← Tom Jones : De lotgevallen van een vondeling

Tom Jones : De lotgevallen van een vondeling (part 2 of 4)

Part 2 of 4 · Henry Fielding · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #75023, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (4)

Continue:

Tom Jones : De lotgevallen van een vondeling (part 2 of 4)

„Ja, ja,” hernam Western; „ze heeft je verraden! O ja! Maar ge hebt u zelve gisteren aan tafel al verklapt! Ge toondet tamelijk duidelijk, dunkt me, wat ge in ’t hoofd hadt! Maar gij, jonge meisjes, weet eigenlijk nooit wat ge zelve wilt. En nu zit ge te greinen, omdat ik je uithuwen wil aan den man waarop ge verliefd zijt! Ik herinner me best dat uwe moeder juist zoo zanikte en maalde; maar dat was alles voorbij in de eerste vierentwintig uren na ons huwelijk. Mijnheer Blifil is een fiksche jongen en zal gaauw genoeg een einde maken aan al die kuren. Kom, helder maar op! Vlug! Ik wacht hem elk oogenblik hier.”

Sophia begreep nu dat hare tante haar geheim niet verraden had, en zij besloot dien treurigen namiddag met de meest mogelijke standvastigheid door te staan en zonder bij haar vader eenige verdenking optewekken.

Mijnheer Blifil kwam dan ook weldra aan, en de heer Western verwijderde zich spoedig en liet het jonge paar alleen.

Hierop volgde een stilzwijgen, dat bijna een kwartier duurde; want de heer die het gesprek beginnen moest, bezat al die betamelijke zedigheid,—welke men soms bedeesdheid noemt. Hij wilde herhaaldelijk beginnen met te spreken; maar de woorden begaven hem telkens als hij ze uitspreken wilde. Eindelijk braken zij los in een stortvloed van vergezochte en hoogdravende complimenten, die door Sophia beantwoord werden met ter neder geslagene blikken, halve buigingen, en hier en daar een beleefd woordje. Blifil, onervaren in den omgang met vrouwen, en zeer met zich zelven ingenomen, beschouwde dit gedrag als eene toestemming in zijne wenschen en toen Sophia,—met het doel om een tooneel aftebreken, dat haar ondragelijk werd,—opstond en de kamer verliet, schreef hij dit alleen toe aan bedeesdheid van haar kant, en troostte zich met de gedachte dat hij weldra genoeg van haar gezelschap zou genieten.

Hij was inderdaad volmaakt tevreden met de vooruitzigten welke hij meende te hebben; want, wat aangaat het geheele en volstrekte bezit van het hart zijner beminde, dat door meer romantische minnaren geëischt wordt, het kwam niet eens bij hem op naar zoo iets te verlangen.

Haar vermogen en hare persoon waren de eenige voorwerpen zijner wenschen, en hiervan rekende hij vast, spoedig in het onbepaalde bezit te zijn, omdat de heer Western zelf zoo zeer op het huwelijk gesteld was, en hij ook wist hoe gehoorzaam Sophia steeds aan haar vader was, en hoe onbeperkt ook deze laatste wilde gehoorzaamd worden. Aldus ondersteund, dacht hij, en tegelijk geholpen door de bekoorlijkheden welke hij vond in zijn eigen persoon en omgang, moest hij slagen bij eene jonge dame, wier hart, naar hij stellig meende, nog geheel vrij was.

Omtrent Jones koesterde hij zeker hoegenaamd geen ijverzucht, en ik heb dikwerf gedacht, dat dit nog al vreemd was. Misschien verbeeldde hij zich, dat de naam welken Jones had in den omtrek,—met hoeveel rede moge de lezer zelf beslissen,—van een der loszinnigste jongens in geheel Engeland te zijn, hem verachtelijk maken moest bij eene dame, wier zedigheid voorbeeldig was. Misschien werd elk vermoeden bij hem in slaap gewiegd door het gedrag van Sophia en van Jones zelven als zij zamen in gezelschap waren. Eindelijk was hij vooral overtuigd, dat een tweede mensch als hij was, volstrekt niet bestond. Hij verbeeldde zich Jones door en door te kennen, en koesterde veel minachting voor zijn verstand, daar hij zoo weinig voor zijn eigenbelang zorgde. Hij vreesde volstrekt niet dat Jones op Sophia verliefd was, en wat eigenbaat betrof, hij wist dat die zeer weinig woog bij zulk een dwaas mensch als Tom. Blifil dacht ook dat de zaak met Molly Seagrim voortgezet werd, en geloofde vast dat het op een huwelijk uitloopen zou; want Jones had wezenlijk, als kind, veel van hem gehouden en had geene geheimen voor hem, tot zijn gedrag, gedurende de ziekte van mijnheer Allworthy, zijn hart geheel van hem vervreemd had, en het was door den twist, bij deze gelegenheid uitgebroken, en die nog niet bijgelegd was, gekomen, dat de heer Blifil niets vernomen had van de veranderde zienswijze van Jones omtrent Molly.

Om al deze redenen, zag Blifil geene bezwaren in zijne vrijaadje met Sophia. Hij hield het er voor, dat zij zich gedragen had zoo als alle jonge dames bij een eerste bezoek van haren aanstaande, en alles was volmaakt met zijne verwachtingen in overeenstemming geweest.

De heer Western droeg zorg den minnaar zoodra hij de dame verliet, op te vangen. Hij vond hem zoo opgewonden over zijn welslagen, zoo verliefd op zijne dochter, en zoo tevreden over de wijze waarop zij hem ontvangen had, dat de oude man begon te springen, te dansen en door vele andere buitensporigheden zijne vreugde aan den dag te leggen; want het was hem onmogelijk op eenigerlei wijze zijne aandoeningen te beheerschen, en diegene, welke bovendreef, bragt hem steeds tot de dolzinnigste uitersten.

Zoodra Blifil, na vele hartelijke kussen en omhelzingen van Western ontvangen te hebben, vertrokken was, ging de goede landjonker zijn dochter zoeken, die hij met de buitensporigste betuigingen zijner verrukking overlaadde, terwijl hij haar verzocht zooveel zij maar verkoos aan opschik en juweelen te besteden, en verklaarde dat hij geen ander gebruik voor zijn geld wist, dan haar daarmede gelukkig te maken. Daarop omhelsde hij haar weder herhaaldelijk, met de meeste liefde, overlaadde haar met liefkozingen en verzekerde haar dat zij zijne eenige vreugde op deze wereld uitmaakte.

Sophia, die haren vader in deze vlaag van liefderijkheid vond, zonder bepaaldelijk de reden er van te beseffen (want dergelijke aanvallen van teederheid waren niets buitengewoons bij hem), hoewel de vlaag ditmaal iets heviger was dan gewoonlijk, dacht dat zij nooit eene betere gelegenheid zou hebben dan de tegenwoordige om haar hart aan hem bloot te leggen,—ten minste wat den heer Blifil betrof,—vooral daar zij zeer goed inzag, dat het weldra noodzakelijk zou zijn daaromtrent tot eene verklaring te komen. Na haren vader dus bedankt te hebben voor al zijne goedheid, voegde zij er met een onbeschrijfelijk aandoenlijken blik bij:

„En is het mogelijk dat mijn vader alleen bedacht is op het geluk zijner Sophia?” en toen Western dit met een zwaren vloek en een kus bekrachtigd had, greep zij zijne hand en voor hem nederknielende, smeekte zij hem, met vele betuigingen van kinderlijke liefde en pligtbesef, „haar niet tot het ongelukkigste schepsel ter wereld te maken, door haar te dwingen een man, dien zij haatte, te trouwen. Ik smeek u dit, vaderlief;” voegde zij er bij, „zoowel om uwent- als om mijnentwil, daar gij de goedheid hebt mij te verzekeren dat uw geluk van het mijne afhangt.”

„Hoe! Wat!” riep Western, met een verwarden blik.

„O vader,” vervolgde zij, „niet slechts het geluk maar, het leven uwer arme Sophia hangt af van uwe toestemming in dit verzoek. Ik kan met mijnheer Blifil niet leven. Het zou mij dooden, als men mij tot dit huwelijk dwong!”

„Gij kunt met mijnheer Blifil niet leven?” riep Western.

„Neen, vader, nooit!” hernam Sophia.

„Nu sterf dan,—en de drommel zal je halen!” bulderde hij, haar van zich afstootende.

„O vader!” riep Sophia, hem bij de rokpanden grijpende, „heb medelijden met mij:—ik smeek u daarom! Zie niet zoo boos!—spreek zulke wreede woorden niet!—Kunt gij ongevoelig blijven als uwe Sophia zich in zulk een rampzaligen toestand bevindt? Zou mijn beste vader mij het hart willen breken? Zou hij mij tot een langzamen, martelenden dood willen doemen?”

„Kom, kom!” zei de landjonker; „dat zijn niets dan meisjeskuren! Allemaal onzin! Jou dooden? Zal het huwelijk jou dooden?”

„O vader,” hernam Sophia, „zulk een huwelijk is erger dan de dood. Hij is me niet eens onverschillig; ik haat en verfoei hem!”

„Al verfoeit ge hem nog zoo erg,” riep Western, „nemen zult ge hem toch!” Dit bekrachtigde hij met een eed te verschrikkelijk, om hier herhaald te worden, en na vele heftige woorden, eindigde hij met te zeggen; „Ik ben tot dit huwelijk besloten, en als ge er niet in toestemmen wilt, zal ik je geen rooden duit geven,—en al zag ik je van honger sterven op straat, zou ik je geen stukje droog brood geven! Dat is nu mijn bepaald besluit en ik laat je alleen om er over na te denken.” Hij rukte zich daarop met zooveel geweld van haar los, dat zij met het aangezigt op den grond viel, waar zij bleef liggen, terwijl hij uit de kamer stoof.

Toen Western in den gang kwam, vond hij er Jones, die zoodra hij zag hoe woest, bleek en bijna ademloos zijn vriend was, niet nalaten kon te vragen wat hem in dien droevigen toestand gebragt had. Hierop maakte Western hem dadelijk bekend met al wat er gebeurd was, eindigende met vele bittere verwijtingen tegen Sophia gerigt en eenige zeer aandoenlijke klagten over de ellende van alle vaders, die het ongeluk hebben met dochters opgescheept te zijn.

Jones, voor wien al de voornemens ten gunste van Blifil tot dus ver geheim gebleven waren, stond in het begin als versteend bij dit verhaal; maar na zich een oogenblik bedacht te hebben, kwam hij er toe, gelijk hij later vertelde, schier uit wanhoop, om den heer Western een voorstel te doen, dat wat onbeschaamdheid betreft, zijn weerga zeker niet heeft. Hij vroeg namelijk verlof om bij Sophia te gaan, ten einde haar over te halen, zich naar den zin van haar vader te voegen.

Al ware nu de landjonker even scherpzinnig geweest als hij werkelijk stomp was, dan had toch zijne drift hem thans kunnen verblinden. Hij bedankte Jones dus voor zijne bereidwilligheid, en zeide:

„Ja, ja, ga maar bij haar; doe je best, en zie wat ge van haar gedaan kunt krijgen!”—waarop hij weder met vele verfoeijelijke vloeken betuigde, dat als zij niet in het huwelijk toestemde, hij haar de deur uitzetten zoude.

HOOFDSTUK VIII.

DE ONTMOETING TUSSCHEN JONES EN SOPHIA.

Jones haastte zich onmiddellijk om Sophia optezoeken, die hij pas van den grond opgestaan vond, waar haar vader haar verlaten had, met de tranen vloeijende uit hare oogen en het bloed van hare lippen. Hij vloog dadelijk naar haar toe en met eene stem, die van angst en aandoening beefde, riep hij uit: „O mijne Sophia, wat beteekent toch dit akelig gezigt?”

Zij zag hem een oogenblik teeder aan en antwoordde: „Mijnheer Jones! In ’s hemels naam, hoe komt gij hier? Verlaat mij dadelijk;—ik smeek u daarom!”

„Leg me zoo’n wreed bevel niet op,” zeide hij; „mijn hart bloedt sterker nog dan uwe lippen! O Sophia, hoe gaarne zoude ik niet al het bloed in mijne aderen uitstorten om slechts één druppel van het uwe te redden!”

„Ik heb u reeds te vele verpligtingen,” hernam zij; „zeker heb ik u al veel te danken!” Hier keek zij hem een oogenblik heel teeder aan, en dan riep zij snikkende uit: „O, mijnheer Jones, waarom hebt gij mij het leven gered? Het zou voor ons beide gelukkiger geweest zijn als ik gestorven ware!”

„Gelukkiger voor ons beide!” riep hij. „Zouden de wreedste martelingen mij zoo kunnen pijnigen als de dood van Sophia? Ik kan die vreesselijke gedachte niet verdragen.—Hoe zou ik zonder u leven?”

Er lag eene onbeschrijfelijke teederheid in zijne stem en zijne blikken terwijl hij dit zeide, en terzelfder tijd zachtjes hare hand vatte, welke zij niet terugtrok;—want, waarlijk, zij wist haast niet meer wat zij deed of toeliet. Eenige oogenblikken van stilzwijgen volgden nu tusschen de twee minnenden, terwijl hij de oogen op haar gevestigd hield en zij de haren nedersloeg;—eindelijk vermeesterde zij zich genoeg om hem nogmaals te verzoeken haar te verlaten; want dat het hun beider ongeluk zou wezen als men hen zamen vond, en zij voegde er bij: „O, mijnheer Jones, gij weet nog niet wat er heden middag gebeurd is!”

„Ik weet alles, mijne Sophia,” hernam hij. „Uw wreede vader heeft mij alles verteld, en hij zelf heeft mij bij u gezonden.”

„Mijn vader heeft u bij mij gezonden!” riep zij. „gij droomt zeker!”

„Gave de hemel dat het slechts een droom ware!” hernam hij. „O Sophia, uw vader zond mij bij u om te pleiten voor mijn gehaten mededinger; om u voor hem gunstig te stemmen!—Ik was gereed om elk middel te baat te nemen om toegang tot u te krijgen.—O spreek tot mij, mijne Sophia! Giet wat balsem in mijn bloedend hart! Waarlijk, nooit heeft een man bemind, of aangebeden, zoo als ik dat doe! Onttrek me dan niet wreedaardig deze lieve, zachte, dierbare hand! Een oogenblik zal me welligt voor eeuwig van u scheiden. Niets minder dan deze gedachte zou mij, geloof ik, ooit den eerbied en het ontzag hebben doen vergeten, waarmede gij mij bezield hebt!”

Zij bleef een oogenblik zwijgen, als verpletterd door hare verwarring, en de oogen zachtjes tot hem opheffende, riep zij: „O, mijnheer Jones! Wat moet ik zeggen?”

„Beloof slechts, dat gij nooit aan Blifil uwe hand zult schenken,” zeide hij.

„Noem dien gehaten naam niet!” antwoordde zij. „Wees overtuigd dat hij nooit iets van mij verkrijgen zal, dat ik hem weigeren kan.”

„En nu,” smeekte hij, „dat gij mij zooveel troost schenkt,—ga iets verder, en voeg er bij, dat ik eens hopen mag!”

„Helaas!” hernam zij. „Waartoe wildet gij me brengen, mijnheer Jones? Welke hoop zou ik u kunnen schenken? Gij kent mijns vaders bedoelingen.”

„Maar ik weet ook,” antwoordde hij, „dat men u niet dwingen kan daaraan toe te geven.”

„En welke,” zeide zij, „moeten niet de gevolgen wezen van mijne verschrikkelijke ongehoorzaamheid? Mijn eigen ongeluk is het minste. Maar ik kan de gedachte niet verdragen van mijn vader ellendig te maken.”

„Hij zelf,” riep Jones, „is de oorzaak van zijn eigen ongeluk, door een gezag over u te eischen, dat de natuur hem niet geschonken heeft. Denk aan al de ellende, die mij dreigt als ik u verliezen moet, en zie dan naar welken kant de schaal van uw medelijden moet overhellen!”

„Er aan denken!” riep zij. „Verbeeldt gij u, dat ik de rampen niet besef, die ik over u zou brengen door in uwe wenschen toe te stemmen? Het is die gedachte, welke mij den moed geeft om u te smeeken mij voor altijd te vermijden en dus zelf de ellende te ontvlugten!”

„Ik vrees geene andere ellende,” hernam hij, „dan het verlies mijner Sophia;—als gij mij van de bitterste smarten bevrijden wilt, herroep dan uw wreed vonnis,—want waarlijk, waarlijk, ik kan nooit van u scheiden,—neen, nooit!”

De beide minnaren stonden nu zwijgende te beven, Sophia buiten staat om Jones hare hand te ontrukken, en hij bijna even zeer buiten staat ze vast te houden; toen het tooneel, dat welligt voor sommigen mijner lezers lang genoeg geduurd heeft, afgewisseld werd door een van zoo verschillenden aard, dat wij de beschrijving er van voor het volgende hoofdstuk bewaren zullen.

HOOFDSTUK IX.

VEEL ONSTUIMIGER VAN AARD DAN HET VORIGE HOOFDSTUK.

Eer wij voortgaan met hetgeen de beide minnenden overkwam, is het welligt noodig te verhalen wat er in den gang voorgevallen was, gedurende hunne teedere bijeenkomst. Spoedig nadat Jones, op bovenvermelde wijze, den heer Western verliet, kwam diens zuster bij hem, en vernam weldra al hetgeen er tusschen Sophia en haar vader omtrent den heer Blifil voorgevallen was.

Deze houding harer nicht beschouwde de goede dame als eene bepaalde schennis van de voorwaarde, waarop zij zich verbonden had Sophia’s liefde tot Jones geheimte houden. Zij achtte zich dus geheel vrij om alles wat zij wist dadelijk aan den landjonker te openbaren, wat zij ook onmiddellijk deed, in de duidelijkste bewoordingen en zonder eenige inleiding of omhaal van woorden.

Het denkbeeld van een huwelijk tusschen Jones en zijne dochter was nooit bij Western opgekomen, zelfs niet in zijne vurigste vlagen van genegenheid tot den jongeling, noch bij eenige andere gelegenheid. Hij beschouwde, inderdaad, gelijkheid van vermogen en stand als even physisch noodzakelijk tot het sluiten van een huwelijk als het verschil van geslacht, of eenig ander vereischte; en vreesde evenmin dat zijne dochter op een man zonder geld verlieven zou, als op eenig dier van een geheel ander geslacht.

Hij was dus verpletterd bij het aanhooren van het verhaal zijner zuster. In het begin was hij buiten staat om eenig antwoord te geven, daar hij bijna ademloos werd door de hevigheid zijner aandoening. Weldra echter herstelde hij, en zoo als gewoonlijk, in dergelijke gevallen, barstte zijne woede, na de eerste stilte, met verdubbelde hevigheid los.

Het eerste gebruik, dat hij van zijn spraakvermogen maakte zoodra hij herstelde van de plotselinge uitwerking der verbazing, was om eene geheele reeks van vloeken en verwenschingen uit te braken. Hierop begaf hij zich met den meesten spoed naar het vertrek waar hij de minnaren hoopte te vinden, zijne wraakzuchtige voornemens mompelende, of liever, uitbulderende met elken stap, dien hij deed.

Even als twee tortels—of houtduiven, of als Strephon en Phyllis,—want die komen er digter bij,—zich naar een aangenaam eenzaam boschje terugtrekken, om den tijd met den heerlijken kout van Amor te slijten,—die bedeesde jongen, die in het openbaar niet spreken kan, en die alleen gezellig is als er slechts twee menschen bijeen zijn,—en dat daar, terwijl alles kalm schijnt, de heesche donder plotseling door de verscheurde wolken breekt, en rollend rammelt langs het zwerk, waarop het verschrikte meisje opvliegt van het weeke mos, of van de groene zodenbank,—terwijl de bleeke doodskleur de rozen der liefde, die hare wangen sierden vervangt;—de vrees haar doet sidderen, en haar minnaar de bevende gestalte naauwelijks meer ondersteunen kan;—

Of, even als twee heeren, die onbekend met den spotvogel der plaats, te zamen te Salisbury, in de eene of andere herberg, bij de flesch zitten, en de Groote Dowdy, die de rol van een waanzinnige even goed speelt als sommige zijner opstokers die van gekken, plotseling met de ketenen rammelt, en in den gang zijn verschrikkelijk dof gesteun doet hooren,—zoodat de verraste vreemdelingen verbleeken, versteend bij het verschrikkelijk geluid en eene schuilplaats zoeken tegen het dreigende gevaar, en als de gesloten vensters het toelieten, het gevaar zouden trotseren van den nek te breken, om de woede die hen dreigt te ontsnappen,—zoo ook beefde de arme Sophia; zoo ook verbleekte zij, toen zij het geraas vernam, door haar vader gemaakt, die met eene verschrikkelijke stem, vloekende en razende en Jones den dood zwerende, naderde. En, om de geheele waarheid te zeggen, ik geloof ook dat die jongeling, de ingevingen der voorzigtigheid volgende, liefst op dat oogenblik eene andere verblijfplaats zou gezocht hebben, indien zijn angst voor Sophia hem de vrijheid gelaten had om aan zich zelven te denken, dan in zoo verre zijn lot met het hare in het naauwste verband was.

Zoodra de landjonker echter de deur opengesmeten had, ontwaarde hij iets, dat dadelijk al zijne woede tegen Jones opschortte,—en dit was het angstwekkende voorkomen van Sophia, die in de armen van haren minnaar in zwijm gevallen was. Zoodra de heer Western dit aandoenlijk gezigt ontdekte, verliet hem al zijne woede; hij brulde zoo hard hij kon om hulp, liep eerst op zijne dochter toe en dan weder naar de deur, om water roepende, en dan weder naar Sophia terug, zonder te bedenken in wiens armen zij lag, en zonder zich zelfs welligt te herinneren dat er zoo iemand als Jones bestond; want de oogenblikkelijke nood waarin zijne dochter verkeerde, was nu het eenige waarvoor hij vatbaar bleef.

Mejufvrouw Western, met een groot aantal bedienden, kwamen nu spoedig aan ter hulpe van Sophia en bragten water, versterkende druppels en alles mede, wat bij die gelegenheid vereischt wordt. Men wendde deze middelen met zoo goed gevolg aan, dat Sophia binnen weinige minuten begon te herstellen, en teekens van leven vertoonde. Hierop werd zij spoedig door mejufvrouw Western en hare eigene kamenier weggebragt,—en de goede dame verwijderde zich niet zonder vooraf haren broeder eenige heilzame waarschuwingen gegeven te hebben omtrent de verschrikkelijke uitwerkselen van zijne drift,—of zoo als zij het noemde,—zijn waanzin.

Misschien begreep de landjonker dezen goeden raad niet, daar die door middel van dubbelzinnige wenken, schouderophalingen en afgebrokene woorden uitgedrukt werd; en als hij hem begreep, maakte hij er in elk geval weinig gebruik van; want zoodra hij verlost was van alle onmiddellijke vrees omtrent zijne dochter, verviel hij tot zijne vorige woede, die zeker dadelijk een gevecht met Jones ten gevolge zou gehad hebben, als dominé Supple, die zeer sterk was, niet tegenwoordig geweest ware, en met geweld den landjonker belet had om gewelddadigheden te plegen.

Zoodra Sophia zich verwijderd had, naderde Jones den heer Western in eene smeekende houding, en bad hem te bedaren, daar het onmogelijk was, zoo lang hij zoo driftig bleef, hem eenige voldoende verklaring te geven van hetgeen gebeurd was.

„Voldoende verklaring!” hernam de andere; „ik zal voldoening van jou hebben! Trek je rok maar uit! Ge zijt maar half een mensch, en ik zal jou een pak slagen geven, zoo als je jou leven nog niet gehad hebt.”

Hij overlaadde nu den jongeling met een stortvloed van die taal, welke gebruikelijk is onder landjonkers die met elkaar twisten, met herhaalde uitnoodigingen er bij, om dat gedeelte van zijn ligchaam te kussen, dat gewoonlijk zoo dikwerf vermeld wordt bij alle twisten onder Engelschen van minderen rang, bij gelegenheid van wedrennen, hanengevechten en andere publieke vermakelijkheden. Toespelingen op dit ligchaamsgedeelte worden dikwijls ook alleen uit „aardigheid” gedaan. En hier, geloof ik, dat men de geestigheid gewoonlijk verkeerd opvat. En werkelijk, bestaat ze daarin, dat men een ander uitnoodigt zijn —— te kussen,—na pas gedreigd te hebben hem zelf op die plaats een schop te geven: want ik heb zeer naauwkeurig waargenomen, dat niemand een ander ooit verzoekt hem onder het zijne een trap te geven,—of aanbiedt om dit ligchaamsgedeelte van een ander te kussen.

’t Zal ook, welligt, verwonderlijk schijnen, dat bij de vele uitnoodigingen van dien aard, welke alle die met landjonkers veel omgaan, zeker gehoord hebben, niemand, naar ik geloof, ooit één voorbeeld gezien heeft van de toestemming in het gedane verzoek. En dit is een groot blijk van onbeleefdheid: want in de stad is er niets gewoners, dan dat men de groote heeren deze plegtigheid ziet waarnemen ten opzigte hunner meerderen, zonder dat men hen eens om die gunst verzocht heeft.

Op al deze geestige uitvallen gaf Jones zeer kalm tot antwoord:

„’t Is mogelijk, mijnheer, dat deze behandeling van uwe zijde tegen alle verpligtingen opweegt, welke ik vroeger aan u had; maar er is er eene, die gij me niet kunt doen vergeten, en al uwe scheldwoorden zullen me niet overhalen om de hand op te heffen tegen den vader van Sophia.”

Bij deze woorden werd de landjonker nog driftiger dan te voren; zoodat de dominé Jones smeekte zich te verwijderen.

„Gelijk gij ziet, mijnheer,” zeide hij; „hij geraakt hoe langer zoo meer in toorn in uw bijzijn. Ik smeek u dus nu niet te toeven. Zijne woede is te hevig dan dat gij nu met hem zoudt kunnen redeneren. ’t Zou dus beter zijn, als gij nu een einde aan uw bezoek wildet maken, en op eene andere gelegenheid wachten, om hetgeen gij nog te zeggen hebt in het midden te brengen.”

Jones nam dezen raad dankbaar aan en verwijderde zich onmiddellijk. De landjonker herkreeg nu zijne persoonlijke vrijheid en zooveel zelfbeheersching, dat hij eenige voldoening liet blijken over den dwang, welken men hem opgelegd had, daar hij verklaarde, dat hij, zonder twijfel, Jones de hersenen ingeslagen zou hebben en er bij voegde: „’t Zou toch spijtig zijn om den wille van zulk een wezen aan de galg te komen.”

De predikant begon nu vreugde te scheppen in zijne pogingen om den vrede te bewaren en ving eene lange redevoering aan tegen den toorn, die welligt bij driftige menschen dien hartstogt eerder opgewekt dan gebluscht zou hebben. Hij versierde zijne verhandeling met vele kostelijke aanhalingen uit de oude schrijvers,—vooral uit Seneca, die inderdaad dit onderwerp zoo goed behandeld heeft, dat niemand dan een zeer driftig mensch het zonder veel nut en genoegen lezen kan. De godgeleerde eindigde deze toespraak met het bekende verhaal van Alexander den Groote en Clitus,—daar ik het echter vermeld vind onder het hoofd van „Dronkenschap”—in mijne aanteekeningen, zal ik het hier niet inlasschen.

De landjonker luisterde niet naar dit verhaal,—en welligt naar niets van hetgeen de andere zeide; want hij viel hem in de rede, eer hij er mede ten einde gekomen was, door om een kan bier te roepen,—met de opmerking (die welligt niet minder waar is dan eenige andere omtrent deze aandoening van den geest), „dat de toorn ’n mensch dorstig maakt.”

Zoodra de heer Western eene fiksche teug gedronken had, hervatte hij het gesprek over Jones, en verklaarde dat hij voornemens was den volgenden morgen vroeg bij Allworthy te gaan, om hem alles mede te deelen. Zijn vriend wilde het hem afraden; maar zijne pogingen daartoe dienden tot niets, dan om een stortvloed van vloeken en verwenschingen uit te lokken, die allerakeligst luidden in de ooren van den vromen Supple, zonder dat hij het evenwel waagde te ijveren tegen iets, dat de landjonker als het onbetwistbaar regt van een vrijgeboren Engelschman beschouwde. Om de waarheid te zeggen, de dominé onderwierp er zich aan om zijn gehemelte tusschenbeide te streelen aan Westerns tafel, op kosten van zijne ooren. Hij stelde zich dus tevreden met de gedachte dat hij deze verachtelijke gewoonte niet bevorderde, en dat zijn gastheer er geen vloek minder om zou doen hooren, al kwam de dominé nooit over zijn drempel. Ofschoon hij zich dus niet aan de onbeleefdheid schuldig maakte van een fatsoenlijk man in zijn eigen huis te berispen, zette hij het hem toch zijdelings betaald van den kansel,—wat, hoewel het den landjonker zelven niet beterde, in zoover zijn geweten wakker maakte, dat hij de wetten zeer streng tegenover alle andere menschen handhaafde zoodat, de magistraat zelf de eenige persoon was in de gemeente die ongestraft vloeken kon.

HOOFDSTUK X.

DE HEER WESTERN BEZOEKT DEN HEER ALLWORTHY.

De heer Allworthy was pas van het ontbijt opgestaan met zijn neef, zeer tevreden met het berigt van het eerste voorspoedige bezoek van dien jongen heer bij Sophia (want hij verlangde vurig naar het huwelijk, meer om den wille van het karakter dan om de rijkdommen van de jonge dame), toen de heer Western hen overviel en zonder pligtpleging als volgt begon:

„Wel! Gij hebt een schoon stuk werk gedaan! Waarachtig! Gij hebt uw bastaard mooi groot gebragt!—Niet, dat ik zeggen wil, dat gij het met opzet gedaan hebt, om zoo te zeggen,—maar daar is wat moois van gegroeid bij mij aan huis!”

„Wat ter wereld is er te doen, mijnheer Western?” vroeg Allworthy.

„O, er is genoeg te doen, dat weet de hemel! Mijne dochter heeft het zich in de hersenen gezet op uw bastaard verliefd te worden;—dat is er te doen;—maar ik geef haar geen duit mede,—neen, niet eens een halve duit! Ik heb altijd het mijne gedacht over dien onzin van een bastaard als een fatsoenlijk man op te voeden en hem bij de menschen aan huis te brengen! ’t Is maar een geluk voor hem dat ik hem niet aan ’t lijf kon komen; ik zou hem afgerost hebben; ik zou een einde aan zijn vrijen gemaakt hebben;—ik zou dien gemeenen vent geleerd hebben de oogen op te heffen naar menschen die zijne meerderen zijn! Hij zal nooit een bete broods van mij krijgen! En ook geen duit om er een te koopen. Als zij met hem mede wil gaan, laat haar maar in haar hemd gaan,—tot eenig uitzet! Ik zou liever mijn geld aan het gouvernement geven, om het naar Hannover te zenden,—waar zij ons volk daarmede omkoopen!”

„Het doet me van harte leed,—” hernam Allworthy.

„De drommel hale jou leed! Dat zal mij wat helpen nu dat ik mijn eenig kind verloren heb, mijne arme Sophia, die de vreugde van mijn leven was, de hoop en de troost van mijn ouden dag:—maar dat doet er niet toe;—ik heb vast besloten haar de deur uit te zetten; zij mag bedelen en verhongeren en op straat verrotten! geen duit, zeg ik, geen duit zal zij van mij krijgen! Die schelm wist altijd een haas in het leger op te sporen,—die hond! Ik begreep toen niet op wat wild hij jagt maakte;—maar het zal de slechtste jagt zijn, waarop hij van zijn leven uit is geweest! Hij zal niet meer dan het aas krijgen met het vel er over heen,—daar! En dat kunt ge hem gerust zeggen!”

„Ik sta verstomd over hetgeen ge me vertelt,” riep Allworthy, „na hetgeen er pas gisteren tusschen de jonge dame en mijn neef voorgevallen is.”

„Ja, mijnheer!” hernam Western; „het was na hetgeen tusschen uw neef en haar voorgevallen was, dat de zaak aan ’t licht kwam. Mijnheer Blifil daar, was pas de deur uit, toen die gemeene schelm in huis kwam rondsnuffelen. Ik dacht weinig toen ik als jager hart voor hem kreeg, dat hij bij mij kwam stroopen naar mijne dochter!”

„’t Is waar;” zei Allworthy, „het spijt mij dat gij hem zoo dikwerf de gelegenheid bij haar gegeven hebt, en gij zult mij het regt doen te bekennen, dat ik er altijd tegen was,—ofschoon ik erken niets van dien aard vermoed te hebben!”

„Wat drommel!” riep Western, „wie is er die zoo iets had kunnen vermoeden? Wat ter wereld had zij met hem te maken? Hij kwam niet aan huis om haar het hof te maken; hij kwam er om met mij te jagen.”

„Maar, is het mogelijk,” vroeg Allworthy „dat gij, die hen zoo dikwerf bij elkaar gezien hebt, nooit iets van hunne verliefdheid opgemerkt hebt?”

„Nooit van mijn leven, zoo waar ik hoop zalig te worden!” riep Western. „Ik heb niet eens gezien dat hij haar ooit één kus gegeven heeft, en verre van haar het hof te maken, plagt hij slechts iets stiller te wezen als zij er bij was dan anders; en wat het meisje betreft, zij was altijd iets minder voorkomend jegens hem dan jegens ieder anderen jongen die aan huis komt. Wat dat aangaat, ik laat me niet ligter foppen dan een ander, en dat behoeft ge u niet te verbeelden, buurman!”

Allworthy kon bij dit alles zijn lagchen naauwelijks bedwingen; maar deed zijn best het niet te toonen, want hij kende de menschen heel goed en was te wel opgevoed en te goedaardig om den landjonker nu te willen grieven. Hij vroeg hem dan, wat hij wenschte dat hij in deze omstandigheden zou doen? waarop de andere hernam:

„Dat hij verlangde, dat hij dien schelm belette bij hem aan huis te komen, en dat hij zelf zijne dochter opsluiten zoude; want, of zij wilde of niet, hij had zich vast voorgenomen haar met den heer Blifil te doen trouwen.”

Daarop drukte hij Blifil de hand, en betuigde, met een eed, dat hij alleen zijn schoonzoon zou worden. Kort daarna vertrok hij, verklarende dat de boel bij hem aan huis zoodanig in de war was, dat het noodzakelijk was voor hem spoedig aanwezig te zijn, ten einde te beletten, dat zijne dochter de deur uitliep,—en wat Jones betrof, hij zwoer, dat als hij hem ooit in zijn huis vond, hij zich niet ontzien zou hem zoodanig toe te takelen, dat hij verder voor alle verliefdheid ongeschikt zou zijn.

Toen Allworthy en Blifil alleen bleven, volgde er eene lange stilte, alleen afgebroken door de zuchten van den jongen heer, welke gedeeltelijk uit teleurstelling, maar nog meer uit haat voortkwamen; want de voorspoed van Jones was pijnlijker voor hem dan het verlies van Sophia.

Eindelijk vroeg hem zijn oom, wat hij voornemens was te doen, en hij antwoordde als volgt:

„Helaas, oom, kan men er aan twijfelen wat een minnaar doen zal als de rede en de liefde verschillende wegen aanwijzen? Ik vrees dat het maar al te zeker is, dat hij in dien nood, altijd aan de stem van deze laatste gehoor zal geven. De rede gebiedt mij alle gedachte op te geven aan een meisje, dat hare neiging op iemand anders gevestigd heeft;—mijne liefde doet mij hopen, dat zij, met ter tijd, ten mijnen gunste veranderen zal. Hiertegen, weet ik dat men één bezwaar zou kunnen opperen, dat, als ik het niet dadelijk overwinnen kon, mij van alle verdere aanzoek afschrikken moest. Ik bedoel de onregtvaardigheid van de poging om iemand anders te verdringen in een hart, dat hij reeds schijnt te bezitten; maar het bepaalde besluit van den heer Western bewijst, dat ik, in dit geval, door zoo te handelen, het geluk zal bevorderen van allen die in deze zaak betrokken zijn,—niet slechts van den vader, die uit de diepste ellende gered zal worden, maar ook van de beide anderen, die door een dergelijk huwelijk te gronde gaan zouden. De jonge dame zou zeker in alle opzigten diep ongelukkig zijn, want behalve het verlies van het grootste gedeelte van haar eigen vermogen, zou zij niet slechts getrouwd zijn met een bedelaar, maar zij zou het ook moeten aanzien, dat hij het weinige geld, dat haar vader haar niet onthouden kan, verspilde aan het meisje waarmede hij steeds nog omgaat.—Ja,—dat zou slechts eene kleinigheid zijn;—maar ik ken hem als een der slechtste menschen ter wereld;—en had mijn goede oom slechts dat geweten, wat ik zoo lang getracht heb te verbergen, dan zou hij al lang den losbandigen ellendeling verzaakt hebben.”

„Hoe!” riep Allworthy; „heeft hij nog slechtere dingen gedaan dan die mij bekend zijn? Deel me alles mede,—dat verlang ik!”

„Neen,” hernam Blifil; „het is nu alles voorbij en misschien zal hij er berouw over gevoeld hebben,”

„Het is uw pligt, en ik beveel u,” zei Allworthy, „om mij alles mede te deelen.”

„Ge weet wel, oom, hernam Blifil, dat ik u steeds gehoorzaamd heb; maar het spijt me dat ik er nu van sprak, daar men dit ligt aan wraakzucht zou kunnen toeschrijven, die, God dank, nooit bij mij opgekomen is,—en als ge me nu dwingt alles te ontdekken, moet ik ook smeeken dat ge hem alles vergeven zult.”

„Ik wil van geene voorwaarden hooren,” hernam Allworthy. „Ik geloof dat ik hem liefde genoeg bewezen heb,—en meer misschien, dan gij zult goed gevonden hebben.”

„Of liever meer dan hij verdiende,” riep Blifil; „want op den dag zelven toen gij in het grootste gevaar verkeerdet, terwijl ik en de heele familie onze tranen niet bedwingen konden, vulde hij het huis met luidruchtigheid en losbandigheid. Hij dronk en zong en brulde het uit, en toen ik hem een zachten wenk gaf omtrent het ongepaste zijner handelwijze, geraakte hij in drift, braakte eene reeks van vloeken uit, noemde mij een schurk en sloeg mij.”

„Hoe!” riep Allworthy, „heeft hij het gewaagd de hand aan u te slaan?”

„O”, zeide Blifil, „dat heb ik hem vergeven,—al lang geleden,—zeker! Ik wilde maar dat ik hem even gemakkelijk zijne ondankbaarheid kon vergeven jegens zijn grootsten weldoener,—en toch hoop ik, dat gij het hem zult vergeven, daar hij zeker door een boozen geest bezield was; want juist dien avond, terwijl de heer Thwackum met mij een mondvol versche lucht schepte in de velden, en wij ons verheugden over de eerste teekenen van beterschap, die zich toen bij u vertoonden, zagen wij hem met een meisje bezig op eene wijze, die ik niet beschrijven kan. De heer Thwackum, met meer stoutheid dan voorzigtigheid, naderde, om hem dat te verwijten, toen (het spijt me zoo iets te moeten zeggen), hij den waardigen man aanviel en hem zoo schandelijk mishandelde, dat het me niet verwonderen zou als hij nog de gevolgen daarvan ondervond. Ik bleef ook weder niet verschoond van zijne kwaadaardigheid toen ik mijn best deed om mijn leermeester te beschermen;—maar dit heb ik hem al lang vergeven. Ja, ik heb zelfs mijnheer Thwackum overgehaald hem te vergeven, en u iets te verzwijgen dat misschien noodlottige gevolgen voor Jones zou kunnen hebben. En nu, oom, daar ik zoo onvoorzigtig, mij iets van deze zaak liet ontvallen en uwe bevelen mij noodzaakten om u alles mede te deelen, laat mij ook bij u voor hem pleiten.”

„Wel, kind!” riep Allworthy, „ik weet niet of ik uwe goedheid roemen of afkeuren moet, dat gij me zoo iets één oogenblik verzwegen hebt;—maar waar is mijnheer Thwackum? Niet dat ik eene bevestiging eisch van hetgeen gij me verteld hebt; maar ik zal deze zaak zoo grondig onderzoeken, dat iedereen mij geregtvaardigd zal achten als ik zulk een monster tot een voorbeeld voor anderen straffe!”

Thwackum werd nu gehaald en verscheen spoedig. Hij bevestigde al wat de andere medegedeeld had;—ja, hij liet zelfs op zijne borst het handschrift van den heer Jones zien, dat nog zeer leesbaar, blond en blaauw te zien was. Hij eindigde met te zeggen dat hij al lang geleden den heer Allworthy met alles bekendgemaakt zou hebben, indien Blifil hem niet door zijn ernstig smeeken daarvan afgehouden had.

„Dat is,” zeide hij, „een uitstekende jongen; hoewel het iets overdrevens is de vergiffenis van onze vijanden zoo ver uit te strekken.”

Inderdaad, had zich Blifil eenige moeite getroost om den geestelijke over te halen voor het oogenblik de zaak te verzwijgen;—en daartoe had hij vele redenen. Hij wist dat het veelal gebeurt dat de menschelijke geest verzwakt en ontzenuwd wordt door ziekte. Bovendien begreep hij, dat als men het verhaal deed zoo spoedig na de gebeurtenis zelve, en terwijl de geneesheer nog aan huis kwam, die de geheele waarheid zou kunnen ontdekken, hij nooit in staat zou zijn die kwaadaardige wending er aan te geven welke, in zijne bedoeling lag. Hij besloot dus dit geval zorgvuldig te bewaren tot de onvoorzigtigheid van Jones aanleiding zou geven tot nieuwe klagten; omdat hij zich verbeeldde dat de vereeniging van vele misdaden bij elkaar hem waarschijnlijk geheel zoude verpletteren, en hij zag uit naar eene gelegenheid, zoo als die, welke het geluk hem nu zoo vriendelijk aanbood. Eindelijk, door Thwackum over te halen de zaak een tijdlang te verzwijgen, wist hij dat hij ten zeerste bij den heer Allworthy de overtuiging zou bevestigen,—welke hij zoo lang gestreefd had bij hem op te wekken,—namelijk dat hij een opregte vriend van Jones was.

HOOFDSTUK XI.

EEN KORT HOOFDSTUK, DAT ECHTER STOF GENOEG BEVAT OM DEN GOEDAARDIGEN LEZER TE TREFFEN.

Het was de gewoonte van den heer Allworthy nooit iemand te straffen, of zelfs om nooit een dienstbode in drift weg te jagen. Hij besloot dus eerst dien namiddag zijn vonnis over Jones te vellen.

De arme jongen verscheen aan tafel naar gewoonte; maar zijn hart was te bezwaard om hem eenigen eetlust te laten. Zijn leed werd ook zeer vermeerderd door de onvriendelijke blikken van den heer Allworthy, waaruit hij opmaakte dat Western hem alles wat er met Sophia voorgevallen was, ontdekt had. Wat het verhaal van Blifil betreft, daaromtrent koesterde hij geen de minste verdenking; want, wat de hoofdzaak aangaat, daaraan was hij geheel onschuldig, en voor het overige, daar hij het zelf vergeven en vergeten had, veronderstelde hij volstrekt niet dat iemand anders er meer aan dacht. Toen het eten gedaan was en de dienstboden de kamer verlaten hadden, begon de heer Allworthy zijne aanspraak. In eene lange redevoering, schilderde hij de vele misdaden waaraan Jones zich schuldig had gemaakt, en vooral die welke pas aan het licht gekomen waren, en eindigde met hem te zeggen: „dat, tenzij hij zijne onschuld bewijzen kon, hij besloten had hem voor altijd uit zijn gezigt te bannen.”

Jones kon zich niet anders dan op de meest onvoordeelige wijze verdedigen; want, inderdaad, hij begreep de beschuldiging ter naauwer nood, daar de heer Allworthy, van zijne dronkenschap, enz. sprekende, terwijl hij zelf ziek te bed lag, uit nederigheid alles verzweeg, wat juist hem zelven betrof, en wat wezenlijk de hoofdmisdaad uitmaakte,—en Jones kon dus die beschuldiging niet loochenen. Bovendien, was hem het hart reeds bijna gebroken en zijn moed begaf hem dermate, dat hij niets te zijner gunste kon zeggen, maar zich aan alles schuldig bekende en als een wanhopige misdadiger alleen barmhartigheid inriep, eindigende met de woorden: „dat hoewel hij bekennen moest zich aan vele dwaasheden en ligtzinnigheid schuldig te hebben gemaakt, hij toch hoopte niets misdreven te hebben, dat hem de zwaarste straf die hem treffen kon, had doen verdienen.”

Allworthy hernam, „dat hij hem reeds te dikwerf vergeven had, uit medelijden met zijne jeugd, en in de hoop dat hij zich beteren zoude; dat hij echter nu ondervond dat hij een verstokte zondaar was, en dat het misdadig zou zijn zoo iemand verder te helpen en aantemoedigen. Ja,” zei de heer Allworthy, „uwe onbeschaamde poging om de jonge dame voor u te winnen, eischt, tot mijne eigene regtvaardiging, dat ik u straf. De menschen, die reeds luide de liefde berispt hebben, welke ik u betoond heb, zouden met eenigen schijn van regt, zich kunnen verbeelden, dat ik deel had aan die lage en wreede handeling. Eene handeling voor welke u mijn afschuw moest bekend zijn, en welke, zoo gij eenigen prijs steldet op mijne rust en mijn geluk, of op mijne vriendschap, het u nooit in het hoofd zou zijn gekomen te ondernemen. Schaam u, jongen! Wezenlijk, ik ken naauwelijks eene straf geëvenredigd aan uwe misdaden;—en ik kan het ter naauwernood over mij zelven verkrijgen om u dat te geven, wat ik hier voor u heb. Evenwel, daar ik u als mijn eigen kind opgevoed heb, wil ik u niet van alles ontbloot de wereld inzenden. Als gij dit papier opent, zult gij er genoeg in vinden om u in staat te stellen door werkzaamheid eene eerlijke kostwinning te vinden; maar als gij het tot een slecht doeleinde gebruikt, zal ik me niet verpligt achten u van iets meer te voorzien, daar ik besloten heb, van heden af, om geenerlei reden, iets meer met u te doen te hebben. Ik kan echter niet nalaten nog hierbij te voegen, dat er in al uwe handelingen niets is, dat mij meer verstoort dan uw gedrag jegens dezen braven jongen” (hij bedoelde Blifil), „die zich zoo liefderijk en eerlijk jegens u gedragen heeft.”

Deze laatste woorden waren zoo bitter, dat ze moeijelijk te verdragen waren. Jones stortte nu een vloed van tranen, terwijl het vermogen van te spreken en te handelen hem tegelijk schenen te begeven. Het duurde dan ook nog een tijdlang eer hij in staat was aan Allworthy’s stellige bevelen te kunnen gehoorzamen en weg te gaan, wat hij echter eindelijk deed na hem de hand gekust te hebben met eene hartstogtelijkheid, die even moeijelijk zou zijn te veinzen als te beschrijven.

De lezer moet zeer zwak zijn als hij,—het daglicht in aanmerking nemende, waarin Jones zich toen aan den heer Allworthy vertoonde,—het strenge vonnis afkeurt. En toch veroordeelde de heele buurt, hetzij uit zwakheid, hetzij om een minder goede reden, deze regtvaardigheid en strengheid, als in den hoogsten graad wreedaardig. Ja, zelfs de menschen, die den waardigen man vroeger berispt hadden wegens de goedheid en liefde door hem aan een bastaard bewezen (die vrij algemeen voor den zijne doorging), berispten het nu in hem, dat hij zijn kind de deur uitzette. De vrouwen vooral trokken eenparig partij voor Jones, en bedachten meer sprookjes bij deze gelegenheid, dan ik hier plaats heb te vermelden.

Eén ding echter moet ik niet vergeten; namelijk, dat te midden harer verontwaardiging, geene harer ooit de som vermeldde, welke bevat was in het papier dat Allworthy aan Jones overhandigde, en die niet minder dan vijfhonderd pond bedroeg:—maar allen waren het eens, dat hij zonder een duit op zak,—en sommigen voegden er zelfs bij, zonder een hemd aan het lijf, door zijn onmenschelijken vader de deur uitgezet was.

HOOFDSTUK XII.

BEVATTENDE MINNEBRIEVEN ENZ.

Jones ontving het bevel om dadelijk het huis te verlaten, terwijl hem gezegd werd dat zijne kleederen en al wat hem toebehoorde, waarheen hij ook verkoos, hem nagezonden zou worden.

Hij vertrok dus, en wandelde ongeveer een mijl, zonder te denken, of inderdaad, zonder er zich om te bekommeren, waarheen hij zijne schreden rigtte. Eindelijk, toen een beekje hem belette verder te gaan, wierp hij zich aan den oever neder en kon niet nalaten met eenige verontwaardiging te zuchten: „Mijn vader zou mij zeker wel deze rustplaats gunnen!”

Hier verviel hij spoedig tot de grootste ellende, rukte zich het haar uit het hoofd, met allerlei andere gebaren, waarmede vlagen van waanzin woede, en wanhoop gewoonlijk gepaard gaan.

Nadat hij op deze wijze zijne eerste drift bekoeld had, begon hij eenigzins te bedaren. Zijn leed nam nu eene andere rigting en uitte zich op eene zachtere wijze, tot hij eindelijk koelbloedig genoeg werd om zijne rede te gebruiken en te overleggen welke maatregelen hij in zijn treurigen toestand nemen moest.

Zijn grootste twijfel was omtrent hetgeen hij ten opzigte van Sophia doen moest. De gedachte van haar te moeten verlaten, brak hem bijna het hart; maar het denkbeeld om haar tot ongeluk en armoede te brengen, pijnigde hem, zoo mogelijk, nog meer en zelfs, al had zijne hevige liefde tot haar hem slechts voor één oogenblik met zulk een gedachte kunnen bezielen, wist hij volstrekt niet of zij geneigd zou zijn hem met zoo veel opoffering van haar kant gelukkig te maken. De toorn, welken hij bij den heer Allworthy opwekken en de ongerustheid welke hij hem geven zou, pleitten ook hiertegen,—en eindelijk de blijkbare onmogelijkheid om wel te slagen, zelfs als hij al deze bedenkingen in den wind sloeg, versterkte hem op het goede pad, zoodat eindelijk het eergevoel, bijgestaan door de wanhoop, door de dankbaarheid jegens zijn weldoener en door opregte liefde tot zijne beminde, zijn hartstogt overmeesterde en hem deed besluiten eerder Sophia te verlaten dan haar tot haar ongeluk te vervolgen.

Het is moeijelijk voor iemand, die het niet ondervonden heeft, den zegevierenden gloed zich voortestellen, die in zijn hart ontbrandde bij het eerste ontwaren van deze overwinning over zijne driften.

De hoogmoed streelde hem zoo aangenaam, dat hij zich misschien volkomen gelukkig gevoelde; maar dit duurde slechts kort; Sophia trad hem spoedig weder voor den geest, en verbitterde de vreugde zijner overwinning met geene mindere pijnigingen dan een goedhartige veldheer gevoelen moet als hij op het slagveld de verminkte lijken ziet, ten koste van wier bloed hij zijne lauweren geplukt heeft;—want ook nu, vóór onzen overwinnaar, lagen er duizende heerlijke beelden vernield.

Daar hij echter besloten had het pad der Eer, die reuzin, zoo als zij genoemd wordt door dien reusachtigen dichter Lee, te volgen, nam hij zich voor een afscheidsbrief aan Sophia te schrijven, en begaf zich dus naar een huis in de buurt, waar hij zich papier en inkt liet geven en als volgt, schreef:

„Mejufvrouw,

Als gij u den toestand voorstelt waarin ik u schrijf, dan ben ik overtuigd dat uwe goedheid eenige ongerijmdheid of schijnbare tegenspraak in mijn brief zal weten te vergeven: want alles wat ik u te zeggen heb, vloeit uit een hart, dat zoodanig overstelpt is, dat geene woorden zijne gewaarwordingen vermogen af te schilderen.

„Ik heb besloten uwe bevelen na te komen, om voor altijd uw dierbaar, verrukkelijk bijzijn te mijden. Wreed zijn wèl die bevelen; maar het noodlot eischt die wreedheid;—zij komt niet van mijne Sophia. Ja, het noodlot heeft het noodzakelijk gemaakt, noodzakelijk voor uw geluk, dat gij vergeet dat er ooit een ongelukkige bestaan heeft, die mijn naam voert.

„Geloof me, als ik u verzeker, dat ik van mijne eigene ellende niet spreken zou, als ik me verbeelden kon, dat gij ze niet vernemen zoudt. Ik ken de goedheid en de gevoeligheid van uw hart en zoude u gaarne die smart besparen, welke de rampen van anderen altijd bij u doen ontstaan. O, laat niets wat gij omtrent mijn wreed lot verneemt, u één oogenblik kwellen; want nu dat ik u verloren heb, bestaat er niets meer voor mij dat eenige waarde heeft.

„O Sophia, het is hard u te moeten verlaten; het is nog harder u te moeten smeeken mij te vergeten; maar mijne opregte liefde noodzaakt mij tot beide.

„Vergeef het me als ik me voorstel dat de herinnering aan mij u één oogenblik zou kunnen verontrusten; maar als ik op die eervolle wijze ongelukkig ben, offer mij in alle opzigten op aan uw eigen heil! Geloof dat ik u nooit beminde; of denk liever, hoe weinig ik u waardig was; en leer me verachten voor eene vermetelheid, die nooit te streng gestraft kan worden.—Ik ben buiten staat om meer te zeggen;—mogen Gods goede engelen u altijd beschermen!”

Hij doorzocht nu zijne zakken, in de hoop om er een stukje lak te vinden, maar zonder te slagen, en eigenlijk gezegd, vond hij er niets in; want hij had, in zijne eerste drift, alles van zich gesmeten, en onder anderen ook het zakboekje dat hij van den heer Allworthy ontvangen had, hetwelk hij nog niet geopend had, en dat hem nu voor het eerst inviel.

Hij kreeg nu in het huis, waar hij zich bevond, een ouwel, en den brief digtgemaakt hebbende, keerde hij haastig naar den oever van de beek terug, om te zoeken naar al hetgeen hij daar verloren had. Onderweg ontmoette hij zijn ouden vriend den Zwarten George, die zeer hartelijk deel nam in zijn ongeluk, dat hem, zoowel als de geheele buurt reeds bekend was.

Jones maakte den jager met zijn verlies bekend en deze vergezelde hem gaarne naar de beek, waar zij elk plekje gras onderzochten, zoowel daar waar Jones niet geweest was, als daar waar hij zich bevonden had;—maar te vergeefs; zij vonden niets;—want zij verzuimden de eenige plaats te onderzoeken waar alles zich bevond, namelijk, de zakken van genoemden Zwarten George, die alles pas van te voren gevonden had en daar hij gelukkig de waarde er van kende, het zeer zorgvuldig voor zijn eigen gebruik bewaard had.

Nadat de jager evenveel ijver aan den dag gelegd had in het zoeken naar het verlorene, als of hij wezenlijk gehoopt had het te vinden, verzocht hij den heer Jones wèl te bedenken of hij nergens anders geweest was; „want, voorwaar,” zeide hij, „als gij uw boeltje pas hier verloren hadt, moest alles nog hier wezen, want het is niet waarschijnlijk dat iemand hier voorbij zou komen.”

Het was ook, werkelijk, zeer toevallig dat hij zelf op die plek gekomen was, om strikken te leggen voor hazen, waarmede hij den volgenden morgen een poelier te Bath voorzien moest.

Jones gaf nu de hoop op om het verlorene weer te vinden en ook bijna alle gedachten er aan, en zich tot den Zwarten George wendende, vroeg hij hem ernstig, of hij hem eene zeer groote dienst wilde bewijzen?

George hernam aarzelend: „gij weet wel, mijnheer, dat gij over me beschikken kunt en over alles wat ik maar kan, en ik wenschte hartelijk, dat het in mijne magt stond u eene dienst te bewijzen.”

Werkelijk echter deed hem die vraag schrikken; want hij had, door het verkoopen van wild, reeds een aardig sommetje in zijne dienst bij den heer Western bijeen gebragt, en hij vreesde dat Jones hem eene kleinigheid te leen wilde vragen;—hij werd echter spoedig van zijn angst bevrijd door het verzoek om den brief aan Sophia te bezorgen,—wat hij met groot genoegen op zich nam. En, wezenlijk, ik geloof dat er weinige diensten waren welke hij niet gaarne aan den heer Jones zou bewezen hebben; want hij was hem zeer dankbaar, en even eerlijk als de meeste menschen, die boven alles ter wereld, het geld beminnen.

George was dan ook naauwelijks bij zijn meester in huis gekomen, of hij ontmoette juffer Honour, en na haar gepolst te hebben met een paar vragen, gaf hij haar den brief voor de jonge dame over, terwijl hij te gelijker tijd een anderen van haar ontving voor den heer Jones, welken Honour hem zeide den heelen dag bij zich rondgedragen te hebben, bijna wanhopende om de gelegenheid te vinden om hem te bezorgen.

De jager keerde in haast en verheugd bij Jones terug, die zich verwijderde zoodra hij Sophia’s brief ontvangen had en zich haastende dien open te breken, het volgende las:

„Mijnheer,

Het is me onmogelijk u te beschrijven wat ik gevoeld heb sedert ik u zag. Dat gij u om mijnentwil aan zulke wreedaardige beleedigingen van mijn vader hebt willen onderwerpen, legt mij eene verpligting op, die ik steeds erkennen zal. Daar gij zijne drift kent, smeek ik u hem, om mijnentwil, te vermijden. Ik wenschte dat ik u eenigen troost kon bieden;—maar geloof me, dat niets dan de uiterste mate van geweld mij ooit dwingen zal mijn hart of hand te schenken aan iemand, in wiens bezit ge ze ongaarne zoudt zien.”

Jones herlas dit briefje wel honderd maal, en kuste het evenveel. Zijn hartstogt wekte nu weder alle teedere gevoelens in zijn hart op. Hij had berouw, dat hij aan Sophia geschreven had op de wijze zoo als we hier boven gezien hebben, maar het speet hem nog meer dat hij gebruik had gemaakt van den tusschentijd, dat zijn bode afwezig was, om aan den heer Allworthy te schrijven en te verklaren dat hij plegtig beloofde en zich verbond, om van zijne liefde verder af te zien. Evenwel, bij rijper nadenken, begreep hij best, dat het geval noch veranderd noch verbeterd was voor hem door Sophia’s briefje,—ten zij, dat het hem een weinig hoop gaf op hare getrouwheid, als de omstandigheden ooit een gelukkigeren keer namen. Hij verzamelde dus al zijn moed op nieuw, nam afscheid van den Zwarten George en begon zijne reis naar eene stad, ongeveer acht uren van daar, waarheen hij den heer Allworthy verzocht had,—ten zij hij zijn vonnis tegen hem wilde intrekken,—hem zijne zaken na te zenden.

HOOFDSTUK XIII.

HET GEDRAG VAN SOPHIA BIJ DEZE GELEGENHEID, DAT DOOR GEENE VROUW BERISPT ZAL WORDEN, DIE TOT EENE DERGELIJKE HOUDING IN STAAT IS. HET BEPLEITEN VAN EEN MOEIJELIJK PUNT VOOR DE REGTBANK VAN HET GEWETEN.

Sophia had de laatste vierentwintig uren op geene zeer benijdenswaardige wijze doorgebragt. Een groot gedeelte daarvan werd zij door hare tante onthaald op lange lessen omtrent de voorzigtigheid, haar aanbevelende het voorbeeld van de groote wereld na te volgen, waar de liefde (volgens de goede dame), thans iets bespottelijks is, en waar de vrouwen het huwelijk beschouwen even als de mannen een openbaar ambt,—dat is, alleen als een middel om fortuin te maken en in de wereld vooruit te komen.

Gedurende verscheidene uren had mejufvrouw Western proeven van hare welsprekendheid gegeven in het behandelen van dit onderwerp.

Deze wijze lessen, hoe weinig overeenkomstig den smaak of de neigingen van Sophia, vielen haar echter minder zwaar dan hare eigene gedachten, die haar den geheelen nacht, gedurende welken zij geen oog digt kon doen, bezig hielden. Maar ofschoon zij rust noch slaap in haar bed kon vinden, daar zij echter niets had om haar daaruit te lokken, lag zij er nog toen haar vader, ’s morgens na tien uur, van Allworthy terugkeerde.

Hij begaf zich dan dadelijk naar hare kamer, deed de deur open, en ziende dat zij nog niet opgestaan was, riep hij uit:

„O, gij zijt nog veilig te huis—en ik zal zorg dragen dat gij daar blijft!” waarop hij de deur digt sloot en den sleutel aan Honour gaf, met de strengste bevelen en vele beloften van belooning als zij hem getrouw bleef, en met de verschrikkelijkste bedreigingen van straf als zij misbruik maakte van zijn vertrouwen.

Honour kreeg last om hare jonge dame, zonder verlof van haar vader, de kamer niet uit te laten, en niemand dan hem en hare tante bij haar toe te laten; zij zelve moest Sophia voorzien van al wat zij verlangde, behalve schrijfbehoeften, welker gebruik haar ten eenenmale verboden was.

Western beval zijne dochter zich te kleeden en aan tafel te komen, wat zij ook deed en na den gewonen tijd daar doorgebragt te hebben, werd zij weder naar hare gevangenis gebragt.

’s Avonds bragt hare bewaakster, Honour, haar den brief welken zij van den jager gekregen had. Sophia las hem een paar maal zeer oplettend over, wierp zich toen op het bed en barstte uit in een vloed van tranen. Jufvrouw Honour drukte groote verbazing uit over dit gedrag van hare meesteresse en kon niet nalaten zeer belangstellend te vragen naar de aanleiding tot deze vlaag. Sophia gaf haar een tijdlang geen antwoord en dan plotseling opspringende, greep zij haar bij de hand en riep:

„O Honour, ik ben ongelukkig!”

„Dat verhoede de Hemel!” riep Honour. „Ik woû maar dat die brief verbrand was eer hij u in handen kwam! Ik dacht zeker dat hij u genoegen zou doen, of de drommel zou hem gehaald hebben eer ik hem meêgenomen had!”

„Ge zijt een goed meisje, Honour,” zei Sophia, „en het zou te vergeefs zijn als ik mijne zwakheid langer voor u verbergen wilde. Ik heb mijn hart weggeworpen aan een man, die mij verlaten heeft!”

„En is mijnheer Jones zulk een verraderlijk mensch?” vroeg de dienaresse.

„Hij neemt voor altijd afscheid van mij in dezen brief,” hernam Sophia. „Ja, hij vergt zelfs van me dat ik hem vergeten zou. Had hij dit kunnen doen als hij mij lief had? Had hij aan zoo iets kunnen denken? Had hij zoo iets kunnen schrijven?”

„Neen, zeker niet, jufvrouw!” riep Honour. „Maar zooveel is zeker: als de beste man in geheel Engeland mij vroeg om hem te vergeten, zou ik hem bij zijn woord nemen! Heere mijn tijd! De jufvrouw heeft hem al te veel eer bewezen, met ooit aan hem te denken. Eene jonge dame, die onder alle jonge lieden in het graafschap kiezen kon!—En zeker, als ik het wagen mogt mijn gevoelen te zeggen, daar is de jonge heer Blifil, die, behalve dat hij van eerlijke afkomst is, en eens een der grootste heeren in den omtrek zal zijn,—naar mijn bescheiden oordeel ten minste,—nog eens zoo mooi en beschaafd is, en bovendien is hij een jong mensch van geregelden aard, en van wien geen mensch ter wereld één woord kwaad kan spreken;—hij loopt geene smerige meiden achterna;—niemand kan zeggen, dat hij de vader is van haar kind!—Hem vergeten inderdaad! Ik dank den Hemel, dat ik niet zoo diep gevallen ben, dat iemand het regt zou hebben tweemaal tot mij te zeggen dat ik hem vergeten moest! Als de beste man die een hoofd op de schouders heeft, mij zulk eene beleediging aandeed, zou ik hem nooit daarna een goed woord geven,—zoo lang er nog één jong mensch, behalve hij, in het land te vinden was! En zoo als ik zeide, daar is de jonge heer Blifil,—”

„Noem dien gehaten naam niet!” riep Sophia.

„O jufvrouw,” zei Honour, „als de jufvrouw niet van hem houdt, dan zijn er knappe jongens genoeg die u het hof zouden willen maken, als zij maar de minste aanmoediging kregen! Ik geloof niet dat er één jonge heer in het heele graafschap is, of in al de omliggende graafschappen, die als hij maar dacht dat de jufvrouw een goed oog op hem werpen wilde, niet dadelijk met een aanbod van zijne hand voor den dag zou komen.”

„Voor welk ellendig wezen houdt ge mij,” vroeg Sophia, „dat ge het waagt mij met zulken onzin te beleedigen? Ik haat alle mannen!”

„Ja, dat is waar,” hernam Honour; „de jufvrouw heeft er genoeg van geleden, om daarvan te walgen! Zoo mishandeld te worden door zulk een armoedigen ellendigen, bastaard!”

„Zwijg met uwe heiligschennis!” riep Sophia; „hoe durft gij hem te noemen zonder eerbied? Hij mij slecht behandelen! Neen, zijn arm, bloedend hart leed meer toen hij die wreede woorden nederschreef dan ik toen ik ze las. O, hij is een held, en een engel van deugd en goedheid! Ik schaam me over mijne eigene zwakheid, dat ik datgene berispte wat ik had moeten bewonderen!—O, Honour, hij denkt alleen aan mijn welzijn! Aan mijne belangen offert hij zich zelven en mij op!—De vrees van mij ongelukkig te maken, heeft hem tot wanhoop gebragt!”

„Het doet me heel veel genoegen te hooren dat gij dat in aanmerking neemt, jufvrouw,” zei Honour, „want het is waar, het zou u te gronde rigten als ge uwe zinnen wildet vestigen op iemand, die de deur uitgezet is en geen duit ter wereld bezit.”

„De deur uitgezet!” riep Sophia driftig. „Wat bedoelt gij?”

„Wel jufvrouw, zoodra mijnheer aan den heer Allworthy verteld had, hoe de heer Jones het gewaagd had u het hof te maken, heeft hij hem, zonder een hemd aan het lijf, naakt als hij ter wereld kwam, de deur uitgezet!”

„O,” zuchtte Sophia, „dan ben ik de rampzalige, door den Hemel verzaakte oorzaak zijner rampen!—De deur uitgezet, zonder middelen!—Hier, Honour, neem al het geld dat ik bezit;—neem de ringen van mijne vingers;—hier, mijn horologie ook! Breng hem alles! Vlieg, en zoek hem op!”

„In vredes naam, jufvrouw,” hernam Honour, „bedenk maar dat als mijnheer een van al deze dingen mist, hij mij ter verantwoording zal roepen! Laat me u dus smeeken, uw horologie en uwe juweelen te bewaren. Bovendien, dunkt me, is er al geld genoeg, en wat dat betreft, daar behoeft mijnheer nooit iets van te weten.”

„Daar dan,” riep Sophia, „neem elken stuiver dien ik bezit; zoek hem dadelijk op en geef hem het geld! Ga, ga—zonder één oogenblik te verliezen!”

Met deze bevelen vertrok jufvrouw Honour en den Zwarten George beneden in huis vindende, gaf zij hem de beurs over, die zestien guinjes bevatte, Sophia’s geheelen schat; want hoewel haar vader zeer mild was ten haren opzigte, was zij veel te liefdadig om rijk te zijn.

De Zwarte George, met de beurs op zak, vertrok naar de herberg, maar, onderweg, kwam de gedachte bij hem op, om ook dit geld voor zich te houden. Zijn geweten echter schrikte bij deze ingeving, en begon hem zijne ondankbaarheid jegens zijn weldoener te wijten. Hierop antwoordde zijne hebzucht: „Dat zijn geweten vroeger had moeten wakker worden, toen hij den armen Jones van zijn vijfhonderd pond sterling beroofde. Dat eenmaal berust hebbende in eene zaak van groot belang, het bespottelijk, zoo niet huichelachtig was, om eenige bezwaren te gevoelen over zulk eene kleinigheid.”

Waarop het geweten, als een goed advokaat, het verschil trachtte aan te toonen tusschen een bepaald misbruik van vertrouwen, als in dit geval, waar de waarden werkelijk hem in handen gegeven werden, en eene bloote geheimhouding van hetgeen gevonden was, als in het eerste geval. De hebzucht spotte weldra hierover, noemde het een onderscheid dat denkbeeldig was, en stond er bepaaldelijk op, dat als men eens alle aanspraken op eer en deugd liet varen, er geen antecedent bestond, waarom men ze later weder huldigen zou. Met een woord, het arme geweten zou zeker het onderspit gedolven hebben, zoo de vrees het niet ter hulpe gekomen ware, en zeer sterk er op aangedrongen had, dat het verschil in deze twee gevallen niet bestond tusschen de verschillende trappen van eerlijkheid, maar wel tusschen de twee graden van veiligheid; want dat het verbergen van de vijfhonderd pond sterling niet gewaagd was, terwijl het verduisteren van de zestien guinjes groot gevaar liep van ontdekt te worden.

Door de vriendelijke hulp der vrees zegevierde dus het geweten in het hart van den Zwarten George, en na hem eenige complimenten gemaakt te hebben over zijne eerlijkheid, noopte het hem het geld aan Jones te overhandigen.

HOOFDSTUK XIV.

EEN KORT HOOFDSTUK, BEVATTENDE EEN KORT GESPREK TUSSCHEN DEN HEER WESTERN EN ZIJNE ZUSTER.

Mejufvrouw Western was dien heelen dag uit geweest. De landjonker ontmoette haar bij hare tehuiskomst en toen zij naar Sophia vroeg, vertelde hij haar dat hij haar veilig bezorgd had.

„Zij is op hare kamer opgesloten,” riep hij, „en Honour heeft den sleutel in bewaring.”

Daar hij de meeste wijsheid en schranderheid in zijne blikken toonde toen hij zijne zuster dit meldde, is het waarschijnlijk dat hij grooten lof dacht in te oogsten voor hetgeen hij gedaan had; maar, hoe werd hij niet teleurgesteld, toen zij met minachting uitriep:

„Wel, broeder! Gij zijt zeker de zwakste der stervelingen! Waarom moet gij tusschenbeide komen? Gij hebt alles verijdeld, dat ik me nu vergeefsche moeite gegeven heb gedaan te krijgen! Terwijl ik gestreefd heb haar de echte voorzigtigheid te leeren, tergt gij haar om die te verwaarloozen! De Engelsche vrouwen zijn, Goddank, geene slavinnen! Wij laten ons niet opsluiten als Spaansche en Italiaansche echtgenooten. Wij laten ons alleen door rede en overtuiging leiden en niet door geweld beheerschen. Ik heb de wereld gezien, broeder, en weet welke bewijsgronden men gebruiken moet; en als gij, met uwe dwaasheid, mij niet belet hadt, zou ik haar overgehaald hebben haar gedrag te regelen volgens die voorschriften der voorzigtigheid en wijsheid, welke ik haar vroeger ingeprent heb.”

„O ja!” riep de landjonker; „ik moet natuurlijk altijd ongelijk hebben!”

„Broeder,” hernam de dame, „ge hebt alleen ongelijk als gij u bemoeit met dingen die uwe kennis te boven gaan. Ge moet bekennen, dat ik meer van de wereld weet dan gij, en het zou gelukkig voor mijne nicht geweest zijn als zij nooit aan mijne leiding onttrokken ware geweest. Het is door te huis te blijven, bij u, dat zij romantische begrippen van liefde en allerlei gekheid opgedaan heeft.”

„Gij verbeeldt u toch niet, hoop ik,” riep de landjonker, „dat zij iets van dien aard van mij geleerd heeft?”

„Broeder,” hernam zij, „uwe onwetendheid, zooals de groote Milton zegt, gaat mijn geduld bijna te boven.”

„De drommel hale Milton!” riep Western. „Als hij de onbeschoftheid had mij zoo iets in het gezigt te zeggen, zou ik hem een klap om de ooren geven, hoe groot een man hij ook zij! Geduld! Als gij daarvan praat, zuster, ik heb meer geduld noodig dan gij, om mij zoo als een groote schooljongen te laten behandelen! Gelooft ge dat een mensch die niet aan ’t hof geweest is, zijn verstand niet heeft? Wel ja! De wereld is er waarlijk naar aan toe, als wij allen dwazen zijn, behalve de rondhoofden en de Hannoverschgezinden! De drommel! Ik hoop dat de tijd spoedig daar zal zijn waarop wij dat heele boeltje met een langen neus zullen laten loopen en ieder het zijne zal hebben! Ja, zuster, dat ieder het zijne zal krijgen! Dat hoop ik te beleven, zuster, eer die Hannoversche rotten al ons graan opgevreten hebben en ons niets dan knollen overlaten om er van te eten!”

„Ik moet verklaren, broeder,” riep zij, „dat gij nu te hoog vliegt voor mij. Al wat gij door elkaar praat van Hannoversche rotten en knollen is volmaakt onverstaanbaar voor mij.”

„Ik wil wel gelooven,” zeide hij, „dat gij er niet gaarne van hoort spreken:—maar in weerwil daarvan, zal misschien het land toch gered worden.”

„Ik wilde liever,” hernam de dame, „dat gij aan de redding uwer dochter dacht; want geloof me, zij loopt grooter gevaar dan het vaderland!”

„Straks,” hernam hij, „waart gij boos omdat ik aan haar dacht, en wildet hebben dat ik haar aan u overliet.”

„En als gij beloven wilt,” hernam zij, „om niet meer tusschenbeide te komen, zal ik, uit liefde tot mijne nicht, haar onder mijne hoede nemen.”

„Nu, dat zij zoo! Ga uw gang maar!” antwoordde de landjonker; „ge weet wel, dat ik altijd van gevoelen was, dat de vrouwen elkaar best in orde weten te houden.”

Mejufvrouw Western verwijderde zich nu, iets minachtends voor zich heen mompelende over de vrouwen en over het bestuur van het vaderland. Zij begaf zich onmiddellijk na Sophia’s kamer, die nu, na een dag gevangenschap, weder in vrijheid gesteld werd.

EINDE VAN HET EERSTE DEEL.

HENRY FIELDING.

TOM JONES, OF DE LOTGEVALLEN VAN EEN VONDELING.

UIT HET ENGELSCH VERTAALD DOOR DR. M. P. LINDO.

Tweede Deel.

HAARLEM, A. C. KRUSEMAN. 1862.

TOM JONES, DE GESCHIEDENIS VAN EEN VONDELING.

BOEK VII.

Drie dagen.

HOOFDSTUK I.

EENE VERGELIJKING TUSSCHEN DE WERELD EN EEN SCHOUWTOONEEL.

Men heeft dikwerf deze wereld bij een schouwtooneel vergeleken, en vele ernstige schrijvers, zoowel als vele dichters, hebben het menschelijke leven als een groot drama beschouwd, bijna in alle bijzonderheden gelijkende op die tooneelvoorstellingen welke, naar men zegt, Thespis het eerst uitvond, en die sedert zoo veel goedkeuring en toejuiching verworven hebben in alle beschaafde landen.

Dit denkbeeld wordt zoo ver gedreven en is zoo algemeen geworden, dat eenige uitdrukkingen aan het tooneel eigen, en die eerst slechts in beeldspraak op de wereld toegepast werden, uit gewoonte, zonder onderscheid van beide gebezigd worden;—dus wordt, bij voorbeeld, „het tooneel” evenveel gebruikt van het leven in het algemeen, als van dramatische voorstellingen in het bijzonder, en als men van „achter de schermen” spreekt, denkt men eerder aan het ministerie, dan aan den schouwburg.

Het moge gemakkelijk genoeg schijnen om dit alles te verklaren door de beschouwing dat het drama niets anders is dan eene voorstelling, of gelijk Aristoteles het noemt, eene navolging van hetgeen werkelijk bestaat, en daarom moesten wij welligt een welverdiend compliment maken aan diegenen, die door hunne geschriften of handelingen het leven zoo hebben weten na te doen, dat hunne schilderijen, als het ware, met de oorspronkelijken daarvan verward,—of zelfs daarvoor gehouden worden.

Maar, om de waarheid te zeggen, houden wij er niet van om die menschen,—die wij dikwijls behandelen als de kinderen hun speelgoed,—complimenten te maken; en scheppen er veel meer behagen in om hen uit te fluiten en voor de borst te stooten, dan om hunne talenten te bewonderen. Er zijn vele andere redenen, die ons er toe gebragt hebben om deze overeenkomst in te zien tusschen de wereld en het tooneel.

Sommigen hebben het grootste gedeelte der menschheid beschouwd als tooneelspelers, die rollen spelen, welke hun evenmin wezenlijk toekomen, als den acteur, die er niet ernstig om denkt door te gaan voor den Koning of den Keizer, dien hij voorstelt. Zoo kan men zeggen dat de huichelaar een acteur is,—en inderdaad, de Grieken gaven beiden dezelfde benaming.

