← Tom Jones : De lotgevallen van een vondeling

Tom Jones : De lotgevallen van een vondeling (part 4 of 4)

Part 4 of 4 · Henry Fielding · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #75023, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (4)

Continue:

Tom Jones : De lotgevallen van een vondeling (part 4 of 4)

Sophia zeide hem, wel in te zien dat hij het er op toelegde om haar het hart te breken.

„Laat je hart maar breken,” riep hij; „wat drommel! Waarom niet, als een goede man het breken zal? Ik geef geen rooden duit,—geen halven duit,—om welke pligtvergeten heks ook ter wereld!”

Daarop greep hij haar driftig bij de hand, waarop de dominé nogmaals tusschenbeide kwam, hem smeekende zich tot zachtere maatregelen te bepalen. De landjonker bulderde thans weer een vloek uit, en beval den predikant te zwijgen, met de woorden:

„Ge zijt nu niet op den preêkstoel! Als ge daarop geklouterd zijt, kunt ge praten zoo veel ge wilt. Maar ik laat me niet door een geestelijke beheerschen;—en gij zult me niet leeren hoe ik me gedragen moet. Ik wensch u goeden avond, Milady! Kom maar mede, Sophia! Als ge u goed houdt, zal alles wel best afloopen. Ge zult hem nemen! Verd—! Ge zult hem nemen!”

Onder aan den trap verscheen nu jufvrouw Honour, die diep neigende voor den landjonker, hare meesteresse volgen wilde; maar de heer Western stiet haar op zijde, en zeide:

„Neen, juffer! Let daar maar op! bij mij komt ge niet meer in huis.”

„Mag mijne kamenier dus niet medegaan?” vroeg Sophia.

„Neen, stellig niet,” zei de landjonker. „Maar ge behoeft niet te vreezen van eene meid beroofd te blijven; ik zal u eene andere dienstmaagd bezorgen—en eene betere dan deze, die evenmin maagd is—dat durf ik zweren, als mijne grootmoeder! Neen, neen, Sophia! Het zal je niet gelukken om weer weg te loopen;—dat verzeker ik je!”

Daarop pakte hij zijne dochter en den dominé in eene huurkoets, klom zelf er ook in en beval naar zijne kamers te rijden. Onderweg liet hij Sophia met rust, en vermaakte zich slechts met den predikant eene les te lezen over de goede manieren en over een geschikt gedrag tegenover zijne meerderen.

Het is wel mogelijk, dat het hem niet gelukt zou zijn, zijne dochter zoo gemakkelijk uit het huis van Lady Bellaston weg te krijgen, als die goede dame werkelijk verlangd had, haar bij zich te houden; maar werkelijk was zij niet weinig ingenomen met de opsluiting, waartoe Sophia nu veroordeeld was, en daar haar voornemen met Lord Fellamar mislukt was, deed het haar groot genoegen dat nu andere dwangmiddelen gebruikt zouden worden tegen Sophia en ten gunste van een anderen minnaar.

HOOFDSTUK VI.

HOE DE LANDJONKER ER TOE GEKOMEN WAS OM ZIJNE DOCHTER TE ONTDEKKEN.

Hoewel de lezer van menige geschiedenis genoodzaakt wordt veel onverklaarbaarder dingen dan het verschijnen van den heer Western aan te nemen, zonder eenige opheldering, zullen wij echter daar het ons een genoegen is,—waar zulks in onze magt ligt,—om hem te verpligten, er nu toe overgaan, om aan te toonen op welke wijze de landjonker ontdekt had, waar zich zijne dochter bevond.

In het derde hoofdstuk van het vorige boek, gaven wij reeds een wenk (want wij zijn niet gewoon meer dan noodig is bij elke gelegenheid mede te deelen), dat mevrouw Fitzpatrick, die zeer verlangende was om verzoend te worden met haren oom en tante Western, meende daartoe nu eene gewenschte gelegenheid gevonden te hebben, als zij hem de dienst bewees van Sophia te redden van denzelfden misstap, waardoor zij zich den toorn harer familie op den hals gehaald had. Na rijp overleg, besloot zij dan om hare tante Western te melden waar Sophia zich bevond, en schreef dus den volgenden brief, welken wij, om verschillende redenen, in zijn geheel mededeelen.

„Geachte Tante!

De aanleiding tot dit schrijven zal welligt mijn brief welkom doen zijn aan mijne lieve tante, om den wille van ééne harer nichten, hoewel ik slechts weinig reden heb te hopen, dat iets van de schrijfster zelve anders welkom zou zijn.

„Zonder verdere verontschuldiging dan: toen ik op weg was om mij in mijn ongeluk aan uwe voeten te werpen, ontmoette ik, op de meest toevallige wijze, mijne nicht Sophia, wier geschiedenis u beter dan mij bekend is, ofschoon ik, helaas, maar al te veel daarvan weet;—en genoeg vooral om mij te overtuigen dat, tenzij men het haar dadelijk belette, zij gevaar loopt van zich dezelfde noodlottige ramp op den hals te halen, als ik me ongelukkig berokkend heb door uw wijzen en voorzigtigen raad in den wind te slaan.

„Met één woord, ik heb haren minnaar gezien,—ja, ik was zelfs gisteren een groot gedeelte van den dag in gezelschap met hem, en ik verzeker u dat hij een zeer bekoorlijk jong mensch is. Het zou te lang duren om u te vertellen door welk toeval ik met hem bekend werd; maar ik heb heden eene andere woning betrokken, ten einde hem te ontloopen, en te beletten dat hij door mijn toedoen mijne nicht zou ontdekken; want, tot dusver, weet hij niet waar zij zich bevindt, en het is beter dat hij het ook niet wete voor dat oom voor hare veiligheid gezorgd heeft.

„Er is echter geen tijd te verliezen, en ik behoef u alleen mede te deelen, dat zij nu bij Lady Bellaston is, die ik gesproken heb, en die, naar het mij gebleken is, het voornemen heeft om haar voor hare familie te verbergen. Gij weet, tante, dat zij eene heel wonderlijke vrouw is;—maar niets zou mij meer misstaan, dan om te wagen iemand van uw verheven verstand en groote wereldkennis eenigen raad te willen geven. Ik bepaal me dus tot de bloote mededeeling van het feit.

„Ik hoop, mevrouw, dat de bezorgdheid, welke ik bij deze gelegenheid aan den dag leg omtrent de belangen van onze familie, mij weder in de gunst eener dame zal aanbevelen, die steeds zoo veel belang gesteld heeft in de eer en de wezenlijke welvaart van ons allen, en dat dit een middel moge zijn om mij uwe vriendschap weder te doen gewinnen, welke zulk een groot deel van mijn geluk uitmaakte in vroegere dagen, en die zoo onmisbaar is voor mijn toekomstig heil.

„Ik verblijf, geachte tante,

met den meesten eerbied, uwe verpligte en steeds dankbare nicht en meest onderdanige dienaresse,

Henriette Fitzpatrick.”

Mejufvrouw Western was op het oogenblik van de ontvangst van dezen brief bij haar broeder in huis, bij wien zij sedert de vlugt van Sophia steeds gebleven was, ten einde hem in zijne droefheid te troosten. Van dezen troost, welken zij hem dagelijks toedeelde, hebben wij reeds vroeger een staaltje gegeven.

Zij stond nu met den rug naar het vuur, en met een snuifje tusschen de vingers, deelde zij ook thans hem het dagelijksche rantsoen troost mede, terwijl hij zijne pijp na tafel rookte, toen bovengemelde brief aankwam, welken zij hem na lektuur overhandigde, met de woorden:

„Daar, mijnheer! Daar hebt gij berigt omtrent uw verloren lammetje! Het geluk heeft haar weder te regt gebragt, en als gij de goedheid wilt hebben mijn raad te volgen, is het mogelijk dat gij haar verder bewaren zult.”

Zoodra de landjonker den brief gelezen had, sprong hij van zijn stoel op, wierp de pijp in het vuur, en begon van vreugde te brullen. Daarop riep hij zijne dienstboden zamen, beval dat men hem de rijlaarzen zou brengen, Chevalier en andere paarden opzadelen, en dominé Supple gaan halen.

Dit gedaan zijnde, keerde hij zich tot zijne zuster, greep haar in de armen en omhelsde haar, terwijl hij uitriep:

„Wat drommel! Gij schijnt weinig in uw schik te zijn! Men zou zich verbeelden, dat het u speet, dat het meisje gevonden is!”

„Broeder,” hernam zij, „de wijsste staatslieden, die de zaken grondig beschouwen, ontdekken dikwerf iets heel anders dan op de oppervlakte drijft. Het is inderdaad waar, dat de zaken thans iets beter er uitzien, dan vroeger in Holland, toen Lodewijk de Veertiende voor de poorten van Amsterdam stond;—maar er wordt bij deze zaak eene kieschheid vereischt, welke ik vrees, broeder, dat gij geheel en al mist. Men moet een fijnen takt gebruiken tegenover eene vrouw van den rang van Lady Bellaston, welke meer wereldkennis eischt, naar mijn gevoelen, dan gij werkelijk bezit.”

„Ik weet wel, zuster,” hernam de landjonker, „dat gij een heel min denkbeeld van mijne bekwaamheid hebt;—maar, bij deze gelegenheid, zal ik u toch laten zien, dat ik zoo heel gek niet ben. Wereldkennis, zegt ge? Ik heb niet zoo lang geleefd zonder eenige kennis te hebben van de regten en wetten van het land! Ik weet dat ik regt heb op mijn eigendom, waar ik het ook vind. Wijs me maar waar mijne dochter te vinden is, en als ik niet weet hoe haar in mijne magt te krijgen, heb ik er niets tegen dat ge me voor een domkop uitscheldt. Er zijn vrederegters te Londen even goed als elders!”

„Op mijn woord,” hernam zij, „gij doet me beven voor den uitslag dezer zaak, welke, als gij mijn raad volgen wilt, best zou kunnen afloopen. Verbeeldt gij u werkelijk, broeder, dat men het huis van eene dame van stand aanvallen kan met vonnissen en brutale vrederegters? Ik zal u zeggen hoe gij handelen moet. Zoodra gij in de stad aangekomen zijt, en u wat ordentelijke kleêren aangeschaft hebt,—want, wezenlijk, broeder, gij hebt er thans geene, waarin gij u zoudt kunnen vertoonen,—moet gij eene beleefde boodschap bij Lady Bellaston zenden, en verlof vragen om uwe opwachting bij haar te maken. Als gij bij haar toegelaten zijt,—wat stellig gebeuren zal,—en haar uw verhaal gedaan hebt, en een gepast gebruik van mijn naam hebt gemaakt, (want, naar ik meen, kent gij elkaar, hoewel geene verre bloedverwanten, slechts van aanzien) ben ik overtuigd, dat zij verder geene bescherming aan mijne nicht zal verleenen, die haar zeker gefopt heeft. Dit is de eenige handelwijze mogelijk.—Vrederegters! Wel, kom aan! Gelooft gij, dat zulke menschen iets vermogen op eene vrouw van hoogen stand in een beschaafd land?”

„De drommel hale haren hoogen stand!” riep de landjonker. „’t Is me wat fraais,—zoo’n beschaafd land, waar de vrouwen boven de wet verheven zijn! En waarom zou ik me de moeite geven om complimenten te maken met eene verwenschte ——, die een vader van zijne dochter berooven wil? Wil ik je wat zeggen, zuster, ik ben zoo gek niet als ge u verbeeldt!—Ik weet wel dat gij hebben wildet, dat alle vrouwen boven de wet verheven waren; maar dat is een leugen. Ik heb den opperregter eens op eene zitting hooren zeggen, dat niemand boven de wet verheven was. Maar gij zult wel van uwe Hannoversche wetgeving praten!”

„Mijnheer Western,” hernam zij, „ik geloof dat uwe onwetendheid dagelijks toeneemt.—Gij zijt een erge buffel geworden!”

„Evenmin een buffel als gij, zuster!” riep de landjonker. „Wel verdraaid! Gij moogt wel praten van beleefdheid! Ik weet wel, dat ge ze tegenover mij nooit laat blijken! Ik ben noch een buffel noch een hond,—hoewel ik iemand ken, die schoon zij eene vrouw is, tot dat ras behoort! Maar, verd—, ik zal je wel laten zien, dat ik beter weet hoe het hoort dan een heele boel andere menschen!”

„Mijnheer Western,” hernam de dame, „gij kunt verder alles vertellen wat u goed dunkt. Je vous méprise de tout mon coeur! Dus zal ik me niet eens kwaad maken!—Bovendien, zooals mijne nicht, met dien akeligen Ierschen naam, opmerkt, ik heb zoo veel over voor de eer en de ware belangen van mijne familie, en houd zoo veel van mijne nicht Sophia, die er toe behoort, dat ik besloten heb bij deze gelegenheid zelve naar Londen te gaan; want, werkelijk, broeder, gij zijt geen geschikte afgezant om aan een beschaafd hof te verschijnen.—Groenland,—ja, Groenland zou een gepast tooneel wezen voor uwe dolzinnige onderhandelingen!”

„Ik dank den hemel,” riep de landjonker, „dat ik je nu niet meer versta! Ge zijt nu bezig met uwe Hannoversche wartaal! Evenwel, zal ik je bewijzen, dat ik niet voor je wil onderdoen in beleefdheid, en daar gij niet boos op mij zijt wegens al wat ik gezegd heb, ben ik ook niet boos op u wegens al uw gepraat. Ik heb het ook inderdaad altijd als eene dwaasheid beschouwd in bloedverwanten, om onderling twist te krijgen, en als zij zich tusschenbeide een driftig woord laten ontvallen, moet men weten te geven en te nemen;—want, wat mij betreft, ik kan geen wrok koesteren. Ik vind het ook heel vriendschappelijk van u dat gij nu mede naar Londen wilt gaan; want ik ben er slechts tweemaal van mijn leven geweest, en dan ook niet langer dan telkens voor ’n veertien dagen,—en ’t is waar, men kan in zoo korten tijd niet heel veel van de menschen en de straten leeren kennen. Ik heb nooit geloochend dat gij veel meer van dat alles wist dan ik. Het zou even dwaas zijn om u dat te betwisten, als dat gij u meten wildet met mij in het afrigten van de jagthonden, of het opsporen van een zittend haas.”

„En ik beloof u,” zeide zij, „dat ik dat nooit doen zal!”

„Nu,” hernam hij, „en ik zal u het andere ook niet betwisten.”

Thans werd er, om de woorden der dame te gebruiken, een wapenstilstand gesloten tusschen de strijdvoerende partijen, en daar de dominé verscheen en de paarden gereed waren, vertrok de landjonker, nadat hij beloofd had den raad zijner zuster op te volgen, terwijl zij zich gereed maakte om hem den volgenden morgen na te reizen.

Toen de heer Western alles wat er voorgevallen was, onderweg aan den predikant mededeelde, kwamen zij echter zamen overeen, dat men best alle formaliteiten ter zijde laten kon, en de landjonker aldus van plan veranderd zijnde, handelde op de wijze, die ons reeds bekend is.

HOOFDSTUK VII.

WAARIN DE ARME TOM DOOR VERSCHEIDENE RAMPEN GETROFFEN WORDT.

De zaken stonden zooals wij ze beschreven hebben, toen Honour bij jufvrouw Miller verscheen, Tom uit het gezelschap liet roepen, zooals wij gezien hebben, en hem, zoodra zij zich alleen met hem bevond, op de volgende wijze toesprak:

„O beste mijnheer! hoe zal ik den moed vinden om u alles te vertellen wat er gebeurd is? Ach, mijnheer! Gij zijt te gronde gerigt, en mijne arme meesteresse is te gronde gerigt, en ik ben ook te gronde gerigt!”

„Is Sophia iets overkomen?” riep Jones, met verbijsterde blikken.

„Het grootste ongeluk ter wereld,” riep Honour. „O, ik zal van mijn leven zoo’n dienst niet weer vinden! O, dat ik zoo iets beleven moest!”

Op deze woorden werd Jones doodsbleek, begon te beven en iets te stamelen; maar Honour ging voort:

„O, mijnheer Jones, ik heb mijne meesteresse verloren!”

„Hoe! In ’s hemels naam, vertel me alles!—O mijne liefste Sophia!”

„Ja, ja, zoo moogt gij haar wel heeten,” zei Honour; „zij was de beste meesteresse,—ik zal van mijn leven zoo’n dienst niet weer krijgen!”

„De drommel hale uwe dienst!” riep Jones; „waar is Sophia? Wat is haar overkomen?”

„O ja! Waarom niet?” hernam Honour; „de dienstboden kunnen naar de maan loopen! Het komt er niet op aan wat er van hen wordt!—Al jaagt men hen ook weg, en al rigt men hen ook te gronde! ’t Is waar, zij zijn niet van vleesch en bloed zoo als andere menschen! Neen! Het doet er niet toe wat er van hen wordt!”

„Als gij eenig gevoel, eenig medelijden kent,” riep Jones, „dan smeek ik u mij dadelijk te zeggen wat er van Sophia geworden is?”

„Dat is waar,” hernam Honour, „ik heb meer medelijden met u dan gij met mij. Ik zeg u niet naar den drommel te loopen, omdat gij het liefste meisje ter wereld verloren hebt! ’t Is ook waar, gij zijt diep te beklagen,—en ik ook; want, wezenlijk, als er ooit ter wereld eene goede meesteresse was—”

„Wat is er toch gebeurd?” riep Jones, bijna tot razernij gebragt.

„Wat er gebeurd is?” herhaalde Honour. „Wat er gebeurd is? Wel, zoo wat het ergste, dat voor u en voor mij had kunnen gebeuren!—Haar vader is naar Londen gekomen, en heeft haar aan ons beiden ontroofd!”

Jones viel op de knieën en dankte den hemel dat er niets ergers gebeurd is.

„Niets ergers!” riep Honour. „Wat kon er erger gebeuren voor ons beiden? Hij sleepte haar mede en zwoer dat zij mijnheer Blifil zou trouwen;—dat is troost voor u!—en wat mij betreft,—mij heeft hij weggejaagd!”

„Ge hebt me werkelijk doodsangst aangejaagd, Honour!” riep Jones. „Ik verbeeldde me dat Sophia onverwacht het eene of andere verschrikkelijk ongeluk overkomen was,—waarbij zelfs haar huwelijk met Blifil eene kleinigheid zou zijn; maar zoo lang er leven is, is er ook hoop, lieve Honour, en de vrouwen worden, in dit land der vrijheid, niet door geweld tot een huwelijk gedwongen.”

„Dat is wel waar, mijnheer,” hernam zij, „—dat is ontegenzeggelijk. Voor u moge er welligt eenige hoop bestaan;—maar, ach, wat heb ik nog te hopen? En zeker, mijnheer, moet gij inzien, dat al wat ik nu ondervinden moet, om uwentwil geschiedt. Mijnheer Western heeft niets tegen mij in te brengen, dan dat ik partij voor u getrokken heb, zoo als ik steeds gedaan heb, tegen den heer Blifil.”

„Wees overtuigd,” antwoordde Jones, „dat ik heel goed besef hoe veel ik u te danken heb, Honour, en dat ik niets onbeproefd zal laten om u dat te vergoeden.”

„Ach, mijnheer,” hernam zij, „hoe zou men anders het verlies van eene goede dienst aan eene dienstbode vergoeden, dan door haar eene andere te bezorgen, die niet minder is?”

„Wanhoop niet, Honour,” zei Jones; „ik vertrouw dat ik eens in staat zal wezen u in uwe dienst te herstellen.”

„O, mijnheer,” hernam zij; „hoe zou ik me met zulk eene hoop kunnen vleijen, terwijl ik weet dat ze bijna tot de onmogelijkheden behoort? Want mijnheer Western is zoo tegen mij opgezet,—en toch, als gij ooit jufvrouw Sophia krijgt, en, wezenlijk, ik hoop thans van ganscher harte dat gij haar krijgen zult—want gij zijt een mild, goed mensch, en ik weet zeker dat gij van haar houdt,—en ’t is waar, zij houdt meer van u dan van hare eigene ziel,—het zou tot niets dienen om dat te loochenen,—eenvoudig omdat iedereen, die mijne meesteresse maar iets kent, dat inzien moet;—want de lieve goede dame weet van geen veinzen!—en als twee menschen, die elkaar beminnen niet gelukkig zijn,—wel! wie zou dan kans op geluk hebben? Het geluk hangt niet altijd van het geld af,—en ware dat het geval, jufvrouw Sophia heeft genoeg voor twee. En zeker, zou men ook kunnen zeggen, dat het schande zou zijn zulk een paar minnenden te scheiden;—ja, en wat mij betreft, ik ben vast overtuigd, dat gij eindelijk bij elkaar zult komen;—want als zoo iets gebeuren moet,—is het onmogelijk het te beletten. Als de huwelijken in den hemel gesloten worden, kunnen al de vrederegters ter wereld ze niet voorkomen! Ja! Ik wilde maar dat dominé Supple moed genoeg bezat om mijnheer Western te zeggen, dat het heel slecht van hem is, om zijne dochter tegen haar zin tot een huwelijk te dwingen! Maar hij is geheel afhankelijk van mijnheer, en dus durft de goede man—ofschoon het een zeer godsdienstig best soort van mensch is, en hij achter mijnheers rug overluid verkondigt, dat zoo iets zeer slecht is,—den mond niet open doen, als hij er bij is! En werkelijk, ik heb hem nooit zoo moedig gezien, als straks! Ik was bang dat mijnheer hem te lijf wou!—Maar gij moet niet droefgeestig zijn, mijnheer, en ook niet wanhopig;—zoo lang gij op de jufvrouw rekenen kunt, kunnen de zaken ook nog een goeden keer nemen,—en op haar rekenen kunt ge vast;—dat is zeker; want zij zal er nooit in toestemmen een anderen man te nemen. Ja, en ik ben ook bang genoeg, dat mijnheer, in zijne woede, haar een ongeluk zal slaan;—want hij is verbazend driftig; en ik vrees ook, dat men de jufvrouw eindelijk het hart zal breken; want zij is zacht als een duifje;—ik geloof haast dat het jammer voor haar is, dat zij niet wat van mijn moed heeft! Als ik op een jong mensch verliefd was en mijn vader mij opsluiten wilde, zou ik hem de oogen uitkrabben, eerder dan mijn zin niet te krijgen!—Maar in dit geval staat er een groot vermogen op het spel,—dat haar vader de magt heeft haar te geven of niet,—en het is waar!—zoo iets maakt zeker een onderscheid!”

Ik weet niet of het wegens gebrek aan oplettendheid was, of wegens het onzinnige van de geheele redevoering; maar Jones trachtte in het geheel niet tusschenbeide te komen, en zij hield vol met praten tot Partridge in de kamer stoof en hem meldde dat „de groote dame” op de trap was.

Jones bevond zich thans in de grootste verlegenheid. Honour wist niets van de betrekking tusschen hem en Lady Bellaston en zij was ongeveer de laatste persoon ter wereld, aan wie hij iets daarvan zou hebben willen mededeelen. In den nood en de overhaasting dan, koos hij (wat dikwerf geschiedt!) de slechtste partij, en in plaats van haar aan de dame bloot te geven,—wat niet veel kwaad kon,—verkoos hij liever de dame aan haar bloot te geven. Hij besloot dus om Honour te verbergen, die juist den tijd had zich achter het bed te verstoppen en de gordijnen er van digt te trekken.

De drukte welke Jones den geheele dag had gehad met de vrouw des huizes en haar gezin, de schrik, welken jufvrouw Honour hem aangejaagd had, en de verwarring, veroorzaakt door de onverwachte komst van Lady Bellaston, dit alles bragt hem zoodanig in de war, dat hij er geen oogenblik aan dacht om zijne rol als zieke vol te houden,—wat ook, inderdaad, zeer in strijd zou geweest zijn met zijne keurige kleeding en de bloeijende kleur op zijne wangen.

Hij ontving Milady dus eerder overeenkomstig hare wenschen dan hare verwachtingen, met den schijn van de meeste blijdschap en zonder eenige wezenlijke, of geveinsde ziekteteekenen.

Zoodra Lady Bellaston in de kamer kwam, ging zij op het bed zitten, en zeide:

„Nu, zoo als gij ziet, waarde Jones, is er niets, dat mij heel lang van u verwijderd kan houden! Misschien heb ik reden om eenigzins boos op u te zijn; want ik heb den geheelen dag niets van u gezien of gehoord; hoewel, naar ik merk, uwe ongesteldheid u niet aan huis behoefde te kluisteren;—ja, ik vermoed zelfs, dat gij den geheelen dag niet zoo opgeschikt gezeten hebt als eene groote dame, die kraamvisites wacht;—maar, denk niet dat ik met u wilde knorren; want ik zal u nooit eene aanleiding geven om u als koel echtgenoot te gedragen, door zelve den kwaden luim eener huisvrouw aan den dag te leggen.”

„Wel, Lady Bellaston,” hernam Jones, „ik ben overtuigd dat gij mij van geen verzuim beschuldigen zult, terwijl ik alleen op uwe bevelen zat te wachten. Wie, liefste, zou eigenlijk moeten klagen? Wie heeft gisteren avond eene bepaalde afspraak verzuimd en een ongelukkig mensch aan zijn zuchten, wenschen en verlangen overgelaten?”

„Spreek daar niet van, mijn waarde Jones,” zeide zij. „Als ge wist wat daartoe aanleiding gaf, zoudt gij mij beklagen. Met één woord, het is onmogelijk te beschrijven hoe eene vrouw van stand geplaagd wordt door de lastigheid van allerlei dwazen, terwijl zij toch hare rol in het kluchtspel van de maatschappij vol moet houden. Het verheugt me echter, dat al uw zuchten en wenschen u geen kwaad gedaan heeft; want ge hebt van uw leven er niet beter uitgezien. Op mijn woord, Jones, gij zijt op dit oogenblik het model van een Adonis!”

Er zijn zekere tergende woorden, die een man van eer alleen beantwoorden kan door een slag;—onder minnenden zijn er welligt zekere uitdrukkingen, waarop men alleen antwoorden kan door een kus. Het compliment door Lady Bellaston aan Jones gemaakt, was waarschijnlijk van dezen aard, vooral daar het door een blik vergezeld ging, waarmede de dame veel meer liefde uitdrukte, dan zij met woorden wel doen kon.

Jones bevond zich zeker op dit oogenblik in een der onaangenaamste en pijnlijkste toestanden mogelijk;—want, om het beeld, dat we pas gebruikt hebben, vol te houden: hoewel de uitdaging van de dame zelve kwam, kon Jones haar geene voldoening geven, of ze zelfs van haar vragen in het bijzijn van een derde, daar de wet, bij deze soort van tweegevechten, geene getuigen toelaat.

Daar dit bezwaar volstrekt niet bestond bij Lady Bellaston, die zich verbeeldde de eenige vrouw in de kamer te zijn, wachtte zij eenige oogenblikken met de meeste verbazing op het antwoord van Jones, die, zich de bespottelijke rol bewust, welke hij spelen moest, op een afstand bleef staan, en daar hij het niet waagde het gepaste antwoord te geven,—er in ’t geheel geen voor den dag bragt.

Men kan zich niets komieker noch tragischer dan dit tooneel voorstellen, als het iets langer geduurd had. De dame was reeds een paar maal van kleur veranderd, was al van het bed opgestaan, en had er weer op plaats genomen, terwijl Jones wenschte dat de aarde zich openen mogt om hem te verslinden, of dat het huis instorten en hem verpletteren mogt, toen een wonderlijk toeval hem uit eene verlegenheid redde, waaruit noch de welsprekendheid van een Cicero noch de diplomatie van een Machiavelli hem anders had kunnen redden.

Dit was niets anders dan de aankomst van den jongen Nightingale, die stom dronken was, of liever in dien dronken toestand, welke de mensch van het gebruik van de rede berooft, zonder hem het gebruik zijner ledematen te benemen.

Jufvrouw Miller en hare dochters lagen al te bed, en Partridge zat zijne pijp te rooken bij het keukenvuur, zoodat hij de deur van de kamer van Jones zonder eenig bezwaar bereikt had. Hij stiet die ook open, en wilde zonder pligtpleging binnenstormen, toen Jones opsprong, en hem tegenhield,—zoo krachtig dat Nightingale niet ver genoeg binnen drong om te kunnen zien wie op het bed zat.

Hij had inderdaad, de kamer van Jones voor de zijne gehouden, en drong er dus te stelliger op aan om binnen gelaten te worden, zwerende dat men hem niet beletten zou naar zijn eigen bed te gaan. Jones echter wist hem te bepraten en leverde hem aan Partridge over, die bij het geraas op de trap naar boven gekomen was, om zijn meester te helpen.

En thans moest Jones, hoe ongaarne ook, naar zijne eigene kamer terug keeren, waar hij, op het oogenblik van zijn binnentreden, van Lady Bellaston een gesmoorden uitroep vernam, en terzelfder tijd zag hoe zij zich op een stoel wierp, in eene ontroering, waarbij eene dame van een zwakker gestel, het op de zenuwen gekregen zou hebben.

Het ware van de zaak was dat de dame, verschrikt door de worsteling tusschen de twee mannen, en welker uitslag zij niet voorzien kon, vooral daar zij Nightingale met vele vloeken hoorde zweren, dat niemand hem uit zijn bed houden zou, eene toevlugt poogde te zoeken op de haar van vroeger bekende verbergplaats, welke zij echter, tot hare groote verbazing, reeds door eene andere bezet vond.

„Is zulk eene behandeling te dragen, mijnheer Jones?” riep de dame.—„Gij verraderlijkste der mannen!—Wie is de ellendige aan wie gij mij op die wijze bloot gegeven hebt?—”

„De ellendige!” riep Honour, in hevige woede uit haren schuilhoek te voorschijn komende. „Welnu, kom aan! De ellendige, zegt zij! Al ben ik ellendig arm, ben ik toch een eerlijk mensch! En dit kunnen sommige menschen, die nog zoo rijk zijn, niet van zich zelve zeggen!”

Jones, in plaats van zich te beijveren om jufvrouw Honours toorn te doen bedaren, zooals een meer ervarene minnaar gedaan zou hebben, begon zijn hard lot te verwenschen, en zich te beklagen als de ongelukkigste mensch ter wereld,—en zich daarop tot Lady Bellaston wendende, begon hij op de meest bespottelijke wijze zijne onschuld te betuigen. Inmiddels, daar de dame haar verstand weer volkomen meester was,—dat zij (vooral in een dergelijk geval), met de meeste vlugheid wist te gebruiken, zeide zij heel bedaard:

„Mijnheer, gij behoeft u niet te verontschuldigen;—ik zie nu wie ik voor me heb;—ik herkende jufvrouw Honour niet op het eerste oogenblik, maar nu ik zie wie het is, veronderstel ik natuurlijk niets verkeerds tusschen u en haar, en ik ben overtuigd dat zij ook veel te verstandig is, om eenigen verkeerden uitleg te geven aan mijn bezoek bij u. Ik ben haar altijd zeer gunstig gezind geweest, en ik zal het welligt in mijne magt hebben, haar dat later duidelijk te doen blijken.”

Jufvrouw Honour was even spoedig te verzoenen als het gemakkelijk was hare drift op te wekken. Zoodra zij dus den vriendelijken toon van Lady Bellaston begreep, verzachtte zij ook den haren.

„Wel, Milady,” zeide zij, „ik weet zeker, dat ik steeds uwe goedheid voor mij erkend heb;—want, werkelijk, ik heb nooit meer goedheid ondervonden van wien ook, dan van Milady! En nu ik zie dat gij het zijt, Milady, zou ik mij de tong willen afbijten, na al wat ik gezegd heb.—Ik eene verkeerde uitlegging geven aan iets dat Milady doet!—Wel! Het betaamt eene arme dienstmeid, zooals ik ben, volstrekt niet zich het hoofd te breken met hetgeen eene groote dame verkiest te doen!—Maar ik moest liever zeggen, dat betaamt niet aan iemand, die eene dienstmeid geweest is;—want nu heb ik geene dienst meer;—ik ongelukkige! Ik heb de beste meesteresse verloren!”—En hiermede begon Honour te snikken.

„Schrei niet, kind,” zei de goede dame; „men kan er welligt iets op bedenken om u dat te vergoeden. Kom morgen vroeg bij mij!”

Hierop nam zij haren waaijer op, die op den grond lag, en zonder Jones zelfs aan te zien, verliet zij de kamer met de meeste deftigheid, daar er eene zekere waardigheid ligt in de onbeschaamdheid van eene dame van hoogen rang, welke hare minderen, in zaken van dezen aard, te vergeefs zouden trachten aan te nemen.

Jones volgde haar naar beneden, haar herhaaldelijk de hand biedende, welke zij bepaaldelijk weigerde aan te raken, en klom in haren draagstoel, zonder eenige acht op hem te slaan, terwijl hij voor haar diep stond te buigen.

Zoodra hij weder naar boven kwam, had hij een lang gesprek met Honour, terwijl zij herstelde van de ontroering van het voorgaande tooneel. Het onderwerp daarvan was zijn ontrouw aan hare meesteresse, waarover zij met de meeste verbittering uitweidde; maar Jones vond eindelijk de middelen om haar te verzoenen, en niet alleen om dat te doen, maar ook om eene belofte van haar af te persen om zijn geheim heilig te bewaren, terwijl zij haar best zou doen om Sophia den volgenden morgen op te sporen en om hem verder berigt te brengen van de handelwijze van den landjonker.

Dus liep dit ongelukkige avontuur af, tot voldoening alleen van mejufvrouw Honour; want een geheim,—zooals welligt sommige mijner lezers uit ondervinding weten,—is dikwerf een zeer kostbaar iets, niet alleen voor diegenen die het trouw weten te bewaren, maar soms ook voor hen, die het aan iedereen influisteren, behalve aan den onwetende, die hen betaalt voor het veronderstelde verbergen van iets dat algemeen bekend is.

HOOFDSTUK VIII.

KORT EN ZOET.

Niettegenstaande al hare verpligtingen aan Jones, kon jufvrouw Miller niet nalaten om hem eenige zachte verwijten te doen over den storm op zijne kamer den vorigen avond. Ze luidden echter zoo zacht en vriendschappelijk, terwijl zij betuigde werkelijk niets dan het beste van den heer Jones zelven te bedoelen, dat hij, verre van zich beleedigd te gevoelen, met dank de vermaningen der goede vrouw aanhoorde, veel berouw uitdrukte over hetgeen er gebeurd was, zich verontschuldigde zoo goed hij kon, en beloofde nooit meer eenige onrust van dien aard in huis te zaken.

Maar, hoewel jufvrouw Miller zich niet onthouden kon van hem onder vier oogen te vermanen bij hunne eerste ontmoeting, werd hij dienzelfden morgen naar beneden geroepen voor eene veel aangenamer zaak; hij moest namelijk de rol van bruidsvader vervullen bij mejufvrouw Nancy, welke met den heer Nightingale trouwen zou, die reeds gekleed was en zoo nuchter als vele mijner lezers zich verbeelden zullen dat een man behoeft te zijn, die op zulk eene onberadene wijze eene vrouw neemt.

Wat was er echter den vorigen avond gebeurd. Toen de oom met zijn neef te huis gekomen was, had hij—gedeeltelijk om zijn eigen wil,—want hij hield veel van de flesch,—en gedeeltelijk om zijn neef buiten staat te stellen om zijn plan onmiddellijk uittevoeren, wijn op tafel laten zetten, en den jongenheer zoo druk ingeschonken, dat deze,—die hoewel hij gewoonlijk niet zeer veel dronk, toch niet zulk een sterken afkeer van den wijn koesterde, dat hij zich aan ongehoorzaamheid of gebrek aan beleefdheid jegens zijn oom schuldig zou maken,—weldra, zooals men zegt, „de hoogte,” kreeg.

De oom had pas deze overwinning behaald, en een bed voor zijn neef gereed laten maken toen een bode aankwam met eene tijding, die hem zoo zeer deed ontstellen en van zijn stuk bragt, dat hij zijn neef dadelijk vergat, en voor niets anders dan zijne eigene zaken vatbaar was.

Deze onverwachte en bedroevende tijding was niets minder dan dat zijne dochter gebruik had gemaakt van bijna het eerste oogenblik van zijne afwezigheid en zich had laten schaken door een jong predikant,—en ofschoon er niets tegen deze was in te brengen dan zijn gebrek aan geld, had zij goedgevonden hare liefde tot hem zoo geheim te houden, zelfs voor haren vader, en had alles zoo slim overlegd, dat niemand er iets van vermoed had tot nu alles afgeloopen was.

Zoodra de oude heer Nightingale dit berigt ontving, bestelde hij dadelijk, in de meeste ontroering, postpaarden, en zijn neef aan de zorg van een bediende overgelaten hebbende, verliet hij het huis, haast zonder te weten wat hij deed of waarheen hij ging.

Na het vertrek van den oom, kwam de knecht om den neef naar bed te brengen, wekte hem tot dat einde, en bragt hem eindelijk aan het verstand dat zijn oom vertrokken was. De jonge Nightingale echter, in plaats van de vriendelijk aangebodene hulp aan te nemen, beval dat men een draagstoel voor hem halen zoude, en daar de knecht geene bepaalde bevelen ontvangen had om dit niet te doen, gehoorzaamde hij zonder bezwaar, en de jonge heer aldus naar het huis van jufvrouw Miller gebragt zijnde, strompelde naar de kamer van den heer Jones, zoo als wij reeds gemeld hebben.

Daar nu de lastige oom uit den weg was,—hoewel de jonge Nightingale nog niet wist waarom hij vertrokken was,—en daar alle partijen spoedig gereed waren, stapten de moeder, de heer Jones, de heer Nightingale en zijne beminde in eene huurkoets en reden naar Doctor’s Commons, waar jufvrouw Nancy, in de woorden van het volk, spoedig tot „eene eerlijke vrouw” en de arme moeder, in de ruimste beteekenis van het woord, tot een der gelukkigste wezens op aarde gemaakt werd.

De heer Jones aldus zijne goede diensten jegens die arme vrouw en haar gezin bekroond ziende, begon zich thans op zijne eigene zaken toe te leggen;—maar hier, ten einde te beletten dat vele mijner lezers zijne dwaasheid berispen, omdat hij zich dus de belangen van anderen aantrok, en om te voorkomen dat enkelen gelooven zouden dat hij nog onbaatzuchtiger handelde dan wezenlijk het geval was, acht ik het noodig de verzekering te geven, dat hij verre van geen belang bij deze zaak te hebben, er werkelijk zeer op gesteld was om ze tot een gelukkig einde te brengen.

Om deze schijnbare tegenstrijdigheid dadelijk op te lossen, herinner ik, dat hij iemand was, die werkelijk met den man bij Terentius zeggen kon: „Homo sum et nil humani a me alienum puto.” Hij bleef nooit een onverschillig toeschouwer van de ellende of het geluk van wien ook, en gevoelde beide des te dieper naar mate hij zelf daartoe bijgedragen had. Het was hem dus niet mogelijk om een geheel huisgezin te helpen opheffen uit de diepste ellende tot het hoogste geluk, zonder zelf zich zalig te gevoelen,—zaliger welligt dan de meest wereldsche menschen worden door den zwaarsten arbeid of dikwerf door een modderpoel van slechtheid te doorwaden.

Die lezers, welke denzelfden aard bezitten als hij, zullen zich welligt verbeelden dat dit korte hoofdstuk overvloed aan stof bevat, terwijl anderen waarschijnlijk wenschen zullen, dat hoe kort het ook is, het geheel weggelaten ware geworden, als eene afwijking van de hoofdzaak,—welke denkelijk, volgens hen, daarin bestaat, dat de heer Jones aan de galg gebragt worde,—of zoo mogelijk tot een nog ellendiger uiteinde.

HOOFDSTUK IX.

BEVATTENDE MINNEBRIEVEN VAN VERSCHILLENDEN AARD.

Bij zijne te huiskomst vond de heer Jones onderstaande brieven op zijne tafel, die hij gelukkig, in de behoorlijke volgorde opende:

1ste BRIEF.

„Ik ben zeker op eene vreemde wijze betooverd;—ik kan mijne besluiten, hoe standvastig ze ook schijnen, of hoe billijk ze ook zijn,—geen oogenblik volhouden. Gisteren nacht besloot ik u nooit weder te zien; heden morgen ben ik gereed te vernemen of het waar is, zoo als gij zegt, dat gij deze zaak ophelderen kunt? En toch weet ik dat zoo iets onmogelijk is. Ik heb mij zelve reeds alles gezegd, wat gij bedenken kunt.—Misschien, ten minste!—Welligt hebt gij eene sterkere verbeelding dan ik.—Kom dus bij me oogenblikkelijk na ontvangst van deze letteren. Als gij eene verontschuldiging kunt bedenken, kan ik u bijna beloven ze aan te nemen. Maar verraden te zijn—ik wil niet meer denken!—Kom dadelijk bij mij.—Deze is de derde brief dien ik schrijf:—de beide eersten zijn verbrand.—Ik heb haast lust om ook dezen op het vuur te werpen.—Ik hoop maar dat ik niet waanzinnig word!—kom spoedig tot mij!”

2de BRIEF.

„Als gij ooit op vergiffenis hoopt,—of zelfs om den voet bij mij in huiste zetten,—kom dan oogenblikkelijk bij mij.”

3de BRIEF.

„Ik verneem thans dat gij niet te huis waart toen mijne brieven bezorgd werden. Ik wacht u oogenblikkelijk na ontvangst van deze regels:—ik zal zelve de deur niet uitgaan, en niemand ontvangen dan—u! Zeker zult gij nu niet lang meer uitblijven!”

Jones had pas deze drie briefjes gelezen, toen de heer Nightingale in de kamer trad.

„Nu, Tom,” zeide hij, „hebt ge na het avontuur van gisteren avond niets van Lady Bellaston vernomen?”

Want het was thans voor niemand in huis een geheim meer wie de dame was.

„Lady Bellaston?” vroeg Jones, zeer ernstig.

„Kom, mijn waarde Tom,” riep Nightingale, „speel niet meer den geheimzinnige met uwe beste vrienden! Hoewel ik te dronken was om haar gisteren avond te zien, zag ik haar wel op de maskerade. Gelooft ge werkelijk dat ik niet weet wie de Feeënkoningin was?”

„Hebt ge haar dan werkelijk op het bal herkend?” vroeg Jones.

„Ja! Op mijn woord van eer!” hernam Nightingale, „en ik heb u sedert dien tijd menigen wenk gegeven dat ik het gedaan had, hoewel ge altijd zoo kwetsbaar op dat punt schijnt, dat ik niet ronduit wilde spreken. Ik verbeeld me, vriend, uit uwe groote kieschheid in deze zaak, dat ge minder bekend zijt met het karakter dan met de persoon der dame. Maak u niet kwaad, Tom; maar werkelijk, ge zijt niet de eerste jongen dien zij verleid heeft. Haar goede naam loopt geen gevaar,—daar kunt ge op rekenen!”

Hoewel Jones geene reden had zich te verbeelden, dat de dame eene Vestaalsche maagd was toen zijn avontuur met haar begon, begreep hij echter, daar hij te Londen geheel onbekend was, nog weinig van het karakter van eene vrouw, die eene intrigue aanknoopte met iederen man, die haar bevalt, terwijl zij den naam en den schijn der deugd bewaart, en die, hoewel sommige zeer moeijelijke dames haar niet willen zien, „bezoeken ontvangt,” gelijk men zegt, van de geheele stad,—terwijl inderdaad iedereen weet dat zij is, wat niemand haar ronduit noemen wil.

Zoodra hij dus inzag, dat Nightingale met de geheele zaak bekend was, en hij daarom begon te veronderstellen, dat hij schroomvalliger was geweest dan vereischt werd, gaf hij zijn vriend volmaakte vrijheid en verzocht hem onbewimpeld alles te zeggen wat hij van de dame wist of gehoord had.

Nightingale, die ook in andere opzigten iets vrouwelijks in zijn aard had, was zeer geneigd tot babbelen. Zoodra hij dus van Jones vrijheid van spreken kreeg, begon hij een lang verhaal over de dame, dat wij, daar het vele bijzonderheden bevatte, welke haar tot groote schande strekten, uit eerbied voor alle vrouwen van hoogen stand, liefst niet herhalen. Wij wilden dan ook met de meeste voorzigtigheid elke gelegenheid vermijden om latere commentatoren van ons boek aanleiding te verschaffen, om iets kwaads te zeggen, en om ons te dwingen, tegen onzen zin, de verspreiders van laster te worden,—wat nooit bij ons opgekomen is.

Nadat Jones zeer aandachtig geluisterd had naar al wat Nightingale vertelde, loosde hij een diepen zucht, wat door den andere opgemerkt werd, die riep:

„Hola! Ge zijt toch niet verliefd, hoop ik? Als ik me had kunnen verbeelden dat gij zoo aangedaan zoudt zijn door mijn verhaal, dan verzeker ik u dat ik het verzwegen zou hebben!”

„O mijn waarde vriend,” hernam Jones, „ik ben zoodanig in de strikken van deze vrouw geraakt, dat ik niet weet hoe ik me er uit redden zal! Verliefd op haar? Neen, vriend! Maar ik heb verpligtingen,—zeer groote verpligtingen aan haar! Daar ge al zoo veel weet, zal ik u alles uitleggen. Het is welligt alleen aan haar te danken, dat ik op dit oogenblik een mondvol broods heb. Hoe zou ik het over mij verkrijgen om zulk eene vrouw te verlaten?—En toch moet ik dat doen, of me schuldig maken aan de meeste ondankbaarheid jegens eene andere, die oneindig meer van me vorderen mag dan zij;—een meisje, Nightingale, tot wie ik eene liefde koester, die weinige menschen begrijpen kunnen. Ik ben half gek van onzekerheid hoe ik handelen moet.”

„En is deze andere eene eerlijke liefde?” vroeg Nightingale.

„Eerlijk!” riep Jones. „Met geen enkel woord is haar goede naam ooit in twijfel getrokken! De reinste lucht is niet reiner,—de doorschijnende beek niet zuiverder dan hare eer. Zij is naar ligchaam en ziel, in alle opzigten volmaakt! Zij is het schoonste meisje ter wereld, en toch is zij begaafd met zulke edele, verhevene hoedanigheden, dat hoewel er geen oogenblik voorbij gaat zonder dat ik aan haar denk,—ik mij hare schoonheid nooit voorstel als ik ze niet voor oogen heb.”

„En kunt gij, waarde vriend,” vroeg Jones, „met zulke verpligtingen op u, één oogenblik aarzelen omtrent het verlaten van zulk eene—”

„Houd op!” riep Jones. „Spreek geen kwaad meer van haar, Ik verfoei de ondankbaarheid!”

„Bah!” hernam de andere; „gij zijt de eerste niet, wien zij dergelijke verpligtingen opgelegd heeft. Zij is bijzonder mild zoolang zij met iemand ingenomen is; maar ik moet u toch zeggen, dat hare gunsten zoo voorzigtig uitgedeeld worden, dat zij eerder de ijdelheid streelen dan de dankbaarheid opwekken moesten.”

Met één woord, Nightingale zei zooveel omtrent dit onderwerp en deelde zijn vriend zoovele verhalen van de dame mede, met de betuiging dat ze de stipste waarheid bevatten, dat hij spoedig alle achting voor haar uit het hart van Jones uitwischte, terwijl zijne dankbaarheid naar verhouding verminderde. Inderdaad, hij begon al de gunstbewijzen, welke hij ontvangen had, eerder als loon dan als weldaden te beschouwen,—wat niet alleen haar maar ook hem zelven vernederde in zijne eigene meening, en hem even ontevreden maakte met haar als met zich zelven. In deze mismoedige stemming, was het een natuurlijke overgang om van haar op Sophia te komen, op hare deugd, hare reinheid, hare liefde tot hem, haar lijden om zijnentwil, dat hem thans geheel vervulde en zijn omgang met Lady Bellaston in een nog verachtelijker licht deed uitkomen. De slotsom van dit alles was, dat hoewel hij door zijn ontslag te nemen uit hare dienst (want als zoodanig beschouwde hij nu zijne betrekking tot haar), zijn dagelijksch brood kwijt zou raken, hij toch besloot om haar op te geven, als hij slechts een deugdelijk voorwendsel daartoe kon vinden,—en dit voornemen deelde hij aan zijn vriend Nightingale mede, die, na zich een oogenblik bedacht te hebben, zeide:

„Ik heb het gevonden, mijn jongen! Ik weet een zeker middel! Stel haar voor met u te huwen,—en ik laat me hangen als dat niet helpt!”

„Haar voorstellen met mij te huwen?” riep Jones.

„Wel zeker!” hernam Nightingale. „Stel haar een huwelijk voor en zij zal dadelijk neen zeggen! Ik ken een jongen, dien zij vroeger onderhield, die haar dat in goeden ernst voorstelde en dien zij dadelijk, om die reden, wegjoeg.”

Jones verklaarde de proef niet te durven wagen.

„Misschien,” zeide hij, „zou haar een dergelijk voorstel minder verschrikkelijk voorkomen van den een dan van den andere. En als zij mij bij het woord nam,—waar zou ik dan blijven? Ik zou in den kuil gevallen zijn, dien ik zelf gegraven had, en voor altijd ongelukkig zijn.”

„Neen!” riep Nightingale, „niet als ik u een middel aan de hand geef, waardoor gij u des noods altijd redden kunt.”

„En wat is dat middel?” vroeg Jones.

„Het volgende,” antwoordde Nightingale. „De jongen, van wien ik u sprak,—een mijner meest vertrouwde vrienden, is zoo kwaad op haar, wegens eenige slechte diensten, welke zij hem later bewezen heeft, dat ik overtuigd ben, dat hij zonder bezwaar u inzage zou geven van hare brieven, waarna gij zeer welvoegelijk met haar zoudt kunnen breken, en u van haar los maken eer de huwelijksknoop digt getrokken was,—als zij in zoo iets toestemde,—wat zij, daarvan ben ik overtuigd, niet doen zou.”

Na eenige aarzeling, liet zich Jones door deze verzekering overhalen; maar zwerende dat hij den moed niet had haar in het aangezigt een dergelijk voorstel te doen, schreef hij haar den volgenden brief, die hem door Nightingale gedicteerd werd.

„Mevrouw,

Tot mijn groot leedwezen was eene afspraak, die me van huis hield, oorzaak dat ik uwe zeer vereerende uitnoodiging niet dadelijk ontving, en het uitstel dat me nu belet mij dadelijk te regtvaardigen, verzwaart zeer deze ramp. O, Lady Bellaston, hoeveel heb ik niet geleden uit vrees dat uw goede naam benadeeld zou worden door al deze ongelukkige omstandigheden! Er is slechts één middel om hem te bewaren. Ik behoef niet te zeggen wat dat is! Veroorloof me slechts hierbij te voegen, dat daar uwe eer mij even dierbaar is als de mijne, het mijne hoogste eerzucht is om mijne vrijheid aan uwe voeten te leggen, en geloof mij als ik u verzeker dat ik nooit geheel gelukkig zal wezen, tot gij mij edelmoedig het regt toekent om u wettig en voor altijd de mijne te noemen.

„Ik verblijf,

Milady,

met den meesten eerbied, uw zeer dankbare, en onderdanige dienaar,

Thomas Jones.”

Op dezen brief zond zij met den meesten spoed het volgende antwoord:

„Mijnheer,

Toen ik uw zeer ernstig schrijven las, had ik me uit de koelheid en stijfheid daardoor kunnen verbeelden, dat gij reeds in het bezit waart van de „wettige regten,” waarvan gij spreekt;—ja zelfs, dat wij al sedert vele jaren werkelijk zamen dat monsterdier, man en vrouw genoemd, uitmaakten.

„Houdt gij mij dan werkelijk voor eene zottin? Of gelooft gij dat gij in staat zijt zoo zeer mijn verstand te benevelen, dat ik mijn geheel vermogen in uwe magt zou stellen, alleen om u de gelegenheid te geven op mijne kosten uwe genoegens na te jagen? Zijn dit de bewijzen, welke ik van uwe liefde verwacht had? Is dit de vergelding voor ——; maar ik acht het beneden mij om u iets te verwijten en ben, in groote bewondering van uwen diepen eerbied, enz.”

„P.S. Ik word belet om mijn schrijven over te lezen.—Misschien heb ik meer gezegd dan ik wel bedoelde.—Kom heden avond om acht uur bij mij.”

Na overleg met zijn raadsman, antwoordde Jones:

„Mevrouw,

Het is me onmogelijk u te zeggen, hoe zeer ik me gegriefd gevoel door de verdenkingen, welke gij omtrent mij koestert. Kan Lady Bellaston hare gunsten geschonken hebben aan een man, dien zij schuldig zou gelooven aan zulk een laag voornemen? Of kan zij minachting koesteren voor de heiligste banden der liefde? Kunt gij u ook verbeelden, Mevrouw, dat als de hevigheid van mijn hartstogt voor een oogenblik de achting vermeesterde, welke ik voor uwe eer koester, ik er aan zou willen denken, om een omgang voort te zetten, die onmogelijk lang voor het oog der wereld verborgen zou kunnen blijven, en die, eens ontdekt, zoo noodlottig zou wezen voor uw goeden naam? Indien gij zulke gedachten van mij koestert, dan moet ik bidden spoedig in de gelegenheid te zijn die geldelijke verpligtingen te kunnen afdoen, welke ik het ongeluk had uit uwe handen te ontvangen, terwijl ik voor die van een meer kostbaren aard, steeds blijven zal, enz.”

Eindigende juist met dezelfde woorden als aan het slot van zijn eersten brief.

De dame antwoordde hierop als volgt:

„Ik zie thans in dat gij een schurk zijt en veracht u van ganscher harte. Als gij hier komt, geef ik niet te huis voor u.”

Hoewel Jones zich zeer gelukkig gevoelde dat hij aldus verlost was van eene slavernij, welke ieder die iets dergelijks ooit ondervonden heeft, bekennen zal dat niet tot de ligtste soort behoort gevoelde, hij zich toch niet geheel gerust gesteld in zijn hart. Er was te veel valschheid in zijn plan geweest om iemand te voldoen, die alles wat naar onopregtheid en oneerlijkheid zweemde, verfoeide,—en inderdaad, hij zou zich er niet aan onderworpen hebben, als hij zich niet in een pijnlijken toestand had bevonden, waarin hij gedwongen was zich oneerlijk te gedragen ten opzigte van eene der beide dames,—en de lezer zal zeker toestemmen, dat alle goede grondbeginselen, zoowel als de liefde zelve, sterk ten gunste van Sophia pleitten.

Nightingale verheugde zich bovenmatig over het welslagen van zijne list, waarvoor hij veel dank en lof van zijn vriend inoogstte. Hij zei dan ook:

„Mijn waarde Tom, wij hebben elkaar op geheel tegenovergestelde wijzen verpligt. Aan mij dankt gij uwe vrijheid weder;—aan u dank ik het verlies van de mijne. Maar als gij, in uwen toestand, u even gelukkig gevoelt als ik in den mijne, dan verzeker ik u dat wij de twee gelukkigste menschen in geheel Engeland zijn!”

De beide heeren werden thans naar tafel geroepen, waarbij jufvrouw Miller, die zelve kookte, haar uiterste best had gedaan om het huwelijksfeest harer dochter te vieren. Dit geluk schreef zij voornamelijk toe aan de vriendschappelijke bemoeijingen van Jones, en daar zij geheel en la vervuld was met dankbaarheid, en blikken, woorden en handelingen bezigde om ze aan den dag te leggen, sloeg zij niet heel veel acht op hare dochter, of zelfs op haar nieuwen schoonzoon.

Het eten was pas afgeloopen, toen jufvrouw Miller een brief ontving; daar wij echter in dit hoofdstuk brieven genoeg hebben gehad, zullen wij den inhoud er van in het volgende hoofdstuk mededeelen.

HOOFDSTUK X.

BESTAANDE GEDEELTELIJK UIT FEITEN EN GEDEELTELIJK UIT OPMERKINGEN DAAROVER.

De brief van welken wij aan het einde van het vorige hoofdstuk gesproken hebben, was van den heer Allworthy, en meldde zijn voornemen om zeer spoedig naar Londen te komen met zijn neef Blifil en zijn wensch om zijn gewoon kwartier te betrekken, namelijk de eerste verdieping van jufvrouw Miller’s huis voor zich en de tweede voor zijn neef.

De opgeruimdheid, welke tot dus ver op het gelaat der arme vrouw geblonken had, verminderde nu eenigzins. Deze tijding bragt haar inderdaad in groote verlegenheid. Het scheen haar van den éénen kant toe zeer onbillijk jegens haar schoonzoon om zijn belangeloos huwelijk met hare dochter te vergelden, door hem dadelijk de deur uit te jagen; terwijl zij, van den anderen kant, er niet best toe komen kon om zich tegenover den heer Allworthy te verontschuldigen, na al de verpligtingen welke zij aan hem had, en hem te berooven van de woning, welke, stipt genomen, de zijne was;—want die heer, bij het verspreiden zijner tallooze weldaden, handelde lijnregt in strijd met de gewoonte der vrijgevigste menschen. Hij trachtte namelijk, bij iedere gelegenheid, niet slechts zijne weldaad te verbergen voor het oog der wereld, maar zelfs voor hem die ze ontving. Hij bezigde telkens de woorden „leenen,” en „betalen” in plaats van „geven,” en verminderde op elke wijze, die hij bedenken kon, in woorden de gunsten welke hij in daden bewees, terwijl hij ze met beide handen uitdeelde. Toen hij dus aanjufvrouw Miller eene lijfrente van vijftig pond jaarlijks schonk, zeide hij haar, dat het onder voorwaarde was, dat hij altijd, als hij naar de stad kwam (wat slechts heel weinig het geval was), de eerste verdieping bij haar zou kunnen betrekken; maar dat zij die overigens altijd verhuren kon, daar hij haar steeds eene maand van te voren zou waarschuwen. Hij was echter thans zoo gehaast met zijne reis, dat hij geene gelegenheid had gehad om haar te waarschuwen en deze haast belette hem om er bij te voegen,—wat hij anders zeker gedaan zou hebben,—dat hij de kamers slechts hebben wilde als ze open stonden; want hij zou zeker daarvan afgezien hebben om eene veel minder geldige reden dan die welke jufvrouw Miller thans aanvoeren kon.

Maar er zijn zekere menschen, die zoo als de dichter Prior zeer juist opmerkt, hun gedrag regelen naar iets

„Dat boven vastgestelde wet verheven is, Van deugd en ondeugd, naar het schoolsch begrip.”

Voor dergelijke menschen is het lang niet genoeg om vrijgesproken te worden voor eene regtbank;—zij zijn zelfs niet voldaan, als het geweten, de strengste van alle regters hen vrijspreekt. Niets dat eenigzins te kort doet aan hetgeen billijk en eervol is zal hen voldoen in hunne kieschheid, en als eenige hunner daden hieraan niet beantwoorden, zuchten en treuren zij, worden zij ongedurig en rusteloos als een moordenaar, die voor een spook of den beul bevreesd is.

Jufvrouw Miller was een van deze menschen, Zij kon hare onrust na ontvangst van den brief niet verbergen, en zoodra zij het gezelschap met den inhoud er van bekend had gemaakt, kwam haar beschermengel Jones haar te hulp en redde haar dadelijk uit den nood.

„Wat mij betreft, jufvrouw,” zeide hij, „mijne kamer is tot uwe beschikking, ook zonder opzeggen, zoodra gij ze noodig hebt, en ik ben overtuigd dat mijnheer Nightingale, daar hij vooralsnog geen huis in orde kan brengen om zijne echtgenoote te ontvangen, er niets tegen zal hebben zijne nieuwe kamers te betrekken, waarheen mevrouw Nightingale hem zeker vergezellen zal.”

Man en vrouw keurden dit voorstel dadelijk goed.

De lezer zal gaarne gelooven dat de wangen van jufvrouw Miller op nieuw begonnen te tintelen van dankbaarheid jegens Jones; maar het zal welligt moeijelijker vallen hem te overtuigen, dat het der liefderijke moeder nog meer genoegen had gedaan den heer Jones hare dochter „mevrouw Nightingale” te hooren noemen, welk zoet geluid nu voor het eerst hare ooren streelde en haar hart meer trof dan het wegnemen van hare ongerustheid.

De volgende dag werd dan vastgesteld voor het vertrek der jonggehuwden en van den heer Jones, die ook hetzelfde huis als zijn vriend betrekken zou. En thans was de rust weder bij het gezelschap hersteld, en zij sleten den dag verder zeer opgeruimd,—behalve Jones, die, hoewel hij uiterlijk het geluk der overigen deelde, inwendig gekweld werd door den angst voor zijne Sophia, welke in geene geringe mate vermeerderd werd door de tijding van Blifils komst naar Londen,—van welke reis hij duidelijk het doel begreep,—en wat zijn verdriet verhoogde, was dat jufvrouw Honour, die beloofd had berigten omtrent Sophia in te winnen, en hem des morgens vroeg tijding te brengen, tot dus ver niet verschenen was.

In den toestand waarin hij en zijne beminde zich thans bevonden bleef hem naauwelijks, nog eenige hoop over, en toch was hij even ongeduldig om mejufvrouw Honour te zien, als of hij verwachten kon dat zij hem een brief zou brengen met eene uitnoodiging om Sophia te ontmoeten,—en hij gevoelde de teleurstelling even sterk als of dit werkelijk het geval ware geweest.

Wij zullen niet beslissen of dit ongeduld ontsproot uit de natuurlijke zwakheid van den menschelijken geest, die ons begeerig doet zijn om het allerergste te weten, en de onzekerheid tot de meest ondragelijke van alle kwellingenmaakt, of dat hij zich nog met eenige geheime hoop koesterde. Maar iedereen die bemind heeft, zal wel begrijpen dat het dit laatste wel kon zijn. Want een der meest verbazende krachten van dezen hartstogt op onzen geest, is dat hij de hoop, te midden der wanhoop voedt. Bezwaren, onwaarschijnlijkheden,—ja zelfs onmogelijkheden, worden vergeten, zoodat op iederen zeer verliefden mensch mag toegepast worden wat Addison van Cezar gezegd heeft:

„Alpen en Pyreneën vergaan voor hem.”

