← Tom Jones : De lotgevallen van een vondeling

Tom Jones : De lotgevallen van een vondeling (part 3 of 4)

Part 3 of 4 · Henry Fielding · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #75023, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (4)

Continue:

Tom Jones : De lotgevallen van een vondeling (part 3 of 4)

De arme dame sprong op, evenzeer ontsteld als verbaasd, en zag naast haar bed eene gestalte, welke men zich best verbeelden kon pas uit het gekkenhuis ontsnapt te zijn: want zoodanig woest en wild waren de blikken van den heer Western, die zoodra hij de dame ontwaarde, terugdeinsde, genoegzaam toonende door zijne houding,—eer hij een woord sprak,—dat deze niet de persoon was, die hij zocht.

De vrouwen stellen zoo veel meer prijs op haren goeden naam dan op hare persoon, dat hoewel de laatste in grooter gevaar scheen te verkeeren dan de eerste keer, nu dat de eerste veilig was, de dame niet meer zoo hard schreeuwde als te voren. Evenwel, zoodra zij zich weder alleen bevond, gaf zij elke gedachte aan verdere rust op en, daar zij genoegzame reden had om met haar tegenwoordig verblijf ontevreden te zijn, kleedde zij zich zoo spoedig mogelijk aan.

De heer Western ging nu voort met het heele huis te doorzoeken; maar evenzeer te vergeefs als toen hij de arme mevrouw Waters verontrust had. Daarop keerde hij geheel verslagen in de keuken terug, waar hij Jones onder bewaking zijner dienstboden vond.

Het geweldige rumoer had alle menschen in huis gewekt, hoewel het nog naauwelijks dag was. Onder dezen was er een deftig heer, die toevallig een der vrederegters van het graafschap Worcester was. Zoodra de heer Western dit vernomen had, wilde hij zijne aanklagt bij hem indienen. Maar de regter weigerde zijn ambt dáár uit te oefenen, zeggende dat hij geen griffier bij zich had, en ook geen wetboek, en dat hij onmogelijk alle wettelijke bepalingen omtrent het stelen van dochters en dergelijk goed in zijn hoofd ronddragen kon.

Hierop bood hem de heer Fitzpatrick zijn bijstand aan, terwijl hij de aanwezigen verzekerde dat hij zelf als regtsgeleerde groot gebragt was. En werkelijk, had hij drie jaren gediend als schrijver bij een procureur in het noorden van Ierland, toen hij eene fatsoenlijkere loopbaan koos, zijn meester verliet, naar Engeland trok en dat beroep uitoefende hetwelk geen leertijd eischt, namelijk dat van particulier, waarin hij, zoo als met een enkel woord al gezegd is, volmaakt geslaagd was.

De heer Fitzpatrick verklaarde nu dat de wet omtrent het stelen van dochters bij de tegenwoordige zaak niet toepasselijk was; maar dat het ontvreemden van eene mof zonder twijfel een diefstal was, en dat het als een stellig bewijs van schuld gold als men de gestolene goederen bij iemand vond.

De magistraat, door zulk een geleerden raadsman op deze wijze aangemoedigd, en op hevigen aandrang van den landjonker, werd eindelijk overgehaald om den regterstoel te beklimmen, vanwaar hij, na de mof bekeken te hebben, welke Jones nog in de hand hield, en die de predikant onder eede verklaarde het wettige eigendom van den heer Western te zijn, den heer Fitzpatrick gelastte een bevel tot arrestatie tegen Jones uit te vaardigen, dat hij zich gereed verklaarde te onderteekenen.

Jones verzocht nu zelf gehoord te worden, wat hem met moeite toegestaan werd. Hij riep nu den heer Partridge tot getuige, dat hij de mof gevonden had; maar wat van nog meer belang was, Suze verklaarde dat Sophia zelve haar de mof gegeven had, met bevel om ze op de kamer te leggen, waar ze door den heer Jones gevonden werd.

Of eene aangeborene liefde tot het regt, of de buitengewone schoonheid van Jones Suze tot deze ontdekking gebragt had, dat laat ik daar; maar hare getuigenis was van die waarde, dat de magistraat zich achterover werpende op zijn stoel, verklaarde dat de zaak nu even duidelijk ten voordeele van den aangeklaagde was uitgemaakt als ze vroeger ten zijnen nadeele scheen, waarmede de predikant volmaakt overeenstemde, er bijvoegende: „De hemel verhoede dat ik er deel aan zou hebben om een onschuldige in de gevangenis te werpen!”

Hierop stond de magistraat op, sprak den aangeklaagde vrij en sloot de zitting.

De heer Western verwenschte nu alle aanwezigen met de meeste hartelijkheid, en dadelijk zijne paarden bestellende, trok hij verder op om zijne dochter te zoeken, zonder in het minst acht te slaan op zijn neef Fitzpatrick, of eenig antwoord te geven, toen deze hem aan hunne verwantschap herinnerde, niettegenstaande al hetgeen hij aan dezen heer verpligt was. Bovendien, in de hevigheid zijner drift, vergat hij, gelukkig, de mof van Jones af te eischen;—gelukkig, zeg ik, omdat deze zich liever op de plek zou hebben laten doodslaan, dan er afstand van te doen.

Jones, met zijn vriend Partridge, vertrok ook dadelijk, zoodra zijne rekening betaald was, om zijne beminde Sophia op te sporen, die hij nu besloten had tot het einde toe te volgen. Hij kon er zelfs niet meer toe komen om afscheid van mevrouw Waters te nemen, wier herinnering hij zelfs verafschuwde, daar zij, hoewel onschuldig, de oorzaak was geweest waarom hij eene gelukkige ontmoeting met Sophia gemist had, aan wie hij thans eeuwige trouw zwoer.

Wat mevrouw Waters aangaat, deze maakte gebruik van den wagen die naar Bath reed, waarheen zij vertrok in gezelschap van de twee Iersche heeren, terwijl de waardin de goedheid had haar van kleeren te voorzien, waarvoor zij zich tevreden stelde slechts de dubbele waarde te ontvangen, tot belooning harer vriendelijkheid. Onderweg verzoende mevrouw Waters zich volmaakt met den heer Fitzpatrick, die een zeer knap uiterlijk had, en deed haar best om hem de afwezigheid zijner vrouw in alle opzigten te vergoeden.

Aldus eindigden de vele vreemde avonturen, die de heer Jones beleefde in het logement te Upton, waar de menschen nog heden ten dage spreken van de schoonheid en beminnelijkheid van Sophia, die zij „den engel uit Somersetshire” noemen.

HOOFDSTUK VIII.

WAARIN DE GESCHIEDENIS TERUG GAAT.

Eer wij verder met onze geschiedenis voortgaan, zal het wel noodig zijn een weinig terug te zien, ten einde de wonderbaarlijke verschijning van Sophia en haar vader in het logement te Upton te verklaren.

De lezer zal de goedheid hebben zich te herinneren, dat wij in het negende hoofdstuk van het zevende boek onzer geschiedenis, Sophia, na een langen strijd tusschen pligt en liefde, verlieten, toen zij eindelijk het pleit besliste, wat, naar ik meen, gewoonlijk het geval is, ten voordeele van de laatste.

Deze strijd begon, zoo als wij daar aantoonden, na een bezoek van haar vader, toen hij haar had willen dwingen om hare toestemming te geven tot een huwelijk met Blifil, welke hij als gegeven beschouwde zoodra zij bekende, dat zij „eenig stellig bevel van haar vader kon noch mogt tegengaan.”

Van dit bezoek keerde de landjonker dien avond tot zijne flesch terug, bovenmatig verheugd over zijn voorspoed bij zijne dochter, en daar hij van gezelligen aard was, en gaarne deelneming vond bij zijne vreugde, gaf hij bevel dat in de keuken het bier ook ruim vloeijen zoude, zoodat reeds vóór elf uur dien avond, er geen enkel nuchter mensch in huis was dan mejufvrouw Western en de bekoorlijke Sophia zelve.

Des morgens vroeg werd er een bode gezonden om den heer Blifil te halen; want ofschoon de landjonker zich verbeeldde, dat die jonge heer veel minder wist van den afkeer welken zijne dochter voor hem gevoelde, dan werkelijk het geval was, was hij zeer ongeduldig om hem mede te deelen, dat hij werkelijk het jawoord gekregen had,—in het minst niet twijfelende, dat het door de aanstaande bruid zelve mondeling bekrachtigd zou worden. Ten opzigte van de voltrekking van het huwelijk, was die reeds den vorigen avond door de heeren vastgesteld, op den morgen van den tweeden daarop volgenden dag.

Het ontbijt werd nu in de huiskamer gereed gezet, waarbij de heer Blifil ook tegenwoordig was, tegelijk met den landjonker en zijne zuster, toen bevolen werd om Sophia te roepen.

O Shakespeare had ik uwe pen! O, Hogarth, had ik uw penseel! dan zou ik het beeld teekenen van den armen dienaar, die met bleek gelaat, starende oogen, klapperende tanden, bevende tong en knikkende knieën de kamer binnentrad en verklaarde dat mejufvrouw Sophia niet te vinden was!

„Niet te vinden!” brulde de landjonker, van zijn stoel opspringende. „Wat bl....! Wel verd....! Hoe! Waarom! Waar!—niet te vinden! Waar niet?”

„Goede Hemel! Broeder!” hernam mejufvrouw Western, met echt diplomatieke koelbloedigheid. „Waarom maakt ge u altijd zoo driftig om niets? Ik verbeeld me dat het niets anders is dan dat nicht in den tuin is gaan wandelen! Ik verklaar, ge zijt zoo onredelijk geworden, dat het onmogelijk wordt met u huis te houden!”

„Wel, wel!” hernam de landjonker, even plotseling bedarende als hij driftig was geworden, „als het niets anders is, dan doet het er niet veel toe; maar, op mijn woord, ik werd bang, toen die kerel vertelde dat zij niet te vinden was.”

Daarop gaf hij bevel met de schel door den tuin te loopen en ging weêr heel kalm zitten.

Men kon in de meeste gevallen (en vooral in dit geval) geene grootere tegenstellingen vinden dan van dien broeder en die zuster. Even als de broeder nooit iets op een afstand voorzag, maar slim genoeg was om alles te zien zoodra het gebeurd was, zoo voorzag de zuster alles op een grooten afstand, maar was niet zoo helderziend omtrent hetgeen onder hare oogen voorviel. En, inderdaad, hunne beider gaven sloegen tot uitersten over; want even als de zuster dikwerf dat voorzag wat nooit gebeuren zou, zoo ontdekte ook de broeder dikwijls meer dan wezenlijk waar was.

Dit was echter nu niet het geval. Men bragt hetzelfde rapport uit den tuin als vroeger uit het slaapvertrek; namelijk, dat mejufvrouw Sophia nergens te vinden was.

De heer Western ging nu zelf er op uit, en begon den naam van Sophia even hard uit te brullen, en met eene even heesche stem als oudtijds Herkules dien van Hylas, en even als de dichter ons vertelt dat de geheele kust weergalmde van den naam van den schoonen jongeling, zoo weerklonk het geheele huis, de tuin en al de naburige velden van Sophia’s naam, en van de diepe stemmen der mannen en de schelle geluiden der vrouwen, terwijl de echo zoo veel behagen scheen te scheppen in het herhalen van den beminden naam, dat, als er werkelijk zulk een wezen bestaat, ik gelooven moet, dat Ovidius een verkeerd geslacht daaraan toegekend heeft.

Een tijdlang heerschte er de grootste verwarring, tot dat de heer Western na al de kracht zijner longen geheel te hebben uitgeput, naar de huiskamer terugkeerde, waar hij mejufvrouw Western en den heer Blifil vond, en zich, geheel ter neder geslagen, op een stoel wierp.

Hierop begon mejufvrouw Western de volgende troostrede: „Broeder, het spijt me wezenlijk dat zoo iets gebeurd is, en dat mijne nicht zich op eene wijze gedragen heeft, die hare geheele familie schande aandoet;—geen mensch dan gij zelf heeft er de schuld van. Gij weet wel dat zij altijd lijnregt in strijd met mijne raadgevingen opgevoed is;—en thans ondervindt ge daarvan de gevolgen! Heb ik u niet duizend maal gezegd dat ge mijne nicht niet altijd haren zin geven moest? Maar ge weet, dat ik nooit iets bij u vermogt, en toen ik me zooveel moeite gegeven had om hare stijfhoofdigheid te breken, en uwe dwalingen weer goed te maken, weet ge wel, dat zij uit mijne handen genomen werd;—zoodat ik niets meer te verantwoorden heb! Had men mij geheel en al de zorg harer opvoeding toevertrouwd, dan was u nooit zoo’n ongeluk als dit overkomen;—dus moet ge u troosten met de gedachte dat het uw eigen werk is,—en inderdaad, wat kon men anders wachten na zoo vele toegevendheid?”

„Wat drommel, zuster!” riep hij; „ge zult me nog dol maken! Heb ik haar iets toegegeven? Heb ik haar haren zin gegeven? Gisteren avond dreigde ik haar, als zij me niet gehoorzaamde, om haar levenslang, op water en brood op hare kamer gevangen te houden! Ge zoudt het geduld van een Job uitputten!”

„Heeft men ooit iets dergelijks gehoord!” hernam zij. „Broeder! Als ik niet honderd maal zooveel geduld had als Job, zoudt ge me alle betamelijkheid en welvoegelijkheid doen vergeten! Waarom moest gij er tusschen komen! Had ik u niet gebeden en gesmeekt om de heele zaak aan mij over te laten? Gij hebt alle manoeuvres van den heelen veldtogt door één valschen stap verijdeld. Zou iemand ter wereld, die zijn gezond verstand bezit, zijne dochter door bedreigingen van dien aard getergd hebben? Hoe dikwerf heb ik u al niet verteld, dat de Engelsche vrouwen zich niet als Ciracassische [10] slavinnen laten behandelen? De geheele wereld zal ons beschermen. Door zachtheid alleen kan men ons winnen; wij laten ons niet dwingen en door geweld overmeesteren en door stokslagen regeren. Dank zij den Hemel, de Salische wet heerscht hier niet! Gij, broeder, hebt zoo iets ruws over u, dat geene andere vrouw behalve ik, dat ooit verdragen zou. Het verwondert me niet, dat de angst en de schrik mijne nicht er toe bragten dien maatregel te nemen, en, om de ronde waarheid te spreken, ik geloof wel dat zij dat voor de geheele wereld zal kunnen verantwoorden. Ik herhaal het, broeder, het moet u tot troost strekken, als gij bedenkt dat gij zelf de schuld van alles draagt. Hoe dikwerf heb ik u niet aangeraden—”

Hier sprong Western woest van zijn stoel op en liep met eene reeks van verschrikkelijke vloeken de kamer uit.

Zoodra hij weg was, liet zijne zuster zich (zoo mogelijk), met nog meer bitsheid over hem uit, dan in zijn bijzijn, en beriep zich, ter bekrachtiging van al wat zij zeide, op den heer Blifil, die, met de meeste beleefdheid, alles toestemde wat zij beweerd had, maar de gebreken van den heer Western verontschuldigde, „daar men bedenken moest,” zeide hij, „dat ze hun ontstaan te danken hadden aan de overdrevene liefde van een vader, welke men toch slechts als eene beminnelijke zwakheid beschouwen kon.”

„Die echter des te minder te verontschuldigen is,” hernam de dame; „want wie anders benadeelt hij daardoor dan zijn eigen kind?”

Hieromtrent was Blifil het volmaakt met haar eens.

Mejufvrouw Western begon nu hare verlegenheid aan den dag te leggen omtrent den heer Blifil zelven, en de behandeling welke hij ondervonden had van eene familie, die hij zoo veel eer had willen aandoen. Ten dezen opzigte, laakte zij met de meeste gestrengheid de dwaasheid harer nicht, maar eindigde met haren broeder de schuld van alles te geven, die, gelijk zij zeide, onvergeeflijk gehandeld had, met alles zoo ver te laten komen, zonder vast overtuigd te zijn van zijner dochters toestemming. „Maar,” verklaarde zij, „hij is altijd driftig en koppig van aard geweest, en ik kan het me zelve naauwelijks vergeven, dat ik zoo veel goeden raad aan hem verspild heb.”

Na nog veel meer van dezen aard besproken te hebben, dat, als het hier uitvoerig herhaald werd, den lezer waarschijnlijk slechts weinig bevallen zou, vertrok de heer Blifil en keerde naar huis terug, niet best tevreden met zijne teleurstelling, welke evenwel de wijsbegeerte, die hij van Square opgedaan had, en de godsdienst, die hij van Thwackum verkregen had,—met nog iets anders op den koop toe,—hem met meer gelatenheid deden dragen, dan men in dergelijke gevallen bij minnaren van meer driftigen aard vindt.

HOOFDSTUK IX.

SOPHIA’S VLUGT.

Het wordt nu tijd dat wij naar Sophia rondkijken, en als de lezer half zooveel van haar houdt als ik, zal het hem verheugen haar ontsnapt te zien aan de klaauwen van haren doldriftigen vader en van haren minder driftigen minnaar.

Twaalf maal sloeg de ijzeren klep tegen het luidklinkende metaal, de spoken oproepende, om de nachtelijke ronde te doen,—eenvoudiger gezegd: het was middernacht, en het geheele huisgezin, zoo als wij verteld hebben, lag in drank of slaap gedompeld,—met uitzondering alleen van mejufvrouw Western, die verdiept was in een staatkundig vlugschrift, en van onze heldin, die nu zachtjes de trap afsloop, en een der huisdeuren ontgrendeld en ontsloten hebbende, er uit ging en zich spoedde naar de bepaalde plaats.

Niettegenstaande de vele lieve kunstjes, welke de vrouwen soms in praktijk brengen, om bij elke nietige gelegenheid hare angstvalligheid aan den dag te leggen,—en die bijna zoo talrijk zijn als die welke het sterkere geslacht bezigt, om de zijne te verbergen,—is er zekere graad van moed, die niet slechts de vrouw betaamt, maar die ook dikwerf vereischt wordt, om haar in staat te stellen haren pligt te doen. Woestheid alleen, en geenszins ware moed, ontsiert het vrouwenkarakter;—want wie kan de geschiedenis van de te regt beroemde Arria lezen, zonder een even verheven denkbeeld te koesteren van hare zachtheid en teederheid als van hare geestkracht? Terzelfder tijd is welligt menige vrouw, die het uitgilt op het gezigt van eene muis of van eene rat, in staat om haar echtgenoot te vergiftigen;—of wat nog erger is, om hem er toe te brengen zich zelven te vergiftigen.

Sophia, met de meest mogelijke vrouwelijke zachtzinnigheid, bezat ook den meesten moed. Toen zij dus op de bepaalde plaats aankwam, en in plaats van, volgens afspraak, hare kamenier daar te vinden, een man op zich zag toerijden, gilde zij niet, noch viel zij in zwijm, ofschoon haar pols wat sneller sloeg dan anders, want zij gevoelde wel in ’t begin eenige vrees en angst, die echter bijna even zoo spoedig verdwenen als ze ontstaan waren, toen de man den hoed opligtte en haar zeer onderdanig vroeg,—„of zij welligt niet verwachtte eene andere dame dáár te vinden?” Waarop hij voortging met haar te zeggen, dat hij gezonden was om haar bij die dame te brengen.

Sophia kon, na dit gehoord te hebben, onmogelijk eenig verraad vreezen; zij klom dus moedig achter den man te paard, die haar veilig bragt naar eene ongeveer anderhalf uur verwijderde stad, waar zij de voldoening smaakte van de goede jufvrouw Honour te vinden;—want daar de geheele ziel van de kamenier vervuld was met de kleeren, waarin zij gewoon was haar ligchaam te hullen, kon zij er volstrekt niet toe komen ze uit hare oogen te laten. Zij bewaakte ze dus zelve, terwijl zij voornoemden bode zond, na hem behoorlijk ingelicht te hebben, om hare meesteresse te halen.

Zij overlegden nu wat zij doen moesten om aan de vervolging van den heer Western te ontgaan, die, zoo als zij wel wisten, binnen een paar uren haar nazetten zoude. De weg naar Londen had zooveel bekoorlijks voor Honour, dat zij verlangde om dadelijk verder te gaan, en beweerde dat, daar men Sophia eerst om acht of negen uur den volgenden morgen missen zou, hare vervolgers niet meer in staat zouden zijn haar in te halen, zelfs al wisten zij welken weg zij ingeslagen had. Maar Sophia had te veel op het spel gezet om iets aan het toeval over te laten, en waagde het ook niet te veel te vertrouwen op hare eigene zwakke ledematen in een wedstrijd, die alleen door meerdere vlugheid beslist moest worden. Zij besloot dus dwars door het land te rijden, ten minste een uur of zes zeven, en dan den grooten weg naar Londen te volgen. Daarom huurde, zij paarden om zeven uren den éénen kant uit te gaan, terwijl zij zich voorgenomen had om juist de andere rigting te volgen, en vertrok, met denzelfden gids achter wien zij gereden had van haar vaders huis, terwijl de man nu op zijn paard, in plaats van Sophia, een veel zwaarderen en minder schoonen last voerde,—namelijk een groot koffer, goed gevuld met die uiterlijke sieraden, door middel van welke de bekoorlijke Honour vele veroveringen en eindelijk fortuin hoopte te maken in de hoofdstad.

Zoodra zij ongeveer twee honderd pas van het logement gekomen waren op den weg naar Londen, reed Sophia op den gids toe, en met eene stem, die veel honigzoeter was dan die van Plato, hoewel men zijn mond bij een bijenkorf vergeleken heeft, smeekte zij hem den eersten weg in te slaan, die naar Bristol voerde.

Ik ben, lezer, volstrekt niet bijgeloovig en hecht niet veel aan hedendaagsche wonderen. Hetgeen nu volgt geef ik dus volstrekt niet als eene onbetwistbare waarheid; want ik kan het zelf naauwelijks gelooven; maar de getrouwheid van den geschiedschrijver noodzaakt mij te herhalen hetgeen stellig beweerd wordt;—en dat is, dat het paard waarop de gids reed, zoodanig bekoord werd door Sophia’s stem, dat het halt maakte en ongewillig scheen om verder te gaan.

Misschien echter, is het feit op zich zelf waar en minder wonderbaarlijk dan men veronderstellen zou, daar er eene natuurlijke oorzaak daarvoor bestaat; want, daar de gids op dat oogenblik ophield met het gedurige gebruik van zijn gewapenden regterhiel (want, even als Hudibras, droeg hij slechts één spoor), is het zeer mogelijk, dat dit verzuim alleen het paard deed stilstaan, te meer daar dit dikwerf het geval was met het dier ook bij andere gelegenheden.

Maar, had de stem van Sophia al wezenlijk eenige uitwerking op het paard, ze vermogt niet veel bij den ruiter. Hij antwoordde eenigzins knorrig: „Dat zijn meester hem bevolen had dien weg te volgen, en dat hij zijne dienst kwijt zou wezen, als hij een anderen insloeg.”

Sophia, bevindende dat hare overredingskracht niets uitwerkte, begon nu onweerstaanbare bekoorlijkheden aan hare stem bij te zetten,—bekoorlijkheden waaraan men in nieuwere tijden die onoverwinnelijke magt toegeschreven heeft, welke de ouden aan de volmaakte welsprekendheid toekenden. Met één woord, zij beloofde hem ruimschoots te beloonen.

De jongen was niet geheel doof voor deze beloften; maar hield niet van het „onbepaalde” er van; want hoewel hij denkelijk dit woord niet kende, was dat inderdaad wat hem tegenstond.

„De groote luî,” zeide hij, „dachten niet om het geringe volk. Men had hem een dag of wat geleden bijna weggejaagd, omdat hij van den grooten weg afgegaan was met een heer, die van mijnheer Allworthy’s huis kwam,—en hem niet naar behooren beloond had.”

„Met wien?” vroeg Sophia driftig.

„Met een heer, die van mijnheer Allworthy kwam,” hernam de jongen. „Met zijn zoon, geloof ik, dat men hem heet.”

„Waarheen,—welken weg is hij ingeslagen?” vroeg Sophia.

„Wel, zoo wat den kant van Bristol uit,—omtrent een uur of zeven van daar,” antwoordde de jongen.

„Breng mij naar die plaats,” zei Sophia, „en ik zal u een guinje geven,—of twee, als één niet genoeg is.”

„Nu,” hernam de jongen, „’t is zeker een paar guinjes waard als de jufvrouw bedenkt hoeveel gevaar ik loop; maar als gij mij zeker twee guinjes belooft, zal ik het wagen. ’t Is waar, het is schande om zoo overal rond te trekken met de paarden van den baas;—maar één troost is het, dat men niet meer kan doen dan mij wegjagen, en twee guinjes zullen het me gedeeltelijk vergoeden.”

Zoodra de koop gesloten was, sloeg de jongen den weg naar Bristol in, en Sophia ondernam om Jones te volgen, zeer tegen den zin van mejufvrouw Honour, die veel verlangender was om Londen dan om den heer Jones te zien; want inderdaad, zij begunstigde hem niet zeer bij hare meesteresse, daar hij zich schuldig had gemaakt aan het verzuim van zekere geldelijke beleefdheden, die, volgens de gewoonte in alle liefdezaken, vooral in die van geheimen aard, bewezen moeten worden aan de kameniers. Dit schrijven we eerder toe aan zijn onbedachtzamen aard dan aan eenig gebrek aan mildheid; hoewel zij welligt aan dit laatste de schuld gaf;—zeker is het echter dat zij hem bitter haatte om die reden, en besloot geene gelegenheid te verzuimen om hem bij hare meesteresse te benadeelen. Het was dus een groot ongeluk voor haar, dat zij juist in dezelfde stad en dezelfde herberg gekomen waren van waar Jones vertrokken was, en nog ongelukkiger dat zij toevallig denzelfden gids namen, waardoor Sophia de toevallige ontdekking gedaan had.

Onze reizigers bereikten Hambrook [11] bij het aanbreken van den dag, waar Honour, zeer tegen haar zin, gelast werd onderzoek te doen naar den weg door den heer Jones gevolgd.

Dit had haar de gids zelf ook best kunnen mededeelen; maar Sophia, om welke reden is mij onbekend, deed hem die vraag niet.

Zoodra jufvrouw Honour terug kwam met het berigt van den waard, kreeg Sophia met veel moeite eenige slechte paarden, welke haar bragten naar de herberg waar Jones opgehouden was geworden, eerder door het ongeluk van een heelmeester dan dat van een gat in zijn hoofd gekregen te hebben.

Hier werd Honour weder gelast onderzoek te doen, en had pas de waardin aangesproken, en het uiterlijk van den heer Jones beschreven, toen die slimme vrouw, om het heel plat uit te drukken, lont begon te ruiken. Zoodra dus Sophia in de kamer trad, wendde zich de waardin tot de meesteresse, in plaats van de kamenier te antwoorden, en sprak haar als volgt aan:

„Hemelsche tijd! Wel kom aan! Wie zou zoo iets gedacht hebben! Wis en zeker, het schoonste paar dat ik ooit gezien heb! Wel! Geen wonder dat mijnheer zoo dweept met de jufvrouw. Hij zei me dan ook dat gij de schoonste dame ter wereld waart,—en dat is ook zeker waar! Goede hemel! Wat had ik medelijden met de arme ziel toen hij zijn hoofdkussen aan het hart drukte en het zijne dierbare Sophia noemde!—Ik deed mijn best om hem af te raden naar den oorlog te gaan, dat is zeker;—ik zei hem ook, dat er mannen genoeg waren, die tot niets anders geschikt waren dan om zich te laten doodschieten, en die door geene schoone dames bemind werden.”

„Wel,” riep Sophia, „de goede vrouw is zeker niet bij zinnen!”

„Neen, neen,” hernam de waardin; „ik ben niet gek! Gelooft de jufvrouw, dat ik er niets van weet?”

„Welk onbeschaamd mensch heeft u ooit iets van mijne meesteresse verteld?” vroeg Honour.

„Het was geen onbeschaamd mensch,” antwoordde de waardin, „maar de jonge heer zelf, naar wien ge vraagt;—en hij is een zeer knap jong mensch ook, en bemint jufvrouw Sophia Western van ganscher harte.”

„Hij! mijne meesteresse beminnen! Ge moet begrijpen, vrouw, dat zij niet iemand is van zijne gading!”

„Kom, kom, Honour,” viel haar Sophia in de rede, „maak u niet boos op de goede vrouw; ik ben overtuigd dat zij geen kwaad bedoelt.”

„Neen, dat doe ik ook niet,” hernam de waardin, aangemoedigd door Sophia’s vriendelijke woorden,—waarop zij een lang verhaal opdischte, te vervelend om hier herhaald te worden, en waarin eenige volzinnen voorkwamen, die Sophia een weinig en hare kamenier nog veel meer aanstoot gaven de; laatste maakte dus van deze gelegenheid gebruik om den armen Jones bij hare meesteresse zwart te maken zoodra zij zich weder alleen bevonden, terwijl zij zeide, „dat het toch een ellendig mensch moest wezen, en dat hij eene dame volstrekt niet beminnen kon, wier naam hij aldus in eene gemeene kroeg ten beste gegeven had.”

Sophia echter zag zijn gedrag niet in dit slecht licht, en schepte welligt meer behagen in de hevige vlagen zijner liefde (welke de waardin evenzeer overdreven had als al het overige), dan dat zij zich beleedigd gevoelde door andere zaken, en inderdaad, zij schreef het geheel toe aan de buitensporigheid en overmagt zijner liefde, en aan zijne openhartigheid.

Deze gebeurtenis echter, welke zij zich later weder herinnerde, en die door Honour in het meest hatelijke licht geplaatst werd, diende slechts om de ongelukkige dingen die te Upton gebeurd waren, te kleuren en te bekrachtigen, en hielp de kamenier in hare pogingen om hare meesteresse uit het logement te doen vertrekken zonder Jones te willen zien.

Daar de waardin begreep dat Sophia niet langer blijven wilde dan tot de paarden gereed waren, en ook niets eten of drinken, ging zij weldra heen, en Honour begon met hare meesteresse de les te lezen,—want inderdaad zij matigde zich de grootste vrijheid tegenover haar aan,—en na eene lange aanspraak, waarin zij haar herinnerde aan haar voornemen om naar Londen te gaan, en haar vele wenken gaf omtrent het ongepaste van een jongen heer na te loopen, eindigde zij met deze ernstige vermaning:

„In ’s Hemels naam, jufvrouw, bedenk wat ge doet, en waarheen ge gaat!”

Deze raadgeving aan eene dame die reeds een uur of twaalf gereden had, en dat in geen aangenaam jaargetijde, zal wel tamelijk dwaas schijnen. Men mag veronderstellen dat zij dit rijpelijk en wel overlegd en besloten had,—ja, naar de wenken welke zij gaf, scheen zich jufvrouw Honour dit te verbeelden, en ik twijfel ook niet, dat dit het denkbeeld is van vele lezers, die waarschijnlijk reeds lang geleden de voornemens onzer heldin begrepen hebben, en haar als een zeer ligtzinnig wezen veroordeeld hebben.

Maar dit was werkelijk niet het geval. Sophia was in den laatsten tijd zoodanig tusschen hoop en vrees geslingerd geworden, tusschen pligt en liefde tot haar vader, afkeer van Blifil, medelijden en (waarom zou men de waarheid verbloemen?) neiging tot Jones, welk laatste gevoel door het gedrag van haar vader, van hare tante en van iedereen—en vooral van Jones zelven tot eene lichte, laaije vlam aangeblazen was, dat zich haar geest in dien verwarden toestand bevond, waarin men met waarheid zeggen kan, dat wij onwetend zijn van hetgeen we doen, en waarheen we gaan,—of liever, dat wij onverschillig worden voor de gevolgen van ons doen en laten.

De voorzigtige en wijze raadgevingen van hare kamenier bragten er haar echter toe om de zaak kalmer te overleggen, en eindelijk besloot zij naar Gloucester te gaan, en van daar regtstreeks naar Londen.

Ongelukkig echter, een uurtje eer zij die stad binnenreed, ontmoette zij den beunhaas, die, zoo als wij verhaald hebben, dáár met den heer Jones gegeten had. Daar deze vent jufvrouw Honour goed kende, maakte hij halt en sprak haar aan, waarop Sophia, op het oogenblik, weinig acht gaf, en alleen vroeg wie het was.

Maar, later te Gloucester, vertelde haar Honour meer van dezen mensch, en toen zij hoorde van zijne vlugge wijze van reizen,—waarvoor (gelijk reeds gemeld is), hij bijzonder vermaard was, en toen zij zich ook herinnerde, dat zij jufvrouw Honour hem had hooren vertellen dat zij naar Gloucester gingen, begon zij te vreezen dat haar vader, door middel van dezen mensch, haar naar die stad zou kunnen nasporen, en dat als zij dáár den weg insloeg naar Londen, hij best in staat zou zijn haar in te halen. Zij veranderde dus van besluit, en na paarden gehuurd te hebben, om eene week lang te reizen in eene geheel andere rigting dan zij voornemens was te volgen, vertrok zij, na eenige ververschingen gebruikt te hebben, zeer tegen het verlangen en de ernstige gebeden harer dienaresse en niet minder tegen de levendige vermaningen van mejufvrouw Whitefield zelve in, die uit beleefdheid, of welligt uit welwillendheid,—want de jonge dame scheen zeer vermoeid, sterk er op aandrong dat zij dien avond te Gloucester zou blijven.

Na zich dus slechts met wat thee verkwikt en een paar uren te bed gelegen te hebben, terwijl de paarden in gereedheid gebragt werden, verliet zij stoutmoedig het huis van mejufvrouw Whitefield tegen elf uur ’s avonds, en dadelijk den weg naar Worcester inslaande, bereikte zij binnen de vier uren het logement, waar wij haar het laatst ontmoetten.

Na onze heldin aldus op den voet gevolgd te zijn van haar vertrek af tot aan hare aankomst te Upton, zullen wij, in zeer weinige woorden, haren vader tot diezelfde plaats brengen. Na eerst op het spoor gebragt te zijn door den postiljon, die zijne dochter naar Hambrook gebragt had, spoorde hij haar zeer gemakkelijk verder na tot Gloucester, van waar hij haar naar Upton volgde, daar hij vernomen had dat Jones daarheen gegaan was,—want Partridge,—om de uitdrukking van den landjonker te bezigen,—liet overal eene sterke lucht achter, en hij twijfelde niet, dat Sophia, ook dien weg volgde, of zoo als hij het uitdrukte, in hetzelfde spoor liep. Hij bezigde inderdaad eene zeer grove uitdrukking hiervoor, die het niet noodig is hier in te lasschen, daar de vossenjagers, die ze alleen verstaan zouden, ze zich ook gemakkelijk verbeelden kunnen.

BOEK XI.

Bevattende ongeveer drie dagen.

HOOFDSTUK I.

EEN HAPJE VOOR DE RECENSENTEN.

Men zal welligt denken dat wij in ons laatste inleidende hoofdstuk dat geduchte menschenras, dat men „recensenten” noemt, met eene onbetamelijke vrijheid behandeld hebben, daar zij de grootste nederigheid eischen en ook gewoonlijk vinden bij den schrijver. Wij zullen dus de reden van ons gedrag hier ophelderen jegens dit eerbiedwaardig corps, en zullen hen welligt in een licht plaatsen, waarin men hen tot dusver niet gezien heeft.

Het woord criticus, is afgeleid van een Grieksch woord, dat „oordeel” beteekent. Vandaar, veronderstel ik, dat zekere menschen, die het oorspronkelijke niet verstaan, en slechts de vertaling er van kennen, er uit opgemaakt hebben, dat het oordeel beteekende in den regtsgeleerden zin, waarin het dikwerf voorkomt als gelijkluidend met „veroordeeling.”

Ik hel te meer tot dit gevoelen over, daar men in de laatste jaren de meeste critici onder de regtsgeleerden gevonden heeft. Vele dezer heeren, uit wanhoop welligt van ooit den regterstoel te beklimmen in het Paleis van Justitie, hebben dien beklommen in den schouwburg, waar zij hun ambt uitoefenen en hun oordeel,—of, veroordeeling—zonder genade uitspreken.

Die heeren zouden welligt genoegzaam in hun schik zijn, als wij het er bij lieten na hun ambt dus vergeleken te hebben bij een der meest aanzienlijke en gewigtige in het rijk, en als wij voornemens waren naar hunne gunst te dingen, zouden wij het ook daarbij laten; daar wij echter van plan zijn om opregt en openhartig met hen om te gaan, moeten wij hen aan een anderen ambtenaar der Justitie herinneren, met wien zij ook eenige flaauwe gelijkenis vertoonen, daar zij niet slechts hun vonnis vellen, maar het ook ten uitvoer leggen.

Bovendien is er een ander licht, waarin men met het meeste regt en de grootste billijkheid deze hedendaagsche critici stellen kan, namelijk, indien men hen beschouwt als gemeene lasteraars. Als, namelijk, een persoon, die het karakter zijner naasten bespiedt, met geen ander doel dan om hunne gebreken te ontdekken en ze aan de wereld bekend te maken, den naam verdient van een menschenlasteraar, waarom zou de recensent, die met hetzelfde kwaadwillige oogmerk leest, niet even goed een boekenlasteraar genoemd worden?

De ondeugd heeft, geloof ik, geen onderdaniger slaaf; de maatschappij brengt geen hatelijker ongedierte voort; de Satan zelf kan geen gast ontvangen, die hem waardiger is, of hem bij mogelijkheid meer genoegen oplevert, dan een lasteraar.

En toch vrees ik, dat de wereld dit monster niet met half zoo veel afkeer beschouwt als hij wel verdient, en ik aarzel nog meer om den oorsprong aan te toonen van de misdadige zachtzinnigheid, waarmede hij behandeld wordt;—evenwel is het onbetwistbaar, dat de dief bij hem onschuldig schijnt; ja, zelfs de schuld van den moordenaar kan zelden de zijne evenaren; want de laster is een wreeder wapen dan het staal, en de wond, welke de eerste toebrengt, blijft steeds onheelbaar. Er is echter ééne wijze van te moorden, de laagste en verfoeijelijkste van alle, die eene zeer naauwkeurige overeenkomst heeft met de ondeugd waarvan hier sprake is,—en dat is het vergif;—eene zoo verachtelijke en tevens zoo verschrikkelijke wraakoefening, dat ze vroeger, zeer wijsselijk, door de wetten onderscheiden werd van alle overige moordaanslagen en met bijzondere strengheid gestraft werd.

Behalve het ontzettende kwaad door den laster verrigt, en de laagheid der middelen, die hij bezigt, zijn er nog andere omstandigheden, die hem des te verfoeijelijker maken;—want dikwerf bestaat er geene aanleiding daartoe, en ook geen vooruitzigt op belooning, tenzij het eene belooning moge wezen voor de eene of andere zwarte en duivelsche ziel om zich te kunnen verheugen in de gedachte dat zij de ellende en den ondergang van anderen bewerkt heeft.

Shakespeare heeft eene schoone toespeling op deze ondeugd gemaakt, als hij zegt:

„Wie mij mijn geld ontsteelt, steelt drek; ’t is iets,—’t is niets; ’t Was mijn, werd het zijne, en diende duizenden: Maar hij die mij mijn goeden naam ontrooft, Ontvreemdt mij iets dat hem niet rijker maakt, En mij volstrekt verarmt.” [12]

Tegen dit alles zal de vriendelijke lezer wel niets in te brengen hebben; maar veel er van zal hem zonder twijfel te scherp schijnen om toegepast te worden op den lasteraar van boeken. Men bedenke echter, dat beider wanbedrijven uit denzelfden boosaardigen gemoedsaard voortspruiten, en evenmin door iets verleidelijks daarin te verontschuldigen zijn. Wij zullen ook niet kunnen beweren, dat de laatste slechts zeer weinig schade toebrengt, als wij het boek van den schrijver beschouwen als zijn kind,—als het kind van zijn brein.

De lezer, wiens Muze tot dusver in een maagdelijken toestand verkeert, kan slechts een zeer onvolkomen begrip hebben van deze soort van vaderliefde. Jegens zoo iemand mogen wij den teederen uitroep van Macduff parodieren, en tot hem uitroepen: „Helaas! Gij hebt geen boek geschreven!” Maar de schrijver, wiens Muze vruchtbaar is geweest, zal mijn aandoenlijken toon vatten, en me welligt met zijne tranen volgen,—vooral indien zijn lieveling reeds overleden is,—als ik spreek van den angst waarmede de zwangere Muze haren last ronddraagt, van de pijnen welke zij in barensnood uitstaat, en eindelijk, van de zorg en de liefde waarmede de teedere vader zijn lieveling koestert, tot die zoo ver gekomen is, dat hij in de wereld kan gebragt worden.

Er is ook geene andere soort van vaderlijke liefde, welke minder steunt op het bloote instinkt, of beter met de wereldsche wijsheid in overeenstemming is, dan deze. Deze kinderen mogen met regt de schatten van hun vader genoemd worden, en vele daarvan hebben met echt kinderlijke liefde hun vader in zijn ouden dag gevoed, zoo dat niet slechts liefde, maar ook tevens het belang van den schrijver zeer benadeeld kan worden door die lasteraars, welke zijn boek een ontijdigen dood doen ondergaan.

Eindelijk: de lasteraar van een boek is, naar waarheid, de lasteraar van den schrijver; want even als men niemand voor een onecht kind uitschelden kan, zonder ook diens moeder te beleedigen, zoo kan men ook geen boek brandmerken als „louter onzin,” „niets dan wartaal,” zonder den schrijver een domkop te heeten;—wat, hoewel het in een zedelijken zin minder erg is, dan dat men hem een schurk noemt, welligt zijne wereldsche belangen nog meer benadeelt.

En hoe belagchelijk dit alles aan sommige menschen toeschijnen moge, zullen toch anderen, zonder twijfel, de waarheid er van beseffen en erkennen;—ja, zullen zich welligt verbeelden, dat ik de zaak met te weinig betamelijke plegtigheid behandeld heb; maar, waarom zou men de waarheid niet spreken met een lagchend gelaat? En werkelijk, het is, op zijn zachtst gezegd, een zeer kwaadaardig iets als men noodeloos, of met boos opzet, een boek afbreekt, en een grommende, hatelijke recensent mag wel, geloof ik, voor een slecht mensch gehouden worden.

Ik zal dus in het overige gedeelte van dit hoofdstuk de kenmerken van zijn karakter trachten te schetsen, en aan te toonen welke soort van kritiek ik hier wenschte te laken;—want, alleen de bedoelde personen zelve zullen mijn gezegde in dien zin willen opvatten alsof ik geene gepaste beoordeelaren van een letterkundig werk erkende, of uit het gemeenebest der letteren die edele recensenten wilde uitsluiten, aan wier arbeid de geleerde wereld zooveel te danken heeft. Zoodanigen waren Aristoteles, Horatius en Longinus, onder de ouden; Dacier en Bossu onder de Franschen, en welligt ook enkelen onder de Engelschen, die zeker het regt verkregen hebben om in Foro literario een vonnis te vellen.

Maar, zonder al de vereischten van een recensent op te sommen, die ik ook elders ter loops besproken heb, geloof ik onbevreesd protest te mogen aanteekenen tegen de afkeuring, door wien ook, van werken, welke hij zelf niet gelezen heeft. Zulke veroordeelingen als deze, hetzij men volgens vooraf opgevatte gissingen spreke, of de meening en de berigten van anderen naprate, mogen, met regt, als laster beschouwd worden van het boek dat afgekeurd wordt.

Men kan ook gerust als lasteraars bestempelen al diegenen, welke, zonder eenige bepaalde gebreken aan te wijzen, het geheel afkeuren in algemeene minachtende woorden, zoo als, bij voorbeeld, „gemeen, saai, vervloekte onzin enz.”—en vooral door het gebruik van het woordje „plat,” dat niemand het regt heeft uit te spreken, tenzij hij zelf zeer verheven zij.

Verder: hoewel men eenige gebreken in het boek moge aanwijzen,—als deze niet in de hoofdzaken zijn, of als ze opgewogen worden door nog grootere schoonheden, zal het eerder getuigen van de kwaadaardigheid van een lasteraar dan van het oordeel van een degelijken recensent, als men het geheel vonnist, alleen wegens de gebreken van enkele gedeelten, wat geheel in strijd is met de gevoelens van Horatius:

„Verum ubi plurima nitent ni carmine, non ego paucis Offendar maculis, quas aut incuria fudit, Aut humana parum cavit natura,—”

Want, zoo als Martialis zegt: Aliter non fit, avite, liber. Geen boek kan anders geschreven worden. Alle schoonheid van karakter, van gelaatstrekken, kortom, al wat menschelijk is, moet op deze wijze beoordeeld worden. Het zou ook inderdaad wreed zijn indien een werk als deze geschiedenis, die ons eenige duizend uren gekost heeft om ze te schrijven, afgekeurd moest worden, omdat het eene of andere hoofdstuk, of welligt eenige hoofdstukken, zeer billijke en verstandige berisping verdienen. En toch is niets algemeener dan deze zeer strenge veroordeeling van boeken op zulke gronden van afkeuring, die als ze goed begrepen werden (wat niet altijd het geval is), volstrekt niets doen tot de verdiensten van het geheel;—vooral op het tooneel, kan men zeker wezen, dat ééne enkele uitdrukking, welke niet overeenkomt met den smaak van het publiek, of met dien van een enkelen criticus onder het gehoor, uitgefloten zal worden, en één afgekeurd tooneel brengt het heele stuk in gevaar. Het is even onmogelijk te schrijven volgens zulke strenge regels als deze, als te leven op eene wijze, die volgens de meening van sommige zwartgallige menschen alleen onberispelijk is, en als wij oordeelden volgens de gevoelens van sommige critici en van sommige christenen, zou er geen schrijver hier op aarde, of sterveling hiernamaals ooit zalig worden.

HOOFDSTUK II.

SOPHIA’S AVONTUREN NADAT ZIJ UPTON VERLATEN HAD.

In ons verhaal hadden wij (juist eer wij ons genoodzaakt zagen om terug te keeren), het vertrek van Sophia en hare kamenier uit het logement vermeld;—wij zullen dus nu dat bekoorlijk wezen op den voet volgen, en haren onwaardigen minnaar verlaten, terwijl hij bezig is zijn ongeluk, of liever zijn wangedrag, te beklagen.

Sophia, haren gids bevolen hebbende de landwegen in te slaan, trok nu over de Severne en was naauwelijks een kwartier van de herberg verwijderd, toen zij, omkijkende, verscheidene ruiters zag, welke in vollen ren hen achterop kwamen. Dit wekte haren angst in hooge mate, en zij riep haren gids toe om zoo snel mogelijk voort te maken.

Hij gehoorzaamde onmiddellijk en zij reden in gestrekten galop verder. Maar, hoe harder zij reden, des te harder reden ook diegenen die hen vervolgden, en daar de paarden van de achterste ruiters iets vlugger waren dan die van de voorste, werden zij ook eindelijk ingehaald. En dit was een geluk voor de arme Sophia, die door vrees, met vermoeijenis gepaard, bijna uitgeput was, en nu in een oogenblik gerust gesteld werd door eene vrouwenstem, die haar zoo zacht mogelijk, en met de meeste beleefdheid, aansprak. Zoodra Sophia weder vrij adem halen kon, beantwoordde zij deze begroeting met de meeste hoffelijkheid en voldoening.

De reizigers, die Sophia gevolgd en haar zulk een schrik aangejaagd hadden, bestonden, even als haar eigen gezelschap, uit twee vrouwen en een gids. De beide troepjes reden nu wel een uur ver naast elkaar voort, zonder dat iemand het waagde den mond weder open te doen, toen onze heldin haren angst tamelijk meester geworden,—hoewel zij eenigzins verwonderd was dat de andere steeds bij haar bleef, ofschoon zij den grooten weg niet volgde en reeds meer dan één zijweg ingeslagen was,—de vreemde dame op de meest verpligtende wijze aansprak en zeide: „dat het haar veel genoegen deed te zien dat zij beiden denzelfden weg volgden.”

De andere, die, even als een spook, alleen wachtte om aangesproken te worden, hernam dadelijk, „dat het genoegen aan haar was; dat zij geheel vreemd was in die landstreek, en zich zoo overgelukkig gevoelde om iemand van haar eigen geslacht aan te treffen, dat zij zich welligt aan eene onbeleefdheid had schuldig gemaakt, door altijd gelijken tred met haar te houden,—waarvoor zij vergiffenis vragen moest.”

Er werden nu nog meer beleefdheden gewisseld tusschen die dames; want jufvrouw Honour had plaats gemaakt voor de rijk gekleede vreemdelinge en reed achteraan. Maar hoewel Sophia zeer nieuwsgierig was om te weten waarom de andere dame steeds dezelfde zijwegen insloeg als zij, ja, hoewel dit haar eenige ongerustheid veroorzaakte, werd zij door angstvalligheid, of bescheidenheid, of iets anders, belet om haar dat te vragen.

De vreemde dame leed nu onder een bezwaar, dat het bijna beneden de waardigheid der geschiedenis schijnt, te vermelden. Haar hoed was haar niet minder dan vijfmaal van het hoofd gewaaid in het laatste kwartier, en zij kon lint noch strik vinden, om hem onder hare kin vast te binden. Zoodra Sophia dit vernam, voorzag zij haar dadelijk met een doekje tot dat einde; maar terwijl zij bezig was met het uit haren zak te halen, verzuimde zij, welligt, om genoegzaam acht te geven op haar paard; want het dier struikelde eerst en viel toen op de knieën, de schoone rijdster uit den zadel werpende.

Ofschoon Sophia voorover viel, bezeerde zij zich, gelukkig, hoegenaamd niet en dezelfde omstandigheden, welke welligt haren val bewerkt hadden, bewaarden haar nu voor verlegenheid; want de laan waardoor zij reden, was naauw en digt met boomen begroeid, zoo dat de maan hier zeer weinig licht verspreidde, en bovendien op dat oogenblik zoodanig achter eene wolk verborgen was, dat het zeer duister was. Hierdoor werd de overgroote zedigheid der jonge dame, evenmin als hare ledematen gekwetst, en zij klom weder in den zadel zonder iets anders van haren val dan den schrik ondervonden te hebben.

Het daglicht vertoonde zich eindelijk in vollen glans, en nu, toen de beide dames, die naast elkaar over eene heide reden, op hetzelfde oogenblik elkaar in de oogen zagen, bleven zij elkaar ook op hetzelfde oogenblik aanstaren;—beider paarden maakten halt, en beide te zamen, met even veel vreugde, riepen uit; de eene: „Sophia!” de andere: „Henriette!”

De dames waren, waarschijnlijk, meer verbaasd over deze onverwachte ontmoeting dan de scherpzinnige lezer, die zich wel lang verbeeld zal hebben dat de vreemde dame niemand anders kon zijn dan mevrouw Fitzpatrick, de nicht van mejufvrouw Western, die, zoo als wij vertelden, slechts weinige minuten na haar de herberg verlaten had.

Zoo groot was de verrassing en de vreugde der beide nichten bij deze ontmoeting,—want zij waren vroeger zeer gemeenzaam en zelfs bevriend met elkaar geweest, toen zij zamen bij hare tante Western gewoond hadden,—dat het onmogelijk zou zijn de helft der wederzijdsche gelukwenschen te herhalen, welke geuit werden eer zij elkaar de zeer natuurlijke vraag deden: waarheen zij gingen?

Eindelijk werd deze vraag eerst gedaan door mevrouw Fitzpatrick, maar hoe gemakkelijk en natuurlijk ze ook schijnen moge, vond Sophia het zeer moeijelijk een vlug en stellig antwoord te geven. Zij smeekte dus hare nicht geduld te hebben tot zij ergens een logement vonden, „dat,” voegde zij er bij, „wel zoo lang niet meer duren zal, en geloof me, Henriette, dat ik zelve evenveel geduld gebruiken moet; want, naar ik meen, is de eene van ons even verwonderd als de andere.”

Ik verbeeld me, dat het verdere gesprek tusschen de dames onderweg naauwelijks waard was dat men het hier herhalen zou, wat, zeker, nog minder het geval was met dat tusschen de twee kameniers, die elkâar nu allerlei beleefdheden begonnen te bewijzen. Wat de gidsen aangaat, die misten het genot van eenig gesprek, daar de een de voorhoede en de andere de achterhoede uitmaakte.

Op deze wijze reisden zij eenige uren ver, tot zij aan een breeden, veel beganen weg kwamen, dien zij regts volgden tot zij eene zeer knappe herberg bereikten, waar zij allen afstegen; maar Sophia was zoo vermoeid, en het had haar zooveel moeite gekost gedurende de laatste paar uren om te paard te blijven, dat zij nu buiten staat was, om zonder hulp af te stijgen. Zoodra de waard, die haar paard hield, dit ontwaarde, bood hij dadelijk aan om haar uit den zadel te ligten, en zij nam maar al te gaarne zijn aanbod aan. Maar het noodlot scheen dien dag besloten te hebben Sophia te doen blozen, en de tweede kwaadaardige poging daartoe gelukte beter dan de eerste; want de waard had naauwelijks de jonge dame in de armen, of zijne voeten, die onlangs zeer veel van de jicht geleden hadden, bezweken, en hij rolde omver; maar terzelfder tijd gelukte het hem, met niet minder behendigheid dan hoffelijkheid, om zich zelven onder zijn bekoorlijken last te werpen, zoodat hij alleen door den val gekneusd werd; want het grootste nadeel dat Sophia ondervond, was de hevige schok aan hare zedigheid toegebragt door een onbeschaamd gegrijns, dat zij op het gelaat van bijna alle omstanders opmerkte zoodra zij van den grond opstond. Dit deed haar gissen wat er wezenlijk gebeurd was, en wat wij hier niet herhalen zullen ten behoeve van die lezers, die in staat zijn om te lagchen over iets, dat eene jonge dame deed blozen. Wij zelve hebben ongelukken van dezen aard nooit als iets komieks beschouwd, en wij schroomen niet te zeggen, dat diegene, die de zedigheid van eene jonge schoone zou willen opofferen aan het onwaardige genoegen van een lach, er slechts een zeer onvolkomen denkbeeld van hebben moet.

De angst en deze schok, gepaard met de vermoeijenis van geest en ligchaam, waren bijna al te veel zelfs voor Sophia’s uitnemend gestel, en zij behield naauwelijks kracht genoeg over om, leunende op den arm harer kamenier, in huis te komen. Daar was zij pas op een stoel neêrgezegen, toen zij om een glas water riep, dat jufvrouw Honour, naar mijn gevoelen, zeer oordeelkundig in een glas wijn herschiep.

Zoodra mevrouw Fitzpatrick van jufvrouw Honour vernam dat Sophia in twee nachten niet op bed was geweest, en zag hoe bleek en uitgeput van vermoeijenis zij was, smeekte zij haar wat rust te nemen. Zij wist nog niets van hare geschiedenis of hare vrees; maar al had zij beide gekend, zou zij haar toch denzelfden raad hebben gegeven; want het was blijkbaar dat zij rust hebben moest, en hare lange reis langs allerlei zijpaden, had elk gevaar van ontdekt te worden zoo onwaarschijnlijk gemaakt, dat zij zelve zich op dat punt geheel gerustgesteld gevoelde.

Sophia liet zich gemakkelijk overhalen om den raad harer vriendin te volgen, die krachtig door Honour ondersteund werd. Mevrouw Fitzpatrick bood ook aan om bij hare nicht te blijven, wat Sophia met het meeste genoegen aannam.

Zoodra hare meesteresse te bed lag, maakte zich de dienaresse gereed om haar voorbeeld te volgen. Zij begon met zich zeer te verontschuldigen tegenover de andere kamenier, dat zij haar in zulk eene verschrikkelijke plaats als eene herberg alleen moest laten; maar de andere viel haar spoedig in de rede, daar zij even verlangende was als Honour om een slaapje te doen, en vroeg om de eer te mogen hebben haar bed met haar te deelen. Sophia’s kamenier stemde onmiddellijk hierin toe; maar hield vol dat de eer aan haar was. Dus, na vele pligtplegingen en complimenten, gingen de kameniers naar bed, even als hare meesteressen gedaan hadden.

Het was de gewoonte van den waard (wat ook het geval is bij de geheele broederschap), om naauwkeurig onderzoek te doen bij alle koetsiers, knechts, postiljons en anderen, naar de namen zijner gasten,—naar hunne bezittingen, en de ligging er van. Het is dus niet vreemd, dat de vele zonderlinge omstandigheden, welke hij bij onze reizigers opmerkte, en vooral dat zij op zulk een wonderbaarlijken en ongewonen tijd als tien uur ’s morgens zich naar bed begaven, zijne nieuwsgierigheid opwekte. Zoodra dus de gidsen in de keuken kwamen, begon hij met te vragen wie de dames waren en van waar zij kwamen; maar hoewel de gidsen hem getrouw alles mededeelden wat zij wisten, gevoelde hij zich daardoor slechts weinig voldaan. Integendeel, zij deden zijne nieuwsgierigheid eerder ontvlammen dan dat zij ze bluschten.

Deze waard had den naam, onder zijne buren, van een zeer slimme vent te zijn. Men dacht dat hij verder en dieper zag dan iedereen in de gemeente,—de dominé zelf niet uitgezonderd. Welligt had zijn oogopslag niet weinig bijgedragen om hem dezen roem te verwerven; want er was iets verbazend wijs en veelbeteekenends in, vooral als hij eene pijp in den mond had, wat bijna altijd het geval was. Zijn gedrag strekte ook zeer om dit begrip van zijne wijsheid te bevorderen. Zijne houding was plegtig, zoo niet norsch, en als hij sprak, wat slechts zelden geschiedde, uitte hij zijne woorden met eene zachte stem, en ofschoon zijne volzinnen steeds kort waren, werden ze telkens afgebroken door „hm,” en „ha,” en „ja, ja!” en andere dergelijke uitingen, zoodat, hoewel hij zijne woorden door zekere verklarende gebaren ophelderde, zoo als een knikje, of een hoofdschudden, of met den vinger te wijzen, hij gewoonlijk zijne toehoorders veel meer te verstaan gaf dan hij hun vertelde; ja, hij gaf hun zelfs gewoonlijk een wenk, dat hij veel meer wist, dan hij goedvond mede te deelen. Deze laatste omstandigheid alleen kan inderdaad zeer goed verklaren hoe hij aan den naam van groote wijsheid kwam; daar de menschen wonderbaarlijk geneigd zijn, datgene wat zij niet verstaan te roemen.

Deze deftige persoonaadje, zijne vrouw nu ter zijde nemende, vroeg haar, „wat zij dacht van de pas aangekomene dames?”

„Wat ik van haar denk?”

„Ik weet wel wat ik denk,” zeide hij. „De gidsen vertellen rare dingen. De ééne geeft voor van Gloucester te komen; de andere van Upton;—en voor zoo ver ik zie, weet geen van beide waar zij heen gaan. Maar,—welke menschen reizen ooit dwars door het land heen,—van Upton hierheen,—om naar Londen te komen? En eene van de kamenieren vroeg, toen zij hier afsteeg, of dit niet de weg was naar Londen. Nu heb ik al deze omstandigheden overlegd,—en voor wie denkt ge dat ik haar houd?”

„Wel,” hernam zij, „ge weet wel dat ik het nooit waag iets te gissen dat gij ontdekt hebt.”

„Dat is braaf, kind,” zeide hij, haar onder den kin strelende; „ik moet ook bekennen, dat gij u altijd aan mijn beter oordeel onderworpen hebt in dergelijke zaken. Nu dan,—let op wat ik zeg;—ge kunt er op aan, dat deze twee dames behooren bij die rebellen, die, zoo als men verhaalt, altijd met den jongen Pretendent rondtrekken, en nu zoo’n omweg gemaakt hebben, om aan het leger van den hertog te ontsnappen.”

„Dat hebt ge zeker getroffen, man!” riep de vrouw; „want ééne van de dames is gekleed als eene prinses, en ziet er ook uit als eene.—Maar toch, wanneer ik één ding bedenk,—”

„Gij bedenken!” riep de man met minachting. „Kom! laat eens hooren wat gij bedacht hebt?”

„Nu,” hernam de vrouw, „het is dat zij veel te nederig is om eene groote dame te zijn; want terwijl onze Bet het bed warmde, sprak zij haar steeds als „kind,” aan, en als „mijne lieve,”—en wat niet al meer, en toen Bet aanbood om haar de schoenen en kousen uit te trekken, wilde zij dat niet toelaten en zeide, dat zij haar al die moeite niet geven wilde.”

„Bah!” zei de waard: „Dat is niemendal! Gelooft gij, omdat gij eenige groote dames hebt gezien, die lomp en ruw zijn in den omgang met hare minderen, dat zij geene van allen zich fatsoenlijk weten te gedragen tegenover hare ondergeschikten? Ik geloof wel dat ik weet wat een fatsoenlijk mensch is als ik er een zie. Ja, ja, dat weet ik wel! Heeft zij niet om een glas water gevraagd zoodra zij in huis kwam? Eene andere soort van vrouw zou ’n borrel besteld hebben,—zoo als ge wel weet. Als deze geene dame is van zeer hoogen rang, verkoop mij dan voortaan maar als gek,—en ik geloof dat hij die me koopt, leelijk er in zal loopen! En zou nu eene dame van stand zonder knecht reizen, tenzij bij eene zeer buitengewone gelegenheid?”

„Nu ja, manlief,” antwoordde zij; „ge hebt meer verstand van die zaken dan ik, of de meeste menschen; dat is waar!”

„Ik geloof ook,” hernam hij, „dat ik zoo heel gek niet ben.”

„En ge moest eens gezien hebben,” zei de vrouw, „hoe ellendig het arme schepseltje er uitzag toen zij binnen kwam en op dien stoel ging zitten:—ik kon het niet laten haar bijna evenzeer te beklagen alsof het een arm mensch geweest ware. Maar, wat moeten we nu doen, manlief? Als zij tot de rebellen behoort, denk ik wel, dat gij haar aan de hofpartij uitleveren zult. Nu; het is een lief, zachtzinnig mensch, wat zij ook anders zij, en ’t zal me moeite kosten om niet te schreijen als ik hoor dat men haar gaat ophangen, of onthoofden.”

„Bah!” hernam de man.—„Maar het is zoo gemakkelijk niet om te beslissen wat er gedaan moet worden. Ik hoop dat wij,—vóór haar vertrek,—de tijding krijgen van een grooten slag; want als de Pretendent overwint, zal zij welligt haar invloed voor ons bij het hof gebruiken,—en onze fortuin maken zonder dat wij haar behoeven te verraden.”

„Nu, dat is ook zeker waar,” zeide de vrouw; „ik hoop van ganscher harte, dat zij het zal kunnen doen. ’t Is zeker een lief, best mensch, en ’t zou me aan ’t hart gaan als haar een ongeluk overkwam.”

„Kom, kom!” riep de waard; „de vrouwen zijn altijd zoo teerhartig. Ge zoudt toch geene rebellen willen herbergen,—niet waar?”

„Neen,—dat niet,” zei de vrouw, „en als we haar uitleveren moeten, wat er dan ook van kome, geen mensch zou ons dat kwalijk kunnen nemen. Dat zou iedereen doen in ons geval.”

Terwijl onze diplomatieke waard, die, zoo als wij gezien hebben, niet ten onregte den naam had van groote wijsheid onder zijne buren, de zaak aldus bij zich zelven overlegde,—want hij gaf niet veel om de meening zijner vrouw,—kwam de tijding dat de rebellen aan den hertog ontsnapt en hem een dagmarsch vóór waren, op weg naar Londen; en kort daarop trad een bekende Jakobietsch gezinde landjonker binnen, die met de meeste opgewondenheid den waard de hand drukte en uitriep: „We hebben gewonnen spel, kereltje! Er zijn tien duizend Franschen in Suffolk geland! Oud-Engeland boven! tien duizend Franschen, kereltje! Ik ga er dadelijk een glas op drinken!”

Dit nieuws bevestigde den wijzen waard in zijn gevoelen en hij besloot zich verdienstelijk te maken bij de jonge dame zoodra zij opstond; want nu, zeide hij, had hij ontdekt dat het niemand anders kon wezen dan die trouwe aanhangster van den Pretendent, Jenny Cameron zelve!

HOOFDSTUK III.

EEN ZEER KORT HOOFDSTUK, WAARIN MEN ECHTER VINDT: EENE ZON, EENE MAAN, EENE STER EN EEN ENGEL.

De zon, welke in dezen tijd van het jaar vroeg naar bed gaat, was reeds een tijdlang verdwenen, toen Sophia, zeer verkwikt, uit den slaap opstond, welke, hoe kort ook, alleen door vermoeijenis had veroorzaakt kunnen worden; want, hoewel zij hare kamenier (en welligt zich zelve ook) wijs had gemaakt dat zij zeer gerust was geworden zoodra zij Upton verlaten had, is het zeker dat haar geest eenigzins aangedaan was door die ziekte, welke vergezeld gaat van al de kenteekens van de koorts, en welke welligt juist die ongesteldheid is door de geneesheeren bedoeld,—als zij er iets mede bedoelen;—wanneer zij van „koortsige onrust” spreken.

Mevrouw Fitzpatrick stond ook terzelfder tijd op, en hare kamenier geroepen hebbende, kleedde zij zich dadelijk aan. Zij was, werkelijk, eene zeer mooije vrouw, en in ander gezelschap dan dat van Sophia, had men haar welligt voor beeldschoon kunnen houden; maar toen jufvrouw Honour van zelve verscheen (want hare meesteresse wilde volstrekt niet hebben dat men haar wekte), en onze heldin uitgedost had, ondergingen de bekoorlijkheden van mevrouw Fitzpatrick, die de rol van de morgenster gespeeld had, ook het lot van die ster, en werden geheel verduisterd zoodra de nieuwe heerlijkheden zich vertoonden.

Misschien zag Sophia er ook nooit schooner uit dan op dit oogenblik. Wij moeten het dus niet als overdrijving afkeuren in de dienstmeid van de herberg, toen zij naar beneden gaande, nadat zij het vuur aangelegd had, verklaarde, en met een eed bevestigde, dat, als er ooit een engel op aarde geweest was, die engel nu boven in huis was.

Sophia had hare nicht bekend gemaakt met haar voornemen om naar Londen te gaan, en mevrouw Fitzpatrick had er in toegestemd haar te vergezellen; want de aankomst van haar man te Upton had haar plan verijdeld om naar Bath, of naar hare tante Western te gaan.

Zoodra zij dus gedaan hadden met thee drinken, stelde Sophia voor om weder te vertrekken, daar de maan buitengewoon helder scheen, en wat de koude betrof, die trotseerde zij, en gevoelde ook niets van die vrees, welke vele jonge dames bezield zou hebben bij de gedachte van des nachts te reizen; want, zoo als wij reeds opgemerkt hebben, het ontbrak haar van nature volstrekt niet aan moed, die nog verhoogd werd door de gewaarwordingen van dat oogenblik, welke bijna aan wanhoop grensden. Bovendien, daar zij reeds tweemaal heel veilig bij maanlicht gereisd had, zag zij er des te minder bezwaar in om zich ten derden male daaraan toe te vertrouwen.

Mevrouw Fitzpatrick was angstiger van aard; want, hoewel de grootere angst den mindere had overwonnen, en de tegenwoordigheid van haar man te Upton haar op zulk een ontijdig uur uit die stad verdreven had, bevond zij zich nu op eene plaats, waar zij zich tegen zijne vervolging veilig achtte, en daardoor werkte weder deze mindere angst voor ik weet niet wat, zoo sterk, dat zij hare nicht ernstig smeekte tot den morgen te blijven, en zich niet aan het gevaar bloot te stellen van des nachts te reizen.

Sophia, die zelfs overdreven toegevend was, zoodra zij zag dat scherts noch ernst hare nicht met moed bezielen kon, bezweek eindelijk. Had zij van haar vaders aankomst te Upton geweten, dan zou het welligt moeijelijker gevallen zijn haar over te halen;—want, wat Jones aangaat, vrees ik dat de angst van door hem ingehaald te worden niet heel sterk bij haar werkte;—ja, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat zij dat eerder wenschte dan vreesde,—ofschoon ik dit, zonder oneerlijk te zijn voor den lezer, had kunnen verbergen, als eene van die geheime opwellingen van de ziel, die geheel vreemd blijven aan het verstand.

Zoodra onze jonge dames besloten hadden den geheelen nacht in de herberg door te brengen, werden zij opgewacht door de waardin, die wenschte te weten wat de dames gebruiken wilden. Er was iets zoo liefelijks in de stem, in de houding en in de vriendelijkheid van Sophia, dat de waardin geheel bekoord was, en die goede vrouw, besluitende dat zij Jenny Cameron bediende, werd van dat oogenblik eene vurige Jakobiete en aanhangster van de zaak van den jongen Pretendent, alleen om den wille van de liefheid en vriendelijkheid waarmede zijne veronderstelde beminde haar behandeld had.

De twee nichten begonnen nu elkaar hare nieuwsgierigheid mede te deelen om te vernemen aan welke buitengewone omstandigheden deze voor beide vreemde en verrassende ontmoeting toe te schrijven was. Eindelijk begon mevrouw Fitzpatrick (na van Sophia de belofte verkregen te hebben dat zij op hare beurt alles vertellen zou), datgene mede te deelen, wat de lezer, als hij het verlangt, in het volgende hoofdstuk lezen kan.

HOOFDSTUK IV.

DE GESCHIEDENIS VAN MEVROUW FITZPATRICK.

Na eenige oogenblikken gezwegen te hebben, slaakte mevrouw Fitzpatrick een diepen zucht en begon aldus:

„Het is natuurlijk dat de ongelukkige, als hij zich de gelukkigste oogenblikken van zijn leven herinnert, een heimelijk leed gevoelt. De gedachte aan verledene vreugde vervult ons met eene soort van teedere smart, gelijk aan die welke wij ondervinden bij het herdenken van dierbare overledenen;—men zou kunnen zeggen dat de schimmen van beiden voor onze verbeelding zweven. Om deze reden denk ik nooit zonder verdriet aan die dagen (de gelukkigste mijns levens), welke wij te zamen sleten onder de hoede van tante Western. Helaas! Waar zijn juffer Deftig en juffer Denkniet gebleven? Ge herinnert u zeker den tijd, dat wij elkaar nooit anders noemden? Inderdaad, gij hadt maar al te groot regt mij dien laatsten naam te geven! Later begreep ik hoezeer ik hem verdiende. Gij, Sophia, waart altijd mijne meerdere in alles, en ik hoop van harte dat gij het ook in het geluk van uw levensloop zijn zult! Ik zal nooit de wijze, moederlijke raadgevingen vergeten, die ik van u kreeg toen ik eens zoo teleurgesteld was dat ik niet naar een bal mogt gaan,—hoewel gij toen zeker geen veertien jaren oud waart.—O, Sophia, hoe gelukkig was ik toen, dat ik zulk eene teleurstelling als een ongeluk beschouwde,—en het ook werkelijk de grootste ramp was, welke ik toen kende!”

„En toch, mijne lieve Henriette,” hernam Sophia, „was het toen voor u eene ernstige zaak. Troost u dus met te denken, dat hetgeen gij nu betreurt, welligt in latere tijden even beuzelachtig en nietig zal schijnen als op dit oogenblik eene danspartij.”

„Ach, Sophia,” antwoordde de andere dame, „gij zelve zult anders over mijn tegenwoordigen toestand denken; want uw week hart moet zeer veranderd zijn als mijne rampen u niet menigen zucht,—ja zelfs menige traan kosten! De overtuiging hiervan moest me welligt beletten om u iets mede te deelen dat u zeker zoo diep bedroeven zal.—”

Hier brak mevrouw Fitzpatrick af, tot zij, na herhaald smeeken van Sophia, aldus voortging:

„Ofschoon gij natuurlijk van mijn huwelijk gehoord hebt, zal ik echter, daar de zaken waarschijnlijk verkeerd voorgesteld zijn geweest, beginnen met mijne eerste ongelukkige kennismaking met mijn tegenswoordigen echtgenoot, te Bath, kort nadat gij tante verlaten hadt om naar huis te gaan bij uwen vader.

„Onder de jonge heeren, die toen te Bath een vrolijk leven leidden, bevond zich mijnheer Fitzpatrick. Hij was schoon, bevallig, zeer beleefd en overtrof de meeste menschen in zijn opschik. Met één woord, lieve, als gij hem nu ongelukkig zaagt, zou ik hem niet beter kunnen beschrijven dan door u te vertellen dat hij juist het tegenovergestelde was in alle opzigten van hetgeen hij nu is; want hij heeft nu zoolang onder boeren geleefd, dat hij volmaakt een wilde Ier is geworden. Maar ik ga met mijn verhaal voort: de goede hoedanigheden welke hij toen bezat, bevalen hem zoodanig aan, dat hoewel de hoogere klassen te dien tijd afgescheiden leefden van al de overige bezoekers van die plaats, de heer Fitzpatrick middel vond om zich te doen ontvangen. Het was ook welligt niet gemakkelijk om hem te ontloopen; want hij vergde weinig of geene aanmoediging, en terwijl zijne schoonheid en fatsoenlijkheid het hem gemakkelijk maakten zich bij de dames aan te bevelen, gevoelden de mannen geen lust om hem openlijk te beleedigen, daar hij meer dan eens bewezen had dat hij den degen wist te voeren. Ware het niet om deze redenen geweest, geloof ik dat hij weldra door zijn eigen geslacht gebannen zou zijn geweest, want werkelijk bezat hij, streng genomen, geen regt om onder de Engelsche patriciërs opgenomen te worden, die ook niet geneigd schenen hem eenige buitengewone gunst te bewijzen. Achter zijn rug, scholden zij hem allen uit, wat welligt uit nijd geschiedde; want door de vrouwen was hij zeer goed opgenomen en werd door haar met de meeste onderscheiding behandeld.

„Tante, hoewel zelve van geen hoogen rang, was, daar zij altijd aan ’t hof geleefd had, onder de groote luî opgenomen, want, hoe men ook in die groote kringen kome, als men er eens is, wordt dat beschouwd als een voldoend bewijs zijner verdiensten. Jong als gij zelve toen waart, moet gij dit opgemerkt hebben uit tante’s gedrag, die gemeenzaam of ingetrokken was tegenover alle menschen, naar de mate hunner verdiensten in dit opzigt.

„Het was, geloof ik, ook deze verdienste welke den heer Fitzpatrick in hare gunst aanbeval,—die hij in zulke mate verwierf dat hij altijd op de kleine partijen gevraagd werd, welke zij gaf. Hij bleef ook niet in gebreke om deze onderscheiding dankbaar te erkennen, en bewees haar spoedig zooveel oplettendheid, dat eerst de kwaadsprekers er notitie van begonnen te nemen, en toen de meer fatsoenlijke lieden begonnen te verklaren dat het tusschen hen tot een huwelijk komen zou. Wat mij betreft, ik beken dat ik het er voor hield dat hij stipt eerlijke voornemens koesterde,—zoo als men zegt van iemand die door een huwelijk eene dame van haar vermogen berooven wil! Tante was, naar ik begreep, noch jeugdig noch schoon genoeg om vele booze neigingen op te wekken;—maar bezat anders overvloedige bekoorlijkheden als echtgenoote.

„Ik werd te meer in dit gevoelen bevestigd door den buitengewonen eerbied, welken hij mij bewees sedert het eerste oogenblik onzer kennismaking. Ik vatte dit op als eene poging van zijn kant, om, zoo mogelijk, den afkeer te overwinnen, welke mijne belangen mij inboezemen moesten tegen zijn huwelijk met tante; en welligt gelukte hem dit eenigzins; want daar ik ruim tevreden met mijn eigen vermogen, en hoegenaamd niet baatzuchtig was, kon ik volstrekt geen bittere vijandin zijn van een man, wiens gedrag tegenover mijzelve mij zeer beviel,—wat te meer het geval was, daar ik het eenige voorwerp was van zijn eerbied; want vele dames van hoogen rang behandelde hij ten dezen tijde zonder de minste achting.

„Hoe aangenaam mij dit gedrag ook was, veranderde echter weldra zijne houding op eene wijze, die me welligt nog beter beviel. Hij werd bijzonder zachtzinnig en kwijnend en zuchtte zwaar. Tusschenbeide echter, hetzij uit list, of ongemaakt, dat wil ik niet beslissen, schertste en lachte hij als vroeger; maar slechts in het bijzijn der menschen en met andere vrouwen; want zelfs in een contredans, als hij niet met mij danste, was hij ernstig, en zoodra hij mij naderde, sprak de meeste teederheid uit zijne blikken. Werkelijk, was hij zoo bijzonder in alle opzigten tegenover mij, dat ik met blindheid had moeten geslagen zijn als ik het niet ontdekt had. En—en—en—”

„En dat beviel u nog veel meer, lieve Henriette,” riep Sophia; „ge behoeft u niet te schamen,” voegde zij met een zucht er bij; „want waarlijk er is iets onweerstaanbaar bekoorlijks in de teederheid welke zoo vele mannen weten te huichelen.”

„Dat is waar!” hernam hare nicht; „mannen, die in alle andere opzigten gebrek aan gezond verstand hebben, zijn echte Machiavellis in de listen der liefde. Ik wilde dat ik zelve geen voorbeeld daarvan ontmoet had!—Nu: de laster begon thans zich even druk met mij bezig te houden als vroeger met tante, en er waren eenige lieve dames, die niet schroomden te vertellen, dat de heer Fitzpatrick met ons beide eene intrigue had.