De kortheid van dit leven heeft ook tot deze vergelijking aanleiding gegeven. De onsterfelijke Shakespeare zegt:

„Het leven is een arm acteur—niets meer! Hij treedt met trotschheid op, hij stampvoet, raast en brult, En is zijn rol, ’t zij goed of slecht, vervuld, Dan treedt hij af en keert niet weer.”

Welke overbekende aanhaling ik den lezer vergoeden zal door eene zeer schoone, welke, naar ik meen, slechts weinigen kennen. Het is uit een gedicht, de Godheid genoemd, omstreeks negen jaren geleden uitgegeven, en sedert lang vergeten; wat een bewijs oplevert dat goede boeken, evenmin als goede menschen, altijd de slechten overleven.

„De bron van ’s menschen daden is bij God, De bloei der rijken en de val der vorsten. Sla uwen blik op ’s werelds schouwtooneel En op de helden, die zich daar bewegen, En op de groepen, die elkander volgen. Hier zegepraal, dáár kerker en schavot! Elk speelt de rol, die Gij, o Heer, hem geeft; Gij leidt der menschen daden naar Uw doel: Zij schitteren één oogenblik in ’t licht, En als gij wenkt, verdwijnen zij als nevels, En van hun aanzijn blijft geen ander spoor, Dan één herinnringswoord: „’t Is al voorbij!””

In al deze, en in alle overige vergelijkingen van het leven met het tooneel, heeft men echter de overeenkomst altijd op het tooneel zelf gezocht. Niemand, voor zoover ik me herinner, heeft ooit acht geslagen op de toeschouwers van het groote drama.

Daar echter de natuur dikwerf sommige harer schoonste voorstellingen aan een heel groot gehoor geeft, zoo laat het gedrag der toeschouwers bovengemelde vergelijking toe, even goed als dat der tooneelspelers.

In den grooten schouwburg des Tijds zitten de vriend en de recensent; daar hoort men in de handen klappen en applaudisseren, fluiten en uitjouwen, in een woord, al wat men ooit in den grooten schouwburg beleefd heeft.

Laat ons één voorbeeld daarvan nagaan: bij voorbeeld het gedrag der talrijke toehoorders bij het tooneel, dat de natuur goedvond te vertoonen in het twaalfde hoofdstuk van het vorige boek, waar zij den Zwarten George voorstelde, die met de vijfhonderd pond sterling van zijn vriend en weldoener op den loop ging.

Diegenen, die in de bovenste galerij der wereld zaten, behandelden die gebeurtenis, daar ben ik van overtuigd, met hunne gewone luidruchtigheid, en men hoorde stellig bij die gelegenheid allerlei leelijke scheldwoorden uitbraken. Indien wij nederdaalden tot de toeschouwers onmiddellijk onder dezen, zouden wij evenveel afschuw onder hen gevonden hebben, met minder luidruchtigheid en scheldwoorden:—maar de vrouwen hier zullen den Zwarten George naar den drommel gewenscht hebben en sommige harer wachtten ieder oogenblik dat de Satan hem zoude halen.

In het parterre was men, zonder twijfel, als gewoonlijk verdeeld. Diegenen, die zich verheugen over de heldhaftige deugd en een volmaakt karakter, waren er tegen, dat men zulke staaltjes van schurkerij zou geven, zonder ze zeer streng te straffen, tot voorbeeld voor anderen.—Eenige vrienden van den schrijver riepen uit: „’t Is waar, mijne heeren, dat die vent een schurk is;—maar desniettemin is hij naar de natuur geteekend.” En alle jonge recensenten van deze eeuw, de klerken, leerjongens enz., noemden het gemeen en begonnen te fluiten.

Wat de loges aangaat, die gedroegen zich met de gewone beleefdheid. De meesten daar letten op iets anders. Eenige weinigen, die naar het tooneel keken, verklaarden dat de Zwarte George zeker een slecht soort van mensch was, terwijl anderen weigerden eene meening te uiten, tot zij die van de meest bevoegde beoordeelaren gehoord hadden.

Wij echter, die achter de schermen komen van dit groote tooneel der natuur,—en een schrijver die daar niet toegelaten wordt, moest nooit iets anders dan woordenboeken en leesboekjes schrijven,—kunnen de handeling berispen, zonder bepaaldelijk den bedrijver te verfoeijen, dien de natuur welligt niet bestemde om eene slechte rol in al hare drama’s te spelen; want, in dit geval, lijkt het leven nog meer op het tooneel, daar men er dikwerf denzelfden persoon de rol van held en van schelm ziet vervullen, en hij, die heden uwe bewondering opwekt, welligt morgen het voorwerp wordt uwer minachting. Even als Garrick, dien ik in het treurspel voor het grootste genie houd dat ooit geschapen werd, zich soms verwaardigt als nar op te treden,—zoo deden ook, volgens Horatius, Scipio de Groote, en Laelius de Wijze, vele eeuwen geleden;—Cicero zegt zelfs, dat zij „oneindig kinderachtig waren.” ’t Is waar dat dezen voor gek speelden, even als mijn vriend Garrick, alleen om de aardigheid; maar vele groote mannen hebben in talrijke gevallen, in goeden ernst zich heel gek aangesteld,—zoodat het eene twijfelachtige zaak was, of hunne wijsheid of hunne dwaasheid de overhand had; of dat zij meer regt hadden op de goedkeuring of op de berisping, op de bewondering of op de verachting, op de liefde of op den haat der menschheid.

Diegenen inderdaad, die eenigen langen tijd gesleten hebben achter de schermen van dit groote tooneel, en die goed op de hoogte zijn, niet slechts van de verschillende vermommingen daar in gebruik, maar ook van de fantastische en grillige handelingen der hartstogten, die de regisseurs en directeurs zijn van dit tooneel (want wat de rede aangaat, de ondernemer, die is, zoo als ieder weet, zeer lui en spant zich zelden in), zullen zeer waarschijnlijk geleerd hebben het bekende nil admirari van Horatius te verstaan,—en over niets meer verbaasd staan.

Eene enkele slechte daad maakt evenmin tot een schurk in dit leven, als eene enkele slechte rol op het tooneel. De driften, even als de tooneeldirecteuren, dwingen dikwerf de menschen rollen op zich te nemen, zonder hun verstand te raadplegen en soms zonder aanzien voor hunne talenten.

Dus kan de mensch soms, even als de tooneelspeler, de rol afkeuren waarin hij optreedt;—ja, het is niets ongewoons om de ondeugd sommige menschen even lastig te zien vallen, als het karakter van Jago een grappenmaker misstaan zou.

Over het geheel dan is de eerlijke en verstandige man nooit overhaast in het veroordeelen. Hij kan eene onvolmaaktheid afkeuren, of zelfs eene ondeugd, zonder woedend te worden op den schuldige. Met één woord, het zijn dezelfde dwaasheid, dezelfde lompheid, dezelfde kwaadwilligheid, die al de klagten en onlusten in het leven veroorzaken als op het tooneel. De slechtste menschen hebben gewoonlijk de woorden „schelm en schurk” op de lippen en het zijn ook de gemeenste ellendelingen, die in het parterre over het gemeen uitvaren.

HOOFDSTUK II.

BEVATTENDE EEN GESCHIL VAN DEN HEER JONES MET ZICH ZELVEN.

Jones ontving bij tijds den volgenden morgen zijne zaken van den heer Allworthy, met onderstaand antwoord op zijn brief:

„Mijnheer,

Het is op bevel van mijn oom dat ik u moet mededeelen, dat, daar hij eerst na rijp overleg en na de overtuigendste blijken uwer onwaardigheid, tot die maatregelen overgegaan is, welke hij ten uwen opzigte genomen heeft, het steeds buiten uwe magt zal zijn hem in het minst van zijn besluit af te brengen. Hij drukt de meeste verbazing uit over uwe vermetelheid, als gij het waagt te zeggen, dat gij alle aanspraken opgeeft op eene jonge dame, op wie het onmogelijk is dat gij ooit eenige aanspraak kondt maken, daar zij, wat geboorte en vermogen betreft, zoo oneindig ver boven u verheven is.

Eindelijk, beveelt mij mijn oom u te melden, dat het eenige blijk van uwe gehoorzaamheid aan zijne wenschen, dat hij eischt, is, dat gij hoe eerder hoe liever deze omstreken verlaat.

Ik kan dezen brief niet sluiten, zonder de Christelijke raadgeving, dat gij er ernstig op bedacht moogt wezen om uw levenswandel te verbeteren, en dat de Goddelijke Genade u hierin moge bijstaan, zal steeds bidden

Uw gehoorzame dienaar,

W. Blifil.”

Vele tegenstrijdige gevoelens werden door dezen brief in het hart van onzen held opgewekt; maar eindelijk kreeg de teederheid de bovenhand boven zijne verontwaardiging en toorn, en een stortvloed van tranen kwam tijdig ter zijner verligting en belette welligt dat zijne rampen hem tot waanzin bragten, of hem het hart braken.

Hij begon zich echter weldra te schamen over zijne zwakheid, en opspringende, riep hij uit:

„Goed dan! Ik zal den heer Allworthy het eenige blijk van mijne gehoorzaamheid geven, dat hij eischt. Ik zal op dit oogenblik heengaan;—maar waarheen? Dat moge het lot beslissen! Daar er niemand is, die er om geeft wat er van mijn ellendige persoon wordt, zal ik zelf even onverschillig zijn. Zou ik alleen iets over hebben voor iemand, dien niemand anders,——maar, heb ik geene reden te denken dat er iemand anders is? Iemand, die mij meer waard is dan de geheele wereld! Ik mag, ik moet gelooven, dat mijne Sophia niet onverschillig is omtrent mijn lot. Zal ik dan die eenige vriendin verlaten? En zulk eene vriendin! Moet ik niet bij haar blijven? Maar waar? Hoe kan ik bij haar blijven? Heb ik eenige hoop om haar ooit weer te zien,—al verlangde zij dat zelve evenzeer als ik,—zonder haar aan de woede van haren vader bloot te stellen? En waartoe? Zou ik er aan denken kunnen haar tot haar eigen ongeluk over te halen? Zou ik tot zulk een prijs aan mijne hartstogten botvieren? Zal ik als een dief hier rondsluipen, met dergelijke voornemens bezield? Neen, ik versmaad, ik veracht die gedachte! Vaarwel, Sophia, vaarwel, gij schoone, gij beminde—”

Hier smoorde de aandoening zijne woorden en gaf zich lucht in tranen.

En thans, na besloten te hebben die streken te verlaten, begon hij te overleggen waarheen hij zich begeven zoude. „De wereld,” gelijk Milton zegt, „lag voor hem open,” en Jones, evenmin als Adam, had iemand tot wien hij zich om raad of ondersteuning kon wenden. Al zijne kennissen waren vrienden van den heer Allworthy en hij had geene reden om eenige hulp van hen te verwachten, nu die heer hem van zijne gunst beroofd had. Mannen van een groot en goed karakter moeten zeer voorzigtig zijn in het wegjagen hunner afhangelingen;—want het gevolg daarvan is, dat zij ook door anderen weggejaagd worden.

Het was een tweede punt van overweging, welke levenswijze hij leiden moest, of op welk beroep hij zich toeleggen zou,—en ten dien opzigte was het vooruitzigt allertreurigst. Elk beroep en elk handwerk eischt veel tijd eer men het uitoefenen kan, en wat nog erger is, ook geld; want de zaken zijn zoo ingerigt, dat het even waar is in de staathuishoudkunde als in de natuurkunde, dat, „uit niets, niets komt,”—en iedereen die geheel en al van geld ontbloot is, is ook, om die reden, geheel uitgesloten van alle middelen om het te verkrijgen.

Eindelijk opende de oneindige zee, die gastvrije vriendin der ongelukkigen, de ruime armen om hem te ontvangen, en hij verklaarde zich dadelijk gereed hare uitnoodiging aan te nemen. Zonder beeldspraak: hij besloot om zeeman te worden.

Naauwelijks, inderdaad, kwam die gedachte bij hem op, of hij omhelsde ze driftig en spoedig paarden gehuurd hebbende, vertrok hij naar Bristol, om ze ten uitvoer te brengen.

Eer wij hem echter op dezen togt vergezellen, moeten wij weder het huis van den heer Western bezoeken, om te zien wat er verder gebeurde met de bekoorlijke Sophia.

HOOFDSTUK III.

BEVATTENDE VERSCHEIDENE GESPREKKEN.

Den morgen van het vertrek van den heer Jones, riep mejufvrouw Western Sophia op hare kamer, en na haar eerst gemeld te hebben, dat zij haar vader overgehaald had haar weder in vrijheid te stellen, begon zij met haar eene lange les te lezen over het huwelijk, hetwelk zij volstrekt niet beschouwde als eene romantische liefde-zaak, gelijk de dichters het beschrijven; zij sprak ook niet van eenige van die doeleinden van het huwelijk, volgens welke de godgeleerden het ons leeren aanzien als eene goddelijke instelling; maar zij behandelde het veeleer als eene geldbelegging, waarin voorzigtige vrouwen haar vermogen met het meeste voordeel uitzetten, om zoodoende grootere renten te trekken dan anders het geval zou wezen.

Zoodra jufvrouw Western gedaan had, hernam Sophia, „dat zij buiten staat was te redeneren tegen eene dame die zoo veel kennis en ondervinding bezat als hare tante, vooral over een onderwerp als het huwelijk, waarover zij zoo weinig nagedacht had.”

„Tegen mij redeneren, kind!” hernam de andere; „neen, dat had ik niet verwacht! Ik zou waarlijk weinig nut van mijne wereldkennis hebben, als ik niet tegen iemand van uw leeftijd bestand was. Ik heb me al die moeite gegeven, alleen om u te believen. De oude wijsgeeren, zoo als Socrates, Alcibiades en anderen, plagten niet met hunne leerlingen te redeneren. Gij moet mij beschouwen, kind, als een Socrates, die niet naar uw gevoelen vraagt, maar u alleen het mijne mededeelt.”

Uit welke woorden de lezer welligt opmaken zal, dat de dame niet meer van de wijsbegeerte van Socrates dan van Alcibiades wist,—en inderdaad, wij kunnen hem op dit punt moeijelijk tegenspreken.

„Tante,” riep Sophia, „ik heb nooit gewaagd uw gevoelen tegen te spreken, en over dit onderwerp, gelijk ik straks zeide, heb ik nooit nagedacht, en zal dit welligt ook nooit doen.”

„Wezenlijk, Sophia,” hernam hare tante, „het is zeer dwaas aldus tegenover mij te veinzen. De Franschen zullen me even gemakkelijk overtuigen, dat zij er op uit zijn in den vreemde steden te veroveren, alleen uit zelfverdediging, als gij me kunt wijs maken, dat gij nooit ernstig over het huwelijk nagedacht hebt. Hoe kunt gij, kind, volhouden met te loochenen dat gij ooit aan eene dergelijke verbindtenis gedacht hebt, terwijl ge zeer goed weet, dat mij de persoon best bekend is, met wien ge u hebt willen vereenigen? Dat zou echter eene verbindtenis zijn, die even onnatuurlijk en in strijd met uwe belangen ware, als een afzonderlijk verbond van de Hollanders met de Franschen in hun nadeel zou wezen! Als gij echter nog niet rijpelijk over deze zaak nagedacht hebt, dan zeg ik u, dat het hoog tijd wordt dat gij dat doet; want mijn broeder heeft vast besloten de zaak met den heer Blifil zijn beslag te geven,—en ik zelve heb me eenigzins verantwoordelijk gesteld en uwe toestemming beloofd.”

„Wezenlijk, tante,” riep Sophia, „dit is het eenige geval waarin ik u en mijn vader niet gehoorzamen kan. Want het eischt slechts weinig overleg van mijn kant om dit huwelijk af te slaan.”

„Als ik niet even wijsgeerig was als Socrates zelf,” hernam hare tante, „zoudt ge mijn geduld uitputten. Wat ter wereld, kunt gij tegen den heer Blifil inbrengen?”

„Naar mijn gevoelen, een zeer degelijk iets,” antwoordde Sophia,—„ik haat hem!”

„Zult ge nooit leeren eene gepaste keuze van woorden te doen?” riep hare tante. „Wezenlijk, kind, ge moet Bailey’s woordenboek gebruiken. Het is onmogelijk dat ge iemand haten zoudt, die u nooit iets kwaads gedaan heeft. Met „haat” bedoelt ge dus niets dan afkeer, wat hoegenaamd geen bezwaar oplevert om te trouwen. Ik heb menig paar menschen gekend, die een grooten afkeer van elkaar hadden, en die toch een zeer gemakkelijk, fatsoenlijk leven leidden. Geloof me, kind, die dingen ken ik beter dan gij. Ge zult toch, denk ik, wel willen bekennen, dat ik de wereld van nabij gezien heb, en ik heb er geen eene kennis, die niet liever had, dat men dacht dat zij een afkeer van haar echtgenoot had dan andersom. Het tegendeel van dit is zulk ouderwetsche, romantische onzin, dat het akelig is zelfs er aan te denken.”

„Maar wezenlijk, tante,” hernam Sophia, „ik zal nooit een man huwen, voor wien ik afkeer gevoel. Als ik mijn vader beloof nooit zonder zijne toestemming een huwelijk aan te gaan, dan, dunkt me, dat ik het regt heb te hopen dat hij mij ook nooit dwingen zal tegen mijn zin te huwen.”

„Tegen uw zin!” riep de tante met eenige drift. „Tegen uw zin! Uwe onbeschaamdheid verbaast mij! Een jong meisje van uw leeftijd en ongehuwd, praat er van om „tegen haar zin” te huwen! Maar wat ook uw zin zij, mijn broeder heeft zijn besluit genomen, en daar gij van „uw zin” praat, zal ik hem raden de zaak hoe eerder hoe liever ten einde te brengen! Uw zin, waarlijk!”

Sophia wierp zich nu op de knieën en de tranen begonnen rijkelijk uit hare schitterende oogen te vloeijen. Zij smeekte hare tante barmhartig te wezen en haar niet zoo wreed te straffen, alleen omdat zij onwillig scheen zich ongelukkig te maken, dikwijls er op aandringende dat de zaak haar zelve alleen betrof, en dat alleen haar geluk op het spel stond.

Even als een deurwaarder, die zijn bevel tot arrestatie in handen heeft, en eenmaal den een of anderen ongelukkigen schuldenaar bemagtigd hebbende, diens tranen zonder aandoening ziet, terwijl de ellendige gevangene te vergeefs zijn medelijden tracht op te wekken, en de teedere echtgenoote, van haar man beroofd, het babbelende jongentje, of het verschrikte dochtertje aanvoert, om zijn verzet te wettigen,—even als in weerwil daarvan, de deurwaarder doof en blind voor alle rampen, zich ver verheft boven alle menschelijkheid en besluit zijn prooi aan den gevangenbewaarder over te leveren;—zoo ook, even blind en doof voor Sophia’s smeekingen, had de wijze tante vast besloten het sidderende meisje in de armen van den stokbewaarder Blifil te voeren. Zij hernam dus met veel drift:

„’t Is verre van daar, mejufvrouw, dat alleen uwe belangen gemoeid zijn,—uwe belangen zijn van geen de minste beteekenis in deze zaak. Het is de eer uwer familie die in deze zaak gemoeid is; gij zijt alleen het werktuig! Verbeeldt ge u, mejufvrouw, dat bij een staatkundig huwelijk tusschen twee vorstelijke persoonaadjes; bij voorbeeld, als eene dochter van Frankrijk in Spanje uitgehuwd wordt, verbeeldt gij u dan dat de prinses zelve alleen in aanmerking komt? Neen, het is eerder een huwelijk tusschen twee rijken dan tusschen twee personen. Hetzelfde is ook het geval in zulke groote familiën als de onze. De verbindtenis tusschen de twee huizen is de hoofdzaak. Ge moet meer zien op de eer van uwe familie dan op uwe eigene persoon, en als het voorbeeld eener vorstin u niet met deze verhevene gevoelens bezielen kan, dan moest ge u ten minste niet beklagen als men u niet slechter behandelt dan eene prinses.”

„Naar ik hoop, tante,” zei Sophia met eenige verheffing, „zal ik nooit iets doen om mijne familie te onteeren; maar wat den heer Blifil aangaat, wat ook de gevolgen zijn mogen, ik heb besloten niet met hem te trouwen en geen magt ter wereld zal mij dwingen ten zijnen gunste te veranderen.”

Western, die het grootste gedeelte van dit gesprek uit de verte gehoord had, geraakte nu buiten zich zelven van drift; hij stoof de kamer in, met de meeste woede en riep:

„Wel verd—! Ge zult hem hebben! Verdraaid! Ge zult hem hebben! Ge zult hem hebben! Ik zeg niets! Verdraaid! Ge zult hem hebben!”

Mejufvrouw Westerns toorn, die door hare nicht opgewekt was, ontlastte zich nu op den landjonker.

„’t Is toch verwonderlijk, broeder,” riep zij, „dat gij u nu mengen wilt in eene zaak, die ge aan mijne leiding hadt overgelaten. Achting voor mijne familie heeft me er toe overgehaald als bemiddelaarster op te treden, ten einde de gevolgen van die verkeerde opvoeding tegen te gaan, welke gij aan uwe dochter gegeven hebt. Want, broeder, gij zijt het,—het is uw bespottelijk gedrag, dat al de goede zaden uitgeroeid heeft, die ik vroeger in haar kinderlijk hart gestrooid had—”

„Wat drommel!” riep de landjonker, letterlijk schuimbekkende, „gij zoudt het geduld van den Satan zelven uitputten! Heb ik niet mijne dochter geleerd gehoorzaam te zijn?—Daar staat zij—spreek maar eerlijk op, meisje, heb ik jou ooit geleerd ongehoorzaam te zijn tegen mij? Heb ik niet alles gedaan om u uw zin te geven en om u genoegen te doen, en om u gehoorzaam te maken? En zij was ook altijd zeer gehoorzaam zoo lang zij een klein kind was,—eer gij haar onder handen naamt en haar bedierft door haar het hoofd op hol te brengen met allerlei malle, hoofsche begrippen! Wel—hm!—ja,—hoorde ik niet zoo op het oogenblik hoe gij haar zeidet, dat zij zich als eene prinses moest houden? Gij hebt een Whig van het meisje gemaakt, en hoe zou nu haar vader, of iemand anders, gehoorzaamheid van haar kunnen verwachten?”

„Broeder,” hernam mejufvrouw Western, met de meeste minachting, „ik kan u niet zeggen hoe zeer ik al uwe staatkunde, van welken aard ook, veracht! maar ik zal me ook beroepen op de jonge dame zelve, en haar vragen of ik haar ooit iets dat op ongehoorzaamheid geleek, geleerd heb? Integendeel! Heb ik niet getracht, nicht, u een juist denkbeeld te geven van de verschillende betrekkingen waarin de mensch tot de zamenleving staat? Heb ik me niet oneindig veel moeite gegeven om u aan te toonen, dat de wet der natuur het den kinderen tot pligt maakt om hunne ouders te gehoorzamen? Heb ik u niet verteld wat Plato over dat onderwerp zegt?—Een onderwerp waaromtrent gij zoo schreeuwend onwetend waart, toen gij eerst onder mijne hoede kwaamt, dat ik waarlijk geloof, dat ge niet eens wist welke betrekking er bestond tusschen een vader en zijne dochter!”

„Dat is gelogen!” brulde Western. „Het meisje is zoo dom niet, dat zij op den leeftijd van elf jaren niet eens geweten zou hebben, dat zij eene bloedverwant van haar vader was!”

„O meer dan Gothische onwetendheid!” hernam de dame.—„En wat uwe manieren aangaat, broeder, moet ik u zeggen, dat men die met een stok verbeteren moest!”

„Nu, geef mij maar een pak slagen, als ge u daartoe in staat gevoelt!” riep de landjonker, „en het zou me niet verwonderen, als uwe nicht u gaarne daarbij helpen zou!”

„Broeder,” hernam mejufvrouw Western, „hoewel ik u onbeschrijfelijk veracht, verkies ik uwe onbeschoftheid niet langer te verdragen; ik verzoek dus mijne koets dadelijk te laten inspannen, daar ik me vast voorgenomen heb heden nog uw huis te verlaten.”

„’t Zal eene gelukkige verlossing wezen!” antwoordde hij. „Als ge daarmede aankomt, moet ik u zeggen, dat ik ook niet langer uwe onbeschoftheid kan verdragen! Wat drommel! ’t Is al haast genoeg om mijne dochter aan mijn gezond verstand te doen twijfelen, als zij ieder oogenblik hoort hoe gij zegt dat ge me veracht!”

„Twijfelen?” riep de tante;—„het is onmogelijk te twijfelen aan het verstand van zoo’n boer—”

„Boer!” gilde de landjonker; „ik ben geen boer en geen ezel en ook geen Hannoversche rot, mejufvrouw! Vergeet dat niet! Ik ben geen rot! Ik ben een echt Engelschman en geen van dat Hannoversch ongedierte, dat het volk opvreet!”

„Gij zijt een van die wijze mannen,” riep zij, „wier waanzinnige begrippen het volk te grond gerigt hebben, door de banden van ons inwendig bestuur te verzwakken, door onze vrienden te ontmoedigen en onze vijanden in het buitenland aan te moedigen.”

„O, ge komt weer op uwe politiek terug!” riep de landjonker; „wat die betreft, ik veracht ze;—ik geef er geen —— om!” En dit laatste woord liet hij met een gebaar vergezeld gaan, dat best daarbij voegde. Of het nu dit woord was, of de minachting, welke hij voor haar politiek uitdrukte, die mejufvrouw Western het meest trof, wil ik niet beslissen; maar ook zij geraakte in hevige drift, braakte woorden uit, die niet geschikt zijn om hier herhaald te worden, en stoof dadelijk het huis uit. Noch haar broeder, noch hare nicht vonden goed haar tegen te houden, of haar na te loopen; de laatste was te zeer door leed ter neder geslagen; de eerste zoodanig door toorn overweldigd, dat beiden zich niet verroeren konden.

Western zond echter zijne zuster hetzelfde geroep achterna, dat de jager doet hooren als een haas pas door de honden opgejaagd is. Hij was, inderdaad, zeer bedreven in al deze geluiden en had een eigenaardige kreet voor bijna elke gebeurtenis van het menschelijk leven.

Vrouwen, die zooals jufvrouw Western de wereld kennen, en die zich op de wijsbegeerte en de politiek toegelegd hebben, zouden gebruik gemaakt hebben van de stemming, waarin de landjonker nu verkeerde, om zijn verstand op eene listige wijze te roemen, ten koste van zijn afwezigen tegenstander. Maar hiertoe was Sophia te eenvoudig. Door dit woord willen wij den lezer volstrekt niet doen gelooven dat zij dom was, wat gewoonlijk als gelijkluidend met eenvoudig beschouwd wordt;—want zij was werkelijk een zeer verstandig meisje, met heerlijke geestvermogens, maar het ontbrak haar aan die nuttige listen, welke de vrouwen tot zoo vele goede doeleinden in dit leven bezigen, en die daar ze veeleer uit het hart dan uit het hoofd voortkomen, dikwijls de domste vrouwen eigen zijn.

HOOFDSTUK IV.

PORTRET VAN EEN LANDJONKER, NAAR HET LEVEN GETEEKEND.

De heer Western zijn hoera uitgebulderd hebbende, begon, na adem gehaald te hebben, zeer aandoenlijk te klagen over den toestand van mannen, die altijd, volgens hem, gegeesseld worden door de nukken van de eene of andere verwenschte heks.

„Ik meende,” zeide hij, „dat uwe moeder mij, armen drommel, hard genoeg viel, maar nu ik haar kwijt ben, komt er nog zoo’n feeks om mij het leven te verbitteren; maar de drommel zal me halen, als ik me door welke vrouw ook zóó laat kwellen!”

Sophia had vóór deze ongelukkige zaak met Blifil, nooit eenigen twist met haar vader gehad, om welke reden ook, behalve tot verdediging harer moeder, die zij zeer teeder beminde, hoewel zij haar, toen zij pas elf jaren oud was, verloren had.

De landjonker, voor wien de arme vrouw haar leven lang eene soort van getrouwe opperste dienstbode was geweest, had haar dat vergolden door te zijn, wat men in de wereld noemt, een goede echtgenoot. Hij vloekte zelden tegen haar; hij gaf haar geene reden hoegenaamd tot ijverzucht, en liet haar vrij over al haren tijd beschikken; want zij werd nooit gestoord door haar man, die den heelen morgen met zijne landelijke vermaken bezig was, en den geheelen avond met zijne vrienden bij de flesch zat. Zij zag hem, inderdaad, zelden anders dan aan tafel, waar zij het genoegen had die geregten voor te dienen, voor welker toebereiding zij eerst gezorgd had. Van deze maaltijden verwijderde zij zich vijf minuten na de overige dienstboden, daar zij alleen bleef zitten tot men op „den koning, aan genen kant van het Kanaal” [4] gedronken had. Naar het schijnt, geschiedde dit op bevel van den heer Western; want het was een stelregel bij hem, dat de vrouwen met den eersten toast weer heengaan moeten. De gehoorzaamheid aan deze bevelen viel welligt niet zwaar; want het gesprek aan tafel, (als het dien naam verdient), was zelden van dien aard, dat eene dame er eenig genoegen bij smaken kon. Het bestond voornamelijk uit gebrul, gezang, jagtverhalen, gemeene taal en schelden op de vrouwen en het gouvernement.

Het was echter alleen bij deze gelegenheden dat de heer Western zijne vrouw zag; want als hij naar bed ging, was hij gewoonlijk zoo dronken, dat hij haar niet zien kon, en in het jagtsaizoen stond hij altijd voor het aanbreken van den dag op.

Zij kon dus vrij over haren tijd beschikken, en had bovendien gewoonlijk eene koets met vier paarden tot hare orders, ofschoon de slechte toestand der wegen en der buurt dit laatste voorregt ongelukkig van zijne meeste waarde beroofde; want niemand, die geen lust had den nek te breken, zou langs die wegen hebben willen rijden, en niemand, die eenigen prijs stelde op zijn tijd, had hem in die buurt aan bezoeken willen verspillen. Om nu den lezer de ronde waarheid te zeggen, was zij niet zoo dankbaar voor al deze goedheid als men wel had mogen verwachten;—want zij was, tegen haar zin, door een dwazen vader uitgehuwd, omdat de verbindtenis, wat haar betrof, eenigzins voordeelig was, daar Western meer dan twee duizend pond sterling ’s jaars te verteren had, terwijl haar kapitaal niet meer dan acht duizend pond bedroeg.

Vandaar was zij eenigzins somber van aard geworden; want zij was eerder eene uitmuntende dienstbode dan eene goede echtgenoote, en niet dankbaar genoeg, om zelfs met een vriendelijken glimlach de brullende vreugde te beantwoorden, waarmede zij door haar man soms ontvangen werd. Bovendien bemoeide zij zich wel eens met dingen, die haar niet aangingen,—zooals het drinken van haar man, wat zij, bij sommige der weinige gelegenheden, die zij daartoe vond, hem op de meest zachtaardige wijze verweet. Eens in haar leven ook, had zij hem ernstig gesmeekt haar een paar maanden in Londen te laten doorbrengen, wat hij kort af weigerde; ja, hij verweet zijne vrouw dat verzoek steeds; daar hij de innige overtuiging had dat alle mannen in Londen door hunne vrouwen bedrogen worden.

Om deze laatste en vele andere dergelijke redenen, eindigde Western er mede zijne vrouw van ganscher harte te haten, en daar hij dezen haat vóór haar dood nooit verborg, vergat hij hem ook nooit later; maar als iets hem uit zijn humeur bragt, zoo als een slechte dag op de jagt, de ziekte zijner honden, of eenige ramp van dien aard, gaf hij zich altijd lucht door de overledene uit te schelden, er bij voegende: „Als mijne vrouw nog leefde, zou haar dat pleizier doen!”

Hij was er bijzonder op uit deze smaadredenen in Sophia’s bijzijn te uiten; want daar hij haar wezenlijk meer dan alles ter wereld lief had was hij ook werkelijk ijverzuchtig en vreesde hij dat zij meer van hare moeder dan van hem gehouden had. En Sophia bleef bij zulke gelegenheden zelden in gebreke om zijne ijverzucht te verhoogen; want hij was niet tevreden met hare ooren te kwetsen met de scheldnamen waarmede hij hare moeder overlaadde; maar hij trachtte haar eene stilzwijgende goedkeuring daarvan af te persen,—een wensch echter, welker vervulling hij noch door beloften, noch door bedreigingen van haar verkrijgen kon.

Sommige mijner lezers zullen zich nu verwonderen, welligt, dat Western Sophia niet evenzeer haatte als hare moeder; maar ik moet in bedenking geven, dat de haat geen gevolg der liefde is,—zelfs waar er ook ijverzucht bestaat. Het is, inderdaad, zeer mogelijk dat een ijverzuchtig mensch het voorwerp zijner ijverzucht zou dooden;—maar niet daarom haten. Daar dit gevoelen nu een tamelijk zware brok is, en eenigzins paradox luidt, zullen wij het den lezer aan het einde van dit hoofdstuk overlaten, om er rijpelijk over na te denken.

HOOFDSTUK V.

SOPHIA’S EDELMOEDIG GEDRAG TEN OPZIGTE HARER TANTE.

Sophia bewaarde het stilzwijgen gedurende de laatstvermelde redevoering van haar vader, en antwoordde niet anders dan met een zucht; daar hij echter de taal der oogen volstrekt niet begreep, kon hij zich niet tevreden stellen zonder eenige andere goedkeuring zijner gevoelens, welke hij nu van zijne dochter eischte, haar, op zijne gewone wijze, vertellende, „dat hij wel wachtte dat zij gereed zou zijn partij tegen hem te kiezen voor iedereen, zoo als zij altijd gedaan had voor die verwenschte heks, hare moeder.”

Daar Sophia steeds nog bleef zwijgen, riep hij uit:

„Zijt ge sprakeloos? Waarom spreekt ge niet? Was uwe moeder geene vervloekte feeks? Antwoord daarop! He! Ge begint uw vader misschien ook te verachten, en keurt hem niet waardig een woord uit jou mond te vernemen!”

„In ’s Hemels naam, vader,” hernam Sophia, „geef geene zoo onbillijke uitlegging aan mijn stilzwijgen! Ik zou liever sterven dan me schuldig maken aan iets dat oneerbiedig was ten uwen opzigte;—maar hoe zou ik het wagen den mond open te doen, als elk woord dat ik me liet ontvallen, òf mijn besten vader moet beleedigen, òf mij zelve schuldig doen worden aan de zwaarste ondankbaarheid jegens de beste der moeders;—want, dat weet ik, voor mij is mama dat altijd geweest.”

„En jou tante zal ook zeker de beste der zusters zijn!” hernam de landjonker. „Zult ge zoo goed wezen te bekennen dat die eene feeks is? Dat mag ik billijk van u vergen, dunkt me!”

„Wezenlijk, vader,” zei Sophia, „ik heb groote verpligtingen aan tante. Zij is steeds eene tweede moeder voor mij geweest.”

„En een tweede vrouw voor mij ook!” riep Western. „Dus trekt ge ook partij voor haar? Ge wilt niet bekennen dat zij, voor ’n zuster, zoo gemeen mogelijk gehandeld heeft?”

„Op mijn woord, vader,” antwoordde Sophia, „ik zou eene zeer onvergeefelijke onwaarheid zeggen, als ik dat deed. Ik weet dat gij en tante in uwe denkwijze zeer verschillen, maar ik heb duizendmaal gehoord, hoe zij de grootste liefde tot u aan den dag legde, en ik ben overtuigd, dat verre van de slechtste zuster ter wereld te zijn, er weinigen zijn, die haren broeder opregter lief hebben dan zij.”

„Wat met ronde woorden zeggen wil,” hernam de landjonker, „dat ik ongelijk heb! O ja—zeker! Zeker! De vrouw heeft altijd gelijk en de man steeds ongelijk!”

„Met uw verlof, vader,” zei Sophia, „dat beweerde ik volstrekt niet!”

„Hoe! Zegt ge dat niet?” riep haar vader. „Ge hebt de onbeschaamdheid vol te houden dat zij gelijk heeft, en volgt niet daaruit dat ik natuurlijk ongelijk heb? Misschien heb ik ook ongelijk gehad dat ik zulk eene presbyteriaansche, Hannoverschgezinde heks ooit in mijn huis duldde. Zij is er best toe in staat mij van hoog-verraad aan te klagen en al mijne bezittingen in handen van het gouvernement te spelen!”

„Ver van u geldelijk te willen benadeelen, vader,” zei Sophia, „ben ik overtuigd dat als tante gisteren gestorven ware, zij u haar geheel vermogen nagelaten zou hebben.”

Of Sophia dit met bedoeling zeide of niet, zal ik niet wagen te beslissen; maar zeker is het dat haar vader getroffen werd door deze laatste woorden, welke veel meer uitwerkten dan al wat zij te voren gezegd had. Zij raakten hem inderdaad zoo wat op dezelfde wijze als een kogel door het hoofd. Hij schrikte, beefde en verbleekte. Hierop zweeg hij een oogenblik, en hervatte toen aarzelende, als volgt:

„Gisteren? Zij zou me gisteren haar geheel vermogen nagelaten hebben? Zou zij dat gedaan hebben? Waarom juist gisteren? Denkelijk dan, als zij morgen sterft, zal zij het aan iemand anders vermaken en zal het voor de familie verloren gaan!”

„Tante is zeer driftig van aard, vader,” riep Sophia, „en het is onmogelijk te voorzien wat zij onder den invloed van den toorn zou kunnen doen.”

„Zoo! Is dat onmogelijk?” hernam haar vader, „En mag ik weten wie aanleiding gegeven heeft om haar driftig te maken? Neen! Wie heeft haar eigenlijk driftig gemaakt? Waart gij niet met haar al aan den gang eer ik in de kamer kwam? Bovendien, was het niet alleen over u dat wij kibbelden? Al jaren lang heb ik met zuster geen ruzie gehad dan alleen over u,—en nu wildet gij de geheele schuld op mij werpen, en het mij wijten als zij er toe komt haar geld aan vreemden te vermaken! Ik had ook niets beters van jou moeten wachten! Dat is de vergoeding die ge me schenkt voor al mijne liefde!”

„Ik smeek u dan,” riep Sophia, „op de knieën smeek ik u, als ik de ongelukkige aanleiding ben geweest tot dezen twist, om te trachten u met tante te verzoenen, en niet te dulden dat zij in hevigen toorn ontstoken dit huis verlaat;—zij is toch zeer goedig van aard en slechts eenige vriendelijke woorden zijn vereischt om haar te verzoenen! Laat me u smeeken, vader, dat te doen!”

„Zoo! En moet ik nu gaan vergiffenis vragen voor hetgeen gij misdaan hebt? Zoo!” riep Western. „Gij hebt het haas verloren en ik moet het weer gaan opsporen! Maar, als ik zeker was,—”

Hier brak hij af en Sophia, die steeds bleef smeeken, haalde hem eindelijk over, zoodat, na eenige scherpe, satirieke uitdrukkingen tegen zijne dochter gerigt te hebben, hij zoo snel mogelijk vertrok, om zijne zuster, als het kon, te verzoenen eer haar rijtuig ingespannen was.

Sophia keerde nu naar hare treurige kamer terug, waar zij zich overgaf (men vergeve mij die uitdrukking), aan al de weelde harer liefdepijn. Zij las en herlas meer dan eens den brief welken zij van Jones ontvangen had; de mof kwam ook bij deze gelegenheid weer te voorschijn en beide voorwerpen, even als zij zelve, baadden in tranen.

In dezen toestand gaf zich de welwillende juffer Honour de meeste moeite om hare bedroefde meesteresse te troosten. Zij somde de namen van eene menigte jonge heeren op en na hunne gaven en uiterlijk zeer geroemd te hebben, verzekerde zij Sophia dat zij daaronder kiezen kon.

Dergelijke middelen moeten zeker dikwijls met goed gevolg in soortgelijke ongevallen gebruikt zijn, of zulk een kundige praktizijn als juffer Honour zou nooit getracht hebben ze nu toe te passen;—ik heb zelfs wel eens gehoord, dat de fakulteit der kameniers ze onder de onfeilbaarste middelen rekent der geheele vrouwen-apotheek; maar, hetzij dat Sophia’s ziekte inwendig verschilde van die gevallen, welker uiterlijke kenmerken ze vertoonde, of om eenige andere reden,—maar werkelijk deed haar de goede kamenier meer kwaad dan goed, en vertoornde eindelijk hare meesteresse (wat niet gemakkelijk viel), zoo zeer, dat zij haar op verontwaardigden toon beval de kamer te verlaten.

HOOFDSTUK VI.

BEVATTENDE ALLERLEI.

De landjonker haalde zijne zuster in op het oogenblik, dat zij in het rijtuig wilde klimmen, en gedeeltelijk met geweld, gedeeltelijk door smeekingen, bragt hij haar er toe om de paarden weder te doen afspannen. Dit gelukte hem zonder veel moeite; want, gelijk wij reeds te kennen gegeven hebben, was de dame van zeer vreedzamen aard, en hield zij ook veel van haar broeder, hoewel zij zijne geestvermogens, of liever zijne geringe wereldkennis, verachtte.

De arme Sophia, die deze verzoening eigenlijk bewerkt had, werd er nu het slagtoffer van. Beiden kwamen overeen om haar gedrag te berispen; zij verklaarden haar gezamenlijk den oorlog en belegden dadelijk een raad, om maatregelen van de grootste kracht te beramen. Met dit doel stelde mejufvrouw Western voor, niet slechts om het contract met Allworthy dadelijk te sluiten, maar ook onmiddellijk de bepalingen er van te doen uitvoeren. Zij zeide tevens, „dat men alleen door gewelddadige middelen met hare nicht zou kunnen slagen, aan welke zij overtuigd was dat Sophia te zwak was om wederstand te bieden. Door geweld,” voegde zij er bij, „bedoel ik eigenlijk spoed;—want, wat opsluiting of bepaald dwang betreft, zoo iets moet volstrekt niet beproefd worden. Ons plan moet eene verrassing en geene bestorming zijn.”

Dit was dus alles afgesproken, toen de heer Blifil verscheen om zijne opwachting bij zijne beminde te maken. Zoodra de landjonker zijne komst vernam, verwijderde hij zich, op raad zijner zuster, om zijne dochter te bevelen haren aanstaande op eene betamelijke wijze te ontvangen, wat hij ook deed, met de hevigste bedreigingen en verwenschingen, toen zij dit weigerde.

Deze onstuimigheid van den landjonker maakte echter een einde aan allen tegenstand, en Sophia, zooals hare tante zeer wijsselijk voorzag, was niet in staat hem het hoofd te bieden. Zij stemde er dus in toe om Blifil te ontvangen, hoewel haar naauwelijks kracht of moed genoeg overbleef, om die woorden er uit te brengen. En wezenlijk, het was geene gemakkelijke taak voor haar, om een vader, dien zij zoo teeder beminde, iets te weigeren. Zonder deze bedenking, zou zij zich welligt hebben kunnen redden met veel minder vastberadenheid, dan zij wezenlijk bezat;—maar het is niets ongewoons daden, die grootendeels door liefde ingegeven worden, geheel en al aan vrees te zien toeschrijven.

Ten gevolge dus van de bepaalde bevelen van haar vader, moest Sophia nu den heer Blifil ontvangen. Wij hebben opgemerkt dat tooneelen van dezen aard, als ze zeer uitvoerig beschreven worden, den lezer slechts weinig vermaak opleveren, en wij zullen ons dus bij deze gelegenheid streng houden aan den regel van Horatius, die den schrijver den raad geeft om alles over te slaan, wat hij geene kans ziet in een helder licht te doen uitkomen. Een regel, naar wij ons verbeelden, die uitmuntend is, evenzeer voor den geschiedschrijver als den dichter, en die, als men er nooit van afweek, ten minste één heerlijk gevolg zou hebben, namelijk dat menig groot kwaad (zoo als elk dik boek wel eens heet), tot een klein kwaad teruggebragt zou worden.

Het is mogelijk dat de list, door Blifil bij deze bijeenkomst ten toon gespreid, Sophia overgehaald zou hebben bij een anderen man in zijne omstandigheden, om hem tot haar vertrouweling te maken, en haar hart voor hem open te leggen. Maar zij had zulk een ongunstig denkbeeld omtrent dezen jongeling opgevat, dat zij vast besloten had geen vertrouwen in hem te stellen;—want als de eenvoudigheid eens op hare hoede is, is die dikwerf tegen alle list bestand. Hare houding tegenover hem was dus zeer gedwongen en inderdaad van dien aard, welken men gewoonlijk bij eene jonge dame eischt, bij het tweede deftige bezoek van iemand, die tot haar aanstaanden echtgenoot bestemd is.

Maar ofschoon Blifil tegen haar vader verklaarde dat hij zeer tevreden was over zijne ontvangst,—was echter die heer, die door zijne zuster vergezeld, alles afgeluisterd had wat er voorgevallen was, niet zoo zeer in zijn schik. Hij besloot dan, op raad van die wijze dame, om de zaken zooveel mogelijk te verhaasten, en zich tot zijn aanstaanden schoonzoon wendende, sprak hij hem, na een luid, hola! in zijne jagerstaal, op de volgende wijze aan:

„Ks! ks! mijn jongen! Zit haar achterna! Ks! ks! Pak maar! Ks! ks! Vat maar aan! Wees niet bang! Pak maar aan! Allworthy en ik kunnen heden namiddag alles regelen en morgen zal het huwelijk zijn!”

Blifil riep eene uitdrukking van de meeste voldoening op zijn gelaat en hernam:

„Daar er niets ter wereld is, mijnheer, dat ik meer begeer dan eene verbindtenis met uwe familie, en mijn huwelijk met de beminnelijke en deugdzame Sophia, kunt gij u gemakkelijk verbeelden, hoe ongeduldig ik uitzie naar de verwezenlijking mijner twee dierbaarste wenschen. Zoo ik u dus op dit punt niet lastig gevallen ben, wil dat alleen toeschrijven aan mijne vrees van de dame te beleedigen, door te trachten zulk eene gelukkige gebeurtenis eerder door te drijven dan voegen zou met de strengste voorschriften der betamelijkheid en welvoegelijkheid. Maar, als men door uw invloed, mijnheer, haar overhalen kon eenige formaliteiten te—”

„Formaliteiten. Wat drommel!” riep de landjonker, „allemaal gekheid en onzin! Ik zeg je, dat zij jou morgen trouwen zal. Als ge zoo oud zijt als ik, zult ge de wereld beter kennen. De vrouwen zeggen nooit ja, jongen, als zij het laten kunnen. Dat is zoo de mode. Als ik op hare moeders toestemming had gewacht, was ik heden ten dage nog jonggezel! Toegetast maar! Toegetast maar, mijn jongen! Daar komt het op aan! Ik zeg, dat gij haar morgen hebben zult!”

Blifil liet zich overtuigen door de krachtige redenatiën van den landjonker, en daar men overeen kwam, dat Western dienzelfden namiddag alles met Allworthy regelen zou, ging de minnaar huiswaarts, na zeer ernstig gesmeekt te hebben, dat men de dame met deze overhaasting volstrekt geen geweld zou aandoen,—ongeveer op dezelfde wijze als een Inquisiteur de wereldsche autoriteiten smeekt volstrekt geen geweld te gebruiken tegen den leek, die aan haar overgeleverd wordt, nadat de kerk hem gevonnisd heeft.

En, om de waarheid niet te verbloemen, Blifil had het vonnis over Sophia uitgesproken; want ofschoon hij zich aan Western volmaakt tevreden verklaarde met zijne ontvangst, was hij eigenlijk van niets overtuigd, dan dat hij het voorwerp van den haat en der verachting der dame was, en dit had geen minderen haat en verachting bij hem opgewekt. Men zal welligt vragen, waarom hij dan in dit geval niet onmiddellijk een einde maakte aan hunne vrijaadje, en ik antwoord, dat het juist om die reden was, en om verscheidene anderen, die even deugdelijk waren, en welke ik nu uitleggen zal.

Hoewel mijnheer Blifil niet van hetzelfde gestel was als Jones, gereed om iedere vrouw, die hij zag, aan te vliegen, was hij echter ver van ontbloot te zijn van die driften, welke, naar men zegt, aan alle dieren eigen zijn. Daarbij bezat hij dien geest van onderscheid, welke de menschen in het voorwerp hunner keuze leidt, als zij aan hunne lusten willen voldoen, en deze leerde hem Sophia te beschouwen als een heerlijk brokje, en voor haar bezield te zijn met dezelfde gevoelens waarmede een lekkerbek een ortolaan aanziet. En de kwellingen welke Sophia’s hart ontroerden, verhoogden hare schoonheid eerder dan dat zij ze verminderden; want de tranen maakten hare oogen nog schitterender en haar boezem golfde van hare zuchten. Werkelijk ook, heeft niemand de schoonheid in haren grootsten luister gezien, als hij haar niet in het ongeluk gezien heeft. Blifil bekeek dus nu deze menschelijke ortolaan met meer verlangen dan toen hij haar de laatste keer gezien had; en zijne begeerte werd volstrekt niet verminderd door den afkeer welken zij voor hem aan den dag legde. In tegendeel, dit diende eerder om het genot te verhoogen dat hij zich voorstelde van haar bezit, daar de wellust door de overwinning verhoogd zou worden;—ja, hij had zelfs nog andere oogmerken met zijn wensch om haar te bezitten, die wij te zeer verfoeijen om ze zelfs te noemen, en onder de genoegens, welke hij zich voorspiegelde, nam ook de wraak hare plaats in. Den armen Jones te verdringen en hem uit haar hart te bannen, was nog een spoorslag voor hem, en beloofde zijn genot ten hoogsten top te voeren.

Behalve deze plannen, welke sommige naauwgezette menschen wat al te kwaadaardig zullen vinden, had hij ook iets anders op het oog, dat zeer weinige mijner lezers met groote afkeuring zullen vernemen. En dit was het vermogen van den heer Western, dat op zijne dochter en hare kinderen gevestigd zou zijn; want zoo buitensporig was deze dwaze vader in zijne liefde, dat mits zijn kind slechts daarin toestemde om een ellendig leven te leiden met den echtgenoot zijner keuze, hij er niet om gaf hoe duur die hem te staan kwam.

Om deze redenen verlangde de heer Blifil zoo zeer naar het huwelijk, dat hij zich voornam om Sophia te bedriegen, door haar in den waan te brengen dat hij haar beminde, en om haar vader en zijn eigen oom te misleiden door voor te geven dat hij door haar bemind werd. Tot dit einde maakte hij gebruik van de leer van den heer Thwackum, die het er voor hield, dat als het doel heilig was (wat zeker het geval is met het huwelijk), het er niet op aankwam hoe slecht de middelen waren. Bij andere gelegenheden plagt hij de wijsbegeerte van Square toe te passen, die beweerde dat het doel onverschillig was, mits de middelen slechts eerlijk en bestaanbaar waren met de zedelijke regtschapenheid. Om de waarheid te zeggen, er waren slechts weinige gevallen in dit leven, waarop hij niet met groot voordeel de leerstellingen van een van deze twee groote wijsgeeren toepassen kon.

Het was echter niet noodig om veel bedrog te plegen bij den heer Western, die niet meer gewigt hechtte aan de neigingen zijner dochter dan Blifil zelf; daar de heer Allworthy echter er heel anders over dacht, was het bepaaldelijk noodig om hem te misleiden.

Hierin werd Blifil echter zoo uitmuntend geholpen door Western, dat het hem zonder bezwaar gelukte; want daar de heer Allworthy van haren vader de verzekering ontving, dat Sophia zeer ingenomen was met Blifil, en dat alles wat hij omtrent Jones verondersteld had heel verkeerd was, behoefde Blifil niets anders te doen dan deze beweringen te bekrachtigen,—wat hij met zooveel dubbelzinnigheid deed, dat hij zijn geweten redde, en de voldoening smaakte om zijn oom een leugen te doen gelooven, zonder er bepaaldelijk zelf een verteld te hebben. Toen hij ondervraagd werd aangaande Sophia’s gevoelens door Allworthy, die zeide, „in geen geval er deel aan te willen hebben, dat de jonge dame tegen haar zin tot een huwelijk gedwongen werd,” antwoordde Blifil: „Dat het zeer moeijelijk was achter de ware gevoelens der jonge dames te komen; dat hare houding tegenover hem zoo voorkomend was als hij maar wenschen kon, en dat, als hij haar vader mogt gelooven, zij juist die neiging tot hem koesterde, welke eenige minnaar ooit verlangen kon.”

„Wat Jones aangaat,” vervolgde hij, „dien ik ongaarne een schurk noem, hoewel zijn gedrag ten uwen opzigte, oom, die benaming wel regtvaardigde, zijne ijdelheid, of misschien eenige booze oogmerken, heeft hem welligt doen bogen op iets dat niet bestaat; want als er iets van aan ware, dat mejufvrouw Western wezenlijk van hem hield, zou de grootte van haar vermogen hem nooit overgehaald hebben haar te verlaten, zoo als u bekend is, dat hij nu gedaan heeft. Eindelijk, oom, verklaar ik u, dat ik zelf om geene reden, neen, niet eens om alles ter wereld, er in toestemmen zou om deze jonge dame tot mijne vrouw te nemen, als ik niet overtuigd was, dat zij, wat hare liefde betreft, in alle opzigten aan mijne wenschen voldoet.”

Deze uitmuntende wijze om eene onwaarheid in te kleeden, wat geschiedt door middel van dubbelzinnigheid en bedrog, zonder den mond aan een logen schuldig te maken,—heeft het geweten van menigen grooten schelm gerust gesteld, en toch, als wij bedenken, dat het den Alwetende is, dien men tracht te bedriegen, zal men inzien, dat ze slechts een zeer oppervlakkigen troost kan opleveren, en dit kunstige en fijne onderscheid tusschen het doen gelooven aan eene onwaarheid, en het vertellen van een logen, is naauwelijks de moeite waard, die het kost.

Allworthy was tamelijk voldaan door hetgeen de heer Western en Blifil hem vertelden, en alle afspraken waren nu, na verloop van twee dagen, gemaakt. Niets bleef dan over om de kerkelijke inzegening te doen uitstellen, dan het werk der notarissen, hetwelk zooveel tijd dreigde te kosten, dat Western zich gereed verklaarde zich met de plegtigste eeden tot alles te verbinden, eerder dan het geluk van het jonge paar te vertragen. Inderdaad, hij was zoo vol ijver en zoo dringend in deze zaak, dat een onverschillige toeschouwer hem voor den hoofdpersoon daarbij zou hebben kunnen aanzien; maar deze drift was hem bij alle gelegenheden eigen, en elk plan dat hij beraamde, ondernam hij op eene wijze, die scheen aan te toonen dat het welslagen daarvan het geluk van zijn leven zou verzekeren.

De vereenigde smeekingen van vader en schoonzoon zouden waarschijnlijk den heer Allworthy overgehaald hebben, daar deze er niet aan denken kon het geluk van anderen te vertragen, zoo Sophia zelve dit niet belet had, door maatregelen te beramen, die de geheele verbindtenis verijdelden en kerk en wet beroofden van de belastingen, welke die wijze ligchamen goedgevonden hebben te leggen op de wettige voortplanting van het menschelijke geslacht. Hierover nader in het volgende hoofdstuk.

HOOFDSTUK VII.

EEN VREEMD BESLUIT VAN SOPHIA EN EENE NOG VREEMDER LIST VAN JUFVROUW HONOUR.

Hoewel jufvrouw Honour voornamelijk op haar eigen belang gesteld was, bleef zij niet zonder eenige weinige liefde tot Sophia. Om de waarheid te zeggen, was het zeer moeijelijk voor iemand om die jonge dame te kennen zonder haar lief te hebben. Zoodra zij dus het groote nieuws hoorde, dat zij van zoo veel gewigt achtte voor hare meesteresse, vergat zij den toorn, welke bij haar ontstaan was een paar dagen te voren, toen zij zoo zonder complimenten door Sophia uit de kamer gezonden werd, en haastte zich om haar de tijding mede te deelen.

Het begin van hare redevoering was even onverwacht als haar binnentreden.

„O mijne lieve jufvrouw!” riep zij, „zoudt gij het kunnen gelooven? ’t Is waar, het heeft mij een schrik gegeven, daar ik nog niet van hersteld ben,—en toch hield ik het voor pligt om het u te zeggen, al mogt gij er boos om worden; want wij dienstboden weten niet altijd wat onze meesters behagen zal of niet; en, dat is zeker, wat er ook gebeure, dat wordt ons ten laste gelegd! Als onze dames uit haar humeur zijn, knorren zij op ons,—en het is waar,—het zou mij niet verwonderen als gij nu uit uw humeur kwaamt,—want verrassen zal het u zeker,—ja, en u doen schrikken ook—”

„Mijne goede Honour,” zei Sophia, „laat me het zonder meer omhaal van woorden weten. Ik verzeker u dat er slechts weinig is, dat me nu verrassen, en nog minder dat mij verschrikken kan!”

„Wel, jufvrouw,” hernam Honour, „verbeeld u dat ik mijnheer hoorde praten met dominé Supple over het klaarmaken van de papieren heden namiddag, ten einde u morgen vroeg te doen trouwen!”

Sophia verbleekte bij deze woorden en herhaalde: „Morgen vroeg?”

„Ja, jufvrouw,” zei de trouwe dienstmeid, „ik wil er op sterven, dat ik mijnheer dat hoorde zeggen.”

„Honour,” riep Sophia, „ge hebt me zoodanig verschrikt en verrast, dat ik naauwelijks spreken of denken kan! Wat moet ik in dezen verschrikkelijken nood doen?”

„Ik wilde maar dat ik in staat was u goeden raad te geven,” hernam Honour.

„O geef me toch raad,” riep Sophia; „lieve Honour, help me toch! zeg maar wat ge doen zoudt als gij in dit geval waart!”

„Wezenlijk, jufvrouw,” hernam Honour, „ik wilde maar dat gij en ik nu van plaats ruilen konden; dat is, zonder de jufvrouw te willen beleedigen; want natuurlijk ik wenschte niet dat gij u vernederen zoudt om dienstbode te worden; maar, omdat als de zaak mij aanging, ik er geen bezwaar in zou vinden; want, naar mijn gevoelen, is mijnheer Blifil een allerliefst lief, bekoorlijk, schoon jong mensch,—”

„Zwijg toch met dien onzin!” riep Sophia.

„Onzin!” herhaalde Honour, „daar hebt ge het al!—Maar ’t is waar, wat de eene graag lust is vergif voor den andere,—en dat is ook het geval met ons vrouwen.”

„Honour,” zei Sophia, „eerder dan mij er aan te onderwerpen om dien ellendeling te trouwen, zou ik me een dolk door het hart stooten!”

„Mijn hemel, jufvrouw,” hernam de andere, „gij jaagt me een mooijen schrik aan! Laat me u smeeken u zulke booze gedachten uit het hoofd te zetten! Mijn tijd! Ik beef aan alle ledematen! Lieve jufvrouw, bedenk toch,—men zou u eene christelijke begrafenis weigeren;—uw lijk, met een paal er door heen, zou langs den kant van een sloot begraven worden,—even als met den boer Halfpenny geschiedde, te Ox Cross,—en hij spookt er nog altijd;—vele menschen hebben hem daar gezien. Zeker kan de Satan, en niemand anders, een mensch zulke booze gedachten ingeven, want het is waarlijk minder boos om alle menschen ter wereld kwaad te doen, dan zich zelven,—en dat heb ik dikwijls van den dominé gehoord. Als gij, jufvrouw, zulk een hevigen afkeer van den jongen heer koestert en er niet aan denken kunt hem tot man te nemen;—want, het is waar, er bestaan dergelijke antipathiën in de natuur, en men zou liever een pad dan zekere menschen aanraken,—”

Sophia was al te zeer in hare eigene gedachten verdiept geweest, om veel acht te slaan op bovenstaande uitnemende redevoering van hare kamenier, en viel haar dus nu in de rede, zonder er op te antwoorden, terwijl zij zeide:

„Honour, ik heb een besluit genomen. Ik heb me vast voorgenomen mijns vaders huis heden nacht te verlaten, en als het waar is, dat ge me zoo lief hebt als ge dikwerf gezegd hebt, zult ge me wel vergezellen.”

„Ik zal u tot het einde der wereld volgen, jufvrouw,” hernam Honour; „maar ik bid u wel de gevolgen eener zoo vermetele handeling te overwegen eer het te laat is. Waarheen zoudt gij toch bij mogelijkheid kunnen gaan?”

„Er woont in Londen,” zei Sophia, „eene dame van aanzien, eene aanverwante van mij, die eenige maanden bij tante buiten gelogeerd heeft, gedurende welken tijd zij mij met de meeste vriendelijkheid behandelde, en zooveel genoegen vond in mijn omgang, dat zij tante ernstig smeekte mij met haar naar Londen te laten gaan. Daar het iemand is van hoogen stand, zal ik haar gemakkelijk weten te vinden, en ik twijfel er niet aan, dat zij mij goed en liefderijk ontvangen zal.”

„Daar zou ik niet te veel op rekenen, jufvrouw,” antwoordde Honour; „want de eerste dame bij wie ik diende, was gewoon om de menschen zeer dringend bij zich te noodigen; maar als zij later hoorde dat zij kwamen, zorgde zij altijd niet te huis te zijn. Bovendien, hoewel deze dame zeker blijde zou zijn de jufvrouw te zien,—zooals iedereen zich verheugen zou u te zien,—evenwel, als zij hoort dat gij weggeloopen zijt,—”

„Ge vergist u, Honour,” zei Sophia; „zij heeft lang niet zooveel eerbied voor het vaderlijk gezag als ik; want zij drong er hevig op aan, dat ik haar naar Londen zou vergezellen, en toen ik weigerde dat te doen zonder vaders toestemming, lachte zij om mij en noemde me een dwaas landmeisje, en zeide dat ik zeker eene trouwe, liefhebbende echtgenoote zou worden, omdat ik zulk eene gehoorzame dochter was. Dus twijfel ik niet dat zij me ontvangen en beschermen zal, totdat mijn vader, als hij eens ziet, dat hij mij niet meer in zijne magt heeft, naar rede zal willen luisteren.”

„Maar, jufvrouw,” antwoordde Honour, „op welke wijze denkt gij van hier te ontsnappen? Van waar zult gij paarden of rijtuig krijgen? Want, wat uw eigen paard betreft, daar al de dienstboden meer of minder ingelicht zijn omtrent hetgeen er gaande is tusschen u en mijnheer, zou de stalknecht zich liever laten doodslaan, dan uw paard uit de stal te brengen zonder bepaalden last van mijnheer.”

„Ik ben voornemens te ontsnappen,” zei Sophia, „door eenvoudig de deur uit te gaan zoodra die openstaat. Ik dank den hemel dat mijne voeten sterk genoeg zijn om mij te dragen. Ze hebben me menigen langen avond gedragen,—na overdag gereden te hebben, als ik in geen zeer aangenaam gezelschap heb moeten dansen,—en zeker zullen ze me nu niet begeven, dat ik zulk verachtelijk gezelschap voor het geheele leven tracht te ontloopen.”

„Mijn hemel!” riep Honour, „weet de jufvrouw wel wat zij zegt? Gij denkt er toch niet aan, des nachts en alleen door het land rond te loopen?”

„Neen, niet alleen,” hernam de dame, „Gij hebt immers beloofd mij te vergezellen.”

„Wel zeker,” riep Honour; „ik wil de jufvrouw wel de heele wereld door volgen; maar gij zoudt bijna even goed alleen kunnen wezen; want ik zal niet in staat zijn u te verdedigen, als roovers of ander gespuis u aanvallen.—Neen! ik zou even benaauwd zijn als de jufvrouw zelve,—en zij zouden ons beide kunnen verkrachten,—dat is zeker. Bovendien, vergeet niet, jufvrouw, hoe koud het nu ’s nachts is, en dat wij zeker dood vriezen zouden.”

„Een flinke stap,” hernam Sophia, „zal ons beletten de koude te gevoelen, en als gij buiten staat zijt, Honour, om mij te verdedigen tegen een schurk, dan zal ik u beschermen; want ik zal een pistool medenemen. Er hangen er altijd twee, geladen, in den gang.”

„Lieve jufvrouw!” riep Honour; „gij jaagt me hoe langer hoe meer schrik aan! Gij zoudt het toch niet wagen een pistool af te schieten? Ik zou liever alles laten begaan, dan dat!”

„Hoe?” zei Sophia, met een glimlach, „zoudt gij, Honour, geen pistool op iemand losbranden, die uwe eer aanrandde?”

„’t Is waar, jufvrouw,” hernam Honour, „de eer is een kostelijk iets, vooral voor ons, arme dienstboden; want ze is zoo te zeggen, onze broodwinning;—maar ik ben doodelijk bang voor vuurwapenen;—men hoort er zoo vele ongelukken van.”

„Nu, nu,” antwoordde Sophia, „ik geloof, zonder groot gevaar, voor uwe eer te kunnen instaan;—en zelfs zonder wapens; want ik zal paarden nemen in de eerste stad die wij bereiken, en men zal ons wel niet op weg daarheen aanranden. Hoor eens, Honour; ik heb vast besloten te gaan, en als ge me vergezellen wilt, beloof ik u mijn best te doen om u daarvoor te beloonen.”

Deze laatste belofte werkte meer uit op Honour dan al het voorafgaande; en daar zij hare meesteresse aldus besloten zag, hield zij op met haar verder tegen te spreken. Zij begonnen nu te overleggen welke middelen zij gebruiken moesten om haar plan ten uitvoer te brengen.

Hierbij deed zich dadelijk een zeer groot bezwaar op, en dit was het wegbrengen harer zaken;—een bezwaar dat minder woog bij de dame dan bij de kamenier;—want als eene vrouw eens besloten heeft zich in de armen van een minnaar te werpen, of om hem te ontloopen, worden alle moeijelijkheden zeer weinig geteld.

Maar Honour was door geene beweegredenen van dezen aard bezield; zij ging geen liefde-geluk te gemoet, en had ook niemand te ontloopen;—buiten en behalve de wezenlijke waarde harer kleederen, waaruit haar vermogen grootendeels bestond, was zij hartstogtelijk verzot op sommige japonnetjes, omdat zij haar bijzonder goed stonden, of haar door den een of anderen gegeven waren, of omdat zij ze pas gekocht had, of omdat zij ze al zoo lang gehad had;—of om eenige andere even geldige reden, zoodat zij er niet aan denken kon ze achter te laten aan de genade van Western, die, zooals zij stellig verwachtte, in zijne woede ze tot zijne slagtoffers zou maken.

De slimme jufvrouw Honour echter, na al hare welsprekendheid verspild te hebben in de poging om hare meesteresse van haar voornemen af te brengen, bedacht nu eindelijk de volgende list om hare kleederen te redden. Zij wilde zich namelijk reeds dien avond de deur doen uitzetten. Sophia keurde dit plan dadelijk goed; maar betwijfelde zeer of het uitvoerbaar zou zijn.

„O, jufvrouw,” zei Honour, „dat kunt gij gerust aan mij overlaten. Wij dienstboden weten best hoe die gunst van onze heeren en dames te verkrijgen; hoewel, soms, als zij ons meer loon schuldig zijn, dan zij dadelijk betalen kunnen, zij al onze beleedigingen verdragen, en er moeijelijk toe gebragt kunnen worden om te verstaan als wij hun de dienst opzeggen;—maar zóó is mijnheer niet, en daar de jufvrouw bepaaldelijk heden avond vertrekken wil, sta ik u er borg voor, dat ik me heden namiddag de deur laat uitzetten.”

Zij spraken nu af dat zij wat linnengoed en een nachttoilet voor Sophia bij hare eigene zaken zou inpakken;—en wat hare overige kleeren betrof, daarvan zag de jonge dame af, met even weinig berouw als de zeeman gevoelt, wanneer hij vreemd goed over boord werpt, om zijn eigen leven te redden.

HOOFDSTUK VIII.

BEVATTENDE TWISTEN VAN GEEN BUITENGEWONEN AARD.

Jufvrouw Honour had hare jonge meesteresse naauwelijks verlaten, als iets, (want ik wilde niet als de oude vrouw in Quivedo, den Satan beleedigen door eene valsche beschuldiging,—en welligt had hij hoegenaamd met deze zaak niets te maken),—als iets, zeg ik, haar ingaf, dat zij door Sophia en al hare geheimen aan den heer Western te verraden, waarschijnlijk zich zelve zeer bevoordeelen zou. Vele beschouwingen zetten haar tot deze ontdekking aan. Het schoone vooruitzigt op eene zware belooning voor zulk eene groote en gewenschte dienst was verleidelijk voor hare geldzucht, en daarbij was hare vrees opgewekt door het gevaar van de onderneming waartoe zij zich verbonden had, door de onzekerheid omtrent den uitslag, door den angst voor den nacht, voor de koude, voor roovers en moordenaars. Dit alles werkte zoo sterk op haar, dat zij bijna vast besloten had regtstreeks bij den landjonker te gaan, en hem de heele zaak te openbaren. Zij was evenwel te regtvaardig om dadelijk een vonnis te vellen zonder beide partijen gehoord te hebben. En nu trad eerst de reis naar Londen levendig voor haar geest en pleitte zeer ten gunste van Sophia. Zij verlangde zeer eene stad te zien, waar zij zich een geluk voorspiegelde bijna even groot als een heilige in zijne vervoering in den Hemel wacht. Ten tweede, daar zij wist dat Sophia veel milder van aard was dan haar vader, had zij grooter voordeel te wachten van hare getrouwheid dan van haar verraad. Zij ging er nu toe over, om al de voorwerpen, die, van den anderen kant, hare vrees hadden opgewekt, op nieuw heel naauwkeurig te onderzoeken, en bevond eindelijk, dat ze niet veel te beteekenen hadden. En nu, toen beide schalen ongeveer even zwaar wogen, wierp zij hare liefde tot hare meesteresse aan den kant harer eerlijkheid en deed die schaal eenigzins overhellen, toen ééne omstandigheid haar plotseling voor den geest rees, die eene gevaarlijker uitwerking had kunnen hebben, als het heele gewigt er van in de andere schaal geworpen ware geweest. Dit was de tijd die er nog verloopen moest eer Sophia in staat zou zijn hare belofte te vervullen; want hoewel zij aanspraak had op het vermogen harer moeder bij haar vaders dood, en op de som van drie duizend pond, haar door een oom vermaakt, zoodra zij meerderjarig was, was dit alles nog in de verre toekomst, en vele ongelukken konden gebeuren om de bedoelde mildheid der jonge dame te verijdelen; terwijl de belooning van den heer Western te wachten, dadelijk volgen zou. Terwijl zij nog met deze bedenking bezig was, beschikte de beschermengel van Sophia, of Honours eerlijkheid, of misschien het toeval, eene gebeurtenis die hare trouw redde en haar zelfs de zaak gemakkelijk maakte.

De kamenier van mejufvrouw Western namelijk, matigde zich om vele redenen, eene groote meerderheid aan boven jufvrouw Honour. Ten eerste was zij van betere afkomst; want hare over-grootmoeder van moeders kant, was eene soort van nicht van een Ierschen pair. Ten tweede, trok zij een hooger loon. En eindelijk had zij in Londen gewoond, en dien ten gevolge meer van de wereld gezien. Zij had zich dus altijd tegenover jufvrouw Honour gedragen met die terughouding, en had van haar steeds die blijken van onderscheiding geëischt, die elke stand onder de vrouwen zelfs in acht neemt en steeds vordert in den omgang met vrouwen van minderen rang. Daar Honour echter het niet altijd eens was met deze leer, maar dikwerf inbreuk maakte op den eerbied door de andere geëischt, was de kamenier van mejufvrouw Western volstrekt niet met haar gezelschap ingenomen, en verlangde inderdaad zeer naar huis terug te keeren, waar zij den baas speelde over al de overige dienstboden van hare meesteresse. Zij had daarom eene groote teleurstelling ondervonden op den dag toen mejufvrouw Western, op het punt van te vertrekken, plotseling van voornemen veranderde,—en sedert dien tijd was zij in alles behalve een lief humeur geweest.

Zij was dus nog in deze aangename stemming toen zij in de kamer kwam, waar Honour, op boven beschrevene wijze, nog den strijd met zich zelve voerde. Zoodra deze haar zag, sprak zij haar als volgt beleefd aan:

„Zoo, jufvrouw! Naar ik hoor zullen wij de eer van uw bijzijn langer genieten dan ik gedacht had; want ik verbeeldde me dat de ruzie tusschen mijnheer en zijne zuster ons daarvan beroofd zou hebben.”

„Ik weet volstrekt niet, jufvrouw,” hernam de andere, „wat gij met wij en ons bedoelt. Ik verzeker u dat ik geen der dienstboden hier in huis als mijns gelijken beschouw. Ik hoop dat ik altijd goed gezelschap ben voor hunne meerderen! Ik spreek niet zoo zeer van u, jufvrouw Honour; want gij zijt nog al een fatsoenlijk meisje en als ge nog iets meer van de wereld zult gezien hebben, zou ik me niet schamen mij met u in de Londensche Parks te vertoonen—”

„Hola, ho!” riep Honour. „Heeft de juffer weer een harer kuren? Jufvrouw Honour, zegt gij! Wel verpligt! Waarom noemt ge me niet bij mijn „van;” want ofschoon mijne meesteresse me Honour noemt, heb ik ook, even goed als andere menschen, een familie-naam. U niet schamen u met mij te vertoonen, zegt ge!—Met mij, die, naar ik hoop, even goed ben als gij!”

„Daar gij mijne beleefdheid op die wijze beantwoordt,” hernam de andere, „moet ik u wel zeggen, jufvrouw Honour, dat gij mijns gelijken niet zijt! Hier buiten, ja, moet men zich met allerlei volk behelpen; maar in stad ga ik alleen met fatsoenlijke menschen om. Wezenlijk, jufvrouw Honour, ik hoop dat er eenig onderscheid bestaat tusschen ons beide!”

„Dat hoop ik ook,” antwoordde Honour. „Er bestaat eenig verschil in leeftijd,—en naar ik geloof ook in uiterlijk!”

Met deze laatste woorden zeilde zij de kamenier van mejufvrouw Western voorbij met de meest uittartende minachting, den neus ophalende, met het hoofd in den nek, en met geweld haren hoepel tegen dien harer mededingster doende aanbonzen. De andere dame riep een harer kwaadaardigste glimlagchen op en zeide:

„Schepsel! Gij zijt te min voor mijn toorn! Het zou beneden mijne waardigheid zijn, scheldwoorden te gebruiken tegen zulk eene onbeschaamde, onbeschofte feeks, maar, gij heks! dat zult ge wel van mij hooren, dat uwe manieren wel de laagheid uwer afkomst en uw gebrek aan opvoeding bewijzen, en dat beide u best geschikt maken om de verachtelijke dienstbare te zijn van zoo’n landmeisje!”

„Scheld mijne jonge dame niet uit!” riep Honour. „Dat verdraag ik niet! Zij is zoo veel beter als zij jonger is dan de uwe, en tien duizendmaal mooijer!”

Hier wilde het ongeluk, of liever het geluk, dat mejufvrouw Western zelve binnen kwam en hare kamenier in tranen vond, die rijkelijk begonnen te vloeijen toen zij naderde; en zoodra zij naar de reden harer droefheid gevraagd werd, maakte zij haar dadelijk bekend, dat die tranen uitgelokt waren door de onbeschofte behandeling van „dat schepsel dáár!” waarmede Honour bedoeld werd.

„En, jufvrouw,” ging zij voort, „ik zou alles veracht hebben wat ze mij zeide; maar zij had de onbeschaamdheid om op eene beleedigende wijze van u te spreken, en u leelijk te heeten,—ja, jufvrouw, zij noemde u eene leelijke oude kat, hier in mijn bijzijn,—en ik kan het niet verdragen u leelijk te hooren noemen!”

„Waartoe hare onbeschaamde woorden te herhalen?” zei jufvrouw Western. En zich daarop tot Honour wendende, vroeg zij haar: „Hoe zij zich verstouten durfde op eene oneerbiedige wijze van haar te spreken?”

„Oneerbiedig, jufvrouw!” riep Honour. „Ik heb in ’t geheel niet van u gesproken! Ik zeide wel dat zeker iemand niet zoo mooi was als mijne meesteresse, en dat weet de jufvrouw ook wel!”

„Zwijg!” riep de dame; „ge zijt eene ondeugende heks en ik zal u leeren, dat gij het regt niet hebt over mij te praten! Als mijn broeder u niet dadelijk de deur uitzet, wil ik geen oogenblik meer onder zijn dak doorbrengen! Ik zal hem gaan opzoeken en u dadelijk doen wegjagen!”

„Wegjagen!” riep Honour, „en wat dan? Zijn er geen andere diensten in de wereld te krijgen? Dank zij den Hemel, goede dienstboden hebben nooit gebrek aan eene dienst! En als gij allen wegjaagt, die u niet mooi vinden, zult gij spoedig gebrek aan dienstboden hebben! Dat is waar!”

