Menschenwee (part 3 of 3)
Langzaam zakte Dirk langs pondertouw àf, dat Kees door ’t katrol geheschen had. Met hun drieën nu sjorden ze nog, tot Dirk, in zwaren knoop, ’t touw-end om wagenkant vastrukte. Hijgend en blazend, paf van smoorhitte, die als wiegelend vuur op hun kleeren bleef zengen, en hun zonnebronzige zweetkoppen rood-vlekkig, bevlamd van inspanning, onkenbaar verwrong, stonden de kerels achter ’t krat van den hoogen wagen, waar de wind nu geen vat meer op had.—
Stom even keken ze voor zich uit.—Toen, met ’n forschen ruk boorde Kees de steek vork diep in ’t hooi.
—’n Gos-meroakel daa-tie stoan ’tmet.... kaik.... wâ lailek die skaif hangt!..
Dirk kroop op ’t voorkrat, klom op z’n bankje, ingedoken onder ’t berghooge goudhooi, z’n schonken en kop òverhuivend. In beukerenden ruk en pracht-spannenden spierzwel, de pooten pezig gekromd, de flanken gestrekt, kop in snuiving laaggebukt, hoefklakkerde ’t paard op den grintdijk áán. In waggel kraak-hortte de wagen voort van den dijk.
Kees en Ouë Gerrit hingen zich aan de binten van ’t achterkrat, met armen vastgehaakt, half-sleurend langs spanrand en touwkruis, om den berg te stuiten in z’n snel-sullenden gang van schuinen dijk. Zoo hobbelde de wagen voort, angstig scheef-hellend den straatweg op, klaar, om bij ’n dommen zwenk neer te smakken, breed-uit op gloei-blinkenden klinkerweg van polder.—
III.
In den middag stonden de hooiwagens weer leeg op den dijk. De wind was uitgevlaagd, brieste nu koeler in den zwijmenden polder, en zilver wolkspel, veerig blank, doorpluimde in ontzaglijke zwierlijn, ’t hemelruim. Achter, bij horizon, stapelden wolktronen, paars en violet in dampig en vochtig goudlicht. Van alle kanten uit, achter dammen, dijken en paden, waggelden de hooiwagens weg, als ’n zwoegend versleep van duinen.
Gelijk ’n blinkende witte baan, lag gloeizanderige klinkerweg naakt te blakeren tusschen ’t groen. ’n Adem van zeezoelte koelde soms over ’t land en in mistig violet slankten de dorpstorentjes op paarse kim. Wijde middagrust, zwijmelloomde en suizelde over klaverveld en bouwgrond. Meer bijeengedromd in de middaghitte groepten de droomrige trage koetjes in vacht-pracht, en smijige huidplooiing. Wat watermolentjes wiekerden, wìekerden, en bestoven van luwe dampen, schitterden de slooten of effenden met kroos, in dof prachtgroen, pasteltintig omstreeld van innig licht.—
Om zeven uur nog stonden Dirk en Kees den laatsten wagen op te laden, nu vlugger en rustiger werkend, in den koelenden luchtstroom en stillen aangloei van zonnerood, tusschen den avondlijken val van ritslige zuchten en polderstilte, eindloos.—
Luidlooze groei van schaduwleven was over ’t land getrokken. Gebroken kleurval dampte òp in wazig zonnerood. Graasgeluid van koeien raspte zacht door de weien en blaatgekerm klaagde éven over dijken áán, als ver kindergeween.
In pastoralen zang verklonken van heel vèr, soms even, menschenstemmen vaaglijk, en hoog van hooiwagens, door den avondrooden polder. En roerloos, de weien verklankten de werkersstemmen als zang in den avondval.
Kweelig vogelgekwinkel, zacht als in den ochtend, jubelde rond en lichte muschpiepjes stipten ongedurig nog blanke dag-geruchtjes tusschen oneindige lucht en vlakte.—In ’t westen zwierden blank-beschuimde wolkjes, als ’n vlucht zilvermeeuwen en blanke tortels, verdwaalde zwerm in zonnedaal.
Goud-geel en rood omvloeide ’t stedeke Wiereland in zomeravondbrand, met z’n havenwoel, schepen, kleurig lichtspel, purperglanzig achter verren boomendrom en molen.
Huisjes, met oud-rood en hel vurig dak, walmden in laten gloed, in wolkerig avondgoud, bij enkele hoeken, in zacht-wondren brand de krotjes verguldend als blinkende kluistertjes.—
’t Vlammenrood van zomeravond licht-baande in vervige vegen door ’n warrel van kleine huisjes, dwars-scheef, krom, verweerd en gebroken, toch van verre saàmgekringd, met hun geelbeokerde geveltjes en glans-raampjes, pracht-tooverig aangegloeid in ’t zonnerood. Aan één kant van polder naar Lemper, rijden de hooischelven òp in wonder-stille, roode tooverij van magisch vuur.—’t Hooi sfeerde rood-omwiegeld in angstig-heiligen gloed. Violet kropen de slagschaduwen als gedoofd vuur onder aan de schelven, met de graszee in laatste doorzonning er onder, vreemdgeel-groen nu, in zonnedaal. Rij aan rij, de hooischelven wonderden dáár in de roode zonnetooverij, en angstiger in doodskruip klom schaduw-violet aan één zij òp, doofde ’t hooiblond, ’t goudgegloei, ’t gras, in langzamen stijg.
Boven ’t stedeke, ’n zicht ver, stond de hemel in hel-rooien brand. Wolkenburchten met goudbegloeide boogbruggen en rood gegloeide pijlers, dreven in geel-okerige zee van licht. Vlammenpoorten boogden hoog, waaronder uitholden paardestoeten en ruitergestalten in rooden vlammenvlucht, toeterend op helkoperen trompetten, ’t vuur uit de avond-hemelen samen.
Ze renden, ze draafden áán, beschuimd, bestoven, ombeefd van gloed, één draf van renners uit ’t vlammenrijk van rooden avondbrand, naar de burchten, over gouden bruggen, door kleurige poorten en zilver-groene hallen. In roodgouden damp ijlden hun rossen, met snuivende trilneuzen, door ruïne-rijken van vonkend violet.
Vanen van vuur en gloed in nevelspel, wapperden uit, onder brandende vlammenpoorten en telkens in heviger lichttuimel stortten afgebrande roode balken en steenen met knetter en vonkspat, ’t paarsblauwe ruim in, uitgedoofd doodstil vergrijzend.—
Zoo, ’t hemelspel dreef boven stedeke, zomeravondbrand van polder, geluidlooze ren en fonkelende klaroening van paarden en ruiters, uit ’t vuur naar de burchten, door gloed en damp voortstuwend in drom, en tòch stilstaand in aarzeling. Eindelijk versteende de drom, apotheose-stoet verbleekend in oranje naar paarse mist, de paardkoppen alléén nog vurig besinteld, in oogstaar; nog éven te zien de hijgende snuifneuzen, in nerveuzen angst-tril. En boven hun koppen, gloeisperen van vergrauwende renners, dwars geheven naar ’t vlammenlicht, in starre houding, grijs-vaag wègdoovend in nevel van paars.—
Onder den wolkenden aarzeldrom, ’t stedeke avondgloorde in stiller rood, heilig van gloed. Dakjes-wemel, in zonnezinking verteerde in glansrood; blauw geluik, groene deurtjes en venstertjes vergloeiden èven zacht lichtstervend. Ruitjes in rooden gloor vervlamden brand, stillen heiligen brand, en helrood, en purper en zilverleiïg gloeiden de daakjes, lijnden vervloeiend in ’t wisselend hemelbrio bòven havenboomen; boomen die groeiden, reuzig tegen ’t late licht in. Wasem van tinten dampte al lager uit òver ’t stedeke en bleekgoud verstierf de havenwoel in eindelooze stilte, doorruischt van avondval.
De polder ving laatsten gloed, in blonden aarglans van rogge. Halmen glimmerden en dauwig lichtwaas dampte over het stervende, verstillende land.—
De hooischelven stonden uitgegloeid in paarse dofte en ’t gras weifelde geel-teer onder een zwijmel van hooilucht en bloemzoet.
Vesperklokjes luidden lichtelijk in eindlooze teerderheid, als zilverende koorgalm van angelus-stemmen. En héél ver af, aan den schemerenden cirkelrand van polderkom, de dorpjes vereenzaamden, verschuchterden in bleek grijs. ’t Vee, loom plassend in nevelzee, verstipte in overgrauwende dampigheid, al kleiner.
Wat hooiwagens vèr op dijk, schommelden, dof in avondlijk mistpaarsen landdamp. Zoete geuren uit de koelende aarde zwijmden òp, wiegelden rond. Tjilpertjes, heel zacht, in dooréén jubelenden piep, vlogen áán en wèg door ’t gras, doorstreepten ’t avondland met zangetjes ijl, zilverend geneurie van vedels en aëoliens.—
Al donkerder verzonk de polder, vereenzaamd in nachteduister.—
Krekel-dreunzang melodiëerde overal en nergens, afgebroken avondklanken. Windefluister ruischte rond, vertelde wat in ontroerden suizel van nachtegloor, en van ’t stedeke woeien áán zwakke geruchten, brekend op de deining van polderrust, avondstilte op rhytmus van eeuwigheid gedragen.
Avondgeruchten vaag en wezenloos verzwierven in ’t duistere weide-rond, en al zachter fluister trilde over donkerend aarde-groen.—Zachter verstierf ’t ruischgebed van riet in de plassen, de weeke heimelijk-teere ritsel van aren en halmen.
En dichter op de aarde daalde de hemel, al lager, lager, grijs-nevelig vervloeiend met ’t duisterend weiegroen, paars-teer, doorsidderd van avondheilige stilte.
Ver rijk van godswijde stilte in mistig avondgerucht, éven doorweend van koe-loei, heel vèr, uit donkere wei aanklankend, omruischt weer van rietzang en halmenfluister.—
En stil, ontzettend in stilte, aan de kim, ging opstand van stomme silhouetten, schaduwen van werkers, donkere nabeelden van zwoeg, duister versluip van menschen, stemmeloos verdwijnend in ’t avondpaars van den onmeetlijken poldernacht.
ZESDE HOOFDSTUK.
Ouë Gerrit liep rond in z’n tuin, achter ’t erf, kijkend naar de boonen. Op een be-boomd hoekje stonden Kees en Dirk in zondagsplunje te koekeloeren naar de bessen en frambroze-struiken. Stijfjes in zwart kolbert, gouden horlogeketting op zondags-vest, stapte Dirk voort naast Kees, die met schunnig gelapte broek en in groenig verkleurde pijjekker, meeliep.—Ouë Gerrit strompelde behagelijk in zondagsche rustzaligheid rond, bekeek z’n boeltje met genot. De aardbeien waren nogal gegaan. Dirk had met ’m afgerekend, schraperig uitgeteld, en de zuip, dacht ie zoo, was wel minder bij ’m geworden. ’t Geld had Guurt muurvast, beter dan hij zelf. Want allang had ie gemerkt dat Dirk, de snauwende stille Dirk, met hèm liever afrekende, dan met z’n zus, die mirakels op de centjes keek, als vroeger d’r suffe moeder.
Woàr ’t tug nou met ’t waif noar toe mos?.. hoho!.. da wist tie puur sellefers nie! Dà wier d’r al suffer en suffer! Dà wist ie sellefers moar hallef. Wá’ da’ nou sain sou.. eenmoal... andermoal!.... moar de oarebaitjes gonge goed en de boone stonge prèchtig.... Die boone! die moste sain vast ’t joar goedmoàke. Die laileke dokter Troost, die bemoeial, ho! ho! had sain sait.. veur wâ hep je nie aldegoar oarebaaie?.. Moar da sou ie denke! die kabbeloebeloap!.... àl je f’rdienste op één risiko sette! Wie waa’s d’r soò daas?.... Aa’s de boone moar goed gonge!... en de kerels d’r tuusbrochte wa’ ontvange wier.... Nou gòng d’r Piet de heùle weuk noar stad.... Da’ gong veul beterder! die beskouwde d’r soms de half meer aa’s Dirk! En aa’s d’r dan Nofember dokt most worde.. erais kaike of dá’ ie d’r kwam dî joar, al had ie skuld en skuld en nog erais skuld. Al stong ie d’r gloeiend lailek veur! Moar wà nou? most ie.. most ie op haide.. seure?.. op haide? d’r was nou rùst.. rùst, nou most ie kaike, kaike!
Dirk en Kees drentelden ’m voorbij. Ze vonden ’t lekker de kerels, in den snikheeten Zondagochtend, stil en rustzalig lui, op ’t land, zoo tusschen d’r eigen gewas en opgeknapten boel te slenteren.—Te koekeloeren naar de teelt; alles zien wat noodig was, en toch geen hand uitsteken.—Zoo leek ’t puur genot adem te halen, midden in de landgeuren en ’t zonnegoud.
De aardbei was in z’n grootsten haal gedaan. Er bleef nog wel elken ochtend en avond wat te manden, maar nu weer gloeiden de bessen òp en de kruisbessen zwollen goud, en de dauw-doffe frambozen met hun heimweeïgen geur van rozenzoet, purperden overal aan de struiken, tusschen ’t groen. Ze hadden ’n mooien vruchtenhoek, waar zorgelijk rond gewied was. Voor den kerkgang van Ouë Gerrit, wouên ze met d’r drieën nog ’n straatje omslenteren. Dirk had al wat gebromd. De Ouë gooide z’n vuile jekker uit, liet zich door Guurt z’n spannend-plooiïge zwart-lakensche jas brengen. Heerig, met groenig fantaziehoedje op z’n zilveren krullen, in enge jas die stramde onder z’n armen, en over borst, kwam ie ’t erf af, stijfgebarend en harkerig loopend, alsof z’n tikker bij elken tred kòn scheuren. Ze rookten alle drie, knepen kwijl-dotterige punten aan hun sigaren en de groenige morsige gebarsten handen, vereelt en doorpeesd in grauw valen tint van aardewroet, klauwden stijfjes onder de zondagsmouwen uit. Drie op ’t rijtje, pas aan pas, ging de slenter door Droogeweg, achterhoekschen tuin-wijk van Wiereland.—
Aan twee kanten, langs Droogeweg-laan, goud-fel doorzond, groende tuinderij op duingrond, hobbelig en hellend, hier en daar doorscheurd van woest-zanderige, kale brokken.—Jubel-blauwend straalde de hemel uit en ’t zilvergrijs van wilgen en beukengroen langs de laankanten, trilde in feilen lichtstroom. Stil lag de zondag-weg, ’t smalle rood-aarden pad doorsprankeld van zomervuur en zonnevonken.—Aan weerszij, diep naar achter, de zonnige goudgroen beflonkerde moestuinen en boomgaarden, tusschen den greppeligen goud-zanderig doorscheurden duingrond, laag-golvend en vloeiend-teer van lijn, waar naakt gegroeide wortelkronkels van krom-gevloekte wilgen klauwden, onder struik-woest gewas uit. Langs de heele laan, zonnigden heet, de tuindershoevetjes, klein en hel-roodvlammig bedakt, tusschen diep-inloopende oprijpaadjes die paarszandig gloeiden tegen goudzand van duindal. ’t Lage duin vergleed daar prachtig in z’n golvend vrouwelijk-fijne lijn-rondingen, svelt en teer, waarboven wijd hemelblauw jubelde, zee-wijd, boven groen, groen, àl groen, bessenrood en purper.—
Al de oprijlaantjes vóór zongloeiende hoeven kronkelden daar aan twee kanten, hoog begroeid met wilden cier van struik en bloem, waarachter de blaker-geveltjes in zondagsrust heiligden, fel gelukkig lichtjubelend, toch peinzend, doodrustig in zomerglorie.
Laat-Juli daverde snikhitte en zonnegoud op ’t dicht bijéén gegroeide teeltgroen, laaide door boomen, struikwild en bloemgroepjes, in kleurigen gloed. Achter en tusschen ’t groen, ’t godlijke stralende jubelgroen, overal, van boomen en gras, gewas en duinmos, scholen de hoevetjes in een blank-gouden wasem, omsterd van gele en roode bloemselen; goudsbloemen en dampende violier, sneèuw-fel wit, en al-gloeiend duizendschoon. Er jubelde rood en hoog-paars in de oprijlaantjes, in hellen blaker van zonnigheid. En ’t bebermde golfduin in teer-vrouwelijke glooilijn, omdonsd van groene koestering, trilde overstort van tooverig zomervuur. ’t Vonkte langs de greppels, achter de huisjes, geel en goud, papaver-vuur en hel-paars boekettig.—
Skabiosa’s en blanke zilveren winden, reine sneeuwvaasjes, lichtten in ’t groen gestruik tusschen gras en wilden bloembloei. Heel diep, de zilver-blanke, de goud-blanke, de schitter-sneeuwige winde dan hier dan daar, sneeuwden boven ’t prachtgroen, roerloos rein als besneeuwde hostie-kelkjes.—
Stàp-stàp, langzaam kuierden de mannen langs de tuinen, op ’t rood-zandige pad, zwijgend, ieder wèg in eigen denk-dommel. Kees, stil en mijmerend, dacht aan Wimpie, huilde en smoorde woede-drift, dat ’t ventje niet bij ’m was. En Dirk, al heeter op de meiden van Grint, was blij dat ie nog wat duiten had achtergehouën voor de kermis in half Augustus, om ze te trakteeren. Toch jeukten ’m de handen, als ie dacht aan lammen neef Willem, die ’m daar altijd dwars zat met de lekkere Geert.—
Ouë Gerrit dommelde voort, onrustig zich voelend, naast z’n zoons. Hij was ’t nou eenmaal gewend, Zondags vóór de kerk, alleen ’n slentertje te maken. Dan was ’r nog altijd wel wat voor ’m te gannefen. Kleinigheidjes wel, maar dat kon nou eenmaal zomers niet anders, bij zooveel vertier en zooveel kijkgrage oogen. En nou was ie weer gedwarsboomd door de kijkende kerels, die hij niet had willen weigeren ’n hoekje om te maken, en bij wie ’t toch wel uitloopen zou op ’n borrel.
Nou kregelde ’t over alles in ’m. Eerst om z’n lamlendig sukkelwijf, dat maar vrat en zoop en duiten kostte en geen poot meer uitsteken kòn; dat daar als ’n lijk in huis verslonk op d’r stoel, in ’n hoekje bij den stal. Hij begreep maar niet waarom dat wijf leven bleef.... ’n Stelletje rommelbeenen en tangen zonder vleesch, koffie zuipend, met d’r muffen smoel open en en dicht, en kwijlen, niks dan kwijlen. En ’t besef van geen minuut! of zou ze nou altoos vigeleeren op hèm? Dan kregelde ’t in ’m dat ie bij den fotograaf tegenover ’t plaatsje van Bekkema waar ie de blommetjes nakeek,—dat ie bij dien vent ’n stommen streek had uitgehaald.—Daar dronk ie tegen elf, nou altijd ’n lekker bakkie koffie. Nou had ie bij dien kerel, ’n heel mooi, fonkelnieuw goudtientje in ’n doosje zien liggen, zoo losjes maar, en dat had ie netjes gepiept! ’t Eerst van z’n heele leven dat ie geld gannefte. ’t Had ook zoo geglommen, zoo prachtig uitgeblonken, dat ie d’r geen oog van af wist te houen. Nee, hij had gevoeld, dadelijk, dat hij dat goudtientje moèst nemen, al kostte ’t wat ’t kostte. Drie dagen later, na ’t gannefen had ie plots gemerkt, dat de fotograaf ’m niet meer zoo gul toesprak, en geen afporterteersel van z’n kop meer maakte. Hij had gezien, heel sluwigjes, uit alderlei kleine trekjes en zegseltjes, dat de man ’m wantrouwde, nooit meer alleen liet in ’t atelier, òf àls ie ’t eens deed, altijd de deur van z’n donker kamertje sloot. Dat maakte ’m bang, onrustig, al wou ie dien angst voor zich zelf soms verstoppen. Hij tastte nou in vage benauwing.... òf ie den vent argwaan had gegeven, al begreep ie niet waarom de man hèm durfde te verdenken; hèm met z’n grijzen kop, z’n besten naam, z’n lange woon?—Maar d’r was nog meer, nog méér, waarover ie kregelde. Hij had twee regels bollen gestolen, uitgegraven uit den grond bij Bukkus, vlak achter zijn tuin....
’t Jonge, dá’ waa’s d’r ’n nachie weest! ho-ho! Moàr hai had se tùg... heul selsoàme bolle! Veur da’ mòst, most ie juistig hewwe!.. Eéne regel.... van ’n poar honderd pop!.. hoho!.... Moar wâ had ie d’ran? In kelder gonge se wègrotte.. ’t gouwestukkie lai ’r prêchtig! prèchtig! t’met òp de lepeltjes! Moar die bolle? was niks gedaan!.... Doar leeë sullie hoho! wâ had t’ie d’ran? ’t Was eerst moar lekker, salig weest, dâ tie soo’n raikdom in ’t kluissie had.. sukke dure snukkers! somoar ganneft! En se terugkwakke, nee da kon ie tug ook nie van s’n aige f’rkraige.
Wa’ hadde sullie ’n heerejesis-hooge herrie moakt op de ploats! Nou waa’s ’t alleweer soo wait hain!.... hoho! moar toen! De pelisie!.. as daas hep sai d’r rond spookt! En klage! klage! dat Bukkus dêe, teuge sain... Da was d’r puur genot-en-weust. Beurde nie veul, dâ d’r soo moar stole wier! Moar nou was ’t lol weust alewèl.—Toen gonge se sain toeskreeuwe dáá ’t skrikkelik, gruwelik waa’s.. da’ se de vent-en-moste hange.—En hai.. s’n bakkes in plooi, stroef s’n aigenste test an ’t skudde en meevloeke.. daa ’t ’n-en-skande waas.. O! barstte had ie kent van genot, van salighait soo. En de fint sain an ’t spuge, s’n aige van malkoar, skreeuwe van drift.. En hai bromme in s’n aige.. da’ hai wist woar se leeë, leeë, juustemint op dâ stonde, dâ de fint sain d’r om-en-huilde!... En heel Wiereland waa’s d’r in opstand, ’n relletje, van viere en vaife en nie genog. Da’ sou die t’met nooit-nie f’rgaite! Hai de heule santekroam doar stilletjes legge.... soo stilletjes.... die meroakel-dure bolle.... die moar niks saie.... en dan sóó de heule boel veur je aige sien hainholle en rondsnorre en soeke en skreeuwe en skreie aa’s skoape! En hai an ’t bekloage, da’ tie s’n aige stem hoore gòng, dá’ tie effe skrok, f’rbluft stong van s’n aige valsighaid, moar tug weer lachte van genot, salig genot.... omdá’ hai se had.... vlàk bai sain. Enne.. da’ tie soo in sain hande naime kòn, a’s tie wou, haì, woar de heule ploas daas van waa’s.. en niks niemand van te begraipe wist. ’t Was d’r ’n salig genot weust!.... Moar t’jonge hai most tug oppasse.... ’t Waif van sain kon d’r wel figelaire.... van waige ’t een en aêr.... tjonge.... da’ gong so wait.... hoho! ongelukke binne kwaje kanse?... eenmoal andermoal... dâ kon d’r in kluit-en-loope.. Aa’s da’ waif d’r aige moar nie stommetje sai.... allainig om sain te beuke.... Moar.... moar hep de dokter nie fermail sait aa’s da’ se d’r netuurlike f’rstand veur alletait kwait leek? Wel ja! huhu! da’ waa’s d’r t’met ’n ellendig-goeie woarskufing! hee?
De twee dokters saie t’met allebai eenderlai! Dan most ie s’n aige nie soo moar van stuur moake!.... hoho! Moar aa’s tie goed keek, waa’s d’r dan nie wat an Kees? an s’n kaike? Had die sàin nou nie in de goate? Heere kristis wa had die.. veurige weuk,.... èlleke nacht ’n angst uitstoan? Ieder keer docht ie soo laifendig Kees veur s’n lampies te sien. En op dag sag ie Kees moar alletait op sàin loere! En gain woord da’ de fint sai! gain stom woord! En aa’s tie dan, uit angst om sain haindroaide.... soo om d’r ’n woordje uit te kraige, waa’s tie norsch.... Moar d’r uit niks! Enne Piet?.. Piet? Hep die sàin nie veul meer afsnauwt.. aa’s aers?.. Sou die?.. sou die wa’ snapt hewwe?.. Och! hai most d’r moar late woaie!.. d’r waa’s d’r moar aldegoàr bangighait! De kerels wiste puur niks! niks! gain snars!
Dirk en Kees waren op ’t pad blijven staan voor ’n duinbrok, breed goud-zandig, half verglooiend achter kronkelig vergroeide wilgen. ’n Blauwbekielde stond ’r te zwoegen, in den snikheeten zonnebrand.—
—Wa’ nou Beemster?.... de sabbat onthailige?.. hoonde Kees.
Beemster keek òp, schrok toen ie strooperstronie van Kees zag. Maar nou op den dag wou ie geen angst voor den vent toonen.
—Nou maa’n, wi’ jai ’t t’met doene? Ikke gun je vast ’t kattebakkie!
—Dankkie, lachte Kees, da’ rooit noa niks?
Dirk stil, koeiig-traag, keek op de wriemelende werkhanden van Beemster. Ouë Gerrit was blijven staan, naast Kees. Nou voelde ie zich toch weer lekker, dat hij, op Zôndag, geen aardappels te wieden had.
—Binne ’t loate?
—Daa’s net, moar an die hoek hai je makkeboone.... stoan mooi hee?....
—’t Is main f’rdomme ’n kattebakkie! schreeuwde de daggelder naar de kerels in de laan,—da’ gòan je sondag!.. ik sien gain waif, gain kind.... Nou poer ikke tog van sonsopgang! tut ’s nachts, veur main diefe-loontje hee?.... Enne om d’r sellefers ’n happie te kenne freete in de winter.... mô’k an oarepels rooie veur àige bik.... Daa’s iedere sondag eenderlai, ’t eenige uuretje da’ je oferhept veur àige werk. Gunter stoan d’r Bolk en Hannes Skrepel en Piet Steinstroa.. en Gais! daa’s nooit rust!
—Daa’s net, riep diepstemmig klankvol Kees terug, smart-ernstig getroffen door ’t ploeteren en den zweetdruipenden gloeikop van Beemster.
Werker hield éven op met wieden, sprong van den grond, tusschen z’n regels uit, keek naar Kees. Zon schroeide z’n kop, waarop ’t zweet nu met vette droppels glom, als neergehageld op wangen en slapen.
—Kaik, gunters, hier ’t hoekie òm, stoan d’r Gais van ’t Binnepadje, de looper van „De Dageroad”, die poert s’n aige ’n beroerete.... Die hep d’r nog vaif golde in de waik! van s’n vrachtraie.. van ses s’oafus tut ellef.. twoalef hee?.. enne in ’t murgen ’n poar uur.... aa’s ’t mot!....
Nou hep die d’r op den dag ’n hokkesoakie! moar.... se plukke d’r sain! en betoale nie! Nou hep tie s’n leste duitje inskote! Hai kèn d’r puur baidele!.... Van die vaif golde van kooks.... van die ses pop veur turrif.... van die twee pop veur hout.... soo.... van moand tut moand hee?.... nou, in ’t lest.. dacht ie.. f’rek jai mi je snoeptoafel! Hep ie lappie grond pacht!.... Nou plant-tie wa’ kool, oarepels.... en da bewerkt ie.. an den sondag! en nou komp de kapeloan en sait d’r da’.. da’ sabbatskender hiet!.. Wâ! sait ie! Sorrige.. da je an de winter nie heuldegoar doodhongert, saittie!... is dâ sonde?—Nou.... in de waik ken die d’r gain poot ànsloan.. saittie net aa’s ik nie!.... nou werkt ie tut s’oàfus! nou... ikke hep d’r ’n suur brok brood.... moar hemmis.... hemmis nog ’n handje erreger....
Hij had zich weer tusschen z’n regels gebukt, en opsliertend woelde z’n hand ’t onkruid uit. Achter ’m stonden in bloei van lichtend paars, de vroege aardappels. Fijne bloemengeur dampte uit den zandigen, van zonnegloei ingevreten hobbeligen grond òp. ’t Lage loof groende donker, en zangerig ’t bloesempaars jubelde onder ’t vuur-fel hemelblauw.
Verwaarloosd stond z’n boel! In de hevige aardbeidrukte had ie ’r, ook Zondagochtend met geen vin aan kunnen werken. Nu stikte de rommel van onkruid en vuil. Ouë Gerrit loerde maar, wreef langs z’n baard, zei niks, dóód voor ’t gemartel en ’t gepoer van Beemster. Hij zag niet eens z’n heet-dampenden natten zweetkop, die bronsrossig glom in zonzeng. Hij voelde niet dat de vent onder ’t rooien de hitte uit den grond opgroef naar z’n eigen strot. Hij loerde maar naar de kerels, of d’r niks was aan den weg voor hèm, om mee te gappen. Er zat al zoo lang hittejeuk in z’n steelhanden. De zomerploeter hing ’m al lang de keel uit. Hij snakte naar den herfst, naar de inplanting van bollen, als alles zoo onbeschermd stond op ’t veld, gereedschap en goed.
—En pest-harde grond daa’t hier is, klaagde de Zondagochtend-zwoeger op ’t duinbrok weer, ingebukt pratend onder ’t wieden,—je ken d’r hier poere mit ’n houwail, dan rooit.... rooit nòg noa nies!
—Da’ wee’k, dá’ wee’k.... lachte Dirk goeiig neerziend op den werker, die daar geschroeid bleef zitten te zuchten en hurken, in verlammenden kruip, ingekneld tusschen de nauwe aardappelen-regels.—Kees voelde iets branden in z’n keel, iets van meelij met Beemster. Maar gauw dat gewoel wrokte wèg in onbestemden haat en nijd tegen alles; dat zijn Wimpie daar neergeslagen lag, elken dag bleeker, zwakker, beroerder. Ieder dag zong ’t kind meer, en ied’ren dag vloekte, schold hij heviger tegen ’t wijf en de vuile menschklont van z’n schoonmoeder. Hij deed z’n werk, loom, onverschillig, al vonden de anderen ’t heel raak.—Maar onder al z’n werkgedoe, zag ie Wimpie op z’n bedje of in den krakenden kinderwagen, in ’t zonnetje, zingende stervend, vergeeld, vergrauwd, vermagerd. En altijd in gebedjes, met dat weeke stemmetje, ook zaligend en biddend voor de ziel van zijn vader. Telkens smoorde Kees huil van woede omdat ie ’r niet meer wild doorheen durfde ranselen. Want als ie dat gefemel en geprevel zag op de bleeke lipjes, had ie lust ’t kereltje ’n mep te geven, dat ie ’r stom verbluft van zou kijken.—Z’n lieve jochie, al maar z’n geraamtehandjes doopend in ’t wijwater-bakkie.... dat gekke kijken op die beeldjes van ’t heilige Hart.... Z’n lieve jochie voor hèm bidden, voor zijn zaligheid. Ze konden z’n bast voor zijn part als ’n dooie hond te drijven leggen in ’n stinksloot, was ’t nog goed genoeg voor hèm.—Om dol te worden als ’t wijf ’m treiterig sarde en zei, dat Wimpie door zijn goddeloosheid zoo ziek blèèf en nooit beter kòn worden. Op die oogenblikken kon ie ’r met moordlust en bloeddronken duizel ’n mes de ribben instooten, dat kreng!—Wat later dan, door ’n marsch in de duinen gekalmeerd, begreep ie dat het kereltje ’t niet helpen kon; niet wist wat ’t deed. In al z’n rauwen haat, die als ’n razernij over ’m heen rilde, voelde ie dat soms heel zuiver. Maar met één, dat ’t ventje al beroerder, akeliger keek uit z’n geel-zieke oogen....
Hij hoorde de doffe mor-stem van den Zondagzwoeger op ’t duin niet meer, die telkens, schokkerend naar adem, voortsprak, getroost al ’n beetje dat ie z’n wrangen jammer aan ’n ander uitklagen kon. Dirk schudde maar met z’n kop, half-luisterend en slaperig dommelend op ’t blakerende plekje. Ouë Gerrit wou d’r telkens van doorstappen.—
Brommerig en loom kuierden ze eindelijk verder. Heerlijk, in zoete geuren wasemde ’t walstroo rond, en zonnig-heet gloeide ’t rood-zandige belommerde pad, in bosch-vochtig zomerdrenksel, vol zoeten dennenreuk, warm en prikkelend van woudgrondgeur. Stil, de oprijlaantjes van beblakerde hoeven, droomden in godstilte van Zondagsland.—Achter grijs-glanzige wilgen, popels en sneeuwzilverend ritsel van wond’re wit-fluweelen abeelen, achter struiken en grasbloemen, flonkerden de besseboompjes, grillig bezond, in spiralende prachtglanzing, hel-rood; overal koralen trosjes, jubelrood, glansbevend van goud-helle zonning.—
Tusschen malsch groen van gewas, klauterden de boompjes hurkig òp. Struik-laag in drommende trossen, hingen de vurige besjes tot op d’aarde, weelde-trossend in zonnerood en schaduwrood. Overal, aan weerskanten van de laan, al verder, al dieper, in wasemig lommerend zomergoud, blakerden de tuinderijen met dien wondergrilligen tooi van vruchtjes, met d’r helle glansrood, àchter den wilden hoogen bloei van lila en witte koekoek, goud bestoven geel van rolklaver, en de zoete cier van duizendschoon; àchter wemel van paarse, zoet-paarse en blankhelle, blauwe gebloemten van àl wild gewas, in ’t heet-zonnige gras. En stiller al, op den doodstillen Zondag, heilig goud-droomden de goudene lommerende oprijpaadjes; blakerden de tuindershoeven, als van den weg af, naar achter geschoven, brandend tusschen de felle zegeningen, van zijïg groen, tusschen fluweel malsch-groen, ’t stugge, geripste, ’t gladde, ijle, zacht-trillende, even wuivende groen, ’t licht gepolijste, vonkende, ’t goudlicht-afbrandende groen, ’t groen van al soorten boomen en bladeren.
Daarin gezakt, in zwijm van zomerende glansen, laaiden òp de lakrooie dakjes, tegen hel hemelblauw, brandende lakgloed in ’n trillende lichtzee van azuur, van ver wazig bedampt in hette van goud en bevend hemelpaars, achter boomen en rijzen. En vooráán, op de laantjes, als vreugde-oogen, de kolorietraampjes van hoeven, dichtgewolkt met ’t blanke, innig-knussige, spul van wit gordijntjes-neteldoek, en ’t fijn-kleurig spul van blommetjes er onder op postrand. Hier en daar èven bezond soms, in gouden gloei vlamden de kleine raamruitjes in de heete praal van geraniums, hellerood, en late irissen. Vóór verweerde groen-bemoste pompjes, sliertten boerschige perkjes, in toch plechtige warme kleurdiepte. En langs de lage muurtjes, in zonnekartel en flitsbeef aangegloeid, muurtjes van verweerd oranjebrons en pracht-roestig bruin,—of fèl-wit gekalkt in zengblaker,—dartelde één heet vlammenspel van indische kers, omboogd in fijn gestrengel en getak. De oranjevlammende, de rooie, diep en vuurheet, zengend den muur, daar opgegroeid in kleurpoortjes, omhuivend de lage geveltjes in cierbuig van kruisraam, tot boven ’t ruitje, waar de takken elkaar verstrengelden rond ’t dak; vlammige guirlandes, heet-zonnend en daver-gloeiend tegen de roodsteenen en hel-witte kalkmuurtjes in hellen bloemenbrand, van zomerfleur omkranst.—
Zoo, de hoevetjes in hun jubelend dakrood, stonden er gegroeid tusschen laaggroen, bloem en licht. En de zomer, de heet-heerlijke, brandend-joelende zomer, geurde en klotste, golfde en sproeide er om heen, tegen aan, in kleuren en vlammenzon, in lucht en lommer, in gloed en ruisch van heet leven. En àl warmer, in ’t groen-gouden laandiep, gloeiden òp de zijlaantjes en dwarse weggetjes, rullig bespoord en begroefd, in de zomer-rookige zonnehette, die knetterde en vlamketste als toovervuur in ’n reuzenhaard, de hel bebloemde huisjes begloeiend.
In Zondagsche vroom-gouden stilte, blakerden de geveltjes en daakjes, en sommige raampjes azurig belommerd, keken half schaduwstil in schemergroen uit, op de zonnige paadjes. Er achter, de tuinderijen en boomgaarden, wijd omhegd in groen raster van hagedoorn, brok aan brok in één gouden nevel van stroomend licht,—brok aan brok daartusschen in koele schaduw van verduisterend boomgroen, sprookjesscheemrig van lichtval dat hing als ’n wolkschijnsel, in teeren droom van uitgedoofde glansen. En verder op, naar ’t vlakke duin, aan laan-eind, stonden kaler, ten voeten uit, wat hoeven, tusschen rijzen, fel-bloot en aangevreten heet van zongloei, tègen den zengend-blauwen lichthemel. Eén ruisch van teer rose wuifde òp uit slinger-laantje van duizendschoon-boeketten.—Wat verder weer, heet-gebrand, kalk-blanke geveltjes aanéén, samengeschroeid in den zonnenden blink van licht, geel-okerige muurtjes, omstrooid, volgeworpen van boven tot onder, met goudgele, diep oranje-roode en bleek-purperen indische kers en goudsbloem.—Op zon-fel erfbrokje, dat achteruit openlag te zwijmen van hette, kronkelde wild geslinger van vlammezonnetjes, goudsbloementuil, wild en woest, heet tusschen grasgroen. Dáár plots, drie huisjes bijéén, in brand van goudsbloem en kers. En tusschen de wond’re ronde bedauwde blaadjes, het vlammige brio, hoog langs de voorgeveltjes, in oranjerie-gloed, afkaatsend licht op vermorzeld, bemost rommelschuurtje er tegenover.
En heel eenzaam, bij ’n laag-glooienden duinhoek, zonde op, één geslonken verweerd hoevetje, ’s winters bang gebombardeerd door storm en zomers verzengd, vervreten van zon, nù, om en òm bestrooid met zomerzonnige flox, paars-gloeiende en zoet-roode duizend-schoon; kers en goudsbloem, slingers van blanke windekelken, beschuimd van licht, wonder-stil omruischt van zondagsvroom.—En verderòp, aan weerszij, de tuinen, de tuinen met trosgloei van wonder-besjes, overal, overal, hel-rood, glazurend-rood, glanzig befonkeld en bezond, tusschen gouden schemerend lommergroen. En zacht onder ’t struikgewas, de aangroei van frambozen, dof purper, donzig en bleek nog. Zóó in eindeloosheid van stilte, blakerde de zondagochtend, achterland van ’t stedeke, met z’n gaarden en vruchten, in purperig vergloeiend toovervuur.
Onverschillig de Hassels liepen door, vreemd zich voelend in hun stil gekraak van beschoende voeten, gewend aan klompklos en luwte van kousen. In ’n zwaai van den weg, belandden ze aan de haven en Dirk, met ouë Gerrit en Kees achterna, koerste al op ’n kroeg áán. Vol zat de herberg van biljarters en drinkers. Scherpe jeneverstank zuurde in ’t lokaal en roezemoezig de opgemonterde tuinders en knechten, stemmeraasden om ’t biljard. Beschonken kerels, in zeurd’rige klets, belamenteerden elkaar, en vroeg in Zondagsjool stormde ’t landvolk in. Met deftigheidsallure, de hoeden schuin op gekapten kop, bewogen ze zich onhebbelijk en harkig in d’r deftige kleeren. Ringspul glinsterde op handen en kettingen schommelden op vesten. Reuk van versch linnen geurde òp en van allen kant blankte overhemd-wit. ’n Paar gemodernizeerden met rooie dassen, hoog-geboord, werkten zich harkig de handen uit knel van manchetten. Er was gedol en afgunstig geblaas tegen de chiekdoende klungels, en geschreeuw dat ze maar naar ’t stations-koffiehuis bij Termeer mosten biljarten en niet hier, onder hullie schorremorrie.—
—Jai en Joap, jullie hoort d’r puur bai de deftighait! debies! je laikt d’r ’n domenie.. wai hebbe veur jou gain mond fraite hee?
Dirk was dadelijk bij aankomst naar de toonbank geloopen, bestelde voor hèm en den Ouë klare met suiker. Schuw keken de kerels bij Kees’ áánstap. Daar ha’ je f’rduufeld de Strooper. Maar nou geen angst, want ’t was klaarlichte dag, en Kees werkte al den heelen zomer fesoenlik, gelijk met hen op, in ’t land. De spokige lucht was van ’m afgewaaid.
Gewoontjes zagen ze’m alles doen als zij zelf en niks niemendal geen geheimigheidjes meer. Voor z’n strakken kop angstten ze nog beteuterd en voor z’n zwijg, z’n moker-vuisten en z’n reuzig lijf. Maar toch, ’t was d’r puur geen kwoaje kerel, als je’m maar in z’n waarde liet.—
Naast Dirk waggelde ’n groote kerel, stronkige haaibaai, met bezopen tronie en lodderigen staar. Hij bedelde om ’n borrel, in strompelenden woordenstotter.
—Jai hep d’r g’nog, jai kakketoe! zei norsch-ernstig kastelein, ik tap jou nie meer.... je ken nie betoàle.... en jai ken d’r nie meer hebbe, ook nie! ’t is d’r f’rdomd pas half tien en je ken d’r nou al je neus nie meer finde.... debies!
Als ’n drenzerig kind, huilerig en pruilend, zeurde de kerel door, opbonzend met z’n herkules-lijf tegen den kleinen kastelein, die telkens zacht achteruit schuifelde. Smeeken deed ie om ’n borrel, smeeken z’n stèm, z’n beverige begèer-handen. Maar norsch-streng bleef kastelein weigeren.
Van den een, schoof de reus naar den ander, bedelend om ’n vrij slokje, pruilend huilerig en smart-zwaar geslagen van melancholie, bewerend dat ie op lange na nog niet dronken was. Maar iedereen stootte ’m op zij. In dronken drift en wanhoop waggelde ie eindelijk naar de deur, vuistdreigend den kastelein, die in hoonlach schoot, schoueropschokkend met minachting.—
—Se.... moste.... mo.... ste.... jouwes.... n-n-n.... spòa.... tussche.... de rib.... be.... stootte.... jou.... jouw geep!.... stotterde drinkeboer, en rinkelfel dreunde ie de deur achter zich dicht in smak.
Kees wou niet meer dan één borrel. Ouë Gerrit dronk zoetjes, in vadsige lekkerheid. Maar Dirk alleen genoot, roerde z’n brandewijntje met suiker, een na een, kneep half dicht z’n oogen van pure lekkerigheid. Vijf na elkaar had ie ’r ingeslagen, dat z’n lobbeskijk al zachtjes-an in guitig spel van licht verfonkelen ging. Hij lolde met de kerels aan ’t biljard, zei hoe ze stooten nemen moesten en waar ze heenrobbelen zouden.—
—Kaik.... kwankwinker! ’n deurskieter, van bòve roàke mit ’n luisje effect.. kaik de balle stoan,.. achter malkoar!.. krek de oarepels in ’t duin.. Nou stoot toe!.. ’t is je suster nie! hai mot d’r boofe òp se pèt!—
Kees wou weg, sleurde met duwen Dirk mee. Bij de deur botsten ze tegen den grooten dronken kerel òp, die met verzopen huil-lach-gezicht en grauwen kop, als uit stopverf gekneed, strompelend kwam inwaggelen.—
Hij gierde, kwijlde van pret en juichend hield ie ’n dubbeltje tusschen z’n smerige dikke vingers gekneld. In zwaai-waggel sliertte hij op den kastelein àf, achter ’t buffet, en dreigend met schorren uitdaagklank in z’n stem, raasde ie:
—Nou.. is.. is ’t tug-glad-en-al mis!.. hei maa’n! Nou.. he’k.. he’k veur ’n poaretje hee?
—Nou! je bent main d’r ook ’n feestnummer!.. gierde de kastelein, die nog niet schenken wou.
—Wa.. wá’ nou!.. mì’ de lood.. loodpot.... nie-nie.. fe.. soene.. soenelik.... in je.... i.... in.... in je klauwe!.. da.... d’á hep je tug.... tuu.... u.. ug glad-en-al.... àl-àl.... mis!
—Seker, moar je stoan d’r nog in ’t krait.... jai kabbeloebeloap.... goan d’r bai ’n aer!... ik sien lieferst je hiele oa’s je toone.... mó’ je d’r nou al de blommetjes buite sette seldere-mosterd!
—Tu.... tu.... rogge.... ge.. ge.. rogge.... megoggel! hou d’r je fesoen he.... ikke.... bin.. d’r ’n nette.... vol.. vòlbloed.... nette.... nette maa’n.... enn.... enne... jai.. jai.. kaik! hier.... hier.... is main dubbeltje.... noù?.. wa sàit.... sai it tie noù?
Wat lachende kerels bemoeiden zich in ’t geharrewar, hadden lol in ’t dronken verweer, ’t gestamel van den lossen werker.
—Jai hep d’r al vroegies de prins sproke maa’n!
—Nou.. waa’ a ’t? ikke.. ik.. ke bin.. bin d’r ook feur.. feu.. ffeur.. ffeur.. den donder.. feur! feu.. feur de koning Fillim Drie! Laife.... lai.. fe Fillum dr.. drie.... daa’s.. daa’s main weut!.... hee?.... enne.. bi.... bi.... jai.... d’r.... nooit.... nie.... nie iet.... in.... in de wind weust.... hee?
Kees stapte ’t eerst uit. Hij had ’t benauwd; hij kon die kroeglucht niet langer inademen, omdat ie ’r nooit kwam. Ouë Gerrit was lichtelijk draaierig van z’n dronkje, voelde zich blij weer op straat te staan. Alleen Dirk was weer teruggestrompeld, bleef plakken bij de biljarters.
—Nee Ouë.... jai stapt d’r noar domenie hee?.. bai tiene; moar.... ikke lief dá’ nie.. ikke sit d’r lieferst hier.... in de vaif sints-kerk.... wa’ jou? hoonde Dirk den Ouë na, die achter de deur hem nog wou meetronen.—
II.
Er was weer overstrooming van werk bij Ouë Gerrit, en Kees had ’t bij Dirk gedaan gekregen, dat Ant mee plukken mocht. Eerst had z’n vrouw gevloekt en geraasd, dat ze bij die ketters, die vuiliken, geen stap doen zou. Maar met d’r zwanger lijf wou d’r niemand meer hebben in de haal. En ’t moest, moèst voor wat duiten, nou Wimpie al zwakker, meer versterkende middelen noodig had, veel meer dan anders. Ouë Gerrit had gegromd, voelde met dat roomsche tuig als zwaarder kruis en bijgeloof-ongeluk op z’n dak. Guurt, al verafschuwde zij Ant, kon ’t niets schelen en de jongens keken nauw naar schoonzus òm. Zoo kwam ’r wat meer verdiensten bij Kees. Toch zat Ant, met haat en wrok in ’r lijf, dichtgebeten mond van spraakloozen nijd, bessen en aardbeien te plukken. Dientje en Jansje d’r twee meisjes, die ze anders nooit ’n stap liet zetten, in huis bij Kees’ vaar, mochten in den ochtend helpen voor ’n prikje bij den Ouë, omdat ie hield van klein goed, dat niets vroeg en véél werkte, vooral meisjes. ’s Middags hurkten ze bij ’n ander tuinder in Duinkijk, voor ’t wieden van dahlia’s, heel jong nog, en voor de pluk.—
’t Weer was omgeslagen op ’t laatst van Juli. Veel regenbuien in zwaren ruisch neerstroomend, kletter-kakelden tusschen de bladeren en boomen; grauwe onrustige lage luchten verduisterden droef ’t Wierelandsch groen. Met schrik en beven loerde Ouë Gerrit naar z’n groote lap boonen en spersies. Daarin zat z’n bestaan voor dit jaar. Hij had vier millioen stuks te leveren aan de fabriek en ’n geweldige hoeveelheid noodig voor eigen verkoop nog op de groote stad. De vruchten, appelen, peertjes, bessen en frambozen konden ’m eigenlijk geen zier schelen. Dat was kleingoed. Maar nou, met den omdraai van ’t weer, vloekte ouë Gerrit omdat ie de vrucht van z’n boonen niet zag zetten en heel veel bloesem al verrotten.—Dag op dag bleef gure winderigheid snerpen, en gietbuien die eerst als drenkende lafenis op ’t heet-uitgedroogde land neergeruischt waren, hielden áán, angstiglijk en lang, dat den tuinders de schrik om ’t hart sloeg. Soms, tegen den avond kwam de zon even koekeloeren achter grauw gewolk, bleekte weer dampig weg, in nattig grijs. Bang verklonken vage stemmen over den oogst.—En Ouë Gerrit leek ’t bangst van allen, brandde zich aan z’n benauwing, die wurgender òpklom naar z’n strot.—Plots tegen eind Juli keerde ’t weer. Zon kwam luchten-nevel en zilver-dampig regengewolk doorgloeien, doorpoken met licht. En harder weer gromde de zwoeg rond.—
Ant, met ’r zwaar-zwanger lijf kroop tusschen de bedjes, zuchtte en kermde gesmoord, keek stroef en wrang-nijdig als Guurt of Piet d’r wat vroegen van de pluk. Met gift en haat in ’r, werkte ze bij dat tuig, dat nooit naar d’r Wimpie vroeg, nooit nog wat voor ’t schaap hadden meegegeven en voor de kinders, Dientje en Jansie, geen bakkie koffie overhadden.
In woede en stomheid kroop ze, akkerbed na akkerbed af.—
Tegen acht uur op den avond, vergoudde de stille aardbeihoek in paradijselijken glans. Fijne geurige zomerdampen nevelden òp, van den eindeloozen akkerkring rondom, floersig en vochtig van glansen met ’t onderbroken zicht op de verte van àl groen gehaag en zonnige elzensingeltjes. Zonnedaal verjongleerde z’n roode toortsen, tooverig vuur en goudrag tusschen ’t avondgroen, en gloed bloedde over den hurk van plukkers en pluksters, verspreid rond de bedden.—
Ouë Gerrit joeg òp omdat ze hèm joegen. Kees werkte op ’n doodstil punt, tegen ’n weibrok áán met Dirk, tusschen de kruisbessen. Achter hem stonden wat bedden uitgeschoten aspersie in brand, ’n goud-roode donzige wonderwolk, waar ’t heilige zacht-vurige licht doorheen webde ragste glanzen. De lage wolk gloeide al rooder, dwars door de schaduw-lengte der bewegende kerels, die er omheen sjouwden met verduisterende gebaren.
Gehurkt voor de doornige kruisbessenstruiken, ristte Kees de goudgele vruchtjes naar zich toe.—’n Klein mager, stakkerig meisje van tien hielp plukken en de mandjes opkoppen,—
—Hoeveul stoan d’r in de bak? vroeg Kees, diep-stemmig in de avondstilte.
—Tien.... twintig.... dertig.... acht-en dertig mandjes, telde ’t kindje.
—Nog vaiftien, dan is ’t daan,.... goan jai d’r nou moar an de besse.. pluk d’r mooie.... veertig mandjes.... of wacht! help d’r nog rais twee hier.
’t Kind, goudkrullig kopje, met smoezige wangetjes, morsig als van ’n vuil elastiek popje, luisterde naar Dirk, stond in gewilligen stand klaar, om daadlijk te doen wat ’r gezegd werd.—Van bessenhoek kwam Piet aanstappen.
—Bin je ’r t’met hier?.. ké’ jai de klaine misse?.... f’rdomd aa’s je d’r nie vast veul ferder mee komp aa’s mit ’n knoap! Die loâje je t’met ieder keer in de staik! Da là d’r aige omkoope.... feur ’n kwartje.... ’n dubbeltje per dag meer.
—En gain drommel dá’ hullie beskiete.... wrokte Dirk mee,—aa’s luie meroakels in de son.. die loope d’r puur de heule dag op de kantjes.... Nou.. moar de maid ken d’r Kees nog nie misse.... so mot t’r nog veertig besse-mande plukke t’met.
—Aauuw! pijnschreeuwde ’t kindje plots, ’r hand in den mond versabbelend.
—Wà’ nou? hai je je aige weer prikt? paa’s d’r dan òp! jai ken vast gain bloed misse.... zei Kees norsch.
Goud krullekopje bleef met pijnverwrongen gezichtje ’r vingers bezuigen, terwijl Kees, tegenover haar, aan anderen struik, in ritsige scheuren de goudene vruchtjes met kromhakende toppen naar zich toe trok. Z’n groote handen woelden tusschen de dicht saamgegroeide naaldscherpe doornen, of ie geen pijn voèlde. Soms angelden vijf doorns te gelijk z’n knuist en pols in, dat ’t bloed langs z’n handen sijpelde. Maar dóór werkte ie, zonder klacht, zonder z’n grijpklauw zelfs af te vegen. ’t Meisje huilde van pijn. Van drie kanten tusschen ’r vingertjes, had ze wonden in ’r handje gescheurd, en telkens wou ze angstig voor ’t rood, ’r bloed stelpen en inzuigen. Heviger brandden de vleeschscheurtjes en bangelijk ritste ze’r nieuwe kruisbessen af, schurend weer langs de doornhaken, bevend dat ze de wondjes verder zou inscheuren.—
—Nou maid! nou moar àn de oalbesse, dan nep je gain stekels hee!.. moar denk ’r an... nie van de loàge f’rdieping, die binne d’r nou fuilsandig van de raige die teuge de grond spat hep!
Helpstertje was uit ’r hurk òpgestaan. Haar gezichtje krampte nòg smartelijk van pijn en ’r bloedende vingertjes beplukte en zoog ze af, onder ’t luisteren.—
Langs de struikbosjes kruisbessen die flonkergoud gloeiden in avondschijn, prachtig en vochtig als lichtbolletjes, overal tusschen ’t groen, wrong ze d’r mager karkasje, schoof ze, telkens ’r vastgehaakt rokje lospeuterend, in ongeduld vóórt, naar de rooie bessen, die zwaar betrost glansden in glazuur lachje van prachtrood.—
Den bak sjouwde ’r Kees na, volgeplukt met slanke mandjes kruisbessen en ertusschen ’n nieuw soort groen-paarsige, als groote glazen stuiters, spiralig bekleurd van binnen.—En de goudfelle zonnige knikkertjes er naast, in kleinere slofjes.—
Zachte zomeravonddamp waasde over de tuinderij. Elke hoek goudde òp in rood wazigen zonneglans. De omgewerkte grond, vol gras, onkruid en gewas, verschemerde zacht toovervuur onder de vruchtboompjes en rond de lage kronkel-stille stammetjes vervloeide ’n lichtend rag, aureolenglans.—
Telkens uit anderen hoek in den stikvol beplanten tuin dook ’n werker òp, goud-rood overgloeid, gereedschappen in de bronzen wroethanden gekneld. Ouë Gerrit scharrelde met spa en hark onder de pruim- en appelboompjes. Hij kroop half onder ’t lage getak door, dat àl bukkend, ’n stuk van z’n blauwen kiel in den rooden avondbrand vervlamde, dan weer z’n baardzilver overgoot in wondren glans. De roodgegloeide struiken en vruchtstammetjes onder z’n voeten sidderden in den heiligen val van avondgloed.