„Maar, wat u welligt verwonderen zal, is, dat tante zelve iets zag noch scheen te veronderstellen van hetgeen, naar ik meen, zigtbaar genoeg was in ons beider houding. Men zou inderdaad moeten gelooven dat de liefde eene bejaarde vrouw geheel en al blind maakt. En werkelijk, zij slikken zoo gretig de zoetheden welke tot haar gerigt worden, dat zij evenals een erge gulzigaard, geen tijd hebben om te zien wat onder andere menschen voorvalt aan dezelfde tafel. Dit heb ik in meer gevallen dan het mijne waargenomen en het was zoo in het oogvallend bij tante, dat hoewel zij ons dikwerf zamen vond bij hare terugkomst van de bronnen, het minste vleijende woord van hem, dat zijn ongeduld te kennen gaf over hare afwezigheid, genoeg was om alle verdenkingen van haar kant weg te ruimen. Eéne list van hem was vooral voorspoedig. Deze was dat hij mij als klein kind behandelde en mij nooit, in haar bijzijn, anders noemde dan „kindlief.” Dit benadeelde hem eenigzins bij uwe onderdanige dienaresse; maar weldra doorzag ik zijne bedoeling, vooral daar hij in hare afwezigheid, zooals ik u reeds verteld heb, mij geheel anders behandelde. Evenwel, al was ik ook niet zeer gegriefd door eene houding, welker bedoelingen mij duidelijk waren, moest ik er toch zwaar voor boeten; want tante beschouwde me werkelijk als het „kind,” zooals haar gewaande minnaar mij steeds noemde, en zij behandelde mij in alle opzigten dienovereenkomstig. Om de waarheid te zeggen, het verwonderde me, dat zij me niet weer aan den leiband liet loopen.

„Eindelijk vond mijn minnaar (want dat was hij geworden) goed, mij op de meest plegtige wijze een geheim mede te deelen, dat mij al sedert lang bekend was. Hij schreef al de liefde, welke hij tot mijne tante geveinsd had, op mijne rekening over. Hij betreurde, in zeer aandoenlijke bewoordingen, de aanmoediging welke zij hem gegeven had, en rekende het zich zeer tot verdienste, dat hij zoovele vervelende uren in den omgang met haar had moeten slijten.—Wat zal ik u nu zeggen, mijne lieve Sophia?—Ik zal maar de waarheid bekennen, namelijk, dat ik zeer met dien mensch ingenomen was. Ik was zeer tevreden over mijne overwinning. Het verheugde me de mededingster mijner tante te zijn; het verrukte me boven zoovele andere vrouwen voorgetrokken te wezen. Met één woord, ik vrees, dat ik me zelfs bij zijne eerste liefdesverklaring niet zóó gedroeg als wel behoorde;—ik vrees zelfs bijna dat ik hem eenige aanmoediging gaf eer wij scheidden.

„De wereld te Bath begon nu druk over mij te spreken;—ik zou bijna zeggen te brullen. Vele jonge dames veinsden den omgang met mij te vermijden, niet zoo zeer welligt wegens eenige wezenlijke verdenkingen welke men koesterde, als wel uit verlangen om mij uit een gezelschap te verbannen, waar ik den algemeenen lieveling slechts al te veel van haar aftrok. En hier kan ik niet nalaten mijne dankbaarheid te uiten voor de vriendelijkheid, welke mij bewezen werd door den overbekenden heer Nash, den ceremoniemeester te Bath, die mij op zekeren dag ter zijde nam en mij een raad gaf, welke mijn ongeluk voorkomen zou hebben, als ik er naar geluisterd had. „Kind,” zeide hij, „het spijt mij de gemeenzaamheid te zien, welke er bestaat tusschen u en een mensch, die u geheel onwaardig is, en die, naar ik vrees, u te gronde rigten zal. Wat uwe oude, malle tante betreft,—als het u en die lieve Sophia Western niet benadeelde, (ik verzeker u dat ik zijne woorden getrouw herhaal), zou ik heel blijde zijn hem in het bezit te zien van haar en al wat haar toebehoort. Ik geef nooit eenigen raad aan bejaarde vrouwen; want als zij het in het hoofd krijgen om zich weg te werpen, is het even onmogelijk als het niet de moeite waard is, haar te beletten naar den drommel te loopen. Maar onschuld, jeugd en schoonheid verdienen een beter lot, en die wilde ik uit de klaauwen van dien man redden. Laat me u dus den raad geven, kindlief, dien mensch nooit meer in uwe nabijheid te dulden.”

„Hij zeide me nog veel meer, dat me nu ontgaan is, en inderdaad ik luisterde er maar half naar op dat oogenblik; want al wat hij vertelde, werd door mijne neigingen tegengesproken, en bovendien kon ik niet gelooven dat zoo vele fatsoenlijke vrouwen zich vernederen zouden om met zulk een slecht mensch gemeenzaam om te gaan.

„Maar ik vrees, lieve, u met het uitvoerige vermelden van te vele kleine bijzonderheden te vervelen. Om kort te gaan, verbeeld u dus slechts dat ik gehuwd ben; verbeeld u mij, met mijn echtgenoot, aan tantes voeten, en verbeeld u dan de dolste vrouw in het gekkenhuis, in eene vlaag van woede, en uwe verbeelding zal u niets meer toonen dan er werkelijk bestond.

„Den volgenden morgen verliet tante Bath, gedeeltelijk om niet meer genoodzaakt te zijn mij en mijn man te zien, en welligt evenzeer om ook alle overige menschen te vermijden; want, hoewel ik verneem dat zij later alles geloochend heeft, geloof ik dat zij op het oogenblik niet weinig uit het veld geslagen was door hare teleurstelling. Sedert dien tijd heb ik haar menigen brief geschreven; maar heb nooit eenig antwoord ontvangen, wat ik bekennen moet dat me te grievender schijnt, omdat zij zelve, hoewel onschuldig, de eerste aanleiding had gegeven tot al mijne rampen; want, als het niet onder het voorwendsel geweest ware van haar zijn hof te maken, zou de heer Fitzpatrick nooit de gelegenheid gevonden hebben om mijn hart te veroveren, dat, onder andere omstandigheden, zoo als ik me nog verbeeld, niet ligt ten prooi zou gevallen zijn aan iemand van dien aard. Inderdaad, ik geloof niet dat ik zoo grovelijk gedwaald zou hebben, als ik alleen op mijn eigen oordeel vertrouwd had; maar ik rekende geheel op het oordeel van anderen, en was dwaas genoeg de verdiensten van een man als bewezen te achten, die zulk een algemeene gunsteling der vrouwen was. Welke reden bestaat er ook, lieve, dat wij, wier verstand niet onderdoet voor dat der grootsten en wijssten van het sterkere geslacht, zoo dikwerf de dwaasste menschen tot onze makkers en gunstelingen maken? Het wekt telkens de meeste verontwaardiging bij me op als ik denk aan het groote aantal verstandige vrouwen, die door dwazen te gronde gerigt zijn!”

Hier zweeg zij een oogenblik;—daar Sophia echter geen antwoord gaf, hervatte zij haar verhaal zoo als het te lezen staat in het volgende hoofdstuk.

HOOFDSTUK V.

VERVOLG VAN DE GESCHIEDENIS VAN MEVROUW FITZPATRICK.

„Wij bleven slechts veertien dagen na ons huwelijk te Bath, want wij waren niet met tante verzoend,—en daarop konden wij geene hoop koesteren;—terwijl ik aan geen duit van mijn vermogen kon komen vóór mijne meerderjarigheid,—die nog meer dan twee jaren verwijderd was. Mijn man besloot dus naar Ierland te trekken, waartegen ik me zeer ernstig verzette, en mij op eene belofte beriep, mij vóór ons huwelijk gedaan, dat hij me nooit tot die reis, zonder mijne toestemming, dwingen zoude, en inderdaad ik wilde daar nooit in toestemmen en niemand, die zijn gezond verstand heeft, zal me denkelijk dat ten kwade duiden;—dit echter zeide ik nooit tegen mijn echtgenoot, en smeekte hem slechts ééne maand geduld te hebben; maar hij had zelf den reisdag bepaald en bleef er stijfhoofdig bij.

„Den avond vóór ons vertrek, terwijl wij beide zeer hevig dit punt betwistten, sprong hij plotseling van zijn stoel op en verliet me op eens, zeggende dat hij naar de Gezelschapszalen ging. Hij was naauwelijks de deur uit, toen ik een papier op den grond zag liggen, dat hij waarschijnlijk bij ongeluk, tegelijk met zijn zakdoek, voor den dag gebragt had. Ik nam het op en daar ik zag dat het een brief was, schroomde ik niet het te openen en te lezen, en inderdaad ik herlas het zoo dikwerf, dat ik het u bijna woordelijk herhalen kan. Het luidde aldus:

„„Den heere Brian Fitzpatrick.

„Mijnheer,

„Uw schrijven is me geworden en ik ben zeer verwonderd zulk eene behandeling van u te ondervinden, daar ik nooit een duit van uw geld gezien heb, tenzij voor één lakenschen jas en uwe rekening nu over de honderd vijftig pond beloopt.

„Bedenk eens, mijnheer, hoe dikwerf gij mij gefopt hebt met uw aanstaand huwelijk met deze of gene dame; maar ik kan noch van hoop noch van beloften leven, en er bestaat geen lakenkooper ter wereld, die zoo iets in betaling zou willen aannemen. Gij zegt me dat ge zeker zijt van de tante of de nicht, en dat gij reeds lang de tante hadt kunnen trouwen, die volgens u eene groote weduwengift heeft,—als gij niet aan de nicht,—wegens haar baar geld—de voorkeur hadt gegeven.

„Ik bid u, mijnheer, laat u ditmaal door een onnoozel mensch raden en neem de eerste die gij krijgen kunt. Houd het me te goed dat ik u dezen raad opdring; want gij weet dat ik u opregt het beste toewensch.

„Met de volgende post zal ik op u trekken aan de order der heeren Jan Drugget en Cie.—veertien dagen zigt,—en niet twijfelende dat gij mijne traite zult honoreren, blijf ik

„Mijnheer,

„Uw dienstwillige dienaar, Sam. Cosgrave.”

„Zoo luidde woordelijk de brief. Ge kunt begrijpen, liefste, hoe dit schrijven mij aandeed. „Gij verkiest de nicht om reden van haar baar geld!” Als elk dezer woorden een dolk ware geweest, zou ik ze hem met genoegen in het hart gestooten hebben; maar ik zal u mijn dolzinnig gedrag bij deze gelegenheid niet beschrijven. Mijne tranen waren bijna uitgeput bij zijne terugkeer; maar mijne roodgeweende oogen getuigden er genoeg van. Hij wierp zich knorrig op zijn stoel, en een tijdlang zwegen wij beiden. Eindelijk zeide hij op hoogmoedigen toon:

„„Ik hoop, mevrouw, dat uwe dienstboden al uwe zaken ingepakt hebben want; het rijtuig zal morgen vroeg om zes uur voor de deur zijn.”

„Mijn geduld was geheel uitgeput door deze terging en ik gaf hem tot antwoord:

„„Neen, mijnheer; er is nog één brief, die nog niet ingepakt is,” en het schrijven op de tafel werpende, begon ik hem in de meest bittere bewoordingen die ik vinden kon, zijn gedrag te verwijten.

„Hetzij schuldbesef, schaamte of voorzigtigheid hem in toom hield,—dat kan ik niet beslissen; maar hoewel hij de driftigste der menschen is, toonde hij bij deze gelegenheid zijne woede niet. Hij trachtte integendeel, met de meeste zachtheid, mij te verzoenen. Hij zwoer dat de volzin in den brief, die mij zoo zeer trof, niet van hem was, en dat hij nooit zoo iets geschreven had. Hij bekende inderdaad dat hij van zijn huwelijk gesproken had, en van de voorkeur welke hij mij schonk, maar loochende, met vele eeden dat hij ooit eene dergelijke reden voor zijne liefde gegeven had. En hij verontschuldigde zich dat hij zelfs van zoo iets melding had gemaakt, door den nood aan te voeren waarin hij zich bevond omtrent geldzaken, wat daaraan toe te schrijven was, zoo als hij zeide, dat hij reeds al te lang zijne goederen in Ierland verwaarloosd had. En dit, voegde hij er bij, wat hij voor mij had willen verbergen, was de eenige reden waarom hij zoo ernstig op ons vertrek derwaarts gestaan had. Hij bezigde verder vele liefkozingen en eindigde met eene teedere omhelzing en vele hartstogtelijke betuigingen zijner liefde.

„Er was ééne omstandigheid, welke, ofschoon hij er zich niet op beriep, sterk pleitte ten zijnen gunste, en dat was het woord „weduwengift” in den brief van den lakenkooper; want mijne tante was nooit gehuwd geweest, en den heer Fitzpatrick was dit zeer goed bekend. Daar ik me dus voorstelde, dat de kleermaker dit zelf bedacht, of ter loops gehoord had, overtuigde ik me dat hij op geen beter gezag de hatelijke uitdrukking omtrent mij gebezigd had. Welk soort van redeneren was dit, liefste? Speelde ik niet eerder den advokaat dan den regter?—Maar waarom zou ik u zoo iets vertellen, of mij daarop beroemen om de vergiffenis, die ik hem schonk, te regtvaardigen?—Met één woord, als hij zich aan twintig maal meer schuldig had gemaakt, zou de helft der teederheid en liefheid, welke hij nu aanwendde, voldoende zijn geweest om mijne vergiffenis te verwerven. Ik maakte nu geene verdere bezwaren tegen onze reis en wij vertrokken den volgenden morgen en bereikten in iets meer dan eene week de woonplaats van den heer Fitzpatrick.

„Ge zult niet nieuwsgierig zijn omtrent de bijzonderheden onzer reis,—en het zou wezenlijk even onaangenaam voor mij zijn om ze te moeten herroepen als voor u om ze aan te hooren.

„Die woonplaats dan is een oud heerenhuis. Als ik in een van die vrolijke buijen was, waarin ge me zoo dikwerf gezien hebt, zou ik u door de beschrijving daarvan wel tot lagchen bewegen. Het zag er uit alsof het vroeger door een fatsoenlijk man ware bewoond geweest. Ruimte was er genoeg en ten overvloede—wegens het gebrek aan huisraad, waarvan er zeer weinig voorhanden was. Eene oude vrouw, die even oud scheen als het gebouw, en die zeer op die gelijkt, welke Chamont in zijne „Wees” beschrijft, ontving ons aan de poort, en met een naauwelijks menschelijk gehuil, dat voor mij onverstaanbaar was, heette zij haren heer en meester welkom. Om kort te gaan, het geheele tooneel was zoo droevig en somber, dat het mij geheel ter neder sloeg, wat mijn man naauwelijks opmerkte of hij vermeerderde mijne droefgeestigheid door eenige kwaadaardige opmerkingen.

„„Er bestaan ook goede huizen elders dan in Engeland, mevrouw, zoo als ge ziet,” zeide hij; „maar misschien geeft gij de voorkeur aan een paar vuile kamers te Bath?”

„Gelukkig, mijne lieve, de vrouw, die in welken stand ook, een opgeruimden, goedaardigen levensgezel heeft om haar te steunen en te troosten! Maar waarom zou ik aan zulke gelukkigen denken,—waardoor mijn ellende slechts verzwaard wordt! Met één woord, mijn man was een knorrig wezen, een karakter welligt dat gij nooit ontmoet hebt; want inderdaad, geene vrouw ziet er ooit een voorbeeld van tenzij in een vader, een broeder of een echtgenoot, en hoewel gij een vader hebt, is dat zijn gebrek niet. Deze knorrige man was mij vroeger juist het tegenovergestelde geschenen,—en dat was nog het geval bij anderen. Goede hemel! Hoe is het mogelijk voor iemand om steeds met een leugen op zijn gezigt buitenshuis en in gezelschap te verschijnen en de onaangename waarheid alleen te huis te laten zien? Dáár, lieve, doen zij zich te goed voor den hinderlijken dwang, welke zij zich in de wereld moeten opleggen; want ik heb opgemerkt, dat hoe aardiger en vrolijker en opgeruimder mijn man in gezelschap was geweest, hij des te knorriger en gemelijker was zoodra wij ons weder alleen bevonden. Hoe zal ik zijne barbaarschheid beschrijven? Voor mijne liefderijkheid bleef hij koud en ongevoelig. Mijne kleine, speelsche gewoonten, welke gij, mijne Sophia, en anderen zoo innemend hebt gevonden, beschouwde hij met minachting. Als ik in de meest ernstige stemming was, zong en floot hij; en als ik me geheel ter neder geslagen en ellendig gevoelde, werd hij boos en schold mij uit; want ofschoon hij nooit tevreden was met mijn goeden luim, en dien niet toeschrijven wilde aan eenige liefde tot hem, beleedigde het hem altijd als ik droefgeestig was en hij schreef dit toe, zoo als hij zeide, aan het berouw dat ik koesterde van een Ier getrouwd te hebben.

„Ge kunt u gemakkelijk voorstellen, jufvrouw Deftig (ik vraag verschooning;—ik versprak me!) dat als eene vrouw, naar de meening der wereld, een dwaas huwelijk aangaat, (dat is als zij zich niet schaamteloos verkoopt om den wille van wat geld), zij noodzakelijk eenige liefde en achting voor haar man gevoelt. Gij zult ook even gemakkelijk begrijpen, dat hare liefde verminderen kan,—en dat die door verachting, zoo als ik u verzekeren kan, geheel uitgeroeid wordt. Ik begon nu deze soort van verachting ten opzigte van mijn echtgenoot te koesteren, die, zoo als ik thans ontdekte,—ik moet het woord gebruiken,—een aartsdomkop was! Het zal u welligt verwonderen dat ik niet veel vroeger tot deze ontdekking kwam; maar de vrouwen zullen duizenderlei verontschuldigingen bedenken voor de dwaasheden van diegenen die zij beminnen; en vergun me u bovendien te zeggen, dat het een zeer scherpziend oog eischt om een dwaas te ontdekken onder de vermomming van opgeruimdheid en fatsoenlijkheid.

„Ge zult u ook best verbeelden, dat zoodra ik eens begon mijn man te verachten, wat ik beken dat spoedig het geval was, ik ook weldra een afkeer kreeg van zijn gezelschap, en inderdaad, ik had het geluk dat hij mij zeer weinig daarmede lastig viel; want ons huis werd nu zeer sierlijk ingerigt, onze kelders waren goed voorzien en honden en paarden werden in overvloed aangeschaft. Daar mijn man zijne buren met de meeste gastvrijheid onthaalde, kwamen zijne buren ook met het meeste genoegen bij hem; jagen en drinken kostte hem zoo veel tijd, dat slechts weinig van zijn omgang, dat is van zijn slecht humeur mij ten deel viel.

„Ik zou me gelukkig geacht hebben als ik ook een ander lastig gezelschap had kunnen ontvlugten; maar, helaas, er was iets waardoor ik steeds gepijnigd werd, en dat te meer daar ik geen kans zag om me er van te bevrijden. Dit waren mijne eigene kwellende gedachten, die me onophoudelijk pijnigden en als het ware dag en nacht vervolgden. In dezen toestand beleefde ik een tijd, welks verschrikkelijkheden men evenmin beschrijven als zich voorstellen kan. Verbeeld u, als gij dat kunt, mijne lieve, wat ik te lijden had. Ik werd moeder door den man dien ik verachtte, haatte en verfoeide. Ik doorstond al de pijn en ellende eener verlossing (die tienmaal kwellender is in zulke omstandigheden, dan de ergste martelingen, die men verdraagt om den wille van een man dien men liefheeft), in een woestijn, of liever, te midden van een woest tooneel van spel en drank zonder vriendin, zonder gezelschap, en zonder eenige van die aangename omstandigheden, welke dikwerf het lijden van ons geslacht op zulk een oogenblik verzachten en het soms welligt meer dan vergoeden.”

HOOFDSTUK VI.

DE VERGISSING VAN DEN WAARD BRENGT SOPHIA IN VERSCHRIKKELIJKE VERLEGENHEID.

Mevrouw Fitzpatrick wilde met haar verhaal voortgaan toen zij gestoord werd door het binnenbrengen van het middagmaal, tot groot verdriet van Sophia; want de rampen harer vriendin hadden hare belangstelling zoo zeer opgewekt dat zij geen ander verlangen meer had, dan naar het vervolg van de geschiedenis van mevrouw Fitzpatrick te luisteren.

De waard verscheen nu met een bord onder den arm en met even veel eerbied in zijne houding en op zijne gelaatstrekken alsof de dames met een rijtuig door zes paarden getrokken, gekomen waren.

De getrouwde dame scheen minder door hare rampen aangedaan te zijn dan hare nicht; want zij at zeer smakelijk, terwijl de laatste naauwelijks één mondvol gebruiken kon. Sophia toonde ook meer leed en verdriet op hare gelaatstrekken, dan bij de andere dame zigtbaar waren, die deze teekens bij hare vriendin opgemerkt hebbende, haar smeekte om zich te troosten, met de woorden: „Alles zal welligt beter afloopen dan gij of ik ons voorstellen!”

De waard, zich nu verbeeldende, dat hij eene geschikte gelegenheid gevonden had om meê te praten, besloot die niet ongebruikt te laten voorbijgaan.

„Het spijt me, dame,” zeide hij, „dat het eten u niet smaakt; want gij moet zeker honger hebben na zoolang vasten. Ik hoop niet dat gij u over iets ongerust maakt; want zoo als mevrouw zeide: alles kan wel beter afloopen dan men verwacht. Een mijnheer, die pas hier is geweest, bragt heerlijke tijdingen, en misschien zullen zekere menschen, die anderen niet wenschen aan te treffen, Londen bereiken eer zij ingehaald worden;—en als zij dat eenmaal doen, dan twijfel ik niet dat zij er vrienden genoeg vinden om hen dáár te ontvangen.”

Alle menschen, die eenig gevaar te vreezen hebben, herscheppen al wat zij zien of hooren in angstwekkende voorwerpen. Sophia maakte dus dadelijk op, uit deze woorden, dat zij door haar vader ontdekt en vervolgd werd. Zij geraakte daarom in den grootsten angst en kon eenige minuten lang geen woord uit brengen;—tot zij zich eindelijk in zoo ver vermeesterde, dat zij den waard verzocht zijne dienstboden uit de kamer te verwijderen en hem daarop, als volgt, aansprak:

„Naar ik zie, mijnheer, weet gij wie wij zijn,—en ik smeek u,—neen, ik ben overtuigd, dat als gij niet geheel slecht zijt, gij ons ook niet verraden zult.”

„Ik u verraden!” riep de waard. „Neen! (en hij voegde eene geheele reeks vloeken er bij,) „eerder liet ik me in tien duizend stukken hakken! Ik haat alles wat op verraad gelijkt! Ik u verraden? Ik heb tot nu toe van mijn leven niemand verraden en ik zal zeker nu niet beginnen met zulk eene schoone dame als gij zijt, te verraden! De geheele wereld zou het me ook zeer zeker kwalijk nemen als ik dat deed, daar het zoo spoedig in uwe magt zal wezen mij voor mijne getrouwheid te beloonen. Ik kan mijne vrouw tot getuige roepen, dat ik u herkende zoodra gij hier voet in huis hadt gezet;—ik zeide dat gij het waart, eer ik u van het paard hielp en ik zal de kneuzingen, die ik bij die gelegenheid in uwe dienst kreeg, mede in ’t graf nemen;—maar, wat komt dat er op aan, daar ik het geluk had u te redden? ’t Is waar, dat er zekere menschen zijn, die heden morgen er op bedacht zouden geweest zijn, om zich eene belooning te verzekeren;—maar zulk eene gedachte is mij nooit door het hoofd gegaan. Ik zou liever van honger sterven dan wat ook aannemen, om u te verraden!”

„Ik beloof u, mijnheer,” zeide Sophia, „dat als ik me ooit tot iets in staat zie, gij niets zult verliezen door uwe edelmoedigheid!”

„Ach, dame!” antwoordde de waard; „als gij u ooit tot iets in staat ziet? De hemel geve maar dat gij dan den wil hebt! Ik ben maar bang dat gij zoo’n gering mensch als een herbergier zult vergeten;—maar als dat niet het geval is, hoop ik dat gij ook niet vergeten zult, welke belooning ik weigerde,—weigerde?—dat is, welke belooning ik geweigerd zou hebben,—en dat is zeker zoo goed alsof ik ze geweigerd had;—want ik had ze zeker kunnen krijgen,—en gij hadt in zekere herbergen kunnen teregt komen, waar——maar, wat mij aangaat, ik wilde toch niet om alles ter wereld, dat de dames denken zouden dat ik haar ooit had willen verraden, zelfs eer ik de goede tijding vernam.”

„Welke tijding?” vroeg Sophia, met eenige drift.

„Weten het de dames dan nog niet?” riep de waard. „Nu, dat kan best wezen; want ik vernam ze zelf slechts eenige minuten geleden, en de drommel hale mij op dit oogenblik, als ik u ooit heb willen verraden;—neen, als ik dat ooit heb willen doen, moge ik—” Hier voegde hij vele verschrikkelijke vloeken bij, die Sophia eindelijk afbrak door hem te smeeken haar te zeggen van welk nieuws hij sprak.

Hij wilde haar antwoord geven, toen jufvrouw Honour, bleek en ademloos de kamer binnenstoof en uitriep:

„Wij zijn alle verloren! Wij zijn te gronde gerigt! Zij zijn gekomen! Zij zijn gekomen!”

Deze woorden deden het bloed in Sophia’s aderen stollen maar mevrouw; Fitzpatrick vroeg, „wie toch gekomen waren?”

„Wie!” riep Honour uit; „Wel de Franschen! Ik weet niet hoeveel honderd duizenden, en wij zullen allen vermoord en verkracht worden!”

Even als een vrek, die in eenige schoone stad een hutje bezit, ter waarde van eenige guldens, als hij, op een afstand door het gerucht van brand verschrikt wordt, verbleekt en beeft hij de gedachte aan zijn eigen verlies; maar dadelijk herstelt en glimlacht over zijn geluk zoodra hij verneemt dat slechts prachtige paleizen vernield zijn en zijn hutje verschoond is gebleven;—of (want er is iets in dit beeld dat ons mishaagt),—even als de teedere moeder in de vrees dat haar lievelingszoontje verdronken is, verstomt en bijna verstijft van den angst,—maar, zoodra zij verneemt dat de jonge heer veilig is, en slechts een groot oorlogschip met twaalf honderd dapperen gezonken is, tot het leven en het verstand terugkeert, en de moederliefde de plotselinge verligting van haren angst geniet, terwijl de algemeene welwillendheid, welke op een ander oogenblik de verschrikkelijke ramp diep gevoeld zou hebben, in haar hart sluimert:—zoo ook vond nu Sophia, die meer dan iemand in staat was de rampen van haar vaderland te gevoelen,—zulke oogenblikkelijke verligting van de vrees van door haar vader ingehaald te zijn, dat de aankomst der Franschen ter naauwernood eenigen indruk op haar maakte.

Zij berispte dus vriendelijk hare kamenier wegens den angst, welken deze haar aangejaagd had, en zeide, „dat zij blijde was niets ergers te vernemen;—want dat zij bang was geweest dat iemand anders aangekomen was.”

„Ja, ja,” zei de waard, met een glimlach; „de dame is beter onderrigt! Zij weet dat de Franschen onze beste vrienden zijn, en dat zij alleen hier overgekomen zijn om ons te helpen. Dat zijn de menschen die Oud-Engeland er weer boven op zullen brengen! Ik begrijp best dat de dame zich verbeeldde dat de hertog gekomen was, en dat was wel genoeg om haar een angst op het lijf te jagen! Ik was juist op het punt om de dame het groote nieuws te vertellen:—Zijne Majesteit de Pretendent,—de hemel zegene hem!—heeft den hertog gefopt en is hem voorbij en trekt zoo snel hij maar kan op Londen, en er zijn tien duizend Franschen geland, die zich onderweg bij hem voegen zullen.”

Sophia was niet zeer ingenomen met deze tijding, noch met de persoon, die ze haar gaf; maar daar zij zich steeds nog verbeeldde dat hij haar kende,—en onmogelijk de ware toedragt der zaak gissen kon,—durfde zij hare ontevredenheid niet toonen.

De waard ruimde nu de tafel op en verliet de kamer, terwijl hij bij zijn vertrek zijne hoop herhaaldelijk uitte, dat zij later aan hem denken zoude.

Sophia was volstrekt niet op haar gemak bij de gedachte dat men haar hier in huis kende; want zij paste al wat de waard voor Jenny Cameron bedoeld had, op zich zelve toe; zij beval dus hare kamenier om hem te polsen omtrent de middelen waardoor hij haar had leeren kennen, en omtrent den persoon, die hem had willen omkoopen om haar te verraden; zij gelastte tevens dat de paarden des morgens om vier uren gereed zouden staan, op welken tijd mevrouw Fitzpatrick beloofde haar te vergezellen, en daarop, haar best doende om bedaard te blijven, verzocht zij die dame haar verhaal voort te zetten.

HOOFDSTUK VII.

WAARIN MEVROUW FITZPATRICK HAAR VERHAAL TEN EINDE BRENGT.

Terwijl jufvrouw Honour overeenkomstig de bevelen harer meesteresse eene kom punch bestelde en den waard en zijne vrouw uitnoodigde om ze met haar te leegen, hervatte mevrouw Fitzpatrick als volgt, hare geschiedenis:

„De meeste officieren, die in de naburige stad in kwartier lagen, waren kennissen van mijn echtgenoot. Onder dezen was een luitenant, een zeer knap slag van mensch, die gehuwd was met eene dame, die zoo innemend van karakter en in den omgang was, dat wij sedert onze eerste kennismaking, kort na mijne bevalling, bijna onafscheidelijk werden; want ik had het geluk dat zij evenveel van mij hield als ik van haar.

„De luitenant, noch een dronkaard noch een jager, was dikwerf bij ons;—inderdaad hij was slechts zelden bij mijn man,—niet meer dan de beleefdheid vorderde, daar hij bijna dagelijks bij ons aan huis was. Mijn echtgenoot gaf dus zijne ontevredenheid te kennen dat de luitenant mijn omgang boven den zijne verkoos; hij beknorde mij daarover, en verwenschte me dikwerf bitter omdat ik hem van zijne makkers beroofde, zeggende „dat ik verdiende verd— te zijn omdat ik een der knapste kerels ter wereld bedorven had door een janhen van hem te maken.”

„Ge zoudt u zeer vergissen, Sophialief, als ge u verbeelddet dat mijn man wezenlijk kwaad was omdat ik hem van een makker beroofd had; want de luitenant was geen mensch wiens omgang een dwaas bevallen kon; en al wilde ik de mogelijkheid daarvan toegeven, mijn echtgenoot had zoo weinig regt het verlies van zijn vriend aan mij toe te schrijven, dat ik overtuigd ben dat het alleen om den wille was van mijn gezelschap, dat hij ooit den voet bij ons in huis zette. Neen, kind, het was nijd, de ergste en bitterste soort van nijd; hij benijdde hem zijne meerderheid aan verstand. De ellendeling kon het niet verdragen, te zien dat mijn omgang boven den zijne verkozen werd door iemand omtrent wien bij geen de minste ijverzucht koesteren kon. O, mijne lieve Sophia, gij zelve hebt zoo goed uw verstand!—als gij iemand trouwt,—wat waarschijnlijk het geval zal wezen,—die minder knap is dan gij, beproef wel zijn humeur vóór uw huwelijk, en zie of hij zulk eene meerderheid verdragen kan.—Beloof me, Sophia, dezen raad te volgen;—want ge zult later inzien van hoe veel belang het is!”

„’t Is zeer waarschijnlijk dat ik nooit trouwen zal,” hernam Sophia. „Ik geloof, ten minste, dat ik nooit een man zal nemen in wiens verstand ik vóór ons huwelijk eenig gebrek zie, en ik verklaar u, dat ik liever het mijne kwijt zou worden dan later zoo iets te ontdekken.”

„Uw verstand kwijt worden!” riep mevrouw Fitzpatrick. „Foei, meisje;—ik wil dat niet van u hoopen! Men zou mij kunnen overhalen om al het overige op te geven; maar dat nooit! De natuur zou in zoovele gevallen deze meerderheid niet aan de vrouw gegeven hebben, als het hare bedoeling geweest ware, dat wij het alleen aan den man moesten opofferen! Dit is ook inderdaad wat verstandige mannen nooit van ons verwachten, en de luitenant van wien ik gesproken heb, was een voorbeeld in dit opzigt; want hoewel hij zeer goed zijn verstand had, bekende hij altijd (wat ook het geval was), dat zijne vrouw hem daarin overtrof. En dit was welligt ééne reden waarom mijn dwingeland mij haatte.

„Hij zeide dan ook, „dat eerder dan zich door zulk eene verwenschte leelijke feeks te laten regeren (en schoon was zij niet, hoewel zeer aangenaam en vooral echt fatsoenlijk), hij alle vrouwen ter wereld naar den drommel zou jagen!”—Eene gewone uitdrukking van hem. Hij vroeg ook, wat ik in haar zien kon, om mij te bekoren.—„Sedert die vrouw onder ons gekomen is,” zeide hij, „is er een einde aan uwe geliefkoosde lektuur, waarop gij veinsdet zoo zeer verzot te zijn, dat ge geen tijd kondt vinden om tegenbezoeken te maken bij de dames hier;”—en ik moet bekennen dat ik me schuldig gemaakt had aan eenige onbeleefdheid ten dien opzigte; want de dames dáár zijn in geen geval beter dan de vrouwen op het land hier en, me dunkt, dat dit verontschuldiging genoeg bij u zal wezen, als ik alle gemeenzaamheid met haar vermeed.

„Deze vriendschap duurde echter een geheel jaar, ja zelfs den heelen tijd dat de luitenant in de stad in kwartier lag; en om den wille daarvan onderwierp ik me er aan om aanhoudend, op pas vermelde wijze, door mijn man uitgescholden te worden;—ik bedoel als hij te huis was, want hij was dikwerf een maand achtereen afwezig, te Dublin, en ging zelfs eens twee maanden lang naar Londen, bij al welke gelegenheden ik me bijzonder gelukkig achtte, dat hij mij nooit ééns vroeg om hem te vergezellen;—ja, hij gaf zelfs door zijne herhaalde spotternijen over mannen, die nooit reizen konden, zoo als hij het uitdrukte, zonder eene vrouw meê te sleepen, genoegzaam te kennen, dat al had ik nog zoo zeer verlangd om hem te vergezellen, mijne wenschen te vergeefs zouden geweest zijn;—maar, dat weet de hemel, zulke wenschen kwamen nooit in de verte bij mij op!

„Eindelijk werd ik van mijne vriendin weder beroofd en bleef in mijne eenzaamheid overgelaten aan de kwellende gedachten welke mij bezielden, en moest mijne toevlugt tot de boeken nemen om eenigen troost te vinden. Ik las ook nu bijna den geheelen dag.—Hoevele boeken, denkt ge, dat ik in drie maanden tijds las?”

„Dat kan ik onmogelijk gissen, nicht!” hernam Sophia; „Welligt een tiental?”

„Een tiental! Wel ten minste vijfhonderd, kind!” antwoordde de andere. „Ik las veel in Daniëls Geschiedenis van Frankrijk; veel in Plutarchus:—dan de Atalantas; den Homerus van Pope; Drydens dramatische werken; Chillingworth; de Gravin d’Anois en Locke, over de menschelijke rede.

„In dezen tusschentijd schreef ik drie smeekende, en naar ik me verbeeldde, zeer aandoenlijke brieven aan tante; daar ik echter geen antwoord ontving, belette mij mijn trots, om met mijn smeeken voort te gaan.” Hier brak zij af, en Sophia ernstig aanziende, zeide zij: „Me dunkt, lieve, dat ik iets in uwe blikken ontwaar, dat me verwijt, dat ik iemand anders verwaarloosde, bij wie ik eene hartelijkere ontvangst gevonden zou hebben.”

„Inderdaad, lieve Henriette,” hernam Sophia, „verontschuldigt uwe geschiedenis alle verzuimen; maar werkelijk gevoel ik dat ik zelve me schuldig gemaakt heb aan een verzuim ten uwen opzigte, zonder eenige verontschuldiging te hebben.—Maar, bid ik u, ga voort met uw verhaal; want ik verlang, hoezeer ik ook vrees, het vervolg er van te vernemen.”

Mevrouw Fitzpatrick hervatte hierop haar verhaal als volgt: „Mijn man ondernam nu eene tweede reis naar Engeland, waar hij drie maanden lang bleef; gedurende het grootste gedeelte van dezen tijd, leidde ik een leven dat alleen door de ondervinding van het ergere dat voorafgegaan was, verdragelijk werd; want de volmaakte eenzaamheid is alleen te dragen door een gezellig wezen als ik ben, als men daardoor verlost wordt van het gezelschap van iemand dien men haat. Hetgeen mijne ellende vermeerderde, was het verlies van mijn kindje,—niet dat ik veinzen wilde die buitensporige liefde daarvoor gekoesterd te hebben, voor welke ik in andere omstandigheden vatbaar had kunnen zijn; maar ik had besloten in alle opzigten mijn pligt als teedere moeder te vervullen en deze zorg belette mij om het drukkende van dat drukkendste aller dingen te gevoelen, (namelijk van den tijd) als men eens gevoelt dat die ons lang valt.

„Ik had bijna tien weken alleen gesleten, daar ik in al dien tijd niemand gezien had dan mijne dienstboden en zeer weinige bezoekers, toen eene jonge dame, eene bloedverwante van mijn echtgenoot, uit eene verwijderde streek van Ierland mij kwam opzoeken. Zij had eenmaal te voren eene week bij ons doorgebragt, en toen had ik haar dringend uitgenoodigd om terug te keeren; want zij was eene zeer aangename vrouw, wier aangeborene goede gaven door eene fatsoenlijke opvoeding ontwikkeld waren. Inderdaad, zij was mij eene zeer gewenschte gast.

„Eenige dagen na hare aankomst, daar zij bemerkte dat ik zeer neerslagtig was,—zonder naar de oorzaak te vragen,—welke haar echter wel bekend was,—begon deze jonge dame mijn lot te beklagen. Zij zeide, „dat ofschoon de welvoegelijkheid mij belet had over het gedrag van mijn man te klagen bij zijne bloedverwanten, zij er toch allen mede bekend waren, en zich zeer daarover bedroefden,—en dat niemand zich die zaak meer aantrok dan zij.”

„En, na eenige algemeene gezegden omtrent dit punt, die ik niet nalaten kon met goedkeuring aan te hooren, deelde zij mij eindelijk mede, na mij vooraf voorzigtigheid en het diepste stilzwijgen aanbevolen te hebben, dat mijn echtgenoot eene maitresse hield.

„Gij zult u zeker verbeelden dat ik dit berigt met de meeste onverschilligheid aanhoorde.—Maar als gij dat doet, vergist gij u ten zeerste. De minachting had mijne verontwaardiging niet zoo geheel gesmoord, dat ik niet bij deze gelegenheid weder in hevigen toorn ontstak. Hoe zou dit te verklaren zijn? Zijn we zoo verfoeijelijk egoïstisch, dat wij er ons over ergeren als anderen dat bezitten wat wij zelve verachten? Of zijn we niet eerder onverdragelijk ijdel, en is zoo iets niet de grofste beleediging, welke men onzer ijdelheid aandoen kan? Zeg, Sophia,—wat is uw gevoelen?”

„Dat weet ik wezenlijk niet,” hernam deze; „ik heb me nooit met zulke afgetrokkene bespiegelingen opgehouden; maar ik geloof dat de dame zeer verkeerd deed met u een geheim van dien aard mede te deelen.”

„En toch, mijne lieve, is zoo iets heel natuurlijk en als gij zoo veel als ik gelezen en gezien hebt, zult gij dat best begrijpen.”

„Het spijt me te hooren dat zoo iets natuurlijk is,” hernam Sophia, „want ik heb noch lektuur noch ondervinding noodig om mij te overtuigen dat het alles behalve eervol is, of van een goed hart getuigt—ja, zelfs komt het mij voor dat het even onfatsoenlijk is om een man of zijne vrouw op elkanders gebreken opmerkzaam te maken, als om hun hunne eigene te verwijten.”

„Eindelijk,” hervatte mevrouw Fitzpatrick, „keerde mijn man terug, en als ik mijne eigene gedachten begrijp, haatte ik hem toen meer dan ooit te voren; maar ik verachtte hem iets minder; want, niets is zoo zeer geschikt om onze verachting te verzwakken, als eene beleediging van onzen hoogmoed of van onze ijdelheid.”

„Hij huichelde nu eene houding tegenover mij, die zoo zeer verschilde bij die van den laatsten tijd, en die zoo veel overeenkomst had met zijn gedrag gedurende de eerste week van ons huwelijk, dat als er een enkel vonkje liefde bij me overgebleven ware, hij welligt mijne genegenheid op nieuw had kunnen doen ontbranden. Maar hoewel het mogelijk is dat verachting door haat gevolgd, en welligt zelfs overwonnen wordt, geloof ik niet, dat ooit weder de liefde voor haar in de plaats treedt. De waarheid is, dat de hartstogt der liefde te rusteloos is om zich te kunnen vergenoegen zonder de voldoening welke ze van het voorwerp er van verkrijgt, en men kan niet meer geneigd zijn om te minnen zonder liefde, dan men oogen hebben kan zonder te zien. Als een echtgenoot dus eens ophoudt het voorwerp dezer liefde te zijn, is het meer dan waarschijnlijk dat een andere man, ik bedoel, lieve, dat als uw man u onverschillig wordt,—als ge er toe komt om hem te verachten,—ik meen,—dat is,—als gij tot de liefde geneigd zijt;—Hemel! ik ben zoo in de war geraakt!—men komt er zoo ligt toe bij dergelijke afgetrokkene bespiegelingen, om, wat de heer Locke noemt de aaneenschakeling der denkbeelden, kwijt te raken;—met één woord, het ware van de zaak is;—ik weet niet juist wat;—maar, zoo als ik zeide, mijn man keerde terug en in het begin was ik zeer verwonderd over zijn gedrag;—maar spoedig werd ik met de beweegreden daartoe bekend, en leerde inzien wat hij beoogde. Met één woord, hij had al mijn baar geld uitgegeven, of verspeeld, en daar hij geen hypotheek meer kon krijgen op zijn eigen goed, verlangde hij zich nu van geld te voorzien door eene kleine bezitting, welke mij toebehoorde, te verkoopen,—wat hij niet doen kon zonder mijne hulp; en het was alleen ten einde deze gunst van mij te verkrijgen, dat hij nu weer eenige liefde tot mij veinsde.

„Ik weigerde zeer stellig hierin toe te stemmen. Ik vertelde hem,—en met waarheid, dat, al had ik de schatten van geheel Indië bezeten bij ons huwelijk, hij er over had kunnen beschikken; want dat het steeds mijn stelregel geweest was dat waar eene vrouw haar hart laat, zij ook haar vermogen laten moet; maar, dat daar hij de goedheid had gehad mij al lang geleden het eerste weder te geven, ik ook besloten had het weinige wat mij van het tweede overbleef, te bewaren.

„Ik zal u de drift niet beschrijven waarin hij geraakte bij deze woorden en bij de vaste houding, waarmede ik ze uitte;—ik zal u evenmin vervelen met het tooneel dat er tusschen ons volgde. Gij begrijpt wel dat de geschiedenis van de maitresse er uit kwam,—en dat was ook het geval met al de bijhangsels waarmede toorn en verachting ze opschikken konden.

„De heer Fitzpatrick scheen eenigzins getroffen hierdoor en raakte meer verward dan ik hem ooit vroeger gezien had,—hoewel, dat weet de hemel, zijn brein altijd verward genoeg was! Hij trachtte echter niet zich te verontschuldigen; maar sloeg een weg in, waarop hij mij bijna evenzeer verlegen maakte. Dit was niets anders dan eene tegenbeschuldiging tegen mij in te brengen! Hij veinsde ijverzuchtig te zijn;—mogelijk is hij jaloersch genoeg van aard,—ja, het moet hem aangeboren zijn, of de Satan moet het hem in ’t hoofd gezet hebben; want ik tart iedereen om met eenig regt mijn goeden naam te besmetten;—ja, zelfs de vuigste lasteraars hebben dat nooit gewaagd! Mijn naam, Goddank, is altijd even onbesmet gebleven als mijn leven,—en de kwaadwilligheid zelve moet dat onberispelijk heeten! Ja, mijne beste Deftig, hoe ik ook getergd, hoe mijne liefde gekrenkt, hoe ik ook mishandeld werd, ik heb vast besloten nooit aanleiding te geven tot eenige berisping van dezen aard. En toch, mijne lieve, zijn er sommige menschen die zoo kwaadaardig, sommige tongen die zoo venijnig zijn, dat geene onschuld daartegen beschermt. Het minst onbedachtzame, het meest toevallige woord, de meest onschuldige vrijheid, worden verkeerd opgevat en vergroot, ik weet niet hoe, door sommige menschen;—maar ik, mijne lieve Deftig, veracht dergelijken laster! Niets van dien aard, dat verzeker ik u, heeft mij ooit één oogenblik verontrust! Neen, neen, ik beloof u dat ik boven dergelijke dingen verheven ben!—Maar waar ben ik gebleven?—O, laat ik zien;—ik vertelde u dat mijn man jaloersch was.—En van wien denkt gij?—Wel! van wien anders dan den luitenant, van wien ik u reeds gesproken heb. Hij was genoodzaakt om meer dan een jaar achteruit te gaan, om een voorwerp te zoeken voor dezen onverklaarbaren hartstogt,—zoo hij inderdaad er iets van gevoelde, en niet erg huichelde, ten einde mij te foppen.

„Maar ik heb u reeds met zoovele bijzonderheden verveeld, dat ik mijn verhaal spoedig tot een einde brengen zal! Na vele tooneelen dan, die ik me schamen zou te beschrijven, in welke mijne nicht zoo hartelijk partij voor mij trok dat de heer Fitzpatrick haar eindelijk de deur uitzette,—en toen hij zag dat mijne toestemming noch afgevleid, noch afgedwongen kon worden, ging hij tot een zeer geweldig middel over. Gij zult misschien gelooven dat hij mij sloeg, maar ofschoon hij dikwerf bijna daartoe overging,—zoo ver bragt hij het niet. Hij sloot mij echter op mijne kamer op, zonder mij papier, inkt, pen of boek te geven, terwijl een der dienstboden dagelijks mijn bed opmaakte en mij wat voedsel bragt.

„Nadat ik eene week lang in deze gevangenschap doorgebragt had, vereerde hij mij met een bezoek, en met eene schoolmeestersstem, of met die van een dwingeland,—wat dikwerf hetzelfde is,—vroeg hij mij, „of ik hem zijn zin wilde geven?” Ik hernam zeer stoutmoedig, „dat ik liever sterven wilde.” „Dat zult gij dan doen,” riep hij; „want ik wil verdoemd zijn als gij ooit levend uit deze kamer komt!”

„Daar bleef ik nog veertien dagen opgesloten, en om de waarheid te zeggen, mijne standvastigheid was bijna overwonnen, toen erop zekeren dag, in de afwezigheid van mijn echtgenoot, die voor korten tijd uitgegaan was, op de gelukkigste wijze mogelijk iets gebeurde,—dat,—ik—op zulk een oogenblik is alles vergeefelijk,—juist toen dus, ontving ik;——maar ik zou een uur noodig hebben om u alle bijzonderheden mede te deelen,—met één woord dan,—want ik spreek van geene bijzonderheden,—het goud, de sleutel die alle sloten opent, opende ook mijne deur, en zette mij in vrijheid.

„Ik haastte me nu naar Dublin te komen, van waar ik me dadelijk naar Engeland inscheepte, en was op weg naar Bath, om mij onder bescherming te stellen van tante, of van uw vader, of van eenigen bloedverwant, die ze mij verleenen kon. Mijn man haalde me gisteren avond in de herberg in, waar ik sliep en welke gij eenige minuten vóór mij verliet; maar ik was gelukkig genoeg om hem te ontsnappen en om u te volgen.

„En hier, mijne lieve, eindigt mijne geschiedenis, tragisch genoeg, zeker, voor mij zelve; maar die welligt u zoodanig verveeld heeft dat ik uwe vergiffenis inroepen moet.”

Sophia slaakte een diepen zucht en hernam; „Inderdaad, Henriette, ik heb in mijne ziel medelijden met u! Maar, wat kondt gij ook verwachten? Waarom, ach waarom zijt ge met een Ier getrouwd?”

„Op mijn woord,” hernam hare nicht, „gij zijt onregtvaardig in uw oordeel! Er zijn onder de Ieren mannen die even veel eer en achting verdienen als eenig Engelschman;—ja, om de waarheid hulde te doen, is de edelmoedigheid nog algemeener onder hen. Ik heb er ook eenige voorbeelden gezien van goede echtgenooten, en ik geloof niet dat deze zoo heel talrijk zijn in Engeland? Vraag me liever, wat ik verwachten kon toen ik een dwaas huwde, en dan zal ik u de plegtige waarheid vertellen en u verklaren, dat ik hem als zoodanig niet kende.”

„Zou geen man”, vroeg Sophia, op een zeer zachten toon en met veel aandoening, „een slecht echtgenoot kunnen zijn, zonder een dwaas te wezen?”

„Dat is een al te algemeene ontkenning,” hernam de andere; „maar ik geloof wel, dat een dwaas eerder dan een andere een slecht echtgenoot zal worden. Onder mijne kennissen zijn de dwazen de slechtste echtgenooten en ik zou als een feit willen aannemen, dat het zeer zelden gebeurt dat een verstandig mensch eene vrouw, die zich goed gedraagt, heel slecht behandelt.”

HOOFDSTUK VIII.

EEN VERSCHRIKKELIJK RUMOER IN HET LOGEMENT, EN DE ONVERWACHTE AANKOMST VAN EEN VRIEND VAN MEVROUW FITZPATRICK.

Sophia verhaalde nu, op verzoek van hare nicht,—niet hetgeen hier volgt, maar wel hetgeen hier voorafgegaan is in deze geschiedenis, om welke reden, de lezer denkelijk het mij ten goede zal houden, als ik het thans niet herhaal.

Eene opmerking moet ik echter omtrent haar verhaal doen, en die is, dat zij van het begin tot het einde zoo geheel zweeg over Jones, alsof zoo iemand nooit bestaan had. Ik zal dit noch trachten te verklaren, noch te verontschuldigen. En werkelijk, als men het als eene soort van oneerlijkheid afkeuren moet, is het des te minder te verontschuldigen, omdat de andere dame schijnbaar zoo opregt en openhartig was geweest.

Maar zoo was het toch.

Juist toen Sophia haar verhaal ten einde gebragt had, vernamen de dames in de verte een geraas, dat in hardheid eenige overeenkomst had met het blaffen van een troep jagthonden, die pas losgelaten zijn,—en in schelheid met kattengemaauw, of het krassen van nachtuilen;—of dat nog meer overeenkomst had (want welk dierengeluid kan gelijken op de menschelijke stem?) met die geluiden, welke uit den mond, en soms uit de neusgaten, komen van die schoone riviernimfen, in ouden tijde Naiaden, en heden ten dage vischwijven genoemd. Want, wanneer,—in plaats van melk en honig, als in de oude dagen,—de krachtige sap van de jeneverbes, of welligt van de hopplant, door den ijver der vrome vrouwen wat rijkelijk gevloeid heeft, als eenige roekelooze tong, met toomelooze vrijheid waagt te ontheiligen,—dat is, te berispen,—de schoone vette oester, de gekrompene versche schol, de bot, levend als in zee, de garnaal, zoo groot als een kreeft, den heerlijken kabeljaauw, die pas levend is geweest, of eenigen anderen schat, welken die watergoden, die in zee en rivier visschen aan de zorgen dezer nimfen toevertrouwd hebben, verheffen de vertoornde Naiaden de onsterfelijke stemmen, en de godslasterende ellendeling wordt met doofheid geslagen tot zijne straf.

Zoodanig was nu het geluid, dat zich verhief in een der benedenvertrekken, en spoedig begon de donder, die lang uit de verte gerommeld had, te naderen, tot dat hij langzamerhand de trap opgerold zijnde, eindelijk in de kamer drong, waar zich de dames bevonden. Met één woord, om alle beeldspraak en beelden te laten varen, jufvrouw Honour, na hevig beneden geknord en dat den heelen weg naar boven voortgezet te hebben, verscheen nu in hevige drift voor hare meesteresse en riep uit: „Wel, jufvrouw, kunt gij het u verbeelden? Zoudt gij willen gelooven, dat deze onbeschofte schelm hier, de heer des huizes, de onbeschaamdheid heeft gehad mij te zeggen,—ja, in mijn gezigt vol te houden, dat gij, gij zelve, niemand anders zijt dan die gemeene, stinkende Schotsche straatloopster (Jenny Cameron heet zij!) die met den Pretendent rondloopt! Ja, die leugenachtige vlegel had de onbeschaamdheid vol te houden dat de jufvrouw zelve hem dat bekend had! Maar ik heb den schelm geteekend! Ik heb hem mijne angels in het gezigt gezet! Ja, dat heb ik gedaan!” „Mijne meesteresse,” zei ik, „is te goed voor eenigen Pretendent ter wereld, schelm! Zij is eene jonge dame van even goeden stand, afkomst en vermogen als de beste in geheel Somersetshire! Hebt gij nooit van den grooten mijnheer Western gehoord, deugniet? Zij is zijne eenige dochter;—ja, dat is zij! En de eenige erfgename van zijn geheel vermogen! Dat zulk een kerel mijne meesteresse uitschelden moet voor al wat leelijk is! Ik wilde maar dat ik hem de hersenen ingeslagen had met zijne eigene punchkom!”

De voornaamste zorg welke Sophia op dit oogenblik ondervond, was die welke haar veroorzaakt werd door hetgeen Honour in hare drift verraden had. Daar echter de vergissing van den waard genoegzaam alles verklaarde wat Sophia eerst zoo verkeerd uitgelegd had, gaf dit haar weder eenige rust en eindelijk kon zij een glimlach niet weerhouden.

Dit deed Honour in woede ontbranden, die uitriep: „Werkelijk, jufvrouw, ik verbeeldde me niet dat de jufvrouw hier iets belagchelijks in gevonden zou hebben! Door zoo’n onbeschoften, lagen schelm voor ’n straatloopster uitgescholden te worden! Misschien is de jufvrouw knorrig dat ik partij voor haar trok,—dat kan best! Want opgedrongen dienst is zelden aangenaam, zoo als men zegt,—maar ik kon er niet stil bij zitten om mijne meesteresse voor eene straatloopster te hooren uitschelden! Ik zal ’t ook niet verdragen! Ik weet zeker, dat er nooit in heel Engeland eene deugdzamere dame geleefd heeft dan de jufvrouw, en ik zal iederen schelm de oogen uitkrabben, die het waagt en durft mij op dat punt met één enkel woord tegen te spreken. Niemand ter wereld heeft ooit kwaad durven spreken van eenige dame bij wie ik diende!”

Hinc illae lachrymae! Want het is waar dat men zeggen kon dat Honour hare meesteresse beminde,—evenzeer als de meeste dienstboden hunne heeren beminnen. En bovendien, werd zij door hoogmoed gedreven om den goeden naam der dame, die zij diende, te handhaven; want zij verbeeldde zich dat ook haar naam daarmede gemoeid was. In dezelfde verhouding dat hare meesteresse geroemd werd, begreep zij, dat ook zij verheven werd, en daarentegen geloofde zij, dat men de eene niet zonder de andere kon vernederen.

Op dit punt moet ik u, lezer, nog een verhaaltje doen eer ik verder ga. Toen de beruchte Nelly Gwynn, op zekeren dag uit een huis stapte,—waar zij een kort bezoek afgelegd had,—in hare koets, zag zij eene groote menigte menschen bijeen, terwijl haar knecht van het hoofd tot de voeten met bloed bespat en bevlekt was. Zijne meesteresse vroeg hem, hoe het kwam, dat hij zich in dien toestand bevond en hij hernam: „Ik ben aan ’t vechten geweest, mevrouw, met een onbeschoften schelm die u uitschold voor ——”

„Domkop!” hernam mevrouw Gwynn, „om die reden zoudt ge elken dag van uw leven aan ’t kloppen kunnen komen. De geheele wereld immers weet dat het zoo is!”

„Dat kan wel waar zijn,” mompelde de kerel, na het portier digt geslagen te hebben: „maar zij zullen daarom niet zeggen dat ik de knecht ben van eene—”

Dus schijnt de drift van mejufvrouw Honour natuurlijk genoeg, al ware die ook op geene andere wijze verklaarbaar; maar werkelijk had zij ook eene andere beweegreden tot toorn,—en om die op te geven, moeten wij den lezer herinneren aan eene omstandigheid in de vergelijking, welke wij pas gebruikt hebben.

Er bestaan inderdaad zekere vochten, die op onze driften, of op het vuur, tegenovergestelde uitwerkingen voortbrengen dan die van het water, daar zij eerder ontvlammen en aanhitsen dan dat zij blusschen. Onder deze vochten telt men de krachtige punch. Het was dus niet zonder reden dat de geleerde Dr. Cheney zeide, dat als men punch dronk men zich vloeibaar vuur in de keel goot.

Ongelukkig echter had zich jufvrouw Honour zoo veel van dit vloeibare vuur in de keel gegoten dat de dampen er van in haar hersenpan begonnen op te stijgen, en de oogen der rede, die men veronderstelt dáár te zetelen verblindden, terwijl het vuur zelf uit de maag gemakkelijk het hart bereikte, en dáár de edele drift van den hoogmoed deed ontbranden. Dus, dit alles in aanmerking nemende, zullen wij ons niet meer verwonderen over de hevige woede van de kamenier, hoewel men bij den eersten oogopslag bekennen moet dat de oorzaak niet geëvenredigd scheen aan de uitwerking.

Sophia en hare nicht deden beide haar best om de vlammen te blusschen, die zoo hevig door het geheele huis gewoed hadden. Eindelijk slaagden zij ook daarin, of om het beeld nog één stap verder te brengen, het vuur, na eindelijk al de brandstoffen, welke de taal oplevert, dat wil zeggen, elk scheldwoord er in uitgeput te hebben, verslonden te hebben, stierf van zelf uit.

Maar hoewel de rust nu boven hersteld was, was dit volstrekt niet het geval beneden in huis, waar de waardin, zeer vertoornd over het nadeel aan de schoonheid van haren man toegebragt door de vleeschhaken van Honour, luide riep om wraak en vergelding.

Wat den armen man zelven betreft, die het meest in den slag geleden had, hij bleef volmaakt rustig. Misschien had het bloedverlies zijne woede gestild; want de vijandin had niet slechts hare nagels in zijne wangen geplant, maar ook hare vuist in aanraking gebragt met zijne neusgaten, die met bloedige tranen, welke rijkelijk vloeiden, over hare gewelddadigheid weenden. Hierbij mogen wij voegen zijne gedachten over zijne vergissing;—maar, niets inderdaad bragt zijn toorn zoo zeer tot bedaren als de wijze waarop hij nu zijne dwaling ontdekte,—want, Honour’s gedrag had alleen gediend om hem te meer daarin te bevestigen;—maar eindelijk werd hem door een persoon van zeer hoogen rang, die, door een groot gevolg omgeven, aankwam, verzekerd dat eene der beide dames iemand was van zeer deftigen stand, en eene zijner beste bekenden.

Op bevel van deze personaadje ging nu de waard naar boven en maakte de dames bekend dat een mijnheer van hoogen rang, die beneden in huis was, haar de eer wenschte aan te doen van zijne opwachting bij haar te maken. Sophia verbleekte en begon te beven toen zij deze boodschap ontving, hoewel de lezer begrijpen zal, dat die te beleefd was,—in weerwil van de domheid van den waard,—om ooit van haar vader te komen; maar de vrees dwaalt op dezelfde wijze als de meeste vrederegters en maakt ligt haar besluit op uit eene heel geringe omstandigheid, zonder de getuigen van weerskanten te hooren.

Om nu de nieuwsgierigheid van den lezer te voldoen, meer nog dan om hem eenige ongerustheid te benemen, gaan wij voort met hem te zeggen, dat zekere Iersche pair dien avond, op weg naar Londen, in het logement aangekomen was. Deze edelman was van zijn avondmaal opgestaan toen voormeld onweder in huis losbarstte, had de kamenier van mevrouw Fitzpatrick gezien, en van haar vernomen dat hare meesteresse, met wie hij zeer bevriend was, zich boven bevond. Zoodra hij dit berigt gekregen had, wendde hij zich tot den waard, bragt hem tot bedaren, en zond hem naar boven met eene boodschap, welke veel beleefder luidde dan die welke dáár overgebragt werd.

Men zal zich welligt verwonderen dat de kamenier zelve niet als bode gebruikt werd; maar het spijt ons te moeten bekennen, dat zij op dat oogenblik noch tot dat, noch tot eenig ander werk bekwaam was. De rum,—want zoo verkoos de waard zijn sterken drank te noemen,—had op eene lage wijze misbruik gemaakt van den toestand van uitputting waarin zich het arme meisje bevond, en had een woesten aanval gedaan op hare verstandelijke vermogens juist ten tijde dat ze buiten staat waren om eenigen weerstand te bieden.

Wij zullen dit tragische tooneel niet al te uitvoerig beschrijven; maar achten ons toch verpligt van wege die historische eerlijkheid, waarop wij aanspraak maken, om een wenk te geven van eene zaak, welke wij anders gaarne zouden verzwegen hebben. Vele geschiedschrijvers inderdaad, laten het uit gebrek aan dergelijke eerlijkheid, of uit traagheid, zoo niet om ergere redenen, aan den lezer over om zelf dergelijke kleine omstandigheden te ontdekken,—wat hem soms in groote verlegenheid brengt en in vele bezwaren wikkelt.

Sophia werd weldra van hare vrees bevrijd door het binnentreden van den edelen pair, die niet slechts mevrouw Fitzpatrick zeer goed kende, maar ook bijzonder bevriend met haar was.

Om de waarheid te zeggen, was het met zijn behulp geweest dat zij in staat gesteld was om haren man te ontsnappen; want deze edelman bezat denzelfden galanten aard als die beroemde ridders van wie wij zooveel lezen in allerlei ridderverhalen, en hij had ook menige gevangene schoone uit hare boeijen verlost. Hij was inderdaad een even bittere vijand van het wreede gezag dat dikwerf door echtgenooten en vaders over jeugdige schoonen uitgeoefend wordt, als ooit eenige dolende ridder het was van de barbaarsche magt der toovenaren;—ja, ik moet zelfs bekennen, dat ik dikwerf vermoed heb, dat juist die toovenaren van wie men zoo veel leest in den romantischen tijd, niemand anders waren dan de echtgenooten in die dagen, en dat het huwelijk zelf welligt de betooverde veste was, waarin men verhaalde dat de nimfen opgesloten waren.

Deze edelman had een landgoed in de nabijheid van dat van Fitzpatrick en was sedert eenigen tijd met de dame bekend geweest. Zoodra hij dus vernam dat zij opgesloten was, legde hij zich er ernstig op toe om haar te bevrijden, wat hem ook weldra gelukte, niet door het kasteel te bestormen, volgens het voorbeeld der oude helden, maar door den kommandant om te koopen, overeenkomstig de hedendaagsche wijze van oorlog voeren, waarin men de list hooger stelt dan de dapperheid, en erkent dat het goud onweerstaanbaarder is dan lood of staal.

Daar echter de dame zelve deze omstandigheid te onbelangrijk achtte om ze aan hare vriendin mede te deelen, wilden wij ze ook op dat oogenblik niet aan den lezer melden. Wij verkozen liever hem een tijdlang in de veronderstelling te laten, dat zij het geld, waarmede zij haren bewaker omgekocht had, gevonden, gemunt, of door eenig bijzonder, of zelfs bovennatuurlijk middel in handen gekregen had, eerder dan haar verhaal af te breken met de vermelding van iets, dat zij het niet eens de moeite waard achtte te noemen.

Na een kort gesprek, kon de pair niet nalaten eenige verwondering uit te drukken dat hij de dame dáár aantrof, en zich ook niet onthouden van te zeggen, dat hij dacht dat zij naar Bath was gegaan.

Mevrouw Fitzpatrick hernam zeer ongedwongen, „dat zij van voornemen had moeten veranderen door de onverwachte komst van zekeren persoon, dien zij niet behoefde te noemen. Met één woord,” zeide zij, „ik werd ingehaald door mijn man,—want ik zal niet den schijn aannemen van te willen verzwijgen wat de geheele wereld maar al te goed weet. Ik had echter het geluk om op eene zeer merkwaardige wijze te ontkomen, en ben nu op weg naar Londen met deze jonge dame, eene mijner naaste bloedverwanten, die aan een even grooten dwingeland als de mijne ontsnapt is.”

Daar Milord begreep dat deze dwingeland ook een echtgenoot was, hield hij eene redevoering vol complimenten aan de beide dames, en even vol smaadredenen op zijn eigen geslacht,—hij kon zelfs niet nalaten eenige zijdelingsche afkeuring te uiten over den huwelijken-staat zelven, en over de onbillijke magt, welke die aan den man verleent over de meer gevoelige en verdienstelijke wezens van het vrouwelijke geslacht. Hij eindigde zijne redevoering met het aanbod van zijne bescherming en van zijne koets met zes paarden, wat oogenblikkelijk aangenomen werd door mevrouw Fitzpatrick, en eindelijk, op haar smeeken, ook door Sophia zelve.

Alles op deze wijze geschikt zijnde, verwijderde zich Milord weder en de beide dames begaven zich ter rust, terwijl mevrouw Fitzpatrick hare nicht onthaalde op vele loftuitingen van den edelen pair, in het bijzonder uitweidende over zijne groote liefde tot zijne echtgenoote, er daarbij voegende, dat zij geloofde dat hij bijna eenig was onder menschen van zijn hoogen stand, als geheel en al getrouw aan zijne vrouw.

„Wezenlijk,” zeide zij, „lieve Sophia, dat is eene zeer zeldzame deugd onder mannen van hoogen rang. Verwacht niet ze te vinden bij uw man als gij eens gehuwd zijt; want geloof me, als ge dat doet, zult gij zeker gefopt worden!”

Sophia slaakte een zachten zucht bij deze woorden, die welligt er toe bijdroegen om hare droomen niet van den aangenaamsten aard te maken;—daar zij echter nooits iets er van aan iemand oververtelde, moet de lezer niet verwachten ze hier beschreven te zien.

HOOFDSTUK IX.

HET AANBREKEN VAN DEN DAG, BESCHREVEN IN DEN VERHEVENEN TRANT. EEN POSTWAGEN. DE BELEEFDHEID DER MEIDEN. DE HELDHAFTIGE AARD VAN SOPHIA. HARE EDELMOEDIGHEID. HOE DIE VERGOLDEN WORDT. HET VERTREK VAN HET GEZELSCHAP, EN DE AANKOMST TE LONDEN, MET EENIGE OPMERKINGEN TEN BEHOEVE VAN REIZIGERS.

Die leden van de maatschappij, welke geboren zijn om de gemakken van het leven te verschaffen, begonnen nu het licht op te steken, om hun dagelijksch werk aan te vangen ten behoeve van diegenen, die geboren zijn om die gemakken te genieten. De krachtige boer maakte zijne morgenbuiging bij zijn medearbeider, den stier; de handige werkman en de vlijtige daglooner sprongen op van het harde bed; de vlugge werkmeid begon met de ontredderde gezelschapskamer in orde te brengen, terwijl de woeste aanrigters van die wanorde in onrustigen slaap lagen te woelen en zich om te werpen, alsof het dons hard genoeg ware om hunne rust te storen.

Eenvoudiger gezegd: de klok had pas zeven uur geslagen toen de dames gereed waren om te vertrekken en Milord, op haar verlangen, beval dat zijn rijtuig vóór zou komen om haar op te nemen.

En nu rees er een bezwaar, en dit was hoe Milord zelf de reis zou doen; want hoewel in de postwagens, waar de passagieren juist beschouwd worden als zoo veel bagage, de verstandige voerman een half dozijn met gemak inpakt, waar slechts plaats is voor vier (want hij rigt het zoo in dat de dikke waardin, of de doorvoede raadsheer geene ruimte meer mag innemen dan de slanke jonkvrouw of de magere jongen,—daar het in den aard der ingewanden ligt om zich te voegen als ze gedrukt worden, en in eene naauwe ruimte te liggen)—in alle wagens, welke men ter onderscheiding „heerenrijtuigen” noemt, hoewel ze soms grooter zijn dan de anderen, wordt deze wijze van inpakken nooit beproefd.

Milord had een einde aan de discussie willen maken, door met de meeste beleefdheid voor te stellen, dat hij te paard zou stijgen; maar dit wilde mevrouw Fitzpatrick volstrekt niet gedoogen. Men besloot dus dat de beide kamenieren elkaar aflossen zouden op een van Milords rijpaarden, dat spoedig tot dat einde van een vrouwenzadel voorzien werd.

Nadat al het overige in het logement geregeld was, ontsloegen de dames hare gidsen tot die plaats en Sophia gaf den waard eene fooi, gedeeltelijk om hem de kneuzingen te vergoeden, die hij opgedaan had in hare dienst, gedeeltelijk als schadeloosstelling voor hetgeen hij van hare dienaresse geleden had.

Het was op dit oogenblik dat Sophia een verlies ontdekte, hetwelk haar eenige onrust veroorzaakte, namelijk dat van de banknoot van honderd pond, welke haar vader haar gegeven had bij hunne laatste ontmoeting, en die, met uitzondering van eene kleinigheid daarboven, voor het oogenblik den geheelen schat uitmaakte welken zij bezat. Zij zocht overal en doorsnuffelde al hare zakken en wierp ze door elkaar; maar te vergeefs; de banknoot was nergens te vinden, en eindelijk gevoelde zij zich ook volkomen overtuigd, dat zij ze uit den zak verloren had, toen zij het ongeluk had gehad,—zoo als te voren gemeld is,—om in de donkere laan van het paard te vallen. En dit scheen des te waarschijnlijker, daar zij zich nu herinnerde hoe alles in hare zakken door elkaar gekomen was, en de groote moeite welke het haar gekost had om het doekje er uit te halen, ten einde mevrouw Fitzpatrick te helpen,—slechts één oogenblikje eer zij zelve gevallen was.

Ongelukken van dezen aard,—welke ongemakken ze ook met zich slepen,—zijn niet in staat om een eenigzins krachtigen geest ter neder te slaan, tenzij ze door de geldzucht ondersteund worden.

Dus overwon Sophia spoedig haar verdriet, hoe ontijdig ook deze kleine ramp haar overkwam, en keerde, met hare gewone helderheid en opgeruimdheid van gelaat, bij haar gezelschap terug.

Milord geleidde nu de beide dames, even als jufvrouw Honour, naar het rijtuig, welke laatste na vele beleefdheden: „Wel, lieve jufvrouw!” enz. eindelijk bezweek voor de nog grootere beleefdheid harer zuster kamenier en zich er aan onderwierp om de eerste beurt in den wagen te nemen,—waarin zij later wel de geheele reis zou hebben willen doen, zoo hare meesteresse, na vele vergeefsche wenken, haar niet eindelijk gedwongen had op hare beurt ook te paard te stijgen.

De koets thans geladen zijnde, werd nu in beweging gesteld, gevolgd door tal van dienaren en door twee parasieten van Milord, die te voren met hem in den wagen gereden hadden, en die hij er uitgezet zou hebben om eene veel minder geldige reden dan die van twee dames te helpen. In dit geval handelden zij dan ook slechts als fatsoenlijke lieden; maar zij waren ten allen tijde gereed tot de dienst van knecht, of inderdaad, nog lager te dalen, om de eer te genieten van Milords gezelschap, en om het genot te hebben van zijne tafel.

De waard was zoo in zijn schik met de fooi, welke hij van Sophia gekregen had, dat hij zich eerder verheugde, dan dat hij klaagde over zijne kneuzingen en krabben. De lezer zal welligt nieuwsgierig zijn omtrent het bedrag van deze gift;—maar ten dezen opzigte kunnen wij hem niet bevredigen. Wat het ook was, het vergoedde den waard zijne pijnen, en hij betreurde alleen, dat hij niet vroeger geweten had hoe weinig de dame het geld telde. „Want,” zeide hij, „ik had alles dubbel kunnen rekenen, en zij zou er geen woord tegen ingebragt hebben.”

Zijne vrouw echter was lang niet van dit gevoelen. Ik zal niet beslissen of zij wezenlijk meer aangedaan was door hetgeen haar man ondervonden had dan hij zelf; maar zeker is het, dat zij veel minder gunstig oordeelde over Sophia’s mildheid.

„Wel, manlief!” riep zij, „de dame kent de waarde van het geld veel beter dan gij u verbeeldt. Zij kon wel denken, dat wij niet in zoo iets berusten zouden zonder eenige schadevergoeding, en de wet zou haar een boel meer gekost hebben dan die armzalige kleinigheid, welke het me verbaasde u te zien aannemen.”

„Ge zijt me ook altijd zoo vervloekt knap!” riep de man.

„Het geregt zou haar een boel meer gekost hebben? Zoo! Gelooft ge dat ik dat niet even goed weet als gij? Maar van al die boel meer, vraag ik: zou er iets meer,—of zelfs zoo veel, in mijn zak gekomen zijn? ’t Is waar, als zoon Thomas, de procureur, nog geleefd had, dan had het me verheugd om hem zulk een aardig zaakje te geven;—hij zou er een aardig duitje aan verdiend hebben; maar nu heb ik geen bloedverwant meer onder de regtsgeleerden, en waarom zou ik, om den wille van vreemden, aan ’t procederen gaan?”

„Nu ja,” antwoordde zij, „gij dient het best te weten.”

„Dat geloof ik ook,” hernam hij. „Ik verbeeld me wel, dat als het er op aan komt om een stuiver te verdienen, ik een even fijnen neus heb als een ander. Laat mij u zeggen, dat niet iedereen de menschen met een zoet lijntje zoo ver zoude gebragt hebben als ik nu gedaan heb. Let daarop, zeg ik: iedereen zou zoo veel niet van haar gekregen hebben!”

De vrouw vereenigde zich met haren echtgenoot om zijne wijsheid te roemen, en op die wijze eindigde het korte gesprek tusschen het paar bij deze gelegenheid.

Wij zullen dus thans afscheid nemen van deze goede lieden, en Milord en zijn bekoorlijk reisgezelschap volgen, die zoo veel haast maakten, dat zij eene reis van dertig uren in twee dagen aflegden, en den tweeden avond Londen bereikten, zonder eenig avontuur te beleven, dat der moeite waard zou zijn hier te vermelden. Onze pen zal dus dezelfde haast maken, als die welke ze beschreven heeft, en onze geschiedenis zal gelijken tred houden met de reizigers, die er de hoofdrol in spelen. Goede schrijvers zullen inderdaad wèl doen met den verstandigen reiziger na te volgen op dit punt, die altijd de lengte van zijn verblijf op de eene of andere plaats in evenredigheid brengt met de schoonheden, sierlijkheden en zeldzaamheden, welke ze oplevert. Te Eshur, te Stowe, te Wilton, te Estbury en te Priors Park, zijn de dagen te kort voor de verrukte verbeelding;—terwijl men de verbazende magt der kunst bewondert, welke de natuur verfraait. Op sommige van deze plaatsen is het de kunst, welke voornamelijk onze aandacht boeit; op anderen strijden kunst en natuur om den voorrang; maar op de laatstgemelde plaats schijnt de natuur de overwinning te behalen. Hier vertoont zij zich in hare rijkste pracht, en de kunst, met de meest bescheidene eenvoudigheid versierd, volgt hare weldadige beheerscheresse op den voet. Hier, inderdaad, verkwist de natuur de zeldzaamste schatten welke zij over de wereld verspreid heeft, en hier biedt de menschelijke natuur u een voorwerp aan, dat alleen door het bovengenoemde overtroffen kan worden.

Dezelfde goede smaak, dezelfde verbeelding, die weelderig geniet in deze sierlijke tooneelen, kan zich ook vermaken met voorwerpen, die veel minder beroemd zijn. De bosschen, de rivieren, de groene weiden van Devonshire en van Dorsetshire boeijen de blikken van den verstandigen reiziger en houden hem op onder weg;—eene vertraging welke hij later vergoedt door snel heen te vliegen over de sombere heide van Bagshot, of over dat aangename plein, hetwelk zich uitstrekt westwaarts van Stockbridge, waar, in een omtrek van zestien mijlen geen voorwerp zich verheft dan één enkele boom, tenzij welligt de wolken, met medelijden bezield over onze verveling, vriendelijk hare bonte woningen aan onze blikken openstellen.

Op eene andere wijze reist de geldzieke koopman, de hoogwijze regter, de deftige geneesheer, de dik ingepakte vetweider, met het geheele talrijke kroost van weelde en domheid. Zij sukkelen voort, met gelijken tred, door de groene velden, of over de barre heide, terwijl hunne paarden, met de meeste naauwkeurigheid, anderhalf uur afstands in een uur tijds afleggen. De oogen van het dier en van zijn meester zijn alleen vóór zich uit gevestigd, en worden gebezigd om dezelfde voorwerpen op dezelfde wijze te beschouwen. Met even veel verrukking beschouwt de goede ruiter de schoonste meesterwerken der bouwkunst als die fraaije gebouwen, waarmede de eene of andere onbekende de rijke fabriekstad versierd heeft, waar hoopen baksteenen als eene soort van gedenkteeken opgerigt zijn, om aan te toonen welke hoopen gelds vroeger daar opeen gestapeld zijn.