Maar het is ook even waar, dat dezelfde hartstogt soms bergen in molshoopen ziet, en wanhoop te midden der hoop doet ontstaan; maar, bij gezonde gestellen, duren deze koortsige vlagen nooit heel lang. Wij laten het thans aan den lezer zelven over om te beslissen in welke dezer buijen Jones zich nu bevond, daar wij geene geloofwaardige berigten daaromtrent geven kunnen;—maar, zooveel is zeker, dat hij reeds een paar uren in pijnlijke verwachting doorgebragt had, toen hij, zich buiten staat gevoelende om zijne onrust te verbergen, de vlugt nam naar zijne kamer, waar zijne onrust hem bijna tot krankzinnigheid gebragt had, eer hem de volgende brief van mejufvrouw Honour overhandigd werd, welk schrijven wij woordelijk en letterlijk weer geven:

„Mijnheer,

Ik zou wel wis en zeker, volgens afspraak, bij mijnheer al zijn geweest, als Milady mij dat niet belet had;—want gij weet ook best, mijnheer, dat iedereen eerst verpligt is voor nommer Één te zorgen,—en zeker is het niet alle daag dat ’n mensch zoo iets aangeboden wordt,—reden waarom het zeer verkeerd van mij geweest zou zijn, als ik het niet aangenomen had, toen Milady de beleefdheid had mij aan te bieden kamenier bij haar te worden, zonder dat ik er aan gedacht had zoo iets te vragen.

„Wis en zeker is zij eene der beste dames ter wereld, en menschen, die het tegendeel willen volhouden, moeten in hun hart al zeer slecht zijn. En ’t is waar, dat als ik zelve ooit iets van dien aard gezegd heb, dat het uit onwetendheid geweest is, en daar ben ik hartelijk bedroefd om. Ik weet ook dat mijnheer een mijnheer van eer en fatsoen is, en dat als ik ooit iets van dien aard gezegd heb, hij het niet oververtellen zal om eene arme dienstmeid te benadeelen, die altijd den meesten eerbied voor mijnheer gekoesterd heeft. ’t Is echter waar dat men steeds een slot op den mond moest dragen; want geen mensch weet wat er eens gebeuren kan;—en wis en zeker als iemand me gisteren verteld had dat ik heden zulk eene goede dienst gevonden zou hebben, zou ik hem niet geloofd hebben;—want, ’t is waar, zoo iets had ik niet gedroomd, en ik had ook geen mensch willen onderkruipen; maar toen Milady zoo vriendelijk was, uit haar eigen, om mij die plaats aan te bieden, ongevraagd, zou geen mensch, dan jufvrouw Etoff zelve het me kunnen kwalijk nemen, dat ik ja zeide.

„Ik verzoek mijnheer niets te zeggen van hetgeen ik verteld heb; want ik wensch mijnheer den meesten voorspoed toe, en ik twijfel ook niet dat gij eindelijk jufvrouw Sophia krijgen zult; maar, voor mijn part, zooals mijnheer weet, kan ik u in deze zaak verder van geene dienst wezen, daar ik nu onder de orders van iemand anders sta, en niet van mij zelf afhang. Ik verzoek u, mijnheer, niets over te vertellen van hetgeen nu voorbij is, en mij te gelooven, mijnheer,

Uwe onderdanige en tot in den dood dienstwillige dienaresse,

Honour Blackmore.”

Jones maakte vele gissingen omtrent dezen stap van Lady Bellaston, die werkelijk echter niets anders bedoelde dan in haar eigen huis de persoon te hebben die een geheim kende, dat zij niet verder wilde verspreid hebben dan nu reeds het geval was, en dat zij vooral voor Sophia verlangde te verbergen; want hoewel die jonge dame bijna de eenige was, die het nooit verder zou verteld hebben, kon Milady dat niet gelooven;—want, daar zij nu de arme Sophia met de meeste verbittering haatte, verbeeldde zij zich dat die haat wederkeerig moest zijn in het hart onzer heldin,—waarin echter tot dusver een dergelijke hartstogt nooit had kunnen doordringen.

Terwijl Jones zich dus aftobde met den angst voor duizenderlei vreesselijke listen en diepzinnige kuiperijen, welke hij zich verbeeldde dat achter deze bevordering van Honour verborgen lagen, beproefde vrouw Fortuna, die altijd zulk eene bittere vijandin scheen te zijn geweest van zijn huwelijk met Sophia, een nieuw middel om het onmogelijk te maken, door Jones aan eene verleiding bloot te stellen, waaraan het onmogelijk scheen dat hij weerstand kon bieden in zijn thans zoo noodlottigen toestand.

HOOFDSTUK XI.

BEVATTENDE EENE ZELDZAME, MAAR GEENSZINS VOORBEELDELOOZE ZAAK.

Er was zekere dame, mevrouw Hunt genaamd, die Jones dikwerf bij zijne hospita gezien had, bij wie zij zeer gemeenzaam in huis kwam als eene vertrouwde vriendin van jufvrouw Miller. Zij was van omstreeks dertigjarigen leeftijd,—want zij zeide dat zij zes en twintig was;—hare gelaatstrekken en gestalte waren fraai,—alleen wat veel naar lijvigheid zwemende. Zij was in hare jeugd gehuwd geweest met een bejaarden koopman, die op de Levant handelde, en die na een groot vermogen verworven te hebben, zijne zaken opgaf. Zij leefde onberispelijk, maar niet gelukkig met hem, en betoonde de meeste zelfverloochening gedurende ongeveer twaalf jaren, en hare deugd werd bij zijn dood beloond, toen hij haar in een zeer welvarenden toestand naliet. Het eerste jaar harer weduwschap was juist voorbij, en zij had het in volstrekte afzondering gesleten, daar zij slechts eenige goede vrienden zag, en haar tijd verdeelde tusschen hare godsdienstoefeningen en het lezen van romans, waarop zij altijd zeer verzot was geweest. Eene uitmuntende gezondheid, een zeer vurig temperament en veel godsdienstzin, maakten het tot eene bepaalde noodzakelijkheid voor haar om weder een man te nemen en zij besloot ditmaal, in de keuze van een echtgenoot, haar eigen zin te volgen, even als zij den eersten keer, hare familie den zin gegeven had. Van haar werd het onderstaande briefje aan Jones gerigt.

„Mijnheer,

Sedert ik u voor den eersten keer zag, vrees ik dat mijne oogen u maar al te duidelijk verraden hebben, dat gij me niet onverschillig waart; maar mond noch hand zouden dat ooit verraden hebben, zoo de dames van het huis waar gij woont, u niet zoo geroemd hadden, wat uw karakter betreft, en mij zulke bewijzen gegeven hadden van uwe deugd en goedheid, dat ik overtuigd ben dat gij niet slechts de innemendste, maar ook tevens de waardigste der mannen zijt. Ik heb ook het genoegen van haar te vernemen dat ik wat uiterlijk, verstand en karakter aangaat, u niet ongevallig ben. Ik heb vermogen genoeg om ons beide gelukkig te maken;—maar dat mij, zonder u, niet gelukkig maken kan. Door mij aldus aan te bieden, weet ik wel, dat ik mij de berisping van de wereld op den hals zou halen; maar als ik u niet meer beminde, dan ik het oordeel der menschen vrees, zou ik uwer onwaardig zijn.

„Slechts één bezwaar schrikt me af. Ik verneem dat gij eene intrigue hebt met zekere voorname dame. Als gij het de moeite waard acht, om dat alles om mijnentwil op te offeren ben ik de uwe;—zoo niet vergeet mijne zwakheid en laat dit een eeuwig geheim blijven tusschen u en

Arabella Hunt.”

Bij het lezen van dezen brief ontstelde Jones hevig. Zijne geldmiddelen waren toen haast uitgeput, daar de bron waaruit ze tot dus ver gevloeid hadden, op eens afgesneden was. Van al wat hij van Lady Bellaston ontvangen had, bleven hem geene vijf guinjes over, en juist dien morgen was hij door een leverancier om het dubbele van die som gemaand. Het meisje, dat hij eerlijk beminde, was in haar vaders magt, en hij kon naauwelijks eenige hoop koesteren om haar ooit weder te verlossen. Om op hare kosten te leven van het kleine vermogen, dat zij onafhankelijk van haar vader bezat, was in strijd met zijn hoogmoed zoowel als met de kieschheid zijner liefde. Daarentegen zou het vermogender andere dame hem best te pas komen, en hij kon ook in geenerlei opzigt iets tegen haar hebben. Integendeel, hij hield even veel van haar als van iedere andere vrouw, behalve Sophia. Maar om Sophia op te geven en met eene andere te huwen, was eene onmogelijkheid voor hem;—hij kon volstrekt niet daaraan denken.—Maar waarom zou hij het toch niet doen, daar het duidelijk was, dat Sophia nooit de zijne kon worden? Zou het ook niet om harentwil beter zijn, dan haar verder gebonden te houden aan eene hopelooze liefde tot hem? Moest hij, om harentwil, niet toestemmen? Dit denkbeeld dreef boven voor eenige oogenblikken, en hij had bijna besloten om trouweloos te worden aan Sophia, alleen uit eergevoel;—maar hij bleef niet lang bestand tegen de stem der natuur, die hem toeriep, dat zulke vriendschapsdienst hoogverraad was aan de liefde gepleegd. Eindelijk greep hij naar pen en papier en schreef aan mevrouw Hunt als volgt:

Mevrouw,

Het zou slechts eene zeer geringe vergelding zijn van de gunst welke gij mij bewijst, om eenige intrigue op te offeren ten einde u te bezitten,—en dat zou ik ook dadelijk doen, ware ik niet geheel vrij, wat thans het geval is, van iets van dien aard. Maar ik zou de eerlijke man niet zijn, waarvoor gij mij houdt, als ik u niet beleed dat ik mijne liefde geschonken heb aan eene andere, deugdzame dame,—iemand die ik nooit verzaken kan, hoewel het waarschijnlijk is dat zij nooit de mijne zal worden.

„De hemel verhoede dat ik u ooit uwe goedheid vergelden zou door u mijne hand zonder mijn hart aan te bieden. Neen! Liever zou ik van honger sterven, dan mij aan zoo iets schuldig maken. Al ware zelfs mijne beminde de echtgenoote van een ander, ik zou u mijne hand niet bieden, eer iedere herinnering aan haar uit mijn hart gewischt ware. Wees verzekerd dat uw geheim niet veiliger kan zijn in uw eigen hart dan in dat van

uw zeer verpligten, dankbaren en onderdanigen dienaar,

T. Jones.”

Zoodra onze held dezen brief opgesteld had, liep hij naar zijn secretaire, haalde de mof van mejufvrouw Western er uit, kuste ze herhaaldelijk, en stapte in de kamer heen en weêr met meer zelfvoldoening dan een Ier ooit gevoelde, die eene vrouw met vijftig duizend pond sterling geschaakt heeft.

HOOFDSTUK XII.

EENE ONTDEKKING, DOOR PARTRIDGE GEDAAN.

Terwijl Jones zich nog verheugde in het bewustzijn zijner eerlijkheid, kwam Partridge springende en dansende in de kamer, volgens zijne gewoonte, als hij goede tijdingen bragt, of zich verbeeldde die te brengen. Zijn meester had hem dien morgen vroeg uitgezonden met het bevel om te trachten door de dienstboden van Lady Bellaston, of op welke andere wijze dan ook, te ontdekken waarheen men Sophia gevoerd had, en hij keerde nu terug en vertelde onzen held, met een van vreugde schitterend gelaat, dat hij den verloren vogel gevonden had.

„Ik heb,” zeide hij, „den Zwarten George gezien, den jager, een der dienstboden, die mijnheer Western mede naar Londen heeft gebragt. Ik herkende hem dadelijk, hoewel ik hem in vele jaren niet gezien had;—want, zoo als gij weet, mijnheer, is hij een zeer merkwaardig mensch,—of beter gezegd, hij heeft een zeer opmerkingswaardigen baard, den zwartsten dien ik ooit gezien heb. Het duurde echter een heelen tijd eer de Zwarte George wist wie ik was.”

„Nu ja!” riep Jones; „maar welke tijding brengt gij? Wat hebt gij van Sophia vernomen?”

„Dat zult gij dadelijk hooren, mijnheer;—ik vertel u alles geregeld. Gij, echter, zijt zoo ongeduldig, mijnheer,—gij begint dadelijk met de gebiedende in plaats van de onbepaalde wijs! Zoo als ik zeide, mijnheer, het duurde een heelen tijd eer hij zich mijn gelaat—”

„De drommel hale uw gelaat!” riep Jones; „wat is er van Sophia?”

„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, „ik weet niets meer van jufvrouw Sophia, dan hetgeen ik u vertellen wilde;—en ik zou u al alles verteld hebben als gij mij niet telkens in de rede gevallen waart;—maar als gij zoo kwaad begint te kijken, zult gij mij geheel in de war brengen,—of liever, mijn geheugen zal me begeven. Ik heb u nooit zoo kwaad zien kijken sedert dien dag toen wij uit Upton vertrokken,—en dien dag zal ik me herinneren, al worde ik honderd jaar oud!”

„Nu, ga uw gang maar,” zei Jones. „Ge hebt u voorgenomen mij tot razernij te brengen,—dat zie ik—”

„Om alles ter wereld, niet!” riep Partridge; „daar heb ik genoeg van gehad! En, zoo als ik straks zeide,—dat vergeet ik niet tot het laatste uur van mijn leven!”

„Nu ja,—maar die Zwarte George!” smeekte Jones.

„Wel! Zoo als ik zeide, mijnheer, het duurde al heel lang eer hij wist wie ik was;—want ik ben ook werkelijk zeer veranderd sedert wij elkaar zagen. Non sum qualis eram! Ik ben heel ongelukkig geweest, en niets doet den mensch meer veranderen dan het leed;—ik heb wel eens hooren zeggen, dat het eens menschen haar in één nacht kan doen vergrijzen. Hoe dat ook zij, hij herkende me eindelijk, dat is waar; want wij zijn beide van denzelfden leeftijd en zijn zamen op de armen-school geweest. George was wel een groote stommerik, maar dat komt er niet op aan;—niet alle menschen komen in de wereld vooruit naar verhouding tot hunne geleerdheid! Dat durf ik gerust zeggen; daar heb ik mijne redenen voor;—maar over honderd jaren, zal het er niet op aan komen! Nu, mijnheer—wacht eens! Waar was ik?—O ja!—nu—zoodra wij elkaar herkenden, drukten wij elkaar hartelijk de hand en spraken af om naar de kroeg te gaan, en een glas bier zamen te drinken;—en gelukkig, was het, geloof ik wel, het beste bier, dat ik nog geproefd heb, sedert ik te Londen ben.—Nu, mijnheer, nu kom ik tot de zaak; want naauwelijks had ik u genoemd en hem verteld hoe gij en ik zamen naar Londen gekomen en bij elkaar gebleven waren, of hij bestelde eene tweede kan, en zwoer, dat hij op uw welzijn zou drinken;—en dat deed hij, zoo hartelijk, dat het me verheugde te zien dat er nog zoo veel dankbaarheid in de wereld bestond;—en toen het bier op was, zeide ik, dat ik ook eene kan betalen wilde, en die ledigden wij ook op uwe gezondheid, en daarop haastte ik me naar huis te komen om u het nieuws te melden.”

„Welk nieuws?” riep Jones. „Gij hebt me nog geen enkel woord van Sophia gezegd!”

„Heere mijn tijd! dat had ik haast vergeten! En wij praatten toch eene heele boel over jufvrouw Western en George vertelde me alles, en hoe mijnheer Blifil naar Londen komt om haar te trouwen. „Dan moet hij zich haasten,” zeide ik; „of iemand anders zal haar nemen, eer hij daar is, en werkelijk mijnheer Seagrim,” zei ik, „’t zou ook duizendmaal jammer zijn als die iemand anders haar niet kreeg; want hij houdt zeker meer van haar dan van alle andere vrouwen ter wereld! Ik wilde wel dat gij en zij ook begreept, dat het hem niet om haar geld te doen is; want, dat kan ik u verzekeren, wat dat aangaat,—dat er eene andere dame is, iemand die van veel hooger stand is en die veel meer geld heeft dan jufvrouw Sophia, die zoo veel van zeker iemand houdt dat zij hem dag en nacht naloopt.””

Hier viel Jones Partridge driftig in de rede omdat hij hem op die wijze verraden had; maar de arme kerel verzekerde dat hij geene namen genoemd had.

„Bovendien, mijnheer,” zeide hij, „gij kunt er gerust op aan dat George uw vriend is, en hij zeide meer dan eens dat mijnheer Blifil naar den drommel kon loopen,—ja, dat hij alles ter wereld zou willen doen om u te dienen;—en ik ben ook overtuigd dat hij het meende.—Wat! U verraden? Ik twijfel zelfs of gij, na mij, een beteren vriend ter wereld hebt dan George, of iemand, die meer zou willen doen om u te helpen!”

„Nu,” zei Jones, eenigzins verzacht, „gij vertelt me dat deze kerel, die wel geneigd zal zijn mij te dienen, in hetzelfde huis met Sophia woont?”

„In hetzelfde huis?” hernam Partridge. „Wel zeker, mijnheer, hij is daar in dienst, en ik verzeker u dat hij heel goed gekleed is, en zonder dien zwarten baard, niet te herkennen zou zijn.”

„Eéne dienst kan hij mij zeker doen,” zei Jones: „hij kan zeker middelen vinden om een brief van mij aan Sophia over te brengen.”

„Juist, mijnheer! Gij treft den spijker op den kop—ad unguem!” riep Partridge. „’t Is vreemd dat ik daaraan niet dacht! Maar ik ben overtuigd dat hij het op zich zal nemen, zoodra men het hem vraagt.”

„Nu dan,” hernam Jones, „laat me thans alleen, en ik zal een brief opstellen, welken gij hem morgen vroeg moet geven;—want ge zult wel weten waar hem te vinden.”

„O ja, mijnheer,” zei Partridge, „ik zal hem zeker weder vinden;—daar ben ik niet bang voor. Het bier was veel te goed dan dat hij lang weg zou blijven. Ik twijfel niet dat hij er elken dag komen zal zoo lang hij in de stad is.”

„Dus weet gij niet eens den naam van de straat waar Sophia woont?” riep Jones.

„Of ik hem weet!” zei Partridge.

„Nu! Hoe is dan de naam van de straat?” vroeg Jones.

„De naam, mijnheer? Wel! ’t Is hier vlak in de buurt! Eene straat of wat verder. Precies den naam weet ik wel niet: want daar hij er niets van zeide, had het zijne verdenkingen kunnen gaande maken, als ik er naar gevraagd had. Neen, neen, mijnheer! Laat mij maar begaan! Daar ben ik te slim voor, dat beloof ik u!”

„Ge zijt inderdaad wonderbaarlijk slim!” hernam Jones. „Maar ik zal toch mijn brief schrijven, daar ik overtuigd ben dat ge slim genoeg zult wezen om hem morgen in de kroeg te vinden.”

En thans den zeer wijzen Partridge ontslagen hebbende, ging de heer Jones aan het schrijven, en wij verlaten hem voor een oogenblik terwijl hij op die wijze bezig blijft. Hiermede eindigen wij ook het vijftiende boek.

BOEK XVI.

Bevattende den tijd van vijf dagen.

HOOFDSTUK I.

OVER VOORREDENEN.

Ik heb van een dramatischen schrijver gehoord, die gewoon was te zeggen, dat hij liever een tooneelstuk dan een proloog schreef, en eveneens, zou ik, dunkt me, met minder moeite een der boeken van deze geschiedenis schrijven, dan het hoofdstuk ter inleiding daarvan.

Om de waarheid te zeggen, geloof ik dat menige bittere verwensching naar het hoofd van den schrijver geslingerd is, die het gebruik invoerde van zijn tooneelstuk te doen voorafgaan door hetgeen men een proloog noemt, hetwelk aanvankelijk een gedeelte van het stuk zelf was, maar dat, in de laatste jaren, gewoonlijk zoo weinig in verband staat met het drama, waarvoor het geplaatst is, dat de proloog van het eene stuk best dienen kan voor ieder ander. De prologen, inderdaad, van nieuwere dagteekening, schijnen allen dezelfde drie onderwerpen te bevatten, namelijk: eene afkeuring van den wansmaak van het publiek,—eene veroordeeling van alle nog levende schrijvers,—en eene lofrede op het stuk dat men gaat opvoeren. De denkbeelden in al deze prologen, bieden weinig afwisseling aan,—en dat is wel niet anders mogelijk, en ik heb me dikwerf verwonderd over de groote vindingrijkheid der schrijvers, wien het gelukt is zoo vele verschillende woorden te vinden, om juist dezelfde zaken uit te drukken.

Evenzoo vrees ik, dat de een of ander toekomstige geschiedschrijver,—als ooit iemand er toe komt mij de eer te doen van mij na te volgen,—na veel hoofdbrekens, mij eenige vriendelijke wenschen in het graf na zal zenden, wegens de eerste instelling van deze verschillende inleidende hoofdstukken, van welke de meesten, even als de prologen heden ten dage, even goed gezet kunnen worden voor elk ander boek dezer geschiedenis, of van welke geschiedenis ook, als juist voor dat eene, waar men ze vindt.

Maar hoeveel ook de schrijvers lijden door deze beide uitvindingen, zal de lezer evenveel baat bij de eene vinden als de toeschouwer al zoo lang bij de andere gevonden heeft.

Ten eerste: is het welbekend, dat de proloog den recensent de gelegenheid geeft om zijn talent tot uitfluiten te oefenen en om met het meeste voordeel zijne stem uit te zetten,—waardoor ik dikwerf gezien heb, hoe alles zoo goed voorbereid was, dat men reeds bij het ophalen van het scherm eenparig beginnen kon met het stuk uit te fluiten.

Dezelfde voordeelen kan men trekken uit deze hoofdstukken, waarin de recensent steeds zeker kan zijn iets te vinden, om zijn edelen moed aan te wakkeren, zoodat hij daarna met meerder vuur de geschiedenis zelve zal kunnen aanvallen. Zijne schranderheid zal het overbodig maken hier aan te wijzen, hoe kunstmatig deze hoofdstukken tot dat doel ingerigt zijn;—want wij hebben steeds zorg gedragen iets scherps of bitters er in te voegen, dat strekken moet om den geest van den recensent aan te zetten en te prikkelen.

Eindelijk vinden de luije lezer en toeschouwer hun voordeel in proloog en voorrede; want daar men de eene niet behoeft te zien, noch de andere te lezen, en tevens het tooneelstuk en het boek daardoor gerekt worden, kan de toeschouwer nog een kwartier langer aan tafel blijven zitten, terwijl de lezer met de vierde of vijfde bladzijde, in plaats van met de eerste beginnen kan,—een volstrekt niet verwerpelijk voordeel voor menschen, die de boeken lezen alleen met het doel om te kunnen zeggen, dat zij ze gelezen hebben,—wat een meer algemeene aanleiding tot lezen is dan men zich veelal verbeeldt,—en om welke reden niet slechts juridische werken en andere goede boeken, maar ook de bladzijden van Homerus, Virgilius, Swift en Cervantes dikwerf slechts eventjes doorgevlogen worden.

Er zijn ook nog andere voordeelen buiten deze, die echter grootendeels zoo zeer in het oog vallen, dat wij ons thans niet ophouden zullen met ze op te sommen;—vooral, daar wij niet vergeten hebben, dat de grootste verdienste van voorrede en van proloog is,—dat ze kort zijn.

HOOFDSTUK II.

EEN DWAAS AVONTUUR VAN DEN LANDJONKER,—EN DE TREURIGE TOESTAND DER ARME SOPHIA.

Wij moeten den lezer thans brengen naar de woning van den heer Western, in Piccadilly, waarheen hij trok op raad van den waard van „De zuilen van Herkules,” bij Hyde-Park-Corner;—want in die herberg, de eerste welke hij vond bij zijne aankomst te Londen, liet hij zijne paarden staan, terwijl hij zelf zijne woning, ook de eerste de beste, die hij vond, betrok.

Toen Sophia uit de huurkoets klom, die haar van het huis van Lady Bellaston gebragt had, verzocht zij naar de kamer te mogen gaan, welke voor haar in gereedheid was gebragt,—wat haar vader gaarne toestemde, en waarheen hij haar zelf spoedig volgde.

Een kort gesprek had daarop plaats tusschen vader en dochter, dat noch belangrijk noch aangenaam genoeg is om uitvoerig herhaald te worden,—maar waarin hij sterk er op aandrong dat zij hare toestemming zou geven tot een huwelijk met Blifil, die, zooals hij haar mededeelde, binnen een paar dagen overkomen zou;—maar in plaats van toe te geven, volhardde zij stelliger en beslissender dan ooit te voren in hare weigering. Dit vertoornde haren vader zoo zeer, dat hij na vele driftige geloften dat hij, met of tegen haar zin, haar dwingen zou hem te nemen, met ontelbare harde woorden en vloeken vertrok, de deur achter zich digt sloot en den sleutel op zak stak.

Terwijl nu Sophia alleen bleef, met niets anders dan wat den strengst bewaakten staatsgevangene gegeven wordt, namelijk vuur en licht, ging de landjonker bij de flesch zitten, met den dominé en den waard uit „De zuilen van Herkules,” die volgens den heer Western, uitmuntend diende voor „derde man”, en hem al het nieuws uit de stad kon verhalen, en hoe de zaken stonden;—„want,” zei de heer Western, „hij moet eene heele boel weten, daar hij de paarden van zoovele groote luî op stal heeft.”

In dit prettig gezelschap bragt de landjonker den geheelen avond en een groot gedeelte van den volgenden dag door, gedurende welken tijd er niets voorviel dat belangrijk genoeg was om in deze geschiedenis geboekt te worden.

Inmiddels sleet Sophia de uren in eenzaamheid; want haar vader zwoer, dat zij niet levend van de kamer af zou komen, tenzij zij hare toestemming gaf om met Blifil te trouwen. Hij liet ook de deur alleen ontsluiten om haar voedsel te geven, bij welke gelegenheid hij altijd zelf aanwezig was.

Den tweeden morgen na zijne aankomst te Londen, terwijl hij en de dominé nog bij hun glas bier en geroosterd brood zaten, aan het ontbijt, kwam men hem berigten, dat er een heer was, die zijne opwachting bij hem wenschte te maken.

„Een heer!” riep de landjonker. „Wie drommel zou dat kunnen zijn? Dominé, loop gij eens eventjes naar beneden en kijk eens wie het is. Mijnheer Blifil kan er nog niet zijn.—Ga eens kijken wat hij hebben moet.”

De predikant kwam terug met het berigt dat het een zeer goed gekleed mensch was, met eene kokarde op den hoed, om welke reden hij hem voor een officier hield, en dat hij zeide, dat hij eene belangrijke boodschap had, welke hij alleen aan den heer Western zelven kon doen.

„Een officier!” riep de landjonker; „wat zou zoo’n vent mij te vertellen hebben? Als hij eene rekwisitie wil doen voor bagagewagens, ben ik hier geen vrederegter,—ik heb hier niets te bevelen.—Maar laat hem toch naar boven komen, als hij mij spreken moet.”

Een zeer fatsoenlijk man werd thans in de kamer gebragt, die na den landjonker gegroet, en de gunst verzocht te hebben hem alleen te mogen spreken, aldus begon:

„Mijnheer, het is op verzoek van Lord Fellamar, dat ik mijne opwachting bij u maak;—maar met eene geheel andere boodschap dan gij waarschijnlijk wachten zult, na hetgeen er eergisteren avond met hem voorgevallen is.”

„Lord wie?” vroeg de landjonker;—„ik heb dien naam van mijn leven niet gehoord.”

„Milord,” hervatte de andere, „wil gaarne alles toeschrijven aan de uitwerking van wat veel wijn, en een enkel woord van uwen kant, om te bevestigen dat hij zich niet vergist heeft, zal voldoende zijn;—want, daar hij, mijnheer, de meest opregte liefde tot uwe dochter koestert, zijt gij de laatste persoon ter wereld, op wien hij eene beleediging zou willen wreken. Het is dus tot uw beider geluk, dat hij zulke openlijke bewijzen van moed reeds gegeven heeft, dat hij eene zaak van dezen aard sussen kan, zonder eenig gevaar te loopen van eene smet op zijne eer. Hij verlangt dus niets anders, dan dat gij mij een enkel woordje zegt in boven bedoelden zin; een enkel woordje zal voldoende zijn, en daarna is hij voornemens om heden namiddag zijne opwachting bij u te maken, en verlof te vragen om een bezoek bij de jonge dame te mogen maken, ten einde, door u gemagtigd, naar hare hand te dingen.”

„Ik begrijp maar zoo wat de helft van hetgeen gij vertelt, mijnheer,” hernam de landjonker; „maar, uit uwe praatjes over mijne dochter, vermoed ik dat er kwestie is van den Lord, van wien mijne nicht, Lady Bellaston, mij gesproken heeft, toen zij mij vertelde, dat hij mijne dochter het hof maakte. Als dat nu het geval mogt wezen,—zeg hem, maar, met compliment van mij,—dat het meisje al besproken is.”

„Gij zijt welligt, mijnheer,” hernam de ander, „niet geheel en al op de hoogte van de groote partij, welke haar aangeboden wordt. Ik verbeeld me, dat iemand van Milords uiterlijk, stand en vermogen nergens afgewezen zou worden.”

„Kijk eens hier, mijnheer,” antwoordde de landjonker, „om zoo duidelijk mogelijk te spreken: Mijne dochter is al besproken; en al ware zij dat niet, zou zij toch, om geene reden ter wereld, met een Lord huwen. Ik haat alle Lords:—het zijn een pak hovelingen en Hannoveranen en ik wil er niets van weten.”

„Nu, mijnheer,” hernam de ander, „als dat uw besluit is, dan moet ik u de boodschap overbrengen, dat Milord hoopt dat gij hem de eer zult bewijzen om hem heden morgen in het Hyde-Park te ontmoeten.”

„Gij kunt Milord zeggen,” antwoordde de heer Western, „dat ik het veel te druk heb, en dat ik niet komen kan. Ik heb genoeg te doen hier in huis, en ga niet uit om wien ook.”

„Ik ben overtuigd, mijnheer,” zei de ander, „dat gij veel te fatsoenlijk man zijt om zulk eene boodschap te zenden. Gij zoudt toch zeker niet willen, dat men van u zeide, dat gij, na een pair van het rijk beleedigd te hebben, hem voldoening hadt geweigerd. Milord zou gaarne, uit achting voor de jonge dame, de zaak anders geschikt hebben; maar, indien hij u niet als vader eerbiedigen moet, duldt zijne eer niet, dat hij eene beleediging zou dragen, zoo als gij u bewust zult zijn, hem aangedaan te hebben.”

„Ik hem aangedaan heb?” brulde de landjonker! „’t Is een verd— leugen! Ik heb hem niets aangedaan!”

Op deze woorden zei de andere heer al heel weinig, maar bepaalde zijne wederlegging tot eenige feitelijke vermaningen, welke naauwelijks de ooren van den heer Western bereikten, of de waardige landjonker begon zeer vlug door de kamer te springen, te gelijk zoo hard hij kon brullende, als ware het om zoo veel menschen mogelijk bijeen te roepen om getuigen te wezen van zijne vlugheid.

De dominé, die zijn glas bijna vol had moeten laten staan, was niet ver uit de buurt, en verscheen onmiddellijk op het geschreeuw van den landjonker, terwijl hij riep:

„Hemel, mijnheer! Wat is er te doen?”

„Te doen?” schreeuwde de heer Western. „Ik geloof dat die man hier een struikroover is, die me doodslaan en uitplunderen wil,—want hij heeft met dien stok daar een aanval op me gedaan,—en ik wil verd— zijn als ik hem eenige aanleiding daartoe gaf!”

„Hoe, mijnheer?” vroeg de kapitein; „zeidet gij niet dat ik gelogen had?”

„Neen,—bij mijne zaligheid, neen!” riep de landjonker; „ik zeide welligt wel, dat het een leugen was dat ik Milord ooit beleedigd had,—maar ik heb nooit gezegd: „Gij liegt het!” Ik weet beter wat ik doe, en gij hadt ook beter moeten weten wat gij doet, dan een weerloos mensch zoo aan te vallen! Als ik een stok in de hand had gehad, zoudt gij het niet gewaagd hebben mij te slaan! Ik zou jou dat leelijke bakkes stuk geslagen hebben! Kom maar nu meê naar beneden, en wij zullen een deuntje met elkaar batonneren, tot ik je hersenpan verbrijzeld heb!—Of ik ben gereed met je in de kamer te blijven en ons uit te kleeden en met de vuisten aan den gang te gaan, tot ge er den buik van vol hebt! Maar ge zijt geen man,—neen, dat zijt ge niet, daar sta ik je voor in!”

De kapitein hernam met eenige verontwaardiging:

„Naar ik zie, mijnheer, zijt ge het niet waard dat ik eenige notitie van u neem,—en ik zal Milord zeggen dat hij u met dezelfde minachting moet behandelen.—Het spijt me slechts dat ik me de vingers aan u vuil gemaakt heb!”

Met deze woorden verwijderde hij zich, terwijl de dominé den landjonker belette om hem te volgen, wat hem niet veel moeite kostte, daar de andere, hoewel hij eenige pogingen deed om weg te komen, niet al te verlangend scheen om daarin te slagen.

Zoodra de kapitein vertrokken was, zond hem de landjonker eene rist van vloeken en bedreigingen achterna; daar deze echter over zijne lippen kwamen toen de officier onder aan de trap was, en naarmate hij verder weg kwam, hoe langer zoo harder klonken, bereikten ze zijn ooren niet, en vertraagde in geen geval zijn vertrek.

De arme Sophia echter, die in hare gevangenschap van het begin tot het einde de noodkreten van haar vader gehoord had, begon eerst met den voet te stampen en daarop te gillen zoo hard als de oude heer zelf, hoewel met eene veel liefelijker stem. Hare kreten bragten weldra den landjonker tot stilzwijgen, en rigtten al zijne gedachten op zijne dochter, die hij zoo teeder beminde, dat de minste vrees voor eenig kwaad, dat haar overkomen kon, hem dadelijk tot wanhoop bragt;—want behalve op het ééne punt,—waarvan echter haar geheele levensgeluk afhing,—was zij onbepaalde gebiedster over hem.

Na zijne woede tegen den kapitein uitgeput te hebben, door te zweren dat hij hem in regten vervolgen zou, liep de landjonker de trap op naar Sophia, die hij, na de deur ontsloten en geopend te hebben, bleek en ademloos voor zich zag staan. Zoodra zij echter haren vader herkende, vatte zij weder moed, greep hem bij de hand en riep hartstogtelijk uit:

„O vader-lief, ik was zoo doodelijk geschrikt! In ’s hemels naam, wat is er? Wat is u overkomen?”

„Niets van groot belang,” hernam de heer Western; „neen, niet heel veel kwaad. Die schelm heeft me niet erg bezeerd; maar de drommel hale mij, als ik hem niet in regten vervolg!”

„Vertel me toch wat er gebeurd is, vader,” zeide zij; „wie heeft u beleedigd?”

„Ik weet niet hoe de vent heet,” hernam Western; „ik geloof een van die soldatenboel, die wij betalen om—ons te ranselen! Maar dezen keer zal hij het betalen, als de schelm iets heeft om te betalen! Dat zal wel niet! Want in weerwil van zijne mooije kleêren, geloof ik niet dat hij een duimbreed grond heeft van zijn eigen!”

„Maar, vaderlief,” zeide zij; „wat was toch de aanleiding tot den twist?”

„Wel, wat zou het anders geweest zijn dan om jou, Sophia,” hernam de landjonker. „Al mijne ongelukken komen door u;—ge zult eindelijk uw ouden vader in het graf slepen! Daar is zoo’n ellendige lord, de drommel weet hoe die vent heet, die zin in jou gekregen heeft, en omdat ik mijne toestemming niet geven wilde, zond hij mij eene uitdaging. Kom, wees nu eene brave meid, Sophia, en maak een einde aan al de zorgen van uw ouden vader;—Kom, nou, zeg maar ja; neem hem maar; binnen een paar dagen is hij hier; beloof maar hem te nemen zoodra hij aankomt, en ge zult mij tot den gelukkigsten mensch ter wereld maken!—En dan zal ik jou ook tot de gelukkigste vrouw ter wereld maken; ge zult de schoonste kleêren hebben in geheel de stad en de prachtigste juweelen, en een koets met zes paarden. Ik heb al aan Allworthy beloofd u de helft van mijn inkomen af te staan. Wat drommel! Het zou niet heel veel moeite kosten om me het geheel te doen afstaan.”

„Vader-lief,” zeide zij, „mag ik u iets zeggen?”

„Waarom vraagt ge dat, Sophia?” hernam hij; „ge weet immers wel, dat ik liever jou stem hoor dan die van den besten jagthond in het rijk! Of ge me iets zeggen moogt, meidlief? Wel! Ik hoop je te hooren mijn leven lang; want als ik ooit dat genot moest missen, zou ik geen duit geven om de heele wereld! Ja, Sophia, ge weet niet hoe veel ik van u houd,—dat weet ge niet,—anders waart ge nooit zoo weggeloopen van uw armen verlaten vader, die geene andere vreugde op aarde heeft, dan zijne kleine Sophia!”

Bij deze woorden stonden hem de tranen in de oogen en Sophia, die een vloed van tranen stortte, antwoordde:

„Ik weet best, vader, dat gij heel veel van mij houdt, en ik neem den hemel tot getuige, dat ik opregt uwe liefde vergeld; en niets ter wereld dan de vrees om gedwongen te worden mij in de armen van dien man te werpen, had me een vader kunnen doen ontvlugten, dien ik zoo hartstogtelijk bemin, dat ik met genoegen mijn leven aan zijn geluk zou willen opofferen;—ja, ik heb getracht zelfs mij te overtuigen dat ik meer moest doen;—en had haast besloten om mij aan het rampzaligste lot te onderwerpen, alleen om aan uwe wenschen te voldoen;—maar ik had de kracht niet om tot dat besluit te komen,—en dat zal ik ook nooit kunnen doen.”

Thans begon de landjonker weder woest rond te kijken en te schuimbekken; maar Sophia smeekte hem haar tot het einde toe aan te hooren en hervatte toen in de volgende woorden:

„Vader, als uw leven, uwe gezondheid, en uw wezenlijk geluk op het spel stond, moge de hemel mij straffen, als ik niet de vastberadenheid zou hebben, om elke ellende te dragen, ten einde u te redden. Ja, om uwentwil, zou ik mij aan het verachtelijkste, het rampzaligste lot onderwerpen, en mijn hand aan Blifil geven.”

„En ik zeg, dat me dat juist redden zou,” hernam de vader; „het zou me gezondheid, geluk, leven,—alles geven! Bij mijne ziel, ik zal dood gaan als gij blijft weigeren;—het zal mij het hart breken, op mijn woord!”

„Zou het mogelijk wezen,” vroeg zij, „dat gij zoo sterk verlangen kunt om mij diep ongelukkig te maken?”

„Ik zeg u van neen!” schreeuwde hij. „Ik verlang niet anders dan u gelukkig te maken! Verd—, als er iets ter wereld is, dat ik niet zou willen doen om u gelukkig te maken!”

„En ontkent gij dan, beste vader, dat ik zelve eenig begrip heb van hetgeen me gelukkig zou maken? Als het waar is, dat het geluk slechts denkbeeldig is, wat zal dan niet mijn toestand zijn, als ik me houd voor het ongelukkigste wezen ter wereld?”

„’t Is beter dat ge u wat verbeeldt, dan dat ge het werkelijk zoudt worden, door met een kalen bastaard en landlooper te trouwen!” hernam hij.

„Als dat u bevredigen kan, vader,” zei Sophia, „dan geef ik u de plegtigste belofte om noch met hem noch met iemand anders te trouwen, zoo lang gij leeft, zonder uwe toestemming. Laat mij weder mijn geheele leven aan uwe dienst toewijden; laat me weder uwe kleine Sophia wezen, en ik zal mijn geluk en het geheele doel van mijn leven zoeken, even als vroeger, in het bevorderen van uw gemak en genoegen.”

„Hoor eens, Sophia,” hernam de landjonker, „ik laat me op die wijze niet foppen! Als ik dat deed, zou uwe tante Western gelijk hebben met mij voor een gek te houden! Neen, neen, Sophia, ge moest maar begrijpen dat ik te wijs ben en te veel van de wereld ken, om eene vrouw op haar woord te gelooven, als er een man in ’t spel komt.”

„Heb ik zulk een gebrek aan vertrouwen aan u verdiend, vader?” vroeg zij. „Heb ik ooit eene belofte jegens u geschonden? Hebt gij me ooit, van de wieg af, op eene onwaarheid betrapt?”

„Luister eens, Sophia,” hernam hij; „dat doet er volstrekt niets toe. Ik heb besloten, dat dit huwelijk doorgaan zal,—en nemen zult ge hem;—verd—, dat zult ge doen! Ik laat me doodslaan als ge het niet zult,—al verkiest ge u ook den volgenden morgen op te hangen!”

Hij herhaalde deze woorden, fronsde de wenkbraauwen, beet zich op de lippen, en bulderde hetgeen hij zeide met zulk eene verschrikkelijke stem, dat de arme, bedroefde en verschrikte Sophia, bevend op een stoel zeeg, en waarschijnlijk, als een vloed van tranen haar niet verligt had, in zwijm zou zijn gevallen.

Western zag den treurigen toestand zijner dochter met even weinig wroeging of medelijden als een cipier in de gevangenis de ellende eener ongelukkige vrouw waarneemt, die het laatste afscheid van haar man neemt,—of liever, hij bekeek haar met dezelfde gevoelens waarmede een eerlijke handelsman een schuldenaar voor een tiental pond sterling in de gevangenis ziet slepen, welke, hoe onbetwistbaar de schuld ook zij, de arme drommel slecht genoeg is niet te kunnen afbetalen. Of, om een beeld te gebruiken, dat meer overeenkomst heeft met de zaak in kwestie, hij gevoelde ongeveer dezelfde wroeging als eene houdster van een publiek huis, als het eene of andere onschuldige meisje, dat in hare handen gevallen is, het op de zenuwen krijgt als haar het eerst voorgesteld wordt, om, zoo als het heet, „gezelschap te ontvangen.” Inderdaad, zou de gelijkenis volmaakt zijn, ware het niet dat de houdster van zoo’n huis door eigenbaat gedreven ware, terwijl de vader, wat hij zich ook verbeelde, er geen baat in vinden kan, als hij zijne dochter tot eene bijna even erge prostitutie dwingt.

In dezen toestand verliet Western de arme Sophia, na eene zeer gemeene uitdrukking over de uitwerking der tranen, sloot de deur weer digt, en keerde bij den dominé terug, die alles zeide wat hij maar durfde in het belang der jonge dame,—wat, hoewel misschien niet geheel en al zoo veel als zijn pligt eischte, toch genoegzaam was om den landjonker in drift te doen ontbranden, en hem vele onbetamelijke uitdrukkingen af te persen over de geestelijkheid in het algemeen, voor welk eerbiedwaardig ligchaam wij eene te groote vereering koesteren, dan dat wij ons veroorloven zouden zijne woorden hier te herhalen.

HOOFDSTUK III.

HETGEEN SOPHIA BELEEFDE IN HARE GEVANGENSCHAP.

De vrouw van het huis waar de landjonker kamers gehuurd had, was al zeer spoedig begonnen met een vreemd denkbeeld van hare gasten op te vatten. Daar zij echter vernam dat de heer Western een groot vermogen bezat, en zorg had gedragen een zeer hoogen prijs voor hare kamers te vragen, achtte zij het niet gepast om hem op eenigerlei wijze lastig te vallen; want hoewel zij eenig medelijden gevoelde met Sophia in hare gevangenschap, wier liefheid en vriendelijkheid de werkmeid zoo geroemd had (terwijl al wat deze vertelde, door de dienstboden van den landjonker bevestigd werd), had zij te veel zorg voor hare eigene belangen, dan dat zij iemand, dien zij, zoo als zij zeide, „voor ’n vreesselijk driftig mensch hield” tergen zoude.

Hoewel nu Sophia slechts zeer weinig gebruikte werden haar hare maaltijden steeds geregeld gebragt, en werkelijk, als zij zin gekregen had in de eene of andere zeldzame lekkernij, twijfel ik niet dat de landjonker, hoe kwaad hij op haar was, noch geld noch moeite gespaard zou hebben om ze haar te verschaffen; want, hoe vreemd het ook luide voor sommige mijner lezers, was hij toch werkelijk verzot op zijne dochter, en het verschafte hem steeds het grootste genoegen ter wereld om haar het een of ander genot te verschaffen.

Toen nu het etensuur kwam, bragt haar de Zwarte George een kip naar boven, terwijl de landjonker zelf—die gezworen had den sleutel niet uit zijne handen te geven,—bij de deur de wacht hield. George zette den schotel op tafel en wisselde eenige beleefde woorden met Sophia,—want hij had haar niet gezien sedert zij van buiten gekomen waren, en zij behandelde alle dienstboden met meer beleefdheid dan sommige menschen betoonen zelfs aan diegenen, welke naauwelijks als hunne minderen beschouwd kunnen worden.

Sophia wilde nu hebben dat hij de kip weder meênemen zoude, daar zij verklaarde niets te kunnen gebruiken; maar George smeekte haar iets te nuttigen en vooral om de eijeren te proeven, waarmede, hij zeide, dat het hoen gevuld was.

Inmiddels bleef de landjonker aan de deur wachten;—maar George was een groote gunsteling van zijn meester, die hem de gewigtigste zaken toevertrouwde, namelijk de zorg voor het wild, en hij was gewoon om zich vele vrijheden aan te matigen. Hij had zich nu gedienstig aangeboden om het eten naar boven te brengen, daar hij verklaarde zeer verlangend te zijn om zijne jonge meesteresse te zien,—om welke reden hij ook niet schroomde om zijn heer meer dan tien minuten te laten wachten, terwijl hij zijne beleefdheden met Sophia wisselde, wat hem slechts een lagchend verwijt berokkende, toen hij eindelijk weer aan de deur verscheen.

George wist wel dat eijeren van kippen, patrijzen, fazanten enz., tot de meest geliefkoosde lekkernijen van Sophia behoorden. Het was dus niet te verwonderen dat hij, die een zeer goedhartig mensch was, zorg droeg haar van deze lievelingsgeregten te voorzien, op een tijdstip waarop alle dienstboden in huis vreesden dat zij van honger sterven zou; want zij had naauwelijks in de laatste zes en dertig uren iets gebruikt.

Hoewel nu het verdriet niet altijd dezelfde uitwerking heeft op alle menschen als het gewoonlijk heeft op de meeste weduwen, wier eetlust meer daardoor gescherpt wordt dan door de lucht op de duinen te Bansted, of op het plein van Salisbury,—kan ook de meest verheven smart niet beletten dat men toch eindelijk moet eten,—wat ook de menschen daartegen zeggen.

Sophia begon dus eindelijk, na eenige aarzeling, de kip te snijden, die ook, overeenkomstig hetgeen George gezegd had, met eijeren gevuld was.

Maar, als zij behagen schepte in de eijeren, was er nog iets in, dat het Koninklijke Instituut nog meer verrukt zou hebben; want als eene kip met drie pooten zulk eene kostbare zeldzaamheid blijft, terwijl er toch in den loop der eeuwen, duizend zulke vogels geboren zijn,—welke waarde moet men dan niet hechten aan een vogel, die zoo zeer zondigt tegen alle wetten der natuur, dat hij een brief draagt in zijn buik? Ovidius maakt melding van de bloem, waarin Hyacinthus herschapen werd, en die letters vertoont op hare bladeren, welke Virgilius als wonderen aanbeveelt aan het Koninklijke Instituut van zijn tijd; maar geene eeuw en geen volk heeft, tot dusver, ooit melding gemaakt van een vogel, die een brief had in zijn krop.

Maar hoewel een wonder van dezen aard welligt alle Académies des sciences in Europa met vruchtelooze onderzoekingen had kunnen bezig houden, zal de lezer, die zich het laatste gesprek herinnert tusschen de heeren Jones en Partridge, gemakkelijk begrijpen van wien die brief was en hoe hij in de maag van de kip geraakt was.

Sophia, niettegenstaande haar lang vasten, en hoewel haar geliefkoosd geregt vóór haar stond, greep den brief op, zoodra zij hem ontwaarde, rukte hem open en las als volgt:

„Mejufvrouw,

Als ik haar, aan wie ik de eer heb te schrijven, niet goed kende, zou ik trachten, hoe moeijelijk zulks mij ook viel, haar mijn verschrikkelijken angst te schilderen, bij het berigt mij door jufvrouw Honour gebragt. Daar echter de gevoeligheid alleen beseffen kan voor welke folteringen de gevoeligheid vatbaar is, zoo zal deze beminnelijke hoedanigheid, die mijne Sophia in den hoogsten graad bezit, haar voldoende inlichten omtrent hetgeen haar Jones bij deze droevige gelegenheid ondervonden moet hebben. Zou er eenige omstandigheid ter wereld zijn, die mijne kwellingen kon verhoogen bij het vernemen van eenig ongeluk dat u overkomen is? Ja, er is er ééne, en daaronder ga ik gebukt. Ze is, mijne Sophia, de verschrikkelijke bedenking, dat ik zelf de rampzalige aanleiding ben tot uw lijden.

„Welligt vermeet ik mij hierin te veel;—maar niemand zal mij eene eer benijden, die me zoo duur te staan komt. Vergeef me dus deze verwaandheid,—vergeef me ook als ik u vraag, of mijn raad, mijn bijstand, mijn bijzijn, mijne afwezigheid, mijn dood, of mijne folteringen, u eenige verligting kunnen bezorgen? Als de meest volmaakte bewondering, de meest waakzame oplettendheid, de vurigste liefde, de grootste teederheid, de meest volmaakte onderwerping aan uwen wil, u eenigzins vergoeden kunnen al wat gij om mijn geluk opoffert,—als ze dat kunnen, o, vlugt dan, mijn schoone engel, in die armen, welke steeds open blijven om u te ontvangen en om u te beschermen,—en of gij zelve alleen komt, of vergezeld door alle schatten der wereld, is iets waarover het, naar mijn gevoelen, niet de moeite waard is één oogenblik te denken. Zoo echter, integendeel, de wijsheid de overhand krijgt en gij inziet, na rijp beraad, dat de opoffering te groot zou zijn, en er geen andere uitweg overblijft om uw vader te verzoenen en om uwe zielerust te herstellen, dan door mij te verzaken, dan smeek ik u, mij voor altijd uit uwe gedachten te bannen,—uw moed op te roepen en niet te dulden dat eenig medelijden met mijne ellende uw teeder hart bezware.

„Geloof mij, Sophia, ik bemin u opregt meer dan mijzelven; en mijn hoofd- en eenig doel is uw geluk. Mijn voornaamste wensch was (en o waarom zou het noodlot de vervulling daarvan verijdelen?)—en vergun me te zeggen, die wensch is nog, om u als de gelukkigste der vrouwen steeds hij me te zien;—mijn eerste wensch daarna is te vernemen dat gij gelukkig zijt; maar geene ellende ter wereld is bij de mijne te vergelijken, zoo lang ik denken moet dat gij één ongelukkig oogenblik van uw leven te wijten hebt aan hem die eeuwig blijft,

Mejufvrouw,

in elke beteekenis van het woord en in alle opzigten,

uw getrouwe

Thomas Jones.”

Wat Sophia zeide, deed of dacht bij de ontvangst van dezen brief, en hoe dikwerf zij hem herlas,—dit alles moet zich de lezer verbeelden. Welligt zal hij later haar antwoord daarop zien; maar thans zal dit niet gebeuren, om de volgende reden (onder vele anderen), namelijk omdat zij nu geen antwoord schreef,—wat ook zijne oorzaken had,—ook, onder anderen, het volstrekte gemis van papier, pen en inkt.

’s Avonds, terwijl Sophia nog zat te denken over den brief welken zij ontvangen had, of over iets anders, werd zij in haar gepeins gestoord door een hevig rumoer beneden in huis. Dit was niets anders dan een hevige woordentwist tusschen twee menschen. Aan de stem herkende zij haren vader in den één, maar het duurde langer eer zij in de schelle klanken het orgaan van hare tante Western herkende, die pas in de stad aangekomen was en door een van hare dienstboden, die aan „de Zuilen van Herkules” aanlegde, vernomen hebbende, waar haar broeder zich bevond, dadelijk naar zijne woning gereden was. Wij zullen dus voor het oogenblik afscheid nemen van Sophia en met onze gewone hoffelijkheid onze opwachting maken bij hare tante.

HOOFDSTUK IV.

SOPHIA WORDT UIT DE GEVANGENSCHAP VERLOST.

De landjonker en de predikant (want de waard had andere bezigheden), rookten een pijpje zamen, toen de aankomst der dame aangekondigd werd. Zoodra de heer Western haar naam hoorde noemen, liep hij naar beneden, om haar de trap op te geleiden; want hij was zeer stipt in het waarnemen van al dergelijke plegtigheden, vooral tegenover zijne zuster, voor wie hij banger was dan voor eenig ander sterveling, hoewel hij zulks nooit bekennen wilde en het welligt niet eens zelf wist.

Zoodra mejufvrouw Western in de eetkamer trad, wierp zij zich op een stoel en hield de volgende aanspraak:

„Nu! Ik geloof werkelijk dat het onmogelijk is eene bezwaarlijker reis te bedenken dan ik nu gedaan heb! Ik geloof dat de straatwegen sedert de nieuwe wetten op de tollen hoe langer zoo slechter worden! Hemel! broeder hoe zijt gij in dit akelig huis geraakt? Ik ben overtuigd dat gij de eerste persoon van aanzien zijt, die er den voet in zet!”

„Daar weet ik niets van,” hernam de landjonker. „Ik verbeeld me dat de kamers goed genoeg zijn:—het was de waard, die ze me aanbeval. Ik dacht, dat daar hij bijna al de groote luî kende, hij best zou weten hoe mij onder hen te bergen.”

„En waar is mijne nicht?” vroeg de dame. „Hebt ge uwe opwachting nog niet gemaakt bij Lady Bellaston?”

„Ja wel,” hernam haar broeder; „en uwe nicht is veilig genoeg. Zij is boven op hare kamer.”

„Hoe!” riep de dame. „Mijne nicht hier in huis en zij weet niet eens dat ik aangekomen ben?”

„Neen,” antwoordde de landjonker; „want het is moeijelijk voor iemand om bij haar te komen! Zij zit achter slot. Ik heb haar veilig hier. Ik haalde haar van onze nicht, Milady, weg, den eersten avond van mijne aankomst, en ik heb zorg genoeg gedragen dat zij niet meer wegkwam, dat verzeker ik u! Zij zit vast, als een vos in de klem!”

„Goede hemel!” riep mejufvrouw Western; „wat moet ik vernemen! Ik dacht wel dat gij er een fraaije knoeiboel van zoudt maken, toen ik er in toestemde dat gij alleen naar de stad zoudt trekken! Maar neen;—dat was een gevolg van uwe eigene koppigheid en ik behoef me niet te verwijten, dat ik dat ooit goedkeurde! Hadt ge me niet beloofd, broeder, geene dergelijke onbezonnen maatregelen te nemen? Was het niet door dergelijke onberaden middelen dat ge uwe dochter er toe bragt om al eenmaal van u weg te loopen? Hebt ge lust haar te dwingen voor de tweede maal een dergelijken stap te doen?”

„Hemel en aarde!” bulderde de landjonker, zijne pijp wegsmijtende, dat ze in stukken vloog, „heeft men ooit iets dergelijks gehoord? Me zoo aangevallen te zien,—terwijl ik me verbeeldde dat ge me roemen zoudt voor al wat ik gedaan heb!”

„Hoe, broeder?” vroeg de dame; „heb ik u ooit de minste reden gegeven om te gelooven dat ik u roemen zou, omdat gij uwe dochter achter slot houdt? Heb ik u niet dikwerf verteld, dat de vrouwen in een vrij land, zich niet op die willekeurige wijze laten behandelen? Wij zijn even vrij als de mannen, en het spijt mij het te moeten zeggen maar waar is het, dat wij de vrijheid veel meer verdienen! Als gij verlangt dat ik nog één oogenblik in dit nare huis zal blijven, of dat ik u ooit als mijn broeder zal aanzien, of dat ik me ooit weder met uwe familiezaken bemoeijen zal,—dan eisch ik dat mijne nicht oogenblikkelijk in vrijheid gesteld worde!”

Zij sprak deze woorden op zulk een gebiedenden toon, terwijl zij vóór het vuur stond, met de eene hand achter den rug, en een snuifje in de andere, dat ik twijfel of Thalestris zelve aan het hoofd harer Amazonen, er ooit indrukwekkender uitzag. Geen wonder dus dat de arme landjonker niet bestand was tegen het ontzag dat zij inboezemde.

„Daar!” riep hij, den sleutel nederwerpende; „daar hebt ge den sleutel, en doe nu wat u goeddunkt! Ik wilde haar alleen achter slot houden tot Blifil hier is,—en dat zal niet lang meer duren, en nu, als er intusschen iets mis loopt, vergeet niet, dat ik er geen schuld aan heb!”

„Ik durf er met mijn leven voor in staan,” hernam mejufvrouw Western; „maar ik zal me met niets bemoeijen, tenzij onder ééne voorwaarde, en die is, dat gij alles geheel aan mijn bestuur overlaat, zonder van uw kant iets hoegenaamd te doen, dat u niet door mij bevolen wordt. Als gij deze preliminaire onderteekent, broeder, zal ik nog trachten de eer uwer familie te redden;—zoo niet, dan zal ik de stipste onzijdigheid in acht nemen.”

„Ik smeek u, waarde heer,” zei de dominé, „om deze vermaning van mejufvrouw uwe zuster niet in den wind te slaan. Misschien zal zij, door met jufvrouw Sophia te redeneren, meer gedaan krijgen dan u gegeven werd te verrigten door strengere maatregelen.”

„Hoe! begint gij ook te keffen?” riep de landjonker. „Als jij met jou praatjes aankomt, dan zal ik je met de zweep tot zwijgen brengen!”

„Foei, broeder!” riep de dame. „Is dat de taal die men gebruiken moet tegenover een predikant? De heer Supple is een verstandig mensch en geeft u gezonden raad, en ik geloof, dat de geheele wereld het met hem eens zou zijn;—maar, ik moet u herinneren dat ik onmiddellijk antwoord verlang op mijne kategorische voorstellen. Of, gij stelt uwe dochter onmiddellijk tot mijne beschikking, of, gij houdt haar geheel en al onder uw eigen verbazend wijs bestuur,—en als gij dat doet, dan, in tegenwoordigheid van mijnheer Supple, trek ik met mijne hulptroepen uit de plaats, en verloochen voortaan, in eeuwigheid, u en uwe familie!”

„Ik bid u, laat mij als bemiddelaar optreden!” riep de dominé; „laat me u smeeken toe te geven!”

„Wat drommel!” schreeuwde de landjonker; „daar ligt de sleutel al op tafel;—zij kan hem nemen zoodra zij maar verkiest;—wie belet haar?”

„Neen, broeder,” hernam de dame. „Ik sta op de formaliteit, dat de sleutel me overhandigd worde, en dat tevens al de gestelde voorwaarden door u aangenomen en bekrachtigd worden.”

„Goed dan! Ik zal je den sleutel geven!—Daar is hij!” riep de landjonker. „Ge weet ook heel goed, zuster, dat ge me niet beschuldigen kunt van mijne dochter ooit aan uwe zorgen onttrokken te hebben. Zij heeft wel een heel jaar—en langer,—onder uw dak gewoond, zonder dat ik haar in al dien tijd te zien kreeg.”

„En het zou haar tot geluk gestrekt hebben,” hernam de dame, „als zij altijd onder mijn dak gewoond had. Onder mijn oog ware er niets gebeurd van al wat nu voorgevallen is.”

„Ja, ja!” riep de heer Western, „natuurlijk ligt de geheele schuld aan mij!”

„Nu ja; dat is zoo, broeder,” hernam zij. „Ik heb het u al dikwerf moeten zeggen,—en zal het altijd nog moeten herhalen. Evenwel, hoop ik dat gij u nu beteren zult, en zoo veel ondervinding uit vroegere dwalingen zult opgedaan hebben, dat gij mijn wijs overleg niet door uwe onhandigheid verijdelt. Wezenlijk, broeder, gij zijt volstrekt niet geschikt voor dergelijke onderhandelingen. Uw geheel diplomatiek stelsel deugt niet! Ik moet nogmaals er op staan, ge u met niets bemoeit. Herinner u slechts het verledene—”

„Wat bl—!” bulderde de landjonker; „wat woûdt ge nu van mij hebben? Ge zoudt den Satan zelven helsch maken!”

„Daar!” hernam zij. „Precies als van ouds! Ik zie wel in, broeder, dat het tot niets leidt als men met u praten wil! Ik beroep me op mijnheer Supple, die een verstandig mensch is!—Heb ik nu iets gezegd om een redelijk wezen driftig te maken? Maar gij zijt, in alle opzigten, zoo koppig—”

„Mejufvrouw,” kwam de dominé tusschen beide; „laat me u smeeken, mijnheer niet boos te maken—”

„Boos maken!” riep de dame; „wel! Gij zijt een even groote gek als hij! Maar, broeder, daar gij mij beloofd hebt, u niet meer met de zaak te bemoeijen, zal ik voor dezen keer mijne nicht weder onder mijn bestuur nemen. De hemel beware alle zaken, die onder de leiding der mannen staan! Een vrouwenhoofd is duizend mannenhoofden waard!”

En met deze woorden verwijderde zij zich, met den sleutel in de hand, na een dienstbode geroepen te hebben om haar bij Sophia te brengen.