Overal voelde de Ouë zich vastgehaakt, tusschen brandend, getwijg en takkronkels. Maar overal wou ie bijzijn in ’t late uur, om te weten of er wel gewerkt wier. Aan de Beek was ie al voor ’n uur geweest en daar had ie ’n vent weggestuurd, die ’n kwartier na het schoft nog had staan smoken.—Nijdiger nog werkte ie zich tusschen de struiken en vruchttakken door, en telkens sterker gloeide áán z’n zilveren kop en rompblauw in den rooden gloed van zonnedaal, die daar wonderen bleef onder ’t laag takgekronkel, tusschen fijne stammetjes en avond-beglansd gras.—
—Hee, hoho! sain jullie doar bai de bèsse? schreeuwde ie de landstilte in, hij zelf nog gekneld tusschen de enge paadjes van gestruik en boompjes, een hand vast aan rood-begloeide stronk. Geen antwoord klonk terug. Harder schreeuwde ie, z’n lijf meer opgeheven.
—Joa! klonk zangerig en wijd uit de verte Kees’ stem, vol en diep.—
Klein Dientje, Kees dochtertje, zat aan de bessen, met ’t goud bekrulde huilebalkje naast ’r geknield, toen ’r grootvader voorbijklompte.
—Hoho! Bai de korrels afknaipe maide en pèrs jullie nie!
Het kind, gehurkt in goudgloei van avondschijn, vóór de zacht-betoorste boompjes, keek òp, half geschrikt van ouë Gerrit’s stem, omdat grootvader d’r bijna nooit zelf aansprak.
—Je sussie.... is d’r an de oarebaie!.. en aa’s je murrege bai de fint van Duinwaik mot, hoef je hier nie meèr te komme.. eén boas.... of gain boas!.... hoho!.... en aa’s je kloar bent.... viere en vaife en nie genog.... dan vroag je oome Dirk.... of d’r feur f’oàfud nog wâ sain mot.. huhu! nie an je foader! denk k’r an! aêrs kè’ je wel ophoepele.... veur joù.... tien aere!.... hoho! En murrege mi de son pirsint! en dan doalik an de swàrte besse.... de swarte.. dè swàrte, f’rstoan?
Kindje knikte, angstiglijk òpstarend d’r kopje. De blauwe oogjes goudlichtend, bleven kijken naar grootvaders mooien zilverbaard; ze hoorde z’n stemmebrom maar half en d’r naarstige handjes plukten dóór, de glanzende bessentrosjes in ’r mandje volschietend, vlug en plezierig,—
Kees reuzigde voorbij op ’n nauw graspaadje bij greppel, vlak langs jonge koolen. Weer versjouwde ie drie bakken met kruisen rooie bessen naar den dorsch. Z’n klompen klotsten zacht, dwars door de aarbeibedden. Aan den achteringang zat z’n vrouw nog te plukken, met drie meisjes en Piet, ieder aan ’n regel, krommig-ingebukt of gehurkt, tusschen de nauwe paadjes. Avondlucht azuurde in prachtblauw kuisch en doodstil, schoon-geveegd van wolkjes, in glansenvloed.—Zon straalde lager, in al wonder tooverrood op den stillen aardbeihoek, op de hurkende kindertjes en werkers. De groenende bedjes vlamden zacht, en de rooie vruchtjes glansden en geurden zoetelijk bedwelmend. En over de kruipende werkers weefde en fonkelde uit, één rag, goud-glanzend web, gespannen van akkerhoek tot akkerhoek, omlichtend handen, gezichten en kleeren, in tooverzachte vurigheid.—
Ant kòn niet meer. Haar zwangere zwelbuik hamerde en trilde van leven. In de laatste maand, nog twintig dagen, en ’t kind wàs ’r. Haar rug brandde van heete pijn. Heel stil was ze naar ’t eind van haar aardbeiregel gekropen, vlak bij ’n brok haag, waar ’n appelboom laag-takkig kromde. Daar moest ze heen, om zich op de been te zetten. Want schamen deed ze zich voor de jolige nestjes van meisjes om hulp te roepen, te vragen om steun, of haar op te trekken van den grond.—’t Was ’n lange zware dag arbeid geweest, veel te lang, voelde ze zelf heel goed, en ze verlangde dòl naar Wimpie, hevig en gejaagd. Ze had ’m gezeid, dat de drukte van den haal niet zoo heel lang meer zou duren, en dat ze met vader samen thuis zou zijn. Hij had zwakjes in z’n handen geklapt, gejuicht en met z’n zandzakken tegen ’t achterend van z’n ledikantje gestommeld, zoo koortsig vroolijk voelde ie zich in z’n beenen.—En als ze’n half uurtje vroeger thuis kwam, juichte ie sterker, overrompelde hij ’r met zoenen.—
Nou wou ze òpstaan, maar ze kòn niet. Op ’t eind van ’t aardbeibed, greep ze in stumperige onbeholpenheid naar ’t krom-gegroeide dikke appelstammetje, probeerde zich zuchtend en hijgend op d’r beenen te hijschen. Maar ’t ging niet. Even van den grond opgesjort, voelde ze haar armen slap en kramp-trekkerig in den pols. En met ’n smak, in klammen uitgloei van zweet op ’r hoofd, viel ze weer terug op de aarde, tusschen de bedjes, duizelig en aèmechtig. Kermend was ze ingezakt, dat de kinders àchter en vóór d’r kruipend omkeken, opschrikten, en dwars over de bedjes naar Ant toeschoten.
—Is d’r ’n ongeluk, vrouw Hassel? vroeg één bezorgd.
—Se’l d’r man hoale.. riep ’n ander ontsteld!
—Is boas Piet ’r nie? o nee.... die is d’r bai de kruisbesse....
—Niks gedoan!.. maissies ikke bin.. d’r.. tug soo el.. lèndig moe.... hee? hijgde Ant’s stem uit ’t gras,.... kaik!.. wees jullie d’r ais.. tuikige koo.... ters.... en nne.. trek.. vrouw Hassel.... erais op bain,.. hee?.. dâ.. se t’met stoan!
De drie helpertjes met hun roodbevlekte aardbeihandjes sprongen ieder aan ’n kant, en heschen met sterken span van lijfjes, in hijg en blaas, zwaarlijvige Ant weer overeind, die zacht zuchtte en van ’r voorhoofd al meer benauwingszweet afgutste. Eerst nog waggelde ze, voelde ze’n verdoovende matheid en prikkelende pijn razen in d’r verstramde beenen en gloeifel kneushitte priemen in d’r stuit. Haar knieën knakkerden en ’r kuiten beefden.—
Van af drie uur in den gloeimiddag had ze aan één stuk geplukt, gehurkt gezeten. Nou voelde ze haar beenen en dijen aan heete brei gebrand, verkneusd, tegen haar rokken opschuren.—De helpertjes keken ’r áán, met angstoogjes en meelijmondjes. Ze zagen Ant’s gezicht verzuchten in één smoor van pijn; en de buik geweldig in zwel vóóruit, ademde en leefde zwaar als ’n apart wezen, aan ’r vastgekneld.—Nou most ze nog wel ’n uur op stap. Ja ze wist wel, dat ze te veel gewerkt had,.. maar ’t most, mòst voor d’r Wimpie. Waar anders ’t versterkende voedsel van daan, en hoe konden ze wat krijgen voor den werkeloozen winter, als noù, nou niet wat van ’t achterstallige betaald wier?—Nou weer ’n uur op stap, naar huis. Kees had ze zien voorbijdraven. Hij had ’r toegeschreeuwd, dat ie nog naar de Haven most lossen en oplaaien, dat ’t wel elf uur zou worden eer ie klaar was.
Dientje en Jansie mosten nog helpen in den dorsch, de mandjes aangeven.
Moederziel alleen, half dood, stapte Ant den avondweg òp, langs ’t stille uitgloeiende duin, naar d’r huis, waar Wimpie, op háár en Kees smachtend-stom wachtte, wachtte en vroom staarde op z’n Jezusbeeldje en palmtakje, van z’n bedplankje afgehaald en vóór ’m gezet; verbangd tusschen de halfblinde, loerige vrouw Rams, en den stommen, pruimpjes uitspuitenden grootvader.—
III.
Volgenden dag scheen de zon weer fèl. Ouë Gerrit was aan ’t frambozen plukken, met Piet en twee helpertjes. Tusschen de nauwe struiken hurkte de Ouë, stram en ingebukt vóór de frambozen, één voor één de vruchten in de mandjes stapelend.—Boven z’n zilverbaard, die in kronkelig zijïge karteltjes, tusschen takkengewirwar òpschemerde, bloeiden de frambozen, rozepurperend, bedauwd met ’n adem van dof paarsrood, vochtig en donzig. Achter Ouë’s hielen, rijden mandjes in zonnevlam, wonderteer doorglansd van licht. Zoeter dan aardbei geurden ze rond, als rozendroom van sprookjes-prinsesje. Rondom, in de lucht vervloeide ’n teere geur van rozenzoet, wáár de mandjes stonden.
—Heé Ouë, je ben d’r in màin regel, nou soek jai d’r de mooie uit, en ikke hou ’t kriel!
—Hoho!.... da skaint t’met soo!.... d’r binne....
—Nou.. set jai d’r op haide ook rais de blommetjes buite!.. moar ikke seg ie.... daa’t soekwerrekie is.. da’ rooit na’ niks? d’r binne nie-en-veul....
—Nou Piet aa’s jai d’r da rais an de swarte besse gong,.. ke’k vast ’n mooie prais moake! hoho! ikke ken d’r laifere soo veul ’k wil.. eenmoal andermoal.. aa’s d’r nie g’nog binne.. koop ’k vàst bai op de hoàfe f’noàfed....
—Daa’s fain werk Ouë, jai f’rkoopt hullie an de oàpetaik hee?.. en sullie stooke hullie hee? of hep je hullie weer feur de ferbriek!
—Nou dà’ sit nog.... ikke hep se pattekelier!.. en.. en feur de f’briek òòk.... hoho!.... kaik? tug mooie woar hee? pronkte Ouë Gerrit ’n mandje pracht-frambozen in ’t zonlicht heffend, dat ’r roodpaars dauwlicht overheen huiverde in vloeiende glansen.—
—’t Is d’r fain werk! t’met al de vurige, de vuile loà’je sitte, hoonde Piet weer, die ’t niet verkroppen kon dat de Ouë in zijn regel zat te plukken.—
—Daa’s glad-en-al mis maa’n! De vuile hep ikke hier ampart! huhu! tug ’n f’rvloekt slecht joar! alles is d’r te loat! t’mèt hep je de kerremis’ en kaik!.. die boone rais? se komme paa’s kaike! hoho! en nerriges nog ’n skepseltje an van fesoen.. da je d’r plukke kèn!
—Brom jai teuge sint Jan! blai da’ tie d’r weust is! de sjèlotjes binne d’r krek uit! Ook nie te bestig! Is aldegoar ’n rooi noa niks!... en de rooie kool f’rvloekt! En nou.. hai je d’r nog spruitkool loate sette tusschen vaif regels boone! Sel main d’r ’n stelletje worre.—
Piet kregel, liep dwars door ’n hoek leeggeplukte zoete fransjes, naar de zwarte bessen. Kees stond er al te plukken. Zwart-blauwig glansden de vruchtjes als kraaienvoedsel, struikerig en verward, benauwenden stank uitdampend.—
—Ikkom je d’r ’n pootje hellepe hee? Dirk is in de loate doppers,.... wortele.... binne tog t’met daan!
—Soo? docht wel, daa’t ie nog nuwe portie soait had!
—Daa’s net! t’jonge... doar lait ’n lekker hoekie wind hier! Sel d’r bloase hebbe f’murge, toen Ant d’r hier plukt hept. Se waa’s d’r ook soo meroakels koud, dat ’t waif hep stoan bibbere aa’s ’n koors hee? Se hep d’r de heule murrege mit main jas anloope! Op ’t pad hebbe se d’r aige naskraiuwt: Lamme Krelis! làmme Krelis!
Kees zweeg. Z’n wijf kon ’m geen zier schelen. Woest was ie op ’r dikke buik. Hij had ’r wel plat willen trappen, want telkens zag ie ’r z’n eigen stomheid in, z’n vuile stomheid. Stom nijdig plukte ie door, maar Piet wou praten.
—Nou, da’ sel main ’n godsliefeheer skele! of je àchter of veur ’n singel lait.... lait mi plukke.. En dan mi’ soo’n guur end wailand veur je lampies! daa’s alle-jesis-koud! En aa’s je vaif uur achter mekoar plukt hep, mò’ je rais kaike wa’ je hep.... puur niks meer aa’s ’n poar mandjes!
—Joa... aa’s je soafes stopt, soek je vast noà wá’ je daan hep!
—Nou, je bint t’r nou op kommende waige hee?.... Moar ikke mot d’r nog ’n dot plukke! de Ouë is d’r puur tuureluurs van, nou die soo feul kwait kèn aa’s tie wil!
Stil ’n poos bleven de kerels doorkruipen, ritselend in de struiken, afknijpend de zwartgloeiende vruchtjes, ze bij trossen smakkend in groote blanke sloffen voor hen uit, op ’t stovende reuk-bedrenkte gras. Rond ze heen, in struik en teelt onder vruchtboomen en hagen, gloeide middagzon. ’t Groen stroomde lichtglans af, zilverig, goudvlammig en fijn beschaduwdoezeld in al andren gloei, tegen ’t licht. Onder de dichtgegroepte vruchtboomen lommerde ’t koel als in ’n kreupelboschje. Enkele in hoogen uitgroei waaierden wat kronkeltakken uit, betrost met appeltjes, zacht rose blozend als warm gestoeide kinderkopjes. Overal onder getwijg, groen en rozerood, vlekte vruchtglans tegen doorschemerend luchtblauw, takkenprieel in zware dracht van vruchten, die vergoudden in vloed van zonnevuur. Kleintjes zwollen de vruchtjes áán, dof, tintwarm en pastelteer. Vlak bij den mossigen stam verdrongen ze elkaar om licht en lucht. Wat takken, harpig uitgebogen, goud-groenden in zonnejool en appeltjes gloeiden dáár in glanzenden wasem. In wilderen uitgroei stonden de pereboomen, bronzig-dof bevrucht en de pruimen, donker voldragen, groen als groote olijven. Op naakten hoek tegen luchtblauw in, stronkigde vlak vóór Kees, op woest onkruid-plekje, één appelboompje, smal en tenger-rank voorover gebogen, luisterend naar de zoemende zomer-geruchten.
En rondom vervloeide de geur van doorstoofde gouden vruchtenhofjes, zèlf behageld van rozeroode wang-appeltjes, nog gesmoord in groeigloed. Afgevallen peertjes en appeltjes verwurmden bleekgroen en gelig, overal verwaaid en uitgestrooid onder de boompjes in ’t heet-geschroeide gras en onkruid, tusschen koolen en zoete fransjes.
Piet, met triestig gebaar wees naar ’n pruimeboom.
—Kaik Kees, wà vol die stoan hee? aa’s t’ie moar nie ’t weggetje naimt van sàin doar op ’t hoekie! die gladekker! bai de biete main ik! die hep tug puur sain aige dood draigt hee! snó’f’rjenne! da hai je d’r puur nooit sien! die hep ’r sóó veul had dá’ tie nie raip hep kenne worde hee? t’jong ’n skoon sicht da’ waa’s.. da hep je d’r vast nooit sien!
Er ruischte weer stilte in den tuin en boomblaren windsuizelden golf-zacht.—
Kees plukte door, sjouwde de volle bakken naar den dorsch, waar al ’t marktgoed, buiten zonnebroei opgestapeld stond. Op elkaar tegen stal áán, op groep en voorgang, dromden de kisten met versche sla, dopperszakken, aardbei-vrucht, frambozen, roode en gouden bessen; één feest van kleur, saamgebroeid met zweet, ùit zonnelaai naar koelenschouw en dorsch gedragen.—Door den tuin klonk zangerig gejoel en jeugd-jubel van kinderstemmen; meisjes die meeplukten en meesjouwden. Dirk was van ’t peenbossen naar de snijboonen gesjòkt, hurkte tusschen d’enge wanden van hoog goud-groen, die poortten als ’n hal van lommerlicht op ’t pad, waar de zon goud schroot over uitgescherfd had, rijzen en latten in gloei verglinsterend.—
—Aa’s wai dá’ weertje nou d’r moar houê, riep ouë Gerrit in ’t voorbij gaan tegen Dirk.
—Nou op haide smoor je van de hitte en strak-en-an bibber je van de kou.... hee.. Ouë!.. set rais ’n kerel an de andaifie hee! Mot nou skoffele! Sel’k d’r sellefers wel de bolletjes opknappè!
Gewroet van laat-zomersche drukte woelde rond in Wiereland en Duinkijk. Het haventje, op marktdagen, daverde en mokerde vol van woel en klank. In alle hoeken schreeuwden en sjacherden de koopers weer met duizenden kilo’s roode bessen, zwarte, gouden en paarse; frambozen en aardbei, in zoetrookige geuren, verwasemend door de groenten. De Haven lag volgestort van nieuwen kleurbrand en vruchten.—De groentekarren, in d’r frisschen uitbouw van sla en wortelen, bakken en manden, ratelden áán, hortten weg, als steeg er weer razernij van mid-zomerschen uitvoer en pluk. Vóórklank van boonentijd weerschalde er, boonentijd die in den helleroes van kermis had moeten vallen. Maar van alle kant werd er geraasd op de Haven, dat ’t leelijke weer van half Juli den boel had bedorven, dat ’t gek-laat zou worden, nou met de boonepluk.
Wiereland koortste weer in fellen zomerbrand en zonnelaai. Zeegasten stormden áán, iederen dag meer, en ’n woelige kinderbende, meisjes, prachtig bekleurd met roode en blanke japonnetjes, cier- en stroo-hoeden stoeiden rond. Moedertjes jong, met bloei-bloemige mousselientjes, teêre krepjes en neteldoek-blank, in dartele cier, kuierden met parasols statig tusschen de schooierige plukkertjes van Wiereland; stedeke-kinders, die stil afgunstig ’t vakantie-jolende stadsvolkje van rijkaards begluurde. ’n Por van moeders en broers in hun ribben en gauw hurkten ze weer neer, de verbrande tronietjes naar de heete aarde gebukt, plukkend van knie op knie, in beestigen zwoeg, àl voort.—
Langs hun akkers strooide de tingelingende bellezang van tramkoetsiers vroolijke jubel-klanken rond, vergalmend over de zwoegkoppen, als een trillend zomersch vreugdgeluid door de zonnige lucht en ’t landgroen.—Rijtuigen stoften áán en wèg in zandorkaan; fietsen snorden voorbij, in spakenfonkel. En heel de brandende ploeterstreek drukte en raasde van zomergenot, omtooverde met hittekleur en licht, de gasten en ’t joelend vakantiebezoek. Dwars door den zwoeg van ’t land joeg de zeetram de menschen en kinders, met kleurig speelgoed, spaden en emmertjes, scheepjes en harken. Wierelands notabelen zwierden mee in zomerpronk; nuffige dametjes met blank spel van felle kleuren òpzengende parasols, kleur-zonnen in ’t helle groen, in den zonneregen van licht en vlam.—Zomerkostuumpjes lichtten en blankten tusschen de stille lommerlaantjes, overal drentelden dametjes en heertjes, met kraakschoen-gestap, rijkelui’s-lekker op de zand-zachte paadjes.—Zoo, met den dag, stroomden meer gasten aan, door de groote beukenlaan, die als ’n wondre goud-groene poort lommerig den weg naar zee opende. En langs heel den weg van Duin- naar Zeekijk, gloeide en zand-koekte het heete gruis, brandde en zengde ’t zomerleven, omschroeiend in stuifselwolken boerenkarren, rijtuigen en trams, dat de landwerkers, achter de hagen, vlak aan de straat, onder zuilen van stofwarrel verstikten. Loom passeerden de tuinders ’t zomergewoel. In hùn ploeter, voelden ze ’t dwaas, ’n gang naar zee, voor hùn zelf. De zee, waar ze vaagjes, in teisterenden winterstorm en schal, alleen ’t gerucht van hoorden aandruischen achter veréénzaamde duinen. Ze verroerden geen stap voor ’t pronkende, schreeuwige stadsvolkje, dat brutaal zich nestelde in hùn streek; de verhuur-kamertjes van verdiengrage luitjes bejoelden, de wegen bestoften in stikzand. Ze wisten van geen zeelucht de zwoegers; van geen zilte zouten ademhaal, geen frisschen stoei van strandstorm. En Zondag’s, als ze vrij hadden, rookten ze liever hun pijp, wandelden ze met de meiden naar den Lemperweg, of bleven hokvast broeien binnen de mikken, in zaligen luier.—Dàt veel liever, dan op stap, op den gloeizandweg naar zee, ’n uur gaans. En de ouderen, vol van zorg en moeheid en weekzwoeg, hokten in hun naar lucht-snakkende, behorde duffe kamertjes, slurpten d’r koffie, koffie en weer koffie, smakten d’r pijp, d’r pruim; besabbelden d’r sigaar en loerden rustigjes naar ’t gewas. En ’s avonds de zuip, stillekens de warme kroeg in, met ’t Zondaggegons van alderlei spreeksel nog in d’ooren. Door de week, ging van zelf voort hun zwoeg en zonnebrand, hun sjouw en pluk, dat ze ’t bloed onder de nagels vuurde. Niet meer keken ze òp, naar ’t vakantiegewoel op de paadjes, langs hun akkers, bang voor ’n minuut verlies, vóórt tot laat-avond, naar havenkant. En daar nog zweet-doordropen van ’t gloeiende land, met ’n afzakkertje, zogen ze in, ’t heete vocht, als zalige lafenis voor dichtgebrande van stof verstikte kelen.—
IV.
Twee weken vóór de kermis was de lucht weer gedraaid. De roode kolen stonden verkwijnd, met rot-doorvreten bladeren. Angstige drukte en onrust joeg er onder de tuinders.
—Daa’s t’met ’t lekkerstje weertje da je hebbe kèn, zeurde Klaas Koome, voor ’n akker van Ouë Gerrit;—ik konstesteer van daa’tje nou t’minste loope ken, en d’r nie je aige f’rsmelt.. enne de boonebeweging goan tog s’n gangetje.. want moànd blaift moànd... op dá’ terrain merkeere de boontjes de paàs...
—Hoor hemmis, hoor hemmis! hoonde Dirk bij de andijvie gehurkt,—skoenmoaker hou je bai je leest hee? bi jài besuikerd?—
Ouë Gerrit bromde wat mee, gejaagd en kramperig als ie zich voelde in ’t onweer-zwoelige grauwe weer. Die dreigluchten maakten ’m soms stikken, of ’r wurgangst op z’n strot drukte, in vaaglijk onbestemde benauwing ’t bloed ’m naar den kop jagend.—Angst die ’m aan ’t fantazeeren bracht, doorhollend hallucineeren, in al erger benauwing om dingen die gebeuren kònden. Angst die ’m zelf folterde, z’n brein martelde, hèm allerlei dingen liet zien, die nièt bestonden, z’n oogen in donkeren floèrs legden, waarin lichtende sterrendans vonkte. En dan maar brommen en klagen luid, luid, om iets ’r tègen te doen.
—Nou, da sel d’r ’n mooie worde, mit de boone!.... hoho! d’r is gain son.. wá’ sit dá’ ding! aa’s tie moàr nie wegblaift hee? ’t is te dol.. en.. en.. tug.. vier en vaif en nie g’nog!.. daa’s één raige al raige! enn hoho!.. ’s aofus hep je dâ dolle onwair, sonder daa’t hiet waa’s hee?
Koome lummelde nog wat voor de haag, lolde met Dirk over de kermis, waar heel Wiereland al vol van was; slenterde eindelijk verder.
Drukker werd er geschoffeld tusschen de selderie. Kees plantte andijvie uit en zette op regels.—Laat-gezaaide sla werd weer in bakken uitgedragen naar de markt. Tot schemer doken en verbukten de kerels en kinders op de duisterende akkers. Wisselend in gang, trokken de werkers drie maal òp naar de groote stad. Het groote kargerucht, de hos van ’t landvolk,—één in hun epischen samengroei van man-paard en kar-en-koopwààr, verklonk als onweer al over de bekeide straatjes. De Haven daverde van herrie en hartstocht-koop der venters.
Op ’t land trapten de kinders, nu vaders en bazen naar stad waren, de verdorde erwtenranken òp, de goud-gele slepende haarbossen. In alle tuinderijen nu, schemerden tusschen jong-groeiend boomgroen en boerenkool, de goud-verrotte leeggeplukte erwtenranken, soms èven zonnig overgloeid, als brandende braam, vlam-roerloos. In enkele dagen fladderden de bossen op de rijzenpunten, harige kopgedrochten op pieken, hóóg tegen donkere lucht.—Aan voet van rijzen, waar ’t stroo opgehokt stond, bloeiden al weer late sperzie- en snijboonen.
Ouë Gerrit wou niet drogen op rijzen, in dat vuile weer; smakte de ranken op hoopen bij modder-greppeltje achter ’t erf, toch zuinig ze bewarend voor koestrooisel. Kees was druk in de weer, rankte nieuwe aardbeibedden in, en zuiverde ze van vuil.—Elk half uurtje, tusschen marktgang, werd gewied. Heele akkers met leege rijzen bleven nog naakt de lucht inpieken, om dat er geen tijd was ze op hok te smakken. Toch waren ze blij, dat de aardbeipluk gedaan leek, al kopten ze nog wat mandjes. Van de vroeg-soorten begonnen de blaadjes al rood te gloeien, bloedrood en meloen-goudheet bezoomd, sterfzang van ’t loof in den zonnezomer. Andere bedden kwijnden met roest op ’t blad, door plotsen guren omdraai van weer, wind en regen, in ’t hart van groei en bloei geslagen.—
Ouë Gerrit gromde van ’s morgens tot ’s avonds.—
Het was geen làvende zomerregen meer, die als ’n koele dronk neersuisde op ’t land, en tegen den avond, over de akkers zangerige regenruisch verzong door de donkere boomen en ’t loof, en dán zuchtte als ademhaal van orgelregisters; dan droomerig tikkelde en zacht knetterde heel fijn en weemoedig,—maar ’t bleef ’n nattige wind-wilde regenzwalp, ’n modderig plassende, dorrend-vernielende grauwe nattigheid.—Ouë Gerrit vloekte, vloekte, onder ’t inranken van de beplaste aardbeibedden. Wàt ie aanraakte klefferde, was bemodderd. Z’n klompen zogen in ’t natte zand, kledderden en smakten zuigend onder z’n hielen. Rechts en links de bedden, rankte ie tegelijk de jonge stekjes. Wrevelig groef ie de plantjes in, keilde ie verrotte voor zich uit. Toch was ie dolblij dat ie dezen zomer niet alles op één worp had gegooid met de aardbeien, zooals die stomme dokter Troost dat wilde. En lol had ie ’r om, dat ie die beroerde grimmige Ant had gebonjourd.
Voor Kees nou nog alleen wat bij de boonen, en dan die ook òpgemarcheerd. Die paar mandjes aardbei en bessen kon d’r Guurt zelf nog wel halen, die toch ook ’t land had an Ant. Gister had z’n meid nog veertig mandjes geplukt.... Toch ’n rakker die Guurt. Als ie maar wist wat of ze vóór had, met d’r vrijers..
En die Piet! hep d’r nog acht sint moakt! Waa’s d’r puur ’n meroakel! hoho! aa’s die noar stad gong.... waa’s ’t alletait ’n kwart meer aa’s Dirk, die krek vaif sint hoalt!
Ouë Gerrit wist zich niet goed meer te roeren. Dirk gaf ’m eerst na den grootsten worstel, de ontvangen guldens uit den zak. De Ouë kromp van angst, als ie ’m dronken van den marktdag zag den dorsch inschommelen, angst dat ie den heelen boel zou verzopen hebben, of verspeeld. En als ie dan maar ’n kik gaf, blafte Dirk hem nijdig tegen z’n hielen, dat ie schrok, en afgebluft loenschte. Piet gaf alles dadelijk, al gapte ie ’r later weer van weg voor de zuip, maar Dirk hield de duiten in z’n ijzeren knuisten heet gevangen.—Dan eindelijk, moest ie na z’n verbluffing opspelen, schreeuwen, stompen en beuken in bloedspuw van nijd, en traag ging de klepzak dan eindelijk open, klefferden de morsige dubbeltjes, kwartjes en centen naar buiten, naar hèm toe, onder één grom en snauw. Ging hij natellen dan vloekte Dirk. „Tel aa’s je je koarsies uitbloast”, hoonde die, en sarrend liet ie ’m zien de notities, wel wetend, dat ouë Gerrit toch niet lezen kon, ’n letter zoo groot als ’n paardekop niet.—
Smartelijker, gejaagder voelde ie z’n onmacht, ouë Gerrit, omdat ie zelf niet meer de stad inventen kon. Soms, als ie wat beet had weer, kon ’m de heele boel niet meer schelen; zag ie heel klaar z’n ondergang in, hij op ’n hokkie, de kerels op ’t land als knechten. Dan weer bedacht ie, dat zoo iets toch maar niet in een ging, hij z’n meeste geld toch bij de fabrieken, vast liet liggen, tot hij November zelf betalen moest. Soms, drensde ’m door z’n kop dat Dirk vroeger veel beter voor ’m geweest was, toegevender en niet zoo snauwend, maar dan zag ie later Dirk weer goeiiger tegenover hem.—Als de vent maar geen geld zag, want dàn wier ie dol.—
Vandaag had ie nog ’n bak bessen geplukt, ’n dubbeltje per mandje. En nog ’n prachtig dotje frambozen! Dat klein goed gaf toch nog heel wat.... Hoho!.... dá’ beskouwde ie nog wel ’n vaiftien pop veur.... hai most d’r vast meer van tele, al há’ je d’r tuinders die d’r niks mee van doen wille hewwe.. Da klain goed.. want aldegoar benne se tug doodarreme poerders. Van murrege, van vaif tot ses op ’t ploatsie, had ie ’t nog uitrekend.... veur de feule framboosies moakte ie nog twoalef sint ’t mandje.. hoho! wa’ skol ’t? Nou hoalde ie di joàr an sain vruchies.... frank... ’t hooi uut! Ommendebai honderdvaiftien pop veur twai koebeeste....
Maar angstiger iederen avond, nà z’n stil gemijmer, keek ie òp naar de lucht, angst-verwurgd voor onweer en regen. Tegen iedereen klaagde ie.... ’t werd ’m te benauwd.—
—De boone groeie d’r wel in ’t gewas hoho! moar de frucht set nie! mi die raige! Wa binne dá’ nou weer suinige weertjes.. in ’t hart van ’t somer, je sit d’r puur te rille.... en soàfus omwair!
—Jaò buurman, f’rlaije jair satte wai op haide hardstikke in ’t drukst van de boonetait hèe?
—Hoho.... vier- en vaif en nie g’nog.... suinige weertjes...
En iederen dag, dat ’t guur-winderige weer aanhield werd Ouë Gerrit banger en grimmiger. Er zat angst in z’n keel. De zware onweerswolken voelde ie pletten op z’n borst. Dan weer wreef ie zich aan z’n strot als zat ’r ’n wurgklauw die telkens z’n luchtpijp zachtjes toekneep, en hem nog maar uit ’n spleetje ademen liet! Angst voor z’n boonen groeide. Nu en dan zag ie z’n wijf verdwaald rondzoeken in de tuinderij. Hoe ze’r heengestapt was wist ze zelf niet meer, en waar ze terug moest nog minder. Ze drentelde maar wat en sufte. Plots ’n woesten snauw, greep ie ’r bij den arm, bracht ’r in huis.—
—Jou stommeling, je loopt d’r t’met hardstikke in main seldrie mi je klaufe.... hoho! jai geep! dwarrel! moak jai d’r gain kapsies hee?—
Woest had ie ’r thuis op ’n stoel geduwd, waar ze versuft neerblokte, en grommend sprong ouë Gerrit ’t achterend uit.
—Dâ sal d’r ’n mooie sain.... Net had ie sain seldrielap f’rkocht, veur vier sint ’t kilo! Waa’s d’r in sint meer aa’s verlaije joar!.... Hoho!... sel je dá’ lamme dooie waif d’r mi d’r blinde klaufe instappe... Wá’ gong die seldrie nou hain?.. noa febriek?... had die dàor nie meer moake kenne?.. of noar Amsterdam? da lamme waif!.... Moar s’n spersie en snaiboone... da gong d’r noar Noord-Skarrefou.. en Aiselmonde.. of ie ’t nie wist! Da stomme waif.. sel d’r f’rduufeld soo p’rdoes op sain duute trappe!.... Moar de boone... mostte ’t tug dâ joar goed moake... most de loodpot vulle.. aers waa’s die d’r gloeiend bai.... gaf de seldrie en vruchies tùg nies.. nies....
In regen en plassende nattigheid werd op de akkers gewied, gekerfd met spa, geplukt in bakken. Seldrie verwasemend door regengeur, stond gesneden en de aardappels werden voor eigen maal wat gerooid hier en daar.
Op de bollenakkers, wijd-om de tuinderijen en gaarden gecirkeld, rookten blauwige wolkzwierselen. In de greppels, volgeschoffeld met rot loof, hadden de werkers ’n brandje gestoken, dat niet vlamde, maar smeulde, en zwaar hei-brandig dampte over de velden. Soms, als achter regengrauwe lucht en wolkzilverend grijs, nattig en bleek, even de zon kwam koekeloeren, met bewaterde gelige tronie, strooide ’t licht wat nattig goud, schijnselig en blas, door de blauw-dampende in rook stikkende akkers. De rooiers dáár, in den ijl-blauwen smeulnevel, die glansde in bleek zongoud, gebaarden in rokigen gloed, in mist-blauw en zacht zonnevuur aangegloeid, stralend en omsluierend tegelijk. Zoo, ’n uur lang, de bollenakkers trilden in ’t waas-blauwe, zacht begloeide rooklicht, als welfde zich een dampige reuzengrot boven ’t land, waar kleurige nevel doorheen woei, in stoei en spel, van grotgeesten, in-en-uit. En rond ’t rookende loof verschuifelden de glansen van dag-goud en grasgroen, onder de werkende luchten, vol regengrauw en paars-duister onweergedreig.
Na ’n uur dook zon weer wèg, vertraande z’n bleek-gele waterige tronie achter droef-grauwe wolkburchten, stortte regen weer neer bij hoozen. En over de avond-akkers bleef ’t donker ruischen, soms kletteren door bladloover, heel vèr en snaterend-monotoon.
Ouë Gerrit beefde, snikte van angst als in wolkdonker, ’n vuurflits ’t fosforesceerende zwerk vlammig doorzeisde, zònder dat donderslag nadreunde.—
’s Morgens, zóó uit angst-doorschokten korten slaap wakker gejaagd, keek ie ’t eerst naar z’n boonen. Dit jaar had ie moffenboonen bijgeplant, waarvan ie ook nog heel wat mocht verwachten. Maar ook dàt gewas stond hoe langer hoe slechter. Met angst in z’n oogen keek ie schuw naar den bloesem van de hooge stok-boonen, of ’r niet te véél verdorden en afvielen. De paadjes dáár, schemerden wit van bloesem. En in z’n angst zag ie ’t al erger sneeuwen, vol afgewaaide dorrende bloesems. ’n Paar dagen had ie achtereen in huis, wat bollen gesorteerd. Maar nou, met de rooi van wat narcissen moest ie eruit, sorteeren op den klefferigen modderig verzogen grond, omdat zulk goedje altijd buiten liggen bleef. En de kerels, achter ’t erf, en op de Beek, tusschen de aardappels en koolen, stonden verzopen en verflodderd van regen en nattigheid, te wroeten in de vunzige aarde. Soms zóó doorzogen tot op ’t hemd, dat ze zich iederen avond d’r regen-stinkende kleeren uit te wringen en te verdrogen hadden boven vuur. En voort over de zomerlanden joegen de grauwe wolkensteden, laag, bang-dreigend, vol duister-paarse ontzetting.
Soms kon Ouë Gerrit de heele boel geen drommel meer schelen, al bralde en rotsblokkig-roffelde en stortte ’t onweer in, boven z’n kop, al flitste ’t vuur zig-zag vizioen-snel door den hemel, al had ie z’n centen voor pacht en hypotheek nog voor ’n kwart deel niet bij elkaar, al rotten z’n boonenbloesems ’m zóó, voor de oogen weg. Die uurtjes leefden er zalig voor ’m, als ie pas wat gegapt had, en met heerlijk-woest voluptueus steelgenot, met nog jeuk-brandende knuisten van grijp-verlangen, naar z’n kelderhoek holde. Vloeken kòn ie, als ie daar niet dikwijls genoeg vrij mocht afzakken. Guurt in haar dralende onnoozelheid, had in den voorhoek allerlei rommel neergesmakt; mandjes, roestpannen, zaklorren, houtblokken, takkebossen, waar ze nou telkens tusschen snuffelde. Snauwig keek ze ’m aan, als ie trapgat afstrompelde. Dan bitste ze ’m nijdig toe wat ie in den kelder van doen had. ’t Was verduiveld, of ze voèlde dat ’t dan hevig heet in ’m liep; dat zorgen en angst in z’n strot dichtschroefden, dat ie àfwilde van z’n benauwing, hem z’n roeszaligheid van-bij-z’n-spullen-zitten, dáár kon verzwijmelen en zich verdooven. Gauw moest ie dan ’n uitpraatje klaar hebben, en zoo liep ie wel uren rond te scharrelen in ’t vervuilde kelderhok, allerhande pestige vervelende dingetjes doend, die hij niet wòu doen, Guurt vervloekend, dat zij, in d’r smerigheid en verwaarloozing van huishoudingen, noù, nou hìj heet liep, zich daar vastzoog tusschen de lorren, rondsnuffelde met Job’s geduld, en hèm belette z’n rommel te grijpen, te omtasten, met z’n brandende begeer-oogen te omgretigen.—Als ze eindelijk opstapte, holde ie naar z’n hok, in woesten grabbel met angst-argwaan, heet-gejaagd loerend op ’t keldertrapgat, in duizelende verrukking en hart-mokering, dat ze’m toch nooit zouên snappen. Hoorde ie gedruisch boven ’t luik, voetgeschuifel en kreukig rokgeschuur, dan beefde ie, bééfde ie, bleef ie toch, in koorts-spannende angst-verrukking oogen-gretigend waanzinnen bij z’n spullen, wagend, alles wagend tot de laatste gevaar-sekonde.—
Aan tafel ’s middags keek ie angstiger Guurt áán, of ze wat zeggen zou, wat gemerkt had, maar er kwam geen woord uit z’n meid, daarover.
—Ouë nog ’n spekkie? was ’t eenige wat ze zei, klonk ’m gemoedelijk, na z’n overspannen angst voor gesnapt-zijn, fantazie-angst die ’m folterde en doorreet van schok-gevoel, elk oogenblik: noù-zal-je ’t hewwe.—En vriendelijk-lekker antwoordde ie:
—Heul groag maid, heul groag!
Daarna zei ie in zich zelf, de vraag van Guurtje wel tien maal over, dat ’t van binnen in ’m druischte en klonk:.. Ouë nog ’n spekkie?.. Ouë nog ’n spekkie?.. Maar telkens veranderde ie toon-accent, zich zelf dan afvragend of ze ’t wel zoo ècht gemoedelijk bedoeld had, als hij ’t eerst meende.—Voor zijn wijf had ie heelemaal geen angst meer. Ging ie ’s nachts soms nog naar z’n kelderhok, voorzichtig in de paar uurtjes duister maar, dan bleef ze’m soms aanstaren, keek hij haar terug áán zonder dat ze ’n stom woord kon uitbrengen. Meestal kon ’r spraak zich niet eens meer op den naam van ’r man smakken. Dan voelde hij zich overmoedig, demonisch-sarrend, lolde ie ’r even zachtjes in de ooren.
—Gerrit goan d’r bai s’n bulle waif, sain bulle waif! hoho!
—Bulle.. bulle? klankloos haperde en teemde ze idioterig terug, zonder besef de woorden van ’r lippen versullend. Dan grinnikte ie zoetjes-gesmoord, bang voor de anderen die wèl beseften. Kwam ie terug uit den kelder, dan lag ze weer te lip-puffen of staarde ze wakker naar ’m òp, zonder begrip, met staar van ’n stille idiote in d’r doffe oogen.
Maar nou, in die broei-grauwe luchten, met al dat onweer, dat ’m deed stikken van benauwdheid was z’n overmoed tegenover haar ook dikwijls wèggezakt.
Z’n boonen! z’n boonen! als die maar bleven!
Van de stamsperzies hadden de jongens al wat gehaald. Kees was bedankt, mocht weer eens aanslenteren in ’t drukst van den pluk. Ouë Gerrit raasde, schold, giftiger onstuimiger op ’t weer. Hij berukte z’n baard, z’n haren, zich-zelf omfolterend met angstvragen, hoe dat afloopen moest. Nou had ie gedacht er zoo onverschillig mogelijk onder te blijven. De bloesem en afval sneeuwde áán met z’n angst mee, en telkens keek ie bangelijker hoe de ranken zich hielden.
—Hoho... vier-en-vaif en nie genog, kaik d’r rais waa’n woar d’r lait! doar ken je ’n huurtje van beskouwe.. snof’rjenne, teemde ie naar Dirk die ’m met ’n snauw afgromde, en zonder ommezien op z’n uitgeplante andijvie aanstramde, kopgebukt en spier-gespannen, als ’n paard dat vrachtkar aansjort in eersten opzet.—
—Is da nie vast ’n skande, soo veul nat weer, in ’t harretje van Augustus t’met. Z’n kinderkop wrangde elk uur knorriger, en z’n bisschopsbaard trok ie met woeste handvegen, heen en weer. Wat had ie d’r nou an dat stelletje moffeboonen, en die dubbele stamsperzies.... aldegoar grof goed.. aa’s de stokboone nie gonge! kaik! nou had Piet d’r f’murge ’n tàchtig boontjes fònde.. ’t Waa’s god-gekloagd! Skande.. skande! En hep d’r Dirk nie veuls te loat d’andaifie uitplant? en soo waid van malkoar.. Dá’ had d’r end Juli op regels motte stoan. Nou most tie d’r nog òpbinde.... aa’s ’t goed gong! Somers-andaifie òpbinde! wie hep d’r ooit soo sout gaite? Die staifkop! hoho! D’r had al ’n gaile krop insitte kenne.. aa’s tie se op malkoar plant had....
Morrend en vloekbrommend liep ie overal door den tuin, loerender en banger, iederen dag. Ja, wel was ie stom geweest om die spruitkool tusschen zijn boonen te zetten.
—Sel d’r is ’n nat klompie gaife!
Langzaam zetten de boonen áán. ’t Weer bleef guur, grauw-zilverig, al stroomde de regen niet meer. De spruitkoolen, omzaaid van kleine bolletjes, dropen van water, in glans-plassig nat. Gloei-droppels trilden op de vette roode kolen, op de bieten, sla en ruche-fijne gekartelde boerenkool. ’t Groen rondom blonk en glom nattig onder ’t grijze luchtzware grauw. Onrustiger, banger sjokkerde ouë Gerrit door z’n tuinen, dan op de Beek, dan achter z’n huis, dan in ’t duin, wel voelend met scheutjes blijdschap dat er wat hitte aanbroeien ging onder ’t onweer-zwoele grauw.
De landwerkers zongen opgewondener onder hun arbeid. Nog drie dagen en de kermis zou er zijn, de groote uitbarstende pret voor hun zomerzwoeg, het kleurigbonte wonder van tenten, kramen en spullen.—En overal rondom, de kristallen fonkel van kronen en de helle gloeilichtflakker van lampen, verduizelend voor hun begeer-oogen. Nou kwam de kermisgloei die ze bekroop als ’n achtdaagsche koorts, ’n krisis van hevig leven bracht, waarin ze uitbarsten en verzwijmelen zouden, zich rollen, met hun zware boerenpassie, in de modder van diergenot. Daarin zouden ze zich wreken òp bijeengespaarde woede, haat en wrok. Nou mochten ze vechten, mokeren, zuipen, geilen.
En overal koortste ’t lied uit, zongen ze op de akkers, in de straatjes, zalige onbestemde dwarrel van ronkende geluiden; krijsch naar genotsroes die opvuren kwam. Hun wreede kelen raasden, en verschalden kermiszang van ’t vorige jaar. En klankengalm bevend en rauw van hartstocht, verschorde over ’t grauwend-zomersche land.
Ouë Gerrit vloekte tegen de kermis die z’n boel nog meer ging verpesten; de kerels lambeuken zou van vermoeiïng, slaperigheid en hangerigen kregel.—
Dàt ging nou opstormen, dwars door ’t zware boonenwerk. Maar toch wilde ie smoren z’n razernij, want hóórden ze’m grommen, dan zouden ze’m vast heelemaal laten stikken met den grooten haal, in de blakerende kermisjool.—
ZEVENDE HOOFDSTUK.
In ’t hart van ’t haventje, en op Baanwijk-boulevard, was plots, tusschen zonnelaat licht en gewoel van groentekarren, onder kastanjelaan en boomlommer, vreemd gedruisch van kermiswagens komen òplawaaien; brokken van tenten, ingangen, poortig-cirkusachtig beschilderde deuren; warrel van paarden, tusschen schonkige kerels en meiden, zigeunerstoeten, overwaaid van vreemden gloed, en kleur-fel bont gekeer.—Langs de Haven en Baanwijk ratel-wielden en bonkerhotsten de gloeierige kermiskarren áán, met de schooierige kerels vóórop, paardje of ezel vast aan den toom, zwenkend en kronkelend door havenrumoer en sjacher-gedrang van venters.
Op de kar-balustrades waggelden morsige vrouwen in rotplunje, met onooglijke kinders, borst-lurkend.—En achter, en òm de karren hortte gore nasleep van beluisde wezentjes, meestrompelend over kei en grint.—
Onder ’t jongezellen-landvolk van Wiereland furiede de kerels-uitgelatenheid los, lichtelijk flirtend met woelig wellustige meiden, brutaal en fel van passie. Troepjes werkers sprongen in klepperenden klompendans en boeren-kankan, met beenen-guitigheid en komieke handgebaren op de meiden áán, midden op straat, onder erotisch bombardement van zoenen. Volkje van Wiereland, ’t zuipende verhitte, uitbarstende, hoorde van àf de akkers de meiden gillen en heet schateren, hoorde ’t gewoel van kermisgangers en daverend belalden ze elkaar, in ’t voorbijgaan. Ze hoorden geklop, getimmer op de Haven, door de straten heenhamerend in verwaaid gerucht, uit tenten en kramen die in ’n paar uurtjes, geraamte-ribbig en naakt opgegroeid stonden. Ze hooren ’t lawaai van de kermisrazernij, de vreemde stemmen en spraken.—’t Zien aandrijven van schuiten, met ’t kleurig spul van brokken schiettenten, draaimolens, bont gestraal van zwaar beverfde schommelbakken, goot scheuten gierende pret over de popelende kijkers.—
Vreemd getrappel van hitjes uit ’t paardenspel hoefklakkerde over de Haven, en de kinder-kijkertjes omkringden, wild en verbluft in verbijstering, de beesten. Gemompel en gekonkel tusschen de Wierelanders klonk overal door, al maar over de kermisjool; wat er zijn zou, wat er wàs, wat ’r komen ging.
Schetterende voorklank en rauwe jubel van lol, brachten de straatorgels, twee dagen vóór ’t openen van kermis,—dertig levende klank-orkanende wezens, elken ochtend vóór ’t stadhuis bijeenwaggelend in rij, om van die gewijd-officiëele plek uit, heel Wiereland van alle kanten vol te roffelen, te betrompetten, te bepauken in schellen schater en daver, te omgolven met heet getjink, geraas en gedreun van dooreen rammelende klanken.—Midden in tragen zwoeg der landwerkers omdaverden ze de straatjes in hellen joel en roffel. Soms rammelden drie orgels naast elkaar in de deftige Bikkerstraat, in heeten donder van trombones, de stedekestilte met klankrazernij verpletterend. Aan de huisjes tingelde ’t den ganschendag; gingen schuwe armoekinders, in doorvreten plunje, naakt-beenig en stank-verwasemend met ’t bakje rond, liepen moeders achter de draaiorgels áán, in gore ellende van stoelenmatters-scharrelaars. De wreed-snuitige kerels, ’t straatorgel verrollend van deur naar deur, bleven door-draaien onder ’t voortwielen, en in woeste gluiperigheid knorden hun harige dier-woeste tronies, snauwen naar wijf en bedelkinders. Als verstrooide optocht van melaatschen schooierden ze achter elkaar aan, de klankengekke orgellui. En ’r òm, de angstig-verschuwde vrouwenhoofden, mottig-wreede en blondharig, verwilderd-romantische, op zwaren borsthang kinders sjokkend; en de rossige en zwart-besnorde boeventronies, van mannen, jukkig gekaakt, doodelijk uitgeput met schuwen oogenkijk van gluipende overrompelaars en hongerende dieven; of zwaar krachtpatserig d’r lijven, in landloopers-gezondheid, tusschen de wijven, dralend en bedelend, versmald in den knel hunner rood-vale en groene misère-jassen.—
Daartusschen in forschten òp, donker bronze kerels, met koperig ringwerk in d’ooren gedraaid, zwart-glanzend haar, kleurige doeken om den hals, melodramatiekerig-romantisch in hun zuidelijk armoekoloriet, hun tambourijn in knuisgedruisch van rinkel en bellenzang, met tenoor-beverig weemoedslied begeleidend.
En telkens de romantiekerige Mignon-schooiers, snauwden scherp-radde woordjes neer op de bedelkindertjes, als kleurige deurtjes van cynische Bikkerstraters gesloten bleven en bakjes niet meer kletterden van rondgestrooide centen.
Zoo ging er al twee dagen, voor opening van kermis, sjofele woel en rondgang in alle Wierelandsche wijkjes en achterafjes; bleef jubelende klinkklank schetteren in kleurige deunen; klompklepperden om de orgels al meer kerels en meiden hun boerenkankan. ’s Avond’s vooral, als op de drukke, breede Baanwijk, tusschen duisterende geraamten van tenten en kramen, vlammig fel licht uitschoot van de winkels, de stoeiende paren overbeefde in rood-gelen walm, en kleurige vóórjubel van kermis demonisch tegen de half-aangegloeide boomstammen oplaaide, schroeide rond in avondbrio, de duivelsche zeng van karnavalgloed.
Op de Haven was de voorwoel ’t hevigst. Daar zeilden en dobberden de schuiten áán, voor den wal.—Woeste hunkerende jochies, doortrild van kermisrazernij, smakten zich als wroet-miertjes op de spul-brokken, van schuitdekken afgevoerd naar standplaats. En al luider, door den nog drukken sjouw en markthandel der groenboeren, dwars door vruchten en voerkarren, ging de gistende kermiswoel. Werkelooze sjouwjochies en schoolkinders hijgden onder de vrachten die ze te verdragen kregen, planken en fundamenten van draaimolens, vuilkoperen stangen, paarden en ringwerken, staven, wilde dieren en kleurige lompen. Ze hijgden, met kramperige pret van aandoening, en dolle lol-stralende oogen. Ze gierden dat ze zoo vlak bij, in hand-tastende aanraking leefden met de heilige kermis-brokken. Ze verbluften elkaar met ’t tillen van al zwaarder vrachten, en dwars door den groenboerzwoeg en kroegsjacher, hielpen ze de vreemde, norsche kermiskerels, die gretig de ventjes lieten sloven en sjouwen, zich vertillen en half-verrekken. Want diè merkten den pret-duizel in hun helle oogen, den groei van hun genot bij elk grooter stuk dat uit de schuiten opgedragen werd.—En angstvoller van ontroerende pret, verbreedde de echtheid van hun kermisvizie, als ze uitzinnig, plots te dragen kregen, groote brokken dekoratie, bont schilderwerk, verf-riekende doeken waarop moordtafreelen bloedden, waarop bulderzeeën schuimden met lijk-paarse schipbreukelingen, uitgeteerde weggezonken juffers en meneeren in nood; waarop kruitdampten, veldslagen van Transvaal, Boeren in bont rumoer, onder angstige hemelen, stinkend naar bakolie en gemeene uitgedroogde verf.—
Met bevend ontzag, staarden ze op de halve lijven van moordenaars, op den zeebruis en ’t rottende zwalpende vlot neer, op hakkende Boeren en doorgevlijmde Engelschen.—
Een groepje droeg ’n griezelig moordtafreel op den kop, en gestreden werd er hevig, met heerlijken griezel-angst voor de werkelijkheid der beelden, dat Jan de beenen had van de moordenaars, en Gijs de bovendeelen van de schipbreukelingen, Piet de geweren van de Boeren, en Toon den grond. En vlak voor hun oogen gebeurde ’t, al die gruweldingen. In rillender suggestie liepen de jochies vlak achter elkaar, staarde de een naar den ander, niet wetend wat ’t worden ging, als de brokstukken op elkaar ingevoegd gebouwd stonden. En al meer kermisdingen sjokten ze áán. Komieke harelekijnen, met streepkleurige broeken voor schiettent, wapenschilden, kachelpijpen en hoededoozen. Dan schoot schater los, ontspande hun angst voor de front-dramatiek der groote kijk-tent. Al komischer mengeling van grappige en angstige voorwerpen droegen ze uit, en zóó voelden de jochies de kermis in hùn gretige pootjes, nu zij hielpen opzetten en bijeengroepen. De kermisklanten beukten en vervloekten de kinders, als ze in hun verbijstering en lol, verkeerd den rommel uitdroegen. Dan joegen ze de kereltjes plots wèg met ’n woest lippengebrul om angst te wekken. In bangheidsstuip holden ze heen naar huizenkant van Haven, tusschen karren en geboomte doorzwenkend, uit schrik brutaal scheldend en hoonzwaar uitfluitend de kermisgasten. Zoo van ver, keken ze dan met stil genot, naar groei en vleeschwording van al de tenten, draaimolens en spellen.
Eén breed en hoog lattengeraamte stond er al boven alles uit, ’n schouwburg waar kerels tot in den nok hurkend hamerden en klopten, in davering van scheepstimmerwerf. Schouwburg-geraamte was zoo vlug verrezen dat de tuinders ’t bijna niet hadden zien bouwen.—
Aan stillen kant van ’t haventje, ònder polderdijk, schooierden bijéén, op ’t hel-groene grasveldje, de bonte kermiswagens. Als melaatsch menschgroepje hurkten daar saâm, de verluisde kinders, meisjes en vrouwen met hangende haren en vervuilde ragebollen. Hun morsige bloote voeten ploeterden in ’t warm-zonnige gras.
De wijven daar, met rottende lompen aan ’t slobberig lijf, zwijnden rond hun kermiskar, en boevige kerels, rossige en donkere, luierden op de balustraden-trapjes, pijpen den mondhoek ingebeten, rookten vadsig in zonnebroei. Rond hen zwirrelde maar ’n trage warrel van ’t beestig-morsige kinderkriel, krijschend, joelend, bevuilend ’t grasveld, dat helgroen vlamde ònder kleurig-melaatschen menschenkluit.
Eén dag vóór de kermis was Augustus-zon weer doorgevlamd achter wolkgrauw, zette ’t plots bewoonde, anders doodstille grasveldje, met z’n stinkende luier-ellende, in groenen lichtdaver, en kleurenbrand. De fel-bonte kermiskarren, eerst dof en druilig onder grijs-stugge hemelstolping, blakerden en vlamden nu òp in ’t gras, de plankige kasten, hard geel, wreed-fel geel en rauw Zaandamsch hutjesgroen, féros en wrang in den zeng-gloei van smoor-dampende Augustuszon.
Rood-bruin de hekjes en balustrades, menierood-helle pilastertjes en wielspul, kanarie-gele en meloengoûd-vlammige zijwanden, scharlaken assen-spul en spaken, zoo gloeiden ze tegen elkaar òp, de kist-lage kermiskarren, als één brandende kleur-rij, één braking van rauwen gloed, van ònder zengend ’t gras, van bòven zengend de lucht, ’t eindeloos-aangroeiend polderblauw.
