelijk gedegenereerde vrouwen, wier voorouders gelijke of er mee verwante geestelijke eigenaardigheden vertoond hebben. Een geval van zulke "functioneele impotentie" wordt vermeld van een jonge Italiaansche vrouw van een en twintig jaar, die overigens gezond was en sterk aan haar echtgenoot gehecht. Het huwelijk werd nietig verklaard op den grond dat "rudimentaire sexueele of emotioneele paranoia, die een vrouw onoverwinbaar afkeerig maakt van sexueele vereeniging, niettegenstaande de volledigheid van de sexueele organen, psychische functioneele impotentie vormt". (Archivio di Psichiatria, 1906, fosc. VI, pag. 806).

[38] De redelijkheid van dezen stap blijkt zoo duidelijk, dat het bijna niet noodig moest zijn er op aan te dringen. "De mededeeling aan schooljongens en schoolmeisjes wordt het best gedaan door een ouderen dokter", merkt Näcke op, "soms misschien door den schooldokter". "Ik raad sterk aan", zegt Clouston (The Hygiene of Mind, pag. 249), "dat de huisdokter, geleid door de ouders en den onderwijzer, verreweg de beste leeraar en raadsman is". Moll is van dezelfde meening.

[39] Ik heb dit argument verder ontwikkeld in "Religion and the Child", Nineteenth Century and After, 1907.

[40] De nauwe betrekking die er bestaat tusschen kunst en poëzie en den sexueelen impuls is sporadisch erkend door velen, die niet tot een ruimen blik op de auto-erotische werkzaamheid in het leven gekomen zijn. "Poëzie staat noodzakelijk in verband met de sexueele functies", zegt Metchnikoff (Essais Optimistes, pag. 352), die ook met instemming aanhaalt het gezegde van Möbius (vroeger geuit door Ferrero en vele anderen) "dat artistieke bekwaamheden waarschijnlijk moeten beschouwd worden als secundaire sexueele kenmerken".

[41] Zoo zegt Athenaeus (Bk. XIII, hoofdst. XX): "Op de eilanden van Chios is het een mooi gezicht naar de gymnastiekplaatsen en de wedrennen te gaan en de jonge mannen naakt te zien worstelen met de meisjes, die ook naakt zijn".

[42] Augustinus (De Civitate Dei, lib. II, hoofdst. XIII) vermeldt hetzelfde punt, waar hij de Romeinen stelt tegenover de Grieken, die hun tooneelspelers eerden.

[43] Zie "The Evolution of Modesty", eveneens van mijn hand, waar de betrekking tusschen de naaktheid en de ingetogenheid nauwkeurig besproken wordt.

[44] C. H. Stratz, Die Körperformen in Kunst und Leben der Japaner, Second edition, hoofdstuk III; id., Frauenkleidung, Third edition, pp. 22, 30.

[45] Ik heb het hier niet de juiste plaats gevonden om den nadruk te leggen op den æsthetischen invloed van gemeenzaamheid met de naaktheid. De meest æsthetische volken (vooral de Grieken en de Japanners) zijn zij geweest, die een zekeren graad van gemeenzaamheid met het naakte lichaam bewaarden. "In al de kunsten", merkt Maeterlinck op, "zijn beschaafde volken genaderd tot of afgeweken van zuivere schoonheid naarmate zij naderden tot of afweken van de gewoonte van naaktheid". Ungewitter legt den nadruk op het voordeel voor den artist, om in staat te zijn het naakte lichaam in beweging te bestudeeren, en het kan de moeite waard zijn te vermelden, dat Fidus (Hugo Höppener), de Duitsche artist van dezen tijd, die een grooten invloed heeft uitgeoefend door zijn frissche, machtige en toch eerbiedige teekening van de naakte menschelijke gestalte in al haar verschillende standen, zijn inspiratie en zijn visie toeschrijft aan het feit, dat hij als leerling van Diefenbach gewoon was met zijn makkers naakt te werken op de eenzame plaatsen buiten München, die zij bezochten, (F. Enzenberger, "Fidus", Deutsche Kultur, Aug., 1906).