Zoodra zij de deur uit was,—welke de landjonker eerst voorzigtig achter haar digt deed, begon hij haar hartelijk uit te schelden en te verwenschen, terwijl hij zich zelven niet spaarde, omdat hij vergeten had steeds in het oog te houden, dat hij op hare nalatenschap rekende, en hij er bij voegde: „Nu ik zoo lang haar slaaf daarom geweest ben, zou het jammer zijn het geld te verliezen door niet wat langer te blijven volhouden. Die feeks kan toch niet in alle eeuwigheid blijven leven, en ik weet dat ik in haar testament tot erfgenaam benoemd ben.”

De dominé roemde zijn besluit zeer en de landjonker eene nieuwe flesch besteld hebbende, zoo als hij gewoonlijk deed, als hij bijzonder aangenaam of onaangenaam gestemd was, spoelde zijn toorn zoo volmaakt weg met dit kostelijk geneesmiddel, dat hij weder geheel in goede luim en bedaard was toen mejufvrouw Western met Sophia in de kamer trad. De jonge dame had hoed en mantel om, en de tante maakte den heer Western bekend, „dat zij voornemens was hare nicht mede te nemen naar hare kamers; „want, broeder,” zeide zij, „ge kunt werkelijk geen christenziel in dit huis ontvangen.”

„Best, zuster! Best!” hernam de landjonker. „Ga uw gang maar! Het meisje kan in geene betere handen zijn dan in de uwe, en de dominé hier zal me het regt doen te verklaren, dat ik in uwe afwezigheid wel honderdmaal gezegd heb dat gij de verstandigste vrouw ter wereld waart.”

„Ja,” riep de dominé, „dat kan ik werkelijk getuigen!”

„Wel, broeder,” antwoordde de dame, „zoo heb ik steeds ook over u gedacht. Gij moet bekennen dat ge iets te driftig van aard zijt; maar, als ge u den tijd gunt om te denken, heb ik nooit een man gekend die beter bij zijn verstand was.”

„Nu, als ge zóó denkt, zuster, drink ik op uwe gezondheid van ganscher harte!” riep de landjonker. „Ik ben wel soms wat driftig; maar wrok koester ik nooit. Sophia, wees gij maar een braaf kind en doe al wat uwe tante u beveelt.”

„Ik ben volstrekt niet bang voor haar,” hernam mejufvrouw Western. „Zij heeft er al een voorbeeld van gezien,—in het gedrag van die verachtelijke Henriette, hare nicht—wat er van komen moet als men mijn raad in den wind slaat. O, broeder! Ik moet u nog iets vertellen! Ge waart naauwelijks de deur uit om naar Londen te gaan toen,—wie denkt ge aankwam?—Wel niemand anders dan die onbeschofte vent,—met dien naren Ierschen naam,—hoe heet hij ook?—die Fitzpatrick! Hij drong zich bij me in, zonder zich te laten aanmelden, of ik zou hem niet ontvangen hebben! Hij rammelde door, met een lang onverstaanbaar verhaal over zijne vrouw, dat ik gedwongen was aan te hooren; maar ik gaf hem geen ander antwoord, dan door hem den brief zijner vrouw te overhandigen, welken ik hem verzocht zelf te beantwoorden. Ik vrees dat die ellendige haar best zal doen om bij ons te komen; maar ik moet u verzoeken haar niet te ontvangen;—want ik heb vast besloten haar niet te zien!”

„Ik haar ontvangen!” riep de landjonker. „Daar behoeft gij niet bang voor te zijn! Ik zal nooit zulke pligtvergeten deugnieten aanmoedigen! Het is een geluk voor dien schelm, haar man, dat ik niet te huis was;—want, zoo waar ik leef, ik zou hem onder de pomp hebben laten zetten! Nu ziet ge, Sophia, waartoe de ongehoorzaamheid leidt! Gij hebt er een voorbeeld van in uwe eigene familie.”

„Broeder!” riep de tante, „ge behoeft mijne nicht niet te ergeren met zulke nare vertellingen. Waarom laat ge niet alles aan mij over?”

„Nu, nu, dat zal ik doen!” zei de landjonker.

En thans maakte mejufvrouw Western, tot geluk van Sophia, een einde aan het gesprek, door draagstoelen te laten bestellen;—ik zeg dat dit gelukkig was; want als het veel langer geduurd had, zou er waarschijnlijk nieuwe stof tot twist ontstaan zijn tusschen broeder en zuster, die alleen door het geslacht verschilden; want beide waren even driftig en koppig;—en beide koesterden eene even vurige liefde tot Sophia en eene even groote minachting voor elkaar.

HOOFDSTUK V.

WAARIN JONES EEN BRIEF ONTVANGT VAN SOPHIA EN MET JUFVROUW MILLER EN PARTRIDGE NAAR DE KOMEDIE GAAT.

De aankomst van den Zwarten George in de stad, en de goede diensten, welke die dankbare man beloofd had ten behoeve van zijn vroegeren meester te verrigten, verschaften Jones veel troost te midden van den angst en de zorgen, welke hij om Sophia koesterde.

Door bemiddeling van genoemden George, ontving hij het volgende antwoord op zijn brief aan Sophia, dat zij, die met hare vrijheid ook pen, inkt en papier herkregen had, den eersten avond van hare bevrijding schreef.

„Mijnheer,

Daar ik niet aan de opregtheid twijfel van hetgeen gij schrijft, zal het u genoegen doen te vernemen, dat een gedeelte van mijn lijden verzacht is door de aankomst van mijne tante Western, bij wie ik thans ben, in het genot van alle wenschelijke vrijheid.

„Tante heeft er op gestaan dat ik haar ééne belofte zou doen—namelijk om niemand te zien, of eenige gemeenschap met iemand te hebben, zonder hare voorkennis en toestemming. Deze belofte heb ik plegtig gedaan en zal ze ongeschonden houden;—en hoewel zij mij niet bepaaldelijk het schrijven verboden heeft, is dit eerder alleen een verzuim in het noemen van dat woord, dan in den geest van haar verbod;—of welligt is het al begrepen onder het woord—gemeenschap hebben. Daar ik evenwel dit reeds beschouwen moet als eene schennis van haar edelmoedig vertrouwen in mijn eergevoel, kunt gij niet verwachten dat ik verder, na dezen, zelve zal voortgaan met schrijven of met brieven te ontvangen, zonder dat zij er iets van weet.

„Eene belofte is, bij mij, iets zeer heiligs, en strekt zich uit tot alles wat daarmede in verband staat,—even goed als tot alles wat daarin opgenoemd is, en deze bedenking zal u misschien, na rijp beraad, eenigen troost opleveren. Maar waarom zou ik u een troost als dezen willen aanbieden? Want, hoewel er één punt is, waarin ik nooit aan den besten der vaders gehoorzamen kan, heb ik toch vast besloten, hem nooit te trotseren, of eenigen gewigtigen stap te doen zonder zijne toestemming.

„De vaste overtuiging hiervan moest u leeren afzien van hetgeen het noodlot (welligt) onmogelijk heeft gemaakt. Uw eigenbelang moest u hiervan overtuigen. Ik hoop dat dit ook een middel moge wezen om u met den heer Allworthy te verzoenen,—en is dat zoo, dan raad ik u ten sterkste aan het te baat te nemen.

„Door toevallige omstandigheden heb ik eenige verpligtingen aan u,—en waarschijnlijk nog grootere aan uwe goede bedoelingen. Het geluk zal ons beiden welligt eens gunstiger zijn dan op dit oogenblik. Geloof echter dat ik steeds aan u zal denken volgens mijne overtuiging van uwe verdiensten, en dat ik verblijf,

„Mijnheer,

uwe verpligte en dienstvaardige

Sophia Western.”

„Ik bid u mij niet meer te schrijven,—ten minste voor het oogenblik niet!—en neem dit van mij aan, dat ik niet gebruiken kan, en hetwelk gij zeker noodig zult hebben.—Verbeeld u, dat gij deze kleinigheid alleen te danken hebt aan het toeval, hetwelk het reeds vroeger in uwe handen bragt.” [17]

Een kind dat pas het alphabet geleerd heeft, zou dezen brief in minder tijd ontcijferd hebben dan het Jones kostte om hem te lezen. Het schrijven wekte gevoelens bij hem op, die een mengsel waren van vreugde en leed,—eenigzins als die, welke in het gemoed van een goed mensch opkomen, als hij het testament leest van een overleden vriend, waarbij hem een aanzienlijk legaat (dat hem uiterst goed te pas komt), vermaakt wordt. Over het geheel echter was hij eerder bevredigd dan misnoegd, en, inderdaad, zal de lezer welligt verwonderd zijn, dat er iets in was, dat hem niet tevreden stelde;—maar de lezer is niet zoodanig verliefd als Jones, en de liefde is eene ziekte, welke, hoewel zij in enkele opzigten misschien op de tering gelijkt,—die soms door haar veroorzaakt wordt,—in anderen lijnregt daarmede in strijd is,—en vooral daarin, dat zij zich nooit vleit, of eenig voorteeken in een gunstig licht beschouwt.

Eén ding, echter, schonk hem volmaakte voldoening, en dat was dat zijne beminde hare vrijheid herkregen had en zich nu bij eene dame bevond, bij wie zij zeker was op eene fatsoenlijke wijze behandeld te worden. Eene andere troostreden vond hij in de bedekte belofte, welke zij hem gedaan had, om nooit met eenigen anderen man in het huwelijk te treden; want, hoe belangeloos hij zich ook verbeeldde dat zijne liefde was, en niettegenstaande al de edelmoedige raadgevingen in zijn brief, twijfel ik zeer of hij ooit droeviger tijding had kunnen ontvangen dan die van Sophia’s huwelijk met wien ook, al had zij eene nog zoo groote partij gedaan, met de meeste waarschijnlijkheid er bij van eindelijk volmaakt gelukkig te zijn. Die verhevene soort van Platonische liefde, welke volstrekt niets vleeschelijks heeft, en werkelijk zuiver geestelijk is, blijft bij uitsluiting eene gave van het schoone geslacht, van hetwelk ik vele leden heb hooren verklaren, (zonder twijfel volmaakt naar waarheid!) dat zij altijd heel gereed zouden zijn om een minnaar aan eene harer mededingsters af te staan,—als het maar bleek dat een dergelijke afstand noodzakelijk ware voor de tijdelijke belangen van genoemden minnaar. Vandaar besluit ik, dat eene dergelijke liefde in de natuur bestaanbaar is, ofschoon ik niet voorgeven zal zelf er ooit een voorbeeld van te hebben gezien.

Nadat de heer Jones drie uren doorgebragt had met het lezen en het kussen van den brief van Sophia,—(want hij was eindelijk na overleg van de reeds opgesomde troostredenen, vrij opgeruimd geraakt) besloot hij eene reeds vroeger gemaakte afspraak ten uitvoer te brengen. Dit was om mejufvrouw Miller en hare jongste dochter naar de komedie te vergezellen, en den heer Partridge uit te noodigen mede van het gezelschap te zijn. Want daar Jones werkelijk dien humoristischen zin bezat, welken velen slechts veinzen te bezitten stelde, hij zich groot genot voor van de opmerkingen van Partridge, van wien hij die eenvoudige ingevingen der natuur verwachtte te vernemen, die hoewel niet door de kunst beschaafd, tevens niet door haar bedorven zijn.

De heer Jones, jufvrouw Miller, hare jongste dochter en Partridge namen dan plaats op de voorste bank van de eerste galerij. Partridge verklaarde dadelijk, dat het de schoonste plaats was, welke hij ooit bezocht had.

Zoodra de muzijk begon, zeide hij, dat het verbazend was dat zoovele muzijkanten tegelijk konden spelen, zonder elkaar in de war te brengen. En terwijl de knecht de bovenste kaarsen opstak, riep hij tot jufvrouw Miller uit: „Kijk eens daar, jufvrouw! Hij ziet er precies zoo uit als de vent op de prent die achter in het kerkboek staat, aan het hoofd voor de dienst voor de ontdekking van het buskruidverraad!” Hij kon ook niet nalaten, met een zucht op te merken toen, alle kaarsen opgestoken waren, „dat er op één avond genoeg van verbrand werden om eene arme familie een geheel jaar te voorzien.”

Zoodra het stuk, „Hamlet, Prins van Denemarken,” begon, was Partridge geheel aandacht, en hij brak het stilzwijgen ook niet af voor het optreden van den geest, toen hij Jones vroeg: „Wat dat toch voor ’n mensch was in die vreemde kleeding;—zoo iets,” zeide hij, „als ik wel eens op eene schilderij gezien heb?”

„Dat is de geest,” hernam Jones.

Hierop hernam Partridge met een glimlach: „Dat kunt gij mij niet wijs maken, mijnheer! Hoewel ik niet zeggen kan dat ik ooit van mijn leven een geest gezien heb, ben ik toch zeker dat ik er een kennen zou als ik hem zag. Neen, neen, mijnheer, de geesten komen niet zóó gekleed voor den dag!”

Men liet hem in deze dwaling (welke veel gelach veroorzaakte in zijne buurt), tot het tooneel tusschen Hamlet en den geest, waarin Partridge aan den heer Garrick het geloof schonk, dat hij aan Jones geweigerd had, en zoo hevig begon te sidderen, dat zijne knieën tegen elkaar sloegen.

Jones vroeg wat hem scheelde, en of hij bang was voor den krijgsman op het tooneel?

„O, mijnheer!” riep hij, „ik zie nu in dat gij gelijk hadt! Ik ben volstrekt niet bang; want ik weet dat het slechts komedie-spel is, en als het ook werkelijk een spook was, zou het op zulk een afstand geen kwaad kunnen,—onder zoovele menschen ook,—en toch als ik er bang voor was, zou ik niet de eenige zijn!”

„Wel!” vroeg Jones, „wien houdt gij hier voor zulk een lafaard als gij zijt?”

„Nu, gij moogt mij lafaard noemen, als gij verkiest; maar als die kleine man daar op het tooneel niet verschrikt is, dan heb ik van mijn leven geen bang mensch gezien! Ja, ja! ga maar heen? Ja, zeker! Als gij zoo gek zijt! Ga dan met hem mede? De hemel vergeve u de roekeloosheid! Gij verdient wat u overkome! U volgen? Ik zou even gaarne den Satan volgen! Ja, het is misschien de Satan zelf, want men zegt, dat hij elke gestalte, die hij wil, aannemen kan. O! Daar is hij weer! Geen stap verder! Neen! Gij zijt al ver genoeg geweest,—verder dan ik gegaan zou zijn om het heele koningrijk te krijgen!”

Jones wilde iets zeggen, maar Partridge smeekte: „Stil, stil toch, mijnheer, als het u belieft! Hoort gij hem niet?” En zoolang de geest sprak, zat hij met open mond beurtelings dezen en Hamlet aan te staren, wiens aandoeningen zich op zijn gelaat weêr spiegelden.

Toen het tooneel ten einde was, zeide Jones: „Wel, Partridge, gij overtreft mijne verwachting! Gij geniet het stuk meer dan ik mogelijk achtte.”

„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, „als gij niet bang zijt voor den duivel, kan ik het niet helpen; maar ik zet het den beste om niet verstomd te staan over zoo iets, hoewel ik weet dat er niets in steekt;—het was ook niet de geest die me juist zoo trof, want ik zou wel geweten hebben dat het niets anders was dan een man in vreemde kleeding; maar hetgeen mij zoo aandeed, was toen ik dat mannetje daar zelf zoo verschrikt zag.”

„Gelooft gij werkelijk, Partridge,” riep Jones, „dat hij inderdaad bang was?”

„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, „hebt gij niet zelf gezien, hoe, toen hij later ontdekte, dat het de geest van zijn vader was, en hoe die in zijn eigen tuin was vermoord geworden, de vrees hem langzamerhand verliet, en hij, als het ware, verstomde onder zijn leed,—juist zooals het mij gegaan zou zijn, als ik zoo iets ondervonden had?—Maar, stil! Hemel! Wat is dat voor een geraas? Daar is hij weder!—Nu, dat is waar! Al weet ik dat het maar gekheid is, ik ben toch blijde dat ik niet onder die menschen op het tooneel ben!” Daarop, de oogen op Hamlet vestigende, zeide hij: „Nu ja! Trek maar uw degen! Wat helpt een degen tegen de magt van den Satan?”

Onder het tweede bedrijf had Partridge weinig in te brengen. Hij bewonderde zeer de pracht der kostumes, en kon niet nalaten van des konings gelaatstrekken op te merken: „Wel, wel! Wat kan men zich in een gezigt vergissen? Ja! Nulla fides fronti! dat is zeker een waar woord! Wie zou denken, als hij dien koning daar in het gezigt ziet, dat hij een moordenaar is?”

Daarop vroeg hij weder naar den geest: maar Jones, die hem eene verrassing wenschte te bezorgen, gaf hem geene verdere opheldering, dan „dat hij hem welligt zou wederzien, door vlammen omgeven.”

Partridge zat hierop in angst te wachten, en eindelijk, toen de geest weder verscheen, riep hij: „Daar, mijnheer! Daar! Wat zegt gij nu? Is hij bang, of niet? Hij is even bang als ik—en het is waar: geen mensch kan het helpen als men hem een schrik aanjaagt. Maar ik zou in zulk een droevigen toestand niet willen zijn als waarin die mijnheer—hoe heet hij ook?—Hamlet, daar ginds, zich bevindt,—neen—om alles ter wereld niet! God zegene ons! Wat is er van den geest geworden? Zoo waar ik leef, ik verbeeldde me hem door den grond te zien zinken!”

„En ge hebt heel goed gezien,” hernam Jones.

„Wel, wel!” zei Partridge; „ik weet best, dat het enkel komediespel is, en als er iets ernstigs bij was, zou jufvrouw Miller niet zoo lagchen;—want, wat u betreft, mijnheer, ik geloof dat de duivel zelf, al verscheen hij hier ter plaatse, u niet bang zou maken!—Daar, daar! Het verwondert me volstrekt niet dat gij u zoo kwaad maakt! Schud die ellendige feeks maar fiks door elkaar! Als het mijne eigene moeder ware, zou ik haar op dezelfde wijze behandelen!—Want zij heeft door hare misdaden, alle aanspraken op den naam eener moeder verloren!—Ja,—pak je maar weg!—Ik ben blijde, dat gij henen gaat!”

Onze recensent bleef thans tamelijk stil tot de vertooning van het treurspel dat Hamlet voor den Koning doet opvoeren. In het begin, begreep hij er niets van, tot Jones het hem uitlegde; maar, zoodra hij het fijne van de zaak vatte, begon hij zich gelukkig te prijzen, dat hij zelf nooit een moord begaan had. Zich daarop tot jufvrouw Miller wendende, vroeg hij haar: „Of zij zich niet verbeeldde, dat de Koning aangedaan scheen,—hoewel,” voegde hij er bij, „hij heel goed speelt en zijn best doet om het te verbergen. Nu, ik zou zoo veel op mijn geweten niet willen hebben, als die vent daar, al kon ik daarvoor nog hooger komen te zitten dan hij!—Geen wonder dat hij wegliep;—neen, als ik aan hem denk, zal ik van mijn leven geen vertrouwen meer stellen in een onschuldig gezigt!”

Het tooneel op het kerkhof boeide daarop de aandacht van Partridge, die veel verbazing toonde over het groote aantal schedels, welke op het tooneel geworpen werden. Hierop hernam Jones, „dat dit eene der meest beroemde begraafplaatsen in de stad was.”

„Geen wonder dan,” hernam Partridge, „dat het hier spookt! Maar ik heb van mijn leven zoo’n onhandigen doodgraver niet gezien! Ik had er een onder me, toen ik koster was, die drie graven gemaakt zou hebben, tegen deze één. Die kerel gaat met de spade om alsof hij er nooit ééne in de hand gehad had. Ja, ja, laat hem maar zingen! Hij ziet er uit alsof hij meer houdt van zingen dan van werken!”

Zoodra Hamlet den schedel opnam, riep hij uit:

„Nu, ’t is toch vreemd te zien hoe onbevreesd sommige menschen zijn! Ik kan er nooit toe komen, om welke reden ook, om iets van een lijk aan te raken!—En toch, dunkt me, scheen hij bang genoeg toen de geest verscheen.—Nu: nemo omnibus horis sapit!”

Er gebeurde thans niets meer vermeldingwaardigs tot het einde van het stuk, toen Jones hem vroeg: „Wie van de tooneelspelers hem het best bevallen was?”

Hierop antwoordde hij, met eenigen schijn van verontwaardiging over de vraag: „Wel; zonder bedenking—de Koning!”

„Nu, mijnheer Partridge,” zei jufvrouw Miller, „gij denkt er anders over dan de meeste menschen. Want zij zijn het allen eens, dat de rol van Hamlet gespeeld wordt door den besten tooneelspeler, die ooit voor het publiek optrad.”

„Hij de beste tooneelspeler!” riep Partridge, met een minachtenden glimlach. „Wel! ik zou zelf even goed spelen als hij! Ik weet zeker dat als ik een spook zag, ik er precies zoo zou uitzien en even zoo doen als hij. En dan, ja, in dat tooneel, zoo als gij het noemt, met zijne moeder, waarin ge me zeidet dat hij zoo mooi speelde;—wel zoo waar ik leef!—iedereen,—dat is, ieder goed mensch, die zulk eene moeder had, zou juist gedaan hebben als hij. Ik weet wel dat gij mij slechts voor den gek houdt; maar, jufvrouw, ofschoon ik nu voor het eerst in eene Londensche komedie ben, heb ik toch dikwijls bij ons, buiten, zien spelen,—en de Koning is mijn man! Hij spreekt alle woorden duidelijk uit,—nog eens zoo hard als de anderen!—Iedereen ziet dat hij een tooneelspeler is!”

Terwijl jufvrouw Miller aldus met Partridge bezig was, naderde eene dame den heer Jones, in wie hij dadelijk mevrouw Fitzpatrick herkende.

Zij zeide dat zij hem van hare zitplaats gezien had, en de gelegenheid zocht om hem te spreken, daar zij hem iets te melden had, dat welligt van groot belang voor hem kon zijn. Zij vertelde hem verder waar zij woonde en maakte eene afspraak met hem voor den volgenden morgen;—maar, zich bedenkende, bestelde zij hem des namiddags, en Jones beloofde op het bepaalde uur bij haar te komen.

Hiermede was alles in de komedie afgeloopen, waar Partridge niet slechts Jones en jufvrouw Miller zeer vermaakt had, maar ook allen, die in zijne buurt zaten, en die meer luisterden naar zijne opmerkingen dan naar hetgeen er op het tooneel verhandeld werd.

Dien heelen nacht durfde hij, uit vrees voor den geest, niet naar bed gaan, en vele daarop volgende nachten had hij het uren achtereen zeer benaauwd, eer hij den slaap vatten kon,—terwijl hij meer dan eens met een plotselingen schrik wakker werd en uitgilde: „De hemel zij ons genadig! Daar is hij!”

HOOFDSTUK VI.

WAARIN DE GESCHIEDENIS IETS TERUG GAAT.

Het is bijna onmogelijk zelfs voor de beste der ouders om eene stipte onpartijdigheid in acht te nemen tegenover al hunne kinderen,—zelfs in gevallen waar geene meerdere verdiensten bij het een of ander kind hunne neiging doet overhellen;—maar waar eene dergelijke meerderheid bestaat, kan men moeijelijk de ouders berispen als ze daaraan de voorkeur schenken.

Daar ik alle personaadjes in deze geschiedenis als mijne kinderen beschouw, moet ik bekennen dat ik deze soort van partijdigheid koester ten opzigte van Sophia, en ik hoop dat de lezer bekennen zal, dat de groote voortreffelijkheid van haar karakter mijne voorliefde verontschuldigt.

Deze buitengewone liefde dan, welke ik voor mijne heldin koester, duldt nooit dat ik haar, zonder grooten tegenzin, voor één oogenblik verlaat. Ik zou dus thans met de meeste geestdrift aan het onderzoeken gaan van hetgeen dit beminnelijk schepsel overkomen is sedert zij de woning van haar vader verlaten heeft, ware het niet dat ik genoodzaakt ware eerst een kort bezoek bij den heer Blifil af te leggen.

De heer Western, in zijne eerste verwarring bij de onverwachte ontvangst van de tijding omtrent zijne dochter, en in zijne haast om haar te gaan opzoeken, had er niet eens aan gedacht om Blifil eenig berigt te zenden van de pas gedane ontdekking. Hij was echter niet heel ver gekomen, toen hij zich bezon, halt maakte bij de eerste herberg, welke hij bereikte, en Blifil van daar deed weten, dat hij Sophia gevonden had, en dat het zijn vast besluit was haar onmiddellijk met hem te doen trouwen, en dat hij dus maar dadelijk naar Londen moest komen.

Daar de liefde, welke Blifil tot Sophia koesterde, van dien vurigen aard was, dat niets dan het verlies van haar vermogen, of eenig ander dergelijk ongeluk, ze kon doen verkoelen, was zijn zin in het huwelijk volstrekt niet verminderd door hare ontvlugting, hoewel hij genoodzaakt was zich zelven te beschouwen als de oorzaak daarvan. Hij nam dus het aanbod van haar vader zeer gereedelijk aan. En inderdaad, hij stelde zich voor door dit huwelijk niet alleen aan zijne geldzucht, maar ook nog aan een anderen zeer geweldigen hartstogt te voldoen, namelijk, aan zijn haat;—want hij begreep dat het huwelijk evenzeer gelegenheid verschaft om aan haat als aan liefde bot te vieren,—en dit gevoelen wordt waarschijnlijk door de meerdere ondervinding zeer gesterkt. Om de waarheid te zeggen, als wij naar het gewone gedrag van gehuwden onderling oordeelen mogen, zullen wij er toe komen om te besluiten, dat de meesten alleen zoeken aan eerstgenoemden hartstogt te voldoen door de vereeniging van alles,—behalve hunne harten.

Blifil ontmoette echter één bezwaar,—en dit werd geopperd door den heer Allworthy. Toen die goede man, na het vertrek van Sophia (want men kon noch hare vlugt noch de aanleiding daartoe voor hem verbergen), den grooten afkeer leerde kennen, welken zij voor zijn neef koesterde, begon hij ernstig bevreesd te zijn, dat hij zich had laten verleiden om de zaken te ver te drijven. Hij deelde volstrekt niet het gevoelen van die vaders, die het even onnoodig achten om de neigingen hunner kinderen te raadplegen bij een huwelijk, als zich te rigten naar de wenschen hunner dienstboden als zij op reis gaan,—en die alleen door de wet, of de welvoegelijkheid belet worden om maatregelen van geweld te gebruiken. Integendeel;—daar hij het huwelijk beschouwde als eene zeer heilige instelling, achtte hij het noodig om alle mogelijke voorzorgen te nemen om het heilig en ongeschonden te doen blijven, en besloot, met de meeste wijsheid, dat men dit niet beter bewerken kon, dan door het te grondvesten op reeds bestaande neiging.

Het gelukte Blifil zeer spoedig om zijn oom het denkbeeld uit het hoofd te praten, dat men hem gefopt had, door met vele geloften en betuigingen te verklaren, dat hij zelf bedrogen was geworden,—en dit rijmde zeer goed met al wat Western verklaarde; maar om Allworthy thans over te halen om toe te stemmen, dat hij zou volhouden met zijn aanzoek, was eene schijnbaar zoo moeijelijke taak, dat ze een minder ondernemend genie afgeschrikt zou hebben;—deze jonge heer echter kende zijne eigene talenten zoo goed, dat niets wat door list te verkrijgen was, voor hem moeijelijk te bereiken scheen.

Hij begon dus met de hevigheid van zijne eigene liefde voor te stellen, en de hoop welke hij koesterde om door volharding den tegenzin der dame te overwinnen. Hij smeekte, dat in eene zaak, waarvan zijn toekomstig levensgeluk afhing, men hem ten minste de vrijheid zou laten, om alle eerlijke middelen aan te wenden. „De hemel verhoede,” zeide hij, „dat hij er ooit aan denken zou, om iets anders dan de meeste zachtheid aan te wenden! Bovendien, oom,” voegde hij er bij, „als dit mislukt, dan staat het u vrij,—en dat zou dan vroeg genoeg zijn,—om, van uw kant, uwe toestemming te weigeren.” Hij sprak ook van het vurige verlangen, waarmede de heer Western bezield was, om het huwelijk te zien sluiten, en eindelijk maakte hij krachtig gebruik van den naam van Jones, aan wien hij alles toeschreef wat er gebeurd was, terwijl hij beweerde dat de christelijke liefde allen moest aansporen, om de jonge dame tegen hem te beveiligen.

Al deze beweegredenen werden zeer goed ondersteund door Thwackum, die iets meer klem gaf aan het ouderlijke gezag, dan Blifil gedaan had. Hij schreef de maatregelen welke Blifil nemen wilde, geheel toe aan de christelijke liefde; „hoewel,” zeide hij, „de brave jongeling de christelijke liefde het laatst genoemd heeft, ben ik vast overtuigd, dat die zijne eerste en voornaamste beweegreden is.”

Als Square tegenwoordig ware geweest, zou hij misschien een dergelijk deuntje gezongen hebben, hoewel op een anderen toon, en zou hij heel veel „zedelijke gepastheid” ontdekt hebben in Blifils handelwijze;—maar hij was nu te Bath, tot herstel van gezondheid.

Allworthy gaf eindelijk, ofschoon niet zonder tegenzin, aan de wenschen van zijn neef toe. Hij zeide, dat hij hem naar Londen vergezellen zoude, waar het Blifil vrij zou staan alle eerlijke middelen te baat te nemen om de dame te winnen; „maar,” zeide hij, „ik verklaar, dat ik nooit er in zal toestemmen, dat men hare neigingen eenig geweld aandoe, en gij zult haar ook nooit nemen, zonder hare eigene, volmondige toestemming.”

Op deze wijze bragt de liefde van Allworthy tot zijn neef hem in verzoeking, om zijn meerder verstand te onderwerpen aan het mindere;—en op deze wijze wordt de wijsheid van het beste hoofd wel eens door de teederheid van het beste hart verijdeld.

Blifil, deze onverhoopte toestemming van zijn oom verkregen hebbende, rustte niet tot hij zijn plan ten uitvoer bragt. En daar er geene dringende zaken waren om den heer Allworthy buiten te houden en mannen slechts weinige toebereidselen tot eene reis noodig hebben, vertrokken zij al den volgenden dag, en kwamen te Londen aan dienzelfden avond, waarop Jones, zooals wij gezien hebben, zich met Partridge in den schouwburg vermaakte.

Den morgen na zijne aankomst, maakte de heer Blifil zijne opwachting bij den heer Western, door wien hij zeer hartelijk en genadig ontvangen werd, en van wien hij dadelijk de verzekering kreeg (hoe onmogelijk die ook te geven was), dat hij spoedig gelukkig gemaakt zou worden door het bezit van Sophia; de landjonker liet ook niet toe dat de jonge heer naar zijn oom terugkeerde, eer hij hem, haast zijns ondanks, medegesleept had bij mejufvrouw Western.

HOOFDSTUK VII.

WAARIN DE HEER WESTERN ZIJNE ZUSTER BEZOEKT IN GEZELSCHAP VAN DEN HEER BLIFIL.

Mejufvrouw Western was bezig met hare nicht eene les te lezen over wereldwijsheid en de diplomatie van het huwelijksleven, toen haar broeder en Blifil, met verzuim van alle plegtigheden, welke bij een bezoek vereischt worden, haar kwamen storen.

Zoodra Sophia Blifil ontwaarde, verbleekte zij en viel haast in zwijm; terwijl hare tante, integendeel, hoog rood werd, en in het geheel niet ontsteld zijnde, dadelijk een aanval op den landjonker deed.

„Broeder!” riep zij; „ik sta verstomd over uw gedrag! Zult gij nooit leeren de welvoegelijkheid in acht te nemen? Zult gij steeds ieders woning als de uwe beschouwen,—of als die van een uwer boeren? Verbeeldt gij u, dat gij het regt hebt om in de vertrekken van dames van aanzien te verschijnen, zonder complimenten, of belet te vragen?”

„Wat drommel! Wat is er nu te doen?” vroeg de landjonker. „Men zou zich kunnen verbeelden, dat gij juist bezig waart met—”

„Wat ik u bidden mag,” viel zij hem in de rede, „spaar ons uwe gemeenheden! Gij hebt mijne arme nicht zoodanig verrast, dat het haar moeite kost zich staande te houden.—Ga heen, kindlief,—ga maar naar uwe eigene kamer en tracht dáár weder tot bedaren te komen;—want ik zie, dat gij daaraan behoefte hebt.”

Op deze woorden verwijderde zich Sophia, die nooit een meer gewenscht bevel ontvangen had, oogenblikkelijk.

„Wel, zuster,” riep de landjonker, „zijt ge mal? Ik heb den heer Blifil hierheen gebragt, bepaaldelijk om haar het hof te maken, en nu jaagt gij haar de kamer uit!”

„En gij, broeder,” hernam zij, „moet zeker al heel mal wezen, om terwijl u de toestand der zaken bekend is,—den heer Blifil te brengen;—ik vraag hem wel excuus;—maar hij weet zelf best aan wien hij zulk eene onaangename ontvangst te danken heeft! Wat mij betreft, ik zal zeker altijd heel blijde wezen mijnheer Blifil te ontvangen; en zijn eigen gezond verstand zou hem hebben doen inzien, dat het ongepast was zoo’n onberedeneerden stap te doen, als dien, waartoe gij hem zeker gedwongen hebt.”

Blifil boog, stamelde en maakte een mal figuur; terwijl Western, zonder hem den tijd te gunnen om eene redevoering te bedenken, antwoordde:

„Nu, ja,—ik heb schuld, als u dat goed dunkt,—dat heb ik altijd, natuurlijk! Maar kom aan! Laat het meisje terug halen, of laat mijnheer Blifil bij haar gaan!—Hij is met dat doel naar Londen gekomen, en er is geen tijd te verliezen.”

„Broeder,” riep mejufvrouw Western, „ik ben overtuigd dat mijnheer Blifil zijne positie te goed kent om er in de verste verte aan te denken, mijne nicht, na hetgeen er gebeurd is, heden morgen weder te zien. De vrouwen hebben een teêr gestel en als wij eens van streek zijn, komen wij niet in één oogenblik weer tot bedaren. Als gij toegelaten hadt dat de heer Blifil heden morgen eene beleefde boodschap aan mijne nicht zond, met verzoek om de eer te mogen hebben in den loop van den namiddag zijne opwachting bij haar te maken, zou het mij waarschijnlijk gelukt zijn om haar over te halen hem te ontvangen;—maar thans zou ik er aan wanhopen zoo iets te kunnen bewerken.”

„Het spijt me zeer, mejufvrouw,” zei Blifil, „dat de buitengewone goedheid van den heer Western, waarvoor ik hem nooit dankbaar genoeg kan zijn,—aanleiding zou gegeven hebben,—”

„Wel, mijnheer!” viel zij hem in de rede; „gij behoeft u werkelijk niet te verontschuldigen;—iedereen kent mijn broeder!”

„’t Kan mij niet schelen of men me kent of niet,” hernam de landjonker. „Zeg maar wanneer hij komen moet om haar te zien? Want bedenk wel, zeg ik je, dat hij en Allworthy alleen daarom de reis gedaan hebben.”

„Broeder,” luidde het antwoord, „elke boodschap die het den heer Blifil behagen moge aan mijne nicht te zenden, zal haar overgebragt worden, en naar ik veronderstel, zal zij geene instructiën noodig hebben om op eene gepaste wijze daarop te antwoorden. Ik ben ook overtuigd, dat zij niet weigeren zal den heer Blifil ter geschikter ure bij zich toe te laten.”

„O zoo! Om de weêrga niet? Neen!” riep de heer Western. „O neen! Ik zeg niets!—Om den drommel niet!—Weten we niet—O neen! Maar sommige menschen verbeelden zich wijzer te zijn dan de geheele wereld;—als ik echter mijn zin had gehad, dan zou zij den eersten keer niet weggeloopen zijn,—en nu wacht ik elk oogenblik te hooren dat zij weder weg is! Want hoe gek ik ook ben,—in de oogen van zekere menschen,—weet ik best, dat zij een haat koestert voor—”

„Genoeg daarvan, broeder!” viel hem jufvrouw Western in de rede. „Ik heb geen lust om mijne nicht te hooren uitschelden. Dat is eene beleediging voor de geheele familie! Zij strekt hare familie echter tot eer,—en ik verzeker u, dat zij steeds onze familie tot eer strekken zal.—Ik sta met mijn eigen goeden naam borg voor haar gedrag!—Het zal me aangenaam wezen, broeder, u heden namiddag bij me te zien; want ik heb u eene gewigtige mededeeling te doen; voor het oogenblik moeten gij, en de heer Blifil, het mij niet ten kwade duiden; maar ik heb haast om mij te gaan kleeden.”

„Nu ja,” zei de landjonker; „bepaal dan maar een uur waarop hij haar zien kan.”

„Wezenlijk,—ik kan zoo iets niet op mij nemen—maar, zooals ik u gezegd heb, zal ik u heden namiddag ontvangen,” zeide zij.

„Wat drommel moet ik doen?” riep de landjonker, zich tot Blifil wendende. „Ik kan haar evenmin bijhouden als een dashond een ouden haas!—Welligt zal zij heden namiddag beter gemutst wezen.”

„Naar ik zie, mijnheer,” hernam Blifil, „ben ik voor het ongeluk geboren;—maar ik zal u steeds even dankbaar blijven.”

Hierop nam hij plegtstatig afscheid van mejufvrouw Western, die van haar kant, even plegtstatig bleef, en beiden vertrokken, terwijl Western, met een vloek, binnensmonds mompelde, dat Blifil wis en zeker dien namiddag zijne dochter zien zou.

Was de heer Western weinig ingenomen met deze ontmoeting, de heer Blifil was nog minder daarover tevreden. Wat den eersten betrof, deze schreef de houding zijner zuster alleen aan haar luim toe, en aan hare ontevredenheid over het verzuim van alle pligtplegingen bij zijn bezoek; maar Blifil had dieper inzigt in de zaken. Uit enkele woorden, welke de dame zich had laten ontvallen, vermoedde hij iets van veel meer gewigt, en om de waarheid te zeggen, had hij zich niet vergist;—wat blijken zal bij de behandeling der verschillende onderwerpen in het volgende hoofdstuk bevat.

HOOFDSTUK VIII.

DE PLANNEN VAN LADY BELLASTON OM JONES TE GRONDE TE RIGTEN.

De liefde was te vast geworteld in het hart van Lord Fellamar om door de ruwe handen van den heer Western uitgeroeid te worden.

In zijn eerste opwelling van drift had hij inderdaad eene boodschap gezonden door den kapitein Egglane, welke deze zeer overdreven had bij de overbrenging,—en ze zou ook in ’t geheel niet zijn overgebragt als het Milord gelukt ware den kapitein te vinden nadat hij Lady Bellaston gesproken had, den morgen na dien namiddag, waarop hij door den heer Western beleedigd was geworden. Maar de kapitein was zoo ijverig in het vervullen van zijne dienst, dat hij, na de woning van den landjonker eerst ’s avonds laat gevonden te hebben, den heelen nacht in een wijnhuis op bleef zitten, ten einde den heer Western den volgenden morgen niet mis te loopen, en dus het schriftelijke tegenbevel van den Lord, dat deze naar zijne kamers gezonden had, niet ontving.

Milord, gelijk wij gezegd hebben, legde een bezoek af bij Lady Bellaston, die het karakter van den landjonker zoodanig afschilderde, dat Milord duidelijk inzag dat hij zich belagchelijk zou maken door zich beleedigd te toonen door iets, dat Western zeggen kon,—vooral daar Milord zulke eervolle bedoelingen koesterde ten opzigte van de dochter des landjonkers. Hij legde daarop Lady Bellaston uit hoe hevig zijne liefde was, en zij nam volgaarne op zich zijne belangen verder te bevorderen, en moedigde hem aan met het zekere vooruitzigt op de meest gunstige ontvangst bij alle meer bejaarde leden der familie, even als bij den vader zelven, als die eens nuchter was en eindelijk begreep welke eer zijner dochter aangeboden werd. Het eenige gevaar, voegde zij hierbij, was te duchten van den mensch van wien zij hem vroeger gesproken had,—zekeren bedelaar en landlooper, die op de eene of andere wijze, haar onbekend, zich fatsoenlijke kleeren verschaft had en voor fatsoenlijk man speelde.

„Nu,” zeide zij, „om den wille mijner nicht, heb ik me de moeite gegeven om over dezen mensch berigten in te winnen; ik heb ook gelukkig zijne woning ontdekt,”—waarmede zij Milord bekend maakte, „en ik heb wel eens gedacht,” voegde zij er bij, „daar het onmogelijk is voor u, Milord, u met zulk een gemeen schepsel persoonlijk te bemoeijen,—of het niet doenlijk zou zijn voor u om hem voor de zeedienst te laten pressen en dadelijk aan boord van een schip te doen brengen? Noch regt, noch geweten kunnen eenig bezwaar hiertegen opleveren; want hoe mooi gekleed die vriend ook loopt, verzeker ik u dat hij slechts een landlooper is, een best slag van mensch om in de zeedienst geprest te worden. En wat het geweten betreft, is het zeker eene hoogst verdienstelijke daad om eene jonge dame van den ondergang te redden,—en zelfs wat den jongen zelven aangaat, als hij niet slaagt bij mijne nicht,—en dat verhoede de hemel!—zoudt gij hem welligt daardoor van de galg redden en hem in staat stellen om op eene eerlijke wijze fortuin te maken.”

Lord Fellamar bedankte Milady opregt voor hare vriendelijke deelneming in deze zaak, van welker welslagen zijn toekomstig geluk geheel afhankelijk was. Hij zeide, voor het oogenblik geen bezwaar te zien in haar plan, en dat hij overleggen zou hoe het ten uitvoer te brengen. Daarop smeekte hij haar zeer ernstig om hem de eer te bewijzen van zijn aanzoek aan de familie mede te deelen, aan wie hij zich gereed verklaarde carte blanche te geven bij de regeling van alle geldzaken. Na nu zeer opgewonden en met de meeste verrukking over Sophia gesproken te hebben, nam hij afscheid en vertrok, maar niet voordat zij hem nogmaals gewaarschuwd had om op zijne hoede te zijn ten opzigte van Jones, en om geen tijd te verliezen met hem zóó te bezorgen, dat het onmogelijk voor hem zou wezen om verder eenige pogingen te doen om de jonge dame in het ongeluk te slepen.

Zoodra mejufvrouw Western hare kamers betrokken had, zond zij een kaartje met hare groeten bij Lady Bellaston, die het pas ontvangen had, of zij vloog, met al het ongeduld van een minnaar, naar hare nicht, zich verheugende over de schoone gelegenheid, welke zich zoo onverhoopt voordeed;—want het beviel haar veel beter om het aanzoek van Milord te doen bij eene verstandige vrouw, die de wereld kende, dan bij een man, dien zij met de benaming van Hottentot vereerde,—ofschoon zij zelfs van hem geene weigering vreesde te ondervinden.

Zoodra de twee dames elkaar ontmoetten, kwamen zij, na zeer korte pligtplegingen, tot de zaak,—welke ook zonder eenig tijdverlies afgedaan werd. Want zoodra mejufvrouw Western den naam van Lord Fellamar hoorde, tintelden hare wangen van genoegen;—en toen zij vernam hoe hevig zijn hartstogt was, hoe ernstig hij het meende met zijn aanzoek, en hoe mild zijne aanbiedingen waren, gaf zij hare tevredenheid op de meest onbewimpelde wijze te kennen.

In den loop van het gesprek, werd Jones natuurlijk ook genoemd, en beide nichten beklaagden zeer aandoenlijk de ongelukkige liefde, welke Sophia tot dien jongen mensch koesterde;—terwijl mejufvrouw Western ze geheel toeschreef aan het wanbestuur van haren broeder. Zij eindigde echter met zich overtuigd te verklaren van het gezond verstand van hare nicht, die, hoewel zij hare eerste liefde ten gunste van Blifil niet wilde opgeven, zonder twijfel, zeide zij, „zich spoedig zou laten overhalen om hare neiging op te offeren aan het aanzoek van een man naar de wereld, die haar een titel en een groot vermogen aanbieden wilde. Want, werkelijk,” voegde zij er bij; „ik moet Sophia het regt doen te bekennen, dat die Blifil wel een heel naar soort van mensch is,—die niets dan zijn geld heeft om hem aan te bevelen.”

„In dat geval,” hernam Lady Bellaston, „verwondert mij het gedrag van onze nicht niet zoo zeer; want ik verzeker dat deze Jones een zeer aangenaam mensch is,—die ééne deugd bezit, welke, volgens de mannen, tot eene groote aanbeveling strekt bij de vrouwen. Zult gij het willen gelooven, jufvrouw Western?—Het zal u zeker doen lagchen,—en ik kan het zelve niet zonder lagchen vertellen,—zult gij willen gelooven, dat deze jongen de onbeschaamdheid heeft gehad om mij zijn hof te maken? Maar, om u te bewijzen dat ik de waarheid spreek,—hier hebt gij zijn eigen schrift—waaruit alles genoegzaam blijkt.”

Hierop overhandigde zij haren nicht den brief met het huwelijksvoorstel, welken de lezer, als hij er lust toe gevoelt, in het vijftiende boek van deze geschiedenis kan overlezen.

„Ik sta verstomd, op mijn woord!” riep jufvrouw Western. „Dit is inderdaad een meesterstuk van onbeschaamdheid! Met uw verlof, zou ik welligt eenig gebruik van dezen brief kunnen maken.”

„Ik geef u de meest volmaakte vrijheid,” riep Lady Bellaston, „om elk gebruik van het schrijven te maken, dat u goed dunkt. Evenwel, wenschte ik niet, dat iemand anders het te zien kreeg, dan jufvrouw Western,—en zij moet het alleen zien, als het noodig is.”

„Nu, mijne lieve, hoe hebt gij dien jongen behandeld?” vroeg mejufvrouw Western.

„Niet als mijn man,” hernam de dame; „ik ben niet met hem gehuwd, dat verzeker ik u, mijne beste! Gij weet wel, lieve vriendin, dat ik al éénmaal van het huwelijksgeluk geproefd heb,—en, me dunkt, ééns is meer dan genoeg voor een redelijk wezen!”

Lady Bellaston verbeeldde zich dat deze brief voldoende zou wezen om Sophia verder van Jones afkeerig te maken, en zij verstoutte zich het schrijven af te geven, gedeeltelijk in de hoop om hem aldus dadelijk te zien verwijderen en gedeeltelijk om dat zij, na Honour gepolst te hebben, genoegzaam overtuigd was, dat deze gereed zou zijn om al wat Milady van haar vergen mogt, te getuigen.

Maar welligt zal de lezer zich verwonderen, dat Lady Bellaston, die in haar hart Sophia haatte, zoo verlangende was om een huwelijk voor haar tot stand te brengen, dat zoo voordeelig zou zijn voor de jonge dame. Ik moet echter een dergelijken lezer verzoeken om zorgvuldig het boek der menschelijke natuur open te slaan, en wel zoo wat op de laatste bladzijde, en daar zal hij vinden, in bijna onleesbare letters, dat de vrouwen, niettegenstaande het bespottelijke gedrag van moeders, tantes enz. in huwelijkszaken, het wezenlijk voor zulk een groot ongeluk beschouwen om in de liefde gedwarsboomd te worden, dat zij zich verbeelden dat er geene grootere reden tot vijandschap kan bestaan dan deze;—en verder zal men, ongeveer terzelfder plaatse, lezen, dat eene vrouw, die zich eens in het bezit van een man gelukkig heeft gevoeld, meer dan half weg naar de hel zal loopen, om te beletten dat eenige andere vrouw dien zelfden man krijge.

Als de lezer met deze gronden niet voldaan is, beken ik openhartig, dat ik geene andere redenen ken voor het gedrag van Lady Bellaston, tenzij wij gelooven mogen, dat zij door Lord Fellamar omgekocht was,—wat ik, voor mijn part, hoegenaamd geene aanleiding heb te veronderstellen.

Deze zaak,—welke mejufvrouw Western bij Sophia wilde inleiden door eenige voorafgaande opmerkingen over de dwaasheid der liefde en de wijsheid van de wettige prostitutie, om geld,—hield juist de dames bezig, toen zij gestoord werden door het onverwachte binnentreden van den landjonker met Blifil, en van daar de koelheid waarmede deze door jufvrouw Western ontvangen werd, en welke haar broeder, volgens zijne gewoonte, aan eene verkeerde reden toeschreef, terwijl Blifil zelf, die veel slimmer was, een zweem van de waarheid begon te vermoeden.

HOOFDSTUK IX.

WAARIN JONES EEN BEZOEK AFLEGT BIJ MEVROUW FITZPATRICK.

De lezer zal nu welligt de goedheid willen hebben met ons bij den heer Jones terug te keeren, die op het bepaalde uur zijne opwachting maakte bij mevrouw Fitzpatrick;—maar eer wij het gesprek opteekenen, dat daar plaats had, zal het noodig zijn, volgens onze gewoonte, een eindje terug te gaan, om de verandering in het gedrag der dame te verklaren, die, na van woning veranderd te zijn, ten einde den heer Jones te vermijden, thans zelve ijverig naar eene gelegenheid gezocht had om hem te ontmoeten.

Om dit op te helderen, behoeven wij slechts de gebeurtenissen van den vorigen dag te herinneren, toen mevrouw Fitzpatrick van Lady Bellaston vernomen hebbende, dat de heer Western naar Londen gekomen was, hare opwachting bij hem ging maken op zijne kamers in Piccadilly, waar zij met vele gemeene scheldnamen ontvangen werd, die te grof zijn om hier herhaald te worden, en hij zelfs dreigde „haar de deur uit te schoppen.”

Van daar werd zij door eene bejaarde dienstmeid van hare tante Western, die haar zeer goed kende, naar de woning van deze dame geleid, die haar geenszins vriendelijker, maar wel met meer beleefdheid behandelde,—of liever, met eene andere soort van onbeschoftheid. Met één woord, zij keerde van beide terug in de vaste overtuiging, niet slechts dat haar plan tot eene verzoening mislukt was, maar dat zij voortaan alle hoop moest opgeven om, op welke wijze dan ook, daarin te slagen. Van dit oogenblik bleef zij alleen bezield met wraakzucht, en daar zij in deze stemming Jones in den schouwburg ontmoette, bood zich als het ware de gelegenheid aan, om daaraan te voldoen.

De lezer zal zich herinneren, dat mevrouw Fitzpatrick zelve, onder het verhalen van hare eigene lotgevallen, hem bekend had gemaakt met de liefde, welke hare tante te Bath voor den heer Fitzpatrick gekoesterd had, en dat zij zich door haar bedrogen ziende en teleurgesteld in hare neiging, om die reden zoo verbitterd was geworden tegen mevrouw Fitzpatrick. Deze twijfelde dan ook niet dat de goede dame even gemakkelijk ingenomen zou wezen met eene schijnbare verliefdheid van Jones, als vroeger met die van haren man;—want de heer Jones was onbetwistbaar een veel bekoorlijker mensch, en zij besloot (met hoeveel regt zal ik niet beslissen), dat de thans meer gevorderde leeftijd van hare tante, eerder ten gunste dan ten nadeele van haar voornemen pleitte.

Toen Jones dus bij haar verscheen, verklaarde zij hem eerst hoe zeer zij verlangde om hem bij te staan, wat daaraan toe te schrijven was, dat zij zoodoende Sophia grootelijks verpligten zou, en na eenige verontschuldiging voor hare vroegere onverschilligheid, terwijl zij aan Jones ook mededeelde onder wiens hoede Sophia zich thans bevond, wat zij veronderstelde dat hem onbekend was, legde zij hem zeer duidelijk haar plan bloot, en ried hem aan, schijnbaar het hof te maken aan de meer bejaarde dame, ten einde des te gemakkelijker toegang tot de jongere te krijgen, hem terzelfder tijd herinnerende aan het welslagen van den heer Fitzpatrick, dat hij aan eene dergelijke list te danken had gehad.

Mijnheer Jones uitte zijne groote dankbaarheid jegens de dame voor hare vriendelijke bedoelingen ten zijnen opzigte,—welke uit hetgeen zij hem voorstelde, zoo duidelijk bleken; want behalve dat hij een gering vertrouwen had op het welslagen van het plan, daar de dame zijne liefde tot hare nicht kende,—wat niet het geval was geweest met mevrouw Fitzpatrick,—zeide hij bevreesd te zijn dat Sophia er nooit in zou toestemmen eene dergelijke list te gebruiken, daar zij zoo’n bepaalden afkeer had van al wat op onopregtheid geleek, en nooit haren pligt tegenover hare tante zoude verzaken.

Mevrouw Fitzpatrick was hierover eenigzins geraakt, en inderdaad, als wij het er niet voor mogen houden dat Jones zich verpraatte, was het wel eene kleine afwijking van de beleefdheid, waartoe hij zich nooit zou hebben laten verleiden, ware het niet, dat de vreugde, welke het hem veroorzaakte om Sophia te roemen, hem alle voorzigtigheid had doen vergeten; want deze loftuiting van de eene nicht was iets meer dan eene bedekte beschuldiging van de andere.

„Wezenlijk, mijnheer,” hernam dus de dame, met eenige drift, „ik kan me niet verbeelden, dat er iets gemakkelijker kan zijn, dan eene oude vrouw van verliefden aard met eene liefdesverklaring te foppen,—en hoewel zij mijne tante is, moet ik bekennen, dat ik nooit een gevoeliger wezen op dat punt gekend heb. Kunt gij niet voorwenden, dat de wanhoop om hare nicht te krijgen, die aan Blifil beloofd is, u er toe gebragt heeft, uwe gedachten op haar te vestigen? Wat mijne nicht Sophia betreft, ik kan me niet verbeelden, dat zij zoo dwaas zou zijn als gij haar voorstelt, en dat zij eenig bezwaar zou hebben, of er eenig kwaad in zien om eene van die oude heksen te straffen voor al het kwaad dat zij in eene familie doen door hare tragischkomische hartstogten,—waarvan het mij spijt dat ze niet volgens de wet strafbaar zijn. Ik zelve zag geen bezwaar in zoo iets, en toch hoop ik dat nicht Sophia zich niet beleedigd zal achten als ik verklaar dat zij geen grooteren haat kan koesteren voor de onopregtheid dan hare nicht Fitzpatrick. Jegens mijne tante inderdaad, veins ik niet eenige verpligtingen te hebben,—en zij verdient ook niet dat ik haar ontzie. Ik heb u echter mijn raad gegeven, mijnheer, en als gij weigert hem op te volgen,—zal ik maar iets minder gunstig over uw verstand denken,—anders niets!”

Jones zag thans duidelijk zijne dwaling in, en deed zijn uiterste best om ze weder goed te maken; maar hij stamelde en stotterde slechts en verviel tot onzin en tegenspraak. Om de waarheid te zeggen, het is soms veiliger bij de eerste vergissing te blijven, met hare gevolgen, dan te trachten om ze te herstellen; want door dergelijke pogingen, in plaats van ons er uit te redden, werken wij ons gewoonlijk hoe langer hoe meer er in, en slechts weinige menschen bezitten de goedaardigheid van mevrouw Fitzpatrick, die eindelijk met een glimlach zeide:

„Gij behoeft u niet meer te verontschuldigen; want ik weet gemakkelijk een trouwen minnaar alles te vergeven, waartoe de liefde tot zijne schoone hem gebragt heeft.”

Daarop hernieuwde zij haar voorstel, en beval het hem zeer ernstig aan, geene beweegreden vergetende, welke zij bij die gelegenheid bedenken kon; want zij was zoo geweldig boos op hare tante, dat zij zich naauwelijks een grooter genoegen kon voorspiegelen, dan om haar ten toon te stellen, en, als eene echte vrouw, kon zij geene bezwaren zien in de uitvoering van een geliefkoosd plan.

Jones echter volhardde met te weigeren om de onderneming te wagen, welke inderdaad ook geheel wanhopig was. Hij begreep best welke beweegredenen mevrouw Fitzpatrick had om zoo vurig daarop aan te dringen. Hij zeide echter, dat hij de teedere en hartstogtelijke liefde, welke hij tot Sophia koesterde, niet loochenen kon; maar dat hij zoo overtuigd was van het groote onderscheid van hunne onderlinge positie, dat hij zich nooit met de hoop zou durven vleijen dat zulk een goddelijk meisje zich verwaardigen zou aan zoo’n onwaardigen man als hij was, te denken;—ja, hij betuigde, dat hij er naauwelijks toe komen kon om zoo iets te wenschen. Hij eindigde met nog veel meer edelmoedige gevoelens te uiten, welke wij geen tijd hebben om hier in te lasschen.

Er zijn sommige schoone vrouwen (want ik durf hier niet al te veel in het algemeen te spreken), bij wie haar eigen ik steeds zoodanig op den voorgrond blijft, dat zij het nooit van eenig onderwerp, van welken aard ook, kunnen afscheiden, en daar de ijdelheid bij haar een heerschende trek is, eigenen zij zich gaarne allen lof toe welken zij aanhooren, en hoewel die anderen toekomt, beschouwen zij hem als uitsluitend voor haar bestemd. In het bijzijn dezer dames is het onmogelijk iets ten gunste van eene andere vrouw te zeggen, dat zij niet op zich zelve toepassen;—ja, zij zijn zelfs dikwerf in staat om den lof welken zij zich toeëigenen te overdrijven, door, bij voorbeeld, tegen zich zelve te zeggen; „als hare schoonheid, haar geest, hare fatsoenlijkheid, hare goedaardigheid, zoo zeer te prijzen zijn, wat verdien ik niet, die in zoo veel hoogere mate deze hoedanigheden bezit?”

Aan dergelijke dames beveelt zich een man dikwerf aan door eene andere vrouw te roemen,—en terwijl hij met geestdrift zijne edelmoedige gevoelens ten opzigte zijner beminde bloot legt, denken zij slechts welk een bekoorlijke minnaar deze man zijn zou voor haar zelve, daar hij reeds zoo opgewonden wordt over verdiensten, welke bij de hare in geen aanmerking komen. Hoe vreemd dit ook schijne, heb ik toch vele voorbeelden hiervan gezien, buiten en behalve juist dat van mevrouw Fitzpatrick, bij wie dit alles werkelijk plaats greep, en die thans zeker iets voor den heer Jones begon te gevoelen, hetwelk zij veel eerder begreep dan de arme Sophia zelve gedaan had.

Om de waarheid te zeggen, is de volmaakte schoonheid bij beide geslachten veel onweerstaanbaarder dan men zich algemeen verbeeldt. Want hoewel sommigen van ons met een bescheidener lot tevreden zijn en (even als de kinderen iets van buiten leeren, dat bij hen geen denkbeeld achterlaat), ook opzeggen, dat wij het uiterlijk verachten en hoogeren prijs stellen op meer degelijke hoedanigheden, heb ik toch steeds opgemerkt, dat als de volmaakte schoonheid nadert, deze meer degelijke hoedanigheden slechts met dezelfde soort van glans schitteren, als de sterren na zonsopgang.

Toen Jones met zijne pathetische uitroepingen gedaan had, van welke vele een Orondates zelven niet misstaan zouden hebben, slaakte mevrouw Fitzpatrick een zwaren zucht, en de oogen van Jones afwendende, op wien zij ze een tijdlang gevestigd had, sloeg zij ze neder en riep uit:

„Ik heb wezenlijk medelijden met u, mijnheer Jones! Maar het is een vloek, op zulke liefde, dat zij verspild wordt aan diegenen, die er ongevoelig voor blijven. Ik ken mijne nicht, mijnheer Jones, beter dan gij haar kent, en ik moet zeggen, dat iedere vrouw, die zoo’n man zulk eene liefde niet vergeldt, hem onwaardig is.”

„Wel, mevrouw!” riep Jones, „gij bedoelt zeker toch niet—”

„Wat ik bedoel?” vroeg mevrouw Fitzpatrick, „ik weet niet wat ik juist bedoel. Er is, geloof ik, iets betooverends in de ware liefde;—weinige vrouwen ontmoeten ze bij de mannen, en nog weiniger weten ze te waarderen, als zij ze vinden. Tot nu toe, heb ik nooit zulke edelmoedige gevoelens gehoord,—en hoe het komt, weet ik niet; maar gij dwingt mij om u geloof te schenken. Slechts de verachtelijkste der vrouwen kon voor zulke verdiensten ongevoelig blijven!”

De wijze waarop dit gezegd werd en de blik, die het vergezelde, wekte een vermoeden bij Jones op, dat wij niet noodig achten regtstreeks in woorden aan den lezer mede te deelen. In plaats dus van eenig antwoord te geven, zeide hij slechts:

„Naar ik vrees, mevrouw, heb ik mijn bezoek al te zeer gerekt,”—en hij stond op om afscheid van haar te nemen.

„Volstrekt niet, mijnheer,” hernam mevrouw Fitzpatrick. „Wezenlijk,—ik heb medelijden met u, mijnheer Jones;—dat is werkelijk het geval;—maar, als gij gaan wilt, denk nog eens aan het plan, dat ik u aan de hand gegeven heb. Ik ben overtuigd, dat gij het eindelijk zult goedkeuren,—en laat mij u zoo spoedig mogelijk weerzien.—Morgen vroeg, als gij wilt,—of in elk geval, morgen in den loop van den dag. Ik zal den geheelen dag te huis zijn.”

Na vele eerbiedige dankbetuigingen, verwijderde zich Jones, en mevrouw Fitzpatrick kon niet nalaten hem tot afscheid een blik te schenken, welken hij, als hij iets van de sprake der oogen verstond, niet nalaten kon te begrijpen. Hij werd er ook wezenlijk door versterkt in zijn voornemen om niet weer bij haar terug te komen; want hoe ligtzinnig hij zich ook tot dusver in deze geschiedenis getoond heeft, waren al zijne gedachten thans zoo zeer met zijne Sophia vervuld, dat ik vast geloof, dat geene vrouw ter wereld hem nu weder tot ontrouw had kunnen verleiden.