Als ’n drom harig begroeide apen kropen de trage wezens, loom dooréén in den zonneblaker; kammende wijven, hekserig en brutaal, naakte kinders en verlompte meisjes. Tusschen blauwig-triest gerook van kleine straat-kacheltjes, midden op ’t veldje, hurkten smoezelige tooverkollen met sproetige zuigelingen. Daar naast rengelden, wijdbeensch-achterover en lig-zittend ’n paar jonge meiden in oostersche sfeer van siësta-traagheid, schreeuwend om beurten tegen ’n stoetje kerels, zwart als kolenbranders. Tusschen de kacheltjes aan eindhoek, stonden traag konkelend, donkere kermisgangers in ’t trillende walm-zwart van den rook, elkaar te beschelden, en jonge meiden, in verkaalde fluweelmisere-jakjes,—paarsig en donker smartenrood, gore restjes van pronk’rige akrobatenplunje,—scholden méé, woelden zich in de loshangende ragebollen, omzengd van karren-gloed en kleurenvlam van knetterend-heeten zonnedag. Al meer belompte vrouwen waggelden áán uit miniatuurdeurtjes van karren. ’n Walg-stank van zurige ellende walmde òp uit de kleur-heete kermisplek. En vreemd, in Spaansche cier, ging tusschen den zigeunerigen kleurgloei van hun wagens en rommel ’t brio van hun versleten opschik en rauwe behaagzucht; Spaansche cier daar wreed neergeluierd in de schroei-felle zon, overgolfd van licht, naakt-gezengd in den dag, versmart en rampzalig in den verbijsterenden vloek van hun helsch-bonte vurigheid; rampzalig in het verzweetende blanketsel van hun cirkuspronk en passie, overlaaid in zonnigen smoor met de bloedroode en geel-férose verf van hun huiverig-opgesmukt, moordend ellende-bestaan.
Vrouwen met bloote borsten sleurden kinderen mee bij de haren, in de krot-nauwe karren. Andere, spiernaakt, werden weer de holletjes uitgestooten, schreeuwden en grienden, vluchtend naar versten hoek van grasveld. Telkens monsterden nieuwe harige koppen òp uit de lage wagen-deurtjes, plots wègduikend in ’t vuil-diepe kamertjes-binnen van kar; verschenen dan weer, kiekeboeënd in gesprek-schreeuw met buitenhurkenden.—Ontkleed boenden anderen zich op ’t gras, tusschen en vóór de wagens, dierlijk naast elkaar krijscherig doorscheldend.
Van woelige Haven af, klonterden de karren en menschen in wriemel van kruipende kleuren, onder de drijvende stilte van polderlucht en land, eindloos wijd-om. Dìchterbij ronkte de hurrie uiteen, verwalmde kachelstank en rook, rond stoetjes en rommelige wagenboedels. Onder de karwielen kropen al meer klierige kinders uit, met moddertronietjes, zwart-verbakken, als vervuilde duiveltjes zich opgravend uit aard-ingewanden. Tusschen de paardjes en trekhonden vochten ze, en één morsig groepje ranselde ’n vuil-zinlijk aapje, dat grijnsde en wild flikkerde met oogenwit, bij elken mep en ruk aan z’n staart z’n hekserig rimpelkopje nijdig plooide, doorjeukend met z’n harige handen z’n luizige lijfje, bedacht tòch op iederen kinder-aanval.
Wild gekonkel ver-ratelde onder de kakelwijven, rauwe stemmen in alsoortig dialekt, Vlaamsch, Fransch, Duitsch en Amsterdamsch woordgewarrel; spraak van wezens die in heete drift van samenbroei maand aan maand, elkaar al verstonden door stem-intonatie. Vloeken en dreigementen bulderden rond in plotsen overgang van zacht-vleierig gesprek, verdoffend in klankloos geteem.
Achter bassenden en jankenden hondenstoet lagen jonge meiden in luierkring op d’r buik, op ’t heet-zonnige gras, de handen ingehaakt onder kin, met onderbeenen de lucht inzwabberend, zich naakt schoppend tot den rug. Ze begierden elkaar, groeven zich vuilnisbelten van zinlijke lol, stootten de handen onder de kaken wèg, dat hun tronies ’t zengende gras insmakten. Ze beranselden elkaar in woesten stoei, dat hun flodderige lompen scheur-risten en kraakten van de half-naakte lijven. Los de haren over schouders en ontbloote borsten, droogden ze zich de zweettronies met d’r onderrokken of gore hemdfladders.—Een brandende woestijnige hette, schroeide over den meidenstoet in ’t gloei-gras, dat schitter-vonkte en hel-groende. Een luiïge loomheid sufdutte dan plots weer in de snikheete Augustus-zonning.—En rookige walmbenauwing van de straatkacheltjes, verwoei wolkerig over hun verstoofde bloote armen en beenen, en morsige lijven.
Akrobaatkerels en draai-orgelaars schuimden daar samen met uitgestooten schooiers en landloopers van den omtrek, bedelaars en manke mirakels, zich veilig voelend in de boevige broederschap der kermisklanten, hinkend en lollend onder de goochelaars en kijvende waarzegsters.
In Oosterschen gloei zwirrelde tegenover den meidenstoet ’n vrouwenkeet, afgebeulde kijfkoppen, waaronder zeerig-beklierde, bevrat en bepokt, met bloed’rige vlekken onder d’oogen als moordmaskers in melodrama. Afgezonderd op kachelrand zat één jonge vrouw, mooi-Carmenachtig gloeiend ’t zwart-blauwe prachthaar, met ’r droef-verliefde hondenoogen te staren in de lucht, verwiegelend ’n versnotterden slapenden zuigeling op d’r knie. Als ’n paar orgeldraaiers van hun rondgang door ’t stedeke, ’t grasveld opreden, wuifde en kruifde plots ’n waaierspel van hel-rooie, blauwe, gele en wit-gore rokken òp achter de wagens van den meidenstoet, bradend op den buik in zonnevuur. Dan kwam er danspassie onder de heksen en jonge meiden, kiekeboeden wat tronies en halve bovenlijven uit kardiep, ontblootten zich brokken van kammende en kleedende armen. En achter de orgeldraaiers liepen mee, centenophaalsters, donker-harige meiden, slank en kanaljeus in hun groen en paarse afgesleten fluweelen lijfjes, vurig met hun kleur-gloeiende hoofddoeken als zigeunersche kappenbrand van Spaansche cier op de pracht-donkere haren. En langs de slanke heupen, tenger en wulpsch-elastisch, krioelde ’t van kleurige doeken, en om de meidenschouders vonkte ’t van goudspatjes, vurig gevlam van roode en groene sjaal-franjes, bonte en warme cier van zuidelijke passie-beesten. Er ging geschuifel tusschen de karren bij hun ommetocht, er verklonk gevloek en gelach op de kar-trapjes, in ’t wagendiep, en uit den meidenstoet, met d’r kinnen ingehaakt op handen, rolden al meer paren wèg, ’t grasveld òver in brandenden zonnezwijmel.
Geen sterveling van fatsoenlijk Wiereland durfde over de spoorbrug ’t grasveld op, te gaan kijken naar den luizentroep, die van verre, stil in eigen sfeer, z’n brandend brio en traag-geschooier bleef verzwijmelen,—
Van woeligen havenwal àf, tegenover ’t polderstille wèggeschuwde zonnige grasveld, stroomde ’t zonnelicht in kleurigen klots néér op ’t bruin-groene watertje. In troeb’lige golfjes kabbelden daar in zonnewiegel, de kleur-zengende kermiskarren, onderste boven. Ze gloeiden en plasten daar in ’t hel-bezonde havenwalletje, als met vurig zwam bestreken; de wijven òmgekeerd met hun roode, paarse en groen fluweelen rokken, hun vleesch-gore malots, de blonde en roode kinderragebollen; de omgekeerde naakte morsige lijfjes; de wagens met hun rauwen gloed en uitgespuwd verf-bloed, schel vernist in de Augustus-zeng, strakke trillende polderhitte en warmtenevel, inzuigend ’t helle licht in den alkleurigen zongloei, verscherpend de vlam-felle ommetrekken van karren en wezens, tegen den blauwenden polderhemel in.
Zoo dreef de melaatsche hellestoet, in vulkaan-kleurige hevigheid neergezwamd op ’t nat van den walstroom, zwabberend en verkruivend in de waterrimpels en ’t golf geklots, omkabbelend pramen, tjalken en schuit-vervoer. Zoo leefde daar twéé keer, brok bestaan van zomersche kermismisere, in de trage zonnige slaperigheid en den loomen zwijmel van niets-doen; één keer op ’t doodstille grasveld, aangeschuimd in de kokende kleur-klater van licht, de hel-kleurige karrenrij in den smorenden zeng van zonnedag; àndere keer, in ’t walletje, ’t overgloeide water, karren en wezens omdraaiend in de spiegeling van ’t brandende licht, dooreenvloeiend in heeten kleurenwarrel.
En rondomme van de Haven roffelden de orgels, snerpten de fluitenaars, trompetten en basten de registers hun demonischen klankenorkaan, tusschen rauwen menschenzang en schetter van kermisinstrumenten.
II.
Zwellend gerucht van kermislawaai ging door ’t stedeke. De orgels bleven doorrazen in valdreun van joelklanken. Zon bleef gloeien, haalde de Kermis in, met helle lichtflonkering. In den roes van ’t orgelgeschetter verkookten de meiden en kerels hun passie voor nachtpret. Ze beefden verbijsterd onder dreun, deun en zangschetter, en in bloedbruising gistten ze ten dans, in wilde extaze, vastgrijpend wat er voorkwam, de brandende wellustmonden open, om telkens op nieuw weg te duizelen in ’t rond, al in ’t rond, tot ze neerstortten tegen de keien en karren.
Van ’t land en uit de werkerswijkjes kwam sterker druisch en jubel, op den dag telkens gesmoord. Maar ’s avonds in de stille straatjes, aangehitst door ’t van verre aanklankende orgelgerucht, barstte de jool òpen als ’n vuurlong van krater. Hoog spoog de kleurhitte van hun passie boven huisjes, tenten en boomen, en gierende zang en zuip van een en anderen kant, botsten al op elkaar in.
De kanaljeuze meiden van de groentenfabriek, de groenboerenknapen, de wijven en vrijers, jochies en kinders, alles trok op, in den nabroeienden zomeravond, hurkten, hortten en joolden naar de kermis, de heilige kermis.
Pastoors en dominees waarschuwden plechtiglijk en star, maar ’n heete hoon-schater van de knapen raasde hun tegemoet, dat ze zwegen en stom aftrokken.
Eindelijk dan stond de heele lange Baanwijk-boulevard vol kramen, tenten en spullen. Ze leek ’n diepe allée van flonkerende kleuren, schijnsels en lichtvegen; flonker van poffertjeskraamruiten en gebrand glas, met kobalt, brons-gouden en rood-groene sterreling van deuren; flik-flak-zoetige toetsjes van rose en goud-randige ornamentiek, vèr-echoënd in kleurigen warrel tusschen vuilig vergroende spiegels. Overal glom gloei van koperen bakken en meelpotten, ’n schemer en flonker van goud en hel licht, tusschen de hooge, lage, dwarse en hoekige tenten en spullen, aan weerszij, dol van schitterig bonte fleurigheid.
’s Middags opende de kermis met klein gejoel pas van kinders, jochies en meisjes, feestelijk opgesmukt in Zondagsplunje.—
Op havenkant was schorriemorriënder spullenlawaai saamgedromd; de schelle klingeling en ’t heete galmend belgeraas van draaimolens, ’t gebons van karren tusschen ’t eerste gemoker en gedreun van vaste stàndplaatsorgels, vóór of in de spellen.—Dienstmeisjes koekeloerden, jongens schaterden en kinders gilden en sprongen als razende konijntjes, overal rond.
Tegen den middag was de zon weggebleekt, na de kermis met fonkel en gouden glans te hebben ingehaald. Maar zwoel en broeierig bleef Augustushitte zwangeren uit druilgrauwe lucht, boven ’t woelende stedeke, grauw-paars boven orgelenden havenwoel en Baanwijk-boulevard.
Dirk, Piet en Rink van den polder, hadden zich voor de kermis samengevrindschapt, loerend op de meiden van Grint. Jan Grint, uit eigenbelang, om Guurt meer te ontmoeten, school bij hèn; Geert en Trijn, Corrie en Annie weer bij Jàn, om vrijer overal in te draaien en mee te lollen.—Klaas Koome, de Hazewind, was bij de nèven Hassel getrokken, half gelokt met ruim geld, als spotkracht en durfkerel, en om sterker dan zij durfden, de meiden van Grint naar hèn toe te tronen. De meisjes voelden den aandrang van twee kanten, hurkten bangelijk in den knel. Maar Trijn wou niet dat Geert d’r hoofd zou breken, om die narigheidjes. Wat kon hun ’t schelen hoe ’t gaan zou met die vijandelijke kerels, nou ze zelf overborrelden van heerlijken kermiswellust. Zou wèl losloopen.
’s Avonds stapten Dirk, Piet en Rink op ’t pad, gingen ze Jan Grint halen.—’t Speet de meiden dat Jàn niet bij de nèven hoste, de neven met den loodpot! Maar Jan was zèker bij Dirk minstens ’n paar keer Guurt te treffen. Nou moesten de meisjes mee met hèm. Ze stonden klaar aan de deur, liepen naar voor, naar achter, popelend zenuwdruk, gejaagd.—
Toen ze de mannen hoorden aanstappen, en de vooruit schallende schreeuw van hun zangkelen ’t pad òpklaroende, stapten ze hun huisje uit, zoenden moeder Grint, vader en kleuters, en volgden vlug de lustige bazuin-juichende knapen.
Dwars door hobbeligen duinweg, op polderkant aan, ging ’t los.
Piet, Rink en Dirk joedelden in dolle dwarse sprongen, Piet nog op z’n klompen, om lekkerder straks te klakkeren en klos-meppen op de tentplanken.
In slinger-rij, de drie meisjes omarmd-ingehaakt, zongen ze den duisteren avondweg àf, die zomerstil lag te suizelen in heimvol geruisch, onder donker bleek-sterrenglanzend azuur.
Rauw krijschten de kerelsstemmen door den gil’rigen vrouwenzang, in opgewonden passie ’t kermislied uit.
Arreme frouw en kin.. d’re Stuurt men noàr de moordenoarskampe haine.. Aooaauuw! waa’t ’n skande Loage wroak van En-gè-land!
En telkens met iets bloeddorstigs hysterisch in den nationalen zangkrijsch scheurden door ’t avondstille, week-golvende duinpad, in zwenk van alle stemmen plots, de rauwe geluiden bijéén, een sleurige zeil van gloeiende passie naar ’t refrein:
Aooaauw! waa’t ’n ska-ande!
heel ’n leven van wraak-bloedige dierlijkheid en woede er in uitbrallend.
Midden op den dwarsweg trad plots ’n donker stoetje, ook brullend en zangbruisend bijeengehaakt in slingerrij, woest tegen de Hassels en Grintjes insliertend.
Ikke sel d’r bai stoan op wè-el en wai! Deesie.. Deesie!
verkalden daar krollige mannestemmen. En vlak voor de meisjes hielden stand de zangers, donker-groot in ’t avondduister van duinpad.
—Saa’k stikke! da hai je de maide van Grint, spoog Willem Hassel er uit, met ’n spatstraal van z’n pruim tusschen z’n tanden.—
—Kaik! klonk ’t verrast van andere zij, da binne dur Willem.... Jaa’n.... Henk! en Klaas Koome! telde Piet vagelijk in ’t duister.
—Kaike?.. Hoasewind! f’rek.... en.... enne.. waa’s dá’ veur ’n snaiboon.... wâ? Bolk, Platneus jai? jài! gierde Dirk, die eerst nijdig had willen worden maar in verglijing van bui, in ’n woesten schater schoot.
—Is je waif dur t’met protekollig Ouë, spotte Piet, kèn d’r dâ ouë bier nog werreke?
De neven Hassel hadden met Klaas Grint afgesproken dat zij de meiden zouden halen, en nou had de vent ze toch met die vervloekte klus meegegeven.—
—Saa’k f’rbrande! brulde Willem, daa’s ’n judaàsstreek, t’met hep ie vaif moal d’r aige sait da wài.. wài de maide hebbe daa’s kapsies soeke....
—Die vint hep dur puur gain koorakter....
—Nou, hoonde Dirk terug, de meisjes naar zich toesleurend met twee armen tegelijk, wâ motte de kooters mit sukke koale jasse van doen?
Beefwoedend klonk z’n stem in ’t duister.
—Daa’s net, jai hep ’t op je ruiker, ironiseerde Rink, de reuzige polderkerel, ’n kittelstreekje onder Geert’s kin smerend, dat ze schrok.
—Hande thuis, snauwde Geert gemaakt, zich erg in de knel voelend, nu de andere knapen op ’t donkere pad daar dreigden.
—De deftighaid komp! moak ruimte! hoonde Dirk weer.
—Die heere binne d’r soo ellendig pienter, trampelde Piet.
Klaas Koome, nù vriend van den guldenszwaren Hassel, hoonde stekelig en driftig terug, schold op Kees den „dief”, den moordenaar en strooper,—Willem gierde wat gemaakt mee bij elken gemeenen uitflap van Hazewind; dikbullige Jan vloekte pruttelend en Bolk dwergde onrustig achter de dreigkerels. Willem drong weer òp.
—He maide.... wâ motte jullie mit ’n vint van wit hoar.. d’r uitfoere? bai sain in de luure? daa’s niks gedaan! protekollig veur vaif en ’n broer die d’r vaif joar sete hep!.. s’n aige waif half doodklopt, en s’n aiges kooters loat f’r hongere!.. en s’n skoonfoar mit ’t mis kittelt! daa’s de femillie!—Rink reuzigde vóór, dreigend, valsche schaterlachen verproestend. Maar de meisjes wouên geen ruzie, voelden zich veel te lekker in de aanzwellende lol en ’t zanggerucht van de kermis. Ze snakten er naar. De koppen bij elkaar gedonkerd fluisterden ze ’n besluit.—
—Hoor rais manne.... zei plots kloek Geert, wai hebbe d’r vast niks àn,.. aa’s jullie d’r aige skelde en kriefele.. Wai.. wille d’r vast mi de haire meegoan.. aa’t ’t in frinskap lait! jullie mot d’r malkoar f’rstoan.—
—Daa’s net!
—Juistíg....
—Vast woar,.. snapperden en pieperden de anderen er door heen.
Er klonk wat dof gemor in ’t donker. Rink de reuzige lobbes wou wèl. Willem ook en Jan ’t gulst. Maar Dirk en Piet mokten koppig. Piet wou eerst nog bakkeleien.—Dirk jeukten de handen. Ze gromden de twee broers, als buldoggen. Plots in ’n ruk, drong Rink ze bij elkaar, de stugge haatdragende wraakgierige neven. En in lol plots aangekitteld door de lachschelle meisjes sloeg hun haat in dronkemanszwaai over in zang, werd hun versmoorde jaloerschheid in verteederden gevoelszwenk, afgunstige vriendschap.—Willem greep Dirk vast, Piet, Jan, Rink, de reuzige lobbes, omarmde ’t heele stel, en Henk, ’n takknoest in de hand, smakte zich brutaal met z’n donk’ren kop tusschen de meiden, slobberde in ’n ommezientje ze de vroolijke wangen vol met klink-zoete zoenen.
Jan Grint die stommetje had gespeeld strompelde op zij, en met z’n afgeknakten boomtak, slingerde ie vóór den stoet uit, tamboermajorig manoeuvreerend.
In slinger en sliert eindelijk joolden ze den weg af, op stillen havenkant áán. De meiden vonden dat de knapen zich kranig gehouden hadden. In joligend-mekaar-aangekijk, met de vroolijke oogen vol lach en rumoerlust, bonsden en hotsten ze den krommigen keiweg af, schreeuwden ze ’t uit, toen ze plots vóór zich den rooden schemer, nòg dichter bij den brandgloed van al ’t gas, toortsgewalm en kraamlampen zagen opvlammen. In genotssidder hoorden ze klankenorkaan van al de orgels loeien en dreunen, tusschen het menschkermend en scheurend gezang van kermisgangers, die dromden rond den kook van ’t avondlicht, den roffel van trommels, den gil-schater van den stoomdraaimolen.
Van den polderweg àf, waar de luidlooze weien in angstige luistering trilden en de stilte staàrde naar ’t hellekrochtige kermisgerucht en fakkelgevlam, gierde de stoet, hossend uit ’t zomerlijke duister, al dichter op de licht-razernij áán. De meiden joolden, sprongen, de kerels brulden.
Oooauuw! wat ’n ska-ànde Loage wroak van En-gè-land!
Van de Haven klonk terug, zwak-vergalmend tot stilstaand gerucht, naar ’t polderland: Ooaauw.. wat ’n skande.—Uit alle havenhoeken daverde en galmde ’t refrein áán; in stikdonker, bij schaduwrood schijnsel van wat eenzame lantaarns; onder bronsgloed van walmende toortsen. En van overal doemden òp in ’t licht, zingende rooie koppen, schal-monden, aangegloeid ros-oranjig in den hellen brand van kermiswoel.—
—Binne dur nou puur luchtskommels? gulzigde Griet, smorend ’r dolle blijheid nou ’t kermisgetier al dichter op ’r aandruischen kwam, oorscheurend fel.—
Ze voelden zich dronken de meiden, nu al, van koortsig verlangend genot. Huiverwellust schroeide ze’t lijf; genot kittelde ze in de kaken en al dichter naderden ze ’t vulkanisch getoorts van gas en flonker-lampen, flambouwen en kleurig-schichtig elektriek.
Sterker bulderden aan, orgeldreunen en ’n woeste warrel en stuif van heete stemmenzang, krijsch en fluitgegil spoog en hoosde ze in d’r begeertronies.
—Dur is dur t’met van alles Geert.... daa’s d’r puur een prêcht! schreeuwde Willem opgewonden, en lievig tegen z’n neef,—nie Dirk? dá’ hai jullie d’r vast nooit sien.... dur is dur.. ’n reusin.... saife-honderd pondjes.... en ’n ieder mog dur betaste en befoele....of dá’ sai dur ècht is.
—Jai weut d’r gain snars van, stampte Jan Grint ertusschen,—je hep d’r ’n stoomdroaimole.. soo groot krek aa’s ’n poardespul.... en je hep d’r ’n kie-me-tè-mès-koop.... of hoe da loeder hiete mag.... je hep d’r ’n poardekirsis.... ’n skouburg en vaif kèfèe-setans.... en ’n klodder goocheloars.. en woaresaisters.... en skiettinte.. enne gruufelkoamers.. enne....
—Hohee! gilde in schellen lach Rink er doorheen, woar blaife de lekkere maide dan? wa kan main die spullemikmak hoàmere.... De màide.... de maide.... daa’s de klus! de fles.. dàas ’t faine werk.. aêrs f’rfail je je aige stierlik!
—Ooaauuw! waa’t ’n ska-ande..
brulde Dirk midden in, met Willem die ’n maat achterna strompelde; en hoog lolden de meiden mee.
—Hou d’r je snoater, nie veur je tait.. hakkekruk.. op da terrain wee’k de sangbeweging te motte.. ikke konsteteer van dâ ikke allainig de paàs sel merkeere op dâ terrain.... hee Platneus.. hiere langst.... hiere langst!.... Bolkie! En nou valle jullie d’r in....
In bas-diepe brom zette Klaas Koome in.
’t Is de kerremis die je vreugte biet.. Van wa wai d’r nou rais lekker geniet! Wel sait d’r ’n droo-ooge—soo’n saa ie.. held’ Skaft d’r moar òf.. kost mooi je liefe geld. Daa’t is d’r ’n la-amstroal van de ofskoàffersbond ’n Blaufe knoop in se jaa’s, gloasje mellik an sain mond.
In stijgenden heeschen krijsch stond ie voor ’t eind en heel de stoet sliertte ’t refrein de roodbegloeide lucht in:
—Men singt, men host, men lacht, men moakt pelsier.. Je loa je waige of drink ’n gloasie bier! Je soekt ’n maideke, da je spoedig vint! In sukke doage binne sai goed gesind! Nou goan je skiete in ’n linnen tint. En roak ie waà’t, kraig je ’n mooi pirsint.
—Si-iint! galmden ze uit, meiden en kerels, vlak bij ’t havenend waar ’n kankaneerende stoet uit flambouwbrons weghoste, hen kruiste bij ’t duister pakhuisgedrang, en rauw Klaas’ lied overschreeuwde met ’t helsche refrein
—Oooaauw! waa’t ’n skande.. Loage wroak van En-ge-land.
Loslatend hun eigen lied galmden de Grints en Hassels mee met den rauwen stemmenzwenk der o-wat-’n-skande-krijschers.—Zoo, dansend en wulpsch schaterend hosten ze áán in duivelsch gebaar onder eersten ros-gloed van hel gloed-verruischende flambouwenrij, voor groote tent-façade.—
Besefloos werden ze plots oversmakt door ’n bulderstroom van hossers. Met moeite werkten ze zich weer bijéén uit den bruisenden golfstoot van zwarte, duistere, èven en half-begloeide stoeten.
Vlak voor de luchtschommels, dicht aaneengehaakt in armenknel, bleven ze eindelijk staan.
Een rij flakker-felle gasflambouwen op koperen schitterstang gloeiden voor de schommeltent, in hel van rood-goud licht verzwommen. Er naast, vóór de kinematograaf boogden drie elektrische lampen, ’t boomlommer van kastanjelaan ingeheschen, tusschen twijgen en zwaar geblader, rood-paarse trilgloed verflakkerend, tooverig-dekoratief rondlichtend òver den kermiswoel. Al lichtsoorten vochten en worstelden tegen elkaar in. Aan één kant vergloeiden de elektriekbollen als paarse manen, een hel-klare prachtnevel, over boomen en menschkoppen en tenten; aan anderen kant, vlak er naast, dromden en gierden tronies, rossig-aangegloeid in beefwalm van gasflambouwen en petroleumlampetten, hellemaskers gekerfd en duivelsch geschminkt in ’t licht en de angst-zware schaduwen; satanische storting van gloed op monden en oogen, kaken en wangbrokken.—
Uit de nauwe steegjes worstelden lòs gistende proppen bijeengeknelde kerels, meiden, jochies en wijven. Achter de steegspleten met hun duister gewoel gloedschijnselde brandroode lucht van Baanwijk, waar vóórbrok van kermis joelde in helle lichtschatering. Telkens nieuwe donkre drommen in de kronkelige duistere gangetjes, stortten zich in den dampenden avondgloei van vlam-spelige tenten en spullen. Lol, zang en gebral botsten in rauwe hette onder den elkaar-kruisenden menschenwoel in de donk’re steegjes òp; gangetjes en kronkelspleten die er duisterden als zwarte weggetjes tusschen twee rijken vulkanisch beflambouwd: Baanwijk en Haven. Aan ingang van wat kronkelgangetjes bloedde hier en daar rood en groengeel gevlek, weerschijn van kleurig tentglas op verweerde muurbrokken rond gekranst. Maar de meesten donkerden als grotten, waar telkens kankaneerende massa, uit ’t hellelicht van Baanwijk in verzwelgde, voortwoelde ’n poos, in de grottennacht, daar dobberde, terug bonkerde en weer voortgolfde; gloeierig opdook plots weer in den fellen havenbrand, den woest oranje-rood en paars-groenen gloed van flonkerlampen, toortsen en elektriekbollen bij kinematograaf, waarvoor ’t volk woelde klaar-belicht, als in ’n plots opengebarsten dag.
Een orgelschallende orgie, demonische klankenroffel en schetter tegen elkaar inzwirrelend, raasde rond in hellesfeer op de Haven, kretenzee en brallende geruchten, opgejaagd in de gloeiheete tjink-tjinks van bekkenslag en pauken, lawaaiend tot àchter den spoordijk waar polderland eenzaamde in eindeloozen weischemer. En rondom, de melankolieke zeur van ééndeunige orgelwijs. De kastanjeboomen, diepe laan van schel-brandend groen, doorblauwd en doorpaarst van fel-elektriek, grilligde daar als tooneelpark in dekoratieven brand, met z’n dampig poortperspektief, waar aan ’t eind, op verren achtergrond van petroleumfakkelend oranjig roodgoud, een dolle dans van demonen raasde, uitzinnige wereld van rood-donk’re en rood-lichtende, kangoeroesch-kankaneerende wezens; vrouwen en meiden opschuimend d’r rokken in witte branding en bruising van ondergoed; mannen en dronken kerels in vetten lach of strammen ernst, kwijlend, verhit en omgloeid met de klankrazernij van orgelschetter, paukendreun en krijschzang.
Vóór de luchtschommels propten de meiden en kerels zich òp, kanaljeus en doorschroeid van zinnepassie, in puffende omarmingen, wachtend tot de klingelende bel, ronde van elken luchtgang afrinkelde, de roffelende trommel van matroosje vóór ’t orgel, plots dòfte en de kas-juffer àfluien liet tusschen geknars van de plots geremde schommels, gepiep van de stangen, en den rumoerig-beenschuifelenden terugsmak der stil-staande lijven uit den geweldigen slingergang.
In overrompelenden drom sprongen Dirk, Piet, Willem en Rink met de meiden naar voren, fel-loerend op plaats. Dirk had zich woest op Geerts slank lijf gesmakt. Piet schommelde met schalksch-vurige Trijn, de aanhalige Trijn, en Willem, woedend dat hij Geert niet handig genoeg mee had gesleurd, toch zich goedhoudend, bonkerde er maar op los met de snibbige Annie.—
Jan Grint had rondgekoekeloerd of ie Guurt ook zien kon, al voelde ie vooruit, dat ze wel te trotsch zou zijn om met den stoet mee te lollen.—
Rink had nog bij tijds ’n schommel gegrepen waarin ie blonde zenuwachtige Cor droeg. Meer plaats was er voor hun stoetje niet. Woedend, vol spijt holden de overblijvenden terug van de trap.—Klaas Koome raasde wat tegen de luchtschippers die de sloepen òpschoten, zonder den nijdas te woord te staan. Jan Grint, Henk Hassel en de anderen dwarrelden tusschen de aanhossende groepjes, toch niet te vèr van hun klub, tukkig loerend op alleen staande meiden, die meegesleurd wilden worden.
Bolk was verschrompeld en bleuïg, met z’n platten polypneus berossigd en begroend, z’n grillig bevlamde tronie de hoogte inkijkend, tusschen ’n troep meiden weggeschuchterd; voelde zich niet meer thuis in ’t lawaai. Dat hadden de kerels wel begrepen en daarom ’m half aan zijn lot overgelaten. Op weg naar de Grints hadden z’m ontmoet. Hij moest mee, of ie wou of niet.
In ’n hos-storm was ie toen meegesleurd omdat ze nog wat jool met den ouen rakker wilden hebben.—Maar onder den wandel naar meiden en kermis wouên ze’m al weer kwijt. Nou stond ie daar nog voor de luchtschommel, bang-opkijkend naar de sloepjeszwier hoog in de lucht,—in zijn tijd nooit bestaan—z’n ouden kop omkolkt van geraas, bemokerd van dreungeluiden. Telkens schrok ie òp, dacht ie dat ’n sloepje, rakelings langs ’m scherend, tegen z’n harsens zou aanbonsen. En telkens weer verschool ie z’n klein krom lijf schuchterder achter ’n woest-gillenden meidenstoet, bijzij de tent verwoelend, rossig aangegloeid in flakkering van flambouwenvlammen.
Dirk met Geert, ’t mooie zwartje, slingerde ’t hoogst boven tien sloepen uit. Rink rukte als ’n bezetene aan de stangen, dat ie plots in ontzettenden zwier-zwaai met Cor boven tentdak uitzweefde.—In luchtzuigende vaart schoten de schommels òp en néér, scheerden den vloer, zwierden weer òp, plonsden weer neer uit bang-duizelenden slingergang. En hooger, in woesten naijver op elkaar, schreeuwend en lallend, zetten de kerels òp, lijfzwaar zich schurend op de meidlijven bij elken terugzwaai en smak naar àchter, de tent in.—
—Set d’r op Dirk! set d’r op! barstte Geert uit, in heeten schater om haar hoog-dolle vaart, met rillige gloeiingen in ’r lijf van schommelgenot, d’r wellust-woeste oogen strak op Hassels koeienkop gebrand. Dirk voelde ’t warme zweetlichaam op zich aanzwellen bij elken nieuwen ruk en inbuig van ’r opzet. En rukken nu deed ie als ’n bezetene, dat de stangen kermden in de scharnieren. ’n Woeste zweeflol, ’n dolle zwier, niet voelend meer waar ie was, golfde door Dirk’s handen en beenen; bloed spoot ’m naar den kop. En Geert genoot mee, in schommelzwijmel, bang-heerlijk, hoog-wèg in heeten suizenden duizel, dàn in de lucht, dàn beneden, scherend den planken vloer, dat al meer gloeiende rillingen door ’r heensidderden. Al de meiden in de bootjes hitsten de kerels òp, hijgend, hooger-zwiepend de ranke sloepjes, tot plots, midden in den luchtzwijmel, de bel rinkelde, de rem-matroos vastgreep en in smakkend gerucht de luchtvaart gestuit stond in zachten wiegel.
—Wai blaife d’r.. blaife dr’! nog één ronde.... lekkere metroosie, ’t is d’r soo ellendig lekker! krijschte ’n lange meid, oranjegeel begloeid in valsch flambouwlicht, smakkend met tongpunt paljassig d’r heeten mond uit.
—Nog éénmaal dames, guitigde ’n mooie matrooshelper, met glurende oogen lachend tegen de knappe meiden, zoo maar voor ’t uitzoeken. Snel de breed-bekraagde matroosjes, sprongen weer achter de bootjes, duwden tegen ’t achterwerk der meiden, dat ze gierden en raasden van opwinding om de kriebelige duwen.—
En weer gingen in langzamen opzet, tegen elkaar, in vaart-zwiep de ranke sloepjes, schoten ze ver buiten tentfront de lucht in, boven het vloei-flakkerige stangenlicht, dat als ’n toortsenrij ’t spul in z’n bont-geel façade-geschitter bevlamde in helle-gloed. En binnen in, langs de rood gevlagde wanden, bruiste licht, licht, stond koppenwoeste drom meiden en kerels, òp en neer, in storm en slinger; brasten de sloepen door een brand-vlammigen nevel van schijnsels. Dolle silhouetten schimden langs muren en tentdoek, en midden in knarsend geruk, giegel en gekrijsch, bleef dreun-deunen ’t orgel, z’n kanaljeuzen strot òpen, waaruit éénzelfde trompettenschetter verbrulde.—’t Kinder-matroosje aan den ingang, roffelde voor ’t orgel-gebouw op z’n trommel, roffelde ròffelde uit, de razende passie der schommelmeiden en kerels, één dof-rollende dreun van grommingen. Eindelijk klonk de bel weer, smakte sloepjes-luchtval terug.—Dirk en Geert strompelden dronken en waggelend uit, en al de meiden aemechtig lieten zich de bootjes uittillen door de opgedirkte knevel-guitige matrozen, die gniepig streelden en knepen, als felle kereltjes lonkten en tastten.
Dansend bijéén op de estrade, roffel-hakten en stampten de Grints, Hassels en Rink de tent-trap af. Henk, Klaas Koome en nog ’n paar makkers stormden áán, ieder met ’n meid, die telkens wisselden van vrijers.
Mooie Marie Pijler, prachtslanke blonde furie, kankaneerde vóór den stoet ’n woesten dans, met één been de hoogte in kapriolend, haar rokken kniehoog opgerukt, onder krampigen zwenk van ’r lijf. De Grintjes en verblufte kerels om haar, op de tent-trap, klapperstampten en joolden mee van pret.—Maar Hazewind alleen sprong in sluipende lenigheid vlak voor de furie, danste ’n vervariëerde horlepijp met slappe kuiten en slappe polsen, als ’n Engelsche komiek dof klapperend met z’n zolen op ’t hout. De meid Pijler draaide langzaam, één been al hooger uitgerekt om ’m heen, in verwilderde oogen-extase. Haar blonde haartooi vlamde òp in gouden rossigheid, volgedrupt van flambouwenrood, en ’r zwijmeltronie, in wondre omstraling van harenglans, begon plots te proesten in helsch geschater. ’t Woelde om ’t stoetje, de luidruchtigste lachende zangers van heel de luchtschommeltent.
De Grintjes en Hassels, nu mèt Marie Pijler bijééngegroeid, juichten plots, toen ze ’n endje van de estrade, in ’t helle elektriek, Guurt Hassel oppikten; Guurt, die alleen had staan te koekeloeren naar d’r sekretarieheertje.—Jan Grint pakte ’r vast, lolde er opgewonden meè. Aan één rij, in slingergang, dwars door aanstormende en weghotsende stoeten, kankaneerden ze de Haven àf.—Plots kwam golvende massa opdeinen uit steegjes, die meesleurde ’t stoetje, en al de kerels en meiden weer terugdrong en neerwierp vóór de luchtsloepen, de plek waarvan ze in zwier en zang, afgehost waren. Dat maakte Dirk en Rink nijdig, en woester stortten ze zich in den kermiswoel, sleurden de meiden in armenknel en dolle vaart mee, werkten en trampelden rond, in slag en duw, waar ze wezen wilden.—Maar de kerels hadden geen lol genoeg op straat. ’t Was nog te stil overal. D’r zat nog geen steigerende furie in. Hazewind schold op dà’ terain.. van dà’ tie konsteteerde van dà’ d’r gain duusend minse nog enterd woare.... dà’ de heule kermisbeweging in ’t honderd liep....—
De meiden gilden, lalden, dat ze dan maar de kroeg of de danshuizen moesten bestormen. De neven Hassel, warm, opgeblazen, hijgend van hitte, en verdoofd van orgeldreun-razernij konden ’t best vinden, zeiden lievig tot mâlkaar dat ’t toch beter zóó was dan je met gladden smoel voorbij te loopen, zonder woord. Ze zeiden ’t maar, wijl ze voelden dat anders Geert er van door zou schieten met ’n ander; Geert die beefde voor ruzie. Dàn zeilde Jan Hassel bij Pijler, dàn Piet bij Cor, dan Henk bij Annie, in stoerigen wissel van lijven en zoen-wangen. De blonde furie Marie duivelde en sprong vooruit, schreeuwde in vlammige dolheid als ’n bezetene, in hysterische stemme-krijsch kanaljeuze liedjes uit; holde en klauterde tusschen tenten en spullen vooròp met den dikken takstronk van alles-zoenenden Henk, den stoet betamboereerend. Telkens schakelde hun slingerrij stuk, door alleen-zwalkende dronken zwervers, die aansliertten en rondrumoerden met stuipige gebaren, kokhalzend en verspuwend brallende liedjes. Door de hosrijen strompelden ze heen, in beestigen slemp weer tusschen de donkere tentruggen verwaggelend hun kaduke lijven.—
Tegen twaalf uur, bij losbreking van schouwburg en Café-chantants van Baanwijk en Bikkerstraat, kwam in helle-rumoer ’n zang-stoet, galm-rauwend de haven overhossen, dat heel ’t Hassel-Grint-groepje en aanhangsels overgolfd verstikte in de machtige uitbarsting van elkaar-kruisenden menschenhos, aangolvend, al dreunender en krijsch-zwellender uit duisteren pakhuis-havenhoek bij polderweg. Drie uur had die uitgolvende bende opgesloten gezeten, als muizen in ’n val, en nu plots roerde er ’n stuip van loswoelend herleven, voortschokkend en in branding klotsend de heele kermisjool.
Na ’n half uur waren Dirk en Willem, Henk en Rink de meiden kwijt; vonden elkaar eindelijk weer, tusschen zwirreling van hossers en zangers. En heel den nacht zwierden ze van danskroeg naar danskroeg, van herberg naar herberg, tot de Grints en Hassels, stombezopen tegen elkaar aanvielen, lam-gekankaneerd en lodderig zwaar, elkaar bijna niet herkennend. De neven begonnen te krauwelen, de meiden gierden. Marie Pijler drensde om ’n jongenspak, sleurde zich d’r rokken van d’r lijf. Eindelijk kwam politie die ’t dronken stelletje, achter andere troepjes áán, van ’t kermis-terrein verduwde.
Zoo strompelden de meiden en dronken knapen, in heesch-schreienden zang, de stik-duistere laantjes in, om Wiereland en Duinkijk.—
III.
Ouë Gerrit had stierlijk ’t land, vloekte tegen Guurt en zijn wijf dat de kerels ongehoord verzopen en geradbraakt ’t huis inzwalkten. ’t Landwerk lag braak. Tegen den ochtend waren de jongens weer op de beenen gescharreld, stond Dirk met dikke oogen en slappe beef-knieën tusschen de sperzieboonen, gaaploeiend wat vruchten te zoeken in zoeten luierrengel. Z’n oogen vol tranen gewaterd, branderig en katterig door ’t heele lijf, loomde en sleurde ie zich voort. Telkens op ’t pad geknield, onder ’t hoog boven z’n hoofd dichtgegroeide ranken-groen van boonen, zakte hij ronk-zwaar en lenden-lam in, zonder weerstand, met al slappere slaapgloeiing en zoete matheid in de knuisten. Zoo, met z’n wit-blonden kop scheef tegen de rijzen en latten van z’n boonen, voelde ie straks te zullen neerzinken in màf, op den zonnenden gloeigrond.
De zon vlamde doòr ’t groen; ’t zand dampte hette uit. Eén soezerigheid was over Dirk’s kop geduizeld. De lucht had hem eindelijk heelemaal te pakken, en eer ie ’t goed wist lag z’n heele korpus, slaap-gebogen en verzonken, dwars tegen ’t rijzenhout. Hij ronkte en snoffelde als ’n varken.—’n Laan achter ’m lag ’n plukker die ook den heelen ochtend al had tegengeworsteld, maar door de snikhitte overmand was. Het gebukt zoeken naar jonge schepseltjes had z’n verzopen en afgetobd lijf heelemaal tol-duizelig gemaakt en de stille invretende Augustus-brand, schroeide nu rondom de slaapkoppen op de blakerende droge akkers.—Ouë Gerrit nuchter en bits, de kermisweek vervloekend bij elken stap, botste op den ronkenden Dirk, in ’t boonengroen.—
—Moar god-liefe-Hair! hai je ’t ooit sòo sout gaite.. hoho! Dir-rik! Hai hoo! Dir-rik! schud-schreeuwde ie woest, bonzend tegen z’n gelen kop.—
Dirk schrok, kéék òp, z’n slaperige tronie onbewust heffend in brandende zonnesteeken, dat ie plots bukte, blindgegooid met licht. Z’n makker, door krijsch van den Ouë ook opgeschrikt, greep lukraak naar de ranken, angstig-gissend of ie wèl of niet gesnapt was.—Wat gauw kwam toch die zoete luiheid door z’n polsen en handen gestroomd. Nou had ie ’n suizend gevoel in zich, of ie uren òp één stuk van z’n been had gezeten. En Dirk voelde zich branderig alsof ze’m stukken van z’n romp hadden afgezaagd.—.... f’rdomd.. aa’s tie nie oppaste.. gong ie wèèr.. z’n oogen loken àl en de Ouë, stom in woede, keek maar.
—Wâ is d’r an ’t handje Ouë, lijmerde hij eindelijk kregel uit, wa nou?
—Moar main kristis! da goan tug te waid.... Hep jai d’r dan heuldegoar gain koorakter!.. Piet lait d’r half-dood veur de andaifie huhu! en de moffeboone legge te wachte.. Main Jesus.. de hellepers sakke d’r glad-wèg! hoho! ikke mot d’r tug laifere! Enne.. ikke.. mit main ouë bast.. lap ’t vast nie allainig! eénmoal.. andermoal.. woar mot dâ haine! dâ haine! die moffeboone stoan d’r puur te rotte op de grond hee?—
—Nou seur d’r soo nie! kom bai de huur t’regt! wat jou Ouë? Murge is d’r Sondag.. enne moandag doene d’r wai vast van sellefers niks.... vàst niks! dat weut je... is d’r kerremis-moandag.... Mô jai d’r ook moar-rais hain trekke.... omdá niet-en-kan? Och! loat ’t ouë bier moar werreke!
Brommend en vloekend ging Ouë Gerrit wèg, radeloos, toch stom van angst. Wel had ie fellen lust in ’m om te gaan kijken, maar hij was d’r doodelijk bang voor z’n eigen natuur dáár. Voor vier jaar had ’m zoo’n tentbaas juist betrapt op ’n klein gapperijtje. Hij had den kerel ’t vijfdubbel betaald en die had zich toen stom gehouden. Maar uit schaamte en angst voor dien vent, had ie in vier jaar tijd nooit meer ’n stap op de kermis gedaan.—En ’t was zoo glad van de hand gegaan dat ie ’r eigenlijk nooit meer om dacht, en ’t ook nimmer meetelde als ’n snappertje.—Want ’t jeukte, kriebelde in ’m in de handen. Wat ie daar al niet zien had? Hij zou zich niet weten te houên.... Hoho... al die spulle.... die kleure.... die glommige dingies. Sou die ’t tug-en-doen? Sou die ’t t’met woage? Dur woa’s vast niemand die ’t wist! Most dus puur tug ’n toeval weuse.. aàs tie die vint dur nog antròf. Hoho.. hai waa’s dur soo malgroag.... Soo malgroag! En ’t waa’s dur de heule eerste kair van s’n laife daa’t ie op ’n klainighaidje betrapt wier!.... Aa’s dur nou tùg nies van ’t land t’regt kwam, most hai s’n aige dan hier allainig mit ’t waif doodkniese! arm, doodarm waa’s tie tug! S’n aige brokkie grond waa’s dur tug lang nie meer van sain. Hij poerde moar veur ’n aêr! Enne had ie dan nie s’n spulle? Wa kén d’r sain de heule mikmak skaile? Most tie d’rof van sain grond, wel nou! dan d’rof! hoho! F’rduufeld.. hij sou d’r nog rais fleurig haingoan kenne.... En dan figilaire op de klaintjes.. Hai sou d’r nou hain! Most d’r moar van komme waa’t wou! Nou de kerels tùg de boel verloope lieje... moar dan sou hài Sondag op stap goane... hoho!.. Sondagòafed.. aa’s ’t drokst waa’s.. ’t dolst t’met.. daatie nie in de lampies liep!
Brommerig en toch half voldaan dat ie ’t met zich zelf eens was geworden klomperde hij ’t land àf, voor z’n leegen rommel staan blijvend. Piet hurkte bij de kolen.—
—Da koolgoedje gaif je tug moar smerige sintjes Ouë! mos je moar nie meer sette! ikke sien d’r vast nies in!
—Hoho.. vier-en vaif en nie genog! d’r valt t’met niks meer te sette, stotterde Gerrit verlegen, verbaasd Piet weer zoo frisch en flink te zien poeren, hurkend doorzwoegen of d’r niks met ’m gebeurd was. De knaap had stiekem z’n heelen kop onder de pomp geduwd, dat ’t water langs zijn wangen droop, z’n haren plakten en sluikten langs de slapen. Nou voelde ie zich weer doorrild van frischheid, galmde ie z’n kermislied uit, met schorren klank in de zonnende ruimte rondom.—De Ouë wègklomperend, hoorde nog lang achter z’n rug Piet’s stem:
—Oooaauw wat ’n Ska-ande, Loage wroak van En-ge-land.
Kermis woelde door, en gloedkrateriger stond in den avond ’t stedeke in brand, laaide ruischend z’n ros-gloeiende flambouwenhel òpen, waarin demonisch-donkere stoeten uit en achter tentduister en vlammenlicht inhosten, met woest-duistere sprongen en gebaren van kannibalen om nachtvuren.
Toch met den Zondag, kwam pas ’t èchte kermislawaai, van alle plaatsen tegelijk. Op den middag,—uit de treinen, uit tentwagens, uit reus-bakkige bolderende Jan-Pleziers, lodderig als melancholieke tufs-tufs,—drongen de stoeten áán, van Lemper, Kerkervaart, Duinkijk, Zeekijk, Overschie, van overal.—
Heel ’t omliggend platteland was leeggeloopen en opgestoet naar de Wierelandsche kermis. Vee- en kaasboeren met schom’lige vervette buiken, tuinders, kweekers en zeelui van Dijkland en al ’t landvolk, dromden dooréén. Pracht-omsjaalde bevlagde boerinnetjes, met d’r kleurgrillige mantels, bontvervige lijfjes, rokken en vonkend gouden koppen, verdrongen elkaar, hortend, stoeiend en woelend in zwirreling van bloote armen, bontkleurige schouders, lachende tronies, blank en glimmend; omlegerd van schoremzootjes, saamgeplet met dronken, uitzinnig krijschende zwierders, en teruggemalen tusschen aanzwellenden kruisgang van al nieuwe kermisjolers.—
Zoo duizenden en duizenden, op den middag al, verwoelden in ’t enge ruim van Haven en Baanwijk. Kleur-zwirrelende menschenzee golf-deinde en klotste, bruiste en schuimspatte rondom, tusschen de pronkspullen en tenten, kramen en draaimolens.—
Tegen den avond pas bulderde áán, ’t groot-geweldige donk’re rumoer, verklonk ’t stedeke in daverend hellegerucht, gloeide en schuimflitste de kleurwoel, donderden de bas-kelen uit hosstoeten, vergilden de passie-meiden hun hysterischen krijsch-jubel, in snerpenden scheurend fellen klankenmartel er doorheen.
De lucht boven Baanwijk-breede boulevard hing laag en starreloos-duister. In ’t diepe midden, den poortigen allée-weg, achter de wafelkraam-ruggen, hing ros-gouden damp, als van ’n uitbrekenden brand, angstig moordrood in revolutie-nachten, heel den hemel daar in gloed zengend, bang verrood van vlammen, verborgen nog lekkend in kraterigen smeul en windflakker. Hellegloei nevelde boven den boulevard in de rondom duistere lucht.
Van ’t Stationsplein àf gezien, gloeide daar in mysterisch toovervuur, de heele Baanwijk als een verre, diepe laan, waar doorheen zwirrelden en wemelden donk’re menschenstoeten, telkens èven en anders weer aangegloeid in fakkelbrand en toortsenhel, walmend gloedrood, helgeel en oranje damp, vurig dooreenvloeiend voor tenten en façades. En tusschen de zwart-ademende lampetten uit, van stalletjes en kraampjes, doken òp van allen kant, vergroot en verwilderd, donk’re woelmenschen in sidderenden nevel; vergroeiend daarin tot titanische wezens, met geweldszwaai van hun belichte armen, den allegorischen gloed van hun vurige oranjekoppen, en de geel-bronzen verflakkering van kermis-hellesfeer die ze omzoog, omtrilde.—
Plots verdwenen de stoeten tusschen duistere mooten en inhammen van tentruggen, ’n end dieper den boulevard òp weer aanrossigend, onder ’t krijsch-wilde alarm van hun kermiszang; verdreunend in kudde-trampel, langs en om begloeide boomstammen, die zelf verwoest stronkigden in hun schors-kervige wildheid.
Zoo, de stoeten steigerden tusschen de verlichte gevaarten-stammen; schuifelende troepen, wadend door een vàl van elektrisch geflakker, blauwpaarsige siddersfeer, dampend van boom tot boom, tent tot tent. En daar achter weer, in duisterig diep, overstroomd plots van avondkleuren, de woeste ommegangen van toortsdragers, waggelende processies, met hun hel-gloeierigen afschijn, omspuiend goudbrons en gloeirood over schouders, koppen, ruggen; beschroeiend halve tronies van de razende wezens, daar groeiend, al groeiend als rood-moordende reuzen, in helle-rumoer; plots soms met dansenden vlammenschijn rond hun beenen en dreunende voeten overgoten, door aanstormende hossers van anderen kant, in worstel hun flambouwen scherend langs de straatkeien, eindelijk optrekkend te zaam tegen den duisteren poldernacht.—
De koppen van Jut, met ’t telegraafhooge kleurige paalwerk stampten en hamerdreunden ’n heeten geluidsstroom boven den demonischen, gloedrood geschroeiden menschenwoel uit. ’t Siste, knalde en kruitplofte er, en ’n dreunraas ging rond van neerbonkerende houweelen op rotsbonken.—En hoog, in de starrenlooze lucht, boven de ros-gouden brandsfeer die omwolkte in lagen hang, tenten en spullen, walmden zwart de Jutsflambouwen, slangige kronkeltongen van flakkerig licht, roetigen adem loozend in den angst-rooden helledamp.—
Feller aldoor dreunden de mokerslagen van Jutskoppen langs al de palen tegelijk. Klappergerucht, kruitvonking en knetterig vuurwerkgespat oorlogden in snerpende jacht van schrikkige knallen, onrust en slagveldrumoer over de vurige kermisrazernij.
De medaille-borden van Jutskoppen flonkerden op ’t roode doek, fel-begloeid in de rosgouden walmpitten. Insignes zilversterden en vonkten er òp in pronkige pracht tegen de avondzwarte lucht, en de bloedroode doeken flapperden als satansvaandels.
Half-belichte, toch donk’re schoremkerels, schonkigden tegen de palen in gracieuzen luier, de kermisgangers opporrend te beuken, te mokeren op ’t blok.—Met hun mombakkesachtige bekerfde tronies, verschminkt in den waaierenden gril-gloed van ’t rosse lampetgeflakker, lachten ze rauw. Juts-meiden sleurden telkens wat dronken zwervers, voor ’t doek, wezen op de pronkerige medailjes, de bukkende koppen dan rooder opgegloeid in de vier walmflambouwen naast de vaandels, rook-rood en roetig walmend den nachthemel in.—De vlaggetjes van Jut, trilden en flapperden langs de kleurig betatoeëerde palen.—
Plots kwam aanstormen, in schok van heesche kreten, breede menschgolf achter tenten, in wilden hos bij de Juts stremmend, en als in schuim-schubben rondspattend, bonkbeukend op elkaar in, tègen kermisgangers van anderen kant loswoelend uit duistere stegen en donker grommende tunneltjes; aanworstelend op ’t felle tooneelachtig voetlicht van ’n paar moorsch-kleurige groote kramen.—Als ’n razende drom joelde de stoet om en achter de tenten en palen, plots opgezogen en verdampt in den demonischen vuurgloed van den lagen luchtbrand, roode mist verwaaiend rond hun kapriolende lijven.—In apig karnaval hosten de uitzinnigen van elkaar àf, naar achter toe, saam-kluitend en kankaneerend onder eindeloozen jubelkrijsch van ver-zattend genot.
Vrouwen en mannen, in ’t licht en duister, renden omver wàt ze in den weg trad, holden voort in de strakke waanzinvaart van amok, lallende jammer verhuilend tusschen de uitkraterende bende, door walmenden hartstocht in brand gelaaid, uitzinnig van schuimenden wellust.
Mirlitons neusklankten uit alle hoeken in bibberige stoot-zangen, ’t schelst uit den voortrennenden reuzenstoet, die alles opzij smakte, in verpletterende drift-vaart.—Krijschende meidenkelen stortten uit, martelend gegil, hysterischen wellust-zang, wild en rauw als van ontvluchte dollen, nood-zangig verklinkend door de brandroode lucht.