En thans, lezer, daar wij haast hebben om onze heldin te volgen, zullen wij het aan u overlaten, om dit alles toe te passen op de Beotische en andere schrijvers, die lijnregt tegenover hen staan. En dit kunt gij best doen zonder onzen bijstand. Rep u dus bij deze gelegenheid; want hoewel wij u altijd, des vereischt, op moeijelijke plaatsen hulp zullen verleenen, omdat wij niet (zoo als sommige anderen) verwachten dat gij de waarzeggerij ter hulp zult roepen om achter onze meening te komen,—zullen wij, evenwel, uwe luiheid niet aanmoedigen, daar waar er niets van u gevergd wordt dan oplettendheid; want gij vergist u zeer, als ge u verbeeldt, dat toen wij dit groot werk begonnen, wij voornemens waren niets over te laten aan uwe eigene schranderheid, of dat gij soms, zonder gebruik te maken van die gave, in staat zoudt zijn met eenig nut of genoegen deze bladzijden te doorbladeren.

HOOFDSTUK X.

EEN PAAR WENKEN OMTRENT DE DEUGD EN NOG EEN PAAR OMTRENT DE VERDENKINGZUCHT.

Ons reisgezelschap kwam te Londen aan en werd aan het huis van Milord afgezet, van waar, terwijl men zich na de vermoeijenissen der reis verkwikte, de dienstboden er op uitgezonden werden om eene woning voor de dames te zoeken; want, daar Milady niet in de stad was, kon mevrouw Fitzpatrick er niet aan denken om den nacht door te brengen onder het dak van Milord.

Eenige lezers zullen welligt deze al te groote kieschheid der deugd, zoo als ik ze noemen zal, afkeuren, als overdreven en al te schroomvallig; maar wij moeten hare positie in aanmerking nemen, die, zoo als men bekennen zal, zeer moeijelijk was,—en als wij verder bedenken de hatelijkheid der kwaadsprekers, moeten wij toegeven, dat zoo zij faalde, zij dat van den goeden kant deed, en dat iedere vrouw, in een dergelijken toestand, wel zou doen met haar na te volgen. De deftigste schijn der deugd, als die alleen schijn is, zal welligt in zeer afgetrokkene bespiegelingen, iets minder prijzenswaardig schijnen dan de deugd zelve zonder deze deftigheid, maar zal desniettemin steeds hooger geroemd worden; en ik geloof, dat allen toestemmen zullen, dat, uitgezonderd in enkele zeer bijzondere gevallen, het noodig is voor eene vrouw hetzij den een of de andere te huldigen.

Toen er eene woning gevonden was, vergezelde Sophia hare nicht nog dien avond daarheen, maar besloot den volgenden morgen bij tijds de dame te zoeken, onder wier bescherming, zoo als wij reeds gemeld hebben, zij voornemens was zich te stellen toen zij haar vaders huis verliet. Zij was des te begeeriger om dit te doen wegens het een en ander, dat zij in den loop van hare reis in de koets opgemerkt had.

Daar wij nu geenszins den hatelijken blaam van ergdenkend te zijn op Sophia willen werpen vreezen, wij bijna aan den lezer te openbaren welke denkbeelden zij omtrent mevrouw Fitzpatrick opgevat had,—denkbeelden, die ook zeer geschikt zijn om door de slechtste menschen gekoesterd te worden;—om welke reden wij het beter achten ze niet onbewimpeld bloot te leggen voor dat wij den lezer een paar woorden omtrent de verdenking in het algemeen gezegd hebben.

Hiervan heeft het me altijd toegeschenen dat er twee graden bestaan. De eerste daarvan komt, dunkt me, uit het hart, daar de buitengewone snelheid van zijn onderscheidingsvermogen eenigen voorafgaanden, inwendigen aandrang schijnt aan te duiden, en dat te meer, daar deze hoogste graad dikwerf zijne eigene voorwerpen schept en datgene ziet wat niet bestaat, of altijd meer ontdekt dan er wezenlijk te zien is. Deze is het scherpziende doorzigt aan welks adelaarsblik geen kwaad teeken ontsnappen kan; dat niet slechts zijne opmerkingen maakt omtrent de daden, maar ook omtrent de woorden der menschen, en daar het uit het hart van den waarnemer komt, peilt het ook het hart van hem die waargenomen wordt en ontdekt het kwaad dáár, als het ware in embryo; ja, soms zelfs eer men zeggen kan dat het wezenlijk geschapen is. Dit zou een bewonderenswaardig vermogen zijn als het onfeilbaar ware; maar daar deze graad van volmaaktheid slechts voor één menschelijk wezen bestaanbaar geacht wordt, zijn dikwerf der onschuld en der deugd vele droevige rampen en kwellingen berokkend juist door de feilbaarheid van een dergelijk scherp doorzigt. Ik kan dus niet nalaten deze buitengewone scherpzinnigheid in het ontdekken van het kwaad te beschouwen als een noodlottig uiterste, en op zich zelf als een zeer verderfelijk kwaad. En ik hel te eerder tot dit gevoelen over, daar ik vrees dat ze meestal uit een slecht hart voortkomt,—ten eerste, om bovengemelde reden en ten tweede, omdat ik ze nooit gezien heb als de eigenschap van een goed hart. En van dezen graad van verdenking spreek ik Sophia bepaaldelijk geheel vrij.

Een tweede graad van die eigenschap schijnt in het hoofd te ontstaan. En dit is, inderdaad, niets anders dan het vermogen om datgene te zien wat men voor oogen heeft, en om daaruit zijne besluiten op te maken. Het eerste is onvermijdelijk voor hem die een oog heeft en het tweede is welligt geen minder zeker en noodzakelijk gevolg van hersenen te bezitten. Deze laatste graad is ook een even bittere vijand van de schuld als de eerste van de onschuld, en ik kan ook niets onbeminnelijks er in zien, zelfs al dwaalt die soms,—wat aan de menschelijke feilbaarheid toegeschreven moet worden.

Als een man, bij voorbeeld, toevallig zijne vrouw overvalt op den schoot, of in de armen van den een of anderen dier lieve jonge heeren, die de kunst beoefenen van vrouwen te verleiden, dan geloof ik niet dat ik hem zwaar zou berispen, als hij iets meer vermoedde dan hetgeen hij zag uit de gemeenzaamheid, welke hij voor oogen had, en die men al te gunstig zou beoordeelen als men ze onschuldige vrijheden noemde. De lezer zal zich gemakkelijk genoeg tal van voorbeelden van dezen aard voor den geest kunnen roepen; dus zal ik er slechts nog één opnoemen, dat ik, hoe onchristelijk het ook aan sommige menschen toeschijnen moge, toch niet nalaten kan als zeer verdedigbaar aan te toonen, en dit is het vermoeden dat een mensch in staat is om hetgeen hij eens gedaan heeft weer te doen; en dat het dus niet moeijelijk is voor iemand, die eenmaal een schurk is geweest, om dezelfde rol op nieuw te spelen. En, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat Sophia zich aan de verdenking in dezen graad schuldig maakte.—Met één woord, het was volgens eene verdenking van dezen aard, dat zij de meening opvatte dat hare nicht niet geheel onberispelijk van naam en faam was.

Het schijnt dan ook dat het met de zaak aldus gesteld was: mevrouw Fitzpatrick begreep zeer verstandig, dat de deugd eener jonge dame in de wereld in denzelfden toestand verkeert als de arme haas, die zeker is, waar hij ook heen gaat, vijanden te ontmoeten;—daar hij ter naauwernood iets anders ontmoeten kan. Zoodra zij dus besloten had om zich aan de bescherming van haar eigen man te onttrekken, nam zij zich ook voor, zich onder de bescherming van iemand anders te stellen,—en wien kon zij beter uitkiezen om de rol van voogd over haar te spelen, dan een man van rang en fortuin en van eer,—iemand, bovendien, die behalve zijn verliefden aard, die den mensch geneigd maakt om den dolenden ridder te spelen,—dat is om als kampioen op te treden van alle verdrukte vrouwen,—dikwerf zijne hevige liefde tot haar verklaard en haar reeds alle bewijzen daarvan, die in zijne magt stonden, gegeven had?

Daar de wet echter, zeer dwaasselijk, vergeten heeft in te stellen het ambt van vice-echtgenoot, of voogd, voor eene weggeloopene vrouw, en daar de kwaadwilligheid er eene veel onaangenamere benaming voor uitgedacht heeft, werd verder besloten dat Milord al deze vriendschapsdiensten in het geheim zou doen, en zonder openlijk als haar beschermer op te treden. Ja, om zelfs te beletten dat iemand hem ooit in dit licht zou beschouwen, was men overeen gekomen dat de dame regtstreeks naar Bath zou gaan, en dat Milord eerst naar Londen zou trekken, en van daar, op raad der geneesheeren, naar de badplaats reizen.

Dit alles was voor Sophia zeer duidelijk geworden, niet uit de woorden, of het gedrag van mevrouw Fitzpatrick; maar uit de houding van den pair, die veel minder behendig was in het bewaren van een geheim dan de goede dame, en misschien diende het volmaakte stilzwijgen, hetwelk mevrouw Fitzpatrick op dit punt in haar verhaal bewaard had, niet weinig om de verdenking aan te wakkeren, welke thans bij hare nicht opkwam.

Sophia ontdekte zeer gemakkelijk de dame die zij in Londen zocht; want er was geen draagkoetsenhouder in de geheele stad, die hare woning niet best kende, en daar zij, in antwoord op hare eerste boodschap, eene zeer dringende uitnoodiging ontving, nam zij die ook dadelijk aan. Mevrouw Fitzpatrick inderdaad drong er niet meer op aan dat hare nicht bij haar zou blijven dan door de welvoegelijkheid gevergd werd. Of zij bovenvermelde verdenking ontdekt had, en daarover verontwaardigd was, of eenige andere reden had, dat laat ik daar; maar zeker is het dat zij evenzeer verlangde om Sophia te zien vertrekken, als deze zelve verlangde te gaan.

Toen nu de jonge dame van hare nicht afscheid nam, kon deze niet nalaten haar een kleinen, vriendschappelijken wenk te geven. Zij smeekte haar, in ’s hemels naam, voorzigtig te zijn in al wat zij deed en niet te vergeten in welken gevaarlijken toestand zij zich bevond, terwijl zij er bijvoegde, dat zij hoopte dat er op de eene of andere wijze eene verzoening met haar man bewerkt zou worden. „Herinner u, lieve,” zeide zij, „den stelregel ons beiden door tante Western zoo dikwerf ingeprent: dat waar ook de huwelijksband verbroken wordt en de oorlog verklaard is tusschen man en vrouw, deze laatste naauwelijks, op welke voorwaarden ook, iets anders dan een voor zich zelve zeer nadeeligen vrede sluiten kan. Dit zijn de juiste woorden van tante en zij heeft werkelijk veel wereldkennis!”

Mevrouw Fitzpatrick hernam met een spottenden glimlach: „Vrees niet voor mij, kind. Pas maar op u zelve; want gij zijt jonger dan ik. Ik zal u binnen kort komen bezoeken; maar, lieve Sophia, één raad moet ik u geven; vergeet de rol van jufvrouw Deftig hier in de stad;—want geloof me, ze zou u in de wereld al heel slecht staan!”

Dus scheidden de beide nichten van elkaar, en Sophia begaf zich bij Lady Bellaston waar zij even hartelijk als beleefd ontvangen werd. Die dame had namelijk eene groote neiging tot haar opgevat toen zij haar vroeger, bij hare tante Western, gezien had. Zij was ook werkelijk zeer blijde haar weder te ontmoeten, en had pas vernomen om welke redenen zij haar vader verlaten had en naar Londen gevlugt was, of zij roemde haar verstand en hare vastberadenheid ten hoogste, en na de meeste voldoening uitgedrukt te hebben over de meening welke Sophia getoond had van haar te koesteren, door haar huis tot hare wijkplaats te kiezen, beloofde zij haar in alle opzigten, zoo ver zij dat vermogt, te beschermen.

Daar wij nu Sophia in veiligheid gebragt hebben, zal de lezer er, denkelijk, in berusten dat wij haar een tijdlang daar laten, en eens omzien naar andere personaadjes, en vooral naar den armen Jones dien, wij lang genoeg verlaten hebben terwijl, hij boete deed voor zijne begane wanbedrijven, welke,—wat in den aard der ondeugd ligt,—zelve hem straf genoeg oplegden.

BOEK XII.

Bevattende juist denzelfden tijd als het vorige.

HOOFDSTUK I.

AANTOONENDE WAT MEN ALS PLAGIAAT MOET BESCHOUWEN BIJ EEN HEDENDAAGSCHEN SCHRIJVER, EN WAT MEN VOOR WETTIGEN BUIT MAG HOUDEN.

De geleerde lezer zal opgemerkt hebben, dat ik in den loop van dit grootsche werk dikwerf uit de oude schrijvers iets vertaald heb, zonder het oorspronkelijke te melden, en zonder de minste notitie te nemen van het boek waaruit het ontleend was.

Deze handelwijze bij het schrijven wordt door den vernuftigen Abbé Bannier in een zeer juist licht gesteld in het voorwoord tot zijne Fabelkunde, een even geleerd als oordeelkundig werk.

„De lezer zal spoedig opmerken,” zegt hij, „dat ik dikwerf meer voor hem over had dan voor mijn eigen naam; want een schrijver bewijst den lezer zeker groote hulde, als hij om zijnentwil geleerde aanhalingen, die hem invallen, terughoudt, die hem slechts de geringe moeite van het overschrijven zouden gekost hebben.”

Het mag inderdaad als bepaald bedrog van de geleerde wereld beschouwd worden, indien men een boek met dergelijke brokken opvult; daar ze op die wijze overgehaald wordt om ten tweeden male, in fragmenten en in het klein, datgene te koopen wat ze reeds in het groot bezit, zoo niet in haar geheugen, dan toch op hare boekenplanken; en het is nog wreeder gehandeld ten opzigte der ongeletterden, die genoodzaakt worden geld te geven voor iets, dat ze op geenerlei wijze weten te gebruiken. Een schrijver, die eene groote hoeveelheid Latijn en Grieksch in zijne werken inlascht, handelt, ten opzigte der dames en der groote heeren, op dezelfde kleingeestige wijze als de vendumeesters, die dikwerf trachten al wat ze verkoopen te verwarren en onder elkaar te mengen, zoodat men, als men het een of ander voorwerp hebben wil, tegelijker tijd genoodzaakt wordt een heelen rommel te koopen, die tot niets dient.

En toch, daar er geen handelwijze bestaat, die hoe eerlijk en onbaatzuchtig ook, niet verkeerd begrepen wordt door de onwetendheid en tevens verkeerd voorgesteld wordt door de kwaadwilligheid, ben ik soms in de verzoeking geweest om mijn eigen goeden naam op kosten van den lezer te bewaren, en om het oorspronkelijke over te schrijven, of ten minste hoofdstuk en vers aan te halen, telkens als ik de gedachte of de woorden van iemand anders gebezigd heb. Ik twijfel ook werkelijk eenigzins, of ik niet door de tegenovergestelde handelwijze te volgen en den naam van den oorspronkelijken schrijver te onderdrukken, mij eerder aan de verdenking van plagiaat heb blootgesteld, dan dat men gelooven zal dat ik mij liet leiden door de beminnelijke beweegreden van bovenvermelden, te regt beroemden Franschman.

Om nu in het vervolg alle dergelijke verdenkingen te voorkomen, beken en regtvaardig ik hier het feit. De ouden mogen beschouwd worden als eene vette gemeenteweide, waarop iedereen, die de geringste woning op den Parnassus heeft, het volkomene regt bezit om zijne Muze te laten grazen. Of, om het in een heel duidelijk licht te stellen: wij hedendaagschen zijn tegenover de ouden, wat de armen zijn tegenover de rijken. Door de armen bedoel ik hier die groote en eerbiedwaardige menigte, welke wij het graauw noemen. Nu zal iedereen, die de eer heeft van eenigzins gemeenzaam bekend te zijn met dit graauw, volkomen beseffen, dat het een vaste grondregel bij dat volkje is om zijne rijke buren zonder bedenking te bestelen en uit te plunderen, en dat zij dit onderling noch als zonde noch als schandaal beschouwen. En zij houden zich zoo standvastig aan dit grondbeginsel, dat er, in bijna elke dorpsgemeente van het rijk, altijd eene soort van bondgenootschap bestaat tegen zekeren welvarenden man, den heer van de plaats, wiens bezittingen als vrije buit beschouwd worden door al zijne arme buren, die, daar zij hoegenaamd geene misdaad zien in dergelijke rooverijen, het als een punt van eer beschouwen, en als eene zedelijke verpligting om elkaar bij dergelijke gelegenheden tegen straf te beschermen, en te beveiligen.

Op dezelfde wijze moeten de oude schrijvers, zoo als Homerus, Virgilius, Horatius, Cicero en anderen, beschouwd worden als zoo vele rijke grondbezitters, van wie wij, de armen van den Parnassus, ons sints onheugelijke tijden het regt toekennen om alles te nemen wat onder ons bereik valt. Deze vrijheid eisch ik voor mij zelven, en ben gereed ze ook op zijne beurt aan mijn armen buurman toe te kennen. Al wat ik van mij zelven getuig en al wat ik van mijne broederen eisch, is, dat wij onder ons dezelfde strenge eerlijkheid bewaren, welke het graauw onderling in acht neemt. Om elkaar te bestelen is inderdaad hoogst misdadig en onbetamelijk; want men kan dat werkelijk noemen de armen (soms iemand die armer is dan wij zelve) bestelen,—of wat nog erger en schandelijker is,—een diefstal in het hospitaal plegen.

Daar nu, na het strengste onderzoek, mijn eigen geweten mij vrij spreekt van eenigen verachtelijken diefstal van dien aard, ben ik bereid schuld te bekennen wat de eerste aanklagt betreft, en ik zal voortaan ook niet schroomen mij iedere passage, welke ik bij een ouden schrijver vinden kan, en waarvan ik gebruik weet te maken, toe te eigenen, ook zonder den naam van den schrijver te vermelden van wien ze ontleend is. Ja, ik zal zelfs mijn eigendomsregt bepaaldelijk handhaven op alle zulke denkbeelden zoodra ze in mijne geschriften overgenomen zijn, en ik verwacht dan dat alle lezers ze verder als geheel en uitsluitend de mijne zullen beschouwen.

Ik verlang echter slechts onder ééne voorwaarde dat men mij dezen eisch toesta, namelijk dat ik de stiptste eerlijkheid in acht neem tegenover mijne arme broederen, wier merk, als ik ooit iets leen van het weinige dat zij bezitten, ik nooit nalaten zal op hun eigendom te zetten, opdat het altijd aan den wettigen eigenaar moge terug gegeven worden.

Het verzuim hiervan was zeer te berispen bij zekeren heer Moore, die vroeger eenige regels van Pope en Compagnie ontleend hebbende, de vrijheid nam om zes er van over te schrijven in een zijner dramatische werken. De heer Pope vond ze echter gelukkig in dat tooneelstuk, legde beslag op zijn eigendom, bragt dien weder in zijne eigene werken terug en tot verdere straf, wierp hij genoemden Moore in de walgelijke gijzeling zijner Dunciade, waar zijn ongelukkige naam nog geschreven staat, en ten eeuwigen dage blijven zal, tot welverdiende straf zijner oneerlijke handelwijze in den verzenhandel.

HOOFDSTUK II.

WAARIN (HOEWEL DE LANDJONKER ZIJNE DOCHTER NIET VINDT) IETS GEVONDEN WORDT DAT EEN EINDE MAAKT AAN ZIJNE VERVOLGING.

De geschiedenis keert nu tot de herberg te Upton terug, van waar wij eerst de voetstappen van den heer Western nasporen zullen; want daar hij spoedig het einde van zijn togt bereikt zal hebben, hebben wij gelegenheid genoeg om daarna onzen held te volgen.

De lezer zal de goedheid hebben zich te herinneren, dat genoemde landjonker, in hevige woede ontstoken, de herberg verliet, en dat hij in die woede zijne dochter vervolgde. Daar de stalknecht hem berigt gaf dat Sophia de Severn overgetrokken was, ging hij ook met zijne volgelingen die rivier over en reed in vollen ren verder, zwerende de schitterendste wraak te nemen op de arme Sophia, als hij haar maar inhalen kon.

Hij was echter niet ver gekomen toen hij zich op een punt bevond, waar zich twee wegen kruisten. Hier belegde hij een krijgsraad, waarop hij, na verschillende gevoelens aangehoord te hebben, eindelijk de voortzetting van den togt aan het geluk overliet en regtuit naar Worcester reed.

Hij was echter pas een paar mijlen verder gekomen toen hij bitter begon te klagen en gedurig uitriep: „Hoe jammer! Wat ben ik toch een ongeluksvogel!” Wat gevolgd werd door eene heele rist vloeken en verwenschingen.

De dominé trachtte hem bij deze gelegenheid te troosten.

„Treur niet, mijnheer,” zeide hij, „gelijk een mensch, die geene hoop meer heeft. Alhoewel het ons niet heeft mogen gelukken de jonge dame tot dusver in te halen, mogen wij ons toch verheugen dat wij er in geslaagd zijn om het goede spoor te volgen. Welligt zal zij weldra, door de reis vermoeid, in de eene of andere herberg inkeeren, ten einde hare ligchaamskrachten te herstellen, en in dat geval is het zeker dat gij binnen zeer kort compos voti zult wezen.”

„Bah! De Satan hale die gemeene meid!” hernam de landjonker. „Ik betreur maar het verlies van zulk een schoonen morgen voor de jagt. ’t Is drommels hard een der schoonste dagen voor de vossenjagt, die wij dit jaar gehad hebben te verzuimen—vooral na zulk eene langdurige vorst!”

Ik wil niet beslissen of het noodlot, dat tusschenbeide te midden zijner grilligste streken wat medelijden laat doorschemeren, nu ook medelijden met den landjonker had,—en daar het besloten had hem zijne dochter niet te laten inhalen, zich voorgenomen had eenige vergoeding daarvoor te schenken;—maar naauwelijks had hij bovenstaande woorden uitgesproken, gevolgd door een paar vloeken, toen, op korten afstand der reizigers, de welluidende stemmen der jagthonden zich deden hooren, wat den landjonker en zijne paarden tegelijk de ooren deed spitsen, terwijl Western uitriep:

„Ze zijn achter den vos! Verdoemd! Ze zijn er achter!” waarop hij zijn paard de sporen gaf, dat echter deze opwekking zeer weinig noodig had, daar het dezelfde neiging koesterde als zijn ruiter,—en het heele gezelschap reed nu dwars over de akkers, regtstreeks naar de honden toe, met veel geschreeuw en hoera’s, terwijl de arme dominé, een stil gebed doende, de achterhoede uitmaakte.

Even zoo verhaalt de Fabelkunde, dat de fraaije poes, die venus, op het verzoek van een driftigen minnaar, in eene schoone vrouw herschiep, naauwelijks eene muis zag, of indachtig aan vroegere jagtpartijen, en steeds harer oorspronkelijke natuur getrouw, zij vlugtte uit het bed van haar man, om het arme diertje te vervolgen.

Wat moeten wij hieruit opmaken? Niet dat de bruid ontevreden was over de omhelzing van haren verliefden bruidegom; want hoewel sommigen opgemerkt hebben, dat de katten onderhevig zijn aan ondankbaarheid,—zijn toch de vrouwen en de katten bij zekere gelegenheden geneigd om in haar schik te zijn, en om te spinnen. Het ware van de zaak is, zoo als de schrandere Roger l’Estrange opmerkt in zijne diepzinnige overdenkingen: „dat al jagen wij de natuur de deur uit, zij toch weder door het venster binnenwippen zal, en dat de kat, hoewel eene dame geworden, toch steeds op de muizenjagt zal gaan.”

Om die reden, moeten wij den landjonker niet veroordeelen wegens eenig gebrek aan liefde tot zijne dochter; want, werkelijk, hield hij heel veel van haar; maar wij moeten slechts bedenken, dat hij landjonker en jager was, en dan kunnen wij de fabel en de zedeles daaruit te halen, beide op hem toepassen.

De honden liepen, gelijk men zegt, door dik en dun en de landjonker volgde, over sloot en heg, met zijne gewone luidruchtigheid en drift, en met even veel genoegen als altijd, terwijl de gedachte aan Sophia in ’t geheel niet bij hem opkwam, om het genoegen te storen dat hij in de jagt smaakte, welke, naar hij verklaarde, eene der schoonste was, die hij ooit mede gemaakt had, en die wel de moeite loonde van vijftig mijlen ver te reizen, om ze bij te wonen.

Daar de landjonker zijne dochter vergat, valt het ligt te begrijpen, dat de knechts ook niet aan hunne jonge meesteresse dachten, en de dominé, na in het Latijn zijne verbazing lucht gegeven te hebben, gaf ook eindelijk alle verdere gedachten aan de jonge dame op, en op een afstand achterna sukkelende, begon hij een eindje van zijne preek voor den volgenden zondag te bedenken.

De landjonker, wien de honden toebehoorden, was zeer ingenomen met de aankomst van zijn mede-landjonker en jager; want alle menschen weten verdiensten, welke zij ook hebben, bij anderen te waarderen, en niemand ter wereld muntte meer uit in het veld dan de heer Western, terwijl ook niemand door zijne stem de honden beter wist aan te moedigen, of door zijn hallo! de jagt meer te verlevendigen.

Jagers, in het vuur der jagt, hebben het veel te druk om op pligtplegingen te letten,—of zelfs aan de menschlievendheid te denken; want, als er een in eene sloot rolt, of in de rivier valt, rijden de overigen achteloos verder, en laten hem gewoonlijk aan zijn lot over; dus gedurende de jagt, hoewel de beide landjonkers dikwerf digt bij elkaar waren, wisselden zij onderling geen enkel woord. De heer van de jagt echter, die herhaaldelijk opmerkte met hoe veel oordeel de vreemdeling de honden wist bij te staan als zij het spoor bijster waren, vatte een hoog denkbeeld op van zijn verstand, terwijl het aantal zijner volgelingen hem eerbied inboezemde ten opzigte van zijn rang.

Zoodra dus het vermaak geëindigd was door den dood van het arme dier, dat aanleiding daartoe gegeven had, ontmoetten en begroetten elkaar de beide landjonkers ook op zijn landjonkers.

Het gesprek was levendig genoeg, en wij zullen het welligt in een bijvoegsel mede deelen, of bij eene andere gelegenheid; daar het echter niets te maken had met deze geschiedenis, kunnen wij er niet toe komen het hier in te lasschen. Het eindigde met eene tweede jagt, die weer besloten werd met eene uitnoodiging voor het middagmaal. Deze werd aangenomen en gevolgd door eene fiksche drinkpartij, die daarmede eindigde dat de heer Western zeer vast in den slaap raakte.

Onze landjonker was dien avond, wat het drinken aangaat, hoegenaamd niet bestand noch tegen zijn gastheer, noch tegen dominé Supple, wat zeer goed te verklaren is door de geweldige inspanning van ligchaam en geest, waaraan hij blootgesteld was geweest, zonder dus dat de nederlaag hem tot schande strekt.

Zoo als men het dan wel eens plat uitdrukt,—hij liet zich letterlijk onder de tafel drinken; want eer hij de derde flesch geleegd had, was hij zoo geheel en al „weg,” dat hoewel het eerst veel later was toen men hem naar bed droeg, de dominé hem toch als afwezig beschouwde, en den anderen landjonker alles verteld hebbende van Sophia, van hem de belofte verkreeg, om hem te ondersteunen in de redenen, welke hij den volgenden morgen gebruiken wilde, om den heer Western over te halen naar huis terug te keeren.

Zoodra dus de goede landjonker den roes van den vorigen avond uitgeslapen en om den morgendrank geroepen had, en terwijl hij zijne paarden bestelde om de vervolging van Sophia voort te zetten, begon de heer Supple met hem die af te raden en werd zoo krachtig door hun gastheer ondersteund, dat zij eindelijk slaagden en den heer Western overhaalden om naar huis terug te keeren,—waartoe hij voornamelijk door ééne beweegreden gedrongen werd: namelijk dat hij niet wist welken weg in te slaan, en even goed van zijne dochter af kon rijden als dat hij naar haar toe reed. Hij nam dus afscheid van zijn broeder-jager, en groote vreugde uitdrukkende dat het gedaan was met de vorst,—welligt geene geringe reden om zijne tehuiskomst te bespoedigen,—trok hij verder, of liever trok hij terug naar Somersetshire; maar niet zonder een gedeelte van zijn gevolg afgezonden te hebben om zijne dochter na te zetten,—die hij ook met eene volle laag der bitterste verwenschingen, welke hij bedenken kon, vervolgde.

HOOFDSTUK III.

HET VERTREK VAN JONES UIT UPTON, EN HETGEEN ER TUSSCHEN HEM EN PARTRIDGE ONDERWEG VOORVIEL.

Eindelijk zijn wij tot onzen held terug gekeerd, en om de waarheid te zeggen, wij zijn genoodzaakt geweest hem zoo lang in den steek te laten, dat aangemerkt den toestand, waarin wij hem lieten, ik vreezen moet, dat vele mijner lezers besloten hebben hem voor goed te verlaten, daar hij in die positie was, waarin voorzigtige lieden gewoonlijk zorgen om geen verdere navraag omtrent hunne vrienden te doen, ten einde niet geschokt te worden door te vernemen dat zij zich opgehangen hebben.

Maar, wezenlijk, zoo ik niet al de deugden bezit, bezit ik ook stellig niet al de ondeugden van een voorzigtig mensch; en hoewel het niet gemakkelijk valt zich veel jammerlijker omstandigheden te verbeelden dan die van den armen Jones op dit oogenblik, zal ik toch tot hem terug keeren, en hem met dezelfde oplettendheid verder volgen alsof hij in het felste licht van het schitterendste geluk dartelde.

De heer Jones dan en zijn makker Partridge verlieten de herberg weinige oogenblikken na het vertrek van den heer Western en volgden denzelfden weg te voet; want de staljongen verklaarde hun dat er geene paarden op dat oogenblik te Upton te krijgen waren.

Met een bezwaard hart trokken zij verder; want hoewel hunne onrust uit geheel verschillende bronnen voortsproot, waren toch beiden zeer misnoegd, en zoo Jones bij elken stap, diep zuchtte, steunde Partridge even droefgeestig bij elke schrede.

Toen zij den kruisweg bereikten, waar de landjonker halt gemaakt had om een krijgsraad te beleggen, maakte Jones insgelijks halt, en zich tot Partridge wendende, vroeg hij zijne meening omtrent het pad dat zij inslaan moesten.

„O, mijnheer,” hernam Partridge, „ik wilde maar, dat gij er toe komen kondet om mijn raad te volgen!”

„En waarom zou ik dat niet doen?” vroeg Jones; „want het is me nu geheel onverschillig waarheen ik ga, of wat er van mij wordt.”

„Dan geef ik u den raad,” zei Partridge, „om onmiddellijk regtsomkeert te maken en naar huis te gaan; want wie, die zulk een tehuis heeft als gij, mijnheer, zou als een landlooper dus rond willen dwalen? Ik vraag u wel excuus: sed vox ea sola reperta est.”

„Helaas,” riep Jones, „ik heb geen te huis waarheen ik terugkeeren zou;—want zelfs als mijn vriend, mijn vader, mij opnemen wilde, hoe zou ik in die streek kunnen vertoeven, van waar Sophia gevlugt is!—O wreede Sophia! Wreed? Neen! Ik zelf draag de schuld! Neen, gij hebt de schuld. De drommel hale u, ezel! Domkop! Gij hebt me te gronde gerigt, en ik zal u de ziel uit het ligchaam schudden!”—

Met deze woorden greep hij den armen Partridge stevig bij de kraag en schudde hem erger door elkaar dan de koude koorts of zijne eigene vrees ooit vroeger gedaan had.

Partridge viel bevende op de knieën en smeekte om genade, zwerende dat hij geene booze bedoelingen had gehad,—waarop Jones, na hem een oogenblik woest aangestaard te hebben, hem los liet, en in eene vlaag van woede tegen zich zelven ontbrandde, welke, als ze iemand anders getroffen had, zeker een einde aan diens leven zou gemaakt hebben,—en zelfs de vrees daarvoor zou bijna genoeg zijn geweest om dat te doen.

Wij zouden ons nu de moeite getroosten om naauwkeurig al de dolle streken te beschrijven, welke Jones bij deze gelegenheid beging, als wij maar overtuigd konden zijn, dat de lezer zich de moeite zou getroosten van ze te lezen; daar wij echter vreezen moeten, dat na al ons werk bij het afschilderen van dit tooneel, genoemde lezer zeer geneigd zou wezen het over te slaan, hebben wij ons die moeite gespaard. Om de waarheid te zeggen, wij hebben alleen om deze reden dikwerf ons weelderig genie besnoeid, en vele uitmuntende beschrijvingen uit ons boek weggelaten, welke men er anders in gevonden zou hebben. En, om eerlijk alles te bekennen, deze verdenking van den lezer ontstaat uit ons eigen boos hart, wat gewoonlijk het geval is; want wij zelve zijn dikwerf in de sterkste verzoeking geweest om hier en daar in een boek een boel over te slaan,—en de werken van zeer uitvoerige geschiedschrijvers slechts eventjes te doorbladeren.

Genoeg dan, als wij kortaf zeggen, dat Jones, na zich eenigen tijd als een volslagen gek aangesteld te hebben, langzamerhand weder bedaarde, wat naauwelijks gebeurd was, of hij wendde zich tot Partridge, zeer ernstig vergiffenis smeekende voor den hevigen aanval, welken hij op hem gedaan had in zijne eerste drift,—en besluitende met hem te verzoeken om nooit weder van zijne tehuiskomst te spreken, daar hij vast besloten had geen voet meer in die landstreek te zetten.

Partridge verzoende zich gemakkelijk met hem en beloofde de bevelen op te volgen, die hem gegeven werden. Hierop riep Jones zeer opgeruimd uit: „Daar het mij volstrekt onmogelijk is de voetstappen van mijn engel verder na te sporen,—zal ik voortaan alleen den roem volgen! Kom aan, beste jongen, hoera voor het leger! Wij strijden voor eene heerlijke zaak, en ik zou er gaarne mijn leven in opofferen,—al ware het zelfs de moeite waard eenige zorg daarvoor te dragen!”

Met deze woorden sloeg hij dadelijk een anderen weg in dan dien welken de landjonker gevolgd had, en door louter toeval, bevond hij zich op het pad door Sophia zelve gekozen.

Onze reizigers trokken nu ruim een kwartier verder zonder één woord met elkaar te wisselen, hoewel Jones onophoudelijk het een of ander voor zich heen mompelde. Wat Partridge aangaat, deze bleef zwijgen, want hij was welligt niet geheel hersteld van zijn vorigen schrik; bovendien vreesde hij eene tweede uitbarsting van zijn vriends toorn uit te lokken, vooral daar hij nu eene gedachte begon te koesteren, welke waarschijnlijk den lezer niet zeer verrassen zal. Met één woord, hij begon thans te vermoeden dat Jones niet meer regt bij zijn verstand was.

Eindelijk wendde zich Jones, die genoeg had van zijne alleenspraak, tot zijn medereiziger en berispte hem over zijn stilzwijgen, waarvoor de arme drommel zeer eerlijk als reden opgaf dat hij vreesde zijn vriend te beleedigen. En thans, daar deze vrees bijna geheel en al geweken was door de meest onbeperkte beloften van hem algeheele vrijheid te laten, vierde Partridge weder den teugel aan zijne tong, welke zich denkelijk niet minder over de herkregene vrijheid verheugde, dan een veulen, als hem de halster afgenomen, en hij zelf losgelaten wordt in de weide.

Daar Partridge niet spreken mogt over het onderwerp dat zijne ziel het meeste vervulde, ging hij tot dat over, hetwelk daarna hem het meeste belang inboezemde—namelijk—de oude man van den Berg.

„’t Kon toch zeker geen man zijn, mijnheer,” zeide hij, „die zich zoo vreemd kleedt en zoo heel anders dan andere menschen handelt. Bovendien, vertelde me die oude vrouw dat hij voornamelijk van kruiden leeft, wat eerder kost is voor een paard dan voor een christen mensch;—ja, de waard te Upton zegt, dat de buren daar verschrikkelijke dingen van hem vertellen. Het spookt mij vreesselijk door het brein, dat het de een of andere geest moet geweest zijn, die welligt gezonden was om ons te waarschuwen, en wie weet of al wat hij ons vertelde van zijn vechten en zijne gevangenschap en van het groote gevaar dat hij liep van opgehangen te worden, niet bedoeld werd als eene waarschuwing voor ons, omtrent al hetgeen wij zelve ondernemen wilden. Bovendien: ik droomde van nacht van niets dan vechten, en het kwam me voor dat me het bloed uit den neus stroomde als uit een kraan. Werkelijk, mijnheer, „infandum, regina, jubes renovare dolorem!”

„Uw verhaal, Partridge,” hernam Jones, „is bijna even ongerijmd als die latijnsche aanhaling hier. Niets overkomt den mensch waarschijnlijker in den strijd dan de dood. Misschien zullen wij ook beide sneuvelen;—maar, wat dan?”

„Wat dan?” hernam Partridge; „wel, dan is het met ons uit,—niet waar? Als ik eens dood ben, is het uit met mij. Wat kan het mij schelen, welke zaak of wie overwint, als ik gedood wordt? Ik zal er nooit eenig voordeel van trekken. Wat kan het iemand schelen, die zes voet onder den grond ligt, of men de klokken luidt en vreugdevuren ontsteekt?—Ja! dan is het uit met den armen Partridge!”

„Vroeger of later zal het toch uit zijn met den armen Partridge,” riep Jones. „Daar gij zoo verzot zijt op het Latijn, zal ik u eenige schoone regels van Horatius opzeggen, die zelfs een lafaard met moed bezielen zouden.”

„Dulce et decorum est pro patria mori. Mors et fugacem persequitur virum, Nec parcit imbellis juventae Poplitibus, timidoque tergo.”

„Wees maar zoo goed en vertaal dat,” zei Partridge; „want Horatius is een moeijelijke schrijver, en ik versta het niet best als gij het zoo opdreunt.”

„Ik zal u eene slechte navolging, of liever, eene omschrijving van die regels geven, welke ik zelf gemaakt heb,” zei Jones, „want ik ben een zeer onhandige dichter.”

„Hoe schoon is ’t voor het vaderland te sneven! Vergeefs smeekt ook de lafaard om zijn leven, Den dood ontvliedt hij niet; zijn schicht, in ’t oorlogsveld, Bereikt den vlugtling ook, vaak eerder dan den held!”

„Dat is ontwijfelbaar waar,” riep Partridge. „Wel zeker! Mors omnibus communis! Maar het is iets heel anders, over een groot aantal jaren in zijn bed te sterven als een christen, omgeven door zijne weenende vrienden, of misschien heden of morgen als een dolle hond voor den kop geschoten te worden,—of nog erger, in de pan gehakt te worden met den sabel, en dat nog eer men den tijd heeft gehad over zijne zonden berouw te hebben. De Heere zij ons genadig! Maar, ’t is waar, die soldaten zijn een slecht volkje, waarmede ik nooit gaarne iets te maken had. Het kostte mij altijd moeite hen als christenen te beschouwen. Men hoort niets onder hen dan razen en vloeken. Ik wilde maar, mijnheer, dat gij berouw kreegt eer het te laat is, en er niet meer aan dacht onder hen te gaan. Slechte zamensprekingen bederven goede zeden. Dat is mijn voornaamste bezwaar. Want overigens, ik ben niet banger dan een ander; neen! Ik weet wel dat al wat vleesch is sterven moet;—maar toch kan men nog al jaren lang leven! Wel! Ik ben een man van middelbaren leeftijd, en ik kan nog vele jaren leven. Ik heb van velen gelezen, die over de honderd jaren oud werden,—en van enkelen die nog ouder werden. Niet dat ik hoop,—dat wil zeggen, dat ik verwacht om zelf zóó oud te worden!—maar als ik het slechts tot tachtig of negentig breng,—Goddank! dat is nog al ver genoeg af, en ik vrees niet tegen dien tijd te sterven meer dan een ander; maar, werkelijk, om den dood te trotseren eer onze tijd gekomen is,—dat schijnt me bepaaldelijk slecht en overmoedig toe! Daarenboven, als men wezenlijk iets goeds er mede uitrigtte!—maar in welke zaak het ook zij, wat kunnen toch slechts twee menschen uitvoeren? En wat mij betreft, ik heb er ook geen verstand van. Ik heb geen tien maal in mijn leven een geweer afgeschoten,—en dan was het nog niet eens met een kogel geladen! En wat den degen betreft, ik heb nooit schermen geleerd en begrijp er niets van. Dan heeft men ook nog die kanonnen,—en men zal wel toestemmen, dat het groote roekeloosheid zou zijn, die in den weg te staan, en niemand dan een gek,——o ik vraag verschooning! Bij mijne ziel, ik bedoelde geen kwaad;—ik smeek u, mijnheer, niet weer driftig te worden!”

„Wees niet bang, Partridge!” riep Jones. „Ik ben nu zoo volkomen van uwe lafhartigheid overtuigd, dat niets wat gij zeggen kunt mij ooit weer driftig zou maken!”

„Mijnheer kan me lafaard noemen of wat hem goed dunkt,” hernam Partridge. „Als een mensch een lafaard is, omdat hij gaarne heelshuids naar bed toe gaat,—non immunes ab illis malis sumus! Ik heb in de grammaire nooit gelezen, dat een man die niet vecht geen echte man is! Vir bonus est quis? Qui consulta patrum, qui leges juraque servat! Daar staat geen woord in van vechten en ik weet zeker dat de Heilige Schrift er zoo sterk tegen is, dat een mensch mij nooit overtuigen kan dat hij een goed christen is, als hij christenbloed doet vloeijen!”

HOOFDSTUK IV.

EEN AVONTUUR MET EEN BEDELAAR.

Juist op het oogenblik dat Partridge de goede en wijze leer verkondigde, waarmede wij het vorige hoofdstuk eindigden, bereikten zij een dwarsweg, waar een kreupel mensch, in lompen gehuld, hem een aalmoes vroeg; wat hem door Partridge streng verweten werd, die zeide: „dat elke gemeente voor hare eigene armen zorgen moest.”

Jones proestte het uit, en vroeg Partridge, „of hij zich niet schaamde met zoo vele liefderijke woorden in den mond, geene mildheid in het hart te hebben? Uwe godsdienst,” zeide hij, „dient u alleen om uwe eigene gebreken te verontschuldigen; maar zet u niet aan tot de beoefening der deugd. Kan iemand, die werkelijk christen is, nalaten een medemensch te helpen, dien hij in zulk een ongelukkigen toestand ziet?”

En terzelfder tijd de hand in den zak stekende, gaf hij den bedelaar een geldstuk.

„Mijnheer,” riep de arme, na hem bedankt te hebben, „ik heb hier iets heel aardigs op zak, dat ik ongeveer een half uurtje van hier vond;—misschien zal mijnheer het willen koopen? Ik zou het niet wagen het aan iedereen te laten zien, maar daar gij zoo’n goede mijnheer zijt en mild jegens den arme, zult gij niet gelooven dat een mensch een dief is, alleen omdat hij geen geld heeft.”

Met deze woorden haalde hij een verguld zakboekje te voorschijn en gaf het Jones in handen.

Deze maakte het dadelijk open,—en (stel u zijne gevoelens voor, lezer!) ontdekte op de eerste bladzijde den naam van Sophia Western, door haar zelve geschreven. Zoodra hij dezen naam zag, drukte hij het boekje aan zijne lippen, en kon niet nalaten, in weerwil van de omgeving, om eenige dwaze verrukking te uiten;—maar het was welligt juist deze verrukking, welke hem het bijzijn van anderen deed vergeten.

Terwijl Jones het boekje kuste en aan de lippen drukte, alsof hij een heerlijk dik gesmeerd stuk geroosterd brood aan den mond bragt,—of alsof hij werkelijk een boekworm ware, of een schrijver, die niets te eten had dan zijne eigene werken, fladderde er een stukje papier van tusschen de bladen uit en viel op den grond. Partridge raapte het op en gaf het aan Jones, die dadelijk zag dat het eene banknoot was ter waarde van honderd pond sterling. Het was inderdaad juist die banknoot, welke Western den nacht vóór hare vlugt aan zijne dochter had gegeven, en een jood zou er gaarne honderd pond,—op vijf shillings na,—Voor gegeven hebben.

De oogen van Partridge schitterden van vreugde bij deze tijding, welke Jones hardop verkondigde, en dat was ook het geval,—hoewel met een geheel ander vooruitzigt,—met den armen drommel, die het boekje gevonden had, en die (naar ik hoop, uit overgroote eerlijkheid) het niet eens geopend had;—maar het zou oneerlijk van ons wezen, als wij den lezer niet met ééne omstandigheid bekend maakten, welke welligt hier van belang is, namelijk—dat de kerel niet lezen kon!

Jones, die niets dan vreugde en verrukking gevoelde na het vinden van het boekje, was eenigzins verdrietig over deze nieuwe ontdekking; want de gedachte kwam dadelijk bij hem op, dat de eigenaresse van de banknoot welligt het geld noodig zou hebben eer het hem gelukte het haar weder ter hand te stellen. Hij verzekerde nu den vinder, dat hij de dame kende, wie het boekje toebehoorde, en dat hij trachten zou haar zoo spoedig mogelijk te vinden en het haar weder te bezorgen.

Het zakboekje was een der laatste geschenken van jufvrouw Western aan hare nicht; het had vijf en twintig shillings gekost, want zij had het gekocht in een beroemden galanterie-winkel; maar de wezenlijke waarde van het zilver aan het slot beliep niet meer dan achttien stuivers, en dezen prijs zou genoemde winkelier nu ook daarvoor gegeven hebben, daar het even goed was als toen het uit zijn winkel kwam. Een wijs mensch zou echter zijn voordeel gezien hebben in de onwetendheid van dezen bedelaar, en zou niet meer dan twaalf stuivers, of welligt een schelling, daarvoor gegeven hebben;—ja, sommigen zouden welligt niets gegeven hebben, en het aan den kerel overgelaten hebben, om zijn eigendomsregt als vinder voor het geregt te doen gelden,—wat, misschien, sommige regtsgeleerden als eene heel moeijelijke zaak voor hem zouden beschouwen.

Jones, integendeel, die overdreven mild van aard was, en dien men welligt niet geheel ten onregte van kwistigheid had kunnen beschuldigen, gaf, zonder aarzeling, een guinje voor het boekje.

De arme, die in langen tijd, zoo’n schat niet bezeten had, bedankte den heer Jones wel duizend maal, en toonde bijna even veel verrukking in zijn uiterlijk als Jones toen deze eerst den naam van Sophia Western ontdekt had.

De arme man was ook dadelijk gereed om onze reizigers op de plaats te brengen, waar hij het zakboekje gevonden had. Zij gingen dus dadelijk zamen derwaarts; maar niet zoo vlug als de heer Jones verlangde; want, ongelukkig, was zijn gids kreupel, en kon onmogelijk meer dan een kwartier in een uur afleggen. Daar de plaats echter meer dan een uur van daar was, in weerwil van de verzekeringen van den bedelaar, kan de lezer zelf berekenen hoe lang het duurde eer zij er aankwamen.

Onderweg sloeg Jones het boekje wel honderd maal open, kuste het even dikwijls, praatte veel voor zich heen, en zeer weinig tegen zijne makkers. Over dit alles drukte de gids zijne verbazing uit tegen Partridge, die meer dan eens het hoofd schudde, en zuchtte: „De arme man! Orandum est ut sit mens sana in corpore sano!”

Eindelijk bereikten zij juist de plek, waar Sophia het zakboekje zoo ongelukkig verloren had, en het weer zoo gelukkig gevonden werd door den bedelaar.

Dáár wilde Jones afscheid nemen van zijn gids en zijn pas versnellen; maar de kerel, bij wien de eerste sterke verbazing en vreugde over de ontvangst van de guinje nu aanmerkelijk verminderd was, en die al den tijd had gehad om zich te bedenken, nam eene ontevredene houding aan, en, het hoofd krabbende, zeide hij, „dat hij hoopte dat mijnheer hem nog iets meer geven zou. Mijnheer zal zich wel herinneren,” voegde hij er bij, „dat als ik geen eerlijk man had willen blijven, ik het geheel voor mij had kunnen houden.”

En werkelijk zal de lezer moeten bekennen, dat dit de waarheid was.

„Als het papiertje dáár,” zeide hij, „honderd pond waard is, dan heeft de vinder er van zeker meer dan een guinje verdiend. En, bovendien, verondersteld dat mijnheer de dame niet wedervindt,—of het haar niet weder ter hand stelt;—want hoewel mijnheer als een fatsoenlijk man er uit ziet, en ook zoo spreekt, heb ik niets anders dan het woord van mijnheer daarvoor, en zeker als de eigenaar niet gevonden wordt, behoort alles aan den eersten vinder toe. Ik hoop dat mijnheer dit alles in aanmerking zal nemen;—ik ben slechts een arm mensch en begeer dus niet alles te krijgen; maar het is niet meer dan billijk dat ik mijn deel zou hebben! Mijnheer ziet er uit als een goed mensch, en zal dus, vertrouw ik, mijne eerlijkheid in aanmerking nemen; want ik had alles voor mij kunnen houden, en geen mensch zou er ooit iets van geweten hebben.”

„Ik geef u mijn woord van eer,” riep Jones, „dat de regtmatige eigenaresse mij bekend is, en dat ik het haar weergeven zal.”

„Wat dat betreft, mijnheer,” hernam de bedelaar, „dat kunt gij doen of niet, naar verkiezing. Als gij mij maar mijn aandeel geeft, de helft van het geld, kunt gij zelf de rest houden, als u dat goed dunkt,” en hij eindigde met een krachtigen vloek te bezweren, „dat hij nooit iemand een enkel woord van de heele zaak vertellen zoude!”

„Zie eens, vriend,” antwoordde Jones, „de regtmatige eigenaresse zal stellig en zeker al het verlorene terug krijgen, en wat meer geld voor u betreft, dat kan ik u werkelijk thans niet geven; maar zeg me slechts hoe gij heet, en waar gij woont, en het is meer dan waarschijnlijk dat gij later reden zult hebben u te verheugen over het avontuur van dezen morgen.”

„Ik weet niet wat gij door avontuur bedoelt,” riep de bedelaar. „Het schijnt echter dat ik het wagen moet of gij der dame haar geld zult terug geven of niet;—maar ik hoop dat mijnheer bedenken zal,—”

„Kom, kom,” viel Partridge hier in, „zeg mijnheer maar hoe gij heet en waar gij te vinden zijt en ik sta u borg, dat het u nooit berouwen zal dat gij hem het geld toevertrouwd hebt.”

Daar de bedelaar geene kans zag om weder in het bezit van het zakboekje te geraken, stemde hij er eindelijk in toe om zijn naam en woonplaats op te geven, welke Jones, met Sophia’s potlood, op een stukje papier schreef en het leggende op de bladzijde waarop zij haar eigen naam geschreven had, riep hij uit: „Daar vriend! Ge zijt nu de gelukkigste der stervelingen; ik heb uw naam met dien van een engel verbonden!”

„Ik weet niets af van de engelen,” hernam de kerel; „ik wilde liever dat gij me het zakboekje terug gaaft, of nog wat geld!”

Partridge begon nu driftig te worden; hij schold den armen kreupele uit op de leelijkste wijze, en wilde er zelfs toe overgaan om hem een pak slagen te geven, als Jones dat niet belet had, en met de verzekering dat hij zeker de gelegenheid zou vinden om den armen man te helpen, vertrok de heer Jones nu zoo vlug hij slechts loopen kon, gevolgd door Partridge, die door de gedachte dat zijn geleider nu honderd pond op zak had, met nieuwen moed bezield was.

Inmiddels begon de man, die achterbleef, beiden te verwenschen,—alsmede zijne eigene ouders; „want,” zeide hij, „als zij mij maar op de armen-school gezonden hadden, om lezen, schrijven en rekenen te leeren, dan had ik, even goed als anderen, de waarde van die dingen begrepen.”

HOOFDSTUK V.

BEVATTENDE MEER AVONTUREN, WELKE DE HEER JONES EN ZIJN MAKKER ONDERWEG BELEEFDEN.

Onze reizigers liepen nu zoo hard dat zij zeer weinig tijd of adem overhielden voor het gesprek;—Jones dacht aanhoudend aan Sophia en Partridge aan de banknoot, wat, hoewel het hem eenig genoegen verschafte, hem tevens over zijn eigen hard lot deed morren, dat hem nooit zulk eene gelegenheid geboden had om zijne eerlijkheid te toonen.

Zij waren meer dan een uur op deze wijze voortgegaan, toen Partridge, die niet meer in staat was om Jones bij te blijven, zich tot hem wendde en hem smeekte iets langzamer te loopen, waarin deze te gewilliger toestemde daar hij een tijdlang het spoor der paarden kwijt was, dat de dooi hem in staat gesteld had tot dusver te volgen, en zij nu eene groote heidevlakte bereikt hadden, waarover verschillende wegen liepen.

Hij maakte dus halt op deze plek om te overleggen welken weg hij volgen zou, toen zij plotseling, schijnbaar op geen grooten afstand het geluid eener trom hoorden. De vrees van Partridge werd hierdoor opgewekt, en hij riep uit: „De hemel zij ons genadig! Daar komen zij!”

„Wie komt?” vroeg Jones; want de vrees had sedert lang plaats gemaakt in zijn hart voor zachtere gewaarwordingen en sedert zijne ontmoeting met den kreupelen bedelaar was hij zoo geheel en al vervuld geweest met het volgen van Sophia, dat hij hoegenaamd niet aan den vijand dacht.

„Wie?” riep Partridge. „Wel, de rebellen! maar waarom zou ik hen rebellen noemen? Voor zoo ver ik weet, zijn het zeer eerlijke lieden. De drommel hale hem, die hen beleedigt, zeg ik; want, zeker, als zij mij niets in den weg leggen, zal ik hier ook niets onbeleefds zeggen. Om ’s hemels wil, mijnheer, beleedig hen niet als zij het zijn, en dan doen zij ons welligt ook niets; maar zouden wij niet voorzigtig doen met ginds onder de struiken te kruipen tot zij voorbij zijn? Wat zouden twee ongewapende menschen ook doen tegen welligt vijftig duizend man? Zeker niemand, die zijn gezond verstand heeft,—ik wilde u wezenlijk niet beleedigen, mijnheer,—maar zeker niemand, die mens sana in corpore sano,—”

Hier brak Jones den stroom der welsprekendheid, door de vrees in het leven geroepen, kort af, door te zeggen, „dat hij uit het geluid van de trom opmaakte dat zij in de nabijheid van de eene of andere stad moesten zijn.”

Hij rigtte daarop zijne schreden regtstreeks op de plaats van waar het geluid scheen te komen en beval Partridge „moed te scheppen; want dat hij hem in geen gevaar zou brengen.” Hij voegde daarbij, „dat het ook onmogelijk was, dat de rebellen zoo vlak in de buurt zouden zijn.”

Partridge vond weinig troost in deze laatste verzekering, en hoewel hij gaarne den anderen weg ingeslagen zou hebben, volgde hij zijn geleider, terwijl zijn hart de maat sloeg, (echter niet naar de wijze van dat der helden) bij de muziek der trom, die steeds voortsloeg tot zij over de heide gekomen waren en van daar in eene smalle laan.

En thans ontdekte Partridge, die Jones digtbij bleef, iets bonts dat in de lucht fladderde, slechts eenige ellen vóór zich, en zich verbeeldende dat het des vijands vaandel moest zijn, begon hij het uit te brullen.

„O hemel, mijnheer! Daar zijn zij! Daar is de kroon en de doodkist! O hemel! Van mijn leven heb ik zoo iets verschrikkelijks niet gezien! En wij zijn al binnen schot!”

Zoodra Jones opkeek, ontwaarde hij dadelijk hoe zeer Partridge zich vergist had.

„Partridge,” zeide hij, „ik verbeeld me dat gij in staat zult wezen dit geheele leger zelf te verslaan; want uit het vaandel begrijp ik wat de trom beduidde, welke wij straks hoorden,—en die geene andere rekruten ophaalt dan toeschouwers voor de poppenkast.”

„Eene poppenkast!” hernam Partridge, met de meeste drift. „Is het werkelijk niets anders? Er is geen tijdverdrijf ter wereld, dat bij mij boven eene poppenkast gaat! Mijnheer, ik bid u, laat ons eventjes wachten om het te zien! Bovendien, ik ben half dood van den honger; want het is nu bijna donker en sedert drie uur heden morgen heb ik niets te eten gehad!”

Zij kwamen nu aan een logement, of liever een kroeg, waar Jones te eerder overgehaald werd te blijven, daar hij volstrekt geene zekerheid had om op den weg te zijn, welken hij zocht.

Beiden gingen dadelijk naar de keuken, waar Jones begon met te vragen of er dien morgen geene dames voorbij gegaan waren, terwijl Partridge even ijverig onderzoek deed naar den voorraad van eetwaren, en inderdaad hij slaagde beter dan Jones in zijne onderneming, want deze vernam niets van Sophia, maar Partridge, tot zijne groote voldoening, kreeg het vooruitzigt op een heerlijken schotel gebakken spek met eijeren.

Op gezonde, sterke gestellen heeft de liefde eene geheel andere uitwerking dan op het zwakke, ziekelijke gedeelte van het menschelijke ras. Bij deze laatsten vernietigt ze gewoonlijk den eetlust, die dient om den mensch te behouden; maar bij de eersten, hoewel ze dikwerf vergetelheid veroorzaakt en verwaarloozing van het voedsel, zoowel als van alle andere zaken,—als men een fiksch stuk ossenvleesch plaatst vóór een hongerigen minnaar, zal hij zelden nalaten zijne rol goed te spelen.

Dit was ook nu het geval: want hoewel Jones een voorganger noodig had en welligt, als hij alleen geweest ware, veel verder gegaan zou zijn met eene leege maag, zoodra hij het spek en de eijeren zag, viel hij er even vurig en woedend op aan als Partridge zelf.

Eer onze reizigers hun maaltijd geëindigd hadden, viel de avond, en daar de maan aan het afnemen was, begon het heel donker te worden. Partridge haalde Jones dus over om te blijven en de poppenkastvertooning bij te wonen, welke juist aanvangen zoude, en waartoe zij dringend uitgenoodigd werden door den eigenaar van het spel, die verklaarde dat zijne poppen de fraaiste waren ter wereld, en dat zij tot de grootste voldoening der voornaamste lieden in alle steden van het land vertoond waren.

De vertooning was dan in alle opzigten geregeld en betamelijk. Ze bestond uit: „Het schoone en ernstige tooneelstuk: „de Getergde Echtgenoot,”” en was, inderdaad, een zeer ernstig en plegtig stuk, zonder eenigen zweem van platte aardigheden, luim of grappen, of, zelfs in het allerminst iets, dat den lachlust opwekken kon. De toehoorders waren ook allen zeer tevreden. Eene deftige matrone beloofde den baas, dat zij den volgenden avond hare beide dochters medebrengen zou, daar hij geene gekheden vertoonde, en een zaakwaarnemersklerk en een kommies verklaarden beiden dat de rollen van Milord en Milady Townley heel goed volgehouden en naar de natuur geteekend waren. Partridge deelde dit gevoelen volkomen.

De baas was zoo zeer met deze lofspraken ingenomen, dat hij niet nalaten kon er zelf eenige bij te voegen.

Hij zeide, dat de tegenwoordige eeuw in niets zoo zeer vooruitgegaan was als in de poppenkast-vertooningen, die door Polichinel en zijne vrouw en dergelijken dwazen onzin er uit te gooijen, eindelijk tot eene verstandige tijdkorting gemaakt waren.

„Ik herinner me,” voegde hij er bij, „dat toen ik eerst dit beroep opvatte, er een heele boel gemeene aardigheden bij waren, die wèl daartoe strekten om de menschen te doen lagchen, maar die nooit berekend waren om de zeden der jonge lieden te verbeteren, wat eigenlijk het ware doel van alle poppenkast-vertooningen moest zijn; want waarom zou men niet op deze, liever dan op eenige andere wijze, goede en heilzame lessen mededeelen? Mijne poppen zijn levensgroot en stellen het leven in alle opzigten juist voor, en ik twijfel er niet aan, dat de menschen evenzeer verbeterd worden door mijn kleine drama als door het groote op het tooneel.”

„Ik wenschte volstrekt niet de waardigheid van uw beroep te kort te doen,” zei Jones; „maar ik beken dat het mij verheugd zou hebben mijn ouden vriend Polichinel te zien, en verre van ze te verbeteren, geloof ik, dat gij door hem en zijne vrouw er uit te bannen, juist uwe vertooning bedorven hebt.”

De touwtjestrekker vatte oogenblikkelijk de meeste minachting voor Jones op, die deze woorden geuit had. Hij hernam dan ook met veel minachting in zijne blikken: „’t Is wel mogelijk, mijnheer, dat dit uwe meening zij; maar ik heb de voldoening te weten dat de meest bevoegde beoordeelaren zeer van u verschillen—en het is onmogelijk het iedereen naar den smaak te maken. Ik wil echter wel bekennen, dat een paar jaren geleden sommige der groote lui te Bath, Polichinel weder op het tooneel wilden hebben. Ik geloof ook dat het mij wat geld kostte, omdat ik daarin niet toestemmen wilde; maar anderen mogen doen wat zij verkiezen,—ik zal me nooit door eene kleinigheid laten omkoopen om mijn eigen beroep te vernederen, noch zal ik er ooit, zonder dwang, in toestemmen om de ordentelijkheid en de welvoegelijkheid van mijn tooneel op te offeren door zulke gemeene aardigheden daarop toe te laten.”

„Ge hebt groot gelijk, vriend,” riep de klerk, „groot gelijk! Vermijd steeds al wat gemeen is. Ik heb vele kennissen te Londen, die vast besloten hebben, al wat gemeen is van het tooneel te weren.”

„Dat is best!” riep de kommies, de pijp uit den mond nemende. „Ik herinner me,” voegde hij er bij, „toen ik nog bij Milord woonde, dat ik op zekeren avond bij de andere knechts in de galerij zat, toen juist dit stuk, „de Getergde Echtgenoot,” voor de eerste keer gespeeld werd. Er was een heele boel gemeene onzin in over een landjonker, die naar de stad gekomen was, om zich kandidaat te stellen voor het Parlement, en zij bragten een heele troep zijner dienstboden op het tooneel;—ik herinner me in het bijzonder zijn koetsier; maar wij heeren in de galerij konden zulke platheden niet aanhooren en wij floten het uit. Naar ik zie, vriend, hebt gij er al dien onzin uitgelaten, en dat strekt u zeer tot eer.”

„Wel, heeren,” zei Jones, „het is onmogelijk mijne meening tegenover zoovele anderen te handhaven, en werkelijk als de zeer geleerde heer die de poppen vertoont, inziet dat de meerderheid zijner toehoorders een afkeer koestert van Polichinel, heeft hij groot gelijk, als hij hem nooit meer laat optreden.”

De eigenaar der poppen begon nu eene tweede redevoering, waarin hij veel vertelde van de kracht van het voorbeeld, en hoe de mindere menschen van de ondeugd afgeschrikt zouden worden indien zij opmerkten hoe hatelijk die was bij hunne meerderen; toen hij ongelukkig gestoord werd door eene gebeurtenis, welke, hoewel wij ze misschien bij eene andere gelegenheid overgeslagen zouden hebben, wij thans niet nalaten kunnen te vermelden, ofschoon niet in dit hoofdstuk.

HOOFDSTUK VI.

WAARUIT MEN OPMAKEN KAN DAT DE BESTE DINGEN ONDERHEVIG ZIJN AAN VERKEERDE OPVATTING EN UITLEGGING.

Een hevig rumoer deed zich op dit oogenblik hooren in den gang, waar de waardin bezig was om hare meid met de vuist en de tong tegelijk te mishandelen. Zij had namelijk het meisje gemist bij haar werk en vond haar zeer spoedig op het poppentooneel, in gezelschap van den Hansworst en in eene positie, die men niet best beschrijven kan.

Hoewel nu Grace,—want zoo heette zij,—alle aanspraken op zedigheid verbeurd had, was zij toch niet onbeschaamd genoeg om een feit te loochenen, waarop zij werkelijk betrapt was geworden; zij zocht dus eene andere uitredding en poogde haar vergrijp in een zachter licht te stellen.

„Waarom slaat ge me zoo, jufvrouw?” riep de meid; „als u mijn doen niet bevalt, staat het u vrij mij weg te jagen. Als ik werkelijk eene —— ben,” (zoo als de andere haar zeer ongedwongen genoemd had) „dat zijn mijne meerderen ook! Die groote dame in de poppenkastvertooning van straks, was er ook eene! Zij zal wel niet zonder reden den heelen nacht niet bij haar eigen man geslapen hebben!”

De waardin stoof nu in de keuken en viel haar echtgenoot en den armen poppenkast-eigenaar aan.

„Daar, man!” riep zij, „daar hebt ge al de gevolgen van zulk volk als dit in uw huis op te nemen! Al tapt men iets meer dan anders door hun toedoen, wordt dat naauwelijks vergoed door al de drukte die zij maken,—en dan maakt zulk gemeen volk onze herberg tot een publiek huis! Met één woord, ik verzoek dat hij morgen vroeg optrekt; want ik zal zoo iets niet meer dulden onder mijn dak. Het strekt alleen om onze dienstboden luiheid en onzin te leeren; want iets beters kan men niet halen uit zulke laffe vertooningen als deze! Ik herinner me den tijd toen men degelijke, bijbelsche verhalen koos voor de poppen-vertooningen, zoo als Jephta’s dochter en dergelijke zaken meer;—en toen de boozen door den duivel gehaald werden. Dáár zit verstand in; maar, zoo als de dominé verleden zondag zeide, niemand gelooft meer aan den duivel heden ten dage, en nu vertoont gij ons een troep poppen als groote heeren en dames opgeschikt, alleen om alle arme meisjes het hoofd op hol te brengen,—en geen wonder, dat als in haar brein alles ten onderste boven gekeerd is, het met haar heele persoon zoo gaat!”

Naar ik meen, is het Virgilius, die ons vertelt, dat wanneer het graauw, woest en opgewonden zamenschoolt en zich onderling allerlei naar het hoofd smijt, als een deftig man van gezag zich daaronder vertoont, ten spoedigste het geweld bedaart, en dat dan het graauw, dat men wel bij een ezel vergelijken mag, de lange ooren spitst om naar de woorden der wijsheid te luisteren.

Maar integendeel, als een troep ernstige mannen en wijsgeeren onderling twisten,—als de wijsheid zelve, om zoo te zeggen, tegenwoordig is, en de sprekers met argumenten voorziet, en als er dan een oproer onder het graauw losbreekt, of slechts ééne booze feeks,—die alleen even veel spektakel maakt als eene geheele menigte,—zich onder de wijsgeeren vertoont, houden oogenblikken hunne twisten op; de wijsheid verrigt niet meer hare vriendelijke diensten, en de oplettendheid van iedereen wordt dadelijk gevestigd alleen op de ééne feeks.

Dus bragt de verschijning der waardin, en voormeld oproer den poppenkast-vertooner dadelijk tot stilzwijgen en maakte een ontijdig einde aan de gewigtige en plegtstatige redevoering, waarvan wij den lezer reeds voldoende staaltjes gegeven hebben. Niets inderdaad had ontijdiger kunnen komen dan deze gebeurtenis; de kwaadaardigste grillen van het noodlot hadden geene tweede list van deze soort kunnen bedenken, om den armen kerel meer in de war te brengen, terwijl hij zegevierend uitweidde over de goede zedelessen door zijne vertooningen ingeprent. Zijne tong was nu even krachtig in banden geslagen als die van een kwakzalver zou zijn, als men te midden eener redevoering over de groote deugdzaamheid zijner pillen en poeders, het lijk van een zijner slagtoffers te voorschijn bragt en op het stellaadje legde, ten bewijze zijner groote kunde.

In plaats dus van de waardin te antwoorden, liep de poppenkast-vertooner naar buiten, om zijn Hansworst te straffen, en daar de maan hare zilveren schijf, zoo als de dichters zeggen,—hoewel ze op dat oogenblik eerder op een koperen potdeksel geleek,—begon te vertoonen, vroeg Jones zijne rekening en beval Partridge, dien de waardin uit een vasten slaap opgewekt had, zich voor het vertrek gereed te maken;—maar deze, die reeds op twee punten de overwinning behaald had, zoo als de lezer gezien heeft,—verstoutte zich nu om eene derde poging te wagen, die ten doel had om Jones over te halen den nacht dáár door te brengen waar hij zich bevond.

Hij leidde dit in door verbazing te veinzen over het voornemen dat Jones geuit had van te willen vertrekken, en na vele uitstekende argumenten daartegen ingebragt te hebben, drong hij er eindelijk op aan, dat het hoegenaamd tot niets leiden kon; want tenzij Jones wist welken kant uit de dame gegaan was, kon iedere stap dien hij deed, hem welligt hoe langer hoe meer van haar verwijderen; „want het is duidelijk, mijnheer,” zeide hij, „uit al hetgeen de menschen hier in huis vertellen, dat zij niet hier voorbij is getrokken. Het zou dus veel beter zijn tot den morgen te blijven, en dan zullen wij wel iemand ontmoeten, die ons betere inlichtingen kan geven.”

Dit laatste argument had eenige uitwerking op Jones, en terwijl hij er nog over nadacht, wierp de waard het gewigt van al de welsprekendheid, welke hij bezat, in dezelfde schaal.

„Zeker, mijnheer,” zeide hij, „is de raad van uw bediende de beste, welken men geven kan; want wie zou in dit jaargetijde des nachts willen reizen?” Daarop ging hij voort, in den gewonen trant, om de heerlijke inrigting van zijn huis te prijzen, en de waardin voegde zich weldra ook bij hem om daarop aan te dringen,—maar om den lezer niet op te houden met de welbekende praatjes van waard en waardin, vergenoegen wij ons met te melden, dat Jones eindelijk overgehaald werd te blijven en zich met eenige uren rust te verkwikken, waaraan hij werkelijk groote behoefte had, want hij had naauwelijks een oog toegedaan sedert hij de herberg verlaten had, waar hem een gat in het hoofd geslagen was.

Zoodra Jones besloten had dien nacht niet verder te reizen, begaf hij zich ter ruste, met zijne twee slaapkameraden, het zakboekje en de mof; maar Partridge, die reeds meermalen zich met een dutje verkwikt had,—gevoelde thans meer behoefte aan eten dan slapen,—en had nog grootere trek in drinken.

En nu, daar de storm, welken Grace had opgeroepen, bedaard, en de waardin met den poppenkast-vertooner verzoend was, die van zijn kant der goede vrouw den smaad vergaf, door haar, in drift, op zijne vertooningen geworpen, heerschte er volmaakte vrede en rust in de keuken. Daar zaten bij elkaar, rondom het vuur, de waard en de waardin, de poppenkast-vertooner, de procureursklerk, de kommies, en de vernuftige heer Partridge,—onder welk gezelschap het aangename gesprek gevoerd werd, dat men in het volgende hoofdstuk lezen kan.

HOOFDSTUK VII.

BEVATTENDE EEN PAAR OPMERKINGEN VAN ONS EN ZEER VELE VAN HET GOEDE GEZELSCHAP IN DE KEUKEN.

Hoewel de hoogmoed van Partridge niet toeliet dat hij bekende een knecht te zijn, verwaardigde hij zich toch in de meeste opzigten de gewoonten van menschen uit dien stand aan te nemen. Een voorbeeld hiervan was dat hij, er behagen in schepte het vermogen van zijn „reisgezel”, zooals hij Jones noemde, zeer te overdrijven,—wat de algemeene gewoonte der dienstboden is onder vreemdelingen, omdat zij niet gaarne hebben dat men hen als volgelingen van een bedelaar beschouwt; want hoe beter de positie is van den heer, des te beter is die van den knecht, naar zijn eigen gevoelen, en de waarheid dezer opmerking blijkt uit het gedrag van alle dienstboden van den adel.

Maar, ofschoon rang en vermogen overal in het rond glans verspreiden, en de knechts van groote heeren zich geregtigd achten tot een gedeelte van den eerbied, welken men bewijst aan den stand en het vermogen hunner meesters, heeft het tegenovergestelde duidelijk plaats ten opzigte van deugd en verstand. Deze voordeelen zijn geheel individueel, en verzwelgen zelve allen eerbied dien ze eischen. En om de waarheid te zeggen, die is zoo gering in hoeveelheid, dat zij er niet best toe komen kunnen, om hem met anderen te deelen. Daar deze dus den knecht geene eer aanbrengen, gevoelt hij zich volstrekt niet onteerd als zijn heer ze ten eenenmale mist. Het is echter weder anders gesteld als het de „deugd” eener meesteresse geldt, zoo als we reeds gezien hebben; want in deze schande is eene soort van besmetting, welke, even als die der armoede zich aan allen mededeelt, die daarmede in aanraking komen.

Om deze redenen dan, moet het ons niet verwonderen, dat dienstboden (wij spreken alleen van mannelijke) zoo veel zorg dragen voor den naam van hunne heeren, wat rijkdom betreft,—terwijl zij in andere opzigten niets geven om hun goeden naam, en dat hoewel zij zich schamen zouden de knechts van een bedelaar te zijn, het hun niet hinderen zou een schelm of een domkop te bedienen;—zoodat zij niet schroomen om de ondeugden en dwaasheden van hunne meesters zoo wereldkundig mogelijk te maken, en dit soms op de grappigste en vrolijkste wijze. Want werkelijk wordt de knecht dikwerf geestig en kwasterig op kosten van den heer, wiens liverei hij draagt.

Nadat Partridge dus behoorlijk uitgeweid had over het groote vermogen, waarvan Jones de erfgenaam zou zijn, deelde hij onbeschroomd de vrees mede, welke hij den vorigen dag was beginnen te koesteren, en die, zoo als wij bij die gelegenheid te kennen gaven, eenigzins verklaarbaar was uit de handelingen van Jones. Met één woord: hij gevoelde zich thans bijna overtuigd dat zijn heer zijn verstand kwijt was, en dit denkbeeld deelde hij zeer ongedwongen aan het gezelschap, dat bij het vuur zat, mede.

De poppenkast-vertooner was het oogenblikkelijk met hem eens.

„Ik beken,” zeide hij, „dat het me dadelijk zeer verwonderde dien heer op zulk eene ongerijmde wijze over de poppenkasten te hooren spreken. Men kan, inderdaad, naauwelijks begrijpen hoe iemand, die zijn gezond verstand heeft, den bal zoo misslaan kan;—maar hetgeen gij ons nu medegedeeld hebt, verklaart best al zijne ontaarde begrippen. De arme man! Het doet me van harte leed zoo iets van hem te hooren. Hij heeft ook werkelijk iets vreemds en woests in de oogen, dat ik dadelijk zag, hoewel ik er niets van zeide.”

De waard stemde hierin toe en verklaarde tevens dat hij ook de slimheid gehad had om dat te zien.

„Het moet ook werkelijk zoo zijn,” zeide hij; „want niemand dan een gek zou het in de hersenen gekregen hebben om zoo’n huis als dit des nachts te verlaten om het land te doorkruisen.”

De kommies nam de pijp uit den mond en zeide: „Hij dacht ook dat die mijnheer iets woests in zijne blikken en gebaren had,” en zich tot Partridge wendende, voegde hij er bij: „Men moest hem zoo niet overal vrij laten rondloopen; want hij zou best in staat zijn het een of ander ongeluk te bewerken. ’t Is jammer dat men hem niet oppakt en naar huis zendt bij zijne bloedverwanten.”

Eene dergelijke gedachte was al bij Partridge opgekomen; want, daar hij zich thans overtuigd hield, dat Jones van den heer Allworthy weggeloopen was, beloofde hij zich zelven eene groote belooning als hij hem op de eene of andere wijze terugbrengen kon. Maar de vrees voor Jones, van wiens woestheid en kracht hij reeds eenige voorbeelden gezien—en zelf ook ondervonden had, deed hem zulk een plan als onuitvoerbaar beschouwen, en had hem ontmoedigd van iets geregelds van dien aard te beramen. Maar, zoodra hij het gevoelen van den kommies vernam, greep hij de gelegenheid aan om het zijne te doen kennen, en drukte den opregten wensch uit, dat zoo iets maar doenlijk ware.

„Doenlijk!” riep de kommies. „Wel! dat is gemakkelijk genoeg!”

„O, mijnheer,” hernam Partridge, „ge weet niet wat voor een duivel in hem steekt! Hij kan mij met de ééne hand opnemen en het raam uitsmijten, en dat zou hij ook doen, als hij zich maar verbeelden kon, dat—”

„Bah!” riep de kommies. „Ik ben niet bang voor hem! En bovendien, zijn wij hier met ons vijven!”