Vrouw Fortuna, echter, die hem niet begunstigde, besloot, daar hij haar geene tweede gelegenheid wilde geven, om van deze gebruik te maken, en veroorzaakte dus de tragische gebeurtenis, welke wij thans, tot ons verdriet, te verhalen hebben.

HOOFDSTUK X.

DE GEVOLGEN VAN HET PAS BESCHREVEN BEZOEK.

De heer Fitzpatrick den reeds vroeger vermelden brief ontvangen hebbende van mejufvrouw Western, waaruit hij vernam waarheen zich zijne vrouw begeven had, keerde onmiddellijk naar Bath terug, en vertrok den volgenden dag van dáár, naar Londen.

De lezer heeft reeds vernomen hoe ijverzuchtig van aard deze heer was. Hij zal zich ook wel herinneren welke verdenkingen hij te Upton koesterde omtrent Jones, toen hij hem dáár in de kamer van mevrouw Waters vond, en hoewel er voldoende redenen geweest waren om zijne verdenkingen op te ruimen, toen hij van zijne vrouw zoo veel goeds van Jones hoorde, deed dit hem bedenken, dat zij tegelijk met hem in de herberg was geweest, en dit bragt zulk eene verwarring van denkbeelden voort in een hoofd, dat nooit zeer helder was, dat het „groenoogige monster,” gelijk Shakespeare, in zijn Othello, de ijverzucht noemt, thans ook aan zijn gemoed knaagde.

Terwijl hij dan juist bezig was met op straat naar de woning van zijne vrouw te vragen, en hem de deur aangewezen werd kwam, de heer Jones, ongelukkig, er juist uit te voorschijn.

Fitzpatrick herinnerde zich niet dadelijk het gezigt van Jones; maar een goed gekleed jong mensch ontwarende, die van zijne vrouw kwam, naderde hij hem dadelijk, en vroeg hem „wat hij in dat huis gedaan had? Want,” zeide hij, „ik weet zeker dat gij er in zijt geweest, omdat ik u er uit zag komen.”

Jones antwoordde met de meeste beleefdheid, „dat hij dáár een bezoek bij eene dame afgelegd had.”

Waarop Fitzpatrick vroeg: „Wat hebt gij met die dame noodig?”

Jones, die zich thans de stem, de gelaatstrekken en zelfs de kleeding van den andere best herinnerde, riep:

„Wel, vriend! Geef mij de hand! Ik hoop dat het kleine misverstand, hetwelk een tijdlang geleden plaats gevonden heeft tusschen ons, geen kwaad bloed gezet heeft!”

„Op mijn woord, mijnheer,” zei Fitzpatrick, „ik weet niet eens hoe gij heet,—en uw gezigt herken ik ook niet.”

„Uw naam is mij ook onbekend,” zei Jones; „maar ik herinner me zeer goed u te Upton gezien te hebben, waar er een ongelukkig misverstand plaats greep tusschen ons, en als het nog niet vergeten is, zullen wij het nu in eene flesch wijn begraven.”

„Te Upton!” riep de andere. „Ha! als ik me niet vergis, heet gij Jones?”

„Juist,” hernam de andere.

„O, bij mijne ziel,” riep Fitzpatrick, „gij zijt juist de man, dien ik zocht.—Ik zal straks eene flesch met u drinken; maar eerst zal ik je eens om de ooren slaan! Daar, schelm! Als ge me voor dien slag geene satisfactie geven wilt, dan beloof ik, op mijn woord van eer, u een tweeden te geven!”

Daarop trok hij zijn degen en stelde zich en garde, daar het schermen de eenige wetenschap was, waarvan hij iets begreep.

Jones was een weinig verward geraakt door den slag, die hem zoo onverwacht toegediend werd; maar zich spoedig herstellende, trok hij ook van leêr, en hoewel hij niet veel van het schermen afwist, drong hij zoo stout op Fitzpatrick in, dat hij diens kunst spoedig verijdelde en hem zijn degen door het lijf boorde. De heer Fitzpatrick week dadelijk een stap achteruit, leunde op zijn degen en riep uit:

„Ik ben best voldaan! Want ik ben een lijk!”

„Ik hoop van neen,” riep Jones; „maar wat ook de gevolgen zijn, gij moet wel beseffen, dat gij ze u zelf op den hals gehaald hebt.”

Op dit oogenblik werd Jones aangegrepen en gepakt door eene menigte zeelieden;—maar hij verzekerde hen dat hij geen weerstand zou bieden en smeekte eenige van hen zorg te dragen voor den gewonden heer.

„Ja, ja,” riep een der menschen, „men zal wel zorg genoeg dragen voor den gekwetste;—want ik denk niet dat hij nog vele uren te leven heeft. Wat u betreft, mijnheer, gij hebt nog zeker eene maand den tijd eer alles afgeloopen is!”

„Wel verdraaid, Jaap!” riep een andere; „hij loopt de zeereis mis! Hij is nu naar eene andere haven bestemd.”

Onze arme Jones leverde stof op tot vele andere grappen van dezen aard; want de kerels die nu verschenen waren behoorden tot de zeelieden, gebezigd door Lord Fellamar om Jones te pressen.

Zij hadden hem nagespoord tot in het huis van mevrouw Fitzpatrick en wachtten op hem aan den hoek van de straat toen de ongelukkige ontmoeting met den Ier plaats vond.

De officier, die de bende aanvoerde, begreep nu zeer juist, dat hij zijn gevangene aan de burgerlijke overheden moest overleveren. Hij liet hem dus in eene kroeg brengen, zond om een agent van politie en leverde hem daar aan dien ambtenaar over.

Deze, ziende dat de heer Jones zeer goed gekleed was, terwijl hij vernam dat het ongeluk in een tweegevecht geschied was, behandelde zijn gevangene met de meeste beleefdheid, en zond, op diens verzoek, een bode om naar den gekwetste te vragen, die in eene naburige herberg onder handen van een heelmeester was. Het berigt, dat teruggebragt werd, luidde, dat de wond zeker doodelijk was, en dat er geene hoop bestond om den gekwetste te redden. Hierop zeide de agent, dat hij Jones voor den vrederegter moest brengen. Deze hernam dat „het hem onverschillig was waarheen men hem bragt; dat het hem weinig schelen kon wat hem voortaan overkwam; want dat, hoewel hij overtuigd was, dat hij in het oog der wet geen moord begaan had, het hem ondragelijk was te denken dat hij een medemensch van het leven beroofd had.”

Jones werd thans voor den regter gebragt, voor wien ook de heelmeester verscheen, die den heer Fitzpatrick verbonden had, en die getuigde, dat hij de wond voor doodelijk hield, waarop Jones naar het huis van arrest overgebragt werd.

Het was intusschen al heel laat geworden, zoodat Jones eerst den volgenden morgen Partridge wilde ontbieden, en daar het bijna zeven uur ’s morgens was eer de arme kerel een oog kon toedoen, omdat hij zeer ongerust was over het uitblijven van zijn meester, ontstelde hij geweldig toen hij tegen twaalf uur eene boodschap van Jones ontving, welke hem zelfs in het eerste oogenblik bijna bewusteloos deed nedervallen.

Hij ging daarop met knikkende knieën en een kloppend hart naar het huis van arrest, en zoodra hij bij Jones toegelaten werd, begon hij met vele tranen de ramp te beweenen, die hem overkomen was, terwijl hij echter in den grootsten angst telkens omkeek;—want het berigt was pas ontvangen van het overlijden van den heer Fitzpatrick en de arme jongen verwachtte elk oogenblik zijn geest in de kamer te zien verschijnen.

Eindelijk echter overhandigde hij Jones een brief, welken hij bijna vergeten had, en die van Sophia kwam, en door den Zwarten George gebragt was.

Jones zond dadelijk iedereen uit de kamer, brak het schrijven driftig open en las als volgt:

„Eene gebeurtenis, welke ik gaarne beken, dat mij zeer verraste, dwingt me weder u iets te schrijven. Mijne tante heeft mij juist een brief getoond van u aan Lady Bellaston, waarin gij haar een huwelijksvoorstel doet. Ik ben overtuigd, dat het uw schrift is, en hetgeen mij nog meer verbaast, is, dat die brief geschreven werd op hetzelfde oogenblik, dat gij voorgaaft zoo bekommerd te zijn om mijnentwil.—Ik laat het aan u over om over dit feit na te denken. Al wat ik verder verlang, is dat uw naam nooit weder genoemd moge worden in het bijzijn van

S. W.”

Wij kunnen den lezer geen beter denkbeeld geven van den gemoedstoestand van den heer Jones en van de folteringen, welke hij nu ondervond, dan door te zeggen, dat zijne ellende zoo groot was, dat zelfs Thwackum hem haast beklaagd zou hebben. Maar, hoe rampzalig hij ook zij, zullen wij hem thans verlaten,—even als zijne beschermengel (zoo hij er ooit een heeft gehad), schijnt gedaan te hebben.

En hiermede sluiten wij het zestiende boek van onze geschiedenis.

BOEK XVII.

Bevattende den tijd van drie dagen.

HOOFDSTUK I.

BEVATTENDE IETS TER INLEIDING.

Als een komische schrijver zijne hoofdpersonen zoo gelukkig mogelijk heeft gemaakt, of als een tragische schrijver hen in den diepsten poel der menschelijke ellende gedompeld heeft, begrijpen beiden dat zij hunne taak vervuld hebben, en hun werk afgeloopen is.

Indien wij tot het tragische geslacht behoord hadden, zal de lezer toestemmen, dat wij bijna aan het einde gekomen zouden zijn, daar het den Satan zelven, of een zijner vertegenwoordigers op aarde, zeer zwaar zou vallen om veel grootere kwellingen te bedenken dan die, te midden van welke wij den armen Jones in het vorige hoofdstuk verlieten,—en wat Sophia betreft, eene goedaardige vrouw zou naauwelijks hare eigene mededingster grootere pijn toewenschen, dan die welke men veronderstellen moet, dat thans door haar ondervonden werd. Er blijft dus niets over om het treurspel te volmaken dan een stuk of wat moorden en eenige zedespreuken.

Maar het is eene veel moeijelijker taak om onze lievelingen uit den tegenwoordigen angst en nood te bevrijden en hen eindelijk veilig en gelukkig aan wal te brengen;—eene taak, die inderdaad zoo hopeloos schijnt, dat wij niet bepaaldelijk op ons nemen, om ze te vervullen.

Wat Sophia aangaat, is het meer dan waarschijnlijk, dat het ons, op de eene of andere wijze, gelukken zal haar eindelijk een goeden man te bezorgen, hetzij Blifil, of Milord, of iemand anders;—maar, ten opzigte van den armen Jones, deze is op het oogenblik met zulke rampen overladen, welke aan zijne ligtzinnigheid toe te schrijven zijn,—waardoor een mensch, zoo niet een moordenaar in het oog der wereld, toch eene soort van zelfmoordenaar wordt,—hij is zoodanig van vrienden ontbloot, en door vijanden vervolgd, dat wij bijna moeten wanhopen om hem tot een goed einde te brengen, en, als de lezer eenig behagen schept in openbare teregtstellingen, komt het ons voor, dat het hoog tijd wordt voor hem om eene plaats te huren op de eerste rij onder de galg te Tyburn.

Ik beloof echter plegtig, dat niettegenstaande al de neiging, welke men veronderstellen moet dat ik voor dezen schelm koester, ik hem geene van die bovennatuurlijke hulpmiddelen verleenen zal, waarover een schrijver te beschikken heeft,—onder voorwaarde, dat hij ze alleen bij zeer belangrijke gelegenheden inroept. Als Jones dus geen natuurlijk middel vindt om zich voor goed uit den nood te redden, zullen wij, om zijnentwil, de waarheid en de waardigheid dezer geschiedenis niet schenden;—want wij zouden liever verhalen dat hij te Tyburn aan de galg stierf (wat niets onwaarschijnlijks heeft), dan onze eerlijkheid opofferen, of het geloof van den lezer schokken.

Ten dezen opzigte, bezaten de ouden een groot voordeel boven ons. Hunne fabelkunde, waaraan het volk vaster geloofde dan aan eenige godsdienst heden ten dage, verschafte hun altijd de gelegenheid om een geliefkoosden held te redden. Hunne godheden waren steeds bij de hand, om elk plan van den schrijver uit te voeren, en hoe verbazender de uitvlugt was, des te grooter was de verrassing en verrukking van den ligtgeloovigen lezer.

Die schrijvers konden dus met minder bezwaar een vriend van het eene land naar het andere vervoeren,—ja zelfs, van de ééne wereld naar de andere, en hem later weder terugbrengen,—dan een ongelukkige, meer beperkte hedendaagsche schrijver ondervindt als hij zijn held uit de gevangenis wil redden.

De Perzen en Arabieren hadden een even groot voordeel in hunne verhalen, door middel van de Geesten en Feëen, waaraan zij gelooven moesten, op het gezag van den Koran zelven. Maar wij bezitten geene van deze hulpmiddelen. Wij zijn bij uitsluiting tot natuurlijke middelen beperkt;—laat ons dus zien, wat wij daarmede voor den armen Jones kunnen gedaan krijgen,—hoewel, om de waarheid te zeggen, er iets is, dat mij in het oor fluistert, dat hij het ergste wat hem wacht, nog niet kent, en dat een nog grievender nieuws dan hij tot dus ver ooit vernomen heeft, voor hem reeds opgeteekend is in het nog gesloten boek der toekomst.

HOOFDSTUK II.

HET EDELMOEDIGE EN DANKBARE GEDRAG VAN JUFVROUW MILLER.

De heer Allworthy en jufvrouw Miller zaten juist aan het ontbijt, toen Blifil, die ’s morgens heel vroeg de deur uit was gegaan, terugkeerde en zich bij hen voegde.

Hij had pas plaats genomen, toen hij, als volgt, begon:

„Goede hemel, oom! Hoe zal ik u vertellen wat er geschied is! Wezenlijk, ik durf het u haast niet mede te deelen, uit vrees van u te grieven door de herinnering, dat gij zulk een schurk ooit weldaden bewezen hebt!”

„Wat is er gebeurd, mijn jongen?” vroeg de oom; „ik wil wel gelooven, dat ik meer dan eens van mijn leven een onwaardige bijgestaan heb. Maar men kan mild wezen, zonder de ondeugden der voorwerpen zijner mildheid tot zijne pleegkinderen aan te nemen.”

„O,” riep Blifil, „het is zeker eene geheimzinnige beschikking der goddelijke voorzienigheid, oom, die u het woord pleegkinderen in den mond gaf. Uw aangenomen zoon, oom, die Jones, die ellendeling, dien gij aan uw hart koesterdet, blijkt thans een der grootste schurken ter wereld te zijn.”

„Dat is niet waar! Bij al wat heilig is,—dat is niet waar!” riep jufvrouw Miller. „Mijnheer Jones is geen schurk! Hij is een der beste menschen ter wereld, en als iemand anders hem een schurk genoemd had, zou ik hem deze kom kokend water in het gezigt geworpen hebben!”

De heer Allworthy keek verbaasd op bij dezen uitroep; maar zij gaf hem den tijd niet om aan het woord te komen en hervatte tegen Blifil, zonder naar Allworthy te zien:

„Gij moet het me werkelijk niet kwalijk nemen;—ik zou u om alles ter wereld niet willen beleedigen, mijnheer; maar wezenlijk, ik kan het niet uitstaan hem zóó te hooren uitschelden.”

„Ik moet bekennen, jufvrouw,” zei Allworthy op zeer ernstigen toon, „dat ik eenigzins verwonderd ben u zoo vurig iemand te hooren verdedigen, dien gij in het geheel niet kent.”

„O ik ken hem maar al te goed, mijnheer!” riep zij. „Ja, wezenlijk! Ik zou het ondankbaarste schepsel ter wereld zijn, als ik dat loochende. O, hij heeft mij en mijn geheel huisgezin van den ondergang gered! Wij zullen hem liefhebben en hem zegenen, zoolang wij leven.—En ik bid den hemel om hem ook te zegenen, en om het hart der boosaardige vijanden, die hem vervolgen, te vermurwen. Want ik weet, ik zie, ik hoor, dat hij zulke vijanden heeft!”

„Gij wekt hoe langer hoe meer mijne bevreemding op, jufvrouw,” zeide Allworthy. „Het is onmogelijk dat gij eenige verpligtingen van dien aard kunt hebben aan den schelm, dien mijn neef bedoelt.”

„’t Is echter maar al te waar,” hernam zij, „dat ik de grootste verpligtingen aan hem heb,—verpligtingen aan hem heb,—van den meest kieschen aard! Hij heeft mij en de mijnen van den ondergang gered!—Geloof mij, mijnheer, men heeft hem bij u gelasterd,—zwaar gelasterd;—dat weet ik,—anders zoudt gij, die zoo goed, zoo werkelijk deugdzaam zijt, na al de teederheid en liefde, welke ik u heb hooren uiten voor dat arme verlatene kind, hem niet zoo verachtelijk schelm genoemd hebben! Wezenlijk, mijn waardigste weldoener, hij verdient een beteren naam van u;—hadt gij maar al het goede, het lieve, het dankbare gehoord, dat ik van hem vernomen heb, als hij van u sprak! Hij noemt uw naam nooit zonder eene zekere soort van aanbidding. Hier, in deze zelfde kamer, heb ik hem op de knieën zien liggen, om des hemels zegen over u in te roepen! Ik bemin mijn eigen kind daar, niet meer dan hij u bemint!”

„Naar ik zie,” merkte Blifil op, met een van die grijnzende lachjes, waardoor de Satan zijne dienaren kenmerkt, „is hij werkelijk aan jufvrouw Miller bekend. Ik vrees dat gij zult moeten ondervinden, dat zij niet de eenige van uwe kennissen is, aan wie hij u bloot gegeven heeft. Wat mijn karakter betreft, begrijp ik uit eenige wenken, die de jufvrouw zich heeft laten ontvallen,—dat hij mij niet gespaard heeft;—maar dat vergeef ik hem!”

„En de hemel schenke u vergiffenis, mijnheer,” zei jufvrouw Miller. „Wij zijn alle zondige menschen, die de hemelsche genade niet missen kunnen!”

„Ik moet bekennen, jufvrouw Miller,” zei Allworthy, „dat mij uwe houding tegenover mijn neef zeer hindert,—en ik verzeker u, dat alle verdenkingen, welke gij tegen hem zoekt op te wekken, en die u alleen door den slechtsten der menschen ingeblazen zijn, alleen strekken, zoo mogelijk, om mijne verontwaardiging tegen den uitvinder daarvan te vermeerderen;—want, gij moet weten, jufvrouw, dat de jongeling, dien gij hier ziet, altijd zijn best gedaan heeft om te pleiten voor den ondankbaren schelm, wiens zaak gij zoo vurig omhelst. Ik verbeeld me, dat als gij dat uit mijn mond verneemt, gij verstomd zult staan over zoo vele verachtelijke ondankbaarheid.”

„Gij zijt misleid, mijnheer,” hernam jufvrouw Miller, „en als dit het laatste woord ware, dat ik ooit spreken zou, moest ik nog volhouden dat men u misleid heeft,—en nogmaals herhaal ik, de Heere zij hen genadig, die u misleid hebben! Ik wil volstrekt niet volhouden, dat die arme jongen geene gebreken heeft; maar het zijn de gebreken van jeugd en ligtzinnigheid;—gebreken, welke hij welligt,—neen, zeker overwinnen zal,—en al deed hij dat niet, het zijn gebreken, welke opgewogen worden door het liefderijkste, gevoeligste hart, dat een menschelijk wezen ooit bezat!”

„Wezenlijk, jufvrouw Miller, als men mij dit van u verteld had, zou ik het niet hebben willen gelooven,” zei Allworthy.

„En wezenlijk, mijnheer,” hernam zij, „gij zult alles gelooven wat ik u verteld heb,—dat weet ik zeker;—en als ik u alles verteld heb,—en dat zal ik doen;—verre van kwaad op mij te zijn, zult gij bekennen,—want ik weet dat gij regtvaardig zijt,—dat ik de verachtelijkste en ondankbaarste der vrouwen moest wezen, als ik anders gehandeld had, dan ik nu gedaan heb.”

„Nu, jufvrouw,” antwoordde Allworthy, „het zal mij zeer aangenaam wezen als gij eene houding weet te verontschuldigen, die, dat moet ik zeggen, groote behoefte heeft aan verschooning. Wilt gij echter eerst, jufvrouw, de goedheid hebben mijn neef zijn verhaal te laten doen, zonder hem verder in de rede te vallen! Hij zou niet zooveel ophef van eene kleinigheid gemaakt hebben. Misschien zal zijn verhaal voldoende zijn om u uwe dwaling te doen inzien.”

Jufvrouw Miller onderwierp zich aan zijn verzoek en daarop begon weder de heer Blifil:

„Wezenlijk, oom, als gij het niet noodig acht de beleedigingen van jufvrouw Miller te wreken, kan ik haar best alles vergeven, wat mij alléén aangaat. Maar ik geloof dat gij te goed voor haar geweest zijt, dan dat zij u op die wijze zou moeten grieven.”

„Nu ja, jongen,” zei Allworthy; „maar wat hebt gij te vertellen? Wat heeft hij nu bedreven?”

„Wat?” herhaalde Blifil. „Wel! iets, dat in weerwil van al hetgeen jufvrouw Miller gezegd heeft, het mij zeer spijt te moeten mededeelen, en dat gij nooit van mij vernomen zoudt hebben, als het iets ware, dat geheim kon blijven. Met één woord, hij heeft iemand gedood,—ik wil niet zeggen, vermoord;—want misschien zal de wet het niet zoo uitleggen,—en, om zijnentwil, moeten wij het beste hopen!”

Allworthy ontstelde, riep de hemelsche genade in, en zich daarop tot jufvrouw Miller wendende, riep hij uit:

„Wel, jufvrouw, wat zegt gij nu?”

„Wat ik zeg, mijnheer?” hernam zij. „Wel, dat het de droevigste tijding is, welke ik ooit van mijn leven vernomen heb; maar al blijkt alles waar te zijn, dan ben ik overtuigd dat zijn vijand, wie het ook was, de schuld moet dragen. De hemel weet het, er zijn vele schurken hier in de stad, die er steeds op uit zijn om jonge lieden te tergen. Niets dan de meest verregaande terging zou hem tot zoo iets gebragt hebben;—want van alle heeren, die ik ooit in huis heb gehad, is er geen geweest, die zoo zachtmoedig of goedig was. Iedereen in huis dweepte met hem,—en iedereen ook die den voet over den drempel zette.”

Terwijl zij op deze wijze doordraafde, hoorde men met geweld aan de huisdeur kloppen, wat het gesprek stoorde en haar belette het te hervatten;—want zoodra zij begreep dat het een bezoeker was voor den heer Allworthy, verwijderde zij zich met den meesten spoed, hare kleine dochter met zich nemende, die hard op snikte over de droevige tijding welke zij van Jones vernomen had, die haar zijn vrouwtje plagt te noemen en haar niet slechts veel speelgoed schonk, maar ook wel eens uren lang zelf met haar speelde.

Sommige lezers zullen welligt genoegen scheppen in dergelijke onbelangrijke omstandigheden, welke wij verhalen op het voorbeeld van Plutarchus, een der beste onzer mede-geschiedschrijvers;—en anderen, voor wie ze beuzelachtig mogten schijnen, zullen, naar wij hopen, ze ons ten goede houden, daar wij bij dergelijke gelegenheden nooit langdradig zijn.

HOOFDSTUK III.

EEN BEZOEK VAN DEN HEER WESTERN,—MET HET EEN EN ANDER OVER VADERLIJK GEZAG.

Jufvrouw Miller had pas de kamer verlaten, toen de heer Western binnen trad,—na een korten woordentwist tusschen hem en de mannen van zijn draagstoel;—want die menschen, welke hunne vracht opgenomen hadden bij „de Zuilen van Herkules” koesterde geenen hoop van in het vervolg ook een goeden klant te hebben aan den landjonker, en daar zij bovendien aangemoedigd waren door dat hij hun al van zelf een schelling meer gegeven had, dan zij vergen mogten, eischten ze nu zeer onbeschoft nog een paar schellingen, wat den landjonker zoo boos maakte, dat hij hen niet slechts met eene rist van verwenschingen overlaadde, aan de deur, maar steeds nog driftig bleef toen hij in de kamer trad, zwerende dat alle inwoners van Londen even weinig deugden als het geheele hof en aan niets anders dachten dan om het landvolk af te zetten.

„Wel verd—!” riep hij, „ik loop liever door den regen, dan me weder door hen te laten kruijen! Zij hebben mij die ééne mijl meer door elkaar geschokt dan mijne bruine merrie gedaan zou hebben op een langen jagtdag.”

Nadat zijne drift op dit punt eenigzins bekoeld was, vatte ze dadelijk weêr vuur op een ander onderwerp.

„Wat drommel!” riep hij, „daar is weêr wat fraais aan den gang! De honden zijn nu op een nieuw spoor! Eerst dachten we een vos te jagen,—en nu, zoo waar ik leef, blijkt het een das te zijn!”

„Kom, mijn waarde buurman,” zei Allworthy, „laat de beeldspraak varen, en spreek wat duidelijker!”

„Nu dan,” hernam de landjonker, „om u de zaak helder aan het verstand te brengen,—tot dus ver zijn wij in den angst geweest over een hoerenkind,—een bastaardzoon van iemand, wie dat ook zij,—ik weet het niet!—En nu hebt ge zoo’n beroerde, bedonderde lord,—die voor mijn part ook een bastaard kon wezen,—want mijne dochter zal hij nooit krijgen. Zij hebben het land te gronde gerigt; maar zullen mij niet tot den bedelstaf brengen. Zij zullen mijn land niet aan die Hannoveranen verkoopen!”

„Wel, gij verrast me zeer, waarde vriend!” riep Allworthy.

„Nu! Ik sta zelf ook verstomd!” hernam de landjonker. „Gisteren avond, ging ik, volgens afspraak zuster Western bezoeken, en dáár vond ik de heele kamer vol vrouwen.—Daar was Milady, nicht Bellaston, en Milady Betsy, en Milady Katharina, en Milady ik weet niet wie meer,—verdraaid, als men mij ooit weer snapt onder zulk een troep wijven, met hare hoepelrokken! Om den drommel niet! Ik laat me liever jagen door mijne eigene honden, zoo als die vent, in dat boekje vol fabels, die in een haas veranderd en door zijne eigene honden gedood en opgevreten werd! Zoo waar ik leef, geen sterveling is ooit zoo gejaagd geweest als ik! Als ik den eenen kant uitsnijden wilde, nam me de ééne beet,—als ik omkeerde pakte, me eene andere! „O!” zei de eene nicht, „het is zeker eene der beste partijen in geheel Engeland!” (En hier deed hij zijn best, om de dames na te praten.) „Een prachtig aanbod!” riep de andere nicht (want ge moet weten, dat het alle nichten waren, al had ik haar van mijn leven nog niet gezien). „Wel, neef!” zei die beroerde bl—, die Lady Bellaston,—„wel neef! Ge zijt zeker niet bij zinnen als gij zulk eene partij afslaat!””

„Nu begin ik op de hoogte te komen,” zei Allworthy. „Iemand heeft aanzoek gedaan om de hand van jufvrouw Sophia, die door de dames der familie goedgekeurd wordt, maar die niet naar uw zin is?”

„Naar mijn zin?” riep Western. „Hoe drommel zou hij naar mijn zin zijn? Ik zeg je, dat het een lord is,—en dat is volk, waarmede ik me vast voorgenomen heb, nooit iets te doen te hebben! Is het niet zoo wat veertig jaren geleden, dat ik weigerde aan een van hen een lapje grond te verkoopen, dat hij bij zijn park hebben wilde, alleen omdat ik met geen lord iets te doen wilde hebben;—en gelooft ge nu, dat ik aan een van hen mijne dochter zou willen geven? Bovendien, gij hebt mijn woord, en geen mensch kan zeggen, dat ik ooit van mijn woord afgeweken ben, als ik het eens gegeven had!”

„Wat dat aangaat, buurman,” zei Allworthy, „ik laat u geheel vrij. Geen kontrakt kan verbindend zijn tusschen twee personen, die geen volle magt hadden om het ooit te sluiten, en later de magt niet krijgen om het te vervullen.”

„Allemaal gekheid!” riep Western. „Ik zeg u dat ik de magt heb en dat ik er gebruik van zal maken. Kom maar dadelijk mede naar Doctors’ Commons;—ik zal daar de noodige papieren laten opmaken, en dan zal ik de meid met geweld van mijne zuster gaan afhalen,—en als zij hem niet nemen wil, zal ik haar opsluiten op water en brood,—zoo lang zij leeft.”

„Mag ik u verzoeken, mijnheer Western, naar mij te luisteren terwijl ik mijne gevoelens op dit punt uitleg?” vroeg Allworthy.

„Naar u luisteren!” hernam de andere. „Wel! natuurlijk zal ik dat doen!”

„Nu dan,” hervatte Allworthy, „ik kan naar waarheid getuigen, en zonder compliment voor u of de jonge dame, dat toen dit huwelijk voorgesteld werd, ik mij van harte gaarne daartoe gereed betoonde, uit achting voor u en uwe dochter. Eene verbindtenis tusschen twee familiën, buren van elkaar, en tusschen welke er altijd zulk een vriendschappelijke omgang en goede verstandhouding geheerscht had, beschouwde ik als een zeer wenschelijk iets, en, wat de jonge dame betreft, ik was verzekerd niet slechts door hetgeen ik zelf opgemerkt had, maar door het eenparige oordeel van allen die haar kenden, dat zij een onwaardeerbare schat zou wezen voor een braven man. Ik zal niet spreken van hare uiterlijke hoedanigheden, die zeker bewonderenswaardig zijn;—hare goedaardigheid, hare mildheid, hare zedigheid zijn ook te goed bekend, dan dat ik ze behoefde te roemen; maar zij bezit ééne gave, welke ook in hooge mate geschonken was aan mijne beste vrouw, die thans in den hemel is,—eene gave, welke, omdat zij weinig in ’t oog valt, veelal niet eens gezien wordt,—ja, die zoo zelden opgemerkt wordt, dat ik geen naam kan vinden, waarmede ze te bestempelen. Ik moet ze dus door ontkenningen trachten te kenmerken. Ik heb nooit iets van haar vernomen, dat naar vinnigheid, of wat men noemt de gave van repartie, zweemt.—Zij maakt geene aanspraak op geestigheid, en nog veel minder op die soort van wijsheid, welke slechts verkregen wordt door groote geleerdheid en ondervinding,—en waarvan de aanmatiging bij eene jonge vrouw even bespottelijk is als de navolgingszucht van den aap. Ik heb nooit van haar beslissende vonnissen, afdoende oordeelvellingen en diepzinnig vitten gehoord. Telkens als ik haar in gezelschap met heeren gezien heb, heeft zij zitten luisteren met de bescheidenheid van den leerling eerder dan met de verwaandheid van den leermeester. Gij zult mij dat wel vergeven,—maar eens heb ik, om haar op de proef te stellen, hare meening gevraagd omtrent een punt, waarover de heeren Thwackum en Square onderling twist voerden. Hierop antwoordde zij mij met de meeste zachtheid: „Vergeef me, waarde mijnheer Allworthy, maar ik weet zeker dat gij schertst als gij mij in staat houdt eenig punt te beslissen, waarop twee zulke heeren het oneens zijn.” Thwackum en Square, die zich beide van de overwinning verzekerd hielden, ondersteunden mijn wensch. Zij echter hernam met dezelfde goedaardigheid: „Ik moet me bepaaldelijk verontschuldigen; want ik wil geen van beide beleedigen door partij voor hem te trekken.”—Inderdaad, zij heeft altijd den hoogsten eerbied getoond voor het verstand van den man,—eene hoedanigheid, welke onmisbaar is bij eene goede vrouw. Ik zal slechts hierbij voegen, dat daar zij blijkbaar van alle gemaaktheid vrij is, deze eerbied werkelijk echt moet wezen.”

Hierop zuchtte Blifil zwaar, waarop Western, die de tranen in de oogen kreeg, toen hij Sophia aldus hoorde prijzen, uitriep:

„Wees maar niet bang, hoor!—Want hebben zult ge haar,—dat zeg ik je—ja, verd—! Al ware zij nog twintig maal beter dan zij is!”

„Vergeet maar uwe belofte niet, om mij ten einde toe aan te hooren,” herinnerde Allworthy.

„Nu, ga uw gang maar,” hernam de landjonker. „Ik zal geen woord meer zeggen.”

„Nu, waarde vriend,” hervatte Allworthy, „Ik heb uitgeweid over de verdiensten der jonge dame, gedeeltelijk omdat ik wezenlijk verrukt ben over haar karakter en gedeeltelijk om te beletten dat men zich verbeelden zou dat haar vermogen,—want het huwelijk zou ook uit dat oogpunt zeer voordeelig zijn voor mijn neef,—beschouwd werd als eene mijner voorname beweegredenen om het huwelijk te begeeren. Inderdaad dan wenschte ik ook zoo’n schat van eene vrouw in mijne familie te zien; maar hoewel ik vele schoone dingen begeeren moge, mag ik ze daarom niet stelen, of mij aan geweld of onregtvaardigheid schuldig maken, ten einde ze in mijn bezit te krijgen. Nu is het eene daad van geweld en dwingelandij, om een meisje tegen haren zin en zonder hare toestemming tot een huwelijk te dwingen, en ik wenschte wel dat de wetten van ons land zoo iets verboden;—maar een goed geweten stelt zich zelf de wet, ook in den meest ongeregelden staat, en zal zich aan die banden leggen, welke de wetgever verzuimd heeft. En dit is zeker een geval van dezen aard; want is het niet wreed, ja zelfs ongodsdienstig, om eene vrouw te dwingen tegen hare neiging in, zich in eene positie te brengen waarin zij voor den allerhoogsten en meest ontzagwekkende regter, en op gevaar van haar zieleheil, haar gedrag verantwoorden moet? Het is geene gemakkelijke taak om de pligten van het huwelijksleven op eene behoorlijke wijze na te komen, en moeten wij dezen last eene vrouw opleggen, terwijl wij haar tevens berooven van allen steun, welken zij daarbij zoo hoog noodig heeft? Durven wij het wagen haar het hart te breken, terwijl wij haar pligten opleggen, tot welker vervulling zij haar geheele hart wel noodig heeft? Ik moet trachten hier zeer duidelijk te zijn: ik geloof dat ouders, die zoo iets doen, medepligtig worden aan al de misdaden later door hunne kinderen bedreven, en dat zij dus natuurlijk, voor een regtvaardigen regter, verwachten moeten ook deel aan hunne straf te hebben;—maar, al konden zij die ontgaan,—goede hemel! dan vraag ik, of er iemand ter wereld is, die de gedachte zou kunnen verdragen om tot het eeuwige ongeluk van zijn kind bijgedragen te hebben?

„Om deze reden, waarde buurman, daar ik begrijp, dat de jonge dame, ongelukkig, een bepaalden afkeer van mijn neef heeft, moet ik afzien van eenig verder vooruitzigt op de eer, welke gij hem wildet aandoen, ofschoon ik u verzekeren kan, dat ik u steeds in den hoogsten graad dankbaar daarvoor zal blijven.”

„Best, mijnheer,” brulde Western, met het schuim op de lippen, zoodra hij den mond opendeed; „best! Nu kunt gij niet zeggen dat ik u niet tot het einde toe aangehoord heb, en thans verwacht ik dat gij naar mij zult luisteren;—en als ik niet het tegendeel bewijs van elk woord dat gij gezegd hebt, stem ik er in toe, om een einde aan de zaak te maken! Ten eerste dan, eisch ik antwoord op ééne vraag: is zij niet mijne dochter? Ik vraag; is zij niet mijne dochter? Men zegt wel, ’t is een wijze vader, die zijn eigen kind kent;—maar in elk geval heb ik de meeste aanspraken op haar; want ik heb haar groot gebragt! Maar denkelijk, zult gij wel toestaan, dat zij mijn eigen kind is,—en in dat geval: heb ik geen regt om van mijn eigen kind gehoorzaamheid te vergen?—Ja, zeg ik, gehoorzaamheid te vergen? En als zij mij in andere zaken gehoorzamen moet,—moet zij mij ook in deze zaak gehoorzamen, welke van zoo veel belang is voor haar. En wat is het, dat ik van haar begeer? Vraag ik dat zij iets om mijnentwil zal doen?—Vraag ik, dat zij mij iets geven zal?—Wel juist het, tegendeel! Al wat ik vraag, is dat zij nu de ééne helft van mijn vermogen zal aannemen,—en de andere helft bij mijn dood! Nu—en waarom moet dit alles gebeuren? Wel! Alleen tot haar eigen geluk! ’t Is om dol te worden als men de menschen zoo hoort praten! Als ik zelf trouwen wilde, dan zou zij reden genoeg hebben om te janken en huilen;—maar, integendeel,—heb ik niet aangeboden mijne bezittingen zoo op haar vast te maken, dat ik niet eens trouwen kon, al wilde ik het nog zoo gaarne, daar geene vrouw ter wereld mij zou willen nemen! Wat drommel, kan ik meer doen? Ik zou er toe bijdragen, om haar in de eeuwigheid ongelukkig te maken?—Verd—! De geheele wereld zie ik liever naar den bl—— loopen, dan dat men haar één haar op het hoofd zou krenken! Neem het me niet kwalijk, vriend Allworthy; maar ik sta verstomd als ik u zoo hoor praten! Ik moet ook zeggen, hoe ge het verkiest op te nemen, dat ik me verbeeldde, dat ge meer gezond verstand hadt!”

Allworthy antwoordde slechts met een glimlach op dit verwijt, en zou, al had hij het gewenscht, noch kwaadaardigheid noch minachting in dien glimlach hebben kunnen mengen. Inderdaad, hij glimlachte om de dwaasheid op dezelfde wijze waarop wij veronderstellen mogen dat de engelen glimlagchen om de ongerijmdheden der menschen.

Thans verzocht Blifil eenige woorden te mogen spreken: „Wat dwangmiddelen betreft, zeker zou ik er nooit in toestemmen, dat die tegen de jonge dame gebezigd werden. Mijn geweten laat niet toe, tegen wien ook dwang te gebruiken en nog veel minder tegen eene dame, voor wie, hoe wreed zij ook zij ten mijnen opzigte, ik steeds de zuiverste, meest opregte liefde koesteren zal. Ik heb echter gelezen, dat de vrouwen zelden bestand blijven tegen de volharding. Waarom zou ik dus ook niet mogen hopen door vol te houden, eindelijk die neiging te verwerven, waarin ik voor het vervolg welligt geen mededinger zal behoeven te duchten;—want, wat dien Lord betreft, mijnheer Western heeft de goedheid mij boven hem te verkiezen, en zeker, oom, zult gij niet loochenen, dat een vader ten minste eene ontkennende stem bezit, in deze zaken;—ja, ik heb zelfs de jonge dame herhaaldelijk hooren verklaren, en verzekeren, dat zij het onvergeefelijk beschouwde als kinderen regtstreeks tegen den zin hunner ouders in het huwelijk traden. Bovendien, hoewel de overige dames der familie de aanspraken van Milord schijnen te begunstigen, zie ik niet, dat de dame zelve geneigd is om hem eenigzins de voorkeur te geven;—helaas, ik ben zelfs van het tegendeel overtuigd;—ik weet maar al goed, dat die andere booswicht steeds nog in haar hart heerscht.”

„Ja, ja, dat is ook het geval,” riep Western.

„Maar,” hervatte Blifil, „het is toch buiten kwestie, dat als zij den moord verneemt, welken hij begaan heeft,—al spaart zelfs de wet zijn leven—”

„Hoe! Wat?” riep Western, „een moord? Heeft hij een moord begaan? En is er eenige hoop om hem te zien opknoopen?—Bravo! Hoera! Tra-la-li-ri!” En hij begon te zingen en door de kamer te dansen.

„Neef,” zei Allworthy, „uwe ongelukkige liefde doet me opregt leed. Ik heb van harte medelijden met u en zou alles wat billijk is, willen doen om uw geluk te verzekeren.”

„Ik verlang ook niets anders,” hernam Blifil. „Ik ben overtuigd dat mijn beste oom te goed over me denkt om te kunnen veronderstellen dat ik zelf iets anders verlangen zou!”

„Hoor dan,” antwoordde Allworthy. „Ik geef u verlof om haar te schrijven,—zelf om haar te bezoeken, als zij dat toestaan wil;—maar ik blijf er bij:—ik wil van geen dwang weten. Van opsluiting, of iets van dien aard, wil ik niets hooren!”

„Nu ja,” riep de landjonker; „niets van dien aard zal ook beproefd worden; wij zullen nog een tijdlang zachte middelen beproeven; en als die kerel maar eens aan de galg is—tra—la—la! Ik heb van mijn leven geen betere tijding ontvangen;—dan zal wel alles verder naar mijn zin gaan. Kom, mijn waarde Allworthy,—zeg niet neen! Kom heden bij me eten in de „Zuilen van Herkules;”—ik heb een gebraden schapenbout besteld, met een varkensribbetje en een kip met eijerensous. Wij zullen heel alleen wezen,—tenzij wij lust krijgen om den waard zelven er bij te vragen; want ik heb dominé Supple naar Basingstoke gezonden, om mijne tabaksdoos te zoeken, welke ik daar heb laten liggen in de herberg, en die ik om alles ter wereld niet zou willen verliezen; want ik heb ze al meer dan twintig jaren gehad. Ik verzeker je, dat die waard een komieke vent is, die u best bevallen zal!”

De heer Allworthy liet zich eindelijk overhalen om deze uitnoodiging aan te nemen, en kort daarop vertrok de landjonker, springende en dansende, bij de prettige gedachte om weldra het tragische uiteinde van den armen Jones te beleven.

Zoodra hij weg was, hervatte Allworthy, op zeer ernstigen toon, het gesprek. Hij verzekerde zijn neef, „dat hij van ganscher harte wenschte dat hij een hartstogt trachtte te overwinnen, die u,” zeide hij, „naar ik vrees, geenerlei vooruitzigt op geluk oplevert. Het is ongetwijfeld eene dwaling, al is ze nog zoo algemeen, te gelooven, dat de afkeer van eene vrouw door volharding te overwinnen is. De onverschilligheid moge welligt soms daarvoor bezwijken; maar een minnaar zegeviert gewoonlijk door volharding alleen over grillen, onvoorzigtigheid, gemaaktheid, en soms over een buitensporigen graad van ligtzinnigheid, welke eene vrouw, die niet zeer vurig van gestel maar eenigzins ijdel is, kon bewegen om den duur der vrijaadje te verlengen, zelfs wanneer zij al redelijk ingenomen is met haren vrijer, en haar eindelijk doen besluiten,—als zij ooit tot een besluit komen kan,—om hem eene zeer geringe vergoeding te schenken voor al wat hij geleden heeft. Maar een bepaalde afkeer, zooals, naar ik vrees, in dit geval heerscht, zal eerder versterkt dan verminderd worden door den tijd. Bovendien, waarde neef, heb ik nog een twijfel, welken gij mij ten goede houden moet. Ik vrees namelijk dat de liefde, welke gij voor dat beminnelijke meisje koestert, te veel gegrond is op bewondering van haar uiterlijk schoon, en eigenlijk onwaardig is om den naam van die liefde te dragen, welke de eenige grondslag is van het huwelijksgeluk. Het is, ik erken het, niet meer dan natuurlijk om eene schoone vrouw te bewonderen, haar gaarne te zien en naar haar bezit te verlangen; maar naar ik meen, wordt de liefde alleen uit de liefde geboren;—ten minste, ik weet tamelijk zeker, dat het niet in de menschelijke natuur ligt om iemand te beminnen, van wie wij weten, dat hij ons haat toedraagt. Onderzoek dus goed uw hart, mijn waarde jongen, en als gij, na rijp overleg, slechts den minsten zweem van zulk eene gezindheid in u zelven ontdekt, dan ben ik overtuigd, dat uwe deugd en uw godsdienstzin, u nopen zullen zulk een onwaardigen hartstogt uit uw hart te bannen, en uw gezond verstand zal u spoedig in staat stellen dat te doen zonder pijn.”

De lezer kan gemakkelijk begrijpen wat Blifil hierop antwoordde; maar als hem dat moeijelijk valt, hebben wij voor het oogenblik den tijd niet om hem dienaangaande in te lichten, daar onze geschiedenis nu dringende zaken van meer belang mede te deelen heeft en wij het ook niet langer volhouden kunnen, zonder Sophia weder te ontmoeten.

HOOFDSTUK IV.

EEN MERKWAARDIG TOONEEL TUSSCHEN SOPHIA EN HARE TANTE.

De loeijende vaars en het blatend ooilam mogen, temidden der kudde, veilig en onbewaakt door de weilanden dwalen. Ze zijn wel later gedoemd om den mensch ten prooi te vallen; maar mogen jaren lang ongestoord de vrijheid genieten. Als echter eene vette hinde uit het bosch ontsnapt en ontdekt wordt terwijl zij in veld of struik uitrust, geraakt spoedig de geheele gemeente op de been; iedereen is gereed om met zijne honden jagt op haar te maken, en als zij door den heer van het dorp beschermd wordt tegen al de overigen, doet hij dat alleen met het doel om haar op zijne eigene tafel te zien pronken.

Ik heb me dikwerf verbeeld, dat een schoon jong meisje, van goeden huize en met eenig vermogen, als zij voor het eerst over den drempel van de kinderkamer komt, ongeveer in denzelfden toestand verkeert als de hinde. De stad is dadelijk in de weer; zij wordt gejaagd uit het park naar den schouwburg, van het hof naar de soirées, van de soirée naar hare eigene kamer en doorleeft zelden één saizoen zonder den een of anderen ten prooi te vallen; want, als hare vrienden haar tegen sommigen bewaken, doen zij dat alleen om haar aan iemand anders over te leveren, dien zij zelve uitgezocht hebben, en die haar dikwerf meer gehaat is, dan al de overigen; terwijl geheele kudden, of troepen van andere vrouwen in de meeste veiligheid, en haast zonder dat men naar haar ziet, het park, de opera en de partijen bezoeken, en, hoewel ook zij eindelijk meestal verslonden worden, een tijdlang, vrij en ongedwongen overal in het rond dartelen.

Onder al deze slagtoffers, werd er nooit een meer vervolgd dan de arme Sophia. Het booze noodlot, niet tevreden met hetgeen zij door Blifil geleden had, zond nu een nieuwen pijniger, die, naar het scheen, haar niet minder kwellen zou, dan de andere reeds gedaan had. Want ofschoon hare tante minder driftig was, bleef zij niet minder volhouden dan vroeger haar vader, met zijne kwellingen.

De dienstboden hadden naauwelijks na tafel de kamer verlaten, toen mejufvrouw Western, na eene korte inleiding, aan Sophia mededeelde, „dat zij dienzelfden namiddag Milord wachtte, en zich voorgenomen had om hem met haar alleen te laten.”

„Als dat geschiedt, tante,” antwoordde Sophia, met eenigen moed, „zal ik ook dadelijk de gelegenheid waarnemen om hem aan zich zelven over te laten.”

„Hoe! Wat!” riep hare tante; „wilt gij mij op die wijze mijne goedheid vergelden, dat ik u uit de gevangenschap bij uw vader verlost heb?”

„Gij weet best, tante,” hernam Sophia, „dat ik dáár opgesloten werd, juist omdat ik weigerde een man te nemen, dien ik haatte, en zou mijne lieve tante, die mij uit dien nood gered heeft, mij een nieuw ongeluk willen berokkenen, dat niet minder erg is?”

„En verbeeldt gij u dan, mejufvrouw,” hernam hare tante, „dat er geen onderscheid bestaat tusschen Lord Fellamar en mijnheer Blifil?”

„Naar mijn gevoelen, zeer weinig,” hernam Sophia, „en als ik veroordeeld moest zijn om een van beiden te nemen, zou ik zeker verkiezen om mijn vader zijn zin te geven.”

„Ik begrijp dus, dat mijne wenschen zeer weinig bij u vermogen,” zei de tante; „maar die bedenking zal mij niet afschrikken. Ik handel uit meer verhevene grondbeginselen. De wensch om mijne familie te verheffen, en u in den adelstand te zien opnemen, is mijne beweegreden. Hebt gij hoegenaamd geene eerzucht? Is er niets bekoorlijks voor u in de gedachte om eene kroon boven het wapen op uwe koets te hebben?”

„Hoegenaamd niets, op mijn woord,” hernam Sophia. „Ik zou evenveel geven om een speldekussen boven het wapen.”

„Dan moet gij mij nooit meer van eergevoel spreken!” riep hare tante; „dat betaamt zulk een laaghartig wezen niet. Het spijt me, nicht, dat ge me dwingt zoo iets te zeggen; maar uwe laaghartigheid is onverdragelijk. Het bloed der Western’s vloeit niet in uwe aderen! Maar, hoe laag en verachtelijk ook uwe begrippen zijn, zal ik toch niet toelaten dat gij ook een smet op mijn goeden naam werpt. De wereld zal nooit zeggen, dat ik u aanmoedigde om eene der beste partijen in het rijk af te slaan,—een huwelijk, dat, buiten en behalve de geldelijke voordeelen, eene eer zou wezen voor bijna iedere familie in het land, en dat een titel zou aanbrengen, die niet in ons geslacht is.”

„Nu,” hernam Sophia, „ik ben zeker door de natuur misdeeld, en het ontbreekt mij aan het orgaan, dat genot vindt in ijdele klanken en vertooning;—want de menschen zouden zich niet zoo afsloven, of zooveel opofferen om iets te verkrijgen,—of zich zoo verhoovaaardigen in het bezit van iets, dat mij geheel zonder waarde schijnt,—als zij er even zoo over dachten als ik.”

„Neen, neen, mejufvrouw,” riep hare tante; „gij zijt even goed door de natuur bedeeld als andere menschen; maar ik wil u wel verzekeren, dat het u niet gegeven is, om mij voor den gek te houden, of mij, in het oog der wereld bespottelijk te maken. Dus verzeker ik u op mijn woord van eer, en ik geloof dat gij van mijne onwrikbaarheid overtuigd zijt, dat als gij er niet in toestemt Milord heden namiddag te ontvangen, ik, met eigene handen, u morgen aan mijn broeder overleveren zal, en dat ik mij in het vervolg niet meer met u bemoeijen zal, of u ooit wederzien.”

Sophia bewaarde een oogenblik het stilzwijgen na dezen uitval, die op den meest vertoornden en driftigen toon gedaan werd, maar spoedig barstte zij in tranen uit en riep: „Doe met mij wat u goeddunkt, tante;—ik ben het ongelukkigste, rampzaligste wezen ter wereld. En als mijne goede tante mij ook verlaat, waar zal ik dan iemand vinden om mij te beschermen?”

„Mijne lieve nicht,” hernam mejufvrouw Western, „gij zult een besten beschermer vinden in Milord;—een beschermer, dien gij alleen weigert, omdat gij in uw hart nog haakt naar dien ellendigen Jones.”

„Wezenlijk, tante,” antwoordde Sophia, „gij doet me groot onregt! Hoe kunt gij u, na den brief, welken gij mij getoond hebt, nog verbeelden, dat, als ik al ooit aan hem gedacht heb, ik thans niet, voor altijd, zulke denkbeelden heb laten varen! Als het u voldoen kan, ben ik ook gereed om er een eed op te zweren, dat ik hem nooit weerzien zal.”

„Maar kind,—kindlief!” riep hare tante, „kunt gij dan één redelijk bezwaar bedenken tegen Milord?”

„Me dunkt,” hernam Sophia, „dat ik u reeds een voldoend bezwaar opgenoemd heb.”

„Hoe!” riep de tante; „ik kan me er geen herinneren!”

„Wel, tante,” zei Sophia, „heb ik u niet verteld dat hij mij op de ruwste, verachtelijkste wijze behandeld heeft?”

„Wezenlijk, kind,” hernam de andere, „dat heb ik niet gehoord,—of ik heb het niet verstaan.—Maar wat bedoelt gij met ruwe en verachtelijke behandeling?”

„Inderdaad tante,” antwoordde Sophia, „ik schaam me haast om daarover te spreken. Hij vatte mij in de armen, trok me op de sofa, greep me in den halsdoek en kuste me met zooveel geweld, dat gij hier er nog de sporen van zien kunt.”

„Is dat waar?” vroeg jufvrouw Western.

„Ja zeker, tante,” hernam Sophia; „maar, gelukkig kwam vader op dat oogenblik binnen, of de hemel weet hoe ver hij zijne onbeschoftheid gedreven zou hebben!”

„Ik sta verbaasd en verstomd!” riep hare tante; „geene vrouw, die den naam van Western gedragen heeft, is ooit aan zoo iets blootgesteld geweest, sedert ons geslacht bestaan heeft. Ik zou iederen Lord de oogen uitgekrabd hebben, als hij zich zulke vrijheden tegenover mij veroorloofd had. Het schijnt echter onmogelijk! Gij moet dit alles bedacht hebben, Sophia, om mijne verontwaardiging tegen hem op te wekken.”

„Ik hoop toch, tante, dat gij te goed over me denkt, om mij in staat te achten eene onwaarheid te vertellen. Op mijn woord van eer,—het is alles volkomen waar!”

„Ik zou hem een mes door het hart gestoken hebben als ik er bij ware geweest,” hernam de tante. „Maar hij kon toch niets oneerlijks bedoelen;—dat is onmogelijk:—zoo iets zou hij niet durven. Bovendien, bewijst zijn aanzoek, dat hij het eerlijk meent; want het is niet slechts zeer vereerend, maar ook tevens zeer voordeelig. Ik begrijp het niet meer:—deze eeuw staat al te veel vrijheden toe! Een deftige kus is het meeste, dat ik ooit toegelaten zou hebben eer het huwelijk gesloten was. Ik heb in mijn tijd ook vrijers gehad,—niet zoo heel lang geleden,—hoewel ik nooit iets van het huwelijk weten wilde, en ik heb hen nooit tot de minste vrijheid aangemoedigd. Geen man heeft mij ooit iets meer dan de wang gekust. Het kost al heel veel om een echtgenoot te vergunnen onze lippen aan te raken,—en werkelijk, als men mij er ooit toe had kunnen brengen om in het huwelijk te treden, twijfel ik of men mij spoedig er toe gebragt zou hebben zelfs dat te dulden!”

„Vergeef me als ik iets opmerk, tante-lief,” zei Sophia; „gij bekent zelve dat gij vele vrijers hebt gehad,—en al wildet gij dat ontkennen,—de geheele wereld is daar om u tegen te spreken. Gij hebt hen allen bedankt, en ik ben overtuigd dat er ten minste één edelman onder is geweest?”

„Ja, dat hebt gij wel geraden, lieve Sophia,” hernam zij. „Eens werd ik door een edelman gevraagd.”

„En waarom dan,” vroeg Sophia, „wilt gij mij niet vergunnen ook ditmaal er een te weigeren?”

„’t Blijft wel waar, kind,” antwoordde zij, „dat ik een edelman niet hebben wilde; maar het was zoo’n goede partij niet;—dat wil zeggen,—niet zoo heel, heel best!”

„Maar, tante,” hervatte Sophia, „gij hebt ook aanzoek gehad van heeren, die een heel groot vermogen bezaten. Het was niet het eerste, of het tweede, of zelfs het derde voordeelige huwelijk, dat gij hadt kunnen doen.”

„Dat moet ik wel bekennen,” hernam hare tante.

„Nu dan,” begon weder Sophia, „en waarom mag ik ook niet hopen een tweeden vrijer te vinden, die welligt nog wenschelijker zou zijn dan deze? Gij zijt nog eene jeugdige vrouw en zoudt den eersten den besten rijken of adellijken vrijer bedanken. Ik ben zeer jong en behoef dus zeker ook niet te wanhopen.”

„Nu, mijne lieve Sophia, wat verlangt gij dan van mij?” riep mejufvrouw Western.

„Wel, tante, ik smeek u slechts, mij heden avond niet alleen te laten. Sta mij dat toe, en als het u, na hetgeen gebeurd is, nog gepast schijnt dat ik hem ontvang, zal ik mij er aan onderwerpen om dat te doen in uw bijzijn.”

„Nu, daar stem ik in toe,” riep de tante. „Gij weet best hoeveel ik van u houd, Sophia, en ik kan u niets weigeren. Gij weet ook, dat ik thans een heel gemakkelijk mensch ben. Vroeger was ik zoo gemakkelijk niet. Vroeger noemde men mij wreed,—ik bedoel natuurlijk, dat de mannen dat deden. Men heette mij de wreede Parthenissa. Ik heb menige glasruit gebroken, waarop men een vers gekrast had aan de wreede Parthenissa. Ik was wel minder schoon dan gij, Sophia, en toch, geleek ik wel op u vroeger! Nu ben ik een weinig veranderd. De koningrijken en de staten, zoo als Cicero zegt, in zijne brieven, veranderen steeds, en dat is ook het geval met de menschelijke gestalte.”

Op deze wijze draafde zij bijna een half uur lang door, over zich zelve, hare veroveringen en hare wreedheid, tot Milord verscheen, die, na een zeer vervelend bezoek, gedurende hetwelk mejufvrouw Western in het geheel geen lust betoonde om de kamer voor een enkel oogenblik te verlaten, zich weder verwijderde, evenmin voldaan over de houding der tante als over die harer nicht. Want Sophia had hare tante zoodanig bij goede luim gebragt, dat zij het bijna met alles eens was wat Sophia zeide, en toestemde, dat een weinig terughouding welligt niet te onpas kwam bij zulk een onbescheiden vrijer.

Dus verkreeg Sophia, door een weinig handige vleijerij, welke niemand in haar berispen zal, eene geringe verligting en vertraagde ten minste het booze oogenblik. En thans, dat wij onze heldin in een beteren toestand zien, dan sedert lang het geval was, zullen wij naar den heer Jones eventjes omzien, dien wij in de grootst mogelijke ellende verlieten.

HOOFDSTUK V.

JUFVROUW MILLER EN DE HEER NIGHTINGALE BEZOEKEN DEN HEER JONES IN DE GEVANGENIS.

Toen de heer Allworthy en zijn neef bij den heer Western gingen eten, liep jufvrouw Miller naar de woning van haar schoonzoon, om hem berigt te geven van het ongeluk, dat zijn vriend Jones overkomen was;—maar hij had alles al lang te voren van Partridge vernomen,—want Jones had, toen hij de kamers bij jufvrouw Miller verliet, hetzelfde huis betrokken als de heer Nightingale.

De goede vrouw vond hare dochters diep bedroefd over het lot van Jones,—en na haar zoo goed mogelijk getroost te hebben, vervolgde zij haren weg naar de gevangenis, waar Jones zich bevond, en waar mijnheer Nightingale vóór haar aangekomen was.

De standvastigheid en getrouwheid van een echten vriend zijn zoo buitengewoon streelend voor menschen die onder eenig ongeluk gebukt gaan, dat, zoo’n ramp zelve, als die slechts tijdelijk en te verhelpen is, meer dan opgewogen wordt door dezen troost. En voorbeelden van dezen aard zijn volstrekt niet zóó schaars als eenige oppervlakkige en onnaauwkeurige waarnemers meenen opgemerkt te hebben. Gebrek aan medelijden behoeft niet geteld te worden onder onze algemeene gebreken. De zwartste ondeugd welke onze ziel besmet, is de nijd. Van daar, vrees ik, dat wij zelden het oog opslaan naar diegenen welke blijkbaar grooter, beter, wijzer of gelukkiger zijn dan wij, zonder eenige kwaadwilligheid in onzen blik; terwijl wij gewoonlijk op de geringen en ongelukkigen nederzien met medelijden en welwillendheid. Ik heb, inderdaad, opgemerkt, dat de meeste gebreken, welke ik ooit in de vriendschap ontdekt heb alleen uit nijd ontstaan zijn,—eene helsche ondeugd,—en toch eene van welke ik slechts weinige menschen geheel vrij heb gevonden. Maar genoeg over een onderwerp, dat anders, als ik er over uitweidde, me al te ver van den weg af zou brengen.

Hetzij vrouw Fortuna vreesde, dat Jones bezwijken zou onder het gewigt zijner rampen, en dat zoodoende de gelegenheid verloren zou gaan om hem in de toekomst te kwellen,—of dat zij wezenlijk eenigzins ten zijnen opzigte vermurwd was, scheen zij, voor het oogenblik hare vervolgingen te willen staken, door hem het gezelschap te zenden van twee getrouwe vrienden, en (wat nog zeldzamer is) van een getrouwen dienstbode. Want Partridge, hoe vele gebreken hij ook had, was geen verrader, en hoewel zijne vreesachtigheid hem belet zou hebben, om zich voor zijn meester te laten opknoopen, zou men hem met alle schatten ter wereld niet hebben kunnen omkoopen om hem te verzaken.

Terwijl Jones zijne vreugde uitdrukte over het bijzijn zijner vrienden, bragt Partridge het berigt dat de heer Fitzpatrick nog leefde, hoewel de heelmeester slechts zeer weinig hoop koesterde op zijne genezing. Hierop slaakte Tom een zwaren zucht, en Nightingale zeide:

„Mijn waarde Tom, waarom zijt gij zoo bedroefd om een ongeluk dat,—welke gevolgen het ook hebbe,—u geen gevaar aanbrengen kan, en waarbij uw geweten u niet beschuldigen kan van iets misdaan te hebben? Als die vent sterft,—wat dan? Gij hebt niets anders gedaan, dan uit zelfverdediging een schurk te dooden. Bij de lijkschouwing zal dit zeker uitgemaakt worden; men zal u, tegen borgstelling, dadelijk in vrijheid stellen, en hoewel gij dan, bij wijze van formaliteit, vóór de regtbank zult moeten komen, is er menigeen, die om een schelling te verdienen uwe plaats zou willen innemen.”

„Kom, kom, mijnheer Jones,” voegde jufvrouw Miller er bij, „houd maar goeden moed! Ik wist wel, dat gij den eersten slag niet gegeven zoudt hebben, en dat heb ik ook aan mijnheer Allworthy gezegd,—en hij zal dat ook zelf moeten bekennen eer hij met mij gedaan heeft.”