Mejufvrouw Western zei, of liever bulderde iets tot antwoord; daar hare woorden echter ter naauwernood verstaanbaar waren, en wij ze dus niet letterlijk weergeven kunnen, zullen wij hier eene redevoering niet herhalen, die haar zeker weinig eer deed. Zij ging daarop haar broeder zoeken, met zulk een woedend gelaat, dat zij eerder op eene furie dan op een menschelijk wezen geleek.

De twee kamenieren, weder aan zich zelve overgelaten, begonnen nu op nieuw den twist, die weldra eindigde met een strijd van meer handtastelijken aard. Hierin bleef de overwinning aan den kant van de dame van minderen rang; maar niet zonder dat het haar wat bloed, wat haar, en wat neteldoek en batist gekost had.

HOOFDSTUK IX.

HET WIJZE GEDRAG VAN DEN HEER WESTERN ALS MAGISTRAAT. EEN WENK VOOR DE VREDEREGTERS OMTRENT DE VEREISCHTEN VAN EEN GRIFFIER;—MET VERBAZENDE VOORBEELDEN VAN VADERLIJKE DWAASHEID EN KINDERLIJKE LIEFDE.

De logici bewijzen soms meer dan zij willen door een argument, en de diplomaten foppen zich zelven soms door hunne fijne listen. Dit was bijna het geval geweest met jufvrouw Honour, die in plaats van al hare kleêren te redden, bijna belet had, dat die welke zij op het lijf had, wegkwamen; want zoodra de landjonker vernam, dat zij zijne zuster „uitgescholden had,” zwoer hij, met vele vloeken, dat zij naar de gevangenis zou.

Mejufvrouw Western was eene zeer goedaardige vrouw en gewoonlijk zeer ligt te verzoenen. Zij had onlangs de schadevergoeding aan een voerman geschonken, die haar rijtuig in een sloot gereden had;—ja, zij had zelfs de wet geschonden door te weigeren een straatroover te vervolgen, die haar beroofd had niet slechts van haar geld maar ook van een paar oorbellen, met vele scheldwoorden, terwijl hij zeide: „Zulke bl— mooije wijven als gij zijt, hebben geene juweelen noodig om zich er meê opteschikken, en de drommel zal je halen!”

Maar thans, zoo wankelbaar is het menschelijk gemoed, en zoo zeer verschillen wij van ons zelve op verschillende oogenblikken, wilde zij van geene genade hooren, en noch al het geveinsde berouw van Honour, noch al het smeeken van Sophia ten gunste harer kamenier, konden haar overhalen om haar broeder niet ernstig te verzoeken de strengste regtvaardigheid (wat hier iets meer dan het regt beteekende) uit te oefenen.

Maar gelukkig bezat de griffier eene hoedanigheid, welke geen griffier van een vrederegter missen moest; hij bezat namelijk eenige kennis van de wetten van het land. Hij fluisterde dus den regter in het oor, dat hij zijne magt te buiten zou gaan door het meisje naar de gevangenis te zenden, daar zij niet eens iets gedaan had om de openbare rust te verstoren. „Ik vrees, mijnheer,” zeide hij, „dat gij niet wettig iemand naar de gevangenis kunt zenden, alleen wegens gebrek aan beleefdheid.”

In zaken van groot gewigt, vooral in jagtdelicten, lette de regter niet altijd op deze vermaningen van zijn griffier; want bij het toepassen der wet in diergelijke gevallen, verbeelden zich vele vrederegters dat zij eene willekeurige magt bezitten, volgens welke zij, onder voorwendsel van beslag te leggen op allerlei werktuigen om het wild te vernielen, dikwerf, zonder schroom, zelve overtredingen—of roof plegen.

Maar dit wanbedrijf was niet zoo ernstig van aard, noch zoo gevaarlijk voor de geheele maatschappij. De regter geliefde dus te luisteren naar de wenken van zijn griffier; want, inderdaad, men had hem reeds tweemaal vermaningen gezonden van eene hoogere regtbank en hij had geen lust om zich eene derde op den hals te halen.

De landjonker zette dus een heel wijs en deftig gezigt en na verscheidene malen „hm!” en „ha!” gezegd te hebben, vertelde hij zijne zuster, dat hij, na rijp overleg, van gevoelen was, „dat daar geene stoornis van de openbare rust voorgevallen was, zooals de wet,” zeide hij, „bedoelt door het openbreken eener deur, of door een gat in een heg te slaan, of in een hoofd, of eenige gewelddadigheid van dien aard, de zaak eigenlijk niet crimineel was, en geene overtreding daarstelde, noch schadevergoeding toeliet, en ze dus niet eens strafbaar was voor de wet.”

Mejufvrouw Western verklaarde beter op de hoogte van de wet te zijn, en dat zij dikwerf gezien had, dat dienstboden zeer streng gestraft werden omdat zij hunne heeren beleedigd hadden; waarop zij zekeren vrederegter te Londen noemde, „die,” gelijk zij zeide, „iederen dienstbode ter wereld naar de gevangenis zou zenden, zoodra hunne meesters of meesteressen dat verlangden.”

„Dat is best mogelijk,” riep de landjonker; „dat kan best in Londen; maar de wet luidt anders hier buiten.”

Hierop volgde er een zeer geleerde redetwist over de wet tusschen den broeder en zijne zuster, welke wij zeker beschrijven zouden als wij ons maar verbeelden konden dat de lezer er iets van begrijpen zou. Beide partijen beriepen zich echter eindelijk op den griffier, die ten gunste van den vrederegter besliste, en mejufvrouw Western moest zich dus tevreden stellen met Honour dadelijk te doen wegjagen, waartoe Sophia zeer gaarne en zeer opgeruimd hare toestemming gaf.

Het noodlot dus, volgens zijne gewoonte, zich met een paar dwaasheden vermaakt hebbende, beschikte eindelijk alles ten gunste van onze heldin, die werkelijk verwonderlijk goed slaagde in hare list, als men in aanmerking neemt, dat het voor de eerste keer was, dat zij zoo iets beproefde. En, om de waarheid te zeggen, ik heb me dikwerf verbeeld, dat de eerlijke menschen steeds de schelmen zouden kunnen foppen, als zij er toe komen konden die schuld op zich te laden, of het de moeite waard rekenden het te doen.

Honour speelde hare rol volmaakt. Zoodra zij zich bewaard zag voor het gevaar van de gevangenis,—een woord, dat de verschrikkelijkste denkbeelden bij haar opgeroepen had,—gaf zij zich weder al die airs, welke haar angst vroeger wat verminderd had,—en zij legde hare betrekking neder met evenveel geveinsde tevredenheid en minachting als men ooit zag vertoonen bij het nederleggen van ambten van veel meer belang. Met verlof van den lezer, zeggen wij echter dat zij haar ambt nederlegde,—wat altijd synoniem is geweest, met ontslagen of weggejaagd zijn.

De heer Western echter beval haar zich te haasten met pakken, daar zijne zuster verklaard had geen nacht meer onder hetzelfde dak met zulk een onbeschaamde feeks te willen doorbrengen. Zij ging dus aan het werk met zoo veel goeden wil, dat alles reeds vroeg in den avond gereed was, en na haar loon ontvangen te hebben, trok zij met pak en zak op, tot de algemeene voldoening, maar vooral tot die van Sophia, die haar kamenier bevolen hebbende op het spookachtige en schrikbarende middernachtelijke uur haar op zekere plek, digt bij het huis te ontmoeten, zich nu begon voor te bereiden voor haar eigen vertrek.

Maar eerst moest zij twee pijnlijke gesprekken houden, het een met hare tante, het andere met haren vader. Mejufvrouw Western zelve nam een veel meer gebiedenden toon aan dan vroeger; maar haar vader sprak haar zoo woedend en dolzinnig toe, dat zij, uit angst, veinzen moest hem zijn zin te willen geven; wat den goeden landjonker zoo zeer behaagde, dat zijne sombere blikken in glimlagchen veranderden—zijne bedreigingen in beloften, terwijl hij zwoer dat hij haar als zijn leven lief had en dat hare toestemming (hij had hare woorden: „Gij weet wel, vader, dat ik de kracht niet bezit om uwe stellige bevelen tegen te spreken,” aldus opgevat), hem tot den gelukkigsten der stervelingen maakte.

Voorbeelden van een dergelijk gedrag bij ouders zijn zoo algemeen, dat de lezer, zonder twijfel, weinig verwonderd zal zijn over de houding van den heer Western. Als dat echter niet het geval is, beken ik het niet te kunnen verklaren; daar ik het voor onbetwistbaar houd, dat hij zijne dochter hartelijk lief had. En dus, hebben ook vele anderen gehandeld, die op dezelfde wijze hunne kinderen diep ongelukkig gemaakt hebben,—wat, hoe algemeen ook hij ouders, mij altijd voorgekomen is een der onverklaarbaarste ongerijmdheden te zijn in dat wonderbaarlijk en verbazend wezen, de mensch.

De laatst aangenomene houding van den heer Western maakte zooveel indruk op Sophia’s liefderijk hart, dat het eene gedachte bij haar opwekte, welke noch de sophismen van hare diplomatieke tante, noch al de bedreigingen van haar vader, ooit bij haar hadden doen ontstaan. Zij koesterde zooveel vromen eerbied voor haar vader en beminde hem zoo hartstogtelijk, dat zij naauwelijks eenig grooter geluk kende, dan hetgeen ontstond uit het deel hetwelk zij zoo dikwerf had in het bijdragen tot zijne genoegens—en soms ook tot zijne hoogere voldoening; want hij kon nooit het genot verbergen, dat hij smaakte als hij haar hoorde roemen, wat hem bijna elken dag te beurt viel.

Het denkbeeld dus van het oneindige geluk dat zij haren vader schenken zou, door in dit huwelijk toe te stemmen, maakte grooten indruk op haar hart. En bovendien werkte de gedachte aan het verdienstelijke van zoo vele gehoorzaamheid zeer sterk op haar godsdienstig gemoed. Eindelijk, de overweging van hoeveel zij zelve te lijden zou hebben, door zich als slagtoffer te stellen, of als martelaresse van kinderlijke liefde en pligt, deed bij haar eene aangename tinteling van zekeren kleinen hartstogt ontstaan, die hoewel noch aan godsdienst noch aan deugd verwant, dikwijls de goedheid heeft om veel bijstand aan beide te verleenen in het bereiken harer doeleinden.

Sophia was verrukt door de beschouwing van zulk eene heldhaftige handelwijze, en begon zich met voorbarige vleijerij vele complimenten daarover te maken, toen Amor, die in hare mof verborgen lag, plotseling te voorschijn kwam, en even als Polichinel in de poppenkast, alles wat hem in den weg zat, wegschopte. Inderdaad,—want wij wilden volstrekt niet den lezer foppen, of het karakter van onze heldin verfraaijen door hare handelingen aan bovennatuurlijke ingevingen toe te schrijven,—vernielde de gedachte aan haren beminden Jones, en eenige hoop (hoe flaauw ook) welke hem vooral aanging, spoedig al wat de kinderlijke liefde, de vroomheid en de hoogmoed met vereenigde krachten gestreefd hadden te bewerken.

Maar eer wij Sophia verder vergezellen, moeten wij tot den heer Jones terugkeeren.

HOOFDSTUK X.

BEVATTENDE ONDERSCHEIDENE ZAKEN, DIE WELLIGT HEEL NATUURLIJK—MAAR DIE OOK GEMEEN ZIJN.

De lezer gelieve zich te herinneren dat wij den heer Jones bij het begin van dit boek op weg naar Bristol verlieten, van waar hij zijn geluk op zee wilde zoeken, of liever zijn ongeluk aan wal ontloopen.

Het gebeurde, en dat is niets zeer ongewoons, dat de gids die hem er brengen moest, ongelukkig zelf den weg niet wist, en van het regte spoor afgekomen zijnde, daar hij zich schaamde naar den weg te vragen, heen en weder dwaalde tot de avond viel en het donker begon te worden. Jones, die de waarheid vermoedde, sprak den gids er over aan; maar deze hield vol dat zij op het regte pad waren, en voegde er bij, dat het toch al heel vreemd zou zijn als hij den weg niet vinden kon naar Bristol, hoewel het eigenlijk veel vreemder zou geweest zijn, als hij hem gekend had, daar hij nooit van zijn leven daar geweest was.

Jones stelde niet genoeg vertrouwen in zijn gids om niet bij zijne aankomst in een dorp den eersten den besten dien hij ontmoette, te vragen of zij op den weg waren naar Bristol?

„Waar komt ge van daan?” vroeg de kerel.

„Dat doet er niet toe,” hernam Jones, eenigzins knorrig; „ik wilde maar weten of dit de weg is naar Bristol?”

„De weg naar Bristol?” herhaalde de andere zich achter het oor krabbende. „wel, mijnheer, ik geloof haast niet dat ge van avond naar Bristol zult komen langs dezen weg.”

„Maar zeg ons dan, vriend,” zei Jones, „welken weg wij inslaan moeten?”

„Wel, mijnheer,” riep de boer, „ge moet, de hemel weet hoe ver, afgedwaald zijn! Dit is de weg naar Gloucester!”

„Nu! En welken kant moet ik uit, om naar Bristol te komen?” vroeg Jones.

„Wel, ge gaat nu van Bristol af,” antwoordde de andere.

„Dus moeten wij terug?” zei Jones.

„Wel zeker!” hernam de boer.

„En als wij weer boven op den heuvel gekomen zijn, welken kant moeten wij dan uitgaan?”

„Ge moet maar den regten weg volgen.”

„Maar ik herinner me dat er twee wegen zijn: één regts en de andere links.”

„Nou,—ge moet regts gaan en dan regt uit; maar vergeet niet eerst regts in te slaan, en dan weêr links, en dan nog eens regts; en dan komt ge bij het heerenhuis, en daarvan daan moet ge regt toe gaan en links inslaan.”

Een andere mensch naderde nu en vroeg waarheen de heeren gingen? Zoodra hij dit van Jones vernomen had, krabde hij zich ook eerst achter het oor en dan, leunende op een staak, die hij droeg, zeide hij: „Dat hij den weg regts omstreeks een half uur moest volgen,—of zoo wat,—en dat hij dan op eens links moest afslaan, eer hij voorbij het huis van mijnheer Jan Barnes kwam.”

„Maar hoe zal ik het huis van mijnheer Jan Barnes kennen?” vroeg Jones.

„Mijn hemel!” riep de kerel, „kent gij mijnheer Jan Barnes niet? Waar komt ge dan van daan?”

Deze twee kerels hadden het geduld van Jones bijna uitgeput, toen een eenvoudig, fatsoenlijk er uitziend mensch (een Kwaker) naderde en hem aldus aansprak: „Vriend, naar ik merk, zijt ge verdwaald, en als gij goeden raad volgen wilt, moet ge heden nacht niet trachten verder te komen. Het is al bijna donker en de weg is moeijelijk te vinden;—bovendien hebben er in den laatsten tijd verschillende aanrandingen plaats gehad tusschen hier en Bristol. Vlak in de buurt is er echter eene zeer fatsoenlijke herberg, waar gij en uw paarden het best hebben zult tot morgen vroeg.”

Na zich een weinig bedacht te hebben, besloot Jones tot den volgenden morgen daar te blijven, en zijne nieuwe kennis bragt hem naar de herberg.

De waard, een zeer beleefd mensch, zeide tot Jones, „dat hij hoopte dat hij het slechte onthaal voor lief zou willen nemen; want dat zijne vrouw van huis was en bijna alles opgesloten en de sleutels medegenomen had.” Het ware van de zaak was echter dat hare lievelings-dochter pas getrouwd was, en dat deze en hare moeder den armen man bijna van alles beroofd hadden,—zijn geld daarbij;—want hoewel hij verscheidene kinderen had, was deze dochter de eenige gunsteling der moeder,—en om aan de luimen van dit eene kind te voldoen, zou zij met genoegen al de overige kinderen en haar man op den koop toe, opgeofferd hebben.

Hoewel Jones zich niet geschikt gevoelde voor eenig gezelschap, en verkozen zou hebben alleen te blijven, kon hij de lastigheid van den goeden Kwaker niet ontloopen, die des te te begeeriger scheen om bij hem te blijven, daar hij de droefheid opgemerkt had, welke zigtbaar was op zijn gelaat en in zijne houding en die de waardige Kwaker door zijn omgang eenigzins dacht te verzachten.

Nadat zij eenigen tijd aldus met elkaar gesleten hadden, gedurende welken de eerlijke vreemdeling zich had kunnen verbeelden bij eene stille Kwakers vergadering tegenwoordigte zijn, begon de Kwaker door den een of anderen geest, waarschijnlijk die der nieuwsgierigheid, bezield te worden, en zeide: „Vriend, ik zie dat u het eene of andere treurig ongeval overkomen is; maar, bid ik u, wees getroost! Misschien hebt gij een vriend verloren. Zoo ja, vergeet niet dat wij allen sterfelijk zijn. En waarom zoudt gij treuren, terwijl gij weet, dat zulks uw vriend niet baten zal? Wij zijn allen voor het ongeluk geboren. Ik zelf heb mijne ongelukken te dragen, even goed als gij,—en zeer waarschijnlijk nog grootere rampen. Hoewel ik een zuiver vermogen heb van honderd pond sterling ’s jaars, wat zooveel is als ik noodig heb, en mijn geweten, dank zij den Hemel, mij niets verwijt,—en daarbij mijn gestel sterk en gezond is, en geen mensch iets van mij te vorderen heeft, noch mij van iets beschuldigen kan,—toch, vriend, zou het mij spijten, als ik u voor zoo rampzalig moest houden als ik ben.”

Hier eindigde de Kwaker met een zwaren zucht, en Jones hernam strakjes: „Het spijt me zeer, mijnheer, te vernemen dat gij ongelukkig zijt,—om welke reden ook.”

„De reden is—mijne eenige dochter,” hernam de Kwaker. „Een meisje dat mijne eenige vreugde ter wereld uitmaakte, en dat, in den loop dezer week weggeloopen en tegen mijn zin getrouwd is. Ik had een geschikten man voor haar gevonden, een bedaard mensch, en iemand die wat heeft in de wereld; maar zij wilde hare eigene keuze volgen, en is op den loop gegaan, met een jongen die geen duit bezit. Als zij gestorven ware, zoo als ik veronderstel dat met uw vriend het geval is, zou ik me gelukkig gevoeld hebben.”

„Dat luidt toch vreemd, mijnheer,” zei Jones.

„Wel! zou het niet beter voor haar zijn dood te wezen dan te bedelen?” vroeg de Kwaker; „want, gelijk ik zeide, die vent heeft geen duit ter wereld, en zij kan niet wachten dat ik haar ooit een stuiver geven zal. Neen! Daar zij uit liefde getrouwd is, moet zij van de liefde leven als zij dat kan, en zien of iemand haar zilver- of kopergeld daarvoor geven wil.”

„Gij weet best wat u te doen staat, mijnheer,” hernam Jones.

„Wel!” vervolgde de Kwaker, „het moet een lang vooraf beraamd plan geweest zijn om mij te foppen; want zij hebben elkaar van kindsbeen af gekend, en ik heb haar altijd tegen de liefde gewaarschuwd,—en haar wel duizendmaal gezegd dat het allemaal onzin en boosheid was. En de sluwe heks gaf voor, naar mij te luisteren en alle verleiding des vleesches te verachten; maar toch is zij eindelijk uit een venster ontsnapt, twee verdiepingen hoog; want ik begon haar te verdenken in den laatsten tijd, en sloot haar voorzigtig op, met het voornemen om haar den volgenden morgen naar mijn zin uit te huwelijken. En zij fopte me in slechts weinige uren, en ontsnapte naar den minnaar, dien zij zelve gekozen had, die ook geen tijd verspilde; want zij waren getrouwd en lagen zamen te bed binnen het uur. Maar dat zal het treurigste uur voor hen zijn, dat zij ooit gesleten hebben; want, voor mijn part mogen zij verhongeren, bedelen of stelen! Ik zal geen van beide ooit een duit geven!”

Hier sprong Jones op en riep: „Gij moet het mij waarlijk niet kwalijk nemen;—ik wilde nu alleen blijven.”

„Kom, kom, vriend!” zei de Kwaker; „geef niet toe aan uwe neerslagtigheid. Gij ziet dat gij niet de eenige ongelukkige zijt.”

„Ik zie dat er waanzinnigen, dwazen en schurken in de wereld zijn,” riep Jones. „Maar laat mij u een goeden raad geven. Zend om uwe dochter en uw schoonzoon, en maak niet zelf diegene ongelukkig, die gij voorgeeft lief te hebben!”

„Om haar en haar man zenden!” riep de Kwaker. „Ik zou liever zenden om de twee ergste vijanden die ik in de wereld heb!”

„Nu, ga dan maar zelf naar huis,—of waarheen u goed dunkt,” antwoordde Jones; „want ik verkies niet meer in zulk gezelschap te blijven!”

„Zoo vriend!” hernam de Kwaker, „en ik verkies niet mijn gezelschap aan wien ook op te dringen!”

Hij wilde nu de beurs te voorschijn halen; maar Jones dreef hem met eenig geweld de kamer uit.

Door het onderwerp waarover de Kwaker gesproken had, was Jones zoodanig ontroerd geweest, dat hij onder het gesprek steeds met woeste blikken rondgekeken had. Dit had de Kwaker opgemerkt, en gevoegd bij zijn overigens vreemd gedrag, had het den braven man met het denkbeeld bezield dat zijn makker werkelijk niet bij zijn verstand was. In plaats dus van de beleediging te wreken, gevoelde zich de Kwaker met medelijden vervuld voor den ongelukkige en, na zijne overtuiging aan den waard medegedeeld te hebben, verzocht hij hem voor zijn gast zorg te dragen en hem met de meeste beleefdheid te behandelen.

„Beleefdheid!” riep de waard, „neen! die denk ik niet veel jegens hem te gebruiken! Het schijnt, in weerwil van zijn mooije kleêren, dat hij niet meer een heer is dan ik zelf, en niets anders dan een arme bastaard uit het dorp, die opgevoed werd bij een grooten mijnheer, zoo wat een uur of tien van hier, en die nu de deur uitgezet is,—zeker niet om het goed dat hij gedaan heeft!—en ik zal hem zoodra mogelijk hier het huis uit zien te krijgen! Als ik zijne vertering verlies, zal ik blij zijn dat ik er zoo goedkoop afkom! Een jaar geleden ben ik een zilveren lepel kwijt geraakt!”

„Wat zegt gij? Een arme bastaard?” hernam de Kwaker. „Gij vergist u zeker in den persoon.”

„Volstrekt niet,” hernam de waard. „De gids die hem zeer goed kent, heeft het me verteld.”

En, inderdaad, naauwelijks was de gids in de keuken bij het vuur gezeten, of hij maakte het heele gezelschap bekend met al wat hij wist van Jones, of ooit van hem gehoord had.

Zoodra dus de Kwaker door dezen kerel ingelicht was omtrent de geboorte en het lot van Jones, verdween al het medelijden dat hij met hem gevoeld had en hij ging naar huis, even verontwaardigd als een hertog, die van zulk een wezen eene beleediging ondergaan had.

De waard zelf gevoelde niet minder verachting voor zijn gast, zoodat toen Jones schelde en naar eene slaapkamer vroeg, hem gezegd werd, dat hij er geene krijgen kon. Behalve de minachting, koesterde de waard Robert ook levendige verdenkingen omtrent de voornemens van zijn gast, die, naar hij veronderstelde, slechts op eene gunstige gelegenheid loerde om het huis te bestelen. Hij had echter op dit punt gerust kunnen wezen na de voorzorgen zijner vrouw en dochter, die reeds alles medegepakt hadden wat draagbaar was; maar hij was achterdochtig van aard, en was dit te meer geworden sedert het verlies van zijn lepel. Met één woord, de vrees van bestolen te worden, deed hem de prettige troostreden vergeten,—dat hij niets bezat dat men stelen kon.

Jones vernomen hebbende, dat hij geen bed kon krijgen, strekte zich zeer tevreden uit op eene groote rustbank, op wat stroo, waar de slaap, die in betere omstandigheden hem in den laatsten tijd steeds ontweken was, hem op zijne nederige rustplaats een edelmoedig bezoek bragt.

Wat den waard betreft, de angst hield hem van den slaap terug. Hij keerde dus naar het keukenvuur terug, van waar hij een oog kon houden op de eenige deur, die toegang verschafte tot de kamer, of liever, tot het hok, waar Jones zich bevond; en wat het venster in dat vertrek aangaat, het was onmogelijk voor eenig wezen, grooter dan eene kat, om daaruit te ontsnappen.

HOOFDSTUK XI.

DE AVONTUREN VAN EEN TROEP SOLDATEN.

De waard plaats genomen hebbende vlak tegenover de deur van de kamer, besloot om er den geheelen nacht op de wacht te blijven. De gids en een ander mensch deelden de dienst met hem een heelen tijd, zonder echter zijne verdenkingen te kennen, of er zelve eenige te koesteren. Hunne wacht eindigde echter door dezelfde oorzaak, waardoor ze begonnen was, namelijk door de sterkte en goede kwaliteit van het bier, waarvan zij eene groote hoeveelheid dronken, die hen eerst luidruchtig en druk maakte, en hen later in slaap wiegde.

Maar geen drank was bij magte om den angst van Robert te verdrijven. Hij bleef dus steeds wakker op zijn stoel, met de oogen onwrikbaar gevestigd op de deur, leidende naar de kamer van den heer Jones, tot een hevig geklop op de huisdeur hem van zijne zitplaats deed opstaan, en hem noodzaakte om open te doen,—wat pas geschied was, toen de keuken opgevuld werd met heeren in roode rokken, die even onstuimig op hem aandrongen, als of zij voornemens waren zijne kleine veste te bestormen.

De waard moest nu zijn post verlaten, ten einde zijne talrijke gasten van bier te voorzien, dat zij met veel ongeduld eischten, en toen hij ten tweeden of derden male uit den kelder terug keerde, zag hij den heer Jones voor het vuur staan te midden der soldaten; want men zal wel willen gelooven, dat de aankomst van zoo veel goed gezelschap een einde moest maken aan elken slaap, behalve dien, waaruit de laatste bazuin ons opwekken zal.

Het gezelschap nu zoo wat genoeg gedronken hebbende, bleef er niets over dan de rekening te betalen, eene zaak, welke dikwerf veel ontevredenheid en last veroorzaakt onder menschen van den minderen stand, die er veelal groot bezwaar in vinden om de juiste som voor iedereen te bepalen, op de meest billijke wijze,—die eischt dat iedereen naar verhouding van zijne vertering betalen zal. Dit bezwaar deed zich bij deze gelegenheid ook voor, en was des te grooter omdat sommige heeren in de groote haast, na den eersten dronk vertrokken waren, en geheel vergeten hadden iets bij te dragen tot betaling der rekening.

Er ontstond nu een hevige twist, waarin men zeggen kan, dat elk woord sterk bekrachtigd werd, daar het getal vloeken ten minste gelijk stond met het aantal andere woorden die uitgebraakt werden. Bij dezen twist spraken alle menschen door elkaar en iedereen scheen er op gesteld te zijn de som te verminderen welke hij betalen moest, zoodat het waarschijnlijkste einde dat te voorzien was, bleek te zijn, dat een groot gedeelte van de rekening ter betaling van den waard zou overblijven, of (wat op het zelfde nederkwam) niet betaald zou worden.

Inmiddels was de heer Jones in een gesprek gewikkeld met den sergeant; want deze heer bleef geheel buiten den twist, en volgens de gewoonte sedert onheugelijke tijden, vrij van alle betaling.

De twist werd nu zoo hevig, dat die op het punt scheen van door de wapenen te zullen worden beslist, toen Jones voor trad en dadelijk het rumoer deed bedaren door te verklaren dat hij zelf de geheele rekening zou betalen, die inderdaad niet meer dan drie shillings en eenige stuivers bedroeg.

Deze verklaring verschafte Jones de dankbetuigingen en lofspraken van het geheele gezelschap. Hij heette: „Een edele, grootmoedige, echte gentleman,” en zelfs de waard begon een gunstiger denkbeeld omtrent hem te koesteren en bijna te twijfelen aan hetgeen de gids van hem verteld had.

De sergeant had den heer Jones verteld dat zij op marsch waren tegen de rebellen, en dat zij waarschijnlijk aangevoerd zouden worden door den beroemden hertog van Cumberland. Hieruit zal de lezer zien (wat wij vroeger verzuimden mede te deelen), dat dit alles voorviel ten tijde toen de opstand ten gunste der Stuarts op zijn gevaarlijkst was, en inderdaad, de rooverbenden drongen nu uit Schotland in Engeland door, naar men meende, met het voornemen om ’s konings leger aan te vallen en tot de hoofdstad door te trekken.

Jones had iets krijgshaftigs in zijn karakter en was een hartelijke voorstander van de roemrijke zaak der vrijheid en der protestantsche leer. Geen wonder dus, dat in omstandigheden, welke een veel romantischer en dolzinniger onderneming gewettigd zouden hebben, de gedachte bij hem opkwam om als vrijwilliger aan dezen togt deel te nemen.

De bevelvoerende onderofficier had alles gezegd wat hij bedenken kon om deze loffelijke neiging aan te moedigen, zoodra hij zich verzekerd had dat ze bestond. Thans maakte hij het edele besluit van Jones luide bekend, dat ook met groot genoegen door het geheele gezelschap gehoord werd, terwijl allen riepen: „Leve de koning! Leve mijnheer!” en met vele vloeken er bij voegden: „Wij zullen u tot in den dood volgen!”

Een andere mijnheer die den heelen avond in de herberg had zitten drinken, werd door den korporaal overgehaald om het handgeld aan te nemen en om den togt mede te maken, en nu werd het reisvaliesje van den heer Jones op den bagagewagen geworpen en de troepen wilden zich juist in beweging stellen, toen de gids, Jones naderende, zeide:

„Mijnheer, ik hoop dat ge niet vergeten zult dat de paarden den heelen nacht uitgebleven zijn, en dat wij een grooten omweg hebben moeten maken!”

Jones stond verstomd over dezen onbeschaamden eisch, en legde de zaak aan de soldaten uit, die zich eenparig tegen den gids verklaarden, die het waagde een fatsoenlijk man te willen opligten. Sommigen zeiden dat hij verdiende krom gesloten te worden; anderen wilden hem door de spitsroeden doen loopen: en de sergeant zwaaide zijn stok tegen hem en wenschte dat hij hem maar onder zijne orders had, met een krachtigen vloek verklarende, dat hij hem tot een voorbeeld zou stellen.

Jones vergenoegde zich echter met eene negatieve bestraffing, en trok op met zijne nieuwe kameraden, aan den gids de armzalige wraak latende, om hem te verwenschen en uit te schelden,—aan welk laatste de waard ook deel nam, zeggende:

„Ja, ja! ’t Is me er een! Daar sta ik borg voor! Een lieve jongen, dat is waar, om soldaat te worden! Ja, ja, hij moet maar een mooijen rok dragen! ’t Is een oud woord en een waar woord, „dat het niet alles goud is, wat er blinkt!” Ik ben blijde dat ik hem hier uit het huis kwijt ben!”

Dien geheelen dag marscheerden de sergeant en de nieuwe soldaat zamen; en de eerste, die een slimme guit was, vertelde hem vele vermakelijke avonturen uit zijne veldtogten, hoewel hij er eigenlijk geene beleefd had; want hij was slechts onlangs in dienst getreden, en had zich, door zijne behendigheid, zoodanig in de gunst zijner officieren aanbevolen, dat hij sergeant was geworden, voornamelijk wegens zijne verdiensten in het rekruteren, waarin hij ook wezenlijk uiterst bedreven was.

Op marsch waren de soldaten buitengewoon vrolijk en opgeruimd; zij herdachten de vele avonturen in hunne laatste kwartieren, en iedereen bespotte, met de meeste vrijmoedigheid, zijne officieren, met grappen die niet fijn van aard waren en niet veel van lastertaal verschilden. Dit herinnerde onzen held aan de gewoonte van welke hij gelezen had onder de Grieken en Romeinen, die, bij zekere feestelijke en plegtige gelegenheden den slaven de vrijheid vergunden om op de meest ongedwongene wijze tot hunne meesters te spreken.

Het kleine leger, uit twee kompagniën infanterie bestaande, bereikte eindelijk de plaats waar men overnachten zou en de sergeant meldde nu aan den luitenant, die het bevel voerde, dat zij den vorigen dag op marsch nog twee kerels opgeloopen hadden, één van welke (bedoelende den dronkaard) een der knapste menschen was die hij ooit gezien had, want hij was bijna zes voet lang, welgemaakt en krachtig, terwijl de andere (Jones bedoelende) heel goed was voor het tweede gelid.

De rekruten werden nu aan den officier voorgesteld, die den zesvoeter bekeken hebbende, welke hem eerst gebragt werd, zich daarna tot Jones wendde; op het eerste gezigt van dezen kon de luitenant echter niet nalaten eenige verwondering te laten blijken; want behalve dat hij zeer goed gekleed was en eene natuurlijke fatsoenlijkheid over zich had, was er iets bijzonder waardigs in zijne houding, wat men zelden vindt onder het gemeene volk, maar wat inderdaad ook niet onafscheidelijk is van den rang hunner meerderen.

„Mijnheer,” zei de luitenant, „mijn sergeant vertelt me, dat gij verlangt dienst te nemen bij de kompagnie, welke ik op het oogenblik onder mijne bevelen heb;—als dat nu waar is, zullen wij zeer blijde zijn een heer daarin op te nemen, die de kompagnie eer zal aandoen door zich bij haar in te laten lijven.”

Jones hernam, „dat hij er volstrekt niet aan gedacht had dienst te nemen; dat hij echter vurig gehecht was aan de goede zaak voor welke zij gingen strijden, en dat het zijn wensch was als vrijwilliger mede te gaan.” Hij eindigde met eenige beleefde woorden aan den luitenant, waarbij hij zijn genoegen te kennen gaf om onder hem te mogen dienen.

De luitenant beantwoordde zijne beleefdheid op dezelfde wijze, roemde zijn besluit, gaf hem de hand en noodigde hem uit om met hem en de overige officieren te eten.

HOOFDSTUK XII.

DE AVONTUREN VAN EENIGE OFFICIEREN.

De luitenant, dien wij in het vorige hoofdstuk vermeldden, en die deze troep aanvoerde, was nu bijna zestig jaren oud. Hij was zeer jong in dienst gegaan, en was, als vaandrig, bij den slag bij Tannières geweest, waar hij twee wonden ontvangen en zich zoodanig onderscheiden had, dat hij dadelijk naden slag door den Hertog van Marlborough tot luitenant bevorderd was.

In dezen rang had hij sedert (dat is bijna veertig jaren) gediend, gedurende welken tijd hij ontelbare menschen had zien bevorderen, terwijl men hem voorbijging, en hij moest het nu verdragen dat jonge lieden hem kommandeerden, wier vaderen kinderen waren toen hij in dienst trad.

Deze tegenspoed in de dienst was niet alleen daaraan toe te schrijven, dat hij geene invloedrijke vrienden bezat. Hij had het ongeluk daarbij om den kolonel te mishagen, die vele jaren lang het bevel voerde over het regiment. Hij had zich den onverzoenlijken haat, welken deze heer hem toedroeg, niet op den hals gehaald door eenig pligtverzuim als officier, noch inderdaad door eenige schuld van zijn kant; maar alleen door de onvoorzigtigheid zijner vrouw, die zeer schoon was, en die, hoewel zij bijzonder veel van haar man hield, zijne bevordering niet koopen wildeten koste van zekere gunstbewijzen, welke de kolonel van haar eischte.

De arme luitenant was des te ongelukkiger, omdat, terwijl hij de uitwerkselen van de vijandigheid van zijn kolonel ondervond, hij nooit wist, noch vermoedde, dat die bestond; want hij kon geen onwil veronderstellen, waartoe hij zich niet bewust was op eenige wijze aanleiding gegeven te hebben, terwijl zijne vrouw, bevreesd voor hetgeen haar mans fijn eergevoel, geëischt zou hebben, zich te vreden stelde met hare deugd te bewaren, zonder op hare overwinning te pogchen.

Deze ongelukkige officier (want zoo, dunkt me, moet men hem heeten), bezat vele goede hoedanigheden behalve zijne verdiensten als krijgsman; want hij was godsdienstig, eerlijk, goedhartig en had zich zoo voortreffelijk gehouden in de dienst, dat hij hooggeacht en bemind was, niet slechts door de soldaten zijner eigene kompagnie, maar ook door het geheele regiment.

De andere officieren die met hem marscheerden waren een Fransche luitenant, die lang genoeg uit zijn eigen land geweest was om de Fransche taal te vergeten, maar niet lang genoeg in Engeland om de landtaal aan te leeren; zoo dat hij eigenlijk geene taal sprak en zelfs in dagelijksche zaken zich naauwelijks kon doen verstaan. Er waren ook twee vaandrigs, beide zeer jonge menschen, van wie de eene opgevoed was door een zaakwaarnemer en de andere de zoon was van de vrouw van den keldermeester van zekeren edelman.

Na afloop van de tafel, vertelde Jones van de grappen onder de soldaten op marsch, „en toch,” zeide hij, „in weerwil van al hun geschreeuw, geloof ik wel dat zij zich vóór den vijand, eerder als Grieken dan als Trojanen gedragen zullen.”

„Grieken en Trojanen!” riep een der vaandrigs. „Wie drommel zijn dat? Ik heb wel eens alle troepen in Europa hooren noemen,—maar die nooit!”

„Wend niet voor onwetender te zijn dan werkelijk het geval is, mijnheer Northerton,” zei de waardige luitenant. „Ge zult toch wel eens van de Grieken en van Troja gehoord hebben, ofschoon u welligt Pope’s vertaling van Homerus onbekend is, die, als ik me goed herinner, de Trojanen op marsch vergelijkt met eene vlugt kakelende ganzen, en de stilte der Grieken zeer roemt. En, wezenlijk, onze vrijwilliger heeft groot gelijk.”

„Par Dieu! Ik herinner mij goed,” zei de Fransche luitenant. „Ik heb gelezen van hen, in de school, dans Madame Dacier! Die Grieken en Trojanen,—oui, oui,—zij vochten om eene vrouw! Ik heb gelezen dat alles!”

„Naar de maan, met Homo—of hoe hij heet zeg, ik!” riep Northerton. „Ik draag nog likteekens van hem—niet juist op mijn rug! Daar hebt ge Thomas, van ons regiment, die heeft altijd zoo’n Homos op zak. Verdraaid, als ik er bij kom, als ik hem niet op het vuur smijt! Daar was ook nog Cordelius, een ander verwenscht duivelskind, die mij menig pak slagen bezorgd heeft!”

„Dus hebt ge toch school gelegen, mijnheer Northerton?” vroeg de luitenant.

„Wel, verd....!—Ja zeker!” hernam hij. „De drommel hale den ouden heer, dat hij mij er ooit heen zond! De oude man wilde een steek van mij maken; maar, verdraaid! dacht ik bij mij zelven, dat zal ik je wel afleeren, oude sul! Ge zult mij van je leven niemendal van jou onzin inprenten! Daar hebt ge ook nog Jaapje Oliver van ons regiment, die ter naauwernood er aan ontsnapte om steek te worden; de Satan zal mij halen, als hij niet een der knapste kerels ter wereld is;—maar hij lapte het den ouden heer beter dan ik;—want Jaapje kan lezen noch schrijven!”

„Gij roemt uw vriend zeer,” zei de luitenant, „en ik twijfel er niet aan dat hij het verdient; maar, Northerton, ik bid u, laat die dwaze gewoonte en vloek niet zoo veel, want ik verzeker u dat ge u vergist als ge het voor geestig of beleefd houdt. Ik wilde ook dat gij mijn raad wildet volgen, om niet altijd op de geestelijken te schelden. Scheldwoorden en minachting van een geheel corps zijn steeds onvergeefelijk; maar vooral als ze menschen gelden, die een heilig beroep uitoefenen; en ik laat het aan u over te oordeelen hoe ongerijmd zulk eene handelwijze is in mannen die juist te velde trekken om de protestantsche godsdienst te beschermen.”

De heer Adderly, zoo als de andere vaandrig heette, die tot dusver met de beenen op zijn stoel had zitten te schommelen, schijnbaar zonder naar het gesprek te luisteren, zeide nu:

„O, Monsieur, on ne parle pas de religion dans la guerre.”

„Heel goed, Jaap!” riep Northerton. „Als het alleen om de religion te doen was, dan konden de dominé’s voor mijn part zelve te velde trekken.”

„Ik weet niet hoe gij er over denkt, heeren,” zei Jones; „maar ik verbeeld me dat niemand eene heiligere zaak kan vinden dan die zijner godsdienst, en uit de weinige geschiedenis, welke ik gelezen heb, meen ik opgemerkt te hebben dat geene soldaten zoo dapper gestreden hebben als die, welke door godsdienstijver bezield zijn geweest;—wat mij betreft, hoewel, naar ik hoop, niemand vuriger dan ik gehecht is aan Koning en Vaderland, heeft de protestantsche zaak toch veel er toe bijgedragen om mij naar de wapenen te doen grijpen.”

Northerton knipoogde nu tegen Adderly en fluisterde hem stilletjes in het oor: „Wij moeten dien kwast eens uithooren, Adderly!” waarop hij zich tot Jones wendende, tot hem zeide: „Het doet me genoegen, mijnheer, dat gij ons regiment uitgezocht hebt om er als vrijwilliger bij te dienen; want als onze veldprediker soms eens een glaasje te veel gebruikt, zie ik dat gij hem best zult kunnen vervangen. Ik veronderstel, mijnheer, dat gij gestudeerd hebt;—mag ik zoo vrij wezen te vragen, welke akademie gij bezocht hebt?”

„Mijnheer,” hernam Jones, „verre van ooit eene hoogeschool bezocht te hebben, heb ik niet eens het geluk gehad, zoo als gij, op school te gaan.”

„Mijne veronderstelling was gegrond op de blijken van uwe groote geleerdheid,” riep de vaandrig.

„O, mijnheer,” hernam Jones; „het is even goed mogelijk dat men iets leere zonder op school te gaan, als het mogelijk is op school te gaan en er niets te leeren.”

„Bravo, jeugdige vrijwilliger!” riep de luitenant. „Op mijn woord, Northerton, ge zoudt wel doen met hem in rust te laten; want ge zijt niet tegen hem opgewassen.”

Northerton was zeer vertoornd over de ironie van Jones, maar gevoelde dat de terging niet groot genoeg was, om hem te regtvaardigen als hij die wreken wilde met een slag, of een „gemeene vent!” of een „schurk!” welke de eenige antwoorden waren, die hem invielen. Hij zweeg dus voor een oogenblik; maar besloot om de eerste gelegenheid waar te nemen om zich op Jones te wreken.

Deze was nu aan de beurt om een toast in te stellen, en hij kon niet nalaten den naam zijner beminde Sophia bij die gelegenheid te noemen. Dit deed hij des te onbeschroomder, daar hij zich niet verbeelden kon, dat het voor iemand der aanwezigen mogelijk zou zijn te gissen wie hij daarmede bedoelde.

Maar de luitenant, die aan het hoofd van de tafel zat, was niet tevreden alleen met den naam van Sophia. Hij zeide ook haar familie-naam te moeten weten, waarop Jones, na eenige aarzeling, mejufvrouw Sophia Western noemde. De heer Northerton verklaarde nu dat dat hij onmogelijk op haar drinken kon, ten zij er iemand was die voor haar instond:

„Ik heb eene Sophia Western te Bath gekend,” voegde hij er bij, „de maitresse van de helft der jongeluî daar, en misschien is dit hetzelfde wijf.”

Jones verzekerde hem zeer plegtig van het tegendeel, bewerende dat de jonge dame iemand was van hoogen stand en groot vermogen.

„Ja, ja,” riep de vaandrig; „dat is zij ook! Ik wil verd—d zijn als het niet dezelfde vrouw is! En ik wed een half dozijn flesschen Bourgogne dat Tom French van ons regiment haar medebrengt in elke kroeg, die wij verkiezen!”

Daarop ging hij voort met haar uiterlijk zeer naauwkeurig te beschrijven;—want hij had haar met hare tante gezien,—en eindigde met te zeggen, „dat haar vader uitgestrekte landerijen bezat in Somersetshire.”

Een teedere minnaar kan de minste aardigheid over zijne beminde slecht verdragen. Jones echter, ofschoon hij verliefd en moedig genoeg was, wreekte dezen laster welligt niet zoo spoedig als hij had moeten doen. Om de waarheid te zeggen, daar hij slechts weinig geestigheid van dezen aard gezien had, begreep hij ze ook niet dadelijk en verbeeldde zich een heelen tijdlang dat er bij den heer Northerton eene verwarring van denkbeelden bestond omtrent de persoon. Zich echter eindelijk, met een ernstigen blik tot den vaandrig keerende, zeide hij:

„Ik verzoek u, mijnheer, een ander voorwerp te zoeken voor uwe geestigheid; want ik verzeker u dat ik geene aardigheden wil aanhooren omtrent den goeden naam dezer dame.”

„Aardigheden!” riep de andere. „Wel verdraaid! Ik meende het nooit van mijn leven ernstiger! Tom French van ons regiment, heeft haar en hare tante, beide, te Bath gehad!”

„En ik zeg u ook, in goeden ernst,” riep Jones, „dat gij een der grootste schelmen ter wereld zijt!”

Hij had naauwelijks deze woorden er uitgebragt toen de vaandrig, met een rollend vuur van vloeken, Jones eene flesch naar het hoofd smeet, die hem iets boven de regter slaap rakende, hem oogenblikkelijk ter aarde velde.

De overwinnaar zijn vijand aldus bewusteloos uitgestrekt ziende, terwijl het bloed vrij sterk uit de wond vloeide, begon er nu aan te denken om het slagveld te verlaten waar geen eer meer voor hem in te oogsten viel; maar de luitenant belette hem dit door zich voor de deur te plaatsen en hem den terugtogt af te snijden.

Northerton smeekte den luitenant ernstig hem te laten gaan, hem herinnerende aan de waarschijnlijk treurige gevolgen als hij bleef, terwijl hij hem ook vroeg, of hij anders had kunnen handelen dan hij gedaan had?

„Wat drommel!” riep hij; „het was maar gekheid van mij. Ik heb van mijn leven geen kwaad van jufvrouw Western gehoord!”

„Zoo!” riep de luitenant. „Dan verdient ge de galg! Evenzeer voor het maken van zulke grappen als voor het gebruiken van zulke wapenen. Gij zijt mijn arrestant, mijnheer;—en ge zult hier de deur niet uit tot er eene behoorlijke wacht is, om u in bewaring te nemen.”

Onze luitenant bezat zulk eene meerderheid over den vaandrig, dat al die bruischende moed, welke gediend had om onzen armen held neder te vellen, genoemden vaandrig naauwelijks aangespoord zou hebben het zwaard tegen den luitenant te trekken, als er een om zijne lendenen gegord ware geweest; maar alle degens hingen tegen den muur en werden bij het begin van den twist door den Franschen officier in bezit genomen. Dus was de heer Northerton gedwongen den afloop der zaak af te wachten.

Op verzoek van hun bevelhebber, rigtten de Franschman en de heer Adderly Jones op: daar zij echter weinige of geene teekenen van leven bespeurden, lieten zij hem weder vallen, terwijl Adderly hem verwenschte omdat hij zijn vest met bloed bevlekt had, en de Franschman uitriep:

„Pardie! Ik raak niet meer le mort aan;—men heeft mij verteld dat de Engelsche wet ophangt den man, die het laatst getoucheerd heeft den doode!”

Toen de goede luitenant naar de deur vloog, trok hij onderweg aan de schel, en zoodra de knecht verscheen, zond hij hem om een heelmeester. Deze boodschap, tegelijk met hetgeen de knecht zelf gezien had, bragt niet slechts de soldaten op de plek bijeen, maar ook den waard, zijne vrouw, de dienstboden, en iedereen die te dien tijd in de herberg was.

Het zou mij onmogelijk zijn, al kon ik veertig pennen tegelijk voeren, om alle bijzonderheden en alle gesprekken op te schrijven die voorvielen bij het tooneel dat nu volgde. De lezer moet zich dus met het merkwaardigste te vreden stellen, en zal waarschijnlijk het overige best kunnen missen.

Het eerste dat gedaan werd, was zich van Northerton te verzekeren, die onder begeleiding van een korporaal en zes man weggebragt werd van eene plaats, welke hij gaarne verlaten wilde;—maar ongelukkig, naar eene plaats, waarheen hij ook zeer ongaarne ging. Ja, zoo grillig zijn de wenschen der eerzucht, dat op hetzelfde oogenblik dat deze jongeling zich door bovengemelde eerewacht omgeven zag, hij zich volgaarne verschuild zou hebben in eenigen uithoek der wereld, waar geen mensch er ooit iets van had kunnen vernemen.

Het verbaast ons, en misschien den lezer ook, dat de waardige en goede luitenant zich eerder er op toelegde om zich van den misdadiger te verzekeren, dan om het leven van den gewonde te redden. Wij merken dit hier op zonder eenig plan om zulk een vreemd gedrag te willen verklaren; maar alleen om te beletten dat eenig recensent zich er later op beroemen zou het zelf ontdekt te hebben. Wij wilden die heeren doen begrijpen, dat wij zonderlingheden in eens menschen karakter even goed ontwaren als zij zelven; maar het is alleen onze taak om de feiten naar waarheid te vermelden, terwijl, als wij dat gedaan hebben, de geleerde en schrandere lezer het oorspronkelijke boek der natuur moet raadplegen, waaruit elke bladzijde in ons werk afgeschreven is, zonder dat wij echter ons telkens verpligt gevoelen de bijzondere bladzijde te vermelden.

Het gezelschap dat nu bijeen gekomen was, scheen van een geheel ander gevoelen te zijn. Zij beteugelden hunne nieuwsgierigheid omtrent den vaandrig, tot zij hem later in eene meer belangwekkende positie zouden zien. Thans werd hunne belangstelling en oplettendheid alleen geboeid door het bebloede voorwerp op den grond, dat evenwel, zoodra het op een stoel gezet werd, eenige teekens begon te geven van leven en beweging. Zoodra de omstanders dit ontwaarden (want men hield Jones eerst voor dood), begonnen zij allen tegelijk iets voor te schrijven; want daar er niemand van de geneeskundige fakulteit aanwezig was, nam iedereen dat ambt op zich.

Met eenparige stemmen verklaarde men zich voor eene aderlating; maar ongelukkig was er geen heelmeester bij de hand;—om welke reden iedereen uitriep: „Zend om den barbier!” zonder echter dat iemand met dat doel een voet verzette. Op even weinig doelmatige wijze, werd het gebruik van allerlei drankjes voorgeschreven; tot de waard, eene kan oud bier, warm, en met een stuk geroosterd brood er in bestelde,—wat hij voor het beste geneesmiddel hield in het land.

De persoon, die de meeste hulp verleende bij deze gelegenheid, en inderdaad de eenige die werkelijk eenige dienst scheen te zullen bewijzen, was de vrouw van den waard, die wat van haar hoofdbaar afsneed en het op de wond legde om het bloed te stillen, den jongeling eigenhandig de slapen wreef en met de meeste minachting voor de voorschriften van haar man, eene der meiden zond om eene flesch brandewijn uit hare eigene kast, waaruit zij Jones, die pas weder tot bezinning gekomen was, overhaalde om een flinken slok te gebruiken.

Kort daarop verscheen de heelmeester, die de wond onderzocht, het hoofd schudde, alles afkeurde wat er al gedaan was en beval den patient dadelijk naar bed te brengen, waar wij het goed vinden hem een tijdlang in rust te laten en dus hiermede een einde aan dit hoofdstuk maken.

HOOFDSTUK XIII.

OVER DE GROOTE BEHENDIGHEID VAN DE WAARDIN, DE GROOTE GELEERDHEID VAN DEN HEELMEESTER, EN DE GROOTE BEDREVENHEID VAN DEN WAARDIGEN LUITENANT OP HET PUNT VAN GEWETENSVRAGEN.

Zoodra de gekwetste naar bed gebragt was, en al de drukte begon te bedaren, door dit ongeluk in het huis veroorzaakt, sprak de waardin den bevelvoerenden officier aldus aan:

„Ik vrees, mijnheer, dat die jongeling zich niet betamelijk gedragen heeft in het bijzijn der heeren en dat, als men hem doodgeslagen had, hij slechts zijn verdiend loon gekregen zou hebben; want, als mindere menschen in het gezelschap van hunne meerderen toegelaten worden, moesten zij nooit vergeten zich behoorlijk op een afstand te houden;—maar, zoo als mijn eerste man plagt te zeggen, er zijn er maar weinigen, die dat weten te doen. Wat mij betreft, ik weet zeker, dat ik nooit gewild zou hebben, dat zulk een mensch zich bij de heeren indrong; maar ik dacht dat hij ook officier was, tot de sergeant mij vertelde dat het slechts een rekruut was.”

„Ge vergist u zeer, vrouwtje, omtrent de heele zaak,” antwoordde de luitenant. „De jonge heer gedroeg zich uitstekend goed, en is, geloof ik, een veel fatsoenlijker man dan de vaandrig, die hem tergde. Als de jongen sterft, zal diegene, die hem den slag toebragt, het zwaar te verantwoorden hebben;—ons regiment zal een zeer lastigen vent kwijt worden, die het leger tot schande strekt, en het zal mijne schuld niet wezen als hij aan de justitie ontsnapt;—dat verzeker ik u, jufvrouw!”

„Wel! Wel! Heere mijn tijd!” riep de waardin, „wie zou zoo iets gedacht hebben? Ja, ja! Ik wil wel gelooven dat mijnheer zorgen zal dat het regt zijn loop heeft;—en dat is ook voor iedereen billijk. De groote heeren moeten ons, arm volk, niet doodslaan zonder het te verantwoorden. Een arm mensch heeft ook eene ziel, even goed als zijne meerderen!”

„Wezenlijk, jufvrouw,” zei de luitenant, „ge doet den vrijwilliger groot onregt:—ik durf wedden dat hij fatsoenlijker man is dan de officier.”

„Juist!” hernam de waardin;—„precies! Ziet u, mijn eerste man, dat was ook een verstandig mensch, en hij plagt te zeggen dat men het innerlijk niet altijd naar het uiterlijk beoordeelen kan. Ja, en dat was ook hier welligt gunstig; want ik zag hem in ’t geheel niet tot hij daar in zijn bloed lag! Wie had zich zoo iets kunnen verbeelden! Welligt een jonge heer die eene ongelukkige liefde gehad heeft. Goede hemel! Als hij kwam te sterven, wat zou dat een leed zijn voor zijne ouders! Wel! die hem zoo mishandeld heeft, moet door den duivel bezeten zijn! Ja, mijnheer heeft gelijk; hij onteert het leger! De meeste heeren van het leger die ik ooit gezien heb, zijn ’n heel ander slag van menschen, en zien er uit als of zij zich schamen zouden een christenmensch te vermoorden; dat wil zeggen zoo buiten den oorlog, zoo als mijn eerste man plagt te zeggen. ’t Is waar, als het oorlog is, moet er bloedvergieten zijn;—maar dat kunnen zij niet helpen. Hoe meer van onze vijanden zij dan dooden hoe beter, en ik wou maar van ganscher harte dat zij ze allen dood sloegen, tot den laatsten man toe!”

„Wel, foei, jufvrouw!” zei de luitenant, met een glimlach: „dat is wat al te bloeddorstig!”

„Volstrekt niet, mijnheer!” hernam zij. „Ik ben volstrekt niet bloeddorstig, behalve ten opzigte onzer vijanden en dat kan toch geen kwaad. ’t Is toch maar natuurlijk in een mensch te wenschen dat zijne vijanden dood waren, en dat er een einde aan den oorlog kome en dat de belastingen verminderen;—want het is verschrikkelijk zoo als wij nu betalen moeten! Ja, meer dan veertig shillings voor de ramen en vensters, ofschoon wij alles digtgemaakt hebben wat we maar missen konden;—wij hebben wezenlijk het huis half donker gemaakt; en ik zei tot den taxateur:—Vriend, zei ik, ons moest ge wel iets door de vingers zien; want wij zijn trouwe aanhangers van het bestuur, dat is waar; en wij betalen een schat van geld. En toch denk ik dikwerf zoo bij mij zelve, het gouvernement schijnt niet meer om ons te geven dan om anderen die geen duit betalen. Ja, ja! zoo gaat het in de wereld!”

Zij was nog in dezen trant aan den gang toen de heelmeester binnen trad. De luitenant vroeg dadelijk hoe de patient het maakte? Het eenige bescheid dat hij kreeg, luidde: „Beter, geloof ik, dan hij zich thans bevinden zou, als men mij niet ingeroepen had, en het zou misschien, zelfs nu, beter voor hem geweest zijn als men mij vroeger geroepen had.”

„Ik hoop toch, mijnheer, dat de schedel niet gebroken is?” riep de luitenant.

„Hm!” hernam de heelmeester. „Breuken zijn niet altijd de gevaarlijkste zaken. Kneuzingen en gescheurde wonden gaan dikwerf vergezeld van ergere verschijnselen en nog noodlottiger gevolgen dan breuken. Menschen, die niets van de zaak begrijpen, verbeelden zich, dat als er geen beenbreuk is, er ook geen gevaar bestaat; terwijl ik liever eens menschen schedel geheel stuk geslagen zou zien, dan op sommige wijzen, zoo als ik gezien heb, gekneusd.”

„Ik vertrouw toch dat er geene verschijnselen van dien aard nu te duchten zijn?” vroeg de luitenant.

„De verschijnselen,” hernam de heelmeester, „zijn niet altijd standvastig en geregeld. Ik heb wel eens gezien dat de ongunstigste verschijnselen ’s morgens dikwerf ’s middags gunstig werden en ’s avonds weder hoogst ongunstig. Van wonden, inderdaad, zegt men te regt: „Nemo repente turpissimus fuit.” Ik herinner me eens geroepen te zijn bij een patient, die lijdende was aan eene geweldige kneuzing van de tibia, waarbij de cutis aan de oppervlakte gescheurd was, zoodat er eene ruime bloedontlasting volgde en de inwendige weefselen zoodanig beleedigd waren dat het os, of het been, zeer duidelijk zigtbaar was tusschen de lippen van het vulnus, of de wond. Daar er zich tevens eene koortsachtige aandoening vertoonde,—want de pols was hard en gaf eene sterke verbloeding te kennen, vreesde ik dat zich onmiddellijk koudvuur voordoen zou. Om dit te voorkomen, maakte ik dadelijk eene groote opening in de ader van den linker arm; waaruit ik twintig ons bloed aftapte, wat ik verwacht had zeer dun en geleiachtig, of liever, geheel verstijfd te vinden;—hetgeen het geval is bij pleuris en dergelijke ziekten; maar tot mijne groote verwondering, was het rood en frisch en de dikte er van verschilde slechts zeer weinig van die van het bloed van een volmaakt gezond mensch. Ik ging er toe over om eene pap op de gewonde plaats te leggen, wat zeer aan mijne verwachtingen voldeed en na de eerste drie of vier verbanden, begon de wond een dikke pus, of etter te ontlasten, waardoor de cohesie;—maar welligt maak ik me niet geheel en al verstaanbaar?”

„Neen,” hernam de luitenant, „dat is waar. Ik kan niet zeggen dat ik er iets van begrijp.”

„Nu, mijnheer, dan zal ik uw geduld niet op de proef stellen. Met een woord, binnen de zes weken was mijn patient in staat even goed de beenen te gebruiken als voor dat hij de kneuzing gekregen had.”

„Ik zou u toch willen verzoeken, mijnheer,” zei de luitenant, „de beleefdheid te hebben mij te zeggen of de wond van dezen jongen heer doodelijk zal zijn of niet?”

„Mijnheer,” hernam de heelmeester, „het zou dwaze en vermetele verwaandheid zijn, als men bij het leggen van het eerste verband zeggen wilde dat eene wond doodelijk zal zijn of niet. Wij zijn allen sterfelijk, en verschijnselen doen zich soms voor bij eene geneeskundige behandeling, welke niet voorzien konden worden door de beroemdste beoefenaren van onze wetenschap.”

„Maar gelooft gij dat hij in gevaar verkeert?” vroeg de andere.

„In gevaar?” herhaalde de heelmeester. „Wel zeker! Wie van ons, die zelfs de meest volmaakte gezondheid geniet, kan buiten gevaar heeten? Zou men dan kunnen zeggen dat iemand met zulk eene zware wonde in het hoofd buiten gevaar is? Het meeste wat ik nu zeggen kan, is, dat het een geluk is, dat men mij inriep, en dat het welligt beter zou geweest zijn als men mij vroeger geroepen had. Ik zal hem morgen vroeg weder bij tijds komen zien, en inmiddels moet men hem heel stil houden en volop gersten-water laten drinken.”

„Mag hij witten wijn, met melk gekookt, hebben?” vroeg de waardin.

„Ja,—dat wel, als het maar heel slapjes is!” riep de dokter.

„En een weinig kippensoep ook?” voegde zij er bij.

„Ja, ja,” zei de dokter; „kippensoep is best voor hem.”

„Mag ik ook wat gelei voor hem klaar maken?” vroeg de waardin.

„Ja, ja,” hernam de dokter, „gelei is uitmuntend in het geval van wonden, want ze bevordert de cohesie.”

En werkelijk, het was heel gelukkig dat zij niet van sterke soepen en pikante sousen sprak, want de dokter zou ja gezegd hebben bij alles, liever dan hare klandisie te verliezen.

Zoodra de heelmeester weg was, begon de waardin zijn lof aan den luitenant te verkondigen, die, na hunne korte kennismaking, volstrekt geene zoo gunstige meening opgevat had van zijne kennis als die welke de goede vrouw en de geheele buurt van hem had,—en misschien niet zonder grond,—want, hoewel, naar ik vrees, de dokter meer of minder een kwast was, kon hij desniettemin toch een uitstekende heelmeester zijn.

De luitenant, uit het geleerde gesprek van den dokter opgemaakt hebbende dat de heer Jones zich in groot gevaar bevond, gaf bevel dat men den heer Northerton streng bewaken zou, met het voornemen om hem den volgenden morgen aan den vrederegter over te leveren, en om het overbrengen van het transport naar Gloucester toe te vertrouwen aan den Franschen luitenant, die, hoewel hij geen eene taal goed lezen, schrijven of spreken kon, toch een uitnemend officier was.

’s Avonds zond onze kommandant ook een boodschap aan den heer Jones, om hem te doen weten, dat als een bezoek hem niet vermoeijen zou, hij gaarne zijne opwachting bij hem wilde maken. Deze beleefdheid werd dankbaar en gaarne door Jones aangenomen, en de luitenant ging dus naar boven, waar hij den gewonde veel beter vond dan hij gedacht had;—ja, Jones gaf zelfs zijn vriend te kennen, dat als hij geene stellige bevelen van den heelmeester ontvangen had om te blijven liggen, hij al lang geleden opgestaan zou zijn; want hij gevoelde zich volmaakt wel, en ondervond niets van de wond, dan wat pijn aan dien kant van het hoofd, waar de slag hem getroffen had.

„Het zal me genoegen doen, als ge wezenlijk zoo wel zijt als ge u verbeeldt,” zei de luitenant; „want in dat geval, zult ge in staat zijn om u dadelijk voldoening te verschaffen; want als eene zaak niet meer bij te leggen is, zoo als een slag, bij voorbeeld, hoe eerder gij dan met uwe tegenpartij uitgaat hoe beter;—maar, ik vrees dat ge u verbeeldt beter te zijn dan werkelijk het geval is, en dat zou hem te veel voordeel op u geven.”

„Ik zal het echter wagen, als het u belieft,” hernam Jones, „als gij maar zoo goed wilt wezen mij een degen te leenen; want ik heb er zelf geen bij me.”

„Mijn degen staat u ten dienste, dat verzeker ik u van ganscher harte, mijn waarde jongen,” riep de luitenant, hem omhelzende; „gij zijt een brave kerel en uw moed bevalt me; maar ik vrees voor uwe krachten; want zulk een slag en het bloedverlies moeten u zeer verzwakt hebben, en hoewel ge geen gemis aan krachten gevoelt zoo lang ge te bed ligt, zou dat toch wel het geval zijn, als ge met den degen in de vuist moest staan. Ik kan er niet in toestemmen dat ge heden avond met hem vecht, maar ik hoop, dat ge in staat zult wezen om ons binnen een paar dagen in te halen, en ik geef u mijn woord van eer dat ge voldoening zult hebben, of de man, die u beleedigd heeft, zal ons regiment verlaten.”

„Ik zou toch zoo gaarne de zaak nog voor den nacht uitmaken,” zei Jones; „nu wij er eenmaal over gepraat hebben, zal ik geen oogenblik rust hebben.”

„Wel, wel!” hernam de andere, „op een paar dagen komt het niet aan. De wonden der eer zijn niet als die van het ligchaam. Het doet geen kwaad dat zij op genezing moeten wachten. Het zal even goed zijn voor u over eene week voldoening te krijgen als nu.”

„Maar,” zei Jones, „veronderstel eens dat mijn toestand verergerde en dat ik aan de gevolgen van mijne wond stierf!”

„Dan is uwe eer toch gered,” hernam de luitenant. „Ik zelf zal zorg dragen, dat men u regt doet en voor de geheele wereld zal ik getuigen, dat gij u als man zoudt gedragen hebben als gij maar hersteld waart.”

„Dit uitstel,” zei Jones, „bedroeft me toch! Ik durf het u, die soldaat zijt, haast niet zeggen; maar hoewel ik een zeer ligtzinnig jong mensch ben geweest, toch blijf ik, in ernstige oogenblikken, in mijn hart een christen.”

„Dat ben ik ook,” hernam de andere; „zeker, en zoo van ganscher harte, dat het mij genoegen deed aan tafel u voor de godsdienst partij te zien trekken, en het spijt me nu eenigzins, jonge heer, dat gij vreezen zoudt voor wien ook te bekennen, dat gij een geloovige zijt.”

„Maar hoe verschrikkelijk moet het toch zijn voor een waar christen,” riep Jones, „om wrok te koesteren in zijn hart, tegen het bevel in van hem die zoo iets bepaaldelijk verboden heeft. Hoe zal ik me kunnen verantwoorden, zoo lang een dergelijk gevoelen in de diepte van mijn hart tegen mij pleit?”

„Nu, ik geloof wel dat zoo iets in strijd is met de geboden,” zei de luitenant; „maar een man van eer kan zich daaraan niet storen. En man van eer moet ge zijn, als gij bij het leger wilt dienen. Ik herinner me die vraag eens onder een glas punsch aan onzen veldprediker gedaan te hebben, en hij bekende dat er nog al bezwaar in was om ze te beantwoorden; maar hij zeide, dat hij hoopte dat den krijgslieden in dit geval eene zekere vrijheid gelaten zou worden, en wezenlijk, het is pligt voor ons dat te hopen; want wie zou eerloos willen leven? Neen, neen, mijn beste jongen, blijf een goed christen zoo lang ge leeft; maar blijf ook man van eer, en duld nooit eenige beleediging;—alle boeken noch alle dominé’s ter wereld kunnen mij daartoe bewegen! Ik houd veel van mijne godsdienst, maar nog meer van mijne eer. Er moet eene vergissing zijn in de woorden van den tekst, of in de vertaling, of in de exegese, of ergens, of iets verkeerds zijn. Maar, hoe dat ook zij, de mensch moet de kans wagen; want zijne eer moet hem heilig wezen. Dus neem maar uwe rust heden nacht en ik beloof u de gelegenheid te verschaffen om voldoening te krijgen.”

Hierop omhelsde hij Jones weder hartelijk, drukte hem de hand en verliet hem.

Maar hoewel de redenering van den luitenant zeer overtuigend luidde voor hem zelven, was dit niet het geval met zijn vriend—en Jones, na de zaak rijpelijk overwogen te hebben, kwam eindelijk tot een besluit, dat den lezer in het volgende hoofdstuk medegedeeld zal worden.

HOOFDSTUK XIV.

EEN ZEER VERSCHRIKKELIJK HOOFDSTUK, DAT WEINIGEN LEZERS GERADEN IS DES AVONDS TE LEZEN, VOORAL ALS ZIJ ALLEEN ZITTEN.

Jones verslond een groote kom vol kippen-, of liever hanen-soep, met den meesten eetlust, en zou inderdaad den haan zelven, met een pond spek er bij, gaarne opgegeten hebben; en daarop bevindende, dat het hem noch aan gezondheid noch aan moed ontbrak, besloot hij om op te staan en zijn vijand te gaan zoeken.

Eerst echter zond hij om den sergeant, zijne oudste kennis onder de militairen. Ongelukkig had die waardige onderofficier wat al te veel gedronken, en was sedert eenigen tijd naar bed gegaan, waar hij zoo hard snorkte dat het niet gemakkelijk viel een geluid in zijne ooren ingang te doen vinden, dat hoorbaarder was dan dat hetwelk uit zijne neusgaten kwam.

Daar Jones echter volhield, dat hij hem zien moest, gelukte het eindelijk een hardschreeuwenden knecht om hem te wekken, en hem de boodschap van Jones over te brengen. Zoodra de sergeant ze begreep, stond hij op, en daar hij al gekleed was, ging hij dadelijk mede. Jones achtte het niet raadzaam den sergeant zijn voornemen dadelijk mede te deelen, hoewel hij dit veilig had kunnen doen, daar de onderofficier zelf man van eer was en in een tweegevecht zijn man gedood had. Hij zou dus het geheim trouw bewaard hebben,—of eenig ander geheim, op welks ontdekking geen belooning uitgeschreven stond. Daar Jones echter, na zulke korte kennismaking, deze deugden niet kende, was zijne voorzigtigheid welligt prijzenswaardig en loffelijk.

Hij begon dus met den sergeant te zeggen dat, daar hij nu tot het leger behoorde, hij zich schaamde het noodzakelijkste werktuig van den soldaat, namelijk het zwaard, te missen, terwijl hij er bijvoegde, dat hij hem zeer dankbaar zou wezen, als hij hem er een kon verschaffen.

„Ik zal u er een redelijken prijs voor geven,” zeide hij, „en ik sta er niet op, dat het gevest van zilver zij, als de kling maar goed is en het een wapen is waarover een soldaat zich niet behoeft te schamen.”

De sergeant, die wel wist wat er gebeurd was en die gehoord had dat Jones in een zeer gevaarlijken toestand verkeerde, maakte dadelijk op uit zijne boodschap, zoo laat in den nacht, en van iemand in dien staat, dat hij wat ligt in het hoofd was. En daar de sergeant nog al bij de hand was, nam hij zich voor om zijn voordeel te doen met deze gril van den zieke.

„Mijnheer,” zeide hij, „ik meen dat ik u helpen kan. Ik heb een uitmuntend wapen hier. Het gevest is werkelijk niet van zilver, wat, gelijk gij zegt, een soldaat niet betamen zou; maar het ziet er toch heel goed uit en de kling is eene der beste in geheel Europa;—’t is eene kling die,—eene kling;—maar ik zal het zwaard dadelijk halen en gij kunt het zelf keuren.—Het doet me van harte genoegen te zien dat mijnheer zoo geheel en al weer genezen is.”

Hierop haalde hij dadelijk den degen en gaf dien aan Jones over, die hem uit de schede trok, den sergeant vertelde dat die goed was en hem verzocht den prijs daarvan te noemen.

De sergeant begon nu over de kostbaarheid van het wapen uit te weiden. Hij zeide (wat hij ook met een eed bekrachtigde), dat de kling op een Fransch officier van hoogen rang in den slag bij Dettingen veroverd was. „Ik greep het zelf van hem weg,” betuigde hij, „na hem de hersens ingeslagen te hebben. Het had toen een goud gevest. Dat verkocht ik aan een onzer groote heeren, want er zijn er, met uw verlof, die meer prijs stellen op het gevest dan op de kling.”

Hier viel hem de andere in de rede en verzocht hem maar den prijs te bepalen. De sergeant, die dacht dat Jones bepaaldelijk ligt in het hoofd was, en spoedig sterven zou, vreesde zich te benadeelen door te weinig te vragen. Na een oogenblik geaarzeld te hebben, vroeg hij dan slechts twintig guinjes, zwerende dat hij het zijn eigen broeder niet goedkooper laten zou.

„Twintig guinjes!” riep Jones verbaasd. „Ge houdt me zeker voor krankzinnig, of verbeeldt u dat ik nooit van mijn leven een kling gezien heb! Twintig guinjes! Wel! Ik dacht niet dat gij trachten zoudt mij te bedriegen! Hier—neem den degen maar weder mede! Neen! Ik bedenk me:—ik zal het wapen zelf bewaren en het morgen vroeg den luitenant laten zien en hem zeggen welken prijs gij er voor gevraagd hebt!”

De sergeant, die, gelijk wij reeds gezegd hebben, zeer bij de hand was, en nu duidelijk inzag dat Jones niet zoo gek was als hij zich verbeeld had, veinsde nu evenzeer verwonderd te zijn als de andere en zeide: „Mijnheer, ik ben overtuigd dat ik u niet te veel gevraagd heb. Gij moet ook bedenken, dat het de eenige degen is, dien ik bezit, en ik moet de kans loopen van de ontevredenheid van mijn officier op te wekken door zelf ongewapend te gaan. Als gij dit alles in aanmerking neemt, geloof ik waarlijk niet dat twintig shillings te veel is.”

„Twintig shillings!” riep Jones. „Wel! straks vroegt ge me twintig guinjes!”

„Hoe!” riep de sergeant. „Mijnheer heeft me zeker verkeerd verstaan,—of ik heb me versproken,—en inderdaad, ik ben nog maar half wakker;—twintig guinjes! Wel! Geen wonder dat mijnheer zoo driftig werd! Ik zou twintig guinjes vragen? Neen, neen, ik bedoelde twintig shillings, dat verzeker ik u. En als mijnheer alles in aanmerking neemt, hoop ik dat hij dat niet te veel zal vinden. ’t Is wel waar, dat men een wapen dat er even goed uitziet, voor minder geld kan krijgen,—maar—”

Hier viel Jones hem in de rede met te zeggen: „Ver van daarover te kibbelen, zal ik u een shilling meer geven dan gij vraagt.”

Hij betaalde hem daarop een guinje, beval hem weder naar bed te gaan, en wenschte hem goede reis, er bijvoegende dat hij hoopte hen in te halen eer zij Worcester bereikt hadden.

De sergeant nam zeer beleefd afscheid van hem, zeer voldaan over zijn handel, en niet weinig tevreden over de behendigheid, waarmede hij zich gered had uit de valsche positie, waarin zijne overtuiging van de zwakheid van hoofd van den zieke hem gebragt had.

Zoodra de sergeant weg was, stond Jones op en kleedde zich geheel aan, zonder den rok te vergeten, die licht van kleur zijnde, zeer duidelijk de bloedvlekken vertoonde, welke er op gevallen waren, en daarop, met het nieuw gekochte wapen in de hand, was hij op het punt van zijne kamer te verlaten, toen hij zich begon te herinneren, dat hij welligt op het punt was van binnen weinige minuten een mensch van het leven te berooven, of om zelf het zijne te verliezen.

„En,” vroeg hij zich zelven af, „in welke zaak waag ik mijn leven? Wel, in die der eer! En wie is mijn vijand? Een schelm die mij beleedigd en mishandeld heeft, zonder eenige aanleiding van mijn kant. Maar is de wraak niet door den Hemel verboden?—Ja; maar ze wordt door de wereld aanbevolen. Moet ik echter de wereld, tegen de bepaalde voorschriften van den Hemel, gehoorzamen? Zou ik me den goddelijken toorn op den hals halen, liever dan me te hooren uitschelden voor—een lafaard,—een laaghartige?—Bah! Ik wil er niet meer over nadenken;—ik heb mijn besluit genomen:—hij moet met mij vechten!”

De klok had nu den middernacht aangekondigd en iedereen in huis sliep, behalve de schildwacht bij Northerton’s deur, toen Jones zachtjes uit zijne kamer tredende, er op uitging om zijn vijand te zoeken, omtrent wiens verblijf hij van den knecht de meest voldoende inlichtingen verkregen had. Men kan zich niet ligt eene schrikwekkender gestalte voorstellen dan de zijne op dit oogenblik. Hij droeg, gelijk wij zeiden, een lichtkleurigen jas, met bloed bevlekt. Zijn gezigt, hetwelk dat bloed miste, en twintig ons op den koop toe, door den heelmeester afgetapt, was doodsbleek. Rondom zijn hoofd was een groot verband gewikkeld, dat er als eene soort van tulband uitzag. In de regterhand voerde hij een sabel; in den linker een blaker. De bebloede verschijning van Banquo was niets, bij hem vergeleken. Wezenlijk, ik geloof niet dat er ooit op een kerkhof, of in de verbeelding van eenige goede menschen, die in Somersetshire bij het Kersvuur bij elkaar zitten, eene verschrikkelijker verschijning opgeroepen werd.