„Ik weet niet van welke vijf gij spreekt,” zei de waardin; „maar mijn man zal er niets mede te maken hebben. Er zal ook tegen niemand onder mijn dak geweld gebruikt worden. Ik heb van mijn leven geen knapper jong mensch gezien dan die mijnheer, en ik geloof dat hij evenmin gek is als een van ons. Wat praat gij van zijne woeste blikken? Hij heeft de mooiste oogen die ik ooit gezien heb, en den vriendelijksten blik ook, en hij is ook een zeer beleefd, aardig jong mensch. Ja, en sedert die heer daar in den hoek ons verteld heeft, dat zijn mijnheer eene ongelukkige liefde heeft, heb ik diep medelijden met hem. Dat is al zeker genoeg om iedereen, vooral zoo’n knap jong mensch als hij is, iets vreemd uit de oogen te doen kijken. Eene dame nog wel! Wat drommel zou die dame liever kunnen wenschen dan zulk een mooijen jongen met een slomp geld er bij? Zij zal eene van die groote dames zijn,—eene van die stadsche freules, die we gisteren avond op het poppentooneel zagen, die niet eens weten wat zij willen!”

De procureursklerk verklaarde ook dat hij niets met de zaak te maken wilde hebben, zonder eerst het advies van een regtsgeleerde ingewonnen te hebben.

„Verondersteld,” zeide hij, „dat men ons vervolgde in regten wegens onwettige inbreuk op de vrijheden van den onderdaan;—hoe zouden we ons kunnen verdedigen? Wie weet wat de Jury beschouwt als een voldoend bewijs van krankzinnigheid? Ik spreek echter alleen voor mij; want het past geen procureur om zich in dergelijke zaken te mengen, tenzij ambtshalve. De Jurys zijn ons altijd minder gunstig dan andere menschen;—daarom raad ik het u, mijnheer Thomson,” (tot den kommies) „noch dien heer, noch iemand anders af.”

De kommies schudde het hoofd bij deze woorden, en de poppenkastman zeide: „dat het soms heel moeijelijk was voor eene Jury te beslissen, of iemand gek was of niet; want ik herinner me,” voegde hij er bij, „dat ik eenmaal bij een regtsgeding over een krankzinnige aanwezig was toen een twintigtal getuigen een eed aflegden dat de persoon in kwestie stapel gek was, terwijl twintig anderen zwoeren dat hij even goed bij zijn verstand was als iemand in het heele land. En werkelijk, de meeste menschen geloofden dat het slechts eene list was van zijne bloedverwanten om den armen vent van zijn vermogen te berooven.”

„Dat is heel waarschijnlijk,” riep de waardin. „Ik zelve heb een armen heer gekend, die zijn leven lang in een gekkenhuis opgesloten werd door zijne familie, die van zijn vermogen teerde;—maar het baatte die menschen toch niet; want hoewel het hun door de wet toegekend werd, behoorde het van regtswege aan iemand anders toe.”

„Bah!” riep de procureursklerk, met de meeste minachting; „niemand heeft eenig regt, dat hem niet door de wet wordt toegekend. Als de wet mij het schoonste vermogen in het heele land schonk, zou het mij niets kunnen schelen, wie er regt op had!”

„In dat geval,” zei Partridge, „felix quem faciunt aliena pericula cautum.”

De waard, die intusschen door de aankomst van een ruiter aan de deur weggeroepen was, kwam nu in de keuken terug, en riep met een verschrikt gelaat uit: „Wat zegt gij er van, heeren? De rebellen hebben den hertog gefopt, en zijn al haast te Londen.—’t Is zeker waar, want ik heb het daar even gehoord van een man te paard, die hier was.”

„Dat verheugt me van ganscher harte,” riep Partridge, „dan zal er hier in de omstreken niet te vechten vallen!”

„Ik heb eene betere reden om mij er over te verheugen,” zei de procureursklerk: „het verheugt mij namelijk altijd als de goede zaak zegeviert.”

„Ja maar,” zei de waard, „ik heb hooren zeggen dat die Pretendent hoegenaamd geene regten heeft—”

„Ik zal u dadelijk het tegendeel bewijzen,” riep de procureursklerk. „Als mijn vader in het bezit van een regt sterft,—let op, ik zeg, in het bezit van een regt, gaat dan dat regt niet op zijn zoon over? En gaat het ééne regt niet even goed over als het andere?”

„Maar,” zei de waard, „hoe kan hij het regt hebben om ons Roomsch te maken?”

„Wees daar niet bang voor!” riep Partridge. „Wat het regt betreft, dat is helder als het zonnelicht door dien heer bewezen; en wat de godsdienst betreft, die komt hier in het geheel niet in ’t spel. De Roomschen zelve verwachten dat niet. Een Roomsch geestelijke, dien ik ken, en die een zeer eerlijk man is, verzekerde me op zijn woord van eer, dat zoo iets volstrekt niet bij hen opgekomen was.”

„En een andere priester, dien ik ken,” zei de waardin, „heeft me dat ook verzekerd.—Maar mijn man is altijd zoo benaauwd voor die Roomschen. Ik ken een heele boel Roomschen, die beste eerlijke lieden zijn en niet bang om hun geld uit te geven; en het staat altijd bij mij vast, dat het geld van den een zoo goed is als het geld van den ander.”

„Dat is wel waar, jufvrouw,” hernam de eigenaar der poppen. „’t Kan mij niet schelen welke godsdienst boven komt,—als het maar niet die Presbyterianen zijn, die vijanden van de poppenkast!”

„Dus zoudt gij uwe godsdienst aan uw eigenbelang opofferen?” vroeg de kommies; „en gij wenscht de Roomsche kerk hier in het land gevestigd te zien,—niet waar?”

„Wel neen!” riep de andere; „dat waarlijk niet! Ik haat het pausdom evenzeer als iemand dat doen kan; maar het is toch een troost dat men daaronder zou kunnen leven,—wat niet het geval zou zijn onder de Presbyterianen. ’t Is waar, iedereen zorgt eerst voor de huishouding; dat moet men bekennen, en ik sta u er voor in, dat als gij de waarheid spreken wilt, gij bekennen zult, dat gij banger zijt om uwe plaats te verliezen dan voor wat anders ook;—maar daarvoor behoeft ge niet bang te zijn, vriend. Een nieuw bestuur zal evenmin als het oude de kommiezen kunnen missen.”

„Nu ja,” hernam de kommies, „ik zou zeker een gemeene vent zijn als ik den koning niet eerde wiens brood ik eet. Dat is niet meer dan natuurlijk, zou ik zeggen;—want wat kan het mij schelen of er ook kommiezen zijn onder een ander bestuur, daar mijne vrienden hun invloed verloren zouden hebben en ik niet anders verwachten kon, dan er ook uit te moeten gaan? Neen, neen, vriend, ik zal nooit mijne godsdienst laten loopen op hoop van mijne plaats te behouden onder een ander bestuur; want dan zou ik er zeker niets beter aan toe zijn, en welligt veel slechter dan nu.”

„Dat is precies wat ik zeg,” riep de waard. „Wat men ook vertelt, wie weet wat er gebeuren zal? Wel drommel! zou ik niet stapel gek zijn als ik mijn geld leende aan de hemel weet wien, op de kans af dat hij zoo goed zal wezen het me vroeger of later weer te geven? Ik weet zeker dat het veilig is in mijne eigene geldkist—en daar zal ik het laten.”

De procureursklerk was zeer ingenomen met Partridge’s schranderheid. Of dit ontstond uit de gezonde inzigten welke deze toonde te hebben in menschen en zaken, of uit sympathie, omdat beide echte Jakobieten waren in hun hart, weet ik niet; maar zij drukten elkaar nu hartelijk de hand, en ledigden bekers vol zwaar bier op gezondheden, welke wij liefst in de vergetelheid laten.

Op deze gezondheden werd later ook gedronken door alle aanwezigen en den waard zelven, hoewel met tegenzin; maar hij was niet bestand tegen de bedreigingen van den procureursklerk, die zwoer dat hij nooit weer bij hem een voet in huis zou zetten als hij het weigerde.

De volle bekers, welke thans geledigd werden, maakten ook weldra een einde aan het gesprek. En om die reden zullen we ook een einde aan dit hoofdstuk maken.

HOOFDSTUK VIII.

WAARIN VROUW FORTUNA GUNSTIGER GESTEMD SCHIJNT DAN TOT DUS VER TEN OPZIGTE VAN JONES.

Even als er niets gezonder is, is er ook welligt geen krachtiger slaapdrank dan de vermoeijenis. Men kan wel zeggen dat Jones eene tamelijk sterke dosis daarvan ingenomen had, en ze werkte ook krachtig op hem. Hij had reeds negen uren geslapen en had welligt nog langer kunnen slapen, als hij niet gewekt was geworden door een hevig geraas vóór zijne kamerdeur, waar het geluid van vele slagen vergezeld ging van herhaalde kreten van „moord!”

Jones sprong dadelijk uit het bed, en vond den poppenkast-vertooner bezig met zijn armen Hansworst zonder genade of barmhartigheid af te ranselen.

Jones kwam dadelijk ten behoeve der lijdende partij tusschenbeide en klemde den overmoedigen meester tegen den muur; want de poppenkastman was evenmin in staat zich tegen Jones te verzetten, als de arme, bontgekleede Hansworst tegen zijn heer.

Maar hoewel de Hansworst slechts een klein kereltje was, en niet zeer sterk, was hij toch eenigzins driftig van aard. Zoodra hij zich dus van zijn vijand bevrijd zag, begon hij hem aan te vallen met het eenige wapen, waarmede hij zich met hem meten kon. Hiermede vuurde hij eerst eene geheele reeks algemeene scheldwoorden af en ging toen over tot eenige bijzondere beschuldigingen.

„Jou vervloekte gemeene schelm!” riep hij, „niet alleen heb ik u den kost gegeven; want al het geld dat gij verdient, hebt gij aan mij te danken; maar ik heb u ook van de galg gered! Het was slechts gisteren dat gij de dame dáár in die donkere laan van haar mooi rijkleedje wildet berooven! Ge kunt niet loochenen, dat gij wenschtet haar alleen in het bosch te vinden, om haar uit te kleeden,—om een der schoonste meisjes die ik ooit gezien heb, uit te kleeden! En nu valt ge mij aan en hebt me bijna vermoord, omdat ik de meid hier niets kwaads gedaan heb, maar alleen omdat zij mij de voorkeur geeft boven u!”

Zoodra Jones deze woorden hoorde, liet hij den baas los, met het strengste bevel om geen geweld meer te bezigen tegen den armen Hansworst; en dien ongelukkige met zich nemende op zijne kamer, kreeg hij weldra van hem berigten van zijne Sophia, die de arme drommel, terwijl hij den vorigen dag zijn meester met de trom volgde, had zien voorbij trekken. Hij haalde den knaap spoedig over om hem de juiste plaats der ontmoeting te wijzen, en daarop, Partridge geroepen hebbende, hervatte hij zijn togt, met den meesten spoed.

Het was echter bijna acht uur des morgens eer alles klaar was; want Partridge had geen haast om te vertrekken en de rekening was ook niet spoedig opgemaakt,—en toen eindelijk dit alles gedaan was, wilde Jones het huis niet verlaten eer hij den Hansworst met zijn meester verzoend had.

Zoodra dit gelukkig volbragt was, trok hij op en werd door den getrouwen Hansworst naar de plek geleid waar Sophia voorbij gegaan was, en na zijn gids zeer mild beloond te hebben, haastte hij zich met de meeste drift om verder te komen, zeer verrukt over de toevallige wijze waarop hij zijne inlichtingen verkregen had.

Zoodra Partridge dit vernomen had, begon hij zeer ernstig te voorspellen en Jones te verzekeren dat hij eindelijk slagen zou, „want,” zeide hij, „twee zulke toevallige omstandigheden om hem op het spoor zijner beminde te brengen, zouden zeker niet gebeurd zijn, als de Voorzienigheid niet voornemens ware hen eindelijk bijeen te brengen.”

En dit was de eerste keer dat Jones eenig gewigt hechtte aan de bijgeloovige leerstellingen van zijn makker.

Zij waren nog geen uur ver gekomen toen zij overvallen werden door een hevige regenbui, en daar zij op dit oogenblik in het gezigt waren van eene herberg, haalde Partridge, na lang smeeken, Jones eindelijk over om daar eene schuilplaats te zoeken.

De honger is een vijand (als men hem zoo noemen kan), die meer van den Engelschman dan van den Franschman in zijn aard heeft; want hoe dikwijls men hem ook overwint, met der tijd verzamelt hij steeds weder nieuwe krachten;—en dit gebeurde thans ook met Partridge, die naauwelijks in de keuken was gekomen, of hij herhaalde dezelfde vragen welke hij den vorigen avond gedaan had. Het gevolg daarvan was dat een heerlijk stuk koud ossenvleesch op tafel verscheen, waarvan niet slechts Partridge maar ook Jones zelf een zeer ruim ontbijt nam, hoewel de laatste zich begon te verontrusten, daar de menschen in de herberg hem geene nieuwe tijdingen van Sophia konden geven.

Zoodra hun maaltijd gedaan was, wilde Jones zich weêr op weg begeven, hoewel de storm nog hevig woedde; maar Partridge smeekte aandoenlijk om nog ééne kan bier, en eindelijk het oog werpende op een jongen die bij het keukenvuur stond en die hem op dat oogenblik ook strak aankeek, keerde hij zich plotseling tot Jones en riep uit:

„Mijnheer! Geef me de hand! Ditmaal komt ge er niet met ééne kan af! Wel! Daar hebben wij meer nieuws van jufvrouw Sophia! De jongen, die dáár bij het vuur staat, is de postiljon, achter wien zij reed. Ik herken hem aan den pleister, dien ik hem zelf op het gezigt gelegd heb!”

„De hemel zegene u, mijnheer,” riep de jongen, „’t is waar, het is uw pleister. Ik zal steeds met dankbaarheid aan uwe goedheid denken, want ze heeft me haast genezen.”

Bij deze woorden sprong Jones van zijn stoel op, en den jongen bevelende hem te volgen, ging hij dadelijk uit de keuken naar eene afzonderlijke kamer; want hij was zoo kiesch omtrent Sophia dat hij zeer ongaarne haar naam noemde in het bijzijn van andere menschen, en hoewel hij, toen zijn hart, als het ware, overvloeide, op Sophia gedronken had onder de officieren, zich verbeeldende dat men haar onmogelijk herkennen zou, zal toch de lezer zich herinneren hoe zwaar het toen viel om hem over te halen haar familienaam te noemen.

Het was dus zeer hard, en welligt volgens de meening van vele schrandere lezers, ongerijmd en bespottelijk, dat hij zijn tegenwoordig ongeluk voornamelijk toeschrijven moest aan het veronderstelde gebrek aan kieschheid, van hetwelk hij geheel vrij te pleiten was; want werkelijk was Sophia veel meer beleedigd door de vrijheden, welke zij, niet zonder reden, veronderstelde dat hij met haar naam en faam genomen had, dan door eenige vrijheden welke hij zich veroorloofd had ten opzigte van de persoon eeniger andere vrouw. En werkelijk, ik geloof dat jufvrouw Honour haar nooit overgehaald zou hebben om Upton te verlaten voor dat zij Jones gezien had, zonder die twee sterke voorbeelden van ligtzinnigheid, welke inderdaad zoo geheel onbestaanbaar waren met de liefde en teederheid, die men bij een grootmoedigen en kieschen man verwachten mogt.

Maar dit was de loop der zaken geweest, en zóó moet ik ze ook verhalen, en als de eene of andere lezer zich daarover ergert, omdat ze onnatuurlijk schijnen, kan ik het niet helpen. Ik moet dergelijke menschen herinneren dat ik geen stelsel schrijf, maar alleen eene geschiedenis, en ik ben dus niet verpligt alles met de aangenomene begrippen omtrent waarheid en natuur overeen te brengen. En al ware dat nog zoo gemakkelijk, zou het misschien toch voorzigtig zijn als ik het vermeed. Bij voorbeeld: zoo als het feit in kwestie nu staat, zonder dat ik zelf er eenige aanmerking op maak, hoewel het misschien in het begin sommige lezers hinderen moge, zal het toch, na rijp overleg, iedereen bevallen; want wijze en goede menschen zullen hetgeen Jones te Upton overkomen is, beschouwen als de regtvaardige straf voor zijne ligtzinnigheid ten opzigte der vrouwen—waarvan ze ook, inderdaad, het onmiddellijke gevolg was, en dwaze en slechte menschen kunnen zich troosten in hunne ondeugd, door zich in stilte wijs te maken dat de goede naam der stervelingen meer van toeval dan van deugd afhangt.

Welligt zouden echter onze gevolgtrekkingen, als wij ze hier wilden maken, met beide deze besluiten in strijd zijn, en aantoonen dat zulke gebeurtenissen alleen er toe bijdragen om de groote, nuttige en ongewone leer te bevestigen, welke het ons voornaamste doel is bij dit werk in te prenten, en met welker herhaling wij deze bladzijden niet vullen mogen, zoo als een gewone dominé zijne preek vol krijgt, door aan het einde van iedere paragraaf zijn tekst te herhalen.

Wij stellen ons dus daarmede tevreden, dat het blijken moet, dat hoe ongelukkig Sophia ook dwaalde in hare meening omtrent het karakter van Jones, zij grond genoeg had voor haar gevoelen, daar het mij voorkomt dat iedere jonge dame in hare positie op dezelfde wijze gedwaald zou hebben.—Ja zelfs, al had zij haren minnaar thans op den voet gevolgd, en haren intrek genomen in deze zelfde herberg, op het oogenblik dat Jones ze verliet, zou zij den waard even goed met haren naam en persoon bekend gevonden hebben, als de meid in het logement te Upton. Want terwijl Jones fluisterend den postiljon ondervroeg op zijne kamer, was Partridge, die hoegenaamd geene kieschheid kende, bezig, om, ten aanhoore van allen in de keuken, den anderen gids te ondervragen, die mevrouw Fitzpatrick vergezeld had, waardoor de waard, die bij alle dergelijke gelegenheden de ooren spitste, volmaakt onderrigt werd van Sophia’s val van het paard enz.—alsmede van de vergissing omtrent Jenny Cameron, met de gevolgen van al het punch-drinken,—en in één woord, van bijna alles wat er in het logement gebeurd was, vanwaar wij onze dames in een rijtuig met zes paarden bespannen, zagen vertrekken, toen wij voor het laatst afscheid van haar namen.

HOOFDSTUK IX.

BEVATTENDE WEINIG MEER DAN EENIGE LOSSE OPMERKINGEN.

Jones was ruim een half uur weg geweest toen hij overhaast in de keuken terugkeerde, en den waard verzocht hem oogenblikkelijk te laten weten wat hij te betalen had. En nu werd het verdriet van Partridge, omdat hij het warme hoekje van den haard en zijn lekkeren drank verlaten moest, eenigzins getemperd door te vernemen dat men niet verder te voet zou reizen; want Jones had met gouden overredingsmiddelen den postiljon overgehaald om hen terug te brengen naar het logement, waarheen hij Sophia begeleid had. De jongen wilde echter alleen hierin toestemmen onder voorwaarde dat de andere gids hem in de herberg wachten zoude,—omdat, daar de waard te Upton bevriend was met dien te Gloucester, het vroeger of later hem ligt ter ooren kon komen, dat zijne paarden tweemaal verhuurd waren geweest, en de jongen aldus het geld zou moeten verrekenen, dat hij nu zeer wijsselijk besloten had zelf op te steken. Wij zijn genoodzaakt geweest, deze omstandigheid, hoe nietig ze ook schijnen moge, te vermelden, omdat ze het vertrek van den heer Jones aanzienlijk vertraagde; want de eerlijkheid van den tweeden jongen was zeer groot,—wat den prijs betreft,—en zou inderdaad Jones zeer duur te staan zijn gekomen, zoo Partridge,—die, gelijk wij reeds gezegd hebben, een zeer slimme vent was,—niet op de meest listige wijze hem een daalder extra geboden had, om te verteren waar hij zat, terwijl hij op de terugkomst van zijn makker wachtte.

Zoodra de waard lucht kreeg van dezen daalder, gaf hij zich zeer veel moeite om Partridge bij te staan, ten einde het geld zelf in handen te krijgen, zoo dat de jongen weldra overtuigd was, en er in toestemde den daalder aan te nemen en te wachten. Wij kunnen niet nalaten om hier op te merken, dat daar er reeds zoo vele diplomatie bestaat onder de lagere klassen, de groote lui zich dikwerf te hoog schatten wegens hunne fijne listen, waarin zij toch menigmaal overtroffen worden door de meest verachtelijke leden der maatschappij.

Zoodra de paarden voorgebragt werden, sprong Jones dadelijk in den vrouwenzadel, waarop zijne geliefde Sophia gereden had. De jongen bood hem wel zeer beleefd den zijne aan; maar Jones gaf de voorkeur aan den vrouwenzadel, waarschijnlijk omdat hij zachter was. Partridge echter, ofschoon hij wel zoo wekelijk was als Jones, kon er niet aan denken zijne waardigheid als man te verloochenen; hij maakte dus gebruik van het aanbod van den jongen, en Jones, op Sophia’s zadel, de jongen op dien van jufvrouw Honour en Partridge op het derde paard, hervatten hunne reis en bereikten binnen vier uren het logement, waar de lezer vroeger zoo langen tijd heeft moeten toeven. Partridge was den heelen weg zeer opgeruimd, en herinnerde Jones herhaaldelijk aan de vele goede voorteekens van welslagen, welke hem in den laatsten tijd begunstigd hadden, en de lezer, zonder in het minst bijgeloovig te zijn, zal bekennen dat ze ook bijzonder gelukkig waren.

Bovendien was Partridge meer ingenomen met het tegenwoordige doel van zijn makker, dan met zijn streven naar roem, en juist uit deze voorteekens, welke hem zulk een goed gevolg voorspelden, verkreeg hij tevens een helder begrip van de liefde van Jones en Sophia, waaraan hij tot dus ver slechts weinige aandacht geschonken had, omdat hij van het begin af op een verkeerd spoor was geweest omtrent de redenen welke bij Jones bestonden voor zijn vertrek van huis. Wat betreft al hetgeen er te Upton gebeurd was, had hij te veel van den schrik geleden kort vóór en pas na zijn vertrek van die plaats, om er iets anders uit op te maken, dan dat de arme Jones volmaakt krankzinnig was,—een begrip dat volstrekt niet in strijd was met het denkbeeld dat hij reeds opgevat had van zijne buitengewone dolzinnigheid, welke naar zijn gevoelen omtrent het gedrag van Jones toen zij Gloucester verlieten, zoo goed overeen kwam met al wat hij vroeger van hem gehoord had. Hij was echter tamelijk in zijn schik met dezen nieuwen togt en begon van nu af een veel beter denkbeeld te koesteren omtrent de verstandelijke vermogens van zijn vriend.

De klok had pas drie uur geslagen toen zij aankwamen en Jones bestelde dadelijk postpaarden;—maar ongelukkig, was er geen paard in de heele plaats te krijgen, wat den lezer niet verwonderen zal als hij bedenkt welke drukte toenmaals heerschte in het geheele rijk en vooral in dit gedeelte van het land, daar op elk uur van den dag en nacht expressen heen en weer vlogen.

Jones deed het onmogelijke om zijn gids over te halen hem tot Coventry te brengen, maar de jongen was onverbiddelijk. Terwijl hij nog op de plaats met den postiljon stond te praten, naderde iemand die hem bij zijn naam aansprak, en hem vroeg hoe de geheele lieve familie in Somersetshire het maakte, waarop Jones, de oogen op den vrager werpende, spoedig den heer Dowling herkende, den procureur, met wien hij gegeten had te Gloucester en hem dus met de meeste beleefdheid weder groette.

Dowling raadde Jones zeer ernstig aan dien avond niet verder te reizen, en staafde zijne raadgevingen met vele zeer geldige redenen, zoo als de invallende duisternis, de slechte toestand der wegen, en hoe veel beter het was over dag te reizen, met vele andere even gewigtige argumenten, van welke sommige waarschijnlijk Jones zelven reeds vroeger ingevallen waren, maar die niets bij hem uitgewerkt hadden,—wat ook nu het geval was,—zoo dat hij vast bleef bij zijn besluit om verder te gaan, al moest hij dat ook te voet doen.

Zoodra de vriendelijke procureur nu ontwaarde dat hij Jones niet overhalen kon om te blijven, legde hij zich ijverig er op toe om den gids te overtuigen, dat hij verder gaan moest. Hij gebruikte allerlei redenen om hem de korte reis te doen ondernemen en eindigde met te zeggen: „Gelooft gij niet dat mijnheer u zeer ruim beloonen zal voor de moeite?”

Twee tegen één is eene zware partij, niet slechts bij het balspel, maar ook in andere dingen. Maar het voordeel van deze vereenigde kracht bij overreding en smeeken moet door iederen opmerkzamen toeschouwer waargenomen zijn; want hij heeft dikwerf moeten zien, dat als een vader, een meester, eene vrouw, of ieder ander gezaghebbende, zijne weigering standvastig volgehouden heeft tegenover al de redenen, welke één enkel mensch heeft kunnen aanvoeren, hij dikwerf bezweken is voor dezelfde argumenten, als zij door een tweeden of derden persoon aangehaald werden, die voor de zaak in de bres sprong, zonder iets nieuws tot haar voordeel aan den dag te brengen. Van daar welligt de gewoonte dat men „ondersteund” moet worden, als men in eene vergadering een voorstel doet, en het groote gewigt hetwelk men daaraan hecht in alle openbare bijeenkomsten, waar iets te behandelen valt. Vandaar ook waarschijnlijk dat wij dikwijls een wel-edel-gestrengen heer (gewoonlijk een advokaat), een uur achtereen precies hetzelfde hooren voordragen wat een andere wel-edel-gestrenge heer, die hem voorgegaan is, pas gezegd heeft.

In plaats nu van dit te willen verklaren, zullen wij op onze gewone wijze voortgaan, met het door een voorbeeld op te helderen in het gedrag van voornoemden postiljon, die bezweek voor de bewijsgronden van den heer Dowling, en nogmaals beloofde toe te staan dat Jones den vrouwenzadel beklom; maar er op bleef aandringen dat zijne arme dieren eerst goed gevoed werden, zeggende dat ze al ver en snel geloopen hadden. Inderdaad was deze voorzorg van den postiljon onnoodig; want Jones, in weerwil van zijne haast en zijn ongeduld, zou dit zelf wel verkozen hebben; daar hij het volstrekt niet eens was met diegenen welke de dieren beschouwen als slechts zoovele werktuigen, en die als zij hun paard de sporen geven, zich verbeelden dat het dier en de spoor beide even weinig gevoel hebben.

Terwijl nu de paarden hun haver opvraten (of liever verondersteld werden te vreten, want daar de postiljon voor zich zelven zorgde in de keuken, zorgde de stalknecht dat zijn haver op stal niet verkwist werd), vergezelde de heer Jones den heer Dowling, op diens ernstig verzoek, naar zijne kamer, waar zij zamen eene flesch wijn gingen gebruiken.

HOOFDSTUK X.

WAARIN DE HEER JONES EN DE HEER DOWLING ZAMEN EENE FLESCH LEDIGEN.

De heer Dowling, een glas wijn inschenkende, stelde de gezondheid van den heer Allworthy in, er bijvoegende: „Met uw goedvinden, mijnheer, zullen wij ook drinken op zijn neef en erfgenaam, den jongen heer. Kom aan, mijnheer, op mijnheer Blifil! ’t Is een knappe jongen, en ik sta er voor in, dat hij met der tijd eene heel goede rol zal spelen in het graafschap. Ik heb zelf een plaatsje voor hem in het Parlement op het oog!”

„Mijnheer,” hernam Jones, „ik ben er van overtuigd dat gij de bedoeling niet hebt om mij te beleedigen, dus duid ik het u niet ten kwade; maar ik verklaar u dat ge op de meest ongepaste wijze twee menschen bij elkaar genoemd hebt; want de één strekt het menschelijke geslacht tot eer, terwijl de andere een schelm is, die den naam van man onteert!”

Dowling zette hierbij groote oogen.

Hij zeide dat hij zich verbeeld had, dat beide heeren even onberispelijk van karakter waren. „Wat mijnheer Allworthy aangaat,” voegde hij er bij, „ik heb nooit het geluk gehad van hem te ontmoeten; maar iedereen praat van zijne goedheid. En, wat den jongen heer betreft, dien heb ik slechts eens gezien, toen ik hem de tijding bragt van zijn moeders dood, waarbij ik zoo gehaast en gejaagd was door eene opeenstapeling van zaken, dat ik naauwelijks den tijd kon vinden om hem te woord te staan. Maar hij zag er uit als een fatsoenlijk man, en hield zich zoo goed, dat ik verklaar nooit van mijn leven een innemender mensch ontmoet te hebben.”

„Het verwondert me volstrekt niet,” hernam Jones, „dat hij u bij de eerste kennismaking fopte; want hij is slim als de Satan, en men kan jaren lang met hem leven zonder dat hij zich bloot geeft. Ik ben als kind met hem opgevoed, en wij zijn haast nooit van elkaar af geweest; maar het is slechts in den laatsten tijd dat ik de helft zijner schelmenstreken ontdekt heb. Ik beken echter dat ik nooit veel met hem op had. Ik dacht dat het hem ontbrak aan die edelmoedigheid, welke den grondslag legt tot al wat groot en schoon is in de menschelijke natuur. Ik herkende en verachtte al lang geleden zijne zelfzucht; maar het is slechts onlangs, zelfs zeer kort geleden, dat ik hem gereed vond om de gemeenste en boosaardigste streken te begaan; want, inderdaad, ik heb eindelijk ontdekt, dat hij misbruik heeft gemaakt van mijne eigene openhartigheid, om het snoodste plan te beramen, dat door de kwaadaardigste kuiperijen werd uitgevoerd, ten einde mijn ongeluk te bewerken,—waarin hij ook volmaakt geslaagd is.”

„Wel, wel!” riep Dowling, „het is toch jammer dat zoo iemand het groote vermogen van uw oom Allworthy erven zou!”

„Helaas, mijnheer,” hernam Jones, „gij doet me eene eer aan, waarop ik geene aanspraak heb. ’t Is wel waar, dat hij eens de goedheid had mij te veroorloven hem een nog dierbaarder naam te geven; maar dat was alleen uit overgroote liefde; dus kan ik volstrekt niet over onregtvaardigheid klagen, als het hem goeddunkt mij van die eer te berooven; daar ik niets verlies waarop ik eenig regt had. Ik verzeker u, mijnheer, dat ik geen bloedverwant ben van den heer Allworthy, en als de menschen in de wereld, die buiten staat zijn om zijne deugd naar waarde te schatten, zich verbeelden dat hij door zijne tegenwoordige houding tegenover mij, een bloedverwant mishandeld heeft, dan doen zij den besten der menschen groot onregt aan;—want ik—maar, ik vraag u vergiffenis, mijnheer; ik zal u met geene bijzonderheden lastig vallen, die mij alleen aangaan;—daar gij echter scheent te gelooven dat ik een naastbestaande van den heer Allworthy was, achtte ik het noodig u op de hoogte te brengen in eene zaak, welke hem anders aan berisping kon blootstellen, en eerder dan daartoe bij te dragen, verklaar ik plegtig, liever mijn leven te willen laten.”

„Werkelijk, mijnheer,” riep Dowling, „gij spreekt als een man van eer;—maar in plaats van mij lastig te vallen, betuig ik, dat het mij het grootste genoegen zou doen te vernemen hoe het komt dat men u voor een bloedverwant van den heer Allworthy houdt, als gij dat niet zijt. Het zal wel een half uur duren eer de paarden gereed zijn, en daar gij tijd in overvloed hebt, wenschte ik wel dat gij mij vertellen wildet hoe zich alles toegedragen heeft; want, wezenlijk, het luidt wel wat vreemd, dat gij steeds voor iemands bloedverwant doorgaat, zonder dat er iets van aan is.”

Jones, die wat inschikkelijkheid, hoewel niet wat voorzigtigheid betrof, iets had van zijne schoone Sophia, liet zich gemakkelijk overhalen om aan de nieuwsgierigheid van den heer Dowling te voldoen door de geschiedenis van zijne geboorte en opvoeding mede te deelen, wat hij deed even als Othello,

„—Van af de kinderjaren, Tot op het oogenblik dat hij nog sprak.”

En even als Desdemona, leende hem Dowling ernstig het oor.

„En zwoer ’t was vreemd,—zeer vreemd voorwaar, En treurig,—ja, verbazend treurig.”

De heer Dowling was inderdaad zeer aangedaan door al wat hij vernam; want ofschoon hij procureur was, had hij zijne menschlijkheid niet afgelegd. Er is ook werkelijk niets onbillijker, dan onze vooroordeelen tegen een beroep over te brengen in het huisselijke leven, en om ons een denkbeeld te maken van een mensch alleen volgens het beroep dat hij uitoefent. ’t Is waar, dat de gewoonte het akelige vermindert van die bedrijven, welke het beroep eischt, en die dus tot dagelijksche zaken worden; maar in alle overige gevallen werkt de natuur bij menschen van alle beroepen op dezelfde wijze,—ja zelfs, welligt nog sterker bij diegenen, die, als het ware, haar niets te doen geven, als zij hunne gewone bezigheden volgen. Ik twijfel er niet aan, dat een slager wroeging zou gevoelen over het slagten van een schoon paard, en hoewel een heelmeester niets geeft om de pijn als hij een been moet afzetten, heb ik hem wel medelijden zien hebben met iemand die aan jichtpijnen lijdt. Den gewonen beul, die er honderden opgeknoopt heeft, heeft men zien beven als hij voor den eersten keer een hoofd moest afslaan, en de ware professoren in de kunst van bloedvergieten, die in hun krijgsberoep niet slechts duizenden hunner medeprofessoren, maar zelfs dikwerf vrouwen en kinderen dooden, zonder eenige wroeging, leggen in vredestijd, als de trom en de trompet zwijgen, ook al hunne woestheid af, en worden zeer zachtzinnige leden der burgermaatschappij. Op dezelfde wijze is soms een procureur gevoelig voor al de rampen en ellende zijner mede-schepselen,—mits hij niet ambtshalve tegen hen optreden moet.

Jones, gelijk de lezer zich herinneren zal, was nog onbekend met de zeer zwarte kleuren waarmede men hem aan den heer Allworthy afgeschilderd had, en wat andere zaken betreft, die stelde hij niet in het meest nadeelige licht voor; want ofschoon hij niet wenschte eenigen blaam te werpen op zijn vroegeren vriend en beschermer, verlangde hij ook zich zelven niet al te veel te bezwaren. Dowling merkte dus op, en niet zonder reden, dat de een of ander hem zeker zeer slechte diensten bewezen had; „want,” riep hij, „de heer Allworthy zou u zeker nooit onterfd hebben alleen om eenige kleine wanbedrijven, welke iedere jongen had kunnen begaan. Maar onterven is eigenlijk het woord niet dat ik had moeten gebruiken; want, ’t is waar, volgens de wet, zijt gij zijn erfgenaam niet. Dat is zeker, en daaromtrent behoeft men het gevoelen van geen advokaat in te roepen. Maar toen een heer u op die wijze als zijn eigen zoon aangenomen had, kondt gij redelijk een aanzienlijk deel,—zoo niet geheel zijn vermogen wachten;—ja, al hadt gij het geheel verwacht, zou ik u dat niet ten kwade geduid hebben; want, werkelijk, iedereen doet zijn best om zoo veel mogelijk te krijgen,—en dat kan men geen mensch kwalijk nemen.”

„Wezenlijk,” hernam Jones, „gij doet me onregt aan. Ik zou met heel weinig tevreden zijn geweest;—ik dacht nooit aan het vermogen van mijnheer Allworthy;—ja, ik geloof zelfs dat ik naar waarheid verklaren kan, dat het nooit bij mij opgekomen is hoe veel of hoe weinig hij mij geven zou. Dat verklaar ik plegtig: als hij, om mij te begunstigen, zijn neef benadeeld had, dan zou ik het nooit aangenomen hebben! Ik heb meer op met mijne eigene zielerust dan met het vermogen van een ander. Wat beteekent de armzalige hoogmoed, die ontstaat uit het bezit van een prachtig huis, eene talrijke bediening, eene heerlijke tafel en al de andere voordeelen of vertooningen der rijkdommen, vergeleken bij de opregte, degelijke tevredenheid, de trotsche zelfvoldoening, de verrukkelijke gewaarwordingen en de vreugdevolle overwinningen, die een deugdzaam mensch smaakt bij de beschouwing van eene edele handeling? Ik benijd Blifil niet zijne verwachtingen, noch zal ik hem het bezit zijner rijkdommen misgunnen. Ik wilde mij zelven geen half uur lang een schurk achten, om met hem te ruilen. Ik geloof inderdaad, dat de heer Blifil mij verdacht hield van de vooruitzigten door u vermeld, en ik veronderstel dat deze vermoedens, die uit de laagheid van zijn eigen karakter ontstonden, ook zijn laag gedrag ten mijnen opzigte veroorzaakten. Maar, Goddank, ik weet, ik gevoel,—ja, vriend, ik ken mijne eigene onschuld, en om de geheele wereld, zou ik daarvan geen afstand willen doen.—Want zoolang ik weet dat ik nooit kwaad bedoeld, of gedaan heb aan eenig mensch ter wereld:

„Pone me pigris ubi nulla campis Arbor aestiva recreatur aura, Quod latus mundi nebulae, malusque Jupiter urget. Pone sub curru nimium propinqui Solis in terra domibus negata; Dulce ridentem Lalagen amabo, Dulce loquentem.” [13]

Hierop schonk hij zich een vollen beker in, ledigde hem op het welzijn zijner lieve Lalage en Dowlings glas ook tot den rand vullende, stond hij er op, dat hij mededrinken zou.

„Nu dan, van ganscher harte,” riep Dowling; „het welzijn van jufvrouw Lalage! Ik heb dikwijls een toast op haar hooren instellen, dat is waar; hoewel ik haar nooit gezien heb; maar iedereen zegt dat zij zeer schoon is!”

Ofschoon nu het Latijn niet het eenige gedeelte van de redevoering van Jones was, dat Dowling niet volmaakt verstond, was er toch iets in, dat diepen indruk op hem maakte. En hoewel hij door knipoogen, knikken, lagchen en grijnzen zijn best deed om dit voor Jones te verbergen,—want wij schamen ons even dikwerf over goede gedachten als over slechte,—is het zeker dat hij in zijn hart zoo veel van Jones’ denkwijze goedkeurde als hij er van begreep, en werkelijk eene sterke opwelling van medelijden met hem gevoelde. Mogelijk zullen wij eene andere gelegenheid waarnemen om nader hierover uit te weiden, als wij toevallig in den loop dezer geschiedenis den heer Dowling weer ontmoeten. Thans zijn wij genoodzaakt eenigzins kortaf dien heer te verlaten, in navolging van den heer Jones, die zoodra hij van Partridge vernam dat de paarden gereed waren, zijne rekening betaalde, zijn makker goeden nacht wenschte en op weg ging naar Coventry, ofschoon het heel donker was en juist sterk begon te regenen.

HOOFDSTUK XI.

DE ONGELUKKEN WELKE DEN HEER JONES TROFFEN OP ZIJNE REIS NAAR COVENTRY, MET DE OPMERKINGEN VAN PARTRIDGE.

Geen weg ter wereld kan regter zijn dan die van de plaats welke zij pas verlaten hadden naar Coventry en hoewel noch Jones, noch Partridge, noch de gids dien ooit te voren gegaan waren, zou het bijna onmogelijk voor hen geweest zijn om af te dwalen, zonder de twee redenen, welke aan het einde van het vorige hoofdstuk vermeld zijn.

Daar echter nu deze beide omstandigheden zoo ongelukkig tusschenbeide kwamen, geraakten onze reizigers op een veel minder begaan spoor, en na een paar uur ver gereden te zijn, bevonden zij zich, in plaats van bij de trotsche torens van Coventry, nog in eene zeer modderige laan, waar geen teeken te ontdekken was van de nabijheid eener groote stad.

Jones begreep nu dat zij verdwaald waren; maar de gids hield vol dat dit onmogelijk was;—een woord, dat in den dagelijkschen omgang gebezigd wordt, om niet slechts het onwaarschijnlijke, maar dikwerf ook het zeer waarschijnlijke uit te drukken, en soms zelfs het werkelijk reeds gebeurde;—eene verkrachting van de ware beteekenis, welke zoo dikwerf plaats heeft ook bij de woorden „oneindig” en „eeuwig;”—met het eerste van welke men wel eens een afstand van eene halve el, en met het tweede een tijdsverloop in vijf minuten aanduidt. En op deze wijze is het even gebruikelijk de onmogelijkheid te betuigen van ooit iets te verliezen,—hoewel men het al verloren heeft. Dit was inderdaad nu het geval; want niettegenstaande het vaste beweren van den postiljon van het tegendeel, is het zeker dat zij thans evenmin op den goeden weg waren naar Coventry, als de oneerlijke, grijpende, wreedaardige, huichelende vrek op den goeden weg is naar den hemel.

Het valt welligt den lezer, die nooit in zulke omstandigheden verkeerd heeft, niet gemakkelijk om zich den akeligen toestand voor te stellen van menschen, die te midden der duisternis, in regen en wind, des nachts afgedwaald zijn; en die daarom geen aangenaam vooruitzigt hebben op warme vuren, drooge kleêren en andere verkwikkingen, om hun moed te geven als zij te worstelen hebben tegen de woede der elementen. Een zeer onvolmaakt begrip echter van dezen treurigen toestand, zal voldoende zijn om de voorstellingen te verklaren, die nu voor de verbeelding van Partridge oprezen, en welke wij straks genoodzaakt zullen wezen mede te deelen.

Jones gevoelde zich hoe langer zoo meer overtuigd dat zij verdwaald waren, en de postiljon bekende eindelijk, dat hij geloofde dat zij van den goeden weg af waren; hoewel hij tevens beweerde dat het onmogelijk was, dat zij verdwaald konden zijn. Maar Partridge was van een ander gevoelen.

Hij zeide, „dat hij overtuigd was, al bij hun vertrek, dat hun het eene of andere ongeluk overkomen zou.—Hebt gij die oude vrouw niet gezien, in de deur, juist toen wij te paard stegen, mijnheer?” vroeg hij aan Jones. „Ik wilde maar van ganscher harte, dat gij haar eene kleinigheid gegeven hadt; want zij zeide toen al, dat het u wel berouwen kon dat niet gedaan te hebben, en juist op dat oogenblik begon het te regenen en de wind is hoe langer zoo sterker opgekomen. Wat ook sommige menschen verkiezen te zeggen, ik weet zeker dat de heksen het in hare magt hebben den wind te doen opkomen wanneer zij verkiezen. Ik heb het dikwerf zien gebeuren, en als ik ooit van mijn leven eene heks gezien heb, is die oude er eene. Dat dacht ik dadelijk, zoodra ik haar zag, en als ik maar wat kopergeld op zak had gehad, zou ik haar eene kleinigheid gegeven hebben; want het is waarlijk geraden jegens dergelijke menschen mild te zijn, uit vrees voor hetgeen zou kunnen gebeuren, en menigeen heeft zijn vee verloren, door een duit te willen sparen.”

Hoewel Jones zich zeer ergerde over de vertraging, welke hij nu waarschijnlijk in zijne reis ondervinden zou, kon hij niet nalaten te glimlagchen om het bijgeloof van zijn vriend, die nu, door een nieuw ongelukje, in zijne denkbeelden bevestigd werd. Dit was niets anders dan een val van zijn paard, waardoor hij echter geen ander letsel ondervond dan dat zijne kleeren met modder bespat werden.

Partridge was pas weder op de beenen, toen hij zich beriep op zijn val als een afdoend bewijs van hetgeen hij beweerd had; maar Jones, bevindende dat hij ongekwetst was, hernam met een glimlach: „Die heks van u, Partridge, is een ondankbaar wijf, en maakt geen onderscheid, voor zoo ver ik zie, tusschen vriend en vijand in hare wraakoefening. Als de oude dame kwaad op mij geweest ware, omdat ik haar verwaarloosde, zie ik niet in waarom zij u van het paard zou smijten, na al den eerbied welken gij voor haar uitgedrukt hebt.”

„Men moet niet spotten,” riep Partridge, „met menschen, die het in hunne magt hebben zoo iets te doen; want zij zijn kwaadaardig. Ik herinner me een hoefsmid, die eene heks tergde, door haar te vragen, wanneer de tijd om zou zijn waarvoor zij met den duivel afspraak had gemaakt, en binnen drie maanden daarna was eene zijner beste koeijen verdronken. En daarmede was zij nog niet tevreden; want kort daarna verloor hij een vat van zijn best bier;—de oude heks was namelijk in den kelder geweest, en had de kraan open gezet, en den heelen kelder vol laten loopen, den eersten avond, dat hij het vat aftapte, om een pretje met zijne vrienden te hebben. Met één woord, later is er niets meer goed gegaan met hem; want zij plaagde den armen man zoo, dat hij aan den drank raakte, en binnen een jaar of wat werd zijn boeltje verkocht en zijne familie is nu aan de diakonie gekomen.”

De gids—en welligt zijn paard ook,—hadden zoo oplettend naar dit verhaal geluisterd dat beiden nu,—hetzij door gebrek aan voorzigtigheid, of door de kwaadaardigheid der heks, in den modder lagen te spartelen.

Partridge schreef dit ongeluk aan dezelfde oorzaak toe als het zijne. Hij zeide aan den heer Jones, „dat hij nu zeker aan de beurt was, en smeekte hem terug te keeren, om de oude vrouw op te zoeken, en haar te verzoenen. Wij zullen spoedig de herberg weder bereiken,” voegde hij er bij; „want hoewel wij ons verbeeld hebben vooruit te gaan, ben ik zeker dat wij juist op dezelfde plek zijn, waar wij een uur geleden waren, en als het daglicht was, zou ik durven wedden dat wij nu in het gezigt zouden zijn van de herberg vanwaar wij vertrokken zijn.”

In plaats van eenig antwoord op dezen wijzen raad te geven, was Jones bezig met onderzoek te doen naar den toestand van den postiljon, die er echter even goed afgekomen was als Partridge, terwijl zijne kleêren ook niet veel geleden hadden, daar ze sedert vele jaren aan dergelijke ongelukken gewoon waren geweest. Hij klom dan ook spoedig weder in den zadel en door de vele verwenschingen en slagen, welke hij aan zijn paard besteedde, overtuigde hij spoedig den heer Jones dat er niets kwaads met hem gebeurd was.

HOOFDSTUK XII.

DE HEER JONES ZET DE REIS VOORT, TEGEN DEN RAAD VAN PARTRIDGE IN, EN HETGEEN ER BIJ DEZE GELEGENHEID GEBEURDE.

Zij ontdekten nu een licht op eenigen afstand, tot groot genoegen van Jones, en tot geen geringen schrik van Partridge, die vast geloofde dat hij betooverd was, en dat het een dwaallichtje was, of iets welligt van nog gevaarlijker aard.

Maar hoe zeer vermeerderde niet deze schrik toen zij nader bij dit licht (of deze lichten, zoo als ze nu bleken te zijn) gekomen, een verward gebrom hoorden van menschelijke stemmen, lagchende, zingende, schreeuwende, tegelijk met een vreemd geluid, dat van zekere instrumenten scheen te komen, maar dat toch naauwelijks muzijk kon heeten;—hoewel men het,—naar het gevoelen van Partridge,—wel heksen-muzijk had kunnen noemen.

Het is haast onmogelijk den schrik, waardoor Partridge nu overvallen werd, te beschrijven, en die zich thans uitstrekte tot den postiljon, die zeer scherp geluisterd had naar al wat gezegd was. Hij vereenigde zich dan ook nu met Partridge, om Jones te smeeken terug te keeren; verklarende, dat hij vast geloofde aan hetgeen de schoolmeester pas verteld had, en dat hoewel de paarden schenen vooruit te gaan, zij gedurende het laatste half uur geene schrede verder gekomen waren.

Jones kon niet nalaten te glimlagchen over den angst dier arme knapen, hoezeer hij zich er over ergerde.

„Of wij naderen de lichten,” zeide hij, „òf de lichten naderen ons; want wij zijn er nu vlak bij,—en hoe kunt gij toch bang zijn voor een troep menschen, die zich alleen schijnen vrolijk te maken?”

„Zich vrolijk maken, mijnheer?” riep Partridge. „Wie zou dat doen op zulk een uur van den nacht, op zulk eene plaats en bij zulk weder? Het zijn niets anders dan spoken en heksen, of booze geesten van den een of anderen aard,—dat is zeker!”

„Wat het ook zijn,” hernam Jones, „ik heb besloten naar hen toe te gaan en den weg te vragen naar Coventry. Niet alle toovenaressen, Partridge, zijn zoo kwaadaardig als de heks, die wij tot ons ongeluk pas ontmoet hebben.”

„Hemel, mijnheer!” antwoordde Partridge, „het is onmogelijk vooraf te weten hoe zij gemutst zullen zijn; maar het beste is, zeker, heel beleefd jegens haar te zijn. Maar hoe, als wij nog erger dan heksen ontmoeten;—als het de booze geesten zelve zijn?—O, mijnheer, volg een goeden raad! dat bid ik u, mijnheer! Als gij zoo vele schrikkelijke verhalen van dergelijke dingen gelezen hadt als ik, zoudt gij niet zoo vermetel zijn.—De hemel weet waar wij nu al heen geraakt zijn, of waarheen wij gaan; want, zeker, is het nooit zoo pikdonker op aarde geweest, en ik twijfel of het elders donkerder kan zijn.”

Niettegenstaande al deze wenken en waarschuwingen, haastte zich Jones zoo veel mogelijk om vooruit te komen en de arme Partridge zag zich genoodzaakt om hem te volgen; want hoewel hij naauwelijks durfde verder te gaan, waagde hij het nog veel minder om alleen achter te blijven.

Eindelijk bereikten zij de plek vanwaar het licht en het leven scheen te komen. Jones ontdekte dat het eene schuur was, waarin eene groote menigte menschen, mannen en vrouwen, bijeen gekomen waren en zich schijnbaar zeer goed vermaakten.

Naauwelijks verscheen Jones voor de groote deuren van de schuur, die wijd open stonden, toen eene zeer ruwe mannenstem van binnen, „Werda!” riep.

Jones antwoordde zachtjes „Goedvriend!” en vroeg dadelijk den weg naar Coventry.

„Als ge goedvriend zijt,” riep eene tweede mannenstem uit de schuur, „stijg dan maar hier af tot het onweder over getrokken is (dat nu heviger dan te voren woedde), ge kunt best uw paard bergen;—er is plaats genoeg voor het dier aan het andere einde van de schuur.”

„Dat is zeer vriendelijk van u,” hernam Jones, „en ik wil wel voor eenige oogenblikken gebruik maken van uwe goedheid;—en er zijn nog twee bij me, die gaarne ook op dezelfde wijze begunstigd zouden worden.”

Dit werd gereeder toegestaan dan het aangenomen werd; want Partridge zou zich liever onderworpen hebben aan de grootste woede der elementen dan zich toe te vertrouwen aan de genade van diegenen welke hij voor spoken hield, en de arme postiljon was ook nu door dezelfde vrees bevangen;—maar beide waren toch genoodzaakt het voorbeeld van Jones te volgen;—de een omdat hij zijn paard niet uit de oogen durfde verliezen en de andere omdat hij niets zóó zeer vreesde als alleen te blijven.

Als deze geschiedenis in de eeuwen van het bijgeloof geschreven ware, zou ik te veel medelijden met den lezer hebben gehad om hem zoo lang in spanning te laten omtrent de verschijning van Beelzebub of van den Satan zelven met zijn helsch gevolg; daar echter die leerstellingen thans zeer uit de mode zijn en ter naauwernood eenige aanhangers vinden, geloof ik niet veel angst van dien aard opgewekt te hebben. Om de waarheid te zeggen, is de geheele bevolking der onderaardsche rijken sedert lang het eigendom geworden van de tooneel-directeuren, die ze in den laatsten tijd onder de prullen schijnen geborgen te hebben, welke alleen geschikt zijn om opgang te maken in den engelenbak, eene plaats, welke zeker zeer weinige onzer lezers bezoeken.

Hoewel we nu niet veronderstellen, dat wij bij deze gelegenheid eenige groote vrees opgewekt hebben, denken wij echter dat er andere vermoedens bij den lezer ontstaan zijn, welke wij volstrekt niet wenschten te doen ontstaan. Ik bedoel het vermoeden dat wij hem eene reis wilden laten maken in het tooverland, en dus wezens in onze geschiedenis doen optreden, waaraan haast niemand zoo kinderachtig geweest is te gelooven, hoewel menigeen welligt dwaas genoeg is geweest om veel tijd te verkwisten met het schrijven of het lezen van hunne lotgevallen.

Ten einde dus alle dergelijke verdenkingen weg te ruimen die zoo nadeelig zijn voor den goeden naam van een geschiedschrijver, die verklaart dat zijne bouwstoffen alleen door de natuur geleverd zijn, zullen wij er nu toe overgaan om den lezer bekend te maken met de wezens, welker plotselinge verschijning Partridge zoodanig verschrikt, den postiljon meer dan half bang gemaakt, en den heer Jones zelven eenigzins verrast had.

De menschen dan in deze schuur bijeen gekomen, waren niemand anders dan eene bende Zigeuners, of Heidenen, die nu de bruiloft van een paar uit hun volk vierden.

Het is onmogelijk zich een gelukkiger troep menschen te verbeelden dan die hier bijeen waren gekomen. De grootste opgeruimdheid was zigtbaar op ieders gelaat, en hunne danspartij was ook niet ontbloot van alle orde en welvoegelijkheid. Misschien heerschten er meer van beide dan men soms vindt in eene landelijke bijeenkomst; want deze menschen hebben een geregeld bestuur en eigene wetten en gehoorzamen allen aan één hoogsten magistraat, dien zij hun Koning noemen.

Grooter overvloed dan men in deze schuur zag, zou er ook nergens te vinden zijn geweest. Wel is waar, er ontbrak keurigheid en sierlijkheid aan het maal, maar deze waren ook onnoodig bij den krachtigen eetlust der gasten. Men vond er spek, kippen en schapenvleesch in overvloed, en iedereen bragt een betere sous mede dan de beste en kostbaarste Fransche kok verschaffen kan.

Aeneas ontstelde niet meer in den tempel van Juno dan onze held in deze schuur:

Dum stupet obtutuque haeret defixus in uno,

terwijl hij overal verbaasd rondkeek, naderde hem een eerbiedwaardig persoonaadje, met vele vriendschappelijke begroetingen, welke eenigzins te hartelijk waren om hoofsch te heeten. Dit was niemand anders dan de Koning der Heidenen. Hij onderscheidde zich in zijne kleeding zeer weinig van zijne onderdanen, en hij droeg geene regalia om zijne waardigheid te handhaven; en toch (zeide de heer Jones), was er iets in zijn uiterlijk dat gezag aantoonde, en den toeschouwer met achting en eerbied vervulde. Maar welligt was dit alles verbeelding van Jones, en het kan zijn, dat zulke denkbeelden door het gezag zelf worden ingeboezemd en bijna daarvan onafscheidelijk zijn.

Er was iets in het open gelaat en in de beleefde houding van Jones, dat, tegelijk met zijn innemend uiterlijk, reeds op het eerste gezigt een zeer gunstigen indruk maakte op iedereen die hem ontmoette. Dit werd thans welligt iets verhoogd door den diepen eerbied, welken hij den Koning der Heidenen bewees, zoodra hij met diens waardigheid bekend was geworden, en die zijner Heidensche Majesteit des te aangenamer was, daar hij alleen gewoon was bij zijne eigene onderdanen zulke hulde te vinden.

De Koning liet eene tafel spreiden ten zijnen behoeve met de keur hunner eetwaren, en zelf plaats genomen hebbende aan zijne regterhand, begon Zijne Majesteit onzen held (in gebroken Engelsch) op de volgende wijze aan te spreken:

„Geen twijfel, mijnheer, of gij hebt hier en daar hetgeen gij detachementen noemt, van mijn volk ontmoet;—want zij gaan overal heen;—maar ik verbeeld me, dat gij niet dacht, dat wij zulk een groot volk zijn als werkelijk het geval is;—misschien zal het u nog meer verwonderen te vernemen, dat de Zigeuners een even geregeld en goed bestuurd volk zijn, als eenig ander ter wereld. Ik heb de eer, gelijk ik gezegd heb, hun Koning te zijn, en geen vorst kan zich beroemen gehoorzamer of liefderijker onderdanen te hebben. Ik zal niet zeggen in hoe ver ik hunne toegenegenheid waardig ben; maar ik kan wel zeggen, dat ik nooit iets anders dan hun best voor oogen heb. Ook daarop zal ik me niet beroemen; want hoe zou ik ook iets anders dan het voordeel van die arme menschen beoogen, welke den heelen dag rondzwerven om mij het beste wat zij krijgen kunnen, te verschaffen? Zij beminnen mij, omdat ik hen liefheb en voor hen zorg;—en daarom alleen;—ten minste geene andere reden is mij bekend.

„Omtrent duizend, of twee duizend jaren geleden,—ik weet het op een jaar of wat niet,—viel er, wat gij eene groote omwenteling noemt, voor onder de Zigeuners;—want er waren toen groote heeren onder ons volk, die elkaar den voorrang betwistten;—maar de Zigeuner Koning vernietigde hen allen en maakte al zijne onderdanen onderling gelijk, en sedert dien tijd konden zij het best met elkaar vinden; want zij krijgen het niet in het hoofd om Koning te worden, wat welligt tot hun geluk strekt, daar ik u verzekeren kan, dat het een zeer lastig baantje is om Koning te zijn, en regt te moeten spreken. Ik heb dikwijls gewenscht slechts een gewone Zigeuner te zijn, als ik mij genoodzaakt zag om mijn besten vriend of bloedverwant te straffen; want hoewel wij nooit iemand ter dood brengen, zijn toch onze straffen zeer streng. Wij maken dat een Zigeuner zich schaamt over zijne eigene slechtheid en dat is eene zeer verschrikkelijke straf. Ik heb zelden gezien, dat een Zigeuner die zoo gestraft was, ooit weer kwaad deed.”

De Koning ging nu voort met zijne verbazing te uiten, dat de schande, als straf, onder geene andere besturen bekend was. Jones verzekerde hem echter van het tegendeel; want dat er vele wanbedrijven waren, waarover men zich schamen moest volgens de Engelsche wetten,—en dat de schande eigenlijk onafscheidelijk was van welke straf ook.

„Dat luidt toch heel vreemd,” hernam de Koning; „want ik weet en hoor veel van uw volk, ofschoon ik niet onder hen leef, en ik heb dikwerf gehoord dat schande het gevolg, en ook wel de oorzaak is van vele uwer belooningen. Zijn dan belooning en straf hetzelfde bij ulieden?”

Terwijl Zijne Majesteit aldus met Jones praatte, ontstond er een plotseling rumoer in de schuur, dat naar het schijnt, op de volgende wijze veroorzaakt werd;—de vriendelijkheid dezer menschen had langzamerhand alle vrees van den kant van Partridge doen verdwijnen, en hij liet zich overhalen niet slechts om ruimschoots van hunne levensmiddelen te proeven, maar ook van hun drank, die trapsgewijs al wat naar angst zweemde uit zijn gemoed verdreef en het vatbaar maakte voor gewaarwordingen van veel aangenamer aard.

Eene jeugdige Heidin, die meer door geestigheid dan door schoonheid uitmuntte, had den eerlijken knaap ter zijde gelokt, onder het voorwendsel van hem te willen waarzeggen. Toen zij zich echter alleen bevonden, in een stillen hoek van de schuur,—hetzij dit veroorzaakt werd door den sterken drank,—die nooit meer dan na buitengewone vermoeijenissen de lusten opwekt,—of daardoor dat de schoone Heidin zelve alle vrouwelijke kieschheid en zedigheid verloochende en den jeugdigen Partridge met bepaalde wenken verleidde,—werden zij in eene zeer ongepaste houding ontdekt door den man van de Heidin, die, naar het schijnt, uit ijverzucht, een waakzaam oog op zijne vrouw gehouden en haar naar de plek gevolgd had, waar hij haar in de armen vond van haren bewonderaar.

Tot groot verdriet van Jones werd Partridge nu vóór den Koning gesleept, die de beschuldiging aanhoorde en tevens de verdediging van den aangeklaagde, (welke zeer erbarmelijk uitviel), want de arme kerel was geheel verpletterd door de onwederlegbare getuigenis welke aangevoerd werd, en had naauwelijks één woord daartegen in te brengen.

Zijne Majesteit wendde zich nu tot Jones en zeide:

„Mijnheer, gij hebt ook gehoord wat zij te vertellen hebben. Zeg me nu welke straf uw dienaar verdiend heeft?”

Jones hernam, „dat het hem zeer speet dat zoo iets gebeurd was, en dat Partridge den man alle vergoeding schenken moest welke, in zijne magt was;”—wijders verklaarde hij op dat oogenblik slechts weinig geld bij zich te hebben, en de hand in den zak stekende bood, hij den man een guinje aan.

Deze echter antwoordde, „dat hij hoopte dat mijnheer er niet aan denken zou er hem minder dan vijf aan te bieden.”

Na eenig twisten werd deze som op twee terug gebragt, en Jones de volkomene vergiffenis van Partridge en van de vrouw bedongen hebbende, wilde het geld uitbetalen, toen Zijne Majesteit, zijne hand terug houdende, zich tot een der getuigen wendende, hem vroeg: „Wanneer hij de schuldigen ontdekt had?”

Hierop hernam deze, „dat de man hem verzocht had het oog te houden op zijne vrouw van het eerste oogenblik af dat zij met den vreemdeling sprak, en dat hij haar steeds in het gezigt had gehad tot de misdaad bedreven was.”

Daarop vroeg de Koning, „of de man ook den heelen tijd met hem op den loer geweest was?”

Dit werd beantwoord en bevestigd, en Zijne Heidensche Majesteit wendde zich toen tot den man en sprak als volgt:

„Het doet me zeer leed te zien, dat er één Zigeuner bestaat, die laag genoeg is om de eer zijner vrouw te verkoopen. Als gij uwe vrouw bemindet, zoudt gij belet hebben dat deze zaak voortgang had, en niet getracht hebben haar eerst tot eene —— te maken, om haar later te betrappen. Ik beveel, dat men u geen geld geve, want gij verdient straf en geene belooning. Ik beveel ook dat gij als onteerde Zigeuner beschouwd wordt, en dat gij voor den tijd van ééne maand een paar horens draagt, en dat uwe vrouw in dien tijd de —— genaamd, en overal als zoodanig met den vinger nagewezen zal worden;—want al zijt gij een onteerde Zigeuner, zij is niet te min eene verachtelijke ——”

De Heidenen gingen er dadelijk toe over om dit vonnis uit te voeren, en lieten Jones en Partridge alleen met Zijne Majesteit.

Jones juichte zeer de billijkheid van het vonnis toe waarop de Koning zich tot hem wendende, zeide:

„Het komt me voor, dat gij zeer verwonderd zijt; want gij zult zeker een zeer min denkbeeld hebben van ons volk. Gij houdt ons denkelijk allen voor dieven?”

„Ik moet bekennen,” zei Jones, „dat ik de Heidenen in een ongunstiger licht heb zien stellen, dan zij schijnen te verdienen.”

„Ik zal u zeggen wat het onderscheid is tusschen u en ons,” hernam de Koning; „mijn volk besteelt uw volk, en uw volk besteelt zich onderling.”

Jones ging nu voort met heel ernstig het geluk te prijzen van een volk, dat onder zulk een bestuurder leefde.

Inderdaad hun geluk schijnt zoo volmaakt te zijn geweest, dat wij bang zijn dat de een of andere voorvechter der onbeperkte magt later het geval van deze menschen aanhalen zal als een voorbeeld van de groote voordeelen, welke deze regeringsvorm boven alle anderen oplevert.

En wij moeten ook hier iets toegeven, dat men welligt niet van ons gewacht zou hebben, namelijk dat geen beperkte regeringsvorm zich tot die trap van volmaaktheid kan verheffen, of dezelfde voordeelen aan de maatschappij opleveren als deze. De menschen zijn nooit zoo gelukkig geweest als wanneer het grootste gedeelte der toenmaals bekende wereld onder het bestuur stond van één heer, en deze gelukzaligheid duurde voort onder de regering van vijf achtereen volgende vorsten. [14] Dit was de ware gouden eeuw, en de eenige gouden eeuw, welke ooit bestaan heeft, tenzij in de vurige verbeelding der dichters, sedert de menschheid uit het Paradijs verdreven werd, tot den huidigen dag.

En werkelijk, ik ken ook slechts één gegrond bezwaar tegen het onbeperkte koningschap. Het eenige gebrek in deze heerlijke instelling, schijnt de moeijelijkheid te zijn om een mensch te vinden, die geheel geschikt is voor het ambt van onbeperkten vorst; want dit eischt bepaaldelijk drie hoedanigheden, welke, naar het uit de geschiedenis blijkt, zeer moeijelijk te vinden zijn in vorstelijke naturen: ten eerste, genoegzame gematigdheid, om zich te vergenoegen met het bezit van de meest mogelijke magt. Ten tweede, wijsheid genoeg om zijn eigen geluk in te zien. En ten derde, goedheid genoeg om tot het geluk van anderen mede te werken, als het niet slechts bestaanbaar is met, maar ook tevens bevorderlijk aan het zijne.

Als men nu werkelijk toestemt dat een onbeperkte vorst met al deze groote en zeldzame begaafdheden voorzien, in staat zal zijn om de menschelijke maatschappij zoo gelukkig mogelijk te maken, moet men ook bekennen, van den anderen kant, dat de onbeperkte magt in handen van iemand die deze deugden mist, waarschijnlijk evenveel onheil zal te weeg brengen.

Met één woord, onze eigene godsdienst geeft ons een zeer juist denkbeeld van de zegeningen en ook van de rampen, welke uit de onbeperkte magt kunnen voortvloeijen. De schilderingen van den hemel en van de hel brengen ons een zeer levendig beeld van beide voor oogen; want hoewel de heer van laatstgenoemd oord geene magt kan hebben dan die welke hij oorspronkelijk ontleent van den Almagtigen Beheerscher van het eerste, blijkt het ten duidelijkste uit de Heilige Schrift, dat aan dezen duivelschen vorst eene onbeperkte magt gegeven is in het rijk der hel. Dit is ook inderdaad de eenige onbeperkte magt, welke,—volgens de Heilige Schrift,—van den Hemel afstamt. Zoodra dus de verschillende tyrannen op aarde eenige aanspraak maken op een goddelijk regt, moet het ontleend zijn aan het allereerste regt van den vorst der duisternis, en deze ondergeschikte magten moeten onmiddellijk afstammen van hem, wiens stempel zij zoo blijkbaar dragen.

Eindelijk, daar de voorbeelden van alle eeuwen ons bewijzen dat de menschen, over het algemeen, alleen magt begeeren om er kwaad mede te doen, en als zij ze eens verkrijgen ook tot geen ander doel aanwenden, zou het uiterst onvoorzigtig zijn om eenige verandering te wagen, zoo lang onze hoop op het goede slechts flaauw ondersteund wordt door twee of drie voorbeelden uit vele duizenden, die strekken om onze vrees op te wekken. In dit geval, is het dus veel wijzer ons te onderwerpen aan eenige weinige ongemakken, die ontstaan uit de hartstogtelooze doofheid der wet, dan te trachten ze uit den weg te ruimen door ons te wenden tot de hartstogtelijke opene ooren van een dwingeland.

Men kan zich hier ook niet op het voorbeeld der Heidenen beroepen, hoewel zij zich misschien lang onder dezen regeringsvorm gelukkig gevoeld hebben: daar wij volstrekt niet vergeten moeten in welk zeer belangrijk punt zij van alle andere volkeren verschillen, en waaraan zij welligt hun geluk alleen te danken hebben,—en dat is namelijk, dat ze geene kunstmatige eer kennen en de schande beschouwen als de grootste straf ter wereld.

HOOFDSTUK XIII.

EEN GESPREK TUSSCHEN JONES EN PARTRIDGE.

Alle eerlijke voorstanders der vrijheid zullen, zonder twijfel, ons de lange uitweiding vergeven, waartoe wij ons aan het einde van het laatste hoofdstuk lieten verleiden, ten einde te beletten dat onze geschiedenis misbruikt werd ten voordeele van de verderfelijkste leer, welke het priesterdom ooit de boosheid, of de onbeschaamdheid heeft gehad te verkondigen.

Wij zullen nu den heer Jones verder vergezellen, die zoodra het onweder voorbij was, afscheid nam van zijne Heidensche Majesteit, na herhaalde dankbetuiging voor de genadige ontvangst en behandeling, en zijne reis voortzette naar Coventry, waarheen een Heiden (daar het nog pikdonker was) bevolen werd hem te geleiden.

Daar Jones, door den omweg welken hij gemaakt had elf in plaats van zes mijlen gereisd had, en meestal langs afschuwelijke wegen, waarop men zelfs om eene baker te halen geen haast had kunnen maken, was het bijna twaalf uur eer hij te Coventry aankwam. Het was ook over twee uur eer hij weder in den zadel kon komen, want het was niet gemakkelijk om postpaarden te krijgen, en de stalknecht en de postiljon hadden lang niet zoo veel haast als hij, maar verkozen liever om met het geduld van Partridge in te stemmen, die, daar hij de versterking der rust missen moest, elke gelegenheid waarnam om zich dat te vergoeden, door iedere andere verkwikking welke hij krijgen kon, te gebruiken en nooit beter in zijn schik was dan als hij eene herberg bereikt had, en nooit minder tevreden dan als hij ze weder verlaten moest.

Jones reisde thans met postpaarden; wij zullen hem dus, volgens onze gewoonte volgen,—en overeenkomstig de regels van Longinus,—op dezelfde wijze.

Van Coventry bereikte hij Daventry; van Daventry kwam hij te Stratford, en van Stratford te Dunstable, welke stad hij den volgenden dag na den middag bereikte, en weinige uren nadat Sophia ze verlaten had, en hoewel hij hier langer vertoeven moest dan hij wenschte, terwijl een smid, zeer op zijn gemak, zijn paard besloeg, hoopte hij toch zijne Sophia in te halen eer zij uit St. Albans vertrok, waar hij rekende dat Milord blijven zou om het middagmaal te gebruiken.

En, als hij zich in deze gissing niet bedrogen had, zou hij waarschijnlijk zijn engel ook hier ingehaald hebben; maar ongelukkig had Milord het middagmaal besteld in zijn eigen huis te Londen, en ten einde bij tijds dáár aan te komen, had hij zich versche paarden te St. Albans te gemoet doen zenden. Toen Jones dus dáár aankwam, vernam hij dat de reiskoets met de zes paarden reeds twee uren geleden vertrokken was.

Al waren er zelfs paarden gereed geweest, wat echter niet het geval was, zou het toch blijkbaar onmogelijk geweest zijn de koets in te halen eer ze Londen bereikte, zoodat Partridge dacht nu eene geschikte gelegenheid te hebben, om zijn vriend aan iets te herinneren, dat deze geheel scheen vergeten te hebben. De lezer zal gissen wat dit was, als wij hem mededeelen dat Jones slechts één gebakken ei gegeten had sedert zijn vertrek uit de herberg, waar hij den eersten gids ontmoet had, die van Sophia terugkeerde; want bij de Heidenen had hij zich alleen geestelijk verkwikt.

De waard was het zoo volmaakt eens met het gevoelen van den heer Partridge, dat hij naauwelijks hoorde hoe deze zijn vriend verzocht om toch te blijven eten, of hij viel hem dadelijk bij, en zijn woord weder intrekkende, dat hij hem gegeven had om hem postpaarden te verschaffen, verzekerde hij den heer Jones dat hij geen tijd verliezen zou door een middagmaal te bestellen, dat, zoo als hij verzekerde, eerder klaar zou zijn dan het mogelijk was de paarden uit de weide te halen, en ze een goed voer haver te geven eer ze de reis ondernamen.

Jones werd voornamelijk door dit laatste argument van den waard overgehaald om te blijven, en een stuk schapenvleesch werd aan het braadspit gedaan. Terwijl het geregt klaar gemaakt werd, toefde Partridge in hetzelfde vertrek met zijn vriend, of liever zijn meester, en nam de gelegenheid waar om hem, als volgt, toetespreken:

„Wezenlijk, mijnheer, als ooit een mensch een meisje verdiende, hebt gij nu jufvrouw Western verdiend! Want hoeveel liefde moet hij niet gevoelen die er geheel van leeft, zoo als gij nu doet! Ik weet zeker dat ik dertig maal zoo veel gegeten heb binnen de laatste vier en twintig uren als gij, mijnheer, en toch ben ik nu weer bijna uitgehongerd;—want niets prikkelt den eetlust meer dan het reizen,—vooral bij zulk koud, guur weder. En toch begrijp ik het niet, maar mijnheer schijnt volmaakt gezond en heeft er zeker nooit beter of frisscher uit gezien. Gij leeft zeker van de liefde!”

„Dat is ook eene zeer bezwarende kost, Partridge,” hernam Jones. „Maar heeft het goede geluk mij gisteren niet iets heel lekkers gezonden? Gelooft ge niet dat ik meer dan vier en twintig uren van dit lieve zakboekje leven kan?”

„Wel ja! Zonder twijfel!” riep Partridge; „er is genoeg in dat boekje om meer dan één goeden maaltijd te betalen. Het geluk heeft het mijnheer op een zeer geschikt oogenblik gezonden; want uw geld moet nu bijna op zijn?”

„Wat bedoelt gij?” riep Jones. „Ik hoop toch niet dat gij u verbeeldt dat ik oneerlijk genoeg zou zijn, om gebruik te maken van het geld, al behoorde het ook aan iemand anders dan mejufvrouw Western—”

„Oneerlijk!” herhaalde Partridge, „de hemel beware mij er voor om u van zoo iets te verdenken; maar waarom zou het oneerlijk zijn om eene kleinigheid te leenen voor de behoeften van het oogenblik, daar gij later zoo best in staat zult wezen het de dame terug te geven? Ja, zeker zou ik er sterk vóór zijn dat mijnheer het zoo spoedig mogelijk weder afbetaalde;—maar hoe zou er eenig kwaad in steken om er nu gebruik van te maken, als gij het noodig hebt? Als het aan een arm schepsel toebehoorde, dan zou het eene geheel andere zaak wezen; maar zulk eene groote dame zal het zeker nooit noodig hebben, vooral nu zij bij een Lord is, die, ongetwijfeld, haar van alles voorzien zal wat zij noodig heeft. Bovendien, al heeft zij iets noodig, het geheel heeft zij zeker niet noodig en daarom zou ik er haar slechts weinig van geven;—maar ik liet me liever ophangen, dan dat ik haar dadelijk zeide dat ik het gevonden had,—vóór dat ik wat geld van mijn eigen had; want, naar ik hoor, is er geene ergere plaats ter wereld dan Londen als men gebrek aan geld heeft. Werkelijk, als ik niet geweten had aan wie het toebehoorde, had ik het voor heksengeld kunnen houden, en zou ik bang geweest zijn er gebruik van te maken;—daar gij echter van het tegendeel overtuigd zijt, en het op eene eerlijke wijze in uwe handen gekomen is, zou het zijn de Fortuin te beleedigen om het alles af te geven, op het oogenblik dat gij het zelf zoo noodig hebt. Gij kunt ook naauwelijks verwachten dat de godin u weder op dezelfde wijze begunstigen zal; want fortuna nunquam perpetuo est bona. In weerwil van al wat ik zeg, zult gij toch uw zin doen; maar ik herhaal: ik liet me liever ophangen dan één woord van het geld te reppen!”

„Naar ik zie, Partridge,” hernam Jones, „is het hangen iets non longe alienum a Scaevolae studiis.”

„Gij moest liever alienus zeggen,” riep Partridge: „ik herinner me die aanhaling. Ze is een voorbeeld bij den regel: „communis, alienus, immunis, variis casibus serviunt.””

„Als ge u den regel herinnert,” riep Jones, „zie ik dat ge er toch niets van begrijpt; maar ik zeg u ronduit, vriendje, dat hij die het eigendom van een ander vindt en willens en wetens het den eigenaar onthoudt, in foro conscientiae evenzeer de galg verdient als hij die het gestolen heeft. En wat die banknoot in kwestie betreft, die aan mijn engel toebehoort en eens in hare lieve handen was, ik zal ze ook in geene andere hand dan de hare geven, om welke reden ook;—neen, zelfs niet al had ik zooveel honger als gij, en geen ander middel om aan mijn eetlust te voldoen. Ik hoop nu dat me dat gelukken zal eer ik me ter rust begeef; maar als dat niet gelukt, dan gelast ik u, op straf van mijn eeuwigdurenden toorn, mij niet meer te grieven door ooit weer te spreken van dergelijke verfoeijelijke laagheden.”

„Als ik het in dat licht gezien had,” hernam Partridge, „zou ik er ook nu niet van gesproken hebben; want ik haat al wat slecht is, evenzeer als wie ook ter wereld;—maar gij zijt welligt wijzer dan ik,—en toch zou ik me verbeeld hebben, dat ik niet zoo oud ben geworden en niet zoo vele jaren onderwijs gegeven heb, zonder het onderscheid tusschen fas et nefas te begrijpen;—maar, naar het schijnt, is men nooit te oud om te leeren. Ik herinner me mijn ouden leermeester, die dikwerf zeide,—op zijn Grieksch—, dat de kip wel van het ei wat leeren kan. Ik heb waarlijk mijn tijd wel op eene nuttige wijze doorgebragt, als ik op mijne jaren de grammatica nog leeren moet! Welligt zult gij eens van meening veranderen, jonge heer, als gij zoo oud moogt worden als ik; want ik herinner me, dat ik me op twintigjarigen leeftijd voor even wijs hield als nu. Ik weet zeker dat men mij altijd alienus leerde, en zóó had het ook mijn meester vóór mijn tijd geleerd!”