Door al trillender sfeer van rosgoud, geelbrons en vuurgloed van reuzel-uitzweetende bakovens, zwierden en zwaaiden de wijven en gorillige-kerels, in demonische pracht, hun stokken, vlaggen en serpentiens, wapperend rond de áán- en weggloeiende koppen. Soms, bij ’n verren stillen hoek, strompelde de heele stoet in ’t duister, klankzeilde alleen uit ’t donker, geblèr en gelal boven den zwarten drom uit, om plots weer, bij ’n zwenk òp te duiken langs bevlamde boomen, langs tenten en kramen, langzaam en worstelend uit ’t nachtdiep opgloeiend, in pracht van wild fakkel-rood en woeste schijnsels rondtooverenden gouddamp, van lampetten op kar-stalletjes.
Brandrossig licht van flambouwen was hel aangegolfd over de voorste oranjiggloeiende tronies, en plots hief de eerste koppen-rij van den al zwellenden reuzenstoet, onder aanrauwenden gilzang, een slang vurige lampions, hel-rood de lucht in, damp walmend en bloedende schijnsels nèèrglanzend over de hossers. Kronkelende vuurlijn zigzagde en slangkromde ’t hemelduister in, ver, vèr wijkend naar achterste boulevard-eind van Baanwijk. En telkens trekkend door ànderen lichtglans van avondsferig gegloei en mythologische vuurspuwing, vlamde de vurige slange-kronkel boven de hossende, grillig lichtende, dan weer wegduisterende woelkoppen. En in brullende razernij, onder voetendreunenden massa-stap, krijschte dóór, eindloos lallende jammer van verzopen menschenstemmen; schelden en bibber-zangden de vloei-jeukende mirlitons, snerpten de pikolo’s, tokkelden fluitzwierig mond-harmonika’s, dwars door den dronken schrei-zang heen.—
In roode dolheid trampelde de reuzenstoet Baanwijk àf in al sneller tempo, verder, vèrder, dat de vuur-kronkel der wiegelende lampions als ’n enkele bloedstreep achter boomendiep, ’t peilloos luchtduister insneed. In vèrzwakkend rumoergerucht, vergalmde gesmoord nog hun krijschzang uit de verte, zacht omroffeld van warrig lawaai, en al verder de stoet verduizelde in den eindeloozen kermisnacht.—
Uit zijgangen en kronkelpaadjes, duister en eng, stortte van verbrokkelde stoeten zang neèr en raasden de straatorgels. Duizenden mirlitonsmonden scheurden nasaal-trilrige deuntjes door de lucht, harmonika’s drensden om zuurstalletjes, en armzalig-droef en mager-klankend roffelden piano-orgels als zingende vischwijven, liederlijk-rap en kanaljeus hun liedjes àf. Klankhoos op klankhoos zwirrelde rond. De huizen kaatsten krijsch en galm terug; deuren en vensters sidderden en de geruchten zèlf horlepijpten nog nà, hoog in de lucht, hun woeste schal in den brallenden Augustus-avond.
Van de Baanwijk àf dromden de mensenmassa’s, opstuivend door stegen en gangen naar Haven terug, waar ’t gewoel nog helscher loeide en zengde.—
Als ’n bekraterde duistere nachtstad, waar half-ingestorte gevel-geraamten en brok’lige ruïnes nog nazwammen onder heet puin en gloeiende stormlava, in ’n dampigen vuurregen van tooverwoeste kleuren,—demonisch en angstontzaggelijk in bange nachtpracht rondwolkend,—zoo brandde de Haven daar òp, in een roodgouden schroeienden walm-mist. En aan den voet, dollerijk van licht, vlam en lijfgewoel. Zoo barstte en krater-spoog daar het leven uit, van draai- en stoommolens, tenten, spullen, kramen en ovens.
Van Baanwijk àf, was de woeligste kermisgang in een schuimenden vloedgolf naar de Haven gebruist, in verborrelenden smak en zuig neerkolkend op stoommolen, schommels en paardspullen.—De stoommolen stond in laaiende praal, met z’n vonkende spiegelruiten en inwendigen warrel van bont bekleurde gondels en schuiten. Alles verschommelde daar achter glans-spiegelend ruitwerk, dat de menschen trampelden en vloekten van ongeduld om zich in die wentelende pracht te kunnen storten.
Tusschen de wachtende bende, vóór stoommolen holden in bazuinende toeters- en blaasdreun, dronken boerenkerels en tuindersknechten, met aangehaakte boerenmeiden, betatoeëerd in lint en blom, van hoed tot hielen.—
In ’t vuurbakige paars elektriek gloeiden de kerelskoppen òp; tronies van ibissen norsch-wijs, op kurassiersgestalten; tronies van vossen, listig en boerig loensch in fellen vraatzuchtigen mondstrakken hartstocht; mombakkes-wreed en rauw, lichtmaskers, sullig en verwrongen van dronken slemp’rigen lust. En wijven vlerkten mee in dolle verrukking, halfbezwijmd.
De oude wijven er onder, bezopen en roodgelig van tronies, in duivelige hekserij en tooverkollige starheid, kermkrijschten en kraaiden mee, met genotshuiver en aangehitten wellust op de brandende kaken, in laatste levensopstuiping, dol van ’t roode en paarse gloedlicht waar ze doorheen sprongen en hosten als in ’n nacht van moord. De jonge meiden gierden en lalden als geschondene, tot furies vervlamde wijfbeesten, met hun woesten zinnenschroeienden oogenstaar wèg in ’t genot, de beenen uitslaand als touwtjes-harlekijnen. Onder dien wijvenstoet, soms plots zacht voortschuifelend, gloeiden òp koppen van al dieren; fijne, katzachte gluiperige tronies, strijkerig en lekkend, blank en rozig met de gazige doorschijnende warmte van hun kappengoud en oorbellenschitter; wandrochtelijke vischsnoeten, met kieuwige mondlijnen, spleterig en liploos-nijdig; tronies van hel-strakke wreedheid, verstuipt in brandende lijf-passie, ’t gezicht grauwrood vervreten van beestige lusten, naast week-zoete melk-blanke poppetjes, zoo gekarnd van ’t land, in lodderige naïviteit, hulpeloos meekankaneerend, soms bevallig in kinderlijken lijfzwier, omstraald van hun bontvervige doeken en sjalen.—
Zoo schuifelde en sprong de boerenbende voorbij, de mannestemmen klankloos en schreiend-heesch van lallend gebral; de oude wijven zang-kermend als verdoemden in hellevuur.
Vroolijk doorkruiste plots een hossende meidenstoet de zwijmelbende van oude wijven, jonge boerinnen en drinkebroers.—Hossende meiden met vloeipapieren mutsen op hoeden en borst, op de hielen nagehunkerd door ’n troep straat jochies, die met hun hoog-puntige ingekromde mutsen, als baardlooze karbouters in en uit ’t lichtfelle lampgegloei van kramen en bakovens opdoemden en wegdoken.—Achter hen weer rende ’n gierende kerels-stoet, in woesten amok-zwaai van armen, met opgekruifde mutsen op de hoeden, roode en hard-groene papier-boeketten op de borsten, in blommigen pronk besliert met oranje sjerpen en serpentines. Er waren die zich ’t heele lijf, van boord tot broekspijp hadden volgespeld met ruikers en linten, omregend draafden en hinkten in strooival van konfetti. Jutsmedailles zilver-sterden en goudglommen op hun kleeren, en in waggel haakten ze zich vast met dronken klauwen, beverig en gemeen in de meidrokken, smakten ze zich op de vrouwlijven, sleurden ze hierheen en daarheen.—
Heesche galm bralde rond:
Ar re me frouw en kindere Stuurt men nòa de moor-de-noarskampe haine! Oooaa-uw! waa’t ’n ska-ande! Loàge wroak.. van En-gè-land.
Woester, in donker-belichte slingerrij, hoste de bende door, in rammel van blommen, uitslierting en druisch van linten, paljasserigen kronkel van lijven, voortsleurend tusschen de ingehaalde omstormde meiden. Hun hoeden waggelden vuistverbeukt op de koppen, en de geradbraakte beenen dansten over de straat als gekrompen en kreupel.
Van ’t paardenspul, bij den Havenhoek, sloeg ’n fakkelhel goudrossig, in gelen walm-weerschijn, ’n vurige gloed ze in de tronies. De opgesjorde meidenrokken plooiden kanaljeus boven het kleurig en wit ondergoed, bij de mooiste en heetste been-uitschoppende en harlekijnige juffers ’t hevigst, in waaierende schuiming opwoelend.—
Heescher gebral braakten ze uit bij den fakkelbrand.
—Heb je wèl hoort Hoe de En-gelschman moort In Suid-Oafrikoansche felde! Hoe men Skeepers.. dien held Haift ter nair gefeld.. Deur beule daid men sàin f’rmoorde!
Immense jammer rauwde uit de roode kelen, en geeselend, in sidder van kermissatanisme, smakte de bevende realiteit, òpgejaagd in verbijstering néér op de dampen en vuurkringen, waar de passies in aangloeiden en de uitfuriënde beestlust steigerde. ’t Stedeke vervulkaande als demonenrijk, roode helle-stad waarin duizenden brandende alarmklokken bimbamden.—’t Stedeke vlamde en gloeide, verreuzigd als demonenrijk, waar mensch-duivels en gedrochten, satyr-hoornige, bokspootig gespletene, slangkoppige en beest-grillige monsters, jubelden in hellekring. Waar, tusschen het moordend zwart van den nacht, Satan aanstormen deed, breed-uitspattenden golven-brand van schroeiend licht en vlammenvuur, om damproode mist-poorten in kratergloed. Daar, in die roode nood-beierende klokkenstad, drong Satan òp met z’n demonische helpers, saamgestoet in den schallenden vuurgloed en schater van hun haat, loslatend en verjagend over ’t aardebrok, monsterlijke jammermenschen, wraakgierig gekastijden, geschondenen en verminkten; hinkende mirakels en verluisde landloopers; goochelaars en ketellappers, roetig als kolebranders; maagden en havelooze oude wijven, tooverkollig en hekserig, met tronies van bakers, of drakige petemoeien, dooreen zwirrelend in den verhitten waanzin van hun walmende wellust en zuip-passie.—
Zoo de heete beestmenschen dromden òp in den schorren jammer van hun eigen krijsch, ontploften in den vuurdamp en bloed-rooden gloei van zinnedrift, ontembaar en bandeloos verbacchanalend, grootsch-dierlijk leven.—
IV.
In geweldige lijn, van paal tot paal, tent tot tent stond de Haven-kermishoek in gloei. De boomen in den elektrischen lichtmist, met de hel-avondgroene bleeke lom’ring, staarde in waanzin-schrik naar den dronken hellewaggel.
Kerels met bruine kruiken en flesschen, strompelend, klokten jenever in, vuurheet op straat, waggelden na slurp en genotsrochel weer verder, verschaduwden in donkering, lichtten verder weer òp in brandschijn. Schonkige boeven in lompen-ellende, schooierden sinister bijeen, stoelenmatters en scharenslijpers, bedelaars-smurrie en jeuk’rige landloopers, morsige ketellappers, hinkenden en schijn-verminkten, stem-smeekend op krukken, strompelend voor tenten en bak-vuren van poffertjeskramen, gretig loerend op gulle fooi van bezopenen of naar zakrol van neergeronkte bewustloozen. In gelige oliejassen en groenige pijjekkers schurftten hun lijven, de morsige rottende plunje bedropen met vuil en modder.—Hun marjeniers-kleppetten schooierden scheef, vlak boven de brauwen, en pruimspuwend stootten ze zich telkens, als in vuistgevecht, de knuisten in de petten, dat de gebarsten kleppen deukten en rafelden in slonzige boevigheid. En zóó, in sprong op kruk, hinkend of jammerend, bedel-smeekten ze de gierende hossers en slenteraars tegemoet, gromvloekend en plots dreigend als er niets afviel.
Tusschen de spullen, draaimolens, luchtschommels, Jutskoppen en worp-bakken, in achteruit donkerende hoeken, van de kraterende kermishel afgetrapt, duister-droefden de stalletjes met poonen, scharren, en vroege vruchten.—
Stille jammerlijven,—met d’r tronies geelrood begloeid, achter de kar-stalletjes neergedonkerd op lage krukjes, half verstikt in den roetkleurigen walm van stank-zweetende petroleumpitten, die flakkerend vlamlekten, roodgeel en bronzerig in angstigen schroei van misere-belichting, verspokend in prachtsfeer;—stille jammerlijven riepen monotoon hun waar.—Kar aan kar droefde omdampt van prachtrood-gouden nevel, de half-donk’re lijven verschrompelend; de roepende lippen rood-grillig áángloeiend, de open roode monden verrossigend groot, de zorgelijke geel-roode tronies belichtend in vale gloeiing. En scheem’rig in bronzen flakker, kleur-weifelden omslagdoekjes van de stalletjesvrouwen, achter den bangen schroei van rood-dampigen pittenwalm.
Hun roodversmookte monden bekrijschten àl sterker hun koopwaar.
Met één sprong tijgerden ze òp van hun weggezonken krukjes uit ’t geel-roode geschemer als koopers opdrongen.—Voorovergebogen dan over hùn stal, oranje-feller gloeiden hun tronies áán, in den flakkerbrand van hun walmende pitten, flambouwig vlamlekkend schijnsels op neuslijn, jukken en ooren; verwalmend roodzwart over wangbrokken en kleeren, de oogen vonkend in hellen vuurgloed. Handen oranjig, gloeiden en graaiden in de schimmig bevlamde koopwaar, tusschen de bronzen poonen, oranje-vale sinaasappels, noten en vroege peren.—En gretig, onder petroleumstank en walmroet van d’r pitten verkochten ze, met levendige schorre stemmen de koopers opjagend, de omgloeide koppen van omstaanders zangerig omschreeuwend, met konkurreerenden prijs.—Koopers dongen, dongen worstelend koppig, bij de stalletjeswijven en meisjes.—Roetwalm van lampetten kwam als smoezelige adem uit de roode kelen en longen der stalventsters. Soms kwam plots ’n áántrekkende fakkelstoet, met z’n rood-gouden gloed àf, op de in nacht-omduisterde stalletjes.
Een fantastische sfeer verbeefde er dan om de koppen, sfeer van bronzig en groenig vuur, nevel, verflakkerend door ’t oranjerood, àl de tronies uit de half-duistering naar voren spokend, heimvol bewalmend en aanzwammend de huiden, demonisch met hun inkervingen en rimpels, zorg-groeven en leed-sneeën op voorhoofd en wangen. En al de koopers en koopsters mombakkesten moord-rood onbewust, de vlam-oogen woest in de spokige koppen geboord.—En door, in de demonische sfeer graaiden de handen van koopers, feller belicht, in den pittengloei, omspoelend de waar, soms in veeg van koop-gebaar, die handen zóó dicht onder den oranjewalm, dat ze klauwden, omvreten van licht, gekreukt, doorbarsten en reuzig. En wèg weer doken de kerels, stalletjeswijven en meisjes, in ’t moorsche geschemer van hun kleurige omslagdoeken, weifelend vaal om de verschrompelde schouders, als koopers in hos, vretend en kankaneerend, zakken gevuld, de kermishel inkermden. Dan doffer monotoonden hun rillige stemmen uit den roodgelen walmflakker van hun stallen, die weggetrapt dampten in de duisterende hoeken,—valer smartte hun roep om koopers.—
Tusschen den stoomdraaimolen, heel naar achter, tegen donk’ren planken muur, zat Dientje, Kees’ kind, opgepookt door Ant nou erais ’n slag te slaan met de kermis. Ant zelf, pas heel naar bevallen van ’n dood kind, tien dagen kraamsch, durfde nog niet mee venten om d’r zwakke lijf, en om Wimpie. Maar nou zou Dientje ’t moeten doen.
Beverig sloeg ’r schel-krijscherig overspannen stemmetje stùk op ’t zanggeloei. Vlak voor d’r laag karretje zat ze, ’t zenuwvervreten karkasje trillend, ’t rimpelig kopje vaal geelrood schemerend in den waaienden flakker van haar stinkende walmflambouwen.
Ze schreeuwde, schreeuwde maar. Telkens sprong ze òp van ’r krukje om dronken kerels en meiden te helpen, angstig ’r bevonkte oogjes naar joodschen buurman gericht, rekenend op zijn kracht als beschonken herrieschoppers d’r niet betalen wilden.—
Soms gluurde ze naar de prachtdraaimolens, ’n end van ’r af, in ’t licht, bel-klingelend en dreunend van orgelschal, en soms zag ze nog net even de rooie boegen van de luchtsloepjes opzweven uit de tent, ’t boomlommer in.
Als zei d’r nou-rais ook mocht! Moeder had gezeid dat als ze ’n goeie haalde, ze Maandag en Dinsdag, al was ’t maar drie cent, kon verdraaien.
Ze was dan juist jarig, tien jaar. En Wimpie had dat met smeekjes bij d’r moeder voor haar klaar gespeeld. Zalig in voorpret dat ze misschien ook nog draaien ging, schreeuwde ’r kinderkeeltje, met opwinding door ’t lawaai:
—Ferse poone! mooie skarre! ferse pietèrs... aldegoar nuut goed!
Ze genoot stil van den lichtenden hellewoel om ’r heen, en den brandgloed, dien ze overal boven zich hangen zag, stedekekant uit, boven tenten, huizen en spellen,—maakte er blij, angstig blij. Telkens neuriede ze achter haar eenzaam walmstalletje méé met de straatorgeldeunen, die om ’r heen razende geruchten verkolkten. Heet snoof ze de gesmolten reuzel- en oliestank in, heerlijk-prikkelend op d’r tong. Ze rook en snoffelde in den sissenden poffertjes-bak; ze proefde den botergeur, ze watertandde, en snoof, snoof maar, heel den kermisstank in.—En ’r neusje joolde en schaterde in de warme prikkelende reuken.—
Heel ’t bonte kleurenwonder, de gloei van spiegels en lijstpraal, brandende ruiten en goud-vergulde tenten, bestaard van heel uit de verte, sloegen ’r lam van verbazing, bij wijlen van overrompelende verrukking. En nou, zoo ver van d’r àf, druischwoelend in den kleurigen avond, vond ze ’t allemaal nog veel mooier en begeerlijker dan overdag.—
Later op den avond kreeg kindeke ’t heel rillig van ’t stille zitten, keek ze onrustig rond of Jansje, d’r zusje, ’r niet ’t geleende omslagdoekje kwam brengen, met ’n koppie-van-dit-of-van-dat, als iederen dag. Ze wist wel dat Wimpie in kermistijd niet alleen blijven wou, maar Jansje kon toch wel effetjes om ’r denken.—
Jansje had van smiddags een uur tot zeven, op haàr plaats gezeten, tot zij ’r was komen aflossen. Ze had wel gehoord Dientje, dat ’r vader schrikkelijke ruzie maakte met d’r moeder, omdat ze haàr tot twee uur, iederen nacht dwong achter ’t stalletje te blijven; maar ook wist ze hoe moeder terugsnauwde dat d’r weer geen eten was, nou d’r vader weer niet werkte, ’t nest te hongeren lag.—Toen was Kees in ’n uitspuwende drift aan ’t bombardeeren geraakt, met z’n vuist op den rommel, Wimpie vergetend, dat ’t heele bendetje stond te trillen van angst om z’n uitstortende razernij. En toch had d’r moeder haar zin doorgezet, had ze ’r stiekem, iederen avond de Haven opgeduwd.—
En ze peinsde nu Dientje, met ’r zorgkopje vòl ellende van thuis. Ze zag d’r zusje maar niet opdagen. Vlak achter haar rugje, bij ’t donkere havenwater, dreef de polderwijde nachtstilte, eindloos. Ze rilde, en half verdoofd door ’t helle-rumoer, dat vóór d’r droeve kijkertjes uitraasde, riep ’r stemmetje smartelijk zwak en moe:
—Mooie poone, aldegoar nuut goed!
Ze huiverde in ’r kale vodjes. Slaperige loomte kroop over ’r oogleden, die brandden. Bang werd ze plots in de stormende herrie, bang en eenzaam, als ze even achter ’r stalletje uitkeek, den stikduisteren poldernacht in.—
Van de polderbrug af bij Spoordijk kwam vuurkronkel van lampions weer opslangen. Roode adem gloeihijgend tegen zwart azuur en ronddonkerende hemelwijdte.
De stoet kwam nader.—In ’n storm van kreten trillend nasaalden de mirlitons, stootten de pikolo’s en fluitjes, en doffe bange trommels roffelden demonische somberte door ’t schelle orgellawaai.
Als ’n gedrocht, waarvan ’t lijf nog woelde in ’t duister, adem-rood vooruitblazend tegen luchtzwart, zoo rumoerde lampionsstoet in ’t donker áán, tot schoenen, beenen, lijven, armen en koppen langzaam opgloeiden in den eersten fakkelbrand van ’t alleen staand paardenspul, opdoemden met reuzig geweld in den schrik van ’t rossig-oranje walmlicht, in ’t flambouwende toortsgeel, woest en oproerig vervlammend over de tronies. Stel bij stel, rij bij rij, ingekluwd en omkettingd met armenknel, sloeg in den schroei van ’t licht, dat geelrossiger àl verder overgolfde de koppen en lijven. Mutsen, in kleurige woestheid gloeiden áán, beschminkte en bemombakkeste tronies, burlesk en infernaal in den vlammigen gloed vergroeiend.
Fakkelend, de voorste slingerrij, fel wadend in oranjegelen mist van schijnsels, hief hoog boven koppendrom de lampions, die in prachtvurigen gloei weer een kronkel streepten van vuur, vreemd verwilderd rood nu in de toortsenhel. Achter den weer wijkenden stoet werd gevochten, geraasd, gescholden. Maar voort rende de inééngekettingde massa, in een wrong-drom van stapelgekke hossers, in vaart voorbij de tenten, òpdoemend in wemel van bevlamde kleuren, wegdonkerend in nacht-duistere hoeken waar geen kramen lichtten. En weer, in helschen ommegang, verwaanzind van passie, renden ze den kermisbrand uit, stikduister laandiep in van Lemperweg. En rood, prachtrood, bleef geheven, boven het verwoelend wegtrampelend massagedrocht in ’t duister, de vuurslang z’n rooden adem den diep-donkeren hemel inhijgend.
V.
Vóór de paard-draaimolens stonden de neven Hassel. Achter hen golfde ’t van kijkers en gillers.
De havenhuizen rompig, rossigden gevel-naakt in den schrik van ’t licht, en de lage ruiten gloorden in bloedrood, groen-geel en goud geschijnsel, weerkaatsing van bakovens, lampions en kleurige hosstoeten, voorbijrennend.
In heel eigen, geel-gouden sfeer, wentelde de paard-draaimolen. Uit binnensten kring van lamplicht, dreunde ’n orgel, ééndeunig, en ’t donk’re paard, den draaimolen in gang trekkend, duisterend, èven belicht aan z’n kop, liep in ’n eeuwigen cirkel, groezelig achter lichtjool. Binnenste lampenkring brandde in geelrood afgebeuld licht, bleek neergroezelend over zwart fluweel, onder de kleurwemelende kap, meer naar voren moorschen brand van glansjes en flitsjes verfonkelend tusschen zilverig ornamentwerk, gitkleurig kralenspel en doorgloeide franje.
Een duizel van kringlichtjes spetterde er rond. Tusschen ’t belgeklingel, in gang zettend en afbrekend elke ronde, wiegelden de hobbelpaarden en schommelschuitjes, vettig befluweeld, donkerrood en groenig. En àl ouderwetscher, naast den stoomdraaimolen met z’n hel elektriek, wentelde de karoussel, in ’n stillen klater van kleurtjes en lichtjes; vlamde en bruiste òp, uit tooverballettigen gloei van voorsten lampenkring, praal van zilverkraal en goudstiksels. Dàn wegwaggeling van pluche, dàn opschommeling van fluweel, in één draai en duizel van avondkleuren, omdruischt van tegen-elkaar indreunende orgelstrotten.—
De koperen stangen,—tusschen de kromklauwige leeuwen en tijgers, met hun druipende grimmige bloedmuilen,—schichtigden rond in glanzend goudstavig geel. Warrel en tegenwarrel âl om van rood en paars, rose en zilver, borduursels en fluweel, spiegelglans en bontstralend gekraal, draaiend, al draaiend in een damp van dof-tonig, mat-schitterend goud, soms plots overgloeid in duizel van glanskronige-prisma’s, als vonkvliegend raderwerk.
En ééndeunig, troosteloos van jammer-geluid kermde ’t orgel binnen-in, één deun, één deun.—
Bij nieuwen rondgang waren Piet en Willem, Dirk en Grint, en al de meiden in den karoussel gesprongen, in vasthakenden smak op beestruggen en draaiende baldakijnen.—Dirk was pardoes op schoot van Geert gesmakt, zoende en begrabbelde haar dat ze ingesmoord en onmachtig weggezonken, tegen ’t lijf van ’n andere meid zuchtte en kermde naar lucht, onder z’n brandenden aanval. Schatergil en zang duizelde mee in den dollen molendraai, en van allen kant nu strompelden de kerels op de meiden, zoenden en kletterden ze nat, met wangenzuig en kokenden adem.—
Geert Grint’s zwart-mooie kop stond flets en roodvlekkig van de wilde zoenen, ’t haar afgezakt, verfladderd langs de ooren. Guurt Hassel zat met natte wangen, half versuft, ’r rokkenboel opgesjord, knuisten op de knie, ’t korpulente lijf weggekrampt achter woest-losgebarsten Jan Grint. Ze had ’m gebeten in z’n oor en handen van woede. Als dat nou eens haar sekretarie-heertje gezien had, was z’m t’met kwijt, voor goed. Ze vervloekte Jan, met bevende driftkaken, dat de vent na z’n eersten overmoed, verbluft zwijgend rondkeek.
De molen was voor den tweeden keer in gang geluid, en weer bleven ze zitten, dubbel betalend.
Dirk, Hazewind en Rink waren met hun drieën in een klein mallemolentje gesprongen, dat tol-snel draaide om eigen spil, ìn den grooten karousselwentel. Ze hadden ’n jochie gehuurd die hun draaide, al maar draaide. Met hun handen de stangen omklauwend tolden ze rond, al sterker rondgekeild in wilder furie door schaterend jochie, dat lol had in den dollen dans. Met hun duizelhoofden naar elkaar toegebogen, leken ze in den razenden tol, één log donker lijf, monsterkoppig met drie tronies, lijf dat wiegel-waggelde op donker heupenstel. De meiden en jongens rondom de karoussel gierden ’t uit, toen ze de kerels zoo suf met de inéénloopende tronies bij elkaar gebukt, zagen zitten in dollen duizel, half bezwijmd.—
En vuriger wentelde ’t jochie den mallemolen, verblindend in den koperen stangenflakker, tot bel klingelde en stoppen seinde.
Met een sprong renden Willem, Jan, Henk van hun baldakijns, hielpen de verwaaide bestormde meiden uit plooikronkels van hun kleeren.—
Dirk, Hazewind en Rink wilden opstaan maar bonsden scheef tegen elkaar op.—Eindelijk in drift, plofte Dirk uit ’t mallemolentje, zwaaide woest nog in naduizel tegen ’n schaterenden meidenstoet op, schoot in ’n dronken zeil van armen en bovenlijf midden in de Hassels en Grintjes. De lange Rink, waggelend en braak-ziek van ’t tollen, smakte plat op de straat, met z’n kop tegen de pooten van ’n vooruitstaand stalletje, dat ie bloedde bij de slapen. Maar niets wou ie ’r van weten. Bemodderd met stoffig vuil scharrelde ie weer òp, lacherig nazwaaiend en schreeuwend:
—Maide, nou in de stoomdroaimole.. dâ hier is d’r debies! dubbel debies! je braikt d’r hier je allemenak!.. inne de stoommole.. doar kâ je ’n stuk van de toart happe.. daa’s puur veul fainer.. de rais!
—Ikke rais d’r alletait eereste klas, moar ’t mot d’r drie moal opstoan vat je! lolde Piet.
—Neenet pinkebul! drong Dirk op, en Willem méé, eerest hier wa fraite.... poone! aiêres!.... hee maid! stal uit! wa hai je d’r veur lekkers!
Dientje schrok. Ze hoorde de dronken stemmen van oom Dirk en Piet, en de andere Hassels. Maar Dirk herkende ’t dochtertje van Kees niet, zag alleen vreetwaar, vettig en glimmig. Bij stapels rukten Dirk en Willem de poonen en scharren uit ’t kinderknuistje, en de reuzige klauw van Rink stopte ’t kind ’n rijksdaalder in de hand. Gerekend werd er niet.
—Dá’ mot moar net an weuse.. bi jai besuikerd, bromde Rink.—En ’t wàs goed, dat voelde Dientje ook wel.
Vóór ’t stalletje brokkelden de kerels en meiden de poonen open, en hapten in ’t blanke vet en vleesch.
Zoetig broeide de bakolie rond in walmstanken.
—Hee Dirk! waa’s dat! frait jai d’r puur op ’n droogie! jai kakkerlak! woar is ’t kind? wie wiegt d’r ’t klaintje? jai Hoasewind?
Piet uit ’n hoek, kwam aanzwaaien met de jeneverkruik, dwars door ’n warreltroep die langs hen hoste.—En in koeterwaalsche uitstottering van vleinaampjes tegen den drank, sputterde ie naar de meiden:
—Enne liefe makraile.... lekkere pokhoagels.. dottesnolle.. waa’t sel ’t weuse op haide veur de doàmes.
—Nou! wai suipe d’r vast nie op de keie, bitste Guurt.
—Daa’s jou maines, moar maines nie, want ikke leg d’r ’n urretje, schaterde Marie Pijler, de kasteleinsdochter, die net bij ’t troepje aangeland was.
—Daa’s toal mestvarke! jai bint d’r gain snaiboon, sien maide! sloan jullie d’r ’n gat in de kruik, hitste Rink.
—Jai bint d’r vast gain kalf mi ’t natte neus, lodderde Piet na.
—Joà, proeste de furiënde blonde, op dâ terrain bi’k deurpokt en deurmoaselt.... wâ jou Hoasefind? Moar wâ selle wai doen mi sonders woafels en oliebolle.. main aiêrs motte sakke.. ikke hep d’r al drie en dertig bikkelharde in main pins.
—Alloo maa’ne! hoale.. hoale! schaterde Trijn.
—Doar mo’k niks van heefte, bazuinde Rink, jelie mot d’r nog soo veul, langsaampies maid.. dan braikt ’t laintje nie!
—Kaik daa’s sneu! set jai nou us de kat bai ’t spek! hee wâ?
—Wa sneu! bulderde Rink weer, jou kakkerlak! sing mee.. sing mee:
Heb jai sommes trek in ’n oliebol Je kop roakt d’r vast nie van op hol! Je loâ je waige of suipt ’n bier Je host, je lach..igt, je haift pelsier..
En heel de stoet bralde mee voor ’n tentje, in walmig bleek oranjeschijnsel:
—Je host, je lach-igt, je haif pelsier Je loâ je waige, je suipt je bier!
Voor den stoomdraaimolen gierde juichende menschendrom.
Zondagavondsche kermisjoel was in verpletterend uitbarstenden zwier aangestormd. Van alle kermishoeken uit, brandden lampions, rood-oranje, geel-groene gloor, tusschen flambouwengoud en brandstapelig vonkgevlam van poffertjeskraam-ovens, waarop ’t vuur knapperde en tonglikte, rood ommistend de gloeikleurige tenten.
’t Zigzagde in de brandroode lucht van lampions-kronkels en vlammige boogpoorten boven de oranjige walmkoppen.
De stoomdraaimolen raasde in wenteling en verroffelde vernielende geruchten rond, onder den hel-paarsen brand van elektriek. Van binnen uit, achter barokstijl van zuilen en tempelbogen, kringden òm in rutschbaangolving, venetiaansche gondels, vurig beboegd, met gondeliers in tomaatroode gewaden, sloepen en baldakijnen, hermelijn-blank oversneeuwd in ’t helle licht, tusschen flakkerenden duizel van spiegels en ruiten. Moorsche kioskjes, fel in vlam van heete kleuren, zwalkten op baren van schitterige glansen, avondzonnende sfeer van elektriek.
En telkens, andere sloepen en gondels draaiden vóór, in roffelend gerucht; gondels, die de grof-koppige gondeliers als Graal-karikaturen, op zwaanhalzige bootjes, met hun zilverende schubbenkleedij, in hellen gloed gevangen hielden. Als ’n zondvloedstorm zwalpte de infernale roffel van den stoommolen tusschen de saamgestampte licht-overschroeide kijkmassa. Gekraak en gekreun kermde er neer uit de sloepjes, brallend geschater uit heesche strotten. En als Satanssignaal verschalde de stoomfluit van den molen, angstgegil van ’n misthoorn, door den brandenden woel heen, spiraal van demonisch gerucht over de daverende en jammerende drommen snerpend, verstervend in klagelijk geloei langs de duisterende polderzee.—
Broeisfeer van kermis smeulde rook-rooder en goudmistiger òp in den zomer-zwoelen avond. Om en achter de tenten en spellen in ’t duister, doken kerels áán met meiden, in rauwe genotskreun, zat en lijflog van uitgedierlijkten zwijmel. Politie deed schuchteren rondgang daartusschen, waagde zich nauw onder de mesklare vechters. Uit de bont-gloeiende poffertjeskramen, langs ’t duisterend plankwerk, plofte plots ’n rij korte, lallende boertjes, vetbuikige-ingedrongen gestaltetjes, begoudschemerd van ovengloed. Hun koppen grijnsden dronken, bietig-purper; hun bezopen oogen verfonkelden lol, en hun glanzende pofpetten reepten ’n zwarte lijn boven hun tronies. In hun midden herkuulde ’n paal-lange reus, slungel met smallen zeehondenkop, wreed loerend uit loensche oogen. Donker bonkten z’n schonken boven de lage rij pofpetten uit.—Boerbuikjes spanden, armpjes wrongen, beentjes, breed gezakt in klepbroekenplooien, zwommen en trampelden rond in den oranje lichtmist, en vóórt sliertte de met armen-ingehaakte slingerrij, van den vuurschijn uit, ’t duister in.—
Pal in de flakkerende flambouwing van de luchtschommels doemden ze weer òp, begloeiend de tronies, zwammig geel neerbrandend op monden, kaaklijnen, woelend woest in oogholten. Telkens gleed wisselenden lichtglans over den boertjesstoet als vóór hen, een dolle dans van dwars voorbij rennende kerels en wijven, okerenden rosglans van ovens en lampen opslurpte.
Vlak voor de kleine boertjes uit, met den reuzigen slungel in ’t midden die meedonkerde als gemoerde lantaarnpaal waarop pofpet piekte, kankaneerden vier woest-dronken Kerkervaartsche meiden, in flappering van rokken en kanaljeuse lijfontblooting, zwierig zwirrelend omschuimd van witte onderplunje, kolkend tusschen hun dans-duivelige kuiten. Ze draaiden en raasden in hun eigen kolkender rokkenschuim als dolle kollen.—Met opene zangmonden, in keelbrand roodgeslagen door ’t licht, koppen hemelwaarts, gilden ze rond, tamboerijnend met de woeste knuisten op kindertrommeltjes, kannibalige geruchten verroffelend. Ze spuwden in den kermiswoel, horlepijpten de beenen in wilde harlekinade, en d’r kleurige zondagsche plunje, oranjerood met d’r vieren, vervlamde in ’t fakkelgoud, overal waar hun hos langs schoot.
Donk’re kerelsstoet zeilde schuin àf op kleine boertjesrij, haakte zich vast aan armstompjes en snel in kringloop cirkelden ze zich wijd om de dronken gillende meiden, die schaterend-woest zich plots ingesloten voelden.—
Boerenkoppen glunderden zinlijk en wreed van passie in gloedwalmend roodgeel schijnsel van ovens en lampetten. Boerenbeentjes klein en zwaar van krachtspanning, trampelden weer stuipend. De groote slungel, schonkig en donker boven de pofpetten uitreuzend, gierde en pagaaide z’n beenen in dronken spartel voor zich uit. Z’n zeehondenkop met puntige kinnespits, was beschuimd van uitgebrald spog, en z’n karikatuurhanden, knepen krampig van pret in de schouders van twee boertjes waar ie tusschen gekneld waggelde.—
Politie had ’t duivelende meidenstel in hun jool van rokken-lawaai, in hun stem-bezetenheid en hysterischen waanzinroes zien steigeren, en met schrik de boertjes zich zien storten op de dronken furies, die heftig terugbonkten. Een van de vier dronken vrijsters, lang en schraal, stond waggelend neusklankerig te stoethaspelen, drukte d’r hoofd in den nek na wat wezenloozen woordenstamel, zoog de flesch aan den mond en klokkerde ’r drankje in, knie-ingezakt van passie. Aan haar arm ingehaakt, al de rokken opgesjord, gilde ’n klein blondje, krijscherig als ’n zuigeling:
—Aooaau-uw! waa’t ’n ska-ande!
De twee andere meiden slingerden mee met de dansschokken van de hysterische blonde, die lach-hinnekend, in polderkerelkracht d’r dronken vriendinnen, dàn naar zich toesleurde, dàn weer van zich afstootte.
En rond hen, de tronies-wreede boertjeskring, buikzwaar en kortbeenig, met den paljaslach van den schonkigen donk’ren herkuul er boven uitrochelend.—
Boerenstoet, nu in kring met vreemde kerels rond geschakeld, aarzelde met nieuwen aanval op de meiden. Toen plots drongen de vreemde knapen vooruit en smakten zich woest op de vier bezetenen, hel in hun oranje-roode blouses en rokken. Hun zangekerm brak even àf, en in spuwende verachting spogen ze de kerels ’n stroom kleurige confettis in de tronies, hun lijven in wilden woel, ruisch en druisch, rondspiralend in eindlooze serpentiens.—
De meiden, hoonend in hun woeste kracht, trampelden rond dat de serpentiens knapten op hun lijven. Twee kerels mikten hun de slangelinten in de zanglallende monden, kronkelden ze tusschen hun ontbloote beenen, en de boertjes in wreeden zinneschater, kringden nauwer áán. De meiden, doller in al engeren krans zich voelend, haakten zich armlos, trampelden de boertjes op de tonnige korpulente buikjes, mokerden vuisthevig in de gloed-geschroeide kerelstronies. En haveloozer overkolkt van rokkenschuim, kankaneerden ze zich los tegen den boertjes-muur, die de bezetenen weer met woesten smak den kring inwaggelden.
Besefloos en òp hijgden twee meiden uit, met bloederig gevlek van karmijn-valen schijn op de kaken.
Politiemannetjes onrustiger, rukten áán, sloegen zich nu gemaakt-driftig door den boerenkring heen, botsten de dronken kerels wèg, verkneuzend hun papieren ruikerpracht op borst, hoofd, rug en dijen.
Maar de kerels waggelden in nijdigen haast bijéén met hun afgezakte kleeren, losgerukte broeken en jassen, in dronken gier harlekineerend met kleurigen flapper van linten en mutsen. Al dichter verschuifelden ze naar bakovenbrand van grootste wafelenkraam, zwaar gebarend in protest, om ’t weggeduw der politie;—daar groeiend tegen den rossigen vulkanischen lichtschroei als waggelende titanen. Vermanend-schuchter drongen de wetsmannen áán, de dol-gierende meiden praaiend naar kalmte.
Maar de furiën overmoediger raasden òp, stotterden van dronken drift, spogen, vloekten en scholden op de agenten, mokerden plots tegelijk als op bevel, met woeste beukvuisten op de koperende gloedhelmen in.
De lange schrale meid met ’t „hápje” in ’r hand, kwijlde en zoop slurperig-lang tot den laatsten drup, zwierde toen plots de flesch op de keien dat ’r schervengedruisch kletterde rond de helmmannen. Dan greep ze, met twee handen bijéen haar roodhellen rok, knoopte de punten hoog op de heupen vast, en stormde, de vuisten tot mokers gekneld, in dronken draf op een klein agentje àf.
Fakkelgloed goot rood-gele verglijende schijnsels op de gouden helmen, die standjesachtig-puntig bòven de pofpetten van weer aangedrongen boertjes, verdeukte hoeden en losharige meidkoppen weerlichtten in schramperig geglans.
De meiden bijeenstrompelend in de haveloozen gier van hun ontbloote lijven en den driftbeef van hun passiemonden, woelden nog in kraak en slinger van afgeknapten serpentiens, kleurlinten, konfetti’s en losgebladerde ruikers. Als ’n kleurig netwerk zat hun verflodderde haartooi met konfetti’s en lintslippen volgekroest, als had avondhemel vurigen hagelslag over hun uitgestort. Twee meiden hadden hun trommels met de vuist in ’t perkament doorstooten, en bonkten er mee rond. ’t Blondje en de schrale, rukten zich de konfetti’s en lintslippen uit de haren, verkauwden de serpentiens en ruikers, en in steigerende razernij spogen ze kleurige fluimen de agent-bakkessen in.—Huilerige woedeklanken schorden ze uit, in wezenloozen zwijmel van gebaren. Vloeken, spuwden ze rond in liederlijke rauwheid, en straatdeunig schreiden hun dronken stemmen tegen elkaar in.
—Lies, krijschte de magere, jai stoan d’r op de valraip.. kom kerlinike.. kom- ker.... linike.... kom!.... ikke seg... da d’r ’n hap is!—en ’n nieuwe flesch zwierde ze in hoonenden jool boven hun kleurig-behagelde koppen, heete beestschaters uitproestend voor verblufte agenten en kijkers. De boertjes sprongen weer brutaler bij, aangelokt door de stoute furiën, trappelden en ranselden klappen en boffen rond, in snauwende vloeken.
—Toe, hitste Lies, in hysterischen krijsch, met ’n stem van ’n straatorgelbas, zelf doller met ’r vuistmokers rondzwaaiend dat ’r niemand te na kwam,—toe! gaif jai d’r die klebak ’n handskoen da s’n bofedeurtje deur de muur hainskiet!
—Gain groasje! gain groasje, dood an die swaine, trek jullie.. d’r ’n poar kiese! roggelde de schrale weer, kwijlspuwend en trappend de rokken tot d’r borsten opgesjord.—
—Gain proatjes op d’r laif! sloan hullie.... achter ’t tessie, hinnikte ’t sterke blondje, die worstelde in zenuwroetige en stuipende kracht met ’n agentje, van wien ze de sabel had losgerukt.—
Toen hadden de helmmannen er genoeg van. Ze vreesden de razernij der kerels rond om niet meer. ’n Signaal snerpte door den rochelenden bral van stemmen en in draf stormden helpers áán.
Met vijf zwaaien van de blink-helle sabels schoot boertjeskrans uitéén, waggelde ontdane kerelsstoet wèg, in krolschen krijsch, stonden de meiden alleen tusschen den helmendrom, die hoogkoperde en lichtflitste in rood-gelen walmgloed.
Half dood van zenuwuitputtenden worstel zonken de dronken furies op elkaar wèg, half ontbloot, de havelooze plunje morsig vertrapt, de gekneusde beenen dooréén gewarreld. Ze hijgden, en de lange schrale onderaan, die in den struikel, d’r drie vriendinnen boven zich kreeg gesmakt, lag plat op ’r buik, grabbelde nog, zenuwspartelend naar haar flesch die onder de kreunende borst van ’t blondje uithalsde.
Raak stootten de agenten ze als gestruikelde paarden op de beenen, en hoshos in boei, sleepten ze de geschonden furies naar ’t stadhuis. De schrale Lies liet zich sleuren langs de keien, half op ’r buik, waar de geboeide handen onder krampten als korte vinnen. In modder sleepte ze voort, tot eindelijk twee helmmannen ’r bij de beenen en losharige kop oplichtten, haar brankarig voortsjokkerden onder woest gegier, schel gefluit en geschater van meeschuifelenden menschendrom.—
’t Blondje, trapte en spoog dat de helmmannen ’r mepten in de verwoede tronie, stompten op de hijgende borsten, sterker haar knuisten bijeenknellend in de boeien. Maar ze trapte zich naakt dat de helmmannen ’r telkens den vuurrooien rok, en ’t schuimende ondergoed moesten neerslaan. Achter den dronken stoet áán, in trein-woesten daver, trampelden kijkers in joelkring, en voorbij ging ’t in den oranjigen walmgloed van fakkels, gaspitten en lampetten.
Duister gegier, getrampel en fluiterig-oproerig geraas brasten in donk’re hoeken, en voort rukten de agenten, recht uit naar ’t Stadhuis.
—D’r goan d’r vier Kerkfoarters de bak in, krijschten jochies, kerels en meiden dooreen, met angstklank van politieverzet in de ontstelde toch oproerige stemmen, vechtlustig doortrild van haat tegen ’t helmstoetje.
Dwars door de kermishitte, in ’t demonengoud en pralig gefonkel, rukten ze voort de ordemannen, en plots zwenkten ze steegje door, op ’t stadhuis áán. Toen, met ’n sleur rukten ze de meiden stoep-end òp, en stootten ze waggelend de gang in. Dof gekrijsch uit de dronken meidenkelen heeschte nà, verward, rochelend als uit moordkelen, klam en verwurgd, en met slag van baas-zijn, smakten de agenten de deuren voor de neuzen van kijkers en meeloopers dicht, dat ’n rouw gejoel uit den menschendrom opraasde, in ’n woeste alliteratie van wraak, al was ’t maar in hoongeluid alleen.
Stom en strompelend waren de geboeide furiën de bak ingeduwd.
Even verbluft maar, braste en bruiste de stoet weer voort, satanisch d’r woelzangen verkrijschend in oproerigen vechtlustigen jubel, rennend naar Baanwijk, of daar wat gebeuren ging.
VI.
In zwierige herrie hosten de Hassels en Grintjes, Hazewind en Rink vóórop, door ’t korte Klooster-steegje van Haven naar Baanwijk.
Telkens kleurvlammend in warmer tintenbrand, fel, in de duisterende avondvergouding, schoten lijven van prachtige meiden door ’t licht, parkietig, groenroode rokken en jakken; paarszilverig bekraalde japonnen, geel gouden en bronzen manteltjes, pronkerig dooreenschuifelend in ballettigen warrel.
Wild hosten de goud bekapte boerinnen, hun hoofdtooi in fonkelende cier uitblinkend onder ’t fijne mutsengaas, met de glanzende kurketrekkers bij de slapen, naast hoed-bepluimde, slank-prachtige meiden in den warmen wasem en damp van ’t lichtgevloei.
Rauwe krijsch, zwirrelde achter de Hassels en Grint’s áán in ’t steegje, en schimmige rompen met bangen schaduwsleep stortten plots in ’n vlaag van kraamgloeilicht, vlak voor hen uit weer vervlammend. Oranje helle gloed sloeg daar tegen de tronies áán, de monding van kloostersteeg uitgolvend. In gril en kras streepvlamde de gloed op voorhoofden, dwars over neuzen en monden, vrat hel in op kleeren en schouders; beschminkte in wond’ren brand oranjevlammig, wild en huiverend-woest, kaken en wangbrokken, soms plots in warrel van wind verschemerend naar roodgeel, rossig oranje en bleekgoud.—
Omzoomd in beverig rosgeel schuifelden de Hassels en Grintjes voort, en ver achter hen aan, in schemerrood dromden al meer romp-donk’re dringers, verklonk hijgend rauw gejoel van nieuwe stoeten, zich stortend en wringend in den steegdrang, ineengeperst tusschen engen kronkel van huisjes, karren en hekjes, als ’n benauwende bent z’n duistere opstanding beworstelend.
Uit donk’re kroegjes in ’t steegje, verraasde getier en misbaar achter groene gordijntjes, schor-rumoer en dreunig zanggezeur. Schunnige muzikanten trombonden daar uit, schel-valsche zangscheuren, basdiep en dreunend.
Telkens ritsten groene gordijnen weg van de roe en rossigden de kroegholletjes goudrookig open, met hun bedompten petroleumwalm, verstikkende danszaaltjes, kermissnel ingericht voor sprong en zuip.
Kerels met oranje doeken, boevige kroegtypen en zweetende meiden zwelgden daar in dollen warrel, en tusschen de moffenblazers zanikte ’n valsche harmonika zuchtenden zang, waarom heen, in kanaljeuzen kankan, handen tot poorten geheven, de heete meiden, grinnikend en zinnerauw, verwoelden in kring.—Door ’t steegje heen verklonk in getemperd gerucht, bachanaal van de geel-dampige dansholen.
Tegen donkeren inham bij lage kaduke krottenrij, waarvan de gevellijnen in nachtzwart schimden, en kronkelpad slingerde naar doodsche huisjes, buiten den kermiswoel verstillend als leeggemoord,—zat ’n blinde in schemer van droef-lichtende nachtkaars. Z’n kale kop, tegen verweerden roestmuur, vermurmelde ie nederige smeekende bedelwoordjes, één uitgemagerde beefhand vooruitgekromd met bakje.—Schimmig stààrde z’n blinde tronie, even beschemerd in bleek wasschijnsel en reuzig silhouetten rug en hoofdschaduw op ’t verweerde baksteen van den roestmuur. Langs ’m wrongen en drongen de kermisgangers, nijdig uitvallend tegen den schooierigen blinde, dat hij zich zoo maar, met z’n ellende en duistere droefnis, dwars door hun pret te kijk kwam stellen.
Op Baanwijk brandde ’t avond-goud gas door rossigen nevel van reuzelige stanken. De bont-stralende kramen stonden er als gigantisch speelgoed in ’n ravijn van toortsgloed. Ze flonkerden in gondelierige à-giornopraal en spiraligen kleurenbrand. En alkleurig licht ademde uit, zengde den paars-duisteren nacht rondom.
Door boterige oliestanken, zoetig, ranzig en prikkelend, nevelde de lichtval, en de wisselglanzige kraamruitjes, in hun doorvlamd rood en kobalt, verschoten in kleurige spiegeling, weerkaatst geel en amber-diep schijnsel, glissend en spelend over glas-glanzingen, in brekenden klater van prismabrand en avondvonkenden luister. En tegen overal wijkende achtergronden van rood-rossigen damp, vlamden de bakovens van verre, als ’n smidsestad in smokerig oranje-helle omgloeiing; in uitdonkerende verwaaiing en oplichting van likkend vuur en zwarten walm; dàn weer als altaren waarop takkenbosjes knetterden en uitrookten. Waar, achter begloeiden mist, de koperen warm-vlammende meelpotten, tempelig in glorie van amber en goudgeel uitlaaiden, glimmerenden brand van hel-gepoetst koper.—En achter en tusschen de vlammende altaren en gouden meelpotten, in flakkerenden damp, de blank-beservette wafelentafeltjes, omflonkerd van vuur-glans uitschietende karafjes en glazen, alles in blank-zilverende sfeer, gloeiend in rijtjes, tusschen de rooddonkere overgordijnen, stoeltjes en knussige salonnetjespracht. Rij aan rij, achter de ovens, troonden de dikke baksters op de hooge zetels, als vervette mythe-godinnen, in de blonde wreedheid van hun geblankette tronies, scheppend uit de meelpotten, den druipenden lepel uitstortend over de poffertjesplaten, waarop ’t knetterde, siste en babbelde.—Er boven uit vergeurde ’n helsche lekkerheid van boterig zoet, tusschen prikkeligen bakoliestank. De takkenbossen knetter-vlamden; flakkerende smookgloed karnavalde allegorische lichtgroepen in een duizelenden schroei, en angsthellig ’t oranjig demonengoud van de ovenvlammen vèrdampte walmen over de vloekzang-geruchten. Rond den knetter en rook-rooden bak van poffers en wafels; rond de klepperende geluiden van tangen, sis-roosters en ijzeren platen, dreunden de helsche orgelkelen tegen elkaar in, in schellen tingel; en rauw van verslempende misère schreide de menschenzang rond, van de lichthoeken neerjammerend in den duisteren nacht, overal om ’t stedeke, ontzet en dreigstil.—
En heller de avondgouden lampenbrand van kramen en olieboltentjes, met hun kleurige dekzeilen en kakelenden lichtwarrel, vlamden, goudden, rossigden en barnsteenig-geelden in flonkerige sfeer, als speelgoed van reuzen.—
Drom na drom schoot er langs, en de boomen voor de tenten, tusschen de dolle hossers, als levende van schrik verstarde wezens, knokelden en knoestten in hun gekerfde schors, half belicht, de donkere kruinen angstiglijk verruischend hoog in ’t nachtzwart.
Op Baanwijk stonden armelijk verlicht, tusschen sjofele oliekoektentjes, roetig omwalmd van lampetten, de palingstalletjes in geel-schichtig lichtwaaisel, omhuifd van nachtzwart; de zuur- en eierkraampjes in nog valeren pittengloei. Achter de zuurtonnetjes in walmig geelrood, wonderbronzig verbangden tronies van kerels die schreeuwden tegen ’t beverig getoorts en gewaai van licht, dat rosgeel schemerleven op de zondige zorgmommen rookte.—
Telkens wat schooierige stelletjes, waggelend en brallend, bleven strompelen voor de kraampjes en vraatzuchtige monden hapten lever, verkwijlden zuur; gretige handen pelden stinkende eieren, en ontvleesden paling. Broeirige vischstank borrelde tusschen de bakolielucht.—
Kerels en wijven lalden áán, bebonkerden de wrakke kraampjes met hun vloeken en razernijen, de tronies gedoopt in den wond’ren bronsgouden flakkergloed, en omkropen van schaduwleven, dat meesloop wen menschen zich tusschen de lichtdamp drongen; schimmen als zwart-walmige nagenieters van kermisjool. Schaduwkoppen monsterlijk doorhakt, verdeukt en misvormd spookten donker onder en òver ’t laag gespannen zeildoek, dwars tegen bakken en tonnen òp, warrel van schimmen, plots bij verschuif van stoetjes raadselachtig stil verdwijnend dòor de wrakken heen, of neerstortend in lichtval van voorbij-kruisend licht.
Achter de armelijke kar-kraampjes, in hun droeve prachtsfeer van geelrood en bronsros lichtgetril, half omdampt in ’t nacht-duister, lichtten de hooge roodbehangen speelgoedtenten, minachtend de donk’re ruggen naar de wrakstalletjes gekeerd. Ze schitterden in hun fel-kleurigen ballonnetjesgloei, illuminatieachtig-hel, gegierlandeerd langs de lijnen van vensters en gevels, doorvonkt van lichtjes.—
Het rood-gouden, rood-gele en dampig-bronzige licht stortte, druischte neèr op den verblindenden flonker van poppetjes, gegarneerd in prachtbonte kleeren, omstrooid van kleurtjes, geflikker en geschitter; omgloeide woelige snuisterijen, paardjes, schaapjes, met vurige keelbandjes; karretjes, tooverbekertjes, ringspellen, alles geurend in den lokkenden reuk van nieuw speelgoed. En overal in de tenten, wond’re fonkel en tintel van koperen belletjes en kralen, als indische gordijnen neerhangend, doorvlamd van licht. Overal kleurige doozen, speelgoed-geurig en houtvervig, vol zilveren kraaltjes, goudbronzen, melkwitte en aluminium-blanke snoertjes. Overal in lichtdruisch, toov’rige slinger van brandend malakiet en wijnrood geparel, onder den fellen stangboogglans òpflitsend tusschen geurig zaagsel, als sprookjes-schatten rondgestrooid op goud en zilverpapier; fonkelende parels en snoeren paars en geel, vurig groen, karmijn en wonder glanzend blauw, opeengehoopt als ’n vlammend wereldje van zonnig kindergeluk.
Zoò, hevig gloeide de lange laan van speelgoedtenten, met d’r lokkende en tokkelende kleurtjes, hun flonkerigen lichtzang, verproestend hun glansjubel, verlachend hun rood en groen, hun gouden zevenklapperenden gloed, hun vlammige zonnetjes van parels en kralen. Hevig lokten ze de kermisgangers aan, lokkend en tokkelend d’r lichtmelodie, dat ze verbluft stand hielden voor ’t front, uìt razenden hoswarrel.