Toen de schildwacht onzen held uit de verte zag naderen, begon zijn haar langzamerhand zijn beerenmuts van zijn hoofd op te ligten, en op hetzelfde oogenblik sloegen zijne knieën tegen elkaar aan. Straks begon hij over het heele lijf te beven, erger dan in een vlaag van de koorts. Hij schoot toen zijn geweer af en wierp zich plat op het aangezigt neder.

Ik neem niet op me te zeggen, of vrees of moed hem vuur deed geven,—evenmin of hij op den naderende aanlegde. Als hij dat deed, echter, had hij het geluk om mis te schieten.

Toen Jones den kerel zag vallen, begreep hij de reden van zijn angst, en kon een glimlach niet bedwingen, terwijl hij volstrekt niet aan het gevaar dacht, waaraan hij pas ontsnapt was. Hij liep hem toen voorbij, zonder dat de soldaat zich verroerde en trad de kamer binnen, waar, gelijk hij vernomen had, Northerton in arrest zat. Dáár, in de meest volstrekte eenzaamheid, vond hij—eene leêge bierkan op de tafel, waarop wat vocht gestort was, zoodat het er uitzag, alsof de kamer onlangs bewoond was geweest; maar voor het oogenblik was ze geheel leeg.

Jones dacht dat ze toegang verschafte tot een ander vertrek; maar toen hij ze rondzag, ontdekte hij geene andere deur dan die door welke hij binnen gekomen was, en waar de schildwacht gestaan had. Hij riep nu Northerton herhaaldelijk bij zijn naam, wat echter tot niets diende dan om de schildwacht in zijn angst te bevestigen, die nu overtuigd was dat de vrijwilliger gestorven was aan zijne wonden en dat zijn geest gekomen was om den moordenaar te halen; hij bleef dus liggen, door den angst gefolterd, en ik wenschte van ganscher harte, dat eenige van die tooneelspelers, die de rol van een doodelijk verschrikt mensch te spelen hebben, hem gezien hadden, ten einde de natuur trouw te kunnen navolgen, in plaats van allerlei bespottelijke streken en gebaren te gebruiken, die de toeschouwers in de galerij tot vermaak en vreugde strekken.

Toen onze held begreep dat de vogel gevlogen was, of ten minste, toen hij wanhopen moest om hem te vinden, en te regt bevreesd werd, dat het geheele huis door het schot in rep en roer zou gebragt worden, blies hij zijne kaars uit, en sloop weder zachtjes naar zijne kamer en naar zijn bed, wat hem niet gelukt zou zijn zonder ontdekt te worden, als er iemand anders in dat gedeelte van het huis gelogeerd had dan één mijnheer, die door de jicht aan zijn bed gekluisterd was; want eer hij zijne kamer bereikte, was de gang, waar de schildwacht gestaan had, volgepropt met menschen, sommigen slechts half gekleed, en allen elkaar met belangstelling vragende, wat er te doen was?

Men vond nu den soldaat in dezelfde positie liggen, waarin wij hem gelaten hebben. Terwijl eenigen zich moeite gaven om hem weder op de beenen te helpen, hielden anderen hem voor dood, maar zagen spoedig hunne vergissing in: want hij worstelde niet slechts tegen diegenen die hem aanpakten, maar begon ook als een stier te brullen. Hij verbeeldde zich dan ook werkelijk, dat booze geesten of duivels hem aanpakten; want zijne verbeelding, vervuld met den schrik voor het spook, herschiep alles wat hij zag of gevoelde, in geesten en schimmen.

Eindelijk, door de overmagt vermeesterd, werd hij op de beenen gezet, en toen men licht bragt, en hij een stuk of wat van zijne kameraden aanwezig zag, bedaarde hij een weinig. Zoodra men hem echter vroeg wat hem scheelde, antwoordde hij:

„Ik ben er om koud,—dat is zeker! Ik ga dood, daar kunt ge op aan! Ik kan er niet van opkomen. Ik heb hem gezien!”

„Wien hebt ge gezien, Jaap?” vroeg een der soldaten.

„Wel! den jongen vrijwilliger, die gisteren dood geslagen werd!” En nu, met eene reeks verschrikkelijke vloeken, hield hij vol met te verklaren, dat hij den vrijwilliger gezien had, bloedende uit zijne wonden, vuur spuwende uit den mond en de neusgaten, en dat hij hem voorbijgegaan was naar de kamer van den heer Northerton, waar hij dien officier bij de keel vatte en onder een zwaren donderslag met hem verdwenen was.

Dit verhaal werd met groote graagte door de toehoorders verslonden. Alle vrouwen die aanwezig waren, hechtten er vast geloof aan, en baden den hemel haar voor een moord te bewaren. Onder de mannen vond het verhaal ook geloof; hoewel sommigen er om spotten en een sergeant die tegenwoordig was, zeer koelbloedig zeide:

„Kereltje, gij zult er nog meer van hooren dat ge op post in slaap valt en droomt!”

De soldaat hernam: „Gij kunt me natuurlijk straffen, als gij dat verkiest; maar ik was even wakker als op dit oogenblik, en de duivel hale mij, even als hij den vaandrig gehaald heeft, als ik den vermoorde niet zag, zoo als ik u verteld heb, met oogen zoo groot en gloeijende als fakkels!”

De opperbevelhebber van de troepen en de vrouw van het huis waren inmiddels beide aangekomen; want de eerste, die wakker was geweest, had het schot gehoord, en hield het voor pligt om dadelijk op te staan, hoewel hij geen groot kwaad vermoedde, terwijl de andere grooten angst uitstond dat hare lepels en vorken, zonder order, op marsch konden gaan.

De arme schildwacht, die evenzeer schrikte bij het verschijnen van zijn officier als bij dat van het spook, dat hij pas gezien had, herhaalde nu weder zijne verschrikkelijke geschiedenis, met bijvoeging van nog meer bloed en vuur; maar zonder het geluk te hebben geloof te vinden bij deze beide personen; want de officier, hoewel een godsdienstig mensch, kende geen bijgeloof van dezen aard, en Jones zoo pas verlaten hebbende in den toestand die ons bekend is, kon hij ook volstrekt niet denken dat hij dood was. Wat de waardin betreft, hoewel zij niet zeer vroom van aard was, gevoelde zij geen afkeer van de leer der spoken; maar er was ééne omstandigheid in het verhaal, die zij wist dat niet waar was,—zoo als de lezer straks vernemen zal.

Maar hetzij Northerton te midden van donder en vuur verdwenen was, of hoe ook, het bleek nu ten duidelijkste dat hij niet meer te vinden was. En nu maakte de luitenant eene gevolgtrekking, die niet zeer veel verschilde van die, welke wij pas van den sergeant vermeld hebben, en beval dadelijk den schildwacht in arrest te zetten. Dus, door eene wonderlijke ommekeer van zaken (wat echter niet zeer vreemd is in het militaire leven), werd de bewaker nu de bewaakte.

HOOFDSTUK XV.

SLOT VAN HET VORIGE AVONTUUR.

Behalve dat de luitenant den armen schildwacht verdacht van geslapen te hebben, koesterde hij nog een ergere verdenking tegen hem, namelijk, dat hij zich aan ontrouw schuldig gemaakt had; want terwijl hij geen woord geloofde van het verhaal omtrent de verschijning, verbeeldde hij zich dat het alles bedacht was ten einde hem te bedriegen, en dat de soldaat wezenlijk door Northerton omgekocht was, om hem te laten ontsnappen. Dit scheen te waarschijnlijker, daar de angst hem zeer onnatuurlijk voorkwam bij iemand, die den naam had van een der dapperste mannen van het geheele regiment te zijn, die meermalen in het vuur was geweest, verscheidene wonden ontvangen had, en in één woord, zich steeds met de meeste dapperheid gekweten had.

Ten einde den lezer te beletten een verkeerd denkbeeld op te vatten omtrent zoo iemand, zullen wij er dadelijk toe overgaan, om hem van allen blaam te zuiveren.

Wij hebben reeds gezegd dat de heer Northerton ruimschoots voldaan was met den roem welken hij in deze zaak behaald had. Hij had ook welligt ondervonden, of gehoord, of gegist, dat de nijd den roem steeds vergezelt. Niet dat ik hier te kennen geven wilde, dat hij als een echte Heiden geneigd was aan de Godin Nemesis te gelooven, of haar te aanbidden;—want, ik ben wezenlijk overtuigd, dat hij haar nooit had hooren noemen. Maar hij was zeer levendig van aard, en gevoelde een sterken tegenzin in de geslotene winterkwartieren op het kasteel te Gloucester, waar de regter hem welligt opsluiten zou. Hij was ook niet geheel vrij van sommige pijnlijke overdenkingen, betreffende zeker houten stellaadje, dat ik niet noemen wil, uit achting voor de menschen, die, naar ik me verbeeld, die uitvinding eerder prijzen dan zich daarover schamen moesten, daar ze van meer nut is, of van meer nut kon zijn voor de maatschappij, dan bijna elke andere openbare instelling. Met één woord, om geene verdere redenen voor zijn gedrag op te sporen, de heer Northerton verlangde reeds dien avond te vertrekken, en niets bleef hem over dan de wijze te beramen hoe dat gedaan te krijgen, wat wel eenigzins moeijelijk scheen.

Nu was deze jonge heer, hoewel eenigzins scheef van karakter, volmaakt regt van gestalte, en daarbij sterk en welgevormd. Zijn gelaat werd ook door de meeste vrouwen schoon gevonden, want het was gevuld en blozend, met redelijk schoone tanden. Zulke bekoorlijkheden moesten wel indruk maken op de waardin, die veel ophad met deze soort van schoonheid. Zij gevoelde ook opregt medelijden met den jongeling, en toen zij van den heelmeester vernam dat het slecht stond met den vrijwilliger, begon zij te vermoeden dat het niet best zou afloopen voor den vaandrig. Zij kreeg dus verlof om bij hem te gaan, en vond hem in eene zeer droevige stemming, die zij niet weinig verergerde door hem te vertellen, dat er weinig hoop bestond om den vrijwilliger het leven te redden, waarop zij hem eenige wenken gaf, welke de andere dadelijk en gaarne begreep, zoo dat zij elkaar spoedig verstonden, en men eindelijk overeen kwam dat de vaandrig op zeker teeken wachten zou om in den schoorsteen te klimmen, die met dien van de keuken ineen liep, waar hij naar beneden kon dalen, terwijl zij hem de gelegenheid daartoe zou geven, door daar ruim baan voor hem te houden.

Opdat onze lezers echter, die in karakter van haar verschillen, niet deze gelegenheid onbedachtzaam te baat nemen om alle medelijden als dwaasheid te veroordeelen, wijl het der menschelijke zamenleving zeer nadeelig kan zijn, moeten wij nog eene andere bijzonderheid vermelden, welke, mogelijk, ook iets tot deze zaak bijdroeg. De vaandrig bezat toevallig op dit oogenblik de som van vijftig pond sterling, welke echter aan de kompagnie toebehoorde; want de kapitein, die twist had met den luitenant, had de betaling van de kompagnie aan den vaandrig opgedragen. Hij vond evenwel goed dit geld in handen der waardin te stellen, welligt bij wijze van borgstelling dat hij later terug komen zou, om op alle beschuldigingen tegen hem ingebragt, te antwoorden; maar, onder welke voorwaarde ook, zeker is het, dat zij het geld en dat de vaandrig zijne vrijheid kreeg.

De lezer zal welligt verwachten, uit den medelijdenden aard van deze goede vrouw, dat, toen zij zag hoe de arme schildwacht in arrest gezet werd voor een feit, waaraan zij wel wist dat hij onschuldig was, zij ook dadelijk voor hem in de bres sprong; maar, of zij reeds al haar medelijden uitgeput had, of dat de gelaatstrekken van den soldaat, die zeer veel verschilden van die van den vaandrig, haar medelijden niet opwekken konden, wil ik niet beslissen; maar ver van tusschenbeide te komen, ten behoeve van dezen gevangene, drong zij op zijne schuldigverklaring aan bij den officier, met opgehevene blikken en handen betuigende, dat zij, om alles ter wereld, niets zou willen bijdragen om een moordenaar te helpen ontvlugten.

De rust was nu eindelijk hersteld en de meeste menschen keerden naar hun bed terug; maar de waardin, die, hetzij uit aangeborene levendigheid van aard, of uit vrees voor haar tafelzilver, zich niet geneigd voelde om te slapen, haalde de officieren over, daar zij binnen een uur op marsch moesten gaan, om dien tijd bij haar te slijten, onder een glas punch.

Jones was inmiddels wakker gebleven, en had veel van de drukte en het rumoer in huis gehoord, en was nu nieuwsgierig eenige bijzonderheden dienaangaande te vernemen. Hij greep dus naar het schellekoord, waaraan hij minstens twintigmaal vruchteloos trok, want de waardin had het zoo druk met haar vrolijk gezelschap, dat geen geklep dan het hare hoorbaar was, en de knecht en de werkmeid, die zamen zaten in de keuken,—want hij durfde niet alleen opblijven en zij niet alleen naar bed gaan,—werden hoe langer hoe angstiger naarmate de bel harder luidde, en bleven, als het ware, op hunne plaatsen vast gespijkerd.

Eindelijk, bij eene gelukkige pauze in het gesprek, bereikte het geluid der schel de ooren der goede waardin, die dadelijk de stem verhief, waarop hare beide dienstboden zamen verschenen.

„Jozef,” zei de vrouw, „hoort ge niet dat mijnheer schelt? Waarom gaat ge niet naar boven?”

„’t Is mijn werk niet,” hernam de knecht, „om op de slaapkamers te bedienen. Dat is de dienst van Bet!”

„Wat dat betreft,” hernam de meid; „’t is mijne dienst niet bij de heeren op de slaapkamer te komen. Ik heb het wel eens gedaan, dat is waar;—maar ik bedank er verder voor om dat ooit weder te doen, nu dat door Jozef van me gevergd wordt!”

Daar de schel steeds nog luide klonk, geraakte de huisvrouw in blakende drift, en zwoer dat als de knecht niet dadelijk naarboven ging, zij hem op staanden voet wegjagen zou.

„Als ge dat wilt doen, jufvrouw,” zeide hij, „kan ik het niet beletten. Maar ik wil het werk der andere dienstboden niet doen.”

Daarop wendde zich de waardin tot de meid en trachtte haar door zachtheid over te halen; maar te vergeefs. Bet bleef even onverbiddelijk als Jozef. Beiden bleven volhouden dat het hun werk niet was en dat zij het niet wilden doen.

De luitenant begon hier te lagchen en zeide: „Kom, ik zal maar een einde aan dezen twist maken!” en zich daarop tot de dienstboden wendende, roemde hij hunne standvastigheid, dat zij bij hun gevoelen bleven; maar voegde er bij, dat hij overtuigd was, dat als de eene ging, de andere hem vergezellen zou. Dit voorstel werd dadelijk aangenomen; zij gingen dus zeer vriendschappelijk en digt naast elkaar naar boven. Zoodra zij weg waren, bragt de luitenant den toorn der waardin tot bedaren, door haar uit te leggen om welke reden zij ongeneigd waren alleen te gaan.

Zij keerden spoedig terug en meldden aan hunne meesteresse dat de zieke mijnheer, verre van dood te zijn, even krachtig scheen als een gezond mensch en de complimenten zond aan den luitenant, met beleefd verzoek dat hij hem bezoeken wilde voor zijn vertrek.

De goede luitenant voldeed dadelijk aan dezen wensch en plaats nemende naast zijn bed, beschreef hij hem het tooneel dat beneden in huis voorgevallen was, eindigende met zijn vast besluit te kennen te geven, om de schildwacht zeer streng te straffen.

Hierop maakte hem Jones met de geheele waarheid bekend, en smeekte hem ernstig den armen soldaat niet te straffen, „die,” zeide hij, „daarvan ben ik overtuigd, even onschuldig is aan de ontvlugting van den vaandrig als aan eenige onwaarheid of poging ten deze om u te bedriegen.”

De luitenant aarzelde een oogenblik en hernam daarop:

„Nu dat gij hem van een gedeelte der beschuldiging vrij gepleit hebt, zal het onmogelijk wezen hem van het overige te overtuigen, daar hij de eenige schildwacht heden avond niet geweest is. Maar ik heb grooten lust den schelm voor zijne lafhartigheid te straffen. Evenwel, wie kan de uitwerking van de vrees op zulk een verstand als het zijne, nagaan? En werkelijk, vóór den vijand, heeft hij zich steeds goed gehouden. Kom aan! Het is goed als men eenig blijk van godsdienstigheid bij deze soort van menschen ziet;—dus beloof ik u dat hij in vrijheid gesteld zal worden zoodra wij van hier afmarscheren. Maar, luister! Daar slaat het appel! Laat me u nog eenmaal omhelzen, waarde jongen! Ge moet u niet opwinden of ongerust worden; maar de christelijke deugd van geduld beoefenen, en ik sta u borg, dat ge spoedig in staat zult wezen om u regt te verschaffen en u op eene eervolle wijze te wreken op den kerel die u beleedigd heeft.”

De luitenant vertrok met deze woorden en Jones trachtte wat rust te nemen.

BOEK VIII.

Bevat een tijdvak van meer dan twee dagen.

HOOFDSTUK I.

EEN VERBAZEND LANG HOOFDSTUK OVER HET WONDERBAARLIJKE;—VERREWEG HET LANGSTE INLEIDENDE HOOFDSTUK IN HET GEHEELE WERK.

Daar wij nu een boek beginnen, waarin de loop van ons verhaal ons noodzaakt om eenige dingen te beschrijven, die vreemder en wonderbaarlijker klinken dan al wat tot dus ver voorgevallen is, zal het niet ongepast wezen in ons inleidend hoofdstuk het een en ander te zeggen van het wonderbaarlijke in het schrijven. Hierin zullen wij ons, om onzen eigen wil en ook om dien van anderen, eenige perken trachten te stellen, en inderdaad dit is zeer noodzakelijk, daar recensenten [5] van verschillenden aard geneigd zijn ten dezen opzigte tot verschillende uitersten te vervallen. Want terwijl sommigen, met Dacier, gereed zijn toe te geven, dat iets, al is het onmogelijk, toch soms waarschijnlijk kan wezen, hebben anderen zoo weinig historisch of dichterlijk geloof, dat zij niets voor mogelijk of waarschijnlijk houden, dat zijn weerga niet heeft in hetgeen door hen zelven opgemerkt is.

Ten eerste dan, komt het mij voor, dat men redelijker wijze, van iederen schrijver verwachten mag, dat hij binnen de grenzen van het waarschijnlijke blijve, en dat hij zich steeds herinnere, dat het naauwelijks mogelijk is voor den mensch te gelooven, dat een ander mensch het onmogelijke zou kunnen verrigten. Deze overtuiging schonk welligt het aanzijn aan vele verhalen omtrent de Heidensche goden,—van welke de meesten eene dichterlijke afkomst hebben; want de dichter, die aan eene weelderige en buitensporige verbeelding den teugel wilde laten schieten, nam zijne toevlugt tot eene magt, van welker uitgebreidheid zijne lezers niets wisten, of liever, welke zij voor oneindig groot hielden, en dus niet schrikten, welke wonderen er ook van verhaald werden. Hierin heeft men eene krachtige verdediging gezocht voor de wonderen van Homerus, en het is welligt eene degelijke verdediging,—en volstrekt niet zoo als de heer Pope wilde doen gelooven,—namelijk dat Ulysses eene reeks van onwaarheden aan de Feniciërs opdischte, omdat die een dom volk waren;—maar veeleer wijl de dichter zelf zong voor Heidenen, bij wie de dichterlijke fabelen tot het geloof behoorden. Wat mij zelven betreft, ik beken dat ik zoo medelijdend van aard ben, dat ik wenschte dat Polyphemus zich tot zijne melkkost bepaald en zijn oog behouden had; en Ulysses zelf kon niet bedroefder zijn dan ik toen zijne makkers in zwijnen veranderd werden door Circé,—die, naar het mij voorkomt, te veel op had met menschenvleesch, dan dat men veronderstellen zou, dat zij lust gevoelde het in spek te veranderen. Ik wenschte ook van ganscher harte, dat Homerus het voorschrift van Horatius had kunnen kennen, om slechts zoo zelden mogelijk bovennatuurlijke wezens te laten optreden. Wij zouden dan niet gezien hebben hoe zijne Goden op nietsbeteekenende boodschappen uitgezonden worden, en zich dikwijls zoo gedragen, dat zij niet slechts alle aanspraken op onzen eerbied verbeuren, maar ook het voorwerp van spot en verachting worden. Een dergelijk gedrag moet het geloof van een vromen en verstandigen Heiden gekrenkt hebben, en is niet te verdedigen, tenzij door eene veronderstelling, waartoe ik soms overhel, namelijk dat de ongetwijfeld voortreffelijke dichter voornemens was het bijgeloof van zijne eigene eeuw en van zijn eigen vaderland belagchelijk te maken.

Maar ik heb te lang uitgeweid over eene leer, die geen christen-schrijver ooit baten kan; want daar hij in geen zijner werken eenige van die hemelsche wezens kan invoeren, die tot zijn geloof behooren, is het verschrikkelijk kinderachtig om de Heidensche godenleer te doorsnuffelen, ten einde Godheden te zoeken, die sedert lang van hunne onsterflijkheid beroofd zijn.

Lord Shaftesbury heeft opgemerkt dat niets ons zoo koud laat als het aanroepen der Muze door een hedendaagschen dichter. Hij had er bij kunnen voegen, dat niets bespottelijker kan zijn! Heden ten dage kan men veel sierlijker eene ballade inroepen,—gelijk sommigen zich verbeelden dat het geval was met Homerus, of een kan bier, zoo als de dichter Butler deed, en uit dit laatste is welligt meer poëzy geput en proza ook, dan uit al het vocht van den Hippokreen of den Helicon.

De eenige bovennatuurlijke wezens welke wij heden mogen doen optreden, zijn de geesten van afgestorvenen; maar ik zou den schrijver raden ook met deze zeer spaarzaam te werk te gaan. Zij hebben inderdaad veel van rattenkruid en andere gevaarlijke middeltjes, die slechts met de uiterste voorzigtigheid te gebruiken zijn. Ik zou ook het optreden daarvan altijd afraden in die werken, of door die schrijvers, bij wie een hartelijke lach van den lezer groote ergernis of teleurstelling zou veroorzaken.

Wat elfen en feeën en dergelijke dwaasheden betreft, van deze spreek ik met opzet in ’t geheel niet, daar ik niet gaarne paal of perk zou willen stellen aan de verbazende verbeeldingskracht van die auteurs, voor welker reusachtige bevatting de grenzen der menschelijke natuur al te bekrompen zijn; wier werken beschouwd moeten worden als eene nieuwe schepping, en die dus het volmaaktste regt hebben om te doen wat zij willen met hetgeen hun toebehoort.

De mensch dan is (tenzij bij zeer buitengewone gelegenheden,) het verhevenste voorwerp, dat zich voordoet voor de pen van den geschiedschrijver of dichter, en in het beschrijven zijner handelingen moet men groote zorg dragen om de vermogens van hem, dien men beschrijft, niet overdreven voor te stellen.

Wij kunnen ons ook niet alleen door „het mogelijke” regtvaardigen; wij moeten tevens binnen de perken van het waarschijnlijke blijven. Het is, geloof ik, een gezegde van Aristoteles,—en zoo niet van hem van een anderen wijze, wiens gezag even groot zal zijn als hij even oud geworden is,—„dat het geene verontschuldiging voor een dichter is als hij iets ongeloofelijks verhaalt, dat het wezenlijk waar is.” Dit moge welligt het geval zijn met de poëzy, maar men zou het onmogelijk tot den geschiedschrijver mogen uitstrekken, die de zaken moet opteekenen zoo als hij ze vindt, al zijn ze zoo buitengewoon van aard dat er niet weinig historisch geloof vereischt wordt om ze te slikken. Zoodanig was de ongelukkige onderneming van Xerxes, door Herodotus beschreven, en de gelukkige togt van Alexander, door Arrianus vermeld. Zoodanig was ook in latere tijden de zege te Azincourt, door Hendrik V behaald, en de overwinning van Karel XII van Zweden bij Narva. Al welke voorbeelden, hoe langer wij er over nadenken, hoe ongeloofelijker ze ons toeschijnen.

Daar echter dergelijke daadzaken in den loop van het verhaal voorkomen,—ja, zelfs het belangrijkste deel er van uitmaken,—is het niet slechts billijk dat de geschiedschrijver ze vermelde, maar het zou inderdaad onvergeefelijk in hem zijn als hij ze wegliet of veranderde.

Maar er zijn andere feiten van minder belang, en die minder noodzakelijk zijn, welke, hoe geloofwaardig ook en door getuigenis ondersteund, desniettemin, om den wille van de ongeloovigheid van den lezer, aan de vergetelheid prijs gegeven moesten worden. Van dien aard is, bijvoorbeeld, het merkwaardige verhaal van de geestverschijning van George Villiers, dat men beter gedaan zou hebben aan Dr. Drelincourt te schenken, om het spook van mevrouw Veale gezelschap te houden in zijne verhandeling over den Dood, dan het in zulk een ernstig werk als de geschiedenis van den opstand in te vlechten.

Wezenlijk als de geschiedschrijver zich maar beperken wilde tot hetgeen werkelijk gebeurd is, met algeheele verwerping van iedere omstandigheid, die hoe geloofwaardig ook verhaald, naar zijne innerlijke overtuiging echter onwaar is, zal hij welligt soms tot het wonderbaarlijke moeten overgaan, maar nooit tot het ongeloofelijke. Hij zal dikwerf de verwondering en verbazing van den lezer opwekken, maar nooit den ongeloovigen haat opwekken, door Horatius vermeld. Het is dus door tot verdichting over te gaan, dat wij gewoonlijk tegen den regel zondigen, om nooit de waarschijnlijkheid te verzaken, welke de geschiedschrijver zelden opgeeft, zonder zijn karakter te verloochenen en een romanschrijver te worden. Hierin hebben diegenen, welke de openbare zaken beschrijven, veel voor boven ons, die ons beperken tot tooneelen van het huisselijk leven. Hunne geloofwaardigheid wordt lang staande gehouden door de algemeene bekendheid van hetgeen zij behandelen, en officiële stukken en de onderlinge overeenkomst van vele schrijvers getuigen ook voor de waarheid in latere eeuwen. Dus gelooft het nageslacht evenzeer aan het bestaan van een Trajanus en een Antoninus, als van een Nero en een Caligula, en geen mensch twijfelt er aan dat dergelijke uitstekend goede en uitstekend slechte menschen eens de wereld regeerden.

Maar wij, die met bijzondere personen te doen hebben, die in de donkerste schuilhoeken snuffelen moeten, en voorbeelden van deugd en ondeugd uit alle hoeken en gaten der wereld te voorschijn moeten halen, zijn in een veel gevaarlijker toestand. Daar wij geen algemeene bekendheid, geen met het onze overeenkomend verhaal, geene officiële stukken hebben, om hetgeen wij geven te staven, betaamt het ons niet slechts binnen de grenzen der mogelijkheid, maar ook binnen die der waarschijnlijkheid te blijven, en dit vooral in de schildering van hetgeen bij uitstek goed en beminnelijk is. Schelmerij en dwaasheid, hoe buitensporig ook, zullen eerder geloof vinden; want de boosheid van ons eigen hart versterkt en steunt het geloof ten deze krachtdadig.

Dus zouden wij, welligt, met weinig gevaar, de geschiedenis van Fisher kunnen verhalen, die, na lang zijn brood verschuldigd te zijn geweest aan den heer Derby, op zekeren morgen eene ruime gift uit diens handen ontving, en toen, in de hoop van zich te bemagtigen van al wat nog overbleef in de geldkist van zijn vriend, zich in een kantoor verborg, dat door een gang gemeenschap had met het woonhuis van den heer Derby, in de Tempel. Daar hoorde hij uren achtereen, hoe de heer Derby zich met eenige vrienden vermaakte op een feestmaal dat hij hun gaf, en waartoe ook Fisher uitgenoodigd was. Gedurende dezen langen tijd, kwam geen enkele teedere of dankbare herinnering bij hem op, om hem van zijn voornemen af te brengen; maar zoodra de arme man zijne vrienden had zien vertrekken, trad Fisher uit zijn schuilhoek, liep zijn weldoener zachtjes achterna tot in zijne kamer, en schoot hem door het hoofd. Dit zal men nog gelooven als de beenderen van Fisher vermolmd zijn even als zijn hart het was. Ja, men zal welligt zelfs nog willen gelooven dat de ellendeling een paar dagen later met eenige jonge dames naar den schouwburg ging, om Hamlet te zien opvoeren, en met een onwrikbaar gelaat eene der dames hoorde zeggen: (die weinig vermoedde hoe digt zij bij den persoon was van wien zij sprak) „mijn hemel! als de moordenaar van den heer Derby nu tegenwoordig ware!” De schurk toonde hij deze gelegenheid zeker een meer verhard en ongevoelig gemoed dan Nero zelf, van wien Suetonius zegt dat „de bewustheid zijner schuld hem, dadelijk na den dood zijner moeder, ondragelijk werd, en dat ook bleef, en de gelukwenschen der krijgslieden, van den Senaat en van het volk, zijn gewetensangst niet tot bedaren konden brengen.”

Wanneer ik daarentegen den lezer vertelde, dat ik een man gekend had, wiens helder verstand hem in staat gesteld had een vermogen te verwerven op eene wijze, die hij zelf ontdekte, en die in het begin niets scheen te beloven;—dat hij dit gedaan had zonder eenigen smet op zijne eerlijkheid, en niet slechts zonder iemand te benadeelen of te kort te doen, maar tot groot voordeel van den handel en tot verbazende vermeerdering van ’s lands inkomsten;—dat hij één gedeelte van de renten van zijn vermogen besteedde aan werken van den zuiversten smaak, waarin de meeste waardigheid met de reinste eenvoudigheid gepaard ging, en een ander gedeelte zijner inkomsten door eene bovenmenschelijke goedheid ten toon te spreiden in weldaden, aan menschen besteed, die geene andere aanbeveling hadden dan hunne verdiensten of hunne behoeften;—dat hij ijverig was in het opsporen van verdienstelijke armen ten einde hen bij te staan, en dan even bezorgd (welligt al te bezorgd), om hetgeen hij gedaan had geheim te houden;—dat zijn huis, zijne meubelen, zijne tafel, zijne tuinen, zijne huisselijke gastvrijheid, en zijne openbare mildheid, allen gekenmerkt waren door den geest van welken ze een uitvloeisel waren,—dat ze alle innerlijk rijk en edel waren, zonder valschen opschik, of uiterlijk vertoon; dat hij elken pligt van het leven met de grootste naauwgezetheid beoefende, dat hij opregt godsdienstig was jegens zijn Schepper; ijverig en getrouw voor zijn koning; een teeder echtgenoot, een liefderijke bloedverwant, een milde beschermer, een vurige en standvastige vriend, een verstandige en opgeruimde makker, toegevend voor zijne dienstboden, gastvrij voor zijne buren, en welwillend voor alle menschen. Wanneer ik waagde bij dit alles te voegen de namen van wijs, dapper, sierlijk, in één woord, elke goede hoedanigheid, die onze taal weet uit te drukken, dan zou ik zeker kunnen zeggen:

„—Quis credit? nemo, Hercule! nemo; Vel duo, vel nemo.”

En toch ken ik iemand, die aan deze beschrijving beantwoordt. Maar één enkel voorbeeld (en een tweede ken ik niet), is niet genoeg om ons te regtvaardigen, als wij voor duizenden schrijven, die nooit van dien persoon gehoord hebben, of van iemand die op hem geleek. Zulke rarae aves moeten overgelaten worden aan de vervaardigers van grafschriften, of aan den een of anderen dichter, die zich verwaardigen wil hem in een paar regels te bezingen, of eventjes, met een schijn van achteloosheid en als zonder opzet, een rijmpje op hem slaat, zonder den lezer te ergeren.

Eindelijk, moeten de handelingen altijd zijn niet slechts binnen het bereik der menschelijke vermogens,—en zoodanige, die de menschelijke vermogens waarschijnlijk kunnen verrigten, maar ze moeten waarschijnlijk schijnen in de menschen en karakters die ze uitvoeren. Want hetgeen slechts verbazend en verwonderlijk is bij den één, kan onwaarschijnlijk, of zelfs onmogelijk worden bij den andere.

Dit laatste vereischte is hetgeen de dramatische recensenten „karakterteekening” noemen en vordert buitengewoon veel oordeel en eene zeer naauwkeurige kennis der menschelijke natuur.

Het wordt zeer te regt opgemerkt door een uitstekenden schrijver, dat de drift een mensch evenmin brengen kan tot eene daad, die met zich zelve in strijd is, als een sterke stroom een vaartuig tegen den stroom kan doen zwemmen. Ik waag het te zeggen, dat een man die handelt in strijd met de ingevingen zijner natuur, zoo niet het onmogelijke, dan toch het onwaarschijnlijke en wonderbaarlijke verrigt. Als men de beste gedeelten van de geschiedenis van Marcus Antoninus aan Nero toeschreef, of de slechtste dingen die Nero bedreven heeft, aan Antoninus, zou dat in beide gevallen ongeloofelijk schijnen; terwijl ze, van diegenen van wie ze werkelijk waar zijn, verhaald, niet meer dan wonderbaarlijk zijn.

Onze hedendaagsche tooneelschrijvers hebben bijna algemeen de hier aangewezene dwaling begaan:—hunne helden zijn gewoonlijk bekende schelmen en hunne heldinnen losbandige sletten gedurende de vier eerste bedrijven; maar in het vijfde worden zij zeer waardige heeren en de meest deugdzame en zedige vrouwen; terwijl de schrijver zelden de goedheid heeft zich de minste moeite te geven om deze monsterachtig ongerijmde verandering te verklaren. Men kan er ook inderdaad geene andere reden voor geven, dan—dat het tooneelstuk ten einde loopt; alsof het niet minder natuurlijk ware voor een schelm om berouw te krijgen in het laatste bedrijf van een tooneelstuk, dan in het laatste bedrijf van zijn leven; bij voorbeeld, zoo als wij dikwijls zien onder de galg, waarmede sommige drama’s zeer welvoegelijk eindigen zouden, daar de helden er van gewoonlijk uitmunten juist in die gaven, welke de menschen niet slechts tot de galg brengen, maar hen ook in staat stellen om daar eene heldhaftige rol te spelen.

Buiten en behalve deze weinige beperkingen dan houd ik het er voor dat men aan iederen schrijver de vrijheid moest laten om zoo veel hij verkiest van het wonderbaarlijke gebruik te maken. Ja, als hij zich maar aan de regelen van het geloofwaardige houdt, hoe meer hij den lezer verrassen kan, des te meer zal hij zijne aandacht boeijen en bekoren. Zoo als een groot genie opmerkt: „De groote kunst in alle poëzy is waarheid met verdichting ineen te smelten, ten einde het geloofwaardige met het verrassende te vereenigen.”

Want hoewel ieder degelijke schrijver zich binnen de grenzen der waarschijnlijkheid beperken zal, is het daarom volstrekt niet noodig dat zijne karakters, of zijne handelingen, vervelend, gemeen, of overbekend zijn, zoo als men er in elk huis en elke straat ziet, of zoo als men vindt onder de „Binnenlandsche Berigten” in elke courant.

Men moet hem ook niet verbieden vele personen en zaken te laten zien, die welligt aan de meerderheid zijner lezers onbekend zijn. Als de schrijver maar streng de regels opvolgt, die hier boven vermeld zijn, heeft hij het zijne gedaan, en mag daar eenig geloof van zijn lezer eischen, die, inderdaad, zich aan kritisch ongeloof schuldig maakt, als hij hem niet vertrouwt.

Uit gebrek aan geloof van dien aard, herinner ik me dat de rol van eene jonge dame van hoogen rang op het tooneel afgekeurd werd als onnatuurlijk, door een talrijk gehoor van klerken en leerjongens, hoewel ze reeds goedgekeurd was door vele dames van den hoogsten stand, waarvan eene, die een uitmuntend verstand bezit, mij verklaard had, dat die rol een portret was van de helft der jonge dames, die zij kende.

HOOFDSTUK II.

WAARIN DE WAARDIN EEN BEZOEK AFLEGT BIJ DEN HEER JONES.

Toen Jones van zijn vriend, den luitenant, afscheid genomen had, trachtte hij de oogen digt te doen;—maar te vergeefs. Hij was te wakker en te levendig geworden om weder in te slapen. Dus na zich een tijdlang verstrooid, of liever gekweld te hebben met denken aan zijne Sophia, tot het dag was geworden, bestelde hij wat thee, bij welke gelegenheid de waardin zich verwaardigde hem zelve te bezoeken.

Dit was inderdaad de eerste keer dat zij hem zag, of eenige notitie van hem genomen had; daar de luitenant haar echter verzekerd had, dat hij zonder twijfel de een of andere jonge heer van goeden huize moest wezen, besloot zij hem nu met den meest mogelijken eerbied te behandelen; want haar huis was, zonder kwestie, een van diegenen, waar een fatsoenlijk man,—volgens de advertentiën,—„eene prompte bediening” vindt.

Zij was pas begonnen met de thee te zetten, toen zij ook begon met praten.

„Wel, mijnheer,” zeide zij; „wat is het jammer dat zoo’n mijnheer als gij zijt, zich vernedert om met die soldatentroep rond te trekken! Zij noemen zich ook heeren, dat is waar; maar, gelijk mijn eerste man zeide: zij moesten bedenken dat wij burgers hen eigenlijk betalen, en het is zeker zeer hard voor ons logement-houders hen te moeten betalen en hen te onderhouden op den koop toe. Daar waren er twintig van gisteren avond hier, behalve de officieren;—maar wat dat betreft, ik heb liever de soldaten dan de officieren, want voor die kwasten is niets goed genoeg,—en als gij de rekening zaagt, mijnheer;—’t is nagenoeg niets! Ik kan u verklaren dat ik minder moeite heb met eene heele familie van hoogen stand, die soms twee of drie pond in den loop van den avond verteert,—behalve hetgeen ze voor postpaarden betalen. En toch sta ik u er borg voor, dat er geen een van deze officieren is, die zich niet voor zoo goed houdt als de beste landedelman, die vijfhonderd pond ’s jaars te verteren heeft. Wel! ’t Is een grap om te zien hoe de manschappen rondloopen en hen groeten en salueren zonder einde! ’t Zijn me menschen er naar, die voor een shilling eten moeten ’s middags! Dan vloeken ze zoo onder elkaar, dat het mij doet beven;—want van zulke booze menschen kan nooit iets teregt komen. En nu heeft één van hen u op die barbaarsche wijze mishandeld! Ik wist ook wel hoe veilig de anderen hem bewaken zouden; want zij hangen allen aan elkaar, en als gij in doodsgevaar verkeerd hadt,—wat het me genoegen doet te zien dat niet het geval is—is er geen een onder dat slechte volk, die zich daarover bekommerd zou hebben. Zij zouden den moordenaar hebben laten loopen. De hemel zij hem genadig! Ik zou om alles ter wereld niets van dien aard op mijn geweten willen hebben. Maar, ofschoon gij, met ’s Hemels zegen, waarschijnlijk herstellen zult, bestaan er nog wetten, en als gij den advokaat Small wilt gebruiken, durf ik er voor in staan, dat hij den kerel zal noodzaken het land uit te vlugten;—hoewel hij misschien al weg is; want met zulke menschen is het heden hier en morgen daar! Ik hoop echter dat gij in het vervolg verstandiger zult wezen, en tot uwe vrienden terug keeren, die zeker diep ongelukkig zijn sedert zij u verloren hebben;—en wat zouden zij zeggen als zij wisten wat er met u gebeurd is? Mijn tijd! Ik ben blijde dat zij er niets van weten!—Kom, kom! Wij begrijpen best waaraan het hapert! maar als de eene niet wil, dan wil wel de andere;—zoo’n knappe jongen als gij zijt, kan altijd een liefje vinden! Dit weet ik wel: als ik in uwe plaats ware, dan zag ik de mooiste meid die ooit geleefd heeft, liever aan de galg, dan dat ik om harentwil soldaat werd! Neen, bloos maar zoo niet, mijnheer!” (want hij was rood als vuur geworden)—„Gij dacht zeker dat ik niets wist van die zaak met jufvrouw Sophia!”

„Hoe!” riep Jones, opspringende, „kent gij mijne Sophia?”

„Of ik haar ken? Wel zeker!” riep de waardin. „Zij heeft menigmaal hier gelogeerd.”

„O! zeker met hare tante?” vroeg Jones.

„Juist geraden!” riep de waardin. „Ja, ja, ik ken de oude dame best. En jufvrouw Sophia is ook een lief meisje, dat is waar!”

„Een lief meisje!” riep Jones: „Wel:

„Gij maalt een engel schoon, opdat dat beeld Op háár gelijken zou. Al wat ge u droomt Van hemelsche volmaaktheid vindt ge in háár: Die reinheid door lieftalligheid verhoogd, Die rust der ziel, die liefde zonder eind!”

„Hoe had ik me ooit kunnen voorstellen dat gij mijne Sophia kendet?”

„Ik wou maar voor u, dat gij haar half zoo goed kendet als ik! Hoe veel zoudt gij er niet om gegeven hebben om naast haar bed te zitten! Wat heeft zij een prachtigen hals! Zij heeft de schoone ledematen uitgestrekt op hetzelfde bed, waar gij nu op ligt.”

„Hier!” riep Jones; „heeft Sophia ooit in dit bed geslapen?”

„Ja, hier!—Hier, in dit bed,” zei de waardin, „en ik wenschte dat gij haar nu bij u hadt,—en zij zou dat ook misschien wel willen; want zij heeft me wel eens van u gesproken!”

„Hoe!” riep hij; „heeft zij ooit den armen Jones genoemd?—Ge vleit me zeker;—ik kan me dat haast niet verbeelden!”

„Nu,” hernam zij; „zoo waar ik hoop zalig te worden, moge de Satan me halen, als ik iets meer of minder dan de waarheid zeg! Ik heb haar van den heer Jones hooren spreken;—op de meest bescheidene en zedige wijze, dat beken ik; maar ik kon toch zien dat zij een heelen boel daarbij dacht.”

„O, mijne goede vrouw,” riep Jones; „ik zal het nooit waardig zijn, dat zij aan mij denkt. Zij is zoo goed, zoo lief, zoo beminnelijk! Waarom kwam ooit zulk een schelm als ik ter wereld, om haar liefderijk hart één oogenblik te kwellen? Waarom lig ik onder een vloek? Ik, die al de kwellingen en ellende zou willen ondergaan, welke de duivel ooit uitgevonden heeft tot marteling van het menschelijke geslacht, als ik haar maar iets goeds kon doen. De hoogste ellende zou zelfs geen ramp voor mij wezen, als ik maar wist dat zij gelukkig was!”

„Wel, kijk nou!” riep de waardin. „Zei ik haar niet dat gij zeker een trouwe minnaar waart?”

„Maar zeg me toch, jufvrouw, wanneer, of hoe gij iets van mij hebt gehoord; want ik ben nooit te voren hier geweest en ik herinner me ook niet u ooit vroeger gezien te hebben.”

„Het is ook niet mogelijk dat ge u mijner zoudt herinneren,” hernam zij; „want gij waart maar een heel klein kindje toen ik u bij mijnheer op schoot hield!”

„Hoe?” riep Jones, „gij kent dus den goeden, besten mijnheer Allworthy?”

„Wel zeker,” hernam zij. „Wie is er in het heele graafschap, die hem niet kent?”

„De roem van zijne goedheid,” antwoordde Jones, „moet zich ook verder uitgebreid hebben dan tot hiertoe; maar alleen de hemel kent hem zoo als hij is,—en kan die goedheid begrijpen, welke van den hemel zelven ontleend tot een voorbeeld op aarde gesteld werd. De menschen begrijpen even weinig zulke goedheid als zij ze verdienen; maar niemand minder dan ik zelf. Ik, die door hem zoo uit het stof verheven werd: ik, die zoo als gij weten moet, een arm verlaten, onecht kind, door hem aangenomen en als zijn eigen zoon behandeld werd, tot ik het waagde door mijne dwaasheid mij zijn toorn op den hals te halen! Ja! Ik heb het wel verdiend, en ik zal nooit de ondankbaarheid hebben om te zeggen, dat hij mij onregtvaardig behandeld heeft. Neen, ik verdiende de deur uitgezet te worden, gelijk mij overkomen is. En nu, jufvrouw,” voegde hij er bij, „geloof ik niet, dat ge ’t afkeuren zult dat ik dienst wil nemen;—vooral daar ik geen ander vermogen heb dan dit hier op zak!” En met deze woorden liet hij zijne beurs zien, waarin slechts zeer weinig overbleef, en wat de waardin nog minder toescheen.

De goede vrouw was, zoo te zeggen, als door den donder getroffen door dit verhaal. Zij antwoordde hem dus heel koel: „Dat de menschen zeker zelve het best weten moeten wat hun voegt,—maar luister eens!” riep zij: „Ik geloof dat ik geroepen word! Ja, ja! Ik kom! De drommel zal die dienstboden halen;—geen mensch schijnt iets te hooren! Ik moet naar beneden! Als gij nog meer ontbijt noodig hebt, zal de meid het wel boven brengen. Ja! Ik kom!”

En hiermede, zonder te groeten, stoof zij de kamer uit; want menschen uit de lagere volksklasse geven zeer veel om uiterlijke eerbewijzen, en hoewel zij die gaarne voor niet schenken aan personen van hoogen stand, zorgen zij wel ze niet te verspillen aan huns gelijken, zonder ruim daarvoor betaald te worden.

HOOFDSTUK III.

WAARIN DE HEELMEESTER TEN TWEEDENMALE OPTREEDT.

Eer wij verder gaan, is het noodzakelijk den lezer te melden, opdat hij zich niet vergisse en geloove dat de waardin meer wist dan werkelijk het geval was,—of zich verwondere dat zij zoo veel wist,—dat de luitenant haar gezegd had dat de naam van Sophia aanleiding tot den twist had gegeven, en wat het overige aangaat van al hetgeen haar bekend was, zal de verstandige lezer uit het vorige tooneel opgemerkt hebben hoe zij er aan kwam. Veel nieuwsgierigheid was inderdaad met hare deugden vermengd, en zij liet nooit gaarne iemand uit haar huis vertrekken, zonder zoo veel mogelijk omtrent naam, familie en vermogen van den gast ingelicht te zijn.

Zoodra zij weg was, begon Jones (in plaats van haar gedrag af te keuren), zich te herinneren dat hij op hetzelfde bed lag, waar zijne lieve Sophia ook gelegen had. Dit wekte duizenderlei teedere en aandoenlijke gedachten bij hem op, waarover wij langer uitweiden zouden, als wij niet overtuigd waren dat slechts zeer weinige minnaren zoo als hij er een was, onder onze lezers zullen gevonden worden.

Toen de heelmeester kwam om zijne wond te verbinden, vond hij hem in dezen toestand, en na onderzoek, opgemerkt hebbende dat zijn pols snel sloeg en dat hij niet geslapen had, verklaarde hij dat de zieke zich in groot gevaar bevond,—wat hij wilde tegengaan door eene aderlating,—waaraan zich Jones echter niet onderwerpen wilde, daar hij verklaarde geen bloed meer te willen verliezen;—en „Dokter,” zeide hij, „als gij zoo goed wilt wezen mijn hoofd te verbinden, twijfel ik niet dat het over een dag of wat geheel genezen zal zijn.”

„Ik wilde wel dat ik u de verzekering kon geven dat het binnen een paar maanden beter zal zijn,” hernam de heelmeester. „Wel! De menschen genezen waarlijk niet zoo spoedig van zulke kneuzingen. En, mijnheer, op mijn leeftijd, behoef ik niet van mijne patienten te leeren wat goed voor hen is en sta er bepaaldelijk op u eene aderlating te doen eer ik de wond verbind.”

Jones hield stijfhoofdig vol met zijne weigering en de dokter gaf eindelijk toe, hem tevens vertellende, dat hij voor de nadeelige gevolgen niet instaan kon, en hoopte dat hij hem het regt zou doen van te bekennen dat hij hem goeden raad gegeven had;—wat de zieke volgaarne beloofde.

De dokter ging nu naar de keuken, waar hij zich tot de waardin wendde en bitter klaagde over het wederspannige gedrag van den zieke, die, hoewel hij de koorts had, van geene aderlating hooren wilde.

„Als hij de koorts heeft, dan is het een eetkoorts,” zei de waardin, „want hij heeft heden morgen aan ’t ontbijt twee groote dikke sneden geroosterd brood, vet gesmeerd, verslonden.”

„Dat is best mogelijk,” hernam de dokter. „Ik heb meer menschen gekend, die de koorts hadden en toch aten;—en dat is zeer gemakkelijk te verklaren;—want het zuur, verwekt door de koortsachtige stoffen, kan de zenuwen van het middenrif prikkelen en daardoor eene graagte opwekken, welke gemakkelijk verward wordt met natuurlijken eetlust;—maar het voedsel zal niet geconcreteerd, noch opgenomen worden door de maagsappen, en zoodoende zal het in de openingen van de bloedvaatjes ontsteking veroorzaken en de koortsachtige verschijnselen doen vermeerderen. Wezenlijk, ik houd het er voor dat die mijnheer in een zeer gevaarlijken toestand verkeert,—en als ik hem niet aderlaat, vrees ik dat hij sterven zal.”

„Iedereen moet op zijn tijd sterven,” hernam de goede vrouw, „en dat zijn mijne zaken niet. Ge zoudt toch niet willen, dokter, dat ik hem vasthield terwijl gij hem aderlaat?—Maar, hoor eens, ik moet u een woordje in vertrouwen zeggen:—ik zou u aanraden, eer ge te ver gaat, te vragen wie u betalen zal?”

„Betalen?” riep de dokter, verschrikt. „Wel! Ik heb een fatsoenlijk man onder mijne behandeling—niet waar?”

„Dat verbeeldde ik me ook,” zei de waardin. „Maar, zoo als mijn eerste man plagt te zeggen: „De schijn bedriegt” Ik verzeker u dat hij een ellendige bedelaar is. Evenwel, verzoek ik u niet te laten uitlekken dat ik u iets van deze zaak verteld heb;—maar ik ben van meening, dat menschen, die zaken doen, elkaar omtrent dergelijke dingen moeten inlichten.”

„En,” riep de dokter in groote drift, „ik heb me door zoo’n kerel de les laten lezen! Zou ik me in mijn praktijk laten beleedigen door een mensch die me niet betalen kan! Ik ben blijde dat ik deze ontdekking bij tijds gedaan heb. Ik wil nu wel eens zien of hij van eene aderlating hooren wil of niet!”

Hij liep hierop onmiddellijk de trap op, rukte de deur van de slaapkamer met geweld open, wekte den armen Jones uit een gezonden slaap, waarin hij pas geraakt was—en nog erger uit een heerlijken droom van Sophia.

„Zal ik u aderlaten of niet?” riep de dokter woedend.

„Ik heb u al mijn besluit medegedeeld,” hernam Jones, „en ik wenschte maar van harte dat gij in mijn antwoord berust hadt; want ge hebt me uit den heerlijksten slaap gewekt, dien ik ooit genoten heb.”

„Ja, ja,” riep de dokter; „menigeen is zoo de eeuwigheid ingedommeld. De slaap is niet altijd goed;—evenmin als voedsel;—maar let er op, dat ik u voor de laatste keer vraag, of ik u aderlaten zal of niet?”

„Ik zeg u voor de laatste keer, neen!” hernam Jones.

„Dan wasch ik mijne handen in onschuld,” zei de dokter, „en verzoek u slechts mij de moeite te vergoeden, die ik reeds gehad heb. Twee reizen, ieder tegen vijf shillings; twee verbanden, ieder ook vijf shillings, en een daalder voor de aderlating.”

„Ik hoop toch,” zei Jones, „dat gij mij in dezen toestand niet verlaten zult?”

„Dat zal ik zeker doen!” hernam de andere.

„Dan,” riep Jones, „hebt ge me zoo gemeen mogelijk behandeld, en ik zal u geen duit betalen.”

„Best!” gilde de dokter. „’t Is bij tijds gewaarschuwd! Hoe drommel kwam de waardin er toe, mij bij zulk een landlooper te laten komen?” Met deze woorden stoof hij de kamer uit, en de zieke zich omkeerende, geraakte spoedig weder in slaap; maar zijn droom keerde ongelukkig niet weer.

HOOFDSTUK IV.

WAARIN EEN DER AARDIGSTE BARBIERS OPTREEDT, DIE OOIT IN EENIGE GESCHIEDENIS VERMELD WERDEN,—MET INBEGRIP ZELFS VAN DEN BARBIER VAN BAGDAD EN VAN DIEN IN DON QUICHOT.

De klok had vijf geslagen, toen Jones uit een slaap van zeven uren lang ontwaakte, zoo verkwikt en zoo volmaakt gezond en wel, dat hij besloot om op te staan en zich te kleeden; met welk doel hij zijn valies opende, en schoon linnen en andere kleederen er uithaalde; maar eerst schoot hij den rok aan, en ging naar beneden om in de keuken iets te bestellen, om aan de eischen zijner maag, die zich deden gevoelen, te voldoen.

Zoodra hij de waardin zag, sprak hij haar met de meeste beleefdheid aan, en vroeg, „wat zij hem te eten kon geven?”

„Te eten?” riep zij. „’t Is een wonderlijk uur van den dag om nog van eten te spreken! Wij hebben niets klaar in huis en het vuur is haast uit.”

„Ja, maar,” zeide hij, „iets te eten moet ik toch hebben, en het is me vrij onverschillig wat; want, om u de waarheid te zeggen, ik had nooit van mijn leven zoo’n honger.”

„Dan geloof ik wel,” zeide zij, „dat er nog een brok koud gekookt vleesch is, met wortels, dat u lijken zal.”

„Heerlijk!” riep Jones; „maar ik zou u zeer dankbaar wezen als ge ’t wildet laten opwarmen.”

Dit beloofde de waardin en voegde met een glimlach er bij: „dat het haar genoegen deed te zien dat hij zoo volmaakt hersteld was;” want de goedaardigheid van onzen held was bijna onweerstaanbaar. Bovendien, was zij in haar hart geene hardvochtige vrouw; maar zij hield zoo veel van het geld, dat zij alles haatte wat slechts den schijn van armoede had.

Jones ging nu naar zijne kamer terug om zich te kleeden, terwijl zijn middagmaal gereed gemaakt werd, en op zijn last werd de barbier gehaald.

Deze barbier, die in de wandeling „de kleine Benjamin” heette, was een zeer luimig en aardig kereltje, wat hem dikwerf allerlei kleine rampen berokkend had, zoo als klappen om de ooren, trappen onder zeker ligchaamsgedeelte, enz.

Want niet iedereen verstaat eene aardigheid, en diegenen die dat doen, houden er zelden van als zij zelven het voorwerp er van worden. Deze ondeugd was echter onverbeterlijk bij hem, en hoewel hij het dikwerf had moeten bezuren, zoodra hij eene grap bedacht, moest hij ze er uitbrengen, zonder aanzien van persoon, tijd of plaats.

Hij bezat ook nog vele andere zonderlingheden van karakter, die ik niet vermeld, daar de lezer ze zelf ligt ontdekken zal, als hij nader bekend wordt met dezen wonderlijken persoon.

Jones, die haast had om klaar te komen, om eene reden, welke men zich gemakkelijk voorstellen kan, vond dat de barbier zeer langzaam te werk ging met zijn zeepsop, en smeekte hem met wat meer spoed te werk te gaan, waarop de andere hernam:

„„Festina lente,” is een spreekwoord, dat ik leerde lang eer ik een scheermes aanraakte.”

„Zoo, vriendje? Zijt ge een geleerde?” vroeg Jones.

„Maar zoo wat,” zei de barbier. „Non omnia possumus omnes.”

„Alweer Latijn!” riep Jones. „Ik verbeeld me ook zeker dat ge verzen maakt?”

„Vraag excuus, mijnheer,” hernam de barbier. „Non tanto me dignor honore.” En daarop tot zijn werk overgaande, vervolgde hij: „Sedert ik met zeepsop omgegaan heb, mijnheer, heb ik slechts twee redenen kunnen ontdekken, waarom men zich scheren zou: de eene is om een baard te krijgen; de andere om den baard kwijt te worden. Ik veronderstel, mijnheer, dat het niet zoo lang geleden is, dat gij u om de eerste reden liet scheren. Op mijn woord, dat hebt gij met goed gevolg gedaan; want men kan wel van uw baard zeggen dat die tondenti gravior is.”

„Ik verbeeld me dat gij een wonderlijke snaak zijt,” zeide Jones.

„Gij vergist u zeer daaromtrent, mijnheer,” hernam de barbier. „Ik houd maar al te veel van de studie der wijsbegeerte; hinc illae lachrymae! Dat is mijn ongeluk geweest, mijnheer! Te veel geleerdheid heeft mij te gronde gerigt.”

„Waarlijk,” zei Jones, „het komt me voor dat ge geleerder zijt, dan men gewoonlijk ziet bij iemand van uw beroep; maar ik zie niet in hoe dat u heeft kunnen benadeelen.”

„Helaas, mijnheer,” hernam de barbier; „mijn vader heeft me daarom onterfd. Hij was dansmeester, en omdat ik vroeger lezen dan dansen kon, kreeg hij een afkeer van me, en liet elken duit, dien hij had, aan zijne overige kinderen na.—Verkiest gij, dat ik u de slapen,—maar hola! Ik vraag excuus; ik verbeeld me daar een hiatus in manuscriptis te zien! Ik hoorde dat gij te velde gingt trekken; maar dat was zeker eene vergissing!”

„Waarom denkt ge dat?” vroeg Jones.

„Wel, mijnheer,” antwoordde de barbier, „ge zijt zeker te wijs om met een gat in uw hoofd daarheen te gaan. Dat zou zijn water naar de zee brengen.”

„Op mijn woord,” riep Jones, „ge zijt een wonderlijke snaak! Uwe aardigheden bevallen me zeer; het zal me verheugen als ge na tafel bij me komen wilt om een glas wijn te drinken. Ik verlang nader kennis met u te maken.”

„O, mijn waarde heer,” hernam de barbier; „ik kan u eene tienmaal grootere dienst bewijzen, als ge dat verkiest.”

„Hoe zoo vriend?” vroeg Jones.

„Wel, mijnheer, ik wil wel eene heele flesch met u drinken, als gij verkiest; want ik houd dol veel van een goedaardig mensch, en als gij ontdekt hebt, dat ik een komiek mensch ben, zoo heb ik geen verstand van de gelaatkunde, als gij niet blijkt een der goedaardigste heeren ter wereld te zijn.”

Jones ging nu, netjes gekleed, naar beneden, en welligt bezat de schoone Adonis geene bekoorlijker gestalte;—evenwel had hij niets bekoorlijks voor de waardin, die even weinig van Venus in haar uiterlijk als in haar smaak had. Gelukkig ware het geweest voor Nancy, de werkmeid, als zij er even zoo over gedacht had als hare meesteresse; want het arme meisje werd binnen de vijf minuten zoo hevig verliefd op Jones, dat die hartstogt haar later menigen zucht kostte. Deze Nancy was zeer mooi en ook zeer moeijelijk; want zij had al een tapper geweigerd, en ook een paar jonge pachters uit de buurt; maar de schitterende oogen van onzen held deden al haar ijs oogenblikkelijk ontdooijen.

Toen Jones in de keuken kwam, was de tafel nog niet gedekt;—wat ook, inderdaad, overbodig zou geweest zijn, daar zijn middagmaal in statu quo was gebleven, even als het vuur om het op te warmen. Deze teleurstelling zou menig wijsgeerig gemoed in toorn hebben doen ontvlammen; maar had op Jones die uitwerking niet. Hij deed de waardin slechts een zacht verwijt, en zeide, „dat daar het zoo moeijelijk was iets warms te krijgen, hij het ook koud zou gebruiken.”

Hetzij nu de goede vrouw door medelijden of schaamte, of door eenige andere beweegreden aangedaan was,—dat weet ik niet; maar eerst beknorde zij hevig hare dienstboden dat zij de bevelen niet opgevolgd hadden, welke zij hun niet gegeven had, en daarop, na den knecht gelast te hebben de tafel te dekken in „de zon,” ging zij in goeden ernst aan het werk, dat ook spoedig verrigt werd.

„De zon,” waarheen Jones nu gebragt werd, had waarlijk den naam, even als lucus à non lucendo; want het was een vertrek waar naauwelijks ooit de zon schijnen kon. Het was inderdaad, de slechtste kamer in het huis,—en dat was geen geluk voor Jones. Evenwel, hij had nu te veel honger om over wat ook te knorren; maar eens zijn eetlust verzadigd hebbende, beval hij den knecht eene flesch wijn op eene betere kamer te brengen, en drukte eenige verontwaardiging uit, dat men hem in zulk een hok gebragt had.

De knecht gehoorzaamde aan zijne bevelen, en na eenigen tijd gezeten te hebben, kwam de barbier bij hem, die hem niet zoo lang zou hebben laten wachten, als hij niet in de keuken had moeten luisteren naar de waardin, die een kring waardoor zij omgeven was, onthaalde op de geschiedenis van den armen Jones, welke zij gedeeltelijk van zijne eigene lippen vernomen en gedeeltelijk zelve bedacht had. Want zij zeide, dat hij een arme dorpsjongen was, die in het huis van den heer Allworthy verpleegd en tot leerjongen groot gebragt werd, en nu, wegens zijne wanbedrijven, de deur uitgezet was,—gedeeltelijk omdat hij het hof gemaakt had aan zijne jonge meesteresse, en waarschijnlijk ook omdat hij iets gestolen had;—want anders, hoe zou hij aan het weinige geld komen dat hij had?—„En dit is nu iemand, dien gij een mijnheer noemt!”

„Uit het huis van den heer Allworthy?” vroeg de barbier. „En hoe heet hij?”

„Wel, hij vertelde me, dat hij Jones heette,” zeide zij: „misschien is dat slechts een aangenomen naam. Want hij vertelde me ook dat die mijnheer hem als zijn eigen zoon groot gebragt had, hoewel hij nu boos op hem was.”

„Als hij Jones heet, heeft hij u de waarheid verteld,” zei de barbier; „want ik heb betrekkingen in die streken;—en sommige menschen zeggen, dat hij zelfs Allworthy’s zoon is.”

„Waarom draagt hij dan niet zijns vaders naam?”

„Dat weet ik niet,” hernam de barbier; „er zijn vele menschen die hun vaders naam niet voeren.”

„Wel,” antwoordde de waardin, „als ik dacht dat hij de zoon was van een mijnheer, al ware hij ook een onecht kind, ik zou hem heel anders behandelen; want vele van die bastaarden worden groote lui op den duur, en zoo als mijn eerste man plagt te zeggen: men moet nooit een klant, die fatsoenlijk man is, beleedigen.”

HOOFDSTUK V.

EEN GESPREK TUSSCHEN DEN HEER JONES EN DEN BARBIER.

Dit gesprek viel gedeeltelijk voor terwijl Jones in zijn hok zat te eten, gedeeltelijk terwijl hij op de kamer op den barbier zat te wachten. En zoodra het afgeloopen was, ging de heer Benjamin, gelijk wij gezegd hebben, bij hem, en werd zeer vriendelijk verzocht plaats te nemen. Jones schonk toen de glazen in en dronk op zijn welzijn, hem als „doctissime tonsorum” aansprekende.

„Ago tibi gratias, domine!” hernam de barbier, en daarop Jones strak aankijkende, vroeg hij hem zeer ernstig, en schijnbaar met groote verwondering, alsof hij zich herinnerde zijn gezigt vroeger gezien te hebben:

„Mijnheer, mag ik zoo vrij wezen, te vragen of gij Jones heet?” Wat de andere bevestigde.

„Proh deum atque hominum fidem!” riep de barbier; „er gebeuren toch vreemde dingen in de wereld! Mijnheer Jones, ik ben uw onderdanige dienaar! Ik zie dat gij mij niet herkent, wat inderdaad, niet vreemd is, daar ge me slechts eenmaal van uw leven gezien hebt, en dat was in uwe teederste jeugd! Mag ik vragen, mijnheer, hoe de goede heer Allworthy het maakt, ille optimus omnium patronus?”

„Naar ik zie,” hernam Jones, „kent gij mij inderdaad; maar ik heb het geluk niet mij u te herinneren,—”

„Dat verwondert me niet,” riep Benjamin; „maar het verwondert mij toch dat ik u niet dadelijk herkende; want gij zijt in ’t geheel niet veranderd. En mag ik, mijnheer, zonder onbescheidenheid, vragen, waarheen gij dezen kant uit reist?”

„Schenk u maar in, mijnheer de barbier,” hernam Jones, „en doe geene onbescheidene vragen.”

„Neen, mijnheer,” antwoordde Benjamin, „ik wilde u in geen geval lastig vallen; en ik hoop dat gij mij niet voor onbescheiden zult houden; want dat is eene ondeugd, waarvan niemand mij betichten kan;—maar ik vraag u wel excuus; want als een mijnheer van uw stand zonder zijne knechts rondtrekt, mogen wij wel veronderstellen, dat hij, gelijk men zegt, in casu incognito is, en misschien had ik uw naam niet eens moeten noemen.”

„Ik beken,” zei Jones, „dat ik niet gedacht had in deze streken zoo goed bekend te zijn als het geval schijnt te wezen;—en, om bijzondere redenen, zou ik me zeer verpligt rekenen, als ge verder mijn naam, tot na mijn vertrek, verzwijgen wilt.”

„Pauca verba!” hernam de barbier; „ik wilde dat er niemand hier was dan ik, die u kende; want sommige menschen kunnen het babbelen niet laten; maar ik beloof u dat ik een geheim weet te bewaren. Die deugd moeten mij zelfs mijne vijanden laten.”

„En toch is die volstrekt niet het kenmerk van uw beroep,” hernam Jones.

„Helaas, mijnheer,” zuchtte Benjamin: „non si male nunc et olim sic erat. Ik verzeker u, dat ik niet als barbier geboren of groot gebragt werd. Ik heb veel tijd onder fatsoenlijke lieden gesleten, en al zeg ik het zelf, ik weet wat fatsoen is. En als gij mij uw vertrouwen even waardig gekeurd hadt als sommige andere menschen, zou ik u bewezen hebben dat ik uw geheim beter wist te bewaren;—ik zou uw naam niet in de keuken van eene herberg door den modder gehaald hebben; want, wezenlijk, mijnheer, er zijn sommige menschen die u niet goed behandeld hebben; want, behalve dat zij alle openlijk verkondigd hebben, wat gij hun verteld hebt van een twist tusschen u en mijnheer Allworthy, voegden zij er leugens bij van hun eigen,—leugens, die ik als zoodanige herkende.”

„Dat verwondert me zeer,” riep Jones.

„Op mijn woord, mijnheer,” hernam Benjamin, „ik zeg u meer noch minder dan de algeheele waarheid;—en ik behoef er niet bij te voegen dat ik van de waardin spreek. Ik verzeker u dat het me aandeed haar verhaal te hooren, en ik hoop dat het alles onwaar is; want, ik betuig u dat ik veel eerbied voor u koester, en dat heb ik steeds gedaan sedert uwe goedheid ten opzigte van den Zwarten George, wat in het heele graafschap bekend is, en waarover ik meer dan één brief ontvangen heb. Inderdaad, dat heeft u algemeen bemind gemaakt. Ge zult het me dus vergeven, dat ik u uit zuivere belangstelling eenige vragen deed; want alles wat naar onbeschofte nieuwsgierigheid zweemt, is mij onbekend;—maar ik houd van goedhartigheid,—en van daar amoris abundantia erga te.”

Als men ongelukkig is, vindt iedere vriendschapsbetuiging gemakkelijk ingang;—geen wonder dus, dat Jones, die behalve dat hij zich zeer ongelukkig gevoelde, bijzonder openhartig was, zeer gereedelijk alle betuigingen van Benjamin aanhoorde, en hem tot zijn hart nam.

De Latijnsche brokken, sommigen van welke Benjamin niet onaardig te pas bragt, hoewel ze geene groote geleerdheid deden blijken, schenen toch iemand te verraden die meer was dan een gewoon barbier;—en dit was inderdaad het geval met zijne geheele houding. Jones geloofde dus aan de waarheid van al hetgeen hij gezegd had ten opzigte van zijne vroegere opvoeding, en na veel smeekens, zeide hij eindelijk:

„Daar gij, vriend, zooveel omtrent mij reeds vernomen hebt, en ge zoo begeerig schijnt achter de waarheid te komen, als ge wat geduld wilt hebben, zal ik u alles mededeelen.”

„Geduld!” riep Benjamin. „Ja, en al hadt gij mij nog zoo veel te vertellen! En ik ben u zeer verpligt voor de eer welke gij mij bewijst.”

Jones begon nu en vertelde zijne geheele geschiedenis, slechts een paar omstandigheden overslaande, namelijk alles wat er gebeurd was op dien dag toen hij met Thwackum gevochten had,—en hij eindigde met zijn besluit te vermelden om op zee te varen, tot de opstand in Schotland hem van plan had doen veranderen en hem daarheen gebragt had, waar hij zich nu bevond.

De kleine Benjamin, die zeer oplettend was geweest, viel hem in het geheel niet in de rede; maar toen het verhaal uit was, kon hij niet nalaten op te merken, dat er zeker iets was dat door zijne vijanden bedacht zijn moest, en dat den heer Allworthy tegen hem ingenomen had, of dat zulk een goed mensch nooit iemand, dien hij zoo lief had gehad, op die wijze weggejaagd zou hebben.

Hierop hernam Jones, „dat hij er niet aan twijfelde dat men dergelijke schandelijke kunsten gebruikt had om hem te grond te rigten.”

En, wezenlijk, het was naauwelijks mogelijk voor wien ook, om niet dezelfde opmerking te maken als de barbier,—die van Jones geene enkele omstandigheid had gehoord, waarvoor men hem veroordeelen kon; want zijne handelingen waren nu niet in het schandelijke licht geplaatst, waarin ze aan den heer Allworthy voorgesteld werden;—hij kon ook de valsche beschuldigingen, welke van tijd tot tijd tegen hem ingebragt werden, niet opsommen;—want zelf had hij er niets van vernomen. Hij had, gelijk wij gezien hebben, vele belangrijke zaken in zijn verhaal uitgelaten. Inderdaad, alles scheen voor Jones in zulk een gunstig licht, dat de kwaadaardigheid zelve moeite zou gehad hebben hem van iets te betichten.

Niet dat Jones zelf eenig voornemen koesterde om de waarheid te verbergen of te vermommen. Neen: hij zou liever zelf de schande gedragen hebben van slecht gehandeld te hebben, dan den heer Allworthy te hooren berispen omdat hij hem onverdiend gestraft had;—maar toch was het gebeurd,—en zoo zal het steeds gebeuren,—dat de eerlijkste man, van zijn eigen gedrag sprekende, in weerwil van zich zelven, zulk een gunstig verslag zal geven, dat zijne ondeugden gezuiverd over zijne lippen komen, en als onreine vochten, door de zeef gegoten, al wat vuil is, achterlaten. Want hoewel de feiten zelve vermeld mogen worden, zullen de beweegredenen, omstandigheden en gevolgen zoo zeer verschillen, naarmate een mensch zelf, of zijn vijand ze beschrijft, dat wij ze naauwelijks herkennen zouden.

Hoewel de barbier met gretige ooren naar het verhaal geluisterd had, was hij nog niet voldaan. Er was ééne omstandigheid verzwegen, zonder welke zijne nieuwsgierigheid hoe gering die ook was, niet rusten kon. Jones had zijne verliefdheid vermeld, en dat hij de mededinger was van Blifil; maar hij had den naam der dame zorgvuldig verzwegen. Dus, na eenige aarzeling, smeekte de barbier, zich verontschuldigende dat hij die vrijheid nam, om den naam te mogen weten van de dame, die de voornaamste aanleiding scheen te zijn tot al deze rampen. Jones zweeg een oogenblik en zeide daarop:

„Daar ik u al zoo ver vertrouwd heb, en naar ik vrees, haar naam reeds nu te veel genoemd is bij deze gelegenheid, zal ik hem voor u niet verbergen. Zij heet Sophia Western.”

„Proh deum atque hominum fidem! Heeft mijnheer Western al eene volwassene dochter?”

„Ja,” riep Jones, „en een meisje dat hare weêrga hier op aarde niet heeft. Nooit heeft het menschelijk oog zoo iets schoons gezien;—maar dat is hare minste deugd. Haar verstand! Hare goedheid! O ik zou haar eene eeuwigheid lang kunnen roemen en toch de helft harer deugden vergeten.”

„Mijnheer Western eene volwassene dochter!” riep weer de barbier; „ik herinner me den vader nog als jongen! Wel! ’t is waar: Tempus edax rerum!”

Daar de wijn nu op was, drong de barbier er sterk op aan, om zelf eene flesch te mogen schenken; maar Jones weigerde dit zeer stellig, zeggende, „dat hij reeds meer had gedronken, dan hem geleek, en dat hij nu liefst naar zijne kamer zou gaan, waar hij gaarne het een of ander boek zou willen hebben.”

„Een boek!” riep Benjamin. „Welk boek? Latijn of Engelsch? Ik heb er enkele heel mooije in beide talen. Bij voorbeeld, de Colloquia van Erasmus;—Ovidius, de Tristibus;—de Gradus ad Parnassum en in het Engelsch heb ik sommige der beste werken, hoewel die wat gehavend zijn. Zoo heb ik het grootste gedeelte van de Kronijken van Stowe; het zesde deel van den Homerus van Pope; het derde deel van den Spectator; het tweede deel van Echard’s Romeinsche geschiedenis, Robinson Crusoe, de volmaakte Handwerksman, Thomas-à-Kempis,—en twee deelen van de werken van Thomas Brown.”

„Van die laatsten heb ik nooit iets gelezen,” zei Jones; „wees dus zoo goed mij een van die deelen te leenen.”

De barbier verzekerde hem dat ze hem zeer vermaken zouden; want hij hield den schrijver voor een der geestigste menschen, die het Engelsche volk ooit voortgebragt had. Hij liep daarop naar zijne woning, vlak in de buurt, en keerde spoedig met het boek terug, waarna hem ten strengste bevolen werd door Jones alles te verzwijgen, wat hij ook plegtig zwoer, en de barbier ging naar huis en Jones trok zich op zijne kamer terug.

HOOFDSTUK VI.

WAARIN DE BEGAAFDHEDEN VAN DEN HEER BENJAMIN ZIGTBAAR WORDEN;—ALSMEDE WIE DEZE BUITENGEWONE MENSCH EIGENLIJK WAS.

’s Morgens werd Jones eenigzins ongerust over het wegblijven van den dokter, daar hij vreesde voor eenig ongemak, of zelfs gevaar, bij het verbinden zijner wonde; hij vroeg dus den knecht, welke andere heelmeesters er in de buurt te vinden waren. De knecht vertelde hem dat er één vlak in de nabijheid woonde; maar dat hij dikwerf gezien had dat hij zijne diensten weigerde als men eerst iemand anders ingeroepen had; „maar, mijnheer,” voegde hij er bij, „als gij mijn raad volgen wilt, geloof me dat er in het heele land geen mensch is die u beter helpen kan, dan de barbier, die gisteren avond hier was. Wij allen beschouwen hem als een der knapste menschen om eene snede te behandelen, die in den omtrek te vinden is. Want, hoewel hij pas eene maand of drie hier is, heeft hij reeds eenige verbazende genezingen gedaan.”

De knecht werd er nu op uitgezonden om den kleinen Benjamin te halen, die verwittigd van het vak, tot welks beoefening hij nu geroepen werd, zich dienovereenkomstig voorbereidde en dadelijk bij Jones ging, echter met zulk een verschil in zijn uiterlijk en zijne houding van die, waarmede hij met het scheerbekken onder den arm verscheen, dat men hem ter naauwernood herkend zou hebben.

„Zoo, mijnheer de barbier!” zei Jones; „ik zie dat ge meer dan één beroep uitoefent; hoe komt het dat ge me dit niet verteldet gisteren avond?”

„Van heelmeester zegt men vak en niet beroep,” antwoordde Benjamin met den meesten ernst. „Ik vertelde u gisteren avond niet, dat ik de heelkunst beoefende, omdat ik begreep dat gij onder de behandeling van iemand anders waart, en ik er niet van houd mijne collegas in hun vak te benadeelen. Ars omnibus communis. Maar nu, mijnheer, met verlof, zal ik naar uw hoofd zien, en als ik u in den schedel gekeken heb, zal ik u zeggen wat ik van uw geval denk.”

Jones stelde niet heel veel vertrouwen in dezen nieuwen geneesheer; evenwel liet hij toe dat hij het verband opligtte, en naar de wond keek, waarop Benjamin begon te steunen en geweldig het hoofd te schudden. Jones beval hem nu gemelijk, om niet meer voor gek te spelen, maar om hem dadelijk te zeggen, wat zijn toestand was.

„Moet ik als vriend of als heelmeester antwoorden?” vroeg Benjamin.