Er waren niet vele gelegenheden denkbaar waarbij Partridge het in zijne magt had om Jones kwaad te maken, en er waren ook niet vele, waarbij Partridge zelf er toe zou hebben kunnen komen om zijn eerbied voor Jones te vergeten. Ongelukkig echter hadden beide nu eene dergelijke gelegenheid gevonden. Wij hebben reeds gezien dat Partridge het niet verdragen kon dat men aan zijne geleerdheid twijfelde, en er was het een of ander in de woorden welke Partridge pas geuit had, dat Jones niet verdragen kon. Hij keek dus zijn makker aan met een blik van minachting (iets dat bij hem niet veel voorkwam) en riep: „Ik zie nu, Partridge, dat gij een verwaande oude gek zijt, en ik hoop dat ge niet tevens een oude schelm zijt! Inderdaad, als ik evenzeer van het laatste als van het eerste overtuigd ware, zoudt ge geen stap verder met mij reizen!”

De wijze schoolmeester was reeds voldaan dat het hem gelukt was aan zijne verontwaardiging lucht te geven, en even als de slak, trok hij nu de horens in. Hij zeide spijt te gevoelen van iets geuit te hebben dat als eene beleediging kon opgenomen worden, wat volstrekt niet in zijne bedoeling lag;—maar „nemo omnibus horis sapit.”

Hoewel nu Jones de gebreken bezat aan een driftigen aard eigen, was hij geheel vrij van die van een koel karakter, en als zijne vrienden bekennen moesten, dat hij zich ligt uit zijn humeur liet brengen, moesten ook zelfs zijne vijanden toegeven, dat zijne drift spoedig weder bedaarde,—daar ze volstrekt niet op de zee geleek, welker woelen heviger en gevaarlijker is na den storm, dan terwijl die woedt. Hij nam dus dadelijk genoegen met de onderwerping van Partridge, gaf hem de hand en zeide hem, met de meeste vriendelijkheid, allerlei streelende dingen, terzelfder tijd zich zelven zwaar veroordeelende, hoewel hij dat niet half zoo streng deed, als de meeste onzer geachte lezers waarschijnlijk zullen doen.

Partridge was nu geheel weder gerust gesteld, daar zijne vrees van Jones beleedigd te hebben dadelijk week en zijn hoogmoed voldaan was door de schuldbekentenis van zijn vriend,—welke hij toepaste op hetgeen, waardoor hij zich juist het meest gegriefd had gevoeld,—en hij herhaalde dus, voor zich heen mompelende: „’t Is zeker waar, mijnheer, dat uwe kennis van sommige zaken de mijne wel overtreft; maar wat de grammatica betreft, houd ik het er voor dat ik iedereen daarin staan kan. Ik geloof dat ik die ten minste op mijn duimpje ken.”

Als er iets ter wereld was dat de voldoening van den goeden man op dit oogenblik vermeerderen kon, was het de heerlijke schapenbout, die op dit oogenblik op tafel gezet werd,—en nadat beide een goeden maaltijd daarvan gedaan hadden, bestegen zij weder hunne paarden en vertrokken naar Londen.

HOOFDSTUK XIV.

HETGEEN DEN HEER JONES OVERKWAM OP ZIJNE REIS VAN ST. ALBANS.

Zij waren omstreeks drie kwartier achter Barnet gekomen, toen de schemering begon te vallen, en een fatsoenlijk uitziend mensch, maar op een zeer slecht paard gezeten, op Jones toereed en hem vroeg of hij naar Londen ging; waarop deze toestemmend antwoordde.

De heer hervatte het gesprek nu en zeide: „Ik zou u zeer verpligt wezen, als ik met u reizen mogt; want het begint laat te worden, en ik ben een vreemdeling in deze streken.”

Jones stond dit verzoek gereedelijk toe en zij reisden verder zamen, onder dat soort van gesprekken als bij dergelijke gelegenheden gebruikelijk zijn.

Het voornaamste onderwerp was natuurlijk de straatroovers, waarvoor de vreemdeling grooten angst te kennen gaf; maar Jones verklaarde dat hij weinig te verliezen en dus weinig te vreezen had.

Hier kon Partridge niet nalaten zich in het gesprek te mengen.

„Mijnheer mag van weinig spreken, als hem dat goeddunkt; maar ik weet wel dat als ik eene banknoot van honderd pond op zak had, zoo als hij, dat het mij zeer spijten zou ze te verliezen; maar, wat mij betreft, ik heb nooit van mijn leven minder vrees gekoesterd dan op dit oogenblik; want wij zijn met ons vieren, en als wij elkaar slechts trouw bijstaan, zal de sterkste kerel in geheel Engeland ons niet afzetten. Verondersteld ook dat hij een pistool had, zou hij slechts één van ons kunnen doodschieten, en de mensch kan maar éénmaal sterven;—dat is mijn troost, zeg ik:—men kan toch slechts éénmaal sterven!”

Behalve zijn vertrouwen op de meerderheid in getal, eene soort van heldenmoed, welke zeker volk heden ten dage veel roem verschaft heeft, bestond er ook eene andere reden voor de buitengewone dapperheid door Partridge nu aan den dag gelegd;—want de drank had hem met zoo veel moed begiftigd als men maar bij mogelijkheid daaraan ontleenen kan.

Ons reisgezelschap was thans omstreeks een groot kwartier van Highgate, toen de vreemdeling zich plotseling tegen Jones keerde, een pistool te voorschijn haalde en die kleine banknoot vroeg, waarvan Partridge gesproken had.

Jones was voor het oogenblik eenigzins overrompeld; maar vermande zich spoedig en verklaarde aan den roover dat al het baar geld, dat hij bij zich had, hem zeer ten dienste stond, en met deze woorden haalde hij iets meer dan drie guinjes te voorschijn, en bood ze hem aan. De andere echter hernam met een vloek, dat hij daarmede niet gediend was.

Jones antwoordde thans heel koelbloedig, dat het hem speet, en stak het geld weder op.

De roover dreigde nu, dat als Jones hem niet dadelijk de banknoot gaf, hij hem doodschieten zou, terwijl hij hem het pistool op de borst hield. Jones greep den kerel dadelijk bij de hand, welke zoodanig beefde dat hij naauwelijks het pistool kon houden, en keerde den loop van zich af. Hierop volgde eene worsteling, waarin Jones spoedig het wapen uit de hand van zijn vijand rukte en beide zamen op den grond vielen, de roover op den rug en de zegevierende Jones boven op hem.

De arme kerel begon nu de genade van den overwinnaar in te roepen, want hij was, werkelijk, wat kracht betreft, volstrekt niet bestand tegen Jones.

„Wezenlijk, mijnheer,” riep hij, „ik kon niet voornemens zijn om u dood te schieten; want gij zult zien dat het pistool niet geladen was. Het is de eerste keer dat ik voor struikroover heb willen spelen, en de nood heeft me daartoe gedreven!”

Op dit oogenblik hoorde men op een afstand van ongeveer honderd vijftig el iemand die op den grond lag te brullen om genade, veel harder dan de struikroover zelf. Dit was niemand anders dan Partridge, die den strijd trachtende te ontloopen, van het paard geworpen was en plat op den buik lag, zonder te durven opkijken, en elk oogenblik wachtte dood geschoten te worden.

Zoo lag hij tot de gids, die nu geene andere vrees koesterde dan voor zijne paarden, het gestruikelde paard greep, en hem naderde met het berigt dat zijn meester den struikroover verslagen had.

Partridge sprong bij deze woorden dadelijk op, en liep naar de plek terug, waar Jones, met den degen in de hand, den armen drommel stond te bewaken, en zoodra Partridge dit zag, riep hij uit: „Sla hem dood, mijnheer! Steek hem door het lijf;—maak hem dadelijk dood, mijnheer!”

Tot zijn geluk echter, was de roover in genadige handen gevallen; want nadat Jones het pistool onderzocht en werkelijk bevonden had dat het niet geladen was, begon hij geloof te hechten aan al wat de man hem verteld had eer Partridge naderde;—namelijk dat hij een nieuweling in het rooversberoep was, en dat hij daartoe gedreven was door den grootst mogelijken nood, welken men zich verbeelden kan;—namelijk dat hij vijf hongerige kinderen had, terwijl zijne vrouw in gebrek en ellende van het zesde in de kraam was. De struikroover betuigde met de meeste hartstogtelijkheid, dat dit alles volkomen waar was en bood aan den heer Jones daarvan te overtuigen indien hij zich slechts de moeite wilde geven hem naar zijn huis te volgen,—een half uurtje van daar, zeggende, „dat hij geene genade vroeg tenzij hij alles bewijzen kon, wat hij tot zijne verontschuldiging aangevoerd had.”

Jones hield zich eerst alsof hij den kerel bij zijn woord wilde nemen, en met hem gaan, verklarende dat zijn lot afhangen zou van de waarheid van zijn verhaal. Hierover drukte de arme drommel zooveel vreugde uit, dat Jones volkomen overtuigd was dat hij de waarheid gesproken had, en nu medelijden met hem begon te gevoelen. Hij gaf hem dus het ongeladen pistool terug, raadde hem aan eerlijker middelen te zoeken om in zijne behoeften te voorzien, en schonk hem een paar guinjes, om den dringenden nood van zijn huisgezin te verligten; terwijl hij er bijvoegde, „dat hij om zijnentwil wel wenschte dat hij meer had; maar dat de honderd pond waarvan sprake was geweest, hem niet toebehoorden.”

Onze lezers zullen wel verdeeld zijn in hun oordeel over deze handelwijze; sommigen zullen ze welligt roemen als buitengewoon menschlievend, terwijl anderen, van meer zwartgalligen aard ze beschouwen zullen als een gebrek aan dien eerbied voor geregtigheid, welke iedereen aan zijn vaderland verschuldigd is. Partridge bezag de zaak zeker uit dit oogpunt, drukte zijne groote ontevredenheid er over uit, haalde een oud spreekwoord aan en zeide dat het hem niet verwonderen zou als de schelm hen weder aanviel eer zij Londen bereikten.

De struikroover was onuitputtelijk in de betuiging van zijne overgroote dankbaarheid. Hij stortte er zelfs tranen bij,—of veinsde ten minste dat te doen. Hij zwoer ook dat hij dadelijk naar huis terugkeeren en nooit weder eene dergelijke misdaad ondernemen zou. Het zal welligt later blijken of hij woord hield of niet.

Onze reizigers, hunne paarden weder bestegen hebbende, kwamen nu, zonder verdere avonturen, te Londen aan. Onderweg viel er veel en druk te praten tusschen Jones en Partridge over hunne laatste ontmoeting. Jones drukte veel medelijden uit voor de struikroovers die, door onoverkomelijke rampen, als het ware, gedreven worden tot zulke onwettige handelingen, die hun meestal eindelijk een schandelijken dood berokkenen. „Ik bedoel,” zeide hij, „slechts diegenen, die nooit eene grootere misdaad dan rooverij plegen, en die zich niet schuldig maken aan wreedheid of beleediging van wien ook,—eene omstandigheid, dat moet ik zeggen, welke, tot eer van ons vaderland, de Engelsche straatroovers onderscheidt van die van alle andere volken,—waar de moord bijna altijd den roof vergezelt.”

„Daar twijfelt geen mensch aan, zei Partridge, „dat het beter is iemand zijn geld dan zijn leven te benemen, en toch is het zeer hard voor eerlijke lieden, dat zij voor hunne zaken niet reizen kunnen, zonder gevaar te loopen door die schelmen. En zeker is het dat het beter zou zijn dat alle schurken opgehangen en opgeruimd werden, dan dat één eerlijk man benadeeld werd. Wat mij betreft, het is waar dat ik niet gaarne den dood van één van hen voor mijne verantwoording zou hebben; maar het is heel goed dat de wet hen allen opknoopt. Welk regt heeft iemand ter wereld mij een duit af te nemen, als ik hem het geld niet schenken wil? Kan zoo iemand een greintje eerlijkheid bezitten?”

„Wel, neen!” riep Jones, „zeker niet! Niet meer dan hij, die iemand de paarden van stal zou willen nemen, of tot zijn eigen gebruik het geld dat hij vindt, aanwenden, als hem de regtmatige eigenaar bekend is.”

Deze wenken legden Partridge het stilzwijgen op, en hij opende den mond niet weder totdat Jones eenige spottende aanmerkingen over zijne lafhartigheid maakte en hij zich trachtte te verontschuldigen door de overmagt der vuurwapenen aan te voeren, terwijl hij zeide; „Duizend ongewapende mannen zijn niet bestand tegen één pistool; want hoewel het waar zij, dat men met één schot slechts één mensch dooden kan, weet niemand of hij niet juist die ééne zal wezen.”

EINDE VAN HET TWEEDE DEEL.

HENRY FIELDING.

TOM JONES, OF DE LOTGEVALLEN VAN EEN VONDELING.

UIT HET ENGELSCH VERTAALD DOOR DR. M. P. LINDO.

Derde Deel.

HAARLEM, A. C. KRUSEMAN. 1862.

TOM JONES, DE GESCHIEDENIS VAN EEN VONDELING.

BOEK XIII.

Bevattende den tijd van twaalf dagen.

HOOFDSTUK I.

EENE AANROEPING.

Kom, schoone liefde tot den roem; beziel mijn gloeijend hart! Niet u roep ik aan, die over golvende stroomen van bloed en tranen heen, den held tot den krijgsroem voert, terwijl de zwellende zeilen gevuld worden door de zuchten van millioenen; maar u, schoone, zachtaardige maagd, die Mnemosyne, de gelukkige nimf, aan de oevers van den Hebrus ter wereld bragt. Gij, die door Maeonia opgevoed, die door Mantua bekoord werd, en die op dien schoonen heuvel zeteldet, welke Brittanniës trotsche hoofdstad overziet, terwijl Milton de snaren uwer heldenlier zoet stemde,—o beziel gij mijne verrukte verbeelding met de hoop van latere eeuwen nog te bekoren! Voorspel mij, dat de eene of andere teedere maagd, wier grootmoeder nog niet geboren is, als zij, onder den verdichten naam van Sophia van de echte deugd leest, welke eens in mijne Charlotte leefde, een zucht van deelneming uit de diepte van haar hart zal slaken. Leer mij niet slechts den toekomstigen roem voorzien, maar ook te genieten,—ja, mij er mede te voeden! Troost me met de plegtige verzekering, dat als het kleine vertrek waar ik op dit oogenblik zit, vervangen is door eene armzalige kist, mijne werken gelezen en eervol genoemd zullen worden, door diegenen, welke mij nooit gezien of gekend hebben, en die ik ook nooit zien of kennen zal.

Ook u roep ik aan, u de meer welgedane schoone, die niet gehuld zijt in een luchtig gewaad of een droom der verbeelding, maar die van krachtig ossenvleesch en zware podding houdt, u roep ik aan, die de vette jufvrouw Geld, door een joligen Amsterdammer koopman in een trekschuit op een Hollandsch kanaal bezwangerd, ter wereld bragt! Ja, onder de gelegenheidsdichters van prulverzen hebt gij de eerste gronden uwer geleerdheid opgedaan. Daar hebt gij op lateren leeftijd aan de dichtkunst geleerd niet de verbeelding, maar den hoogmoed van haren beschermer te streelen. Het kluchtspel leert van u den schijn van ernst en deftigheid aan te nemen; terwijl het treurspel woest schreeuwt en de verbaasde zaal met zijne donderende stem verschrikt. Om uwe vermoeide ledematen in rust te sussen, vertelt de slaperige geschiedenis haar vervelend verhaal, en voert de moderne Roman zijne verbazende goochelkunstjes uit. Evenzoo gehoorzaamt uw wel doorvoede uitgever aan uwen invloed. Op uw raad, vliegt de zware, ongelezene, lompe foliant, die lang op de stofferige plank gesluimerd had, in „afleveringen” versnipperd door het heele land. Door u onderwezen, foppen sommige boeken de menschen, door even als kwakzalvers wonderen te beloven, terwijl anderen als fatten te voorschijn komen en zich trachten verdienstelijk te maken alleen door een verguld uiterlijk. Kom, gij welvarende rijke, met uw schitterend gelaat,—houd uwe inspiratie voor u, maar bied mij uwe verleidelijke belooningen aan de blinkende, klinkende goudstapels, de ligt om te zetten banknoot, bezwaard met onzigtbare schatten; de steeds rijzende en dalende effecten; het warme gemakkelijke woon-, huis, en eindelijk, mijn behoorlijk deel aan de weldaden van die milde moeder, wier rijke borsten voedsel genoeg opleveren voor al haar talrijk kroost, als er niet sommigen waren die veel te gulzig zijn en hunne broederen meêdoogenloos van haren schoot verdringen. Kom ook gij, en als ik zelf te weinig geef om uwe kostbare schatten, verkwik mijn hart met de verrukkelijke gedachte van ze aan anderen meê te deelen! Verzeker mij, dat door uwe mildheid, de babbelende kinderen, wier onschuldig spel dikwerf door mijn arbeid gestoord is geworden, ook eenmaal ruimschoots daarvoor beloond zullen worden.

En thans, nu dit ongelijke paar, de magere schaduw en de vette zelfstandigheid, mij bezield hebben om te schrijven, wiens hulp zal ik verder inroepen om mijne pen te besturen?

Ten eerste, die van het Genie, die gave des hemels, zonder wier bijstand wij te vergeefs worstelen tegen den stroom der natuur. Gij, die het edele zaad uitstrooit, hetwelk de kunst aankweekt en volmaakt, neem gij mij vriendelijk bij de hand, en geleid mij langs al de kronkelpaden, de slingerende doolhoven der natuur! Wijd mij in al die geheimen in, welke ongewijde oogen nooit ontdekt hebben. Leer mij—voor u is dit geene moeijelijke taak,—om de menschen beter te kennen dan zij zich zelve kennen. Verwijder dien nevel, die de verstandelijke vermogens der stervelingen verblindt, en hen zekere menschen doet bewonderen om hunne kunst, of hen doet haten wegens hunne sluwheid in het bedriegen van anderen, terwijl zij, werkelijk, alleen bespottelijk zijn omdat zij zich zelve foppen. Ruk den dunnen sluijer der wijsheid van de verwaandheid af,—des overvloeds van de schrielheid,—en des roems van de eerzucht. Kom gij, die uw Aristophanes, uw Lucianus, uw Cervantes, uw Rabelais, uw Molière, uw Shakespeare, uw Swift, uw Marivaux bezield hebt,—vul mijne bladzijden met humor, tot de menschen goedaardig genoeg zijn om alleen te lagchen om de dwaasheden van anderen en nederig genoeg worden, om zich over hunne eigene dwaasheid te bedroeven!

En gij, die bijna altijd de standvastige geleidster van het genie zijt,—gij, o menschlievendheid, beziel mij met al uwe teedere gevoelens! Als gij er reeds over beschikt hebt ten gunste van uw Allen en uw Lyttleton, ontsteel ze hun dan voor een poosje! Want zonder u kan men geen aandoenlijk tooneel schilderen. Aan u alleen heeft men te danken de edele, onbaatzuchtige vriendschap, de teedere liefde, het opwellende gevoel, de vurige dankbaarheid, het zachte medelijden, de opregtheid, en al de krachtige en goede gaven, die de tranen doen opwellen in het vochtige oog, het bloed lokken in de tintelende wang, en het hart doen kloppen met stroomen van weemoed, vreugde en welwillendheid!

En ook, gij, o Geleerdheid,—want zonder uwe hulp kan het genie niets zuivers, niets juists te voorschijn brengen,—bestuur ook gij mijne pen! U heb ik, in uwe geliefkoosde velden, waar de heldere, zacht vloeijende Theems de oevers van Eton bespoelt, in vroegere dagen aangebeden. Aan u, heb ik met Spartaanschen moed mijn bloed geofferd op het altaar, waar de priester de roede zwaaide! Kom dan, en laaf mij uit de rijke, schoone schatten in oude tijden verzameld, met uw overvloed! Open de Maeonische en Mantuasche schatkisten, of waar anders gij uwe wijsgeerige, dichterlijke en geschiedkundige schatten geborgen hebt, hetzij gij de zware kisten met Grieksche, hetzij met Latijnsche letters gemerkt hebt;—leen mij een tijdlang den sleutel tot al uwe schatten,—den sleutel, welken gij aan uwen Warburton hebt toevertrouwd!

Eindelijk, roep ik ook u aan, o Ondervinding! die lang bekend zijt geweest met de wijzen, de goeden, de geleerden, de beschaafden! En ook niet slechts met dezen, maar met iederen slag van menschen, van den minister op de audientie, tot den deurwaarder in het huis van arrest; van de hertogin op het feest, tot de waardin in de gelagkamer. Met uwe hulp alleen kan men de zeden der menschen leeren kennen;—waaraan de afgstrokkene boekworm, hoe knap hij ook anders zij, of hoe groot zijne geleerdheid, steeds vreemd moet blijven.

Komt gij allen, die ik aangeroepen heb, en nog meer er bij, zoo mogelijk; want moeijelijk is de taak welke ik op me genomen heb, en zonder uw bijstand zal ze wel te zwaar voor mij zijn;—maar als gij mij toelacht, hoop ik nog mijn werk tot een gelukkig einde te brengen!

HOOFDSTUK II.

HETGEEN DEN HEER JONES OVERKWAM BIJ ZIJNE AANKOMST TE LONDEN.

De geleerde Dr. Misaubin plagt te zeggen, dat zijn eigenlijk adres luidde: „Aan Dr. Misaubin,—hier op aarde!” daardoor te kennen gevende, dat er slechts zeer weinige menschen waren, die met zijn roem niet bekend waren. En welligt zullen wij, bij nader onderzoek, inzien dat deze omstandigheid geene onaanzienlijke plaats bekleedt onder de zegeningen van een beroemden naam.

Het groote geluk om aan de nakomelingschap bekend te worden, (waarop wij ons in het vorige hoofdstuk verheugden), is een voorregt dat slecht weinigen te beurt valt. Om, zoo als Sydenham het uitdrukt „de verschillende elementen waaruit onze naam bestaat” nog na verloop van eeuwen te doen opsommen, is eene gave welke noch door rang noch door rijkdommen gekocht kan worden, en die naauwelijks te verkrijgen is, tenzij door middel van het zwaard of de pen. Maar het zal toch steeds het schoone doel zijn van diegenen, die wettige aanspraken op eer of vermogen hebben, om de schande te ontgaan van „iemand te zijn die niemand kent,”—ter loops gezegd, eene schande die reeds in de dagen van Homerus bestond. [15]

Uit de rol dan, welke de Iersche Pair, die Sophia naar Londen bragt, reeds in deze geschiedenis gespeeld heeft, zal de lezer, zonder twijfel, begrijpen, dat het gemakkelijk viel om zijn huis in de stad te ontdekken, zonder juist den naam van de straat of het plein te weten, waar hij woonde, daar hij iemand wezen moest, „dien iedereen kende.” En werkelijk zou het iederen winkelier gemakkelijk zijn gevallen, die gewoon is om de groote lui te bedienen, wier deuren gewoonlijk even ligt te vinden zijn als het moeijelijk valt over den drempel te komen.

Maar Jones en Partridge waren beide vreemd in Londen, en daar hij eerst aankwam in een gedeelte van de stad, welks bewoners weinig omgaan met de aristokratische lieden in Hanover- en Grosvenor-Square,—want hij bevond zich in Gray’s-Inn-Lane,—zwierf hij een heelen tijd rond eer hij het geluk had om den weg te ontdekken naar de gelukkige ver van het gemeen verwijderde verblijfplaatsen dier grootmoedige helden, de afstammelingen der oude Britten, Saksers of Denen, wier ouders in gelukkiger dagen geboren, door allerlei verdiensten, aan hun nageslacht rijkdommen en waardigheden hebben nagelaten.

Eindelijk bereikte Jones dezen aardschen hemel, en zou ook nu spoedig de woning van Milord gevonden hebben, als deze niet ongelukkig kort voor zijn vertrek naar Ierland verhuisd ware, en daar hij pas in zijn nieuw hotel gekomen was, had de schitterende glans zijner ekwipaadjes de buurt nog niet genoeg verlicht, zoodat Jones, na vruchteloos gezocht te hebben tot de klok elf uur geslagen had, eindelijk naar den raad van Partridge luisterde en zijn intrek nam in „den Stier” in Holborn, waar hij eerst aangekomen was, en waar hij zich naar bed begaf om zooveel van de rust te smaken als gewoonlijk menschen in zijn toestand te beurt valt.

Den volgenden morgen, heel in de vroegte, ging hij er weer op uit om zijne Sophia te zoeken, en menigen vermoeijenden gang moest hij doen, zonder beter dan den vorigen avond te slagen. Eindelijk, hetzij dat het noodlot vermurwd werd, of dat het buiten staat was om hem verder te leur te stellen, bereikte hij de straat waar Milord woonde, en het huis gevonden hebbende, hief hij den klopper op en gaf één zachten tik op de deur.

De portier, die uit de bescheidenheid, waarmede de klopper gebruikt werd, geen groot denkbeeld koesterde van den bezoeker, veranderde niet van gevoelen toen hij den heer Jones zag, wiens kleeren van grof laken waren, terwijl hij omgord was met den degen, welken hij vroeger van den sergeant gekocht had, en welks gevest (hoewel de kling misschien uit best staal bestond), alleen van koper was, dat niet eens al te helder blonk.

Toen Jones dus naar de jonge dame vroeg, die met Milord naar de stad gekomen was, antwoordde de knecht kortaf „dat er geene dames dáár waren.” Jones verzocht nu om den heer des huizes zelven te mogen spreken; maar vernam dat Milord dien morgen voor niemand te huis was. Zoodra hij er nog meer op aandrong, verklaarde de portier, dat „hem ten stelligste bevolen was dien morgen niemand binnen te laten; maar,” voegde hij er bij, „als gij lust hebt uw naam op te geven, zal ik zorgen dat Milord er van hoort, en als gij weer komt, zult gij vernemen wanneer hij u ontvangen wil.”

Jones verklaarde nu dat hij zeer dringende zaken af te doen had met de jonge dame en dat hij niet weggaan kon zonder haar gesproken te hebben.

Hierop hernam de portier, op geen zeer aangenamen toon en met geen zeer vriendelijken blik, „dat er geene jonge dame in huis was, en dat hij er dus geene spreken kon,” en eindigde met te verklaren: „Gij zijt zeker een heel vreemd soort van mensch; want gij schijnt niet te begrijpen als men u een antwoord geeft!”

Ik heb me dikwerf verbeeld, dat Virgilius met zijne naauwkeurige beschrijving in het 6de Boek der Aeneis, van den Cerberus, als den portier der hel, welligt voornemens was om eene satire te schrijven op de portiers van de groote lui uit zijn tijd;—want de schilderij gelijkt zeer op die van hen, welke de eer hebben om de deuren van onze groote heeren te bewaken. De portier, uit zijn hokje, antwoordt juist zoo als Cerberus uit zijn hol, en moet even als hij door een lokaasje vermurwd worden eer men toegang kan krijgen tot zijn meester. Misschien zag hem Jones in dit licht en herinnerde hij zich die passage waar de Sybille, om Aeneas den toegang te verschaffen, den bewaker van den ingang tot den Tartarus op die wijze een hapje aanbiedt. Hij begon dan ook thans met den menschelijken Cerberus, te willen omkoopen, toen een knecht, die in de nabijheid had staan luisteren, verklaarde, dat als „mijnheer hem de fooi wilde geven, hij hem bij de dame brengen zou.”

Jones beloofde dit en werd dadelijk naar de woning van mevrouw Fitzpatrick gebragt door denzelfden knecht, die den vorigen avond de dames derwaarts vergezeld had.

Niets maakt eene teleurstelling zoo bitter als de zekerheid die men meende te hebben van ze te zullen ontgaan. De speler, die eene partij piquet verliest door het gemis van één punt, klaagt tienmaal meer over zijn ongeluk dan hij die nooit eenig vooruitzigt had om het spel te winnen. Dus ook, in de loterij, zijn de eigenaars van de nommers welke onmiddellijk volgen op het groote lot, geneigd om zich veel ongelukkiger te achten dan de overige deelgenooten in het spel. Met één woord, op een haarbreed na gelukkig te schijnen, heeft iets van eene beleediging van vrouw Fortuna en doet ons denken dat zij met ons speelt en zich wreedaardig ten onzen koste vermaakt.

Jones, die reeds meer dan eens door de grillige luimen der godin geleden had, was nu weder veroordeeld om op dezelfde wijze gekweld te worden; want hij bereikte het huis van mevrouw Fitzpatrick, ongeveer tien minuten na Sophia’s vertrek. Hij wendde zich dus tot de kamenier van mevrouw Fitzpatrick, die hem deze onaangename tijding mededeelde, maar hem niet zeggen kon waarheen Sophia zich begeven had,—en hetzelfde antwoord kreeg hij ook later van mevrouw Fitzpatrick zelve. Want daar die dame zich stellig verbeeldde dat de heer Jones iemand was door haren oom Western afgezonden om Sophia op te sporen, was zij te edelmoedig om haar te willen verraden.

Ofschoon Jones nu nooit mevrouw Fitzpatrick gezien had, had hij wel gehoord dat Sophia eene nicht had, die met iemand van dien naam gehuwd was. In zijn tegenwoordigen ontroerden toestand kwam hem dit volstrekt niet meer voor den geest; maar toen de knecht, die hem van het huis van Milord gebragt had, hem mededeelde hoe gemeenzaam de dames geweest waren, en hoe zij elkaar „nicht” noemden, herinnerde hij zich het verhaal van het huwelijk, dat hij vroeger wel gehoord had, en daar hij zich nu overtuigd hield, dat deze de dame moest zijn van wie toen sprake was geweest, klom zijne verbazing steeds over het antwoord dat hij ontvangen had, en hij verzocht zeer dringend de dame zelve te mogen spreken,—die hem echter die eer weigerde.

Ofschoon Jones nu nooit het hof bezocht had, was hij beter opgevoed dan de meeste menschen die daar leven, en buiten staat om eenige onfatsoenlijkheid of onbeleefdheid tegenover eene dame te begaan. Toen hij dus eene stellige weigering ontving, verwijderde zich voor het oogenblik, terwijl hij tot de kamenier zeide, „dat, als dit een ongeschikt uur was om bij hare meesteresse zijne opwachting te maken, hij, in den loop van den namiddag terug zou komen, en dat hij hoopte dan de eer te hebben van bij haar toegelaten te worden.”

De beleefdheid, waarmede hij deze woorden uitte en zijn gunstig uiterlijk maakten diepen indruk op de kamenier, die hem antwoordde, „dat dat wel eens gebeuren kon,”—terwijl zij later, bij hare meesteresse, alles aanwendde wat zij maar kon om haar over te halen „om dien mooijen jongen,”—want zoo noemde zij hem,—te ontvangen.

Jones was zeer geneigd te denken, dat Sophia zelve nu bij hare nicht was, en hem niet te huis gaf, wat hij toeschreef aan hare verontwaardiging over hetgeen er te Upton gebeurd was. Na Partridge dus uitgezonden te hebben om eene woning voor hem te zoeken, bleef hij den heelen dag op straat, de deur bewakende, waarachter hij zich verbeeldde dat zijn engel verborgen was; maar hij zag er geen mensch uitkomen dan een knecht, en des avonds keerde hij weder naar het huis terug, om zijn bezoek te herhalen bij mevrouw Fitzpatrick, welke lieve dame zich eindelijk verwaardigde om hem te ontvangen.

Er bestaat eene zekere aangeborene fatsoenlijkheid, welke noch door de kleeding gegeven of benomen wordt,—en mijnheer Jones, zoo als wij reeds gezegd hebben, bezat deze in zeer hoogen graad. Hij werd dus door de dame op eene wijze ontvangen, die niet geheel scheen te strooken met zijne kleeding, en nadat hij haar eerbiedig begroet had, verzocht zij hem plaats te nemen.

De lezer zal, denkelijk, niet verlangen alle bijzonderheden van dit gesprek te vernemen, dat zeer weinig bijdroeg om den armen Jones te bevredigen. Want hoewel mevrouw Fitzpatrick spoedig in hem den minnaar ontdekte (alle vrouwen hebben adelaarsblikken in dergelijke zaken), verbeeldde zij zich toch dat hij een minnaar was van die soort, waaraan geene edelmoedige vriendin der dame haar verraden moest. Met één woord, zij vermoedde dat hij juist die mijnheer Blifil was, wien Sophia ontvlugtte, en alle antwoorden welke zij uit Jones lokte aangaande den heer Allworthy en zijn huisgezin bevestigden haar in dit gevoelen. Zij ontkende dus stellig iets te weten omtrent Sophia’s verblijf, en Jones kon niets anders van haar verkrijgen dan de vergunning om den volgenden avond zijn bezoek te herhalen.

Zoodra Jones weg was, deelde de dame aan hare kamenier hare vermoedens omtrent den heer Blifil mede, en kreeg tot antwoord: „Wel, mevrouw, hij is zeker een veel te knappe jongen dan dat eenige vrouw ter wereld,—naar mijn gevoelen,—van hem zou willen wegloopen. Ik geloof eerder dat het mijnheer Jones is.”

„Mijnheer Jones!” riep de dame; „wie is mijnheer Jones?”

Sophia had namelijk in haar verhaal geen wenk gegeven dat zoo iemand bestond; maar jufvrouw Honour was veel mededeelzamer geweest, en had hare zuster-kamenier de geheele geschiedenis van den heer Jones verhaald, welke deze nu aan hare meesteresse oververtelde.

Zoodra mevrouw Fitzpatrick dit gehoord had, werd zij het volmaakt eens met hare kamenier;—en wat zeer onverklaarbaar is,—begon zij bekoorlijkheden te zien in den dapperen, gelukkigen minnaar, die zij in den afgewezen landjonker over het hoofd had gezien.

„Betje,” zeide zij, „gij hebt zeker gelijk! Het is een heel knappe jongen, en het verwondert me niet dat de kamenier van mijne nicht u verteld heeft dat zoo vele vrouwen op hem verzot zijn. Het spijt me nu dat ik hem niet vertelde waar mijne nicht is,—en toch, als hij zulk een verschrikkelijke losbol is als gij zegt, zou het jammer zijn als zij hem ooit weder ontmoette; want het kan niet anders dan tot haar ongeluk strekken als zij, tegen den zin van haar vader, in het huwelijk treedt met een ligtzinnigen bedelaar. Ik geloof wezenlijk, dat als hij zoo slecht is als de meid verklaart, het eene liefdedienst is om haar van hem af te houden; en ik weet zeker, dat het onvergeefelijk zou zijn in mij, die zulke bittere vruchten van een dergelijk huwelijk geplukt heb, om zoo iets aan te moedigen.”

Hier werd zij gestoord door de aankomst van een bezoeker,—niemand anders dan Milord, en daar er bij deze gelegenheid niets nieuws of belangrijks voorviel voor onze geschiedenis, zullen wij hier een einde maken aan dit hoofdstuk.

HOOFDSTUK III.

EEN PLAN VAN MEVROUW FITZPATRICK EN HAAR BEZOEK BIJ LADY BELLASTON.

Zoodra mevrouw Fitzpatrick zich ter rust begaf, waren hare gedachten geheel vervuld met hare nicht en den heer Jones. Zij was inderdaad een weinig boos op de eerste, wegens de onopregtheid welke zij nu ontdekt had. Zij had dus hare verbeelding niet lang hiermede bezig gehouden, toen zij het volgende plan vormde:—als zij namelijk daarin slaagde om Sophia van dezen mensch te redden, en om haar aan haar vader terug te geven, zou zij, naar alle menschelijke berekening, zulk eene gewigtige dienst aan de familie doen, dat zij daardoor haar oom en hare tante Western beide weder voor zich winnen zou.

En terwijl dit onder hare meest geliefkoosde wenschen behoorde, scheen de hoop op welslagen zoo gegrond, dat er niets voor haar overbleef dan om de meest gepaste middelen te beramen om haar doel te bereiken. Daaronder kon men niet tellen het beredeneren van de zaak met Sophia; want daar Betje verzekerd had dat Honour verklaarde dat Sophia eene hevig liefde koesterde voor Jones, begreep zij dat haar een huwelijk met hem afteraden ongeveer op hetzelfde neder komen zou, als zeer ernstig en vurig eene mot te smeeken om niet in de vlam te vliegen.

Indien de lezer de goedheid wil hebben zich te herinneren dat Sophia kennis gemaakt had met Lady Bellaston in het huis van mejufvrouw Western, en wel terzelfder tijd toen mevrouw Fitzpatrick dáár woonde, zal hij begrijpen dat zij ook die dame kende. Beiden behoorden ook eenigzins tot hare familie.

Na rijp overleg dus besloot zij dien morgen reeds in de vroegte bij Lady Bellaston te gaan, te trachten haar te spreken, zonder dat Sophia het bemerkte, en haar met alles bekend te maken. Want zij twijfelde er in het geheel niet aan, dat die wijze dame, die zij dikwerf in gezelschap den spot had hooren drijven met romantische liefde en onvoorzigtige huwelijken, dadelijk het met haar eens zou zijn omtrent deze verbindtenis en haar best zou doen om ze te verijdelen.

Zij bleef dus bij haar besluit en den volgenden morgen, terstond na zonsopgang, wierp zij zich in de kleeren, en op een zeer onfatsoenlijk, ongepast uur voor een bezoek, begaf zij zich bij Lady Bellaston, bij wie zij toegelaten werd, zonder dat Sophia er het minst van wist of vermoedde, daar deze, hoewel niet in slaap, nog te bed lag, met Honour aan hare zijde snorkende.

Mevrouw Fitzpatrick begon met eene menigte verontschuldigingen over zulk een vroegtijdig, onverwacht bezoek, en verzekerde, „dat zij er niet aan gedacht zou hebben om Milady te storen zonder redenen van het hoogste belang.”

Daarop openbaarde zij haar de geheele zaak, vertelde alles wat zij van Betje gehoord had, en vergat ook niet het bezoek dat Jones haar den vorigen avond gebragt had.

Lady Bellaston hernam met een glimlach: „Dus hebt gij, mevrouw, dien verschrikkelijken mensch gezien! Vertel me toch, is het zoo’n mooije man als men zegt? Etoff hield me gisteren avond bijna twee uren aan de praat over hem. Ik geloof haast dat het meisje al op hem verliefd is, alleen wegens zijn naam als losbol.”

Dit zal welligt den lezer verbazen: maar het ware van de zaak is, dat jufvrouw Etoff, die de eer had om Lady Bellaston aan- en uit te kleeden, uitvoerige berigten omtrent den heer Jones ontvangen had van Honour en ze getrouw aan haar dame overgebragt had den vorigen avond (of liever dien zelfden morgen) terwijl zij haar uitkleedde,—waardoor dat werk haar meer dan anderhalf uur tijds gekost had.

En ook de dame, die gewoonlijk op zulke oogenblikken zeer geneigd was om naar de verhalen van jufvrouw Etoff te luisteren, schonk buitengewoon veel aandacht aan hare berigten omtrent Jones; want Honour had hem als een zeer knappen jongen beschreven, en jufvrouw Etoff kleurde de beschrijving van zijne schoonheid zoo sterk, dat Lady Bellaston hem begon te beschouwen als eene soort van menschelijk wonder.

De nieuwsgierigheid, welke hare kamenier haar inboezemde, werd nu zeer vermeerderd door mevrouw Fitzpatrick, die het uiterlijk van Jones evenzeer roemde, als zij eerst zijn karakter, zijne afkomst en zijn gebrek aan vermogen gelaakt had.

Nadat Lady Bellaston dit alles aangehoord had, antwoordde zij zeer ernstig: „Inderdaad, mevrouw, dit is eene zeer gewigtige zaak! Niets zou loffelijker kunnen zijn dan de rol welke gij daarin speelt, en ik zal me zeer verheugen deel er in te hebben, om zulk een verdienstelijk meisje, dat ik zoo lief heb, te redden.”

„Gelooft gij niet, Milady,” vroeg nu driftig mevrouw Fitzpatrick, „dat het ook zaak zou zijn dadelijk aan oom te schrijven en hem te melden waar mijne nicht zich bevindt?”

De dame bedacht zich een oogenblik en hernam daarop: „Wel, mevrouw, dat zou ik niet doen! Mejufvrouw Western, de oude, heeft mij haar broeder als zulk een ruw mensch beschreven, dat ik er niet toe komen kan om een vrouwelijk wezen, dat hem eens ontsnapt is, weder in zijne magt te geven. Ik heb vernomen dat hij zich gedragen heeft als een monster tegenover zijne vrouw; want hij is een van die ellendelingen, die zich verbeelden het regt te hebben om den dwingeland over ons te spelen, en ik zal het steeds als een pligt beschouwen jegens mijn eigen geslacht, om iedere vrouw te redden, die het ongeluk heeft zoo iemand in handen te vallen.—Het best ze al zijn, lieve nicht, om alleen jufvrouw Western te beletten dezen mensch te zien, tot dat het goede gezelschap, dat zij hier in de gelegenheid zal wezen te ontmoeten, eene andere rigting aan hare gedachten heeft gegeven.”

„Als hij haar ontdekt, kunt gij er op aan, Milady, dat hij niets onbeproefd zal laten om haar te naderen,” hernam de andere.

„Wel, mevrouw,” antwoordde Lady Bellaston, „het is onmogelijk voor hem om hier in huis te komen;—maar hij is welligt in staat om haar verblijf te ontdekken,—dan zal hij den heelen dag hier op den loer staan;—ik zou dus wel willen weten hoe hij er uitziet. Zoudt gij er niets op kunnen bedenken, mevrouw, om mij hem te doen zien;—ten einde te beletten, weet ge, dat mijne nicht hem zonder mijne voorkennis ontvangt.”

Mevrouw Fitzpatrick hernam, „dat hij haar dien namiddag met een tweede bezoek gedreigd had, en dat als Milady haar de eer wilde doen van dan bij haar te komen, zij hem zeker tusschen zes en zeven uur aantreffen zou, en dat als hij vroeger kwam, zij hem op de eene of andere wijze ophouden zou tot Milady dáár was.”

Deze dame hernam dat zij komen zou zoo spoedig als zij van tafel opstaan kon, wat, naar zij vermoedde, op het laatst tegen zeven uur zou wezen; want dat zij het volstrekt noodzakelijk achtte hem persoonlijk te kennen.

„Op mijn woord, mevrouw,” zeide zij, „het was zeer goed van u zoo bezorgd te zijn voor jufvrouw Western; maar uit bloote menschlievendheid, en uit achting voor onze familie, moeten wij beide ons best doen om dit verschrikkelijk huwelijk te voorkomen!”

Mevrouw Fitzpatrick verzuimde niet op eene passende wijze te antwoorden op deze beleefdheden van hare nicht en na eenige nietsbeteekenende woorden verwijderde zij zich, en zoo vlug mogelijk in haar draagstoel wippende, ten einde niet door Sophia of Honour ontdekt te worden, ging zij naar huis.

HOOFDSTUK IV.

BEZOEKEN.

De heer Jones was in het gezigt van zekere deur op en neer blijven wandelen, den heelen dag,—die hoewel een der kortste van het jaar, hem een der langste toescheen. Eindelijk sloeg echter de klok vijf uur en hij begaf zich bij mevrouw Fitzpatrick, die, ofschoon het een goed uur te vroeg was voor een fatsoenlijk bezoek, hem uiterst vriendelijk ontving, maar steeds volhield dat zij niets van Sophia wist.

Jones, steeds vragende naar zijn engel, had zich het woord „uwe nicht” laten ontvallen, waarop mevrouw Fitzpatrick zeide: „Ge weet dus, mijnheer, dat wij verwanten zijn, en in dat geval zult gij mij het regt toekennen van te vragen, welke bijzondere zaken gij met mijne nicht hebt?”

Jones aarzelde een tijdlang en antwoordde eindelijk, „dat hij eene aanzienlijke som gelds had, welke haar toebehoorde, en die hij verlangde haar in handen te geven.”

Daarop haalde hij het zakboekje te voorschijn, maakte mevrouw Fitzpatrick met den inhoud er van bekend, en hoe het in zijn bezit was gekomen. Hij had naauwelijks zijn verhaal geëindigd toen het geheele huis dreunde van een geweldig rumoer. Het zou onnoodig wezen dit geraas te beschrijven voor diegenen die het eens gehoord hebben, en het zou te vergeefs zijn er een begrip van te willen geven aan iemand, die het nooit vernomen heeft; want men kan met waarheid zeggen:

„———Non acuta Sicgeminant Corybantes aera.”

„Niet aldus rammelen de priesters van Cybele met het weergalmende koper.”

Met één woord,—een knecht klopte, of liever, donderde aan de huisdeur. Jones, die nooit dat geluid vroeger gehoord had, schrikte een weinig; maar mevrouw Fitzpatrick zeide heel bedaard, dat het zeker bezoek was, dat zij hem dus nu niets meer zeggen kon; maar dat als hij de goedheid wilde hebben te wachten tot de menschen weêr weg waren, zij hem welligt iets mede te deelen zou hebben.

De kamerdeur vloog nu open, en den hoepelrok zijwaarts vóór zich uit schuivende, trad Lady Bellaston binnen, die eerst eene diepe neiging maakte voor mevrouw Fitzpatrick,—even diep boog voor den heer Jones en daarop naar het boveneinde van het vertrek geleid werd.

Wij vermelden deze kleine bijzonderheden om den wille van eenige buiten-dames die wij kennen, en die van meening zijn dat de welvoegelijkheid verbiedt dat zij de knie buigen voor eenig man.

Het gezelschap had echter naauwelijks plaats genomen, toen de aankomst van den reeds vroeger vermelden Pair eene nieuwe stoornis veroorzaakte en eene herhaling van alle pligtplegingen.

Zoodra dit eindelijk afgeloopen was, begon het gesprek (zoo als men het heet), zeer schitterend te worden. Daar er echter niets in voorkwam, dat òf op zich zelf, òf voor deze geschiedenis eenigzins belangrijk was, zal ik het niet opteekenen; te meer, daar ik heel vele deftige gesprekken ken, die verbazend vervelend zijn als men ze in boeken overschrijft, of op het tooneel herhaalt. Inderdaad, is dit feest van het vernuft eene lekkernij, welke even vreemd moet blijven aan diegenen welke uitgesloten zijn van de groote wereld, als de talrijke lekkernijen der Fransche keukens, welke alleen op de tafels der groote lui gevonden worden. En, om de waarheid te zeggen, daar ze geen van allen met ieders smaak overeenkomen, zouden ze dikwerf aan het gemeen slechts verspild zijn.

De arme Jones was eerder een toeschouwer dan een deelgenoot van dit sierlijk tooneel; want ofschoon in den korten tusschentijd vóór het verschijnen van den Pair, eerst Lady Bellaston en later mevrouw Fitzpatrick eenige woorden tot hem gerigt hadden, was naauwelijks de edele Lord binnen gekomen, of hij boeide de geheele oplettendheid der beide dames, en daar hij niet meer notitie van Jones nam, dan alsof zoo iemand niet bestond,—tenzij door hem tusschenbeide aan te gapen,—volgden de dames ook zijn voorbeeld.

De bezoekers bleven zoo lang dat mevrouw Fitzpatrick duidelijk inzag, dat zij het er op toelegden wie het langste zou blijven. Zij besloot dus zich van Jones te verlossen, daar hij de bezoeker was, jegens wien zij de minste pligtplegingen meende te moeten maken. Dus, eene oogenblikkelijke stilte in het gebabbel waarnemende, wendde zij zich zeer deftig tot hem en zeide:

„Mijnheer, het is me onmogelijk u omtrent uwe zaken heden avond antwoord te geven; maar als gij zoo goed wilt wezen te laten weten waar gij woont, zal ik u morgen welligt eene boodschap doen geworden.”

Jones was van nature, maar niet kunstmatig beleefd;—in plaats dus van het geheim van zijn verblijf aan een knecht toe te vertrouwen, maakte hij de dame zelve heel naauwkeurig daarmede bekend en vertrok spoedig daarop na de behoorlijke pligtplegingen.

Naauwelijks was hij weg, of de groote man, die geen acht op hem geslagen had zoo lang hij aanwezig was, schonk hem zijne bijzondere aandacht in zijne afwezigheid; maar als de lezer het ons vergeven heeft dat wij het meer schitterende gedeelte van het gesprek verzwegen hebben, zal hij het ons zeker te goed houden als wij de herhaling van hetgeen men gemeene scheldwoorden noemen kan, verzuimen;—hoewel het misschien van belang is voor ons verhaal te melden, dat Lady Bellaston, weinige minuten nadat Jones wegging, bij haar vertrek, tot mevrouw Fitzpatrick zeide: „Ik ben geheel gerust gesteld omtrent mijne arme nicht;—met zoo’n mensch zal zij geen gevaar loopen!”

Onze geschiedenis zal het voorbeeld van Lady Bellaston volgen en afscheid nemen van het overige gezelschap, dat thans tot op twee personen verminderd was, tusschen wie er niets gebeurde, dat in het minst den lezer aangaat,—zoodat wij ons daardoor niet zullen laten afleiden van andere zaken, die van meerder gewigt moeten schijnen aan al diegenen die eenige belangstelling gevoelen in onzen held.

HOOFDSTUK V.

EEN AVONTUUR DAT DE HEER JONES BELEEFDE IN ZIJNE WONING, MET HET EEN EN ANDER OMTRENT EEN JONGEN HEER, DIE OOK DAAR IN HUIS WAS, EN OOK OMTRENT DE VROUW DES HUIZES EN HARE BEIDE DOCHTERS.

Den volgenden morgen, zoodra de welvoegelijkheid het toeliet, klopte Jones weder bij mevrouw Fitzpatrick aan, en kreeg tot antwoord, dat die dame niet te huis was, wat hem te meer verwonderde, daar hij sedert het aanbreken van den dag op straat heen en weer geloopen was, en hij haar had moeten zien als zij uitgegaan ware. Hij moest zich echter met dit antwoord tevreden stellen, niet slechts nu, maar bij vijf andere bezoeken, welke hij haar dien dag bragt.

Om den lezer in te lichten, diene dat de edele Lord, om de eene of andere reden,—misschien om den goeden naam der dame,—er op gestaan had, dat zij den heer Jones niet meer ontvangen zou, dien hij een „gemeenen schooijer” noemde en de dame had hem zijn zin gegeven en de belofte afgelegd, welke wij haar thans zoo standvastig zien houden.

Daar echter de lezer welligt een betere meening heeft omtrent den jongen heer dan deze dame, en zelfs eenige vrees kan koesteren dat hij gedurende zijne ongelukkige scheiding van Sophia genoodzaakt was in eene herberg, of op straat te vertoeven, zullen wij nu het een en ander mededeelen omtrent zijne woning, welke in een zeer fatsoenlijk huis was, in eene zeer aanzienlijke buurt.

De heer Jones had namelijk den heer Allworthy dikwerf hooren spreken van de dame in wier huis hij zijn intrek nam, als hij naar de stad moest. Deze dame, die, zooals Jones gehoord had, in Bond-street woonde, was de weduwe van een predikant, en werd bij den dood van haar man in het bezit gelaten van twee dochters en van een bundel geschreven preken.

Van deze twee dochters had thans Nancy, de oudste, den leeftijd van zeventien jaren bereikt, terwijl Betsy, de jongste, tien jaar oud was.

Bij haar had Jones Partridge gevonden, en in dit huis kreeg hij eene kamer voor zich zelven op de tweede en eene voor Partridge op de vierde verdieping.

De eerste verdieping werd bewoond door een van die jonge heeren, die den naam hadden van „voor hun pleizier” te leven;—en niet zonder regt; want daar men de menschen gewoonlijk rangschikt naar hunne bezigheden, of beroep, kan men ook verklaren, dat pleizier maken de eenige bezigheid of beroep was van die heeren, welke door hun vermogen verheven waren boven alle wettige werkzaamheden. Schouwburgen, koffij- en wijnhuizen waren de plaatsen waar zij zich vereenigden. Geestigheid en scherts vermaakten hen in uren van uitspanning, en de liefde was de bezigheid van meer ernstige oogenblikken. De wijn en de Muzen werkten zamen om de schitterendste vlammen in hun hart te doen ontbranden:—zij beperkten zich ook niet slechts tot het bewonderen; maar sommigen waren zelfs in staat om de schoonheid, welke zij bewonderden, te bezingen, en allen waren bevoegd om dergelijke uitboezemingen te beoordeelen.

Zoodanig waren dan vroeger de heeren die „voor hun pleizier” leefden; maar ik twijfel zeer of men even gepast dezelfde benaming zou kunnen geven aan die jonge heeren uit onze dagen, die dezelfde eerzucht koesteren van zich te onderscheiden. Van de geestigheid weten zij zeker niets af. Om hun regt te doen, vliegen zij iets hooger dan hunne voorgangers, en men zou hen „liefhebbers van wijsheid en kunst” kunnen noemen.

Dus, op een leeftijd waarop bovengenoemde heeren bezig waren met op eene schoone vrouw een feestdronk in te stellen, of om sonetten op haar te maken,—met, in den schouwburg hun oordeel te vellen over een tooneelstuk,—of bij Will’s of Button een gedicht te bespreken,—overleggen deze heeren thans hoe zij eene kiezersvereeniging zullen omkoopen,—bedenken eene redevoering voor het parlement, of liever eene verhandeling voor de tijdschriften, terwijl de wetenschap van het spel vooral hunne gedachten bezig houdt. Dit zijn de studiën van hunne ernstige uren, terwijl zij voor hun vermaak het uitgestrekte gebied hebben van den kunstliefhebber: schilderijen, muzijk, beeldhouwkunst, en de natuurlijke, of liever de onnatuurlijke wijsbegeerte, welke het wonderbaarlijke opdischt, en van de natuur niets anders kent dan hare monsters en onvolmaaktheden.

Nadat Jones den heelen dag in vergeefsche pogingen had aangewend om mevrouw Fitzpatrick te zien, keerde hij eindelijk troosteloos naar zijne kamers terug. Hier, terwijl hij in stilte zijn lot beklaagde, hoorde hij een hevig geraas beneden aan de trap, en eene vrouwenstem, die hem om hulp riep en hem smeekte om een moord te komen beletten. Jones, die nooit eenige gelegenheid verzuimde om de ongelukkigen bij te staan, vloog dadelijk naar beneden, trad in de voorkamer en zag voormelden wijzen en kunstminnenden jongen heer, door zijn eigen knecht vast tegen den muur geklemd, terwijl eene jonge dame die er bij stond, de handen wrong en uitriep: „Moord! Moord! Hij zal hem vermoorden!” en inderdaad de arme man scheen gevaar te loopen van gewurgd te worden, toen Jones tot zijne hulp opdaagde en hem redde juist op het oogenblik dat hij gereed scheen den adem uit te blazen onder de onbarmhartige handen van zijn vijand.

Hoewel deze verscheidene trappen en stompen ontvangen had van den kleinen heer, die meer moed dan kracht bezat, beschouwde de knecht het toch als eene soort van gewetenszaak om zijn meester te slaan, en zou zich te vreden gesteld hebben met hem te wurgen; maar koesterde minder eerbied voor Jones. Zoodra hij zich dan wat ruw aangevallen zag door dezen nieuwen tegenstander, gaf hij hem een van die stompen in de ingewanden, welke, ofschoon, zij op het kampvechters-tooneel van den heer Broughton den toeschouwers oneindig veel genot verschaffen, slechts weinig genoegen doen aan diegenen, welke ze ontvangen.

De krachtige jongeling had naauwelijks dezen slag ontvangen, of hij gaf hem met woeker terug, en thans volgde er een strijd tusschen Jones en den knecht, die woedend maar zeer kort was; want deze kerel was evenmin bestand tegen Jones, als zijn meester tegen hem bestand was geweest.

En nu had Fortuna, volgens hare gewoonte, de zaken omgekeerd. De vorige overwinnaar lag ademloos op den grond uitgestrekt, en de overwonnene heer had adem genoeg gekregen, om den heer Jones voor zijne tijdige hulp te danken, terwijl hij mede hartelijk bedankt werd door de jonge dame die aanwezig was, en die niemand anders bleek te zijn dan jufvrouw Nancy, de oudste dochter des huizes.

De knecht, nu weer opgestaan zijnde, schudde het hoofd tegen Jones en zeide met een sluwen blik: „Neen verd—! Tegen jou zal ik het niet meer opnemen! Gij hebt eene goede school doorgemaakt,—of de drommel zal mij halen!”

En inderdaad, wij mogen hem dit vermoeden te goed houden; want onze held was zoo vlug en sterk dat hij welligt bestand zou zijn geweest tegen een boxer van beroep en gemakkelijk al de met den handschoen gepromoveerden van den heer Broughton zou beschaamd hebben. [16]

De meester nu, schuimbekkende van woede, beval den knecht om dadelijk de liverei uit te trekken, waartoe deze terstond gereed was, mits hij zijn loon kreeg. Die voorwaarde werd dadelijk vervuld en daarmede werd hij ontslagen.

Daarop drong de jonge heer, die Nightingale heette, er sterk op aan dat zijn bevrijder een glas wijn met hem gebruiken zoude, waarin Jones, na zich lang te hebben laten smeeken, toestemde; ofschoon eerder uit beleefdheid dan uit neiging; want zijne ongerustheid maakte hem op dat oogenblik weinig voor de gezelligheid geschikt.

Mejufvrouw Nancy, het eenige vrouwelijke wezen in huis daar hare moeder en hare zuster beiden naar de komedie waren gegaan, verwaardigde zich insgelijks hen met haar gezelschap te vereeren.

Zoodra de flesch en de glazen op tafel stonden, begon de heer Nightingale de aanleiding tot de pas ontstane rustverstoring uit te leggen.

„Ik hoop, mijnheer,” zeide hij tot Jones, „dat gij uit hetgeen gebeurd is, niet besluiten zult dat het mijne gewoonte is om mijne dienstboden te slaan; want ik kan u verzekeren dat, zoolang ik me herinneren kan, dit de eerste keer is dat ik me aan zoo iets schuldig heb gemaakt, en juist dezen kerel had ik vele lastige gebreken vergeven, eer hij mij zoo ver bragt;—maar, als gij verneemt wat er heden avond gebeurd is, zult gij denkelijk gelooven dat ik wel te vergeven ben. Bij toeval kwam ik een uur of wat vroeger dan gewoonlijk te huis, en vond vier heeren in liverei bezig met whist te spelen bij mijn vuur,—en mijn „Hoyle’s Whistspeler,” mijnheer,—mijn nieuwen Hoyle, die me een guinje gekost had, open op tafel, met een glas bier gestort op een der gewigtigste bladzijden van het boek. Gij zult bekennen dat dit eigenlijk al genoeg was; maar ik zei niets, tot het lieve gezelschap zich verwijderd had, toen ik den kerel een zacht verwijt deed, die, in plaats van eenig leedwezen te betoonen, mij het onbeschofte antwoord gaf, „dat dienstboden, even goed als andere menschen, hunne genoegens moeten hebben; dat het hem speet, dat er iets aan het boek gekomen was; maar dat vele zijner kennissen zoo’n boek voor een shilling gekocht hadden, en dat ik hem die som van zijn loon korten mogt, als ik dat verkoos.” Ik verweet hem nu zijn gedrag strenger dan te voren, en de schelm had toen de onbeschaamdheid om,—met één woord, hij zeide dat ik alleen vroeger naar huis was gekomen om,—om,—hij drukte zich met de meeste onbeschaamdheid uit;—hm,—hij zeide iets, met één woord, ten nadeele dezer jonge dame, dat mij bovenmate vertoornde en mijn geduld uitputte, en in mijne drift gaf ik hem een slag.”

Jones hernam, „dat hij geloofde dat geen mensch ter wereld hem zoo iets kwalijk kon nemen; en wat mij betreft,” zeide hij, „zou ik hem, als hij mij zoo getergd had, ook op dezelfde wijze behandeld hebben.”

Ons gezelschap was nog niet lang bijeen geweest toen het vermeerderd werd door de moeder en dochter, die van den schouwburg te huis kwamen. Zij sleten nu allen een zeer aangenamen avond; want allen, behalve Jones, waren zeer opgeruimd, en zelfs hij deed zijn best om zoo vrolijk mogelijk te schijnen. Inderdaad, de helft van zijn natuurlijken levenslust, gevoegd bij zijne groote goedaardigheid, was genoeg om hem zeer beminnelijk in den omgang te maken, en in weerwil van zijne droefgeestigheid, maakte hij zich nu zoo aangenaam dat, toen zij scheidden, de jonge heer ernstig smeekte om nader kennis met hem te mogen maken. Jufvrouw Nancy was ook zeer met hem ingenomen, en de weduwe, geheel bekoord door den nieuwen huisgenoot, noodigde hem, met den andere, den volgenden morgen op het ontbijt.

Jones was, van zijn kant, niet minder voldaan. Wat jufvrouw Nancy betreft, hoewel een heel klein ding, was zij zeer mooi, en de weduwe prijkte met al de bekoorlijkheden, welke eene vrouw van bijna vijftigjarigen leeftijd versieren kunnen. Zij was ook tevens een der onschuldigste en meest opgeruimde wezens ter wereld. Zij dacht, noch sprak, noch begeerde iets kwaads, en was bezield met dien gestadigen wensch om te behagen,—die in zoo ver de gelukkigste aller wenschen is, dat hij zelden,—zoo hij niet door gemaaktheid, verijdeld wordt,—zijn doel mist. Met één woord hoewel, er slechts weinig in hare magt was, bleef zij in haar hart steeds eene zeer getrouwe vriendin. Zij was eene uiterst liefderijke echtgenoote geweest, en was thans ook eene zorgzame en teedere moeder.

Daar onze geschiedenis geene courant is, die luide den roem verkondigt van menschen van welke men vroeger nooit iets gehoord heeft en van wie men nooit verder iets vernemen zal, moet de lezer inzien dat deze uitstekende vrouw later blijken zal eene belangrijke rol te spelen in ons verhaal.

Jones was ook niet weinig ingenomen met den jongen heer, die hem op een glas wijn verzocht had. Hij dacht dat hij veel gezond verstand bij hem ontdekt had, hoewel het een weinig bedorven was door de kwasterigheid der hoofdstad; maar hetgeen hem het meest aan Jones aanbeval, waren eenige zeer edelmoedige en menschlievende gevoelens, die hij zich tusschenbeide liet ontvallen, en vooral vele uitdrukkingen omtrent het in acht nemen der grootste onbaatzuchtigheid in alle liefdezaken. Over dit onderwerp drukte zich de jonge heer uit in eene taal die een Arkadischen herder uit den ouden tijd zich niet zou hebben behoeven te schamen, en welke zeer verwonderlijk scheen als men ze hoorde vloeijen van de lippen van een hedendaagschen man van de wereld;—maar dit laatste was hij alleen uit navolgingszucht;—de natuur had hem tot iets veel beters bestemd.

HOOFDSTUK VI.

HETGEEN ER GEBEURDE TERWIJL HET GEZELSCHAP BIJ HET ONTBIJT ZAT, MET EENIGE WENKEN OMTRENT DE OPVOEDING VAN DOCHTERS.

Ons gezelschap kwam den volgenden morgen bijeen, even vriendschappelijk gezind als het den vorigen avond gescheiden was; alleen de arme Jones was zeer mistroostig; want hij had pas van Partridge vernomen, dat mevrouw Fitzpatrick plotseling verhuisd was, zonder dat het hem gelukte te vernemen waar zij heen gegaan was. Dit nieuws trof hem zeer en zijn gelaat, zoo wel als zijne houding gaven, in weerwil van al zijne pogingen om het te verbergen, de duidelijkste blijken van zijne hevige ontroering.

Het gesprek liep nu weder, even als vroeger, over de liefde, en de heer Nightingale uitte op nieuw vele van die hartstogtelijke, edelmoedige en onbaatzuchtige gevoelens op dit punt, welke door wijze en bedaarde mannen „romanesk” genoemd worden, maar die wijze en bedaarde vrouwen gewoonlijk uit een gunstiger oogpunt beschouwen. Mejufvrouw Miller (zoo als de vrouw des huizes heette), keurde deze gevoelens zeer goed; maar als de jonge heer zich op hare dochter Nancy beriep, gaf deze slechts ten antwoord, „dat zij geloofde dat de mijnheer die het minst gesproken had, juist het diepste gevoelde.”

Dit compliment was zoo blijkbaar tot Jones gerigt, dat het ons gespeten zou hebben als hij het stilzwijgend had laten voorbij gaan. Hij gaf haar dan ook een zeer beleefd antwoord, en eindigde met een zijdelingschen wenk, dat haar eigen stilzwijgen haar zelve aan een dergelijke opmerking blootstelde; want zij had inderdaad den vorigen avond, noch thans, de lippen haast niet open gedaan.

„Ik ben blijde, Nancy,” zei jufvrouw Miller, „dat mijnheer dat opgemerkt heeft;—en ik verklaar dat ik bijna van zijne meening ben. Wat scheelt u toch, kind? Ik heb nooit zoo’n verandering gezien. Waar is al uwe vrolijkheid gebleven? Zoudt gij het gelooven, mijnheer?—Ik noemde haar altijd de kleine praatster. En nu heeft zij de geheele week geen tien woorden gesproken!”

Hier werd het gesprek gestoord door het binnentreden van eene dienstmeid met een pakje in de hand, hetwelk, naar zij zeide, door een kruijer afgegeven was voor den heer Jones. Zij voegde er bij, dat de man dadelijk weer weggegaan was, zonder op antwoord te willen wachten.

Jones gaf eenige verwondering hierover te kennen en verklaarde dat er eene vergissing bij plaats gevonden moest hebben; maar daar de meid volhield dat zij zeker was den naam goed gehoord te hebben, begeerden de vrouwen het pakje te openen, wat eindelijk, door de kleine Betsy gedaan werd,—met toestemming van den heer Jones, en men ontdekte dat de inhoud bestond uit een domino, een masker, en een kaartje voor eene maskerade.

Jones gevoelde zich thans nog meer dan vroeger overtuigd dat het pakje bij vergissing voor hem afgegeven was en jufvrouw Miller zelve drukte eenigen twijfel uit en zeide, „dat zij niet precies wist wat zij er van denken moest.”

Maar de heer Nightingale, toen men hem zijn gevoelen vroeg, uitte zich in een geheel tegenovergestelden zin. „Al wat ik er uit opmaak, mijnheer, is dat gij een zeer gelukkig mensch zijt; want ik koester hoegenaamd geen twijfel, dat deze dingen u gezonden zijn door de eene of andere dame, die gij het genoegen zult hebben op het gemaskerd bal te ontmoeten.”

Jones was niet ijdel genoeg om zich met zulk een vleijend denkbeeld te streelen, en jufvrouw Miller stemde ook niet sterk in met wat door den heer Nightingale beweerd werd, totdat, toen jufvrouw Nancy den domino op nam, er een kaartje uit de mouw viel, waarop geschreven stond:

„Aan den heer Jones.

„De feeënkoningin, die u haar gaven biedt, Roept met die gift u toe: misbruik haar goedheid niet.”

Mejufvrouw Miller en hare dochter Nancy werden het nu beide met den heer Nightingale eens, en Jones zelf liet zich haast overhalen om dezelfde meening te omhelzen. En daar hij zich verbeeldde, dat de eenige dame die zijne woning kende, mevrouw Fitzpatrick moest zijn, begon hij zich met de hoop te vleijen dat alles van haar kwam, en dat hij welligt zijne Sophia ontmoeten zou. Deze hoop had wel is waar weinig grond; maar daar het gedrag van mevrouw Fitzpatrick, die in weerwil van hare belofte om hem te ontvangen, hem niet had willen zien, zoo vreemd en onverklaarbaar was, koesterde hij de flaauwe hoop dat zij (van wier grilligheid hij vroeger gehoord had), hem welligt op deze wonderlijke wijze, eene dienst wilde bewijzen, welke zij hem op eene meer eenvoudige wijze geweigerd had. Om de waarheid te zeggen, daar er uit zulk eene verrassende en vreemde gebeurtenis niets zekers op te maken was, had hij ook de grootste vrijheid om zich de meest hersenschimmige gevolgen daarvan te verbeelden. Daar hij ook van aard zeer levendig was, gaf hij thans den vrijen loop aan zijne verbeelding en stelde zich duizenderlei beelden voor van eene gelukkige ontmoeting met zijne lieve Sophia dienzelfden avond.

Zoo gij, lezer, mij iets goeds toewenscht, zal ik u dat vergelden door u zelven die opgeruimdheid toe te wenschen, daar ik,—na veel gelezen en gedacht te hebben over het menschelijke geluk, een onderwerp dat zoo vele beroemde pennen bezig gehouden heeft,—bijna geneigd ben het te stellen in het bezit van deze gemoedsstemming, die ons, in zekere mate, buiten het bereik van het noodlot plaatst, en ons, zonder zijn toedoen, gelukkig maakt. En werkelijk zijn de aangename gewaarwordingen welke wij daaraan te danken hebben, veel standvastiger en levendiger dan die welke de blinde geluksgodin ons schenkt; daar de natuur het wijsselijk zoo ingerigt heeft, dat alle onze genietingen zelfs de voortreffelijkste, een gevoel van verzadiging en afgematheid te weeg brengen,—ten einde te beletten dat wij niet zoo zeer daarmede vervuld worden, dat ze ons van alle andere bezigheden afleiden. Ik twijfel dus niet, dat op die wijze, de pas gepromoveerde advokaat, die zich verbeeldt in de toekomst groot kanselier van het rijk te worden,—en de jonge geestelijke, die zich later aartsbisschop verbeeldt te worden, gelukkiger zijn dan diegenen welke werkelijk in het bezit zijn van al de magt en al de voordeelen aan die hooge ambten verbonden.

De heer Jones besloot dus dien avond naar het gemaskerde bal te gaan, en de heer Nightingale bood aan om hem te vergezellen. Terzelfder tijd bood hij ook aan om kaartjes te nemen voor jufvrouw Nancy en hare moeder,—wat echter de goede vrouw van de hand wees.

Zij zeide, „dat zij zooveel kwaad, als sommige menschen er in zagen, in een gemaskerd bal niet zag; maar dat zulke kostbare vermakelijkheden alleen geschikt waren voor menschen van rang en vermogen, en niet voor jonge meisjes, die zelve den kost verdienen moesten, en op zijn best hopen konden de vrouw van den een of anderen winkelier te worden.”

„Een winkelier!” riep Nightingale. „Gij moet Nancy niet te gering schatten! Er is geen edelman ter wereld te goed voor haar!”

„O foei, mijnheer Nightingale!” hernam jufvrouw Miller, „gij moest het arme kind zulke gekheden niet in het hoofd zetten; maar als zij ooit het geluk had,” voegde zij er met een glimlach bij, „om een fatsoenlijken heer te vinden, die zoo dacht als gij, dan hoop ik, dat zij zijne edelmoedigheid beter beloonen zou dan door zich aan dergelijke uitspattingen over te geven. Inderdaad, als jonge meisjes zelve een groot vermogen mede brengen, hebben zij het regt om haar eigen geld uit te geven, en om die reden heb ik de heeren wel eens hooren zeggen, dat een man soms beter doet met eene arme dan met eene rijke vrouw te nemen. Maar wie ook mijne dochters trouwen, ik zal trachten te maken dat hare echtgenooten een schat aan haar hebben;—ik verzoek u dus mij niet over maskerades te spreken. Nancy, dat weet ik, is veel te verstandig om er heen te willen gaan; want zij zal zich wel herinneren, dat toen gij haar verleden jaar daarheen medenaamt, het haar het hoofd bijna op hol bragt, en dat het eene maand duurde eer zij bij haar naaiwerk en haar vroeger doen eenige rust vond.”

Hoewel een zachte zucht, door Nancy geslaakt, eenige geheime afkeuring van deze gevoelens scheen te kennen te geven, durfde zij ze niet openlijk weerleggen. Want de goede vrouw had, in weerwil van al hare teederheid, ook haar moederlijk gezag bewaard, en uit vrees voor de veiligheid en het toekomstig geluk harer dochters, liet zij nooit toe dat de bevelen, welke daarop gegrond werden, verzuimd of tegengegaan werden. En de jonge heer, die al twee jaren bij haar in huis gewoond had, wist dit zoo goed, dat hij dadelijk in hare weigering berustte.

De heer Nightingale, die met elk oogenblik meer met Jones ingenomen werd, verlangde zeer dat deze heer met hem dien dag eten zou in een wijnhuis, waar hij aanbood om hem met eenige zijner vrienden bekend te maken; maar Jones verontschuldigde zich, met te zeggen, „dat zijne kleeren nog niet in de stad aangekomen waren.”

Om de waarheid te zeggen, was de heer Jones nu in een toestand, waarin zich soms jonge heeren bevinden van veel betere positie dan hij. Met één woord, hij had geen duit meer op zak, een toestand waarmede de oude wijsgeeren veel meer ingenomen waren dan de hedendaagsche wijzen, die in de nabijheid van de beurs wonen, of den chocolaat-winkel van White bezoeken. Welligt is de groote eer welke die wijsgeeren aan een leegen zak bewijzen, ééne der redenen van die diepe verachting waarmede zij aan genoemde beurs en in voormelden winkel beschouwd worden.

Als nu de oude meening, dat de mensch zeer goed alleen van de deugd leven kan, een dwaling is, zoo als de hedendaagsche wijzen, die wij pas vermeld hebben, gelooven ontdekt te hebben, beweer ik, dat het niet minder verkeerd is te stellen, met sommige romanschrijvers, dat de mensch alleen van de liefde leven kan. Want, hoe heerlijk die ook sommige onzer zinnen en lusten streelen moge, is het zeker dat wij er velen hebben, welke er niets aan hebben. Diegenen dus, die in dergelijke schrijvers te veel vertrouwen stelden, zagen hunne dwaling in als het te laat was, en hebben ondervonden dat de liefde evenmin in staat is den honger te stillen, als eene roos om het gehoor te streelen, of de violine om den neus te vergasten.

In weerwil dus van al de lekkernijen welke de liefde hem voorgezet had,—namelijk de hoop om Sophia op het gemaskerde bal te ontmoeten, en waarop hij (hoe ongegrond ze ook zijn mogt) den heelen dag zijne weelderige verbeelding vergast had, begon de heer Jones, zoodra de avond viel, naar voedsel van groveren aard te verlangen.

Partridge ontdekte dit door intuïtie, en nam de gelegenheid waar om eenige zijdelingsche wenken te geven omtrent de banknoot, en toen deze met minachting verworpen werden, verzamelde hij weder zijn moed om te spreken van eene terugreis naar den heer Allworthy.

„Partridge!” riep Jones, „gij kunt u mijn toestand niet wanhopiger voorstellen dan ik dat doe;—en ik begin er hartelijk berouw over te gevoelen, dat ik u van eene plaats, waar gij gevestigd waart, liet weggaan, alleen om mij te volgen. Maar nu sta ik er toch op, dat gij naar huis gaat, en ik verzoek u al de kleeren, welke ik bij u gelaten heb, als eene kleine vergoeding te beschouwen voor de onkosten en moeite welke gij u om mijnentwil hebt getroost. Het spijt me dat ik u niets anders aanbieden kan.”

Hij was zoo aangedaan toen hij deze woorden uitte, dat Partridge, die onder al zijne ondeugden, geene ongevoeligheid of hardvochtigheid telde, in tranen uitbarstte, en zwerende dat hij hem nooit in den nood verlaten zou, er ernstig op begon aan te dringen, dat hij naar huis terugkeeren zou.

„In ’s hemels naam, mijnheer,” riep hij, „bedenk wel wat gij doet! Hoe is het mogelijk in Londen te leven zonder geld? Wat gij ook doet, mijnheer, of waarheen gij ook gaat, ik heb besloten bij u te blijven. Maar, mijnheer, om uw eigen wil, bid ik u, overleg wel wat u te doen staat en ik ben overtuigd dat uw eigen gezond verstand u zeggen zal dat gij weer naar huis moet gaan!”

„Hoe dikwerf moet ik u toch herhalen,” vroeg Jones, „dat ik geen te huis heb, waarheen ik zou kunnen terugkeeren? Kon ik eenige hoop koesteren dat het huis van mijnheer Allworthy voor mij open zou staan, ik behoefde niet door den nood gedwongen te zijn eer ik daarheen ging;—ja, er is niets ter wereld dat mij één oogenblik beletten zou om hem op te zoeken, ware het niet, helaas, dat ik juist door hem zelven gebannen ben. Zijne laatste woorden waren,—o Partridge, ze klinken me nog in de ooren!—zijne laatste woorden waren, toen hij mij eene som gelds ter hand stelde,—hoeveel het was, weet ik niet, maar zeker was het iets aanzienlijks, zijne laatste woorden dan waren: „Van heden af, om welke reden ook, wil ik niets meer met u te maken hebben!””

Hier verstomde Jones een oogenblik van aandoening en Partridge van verbazing; maar deze herkreeg weldra het gebruik van zijn spraakvermogen, en na eene korte inleiding, waarin hij verklaarde volstrekt niet nieuwsgierig te zijn, vroeg hij, wat Jones toch bedoelde met „eene aanzienlijke som gelds; hij wist niet hoeveel,” en waar het toch gebleven was?