Tusschen de Jutskoppen schreeuwden wat spullebazen „bezienenswaardigheden” uit; rauwe kermisspeech met angstigen suggestieklank in d’r melodramatieke moordstemmen afgedreund.—
—Hier is te sie-en ’t gruufelijke seemonster.. met drie-dubbele rij tande.. geschote deur een Inlans metroos, tèrfijl dit gruufelijke monster, besig was een lèfendig mins te verslinde!..
Moordhol timbreerde z’n stem, en vlak naast ’m klonk ’n andere zang....
—Hierr staat te kijk.. ’n meisje uit de binnelande van Suid-Aùstralië.. dewelleke leefendige konijne eet, alsmede.. tabak en gras.... Uw lieden zult haar hoore in heur gebed aan de maan!.... En hoe sij de bleekgesichte bloedig skalpeert.... Tien cents slechts per persoon en per lid.—
Angstig en zwaar melodramatiekte z’n schorre stem van de estrade àf en in valen schemer geelde z’n gezicht even òp in den flakkerschijn van ’n kleine flambouw boven de tenttrap. Bij elken aandrommenden hosstoet, herhaalde ie z’n bange woorden-vracht,.... dat ze de leefendige konijne.. verslindt met d’r slagtande, glas kouwt en brandende sigare freet.
Hossers uithijgend, bleven staan en luisterden. Naar rechts werd z’n stem overschreeuwd door ’n buurman die opriep de massa om te kijken naar de Zuid-Afrikaansche Boerenworsteling, leefendig voorgesteld in beelde.... Met ’n ècht slachtveld waar de lijke, bloedend en onthoofd op neerlegge....
Rond den krijsch der spullebazen, paf-knalden, knetterden en mokerdreunden de Jutskoppen. Stel voor stel stoette vóór de reklameplaat van ’t wilde meisje en suggestiever huivergriezelde stem van den omroeper.
—Verslind leèfendige konijne.... veur de ooge van ’t publiek, eet glas en brandende sigare.... skalpeert de bloedige menscheschedels.... Over twee minute sal de nieuwe voorstelling een aanvang neme.... Bereids zijn er duizende en duizende mensche reeds ingetrede.... Volgt hen en offert uw dubbeltje voor ’t zien van een natuurgedrocht, het grootste monster der wereld!
—Waa’n smoel, lolde Hazewind, wijzend met klownig gebaar naar de kannibalen tronie van de beverfde wilde-vrouw-reklame,—.. En waa’n skort hep se om d’r heupies.. op dá terain binne de Wiereloànse neutedopjes tug veul fesoenelaiker.. ikke konsteteer van da main maid ’n heule rokkebeweging om d’r meroakel hange hep....
Woest flodderde ie ’n brandenden zoen op ’n wang van blonde Cor, die ontsteld, met gaperigen mond en waanzinnige oogen, naar ’t reklamebord, met ’t wilde meisje er op, stond te kijken.
—Stik, bitste ze in schrik.
Achter Hazewind joelden Dirk en Willem, Henk Hassel en Rink met hun meiden, omsloten in drom van kijkers. Geert en Trijn luisterden angstig gespannen naar den impresario, die voor de tent, met z’n rosgeel beschemerde tronie en z’n moordstem, hun de keel snoerden van angst. Dirk en Willem dansten eng omkringd van armen en schouders. Piet en Annie zoenden elkaar dat ’t klakkerde en woest trombonde Rink, boven allen uitreuzigend:
—’t Maiske frait d’r puur laifendige kenaine.... bi-jai-’t-Hain!.. Daa’s d’r nog us ’n skepsel.... dâ set d’r sooie an de daik! da mo’k sien.. en jai Hoasewind! daa’s ’n bestige kukkerint veur Kees de strooper hee?
—Enne glas frait s’ook! enne brandende segoàre... waa’n koorakker hee? waa’t maid hee, huilerig extazieerde Trijn, de vurige Trijn.
—Over twee minute.. sal de voorstelling ’n aanvang neme.. heere! dames! voorsiet u van een plaats,—suggereerde de stem van de estrade. Stoet op stoet nu, drong voor ’t loketje, schoof weg achter ’n koelisseachtig schot.
—Doar saine wai van g’diend, juichte Dirk, dâ mo’k sien.. sloàchte mit de tande.. daa’s puur main werk!
—Nee.... neenet! nainet! ik goàn nie, goàr nie, griezelde Annie.
Waa’n maid, vuurde Trijn weer òp, daa’s prêchtig.—Ze rilde vooruit al van bang-griezelig genot. Stille Guurt Hassel, schuchter bewaakt door Jan Grint, die haar nà den draaimolen-aanval nog maar geen zoen had durven geven,—wou ook wel kijken.
—Da waa’s d’r puur aas ’n kemaidie mi bloed, vond ze.
Ze hield zoo dol veel van vechtpartijen met messen, en dat zou niet minder zijn. Ze zou gaan griezelen en rillen zooveel ze wou.—
Met hun allen, de weerbarstige Annie meegesleept, drongen ze de tenttrap òp.
Dirk nam plaatsen aan ’t loketje, en wèg hosten ze op den trillenden plankengrond achter ’t beschot. Ze waren warempel al wat te laat.—
Vóór hen, op tooneelig hokje, in schuwgeel, zwavelig licht, grijnsde en gilde ’n soort bezetene negerin, met krakerige stem, rauwe fausset, elk woord als ’n wreeden vloek uit ’r zwellenden keelkrop scheurend. Op ’r kapsel wuifden woeste veeren, donkere haartooi in schitterenden koperen ring saamgekranst.—Haar kangoeroe-kop grijnsde met maskerige wreedheid van ’n hellemonster. Haar harde gele oogen waanzinden wild rond. Woest verkoeterwaalde ze schorre klanken met den impresario, die laag vóór d’r stond op den plankengrond, bij ’t publiek. Met ’n krom zwart zwaard hakte ’t „meiske” in driftstuip op den kerel áán, die haar ophitste met stootende tongverdraaide woorden, en elken kletterslag op z’n blooten kop, met z’n groot zwaard, in snelle zekerheid afweerde. Stank broeide er uit de menschenprop op in ’t halfduister. Allen staarden in ontzag naar den grijnzenden duiveligen vrouwekop op tooneeltje, waarover ’n zwavelige lichtschemer flakkerde, d’r gele oogen nog geheimzinniger verwoestte.
—Dat is gain maid, f’rvloekt! schreeuwde plots ’n matroos. Nou heb ik tog twintig joar gefàre moar nooit-nie he’k soo’n loeder sien.. dàt wee’k tog ellendig-best.... daa is.. god-alle jesis! ’n gefèrfde Amstirdammur!
Ontzet publiekje liet grommen den kerel, staarde, staàrde in bange suggestie. Bij ’t levend konijntje verorberen werd ’t Annie te benauwd. Ze rilde en griende toen ze ’t bloed over de zwart-bronze handen zag stroomen; de tong hoorde raspen tegen de haarhuid òp, den kinnebak zag lekken in ’t warme bloed, en de apig-lenige vingers de ingewandjes ingraven.—
—Kaik! kaik.. da stuipt d’r in hemmes klaufe, gierde Dirk woest, die ken d’r puur ’n bairtje slagte!
Meisjes en vrouwen vergilden kreten van afschuw. Maar doorschokt van brandende passie, bloeddronken, drongen Dirk en Rink nog meer naar voren, de meiden heeter omknellend en meesleurend.
De furie Marie Pijler schaterde. Geschok en getier raasde door ’t tentje.
De roode, bang-begloeide tooneeldoeken, waartusschen ’t kangoeroesche grijnswijf sprong als ’n hellemonster in Vitus-dans, schroeide telkens áán, in den lichtflakker. Onder ’t vreten rimpelde ’r kop als ’n oudwijvenmasker; groefde en grijnsde de wellustmond.—Bloed lekte ze van d’r vuilgrauwe lippen en brok voor brok van ’t uiteengescheurde konijntje verdween in den stinkenden bloedmuil, geweldig elastisch en rood-groot gesperd.—
Guurt griezelde, genoot in schokken van huiverenden wellust. Ze zou zich zoo, in die bloederige beestigheid best op Rink hebben kunnen smakken, op den gierenden reus, dien ze in ’t spokende flakkerlicht verliefderig lokte met ’r prachtoogen.—Annie had de kijkers gesloten, stond in donkeren nàstaar te sidderen. De blonde furie kalde tegen de vurige Trijn en Dirk hijgde van genot.
Allemaal in ’t hok griezelden, staaroogden in heete ontroering wat ’r nòg gruwelijkers volgen zou.
Alleen de matroos, Wierelander van geboorte, bleef onwillig staren op bloederigen vraatmond.
—Da waa’s d’r ’n k’nain van spek! daa’t is gain waif.. dat is ’n kerel, ’n geverfde hassebas.. gaif d’r ’n lel da se duiselt..
—Sou jai maine.. Nou.. doas glad-en-al mis, bazuinde Rink’s stem uit ’n vaal-lichtenden hoek, ’t is d’r ’n ègt ekserploàr.. ’n heul ègt swart meroakel..
—Kaik d’r gele smoel... juichte Dirk hoonend, en d’r lampies.. ’t gal is d’r deur d’r bloed hainsloàge! daa’s main weut!
—Waa’n kakkerlak! kom d’r hier.. sloan ik je tronie deur viere! wou jai main segge van hoe ’t mot weuse? ikke heb d’r twintig joar in Oostinje foàre.. enne nou.. in de foestain! Sou ikke nie van de toart had hebbe?
—Oostinje.. jai mi je dronke gleuf!.. en die maid is d’r tug heuldegoar van Estroalie!
—Nou wat, sputterde verblufd dronken drenzerige matroos.. dat is.. god-aldegoar-een-pot-nat! Estroalie is d’r Ostinje.. enne Ostinje.. Estroalie..
—Hou tug je bek.. soa’k d’r mi je test.. saa’k d’r mi je test.. wai sienne d’r nie..
—Sien.. sien.. gaif d’r ’n lel.. daa’s se.. daa’s se duiselt!
—Als de heere nu nog brandende sigare te misse hebbe.. zal ’t vraatsuchtigste monster der wijreld se alle opete!
Van alle kanten gloeiden uit ’t halfduister punten áán. Dirk had eerst z’n sigaar vuurhel aangeblazen, stopte ’n einde, ’t monster zelf in d’r lenige bronzen klauwen.
—Hier swoart meroakel, doar hai je ’n happie, eet d’r f’rsmoakelik..
Blaasbalgend laaide ’r muil in ’t vuur, dat de vonken in haar duivelende grinniktronie spatten, lippen en kin telkens even gloedrood opvlamden.—Haar naakte lijf in schaamlap omplooid, danste nerveus met klapperende sprongen op de kreunende en trillende tooneelplanken. Haar armen pagaaiden en doller ’r keelkrop verkrijschte zang. En telkens, als vuurpunt van nieuw brok sigaar, ’t hevigst opgloeide in ’r blaas, sperde ze de kaken, d’r grauwe lippen er in botten streel overheen aaiend, beet ze toe, kauwde en spoog ze vuur, achtereen, verslindend sigaar op sigaar.
Hazewind braakte van pret. De meiden gilden van schrik, maar Cor en Annie hadden er genoeg van. Ze wouen niet langer blijven. Guurt was woedend dat ze weg gingen. Geert Grint holde ook mee, de jongens drongen op, Willem naast Geert, Dirk dadelijk er hanig-haastig bij.
Jan Grint drong zacht mee, maar Guurt snauwde, beet van ’r àf, volgde in wrevel. Ze was weer nùchter, verwenschte de gloeierigheid van den zwartkrulligen Jan, die z’n oogen uitschroeide.
Vlak voor hen uit, stormde uit kijktent er naast, ’n schater-drom, die daar ’n reuzin van zevenhonderd pond had bekeken.—
—Alle jesis waa’n hurk! hep jullie sien? da binne d’r fierkant tien van main maid, lalde ’n vent, slap-lachend en in bochelige verwringing de tent uitzwaaiend.
Meiden, dierlijk verhit in smerige taalwellust van kerels bij ’t reuzinnewijf, barstten eenmaal op straat, mee uit; lebberden zich vast op de zuigmonden der hysterische drinkebroers, verkrijschend na elken zoen, hun vuile liedjes.
De meid-tailles omkneld, de monden op elkaar gezogen, hosten ze in blinde razernij, de lijven in branderige lusten op een geplakt, door de paukende roffeling en dreuning van de gemartelde orgels.
Stoet bij stoet, in zwalkenden krijsch, holde achter de Hassels en Grints áán, en telkens, dronken zwaaiende paren, strompelden uit ’t duister in den brandschijn van kramen en spellen. Van zangmond tot zangmond ging de flesch rond, en heele rijen lam gezopen en verflodderd, braakten langs de boomen, verstrompelden tusschen ’t schaduwduister van tentruggen, smakten daar spuwend neer, in rauwen ronk, in zucht en bral, wezenloos uitrochelend ellendegeschrei van verrampte dronkaards.
Van allen kant op Baanwijk gruizelden en smakten flesschen en kruiken, en ’t stortend geraas van glas rinkelde tegen de keien.
Op middenlaan van Baanwijk, achter de oliekoektenten en speelgoedkramen brandde het rosse luchtrood van kermisnacht ’t bangst, tusschen de paarse duistering van schuttingen en wat eenzame somnambule-krotjes. Langs de allée vlaagde moordende klankstorm van dronken kelen, eindeloos van misère, raasden de boertjes en wijven òp, met kleurige narrige mutsen òver hun petten gekruifd.—
Bij verre uitvlamming van koperen bakovens bleven ze trampelend staan, met de gloedweerkaatsing, roodbevend op de geknauwde tronies, aangevreten van passie. Hel-omlijnd in den lichtgloei, ging spartelend beweeg weer van armpjes en beentjes; kaprioolden ze waggel-zwaar tegen elkaar op, om en om meiden, de korpulente nekken scheef, dat hun vloeimutsen krampten slaapmutserig over hun tronies, hun boeketten en linten wegsliertten her en der. Hun breede broekjes en pijjekkers schaterden mee in kanaljeus-lachende plooikronkels.
Drie vloeimutsen op elkaar had de reuzige slungel zich op z’n pofpet geplakt, en in den dansenden waggel van z’n schonkig lijf en botten zeehondenkop, ging rond ’n flapper van serpentines, rood, geel, groen en blauw, in den oranje-verdampenden hemelgloed.
Plots week in achterwaartschen kankan de heele boertjesstoet en hinkende slungel-herkuul, naar duisteren hoek, stond stil ’t geraas, verduisterden al meer en meer achterkoppen van boerinnen met den glanzenden schemer van hun zilveren en gouden kappen tusschen de tentruggen.
Van den polder àf lag havenwoel open, kraterend, goudspuwend en roodsmokend overdampt als ’n vuurregenende heksenbrand, waar stank rondsmeulde van geschroeide menschenbouten.
Daaràchter, de eindelooze poldernacht, ruisch-stil en starend geheimzinnig. Telkens uit andere hoeken van Haven schoten vlammen òp, doofden weer wèg in nachtzwart, en soms, uit ’t stikkeduister joelden in moordende geruchten stoeten áán in bengaalsche hel.
Als paarse nacht openbarstend, waaruit goud-roode stoeten-brand fantasmagoorde, en kleurschaduwen ijlden, zóó sidderde ’t bengaalsch licht áán over huisrompen, boomen en wezens.
Menschentronies in bijtende helheid grijnsden naakt onder dien vuurgloed. Telkens ànder licht laaide op, in wond’ren groei; paarsrood dat sidderde en huiverde in schrik van helheid; violet dat brandde en verschroeide wandaligen kermishos; en groen-fosforizeerend vuur, met infernalen beef-weerschijn, huiverend in woeste glanzing ’t stedeke overlaaiend, of Satan verderf-adem uitblies door heel ’t dolle kermisbachanaal. Krijschjubel verklonk bij elken nieuwen kleurenbrand van de mombakkesen, de lijk-groene, de paars-helsche, de rood-huiverende.
En telkens verstierf de gloed in ’n trillende duistering.
Dan vèr, in oranje pracht, om zwart van nacht, vlamden nà, lampions en flambouwen, walmend en zigzaggend door ’t duister als ’n oproer van hellebardiers. En wreed, over de wond’re avond-hel van kleuren en tinten, over afgronden van duister diep en gedempt gloeisel, stormden de orgelklanken, raasden de mannestrotten, heeschten de vrouwekreten, ontembaar, doorschroeid van passie. Geslagen in razernij, renden de stoeten weer her en der, in kruis en warrel, van den starenden angst-nacht in ’t vlammenlicht, de Baanwijk af, Haven òp, Haven àf, Baanwijk òp, in daverende hiha’s en hos, verhijgend in barstende opwinding.
Waanzin-beweeg trampelde áán met de sputterende boertjes, en als ’n verzinnelijkt Hosanna schreide hun beestige krijsch door de brandende lucht, verzwaaiden hun flesschen, en verrochelde ’t onweer van hun ronkende falderahee’s. Bij den hoog-walmenden oranjigen gloed van wat Jutskoppen bleven ze weer staan. Bral en krijsch martelden los uit hun strotten en in heete zinnedrift smakten ze zich op de mooie Jutsmeiden.
Pal boven hun koppen en kleurmutsen dampte nu hèvig de brand-roode luchtnevel, van die plek uit, over de heele Baanwijk rondschroeiend. De boomen in den damp aangeverfd, leken reuzige monniken in barsche pijen, stil gebogen boete doend, er door Satan neergestold in krampig schuw afgrijs-gebaar.—
Voor schiettent lawaaide ’n spullebaas overschreeuwd door eén van panorama-mechaniek, en die vent weèr in stemmen-worstel met somnambulen-wijven en kinematografen-eigenaars.
De Hassels en Grintjes, nu weer achter het trampelende boerenstoetje, vóór de Jutskoppen uitdringend, wouen wel slaan, maar dat beviel Guurt en Geert niet. Dirk en Rink slurpten limonade voor ’n gebakkraampje, waar ’n bleekgeel mopssnuitig juffertje, goud-bekapt en fleurig gesjaald bediende. In vroolijken fonkel rijden daar de glaasjes limonade wijnrood.—De meiden moesten toch ook wat likken, en wankelig keek Dirk in z’n portemonnaie onder ’t gele licht, of ie den bodem al zien kon.
—Dat is vijf te min meneer, sprak koel verkleed juffertje.
—Vaif? vaif? wa helhoak vaif.... daa’s glad-en-al-mis spotte ie ’r lachend uit.
—Daa’s net! Sai hep d’r drie lait.... enne.. de maide tien.... enne ikke twee.... en Rink.... enne Merie.... daa’s kaike!.... daa’s...., rekende verward Willem mee.—
—Drie.. drie, gierde in dronkig heeten bulder Rink.. noumins.. de sel d’r salderemosterd g’nog sai’n hee? jai smoort... smoort gain wolf an je borst hee?
—Waa’t d’r nie is betoal jai sellefers moar medam, lachte Dirk weer tegen de nijdige mopssnuitige juffer,—of aêrs komp ’t vast bai ’t huurtje t’regt!
—Daa’s net... debies! roggemegochel! juichte huillachend Rink, ’n vuist bonkhamerend op de toonbank dat ’n rilling door de vonk-roode limonade ging, en ’n rinkel door de glazen.—
Met ’n woesten krijsch plots was Rink tusschen ’n aanzwierenden hostroep ingesprongen, sleurde dwars door haakarmen van meiden en vloekend-onthutste kerels, zijn Grintjes en Hassels heen, en met ’n stem van ’n sprekende fagot, dreunde ie uit:
Nou gaste! aa’s één man bai de Jutskoppe! màide stoàn d’r halt! Die de prais hoalt hep d’r uit jullie te kiese!
In ’n dronken storm, opgezenuwd in furiënde hevigheid, waggelstapten de kerels mee, naar ’n alleenstaanden Jut, waar niet veel volk om heen joelde. Twee stoere kanaljemeiden, madonnig kapsel en bloothoofds, de slanke lijven omstrakt in zwart-zijden glanzende boezelaartjes, schreeuwde de kerels toe.—
—Alloo manne! prebeer je g’luk! laat sien je kracht! laat d’r vlak-af kijke wa je ken! Slaan d’r op! Semberleen! schop ’m op s’n pet!
Rink ’t eerst, was in woeste woeling van z’n reuzig lijf op de schreeuwmeiden toegesprongen, gaf één wijf ’n wreeden streel onder de mollige kin en rukte de moker uit ’r hand. Meiden en kerels waren in kring achter ’m opgeschemerd in den flakkerigen ros-oranje gloed.—
—Op sai heere en dames! beval de andere Jutsmeid in ’t zwart,—meneer mot ruimte hebbe.. om te rake! Sla d’r vrij op meneer.... dat ’m ’t gal uit s’n strot spat! hij sel d’r tog nie van bloeie!
—Ruimbaan! schreeuwde nog ’n Jutskerel, met geelrossigen muizensnuit, pal onder den fakkelwalm van z’n paal bij den klapperhaak.
Geert, Guurt en heel ’t meidenstelletje week achteruit.—De kerels scharrelden naar de Jutsvrouwen. Piet Hassel liet Cor los, wou zoetjes de zwart-beboezelaarde mooie kanaljes besluipen, die in ’t flambouwenrood tusschen den walm, wondergloedig oplichtten, met de slanke lijven en aanhalige gezichten, de goud-felle oogen, omwaasd in den damp van hun paal.—
Muizentronie stond aan den knalhaak om den klapper recht te schuiven na elken slag. En Rink reuzig, half bevlamd z’n schriklijken landlooperskop, in kangoeroesche rugkromming, z’n herkulische schonken donkerig omschaduwd, hijgde voor ie begon.—
Cyklopisch, even waggelend, hief ie den moker, met één zwaai hoog door de lucht, dat ’r suizel koelde rondom.—
Donker en dreun-dof plofte z’n hamer uit ’t duister op ’t Jutsblok. Knettering spatte boven de omstanders en in den fakkelgloei hitsten de meiden ’m op.—
—Dat is raak meneer Simson.. dat is d’r ’n mannetjesvint!
—Mooi, mooi! porde de andere mee, met kanaljeuzen lach en zinnestreeling uit ’r goud-bevlamde oogen ’m begenadigend.—
Rink hief weer den moker. Z’n half-duistere lijf groeide in den oranjigen nevel. Z’n beschemerde armen, geweldig, spanden, daalden en rezen als hefboomen, en weer in doffen dreun mokerde ie néér z’n hamer op ’t Jutsblok.
De meiden rondom juichten. Opgehitst in satanische drift bleef ie doormokeren slag op slag, dat z’n borst blaasbalgde, z’n beenen beefden, en z’n groene oogen sperden in bevlamde razernij.
—Veur Semberleen! Veur Kitsener! Veur Roodes! gilden de Jutsmeiden mee, met elken slag in rauwe opwinding. Ze hadden schik in den reus. Elke knetter was raak! In cyklopische mokering dreunden de schokken door z’n krampende klauwen, ging sidder door z’n gekromd lijf, kittelde genot door z’n knarsende kaken.—En boven z’n woesten kop spatte kruidknetter tot den paaltop, verwuifden de flambouwen hoog in de lucht walmige vlammen, sidderden de vlaggetjes in kronkel om ’t ijzer.—
Heftiger joegen de zwart-beboezelaarde meiden ’m òp en doller mokerde dolle reus neer, in heete razernij van dreunen, dat ’t blok waggelde en van een dreigde te barsten.—
De Grintjes gierden van lol en de blonde slanke furie, Marie Pijler, wou ’m te lijf, schreeuwde schor dronken, dat ze’m doodzoenen zou.
—Daa’t is ’n mannetjesputter! Jou Rink, jòu mo’k hebbe.. wa mo’k mi die snotter van ’n Henk! joù! joù! gilde ze door de dreunen heen, als ’n bezetene.—Ze sprong naar voren, naar achter en sidderende wellust trilde door haar wiegende heupen, waarop ze zich bofte van genot.—
Rink mokerde door, in ’n blinde woeste razernij, dat de Jutsmeiden verbleekten van angst. Z’n hamer suiselde lucht rond, uit duister in licht.—
Marie Pijler, in ’t toortsige goudrossige rood, duivelde van hysterie. Haar lippen schuimden en ’r handen jeukten langs d’r borsten. Ze gilde door, tusschen z’n mokerdreun, en wilder, opgewondener gierden de Grintjes.
Stoeten bleven kijken naar den half-donkeren reus, die onvermoeibaar hijgde en trilde als zou ie iedere minuut, daar dood ter aarde storten. Toen werd ’t de andere verblufte kerels te benauwd.
—Hee Rink! jai hep d’r Joë ’tmet an brai sloage hee? s’n harses meroakele d’r van malkoar! Nou motte wai de kerel nog ’n arrempie uitdroaie hee?
—Nog veur vaif sint, hijgde Rink met waanzinblik, en weer zwaaide in krampigen lijfschok en razenden dreun, slag op slag neer.
Als ’n beul uit de hel neergestormd, in den oranjigen lichtflakker en walm, met even begloeide knots moord rond-rammeiend, zoo spier-spande z’n lijf in de laatste stuipkramp van slagen. Z’n losse overhemd fladderde uit z’n broek, en heel z’n zondagsche plunje vermodderd bemorst, flodderde om z’n dronken korpus.—
Eindelijk òp, hijgend, gebroken zwaaide ie den hamer tegen den grond, zoende, in fellen hartstochtstuip de beboezelaarde Jutsmeiden met heeten lippenslurp, en strompelde bek-àf, zweet-dampend achter ’n palingstalletje neer, snakkend naar adem.—
Dichter dromde ’t gestoet om de Jutskoppen. De mooie kanaljes, hitsten òp, streken hun handen lokkerig langs hun zijïg-gespannen glanzende dijen, lachten en lonkten. Willem, Dirk, Hazewind, Piet en Jan Grint, Henk en de heele stoet sloeg raak. Jutskop lag half aan brei. De paal met z’n knal en knetter, leek ontvleesd karkas van levend-gemartelde die dood gemokerd werd door lynchende bende, en bij elken dreun op ’t veerende blok, ’n stuipende rilling door z’n beschilderd geraamte verschokte.—
Heeter hitsten de Jutsmeiden òp en telkens zwaaide de reuzige moker de lucht in, houweelde duisterend ’n rossigen glimstreep door den flambouwenflakker, dat banger de oranjige sfeer, kerels, mokeraars en meiden ombeefde.—Al meer tronies, àchter elkaar opgestoet, schemerden áán in den hamerkring, de heete oogen gericht op de waggelende cyklopen, die doordreunden en beulden onder de brandende lucht.
Elke ronde betaalden de meiden voor hun galants. Maar Rink, Rink de neergesmakte reus, had de mokering ’t langst uitgehouden, ’t meest en felst verknetterd. In woesten sprong smakte de blonde Marie Pijler, met de schittermedailje, jaloersch uit de handen der kanaljemeiden gerukt, op Rink, die brakend te vloeken lag in kraampjesduister. Als ’n bezetene zoog ze ’m den vloek-mond dicht met brandende zoenen, smakte ’m den hals vol, gilde en raasde dat zij en niemand anders dan zij hèm hebben most.. veur de heule kermis.
—Slaat ’m dood! Semperleen! Kitsener! krijschten de Jutsmeiden weer achter den wijkenden stoet Hassels en Grints áán. De kerel bij den kruithaak onder de fakkelende walming, liet loensen z’n muizentronie, vertrilde z’n begloeide oogen gretig naar ’t bezopen volkje, dat de kanaljeus-lokkende boezelaars-meiden vingen met d’r zinnestreel en hitsenden roep.—
V.
Uit de kroegen en danszalen op Baanwijk en Haven stormde in en uit, heete woelzee van hurrie, getier van uitzinnige meiden en kerels.—’t Was zacht gaan regenen en vóór de wilde-vrouwtent en de panorama’s er naast, droefde treuzelige leegte. Kerel op estrade, melodramatiekte wel met z’n stem, naast ’m overschreeuwd door den eigenaar van ’t „gruufelekst seemonster”, maar ’t bleef ’r vaal voor de tenttrap; de stoeten hosten voorbij zonder te luisteren; de regen spetterde door het droeve ros-gele lichtgeflakker van wat magere flambouwtjes.
Als broeibakken, omgloeid van kermiskoorts, rookten de kroegen en kanaljeuzige dansholletjes vol, mistig-geel doorvlamd van hel petroleumlicht. Moffen en blazers tierden. Piano’s roffelden er; pauktsjings en krijsch raasden verdoovend rond in de walmende krotten. En geschreeuw uit honderden kelen braakte de straat op, dreef àf weer in de kronkelgangetjes.
Heete bakstanken en walgelijke vetlucht van gesmolten reuzel doorzuurde de lucht en knetterende vuren van verflakkerende bakovens vlamden achter enge steegdieptetjes, tegen polderlucht, in ’t zacht-regenende duister, als kraterende grotten van bacchanten, waarin donker en begloeid, razende wezens rond-kaprioolden.—
Kleurige worp van lichtgloei bleef kaatsen om menschen en spullen, en wisselglansen verallegorieden in trillende diepte de bange realiteit van hossers en zuipers, in tooverig koloriet van fantastische prachtgeheimenis.
Goud-gloeiing, rembrandtiek-diep in tooverwild begloord amber en bronsgeel, trilde op roestige muurbrokken als lichtende helsche zwammen. Levende fosfor kroop op hekken, kleine klinkdeurtjes van huiverend-stille krotjes, verzakt in halve duistering van nacht-zwart.—
Pompen en slingers donkerden reuzig tusschen boomen, en in al zwarter damprood bacchanaalden de schreeuwstoeten met gewonde lampions en knetterende pekfakkels gillend door de wijkjes, in trampelenden warrel van beenen en rompen.
Willem en Dirk hadden de meiden meegesleurd naar ’n krottig danshuis waar ze ’n uur in vagevuur-hitte verschroeiden. In storm waren ze ’r uitgevlucht, natgezoend, verslobberd, begrabbeld; de rokken afgetrapt door de beestkerels daar. Rink had ’n Lempenaar halfdood geranseld omdat ie z’n blonde Marie aan de rokken had gegrepen in woeste passie, zonder ’r los te laten.
Met bebloeden kop had Rink ’m achter ’t buffetje gesmakt. De vent lag ’r te krimpen van pijn, met uitgescheurd oor en bloedneus. Met één bakelaai had Rink ’m z’n mes, waarmee ie steken wou, uit de moordklauwen geslagen, en nou lag ie daar, rampzalig vertrapt en bespogen door de joelbende.—
Rink vooròp, de blonde Marie met ’r roodgezwollen tronie, aan z’n lijf vastgezogen, mee. Op straat gierde de kasteleinsmeid Pijler, dat ze ’t café-chantant inmoesten. Dat werd in schallenden schater beklonken.
Zangkrijschend kom-kerlinekens, zeilde door regenende duisternis, ’t stoetje van twintig ’n zijweggetje àf, dat stil donkerde buiten kermiswoel.
Plots, over Baanwijkbaan ging angstige vluchtjacht van duistere menschenstoeten, naar één plek.
Brandklokken alarmden in angstigen bimbam, klankgalmen van steigerenden nood sliertend, dwars door den demonischen jubelnacht.
Achter fakkelflikkering, hoog tegen paardenspul, sloegen rookige vlammen òp uit ’t duister.
—Brand! brand! schreeuwden ontzet de stemmen, rauw en moe, schor en angstig. Woeling van donkere massa’s, van ’t duister telkens in lichtgloei, roezigde in stille aarzelende oproerstappen en geschuifel naar ’t eind van Baanwijk; zwol áán in trappelenden hakkendreun en lijvenwoel tot angstig revolutiegerucht; rumoer, dàn donker als onweergrom of aardbeefschok, dan hèl en lichtend in toortsbrand van kermisjoel.
D’avondklokken beierden door, in rood-angstigen galm, en de brandende damp boven de kermis, gloeide áán, oranje-rooder, banger, in rook en vlammen.
Rink, Marie en ’t heele stoetje waren in opwinding gekeerd, en ieder z’n meid vastgekneld onder den arm, sloegen ze op hol in den schrik, juichend van duivelige emotie, dat ’r eindelijk iets benauwends gebeuren ging.—
Boven ’t paardenspul, stonden twee groote gebogen grillige haken in gloedschijn als roode valken.
Klaas Koome holde voort, z’n buldoggenkop gezwollen van pret en z’n bijt-bek nijdig naar voren gewrongen. Annie en Cor sleurde ie mee aan z’n armen.—
Hij gierde:
—Kaik! doar loopt ’n klodder maide, hullie aige d’r stain-dood.... ikke konsteteer van da je op dâ terain mit die brand-beweging d’r nie deurhakt! wai binne te loat! merkeer de paa’s. Hee Dirk! Hee Rink je mag d’r toekaike!
’t Stoetje stond gestremd te blazen en te zuchten in de smoor-drukkende zomeravondbenauwing. Duizenden kijkers dromden vóór hen in hellen vuurschijn, makaber roodoranjigen gloed, vulkanisch neerduivelend op al soorten koppen.
Stemmen-alliteratie woelde rond na den eersten schrik, en helscher orkaande de jankjubel van orgels, roffels, toeters en pauken, luguber door den stillen schuifel der be-vuurschijnde massa.—
—’n Rot pakhuis mi-sonder ’n koantje woarde.. schreeuwde Limmer, nou die doen stiekem s’n skietgebedje, kaik! vlak-an de afslag!
—Daa’t is d’r mit ’n half uur dààn, hoonde ’n meid belust op emotie.
—’n Rooie hoan van lik-main-fessie! een mi-sonder kam! spotte ’n vent, met gril-gloed op z’n gelige apentronie, en woest-vurig geflakker van z’n wilde bevlamde oogen.
Burgervader omschermd van agentenkring, glimmerige helmen in ’t vuur, en hellebardierig geschaard om brandkar met z’n kleine slurfspuitjes, deftigde gewichtig tegen plaatsvervangend kommandant, officiëelde hoogelijk.—
—De kommedant is d’r nie!.... woar sit die pikbroek? schorde weer ’n vent.
—Lait in ’t gangetje.... s’n tantje is d’r joarig! gierde ’n ander!
—Kaik de heule brandwair is d’r ’n kait! Se kenne nie op d’r poote stoan.
—Gooi de jonker mi s’n test in de vlamme—is die uit s’n laie, kabbeloebelaap! Hee mermot! Bunsum! hee! ’n rot pakhuis!
—Hai weut d’r sellefers van!
—Sel ’t nooit-nie wair doene!
’t Verkrijschte in hoon en nijd rondom, de spottende menschenstemmen.
—Nou ikke seg, daa’t sonde is veur de tait, lachte Dirk di Geert had opgebeurd bij d’r dijën, dat ze beter boven den gloeddrom kon uitkijken.
Maar Willem Hassel, jaloersch dat Dirk ’r zoo stevig vast had, trok ’r weer neer bij d’r beenen.
—Daa’s net, da kreng ken d’r bestig s’n aige redde.. ’t is ’n rot soake van die Hassebas Beemster.. ’t ding is d’r vast gain spuit woater woard!....
—Moàr hoe dat nou ankomt hee? bleef zeuren ’n ouë kerel, met ’n scheel-gedrochtelijk oog, waaromheen, in weerkaats van vuurgloed, groene schemer trilde.—
—Ze hewwe d’r danst mit de fakkels! dá’ loat ’t ansien hee?
De Grintjes en Marie verveelden zich met ’t opgedrongen staan. Menschenzee vóór hen, al valer bevuurschijnd deinde langzaam van Baanwijk naar Haven terug, langs de spullen. Telkens verklonk gegier om ’t peuterig gewurm van de waggelende brandweergasten, die elkaar de slangetjes uit de hand stootten, en flauwe waterstraaltjes rondspoten; op de slangen trapten en verkeerd koppelden.—’t Brandkarretje kreunde als ’n verroest modderbaggertje bij elken schuif en stoot naar voren en naar achter.
De schrik-emotie sloeg over in hoon van de woeste kermisgasten, en daverend holden heele stoeten weg in trappeling; verhosten weer tusschen de goud-roode en oranjige dampsfeer van avondhallige tentlanen en spullen.
Dirk, Marie en Geert hielden hun plan vast voor ’t Café-chantant.
—Nou wai goin d’r nog wa bij Dies.
—Juistig, bai Dies.. prêchtige tingeltangel.. doar hai je da waif in ’t rood! die sangster....doarhain gaste! in de „Son” is ’t daàn noà twoalf!
—Hee kaik d’r Rink, je bloed d’r àn je snuifert!
Rink veegde z’n neus met z’n naakte handen....
—Daa’t is d’r nog.. nog van die smak uit de droaimole, stamelde ie wezenloos.—
Als ’n duistere horde stormde de stoet voort. De brand was rookerig en smoezelig aan ’t versmeulen. Niemand keek er meer naar om.
—Eerst de kleine tingel-tangel in, kê je ook lol hebbe! enne dan Moandag erais noà de Skouwburg mit de deftighaid.
Zoo zeurde Willem tegen Geert. Heete Trijn, en de andere meiden stemden in, slobberden maar mee, doorschroeid van drankpassie. Frank en licht stapten ze voort op de orgeldeunen die ze beheksten, hun bloed vervuurden in d’r lijven.
—De kerels moste moar doene wa se wouë.... d’r waa’s tug moar krek één kair kermis in ’t joar.... hinnekte in schater Marie Pijler, tegen Rink aangeplakt. Mooie Geert, met ’r rumoer-lichtende oogen, de vurige Trijn en blonde Cor met ’r poppensnuit, belolden elkaar, en de twee meiden Spaandermast, die zich bij ’t stoetje hadden aangesloten, gierden mee.
Alleen hinderde ’t de Grintjes dat ze Guurt in den hos naar den brand waren kwijtgeraakt. Stekelig vermopperden ze wat tegen Piet en Dirk.—
Piet die straal was, waggelde en boerde, vatte niet goed wie Geert eigenlijk bedoelde.—
—Jesus, je meroakelse sus maàn! dat trosse krèng! mit d’r vraier van de sèkreterie! kaik m’erais in main fieselemie!
—Die is d’r van deur, giftte mee Trijn.
—Die muurpeek, jaloerschte Geert weer, en Dirk werd nijdig toen ie zag dat ze uit wraakgierigheid den arm van Willem vaster greep, zich uit zìjn knel kregelig loswoelde.
—Guurt? Guurt? Wie wou je maine.... gof’r dikkie.... Oapram Prik... Prikkie! die hept d’r aige te snurreke lait! in de sekreterie!
—Doar hep se ’t koeltjes hee!.... aa’s hier.... in de raige hee?
—En Jan Grint dan.. da is d’r ’n vraier van spikeloas! Skuiere mò-je-moar.. skuiere mô-je-moar! zong schor Rink met Piet mee die in kallende idioterigheid kankaneerde in waggel voor hen uit, dat de meiden weer in lach schoten.
—Kok-kok-kok! kok-kok-kok.. moeder se lait ’n ai! weut je ’t noù.... hoeke ’t weuse mot! Gùùrt! Gùùrt. snaiboon! krijschte Geert in Piet’s oor. Piet waggelde op zij, jeukte z’n oor uit waar de meid in geschreeuwd had.—
—Soo! soo! snurkert, snaiboon! lummelde Willem mee, die in dronken ronk als wezenloos wegzonk, en alleen opleefde in vlaag van heftige jaloezie op Dirk.
De meiden gierden en toeterden met hun allen Piet den naam van z’n zus, scheepsroeperig oorholte in, dat ie z’n dronken kop machteloos hangen liet op z’n borst, en als ’n pasloopende drenkeling slap heenwaggelde tusschen de vrijsters in.
Toch, onder dien jool, zat haat tegen Guurt, gekrenkt gevoel om ’r sluw wegsluipen van hun stoet.—
Regen bleef zacht spatteren, en heete nachthemel, besmoezelde ze nattig de tronies en handen. Bij hoek-omslaan van Beekerweg kregen ze, in lampschijn, gloeiend café-chantant van Dies in de gaten, waar hun rauw gezang uit tegemoet waaide.
In woeste passie, hossend en tamboereerend met de knuisten op elkaars lijf, sliertten ze de laag-doorsmookte kroeg in, stank-walmend van jenever en ziedend van stemmenraas, lichtkokend in geel-rookig damp, vochtig van gloeiingen als ’n reuzige brouwketel.
Plebspubliek krijschte ze welkom toe. Over zwarte banken, vol vuil, smeer en dranknattigheid, sprongen ze naar plaatsen, waggelden, wat niet meer op de banken kon, op stoel en kruk, uit ’n hok, achter ’t buffetje, aangesleept.
De meiden smakten zich neer, naast elkaar op de banken. Geert plakte òp tegen ’n stomdronken onderofficier die ’n fletse wit-harige meid zat te zuig-zoenen, zonder dat ’n spier van ’r gezicht vertrok.—Na iedere slobberige zoenbui, veegde ze strak, vlakhandig ’r wang schoon, koelde ’r steenharde blik voor zich uit. Vóór Geert drong ’n ouë kerel òp die schorrig stoethaspelde, en al maar wees op ’n man in den hoek, waar de onderofficier zich voor moest wachten. Tartend teemde z’n dronken mond:
—Sien ie! Sien ie! daa’t is.... is.... nou main soon!.. die.... die knakt.... jou.... en en.... en.... en.... en.. de heule wai... aireld aa’s worst! hee?... aa’s die d’r goàr... wil!.... en.... en.... en.... de heule mikmak hee?....
—Hou jou.. snater ouë sloddervos! blùf!.. blùf, driftte de sergeant, z’n paarsroode gezwollen kop woestnijdig naar der ouden teemer toedraaiend, klaar om z’n bierglas ’m op de hersens tot scherven te stampen.
Maar de ouë dronkenlap bleef doorzeuren.—Half ingebogen waggelde ie bij Geert, z’n stinkenden mond vlak voor de meidentronies, z’n handen en armen in kind-sukkelend onvast gebaar, verzwaaiend door den rookmist. Vlak vóór Geert bleef ie strompelen, z’n smerige klauwen onder ’r scherpsnibbig neusje, dat trilde van angst. Bang zochten ’r oogen Dirk, Dirk nog meer dan Willem. Dirk sleurde ’n meid van Spaandermast uit de bank en plakte zich naast Geert.—
Hij lachte om den blufferigen ouen schooier.
—Gut maid!.. ma-ïn soon doar! doar.. in de hoek.. is tog soo’n poal.. poal.. hee? hardstikke sterk! ellendig.. tuikig! da.. aa’s tie... de de.. de.. de serreggant.. ’n lel gaift!.... lait.. heul.... Wiere.. re.. loànd veur... veur de waireld hee? die.. hep d’r puur.... klaufe! vàn.... vàn ’n olieërsfant hee?..
Dóór zeurde z’n stem voor ’t mooie verschrikte kopje van Geert, al maar over z’n ijzerbrekenden zoon, die zèlf lodderig en geradbraakt in ’n hoek zat te knikkebollen, soms starend als ’n bewustelooze met gebroken oogen, op den rug van ’n vuilbruine piano.—
Dirk zoende Geert, lebberde ’r de wangen vol. Willem had zich door ’n rij stoelen heengewerkt met ’n dierlijk instinkt, in de richting van Geert.
Nou zat ie ingekneld tusschen ’n paar meidendijën half op ’r schoot, kneep ’r in de beenen en zinlijkte, met opgeblazen rooien kop, in ronkend-stillen wellust. Onderofficier zoende z’n steendooie fletse meid niet meer, maar keek met begeer-heete glinsteroogen guitig naar Geert en Trijn, lekte z’n baard en aaide zich-zelf zacht over de gezwollen paarse wangen.
Trijn leunde tegen Piet òp, die zich ook tusschen ’t meidenvolkje gedrongen had, en Cor, de stille Cor, lag half in zwijm in de armen van ’n rossig besnorden vent, zonder dat ze recht wist, hoe ze aan ’m kwam en wie hij was.
Henk en Hazewind joolden en Rink zat met de blonde furie Marie op z’n schoot. In hun handen beefden jeneverglaasjes, die bij elken woestbrullenden krijsch van Rink, weer gevuld in de vingers teruggekneld werden. Met ’r beenen, zat de blonde furie tegen ’n bankrand geduwd, ’r onderlijf naakt gewoeld.
Koortsig wellustig opgehitst in den ziedenden stemmenkook en rookstank om ’r heen, schuurde ze zich tegen Rink’s borst, haar kop op zijn mond vastgezogen, haar gouden haardos losgekarteld in z’n gulzige knelarmen. Half tusschen z’n beenen uitgezakt, in kanaljeuzen zit, drukte ie Marie achterover, zoende ’r woest in den blanken wellustkuil van dampenden hals, omfonkeld van kraaltjes en praaltjes. Haar beenen slapten al hooger den bankrand òp in zinlijken tuimel van d’r bovenlijf. Uit haar rokken zwoelde ’n heete walm van kermislucht, ’n anjelierige gemeen-zoete patjoulie, en ’n trillende hysterische zwijmgeursel steeg uit ’r halfnaakten boezem.
Haar halskraag had Rink losgescheurd en bevend vampyrig z’n gulzigende smakkende lippen in boersche passie er op vastgezogen.
Ze snikte naar ademhaal en ’r heete borst hijgde of ze sterven ging.
Hun passie doorvlamde ’t goudroode walmende zanghol in ’n zwijmelende erotiek, ’n beestige bronstigheid, en woest de paren omhelsden elkaar, bij ’t gierende toejuichen van Rink’s en Marie’s dierlijke vrijage.—
Door den geel-rooden rookmist verklonken de zoenen als zuigend geslobber.—
Achter ’n deurtje uit, kwam plots ’n gala-meneer op ’n paar waggelende plankjes staan, vóór de piano. ’n Kerel roffelde ’n preludiëerenden deun met pieperig kermende tusschenklankjes.—
Chanteur viel in, zang-sprak ’n dubbelzinnige mop met krijschend refrein:
Schuiere mot je maar.... Schuiere mot je maar Van je heeloà.. heeloà hophophop sasa!
Monden wijd open als muilen, bewegend-vreemde holten waarin ’t geelroode licht groef en roode tongen woelden, krijschten ze den zang mèe, in rauw-beestigen bral. Met de glaasjes in de hand, fonkel-kelkjes als roode en gele prisma’s, waarin prachtlichten brandende amber en gouden champagnegloed, zwierden en kankaneerden ze in ’t rond, harkerig en botsend in ’t enge holletje; trampelden kerels en stampten meiden, dat één dreun daverde en raasde door ’t smookhol; walmende brouwketel in tooverigen dampgloei en grillige tinten, diep-sferig omgoocheld in demonische pracht. De gala-chanteur zang-sprak méé, schor; liet refrein over zich heengolven als ’n kolk vlammende lusten, waarin z’n ironie grijnzend voetplaste; zette dan langzaam, hoog-komiekerig gebarend weer in, ’n nieuw kouplet.—
Er door hèèn rauwden al meer stemmen, klodderige geluiden; geluiden van jankende zebras en huil van wilde ezels; stemmen van moe-gemartelde venterskelen; rochelende, halfbezwijmde en dol-vroolijke; hinnikende en nijdige, huilend en zingend om zuipsel.—
Uit eng-morsig buffetje schoten telkens menschen toe, om sneller te helpen. Weer stormde in raas en vaart, verfomfaaide hoed-verdeukte kerels- en meidenstoet in, trampelig neersmakkend op bankpunten, of in valzwaai schietend op schoot van vreemde kerels en wijven.
Hazewind had bij ’t losrukken van stoelen uit ’n hok, ’n chokolade-automaatneger zien liggen, leeg en ongebruikt. Een krulharig grinneker was ’t; alleen romp en kop, in roodbelakt wambuis, waarboven wandrochtelijke tronie grijnsde.
In één ruk had ie den automaat bij z’n rooden romp opgevischt, stormde hij er mee in den meidenstoet van Grintjes en vreempjes. Als ’n wijf had ie den halven neger zinnelijk-potserig in den arm gekneld. Z’n eigen neus had ie met ’n bonk biljartkrijt piassig verwit, en woest danste ie ’n negerklownigen wals, klapperend met z’n zolen op den houten vloer, stampend en patsend, dat ’t grauw-zandig wolkte om ’m heen. De meiden kuchend in den stofdamp, gierden en half-verstikten van pret om den grappigen Hazewind, met z’n witbepoeierden neus, z’n schokkende vrijage op ’t negergedrocht.
—Skuiere mot je moar! skuiere mot je moar!
gier-zangde rondom. Eindelijk onderbrak ie z’n zwierigen wals.
Dwaas en menschelijk liet ie den zwarten grinneker buigen, wierp ie, àchter z’n gedrochtelijken kroeskop, gemeenheidjes naar de meiden, met ’n vermaakte hikstem, tenorig alsof ’t uit den rooden romp kwam.—
Soms trok ie ’m kittelend aan de kruk bij de chocolade-gleuf, deed dan in dolle grimassen en dronken opwinding of de roodbebuisde nikker, in grijns-woesten proets ’t uitschaterde om z’n jeukende kriebelarijtjes. Rochelend, stikkend geschater en gehoest barstten uit om de piaskuren van Klaas Koome, die in boerigen humor, sentimenteelig-nagemaakt, teederlijk den dóór-grinnekenden kroeskop tegen z’n boezem bleef koesteren en streelen.—
—Die kerel, hep d’r gain broek an, gilde plots Marie Pijler uit, schaterend haar beenen in kramplach de lucht insmakkend, dat ze bijna achterover viel van Rink’s schoot.
—Nou, op dà terain.. doen jai d’r ’n broek àn aa’s je gain baine hep! lolde Hazewind, fijn walsend en streelend z’n nikker,.... ikke konste.... teer.. van da tie sain bainbeweging inskote hep.. in de Transvoal.... enne.... op.. op sain aigeste romp sain smairt hep!
Met ’n smak plots in woesten schater zwaaide ie den nikker-romp tegen den vloer, die beefde van trampelgerucht.
Stom en klaagloos bonsde de nikker vooròver, met z’n zwarten gedrochtensnuit in ’n pot bier van den sergeant, die z’n glas vóór zich op den grond had gezet. Onderofficier proestte van lol dat de snuit met z’n neus er in was gesmakt.
—Nee nikker.... eerst mot vader drinke, dan ’t juffertje hee? schaterde ie, den neger bij z’n rooden romp opsleurend, en z’n minachtend-helschen snuit beschuimend met bier.
Ze stikten, de meiden, van al opwindender lol. De kerels kramp-schokten er van, tapten liederlijke moppen; trokken aan z’n buik; wrongen hun handen in de chocoladegleuf, hoonden den nikker, spogen hem in z’n wandrochtelijke grinniktronie, kwakten ’m bierslokken tegen de witte tanden; mepten in op de vuurroode menielippen, op de stuiters-oogen, op den bronzen buik en rug, dat ie rammelde, kreunde en rochelde, en ijzeren pijnsnikken van jammer verklonken. ’t Was of bij elken bof van kerels en meid-furies z’n grinnekende kroeskop in sarlach schoot; dat, al hàd ie pijn, z’n lach nooit kòn worden weggeranseld. Heen en weer gesleurd kwam dàn z’n grinniktronie boven, dàn z’n roode rug.—
Lag ie op z’n buik dan was ’t soms of ie stil, met z’n zwarten muil tegen den modderigen vloer, smart versnikte, z’n eeuwige grijns en grinnik dáár verkrampte tot woesten ingehouden huil. Maar telkens verder in den kring getrapt van razend beukende meiden, làchte de kop weer in grinnikenden sar.
Ze voelden den nikker als ’n lèvend wezen, ’n beenloozen stakker dien ze haatten om z’n verachtelijk grijnzen, z’n vuurroode droge lippen, z’n zwarte kroes en bewegingloos star-lachende stuiter-oogen.
De streelende vrijage van Hazewind sloeg over bij de meiden in ranseling en drift. Marie Pijler was van Rink’s schoot gesprongen, holde over banken, ruggen en koppen heen, tilde ’r rokkenboel òp en kwakte zich met gespreide beenen over de grinniktronie.—Ze vloekte, ranselde, beet ’m, schuurde ’r lijf in waanzinhaat over z’n roode romp, met verachting hem mokerend op z’n neus, z’n borst, z’n oogen. Drifthaat vlamde in ’r dronken kijkers. Ze schold ’m al erger uit, dat ie geen kerel was, en met ’n laatsten hakkentrap, in uitbraak van helsche vloeken, vol venijnigende verachting, smakte ze’m onder d’r wèg. Toen ze zag dat ie van verre, met misvormden kop, tòch bleef grinneken, barstte ze in grien uit, en viel razend van drift terug op den schoot van Rink.
In rondgierenden waanzin, haat en verminkzucht, wilde nu iedere meid den nikker beuken.
Met strakke wreedheid stortten ze zich op de tronie. Trijn Grint wou Marie Pijler nadoen, stootte zich met de vuist de rokken tusschen de beenen en sprong op ’m af. Maar Piet hield d’r tegen en de sergeant, in woedewoel opgehitst, begrabbelde meid voor meid.
Plots holde de kroeghouder midden in den furiënden meidenstoet, greep in woesten sleur den nikker bij den romp, en smakte ’m in hooge worp, achter ’t buffet, waar de gemartelde kroeskop, met geknauwde tronie, half gewurgd, diepe wondscheuren in grinnik-wangen en gehavend roode plunje, op ’n vatenstapel neerkreunde. Z’n gebeukte tronie lag weer bòven, en sarrend gedrochtelijk grijnslachte de kop, door de wangscheuren en oogwonden heen, z’n laatsten triomf uit.
’n Zangeres was achter gala-chanteur naar voren gekropen. Leelijke zwarte meid, in kanaljeus decolleté, kortrokkig, vuurrood satijn, snibde en koketteerde ze sneuïg met ’r dikke pruillippen; pupilden aanhalig lonkend ’r donkere oogen. Haar roetig aangeverfde brauwen, boogden harig-vergroeid in één, en ’r magere naakte armen pagaaiden voor verblufte dronken boerenkoppen.
Ze krijschte zorgelijk, vermoeid, en ’r verflenst gezicht, lachte, lachte mee met ’r vuile liedjes, lachte zuur, vuns.—
Goor sloeg de rookstank warmte en zweetlucht op ’r bloote borst en kokettig wou ze cirkelen d’r vuurrood satijn rokje om haar slappe kuiten, in gracieuse plooiïng. D’r zwarte lokkenkroes om ’r smalle platte beenderige schouders, vlamde donker tegen ’t satijnvuur, en vergapen deden de kerels zich aan de zangeres met ’r oudewijvenkop.
Ze werkte met opera-trillers en heesche koloratuur, en ’r lijk-groen vermoeid gezicht lachte en lonkte door, knipoogde al gemeener en sluwzinlijker tegen de nederige drinkebroers.
Zoetelijk streelde ze ’r eigen besatijnd lijf, met naïevelijk gebaar van onnoozel maagdelijn en bruids-angstige preutschheid.
Maar heet-getemperd sneed in ’r groen-gele bedampte tronie ’n schriklijke lach, ’n voluptueuze hoon, lonkend en lokkend, ophitsend de kerels in den schroei van hun brandende zinnen.
In ’t roodgelig en goud-dampig doorsmookte hol, benauwden al meer menschen. ’n Lucht van slachterij, waar zoete bloed-stank en warme vleeschreuk doorheen zuigen, verwolkte, en de zweetige zoetheid der uitwasemende paren klefferde broeiig langs de stinkende wanden.—
Geert wou wèg. De lonkende leelijke zangeres hinderde haar.
Gruwelijk gemeen vond ze telkens dat optillen van ’r satijnen rokje, dat vrijen met ’r eigen lijf. ’t Maakte ’r valsch, jaloersch.