„Als vriend, en zonder gekheid,” zei Jones.

„Dan, op mijn woord,” riep Benjamin, „zou het eene groote inspanning voor de kunst wezen, om u, na een paar nieuwe verbanden, te beletten heel wel te blijven, en als gij me wat van mijn zalf wilt laten gebruiken, sta ik u borg voor den goeden uitslag.”

Jones stemde hierin toe, en de pleister werd op de wond gelegd.

„Daar, mijnheer!” riep Benjamin, „en nu, met uw goedvinden, zal ik wezen zoo als ik vroeger was; maar de mensch moet eenigen schijn van deftigheid aannemen bij dergelijke operatiën, of men zou er voor bedanken zich door hem te laten behandelen. Ge kunt u niet verbeelden, mijnheer, van hoeveel belang het is dat men in een ernstig karakter ook een ernstig uiterlijk vertoont. Een barbier moge uwen lachlust opwekken; maar een heelmeester moest u eerder tot tranen bewegen.”

„Mijnheer de barbier, of mijnheer de chirurgijn, of mijnheer de barbier-chirurgijn—” begon Jones.

„O, waarde heer,” viel de andere hem in de rede, „Infandum, regina, jubes renovare dolorem! Gij herinnert mij aan de wreede scheiding der twee broederschappen, die zoo nadeelig werkte op beide ligchamen,—gelijk altijd het geval moet wezen,—volgens het oude spreekwoord „vis unita fortior,”—wat wel een stuk of wat heeren van beide beroepen niet in staat zouden zijn te vertolken. Maar het was een zware slag voor mij, die beide beroepen in mijn persoon vertegenwoordigen kan!”

„Nu, hoe ge u ook verkiest te noemen,” hervatte Jones, „zeker is het, dat ge een der koddigste, aardigste menschen zijt, die ik ooit gezien heb, en ge moet wel een zonderlingen levensloop gehad hebben, welken ge bekennen zult dat ik eenigzins aanspraak heb te vernemen.”

„Dat beken ik gaarne,” hernam Benjamin, „en zal ik u er gaarne mede bekend maken, als gij den tijd daarvoor vinden kunt; want ik waarschuw u dat het nog al lang is.”

Jones verzekerde hem dat hij nooit meer leegen tijd zou hebben dan op dat oogenblik.

„Best!” zei Benjamin; „dan zal ik aan uwe wenschen voldoen. Maar eerst zal ik de deur sluiten, ten einde wij door niemand gestoord worden.”

Dit deed hij, en daarop Jones op eene plegtige wijze naderende, zeide hij: „Ik moet beginnen met u te vertellen, mijnheer, dat gij zelf mijn ergste vijand zijt geweest!”

Jones schrikte eenigzins bij deze verklaring.

„Ik zou uw vijand zijn, mijnheer!” riep hij, terwijl hij zijne verbazing en verontwaardiging in zijne blikken toonde.

„Maak u maar niet boos op mij, mijnheer,” smeekte Benjamin; „want ik verzeker u dat ik niet boos op u ben. Gij zijt er geheel en al onschuldig aan, als gij mij benadeeld hebt; want gij waart toen slechts een zuigeling; maar ik zal dit raadsel voor u oplossen door u mijn naam te zeggen. Hebt gij, mijnheer, nooit van zekeren Partridge gehoord, die de eer had van uw vader te heeten, en die het ongeluk had door die eer te grond gerigt te worden?”

„Ik heb wel inderdaad Partridge hooren noemen,” zei Jones, „en geloofde altijd dat ik diens zoon was.”

„Nu, mijnheer,” hernam Benjamin, „die Partridge ben ik; maar hier spreek ik u plegtig vrij van alle kinderlijke pligten; want ik verzeker u, dat gij mijn zoon niet zijt.”

„Hoe?” riep Jones, „en zou het mogelijk zijn dat eene verkeerde verdenking u al de rampen berokkend heeft, die mij zoo goed bekend zijn?”

„Mogelijk is het,” hernam Benjamin: „want het is geschied; maar hoewel het tamelijk natuurlijk is in den mensch dat hij zelfs de onschuldige aanleiding tot zijn ongeluk zou haten, ben ik van anderen aard. Ik heb steeds van u gehouden sedert ik van uw gedrag hoorde ten opzigte van den Zwarten George, zoo als ik u reeds gezegd heb en ik ben overtuigd, door deze wonderbaarlijke ontmoeting, dat gij toch geboren zijt om mij op den duur alles te vergoeden wat ik om uwentwil geleden heb. Bovendien, droomde ik, den nacht eer ik u ontmoette, dat ik over eene bank gevallen was, zonder mij te bezeren, wat een duidelijk blijk was van iets goeds dat mij wachtte, en gisteren nacht weer droomde ik dat ik achter u reed op eene melkwitte merrie, wat een uitmuntende droom is, en veel geluk voorspelt, dat ik besloten heb ook na te jagen, tenzij gij de wreedheid hebt het mij niet te vergunnen.”

„Ik zou me zeer verheugen, mijnheer Partridge, als het in mijn vermogen ware, u uw lijden om mijnentwil te vergoeden;” zei Jones; „evenwel zie ik, voor het oogenblik, daar weinig kans op. Maar ik verzeker u dat ik u niets zal weigeren, waartoe ik in staat ben.”

„Het is zeker in uw vermogen,” hernam Benjamin, „om mij nu te helpen; want al wat ik wensch, is om u op dezen togt te mogen vergezellen. Ja, ik ben daar zoo zeer op gesteld, dat als gij het mij weigert, gij met één slag een barbier en een heelmeester dooden zult.”

Jones hernam met een glimlach, dat het hem zeer spijten zou het publiek op die wijze te benadeelen; maar haalde tevens vele wijze redenen aan om Benjamin (dien wij voortaan Partridge zullen noemen), van zijn voornemen te doen afzien; maar te vergeefs. Partridge bouwde te veel op den droom van de melkwitte merrie.

„Bovendien, mijnheer,” zeide hij, „ik verzeker u dat ik voor de goede zaak evenzeer ijver als de beste, en gaan zal ik, of gij mij in uw gezelschap laat gaan, of niet.”

Jones, die evenzeer met Partridge ingenomen was als deze wel met hem ingenomen kon zijn, en die niet zijne eigene wenschen, maar het welzijn van den andere geraadpleegd had, toen hij hem ried om te huis te blijven, gaf eindelijk zijne toestemming, toen hij zag hoe standvastig zijn vriend bleef; maar zich bedenkende, zeide hij:

„Misschien verbeeldt gij u, mijnheer Partridge, dat ik u den onderhoud zal kunnen geven;—maar dat is wezenlijk niet het geval,” en de beurs te voorschijn halende, telde hij hem negen guinjes voor, welke, zoo als hij verklaarde, zijn geheel vermogen uitmaakten.

Partridge hernam, „dat hij alleen rekende op zijne gunst in latere tijden; want hij hield zich verzekerd, dat hij binnen kort genoeg in handen zou hebben. Thans, mijnheer,” zeide hij, „geloof ik eenigzins de rijkste van ons beiden te wezen; maar al wat ik heb, staat tot uwe dienst en beschikking. Ik sta er op dat gij over het geheel beschikt, en ik vraag alleen om u als dienaar te volgen. „Nil desperandum est Teucro duce et auspice Teucro.””

Maar Jones wilde zich in het geheel niet onderwerpen aan dit edele aanbod omtrent het geld.

Zij besloten nu den volgenden morgen te vertrekken, toen zich een bezwaar voordeed met de bagage; want het valies van den heer Jones was te groot, om zonder paard vervoerd te worden.

„Als ik het wagen mogt u een raad te geven,” zei Partridge, „zou ik voorstellen om het valies met alles er in, behalve wat linnen-goed—, achter te laten. Dat kan ik gemakkelijk voor u dragen en uwe overige kleêren kunnen veilig geborgen blijven in mijn huis.”

Dit voorstel werd dadelijk aangenomen, en de barbier vertrok om alles gereed te maken voor den naderenden togt.

HOOFDSTUK VII.

BEVATTENDE BETERE REDENEN DAN TOT DUSVER GEBLEKEN ZIJN VOOR HET GEDRAG VAN PARTRIDGE;—EENE VERONTSCHULDIGING VOOR DE ZWAKHEID VAN JONES, EN NOG ENKELE ANEKDOTEN OMTRENT DE WAARDIN.

Hoewel Partridge een der bijgeloovigste der menschen was, zou hij naauwelijks verlangd hebben om Jones te vergezellen alleen om redenen van de bank en de merrie, en in de hoop om deel te hebben aan den buit op het slagveld gemaakt. Maar wezenlijk, toen Partridge nadenken ging over het verhaal van Jones, kon hij niet gelooven dat de heer Allworthy zijn zoon (want hij was overtuigd dat Jones diens zoon was) de deur uit zou zetten om eene van die redenen, welke aangevoerd waren. Hij maakte dus uit alles op, dat het verhaal van Jones geheel verdicht was, en dat deze, die hij van zijne correspondenten gehoord had, een der dolzinnigste jongens in de omstreken was, wezenlijk uit zijn vaders huis weggeloopen moest zijn. Hij verbeeldde zich dus dat als hij den jongeling overhalen kon tot zijn vader terug te keeren, hij zoodoende den heer Allworthy eene dienst zou bewijzen, welke diens vroegeren toorn zou uitwisschen;—hij geloofde zelfs dat die toorn slechts geveinsd was en dat Allworthy hem aan zijn eigen goeden naam opgeofferd had. En deze verdenking grondde hij op het liefderijke gedrag van dien uitstekenden man jegens den vondeling;—op diens groote gestrengheid jegens hem (Partridge), die wetende dat hij zelf onschuldig was, niet begrijpen kon dat iemand anders hem voor schuldig kon houden,—en eindelijk, op de geldelijke ondersteuning, welke hij in stilte ontvangen had lang nadat hij openlijk daarvan beroofd was geworden; en welke hij beschouwde als eene soort van rouw-geld, of vergoeding voor onregtvaardigheid;—want het geschiedt zeer zelden, geloof ik, dat de menschen de weldaden welke zij ontvangen op rekening der zuivere liefdadigheid stellen, als zij maar de mogelijkheid inzien, om ze aan eene andere beweegreden toe te schrijven.

Kon hij dus op de eene of andere wijze den jongeling overhalen om weer naar huis terug te keeren, dan twijfelde hij niet dat hij weder in genade zou opgenomen worden door den heer Allworthy, en bovendien ruim beloond worden voor zijne moeite,—ja, en zelfs zijne geboorteplaats weer kunnen bewonen,—een geluk waarnaar Ulysses zelf niet meer snakte dan de arme Partridge.

Wat Jones betreft, hij was overtuigd van de waarheid van hetgeen de andere beweerd had, en geloofde dat Partridge alleen bezield was door liefde tot hem en door ijver voor de goede zaak. Dit was een berispenswaardig gebrek aan voorzigtigheid en aan wantrouwen aan de geloofwaardigheid van anderen, dat zeer te laken was. En werkelijk, er zijn slechts twee wijzen, waarop de menschen in het bezit komen van deze schoone hoedanigheid:—de eerste is door de langdurige ondervinding; de andere—door de natuur;—welke laatste men dikwerf „het genie” noemt, of „groote aangeborene gaven,”—en deze is van beide op verre na de verkieselijkste, niet alleen omdat wij ze veel vroeger in ons leven meester worden, maar omdat ze veel onfeilbaarder en beslissender is; want een man, die door nog zoo vele anderen bedrogen is, mag hopen om anderen te vinden die eerlijker zijn; terwijl hij, die van zijn hart zekere waarschuwingen ontvangt, dat dit onmogelijk is, zeer weinig verstand moet bezitten als hij zich er aan blootstelt om zelfs ééns bedrogen te worden. Terwijl Jones deze gave niet van de natuur bezat, was hij ook te jong om ze door de ondervinding verkregen te hebben; want de wantrouwende wijsheid, langs dezen weg te verkrijgen, bereiken wij meestal heel laat in het leven;—om welke reden welligt sommige oude lieden geneigd zijn het verstand van diegenen te minachten die iets jeugdiger zijn dan zij zelven.

Jones bragt het grootste gedeelte van dezen dag door in het gezelschap van eene nieuwe kennis;—dit was niemand anders dan de waard,—of liever de man van de waardin. Hij was pas onlangs naar beneden gekomen, na een aanval van jicht, om welke ziekte hij gewoonlijk de helft van het jaar op zijne kamer moest blijven, terwijl hij de andere helft sleet met in huis rond te slenteren, zijne pijp te rooken en zijne flesch te drinken met zijne vrienden, zonder zich in het minst met zaken, van welken aard ook, in te laten. Hij was, zooals men het noemde, „fatsoenlijk” groot gebragt; dat wil zeggen,—tot geen beroep hoegenaamd, en had een zeer klein vermogen,—dat hij van een oom, een nijveren pachter, geërfd had,—met jagen, wedrennen en hanen-gevechten doorgebragt, en was door de waardin tot zekere doeleinden als man genomen,—terwijl hij sedert lang niet meer in staat was aan hare verwachtingen te voldoen; om welke reden zij hem ook opregt haatte. Daar hij echter een ruw soort van mensch was, moest zij zich vergenoegen met veelvuldige hatelijke vergelijkingen tusschen hem en haren eersten man, van wiens lof hare tong overvloeide, en daar zij grootendeels over de winsten van hunne zaak kon beschikken, berustte zij er in om de zorgen en het bestier van de huishouding op zich te nemen, en na eene lange, vergeefsche worsteling, haren man zijn eigen zin te laten volgen.

’s Avonds, toen Jones naar zijne slaapkamer ging, ontstond er een kleine twist over hem tusschen dit liefderijke paar.

„Zoo!” zei de vrouw; „ge zijt weêr aan ’t drinken geweest met dien heer, naar ik zie.”

„Ja,” hernam de man; „we hebben zamen eene flesch geledigd. ’t Is ’n zeer fatsoenlijk jong mensch, die ook een heele boel paardenkennis bezit. Maar jong is hij en veel van de wereld heeft hij nog niet gezien; want ik geloof dat hij nog nooit op een wedren geweest is.”

„O zoo? ’t Is me er een, die naar u aardt!” riep de vrouw. „Hij zal wel fatsoenlijk man wezen! als hij van wedrennen houdt! De Satan hale zulke heeren! Ik weet wel dat ik wenschte er nooit iets van gezien te hebben. Ik heb waarlijk reden om van die paardenliefhebbers te houden!”

„Ja, dat is waar,” zei de man; „want ik was er een, weet ge?”

„Ja,” riep zij, „gij zijt me een lievert! Zoo als mijn eerste man plagt te zeggen, ik kan al het goed, dat ik van u ooit kreeg, in mijn oog doen, zonder gevaar te loopen van zoodoende iets minder goed te zullen zien!”

„De drommel hale jou eersten man!” riep hij.

„Verwensch geen beteren man dan gij zijt,” antwoordde de vrouw. „Als hij in leven ware, zoudt ge dat niet durven doen.”

„Gelooft ge dan, dat ik banger ben dan gij?” vroeg hij. „Want ik heb zelf dikwerf gehoord hoe gij hem vloektet!”

„Als ik dat ooit deed,” zeide zij, „heb ik er dikwerf genoeg berouw over gehad. En als hij de goedheid had een woord of wat, in drift gesproken, te vergeven, dan betaamt het zoo’n mensch als gij zijt niet, om mij er mede te sarren. Hij was wezenlijk een man voor mij, en als ik ooit in de drift een kwaad woord of wat gebruikte, noemde ik hem toch nooit schelm;—ik zou gelogen hebben, als ik hem een schelm geheeten had.”

Zij voegde nog een heelen boel hierbij, dat hij echter niet hoorde; want na zijne pijp opgestoken te hebben, waggelde hij, zoo snel hij kon, de kamer uit.

Wij zullen dus niets meer van hare redevoering weêrgeven, daar die hoe langer zoo meer een onderwerp naderde, dat te onkiesch is om in dit verhaal vermeld te worden.

’s Morgens vroeg verscheen Partridge naast het bed, gereed voor de reis, met den randsel op den rug. Dit stuk was zijn eigen werk, want behalve zijne overige bedrijven, was hij ook een handige kleermaker. Hij had reeds zijn geheelen voorraad linnengoed, uit vier hemden bestaande, er in gestopt, waarbij hij nu acht van den heer Jones voegde, en daarop het valies oppakkende, wilde hij het naar zijn eigen huis brengen, toen hij onderweg door de waardin tegengehouden werd, die niets wilde laten wegbrengen, tot hare rekening voldaan was.

De waardin, gelijk wij gezegd hebben, heerschte onbepaald in huis en het was noodig zich aan hare wetten te houden; dus werd de rekening dadelijk uitgeschreven, tot een veel hooger bedrag dan men had kunnen verwachten na het onthaal door Jones genoten. En dit noodzaakt ons eenige der stelregels te openbaren, welke de logementhouders als de groote mysteriën van hun beroep beschouwen. De eerste is, als zij ooit iets goeds in huis hebben (wat slechts zeer zelden het geval is), het alleen te geven aan menschen die met een grooten omslag rondreizen. Ten tweede: om de allerslechtste levensmiddelen even duur te laten betalen als de beste. En eindelijk, als de gasten slechts weinig bestellen, hun alles dubbel te laten betalen, zoodat het bedrag per hoofd op hetzelfde neêrkomt.

Zoodra de rekening opgemaakt en betaald was, vertrok Jones met Partridge, die den randsel droeg, zonder dat de waardin zich verwaardigde hem goede reis te wenschen; want, naar het schijnt, werd deze herberg door menschen van hoogen stand bezocht, en ik weet niet hoe het komt, maar al diegenen die den kost verdienen door de groote luî, worden even onbeschoft tegen andere menschen, alsof zij werkelijk zelven tot de groote wereld behoorden.

HOOFDSTUK VIII.

JONES KOMT TE GLOUCESTER AAN EN NEEMT ZIJN INTREK IN „DE KLOK;” WELKE SOORT VAN LOGEMENT DAT WAS, EN HET KARAKTER VAN EEN BEUNHAAS, DIEN HIJ DAAR ONTMOET.

De heer Jones, met Partridge, of den Kleinen Benjamin, (welke bijnaam hem waarschijnlijk uit ironie gegeven werd, daar hij wezenlijk bijna zes voet lang was), hunne laatste kwartieren op de bovenbeschrevene wijze verlaten hebbende, reisden naar Gloucester, zonder eenig meldingswaardig avontuur te beleven.

Daar aangekomen, kozen zij „de Klok” uit, om er hun intrek te nemen, een uitstekend huis, inderdaad, en dat ik ten ernstigste aan iederen lezer aanbeveel, welke die aloude stad gaat bezoeken. De heer van dat huis is de broeder van den grooten prediker Whitefield; maar is geheel onbesmet met de verderfelijke grondbeginselen van het methodisme, of van eenige andere kettersche sekte. Hij is, inderdaad, een zeer eenvoudig, eerlijk mensch, en zal, naar mijn gevoelen, waarschijnlijk onrust stoken noch in kerk noch in staat. Zijne vrouw, naar ik meen, was vroeger, zeer schoon en is nog eene zeer knappe vrouw. Hare gestalte en houding zouden opgang gemaakt hebben in de deftigste kringen; maar ofschoon zij hiervan en van vele andere deugden bewust moet wezen, schijnt zij zeer tevreden te zijn met en geheel te berusten in hare bestemming, en deze tevredenheid is geheel toe te schrijven aan hare voorzigtigheid en wijsheid; want zij is thans even vrij van alle methodistische begrippen als haar man. Ik zeg thans, want zij bekent gaarne dat in het begin de geschriften van haar zwager eenigen indruk op haar gemaakt hadden; en dat zij zich de onkosten getroostte van een langen mantel, om er in gehuld de buitengewone openbaringen des geestes bij te wonen; maar daar zij, gelijk zij zegt, gedurende een proeftijd van drie weken, niets ondervond dat een duit waard was, legde zij zeer wijsselijk den mantel af en liet de sekte varen. Met één woord, zij is eene vriendelijke, goedaardige vrouw, en geeft zich zoo veel moeite om iedereen te verpligten, dat het een zeer norsche gast moet wezen, die in haar huis ontevreden is.

Jufvrouw Whitefield was toevallig juist op de plaats toen Jones en zijn volgeling binnenkwamen. Hare schranderheid deed haar spoedig iets in de houding van onzen held ontdekken, dat hem van het gemeene volk onderscheidde. Zij beval dus aan hare dienstboden hem eene kamer aan te wijzen, en zond een oogenblik later om hem uit te noodigen bij haar te eten; wat hij in dank aannam; want inderdaad, veel slechter gezelschap dan dat van jufvrouw Whitefield, en een veel slechter onthaal dan hij bij haar zou vinden, zouden, na zoo lang gevast te hebben, en na zulk eene lange wandeling, welkom zijn geweest.

Behalve den heer Jones en de vriendelijke huisvrouw, namen er plaats aan tafel een zaakwaarnemer uit Salisbury,—dezelfde die de tijding van den dood van mevrouw Blifil bij den heer Allworthy gebragt had, en wiens naam, welken wij vroeger niet vermeld hebben, Dowling was;—en er was ook nog iemand anders tegenwoordig, die zich ook zaakwaarnemer noemde, en die ergens bij Lichfield in Somersetshire woonde. Deze vent, zeide ik, noemde zich zaakwaarnemer, maar was inderdaad slechts een verachtelijke beunhaas, die verstand noch kennis van wat ook bezat;—een van die menschen, die men slippendragers der regtsgeleerdheid zou kunnen noemen, of surnumerairs bij het vak;—die eene soort van huurpaarden zijn onder de zaakwaarnemers, en die om een daalder te verdienen, verder zullen loopen dan een stalknecht.

Onder het eten herinnerde zich de zaakwaarnemer uit Somersetshire het gezigt van Jones, dien hij bij den heer Allworthy gezien had,—in wiens keuken hij dikwerf als gast verscheen. Hij maakte dus gebruik van deze gelegenheid om naar de waardige familie te vragen, met al die gemeenzaamheid, welke een vertrouwden vriend of eene goede kennis van den heer Allworthy betaamd zou hebben; en inderdaad, hij deed zijn best te doen verstaan, dat dit het geval met hem was, hoewel hij nooit de eer had gehad daar met iemand van hoogeren rang te spreken dan den keldermeester.

Jones beantwoordde al zijne vragen met de meeste beleefdheid, hoewel hij zich niet herinnerde den beunhaas ooit van zijn leven gezien te hebben, en uit zijn uiterlijk en gedrag opmaakte dat hij zich tegenover zijne meerderen eene vrijheid aanmatigde, waarop hij hoegenaamd geen aanspraak kon maken.

Daar het gesprek met menschen van dezen aard verfoeijelijk is voor ieder die zijn gezond verstand heeft, was het eten pas van de tafel genomen, of de heer Jones trok zich terug en liet eenigzins wreedaardig de arme jufvrouw Whitefield achter, om boete te doen, op eene wijze, waarover ik dikwerf door den heer Timotheus Harris en andere beschaafde waarden heb hooren klagen, als het zwaarste gedeelte van hun lot;—namelijk, dat zij soms genoodzaakt worden hunne gasten gezelschap te houden.

Jones was naauwelijks de kamer uit toen de beunhaas, zacht fluisterende, jufvrouw Whitefield vroeg, „of zij wel wist wie die jonge kwast was?”

Zij hernam, „dat zij dien mijnheer nu voor het eerst zag.”

„Die mijnheer!” herhaalde de beunhaas; „’t is me waarlijk een mooije mijnheer! Wel, het is de bastaardjongen van een kerel die wegens paardenroof opgeknoopt werd! Men legde hem neêr voor de deur, bij mijnheer Allworthy, waar een der dienstboden hem vond, in eene kist zoo vol regenwater, dat hij zeker verdronken zou zijn, als hij niet voor een andere soort van dood bewaard ware gebleven.”

„O ja,—ik vat je wel;—wij begrijpen best, zonder dat ge het nader uitlegt, welken dood ge bedoelt!” riep Dowling, met een grijns.

„Nu,” hervatte de andere; „de heer Allworthy liet het kind in huis brengen, want hij is een benaauwd mensch, zooals iedereen weet, en vreesde anders last van de zaak te hebben, en daar werd me de bastaard grootgebragt, opgevoed, en gekleed, precies of hij een heer was. En hij heeft zelf een der meiden in huis een kind gemaakt en haar overgehaald te zweren dat mijnheer Allworthy de vader was;—en later sloeg hij zekeren mijnheer Thwackum, een dominé, den arm stuk, alleen omdat hij hem verweet dat hij de meiden naliep;—en weêr wat later, wilde hij mijnheer Blifil van achteren door het hoofd schieten;—maar de pistool ketste;—en eens, toen mijnheer Allworthy zwaar ziek was, haalde hij eene trom en liep het heele huis door er op te roffelen, om te beletten dat hij slapen zou;—met een honderdtal meer dergelijke streken, om welke, zoo wat vier of vijf dagen geleden, juist eer ik die streken verliet, mijnheer Allworthy hem tot het hemd toe uitkleedde en de deur uitjoeg.”

„Daar heeft hij goed aan gedaan,” riep Dowling; „ik zou mijn eigen zoon de deur uitzetten, als hij maar de helft gedaan had. En mag ik u vragen, hoe deze lieve jongen heet?”

„Hoe hij heet?” herhaalde de beunhaas. „Wel, hij heet Tom Jones.”

„Jones!” riep Dowling eenigzins driftig. „Hoe? Dezelfde Jones, die bij mijnheer Allworthy in huis woonde? Is dat die heer die met ons gegeten heeft?”

„Juist,” zei de andere.

„Ik heb hem dikwerf hooren noemen,” zei Dowling; „maar ik weet zeker dat ik nooit eenig kwaad van hem vernomen heb.”

„En ik weet zeker,” riep jufvrouw Whitefield, „als maar de helft van hetgeen deze mijnheer verteld heeft, waar is, dat de heer Jones het bedriegelijkste gezigt heeft, dat ik ooit gezien heb; want zijn uiterlijk belooft iets heel anders; en ik moet ook zeggen, na het weinige dat ik van hem gezien heb, dat men nooit wenschen zou met beleefder of beschaafder mensch om te gaan.”

De beunhaas, die zich herinnerde, dat hij geen eed gedaan had om de waarheid te spreken eer hij zijne getuigenis aflegde, bevestigde alles dat hij verteld had met zooveel eeden en vloeken dat de waardin schrikte, en een eind aan zijn gevloek maakte, door hem te verzekeren dat zij alles geloofde wat hij vertelde.

Hierop zeide hij: „Ik hoop, jufvrouw, dat gij wel begrijpt dat ik er niet aan denken zou zoo iets van iemand te verhalen, als ik niet wist dat het waar was. Welk belang zou ik er bij hebben om iemand te lasteren, die mij nooit benadeeld heeft? Ik verzeker u, dat ik u niets dan de waarheid verteld heb en het is ook aan iedereen in den omtrek bekend.”

Daar jufvrouw Whitefield geene reden had te denken dat de beunhaas eenige aanleiding of oorzaak kon hebben om Jones te lasteren, zal de lezer het haar niet ten kwade duiden, dat zij geloof schonk aan hetgeen hij met zoo vele eeden betuigde. Zij verloochende dus alle vertrouwen op hare gelaatkunde en vatte thans zulk een slecht denkbeeld van haar gast op, dat zij hartelijk wenschte hem te zien vertrekken.

Haar afkeer werd nog sterk vermeerderd door een berigt, hetwelk de heer Whitefield uit de keuken bragt, waar Partridge de aanwezigen verzekerd had, „dat ofschoon hij den randsel droeg, en zich tevreden stelde met onder de dienstboden te blijven, terwijl Tom Jones (gelijk hij hem kortaf noemde), in de huiskamer feest vierde, hij volstrekt niet zijn knecht was, maar alleen zijn vriend en makker, en evenzeer fatsoenlijk man als de heer Jones zelf.”

Dowling was inmiddels stil blijven zitten, bezig met aan de vingertoppen te knagen, grijnzende en verbazend wijs kijkende;—maar eindelijk deed hij weder den mond open en verklaarde dat het uiterlijk van dien heer toch iets heel anders verried. Hierop vroeg hij in groote haast om de rekening, verklaarde dienzelfden avond te Hereford te moeten wezen, betreurde het dat hij het zoo razend druk had, en wenschte dat hij zich in twintig stukken kon verdeelen, om op twintig plaatsen tegelijk te kunnen zijn.

De beunhaas verliet ook het huis, en toen liet Jones jufvrouw Whitefield vragen om hem het genoegen te doen thee met hem te drinken; maar dit sloeg zij af, en op eene wijze, die zoo zeer verschilde van die waarop zij hem aan tafel ontvangen had, dat hij er van getroffen was. En spoedig merkte hij op eene groote verandering in hare geheele houding; want, in plaats van die natuurlijke vriendelijkheid, welke wij reeds geroemd hebben, was er iets strengs en gedwongens op haar gelaat, dat de heer Jones zoo onaangenaam vond, dat hij besloot, hoe laat het ook geworden was, dien avond nog het huis te verlaten.

Hij verklaarde zich inderdaad deze verandering op eene eenigzins onbillijke wijze; want buiten en behalve eenige harde en onregtvaardige verdenkingen omtrent vrouwelijke ligtzinnigheid en veranderlijkheid, begon hij te veronderstellen dat dit gebrek aan beleefdheid toe te schrijven was aan zijn gebrek aan paarden,—eene soort van dieren, die, daar zij geene lakens vuil maken, in de logementen beter hunne slaapplaats betalen dan hunne ruiters en daarom meer gewenschte gasten zijn; maar jufvrouw Whitefield, om haar regt te doen, dacht er veel fatsoenlijker over. Zij was zelve volmaakt opgevoed en kon zeer beleefd wezen jegens een fatsoenlijk man, al ging hij te voet. Maar, wezenlijk, hield zij onzen held voor een gemeenen schelm en behandelde hem dienovereenkomstig, wat zelfs Jones, als hij het geweten had, niet in haar had kunnen berispen;—ja, integendeel; hij zou haar gedrag goedgekeurd hebben en haar te meer geacht hebben juist wegens het gebrek aan achting, dat zij voor hem toonde.

Dit is inderdaad een der hatelijkste gevolgen daarvan dat men iemand onregtvaardig van zijn goeden naam berooft; want iemand, die weet dat hij een slechten naam heeft, kan zich niet met eenig regt daarover ergeren dat de menschen hem verwaarloozen en minachten; maar moest eerder zelf diegenen verachten die zijn omgang zoeken, tenzij de meest gemeenzame vertrouwelijkheid hun bewezen heeft dat hun vriend verkeerd beoordeeld en gelasterd wordt.

Dit was echter niet het geval met Jones; want, daar hij niets van de ware toedragt der zaak wist, was hij, met groot regt, beleedigd door de behandeling welke hij ondervond. Hij betaalde dus zijne rekening en vertrok, zeer tegen den zin van den heer Partridge, die te vergeefs daartegen geprutteld hebbende, zich eindelijk verwaardigde den randsel op te pakken en zijn vriend te volgen.

HOOFDSTUK IX.

BEVATTENDE VERSCHEIDENE GESPREKKEN TUSSCHEN JONES EN PARTRIDGE OVER DE LIEFDE, DE KOUDE, DEN HONGER EN ANDERE DINGEN, MET DE GELUKKIGE EN WONDERBAARLIJKE REDDING VAN PARTRIDGE, TOEN HIJ OP HET PUNT WAS VAN EENE NOODLOTTIGE ONTDEKKING AAN ZIJN VRIEND TE DOEN.

De lange schaduwen begonnen nu van de hooge bergen te dalen; de vogelen waren te rust gegaan; stervelingen van den meest verheven rang gingen hun middagmaal, en die van den laagsten stand hun avondeten gebruiken. Met één woord, de klok sloeg juist vijf uur toen de heer Jones afscheid van de stad Gloucester nam, een uur waarop (daar het midden in den winter was), de zwarte vingers van den Nacht den donkeren sluijer over het heelal toegetrokken zouden hebben, indien de maan dit niet belet had,—door met een gezigt, zoo breed en rood als dat van sommige vrolijke zielen, die even als zij den nacht in dag veranderen,—uit haar bed op te komen, waar zij den heelen dag gesluimerd had, ten einde ook den heelen nacht te kunnen opblijven.

Jones was nog niet ver gekomen, of hij begon zijne hulde te bewijzen aan de schoone bijplaneet, en zich tot zijn medgezel wendende, vroeg hij hem, of hij ooit een heerlijker avond beleefd had? Daar Partridge niet onmiddellijk op deze vraag antwoordde, ging hij voort met de schoonheid der maan te prijzen, en zeide eenige verzen van Milton op, die zeker, in zijne beschrijvingen der hemellichten alle andere dichters overtroffen heeft. Daarop vertelde hij aan Partridge het verhaal uit den Spectator van de twee minnenden, die afgesproken hadden, toen zij op verren afstand van elkaar gaan moesten, om zich te troosten door op een bepaald uur naar de maan te kijken, en zich verheugden in de gedachte dat zij beide, op hetzelfde oogenblik bezig waren met naar hetzelfde voorwerp te kijken.

„Die minnaren,” zeide hij, „moeten zielen geweest zijn, die waarlijk in staat waren om al de teederheid van den meest verheven der menschelijke hartstogten te gevoelen.”

„Dat is best mogelijk,” hernam Partridge; „maar ik zou hen meer benijden als zij ligchamen hadden, die niet gevoelig waren voor de koude; want ik vries haast dood, en vrees zeer dat ik den top van mijn neus kwijt zal wezen eer wij eene andere herberg bereiken. En waarlijk, wij mogen wel een Godsoordeel over ons wachten, na onze dwaasheid om ’s nachts weg te loopen uit een der beste herbergen waarin ik ooit den voet gezet heb. Van mijn leven heb ik zooveel lekkers niet bij elkaar gezien, en de grootste heer in het heele land kan het te huis niet beter hebben dan daar. En dan zulk eene schuilplaats te verlaten en hier rond te dwalen, de hemel weet waarheen,—per devia rura viarum! Ik zeg niets; maar er zijn liefdelooze menschen genoeg in de wereld, die daaruit opmaken zouden dat wij niet regt bij ons verstand zijn!”

„Foei, mijnheer Partridge,” riep Jones. „Houd maar goeden moed! Herinner u dat wij den vijand te gemoet gaan, en gij zijt al bevreesd voor een weinig koude? Maar ik wenschte ook wel dat wij een gids hadden, om ons te zeggen, welken weg wij nu inslaan moeten.”

„Mag ik zoo vrij zijn u een raad aan te bieden?” vroeg Partridge: „Interdum stultus opportune loquitur.”

„Nu?” zei Jones. „Welken weg zoudt gij aanraden?”

„Wel, geen van deze beide,” hernam Partridge. „De eenige weg dien wij zeker weten te vinden, is de terugweg. Een flinke stap zal ons binnen het uur weer naar Gloucester brengen; maar als wij voortgaan, dan weet de drommel wanneer wij ergens aankomen zullen; want ik kan ten minste vijftig mijlen ver zien zonder een enkel huis te ontdekken.”

„’t Is inderdaad een heel mooi gezigt van hier,” zei Jones; „en de heldere maneschijn maakt het nog veel prachtiger. Maar wij zullen den weg links inslaan, daar die regtstreeks schijnt te loopen naar die heuvels, die men ons vertelde niet ver van Worcester zijn. En hier, als gij er lust toe gevoelt, kunt gij mij verlaten en terugkeeren; want ik heb vast besloten om verder te gaan.”

„Het is in het geheel niet lief van u, mijnheer, mij van zoo iets te verdenken,” zei Partridge, „Wat ik u aanraadde was evenzeer om uwentwil als om den mijne; en daar gij besloten hebt om verder te gaan, heb ik ook besloten u te volgen. I prae, sequar te.”

Zij legden nu eenige mijlen af, zonder elkaar iets te zeggen, gedurende welk stilzwijgen Jones dikwerf zuchtte en Benjamin even dikwerf steunde, ofschoon om zeer verschillende redenen. Eindelijk bleef Jones echter pal staan, en zich omkeerende, riep hij uit: „O Partridge, wie zal zeggen of het schoonste meisje ter wereld de oogen nu niet gevestigd heeft op die maan, welke ik nu aanschouw?”

„Dat is best mogelijk, mijnheer,” hernam Partridge, „en als mijne oogen gevestigd waren op eene mooije ossenrib, dan kon, voor mijn part, de drommel de maan halen, met hare horens er bij!”

„Heeft men ooit zulk een dolzinnig antwoord gehoord!” riep Jones. „Vertel me toch Partridge: zijt ge ooit in uw leven vatbaar geweest voor de liefde, of heeft de tijd alle herinnering daaraan uit uw geheugen gewischt?”

„Helaas!” zuchtte Partridge; „het zou een geluk voor mij geweest zijn als ik nooit de liefde gekend had. Infandum, regina jubes renovare dolorem! Ja, zeker heb ik al de teederheid, al het verhevene, al het bittere van dien hartstogt leeren kennen!”

„Was uwe beminde dan zoo wreed?” vroeg Jones.

„Ja, mijnheer; mijne beminde was zoo wreed,” hernam Partridge; „want zij nam mij tot man en werd eene der lastigste vrouwen ter wereld. Dank zij den hemel, zij is heengegaan, en als ik geloofde dat zij in de maan was, volgens zeker boek, dat ik eens las en hetwelk beweert, dat de maan de verblijfplaats is van de zielen der afgestorvenen, zou ik er nooit naar kijken, uit vrees van haar te zien; maar, om uwentwil, mijnheer, wenschte ik wel dat de maan een spiegel ware, en dat mejufvrouw Sophia Western er nu vóór stond.”

„Mijn beste Partridge,” riep Jones, „welk eene heerlijke gedachte! Eene gedachte, daar ben ik van overtuigd, die alleen in het brein van een minnaar kon opkomen. O, Partridge, als ik maar hopen kon ooit haar gelaat weêr te zien;—maar, helaas, die gouden droomen zijn vervlogen voor altijd en mijne eenige toevlugt tegen toekomstige ellende, is om het voorwerp dat mij vroeger zoo gelukkig maakte, te vergeten.”

„Wanhoopt gij er wezenlijk aan om jufvrouw Western ooit weer te zien?” antwoordde Partridge. „Als gij mijn raad maar volgen wilt, sta ik u borg dat gij haar niet slechts zien zult, maar dat gij haar ook in uwe armen zult hebben.”

„O wek geene gedachten van dien aard op,” riep Jones; „ik heb al genoeg moeten worstelen, eer ik zulke wenschen kon overwinnen.”

„Wel,” zei Partridge, „als gij niet wenscht uwe beminde in uwe armen te zien, dan zijt gij werkelijk een wonderlijke soort van minnaar!”

„Kom, kom,” zei Jones, „laat ons van dit onderwerp afstappen. Maar, welken raad wildet gij me geven?”

„Om het op zijn soldaatsch uit te drukken,” antwoordde Partridge, „daar wij soldaten zijn: Regtsomkeert! Laten wij eenvoudig denzelfden weg terugkeeren. Wij kunnen nog heden nacht Gloucester bereiken, hoe laat ook, terwijl, indien wij verder gaan, voor zoo ver ik zien kan, wij kans hebben om in het oneindige te loopen, zonder huis of afdak te vinden.”

„Ik heb u al gezegd,” hernam Jones, „dat het mijn voornemen was om verder te gaan; maar ga gij terug. Ik dank u voor uw gezelschap tot hiertoe, en verzoek u een guinje te willen aannemen als een blijk mijner dankbaarheid. Ja, het zou wreed van me wezen als ik u verder liet gaan; want, om u de waarheid te zeggen, mijn hoofddoel en mijn vurigst verlangen is om op eene eervolle wijze te sneuvelen in de dienst van Koning en vaderland.”

„Wat uw geld betreft, mijnheer,” zei Partridge, „ik verzoek u zoo goed te zijn het weêr te willen opsteken. Op dit oogenblik wil ik niets van u hebben; want thans ben ik, naar ik meen, de rijkste van ons beiden. En als gij vast besloten hebt om verder te gaan, dan heb ik ook vast besloten om u te volgen. Ja, nu gij zulke wanhopige voornemens schijnt te koesteren, is mijn bijzijn volstrekt noodzakelijk, om voor u te zorgen; want ik verklaar u, dat mijne plannen veel voorzigtiger zijn. Even als gij besloten hebt, als ge kunt, in den strijd te vallen, heb ik even vast besloten, als ik het maar redden kan, geen schade te lijden. En werkelijk, ik troost me met de hoop dat er slechts weinig gevaar bestaan zal; want een Roomsche priester vertelde me een dag of wat geleden, dat alles spoedig gedaan zou zijn, en, naar hij geloofde, zonder dat het zelfs tot een slag kwam.”

„Men heeft mij wel eens verteld, dat men een Roomschen priester niet altijd gelooven moet,” zei Jones, „als hij in het belang van zijne godsdienst spreekt.”

„Ja maar,” hernam de andere, „verre van zijne godsdienst voor te spreken, verzekerde hij mij dat de katholieken niet veel voordeel van de verandering wachtten; want dat Prins Karel een even goed protestant was als de beste in geheel Engeland, en dat niets dan achting voor het regt, hem en de overige Roomschen tot Jakobieten maakte.”

„Ik geloof evenmin dat hij protestant is, als ik geloof dat hij eenig regt op den troon heeft,” zei Jones, „en ik twijfel niet aan onzen voorspoed;—maar, zonder slag of stoot zal het niet afloopen. Dus ben ik niet zoo zeker van de zaak als uw vriend, de priester.”

„’t Is waar, mijnheer,” hernam Partridge, „dat er in al de profetiën welke ik gelezen heb, sprake is van veel bloed, dat in dezen twist vergoten zal worden, en de molenaar met de drie duimen, die nog leeft, zal de paarden van drie koningen houden en tot de knieën in het bloed staan. De hemel zij ons genadig en zende ons betere tijden!”

„Welken bespottelijken onzin hebt ge in het hoofd?” hernam Jones. „Dat zal ook wel van den Roomschen priester komen? Monsters en wonderen zijn de meest geschikte argumenten om eene monsterachtige en ongerijmde zaak te verdedigen. De zaak van Koning George is de zaak der vrijheid en der ware godsdienst. Met andere woorden, het is de zaak van het gezond verstand, mijn jongen, en ik sta u er voor in, dat ze gelukken zal, al stond Briareus met zijne honderd duimen zelf op, om molenaar te worden.”

Hierop gaf Partridge geen antwoord. Hij was inderdaad in verschrikkelijke verlegenheid geraakt door deze verklaring van Jones; want, om den lezer een geheim te ontdekken, dat wij geen gelegenheid hadden vroeger te openbaren, Partridge was in stilte een Jakobiet en had meenen op te merken dat Jones tot dezelfde partij behoorde, en nu op weg was om zich bij de opstandelingen te voegen. En deze meening was niet van allen grond ontbloot; want de lange, ranke dame, door Hudibras vermeld,—het veeloogige, veelmondige, veeloorige monster van Virgilius,—had het verhaal van den twist tusschen den officier en Jones met haar gewonen eerbied voor de waarheid verteld. Zij had alleen maar den naam van Sophia in dien van den Pretendent veranderd, en had verhaald, dat Jones den slag gekregen had, wegens het instellen van een toast op dien vorst. Dit had Partridge vernomen en geloofde het ook. Geen wonder dus dat hij bovengemelde meening omtrent Jones koesterde, welke hij hem ook haast medegedeeld had, eer hij inzag hoe zeer hij zich vergiste.

Dit zal den lezer te minder verwonderen, als hij zich de dubbelzinnige bewoordingen herinnert, waarin de heer Jones eerst zijn besluit aan den heer Partridge had medegedeeld, en inderdaad, al waren de woorden duidelijker geweest, Partridge had ze best zoo kunnen uitleggen als hij dat deed, daar hij overtuigd was dat het geheele volk, in zijn hart, er ook zoo over dacht;—het deed hem ook niet wankelen in zijn gevoelen omdat Jones in het gezelschap der krijgslieden gereisd had; want hij dacht juist zoo over het leger als over alle andere menschen.

Maar hoe zeer hij ook ingenomen mogt wezen met Jakobus of Karel, was hij toch nog meer ingenomen met den kleinen Benjamin; om welke reden hij ook, zoodra hij begrepen had welke de grondbeginselen waren van zijn medereiziger, goed vond de zijnen te verbergen en schijnbaar op te offeren aan den man, die zijn fortuin zou maken, daar hij volstrekt niet geloofde dat de zaak van Jones bij den heer Allworthy zoo wanhopig was. Want, sedert hij die streken verlaten had, had hij eene geregelde briefwisseling onderhouden met sommige zijner buren, en had veel vernomen;—inderdaad, veel meer dan waar was, van de groote liefde, welke de heer Allworthy den jongeling toedroeg, die, gelijk men Partridge gemeld had, de erfgenaam zou worden van dien heer, voor wiens zoon hij hem ook stellig hield.

Hij verbeeldde zich dus, dat om welke reden zij ook getwist hadden, de zaak zeker bijgelegd zou worden bij den terugkeer van Jones, eene gebeurtenis waarvan hij zich groote voordeelen beloofde, als hij maar gebruik maakte van deze gelegenheid om de gunst van den jongeling te verwerven;—en als hij, op de eene of andere wijze zijn terugkeer naar huis kon bewerken, twijfelde hij niet, zoo als wij reeds gezegd hebben, of dit zou hem groote verdiensten geven in de oogen van den heer Allworthy.

Wij hebben al opgemerkt, dat hij een zeer goedaardig mensch was, en hij heeft zelf verklaard hoe vurig hij gehecht was aan den persoon en aan het karakter van Jones; maar het is mogelijk, dat de inzigten, welke ik pas vermeld heb, eenigzins er toe bijdroegen om hem deel te doen nemen aan dezen togt,—of ten minste, om hem aan te moedigen te volharden, nadat hij ontdekt had dat zijn heer en hij (even als sommige voorzigtige vaders en zonen), hoewel zij vriendschappelijk met elkaar omgingen, in de staatkunde verschillende partijen omhelsd hadden.

Ik ben tot dit vermoeden gekomen, door de opmerking, dat hoewel liefde, vriendschap, hoogachting en dergelijke, zeer veel uitwerken bij den mensch, het eigenbelang een spoorslag is, die zelden vergeten wordt door verstandige lieden, als zij anderen tot hunne doeleinden willen doen medewerken. Dit is inderdaad een heerlijk middel, en even als de pillen van Ward, vliegt het dadelijk naar dat gedeelte van het ligchaam, waarop men werken wil,—onverschillig of het de tong, de hand of eenig ander ligchaamsdeel zij,—waar het ook bijna altijd dadelijk de meest gewenschte uitwerking heeft.

HOOFDSTUK X.

WAARIN DE REIZIGERS EEN ZEER WONDERBAARLIJK AVONTUUR BELEVEN.

Juist toen Jones en zijn vriend aan het einde van het gesprek in het vorige hoofdstuk gekomen waren, bereikten zij den voet van een zeer steilen heuvel. Hier bleef Jones staan en de blikken naar boven rigtende, zweeg hij een tijdlang. Eindelijk wendde hij zich tot zijn makker en zeide:

„Partridge, ik wilde wel dat ik boven op dezen heuvel was. Daar heeft men zeker een heerlijk uitzigt; vooral bij deze verlichting; want de plegtige somberheid die de maan over alles verspreidt, is onbeschrijfelijk schoon, vooral voor eene verbeelding, die met droefgeestige gedachten vervuld is.”

„Dat is best mogelijk,” hernam Partridge; „maar als de top van den heuvel zoo geschikt is om sombere gedachten op te wekken, zal denkelijk de voet opgeruimder denkbeelden doen ontstaan, en deze houd ik voor veel verkieselijker. Gij hebt mij het bloed in de aderen doen stollen, alleen door van den top van dien berg te spreken, die mij een der hoogste op aarde toeschijnt. Neen, neen! als wij iets zoeken, laat het dan maar een gat in den grond zijn, om ons te beschermen tegen de vorst.”

„Doe dat maar,” zei Jones; „maar niet verder van hier dan mijne stem u bereiken kan, en ik zal u roepen als ik weerkom.”

„Wel, mijnheer, ge zijt toch niet gek!” riep Partridge.

„Ja, wezenlijk, ik ben gek,” hernam Jones, „als het gek is dezen heuvel te beklimmen:—maar daar gij reeds zoo veel last van de koude hebt, wilde ik maar dat gij beneden bleeft en ik zal zeker binnen het uur terug wezen.”

„Neen, neen, mijnheer,” riep Partridge; „ik heb besloten u overal heen te volgen.”

Inderdaad, hij was nu bang om achter te blijven; want ofschoon hij ook in andere opzigten lafhartig genoeg was, vreesde hij vooral spoken, waarvoor het uur van den nacht en de woestheid van de plek bijzonder geschikt schenen.

Op dit oogenblik ontdekte Partridge een licht, flikkerende door de boomen, die digt in hunne nabijheid schenen, en hij riep dadelijk in verrukking:

„O, mijnheer, de hemel heeft eindelijk mijne gebeden verhoord, en ons tot een huis geleid; misschien is het zelfs eene herberg! Laat me u smeeken, mijnheer, als ge eenig medelijden hebt met u zelven of met mij, om de goedheid der Voorzienigheid niet te minachten, maar regtstreeks op dat licht af te gaan. Herberg of niet, als het door christenmenschen bewoond is, zullen zij eene schuilplaats niet weigeren aan een paar ongelukkigen zoo als wij zijn.”

Jones bezweek nu ten laatste voor het ernstige smeeken van Partridge, en beiden naderden de plek, vanwaar het licht straalde.

Weldra bereikten zij de deur van het huis of het hutje, want beide benamingen waren er even toepasselijk voor. Jones klopte verscheidene keeren aan, zonder antwoord te ontvangen, waarop Partridge, die geheel vervuld was met het denkbeeld van spoken, duivelen, heksen en dergelijke, begon te beven en uitriep: „De hemel zij ons genadig! De menschen moeten zeker hier uitgestorven zijn! Ik zie ook geen licht meer, en toch ben ik overtuigd dat ik een oogenblik geleden eene brandende kaars zag! Nu, ik heb wel meer van dergelijke dingen gehoord!”

„Waarvan hebt ge gehoord?” vroeg Jones. „De menschen zijn òf vast in den slaap, òf waarschijnlijk, daar dit eene eenzame plek is, zijn ze bang om de deur open te doen!” Daarop begon hij tamelijk hard te schreeuwen, en eindelijk deed eene bejaarde vrouw een bovenraam open en vroeg:

„Wie zij waren en wat zij wilden?”

Jones hernam dat zij verdwaalde reizigers waren, en daar zij een licht in huis gezien hadden, waren zij er gekomen in de hoop van zich bij het vuur te mogen warmen.

„Wie ge ook zijt,” riep de vrouw, „ge hebt hier niets te maken en op dit uur van den nacht zal ik voor niemand de deur open doen.”

Partridge, die bij het geluid eener menschelijke stem van zijn schrik hersteld was, begon nu op de aandoenlijkste wijze te smeeken om slechts eenige minuten bij het vuur te mogen doorbrengen, daar hij „bijna bevroren was,” gelijk hij zeide, en inderdaad hij had evenzeer van angst als van koude gerild. Hij verzekerde haar dat de heer die haar aangesproken had, een der grootste heeren van het land was, en gebruikte alle mogelijke argumenten, behalve één, dat Jones later met het beste gevolg toepaste,—namelijk de belofte om haar een daalder te geven.

Die som was te zwaar om niet aangenomen te worden door iemand van dien aard, vooral daar het fatsoenlijke uiterlijk van Jones, dat zij zeer goed in den maneschijn onderscheiden kon, tegelijk met zijne vriendelijkheid, den angst voor dieven, dien zij in het begin koesterde, spoedig deed verdwijnen. Zij stemde dus eindelijk er in toe om hen binnen te laten en Partridge vond, tot zijne groote vreugde, een lekker vuur gereed voor zijne ontvangst.

De arme vent had zich echter pas verwarmd, toen die gedachten, welke altijd in zijn brein bovendreven, hem weer begonnen te verontrusten.

Er was niets waaraan hij vaster geloofde dan aan hekserij en de lezer kan zich geene gestalte voorstellen, die meer geschikt was om dit denkbeeld te versterken, dan die van de oude vrouw, die thans vóór hem stond. Zij beantwoordde volmaakt aan de beschrijving door Otway in zijn stuk, „de Wees” gegeven. En werkelijk, als deze vrouw geleefd had onder de regering van Jakobus I, zou men haar alleen om haar uiterlijk, zonder eenige verdere getuigenis op te sporen, opgehangen hebben.

Er waren ook vele andere omstandigheden, welke bijdroegen om Partridge in zijn gevoelen te bevestigen; b.v. dat zij alléén leefde, zooals hij toen dacht, op zulk een eenzame plek; dat zij een huis bewoonde, welks uiterlijk reeds veel te goed voor haar scheen; terwijl het van binnen op de keurigste en sierlijkste wijze ingerigt was. Om de waarheid te zeggen, Jones zelf stond niet weinig verstomd over hetgeen hij zag; want behalve de buitengewone netheid van het vertrek, was het versierd met eene groote menigte snuisterijen en zeldzaamheden, welke de oplettendheid van een kenner waardig waren.

Terwijl Jones dit een en ander bewonderde en Partridge zat te beven, in het vaste geloof, dat zij bij eene tooverheks te regt gekomen waren, zei de oude vrouw:

„Ik hoop, heeren, dat gij u zooveel mogelijk haasten zult; want ik verwacht mijnheer straks te huis, en ik wilde niet, om tweemaal zoo veel als ik van u gekregen heb, dat hij u hier vond.”

„Dus hebt ge een meester hier?” riep Jones. „Neem het me niet kwalijk; maar ik stond verbaasd over al de fraaije dingen die ik hier zag.”

„Och, mijnheer, als het twintigste gedeelte van al deze dingen mij toebehoorde, zou ik me rijk achten; maar, ik smeek u, mijnheer, blijf niet langer; want ik verwacht mijnheer elk oogenblik.”

„Wel!” zei Jones; „hij zou zeker niet op u knorren, omdat gij ons een weinig gastvrijheid verleent.”

„Helaas, mijnheer,” hernam zij; „’t is een vreemd mensch; die op niemand anders lijkt. Hij gaat met niemand om, en wandelt zelden anders dan des nachts, om niet gezien te worden; en al het landvolk in den omtrek schuwt hem evenzeer; want zijne kleeding alleen is genoeg om die menschen te doen schrikken, die er niet aan gewoon zijn. Zij noemen hem den Man van den Berg,—want dáár wandelt hij ’s nachts rond, en ik geloof dat de boeren niet banger zijn voor den Satan zelven dan voor hem. Hij zou verschrikkelijk kwaad zijn, als hij u hier vond.”

„Kom, mijnheer,” zei Partridge; „laat ons dien heer niet kwaad maken; ik ben klaar om te vertrekken, en heb het van mijn leven nooit warmer gehad.—Kom, mijnheer, laat ons maar opstappen! Daar hangen pistolen boven den schoorsteen; wie weet of ze niet geladen zijn, en wat hij daarmede beginnen zal?”

„Wees niet bang, Partridge,” hernam Jones; „ik zal u beschermen; dat beloof ik u.”

„Ja, wat dat betreft,” viel de vrouw weer in; „kwaad doet hij nooit, maar hij moet wapens in huis hebben, om hier veilig te wezen; want men heeft meer dan eens hier ingebroken, en slechts een paar nachten geleden, dachten wij dieven in de buurt te hooren. Wat mij aangaat, het heeft me dikwerf verwonderd, dat de een of andere schurk hem niet vermoord heeft, op zijne eenzame wandelingen ’s nachts; maar, zooals ik u vertelde, het volk is bang voor hem, en bovendien verbeeld ik me, dat zij denken, dat hij niets bij zich heeft, dat de moeite waard zou zijn te stelen.”

„Ik vermoed,” zei Jones, „te oordeelen naar deze verzameling van zeldzaamheden, dat uw meester veel gereisd heeft?”

„Ja, mijnheer,” hernam zij; „hij heeft ook veel gereisd. Er zijn weinige menschen, die van allerlei dingen meer weten dan hij. Ik verbeeld me dat hij eene ongelukkige liefde heeft gehad, of iets van dien aard; wat, weet ik niet; maar ik heb al een dertigtal jaren bij hem gewoond en in dien tijd heeft hij ter naauwernood met een half dozijn menschen gesproken.”

Hierop smeekte zij hen op nieuw om weg te gaan, en werd ondersteund door Partridge; maar Jones rekte het gesprek voorbedachtelijk; want hij was zeer nieuwsgierig geworden om dezen buitengewonen mensch te zien. Hoewel dus de oude vrouw elk harer antwoorden eindigde met het verzoek dat zij heengaan zouden, en Partridge het zelfs waagde hem bij den mouw te trekken, ging hij voort met nieuwe vragen te bedenken, tot de oude vrouw, met een verschrikt gelaat verklaarde haar meester te hooren;—en op datzelfde oogenblik vernamen zij meer dan één stem buiten de deur, die riep: „Uwe beurs of uw leven, gij oude schelm! Uwe beurs, zeg ik, of ik jaag je een kogel door het hoofd!”

„Goede hemel!” riep de oude vrouw; „mijnheer is zeker door roovers aangevallen! Ach! wat zal ik beginnen! Wat zal ik beginnen?”

„Hoe?” riep Jones. „Zijn die pistolen geladen?”

„Och, mijn goede mijnheer, er is niets in—wezenlijk! O vermoord ons toch niet, mijne heeren!” riep de vrouw; want zij beschouwde de mannen in huis als van denzelfden slag als die daar buiten.

Jones gaf haar geen antwoord; maar een ouden sabel grijpende, die aan den muur hing, snelde hij dadelijk naar buiten, waar hij den ouden heer vond, worstelende tegen twee schelmen, die hij om genade smeekte. Jones vroeg naar niets; maar ging zoo vlug te werk met den sabel, dat de beide kerels dadelijk loslieten en zonder onzen held aan te vallen, het hazenpad kozen en ontsnapten; want hij gaf zich geene moeite om hen te vervolgen,—en inderdaad, hield hij dat ook niet voor noodig, daar hij tevreden was met den ouden heer verlost te hebben, en uit het gesteun van beide schelmen opmaakte, dat de roovers er genoeg van hadden, daar zij onder het wegloopen uitriepen, dat zij hun leven kwijt waren.

Jones haastte zich nu om den ouden heer op te rigten, die, onder het gevecht, op den grond geraakt was, en drukte terzelfder tijd zijne vrees uit, dat de schurken hem ernstig gewond hadden.

De oude man staarde Jones een oogenblik aan en zeide toen:

„Neen, mijnheer, neen! Ik ben slechts een weinig bezeerd! Dank u wel! De Heere zij me genadig!”

„Naar ik zie, mijnheer,” hernam Jones, „zijt ge niet vrij van angst ten opzigte zelfs van diegenen die u gered hebben;—ik kan ook uwe verdenkingen niet euvel duiden;—hoewel ze wezenlijk overbodig zijn. Gij zijt thans alleen door vrienden omgeven. Daar wij heden nacht verdwaald waren geraakt in de koude, namen wij de vrijheid om ons bij uw vuur te warmen, en waren op het punt van te vertrekken, toen wij u om hulp hoorden roepen,—die de Voorzienigheid, dat moet ik zeggen, u schijnt gezonden te hebben.”

„Ja, waarlijk de Voorzienigheid!” riep de oude heer, „als hetgeen gij mij vertelt waarheid is.”

„Dat is zoo, mijnheer; dat kan ik u verzekeren,” zei Jones. „Hier is uw eigen zwaard, mijnheer. Ik heb het gebruikt om u te verdedigen en geef het nu in uwe eigene handen terug.”

De oude man het zwaard ontvangen hebbende, dat bevlekt was met het bloed zijner aanvallers, keek Jones een oogenblik strak aan en zeide toen, met een zucht:

„Vergeef me, mijnheer: ik was niet altijd achterdochtig van aard, en ik ben ook geen voorstander der ondankbaarheid.”

„Wees dankbaar dan aan die Voorzienigheid, welke u gered heeft,” hernam Jones; „wat mij betreft, ik heb niets gedaan dan mijn pligt als mensch, en wat ik voor iedereen in uw toestand zou gedaan hebben.”

„Laat me u nog één oogenblik aanzien,” riep de oude heer; „ge zijt dus wezenlijk een mensch?—Nu, dat is welligt mogelijk!—Ik bid u, ga weder met mij in mijne nederige woning. Gij zijt inderdaad mijn redder geweest!”

De oude vrouw was half waanzinnig, zoo door den angst, dien zij voor haar meester, als door de vrees, welke zij om zijnentwil koesterde, en Partridge, zoo mogelijk, had het nog benaauwder. Zoodra echter de oude vrouw hoorde dat haar heer Jones vriendelijk aansprak, en begreep wat er gebeurd was, herstelde zij spoedig; maar toen Partridge den ouden heer zag, boezemde hem de vreemdheid van zijne kleeding nog grooteren angst in dan hij gevoeld had bij de vroegere vermelding daarvan en bij al het rumoer dat later voorgevallen was.

En, om de waarheid te zeggen, dat uiterlijk had een kloekeren geest dan dien van den heer Partridge in de war kunnen brengen. De gestalte was buitengewoon lang, met een zwaren baard, zoo wit als sneeuw. Het ligchaam was gehuld in eene ezelshuid, tot eene soort van jas verknipt. Hij droeg hooge laarzen aan de beenen en eene muts op het hoofd, beide uit dierenvellen vervaardigd.

Zoodra de oude heer in huis trad, begon zij hem geluk te wenschen met zijne ontsnapping uit de handen der roovers.

„Ja,” riep hij, „ik ben inderdaad ontsnapt, dank zij mijn redder!”

„De hemel zegene hem!” hernam zij. „Ik sta u er borg voor, dat het een best mensch is. Ik vreesde dat mijnheer knorren zou dat ik hem binnen gelaten had; en zeker, zou ik dat niet gedaan hebben, als ik niet gezien had, dat het een fatsoenlijk man was, die haast van de koude verging. En, waarlijk, een goede engel moet hem hierheen gezonden en mij verleid hebben dat te doen!”

„Naar ik vrees, mijnheer,” zei de oude heer tot Jones, „is er niets in huis, dat gij zoudt kunnen gebruiken, tenzij een slok brandewijn;—die heerlijk is, en die ik zoo wat dertig jaren in den kelder heb.”

Jones bedankte daarvoor op de meest beleefde en passende wijze, waarop de andere hem vroeg, „waarheen hij gaan wilde, toen hij verdwaald geraakt was?”—er bijvoegende: „ik ben toch eenigzins verwonderd dat zoo iemand als gij zijt, op zulk een laat uur van den nacht alleen reist. Ik veronderstel, mijnheer, dat ge hier in de omstreken te huis behoort; want gij ziet er uit als iemand, die niet gewoon is zonder paarden rond te reizen.”

„De schijn bedriegt,” zei Jones. „De menschen zijn niet altijd wat zij schijnen. Ik verzeker u dat ik niet in deze streken te huis behoor, en, werkelijk, ik weet naauwelijks zelf waar ik heen ga.”

„Wie gij ook zijt, en waarheen ge ook gaat,” hernam de oude heer; „gij hebt me groote verpligtingen opgelegd, die ik u nooit vergelden kan.”

„Ik verzeker u nogmaals,” zei Jones, „dat niets van dien aard het geval is; want er is niets verdienstelijks in datgene op het spel te zetten, waarop men zelf geen prijs stelt. En niets ter wereld is mij minder waard dan het leven.”

„Het spijt me zeer, mijnheer,” hernam de vreemde, „dat gij op uw leeftijd reden hebt u zoo ongelukkig te gevoelen.”

„Dat ben ik wel, mijnheer,” antwoordde Jones. „Ik ben de ongelukkigste der stervelingen.”

„Misschien,” zei de andere, „hebt gij een vriend gehad, of eene beminde, die—”

„Ge hebt daar twee woorden genoemd,” riep Jones, „die me tot waanzin konden brengen.”

„Een van beide is al genoeg om een mensch gek te maken,” hernam de oude man. „Ik vraag niets meer mijnheer. Misschien ben ik al te nieuwsgierig geweest.”

„Wezenlijk, mijnheer,” zei Jones, „het is me onmogelijk eene begeerte af te keuren, die me nu zelf geheel vervult. Houd het me te goed, als ik u verzeker, dat alles wat ik gezien en gehoord heb sedert ik hier een voet in huis zette, de grootste nieuwsgierigheid bij mij heeft doen ontstaan. Iets zeer buitengewoons moet er gebeurd zijn om u tot deze leefwijze te doen besluiten en ik heb reden te veronderstellen, dat uwe eigene geschiedenis niet vrij van rampen is.”

Hier zuchtte de oude heer weder en bewaarde eenigen tijd het stilzwijgen; maar eindelijk, Jones ernstig aanziende, zeide hij:

„Men zegt, dat een gunstig uiterlijk een aanbevelingsbrief is, en als dat waar is, kan niemand sterker aanbevolen zijn dan gij. En als ik ook om geene andere reden neiging tot u gevoelde, zou ik het ondankbaarste monster ter wereld zijn; daarom spijt het me waarlijk, dat ik niet anders heb dan woorden, om u van mijne dankbaarheid te overtuigen.”

Jones, na eenige aarzeling, hernam: „dat juist deze woorden hem de hoogste voldoening zouden verschaffen. Ik heb mijne nieuwsgierigheid bekend, mijnheer,” voegde hij er bij; „behoef ik nu te zeggen, hoezeer ik me verpligt zou rekenen, als gij de goedheid wildet hebben daaraan te voldoen? Zult gij mij dus veroorloven u te vragen,—tenzij gij gewigtige bedenkingen daartegen hebt—, welke beweegredenen u genoopt hebben, u aldus uit de menschelijke zamenleving te verwijderen, en een leven te leiden, waarvoor het duidelijk blijkt, dat gij niet geboren zijt?”

„Na hetgeen er gebeurd is, heb ik naauwelijks het regt u iets te weigeren,” hernam de oude man. „Als ge dus verlangt de geschiedenis van een ongelukkig mensch te vernemen, zal ik ze u vertellen. En werkelijk, gij hebt goed geoordeeld, toen gij tot het besluit kwaamt, dat er iets buitengewoons moet wezen in het lot van diegenen, die de maatschappij ontvlugten; want hoe paradox, of zelfs tegenstrijdig het ook schijne, is het desniettemin zeker, dat het groote menschenliefde is, die ons voornamelijk de menschen doet mijden en verfoeijen; niet zoo zeer om hunne bijzondere en individuële ondeugden, als om die van algemeenen aard, zoo als nijd, boosheid, verraderlijkheid, wreedheid en alle mogelijke soorten van kwaadaardigheid. Deze zijn de ondeugden, welke de ware menschlievendheid verfoeit, en liever dan zich daardoor omgeven te zien en daarmede te moeten omgaan, ontvlugt zij de zamenleving. Maar, zonder vleijerij, gij schijnt me geen mensch te zijn, dien ik vermijden of haten moest;—ja, ik moet zelfs bekennen dat het, uit het weinige wat u reeds ontvallen is, schijnt dat er eenige gelijkheid bestaat in ons lot; ik hoop echter dat het uwe gelukkiger afloopen zal!”

Hier maakten onze held en zijn gastheer elkaar weerkeerig eenige complimenten, en de laatste wilde juist zijn verhaal beginnen, toen Partridge hem stoorde. Deze was nu zoo tamelijk van zijn angst bevrijd, maar bespeurde toch nog eenige uitwerking daarvan, om welke reden hij den ouden heer aan den uitstekenden brandewijn herinnerde, waarvan sprake was geweest. De flesch werd dadelijk gehaald en Partridge ledigde er een groot glas van.

Zonder verdere inleiding begon daarop de oude heer zijn verhaal, zoo als in het volgende hoofdstuk te lezen staat.

HOOFDSTUK XI.

WAARIN DE OUDE MAN VAN DEN BERG ZIJN VERHAAL BEGINT.

„Ik ben geboren in het jaar 1657 in een dorp in Somersetshire, Mark genaamd: mijn vader was hetgeen men een heereboer heet. Hij had een klein landgoed, dat hem ongeveer vijfhonderd pond ’s jaars opbragt, in eigendom, en een tweede, van nagenoeg dezelfde waarde, in huur. Hij was verstandig, vlijtig en had zoo veel overleg, dat hij een zeer gemakkelijk en prettig leven had kunnen leiden, zonder eene erge heks van eene huisvrouw, die hem het huisselijke leven verbitterde. Maar, hoewel deze omstandigheid hem welligt ongelukkig maakte, bragt ze hem niet tot armoede; want hij hield haar bijna altijd te huis opgesloten en wilde liever hare onophoudelijke verwijtingen daar aanhooren, dan zich in zijn vermogen benadeelen, door haar toe te geven in de buitensporigheden, die zij buiten ’s huis wilde begaan.

„Bij deze „Xantippe,”—(„Zoo heette ook de vrouw van Socrates,” viel Partridge in)—„had hij twee zonen, van welke ik de jongste was. Hij wilde ons beiden eene goede opvoeding geven; maar mijn oudste broeder, die, ongelukkig, de lieveling zijner moeder was, verwaarloosde het leeren geheel en al, om welke reden ook mijn vader, nadat hij vijf of zes jaren de school bezocht had, zonder er iets te leeren, toen men van zijn onderwijzer vernam, dat het niets baten zou hem langer daar te laten, eindelijk er in toestemde hem weêr in huis te nemen en hem dus uit de handen van den dwingeland (zoo als mijne moeder den meester noemde), verloste, hoewel deze werkelijk den jongen minder gestraft had, dan hij verdiende, maar toch nog veel meer dan den jongen heer beviel, die aanhoudend bij zijne moeder klaagde over de strenge behandeling, en altijd van haar gelijk kreeg.”

„Ja, ja,” riep Partridge, „ik heb dergelijke moeders gekend; ik zelf ben wel eens door haar uitgescholden,—en zeer onbillijk ook; zulke ouders verdienden straf, evenzeer als hunne kinderen.”

Jones berispte den schoolmeester voor zijne onbeleefdheid, en de vreemde hervatte: „Op vijftienjarigen leeftijd, zeide nu mijn broeder de geleerdheid vaarwel,—en evenzeer alle andere dingen, behalve zijn jagthond en het geweer, met welk laatste hij zoo handig werd, dat hij, hoewel gij het misschien ongeloofelijk zult vinden, niet slechts met groote juistheid naar een vaste schijf kon schieten, maar ook soms wel eens een kraai in de vlugt raakte! Hij was ook best in staat een zittend haas op te sporen, en werd weldra beschouwd als een der grootste jagers in den omtrek:—een roem, beide door hem en door zijne moeder evenzeer op prijs gesteld alsof men hem voor den grootsten geleerde gehouden had.

„De toestand van mijn broeder deed me in het begin mijn eigen lot des te harder achten, daar ik op school moest blijven; maar ik veranderde weldra van gevoelen; want daar ik tamelijk vlug vorderde, viel me het werk gemakkelijk, en de oefeningen vond ik zoo vermakelijk dat mijn onaangenaamste tijd de vacantiedagen waren; want mijne moeder, die nooit van mij gehouden had, vreezende dat mijn vader mij de meeste genegenheid toedroeg, en ziende, of denkende, dat menschen van opvoeding in den omtrek, en vooral de predikant, meer notitie van mij namen dan van mijn broeder, begon mij te haten en maakte het mij zoo onaangenaam te huis, dat de eerste schooldag, die anders door de schooljongens verfoeid wordt, voor mij de prettigste dag van het jaar was.

„Na eindelijk de school te Taunton doorgeloopen te hebben, ging ik van daar naar het Exeter-college, te Oxford, waar ik vier jaren bleef, na welker verloop een toeval mij aan de studie onttrok,—en dien tijd mag ik als het begin en den oorsprong beschouwen van al hetgeen me later in het leven overkomen is.

„Er studeerde met mij zekere Sir George Gresham, een jong mensch die een ruim vermogen had, dat hij echter, volgens het testament van zijn vader, eerst in zijn bezit zou krijgen als hij den leeftijd van vijf en twintig jaren bereikt had. De mildheid zijner voogden liet hem echter weinig reden, om over de groote voorzigtigheid van zijn vader te klagen; want hij kreeg vijf honderd pond ’s jaars aan de akademie, waar hij zijne paarden had en zijne maitresse, en een zoo slecht en losbandig leven leidde, als hij bij mogelijkheid had kunnen doen, al ware hij volmaakt meester geweest over zijne geldmiddelen; want behalve de vijfhonderd pond ’s jaars, die zijne voogden hem gaven, vond hij middel om zoo wat duizend pond meer te verteren. Hij was al meerderjarig en het kostte hem weinig moeite om zooveel krediet te krijgen als hij hebben wilde.

„Deze jongen had, onder vele tamelijk slechte hoedanigheden, eene die echt duivelsch was. Hij schepte er namelijk groot vermaak in, om jonge lieden, die minder geld hadden dan hij, ongelukkig te maken en te gronde te rigten, door hen tot uitgaven te verleiden, die hun niet betaamden, en hoe deugdzamer waardiger, en matiger een jong mensch was, des te grooter was het genot en de voldoening die hij smaakte, als hij hem tot den bedelstaf kon brengen. Hij speelde dus de rol, welke men den Satan toekent en liep rond, zoekende wien hij verslinden zou.

„Het was mijn ongeluk dat ik kennis maakte en gemeenzaam werd met dezen mensch. De naam, welken ik had van ijverig te zijn in mijne studiën, maakte mij tot een wenschelijk voorwerp zijner kwade bedoelingen, en mijne eigene neigingen maakten het hem ligt genoeg om zijn doel te bereiken; want, hoewel ik me met den meesten ijver toegelegd had op de boeken, welke me groot genot opleverden, waren er andere genoegens, voor welke ik nog veel vatbaarder was; want ik was moedig, zeer opgewonden, eenigzins eerzuchtig en zeer verliefd van aard.

„Ik was pas bekend geworden met Sir George, toen ik een deelgenoot werd van al zijne genoegens, en zoodra ik eens dat tooneel betreden had, duldden noch mijne neigingen, noch mijn hoogmoed, dat ik eene ondergeschikte rol zou spelen. Ik deed dus voor niemand van ons gezelschap onder in losbandigheid;—ja, ik maakte mij zoo berucht bij alle rustverstoringen en vechtpartijen, dat mijn naam gewoonlijk de bovenste was op de lijst der schuldigen; en in plaats van beklaagd te worden als de ongelukkige leerling van Sir George, werd ik nu beschuldigd als de persoon die dien veelbelovenden jongen heer misleid en bedorven had; want hoewel hij de belhamel was en de bevorderaar van al het onheil, werd hij er toch nooit voor gehouden. Eindelijk haalde ik mij de berisping der hoogste autoriteiten aan de akademie op den hals en er scheelde weinig aan dat ik weggejaagd werd.

„Ge zult wel willen gelooven, mijnheer, dat het leven dat ik leidde, onbestaanbaar was met eenige vorderingen in de studie, en dat, naarmate ik me meer en meer aan de loszinnigheid overgaf, ik ook al slordiger in mijn werk werd. Dit was natuurlijk; maar het was niet alles. Mijne uitgaven overtroffen niet slechts zeer mijn inkomen, maar ook al de sommen, welke ik bovendien van mijn goeden milden vader afperste, onder het voorwendsel dat ik ze noodig had voor de voorbereidende stappen eer ik promoveerde. Deze eischen werden echter eindelijk zoo talrijk en buitensporig, dat mijn vader langzamerhand gehoor begon te geven aan de berigten, welke hij omtrent mijn gedrag vernam van verschillende kanten, en welke mijne moeder nooit naliet zeer getrouw en hardop te herhalen, er bijvoegende: „O ja, dit is de knappe jongen, de geleerde, die zijne familie zoo veel eer aandoet! Die haar fortuin zal maken! Ik dacht wel waartoe al deze geleerdheid leiden zou! Hij zal ons allen te gronde rigten, nadat zijn oudste broeder zelfs het noodzakelijke heeft moeten ontberen, om zijne opvoeding te betalen,—die ons zulke schoone renten zou opbrengen! Ik begreep wel wat die renten zouden zijn!” Met veel meer in denzelfden trant. Maar aan dit proefje zult gij wel genoeg hebben.

„Mijn vader begon dus nu vermaningen in plaats van geld, in antwoord op mijne eischen te zenden, wat mijne zaken welligt iets vroeger tot de crisis bragt; maar al had hij mij zijn geheel inkomen gezonden, het zou, gelijk ge begrijpt, slechts zeer korten tijd voldoende zijn geweest om iemand te onderhouden, die met Sir George Gresham in zijne uitgaven wedijverde.