Jones hernam, zeer ernstig, „dat wat ook zijn eigen lot mogt wezen, hij het steeds betreuren zou, als eene der grootste rampen welke hem ooit overkomen kon, dat hij eens menschen bloed gestort had. Maar ik heb een ander ongeluk ondervonden van den treurigsten aard.—O, jufvrouw Miller, ik heb alles verloren wat mij het dierbaarste op aarde was.”

„Dat is zeker eene beminde,” hernam jufvrouw Miller; „maar houd moed, zeg ik weêr! Ik weet meer dan gij u verbeeldt!” (Partridge had dan ook werkelijk alles bij haar verbabbeld) „Ik heb meer gehoord dan u bekend is; en ik verzeker u dat de zaken een beteren keer nemen dan gij veronderstelt. Ik zou dien Blifil geen duit geven voor zijne kans om de jonge dame te krijgen.”

„Gij weet wezenlijk volstrekt niet, lieve vriendin, welke reden ik tot droefheid heb,” hernam Jones. „Indien gij alle omstandigheden van de zaak kendet, zoudt gij moeten toegeven, dat mij geene hoop overblijft. Ik vrees niets van Blifil. Ik heb mij zelven te grond gerigt.”

„Wanhoop niet,” hernam jufvrouw Miller. „Ge weet niet wat eene vrouw vermag, en als er iets in mijne magt is, beloof ik u dat ik niets zal verzuimen wat u van dienst kan zijn. Dat is niet meer dan pligt! Mijn schoonzoon, die goede Nightingale, die mij verteld heeft welke verpligtingen hij aan u heeft, weet dat dit mijn pligt is. Zal ik zelve bij de dame gaan? Ik zal haar alles overbrengen wat gij haar wenscht mede te deelen.”

„Gij zijt de beste der vrouwen!” riep Jones hare hand grijpende;—„praat niet van mij dank schuldig te zijn!—Maar, nu gij de goedheid hebt gehad daarvan te spreken, is er welligt ééne dienst, welke gij mij bewijzen kunt. Ik zie inderdaad, zonder te begrijpen hoe,—dat gij weet welke dame mijn hart bezit. Als gij er een middel op kondt vinden om haar dit te doen geworden,”—en hij haalde een brief uit den zak,—„zoude ik u ten eeuwigen dage dankbaar blijven.”

„Geef maar hier,” zei jufvrouw Miller; „als ik haar het briefje niet zelve in handen geef eer ik slapen ga,—moge ik nooit weder wakker worden! Houd moed beste mijnheer! Laten vroegere dwaasheden u maar tot waarschuwing strekken, en ik sta er u borg voor, dat alles best gaan zal, en ik u nog gelukkig zal zien met de bekoorlijkste vrouw ter wereld,—want dat is zij, volgens iedereen, die haar kent!”

„Geloof mij, jufvrouw,” hernam hij, „ik spreek volstrekt niet de gewone huichelaarstaal van een mensch in mijn ongelukkigen toestand; maar eer dit vreesselijk ongeluk gebeurde, had ik al vast besloten eene leefwijze, welker slechtheid en dwaasheid ik had leeren inzien, vaarwel te zeggen. Ik verzeker u, dat, niettegenstaande al de onrust, welke ik ongelukkig bij u in huis veroorzaakte, en waarvoor ik van ganscher harte uwe vergiffenis inroep,—ik volstrekt geen losbandig mensch ben. Hoewel ik me door de ondeugd heb laten medeslepen, houd ik niet van het kwaad, en van heden af, zal ik het vermijden.”

Jufvrouw Miller scheen zeer voldaan met deze betuigingen, aan welker opregtheid zij verklaarde volstrekt niet te twijfelen, en het overige van het gesprek bevatte niets dan de vereenigde pogingen van die goede vrouw en van den heer Nightingale om Jones eenigzins moed in te spreken,—wat in zoo ver gelukte, dat zij hem veel opgeruimder en geruster verlieten dan hij bij hunne komst geweest was. Niets had zoo zeer tot deze gelukkige verandering bijgedragen als de vriendelijke belofte van jufvrouw Miller om zijn brief aan Sophia te bezorgen, wat hem anders hopeloos scheen; want toen de Zwarte George het laatste schrijven van Sophia bragt, had hij Partridge verteld, dat de jonge dame hem bepaaldelijk gelast had om haar geen antwoord terug te brengen,—op straffe van aan haar vader overgeleverd te worden. Bovendien was Jones niet weinig blijde met de ontdekking dat de goede vrouw,—werkelijk een der beste schepselen ter wereld,—zoo vurig zijne zaak bepleitte bij den heer Allworthy zelven.

Nadat de dame een uur bij hem gezeten had (Nightingale was er veel langer geweest), namen beide afscheid van hem, met de belofte van spoedig terug te komen, als wanneer jufvrouw Miller zeide, dat zij hoopte hem goede tijding van zijne beminde te brengen, terwijl de heer Nightingale beloofde onderzoek te gaan doen naar de wond van mijnheer Fitzpatrick en ook sommige der menschen op te sporen, die getuigen van den strijd waren geweest.

Jufvrouw Miller begaf zich nu onmiddellijk naar Sophia, bij wie wij haar dadelijk zullen volgen.

HOOFDSTUK VI.

WAARIN JUFVROUW MILLER EEN BEZOEK AFLEGT BIJ SOPHIA.

Het was volstrekt niet moeijelijk om toegang tot de jonge dame te krijgen; want, daar zij nu op den meest vriendschappelijken voet met hare tante leefde, had zij volmaakte vrijheid, om zoo vele bezoekers, als zij verkoos, te ontvangen.

Sophia was juist bezig met zich te kleeden, toen men haar kwam zeggen, dat er eene dame beneden was, die haar verlangde te spreken. Daar zij niet vreesde om iemand van haar eigen geslacht te ontvangen en niets had waarvoor zij zich behoefde te schamen, werd jufvrouw Miller dadelijk boven gelaten.

Nadat de gewone groeten en pligtplegingen tusschen vrouwen, die elkaar vreemd zijn, gewisseld waren, zeide Sophia:

„Ik heb toch niet het genoegen van u te kennen, jufvrouw?”

„Dat is zoo, mejufvrouw,” antwoordde de andere, „en ik moet u wel verschooning vragen als ik u kom lastig vallen. Maar als gij weet, wat mij genoopt heeft om bij u te komen—”

„Wel, wat is er tot uwe dienst?” vroeg Sophia, al eenigzins ontroerd.

„Mejufvrouw, ik zou u gaarne onder vier oogen spreken,” hernam jufvrouw Miller, zachtjes.

„Betsy, ga maar naar beneden,” zei Sophia.

Zoodra de kamenier weg was, zeide jufvrouw Miller:

„Een jonge heer, die zeer ongelukkig is, verzocht mij u dezen brief over te geven.”

Sophia verbleekte toen zij het adres las, daar zij het schrift wel kende, en zeide eindelijk aarzelende:

„Naar uw uiterlijk te oordeelen, jufvrouw, zou ik me niet verbeeld hebben, dat gij mij iets van dezen aard te zeggen hadt. Van wien ook dezen brief kome, ik zal hem niet open maken. Het zou mij spijten iemand onbillijk te verdenken;—maar gij zijt mij geheel onbekend.”

„Als ik niet te veel van uw geduld verg, jufvrouw,” hernam de andere, „zal ik u zeggen wie ik ben en hoe ik aan dien brief ben gekomen.”

„Ik ben hoegenaamd niet nieuwsgierig, jufvrouw,” hernam Sophia, „en moet er op staan, dat gij den brief terug brengt aan den persoon, die hem u gegeven heeft.”

Jufvrouw Miller viel nu op de knieën, en riep met de meeste hartstogtelijkheid haar medelijden in; waarop Sophia zeide:

„Wel, jufvrouw, ik sta verbaasd, dat gij zooveel belang stelt in dien persoon! Ik zou niet willen denken, dat—”

„Gij moet niets denken dan de waarheid, jufvrouw!” riep de andere; „ik zal u alles vertellen en gij zult u er niet over verwonderen dat ik belang in hem stel. Hij is de goedaardigste mensch ter wereld!”—Hierop ging zij voort met het verhaal van hetgeen er met Henderson was gebeurd.—Daarna vervolgde zij met te zeggen: „Dit, jufvrouw, is slechts één staaltje van zijne goedheid; maar ik heb nog verpligtingen van veel teederder aard aan hem. Hij heeft mijne dochter van den ondergang gered.”—En hiermede, onder vele tranen, verhaalde zij alles, alleen met uitzondering van die omstandigheden, welke hare dochter benadeeld zouden hebben, en eindigde met te zeggen: „En nu, jufvrouw, laat ik het aan u over te oordeelen, of ik ooit genoeg kan doen voor zulk een vriendelijken, goedigen, edelmoedigen jongeling,—die zeker de beste en waardigste der menschen is!”

Alle veranderingen op het gelaat van Sophia, waren, tot dusver, voornamelijk op kosten harer schoonheid geweest, daar ze haar sterk hadden doen verbleeken;—maar nu bloosde zij, zoo mogelijk, rooder dan karmozijn, en riep uit:

„Ik weet werkelijk niet wat ik zeggen moet!—Zeker, kan men u niets kwalijk nemen, wat gij alleen uit dankbaarheid doet;—maar, ik begrijp niet, waartoe het dienen zou als ik dezen brief van uw vriend las, daar ik vast besloten heb—”

Hier begon jufvrouw Miller op nieuw met smeeken, en zeide, Sophia’s vergiffenis inroepende, dat zij den brief toch niet terugnemen kon.

„Nu, jufvrouw,” hernam Sophia, „het is mijne schuld niet als gij mij het schrijven opdringen wilt!—Het staat aan u den brief hier te laten of niet,—met of tegen mijn zin!”

Wat Sophia bedoelde, en òf zij iets bedoelde, waag ik niet te beslissen; maar jufvrouw Miller vatte dit als een wenk op, en den brief op tafel nederleggende, nam zij afscheid van haar, na eerst verlof gevraagd te hebben om nog eens bij haar te mogen aankomen,—een verzoek waarop Sophia ja noch neen zeide.

De brief echter bleef alleen zoo lang op tafel liggen tot jufvrouw Miller weg was; want toen greep Sophia daarnaar en brak hem open.

Het schrijven baatte Jones echter zeer weinig; want het bevatte weinig meer dan de bekentenis van zijne eigene onwaardigheid, en bittere, wanhopige klagten, tegelijk met de plegtigste verklaringen van onveranderlijke getrouwheid aan Sophia,—waarvan, zooals hij zeide, hij haar hoopte te overtuigen, als hem ooit weder het geluk beschoren werd haar onder de oogen te treden;—terwijl hij hoopte den brief aan Lady Bellaston zoodanig te kunnen verklaren, dat hoewel hij geen regt kon doen gelden op vergiffenis, hij vertrouwen mogt, dat zij hem die uit barmhartigheid zou schenken. Hij eindigde met te zweren, dat hij nooit eenig voornemen gekoesterd had om met Lady Bellaston in het huwelijk te treden.

Hoewel Sophia den brief tot tweemaal toe, met de meeste aandacht overlas, bleef haar zijne bedoeling toch raadselachtig, en kon zij, hoe zij ook hare verbeelding inspande, geene verontschuldiging voor Jones bedenken. Zij bleef ook zeker zeer boos op hem, hoewel Lady Bellaston zelve in zulk eene hevige mate het voorwerp van haren toorn geworden was, dat er slechts weinig van overbleef ten behoeve van anderen.

Die dame zou, ongelukkig, juist dien dag bij mejufvrouw Western aan tafel komen, en ’s namiddags zouden alle drie op de receptie gaan bij Lady Hatchett. Sophia zou zich gaarne overal verontschuldigd hebben, maar wenschte hare tante niet te ergeren, en wat eene voorgewende ziekte betreft,—het veinzen was iets zoo vreemds aan haar karakter, dat zij daar niet eens aan dacht.

Zoodra zij gekleed was, ging zij dus naar beneden, zich onderwerpende aan al de kwellingen, die haar dien dag nog te wachten stonden,—en die dan ook bleken niet gering te zijn; want Lady Bellaston nam iedere gelegenheid waar om haar hoogst beleefd en onder water een steek toe te brengen, terwijl zij te neerslagtig was om zich te verweren,—en inderdaad, om de waarheid te bekennen, ten allen tijde slechts heel middelmatig de kunst verstond om een scherp antwoord te geven.

Een ander ongeluk voor de arme Sophia was het bijzijn van Lord Fellamar, dien zij in de opera ontmoetten en die haar naar de receptie volgde. En hoewel beide plaatsen te druk bezocht waren dan dat hij haar afzonderlijk spreken kon, en zij verder verligt werd door de muzijk in de ééne en het kaartspel op de andere plaats, kon zij zich echter niet op haar gemak gevoelen in zijn gezelschap; want er is zekere kieschheid in de vrouw, welke haar belet om gerust te zijn in de tegenwoordigheid van een man, die, zooals zij weet, aanspraken op haar maakt, welke zij niet geneigd is te begunstigen.

Daar wij in dit hoofdstuk reeds tweemaal het woord „receptie” genoemd hebben,—een woord, dat naar wij hopen onverstaanbaar zal wezen voor het late nageslacht in de beteekenis, waarin wij het gebezigd hebben, zullen wij, hoeveel haast wij ook anders hebben, ons een oogenblik ophouden, om de feestelijkheid te beschrijven, welke hier bedoeld is,—en dat doen wij te eerder, daar wij heel kort kunnen zijn.

Eene „receptie” dan, is eene vergadering van goedgekleede menschen, van beiderlei kunne, van welke de meesten aan de speeltafel gaan zitten, en de anderen niets doen, terwijl de vrouw des huizes de rol van herbergierster op zich neemt,—en even als deze zich verhoovaardigt over het aantal harer gasten, hoewel het niet altijd gebeurt, dat zij, even als de herbergierster, er iets aan verdient.

Geen wonder dus, dat, daar zoovele opgeruimdheid vereischt wordt om deze droevige tooneelen te verlevendigen, dat wij menschen van hoogen stand zoo dikwerf hooren klagen over gebrek aan levenslust,—eene ziekte, die zich overigens bepaalt tot de groote wereld.

Wij kunnen ons dan verbeelden hoe ondragelijk deze ijdele kring voor Sophia moet geweest zijn, op dit oogenblik,—hoe moeijelijk het haar viel, om den schijn van vrolijkheid aan te nemen, terwijl hare ziel vervuld was met de diepste smart en elke gedachte eene kwelling voor haar opleverde.

De nacht echter schonk haar de eenzaamheid harer slaapkamer, en wij zullen haar daar laten, om ten minste hare droefgeestigheid tot bedaren te brengen, hoewel zij, naar wij vreezen, buiten staat zal zijn om eenige rust te vinden, en zullen thans onze geschiedenis voortzetten, welke nu,—te oordeelen naar een zeker voorgevoel,—op het punt staat om eene zeer gewigtige gebeurtenis op te leveren.

HOOFDSTUK VII.

EEN AANDOENLIJK TOONEEL TUSSCHEN DEN HEER ALLWORTHY EN JUFVROUW MILLER.

Jufvrouw Miller had een lang gesprek met den heer Allworthy, toen hij, na tafel, naar huis kwam, waarin zij hem vertelde hoe de heer Jones, ongelukkig al het geld verloren had, hetwelk zijn weldoener bij hunne scheiding hem gegeven had, en hem verhaalde van den nood waarin hij, ten gevolge van dat verlies, verkeerd had;—wat zij zelve vernomen had van den getrouwen babbelaar Partridge. Daarop legde zij uit welke verpligtingen zij aan Jones had, zonder evenwel alles te zeggen van hare dochter; want hoewel zij het meeste vertrouwen stelde in den heer Allworthy, en er geene hoop bestond om de zaak geheim te houden, die reeds aan meer dan een half dozijn menschen bekend was, kon zij toch niet over zich verkrijgen om die omstandigheden, welke de arme Nancy tot schande strekken moesten, te vermelden;—maar onderdrukte dat gedeelte van hare getuigenis even voorzigtig, alsof zij voor den regter geroepen ware geweest en het meisje wegens kindermoord te regt stond.

Allworthy antwoordde haar, dat er slechts weinige menschen waren, zoo geheel bedorven, dat zij hoegenaamd tot niets goeds in staat zijn. „Ik kan echter niet ontkennen,” zeide hij, „dat gij eenige verpligtingen aan dien vent hebt, hoe slecht hij ook zij, en ik zal u dus alles wat er voorgevallen is, vergeven; maar sta er toch op, dat gij hem nooit weder in mijn bijzijn noemt; want ik verzeker u, dat ik slechts na de duidelijkste en meest overtuigende bewijzen, heb kunnen besluiten tot de maatregelen, waartoe ik me verpligt zag ten zijnen opzigte.”

„Nu, mijnheer,” hernam zij, „daaraan mag ik volstrekt niet twijfelen; maar, met der tijd, zal alles in het ware daglicht verschijnen, en dan zult gij overtuigd worden, dat deze arme jongen meer goeds van u verdient dan andere menschen, die ik me wel wachten zal te noemen.”

„Jufvrouw,” riep Allworthy, eenigzins driftig; „ik wil geene betichtingen hooren van mijn neef, en als gij ooit weder een enkel woord van dien aard zegt, zal ik oogenblikkelijk uw huis verlaten. Hij is een beste, brave jongen, en ik herhaal nog eens, dat hij eigenlijk zijne vriendschap tot dien vent tot zwakheid toe overdreven heeft, door te lang de zwartste misdaden, die hij bedreven had, geheim te houden. Ik ben het meeste kwaad om de ondankbaarheid van dien ellendeling ten opzigte van dezen goeden jongen; want, jufvrouw, ik heb zeer gegronde redenen om te veronderstellen dat hij een plan beraamd had om mijn neef in mijne gunst te verdringen en om hem door mij te doen onterven.”

„Ik weet zeker, mijnheer,” hernam jufvrouw Miller, niet zonder benaauwdheid;—want hoe zoet en bekoorlijk ook de glimlach van den heer Allworthy was, had zijn vertoornde blik steeds iets zeer ontzagwekkends,—„dat ik nooit een woord zal zeggen tegen iemand met wien gij ingenomen zijt. Ik ben overtuigd, mijnheer, dat zoo iets mij zeer misstaan zou, vooral als het een uwer naaste bloedverwanten is; maar, mijnheer, gij moogt werkelijk niet op mij boos worden omdat ik partij trek voor dien ongelukkige!—Zóó mag ik hem nu zeker noemen; hoewel gij stellig eens boos op mij zoudt geweest zijn, als ik het gewaagd had om zijn naam zonder den meesten eerbied uit te spreken! Hoe dikwerf heb ik u niet hem uw zoon hooren noemen? Hoe dikwerf hebt gij niet met vaderlijke liefde van hem gesproken? Neen, mijnheer! Ik kan al de liefderijke uitdrukkingen, het vele goede niet vergeten dat gij mij verteld hebt van zijne schoonheid, zijn aanleg, zijne deugden, zijne goedaardigheid en zijne edelmoedigheid! Neen, mijnheer, dat kan ik niet vergeten; want ik weet nu dat alles waar was! Ik heb er bewijzen van gehad in mijn eigen huisgezin. Hij is de redder mijner familie geweest. Gij moet mij mijne tranen vergeven, mijnheer,—werkelijk, dat moet gij doen, als ik bedenk welk een wreeden ommekeer in zijn lot deze arme jongen, aan wien ik zoo veel te danken heb, ondervonden heeft;—vooral als ik daarbij het verlies van uwe liefde in aanmerking neem, welke hij, naar ik zeker weet, op hooger prijs stelde dan zijn eigen leven. Ja, ik moet, en zal hem beklagen! Al hadt gij een dolk in de hand, om mij het hart te doorboren, ik zou nog de ellende beklagen van den ongelukkige, dien gij bemind hebt, en dien ik steeds beminnen zal!”

Allworthy was zeer aangedaan door deze woorden, maar naar het scheen volstrekt niet vertoornd, want, na eene korte stilte, reikte hij jufvrouw Miller de hand en zeide, zeer liefderijk: „Kom, jufvrouw, laten wij thans over uwe dochter spreken. Ik kan het u niet kwalijk nemen, dat gij u zoo ingenomen toont met een huwelijk, dat zoo voordeelig belooft te zijn; maar gij weet wel, dat dit laatste grootendeels afhangt van eene verzoening met haren schoonvader. Ik ken den ouden heer Nightingale zeer goed, en heb vroeger zaken met hem gehad; ik zal hem dus een bezoek brengen en trachten u in deze zaak bij te staan. Ik geloof wel dat het een heel wereldsch mensch is; maar daar het zijn eenigen zoon geldt, en aan de zaak thans niet meer te veranderen valt, zal hij welligt op den duur geneigd zijn naar rede te luisteren. Ik beloof u mijn best voor u te doen.”

De arme vrouw dankte Allworthy herhaaldelijk voor dit vriendelijk en edelmoedig aanbod, maar kon niet nalaten op nieuw de gelegenheid waar te nemen, om van hare dankbaarheid tot Jones gewag te maken.

„Aan hem,” zeide zij, „is het toe te schrijven, dat ik nu in het geval ben om gebruik van uwe goedheid te kunnen maken.”

Allworthy legde haar vriendelijk het stilzwijgen verder op; maar hij was een te goed mensch om zich werkelijk beleedigd te gevoelen door de uitwerking van zulk een edel grondbeginsel als dat waarmede jufvrouw Miller thans bezield was;—en wezenlijk, als hetgeen hem pas van Jones verteld was door Blifil zijn toorn niet weder opgewekt had, is het niet onmogelijk, dat hij eenigzins gunstiger voor hem gestemd zou zijn geworden na het vernemen van eene handeling, welke de boosheid zelve aan geene slechte beweegreden had kunnen toeschrijven.

De heer Allworthy en jufvrouw Miller waren reeds meer dan een uur bij elkaar geweest, toen hun gesprek afgebroken werd door de komst van Blifil met iemand anders,—namelijk, met den zeer gewigtigen mijnheer Dowling, den zaakwaarnemer, die een groote gunsteling was geworden van den heer Blifil en dien de heer Allworthy, op verzoek van zijn neef, tot zijn rentmeester benoemd had, terwijl hij hem tevens aan den heer Western aanbeval, van wien de zaakwaarnemer de belofte ontving van ook door hem tot hetzelfde ambt benoemd te worden zoodra de gelegenheid zich daartoe voordeed. Inmiddels was hij bezig met eenige zaken te Londen,—welke betrekking hadden tot een hypotheek,—voor den landjonker in orde te brengen.

Dit was de voornaamste aanleiding tot mijnheer Dowlings aanwezigheid in Londen, terwijl hij de gelegenheid waarnam om zich met wat geld voor den heer Allworthy te belasten, en hem zijn rapport te doen over andere zaken,—waarin wij den oom, den neef en den zaakwaarnemer verdiept zullen laten, daar ze veel te vervelend van aard waren om in deze geschiedenis vermeld te worden,—terwijl wij ons met iets anders bezig houden.

HOOFDSTUK VIII.

BEVATTENDE ALLERLEI ZAKEN.

Eer wij tot den heer Jones terugkeeren, moeten wij nog een blik op Sophia werpen.

Hoewel die jonge dame hare tante in den besten luim gebragt had door de verzoenende maatregelen, waarvan wij reeds gesproken hebben, had zij haar toch niet kunnen overhalen om het minst in haren ijver te verflaauwen voor het huwelijk met Lord Fellamar. Deze ijver werd dan ook aangeblazen door Lady Bellaston, die mejufvrouw Western den vorigen avond verzekerd had, dat zij door het gedrag van Sophia en door hare houding tegenover Milord, overtuigd was, dat eenig uitstel hoogst gevaarlijk zou zijn, en dat de eenige wijze om te slagen, zou zijn om het huwelijk zoo overhaast door te zetten, dat de jonge dame geen tijd kreeg om zich te bedenken, en zich hare toestemming liet afpersen eer zij eigenlijk wist wat zij deed. Op deze wijze, hield zij vol, worden de meeste huwelijken onder menschen van hoogen stand gesloten;—een feit dat hoogst waarschijnlijk ontegenzeggelijk is, en waaraan, denkelijk, de onderlinge liefde toe te schrijven is, welke later onder zoo vele gelukkige paren heerscht.

Een wenk van dezen aard werd door dezelfde dame aan Lord Fellamar gegeven en beiden waren zóó met den raad ingenomen, dat, op verzoek van Milord, de volgende dag vastgesteld werd door mejufvrouw Western, voor de eerste ontmoeting van het jonge paar onder vier oogen. Dit werd aan Sophia door hare tante medegedeeld, die er zoo stellig en vast op aandrong, dat Sophia, na te vergeefs alles in het midden te hebben gebragt, wat zij bij mogelijkheid bedenken kon, eindelijk genoodzaakt was, het hoogste bewijs van beleefdheid te geven, dat men van eene jonge dame vergen kan, en er in toe te stemmen dat zij Milord zou ontvangen.

Daar gesprekken van dezen aard weinig onderhoudends opleveren, zal men het ons ten goede houden, indien wij het geheele onderhoud niet herhalen, gedurende hetwelk Milord op de meest hartstogtelijke wijze zijne opregte en vurige liefde betuigde, tot dat Sophia, die tot dus ver gezwegen en gebloosd had, eindelijk moed vatte, en met eene zachte, bevende stem zeide:

„Milord, gij moet zelf u bewust zijn of uwe vorige houding overeenkomstig is geweest met uwe tegenwoordige verzekeringen.”

„Is er dan geene wijze,” hernam hij, „waarop ik vergiffenis kan krijgen voor mijn waanzin? Ik vrees maar, dat mijne handelingen u bewezen moeten hebben, dat de hevigheid mijner liefde mij van het verstand beroofd had.”

„Het hangt inderdaad alleen van u af, Milord,” zeide zij, „om mij een bewijs eener toegenegenheid te geven, hetwelk ik op hoogen prijs zou stellen, en waarvoor ik u werkelijk dankbaar zou wezen.”

„Noem het slechts!” riep Milord, met vuur.

„Milord,” hernam zij, de oogen nederslaande op haren waaijer, „ik weet dat het u bekend moet wezen hoe ongelukkig ik gemaakt word door deze uwe geveinsde liefde—”

„Kunt gij de wreedheid hebben,” riep hij, „om ze geveinsd te noemen?”

„Ja, Milord,” luidde haar antwoord; „alle liefdesbetuigingen tegenover menschen, die wij vervolgen, zijn beleedigende voorwendselen. Uw aanzoek wordt voor mij nu eene wreede vervolging;—ja,—gij maakt een onedelmoedig gebruik van mijn ongelukkigen toestand!”

„Beminde, aanbiddenswaardige!” riep hij, „beschuldig mij niet van eene onedelmoedige vervolging, terwijl ik geene andere gedachte koester dan om tot uw belang, uwe eer bij te dragen,—terwijl ik alleen met het voornemen bezield ben, om mijzelven, mijn stand, mijn vermogen, mijn alles aan uwe voeten neder te leggen!”

„Milord,” hernam zij, „het is juist door uw stand en vermogen dat gij een voordeel bezit, waarover ik me beklaag. Dat zijn bekoorlijkheden, welke mijne bloedverwanten verleid hebben;—ik ben er geheel onverschillig voor. Als gij, Milord, mij werkelijk dankbaar wilt maken, is er slechts één middel—”

„Vergeef me, schoonste,” viel hij haar in de rede, „daar kan geen middel bestaan om uwe dankbaarheid te verdienen! Al wat ik voor u zou kunnen doen, komt u van regtswege toe en zal mij zoo gelukkig maken, dat er geene sprake kan wezen van dankbaarheid.”

„Maar werkelijk, Milord,” hernam zij, „staat het aan u om mijne dankbaarheid, mijne welwillendheid, en mijne meest vriendschappelijke wenschen in alle opzigten waarin ik zulks vermag, te verwerven;—ja, en dat kunt gij gemakkelijk doen;—want, het zal een edel hart niet veel kosten om aan mijn verzoek te voldoen. Laat mij u smeeken dan eene vervolging te staken, waarin gij nooit slagen kunt. Om uwentwil, evenzeer als om den mijne, smeek ik deze gunst van u af; want gij zijt zeker te edelmoedig om er behagen in te scheppen een ongelukkig wezen te kwellen. Wat kunt gij, Milord, u anders voorstellen dan kwellingen ook voor u zelven door eene volharding, welke op mijn woord, ja, bij mijne zaligheid!—bij mij niets bewerken zal, aan welke ellende gij mij ook daardoor moogt blootstellen!”

Milord slaakte thans een zwaren zucht en zeide: „Is dit daaraan toe te schrijven, mejufvrouw, dat ik het ongelukkige voorwerp ben van uwen afkeer en uwe verachting,—of,—vergeef mij de veronderstelling,—is er iemand anders—?”

Hier aarzelde hij, en Sophia hernam, met eenige drift: „Milord, ik ben u geene verantwoording schuldig voor mijn gedrag. Ik ben u zeer dankbaar voor uw eervoel aanzoek; ik beken dat het mijne verdiensten en verwachtingen verre overtreft; maar ik hoop, Milord, dat gij er niet op staan zult, dat ik u eenige redenen geef, als ik zeg, dat ik het van de hand moet wijzen.”

Lord Fellamar gaf een heele boel hierop tot antwoord, dat niet zeer verstaanbaar was, en hetwelk welligt niet al te zeer onvereenkomstig de regels van de taalkunde en van het gezond verstand was; maar hij eindigde zijne hoogdravende redevoering met te zeggen: „Dat als zij reeds aan den een of anderen fatsoenlijken man verloofd was, hoe ongelukkig hij zich ook gevoelde, hij zich uit eergevoel genoodzaakt zou zien om zich verder terug te trekken.”

Welligt legde Milord te veel klem op het woord „fatsoenlijk man,” anders weten wij de verontwaardiging niet te verklaren, waarmede Sophia thans bezield was, die in haar antwoord zeer vertoornd scheen over de eene of andere beleediging, welke hij haar toegevoegd had.

Terwijl zij nog met meer verheffing van stem dan gewoonlijk sprak, trad mejufvrouw Western in de kamer, met gloeijende wangen en vlammende oogen.

„Ik moet mij schamen, Milord,” riep zij, „over de wijze waarop gij hier ontvangen wordt! Ik verzeker u, Milord, dat wij allen zeer gevoelig zijn voor de eer, welke gij ons aandoet, en ik moet u, mejufvrouw, verklaren, dat de geheele familie eene gansch andere houding van u eischt!”

Hier kwam Milord ten behoeve der jonge dame tusschenbeide, maar te vergeefs;—de tante hield vol tot Sophia den zakdoek te voorschijn haalde, zich op een stoel wierp en een vloed van tranen stortte..

Het overige van het gesprek tusschen mejufvrouw Western en Milord, tot deze laatste zich verwijderde, bestond uit bittere klagten van zijn kant en uit de krachtigste betuigingen van de hare, dat hare nicht toegeven moest, en dat ook doen zoude.

„Inderdaad, Milord,” zeide zij, „het meisje heeft eene allerdwaasste opvoeding gehad, die noch met haar vermogen, noch met hare afkomst overeenkomstig was. Het spijt mij te moeten bekennen, dat haar vader schuld aan alles heeft. Het meisje is behebt met eene domme, plattelandsche bedeesdheid. Het is anders niets, Milord, daar geef ik u mijn woord op. Ik ben ook overtuigd dat het haar eigenlijk niet aan verstand hapert, en dat zij spoedig naar rede zal luisteren.”

Dit laatste zeide zij in de afwezigheid van Sophia, die reeds de kamer verlaten had, met meer uiterlijke vertooning van drift, dan zij ooit bij eenige vroegere gelegenheid aan den dag had gelegd, en thans nam ook Milord afscheid van mejufvrouw Western, met vele dankbetuigingen en vurige verklaringen van eene liefde, die onoverwinnelijk was, en waarbij hij stellig voornemens was te volharden,—waartoe Sophia’s tante hem ten sterkste aanmoedigde.

Eer wij nu verder vermelden wat er tusschen mejufvrouw Western en Sophia voorviel, is het noodig iets te zeggen van eene zeer ongelukkige omstandigheid, welke tot de drift en plotselinge verschijning van mejufvrouw Western had aanleiding gegeven.

De lezer moet dan vernemen, dat de meid, die thans Sophia bediende, door Lady Bellaston aanbevolen was, bij wie zij een tijdlang als tweede kamenier gediend had. Het was een zeer vlug meisje, dat ook de stipste bevelen ontvangen had, om hare jonge meesteresse zeer streng te bewaken. Het spijt ons te moeten bekennen dat deze bevelen haar gegeven werden door jufvrouw Honour, in wier gunst Lady Bellaston thans zoo hoog geklommen was dat de hevige liefde, welke de kamenier vroeger Sophia toegedragen had, nu geheel uitgewischt was door de groote gehechtheid, welke zij thans koesterde tot hare nieuwe gebiedster.

Zoodra echter jufvrouw Miller weg was gegaan, en Betsy (gelijk zij heette) bij hare meesteresse terugkeerde, vond zij haar geheel en al verdiept in de lektuur van een langen brief, en de blijkbare aandoening, welke zij liet zien bij die gelegenheid, had wel bij het meisje eenige verdenking kunnen opwekken,—welke echter nog een beteren grondslag had,—daar zij alles gehoord had wat tusschen Sophia en jufvrouw Miller voorgevallen was.

Door Betsy werd dan mejufvrouw Western met alles bekend gemaakt, die na vele loftuitingen en eene ruime belooning voor hare getrouwheid, het bevel ontving om als die vrouw ooit wederkwam, haar dadelijk bij mejufvrouw Western zelve te brengen.

Ongelukkig verscheen nu jufvrouw Miller juist terwijl Sophia met Milord in gesprek was. Volgens het haar gegeven bevel, bragt Betsy haar dadelijk bij de tante, die al van zoo veel onderrigt zijnde, dat den vorigen dag gebeurd was, gemakkelijk de arme vrouw er toe bragt om te gelooven dat Sophia alles medegedeeld had;—waardoor het mejufvrouw Western ook gelukte om alles van haar te vernemen, wat den brief en Jones zelven betrof.

Het arme schepsel was dan ook de eenvoudigheid zelve. Zij was een van die menschen, welke geneigd zijn alles te gelooven wat men hun vertelt;—die van nature niet voorzien zijn van de offensieve of defensieve wapens van het bedrog, en die dus voorbestemd schijnen om door iedereen gefopt te worden, die zich de moeite verkiest te geven om het te beproeven. Mejufvrouw Western alles uit jufvrouw Miller gehaald hebbende, wat deze wist, hetwelk inderdaad niet heel veel was, maar toch genoeg om de tante een heele boel te doen gissen, ontsloeg haar met de verzekering dat Sophia haar niet zien wilde, dat zij geen antwoord op den brief wilde geven, en ook geen tweeden ontvangen, en liet haar niet vertrekken zonder eene strenge les over de verdiensten van een ambt, dat zij voor niets beters hield dan dat van eene koppelaarster.—Dit een en ander dan had de tante reeds eenigzins ontstemd, toen zij in de kamer trad, belendende aan die waarop de adellijke vrijer ontvangen werd, en waar zij Sophia met zoo veel vuur het aanzoek van Milord van de hand hoorde wijzen. Hierop brak de toorn, welken zij zoo lang verkropt had, in volle vlam uit, en zij viel hare nicht op eene woedende wijze aan, zooals wij reeds beschreven hebben, tegelijk met hetgeen verder voorviel, tot Milord vertrokken was.

Zoodra Lord Fellamar zich verwijderd had, keerde mejufvrouw Western tot Sophia terug, die zij met veel bitsheid het misbruik verweet van het in haar gestelde vertrouwen,—tegelijk met hare oneerlijkheid, dat zij briefwisseling onderhield met een man, van wien zij den vorigen dag zich bij eede had willen verbinden nooit iets meer te zullen aannemen.

Sophia verklaarde dat zij hoegenaamd geene briefwisseling met hem onderhield.

„Hoe! Wat! Durft gij, gij mejufvrouw Western, loochenen, dat gij gisteren een brief van hem ontvingt?” gilde hare tante.

„Een brief!” riep Sophia, eenigzins verbaasd.

„Het is niet zeer beleefd, mejufvrouw, om mijne woorden te herhalen,” hernam de tante; „maar ja, een brief, zeg ik! En ik sta er op dat gij mij dien laat lezen!”

„Ik zou het beneden mij achten om eene onwaarheid te vertellen, tante,” hernam Sophia. „Ik heb gisteren wèl een brief ontvangen, maar zonder mijn toedoen,—ja zelfs, tegen mijn zin, mag ik wel zeggen.”

„Zoo, mejufvrouw!” riep hare tante; „gij moest u schamen te bekennen dat gij zoo’n brief ontvangen hadt;—maar waar is die brief? Want zien zal ik hem!”

Op dit stellig bevel aarzelde Sophia een tijdlang eenig antwoord te geven; eindelijk echter verontschuldigde zij zich met te verklaren dat zij hem niet op zak had, wat stipt waar was,—waarop haar tante’s geduld uitgeput scheen, en deze haar kortaf vroeg, of zij Lord Fellamar wilde trouwen, ja of neen?—Wat Sophia ten stelligste weigerde.

Mejufvrouw Western hernam hierop met een vloek, of met iets dat er digtbij kwam, dat zij haar den volgenden morgen weder aan haar vader zou overleveren.

Sophia begon nu op de volgende wijze met hare tante te redeneren.

„Wel, tante, welke noodzakelijkheid bestaat er toch dat ik ooit huwen zou? Bedenk maar hoe zwaar gij dat zelve, in uw eigen geval vondt, en hoe veel liefderijker uwe ouders waren, die u vrij lieten! Wat heb ik gedaan om die vrijheid te verbeuren? Ik zal nooit in het huwelijk treden zonder mijns vaders toestemming,—of zonder de uwe te vragen. En als ik die tegen uw zin verlang, zal het vroeg genoeg wezen om mij tot een ander huwelijk te dwingen.”

„Mijn hemel! Hoe zou ik dit kunnen aanhooren van een meisje, dat met een brief van een moordenaar op zak loopt?” riep mejufvrouw Western.

„Ik heb dien brief niet bij mij, dat houd ik vol,” hernam Sophia, „en als het schrijven van een moordenaar komt, zal hij spoedig buiten staat zijn om u eenige verdere zorg te baren!”

„Hoe, mejufvrouw Western!” hernam de tante, „hebt gij de onbeschaamdheid om zoo van hem te spreken,—om mij, in het aangezigt, uwe liefde tot zulk een schurk te bekennen?”

„Gij legt toch mijne woorden op eene zeer vreemde wijze uit, tante!” riep Sophia.

„Wat mij betreft, mejufvrouw Western,” hernam de andere, „ik verkies niet langer mij zoo door u te laten behandelen;—gij hebt dat van uw vader geleerd;—hij heeft u geleerd mij tot eene leugenaarster te maken! Hij heeft u geheel bedorven, door zijn verkeerd stelsel van opvoeding, en zoo de hemel wil, zal hij er de schoone vruchten van plukken; want, nog eens! morgen zal ik u bij hem terug brengen, dat verzeker ik u! Ik zal mijne strijdkrachten uit het veld terugtrekken, en voortaan, even als de wijze koning van Pruisen, de strengste onzijdigheid in acht nemen. Gij verbeeldt u beide te wijs te zijn om u naar mijn raad te schikken; dus houd u gereed; want morgen zult gij hier de deur uit!”

Sophia deed haar best om haar te vermurwen; maar hare tante bleef doof voor al wat zij zeggen kon,—en in dezen toestand moeten wij thans die dame verlaten, daar er geene hoop schijnt te bestaan om haar van zin te doen veranderen.

HOOFDSTUK IX.

HETGEEN DEN HEER JONES IN DE GEVANGENIS OVERKWAM.

De heer Jones bragt meer dan vier en twintig uren zeer droevig in de eenzaamheid door,—alleen getroost door het gezelschap van Partridge,—tot mijnheer Nightingale eindelijk terugkeerde. Men verbeelde zich echter niet, dat deze waardige jonge man zijn vriend verlaten of vergeten had, want, inderdaad, het grootste gedeelte van dien tijd, had hij ten zijnen behoeve besteed.

Na onderzoek, had hij vernomen, dat de eenige menschen, die het begin van den ongelukkigen strijd gezien hadden, tot de manschap behoorden van een oorlogschip, dat toen te Deptford lag.

Daarheen ging hij dan, om de menschen te zoeken, die, zoo als hij vernam, allen aan wal waren. Hij spoorde hen na, van huis tot huis, tot hij er eindelijk twee van vond, die met een vreemde zamen zaten te drinken, in eene herberg aan den weg bij Aldersgate.

Nightingale verzocht thans om Jones onder vier oogen te mogen spreken,—want Partridge was er toen hij binnentrad,—en zoodra zij zich alleen bevonden, vatte hij Jones bij de hand en riep uit: „Hoor eens, beste vriend, gij moet u niet uit het veld laten slaan door hetgeen ik u kom melden.—Het spijt mij de overbrenger van slechte tijdingen te zijn;—maar ik houd het voor pligt om u niets te verbergen.”

„Ik gis al wat die slechte tijding is,” hernam Jones; „de arme Fitzpatrick zal overleden zijn?”

„Ik hoop van neen,” hernam Nightingale; „hij leefde nog heden morgen, hoewel, volgens de berigten, welke ik kreeg, ik u niet vleijen kan, dat de wond niet doodelijk is. Maar, als de zaak zich zóó toegedragen heeft, als gij zegt, zoudt gij, wat er ook gebeure, niets te vreezen hebben dan uwe eigene gewetenswroeging;—maar, vergeef me, waarde Tom, als ik u smeek, met de meeste openhartigheid tegen uwe vertrouwde vrienden te spreken; als gij ons iets verbergt, zult gij slechts u zelven benadeelen!”

„Mijn waarde Jaap,” riep Jones, „welke aanleiding heb ik u ooit kunnen geven, mij met zulke wreede verdenkingen te pijnigen?”

„Geduld maar,” hernam Nightingale, „en ik zal u alles mededeelen. Na lang zoeken, vond ik eindelijk twee der menschen, die tegenwoordig waren geweest bij dezen ongelukkigen twist, en het spijt mij te moeten zeggen, dat zij de zaak minder voordeelig voor u voorstelden, dan gij dat zelf doet.”

„Wel! wat zeggen zij dan?” vroeg Jones.

„Inderdaad, iets dat het mij spijt te moeten herhalen, daar ik vrees dat het treurige gevolgen voor u zal hebben. Zij verklaren, dat zij te ver afstonden om iets te vernemen van de woorden, maar zij zijn het beiden eens, dat gij den eersten slag hebt gegeven.”

„Dan spreken zij onwaarheid, bij mijne ziel!” riep Jones. „Hij gaf mij niet slechts den eersten slag; maar hij deed dat zelfs zonder eenige aanleiding daartoe van mijn kant. Wat zou die schelmen kunnen bewegen om mij valsch te beschuldigen?”

„Ja, dat kan ik in de verste verte niet gissen,” hernam Nightingale, „en als gij zelf, en ik, die zoo zeer uw vriend ben, geene reden kunnen bedenken waarom zij u lasteren zouden, dan laat ik aan u zelven over te beslissen, welken grond een onpartijdige regter zou kunnen aanvoeren om hun geen geloof te schenken? Ik deed hun de vraag herhaaldelijk, en dat deed ook een andere heer, die er bij zat,—en die, denkelijk, een zeeman is, en wezenlijk zich op de meest vriendschappelijke wijze gedroeg; want hij drukte hun telkens op het hart, dat eens menschen leven met die zaak gemoeid was, en vroeg, bij herhaling, of zij zeker wisten wat zij zeiden;—waarop beiden van ja verklaarden, en dat zij gereed waren hunne getuigenis met een eed te bekrachtigen. In ’s hemels naam, beste vriend, bedenk u wel; want als dit het geval bleek te zijn, moet gij er bij tijds aan denken om alle protectie die gij hebt, in te roepen. Ik wilde u geen schrik aanjagen; maar gij weet, geloof ik, hoe streng de wet is op dit punt,—al is men nog zoo zwaar door woorden getergd!”

„Helaas, vriend,” hernam Jones, „hoe zou een ongelukkige als ik eenige protectie hebben? Gelooft gij ook, dat ik iets om het leven zou geven, als men mij voor een moordenaar hield? Als ik vrienden had (wat helaas, het geval niet is!) hoe zou ik dan nog den moed hebben om hunne hulp in te roepen ten behoeve van een mensch, die om de verfoeijelijkste van alle misdaden veroordeeld wordt? Geloof mij, op zulken bijstand reken ik niet;—maar ik heb toch nog eenig vertrouwen op eene hoogere magt, die mij alle bescherming zal verleenen, die ik verdien.”

Hij eindigde nu met herhaalde, plegtige en vurige verklaringen, dat hij van het begin af niets dan de zuivere waarheid verteld had.

Nightingale begon nu in zijn geloof te wankelen, en was weder geneigd om zijn vriend vertrouwen te schenken, toen jufvrouw Miller binnen kwam en een droevig berigt van den afloop harer zending bragt.

Zoodra Jones dit vernam, riep hij, zeer heldhaftig:

„Nu, vriend, ben ik geheel onverschillig omtrent wat er verder gebeuren moge,—ten minste wat mijn leven aangaat,—en als de hemel wil dat ik boeten zal voor het bloed dat ik gestort heb, hoop ik dat de hemelsche goedheid vroeger of later mijne eer zal zuiveren, en dat men de woorden van een stervende zal gelooven, als het er op aankomt om alleen zijne eer te redden.”

Thans volgde er een zeer droevig tooneel tusschen den gevangene en zijne vrienden, en daar het waarschijnlijk zeer weinige lezers bevallen zou hebben om er bij te zijn, zullen er ook denkelijk weinigen wezen, die eene uitvoerige beschrijving daarvan verlangen. Wij zullen dus alles met stilzwijgen voorbijgaan, tot de cipier binnentrad en Jones meldde dat er eene dame gekomen was, die hem wenschte te spreken, als het hem niet ongelegen kwam.

Jones uitte zijne verrassing over deze boodschap. Hij zeide, „dat hij geene dame ter wereld kende, van wie hij bij mogelijkheid een bezoek wachten kon.”

Daar hij echter geene reden zag om te weigeren iemand te ontvangen, namen jufvrouw Miller en Nightingale spoedig afscheid van hem, en gaf hij bevel om de dame binnen te laten.

Zoo Jones al verrast was door het aangekondigde bezoek eener dame, stond hij geheel verstomd toen hij ontdekte dat die dame niemand anders was dan mevrouw Waters! Wij zullen hem dan een oogenblik zoo laten staan, ten einde aan de nieuwsgierigheid van den lezer te voldoen, die, waarschijnlijk, ook niet weinig verrast zal zijn door het verschijnen dezer dame.

Wie mevrouw Waters was, weet de lezer zoo wat; wat zij was,—daarvan heeft hij de bewijzen gehad. Hij zal dus gelieven zich te herinneren, dat deze dame in dezelfde koets met den heer Fitzpatrick en den anderen Ier van Upton vertrokken was, en dat zij hem naar Bath vergezeld had.

Nu was er toen zeker ambt, dat de heer Fitzpatrick te vergeven had, tijdelijk onbezet,—namelijk dat van zijne echtgenoote; want de dame, die tot dusver dat ambt bekleed had, had haar ontslag genomen,—of had ten minste de dienst verzaakt. De heer Fitzpatrick dus, na mevrouw Waters op reis onderzocht te hebben, bevond dat zij de vereischte hoedanigheden bezat, en bood haar, bij hunne aankomst te Bath, het ambt aan, dat zij zonder schroom op zich nam. De heer en de dame hadden dus als man en vrouw te Bath geleefd, en als man en vrouw kwamen zij te Londen aan.

Hetzij dan dat de heer Fitzpatrick te wijs was om de ééne op te geven eer hij de andere teruggevonden had,—of dat mevrouw Waters haar ambt zoo goed vervulde, dat hij haar in het bezit daarvan wilde laten, en zijne vrouw slechts als plaatsvervangster gebruiken (wat meer gebeurt),—zeker is het dat hij nooit zijne vrouw bij haar noemde, haar nooit den brief mededeelde, hem door mejufvrouw Western gegeven, en haar zelfs nooit een wenk gaf, dat hij steeds naar zijne vrouw zocht;—terwijl hij den naam van Jones niet eens genoemd had. Want ofschoon, hij zich voorgenomen had met hem te vechten waar hij hem ook vond, handelde hij niet naar het voorbeeld van zekere voorzigtige menschen, die zich verbeelden, dat eene vrouw eene moeder, eene zuster, of soms zelfs de geheele familie, bij dergelijke gelegenheden de veiligste getuigen zijn. Het eerste woord, dus, dat zij van dit een en ander vernam kwam, over zijne lippen toen hij naar huis gebragt werd uit de herberg, waar men hem verbonden had.

Daar de heer Fitzpatrick echter nooit op de meest duidelijke wijze iets wist te vertellen en thans welligt iets meer verward was dan anders, duurde het een tijdlang eer zij ontdekte dat de heer, die hem gewond had, dezelfde persoon was, die in haar hart eene wond geslagen had, welke, ofschoon niet doodelijk, zoo diep was, dat ze een zwaar lidteeken achterliet. Zoodra zij echter vernam dat de heer Jones zelf de man was, dien men, wegens den veronderstelden moord, naar de gevangenis had gebragt, nam zij de eerste gelegenheid waar om den heer Fitzpatrick aan de zorg der ziekenoppaster over te laten en haastte zich om zijn overwinnaar op te zoeken.

Zij trad nu met de meeste opgeruimdheid binnen, welke echter dadelijk getemperd werd door de bedroefde houding van den armen Jones, die, zoodra hij haar herkende, van verbazing opsprong.

Hierop zeide zij: „Het verwondert me geenszins, dat gij verrast zijt. Ik denk niet dat gij u voorsteldet mij te zullen zien; want weinige heeren worden hier geplaagd door andere dames dan door hunne vrouwen. Maar gij ziet, mijnheer Jones, welke magt gij nog over mij bezit! Ik dacht weinig, inderdaad, toen wij te Upton van elkaar scheidden, dat wij elkaar voor het eerst op zulk eene plaats als deze weerzien zouden!”

„Ik moet u wezenlijk zeer dankbaar zijn voor dit bezoek, mevrouw,” hernam Jones. „Slechts weinige menschen volgen den ongelukkige,—vooral niet naar zulk een treurig verblijf als dit.”

„Wel, mijnheer Jones,” riep zij, „ik kan me werkelijk naauwelijks verbeelden dat gij dezelfde prettige mensch zijt, dien ik te Upton ontmoette! Wel! Uw gezigt is droeviger dan de droevigste gevangenis ter wereld! Wat scheelt u toch?”

„Ik verbeeldde mij, mevrouw,” antwoordde Jones, „dat, daar gij wist dat ik hier was, gij ook weten zoudt om welke ongelukkige reden.”

„Bah!” riep zij; „gij hebt een man in een tweegevecht overhoop gestoken! Is dat alles?”

Jones drukte zijne verontwaardiging uit over deze ligtzinnigheid, en sprak met het meeste berouw over hetgeen er gebeurd was.

„Kom, kom!” riep zij, „als gij het u zóó aantrekt, mijnheer, zal ik u dadelijk licht geven! Die mijnheer is niet dood, en ik ben zoo wat zeker, dat er geen gevaar voor zijn leven bestaat. De heelmeester, die het eerste verband legde, was een jong mensch, die goedvond om de zaak zoo ernstig mogelijk voor te stellen, om des te meer eer in te oogsten als hij hem genas; maar ’s Konings heelmeester is er later bij geroepen, en zegt, dat als er geene koortsen bij komen, waarvan tot nu toe geen spoor is te bemerken, zijn leven volstrekt niet in gevaar is.”

Het gelaat van Jones helderde op bij dit berigt, welks juistheid zij bevestigde door te zeggen: „Door een der vreemdste toevallen ter wereld, woon ik in hetzelfde huis met hem, en heb ik dien heer zelve gesproken. Ik kan u verzekeren, dat hij u regt laat wedervaren, en zegt, dat, wat ook de gevolgen zijn, hij de eerste aanvaller was en dat gij hoegenaamd geen schuld hebt.”

Jones was zeer verheugd over hetgeen mevrouw Waters hem mededeelde, en maakte haar thans bekend met allerlei dingen die zij reeds wist, zoo als wie de heer Fitzpatrick was, de aanleiding tot diens wrok, enz. Hij deelde haar ook het een en ander mede dat haar onbekend was, zoo als het avontuur met de mof, en andere bijzonderheden, terwijl hij alleen den naam van Sophia verzweeg. Daarop betreurde hij de dwaasheden en de ligtzinnigheid, waaraan hij zich schuldig had gemaakt, welke, naar hij zeide, zulke treurige gevolgen hadden gehad, dat het onvergeefelijk zou zijn als hij ze niet als eene waarschuwing beschouwde, om voor het vervolg alles van dien aard te vermijden. Eindelijk besloot hij met haar te verzekeren, dat hij zich vast voorgenomen had nooit meer te zondigen, ten einde zich geene zwaardere bestraffing op den hals te halen.

Mevrouw Waters dreef zeer geestig den spot met dit voornemen, als niets anders dan het gevolg van neerslagtigheid en opsluiting. Zij rakelde een oud spreekwoord op, over den duivel, „die monnik wilde worden toen hij ziek was,” en verzekerde hem, „dat zij de gegronde hoop koesterde van hem spoedig in vrijheid te zien, en even levenslustig als vroeger; en dan,” zeide zij, „twijfel ik niet dat uw geweten bevrijd zal blijven van al die knagingen, welke slechts door een ziekelijken toestand worden veroorzaakt.”

Zij zeide nog veel meer van dezen aard, waarvan een heele boel haar weinig tot eer zou strekken in de meening van den lezer,—en wij zijn ook maar half overtuigd dat sommige lezers niet spotten zouden met de antwoorden van Jones. Wij zullen dus het overige van dit gesprek verzwijgen, en slechts verzekeren, dat het in alle eer en deugd afliep, en veel meer tot het genoegen van Jones dan tot dat der dame; want hij was zeer verheugd over de tijding welke zij hem bragt, terwijl zij minder in haar schik was met het berouwvolle gedrag van een man, van wien zij bij de eerste ontmoeting een heel ander denkbeeld opgevat had, dan zij thans koesterde.

Dus werd de droefheid door het berigt van den heer Nightingale veroorzaakt, voor goed uitgewischt, terwijl zijne neerslagtigheid over de tijding door jufvrouw Miller gebragt, steeds voortduurde. Hetgeen zij hem gemeld had, kwam zoo goed overeen met de woorden van Sophia zelve in haar brief, dat hij er volstrekt niet aan twijfelde, dat zij zijn schrijven aan hare tante medegedeeld had, en vast besloten had om hem op te geven. De kwellingen, welke deze gedachten veroorzaakten, konden nog slechts geëvenaard worden door eene andere tijding, welke hem te wachten stond, en die wij in het tweede hoofdstuk van het volgende boek zullen mededeelen.

BOEK XVIII.

Bevattende ongeveer zes dagen.

HOOFDSTUK I.

EEN AFSCHEIDSGROET AAN DEN LEZER.

Thans zijn wij, lezer, gekomen tot het laatste rustpunt op onze lange reis. Na elkaar dus vergezeld te hebben op zoo vele bladzijden, laten wij ons nu gedragen als reizigers in den postwagen, die verscheidene dagen bij elkaar zijn geweest, en die, niettegenstaande eenige kleine twisten of vijandigheden onderweg, gewoonlijk ten slotte verzoend worden en voor den laatsten keer hunne plaatsen in het rijtuig innemen met de meeste opgeruimdheid en onderlinge welwillendheid,—daar, na deze laatste rust, het ons welligt gaan zal als hen, die elkaar gewoonlijk nooit wederzien.

Daar ik dit beeld nu eens gebruikt heb, zal ik zoo vrij zijn, het te blijven bezigen voor het oogenblik. Ik ben dus voornemens, in dit laatste boek, het goede gezelschap na te bootsen, dat het laatste eindje zamen reist.

Het is wel bekend, dat op zulk een oogenblik alle schertsen en grappen achterwege blijven, dat welke rol de een of andere reiziger, uit aardigheid, op zich genomen heeft, die vergeten wordt, en dat het gesprek gewoonlijk ernstig en bedaard is.

Op dezelfde wijze zal ik thans alle aardigheden, welke ik welligt om u, lezer, den tijd te korten, onderweg gebezigd heb, voortaan niet meer beproeven. De veelvuldige gebeurtenissen ook, welke ik in dit boek bijeenvoegen moet, zullen mij geene ruimte overlaten voor eenige dier belagchelijke opmerkingen, welke ik anders gemaakt heb, en die misschien gediend hebben om u tusschenbeide van den dreigenden slaap te redden.

In dit laatste boek zult gij niets (of slechts zeer weinig) van dezen aard vinden. Het zal niets anders dan een droog verhaal bevatten, en inderdaad, als gij de vele groote gebeurtenissen gelezen hebt, welke dit boek oplevert, zult gij u naauwelijks kunnen voorstellen, hoe het mogelijk is zoo veel stof op zoo weinige bladzijden bijeen te krijgen.

En thans, vriend, neem ik deze gelegenheid waar (daar ik geene andere daartoe zal kunnen vinden) om hartelijk afscheid van u te nemen. Indien ik u, als reismakker, vermaakt heb, verzeker ik u dat dit mijn hoogste wensch was. Als ik u met iets beleedigd heb, geschiedde zulks werkelijk, zonder opzet. Welligt zal het een of ander in dit boek u, of uwe vrienden gelden; maar ik verklaar plegtig, dat ze noch op u noch op hen gemunt waren. Ik twijfel ook niet dat men, onder andere verhaaltjes, u ook van mij verteld heeft, dat gij reizen zoudt met een zeer smerigen kerel;—maar wie u dat verteld heeft, lasterde mij zwaar. Er is niemand, die een grooteren afkeer heeft dan ik van al wat gemeen is,—en niet zonder reden; want niemand is ooit gemeener behandeld dan ik:—en wat mijn lot nog zeer verzwaart, is dat men mij het vaderschap heeft toegedicht van vele lasterlijke geschriften juist van die menschen, die in andere hunner werken mij met de meeste verbittering gelasterd hebben.

Ik ben echter overtuigd dat al die werken reeds lang vergeten zullen wezen als gij deze bladzijden te lezen krijgt; want, hoe kort ook mijne eigene werken mogen bestaan, zullen ze toch waarschijnlijk én den gebrekkigen schrijver én de ziekelijke voortbrengselen van zijne lasterende tijdgenooten overleven.

HOOFDSTUK II.

EENE ZEER TRAGISCHE GEBEURTENIS BEVATTENDE.

Terwijl Jones zich nog kwelde met de treurige overdenkingen, waarin wij hem verdiept lieten, strompelde Partridge in de kamer, bleek als de dood, met starende blikken, met te berge gerezene haren, en bevende van top tot teen. Met één woord, hij zag er uit alsof hij een spook had gezien, of zelf een spook ware.

Jones, hoewel niet zeer vreesachtig, kon niet nalaten, getroffen te zijn door deze plotselinge verschijning. Hij verbleekte inderdaad zelf en zijne stem begaf hem haast, toen hij hem vroeg wat er te doen was?

„Ik hoop, mijnheer,” zeide Partridge, „dat gij het mij niet kwalijk zult nemen;—ik heb ook niet geluisterd;—maar was genoodzaakt in de kamer hiernaast te blijven. Ik zou wel willen dat ik honderd mijlen ver was geweest, liever dan vernomen te hebben wat mij nu ter oore is gekomen!”

„Wel! Wat is er toch?” vroeg Jones.

„Wat er te doen is, mijnheer?” herhaalde Partridge. „Goede hemel! Die vrouw, die u pas verlaten heeft,—was dat de vrouw, die te Upton bij u was?”

„Ja, Partridge, dezelfde,” hernam Jones.

„En hebt gij wezenlijk bij die vrouw geslapen?” vroeg hij, met eene bevende stem.

„Ik vrees, dat hetgeen er tusschen ons gebeurde, geen geheim meer is,” antwoordde Jones.

„Maar ik smeek u toch, in ’s hemels naam, mijnheer,” hernam Partridge, „zeg mij toch de waarheid!”

„Gij weet wel dat ik bij haar geslapen heb,” zei Jones.

„Dan zij u de Heere genadig en hebbe Hij barmhartigheid met u,” riep Partridge; „want, zoo waar ik hier sta, gij hebt bij uwe eigene moeder geslapen!”

Bij deze woorden ontstelde Jones nog veel meer dan Partridge zelf. Hij stond dan inderdaad een tijdlang als versteend, terwijl beiden elkaar sprakeloos aangaapten. Eindelijk echter werd hij weder zijne sprake meester en vroeg, verward en sidderend: „Hoe!—Wat! Wat zegt gij!?”

„O, mijnheer,” riep Partridge, „ik ben nu te ontsteld om u alles te vertellen,—maar—hetgeen ik u gezegd heb, is zeker waar.—Die vrouw—die pas heengegaan is,—zij is zeker uwe moeder! Het was wel ongelukkig voor u, dat ik haar vroeger,—dien keer,—niet gezien had;—ik had dan alles kunnen voorkomen! Het moet de Satan zelf geweest zijn, die zulk een wanbedrijf beraamde!”

„Zal dan het noodlot mij vervolgen tot ik waanzinnig word?” riep Jones. „Maar, waarom het noodlot aan te klagen? Ik zelf draag de schuld van al mijne rampen. Al de verschrikkelijke ongelukken, welke mij overkomen, zijn alleen de gevolgen van mijne eigene dwaasheid en slechtheid! Hetgeen gij mij vertelt, Partridge, brengt mij tot wanhoop! En is dus die mevrouw Waters dan—Maar waarom vraag ik dat? Gij kent haar zeker!—Als gij nog eenige liefde tot mij over hebt,—ja, als gij nog een zweem van medelijden gevoelt, laat mij u dan smeeken, die ongelukkige vrouw te gaan halen. O genadige hemel! Bloedschennis!—Mijne eigene moeder! Waartoe ben ik veroordeeld!”