[46] Meditationes Piissimae de Cognitione Humanae Conditionis, Migne's Patrologia, vol. CLXXIV, p. 489, cap. III, "De Dignitate Animae et Vilitate Corporis". Het kan de moeite loonen, de krachtige taal van het origineel meer uitvoerig aan te halen. "Si diligenter consideres quid per os et nares caeterosque corporis meatus egrediatur vilius sterquilinum numquam vidisti.... Attende, homo, quid fuisti ante ortum, et quid es ab ortu usque ad occasum, atque quid eris post hanc vitam. Profecto fuit quando non eras: postea de vili materia factus, et vilissimo panno involutus, menstruali sanguine in utero materno fuisti nutritus, et tunica tua fuit pelvis secundina. Nihil aliud est homo quam sperma fetidum, saccus stercorum, cibus vermium.... Quid suberbis, pulvis et cinis, cujus conceptus cula, nasci miseria, vivere poena, mori angustia?"

[47] Zie (in de uitgave van Mignes) S. Odonis abbatis Cluniacensis Collationes, lib. II, cap. IX.

[48] Dühren (Neue Forschungen über die Marquis de Sade, pp. 432 et seq.) bewijst hoe het ascetisch beschouwen van het lichaam van de vrouw b.v. hardnekkig stand hield bij Schopenhauer en De Sade.

[49] In "The Evolution of Modesty" in het eerste deel van deze Studies, en wederom in het vijfde deel bij het bespreken van de urolagnia in de studie over "Erotic Symbolism", zijn de wederkeerige reacties van de sexueele en de excretorische centra volledig behandeld.

[50] "La Morale Sexuelle", Archives d'Anthropologie Criminelle, Jan., 1907.

[51] De bovenstaande aanhaling, nu licht gewijzigd, vormde oorspronkelijk een onuitgegeven deel van een essay over Walt Whitman in The New Spirit, het eerst uitgegeven in 1889.

[52] Zelfs in de negende eeuw echter, toen de kloosterbeweging zich snel ontwikkelde, waren er eenige, die aan de neigingen van de nieuwe asceten weerstand boden. Zoo schreef in 850 Ratramnus, de monnik, een verhandeling (Liber de eo quod Christus ex Virgine natus est) om te bewijzen, dat Maria werkelijk Jezus baarde door haar sexueele organen, en niet, zooals sommige overdreven personen begonnen te denken, dat alleen maar mogelijk kon zijn door de meer door de conventie fatsoenlijk geoordeelde borsten. De sexueele organen waren geheiligd. "Spiritus sanctus ... et thalamum tanto dignum sponso sanctifivavit et portam" (Achery, Specilegium, vol. i. p. 55).

[53] Paedagogus, lib. II, cap. X. Ergens anders (id., lib. II, hoofdst. VI) geeft hij meer in bijzonderheden een opgave, die hetzelfde bevat.

[54] Zie bv. Wilhelm Capitaine, Die Moral des Clemens von Alexandrien, pp. 112 et seq.

[55] De Civitate Dei, lib. XXII, cap. XXIV. "Het is nergens voor noodig", zegt hij weer (id., lib. XIV, cap. V) "dat wij in onze zonden en ondeugden den aard van het vleesch aanklagen tot beleediging van den Schepper, want in zijn eigen soort en in zijn eigen mate is het vleesch goed".

[56] De heilige Augustinus, De Civitate Dei, lib. XIV, cap. XXIII-XXVI. Chrysostomus en Gregorius, van Nyssa, meenden, dat in het Paradijs menschelijke wezens zich zouden vermenigvuldigd hebben door een speciale wijze van scheppen, maar dat is niet de leer, aangenomen door de katholieke kerk.

[57] W. Capitaine, Die Moral des Clemens von Alexandrien, pp. 112 et seq. Zonder het lichaam zou er, verklaarde Tertullianus, geen maagdelijkheid zijn en geen redding. De ziel zelf is lichamelijk. Hij voert inderdaad zijn idee van de alomtegenwoordigheid van het lichaam tot in het belachelijke door.

[58] Rufinus, Commentarius in Symbolum Apostolorum, cap. XII.

[59] Migne, Patrologia Græca, vol. XXVI, pp. 1170 et seq.