„Het is waarschijnlijk dat de geldnood waarin ik me nu bevond, en de onmogelijkheid om het op dien voet langer vol te houden, mij op eens de oogen geopend en tot de studie terug gebragt zou hebben, als ik maar tot besef gekomen ware eer ik mij in schulden gewikkeld zag, waaruit ik nu geen kans zag me ooit te redden. Dit was inderdaad het hoofddoel van Sir George, waardoor hij zoo velen ongelukkig maakte, die hij later als gekken en kwasten uitlachte, omdat zij, zoo als hij het uitdrukte, hadden willen wedijveren met een man van zijn vermogen! Om dit doel te bereiken, leende hij hun zelfs tusschenbeide eene kleine som, om het krediet van zoo’n armen jongen bij anderen staande te houden, tot hij, juist door dat krediet, reddeloos verloren was.

„Daar mijne stemming op deze wijze, even wanhopig was geworden als mijn toestand, bestond er naauwelijks ééne misdaad, waarover ik niet peinsde, om mij te redden. De zelfmoord werd een onderwerp van ernstig nadenken voor mij, en ik zou er zeker toe besloten hebben, zoo deze gedachte niet vervangen ware geworden door eene die nog schandelijker was, hoewel misschien minder zondig.”

Hier aarzelde de vreemde een oogenblik en riep toen uit: „Neen! Ik verzeker u dat lange jaren de herinnering aan deze daad niet uitgewischt hebben en dat ik blozen moet, als ik ze u vertel!”

Jones verzocht hem alles te verzwijgen, wat hem pijnlijk viel te verhalen; maar Partridge riep driftig uit: „O, ik smeek u, mijnheer, laat het ons toch hooren! Ik zou liever dit vernemen dan al het overige! En zoo waar ik zalig hoop te worden, zal ik er nooit één woord van zeggen!”

Jones wilde hem hierover berispen; maar de vreemde belette het hem, door aldus voort te gaan: „Ik had een contubernaal, een voorzigtige, overleggende jongen, die hoewel hij geen groot jaargeld had, door zuinigheid meer dan veertig guinjes opgespaard had, die hij, zoo als ik wist, in zijn lessenaar bewaarde. Ik nam dus de gelegenheid waar, terwijl hij sliep, om hem den sleutel uit den broekzak te stelen, en maakte me dus meester van zijn schat. Daarna deed ik den sleutel weder in zijn zak, en veinzende te slapen, hoewel ik geen oog digt kon doen, bleef ik te bed tot hij opgestaan was en aan het bidden ging,—eene gewoonte welke ik al lang verwaarloosd had.

„Angstvallige dieven, door overmaat van voorzorg, halen zich dikwerf eene ontdekking op den hals, welke vermeden wordt door die welke meer moed bezitten. Dit was ook het geval met mij; want had ik stoutmoedig zijn lessenaar open gebroken, zou hij mij waarschijnlijk niet eens verdacht hebben,—daar het echter duidelijk was, dat de persoon die hem bestolen had, den sleutel moest gehad hebben, begreep hij dadelijk, zoodra hij het geld miste, dat niemand anders dan zijn kamergenoot de dief kon wezen. Daar hij evenwel zeer benaauwd van aard was en ik zijn meerdere was in ligchaamssterkte, en naar ik geloof, ook in moed, durfde hij mij niet openlijk van mijne misdaad betichten, uit vrees voor de gevolgen. Hij ging dus dadelijk bij den Vice-kanselier der Hooge school, en onder eede eene verklaring afgelegd hebbende omtrent de omstandigheden onder welke hij bestolen was, kreeg hij, zonder bezwaar, een bevel tot arrestatie van iemand, die zoo schandelijk slecht ter naam en faam stond als met mij het geval was.

„Tot mijn geluk, sliep ik den volgenden avond niet te huis; want dien dag bragt ik juist eene jonge dame in een rijtuig naar Whitney, waar wij den nacht bleven, en den volgenden morgen, onder weg naar Oxford, ontmoette ik een mijner vrienden, die me genoeg vertelde van hetgeen me dreigde, om mij dadelijk te doen omkeeren.”

„Mijnheer,” vroeg Partridge, „vertelde hij u iets van het bevel tot arrestatie?”

Maar Jones verzocht den vreemde voort te gaan, zonder op eenige onbeschaamde vragen te letten, en de oude heer ging voort:

„Daar ik er nu niet meer aan denken kon naar Oxford terug te keeren, was het eerste dat bij me opkwam, eene reis naar Londen. Ik deelde mijn voornemen aan mijne gezellin mede, die in het begin er veel tegen had: maar toen zij mijne schatten zag, stemde zij er dadelijk in toe. Wij sloegen nu een zijweg in, die ons op den straatweg naar Cirencester bragt, en haastten ons zoo zeer, dat wij reeds den tweeden dag te Londen aankwamen.

„Als ge bedenkt waar ik me nu bevond, en in welk gezelschap, zult gij waarschijnlijk begrijpen dat ik binnen zeer korten tijd al het geld uitgegeven had, waarvan ik me op zulk eene snoode wijze meester had gemaakt.

„Ik leed nu veel meer ellende dan te voren; ik begon gebrek te hebben zelfs aan levensbehoeften en hetgeen nog pijnlijker was, mijne maitresse, op wie ik geheel verzot was geworden, deelde in mijne ellende. Het is welligt bijna onmogelijk de verschrikkelijkheid van die rampen te schilderen voor iemand die ze zelf niet gekend heeft; de rampen van hem die eene beminde ziet lijden, en haar niet helpen kan, en die terzelfder tijd het bewustzijn heeft dat hij haar tot dezen toestand gebragt heeft!”

„Ik geloof het wel,—van ganscher harte!” riep Jones; „en ik heb in mijne ziel medelijden met u!” Daarop liep hij een paar maal, zeer ontroerd, de kamer op en neder, verontschuldigde zich toen en wierp zich op zijn stoel, uitroepende: „Goddank, dat ik daarvoor bewaard ben gebleven!”

„Deze omstandigheid,” ging de vreemde voort, „verzwaarde dermate mijn ongelukkigen toestand, dat deze me bepaald ondragelijk werd. Ik kon ligter alle mogelijke ontberingen, zelfs honger en dorst verdragen, dan het denkbeeld om aan den grilligsten wensch eener vrouw niet te voldoen, op wie ik zoo buitensporig verzot was, dat ik, ofschoon wetende, dat zij de maitresse was geweest van de helft mijner kennissen, vast besloten had haar te trouwen. Maar het lieve schepsel wilde niet dat ik eene daad beging, welke de menschen als zoo nadeelig voor mij hadden kunnen beschouwen. En, daar zij welligt medelijden gevoelde met mij, toen zij dagelijks zag hoe veel ik om harentwil leed, besloot zij een einde aan mijne ellende te maken. Zij vond ook weldra het middel om mij uit mijn lastigen en benaauwden toestand te redden, want terwijl ik over allerlei plannen tobde om haar eenig genot te verschaffen, had zij de liefheid—mij te verraden aan een harer vorige minnaren te Oxford, door wiens zorg en ijver ik dadelijk gevat en naar de gevangenis gebragt werd.

„Daar begon ik voor het eerst ernstig na te denken over de misslagen die ik vroeger begaan had; over de rampen die ik me zelf berokkend had, en over het leed dat ik den besten der vaderen veroorzaakt moest hebben. Wanneer ik bij dit alles den ontrouw mijner beminde voegde, werd mijne ellende zoo groot, dat ik het leven begon te haten en ik den dood als mijn besten vriend omhelsd zou hebben, zoo die zich aan mij aangeboden had zonder door de schande vergezeld te zijn.

„De tijd der assises naderde weldra, en ik werd, volgens de wet, naar Oxford vervoerd, waar ik zeker schuldig verklaring en het daarop volgende doodvonnis wachtte;—maar tot mijne groote verwondering, trad er niemand op om mij te beschuldigen, en na afloop der zittingen, werd ik, bij gebreke aan aanklagte, in vrijheid gesteld. Met één woord, mijn contubernaal had Oxford verlaten, en hetzij uit onverschilligheid, of om eenige andere mij onbekende reden, had hij geweigerd zich iets verder met de zaak in te laten.

„Misschien,” riep Partridge, „wilde hij uw bloed niet over zijn hoofd hebben,—en hij had gelijk. Als er iemand door mijne getuigenis aan de galg kwam, zou ik later nooit in staat wezen om alleen te slapen, uit vrees voor zijne schim.”

„Ge zult me spoedig doen twijfelen, Partridge,” zei Jones, „waarin ge meer uitmunt, in dapperheid of in wijsheid.”

„Nu, mijnheer,” hernam Partridge, „het staat u natuurlijk vrij mij uit te lagchen, als ge dat goedvindt; maar als gij slechts naar een zeer kort verhaal van mij wilt luisteren, dat zeker waar is, zult gij misschien van gedachte veranderen. In het dorp waar ik ter wereld kwam—”

Hier wilde Jones hem het stilzwijgen opleggen; maar de vreemde kwam tusschenbeide en verzocht verlof voor hem om zijn verhaal te doen, belovende inmiddels te bedenken wat hij zelf verder mede te deelen had.

Partridge begon nu als volgt: „In het dorp waar ik ter wereld kwam, leefde een pachter, Bridle genaamd, die een zoon had, een goeden, veel belovenden jongen, Frans geheeten. Wij gingen zamen op dezelfde school, waar ik me nog herinner, dat hij het tot de Epistolae van Ovidius bragt, en hij soms drie regels achtereen vertalen kon zonder ééns in het woordenboek te kijken. Bovendien, was het een zeer brave jongen, die ’s zondags de kerk nooit oversloeg, en men rekende hem onder de beste koorzangers van de gemeente. Hij plagt wel eens tusschenbeide een slokje te veel te gebruiken;—maar dat was zijn eenig gebrek.”

„Nu, kom maar tot het spook!” riep Jones.

„Wees daar niet ongerust over, mijnheer,” hernam Partridge; „ik zal er spoedig genoeg toe komen! Ge moet nu weten, dat de oude Bridle eene merrie kwijt raakte, als ik me goed herinner, een schimmel, en het gebeurde dat de jonge Frans kort daarna op de kermis te Hindon, naar ik meen, op een—neen, den dag van de week kan ik me niet herinneren,—maar, daar was hij—en zie, daar ontdekt hij een mensch op zijn vaders merrie gezeten! Frans riep dadelijk, „Houdt den dief!” en daar het midden op de kermis was, kunt ge wel begrijpen dat het onmogelijk was voor den kerel om weg te komen. Dus werd hij opgepakt en voor den vrederegter gebragt;—die was, dat weet ik nog best, mijnheer Willoughby van Noyle, een best, goed mensch, en hij zond den beschuldigde naar de gevangenis en Frans moest borg stellen, dat hij zou komen getuigen als hij opgeroepen werd. Eindelijk kwam Milord, de regter Page, om bij de assises voor te zitten en de kerel werd voorgebragt en Frans werd als getuige gedagvaard. Wel! Ik zal nooit het gezigt van den regter vergeten toen hij hem begon te ondervragen omtrent hetgeen hij tegen den beklaagde in te brengen had. De arme Frans stond te beven en te sidderen in zijn schoenen! „Nou, gij lummel,” zei Milord, „wat hebt gij te vertellen? sta me daar niet te kugchen en te stamelen, maar spreek eens op!” Evenwel werd hij spoedig heel vriendelijk jegens Frans en begon te donderen tegen den andere, en toen hij hem vroeg, wat hij tegen de beschuldiging in te brengen had, zei de kerel, dat hij het paard gevonden had. „Hé!” hernam de regter, „gij zijt een bijzonder gelukkig mensch; ik heb al veertig jaren hier het graafschap rondgereisd en heb van mijn leven geen paard gevonden. Maar, wil ik u wat zeggen, vriend? ge zijt nog gelukkiger geweest dan ge u verbeeldt; want ge hebt niet slechts een paard, maar een halster voor u zelven er bij gevonden!” Wel! Ik zal nooit dat woord vergeten! En iedereen begon ook hardop te lagchen,—want ze konden het niet laten. Ja, en hij zeide wel twintig andere grappen, die ik me nu niet meer herinneren kan. Hij zei iets over de paardenkennis van den dief, dat iedereen weêr aan het lagchen bragt. Die regter moet zeker evenzeer bij de hand als geleerd geweest zijn! ’t Is inderdaad alleraardigst om zoo’n halszaak te hooren behandelen. Maar ik beken dat ik één ding een weinig hard vond voor den beklaagde, en dat was, dat de advokaat die voor hem pleiten zou, niet eens gehoord werd, ofschoon hij verlof vroeg om slechts één enkel woord te mogen inbrengen;—maar Milord wilde niets van hem weten, hoewel hij een advokaat tegen hem een half uur lang liet praten. Ik dacht wel dat het wat wreed was, dat moet ik bekennen,—Milord en al de overige leden van het geregtshof, en de Jury en de advokaten en de getuigen, alles tegen één armen drommel,—die op den koop toe in de boeijen zat! Nu, de vent werd opgeknoopt,—en dat kon ook wel niet anders, en de arme Frans had geen rust meer. Hij was nooit alleen in het donker, of hij verbeeldde zich den geest van den armen kerel te zien.”

„Nu? Is dat uw geheele verhaal?” vroeg Jones.

„Wel neen!” riep Partridge. „Heere mijn tijd! Nu kom ik juist tot de zaak! Want op zekeren avond, toen hij van de kroeg naar huis ging, door eene lange, smalle, donkere laan, liep hij het spook vlak tegen het lijf, en het spook, dat in het wit gekleed was, viel Frans aan, en Frans, die een fiksche jongen was, sloeg terug, en zoo worstelden ze tegen elkaar en de arme Frans kreeg verschrikkelijke slagen, zoodat het hem geweldig veel moeite kostte om naar huis te kruipen; maar, van de slagen en van den schrik was hij wel veertien dagen ziek;—en dat is alles zeker waar, en de heele gemeente zou het kunnen getuigen.”

De vreemdeling glimlachte over dit verhaal, en Jones proestte het uit, waarop Partridge zeide: „Ja, lach maar, mijnheer; dat hebben ook anderen gedaan, vooral een landjonker dáár, welke men zoo wat voor ’n godloochenaar houdt, die, omdat er den volgenden morgen een kalf met een witten kop dood gevonden werd in die laan, volhield dat de strijd plaats had gehad tusschen Frans en het stomme dier: alsof een kalf een mensch zou durven aanvallen! En daarenboven verzekerde me Frans dat hij wel wist dat het een spook was, en dat hij voor elk geregtshof ter wereld dat bezweren wilde; hij had ook niet meer dan een kan of twee drie gedronken, toen het gebeurde. De hemel beware ons allen, zeg ik, en belette dat wij de handen in bloed doopen!”

„Nu, mijnheer,” zei Jones tot den vreemde, „Partridge heeft zijn verhaal ten einde gebragt en ik hoop dat hij u niet meer storen zal, als gij zoo vriendelijk wilt wezen om voort te gaan.”

De oude heer hervatte toen zijn verhaal; daar hij echter een oogenblik rust gehad heeft, achten wij het ook goed den lezer hetzelfde te gunnen, en zullen dus een einde maken aan dit hoofdstuk.

HOOFDSTUK XII.

DE OUDE MAN VAN DEN BERG GAAT VOORT MET ZIJN VERHAAL.

„Ik had nu mijne vrijheid herkregen,” zei de vreemdeling; „maar ik was mijn goeden naam kwijt; want er is groot verschil tusschen een man, die uit gebrek aan bewijzen vrijgesproken wordt door eene regtbank en hem die in zijn eigen hart en in de oogen der wereld onschuldig wordt bevonden.

„Ik was mij mijne schuld bewust, en schaamde me dus iemand in de oogen te zien, om welke reden ik besloot den volgenden morgen Oxford te verlaten, eer ik gevaar liep bij daglicht door iemand gezien te worden.

„Zoodra ik de stad achter den rug had, kwam de gedachte bij mij op om naar huis terug te keeren, bij mijn vader, en om te trachten zijne vergiffenis te verwerven; daar ik echter geen grond had te veronderstellen dat hij niet bekend was geworden met al wat er geschied was, en daar ik zijn grooten afkeer kende van al wat op oneerlijkheid geleek, kon ik geene hoop voeden van door hem in genade opgenomen te worden, vooral omdat ik slechts al te zeker was van den nadeeligen invloed mijner moeder te zullen ondervinden. Ja, al ware ik even zeker geweest van mijn vaders vergiffenis, als ik me nu van het tegendeel gevoelde, twijfel ik, of ik den moed zou gehad hebben hem onder de oogen te komen, of dat ik, op welke voorwaarden ook, mij er aan had kunnen onderwerpen om met diegenen te leven en om te gaan, die mij van zulk eene schanddaad schuldig wisten.

„Ik haastte me dus naar Londen terug te komen, de beste schuilplaats voor leed of schande, tenzij men algemeen bekend is; want men smaakt er het voordeel, zonder het nadeel der eenzaamheid, daar men tegelijker tijd alleen en onder de menschen zijn kan; en terwijl men onopgemerkt stil zit of rondwandelt, is er drukte, gewoel, en eene onafgebroken reeks van verschillende voorwerpen, die den geest bezig houden en beletten dat men aan zijne eigene gedachten wordt overgeleverd,—of liever zich verzadigt met leed en schande,—de slechtste kost ter wereld; en waarop sommigen (hoewel er velen zijn die beide alleen in het openbaar gevoelen), ruimschoots en op eene zeer noodlottige wijze teren in de eenzaamheid.

„Maar, daar er bijna geen menschelijk goed bestaat, dat niet zijn kwaad ook medebrengt, zoo zijn er ook velen, die deze onoplettendheid der menschen onderling afkeuren;—voornamelijk diegenen, welke geen geld hebben; want evenmin als men schaamte gevoelt voor onbekenden, wordt men ook door onbekenden gevoed en gekleed. En de mensch kan even goed verhongeren midden op de markt te Londen, als in de woestijnen van Arabië. Het was op het oogenblik mijn lot om geheel vrij te zijn van hetgeen vele schrijvers, die er waarschijnlijk nooit overlast van hadden, „het grootste kwaad” noemen,—namelijk het geld.”

„Met uw verlof, mijnheer,” zei Partridge, „ik herinner me geen schrijver, die het „een kwaad” genoemd heeft; maar wel „irritamenta malorum” „Effodiuntur opes irritamenta malorum.””

„Nu, mijnheer,” ging de vreemdeling voort, „of het geld een kwaad is, of alleen eene oorzaak van het kwaad,—ik had er volslagen gebrek aan, en terzelfder tijd ook aan vrienden, en naar ik me verbeeldde ook aan kennissen;—maar toen ik op zekeren avond, zeer hongerig en ellendig door den Binnen-Tempel ging, hoorde ik eene stem, die mij op de meest gemeenzame wijze bij mijn doopnaam riep, en mij omkeerende herkende, ik dadelijk den persoon, die mij aldus toesprak, als een oud mede-student, die sedert een jaar de akademie verlaten had,—lang eer mij eenig ongeluk overkomen was. Deze heer, die Watson heette, drukte me hartelijk de hand, uitte de meeste vreugde over onze ontmoeting en stelde onmiddellijk voor, dat wij zamen eene flesch drinken zouden. Ik weigerde dit eerst, voorgevende dat ik zaken af te doen had; daar hij er echter op bleef aandringen, overwon eindelijk de honger mijn hoogmoed, en ik bekende hem ronduit dat ik geen duit op zak had,—evenwel niet zonder eene onwaarheid te bedenken, om mij te verontschuldigen, daar ik zeide dat ik dien morgen van kleeding verwisseld en vergeten had het geld uit mijn broekzak te nemen. De heer Watson zeide: „Kom Jaap, ik dacht dat gij en ik elkaar te goed kenden, om van zoo iets te spreken.” Hij nam me toen onder den arm en sleepte mij mede; maar behoefde weinig geweld te gebruiken, daar mijne eigene neigingen me veel sterker trokken dan hij had kunnen doen.

„Wij gingen nu naar de herberg „De Kloosterbroeders,” waar, gelijk u bekend is, altijd de grootste drukte heerscht. De heer Watson wendde zich onmiddellijk tot den bottelier, zonder aan den kok te denken; want hij verbeeldde zich natuurlijk dat ik al lang geleden gegeten had. Daar dit echter het geval niet was, bedacht ik eene nieuwe onwaarheid, en vertelde mijn makker, dat ik om zaken van belang naar het andere einde van de stad was geweest, en slechts in de haast onderweg eene cotelette gegeten had, en dus weer honger had en hem verzocht een beef-steak bij de flesch te bestellen.”

„Zekere soort van menschen dienden wel altijd een sterk geheugen te hebben,” zei Partridge. „Hadt ge dan geld genoeg op zak gehad om de cotelette te betalen?”

„Uwe opmerking is zeer juist,” hernam de vreemde; „en ik geloof dat zulke vergissingen onafscheidelijk zijn van de gewoonte van onwaarheid te vertellen.—Maar, om voort te gaan: ik begon me nu zeer gelukkig te gevoelen. Het vleesch en de wijn wonden me spoedig op, en ik smaakte groot genot in den omgang met mijn oude kennis, te meer, daar ik in den waan verkeerde dat hij niets wist van hetgeen er aan de akademie voorgevallen was sedert zijn vertrek.

„Maar hij liet me niet lang in dezen aangenamen waan; want met de eene hand een vol glas opnemende, terwijl hij mij met de andere vatte, riep hij uit: „Nu oude, jongen, dit is om u geluk te wenschen dat gij zoo eervol vrijgesproken werdt in die zaak, waarin gij als beklaagde moest optreden!”

„Ik stond als versteend bij deze woorden, en zoodra Watson dit opmerkte, ging hij voort: „Wel, vriendje, ge behoeft u niet te schamen; men heeft u vrijgesproken en geen mensch durft nu zeggen dat gij schuldig zijt; maar ik bid u, vertel mij, als vriend, hebt ge hem werkelijk niet bestolen? Ik hoop dat ge ’t gedaan hebt; want, mag ik verd.... zijn, als het niet eene verdienstelijke daad was, om zulk een ellendigen, kruipenden schelm af te zetten, en in plaats van twee honderd, wilde ik, dat ge twee duizend guinjes genomen hadt. Kom, kom, oude jongen,—wees niet bang om mij alles te bekennen;—ge staat nu niet voor een van die pruiken! Verd—! als ik u niet eerbiedig daarom; want, zoo waar ik hoop zalig te worden, zou ik volstrekt niet schromen het ook te doen.”

„Deze betuiging deed mijne schaamte eenigzins verminderen, en daar de wijn mijn hart ook geopend had, bekende ik zeer gul den diefstal, maar verzekerde hem dat hij verkeerd ingelicht was omtrent de som, die naauwelijks meer dan een vijfde gedeelte bedroeg van hetgeen hij zich verbeeldde.

„Dat spijt me hartelijk,” zeide hij, „en ik wensch u meer voorspoed de volgende keer. Maar, als gij mijn raad volgen wilt, zult gij u aan geen gevaar meer van dien aard bloot stellen. Zie hier,” ging hij voort,—eenige dobbelsteenen uit den zak halende,—„hier is het ware! Dit zijn de kleine doktoren, die de ziekte van de beurs genezen. Volg maar mijn raad, en ik zal u de kunst leeren om een vogel te plukken zonder gevaar te loopen van zelf aan een dorren boom te blijven hangen.”

„Dorren boom?” vroeg Partridge. „Wel, mijnheer, wat is dat?”

„Dat is dieventaal,” zei de vreemde, „en beteekent „de galg;” want de spelers, die weinig van de dieven verschillen in hunne zedeleer, hebben ook veel overeenkomst met hen in de taal.

„Wij hadden nu ieder eene flesch geledigd, toen mijnheer Watson zeide, dat men al aan de groene tafel bezig was, en dat hij er bij moest wezen, mij terzelfder tijd ten ernstigste aanradende om met hem te gaan en mijn geluk te beproeven. Ik hernam dat hij wel wist dat ik dat nu niet doen kon, daar ik hem verteld had, dat ik niets op zak had. En, om de waarheid te zeggen, na zijne krachtige vriendschapsbetuigingen, twijfelde ik niet dat hij mij eene kleine som zou willen leenen met dat doel; maar hij hernam: „Dat doet er niet toe, vriendje, ge kunt gerust eene weddingschap doen! Maar pas op met wien ge het aanlegt! Ik zal u een wenk geven met wien gij moet beginnen:—wat noodzakelijk zou kunnen wezen, daar gij een vreemde zijt in de stad en een ouden speler van een groen niet weet te onderscheiden.”

„Men bragt nu de rekening en Watson betaalde zijn aandeel en wilde gaan. Ik herinnerde hem weder met een blos dat ik geen geld had, en hij hernam: „Dat doet er niet toe; laat ze het maar opschrijven, of poets hem maar, onbevreesd zonder, er notitie van te nemen.—Of wacht eens—ik weet er iets beters op,” zeide hij. „Ik ga eerst naar beneden, en gij neemt dan het geld hier van tafel op en gaat naar de koffijkamer en laat de heele boel daar opschrijven, en ik zal u wachten aan den hoek van de straat.”

„Ik drukte eenigen tegenzin in dit plan uit, en gaf te kennen dat ik verwacht had dat hij alles zou betalen; maar hij verklaarde geen stuiver meer op zak te hebben.

„Hij ging toen naar beneden en ik liet me overhalen om het geld op te nemen en hem te volgen, wat ik zoo schielijk deed, dat ik hem den knecht hoorde zeggen, dat het geld voor de rekening op tafel lag. De knecht ging mij voorbij op de trap, naar boven; maar ik haastte me zoo zeer op straat te komen dat ik niets van zijne teleurstelling vernam en ook niets in de koffijkamer zeide.

„Wij gingen nu regtstreeks naar het speelhuis, waar de heer Watson, tot mijne groote verwondering, eene zware som gelds te voorschijn haalde en die vóór zich nederlegde; wat vele anderen ook deden, zonder twijfel hunne eigene geldhoopen beschouwende als zoo vele lokvinken, om die hunner buren tot zich te trekken.

„Het zou vervelend wezen om hier al de grillen te beschrijven van Fortuna, of liever van de dobbelsteenen die hier hun tempel hadden. Hoopen gouds verdwenen in weinige oogenblikken aan één kant der tafel en verrezen even spoedig aan den anderen. De rijke werd in één oogenblik arm en de arme werd in even korten tijd rijk, zoodat het scheen dat even als een wijsgeer nergens zijne leerlingen beter omtrent het verachtelijke der rijkdommen had kunnen inlichten, hij zeker ook nergens de onzekerheid van hun duur zoo duidelijk had kunnen aanwijzen.

„Wat mij betreft, na mijn kleinen inzet eerst aanzienlijk vermeerderd te hebben, zag ik hem eindelijk geheel verdwijnen. Na vele kanswisselingen stond ook de heer Watson eenigzins driftig van de tafel op, verklaarde dat hij ruim honderd pond verloren had en dat hij niet langer spelen wilde. Hij rigtte zich toen weder tot mij en verzocht me weder naar dezelfde herberg met hem te gaan; maar ik weigerde dit ten stelligste, zeggende dat ik me niet meer aan hetzelfde gevaar wilde blootstellen, vooral daar ook hij al zijn geld verloren had en in denzelfden toestand verkeerde als ik. „Bah,” zeide hij, „ik heb een paar guinjes van een vriend ter leen gevraagd en een er van staat tot uw dienst.” Hij drukte me er dadelijk een in de hand, en ik weerstond niet meer.

„Het hinderde me eerst naar hetzelfde huis te gaan, hetwelk wij op zulk eene schuinsche wijze verlaten hadden, maar toen de knecht ons met de meeste beleefdheid zeide, „dat hij geloofde dat wij vergeten hadden onze rekening te betalen,” was ik weder gerust gesteld, en gaf hem dadelijk de guinje, met last om de rekening er af te houden en nam de schuld welke hij onverdiend op mij geworpen had, op mijne schouders.

„De heer Watson bestelde nu het fijnste souper dat hij bedenken kon, en hoewel hij vroeger met eenvoudigen tafelwijn tevreden was geweest, was nu niets dan de duurste Bourgogne goed genoeg voor hem.

„Ons gezelschap werd spoedig vermeerderd door de komst van verscheidene heeren van de speeltafel, van welke de meesten, naar ik later begreep, niet daar kwamen om iets te drinken, maar om zaken; want de echte spelers hielden zich ziek en weigerden iets te gebruiken, terwijl zij twee jonge lieden tot drinken aanmoedigden, die later uitgeplunderd zouden worden,—wat ook op eene onbarmhartige wijze geschiedde. Ik had het geluk om deel aan den buit te hebben, hoewel ik nog geen deel aan het geheim had.

„Een opmerkelijk verschijnsel deed zich voor bij dit spel in de kroeg; namelijk, dat het geld langzamerhand geheel verdween, zoodat, hoewel de tafel eerst half bedekt was met goud, eer het spel uit was (wat niet het geval was vóór den middag van den volgenden dag,—een zondag), er naauwelijks één goudstuk op tafel te zien was, en dit was te vreemder daar alle aanwezigen, behalve ik, verklaarden dat zij geld verloren hadden, en—waar het geld heen was tenzij, de Satan zelf het opgepakt had, is moeijelijk te zeggen.”

„Dat zal hij ook zeker gedaan hebben,” zei Partridge, „want de booze geesten kunnen alles wegslepen, zonder gezien te worden, al zijn er nog zoo vele menschen in de kamer, en het zou mij niet verwonderd hebben als hij de heele troep slecht volk gehaald had, dat onder kerktijd zat te spelen. En, als ik verkoos, zou ik u eene echte spookgeschiedenis kunnen vertellen van den duivel, die een man uit het bed haalde van een ander man’s vrouw, en door het sleutelgat met hem wegvloog. Ik heb het huis gezien waar het gebeurd is, en in de laatste dertig jaren heeft geen mensch er in willen wonen.”

Hoewel Jones wat knorrig was over de onbescheidenheid van Partridge, moest hij toch om zijne eenvoudigheid glimlagchen. Dit deed de vreemde ook en hervatte toen zijn verhaal, zooals men in het volgende hoofdstuk zien zal.

HOOFDSTUK XIII.

VERVOLG VAN HET VOORGAANDE VERHAAL.

„Mijn oud mede-student had me in nieuwe tooneelen ingewijd. Ik werd bekend met de geheele broederschap van valsche spelers, en met hunne geheimen. Dat is, met die grove streken die geschikt zijn om de stompen en onervarenen te foppen; want er zijn sommige fijne zetten die slechts aan weinigen van de bende bekend zijn, welke aan het hoofd van hun beroep staan;—eene eer, welke buiten mijn bereik bleef; want de drank, waaraan ik uiterst verslaafd was, en mijne aangeborene drift beletten mij om eenige groote bedrevenheid te bereiken in eene kunst, welke evenveel koelbloedigheid eischt als het strengste wijsgeerige stelsel.

„De heer Watson, met wien ik nu op den meest gemeenzamen voet leefde, ging ook gebukt onder het eerstgenoemd gebrek, waaraan ik leed; dus in plaats van rijk te worden door zijn beroep, zooals het geval was met sommige anderen, was hij beurtelings arm en rijk, en werd dikwerf genoodzaakt onder een glas wijn, aan zijne koelbloedigere vrienden den roof af te staan, welken hij aan de openbare speeltafel van zijne slagtoffers verkregen had.

„Evenwel gelukte het ons, schoon op eene onzekere wijze, om den kost te verdienen en gedurende twee jaren zette ik dit beroep voort, in welken tijd ik alle mogelijke lotwisselingen beleefde;—soms zwelgde ik in overvloed; op andere oogenblikken had ik tegen bijna onoverkomelijke bezwaren te worstelen. Heden wentelde ik me letterlijk in allerlei weelde; den volgenden dag moest ik me met den grofsten en eenvoudigsten kost tevreden stellen. Mijne fraaije kleêren droeg ik dikwijls ’s avonds, en den morgen daarop waren zij verpand.

„Op zekeren dag, toen ik zonder een duit op zak van de speeltafel terugkeerde, zag ik een grooten oploop op straat. Daar ik niets te duchten had van zakkenrollers, waagde ik me in het gewoel, waar ik vernam dat iemand zwaar mishandeld en bestolen was geworden door eene bende schelmen. De gekwetste was met bloed bedekt en naauwelijks in staat om op de beenen te blijven. Daar mijne toenmalige leefwijze en omgang me niet van alle menschelijkheid beroofd hadden, hoewel me zeer weinig eerlijkheid of schaamte overbleef, bood ik den ongelukkige onmiddellijk mijne hulp aan, welke met dank aangenomen werd, en zich onder mijn geleide stellende, smeekte hij mij hem naar eene herberg te brengen, waar hij een heelmeester kon laten halen, daar hij, gelijk hij zeide, zich flaauw gevoelde van het bloedverlies. Hij scheen inderdaad zeer gelukkig van iemand te vinden, die een fatsoenlijk uiterlijk had; want, wat al de overigen betreft die tegenwoordig waren, zij zagen er zóó uit, dat het niet voorzigtig zou geweest zijn om eenig vertrouwen in hen te stellen.

„Ik nam den armen man onder den arm, en bragt hem naar de herberg, waar wij bijeen kwamen, daar die toevallig het digtst in de buurt was. Een heelmeester, die gelukkig in huis was, kwam er dadelijk bij, en verbond zijne wonden, die, tot mijn groot genoegen, bleken volstrekt niet doodelijk te zijn.

„De heelmeester, die zijn werk zeer vlug en behendig verrigt had, begon nu met te vragen, in welk gedeelte van de stad de patient woonde? En deze hernam: „dat hij pas dien morgen in de stad gekomen was; dat zijn paard stond in een logement in Piccadilly, en dat hij geene andere woning had, en zeer weinige, of geene kennissen in de stad.”

„De heelmeester, wiens naam mij ontschoten is, schoon ik me herinner dat die met een R begon, had zeer veel naam, en was heelmeester des Konings. Hij bezat bovendien vele goede hoedanigheden, en was een zeer mild, goedaardig mensch, die zich steeds bereid betoonde om zijne medemenschen alle mogelijke hulp te verleenen. Hij bood den zieke aan om hem in zijn eigen rijtuig naar zijn logement te laten brengen, en fluisterde hem tevens in het oor, „dat als hij geld noodig had, hij hem daarmede voorzien kon.”

„De arme man was echter buiten staat om hem voor dit edelmoedige aanbod te danken; want na de oogen een tijdlang op mij gevestigd te hebben, wierp hij zich achterover in zijn stoel, en riep: „Mijn zoon! O mijn zoon!” en viel toen in zwijm.

„Velen der aanwezigen schreven dit toe aan het bloedverlies; maar ik, die op hetzelfde oogenblik mij de trekken van mijn vader begon te herinneren, gevoelde me nu bevestigd in mijn vermoeden en overtuigd dat hij zelf het was, dien ik nu ontmoet had. Ik liep dadelijk op hem toe, hief hem in de armen op en kuste vurig zijne koude lippen. Hier moet ik een sluijer laten vallen over een tooneel, dat ik niet beschrijven kan; want, ofschoon ik niet van mij zelven raakte, zooals mijn vader een tijdlang bleef, waren mijne zinnen zoodanig verward door schrik en verbazing, dat ik niet weet wat er gedurende eenige minuten voorviel,—tot mijn vader weder uit de onmagt bijgekomen was en ik me in zijne armen bevond, onder teedere omhelzingen van weerskanten, terwijl ons beiden de tranen langs de wangen biggelden.

„De meesten der aanwezigen schenen zeer getroffen door dit tooneel, terwijl wij, als de hoofdpersonen, zeer verlangende waren om ons zoo spoedig mogelijk aan aller oogen te onttrekken. Mijn vader maakte dus gebruik van het vriendelijke aanbod van den heelmeester en ik vergezelde hem naar zijn logement.

„Zoodra wij ons alleen bevonden, verweet hij mij vriendelijk dat ik hem in zoo langen tijd niet geschreven had,—zonder een enkel woord te spreken van de misdaad, welke de aanleiding tot mijn stilzwijgen was geweest. Daarop maakte hij mij bekend met den dood mijner moeder, en stond er op dat ik met hem naar huis zou terugkeeren, er bijvoegende, „dat hij al veel ongerustheid om mijnentwil had uitgestaan, dat hij niet wist of hij het meest gevreesd, of gewenscht had te vernemen dat ik overleden was, daar hij zoo veel angst uitgestaan had omtrent dingen, die erger waren dan de dood. Eindelijk vertelde hij mij, dat een heer uit zijne buurt, die pas een zoon uit Londen gered had, hem bekend had gemaakt met mijn verblijf en dat de eenige aanleiding tot zijne reis was, om mij van deze leefwijze terug te brengen.” Hij dankte den Hemel dat het hem gelukt was mij te ontdekken door een ongeluk, dat voor hem noodlottig had kunnen wezen, en het deed hem genoegen te denken dat hij zijn behoud gedeeltelijk toeschrijven moest aan mijne menschlievendheid, waarmede hij verklaarde nog meer ingenomen te zijn, dan het geval zou geweest zijn, als ik, wetende, dat mijn vader in den nood was, alleen uit pligtbesef gehandeld had.

„De bedorvenheid was niet zoo diep in mijn hart doorgedrongen, dat ze me ongevoelig maakte voor zijne groote liefde, hoe weinig ook door mij verdiend. Ik beloofde dadelijk aan zijne wenschen te gehoorzamen en met hem naar huis te gaan, zoodra hij in staat zou zijn de reis te ondernemen, wat binnen zeer weinige dagen het geval was, dank zij de zorgen van den uitmuntenden heelmeester, die hem behandelde.

„Den dag vóór mijn vaders vertrek (tot welk oogenblik ik hem naauwelijks uit de oogen liet), ging ik afscheid nemen van eenige mijner meest gemeenzame kennissen, vooral van mijnheer Watson, die me afried van me te gaan begraven, gelijk hij het noemde, alleen om toetegeven aan de dwaze wenschen van een goeden ouden suffert.

„Zijne woorden bleven echter zonder uitwerking, en nog eens zag ik mijne geboorteplaats weder. Mijn vader smeekte me nu ernstig aan het huwelijk te denken; maar daarvan was ik ten zeerste afkeerig. Van de liefde had ik reeds geproefd en misschien zijn u de buitensporigheden van dien teedersten en hevigsten der hartstogten bekend?”

Hier zweeg de oude heer een oogenblik en keek Jones ernstig aan, die binnen eene minuut doodsbleek en vuurrood werd; waarop de grijsaard, zonder eenige aanmerking daarop te maken, hervatte:

„Daar ik nu van al de behoeften van het leven voorzien was, legde ik me weder op de studie toe, en met veel grooteren ijver dan ooit te voren. De boeken welke mij nu steeds bezig hielden, waren alleen dezulken, oud of nieuw, die over de echte wijsbegeerte handelen,—iets dat door velen beschouwd wordt als een geschikt voorwerp van hoon en bespotting. Ik herlas nu de werken van Aristoteles en Plato, met de overige onwaardeerbare schatten, welke het oude Griekenland aan de menschheid nagelaten heeft.

„Hoewel nu deze schrijvers mij geene kunst leerden, waardoor de menschen zich voorspiegelen mogen rijkdommen, of wereldsche magt te verwerven, leerden zij me echter zelfs de duurste voorwerpen verachten, die men door beide kan verkrijgen. Zij verheffen den geest en verharden en versterken hem tegen de grillige streken van het noodlot. Zij leeren niet slechts de wijsheid; maar bevestigen den mensch in de beoefening er van, en bewijzen duidelijk, dat die onze gids moet wezen, als wij ooit hopen mogen het hoogste aardsche geluk te bereiken, of ons met eenig goed gevolg te verdedigen tegen de ellende, welke den mensch overal omringt en dreigt.

„Hierbij voegde ik eene andere studie, bij welke vergeleken alle wijsbegeerte door de wijsste heidenen geleerd, weinig meer is dan een droom, en inderdaad even ijdel, als ooit door den dwaasten grappenmaker beweerd is. Dit is de goddelijke wijsheid, welke alleen in de Heilige Schrift gevonden wordt, die ons de kennis en de verzekering van dingen mededeelt, welke onze aandacht veel waardiger zijn dan al wat deze wereld aanbieden kan;—van dingen, welke de Hemel zelf zich verwaardigd heeft aan ons te openbaren, en tot welker kennis de menschelijke geest, zonder hulp, nooit had kunnen opklimmen. Ik begon nu te begrijpen dat al de tijd, welken ik aan de beste heidensche schrijvers verspild had, bijna zoo goed als verloren was geweest; want hoe aangenaam en genoegelijk hunne lessen ook zijn, en hoe voldoende ook voor de juiste regeling van ons gedrag ten opzigte dezer wereld, toch,—vergeleken bij de heerlijkheid in de Heilige Schrift geopenbaard,—schijnen ze ons beuzelachtig en even onbeduidend als de regels, volgens welke de kinderen hunne beuzelachtige spelen en tijdverdrijven bestieren. ’t Is waar, dat de wijsbegeerte ons wijzer maakt,—maar het christendom maakt ons beter. De wijsbegeerte verheft en versterkt den geest; het christendom verzacht hem en maakt hem beminnelijk. De eerste maakt ons tot het voorwerp der menschelijke bewondering; de laatste tot dat der goddelijke liefde. Gene verzekert onze tijdelijke,—deze onze eeuwige zaligheid.—Maar ik vrees u door mijne uitweiding te vervelen?”

„Wel, volstrekt niet,” zei Partridge; „de hemel verhoede, dat het schoone ons ooit vervelen zou!”

„Ik had,” hervatte de onbekende, „ongeveer vier jaren, voor mij zelven op de gelukkigste wijze doorgebragt, geheel aan mijne overpeinzingen overgelaten en volstrekt, wat het aardsche betreft, zonder zorgen, toen ik den besten der vaders verloor,—een vader dien ik zoo teeder beminde, dat mijne droefheid bij zijn verlies alle beschrijving te boven ging. Ik wierp nu mijne boeken ter zijde en gaf me eene geheele maand over aan droefgeestigheid en wanhoop. De tijd, echter, de beste trooster der menschheid, bragt me eindelijk verligting.”

„Ja, ja! tempus edax rerum!” zei Partridge.

„Daarop,” vervolgde de vreemdeling, „keerde ik weder tot mijne studiën terug, wat mij, mag ik zeggen, volkomen genas; want de wijsbegeerte en de godsdienst mogen de oefeningen van den geest genoemd worden, en als die in de war is, zijn ze even heilzaam als beweging is voor het zieke ligchaam. En werkelijk, ze hebben ongeveer dezelfde uitwerking als de beweging; want ze versterken en verheffen den geest, tot dat de mensch naar de schoone woorden van Horatius, wordt:

„Fortis et in seipso totus teres atque rotundus, Externi ne quid valeat per laeve morari: In quem manca ruit semper Fortuna.”

Hier glimlachte Jones, om het een of ander denkbeeld dat zich aan hem opdrong; maar de onbekende zag er denkelijk niets van en ging voort:

„Mijne omstandigheden waren zeer veranderd door den dood van mijn besten vader; want mijn broeder, die nu heer in huis was geworden, verschilde zoo zeer van mij in zijne neigingen, en onze leefwijze was zoo uiteenloopend geweest, dat wij niet deugden in elkaars gezelschap; maar hetgeen ons zamenzijn nog onaangenamer maakte, was de weinige harmonie tusschen de weinigen die mij bezochten en den talrijken stoet jagers, die bijna altijd mijn broeder uit het veld naar tafel volgde; want zulke menschen, de luidruchtigheid en den onzin daargelaten, waarmede zij bedaarde menschen vervolgen, trachten steeds hen met beleedigingen en minachting uit te tarten. Dat gebeurde zoo dikwerf, dat ik noch mijne vrienden ooit aan tafel met hen zitten konden zonder bespot te worden wegens onze onwetendheid in de jagerstaal. Want menschen, die wezenlijk geleerd zijn en eene bijna algemeene kennis bezitten, hebben steeds medelijden met de onwetendheid van anderen; maar lieden die slechts in de eene of andere geringe, verachtelijke kunst uitmunten, bespotten diegenen die daarin onbedreven zijn.

„Met één woord, wij scheidden weldra, en volgens den raad van een geneesheer, ging ik naar Bath, om de baden te gebruiken; want mijne hevige droefheid, gepaard met een zittend leven, had mij eene soort van paralytische ziekte berokkend, voor welke de wateren daar als een bijna onfeilbaar geneesmiddel beschouwd worden. Den tweeden dag na mijne aankomst, terwijl ik langs de rivier wandelde, scheen de zon zoo brandend heet,—hoewel het nog vroeg in het jaar was,—dat ik eene schuilplaats zocht onder eenige wilgenboomen, waar ik bij het water ging zitten. Ik had nog niet lang dáár gezeten, toen ik aan den anderen kant der boomen, iemand bitter hoorde zuchten en steunen. Op eens, met een verschrikkelijken vloek, riep hij uit: „Neen! Ik kan het niet meer verdragen!” en wierp zich onmiddellijk in de rivier. Ik sprong dadelijk op en liep naar het water, tegelijker tijd, zoo hard ik kon, om hulp roepende. Gelukkiger wijze, was er een hengelaar aan ’t visschen, iets lager aan ’t water, en door wat hoog riet voor mij verborgen. Hij kwam dadelijk aanloopen, en te zamen, gelukte het ons, niet zonder levensgevaar, den drenkeling aan land te brengen. In het begin zagen wij geen teeken van leven; maar na het ligchaam aan de voeten opgetild te hebben,—want wij hadden spoedig bijstand genoeg,—liep er een boel water uit de keel, en hij begon weldra pogingen te doen om adem te halen en kort daarop met armen en beenen te trekken.

„Een apotheker, die toevallig onder de toeschouwers was, gaf nu den raad, om het ligchaam, waaruit al het water nu scheen geloopen te zijn, en dat sterke stuiptrekkingen kreeg, op te nemen en in een warm bed te leggen. Dit geschiedde en de apotheker en ik bleven er bij.

„Onderweg naar eene herberg, want wij wisten niet waar de mensch woonde, kwam ons gelukkig eene vrouw te gemoet, die met een hevigen gil ons vertelde dat de heer bij haar in huis woonde.

„Zoodra ik den ongelukkige daar in veiligheid gezien had, liet ik hem aan de zorg van den apotheker over, die hem waarschijnlijk behoorlijk behandelde; want ik vernam den volgenden morgen dat hij weer volmaakt bij zijn verstand was.

„Ik ging hem dus opzoeken, met het voornemen om te zien of het me gelukken wilde, de oorzaak op te sporen, die hem tot zulk eene wanhopige daad had aangespoord, en hem, zoo mogelijk, te beletten in de toekomst zijne misdadige voornemens te hervatten. Naauwelijks was ik op zijne kamer toegelaten, of wij herkenden elkaar dadelijk; want het was niemand anders dan mijn waardige vriend, de heer Watson! Maar ik zal u niet lastig vallen met al hetgeen besproken werd bij onze eerste ontmoeting; daar ik, zoo mogelijk, alle langdradigheid vermijden wilde.”

„O laat ons maar alles hooren!” riep Partridge. „Ik wilde zoo gaarne weten, hoe hij te Bath gekomen was?”

„Ge zult alles vernemen wat van eenig belang is,” hernam de onbekende, en hij ging toen voort met datgene te vertellen, wat wij nu opschrijven zullen, na eerst den lezer en ons zelven een oogenblik rust gegund te hebben.

HOOFDSTUK XIV.

WAARIN DE OUDE MAN VAN DEN BERG ZIJN VERHAAL BESLUIT.

„De heer Watson,” hervatte de oude man, „maakte mij zonder bezwaar bekend, dat zijne rampzalige omstandigheden, veroorzaakt door een reeks van ongelukken bij het spel, hem, als het ware, gedwongen hadden tot het besluit te komen om zich het leven te benemen.

„Ik begon nu zeer ernstig met hem te redeneren over deze heidensche, of liever duivelsche leer van het wettige van den zelfmoord, en zeide alles wat ik me omtrent dat onderwerp wist te herinneren; maar, tot mijn groot verdriet, scheen het slechts zeer weinig bij hem uit te werken. Hij toonde volstrekt geen berouw over hetgeen hij gedaan had, en gaf me aanleiding te gelooven, dat hij spoedig eene tweede poging van denzelfden verschrikkelijken aard zou doen.

„Zoodra ik mijne redevoering geëindigd had, in plaats van te trachten mijne argumenten te beantwoorden, keek hij mij strak in de oogen en zeide: „Gij zijt nog al op eene wonderbaarlijke wijze veranderd, vriendlief, sedert ik u voor het laatst zag. Ik twijfel er aan of een van onze bisschoppen eene betere preek tegen den zelfmoord zou kunnen maken dan gij nu voor mij gehouden hebt; maar, tenzij gij iemand vinden kunt, die me een goede honderd pond wil leenen, moet ik me ophangen of verdrinken, of verhongeren;—en naar mijn gevoelen, is de laatste dood de verschrikkelijkste der drie.”

„Ik hernam zeer ernstig, dat ik inderdaad zeer veranderd was sedert wij elkaar voor het laatst gezien hadden;—dat ik den tijd had gehad mijne dwaasheden in te zien, en berouw er over te gevoelen. Ik ried hem dus ook hetzelfde te doen, en eindigde met de verzekering dat ik hem zelf honderd pond wilde leenen, als hij daarmede geholpen was en hij beloven wilde het geld niet te verspelen.

„De heer Watson, die bijna ingeslapen scheen gedurende het eerste gedeelte van mijne redevoering, werd weder wakker bij het slot. Hij greep me driftig bij de hand, bedankte mij duizendmaal en verklaarde dat ik wel zijn ware vriend was;—hij voegde er bij, dat hij hoopte dat ik hem genoeg kende om overtuigd te wezen, dat hij te veel geleerd had door de ondervinding om ooit eenig vertrouwen meer te stellen in die verwenschte dobbelsteenen, die hem zoo dikwerf bedrogen hadden. „Neen, neen!” riep hij, laat me maar eens weer fiks op de been wezen, en als de fortuin me ooit weder bankroet maakt, zal ik het haar betaald zetten.”

„Ik begreep zeer goed wat „op de been zetten” en „bankroet” zijn, in zijn mond beteekenden. Ik zei dus, met den meesten ernst: „Mijnheer Watson, ge moet trachten eene zaak, of eenige bezigheid te vinden, die u eene kostwinning oplevert, en ik beloof u, als ik eenige waarschijnlijkheid zag van ooit afbetaald te worden, dat ik u eene veel zwaardere som zou voorschieten, dan waarvan nu kwestie kon wezen, om u op weg te helpen in eenige eerlijke en fatsoenlijke zaak maar; wat het spel betreft, behalve de schande en de laagheid van het tot zijn beroep te maken, zijt ge werkelijk, dat weet ik, er volmaakt ongeschikt voor, en ge zult er zeker geheel door te grond gerigt worden.”

„Wel,” zeide hij, „dat luidt toch vreemd! Gij, noch iemand anders onder mijne vrienden, heeft ooit willen bekennen dat ik er iets van wist, en toch geloof ik, dat ik elk spel even goed speel als een van u allen. Ik wenschte maar van harte dat ik met u om uw geheel vermogen moest spelen;—eene betere kans zou ik niet verlangen, en gij zoudt zelf het spel kunnen kiezen. Maar, kom aan, beste jongen, hebt ge die honderd pond op zak?”

„Ik hernam dat ik slechts een bankbiljet van vijftig pond bij me had, en beloofde hem het overige den volgenden morgen, en na hem nog eenigen goeden raad te hebben gegeven, ging ik weg.

„Ik hield meer dan woord, want dien zelfden namiddag bezocht ik hem weder. Toen ik in de kamer trad, vond ik hem in zijn bed opzittende, met een beruchten speler aan het kaarten. Ge zult wel begrijpen hoe zeer ik geschokt was door dit gezigt. Gij moet ook de teleurstelling er bijvoegen, die ik gevoelde toen ik hem mijne banknoot aan zijne tegenpartij zag overhandigen, die hem slechts dertig pond terug gaf.

„De andere speler verliet kort daarop de kamer, en Watson verklaarde toen dat hij zich schaamde mij te zien; „Maar,” voegde hij er bij; „ik zie dat het geluk mij zoo drommels tegen loopt, dat ik besloten heb het spel voor altijd vaarwel te zeggen. Ik heb over uw vriendelijk aanbod nagedacht, en ik beloof u, het zal aan mij niet liggen als ik er geen gevolg aan geef.”

„Hoewel ik niet veel aan zijne beloften hechtte, gaf ik hem, om de mijne getrouw te zijn, het overige van de honderd pond, waartegen hij mij eene kwitantie gaf,—wat alles was dat ik ooit van dat geld wachtte terug te zien.

„Voor het oogenblik werd ons gesprek afgebroken door de komst van den, apotheker, die, met veel vreugde ons vertelde, zonder zelfs te vragen hoe de zieke het maakte, dat hij groot nieuws had, in een brief aan hem gerigt, en dat spoedig algemeen bekend zou worden.

„Dat namelijk de hertog van Monmouth in het westen van Engeland geland was met een groot Hollandsch leger, en dat eene tweede sterke vloot op de kusten van Norfolk was, gereed om daar eene landing te doen, ten einde, door eene afleiding van dien kant, des hertogs onderneming te steunen.

„Deze apotheker was een der grootste politici van zijn tijd. Hij verheugde zich meer over het onbelangrijkste praatje dan over den besten patient, en het grootste geluk, waarvoor hij vatbaar was, bestond daarin dat hij, een uur of wat vroeger dan iemand anders in de stad, het een of ander nieuwtje wist. Zijne berigten waren echter zelden geloofwaardig; want hij was gereed om bijna alles voor waar te houden, en velen maakten gebruik van dit zijn zwak om hem te foppen.

„Dit was ook het geval met hetgeen hij nu mededeelde; want men vernam kort daarop, dat de hertog wezenlijk geland was; maar dat zijn leger slechts uit eenige volgelingen bestond;—en, wat de landing in Norfolk betrof, daar was niets van waar.

„De apotheker bleef slechts lang genoeg in de kamer om ons dit nieuws mede te deelen, en daarop, zonder één woord te reppen over eenig ander onderwerp, verliet hij zijn patient, om zijn nieuws door de stad te verspreiden.

„Algemeen belangrijke zaken van dezen aard, stellen gewoonlijk alle bijzondere zaken in de schaduw. Ons gesprek werd dan ook nu geheel en al staatkundig. Wat mij betreft, ik was al sedert lang ernstig bezorgd geweest voor het gevaar dat het Protestantisme zoo zigtbaar dreigde onder een Roomschgezinden vorst, en hield het er voor dat die vrees alleen den opstand wettigde; want geene wezenlijke veiligheid bestaat er tegen de vervolgzucht van het Katholicisme, als het eens de magt in handen heeft, eer men het van die magt berooft;—zooals de droevige ondervinding ons spoedig leerde. Gij weet wel hoe Koning Jakobus zich gedroeg toen hij den opstand te boven gekomen was; hoe weinig hij zich stoorde aan zijn koninklijk woord, aan den eed, welken hij bij zijne troonsbeklimming afgelegd had, of aan de vrijheden en regten van zijn volk.

„Maar alle menschen hadden het verstand niet dit in het begin in te zien, en daarom werd de hertog van Monmouth slechts flaauw ondersteund; maar allen gevoelden het eindelijk toen het kwaad hen zelven trof, en daarom vereenigden zich eindelijk allen, om dien koning te verdrijven, tegen wiens uitsluiting zoo velen van ons zoo vurig gestreden hadden, onder de regering van zijn broeder,—en voor wien zij nu zoo ijverig en getrouw vochten.”

„Hetgeen gij zegt,” viel hem Jones hier in de rede, „is zeer waar; en het is me dikwerf voorgekomen als een der merkwaardigste feiten in de geschiedenis, dat zoo spoedig na deze afdoende ondervinding, welke ons geheel volk zoo eenparig vereenigde om koning Jakobus te verdrijven, ten einde onze godsdienst en vrijheden te redden, er toch nog eene partij onder ons bestaat, die dolzinnig genoeg is om die familie weer op den troon te willen plaatsen.”

„Dat kunt ge niet ernstig meenen!” hernam de grijsaard. „Zoo’n partij kan toch niet bestaan! Hoe slecht ik ook over de menschen denk, kan ik niet gelooven dat zij zoo onzinnig zijn! Er mogen welligt eenige heethoofden onder de Roomschen zijn, door de priesters opgehitst om zich in deze wanhopige zaak te wikkelen; maar dat Protestanten, die leden zijn van de Engelsche kerk, zulke afvalligen, zulke zelfmoordenaren zouden willen zijn;—neen, neen, jong mensch, hoe onbekend ik ook ben met al wat in de laatste dertig jaren in de wereld voorgevallen is, laat ik me toch niet foppen om zulk een dwaas verhaal te gelooven;—ja, ja, ik zie, dat gij met mijne onwetendheid den spot drijft!”

„Zou het mogelijk zijn,” hernam Jones, „dat gij zoo zeer afgezonderd geleefd hebt, dat het u onbekend is, dat er sedert dien tijd twee opstanden zijn geweest ten gunste van den zoon van koning Jakobus, en dat er één van nog woedt in het hart van het rijk?”

Bij deze woorden sprong de oude heer op en bezwoer Jones, op de meest plegtige wijze, in ’s Hemels naam, te zeggen of hetgeen hij verteld had werkelijk waar was. Toen de andere dit plegtig verzekerd had, liep hij eenige malen heen en weer door de kamer, terwijl hij het stilzwijgen bewaarde; daarop schreide en lachte hij beurtelings en eindelijk viel hij op de knieën en dankte God met luider stemme, in een plegtig gebed, dat hij hem verlost had van allen omgang met de menschen, die tot zulke monsterachtige buitensporigheden in staat waren. Jones herinnerde er hem nu aan, dat hij zijn verhaal afgebroken had, en de oude man hervatte:

„Daar de menschheid in de dagen waarvan ik spreek, nog niet die trap van dolzinnigheid bereikt had, waarop ze nu, naar ik hoor, gekomen is, en waaraan ik zeker alleen ontsnapt ben door in de afzondering te leven, ver van de besmetting, kwamen de menschen tamelijk druk op om Monmouth te ondersteunen, en daar mijne grondbeginselen mij zeer geneigd maakten om ook die partij te kiezen, besloot ik mij met hem te vereenigen, en dewijl de heer Watson uit andere beweegredenen hetzelfde voornemen opvatte,—want de drift van een speler brengt iemand in zulk een geval even ver als de liefde tot het vaderland,—voorzagen wij ons spoedig van al wat noodig was en voegden ons bij den hertog te Bridgewater.

„De ongelukkige uitslag van de onderneming is u, denkelijk, even goed bekend als mij. Ik vlugtte met den heer Watson van het slagveld van Sedgemore, waar ik zelf ligt gewond werd. Wij reden bijna veertig mijlen op den weg naar Exeter, en toen, onze paarden latende loopen, kropen we verder, zoo goed het ging, door de velden en langs zijwegen, tot wij eene eenzame hut bereikten op eene heivlakte, waar eene armoedige oude vrouw de meest mogelijke zorg voor ons droeg, en mijne wond met een zalfje verbond, waardoor ze spoedig genas.”

„Mag ik u vragen waar die wond was, mijnheer?” vroeg Partridge.

De vreemde vertelde hem dat hij in den arm gekwetst was en hervatte toen:

„Hier, mijnheer, verliet me Watson den volgenden morgen, ten einde, gelijk hij voorgaf, wat levensmiddelen voor ons te halen te Cullumpton;—maar, hoe zal ik het vertellen?—En hoe zult gij het kunnen gelooven? Deze Watson, deze vriend, deze lage, verraderlijke schurk, verried me aan eenige ruiters in dienst van koning Jakobus, en leverde me bij zijne terugkomst in hunne handen.

„De soldaten, zes in getal, grepen me nu en bragten me naar de gevangenis te Taunton; maar noch mijn toestand onderweg, noch de vrees van hetgeen me te wachten stond, viel me half zoo zwaar te dragen als het gezelschap van mijn verraderlijken vriend, die zich overgegeven hebbende, ook als gevangene beschouwd werd, hoewel men hem beter behandelde dan ik, daar hij op mijne kosten zijn lot verbeterd had.

„In het begin trachtte hij zijn verraad te verontschuldigen; maar daar ik hem mijne verachting en verontwaardiging liet blijken, veranderde hij weldra van toon, schold mij uit als een boosaardigen en schandelijken rebel, en laadde al zijne schuld op mijne schouders, die, zoo als hij verklaarde, hem gesmeekt had,—en zelfs bedreigingen had gebruikt,—om hem de wapenen te doen opvatten tegen zijn koninklijken heer en meester.

„Deze valsche getuigenis (want hij was werkelijk de ijverigste van ons beide geweest) trof me tot in het hart, en wekte eene verontwaardiging bij me op, die naauwelijks te begrijpen is voor iemand die ze zelf niet gevoeld heeft.

„Eindelijk echter kreeg het noodlot medelijden met mij; want toen wij eventjes voorbij Wellington gekomen waren, in eene naauwe laan, werden mijne bewakers verschrikt door een valsch alarm, dat er een vijftigtal van den vijand aan kwam aanzetten; waarop zij hun heil in de vlugt zochten en mij en mijn verrader overlieten om hetzelfde te doen. Die schelm maakte zich ook zoo spoedig mogelijk uit de voeten, tot mijne vreugde; want hoewel het mij aan wapenen ontbrak, zou ik toch getracht hebben, om hem te straffen voor zijne laagheid.

„Ik was nu weder in vrijheid en den straatweg verlatende, liep ik het land in, en trok verder, naauwelijks wetende waarheen, alleen zorg dragende de groote wegen te vermijden, en alle steden, ja, zelfs de armste hutten, want ik verbeeldde me dat elk menschelijk wezen een verrader was.

„Eindelijk, na verscheidene dagen door het land rondgedoold te hebben, gedurende welken tijd de velden me dezelfde legerstede en hetzelfde voedsel opleverden, welke de natuur aan onze wilde medeschepselen aanbiedt, bereikte ik eindelijk deze stille plek, waar de eenzaamheid en de woestheid van de streek mij deed besluiten mij te vestigen. De eerste persoon bij wien ik schuilde, was de moeder van deze oude vrouw, bij wie ik verborgen bleef tot de tijding van de groote omwenteling mijne vrees voor elk gevaar deed wijken, en mij de gelegenheid verschafte om nogmaals mijne geboorteplaats te bezoeken en mijne zaken eenigzins na te gaan, die ik weldra evenzeer naar mijn broeders als naar mijn eigen zin schikte; want ik liet alles aan hem over waartegen hij mij de som van duizend pond uitbetaalde en eene lijfrente verzekerde.

„Zijne houding in dit laatste, even als in alle andere gevallen tusschen ons, was zelfzuchtig en onedelmoedig. Ik kon hem niet als mijn vriend beschouwen, en dat wenschte hij ook niet; dus nam ik spoedig afscheid van hem en van mijne overige kennissen, en van dien dag af tot heden toe, is mijn leven weinig meer dan ééne leegte geweest.”

„En zou het mogelijk zijn, mijnheer,” vroeg Jones, „dat ge van dien tijd af hier gewoond hebt?”

„O neen,” hernam de andere; „ik heb veel gereisd en er zijn weinig landen van Europa, die ik niet bezocht heb.”

„Ik verstout me nu niet dat van u te vergen,” zei Jones; „en dat zou inderdaad wreed wezen, na al den adem dien ge nu aan mij verspild hebt; maar vergun me toch later de gelegenheid om eenige van de treffendste opmerkingen te vernemen, welke iemand van uw verstand en wereldkennis op zulke lange reizen gemaakt moet hebben.”

„Het zal mij een genoegen wezen, mijnheer,” hernam de andere, „om aan uwe nieuwsgierigheid op dit punt, voor zoo ver ik kan, te voldoen.”

Jones wilde zich op nieuw verontschuldigen, maar de vreemdeling voorkwam hem en terwijl hij en Partridge met gretige en ongeduldige ooren zaten te luisteren, ging de vreemdeling voort, zoo als men in het volgende hoofdstuk zien zal.

HOOFDSTUK XV.

EENE KORTE GESCHIEDENIS VAN EUROPA; EN EEN MERKWAARDIG GESPREK TUSSCHEN DEN HEER JONES EN DEN OUDEN MAN VAN DEN BERG.

„In Italië zijn de logementhouders niet spraakzaam. In Frankrijk praten zij meer; maar zijn toch beleefd. In Duitschland en Holland zijn zij gewoonlijk zeer onbeschoft. Wat hunne eerlijkheid aangaat, die staat, dunkt me, in al deze landen op bijna dezelfde hoogte. De loonbedienden nemen elke gelegenheid waar om u af te zetten, en wat de postiljons betreft, geloof ik, dat die de heele wereld door weinig van elkander verschillen. Deze, mijnheer, zijn de opmerkingen aangaande de menschen, welke ik op reis maakte; want dit waren de eenige menschen, waarmede ik ooit sprak. Mijn voornemen, toen ik buiten ’s lands ging, was om afleiding te zoeken door het bezigtigen van de wonderbaarlijk verschillende landstreken, dieren, vogels, visschen en insekten, waarmede het God behaagd heeft de verschillende werelddeelen te verrijken. Eene afwisseling, die, terwijl ze den nadenkenden toeschouwer het grootste genot verschaft, op eene bewonderenswaardige wijze de magt, de wijsheid en de goedheid van den Schepper ten toon spreidt. Om de waarheid te zeggen, er is slechts één werk in het heelal door Hem geschapen, dat Hem eenige oneer aandoet, en sedert lang houd ik me daarmede in ’t geheel niet meer op.”

„Met uw verlof,” riep Jones, „ik heb me altijd verbeeld, dat er juist in dat ééne werk door u vermeld, even veel afwisseling bestaat als in al het overige; want, behalve het verschil in neigingen, hebben gewoonten en klimaat, naar ik vernomen heb, ook de grootste verscheidenheid onder de menschen te weeg gebragt.”

„Zeg liever, zeer weinig,” hernam de andere; „diegenen, die op reis gaan, ten einde de zeden der verschillende menschen te leeren kennen, zouden zich veel moeite besparen door alleen het karneval te Venetië bij te wonen; want daar zouden ze tegelijker tijd alles kunnen zien, wat aan de verschillende hoven van Europa te ontdekken is. Dezelfde huichelarij, hetzelfde bedrog;—met één woord, dezelfde dwaasheden en ondeugden in verschillende kleêren uitgedost. In Spanje zijn ze zeer deftig opgeschikt; in Italië, zeer prachtig;—in Frankrijk kleedt zich een schelm als een kwast;—in het noorden van Europa, als een sloddervos. Maar de menschelijke natuur is overal dezelfde;—overal even verachtelijk en bespottelijk.

„Wat mij betreft, ik ging midden door al deze volkeren door, zoo als gij wel eens door eene menigte heen gedrongen zult zijn op de kermis, ze op zijde stootende, om plaats te maken, den neus met de eene hand vastknijpende, en mijne zakken met de andere verdedigende, zonder één woord met iemand te spreken, en alleen makende vooruit te komen, om datgene te bezigtigen wat ik zien wilde; dat, hoe vermakelijk ook in zich zelf, mij naauwelijks den last vergoedde, die het gezelschap mij kostte.”

„Maar waren er onder al de volkeren die gij bezocht hebt, geene, die u minder tot last waren dan de anderen?” vroeg Jones.

„O ja,” hernam de oude heer; „de Turken kon ik veel beter verdragen dan de Christenen; want dat zijn menschen, die veel zwijgen, en den vreemdeling nooit met vragen lastig vallen. Tusschenbeide, dat is waar, vervloeken zij hem kort en krachtig, of spuwen hem in het gezigt als hij over straat loopt; maar daarmede is het afgeloopen; en men kan eene eeuw in hun land wonen, zonder hen een half dozijn woorden te hooren spreken. Maar, van alle menschen die ik ooit gezien heb, beware mij de hemel voor de Franschen! met hun verwenscht gebabbel, en hunne beleefdheden en met „de honneurs,” zoo als zij het noemen, van hun land waar te nemen tegenover den vreemdeling,—maar inderdaad met hunne ijdele vertooning, vallen zij u zoo lastig, dat ik oneindig liever mijn leven onder de Hottentotten zou slijten, dan ooit weder den voet in Parijs te zetten! De Hottentotten zijn een smerig volk; maar hun vuil is grootendeels aan den buitenkant; terwijl in Frankrijk en bij sommige andere volkeren, die ik niet noemen wil, het alles van binnen is, en ze, voor mijn verstand, erger stinken dan de Hottentot voor mijn neus.

„En nu, mijnheer, heb ik de geschiedenis van mijn leven afgehandeld; want, wat de lange reeks van jaren betreft, die ik hier in afzondering heb doorgebragt, die levert geene afwisseling op om u te vermaken en zou bijna als één dag kunnen beschouwd worden. Die afzondering is zoo volmaakt geweest, dat ik naauwelijks eene meer volstrekte eenzaamheid had kunnen smaken in de woestijnen der Thebaïs dan in het hart van dit druk bevolkte land. Daar ik geene landerijen bezit, word ik door geene pachters of rentmeesters geplaagd; mijn jaargeld wordt me tamelijk geregeld uitbetaald, wat ook wel zoo behoort, daar het veel minder bedraagt dan wat ik had mogen verwachten, ter vergoeding van hetgeen ik opgegeven heb. Bezoeken ontvang ik niet; en de oude vrouw, die voor mijne huishouding zorgt, weet dat het behoud harer dienst geheel daarvan afhankelijk is, dat zij me de moeite uitwint van datgene te koopen wat ik niet missen kan; dat zij alle zaken van mij afhoudt, en dat zij altijd zwijgt als ik er bij ben. Daar ik alleen des nachts wandel, ben ik tamelijk zeker in deze woeste, onbezochte plaats geene menschen te ontmoeten. Eenige weinigen heb ik toevallig ontmoet, en hen met een grooten angst naar huis gejaagd, daar ze mij wegens mijne vreemde kleeding voor een spook of een boozen geest aanzagen. Maar hetgeen er heden avond gebeurd is, bewijst dat ik zelfs hier niet tegen de schurkenstreken der menschen beveiligd ben; want, zonder uwe hulp zou men mij niet slechts bestolen, maar zeer waarschijnlijk ook vermoord hebben.”

Jones bedankte den vreemdeling voor de moeite, welke hij genomen had, met zijne geschiedenis te vertellen, en drukte dan eenige verbazing uit, „dat het mogelijk was zulk een eenzaam leven te verdragen, gedurende hetwelk,” zeide hij, „gij wel over gebrek aan afwisseling moogt klagen;—inderdaad, ik begrijp niet hoe gij zoo veel tijd hebt kunnen doorbrengen of dooden.”

„Ik geloof gaarne,” hernam de andere, „dat iemand, wiens neigingen en gedachten op de wereld gevestigd zijn, de tijd verschrikkelijk lang moet schijnen welken ik hier beleefd heb; maar er is ééne handeling, waarvoor het geheele leven van den mensch te kort schiet. Hoeveel tijd zou voldoende zijn voor de beschouwing en aanbidding van dat heerlijke, onsterfelijke, dat eeuwige Wezen, tot wiens verbazende schepping niet alleen deze aarde, maar zelfs al de tallooze hemellichten behooren, die in het zwerk flikkeren, van welke er vele zijn, die, welligt als zonnen, geheele stelsels verlichten en toch slechts vlekjes schijnen, vergeleken bij de door ons bewoonde aarde! Kan een mensch, die door goddelijke overpeinzingen, als het ware toegelaten wordt tot den omgang met deze onvergelijkelijke, onbegrijpelijke Majesteit, dagen, jaren of eeuwen te lang vinden voor de voortzetting van zulk eene verrukkelijke eer? Moeten de beuzelachtige tijdverdrijven, de walgelijke genoegens, de dwaze dingen dezer wereld, voor ons de uren maar al te snel doen heenvliegen, en zal de gang des tijds traag schijnen voor een geest, die zich oefent in studiën, die zoo hoog, zoo belangrijk, zoo heerlijk zijn? Even als er geen tijd is, die voor zoo iets toereikend is, zoo is er ook geene plaats, die daartoe ongeschikt kan wezen. Op welk voorwerp wij ook zien, worden wij bezield met het denkbeeld van zijne magt, van zijne wijsheid, en van zijne goedheid. Het is niet noodzakelijk dat de opgaande zon hare vurige stralen verspreide aan de oosterkimme, noch dat de onstuimige winden hunne holen verlaten en het hooge bosch doen sidderen: noch dat de barstende wolken hare stortvloeden over de vlakte uitgieten;—het is niet noodzakelijk, zeg ik, dat een van deze allen zijne Majesteit verkondigen; er is geen insekt, geene plant, hoe klein ook in de geheele schepping, die niet de kenmerken draagt van den grooten Schepper,—den stempel niet alleen van zijne magt, maar ook van zijne wijsheid en goedheid. De mensch alleen, de koning dezer aarde, het laatste en grootste werk van het Opperwezen onder de zon, de mensch alleen heeft laaghartig zijne eigene natuur onteerd en door oneerlijkheid, wreedheid, ondankbaarheid en verraad, aan de goedheid van den Schepper doen twijfelen, door het ons moeijelijk verklaarbaar te maken, hoe zulk een weldadig Wezen zulk een dwaas, zulk een verachtelijk dier heeft kunnen scheppen. En dit is het schepsel van welks omgang ge u denkelijk verbeeldt dat ik ongelukkig uitgesloten blijf, en zonder welks gezegenden omgang het leven, naar uw gevoelen, vervelend en nietsbeteekenend moet zijn!”

„Wat het eerste gedeelte betreft van hetgeen gij gezegd hebt,” hernam Jones, „dat stem ik gaarne en van harte toe; maar ik geloof en hoop tevens, dat de afschuw, welken gij aan den dag legt voor de geheele menschheid, wat te ver uitgestrekt is. Inderdaad, gij vervalt daarin tot eene dwaling, welke ik, volgens mijne weinige ondervinding, voor zeer algemeen houd, namelijk om uw denkbeeld omtrent het karakter der menschheid te vormen naar de slechtsten en verachtelijksten er onder; terwijl een uitmuntende schrijver opgemerkt heeft, dat niets als kenmerkend van een geheel geslacht moet beschouwd worden, dat niet bij de beste en volmaaktste individuën er van opgemerkt wordt. Deze dwaling, geloof ik, wordt veelal begaan door diegenen, die, uit gebrek aan gepaste voorzorg in de keuze hunner vrienden en kennissen, van slechte en onwaardige menschen verongelijkingen hebben ondervonden, van welke men twee of drie voorbeelden, zeer ten onregte, op de geheele menschheid toepast.”

„Ik verbeeld me,” hernam de andere, „dat het mij niet aan ondervinding ontbroken heeft. Mijne eerste beminde en mijn eerste vriend verraadden mij op de schandelijkste wijze, en in een geval, dat de ergste gevolgen dreigde te hebben,—zelfs om mij tot een schandelijken dood te brengen.”

„Houd het me echter ten goede,” zei Jones, „als ik u herinner wie die beminde en die vriend waren! Wat zou men beters verwachten van de liefde eener ligtekooi, of van eene vriendschap, aan de speeltafel gesloten. Om het karakter der vrouwen naar het eerste voorbeeld te beoordeelen, of dat der mannen naar het laatste, zou even onbillijk zijn, als te beweren dat de lucht een stinkend en ongezond element is, wanneer we dat ondervinden—in een riool! Ik heb nog slechts kort in de wereld geleefd, en toch heb ik menschen gekend, die de hoogste vriendschap, en vrouwen die de reinste liefde waardig zijn.”

„Helaas, jongeling!” hernam de vreemde, „ge bekent zoodoende slechts zeer kort in de wereld geleefd te hebben;—ik was nog ouder dan gij toen ik ook nog die meening koesterde!”

„Dat zou nog met u het geval kunnen zijn,” antwoordde Jones, „als gij niet ongelukkig,—ik waag het zelfs te zeggen, onvoorzigtig geweest waart in het wegschenken uwer toegenegenheid. Al ware er nog veel meer kwaad in de wereld dan er is, het zou toch zulke algemeene beschuldigingen tegen de menschelijke natuur niet wettigen, daar er veel van door toeval ontstaat, en menigeen die kwaad begaat, niet geheel slecht, of in zijn hart bedorven is. Inderdaad, het komt me voor dat niemand het regt heeft te beweren dat de menschelijke natuur noodzakelijk en algemeen bedorven is, dan hij die er één voorbeeld van kent en wel in zijne eigene, aangeborene bedorvenheid,—en ik geloof niet dat gij in dat geval verkeert.”

„Dergelijke menschen,” hernam de vreemdeling, „zullen altijd de laatsten zijn om zoo iets te beweren. Schelmen zullen evenmin trachten ons van de bedorvenheid der menschheid te overtuigen, als struikroovers u waarschuwen zullen voor het gevaar van aangerand te worden. Dat zou slechts dienen om u op uwe hoede te doen zijn, en om hunne eigene doeleinden te verijdelen. En om deze reden, hoewel de schurken gereed genoeg zijn om enkele menschen uit te schelden, werpen zij nooit een blaam op de menschelijke natuur in het algemeen.”

De oude heer zei dit met zoo veel drift, dat Jones, die er aan wanhoopte om hem te bekeeren en hem niet gaarne beleedigen wilde, geen antwoord gaf.