Hier geraakte hij in eene hevige en woeste vlaag van wanhoop en smart, waarin Partridge verklaarde hem niet te willen verlaten;—maar eindelijk, nadat de eerste hevigheid zijner woede uitgeput was, bedaarde hij een weinig en Partridge onderrigt hebbende, dat hij de ongelukkige vrouw zou vinden in hetzelfde huis waar zijn gekwetste tegenstander woonde, zond hij hem weg, om haar te zoeken.

Als de lezer de goedheid wil hebben zich het geheugen op te frisschen door het tooneel te Upton in het negende boek na te slaan, zal hij eenigzins verwonderd staan over de vreemde aaneenschakeling van omstandigheden, welke ongelukkig beletten, dat Partridge en mevrouw Waters elkaar ontmoetten toen zij den geheelen dag met Jones doorbragt. Wij mogen opmerken, dat er vele voorbeelden van dezen aard in het werkelijke leven te vinden zijn, waar de grootste gebeurtenissen door de schijnbaar nietigste omstandigheden veroorzaakt worden, en in deze onze geschiedenis zal men meer dan één voorbeeld van dezen aard vinden.

Na een vruchteloos zoeken van eenige uren, keerde Partridge terug, zonder mevrouw Waters te hebben kunnen aantreffen. Jones, die wanhopig was over dit uitstel, werd bijna razend toen hij hem dit berigt bragt. Hij was echter niet lang in dezen toestand geweest toen hij het volgende schrijven ontving:

„Mijnheer,

Sedert ik u verliet, heb ik een heer gezien, die mij iets omtrent u medegedeeld heeft, waardoor ik zeer verrast en getroffen ben. Daar ik echter thans de gelegenheid niet heb om u eene zaak van zoo veel gewigt uit te leggen, moet gij geduld nemen tot onze volgende ontmoeting, die plaats zal hebben zoodra ik in de mogelijkheid ben om bij u te komen. O, mijnheer Jones, weinig dacht ik dien gelukkigen dag te Upton, welks herinnering waarschijnlijk mijne geheele toekomst verbitteren zal, aan wien ik zóó veel geluk te danken had!

„Geloof me steeds met de meeste opregtheid,

Uwe ongelukkige

J. Waters.

„P.S. Houd maar zoo veel mogelijk moed, want de heer Fitzpatrick verkeert in hoegenaamd geen gevaar; zoodat, door welke schandelijke misdaden ook uw geweten bezwaard zij, gij den moord niet daaronder behoeft te rekenen.”

Jones liet den brief vallen zoodra hij hem gelezen had, want hij was inderdaad naauwelijks meer bij zijne zinnen.

Partridge raapte hem op en eene stilzwijgende toestemming verkregen hebbende, las hij ook het schrijven dat op hem naauwelijks minder hevig werkte. Men moest het penseel en niet de pen gebruiken om de ellende af te schilderen, die thans op hunne gelaatstrekken zigtbaar was. Terwijl beiden nog sprakeloos stonden, trad de cipier binnen, en zonder acht te slaan op hetgeen duidelijk genoeg sprak uit beider gezigten, meldde hij aan Jones, dat er iemand was, die hem wenschte te spreken. Deze persoon werd dan ook dadelijk binnen gebragt en bleek niemand anders te zijn dan de Zwarte George.

Daar deze niet zoo gewoon was aan tooneelen van ellende als de cipier, merkte hij dadelijk de ontroering van Jones op. Dit schreef hij toe aan het tweegevecht, dat in het huis van den heer Western in het allerergste licht was voorgesteld;—hij maakte dus uit alles op dat mijnheer Fitzpatrick overleden was en dat de heer Jones zelf gevaar liep van een schandelijken dood te sterven. Bij deze gedachte gevoelde hij zich ook zeer ongelukkig; want George was medelijdend van aard en niettegenstaande het ééne kleine verraad, waartoe hij zich had laten verleiden, bleef hij, over het algemeen, volstrekt niet ongevoelig voor al de weldaden, welke de heer Jones hem bewezen had.

De arme kerel had dus moeite om zijne tranen te bedwingen bij het droevige tooneel dat hij thans zag. Hij verzekerde Jones dat hij diens rampen zeer betreurde en smeekte hem zich te bedenken, of hij hem eenige dienst zou kunnen bewijzen.

„Misschien, mijnheer,” zeide hij, „zult gij wat geld bij deze gelegenheid noodig hebben en in dat geval, is het weinige waarover ik beschikken kan, geheel tot uwe dienst.”

Jones drukte hem zeer hartelijk de hand, en bedankte hem herhaaldelijk voor zijn vriendelijk aanbod; maar antwoordde: „Dat hij hoegenaamd geen gebrek aan geld had.”

Hierop begon George nog ijveriger dan te voren hem zijne diensten op te dringen.

Jones bedankte hem nogmaals, en verzekerde hem dat hij aan niets behoefte had wat eenig mensch ter wereld hem verschaffen kon.

„Kom, kom, beste heer,” zei George; „gij moet u de zaak niet zoo aantrekken! Alles kan beter afloopen dan gij verwacht Gij zijt zeker niet de eerste mijnheer, die een ander gedood heeft en het er toch best afgebragt heeft!”

„Gij hebt het heel en al mis,” zei Partridge; „die mijnheer is niet dood en loopt geen gevaar van te sterven. Plaag nu mijnheer Jones niet; want hij tobt over iets, waarbij gij hem onmogelijk helpen kunt.”

„Gij weet volstrekt niet waartoe ik in staat ben, baas Partridge,” hernam George. „Als mijnheer over de jonge dame tobt, heb ik hem wat nieuws mede te deelen.”

„Hoe! Wat zegt gij, George?” riep Jones. „Is er in den laatsten tijd iets met mijne Sophia gebeurd? Mijne Sophia! Hoe durft een ellendeling als ik, haar zoo nog te noemen?”

„Ik hoop toch dat zij nog de uwe zal worden,” hernam George. „Want, ja, mijnheer, ik heb u wel iets dat haar aangaat, te melden. Jufvrouw Western heeft pas jufvrouw Sophia weer naar huis gebragt en er is een geweldig spektakel geweest. Waarover het precies was, heb ik niet kunnen vernemen; maar mijnheer was vreesselijk driftig en jufvrouw Western ook en ik hoorde haar zeggen, toen zij de deur uitging, en in den draagstoel klom, dat zij nooit van haar leven weer bij mijnheer in huis zou komen. Ik weet niet wat het is,—natuurlijk,—maar alles was weer heel stil toen ik de deur uitging;—en Robert, die aan tafel bediende, zeide dat hij in langen tijd mijnheer niet zoo vriendelijk had gezien voor de jonge jufvrouw;—dat hij haar herhaaldelijk kuste en zwoer dat zij meesteresse over zich zelve zou zijn, en dat hij er nooit aan denken zou haar weder op te sluiten. Ik dacht dat het u goed zou doen deze tijding te vernemen, en hoewel het zoo laat was, liep ik eventjes uit, om het u mede te deelen.”

De heer Jones verzekerde George dat hij inderdaad zeer daarmede ingenomen was; want hoewel hij het nooit wagen mogt om de oogen op te heffen tot de onvergelijkelijke Sophia, kon hem niets in zijne ellende meer troost opleveren, dan de voldoening van te weten dat het haar wel ging.

Het overige van hun gesprek was te onbelangrijk om hier herhaald te worden. De lezer zal het ons dus te goed houden als wij het afbreken, om hem te vertellen hoe deze verzoening tusschen den vader en zijne dochter bewerkt werd.

Zoodra mejufvrouw Western bij haar broeder verscheen, was zij begonnen met de groote eer en het voordeel af te schilderen, welke de familie overkomen zou bij een huwelijk van Lord Fellamar met Sophia, dat de jonge dame echter bepaaldelijk van de hand gewezen had.

Toen nu de landjonker in deze zaak partij trok voor zijne dochter, geraakte zijne zuster onmiddellijk in eene vlaag van woede, en sarde en tergde haren broeder zoo erg, dat noch zijn geduld, noch zijne voorzigtigheid verder daartegen bestand waren, waarop tusschen hen zulk eene hevige twist voorviel, dat men welligt onder de vischwijven nooit iets gehoord heeft, hetwelk daarmede te vergelijken was. In het vuur van hare drift vertrok mejufvrouw Western, en had dus geene gelegenheid gevonden om den landjonker bekend te maken dat zijne dochter zekeren brief ontvangen had,—wat anders welligt treurige gevolgen zou gehad hebben;—maar, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat de tante geen oogenblik daaraan gedacht had.

Zoodra jufvrouw Western weg was, begon Sophia, die tot dusver zoowel uit nood als uit neiging gezwegen had, met het compliment, hetwelk haar vader haar gemaakt had,—door partij te trekken voor haar tegen hare tante,—te vergelden, door insgelijks hem tegenover die dame gelijk te geven. Dit was de eerste keer, dat zij zoo iets deed en het was den landjonker dus zeer aangenaam. Daarenboven herinnerde hij zich dat de heer Allworthy er op gestaan had, dat geene dwangmaatregelen gebezigd zouden worden, en daar hij er ook volstrekt niet aan twijfelde, dat Jones aan de galg zou komen, hoopte hij ook met zachte middelen zijn doel bij zijne dochter te bereiken. Om deze redenen bedwong hij thans zijne natuurlijke liefde tot Sophia niet meer, en dit werkte zoo sterk op het kinderlijke, dankbare, teedere en liefderijke hart van zijne dochter, dat als haar woord niet aan Jones ware gegeven geweest, en als iets anders, wat hem betrof, ook uit den weg geruimd geweest ware, ik haast gelooven zou dat zij zich zou opgeofferd hebben aan een man, van wien zij niet hield, ten einde haren vader te verpligten. Zij beloofde hem echter thans dat het hoofddoel van haar leven zou wezen om hem te behagen, en dat zij nooit, zonder zijne toestemming, in het huwelijk zou treden, wat den ouden heer zoo zeer verheugde, dat hij besloot zijne vreugde ten toppunt te voeren, en stom dronken naar bed ging.

HOOFDSTUK III.

ALLWORTHY BEZOEKT DEN OUDEN NIGHTINGALE,—EN DOET BIJ DIE GELEGENHEID EENE WONDERBAARLIJKE ONTDEKKING.

Den morgen na al deze gebeurtenissen, ging de heer Allworthy, volgens belofte, den ouden Nightingale bezoeken, op wien hij zoo veel invloed bezat, dat hij hem na een onderhoud, hetwelk drie uren duurde, eindelijk overhaalde om zijn zoon bij zich toe te laten.

En thans had er eene vreemde gebeurtenis plaats,—een van die wonderbaarlijke toevalligheden, waaruit beste, brave menschen opgemaakt hebben, dat de Voorzienigheid zich dikwerf mengt in de ontdekking van de meest voorzigtig geheim gehoudene schurkenstreken, ten einde den mensch te waarschuwen, dat hij nooit het pad der deugd veilig kan verlaten, hoe voorzigtig hij ook zij op den weg der ondeugd.

Toen de heer Allworthy bij mijnheer Nightingale kwam zag hij er den Zwarten George, zonder evenwel eenige acht op hem te slaan, waaruit George opmaakte, dat hij niet opgemerkt was geworden.

Evenwel, na afloop van het gesprek over de meer gewigtige zaak, vroeg Allworthy aan Nightingale, of hij zekeren George Seagrim kende, en wat deze bij hem te doen had?

„O, ik ken hem heel goed,” hernam Nightingale. „Hij is een mensch zooals er weinigen zijn heden ten dage;—iemand, die eene hoeve in huur heeft voor dertig pond ’s jaars, en wien het toch gelukt is een vijfhonderd pond over te leggen.”

„Zoo! heeft hij u dat wijs gemaakt?” vroeg Allworthy.

„Neen,—het is volkomen waar, dat verzeker ik u,” zei Nightingale, „want ik heb het geld nu in handen,—vijf banknoten, die ik op hypotheek moet uitzetten, of ergens in het noorden van het rijk, land daarvoor koopen.”

Zoodra, op Allworthy’s verzoek, hem de banknoten getoond werden, kon hij niet genoeg zeggen van die wonderbaarlijke ontdekking. Hij vertelde den ouden Nightingale dadelijk dat die banknoten in zijn eigen bezit waren geweest en maakte hem met de heele zaak bekend.

Even als er niemand is die bitterder over oneerlijkheid in handelszaken klaagt dan straatroovers, spelers en andere dieven van dien aard, zoo is er niemand die zich heviger uitlaat over de schanddaden der straatroovers, spelers enz. dan woekeraars, geldmakelaars en andere dieven van dien aard,—hetzij dan dat de eene wijze van stelen eene schande, of smet werpt op de andere,—of dat het geld, de afgod van alle schurken, hen elkaar als mededingers doet beschouwen;—althans zoodra Nightingale het verhaal gehoord had, uitte hij zich in veel heviger taal over den schelm, dan zelfs de regtvaardige en eerlijke Allworthy tegen hem gebezigd had.

Allworthy verzocht Nightingale het geld en het geheim te bewaren tot hij nader van hem hoorde, en inmiddels, als hij George weder sprak, hem in het geheel niet te laten merken dat hij ontdekt was.

Daarop keerde hij naar het huis van jufvrouw Miller terug, die hij zeer bedroefd vond over de treurige berigten, welke zij van haar schoonzoon verkregen had.

Mijnheer Allworthy vertelde haar met de meeste opgeruimdheid, dat hij beste tijding medebragt, en zonder veel inleiding, meldde hij haar, dat hij den ouden heer Nightingale overgehaald had om zijn zoon weder te zien, en dat hij er niet aan twijfelde, dat hij eene volmaakte verzoening tusschen beiden tot stand zou weten te brengen, hoewel de vader nog meer verbitterd was door eene tweede gebeurtenis van denzelfden aard, die in zijne familie plaats gevonden had. Hij vertelde haar toen, hoe zich de dochter van den broeder van den ouden heer Nightingale had laten schaken, wat nog onbekend was aan jufvrouw Miller en haren schoonzoon.

De lezer zal wel begrijpen dat jufvrouw Miller het goede berigt met groote dankbaarheid en met niet minder genoegen vernam; maar zoo opregt was hare vriendschap voor Jones, dat ik haast betwijfelen moet, of de onrust, waaronder zij om zijnentwil leed, niet meer dan opwoog tegen de tijding, welke zoo veel bijdragen moest tot haar eigen huisselijk geluk,—en zelfs of juist deze berigten, die haar aan hare verpligtingen jegens Jones herinnerden, haar niet evenveel kwelden als behaagden, terwijl zij in hare dankbaarheid dacht: „Hoe ongelukkig is thans niet die rampzalige, terwijl wij, die eigenlijk al ons geluk aan hem te danken hebben, zoo voorspoedig zijn!”

Nadat Allworthy haar een oogenblik den tijd had gelaten om dit alles te herkaauwen (men vergeve mij het woord), zeide hij haar, dat hij nog iets mede te deelen had, dat haar denkelijk ook veel genoegen zou doen. „Ik meen,” zeide hij, „een tamelijk grooten schat ontdekt te hebben, die toebehoort aan zekeren jongen heer, uw vriend;—hoewel die hem in zijn tegenwoordigen toestand waarschijnlijk weinig baten zal.”

Deze laatste woorden deden jufvrouw Miller begrijpen wien hij bedoelde, en zij hernam met een zucht: „Ik hoop toch, mijnheer, dat het zóó slecht niet met hem staat.”

„Dat hoop ik ook, van ganscher harte,” riep Allworthy; „maar mijn neef vertelde mij heden morgen dat hij zeer bedroevende berigten vernomen had.”

„Goede hemel!—mijnheer!” riep zij. „Maar neen! Ik moet zwijgen, hoewel het zeker zeer zwaar valt, dat te doen als men verneemt—”

„Gij kunt mij alles zeggen wat u goeddunkt, jufvrouw,” hernam Allworthy. „Gij kent me genoeg, om te weten dat ik tegen niemand onbillijk wensch te zijn,—en wat dezen jongen betreft, ik verzeker u dat ik van harte blijde zou zijn te vernemen dat hij zich van alles kon vrij pleiten,—vooral wat deze zaak aangaat.—Gij zijt zelve getuige geweest van de liefde, welke ik hem vroeger toedroeg. Ik weet ook wel dat de menschen het mij kwalijk namen dat ik zooveel van hem hield,—en ik schonk hem toch mijne genegenheid, tot ik mij verbeeldde gegronde reden te hebben om hem op te geven. Geloof mij, jufvrouw Miller, ik zou maar al te blijde zijn als ik kon inzien dat ik mij vergist had.”

Jufvrouw Miller wilde juist met de meeste geestdrift hierop antwoorden, toen de meid haar kwam zeggen, dat er een mijnheer was, die haar dadelijk verlangde te spreken. Allworthy vroeg nu naar zijn neef, en vernam, dat hij al een tijdlang op zijne kamer was, met een heer, die nog al dikwerf bij hem kwam, en Allworthy, gissende dat het niemand anders kon zijn dan Dowling, verlangde hem dadelijk te zien.

Zoodra Dowling verscheen, legde hem Allworthy de zaak met de banknoten uit, zonder echter eenige namen te noemen, en vroeg op welke wijze men zoo iemand kon doen straffen?

Dowling hernam, dat hij zich verbeeldde dat men hem ten minste wegens verduistering van gelden zou kunnen vervolgen; „maar,” zeide hij, „daar het nog al eene ingewikkelde zaak schijnt, zou het beste wezen om vooraf een advokaat te raadplegen.” Hij vertelde dat hij straks een advokaat moest spreken over de zaken van den heer Western, en dat, als mijnheer Allworthy goedvond, hij hem de kwestie zou voorleggen. Dit werd afgesproken, juist toen jufvrouw Miller in de deur verscheen en uitriep:

„O, ik vraag verschooning, mijnheer! Ik wist niet dat er iemand bij u was.”

Waarop Allworthy haar verzocht binnen te komen, daar hij zijne zaken afgedaan had.

De heer Dowling verwijderde zich weder en jufvrouw Miller bragt thans den jongen Nightingale binnen, om Allworthy te bedanken voor al zijne goedheid; maar zij had naauwelijks geduld genoeg om hem te laten uitspreken, eer zij uitriep:

„O, mijnheer, mijn schoonzoon brengt ons gewigtige tijding van mijnheer Jones. Hij is bij den gewonden man geweest, die thans buiten gevaar verkeert en die, wat nog meer is, verklaart dat hij zelf mijnheer Jones aanviel en hem een slag gaf. Ik weet zeker, mijnheer, dat gij niet wenschen zoudt dat mijnheer Jones zich als een lafaard gedroeg! Als ik zelve een man ware, en een ander mij een slag toebragt, weet ik zeker dat ik van leêr zou trekken! Kom, mijn waarde schoonzoon, vertel alles zelf aan mijnheer Allworthy!”

Nightingale bevestigde nu al wat jufvrouw Miller verteld had, en besloot met veel goeds van Jones te zeggen, dien hij hield voor een der goedaardigste menschen ter wereld, die ook volstrekt niet twistziek was. Nightingale wilde verder zwijgen, maar jufvrouw Miller smeekte hem al de liefderijke uitdrukkingen te herhalen, die Jones omtrent mijnheer Allworthy zoo dikwerf gebezigd had.

„Het zou niet meer dan regtvaardig zijn, als men al wat goed is van mijnheer Allworthy zeide,” hernam Nightingale, „dus daarin zou weinig verdienstelijks liggen; maar ik kan betuigen dat geen mensch dankbaarder kan wezen voor de ontvangene weldaden dan de arme Jones. Inderdaad, mijnheer, ik ben overtuigd dat de last van uw ongenoegen hem thans het zwaarste drukt van al zijne rampen. Hij heeft dikwerf jegens mij daarover geklaagd, en even dikwerf op de plegtigste wijze verzekerd, dat hij nooit willens en wetens iets tegen u misdaan had. Ja, hij heeft zelfs gezworen, dat hij liever duizendmaal sterven wilde, dan dat zijn geweten met ééne oneerbiedige, ondankbare of oproerige gedachte ten uwen opzigte bezwaard zou zijn. Maar ik vraag vergiffenis, mijnheer! Ik vrees dat het onbescheiden van mij zou wezen mij met zulk eene kiesche zaak te bemoeijen.”

„Gij hebt alleen zoo gesproken als een christen-mensch betaamt,” riep jufvrouw Miller.

„Wezenlijk, mijnheer Nightingale,” hernam Allworthy, „ik moet uwe edelmoedige vriendschap toejuichen, en ik hoop dat hij ze waardig moge zijn. Ik beken dat uw berigt van dien ongelukkigen jongen mij genoegen doet, en als het blijkt dat de zaak zich zoo toegedragen heeft als gij ze voorstelt (en ik trek uwe woorden volstrekt niet in twijfel), zal ik welligt op den duur er toe komen om gunstiger over dezen jongeling te denken dan ik in den laatsten tijd gedaan heb; want deze goede dame en allen, die mij kennen, kunnen getuigen dat ik hem als een zoon lief had. Inderdaad, ik beschouwde hem als mijn eigen kind,—door het lot aan mijne zorgen toevertrouwd. Ik herinner mij nog den onschuldigen hulpeloozen toestand, waarin ik hem vond. Ik gevoel nog hoe zijne kleine handen, de mijne omklemden.—Hij was mijn lieveling,—dat was hij, inderdaad!”

En hier brak hij af met de tranen in de oogen.

Daar het antwoord van jufvrouw Miller welligt tot nieuwe gebeurtenissen aanleiding zal geven, breken wij hier af, om de merkbare verandering in de zienswijze van den heer Allworthy en de vermindering zijner verontwaardiging jegens Jones te verklaren. Ommekeeren van dezen aard, dat is waar, komen dikwerf voor in geschiedenissen en dramas, om geene andere reden, dan dat het verhaal of het tooneelstuk ten einde loopt, en worden dus door het gezag van vele dichters gewettigd;—maar hoewel wij aanspraak mogen maken op even veel gezag als eenig ander schrijver, zullen wij zeer weinig gebruik van ons voorregt maken,—zelfs nooit anders dan door den nood gedwongen, wat, naar wij voorzien, in dit werk volstrekt niet het geval zal wezen.

De verandering dan in de zienswijze van mijnheer Allworthy was te weeg gebragt door een brief, dien hij pas van mijnheer Square had ontvangen, en welken wij den lezer aan het begin van het volgende hoofdstuk zullen mededeelen.

HOOFDSTUK IV.

BEVATTENDE TWEE BRIEVEN IN GEHEEL VERSCHILLENDEN SCHRIJFTRANT.

„Zeer waardige vriend!

„In mijn laatsten brief meldde ik u dat men mij het gebruik der wateren verboden had, daar de ondervinding bewees dat ze mijne ziekte eerder deden verergeren dan verbeteren. Ik moet u thans eene tijding mededeelen, die, naar ik meen, mijne vrienden meer dan mij zelven bedroeven zal. Dr. Harrington en Dr. Brewster hebben mij namelijk medegedeeld, dat er voor mij geene hoop op beterschap bestaat.

„Ik heb ergens gelezen, dat het voornaamste nut der wijsbegeerte daarin gelegen is, dat zij ons leere hoe wij sterven moeten. Ik zal dus de mijne geene schande aandoen door eenige ontsteltenis te toonen als mij eene taak opgelegd wordt, welke men zich verbeelden zal, dat ik al zoo lang bestudeerd heb. Maar, om de waarheid te vertellen, ééne bladzijde van het Evangelie bereidt ons beter daarop voor, dan al de boekdeelen der oude en nieuwere wijsgeeren. De zekerheid welke ons dáár gegeven wordt van een toekomstig leven, is een veel krachtiger steun voor een verstandigen geest, dan al de troostredenen, welke geput worden uit de behoeften der natuur, de ijdelheid, of verzadiging van onze genoegens hier op aarde, of eenig ander onderwerp, waarover men kan uitweiden, om soms den geest te wapenen met standvastige lijdzaamheid tegenover de gedachte aan den dood;—maar die nooit eene wezenlijke minachting daarvan kunnen teweeg brengen en nog veel minder ons doen gelooven, dat de dood eene ware weldaad is.

„Men vatte het niet op alsof ik de verschrikkelijke beschuldiging van atheïsme, of zelfs van stellige loochening der onsterfelijkheid, iedereen naar het hoofd wilde slingeren, die zich wijsgeer noemt. Velen van die sekte, ouden en nieuweren, hebben door middel van het licht der rede, hoop gezien op een toekomstig leven; maar werkelijk was dat licht zoo zwak en schemerend, de hoop zoo onzeker en wankelend, dat men wel met regt mag twijfelen, naar welken kant hun geloof overhelde. Plato zelf besluit zijn Phaedo met de verklaring, dat zijne krachtigste redeneringen niets meer dan eene waarschijnlijkheid opleveren, en Cicero schijnt eerder geneigd te gelooven, dan wezenlijk eenig geloof te hechten aan de onsterfelijkheid. Wat mij betreft, om opregt jegens u te zijn, was het mij nooit ernst met mijn geloof, tot ik werkelijk een christen werd.

„Deze laatste uitdrukking zal welligt uwe verbazing opwekken; maar ik verzeker u dat ik pas sedert korten tijd mij dien naam heb mogen geven. De hoogmoed der wijsbegeerte had mijne rede bedwelmd, en de hoogste van alle wijsheid scheen mij, even als den Grieken van ouds, niets dan dwaasheid toe. God heeft echter de genade gehad mij mijne dwaling bij tijds te doen inzien, en mij op het pad der waarheid te brengen, eer ik voor altijd op den dwaalweg geraakte.

„Ik bemerk dat ik zwak begin te worden en zal dus tot het hoofddoel van dit schrijven zoo spoedig mogelijk komen.

„Als ik over de daden van mijn vroeger leven nadenk, weet ik niets, dat mijn geweten meer bezwaart, dan de onregtvaardigheid, waaraan ik mij heb schuldig gemaakt, ten opzigte van dien ongelukkige, uw aangenomen zoon. Ik heb, inderdaad, niet slechts anderen de hand geleend bij hunne schurkenstreken tegen hem, maar heb zelf vele ongeregtigheden ten zijnen opzigte gepleegd. Geloof mij, waarde vriend, als ik u verzeker, op het woord van een stervende, dat men hem schandelijk behandeld heeft! Wat het hoofdfeit betreft, dat u noopte om hem geheel op te geven, ik verzeker u dat het u verkeerd voorgesteld werd,—dat hij daaraan geheel onschuldig is.

„Toen gij, naar men meende, op uw sterfbed laagt, was hij de eenige persoon in huis, die eenig wezenlijk verdriet liet blijken, en hetgeen later gebeurde, moet toegeschreven worden aan zijne dolzinnige uitgelatenheid bij uw herstel;—alsmede, tot mijn leedwezen, aan de laagheid van iemand anders;—maar ik verlang slechts den onschuldige te regtvaardigen en geenszins wien ook aan te klagen.

„Wees dan overtuigd, waarde vriend, dat deze jongeling een edel hart bezit, de meeste gevoeligheid voor vriendschap, de hoogste eerlijkheid, en, inderdaad, alle deugden, die den mensch tot sieraad strekken. Hij heeft ook wel eenige gebreken; maar daaronder volstrekt niet die van pligtverzuim en ondankbaarheid jegens u. Integendeel, ik ben overtuigd, dat toen gij hem uw huis ontzeidet, zijn hart bloedde meer om uwentwil, dan om den zijne.

„Het waren beweegredenen van wereldsch belang, die mij dit alles zoo lang voor u verborgen deden houden;—ik heb thans geene andere aanleiding om het u te openbaren, dan het verlangen om de waarheid te doen zegevieren, om den onschuldige regt te laten wedervaren, en om,—zoo ver ik zulks vermag,—eene vroegere misdaad uit te wisschen.

„Ik hoop dus dat deze verklaring voldoende zal wezen om de gewenschte gevolgen te hebben, en om dezen jongeling in uwe gunst te herstellen,—wat de grootste troost zou zijn, dien nog in dit leven ontvangen kan,

Mijnheer,

uw zeer verpligte, gehoorzame en onderdanige dienaar,

Thomas Square.

De lezer zal thans niet meer verwonderd zijn over den ommekeer in de gevoelens van den heer Allworthy, hoewel hij, met denzelfden post, een anderen brief ontving van den heer Thwackum, van zeer verschillenden aard, en welken wij hier eveneens laten volgen, daar het welligt de laatste keer is dat wij in de gelegenheid zullen zijn, iets van dien heer te vernemen.

Mijnheer,

Het verwondert mij volstrekt niet door uw waardigen neef een nieuw staaltje te vernemen van de slechtheid van den leerling van dien godloochenaar, Square. Het zal mij niet verrassen als hij nog zoovele moorden begaat, en ik bid den hemel, dat het uw bloed niet moge zijn, dat hem eindelijk tot die plaats doemt, waar geween en tandengeknars eeuwigdurend zijn!

„Hoewel het u niet aan gelegenheid zal ontbreken om berouw te gevoelen over de groote en onverantwoordelijke zwakheid, welke gij steeds tegenover dezen ellendeling aan den dag hebt gelegd,—waardoor gij uwe eigene bloedverwanten en uw eigen karakter zoo zeer benadeeld hebt,—hoewel, zeg ik, dit genoeg zal wezen om u vele gewetensbezwaren op dit oogenblik te veroorzaken, zou ik mijn pligt verzuimen als ik naliet u eenige vermaningen te doen, welke u tot besef uwer dwalingen kunnen brengen. Ik smeek u dus ernstig na te denken over het vonnis, dat waarschijnlijk dezen boosdoener treffen zal, en moge het u ten minste tot waarschuwing strekken om niet meer in het vervolg den raad van iemand in den wind te slaan, die steeds onvermoeid voor uw heil zal bidden.

„Indien men mijne hand niet tegengehouden had, toen ik gepaste ligchamelijke straffen wilde toedienen, zou ik veel van dat duivelsche uit een jongen geranseld hebben, die, zooals mij van het begin af duidelijk werd, geheel door den Satan bezeten was;—maar het is te laat voor overdenkingen van dezen aard!

„Het spijt mij dat gij zoo overhaast over de collatie te Westerton beschikt hebt. Ik zou u vroeger daarom verzocht hebben, als ik mij had kunnen verbeelden dat gij ze zoudt wegschenken zonder mij vooraf te raadplegen. Dat gij er bezwaar in ziet, dat iemand meer dan ééne plaats tegelijk zou hebben, is overdrevene regtvaardigheid. Als er eenige misdaad in ware, dan zouden zoovele godvreezende mannen er niet in berusten, dat hun zoo iets gewerd. Als nu de predikant te Aldergrove mogt komen te vallen,—en ik verneem dat hij nog al sukkelende is,—hoop ik dat gij mij niet vergeten zult, daar ik zeker ben, dat gij overtuigd zijt van mijne opregte belangstelling in uw eeuwig welzijn,—een welzijn, waarbij alle wereldsche bezwaren even nietig zijn als de tienden van de dille en het komijn, in de Heilige Schrift vermeld, als men ze vergelijkt bij de gewigtige zaken der wet.

„Ik verblijf, mijnheer,

uw getrouwe en dienstwillige dienaar,

Roger Thwackum.”

Dit was de eerste keer dat Thwackum zich dien toon van gezag tegenover Allworthy aanmatigde, en later had hij reden genoeg om het te betreuren, dat hij zich vergist had even als zoovelen, die den hoogsten graad van goedheid voor den laagsten graad van zwakheid houden.

Allworthy had inderdaad nooit van dezen mensch gehouden. Hij wist dat hij hoogmoedig en boosaardig was; hij begreep dat zijne godgeleerdheid gekleurd was naar zijn aard, en hij keurde ze in vele opzigten alles behalve goed;—intusschen was hij een uitstekend geleerde, en onvermoeid in zijn onderwijs bij de twee jongens. Men voege hierbij dat hij onberispelijk was van leefwijze en gedrag, dat er geene smet op zijne eerlijkheid kleefde, en dat hij zeer gehecht scheen aan zijne godsdienst. Dus over het geheel, hoewel Allworthy hem noch hoogachtte noch beminde, had hij er niet toe kunnen komen om een leermeester weg te zenden, die door kennis en ijver zoo goed voor zijn ambt geschikt scheen, en hij hoopte dat daar de jongens in zijn eigen huis groot gebragt werden, en onder zijn eigen oog, hij in staat zou zijn om al wat hun Thwackum verkeerds leerde, tegen te gaan.

HOOFDSTUK V.

WAARIN DE GESCHIEDENIS VOORTGEZET WORDT.

Uit de laatste woorden, welke de heer Allworthy tot jufvrouw Miller gesproken had, bleek het dat de eene of andere aandoenlijke herinnering aan Jones de tranen in zijne oogen gelokt had, en zoodra jufvrouw Miller dit opmerkte, zeide zij:

„Ja, ja, mijnheer, uwe goedheid voor dezen armen jongen is wel bekend, niettegenstaande de moeite, welke gij u geeft om ze geheim te houden;—maar er is geen woord waarheid in al wat die schelmen vertellen! Mijnheer Nightingale heeft de heele zaak onderzocht. Het schijnt dat die menschen gehuurd waren door een Lord, een mededinger van mijnheer Jones,—om hem te pressen en hem aan boord van een schip te brengen.—Ik zou wel willen zien, wien zij nu zullen pressen! Mijnheer Nightingale heeft den officier zelven gesproken, die een zeer fatsoenlijk man is, en hem alles verteld heeft, en die veel spijt heeft over hetgeen hij op zich genomen had, wat hij nooit gedaan zou hebben, als hij geweten had dat mijnheer Jones een fatsoenlijk man, en geen gemeene landlooper was.”

Allworthy stond over dit een en ander verstomd en verklaarde niets te begrijpen van al wat zij vertelde.

„Ja, ja, mijnheer,” hernam zij; „dat zal wel waar zijn!—Het is heel iets anders dan hetgeen die matrozen aan den zaakwaarnemer wijs maakten!”

„Welken zaakwaarnemer, jufvrouw? Wien bedoelt gij toch?” vroeg Allworthy.

„Wel!” riep zij, „dat is weer iets van u! Om uwe eigene goedheid te loochenen! Maar mijnheer Nightingale zelf heeft hem gezien.”

„Wien heeft hij toch gezien, jufvrouw?” vroeg weder Allworthy.

„Wel, uw zaakwaarnemer, mijnheer,” hernam zij, „dien gij de goedheid hadt te zenden om de zaak te onderzoeken.”

„Op mijn woord van eer,” zei Allworthy; „ik begrijp niets van al wat gij vertelt.”

„Leg gij het dan uit,” zeide zij tot Nightingale.

„Ja! Wezenlijk, mijnheer,” verzekerde deze, „heb ik dienzelfden zaakwaarnemer, die u verliet toen ik binnenkwam, ontmoet in eene herberg te Aldersgate, in gezelschap van twee der menschen, die door Lord Fellamar gebezigd werden om mijnheer Jones te pressen, en die dus tegenwoordig waren bij diens ongelukkigen twist met den heer Fitzpatrick.”

„En ik beken, mijnheer,” viel jufvrouw Miller hier in, „dat toen ik dien heer bij u zag komen, ik aan mijn schoonzoon vertelde, dat ik het er voor hield, dat hij door u gezonden was om de zaak te onderzoeken.”

Allworthy toonde de meeste verbazing bij dit berigt en verstomde zelfs eenige minuten. Eindelijk zich tot den heer Nightingale rigtende, zeide hij:

„Ik moet bekennen, mijnheer, dat ik van mijn leven niet zóó verwonderd ben geweest als over hetgeen ik thans van u verneem. Weet gij zeker, dat het dezelfde heer was?”

„Ja, daarin kan ik mij niet vergissen,” hernam de heer Nightingale.

„En te Aldersgate?” vroeg Allworthy. „Zijt gij daar in gezelschap geweest met dezen zaakwaarnemer en die twee menschen?”

„Ja, mijnheer, zeker!” hernam de andere. „Bijna een half uur, onafgebroken!”

„Nu, mijnheer,” hervatte Allworthy, „en hoe hield zich de zaakwaarnemer? Hebt gij alles gehoord wat er tusschen hem en die menschen voorgevallen is?”

„Neen, mijnheer,” antwoordde de andere. „Zij waren zamen geweest eer ik aankwam. In mijn bijzijn, zeide de zaakwaarnemer niet veel; maar nadat ik herhaaldelijk de menschen ondervraagd had, die met een verhaal volhielden dat lijnregt in strijd was met hetgeen mijnheer Jones verzekerde, en dat ook volgens den heer Fitzpatrick van het begin tot het einde onwaar is, verzocht de zaakwaarnemer hen om niets dan de zuivere waarheid te zeggen, en scheen hij zoo zeer ten gunste van mijnheer Jones te spreken, dat toen ik denzelfden persoon bij u zag, ik dadelijk begreep, dat uwe goedheid u er toe gebragt had om hem daarheen te zenden.”

„Hebt gij het dan niet gedaan?” vroeg jufvrouw Miller.

„Wezenlijk niet,” hernam de heer Allworthy, „en ik verneem pas op dit oogenblik dat hij dáár geweest is.”

„Nu begrijp ik alles!” riep jufvrouw Miller. „Bij mijne ziel! Het wordt mij alles duidelijk! Geen wonder dat zij in den laatsten tijd zoo druk met elkaar zijn opgesloten geweest! Zoon Nightingale! Wat ik u bidden mag! Ga er dadelijk op uit die twee menschen te zoeken; spoor hen op als zij nog in het land der levenden zijn! Neen! Ik zal zelve gaan!”

„Beste jufvrouw,” riep Allworthy, „heb slechts voor een oogenblik geduld en laat mijnheer Dowling naar beneden komen, als hij nog hier is;—anders, mijnheer Blifil.”

Mejufvrouw Miller verliet de kamer, terwijl zij iets binnensmonds mompelde, en keerde daarop spoedig terug met het berigt, dat de heer Dowling al weg was; maar dat „de andere,” zooals zij hem noemde, dadelijk naar beneden zou komen.

Allworthy was kalmer gebleven dan de goede vrouw wier ijver nu ten hoogste gespannen was voor haar vriend. Hij koesterde evenwel reeds eenige verdenkingen, welke niet veel van de haren verschilden.

Toen Blifil dus in de kamer trad, vroeg hij hem met een zeer ernstig gelaat en met een minder vriendelijken blik dan hij hem ooit te voren geschonken had, „of hij er iets van wist dat mijnheer Dowling iemand van de getuigen van het tweegevecht tusschen Jones en een anderen heer gesproken had?”

Er is niets zoo gevaarlijks voor iemand, die het tot zijn dagelijksch werk maakt om de waarheid te verbloemen, of om de onwaarheid te verspreiden, als eene regtstreeksche, onverwachte vraag.

Het is om deze reden, dat zekere waardige menschen, die op zich nemen om „de onschuld te verdedigen,” en om het leven hunner medemenschen bij de geregtshoven te beveiligen, zich de moeite geven, door voorafgaand onderzoek, achter de vragen te komen, welke men hunne kliënten zal doen als zij voor het hof komen, ten einde hen met geschikte en vlugge antwoorden te voorzien, welke de vruchtbaarste verbeelding in den nood van het oogenblik niet oplevert. Bovendien, veroorzaakt de plotselinge toestrooming van het bloed bij zulke verrassingen dikwerf zulk eene verandering van gelaatskleur, dat de mensch zoodoende gedwongen wordt tot zijn eigen nadeel getuigenis af te leggen. Het gelaat van den heer Blifil onderging dan ook eene zoo plotselinge verandering, dat het naauwelijks vreemd is, als, in hare drift jufvrouw Miller dadelijk uitriep: „Hij is schuldig! Op mijn woord! Schuldig!”

De heer Allworthy verweet haar streng deze onstuimigheid, en zich daarop tot Blifil wendende, die als vernietigd scheen, vroeg hij:

„Waarom aarzelt gij, mijnheer, met uw antwoord? Gij hebt hem zeker gezonden; want ik verbeeld mij, dat hij uit eigene beweging zoo’n stap niet zou gedaan hebben;—vooral niet, zonder mij vooraf te raadplegen.”

Hierop hernam Blifil: „Ik beken, oom, dat ik mij aan eene dwaling heb schuldig gemaakt; maar mag toch op uwe vergiffenis rekenen?”

„Mijne vergiffenis!” riep Allworthy, zeer vertoornd.

„Ja, oom,” hernam Blifil. „Ik wist wel dat gij boos zoudt zijn; maar zeker zal mijn beste oom de gevolgen vergeven van eene der meest beminnelijke der menschelijke zwakheden. Ik beken dat medelijden met diegenen, die het niet verdienen, eene misdaad is,—en toch is het eene misdaad, waarvan gij u zelven niet geheel vrijpleiten kunt. Ik weet dat ik mij daaraan bezondigd heb, meer dan eens ten opzigte van dezen mensch;—en ik beken dat ik mijnheer Dowling uitzond, niet om een ijdel en nutteloos onderzoek in te stellen, maar om de getuigen op te sporen en om te trachten hunne verklaringen te verzachten. Dit is de waarheid, oom,—en ik loochen ze niet, hoewel ik ze voor u wilde verbergen,”

„Ik moet bekennen,” zei Nightingale, „dat naar het gedrag van den zaakwaarnemer te oordeelen, het mij ook in dit licht voorkwam.”

„Nu, jufvrouw,” riep Allworthy, „geloof ik dat gij ditmaal bekennen zult, dat gij onregtvaardige vermoedens gekoesterd hebt, en dat gij niet meer zoo zeer tegen mijn neef ingenomen kunt wezen als tot dusver.”

Jufvrouw Miller bewaarde het stilzwijgen; want hoewel zij zoo spoedig niet met Blifil ingenomen kon worden, dien zij als den bewerker van de rampen van Jones beschouwde, had hij haar toch bij deze gelegenheid,—even als de overigen gefopt;—want de Satan had hem niet in den steek gelaten. En inderdaad, ik beschouw de opmerking „dat de duivel dikwerf zijne vrienden verzaakt en hen in den nood laat zitten,” als onverantwoordelijken laster van dien persoon. Hij moge welligt soms diegenen verlaten, welke hem eventjes kennen, of die hem slechts half toegedaan zijn; maar, gewoonlijk, staat hij diegenen trouw bij, die hem opregt dienen, en redt hen telkens uit den nood, tot de tijd van hunne overeenkomst verloopen is.

Even als een gedempt oproer eene regering versterkt, of, even als de gezondheid volmaakt gevestigd wordt door het overwinnen van sommige ziekten, zoo doet soms gestilde gramschap de liefde met nieuwe kracht herleven. Dit was thans het geval met mijnheer Allworthy; want nadat Blifil het zwaarste vermoeden weggeruimd had, werd natuurlijk het mindere, door den brief van Square opgewekt, uitgewischt, en Thwackum, die hem zeer beleedigd had, moest den last dragen van al de toespelingen, welke Square op de vijanden van Jones gemaakt had.

Wat dien jongen man aanging, de verontwaardiging welke mijnheer Allworthy tegen hem gekoesterd had, begon langzamerhand te verminderen. Hij zeide tot Blifil, „dat hij niet slechts vergeven kon wat hij uit goedaardigheid gedaan had, maar dat hij hem het genoegen zou doen van zijn voorbeeld te volgen.” Zich daarop tot jufvrouw Miller wendende met een engelachtigen glimlach, riep hij uit: „Hoe denkt gij er over, jufvrouw? Zullen wij eene huurkoets nemen en zamen rijden om uw vriend te bezoeken? Ik verzeker u, dat het de eerste keer niet is, dat ik een bezoek in de gevangenis afgelegd heb.”

Iedere lezer zal zich denkelijk het antwoord der goede vrouw kunnen verbeelden; maar zij moeten al van bijzonderen goeden aard zijn en zeer op de hoogte der vriendschap om te kunnen gevoelen wat haar op dit oogenblik bezielde. Weinigen zijn, hoop ik, in staat om zich te verbeelden wat er nu in Blifils hart omging; maar diegenen, die dat kunnen zullen, ook wel begrijpen dat het onmogelijk was voor hem om eenige bezwaren te opperen. Vrouw Fortuna, evenwel, of de andere ook reeds vroeger hier genoemde persoonaadje, kwam hem ter hulpe en voorkwam dezen zwaren schok voor hem; want op het oogenblik dat men om de koets zond, kwam Partridge in huis en na jufvrouw Miller te hebben laten roepen, maakte hij haar bekend met de verschrikkelijke gebeurtenis, welke pas aan het licht gekomen was, en Allworthy’s voornemen vernomen hebbende, smeekte hij haar om middelen te beramen om hem tegen te houden; „want,” zeide hij, „de zaak moet in elk geval voor hem een geheim blijven, en als hij er nu heen gaat, zal hij mijnheer Jones en zijne moeder,—die juist kwam toen ik de deur uitging,—zamen vinden, treurende over de vreesselijke misdaad, welke zij in hunne onwetendheid bedreven hebben.”

De arme vrouw, die bijna zinneloos werd bij deze tijding, gevoelde zich nooit minder in staat om iets te bedenken dan op dit oogenblik. Daar de vrouwen echter veel vlugger zijn dan de mannen, bij zulke gelegenheden, vond zij toch een uitvlugt en bij Allworthy terugkeerende, zeide zij:

„Ik vrees, mijnheer, dat gij verwonderd zult zijn, dat ik eenig bezwaar zie in het vriendelijk aanbod door u gedaan;—maar ik zou voor de gevolgen vreezen, als men dadelijk uw plan ten uitvoer bragt. Gij moet niet vergeten, mijnheer, dat al de rampen, welke in den laatsten tijd dezen armen jongen overkomen zijn, hem vreesselijk gedrukt hebben, en thans, mijnheer, als hij onvoorbereid de geweldige vreugde ondervond, welke uw bezoek hem zeker verschaffen zal, zou dat, naar ik vrees, hem het een of ander plotseling ongeluk kunnen berokkenen,—vooral daar zijn knecht, die hier is, mij zegt dat hij lang niet wel is.”

„Is zijn knecht hier?” riep Allworthy. „Laat hem maar dadelijk binnenkomen. Ik wilde hem het een en ander omtrent zijn meester vragen.”

Partridge vreesde eerst voor den heer Allworthy te verschijnen; maar liet zich eindelijk overhalen, toen jufvrouw Miller, die van hem zelven zijne geheele geschiedenis gehoord had, beloofd had hem naar binnen te brengen.

Allworthy herkende Partridge zoodra hij in de kamer trad, hoewel hij hem in zoovele jaren niet gezien had. Jufvrouw Miller had zich dus thans best de moeite eener deftige redevoering kunnen besparen, die ook eenigzins langdradig was;—wat den lezer niet verwonderen zal, die reeds opgemerkt heeft, dat zij steeds zeer vlug ter taal was, als het gold om hare vrienden te helpen.

„Zijt gij,” vroeg de heer Allworthy, „de knecht van mijnheer Jones?”

„Precies zijn knecht, kan ik niet zeggen, mijnheer,” hernam Partridge; „maar, met uw goedvinden, mijnheer, ben ik thans bij hem. Non sum qualis eram, zooals mijnheer wel weet.”

De heer Allworthy deed hem thans eene reeks van vragen betreffende Jones, diens gezondheid en allerlei omstandigheden, welke door Partridge beantwoord werden zonder eenige inachtneming der waarheid, maar alleen met het doel om de zaken zóó te doen voorkomen als hij wenschelijk achtte;—want strenge waarheidsliefde behoorde niet tot de leer, of het geloof, van dien braven man.

Inmiddels verwijderde zich mijnheer Nightingale, en jufvrouw Miller verliet ook spoedig de kamer, waarop de heer Allworthy ook Blifil wegzond; want hij verbeeldde zich dat Partridge openhartiger met hem zou spreken als zij alleen waren dan in het bijzijn van anderen.

Zoodra zij dus onder vier oogen waren, begon Allworthy, zoo als te lezen staat in het volgende hoofdstuk.

HOOFDSTUK VI.

WAARIN DE GESCHIEDENIS VERDER VOORTGEZET WORDT.

„Wel, vriend,” zei de waardige man. „gij zijt zeker al een heel vreemd soort van mensch! Niet alleen hebt gij vroeger zwaar geleden door stijfhoofdig eene onwaarheid vol te houden; maar tot het laatste toe, blijft gij er bij, en wilt de menschen wijs maken dat gij de knecht zijt van uw eigen zoon! Welk belang kunt gij hierbij hebben? Welk doel zoekt gij te bereiken?”

„Ik zie best in, mijnheer,” riep Partridge, op de knieën neêrploffende, „dat gij steeds tegen mij ingenomen zijt, en vast besloten hebt niets te gelooven van hetgeen ik u zeg;—waartoe baat het dus meer te praten? Maar hierboven, is één in den hemel, die weet dat ik niet de vader ben van dien jongen!”

„Hoe?” zei Allworthy. „Zult gij nog loochenen dat gij vroeger veroordeeld zijt op ontegensprekelijke,—op de meest treffende bewijzen? Ja, door u te vinden bij dien jongen, zie ik thans weer nieuwe bewijzen bij die welke een twintigtal jaren geleden tegen u ingebragt werden. Ik dacht dat gij het land verlaten hadt;—ja, ik hield u al lang voor dood. Hoe hebt gij dan kennis gemaakt met dezen jongen? Hoe hebt gij hem ontmoet, als gij geene verstandhouding met hem hebt gehad? Ontken dit niet; want ik verzeker u, dat het uw zoon zeer in mijne achting zal doen rijzen, als ik ondervind dat hij, door kinderlijke liefde gedreven, sedert zoovele jaren in stilte zijn vader onderhouden heeft.”

„Als mijnheer maar geduld wil hebben om mij aan te hooren, zal ik hem alles vertellen,” zei Partridge, en hervatte zoodra hij verlof had gekregen, als volgt: „Toen mijnheer kwaad op mij werd, berokkende mij dat weldra den ondergang; want mijne kleine school verliep en de dominé, in de veronderstelling denkelijk, van mijnheer zijn zin te doen, benam mij den post van voorzanger, zoodat ik niets had waarop ik rekenen kon dan den barbierswinkel, die weinig oplevert op het platte land;—en toen mijne vrouw stierf (want zoolang zij leefde had ik van een onbekende jaarlijks de som van twaalf pond ontvangen—en die kwamen waarschijnlijk van u; want ik heb nooit van iemand anders gehoord, die zoo iets deed),—nu, toen mijne vrouw stierf, zeg ik, hield het jaargeld op, zoodat, daar ik eenige kleine schulden had, die me begonnen lastig te vallen,—vooral ééne, welke een zaakwaarnemer van vijftien shilling tot op bijna dertig pond sterling opdreef, [18] en ik geene middelen van bestaan meer had, ik mijn boeltje pakte en vertrok.

„Ik ging eerst naar Salisbury, waar ik in dienst trad bij een regtsgeleerde, een der beste heeren, die ik ooit gekend heb; want hij was niet alleen goed voor mij, maar ik ken duizenderlei goede handelingen van hem zoolang ik bij hem was, terwijl ik hem vele zaken heb zien afwijzen, die hij voor beuzelachtig of onregtvaardig hield.”

„Gij behoeft niet zoo langdradig te zijn,” viel hem Allworthy in de rede; „ik ken dien heer; hij is een best mensch en doet zijn beroep eer aan.”

„Nu, mijnheer,” hernam Partridge, „van daar ging ik naar Lymington, waar ik meer dan drie jaren bij een anderen regtsgeleerde woonde, ook een best soort van mensch, en zeker een der vrolijkste klanten in geheel Engeland. En toen, mijnheer, na verloop van drie jaren, begon ik weêr met eene kleine school en het scheen me goed te zullen gaan, toen mij toevallig een groot ongeluk overkwam. Ik hield namelijk een varken, en op zekeren dag wilde het noodlot dat het beest los kwam, en wat schade aanrigtte in een tuin, toebehoorende aan een mijner buren, een trotsch, wraakzuchtig mensch, die een advokaat inriep,—zekeren—zekeren—nu, ik kan niet meer op zijn naam komen,—die mij liet dagvaarden voor het geregt. Toen ik nu voor de heeren verscheen,—hemel en aarde!—hooren en zien vergingen mij bij al wat de advokaten van mij vertelden! Er was er één, die den regter eene menigte leugens op de mouw spelde; hij zeide, dat het mijne gewoonte was, om mijne varkens bij andere menschen in den tuin te jagen, en een heele boel meer, en voegde er bij, dat hij hoopte, dat mijn spek mij nu duur te staan zou komen! Als men hem hoorde, zou men zich verbeeld hebben dat ik de grootste spekslager van het rijk was! Nu—”

„Kom,” zei Allworthy, „maak niet zoovele praatjes! Ik heb nog geen woord van uw zoon vernomen.”

„O,” hernam Partridge, „het duurde nog verscheidene jaren eer ik mijn zoon, zooals gij hem nog gelieft te noemen, mijnheer, te zien kreeg.—Ik ging eerst naar Ierland, waar ik onderwijs gaf op eene school te Cork, want door dat regtsgeding was ik weder aan den bedelstaf gebragt en ik sleet zeven jaren in de gevangenis te Winchester—”

„Nu,” riep Allworthy, „sla maar alles over tot gij weêr naar Engeland kwaamt.”

„Wel, mijnheer,” hervatte Partridge, „ongeveer een half jaar geleden landde ik te Bristol, waar ik korten tijd bleef, daar ik er niets te doen vond, en vernemende dat op eene plaats tusschen die stad en Gloucester, de barbier pas gestorven was, ging ik daarheen, en was er ongeveer twee maanden geweest, toen mijnheer Jones daar aankwam.”

Hierop gaf hij Allworthy naauwkeurig verslag van hunne eerste ontmoeting en al wat hij zich herinneren kon, sedert dien dag, zijn verhaal dikwerf afbrekende om Jones te roemen, en vooral niet vergetende van de groote liefde en eerbied, welke deze tot Allworthy koesterde, melding te maken. Hij eindigde met te zeggen: „En nu, mijnheer, heb ik u de geheele waarheid verteld,” op de meest plegtige wijze verzekerende, „dat hij evenmin als de paus te Rome de vader van Jones was,”—en des hemels vloek over zich inroepende als hij de waarheid niet sprak.

„Wat moet ik van dit alles denken?” riep Allworthy. „Welk doel zoudt gij hebben met zoo stellig een feit te loochenen, dat het eerder tot uw voordeel zou wezen te bekennen?”

„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, die nu niet langer zwijgen kon, „als gij mij niet gelooven wilt, zult gij waarschijnlijk spoedig op eene andere wijze overtuigd worden. Ik wenschte maar dat gij u evenzeer vergissen kondt omtrent zijne moeder als omtrent zijn vader!”

Toen Allworthy hem vroeg wat hij bedoelde, vertelde hij hem, met alle blijken van den meesten afschuw op zijn gelaat, de geheele geschiedenis, welke hij kortte voren aan jufvrouw Miller verzekerd had, dat voor Allworthy verzwegen moest worden.

Deze ontstelde bijna evenzeer als Partridge zelf bij die ontdekking.

„Genadige hemel!” riep hij, „tot welke diepe ellende worden de menschen niet gebragt door ondeugd en ligtzinnigheid! Hoe veel verder gaan niet dikwerf de uitwerkselen onzer slechtheid dan wij bedoelen!”

Hij had naauwelijks deze woorden gesproken, toen mevrouw Waters, overhaast en onverwacht in de kamer verscheen, en zoodra Partridge haar ontwaarde, riep hij uit:

„Daar, mijnheer! Daar hebt gij de vrouw zelve! Dit is de ongelukkige moeder van mijnheer Jones;—zij zal mij zeker vrijspreken!—Mevrouw,—niet waar—”

Zonder op iets te letten dat Partridge zeide, en zelfs zonder eenig acht op hem te slaan, trad mevrouw Waters op Allworthy toe en zeide:

„Mijnheer, het is al zoo lang sedert ik de eer had van u te zien, dat gij mij niet meer herkent.”

„Inderdaad,” hernam Allworthy, „gij zijt zoo zeer veranderd in vele opzigten, dat als deze man mij niet verteld had wie gij waart, ik u niet dadelijk herkend zou hebben. Hebt gij, mevrouw, het een of ander van belang dat u hierheen brengt?”

Hij sprak deze woorden op zeer koelen toon, en de lezer zal wel begrijpen, dat hij niet zeer ingenomen was met deze dame, noch wegens haar vroeger gedrag, noch wegens hetgeen Partridge hem nu medegedeeld had.

Mevrouw Waters hernam: „Ja, mijnheer, ik heb u inderdaad iets heel belangrijks mede te deelen,—iets dat ik u alleen kan mededeelen. Ik moet dus vergunning vragen om u onder vier oogen te spreken; want ik verzeker u dat hetgeen ik te melden heb van zeer gewigtigen aard is.”

Partridge kreeg nu bevel om zich te verwijderen, maar eer hij vertrok, smeekte hij de dame om mijnheer Allworthy van zijne onschuld te overtuigen.

„Wees volstrekt niet bang, mijnheer,” hernam zij. „Ik zal mijnheer Allworthy spoedig daarvan verzekeren.”

Daarop verliet Partridge de kamer, en had het gesprek plaats tusschen den heer Allworthy en mevrouw Waters, dat in het volgende hoofdstuk te lezen staat.

HOOFDSTUK VII.

VERVOLG DER GESCHIEDENIS.

Daar mevrouw Waters eenige oogenblikken bleef zwijgen, kon de heer Allworthy niet nalaten te zeggen:

„Het spijt mij zeer, mevrouw uit hetgeen ik vernomen heb te moeten opmaken dat gij zulk een slecht gebruik hebt gemaakt van—”

„Mijnheer Allworthy,” viel zij hem in de rede, „ik weet wel dat ik gebreken heb, maar daaronder moet gij geene ondankbaarheid jegens u tellen. Ik kan noch zal ooit uwe goedheid vergeten, welke, dat beken ik, zeer weinig door mij verdiend werd;—maar wil, voor het oogenblik mij niets verwijten, daar ik u iets heel belangrijks mede te deelen heb aangaande den jongeling, wien gij mijn familienaam, Jones,—geschonken hebt.”

„Heb ik dan,” vroeg Allworthy, „uit onwetendheid een onschuldige gestraft in den persoon van hem, die ons pas verlaten heeft? Is hij niet de vader van den jongen?”

„Neen, werkelijk niet!” hernam mevrouw Waters. „Gij zult u welligt herinneren, mijnheer, dat ik u vroeger zeide dat gij eens weten zoudt wie dat was, en ik beken, dat ik mij aan een wreed verzuim heb schuldig gemaakt door het zoo lang te verzwijgen. Maar, inderdaad, ik vermoedde niet hoe veel kwaad ik daarmede stichtte!”

„Ga voort, als ik u bidden mag, mevrouw!” riep Allworthy.

„Gij zult u zeker een jong mensch herinneren, mijnheer,” zeide zij, „die Summer heette.”

„O ja!” riep Allworthy, „hij was de zoon van een predikant, een zeer geleerd en best mensch, voor wien ik eene opregte vriendschap koesterde.”

„Dat was duidelijk, mijnheer,” hernam zij; „want ik geloof dat gij den jongen opgevoed en aan de akademie onderhouden hebt,—waar hij, naar ik meen, zijne studiën volbragt had toen hij bij u in huis kwam wonen. Ik moet zeggen, dat hij een der schoonste mannen was, die ooit geleefd heeft; en behalve door zijn uiterlijk, muntte hij uit door verstand, fatsoen en beschaving.”

„Die arme jongen!” riep Allworthy; „hij stierf heel jong en ik dacht niet dat hij eenige zonde van dezen aard te verantwoorden had; want ik begrijp nu dat gij mij gaat vertellen, dat hij de vader van uw kind was.”

„Neen, mijnheer,” hernam zij, „dat was hij toch niet!”

„Hoe!” riep Allworthy; „waartoe dient dan dit heele verhaal?”

„Het is de inleiding,” zeide zij, „tot eene geschiedenis, welke het mij leed doet, mijnheer, u te moeten mededeelen.—O, mijnheer! Gij moet er op voorbereid wezen iets te vernemen dat u evenzeer verrassen als grieven zal!”

„Spreek maar op!” riep Allworthy. „Ik heb geen kwaad gedaan en behoef niets te vreezen.”

„Mijnheer,” zeide zij, „die Summers, de zoon van uw vriend, op uwe kosten groot gebragt, die, na een jaar bij u in huis als zoon geleefd te hebben, dáár stierf, aan de pokken, door u diep betreurd werd, en als uw eigen kind begraven werd,—die Summer, mijnheer, was de vader van dien jongen!”

„Hoe!” riep Allworthy; „nu spreekt gij u toch tegen!”

„Volstrekt niet, mijnheer,” hernam zij. „Hij was inderdaad de vader van den jongen;—maar ik was de moeder niet.”

„Pas op wat gij zegt, mevrouw!” riep Allworthy. „Maak u aan geene onwaarheid schuldig, ten einde u van eene misdaad vrij te pleiten. Vergeet niet, dat er Eén is, voor wiens regterstoel de leugen slechts de schuld vermeerdert.”

„Wezenlijk, mijnheer,” hernam zij, „ik ben zijne moeder niet,—en om alles ter wereld, zou ik dat niet willen zijn.”

„Ik weet welke reden gij hebt om dat te zeggen, en het zal mij evenzeer als u verheugen, als het blijkt dat gij waarheid spreekt; maar herinner u, dat gij mij eens bekend hebt, dat het zóó was.”

„Ik heb in zoo ver de waarheid gezegd,” antwoordde zij, „dat ik het was, die het kind in uw bed legde;—ik legde het daar neder op bevel zijner moeder;—op haar bevel hield ik mij alsof het mijn zoontje was;—en door hare mildheid achtte ik me ruim beloond voor mijne geheimhouding en voor de schande, welke ik op mij nam.”

„Maar wie was toch die vrouw?” vroeg Allworthy.