Met lawaai stonden de Grintjes op en Marie tumultte mee. In hos en hiha’s kannibaalden ze dronkener en verhitter met zwartigrood verbrande tronies, doorzwollen en onkenbaar gerammeid van driften, de Baanwijk op.
Bij akrobatentroep bleven ze even uithijgend staan. Heet geloer was daar op nekknauwende toeren van straatkunstenmaaksters, meiden in triko’s, rugstrengloos achteroverbuigend in zwel van dijen en buik.
Maar de Grintjes wouen verder. Dan hier, dan daar moesten ze heen, in hurriënde hitte, dwars door slingerrijen, meesleurend vechtenden en vloekenden.
Willem en Dirk waren sàmen bij ’n waarzegster, die ze gelokt had, met vleistem van ’r mooie dochter. Sàmen waren ze ingestrompeld, omdat de een den ander niet alléén vertrouwde bij Geert. Tooneelig-geheimzinnig pronkte tentje van somnambule. Weeke mysterie-stem van ’n wondermooi meisje lokte.
Maar Trijn had den dood voor de waarzegsterswijven zèlf. Ze durfde niet, en de andere meiden ook niet.
—Puur nie! daa’s tug soo ellendig an ’t uitkomme hee? wa soo’n meroakel je sait! die hep d’r puur je laife in d’r hand!
—Poeh! tog aldegoar.. poppe.... poppe.... kast, blufte Piet.... nou dan koop ìkke je fratte veur drie sint.... bi je hullie t’met kwait!
Marie gaf Trijn gelijk. Geert begon te weifelen, Cor en Annie twijfelden mee, en de Spaandermastjes gierden van zenuwachtigheid.—Ze drentelden en draaiden, tot Dirk en Willem er uit wankelden.—
—Doàr mot jai hain Gairt, schreeuwde Dirk van achter ’t gordijntje.... ikke kraig ’n swartje!
—Da lieg je gaip! ikke!
—Roggemegochel, se hep ’t main sait! ikke trouw d’r ’n swartje..
—Daa’s puur ’n klodder leuge.. ikke, ikke!.. gilde Willem.
Toen barstte Dirk woest uit in ’n scheldwoorden-mokering, en meteen drong ie ’r op aan, dat Willem nou maar eens overmoest doen, dan zou hij met Geert in „De Druif” wachten. Willem schrok er van. Liever z’n pink er af, dan Dirk alleen met Geert.
Hij stamelde wat, maar Dirk woù ruzie. ’t Brandde en gistte al lang in ’m. Hij wou vechten, bloedneuzen slaan, met ’t mes aan riemen snijên....
Piet snuffelde naar bloed.... Rink óók. ’t Moest ’r maar van kommen.—
Versmoorde haat giftte weer áán, tegen Hazewind, tegen Willem, Henk en Jan Hassel. Dirk bleef dronken stotterend razen en vloeken, spoog ’n pruim tegen Willems broekspijpen aan, in minachtend krakeel.
Maar Geert, dronken-week, angstigde weer bij; zei huilerig dat ze met den eersten den besten kerel ’r vandoor zou stappen als de gasten bakkeleien gingen. Dat hielp. Dirk schrok, ontnuchterde. Willem greep ’t zwartje weer bij den linker, en Dirk bij ’r rechterarm, en voort ging ’t in brallenden hos.
Hazewind kneep z’n meid telkens zoo hevig in de dijen dat ze gilde, trapte en schold van pijn.
—Jou kreng, jou f’nainbaist, huilde ze half.—
Z’n buldoggenkop grinnikte van genot in even fijntjes oogengesluit. Heimelijk zinneziek, loerde hij op ’n nieuw plekje op ’r lijf dat ie nog niet venijnigjes tusschen z’n tang-vingers geknepen had.
Plots met hun allen hosten ze ’n donkeren zijweg òp, bij Spoorbaan naar den polderweg.—
Naar ’t uitgestorven polderduister, weilandennacht in donkeren rustadem, verwaaiden vage zangkreten en verzwakte hurrie van afgedwaalde kermisgangers.—
Dronken kerels, lamgebeukt en uitgebraakt, lagen bij bruggetjes, dammen en aan slootkanten, dwars in ’t duister te ronken of te grommen, te spartelen of eenzaam in de eindloosheid te razen.—Enkelen hingen half ingezakt over schering en prikkeldraad, kallend tegen den nacht, godlasterend en vloekend, de beenen gewond, en de handen gescheurd in ’t piekende ijzer, duistere geradbraakte en lamgebeukte verschoppelingen, in delirium-angst of stomme onmacht.—
Van den stil-starenden donk’ren polder àf leek de laat-nachtelijke kermis ’n krochtendrom: een in vlammen neergestort brok hel op aarde, hellekrochten en mijngangen, fantastisch-woest doorzwaaid van goud-gele en rood-oranje walmende flambouwen. Heel ’t karnaval lag daar als vuurbrakende holen, waar zwart-roode, paars-rossige en groen-gele schimmen op trillende, achteruitdansende en weer naar vòren kruipende achtergronden van vlammen en vuur kaprioolden, in ren en kannibaligen woest en hos.
Van den weipolder àf, gebouwden heel vèr, de hel-beblakerde tenten, en bevlamde spullen, de zwarte ruggen verneveld in rood-paarsen nacht. In woestkleurige pracht lag de krochtenstad daar neergebrokkeld, verzonken half in vuurzee, omlikt, omkraterd van licht en gloed; dobberde en deinde daar van vèr de infernale woel van voorthollende waanzin-blinde amokmakers in al wisselender hel van schijnsels.
Orgeldreun en roffel waaide vertemperd den weinacht in, verklankte vaag in roezemoezigen warrel van valsch geschetter.—
De hooge toortsen van Jutskoppen en ommegangers, de lampenflikker goudhel, van molens en spullen, vervlamden demonische orgie de polderstilte rond.
Als één adem steeg òp zwijmel en brandende passie van duizenden, boven de lichtene krochtenstad; als één adem vervloeide de zwavelig groen en goudrood doorgloeide nevel. In één hos ging om, de helsche menschenren trampelend ten dans, dans van kleurige schimmen, donk’re en bevlamde rompen.
Adem van àl de lampetten, al de flambouwen, adem van àl ’t licht; ’t gouden, ’t rood-woeste, ’t ros-gloeiende, ’t wond’re gele, ’t fakkel-bronzige, ’t elektrisch paarse, ’t vuur-oranjige en doorsmookte van vlammenovens,—steeg daar uit, als ’n helsche demonische hijg, bòven de kermishaven. En door ’t licht-woeste fantastische geweld, scheurde de hinnekende jool van waanzinnige zangers, verbeefde de hossende trampeling, groeide de massadreun der stoeten tot muiterij en opstanding van gedrochten, vluchtend uit ’t hellevuur, omkronkeld van weerlichten, jankend van pijn en gemartel.—
Rood-bang verflakkerde de zwartige walm door de dampende diepte, de brandende luchten en de kleurwond’re lichtsferen.—
Zoo, als één adem van dierlijksten gloei, als één wolk boven ’t kermisland drijvend, koortste de ziedende passie van de zingende meiden en kerels òp, schroei van hun zinnen, brand van hun lijven.
En ontembaar spoten ze hoog uit, den nacht in, hun satansgetier, hun moordende driften, in den helschen fonkel van ’n heelemaal-zich-geven; doorsnikt van rauwe uitzinnigheid. En samenbrandend mèt de lichtkoorts en ’t vuur boven de Haven, sloeg hun zwoel-hevig begeeren door den ontzettenden nacht. In omneveling zonk uit, de sfeer van avondgoudlicht, verkraterd rond de krochten, zengend den demonischen hemelbrand van nachtkarneval.
Doodstil lag de polderwei in den spokenden nacht, èven maar buiten de kermishaven.
Laat in den nacht hokte de roode walm-adem van duizenden lampetten op zuurkarren, paling en oliekoektentjes.
De regen had de keien beglimmerd en in pracht-vloeiige schijnsels sloegen de fakkels en pitten hun gloed tegen de straat óp. Onder de hossende beenen nu vloeiden goudgeel vuur en paarse zeeën, fel en golven uitspoelend, wijd om.—
Als droop van façaden, lijstwerk en spiegels, van daken en spullen, ruiten en palen, een kleurengloed àf, zoo vlamde en helvloeide ’t licht plots op de natte keien.—
Aquarellige gloed glimmerde rond in vurige plassen paars en goud. Plots boorde felle doof van rossige stalletjes donk’re gaten in ’t kermisland. Heele straatbrokken duisterden, en keienvuur verdween.
Van alle kanten zwaaiden stemmenstoeten weg in ’t donker, de laantjes om tuinderijen in, en polderweg òp.
Onder de stalletjeslui ging snelle pak; gekraak van beoliede doeken om duistere karbrokken.—Soms, met ’n glans van voorbijhossende toortsendragers nog òverschroeid, rossigden zwoegkoppen tusschen geraamtewrakjes en zeilen òp in den nacht.
Klagelijker en kermender steunden de orgelstrotten, verzwakkend in gerucht. Heele stellen reden weg ’t grasveld òp, waar de kermiskarren eindeloos triestten in polderstilte.
Half drie en nog zat Dientje Hassel te bibberen achter haar oliedoek met gloeislaap in d’oogen.
Ant was ’r komen halen, al kon ze van ellende en zwakte nauwelijks op ’r beenen staan. Ze snauwde dat Dien maar ’n gulden meer had gehaald dan Zaterdagavond. Dat had ze heelemaal niet verwacht, gromde ze.—
Rillig verbibberde Dientje wat tegen, met slaapduizel in de oogen, de ooren vol schetter en dreun nog, ’t kopje gerammeid van voorbijduivelende herrie.—
Zelf had ze maar één oliekoek gehapt, omdat ze niet meer durfde nemen voor Ant. En wee, verrild, stapte ze achter de stomme moeder de Baanwijk òver, naar ’t Duin.—
Plots zwegen al de orgels, doofden de voetstanglichten van kramen en spellen. Overal duisterde dieper de nacht.
Dronken gerucht van verren enkeling viel nog ontzet tusschen de nachtstilte. Dreunklank was verzwolgen en kermisgloei weggedonkerd tot valen opstand van tent-duisteringen, en grillige òpstaande nachtdingen.—
Van de stille Wierelandsche straatjes rauwden soms nog òp, krijsch van vechtenden in ’t donker, moordachtige angstgillen van vrouwen uit laantjes om Duinwijk. En heel van vèr, onder de geschondene meiden in de woest-offerende vrijage, vergalmde:
—Aauw.. wat ’n ska-ande!
Ontzet, veràf, verreutelde de dronken strottenkrijsch van kerels, als ’n groot geschrei door den rood-geschroeiden nacht.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Ouë Gerrit had angstigen worstel met de kerels om hun op den dag aan ’t werk te houden.—Geradbraakt stonden ze op ’t land, landerig en slaperig met roode doorwaterde oogen, te gapen, te vloeken en te schelden. Telkens dreigden ze den boel er bij neer te smakken als de Ouë en Guurt d’r niet nog handig tusschen indrongen. Toch voelde Ouë Gerrit niet zooveel wrevel meer als eerst. Nog twee dagen blééf de kermis; dat wist ie. Laàt ze hossen, laàt ze zuipen. Hij had nou toch volop zijn genot. ’t Was ommers, op de akkers overal ’t zelfde gehang en geklieter. De meiden konden nergens, puur niet op d’r pooten staan van dans en joligheid. En niet één kerel die d’r frisch bij stond. Alleen de droogpruimers plukten, tuinders die d’r hachie niet op de kermis gewaagd hadden. In ’t jonge goed zat lol, pit.—
Maar hij had toch ook zalig genoten....
Zondag van ’s avonds acht, tot twaalf, had ie d’r rondgekuierd.. Dertien dingen meegepikt.... hoho! da waa’s d’r puur ’n salighait weust.... koorts in s’n bloed had ie voelt..
Z’n oogen hadden gegulzigd, en z’n handen gegrepen naar al ’t moois. Vijfmaal onder rèn en hòs en oppropping van stoeten kon ie z’n slag slaan, en achtmaal was ’t gelukt telkens op andere manier. Twee prachtige dompertjes van zilver ’t eerst.... Zoo glànzend had ie ze gegapt, vlak voor den neus van de spullejuffer. Even van ’m àf zag hij ’n wilde stoet, en met z’n rug bleef ie gekeerd naar de kraam. Bons! daar stootten en bonkerden ze ’m omver.... Hij.. ouë kerel.... met z’n angstig gebluft lachie op z’n kinderkop,.. doend, nèt of ie zich waggelend vastgreep.... verschrikt:.... Toen, heel-stiekem, vlug de greèp, de zoet-zalige verrukkingsgreep, mèt bang-zwaar, toch heerlijk besef dat ie plots gevat kon worden. Maar dan daarnà, altijd ’t gelukken! Godskristus! vlak voor d’r neus bijna, toen ie ’t beet had.... Dan, al dat avondlicht om ’m heen,.... die schelle pracht, die bonte gloeiing van alles, maakte ’m razend gek, duizelig van grijpwoede, heb-woede. En rondom z’n vol-zalig hoofd, rondom zijn eigen juich binnen in,—de flambouwen, ’t zanggeraas, de orgels, die ’m deden trippelen van plezier, alsof ie nog ’n snuiter was. Hij had danslust in z’n beenen gevoeld, en zachte stijgende dronkenschap van zoet-heet steelgenot. Dat ie daar nou maar grijpen ging, wàt ie wou. Eerst loeren, of ’t kon, veilig, veilig. En als ’t dan zoo mogelijk veilig leek, dàn beet! Dat genot, daar te loopen tusschen ’t vuur en nooit niet gepakt! De kerel die ’m eens gesnapt had, leek nergens te zien, en luchtiger was ie door den ontzettenden woel van al vreemde boeren en buitenlui heengestapt.—’n Bekende groette ie vriendelijk, met lachje. Wat jonge meiden en kerels, die ’m ontmoetten, dolden met ’m,.... wat zoo’n ouë rot op de kermis doen moest.—Weer anderen beklaagden ’m, dat ie geen wijf had, ’n gek mormel, dat niet praten, niet staan kon. En in ’t besef, dat ie beklaagd werd, voelde ie zich nòg lekkerder, veiliger, rustiger in gap en greep. Dan dacht ie, dat hij met z’n genot, met z’n brand-van-héél-ander begeeren van binnen, toch ook heel anders tusschen de speelgoedkramen, tenten en spullen liep dan al die andere kermisgangers. Dat voelde ie diep, maakte ’m razend van angstige blijheid, dat hij, van àl dat prachtige... prachtige,.... dat hij daarvan stukken en brokken hebben moèst, moèst. Hij had niet geweten waar te beginnen, zoo veel, in duizeling en gretigheid zag ie tegelijk..
’n Paar tuinders spraken ’m aan; maar hij had zich met ’n snauw van hen afgemaakt. Hij wou alléén zijn, heelemaal alléén. Daarom had ie vrouw Hassel ook thuis gelaten. Voor ie gegaan was had ie Guurt gezeid, dat zij nou maar eens ’n paar uur bij moeder moest blijven, maar Guurt wou niet, had hem kunnen slaan van nijd....
—Ik sien joù ànkomme! Nainet foader! daa’s glad- en al mis, blaif jai d’r bai je waif! denkkie daa’k main jonge laife soo slaite wil?.. niks gedaan! En ze was weggerend voor hij nog iets terug had kunnen zeggen.
Maar hij woù, woù toch ook.
—Nou waif, nou goan ikke d’r tug effe uit! had ie gezegd tot vrouw Hassel. Vrouw Hassel, op d’r stoel ingezonken, bang, vol van ’t kermisgewoel om ’r heen, waarvan ze niets begreep, had ’m aangestaard. Pal voor hun avondraampje bleef ’n orgel staan, beschetterde ’t huisje in dreun van klanken;
„Behuts dicht Got..” met bombarie van trillerige fluit en hoorn, in sentimenteelen beefgalm van trombone. En plots, zóó dwars door ’t orgelgezanik, was vrouw Hassel uit ’r donker raamhoekje, in snikken uitgebarsten.—
—Hoho! loopt de waterlaiding nie, had ie geschreeuwd, of jai d’r wel of d’r nie grient.. roàkt main kouwe paipe nie.. ik goan,.. Ik goàn d’r! van dit en van dâ.. ikke mot de kerremis nog ’rais kaike veur ikke de fier plankies kraig!
—Ker-re-mis? Ker-re-mis?.. snik-stemde zot-suf vrouw Hassel.
—Jào kèr-rè-mis! kèr-rè-mis! bauwde de Ouë ’r woedend na;—kaik mins! Nou blaif jai d’r pàl in je hoekie hee?.. Allejesis.... waif.. je stinkt weer aa’s ’n mesthoop!.... Nou dan!.... jai f’roert d’r vast gain vin.... enne je hep d’r ’t hart nie om vuur an te roake! Nou is d’r puur gain godlaifendige siel in huus! En.. jai blaift hier.. huhu! in ’t donker.. f’rstoan? want jai bint d’r vast nie te f’rtrouwe mi licht!....
—Jai blaift.. jai blaift, stotterde ze na, uit ’r hoekje.. in zachten snikhuil, één woord nog vasthoudend, zonder ’t zelf te beseffen.—’n Rimpeltje van blijheid was op ’r oud wijvemasker gegroefd, toen ze ’t orgel nog maar heel zwak van ver hoorde janken.
—Jai blaift ’n komp d’r nie van je ploats.... hoho!.. ’n messtuut!.. waa’n stank!....
—Nie..! nie! van...
—Vàn je ploats! had ie nagebulderd.—
—Ploas.. ploas! teemde ze na, dadelijk, dadelijk weer vergetend. Woedend werd ouë Gerrit altijd om dat nabauwen, den laatsten tijd, omdat ie ’r weer wantrouwelijk, ’n slechtigheidje, ’n schijnonnoozelheidje achter zocht. Want heèlemaal vertrouwen, wat z’n spullen in den kelder aanging, deed ie ’r toch nog niet. En eindelijk na nog ’r toegesnauwd te hebben, onder ’t uitmaken van de lamp, dat ze zich niet verroeren zou, en maffen kòn, zoo veel ze wou, was ie heengegaan.—
Tegen twaalf uur, bij z’n thuiskomst, zat z’n wijf nog roerloos in den hoek, ingeslonken op ’r stoel, voor ’t raampje te suf-staren, opschrikkend even toen ze ouë Gerrit’s scherpe stem hoorde.—Toch had ze geen vraag gedaan: of ie wegging of terugkwam. Ze kòn ook niet, omdat ze niets begreep.—
Ze had ’r gezeten, in ’t stikkeduister, vier uur moederziel alleen, zonder die alleenheid te beseffen.—In doffen mijmer om niks, ’t hoofd volgeloeid van gillende oorsuizingen had ze gehuild, schokkerig, snikkend; dan plots weer stil, bang, haar bangheid niet beseffend, alleen voelend als ’n onbestemde angst in d’r lijf.—Ze had ’t pikzwart om ’r heen gezien, pikzwart, en plots was ’r soms ’n lampiongloei achter haar raampje, onder lawaai en krijsch voorbijgeschoten. Dan schrok ze hevig, beefde ze, niet begrijpend wat ’r gebeuren ging. Zoo was ze vier uur alleen gebleven, in ’t stik-warme avondkrotje, met ’n aschstinkende stoof onder ’r beenen uitgegloeid,—tòt de Ouë inkwam, opgewonden, met razernij van voldanen hartstocht in z’n oogen.—
Hij had ’t wel gedacht, dat ze niet aan de lamp zou raken, omdat ze ’m niet wist te vinden. En toch, nòg vertrouwde ie ’r niet! Maar dien avond blééf ie in gloeiende razernij.—
Vlak voor d’r neus stalde ie z’n gestolen rommel uit, en als ’n bezetene, lachte, huilde, vloekte ie van genot. Z’n spullen zoende, zoende ie, vóór haar oogen.
Vrouw Hassel zat weer te kijk-suffen, begroezeld in ’t lamp-schuwe licht. D’r vervuild bruin japonnetje reepte op de borst open, en ’n vuil brok hemd slobberde ’r uit. Haar gedrochtelijke rimpelkop, vergroefd, stond groen-grauw, en ’r groezel haar flodderde uit d’r morsige scheef-gezakte steekmuts. Het geteisterde doorgroefd voorhoofd bewoog nerveus, en ’r brauwen zenuwden in trilangst.—De Ouë, in ’t verstilde kamerke jubelde vóór d’r uit, zonder dat ze besefte wat er gebeurde.—
—Twee prachtige nikkelen dompers, ’n heel stel koperen vruchtevorkjes, op rood-satijn, er in gegleufd; twee kleurige kandelabers, ’n nikkelen wekkertje, ’n rooie doos met spullen d’r in, zonder dat ie wist waar ze toe dienden; maar ’t had ’r prâchtig staan glimmen, met aldegoàr gouden slootjes.
’t Roode satijn streelde ie duizend, duizend maal. De snoezige vorkies prikte ie in de lucht, als ’n dol speelsch kind. Die had ie met overweldigenden greep, aarzelenden angst bemeesterd, bij ’n bloedig vechtpartijtje.—’n Dronken kerel, had z’n mes getrokken en met genadelooze armzwaaien, woest om zich heen gehakt, al maar krijschend dat Jaap de klapbessen-dief was, en niet hij; nièt hij. Drie lui had ie al gewond. ’t Was ’n dol geschreeuw geweest, gegil van ontstelde meiden, toen plots ’n artillerist, den vent ’n mep op z’n pooten verkocht, dat ’t mes uit z’n klauwen viel. Maar d’r bleef dolle opstuivende amokangst onder de kermisgangers, grillige paniek, drom van opstandjes van al soorten menschen, rillend voor ’t staal; menschen die elkaar in egoïstischen angststuip knellend verdrongen. Vlak bij ’n groote verkoopkraam hadden ze den dronken woesteling neergekieperd, met z’n roggel-kop tegen de keien.—
De agenten met artillerist, zelf half-dronken, boeiden ’m toen de woesteling was begonnen te trappen, en te razen voor tien dollen te gelijk.—
Op dàt oogenblik was de Ouë, de groote kraam ingehold, van achter met ’n klinkdeurtje openend. En pal op de vorkies met hun rood satijn had ie áángegrepen. ’t Was ’n dolle waag, dat wist ie, maakte ’m zwaarlam van bang-hevig genot. Op ’t moment dat ie instapte, voelde ie zich stikken. Z’n adem bleef wèg; hij keek naar niets. En in ziedenden waanzin toch, stàr, deed ie wat ie moèst doen. Hij wist wel, klaar, dat ieder ’m kon zien gappen; de juffer, de helpstertjes allemaal.—Maar ’t kon ’m niet schelen. Eenmaal bij de glimvorkies, koortsgloeiden z’n handen, jeukte ’n brand in z’n polsen, en snel, halfstikkend, lam van aandoening en goddelijk bang genot, pulkten z’n vingers al tusschen doozen en pakken, rukte ie de vorkjes naar zich toe. ’t Was gedaan voor ie ’t wist. Even, heel even wachtte ie op ’n greep in z’n nek, bons op z’n kop, ’n trap in z’n zij, ’n slag, ’n schreeuw van: houd ’m! houd ’m.. Maar niks kwam d’r op ’m af!—
De juffer in ontstelden angst bleef kijken naar den bloedigen worstel van dronken woesteling, de helpertjes ook, de menschen er om heen óók. En niemand zag hem ’t achterdeurtje uitwaggelen, geslagen van emotie en geluk, het étui zalig tegen z’n bonzende keel gedrukt.—
Zoo had ie gemoerd, dertien keer, al voorzichtiger en listiger na den eersten duizelenden gevaar-zwaren uitval. Maar één ding,—’n rond spiegeltje met blommetjes beschilderd, bengelend aan ’n vuurrood lint, en dat ’r van de kraam àf zoo prachtig geschitterd had,—viel ’m tegen, vond ie noù niet zoo mooi meer. Het was beslagen, dof-groenig en leelijk tusschen al ’t andere prachtige in.—Maar de flakonnetjes met reukwerk, en d’r geslepen randjes en zilveren spuitdopjes, vond ie fijn, snoezig, kòn ie niet genoeg beglunderen.—Op z’n tafel had ie den heelen boel uitgestald. Z’n wijf en z’n duif keek ie om beurten aan.—Hij besmakte z’n lippen in stikkend-stille pret.—
Vrouw Hassel kwijlde, beklodderde ’r angstmond vol speeksel dat klefferig afdroop bij de hoeken op ’r kin. Ze verlikte ’t, traag de slappe tong draaiend om d’r grauwe lippen.—
Ouë Gerrit keek ’r telkens aan, voelde zich dol-opgewonden, en in dronken genotspassie, zong ie valsch-dof mee den kermis-deun.
—Oaauw- waa’t ’n ska-ande....
geniepig lachend, dan plots uitschaterend ’n wilden stroom van woeste verrukking. Hij voelde wel dat ie ’n beetje gek deed, maar ’t wàs niet zoo.... ’t Most ’r uit, z’n lol, z’n heerlijke joelende lol. Hij kon d’r van grienen.—
Plots ging ie dansen als ’n bezetene, de glimmende en fonkelende spullen in z’n knuisten gekneld, tot ie hijgend van inspanning ophield, neersmakte op ’n stoel.—Toch weer dadelijk veerde ie wég.
Vrouw Hassel, òmzuurd in ’n walgstank van bevuiling, die door ’t avondkamertje rotte als lag ’r ’n beerput opengegraven, schrok en trilde bij elke beweging van den Ouë, haàr kant uit. Maar hij rook en zag niets; zoende z’n spullen met de oogen, grinnikte om wat ie zoo pienter weer had klaargespeeld. En bij elk stuk dat ie opnam, kreeg ie weer precies voor zich, hoè hij ’t bemeesterd had, waàr, en tusschen welk geknel.—
’n Groote duitsche pijp had ie al honderdmaal in z’n mond gestopt en honderdmaal ’t mondstuk met z’n vingers weer zacht en voorzichtig afgedroogd.—Doller woelde jubel in ’m op, juist nu alles uitgemoord leek van stilheid in z’n huis. Guurt bleef wèg, de kerels bleven wèg, den heelen nacht.
In z’n danspret had ie ’t niet overdekte duifje wakker getrild in z’n korfje. Even soms, de rood-omschubde oogjes loerden rond in ’t verlichte nachtkamertje. Heel zacht verklonk gekoer uit ’t kropje, als geschrei onder den vloer uitstijgend. Kamerke lag in stomme rust. ’t Pronkschoorsteentje flonkerde in ’t late lamplicht, en ’t rood lapje er vóór, bloedde donker èven aangeglansd.—
Pookstel stond dof te koperen en staartklok tikte, heel breed en heel loom, onder de lage balken.—
De Ouë, zoo zoet in den nachtsuizel onbeloerd, vrij en ruim, zonder angst voor gekijk en gestommel uit de slaapholletjes, voelde zich al zaliger. Straks nog had ie ’t tafeltje met al de portretjes omvergeloopen. Eerst schrok ie; toen in één wist ie dat ’r niemand in huis was, geen sterveling die ’m begluurde.
—.... En doàr há’ je nou s’n waif.... dá’ stinkende mesthoop.... hoho! die heuldegoar kon sain d’r niks skaile meer! Waa’t ’n morremel....
In en uit z’n kelder liep ie, draaiend om z’n spullen, ze tellend en overtellend zoo veel keer ie wou; geruchtmakend dan hier, dan daar, ’t luik wijd open, en z’n nachtlampje hoog. Een gloei van stikkend, bijna wurgend genot schokstootte door z’n keel en z’n mokerend hoofd, waar ’t bloed door koortste. Z’n vrouw wou ie wel slaan, uit overtollige kracht en uitzinnige wreedheid. Hij wou ’r ranselen op ’r dooien kop, ’r suffe smoel, zoo maar, in jubel. Pal op ’r smerigen snuit, ’r stinkend lijf, dat ze d’r eindelijk ook ééns wat van zeggen zou, hoe lekker hij d’r hier stiekem zijn kermis hield. Z’n lippen smakten, z’n handen jeukten, jeukten. Z’n oogen brandden gaten in de lucht. Hij kèek niet, want hij was vlak òp de dingen, hij was de dingen zèlf. Hij betastte ze met z’n oogen, zoo sterk als met z’n vingers. Hij voelde ze met z’n spraak, en hij tastte ze met z’n reuk! Van alle kanten in z’n demonische zinsbegoocheling, proefde, rook en vatte ie z’n spullen.
Woester kwam een wulpsch begeeren in ’m opschroeien om ’t stomme suffe wijf te ranselen, te knijpen, nou juist, nou in de stilte, ’r beuken tot murf, dat ’r grauwe smoel ging spreken en zeggen hoe ze ’t vond, zijn spullen.—
Plots hoonde z’n stem valsch naar d’r toe.
—Hoe vint je ’t waif.. hoho!
Z’n stem klonk wild en scherp in ’t nachtkamertje, en z’n vrouw, half ingezakt, geslonken lip-puffend op ’r stoel, antwoordde niet, ronkte blazend. Even daarna schrok ze recht òp, met staar-doffe oogen die knipperden tegen ’t groezelende lamplicht. De grauwe lippen mummelden wat, en d’r gedrochtelijke angstmond verkwijlde bang gedroom. Ze stamelde met stem, doorhuiverd van prangenden angst:
—Ikke goan nie mee.... nainet!....
Nu, in één werd ie bang Ouë Gerrit, voor d’r gestamel en gestaar; voor d’r grauwen kop die in zenuwbenauwing verrimpelde en vergroefde als ’n ijlend mombakkes.—
Eerst had ie heel even gedacht dat ze op zou springen en ’m zou bestelen als ie ’r daar al die prachtstukken uit z’n kelder, zoo sarrend-gul liet zien. Hij had z’n overmoedigen satanischen hoon tegen ’r opgesmakt met ’n scherpe vraag: hoè ze z’n spullen vond, en ze was heel vreemd opgeschrikt. En ze had gekeken, uit ’r hoek, in ’t licht, zoo wild en verschrikkelijk als ze nooit deed. Was ’t inbeelding van ’m? Nee, neenet! Hij had ’t gevoeld als ’n slag uit ’t duister op z’n snuit zonder dat ie de hand zag die ’m teisterde.—
Inééns voelde ie zich weer laf, kruiperig laf, klam in doodsnood. Felle angst beklauterde weer z’n strot, knelde zich vast om z’n krop, kneep en kneep, en z’n handen gloeiden als hield ie ze boven ’n komfoor.—
Gauw droeg ie z’n spullen weer naar den kelder terug, met ’t nachtlampje in z’n bevende hand. Wurgender omklauwde ’m de angst in de starende stilte van ’t huisje.
Van de straat verklonk nu en dan kermiskrijsch en vage zang die ’m sidderen deed. Z’n gedachten bangden dat ze ’m zouen komen halen.—Alsof ze alles nageteld hadden op de kermis en gezien dat ze dertien stuks misten, en dat God hem, hèm had aangewezen.—
Laf, kleintjes en kruiperig schokte ie òp van elk geruchtje en ’t duifje had ie kunnen doodslaan om z’n lam gehuil, z’n dof gekoer.
Maar de stilte drukte op z’n keel. Telkens in ’t stalduister, heel uit de groen-zwarte diepte, dacht ie tronies te zien van de lui die hij bestolen had. ’t Was gekkigheid, ’t kon niet, praatte ie zich zelf in, maar hij was d’r toch puur van stuur door. En telkens weer keek ie om, zag ie de schimmige gezichten loeren en grijnzen, en hoorde ie ze zacht onderdrukt schateren uit de staldiepte, en al maar kijken op z’n bibberende angsthanden.
Kleiner, al kleiner in z’n hoon voelde ie zich worden. Eerst had ie in overmoed z’n wijf willen ranselen.... Nou, nou was ie blij dat ze niet meer naar ’m keek. Langszamerhand durfde ie nergens meer heen zien, om de klamme stilte in huis; stilte die ’m deed rillen en huiveren van al stijgender angst. Soms trapte ie, in doodsnood zelf tegen de tafelpooten, om de vale drukkende zwijg te breken. Maar dan beefde ie weer van ’t vertrillende gerucht, en gluurde naar z’n wijf of zij ook hèm bekeek.
Hij zweette, klam, bibberend, bevangen in ’n tergenden nood die ’m stikken deed. Met één sprong holde ie naar z’n bedstee.. ’t Moest uit zijn... Maar ’t duisterde weer zoo naar voor z’n oogen.... Allemaal zwarte dingen zag ie op zich afspringen; slangetjes en kriebelige wormpjes!
In dollen angst holde ie naar z’n wijf. Nou moest zij ’m beschermen. Zacht stootte hij haar op, wrong ’r de stinkende rokken los, en strompelde haar naar de bedstee. Hij hield ’t zoo niet langer uit. Stikken, gillen zou ie van angst, gillend krijschen, door de heele buurt, dat hij de dief was, hij de dief, van de bollen, van àl de spullen, hij en niemand anders.—
Maar als z’n wijf nou maar in bed lag, zou hij, achter d’r rug zich kunnen verschuilen, zoo heelemaal gedekt door háár.—En sidderen kon ie van zich zelf als ie ’r aan dacht, dat ie ’r straks nog had willen ranselen, ranselen van lol en jubel, dat suffe stomme wijf, dat ie nou noodig had.—
Vrouw Hassel was in ’r afgezakte rokkenrommel voor ’t bed gestrompeld, staar, suf, lippuffend. En Ouë Gerrit kwam, vlak àchter d’r stinkenden donkeren rug aansjokken in z’n onderbroek, dicht z’n oogen, z’n ooren met de beefhanden gedekt.
Angst verstòmde z’n spraak; hij wou wàt zeggen, maar ’r verheeschte klankloos gestamel. Eindelijk, na uren van marteling viel hij in nachtmerrie-sluimer.—
Bang van z’n eigen eerste felheid en latere lafheid tegelijk, stond ie den volgenden morgen, gebroken òp. Dat satanisch uurtje doorspookte z’n brein nog lang. Lamgeslagen, overal pijnlijk, doolde ie rond op ’t land, stom hier en daar wat plukkend van z’n boonen.—
II.
Den dag vóór dat kermis uit Wiereland verzonk in ’n hurrie van afbraak, vernevelde in nastank van baksel, kwam ouë Gerrit bleek-grauw van woede op de akkers, recht af op Dirk en Piet, tusschen de moffenboonen.
—Wie, beefde in toornige stikking z’n stem, wie hew d’r van jullie.. van main geld gapt?.. wie?.. hòho!!
Hij stikte bijna van drift. Dirk keek òp naar den Ouë, uit z’n knielhouding. Z’n kop en wit-blond haar, lichtte in zonnigheid en z’n koe-oogen lodderden verbaasd.—
—Mô je main?
—Wie hep d’r vaiftig pop stole! vaiftig pop! hoho! vaiftig pop! ikke bin d’r daas van!.. ik sink!.. ik sink! gàif t’rug! t’rug! main gèld! t’rug, of ikke bin d’r in ’n moànd kepot! diefetuig!—Z’n gezicht stond nu gipsbleek; z’n kaken sidderden, en z’n krommige rug bochelde gewrongen in smartelijken buk, verouêlijkt, gebroken. Er lag driftig geween in z’n schreeuwstem, en z’n oogen huilden. Ze hadden ’t samen gedaan, Dirk en Piet, om ’t wat ruimer te hebben, tot ’t laatst toe, voor de meiden, en om niet kleiner te zijn dan de gullere maar rijkere neefs.—Ze voelden hun schuld wel, maar toch verwachtten ze niet veel praatjes van den Ouë.—
—Wâ mot dâ skraiwe! lief je je bek te houê? of da pakt aêr skeef uit! dreigde Dirk, wai moste je loodpot anspreke.. omdâ je nooit meer aa’s twee kwartjes sakduut gaift!..
—Twee kwartjes?.. hoho! en wa jullie main d’r bestaile van de Markt.. en je suip.. en je koartspul!
—Is da skraiwe, raasde Piet, is d’r puur of d’r moord lait op de ruimte! nog ééne segsel.. enne wai smakke de boel veur de waireld! Hai jai nooit nie ’n duitje ganneft aas knoap hee? Stom, afgebluft bleef ie voor zich uitstaren ouë Gerrit, stom over zulke gewetens. Dat waren nou z’n eigen jongens.
Hij huilde, snikte stil van woede en benauwing. En vloeken, vloeken wou ie de kermis, die de kerels zoo liederlijk achteròp zette in ’t werk. Want ze hurkten voor dood tusschen de paadjes. En nou, met hartbonzenden schrik had ie hun diefstal bemerkt. Hoe moest ie dàt bijleggen? Z’n land, z’n pacht, z’n hypotheek, z’n ouë schuld? Dat was nou net z’n geld voor ’n gedeelte hooi waar ie al ’n maand telaat mee was. Al dringender en brutaler had de notaris ’m gemaand en gezegd dat ie niet langer wachten kòn op z’n geld, omdat ie al zooveel achter was.—
En nou weer dàt hypotheekie van dokter Troost.. en de rente van z’n eigen land, dat toch al lang niet meer van hèm was, omdat ie z’n tweede hypotheek al met de jaren opgevreten had... Hij zou d’r vast dol worden op die manier.—
De kerels begapten ’m; de boonen stonden laat, de boonen die ’m alles moesten goed maken over dit jaar.—En de kerels geradbraakt. Nou had ie ’r nog bij gehoord dat de kerels iederen avond met de Grintjes hadden gescharreld. Als Dirk bij Geert of Trijn nou eens ’n kind had verwekt! Dan lag hij voor de wereld! Dan ging ie trouwen, bleef hij d’r alleen met Piet, die ook z’n meid fastoenneerde. En van Guurt hoorde ie ook gekke dingen; dat ze zwanger sat van soo’n bleek skreteriemannetje.. ’t Most maar gaan hoe ’t wou!
Want nou barstte z’n heele rommel uit mêkaar. Zijn baaszijn; ’n stuk rechts van den grond voor die, ’n stuk links voor die, àls ie z’n lap houen mocht,—en dan hij, met ’t stankwijf in ’n hoek van ’t huis getrapt.
Banger begon ’t weer in ’m te woelen. Kon hij hen uitschelden, over ’t gappen, als hij zelf gapte? Z’n taaie energie, om zelf baas te blijven zoolang ie leefde, al was ’t maar alleen voor de wereld, begon weer te zakken, te verslappen. Hij most maar de heele boel laten waaien, zoo als ’t gaan wou. Hij zou toch z’n spullen wel houên; ’n arme donder was ie altijd geweest, al schatten ze ’m voor vol.
Z’n genot, z’n zaligheid kon niemand ’m bestelen. En als ’t dan November op betalen kwam, en de boonen gingen goed, zou ie zich misschien nog wel redden, uit z’n andere mikmak.—
.... Hoho, sou die vast nie meer s’n kop van braike.. hai had d’r s’n aige pelsier.. sain aige koorakter.. hoho!.. vier en vaif en nie g’nog! en dâ waa’s gain duufel die ’t sàin f’rtuike kon.—
NEGENDE HOOFDSTUK.
Eind-Augustus stonden ’t snij- en sperziegewas, prachthoog in bloei.—Ze hadden al berekend de tuinders, dat er duurte in de boonen schoot, met de schrale zon en gurigheid. Dat was d’r eerst met snijboon, negentig cent de duizend voor fabriek; de sperzie, vijfentwintig, en nou zou ’t temet twee pop voor snij-, en negentig cent voor ’t spersiegoed worden.—
—Daa’s suinige Job!.. schreeuwden ze elkaar toe, van de paden.—Uit alle hoeken, werd spannend-angstig de pluk gewacht als laatste uitstuiping van zomerzwoeg. Ze plukten nog wat vruchten, her en der, maar ’t was spelen.—
Ouë Gerrit zat iederen dag zelf in z’n boonelaantjes geknield, op de onderste ranken te zoeken, dat ie ’r van trilde in z’n knieën, en de kerels spottend schreeuwden:
—Ouë, je baift aa’s ’n kikker op ’n kluitje.. la stoan dâ werrekie!
Pracht-hoog in groen-goud, poortig diep, zonnesprankelend beflonkerd en vurig beketst, stonden de boonlaantjes, koepelig dichtgegroeid op de latten en hooge rijzen.—
Honderd schepsels had ie geplukt, ouë Gerrit.
—Suinigies, suinigies, bromde ie, most tùg gauwerst gonge in dâ weer!—Stram van ’t bukken kromde ie overeind, kreunend van voetpijn. Zoo in buk, kerfde ’m z’n klomprand vlak in de wreef, scherpe rooie gleuf snijdend in ’t heete vleesch. Hij gromde maar ouë Gerrit, onrustig, dat alles zoo laat kwam.—Aa’s de bofeste boel nou moar vrucht sette; die gaf tug ’t maist. Dan gong alles nog wèl.... bromde ie.—
Dirk was aan ’t sla-steken, nateelt, bij ’n hoekje vruchtboomen, en Piet droeg de manden uit. Met z’n honderd schepseltjes sjokte de Ouë op z’n jongens áán.
—Tug goed hoho! dâ d’r waa’t in ankomst is hee? hoho! Kaik main rais mit natte beene stoan? Eenmoal andermoal.. dâ hep je nou van die laileke spruitkool.. huhu! nou is ’t weer t’met droog aa’s ’n hart! en sullie binne d’r saiknat!.. wa daa’t g’was tug an sain woàter komp hee?.. enn ’n proes da je d’r hep!.. je ken d’r vast nie tussche harreke!
—Daa’s nou sòò sait, norschte Piet, wa mô je mi die spruitkool tussche je boone?!
—Reuk jai da feuruit.... vier en vaif....
—Reuke? wa reuke? blaift tog àl je woater opstoan? da weut jai krek aa’s wai, moar je wou d’r weer suinigies anlegge hee?
—Daa’s weer wat aêrs! knorde Ouë, wel voelend dat ie niet had moeten klagen... Veur wat had ie soo stom weust.. waas doar nou ruimte?.. de snaiboone op vier, en de spersies op vaif voet! kon op ’t pad ommers niks tussche!
Tegen ’t allerlaatst van de maand was ’t weer plots gedraaid. Winderige blaas guurde over de akkers. Zware zilv’ren wolksteden dreven áán, als lichtende vestingen en grillige bastions, overgierd in regenwaalte, bangen hemeldruisch en klettering van sneeuwig hagelblank. Angstig gekijk naar de luchten was overal op de akkers; naar den zwaren hang en roetige wolkduisteringen, die vervalend-somber over de velden dreven, opgejaagd in windhoozen.—
Ouë Gerrit was niet meer te houën. Laan in, laan uit z’n boonen liep ie al z’n akkers af, van vijf uren in den morgen. In siddering zag ie de zon wegblijven, den wind opsteken, en onweerigen bliksem dag en avond over de velden flitsen. Hij at en dronk niet, stáárde maar met bleek-bang gezicht naar de lucht, benauwende woordjes vermummelend.
De jongens kropten zomerandijvie open, sloegen ze als pauken op elkaar schoon, slobberden ze in ’t water, de geel-weeke omkranste prachtharten. Maar ouë Gerrit zag niets dan de grauwe bastions, de geel-roetige lucht; hoorde donder om ’m heenratelen, liep doorzògen in den regen en hagel, in dolle oproerige vloek-bange spanning, wat dat worden moest met z’n boonen.—
Op den laatsten dag van Augustus, tegen den middag, in zwoelerige stormigheid, stond ouë Gerrit, vaalbleek, baardtrekkend, versteld en kromgerugd van angst, op z’n akkers, mummelend in brommige oproerigheid tegen àllen.... wat dat nou worden moest met z’n oogst.—
Langzaam was ’n droge dorre zomerstorm komen opgieren, zooals ie die wel meer had gezien; hoozen die ’m stil maakten van hevige vrees. Rondom de groote lanen, loei-druischten de boomen als werd de aarde zwart-hoog overgolfd van aanbruisende, suisend-kokende zee-zwalpende branding.—
Geraas van orkaan bulder-loeide al sterker over de akkers, en de lucht plots stond laag, roetig-geel, onweer-bang.—En telkens vuiler geel doorzwamde den hemel, als vitriool dat kookte en schuim-ziedde in ’t ruim.—De boomen en ’t gewas groenden valsch-hèl onder de eindloos roet-gele lucht, en vreemde grondsidder van aanrollend onweer beefde door ’t land. Van de hemelhoeken uit, naar geel-duister zwerk dreven òp, reuzige wolk-katafalken, overeind gestapeld als stille omfloerste rouwgebouwen. Angstige drooge loei goot warrel en stofkolking uit de lanen àchter de hagen op ’t land, en als levende cykloon stormden de zandhoozen zwirrelend heet, in razenden loei gloeiend over ’t gewas.—
Plots in zondvloedschen raas stortte regen neer; wilde overstroomende regen, gierende druisch, woest-donderend van kook en kletter. Wilde razernij van stormrukken bulderde mee over ’t land, hoosde en rende tusschen ’t gewas.
Ouë Gerrit stond midden in. De kerels, Dirk en Piet, en ’n paar losse werkers, waren in ’t schuilhok gevlucht. Maar hij liep als ’n dolle op de akkers, omstormd door hagelende vlaagbuien, die ’m striemden, half vernielden, z’n oogen dichtkeiden, z’n gezicht bombardeerden en z’n plunje doorweekten en fladderig havenden.—Maar vóórt wou ie, in doodsnood geslagen, geteisterd, tùsschen de laantjes, waar de storm in razernij alles stuk-mokerde, knakte en versplinterde; waar oproer-tumult doorheen gierde, in uitstortende woeste vlaag op vlaag.
Ze schreeuwden ’m toe, van ’t hok, uit ’t erf, dat ie zich bergen zou. Van allen kant op de akkers rondom, zag ie de mannen vluchten in dollen loop. De bliksem zeiste blauw-roode vlammen om ’m heen. Donder doorroffelde den hemel ratelhelsch, als stortten ’r rotssteden in, bazaltblokkig, in daverend tuimelgerucht van donderende treinen, op elkander inbotsend, onder welvende hemelkap. Boven de akkers, in de lucht, rumoerde zwarte worstel van titanen uit, achter de zwirrelende regenvaalte en sneeuwende hageling. Dun schrik-geschrei van ènkele stemmen op de lanen klonk na, en vluchtende donkere gestalten holden over den wèg, in bangen haast, als èven windhoos neerlag.—In rauwe razernij waggelde ouë Gerrit op z’n land, al sterker omdonderd van windhoozen. Telkens werd ie teruggezogen door windrukken, die vernielend om ’m neerraasden, z’n kiel van ’t lijf fladderde in scheurende ritsen; stond ie blind geslagen, schreiend-vloekend te tasten in den natten walm van hagelwit en regenstorm.—
Lager, lager, in geel-roetig schuim gromde de lucht, wijd, en over heel ’t laat-zomergroèn kolkte een woest-sneeuwige warrel van blanken hagel, een raasbui tusschen valen regen zigzaggend, dwars stroomend over ’t land.—In de lucht, onder de boomen zeiste de bliksem. Bang-bijbelsch-rumoer, sloeg als ’n stedevernieling en godstoorn over ’t land. Bazuinig geschal en geloei verklonk dóór ratel-hevigen onweerdreun heen. Dreunende gongs zongen donkere melodie achter den roffel der slagen, en paukende helleraas overbruiste de akkers bij elken nieuwen slag van zeisend blauw-rood gebliksem. En door de luchten vluchtten, in zwaaienden, gang de vuil-gele roetwolken als donk’re karossen woest en vernielend.
Ouë Gerrit huilde, snikte, rochelde van angst, ontzetting en drift. Den bliksem zàg ie, ’t onweer hoòrde ie niet meer.—Alleen bestaarde ie z’n boonen, z’n bòònen, daar nou in de paden neergehamerd, in kraak en ruk, kris-kas voor de wereld, zóó dat ie ’r zelf geen voet meer tusschen kon dringen.—In geweldige uitstorting van woede en angst, mokerde ie z’n vuisten naar den hemel, vervloekte God, den Heere Jesus, dat ze z’n oogst vernielen lieten; in dollen krijsch, zijn stemmewanhoop verloren en verwaaiend achter regenkletter en stormrukken.
Geen pad was meer te zien, tusschen de boonen. In één uur had de storm in zoo hevige verwoesting rondgemokerd dat de akkers onkenbaar verwoest droefden.—De knoestige rijzen en latten lagen geveld, gebroken, doorknakt, de hooge bloeipracht-boonen afgerukt en dóórscheurd, de ranken vol jonge vrucht, steuneloos doorstrengeld, ’t sap sipperend uit de wonden, kris en kras dooréén. Ingepiekt, gewond, afgenageld en geschonden in hun stronkige stevigheid, splinterden de rijzen op de paden, als slagveldwarrel waar regen dampend over heen grauwde.—Al ’t gewas rondom lag vernield.
Ouë Gerrit doorzopen als ’n druipende schooier, z’n baard en lokken omzogen en harig-vastgeplakt op z’n groengrauw bleeke kop, was na krankzinnige uitrazing, en vloek tegen God, sidderend stil en bochelend-gekromd tegen stormhoozen in, z’n huis ingestapt. Z’n oogen keken niet meer. Er zat staar in z’n kijk van ’n gek die rondliep met wraak en manie, koeling zoekend overal waar ’t op kon.
Twee uur had de verwoesting aangehouden. Toen was orkaan uitgeraasd, en stille ruischregen alleen zong nog nà uit de stil grauwe lucht, laag over de akkers, in paarsen streepnevel eindloos vèr, zangerig-stil van ruisch alom! De weggerukte hagen en struiken openden ’t land met vreemde vergezichten, onkenbaar geschonden. Angstige stilte van hevige ontsteltenis ging er over Wierelandsche werkgroepen. Niemand van de tuinders die durfde zien, zièn de volle schade van ’t dolle weer.—Na dagen pas kropen ze bijéén, de kerels.
Op hun koppen vrat vloek-razernij in, grimmige verbittering. Met ontsteltenis-stemmen jammerden ze òp, vroegen ze elkaar wat bij die, en bij diè, de „boonenstorm” had uitgewerkt. Eén, in beschutten hoek, leek er wat beter afgekomen dan de ander, maar bij de meesten was er verlies van miljoenen boonen, ’n oogstvernieling die de naakte, zorg-zware pachtertjes inééns tot bedelaars maakte. Want niets werd vergoed, niets was verzekerd van hun waar.
Als ’n rouw, ging er stomme ontzetting en stil geween over ’t land. Honderden arme kerels, met alleen pacht van brok grond, stonden geschonden; wisten niet meer wàt ze waren: bedelaars of baasjes, pachters of wanbetalers. Ze zagen zich al in November van ’t land gewezen, omdat ze geen geld genoeg voor den landheer hadden. —
Na dagen nog, geweldig in grauw-triest en regenafdruip, lagen de akkers, in slagveldvernieling van gewas.—Over elkaar heen, één strubbel en splintering van hout, afgerukt verminkt groen, half al aan ’t verrotten in de nattige brei en spoeling.—
De boonkoppen slierden als leeggevreten door kraaien, uitgescheurd vlechtwerk, tusschen de splinters van de rottende knubbels. De late kapucijnders hurkten plat en dwarsgetrapt voor den grond, in vollen bloei geradbraakt. En onafzienbare rijen, snijboonen en sperzie lagen gestreken als ’n vies groen-zwarte modderzooi, kris-kras dooréén. Rondom, in ’t morsige gras splinterden de gebroken frambozestruiken en besseboompjes, in klonterigen warrel, geknakt, met angstigen krampweerstand van gekneusde takken, groezelig verrottend, als doorbarsten nattig hout.
Na den eersten ontzettenden aanval van angst en drift, terwijl de bui boven z’n hoofd uitraasde,—en hij als ’n gekke mandril, holde, griende, vuistbalde tegen God; vuistmokerde tegen alles, inéénkromp van waanzinnig schreiend-amechtig verzet, voelend de vernieling van z’n boonen als ’n uitrukking van zijn ledematen, scheuren en hakken in zijn eigen levend vleesch,—was ie, nà nog ééne opbruising teruggevallen in nerveuze spraakloosheid.—Binnenshuis had íe eerst z’n vrouw dwars in ’t gezicht gemept, Guurt gevloekt en gescholden dat ze zwanger was van ’n vuilen vent, en woest-schreiend op de kerels neergesmakt, dat zij de schuld waren van alles. Zij hadden ’m bestolen, en zij hadden dien luizigen Kees en Ant, twee kruisen, twee ongelukkigen in z’n mikken gehaald. Maar de kerels lieten zich niet lang verbluffen. Met ’n paar hevige opstoppers tegen z’n maag en z’n neus, strompelde ouë Gerrit achteruit, bleef ie stom, starend-stom, neergesmakt in den leegen stal. Niks zei ie meer, niks, dagen achtereen geen woord. Alleen bromde ie wat, z’n groenzuur kindergezicht zenuwdoorschokt van rare wilde trekken, als ’n op zelfmoord peinzende gek, mummelend en baardtrekkend.
—Rooit noa niks, rooit noa niks! moàkt màin niks.. hep d’r main aige! gromde hij.
De jongens werkten weer op ’t land, poogden de neergestorte weggebroken ranken overeind te binden.—
Ouë Gerrit keek ’r naar, in waanzinnige mijmer-kalmte, mummelend wat woorden, zonder zin.—
Dirk rukte de geknakte latten en rijzen uit den grond, trapte rondom den modderboel weg, stootte nieuwe stronken in de aarde, bond ’t gewonde goed, dat nog èven leefde, met touw en teenen òp.—Piet hielp mee, vloekend op de vernieling, driftig rondloopend in lust tot drinken, baldadigheid en bakkeleien.—
De zon was na storm-grauw en regen weer schaterend doorgestraald. De hemel blauwde en glansde prachtklaar, en in den lichtenden fijn geurenden Septemberdag jubelden de glanzen, stroomde zomerhitte langs de akkers; als proestte de zon om demonenhumor en verwoesting van den wind.—
In Wiereland was alleen gesprek over den „boonenstorm”.—Er werd gestemmeschreid door woeste stoere kerels, die in twintig en dertig jaar geen traan gelaten hadden; kerels die nù in één voor den grond lagen, niet meer wisten, waàrmee hun jaar te redden. Natuurlijk voelden ze, dat notaris en landheer ze zouden beklagen, wel geduld wilden hebben met betaling, maar geen cent tegemoetkoming in verlies aanbrengen zouden.—De weinige bazen met eigen land, bracht ’t jaren achterop, de kleine pachters waren in één geknakt, konden den bedel òp naar werk. Want duizenden guldens waren er weggespoeld in die teelt, geld waar op gerekend werd.—
Elk jaar was er gevaar voor hun oogst, elk jaar bracht angsten voor ’t weer; maar nooit nog was een zóó felle teistering, zoo vernielend, over prachtbloei van boonen heengegierd.—Ze schreiden de kerels, schreiden bij ’t zien van hun gehavende rommelzooi, ze konden er niet van slapen, niet van eten. En ze praatten maar door, over zóó nooit geziene vernieling, alsof ze dàt verlichtte. Ouë Gerrit werd beklaagd, zonder dat ie zelf ’n stom woord zei. Hij leefde nog in ’n stille, z’n eigen rust wegvretende woede-krizis, ’n stille inwendige bloeding van wraak. Ze hadden gedacht dat ie stapelgek zou worden; tòt Dirk en Piet, op den derden dag, bij hun overeind-zetten, van den gebroken rommel, den Ouë zagen uitbarsten in grien.—Vier millioen boonen had ie moèten leveren, voor de fabriek. Nou kon ie, met groote moeite, er misschien ’n paar honderd duizend halen.