[60] Zelfs in hun physieken bouw vertoonen de menschelijke sexueele organen, in vergelijking met die van de lagere dieren, in het oog vallende verschillen (zie Havelock Ellis, "The Mechanism of Detumescence").

[61] Het kan misschien goed zijn met Forel (Die sexuelle Frage, p. 208), er op te wijzen, dat het woord "dierlijk" algemeen en gewoonlijk geheel onjuist gebruikt wordt in dit verband. Inderdaad, niet alleen voor de hoogere maar ook voor de lagere uitingen van den sexueelen impuls zou het gewoonlijk juister zijn in plaats daarvan den term "menschelijk" te gebruiken.

[62] Loc. cit., Archives d'Anthropologie Criminelle, Jan., 1907.

[63] Het heeft echter kleur gekregen en is al in de oudste geschiedenis van het Christendom in verdenking gekomen. Terwijl de heilige Augustinus (De Civitate Dei, lib. xiv, cap. XV), toegeeft, dat libido of lust de algemeene naam is voor alle begeerte, voegt hij er aan toe, dat het speciaal gebruikt voor de sexueele begeerte, terecht en behoorlijk vermengd is met gevoelens van schaamte.

[64] Hinton geeft een goeden uitleg van dit gevoelen. "Wij noemen lust", zegt hij in zijn manuscript, "de eenvoudigste en natuurlijkste verlangens. We zouden evengoed honger en dorst "lust" kunnen noemen als de sexueele hartstochten, als wij alleen maar den drang van de natuur willen aanduiden. Wij noemen die ten onrechte "lust" en belasteren zoodoende wreedaardig hen, aan wie we hem toeschrijven en geven aanleiding tot absolute wanorde. Want, door dwaas de eischen der natuur te verwarren met lust, doen we ze geweld aan."

[65] Vele eeuwen tevoren had een ander Fransch schrijver, de bekende dokter A. Laurentius (Des Laurens) in zijn Historia Anatomica Humani Corporis (lib. VIII, Quaestio VII) eveneens gepeinsd over "de ongelooflijke begeerte naar coïtus", en gevraagd hoe het kwam, dat "dat goddelijke dier, vol van rede en oordeel, dat wij Mensch noemen, aangetrokken moet worden tot die obscene deelen van vrouwen, die bevlekt zijn met vuil en, evenals een riool, in de onderste deelen van het lichaam geplaatst zijn". Het is opmerkelijk, dat van het begin af aan en evenzeer onder mannen van godsdienst, mannen van wetenschap en mannen van letterkunde, de geheimzinnigheid van dit probleem zich bijzonder opgedrongen heeft aan den geest der Franschen.

[66] Schopenhauer, Die Welt als Wille und Vorstellung, vol. II, pp. 608 et seq.

[67] "Misschien is er wel nauwelijks een man", schreef Maltus, een geestelijke, zowel als een van de diepste denkers van zijn tijd (Essay on the Principle of Population, 1798, hoofdst. XI), "die eenmaal het ware genot van deugdzame liefde ondervonden heeft, die, hoe groot zijn intellectueele genoegens ook geweest mogen zijn, niet op dezen tijd terugziet als op de zonnige plek van zijn geheele leven, waar zijn verbeelding gaarne verwijlt, die hij herdenkt en beschouwt met het teerste leedwezen en die hij het meest zou wenschen nog eens weer te beleven. De voorrang van intellectueele genoegens boven sexueele bestaat eerder daarin, dat ze meer tijd in beslag nemen en dat ze een wijder kring beslaan, en daarin dat ze niet zoo gemakkelijk verzadigen, dan daarin, dat ze meer werkelijk en essentieel zijn."

[68] Het geheele argument van een ander deel van deze Studies over "Sexual Selection in Man" wijst in deze richting.

[69] "Misschien zijn wel de meeste gewone mannen", merkt Forel op (Die sexuelle Frage, p. 307), maar in geringe mate in staat tot de opwinding der liefde; zij staan op zijn hoogst op het standpunt van den gourmet, dat in het geheel niet noodzakelijk een immoreel standpunt is, maar zeker niet het standpunt der poëzie.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us