„Ik durf waarlijk haar naam haast niet te noemen,” hernam mevrouw Waters.

„Na deze inleiding gis ik dat zij ééne mijner bloedverwanten was?” riep Allworthy.

„Inderdaad—eene uwer naastbestaanden,” riep zij.

Bij deze woorden schrikte Allworthy en mevrouw Waters hervatte; „Gij hadt eene zuster, mijnheer!”

„Eene zuster!” riep hij, verbleekende.

„Zoo waar er een God in den Hemel is,” zeide zij, „was uwe zuster de moeder van dat kind, hetwelk gij in uw bed vondt.”

„Is het mogelijk?” riep hij. „Mijn hemel!”

„Een oogenblik geduld, mijnheer,” hervatte mevrouw Waters, „en ik zal u de geheele geschiedenis vertellen.—Kort na uw vertrek naar Londen, kwam mejufvrouw Brigitta op zekeren morgen bij mijne moeder aan huis. Het behaagde haar te zeggen, dat zij vernomen had, dat ik alle meisjes in de buurt in opvoeding en verstand verre overtrof, en zij beval mij bij haar te komen, waar zij mij bezigde om haar voor te lezen. Zij toonde veel voldoening over de wijze, waarop ik mijne taak vervulde, en gaf mij eenige rijke geschenken. Eindelijk begon zij mij te vragen, of ik een geheim bewaren kon, waarop ik haar zoo gerust stelde, dat zij na de deur van hare kamer op slot te hebben gedaan, mij in haar kabinetje bragt, dat zij ook afsloot, en mij toen zeide, dat zij mij een groot bewijs van haar vertrouwen op mijne eerlijkheid wilde geven, door mij een geheim mede te deelen, waarmede hare eer, en dus ook haar leven gemoeid was. Zij brak toen af en hervatte eerst na eenige oogenblikken van stilte, gedurende welke zij zich de tranen afdroogde, door mij te vragen, of men ook in mijne moeder vertrouwen stellen kon? Ik hernam dat ik met mijn leven voor haar borg wilde blijven. Zij openbaarde mij daarop het groote geheim dat haar bezwaarde,—wat, naar ik geloof, haar pijnlijker viel dan de latere barensweeën. Er werd afgesproken, dat mijne moeder en ik haar zouden bijstaan, en dat jufvrouw Wilkins tegen dien tijd uit den weg gezonden zou worden,—zooals gebeurde, door haar naar een uithoek van het graafschap Dorset te zenden, om daar naar eene dienstbode te vernemen. De dame had ook reeds drie maanden te voren hare eigene kamenier ontslagen, gedurende welken tijd ik op de proef bij haar bleef, zooals voorgegeven werd, terwijl zij later verklaarde, dat ik te onhandig was om bij haar te blijven. Dit en veel meer van dezen aard, zeide zij om alle vermoedens van den kant van de huishoudster te voorkomen,—als ik bekende dat ik de moeder van het kind was; want zij begreep, dat men nooit gelooven zoude, dat zij het waagde kwaad te spreken van een meisje, dat eenig geheim van zooveel gewigt van haar kende. Gij zult wel gelooven, mijnheer, dat ik zwaar betaald werd voor deze grieven, en daar ik de aanleiding daartoe kende, was ik er best mede tevreden. Inderdaad, de dame was banger voor jufvrouw Wilkins dan voor iemand anders,—niet dat zij niet van haar hield,—maar omdat zij dacht dat zij buiten staat was om een geheim te bewaren,—vooral tegenover u, mijnheer;—want ik heb jufvrouw Brigitta dikwerf hooren zeggen, dat als de huishoudster een moord begaan had, zij het niet zou kunnen laten alles aan u te biechten. Eindelijk kwam de langverwachte dag en jufvrouw Wilkins, die al eene week gereed was om te vertrekken, maar die telkens, onder allerlei voorwendselen, opgehouden werd, om te beletten dat zij te vroeg zou terugkeeren, werd de deur uitgezonden. Het kind werd geboren in het bijzijn van mij en van mijne moeder alleen, en werd naar ons huis gebragt, waar het bewaard werd tot den avond van uw terugkomst, toen ik, op bevel van jufvrouw Brigitta, het in het bed legde, waar het door u gevonden werd. Elk vermoeden werd dan ook later voorkomen door de listige houding van uwe zuster, die veinsde den jongen ongenegen te zijn, en dat alle welwillendheid, welke zij jegens hem betoonde, alleen aan inschikkelijkheid voor u toe te schrijven was.”

Mevrouw Waters betuigde met de meeste plegtigheid dat dit verhaal stipt waar was, en eindigde met te zeggen: „Dus hebt gij, mijnheer, uw neef ontdekt,—want voor zoodanig zult gij hem zeker verder houden,—en ik twijfel niet dat hij onder dien naam u eer zal aandoen en uw geluk vermeerderen.”

„Mevrouw,” zei Allworthy, „ik behoef u niet te zeggen hoe verbaasd ik sta over al wat gij mij vertelt, en zeker zoudt gij zoovele kleine omstandigheden niet hebben kunnen bedenken, om eene onwaarheid ingang te doen vinden. Ik beken ook dat ik mij sommige kleinigheden dienaangaande herinner, welke mij vroeger deden denken dat mijne zuster ingenomen met hem was. Ik sprak er over met haar; want ik hield zoo veel van dien jongen, zoowel om zijn eigen wil als om dien van zijn vader, dat ik gaarne er in toegestemd zou hebben hen gehuwd te zien; maar zij drukte zoo veel verontwaardiging uit over hetgeen zij eene beleedigende veronderstelling noemde, dat ik er verder van zweeg.—Goede hemel! Nu, de Voorzienigheid heeft beschikt!—Maar het was toch zeker onvergeefelijk in mijne zuster dit geheim mede in het graf te nemen!”

„Ik verzeker u, mijnheer,” zei mevrouw Waters, „dat zij steeds verklaarde dat niet te zullen doen, en zij betuigde mij dikwerf, dat zij voornemens was u ééns alles te openbaren. Zij zeide ook, zich zeer gelukkig te gevoelen dat zij in hare list zoo goed geslaagd was, en omdat gij vrijwillig zoo gehecht waart geworden aan het kind, dat er geene haast was met u alles te zeggen. O, mijnheer, als die arme dame het had moeten beleven, den ongelukkigen jongen als een schelm door u te zien wegjagen, als zij had moeten toezien, dat gij zelf een zaakwaarnemer gebezigd hadt om hem wegens een moord te vervolgen, waaraan hij geheel onschuldig is,—vergeef mij als ik het zeg, mijnheer Allworthy;—maar dit laatste was wreed!—Wezenlijk,—men heeft u misleid;—zoo iets heeft hij nooit aan u verdiend!”

„Inderdaad, mevrouw, het is laster van hem, die u verteld heeft dat ik ooit zoo iets gedaan had,” hernam Allworthy.

„Neen, mijnheer,” zeide zij; „begrijp me niet verkeerd:—ik waagde het niet te zeggen, dat gij iets onregtvaardigs begaan wildet. De heer, die bij mij kwam, stelde mij niets oneerlijks voor. Hij zeide slechts, daar hij mij hield voor de vrouw van mijnheer Fitzpatrick, dat als mijnheer Jones mijn echtgenoot vermoord had, ik van geld voor de regtskosten zou voorzien worden door een zeer waardigen man, die, naar hij verzekerde, wel wist tegen welken schurk ik zou moeten optreden. Door dien heer ontdekte ik dat het mijnheer Jones was, die in de gevangenis zat, en die heer is, zooals mijnheer Jones mij verzekert, uw rentmeester Dowling. Ik ontdekte zijn naam op de meest toevallige wijze; want hij wilde hem mij zelf niet openbaren; maar Partridge, die hem aan mijne woning aantrof, den tweeden keer dat hij er kwam, had hem vroeger te Salisbury gekend.”

„En,” vroeg mijnheer Allworthy, met de meeste verbazing, „heeft deze Dowling u verteld, dat ik hulp zou verleenen om Jones in regten te vervolgen?”

„Neen, mijnheer,” hernam zij. „Onregtvaardig mag ik hem niet beschuldigen. Hij zeide, dat ik geholpen zou worden; maar hij noemde geene namen. Maar gij zult het mij ten goede houden, mijnheer, als ik, de omstandigheden in aanmerking nemende, begreep dat het niemand anders kon zijn dan gij.”

„Inderdaad, mevrouw,” riep Allworthy, „door de omstandigheden, ben ik maar al te zeer overtuigd dat er iemand anders in het spel was!—Genadige hemel! Op welke wonderbaarlijke wijze komt soms de grootste en zwartste misdaad aan het licht!—Mag ik u verzoeken mevrouw, te wachten tot de persoon door u genoemd hier komt; ik wacht hem elk oogenblik;—welligt is hij zelfs al in huis.”

Allworthy ging nu naar de deur om een der dienstboden te roepen, toen er iemand in de kamer trad—een heer—mijnheer Dowling echter was het niet;—maar wie—dat zullen wij in het volgende hoofdstuk zien.

HOOFDSTUK VIII.

VERVOLG.

De binnentredende was niemand anders dan de heer Western. Zoodra deze Allworthy zag, begon hij, zonder iets om het bijzijn van mevrouw Waters te geven, met uit te schreeuwen:

„Daar is wat moois bij mij te koop! Ik ben achter fraaije dingen gekomen! Wie drommel zou met eene dochter geplaagd willen worden.”

„Wat is er toch te doen, buurman?” vroeg Allworthy.

„Wat er te doen is?” hernam Western. „Wel! Meer dan genoeg! Terwijl ik me verbeeldde, dat zij begon bij te draaijen;—ja, nadat zij, zoo te zeggen, in zekeren zin beloofd had mij te gehoorzamen en ik hoopte dat er niet anders te doen viel, dan met een notaris de noodige afspraak te maken,—en dan dat alles klaar zou zijn,—wel! Wat denkt gij dat ik ontdekt heb?—Niets anders dan dat die verwenschte kleine feeks mij den heelen tijd voor den gek gehouden heeft en eene briefwisseling onderhield met uw bastaard! Zuster Western, met wie ik ruzie gemaakt had over haar, liet mij dat weten en ik liet hare zakken onderzoeken terwijl zij sliep en hier heb ik een brief, eigenhandig onderteekend door het hoerenkind! Ik had het geduld niet om de helft er van te lezen; want het ding is nog langer dan eene preek van dominé Supple; maar ik zie dat het niets dan verliefdheid bevat,—en wat zou er ook anders in staan? Ik heb haar weder op hare kamer opgesloten en morgen vroeg zend ik haar weder naar buiten, als zij er niet dadelijk in toestemt om te trouwen, en daar zal ik haar op een zolderkamertje houden, op water en brood tot zij dood gaat,—en hoe eerder ik van zulk een bl—— kind af ben hoe beter;—maar waarachtig, daar is zij te taai toe! Zij zal lang genoeg leven om mij te plagen.”

„Mijnheer Western,” hernam Allworthy, „gij weet wel dat ik mij altijd tegen geweld verklaard heb, en gij hebt zelf beloofd er geen te bezigen.”

„Ja wel,” zeide Western; „maar alleen onder voorwaarde, dat zij zonder dwang hare toestemming tot het huwelijk gaf. Wat drommel! Mag ik niet doen wat ik wil met mijne eigene dochter,—vooral als ik niets dan haar best op het oog heb!”

„Nu, buurman” hernam Allworthy, „als gij mij verlof wilt geven, zal ik het eens op mij nemen met de jongedame te praten.”

„Zoo!” riep Western; „wel! dat is vriendschappelijk en lief en misschien zult gij meer van haar gedaan krijgen dan ik; want ik verzeker u dat zij goed over u denkt.”

„Best,” hernam Allworthy, „als gij dan nu naar huis wilt gaan en de jonge dame weder in vrijheid stellen, zal ik binnen het half uur mijne opwachting bij haar komen maken.”

„Maar verondersteld eens dat zij binnen dien tijd wegloopt?” zei Western. „Want Dowling vertelt mij dat er geene kans meer bestaat om dien kerel te doen opknoopen;—daar zijn tegenstander leeft en wel beter zal worden, en hij denkt dat Jones heel spoedig weder op vrije voeten gesteld zal zijn.”

„Hoe?” vroeg Allworthy. „Hebt gij dan Dowling gebruikt om onderzoek te doen, of iets in die zaak te ondernemen?”

„Wel neen! Ik niet!” antwoordde Western. „Hij vertelde het mij zelf zoo straks, uit eigene beweging.”

„Zoo straks?” vroeg Allworthy. „Waar hebt gij hem gezien? Ik moet juist nu noodzakelijk mijnheer Dowling spreken.”

„Wel, als gij verkiest, kunt gij hem aan mijne woning vinden;—want dáárkomen een stuk of wat van die regtsgeleerden bijeen, om over een hypotheek te spreken.—Verdraaid! Ik vrees dat ik bij de drie duizend pond verliezen zal door toedoen van dien eerlijken mijnheer Nightingale!”

„Nu, vriend,” hernam Allworthy, „binnen het half uur zal ik bij u zijn.”

„Volg dan eens van uw leven den raad van een dwaas op, en beproef het niet haar met zachtheid te behandelen;—want, geloof mij, dat zou nooit gelukken. Daar ben ik al lang genoeg aan den gang mee geweest! Gij moet haar een schrik aanjagen; anders zal het niets helpen. Zeg haar, dat ik haar vader ben, en hoe verschrikkelijk het is zijn ouders ongehoorzaam te zijn en hoe zwaar dat hiernamaals bestraft wordt;—en maak haar ook bang, door de bedreiging van haar levenslang op zolder te zetten, op water en brood!”

„Ik beloof u mijn best te doen,” hernam Allworthy; „want ik verzeker u dat ik niets vuriger verlang dan het lieve meisje in mijne familie opgenomen te zien.”

„Nu ja,” hernam de landjonker; „de meid is zoo kwaad niet, en een mensch zou ver kunnen zoeken en nog slechter er af komen dan bij haar, dat durf ik zeggen, al is het van mijne eigene dochter! En als zij slechts gehoorzamen wil, is er geen vader honderd mijlen in den omtrek, die meer van zijne dochter houdt dan ik; maar ik zie dat gij het druk hebt met de dame hier; dus ga ik naar huis om u af te wachten en blijf inmiddels uw onderdanige dienaar!”

Zoodra mijnheer Western weg was, zeide mevrouw Waters:

„Naar ik zie, mijnheer, weet mijnheer Western volstrekt niet meer wie ik ben. Ik geloof ook, mijnheer Allworthy, dat gij mij niet herkend zoudt hebben. Ik ben zeer veranderd sedert dien dag, waarop gij mij zoo veel goeden raad gaaft,—welken ik tot mijn ongeluk, in den wind sloeg.”

„Ik verzeker u, mevrouw,” hernam Allworthy, „dat het mij zeer leed deed toen ik dat voor het eerst vernam.”

„Mijnheer,” hernam zij, „ik werd door een afschuwelijk sluw bedacht plan te gronde gerigt, en als gij het kendet (hoewel ik niet voorgeef dat het mij in uwe oogen zou regtvaardigen) zou het ten minste mijn slecht gedrag verschoonen, en uw medelijden opwekken. Het ontbreekt u thans aan tijd om de geheele geschiedenis te vernemen; maar ik verzeker u, dat ik door de plegtigste beloften van een huwelijk verraden werd;—ja, in het oog des hemels, was ik al gehuwd; want, na veel daarover gelezen te hebben, ben ik overtuigd dat zekere plegtigheden alleen vereischt worden om een huwelijk op aarde te wettigen en slechts een wereldsch doel hebben, als zij eene vrouw de voorregten eener echtgenoote toekennen; terwijl die vrouw, welke een man getrouw blijft, na plegtig in stilte met hem verloofd te zijn,—wat ook de wereld er van zegge,—weinig gedaan heeft om haar geweten te bezwaren.”

„Het spijt mij, mevrouw,” zei Allworthy, „te zien dat gij zulk een verkeerd gebruik van uwe geleerdheid maakt. Het ware veel beter voor u geweest als gij veel meer geweten hadt,—of geheel onwetend gebleven waart. En, ik geloof ook, mevrouw, dat gij meer dan deze ééne zonde te verantwoorden hebt.”

„Zoolang hij leefde,” hernam zij, „en dat was een twaalftal jaren, kan ik u plegtig van het tegendeel verzekeren. Bedenk ook, mijnheer, wat eene vrouw doen kan, die van haar goeden naam beroofd en verlaten is;—en of de liefderijke wereld toelaten zal, dat het afgedwaalde schaap tot het pad der deugd terugkeere, al verlangt zij dat nog zoo zeer? Ik verklaar echter, dat ik het gedaan zou hebben, als het in mijne magt gelegen had; maar de nood dreef mij in de armen van den kapitein Waters, met wien ik, hoewel ongehuwd, vele jaren als vrouw leefde, en wiens naam ik droeg. Ik scheidde van dien heer op den marsch naar Worcester, toen hij tegen de rebellen optrok, en daar ontmoette ik toevallig mijnheer Jones, die mij uit de handen van een ellendeling redde. Inderdaad, hij is een edel mensch! Ik geloof dat er slechts weinige jonge heeren zijn van zijn leeftijd, die minder ondeugden hebben of een twintigste gedeelte van zijne deugden;—ja, ik ben zelfs vast overtuigd, dat hij besloten heeft de weinige ondeugden, welke hij welligt gehad heeft, nu voor goed vaarwel te zeggen.”

„Dat hoop ik,” riep Allworthy, „en ik hoop ook dat hij bij zijn besluit zal blijven. Ik moet ook zeggen, dat ik dezelfde hoop omtrent u koester. Ik stem toe, dat de wereld bij deze gelegenheden geneigd is al te onbarmhartig te zijn; maar de tijd en de volharding komt ook deze afkeerigheid van medelijden,—zooals ik het noemen moet,—te boven;—want hoewel de menschen, niet zoo gereed zijn als de hemel om den berouwhebbenden zondaar te ontvangen,—zal toch aanhoudend berouw zelfs bij de wereld genade vinden. Reken in elk geval daarop, mevrouw Waters, dat als ik vind dat het u ernst is met uwe goede voornemens, het aan geene hulp van mijn kant ontbreken zal, om u daarin te versterken.”

Mevrouw Waters wierp zich thans op de knieën en bedankte hem met een vloed van tranen in de meest hartstogtelijke bewoordingen voor zijne goedheid, welke zij eerder goddelijk dan menschelijk noemde.

Allworthy hief haar op, sprak haar op de meest liefderijke wijze toe, en gebruikte al zijne welsprekendheid om haar troost in te spreken, toen hij gestoord werd door het binnentreden van mijnheer Dowling, die, zoodra hij mevrouw Waters zag, schrikte en eenige verlegenheid liet blijken; hij herstelde echter weldra eenigzins en zeide dat hij haast had om eene bijeenkomst bij te wonen bij mijnheer Western; maar dat hij het voor pligt had gehouden mijnheer Allworthy eerst het advies van den advokaat te komen mededeelen in de zaak waarover hij hem gesproken had, hetwelk luidde, dat er geene kwestie kon zijn van eene criminele vervolging wegens het zich toeëigenen van het geld; maar dat men zijn eigendomsregt voor de burgerlijke kamer kon doen gelden, en als het dáár bleek vóór de Jury, dat de banknoten den eischer toebehoorden, men zeker een vonnis ten zijnen voordeele zou kunnen wachten.

Zonder hierop eenig antwoord te geven, sloot Allworthy de deur digt, en daarop Dowling met een strengen blik naderende, zeide hij:

„Al hebt gij nog zoo veel haast, mijnheer, moet gij mij toch, eer gij weggaat, antwoord geven op een paar vragen.—Kent gij deze dame?”

„Die dame?” vroeg Dowling aarzelend.

Hierop hernam Allworthy op de meest indrukwekkende wijze: „Hoor eens, mijnheer Dowling, als gij eenigen prijs stelt op mijne gunst, of zelfs wenscht nog één oogenblik in mijne dienst te blijven, aarzel dan niet en zoek geene uitvlugten; maar geef rondborstig en trouw antwoord op al wat ik u vraag!—Kent gij deze dame, zeg ik?”

„Ja wel, mijnheer,” antwoordde Dowling; „ik heb die dame wel eens gezien.”

„Waar, mijnheer?”

„In hare eigene woning.”

„Wat deedt gij daar? En wie zond u daarheen, mijnheer?”

„Ik ging daarheen om iets te hooren, mijnheer,—iets omtrent de zaak van mijnheer Jones.”

„En wie zond u er heen, vraag ik?”

„Wie, mijnheer? Wel, mijnheer,—het was mijnheer Blifil, die mij er heen zond.”

„En wat hebt gij aan deze dame omtrent die zaak verteld?”

„Ja—mijnheer! Het is mij onmogelijk om elk woord te herinneren,”—

„Mevrouw, wilt gij zoo goed wezen de herinnering van mijnheer wat op te frisschen?”

„Hij zeide mij, mijnheer,” hernam mevrouw Waters, „„dat als mijnheer Jones mijn man vermoord had, men mij geldelijke ondersteuning zou verleenen, om den moordenaar in regten te vervolgen;—en dat het geld komen zou van een zeer waardigen heer, die wel wist met welk een schurk ik te doen had.” Ik durf op mijne eer te verzekeren, dat dit zijne woorden waren.”

„Is dat zoo, mijnheer?” vroeg Allworthy.

„Ik kan me de juiste woorden niet herinneren,” hernam Dowling; „maar ik geloof wel dat ik iets van dien aard zeide.”

„En was dat op last van mijnheer Blifil?”

„Wel, mijnheer, ik zou zeker niet uit eigene beweging bij mevrouw zijn gegaan, en evenmin zou ik gaarne den mij gegeven last overschreden hebben in eene zaak van dezen aard. Als ik zoo iets zeide, moet dat geweest zijn omdat ik mijnheer Blifil zóó begreep.

„Hoor eens, mijnheer Dowling,” zei Allworthy, „ik beloof u in het bijzijn van deze dame, dat wat gij ook in die zaak op last van mijnheer Blifil gedaan hebt, u vergeven zal worden, mits gij mij de stipte waarheid zegt;—want ik geloof wel, dat gij, zooals gij verklaart, niet uit eigene beweging en zonder eenige aansporing in deze zaak gehandeld zult hebben.—Het was dus ook mijnheer Blifil, die u zond om die twee menschen te Aldersgate te ondervragen?”

„Ja, mijnheer.”

„Nu,—welken last gaf hij u bij die gelegenheid? Bedenk u goed en herhaal, zoo mogelijk, zijne eigene woorden.”

„Wel:—mijnheer Blifil zond mij er op uit om de menschen op te sporen, die het gevecht op straat gezien hadden. Hij zeide te vreezen dat zij door mijnheer Jones, of sommige zijner vrienden, omgekocht zouden worden. Hij zeide, dat bloed bloed eischte, en dat niet slechts diegenen die een moordenaar verbergen, maar ook diegenen, welke iets verzuimen, wat in hunne magt staat, om hem te doen straffen, zijne medepligtigen worden. Hij zeide, dat het hem gebleken was, dat gij zeer verlangdet om den schurk aan den regter over te leveren, hoewel het niet betamelijk was, dat gij zelf tegen hem optraadt,—”

„Heeft hij dat gezegd?” riep Allworthy.

„Ja, mijnheer,—zeker!” hernam Dowling. „Ik zou voor niemand anders ter wereld dan voor u ook zoo ver zijn gegaan.”

„Zoo ver gegaan, mijnheer? Wat bedoelt gij daarmede?” vroeg Allworthy.

„Wel, mijnheer, ik zou niet wenschen, dat gij dacht, dat ik mij, om welke reden ook, aan meineed of omkooping zou willen schuldig maken;—maar, er zijn twee wijzen, waarop men vóór den regter getuigenis afleggen kan. Ik vertelde hun dus, dat als hun het een of ander geboden werd van den anderen kant, zij verzekerd mogten zijn, dat zij niets verliezen zouden door als eerlijke mannen zich aan de waarheid te houden. Ik zeide, dat wij vernomen hadden, dat mijnheer Jones eerst den anderen heer aangevallen had, en dat, als dat waar was, zij het maar zeggen moesten,—en ik wil niet ontkennen, dat ik hun ook een wenk gaf, dat zoo iets niet onvoordeelig voor hen zou wezen.”

„Ja, ja!—gij zijt nog al heel ver gegaan;—dat zie ik nu in!” riep Allworthy.

„Wel, mijnheer,” hernam Dowling, „ik weet zeker dat ik niet bepaaldelijk verlangde, dat zij iets onwaars zouden getuigen;—en ik zou ook niet zoo ver gegaan zijn als ik deed, tenzij om u te verpligten.”

„Ik verbeeld mij, dat gij niet gedacht zoudt hebben mij daarmede te verpligten, als gij geweten hadt dat mijnheer Jones mijn eigen neef was!” merkte Allworthy op.

„Maar het betaamde mij niet, mijnheer, om notitie van iets te nemen, dat gij niet scheent te willen weten,” hernam hij.

„Hoe!” riep Allworthy. „Was het u dan al bekend?”

„Nu, mijnheer,” antwoordde Dowling, „daar gij de waarheid van mij hooren wilt, zal ik ze ook niet meer verbergen. Ja, mijnheer, ik wist het wel;—want het waren bijna de laatste woorden, welke mevrouw Blifil tegen mij zeide, toen ik, aan haar sterfbed, geheel alleen bij haar stond, en zij mij den brief gaf, welken mijnheer van haar ontvangen heeft.”

„Welken brief?” riep Allworthy.

„Den brief, mijnheer, welken ik van Salisbury bragt,” hernam Dowling, „en zelf mijnheer Blifil in handen gaf.”

„Genadige Hemel!” riep Allworthy. „Hoe luidden dan hare woorden? Wat zeide mijne zuster?”

„Zij vatte mijne hand,” hernam hij, „en terwijl zij mij den brief overgaf, zeide zij: „Ik weet naauwelijks wat ik geschreven heb;—zeg aan mijn broeder, dat mijnheer Jones zijn neef is;—mijn zoon—de hemel zegene hem!” En daarop zeeg zij als dood op het kussen terug. Ik riep dadelijk de menschen er bij; maar zij sprak geen woord meer en binnen weinige oogenblikken was alles gedaan.”

Allworthy bleef een oogenblik staan, met ten hemel gewende blikken, en zich daarop tot Dowling keerende, zeide hij: „Hoe zijt gij er toe gekomen, mijnheer, om mij die boodschap te verzwijgen?”

„Gij zult u wel herinneren, mijnheer,” hernam de andere, „dat gij destijds ziek te bed laagt,—en daar ik zeer gehaast was,—wat altijd het geval is,—gaf ik den brief en de boodschap aan mijnheer Blifil, die mij beloofde beide aan u over te brengen,—wat hij mij later verklaarde gedaan te hebben, er bijvoegende dat gij, mijnheer, gedeeltelijk uit vriendschap jegens mijnheer Jones en gedeeltelijk uit eerbied voor de nagedachtenis uwer zuster, niet dulden wildet, dat men er ooit meer een woord van sprak, daar het uw voornemen was de geheele zaak geheim te houden. Daarom, mijnheer,—als gij er mij niet eerst van gesproken hadt, zou ik het zeker nooit gewaagd hebben om er een woord van te reppen, tegen u of iemand anders.”

Wij hebben reeds vroeger opgemerkt dat het mogelijk is tevens de waarheid te spreken en een leugen te zeggen, en dit was thans ook het geval; want Blifil had inderdaad Dowling alles verteld zooals deze het thans herhaalde; maar zonder hem te foppen,—of zelfs zich te verbeelden dat hij daartoe in staat was. De ware beweegredenen tot Dowlings stilzwijgen waren de beloften hem door Blifil gedaan, en daar hij nu best inzag, dat Blifil ze niet meer zou kunnen vervullen, vond hij goed om alles te bekennen, wat hem afgeperst werd door het vooruitzigt op vergiffenis, of door bedreigingen,—door de stem en de blikken van Allworthy en door hetgeen deze reeds ontdekt had,—terwijl hij zoo onverhoeds overvallen werd en geen tijd had om uitvlugten te bedenken.

Allworthy scheen genoegzaam ingelicht door al wat hij gehoord had, en na Dowling het diepste stilzwijgen opgelegd te hebben, bragt hij dien heer zelf naar de deur, om hem te beletten Blifil te spreken, die nu op zijne kamer teruggekeerd was, waar hij zich zat te verheugen over het laatste bedrog jegens zijn oom gepleegd, en weinig vermoedde wat er inmiddels beneden in huis geschied was.

Terwijl Allworthy naar de kamer terugkeerde, ontmoette hij jufvrouw Miller in den gang, die met een bleek en verschrikt gelaat tot hem zeide:

„O, mijnheer, naar ik merk, is die slechte vrouw bij u geweest, en gij weet zeker alles. Maar verlaat toch, om die reden den armen jongen niet! Bedenk, mijnheer, dat hij niet weten kon dat het zijne moeder was, en de ontdekking is al genoeg om hem het hart te breken, ook zonder eenige wreedheid van uwen kant.”

„Jufvrouw,” hernam Allworthy, „ik heb allerlei zaken vernomen, waarover ik verstomd sta. Maar hier kan ik u niet alles vertellen. Kom mede op mijne kamer. Ik heb inderdaad merkwaardige ontdekkingen gedaan, en gij zult alles vernemen.”

De arme vrouw volgde hem bevende; maar Allworthy op mevrouw Waters toetredende, vatte hare hand en op jufvrouw Miller wijzende, vroeg hij: „Hoe zal ik deze dame beloonen voor al de diensten, welke zij mij bewezen heeft? O, jufvrouw Miller, gij hebt mij wel duizendmaal den jongen van wien gij eene zoo getrouwe vriendin zijt, mijn zoon hooren noemen,—zonder dat ik mij echter ooit verbeeldde dat hij eenigzins met mij verwant was. Maar uw vriend jufvrouw, is mijn neef;—de broeder van die slang, welke ik zoolang aan mijn hart heb gekoesterd. Mevrouw Waters zelve zal u de geheele geschiedenis vertellen en hoe het kwam dat de jongen voor haar zoon doorging. Waarlijk, jufvrouw Miller, ik ben overtuigd dat men hem gelasterd, en mij bedrogen heeft;—dat ik bedrogen ben door iemand, dien gij, slechts met al te veel regt, voor een schurk hieldt;—want, inderdaad, hij is een erge schelm!”

De vreugde van jufvrouw Miller over dit berigt, benam haar het vermogen om met woorden hare gevoelens te uiten en zou haar welligt van het verstand,—zoo niet van het leven beroofd hebben,—indien een verzachtende tranenvloed haar niet tijdig verligt had. Eindelijk, toen zij genoegzaam bedaard was om hare stem weder te kunnen gebruiken, riep zij uit:

„Dus is die beste mijnheer Jones uw neef, mijnheer?—En niet de zoon van deze dame? Zijn u ook eindelijk de oogen opengegaan? Zal ik het beleven om hem het geluk te zien genieten, dat hij zoo rijkelijk verdient?”

„Mijn neef is hij, zonder twijfel,” hernam Allworthy, „en ik hoop ook dat al uwe overige wenschen voor hem vervuld zullen worden.”

„En is deze lieve, goede dame de persoon aan wie gij de ontdekking te danken hebt?”

„Ja, werkelijk is dat het geval,” antwoordde Allworthy.

„Nu dan,” riep jufvrouw Miller, zich op de knieën werpende, „moge de hemel zijn rijksten zegen over haar uitstorten, en wegens deze ééne goede daad haar alles doen vergeven, al heeft zij nog zoo veel kwaad bedreven!”

Mevrouw Waters vertelde hun thans, dat zij geloofde dat Jones al heel spoedig weder in vrijheid zou wezen; want dat de geneesheer, door zekeren edelman vergezeld, bij den vrederegter gegaan was, die Jones had doen aanhouden, om te verklaren dat de heer Fitzpatrick buiten gevaar verkeerde, en om hem over te halen den gevangene weder vrij te laten.

Allworthy zeide, dat het hem verheugen zou bij zijne tehuiskomst zijn neef te vinden; maar dat hij nu voor zaken van belang de deur uit moest. Hij liet daarop een draagstoel bestellen en de twee dames bleven verder alleen.

Zoodra mijnheer Blifil vernam dat de draagstoel vóór was, kwam hij naar beneden om zijn oom uit te laten; want hij bleef nooit in gebreke bij zulke plegtigheden. Hij vroeg zijn oom of hij uitging?—wat eene beleefde wijze is van iemand te vragen waarheen hij gaat?—Daar echter de andere hem geen antwoord gaf, vroeg hij weder, hoe laat zijn oom welligt dacht weder te huis te zijn?—Allworthy antwoordde ook hierop met geen enkel woord, tot hij bezig was met in den draagstoel te klimmen, toen hij zich omkeerde en zeide: „Hoor eens, mijnheer, maak dat gij, eer ik weder te huis ben, den brief gevonden hebt, welken mij uwe moeder op haar sterfbed zond!”

Hiermede vertrok hij, Blifil achterlatende in een toestand die slechts benijdenswaardig zou schijnen aan iemand, die naar de galg gaat.

HOOFDSTUK IX.

VERVOLG VAN DE GESCHIEDENIS.

Allworthy nam, terwijl hij in den draagstoel zat, de gelegenheid waar om den brief van Jones aan Sophia te lezen, welken Western hem gegeven had, en vond er eenige uitdrukkingen in over zich zelven, welke hem tranen uit de oogen lokten. Eindelijk bereikte hij de woning van mijnheer Western en werd dadelijk bij Sophia toegelaten.

Na de eerste begroetingen, en toen de heer en de jonge dame beide plaats genomen hadden, volgde er eene stilte van eenige oogenblikken, gedurende welke deze laatste, die door haren vader op het bezoek was voorbereid, met haren waaijer zat te spelen, en vele blijken gaf van verlegenheid op haar gelaat en in hare houding. Eindelijk begon Allworthy, die zelf eenigzins verlegen was, aldus:

„Naar ik vreezen moet, jufvrouw Western, heeft mijn huisgezin u menig benaauwd oogenblik veroorzaakt,—en tot mijn leedwezen, heb ik zelf, op de meest onschuldige wijze meer daartoe bijgedragen, dan ik ooit zou hebben willen doen. Wees verzekerd, mejufvrouw, dat als ik in het begin geweten had, hoe onaangenaam u alles was, ik niet geduld zou hebben dat men u zoo lang plaagde. Ik hoop dus dat gij u niet verbeelden zult, dat het doel van dit bezoek wezen kan om u lastig te vallen met eenig verder aanzoek van dezen aard;—maar integendeel om u voor goed daarvan te bevrijden.”

„Mijnheer,” hernam Sophia, eenigzins bedeesd en aarzelend, „uw gedrag is lief en zeer edelmoedig;—zoodanig als ik alleen van mijnheer Allworthy kon wachten. Daar gij echter de goedheid hebt gehad van deze zaak te spreken,—bid ik u mij te vergeven als ik beken, dat ze me werkelijk veel onrust gebaard heeft, en de aanleiding is geweest tot veel wreedheid van den kant van mijn vader, die vóór dien tijd de teederste en liefderijkste der ouders was. Ik ben echter overtuigd, mijnheer, dat gij te goed en te edelmoedig zijt om het op mij te willen wreken, dat ik de hand van uw neef niet kan aannemen. Onze neigingen zijn niet in onze magt, en hoe groot ook zijne verdiensten mogen wezen, kunnen ze bij mij niets ten zijnen gunste bewerken.”

„Ik verzeker u, mijne lieve,” hernam Allworthy, „dat het niet in mij ligt om zoo iets euvel te duiden,—al ware hij zelf mijn zoon, een zoon, dien ik in alle opzigten hoogachten moest. Want, gij hebt groot gelijk met te zeggen, dat wij onze neigingen niet dwingen kunnen;—en nog veel minder kan iemand anders ze voor ons dwingen.”

„O, mijnheer,” riep Sophia, „elk woord dat gij spreekt bewijst dat gij met regt den naam draagt van goed, groot en weldadig! Ik verzeker u ook, mijnheer, dat niets minder dan het zekere vooruitzigt op toekomstige ellende, mij er toe gebragt zou hebben om de bevelen van mijn vader niet te gehoorzamen.”

„Ik geloof u gaarne, mejufvrouw,” hernam Allworthy, „en wensch u van harte geluk met uwe standvastigheid; want, door zulken regtmatigen wederstand zijt gij inderdaad de grootste ellende ontloopen!”

„Mijnheer Allworthy,” hernam zij, „gij spreekt met eene kieschheid, waartoe slechts weinige menschen in staat zijn;—maar, zeker, naar mijn gevoelen, moet het een ellendig iets wezen, om zijn leven te slijten met iemand jegens wien men onverschillig is;—misschien zou zelfs die ellende vergroot worden door het besef van de groote verdiensten van hem, wien wij onze liefde niet schenken kunnen. Als ik dus met mijnheer Blifil getrouwd ware—”

„Vergeef mij als ik u in de rede val, mejufvrouw,” zei Allworthy; „maar ik kan niet meer aan die veronderstelling denken. Geloof mij, jufvrouw Western, ik verheug mij van ganscher harte,—ja, van ganscher harte, zeg ik, dat gij hem ontsnapt zijt. Ik heb pas ontdekt, dat de man om wien gij deze wreede behandeling van uw vader ondervonden hebt, een schurk is.”

„Hoe, mijnheer?” riep Sophia. „Ik sta verstomd!”

„Het heeft mij ook verbaasd,” hernam Allworthy. „En iedereen zal zich daarover verwonderen. Maar ik heb u niets dan de waarheid verteld.”

„Ik ben ook overtuigd,” antwoordde Sophia, „dat niets anders over de lippen van mijnheer Allworthy zou kunnen komen.—Maar de tijding klinkt zoo vreemd,—zoo onverwacht.—Gij hebt ontdekt dat hij een booswicht is—zegt gij;—moge de ondeugd steeds op die wijze ontmaskerd worden!”

„Gij zult weldra de geheele geschiedenis vernemen,” hernam Allworthy. „Laat ons voor het oogenblik zijn gehaten naam niet meer noemen. Ik heb ook eene andere zaak van zeer gewigtigen aard om u voor te stellen.—Ja, mejufvrouw, ik erken uwe waarde en kan zoo spoedig er niet toe besluiten om de hoop op te geven van u tot mijne familie te rekenen.—Ik heb een naastbestaande, mejufvrouw, een jongeling, die, daarvan ben ik overtuigd, in alle opzigten zeer verschilt van dien ellendeling, en wiens vermogen gelijk zal wezen aan dat wat ik den andere had willen geven.—Mag ik de hoop koesteren, mejufvrouw, dat gij hem vergunnen zult, zijne opwachting bij u te maken?”

Na een kort stilzwijgen, hernam Sophia: „Mijnheer Allworthy, ik zal zoo opregt mogelijk jegens u wezen. Uw karakter en de verpligtingen, welke gij mij thans opgelegd hebt, eischen dat van mijn kant. Ik heb, voor het oogenblik, vast besloten, het oor te leenen aan geen aanzoek van dien aard,—van wien het ook zij. Mijn eenige wensch is om de genegenheid van mijn vader te herwinnen, en om het bestuur over zijn huis weder op mij te nemen. Ik hoop, mijnheer, dat ik dit alles te danken zal hebben aan uw vriendelijken bijstand. Laat mij u bidden,—u smeeken,—in naam van al de goedheid welke ik en anderen van u ooit ondervonden hebben, om, op het oogenblik dat gij mij bevrijd hebt van de eene vervolging, mij niet bloot te stellen aan eene andere,—even wreed en ongelukkig!”

„Inderdaad, mejufvrouw Western,” zei Allworthy, „hebt gij niets van dien aard van mij tevreezen, en als dit uw besluit is, moet hij er zich aan onderwerpen, hoe rampzalig hij ook worden moge bij zulk eene teleurstelling.”

„Mijnheer Allworthy,” riep Sophia, „ik moet wezenlijk glimlagchen als ik u hoor spreken van de rampen van een man, dien ik in het geheel niet ken,—en die ook zeker, om die reden, niet heel veel van mij kennen zal.”

„Vergeef mij, mijne lieve jonge dame,” hernam Allworthy, „als ik u verzeker dat hij u maar al te goed voor zijn toekomstig geluk kent;—want, ik ben overtuigd, dat als ooit een man tot eene opregte, vurige, en deugdzame liefde in staat is geweest,—dit ook het geval is met mijn ongelukkigen neef, ten opzigte van mejufvrouw Western.”

„Een neef van u, mijnheer?” riep Sophia. „Het komt mij vreemd voor, dat ik hem nu voor het eerst hoor noemen!”

„Hij is u alleen als mijn neef onbekend,” hernam Allworthy, „en het is eerst heden, dat ik zelf vernomen heb dat hij mijn neef was.—De heer Jones, die u sedert zoo lang bemint;—hij is mijn neef!”

„Mijnheer Jones,—uw neef?” riep Sophia. „Zou dat mogelijk zijn?”

„Ja, inderdaad!” hernam Allworthy. „Hij is de zoon van mijne eigene zuster,—en als zoodanig zal ik hem steeds erkennen; en schaam mij ook niet dat te doen. Ik schaam mij veel meer over mijn vroeger gedrag ten zijnen opzigte;—maar ik kende evenmin zijne deugden als zijne afkomst. Ik heb hem inderdaad wreed behandeld, jufvrouw Western!—Dat is zeker waar!”—Hier brak de waardige man af, om zich de tranen af te vegen, en hervatte daarop, na eene korte stilte: „Ik zal hem zijn lijden nooit kunnen vergoeden zonder uw bijstand;—geloof mij, mijne lieve, ik weet u naar waarde te schatten. Ik weet ook dat hij veel gedaan heeft, dat niet betaamde; maar dat hij, inderdaad, een uitstekend goed hart heeft!—Geloof mij,—dat is zoo!”

Hier brak hij weder af, schijnbaar op antwoord wachtende, en Sophia, zoodra zij eenigzins hersteld was van de ontroering, welke deze vreemde en onverwachte tijding opwekte, zeide dan ook:

„Ik wensch u van harte geluk, mijnheer, met eene ontdekking, welke, naar het schijnt, u zoo gelukkig maakt. Ik twijfel ook niet dat ze u al het geluk zal opleveren, hetwelk gij u voorstelt. Die jonge heer bezit zeker zeer vele goede hoedanigheden, welke het onmogelijk maken, dat hij zich niet goed zou gedragen tegenover zulk een oom als hij gevonden heeft.”

„Ik vertrouw ook dat hij die goede hoedanigheden bezit, mejufvrouw,” hernam Allworthy, „welke hem tot een goed echtgenoot zullen maken. Hij moest ook inderdaad de slechtste der menschen wezen, als—indien eene zoo begaafde dame als gij zijt—”

„Vergeef mij, mijnheer Allworthy,” riep Sophia, „dat ik naar geen voorstel van dien aard luisteren kan. Ik ben van de groote verdiensten van mijnheer Jones overtuigd; maar ik kan hem nooit ontvangen als iemand, die tot mijn echtgenoot bestemd is.—Op mijn woord, dat kan nooit gebeuren!”

„Duid mij niet euvel, mejufvrouw,” hernam Allworthy, „als ik eenige verwondering toon,—na al wat ik van mijnheer Western gehoord heb.—Ik hoop toch dat de ongelukkige jongen niets gedaan heeft om uwe gunst te verbeuren, als hij ooit zoo gelukkig geweest is ze te genieten.—Misschien heeft men hem evenzeer bij u belasterd als bij mij. Dezelfde schurkenstreken kunnen hem overal benadeeld hebben.—Ik verzeker u dat hij geen moordenaar is, zooals men hem genoemd heeft.”

„Mijnheer Allworthy,” hernam Sophia, „ik heb u mijn besluit medegedeeld. Ik verwonder me niet over hetgeen mijn vader u welligt verteld heeft; maar wat hij ook vermoed, of gevreesd heeft,—als ik mijn eigen hart ken, heb ik geene aanleiding daartoe gegeven, daar het altijd bij mij vast gestaan heeft, dat ik nooit een huwelijk zou aangaan, zonder zijne toestemming. Ik houd dit voor pligt van een kind tegenover zijne ouders, en ik hoop dat niets ter wereld mij ooit zou kunnen overhalen om daarvan af te wijken. Ik zie, wel is waar, ook niet in, dat de ouders ons dwingen mogen regtstreeks tegen onze neiging in het huwelijk te treden. Om zulk een dwang te vermijden, welken ik alle reden had te duchten, verliet ik het ouderlijke huis, en zocht elders bescherming. Dit is de geheele waarheid, en als de wereld, of mijn eigen vader, mijne bedoelingen miskennen, zal mijn eigen geweten mij steeds vrijspreken.”

„Ik hoor en bewonder u tegelijk, mejufvrouw Western,” hernam Allworthy. „Ik bewonder de juistheid uwer inzigten;—maar zeker komt er nog iets bij dit alles. Ik zou vreezen u te beleedigen, mejufvrouw; maar moet ik al wat ik tot dusver gehoord en gezien heb, als een droom beschouwen? En hebt gij zooveel wreedheid van uw vader uitgestaan alleen om den wille van een man, die u geheel onverschillig was?”

„Ik smeek u, mijnheer Allworthy,” hernam Sophia, „niet naar al mijne redenen te vragen!—Ja, ik heb geleden;—inderdaad,—neen, mijnheer Allworthy, ik wil voor u niets verzwijgen,—ik wil geheel opregt met u wezen;—ik beken, dat ik zeer gunstig over mijnheer Jones dacht,—ik geloof,—ik weet, dat ik daardoor zeer veel geleden heb;—mijne tante, zoowel als mijn vader, heeft mij daarom zeer wreed behandeld;—maar dat is thans alles voorbij;—ik smeek u niet verder bij mij aan te dringen;—want wat er ook gebeurd moge zijn, mijn besluit is nu genomen. Uw neef, mijnheer, heeft vele deugden;—zeer vele deugden, mijnheer Allworthy! Ik twijfel er ook niet aan, of hij zal u in de wereld eer aandoen,—en u gelukkig maken—”

„Ik wenschte hem gelukkig te maken, mejufvrouw,” zei Allworthy; „maar ik ben overtuigd, dat zulks alleen in uwe magt is,—en het is die overtuiging, welke mij zoo ernstig voor hem doet pleiten!”

„Wezenlijk, mijnheer,” hernam Sophia, „men heeft u misleid,—ik hoop niet, dat hij u misleid heeft,—het moest genoeg voor hem wezen mij misleid te hebben;—maar, mijnheer Allworthy, ik moet er op staan, dat gij niet verder bij mij aandringt.—Het zou mij spijten—neen, ik wil hem niet in uwe oogen benadeelen! Ik wensch mijnheer Jones al wat goed is, toe;—het allerbeste!—en ik herhaal, dat welke grieven ik tegen hem hebben moge, ik ook overtuigd ben van zijne vele uitstekende hoedanigheden. Ik loochen mijne vroegere gevoelens niet; maar ik kan ze nooit weder voor hem koesteren. Op het oogenblik is er geen man ter wereld, wiens hand ik met meer standvastigheid zou weigeren, dan die van mijnheer Jones;—zelfs het aanzoek van mijnheer Blifil kon mij niet onaangenamer zijn!”

Western was al lang ongeduldig geweest om den afloop van dit onderhoud te vernemen, en stond nu te luisteren aan het sleutelgat, waar hij, slechts de laatste woorden van zijne dochter vernomen hebbende, in drift geraakte, de deur open deed en in zijne woede uitriep:

„Dat is een leugen! Een verd— leugen! Dat komt alles van dien verwenschten schelm van een Jones! Als zij hem maar krijgen kon, zou zij ten allen tijde gereed zijn!”

Hier viel hem Allworthy in de rede en zich eenigzins vertoornd tot den landjonker wendende, zeide hij: „Mijnheer Western, gij vergeet, dat gij mij beloofd hebt tot geen geweld uwe toevlugt te nemen!”

„Nu dat heb ik ook zoo lang mogelijk volgehouden,” riep Western; „maar ik kan al die vervloekte leugens niet aanhooren!—Wat drommel! Verbeeldt zij zich dat zij alle menschen zoo voor den gek kan houden, als zij met mij gedaan heeft?—Neen, neen! Gij kent haar niet zoo goed als ik dat doe!”

„Het spijt mij zeer, mijnheer,” hernam Allworthy, „dat het uit uw gedrag tegenover deze jonge dame in ’t geheel niet blijkt, dat gij haar kent. Ik vraag verschooning voor hetgeen ik zeggen moet; maar gevoel mij daartoe geregtigd door onze gemeenzaamheid met elkaar, door uwe eigene wenschen en door de omstandigheden. Zij is uwe dochter, mijnheer Western, en naar mijn gevoelen, doet zij u eer aan. Als ik iemand om iets benijden kon, zou ik u eerder om die reden dan om wat ook ter wereld benijden!”

„Wat drommel!” riep de landjonker; „ik wou maar van ganscher harte dat zij uwe dochter ware!—Gij zoudt al heel spoedig wenschen weer van haar af te zijn!”

„Wezenlijk, waarde vriend,” hernam Allworthy, „gij hebt niemand anders dan aan u zelven al het verdriet dat gij ondervindt, te wijten. Stel in de jonge dame het vertrouwen, dat zij verdient, en ik ben zeker dat gij de gelukkigste vader ter wereld zult wezen!”

„Ik vertrouwen in haar stellen!” riep de landjonker. „Wel ja! Hoe zou ik vertrouwen in haar stellen zoo lang zij niet doen wil wat ik verlang? Als zij maar hare toestemming geeft om te trouwen naar mijn zin, zal ik haar verder zoo veel vertrouwen als gij wilt!”

„Gij hebt het regt niet, buurman,” hernam Allworthy „om hare toestemming te eischen. Uwe dochter kent u het regt toe om uwe toestemming te weigeren,—en dat is ook alles wat God en de natuur u gegeven heeft.”

„Het regt om mijne toestemming te weigeren!” brulde de andere. „Ja, ja! Ik zal je laten zien, of ik een regt heb! Pak je maar weg, naar je kamer, gij koppige—”

„Mijnheer Western,” kwam Allworthy tusschenbeide, „gij behandelt haar werkelijk al te wreed!—Ik kan zoo iets in mijn bijzijn niet dulden.—Gij zult en moet haar beter behandelen! Want zij verdient ook de meest liefderijke behandeling!”

„Ja, ja!” hernam de landjonker. „Ik weet wat zij verdient.—Kijk eens hier, mijnheer;—nu zij weg is, zult gij het zien! Daar hebt ge een brief van mijne nicht, Lady Bellaston, waarin zij de goedheid heeft mij te kennen te geven, dat die kerel weêr uit de gevangenis los geraakt is, en mij den raad geeft zoo goed mogelijk op het meisje te passen. Wat drommel, buurman! Gij weet niet wat het is op eene dochter te moeten passen!”

De landjonker eindigde dezen uitval met eenige complimenten aan zijne eigene scherpzinnigheid, en Allworthy, na eene gepaste inleiding, maakte hem thans bekend met al wat hij ontdekt had van Jones, met zijne verontwaardiging tegen Blifil en met alle bijzonderheden, welke de lezer in de vorige hoofdstukken vernomen heeft.

Menschen, die al te driftig zijn, zijn ook over het algemeen, even veranderlijk van aard. Zoodra de heer Western vernam dat Allworthy voornemens was Jones tot zijn erfgenaam te maken, vereenigde hij zich opregt met den oom om dien neef te roemen, en hij verlangde thans evenzeer Sophia aan Jones uit te huwen als vroeger aan Blifil.

Maar de heer Allworthy moest hem nu weder in de rede vallen en herhalen wat er voorgevallen was in het onderhoud, dat hij pas met Sophia had gehad, waarover Western zijne groote verwondering te kennen gaf.

Met verwilderde blikken bewaarde hij een oogenblik het stilzwijgen, maar riep daarop uit: „Wel! Wat beteekent dit, buurman? Ik wil er een eed op zweren, dat zij van hem hield!—Wat drommel! Ja, ik heb het gevonden! Zoo waar ik leef, ik heb den spijker op den kop getroffen. Het is alles het werk van mijne zuster! Zij heeft het meisje verzot gemaakt op dien beroerden lord! Ik vond hen te zamen bij mijne nicht, Lady Bellaston! Hij heeft haar het hoofd op hol gebragt,—dat is zeker maar; verd— als hij haar krijgen zal!—Ik wil noch lords noch hovelingen in mijn huis hebben!”

Allworthy hield thans eene lange redevoering, waarin hij zijn besluit herhaalde om geene maatregelen van geweld te zullen dulden, terwijl hij den heer Western met den meesten ernst de grootste zachtheid aanried, als het beste middel om bij zijne dochter te slagen. Daarop nam hij afscheid van hem, en ging terug bij jufvrouw Miller, maar moest het dringende verzoek van den landjonker toestaan, om Jones dien namiddag bij hem te brengen, ten einde zich, zooals hij het uitdrukte, „met den jongen te kunnen verzoenen.”

Bij het vertrek van mijnheer Allworthy, beloofde Western zijn raad te volgen ten opzigte van zijn gedrag jegens Sophia, terwijl hij zeide: „Ik weet niet hoe ’t komt, Allworthy, maar verdraaid, als gij mij niet altijd juist alles laat doen wat u goed dunkt, en toch heb ik even veel geld als gij en ben, even als gij, vrederegter!”

HOOFDSTUK X.

DE GESCHIEDENIS NADERT DE ONTKNOOPING.

Bij de terugkomst van den heer Allworthy in zijne woning, vernam hij dat mijnheer Jones juist vóór hem dáár aangekomen was. Hij haastte zich dus in eene kamer te gaan, waar zich niemand anders bevond en beval dat de heer Jones dadelijk alleen bij hem komen zou.

Het is onmogelijk zich een treffender of aandoenlijker tooneel voor te stellen dan de ontmoeting tusschen den oom en zijn neef; want mevrouw Waters, zooals men begrijpen zal, had hem bij haar laatste bezoek het geheim zijner geboorte medegedeeld. Het gaat dan ook mijne magt te boven om de eerste uitbarstingen van de wederzijdsche vreugde te beschrijven, en ik zal het dus niet beproeven.

Allworthy had Jones, die zich aan zijne voeten geworpen had, opgerigt, en klemde hem in de armen, terwijl hij uitriep: „O, mijn kind, hoeveel heb ik mij niet te verwijten! Wat heb ik u wreed behandeld! Welke vergoeding kan ik u ooit schenken voor die hatelijke, onbillijke verdenkingen, die ik gekoesterd heb, en voor al het lijden u daardoor berokkend?”

„Is mij dat alles nu niet vergoed?” riep Jones. „Al had ik tienmaal zooveel geleden, zou mij dat nu niet rijkelijk vergoed zijn? O, waardste oom, uwe goedheid overweldigt mij, verplettert mij geheel en al! Ik kan de verrukking niet dragen, die me nu overstelpt! Om nogmaals bij u te mogen wezen,—om hersteld te zijn in uwe gunst,—om weder door mijn grooten, edelen, onvergelijkelijken weldoener in genade opgenomen te worden!”

„O, mijn zoon,” zeide Allworthy, „ik heb u wezenlijk al heel wreed behandeld!”—Hierop legde hij hem het verraad van Blifil uit, en herhaalde de uitdrukkingen van zijn diep leedwezen, dat hij zich daardoor had laten verleiden om Jones zoo te miskennen.

„Praat daar niet van, oom,” hernam Jones; „gij hebt mij inderdaad altijd met de meeste edelmoedigheid behandeld. De wijsste der stervelingen had zóó kunnen bedrogen worden, en slechts de beste zou in die omstandigheden gehandeld hebben als gij. Uwe goedheid was blijkbaar te midden van uwe verontwaardiging,—hoe billijk die u toen nog scheen. Ik heb alles te danken aan uwe goedheid, die ik geheel onwaardig was. Dwing mij niet om mijzelven te beschuldigen, door uwe edelmoedigheid te overdrijven. Helaas, oom, ik ben niet zwaarder gestraft dan ik verdiend had, en het zal de taak van mijn leven zijn om mij voortaan het geluk waardig te maken dat gij mij schenkt; want, geloof me, beste oom, de straf welke ik ondervonden heb, is niet verspild. Hoewel ik een groot zondaar ben, ben ik niet verhard, en ik dank den hemel dat ik den tijd heb gehad om over het verledene na te denken, en hoewel ik me niet schuldig weet aan eenige groote schurkenstreek, heb ik dwaasheden en fouten genoeg begaan om mij er over te schamen en berouw te gevoelen;—dwaasheden, welke de verschrikkelijkste gevolgen voor mij hebben gehad, en mij tot den rand van het verderf gebragt hebben.”

„Het verheugt mij, waarde jongen,” hernam de heer Allworthy, „u zoo verstandig te hooren spreken;—want daar ik overtuigd ben, dat de huichelarij (hoe heb ik me toch zóó kunnen laten misleiden door die van anderen?) niet onder uwe gebreken is, schenk ik gaarne geloof aan hetgeen gij verklaart. Gij ziet nu in, Tom, aan welke gevaren de onvoorzigtigheid de deugd (welke ik weet dat gij bemint) blootstellen kan! De voorzigtigheid is inderdaad een pligt, welken wij ons zelven verschuldigd zijn, en als wij ons zelven tot vijand worden door ze te verwaarloozen, moeten wij ons niet verwonderen als de wereld zich aan hetzelfde pligtverzuim ten onzen opzigte schuldig maakt;—want als iemand den grondslag legt tot zijn eigen ongeluk, is het te vreezen dat anderen slechts al te zeer geneigd zullen zijn, verder daarop voort te bouwen. Gij beweert echter uwe dwalingen ingezien te hebben, en ze voortaan te zullen vermijden. Ik geloof u onvoorwaardelijk, mijn jongen, en van dit oogenblik af, zult gij er van mij niets meer over vernemen. Gedenk ze alleen zelf in zoo ver, dat gij in de toekomst u herinnert ze niet meer te begaan; maar herinner u tevens, tot uw troost, dat er een groot onderscheid bestaat tusschen de dwaasheden, welke men uit onvoorzigtigheid begaat en die, welke alleen aan slechtheid toe te schrijven zijn. De eersten zullen den mensch welligt ligter ongelukkig maken; maar, als hij zich betert, zal hij toch eindigen met zijn goeden naam te herwinnen;—de wereld zal met der tijd, hoewel niet dadelijk, zich met hem verzoenen, en hij mag de gevaren, welke hij ontgaan is, niet zonder eenig welgevallen, herdenken. Maar de slechtheid, mijn jongen, als ze eens ontmaskerd wordt, is reddeloos verloren; de smetten, welke zij achterlaat, kunnen niet uitgewischt worden;—de tijd kan ze niet doen verbleeken. Het afkeurend oordeel der menschen zal den ellendeling vervolgen; hunne minachting zal hem in het openbaar beschamen, en als de schande hem dwingt de afzondering te zoeken, zal hij er zijn toevlugt in zoeken met denzelfden schrik als een vermoeid kind, dat spoken vreest, en alléén naar bed moet gaan. Zijn beangstigd geweten zal hem daar steeds pijnigen. De rust, als een ontrouwe vriend, zal hem in den nood verlaten. Waarheen hij ook de oogen wende, zal hij niets dan het afgrijsselijke zien. Als hij omkijkt, treedt hem nutteloos berouw op de hielen;—als hij vooruit ziet, staart hem de vreesselijke wanhoop in het aangezigt, totdat hij, als een tot den dood veroordeelde gevangene in de cel, zijn tegenwoordigen toestand verfoeit en toch schrikt voor het uur, dat hem daaruit bevrijden zal. Acht u gelukkig, mijn kind, zeg ik, dat dit uw geval niet is, en verheug u, dankbaar, dat de hemel u uwe dwalingen heeft doen inzien eer ze u den ondergang berokkend hadden, welke u dreigde, als gij daarin volhard hadt. Gij hebt ze thans verzaakt, en het vooruitzigt is zoodanig, dat het geluk in uw bereik schijnt te wezen.”

Op deze woorden slaakte Jones een zwaren zucht, en toen Allworthy hem ondervroeg, zeide hij: „Oom, ik zal niets voor u verbergen. Ik vrees dat mijne ondeugden één noodlottig gevolg hebben gehad, dat onherstelbaar is. O waarde oom, ik heb een schat verloren—”

„Ge behoeft geen woord meer daarover te spreken,” antwoordde Allworthy: „ik weet wat gij betreurt;—ik heb de jonge dame gezien en haar over u onderhouden. Ik moet thans ook, als een blijk van uwe opregtheid en van uwe standvastigheid, in één opzigt eischen dat gij mij gehoorzaamt: namelijk, dat gij berust in het besluit der jonge dame, hetzij ten uwen gunste, of omgekeerd. Zij heeft reeds genoeg geleden door een aanzoek waaraan ik niet meer denken kan;—zij zal om den wille van mijne familie aan geen verderen dwang onderworpen worden. Ik weet dat haar vader thans even gereed zal wezen om haar om uwentwil te plagen, als hij het vroeger was om den wille van een ander;—maar ik heb vast besloten dat zij niet meer opgesloten zal worden,—en onder geen geweld of plagerij meer zal bukken.”

„O, waarde oom,” riep Jones, „ik bid u, eisch gehoorzaamheid van mij in eene zaak, welke moeijelijker valt! Geloof mij, het eenige waarin ik u ooit zou kunnen ongehoorzaam wezen, zou zijn in het veroorzaken van slechts één oogenblik van onrust aan mijne Sophia! Neen, oom, als ik het ongeluk heb gehad, om haar te mishagen in een graad, die haar belet mij ooit vergiffenis te schenken, dat alleen, met de droevige herinnering van haar ooit eenige onrust veroorzaakt te hebben, zal genoeg wezen om mij te verpletteren. Sophia de mijne te mogen noemen is de grootste en thans de eenige zegen, welken de hemel mij nog schenken kan;—maar een zegen, welken ik haar alleen te danken wil hebben.”