Op deze beide punten kreeg hij nu voldoende inlichtingen, en was bezig met zijne aanmerkingen er op te maken, toen hij gestoord werd door eene boodschap van mijnheer Nightingale, die zijn meester verzocht bij hem op de kamer te komen.

Toen de beide heeren voor de maskerade gekleed waren, en de heer Nightingale twee draagstoelen besteld had, geraakte Jones in eene verlegenheid, welke iets heel bespottelijks zal hebben voor vele mijner lezers. Dit was, hoe zich een shilling te verschaffen; maar als zulke lezers zich herinneren willen wat zij zelve ondervonden hebben als zij het gemis gevoelden van duizend pond, of welligt van slechts tien of twintig, om het eene of andere geliefkoosde plan uit te voeren, zullen zij een volmaakt begrip hebben van hetgeen de heer Jones nu ondervond. Hij wendde zich dus tot Partridge om deze som,—voor de eerste maal, dat hij hem iets had laten voorschieten,—en voor de laatste maal, zoo als hij zich voornam, dat de arme drommel iets in zijne dienst zou uitgeven. En, om de waarheid te zeggen, had Partridge in den laatsten tijd niets van dien aard aangeboden, hetzij hij verlangde dat Jones de banknoot zou aanspreken, of, door den nood gedrongen, weer naar huis zou gaan,—of om eenige andere reden;—maar dat zal ik niet beslissen.

HOOFDSTUK VII.

AL DE PRET VAN EENE MASKERADE.

Onze ridders bereikten nu den tempel waar Heydegger, de groote arbiter deliciarum, de hoogepriester van het genoegen, zijn verblijf houdt, en even als alle andere heidensche priesters, zijne volgelingen fopt door de gewaande aanwezigheid der godheid, terwijl er inderdaad geene godheid aanwezig is.

De heer Nightingale, na een paar maal met zijn makker op en neder gewandeld te hebben, verliet hem weldra, en ging met eene dame weg, terwijl hij zeide: „Nu dat gij eens hier zijt, mijnheer, moet gij verder voor u zelven zorgen.”

Jones begon nu levendig de hoop te koesteren dat zijne Sophia aanwezig was, en deze hoop maakte hem opgeruimder dan de verlichting, de muzijk en het gezelschap bij elkaar, hoewel dezen tamelijk sterke middelen zijn tegen de droefgeestigheid. Hij sprak ook iedere vrouw aan, die hij zag, welke in gestalte, houding of grootte eenige gelijkenis had met zijne beminde.

Jegens allen trachtte hij iets piquants te zeggen, dat een antwoord uitlokken moest, waardoor hij de stem herkennen kon, waarin hij het onmogelijk achtte, dat hij zich vergissen zou. Eenigen antwoordden met zelve te vragen, op eene piepende stem: „Kent gij mij?” Maar op verre na, de meesten zeiden: „Ik ken u niet, mijnheer!” en geen woord meer. Eenigen noemden hem „impertinent,” eenigen gaven hem in ’t geheel geen antwoord,—enkelen zeiden: „Wezenlijk, ik herken uwe stem niet en wil niets met u te maken hebben!” terwijl ook vele anderen hem zoo vriendelijk antwoordden als hij maar wenschen kon,—maar zonder dat hij de geliefde stem vernam.

Terwijl hij met eene dezer laatsten praatte,—die als herderin gekleed was,—naderde hem eene dame in een domino, en hem op den schouder tikkende, fluisterde zij hem in het oor: „Als gij langer met dat vrouwspersoon blijft praten, zal ik het aan mejufvrouw Western zeggen!”

Zoodra Jones dien naam hoorde, verliet hij zijne andere gezellin, en wendde zich tot de domino, haar biddende en smeekende hem bij Sophia te brengen, als zij zich in de zaal bevond.

De dame ging haastig naar het boveneinde van het binnenste vertrek eer zij sprak, en dáár, in plaats van hem antwoord te geven, ging zij zitten en verklaarde dat zij zeer vermoeid was. Jones nam plaats naast haar, en hield steeds vol met smeeken, tot de dame eindelijk heel koel antwoordde: „Ik had me verbeeld, dat de heer Jones een al te vurige minnaar was dan dat eenige verkleeding hem beletten kon zijne beminde te ontdekken.”

„Is zij dan hier, mevrouw?” vroeg Jones, eenigzins driftig. Waarop de dame hernam: „Bedaar, mijnheer! Gij zult de aandacht van iedereen op u vestigen! Ik geef u mijn woord van eer dat mejufvrouw Western niet hier is.”

Jones greep nu de gemaskerde dame bij de hand en smeekte haar, op de meest ernstige wijze om hem te zeggen waar hij Sophia vinden kon, en toen hij geen regtstreeksch antwoord uit haar krijgen kon, begon hij haar zacht te verwijten dat zij hem den vorigen dag zoo teleurgesteld had, en eindigde met te zeggen: „Waarlijk, mijne schoone koningin der feeën, ik ken uwe majesteit zeer goed, in weerwil van de wijze waarop gij tracht uwe stem te veranderen. Wezenlijk, mevrouw Fitzpatrick, het is wat wreed van u om u aldus ten mijnen koste te vermaken!”

De gemaskerde dame hernam: „Hoewel gij mij zoo slim herkend hebt, zal ik voortgaan met mijne stem te veranderen, om niet door anderen herkend te worden. Maar gelooft gij, mijnheer, dat ik niet te veel van mijne nicht houd, om eene liefdezaak tusschen u en haar te bevorderen, welke haar, zoowel als u zelven ongelukkig moet maken? Bovendien, ik verzeker u dat mijne nicht niet dolzinnig genoeg is om haren eigenen ondergang te zoeken, al zijt gij nog zoo zeer haar vijand, dat gij zoo iets van haar verlangt.”

„Helaas, mevrouw,” zei Jones, „gij kent mij zeer weinig, als gij mij voor een vijand van Sophia houden kunt!”

„Gij zult toch moeten bekennen,” hernam de gemaskerde dame, „dat het wel iets vijandigs is als men iemand te gronde rigten wil, en als men daardoor, willens en wetens, ook zich zelven ongelukkig maakt, is dat niet even dol en krankzinnig als misdadig? Nu bezit mijne nicht, mijnheer, slechts weinig meer dan haar vader haar geven zal,—dus slechts zeer weinig voor iemand van haar stand;—en gij kent haar vader en uwe eigene positie.”

Jones verklaarde dat hij geen voornemen van dien aard ten opzigte van Sophia koesterde; „dat hij liever den wreedsten dood wilde sterven dan hare belangen aan zijne wenschen opofferen. Hij zeide, dat hij wist hoe hij haar in alle opzigten onwaardig was, dat hij lang geleden besloten had al zulke hoogvliegende wenschen op te geven; maar dat zekere vreemde gebeurtenissen hem hadden doen verlangen haar nog éénmaal te zien,—om, dat beloofde hij, een laatst afscheid van haar te nemen. Neen, mevrouw,” eindigde hij, „mijne liefde is niet van dien verachtelijken aard, die alleen eigene voldoening zoekt op kosten van haar die ik boven alles bemin. Ik zou alles ter wereld willen opofferen om Sophia de mijne te noemen,—behalve Sophia zelve!”

Hoewel de lezer geen zeer verheven denkbeeld zal koesteren van de deugd der gemaskerde dame, en ofschoon het welligt later blijken zal, dat haar karakter juist niet een der verhevenste was, is het toch zeker dat deze edelmoedige gevoelens diepen indruk op haar maakten en de genegenheid zeer versterkten, welke zij reeds voor onzen jongen held opgevat had.

Na eenige oogenblikken van stilte, hernam de dame:

„Dat zij niet zoo zeer iets ongepasts, als wel iets zeer onvoorzigtigs zag in zijne aanspraken op Sophia’s hand. Jonge lieden,” zeide zij, „kunnen nooit te hoog vliegen. Ik houd van een jongen die eerzuchtig is, en ik zou in uwe plaats de eerzucht zoo veel mogelijk aankweeken. Misschien zult gij slagen bij diegenen die ver verheven boven u zijn in vermogen;—ja ik ben overtuigd dat er vrouwen zijn;—maar houdt gij mij niet voor een wonderlijk schepsel, mijnheer Jones, dat ik het waag om een man raad te geven, dien ik zoo weinig ken, en met wiens gedrag ten opzigte van mij zelve, ik zoo weinig reden heb te vreden te zijn?”

Jones begon zich nu te verontschuldigen en te hopen dat hij haar niet beleedigd had door iets dat hij van hare nicht gezegd had. Waarop de gemaskerde dame antwoordde: „Weet gij zoo weinig van ons geslacht, dat ge u verbeeldt eene dame ooit grievender te kunnen beleedigen dan door haar te onthalen op uwe liefde voor eene andere? Als de Feeën-koningin geen beter denkbeeld gekoesterd had van uwe beleefdheid, zou zij u bezwaarlijk op een gemaskerd hebben willen ontmoeten.”

Jones had nooit minder lust gevoeld om eene nieuwe liefdeszaak aan te knoopen dan op dit oogenblik; maar hoffelijkheid jegens de dames behoorde onder zijne grondbeginselen als man van eer, en hij beschouwde het evenzeer als pligt voor hem om eene uitdaging in de liefde als eene tot een gevecht aan te nemen. Ja, zelfs zijne liefde tot Sophia maakte het noodzakelijk voor hem op een goeden voet met deze dame te blijven, daar hij overtuigd was, dat het in hare magt stond om hem bij de andere te brengen.

Hij begon dus zeer vurig op haar laatste gezegde te antwoorden, toen een masker, als eene oude vrouw gekleed, zich bij hen voegde. Deze was eene dier dames, die alleen naar eene maskerade gaan, om haar kwaden luim bot te vieren, door de menschen onaangename waarheden te zeggen, en, gelijk men zegt, anderen zooveel mogelijk „de pret te bederven.”

Deze goede dame dan, Jones en de andere, die haar wel bekend was, in druk gesprek met elkaar in een hoek van de kamer gezien hebbende, besloot, dat zij hare kwaadaardigheid niet beter luchten kon dan door hen te storen. Zij viel hen dus dadelijk aan, verdreef hen weldra uit hunne afzondering, en vergenoegde zich niet eens daarmede, maar vervolgde hen overal waar zij heen vlugtten om haar te ontloopen, tot de heer Nightingale, zijn vriend in nood ziende, hem eindelijk redde en de oude dame overhaalde om nu anderen te gaan kwellen.

Terwijl Jones en de gemaskerde dame zamen door de zaal wandelden en zich van hunne vervolgster zochten te bevrijden, zag hij de dame verscheidene maskers aanspreken, met dezelfde gemeenzaamheid alsof zij niet verkleed waren. Hij kon niet nalaten zijne verbazing daarover te uiten, en zeide: „Gij moet zeker zeer scherpzinnig zijn, mevrouw, om al die menschen, in weerwil van hunne vermomming te herkennen!”

De dame hernam: „Gij kunt u niets laffer en kinderachtiger voorstellen dan eene maskerade voor menschen van de wereld, die, over het algemeen, elkaar hier even goed kennen als op eene partij of op een bezoek, en geene vrouw van aanzien zal ook, met wien het zij, spreken, dien zij niet kent. Met één woord, de meeste menschen, die gij hier ziet, komen eigenlijk alleen hier om den tijd te dooden, en als zij naar huis gaan, zijn zij gewoonlijk nog meer vermoeid dan na de langste preek. Om de waarheid te zeggen, het begint me ook zóó te gaan, en als ik de gave bezit van uwe gedachten te raden, bevalt het u hier niet veel beter dan mij. Ik geloof wezenlijk, dat het eene weldaad voor u zou zijn, als ik naar huis ging!”

„Ik weet slechts ééne weldaad, die daarmede in vergelijking komt,” riep Jones, „en die zou zijn, dat gij mij veroorloofdet u naar huis te brengen.”

„Wel!” hernam de dame, „gij hebt zeker een heel wonderlijk denkbeeld van mij opgevat, als gij u verbeeldt dat ik, die u zoo weinig ken, u op zulk een uur van den nacht bij mij toelaten zou! Gij zult, zonder twijfel, de vriendschap welke ik voor mijne nicht koester, aan eene andere beweegreden toeschrijven! Beken het maar eerlijk: gij beschouwt onze vooraf beraamde bijeenkomst hier als weinig anders dan een bepaald rendez-vous? Zijt gij er aan gewoon, mijnheer Jones, om zulke plotselinge veroveringen te maken?” „Ik ben er niet aan gewoon zelf zoo plotseling overwonnen te worden, mevrouw,” zei Jones. „Maar, nu gij mijn hart verrast hebt, heeft het overige gedeelte van mijn ligchaam het regt om u te volgen;—vergeef me dus als ik u vergezel, waar gij ook heen gaat.”

Hij liet deze woorden vergezeld gaan door eenige daden, welke daarmede overeenstemden, waarop de dame, na het hem zachtjes verweten te hebben, en zeggende dat hunne gemeenzaamheid in het oog vallen zou, zeide: „dat zij bij eene kennis ging souperen, waarheen zij hoopte dat hij haar niet volgen zou; want als gij dat doet,” vervolgde zij, „zal men mij voor een zeer ongerijmd wezen houden, hoewel mijne vriendin volstrekt niet ergdenkend is;—maar ik hoop toch, dat gij mij niet volgen zult;—ik verklaar niet te weten wat ik zeggen moet als gij dat doet!”

Kort daarop verliet de dame de zaal, en Jones, in weerwil van haar streng verbod, waagde het haar te volgen. Hij bevond zich thans weder in denzelfden nood als vroeger: hij had namelijk geen stuiver geld om een draagstoel te betalen en kon nu niets leenen. Hij stapte dus stout achter den draagstoel der schoone, gevolgd door een luid hoera der dragers, die zeer wijsselijk, steeds hun best doen om hunne meerderen af te schrikken van ooit te voet te gaan. Gelukkig echter dat de dragers, die naar de opera gaan, het te druk hadden om hunne praktijk op te geven, en daar het zoo laat was dat hij geen hunner kameraden op straat ontmoette, vervolgde hij onbelemmerd zijn weg in eene kleeding, welke op een ander uur een geheelen oploop veroorzaakt zou hebben.

De dame hield stil in eene straat niet ver van Hanover-square; de huisdeur werd wijd open gezet en de dame werd binnen gedragen, terwijl de heer haar zonder eenige pligtplegingen volgde.

Jones en zijne schoone bevonden zich thans in een zeer goed ingerigt verwarmd vertrek, en de dame, steeds met de piepende maskerstem sprekende, verklaarde verbaasd te zijn dat hare vriendin de afspraak scheen vergeten te hebben;—hierop drukte zij eerst hare groote verontwaardiging uit, en vervolgde met eenige vrees te uiten voor Jones, terwijl zij hem vroeg, wat de menschen er van denken zouden, als men hen op dat uur van den nacht zoo alléén daar vond?

Maar, in plaats van haar regtstreeks antwoord te geven op die gewigtige vraag, begon Jones de dame te smeeken om zich te ontmaskeren, waartoe hij haar eindelijk overhaalde,—en niet mevrouw Fitzpatrick, maar Lady Bellaston zelve zich aan zijne blikken vertoonde.

Het zou vervelend wezen om het gesprek verder te beschrijven, dat niets bevatte wat niet van zeer gewonen en dagelijkschen aard is, en dat van twee tot zes uur ’s morgens duurde. Genoeg als wij melding maken van hetgeen er in van belang was voor onze geschiedenis. En dit was, dat de dame beloofde haar best te doen om Sophia te ontdekken en hem in staat te stellen om haar te ontmoeten, onder voorwaarde dat het alleen zou zijn om afscheid van haar te nemen. Dit afgesproken zijnde,—en tevens eene tweede bijeenkomst dien avond op dezelfde plaats, scheidden zij:—de dame ging naar huis en Jones naar zijne kamers.

HOOFDSTUK VIII.

BEVATTENDE EEN TOONEEL VAN ELLENDE, DAT DE MEESTE LEZERS ZEER VREEMD ZAL TOESCHIJNEN.

Jones, eenige uren uitgerust hebbende, liet Partridge roepen, en hem eene banknoot van vijftig pond gevende, beval hij hem ze te gaan wisselen. Partridge ontving het papiertje met schitterende oogen, hoewel, toen hij over de zaak nadacht, hij niet nalaten kon eenige verdenking te koesteren, die niet zeer tot eer van zijn meester strekte, en waartoe het verschrikkelijke denkbeeld, dat hij van eene maskerade koesterde, en van de verkleeding, waarin Jones uitgegaan was, niet weinig bijdroeg. Met één woord, hij kon zich alleen het bezit van de banknoot door een diefstal verklaren, en, om de waarheid te bekennen, als de lezer niet veronderstelt, dat Jones ze te danken had aan de mildheid van Lady Bellaston, zal hij er ook geene andere verklaring voor kunnen vinden.

Ten einde dus de eer van den heer Jones te zuiveren, en om de milddadigheid der dame regt te doen, bekennen wij, dat hij de banknoot tot geschenk ontvangen had van deze dame, die, hoewel zij niet veel besteedde aan de dagelijksche liefdegiften van de wereld, het bouwen van hospitalen en dergelijke, niet geheel ontbloot was van die christelijke deugd en begreep (naar ik me verbeeld, met groot regt), dat een verdienstelijk jong mensch, die geen duit ter wereld bezat, geen ongeschikt voorwerp voor harer milddadigheid was.

De heeren Jones en Nightingale waren door jufvrouw Miller ten eten gevraagd. Op het bepaalde uur dan verschenen de beide heeren met de twee meisjes in de huiskamer, waar zij van drie tot bijna vijf uur wachtten eer de goede dame verscheen. Zij was uit de stad geweest, om eene harer betrekkingen te bezoeken, omtrent wie zij het volgende berigt gaf:

„Ik hoop, heeren, dat gij het mij niet kwalijk zult nemen, dat ik u heb laten wachten;—ik weet zeker dat als gij de reden wist——Ik ben er op uit geweest om eene nicht te bezoeken, ongeveer twee uren van hier, die nu in de kraam is.—Het moest eene waarschuwing zijn voor alle menschen” (met een blik op hare dochters), „om geen onverstandig huwelijk aan te gaan! Zonder ruimte van middelen, is er geen geluk in deze wereld! O, Nancy, hoe zal ik den ellendigen toestand beschrijven, waarin ik uwe arme nicht vond? Zij is naauwelijks eene week geleden bevallen, en daar lag zij, bij dit verschrikkelijk weder, op eene koude kamer, zonder gordijnen om het ledikant, en met geen enkelen bak steenkolen voor het vuur. Haar tweede zoon, zoo’n lief kereltje, ligt ter neder aan eene keelontsteking op dezelfde kamer, in hetzelfde bed met zijne moeder; want zij hebben geen tweede in huis. Die arme kleine Tommy! Ik vrees, Nancy, dat gij uwen lieveling nooit weer zult zien; want hij is hard ziek! De overige kinderen zijn redelijk gezond; maar ik vrees dat Molly een ongeluk zal krijgen;—die is slechts dertien jaren oud, mijnheer Nightingale, en toch heb ik van mijn leven zoo’n ziekenoppasster niet gezien: zij zorgt voor hare moeder en haar broertje, en wat verbazend is in zulk een jong schepseltje, zij is zoo opgeruimd mogelijk voor hare moeder,—en toch zag ik het arme kind, mijnheer Nightingale, zich in stilte omkeeren, om hare tranen af te droogen.”

Hier werd jufvrouw Miller door hare eigene tranen belet om voort te gaan, en ik geloof ook niet dat er een der aanwezigen was, die niet mede weende;—eindelijk echter bedaarde zij een weinig en vervolgde:

„Te midden van deze rampen, houdt zich ook de arme moeder verbazend goed. Het gevaar, waarin haar zoontje verkeert, drukt haar het zwaarst, en toch doet zij haar best om zelfs dit leed zooveel mogelijk, om den wille van haar man te verbergen. Soms echter, in weerwil van al hare inspanning, bezwijkt zij daaronder; want zij was altijd bijzonder verzot op dezen jongen, die wezenlijk een zeer verstandig, goedaardig wezen is. Ik betuig, dat ik van mijn leven niet zóó aangedaan ben geweest, als toen het schepseltje, dat naauwelijks zeven jaar oud is, zijne moeder, die over hem heen lag te weenen, smeekte om gerust te zijn.—„Wezenlijk, moeder,” riep het kind, „ik zal niet sterven. Ik weet zeker dat onze lieve Heer Tommy niet wegnemen zal,—en al is het nog zoo mooi in den hemel, ik blijf liever hier honger lijden met u en vader, dan daarheen te gaan!” Neemt het me niet kwalijk,—ik kan het niet laten,”—zeide zij, de tranen afvegende, „zulke gevoeligheid en liefde in een kind!—En toch is hij welligt het minst van allen te beklagen; want misschien, zal hij binnen een dag of wat van alle menschelijke ellende bevrijd zijn. De vader is echter diep te beklagen. De arme man! Men kan hem zijn ongeluk op het gezigt lezen; hij ziet er eerder uit als een lijk dan een levend mensch. Mijn hemel! Dat was een tooneel toen ik eerst in de kamer trad! De goede man had den arm onder de kussens, zijne vrouw en zijn kind tegelijk ondersteunende. Hij had niets aan dan een dun vest; want hij had den rok over het bed gespreid, om in het gebrek aan dekens te voorzien.—Toen hij bij mijn binnentreden opstond, herkende ik hem ter naauwernood. Veertien dagen geleden, mijnheer Jones, was hij zoo’n knap mensch als gij er ooit een gezien hebt;—mijnheer Nightingale heeft hem wel eens ontmoet. Zijne oogen stonden hol, zijn gelaat was bleek en met een langen baard bedekt. Hij rilde ook van de koude en was uitgeput van den honger; want nicht zegt, dat het haar moeite kost om hem te bewegen iets te gebruiken. Hij vertelde me zelf,—fluisterend,—ik kan het er haast niet uitkrijgen,—dat hij er niet toe komen kon het brood te eten dat zijne kinderen zoo noodig hadden. En toch,—zult gij het willen gelooven, heeren?—was de kandeel voor zijne kraamvrouw zoo goed alsof zij in den grootsten overvloed leefden;—ik heb er nooit betere geproefd!—Hij zeide, dat hij geloofde dat een engel uit den hemel hem van de middelen voorzien had om ze haar te verschaffen;—ik begreep hem echter niet;—en had den moed niet om hem eene enkele vraag te doen. Dat was wat men noemt een huwelijk uit liefde, van weerskanten, dat wil zeggen, twee bedelaars trouwden met elkaar. Ik moet wel bekennen dat ik nooit van mijn leven een liefderijker paar gezien heb;—maar waartoe dient hunne liefde, tenzij om elkaar te kwellen?”

„Wezenlijk, mama,” riep Nancy, „ik heb altijd nicht Anderson, (zoo heette zij), voor eene der gelukkigste vrouwen ter wereld gehouden.”

„En ik ben overtuigd,” hernam jufvrouw Miller, „dat zoo als de zaken nu staan, het niet zóó is; want iedereen had kunnen zien dat teedere deelneming in elkaars leed, het onverdragelijkste gedeelte van hunne ellende uitmaakt,—zoo wel voor den man als voor de vrouw, en in vergelijking daarvan gevoelen zij naauwelijks honger of koude, wat hunne eigene personen betreft.—Ja, zelfs de kinderen, van welke het jongste nog geen twee jaar oud is, toonen alles op dezelfde wijze te gevoelen; want zij houden allen veel van elkaar en als zij maar geld genoeg hadden, zouden zij de gelukkigste menschen ter wereld zijn!”

„Ik heb zeker nooit iets opgemerkt dat minder goed was bij hen in huis,” hernam Nancy, „en mijn hart bloedt na al hetgeen gij ons verteld hebt.”

„Ja kind,” hervatte de moeder, „zij heeft altijd haar best gedaan om alles van den besten kant te bekijken. Zij zijn altijd zeer behoeftig geweest; maar deze groote nood is hun werkelijk door anderen berokkend. De arme man was borg gebleven voor zijn broeder, die een schurk is, en ongeveer acht dagen geleden,—juist den dag vóór hare bevalling,—werd hun boeltje opgepakt en geregtelijk verkocht. Hij zond mij er berigt van door een der deurwaarders; maar de schelm bezorgde het briefje niet.—Wat moest hij van mij denken toen ik eene geheele week liet voorbijgaan zonder dat hij iets van mij vernam?”

Jones kon dit verhaal niet met drooge oogen aanhooren, en toen het ten einde was, nam hij jufvrouw Miller ter zijde op eene andere kamer, en haar de beurs gevende, waarin zich de vijftig pond sterling bevonden, verzocht hij haar zooveel er van te nemen als haar noodig scheen, ten behoeve dier arme menschen. Het is niet gemakkelijk den blik te beschrijven, welken jufvrouw Miller op Jones liet vallen bij deze woorden. Zij barstte het uit in eene vlaag van vreugdetranen, en riep: „Goede hemel! Is het mogelijk dat er nog zulk een mensch op aarde bestaat!”—Maar, zich bedenkende, voegde zij er bij: „Ja, zoo een ken ik zelve! Maar is het mogelijk dat er een tweede zij?”

„Naar ik hoop, jufvrouw,” riep Jones, „zijn er zeer velen met dagelijksche menschlievendheid bezield; want men kan het in met eer noemen, als men de rampen zijner medeschepselen tracht te verzachten.”

Daarop nam jufvrouw Miller tien guinjes aan, wat het meeste was, waartoe hij haar overhalen kon, en zeide, „dat zij een middel bedenken zou om ze den volgenden morgen bij tijds te bezorgen,” terwijl zij er bijvoegde, „dat zij zelve eene kleinigheid over had gehad voor die arme lieden en hen iets minder ellendig verlaten had dan toen zij er kwam.”

Daarop keerden zij naar de huiskamer terug, waar Nightingale veel deelneming uitte met den ongelukkigen toestand der arme menschen, die hij werkelijk kende; want hij had hen meer dan eens bij jufvrouw Miller ontmoet. Hij voer uit over de dwaasheid van zich verantwoordelijk te maken voor de schulden van anderen, schold en raasde tegen den broeder, en eindigde met te wenschen dat er iets gedaan kon worden voor het ongelukkige huisgezin.

„Hoe zoudt gij het vinden, jufvrouw,” zeide hij, „om hen aan den heer Allworthy aan te bevelen? Of zullen wij eene inteekening voor hen proberen? Ik zal met genoegen een guinje bijdragen.”

Jufvrouw Miller gaf geen antwoord, en Nancy, wie hare moeder fluisterend de mildheid van Jones medegedeeld had, verbleekte,—ofschoon als moeder of dochter boos was op Nightingale, dat zeker zonder reden was. Want al had deze iets van de mildheid van Jones geweten, dan was het geen voorbeeld dat hij eenigzins verpligt was te volgen, en er zijn duizenden die geen stuiver gegeven zouden hebben,—wat ook werkelijk het geval was met hem; daar hij niets voor den dag gebragt had, en de anderen niet goed vonden iets van hem te vragen, waarom hij ook zijn geld op zak hield.

In het algemeen heb ik opgemerkt (en ik zal niet ligt eene betere gelegenheid vinden dan de tegenwoordige om mijne opmerking mede te deelen), dat de wereld, meestal twee gevoelens koestert omtrent de milddadigheid, welke lijnregt in strijd zijn met elkaar. De eene partij schijnt het er voor te houden, dat alle handelingen van dezen aard beschouwd moeten worden als vrijwillige gaven, en dat hoe weinig men ook geve (al is het zelfs niet meer dan goede wenschen), het zeer verdienstelijk is om dat te doen. Anderen, integendeel, schijnen evenzeer overtuigd, dat de milddadigheid een stellige pligt is, en dat wanneer de rijken veel te kort komen in hun pogen om de ellende der armen te verzachten, hunne armzalige giften verre van verdienstelijk te zijn, slechts eene halve pligtvervulling uitmaken, en dat zij, zoodoende, in zekeren zin, verachtelijker worden dan diegenen, welke alles verzuimen.

Het ligt niet in mijn vermogen om deze gevoelens met elkaar te verzoenen. Ik zal er alleen bijvoegen, dat de gevers gewoonlijk het eerste gevoelen aankleven, terwijl de bedeelden, bijna zonder uitzondering, het laatste denkbeeld omhelzen.

HOOFDSTUK IX.

BEVATTENDE GEHEEL ANDERE ZAKEN DAN WAARVAN SPRAKE IS GEWEEST IN HET VORIGE HOOFDSTUK.

’s Avonds ontmoette Jones zijne dame weder, en zij hadden weder eene langdurige bijeenkomst, welke echter alleen dezelfde gewone gebeurtenissen als vroeger opleverde, om welke reden wij ons ontheven achten van bijzonderheden te melden, welke wij geen kans zien om aangenaam te maken voor den lezer, tenzij hij iemand zij, wiens aanbidding van het schoone geslacht, even als die der Roomschen van hunne heiligen, behoefte heeft aan schilderijen, om wakker te blijven. Het is er echter zoo ver van daan dat ik wenschen zoude om dergelijke beelden aan het publiek te toonen, dat ik heel gaarne diegenen sluijeren zoude, die in den laatsten tijd in zekere Fransche romans opgehangen zijn,—van welke men ons hier zeer lompe copijen gegeven heeft, onder den naam van vertalingen.

Jones echter werd hoe langer zoo ongeduldiger om Sophia te ontmoeten, en na herhaalde bijeenkomsten met Lady Bellaston, bevindende dat hij geen kans had, om door hare bemiddeling daartoe te komen (want, integendeel, de dame begon zelfs het noemen van Sophia’s naam met verontwaardiging aan te hooren), besloot hij een anderen uitweg te zoeken. Hij twijfelde er niet aan dat Lady Bellaston wist waar zijne beminde zich ophield; dus hield hij het ook voor zeer waarschijnlijk dat eenige van hare dienstboden in het geheim ingewijd waren. Hij bezigde dus Partridge om kennis te maken met hare bedienden, ten einde hen op dat punt uit te hooren.

Men kan zich moeijelijk een pijnlijker toestand voorstellen dan dien waarin hij zich op dit oogenblik bevond; want, behalve de bezwaren, welke hij te overwinnen had, eer hij Sophia ontmoette, behalve zijne vrees van haar beleedigd te hebben, en de verzekeringen van Lady Bellaston dat Sophia zich bepaaldelijk tegen hem verklaard had, en zich willens en wetens voor hem verborgen hield,—wat hij reden genoeg had te gelooven—had hij nog één bezwaar te overwinnen, hetwelk zijne beminde zelve niet kon wegruimen,—hoezeer zij ook daartoe geneigd mogt wezen. Dit was, dat hij haar blootstelde aan het gevaar om door haar vader onterfd te worden, wat het onvermijdelijke gevolg van hunne vereeniging zou zijn zonder diens toestemming, welke Jones geene hoop durfde koesteren van ooit te verkrijgen.

Men moet hierbij voegen de vele verpligtingen, waaronder Lady Bellaston, wier hevige liefde tot hem wij niet meer verhelen kunnen, hem gebragt had,—zoodat hij thans, door haar toedoen, een der best gekleede heeren der stad was geworden, en niet slechts bevrijd bleef van al die kleine, bespottelijke ontberingen, welke wij vroeger vermeld hebben, maar werkelijk een hoogeren graad van weelde kende dan ooit te voren.

Ofschoon er nu vele heeren zijn, die het zeer goed met hun geweten kunnen overeenbrengen om zich het geheele vermogen eener vrouw toe te eigenen, zonder haar dat op eenigerlei wijze te vergelden,—is er evenwel voor iemand—die de galg niet verdient,—niets ondragelijker, naar ik meen, dan om de liefde alleen met dankbaarheid te vergelden,—vooral als het hart ergens anders henen trekt. Dit was, ongelukkig, het geval bij Jones; want al ware de deugdzame liefde welke hij zijner Sophia toedroeg, en die maar weinige toegenegenheid overliet voor eene andere vrouw, geheel buiten spel geweest, zou hij nooit op eene geëvenredigde wijze de vurige liefde dezer dame hebben kunnen beantwoorden, die, hoewel zij vroeger zeer schoon was geweest, thans ten minste den herfst van het leven bereikt had, hoewel zij in kleeding en manieren al de ligtzinnigheid der jeugd vertoonde, terwijl het haar nog gelukte om de rozen op hare wangen te houden. Maar deze bloemen, even als die welke de kunst doet bloeijen in een vreemd jaargetijde, hadden niets van die levendige frischheid, waarmede de natuur, als de tijd dáár is, hare eigene voortbrengselen versiert. Zij had bovendien zeker gebrek, dat eenige bloemen, hoe schoon ze ook zijn op het oog, uiterst ongeschikt maakt voor een ruiker,—en hetwelk vooral onaangenaam is voor den adem der liefde.

Hoewel Jones van den éénen kant al deze gebreken inzag, gevoelde hij van den anderen kant evenzeer al de verpligtingen welke zij hem oplegde, en herkende ook niet minder duidelijk den hevigen hartstogt, waaraan ze haren oorsprong ontleenden, terwijl hij wel wist, dat als hij in gebreke bleef van ze even vurig te vergelden, de dame hem voor een ondankbare zou houden,—en wat nog erger was,—dat hij zich zelven ook als zoodanig moest beschouwen. Hij kende de stilzwijgende voorwaarde waarop zij hem hare gunsten schonk, en daar hij door den nood gedwongen was ze aan te nemen, geloofde hij ook dat de eer hem verpligtte haren prijs te betalen. Hij besloot dus dit te doen, hoe ongelukkig hij zich ook daarbij gevoelde, en zich aan haar toe te wijden uit dat grootsche grondbeginsel van regtvaardigheid, volgens hetwelk de wetten van zekere landen een schuldenaar, die niet anders aan zijne verpligtingen voldoen kan, tot den slaaf van zijn schuldeischer maken.

Terwijl hij over deze dingen peinsde, ontving hij het volgende briefje van zijne dame:

„Een zeer dwaas, maar hinderlijk toeval, heeft sedert onze laatste ontmoeting plaats gehad, waardoor het onraadzaam voor mij wordt, om u op de plaats onzer gewone bijeenkomst af te wachten. Ik zal, zoo mogelijk, tegen morgen eene andere plaats bedenken. Inmiddels, vaarwel!”

De lezer zal welligt gelooven dat deze teleurstelling niet zeer groot was;—maar in elk geval werd ze spoedig vergoed; want nog geen uur later werd hem een tweede briefje van dezelfde hand bezorgd, luidende:

„Ik heb me bedacht sedert ik u schreef,—en als gij niet ongevoelig zijt voor de teederste liefde, zal u dat niet verwonderen. Ik heb thans besloten u heden avond bij mij te huis te zien, wat er ook de gevolgen van zijn mogen. Kom precies ten zeven ure bij mij;—ik ga uit dineren, maar zal tegen dien tijd te huis wezen.—Ik ondervind dat één dag, voor iemand die werkelijk bemint, langer duurt dan ik me verbeeld had.

„Als gij toevallig eenige minuten vóór mij aan huis zijt, wacht me dan zoolang in de zaal.”

Om de waarheid te bekennen, was Jones minder met dit briefje dan met het vorige ingenomen, daar het hem belette om aan het dringende verzoek van den heer Nightingale, met wien hij zeer bevriend en gemeenzaam was geworden, te voldoen. Deze had hem namelijk gesmeekt hem en zijne vrienden te vergezellen naar de opvoering van een nieuw tooneelstuk, dat dien avond voor het eerst gespeeld zou worden, en hetwelk eene groote partij zich voorgenomen had af te keuren, uit haat tegen den schrijver, die eene kennis was van den heer Nightingale. En, tot ons leedwezen, moeten wij bekennen, dat onze held deze grap verre verkozen zou hebben boven de andere vriendelijke uitnoodiging;—maar zijn eergevoel behield de zege over zijne neigingen.

Eer wij hem echter volgen op zijn voorgenomen bezoek bij de dame, achten wij het noodig om beide door haar gezondene briefjes te verklaren, daar de lezer welligt niet weinig verbaasd zal staan over de onvoorzigtigheid van Lady Bellaston, die haar minnaar bragt in het huis zelf waar hare mededingster verborgen was.

Ten eerste dan, was de vrouw des huizes, waar de minnaars elkaar tot dus ver ontmoet hadden, en die een zeker inkomen van de dame trok, tot de sekte der Methodisten overgegaan, en had juist dien morgen hare opwachting bij Milady gemaakt, waarbij zij, na haar zeer streng hare vroegere leefwijze verweten te hebben, stellig verklaard had, in geen geval meer haar in hare liefdezaken te willen bijstaan.

De ontroering welke deze gebeurtenis bij Milady te weeg bragt, deed haar wanhopen aan de mogelijkheid om eenige andere gelegenheid te vinden om Jones dien avond te ontmoeten; maar zoodra zij een weinig tot bedaren kwam, ging zij peinzen op een middel om die teleurstelling te voorkomen en kwam op de gelukkige gedachte om aan Sophia voor te stellen dien avond naar de komedie te gaan,—wat dadelijk aangenomen werd,—terwijl zij gemakkelijk eene geschikte dame vond om haar te vergezellen. Jufvrouw Honour werd terzelfder tijd met jufvrouw Etoff op dat tijdverdrijf onthaald, en haar eigen huis bleef dus vrij om den heer Jones veilig te ontvangen, met wien zij zich voorstelde twee of drie uren ongestoord te kunnen blijven na hare terugkomst van het diné bij kennissen, die tamelijk ver van haar huis woonden, en digt bij de plaats van hare ontmoetingen met Jones, en waar zij de uitnoodiging aangenomen had eer zij bekend was geworden met de omwenteling in de gezindheid en in het gemoed van hare vorige vertrouwelinge.

HOOFDSTUK X.

EEN HOOFDSTUK DAT, HOE KORT OOK, WELLIGT TRANEN ONTLOKKEN ZAL AAN MENIG OOG.

De heer Jones had zich juist gekleed om zijne opwachting te maken bij Lady Bellaston, toen jufvrouw Miller aan de deur tikte en zoodra zij binnen gelaten was, hem zeer dringend verzocht om haar de eer te doen beneden een kopje thee bij haar te gebruiken.

Zoodra hij in de kamer trad, stelde zij iemand aan hem voor, met de woorden:

„Ziedaar, mijnheer, mijn neef, die zooveel te danken heeft aan uwe goedheid, voor welke hij u hartelijk dank wenschte te zeggen.”

De man was naauwelijks aan het woord gekomen, dat jufvrouw Miller zoo goedig ingeleid had, toen hij en Jones, elkaar sterk aankijkende tegelijkertijd, blijken van de grootste verbazing lieten merken. De stem van den vreemdeling begon dadelijk te beven, en in plaats van zijne redevoering ten einde te brengen, zeeg hij op een stoel neder, met den uitroep:

„Ja, hij is het! Dat weet ik zeker!”

„Mijn hemel!” riep jufvrouw Miller; „wat bedoelt gij? Ik hoop toch niet dat gij ziek wordt, neef? Zal ik u dadelijk wat water geven,—of een borreltje?”

„Wees niet ongerust, jufvrouw,” riep Jones; „ik heb bijna evenzeer eene versterking noodig als uw neef. Wij zijn beiden evenzeer verwonderd over deze onverwachte ontmoeting. Uw neef is eene mijner kennissen, jufvrouw Miller.”

„Uwer kennissen!” riep de man.—„O hemel—”

„Ja, ja, eene mijner kennissen,” hervatte Jones, „voor wien ik veel hoogachting koester. Als ik ooit zoo ver kom dat ik een man niet vereer, die alles op het spel zet om vrouw en kinderen van den onvermijdelijken ondergang te redden, zal het mijn verdiend lot wezen als ik een vriend ontmoet, die mij in mijn ongeluk verloochent.”

„O gij zijt een best mensch, dat is waar!” riep jufvrouw Miller, „ja, ja, de arme man; wel heeft hij alles op het spel gezet; en als hij niet zulk een bijzonder sterk gestel had, zou hij het niet hebben kunnen volhouden.”

„Nicht,” zei de man, die nu eenigzins hersteld was; „dit is de engel uit den hemel, van wien ik u gesproken heb! Hij is het wien ik, eer ik u zag, de redding mijner Griet te danken heb. Het was van zijne mildheid, dat elke verligting, elke hulp welke ik haar heb kunnen verschaffen, herkomstig was. Hij is inderdaad, de waardigste, de braafste, de edelste der menschen! O nicht, ik heb verpligtingen aan dien heer—”

„Praat me niet van verpligtingen!” viel hem Jones in de rede. „Geen woord daarvan, dat beveel ik u! Geen woord!” (Hiermede bedoelde hij, denkelijk, dat hij aan niemand iets verklappen moest van de voorgenomene berooving); „als ik door de kleinigheid welke gij van mij gekregen hebt, een geheel huisgezin gered heb, is er zeker nooit een goedkooper genoegen ter wereld geweest!”

„O mijnheer!” riep de man, „ik wilde maar dat gij op dit oogenblik mijn huis kondet zien! Zoo iemand ter wereld ooit het regt had op een genot zoo als waarvan gij spreekt, zijt gij zeker de man! Mijne nicht vertelt mij dat zij u bekend had gemaakt met onze ellende. Die is nu grootendeels verligt, door uwe goedheid!—Mijne kinderen hebben nu een bed waarop ze liggen;—en zij hebben,—zij hebben ook,—de hemel loone het u!—ook brood! Mijn kleine jongen is hersteld; mijne vrouw is buiten gevaar,—en ik ben weder gelukkig! Dat heb ik alles aan u te danken, mijnheer, en aan mijne nicht hier,—de beste der vrouwen! Wezenlijk mijnheer, mijne vrouw moet u zien en danken.—Ook mijne kinderen moeten u dank zeggen!—Waarlijk, mijnheer, zij zijn niet ongevoelig voor uwe weldaden; maar wat moet ik zelf niet ondervinden, als ik denk aan wien zij zoo vele dankbaarheid verschuldigd zijn, en dat zij leven om ze te kunnen uiten! O mijnheer! zonder uwe hulp, waren de kleine harten welke gij verwarmd hebt, nu ijskoud,—”

Hier viel Jones den armen man in de rede, om hem te beletten voort te gaan; wat naauwelijks noodig was, daar diens woorden door zijn eigen vol hart gestremd werden. En nu begon ook jufvrouw Miller haren dank uit te storten, in haren naam en tevens in naam van haren neef en eindigde met te zeggen, „dat zij er niet aan twijfelde dat zulke goedheid op eene schitterende wijze beloond zou worden!”

Jones hernam, „dat hij al genoegzaam beloond was. Wat uw neef mij gezegd heeft, jufvrouw,” ging hij voort, „heeft mij eene aangenamer gewaarwording doen kennen, dan ik ooit te voren ondervonden heb. Men zou al heel hardvochtig moeten wezen, als men een dergelijk verhaal kon aanhooren zonder aandoening; hoe verrukkelijk is dan de gedachte van zulk eene rol in deze zaak te hebben mogen spelen! Als er menschen zijn, die onvatbaar blijven voor het genot van anderen gelukkig te maken, heb ik opregt medelijden met hen, daar zij buiten staat zijn te genieten, dat, wat naar mijn gevoelen, eene grootere eer, eene edelere belangstelling en een zoetere vreugde is, dan ooit onder het bereik komt van den eerzuchtige, den gierigaard, of den wellusteling.”

Daar het afgesprokene uur nu geslagen was, zag zich Jones in de noodzakelijkheid om overhaast afscheid te nemen, maar niet eer hij zijn vriend hartelijk de hand gedrukt, en verlangd had hem zoo spoedig mogelijk weder te zien;—met de belofte dat hij zelf van de eerste de beste gelegenheid gebruik zou maken om hem een bezoek te brengen. Hij klom toen in den draagstoel, en ging bij Lady Bellaston, zich bovenmatig verheugende in het geluk dat hij dit arm huisgezin verschaft had, terwijl hij niet nalaten kon na te denken over de verschrikkelijke gevolgen als hij meer geluisterd had naar de stem van de strenge regtvaardigheid, dan naar die van de genade, toen hij op weg naar Londen aangevallen werd.

Jufvrouw Miller hield vol met den heelen avond den lof van Jones te verkondigen, waarin de heer Anderson, zoo lang hij bleef, zoo vurig instemde, dat hij meer dan eens op het punt was om alle omstandigheden van zijne voorgenomene rooverij te verklappen. Evenwel, bedacht hij zich, gelukkig bij tijds, en vermeed eene onvoorzigtigheid, welke des te grooter zou geweest zijn, daar hij wist dat jufvrouw Miller zeer streng en naauwgezet was in al hare grondbeginselen. Hij was ook al goed bekend met de praatzucht dezer dame, en toch, was hij zoo dankbaar, dat hij bijkans èn voorzigtigheid èn schaamte vergeten en zijne eigene schande aan den dag gebragt zou hebben, liever dan iets te verzwijgen, dat zijn weldoener tot eer kon strekken.

HOOFDSTUK XI.

WAARIN DE LEZER VERBAASD ZAL STAAN!

De heer Jones kwam iets vóór het bepaalde uur aan en vroeger dan de dame, wier tehuiskomst niet slechts vertraagd werd door den afstand van het huis waar zij dineerde, maar ook door andere toevallige omstandigheden, welke zeer ergerlijk waren voor iemand in haren gemoedstoestand.

Hij werd dus in de zaal gelaten, waar hij slechts weinige minuten geweest was, toen de deur openging en niemand anders dan——Sophia zelve binnentrad, die de komedie verlaten had vóór het einde van het eerste bedrijf;—want, zooals wij reeds gemeld hebben, er werd een nieuw stuk opgevoerd, en twee partijen waren er verschenen, de eene om goed te keuren, de andere om het stuk uit te fluiten, wat zulk een rumoer en twist ten gevolge had, dat onze heldin verschrikt werd, en blijde was zich onder de bescherming van een heer te kunnen stellen, die haar veilig in haar draagstoel bezorgde.

Daar Lady Bellaston haar verteld had dat zij eerst laat naar huis zou komen, trad Sophia, die dacht dat zij niemand in de kamer zou vinden, haastig binnen, en ging regt op een spiegel toe, die vlak vóór haar hing, zonder naar het boveneinde der kamer te kijken, waar Jones als versteend stond.

Het was in dezen spiegel, dat zij na eerst haar eigen bekoorlijk gelaat gezien te hebben, het standbeeld achter zich ontdekte, zich dadelijk omkeerde en ontwarende dat zij zich niet vergist had, een luiden gil liet hooren, en bijna in zwijm gevallen ware eer Jones den tijd had te naderen en haar in zijne armen te ondersteunen.

Het gaat mijne magt te boven om de blikken of de gedachten der minnenden te beschrijven. Daar men veronderstellen moet uit het stilzwijgen dat beiden bewaarden, dat hunne gedachten niet in woorden uit te drukken waren, zoo zal men wel begrijpen dat ik nog veel minder in staat ben dan zij, om ze te beschrijven; en het ongelukkigste is, dat weinige mijner lezers ooit verliefd genoeg zijn geweest om in hun eigen hart te gevoelen, wat thans in het hunne heerschte.

Na eene korte stilte, stamelde Jones:

„Naar ik zie, zijt gij verbaasd—”

„Verbaasd!” hernam zij, „O hemel! Ja, werkelijk, ik sta verstomd! Ik twijfel haast of gij het zijt!”

„Wezenlijk,” riep hij, „mijne Sophia,—vergeef me dat ik het waag, u nog eenmaal zóó te noemen! Wezenlijk ben ik die diep rampzalige Jones, dien het noodlot, na zoo vele teleurstellingen, eindelijk zoo gelukkig tot u gevoerd heeft. O, mijne Sophia, als gij de duizenderlei kwellingen wist, welke ik uitgestaan heb in dat lange, vruchtelooze zoeken!”

„Zoeken—en naar wien?” vroeg Sophia, bedarende, en met eenigen schijn van terughouding.

„Waarom die wreede vraag?” riep Jones. „Behoef ik te zeggen, dat ik u zocht?”

„Mij?” antwoordde Sophia. „Heeft dan de heer Jones het een of ander van zoo groot belang met mij te verhandelen?”

„Voor sommige menschen, mejufvrouw,” riep Jones, „zou dit eene belangrijke zaak wezen,”—en hij overhandigde haar het zakboekje; „naar ik hoop, mejufvrouw, zult gij alles er in vinden, dat het bevatte toen gij het verloort.”

Sophia nam het zakboekje aan en wilde spreken, toen hij haar aldus in de rede viel:

„O laat ons niet, dat smeek ik u, één der kostbare oogenblikken verkwisten, welke het geluk ons zoo goedig geschonken heeft! O mijne Sophia, ik heb zaken van meer belang met u!—Hier, op de knieën, wil ik uwe vergiffenis inroepen,—”

„Mijne vergiffenis?” riep zij. „Wel, mijnheer, na hetgeen er gebeurd is,——gij kunt toch niet wachten na al wat ik gehoord heb—”

„Ik weet naauwelijks wat ik zeg!” hervatte Jones;—„bij den Hemel, ik durf naauwelijks wenschen dat gij mij vergeven zoudt! O Sophia, verspil nooit meer ééne gedachte aan zulk een ellendeling als ik ben! Als er ooit eene herinnering aan mij zich aan u opdringt, om uw teeder hart één oogenblik te verontrusten, laat de gedachte aan hetgeen er te Upton gebeurd is, mij voor altijd uit uw hart bannen!”

Inmiddels stond Sophia te beven. Haar gelaat was doodsbleek en haar hart klopte als of het barsten wilde. Maar, bij het noemen van Upton, kleurden zich plotseling hare wangen, en hare oogen, die zij naauwelijks opgeslagen had, vestigden zich met een minachtenden blik op Jones. Hij begreep dit stille verwijt en antwoordde daarop als volgt:

„O Sophia, mijne eenige beminde, gij kunt mij niet meer haten en verachten wegens hetgeen daar gebeurd is, dan ik mij zelven haat en veracht;—maar wees toch regtvaardig en geloof dat ik in mijn hart u nooit ontrouw ben geweest. Mijn hart had geen deel aan de dwaasheid waaraan ik me schuldig maakte. Het was zelfs toen onveranderlijk het uwe. Hoewel ik er aan wanhopen moest u ooit te bezitten, ja, haast om u ooit weder te zien, was ik steeds bezield met uw bekoorlijk beeld, en kon onmogelijk eenige andere vrouw ernstig beminnen. Maar al ware mijn hart vrij geweest, was zij, in wier gezelschap ik toevallig raakte op die verwenschte plaats, toch nooit het voorwerp eener ernstige liefde geweest! Geloof me, mijn engel, ik heb haar sedert dien dag nooit weder gezien, en bedoel niet en begeer niet haar ooit weder te zien.”

Sophia was in haar hart zeer blijde dit te hooren; maar veinzende nog meer koelheid, dan tot nu toe het geval was geweest, zeide zij:

„Waarom, mijnheer Jones, geeft gij u de moeite om u te verdedigen, als men u niet beschuldigt? Als ik het de moeite waard achtte om u te beschuldigen, zou ik werkelijk met eene onvergeefelijker aanklagt voor den dag kunnen komen.”

„Wat is die, in ’s hemels naam?” vroeg Jones, die beefde en verbleekte bij het denkbeeld van zijne intrigue met Lady Bellaston te hooren.

„O,” zeide zij, „hoe is het mogelijk dat zoo veel edels en zoo veel laags in het zelfde hart vereenigd zijn!”

Lady Bellaston en de schandelijke omstandigheid, dat hij zich door haar liet onderhouden, kwamen hem weder voor den geest en legden hem het stilzwijgen op.

„Had ik ooit van u eene dergelijke behandeling kunnen wachten?” hervatte Sophia, „of van eenig man van eer? Mijn naam te hooren lasteren in het openbaar! In herbergen, onder het gemeenste volk! Om te moeten hooren, dat gij in zulk gezelschap u beroemd hebt op iedere kleine gunst, waartoe mijn argeloos hart zich ooit jegens u liet verleiden! Ja, om zelfs te moeten vernemen, dat gij verklaard hebt aan mijne liefde te moeten ontvlugten!”

De verbazing van Jones steeg ten top bij deze woorden van Sophia; daar hij zich echter op dit punt onschuldig wist, was hij veel minder verlegen hoe zich daarop te verdedigen dan als zij die teedere snaar aangeraakt had, welke zijn geweten zoo zeer met angst vervulde. Na eenig onderzoek dan, ontdekte hij spoedig, dat de veronderstelling dat hij zich had kunnen schuldig maken aan zulk eene grove beleediging van hare liefde en van haren goeden naam alleen toe te schrijven was aan de praatjes van Partridge in de herbergen, met den waard of de dienstboden; want Sophia bekende dat zij alles van die menschen vernomen had. Het kostte hem dan ook weinig moeite om haar te overtuigen dat hij geheel onschuldig was aan eene misdaad, die zoo weinig strookte met zijn aard;—maar het viel haar daarentegen zeer moeijelijk om hem te beletten naar huis te loopen en Partridge dadelijk ter dood te brengen, wat hij herhaaldelijk zwoer te zullen doen. Dit punt eens opgehelderd zijnde, werden zij spoedig zoo ingenomen met elkaar, dat Jones geheel en al vergat dat hij het gesprek begonnen was met haar te smeeken om alle gedachten aan hem op te geven, en zij was ook geneigd om het oor te leenen aan een verzoek van geheel anderen aard; want, eer zij wel wisten, dat zij zoo ver gegaan waren, had hij zich eenige woorden laten ontvallen, die heel veel van een huwelijksaanzoek hadden. Hierop antwoordde zij:

„Dat, als haar pligt ten opzigte van haren vader, haar niet belette om hare eigene neiging te volgen, zij liever de armoede met hem deelen wilde, dan de grootste rijkdommen met een anderen man.”

Bij het woord „armoede” liet hij hare hand vallen, welke hij een tijd lang in de zijne gehouden had, en riep uit:

„O Sophia, zou ik u ongelukkig kunnen maken? Neen! bij den hemel! Zulk eene verachtelijke rol wil ik nooit spelen! Liefste Sophia, wat het mij ook koste, ik zal van u afzien;—ik zal u vaarwel zeggen! Ik wil alle wenschen uit mijn hart rukken, welke niet overeen te brengen zijn met uw wezenlijk geluk! Mijne liefde zal ik steeds bewaren; maar in stilte; op een afstand, in eenig vreemd land, van waar geen woord, geen zucht van mijne wanhoop u ooit bereiken zal om u te verontrusten.—En, als ik dood ben—”

Hij wilde voortgaan, maar werd belet door een stortvloed van tranen, welke Sophia op zijn boezem liet vallen, waarop zij het hoofd liet rusten, zonder een enkel woord uit te kunnen brengen. Hij kuste haar de tranen weg, wat zij eenige oogenblikken lang stil liet gebeuren; maar spoedig bedarende, onttrok zij zich zachtjes aan zijne armen, en, ten einde het gesprek af te brengen van een onderwerp dat te aandoenlijk was, dan dat zij er tegen bestand zou zijn, bedacht zij zich om hem te vragen:

„Hoe hij er toe gekomen was haar in dat huis op te sporen?”

Hij begon te stamelen en zou, naar alle waarschijnlijkheid, door zijn antwoord, hare verdenkingen hebben opgewekt, toen plotseling de deur openging en Lady Bellaston binnen kwam.

Zij trad een paar schreden vooruit, maar Jones en Sophia te zamen ziende, bleef zij op eens staan, en na eene korte stilte, met bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest, vermeesterde zij hare aandoening en vroeg,—met alle blijken van verbazing in hare stem en op haar gelaat:

„Ik dacht, mejufvrouw Western, dat gij in de komedie waart?”

Hoewel nu Sophia geene gelegenheid had gevonden om van Jones te vernemen hoe hij haar ontdekt had, daar zij echter in het geheel niets van de ware toedragt der zaak vermoedde, of dat Jones en Lady Bellaston elkaar kenden, toonde zij weinig verlegenheid,—en te minder nog, daar de dame in al hare gesprekken over dat onderwerp steeds partij voor haar getrokken had tegen haar vader. Zonder veel te aarzelen dus, vertelde zij alles wat er in den schouwburg gebeurd was, en om welke reden zij zoo vroeg naar huis was gekomen.

De lengte van dit verhaal verschafte Lady Bellaston de gelegenheid om zich te bedenken en te overleggen wat zij doen moest. En daar de houding van Sophia haar de hoop deed koesteren dat Jones haar niet verklapt had, veinsde zij zeer opgeruimd te zijn en zeide:

„Als ik geweten had, dat gij bezoek hadt, mejufvrouw Western, zou ik u niet zoo onverwacht gestoord hebben.”

Met deze woorden vestigde Lady Bellaston hare blikken op Sophia. Het arme meisje werd vuurrood en antwoordde, in de meeste verwarring, en stamelende:

„Wel, mevrouw,—ik zal zeker—steeds de eer van uwe gezelschap—”

„Ik hoop ten minste dat ik u in geene ernstige bezigheden stoor,” zei Lady Bellaston.

„Volstrekt niet,” hernam Sophia. „Onze zaken waren afgedaan. Gij zult u welligt herinneren, mevrouw, dat ik u dikwijls gesproken heb van het verlies van mijn zakboekje, hetwelk deze heer gelukkig vond, en zoo vriendelijk was het mij, met het bankbriefje er in, terug te brengen.”

Jones was bij de tehuiskomst van Lady Bellaston zoodanig door schrik bevangen, dat hem was alsof hij door den grond zou zinken. Hij zat heen en weer te schuiven op zijn stoel, met de vingers te spelen, en zoo mogelijk, er nog gekker uit te zien, dan een lummel van een landjonker, die voor het eerst van zijn leven in fatsoenlijk gezelschap komt. Hij begon echter nu weder moed te vatten, en den wenk volgende, welken hij in de houding van Lady Bellaston vond, die, zoo als hij zag, zich hield alsof zij hem volstrekt niet kende, besloot hij om zelf zich geheel als een vreemdeling te houden. Hij zeide dan ook, „dat sedert het oogenblik dat hij het zakboekje gevonden had, hij zich de grootste moeite gegeven had om de dame te ontdekken aan wie het toebehoorde, en wier naam er ingeschreven stond; maar het was eerst heden dat hij het geluk had gehad haar te vinden.”

Sophia had nu wel van het verlies van haar zakboekje tegen Lady Bellaston gesproken; daar echter Jones, om de eene of andere reden, haar nooit met een enkel woord te kennen gegeven had, dat het in zijn bezit was, geloofde zij geen enkel woord van hetgeen Sophia nu gezegd had, en bewonderde zeer de buitengewone vlugheid waarmede die jonge dame zulk eene verontschulding bedacht had. Zij geloofde evenmin aan de reden waarom Sophia de komedie verlaten had, en hoewel zij zich niet verklaren kon hoe de beide minnenden bij elkaar gekomen waren, gevoelde zij zich overtuigd dat zulks aan geen toeval toe te schrijven was.

Zij hernam dus met een gemaakten glimlach:

„Gij zijt wezenlijk zeer gelukkig, jufvrouw Western, om uw geld terug gekregen te hebben;—en niet alleen dat het in handen viel van een man van eer; maar dat hij ook ontdekte aan wie het toebehoorde. Naar ik meen, wildet gij het niet adverteren? Het was buitengewoon gelukkig, mijnheer, dat gij ontdektet, aan wie het toebehoorde!”

„O mevrouw,” riep Jones, „het was in een zakboekje, waarin de naam der jonge dame geschreven stond.”

„Dat was ook buitengewoon gelukkig!” riep de dame;—„en het was ook niet minder gelukkig, dat gij ontdektet dat mejufvrouw Western, die zeer weinig bekend is hier bij mij in huis was!”

Jones was eindelijk zich zelven weder geheel meester en daar hij begreep nu de gelegenheid gevonden te hebben om Sophia te antwoorden op de vraag welke zij hem gedaan had juist toen Lady Bellaston binnentrad, hervatte hij als volgt:

„Ja, mevrouw, het was inderdaad door een allergelukkigst toeval dat ik die ontdekking deed. Ik vertelde wat ik gevonden had, en den naam der eigenaresse een avond of wat geleden aan eene dame op eene maskerade, die mij zeide, dat zij geloofde te weten, waar ik mejufvrouw Western vinden kon;—en zij beloofde mij, als ik den volgenden morgen bij haar wilde komen, mij dat te zeggen. Ik ging dus op het bepaalde uur bij haar, maar vond haar niet te huis,—en het is me niet gelukt haar weder te ontmoeten tot heden morgen, toen zij mij uw adres opgaf. Ik kwam dus hierheen, en toen ik zeide dat ik zaken van belang had, bragt mij een knecht hier binnen, waar ik pas een oogenblik geweest was, toen de jonge dame van de komedie naar huis kwam!”

Bij de vermelding van de maskerade, had hij Lady Bellaston veel beteekenend aangekeken, zonder te vreezen dat Sophia het opmerken zou; want deze was blijkbaar al te zeer verlegen om wien of wat ook waar te nemen. Deze wenk verschrikte de dame een weinig en zij bleef zwijgen, terwijl Jones, die de verwarring van Sophia ontwaarde, besloot het eenige middel om haar te verligten, te baat te nemen en zich te verwijderen. Eer hij dit deed, zeide hij:

„Ik geloof, mevrouw, dat het bij gelegenheden als deze gebruikelijk is eenige belooning te geven,—en ik vraag er eene zeer groote voor mijne eerlijkheid:—namelijk niets minder, mevrouw, dan dat mij de eer toegestaan wordt van mijn bezoek te mogen herhalen.”

„Ik twijfel volstrekt niet, mijnheer, dat gij een fatsoenlijk man zijt,” hernam de dame, „en voor zoo iemand is mijn huis steeds open.”

Na de gebruikelijke pligtplegingen vertrok nu Jones, tot zijne eigene groote voldoening en niet minder tot die van Sophia, die zeer bevreesd was dat Lady Bellaston ontdekken mogt—wat haar reeds slechts al te goed bekend was.

Op de trap ontmoette Jones zijne oude kennis, jufvrouw Honour, die, in weerwil van al wat zij ten zijnen nadeele verteld had, nu de beleefdheid had hem met de meeste vriendelijkheid te behandelen. Dit was inderdaad eene gelukkige omstandigheid, daar hij haar nu kon vertellen waar hij woonde, iets dat Sophia nog onbekend gebleven was.

HOOFDSTUK XII.

EINDE VAN HET DERTIENDE BOEK.

De sierlijke Lord Shaftesbury oppert ergens zijne bezwaren over het te veel vertellen van de waarheid;—waaruit men billijk opmaken kan, dat in sommige gevallen, het liegen niet slechts te verontschuldigen, maar zelfs prijzenswaardig is.

En zeker is er niemand die meer aanspraak kan maken op dit regt, om op eene loffelijke wijze van de waarheid af te wijken, dan een jong meisje dat verliefd is; want zij kan pleiten dat voorschriften, opvoeding, en vooral het gezag,—ja zelfs, het geweld der gewoonte, haar daartoe noodzaakt,—daar zij steeds weerhouden wordt, niet van zich over te geven aan de eerlijke opwellingen der natuur (want dat zou een vruchteloos verbod zijn), maar van ze ooit te toonen.

Wij schamen ons dus nu niet te bekennen dat onze heldin zich schikte naar de voorschriften van voornoemden hooggeboren wijsgeer. Daar zij volmaakt overtuigd was dat Lady Bellaston Jones persoonlijk niet kende, besloot zij haar omtrent hem onwetend te laten,—al kostte haar dat een weinig jokkens.

Jones was pas de deur uit, toen Lady Bellaston uitriep: „Wezenlijk, dat is een knappe jongen! Ik zou wel willen weten wie het is; want ik herinner me niet hem ooit te voren gezien te hebben.”

„Ik ook niet, mevrouw,” zei Sophia. „Maar ik moet zeggen, dat hij zich, wat mijn geld betreft, best gehouden heeft.”

„Ja. Het is ook een heel mooije jongen;—vindt ge niet?” zei de dame.

„Ik heb er niet veel op gelet,” hernam Sophia; „maar ik vond hem niet zeer wellevend.”

„Daarin hebt ge gelijk,” antwoordde Lady Bellaston. „Men kan aan zijne manieren zien, dat hij zich niet te huis gevoelt in goed gezelschap. Ja—hoewel hij u het bankbriefje terug bragt, en de belooning weigerde, twijfel ik haast of hij fatsoenlijk man is.—Ik heb altijd opgemerkt, dat er iets is in menschen van goede afkomst, dat anderen niet aanleeren kunnen.—Ik geloof, dat ik zeggen zal, dat men hem verder hier „niet te huis” geeft.”

„Wel, mevrouw!” riep Sophia, „na hetgeen hij gedaan heeft, kan men hem toch niet verdenken!—Bovendien, als gij er op gelet hadt, zoudt gij eene sierlijkheid in zijne woorden, eene kieschheid, eene keurigheid van uitdrukking opgemerkt hebben, die—”

„Ja, praten kan hij!” hernam Lady Bellaston. „En, werkelijk, Sophia,—ge moet me iets te goed houden!”

„Ik u iets te goed houden!” herhaalde Sophia.

„Ja, wezenlijk!” hernam zij lagchende; „want, toen ik eerst in de kamer trad, vatte ik een akelig vermoeden op.—Ge moet het me waarlijk vergeven;—maar ik dacht dat het de heer Jones zelf was!”

„Werkelijk?” riep Sophia, blozend, en veinzende te lagchen.

„Ja, werkelijk!” hernam de andere. „Ik weet niet wat het was, dat mij dat deed denken; want, om dien mensch regt te doen, hij was heel netjes gekleed,—wat, denkelijk, Sophia, niet altijd het geval zal wezen met uw vriend?”

„Deze spotternij is eenigzins wreedaardig, Lady Bellaston, na al wat ik u beloofd heb!” riep Sophia.

„Volstrekt niet, kindlief,” antwoordde de dame. „Het zou vroeger wreed zijn geweest; maar nu ge me beloofd hebt nooit, zonder uw vaders toestemming, in het huwelijkte treden,—wat zooveel is als af te zien van Jones moet, gij een weinig scherts kunnen verdragen over eene liefde, die te vergeven was bij een landmeisje, en welke gij, zoo als gij mij verzekert, nu geheel overwonnen hebt. Wat moet ik van u denken, Sophia-lief, als ge niet eens verdragen kunt, dat men wat om zijne kleeding spot? Ik zal beginnen te vreezen dat gij er erg aan toe zijt, en bijna twijfelen of gij geheel opregt jegens mij zijt geweest!”

„Werkelijk, mevrouw, gij doet me onregt als gij gelooft, dat ik mij eenigzins om hem bekommer!” zei Sophia.

„Om hem?” hernam de dame. „Ge hebt me verkeerd verstaan: ik sprak alleen van zijne kleeding; want ik wilde uwen goeden smaak niet te kort doen door eenige andere vergelijking.—Ik verbeeld me niet, dat als uw mijnheer Jones, Sophia-lief, een mensch geweest ware als deze—”

„Ik dacht, mevrouw,” zei Sophia, „dat gij hem een mooijen jongen vondt?”

„Wien?” vroeg de dame, driftig.

„Mijnheer Jones,” antwoordde Sophia,—en zich dadelijk bedenkende: „Mijnheer Jones! Wel neen! Ik vraag excuus!—Ik bedoel den heer, die pas weg gegaan is.”

„O Sophia, Sophia!” riep Lady Bellaston, „ik vrees dat die mijnheer Jones u nog steeds in de hersenen spookt!”

„Op mijn woord, mevrouw,” riep Sophia, „ik geef niet meer om den heer Jones dan om den heer die ons nu verlaten heeft!”

„Op mijn woord,” hernam Lady Bellaston, „dat geloof ik gaarne! Vergeef me dus als ik u op eene onschuldige wijze wat geplaagd heb, en ik beloof u thans nooit zijn naam weder te noemen.”

En hiermede scheidden de dames, tot veel grootere vreugde van Sophia dan van Lady Bellaston, die gaarne hare mededingster nog wat gekweld zou hebben, als zij niet door zaken van meer belang weggeroepen ware geweest. Wat Sophia betreft, deze gevoelde zich niet zeer op haar gemak na deze eerste beoefening der onopregtheid; waarover, toen zij zich op hare kamer bevond, zij met de meeste wroeging en schaamte nadacht. Noch de bijzondere bezwaren van haren toestand, noch de harde noodzakelijkheid konden haar met haar gedrag verzoenen;—want zij was te rein en fijngevoelig van aard om met gerustheid aan eene onwaarheid te kunnen denken, hoezeer die ook door de omstandigheden verontschuldigd werd. Gedurende den geheelen nacht hield deze gedachte den slaap uit hare oogen verwijderd.

BOEK XIV.

Bevattende twee dagen.

HOOFDSTUK I.

EEN BETOOG, TEN BEWIJZE, DAT EEN SCHRIJVER DES TE BETER ZAL STELLEN, ALS HIJ IETS WEET VAN HET ONDERWERP, DAT HIJ TE BEHANDELEN HEEFT.

Daar vele heeren, dezer dagen, alleen door middel van de verbazende kracht van hun genie, en misschien wel zelfs zonder goed te kunnen lezen, eene mooije rol gespeeld hebben in de republiek der letteren, hebben de recensenten, naar ik verneem, beweerd, dat alle geleerdheid overvloedig is bij een schrijver, en inderdaad niets anders dan eene soort van boeijen voor de aangeborene levendigheid en vlugheid van de verbeelding, die daardoor gedrukt wordt en belet om zich te verheffen in die hooge vlugt, welke zij anders nemen zoude.

Deze leer wordt, vrees ik, heden ten dage overdreven; want waarom zou het schrijven zoo veel verschillen van alle andere kunsten? De vlugheid van den dansmeester wordt niet benadeeld als men hem leert hoe zich te bewegen, en, naar ik meen, is er geen werkman, die een slechter gebruik maakt van zijne werktuigen, omdat hij ze heeft leeren hanteren.

Wat mij betreft, ik begrijp niet, dat Homerus of Virgilius met meer vuur zouden geschreven hebben, als zij, in plaats van meester te zijn van al de geleerdheid van hunne eeuw, even onwetend waren geweest als de meeste schrijvers uit onze dagen. Ik geloof ook niet dat de rijke verbeelding, het vuur en het oordeel van Pitt die redevoeringen zouden in de wereld gebragt hebben, welke onzen senaat dezer dagen tot een mededinger in welsprekendheid van Griekenland en Rome gemaakt hebben, als hij niet zoo te huis ware geweest in de geschriften van Demosthenes en Cicero, dat hij hun geheelen geest in zijne redevoeringen weêrgaf,—en met hun geest, ook hunne kennis.

Men moet dit niet opvatten alsof ik dezelfde mate van geleerdheid eischte bij mijne collega’s, als die welke Cicero eischt om een redenaar te vormen. Integendeel, ik geloof dat de dichter zeer weinig lektuur noodig heeft, de recensent nog minder, en de staatsman het minste van allen. Voor den eerste is welligt de „Dichtkunst” van Bysshe voldoende, met eenige onzer hedendaagsche poëten; voor den tweede, een redelijk stapeltje tooneelstukken, en voor den laatste, een pakje staatkundige journalen.

Om de waarheid te zeggen, eisch ik niets anders dan dat de mensch eenige weinige kennis hebbe van het onderwerp dat hij behandelt, volgens de oude regtsgeleerde stelling: quam quisque norit artem, in ea se exerceat. Met dit alleen kan een schrijver tamelijk wel volstaan;—en zonder dit, zal hem inderdaad alle andere geleerdheid ter wereld weinig baten.

Laat ons, bij voorbeeld, veronderstellen, dat Homerus, Virgilius, Aristoteles, Cicero, Thucydides en Livius bij elkaar hadden kunnen komen, en al hunne verscheidene gaven zamen smelten, om eene verhandeling over de danskunst te schrijven;—dan geloof ik toch, dat men geredelijk toestemmen zal, dat zij de uitstekende verhandeling niet geëvenaard zouden hebben, die de heer Essex over dit onderwerp geleverd heeft onder den titel van „De eerste grondbeginselen eener fatsoenlijke opvoeding.” En, werkelijk, als men den uitmuntenden heer Broughton er toe brengen kon om de vuist op het papier te zetten en bovengenoemde „eerste grondbeginselen” te volmaken, met de ware leer der Athletica, twijfel ik of de wereld reden zou hebben te betreuren, dat geen der groote schrijvers, oud of nieuw, die edele en nuttige kunst behandeld hebben.

Ten einde geen tal van voorbeelden aan te halen bij een geval, dat zoo duidelijk is, en om dadelijk tot de zaak te komen, ben ik geneigd te gelooven, dat ééne der redenen waarom het zoovelen Engelschen schrijvers mislukt is om de manieren van de groote wereld te beschrijven, waarschijnlijk is, dat zij werkelijk er niets van weten.

Ongelukkig is dit ook eene kennis, welke buiten het bereik van vele schrijvers ligt. De boeken geven er ons slechts een zeer onvolkomen denkbeeld van, en het tooneel niet veel meer; de enkele heeren die zich naar de eerste vormen, zullen meestal pedanten worden, en hij, die zich naar het laatste vormt, wordt een kwast.

De karakters naar deze voorbeelden geteekend, worden ook niet beter volgehouden. Vanburgh en Congreve copieerden de natuur; maar zij die hen copiëren, geven even weinig van de tegenwoordige eeuw terug, als Hogarth doen zou, indien hij een gezelschap of eene partij afbeeldde in de kostumen van Titiaan of van Van Dyk. Met één woord, het is niet voldoende om hier na te volgen. De schilderij moet naar de natuur zelve wezen. De ware wereldkennis wordt verkregen alleen door den omgang met menschen, en men moet de manieren der verschillende standen zien, om ze te leeren kennen.

Nu is echter het geval dat deze hoogere klasse der stervelingen niet te zien is als de overige leden van het menschelijke geslacht, om niet, op straat, in de winkels en koffijhuizen;—zij worden ook niet vertoond als vreemde dieren, tegen zoo of zooveel per stuk. Om kort te gaan, dit is een gezigt, waarbij niemand toegelaten wordt, zonder eene der volgende gaven:—namelijk geboorte of rijkdom;—of wat met beiden gelijk staat,—het eervolle beroep van speler. En, tot ongeluk van de wereld,—geven zich menschen, die deze vereischten hebben, zelden de moeite om het minvoordeelige beroep van schrijver op zich te nemen,—wat gewoonlijk overblijft voor de mindere en meer armoedige klasse,—daar het een beroep is, dat velen zich verbeelden zonder eenig kapitaal te kunnen drijven.

Vandaar die wonderlijke monsters in kant en borduurwerk, in zijde en satijn, met reusachtige pruiken en hoepelrokken, die, onder de benaming van Lords en Ladies, zich op het tooneel vertoonen, tot groot vermaak der procureurs en hunne klerken in het parterre, en der burgers en hunner leerjongens in de galerij, en die even weinig te vinden zijn in het werkelijke leven als de Centaurus, de Chimera, of eenige andere schepping der verdichting.

Maar, om den lezer in een geheim in te wijden: de kennis der groote wereld, hoe noodzakelijk ook, ten einde vergissingen te voorkomen, levert niet veel op voor iemand die blijspelen schrijft, of die soort van novellen, welke, zooals deze van mij, tot het komieke genre behooren.

Hetgeen Pope zegt van de vrouwen, is zeer toepasselijk op de meeste menschen in dezen stand, die inderdaad, zoo zeer gemaakt en vol vormen zijn, dat zij hoegenaamd geen merkbaar karakter bezitten. Ik waag zelfs te verklaren, dat het leven in de groote wereld verreweg het vervelendste is, en zeer weinig humor of vermaak oplevert. De verschillende beroepen in de lagere standen brengen, de grootste verscheidenheid van humoristische karakters te voorschijn; terwijl in de hoogere kringen, behalve de weinige eerzuchtigen, en de nog minder talrijke najagers van het genoegen, alles ijdelheid en slaafsche navolging blijft. Zich kleeden, spelen, eten en drinken, buigen en neigen, zijn de hoofdbezigheden van het leven.

Er zijn echter sommigen in dezen stand, op wie de hartstogten hunne dwingelandij uitoefenen, en hen ver buiten de grenzen slepen, door de welvoegelijkheid gesteld;—en onder dezen onderscheiden zich de dames evenzeer door edele stoutmoedigheid en zekere hooghartige minachting der deugd, van de zwakke vrouwen van den minderen stand, als eene deugdzame vrouw van hoogen rang door de sierlijkheid en fijnheid harer gevoelens verheven is boven de eerlijke vrouw van den pachter of den winkelier. Lady Bellaston was iemand van dezen onversaagden aard; maar mijne lezers op het platte land moeten daaruit niet opmaken, dat zulks het algemeen gedrag is der vrouwen in den hoogeren stand, of dat wij het als zoodanig hebben willen voorstellen. Men zou even goed zich kunnen verbeelden dat Thwackum de vertegenwoordiger was van alle predikanten, en de vaandrig Northerton die van alle krijgslieden.