De eerste stralen van den dageraad begonnen nu te schemeren, en Jones verontschuldigde zich bij den vreemde dat hij zoo lang gebleven was en hem welligt van zijne rust beroofd had.

De vreemde hernam, „dat hij nooit minder behoefte aan rust had gevoeld dan op dat oogenblik; want dat dag en nacht hem geheel onverschillig waren, en dat hij gewoonlijk gedurende den eersten zijne rust nam en den laatsten gebruikte voor zijne wandelingen en overpeinzingen. Maar,” zeide hij, „het is een heerlijke morgen en als gij zelf nog, rust en voedsel ontberen kunt, zal het me genoegen doen u eenige zeer schoone uitzigten te laten zien, die u waarschijnlijk nog onbekend zijn.”

Jones nam dit aanbod zeer gaarne aan en zij verlieten de hut te zamen. Wat Partridge betreft, die was al in een diepen slaap gevallen, op het oogenblik dat de vreemde zijn verhaal ten einde bragt; want zijne nieuwsgierigheid was voldaan, en het daarop volgende gesprek was niet belangrijk genoeg om den slaap te bezweren. Jones liet hem dus zijne rust ongestoord genieten, en daar de lezer welligt nu dezelfde gunst verlangt, zullen wij hier een einde maken aan het achtste boek onzer geschiedenis.

BOEK IX.

Bevattende den tijd van twaalf uren.

HOOFDSTUK I.

OVER DIEGENEN DIE HET REGT HEBBEN, EN DIEGENEN DIE HET REGT NIET HEBBEN OM EENE GESCHIEDENIS ALS DEZE TE SCHRIJVEN.

Onder de nuttige oogmerken, waarom ik goedgevonden heb deze inleidende hoofdstukken te schrijven, behoort ook, dat—ik ze eenigzins beschouw als een merk of stempel, dat den dagelijkschen lezer in staat moet stellen om later hetgeen echt en degelijk is in deze soort van historische geschriften te onderscheiden van hetgeen valsch en nagemaakt is. En werkelijk, er zal waarschijnlijk binnen kort een werk van dezen aard noodig wezen, daar het gunstige onthaal dat een stuk of twee drie schrijvers gevonden hebben bij het publiek voor soortgelijke werken, denkelijk vele anderen aanmoedigen zal om iets dergelijks te ondernemen. Zoodoende zullen er eene menigte dwaze novellen en monsterachtige romans het licht zien, hetzij tot groot nadeel van de boekverkoopers, of tot groot tijdverlies, of zedenbederf van den lezer;—werken, die zelfs dikwerf dienen zullen om laster en kwaadsprekendheid te verspreiden en om vele waardige en eerlijke lieden in naam en faam te benadeelen.

Het staat bij mij vast dat de vernuftige schrijver van den Spectator hoofdzakelijk er toe gebragt werd om Grieksche of Latijnsche opschriften te plaatsen boven elk zijner opstellen, ten einde zich te beveiligen tegen de navolging van die papierverknoeijers, die van het schrijven niets wetende dan wat zij van den schrijfmeester geleerd hebben, toch evenmin schroomen, of zich schamen, de titels aan te nemen van het grootste genie, als hun langoorige broeder in de fabel zich schaamde in de leeuwenhuid te balken.

Door de list met de opschriften, werd het voor iedereen onmogelijk om den Spectator na te volgen als hij ten minste niet een enkelen volzin in de oude talen lezen kon. Op dezelfde wijze heb ik me gewaarborgd tegen de navolging van diegenen die geheel onbekwaam zijn om over iets na te denken, en wier geleerdheid niet toereikende is om eene verhandeling te schrijven.

Men begrijpe dit echter niet zoo, alsof ik te verstaan wilde geven, dat de grootste verdienste van zulke historische geschriften ooit liggen zou in deze inleidende hoofdstukken; maar inderdaad, leveren die gedeelten er van, welke alleen het verhaal bevatten, veel meer aanmoediging voor den navolger op, dan al hetgeen bestaat uit overpeinzingen en opmerkingen. En hier spreek ik van navolgers van dien aard als Rowe was van Shakespeare, of als sommige Romeinen die barvoets liepen en zure gezigten trokken (volgens Horatius) van Cato waren.

Het is welligt eene zeldzame gave om een goed verhaal te bedenken en het goed te vertellen; en toch, heb ik opgemerkt, dat er slechts weinige menschen zijn, die niet naar beide streven; en als wij de romans en novellen, waarmede wij overstelpt worden, onderzoeken, geloof ik dat wij te regt zouden mogen besluiten, dat de meeste schrijvers het niet gewaagd zouden hebben met de klompen op het ijs te komen (men vergeve mij die uitdrukking), in eenig ander genre van schrijven;—noch dat zij over eenig ander onderwerp een dozijn volzinnen hadden kunnen bijeenbrengen. Scribimus indocti doctique passim, [6] kan men waarlijk eerder zeggen van den geschiedschrijver en den biograaf dan van eenigen anderen schrijver, daar alle kunsten en wetenschappen,—zelfs het recenseren—een weinig geleerdheid en kennis eischen.

Men zou welligt kunnen denken dat de poëzy hierop eene uitzondering maakt; maar die eischt maat, of iets dat op maat gelijkt; terwijl men voor het opstellen van novellen en romans niets noodig heeft dan pen en inkt, met de bedrevenheid om ze te gebruiken. Ik geloof dat de schrijvers zelve door hunne voortbrengselen bewijzen, dat dit ook hun denkbeeld is, en dit moet ook het gevoelen hunner lezers zijn,—als zij er eenige hebben.

Daaraan moeten wij ook de algemeene minachting toeschrijven, waarmede de wereld, die steeds de geheele klasse naar de meerderheid daarvan beoordeelt, steeds alle geschiedkundige schrijvers behandeld heeft, die hun stof niet uit de archieven gehaald hebben. Het was ook de vrees voor deze minachting, welke ons zoo streng de benaming van roman heeft doen ontwijken, waarmede wij, voor dit werk, ons anders wel tevreden stellen konden. Maar, daar wij goede autoriteiten hebben voor al onze karakters,—namelijk die van het groote boek der natuur zelve,—zooals wij reeds vroeger te kennen gaven,—heeft ons werk wel degelijk aanspraak op den naam van geschiedenis. ’t Is waar, dat het eenigzins onderscheiden is van die werken, welke een der geestigste menschen beschouwde als enkel voortbrengselen van een pruritus, of nog liever, van een ziekelijk brein.

Maar, behalve de schande welke nu een der nuttigste en vermakelijkste schrijftranten aankleeft, bestaat er grondige reden te veronderstellen, dat wij door zulke schrijvers aantemoedigen, veel schande van een anderen aard zullen verspreiden namelijk die, dat wij den naam van vele goede en waardige leden der maatschappij zullen bezoedelen; want de stomste schrijvers zijn, evenmin als de stomste makkers, altijd de meest onschuldige. Zij kennen woorden genoeg om onbetamelijk en beleedigend te zijn. En zeker, als dit geen ongegrond denkbeeld is, dan kan het ons niet verwonderen, dat werken die zulk eene vuile bron hebben, zelve vuil zijn en de strekking hebben om anderen ook te besmetten.

Ten einde dus in de toekomst zulk schandelijk misbruik van tijd, van letterkunde en van persvrijheid te voorkomen,—vooral omdat de wereld thans meer dan anders daarmede bedreigd wordt, zal ik het wagen hier eenige gaven te noemen, welke alle, in redelijk hooge mate, vereischt worden bij geschiedschrijvers van dezen aard.

Het eerste is het genie, zonder hetwelk, zoo als Horatius zegt, geen studie ons helpen kan. Onder genie, versta ik het vermogen, of liever de vermogens van den geest, die in staat zijn om door te dringen in alle dingen welke binnen ons bereik zijn, en om hun wezenlijk onderling verschil op te merken. Dit is niets anders dan vinding en oordeel, en beide worden met den collectieven naam van genie bestempeld, daar ze onder die gaven der natuur behooren, welke wij met ons ter wereld brengen, en betreffende welke vele menschen zeer schijnen te dwalen; want onder vinding verstaat men, geloof ik, algemeen, zeker scheppings-vermogen,—hetwelk inderdaad bewijzen zou dat de meeste romanschrijvers daarop aanspraak maken;—terwijl men er eigenlijk niets meer mede bedoelt, volgens de ware beteekenis van het woord, dan de gave van iets te vinden, of te ontdekken;—of, om het breedvoeriger te beschrijven, een vlug en verstandig inzigt in het wezen van alle voorwerpen die wij beschouwen. Dit kan, dunkt me, naauwelijks bestaan zonder de bijkomende hulp van het oordeel; want hoe men zou kunnen zeggen dat men het wezenlijke onderscheid tusschen twee dingen begrijpt, zonder dat onderscheid opgemerkt te hebben, schijnt moeijelijk te vatten. Dit laatste is echter de onbetwiste taak van het oordeel, en toch zijn sommige knappe menschen het met al de domkoppen ter wereld eens geworden, dat deze twee gaven zelden of nooit bij één en denzelfden persoon gevonden worden.

Maar zelfs waar dit het geval is, zijn ze onvoldoende zonder eenige kennis;—en hier zou ik weder het gezag van Horatius kunnen inroepen, en van vele anderen ook, als het noodig was te bewijzen, dat werktuigen den werkman niet baten, als ze niet door de kunst geslepen zijn, of het hem aan regels ontbreekt waarnaar zijn werk in te rigten, of aan stof om te bewerken. In dit een en ander wordt door kennis voorzien; want de natuur kan ons allen bekwaamheid schenken, of, zoo als ik het uitgedrukt heb, de werktuigen voor ons beroep:—de kennis moet ze geschikt maken voor het gebruik, moet ze daarbij bestieren, en eindelijk, ten minste, een deel der grondstoffen leveren. Eene voldoende kennis der geschiedenis en der schoone letteren is hier bepaald noodzakelijk; en zonder deze kennis, is het even dwaas de rol van schrijver op zich te willen nemen, als te trachten een huis te bouwen zonder hout of kalk, ijzer of steen. Homerus en Milton, hoewel zij hun werk met maat en rijm opsierden, waren beide geschiedschrijvers van onzen aard, en ervaren in al de geleerdheid van hun tijd.

Van den anderen kant, is er ééne soort van kennis welke de geleerdheid niet schenken kan, en die verkrijgt men door den omgang. Deze is zoo noodzakelijk om het karakter der menschen te leeren kennen, dat niemand daarin onwetender is dan die geleerde pedanten, die hun leven gesleten hebben op het studeervertrek en onder boeken; want hoe voortreffelijk ook de menschelijke natuur door sommige schrijvers afgeschilderd moge zijn, kan het ware, praktische stelsel alleen in de wereld aangeleerd worden. En dit is ook het geval met iedere andere soort van wetenschap. Noch de natuurkunde, noch de regtsgeleerdheid zijn praktisch uit de boeken te leeren. Zelfs de landbouwer, de planter, de tuinier, moet door ondervinding datgene volmaken, waarvan hij de grondbeginselen uit de boeken gehaald heeft. Hoe naauwkeurig ook de kundige Miller eene plant beschreven heeft, raadt hij den leerling toch aan ze in den tuin te gaan bezigtigen. Even als wij zien dat onder het lezen, sommige der fijnste zetten van een Shakespeare, een Johnson, of een Wycherly ons ontgaan, welke ons eerst in het oog vallen bij het oordeelkundig spel van een Garrick, eene Cibber, of eene Clive, [7] dus toont zich ook op het levenstooneel het karakter in een sterker en stouter licht dan men wel beschrijven kan. En als dit het geval is met die fijne en krachtige schilderingen, welke groote schrijvers zelve naar het leven geteekend hebben, hoeveel te meer zal dit niet blijken als de schrijver zelf zijne karakters niet naar de natuur, maar naar de boeken teekent! Zulke karakters zijn alleen de flaauwe copijen eener copij en kunnen de juistheid noch den geest van het oorspronkelijke bezitten.

En onze geschiedschrijver moet een algemeenen omgang hebben met menschen van allerlei stand en rang; want de kennis van hetgeen men de groote wereld noemt, zal hem niets leeren omtrent de lagere klassen,—en e converso, zal hij uit den omgang met zijne minderen, de manieren zijner meerderen niet leeren kennen. En, hoewel men zou kunnen denken, dat de kennis van een van beide hem ten minste in staat zou stellen te beschrijven wat hij gezien heeft, zal hij toch zelfs hierin ver van de volmaaktheid blijven; want de dwaasheden van alle standen dienen werkelijk om elkaar ten sterkste te doen uitkomen. Bij voorbeeld: de gemaaktheid in de groote wereld toont zich te duidelijker en bespottelijker als men ze vergelijkt bij de eenvoudigheid der mindere klassen; en de ruwheid en woestheid dezer laatsten komt ons te ongerijmder voor, als ze tegenover de beschaving der hoogere klassen staat. Bovendien, zullen de manieren van onzen geschiedschrijver zelven verbeterd worden door een gemengden omgang; want bij de eene zal hij, zonder bezwaar, voorbeelden vinden van eenvoudigheid, eerlijkheid en opregtheid, en bij de andere verfijning, sierlijkheid en vrijzinnigheid van oordeel, welke laatste hoedanigheid ik zelf haast nooit gevonden heb bij menschen van lage afkomst en weinige opvoeding.

Maar al de gaven welke ik nu mijn schrijver geschonken heb, zullen hem weinig baten, ten zij hij ook bezit hetgeen men over het algemeen noemt een goed hart en gevoel. De schrijver, zegt Horatius, die mij wil doen weenen, moet beginnen met zelf tranen te storten. Werkelijk, kan ook geen mensch een leed goed beschrijven, dat hij zelf niet voelt onder de schildering daarvan, en ik twijfel ook niet of de aandoenlijkste en treffendste tooneelen zijn onder tranen geschreven. Hetzelfde geldt van het belagchelijke. Ik ben overtuigd dat ik den lezer nooit hartelijk kan doen lagchen zonder met hem te lagchen,—ten zij ik hem zelf de gelegenheid geef, om over mij, in plaats van met mij te lagchen. Dit is welligt het geval geweest bij sommige punten van dit hoofdstuk,—eene vrees, die mij het hier doet eindigen.

HOOFDSTUK II.

BEVATTENDE EEN ZEER WONDERLIJK AVONTUUR VAN DEN HEER JONES, ONDER DE WANDELING MET DEN OUDEN MAN VAN DEN BERG.

Aurora had nu pas de hemelvensters geopend,—wat zeggen wil, dat het begon dag te worden, toen Jones en de vreemdeling zamen uitgingen en den Mazard Heuvel beklommen, op welks top zij een der heerlijkste gezigten ter wereld ontdekten, dat wij den lezer, zonder twee geldige redenen daartegen, ook zouden laten zien. Ten eerste: wanhopen wij op de goedkeuring van diegenen die het tooneel gezien hebben; en ten tweede, twijfelen wij ten sterkste, of zij, die het niet gezien hebben, er iets van begrijpen zouden.

Jones bleef eenige oogenblikken onbewegelijk staan, zijne blikken zuidwaarts rigtende, waarop de oude heer hem vroeg, waar hij zoo oplettend naar keek?

„Helaas, mijnheer,” hernam hij met een zucht; „ik trachtte mijne reis herwaarts na te gaan. Goede hemel, hoe ver is Gloucester niet van hier! Welk een afstand ligt er niet tusschen mij en mijn eigen te huis!”

„Ja, ja, jonge heer,” riep de andere, „en, naar uw zuchten te oordeelen, is er iets dat gij meer bemint dan uw te huis, of ik vergis me zeer! Ik zie nu dat hetgeen waaraan ge denkt buiten het bereik uwer oogen is, en toch verbeeld ik me dat het u goed doet dien kant uit te kijken.”

Jones hernam met een glimlach; „Naar ik zie, oude vriend, hebt gij de gewaarwordingen uwer jeugd nog niet vergeten.—Ik beken dat ik in mijne gedachten bezig was op de door u bedoelde wijze.”

Zij wandelden nu naar dat gedeelte van den heuvel dat noord-westwaarts ligt, en dat over een groot en uitgestrekt bosch ziet. Zij waren pas hier gekomen, toen zij in de verte in het bosch onder hunne voeten, luide hulpkreten hoorden van eene vrouwenstem. Jones luisterde een oogenblik en toen, zonder één woord te spreken tegen zijn makker,—want de nood scheen dringend,—liep, of liever rolde hij den heuvel af, en zonder te vreezen voor, of te denken aan zijne eigene veiligheid, spoedde hij zich naar de plaats vanwaar de kreten schenen te komen.

Hij was pas in het bosch geraakt, toen hij werkelijk een allerverschrikkelijkst gezigt ontwaarde, namelijk eene vrouw, die half ontkleed was, in handen van een schurk, die zijn kousenband om haren hals geslagen had, en haar aan een boom trachtte op te trekken. Jones hield zich met geene vragen op, maar viel den ellendeling dadelijk aan en maakte zoo goed gebruik van zijn eiken knuppel, dat hij hem ter aarde velde eer hij er aan denken kon om zich te verdedigen, of inderdaad, bijna eer hij wist dat hij aangevallen werd; en Jones hield ook niet op met zijne slagen, tot de vrouw zelve hem smeekte, zeggende, dat zij geloofde dat haar aanvaller er meer dan genoeg van had.

De arme vrouw viel toen voor Jones op de knieën en dankte hem wel duizend maal voor hare redding, en hij rigtte haar dadelijk op en vertelde haar hoe gelukkig hij zich gevoelde over het buitengewone toeval dat hem tot haar bijstand daarheen gebragt had, waar het zoo onwaarschijnlijk was, dat zij hulp zou vinden;—terwijl hij er bij voegde, dat de hemel hem scheen uitgezocht te hebben tot het gelukkige werktuig harer redding.

„Ja,” hernam zij, „ik zou u haast voor een beschermengel houden, en om de waarheid te zeggen, hebt gij in mijne oogen meer van een engel dan van een mensch.”

Inderdaad, zijn uiterlijk was bekoorlijk, en als eene zeer schoone gestalte, met fraaije gelaatstrekken, opgeluisterd nog door jeugd, gezondheid, kracht, frischheid, moed en goedaardigheid, den mensch op een engel kunnen doen gelijken, was die gelijkenis bij hem te vinden.

De geredde zelve had niet in alle opzigten zoo veel van een menschelijken engel. Zij scheen ten minste van middelbaren leeftijd te zijn, en haar gezigt was ook niet zeer schoon: maar, daar haar kleederen van het bovenlijf afgescheurd waren, trok haar boezem, die zeer schoon gevormden blank was, de oogen van haren bevrijder, en eenige oogenblikken bleven zij elkaar zwijgend aanzien, tot dat de schurk, die op den grond uitgestrekt lag, zich begon te bewegen, waarop Jones den kousenband greep, die tot een ander doel bestemd was geweest, en hem beide handen achter den rug vast bond. En nu, hem in het gezigt ziende, ontdekte hij, tot zijne groote verbazing en welligt met geene geringe voldoening, dat deze mensch niemand anders was dan de vaandrig Northerton. De vaandrig had ook zijn vorigen tegenstander niet vergeten, dien hij herkende zoodra hij bijkwam. Zijne verbazing evenaarde die van Jones; maar hij zal wel bij die gelegenheid wat minder voldoening gesmaakt hebben.

Jones hielp Northerton op de beenen en hem vast in de oogen ziende, zeide hij:

„Naar ik me verbeeld, mijnheer, verwachttet ge niet mij ooit weder op aarde te ontmoeten, en ik beken dat ik er even weinig om dacht u hier te vinden. Evenwel, naar ik merk, heeft het noodlot ons weder bij elkaar gebragt, en mij ook voldoening verschaft voor de beleediging, welke ik van u ondervonden had.”

„Het lijkt waarlijk veel op een man van eer,” hernam Northerton, „om zich voldoening te verschaffen door iemand van achteren op het hoofd te slaan! Ik kan u ook hier geene voldoening geven, daar ik geen degen heb: maar indien ge u als eerlijk man durft te gedragen, laat ons ergens heengaan waar ik een wapen kan krijgen, en ik zal me als man van eer tegenover u houden.”

„Betaamt het zulk een schurk als gij zijt,” riep Jones, „om het woord van „eer” te besmetten door zich zoo iets aan te matigen? Maar ik zal geen tijd meer aan u verspillen; de wetten eischen voldoening van u en zullen ze ook krijgen!”

Zich daarop tot de vrouw wendende, vroeg hij haar, of zij ver van huis was, en zoo ja, of zij iemand in de buurt kende, waar zij zich eenige betamelijke kleeding kon verschaffen eer zij bij den vrederegter gingen?

Zij hernam dat zij in die streken vreemd was. Jones bedacht zich daarop en zeide, dat hij een vriend in de nabijheid had, die hen helpen zou; inderdaad, het verbaasde hem dat de grijsaard hem nog niet gevolgd was; maar het ware van de zaak was, dat de oude man van den Berg, zoodra onze held vertrokken was, op den heuvel was blijven zitten, waar hij, hoewel hij een geweer in de hand had, met veel geduld en onverschilligheid den uitslag afwachtte.

Jones trad nu van onder de boomen, en zag den ouden man daar zitten, zoo als wij beschreven hebben, waarop onze held al zijne vlugheid te baat nam en met verbazenden spoed den heuvel beklom.

De oude man gaf hem den raad om de vrouw naar Upton te brengen, de digtst bijzijnde stad, naar hij zeide, waar hij zeker was haar van alles te kunnen voorzien dat zij noodig mogt hebben. Jones, de vereischte inlichtingen omtrent den weg nu verkregen hebbende, nam afscheid van den ouden man van den Berg, na hem verzocht te hebben hem Partridge na te zenden, en keerde in haast naar het bosch terug.

Toen onze held zich verwijderd had, om inlichtingen bij zijn vriend te zoeken, had hij overlegd dat, daar hij den schelm de handen achter den rug vast gebonden had, deze buiten staat was om de arme vrouw eenig kwaad te doen. Bovendien wist hij dat hij binnen het bereik harer stem was en vlug genoeg terugkeeren kon om alle kwaad te voorkomen. Hij had ook den ellendeling verklaard, dat als hij iets beleedigends ondernam, hij dadelijk zelf wraak op hem uitoefenen zoude. Maar ongelukkig had Jones vergeten dat hoewel Northerton’s handen gebonden waren, zijne beenen vrij waren, en hij den gevangene ook niet verboden had, om ze naar goedvinden te gebruiken. Daar Northerton dus zijn woord niet gegeven had, dacht hij, zonder oneerlijkheid, te kunnen vertrekken, daar hij zich verbeeldde dat er geene regels bestonden, die hem noopten te wachten tot hij in behoorlijken vorm op vrije voeten gesteld werd. Hij maakte dus gebruik van zijne beenen, die hem ten dienste stonden, en ontsnapte onder het geboomte, dat zijne vlugt begunstigde, terwijl de vrouw, wier blikken welligt haren bevrijder volgden, niet eens om zijne ontsnapping dacht, of zich eenige moeite gaf om die te beletten.

Toen Jones dus terugkeerde, vond hij de vrouw alleen. Hij zou nu wat tijd er aan hebben willen besteden om Northerton op te zoeken; maar de vrouw liet dit niet toe, terwijl zij hem ernstig smeekte haar naar de stad te vergezellen, die hun aangewezen was.

„Wat de ontsnapping van dien schelm aangaat, mijnheer,” zeide zij, „daar geef ik niet om; want de wijsbegeerte en het christendom leeren ons onze vijanden te vergeven. Maar, ten uwen opzigte, mijnheer, raak ik in verlegenheid wegens al de moeite die ik u veroorzaak;—ja, de gehavende toestand mijner kleeding maakt me beschaamd, als ik u in de oogen zie, en ware het niet om den wille uwer bescherming, zou ik liefst alleen gaan.”

Jones bood haar zijn jas aan; maar, (ik weet niet om welke reden), zij weigerde stellig er gebruik van te maken, hoe sterk hij er ook op aandrong. Daarop smeekte hij haar beide oorzaken van hare verlegenheid te vergeten: „Wat de eerste daarvan betreft,” zeide hij, „heb ik alleen mijn pligt gedaan met u te beschermen, en wat de tweede aangaat, die zal ik uit den weg ruimen, door den heelen weg vóór u te gaan; want ik wilde u niet door mijne blikken beleedigen, en zou er toch niet voor kunnen instaan, dat ik aan de verleiding van zoo vele schoonheid zou kunnen weerstaan.”

Dus trokken onze held en de bevrijde dame, even als weleer Orpheus en Eurydice op; maar hoewel ik niet gelooven kan dat de schoone Jones opzettelijk verleidde om achterom te kijken, was hij echter—daar zij dikwerf bijstand van hem noodig had om haar over de vonders te helpen en zij bovendien menigmaal struikelde en andere ongelukken had,—telkens genoodzaakt om zich om te keeren. Hij was echter op den duur gelukkiger dan de arme Orpheus; want hij bragt zijne geleidster, of liever haar die hem volgde, veilig de beroemde stad Upton binnen.

HOOFDSTUK III.

DE AANKOMST VAN DEN HEER JONES MET DE DAME IN HET LOGEMENT; MET EENE ZEER UITVOERIGE BESCHRIJVING VAN DEN SLAG VAN UPTON.

Hoewel de lezer, zonder twijfel, zeer verlangend is te weten wie deze dame was en hoe zij in handen van den heer Northerton geraakt was, moeten wij hem smeeken zijne nieuwsgierigheid een oogenblik te bedwingen, daar wij, om zeer geldige redenen, welke hij later welligt begrijpen zal, genoodzaakt zijn hem een tijdlang in onzekerheid te laten.

Zoodra de heer Jones en zijne schoone gezellin de stad binnentraden, gingen zij dadelijk naar de herberg welke het best er uitzag in die straat. Hier beval Jones den knecht hem boven te brengen, naar eene kamer—toen de ontredderde schoone, die hem op den voet volgde, gegrepen werd door den waard, die uitriep: „Hola! Waar wil die bedelaarster heen? Blijf hier, zeg ik!”

Maar op dit oogenblik bulderde Jones van boven aan de trap: „Laat de dame naar boven komen!” met eene stem van zoo veel gezag, dat de goede man haar dadelijk los liet, en de dame zich haastte om op de kamer te komen.

Dáár wenschte Jones haar geluk met hare veilige aankomst, en ging naar beneden, met de belofte om de waardin met eenige kleedingstukken dadelijk naar boven te zenden.

Onze reizigers hadden toevallig hun intrek genomen in een huis dat een zeer goeden naam had, waar Iersche dames van de strengste deugd en Schotsche vrouwen van geen mindere gehalte haar intrek namen op weg naar Bath. De waardin zou dus geen onbehoorlijke vrijheden onder haar dak geduld hebben. Inderdaad, dergelijke dingen zijn zoo vuil en besmettelijk, dat ze zelfs de plaats waar ze voorvallen bezoedelen, en een huis, waar zoo iets gebeurt, spoedig een kwaden naam verschaffen.

Niet dat ik beweren wilde, dat het mogelijk zou zijn evenzeer op de kuischheid te letten in een logement als in den tempel van Vesta. De goede waardin hoopte ook niet op zulk een zegen, en geene der dames, waarvan ik gesproken heb,—en inderdaad ook geene zelfs van de allerstrengste deugd,—kon zoo iets verwachten of eischen. Maar het is in de magt van iedereen, om alle gemeene wijven, en alle sletten, die in lompen gehuld zijn, het huis uit te jagen. Hieraan hield zich de waardin zeer streng, en dit mogten hare deugdzame gasten, die niet in lompen gehuld waren, wel van haar eischen.

Nu vorderde het geene overgroote mate van ergdenkendheid, om zich te verbeelden dat de heer Jones en zijne in lompen gehulde gezellin, zekere voornemens koesterden, die hoewel ze in sommige christelijke landen geduld, in anderen bevorderd en in alle landen in praktijk gebragt worden, toch even streng verboden zijn als moord, of eenige andere verschrikkelijke misdaad, door de godsdienst die algemeen in die landen beleden wordt.

De waardin had dus naauwelijks kennis gekregen van de aankomst van bovengemeld paar, of zij begon op de middelen bedacht te zijn om hen, zoo spoedig mogelijk, de deur weer uit te krijgen. Ten einde dit doel te bereiken, had zij zich gewapend met een lang en doodelijk werktuig, waarmede, in tijden van vrede, de werkmeid gewoon was het weefsel van de nijvere spin te vernielen. Met andere woorden, zij had den bezem opgenomen, en was op het punt om de keuken te verlaten, toen Jones haar aansprak en eene japon vroeg en andere kleedingstukken, ten behoeve der halfnaakte vrouw, die zich boven bevond.

Niets is tergender voor de menschelijke natuur, noch gevaarlijker voor die kardinale deugd, het geduld, dan het verzoek om eene buitengewone liefdedienst te bewijzen aan menschen op wie men juist zeer vertoornd is. Om deze reden heeft Shakespeare zijne Desdemona, met de meeste kunst, haar man doen smeeken om gunsten te bewijzen aan Cassio, wat het beste middel was, niet slechts om zijne ijverzucht, maar ook om zijne woede tot den hoogsten graad van razernij te brengen; en wij zien den ongelukkigen Moor bij deze gelegenheid minder in staat om zijne drift te beheerschen, dan zelfs toen hij het geschenk, waaraan hij zoo veel waarde hechtte, in handen van zijn gewaanden mededinger zag. Inderdaad, wij beschouwen zoo iets als eene beleediging voor ons gezond verstand, en hieraan onderwerpt zich de menschelijke hoogmoed zeer moeijelijk.

De waardin nu, hoewel eene zeer goedaardige vrouw, bezat denkelijk iets van dezen hoogmoed, want Jones had naauwelijks zijn verzoek uitgesproken, of zij viel hem aan met zeker wapen, dat hoewel het noch lang, scherp of hard is, noch uiterlijk met wonden of dood schijnt te dreigen, vele wijze, ja zelfs dappere mannen schrik en afschuw aangejaagd heeft;—zoodat sommigen, die een geladen stuk geschut in de monding zouden durven kijken, een mond niet hebben durven aanzien, waar dit wapen gezwaaid werd, en eerder dan zich aan de uitwerking daarvan bloot te stellen, zich getroost hebben eene treurige en lafhartige vertooning te maken in de oogen hunner vrienden.

Om de waarheid te bekennen, vrees ik dat de heer Jones tot deze soort van menschen behoorde; want hoewel hij aangevallen en hevig met bovengenoemd wapen gekwetst werd, was hij er niet toe te brengen om eenigen tegenstand te bieden, maar smeekte zijne vijandin, op de meest lafhartige wijze, met hare slagen op te houden;—dat wil zeggen: hij smeekte haar met den meesten ernst hem aan te hooren; maar eer hij dit van haar verkrijgen kon, mengde zich de waard zelf in den strijd, en trok partij voor de zaak, die zoo weinig bijstand scheen noodig te hebben.

Er bestaat eene zekere soort van helden, die den strijd aannemen of ontwijken naarmate van het karakter en het gedrag hunner tegenstanders. Men zegt van dezen: „dat zij hunne menschen wel kennen,” en ik geloof dat Jones deze vrouw wel kende; want hoewel hij zoo onderworpen was gebleven tegenover haar, liet hij echter, zoodra hij door haar man aangevallen werd, een zeer sterken geest van verzet blijken, en beval hem te zwijgen, op zeer strenge straf,—niets minder namelijk, naar ik meen, dan op zijn eigen keukenvuur gesmeten te worden.

De man, zeer verontwaardigd, maar met een mengsel van medelijden, antwoordde: „Dan mag je wel eerst bidden om sterkte! Ik verbeeld me dat ik jou maken en breken kan;—ja best!” Waarna hij er toe overging om de dame die boven was, met een rist van scheldwoorden te overladen, van welke het laatste hem naauwelijks over de lippen was, of er viel een fiksche slag van den stok, welken Jones in de hand droeg, tusschen zijne schouders.

Het blijft de vraag of de waard, of de waardin het vlugst was met den slag terug te geven. De man, die niets in de handen had, viel aan met de vuist, en zijne goede vrouw den bezemsteel opheffende en naar het hoofd van Jones mikkende, zou waarschijnlijk dadelijk een einde aan den strijd en aan Jones zelven gemaakt hebben, zoo de slag niet afgeweerd ware geweest,—niet door de wonderlijke tusschenkomst van eene heidensche godheid, maar door een natuurlijk, hoewel gelukkig toeval, namelijk door de aankomst van Partridge, die op dat oogenblik het huis binnen trad,—want de vrees had hem den heelen berg af doen vliegen—en die nu het gevaar ziende, dat zijn heer, of zijn makker (naar gij verkiest), dreigde, zulk een treurigen afloop voorkwam, door den opgeheven arm der waardin te vatten.

De vrouw ontwaarde spoedig op welke wijze haar slag verijdeld was geworden, en daar zij buiten staat was om haren arm uit Partridge’s greep los te rukken, liet zij den bezemsteel vallen en Jones aan den toorn van haren man overleverende, viel zij met de meeste woede den armen jongen aan, die zich reeds aangekondigd had door den uitroep: „Wat drommel! Wilt ge mijn vriend doodslaan?”

Partridge, hoewel hij niet veel op had met vechten, kon toch niet stil zitten als zijn vriend aangevallen werd en was ook niet zeer ontevreden met dat gedeelte van den strijd, dat hem toeviel. Hij gaf dus de waardin hare slagen terug zoodra hij ze ontving; en het gevecht werd van beide zijden met hardnekkigheid volgehouden, en het scheen twijfelachtig voor wien de overwinning zich verklaren zou, toen de half naakte dame, die boven aan den trap het gesprek aangehoord had, dat den strijd voorafgegaan was, plotseling naar beneden vloog, en zonder de onbillijkheid in aanmerking te nemen van twee tegen één te vechten, dadelijk de arme vrouw aantastte, die tegen Partridge kampte, terwijl die groote held, in plaats van er uit te scheiden slechts met te meer woede streed, zoodra hij ontwaarde dat nieuwe hulp tot zijne versterking opgedaagd was.

De overwinning zou nu naar den kant der reizigers overgeheld hebben;—want de dapperste troepen moeten voor de meerderheid wijken, als Suze, de werkmeid, niet gelukkig gekomen ware om hare meesteresse te helpen. Deze Suze was, om het woord te gebruiken,—een der „pootigste” meisjes uit de buurt, en zou, geloof ik, de beroemde Thalestris zelve, of elke harer onderdanen onder de Amazonen verslagen hebben; want hare gestalte was krachtig en manhaftig en in alle opzigten voor den strijd geschikt.

Even als hare handen en armen geschapen waren om den vijand zeer gevaarlijk te zijn, zoo was ook haar gezigt gevormd om slagen te ontvangen zonder zeer benadeeld te worden; want haar neus was al zoo plat, hare lippen zoo breed, dat men het onmogelijk zou hebben kunnen zien als ze opgezwollen waren, en bovendien waren ze zoo hard dat eene vuist met moeite eenigen indruk er op kon maken. Eindelijk waren de wangbeenderen zoo vooruitstekend, dat ze bastions schenen te zijn door de natuur opgerigt, om hare oogen te beschermen in die gevechten, waarvoor zij zoo goed berekend en waartoe zij zoo wonderbaarlijk geneigd was.

Dit schoone schepsel op het slagveld gekomen zijnde, wendde zich dadelijk tot den vleugel, waar hare meesteresse zulk een ongelijk gevecht volhield tegen twee personen van verschillend geslacht. Hier daagde zij dadelijk Partridge tot het tweegevecht uit. Hij nam hare uitdaging aan en een wanhopige strijd begon tusschen die beiden.

De bloedige trawanten van den god des oorlogs, nu eenmaal losgelaten begonnen, zich de lippen te lekken;—de Overwinning met hare gouden vleugelen zweefde omhoog; Fortuna, hare weegschaal van de plank afnemende, begon het lot van Tom Jones, van zijne geleidster, en van Partridge te wegen tegen dat van den waard, van zijne vrouw en hare meid,—wat alles in volmaakt evenwigt vóór haar hing, toen een vriendelijk toeval plotseling een einde maakte aan den bloedigen twist, waarvan reeds de helft der strijdenden genoeg hadden. Dit toeval was de aankomst van eene reiskoets, met vier paarden bespannen, waarop de waard en zijne vrouw dadelijk het gevecht staakten, en op hun verzoek dezelfde gunst van hunne tegenstanders verkregen; maar Suze had die goedheid niet ten opzigte van Partridge; want de schoone Amazone haren vijand nedergeveld hebbende, zat hem nu op het lijf, en sloeg dapper op hem los, zonder acht te geven op zijn smeeken om den strijd te eindigen, of op de luide moordkreten, welke hij slaakte.

Zoodra Jones echter den waard kwijt was, vloog hij ter hulpe van zijn verslagen vriend, wien hij met groote moeite van de woedende werkmeid bevrijdde; zonder echter dat Partridge dadelijk iets van zijne verlossing merkte; want hij lag steeds plat op den rug, het gezigt met beide handen bedekt, en hield niet op met brullen, tot Jones hem noodzaakte om op te kijken, en te zien dat de slag gedaan was.

De waard, die geene zigtbare wonde ontvangen had, en de waardin haar gekrabd gezigt verbergende onder haar zakdoek, liepen dadelijk naar de deur om naar het rijtuig te zien, waaruit eene jonge dame met hare kamenier stegen.

De waardin bragt beide onmiddellijk naar de kamer, waar de heer Jones eerst zijn schoone buit gelaten had, daar dit het beste vertrek in huis was. Om daarheen te komen, moesten zij over het slagveld, wat zij met de meeste haast deden, hare gezigten met de zakdoeken verbergende, alsof zij wenschten door niemand opgemerkt te worden. Maar deze voorzorg was werkelijk geheel onnoodig; want de arme Helena, die de aanleiding had gegeven tot al dit bloedvergieten, was geheel er mede vervuld hoe haar eigen gelaat te verbergen; en Jones had het niet minder druk met Partridge te redden van de woedende Suze,—wat pas geschied was, toen de arme vent naar de pomp vloog om zijn gezigt te wasschen en om dien bloedstroom te stuiten, welken Suze uit zijne neusgaten had doen vloeijen.

HOOFDSTUK IV.

WAARIN DE AANKOMST VAN EEN KRIJGSMAN VOOR GOED EEN EINDE MAAKT AAN DE VIJANDELIJKHEDEN EN EEN VASTEN EN DUURZAMEN VREDE TUSSCHEN ALLE PARTIJEN DOET SLUITEN.

Ongeveer te dezen tijd, kwam er een sergeant aan, met eenige soldaten en een deserteur onder hunne hoede. De sergeant vroeg dadelijk naar den magistraat van het stadje, en vernam van den waard, dat hij zelf dat ambt bekleedde. Daarop eischte hij zijne inkwartieringsbiljetten en een kan bier, en klagende over de koude, strekte hij zich uit vóór het keukenvuur.

De heer Jones was op dit oogenblik bezig met de arme, ongelukkige dame te troosten, die aan eene tafel zittende in de keuken, met het hoofd op den arm liggende, luide over hare rampen jammerde;—maar, ten einde mijne schoone lezeressen alle ongerustheid omtrent zekere omstandigheid te benemen, is het noodig haar hier te doen weten dat eer de dame van boven gekomen was, zij zich zoo goed gehuld had in een sloop, die zij daar vond, dat het gevoel van welvoegelijkheid in het minst niet gekwetst werd door het bijzijn van nog zoo vele mannen in de kamer.

Een der soldaten stond nu op, naderde den sergeant en fluisterde hem wat in het oor, waarop deze het oog op de vrouw vestigde en haar een oogenblik vast aangekeken hebbende, opstond en zich tot haar rigtende, zeide:

„Vraag excuus, mevrouw, maar als ik me niet vergis, zijt gij zeker de vrouw van den kapitein Waters?”

De arme vrouw, die in haren nood, op niemand bijzonder gelet had, keek pas den sergeant aan, of zij herkende hem dadelijk, en hem bij den naam noemende, deed zij hem weten, dat zij wezenlijk de ongelukkige was die hij bedoelde, terwijl zij er bijvoegde: „Maar ik begrijp niet hoe het mogelijk is voor iemand mij in dezen rampzaligen toestand te herkennen!”

Waarop de sergeant hernam: „Dat hij ook zeer verwonderd was geweest mevrouw zoo toegetakeld te zien, en dat hij vreesde dat haar het een of ander ongeluk overkomen was.”

„Dat is ook het geval,” antwoordde zij, op Jones wijzende, „en ik heb het dezen heer te danken dat het geen noodlottig toeval was,—en dat ik nu nog leef om er van te kunnen spreken.”

„Wat ook mijnheer gedaan heeft,” zei de sergeant, „ik weet zeker dat de kapitein hem dankbaar zal wezen, en als ik van eenige dienst kan zijn, zal mevrouw wel over mij beschikken en ik zal me gelukkig achten, als het in mijne magt staat u eenige hulp te verleenen,—en dat zou ook iedereen; want de kapitein zal zeker iedereen daarvoor beloonen.”

De waardin, die op den trap staande, alles gehoord had wat er tusschen den sergeant en mevrouw Waters voorgevallen was, kwam nu met den meesten spoed naar beneden loopen, en begon haar om vergiffenis te smeeken voor al hare beleedigingen, die zij hoopte dat toegeschreven zouden worden aan onwetendheid omtrent haren stand; „Heere! mevrouw,” riep zij, „hoe had ik kunnen gissen dat iemand van uw rang zich zoo gekleed zou laten zien? Ik weet zeker, mevrouw, dat als ik maar had kunnen veronderstellen dat mevrouw eene echte mevrouw was, ik me liever de tong afgebeten zou hebben, dan te zeggen wat ik gezegd heb. Ik hoop ook dat mevrouw nu een japon van mij zal willen aantrekken,—tot hare eigene zaken komen.”

„Wat ik u bidden mag, vrouw,” hernam mevrouw Waters, „houd op met uwe malle praatjes;—hoe kunt ge denken dat ik iets geef om al wat over de lippen komt van zulke verachtelijke wezens als gij! Maar ik sta toch verstomd over uwe onbeschaamdheid, als ge denkt,—na al hetgeen gebeurd is,—dat ik me verwaardigen zou iets van uwe vuile lompen aan te doen! Neen, schepsel, daartoe ben ik te trotsch!”

Hier kwam Jones tusschenbeide en smeekte mevrouw Waters de waardin vergiffenis te schenken en gebruik van hare kleeren te maken; „want,” zeide hij, „ik moet bekennen dat wij eenigzins den schijn tegen ons hadden bij onze aankomst, en ik ben overtuigd dat al wat deze goede vrouw deed, alleen geschiedde, zoo als zij zelve verklaart, uit achting voor den goeden naam van haar huis.”

„Ja, dat is ook waarlijk zoo,” zeide zij; „mijnheer spreekt als een echte mijnheer, zoo als hij er werkelijk een is, gelijk ik zien kan, en ’t is waar, dit huis staat bekend als den besten naam te hebben van alle huizen langs den weg, en het wordt bezocht door lieden van den hoogsten stand, Ierschen en Engelschen. Daar zet ik iemand iets tegen te zeggen! En, gelijk ik u verzekerd heb, als ik geweten had dat mevrouw eene fatsoenlijke dame was, had ik me liever de vingers afgebrand, dan haar te beleedigen, maar waarlijk, hier, waar de groote luî komen en hun geld verteren, zou ik niet gaarne hebben, dat zij zich ergerden over een troep kaal volk, dat waar het ook heen gaat, meer luizen dan geld achter laat;—met zulke menschen heb ik nooit medelijden; want dat zou zeer dwaas zijn, en als onze overheden haar pligt deden, zouden zij ze allen het land uitjagen;—want dat is niet meer dan wat haar toekomt. Maar wat mevrouw betreft, het spijt me van ganscher harte, dat mevrouw een ongeluk overkomen is, en als mevrouw mij de eer wil aandoen om mijne kleederen te dragen, tot hare eigene aankomen, staat het beste dat ik heb, volkomen tot mevrouws dienst.”

Hetzij nu dat koude, schaamte, of de overtuigingskracht van den heer Jones bij mevrouw Waters werkte,—dat laat ik daar,—maar zij stelde zich tevreden met deze redevoering van de waardin en verwijderde zich met die goede vrouw, ten einde zich op eene passende wijze te kleeden.

De waard begon ook nu eene aanspraak tot Jones, maar werd spoedig in de rede gevallen door dien edelmoedigen jongeling, die hem hartelijk de hand drukte en hem van zijne volkomene vergiffenis verzekerde, terwijl hij er bijvoegde: „Ik verzeker u, vriend, dat als gij voldaan zijt, ik het ook ben;” en wezenlijk, in zeker opzigt, mogt de waard wel tevreden zijn; want hij had een geducht pak gekregen, terwijl Jones naauwelijks één slag ontvangen had.

Partridge, die inmiddels zijn bloedenden neus aan de pomp afgewasschen had, keerde in de keuken terug op het oogenblik dat zijn heer en de waard elkaar de hand gaven. Daar hij vreedzaam van aard was, bevielen hem deze blijken van verzoening, en hoewel zijn gelaat nog eenige sporen droeg van Suze’s vuistslagen, en nog meer van hare nagels, wilde hij liever in zijn lot berusten in den strijd dan trachten het te verbeteren door dien te hernieuwen.

De heldhaftige Suze was ook tevreden met hare overwinning, hoewel haar het ééne oog blond en blaauwgeslagen was, wat Partridge in het begin van het gevecht gedaan had. Tusschen deze beide werd er dan ook een verbond gesloten en de handen, welke pas de werktuigen van den strijd waren geweest, bezegelden nu den vrede.

Toen de rust aldus volmaakt hersteld was, betuigde de sergeant, hoe strijdig dit ook schijne met zijn beroep, zijne tevredenheid daarover, en zeide:

„Zie zoo! Dat noem ik vriendschappelijk! Ik kan het niet verdragen als ik zie dat menschen elkaar haat toedragen als zij eens met elkaar geklopt hebben. Als vrienden ruzie krijgen, blijft er niets over dan de zaak eerlijk en vriendschappelijk uit te maken, zoo als men zegt,—met de vuist, de pistool, of den degen,—ieder naar zijn zin;—en dan moet het uit zijn;—want, verdraaid! als ik ooit meer van een vriend houd, dan wanneer ik met hem aan het kloppen ben! Het lijkt eerder op een Franschman dan op een Engelschman, om wrok te koesteren!”

Hij stelde toen een drankoffer voor, als een noodzakelijk iets bij alle verbonden van dezen aard. Misschien zal de lezer hieruit opmaken dat hij zeer ervaren was in de oude geschiedenis; maar hoewel dit hoogst waarschijnlijk is, durf ik het met geene zekerheid beweren, daar hij geene autoriteiten aanhaalde om zijn eisch te ondersteunen. Het is echter ook zeer waarschijnlijk, dat zijn gevoelen op goede gronden berustte, want hij bevestigde het met eene heele reeks van vloeken.

Zoodra Jones het voorstel vernam, stemde hij volmaakt in met den geleerden sergeant, en bestelde eene kom, of liever eene groote kan vol van het vocht dat bij die gelegenheid gebruikt wordt:—waarop hij zelf de plegtigheid begon. Hij legde de regterhand in die van den waard, en de kan met de linker grijpende, sprak hij de gebruikelijke woorden uit en bragt toen zijn drankoffer. Hierop volgden alle aanwezigen zijn voorbeeld. Inderdaad, het is niet noodig om de geheele plegtigheid uitvoerig te beschrijven, daar ze weinig verschilde van die drankoffers, die zoo dikwerf vermeld zijn door de ouden en hunne hedendaagsche naschrijvers. Het voornaamste verschil bestond in twee punten: ten eerste, goot het aanwezige gezelschap zich het vocht alleen in de keel, en ten tweede dronk, de sergeant, die als priester optrad, het laatste; maar, naar ik meen, bleef hij het oude gebruik getrouw, door zelf het meeste van allen te drinken, terwijl hij ook de eenige der aanwezigen was, die niets anders tot de onkosten bijdroeg, dan zijne goede diensten bij de plegtigheid.

De goede menschen gingen nu rondom het keukenvuur zitten, waar de goede luim onbeperkt scheen te heerschen en Partridge niet alleen zijne schandelijke nederlaag vergat, maar deed alsof hij dorst had in plaats van honger, en weldra buitengewoon grappig werd. Wij moeten echter een tijdlang dit aangenaam gezelschap verlaten en den heer Jones volgen naar de kamer van mevrouw Waters, waar het middagmaal, dat hij besteld had, op tafel gezet werd. Inderdaad, het vorderde niet veel tijd om het gereed te maken, daar het al drie dagen van te voren klaar was geweest en er niets aan te doen viel, dan het op te warmen.

HOOFDSTUK V.

EENE VERONTSCHULDIGING VOOR ALLE HELDEN DIE EENE GOEDE MAAG HEBBEN, EN DE BESCHRIJVING VAN EEN STRIJD VAN VERLIEFDEN AARD.

De helden, niettegenstaande het verheven denkbeeld dat zij zelve, of de wereld, van hen koesteren moge door middel van hunne vleijers, hebben zeker veel meer sterfelijks dan onsterfelijks over zich. Hoe verheven hun geest ook zij, is hun ligchaam (wat het voornaamste is bij de meesten van hen), aan de treurigste zwakheden onderhevig, even als aan de laagste behoeften der menschelijke natuur. Onder deze laatsten behoort de verrigting van het eten, dat door vele wijze mannen als zeer laag en vernederend voor de waardigheid van den wijsgeer beschouwd wordt, en toch eenigzins in acht moet genomen worden zelfs door den grootsten vorst, held, of wijsgeer ter wereld;—ja, de natuur is soms zelfs zoo grillig geweest, dat zij van deze verhevene menschen veel meer ten dezen opzigte gevorderd heeft dan van anderen van den laagsten stand.

Om de waarheid te zeggen, daar er geen bekende bewoner van deze aarde bestaat, die boven den mensch verheven is, zoo behoeft zich ook niemand te schamen, als hij zich onderwerpt aan hetgeen de behoeften van den mensch van hem eischen; maar, als voormelde verhevene wezens zich verwaardigen dergelijke dingen tot zich zelven te willen beperken;—bij voorbeeld, als zij door geld opleggen, of vernieling, begeerig schijnen om anderen het eten te beletten, dan worden zij zeker ook gemeen en verachtelijk.

Na deze korte inleiding, achten wij het volstrekt niet onzen held tot schande te vermelden, met welk buitengewonen ijver hij op dit oogenblik toetastte. Werkelijk, valt het te betwijfelen of Ulysses, die ter loops gezegd, de beste maag van alle helden van dat eet-gedicht, de Odyssee, schijnt gehad te hebben, ooit een beter maaltijd deed;—want ten minste drie pond van het vleesch, dat vroeger tot het ligchaam van een os behoord had, wedervoer nu de eer van opgenomen te worden in het ligchaam van den heer Jones.

Wij achten ons verpligt deze bijzonderheid te vermelden, welke onzen held verontschuldigt als hij tijdelijk zijne schoone dame verwaarloosde, die slechts zeer weinig at, en die werkelijk met beschouwingen van geheel anderen aard zich bezig hield, wat door Jones onopgemerkt bleef, tot hij in alle opzigten aan den eetlust voldaan had, welken vier-en-twintig uren vastens hem bezorgd had: maar naauwelijks was zijn middagmaal afgeloopen, of hij begon op andere zaken te letten, waarmede wij thans den lezer bekend zullen maken.

De heer Jones, van wiens uiterlijke gaven wij tot dus ver slechts weinig gezegd hebben, was werkelijk een der schoonste mannen ter wereld. Zijn gelaat, buiten en behalve dat het een beeld der gezondheid opleverde, droeg den duidelijksten stempel van zachtheid en van een goed humeur. Deze hoedanigheden waren, inderdaad, zoo kenmerkend, dat terwijl het geestige en het gevoelige in zijne blikken (hoewel een scherpe waarnemer het had moeten ontdekken) onopgemerkt had kunnen blijven bij iemand, die minder naauwkeurig toezag, zijne goedaardigheid zoo sterk uitgedrukt was op zijn gezigt, dat ze bijna iedereen, die hem zag in het oog viel.

Het was misschien evenzeer hieraan toe te schrijven als aan eene zeer doorschijnende huid, dat zijne gelaatstrekken iets bijna onbeschrijfelijk fijns hadden, dat hem welligt eenigzins verwijfd had doen schijnen, zoo dit alles niet vereenigd ware geweest met de meest manhaftige gestalte en houding, die hem het voorkomen gaven van een Herkules, even als zijn gelaat dat van een Adonis. Bovendien was hij vlug, fatsoenlijk, opgeruimd en zoo levenslustig, dat hij elk gezelschap waarin hij zich bevond, opvrolijkte.

Als de lezer behoorlijk nagedacht heeft over al de bekoorlijkheden, welke in onzen held vereenigd waren, en hij tevens bedenkt welke groote verpligtingen hij mevrouw Waters pas opgelegd had, zal hij meer preutsch dan opregt zijn, als hij een slecht denkbeeld van haar koestert, omdat zij eene zeer gunstige meening van Jones opvatte.

Maar, hoe men haar ook berispe,—het blijft mijn pligt de feiten zoo te verhalen als ze gebeurden. Mevrouw Waters dan koesterde niet slechts eene zeer gunstige meening omtrent onzen held,—maar gevoelde zich sterk door hem aangetrokken. Ronduit gezegd: zij was op hem verliefd, in de thans algemeen aangenomene beteekenis van dat woord, volgens welke men liefde toedraagt aan al de begeerlijke voorwerpen van onze driften, lusten en hartstogten,—of, eene zekere voorkeur toont voor het eene voedsel boven het andere.

Maar, hoewel de liefde tot deze verschillende voorwerpen welligt in alle gevallen van dezelfde soort is, moet men bekennen dat hare uitwerkselen verschillend zijn; want hoezeer we ook verliefd mogen zijn op eene heerlijke ossenrib, of eene flesch Bourgogne, op eene bloeijende roos, of eene Cremonasche viool, geven wij ons toch niet de moeite om daartegen te glimlagchen, of teedere blikken daarop te werpen, of om ons opteschikken, of te vleijen, of eenige andere kunsten of listen te gebruiken, om de liefde te winnen van genoemde ossenrib, enz. Wij mogen welligt soms zuchten; maar dat is gewoonlijk in de afwezigheid en niet in het bijzijn van het beminde voorwerp. Want anders zouden wij misschien klagen over zijne ondankbaarheid en ongevoeligheid, met even veel reden als Pasiphae over haren stier klaagde, dien zij trachtte te lokken door al de coquetterie, welke met zulk een goed gevolg gebruikt wordt in de receptiezaal, om de meergevoelige en teedere harten van de groote heeren daar aanwezig te treffen. Het tegendeel is het geval met die liefde welke heerscht tusschen personen van hetzelfde ras maar van verschillend geslacht. Als wij eens op die wijze verliefd zijn, wordt het ons hoofddoel om de genegenheid van het beminde voorwerp te boeijen. Want, waartoe anders leert onze jeugd al de kunsten om zich aangenaam te maken? Als het niet was met een oog op deze liefde, dan twijfel ik of één van die handwerken, die dienen moeten om het menschelijke ligchaam op te sieren, ooit eene kostwinning zoude opleveren. Ja, zelfs de groote beschavers onzer manieren, die, volgens de meening van velen, ons dat leeren, wat ons hoofdzakelijk van de dieren onderscheidt, namelijk de dansmeesters, zouden hunne plaats in de maatschappij missen. Met één woord, al de aanvalligheden welke jonge heeren en dames van anderen leeren, en de vele bekoorlijkheden welke zij zich zelven geven, met behulp van den spiegel, zijn inderdaad die spicula et faces amoris zoo dikwerf door Ovidius vermeld;—of zoo als men anders soms zegt, ze behooren tot het arsenaal der liefde.

Mevrouw Waters en onze held hadden echter naauwelijks plaats genomen naast elkaar, toen de dame hare artillerie begon te gebruiken tegen hem. Maar hier, daar wij op het punt staan van eene tot dusver, zoo min in prosa als in poëzy, ooit beproefde beschrijving te doen, achten wij het noodig de hulp in te roepen van zekere hemelsche wezens, die, zonder twijfel, bij deze gelegenheid ons niet in den steek zullen laten.

Vermeldt dan, gij Gratiën, die uw hemelsch verblijf houdt op Seraphina’s gelaat; want gij zijt waarlijk goddelijk, zijt steeds in haar bijzijn, en kent best de kunst om te betooveren; vermeldt dan welke wapens gebruikt werden om het hart van den heer Jones te treffen.

Eerst, uit twee prachtige blaauwe oogen, welke als de bliksem schitterden, schoten twee verliefde schichten. Maar tot het geluk van onzen held troffen ze slechts een groot stuk ossenvleesch, dat hij bezig was met op zijn bord te leggen, en hunne kracht werd aldus verspild. De schoone Amazone ontwaarde dat zij mis geschoten had en slaakte dadelijk uit de blanke borst een diepen zucht. Een zucht, welken niemand zonder aandoening had kunnen hooren en die krachtig genoeg was om een dozijn minnaren te vellen; zoo zacht, zoo zoet, zoo teeder, dat de doordringende lucht zich een weg had moeten banen naar het hart van onzen held, als ze niet uit zijne ooren geweerd ware geweest door het harde geklots van wat schuimend bier, dat hij bezig was met zich in te schenken. Vele andere wapenen beproefde zij; maar de God des etens (als die bestaat;—wat ik niet vast beweren wil), redde zijn volgeling; of misschien was het niet dignus vindice nodus, en de veiligheid van Jones zou welligt op de meest natuurlijke wijze kunnen verklaard worden; want even als de liefde ons dikwerf voor den honger bewaart, kan het ook wezen, in sommige gevallen, dat de honger ons van de liefde redt.

De schoone, woedend over hare vele teleurstellingen, besloot om den strijd een oogenblik te staken, en gebruikte den tusschentijd om alle mogelijke verliefde wapenen gereed te maken, ten einde den aanval te hernieuwen, zoodra het eten gedaan was.

Zoodra dus de tafel afgenomen was, begon zij weder den aanval. Eerst, het regteroog op den heer Jones gerigt hebbende, schoot zij uit den hoek er van een zeer doordringenden blik af, die, hoewel er veel van de kracht verloren ging onderweg, niet geheel zonder uitwerking bleef op onzen held. De schoone, zoodra zij dit zag, wendde de oogen af en sloeg ze neder, alsof zij leed gevoelde over hetgeen zij gedaan had,—hoewel zij hierdoor hem alleen overrompelen wilde en hem de oogen doen openen, door welke zij voornemens was tot in zijn hart te dringen. Dus zachtjes weder die schitterende oogen opslaande, die reeds eenigen indruk op den armen Jones gemaakt hadden, gaf zij hem plotseling de volle laag van al hare kleine bekoorlijkheden, in één streelenden glimlach. Het was geen glimlach van vrolijkheid of vreugde; maar een glimlach der liefde, welken de dames steeds tot hare beschikking hebben, en die tevens strekt om haar goed humeur, de lieve kuiltjes harer wangen en hare witte tandjes te doen zien.

Deze glimlach trof onzen held vlak in de oogen, met zoo veel kracht dat hij dadelijk begon te wankelen. Hij ving aan de plannen zijner vijandin te begrijpen, en inderdaad het welslagen er van te ondervinden. Onderhandelingen werden nu geopend tusschen de partijen, gedurende welke de listige schoone den aanval zoo sluw en ongevoelig voortzette dat zij het hart van onzen held bijna overrompeld had eer zij weder tot openlijke vijandelijkheden overging. Om de waarheid te zeggen, vrees ik dat de heer Jones zich slechts zeer flaauwhartig verdedigde en de wapenen neerlegde, zonder behoorlijk te denken aan de trouw, welke hij de schoone Sophia verschuldigd was. Met één woord zoodra, de verliefde onderhandeling afgebroken was, en de dame de hoofdbatterij ontmaskerd had, door achteloos het halsdoekje te laten afvallen, bezweek het hart van den heer Jones en de schoone overwinnaresse plukte de gebruikelijke vruchten van hare zege.

Hier vinden het de Gratiën gepast om verder te zwijgen, en wij achten het gepast, om ook een einde aan het hoofdstuk te maken.

HOOFDSTUK VI.

EEN VRIENDSCHAPPELIJK GESPREK IN DE KEUKEN, DAT OP EENE ZEER GEWONE, HOEWEL NIET AL TE VRIENDSCHAPPELIJKE WIJZE AFLIEP.

Terwijl onze minnenden zich op de wijze vermaakten, welke in het vorige hoofdstuk gedeeltelijk beschreven is, verschaften zij tevens vermaak aan hunne goede vrienden in de keuken. En dit in eene dubbele beteekenis, door hun tegelijk stof tot spreken en iets te drinken te geven, en zich zoodoende wat op te vrolijken.

Rondom het keukenvuur waren nu bijeen gekomen, behalve de waard en de waardin, die telkens heen en weer liepen, de heer Partridge, de sergeant en de voerman, die de jonge dame en haar kamenier gereden had.

Zoodra Partridge het gezelschap medegedeeld had wat de oude man van den Berg hem verteld had van den toestand waarin mevrouw Waters door Jones gevonden werd, ging de sergeant er toe over om zoo veel van hare geschiedenis als hem bekend was, mede te deelen.

Hij zeide, dat zij de vrouw was van zekeren kapitein Waters van zijn regiment, en dikwijls hem op marsch vergezeld had. „Sommige menschen,” ging hij voort, „twijfelen wel eens, of zij ooit wettig in de kerk getrouwd zijn of niet. Maar, wat mij betreft, dat gaat mij niet aan, en ik moet bekennen, dat als ik er een eed op afleggen moest, ik geloof dat zij niet veel meer is dan een van ons;—en dat, als de zon eens schijnt bij een betrokken lucht, de kapitein ook in den hemel zal komen. Maar of hij dat doet, of niet, daarover behoeven wij ons niet te bekommeren;—aan gezelschap zal het hem niet ontbreken. En de dame, om van den duivel geen kwaad te spreken, is een best soort van mensch, en houdt van den soldatenstand, en verlangt dat er ook niemand verongelijkt wordt; want zij is voor menigen armen soldaat een goede voorspraak geweest, en, met haar zin, zou er nooit iemand gestraft worden. Maar waar is het dat zij en de vaandrig Northerton elkaar heel goed kenden,—dat is onloochenbaar; maar de kapitein, die weet daar niets van, en zoo lang hij maar tevreden is, raakt dat niemand! Hij houdt geen greintje minder van haar daarom, en ik weet zeker dat hij iedereen overhoop zou steken, die kwaad van haar sprak;—dus zal ik, van mijn kant, dat wel laten. Ik herhaal maar wat anderen zeggen;—en ’t is zeker, als iedereen wat zegt, moet er iets van waar zijn.”

„Ja, ja, een heele boel! Daar sta ik voor in,” riep Partridge. „Veritas odium parit.”

„Allemaal lastertaal en onzin!” hernam de huisvrouw. „Ik verklaar, nadat zij gekleed is, dat zij er als eene echte dame uitziet,—en zij gedraagt zich ook als eene; want zij gaf me een guinje voor het gebruik mijner kleêren.”

„’t Is eene echte dame, dat is waar,” zei de waard, „en als gij niet wat al te driftig waart geweest, zoudt ge in ’t begin ook geen ruzie met haar gekregen hebben.”

„Gij moest waarlijk daarvan zwijgen!” antwoordde zij: „zonder uwe dwaasheid, zou er niets gebeurd zijn. Maar gij moest u bemoeijen met wat u niet aanging en met uwe malle praatjes er tusschenkomen!”

„Nou, nou!” zeide hij; „gedane zaken nemen geen keer; en daarmede uit!”

„Ja,” riep zij, „daarmede uit,—voor het oogenblik! Maar zal het altijd zoo blijven? ’t Is de eerste keer niet, dat ik voor uwe zotte praatjes heb moeten boeten! Ik wilde maar dat gij in huis altijd zwijgen kondt, en u buiten ’s huis alleen bemoeidet met hetgeen u aangaat! Weet gij niet meer wat er zoo ongeveer zeven jaren geleden gebeurd is?”

„Kom, kom, vrouwtje,” hernam hij; „we moeten geene oude koeijen uit de sloot halen! Komaan! alles is best afgeloopen en ik heb berouw over hetgeen ik gedaan heb”

De vrouw wilde hierop antwoorden, maar werd in de rede gevallen door den vredelievenden sergeant, tot groot verdriet van Partridge, die veel hield van hetgeen men een grap noemt, en een groot bevorderaar was van die onschuldige twisten, welke nog meer tot komische dan tot tragische gebeurtenissen aanleiding geven.

De sergeant vroeg aan Partridge, waarheen hij met zijn heer reisde?

„Praat me niet van heer!” hernam Partridge. „Ik verzeker u dat ik niemands knecht ben; want hoewel ik mijne ongelukken te dragen heb gehad, ben ik een fatsoenlijk man, en arm en eenvoudig als ik schijne, heb ik toch eens eene school bestuurd! Sed, heu mihi! non sum quod fui!”

„Neem het me niet kwalijk, mijnheer,” zei de sergeant; „mag ik dan zoo vrij zijn om te vragen, waarheen gij met uw vriend reist?”

„Zoo drukt ge ’t goed uit”, hernam Partridge. „Amici sumus. En ik verzeker u dat mijn vriend een der grootste heeren in het land is”. Bij deze woorden spitsten de waard en zijne huisvrouw de ooren. „Hij is de erfgenaam van mijnheer Allworthy.”

„Hoe? van dien heer die zoo veel goed doet overal in den omtrek?” riep de waardin.

„Juist!” zei Partridge.

„Nu, dan heeft hij wel een boel geld te wachten, daar sta ik u borg voor!” hernam zij.

„Wel zeker,” antwoordde Partridge.

„Nu,” zei de waardin, „het eerste oogenblik dat ik hem zag, dacht ik dat hij een echt fatsoenlijk uiterlijk had; maar mijn man hier, die natuurlijk de wijsheid in pacht heeft—”

„Ik beken gaarne, vrouwtje, dat ik me vergiste,” viel hij in.

„U vergissen!” riep zij. „Hebt ge ooit van uw leven gezien dat ik me vergiste?”

„Maar hoe komt het toch, mijnheer,” vroeg de waard, „dat zulk een groote mijnheer zoo te voet het land doortrekt!”

„Dat weet ik niet,” hernam Partridge. „De groote luî hebben soms rare kuren! Hij heeft nu wel een dozijn bedienden en paarden te Gloucester; maar gisteren avond kreeg hij het in de hersenen, daar hij het zeer warm had, om zich af te koelen door eene wandeling dien hoogen heuvel daar op, en ik ging mede, om hem gezelschap te houden;—maar men zal mij er nooit weer snappen;—want ik ben van mijn leven zoo bang niet geweest! Wij hebben daar den raarsten vent ontmoet dien ik ooit gezien heb.”

„Wat drommel!” riep de waard; „dat zal zeker de oude man van den Berg geweest zijn, zoo als hij heet,—als het maar een man is: maar ik ken een boel menschen, die meenen dat het de Satan zelf is.”

„O ja,” zei Partridge, „dat kan ook best. En nu ge me er aan doet denken, geloof ik wezenlijk dat het de Satan zelf was; hoewel ik de gespleten hoef niet zag; maar misschien heeft hij de magt om die te verbergen; daar de booze geesten alle gestalten kunnen aannemen die zij goed vinden.”

„En mag ik u vragen, mijnheer, zonder onbescheidenheid, wat soort van mensch de duivel is? Want ik heb vele onzer officieren hooren beweren, dat hij niet bestond; en dat hij alleen een uitvinding der dominés is, om te beletten dat zij uit de dienst weggejaagd worden; want als het algemeen bekend was dat er geen duivel bestaat, zouden de geestelijken van even weinig nut wezen als wij soldaten in vredestijd.”

„Die officieren zullen wel groote geleerden zijn!” zei Partridge.

„Neen; groote geleerden zijn het niet,” antwoordde de sergeant; „ik geloof niet dat zij half zoo geleerd zijn als gij, mijnheer; en ’t is waar, in weerwil van al hunne praatjes,—ofschoon er een van kapitein was,—dacht ik bij mij zelven dat er wel een duivel zijn moest;—want, zoo redeneerde ik, als er geen duivel is, hoe zal hij dan de boosdoeners halen?—En dat heb ik toch in een boek gelezen.”

„Denkelijk,” zei de waard, „zullen sommige uwer officieren tot hun nadeel ondervinden dat er wel een duivel bestaat! Hij zal, zonder twijfel, eenige oude schulden, die ze aan mij hebben, met hen verrekenen. Daar was er een hier een half jaar in kwartier, die, op mijn woord, een mijner beste slaapkamers innam, hoewel hij naauwelijks een schelling daags in huis verteerde, en zijne manschappen kool liet stoven bij het keukenvuur, omdat ik ’s zondags voor hem geen eten koken wilde. Alle goede christenen moeten wenschen dat er een duivel bestaat om zulke ellendelingen te straffen!”

„Hoor eens, baas,” zei de sergeant, „respekt voor het leger! Dat eisch ik!”

„De drommel zal het leger halen!” riep de waard; „dat heeft me al geld genoeg gekost!”

„Mijne heeren,” zei de sergeant, „ik neem u tot getuigen; hij vloekt den koning en dat is hoogverraad!”

„Ik den koning vloeken! Gij schelm!” riep de waard.

„Ja, dat hebt ge gedaan!” hernam de sergeant; „ge hebt het leger verwenscht,—en dat is juist hetzelfde; want iedereen die het leger verwenscht, zou den koning ook verwenschen, als hij durfde;—dus komt het precies op hetzelfde neder!”

„Met uw verlof, mijnheer de sergeant,” riep Partridge, „daar zeg ik neen. Non sequitur!”

„Schei maar uit met die vreemde wartaal,” hernam de sergeant van zijn stoel opspringende; „ik zal niet stil zitten en het leger hooren verwenschen!”

„Ge vergist u, vriend,” antwoordde Partridge; „ik wilde volstrekt niet op het leger schelden! Ik zeide slechts dat uwe gevolgtrekking een non sequitur was.”

„En gij zijt er ook een, als ge ’t hebben wilt!” riep de sergeant. „Zelf sequitur! Ge zijt een pak schelmen bij elkaar, en ik zal dat bewijzen door het tegen den besten onder u op te nemen om twintig pond!”

Deze uitdaging deed den armen Partridge verder zwijgen, daar zijn lust tot vechten, na hetgeen hij er pas van genoten had, nog niet teruggekeerd was; maar de voerman, die niet blond en blaauw geslagen, en strijdlustiger was, kon minder goed de beleediging verkroppen, van welke hij begreep dat een gedeelte ten minste hem toekwam. Hij sprong dus ook van den stoel op, trad op den sergeant toe, verklaarde dat hij zich bestand achtte tegen iedereen bij het geheele leger, en bood aan om een guinje met hem te vechten. De krijgsman nam den strijd aan, maar sloeg de weddingschap af, waarop beiden onmiddellijk de rokken uittrokken en aan het kloppen gingen, tot dat de paardenmenner door den menschenmenner zoo onbarmhartig afgerost werd dat hij naauwelijks adem genoeg overhield om genade te vragen.

De jonge dame verlangde nu weder te vertrekken, en had bevolen de koets weder vóór te brengen; maar te vergeefs, want de voerman was buiten staat om dien avond iets meer te verrigten. Een heiden uit den ouden tijd zou welligt dit onvermogen evenzeer aan den god des wijns als aan den god des oorlogs toegeschreven hebben; want werkelijk, hadden beide strijders evenveel aan de eene als aan de andere godheid geofferd. Met een woord, zij waren beide stom dronken en Partridge was er niet veel beter aan toe. Wat den waard betreft, het drinken was zijn beroep, en de drank had geene andere uitwerking op hem dan op eenig ander vat in huis.

De waardin, die geroepen was om den heer Jones en zijne gezellin bij de thee te bedienen, gaf eene uitvoerige beschrijving van den afloop van het tooneel in de keuken, en drukte tegelijk veel leedwezen uit over de jonge dame, „die,” gelijk zij zeide, „zeer ongerust was, omdat zij nu belet werd hare reis voort te zetten. Het is een beeld van een meisje,” voegde zij er bij, „en ik weet zeker dat ik haar vroeger ergens gezien heb. Ik verbeeld me dat zij verliefd is en van hare vrienden wegloopt. Wie weet of niet de eene of, andere jonge heer, met een hart even bezwaard als het hare op haar zit te wachten!”

Jones slaakte een zwaren zucht bij deze woorden, die wel door mevrouw Waters opgemerkt werd, hoewel zij er geene notitie van nam tot de waardin de kamer weer verlaten had, toen zij niet nalaten kon om onzen held eenige wenken te geven omtrent hare stellige vermoedens dat zij eene gevaarlijke mededingster had in zijne liefde.

De groote verlegenheid van den heer Jones bij deze beschuldiging overtuigde haar dat zij gelijk had, zonder dat hij haar regtstreeks antwoordde op hare vragen; maar zij was niet zoo kiesch in hare liefde, dat zij zich deze ontdekking zeer aantrok. De schoonheid van Jones bekoorde haar oog; maar, daar zij hem niet in het hart kon zien, bekommerde zij zich daar weinig om. Zij kon aan de tafel der liefde gaan zitten en lekker smullen, zonder te bedenken dat iemand anders reeds hare plaats ingenomen had, of dat welligt in de toekomst zou doen. Dit is een gevoel dat aan het stoffelijke wint wat het aan het verhevene mist; en dat minder grillig en welligt ook minder zelfzuchtig is dan de wenschen van die vrouwen, welke heel kalm het bezit van een minnaar kunnen missen,—mits zij overtuigd zijn, dat hij ook door geene andere bezeten wordt.

HOOFDSTUK VII.

BEVATTENDE BREEDVOERIGE OPHELDERINGEN OMTRENT MEVROUW WATERS EN DE WIJZE WAAROP ZIJ IN DIEN TREURIGEN TOESTAND GERAAKTE, WAARUIT ZIJ DOOR JONES GERED WERD.

Hoewel de natuur volstrekt niet eene even groote hoeveelheid nieuwsgierigheid of ijdelheid aan iederen mensch gegeven heeft, bestaat er toch welligt niemand, die niet zooveel van beide bezit, dat het veel kunst en moeite vereischt om ze te onderdrukken en te overwinnen. Eene overwinning echter die bepaald noodzakelijk is voor iedereen, die eenige aanspraak maakt op den naam van wijs of goed.

Daar Jones echter met regt een welopgevoed jongman mogt heeten, had hij de nieuwsgierigheid onderdrukt, welke hij, naar men veronderstellen zal, koesterde om te weten hoe mevrouw Waters in dien vreemden toestand gekomen was waarin hij haar gevonden had. Hij had wèl in het begin de dame eenige wenken gegeven; maar zoodra hij ontwaarde hoe zorgvuldig zij elke verklaring vermeed, berustte hij in zijne ontwetendheid, te meer, daar hij niet nalaten kon te veronderstellen dat er eenige omstandigheden waren die haar hadden moeten doen blozen als zij hem de geheele waarheid openbaren moest.

Daar het evenwel mogelijk is dat sommige onzer lezers niet even gemakkelijk in hunne onwetendheid berusten, en wij zeer verlangend zijn allen te voldoen, hebben wij ons ook buitengewone moeite getroost, om achter de waarheid te komen, met welker vermelding wij dit boek eindigen zullen.

Deze dame dan had verscheidene jaren geleefd met zekeren kapitein Waters, van hetzelfde regiment als de heer Northerton. Zij ging door voor de echtgenoote van dien heer, en voerde zijn naam ook, en toch, zoo als de sergeant gezegd had, koesterde men eenigen twijfel omtrent hun huwelijk,—welken wij nu niet op ons zullen nemen op te lossen.

Het spijt mij te moeten zeggen dat mevrouw Waters met bovengemelden vaandrig omging op eene wijze, welke haar goeden naam in gevaar bragt. Zeker is het, dat zij bijzonder verzot was op dien jongen; maar het blijkt niet ten duidelijkste dat zij op eene misdadige wijze daaraan toegaf, tenzij wij veronderstellen mogen dat de vrouwen nooit alle gunsten, op ééne na, aan een man schenken,—zonder hem ook die gunst te verleenen.

Het detachement van het regiment waartoe de kapitein Waters behoorde, was twee dagen de compagnie vooruit, waarbij de heer Northerton vaandrig was, zoodat eerstgenoemde Worcester bereikt had den dag volgende op de laatste ongelukkige ontmoeting tusschen Jones en Northerton, welke wij reeds beschreven hebben.

Mevrouw Waters en de kapitein hadden echter met elkaar afgesproken, dat zij hem op marsch tot Worcester zou vergezellen, waar zij afscheid van elkaar zouden nemen, en zij naar Bath zou terugkeeren, om daar te blijven tot den afloop van den winterveldtogt tegen de opstandelingen.