Er schoot schriklijke duurte in ’t gewas, maar ’t gaf niets, redde weinig.—Dubbele hulpkrachten waren weer noodig bij ’t overeindscharrelen, zoodat Kees geroepen werd door de kerels, zonder dat Ouë Gerrit ’n woord verzet had en z’n bijgeloof niet eens meer òpleefde.—
In Ouë Gerrit lag angst te ontbinden. Hij wist zelf niet meer goed, wàt te denken, wàt te doen. Natuurlijk begreep ie, dat ie nou voor goed geknakt was, dat ie naar den notaris moest, vragen om uitstel voor alles.—Hij voelde iets heel bangs op ’m drukken, iets ergs dat gebeuren moèst.—Natuurlijk begreep ie, dat ie van z’n land afgekieperd werd, z’n zoons als knechten bij ’n baasje heenkomen zoeken gingen, hij ’n krotje moest opsnorren voor z’n wijf en Guurt. Dat ie dan te rekenen had op steun van de jongens, en hij, dóódarm,—bij de Bekkema’s—zooals hij de nieuwelui óók bleef noemen—z’n paar centen als tuinman per maand bijverdiende! Nou was ’r ’n tekort, dat ie in geen tien, geen twintig jaar meer kòn bijspijkeren.—Van z’n boonen zoo goed als niets meer. Zijn appelen en peren afgewaaid, leeggestormd, geen cent. Zijn moffengoed, z’n andijvie, zijn koolen, alles vernield, vernield. Kon ie maar weer wat huilen, zou ie wel bedaren. ’t Was alles weer zoo donker, zoo zwart voor z’n oogen. Maar ’t propte vast in ’m, smoorvast in z’n strot, en heet zat onbestemde angst daar als ’n zweer te gloeien. Dat geklieter en geklaag om ’m heen, gaf ’m geen luis. Hij had ’t wel gevoeld. Dat mòst komme! dat mòst komme! En als ze ’m nou bij den notaris nog gingen donderen, zou die d’r geen hand meer uitsteken. Most ’r maar van draaien wat ’t wou. Maar ’t most komme. Zat ’m de heele zomer al in z’n buik, die angst en schrikkelijke benauwing.
Dagen later had ie gehuild, gesnikt, was ’r daarna gemoedelijke rust in ’m gezakt. Met heete blijdschap dacht ie aan z’n spullen. Nou alles toch zoo geloopen was, voelde ie ’n fatale kalmte, ’n zalig-gelukkig gevoel, dat hij die spullen had, buiten storm en onweer en boonen en notaris, en buiten geklieter van menschen. Achter z’n telkens weer opschokken van hoop en smart, prentte ie zich in, voelde ie diep, dat ie toch alleen leefde voor dàt genot, ’t eenige zalige in z’n leven. Wat kon hem de boonen schelen, en de centen, en de notaris? Hij zou d’r heengaan.—
Goed! En als ’t te bar wier, zou ie opbreken. Als hij z’n pràcht spullen maar had en houên kòn.—En als ie d’r eenmaal afgekieperd was, z’n hypotheekrente toch niet betalen kon, en niets anders ook, had ie ook geen gemier meer an z’n kop. En nou de kerels als knechten!—
.. Hoho.... da sal d’r hullie ’t land injoage! Moar dâ kon d’r sain ook nie skele.... Hij had ’t dan stilletjes en rustig, kòn gappen wat ie wou. Al meer zalig genot, geen zorg meer voor pacht, hooi, koeien, hypotheek, en de heele santekraam niet. Laat ze d’r nou maar zeggen, dat ie straatarm was. Ze beklaagden ’m bitter. Dat verging nog beter dan ie gedacht had. Nou most ie d’r rondkomme van ’n paar gulden per week.... Z’n wijf ging er toch wel gauw van door. Die stonk en stotterde iederen dag erger; van onder al half lijk.... hoho! da gong goed! da gong prêchtig! En nou sou die notoaris spreke.. want aa’s de jònges gain aige lappie pachte konne en sain d’r uit trapte, sat ie lailik vast!
Zoo draaiden en drentelden de gedachten in Ouë Gerrit rond, voor ie op stap ging naar notaris Beemstra. Maar ’t moèst, en de dag daarop stond ie al voor ’t kantoor. Even beefde angst in ’m op, over ’t goud potlood dat ie destijds zoo netjes van ’m gepikt had. Maar dat gevoel zakte weer. De kerel had nooit iets gemerkt. De klerken hadden ’m achter ’t hekje geroepen en bij den notaris aangediend. De grijze familjare man, die dolgraag voor aristokraat doorging, begon, toen de klerk wegstapte, heel joviaal.
—Wèl Hassel, wat had je?
De vraag ontshutste ouë Gerrit zóó, dat ie sip voor zich bleef kijken. Wa nou? Zou die vent niet snappen waarvoor ie kwam; waar de heele plaats vol was van zijn ongeluk met den boonenstorm?
Hij stamelde:
—Jai menair de netoaris! ’t is... sien u!.. van dit en van dat! hoho! de boonestòrm!
—Hèb ik ’t niet gedacht! schaterde ironisch notaris Beemstra plots, dat ouë Gerrit de woorden op de lippen terugbeefden,—heb ik ’t niet gedacht! de boònestorm, de bòònestorm. Ik hoor van niets anders.—Verduiveld ’t wordt ’n nachtmerrie! Boonestorm hier, boonestorm daàr!—’t Is om gek te worden. Intusschen wordt daar nu alles opgesmeten. Maar ik láát me niet bedotten.
Ouë Gerrit voelde zich nijdig worden en bang tegelijk. Op zoo’n ontvangst had ie toch heelemaal niet gerekend. Nìjdig, omdat de notaris niet scheen te begrijpen, hoe ’n vreeselijke ernst ’t hier was; en bàng, omdat ie, bij ’t begin al, zoo weinig inschikkelijkheid toonde. Hoe nou den rommel uit te leggen? Hoe nou? Maar notaris stond driftig òp, stapte heen en weer en dreigde luid met z’n zware aristokratenstem:
—Hoor eens Hassel.... ik wéét wat je zeggen wilt, alles!.. Dàt je geen geld hebt om je pacht te betalen, voor de Beek, voor....
—Enne.. veur de hypotheek nie.... enne ’t losgeld nie!
—Wat? schreeuwde de notaris, wàt? dan is ’t spele met vuur, vader!.. Ik krijg nu al vier termijnen, dat màg, màg ik niet langer zoo laten, dat kàn, kàn ik niet langer voorschieten. Hassel! nog tot November hèb je, en vervloekt! is ’t ’r dàn niet, dan gaat je boel onherroepelijk an de paal, onherroepelijk!
Deur kraakte open achter notaris, en bediende kwam vragen of notaris wel wist dat ’r vergadering was, en dat de burgemeester al wachtte. En driftig barstte Beemstra uit:
—Dat heb je nou met àl die kommissies.. wacht! Is de burgemeester in de salon?.. Ja.. donders.. wacht! laat de burgemeester maar hier.... Ja Hassel, dat gààt niet.. ik moèt hier vergaderen.. je moet maar doen of er niemand van de heere is.. bovendien.. zijn ’t allemaal krediteuren van je.. En ik heb.. werkelijk.... weinig tijd. Notaris draaide zich naar de deur..
—Hazoo, komt u in, burgemeester! ik heb hier weer ’n slachtoffer van de bòonestorm bij mij.. ze schieten uit de grond als paddestoelen. Haha! lachte ironisch notaris Beemstra, in glimlach burgervader de hand drukkend en op ’n grooten stoel neerdrukkend.
—Hm! de heeren zijn er nog niet! vroeg strak-zelfbewust burgervader.
Vluchtig gestap in de gang klonk.—’n Deur zwaaide joviaal open en recht op den notaris aan, stapte dokter Troost, zwager Stramme en Dr. Beemstra, zoon van notaris.—
Hij vond ’t wel leuk notaris, dat de heeren er bij waren, voelde zich ook sterker tegen den pummel, die wel eens brutaal uit den hoek kon schieten.—
—Heeren, neemt plaats, hee zeg Henri! ’n bizonder geval, waar ook jullie min of meer bij geïnteresseerd bent.—Hassel hier, slachtoffer van den boonestorm natuurlijk, kan z’n hypotheek wéér niet betalen.—
De heeren lachten kiespijnzurig. Stramme monsterde ouë Gerrit, die nog krommig-onderdanig vóór z’n stoel stond. De kassier wou wel ’n grap zeggen op mooie Guurt, maar ouë Gerrit trok zóó ’n bedrukt gezicht, bleek-beverig, dat ie niet durfde.
—Ga zitten Hassel, joviaalde notaris weer.—
Gerrit schoof op puntje van den stoel, zacht bedeesd alsof ie eieren op de zitting kneuzen zou.—
—Aa’s de haire, aa’s de haire! stotterde ouë Gerrit.
—De heere wille, dat je November met je duiten komt, vader Hassel, anders niet, viel Stramme de kassier in, lachend alsof ie ’n snedigheid gezegd had.—Ik geloof dat de notaris al bij veel te veel zaken is bijgesprongen.. maar niet waar? dan moet ’r ook naar gehandeld worden.
Dr. Troost schudde gewichtig z’n hoofd. Z’n wit vest blankte hel onder z’n zwart jacket uit. Loenschig kippigden z’n oogen op Hassel, en zwaar donderde z’n stem.
—Heb ik ’t je niet gezegd, dat je je worp op de aarbei moest gooie, haha! nou zit je an de grond, knap gedaan! C’est de la blague! mon-cher! nou zit je in je gat geknepen! C’est de la plesenterie! En kom je nou klementie smeken? Als ik notaris was....
Plots zei Beemstra ’m iets in ’t oor, en—Troost lispte ’t over aan Stramme.—Dokter Beemstra praatte gemoedelijk met burgervader. Gegrinnik hinnikte er tusschen de heeren, ingesmoord-leukies, en toen, met wat vertoon van deemoed op z’n gezicht, zich krabbend in ’t grijze haar, begon deftigheidsstem van Beemstra weer:
—Hoor eens Hassel! je bent nu ruim dertig jaar lang rente schuldig van los geld dat ik je welwillend geleend heb... Je bent al je grondbelasting achter uit.. waarvan ik je voorschot gaf; je bent vier termijnen hypotheekrente achter. Drie keer heb je onder groote pressie angezuiverd, anders had ’t zeven geweest! Dan ben je van vier jaar rijzen en hooi achter.. Je hypotheekrente gaat mij in zooverre an, dat de voorschieter mijn zwager Stramme is, en die draagt ’t mij op. Je bent achter, ’n verschil van twee koebeesten, zelfs nog een postje van voor vier jaar! Dan heb je nog vier bunders pacht te betalen.. ’n bunder van aardappelen bij de Beek van voor vier jaar! en ’n tien aggelen bij ’t Duin! En dit jaar, dit jaar! kom je misschien met de helft anzetten! Nee, werkelijk.. Zie, alles staat hier geboekt!.. da gaat niet langer.... Alleen maar met los geld en rente krijg ik al ’n heele som!.. je zult..
—Moàr.. moar stotterde Hassel, midden in, met bang-bleek gezicht achteruitschuivend op z’n stoel.. en drift-kreukelend z’n groen petje.
—Nee, wacht even, aanstonds kun je ’r tegen in brengen wat je wilt, deftigde de notaris, vóór ouë Gerrit staand, rechtop, in requisitoir-houding,—ik zeg maar, dat ik geduld met je gehad heb, en nòg.. nòg.. de heeren zullen straks.. Maar wacht, wat heb je tègen mijn opsomming?
—Nee moar?....
—Wat nou? huspot, schaterde Troost, als ’t toch zoo is, mille de tonnerre! jullie werkvolk bent te beroerd om gekraakt te worde.. Mijn zoon heeft gelijk! haha! dat zwakke goed! dat geen rede van bestaan heeft moet weg! dat zwakke gebroed dient tot niets! Had mijn raad opgevolgd, en mijn grond gekocht, destijds, en nou stik je in schuld....
—Ja kijk, Troost! ik wou eerst met hèm afhandelen?
—Dus je stemt in, spotte Stramme, niet waar?
—Hoe zou ’t ook anders, ’t boek spreekt beter dan wij?.. en zeg mij nu eens, hier onder de heeren kan je vrij uit spreken, zonder dat je je hoeft te geneeren, zeg eens, hoeveel denk je dit jaar te kort te hebben?
—Je.... moàr.... de.. de boonestorm!
—Haha, schaterde Troost.. drie dakpannen zijn van mijn huis gewaaid.. ben ook ’n slachtoffer!.. en twee ruiten kràk door midden, haha!
—Laat die boonestorm nou rusten.... ik heb ’n honderd lui, al zoowat bijgesprongen.. ze uitstel verleend.. maar dat raakt de zaak niet, is zóó erg niet althans... Voet-bij-stuk, dùs?....
—Ja.... moar, de boonestorm, hep main.... hep main d’r puur stroatarm moakt! driftte nu vuurrood van woede, ouë Gerrit uit. Ik had ’r dî jòar t’met net komme kenne! en nou he’k ’n poar duusend gulde skade.. hoho! daa’t is gain snoepduut hee?.. dâ skol d’r gain slok op ’n borrel hee?
Giftig-snel broddelde ie z’n tegenspraak af, op ’n hatelijken toon die den notaris kregelde.
—Best best.. maar!
—Nèe niè bèstig! nie bèstig! ’t Is puur om te griene.. om te griene! aa’s je je heule laife tug fesoenlik weust bin! en dá’ niemoant nie dà op je weut te f’rhoàle.. en aa’s je poert.. en poert! van den ochtut tut den oafud.. en je tolt in je aige van de sorrige.. en je valt dan tug in de lus!.. da set d’r vast gain sooie an de daik hee?.. daa’t is om te griene.. daa’s gain vetje! eenmoal andermoal! dan weê je nie woàr je hain mot! daa’s veertig joar ploeter!.... Nou soekt d’r ’t weer kapsies.. en kwait bi-je! kwait!
Ouë Gerrit’s stem huilde van zelfontroering. En toch was ie woest op de grinnekende heeren, die hem maar in ’n kringetje beloeren bleven.—En die stomme burgemeester zei maar niks, keek maar minachtend op ’m neer. Nou keken de heeren allemaal even sip om z’n uitval. Alleen notaris was er beu van en Dr. Troost bulderde:
—Die er meelij met jullie volk heeft is zelf voor de haaiê.. c’est de la blague! je hebt je waar gehad, dus je moèt betalen.. dat is wet, en wet is recht! mijn zoon zegt terecht.. dat jullie ’n slavenmoraal hebt.. en..
—Kijk eens Hassel, goeiigde weer notaris, ik heb waarachtig geen plezier om voor joù te betalen. Ik sta voor mijn principalen verantwoordelijk.—Er is ’n grens! Jij.... jij begrijpt dat verward.. Jij nièt betalen, en ik wèl betalen. Waar zou dat heen? Er is ’n prachtig aardbeijaar geweest!
—En de boonestorm, de boonestòrm, giftte ouë Gerrit knorrig, dá’ swaig meneer de netoàris moar van.. en heul Wiereland is d’r daas deur!
—Er zijn heele moestuinen omgelegd, vervloekt, schoot hatelijk-bulderend Dr. Troost er tusschen, geen kracht meer in de boonen, je zoudt ze....
—Gelukkig, dat je nog ’n appelje in je broeikast hebt, voor de dorst, lachte Stramme, en mee lachte fijntjes Dr. Beemstra.—
—Kijk Hassel, goeiigde de notaris weer, ’t is mij heusch niet om je val te doen, maar ik moet verantwoord zijn. Als ik nog meer van die klanten had, zou ik zelf op de valreep staan.. kijk nu....
—Moar main fésoèn! màin fesoèn, huilde de Ouë in zelf-opwinding.
—Je fatsoen, dat weten we allen, is onaantastbaar! je hebt je altijd als ’n brave kerel gedragen. Ieder heeft met je te doen. Maar jij bent niet meer wat je was. Je kunt geen toezicht meer houên op je zoons,.. en die zou ik voor al ’t geld van de wereld niet willen hebben, hoe zuinig ik ook op mijn klantjes ben.. en de armsten onder jelui steun!.. Maar dat zijn hassebassen, geen land mee te bezeilen. Als jij niet altijd zoo fatsoenlijk was gebleven, zou ik je ook nooit zóó lang gekrediteerd hebben, maar je was netjes, geen zuiper, beleefd, stil... maar nou wor je oud....
—Moar main fesoèn.. main fesoèn, bibberde mondzenuwend met òpschokkende huilstem ouë Gerrit,—ikke sit hier àl fairtig joar t’met.—
—Best man, maar je moet kunnen betalen.. ik heb je destijds ’n drieduuzend vijfhonderd hypotheek gegeven op je brokje grond... Dat is nou ’n heelen tijd geleden... je grond is er niet slechter op geworden, dat zal ik niet zeggen.. je hebt je rente, altoos moeilijk, maar toch betaald,.. en jij hadt je grond vrij.. Toen heb je bij meneer Stramme ’n tweede hypotheek genomen, nog eens van duizend pop... ’n slecht jaar, leelijke oogst.... tegenvallers hier,.. tegenvallers daar.. twee koeien dood, nou.. nou.. zat je.. zat je an de grond.. en....
—Moar ieders tuinder weut tug wá’ sain boel woardig is hee? hoho! uwes wist wèl wa je déè hee?.. stotterde woedend ouë Gerrit bleekig van drift,—main grond is d’r nou miskien ’t dubbele woardig....
—Soo, nijdigde nù Beemstra stroef, weet iedere tuinder dat, maar weet iedereen dan wàt ik bovendien van joù nog.. te vòrderen heb?.. Nou kerel maak je me boos!.. Nog brutaal op den koop toe. Als jou rommel bij elkaar door de heeren taxateurs op zeven à acht duizend gulden geschat is,.. mag ’t veel zijn. En tel eens òp wat ik van jou.... te.. vorderen heb... met alle onkosten daaraan vast? Wat drommel wou jij nog spreken!
—Moar.. main fesòèn.. gilde Hassel in zenuwopwinding, en stemmestotter, zonder dat hij zich met woorden vèrder door z’n angstdrift heen kòn slaan.—
—Wat jou fatsoèn, bulderde Troost, betàlen dàt is fatsoen! ben jij bedonderd kerel!
—Je fàtsoen, je fatsòen, lachte ironisch Beemstra, wèl, dat is ’n mooi ding, maar betàlen is mòoier! Je bent altijd ’n knappe kerel geweest, daar zal ik niets van zeggen, en ik heb je altijd geholpen, maar nou loopt ’t de spuigaten uit.—Dan zie ik je met die.. dan met die scharrelen.. je loopt te veel naar notarissen man!
—Hoho! daa’s jokkes! barstte ouë Gerrit uit, plots driftig van z’n stoel opveerend, ik heb je nuuwte kukkerint heeldergoar nie sien.... hai waa’s d’r selffers main komme opsoeke!—Noù, nou dâ je ’t weute wil.. ik seg moàr.. daàs ’n kerel.. die help je nie van de wal in de sloot!.. die gaif je nie los geld mi sonder dâ.. dâ je ooit vroagt wort.. hoe of wâ van rinte.. moar aa’s je je effe buite menair de netoaris wâ doen wil.. kraig je de raikening thuis... juustemint! juustemint aa’s tie weut dâ.. je da je.... niks niks hept!.... Nainet menair... soo hew.. hew je d’r al veul van onster slag, stroatarm moàkt.. jai gaif d’r losse.. duutjes.. mit vaif pèrsint.. Moàr soolang.. oploope.. tu je weut.. daa’t kan he? Hoho! soo hew je d’r veul van onster slag f’rmoord... moàr.. die kukkerint.. daa’s ’n fint! die hellept d’r nou... bai de boonestorm.. aa’s ’n engel! Enne wai.. wai kenne d’r van joù nie los.... wai sitte an jou vast aa’s pek! weut jai?... jai hoalt d’r ’t vel of’r onster oore.. hoho! jai frait d’r de noagels van onster flees.. jullie bint bloedsuigers doàr, daa’s màin weut!
De kring stond strak; alle gezichten in wreeden kijk op ouë Gerrit, die plots voelde dat ie te ver was gegaan. Notaris Beemstra keek, kéék; z’n neus trilde, en z’n mond schokte van drift.
—Jij bént kranzinnig man.... Ik zal je maar niet an de letter van je woorden houên, anders zou je... met getuigen hier,.... nog leelijk te vinden zijn. Maar ’t is nou genòeg ook! Eén November gèld.. anders je boel an de paal! Ik had je eerst nog wille helpen, met ’t zoeken naar borgen.. omdat jij altijd ’n fatsoenlijke vent bent geweest,—maar nou ben je door ’t dolle heen.. Eén November gèld, .... of de boel an de paal! nou weet je ’t. Als betaaltermijn van àl de anderen daar is, sta jij er ook, of ’t is met je gedaan.
Notarisstem klonk hard, streng en sterk. Ouë Gerrit had ’m woest gemaakt daareven, door den konkurent erbij te halen, die altijd tegen ’m werd uitgespeeld als „zoo goèd”, zoo „bereidwillig” en „hulpvaardig”. Wat drommel, hij kon ’r ’n beroerte van krijgen van nijd, als ze ’r over begonnen. En nou die lammeling van ’n ouë vent die ’t ’m daar pal in z’n gezicht smeet, waar de heeren bijzaten. Nee, dat was te èrg. Eerst had ie niet zòò stráf willen optreden, nou moèst ’t.—
Ouë Gerrit, zelf geschrikt van z’n eigen heftigen uitval, stond te beven van ontdaanheid, plukte zich in de baard, trok zich aan de lokken, in bange verlegene nerveusheid. Hij wou terugkrabbelen. ’t Viel in één over ’m, zoo voor die strakke, deftig-gekleede heeren staand, wat ’n afstand ’r toch was, tusschen hèm en tusschen al die voorname stille dingen om ’m heen. Inéén voelde ie zich schuldig, zwaar schuldig aan brutaliteit en hij begreep maar niet, dat de notaris ’m niet inéén de deur had uitgetrapt. Zware angst voor z’n val pakte ’m weer beet, onrustte in ’m, bracht heel z’n denken aan den zwabber. Hij voelde wèl dat ze ’n gruwelijken hekel hadden aan zijn zoons; dat zij die op alle manieren konden tegenwerken, dat de heele kliek van de deftigheid, de voorschotman, de dokter, de notaris, de burgemeester, allemaal tegen hèm gingen staan. Dat er geen snars van ’m terecht kwam op die manier, als ie ze later weer broodnoodig kreeg, om gunstjes en flikflooierijtjes.—Nou moest ie zich maar weer verdeemoedigen.
Alteratie zat ’r in z’n zenuwschokkenden mond, angst in z’n krampende handen, die door z’n baard plukten, en krommer bochelde z’n rug, als of ie al meelij wilde opwekken, met z’n licht gebrek.—
Hij vond plots alles heel deftig in de kamer!.. de prachtige gordijnen, de groote schrijftafel, met al die groote kopij-boeken en portefeuilles... de bloemetuin achter, de kleeden.... in de waranda.... Hij rook ’t, snoof ’t, deftig en hoog! Ja, hij most de boel vergoeilijken met meelij, met verkleineering.—Hij most, hij most, want inéén, heel scherp, voelde ie waar ie heenging met z’n spullen? Waar die te bergen, als ie geen woon meer had? En sterker dan ooit begreep ie nou, nòu juist, hoe gehecht ie nog was an z’n brok grond, z’n huisbullen, z’n gereedschap, an z’n naam, en z’n schijn-fatsoen. En de heele kliek van heeren tegen ’m. Zij, de lui van den kerkeraad, van ’t Gemeentebestuur; notaris, de wethouër, de dokter, die schatrijke landbezitter, de voorsten van alles en nog wat. Heel Wiereland toch moest bij hèm terecht. En de kassier en voorschieter!
.. hoho! dâ heule stel nou d’r allain teuge sain.. dá waa’s d’r te veul.. sellefers aa’s de boel an ’t poaltje gong. Dâ most baidraaie sain! In snelle gedachtenwarrel, zwirrelde dat allemaal woordloos en toch klaar door zijn heet brein.
—Hoho! netoaris, most in main ploas stoane.......... Zacht brak ie af... denke.. nou.. denke.. om ’t goed te plooie nie te haastig.... en sachies àn.. Nie te gauw baidroaie.—Voort sprak ie weer..
—Nou he’k.. he’k puur fairtig joàr.. dag.. an dàg main aige stukkie grond had.. poert..! poert.. hoho!.. vier en vaif en nie g’nog.... daa’s gain pap ete!.. Enne.. nou.. nou he’k alletait main rinte betoald enne nou.... komp!.. de boonestorm! enne daar goan je de boel veur d’ waireld! doàr hew je je aige op swait, op ploertert.. dag en nacht! Daa’s je molle mi de klomp hee?.. En nou kraig je gain duut veur àl je deurpoere.... Nou mo’k main stukkie grond of.. d’r of joagt aa’s ’n hond! die d’r schurft hewt! Is dá nie om te griene?..
Notaris weut daa’k alletait main fesoèn houë hew! daa’k nooit nie suipe hew! daa’k persint waa’s woàr ikke most weuse! Enne nou bi’k soo achter op! Nou.. miskien mit twai goeije oogste he’k de boel inhoàlt!.. En nou.. mo’k op main ouë dag.. den bedel op. Daa’s hard netoaris? daa’s hard-stikke ellèndig!.... Netoaris ik smaik ie... kaik wa je doent! mit ’n ouë fint van bai de saifetig die s’n heul laife s’n fesoen houê hewwe!.... uwes weut daa’k ’n ongelukkig waif hew.... de dokter ook, da main t’met arm moàkt hep! Ikke smaikie hep d’r meelai! Aa’s ikke strak-en-an wâ nie bestig sait hew.... f’rgaif ’t main.... main kop is d’r daa’s.... ’t-en-rammelt hier.... hew d’r meelai mee.... ’n kerel.... die dur poert hew.... s’n heule laife langest....
Ouë Gerrit had uitgesproken. Z’n gezichtskreukels jammerden; op z’n tronie groefde hartzeer.—En z’n stem had gekreund, half gesnikt.—
Er was deemoed in z’n bocheligen rugstand, en z’n handen, scheurden en rafelden franje van z’n petje los, kramperig-nerveus.—
’t Heele gezelschap, had bedrukt-ernstig en stil geluisterd, maar Beemstra wou ’r ’n eind aan zien.
—Nou Hassel, ik vergeef je graag je brutale woorden, die ook niet van jou zijn. Je bent opgeruid!—Maar daar schiet de zaak toch niet mee op. Ik kan, heusch, ik mag niet langer.. konsideratie gebruiken... wil ik niet zelf de grond ingeboord worden. Heb je borgen voor ’t tekort?
—Borgen, borge? snikte ouë Gerrit’s stem, vast niet, vast nie.. daa’s daan.. ik hep d’r lest twee had veur de koebeeste.. Moar nou is ’t daan! nou sullie d’r main arremoe-en kenne... mit de boonestorm....
—Dan is ’t blok gevalle Hassel, je begrijpt zelf dat..
—Ik smaik ie netoaris main fesoèn! onderbrak huilbeverig ouë Gerrit, woar mo’k hain?! op main ouë dag.. aa’s de boel onder.. main baine wort weghoalt! Woar mo’k hain? Ikke kèn d’r vast gain werk meer finde! he’k gain kracht veur! Nou, si’k doàr mit ’n daas waif.. en kooters!.. Woar mo’k hain? Ik smaik ie netoaris sien d’r wa je doent? kaik ’t nog rais ’n joàrtje an! Main heule laife is d’r in uwes hand! Aa’s d’r nog ’n goed joar-en-komp!....
—Nee.. néé Hassel, ’t gaat niet, ’t gaat niet! Dat zijn dezelfde praatjes van ’t vorige jaar. Ik kàn, ik mag niet langer! Dat is overrompelen! Dat gaat ’r elk jaar dieper in! Je hebt kinderen, je hebt al met anderen over grond onderhandeld voor hun. Nou, die moeten dan maar voor jou werken en je hebt nog ’n duitje bij de Bekkema’s.
—En ’n meid waarvan ze heel wat leelijks zeggen, bulderde dokter Troost hardvochtig en wreed-gulzig woest, dat hij Guurt niet te pakken kon krijgen.
—Lailiks.. lailiks segge, bitste ouë Gerrit weer, daa’t segge hullie t’met van de heule waireld.. van uwès ook! dokter! van ùwes ook!
Hij driftigde weer, vergetend z’n smeek toon van daareven.
—Kom Beemstra, maak ’r nou maar ’n eind an, hè? zei Stramme van uit de hoogte, bang dat er nog iets tegen hem uitbraakte, waar burgemeester bij zat... Er is vergadering en ’t heeft geen nut langer....
—Zoo is ’t.... ik heb er niets meer bij te voegen. Tot één November Hassel, en gaat ’t dan niet, dan is de boel aan de paal! onherroepelijk! adieu hoor! zie je te helpen!—
Ouë Gerrit was gebluft en nijdig naar de deur gestrompeld, op z’n kousen, zacht, en de bulderstem van Dr. Troost hoorde ie achter zich schaterhoonen:... iets van stroopersras.... gemeen vollekie.. blijft gemeen vollekie!
Z’n klompen schoot ie aan op de mat, en vuisten in z’n jekkerzakken bijeengekrampt van drift, klos-sjokte ie de deur uit.—
Nou voelde ie pas, heel klaar dat ie verloren was voor goed, hij en z’n boel.—Het schrijnde, ziedde in ’m van huilende stikkende woede.—Dat tuig, had ie zich nou maar niet zoo vernederd, en de waarheid blijven zeggen. Want hij wist wel, hoe ze allemaal knoeiden met taxeeren en veilingen, en grond en verbouwing. Hoe ze duizenden en duizenden wonnen met hun spekulatie op pachtertjes; met hun los geld, en voorschot en afrekening en rente. En èven helder, in z’n woede, voelde ie, dat de heele streek door hen vermoord werd, door de slokops van grond en geld. Zij waren gedekt, ook bij hém.... Wat zoo lief helpen leek, werd dubbel en dwars door hun zelf betaald. En al armer werden zij, al meer konden zich ophangen. Dat reed dwars door hùn land, meneer de notaris in eige span, mèt z’n kinderen, aldegoar geleerden.... En raik, raik, stinkraik hoho! en noakend in de ploas komme!.. Nou,.. al kon die dan nie laise en nie skraife.... da vatte ie tug.. daa’t stele waa’s. Nou waa’s hai d’r d’r uut, veur goed, omdàt tie de fint beleedigd had! Tug stom van sain... Enn... veur wâ gong die nou nie in hande van de aere netoaris? Hoho! waa’s aldegoar te loat! Veuls te loat!......
Nooit had ie gedacht zoo moeilijk van z’n boel te kunnen scheiden. Nou ging ie ’n wintertje tegemoet! zou d’r ’n jaartje worden.
En de heele boel, nou zoomaar, onder z’n klompen weg! weg! voor goed!
In onrustigen peins strompelde ie door de straatjes naar huis, niemand groetend, niemand ziend. Er spande hevige angst in ’m, voor dingen die gebeuren gingen. Maar toch, heel diep in z’n kop, brandde ’n satanisch-lekker gedachtetje, dat ie ìets overhield, dat ’m geen sterveling kon afnemen.. Z’n spullen.. z’n prachtspullen.—
Met hem was ’t nou toch gedaan, finaal!
Toch kon ie stikken van woede, dat ze’m z’n naam, z’n fatsoen te grabbel gooiden; dat zijn boel aan de paal ging, al begrepen ze dat de boonenstorm ’t gelapt had. Nou kon ie zelf genadebrood vreten, straatarm en z’n broer ’r van lollen dat hìj gekelderd was. Nou zou ie rondkijken naar ’n huisje.... met ’n brokje kelder, voor hèm.... Eerst de spulle... had ie s’n heule laife lang doalik veur sorgt.... z’n spulle.... En dan.. moar goan.. soo ’t wil!—
VIERDE BOEK
HERFST.
TIENDE HOOFDSTUK.
—Wil Wimpie d’r nog effetjes af? goeiigde Ant naar trieste bedje van ’t kereltje.
—Joa moe.... heul groag.... effetjes moar!
—Och vrouw Seune, wou je main effetjes ’n handje hellepe? kaik!.... Nou pak ikke d’r sain an ’t hoofie hee?.. enne nou jai d’r an ’t linkerbaintje! sien je?—Kees naimt sain alletait in één setje.... Moar da durrif ikke nie! vast nie.... Soo!.. joà juustig.. Heb je sain nou vast vrouw Seune?.. soo!.. mooi! joa fintje! kaik d’r moar nie soo bang.... Nou ikke.. onder.... sain.... nekje! Soo liefeling?
Zachtjes droegen ze Wimpie bij ’t hooge raam in ’t goud-fijne zevende licht van laat-Septemberdag.
Z’n oortjes trechterden steenbleek, wijd van z’n hoofd, en z’n weggevreten beenig, ontvleesd kopje, doodshoofde grauw-groen in den zonnigen buitenglans.
Paars geader takte langs z’n ingeholde apige slaapjes, en hol-onkenbaar z’n groote groen-blauwe oogen staarden uit de ziektewallen boven z’n vermagerden neus.
—Mo je nou nog rais loope, main mannetje?
—Joa moe.. heul groag!.... aa’s ’t kàn, bedeesde zacht en hijgend z’n doodziek stemmetje.... kaik!.. nou glai.... ikke.... d’rof.... paa’s d’r op! Soo goed! Vrouw Seune paa’s d’r op! main dai! soo! ’n endje op sai! Nou.. mot u main.. ef.. effe.... teuge de.. toafel.. rand.. loate anleune?—
Zwaarder hijgde z’n borstje van vermoeienis. Stervend verklonk z’n stemmetje, en heel zoetjes was ie van Ants schoot gezakt. Z’n vuil ponnetje kabaaide flodderig om z’n stakkerige beentjes, en z’n vergeelde geraamtehandjes, zwakkelijk-paars doorpeesd, grepen in angstigen span den tafelrand. Hij waggelde op z’n doorgezakte knietjes, en z’n lijfje duizelde zachtjes. Even sloot ie z’n oogen, waar de leeden, aderfijn en porcelijn-teer doortakt overheen kapten, stil, doodziek, broos. Vrouw Zeune was links gaan staan, klaar om hem op te vangen, als ie viel; en Ant, angstig kromde achter hem d’r magere armen, zonder dat ze ’t Wimpie merken liet. Zoo stond ’t mannetje èven als veraapt geraamtetje in ’t herfstlicht, dat helder invrat op z’n doodskopje, groèf in de zwarte holheid van z’n oogwallen, en de zieke oudemannetjesrimpels op z’n beenderige slapen, neus en mond, smartelijk omscherpte. Foetus-groot en karikaturig zwalkte z’n hoofd op slap spierloos nekje, en kroppig zwoegde z’n uitpuntend strotje angstig naar adem. Om z’n bloote halsje hing z’n rozenkrans, waarvan de glorie-zij-den-Vader’s zilverig blinkerden in ’t wasemgouden licht.
—Oarem skoap! t’met ’n dooskop! ’t is sonde! verzuchtte onbarmhartig vrouw Zeune ontsteld. Wimpie lachte, fijntjes, wijs-smartelijk, met stille ontroering in ’m, over de plompe uitroep van buurvrouw. Hij kende die gezegdes, en voelde ze rustiger dan ’t valsche gepraat over z’n goèd uitzien, woordjes om ’m alleen maar moed te geven.—
Sterker trilden z’n beentjes, en achter ’m de krampende mager-uitvingerende handen en armenhoepel van z’n moeder.—
—Hou je je aige nog liefeling?
—Ka.. aik moe! hijgde z’n borstje.... nou.. wou.. ik.. ikke.. van dà.... noà.... dà.... ah!.... hoekkie!.... dan.... ke’k.... teu.... ge.... foa.. der.. seg..ghe! daa’.... ’k.. f’e.... doag.... weer.... lo.... ooope.... he ..ep! .... dan.... is.... tie.... blai....
Vrouw Zeune rilde. Maar Ant keek norsch. Want ze haatte Kees erger dan ooit, nou ie, na haar miskraam, gejuicht had over ’t dooie kind dat gekomen was. Dat leek zoo zondig, zoo gemeen! Zij wist wel, dat ’t van haar val was, dien avond op ’t land, toen ze stil, zonder hulp, zich aan ’t boompje had willen ophalen, en terugsmakte....
Nou kon ze ’m vloeken, ook omdat ze zag, hoe hij Wimpie behekste, en ’m al maar dingen liet zeggen, die ’t schaap niet eens wílde zeggen.
Wimpie hield zich kramp-stijf vast aan den tafelrand, de vingertopjes bloedloos bleek uitgedrukt van ’t angstige persen. En vreemd nu schoof ie voort, langs den tafelrand, telkens in ’n strompelig half-draaitje van z’n vermolmd karkasje, één hieltje dwars tegen de wreef ingehaakt.
Vrouw Zeune keek bang, maar Wimpies vrome oogen straalden van pret, dat ie ’t met de strompelend halve draaitjes van z’n bevende hieltjes, zoovèr nog gebracht had. Aan ’t eind van z’n hoekje, klamde noodzweet op z’n aderverzwollen doodskopje, zwijmden plots z’n oogappels wèg in ’t geel-zieke wit, dat Ant ’r van schrok en ’m oppakte. Vrouw Zeune schoot ook toe in schrik, raakte z’n rechterdijtje. ’n Scheur-gil, weenend en hevig smartelijk martelde uit z’n mager kropje, en z’n bleeke gezicht kermde in ’t cellige raamlicht.—
—Hailige moagd! je hep sain stootte, schreide Ant ontzet, lei ’m zachtjes tegen ’r borst aan.—Vrouw Zeune stond verblokt van dollen schrik. En uit ’t diepe halfduister van de lage, van valeriaan doorzogen kamer, tastte armkrommig uit kleine erfdeurtje, vrouw Rams, en scherp snerpte ’r doordringende stem naar Ant wat er gaande was.
—Niks moeder.... hai stoan d’r alleweer bai!
Vrouw Rams, schuifelend, schoot uit de donkerte voor ’t vallicht van ’t raam, dat ’r paarse rok eerst in verborgen kleur duisterend, nu òpgroeide in de kamer. Haar vossensnuit spitste bitsig, en d’r schaduwen-staar lag omfloerst van onrustige stilte als bij blinden, die luisteren met oògen. Haar handen tastten krommig weer vooruit, en ’r lijf schuifelde naar vrouw Zeune.
—Nou mot ie ’t f’doag mit moagere moaltje doen, scherpte ze.... ’t onsie flees van Hummer op de hoek....
—Hoe he’k ’t nou? mot ’n sieke nou ook de fraidoàg houê? barstte vrouw Zeune mannig-woest uit.
—Da wil die sellefers buurfrouw! Weus jai d’r knap en kraig jai d’r fraidoag ’n stukkie flees in! Daa’s puur ’n hailige mi die jonge! De koapeloan stoan d’r sellefers veur! Die is d’r tug soo ellendig-mooi op s’n geloof hee?....
Ze straalde Ant dat ze ’t zoo zeggen kon, dwars tegen Kees in, en vrouw Zeune verbromde wat onverstaanbare ruwe dingen om Wimpie niet te krenken.—
Bij de donk’re schouw, in scheemrig goudzachtgen glans van raamlichtafschijn, zat grootvader Rams te pruimen en te spuwen, alsof ie nooit nog was opgezeten. Tusschen ’t gesprek verrochelde ie z’n slijmhoest, telkens scheurender en heviger. Eindelijk wrevelde vrouw Zeune er weer uit:
—Nou, moar.... ikke sou ’t sain tòg d’r instoppe.... ’t Is tòg moar ’n hufter! die jonge mot d’r fraite.... die malle froome kuure.... ken die s’n moag nie mee sette.... gekkighaid is gekkighaid!
Ouë Rams verrochelde z’n hoest zoo hevig, dat Ant vrouw Zeune niet meer verstond, ’t Bleek-starende kopje van Wimpie lag te sidderen tegen ’r borst, onder de brullende slijmige hoest-scheuren van z’n grootvader, die naar lucht snakte in krampigen longenhijg, dat ie schokte op z’n stoel, z’n beenen opspartelden, en z’n gele tronie wegzonk tusschen de schouders. Uit de donk’re lage kamer verklonk ’t onder de schouw als rochelend geschrei, plots afgebroken door slijmgeslik, dat stikte in z’n strot.
—Spoeg tog uit foader! spoeg tog uit! Je stikt d’r t’met op je ploas, angstigde Ant. Maar Ouë Rams, één beefhand in angstklem vastgegrepen aan schouwrand, barstte liever in reutel, dan z’n long er uit te braken, zooals ie in stomme hardnekkigheid bleef denken.
Z’n gele kop, even belicht in den valen goudschijn van ’t celraam, stond blauwigzwart gewurgd van benauwing, en z’n keelkrop sidderde boven z’n koperen knoopen, als werd ie op en neer gerukt. Wimpie wou maar weer naar bed, voelde zich doodop van z’n loopje. Hij had Kees willen verrassen. Want elken dag zag ie z’n vader treuriger erbij loopen, stiller, en plots soms in dolle drift tegen z’n moeder uitrazen als ze’m sarde en vloekte om z’n ketterijen, ze vóór z’n gezicht uittelde, hoe ’t nest weer tegen den herfst te hongeren zou krijgen.
Van den boonenstorm had Wimpie gehoord; z’n vader was er werkeloos door gemaakt. Want na ’t overeindzetten ’n paar dagen, bij die en bij die, bleek de pluk voor los werk te klein. En uit den stommen angstigen kijk van z’n vader naar zijn gezicht, had Wimpie heel diep gevoeld, dat ’t wel gauw met hèm gedaan moest zijn. Hij moest doòd! Wat dat sterven nou eigenlijk was, daar begreep ie niet veel van.—Lezen had ie nooit geleerd. Z’n moeder was ’r ’n paar maal mee begonnen, heel in ’t begin van z’n ziekte, aan z’n bedje. Maar ’t lukte niet. Gebeden had ze’m ingestampt, ’n brok hier en daar uit den katechismus, en die zei ie maar altijd in-zich-zelf òp. Ze hadden ’m gezeid, moeder en de kapelaan, op z’n vraag, waar ie heen ging, als ie dood was, dat ie in den geluksstaat zou komen. Op dàt idee bedacht ie allerlei vreemde dingen, heerlijke kinder-zaligheidjes. Maar toch had hij soms hevigen angst voor ’t sterven, omdat ie niet altijd zeker voelde, of ie daarna z’n vader en moeder en z’n zusjes, al z’n zusjes, die ie zoo stil lief had, wel dadelijk zou zien. Den laatsten tijd zelfs schreide ie veel meer in z’n ledekantje dan vroeger, omdat ie zich zoo uitgeput voelde, niet meer in staat was, nu en dan op te zitten. En dàt juist wou ie zoo graag, want hij had gezien, hoe dol veel plezier ’t z’n vader deed; en hoe ruwer, angstiger Kees raasde, als ie weer achteruitgegaan was.
Dagen en nachten vooral, zoo turend in ’t donker, slapeloos en peinsklaar, liet ie zich omstreelen van z’n teed’re, diepe kinderverbeelding over den geluksstaat. Tusschen gebedjes in, prevelde z’n fantazie: dat ie zou zitten in ’n krans van gouden engeltjes, allemaal mooie menschjes, met stille zacht-trillende vleugeltjes, waarop heel zacht licht neerzilverde; dat ie met hen zou bidden voor z’n vader, moeder en zusjes. Dat z’n vader niet meer zoo gruwelijk driftig zou worden, niet meer zulke rooie oogen zou krijgen, die ’m beangstigden; en dat ie niet meer z’n moeder zou slaan.
Maar als ze ’m dan later weer in ’n onbezonnen ontsteltenis, vlak in z’n gezicht zeiden, hoe vreeselijk mager en slecht ie uitzag, dan grepen z’n ontvleesde vingertjes naar ’t rozenkransje op z’n borst, bad ie snikkend nog wat te kunnen blijven leven, aan God en Jezus en alle heiligen, om z’n vader te zien, z’n moeder, z’n zusjes, z’n grootvader.—’n Poosje later weer vond ie dat toch zondige gedachten, bad ie om toch maar liever in de eeuwige gelukzaligheid te komen, liever dan zooveel pijn te hebben; bleef ie bidden en zingen tusschen ’t gerochel van Ouë Rams, vloek en raas van Ant en z’n vader, armoe-gewurm en krijsch om wat centen, tusschen gezwijn, gemors en vervuiling der stinkende kinders in ’t donk’re krot.
Dieper ingedoken, in z’n bedje bekeek ie stilletjes z’n pralende plaatjes; zag ie den Heer op ’n hoogen troon, aan een kant Gods Zoon, aan anderen kant Moeder Maria, omstraald van blauw, goud en jubeling van zilver en licht. Dan zong er in z’n doodskopje ’n woordlooze melodie van zielsverrukking en rustig stervensgeluk. Nou zag ie zich al opstijgen midden in die azuren wereld van gouden fonkelstarren, en blauw, eeuwig blauw, midden in die kleurwemelende pracht, heel hoog in den Hemel, waar alles jubelde ter eere Gods.
Het was alles heel vaag en heel vreemd voor ’m, maar toch lichtend en glanzend in z’n kinder-verbeelding.—Z’n gepeinzen over God den Heere, Jezus, en den Heiligen Geest overdauwden met wond’ren stillen luister z’n kindergeluk van ’t sterven. In z’n donker hoekje, waar z’n ledekant rammelde, en z’n zandzakken aan de beenen sadderden, glansde en regende ’t voor zijn zielsverrukte oogjes, warmgoud licht. Z’n mystieke geloofsgloed, omweefde ’m van z’n lichtend binnen uit; hij voelde zich stijgen in ’t goudgestard azuur, en handwuiven deed ie naar z’n vader, z’n moeder en zusjes. En hooger, hooger zweefde ie òp, door engeltjes gestuwd in een trillende sfeer van dampend goud, omwolkend z’n handen, z’n oogen, z’n beentjes in wond’ren nevel; hooger, al hooger in ’t wemelende azuur; verstèrvend van de aarde, maar òplevend naar den Heere.
In z’n mystiek-naïef en teeder breintje zwierf hij daar rond, in zielsverrukking, in vromen luister, en niets dan zag ie meer van ’t kamerke, en z’n duister hoekje. —Met eindelooze teederheid was ie weggezweefd, alles kussend en handbewuivend, met innigste zachtmoedigheid vroomde z’n verrukking door, uren op uren. —
’n Poos later, uit z’n eenzame extase en hallucinaties gestooten, door krijschende hurrie en gekijf van grootmoeder en Ant om Kees, overrompelde z’n gewoon kindernatuurtje z’n eigen droomselen; brak ie met ’n smak van onthutsing door ’t kristalweb van z’n nevelige illuzietjes heen.—Toch voelde hij niet dat ie uit teemrige woorden van kapelaan en zoete beloftetjes van Ant over eeuwige gelukzaligheid, die heilige droompjes om z’n ziek karkasje geweven had als ’n broos web van geluk, want z’n kindergeloof was ècht, stond in ’n aureolend gesternte van ongeschondenen teed’ren goudstillen luister.—Maar wel begreep ie toch ook ’n jongen te zijn. Dan wou ie lèven, spelen, stoeien, spitten in den tuin, en werken als z’n vader, als de jongens in de buurt. Soms wou ie mee op strooptocht en schreide ie stelpeloos en wreed-lang dat ie ziek was, groeide, maar metéén verzwakte in bed. Nou lag ie weer door Ant in z’n hoekje gedragen, vèr nu van ’t herfstraam waar ’n roode zon dampig om heen tooverde. Kees had ’n hoogtetje gemaakt van planken onder z’n bed, dat ie boven den postrand uit kon zien, als ie voor ’t raam lag, net in de goudbruine kastanjelaan van Jonkheer van Ouwenaar’s landgoed. Maar Ant wou ’t niet hebben, had den dood voor tocht, duwde ’m liever in z’n duister hoekje terug.
Nou lag ie weer in ’t donkre kamerdiep te staren, bepeinsde ie wat ’t toch eigenlijk was dat z’n vader zoo woedend deed worden, als ie hen bidden zag, en wat Kees dan wel dacht in dien tijd, en of ie dan toch niet bad in zich zelf. Hij durfde niet goed, maar toch wou ie ’t z’n vader toch eens pardoes vragen. Z’n moeder schimpte wel dat z’n vader ’n goddelooze ketter was, maar daar begreep ie niks van. En telkens in stilte bad hij dan voor z’n vader aan den Heere, dat Hij ’m geen kwaad zou doen.—En vromer doopte ie z’n vingers in ’t wijwaterbakje dat ze ’m voorhielden, verprevelde ie z’n: In noam des Voaders, des Soons, en des Hailigen Geestes.. Oàmen!
Vrouw Zeune was wèg. Ant morste en ploeterde op ’t achterend. De kinderen speelden op ’t pad en Dien ging weer uit venten. Z’n grootmoeder schuifelde heen en weer. Diè kon ’t manneke nog niet zetten. Hoe zwakker, ellendiger ie zich voelde, hoe meer afschuw hij van ’r kreeg. Nou lag ie te turen op ’t kruis, dat z’n moeder bij ’t onweer gisterenavond dwars voor z’n bedje op den steenen vloer getrokken had. En telkens schoot hem ’n schietgebedje in: Geloof den Heere.. Ieder keer zag ie de logge voeten van z’n grootmoeder en overheen schuiven, huiverde ie van afschuw en schreide lang en stil van bange smart.
Ouë Rams rochelde en stikte weer half in hoestbuien, dat ie soms z’n geel gezicht zag opschimmen, bijzij in ’t schuwe raamlicht, en de holle doodsnood-oogen kijken, den strot hoorde slikken ’t slijm.—Dan draaide ie zich met z’n mond naar den muur, en wachtte ie z’n vader maar òp met stillen juich dat dìe zou hooren van z’n wandelingetje langs de tafelhoeken, al kon ie niet spreken van hevige dijpijn en smartelijke afgematheid.
ELFDE HOOFDSTUK.
Laat September glanslichtte over de akkers van Wiereland. Pluk van snijboonen ging nog rond. Wat er opgehaald kon worden na den verwoestenden boonenstorm was in den nazomerenden herfst mooi in vrucht gezet.
Achter en om de akkers van ouë Gerrit stonden de dahlia’s in bloei en als liktongende vlammen over ’t vergoudend groen gloeiden de hel-roode gladiolen in den alom wonderenden herfstbrand; braamvuur van nooit blakerende kleuren, legendarisch verwevend de stilte en ’t licht, herfstig goud-rood en goudbruin, doorgloeid van hemelpracht, hoog en stil bloemend en vonkend onder de zilverende luchten.
Over de verkwijnende gewassen speelden vochtglanzen en zwammige rottigheid, en elken dag werd de rooi op bollenakkers drukker, rondom de stervende tuinderijteelt.
Ouë Gerrit treuzelde door z’n akkers op de Beek, waar de kerels nog aan ’t plukken waren. ’t Kon ’m niks meer schelen. Nog één maand, en hij was d’r voor goed hier wèg, en op z’n eigen land ook gebonjourd. Daar kon ie nou kalmpjes over praten, in zich-zelf, omdat ie ’r mee verzoend was. De heeren zou ie óók niet meer nijdig maken, want dan zouden ze ’m misschien bij de Bekkema’s nog laten ophoepelen; had ie die paar centjes ook niet meer.—
Vóór ’m bloeiden tusschen rooigrond, witte, gele en hel-roode gladiolen in de blauw-floersige fijn-zoete herfstlucht, als fiere hanekammen overeind vlammend. En vlak àchter z’n akker, fleurde ’n heerlijk akkertje stokdahlia’s, tintelend dooreenbloeiend in ’t zachte zonnevuur, als ’n brandende dans van schitterlichte lampjes, kleurige vlammetjes verspelend.—Bij brokken lagen de Wierelandsche herfstakkers vol van dahlia’s en gladiolen, herfstkoloriet van ’t land, doordampt van fijn schitterend en zacht-innig glanslicht, zilvering rondspuiend onder ’t laan-lommer, wonder-intiem.—
Toch kon ie chagrijnen ouë Gerrit, want dat lapje dahlia’s àchter ’m, was van zijn gelukkigen broer, dien rijken schurk, veeboer en tuinder, paardenhandelaar en mestverkooper, die maar heel weinig schade had ondervonden met den boonenstorm, voor hèm genadeloos. Naast ’m schreeuwde Willem Hassel tusschen de dahlia’s inhurkend naar Klaas Koome op ’t pad.
—Net aa’s ik je f’rkondig.... nou stong ikke tog gister bai main koole.... in ’t duin... en f’rek! komp d’r p’rdoes ’n skot deur main veurhoag haine!
—Haha! gierde Hazewind wreed-uitgrinnikend, op dá’ terain.... mo je uitkaike met de jachtbeweging hee?
—Nou.... wacht d’r is.. ka je merke wá’ hullie krankjorum binne! ikke skraiw d’r haine! jullie sel d’r tog wel waiser weuse.. main op main aigeste grond ’n bom in de hiele te skiete hee? mit die f’rvloekte jacht skiete de haire moar roak! enne aa’s sullie de boel loate opdraife is d’r vast gain houwe àn!
—Op dà terrain mo je de paa’s merkeere hee? Ikke had gister wel in de snuifer.. ’t Stonk dur bai jou in de buurt.... ikke docht wel... kaik da oufe bier werreke... en ’n reukbeweging.... nou ikke konsteteer van daa’t èstera noar enaisolie lucht hep! Die oliebeweging.... mi oostewind.... daas ’n oufe kennes hee?.... da luchie is dur soo blikskoaters sterk; da goan nie op de reutel! Vroàg Kees de Strooper.... die hep d’r ’n snuif van op dà terain!.... enne je kraigt d’r soo prêchtig de langoore op àf.. dá’ likke de haire aa’s koek!... Enne...
—Nou joa, onderbrak Willem, woelend in de kleur-brandende dahlia’s, ik lief da nie... snof’rjenne.. selle je mi hullie jacht de baine onder je laif f’rskiete... Enne aa’s hun op tuine van wá’ skorum wille joage... loa hullie dan uit d’r lampies kaike.. je hoort dur overal van da hùn moar roak skiet!
Ouë Gerrit hoorde Willem klagen, grinnikte dat ze ’m t’met in z’n hiel hadden geschoten.. Hij haatte dat tuig, dat maar ’n beetje had van den boonenstorm, nou weer konkelde met z’n zoons, maar ze ’t licht in de oogen niet gunde.—
.. Hoho.... dá’ sel d’r lol van hewwe.. aa’s hoort wort dá’ s’n huis, s’n grond an de poal komp! hoho!
Iederen dag dichter naar z’n openlijken val voelde Ouë Gerrit zich gejaagder. De bollen overal lagen open en bloot. Manden goudgebronsde en koper-bruine bolletjes gingen ’m voorbij, op schouders van kerels en helpertjes.—Hij kòn grijpen, maar ’t was nog te druk op ’t land. Meèr in October zou ’t gaan. Maar wat had ie eigenlijk aan bòllen. De greep, de greèp, dat was de eeuwige zaligheid, en ’t bewaren, ’t zien.
Z’n jongens waren aan ’t inplanten; wat savooitjes bepoeren, wat aarbeibedden wieden en hagen knippen.—De paar duitjes van z’n bolletjes kòn ie bewaren voor zich-zelf...
De jongens werkten onder helschen wrevel. Ze hadden de terugkomst van den Ouë afgewacht en gehoord wat notaris wilde.—’t Kon ze niet meer schelen waar ze naar toe hokten, als ze over wat weken toch van hun stuk grond getrapt wieren.