Er bestaat inderdaad geene grootere dwaling, dan die welke algemeen heerscht onder het volk, hetwelk zijne meening vormende uit de werken van sommige onwetende hekeldichters, deze eeuw als bij uitstek losbandig beschouwen. Integendeel: ik ben vast overtuigd, dat er nooit minder zucht naar liefdes-intrigues heerschte onder de groote luî dan heden ten dage. Onze hedendaagsche vrouwen hebben van hare moeders geleerd, om hare gedachten te vestigen op eerzucht en ijdelheid, en om de genoegens der liefde te minachten, als harer onwaardig, en later, juist door de zorg harer moeders, uitgehuwd zijnde, zonder eigenlijk mannen te bezitten, schijnen zij tamelijk goed overtuigd van de juistheid dezer gevoelens, en stellen zich, voor het overige vervelende gedeelte van haar leven tevreden, met het najagen van vermaken, die wèl onschuldiger, maar, naar ik vrees, ook kinderachtiger zijn, en welker bloote vermelding hier slecht passen zou met de waardigheid dezer geschiedenis. Volgens mijn nederig gevoelen, is het ware kenmerk der hedendaagsche groote wereld, eerder dwaasheid dan ondeugd, en de eenige bijnaam, welken zij verdient, is die van „beuzelachtig.”

HOOFDSTUK II.

BEVATTENDE BRIEVEN EN ANDERE LIEFDE-ZAKEN.

Jones was pas te huis gekomen toen hij den volgenden brief ontving:

„Ik ben nooit van mijn leven meer verbaasd geweest, dan toen ik ontdekte dat gij weggegaan waart. Toen gij de kamer verliet, verbeeldde ik me volstrekt niet, dat gij het huis ook zoudt verlaten zonder mij gezien te hebben. Uw gedrag is zeer consequent en leert me hoezeer ik een hart minachten moest, dat dweept met een onnoozel meisje;—schoon ik haast niet weet wat ik meer bewonderen moet,—hare sluwheid of hare eenvoudigheid:—beiden zijn verbazend! Want hoewel zij geen woord begreep van hetgeen tusschen ons voorviel, heeft zij toch de handigheid, de onbeschaamdheid,—de—hoe zal ik het noemen?—om mij in het aangezigt vol te houden, dat zij u noch kent, noch ooit van te voren gezien heeft!

„Was dit een reeds tusschen u beraamd plan? Hebt gij de laagheid gehad om mij te verraden?—O, wat veracht ik haar, u en de geheele wereld,—maar voornamelijk mijzelve, die,—maar ik durf datgene niet opschrijven, wat mij tot waanzin zou brengen, als ik het herlas! Vergeet echter niet dat ik even bitter haten als teeder beminnen kan!”

Jones had slechts weinig tijd gehad om over dezen brief na te denken, toen hem een tweede gebragt werd, van dezelfde hand, en dezen geven wij ook woordelijk:

„Als ge u de ontroering voorstelt, waarin ik u schreef, zult gij u niet verwonderen over eenige uitdrukkingen in mijn laatste briefje.—Bij nader inzien, kan het zijn, dat ze wat al te driftig waren.—Ik wilde ten minste, zoo mogelijk, alles toeschrijven aan die akelige komedie en aan de lastigheid van een gek, die me langer van huis hield, dan ik gedacht had. Hoe gemakkelijk valt het niet, wèl te denken van hen die wij beminnen!—Misschien verlangt gij dat ik zóó over u denken zou? Ik heb besloten u heden nacht nog te zien.—Kom dus dadelijk bij mij!

„P.S. Ik heb voor niemand anders te huis gegeven dan voor u.

„P.S. De heer Jones mag er op rekenen dat ik hem in zijne verdediging bijstaan zal; want ik geloof niet dat hij meer verlangend kan wezen om mij te bedriegen, dan ik om bedrogen te worden.

„P.S. Kom onmiddellijk!”

Mannen, die aan intrigues gewoon zijn, mogen beslissen of de toornige of de teedere brief Jones het meest verontrustte. Zeker is het, dat hij geene hevige neiging gevoelde om dien avond eenig bezoek af te leggen, tenzij bij ééne persoon. Evenwel, beschouwde hij zich als door zijn eer verpligt, en al ware dit geen voldoende beweegreden geweest, zou hij het niet gewaagd hebben, Lady Bellaston tot die drift aan te hitsen, waartoe hij haar in staat achtte, en welker gevolg, naar hij vreesde, eene ontdekking zou wezen aan Sophia, welke hij boven alles ter wereld duchtte. Na eenige malen dus knorrig in de kamer heen en weer geloopen te zijn, maakte hij zich juist gereed om te vertrekken, toen de dame hem vriendelijk voorkwam,—niet door een derden brief,—maar door zelve bij hem te verschijnen. Zij trad in een zeer ontredderd toilet, en met groote ontroering in hare blikken, in de kamer, wierp zich op een stoel, en tot adem gekomen zijnde, zeide zij:

„Zoo als ge ziet, mijnheer,—als eene vrouw eens te ver gegaan is, weet zij van geen ophouden. Als mij iemand met de meeste zekerheid, eene week geleden voorspeld had, dat ik hier zou zijn, zou ik hem niet hebben willen gelooven!”

„Ik hoop,” hernam Jones, „dat de bekoorlijke Lady Bellaston het even moeijelijk zal vinden om iets te gelooven, ten nadeele van iemand, die zoo gevoelig is voor de vele verpligtingen van haar, onder welke hij gebukt gaat.”

„Zoo!” riep zij: „„Gevoelig voor verpligtingen!” Zulke koele taal verwachtte ik niet van den heer Jones!”

„Vergeef me, lieve engel,” zeide hij, „als na uwe brieven, de schrik voor uwen toorn, hoewel het me onbekend is hoe ik me dien op den hals gehaald heb—”

„Heb ik dan,” vroeg zij met een glimlach, „zulk een vertoornd gelaat?—Zie ik er wezenlijk zóó boos uit?”

„Zoo waar ik eerlijk man ben,” hernam hij, „heb ik niets gedaan om uwen toorn te verdienen. Gij herinnert u onze afspraak?—Dientengevolge ging ik bij u;—”

„Wat ik u bidden mag,” antwoordde zij, „spaar mij de hatelijke herhaling! Antwoord me slechts op ééne vraag, en ik zal geheel gerust gesteld wezen.—Hebt gij mijne eer aan haar niet prijs gegeven?”

Jones viel voor haar op de knieën en begon met de driftigste verklaringen, toen Partridge springende en dansende als een van vreugde dronken mensch in de kamer stoof, uitroepende: „Zij is gevonden! Zij is gevonden!—Hier, mijnheer! hier!—Jufvrouw Honour komt de trap op!”

„Houd haar een oogenblik tegen!” beval Jones.—

„Hier, mevrouw, verberg u achter het bed;—ik heb geene andere kamer of kast, of plaats ter wereld, waar ik u verbergen kan! Zóó’n verwenscht ongeluk—”

„Ja, verwenscht inderdaad!” riep de dame, zich op de aangewezene wijze verbergende, op het oogenblik dat jufvrouw Honour in de kamer trad.

„Kom aan, mijnheer Jones!” riep deze; „wat is hier te doen?—Die onbeschofte vlegel, uw knecht, wilde me naauwelijks de trap op laten komen. Ik hoop niet om dezelfde reden waarom hij me niet bij u toelaten wilde te Upton?—Ge zult wel naauwelijks verwacht hebben mij hier te zien;—maar ge hebt zeker de jufvrouw behekst! Het arme, lieve kind! Werkelijk, ik houd van haar als van eene zuster! De hemel zij u genadig, als gij geen goed man voor haar wordt,—ja, als gij dat niet wordt, weet ik niet wat gij verdient!”

Jones smeekte haar slechts te fluisteren, „omdat er eene dame op de kamer daarnaast op sterven lag.”

„Eene dame!” riep zij; „ja wel! Het zal wel eene rare dame zijn! O mijnheer Jones, er zijn maar al te veel van die dames in de wereld! Ik vrees dat wij in het huis van eene er van geraakt zijn;—want ik weet zeker, dat die Lady Bellaston ook niet veel deugt!”

„Stil, stil!” smeekte Jones; „men kan alles hier naast hooren!”

„Daar geef ik geen duit om,” hernam Honour. „Ik spreek kwaad van geen mensch ter wereld;—maar hare eigene dienstboden ontzien zich volstrekt niet te vertellen dat Milady de heeren gaat ontmoeten in een vreemd huis, dat in naam bewoond is door eene behoeftige dame;—maar Milady betaalt de huur, en het wijf krijgt nog bovendien allerlei van haar!”

Jones, die de meeste ongerustheid liet blijken, wilde toen zijne hand op hare lippen leggen.

„Wel ja, mijnheer Jones! Mag ik dan den mond niet open doen? Kwaad spreken doe ik niet;—ik herhaal slechts wat ik van anderen gehoord heb;—en ik denk wel eens bij mij zelve, die arme dame zal niet veel aan de voordeelen hebben, die zij op zulk eene slechte wijze magtig wordt! Neen! ’t is beter arm en eerlijk te blijven!”

„De bedienden zijn schurken en beschuldigen hunne dame onregtvaardig!” zei Jones.

„O ja, de dienstboden zijn altijd schelmen,—dat zegt mijne meesteresse ook en wil er geen woord van hooren!”

„Ja,” zei Jones, „ik ben ook overtuigd dat mijne Sophia er ver boven verheven is naar zulke vuige lastertaal te luisteren!”

„Maar laster is het toch niet, naar ik meen,” hernam Honour: „want waarom zou zij heeren gaan ontmoeten in een vreemd huis?—Dat is zeker met geen goed doel;—want, als zij het voornemen koesterde om zich op eene wettige wijze het hof te laten maken,—en het staat aan iedere ongehuwde vrouw vrij, om zich om die reden met de mannen op te houden,—waar zou het toch ter wereld toe dienen om—”

„Ik verklaar,” zei Jones, „dat ik dit niet aanhooren kan van eene deugdzame dame, die eene verwante van Sophia is;—bovendien zult gij de arme zieke hier naast dol maken!—Laat ik u bidden:—ga met mij naar beneden!”

„Neen, mijnheer! Als gij mij niet aan ’t woord wilt laten komen, schei ik er uit! Daar, mijnheer! Daar hebt gij een brief van mijne meesteresse;—hoeveel zouden niet sommige mannen geven, om zoo iets te krijgen! Maar, gij, mijnheer Jones, ik geloof niet dat gij bijzonder mild zijt,—en toch heb ik sommige dienstboden hooren zeggen;—maar, wat mij betreft, gij zult zeker mij het regt laten wedervaren van te bekennen, dat ik nooit een duit van u gekregen heb!”

Jones greep nu haastig den brief, en drukte haar vijf goudstukken in de hand. Daarop bedankte hij zijne dierbare Sophia duizend maal,—fluisterende,—en smeekte Honour om hem alleen te laten om den brief te lezen, waarop de kamenier dan ook spoedig vertrok, echter niet zonder vooraf hare gevoeligheid over zijne groote mildheid uitgedrukt te hebben.

Lady Bellaston trad nu van achter de gordijnen te voorschijn. Hoe zal ik hare woede beschrijven? Zij kon in ’t begin geen woord er uitkrijgen; maar bliksemstralen schoten uit hare oogen,—en niet zonder reden; want haar hart vlamde. En thans, zoodra zij hare stem meester was, in plaats van eenige verontwaardiging uit te drukken over Honour of hare eigene dienstboden, begon zij met een aanval op den armen Jones:

„Gij ziet,” zeide zij, „wat ik aan u opgeofferd heb: mijn goeden naam, mijne eer—reddeloos verloren! En hoe wordt mij dat vergolden? Ik word verwaarloosd, bespot, om een boerendeern,—om een onnoozel wicht—”

„Hoe heb ik u verzuimd, of bespot, mevrouw?” riep Jones; „waaraan heb ik me schuldig gemaakt?”

„Het veinzen is te vergeefs, mijnheer Jones,” hernam zij; „als gij mij werkelijk gerust stellen wilt, moet gij haar geheel opgeven en tot bewijs uwer opregtheid mij haren brief toonen.”

„Welken brief, mevrouw?” vroeg Jones.

„Wel!” riep zij; „gij zult toch niet de onbeschaamdheid hebben te loochenen dat gij door de meid die hier was, een brief hebt ontvangen?”

„En zoudt gij, Milady,” riep hij, „iets van me vergen, dat ik niet zonder oneer zou kunnen toestaan? Heb ik ten uwen opzigte zóó gehandeld? Zou ik er toe besluiten kunnen om dit arm, onschuldig meisje aan u op te offeren, zonder dat gij mij verdacht hieldt van even verraderlijk ten uwen opzigte te zullen handelen? Ik ben zeker, dat slechts weinig nadenken u overtuigen zal dat een man, voor wien de geheimen eener vrouw niet heilig zijn, het verachtelijkste wezen ter wereld moet zijn!”

„Best!” hernam zij; „ik behoef er niet op te staan, dat gij in uwe eigene oogen zulk een verachtelijk wezen zoudt worden; want de inhoud van den brief zou me toch niets kunnen leeren, dat ik nu niet al weet. Ik begrijp best op welken voet gijlieden met elkaar zijt!”

Hierop volgde een lang onderhoud, dat de niet al te nieuwsgierige lezer mij dank zal weten hier niet te herhalen. Genoeg, als ik hem vertel dat Lady Bellaston langzamerhand bedaarde en eindelijk geloofde, of veinsde te gelooven, zijne verzekeringen dat de ontmoeting met Sophia dien avond geheel toevallig was geweest,—even als alle andere omstandigheden, welke den lezer reeds bekend zijn, en die Jones haar in het helderste licht voorstelde, om haar te bewijzen,—wat zeer duidelijk was,—dat zij werkelijk geen regt had om op hem vertoornd te zijn.

In haar hart echter was zij niet geheel voldaan over zijne weigering om haar den brief te toonen,—zoo doof blijven wij voor de meest gezonde rede, als die in strijd is met onze overheerschende hartstogten. Zij gevoelde zich inderdaad overtuigd dat Sophia de eerste plaats bekleedde in het hart van Jones,—en toch, hoe hoogmoedig en verliefd van aard deze dame ook was, onderwierp zij zich er aan om de tweede plaats in te nemen,—of, om eene regtsgeleerde uitdrukking te bezigen: zij vergenoegde zich met het vruchtgebruik van het eigendom van eene andere.

Eindelijk kwam men overeen, dat Jones in het vervolg haar huis bezoeken zoude; want dat Sophia, hare kamenier en al de dienstboden, deze bezoeken op rekening van Sophia zouden schrijven,—en dat men het daarvoor houden zou dat Lady Bellaston zelve de bedrogene was.

Dit plan werd door de dame zelve bedacht, en ten hoogste goedgekeurd door Jones, die inderdaad, zeer verheugd was om, op welke wijze dan ook, bij zijne Sophia te worden toegelaten, en de dame zelve was niet weinig in haar schik met de foppaadje van Sophia, welke Jones (naar zij zich overtuigd hield), om zijn eigen wil voor haar verbergen moest.

De volgende dag werd voor het eerste bezoek bepaald, en na de behoorlijke pligtplegingen keerde Lady Bellaston huiswaarts.

HOOFDSTUK III.

BEVATTENDE ALLERLEI.

Zoodra Jones zich alleen bevond, brak hij driftig den brief open en las als volgt:

„Mijnheer. Het is onmogelijk voor mij om u te zeggen al wat ik geleden heb sedert gij dit huis verlaten hebt; en daar ik reden heb te gelooven, dat gij voornemens zijt om weer te komen, heb ik Honour gezonden, (die me zegt uwe woning te kennen), zelfs op dit late uur,—om u dat te beletten. Ik eisch van u, om den wille der achting welke gij voor mij koestert, om er niet aan te denken, hier als bezoeker te verschijnen;—want alles zou zeker ontdekt worden;—ja, ik vrees haast, uit enkele gezegden, welke Milady zich heeft laten ontvallen, dat zij reeds eenige verdenkingen koestert.—Welligt zullen de zaken een gunstiger keer nemen;—wij moeten het met geduld afwachten; maar ik smeek u nogmaals, als gij iets overhebt voor mijne zielerust om er niet aan te denken hier weder in huis te komen.”

Deze brief verschafte ongeveer denzelfden troost aan Jones als die, welken Job vroeger van zijne vrienden ontving. Behalve de teleurstelling van de hoop om Sophia te zien, verkeerde hij in eene zeer lastige positie tegenover Lady Bellaston; want er zijn zekere verpligtingen, welker verzuim, zoo als hij wel wist, geene verontschuldiging gedoogen;—en geene magt ter wereld zou hem toch dwingen, na het strenge verbod van Sophia,—om daar aan huis te gaan. Eindelijk, na veel getob, waardoor de slaap dien nacht vervangen werd, besloot hij te veinzen ziek te zijn;—want dit was het eenige middel, dat hij bedenken kon om het beloofde bezoek uit te stellen, zonder Lady Bellaston te krenken, wat hij meer dan ééne reden had, om niet te willen doen.

Het eerste echter wat hij den volgenden morgen deed, was een antwoord te zenden aan Sophia, ingesloten in een brief aan Honour. Daarop schreef hij aan Lady Bellaston, zich op bovengemelde wijze verontschuldigende, en ontving spoedig van haar onderstaand antwoord:

„Het spijt me u heden namiddag hier niet te zullen zien;—vooral om de reden. Wees zeer voorzigtig met uwe gezondheid; laat de beste geneeskundige hulp inroepen, en ik hoop dat gij alle gevaar voorkomen zult.—Ik word heden morgen door zoo vele lastige menschen geplaagd, dat ik naauwelijks één oogenblik kan vinden om u een enkel woord te schrijven.

„P.S. Ik zal trachten heden avond bij u te komen, om negen uur.—Zorg zeker alleen te zijn!”

De heer Jones ontving nu een bezoek van jufvrouw Miller, die, na eene deftige inleiding, hem aldus toesprak:

„Het spijt me zeer, mijnheer, u om eene dergelijke reden lastig te moeten vallen; maar ik hoop dat gij bedenken zult, welke kwade gevolgen het hebben zou voor mijne arme meisjes, als het eens zoo ver kwam dat mijn huis een slechten naam kreeg. Ik hoop dus, dat gij het niet onbescheiden van mij achten zult, als ik u beleefdelijk verzoek geene dames meer zoo laat ’s avonds bij u te zien. De klok had al twee geslagen, toen de laatste er van weder weg ging.”

„Ik verzeker u, jufvrouw,” zei Jones, „dat de dame die het langste hier bleef (de andere bragt me slechts een brief), eene hoogst fatsoenlijke dame, eene mijner naaste aanverwanten is.”

„Van haar fatsoen weet ik niets af,” hernam jufvrouw Miller, „maar ik ben toch overtuigd, dat geene dame, tenzij eene der allernaaste bloedverwanten, om tien uur ’s avonds een bezoek zou brengen bij een jongen heer, en vier uren lang alleen bij hem op de kamer blijven. Bovendien, mijnheer, bewijst de houding van de stoeldragers wat zij eigenlijk was; want zij deden niets den geheelen avond dan gekheden praten onder de poort, en vroegen den heer Partridge, in het bijzijn van mijne eigene meid, of mevrouw van plan was den geheelen nacht bij mijnheer te blijven;—met veel andere leelijke dingen, die ik niet herhalen zal. Ik koester werkelijk, mijnheer Jones, de meeste achting voor u, om uw eigen wil;—ja, ik heb zelfs groote verpligtingen jegens u, wegens uwe mildheid ten opzigte van mijn neef. Wezenlijk, het is pas onlangs dat ik vernomen heb, hoe uitstekend goed gij voor hem geweest zijt. Ik had slechts eene flaauwe voorstelling van de verschrikkelijke uitersten waartoe de nood den armen man gedreven had. Ik dacht volstrekt niet, toen gij mij de tien guinjes gaaft, dat gij ze aan een straatroover geschonken hadt! Mijn hemel! Wat zijt ge goed geweest! Gij hebt wel dat ongelukkig huisgezin gered!—Ja! De heer Allworthy heeft me vroeger uw karakter goed geschilderd!—En werkelijk, al ware ik u zelve niets verpligt, ik zou u om zijnentwil met de meeste achting behandelen!—Ja, geloof me, waarde mijnheer, al was er geene sprake van den goeden naam van mij en van mijne dochters, zou het me toch spijten dat zulk een best jong mensch zich met dergelijke vrouwen ophield;—en als gij vast besloten hebt zoo voort te gaan, dan moet ik u verzoeken naar eene andere woning om te zien; want ik houd er niet van dat dergelijke dingen onder mijn dak gebeuren;—vooral om den wille mijner meisjes, die, dat weet de hemel, weinig meer hebben dan haar goeden naam om haar door de wereld te helpen.”

Jones was verschrikt en verbleekte bij de vermelding van den naam van Allworthy.

„Wezenlijk, jufvrouw Miller,” hernam hij eenigzins driftig, „ik neem dit niet best van u op. Ik zal nooit eenige schande onder uw dak brengen; maar ik sta op het regt, om welk gezelschap ik verkies op mijne kamer te ontvangen, en als gij u daardoor beleedigd acht, zal ik, zoodra ik in staat daartoe ben, eene andere woning zoeken.”

„Het spijt me zeer, mijnheer, dat wij scheiden moeten,” hernam zij; „maar ik ben overtuigd, dat de heer Allworthy zelf nooit een voet over den drempel zou zetten, als hij eens vermoedde dat mijn huis in een kwaden reuk stond.”

„Best, best, jufvrouw!” riep Jones.

„Ik hoop toch, mijnheer, dat gij niet boos op mij zijt,” hervatte zij; „want om alles ter wereld zou ik geen lid van de familie van den heer Allworthy willen beleedigen.—Deze zaak heeft me al een slapeloozen nacht gekost.—”

„Het spijt me zeer uwe nachtrust gestoord te hebben, jufvrouw,” zei Jones; „maar ik moet u verzoeken Partridge dadelijk naar boven te zenden.”

Zij beloofde dit te doen en vertrok na eene diepe neiging.

Zoodra Partridge boven kwam, viel hem Jones met de meeste drift en hevigheid aan.

„Hoe dikwerf,” riep hij uit, „moet ik door uwe dwaasheid (of eerder door de mijne, dat ik u bij me houd) lijden? Hebt gij besloten mij door uw gewawel te gronde te rigten?”

„Wat heb ik nu begaan?” vroeg de verschrikte Partridge.

„Wie gaf u het regt om iets van die aanranding op den straatweg te vertellen, en te zeggen dat de man, dien gij hier ontmoet hebt, daarin betrokken was?”

„Zou ik dat gedaan hebben, mijnheer?” vroeg Partridge.

„Maak u niet aan een leugen schuldig door het te ontkennen!” riep Jones.

„Nu, mijnheer, als ik iets van dien aard gezegd heb,” zei Partridge, „weet ik zeker dat ik er geen kwaad meê bedoelde; want ik heb er geen woord van over mijne lippen laten komen, tenzij tot zijne eigene vrienden en betrekkingen, die, naar ik meende, wel daarvan zouden weten te zwijgen.”

„Maar ik heb eene nog veel ernstiger beschuldiging tegen u,” vervolgde Jones. „Hoe waagdet gij het na al de waarschuwingen, welke ik u gegeven heb, den naam van mijnheer Allworthy hier te noemen?”

Partridge ontkende met vele eeden dat ooit gedaan te hebben.

„En hoe anders dan,” vroeg Jones, „zou jufvrouw Miller weten dat hij in eenige betrekking tot mij stond? Slechts een oogenblik geleden vertelde zij mij, dat het zijnentwege was dat zij mij zoo hoogachtte,—”

„Mijn hemel, mijnheer!” riep Partridge, „ik verlangde maar aan het woord te komen, dan zoudt gij gehoord hebben, hoe verkeerd gij mij beschuldigt;—hoor maar, of er ooit iets ongelukkiger had kunnen zijn! Toen jufvrouw Honour gisteren avond naar beneden kwam, ontmoette zij mij in den gang, en vroeg me wanneer mijnheer het laatst van mijnheer Allworthy gehoord had, en jufvrouw Miller hoorde haar dat zeggen, en zoodra jufvrouw Honour weg was, riep zij mij bij zich op de kamer. „Mijnheer Partridge,” zeide zij, „wie is die mijnheer Allworthy, van wien het meisje sprak? Is het de groote mijnheer Allworthy uit Somersetshire?” „Op mijn woord, jufvrouw,” zei ik, „daar weet ik niets van.” „Wel,” zeide zij: „zou uw meester de mijnheer Jones zijn, van wien ik mijnheer Allworthy zoo dikwerf heb hooren spreken?” „Op mijn woord, jufvrouw,” zei ik weer, „daar weet ik niets van!” „Nu dan,” hervatte zij, zich tot hare dochter Nancy wendende, „zoo waar ik leef, is dit zeker de jonge heer; want hij is juist zoo als mijnheer hem beschreef!”—De hemel weet wie haar dat verteld heeft; maar houd mij voor den grootsten schurk ter wereld, als ik het verklapte!—Neen, mijnheer! Ik verzeker u dat ik een geheim kan bewaren, als het noodig is!—Ja, mijnheer,—verre van haar iets van mijnheer Allworthy te vertellen, verzekerde ik haar juist het tegendeel; want ofschoon ik haar op dat oogenblik niet tegensprak, na rijp overleg, wat altijd goed is, naar men zegt, daar ik begreep dat iemand haar dat verteld moest hebben, dacht ik bij mij zelven, dat ik een einde aan hare praatjes zou maken;—dus ging ik wat later in de kamer terug en ik zei, „op mijn woord, zei ik, wie u ook verteld heeft, zei ik, dat mijn mijnheer mijnheer Jones is, zei ik, dat is, dat deze mijnheer Jones de andere mijnheer Jones was, zei ik, is een vervloekte leugenaar geweest, zei ik; en ik verzoek u; zei ik, om nooit van uw leven zoo iets weer te zeggen: want mijnheer, zei ik, zal denken dat ik het u verteld heb, en ik zet het, wien ook in huis te bewijzen, dat ik ooit zoo iets gezegd heb. ’t Is zeker, mijnheer, al heel raar, en ik heb er van dat oogenblik af over nagedacht, hoe zij er achter zou gekomen zijn;—evenwel zag ik een dag of wat geleden, eene oude bedelaarster aan de deur hier, die precies op dat wijf geleek, dat wij in Warwickshire ontmoetten, en dat ons zoo veel tegenspoed berokkende. ’t Is wezenlijk waar, het deugt niet om zoo’n oud wijf voorbij te trekken, zonder haar een aalmoes te geven,—vooral als zij opkijkt;—want niemand ter wereld zal mij wijs maken, dat zoo’n mensch niet de magt heeft om een boel kwaad te doen, en ik, voor mij, zal van mijn leven geen oud wijf kunnen aanzien, zonder in mij zelven te denken, „Infandum, regina, jubes renovare dolorem!””

De eenvoudigheid van Partridge wekte weder den lachlust van Jones op en bluschte zijn toorn, die werkelijk ook zelden lang brandde, en in plaats van eenige aanmerking te maken op al wat Partridge verteld had, zeide hij hem slechts dat hij voornemens was om deze woning te verlaten en beval hem om er op uit te gaan om andere kamers voor hem te zoeken.

HOOFDSTUK IV.

HETWELK, NAAR WIJ HOPEN, MET DE MEESTE OPLETTENDHEID GELEZEN ZAL WORDEN DOOR JONGE LIEDEN VAN BEIDER GESLACHT.

Partridge had naauwelijks den heer Jones verlaten toen de heer Nightingale, met wien hij nu op een zeer vertrouwelijken voet stond, bij hem kwam en na een korten groet zeide:

„Wel Tom, naar ik hoor, hadt gij gisteren avond nog al laat bezoek! Op mijn woord, gij zijt een geluksvogel, gij, die ter naauwernood veertien dagen in de stad zijt en dames draagstoelen tot twee uur ’s morgens aan uwe deur laat wachten!” Hij ging voort met allerlei aardigheden in dezen trant, tot Jones hem eindelijk in de rede viel en zeide:

„Ge zult dit alles wel vernomen hebben van jufvrouw Miller, die pas naar boven gekomen is, om mij de huur op te zeggen. Naar het schijnt, is de goede vrouw bevreesd voor den goeden naam harer dochters.”

„O, zij is nog al heel moeijelijk op dat punt,” zei Nightingale; „gij zult u wel herinneren, dat zij niet hebben wilde dat Nancy met ons naar de maskerade ging.”

„Daarin geloof ik werkelijk, dat zij groot gelijk had,” zei Jones; „maar ik heb haar bij haar woord genomen en heb Partridge er op uitgezonden om andere kamers te zoeken.”

„Als gij verkiest,” hernam Nightingale, „kunnen wij toch bij elkaar blijven;—want, om u een geheim te ontdekken,—dat ik u verzoek voor de menschen hier te verzwijgen,—ik ben zelf voornemens om heden nog dit huis te verlaten.”

„Hoe, vriend?” riep Jones, „heeft jufvrouw Miller u ook de huur opgezegd?”

„Neen,” hernam de andere, „dat niet. Maar de kamers zijn niet ruim genoeg.—Bovendien, begint me dit gedeelte van de stad te vervelen. Ik moet meer in de nabijheid wezen van de plaatsen der openbare vermakelijkheden;—ik ga naar Pall-Mall.”

„En waarom wilt gij uw vertrek geheim houden?” vroeg Jones.

„Wat dat betreft,” hernam Nightingale, „ik beloof u dat ik niet voornemens ben te vertrekken zonder de huur te betalen; maar ik heb eene geheime reden om geen bepaald afscheid hier in huis te nemen.”

„Die is niet zoo geheim,” antwoordde Jones „of ik heb ze wel ingezien, sedert den tweeden dag van mijn verblijf hier in huis.—Daar zullen tranen gestort worden bij uw vertrek!—Die arme Nancy! Ik heb werkelijk medelijden met haar! Wezenlijk, Jaap, gij hebt te veel gekheid gemaakt met dat meisje.—Ik vrees dat gij haar eene neiging hebt ingeboezemd, waarvan zij nooit genezen zal!”

„Wat drommel wildet ge hebben dat ik doen zou?” vroeg Nightingale. „Moet ik haar trouwen,—om haar te genezen?”

„Neen,” hernam Jones; „maar gij hadt haar niet zóó het hof moeten maken, als ik u heb zien doen in mijn bijzijn. Ik heb verbaasd gestaan over de verblinding der moeder, die het niet ontdekte.”

„Bah! Ontdekken? Wat zou zij ontdekken?” vroeg Nightingale.

„Wel, ontdekken dat gij hare dochter tot gekwordens toe op u verliefd hebt gemaakt,” zei Jones. „Het arme meisje kan het geen oogenblik verbergen. Zij wendt de oogen niet van u af, en krijgt eene kleur telkens als gij in de kamer komt. Wezenlijk, ik beklaag haar opregt, want ik houd haar voor een zeer goed, lief meisje!”

„Dus,” zei Nightingale, „volgens uwe leer, moet men zich niet eens vermaken met eenige dagelijksche beleefdheden jegens de vrouwen, uit vrees dat zij op ons verliefd zullen worden?”

„Wezenlijk, Jaap,” zei Jones, „ge schijnt me voorbedachtelijk verkeerd te willen verstaan. Ik verbeeld me volstrekt niet dat alle vrouwen zoo zeer geneigd zijn om op ons verliefd te worden;—maar gij zijt veel verder gegaan dan alledaagsche beleefdheden.”

„Veronderstelt ge dan dat wij al te ver gegaan zijn?” vroeg Nightingale.

„Neen,” hernam Jones, zeer ernstig; „dat niet—op mijn woord! Zoo slecht denk ik niet van u. Ja, ik wil me zelfs niet verbeelden dat gij een geregeld plan gesmeed hebt om dit arm, goed schepseltje te gronde te rigten,—of dat gij zelfs over de gevolgen van zoo iets nagedacht hebt; want ik weet zeker dat gij een zeer goedaardig mensch zijt, en zoo iemand zou zich nooit schuldig maken aan iets dergelijks; maar, inmiddels hebt ge uwe eigene ijdelheid gestreeld, zonder te overleggen dat gij het arme meisje daaraan opgeofferd hebt, en terwijl ge aan niets anders dacht dan u een uurtje of wat te vermaken, hebt ge haar werkelijk reden gegeven om zich te vleijen met de hoop, dat gij het ernstig met haar meendet. Ik bid u, Jaap, zeg me eerlijk: waartoe strekten al die prachtige en wellustige beschrijvingen van het geluk, dat ontstaat uit hevige en wederkeerige liefde;—al die vurige betuigingen van teederheid, van edele en belangelooze liefde? Dacht gij, dat zij ze niet op zich zelve toepassen zoude? Of, om opregt te zijn, wenschtet gij niet, dat zij dat doen zou?”

„Op mijn woord, Tom,” riep Nightingale, „zóó iets had ik bij u niet verwacht! Gij zoudt een uitstekende dominé worden! Dus veronderstel ik, dat als Nancy u ’s nachts bij zich toelaten wilde, gij daarvoor bedanken zoudt?”

„Dat zou ik doen, zoo waar ik leef!” riep Jones.

„Tom! Tom! Denk aan gisteren avond!” hernam Nightingale.

„Toen alle menschen sliepen En slechts de maan nog waakte.”

„Hoor eens, mijnheer Nightingale,” zei Jones. „Ik ben geen huichelaar en ik wend niet voor kuischer te zijn dan mijne naasten. Ik beken wel, dat ik mij met de vrouwen bezondigd heb;—maar ik weet niet dat ik er ooit eene benadeeld heb.—Ik wilde ook niet wien, ook ongelukkig maken, alleen om mijzelven een kort genot te verschaffen.”

„Nu ja,” antwoordde Nightingale, „ik wil u wel gelooven, en ben overtuigd dat gij mij ook van iets van dien aard vrijspreken zult.”

„Ik spreek u van ganscher harte vrij van het meisje te hebben verleid,” hernam Jones; „maar niet van hare toegenegenheid verworven te hebben.”

„Als ik dat gedaan heb,” zei Nightingale, „dan spijt het me zeer. Maar tijd en afwezigheid zullen spoedig alle dergelijke gevoelens doen slijten. Dat is een voorschrift, dat ik zelf gebruiken moet; want, om u de waarheid te bekennen,—ik heb nooit van mijn leven half zooveel van eenig ander meisje gehouden:—maar, Tom, ik moet u het geheele geheim mededeelen. Mijn vader heeft een huwelijk voor mij klaar gespeeld, met eene vrouw die ik nog nooit gezien heb, en zij komt nu naar de stad om zich door mij het hof te laten maken.”

Bij deze woorden proestte Jones van lagchen, en Nightingale riep uit:

„Neen! Wat ik u bidden mag, lach niet om mij! De drommel hale mij, als ik niet half gek ben! O mijne arme Nancy! Jones, Jones! Wat gaf ik er niet om een onafhankelijk vermogen te bezitten!”

„Ik wenschte van ganscher harte dat gij er een hadt!” zei Jones; „want nu ik het geval ken, heb ik diep medelijden met u beiden. Maar gij kunt er toch niet aan denken om weg te gaan, zonder afscheid van haar te nemen?”

„Ik zou om alles ter wereld mij aan de pijn van het afscheid-nemen niet willen blootstellen,” hernam Nightingale; „bovendien ben ik overtuigd, dat in plaats van tot iets te dienen, het alleen daartoe strekken zou, om mijne arme Nancy nog meer op te winden. Ik bid u dus heden er geen woord van te zeggen en in den loop van den avond, of morgen vroeg, ben ik voornemens het huis te verlaten.”

Jones beloofde hem zijn zin te geven, en zeide, dat bij nader inzien, het hem voorkwam, dat daar hij besloten had en genoodzaakt was om haar te verlaten, hij den meest voorzigtigen weg had ingeslagen. Daarop verzekerde hij Nightingale dat hij heel blijde zou zijn hetzelfde huis met hem verder te bewonen, en zij spraken zamen af, dat Nightingale de benedenste verdieping, of de tweede voor Jones zou huren, daar hij zelf de tusschenliggende verdieping wilde betrekken.

Deze Nightingale, omtrent wien wij later meer te vertellen zullen hebben, was in alle dagelijksche zaken een man van de stiptste eer, en wat nog zeldzamer is onder jonge heeren, die in de wereld leven, ook stipt eerlijk; maar in liefdezaken waren zijne grondbeginselen eenigzins los,—zonder dat hij echter zoo geheel van alle eerlijkheid ontbloot was als sommige heeren wel eens zijn,—of veinzen te wezen;—maar zeker is het dat hij zich ten opzigte van enkele vrouwen aan onvergeefelijke ontrouw had schuldig gemaakt, en in zeker geheim „de liefdekunst” genaamd, veel bedrog gepleegd had, dat in den handel hem den naam van den grootsten schurk ter wereld berokkend zou hebben.

Daar men echter in de wereld, om eene reden die mij onbekend is, overeen gekomen is, om deze soort van bedrog uit een veel gunstiger oogpunt te beschouwen, was hij zoo ver van zich te schamen over zijne schanddaden van dezen aard, dat hij er roem op droeg, en dikwerf pochte op zijne behendigheid in de kunst van de vrouwen te winnen en hare harten te veroveren. Jones had hem dit dikwerf verweten, daar hij zelf altijd den meesten afkeer uitdrukte van elk wangedrag tegenover de schoonen, die, behandeld gelijk hij zeide, zoo als haar toekwam, als onze beste vriendinnen, vereerd, gekoesterd en gestreeld moesten worden met de meeste teederheid;—en, indien wij er toe kwamen haar als onze vijandinnen te beschouwen, moest een man zich eerder schamen dan zich beroemen op eene overwinning ten haren koste.

HOOFDSTUK V.

DE KORTE GESCHIEDENIS VAN JUFVROUW MILLER.

Jones gebruikte dien dag, voor een zieke, een tamelijk goed middagmaal, dat wil zeggen, de grootste helft van een schapenbout. Des namiddags ontving hij eene uitnoodiging van jufvrouw Miller op de thee; want die goede vrouw, hetzij door Partridge, of op eene andere natuurlijke of bovennatuurlijke wijze vernomen hebbende, dat hij eene betrekking was van den heer Allworthy, kon er niet aan denken in toorn van hem te scheiden.

Jones nam de uitnoodiging aan, en zoodra de theeboel opgeruimd was en de meisjes de kamer verlaten hadden, begon de weduwe, zonder verdere inleiding, als volgt:

„Nu, er gebeuren wel eens vreemde dingen in de wereld;—maar niets is zoo vreemd dan dat ik eene betrekking van mijnheer Allworthy onder mijn dak zou ontvangen hebben, zonder er iets van te weten. Helaas, mijnheer, gij kunt u niet verbeelden welk een vriend voor mij en de mijnen die heer geweest is! Ja, mijnheer, ik schaam me niet te bekennen, dat ik het alleen aan zijne goedheid te danken heb, dat ik niet reeds lang geleden van gebrek omkwam, en mijne beide kinderen achterliet als twee beroofde, hulpelooze, verlatene weezen,—aan de zorgen, of liever aan de wreedheid van de wereld.

„Gij moet namelijk weten, mijnheer, dat hoewel ik er nu toe gebragt ben om den kost te verdienen door kamers te verhuren, ik in een fatsoenlijken stand geboren en opgevoed ben. Mijn vader was officier bij het leger en had een aanzienlijken rang bereikt bij zijn dood; maar hij had steeds zijn traktement verteerd, en daar dat met zijn leven ophield, werd zijn gezin bij zijn sterven tot den bedelstaf gebragt. Wij waren drie zusters. Eene van ons had het geluk kort daarna aan de pokken te sterven;—eene dame had de goedheid om de tweede bij zich te nemen, uit christelijke liefde, gelijk zij zeide, om haar te bedienen. De moeder van deze dame was dienstmeid geweest bij mijne grootmoeder, en een groot vermogen geërfd hebbende van haar vader, die lombardhouder was, huwde zij een heer van hoogen rang en aanzien. Zij behandelde mijne zuster met zooveel wreedheid,—haar dikwerf hare afkomst en hare armoede verwijtende, en haar uit spot „eene dame” heetende, dat, naar ik geloof, zij eindelijk het arme meisje het hart brak. Met één woord, ook zij stierf binnen het jaar na mijn vader.

„Het behaagde de Voorzienigheid beter voor mij te zorgen, en binnen ééne maand na zijn dood, was ik gehuwd met een dominé, die mij al lang bemind had, en die om die reden zeer slecht behandeld was geworden door mijn vader;—want hoewel de arme man ons geen van allen een duit mede geven kon, bragt hij ons even weelderig groot, en beschouwde ons,—en wilde dat wij ons ook beschouwden,—als rijke erfgenamen.—Maar mijn beste man vergat deze slechte behandeling en zoodra wij ouderloos waren, hernieuwde hij zijn aanzoek met zooveel vuur, dat ik, die altijd van hem gehouden had, en hem thans meer dan ooit hoogachtte, weldra bezweek. Ik leefde vijf jaren volmaakt gelukkig, met dien besten man,—toen eindelijk—o wreed, wreed lot, dat mij van den liefderijksten echtgenoot en mijne arme meisjes van den besten vader beroofde!—O mijne arme meisjes, die nooit den zegen hebt gekend, welken gij missen moest!—Ik schaam mij over deze vrouwelijke weekheid, mijnheer Jones;—maar ik kan hem nooit zonder tranen noemen!”

„Ik moest mij eerder schamen,” zei Jones, „dat mijne tranen niet met de uwen vloeijen.”

„Nu, mijnheer,” hervatte zij: „ik was thans ten tweeden male in een veel ergeren toestand dan de eerste keer;—behalve de smart, die ik overwinnen moest, had ik nu twee kinderen te verzorgen, en zoo mogelijk, was ik nog armer dan vroeger, toen die groote, goede, heerlijke mijnheer Allworthy, die eenigzins bekend was met mijn echtgenoot, toevallig van mijn ongeluk hoorde en mij dadelijk dezen brief zond.—Zie hier, mijnheer, ik heb hem op zak gestoken, om hem u te doen lezen. Daar is de brief, mijnheer: ik zal, ik moet hem u voorlezen.”

Mejufvrouw!

Met u betreur ik uw pas geleden onherstelbaar verlies, hetwelk uw eigen gezond verstand en de uitnemende lessen, welke gij van den waardigsten der mannen zeker ontvangen hebt, u beter zullen helpen dragen dan eenige raad, welken ik u geven kan. Ik twijfel ook niet of gij, die, naar ik verneem, de teederste moeder zijt, zult perken weten te stellen aan uwe droefheid, zoodat ze u niet ongeschikt maakt om uw pligt waar te nemen ten opzigte van de arme kleinen, die nu alleen behoefte gevoelen aan uwe liefde.

„Daar men echter veronderstellen moet, dat gij op dit oogenblik ongeschikt zijt voor vele wereldsche berekeningen, zult gij het mij ten goede willen houden, dat ik iemand belast heb u de som van twintig guinjes uit te betalen voor mij, welke ik u smeek te willen aannemen tot ik het genoegen heb van u te zien, terwijl ik blijf, enz.

„Dezen brief ontving ik, mijnheer, nog geen veertien dagen na het onherstelbaar verlies dat ik geleden had,—en nog geen veertien dagen later, kwam de heer Allworthy,—die voortreffelijke heer Allworthy, mij een bezoek brengen, vestigde mij in dit huis, gaf me eene zware som gelds om het te meubeleren, en verzekerde me daarenboven een jaarlijksch inkomen van vijftig pond, dat ik sedert dien tijd onafgebroken ontvangen heb. Oordeel dus, mijnheer Jones, hoeveel eerbied ik koesteren moet voor een weldoener, wien ik het behoud van mijn eigen leven en van die lieve kinderen, om welker wil alleen het leven voor mij eenige waarde heeft, te danken heb.—Geloof dus niet dat het ongepaste vrijmoedigheid van mij is,—daar ik achting koesteren moet voor iemand, die, zoo als mij bekend is, zoo zeer bemind wordt door den heer Allworthy,—als ik u smeek niet meer om te gaan met die slechte vrouwen! Gij zijt nog jong en kent de helft harer listige streken niet! Wees ook niet boos op mij, mijnheer, wegens hetgeen ik u zeide over den goeden naam van mijn huis;—gij moet gevoelen, dat het verlies daarvan het ongeluk zou wezen van mijne arme meisjes. Bovendien, mijnheer, moet het u bekend zijn, dat de heer Allworthy het mij nooit vergeven zou, als hij vernam, dat ik zoo iets oogluikend toeliet,—vooral met u!”

„Op mijn woord, jufvrouw,” zei Jones, „gij behoeft u niet verder te verontschuldigen; en ik neem u ook al wat gij gezegd hebt, in het minst niet kwalijk; maar veroorloof mij,—daar niemand den heer Allworthy hooger achten kan dan ik,—om u eene dwaling te benemen, welke hem welligt niet tot eer zou strekken;—ik verzeker u dat ik volstrekt geen bloedverwant van hem ben!”

„Helaas, mijnheer, dat weet ik best!” hernam zij. „Ik weet ook zeer goed wie gij zijt; want mijnheer Allworthy heeft me zelf alles verteld;—maar ik verzeker u, al waart gij twintig maal zijn zoon geweest, had hij geene meerdere liefde voor u kunnen uiten, dan hij aan mij gedaan heeft. Gij behoeft u volstrekt niet te schamen, mijnheer, over wat gij zijt;—ik verzeker u dat geen goed mensch ter wereld u minder daarom achten zal. Neen, mijnheer Jones, de woorden „van oneerlijke geboorte” zijn onzin, zoo als mijn beste goede man plagt te zeggen,—tenzij het woord „oneerlijk” toegepast worde op de ouders; want de kinderen kunnen geene schande dragen van eene daad, waaraan zij geheel onschuldig zijn.”

Hier zuchtte Jones zwaar, en zeide:

„Daar ik zie, jufvrouw, dat gij mij wezenlijk kent, en de heer Allworthy goed gevonden heeft mij aan u te noemen, en daar gij ook zoo openhartig met mij geweest zijt omtrent uwe eigene zaken, zal ik u ook bekend maken met eenige omstandigheden, welke mij betreffen.”

Dewijl nu jufvrouw Miller het grootste verlangen en de meeste nieuwsgierigheid toonde om hem te hooren, begon hij dadelijk en vertelde haar zijne geheele geschiedenis, zonder echter eenige melding te maken van Sophia’s naam.

Er bestaat eene soort van sympathie onder eerlijke zielen, waardoor zij er ligt toe komen om elkaar vertrouwen te schenken. Jufvrouw Miller geloofde dan ook alles wat Jones haar mededeelde, en toonde veel medelijden en deelneming met zijn lot. Zij was al begonnen met over zijn verhaal uit te weiden; maar werd in de rede gevallen door Jones; want daar het uur der komst van Lady Bellaston nu naderde, begon hij te onderhandelen over eene tweede zamenkomst met die dame op zijne kamer, belovende dat deze de laatste zou wezen in dat huis; terwijl hij zwoer dat het iemand van hoogen stand was, en dat er niets gebeuren zou dat niet geheel onschuldig was;—en ik geloof ook vast dat hij voornemens was, om woord te houden.

Eindelijk haalde hij jufvrouw Miller over, en Jones ging naar zijne kamer, waar hij tot middernacht bleef wachten, zonder dat Lady Bellaston verscheen.

Daar wij vermeld hebben, dat die dame eene vurige liefde tot Jones koesterde,—wat werkelijk gebleken is het geval te wezen, zal de lezer welligt verwonderd zijn, dat zij thans geen woord hield, op het oogenblik dat zij hem door ziekte in huis gebonden waande,—eene gelegenheid waarbij dergelijke vriendschappelijke bezoeken vooral vereischt worden. Sommigen zullen dus welligt het gedrag der dame als onnatuurlijk afkeuren;—maar dat is onze schuld niet;—want het is alleen onze taak om de waarheid op te teekenen.

HOOFDSTUK VI.

EEN TOONEEL BEVATTENDE, DAT, ZONDER TWIJFEL DEN LEZER ZEER TREFFEN ZAL.

De heer Jones deed geen oog digt in de eerste uren van den nacht,—wat niet toe te schrijven was aan eenig verdriet over de teleurstelling, welke Lady Bellaston hem berokkend had;—noch was Sophia zelve (hoewel zij de meeste zijner slapelooze uren op hare rekening had) thans de oorzaak van zijne rusteloosheid. Het ware van de zaak was, dat de arme Jones een der goedaardigste menschen ter wereld was, en dat hij gebukt ging onder die zwakheid, welke men medelijden noemt, en die den mensch zoo zeer vernedert in vergelijking van hen die het geluk hebben van die edelmoedige standvastigheid te bezitten, welke den mensch, als het ware, in zich zelven oprolt, en hem ongevoelig maakt voor de rampen van anderen. Hij kon dus niet nalaten om medelijden te gevoelen met de arme Nancy, wier liefde tot den heer Nightingale hem zoo duidelijk zigtbaar scheen, dat hij verbaasd stond over de verblinding harer moeder, die den vorigen avond, meer dan eens gesproken had over de groote verandering in hare dochter, „die,” zoo als zij zeide, „vroeger een der levendigste, vrolijkste meisjes ter wereld was, en thans op eens diep neerslagtig en droefgeestig scheen geworden te zijn.”

De slaap echter overwon eindelijk alle bezwaren, en scheen als ware hij werkelijk eene godheid geweest, zoo als de ouden zich verbeeldden,—en nog wel eene vertoornde, van zijne duurgekochte overwinning gebruik te willen maken. Om duidelijker te spreken, en zonder eenige beeldspraak,—de heer Jones sliep tot den volgenden morgen elf uur, en zou welligt nog een tijdlang de rust genoten hebben, als hij niet door een hevig rumoer in huis gewekt ware geworden.

Hij riep Partridge, vroeg wat er te doen was en vernam „dat er beneden in huis een vreeselijk onweer losgebarsten was; dat jufvrouw Nancy het op de zenuwen had, en dat de andere zuster en de moeder, beiden, over haar stonden te jammeren en te klagen.”

Jones drukte veel ontsteltenis uit over deze tijding, welke Partridge trachtte te verligten, door met een glimlach te zeggen, „dat hij niet geloofde dat de jonge dame in doodsgevaar verkeerde; want dat Suze, de meid, hem had doen verstaan, dat het niets buitengewoons was; met één woord,” zeide hij, „jufvrouw Nancy heeft lust gekregen om even wijs te worden als hare moeder ’t is; anders niets! Het schijnt dat zij wat gulzig geweest is, en aan tafel is gegaan zonder te bidden;—en dus wacht men een kindje voor het Vondelingen-Huis.”

„Ik verzoek u uit te scheiden met dergelijke laffe aardigheden!” riep Jones. „Durft gij te spotten met de ellende dezer arme menschen? Ga dadelijk naar jufvrouw Miller, en zeg haar, dat ik verlof vraag neen, blijf hier! Gij zoudt de eene of andere domheid begaan;—ik zal zelf gaan; zij vroeg me gisteren avond om heden morgen bij haar te komen ontbijten.”

Hij stond dus op, kleedde zich aan, zoo vlug mogelijk, en terwijl hij bezig was, kon Partridge zich niet onthouden, in weerwil van vele strenge verwijten, om zekere grofheden, die gewoonlijk aardigheden genoemd worden, over deze zaak te uiten. Zoodra Jones klaar was, ging hij naar beneden, tikte aan de deur en werd dadelijk door de meid in de voorkamer gelaten, welke even weinig menschen als toebereidselen voor het ontbijt bevatte. Jufvrouw Miller was in de binnenkamer met hare dochter, van waar de meid spoedig den heer Jones de boodschap bragt, „dat de jufvrouw hoopte, dat hij haar de teleurstelling te goed zoude houden, maar dat er een ongeluk gebeurd was, waardoor het haar onmogelijk was om het genoegen te hebben hem dien morgen aan ’t ontbijt te zien, en dat hij het haar vergeven moest, dat zij verzuimd had hem vroeger daarvan te verwittigen.”

Jones verzocht dat zij zich volstrekt niet om hem bekommeren zoude,—dat het hem alleen speet, dat zij zulk eene treurige aanleiding had om hem niet te ontvangen; en dat hij in alles, waartoe hij bij magte was, tot hare dienst stond.

Hij had dit naauwelijks gezegd toen jufvrouw Miller, die alles had kunnen hooren, plotseling de deur open wierp en hem met een stortvloed van tranen naderende, uitriep:

„O, mijnheer Jones, gij zijt zeker een der beste menschen ter wereld! Duizendmaal dank voor uwe aangebodene diensten; maar, helaas, mijnheer, het staat niet aan u, om mijn arm meisje te redden! O mijn kind! Mijn kind! Zij is te gronde gerigt, zij is voor altijd verloren!”

„Ik hoop toch jufvrouw,” zeide Jones, „dat geen eerlooze schelm—”

„O, mijnheer Jones!” riep zij uit, „de ellendeling, die gisteren mijn huis verliet, heeft mijn arm meisje verraden en haar geheel ongelukkig gemaakt.—Ik weet dat gij een man van eer zijt! Gij hebt een edel en goed hart, mijnheer Jones! Al wat ik zelve van u gezien heb, bewijst dat! Ik zal u alles vertellen;—en het is ook onmogelijk, na hetgeen gebeurd is, om het geheim te houden. Die Nightingale, die ongevoelige booswicht, heeft mijne dochter,—o, mijnheer Jones,—zij—zij—moet moeder worden,—door hem,—en in dien toestand heeft hij haar verlaten! Hier, mijnheer, lees zijn wreedaardigen brief! Lees hem mijnheer Jones, en zeg me of er een grooter monster dan hij ter wereld bestaat!”

De brief luidde als volgt:

„Liefste Nancy!

„Daar het mij onmogelijk was u mondeling datgene mede te deelen, wat, naar ik vrees, u niet minder dan mij grieven zal, heb ik mijne toevlugt moeten nemen tot dit middel, om u te doen weten, dat mijn vader er op staat, dat ik onmiddellijk aanzoek zal doen om de hand van eene rijke jonge dame, die hij uitgezocht heeft voor mijne—ik kan het gehate woord niet schrijven!

„Uw eigen gezond verstand zal u doen beseffen, hoe alleen de dwang mij tot eene gehoorzaamheid noodzaakt, welke mij voor altijd uit uwe schoone armen rukt. De toegenegenheid uwer moeder zal u aanmoedigen om haar de ongelukkige gevolgen onzer liefde toe te vertrouwen, welke gemakkelijk voor de wereld een geheim kunnen blijven,—en voor welke, even als voor u, ik ruimschoots zorgen zal.

„Ik hoop dat gij door dit alles minder zult lijden dan ik;—roep uw geheelen moed op, om u bij te staan en vergeet en vergeef den man, dien niets dan de onvermijdelijke ondergang had kunnen dwingen om dezen brief op te stellen. Ik smeek u mij alleen als minnaar te vergeten;—want den besten uwer vrienden zult gij altijd vinden in,

Uw getrouwen, ongelukkigen J. N.”

Toen Jones dezen brief uitgelezen had, bleven beide elkaar een oogenblik zwijgend aanzien;—eindelijk echter zeide hij:

„Ik kan geene woorden vinden, jufvrouw, om uit te drukken, hoe zeer ik getroffen ben door hetgeen ik hier gelezen heb;—maar laat ik u toch raden in één opzigt, den wenk van den schrijver te volgen:—vergeet niet den goeden naam uwer dochter!”

„Die is al weg, die is al verloren, mijnheer Jones!” riep zij, „even als hare onschuld. Zij ontving dien brief in eene kamer vol menschen, viel dadelijk in zwijm zoodra zij hem gelezen had, en de inhoud er van werd aan iedereen bekend. Maar het verlies van haren goeden naam hoe, erg ook, is niet het allerergste. Ik zal mijn kind verliezen; zij heeft al twee maal getracht zich van kant te maken; en hoewel men haar dat belet heeft, zweert zij haar ongeluk niet te willen overleven:—ik zelve zou zoo iets niet kunnen overleven.—Wat moet er dan worden van mijne Betsy, dat hulpelooze, zwakke kind? Dat schepseltje zal ook, geloof ik, van verdriet sterven, als zij de ellende ziet van hare zuster en van mij, zonder te begrijpen waardoor wij tot wanhoop gebragt worden. O, zij is het gevoeligste en teerhartigste schepseltje! O die wreedaard,—hij heeft ons allen te gronde gerigt! O mijne arme kinderen! Is dit het loon voor al mijne zorgen? Is dit de uitslag van mijne verwachtingen? Heb ik met zoovele opgeruimdheid al de zorgen en pligten eener moeder waargenomen,—ben ik zoo bezorgd geweest voor hare kindschheid,—voor hare opvoeding, heb ik zoo vele jaren gezwoegd, en zelfs veel ontbeerd, ten einde iets voor haar over te leggen,—om nu eene, of beiden, op deze wijze te verliezen?”

„Wezenlijk, jufvrouw,” zeide Jones, „ik heb innig medelijden met u!”

„O, mijnheer Jones,” hernam zij, „zelfs gij, wiens goedaardigheid mij bekend is, kunt u geen begrip maken van hetgeen ik gevoel! De beste, de liefste, de gehoorzaamste mijner dochters! O, mijne arme Nancy! Mijne lieveling! De vreugde mijner oogen, de trots van mijn hart! Waar ik inderdaad te trotsch op was! Want aan de dwaze, eerzuchtige hoop, welke op hare schoonheid gegrond was, dank ik haren ondergang. Helaas! Ik zag met welgevallen de neiging, welke die man voor haar koesterde. Ik dacht dat het eene eerlijke liefde was, en vleide mij in mijne dwaze ijdelheid, met de gedachte van haar gehuwd te zien met iemand, die naar de wereld, zoo veel boven haar verheven was. En duizendmaal, in mijn bijzijn,—en in het uwe,—heeft hij deze hoop aangemoedigd en gestreeld door de edelmoedigste verklaring omtrent belangelooze liefde,—welke hij ook altijd tot mijn arm meisje rigtte, en aan welker opregtheid zij, even als ik, geloofde! Had ik kunnen vermoeden, dat dit alleen strikken waren om mijn arm onschuldig kind en om ons allen te gronde te rigten!”

Bij deze woorden kwam de kleine Betsy in de kamer loopen, met den uitroep: „Lieve mama, in ’s hemels naam, kom bij zuster Nancy! Zij heeft het weder op de zenuwen, en nicht kan haar niet meer houden!”

Jufvrouw Miller verwijderde zich dadelijk; maar beval Betsy bij mijnheer Jones te blijven, hem smeekende haar een paar minuten bezig te houden, terwijl zij met de meeste aandoening zeide: „Goede Hemel! Laat mij ten minste één mijner kinderen behouden!”

Jones bewilligde in haar verzoek en deed zijn best om het kind te troosten, schoon hij zelf werkelijk zeer aangedaan was door het verhaal van jufvrouw Miller. Hij verzekerde het meisje, „dat hare zuster spoedig weder beter zou wezen, en dat zij, door zich zoo aan te stellen, niet slechts hare zuster benadeelen, maar ook hare moeder ziek zou maken.”

„Wezenlijk, mijnheer,” hernam het meisje, „ik zou niets ter wereld willen doen om haar te benadeelen! Ik zou het liever verkroppen tot mijn hart brak, dan dat zij mij zagen weenen.—Maar, mijne arme zuster kan me niet meer zien weenen! Wezenlijk,—ik kan haar niet missen! Neen, dat kan ik niet! En onze arme mama! Wat moet er van haar worden?—Zij zegt ook dat zij sterven wil, en mij alleen laten;—maar, ik heb vast besloten om niet alleen te blijven.”

„Vreest gij den dood niet, mijne kleine Betsy?” vroeg Jones.

„Ja,” antwoordde het kind, „ik ben altijd bang geweest dat ik sterven zou, omdat ik dan mama en Nancy had moeten verlaten;—maar ik vrees niet waarheen ook te gaan met degenen die ik lief heb.”

Jones was zoodanig met dit antwoord ingenomen, dat hij het kind hartelijk kuste, en jufvrouw Miller trad kort daarop in de kamer, zeggende, „dat zij den Hemel dankte, dat Nancy nu weer bijgekomen was. En nu, Betsy,” voegde zij er bij, „ga maar naar binnen; want uwe zuster bevindt zich iets beter en verlangt om u te zien.”

Zij wendde zich daarop weder tot Jones en begon met nieuwe verontschuldigingen, dat zij hem bij het ontbijt teleurgesteld had.

„Ik hoop, jufvrouw,” hernam hij, „een nog heerlijker feestmaal te genieten, dan gij mij hadt kunnen verschaffen,—als het mij maar gelukt aan uw liefderijk huisgezin eenige dienst te bewijzen,—en hoe ook mijne pogingen afloopen, heb ik toch vast besloten, om iets te wagen. Ik zou me zeer vergissen in den heer Nightingale, als hij, niettegenstaande hetgeen er gebeurd is, in den grond van zijn hart niet even goed is als hij opregte liefde jegens uwe dochter koestert. Is dat het geval, dan geloof ik wel, dat hij getroffen zal worden door de schilderij welke ik voor hem ophangen zal. Tracht inmiddels, jufvrouw, u zelve en uwe dochter zoo veel mogelijk te troosten. Ik ga dadelijk den heer Nightingale zoeken, en hoop u spoedig goede berigten te brengen.”

Jufvrouw Miller viel op de knieën en riep den zegen des Hemels over Jones in, tevens op de hartstogtelijkste wijze hare dankbaarheid uitende. Daarop vertrok hij om den heer Nightingale op te sporen, en de goede vrouw keerde terug om hare dochter te troosten, die eenigzins verligt werd door hetgeen hare moeder haar vertelde,—en beide vereenigden zich nu om den lof van Jones te verkondigen.

HOOFDSTUK VII.

DE ONTMOETING TUSSCHEN DE HEEREN JONES EN NIGHTINGALE.

Het goed of het kwaad, dat wij anderen aandoen, komt dikwerf, naar ik meen, op ons zelven terug. Want, gelijk menschen van goedigen aard genot hebben van hunne eigene weldadige handelingen, evenzeer als de daardoor bevoordeelden, zoo zijn er ook te naauwernood wezens zoo geheel duivelsch van aard, dat zij in staat zijn om kwaad te doen, zonder zelve met eenige smart voor het lijden te boeten, dat zij een hunner medemenschen berokkenen.

De heer Nightingale, ten minste, was geen mensch van dien stempel. Integendeel, Jones vond hem in zijne nieuwe woning, droefgeestig bij het vuur zittende, en in stilte den ongelukkigen toestand betreurende, waarin hij de arme Nancy verlaten had.

Zoodra hij zijn vriend zag verschijnen, stond hij haastig op om hem te groeten, en na zijne vreugde betoond te hebben over zijne komst, zeide hij:

„Wezenlijk, niets kon tijdiger komen dan dit vriendelijk bezoek; ik ben van mijn leven niet meer ontstemd geweest dan nu.”

„Het spijt me,” hernam Jones, „dat ik u waarschijnlijk eene tijding breng, welke u niet opgeruimder zal maken,—ja, ik vrees zelfs dat ze u diep grieven zal. Het is echter noodzakelijk om u alles mede te deelen. Zonder verdere inleiding dan, ik kom bij u, mijnheer Nightingale, om over eene waardige familie, welke gij in het verderf gestort hebt, te spreken”

De heer Nightingale verbleekte bij deze woorden; maar, zonder daarop acht te geven, ging Jones voort met op de meest levendige wijze het tragische verhaal te doen, waarmede de lezer in het vorige hoofdstuk bekend is geworden.

Nightingale viel hem geen enkele maal in de rede, hoewel hij tusschenbeide de hevigste aandoening liet blijken. Maar toen het gedaan was, zeide hij, met een diepen zucht:

„Wat gij mij mededeelt, vriend, treft me op de gevoeligste wijze. Ik kan me geen verwenschter ongeluk voorstellen dan dat het arme meisje mijn brief niet wist geheim te houden. Haar goede naam ware dan veilig gebleven, en men had de heele zaak kunnen sussen,—zoodat het meisje later eene heel goede partij had kunnen doen;—want zoo iets ziet men dikwerf gebeuren hier in de stad, en als de man dan, als het te laat is, vermoedens krijgt,—doet hij het best met ze te verbergen voor zijne vrouw en voor de wereld.”

„Wezenlijk, mijn beste,” hernam Jones, „dit had nooit het geval kunnen wezen met uwe arme Nancy. Gij bezit zoo onverdeeld hare geheele liefde, dat het verlies van u en niet dat van haar goeden naam, haar nu zoo rampzalig maakt,—en dat het eindigen zal met den ondergang van haar en van hare geheele familie.”

„Wat dat aangaat,” hernam Nightingale, „ik houd zoo dol veel van haar, dat ik u verzekeren kan, dat wie ik ook tot vrouw krijgen moge, deze slechts een zeer gering aandeel aan mijne liefde hebben zal.”

„Zou het dan mogelijk wezen,” riep Jones, „dat gij toch besloten hebt om haar te verlaten?”

„Wel, wat zou ik anders doen?” hernam de andere.

„Vraag dat maar aan Nancy zelve,” riep Jones driftig. „In den toestand waartoe gij haar gebragt hebt, geloof ik vast, dat zij zelve moest beslissen, welke vergoeding gij haar schenken zult. Haar belang alleen, en volstrekt niet het uwe, moet hierbij in aanmerking komen. Maar als gij mij vraagt, wat u te doen staat?” ging hij voort; „welnu, wat zoudt gij anders kunnen doen, dan de verwachtingen van hare familie en van haar zelve verwezenlijken.—Vergeef me, als ik te veel waag na onze korte vriendschap,—maar ik heb diep medelijden met deze arme schepselen. Uw eigen hart zal u ook best weten te zeggen, of gij nooit voornemens zijt geweest door uw gedrag moeder en dochter te overtuigen dat gij eene eerlijke liefde koesterdet,—en zoo gij dat gedaan hebt, hoewel zonder eene regtstreeksche huwelijks-belofte, dan laat ik het aan u zelven over te beslissen, in hoe ver het pligt voor u is om u thans niet terug te trekken.”

„Ik moet niet slechts bekennen dat ik gehandeld heb zoo als gij veronderstelt,” hernam Nightingale; „maar, ik vrees, dat ik zelfs de belofte gedaan heb, waarop gij zinspeelt.”

„En kunt gij, na zulk eene bekentenis nog één oogenblik aarzelen?” riep Jones.

„Bedenk eens, vriend, wat gij van mij vergt,” hernam de andere: „Ik weet wel dat gij zelf man van eer zijt, en geen mensch iets aanraden zoudt, dat daarmede in strijd ware;—maar, gelooft gij zelf, alle andere bezwaren daargelaten, dat ik, na de openbaarmaking harer schande zonder oneer aan zulk eene verbindtenis zou kunnen denken?”

„Dat kunt gij zonder twijfel doen!” antwoordde Jones, „en de hoogste en heiligste eer, de eer der liefde, eischt dit van u. Daar gij echter dit bezwaar geopperd hebt, vergun mij het met u te onderzoeken. Kunt gij,—behoudens uwe eer—u schuldig weten van, onder valsche voorwendselen, een jong meisje en hare familie bedrogen te hebben, en haar, op die wijze van hare onschuld beroofd te hebben? Kunt gij,—behoudens uwe eer,—de bewuste, de willekeurige oorzaak,—zelfs de listige bewerker van het ongeluk van een menschelijk wezen zijn? Kan de eer de gedachte verdragen, dat dit wezen een teeder, hulpeloos, weerloos meisje is? Een meisje dat u bemint, dat met u dweept, dat om u sterft;—dat vast vertrouwen stelde in uwe beloften,—en aan dat vertrouwen alles opgeofferd heeft wat haar dierbaar moet zijn? Kan de eer slechts voor één oogenblik zulk eene gedachte verdragen?”

„Het gezond verstand,” hernam Nightingale, „moet alles billijken wat gij zegt; maar gij weet toch wel dat de wereld er anders over denkt, en dat als ik een eerloos meisje huwde,—al ware het mijne eigene maitresse,—ik mij zou moeten schamen mij ergens weder te vertoonen.”

„Foei, mijnheer Nightingale!” riep Jones; „geef haar toch zoo’n onteerenden naam niet! Toen gij beloofdet haar te huwen, werd zij uwe echtgenoote,—en zij heeft eerder tegen de voorzigtigheid dan tegen de deugd gezondigd. En wie zijn die menschen in de wereld, voor wie gij u zoudt schamen? Alleen de lagen, de dwazen en de loshandigen! Vergeef me, als ik beweer, dat zulk eene schaamte eene valsche schaamte is,—wijl ze op valsche begrippen van eer steunt! Maar ik blijf vast overtuigd, dat er geen echt verstandig of goed mensch ter wereld is, die eene dergelijke daad niet goedkeuren en vereeren zou. Zelfs toegegeven, dat niemand anders het deed, zoudt gij het niet in uw hart doen? En verschaft ons niet het levendige, verrukkelijke bewustzijn van eene eerlijke, edele, grootmoedige daad verrigt te hebben, meer geluk dan de onverdiende loftuitingen van millioenen menschen. Bezie de zaak naauwkeurig van beide kanten! Zie van den eenen kant, dit arme, ongelukkige, teerhartige, goedgeloovige meisje, den laatsten snik geven in de armen harer rampzalige moeder! Hoor, hoe haar hart, onder zijne kwellingen breekt, terwijl zij uw naam zucht, en eerder uwe wreedheid beklaagt dan dat zij u beschuldigt, hoewel zij daardoor te gronde gerigt wordt. Tracht u voor te stellen in uwe verbeelding, den toestand der liefderijke, wanhopige moeder, tot razernij, of welligt tot het graf gebragt, door het verlies harer bekoorlijke dochter. Denk aan het arme, hulpelooze weesje, dat achterblijven zou, en als gij u zoo iets slechts één oogenblik hebt voorgesteld, beschouw u zelven dan als de oorzaak van al de rampen van dit kleine, waardige, weerlooze huisgezin.—Van den anderen kant, stel u voor dat gij hen uit hun tegenwoordig lijden verlost! Verbeeld u met welke vreugde, met welke verrukking, de schoone in uwe armen zal vliegen. Zie, hoe het bloed terug vloeit naar de bleeke wangen,—hoe het vuur weer schittert in de kwijnende oogen, en de zaligheid terug keert in het gekwelde hart! Denk aan de vreugde harer moeder;—aan het geluk van allen! Zie dit kleine huisgezin, door deze ééne daad van u volmaakt gelukkig!—Stel u beide tooneelen voor, en zeker heb ik mij in mijn vriend vergist, als hij lang behoeft te overleggen, of hij deze rampzaligen voor altijd verpletteren zal, of hen door ééne edelmoedige, schoone handeling opheffen van den rand van het verderf tot den hoogsten top der menschelijke gelukzaligheid! Voeg hierbij nog slechts deze bedenking, dat het uw pligt is zoo te handelen,—dat de ellende, van welke gij deze arme menschen verlossen zult, de ellende is, waarin gij hen willens en wetens gestort hebt.”

„O waarde vriend!” riep Nightingale, „ik had geene behoefte aan uwe welsprekendheid om mij op te wekken! Ik heb van ganscher harte medelijden met de arme Nancy, en zou gaarne alles ter wereld geven, als ik het verledene ongedaan kon maken. Ja, geloof, dat het me een zwaren strijd kostte eer ik er toekwam om dien wreeden brief te schrijven, welke die arme menschen zoo diep ongelukkig heeft gemaakt. Als ik niemands neigingen dan mijne eigene behoefde te raadplegen, zou ik haar morgen vroeg huwen;—dat zou ik, werkelijk!—Maar gij zult toch wel willen gelooven dat het onmogelijk zou zijn mijn vader over te halen zijne toestemming tot zulk een huwelijk te geven. Hij heeft ook reeds eene andere vrouw voor mij op het oog,—en morgen, op zijn bepaald verlangen, moet ik mijne opwachting bij haar maken.”

„Ik heb de eer niet van uw vader te kennen” hernam Jones; „maar, verondersteld dat hij zich liet overhalen, zoudt gij zelf gereed zijn om het eenige middel te kiezen om die arme menschen te redden?”

„Ik weet niets wat mij gelukkiger zou maken,” antwoordde Nightingale; „want bij eene andere vrouw zal ik nooit gelukkig wezen. O, waarde vriend, als gij u voorstellen kondet wat ik dezen nacht voor mijn arm meisje gevoeld heb, dan ben ik overtuigd dat niet zij alleen al uw medelijden eischen zoude! De liefde trekt mij alleen tot haar, en als ik eenige valsche begrippen van eer koesterde, hebt gij mij geheel daarvan genezen. Als mijn vader maar overgehaald kon worden om in mijne wenschen toe te stemmen, zou er niets meer ontbreken aan mijn geluk, of aan dat mijner Nancy!”

„Dan ben ik besloten om het te beproeven,” riep Jones. „Gij moet niet boos op mij wezen, in welk licht ik me ook genoodzaakt mogt zien de zaak voor te stellen, welke,—zoo veel is zeker,—niet lang voor uw vader verborgen kan blijven; want dingen van dezen aard worden spoedig algemeen verspreid, als ze maar eens aan enkelen bekend zijn geworden,—zoo als ongelukkig hier het geval is. Bovendien, als er het eene of andere ongeluk volgde,—wat, op mijn woord, wel dreigt, als het niet bij tijds voorkomen wordt,—zou het publiek met uw naam bekend worden op eene wijze, welke uw vader, als hij eenig menschelijk gevoel heeft, diep grieven zou. Als gij mij dus zeggen wilt, waar ik den ouden heer kan vinden, zal ik geen oogenblik in deze zaak laten verloren gaan; en terwijl ik daarmede bezig ben, kunt gij niets beters doen dan een bezoek te brengen aan het arme meisje. Gij zult zien dat ik niets overdreven heb in de berigten, welke ik u van het ongelukkige huisgezin medegebragt heb.”

Nightingale was het dadelijk eens met dit voorstel, en Jones bekend gemaakt hebbende met het adres van zijn vader, en met het koffijhuis, waar hij hem waarschijnlijk aantreffen zou, aarzelde hij een oogenblik eer hij zeide:

„Mijn beste Tom, gij gaat het onmogelijke ondernemen. Als gij mijn vader kendet, zoudt gij er aan wanhopen om zijne toestemming te verkrijgen.—Maar, wacht!—er is welligt één middel!—Verondersteld, dat gij hem zeidet dat ik al gehuwd was? Het zou misschien gemakkelijker vallen hem met de daad te verzoenen als ze onherroepelijk was,—en, op mijn woord, ik ben zoo getroffen door hetgeen gij mij gezegd hebt, en ik houd zoo dol veel van Nancy, dat ik bijna wenschte, dat wij gehuwd waren,—wat ook de gevolgen mogten zijn.”

Jones keurde dit plan goed, en beloofde dienovereenkomstig te handelen. Daarop scheidden zij: Nightingale om bij zijne Nancy te gaan, en Jones om den ouden heer op te zoeken.

HOOFDSTUK VIII.

HETGEEN ER VOORVIEL TUSSCHEN DE HEEREN JONES EN NIGHTINGALE,—EN DE AANKOMST VAN IEMAND, DIE TOT DUSVER NIET IN DEZE GESCHIEDENIS OPGETREDEN IS.

Niettegenstaande het gevoelen van den Latijnschen hekeldichter, die de goddelijkheid der Fortuin ontkent, wat door Seneca beaamd wordt, is Cicero, dien ik voor een wijzer man dan de beide anderen houd, bepaaldelijk van het tegendeel overtuigd; en zeker is het, dat er sommige gebeurtenissen in dit leven zijn, die zoo vreemd en onverklaarbaar blijven, dat het meer dan menschelijke kunde en doorzigt schijnt te eischen om ze te doen ontstaan.

Iets van dezen aard gebeurde er thans met Jones, die den heer Nightingale, den vader, op zulk een kritiek oogenblik aantrof, dat vrouw Fortuna zelve, als zij wezenlijk de aanbidding verdiende, welke men haar te Rome schonk, er geen tweede van dien aard had kunnen bedenken. Met één woord, de oude heer en de vader der dame, die hij voor zijn zoon bestemd had, waren uren lang druk bezig met elkaar geweest; de laatstgenoemde was pas vertrokken, en had den eersten verlaten, die zich verheugde, dat hij de bovenhand gekregen had in den langdurigen twist tusschen de vaders van de aanstaande bruid en bruidegom;—een twist, waarin beide partijen getracht hadden elkaar te foppen, en, zoo als dikwerf het geval is bij zulke gelegenheden waarin beide volmaakt overtuigd waren, dat zij de overwinning behaald hadden.

Deze heer, dien Jones nu opzocht, was hetgeen men noemt, „een wereldsch man;” dat wil zeggen, iemand, die als het ware, overtuigd dat er geene andere wereld is, zich alleen er op toelegt, om het zoo goed mogelijk in deze te hebben. In zijne jeugd was hij in den handel geweest; maar een ruim vermogen verworven hebbende, had hij onlangs zijne zaken opgegeven,—of liever, hij had den handel in goederen laten varen, om handel te drijven in geld, dat hij altijd in ruimte voorhanden had, en waarvan hij een zeer voordeelig gebruik wist te maken, soms bij de behoeften van partikulieren, soms bij die van den staat. Hij had zich, inderdaad, zoo uitsluitend met geldzaken bezig gehouden, dat men er bijna aan twijfelen moest, of hij wel wist, dat er iets anders ter wereld bestond:—en men mag met zekerheid beweren, dat hij in elk geval geloofde, dat er niets anders van wezenlijke waarde te vinden was.

Ik verbeeld me dat de lezer toestemmen zal, dat het lot geen ongeschikter persoon had kunnen bedenken, dan deze, om door Jones aangevallen te worden met eenige hoop op welslagen; en de grillige vrouw Fortuna kon er ook geen ongeschikter oogenblik voor uitgezocht hebben.