„Ik mag u niet vleijen, mijn jongen,” zei Allworthy; „ik vrees dat uw kans wanhopig staat;—ik heb nooit sterkere blijken van een onveranderlijk besluit gezien, dan toen zij met zoo veel drift verklaarde dat zij uw aanzoek van de hand moest wijzen;—en dat kunt gij welligt beter dan ik zelf verklaren.”

„O, waarde oom, ik kan het maar al te goed verklaren,” riep Jones. „Ik heb zoo tegen haar gezondigd, dat ik op geene vergiffenis hopen kan;—en hoe schuldig ik ook ben, ongelukkig moet mijne schuld in hare oogen tienmaal zwaarder schijnen dan ze wezenlijk is. Ja, beste oom, ik zie dat de gevolgen mijner dwaasheid onherstelbaar zijn, en al uwe goedheid kan mij niet van den ondergang redden!”

Op dit oogenblik kwam een der dienstboden zeggen, dat mijnheer Western beneden was; want hij was zoo ongeduldig dat hij niet wachten kon tot den namiddag om Jones te zien. Deze, wien de tranen in de oogen stonden, smeekte zijn oom den heer Western eenige minuten bezig te houden, tot hij den tijd gevonden had om te bedaren, wat de goede man gaarne beloofde, en na bevolen te hebben den heer Western in de spreekkamer te brengen, ging hij hem dáár opzoeken.

Zoodra jufvrouw Miller vernam dat Jones alleen was (zij had hem namelijk niet gezien sedert hij uit de gevangenis verlost werd), vloog zij in de kamer, en wenschte hem hartelijk geluk met de ontdekking van zijn oom en zijne gelukkige verzoening met hem, terwijl zij er bijvoegde: „Ik wenschte wel dat ik u ook met iets anders geluk kon wenschen, waarde vriend; maar zoo iets onverbiddelijks, heb ik van mijn leven niet gezien!”

Jones vroeg haar, met eenige verwondering, wat zij toch bedoelde.

„Wel,” zeide zij; „ik ben bij de jonge dame geweest, en heb haar alles uitgelegd, zooals het mij door mijn zoon Nightingale verteld was. Zij kan nu geen twijfel meer omtrent den brief koesteren;—daarvan ben ik overtuigd; want ik zeide haar dat mijn schoonzoon gereed was om een eed te doen, dat hij zelf alles wat daarin staat bedacht, en opgesteld had. Ik verzekerde haar dat het zenden van dien brief juist eene reden te meer voor haar zijn moest om van u te houden, daar alles om harentwil geschied was, en tot een duidelijk bewijs strekken moest, dat gij besloten hadt in de toekomst alle losbandigheid vaarwel te zeggen;—dat gij nooit, sedert gij haar hier in Londen gezien hadt, haar op eenigerlei wijze ontrouw waart geweest,—hoewel ik vrees, dat ik daarmede wat al te veel verzekerde;—maar de hemel zal mij dat vergeven en ik hoop dat uw gedrag in het vervolg hetgeen ik beweerde, staven zal. Ik heb zeker alles gezegd wat ik slechts kon; maar te vergeefs. Zij blijft onwrikbaar. Zij verklaart vele gebreken der jeugd te hebben kunnen vergeven; maar drukte zooveel afkeur uit voor een losbandig mensch, dat zij mij bepaaldelijk tot stilzwijgen bragt. Ik trachtte u herhaaldelijk te verontschuldigen; maar de regtvaardigheid harer aanklagt, legde mij het stilzwijgen op. Op mijn woord, het is een heerlijk meisje en een der zachtste en verstandigste wezens, die ik ooit gezien heb. Ik had haar willen omhelzen, na één woord, dat zij zeide. Het was iets, een Seneca, of een bisschop waardig! „Ik verbeeldde me eens, jufvrouw,” zeide zij, „dat ik de meeste goedaardigheid in den heer Jones ontdekt had, en ik beken dat ik die naar waarde wist te schatten; maar overgroote losbandigheid zal het beste hart ter wereld bederven en een goedaardige losbol kan op zijn best verwachten, dat wij een weinig medelijden bij onze minachting en onzen afschuw voegen.”—Zij is een engel, dat is zeker!”

„O, jufvrouw Miller,” hernam Jones, „hoe kan ik dan er aan denken, dat ik dezen engel verloren heb!”

„Verloren?” riep jufvrouw Miller, „Neen! Ik hoop dat gij haar nog niet verloren hebt. Blijf er slechts bij, om alle ondeugd te laten varen, en wij mogen nog hopen.—Ja, als zij onverbiddelijk blijft, is er eene andere, lieve, schoone, jonge dame, met een groot vermogen, die doodelijk verliefd op u is. Dat heb ik heden morgen vernomen, en ik zeide het aan jufvrouw Western;—ja, ik ging zelfs iets verder dan hetgeen stipt waar is; want ik vertelde haar, dat gij die niet hebben wildet,—en ik wist wel dat gij haar ook niet zoudt nemen.—En een weinig troost kan ik u al geven; want toen ik de dame noemde (niemand anders dan de schoone weduwe Hunt), dacht ik al dat zij een weinig verbleekte; maar toen ik zeide, dat gij haar niet hebben wildet, wil ik er een eed op doen, dat zij dadelijk vuurrood werd, terwijl zij zeide: „Ik kan het niet loochenen;—ik geloof wel dat hij eenige liefde tot mij gevoelt.””

Thans werd het gesprek gestoord door het binnentreden van Western, die niet langer buiten de kamer te houden was zelfs door het gezag van Allworthy, hoewel, zooals wij dikwerf gezien hebben, deze zooveel op hem vermogt.

Western liep dadelijk op Jones toe, en riep uit: „Nu, vriend Tom, ik ben van harte blijde u weêr te zien! Alles wat voorbij is, zij vergeten en vergeven! Ik kon ook niets kwaads tegen u in den zin hebben, daar,—zooals Allworthy weet, en zooals gij zelf weet, ik u voor iemand anders hield, en als men geen kwaad bedoelt, komt het op een paar driftige woorden niet aan. Men moet als Christen weten te geven en te nemen!”

„Naar ik hoop, mijnheer,” zei Jones, „zal ik nooit de vele verpligtingen vergeten, welke ik jegens u heb;—maar dat ik u iets te vergeven zou hebben, klinkt mij heel vreemd.”

„Zoo!” riep Western, „geef me dan maar de hand! Een eerlijker bl— dan gij zijt, ken ik niet! Kom maar mede; ik zal je dadelijk bij je meisje brengen!”

Hier kwam Allworthy tusschenbeide en daar de landjonker noch den oom noch den neef overhalen kon, moest hij, na eenig pruttelen, er in toestemmen om te wachten tot den namiddag op het bezoek van Jones bij Sophia, toen Allworthy uit medelijden met Jones en uit zucht om Western te verpligten, zich liet overhalen om te beloven eene theevisite te maken.

Het gesprek dat nu volgde, was zeer aangenaam, en ware het vroeger voorgevallen, wij zouden onzen lezer er op onthaald hebben;—daar wij echter thans alleen den tijd hebben voor het meest belangrijke, zij het genoeg te zeggen, dat toen alles voor het bezoek in den namiddag geregeld was, de heer Western weêr naar huis ging.

HOOFDSTUK XI.

DE GESCHIEDENIS NADERT HOE LANGER ZOO MEER DE ONTKNOOPING.

Zoodra de heer Western weg was, begon Jones met den heer Allworthy en mejufvrouw Miller te berigten, dat zijne invrijheidstelling bewerkt was door twee edele lords, die tegelijk met twee heelmeesters en een vriend van den heer Nightingale voor den vrederegter verschenen waren, door wien hij naar de gevangenis gezonden was, en die thans, op eene beëedigde verklaring dat de gekwetste zich volstrekt in geen gevaar bevond, hem liet ontslaan.

Hij zeide, slechts één dezer lords ooit vroeger gezien te hebben, en dan ook slechts éénmaal; maar de andere had hem zeer verrast door zijne vergiffenis in te roepen voor eene beleediging, welke hij hem alleen aangedaan had, zoo als hij zeide, omdat hij in het geheel niet geweten had, wie Jones was.

Het ware van de zaak echter was—wat Jones pas later vernam,—het volgende: de luitenant door Lord Fellamar, op raad van Lady Bellaston, gebruikt om Jones als landlooper te pressen voor de zeedienst, had, toen hij aan Milord verslag kwam geven van zijne zending, welker afloop ons bekend is, in alle opzigten zeer gunstige berigten van den heer Jones gegeven, en den lord verzekerd, dat hij zich vergist moest hebben; want dat Jones ongetwijfeld een hoogst fatsoenlijk man was. Milord nu, die man van eer was, en volstrekt geene daad zou hebben willen begaan, welke hem de openlijke afkeuring op den hals kon halen, begon zich ongerust te maken, over den raad, welken hij gevolgd had.

Een paar dagen later at hij toevallig aan dezelfde tafel met den Ierschen pair, die, sprekende over het tweegevecht, het gezelschap bekend maakte met het karakter van Fitzpatrick, wien hij echter geen regt liet wedervaren, vooral in hetgeen zijne vrouw aanging. Hij zeide dat zij de onschuldigste en meest wreed behandelde vrouw ter wereld was, en dat hij zelf alleen uit medelijden partij voor haar trok. Hij verklaarde ook, den volgenden morgen bij Fitzpatrick te willen gaan, om hem, zoo mogelijk, over te halen zich van zijne vrouw te laten scheiden, die, zooals de pair verzekerde, haar leven niet veilig achtte als zij ooit weder in handen van haar echtgenoot viel. Lord Fellamar was dadelijk gereed om hem te vergezellen, ten einde zich meerder licht omtrent Jones en de omstandigheden van het tweegevecht te verschaffen; want hij was alles behalve op zijn gemak omtrent de rol welke hij zelf gespeeld had. Zoodra Milord een wenk gaf, dat hij gaarne het zijne zou doen om de dame te helpen, werd dit gretig aangenomen door den anderen edelman, die sterk rekende op den invloed van Lord Fellamar, welke, naar hij meende, in staat zou zijn door zijn invloed, Fitzpatrick te dwingen toe te geven, en misschien had hij goed gezien; want zoodra de arme Ier zag dat deze edele pairs zich het lot zijner vrouw aantrokken, onderwierp hij zich, en de voorwaarden der echtscheiding waren spoedig opgesteld en door de belanghebbende partijen onderteekend.

Fitzpatrick, die ook door mevrouw Waters ingelicht was omtrent de onschuld van zijne vrouw ten opzigte van Jones, te Upton, en misschien ook om andere redenen, was nu zoo onverschillig op dat punt geworden, dat hij zich tegen Lord Fellamar zeer ten gunste van Jones uitliet, al de schuld op zich zelven nam en bekende dat de andere zich geheel en al als fatsoenlijk man gehouden had,—en toen Milord verder vroeg, verzekerde hij hem dat Jones de neef was van iemand van hoogen stand en groot vermogen,—een berigt dat hij pas zelf verkregen had door mevrouw Waters, na hare ontmoeting met Dowling.

Lord Fellamar begreep thans dat hij alles moest doen wat in zijne magt stond om vergoeding te schenken aan een fatsoenlijk man, dien hij zoo grievend beleedigd had en zonder Jones als mededinger te beschouwen (want hij dacht zelfs niet meer aan Sophia) besloot hij diens invrijheidstelling te bewerken, daar hij én van Fitzpatrick én van den geneesheer vernam dat de wond volstrekt niet gevaarlijk was. Hij haalde dus den Ierschen pair over om hem te vergezellen naar de gevangenis, waar toen verder voorviel, wat ons reeds bekend is.

Zoodra Allworthy weder te huis kwam, nam hij Jones mede op zijne kamer, en maakte hem met alles bekend, zoowel met hetgeen mevrouw Waters hem verteld had, als met wat hij van den heer Dowling vernomen had.

Jones toonde de meeste verwondering en niet minder leedwezen, maar maakte er geene aanmerkingen hoegenaamd op.

Thans echter kwam eene boodschap van mijnheer Blifil, die vroeg of zijn oom den tijd had om hem te spreken, daar hij zijne opwachting bij hem wenschte te maken.

Allworthy schrikte, verbleekte en beval toen, met meer drift dan hij welligt ooit vroeger had laten blijken, aan de dienstmeid, den heer Blifil te zeggen, dat hij hem in het geheel niet kende.

„Maar bedenk toch, waarde oom,—” riep Jones, met bevende stem.

„Ik heb alles bedacht,” hernam Allworthy, „en gij zult zelf mijne boodschap aan dien ellendeling brengen.—Niemand kan hem beter het vonnis van zijn ondergang mededeelen dan de man, dien hij zoo schandelijk trachtte zelf te grond te rigten.”

„Vergeef mij, waarde oom,” gaf Jones in bedenking; „ik ben overtuigd dat gij, na u één oogenblik bedacht te hebben, het anders zult inzien. Hetgeen welligt slechts regtvaardig zou zijn als het uit een anderen mond kwam, zou uit den mijne als eene terging luiden. En voor wien?—Voor mijn eigen broeder en uw neef?—Hij heeft me ook zóó wreed niet behandeld. Dat zou werkelijk onvergeefelijker geweest zijn dan al het overige dat hij misdaan heeft. De omstandigheden mogen menschen, die maar half bedorven van aard zijn, tot onregtvaardigheden aanzetten; maar beleedigingen kunnen slechts uit zwarte en kwaadaardige zielen voortkomen, die geene verleiding noodig hebben. Laat mij u smeeken, oom, niets omtrent hem te beslissen in dit oogenblik van drift. Bedenk, waarde oom, dat ik zelf niet ongehoord veroordeeld werd.”

Allworthy zweeg een oogenblik en daarop Jones omhelzende, met tranen in de oogen, riep hij uit: „O mijn kind, hoe heb ik zoo lang verblind kunnen zijn voor zooveel goedheid?”

Op dit oogenblik trad jufvrouw Miller, na zachtjes aan de deur getikt te hebben, zonder gehoord te worden, binnen en Jones in de armen van zijn oom ziende, viel de goede vrouw in hare verrukking op de knieën, en dankte den hemel, in de vurigste bewoordingen, voor hetgeen er gebeurd was. Daarna liep zij op Jones toe, sloot hem hartstogtelijk in de armen en riep uit: „Waarde vriend, ik wensch u duizendmaal geluk,—duizendmaal met dezen dag!” waarop zij zich met dezelfde gelukwenschen tot Allworthy wendde.

Hierop hernam hij: „Ja, jufvrouw Miller, ik gevoel mij inderdaad onuitsprekelijk gelukkig!”

Nadat beiden zich nog een oogenblik aan hunne vreugde overgegeven hadden, verzocht jufvrouw Miller Jones en den heer Allworthy naar beneden te komen eten, waar zij verzekerde, dat zij een zeer gelukkig gezelschap bijeen zouden vinden; namelijk niemand anders dan den heer Nightingale met zijne jonge vrouw, en zijne nicht Harris met haren bruidegom.

Allworthy verontschuldigde zich voor het middagmaal, verklarende, dat hij iets voor zich en zijn neef al besteld had op zijne eigene kamer, want dat zij vele gewigtige zaken zamen te bepraten hadden, maar beloofde aan de goede vrouw, dat hij en Jones bij het avondmaal tegenwoordig zouden zijn.

Mejufvrouw Miller vroeg daarop wat zij met Blifil beginnen moest; „want,” zeide zij, „ik heb geene rust zoolang zulk een schurk nog onder mijn dak schuilt.”

Allworthy hernam dat hij hare ongerustheid deelde.

„O,” riep zij, „als dat het geval is, laat het dan maar aan mij over! Ik zal hem heel vlug de deur uitkrijgen;—daarvoor sta ik u borg! Ik heb een stuk of wat krachtige mannen beneden,—die—”

„Het is volstrekt niet noodig geweld te gebruiken,” hernam Allworthy. „Als gij hem eene boodschap van mij wilt overbrengen, zal hij dadelijk vrijwillig vertrekken;—daarvan ben ik overtuigd!”

„Of ik dat doen wil?” riep jufvrouw Miller. „Ik zou nooit van mijn leven iets liever doen!”

Hier kwam Jones tusschenbeide en zeide, „dat hij de zaak nader overlegd had, en dat hij, met goedkeuring van den heer Allworthy, zelf de boodschap zou overbrengen. Ik weet,” ging hij voort, „reeds genoeg hoe gij over die zaak denkt, oom, en ik vraag vergunning hem dat zelf, in mijne eigene bewoordingen, te mogen mededeelen. Laat mij u smeeken, oom, eindigde hij, aan de verschrikkelijke gevolgen te denken, als gij hem plotseling tot wanhoop brengt. Hoe ongeschikt, helaas, is die arme jongen om in zijn tegenwoordigen toestand te sterven!”

Dit denkbeeld had in het minst geen vat op jufvrouw Miller. Zij liep de kamer uit, roepende: „Gij zijt veel te goed, mijnheer Jones,—veel te goed voor deze wereld!”

Maar het maakte dieper indruk op Allworthy.

„Mijn beste jongen,” zeide hij, „ik sta evenzeer verbaasd over de goedheid van uw hart als over de vlugheid van uw verstand. De hemel verhoede inderdaad, dat die ellendeling van de middelen of van den tijd tot berouw beroofd worde! Dat zou werkelijk eene verschrikkelijke gedachte zijn. Ga dus bij hem en handel volgens uw eigen oordeel;—vlei hem echter niet met eenige hoop op vergiffenis van mij; want ik zal hem zijne schelmenstreken alleen in zoo ver vergeven als de godsdienst dat eischt,—en die vordert noch mildheid noch omgang met hem.”

Jones begaf zich nu op de kamer bij Blifil, dien hij in een toestand vond, welke zijn medelijden opwekte, hoewel die bij menigen lezer eene minder beminnelijke gewaarwording zou hebben doen ontstaan. Hij wierp zich op zijn bed gaf zich aan de wanhoop over, en smolt weg in tranen,—geene tranen echter van berouw, die de schuld uitwisschen van eene ziel, die tegen haren aangeboren aard tot de misdaad verleid of vervallen is;—wat soms der menschelijke zwakheid overkomt,—zelfs bij den goede,—maar tranen zooals de misdadiger stort op weg naar het schavot, en welke inderdaad afgeperst worden door het medelijden, hetwelk de meest wreede mensch zelden nalaat met zich zelven te gevoelen.

Het zou onaangenaam en vervelend zijn, dit tooneel uitvoerig te schilderen. Genoeg dus, als wij zeggen, dat de houding van Jones uitermate liefderijk was. Hij vergat niets, dat hij bedenken kon om Blifil te troosten en op te beuren eer hij hem het besluit van zijn oom mededeelde, dat hem nog dien avond uit het huis verbande. Hij bood aan, hem van geld te voorzien, verzekerde hem dat hij hem opregt alles vergaf wat hij gedaan had om hem te benadeelen, en dat hij voortaan streven zoude om als broeder met hem te leven en niets verzuimen om eene verzoening tusschen hem en zijn oom te weeg te brengen.

Blifil was eerst stug en stil, terwijl hij overwoog of hij alles nog zou blijven ontkennen; maar inziende, dat de bewijzen te sterk waren om ontzenuwd te worden, besloot hij eindelijk alles te bekennen. Hij smeekte nu met de meeste drift om vergiffenis, wierp zich neder voor Jones en kuste hem de voeten,—met één woord, hij was nu even laag als hij vroeger slecht was geweest.

Jones kon niet nalaten zijne minachting te toonen voor deze laagheid, in de uitdrukking welke op zijn gezigt lag; hij hief echter zijn broeder zoo spoedig mogelijk op, ried hem aan zijne rampen als man te dragen, en herhaalde tevens zijne belofte om alles te doen, wat in zijne magt stond om ze te lenigen. Hierop herhaalde Blifil de verklaring zijner onwaardigheid, overlaadde hem met dankbetuigingen, en verklaarde, dat hij dadelijk eene andere woning zou zoeken, waarop Jones tot zijn oom terugkeerde.

Allworthy deelde nu onder anderen, aan Jones de ontdekking mede welke hij gedaan had omtrent de vijfhonderd pond aan bankpapier.

„Ik heb,” zeide hij, „reeds een regtsgeleerde geraadpleegd, die mij tot mijne verbazing verzekert, dat een bedrog van dezen aard volgens de wet niet strafbaar is. Maar inderdaad, als ik denk aan de zwarte ondankbaarheid van dezen kerel ten uwen opzigte, houd ik een straatroover voor geheel onschuldig, bij hem vergeleken.”

„Goede hemel!” riep Jones, „is het mogelijk? Dit nieuws grieft me oneindig. Ik hield hem voor den eerlijksten kerel ter wereld. De verleiding van zulk eene som was te groot voor hem;—want dingen van mindere waarde heb ik veilig door zijne tusschenkomst ontvangen. Inderdaad, waarde oom, ik houd het eerder voor zwakheid dan voor ondankbaarheid; want ik ben overtuigd dat de arme kerel aan mij gehecht is, en hij heeft me ook eenige diensten bewezen, welke ik nooit vergeten zal;—ik geloof zelfs, dat hij al berouw gevoelt over hetgeen hij misdaan heeft; want slechts een paar dagen geleden, kwam hij bij mij, toen mijne zaken in den wanhopigsten toestand schenen, en bood mij, in de gevangenis, zooveel geld aan als ik maar noodig mogt hebben. Bedenk, oom, hoe groot de verleiding wezen moest voor een man, die in zulken nood verkeerd had, en eene som in handen kreeg, welke hem en zijn huisgezin waarborgen moest voor alle toekomstige ellende van dien aard.”

„Mijn waarde jongen,” riep Allworthy, „gij overdrijft deze vergevensgezindheid. Zulke verkeerd geplaatste goedheid is niet slechts zwakheid, maar grenst zelfs aan onregtvaardigheid, en is verderfelijk voor de maatschappij, daar ze tot ondeugd aanspoort. Ik zou welligt dezen mensch zijne oneerlijkheid hebben kunnen vergeven; maar zijne ondankbaarheid vergeef ik hem nooit. Vergun mij ook te zeggen, dat, als wij de oneerlijkheid wegens de verleiding daartoe vergeven, wij zoo ver gaan met onze genade en ons medelijden als ons veroorloofd is,—en ik beken dat ik zelf dikwerf zoo ver gegaan ben; want ik heb als lid van de Jury dikwerf een straatroover beklaagd en meer dan eens heb ik den regter vermindering van straf gevraagd voor diegenen, bij wie eenige verzachtende omstandigheden te vinden waren; maar als de oneerlijkheid vergezeld gaat van eenige nog zwartere misdaad, zooals wreedheid, moord, ondankbaarheid, of iets van dien aard, dan worden medelijden en vergiffenis misdadig. Ik ben overtuigd dat die vent een schelm is, en hij zal gestraft worden, ten minste in zoover ik hem straffen kan!”

Dit werd op zulk een strengen toon gezegd, dat Jones het ongepast achtte om iets verder daarop te antwoorden;—en inmiddels was het bepaalde uur voor zijn bezoek bij den heer Western thans zoo digtbij, dat hij naauwelijks den tijd had om zich te gaan kleeden. Hiermede liep dus het gesprek voor het oogenblik af, en Jones verwijderde zich naar eene andere kamer, waar Partridge, volgens zijn bevel aanwezig was, om hem bij het kleeden behulpzaam te zijn.

Partridge had, sedert de gelukkige ontdekking, zijn meester naauwelijks gezien en de arme kerel was evenzeer buiten staat zijne verrukking te verbergen als om ze uit te drukken. Hij gedroeg zich als een waanzinnige en maakte bijna even vele vergissingen terwijl hij Jones kleedde, als ik dikwerf Harlekijn op het tooneel heb zien begaan, als hij zich zelven verkleedt.

Zijn geheugen echter liet hem niet in den steek. Hij herinnerde zich dadelijk hoevele voorteekens en voorboden van de gelukkige gebeurtenis er geweest waren,—waarvan hij sommige reeds vroeger had opgemerkt, en andere thans eerst begreep. Hij verzuimde ook niet melding te maken van zijne droomen in den nacht eer hij Jones ontmoette, en eindigde met te zeggen: „Ik heb mijnheer altijd verzekerd, dat ik steeds een voorgevoel had, dat hij het eens in zijne magt zou hebben om mijn fortuin te maken.”

Jones verzekerde hem thans van zijn kant, dat dit voorgevoel even zeker verwezenlijkt zou worden als alle voorteekens voor hem zelven vervuld waren, en dit vermeerderde niet weinig de vreugde, waarmede de arme kerel reeds bezield was, alleen om den wille van zijn meester.

HOOFDSTUK XII.

NOG DIGTER BIJ DE ONTKNOOPING.

Jones thans behoorlijk gekleed zijnde, vergezelde zijn oom naar de woning van den heer Western. Hij had, inderdaad, eene der schoonste gestalten, die ooit gezien werd, en zijn uiterlijk alleen zou genoeg geweest zijn om de meeste vrouwen te bekoren; maar wij willen hopen dat het uit deze geschiedenis al genoegzaam gebleken is, dat de natuur, toen zij hem schiep, zich niet alleen verliet op deze verdiensten (wat zij soms wèl doet) om haar werk aan anderen aan te bevelen.

Sophia, die, hoe verontwaardigd ook, zich op de sierlijkste wijze uitgedost had,—om welke reden laat ik aan mijne lezeressen over te verklaren,—was zoo schoon, dat zelfs Allworthy, toen hij haar zag, niet nalaten kon om Western in te fluisteren, dat hij haar voor het bekoorlijkste meisje ter wereld hield, waarop Western, zoo hardop fluisterende, dat iedereen in de kamer hem hooren kon, hernam: „Nu des te beter voor Tom; want verd— als hij haar niet hebben zal!”

Sophia werd vuurrood bij deze woorden, terwijl Tom even sterk verbleekte en bijna van den stoel zeeg. Naauwelijks was de theetafel opgeruimd, of Western sleepte Allworthy uit de kamer, onder voorwendsel dat hij hem iets zeer belangrijks mede te deelen had, wat hij hem dadelijk, onder vier oogen, eer hij het vergat, zeggen moest.

De minnenden bleven nu alleen, en ik twijfel niet, dat het aan vele lezers vreemd zal schijnen, dat diegenen, welke te midden van gevaar en bezwaren elkaar zooveel te vertellen hadden, en die zoo gereed schenen elkaar in de armen te vliegen als zij zoovele hinderpalen overwinnen moesten, nu dat zij veilig en vrij alles zeggen en doen mogten wat hun goed dunkte, beiden een tijdlang bleven zwijgen en bewegingloos zitten,—zoodat een verstandige vreemdeling had kunnen vermoeden, dat zij geheel onverschillig voor elkaar waren. Hoe vreemd het dan ook schijne, was dit echter het geval; beiden zaten met neêrgeslagen blikken, en bewaarden eenige minuten lang een diep stilzwijgen.

In dezen tusschentijd echter trachtte de heer Jones een paar maal te spreken, maar kon er bepaaldelijk geen woord uitkrijgen;—hij mompelde slechts, of zuchtte eerder, eenige onzamenhangende woorden, totdat Sophia eindelijk, uit medelijden, en gedeeltelijk om het gesprek van een onderwerp af te brengen, dat zij wèl begreep dat hij zocht te naderen, zeide:

„Gij zijt zeker, mijnheer, door deze ontdekking de gelukkigste der stervelingen geworden.”

„En kunt gij mij wezenlijk gelukkig noemen, mejufvrouw,” hernam Jones met een zucht, „zoolang ik gebukt ga onder uwe afkeuring?”

„Wel, mijnheer,” hernam zij, „wat dat betreft, gij weet best zelf in hoever gij ze verdiend hebt of niet.”

„Wezenlijk, mejufvrouw,” antwoordde hij, „gij kent zelve, even goed als ik, al mijne wanbedrijven. Jufvrouw Miller heeft u de geheele waarheid medegedeeld. O, mijne Sophia, mag ik nooit op vergiffenis hopen?”

„Naar ik mij verbeeld, mijnheer Jones,” hernam zij, „mag ik het aan uw eigen gevoel van regt en billijkheid overlaten om over het door u gehouden gedrag het vonnis uit te spreken.”

„Helaas,” riep hij, „het is genade en geene regtvaardigheid, welke ik van u afsmeek! Ik weet wel, dat de regtvaardigheid mij veroordeelen zoude.—Maar toch niet wegens dien brief aan Lady Bellaston! Ik verzeker u, bij al wat heilig is, dat gij daaromtrent de stipte waarheid vernomen hebt.”

Hierop drong hij sterk aan op de verzekering hem door Nightingale gegeven hoe gemakkelijk het vallen zou een voorwendsel te vinden om de zaak af te breken, als, tegen alle verwachting, Milady hem bij het woord had willen nemen; maar hij bekende dat hij zich aan eene zeer groote onvoorzigtigheid had schuldig gemaakt door haar zulk een brief ooit in handen te geven, „en dat,” zeide hij, „heb ik zwaar geboet, als ik zie welke uitwerking het op u heeft gehad.”

„Ik denk en kan niet anders over dien brief denken, dan zoo als gij wenscht,” zeide zij. „Naar ik meen, kunt gij uit mijn gedrag opmaken, dat ik niet zoo veel dáár aan hecht. Maar, daarenboven, mijnheer Jones, is er veel dat ik u te verwijten heb. Hebt gij u niet, na al wat er te Upton voorgevallen was, dadelijk in eene andere intrigue gewikkeld, terwijl gij voorgaaft,—en ik geloofde het,—dat uw geheele hart met mij vervuld was? Waarlijk! Gij hebt u op eene vreemde wijze gedragen! Kan ik gelooven aan de opregtheid der liefde, welke gij tot mij geveinsd hebt? En zoo ja, hoe zoude ik eenige zekerheid van geluk kunnen hebben bij een man, die tot zulken ontrouw in staat is?”

„O, mijne Sophia,” riep hij, „twijfel niet aan de zuiverste liefde, die ooit in eens menschen hart ontbrand is! Geliefde! denk aan mijn ongelukkigen toestand,—aan mijne wanhoop!—Had ik mij, dierbaarste Sophia, kunnen vleijen met de geringste hoop van mij ooit aan uwe voeten te mogen werpen, zooals ik nu doe, dan zou eene andere vrouw het nooit in hare magt hebben gehad om mij met ééne gedachte te bezielen, welke de strengste kuischheid had kunnen afkeuren! Ontrouw aan u? O Sophia, als gij de goedheid wilt hebben om het verledene te vergeven, laat dan geene wreede verdenkingen omtrent de toekomst mij van uwe genade berooven! Nooit heeft iemand meer opregt berouw gevoeld dan ik! O, laat mij aan uw hart, mij met den hemel verzoenen!”

„Het opregte berouw,” mijnheer Jones, „hernam zij, „kan den zondaar vergiffenis doen verwerven van iemand die volmaakt in staat is om zijne opregtheid te beoordeelen. De menschelijke geest laat zich echter bedriegen;—en er bestaat geen onfeilbaar middel om dat te voorkomen. Gij moet echter verwachten dat, als ik mij door uw berouw laat overhalen om u vergiffenis te schenken, ik ten minste er op staan zal om de stelligste bewijzen uwer opregtheid te hebben.”

„Noem maar welk bewijs ik in mijne magt heb,—” hernam Jones.

„De tijd,” antwoordde zij, „alleen de tijd, mijnheer Jones, zal mij kunnen bewijzen, dat gij opregt berouw gevoelt, en dat gij besloten hebt die slechte wegen te verlaten, welke mij u zouden doen verachten als ik dacht dat gij daarop blijven wildet.”

„Verbeeld u dat niet!” riep Jones. „Op mijne knieën smeek ik u, bid ik u om een vertrouwen, dat ik mij tot levenstaak stel te verdienen!”

„Laat het dan een gedeelte van uwe levenstaak zijn,” hernam zij, „om mij te bewijzen dat gij het verdient. Ik geloof genoeg gezegd te hebben met u te verzekeren, dat zoodra ik zie dat gij mijn vertrouwen verdient, het u geschonken zal worden. Na al wat er gebeurd is, mijnheer, kunt gij niet verwachten, dat ik u op uw woord zoude gelooven?”

„Geloof mij niet op mijn woord,” hernam hij; „ik heb een beter onderpand voor mijne trouw, dat gij onmogelijk zien kunt, zonder verder allen twijfel omtrent mij te laten varen.”

„En wat is dat?” vroeg Sophia, eenigzins verwonderd.

„Ik zal het u toonen, aangebedene!” riep Jones, terwijl hij hare hand vatte en haar vóór den spiegel bragt. „Daar! zie het daar in die heerlijke gestalte, in dat gelaat, in die oogen waardoor de ziel straalt;—zou de man, die zulke schatten bezit, ontrouw kunnen zijn? Onmogelijk, mijne Sophia, ze zouden een Dorimant, een Rochester voor altijd boeijen! Gij zoudt er niet aan twijfelen als gij u zelve met andere oogen dan de uwen kondt zien!”

Sophia bloosde en glimlachte eventjes, maar zich dwingende om weder ernstig te zien, zeide zij: „als ik de toekomst naar het verledene beoordeelen moet, zal mijn beeld niet langer in uw hart blijven als ik eens afwezig ben, dan in dezen spiegel, als ik me uit de kamer verwijder.”

„Bij den hemel—bij al wat heilig is,” riep Jones, „uw beeld is nooit uit mijn hart geweest! De kieschheid van uw geslacht kan het grove van het onze niet vatten, noch hoe weinig zekere soort van liefde met het hart te maken heeft.”

„Ik zal nooit een man huwen,” hernam Sophia heel ernstig, „die niet verfijnd genoeg geworden is om dat onderscheid evenmin te begrijpen als ik zelve.”

„Dat zal ik doen!” riep Jones; „dat is al het geval met mij! Het eerste oogenblik van hoop dat mijne Sophia de mijne kon worden, heeft mij dat dadelijk geleerd,—en sedert dat oogenblik hebben alle overige leden van haar geslacht even weinige bekoorlijkheden voor mijn oog als voor mijn hart!”

„Nu,” hernam Sophia, „de tijd zal dat moeten bewijzen! Uw toestand, mijnheer Jones, is nu zeer veranderd, en ik verzeker u dat ik me zeer verheug over die verandering. Het zal u thans niet aan de gelegenheid ontbreken om mij te zien, en mij te overtuigen dat uwe booze neigingen ook veranderd zijn.”

„O mijn engel,” riep Jones, „hoe zal ik mijne dankbaarheid toonen voor uwe goedheid? Bekent gij werkelijk dat gij belang stelt in mijne welvaart? Geloof mij, mejufvrouw, om uwentwil alleen stel ik eenigen prijs op die welvaart,—alleen omdat zij mij eenig vooruitzigt opent op het heerlijkste geluk. O, mijne Sophia, laat het niet al te ver verwijderd zijn! Ik waag het niet op iets aan te dringen dat gij mij niet wilt toestaan; maar laat mij u smeeken den proeftijd niet al te lang te maken! O zeg mij, wanneer zult gij overtuigd wezen van hetgeen ik u als eene plegtige waarheid verzeker?”

„Nu dat ik eens zoo ver gegaan ben,” hernam Sophia, „verwacht ik, mijnheer Jones, dat gij niet verder bij mij zult aandringen. Neen, ik zal dat niet dulden!”

„O, zie mij niet zoo onvriendelijk aan, Sophia!” riep hij. „Ik wil niet aandringen;—ik waag dat niet. Maar vergun mij u nog slechts te smeeken, een tijd te bepalen? Vergeet niet het ongeduld der liefde in aanmerking te nemen!”

„Nu dan—een jaar, misschien,” hernam zij.

„O, Sophia,” riep hij weder, „gij spreekt van eene eeuwigheid!”

„Het kan welligt iets korter duren,” antwoordde zij, „Maar ik wil niet geplaagd worden. Als uwe liefde zoo groot is als gij beweert, kunt gij, dunkt me, nu wel gerust wezen.”

„Gerust, Sophia? Noem zulke verrukkelijke zaligheid als de mijne niet met dien koelen naam! O heerlijke gedachte! Heb ik nu niet de zekerheid, dat de gezegende dag eens aanbreken zal, dat ik u de mijne zal noemen;—dat mij het onuitsprekelijke, verrukkelijke voorregt te beurt zal vallen om mijne Sophia ook gelukkig te kunnen maken?”

„Werkelijk,” hernam zij, „het staat aan u om dien dag te bepalen.”

„O mijn lieve, mijn aangebedene engel!” riep hij; „die woorden maken mij waanzinnig van vreugde! Ik moet, ik wil die lippen danken, welke mijne zaligheid uitgesproken hebben!”—En hij greep haar in de armen en kuste haar met een vuur, dat hij nooit vroeger gewaagd had te toonen.

Op dit oogenblik stoof Western, die een tijdlang had staan luisteren in de kamer en in zijne jagerstaal, riep hij uit: „Pak maar,—pak maar aan, jongen! Ga je gang maar, kleintjes! Pak maar aan! Zoo! Is het al gedaan? Heeft zij den dag al bepaald? Zal het morgen zijn, of overmorgen? Later dan dat, zal ’t niet wezen, dat heb ik vast besloten!”

„Laat mij u smeeken, mijnheer,” zei Jones, „thans geene aanleiding te zoeken om—”

„Smeeken? Smeek den Satan!” riep Western. „Ik dacht dat gij een te fiksche jongen waart dan dat gij u zoudt laten afschrikken door wat meisjeskuren! ’t Is niets dan gekheid, zeg ik je! Verdraaid! Zij zou gaarne heden avond al trouwen, niet waar, Sophia? Kom biecht maar eens in je leven eerlijk op, en wees eene zoete meid! Hoe? Ge zwijgt nog? Waarom spreekt ge niet?”

„Wat zou ik bekennen, vader?” vroeg Sophia, „daar het schijnt dat gij de gave hebt om mijne gedachten te raden?”

„Nu spreekt gij als eene brave meid,” zeide hij, „en gij geeft dus uwe toestemming?”

„Neen, vader,” hernam Sophia, „dat heb ik werkelijk niet gedaan.”

„Dus wilt ge hem morgen of overmorgen niet hebben?” vroeg Western.

„Wezenlijk, vader,” hernam zij, „ik dacht volstrekt niet aan zoo iets!”

„En wil ik je zeggen waarom,” zeide hij; „alleen omdat gij er lust in hebt om uw vader te kwellen en te plagen.”

„Mijnheer—!” kwam Jones tusschenbeide.

„Gij zijt een kwast!” riep hij uit. „Zoo lang ik het haar verbood, was het niets dan klagen en steunen en zuchten en weenen,—met allerlei gejank en geschrei; en nu dat ik er vóór ben, is zij er tegen. Het is niets dan de geest van tegenspraak, zeg ik. Zij is te wijs om door haar vader bestuurd en geleid te worden;—dat is de heele zaak! Het is alleen om mij te dwarsboomen en om mij te ergeren!”

„Wat verlangt gij dan, vader, dat ik doen zal?” vroeg Sophia.

„Wel! Wat anders dan dat gij hem dadelijk de hand zult geven!” hernam hij.

„Nu, vader,” antwoordde Sophia, „ik zal gehoorzamen.—Daar, mijnheer Jones,—daar hebt ge mijne hand!”

„Goed! En stemt ge er in toe hem morgen vroeg tot man te nemen?” vroeg Western verder.

„Ik zal u gehoorzamen, vader,” zeide zij.

„Nu dan, morgen vroeg zal de dag zijn!” riep hij.

„Als gij het zoo hebben wilt, zal het zoo moeten wezen,” zei Sophia.

Jones viel voor haar op de knieën en kuste haar de hand in zijne verrukking, terwijl Western in de kamer rondsprong en danste en uitriep: „Waar drommel blijft die Allworthy? Hij is hiernaast steeds met dien verd— Dowling aan het wawelen, terwijl hij hier moest wezen, om op geheel andere dingen te letten!”

Hierop vloog hij de kamer uit en liet de beide minnenden zeer gepast alleen om eenige teedere oogenblikken zamen te genieten.

Hij keerde echter spoedig met Allworthy terug, zeggende: „Nu, als gij mij niet gelooven wilt, vraag het haar maar zelf! Hebt ge er niet in toegestemd, Sophia, om morgen te trouwen?”

„Zoo luiden uwe bevelen, vader,” zei Sophia, „en ik waag het niet u ongehoorzaam te zijn.”

„En ik hoop, mejufvrouw,” riep Allworthy, „dat mijn neef uwe goedheid steeds waardig zal zijn, en even gevoelig blijven als ik aan de groote eer, welke gij mijne familie aandoet. De verbindtenis met zoo’n bekoorlijke jonge dame als gij zijt, zou zelfs de grootste familie in Engeland tot eer strekken.”

„Ja,” riep Western; „maar als ik haar nog had laten staan ja en neen te zeggen, dan hadt gij nog een heelen tijd die eer kunnen missen;—ik was wel gedwongen om gebruik te maken van mijn vaderlijk gezag om haar zoo ver te brengen.”

„Ik hoop van neen!” riep Allworthy. „Ik hoop dat er geen de minste dwang bestaan heeft!”

„Nu best!” hernam Western. „Voor mijn part, kunt gij haar verzoeken alles wat zij gezegd heeft, weer in te trekken! Gij hebt al opregt berouw over uwe belofte, niet waar Sophia?”

„Ik heb geen berouw, en ik geloof ook niet, vader, dat ik ooit berouw zal hebben, over iets dat ik aan mijnheer Jones beloofd heb,” zeide zij.

„Dan wensch ik u van harte geluk, neef!” riep de heer Allworthy; „want ik houd u voor den gelukkigste der stervelingen! En, mejufvrouw, vergun mij ook u bij deze gelegenheid mijne gelukwenschen te brengen; want ik ben wezenlijk overtuigd, dat gij uwe hand geschonken hebt aan iemand, die uwe groote verdiensten beseft, en die zijn best zal doen u waardig te zijn.”

„Zijn best doen?” riep Western. „Ja, daarvoor sta ik u borg! Hoor eens, Allworthy, ik wed met u, vijf pond sterling tegen een daalder, dat wij morgen over negen maanden een jongen hebben! Maar, zeg eens, wat wilt ge hebben? Bourgogne of Champagne, of wat anders? Want, zoo waar ik leef, zullen wij heden avond feest vieren!”

„Gij moet mij werkelijk verontschuldigen,” hernam Allworthy; „want mijn neef en ik hadden al ons woord gegeven eer ik vermoeden kon dat hem zooveel geluk wachtte—”

„Uw woord gegeven?” herhaalde de landjonker. „Praat me daar niet van! Ik laat u heden avond, om geene reden ter wereld vertrekken! Zoo waar ik leef—gij blijft hier souperen!”

„Gij moet mij verontschuldigen, waarde buurman,” hernam Allworthy. „Ik heb plegtig beloofd, en gij weet dat ik altijd woord houd.”

„En aan wien hebt gij uw woord gegeven?” vroeg de landjonker.

Allworthy lichtte hem hieromtrent in en omtrent het overige gezelschap.

„Wat drommel!” riep Western, „dan ga ik mede,—en Sophia ook; want heden avond laat ik u niet loopen;—het zou wezenlijk al te wreed zijn om Tom en het meisje nu te scheiden!”

Dit aanbod werd dadelijk aangenomen door Allworthy, en Sophia was ook spoedig gereed, nadat zij haar vader in stilte de belofte afgeperst had, dat hij geen woord zou spreken over haar aanstaand huwelijk.

HET LAATSTE HOOFDSTUK.

EINDE VAN DE GESCHIEDENIS.

De jonge Nightingale was dien namiddag, volgens afspraak, bij zijn vader geweest, die hem vriendelijker ontvangen had, dan verwacht werd. Hij ontmoette ook bij hem zijn oom, die naar de stad was teruggekeerd, om zijne pas gehuwde dochter te zoeken.

Dit huwelijk was de gelukkigste gebeurtenis, welke den jongen Nightingale had kunnen overkomen; want de beide broeders leefden in aanhoudenden twist met elkaar over hunne kinderen, terwijl zij elkaars stelsel van opvoeding diep verachtten. Zij trachtten dus nu, beiden, zooveel mogelijk het gedrag van hun eigen kind te verschoonen, en dat van het andere in het zwartst mogelijke licht voor te stellen. Deze wensch om op zijn broeder te zegevieren en de vele redeneringen door Allworthy gebezigd, werkten zoo sterk bij den ouden heer, dat hij zijn zoon met een glimlach op de lippen tegenkwam, en er zelfs in toestemde om dien avond met hem te souperen hij jufvrouw Miller.

Wat den anderen broeder betreft, die werkelijk buitengewoon veel van zijne dochter hield, het kostte slechts weinig moeite om hem tot eene verzoening over te halen. Zoodra hij van zijn neef vernam, waar zich zijne dochter en haar man bevonden, verklaarde hij dadelijk bij haar te willen gaan, en eens dáár, duldde hij ter naauwernood, dat zij zich voor hem op de knieën wierp, of hij hief haar op, en omhelsde haar met eene teederheid waardoor iedereen, die er getuige van was, getroffen werd;—zoodat hij binnen een kwartier evenzeer met haar en haar man verzoend was, alsof hij zelf het huwelijk gesmeed had.

Zoo stonden dus de zaken toen de heer Allworthy met zijn gezelschap verscheen, om het geluk van mejufvrouw Miller te volmaken, die, zoodra zij Sophia zag, gissen kon wat voorgevallen was, en zoo opregt veel van Jones hield, dat dit niet weinig de verrukking verhoogde, welke zij gevoelde over het geluk van hare eigene dochter.

Er zijn denkelijk weinige voorbeelden bekend van een vereeniging van menschen, die allen zoo volmaakt gelukkig waren, als de leden van dit gezelschap. Onder dezen was de vader van Nightingale de minst gelukkige; want niettegenstaande zijne liefde tot zijn zoon, en in weerwil van het gezag en de redeneringen van Allworthy en van de andere reeds opgegevene redenen, was hij niet geheel en al tevreden met de keuze van zijn zoon, terwijl welligt het bijzijn van Sophia in geene geringe mate zijn verdriet vermeerderde en verbitterde, als tusschenbeide de gedachte bij hem opkwam, dat zijn zoon zelf die jonge dame, of eene andere van haren aard had kunnen krijgen. Het waren echter noch de ligchamelijke noch de verstandelijke bekoorlijkheden van Sophia, welke dezen wensch opwekten;—het was alleen de inhoud van haar vaders geldkist, welke zijne begeerte deed ontvlammen. Hij kon er niet aan denken dat zijn zoon bekoorlijkheden van dezen aard aan jufvrouw Miller opgeofferd had.

De bruidjes zagen er beide heel goed uit; maar werden zoodanig verduisterd door de schoonheid van Sophia, dat als zij niet een paar der goedaardigste schepselen ter wereld geweest waren, deze omstandigheid haren nijd zou opgewekt hebben; want geen van de beide echtgenooten kon lang de oogen van Sophia afhouden, die aan de tafel zat als eene koningin om gehuldigd te worden, of liever als een bovennatuurlijk wezen, dat iedereen aanbidden moest. Maar het was eene aanbidding, die geschonken en niet afgeperst werd; want zij onderscheidde zich evenzeer door hare zedigheid en vriendelijkheid als door hare overige volmaaktheden.

De avond ging in de meest ongemaakte vreugde voorbij. Allen waren gelukkig;—maar de gelukkigste waren diegenen, die vroeger het meest geleden hadden. Hun vroeger lijden en angst verhoogde thans hun geluk in eene mate, zooals zelfs de hoogste liefde en het fortuin niet hadden kunnen doen zonder bijgestaan te zijn door de tegenstelling van het verledene met het tegenwoordige. Daar echter de groote vreugde, vooral na zulk eene plotselinge verandering en ommekeer, geneigd is om te zwijgen, en eerder in het hart dan op de lippen zetelt, schenen Jones en Sophia de minst opgeruimden te zijn onder het gezelschap. Western merkte dit met veel ongeduld op, en riep herhaaldelijk uit: „Waarom praat ge niet, jongen? Waarom kijkt ge zoo ernstig? Meisje! Zijt ge stom geworden? Drink nog eens! Ge zult nog eens drinken!”

En om haar op te vrolijken, zong hij tusschenbeide allerlei grappige liederen, welke toespelingen bevatten op het huwelijk en op de verandering van een meisje in eene vrouw. Ja, hij zou zelfs over dit laatste onderwerp zoover uitgeweid hebben, dat zij de kamer had moeten verlaten, als de heer Allworthy hem niet telkens met blikken en een paar maal met een „Foei, foei, Western!” in toom had gehouden. Eens begon hij zelfs de zaak breedvoerig te bespreken, en zijn regt te doen gelden om al wat hij verkoos aan zijne eigene dochter te zeggen; daar hij echter bij niemand ondersteuning vond, werd hij weldra tot de orde geroepen.

Niettegenstaande dezen dwang, was hij zóó ingenomen met de opgeruimdheid en vreugde van het gezelschap, dat hij er op stond dat allen den volgenden dag in zijne woning als gasten zouden verschijnen. Dit deden zij en de schoone Sophia, die inmiddels in stilte bruid was geworden, trad op als dame des huizes, of zooals men in de beschaafde kringen zegt, „nam de honneurs aan tafel waar;” want zij had reeds dien morgen hare hand aan Jones geschonken, in de kerk van Doctors Commons, waar de heeren Allworthy en Western met mejufvrouw Miller de eenige getuigen van de plegtigheid waren.

Sophia had haren vader ernstig gesmeekt, dat niemand van het gezelschap, dat dien dag bij hem eten zou, met haar huwelijk zou bekend gemaakt worden. Hetzelfde stilzwijgen werd aan jufvrouw Miller opgelegd, en Jones stond voor Allworthy in.

Dit verzoende de bedeesde Sophia eenigzins met de drukte van het feest, dat zij, volgens den wensch van haar vader, zoo zeer tegen haar eigen zin moest bijwonen. Vertrouwende op deze geheimhouding hield zij het tamelijk goed vol totdat de landjonker, die nu zijne tweede flesch bijna geleêgd had, zijne vreugde niet meer verbergen kon, en een vollen beker inschenkende, op de bruid dronk. Allen ledigden dadelijk de glazen om haar geluk te wenschen, tot groote verlegenheid van de arme blozende Sophia, om wier wil ook Jones zich ergerde. Om de waarheid echter te bekennen, was er geen mensch tegenwoordig, die uit het gebabbel van den vader iets nieuws vernomen had; want jufvrouw Miller had het al vroeger hare dochter in ’t oor gefluisterd; de dochter had het haren man verteld; haar man aan zijne zuster,—en deze aan al de overigen.

Sophia nam thans de eerste gelegenheid waar om zich met de dames te verwijderen, en de landjonker bleef bij de flesch, en werd langzamerhand verlaten door het geheele gezelschap,—uitgezonderd den jongen Nightingale, die evenveel van een glas wijn hield als de heer Western zelf. Deze beiden bleven er dan den geheelen avond dapper bij, en lang na het gelukkige uur, dat de bekoorlijke Sophia in de armen van haren verrukten echtgenoot gevoerd had.

Eindelijk dan, lezer, hebben wij onze geschiedenis tot een einde gebragt, waarbij, tot ons groot genoegen, hoewel misschien tegen uwe verwachting, de heer Jones ons de gelukkigste der stervelingen moet toeschijnen;—want ik beken gaarne, dat ik nog niet ontdekt heb welk geluk gelijk staat met het bezit van zulk eene vrouw als Sophia.

Wat de andere personen aangaat, die eene rol gespeeld hebben in deze geschiedenis, daar welligt sommige lezers nog het een en ander omtrent hen wenschen te vernemen, zal ik, zoo kort mogelijk, aan hunne nieuwsgierigheid voldoen.

Men heeft Allworthy, tot dusver, niet kunnen overhalen, om Blifil te zien; maar hij heeft toegegeven aan het dringende verzoek van Jones, door Sophia ondersteund, om hem een jaargeld van tweehonderd pond te geven,—waarbij Jones, in stilte, een derde honderdtal gevoegd heeft. Van dit inkomen leeft hij in een der noordelijke graafschappen, ongeveer tweehonderd Engelsche mijlen van Londen, en legt er jaarlijks tweehonderd pond van over, om eene plaats te koopen in het Parlement, waarover hij in onderhandeling staat met een zaakwaarnemer in eene der naburige stadjes. Hij is ook in den laatsten tijd Methodist geworden, in de hoop om eene zeer rijke weduwe, tot die sekte behoorende en die goederen heeft in die streek, tot zijne vrouw te krijgen.

Square stierf kort nadat hij den reeds vroeger vermelden brief geschreven had, en wat Thwackum aangaat, deze leeft steeds nog op zijne pastorij. Hij heeft vele vruchtelooze pogingen gedaan om het vertrouwen van Allworthy te herwinnen, of om zich in de gunst van Jones in te dringen en hij vleit beiden in hun gezigt en scheldt hen uit achter hun rug. In plaats van hem, heeft de heer Allworthy onlangs den heer Abraham Adams bij zich in huis genomen, die een groote lieveling van Sophia is en wien zij voornemens is de opvoeding harer kinderen toe te vertrouwen.

Mevrouw Fitzpatrick is van haar man gescheiden en heeft het kleine overschot van haar vermogen behouden. Zij geniet een zeer goeden naam, leeft in een der deftigste buurten van de stad en weet zoo goed met het geld om te gaan, dat zij het driedubbele van het bedrag van haar inkomen uitgeeft, zonder schulden te maken. Zij is zeer intiem geworden met de echtgenoote van den Ierschen pair, en vergoedt door vriendschapsdiensten aan haar, alles wat zij aan den man van die dame te danken heeft.

Mejufvrouw Western was weldra weder met hare nicht verzoend en heeft een paar maanden hij haar, buiten doorgebragt. Lady Bellaston legde een deftig bezoek bij Sophia af zoodra deze weder te Londen kwam, gedroeg zich tegenover Jones alsof zij hem nooit gekend had, en wenschte hem zeer beleefdelijk geluk met zijn huwelijk.

De heer Nightingale heeft in de buurt van Jones eene buitenplaats gekocht voor zijn zoon, waar deze, met zijne jonge vrouw, jufvrouw Miller en haar dochtertje wonen, terwijl de beide familiën op de prettigste wijze met elkaar omgaan.

Wat de menschen betreft, die eene minder belangrijke rol speelden: mevrouw Waters heeft van Allworthy een jaargeld van zestig pond sterling gekregen, en is gehuwd met dominé Supple, wien Allworthy, op Sophia’s verzoek, eene zeer goede predikantsplaats schonk.

De Zwarte George, vernemende hoe hij ontdekt was, liep weg, en men heeft verder nooit iets van hem vernomen. Jones echter schonk het geld aan zijn huisgezin, maar deelde het niet gelijkmatig uit; want Molly kreeg op verre na het grootste aandeel.

Aan Partridge schonk Jones vijftig pond ’s jaars, en hij heeft weer eene school opgerigt, waarbij hij veel meer aanmoediging vindt dan vroeger. Er wordt thans over een huwelijk onderhandeld tusschen hem en mejufvrouw Molly Seagrim, en door Sophia’s bemiddeling zal de zaak waarschijnlijk gelukken.

Wij moeten thans nog afscheid nemen van den heer Jones en Sophia, die twee dagen na hun huwelijk, met den heer Western en Allworthy weder naar buiten gingen. Western heeft aan zijn schoonzoon het heerenhuis en het grootste gedeelte zijner landerijen afgestaan en heeft zich terug getrokken in een zijner kleinere huizen in een ander gedeelte van het graafschap, dat eene betere jagt oplevert. Hij bezoekt echter dikwerf den heer Jones, die, met Sophia, vreugde er in schept om alles te doen wat zij kunnen, om hem te behagen. En dit gelukt hun zoo goed, dat de oude heer verklaart, dat hij nu, voor het eerst van zijn leven, volmaakt gelukkig is. Hij heeft bij hen in huis eene zitkamer en spreekkamer tot zijne beschikking, waar hij zich dronken kan drinken met wien hij verkiest, terwijl zijne dochter even gereed blijft als vroeger om hem al wat hij wil, voor te spelen. Jones heeft hem ook verzekerd, dat, daar, na haar te behagen, het mede zijn dierbaarste wensch is om tot het geluk van den ouden heer bij te dragen, hij haar bijna evenzeer bemint om de wijze waarop zij haar pligt bij haren vader doet, als om de liefde welke zij hemzelven geschonken heeft.

Sophia heeft hem reeds twee schoone kinderen geschonken, een jongen en een meisje, op welke de oude man zoodanig verzot is, dat hij veel van zijn tijd op de kinderkamer doorbrengt, waar hij verklaart, dat het gebabbel van zijn kleindochtertje, dat reeds meer dan achttien maanden oud is, hem zoeter klinkt dan het geblaf van de fraaiste jagthonden in geheel Engeland.

Allworthy was ook zeer mild jegens Jones bij diens huwelijk en laat geene gelegenheid voorbijgaan om hem en zijner echtgenoote blijken zijner liefde te geven, terwijl zij hem als een vader vereeren. Al wat in de natuur van Jones hem tot ondeugd deed overhellen, is verbeterd door den onafgebroken omgang met dezen goeden man en door zijn huwelijk met de schoone en deugdzame Sophia. Door na te denken over zijne vroegere dwaasheden, heeft hij ook eene voorzigtigheid en overleg geleerd, die zelden gevonden worden bij iemand van zijn levendig karakter.

Eindelijk: even als men geen waardiger paar kan vinden dan deze twee menschen,—zoo kan er men zich ook geen gelukkiger voorstellen. Zij bewaren onderling de zuiverste en teederste liefde, welke dagelijks vermeerderd en bevestigd wordt door hartelijkheid en wederzijdsche achting. Zij zijn ook niet minder beminnelijk in hun gedrag jegens hunne betrekkingen en vrienden dan jegens elkaar. En zoo groot is hunne goedheid, toegevendheid en weldadigheid jegens hunne minderen, dat er geen buurman, pachter of bediende is, die niet dankbaar den dag zegent, waarop de heer Jones met zijne Sophia vereenigd werd.

EINDE.

AANTEEKENINGEN

[1] Door dit woord bedoelen wij altijd menschen zonder deugd of verstand, in welken stand der maatschappij ook; en vele zeer hoog geplaatsten worden er onder begrepen. Noot van den Schr.

[2] Dit is de tweede persoon van lagen stand, die in deze geschiedenis vermeld wordt als van een geestelijke aftestammen. Het is te hopen, dat in latere eeuwen, als men eenige betere zorg gedragen heeft voor de huisgezinnen der lagere geestelijkheid, zulke voorbeelden vreemder zullen schijnen dan heden ten dage het geval is. Noot van den Schr.

[3] Eigenlijk Sehnsucht. Fielding kon in het Engelsch ook geen woord vinden om desiderium te vertalen,—en gebruikte in de noot onder den tekst eene lange omschrijving. Noot van den Vert.

[4] De Pretendent.

[5] Door dit woord bedoelen wij hier, en in de meeste andere gedeelten van dit werk, iederen lezer ter wereld. Noot van den Schr.

[6] „Geleerd en ongeleerd, dat schrijft maar toe!”

[7] Het is niet meer dan billijk om dezen grooten tooneelspeler en deze beide te regt zeer beroemde actrices te vermelden, daar zij zich alleen door de studie der natuur gevormd hebben;—en geene navolgers zijn van hunne voorgangers. Van daar is het hun gelukt allen, die hen voorgingen, te overtreffen,—en op eene hoogte te komen, welke de slaafsche kudde der navolgers nooit bereiken kan. Noot van den Schr.

[8] Wiens ondeugden door geene enkele deugd vergoed zijn.

[9] Eene bekende modemaakster in Londen, die beroemd was om de schoone tailles, welke zij de dames wist te maken. Noot van den Schr.

[10] Bedoelde zij welligt Circassische? Noot van den Schr.

[11] Het dorp waar Jones den kwaker ontmoet had. Noot van den Schr.

[12] Othello; vertaling van Moulin. M. P. L.

[13] „Plaats mij in ’t koud en grimmig Noord, Waar geen geboomte, struik noch hagen Het zomerkoeltje ruischen hoort, En waar door mist en nevelvlagen Geen enkle hemellichtstraal boort; Plaats mij in ’t onherbergzaamst oord, Te digt bij Phoebus zonnenwagen, Steeds zal mij Lalage behagen, Wier gulle lach, wier vriendlijk woord Me altijd en overal bekoort.”

[14] Nerva, Trajanus, Hadrianus en de beide Antonini.

[15] Zie Odyss. B. II. 175.

[16] Opdat de nakomelingschap niet door deze woorden in de war gebragt worde, verklaar ik ze door eene advertentie, welke verscheen op 1 Februarij 1747.

„Let wel! De heer Broughton stelt zich voor, om met de noodige hulp eene Akademie te openen in zijn huis in de Hay-Market, voor het onderwijs van diegenen, die ingewijd wenschen te worden in de geheimen van het boxen; waar de geheele theorie en praktijk van die echt Britsche kunst, met de verschillende slagen, finten, enz., door de kampvechters gebruikt, geleerd en verklaard zullen worden. En ten einde personen van rang en onderscheiding, niet af te schrikken om dezen Akademischen Cursus te volgen, zal men met de uiterste zorg en teederheid te werk gaan, met een oog op den fijneren ligchaams-bouw en het gestel van den leerling, om welke reden hij met opgevulde, weeke handschoenen voorzien zal wezen, die hem geheel en al vrijwaren tegen blonde oogen, gebroken kakebeenen en een bebloeden neus.” Noot van den Schr.

[17] Hiermede bedoelde zij waarschijnlijk de banknoot van honderd pond sterling. Noot van den Schr.Return to passage

[18] Dit is een feit, dat, naar ik weet, een armen predikant in Dorsetshire is overkomen, door de schurkenstreken van een zaakwaarnemer, die op deze wijze de kosten wist op te jagen, eene handelwijze, welke dikwerf gebezigd wordt om de armen te onderdrukken en om de beurzen der zaakwaarnemers te vullen, tot groote schande van de wet, van het volk, van het christendom en zelfs van de menschelijke natuur. Noot van den Schr.Return to passage

The end

You’ve reached the end of Tom Jones : De lotgevallen van een vondeling.

Read and listen together

Cover of FrankensteinFrankensteinMary ShelleyRead along