De heer Northerton was met deze afspraak bekend. Om de waarheid te zeggen, de dame had hem juist daarheen bescheiden, met belofte om te Worcester te blijven tot zijn detachement aankwam; de lezer zal gissen met welk doel de afspraak gemaakt werd; want hoewel het onze pligt is om feiten te vermelden, zijn we niet genoodzaakt om onze natuur geweld aan te doen, door aanmerkingen te maken ten nadeele van het schoonste gedeelte der schepping.

Northerton dan, zoo als wij gezien hebben, was naauwelijks uit de gevangenschap verlost, of hij spoedde zich om mevrouw Waters op te zoeken, wat hem gelukte, daar hij een zeer vlugge jongen was, slechts weinige uren nadat de kapitein Waters haar verlaten had. Zoodra hij aankwam, schroomde hij niet haar met zijne ongelukkige omstandigheden bekend te maken, die hij, inderdaad, als zeer ongelukkig voorstelde; want hij zuiverde zich van allen schijn van schuld, ten minste waar de eer beslissen moest, hoewel er eenige bijzonderheden bleven, die voor eene regtbank niet vrij te pleiten waren.

Ter eere der vrouwen zij gezegd, dat zij, over het algemeen, vatbaarder zijn voor dien hevigen en schijnbaar onbaatzuchtigen hartstogt der liefde, die alleen het voordeel beoogt van zijn voorwerp, dan de mannen. Zoodra dus mevrouw Waters het gevaar vernam waaraan haar minnaar blootgesteld was, vergat zij alles behalve de zorg voor zijne veiligheid, en daar die heer het volmaakt eens was met haar omtrent dit punt, begonnen zij zamen onmiddellijk daarover te raadplegen.

Na lang overleg, besloten zij eindelijk dat de vaandrig dwars over land zou gaan naar Hereford, van waar hij zich ligt zou kunnen doen brengen naar eene der havens van Wallis en op die wijze naar het vaste land ontsnappen. En op dezen togt verklaarde mevrouw Waters hem te willen vergezellen;—vooral daar zij in staat was hem met geld te voorzien (een zeer gewigtig iets voor mijnheer Northerton) want zij had op zak drie banknoten ten bedrage van negentig pond sterling, behalve wat los geld en een diamanten ring van eenige waarde aan den vinger. Dit alles deelde zij den snoodaard met het meeste vertrouwen mede, weinig vermoedende dat zij zoodoende hem met de gedachte zou bezielen om haar te bestelen.

Daar zij nu door postpaarden te nemen te Worcester hunne vervolgers het middel zouden verschaft hebben om hen na te sporen, stelde de vaandrig voor, en de dame was dadelijk gereed, om het eerste gedeelte van den togt te voet te doen;—waarbij de harde vorst zeer te pas kwam.

Het grootste gedeelte van de bagage der dame was reeds te Bath en zij had niets bij zich voor het oogenblik dan wat linnengoed, dat haar minnaar op zich nam voor haar te dragen. Dit alles den vorigen avond afgesproken zijnde, stonden zij den volgenden morgen vroeg op en vertrokken om vijf uur, twee uren vóór het aanbreken van den dag, van Worcester, terwijl de volle maan hun voldoend licht verschafte.

Mevrouw Waters behoorde niet tot dat zwakke ras van vrouwen, die het aan de uitvinding van rijtuigen te danken hebben, dat zij zich van de eene plaats naar de andere begeven kunnen, en voor wie eene koets dus eene levensbehoefte is. Naar ligchaam was zij krachtig en vlug, en daar zij ook vol moed was, was zij volmaakt in staat om haren haastigen minnaar bij te blijven.

Na eenige mijlen langs den straatweg gegaan te zijn, welke, volgens Northerton, naar Hereford leidde, bereikten zij, bij het krieken van den dag, den rand van een uitgestrekt bosch, waar hij op eens stil bleef staan, en na zich een oogenblik schijnbaar bedacht te hebben, zijne vrees uitdrukte om verder den grooten weg te volgen. Hij haalde dus, zonder bezwaar, zijne schoone geleidster over met hem een pad te volgen, dat midden door het bosch scheen te loopen, dat hen eindelijk tot den voet van den Mazard Heuvel bragt.

Ik kan niet beslissen of het verfoeijelijke plan dat hij nu trachtte ten uitvoer te brengen, eerst rijpelijk overlegd was, of dat het nu pas bij hem opkwam. Maar toen zij deze eenzame plek bereikten, waar het niet waarschijnlijk scheen, dat hij door iemand daarin verhinderd zou worden, trok hij plotseling den kousenband van zijn been, en de arme vrouw met geweld overvallende, beproefde hij die verschrikkelijke en afschuwelijke daad te begaan, reeds door ons vermeld, en die zoo gelukkig verijdeld werd door de verschijning van Jones.

Tot het geluk van mevrouw Waters behoorde zij niet tot de zwakste soort van vrouwen; want zoodra zij zag dat hij een strik van zijn kousenband wilde maken, en uit zijne woorden zijne duivelsche voornemens begreep, stelde zij zich dapper te weer, en worstelde zoo krachtig met haren vijand, tegelijk zoo hard zij kon om hulp roepende, dat zij gedurende eenige minuten den schurk belette zijn doel te bereiken, toen Jones aankwam op het oogenblik dat de krachten haar begaven, en zij bezweken zou zijn, als Jones haar niet uit de handen van den moordenaar verlost had, met geen ander verlies dan dat harer kleêren, die haar van het lijf gescheurd waren, en van den diamanten ring, welke onder den strijd, òf van haar vinger gegleden was, of door Northerton afgerukt was.

Thans hebben wij u, lezer, den uitslag medegedeeld van een zeer pijnlijk onderzoek, dat wij om uwentwil ingesteld hadden. Wij hebben u ook een tooneel van dwaasheid en slechtheid laten zien, waaraan men naauwelijks gelooven zou dat de menschelijke natuur zich schuldig zou kunnen maken,—als men niet bedenkt dat de bedrijver er van vast overtuigd was dat hij alreeds één moord begaan en zijn eigen leven verbeurd had. Daar hij zich dus verbeeldde dat hij alleen door te vlugten veilig kon zijn, dacht hij dat het bezit van het geld en van den ring van de arme vrouw, hem den meerderen last zou vergoeden, welken hij nu op zijn geweten wilde leggen.

En hier, lezer, moeten wij u waarschuwen, om uit het wangedrag van dezen ellendeling geene gevolgtrekking te maken omtrent dat waardige en eervolle korps, waartoe de officieren van ons leger over het algemeen behooren. Gij zult de goedheid hebben van te onthouden, dat deze kerel, zoo als wij u reeds verteld hebben, noch door geboorte, noch door opvoeding, fatsoenlijk man was, en geen geschikt mensch om onder fatsoenlijke lieden opgenomen te worden. Zoo dus zijne slechtheid een blaam werpt op iemand anders dan op hem zelven, kan die alleen diegenen treffen, welke hem zijne aanstelling verschaften.

BOEK X.

Waarin de geschiedenis omtrent twaalf uren vooruit gaat.

HOOFDSTUK I.

BEVATTENDE ZEER NOODZAKELIJKE ONDERRIGTING VOOR DE HEDENDAAGSCHE RECENSENTEN.

Het is onmogelijk, lezer, voor ons te weten welke soort van mensch ge zijt; want welligt zijt gij een even groot menschenkenner als Shakespeare zelf,—of even onwetend als sommige zijner uitgevers.

Uit vrees dan dat dit laatste het geval moge wezen, achten wij het noodzakelijk, eer we verder gaan, u eenigen goeden raad te geven, opdat wij niet door u glad verkeerd verstaan en voorgesteld worden, zoo als sommige der genoemde uitgevers hun schrijver slecht begrepen en verkeerd voorgesteld hebben.

Ten eerste dan, waarschuwen wij u, om niet al te overhaast eenige der gebeurtenissen in deze onze geschiedenis af te keuren als ongepast en vreemd aan ons hoofdplan, omdat het u niet onmiddellijk duidelijk is op welke wijze zulk eene gebeurtenis met het geheel in verband staat. Men moet dit werk, inderdaad, als eene grootsche schepping van ons beschouwen, en het zou bespottelijke verwaandheid zijn in zoo een klein ongedierte als een recensentje, om te wagen eenig deel er van af te keuren, zonder te weten hoe het geheel in elkaar zit, en eer hij het slot er van gezien heeft.

Het beeld en de vergelijking welke wij hier gebruikt hebben, is, dat bekennen wij, niet al te verheven voor ons doel; maar er bestaat werkelijk geen ander, dat geschikt ware om zelfs in de verte het verschil aan te wijzen tusschen een uitmuntenden schrijver en een slechten recensent.

Eene andere raadgeving, welke wij het goede ongedierte inprenten wilden, is om niet al te vele onderlinge gelijkenis te vinden tusschen zekere karakters hier ingevoerd, zoo als, bij voorbeeld, tusschen de waardin die in het zevende boek optreedt en die in het negende.

Ge moet weten, vriend, dat er zekere kenmerken zijn, eigenaardig aan de meeste individuën van elk beroep en leefwijze. Het is één der gaven van een goeden schrijver, om die kenmerken te bewaren en tevens in hunne uitwerking afwisseling te brengen. Eene andere gave is het om het fijne onderscheid op te merken tusschen twee personen met dezelfde ondeugd of dwaasheid behebt;—en deze laatste gave wordt bij zeer weinige schrijvers gevonden, en door zeer weinige lezers begrepen; hoewel, naar het mij voorkomt, de opmerking daarvan een der hoofdgenoegens is van diegenen die in staat zijn het te zien. Iedereen kan, bij voorbeeld, het onderscheid zien tusschen den heer Vlinder en den heer Geldwolf; maar het eischt een fijner oordeel om het onderscheid te ontdekken tusschen den heer Vlinder en den heer Bontemot;—en uit gemis daarvan zijn de onwetende theaterbezoekers dikwerf onregtvaardig ten opzigte van het drama, terwijl ik menigen dichter als letterdief heb hooren veroordeelen, wegens eene slechts schijnbare overeenkomst van zijn werk met dat van een ander. Waarlijk, ik geloof ook dat iedere verliefde weduwe op het tooneel gevaar zou loopen als eene slaafsche navolging van Dido afgekeurd te worden, zoo niet, gelukkig, slechts zeer weinige tooneelrecensenten Latijn genoeg kenden om Virgilius te verstaan.

Ten tweede, moet ik u, geachte vriend, waarschuwen (daar uw hart welligt meer waard is dan uw hoofd), om een karakter niet als slecht af te keuren, omdat het niet volmaakt goed is. Als gij echter behagen schept in dergelijke voorbeelden van volmaaktheid, zijn er boeken genoeg om u te voldoen; daar ik echter in den omgang nooit het geluk heb gehad zoo iemand te ontmoeten, heb ik ook niet goedgevonden iemand van dien aard hier te doen optreden. Om de waarheid te zeggen, twijfel ik eenigzins, of de mensch ooit die hooge trap van volmaaktheid bereikt heeft, en ook of er ooit een monster bestaan heeft, om het gezegde van Juvenalis te wettigen:

„—Nulla virtute redemptum A vitiis.” [8]

Ik weet ook waarlijk niet, waartoe het dient om zulke volmaakt engelachtige of duivelsche karakters in eenig verdichtsel in te vlechten, daar uit de beschouwing daarvan de menschelijke geest eerder overstelpt zal worden met leedwezen en schaamte dan dat die eenig nut zal trekken uit zulke voorbeelden; want in het eerste geval mag hij te regt bedroefd en beschaamd zijn als hij een voorbeeld van uitnemendheid ziet, dat hij redelijkerwijze nooit hopen kan te evenaren, en in de beschouwing van het laatste, zal hij niet minder onaangenaam aangedaan worden door de natuur, welke ook hij bezit, in zulk een verachtelijk en verfoeijelijk wezen verlaagd te zien.

Inderdaad, als er maar goedheid genoeg in een karakter is, om de bewondering en de liefde van een welgeaarden mensch te boeijen, al vertoonen zich dan ook sommige dier kleine smetten, quas humana parum cavit natura, zullen ze eerder ons medelijden dan onzen afschuw opwekken. Werkelijk, bestaat er geene betere zedeles dan die men halen kan uit voorbeelden van onvolmaaktheden van dezen aard, daar ze eene soort van verrassing opleveren, die ons eerder treft en bijblijft dan de gebreken van zeer slechte en boosaardige wezens. De zwakten en ondeugden van menschen, die veel goeds bezitten, vallen te meer in het oog door de tegenstelling met hunne deugden en vertoonen zich in hare naaktheid, en als wij zulke ondeugden vergezeld zien van hare treurige gevolgen voor onze lievelingskarakters, leeren wij niet slechts ze om ons zelfs wille vermijden, maar ook om ze te haten, wegens het kwaad dat ze diegenen van wie wij houden, gedaan hebben.

En nu, vriend, na deze weinige raadgevingen, zullen wij met uw goedvinden, ons verhaal weder opvatten.

HOOFDSTUK II.

DE AANKOMST VAN EEN IERSCHEN HEER, MET DE ZEER VERBAZENDE AVONTUREN IN HET LOGEMENT, DIE DAAROP VOLGDEN.

Nu dartelt vrolijk op het groene gras de sidderende haas, die door de vrees voor zijne talrijke vijanden, en voornamelijk voor dat sluwe, wreede, vleeschetende dier, den mensch, den heelen dag in zijne schuilplaats gekluisterd is geweest; nu, op een hollen boomstam, krast de uil, die schelle nachtelijke zanger, toonen, welke sommige hedendaagsche muziekliefhebbers bekoren zouden; nu roept de verbeelding van den halfdronken boer, als hij over het kerkhof, langs het knekelhuis naar huis strompelt, voor hem allerlei spoken op; nu waken dieven en boeven, en eerlijke nachtwakers—slapen;—duidelijker gesproken, middernacht was geslagen, en het gezelschap in het logement, de menschen die reeds vermeld zijn, zoowel als eenige anderen die ’s avonds aangekomen waren, lagen allen te bed. Alleen Suze, de werkmeid was nog op, daar zij de keuken nog schrobben moest eer zij zich in de armen wierp van den liefdevol wachtenden stalknecht.

Zoo stonden de zaken in het logement, toen een mijnheer met postpaarden daar aankwam. Hij steeg dadelijk af, en Suze aansprekende, vroeg hij haar zeer kortaf en verward, daar hij bijna ademloos was van drift, of er eenige dame in huis was?

Het nachtelijke uur en het gedrag van dezen mensch, die woest in het rond keek, deed Suze schrikken, die dus aarzelde eer zij hem eenig antwoord gaf, waarop de heer, met verdubbelde drift haar smeekte hem de waarheid te zeggen, terwijl hij verklaarde zijne vrouw verloren te hebben, en dat hij bezig was met haar te zoeken.

„Bij mijne ziel,” riep hij, „ik was op het punt van haar op twee plaatsen in te halen, als zij niet juist weggegaan ware op het oogenblik mijner aankomst. Als zij in huis is, bid ik u, breng me in het donkere naar boven en laat me haar zien;—en als zij nu weer vóór mij vertrokken is, wijs me maar den weg dien ik volgen moet om haar te ontmoeten, en ik zal u voor een arm mensch, tot de rijkste vrouw van het land maken!”

Met deze woorden haalde hij een handvol goudstukken uit, die personen van veel meer gewigt dan deze arme dienstbode omgekocht zouden hebben tot veel slechtere dingen dan van haar gevergd werden.

Na hetgeen zij van mevrouw Waters gehoord had, twijfelde Suze in ’t geheel niet, dat zij juist de vrouw was, die door haar man vervolgd werd. Daar zij ook, met grooten schijn van regt, besloot, dat zij nooit op eene eerlijker wijze aan geld zou kunnen komen, dan door eene vrouw aan haar man terug te geven, schroomde zij niet om den heer te verzekeren, dat de dame, die hij zocht, zeker in het logement was, en ze werd dan ook spoedig overgehaald (door zeer milde beloften en door eene kooppenning in de hand), om hem naar de kamer van mevrouw Waters te brengen.

Het is een sedert lang aangenomen gebruik in de beschaafde wereld,—dat ook op degelijke en deugdzame gronden berust,—dat een man nooit bij zijne vrouw op de kamer mag komen, zonder eerst aan de deur te tikken. Wij behoeven de voortreffelijkheid van deze gewoonte niet aan te wijzen voor den lezer die eenige wereldkennis heeft;—want daardoor heeft de dame den tijd om zich gereed te maken, of het een of ander onoogelijk voorwerp uit den weg te ruimen; want er zijn sommige toestanden, waarin eene beschaafde en kiesche vrouw zich niet gaarne door haar man zou willen laten zien.

Om de waarheid te zeggen, er zijn vele plegtigheden ingesteld onder beschaafde menschen, die hoewel ze, voor een onbeschaafd gemoed slechts formaliteiten schijnen, toch voor iemand, die dieper ziet, veel degelijks bevatten, en het zou gelukkig geweest zijn als, in dit geval, de vreemdeling ze niet verwaarloosd had.

Hij klopte inderdaad wel aan; maar niet op de gebruikelijke, zachte wijze. Integendeel, de deur gesloten vindende, sloeg hij er met zoo veel geweld tegen, dat het slot dadelijk bezweek en hij hals over kop in de kamer viel.

Hij was naauwelijks weer op de been, toen, ook op zijne beenen, uit het bed verscheen (met schaamte en leedwezen moeten wij het bekennen)—onze held zelf, die met eene dreigende stem den heer vroeg, wie hij was en wat het te beteekenen had, dat hij het waagde, op die schandelijke wijze, met geweld, zijn slaapvertrek binnen te dringen.

De vreemdeling dacht eerst dat hij zich vergist had, en wilde vergiffenis vragen en zich verwijderen, toen hij plotseling ontdekte bij den helderen maneschijn, een keurslijf, een japon, onderrokken, mutsen, linten, kousen, kousenbanden, schoentjes, overschoenen, enz., alles door elkander op den grond.

Dit alles diende slechts om zijn ijverzuchtig gemoed aan te vuren; hij werd zoo woedend, dat hij geen woord uitbrengen kon, en zonder Jones te antwoorden, trachtte hij het bed te naderen.

Daar Jones zich dadelijk verzette, ontstond er eene hevige worsteling, die weldra van weerskanten door slagen gevolgd werd. En nu begon mevrouw Waters,—want wij moeten bekennen dat zij ook in het bed lag,—denkelijk uit den slaap gewekt zijnde en twee mannen aan ’t vechten ziende op hare kamer,—hevig te gillen: „Moord, roof!” en nog harder „geweld!” uitroepende. En slechts diegenen zullen zich verwonderen dat zij dit laatste woord gebruikte, die vergeten dat zulke uitroepingen door verschrikte dames gebezigd worden even als tra-la-riri! in het gezang, alleen om den wille van het geluid, zonder dat men er eenig bepaald denkbeeld aan hecht.

Naast de kamer van de dame, lag ook een Iersche heer, die te laat was aangekomen in het logement, om vroeger vermeld te worden. Deze mijnheer was hetgeen de Ieren een „cavalier,” noemen: dat wil zeggen, hij was de jongere broeder, uit eene goede familie, en daar hij van huis geen vermogen had, moest hij het ergens elders zoeken: om die reden, was hij op weg naar Bath, om met de kaarten en de vrouwen zijn geluk te beproeven.

Dit jong mensch lag te bed, bezig met een van mevrouw Behn’s novellen te lezen; want een vriend had hem gezegd, dat de meest krachtdadige wijze om zich bij de vrouwen aan te bevelen, daarin bestond dat hij zijn verstand beschaafde en zijn geest ontwikkelde door goede lektuur.

Zoodra hij echter het geweldige leven hoorde in de aangrenzende kamer, sprong hij van zijn bed op, greep den degen in de eene hand en het licht in de andere, en liep dadelijk naar het vertrek van mevrouw Waters.

Zoo het gezigt van een derden man, in zijn hemd, eerst op nieuw de kieschheid der dame schokte, werd dit echter vergoed door de vermindering harer vrees; want zoodra de cavalier in de kamer trad, riep hij uit:

„Wat drommel! mijnheer Fitzpatrick, wat beteekent dat?”

Hierop gaf de andere dadelijk tot antwoord:

„O, mijnheer Maclachlan, wat ben ik blijde dat gij hier zijt! Deze schurk heeft eerst mijne vrouw verleid en is daarop met haar naar bed gegaan!”

„Vrouw! Welke vrouw?” riep de andere; „ik ken toch uwe vrouw, mevrouw Fitzpatrick, best, en ik zie wel dat de dame, bij wie de heer hier in zijn hemd slaapt, iemand anders is!”

Daar Fitzpatrick ook nu uit hetgeen hij van de dame gezien had, en ook uit hare stem, die wel op een grooteren afstand dan waarop hij zich nu van haar bevond, had kunnen herkend worden, begreep dat hij zich ten zeerste vergist had, begon hij de dame vergiffenis te vragen, en zich daarop tot Jones wendende, voegde hij er bij: „Maar wat u betreft, ik verzoek u op te letten, dat ik u geene vergiffenis vraag; want ge hebt me een slag gegeven, en dat eischt bloed morgen vroeg!”

Jones behandelde deze bedreiging met de meeste minachting, en de heer Maclachlan hernam: „Werkelijk, mijnheer Fitzpatrick, ge moest u schamen de menschen zoo midden in den nacht te storen; want als alle menschen in het logement niet sliepen, zoudt ge hen wakker gemaakt hebben, even goed als mij. Die mijnheer heeft u naar verdienste behandeld! Op mijn woord, ik, die geene vrouw heb, als gij haar zoo mishandeld hadt, zou u den nek omgedraaid hebben!”

Jones was zoodanig vervuld met vrees voor den goeden naam zijner dame, dat hij niet wist wat hij zeggen of doen zou; maar, gelijk opgemerkt is, de vindingrijkheid der vrouwen is veel vlugger dan die der mannen. Zij herinnerde zich dan dat er gemeenschap bestond tusschen hare kamer en die van Jones, en vertrouwende op zijne eer en hare eigene stoutheid, riep zij:

„Ik weet niet wat ge wilt, ellendeling! Ik ben de vrouw van geen uwer! Hulp! Hulp! Geweld! Moord!—” En daar de waardin op dit oogenblik in de kamer trad, viel haar mevrouw Waters met de meeste drift aan, zeggende, „dat zij zich verbeeld had in een fatsoenlijk logement te zijn, en niet in een publiek huis; maar dat een bende schurken haar overvallen had in hare kamer, die hare eer, zoo niet haar leven hadden willen aanranden;—die haar beide (naar zij verzekerde), even dierbaar waren.”

De waardin begon nu even hard te gillen als de arme vrouw, die te bed gelegen had, pas gedaan had.

Zij riep uit, „dat men haar te gronde rigtte, dat men den goeden naam van haar huis, waarop tot dusver nooit een smet gerust had, geheel vernietigd had.” Zich daarop tot de heeren wendende, vroeg zij: „Wat drommel, zij daar te maken hadden in de kamer van de dame, met hun spektakel?”

Fitzpatrick, die het hoofd liet hangen, herhaalde dat hij zich vergist had, en dat hij ootmoedig vergiffenis vroeg; waarop hij zich met zijn landsman verwijderde.

Jones, die te slim was om den wenk niet te verstaan, die hem door de schoone gegeven was, beweerde stout, „dat hij tot hare hulp was komen aansnellen zoodra hij de deur had hooren openbreken, wat, naar hij zich verbeeldde, alleen had kunnen geschieden met het voornemen om haar te bestelen,—en als dat zoo was, verheugde hij zich,” gelijk hij zeide, „dat te hebben belet.”

„Er is nooit een diefstal hier in huis gepleegd zoo lang ik er ben, mijnheer,” riep de waardin; „ik verzoek u te bedenken dat ik geene straatroovers,—God vergeve mij dat leelijke woord!—bij mij opneem! Niemand dan brave, eerlijke lieden worden hier in huis ontvangen, en tot mijn geluk mag ik zeggen, dat ik nog nooit gebrek heb gehad aan dergelijke klanten. Neen, ik had er altijd zooveel als ik maar bergen kon. Daar is hier geweest Milord—” en zij begon met eene lijst van namen en titels op te dreunen, die wij de onbescheidenheid niet zullen hebben om hier op te sommen.

Na lang met geduld geluisterd te hebben, viel haar Jones eindelijk in de rede, en verontschuldigde zich bij mevrouw Waters dat hij zoo ongekleed bij haar verschenen was, haar verzekerende „dat alleen de vrees, welke hij omtrent hare persoonlijke veiligheid gekoesterd had, hem tot zoo iets zou hebben kunnen verleiden.”

De lezer kan zich haar antwoord voorstellen, en inderdaad haar geheel gedrag, tot het einde van het tooneel toe, als hij maar bedenken wil in welken toestand zij veinsde te zijn,—namelijk, in dien van eene zedige vrouw, die door drie vreemde mannen op hare kamer uit den slaap opgewekt wordt. Dit was de rol, welke zij op zich nam te spelen, en inderdaad het gelukte haar zoo goed, dat geene onzer echte tooneelspeelsters in wat ze ook doen, op of van het tooneel, haar zouden kunnen overtreffen.

En daarin mogen wij denkelijk zeer billijk het bewijs zien, hoe natuurlijk de deugd is bij het schoone geslacht; want hoewel welligt onder tienduizend er geen eene is, die eene goede tooneelspeelster zou worden,—en er zelfs onder die weinigen zelden twee gevonden worden die dezelfde rol even goed weten te spelen,—kunnen alle vrouwen de rol van eene deugdzame op zich nemen, en diegenen die werkelijk deugdzaam zijn—en die het niet zijn, spelen allen even volmaakt die rol.

Zoodra de heeren weg waren, herstelde mevrouw Waters van hare vrees, en tevens van haar toorn, terwijl zij de waardin op een veel zachteren toon aansprak, die echter niet zoo spoedig tot bedaren kwam over den goeden naam van haar huis, om welken te bewijzen zij weder de vele groote luî begon op te sommen, die onder haar dak geslapen hadden;—maar de dame sneed het kort af, sprak haar volmaakt vrij van eenig deel te hebben gehad aan hetgeen gebeurd was, en smeekte verder hare rust te mogen nemen, welke zij voor het overige van den nacht ongestoord hoopte te genieten; waarop de waardin, na vele pligtplegingen en buigingen, de kamer verliet.

HOOFDSTUK III.

EEN GESPREK TUSSCHEN DE WAARDIN EN SUZE DE WERKMEID, DAT GELEZEN MOEST WORDEN DOOR ALLE LOGEMENTHOUDERS EN HUNNE DIENSTBODEN,—ALSMEDE DE AANKOMST EN DE VRIENDELIJKHEID VAN ZEKERE SCHOONE JONGE DAME, WAARUIT MENSCHEN VAN HOOGEN STAND LEEREN MOGEN HOE ZIJ ZICH ALGEMEEN BEMIND KUNNEN MAKEN.

De waardin, zich herinnerende dat Suze de eenige was die niet te bed lag toen de deur opengebroken werd, ging dadelijk bij haar, om naar de aanleiding van het schandaal te vernemen, en te vragen naar den vreemden heer en op welke wijze hij aangekomen was.

Suze vertelde alles wat de lezer al weet; de waarheid slechts in enkele gevallen, waar zij zulks noodig achtte, verdraaijende, en het geld dat zij ontvangen had, verzwijgende. Daar echter hare meesteresse, bij het begin van haar onderzoek, met veel deelneming gesproken had over den angst, welken de dame uitgestaan had, wegens een aanval op hare deugd, kon Suze niet nalaten te trachten de schijnbare ongerustheid harer meesteresse te sussen, door opregt te verklaren, dat zij Jones uit haar bed had zien springen.

Bij deze woorden werd de waardin woedend: „Een waarschijnlijk verhaal, inderdaad!” riep zij, „dat eene vrouw aan het gillen zou gaan en zich in zulk een geval zelve verraden! Ik woû wel weten welk beter bewijs van hare deugd eene vrouw geven kan, dan door gillen! En ik geloof wel dat ik twintig getuigen bij kan brengen, dat zij dat deed. Ik verzoek u zulke lastertaal van mijne gasten niet verder te verspreiden; want dat zou niet slechts hen zelven, maar ook den goeden naam van het huis benadeelen; en ik weet zeker dat er geene landloopers, of gemeen, laag volk hier komen!”

„Nu”, hernam Suze, „dan moet ik mijne eigene oogen niet meer gelooven!”

„Neen, dat moet ge ook niet altijd doen,” antwoordde hare meesteresse: „ik zou mijne eigene oogen niet gelooven tegen zulke echt fatsoenlijke lieden! Er is in geen half jaar zulk een goed souper besteld als door hen gisteren avond, en zij waren zoo gemakkelijk en vriendelijk, dat zij volstrekt niet klaagden over den bessenwijn, welken ik hun als champagne verkocht,—en ’t is waar, het goed is even lekker en gezond als de beste champagne in het land;—anders zou ik er voor bedanken het te schenken; en zij dronken er twee flesschen van. Neen, neen, ik zal nooit iets kwaads gelooven van zulke goede, bescheidene menschen.”

Daar Suze nu tot stilzwijgen gebragt was, ging hare meesteresse tot iets anders over. „En ge zegt,” hervatte zij, „dat die mijnheer met postpaarden gekomen is, en dat er een knecht buiten staat bij de paarden;—nu, dan zal hij ook wel een deftige mijnheer zijn. Waarom hebt ge hem niet gevraagd, of hij niet souperen wilde? Ik geloof dat hij bij den anderen heer op de kamer is. Ga naar boven en vraag of hij geroepen heeft? Misschien zal hij iets bestellen als hij merkt dat er nog menschen op zijn, om het voor hem klaar te maken. En bega geene van uwe gewone domheden door hem te vertellen dat het vuur uit is en dat de kippen nog niet geslagt zijn! En als hij schapenvleesch wil, verklap niet dat wij het niet in huis hebben. Ik weet dat de slagter pas een schaap geslagt heeft eer ik naar bed ging en hij heeft er nooit iets tegen het stuk te hakken terwijl het nog warm is, als ik iets noodig heb. Ga maar, en vergeet niet dat er schapenvleesch en kippen genoeg zijn! Ga maar, zeg ik; doe de deur open en begin met: „Heeren, hebt gij geroepen?” en als zij niets bestellen, vraag dadelijk, wat mijnheer voor zijn avondeten verkiest te gebruiken? Vergeet dat niet zoo beleefd mogelijk te doen;—als ge iets daarvan vergeet, zult gij het nooit ver brengen in de wereld!”

Suze vertrok en keerde weldra terug met het berigt dat de beide heeren het bed met elkaar deelden.

„Twee heeren,” riep de waardin, „in hetzelfde bed! Dat is onmogelijk! Ik wed dat het twee gemeene schooijers zijn! En ik verbeeld me dat de jonge mijnheer Allworthy het bij het regte einde had toen hij giste dat die twee kerels de dame wilden bestelen; want als de ééne de deur van de dame open gebroken had met eenige van de booze bedoelingen van een fatsoenlijk man, zou hij zich nooit uit de voeten gemaakt hebben en op de kamer van iemand anders zich schuil houden, om zelf de onkosten van een bed en een souper uit te winnen. Het zijn zeker dieven, en al dat zoeken naar eene vrouw is slechts een voorwendsel!”

Met deze verdenking van den heer Fitzpatrick deed de waardin hem groot onregt; want hij was wezenlijk van fatsoenlijke afkomst, hoewel hij geen duit bezat, en ofschoon hij eenige gebreken van hoofd en hart had, behoorden laagheid en schrielheid daar niet onder. Inderdaad, hij was zulk een mild mensch, dat hij een aanzienlijk vermogen met zijne vrouw gekregen hebbende, er nu bijna elken stuiver van uitgegeven had, behalve een karig jaargeld dat op hem gemaakt was, en ten einde in het bezit daarvan te komen, had hij haar zoo wreedaardig behandeld, en zich zoo woest en ijverzuchtig betoond, dat de arme vrouw zich eindelijk genoodzaakt had gezien van hem weg te loopen.

Deze heer nu, zeer vermoeid zijnde door de lange reis van Chester, welke hij in één dag afgelegd had, en die, met de slagen, welke hij in den strijd gekregen had, hem aan alle leden pijnlijk maakte, terwijl de zedelijke pijn, waaraan hij leed, daardoor nog vermeerderd was, gevoelde hoegenaamd geen eetlust, en daar hij zich zoo teleurgesteld zag in de vrouw, welke hij op het zeggen der meid voor zijne eigene echtgenoote had gehouden, kwam het volstrekt niet bij hem op dat zij wèl in huis kon wezen, hoewel hij zich nu in den persoon vergist had. Hij luisterde dus naar den raad van zijn vriend, om van alle verdere vervolging dien avond af te zien, en nam het vriendelijke aanbod aan om zijn bed met hem te deelen.

De knecht en de postiljon waren anders gestemd. Zij waren vlugger in het bestellen dan de waardin in het opdragen, die echter eindelijk door hen omtrent de waarheid van de zaak ingelicht, en overtuigd dat de heer Fitzpatrick geen dief was, zich liet overhalen om hun wat koud vleesch voor te zetten, dat zij bezig waren met groote graagte te verslinden, toen Partridge in de keuken trad. Hij was eerst gewekt door al het leven, dat wij beschreven hebben, en toen hij zich weder ter rust begeven wilde, had een nachtuil hem zulk eene serenade gebragt onder zijn venster, dat hij in den grootsten angst uit het bed sprong en de kleeren met den meesten spoed aantrekkende, naar beneden liep om de bescherming te zoeken van het gezelschap, dat hij in de keuken hoorde praten.

Zijne aankomst belette de waardin om weder naar bed te gaan; want zij was juist op het punt om de beide anderen aan Suze’s zorg over te laten; maar de vriend van den jongen heer Allworthy mogt niet op die wijze verwaarloosd worden, vooral daar hij een pintje warmen wijn bestelde. Zij gehoorzaamde onmiddellijk door die hoeveelheid bessenwijn op het vuur te zetten; daar dit vocht de plaats van allerlei soorten van wijn verving.

De Iersche knecht was al naar bed gegaan, en de postiljon wilde hem volgen; maar Partridge noodigde hem uit om te blijven en wat wijn mede te drinken,—wat de jongen zeer dankbaar aannam. De schoolmeester vreesde inderdaad om alleen weer naar zijn bed te moeten gaan, en daar hij niet wist hoe spoedig hij van het gezelschap der waardin zou kunnen beroofd worden, besloot hij zich van den postiljon te verzekeren, in wiens bijzijn hij spook noch duivel vreesde.

Op dit oogenblik verscheen er een tweede postiljon aan de poort, waarop Suze bevolen werd naar buiten te gaan, en terug kwam met twee jonge dames in rijkostuum, waarvan het eene zoo rijk geborduurd was, dat Partridge en de postiljon dadelijk van hunne stoelen opsprongen en de waardin niet diep genoeg buigen, of eerbiedige complimenten genoeg vinden kon.

De dame in het geborduurde gewaad zeide met een vriendelijken glimlach:

„Met uw goedvinden, jufvrouw, zal ik me een paar minuten hier bij het keukenvuur warmen; want het is waarlijk zeer koud;—maar ik sta er op dat ik niemand hier van zijne plaats jaag.”

Dit laatste voegde zij er bij om den wille van Partridge, die, met het diepste ontzag en bewondering over de rijke kleeding der dame, in een hoek der kamer gevlugt was. Maar bovendien, had zij wel andere aanspraken op eerbied; want zij was een der schoonste vrouwen die men zich verbeelden kan.

De dame smeekte Partridge ernstig naar zijne plaats terug te keeren; maar kon dit niet van hem verkrijgen. Daarop trok zij de handschoenen uit, en hield twee handjes vóór het vuur, welke, behalve dat ze niet smolten, alle eigenschappen van den sneeuw bezaten. Hare gezellin, die hare kamenier was, trok ook de handschoenen uit, en liet handen zien, die volmaakt, wat koude en kleur aangaat, op een stuk bevroren rundvleesch geleken.

„Ik zou u toch in bedenking geven,” sprak de kamenier tot de dame, „om heden nacht niet verder te gaan:—ik vrees wezenlijk dat de jufvrouw niet meer tegen de vermoeijenis bestand zal wezen.”

„Wel, mijn tijd!” riep de waardin; „de dame denkt daar zeker niet aan! Mijn hemel! Heden nacht nog doorreizen! Och! laat ik toch de dame smeeken niet daaraan te denken!—Maar dat zal ook wel niet noodig wezen! Wat zullen de dames voor het souper gelieven te gebruiken? Ik heb schapenvleesch genoeg en heerlijke kippen!”

„Ik geloof, jufvrouw,” zei de dame, „dat gij ons eerder van ontbijten dan van souperen moest spreken; maar ik heb hoegenaamd geen trek in eten, en als ik blijf, zal het slechts zijn om een paar uren rust te nemen. Als het u echter niet te veel moeite kost, zou ik gaarne een weinig warme Madera met water hebben;—maar zeer weinig wijn er in, als het u belieft!”

„O, jufvrouw!” riep de waardin; „wij hebben heerlijken witten wijn!”

„Dus hebt ge geen Madera?” zei de dame.

„O ja! Madera genoeg! Betere is in het heele land niet te krijgen!—maar, laat me u toch overhalen om iets daarbij te gebruiken!”

„Wezenlijk;—ik heb geen trek in eten,” hernam de dame, „en ik zou u zeer dankbaar wezen als gij zoodra mogelijk eene kamer voor mij in gereedheid wildet laten brengen; want ik heb me vast voorgenomen om na een uur of drie weder te paard te zijn.”

„Wel, Suze,” riep de waardin; „brandt het vuur nog niet in de „Wilde Gans?”—Het spijt me, dames, maar de beste kamers in huis zijn al bezet. Eenige menschen van de deftigste soort liggen al hier te bed. Wij hebben een rijken jongen landjonker hier, en vele andere groote luî.”

Suze gaf tot antwoord, „dat de Iersche heeren in „de Wilde Gans” waren.”

„Wel, hoe ongelukkig!” riep de waardin. „Wat drommel! Waarom hebt ge niet een paar van de beste vertrekken open gehouden voor de groote lui, die, zoo als ge weet, bijna dagelijks hier komen?—Als het maar echt fatsoenlijke heeren zijn, zullen zij zeker dadelijk met genoegen opstaan als zij hooren dat de dame de kamer noodig heeft.”

„Ik wil volstrekt niet dat iemand om mijnentwil gestoord worde,” hernam de dame. „Als ge maar eene redelijk goede kamer voor mij hebt, kan ik me best behelpen;—hoe eenvoudig alles ook zij. Ik verzoek u slechts, jufvrouw, om mijnentwil zooveel drukte niet te maken.”

„O, wat dat betreft,” riep de andere, „wij hebben goede vertrekken in overvloed;—maar geen een er van is goed genoeg voor u, mejufvrouw! Daar de jufvrouw zich echter verwaardigen wil om het voor lief te nemen, met het beste dat ik aan te bieden heb, loop, Suze, vlug, en leg vuur aan in de Roos. Zal de jufvrouw nu dadelijk naar boven gaan, of zoo lang wachten tot het vuur brandt?”

„Ik gevoel me nu al weêr wat verkwikt,” hernam de dame, „dus, zal ik maar dadelijk gaan, als ’t u belieft. Ik vrees dat ik eenige menschen en vooral dien heer,” (Partridge bedoelende), „reeds te lang van het vuur beroofd heb. Ik kan er wezenlijk niet toe besluiten om wien ook bij deze verschrikkelijke koude van het vuur af te houden.”

Hierop verwijderde zij zich met hare kamenier, terwijl de waardin met twee opgestoken kaarsen haar vóór ging.

Toen de goede vrouw in de keuken terugkeerde, liep het heele gesprek over de bekoorlijkheden der jonge dame. Er is ook werkelijk in de volmaakte schoonheid eene betoovering, waartegen haast niemand bestand is; want de waardin, hoewel zij niet in haar schik was over de weigering van een souper, verklaarde dat zij nooit zoo’n bekoorlijk wezen gezien had. Partridge roemde op de meest overdrevene wijze hare gelaatstrekken, ofschoon hij niet nalaten kon ook eenigen lof te besteden aan de rijke gouden borduursels van haar kleed; de postiljon roemde hare goedheid, wat bevestigd werd door den anderen postiljon, die nu binnen gekomen was.

„’t Is eene echte dame, daar durf ik voor in staan,” zeide hij; „want zij heeft ook medelijden met de stomme dieren, en vroeg me telkens onderweg, of het de paarden geen kwaad zou doen om zoo hard te rijden, en toen we hier aankwamen, gelastte zij mij om hun volop haver te voeren.”

De ware vriendelijkheid is zoo bekoorlijk, dat ze zeker aan iedereen loftuitingen afperst. Ze mag zelfs vergeleken worden bij de beroemde jufvrouw Hussey; [9] want ze weet iedere vrouwelijke volmaaktheid in het prachtigste licht te doen uitkomen en elk gebrek te verzachten en te verbergen. Wij konden deze korte opmerking niet achterwege houden op deze plaats, waar de lezer in de gelegenheid is geweest te zien hoe schoon de beminnelijkheid is,—en de waarheid dwingt ons dit nu des te sterker te doen uitkomen door juist het tegenovergestelde daarvan te laten zien.

HOOFDSTUK IV.

BEVATTENDE ONFEILBARE MIDDELEN OM ZICH ALGEMEEN VERACHT EN GEHAAT TE MAKEN.

De dame had zich pas ter rust begeven, toen de kamenier naar de keuken terugkeerde om zich op eenige van die lekkernijen te onthalen, welke hare meesteresse versmaad had.

Zoodra zij binnentrad, bewees haar het gezelschap denzelfden eerbied, als aan hare meesteresse, door op te staan; maar zij vergat die dame na te volgen en allen te verzoeken weer plaats te nemen. Inderdaad, het was hun naauwelijks mogelijk dat te doen; want zij plaatste haren stoel zoodanig, dat zij bijna het geheele vuur innam. Daarop beval zij dadelijk een kip voor haar te braden, verklarende, dat als het eten niet binnen een kwartier klaar was, zij er niet op wachten zou. Hoewel nu de arme kip op dat oogenblik in den stal zat te slapen, en gevangen, geslagt en geplukt moest worden eer ze op het vuur kwam, had de waardin op zich genomen alles binnen den bepaalden tijd te doen;—daar echter de nieuw aangekomene ongelukkig achter de schermen toegelaten was, had zij getuige moeten wezen van de foppaadje, en dus was de arme waardin genoodzaakt te bekennen dat zij geen kip in huis had; „maar, jufvrouw,” zeide zij; „ik kan dadelijk een heerlijk stukje schapenvleesch bij den slager laten halen.”

„Verbeeldt ge u dat ik eene paardenmaag heb,” hernam de kamenier, „om op dit uur van den nacht schapenvleesch te kunnen eten? Wel! Gij menschen die logementen houdt, schijnt u wel te verbeelden dat uwe meerderen niet anders geschapen zijn dan gij zelve! Maar ik dacht wel dat er niets te krijgen zou zijn in dit ellendig nest. Ik was er al verbaasd over dat de jufvrouw hier blijven wilde! Ik kan me best voorstellen dat er nooit iemand anders dan vetweiders en winkeliers hier komen.”

De waardin was al in het harnas gejaagd door deze minachting voor haar logement aan den dag gelegd; maar onderdrukte haar toorn en vergenoegde zich met te zeggen: „Dat zij den hemel dankte dat haar huis door de deftigste lieden bezocht werd.”

„De deftigste lieden!” riep de andere; „praat me daar niet van! Ik verbeeld me dat ik meer van deftige lieden weet dan gij en uws gelijken!—Maar, bid ik u, zeg me zonder me met uwe praatjes verder lastig te vallen, kortaf wat ik te eten kan krijgen; want ofschoon ik geen paardenvleesch eten kan, heb ik toch honger.”

„Wel, wezenlijk, jufvrouw,” hernam de waardin, „gij hadt het niet ongelukkiger kunnen treffen; want ik moet bekennen dat ik niets in huis heb dan een stuk koud ossenvleesch, dat de knecht van een der heeren en een postiljon bijna tot den laatsten brok opgegeten hebben.”

„Vrouw!” riep de kamenier, „maak me niet misselijk! Als ik eene maand lang gevast had, zou ik iets niet kunnen eten, dat aangeraakt was door de vuile vingers van zulke menschen. Is er dan niets goeds of zindelijks in deze verschrikkelijke plaats te krijgen?”

„Zoudt gij wat gebakken eijeren met spek lusten, jufvrouw?” zei de waardin.

„Zijn de eijeren versch? Weet ge zeker dat zij heden gelegd zijn? En zorg vooral, dat het spek lekker dun gesneden wordt; want ik kan niets lomps velen! Ik smeek u ditmaal u eenige moeite te geven, en niet te vergeten dat ge geene boerenvrouw, of iemand anders van dien aard uit uw huis, nu bij u hebt.”

De waardin greep nu naar het mes; maar de andere hield haar tegen, met de woorden: „Ik moet er op staan, vrouwtje, dat ge u eerst de handen wascht; want ik ben buitengewoon keurig, en sedert mijne kindsche dagen ben ik er altijd aan gewoon geweest alles om mij heen keurig te hebben.”

De waardin, wie het groote moeite kostte om zich te beheerschen, begon nu met de noodige toebereidselen;—want Suze werd versmaad, en met zoovele minachting, dat het der arme meid even zwaar viel de handen stil te houden, als het harer meesteresse moeite gekost had hare tong te beteugelen. Suze was echter niet geheel en al hiertoe in staat; want hoewel slechts binnen’s monds, pruttelde zij steeds: „Nu ja—kom aan! als of jij zoo veel beter waart dan ik!” met andere dergelijke blijken van verontwaardiging.

Onder het klaarmaken van het souper begon de kamenier het te betreuren dat zij het vuur niet had laten aanleggen in de zaal;—maar het was nu te laat geworden daarvoor, zeide zij. „Evenwel,” voegde zij er bij, „heeft de keuken de bekoorlijkheid van het nieuwe voor mij; want ik geloof dat het de eerste keer van mijn leven is, dat ik er in een gegeten heb.”

Zich daarop tot de postiljons wendende, vroeg zij hun, „waarom zij niet op stal waren bij hunne paarden? Als ik mijn mageren kost hier moet eten, jufvrouw,” voegde zij er bij tot de waardin: „dan moet ik verzoeken dat men de keuken vrij houde en dat ik niet omgeven zal blijven door al het gemeen volk uit de stad. Wat u betreft, mijnheer,” zeide zij tot Partridge; „gij ziet er eenigzins uit als een fatsoenlijk man, en kunt blijven zitten als u dat goed dunkt;—ik wenschte niemand dan het gemeene volk weg te jagen.”

„Ja, ja, jufvrouw, ik ben een fatsoenlijk man; dat kan ik u verzekeren;—en ik laat me ook niet zoo spoedig wegjagen. Non semper vox casualis est verbo nominativus.”

Dit Latijn hield zij voor eene beleediging en hernam: „’t Is best mogelijk mijnheer, dat gij fatsoenlijk man zijt; maar gij toont dat niet door Latijn te praten tegen eene vrouw.”

Partridge gaf haar een zacht antwoord, maar eindigde met nog meer Latijn, waarop zij den neus ophaalde, en zich vergenoegde met hem voor „een grooten geleerde” uit te schelden.

Het souper werd nu op tafel gezet en de kamenier at, voor zulk een keurig mensch, er zeer smakelijk van; en terwijl, op haar bevel, een tweede schotel gereed gemaakt werd, zeide zij:

„Dus, volgens uw beweren, jufvrouw, wordt uw huis door heel deftige menschen bezocht?”

Dit werd door de waardin bevestigd, die zeide dat er op het oogenblik zeer vele aanzienlijke lieden onder haar dak waren;—„waaronder de jonge mijnheer Allworthy, zoo als mijnheer, die daar zit, best weet.”

„En mag ik u vragen wie die deftige mijnheer, die jonge mijnheer Allworthy is?” vroeg de kamenier.

„Wel! wie zou het anders zijn dan de zoon en erfgenaam van den rijken mijnheer Allworthy in Somersetshire?” hernam Partridge.

„Op mijn woord,” zeide zij, „ge vertelt me vreemd nieuws; want ik ken mijnheer Allworthy in Somersetshire best, en ik weet dat hij geen zoon heeft.”

De waardin spitste de ooren bij deze woorden en Partridge toonde eenige verlegenheid. Na een oogenblik geaarzeld te hebben, hernam hij echter:

„’t Is waar, jufvrouw, dat hij niet algemeen bekend is als de zoon van mijnheer Allworthy, die nooit met zijne moeder gehuwd was;—maar zijn zoon is hij toch, en zal, zoo waar hij Jones heet, zijn erfgenaam zijn!”

Bij het hooren van deze woorden liet de kamenier het stukje spek vallen, dat zij naar haren mond bragt, en riep uit: „Ik sta verstomd, mijnheer! Zou het mogelijk zijn! Is mijnheer Jones hier in huis?”

„Quare non?” hernam Partridge. „Het is niet alleen mogelijk, maar ook zeker dat hij hier is.”

De kamenier haastte zich nu om haar maal ten einde te brengen, en ging toen naar hare meesteresse, met wie zij het gesprek had, dat men in het volgende hoofdstuk lezen kan.

HOOFDSTUK V.

AANTOONENDE WIE DE BEMINNELIJKE DAME EN HARE ONBEMINNELIJKE KAMENIER WAREN.

Even als wanneer in de maand Junij de bloeijende roos, welke door toeval onder de leliën groeit, haar rood met de witte kleuren in het rond vermengt;—of als wanneer eene speelzieke vaars in de aangename Meimaand den geurigen adem over de groene weide verspreidt;—of, als wanneer in de bloeijende Aprilmaand, de zachtaardige, teedere tortelduif, op een schoonen tak zittende, van haar beminde droomt,—zoo lag Sophia (want zij was het) met honderde bekoorlijkheden en even vele geuren, met de gedachten op haren Jones gevestigd, met een hart even goed en onschuldig als haar gelaat schoon was, met het hoofd in de hand te rusten, toen hare kamenier in de kamer trad en dadelijk naar het bed loopende, uitriep:

„Jufvrouw! Jufvrouw! Wie denkt ge dat hier in huis is?”

Sophia sprong op en riep uit: „Ik hoop toch niet dat mijn vader ons ingehaald heeft?”

„Neen, jufvrouw; het is iemand die honderd vaders waard is;—mijnheer Jones zelf is op dit oogenblik hier!”

„Mijnheer Jones!” riep Sophia, „dat is onmogelijk! Zou ik zoo gelukkig zijn!”

Het meisje hield vol dat het zoo was en werd spoedig door hare meesteresse weggezonden, om hem te laten roepen, daar zij besloten had hem dadelijk te zien.

Mejufvrouw Honour had naauwelijks de keuken op boven beschrevene wijze verlaten, toen de waardin hevig over haar begon te klagen. Het hart van de arme vrouw was inderdaad een heelen tijd vol geweest van vuile taal, welke nu over hare lippen vloeide, even als de modder uit eene vuilniskar, als men de plank wegneemt. Partridge wierp ook zijn schop vol lastertaal er bij en bespotte niet slechts de kamenier (maar wat welligt den lezer verrassen zal) hij trachtte zelfs een smet te werpen op Sophia’s onberispelijken naam.

„Ze is geen duit beter dan de andere,” zeide hij; „„noscitur a sociis” is een waar woord. Men moet wel bekennen dat de fraai opgeschikte vrouw de beleefdste van beide is; maar ik zou er voor durven instaan, dat geene van beide heel veel deugt. Ik houd haar beide voor een paar van die fortuinzoeksters uit Bath;—de groote luî rijden ook niet op dezen tijd van den nacht zonder dienstboden rond.”

„Ja, voor den duivel!” riep de waardin, „zoo is het! Ge hebt den spijker op den kop geslagen; want de groote luî komen ook niet in een logement zonder een souper te bestellen, of zij honger hebben of niet.”

Terwijl zij dus praatten, keerde jufvrouw Honour terug en voldeed aan Sophia’s bevel, door de waardin te gelasten om onmiddellijk den heer Jones te roepen en hem te zeggen dat er eene dame was, die hem verlangde te spreken. De waardin verwees haar naar Partridge, zeggende dat hij de vriend was van mijnheer Jones, en dat, wat haar zelve betrof, zij nooit de mannen, en vooral geene heeren ging roepen.

Honour wendde zich nu tot Partridge; maar ook hij weigerde; „want mijn vriend,” zeide hij, „is zeer laat naar bed gegaan, en hij zou zeer boos zijn als hij zoo spoedig gewekt werd.”

Jufvrouw Honour stond er echter op dat men hem roepen zou, bewerende, dat zij overtuigd was, dat in plaats van kwaad te wezen, hij zich ten hoogste gelukkig zou gevoelen, als hij maar eens wist waarom.

„Dat zou eene andere keer best het geval kunnen wezen,” riep Partridge; „maar, non omnia possumus omnes. Eéne vrouw tegelijk is genoeg voor een redelijk mensch.”

„Wat bedoelt ge met uw „ééne vrouw tegelijk,” schelm?” riep Honour.

„Noem mij niet schelm!” hernam Partridge, die daarop haar duidelijk uitlegde dat Jones bij eene vrouw te bed lag—een woord gebruikende, veel te onkiesch om hier herhaald te worden, maar waarover jufvrouw Honour zoodanig verontwaardigd was, dat zij hem een ezel noemde, en in geweldige haast bij hare meesteresse terugliep, die zij met den uitslag harer boodschap bekend maakte, welke zij, zoo mogelijk nog overdreef, daar zij even kwaad op Jones was alsof hij al de woorden gebruikt had, door Partridge geuit. Zij stortte dus een heelen vloed van scheldnamen over diens meester uit, en raadde Sophia aan, om alle gedachten aan een man op te geven, die haar nooit waardig was geweest. Zij haalde de geschiedenis van Molly Seagrim weer op en gaf de kwaadaardigste wending er aan dat Jones vroeger zelf Sophia verlaten had;—al hetgeen, dat moet ik bekennen, niet weinig bevestigd werd door de omstandigheden van het oogenblik.

Sophia was eerst te veel door verdriet overmeesterd om de woordenrijkheid harer dienaresse te stremmen. Eindelijk echter viel zij haar in de rede en zeide:

„Ik kan dit niet gelooven; de een of andere schelm heeft hem gelasterd. Gij zegt dat gij het van een vriend van hem hebt; maar zeker is het geen vriendendienst om zulke geheimen te verklappen!”

„Ik verbeeld me,” hernam Honour, „dat die kerel zijn medepligtige moet wezen; want een gemeener schelm heb ik nooit ontmoet. Bovendien schamen zich zulke losbollen als mijnheer Jones volstrekt niet over zoo iets.”

Om de waarheid te zeggen, was dit gedrag van den heer Partridge naauwelijks te verdedigen; maar hij was nog niet uitgeslapen van den roes van den vorigen avond, waarop hij des morgens vroeg weer eene halve flesch wijn, of liever sterken drank gezet had; want de bessenwijn was volstrekt niets anders. Daar nu dat gedeelte van zijn hoofd hetwelk de natuur tot vergaderplaats van den drank bestemd had, zeer ondiep was, vloeide een klein gedeelte van het vocht over, en zette de sluizen van zijn hart open, zoodat al de geheimen, welke daarin bewaard waren, er uit stroomden. Deze sluizen waren dan inderdaad ook zeer zwak van aard. Om zijn karakter op de meest gunstige wijze te beschrijven, moeten wij zeggen dat hij een zeer eerlijk mensch was; want even als hij de nieuwsgierigste der stervelingen was, die altijd de geheimen van anderen zocht na te pluizen, zoo betaalde hij er ook eerlijk voor, door weerkeerig al wat hij te weten kwam, aan anderen mede te deelen.

Terwijl Sophia, door angst gefolterd, niet wist wat zij gelooven moest, of welk besluit te nemen, kwam Suze met den warmen wijn aan. Jufvrouw Honour raadde hare meesteresse fluisterend aan, om dit meisje uit te hooren, dat haar waarschijnlijk omtrent alles zou kunnen inlichten.

Sophia keurde dit goed en begon als volgt:

„Kom eens hier, meisje, en antwoord me eerlijk op hetgeen ik u ga vragen, en ik beloof u eene goede belooning. Is er hier in huis een zeer knappe jonge heer, die—” Hier bloosde Sophia en stamelde.

„Een jonge heer,” riep Honour, „die hier gekomen is met dien onbeschoften schelm, die nu in de keuken zit?”

Suze hernam, dat dit wel het geval was.

„Weet ge ook iets van eene dame?” ging Sophia voort. „Van eene dame, zeg ik. Ik vraag u niet, of zij schoon is of niet;—misschien is dat niet het geval; maar dat doet er niet toe;—maar weet gij iets van eene dame?”

„Wel, jufvrouw,” riep Honour, „gij verstaat niet best de kunst om iemand uit te hooren! Hoor eens, meisje,” ging zij voort: „ligt die jonge heer nu niet te bed met de eene of andere gemeene landloopster?”

Hier glimlachte Suze, maar bleef zwijgen.

„Antwoord maar op hetgeen u gevraagd is, en ik zal u een guinje geven,” zei Sophia.

„Een guinje, jufvrouw!” riep Suze; „wat heb ik aan een guinje? Als mijne meesteresse het te weten kwam, zou ik op het oogenblik mijn dienst kwijt zijn!”

„Hier hebt ge er nog één,” zei Sophia, „en ik beloof u plegtig dat uwe meesteresse er nooit iets van vernemen zal.”

Suze, na zich een oogenblik bedacht te hebben, nam het geld en vertelde alles, terwijl zij eindigde met te zeggen:

„Als gij er heel veel belang in stelt, jufvrouw, kan ik zachtjes naar zijne kamer sluipen en zien of hij in bed is, of niet.”

Dit deed zij nu op verzoek van Sophia en keerde terug met een ontkennend berigt.

Sophia beefde nu en verbleekte. Jufvrouw Honour echter smeekte haar zich te troosten en niet meer aan zulk een onwaardig mensch te denken.

„Wel, wel!” zei Suze; „ik hoop dat de jufvrouw het me toch niet kwalijk nemen zal;—maar heet u niet mejufvrouw Sophia Western?”

„Hoe is het mogelijk, dat gij mij kent?” hernam Sophia.

„Wel, die man, die uwe kamenier in de keuken sprak, vertelde ons van u gisteren avond;—maar de jufvrouw moet mij dat niet kwalijk nemen.”

„Wezenlijk, meisje,” hernam Sophia, „ik neem het u volstrekt niet kwalijk; vertel me maar alles, en ik beloof u, dat ik u dat vergoeden zal.”

„Nu dan, jufvrouw,” ging Suze voort, „die man in de keuken vertelde ons allen dat jufvrouw Sophia Western,—wezenlijk,—ik weet niet hoe ik het er uitbrengen zal.”—Hier brak zij af, tot zij, na door Sophia weer aangemoedigd te zijn, terwijl jufvrouw Honour sterk bij haar er op aandrong, op deze wijze hervatte:

„Hij vertelde ons, jufvrouw, hoewel het zeker gelogen was, dat de jufvrouw doodelijk verliefd was op den jongen heer, en dat hij naar den oorlog trok om u kwijt te worden;—ik dacht toen al bij mij zelve dat hij een verraderlijke schelm moest wezen;—maar nu, dat ik zulk eene schoone, rijke, deftige jonge dame als gij zijt, verlaten zie om zulk een gemeen wijf; want dat is zij zeker, en een ander mans vrouw op den koop toe;—dat is iets vreemds en onnatuurlijks,—zou ik zeggen.”

Sophia gaf haar nu een derde guinje, en haar verzekerende dat zij haar zou blijven beschermen als zij niets verklapte van hetgeen gebeurd was, en aan niemand vertelde wie zij was, ontsloeg zij het meisje met het bevel aan den postiljon om dadelijk de paarden klaar te maken.

Zoodra zij zich weder alleen bevond met hare getrouwe dienaresse, verzekerde zij haar, „dat zij zich nooit kalmer gevoeld had dan op dat oogenblik. Ik ben nu overtuigd,” zeide zij, „niet slechts dat hij een slecht mensch is, maar ook een laag, verachtelijk wezen. Ik zou alles kunnen vergeven, behalve dat hij mijn naam op die schandelijke wijze misbruikte! Dat maakt hem tot het voorwerp mijner minachting. Ja, Honour, ik ben nu heel gerust. Wezenlijk! Dat ben ik! Heel kalm!” En zij barstte uit in een stortvloed van tranen.

Na een korte tusschenpoos, door Sophia voornamelijk met schreijen doorgebragt, en met hare dienaresse bij herhaling te verzekeren dat zij heel kalm was, kwam Suze aan met het berigt dat de paarden klaar waren, toen een zeer vreemd denkbeeld opkwam bij onze jonge heldin, waardoor zij den heer Jones bekend zou maken dat zij in het logement was geweest, op eene wijze, welke, als eenige vonk van liefde tot haar bij hem in het hart overbleef, hem ten minste eenigzins straffen zou voor zijne misdaden.

De lezer zal zich wel een mofje herinneren, dat de eer genoten heeft van meer dan eens in dit verhaal vermeld te zijn. Deze mof was, sedert het vertrek van den heer Jones, aanhoudend over dag bij Sophia geweest, en ’s nachts had zij ze mede naar bed genomen, en deze mof had zij op dit oogenblik op den arm, vanwaar zij ze, met veel verontwaardiging afnam, en met haar potlood haren naam op een stukje papier geschreven hebbende, dat zij er op speldde, kocht zij de meid om, om ze in het leêge bed van den heer Jones te leggen, en als hij ze daarin niet vond, moest zij de eene of andere wijze bedenken, om ze hem ’s morgens te doen zien.

Hierop, na hetgeen mejufvrouw Honour gegeten had, betaald te hebben, waarbij gerekend werd wat zij zelve had kunnen eten, steeg zij te paard, en hare gezellin nog eenmaal verzekerende, dat zij nu heel kalm was, zette zij hare reis voort.

HOOFDSTUK VI.

BEVATTENDE, ONDER ANDEREN, DE SLIMHEID VAN PARTRIDGE, DE DOLZINNIGHEID VAN JONES EN DE DWAASHEID VAN FITZPATRICK.

Het was nu reeds over vijf uur ’s morgens, en de andere menschen begonnen op te staan en in de keuken te komen, en onder hen bevonden zich de sergeant en de koetsier, die geheel verzoend zijnde, een drankoffer bragten, of, anders gezegd, een vollen beker met elkaar ledigden.

Bij deze gelegenheid, gebeurde er niets opmerkelijks, dan dat Partridge, toen de sergeant op „onzen koning George,” dronk, alleen het woord „onzen koning” herhaalde, zonder dat men hem er toe brengen kon om meer te zeggen; want hoewel hij tegen zijne eigene zaak ging vechten, was hij niet over te halen daartegen te drinken.

De heer Jones nu naar zijn eigen bed teruggekeerd zijnde,—wij zullen ons onthouden van te vermelden vanwaar hij gekomen was,—liet Partridge uit dit aangename gezelschap wegroepen, die, na eene deftige inleiding, verlof kreeg om zijn raad mede te deelen en, als volgt, sprak:

„Mijnheer, het is een oud en waar gezegde, dat een wijs man soms goeden raad van een dwaas kan krijgen;—ik waag het dus u mijn raad aan te bieden, en die is, om weder naar huis terug te keeren en deze horrida bella, deze bloedige oorlogen, over te laten aan menschen, die buskruid verslinden, omdat zij niets anders te eten hebben. Nu weet iedereen, dat het u, mijnheer, aan niets ontbreekt te huis,—en als dat het geval is, waarom zou men in den vreemde trekken?”

„Partridge,” riep Jones, „ge zijt zeker een lafaard;—ik wenschte dus dat gij maar zelf naar huis wildet gaan en mij niet meer plagen.”

„Ik smeek u om vergiffenis, mijnheer,” hernam Partridge; „ik sprak meer om uwent- dan om mijnentwil; want, wat mij betreft, de hemel weet, dat mijne omstandigheden treurig genoeg zijn, en verre van bang te zijn, geef ik niet meer om een pistool, of een donderbus, of iets van dien aard, dan om een ——. Iedereen moet eenmaal sterven, en het komt er weinig op aan, hoe dat geschiedt; bovendien, zal ik het er welligt afbrengen alleen met het verlies van een arm of een been. Ik verzeker u, mijnheer, dat ik nooit van mijn leven minder bang was;—dus, als gij besloten hebt om verder te gaan, heb ik ook besloten u te volgen. Maar, in dat geval, wenschte ik u mijn gevoelen te doen kennen. ’t Is zeker eene schandalige wijze van reizen voor zoo’n grooten heer als gij zijt, om te voet te gaan. Er zijn hier wel een stuk of wat goede paarden op stal, en de waard zal er zeker geen bezwaar in zien, u krediet te geven;—maar, mogt hij dat doen, het zal me niet veel moeite kosten, de paarden mede te nemen—en al liep het ook op zijn ongelukkigst af, de koning zou u zeker genade schenken, omdat gij in zijne zaak gaat vechten.”

Daar nu de eerlijkheid van Partridge overeen kwam met zijn verstand, dat alleen tot het kleine in staat was, zou hij nooit een schelmstuk van dezen aard hebben willen ondernemen, zonder overtuigd te zijn, dat hij dat heel veilig doen kon; want hij was een van die menschen, die meer eerbied koesteren voor de galg dan voor hetgeen betamelijk is; maar, werkelijk, hij dacht dezen diefstal zeer veilig te kunnen begaan; want, behalve dat hij er niet aan twijfelde, dat de waard in den naam van den heer Allworthy berusten zou, begreep hij, dat hoe de zaken liepen, er geen gevaar voor hem zou kunnen ontstaan, daar Jones, naar hij zich verbeeldde, vrienden genoeg zou hebben aan den eenen kant, en de zijne hem ook van den anderen kant zouden beschermen.

Zoodra de heer Jones begreep dat het Partridge ernst was met dit voorstel, verweet hij het hem zeer streng en in zulke bittere bewoordingen, dat de andere zijn best deed het als eene aardigheid te doen voorkomen, en spoedig het gesprek op wat anders bragt, zeggende, dat hij geloofde dat zij nu te regt gekomen waren in een publiek huis, en dat het hem veel moeite gekost had, om een paar meiden te beletten mijnheer midden in den nacht te overvallen.

„Hola!” zeide hij, „ik geloof toch, dat zij, in weerwil van al wat ik deed, op uwe kamer geweest zijn; want hier op den grond, heeft eene van haar een mof laten liggen!”

En werkelijk, daar Jones, in het donker, naar zijn bed teruggekeerd was, had hij de mof op het dek niet gezien, en toen hij onder de dekens sprong, was ze op den grond gevallen. Partridge raapte ze nu op, en wilde ze in den zak steken, toen Jones vroeg om ze te zien. De mof was zoo bijzonder van aard, dat onze held ze waarschijnlijk herkend zou hebben zonder de herinnering, welke daaraan gehecht was. Maar zijn geheugen werd nu niet op die zware proef gesteld; want tegelijker tijd zag hij en las hij den naam van „Sophia Western,” op het papier, dat daaraan vastgespeld was. Met woeste blikken, riep hij nu driftig uit: „Mijn hemel! Hoe is deze mof hier gekomen?”

„Dat weet ik evenmin als gij, mijnheer,” zei Partridge; „maar ik zag ze aan den arm van eene der vrouwen, die u overvallen wilden, als ik het haar niet belet had.”

„Waar zijn zij?” riep Jones, uit het bed springende en naar zijne kleeren grijpende.

„O, denkelijk, mijlen ver van hier op dit oogenblik,” zei Partridge.

En Jones, bij nader onderzoek, overtuigde zich genoegzaam, dat niemand anders dan de schoone Sophia zelve de mof gedragen had.

Het gedrag van Jones bij deze gelegenheid, zijne gedachten, zijne blikken, zijne woorden, zijne handelingen, gingen alle beschrijving te boven. Na Partridge en zich zelven niet minder bitter verwenscht te hebben, beval hij den armen kerel, die doodelijk verschrikt was geworden, naar beneden te loopen, en wat ze ook kostten, paarden te bestellen, en weinige minuten later, na de kleeren aangeworpen te hebben, vloog hij zelf den trap af, om de uitvoering der bevelen, welke hij gegeven had, te verhaasten.

Maar, eer wij overgaan tot hetgeen gebeurde toen hij in de keuken kwam, is het noodzakelijk terug te keeren tot hetgeen er voorgevallen was sedert Partridge door zijn meester van daar weggeroepen was.

De sergeant was juist met zijne soldaten vertrokken toen de twee Iersche heeren opstonden en naar beneden kwamen, beide klagende, dat zij zoo dikwerf gewekt waren geworden door de onrust in de herberg, dat zij den heelen nacht geen oog hadden kunnen toedoen.

De koets, welke de jonge dame en hare kamenier gebragt had, en welke de lezer welligt tot hiertoe zich verbeeld zal hebben dat haar toebehoorde, was inderdaad eene huurkoets uit Bath, het eigendom van den heer King, een der eerlijkste en waardigste menschen, die ooit in paarden gehandeld hebben, en wiens rijtuigen wij gaarne aanbevelen aan al onze lezers, die ooit dien weg uit gaan. Hierdoor kunnen zij welligt het genoegen smaken van juist in die koets te zitten en door dien koetsier gereden te worden, die in dit verhaal vermeld zijn.

De koetsier, die slechts twee passagiers had, vernemende dat de heer Maclachlan naar Bath ging, bood aan hem tegen een zeer matigen prijs mede te nemen. Hij werd hiertoe overgehaald door het berigt van den staljongen, die hem vertelde, dat het paard, door den heer Maclachlan te Worcester gehuurd, meer in zijn schik zou zijn als het naar zijne vrienden kon terugkeeren, dan met de voortzetting van eene lange reis, daar gemeld dier eerder gezegd kon worden op twee dan op vier beenen te loopen.

De heer Maclachlan nam dadelijk het voorstel van den koetsier aan, en haalde ook zijn vriend, Fitzpatrick, over om de vierde plaats in het rijtuig in te nemen. De pijnlijkheid zijner ledematen deed hem dit vervoermiddel boven een paard verkiezen, en daar hij overtuigd was dat hij zijne vrouw te Bath vinden zou, kon hem de kleine vertraging weinig schelen.

Maclachlan, die verre weg de slimste van beiden was, vernam pas, dat de dame, die mede rijden zou, uit Cheshire kwam, of hij kreeg het in het hoofd, dat die welligt de vrouw van zijn vriend kon wezen, en hij maakte hem dadelijk met deze veronderstelling bekend, die in het geheel niet bij Fitzpatrick opgekomen was. Werkelijk was hij een van die wezens welke de natuur met te veel overhaasting bij elkaar lapt, en daarbij vergeet hun hoofd met hersenen te voorzien.

Het gaat dezen menschen even als slechte speurhonden, die zelve nooit een spoor vinden, maar die dadelijk mede blaffen zoodra een goede hond den bek opendoet en zonder door eenige reuk geleid te zijn, zoo snel mogelijk vooruit zoeken te komen. Op deze wijze, stemde de heer Fitzpatrick toe zoodra de heer Maclachlan zijne vrees uitte, en vloog onmiddellijk de trap op, om zijne vrouw te overvallen, eer hij zelfs wist waar hij haar zoeken moest; en ongelukkig (daar het noodlot er behagen in schept die heeren streken te spelen, die zich blindelings aan de fortuin toevertrouwen), stootte hij het hoofd te vergeefs tegen vele deuren en stijlen. Zij begunstigde mij veel meer toen zij mij het beeld met de honden, waarvan ik me pas bediend heb, ingaf, daar eene arme vrouw, bij gelegenheden als deze, zoo juist vergeleken mag worden bij een gejaagden haas. Gelijk dat ongelukkig dier, spitst zij de ooren om naar de stem van haren vervolger te luisteren; even zoo, vlugt zij, bevende zoodra zij ze verneemt, en op dezelfde wijze wordt zij, over het algemeen, ingehaald en vernield.

Dit was echter thans niet het geval; want na lang en vergeefs gezocht te hebben, keerde de heer Fitzpatrick naar de keuken terug, waar (alsof dit eene wezenlijke jagt geweest ware), een heer binnentrad, schreeuwende op zijn jagers, even als men doet wanneer de honden het spoor kwijt zijn geworden. Hij was pas van het paard gestegen en werd door tal van dienaren op de hielen gevolgd.

Thans, lezer, is het welligt noodig u eenige bijzonderheden mede te deelen, welke u niet bekend kunnen wezen, tenzij ge veel slimmer zijt, dan waarvoor ik u houd. En deze mijne mededeeling zult gij in het volgende hoofdstuk vinden.

HOOFDSTUK VII.

WAARIN DE AVONTUREN IN DE HERBERG TE UPTON TEN EINDE GEBRAGT WORDEN.

In de eerste plaats dan, was de pas aangekomene niemand anders dan de heer Western zelf, die hierheen was gekomen om zijne dochter op te sporen;—en als hij het geluk had gehad slechts een paar uren vroeger aan te kloppen, zou hij niet slechts haar gevonden hebben, maar zijne nicht op den koop toe;—want in die betrekking stond mevrouw Fitzpatrick tot hem, die door haar man, vijf jaren geleden, uit de hoede van die wijze dame, mejufvrouw Western, geschaakt was.

Mevrouw Fitzpatrick was nu ongeveer op hetzelfde oogenblik als Sophia uit het logement vertrokken; want gewekt zijnde door de stem van haar echtgenoot, had zij de waardin naar boven laten komen, en na van haar vernomen te hebben wat er gaande was, had zij de goede vrouw tegen een buitensporigen hoogen prijs omgekocht om haar paarden te verschaffen, ten einde van daar te ontsnappen. Zoodanig was de magt van het geld in dit huisgezin;—en hoewel de meesteresse de meid weggejaagd zou hebben als eene oneerlijke feeks, indien zij alles geweten had wat den lezer bekend is, was zij zelve niet beter dan de arme Suze tegen de omkooping bestand.

De heer Western en zijn neef kenden elkaar niet, en de eerste zou den tweede verloochend hebben, als hij hem gekend had; want daar het een geheim en dus een onnatuurlijk huwelijk was geweest (volgens het oordeel van den heer Western), had hij, zoodra het gesloten was, het arme vrouwtje geheel verloochend als een monster,—hoewel zij pas achttien jaren oud was op dien tijd, en had sedert nooit willen dulden dat men haar in zijn bijzijn noemde.

De keuken werd nu een tooneel van algemeene verwarring: Western vroeg naar zijne dochter en Fitzpatrick even driftig naar zijne vrouw, toen Jones in de kamer trad, tot zijn ongeluk, met Sophia’s mof nog in de hand.

Zoodra Western Jones ontwaarde, liet hij het geroep van den jager hooren, die het wild ontdekt. Dan liep hij op hem toe en pakte Jones, met de woorden: „Daar hebben we al den vos;—ik wed dat het wijfje niet ver af is!”

Gedurende eenige minuten werd er door vele menschen allerlei door elkaar geschreeuwd, dat even moeijelijk te beschrijven als onaangenaam te lezen zou zijn.

Nadat het Jones eindelijk gelukt was den heer Western af te schudden, terwijl sommige der aanwezigen tusschen beide traden, begon onze held zijne onschuld te betuigen omtrent eenige kennis van waar de dame zich bevond, toen dominé Supple naderde en zeide:

„Het is dwaas alles dus te blijven ontkennen; want de bewijzen van uwe schuld draagt gij in de hand. Ik ben gereed om zelf te verklaren en met eede te bevestigen, dat de mof, welke gij in de hand houdt, aan mejufvrouw Sophia toebehoort; want ik heb zelf gezien dat zij die in de laatste dagen dikwerf gebruikte.”

„De mof mijner dochter!” riep de landjonker, woedend. „Heeft hij mijn dochters mof? Let daarop! Hij heeft de goederen bij zich! Ik zal hem dadelijk vóór den vrederegter brengen! Waar is mijne dochter, schelm?”

„Mijnheer,” zeide Jones „ik smeek u, wees bedaard! Ik beken dat deze mof aan de jonge dame toebehoort; maar, op mijn woord van eer, verklaar ik, dat ik haar zelve niet gezien heb.”

Bij deze woorden verloor Western alle geduld en werd in zijne woede geheel onverstaanbaar.

Van eenige der dienstboden had Fitzpatrick vernomen wie de heer Western was. De goede Ier verbeeldde zich dus nu de gelegenheid gevonden te hebben om zijn oom een dienst te bewijzen, waardoor hij, mogelijk, zijne gunst herwinnen kon; hij naderde Jones daarom en zeide: „Wezenlijk, mijnheer, gij moest u schamen in mijn bijzijn te ontkennen dat gij de dochter van dien heer gezien hebt, daar gij weet dat ik u met haar te bed gevonden heb!”

Zich daarop tot Western wendende, bood hij aan hem dadelijk naar de kamer te brengen, waar zich zijne dochter bevond,—en daar zijn aanbod aangenomen werd, gingen hij, de landjonker, de dominé en eenige anderen dadelijk naar boven,—naar de kamer van mevrouw Waters, waar zij met even veel geweld binnen drongen, als de heer Fitzpatrick pas van te voren gedaan had.