Daar nu het geld altijd boven dreef in de gedachten van dezen heer, zoodra hij een vreemdeling zag binnen komen, stond het bij hem vast, dat die komen moest, óf om hem geld te brengen, óf om geld van hem te vragen. En naar mate de eene of andere dezer gedachten de overhand had, vatte hij een gunstig, of een ongunstig denkbeeld van zijn bezoeker op.

Tot ongeluk van Jones, kwam het laatste thans bij hem op; want daar hij den vorigen dag het bezoek had ontvangen van een jongen heer, met een wissel van zijn zoon, voor een speelschuld, vreesde hij, op het eerste gezigt van Jones, dat deze met eene dergelijke boodschap kwam. Zoodra hij dus van hem vernam dat hij hem over zijn zoon wenschte te spreken, gevoelde de oude heer zich in zijn vermoeden bevestigd, en barstte uit met den uitroep, „dat hij zich die moeite sparen kon!”

„Zou het dan mogelijk wezen, mijnheer, dat gij mijne boodschap gist?” vroeg Jones.

„Als ik goed geraden heb,” hernam de andere, „dan herhaal ik, dat het vergeefsche moeite is. Ik veronderstel dat gij een van die vrienden zijt, die mijn zoon verleidt tot allerlei uitspattingen en losbandigheden, die hem te gronde zullen rigten; maar, ik verklaar u, dat ik geene enkele rekening meer voor hem zal betalen! Ik verwacht dat hij in ’t vervolg zich van dergelijken omgang onthouden zal! Als ik dit niet verwachtte, zou ik geene vrouw voor hem gezocht hebben; want ik wilde geen mensch ongelukkig maken!”

„Hoe, mijnheer?” riep Jones; „hebt gij hem dan die vrouw bezorgd?”

„Mag ik u vragen, mijnheer, wat u dat aangaat?” hernam de oude heer.

„Ik bid u, waarde heer, u niet beleedigd te achten als ik belang stel in al wat het geluk kan bevorderen van uw zoon wien ik de meest opregte vriendschap en genegenheid toedraag;—het was juist over dat punt dat ik u kwam spreken. Ik kan u niet zeggen, hoe gelukkig ik me acht door al wat gij gezegd hebt; want ik verzeker u dat ik den meesten eerbied voor uw zoon koester.—Ja, mijnheer, het valt mij niet gemakkelijk, om u te zeggen hoezeer ik u hoogacht, die zoo edelmoedig, zoo goed, zoo toegevend zijt geweest voor uw zoon en hem zulk eene vrouw geschonken hebt,—die, dat zou ik durven zweren, hem tot den gelukkigsten mensch ter wereld zal maken.”

Er is naauwelijks iets ter wereld, dat een mensch zoo zeer bij ons aanbeveelt, als, wanneer zijne eerste verschijning ons verontrust heeft, en wij die ongerustheid op eens zien wegnemen. De vrees die wij gevoelden, wordt dan ook dadelijk vergeten en wij meenen onze tegenwoordige gerustheid juist aan dien persoon verpligt te zijn, welke ons den eersten schrik aangejaagd heeft.

Dit was thans het geval met Nightingale, die veel welbehagen begon te scheppen in Jones, zoodra hij ontdekte dat deze niets van hem te vragen had.

„Wees zoo goed om plaats te nemen, waarde heer,” zeide hij; „ik herinner me niet het genoegen te hebben gehad van u vroeger te ontmoeten; maar, daar gij verklaart een vriend van mijn zoon te zijn, zal ik gaarne alles hooren wat gij omtrent de jonge dame in kwestie te zeggen hebt. Als hij niet gelukkig met haar wordt, zal het zeker zijne eigene schuld wezen. Ik heb het mijne gedaan door voor de hoofdzaak te zorgen. Zij zal hem een schat brengen, waarmede ieder redelijk, verstandig, matig mensch gelukkig kan wezen.”

„Wel zeker,” riep Jones; „want zij is in zich zelve een schat, zoo schoon, zoo fatsoenlijk, zoo goedaardig, zoo goed opgevoed;—zij heeft inderdaad vele begaafdheden;—zij zingt heerlijk en speelt prachtig op de klavecimbel.”

„Daar weet ik niets van,” hernam de oude heer; „want ik heb de dame nooit gezien; maar wat gij mij van haar vertelt, vermindert mijne gunstige meening omtrent haar niet, en het bevalt me wel van haar vader, dat hij bij onze onderhandelingen geen gewigt scheen te hechten aan deze gaven van haar. Ik zal dat altijd beschouwen als een blijk van zijn gezond verstand. Een dwaas mensch zou dit alles mede in rekening gebragt hebben bij haar vermogen; maar, om hem regt te doen, sprak hij geen woord van die dingen, hoewel het ontegenzeggelijk is, dat zij eene vrouw niet ontsieren.”

„Ik verzeker u, mijnheer,” riep Jones, „dat zij ze alle in hooge mate bezit. Ik moet echter bekennen, dat ik van mijn kant vreesde, dat gij zelf iets minder gunstig gestemd zoudt zijn voor het huwelijk; want uw zoon vertelde me, dat gij nooit de dame gezien hadt;—ik kwam dus eigenlijk, mijnheer, u bidden en smeeken, als gij eenigen prijs stelt op het geluk van uw zoon, om zijn huwelijk niet af te keuren met eene vrouw, die niet slechts de gaven bezit, welke ik opgenoemd heb, maar nog veel meer bovendien.”

„Als dat uwe boodschap was, mijnheer,” hernam de vader, „zijn wij beiden u zeer veel verpligt, en gij kunt volkomen gerust wezen; want ik geef u mijn woord, dat ik zeer voldaan ben met wat zij ten huwelijk mede brengt.”

„Mijnheer,” riep Jones; „mijn eerbied voor u vermeerdert met elk oogenblik. Dat gij zoo ligt tevreden, zoo matig zijt op dat punt, is een bewijs van uw gezond verstand evenzeer als van uwe edele denkwijze!”

„Van overgroote matigheid zullen we niet spreken, jonge heer,” hernam de vader.

„Gij toont hoe langer zoo meer edelmoedigheid,” zei Jones, „en vergeef me als ik ook zeg, verstand; want het is zeker weinig minder dan razernij om het geld te beschouwen als den eenigen grondslag van het geluk. Zulk eene vrouw als deze, met haar gering, haar nietig fortuintje—”

„Naar ik zie, vriend,” hernam de oude heer, „hebt gij een eenigzins vreemd denkbeeld van de waarde van het geld;—of gij zijt beter met de persoon der dame dan met hare omstandigheden bekend. Wel! Op hoeveel taxeert gij het vermogen der dame?”

„Vermogen?” riep Jones. „Het is niet noemenswaardig bij dat van uw zoon vergeleken.”

„Nu, nu,” hernam de andere, „hij had welligt beter kunnen doen.”

„Dat moet ik ontkennen,” zei Jones, „want eene betere vrouw ken ik niet.”

„Ja, ja, maar ik spreek van het geld,” hernam de andere,—„en toch;—zeg maar hoeveel denkt gij dat uw vriend met zijne vrouw meê krijgt?”

„Hoe veel?” vroeg Jones; „hoe veel? Wel! Op zijn hoogst twee honderd pond.”

„Houdt ge me voor den gek, jonge heer?” vroeg de vader, beginnende boos te worden.

„Neen,—dat niet, op mijn woord,” hernam Jones. „Ik spreek in ernst. Ik geloof niet dat zij een duit meer zal krijgen,—als het ooit zoo veel is. Als ik de dame te laag schat, spijt het me.”

„Maar dat is wel het geval!” riep de vader. „Ik weet wel dat zij vijftig maal die som heeft, en zij zal dat nog verdubbelen, eer ik mijne toestemming geef tot haar huwelijk met mijn zoon!”

„Wel,” zei Jones, „het is nu wat laat om van toestemming te spreken:—al had zij geen rooden duit, zij is toch met uw zoon getrouwd!”

„Getrouwd?” riep de oude heer, verbaasd.

„Wel,” zei Jones, „ik dacht dat gij het wist!”

„Mijn zoon al getrouwd met jufvrouw Harris!” vroeg de vader.

„Met jufvrouw Harris?” riep Jones; „wel neen! Met jufvrouw Nancy Miller,—de dochter van jufvrouw Miller, bij wie hij kamers had;—eene jonge dame, die hoewel hare moeder genoodzaakt is kamers te verhuren—”

„Schertst gij—of is u dat ernst?” riep de vader, op plegtigen toon.

„Mijnheer,” hernam Jones, „ik veracht het karakter van een spotvogel. Ik kwam bij u in goeden ernst, mij verbeeldende, wat nu blijkt waar te zijn, dat uw zoon het niet gewaagd had u met een huwelijk bekend te maken, dat, wat het geld betreft, zoo gering is voor uw zoon, hoewel de goede naam der dame niet duldt dat het langer geheim blijve.”

Terwijl de vader als verstomd door deze tijding bleef staan, trad iemand in de kamer, die hem met den naam van broeder begroette.

Maar hoewel deze beiden door bloedverwantschap in zulke naauwe betrekking tot elkaar stonden, waren zij in karakter bijna lijnregt aan elkaar tegenovergesteld. De broeder, die nu binnen trad, was ook als handelaar groot gebragt, maar had naauwelijks een zes duizend pond sterling verdiend, of hij kocht met het grootste gedeelte van zijn geld een klein landgoed, en trok zich daar terug, en huwde de dochter van een armen geestelijke, eene jonge dame, die hoewel noch schoon noch rijk, zich aan hem aanbevolen had alleen door hare meer dan gewone goedaardigheid.

Met deze vrouw had hij vijfentwintig jaren lang een leven geleid, dat meer geleek op het beeld, hetwelk zekere dichters van de gouden eeuw ophangen, dan op eenig voorbeeld, dat men in deze dagen aantreft. Zij had hem vier kinderen geschonken, van welke er geen groot was geworden dan ééne dochter, die door hem en zijne vrouw, zoo als men zegt, „bedorven” werd;—dat is, zij hadden haar opgevoed met de meeste teederheid en liefde, welke zij hun zoodanig vergold, dat zij werkelijk een zeer voordeelig huwelijk met een heer die naauwelijks veertig jaren oud was afgeslagen had, alleen omdat zij er niet toe komen kon om van hare ouders te scheiden.

De jonge dame, welke de heer Nightingale voor zijn zoon bestemd had, woonde in de buurt van zijn broeder, en was eene kennis van zijne nicht; en het was juist wegens het voorgenomen huwelijk dat de broeder nu naar de stad gekomen was,—niet, om de verbindtenis te bevorderen, maar integendeel om zijn broeder een plan af te raden, dat, volgens zijn gevoelen, zijn neef geheel te gronde zou rigten; want hij voorzag niets anders van diens huwelijk met mejufvrouw Harris, in weerwil van haar groot vermogen, daar noch haar uiterlijk noch haar karakter eenig huwelijksgeluk scheen te voorspellen;—zij was namelijk zeer lang, zeer mager, zeer leelijk, zeer gemaakt, zeer dwaas, en zeer slecht van humeur.

Zoodra dus zijn broeder melding maakte van het huwelijk van zijn neef met jufvrouw Miller, drukte hij de meeste voldoening daarover uit, en toen de vader hevig over zijn zoon uitvoer en hem tot den bedelstaf doemde, begon de oom, als volgt:

„Als gij iets minder driftig waart, broeder, zou ik u vragen, of gij uw zoon om zijnentwil, of om u zelven bemint? Denkelijk zoudt gij antwoorden, en u ook verbeelden, dat het om zijnentwil was, en het was zonder twijfel zijn geluk dat gij ten doel hadt met het voorgenomen huwelijk.

„Nu is het mij, broeder, altijd zeer ongerijmd voorgekomen om regels voor te schrijven voor het geluk van anderen, en ook zeer willekeurig om zich het regt daartoe aan te matigen. Ik weet wel, dat dit eene algemeene dwaling is;—maar eene dwaling blijft ze toch. En als dit ongerijmd is in andere zaken, is het des te ongerijmder als het een huwelijk betreft, daar het geluk daarvan alleen afhangt van de neiging die tusschen het paar bestaat.

„Ik heb het dus steeds als zeer onredelijk beschouwd, wanneer de ouders bij deze gelegenheid voor hunne kinderen eene keuze verlangden te doen, daar het onmogelijk is de liefde te dwingen, die zelfs zoo veel afkeer heeft voor al wat geweld is, dat zij welligt door eene ongelukkige, maar toch ongeneesselijke verkeerdheid in onzen aard, veelal onvatbaar is voor overtuiging.

„Het blijft echter waar, dat hoewel een vader, naar ik meen, wijs doet met niets te bevelen op dit punt, hij het regt heeft om geraadpleegd te worden, en strikt genomen, moest hij ook welligt de magt bezitten om „neen” te zeggen. Ik beken dus, dat mijn neef zich vergrepen heeft, door een huwelijk aan te gaan zonder uwe toestemming te vragen. Maar, eerlijk gesproken, broeder, hebt gij zelf geene aanleiding tot dit vergrijp gegeven? Hebben niet uwe dikwerf geuite gevoelens op dit onderwerp hem de zedelijke overtuiging gegeven, dat gij uwe toestemming zoudt weigeren in elk geval waar het meisje gebrek aan vermogen had? Is ook uw toorn op dit oogenblik niet enkel en alleen aan dit gebrek aan geld toe te schrijven? En als hij, op dit punt, te kort geschoten is in zijn pligt, zijt gij niet evenzeer uw gezag te buiten gegaan, door bepaaldelijk, zonder hem daarin te kennen, over eene echtgenoote voor hem te onderhandelen, die gij zelf nooit gezien hebt, en die gij, als gij haar even goed kendet en even dikwerf gezien hadt als ik, het voor razernij zoudt moeten houden om in uwe familie te brengen.

„Ik blijf echter daarbij dat mijn neef een fout begaan heeft;—maar zeker geene die onvergeefelijk blijft. Hij heeft, inderdaad, zonder uwe toestemming gehandeld in eene zaak, waarbij hij die had moeten vragen;—maar het blijft toch eene zaak, waarmede voornamelijk zijn eigen belang gemoeid is,—gij zelf zult bekennen, dat ook gij alleen in zijn belang wildet handelen, en als hij ongelukkig van u verschilde in meening, omtrent zijn eigen geluk, zult gij, broeder, als gij hem werkelijk lief hebt, hem nog verder van zijn doel afbrengen? Zult gij de treurige gevolgen van zijne onverstandige keuze verergeren? Zult gij trachten om zijne handeling bepaald ongelukkig voor hem te maken, terwijl het nu nog de vraag is, of ze blijken zal zoo zeer betreurenswaardig te zijn? met één woord, broeder, omdat hij u belet heeft hem zoo rijk te maken, als gij wel bedoeldet, zoudt gij hem nu zoo arm mogelijk willen maken?”

Door de kracht van het echt katholieke geloof, zag men den heiligen Antonius de visschen bepraten. Orpheus en Amphion gingen zelfs iets verder, en bekoorden onbezielde dingen door de tooverkracht der muzijk. Alles even verbazend! Maar noch de geschiedenis noch de fabelkunde hebben het ooit gewaagd een voorbeeld te vermelden van iemand, die door kracht van redenering en van redenen over tot gewoonte gewordene geldzucht gezegevierd heeft.

De heer Nightingale, de vader, in plaats van te trachten zijn broeder te beantwoorden, vergenoegde zich met op te merken, dat zij altijd verschillend gedacht hadden over de opvoeding hunner kinderen.

„Ik wilde wel, broeder,” zeide hij, „dat gij uwe zorgen tot uwe eigene dochter bepaald hadt, zonder u ooit met mijn zoon te bemoeijen, die, naar ik geloof, even weinig goeds van uw onderrigt als van uw voorbeeld geleerd heeft.”

De jonge Nightingale was namelijk het petekind van zijn oom en had langer bij hem dan bij zijn eigen vader geleefd,—zoodat de oom dikwerf verklaard had, dat hij bijna evenveel van zijn neef hield als van zijn eigen kind.

Jones dweepte met dezen waardigen man, en toen zij, na lang praten, bevonden dat de vader in plaats van te bedaren, hoe langer zoo driftiger werd, bragt Jones den oom bij zijn neef, in het huis van jufvrouw Miller.

HOOFDSTUK IX.

VREEMDE DINGEN BEVATTENDE.

Bij zijne terugkeer naar huis, vond Jones den toestand der zaken aldaar sedert zijn vertrek zeer veranderd. De moeder, de beide dochters en de jonge heer Nightingale zaten zamen bij het avondmaal, toen de oom, op zijn eigen verzoek, zonder verdere pligtplegingen, zich bij het gezelschap voegde, waaraan hij reeds goed bekend was, daar hij zijn neef meer dan eens daar bezocht had.

De oude heer trad dadelijk op jufvrouw Nancy toe, begroette haar en wenschte haar geluk, alsmede zijn neef en de andere zuster, en eindelijk zijn neef, met even veel goedheid en hoffelijkheid alsof de jongen zijns gelijke, of eene meerdere in vermogen gehuwd had,—na inachtneming van alle vooraf geëischte plegtigheden.

Mejufvrouw Nancy en haar veronderstelde echtgenoot verbleekten en zagen er eerder verlegen dan gelukkig uit bij deze gelegenheid; maar jufvrouw Miller nam de eerste de beste gelegenheid waar om zich te verwijderen, liet Jones halen naar de eetkamer, wierp zich aan zijne voeten, en met een stortvloed van tranen noemde zij hem haar beschermengel, den redder van haar arm klein huisgezin, met vele andere eerbiedige en liefderijke benamingen,—terwijl zij hem dankte met al het vuur, hetwelk de grootste der weldaden in een gevoelig hart kan doen ontbranden.

Nadat de eerste opwelling iets bedaard was, die zij, zooals zij zeide, niet zou hebben kunnen smoren zonder het met den dood te boeten, ging zij er toe over om den heer Jones te berigten dat alles al afgesproken was tusschen mijnheer Nightingale en hare dochter, en dat zij den volgenden morgen in het huwelijk zouden treden. Hierover drukte Jones zijn groot genoegen uit en de arme vrouw kreeg weder een aanval van vreugde en dankbaarheid, welke hij slechts met moeite tot bedaren kon brengen, terwijl hij haar eindelijk overhaalde om zich weder met hem bij het gezelschap te voegen, dat even gelukkig was, als pas te voren.

Zij bragten nu een paar zeer aangename uren met elkaar door, gedurende welke de oom, die zeer veel van de flesch hield, zijn neef zoo druk ingeschonken had, dat deze hoewel niet dronken, eenigzins verhit begon te geraken, en den ouden heer Nightingale met zich naar boven nemende op de kamer, welke hij vroeger zelf bewoond had, als volgt aan zijn hart lucht gaf:

„Daar gij steeds de beste en liefste oom voor mij geweest zijt, en zulke weergalooze goedheid getoond hebt, in de wijze waarop gij mij dit huwelijk vergeven hebt, zou ik het mijzelven nooit kunnen vergeven als ik trachtte u in wat ook te bedriegen.”

Daarop vertelde hij hem de waarheid en alle nadere omstandigheden van de zaak.

„Hoe, Jaap!” riep de oude heer. „Dus zijt ge werkelijk nog niet met het meisje gehuwd?”

„Neen, oom, op mijn woord niet,” hernam Nightingale; „ik heb u alles naar waarheid verteld.”

„Mijn waardste jongen,” riep de oude heer, hem omhelzende, „daar ben ik hartelijk blijde om! Ik heb nooit van mijn leven iets vernomen, dat mij half zoo veel genoegen deed! Als gij getrouwd geweest waart, zou ik u zoo veel mogelijk geholpen hebben, om eene leelijke zaak weder goed te maken;—maar er bestaat een groot onderscheid in hoe men handelen moet in eene reeds afgedane zaak, die onherroepelijk is, en in eene die nog niet gedaan is! Raadpleeg uw gezond verstand, Jaap, en gij zult inzien dat dit huwelijk zoo allerdwaast en bespottelijk zou zijn, dat er geene lange betoogen noodig zijn, om u daarvan terug te houden.”

„Hoe, oom?” riep de jonge Nightingale; „bestaat er eenig verschil in, dat men reeds iets gedaan heeft,—of alleen verpligt is, als man van eer, om het te doen?”

„Onzin!” hernam de oom; „de eer is een kind der wereld, en de wereld heeft ouderlijk gezag er over en kan er meê doen wat ze wil. Nu weet ge zelf heel goed hoe weinig men geeft om het verbreken van dergelijke verbindtenissen;—zelfs het ergste geval van dien aard, levert slechts stof tot verbazing en praatjes voor een enkelen dag. Kent gij één man ter wereld, die om die reden zich bedenken zou eer hij u zijne dochter of zuster tot vrouw gaf? Of bestaat er eenige zuster of dochter, die er daarom bezwaar in zou zien om u te ontvangen? De eer heeft niets te maken met dergelijke beloften!”

„Met uw verlof, oom,” riep Nightingale; „dat geloof ik nooit, en niet alleen de eer, maar ook het geweten en de menschlievendheid zijn daarin betrokken. Ik ben vast overtuigd dat als ik het meisje nu fopte, zulks haar dood ten gevolge zou hebben, en ik zou me dan als haar moordenaar moeten beschouwen, die haar den wreedsten dood berokkend had door haar het hart te breken.”

„Haar het hart breken? Neen, neen, Jaap!” riep zijn oom; „een vrouwenhart is zoo gaauw nog niet gebroken;—daarvoor is het al te taai, mijn jongen!”

„Maar, oom,” hernam Nightingale, „mijne eigene neigingen staan ook op het spel. Ik zou nooit met eene andere vrouw gelukkig worden. Hoe dikwerf heb ik u niet hooren zeggen, dat men in dergelijke gevallen, de kinderen zelve moet laten kiezen, en dat gij nicht Henriette zelve daarin vrijheid zoudt geven.”

„Nu ja,” hernam de oude heer; „dat is ook zoo;—maar dan verlang ik ook dat een kind eene wijze keuze zou doen.—En, werkelijk, Jaap, gij moet en zult dit meisje laten loopen!”

„Werkelijk, oom,” riep de andere, „ik moet en wil haar tot vrouw nemen!”

„Gij wilt, jonge heer!” riep de oom; „ik dacht nooit zoo’n woord van u te hooren! Het zou me niet verwonderen als gij dergelijke taal ook tegen uw vader uitgeslagen hadt, die u altijd als een hond behandeld, en op denzelfden afstand gehouden heeft als een tiran zijne onderdanen; maar ik, die als uws gelijke met u omgegaan heb, mogt zeker eene betere behandeling verwachten! Evenwel, weet ik me dit alles best te verklaren; het komt van uwe bespottelijke opvoeding, waarbij ik te weinig in te brengen heb gehad. Daar hebt ge mijne dochter echter, die ik als mijne vriendin groot gebragt heb, en die nooit iets doet zonder mijn raad, en dien altijd volgt als zij hem eens ingewonnen heeft!”

„In eene zaak van dezen aard hebt gij haar zeker nog nooit raad behoeven te geven,” zei Nightingale; „want ik vergis me zeer in nicht, als zij zich ooit gereed toont, zelfs op het meest stellige bevel van u, om hare neigingen te verzaken.”

„Spreek geen kwaad van mijn kind!” hernam de oude heer met eenige drift; „laster mijne Henriette niet! Ik heb haar zoo opgevoed, dat al hare neigingen met de mijnen overeen komen;—door haar alles te laten doen wat zij goedvindt, heb ik haar er aan gewend om in haar schik te zijn met al wat mij behaagt!

„Vergeef me, oom,” hernam Nightingale, „ik had volstrekt geen plan om iets ten nadeele van nicht te zeggen, voor wie ik de meest onbepaalde achting koester,—en ik ben ook overtuigd, dat gij haar nooit zoo op de proef zult stellen, of haar zulke moeijelijk te volvoeren bevelen opleggen zult, als gij mij nu hebt wille doen.—Maar, waarde oom, laat ons nu naar het gezelschap terug keeren; want men zal beginnen ongerust te worden over ons lang uitblijven. Ik moet u ook, waarde oom, nog ééne gunst verzoeken;—namelijk om niets te zeggen, dat het arme meisje of hare moeder grieven zou.”

„O, ge behoeft volstrekt niets van dien aard van mij te vreezen,” antwoordde de oom, „ik ben te goed opgevoed om ooit eene vrouw te beleedigen; dus stel u daaromtrent gerust. Maar, als ik u dat genoegen doe, verwacht ik ook dat gij er mij een doet van uw kant.”

„Gij kunt weinig van me vergen, oom, waaraan ik me niet gaarne onderwerpen zal,” hernam de jonge Nightingale.

„Nu, neef, ik verg niets anders dan dat gij mij naar huis vergezelt, om de zaak daar iets uitvoeriger met u te bespreken; want ik wenschte de voldoening te smaken van mijne familie van dienst te wezen,—hoewel dat naauwelijks mogelijk is na de koppige dwaasheid van mijn broeder, die zich verbeeldt de wijsheid in pacht te hebben.”

Nightingale, die wel wist dat zijn oom even koppig was als zijn vader, onderwierp er zich aan, om hem later naar huis te brengen, waarop zij beiden naar het gezelschap terug keerden, waar de oude heer beloofde niet minder beleefd dan vroeger te zijn.

HOOFDSTUK X.

EEN KORT HOOFDSTUK, TOT BESLUIT VAN DIT BOEK.

De lange afwezigheid van den oom en zijn neef had eenige ongerustheid doen ontstaan bij de achterblijvenden,—te meer, daar in den loop van het hier voorafgegane onderhoud, de oom meer dan eens de stem verheven had, zoodat men hem beneden in huis had kunnen hooren,—wat, ofschoon men niet onderscheiden kon wat hij zeide, bij Nancy en hare moeder, en inderdaad ook bij Jones zelven, eenige kwade vermoedens opgewekt had.

Zoodra dus het gezelschap weder bijeen was, bespeurde men eene zigtbare verandering op aller gelaatstrekken, en de opgeruimdheid, welke te voren op elk gezigt gestraald had, was nu geweken voor eene veel minder aangename uitdrukking. Het bragt inderdaad eene verandering te weeg, welke niets ongewoons heeft in dit klimaat, waar zonneschijn en wolken, Junij en December elkaar telkens afwisselen. Deze verandering werd echter niet bijzonder opgemerkt door iemand der aanwezigen; want daar allen druk bezig waren met hunne eigene gedachten te verbergen en met eene rol te spelen, hadden zij zelve te veel te doen dan dat zij den tijd zouden gehad hebben, om iets van het tooneel waar te nemen. Dus ontdekte noch de oom noch de neef eenig spoor van kwade vermoedens op het gelaat der moeder of dochter, en dezen letten van haar kant niet op de overdrevene beleefdheid van den grijsaard, noch op de geveinsde voldoening waarmede de jonge man hem aangrijnsde.

Het komt mij voor, dat men dikwerf iets dergelijks kan opmerken, als de oplettendheid van twee vrienden geheel geboeid is door de rollen welke beide spelen, ten einde elkaar te foppen, en dus geen van beide ziet, of vermoedt, de list welke tegenover hem gebezigd wordt, en dus beide strijders, om geen ongepast beeld hier te gebruiken, elkaar een steek toebrengen.

Om dezelfde reden, is het niets vreemds, dat beide partijen bij een koop gefopt worden, hoewel de eene steeds meer verliezen moet dan de andere,—zooals hij die een blind paard verkocht en betaald werd met eene valsche banknoot.

Na verloop van ongeveer een half uur, scheidde ons gezelschap, en de oom voerde zijn neef mede, maar niet eer deze fluisterend aan jufvrouw Nancy verzekerd had, dat hij haar den volgenden morgen vroeg bezoeken zoude, om al zijne beloften te vervullen.

Jones, die het minst betrokken was in dit tooneel, begreep er het meeste van. Hij vermoedde inderdaad de geheele waarheid; want behalve dat hij de groote verandering in de houding van den oom, den afstand waarop hij zich hield, en zijne overdrevene beleefdheid jegens jufvrouw Nancy opmerkte, was het medenemen van den bruidegom op dat uur van den avond iets zoo buitengewoons, dat het alleen verklaard kon worden door de vooronderstelling dat de jonge Nightingale de geheele waarheid verteld had,—wat nog waarschijnlijker werd wegens zijne bekende openhartigheid en wegens de opgewondenheid, welke hij aan den wijn te danken had.

Terwijl Jones nog bij zich zelven overlegde of hij deze arme menschen met zijne vermoedens zou bekend maken, kwam hem de meid waarschuwen, dat er eene vrouw was, die verlangde om hem te spreken. Hij verliet de kamer dadelijk, en het licht van de meid nemende, bragt hij zijne bezoekster naar boven,—die niemand anders bleek te zijn dan mejufvrouw Honour, welke hem zulke verschrikkelijke tijdingen mededeelde omtrent zijne Sophia, dat hij onmiddellijk alle andere menschen vergat, en al zijn medelijden noodig had voor zijne eigene rampen en van die zijner ongelukkige beminde.

Wat deze verschrikkelijke zaak was, zal de lezer spoedig vernemen, nadat wij eerst de veelvuldige gebeurtenissen verhaald hebben welke daartoe aanleiding gaven,—en die het onderwerp van het volgende boek zullen uitmaken.

BOEK XV.

Waarin de geschiedenis omtrent twee dagen vooruit gaat.

HOOFDSTUK I.

TE KORT OM EEN INHOUDSOPGAVE TE EISCHEN.

Er zijn zekere godsdienstige, of liever zedekundige schrijvers, die ons leeren dat de deugd zeker tot geluk,—de ondeugd zeker tot ellende in deze wereld leidt. Eene zeer gezonde en troostrijke leer, waartegen wij slechts één bezwaar hebben,—namelijk dat ze onwaar is.

Als deze schrijvers door „deugd” bedoelen de beoefening van die hoofddeugden, welke als goede huismoeders te huis blijven, en zich alleen met haar eigen huisgezin bezig houden, zal ik hun gereedelijk gelijk geven; want deze dragen zoo zeker tot ons geluk bij, dat ik bijna wenschen zou, in weerwil van alle oudere en nieuwere geleerden, ze eerder „wijsheid” dan „deugd” te noemen;—want, wat dit leven betreft, houd ik het er voor, dat er nooit een wijzer stelsel bestaan heeft dan dat der oude Epicureërs, die het hoogste goed in deze wijsheid zagen,—noch een dwazer stelsel dan dat der nieuwere Epicuristen, die hun geheel geluk zoeken in de ruime voldoening van alle zinnelijke lusten.

Maar, als men onder deugd verstaat (wat met mijn gevoelen overeenkomt) eene zekere betrekkelijke hoedanigheid, die zich altijd buiten ’s huis bezig houdt, en evenzeer bekommerd schijnt om het geluk van anderen als om dat van zich zelve, kan ik niet zoo gaaf toestemmen, dat die het zekerste middel oplevert om zelf gelukkig te worden, omdat wij dan, naar ik vrees, in ons begrip van deugd, de armoede, de minachting, met al de rampen, welke laster, nijd en ondankbaarheid den mensch berokkenen kunnen, moeten opnemen;—ja, wij zullen dan zelfs soms verpligt zijn gezegd geluk ook in de gevangenis te volgen, daar velen door de beoefening der genoemde deugd daarheen gebragt worden.

Ik heb nu geen tijd om zulk een ruim veld van bespiegeling als dit te betreden;—mijn eenig voornemen was dan ook om eene leer af te breken, die mij thans hinderlijk is, daar, terwijl de heer Jones de meest deugdzame rol speelde die bedenken kan, en zijne medemenschen trachtte te redden van den ondergang, de duivel, of eenige andere booze geest, welligt een in menschelijke gestalte, zich de meeste moeite gaf om hem geheel ongelukkig te maken door het verderf zijner Sophia.

Dit zou dus eene uitzondering schijnen op bovengenoemden regel;—maar, daar wij in onzen eigen levensloop zoovele uitzonderingen er op gezien hebben, verkiezen wij de leer waarop die regel steunt te betwisten, als onchristelijk, terwijl wij overtuigd zijn dat ze onwaar is, en dat ze inderdaad in strijd is met een der edelste gronden welke de rede oplevert voor het geloof aan de onsterfelijkheid.

Daar echter des lezers nieuwsgierigheid (als hij er eenige bezit), thans geprikkeld en wakker gemaakt zal zijn, zullen wij er dadelijk toe overgaan om daaraan te voldoen.

HOOFDSTUK II.

WAARIN EEN ZEER ZWARTE AANSLAG TEGEN SOPHIA GEOPENBAARD WORDT.

Ik herinner me een wijzen ouden heer, die plagt te zeggen, „als kinderen niets doen, voeren zij kwaad uit.” Ik zal dit wonderlijk gezegde niet algemeen uitstrekken tot de schoonste wezens der geheele schepping; maar men zal mij vergunnen te beweren, dat als de uitwerksels der vrouwelijke ijverzucht zich niet openlijk vertoonen in hare eigene kleuren van drift en woede, wij wel veronderstellen mogen dat die booze hartstogt in stilte werkzaam is, en tracht datgene te ondermijnen wat ze niet openlijk aanvalt.

Dit bleek duidelijk uit het gedrag van Lady Bellaston, die in weerwil van den glimlach op haar gelaat, in haar harte veel wrok koesterde tegen Sophia; en daar zij best zag, dat deze jonge dame tusschen haar en het vervullen harer begeerten stond, besloot zij zich op de eene of andere wijze van haar te bevrijden;—het duurde ook niet lang eer zich eene zeer gewenschte gelegenheid daartoe aan haar aanbood.

De lezer zal zich herinneren, dat, toen Sophia in den schouwburg verschrikt werd door de geestigheid en luimigheid van zekere jonge heeren, die aan de stad den toon wilden geven, zij zich aan de bescherming van een jongen edelman toevertrouwde, die haar veilig naar haren draagstoel bragt.

Deze edelman, die Lady Bellaston dikwerf bezocht, had Sophia herhaaldelijk gezien sedert hare aankomst te Londen, en had al eene groote neiging tot haar opgevat,—welke neiging, daar de schoonheid zich nooit bekoorlijker voordoet dan wanneer zij in nood verkeert, zoo vermeerderd was door den angst, waarin hij Sophia had gezien, dat men zonder veel overdrijving wel zeggen kon, dat hij werkelijk op haar verliefd was geworden.

Men zal ligt begrijpen, dat hij de gunstige gelegenheid, welke zich thans aanbood om het beminde voorwerp nader te leeren kennen, niet liet voorbijgaan,—terwijl zelfs de dagelijksche beleefdheid eischte dat hij haar een bezoek kwam brengen.

Den morgen na de voorstelling in den schouwburg, dus, maakte hij zijne opwachting bij Sophia met de gewone pligtplegingen, en hoopte dat zij geene kwade gevolgen ondervonden had van het avontuur van den vorigen avond.

Daar de liefde, even als het vuur, wanneer het eens brandt, spoedig tot eene vlam aangeblazen wordt, voltooide Sophia ook nu weldra hare verovering. De tijd vloog dus ongemerkt voorbij, en de edele Lord was al twee uren bij de dame geweest, eer het hem inviel dat hij zijn bezoek te lang gerekt had. Ofschoon deze omstandigheid op zich zelve Sophia, die een beter begrip van den tijd had, reeds verontrust zou hebben, vond zij in de blikken van haar minnaar nog duidelijker bewijzen van hetgeen er in zijn hart omging;—ja, hoewel hij zijne liefde niet onbewimpeld verklaarde, waren toch enkele zijner uitdrukkingen veel te vurig en teeder om alleen aan beleefdheid te worden toegeschreven, zelfs in een tijd toen eene beleefdheid in zwang was,—waarvan juist het tegenovergestelde de thans heerschende mode is.

Lady Bellaston had, bij zijne komst, het bezoek van Milord vernomen, en de lengte daarvan overtuigde haar dat de zaken volkomen den loop namen, welken zij wenschte, en welken zij inderdaad verondersteld had reeds den tweeden keer dat zij het jonge paar bij elkaar had gezien. Zij begreep ook,—en me dunkt, met regt,—dat zij de zaak volstrekt niet bevorderen zou door zich aan het gezelschap op te dringen, en beval dus aan hare bedienden, om aan Milord te zeggen, als hij wegging, dat zij verlangde hem te spreken, terwijl zij den tusschentijd besteedde om een plan te beramen, welks uitvoering zij zich overtuigd gevoelde, dat Milord gaarne op zich nemen zoude.

Lord Fellamar (zoo als deze jonge edelman heette) was dus pas bij haar binnengeleid, toen zij hem op de volgende wijze aanviel:

„Wel, Milord! Zijt gij nog hier? Ik dacht dat de knecht zich vergist had, en dat hij u had laten weggaan, zonder dat ik u over eene belangrijke zaak had kunnen spreken.”

„Inderdaad, Lady Bellaston,” zeide hij, „het verwondert me geenzins dat gij verbaasd zijt over den langen duur van mijn bezoek, want ik ben meer dan twee uren hier geweest, en ik dacht niet eens een halfuurtje gebleven te zijn.”

„Wat moet ik hieruit opmaken, Milord?” vroeg zij. „Het moet zeer aangenaam gezelschap zijn, dat den tijd zoo snel doet voorbijgaan.”

„Op mijn woord,” hernam hij, „het aangenaamste gezelschap, dat ik ooit ontmoet heb. Zeg me toch, Lady Bellaston, wie is deze schitterende ster, die gij zoo plotseling onder ons hebt laten opgaan?”

„Welke schitterende ster, Milord?” vroeg zij, met geveinsde verwondering.

„Ik bedoel,” antwoordde hij, „de dame, die ik onlangs hier ontmoette, die ik gisteren avond avond in den schouwburg den arm gaf, en bij wie ik thans dat vreesselijk lange bezoek afgelegd heb.”

„O, mijn nichtje Western!” riep zij. „Wel! die schitterende ster, Milord, is niemand anders dan de dochter van een lompen landjonker, en is nu eerst sedert veertien dagen in de stad.”

„Bij mijne ziel!” riep hij, „men zou zweren dat zij aan het hof groot gebragt was;—ik heb van mijn leven zoo veel fatsoenlijkheid, zoo veel verstand en zoo veel hoffelijkheid niet bij elkaar gezien!”

„O dat is kostelijk!” riep de dame. „Mijne nicht heeft u al ingepakt!”

„Op mijn woord van eer,” hernam hij, „ik wilde maar dat zij mij inpakken wilde; want ik ben tot gek wordens toe op haar verliefd.”

„Nu, Milord,” antwoordde zij, „gij wenscht u zelven werkelijk geen groot kwaad toe; want zij heeft veel vermogen;—zij is een eenig kind, en zij zal zeker van haar vader ruim drie duizend pond ’s jaars erven.”

„Dan verzeker ik u, mevrouw,” hernam de edelman, „dat ik haar houd voor de beste partij in geheel Engeland.”

„Nu, Milord,” zei de dame, „als gij werkelijk zin in haar hebt, wenschte ik van harte dat gij haar tot vrouw hadt.”

„Indien gij zoo gunstig over mij denkt, mevrouw,” hernam Milord, „zult gij mij dan de eer willen doen, als hare aanverwante, om uit mijn naam aanzoek te doen bij haren vader om hare hand?”

„Is het u werkelijk ernst?” riep de dame, met geveinsde deftigheid.

„Ik hoop, mevrouw,” antwoordde hij, „dat gij te goed over mij denkt, dan dat gij u zoudt willen verbeelden, dat ik gekheid maakte bij zulk eene gewigtige zaak?”

„Dan zal ik werkelijk heel gaarne de zaak aan haar vader mededeelen,” zei de dame, „en ik geloof u vooraf te mogen verzekeren, dat hij zich door uw aanzoek, Milord, zeer vereerd zal gevoelen; maar er bestaat toch één bezwaar, dat ik me bijna schaam te vermelden, en toch is het er een, dat gij nooit te boven zult komen! Gij hebt een mededinger, Milord, dien, al moet ik blozen om hem te noemen, noch gij, noch de geheele wereld overwinnen zult.”

„Op mijn woord, Lady Bellaston,” riep hij, „gij brengt me een slag toe, die me vreesselijk treft!”

„Foei, Milord,” hernam zij, „ik wil liever hopen dat ik u met nieuw vuur bezield heb. Een minnaar, die het zoo spoedig opgeeft! Ik verbeeldde me, dat gij me eerder naar den naam van uw mededinger zoudt gevraagd hebben, ten einde dadelijk tegen hem in het strijdperk te treden.”

„Ik verzeker u, mevrouw,” hernam hij, „dat er al heel weinig is, dat ik niet zou willen ondernemen, om den wille uwer bekoorlijke nicht; maar, ik bid u, wie is toch de gelukkige?”

„Wel!” zei de dame, „hij is, zoo als ik me schamen moet te bekennen,—even als de meeste door de vrouwen begunstigde gelukkige mannen, een der gemeenste menschen ter wereld! Hij is een bedelaar, een bastaard, een vondeling,—nog verachtelijker dan een uwer knechts, Milord!”

„En zou het mogelijk zijn,” riep hij, „dat zulk een volmaakt wezen als uwe nicht, zich op zulk eene onwaardige wijze zou wegwerpen?”

„Helaas, Milord,” hernam de dame, „denk aan hare opvoeding ten platten lande! Het platte land is het bederf voor alle jonge meisjes! Zij vatten daar allerlei romantische begrippen van de liefde op, en leeren een boel dwaasheid er bij, welke naauwelijks in den loop van een geheel saizoen hier in de stad uit te roeijen is.”

„Wezenlijk, mevrouw,” hernam de edelman, „uwe nicht is veel te voortreffelijk om op die wijze ongelukkig gemaakt te worden. Zulk een ramp moet voorkomen worden!”

„Helaas!” riep zij; „hoe zou dat mogelijk zijn? De familie heeft al het mogelijke gedaan, Milord: maar het meisje is, geloof ik, behekst, en laat zich niet door de rampen welke haar dreigen, afschrikken. Ja, om u de geheele waarheid te zeggen, ik vrees haast te een of anderen tijd te vernemen, dat zij zich door hem heeft laten schaken.”

„Gij treft me zeer door al wat gij mij mededeelt, mevrouw,” hernam Milord, „en in plaats van mijne liefde voor uwe nicht te verminderen, wekt gij slechts mijn medelijden op. Er moeten werkelijk middelen bedacht worden om zulk een juweel te bewaren! Hebt gij getracht, Milady, om zelve met haar te redeneren?”

Hier veinsde de dame te lagchen, en riep uit: „Mijn waarde vriend, gij moest toch de vrouwen te goed kennen om te praten van redeneren met een meisje over de liefde! Zoo’n juweeltje is op dat punt even doof als de juweelen waarmede zij zich opschikt. De tijd, Milord, de tijd is het eenige geneesmiddel voor hare dwaasheid;—maar ik ben overtuigd dat het een geneesmiddel is, dat zij niet gebruiken zal;—ja, elk uur sidder ik voor haar! Met één woord,—een middel van geweld is het eenige dat hier toegepast kan worden.”

„Wat is dat?” riep Milord. „Wat middel is er op te vinden?—Is er eenig middel ter wereld?—O, Lady Bellaston! Ik zou alles willen ondernemen om zulk een prijs te winnen!”

„—Nu—maar—neen,—ik weet niet,—” hernam de dame, na eene korte stilte,—en daarmede afbrekende, wachtte zij een oogenblik en riep toen uit: „Op mijn woord, dat meisje doet mijn verstand stil staan!—Als zij gered zal worden, moet er dadelijk iets gedaan worden;—en, zoo als ik gezegd heb,—zonder geweld kan men het doel niet bereiken.—Als gij, Milord, werkelijk zoo veel met mijne nicht op hebt, als gij zegt, (en om haar regt te doen,—behalve deze ééne dwaze neiging, welker verkeerdheid zij spoedig inzien zal, is zij in alle opzigten uwe liefde waardig)—nu, dan geloof ik, dat er wel één middel bestaat,—dat inderdaad heel pijnlijk is, en waaraan ik haast niet durf denken;—het zou ook veel moed eischen, dat verzeker ik u!”

„Ik geloof niet dat het me juist daaraan ontbreekt, mevrouw,” zeide hij, „en ik hoop niet dat gij me op dat punt wantrouwt. Het zou inderdaad al een heel groot gebrek aan moed wezen, dat mij bij zulk eene gelegenheid deed terugdeinzen.”

„Wel, Milord,” hernam zij, „ik ben ver van u te wantrouwen;—maar vrees haast dat de moed mij begeven zal;—want ik moet heel veel op het spel zetten! Met één woord, ik moet iets aan uwe eer toevertrouwen, dat eene wijze vrouw, om welke reden ook, haast nooit aan eenig man ter wereld toevertrouwen zal.”

Op dat punt gelukte het aan Milord haar ook gerust te stellen; want zijn naam was heel goed en de openbare meening liet hem slechts regt wedervaren, als ze ook goed van hem sprak.

„Nu dan, Milord,” zeide zij; „maar neen,—ik—ik—kan er toch niet aan denken. Neen! het moet niet gebeuren!—ten minste niet voor dat alle andere middelen beproefd zijn!—Kunt gij u verder vrij houden en heden hier eten? Gij zult dan in de gelegenheid wezen om mejufvrouw Western iets nader te leeren kennen.—Ik verzeker u, dat wij geen tijd verliezen mogen! Er zal niemand anders komen dan Lady Betsy, mejufvrouw Eagle en de kolonel Hamsted met Thomas Edwards. Die gaan allen vroeg weg,—en ik zal voor niemand anders te huis geven. Dan kunt gij, Milord, iets ongedwongener uwe gevoelens uiten. Ja—ik zal ook iets bedenken, waaruit gij u overtuigen kunt van hare gevoelens omtrent dien anderen, van wien ik u gesproken heb.”

Milord nam deze uitnoodiging, na de behoorlijke pligtplegingen aan, en zij scheidden nu om zich te kleeden,—daar het reeds drie uur des voormiddags—of naar de oude wijze van rekenen,—des namiddags was.

HOOFDSTUK III.

EENE NADERE UITLEGGING VAN HET BERAAMDE PLAN.

Hoewel de lezer reeds lang opgemerkt zal hebben dat Lady Bellaston lid was (en geen onbeduidend lid) van de groote wereld,—was zij tevens een zeer gezien lid van „de kleine wereld,” onder welke benaming zeker zeer waardig en aanzienlijk gezelschap slechts kort geleden in Engeland bloeide.

Onder de zeer prijzenswaardige grondbeginselen, welke dit gezelschap voorstond, was er één dat zeer opmerkelijk was; want, even als het regel was onder zekere club van helden, die bij het einde van den vorigen oorlog bijeen kwamen, dat elk lid ten minste éénmaal daags vechten zou, zoo was het bij dit gezelschap aangenomen, dat elk lid binnen het etmaal ten minste één aardigen leugen vertellen zou, die door alle broederen en zusteren verspreid moest worden.

Vele dwaze verhalen kwamen in omloop over dit gezelschap, van welke een zeker aantal, welligt niet zonder grond, als bedenkselen der leden zelve beschouwd mogen worden. Bij voorbeeld, dat de duivel voorzitter van het gezelschap was, en dat hij in persoon plaats nam aan het hoofd van de tafel in een leuningstoel; maar, na naauwkeurig onderzoek gedaan te hebben, kan ik niet ontdekken, dat er eenige waarheid is in een enkele van al deze sprookjes, maar wel dat de leden werkelijk uit een heel goed slag van menschen bestonden, die slechts op de meest onschuldige wijze jokten, en alleen streefden om vrolijkheid en pret te verspreiden.

De heer Edwards was ook lid van dit grappige gezelschap. Lady Bellaston wendde zich dus tot hem, als een geschikt werktuig voor haar doel, en voorzag hem van een verdichtseltje, dat hij opdisschen moest zoodra de dame hem een wenk gaf, en dat zou niet geschieden vòòr den avond, als alle overige gasten, behalve Lord Fellamar, weg waren, en terwijl zij aan de whisttafel zaten.

Wij zullen ons dan nu verbeelden, dat het oogenblik gekomen was,—tusschen zeven en acht uur ’s avonds,—toen Lady Bellaston, Lord Fellamar, mejufvrouw Western en Tom Edwards aan het whisten waren, en deze den wenk kreeg van Lady Bellaston, onder de laatste partij van de robber, in deze woorden:

„Wel, Tom, gij zijt werkelijk in den laatsten tijd onverdragelijk geworden! Vroeger, plagt gij ons al het nieuws uit de stad te vertellen, en nu schijnt gij niets meer van de wereld te weten dan iemand, die er niet in leeft.”

Hierop begon de heer Edwards: „De schuld ligt niet aan mij, mevrouw; maar aan dezen vervelenden tijd, die niets oplevert, waarover het de moeite waard zou zijn te spreken.—Maar, o ja nu ik er om denk—die arme kolonel Wilcox,—die arme jongen!—hem is een droevig ongeluk overkomen!—Gij kent hem zeker, Milord? Iedereen kent hem! Wezenlijk,—ik beklaag hem van ganscher harte!”

„Maar wat is hem dan overkomen?” vroeg Lady Bellaston.

„O, hij heeft heden morgen iemand in een tweegevecht doodgeschoten: anders niets!”

Milord, die niet in het geheim was, vroeg ernstig, „wien hij gedood had?”

Hierop hernam Edwards: „Een jong mensch, dien wij geen van allen kennen:—een jongen, die pas uit Somerset naar de stad gekomen was,—zekere Jones,—een bloedverwant van zekeren mijnheer Allworthy, dien gij, Milord, wel eens hebt hooren noemen.—Ik zag den jongen dood liggen in een koffijhuis,—op mijn woord, een der schoonste lijken, die ik ooit gezien heb?”

Sophia, die pas begonnen was met te geven, toen Tom vertelde van het tweegevecht, hield een oogenblik op, en luisterde oplettend,—want alle dergelijke verhalen deden haar aan,—maar zoodra hij het einde van zijn verhaal genaderd was, begon zij weêr te geven,—en na den één drie, den tweeden zeven en den derden tien kaarten gegeven te hebben, liet zij eindelijk de overige kaarten vallen en zeeg achterover op haar stoel.

Het gezelschap gedroeg zich zoo als men meestal doet bij dergelijke gelegenheden. De gewone verwarring volgde, de gewone hulp werd ingeroepen, en eindelijk kwam Sophia op de gewone wijze bij, en werd weldra, op haar ernstig smeeken, naar hare kamer gebragt, waar, op verzoek van Milord, Lady Bellaston haar de waarheid vertelde, en haar de zaak als eene grap voorstelde welke zij zelve bedacht had, terwijl zij haar troostte met herhaalde verzekeringen, dat noch Milord noch Tom, die het verhaal gedaan had, het fijne van de zaak begrepen.

Lord Fellamar had geene verdere bewijzen noodig, om overtuigd te zijn, dat Lady Bellaston hem niets dan de zuivere waarheid verteld had, en bij haar terugkeer in de zaal, werd er een plan beraamd tusschen deze twee adellijke persoonaadjes, dat, hoewel het Milord zoo heel schandelijk niet scheen (daar hij plegtig beloofde, en zich ook plegtig voornam, om door een huwelijk der jonge dame alles te vergoeden, in zoo ver hij dat kon), zeker weinige lezers zonder billijken afschuw zullen vernemen.

De volgende avond, om zeven uur, werd bepaald voor het noodlottige doel, en Lady Bellaston nam op zich, dat Sophia alleen zou zijn, als Milord bij haar toegelaten werd. Het heele huisgezin zou daarnaar bezorgd worden; de meeste dienstboden zouden uitgezonden worden, en wat jufvrouw Honour betrof,—die, om alle vermoedens te voorkomen, tot de komst van Lord Fellamar bij hare meesteresse zou blijven,—Lady Bellaston zelve zoude haar bezig houden op eene kamer, zoo ver mogelijk verwijderd van het tooneel van het voorgenomen kwaad, en geheel en al buiten het bereik van Sophia’s stem.

Alles op deze wijze afgesproken zijnde, nam Milord afscheid, en Milady begaf zich ter rust, zeer ingenomen zijnde met een plan, aan welks welslagen zij volstrekt niet twijfelde en dat volkomen beletten zou dat Sophia in het vervolg eenig beletsel ware voor hare intrigue met Jones,—vooral daar zij zelve nooit eenige schuld zou dragen; al werd zelfs de zaak wereldkundig,—wat zij echter hoopte te voorkomen door het overhaaste huwelijk waartoe, zij zich verbeeldde dat de onteerde Sophia gemakkelijk over te halen zou zijn,—en waarover alle leden harer familie zich verheugen zouden.

Maar de andere zamenzweerder was niet zoo gerust in zijn hart;—hij wankelde steeds in die kwellende onrust, zoo heerlijk door Shakespeare beschreven:

„Tusschen het bedenken en de uitvoering Eener wreede misdaad, is de tusschentijd Als koortsig ijlen, of een nare droom. De geest des menschen en zijn ligchaamskrachten Raadplegen zâam;—zijn geheel bestaan is Gelijk aan een koningrijkje, zwaar geschokt Door bruischend oproer.—”

Hoewel de hevigheid van zijn hartstogt hem, op het eerste gezigt, het plan vurig had doen omhelzen, vooral daar het van eene bloedverwante van de dame kwam,—begon evenwel toen die vriend van het overleg,—het hoofdkussen,—hem de voorgenomene daad in al hare zwarte kleuren afgeschilderd had, met al de omstandigheden die haar moesten vergezellen,—en de gevolgen, welke ze waarschijnlijk zou hebben,—toen, zeg ik, begon zijn besluit te wankelen, of inderdaad, naar de tegenovergestelde rigting over te hellen, en na een langen strijd, (die den geheelen nacht duurde), tusschen eergevoel en hartstogt zegevierde eindelijk het eerste en hij besloot zijne opwachting bij Lady Bellaston te maken en van het voornemen af te zien.

Hoewel het heel laat ’s morgens was, lag Lady Bellaston nog te bed en Sophia zat naast haar, toen de kamenier Lord Fellamar aanmeldde, die beneden wachtte om haar te spreken. Milady liet hem zeggen, dat als hij een oogenblik vertoeven wilde, zij hem dadelijk zou spreken; maar zoodra zij weder alleen waren, begon de arme Sophia hare nicht te smeeken om de bezoeken van dien „naren Lord,”—zooals zij hem eenigzins onbillijk noemde,—om harentwil niet aan te moedigen.

„Ik begrijp best wat hij wil,” zeide zij; „want hij maakte mij gisteren morgen bepaaldelijk het hof; maar, daar ik vast besloten heb nooit zoo iets van hem te dulden, smeek ik u ons nooit meer alleen te laten en aan uwe bedienden te bevelen, dat zij steeds niet te huis geven, als hij naar mij vraagt.”

„Wel, kind!” riep Lady Bellaston, „gij meisjes van het platte land denkt aan niets anders dan vrijers! Gij verbeeldt u dat ieder man, die een beleefd woord tegen u spreekt, u het hof maakt! Hij is echter een der aardigste jonge lieden in de geheele stad en ik ben overtuigd, dat hij niets anders bedoelde dan een beetje hoffelijkheid. U het hof maken? Ik wenschte maar van ganscher harte, dat hij het doen wilde, en gij zoudt dan bepaald waanzinnig moeten wezen om hem te weigeren!”

„Daar ik nu echter zeker zoo waanzinnig zou zijn,” hernam Sophia, „hoop ik dat zijne bezoeken mij niet opgedrongen zullen worden.”

„Kom kind!” riep Lady Bellaston, „ge behoeft u daaromtrent niet te verontrusten. Als gij besloten hebt u te laten schaken door dien Jones, dan weet ik niet wie u dat beletten zoude.”

„Op mijn woord, Milady,” riep Sophia, „gij doet me groot ongelijk aan! Ik zal me nooit door wien ook laten schaken, en ik zal nooit zonder toestemming van mijn vader in het huwelijk treden.”

„Nu dan, mejufvrouw Western,” hernam de dame, „als gij heden morgen geen lust hebt om bezoeken te ontvangen, moet ik u verzoeken naar uwe eigene kamer te gaan; want ik ben niet bang voor Lord Fellamar en moet hem op mijne kleedkamer ontvangen.”

Sophia bedankte Lady Bellaston en verwijderde zich, terwijl Lord Fellamar naar boven gebragt werd.

HOOFDSTUK IV.

WAARUIT BLIJKT HOE GEVAARLIJK EENE DAME WORDT, ALS ZIJ HARE WELSPREKENDHEID GEBRUIKT OM EENE SLECHTE ZAAK TE BEPLEITEN.

Zoodra Lady Bellaston de bezwaren van den jongen edelman vernam, behandelde zij ze met dezelfde minachting, waarmede een van die wijze regtsgeleerden, die zijne praktijk zoekt in het verdedigen der spitsboeven tegenover het geregt, de gewetensbezwaren van een jeugdigen getuige behandelt.

„Mijn waarde Lord,” zeide zij, „gij hebt zeker eene hartversterking noodig. Ik moet bij Lady Edgely zenden om een harer sterkste middelen! Foei! vat moed! Schrikt gij voor het woord: „geweld gebruiken?” Of vreest gij—? Nu als het verhaal van Helena iets nieuws ware, zou ik het voor onnatuurlijk houden;—namelijk, het gedrag van Paris,—niet de liefde van de dame;—want alle vrouwen houden van een moedigen man. Er is ook nog een ander verhaal van de Sabijnsche dames,—en ik dank den hemel dat het eveneens heel oud is. Gij zult welligt verbaasd staan over mijne belezenheid, Milord; maar, als ik mij niet bedrieg, is het de heer Hooke, die ons vertelt, dat die dames later redelijk goede echtgenooten werden. Ik verbeeld me dan, dat weinige mijner vriendinnen door hare mannen geroofd zijn!

„Kom, kom, waardste Lady Bellaston,” riep hij, „drijf toch niet den spot met mij op die wijze!”

„Wel, mijn beste Lord,” hernam zij, „gelooft gij niet dat iedere vrouw in Engeland in haar hart om u lagchen zou, welke preutschheid zij ook verkiezen mogt op haar gelaat te toonen?—Gij dwingt mij om eene wonderlijke taal te gebruiken, en op eene schandelijke wijze mijn eigen geslacht bloot te geven;—maar ik vergenoeg me met te weten dat mijne bedoelingen goed zijn, en dat het mijn doel is om mijne nicht te dienen; want, in weerwil van dit alles, geloof ik, dat gij een goede man voor haar zijn zult, of, op mijn woord, ik zou haar niet willen overhalen, om zich weg te werpen, alleen om een ijdelen titel te voeren! Ik wilde ook niet dat zij het mij later wijten zoude, dat zij een flinken man verloren had; want zelfs zijne vijanden moeten bekennen dat deze arme jongen een fiksch mensch is!”

Laat diegenen, die ooit de voldoening gesmaakt hebben om gedachten als deze door zijne vrouw of zijne beminde te hooren uiten, verklaren of ze eenigzins verzacht worden door over vrouwenlippen te komen! Zeker is het, dat zij bij Milord dieper indruk maakten dan iets dat Demosthenes of Cicero bij eene dergelijke gelegenheid hadden kunnen zeggen.

Lady Bellaston, die begreep dat zij den trots van den jongen Lord opgewekt had, begon nu, als een ervaren redenaar, ook de hulp van andere hartstogten daarbij in te roepen.

„Milord,” zeide zij, heel ernstig, „heb de goedheid u te herinneren, dat gij zelf eerst over deze zaak met mij gesproken hebt; want ik wilde volstrekt niet hebben dat gij u verbeelden zoudt dat ik u mijne nicht opdringen wilde. Tachtig duizend pond sterling bevelen zich zelve aan, ook zonder advokaat.”

„En mejufvrouw Western,” hernam hij, „heeft hoegenaamd niet de aanbeveling van haar vermogen noodig; want, naar mijn gevoelen, is er nooit eene vrouw geweest, die de helft harer bekoorlijkheden bezat.”

„O toch, Milord!” riep de dame, met een blik in den spiegel, „o toch wel! Ik kan u verzekeren dat er vrouwen zijn die zelfs meer dan de helft van hare bekoorlijkheden bezitten!—Niet dat ik haar om die reden minder tel;—het is een heerlijk meisje,—dat is ontegenzeggelijk,—en binnen weinige uren zal zij ook in de armen vliegen van iemand die haar zeker niet waardig is;—hoewel, om hem regt te doen, ik werkelijk overtuigd ben, dat het hem niet aan moed ontbreekt.”

„Ik hoop dat gij gelijk hebt, mevrouw,” hernam Milord; „ofschoon ik ook moet bekennen, dat hij haar onwaardig is; want als de hemel, of gij, Milady, mij niet in den steek laat, zal zij binnen weinige uren de mijne zijn!”

„Goed gezegd, Milord!” hernam de dame; „ik beloof u dat gij van mijn kant geene teleurstelling te vreezen hebt, en ik hoop u binnen een week als mijn neef te begroeten!”

Het overige van dit tooneel bestond uit loutere uitroepingen, verontschuldigingen en complimenten, die zeer vermakelijk waren welligt voor de daarbij betrokkene personen, maar die het eenigzins vervelend zou wezen hier te herhalen. Wij zullen dus thans een einde maken aan het gesprek, en ons haasten tot het ongelukkige oogenblik te komen, waarop alles voorbereid was om de arme Sophia te gronde te rigten.

Daar dit echter de meest tragische zaak is in onze geheele geschiedenis, zullen wij het in een afzonderlijk hoofdstuk behandelen.

HOOFDSTUK V.

BEVATTENDE SOMMIGE DINGEN WELKE DEN LEZER AANDOEN EN ANDERE WELKE HEM WELLIGT VERRASSEN ZULLEN.

De klok had zeven uur geslagen, en de arme Sophia, geheel alleen en zeer droefgeestig gestemd, zat in een treurspel te lezen. Het was „het Noodlottige Huwelijk,” en zij was juist aan dat gedeelte van het stuk gekomen, waar de arme, ongelukkige Isabella haren trouwring verkoopen moet.

Hier ontviel haar het boek en een tranenvloed stroomde uit hare oogen. Zij was naauwelijks één minuut in dezen toestand geweest, toen de deur openging en Lord Fellamar binnentrad. Sophia sprong van haren stoel op toen hij verscheen, en Milord, haar naderende, zeide met eene diepe buiging:

„Ik vrees, mejufvrouw Western, dat ik u zeer onverwacht kom storen?”

„Inderdaad, Milord,” hernam zij, „ik moet bekennen, dat ik eenigzins verwonderd ben over zulk een onverwacht bezoek.”

„Als mijn bezoek onverwacht is,” zei Lord Fellamar, „dan moeten mijne oogen zeer slechte tolken van mijn hart geweest zijn, toen ik de eer had u den laatsten keer te ontmoeten; want anders zoudt gij zeker er niet aan gedacht hebben mijn hart in uw bezit te houden, zonder een bezoek te wachten van den eigenaar er van.”

Sophia, hoe verlegen ook, antwoordde op dezen onzin (en naar het mij voorkomt, zeer gepast), met een onbeschrijfelijk minachtenden blik, waarop Milord eene tweede en veel langere redevoering van denzelfden aard hield.

Daarop hernam Sophia, die begon te beven: „Moet ik me werkelijk verbeelden, Milord, dat uw verstand beneveld is? Wezenlijk, er bestaat geene andere verontschuldiging voor zulk een gedrag—”

„Ja,—ik ben inderdaad in den toestand, welken gij veronderstelt,” riep Milord, „en zeker zult gij de gevolgen van een waanzin vergeven, door u zelve veroorzaakt; want de liefde heeft mijn verstand zoodanig beneveld, dat ik naauwelijks meer verantwoordelijk kan zijn voor mijne handelingen.”

„Op mijn woord, Milord,” hernam Sophia, „uwe woorden en uw gedrag zijn me beide even onverklaarbaar!”

„Vergun me dan,” riep hij, „aan uwe voeten beide uit te leggen, door mijn geheele hart voor u uit te storten en te verklaren, dat ik u in den hoogsten graad bewonder en aanbid! O beminnelijkste, o goddelijkste der vrouwen, hoe zal ik in woorden de gevoelens van mijn hart uitdrukken?”

„Ik verzeker u, Milord, dat ik niet langer blijven zal, om zulke taal aan te hooren!” riep Sophia.

„Wees niet zoo wreed,” smeekte hij, „mij op deze wijze te verlaten! Kendet gij slechts de helft mijner martelingen, dan zou uw gevoelig hart medelijden hebben met de kwellingen door uwe oogen veroorzaakt!”

Daarop, met een zwaren zucht, hare hand grijpende, draafde hij eenige minuten lang door op een toon, die den lezer evenmin als de dame tot wie alles gerigt was, bevallen zou, en eindigde met te zeggen, „dat als hij de geheele wereld bezat, hij zich haasten zou alles aan hare voeten te leggen.”

Sophia ontrukte hem nu hare hand met geweld, en antwoordde met veel moed: „Ik verzeker u, Milord, dat ik evenzeer de geheele wereld als hem die ze me aanbood, verachten zoude!”

Hierop wilde zij zich verwijderen; maar Lord Fellamar greep hare hand weder, en zeide: „Vergeef me, bemind meisje, als ik eenige vrijheden neem, waartoe niets dan de wanhoop mij zou kunnen drijven!—Geloof me, als ik had kunnen veronderstellen, dat mijn titel of mijn vermogen, welke beide alleen onaanzienlijk zijn als zij bij uwe waarde vergeleken worden, door u aangenomen zouden zijn, zou ik ze op de onderdanigste wijze aan u aangeboden hebben;—maar u verliezen, kan ik niet! Bij den hemel, ik zou liever de eeuwige zaligheid missen!—Gij zijt, gij moet alleen de mijne wezen!”

„Milord,” hernam zij, „ik smeek u eene ijdele vervolging op te geven, want, op mijn woord van eer, ik wil niets meer op dit punt aanhooren. Laat mijne hand los, Milord! Ik heb vast besloten op dit oogenblik de kamer te verlaten en u nooit van mijn leven weder te zien!”

„Dan moet ik gebruik maken van dit gunstig oogenblik;—want ik wil en kan ook niet zonder u leven!” riep Milord.

„Wat beteekent dat, Milord?” riep Sophia. „Ik zal het heele huisgezin bijeen roepen!”

„Ik vrees niets anders dan u te verliezen,” hernam hij, „en ik heb besloten dat te voorkomen op de eenige wijze, welke de wanhoop mij ingeeft!”

Hij greep haar toen in zijne armen, waarop zij het zoo hard uitgilde, dat zeker iemand tot hare hulp zou zijn opgedaagd, als Lady Bellaston niet gezorgd had alle menschen verwijderd te houden.

Maar eene gelukkige gebeurtenis vond op dit oogenblik voor Sophia plaats. Een ander geluid namelijk, deed zich hooren, dat hare kreten bijna smoorde, want het geheele huis weerklonk van het geroep:

„Waar zit zij? Wel verd—! Ik zal haar dadelijk opjagen! Wijs me hare kamer, zeg ik! Waar is mijne dochter! Ik weet dat zij hier in huis is, en als zij nog boven aarde is, zal ik haar vinden! Wijs me hare kamer, zeg ik!”

Bij deze laatste woorden vloog de deur open, en de heer Western stormde naar binnen, door dominé Supple en eene heele bende volgelingen vergezeld.

Hoe ongelukkig moet niet de toestand van de arme Sophia geweest zijn, dat de stem van haren vertoornden vader haar welkom in de ooren klonk! Welkom inderdaad, en gelukkig voor haar; want niets anders ter wereld had kunnen beletten, dat zij op dat uur alle verder levensgeluk verloren had.

Sophia, niettegenstaande hare verwarring, herkende dadelijk haar vaders stem, en Milord, in weerwil van zijne drift, luisterde naar de stem der rede, die hem stellig verzekerde, dat het nu geen oogenblik was om zijn schandelijk voornemen uit te voeren.

De naderende stem dus vernemende en tevens begrijpende wiens stem het was;—want de landjonker brulde meer dan eens de woorden „mijne dochter,” uit, terwijl Sophia, te midden der worsteling, haren vader riep, vond hij goed zijn prooi los te laten, na alleen haren halsdoek losgerukt, en met zijne onkuische lippen haren blanken hals aangeraakt te hebben.

Als de verbeelding van den lezer mij niet bijstaat, zal ik nooit in staat wezen den toestand der beide hoofdpersonen in dit tooneel te beschrijven, op het oogenblik dat Western in de kamer trad. Sophia wankelde naar een stoel, waar zij verward, bleek, hijgende, en verontwaardigd over Lord Fellamar’s gedrag, bleef zitten,—verschrikt en toch nog meer verheugd over de komst van haren vader.

Milord ging in hare nabijheid zitten, met zijne pruik scheef op het hoofd, en zijne overige kleeding eenigzins in de war, terwijl iets meer dan gewoonlijk van de borst van zijn overhemd te zien was. Overigens was hij verbaasd, verschrikt, teleurgesteld en beschaamd.

Wat mijnheer Western betreft, deze was toevallig op dit oogenblik door een vijand overrompeld, die zeer dikwerf de woeste landjonkers van dit rijk vervolgt en zelden nalaat hen ten onder te brengen: hij was letterlijk geheel dronken, welke omstandigheid, met zijne aangeborene hevigheid gepaard, niets anders uitwerkte dan dat hij regelregt op zijne dochter toeliep, die hij met de meeste verbittering met zijne vuile taal aanviel;—ja, hij zou haar zelfs waarschijnlijk handtastelijk aangevallen hebben, als de dominé niet tusschenbeide gekomen ware, en hem gezegd had:

„In ’s hemels naam, mijnheer, bedenk dat gij onder het dak zijt van eene zeer voorname dame! Laat mij u smeeken uwen toorn te matigen! Gij moest u daarmede tevreden stellen dat het u gegeven is uwe dochter weder te vinden;—want de wraakneming is den mensch niet geoorloofd. Ik zie sporen van groote wroeging op het gelaat der jonge dame. Ik koester de vaste overtuiging, dat als gij haar vergiffenis schenkt, zij berouw zal gevoelen over hare verkeerde handelingen en verder getrouw blijven op het pad, door den pligt afgebakend.”

De kracht van des dominé’s handen was in het begin nuttiger geweest dan al de kracht zijner welsprekendheid, maar de laatste woorden, welke hij uitte, werkten toch iets en de landjonker hernam:

„Ik zal haar vergeven als zij hem nu hebben wil! Als ge hem nemen wilt, Sophia, zal alles vergeten zijn. Waarom spreekt ge niet? Wilt ge hem hebben? Verd—, wilt ge hem nemen? Heeft men ooit zulk een koppige feeks gezien!”

„Ik smeek u, mijnheer,” zei de dominé, „bedaar toch een weinig! Gij jaagt de jonge dame zooveel schrik aan, dat gij haar buiten staat stelt om één woord te zeggen!”

„Een woord te—donderen!” brulde de landjonker. „Dus kiest gij ook partij voor haar? Gij zijt me een rare soort van een dominé om zoo voor een pligtvergeten kind partij te trekken! Ik zou jou eene collatie bezorgen! Om den drommel niet! Ik geef ze liever aan den Satan zelven!”

„Ik smeek nederig om vergiffenis,” hernam de predikant; „ik verzeker u, mijnheer, dat ik niets kwaads bedoelde!”

Op dit oogenblik trad Lady Bellaston in de kamer en naderde den landjonker, die, zoodra hij haar zag, aan de raadgevingen zijner zuster besloot te gehoorzamen, en op zijn boers, eene diepe buiging voor haar maakte, en haar daarop op eenige zijner meest uitgezochte beleefdheden onthaalde. Daarna ging hij dadelijk tot zijne klagten over, en zeide:

„Ziedaar, mevrouw en nicht, het meest pligtvergeten kind in het geheele rijk! Zij snakt naar een kalen schelm van een bedelaar, en wil hem niet tot man nemen, dien wij voor haar gekozen hebben, en die een der grootste partijen in het land is!”

„Wezenlijk, neef Western,” hernam de dame, „ik gevoel me overtuigd dat gij mijne nicht onregt aandoet. Ik heb een veel beter begrip van haar verstand. Ik ben overtuigd dat zij iets niet afslaan zal, dat zij overtuigd moet wezen, zoo zeer voordeelig voor haar is!”

Dit was willens en wetens eene verwarring van denkbeelden door Lady Bellaston; want zij wist zeer goed wat de heer Western bedoelde, hoewel zij zich welligt verbeeldde dat men hem er gemakkelijk toe zou kunnen overhalen om het huwelijksaanzoek van den Lord te begunstigen.

„Hoort ge nu wat Milady zegt?” riep de landjonker; „onze geheele familie wil het huwelijk! Kom, Sophia, wees maar een braaf kind, doe wat uw pligt gebiedt en maak uwen vader gelukkig!”

„Als mijn dood u gelukkig maken kan, vader,” hernam Sophia, „zult gij niet lang daarop behoeven te wachten.”

„Dat is een leugen,—Sophia, een verd— leugen! En dat weet gij zelve best!” riep de landjonker.

„Gij zijt werkelijk onbillijk jegens uwen vader, mejufvrouw Western,” zei Lady Bellaston; „hij beoogt niets anders dan uw voordeel bij dit huwelijk, en ik zelve en uwe geheele familie erkent de eer welke zulk een huwelijksaanzoek ons huis aandoet.”

„Ja—allemaal!” riep de heer Western; „het was ook geen huwelijk dat ik bedacht had:—zij weet best dat hare tante het eerste woord daarvan sprak.—Nu, Sophia, nog eenmaal! Wees een braaf kind, en geef me uwe toestemming in het bijzijn uwer nicht!”

„Nicht,” zei de dame, „laat me u smeeken hem uwe hand te geven;—het is nu mode om tijd uit te winnen en lange vrijaadjes.”

„Bah!” riep de landjonker; „wat komt het op tijd aan? Zullen zij later geen tijd kunnen vinden om elkaar het hof te maken? De menschen kunnen elkaar best als man en vrouw het hof maken!”

Daar Lord Fellamar zich verzekerd hield dat hij de door Lady Bellaston bedoelde persoon was,—vooral daar hij van zijn leven geen woord van Blifil vernomen had,—twijfelde hij volstrekt niet, dat ook de vader partij voor hem trok. Hij naderde den landjonker dus en zeide:

„Hoewel ik de eer niet heb u persoonlijk bekend te zijn, mijnheer, doch zie dat ik het geluk heb mijn aanzoek door u goedgekeurd te vinden, waag ik het u te smeeken, om den wille der jonge dame, op dit oogenblik niet meer bij haar aan te dringen.”

„Gij, smeeken, mijnheer?” riep de landjonker. „Wel! Wie drommel zijt gij?”

„Mijnheer,” hernam de andere, „ik ben Lord Fellamar, de gelukkige, wien, naar ik hoop, gij de eer hebt bewezen hem tot uwen aanstaanden schoonzoon aan te nemen.”

„Gij, beroerde lammeling!” brulde de landjonker. „Gij met jou gegalonneerden rok! Gij mijn schoonzoon! Loop naar de hel!”

„Ik kan meer van u verdragen dan van wien ook, mijnheer,” hernam de Lord; „maar ik moet u toch herinneren, dat ik er niet aan gewoon ben zulke taal ongewroken te laten.”

„Ongewroken? Loop naar de maan!” gilde de landjonker. „Gelooft ge dat ik bang ben voor zulk een kwast als gij?—Omdat ge zoo’n braadspit overal meesleept? Leg dat dingetje maar af, als ge durft, en ik zal jou leeren je te bemoeijen met wat je niet aangaat!—Ik zal jou leeren mij schoonpapa te heeten! Ik zal jou den rok op je schouders uitkloppen!”

„Dat is al meer dan genoeg, mijnheer,” zei Milord; „ik kan in het bijzijn der dames geene stoornis veroorzaken. Ik weet nu meer dan genoeg. Mijnheer, uw onderdanige dienaar! Lady Bellaston, ik heb de eer van u te groeten!”

Milord was naauwelijks de deur uit toen Lady Bellaston op den heer Western toetrad en zeide:

„Mijn hemel! Wat hebt ge daar gedaan, mijnheer? Gij weet niet wien gij beleedigd hebt! Hij is een edelman van zeer hoogen rang en van groot vermogen,—die gisteren aanzoek deed om de hand uwer dochter,—een aanzoek, dat gij, naar ik overtuigd ben, met het meeste genoegen aannemen zult.”

„Wees maar voor u zelve overtuigd en voor niemand anders, mevrouw en nicht!” hernam de landjonker. „Ik wil met geen van die Lords iets te maken hebben. Mijne dochter zal een eerlijken landjonker trouwen; ik heb er een voor haar uitgezocht,—en nemen zal zij hem!—Het spijt me maar van ganscher harte, dat zij u, Milady, zoo veel last veroorzaakt heeft.”

Lady Bellaston zei iets heel beleefds van „geen last” en zoo voorts, waarop de landjonker hernam:

„Nu dat is heel lief,—en ik zou het ook voor u over hebben, Milady. ’t Is waar, men moet iets over hebben voor zijne familie. Dus wensch ik u goeden avond, Milady!—Komaan, juffertje! gij moet me goedschiks volgen, of ik laat u naar beneden dragen, naar de koets!”

Sophia beloofde hem goedschiks te zullen volgen; maar smeekte om een draagstoel te mogen hebben, daar zij zich niet sterk genoeg gevoelde om in eene koets te rijden.

„Bah!” riep de landjonker, „woudt ge me nu wijs maken, dat ge niet meer tegen het schokken van eene koets bestand zijt? Dat zou me wat liefs wezen! Neen, neen, ik laat je niet meer uit mijne oogen tot ge getrouwd zijt,—dat beloof ik je!”