In hun nijd-drift beschuldigden zij Ouë Gerrit dat ie de centen van aardbeien en groentenopbrengst verhanseld had; dat ie loog, ’t met meiden hield. Maar ouë Gerrit haalde loom-sarrend de schouders op òm hun praatjes en klomp-klepperde den tuin af.
Dirk was nog stugger en stiller geworden. Alleen Piet deed soms of hem de heele mikmak weinig meer schelen kòn. Onder ’t rijzen-opknoppen galmde ie kermiszang uit, vergetend z’n wrevel. Zag hij weer ’t zure gezicht van Dirk, dan vloekte hij mee op den Ouë, op den notaris en de heele deftige rotzooi.
Elken dag liep ouë Gerrit gejaagder rond, nadat ie ’s morgens van z’n „plaatsje” afkwam, waar z’n tuinwerk weer druk begon. ’t Prettigst nog voelde ie zich als ie wat dèed; als ie de bak-boompjes wegreed in de winterkasten, de gevallen bladeren opkruide, z’n gewas snoeide en intusschen z’n kopje leut weer dronk bij den fotograaf, die, meende ie, den laatsten tijd weer veel vrindelijker tegen hem geworden was.—Geen wonder ook! Alle Wierelanders hadden gehoord van zijn vreeselijke boonenverwoesting, en dat hij, met nog ’n sestig sjofele pachters, den hevigsten knauw had gekregen. Als ’n vuurtje was ’t rondgesinteld dat ouë Gerrit’s boel met November aan den paal zou komen. Blommepot op de valreep! Er werd gezucht, gevloekt, gescholden tegen den notaris, maar zooveel groenboeren waren bij den boonenstorm verarmd dat ’t geval van ouë Gerrit, wèl meelij, geen steùn vond. Er werd verkonkeld dat er nog wel twintig verkoopingen zouden zijn, al scheen de notaris te helpen, uitstel te geven, behalve bij Ouë Gerrit.
En plots had Hassel bemerkt dat de fotograaf vriendelijk tegen ’m geworden was.—Hij kreeg weer z’n vertrouwen.—
Dat vond ie heel prettig omdat ’t ’n rijke vent leek.—En ’t juichte weer in ’m, dat de fotograaf z’n rommel open liet staan, en hij nou z’n slag moèst slaan, met die prachtige groote lens, die ’r tegen de groote kast stond, waarin al die glibberige komieke plaatjes en omgekeerde poppetjes.... naifgetiefers.—geloofde ie, zwommen.—.... Hoho.... die lens.... die hai sain d’r es had sien loate.. en die hai wel vaif moal langerst moakte... uitdroaie... nog rais uitdroaie en weer uitdroaie hew.. dat ie dur in ’n skater van waas skote! Hoho.... prêchtig aas da weust waa’s... mit al die kop’re skroefies! ’n fain stuk werk! fain werk! ’t waa’s dur puur om daas te worde aas tie dà stuk, da prechtwerk nie nog vatte sou.... Soo lang op loerd.... En dan nog.. aa’s ’t donkere hokkie opestong t’met de loodpot! de loodpot! Die waas d’r nou van paa’s, mit sain arremoe op haide! ’t Stong in ’t donkere koamertje sel die moar segge.... bofe op ’n plankie.... had ie alletaid sain kissie sien.... most sain ’n vrachie weuse alevel!... allejesis! Veur die eene kair most d’r moar bai....
Nou waa’s die tug ’n dief hee? Nou joa! dà geld.... die eene kair! moakt niks! kan sain tug soo veul nie-en-skaile aas die lens! dà prêchtige stuk!
Had ie nie sait dá tie driehonderd pop kost had? Snof’rjenne! da waas d’r ’n brok aite!.... aa’s tie da moar pikte.... dà moar.. ’n kolfie noà s’n hand!
S’n boel waa’s tie tug kwait.... Nou had ie allainig sain genot, veur sain.... heuldegoar veur sáin!..............
’s Middags stond ie weer op de Beek. Dirk plukte snijboonen, hurkte in armen- en beenenbeef van inspanning, en Piet achter, op den grond, zat te sorteeren, groepte de kromme en kleintjes met slingerige worpjes handig in den halfmuds zak.—
—Nog moar ’n skroal ressie Dirk! strak-en-an stap ikke ’n de andaifie! Dirk bromde wat, plukte voort, stom in werkroes.
—Kerel, waa’k van waik ’n lol had mit de harddroaferai! ik hep d’r puur ses pop wonne.... heb d’r perdoes op Peloone wed! woar heb jai d’r hoànge?...... Willem waa’s d’r mit Geert en Annie! sai hebbe ook wed!
—Mi Geert! Geert, schorde Dirk, en Wierelandsch zangerig vermijmerde ie stiller.. mi Gairt.... Gairt! die paik! Heb se sàin nou wair vasthoakt!—
Den volgenden morgen hielp ouë Gerrit wat andijvie snijden.
—F’rdomd, nog mooie struik! aa’s ikke nog marktte gong, kraig ik t’met nog twee sint, zei Piet gulzig, naast ’m hurkend, de andijvie die al pijp geschoten had prepareerend.
—Je mot d’r moar plukke.. raip en onraip.. hoho! van appel en pair; bromde ouë Gerrit verbitterd; over ’n poar weekies sain wai d’raf.. sette hullie de kat an ’t spek.. eenmoal andermoal!
—Daa’s net! je hep d’r nog wa boerekool, spruitjes, roape.. en je vruchte.. Ouë Gerrit luisterde niet meer naar Piet. Hij sneed maar teenen van de andijvie, woelde de gele harten open, heelemaal weg in z’n steelgenot-denking.
Hij had ’r weer beet had...., ’n prechtrij bolletjes, ’n nieuwe skoffel, ’n nieuwe spa, ’n plantroàm, roodgeverfd, en ’n prêchtig rooiertje.. ’t Juichte weer in ’m dat alles zoo makkelijk gegaan was. Met ’n paar grepen! Nou lag ’t rustigjes bij z’n spullen. Hij was ’r weer pas geweest, ’n halve nacht. Wèl vloekte ie op muizen die ’r an knabbelden. En ’t schimmelde zoo erg! Dan had ie zich weer in zweet te poetsen. Moar wat ’m ’t gejaagdst maakte was ’t overbrengen van z’n boel. Daar had ie nog geen gat voor gevonden. Dat moest alles heel stiekem, heel stiekem. Op de Duulweg had ie ’n klein huisje gehuurd. Guurt was wel woedend geweest, om z’n val, maar ze zweeg toch, omdat ’r kansen van trouwen met ’r heertje toch heel goed stonden. Ze was zoo mooi en zoo fatsoenlijk! nou dacht ze heel gauw uit ’t nest te springen.—Zij had ’t heertje alles gezegd van Gerrit’s achteruitgang, maar hij deed of ’t ’m niet deerde. Dat voelde ouë Gerrit ook, en nou kreeg ie geen buien, geen uitbarstingen van Guurt meer. En al maar draaide z’n denken terug op z’n spullen; op ’t krotje daar op den Duulweg, één kamer met ’n achterend; donker, klein, maar er was ’n brok kelder, waar hij voor zorgen zou. Guurt, al smeriger in ’t huishouen, zou d’r vast nooit heenzeilen en z’n wijf van zelf niet. Nou was z’n plaatsje al verzekerd, maar ’t overbrengen!
.... Hoho.... da waa’s d’r ’n lailijk kattebakkie! soàfes!.. soafes! Dá most nie eèn d’r sien! Sel wel lukke.. wa had die bai de partretairder ’n fain sigarebakkie gapt.. En niks dâ de fint morke hew!.. want.. hai blaift moar frindelik.. nou waa’s ie d’r wair allainig; liep ie in en uit, sonder da de man ’n stom woord sai.—Hij liet d’r soo moar aige spulle ope.. God kristus wa dâ f’rsoeking weust.. Allainig ’t donkere kamertje, da stong d’r alevel op slot... Gistre had ie ’n sakkie stole!.. mi aldegoar kogels en spuitjes d’r in.. Hij wist d’r sellefers nie waa’t waas.—En dan ’n heul dik boek.. mit aldegoar gesichte op Wiereland.. en goudsnaisel op de rànde... prechtig! Moar nou die lens! die lens! Die mòst ie hewwe, juistig omdâ ’t niet en-kon! die most ie hewwe! Aa’s tie sain had. Da waa’s d’r nie soo veul moeite an sain binne de mikke te brenge, aa’s mi da mooie boek!.. Dà waa’s d’r ’n hallefe middag loere-en-weust, om dà plekkie, al dichterst bai de kelder.
II.
Tegen elf uur klomp-kloste ouë Gerrit uit den voortuin van Bekkema, naar de overzij, bij den fotograaf. Op z’n kousen poes-zacht sloop ie in. Er was niemand in ’t tooneelig hel-lichtende ateliertje.—Maar de deur kraakte achter ouë Gerrit, en uit de diepte van ’t donker kamertje baste de stem van den fotograaf:
—Bi jij ’t Hassel?
—Om uwes te diene mehair!
—Mooi, je bakkie staat al klaar, bij de deur.... ik ben ’r met ’n paar minute klaar, nog twee plaatjes ontwikkele....
—Goan d’r uwes gangetje! en hoàs je nie! teemde ouë Gerrit, met z’n gezicht naar ’t donker kamertje gedraaid, waar de stem uitbaste.—
Stil sloop ie naar z’n bakkie koffie, dat ie gulzig vastgreep in z’n vuilgroen bevlekten knuist, en staand-slurpend, gluurde ie rond in oogenschitter, met zalig gevoel alleen te zijn in zoo’n heerlijken rommel, waar alles maar voor ’t grijpen lag. Hij slurpte, slurpte z’n bakkie leeg, zònder te proeven. Van ’t donkere kamerke uit, doften geruchten, geschuif van glas tegen metaal en plassende geluidjes kwabbelden ’r van handspoeling in water.—
Ouë Gerrit likte z’n baard, wreef zich in de handen, vleide zich zijig over de zilveren lokken, en zacht liep ie voort, tusschen plaatjes, bakken, droogrekken en flesschen. Bij ’t groote raam rechts, zag ie ’n pracht-grijs vaasje, waaruit ’n smarterood fluweelen dahlia, slank stengelde.
Dat vaasje beviel ’m wel, maar kreeg ie nooit mee.—Zou de man te gauw missen.... Maar die knijper kon ie opgrabbelen.—Zacht tastten z’n morsige vingers tusschen wat kopie-ramen, en sluw haakte hij ’n grooten rood-koperen knijper op, gretig in z’n achterzak vermoffelend.—
Plots kreeg ie ’n bloedrooie kop! Zag ie goed? keek ie zuiver? Stong doàr nie die groote prêchtlens op ’t toestel?.. nièt meer in de hoek? achter alderlai?.. Joa, f’rduufeld.. snóf’rjenne joa!
Hij beefde, beefde van hevige ontroering. Langs den beschilderden grijzen achtergrond liep ie, tastte met de hand achteruit, om zich vast te houën.
Een juich, een gil had ie willen uitkrijschen. Als ’n bons was ’t op z’n hart gestooten, de schrik.... Want hai stong d’r.. vast woàr! vast woar! Aa’s de kerel d’r nou weggong, noar s’n sus als alletait.... effetjes.... had hai sain d’r vast in s’n sak.... hoho!
In ’t kamertje hoorde ie drukker gerammel en gespoel, en dof gekuch van den fotograaf. Gauw liep ie weer naar voren. Hij hoorde aan ’t gekuch, dat Van Gooyen bijna klaar was met z’n platen. Heel onverschillig keek ie ’t raam uit, op ’n brok bollenland... nou sou ie de vent hewwe... en nou d’r kalmpies je gangetje ouë, fain werk... domeni hiet.... brand je bekkie niet! fain.... werk.. fain werk!—
Z’n wangen gloeiden, z’n hart mokerde! Er zat ’n beef in z’n heele lijf en ’n gloeikoorts brandde door z’n polsen. Hij voelde, dat ie ’t vandaag nog zou hebben! vandaag nog!! Dat maakte ’m half-gek van genot...... Tug kalm, kalm an! hoho! fain werk Ouë.... fain werk!....
Fotograaf met veel gerommel stapte eindelijk uit z’n hokje, keek met half verknepen oogen, duizelig ’t licht in, ’n paar druipende platen in z’n handen. Hij bromde wat, de dikke fotograaf, in z’n grof geruit-grijs pak, ’n biertonnig Duitscher met Engelsche reis-allure.
Hassel had zich omgekeerd. Hij voelde dat z’n stem beven zou, als ie wat zeggen ging, van na-ontroering nòg. Daarom zweeg ie, zei ie alleen heel-zacht: „gemurge buurmaàn.”—Hij keek, spannend of de vent even ’n wippertje zou nemen. De fotograaf liep in en uit z’n donker hokje, druk, nerveus. Ouë Gerrit, met gloei-rooie wangetjes en schitter-kleine oogjes, loerde, loèrde, waggelde zacht van aandoening, wàt de fotograaf doen zou... weggaan of blijven. Telkens gluurde ie naar ’t toestel of de lens ’r nog wel blonk, en hevig bonkte z’n hart van bang-zalig genot.—
Weer kwam fotograaf er uit. Z’n ronde pappig-weeke kop stond triest en nerveus. De grootste plaat was mislukt.—
—Hassel, schenk je nog ’n bakkie he? ik zal effe wat andere speesie hale; ik ben in ’n kwartier terug.. Wil je effe oppasse.. Als ’r iemand komt laat ze dan maar wachte of terugkomme!
—Bestig mehair! bestig! ikke hep d’r meer aa’s ’n kwetieretje tait.. gaan uwes gangetje, beefde ouë Gerrit’s stem, klankloos van hevige ontroering, dat alles nou ging zooals ie ’t wou. Fotograaf had ’m niet aangekeken, greep z’n hoed van ’t hangertje en liep vlug nerveus ’t atelier uit. Ouë Gerrit kon ’t eerst niet goed gelooven. Z’n beenen trilden, zonder dat ie ze kon tegenhouen. Z’n hart mokerde al erger, ’t bloed suisde naar z’n hoofd, en hij duizelde, want nou stond ’r de groote lens soo maar op! Hij duizelde, schuifelde voort, in soezerige grauwte van licht, dat inééns voor z’n óógen golverig trilde. Niks kon ie zien.. alles beverig en verzwartend achteruitdeinend en weer opschommelend. Maar toch, hij moèst, moest! Over ’n kwartier had je den vent terug! Alles was open! ’t Donkere kamertje wijd open! Nou maar eerst ’t gemakkelijkste, ’t geld-kissie.. en ’t bakkie.... dan.... dàn.... de lens....—
Hij liep al, erg zenuwachtig, toch heet genietend, maar veel wilder en onrustiger dan anders. Bij ’t kamertje schrikte ie òp in ’t donker, toen ie door ’t rood-bloedende raampje zag. Maar hij zoù, zoù. Met z’n beenen hoog-opstappend, strompelde ie voort, trapte in bakken met nattigheid. Hij beefde verschrikkelijk. En hij begreep niet waarom. Zoo bang was ie nooit geweest. Er zat tòch heerlijke angst in z’n keel, als vuur te schroeien. En z’n kop vlamde; z’n knieën trilden hevig. Heel kleintjes ademde ie, want z’n luchtpijp leek zachtjes toegekneld. Z’n hand tastte langs klefferige fleschjes, klamme bakken, trechters, op de bovenste plank in ’t donker, waar ie den fotograaf altijd z’n geldbakje had zien neerzetten. Wacht?! wat greep ie daar vast? ’t kistje?.... Nee!.... Wat nou?.. dan most ie hooger op sain!
’n Schok van heeten juich bonsde door ’m heen.—Nou had ie ’t kistje vast; dat voelde ie.. Hij tilde ’t voorzichtig van de duistere plank, heel voorzichtig. Om ’m verrinkelden fleschjes.. en ’t geld rammelde al, in schuif naar éen hoekje. Nou was ’t van sain.... sain!
.... Hoho!.... da waa’s d’r t’met!.... Moàr noù de lens!
Niets ziend, niets hoorend, liep ie in koortsgloei naar ’t toestel. Eerst wou ie kijken hoeveel centen in ’t kistje waren, maar dat hield tijd op.. Eerst de lens.. de lens, joeg ’t in ’m.—En gejaagd mèe de gedachte dat ie stommiteiten deed, want dat de vent dadelijk zou zien dat hij gegapt had. Maar ’t joeg in ’m; toch doen.. tòch doen! Hij trapte z’n eigen waarschuwing dood; hij kastijdde zich zelf in z’n bangheid.—Met een hand ’t kistje omklemd, rukte ie met de andere aan de lens, die ’r niet af kon. Hij schrikte, beefde van ontroering weer. Want de lens moèst ie hebben, al kwam de onderste steen boven.—Liever ’t geld gelaten dan de lens! Met éen hand ging ’t niet! Dan zou ie eerst maar ’t kistje neerleggen. Eerst leegen, en op z’n plaats schuiven. Dàn, met twee handen aan ’t werk!
Weer schoot ’m in, de kwellende gedachte dat de kerel wel móest zien later, dat hij ’t gestolen had, want geld en lens wàren ’r toen hij wegging. Nou aarzelde ie, zette ’t kistje leeg op de plank, rammelde heel zacht rijksdaalders en guldens in z’n klepzak, die, vol en zwaar, tegen z’n beenen schuurde.—
—Hoho! doa’s ’n laileke praik! Moar aa’s tie ’t nou veul loàter mòrk! dan.... aa’s hai d’r weg woá’s! Nou.... de heule dag keek tie d’r nie noa sain toestel.... da wist tie.... allainig Sondag woare d’r minse. Aa’s t’r skoonmoak wier.. en minse kwoamme!.. aa’s hai d’r allangst weg waa’s.. Konne die d’r tug ook gapt hewwe!.. Waa’s d’r niks te beskuldige van sain!..
Enne kaik! neenet!.. da prechtding kaik!.. da’ mòst ie hewwe.... Enne.... nou gauw an de gang!.... ’t Waa’s aers.... vast te loat!
’t Kistje weer weggeduwd in ’t donker, en nou vlug naar ’t toestel sloop ie.—Met twee handen rukte, perste, trok, schoof ie, maar de lens wou niet los.—
.... Hoho! most ie nie ergens ’n dwarspennetje lossnaie?..
Maar hij wist niet waar dat zat! Weer schroefde ie, dan rechts, dan links, handen in glibberig zweet, onvast, en plots draaide de lens meè.—
Hij juichte even gesmoord van bang genot. Los.. los! nou sou die d’r sain.... Maar weer onder ’t losschroeven bleef de lens vastzitten. Nou gloeide toch ’t koper glad in z’n zweethanden en sulde ie glibberig over den cylinder. Muurvast zat ie weer. Hij vloekte, trampelde.... Wat noù weer? Hij keek, maar kon niets vinden. Alleen zat ’t ding met ’n vreemd zijstangetje van onder in driehoek, nog maar ’n heel klein eindje vast op den schroefdraad.
Z’n kop klamde in noodzweet. Telkens rukte ie z’n baard naar achter, die ’m hinderde. Nou zat ’r toch angstjacht in z’n morsige, knellende, rukkende vingers en krakende, bevende klauwen. Elk oogenblik kon de kerel d’r zijn, was ie ’r bij. Dan maar met ’n ruk. En voor ie ’t zelf goed wist had ie de lens verbogen en afgeknapt van den schroefdraad en ’n heel end, in ’n woesten vloerkras de voorpooten van ’t zware toestel mee òpgelicht. Hij schrok ervan, toen ie daar zoo maar met ’t groote prachtbrok in z’n bezweete verwrongen morsige beefhanden stond. Hij duizelde weer. ’t Woog loodzwaar in z’n hand. Juichen wou ie, juichen, maar toen ie opkeek, en achter toestel wou uitwijken zag ie plots op ’t krijt-bleeke, kakensidderend pap-gezicht van den fotograaf, die ’m al ’n paar tellen op de handen had gezien. Achter Van Gooyen stonden twee mannen, wit-verstoven metselaars, van ’n huis-in aanbouw, naast z’n atelier. Er zat dolle stomme staroogende schrik in ouë Gerrit’s kop, en de hand waarin z’n lens knelde beefde, als smakte ie in beroerte neer. Als ’n bezetene sprong de fotograaf op ’m af, stootte hem in den nek, en donderde:
—Zoo! ouë schurk, heb ’k je dan eindelijk gepakt! Nou eens mèt getuige.... ’k wist wel dat jij me telkens bestal, maar ik had nog maar geen vastigheid...., geen durf.... Maar nou, ouë schurk.... bi-je ’r bij! Ik heb er met niemand nooit over gesproke.. maar nou zulle ze in Wiereland eens wete wat voor boef jij bint.... Want durf erais ontkenne dat jij mijn goudtientje van lest niet gestole hebt, en mijn groot platenboek met ansichten... en mijn sigarenkoker, m’n stok, m’n overschoene, m’n zilver pijpie, m’n zije doek! en.... en.... durf ’es! dùrf ’s ontkenne schelm.. schurk! ouë dief!.. Maar vandaag heb ik er op geloerd.. Nou heb ik mijn getuige.. jullie hebt ’t gezien manne.... onder eede, daar bij de burgemeester, zal jullie met mijn getuige, dat de ouë Gerrit Hassel ’n gemeene smerige dief is.—
De fotograaf ratelde. Z’n hoofd kleurde van wit, naar grauw en rood, driftte gezwollen. Hij ratelde door ’t dolle heen, in hevige nerveuze opwinding, de knuisten voor den verschrikten grijzen kinderkop van ouë Gerrit gebald, alsof ie ’m murw wou beuken. Maar hij dwong zich te beheerschen, om zelf niet gestraft te worden.—
Ouë Gerrit kon geen woord vinden. Z’n keel leek heelemaal dichtgeknepen en telkens dacht ie te stikken van benauwing. Hij was zoo gebluft, en de vent had ’m zóó overrompeld dat ie z’n verstand voelde verkillen.—Voor ’t eerst van z’n leven gesnapt, gesnapt... Dat ging maar door ’m heen.—„Gesnapt, en openbaar tentoongesteld”.—
Z’n wangen gloeiden nog dof, z’n oogen sperden dol-vergroot, z’n knieën knikten, en zenuwbang graaide één hand door z’n baard. Er kwam speekselschuim op z’n lippen, klefferig om de mondhoeken, en angstzweet parelde op z’n slapen en neus.
Nou was ie voor goed gepakt, met schande!.... Nou werd ’t bekend, bekend, dat hij ’n dief was.... ’n vuile dief. Nou was alles uit, z’n gàppe ook! z’n spulle.... z’n spulle, en z’n naam. Als die man nou geen meelij had, was alles voor eeuwig gedaan! Zoo dwarrelden hoos-angstig z’n gedachten. Hij was overrompeld, verschrikt, geslagen, in verblufte verwezenheid.—
.. Hoho.. da kwam ’t Opperweuse op sàin tait!.. Da waa’s d’r puur de straf.. daa’tie God en den Heere vloekt had op ’t land.. mit de boonestorm.. da waa’s God’s tusschekomst.. dâ had je ’t.. daa’t waa’s ’t! En hai moar docht.. nooit nie.. nooit nie pàkt te worde..
De metselaars, naast den fotograaf, bestaarden ’m, keken naar z’n hand, die in zenuwgreep nog de lens omkneld hield. Plots kermde Gerrit’s stem:
—Mehair de potegroaf.. f’rgaifing! ik heb heul slecht dáán! skrikkelek slecht! doen mi main wâ uwes wil! moar.. ’t is de sorrig! de sorrig die main slecht moakt hew! Ikke bin d’r van alle kant teuge de hiele blaft.. enne.. de boonestorm hew main kepot moakt.. enne mit ’n moand sitte main spulle an de poal!
—Dat lieg je kerel, dat lieg je schafuit! Ik weet wel dat je door de boonestorm arm geworde bint.. maar dat zijn d’r honderde mèt jou.. en die stele tòch ook niet! En dan!.. Wou je mijn op de kar zette?.. Voòr dat de boonestorm je boel vernield heb, was je al an ’t gappe.... schelm! toen was al mijn goudtientje weg; mijn overschoene, mijn pijp, mijn stok. Ik vergeef niks! ik hèb niks te vergeefe! je maakt mijn nog dol van woede.. Ik zou je in je ouë grijze kop kenne spuge.. maar ik mag mijn hande niet brande.. Straks.. dat bezweer ik je.. heb je de politie in huis.... ik heb er geen gezien.. anders ware ze d’r nou al.. Nou zijn die eerlijke kerels, op andringe met me meegegaan.. Je kon niet denke dat ik je zoo zou pakke he? Ik had alles voorzien.. Ik moèst nou wete wat vleesch ik in de kuip had.. Expres heb ik mijn lens late zitte.. zag je niet dat ik merkte hoe je daarop loerde toen ik je eens per ongeluk zei, hoeveel ie gekost had.. En mijn deur van mijn kastje is ook open gelaten.. Was je daar ook! he? schurk! zeg ’t maar!
—Ikke.. ikke,.. stotterde de Ouë, al banger in doodsnood, met een duizel van rooden dollen angst voor z’n oogen.
Maar de fotograaf was al naar z’n kamertje gehold, haalde op den tast z’n kistje eruit, voelde ’t leeg, en schreeuwde uitzinnig!
—Ook leeg! dat heeft ie dus ook gestole! zes en tachtig gulden! Hier schelm! waar heb je die duite.. dief! Schurk! schooier! waar heb je ’t geld! schùrk, schùrk, schooier!
De fotograaf gilde in dolle opwinding.—
—Hier.. hie.. ier! beefde de Ouë wijzend op z’n klepzak.
—Hoal eruit! smerige snurkert, heb je dat ook geleegd, he?.. manne.. dat is nou de fatsoenlijke ouë Gerrit Hassel! Wat ’n boef! dat gaat vriendschappelijk met je om, zuipt je koffie, iedere dag, en besteelt je op de koop toe.—
Bij stukken en brokken haalde ouë Gerrit guldens, rijksdaalders en klein geld uit z’n zak, tusschen vuilnis en zand. En met verachting rukte de fotograaf ’t geld uit z’n morsige bevende klauw.
De metselaars, witbestoven, met steen-rood bepoeierde petten en vale kielen, vloekten van verbazing en ontzetting.—
Dat hadden de kerels nooit gedacht, nooit durven denken.
—De sorrige.. de sorrige die d’r ’n mins daas moàke, jammerde ouë Gerrit’s stem, bang-listig voelend dat ie daarin ’n sterk ding voor zich had, nou heel Wiereland meelij met hem voelde.—
—Dat lieg je gemeene dief! barstte de fotograaf weer uit, rondziend overal, wat ie nog meer gestolen kon hebben,—je heb gestole.. al vóór dat je ’t ongeluk met je oogst had.. Jij vroeg mijn ’n bakkie hier te magge drinke... en ikke gèk.. hep je altijd even vrindelijk behandeld... en jij bint blijve sluipe en stele.. tot ik met mijn persumsie kwam.. Allerlei dingen heb ik gemist.. Nà en voòr de kermis.. en altijd als jij geweest was.... En nou heb ik je op heeterdaad betrapt.. nou zijn er de bewijzen! de bewijzen! En nou heb ik je! En wat heb je nòg meer? geef op.. dief, schurk, schelm.... boèf.. boe-oèf!! boè-oèf!!!
Beverig grabbelde ouë Gerrit in z’n jekker, en haalde ’r de koperen grooten knijper uit, legde ’m schuwtjes neer op den rand van ’t toestel.
—Al maar meer!—Nog wat? hoonde de fotograaf, en verblufter keken de metselaars.
—Ja mannen! dat verzuim van jullie zal ik vergoeden, ’t is hier om ’n schurk te doen he? Nòg meèr!? dreigde z’n pafkop, bleek-rood en z’n stem gilde heesch van uitzinnigheid.—
Ouë Gerrit keek al banger en huileriger. Er was inééns ’n huiver van angst op z’n gezicht gegrauwd, zoo èrg, dat de nerveuze opgewonden fotograaf schrok en vreesde dat ie dood zou vallen vóór ’t toestel.—
En akelig kermend, met traan-stikkende stem, viel ie dwars op ’n stoel neer, lam met weggezonken schouers, verwezen hoofd in de handen, en schreide!
—Ikke bin d’r dol van de sorg, hoho! ikke heb d’r nooit stole.. nooit nie.. ankeeke wat main nie waa’s! ikke bin d’r mi fesoen hier fairtig joare.... an de poer weust! Moar de sorrige hewwe d’r ’n mins daas moakt! F’rgaifing! f’rgaifing! Seg d’r de waireld niks van!.. God sel je honderd kair loone!.... ikke sel de koste betoàle!.. ikke sel d’r alles teruggaife.. Ikke hew d’r veùr de boonestorm.. d’r veur.. oòk al stikt van de sorrige! ikke sel!....
Z’n stem brak af in kermende snikken, achter de morsige handen, uit ’t heete huilende hoofd; mannenhuil, kermend en kreunend van ellende. Maar fotograaf Van Gooyen liet zich niet verteederen.
—Nee f’rdomme! nee ik laat mijn niet op de kar zette!
—F’rgaifing smeekte Gerrit’s stemmekerming er doorheen, zeg d’r niks van an de waireld!.. op main laiftait in de gefangenis! Moak main,.... en main gesin nie ongelukkig! De boonestorm hew d’r alles.. alles f’rnield! main boel komp an de poal! Sullie hewwe main uitsoge.... de netoaris, de dokter! main waif! Main jonges! mo’k nou.... op main ouë dag nog in ’t hok? hoho! hoho!
Hij smeekte, stembeefde, huilde, kermde, en z’n kop, uit z’n handendiep opgelicht, grauwbleekte onder tranen. In angstige huiver van trekjes keek ie òp naar den fotograaf, maar die bleef onverbiddelijk.
—Nee vent; jij bent ’n gevaarlijk mensch voor de omgeving! Jij mot in hande van de polisie!.. Ik geloof niet dat je nooit gestolen hebt.. jij deedt ’t met gemeen overleg.. nee.. nee.. hoe meer ik ’r an denk, hoe woedender ik word. Jij gaat naar huis, ik ga met mijn getuigen naar de polisie. De rechter zal uitmake wat jij bent voor ’n nummer.... Manne, wij gaan!.... en jij Hassel nou er uit!.. we zien jou nog wel!
Weer in smeekval, stormde ie op den fotograaf aan, dat de metselaars ’r ontsteld van keken, maar Van Gooyen, nerveus-nijdiger duwde ’m de deur uit, en dreigde dat ie op straat zou uitschreeuwen wat voor ’n vent ie was, als ie niet stil zijn weg ging.—
Van Gooyen en de metselaars, na ’t opstootje en gekonkel onder de arbeiders van ’t huis-in-aanbouw wat bekoeld te hebben, gingen Wiereland in, op sjouw naar burgervader.
Ouë Gerrit, met ’n woesten suis in z’n ooren, ’n zwarte wolk van angst voor z’n oogen, dol-bang, in schuwe loensching naar de keien, sjokte voort, klos-klos, met gebogen knieën, krommig, geschonden van angst, mummelden in een toon voor zich uit!
—Je bint snapt! snapt’ je bint snapt! snapt! je bint snapt, als ’n gek ’t zich herhalend zonder zelf meer te hooren.—
III.
Op ’t brokje straat, achter ’t erf stond Guurt vaten te spoelen nu en dan ’t keukentje inloopend, om wat op ’t fornuis te bescharrelen met pannen.—Waggelend en uitzinnig van lamlendige slapte, strompelde ouë Gerrit aan, doodsbleek, met trillende mummellippen, zenuwdoorschokten mond en bevende handen. Zonder ’n woord te zeggen waggelde ie Guurt op ’t straatje voorbij, smakte zich bij de groep van voòrstal, sprong weer op, de woonkamer instrompelend, viel weer neer op ’n ouden stoel.
Vrouw Hassel sufte aan ’t raam, starend als ’n opiumschuifster, verminkt met uitgedoofden blik, waarin donkre waanzin dwaalde. Maar vreemd, heel vreemd, als den nacht waar in ze, in krisis van schrik, plots ouë Gerrit als ’n duivel gezien had, die ’r wou wurgen en steken,—heel vreemd keek ze nù op ’t bang geslagene, angst-dolle, verschuchterde in Gerrits baard-lokkigen kop.
Guurt liep in, dacht dat d’r vader dronken was uit baloorigheid, toen ze plots den Ouë weggezonken zag zitten op z’n stoel, steenbleek, bevend aan armen en voeten. Ze schrok, denkende dat ie met ’n beroerte was ingestort, zoo als ie daar half hing op den stoel, hoofd weggezakt tusschen schouders, speekselvuil op den mond geschuimd, verkwijlend van z’n grauw-bevende lippen.
In loggen gang stapte ze op ’m af, bleekig ’n beetje van akeligheid voor ’t geval, schudde ze haar vader.—
—Waa’s d’r nou an ’t handje, Ouë, hee Ouë?—Dunnetjes klonk ’r stem.... hee foader? wat mot dâ?
Nou zag ze dat ie geen beroerte had, maar met ’t gezicht van ’n gehangene, in wurg-benauwing naar d’r opkeek, z’n oogballen half weg, griezelig in ’t wit. En klankloos mompelde ie.—
—Snapt, snapt! je bint snapt! snapt.... hoho! je bint snapt!
—Wat Ouë? wá’ leuter je klesserig, wâ nou? wâ snapt, wie snapt, je hep d’r ’t snuut van ’n doodsbidder.... mo’k de jonges van de akkers skraiwfe? doàr he’k gain kestantes van!
Guurt’s prinsesse-gezichtje stond doorgrift en doortrild van angstigen schrik. Ze voelde dat ’r iets heel ergs gebeurd was, en met één holde ’r zwaar lijf de stal in, ’t erf op, naar ’t land.—
—Hee Piet.. Dirk! de Ouë is d’r kwoaig.. hee? komp d’rais doalik kaike!
Vaag waaiden de stemmen van Dirk en Piet naar d’r toe, uit den vruchtenhoek. Ze zouen d’r t’met zijn.—
Guurt durfde niet meer alleen instappen. Ze voelde iets heel naars. De Ouë had ’r zoo vreeselijk bang aangekeken; hij zou vast sterven op z’n stoel. Ze had nooit zulke blauwe plekken op z’n wangen gezien, nooit zoo dollen schrik in z’n oogen, vol van hevigen angst, en rood van verwildering. De jongens scharrelden op, klos-klos, log, traag, landerig, Dirk met koeiïge verbazing in z’n kijk.
—Wa nou? de Ouë kwoaig? vroeg hij.—
Hij ontstelde even, toen ie ’t verbleekte bange gezicht van Guurt zag, die met d’r handen in ’r zij, ongeduldig op de beenen trampelend, voor ’t erfdeurtje stond te wachten.
—Komp d’r gauw maa’ne, daa’s vast nie pluis mit den Ouë! d’r is gain stom woord uit te kraige, en hai sit d’r tuureluurs.
Piet en Dirk waren gangetje en stal ingestapt, liepen op d’r kousen, stil op den Ouë áán. Dirk sloeg z’n groot-vuile handen vol zand en groensel, in elkaar van schrik. Zoo wezenloos had ie den Ouë nog nooit zien zitten.
—Wa nou? hee Ouë? wâ nou?
Zware bange dofheid daalde in z’n stem, ontzetting en schrik. Z’n groote groen-zwarte knuist schudde den schouder van Gerrit, dat diens kop waggelde. Maar klankloos z’n lippen bleven mummelen.
—Seg, seg! ’n mikmak? seg!
Weer ’n smeekende angstblik doolde op z’n zoons, en dof bromde ie, kortademig:
—Snapt.. snapt.. ik wort dur hoalt van pelisie.. strak-en-an,.. ik hep stole! hoho!
—Stole! stole! jai.. jài Ouë! stamelde Dirk, grauw van schrik.—
—Stole? beefde de stem van Piet, in gekke bange verbazing.—
Guurt van geweldige ontdaanheid kon geen antwoord uitbrengen. Vrouw Hassel aan ’t raam, leek soms in luistering òp te leven. Er rilden zachte gloeiingen van besef in ’r starre oogen. Ze hoorde, hoòrde, bromde en mummelde wat nu en dan. En strak bleef ’r idioot opium-vergeeld gezicht, doorgroefd van smartelijke verbazing naar d’r man gekeerd.
Aan de voordeur, waar Vrouw Hassel verschrompeld zat, luidde plots in driftigen klingel, en Van Gooyen met de twee metselaars, doorstoft en stukadoorig bekrijt, luidruchtigden in stemme-opwinding vóór ’t raampje.
Piet holde op z’n kousen naar de voordeur, in sidder van drift, bij zich zelf vast besloten die kerels er niet in te laten. Ze begrepen niet wat de fotograaf kwam doen. Dirk woelde z’n handen in z’n diepe zakken weg, ontembaar in kokender zieding van drift, al maar stom kijkend op ’t sidderende, angst-stuipende gezicht van den Ouë, die, dieper z’n kop tusschen bochelige schouders weggezonken, klankloos mummelde, verwaasd bevend:
—Snapt bi je.. snapt.. de pelisie.... snapt... fain werk! Ouë!.... snapt....—Hij staàrde naar z’n eigen woorden.—
Hij wist van angst niet meer wat ’r om ’m gebeurde.—Hij voelde flauw dat de kerels ’m zouden splijten van woede, en nou wachtte ie ’n slag, ’n vuistbons van Dirk en Piet, ’n trap van Guurt, ’n opstand van z’n wijf.
Met driftige luidruchtigheid, nerveus, stapte de fotograaf in, de witte metselaars achter ’m aan, door Piet half teruggestooten. Maar opgewonden driftte fotograaf Van Gooyen uit:
—Brand je handen niet Piet, ik raad je an ons in te late,... je vader is op heeterdaad betrapt op diefstal! De getuige zijn gehoord.... onder angifte, gehoord door den hulp-officier van justitie, de burgemeester.... we komme.... jullie.... jullie voorbereide.... ’t is verschrikkelijk, verschrikkelijk!
Van Gooyen, vrijmoedig door zenuwachtige opwinding, stapte luidruchtig de huiskamer in, en doodsbleek, druk van de jacht, en schrik, ’t hollen naar den burgemeester, om z’n getuigen te hooren, de aangifte te teekenen, om Gerrit Hassel te kunnen laten arresteeren,—begon ie stamelend, al ratelender:
—Ja.. mensche.. d’r is niks an te doen.... heel naar.. heel.... heèl naar!
Dat weet ik zelf.... maar je vader is.. is op.. op heeterdaad betrapt op mijn atelier,—dat kom ik nou maar eventjes zegge dat jullie ’r op voorbereid zijn, door mijn, en deze twee manne. Hij heeft geld gestole.... mijn geld.. liefst maar zesentachtig gulde.... had ik in ’n bakkie, ’n kissie geborge.. dan heeft ie mijn groote lens gestole, lèns van driehonderd pop!.. zóo maar rink, van de schroefdraad gebroke.. en voor.. vóor die tijd al bestole.. bestole.. Ja, kijk jullie maar als gekke.. Dat heb ik eerst ook gedaan.. Jullie wil ’t niet geloove hè? Vraag ’t ’m maar zèlf.—De burgemeester komt daar dadelijk zelf met de agente.... de getuige zijn gehoord.... jullie bent ’r gèk van hè? Ja dat is geen peperkoek! Maar ’t recht mot z’n loop hebbe.. dat zegt ieder.... de burgemeester.... de.. dokter.. ieder.... en hij lijkt krankjorem!
Dirk stond half gebogen, z’n kop stierig vooruitgebukt, z’n groote knuisten driftig verwoelend in z’n zak. Hij begreep nog maar niet; de kerels niet, den Ouë niet, den fotograaf niet.
Hij dazelde in zich zelf.... den Ouë stole? den Ouë? den airlike Ouë?.... de fesoenl’kste van Wiereland.... nooit suipe.... den Ouë.—Hij dacht dat de fotograaf, ’t heel stelletje stapel was.... ’t Draaide voor z’n oogen.. En strak bleef ie maar kijken naar den grauwen mummelmond van ouë Gerrit die angststotterde....
—Snapt.... Snapt! nou goan je hoalt Ouë!.. snapt!.. snapt!
Ontzette stilte viel er in. Niemand sprak.—De fotograaf voelde zich bang in die nare dreigende stilte. De woeste houding van Piet leek ’m niet, en de stierige verzet-stand van Dirk maakte ’m gejaagd. En nou keek waarachtig dat half dooie wijf óók, dat anders niet wist waar d’r neus hing.—Hij zou maar weer wat zeggen, om hun vijandige, zwijgende nijdigheid van zich af te dringen. Wat lam dat hij zonder agenten gegaan was. Zou ie wachten, en den schrik laten uitwerken? Maar hij hield ’t zóó vast niet uit. Straks zouen ze ’m misschien uit wraak, dat ie den Ouë aangegeven had, z’n harsens te pletter slaan, of ’n mes in z’n ribben draaien.—’t Waren de Hasseltjes, met de dolle drift, en de broers van Kees den Strooper, dien halven moordenaar! En in zenuwachtige benauwing zei ie maar weer wat, kort en stamelend,—dat ie den Ouë al lang had verdacht, maar nooit iemand iets zeggen wou. Maar dat ie ’m eindelijk beproefde om vastigheid te krijgen, om geen verkeerden te beschuldigen. Hij zei nog wat van boonestorm, ramp, ellende, maar dreigend, dat de Ouë ’n gemeene dief was.
Piet schoof al dichter op den fotograaf àf, met sidder-bleek woest nijdigen kop, z’n vuisten tot mokers op den rug bijeengeknepen.—
De Ouë zat te staar-luisteren naar den fotograaf die weer drukkig bezweet, telkens z’n pappige wangen luwde, met ’n vuilen naar zure specie riekenden zakdoek, doorratelend, bang voor de stille mokkige kerels, die ’m wel de ribben konden breken in wraakgierige drift. Hij vertelde van z’n vrindschap voor den Ouë. Dat ie vroeger voor hèm, altijd de braafste man van Wiereland was geweest; dat ie met de boonenstorm weer ontzaggelijk meelij met ’m had, ’m helpen wou, bijspringen, maar dat er te veel wantrouwen bleef, en ie ’m eindelijk op heeterdaad kon snappen.—De fotograaf zweeg, keek de twee strakke wit-bevlakte metselaars aan, die al maar knikten. En weer suisde ontzette stilte in.—Nou werd ’t den fotograaf te bang.
—Nou jonges.. ik moet weg, mèt de getuigen. Wij worden straks nog eens gehoord, op ’t stadhuis, in tegenwoordigheid van je vader.... Wij magge niet langer hier blijve.. ’t is goeiigheid dat ik hier kwam om jullie nog eens in te lichte; de burgemeester is stràk; die zegt niet veel,.. nou.. ik zal gaan hoore! kom manne.. wij gaan!—
Fotograaf Van Gooyen, z’n nerveuse kleffe handen onrustig langs z’n grof-geruit pak smerend, niet wetend hoe ie ’t had met de starende zwijgende stronkige knapen, die maar traag knikten, schoof naar ’t voordeurtje op straat, was blij dat ie ’r met z’n getuigen ongeschonden uitstapte. Aan ’t begin van ’t weggetje zag ie den burgervader al met twee agenten. Ze hielden stil voor ’t deurtje van Ouë Gerrit’s woning, treuzelden weer voor ’t raam waar vrouw Hassel zat. De klinkbel verrammelde schelle klankjes.—Piet maakte open, beefde plots van ontzag voor de vlak-bijë deftigheid der glimhelmen, achter den strakken ernst van burgervader, nù magistraatspersoon.—Burgervader, uit de hoogte, met strak gebaar, zei wat meedoogenlooze woorden van inlichting tot Piet, die bleek, verbouwereerd, op z’n paarse kousen hun vóórschuifelde in ’t vunzige gangetje, naar de verstilde woonkamer. Alles ging zwaar-deftig, zwaar-gewichtig en officiëel, met strakke gezichten. Burgervader kende de Hassels als rumoerig volkje in z’n stedeke; had ’t noodig geacht streng te zijn, en zelf mee te stappen om direkt te kunnen arresteeren.—Anders moest weer bevel van hechtenis meegegeven, als de Ouë niet woù gehoord worden, was er gevecht en tegengestribbel van de stoere vuist-knokige knapen te wachten. Bovendien maakte ie,—daar ’r geen kommissaris was in Wiereland, hij wèl hulp-officier van justitie,—graag vertoon van z’n glorige macht. Burgemeester was de lage kamer ingestapt, waar ’t duifke in ’n duister hoekje droef te koeren zat, de politiemannen achter ’m áán, in zwaren stap.—Hun helmen glommen onrustig-officiëel in ’t dood-suffe doorstoofde vertrekje, waar alles weer turvig en duf rook, en door-de-weeksche wanorde rondrommelde. Burgemeester zei wat officiëele magistraatswoorden tot de knapen en de bevende Guurt.—Achter elk traag-gewichtig uitgesproken woord, dat hangen bleef in de stilte, groeide angstige beschuldiging, tiktakte de groote staartklok, droefde gekoer van duifke, als treurend in ontsteltenis over z’n baas. Tusschen de koperen slingergewichten zat ouë Gerrit klankloos-idioot te murmelen, de handen meewarig beverig op de saamgedrukte smalle knieën.
Langzaam-officiëel, strak en magistraatsch-doordringend draaide de burgemeester zich naar ouë Gerrit om, en vroeg of hij, Gerrit Hassel, bekende te hebben gestolen op den ochtend van....
—„Joà.... Joà!” angstigde de Ouë....
Maar magistraatspersoon deftige voort, en ook ter verklaring voor ’t gezin niet wetend, dat de fotograaf en getuigen, vóór hem er al geweest waren,—begon ie gewichtig en ernst-zwaar het relaas voor te lezen, door de getuigen en Van Gooyen bijéén-gesmonzeld, en onderteekend als aangifte.—
Ouë Gerrit luisterde met bange verdonkerde oogen, en sterker overstormde ’m de angst dat ze met één, op àl die aanklachten, huiszoeking zouden doen; dat ze al z’n spullen zouden vinden, dat ze zouden zien, de dure bollen, en aan alles bemerken, dat ie al heel lang gestolen had, als ’n sluwe gemeene dief.
Burgemeester was met ernst-doorklankte stem aan ’t lezen, de glimhelmen der polisie achter ’m aan, dat Guurt dacht te sterven van schrik, en de kerels in ban van hevig ontzag, stomden en versteenden van ontroering.
Guurt voelde „politie” in huis, ’t ergste, bangste, dacht ze, dat er bij fatsoenlijke menschen ooit kon gebeuren.—Ze rilde, schreide, en kermde en zuchtte als ’n oude hond.—Als burgervader, heel-deftig zei, dat men Hassel voor den braafsten man van Wiereland had gehouden, kreeg ouë Gerrit ’t stikbenauwd, pinkelde ’r nog nattigheid in z’n roode uitgehuilde oogen; wou ie al z’n diefstallen wel bekennen, uitschreeuwen. Hij voelde dat ie strak-en-an zou uitkrijschen wie hij eigenlijk was.—Dat ie al veertig jaar lang hier zoo gestolen had, z’n heel leven lang. En hij wou er bij schreeuwen dat ie ’t nooit gedaan had om er lekker van te leven, maar dat ie ’t moèst, moèst doen.—Toch schreeuwde ie nog niet, voelend dat ’t dolheid was, als zij nog niet begonnen te verdenken.—Eerst zou ie wachten, om te hooren wat Guurt zou zeggen, wie ie was, en de kerels. Maar die zwegen en ’t relaas in officiëelen stijl, teemerig opgedreund, onverstaanbaar, zeurde dóór.—De knapen zwegen.
Ouë Gerrit zat verzonken achter den hoekigen magistraats-burgemeester. Nu en dan sluikte z’n oogenwit angstig naar hèm op, bibberden z’n handen erger op z’n meewarig bijeengetrokken knieën. Ouë Gerrit dacht dat heel Wiereland toch te praat kwam, als ze ’m straks, tusschen de agenten zouen zien hangen,.. dat ie ’t om de zorgen gedaan had; alléén om de dolle zorgen.
Dirk keek ’m aan, z’n wijf keek ’m áán, strak, Guurt schreide en sidderde, en Piet liep heen en weer, in drift. Er most ’n end an komme.. Hij zou ’t maar uitschreeuwen wie ie was.... Z’n angst steeg. Hij rilde, rilde voor de klaarstaande handen der helmmannen, om hem op te sleuren. Hij voelde zich als in ’n vlam staan zoo heet, dan inéén weer met water oversmakt, zoo rillig-kil en huiverig. En ’t ergst was, dat ie voelde zich niet meer te kunnen tegenhouen met spreken, hij zich zelf moèst aanklagen. Hij vervloekte zich nou, dat ie niet zwijgen kòn, maar hij moèst vertellen.—’t Was of een treiterig ik, in hem, nou eens sarrend wou laten zien met heet wraakverlangen, wat voor ’n schurk ie was; waar z’n spullen hokten en wat ie uitvoerde.—Maar telkens, nog sluikig opziend naar burgervader, staar-luisterend, voelde ie zich zelf weer verzwakken in eigen aanklacht; kreeg ie weer terug z’n eerste bangheid, weer sterken prikkel van zelfbehoud, zich-zelf wijsmakend, dat de zorgen ’m gek gemaakt, geteisterd hadden z’n heel leven lang.—Nee, hij zou niks, niks, zeggen.. Hij was nooit ’n dief, ’n dief geweest! Hij zou geen sterveling wat zeggen. Als ’t nou Guurt, Dirk, Piet niet zei, en ’t wijf niet, en Gods stem zou niet in één, midden in dreunen, dan was dat bewijs dat hij ook niet hoefde te spreken. En nou maar zèlf vasthouen, z’n gevoel, dat ie uit angstzorgen gestolen had. En al kermde ’t nou ook in z’n keel; smeekte ’t half in ’m, om ’t uit te gillen, te bekennen, eindelijk eens uitstortend, z’n martelende geheime zonde, hij voelde er in klammen worstel tegen in, dat ie tuureluurs was, overprikkeld; dat ie op z’n eigen strot, z’n eigen bek moest gaan zitten; z’n sarrende stem in ’m had weg te drukken, dat ie zich zelf te smoren had; dat ie zich als ’n stuk uitvaagsel uitschelden moest, als ie nòu an de praat gong. Wel wou ie even weg; net doen of ie naar ’n zekere plaats moest, dàn de kelder in, om z’n spullen te verbranden. Maar dat ging nie.. Was pure malligheid. Ze zouen ’m elken stap nagaan. Dat had ie eerder moeten doen, toen ie alleen thuis was gekommen. Maar toen was ie ook halfdood van schrik en angst geweest. En nou zou ie maar afwachten wat gebeuren ging. Voor de helmkerels sidderde ie, en de stem van burgemeester maakte ’m puur akelig van angstige, jagende ellende.
Wat zou z’n broer lachen.. en Grint en de notaris!.. En nou, te kaik!.. over de stroat... Hoho.. alles kaikt! de gaa’ste.. de dokter.. de netoaris! s’n boel an de poal..—
Eén ellende.... één jammergevoel van diepe, afzichtelijke narigheid overmande hem, doorkerfde z’n trots. Hij voelde te zullen braken van bangheid.... Hij kreeg ’t weer dol benauwd, met zwarten angst voor z’n oogen, alles zwart en grauw. Berouw voelde ie niet. Alleen angst, angst voor de politie, voor den burgemeester, voor God.. als ie daar alleen in de gevangenis zou zitten.. En ’s nachts vooral.. als ie den rug van z’n wijf niet had, om d’r achter te kruipen.. Nou zou ie alleen zijn, met duivelige koppen en ’t groene vuur in ’t donker. Dolbang was ie voor de cel en als ie straks op straat ging, wàt de lui zouden schreeuwen.
Guurt had schreiend in angstwoorden gevraagd aan den burgemeester of ze den boel niet stiekem konden houên.—Ze smeekte, drukte de hand van den burgemeester, van de agenten. Maar burgervader, streng, koel-afgemeten, bewust van z’n macht en hooge roeping, zei stroef, dat ’t recht z’n loop moest hebben, dat men bij hèm niet onderhandelde; dat ’n dief als ’n dief gestraft moèst worden.—
Piet was afgezakt. Z’n jonge stoutmoedige kop, met den dunnen neus en zijne grauwe oogen, stond verbluft in stille gramschap op den Ouë.—Uit stierig-ingebukten stand, kop-vooruit, was Dirk plots op den Ouë afgesprongen, wild, pakte kiel-eind vóór den strot bijéén, en rammelde Gerrit op z’n stoel heen en weer als ’n stroopop, dat z’n baard schommelde, z’n lokken zwierden onder z’n groenig petje uit.—Bulderrauw met onmenschelijk wreed-woeste stem, verstikt in doffe driftklanken, krijschte ie:
—Spraik Ouë hengst!... Wâ hep je daàn, hep je onster feur ’n wail loate hongerlaie!... spraik ouë hengst! smakkert! Smairlap! hep jai onster uitskolde veur dief... mi de vaiftig pop van Kerremis! jai skurk! dief! Op wâ hai je gefigelaird!—
Hij rammelde en bofte ouë Gerrit op z’n stoel, dat diens gezicht òpblauwde in Dirks woesten knuistklem, z’n oogen verdold angstigden als van ’n gepijnigden dwaas die niet weet wat gebeurt. Hassel’s vingers krabden om lucht te krijgen in de knuist van Dirk, die op ’m gedrongen stond, met z’n blond-wreeden kop, vóór Gerrits gewurgde tronie.
Burgemeester mocht dat niet langer aanzien. Hij gaf den helmmannen ’n wenk, die daadlijk Dirk terug sleurden. De knaap, met vergrauwden woedekop liet niet steken, rukte Gerrit bij den strop òp van den stoel, als wou ie z’n vader wurgend vermoorden. De burgemeester sprong deftig bij, en met hun drieën rukten ze den half gestikten Ouë uit Dirk’s schrikkelijken klauw, die nog nabeefde en vingerkrampte van hevige moorddrift. Piet had staan kijken, in aarzeling wie ie helpen zou.—Dirk, met sidderlippen, in Hasselsche razernij, grijnsde, grinnikte, spoog den Ouë, al doller van drift, in ’t gezicht.—Gerrit kromde in, achter de agenten, neergesmakt weer op den stoel, half verborgen z’n bespuwden angstkop, de armen naar boven gekneld, in de boei-pooten der helmmannen.—
Piet staarde ’t raampje uit, grauwbleek, en Guurt snikte, snikte zacht tegen den muur.
Er stond voor ’t raam al wat popelend volkje, knapen en kerels, die de agenten met burgemeester hadden zien instappen, en gehoord dat ouë Hassel als dief op heeterdaad betrapt was.
Guurt smeekte den burgemeester dat ze den Ouë tegen den avond zouën weghalen, maar dat wees hij af, streng, koel-stroef, hoog-officiëel.
—Dat zal niets geven meisje! Iedereen weet het reeds in Wiereland, dat gaat als ’n vuurtje. Bovendien.. met ’t oog.. op de driftbuien van uwe broeders.. wordt mijne verantwoordelijkheid grooter.. Ze zouden ’m kunnen dooden in drift.. uitbarstingen.. neen.. mannen! In naam der wet.. arresteert en.. boeit hem.
De langste helmman, barre snorrebaard, rammelde z’n paternoster uit den achterzak, draaide in ’n striemenden kronkel, den zwaren ketting om Hassels polsen vast.—
Ouë Gerrit sidderde, waggelde neer op den stoel.... half-wezenloos. Z’n gezicht kermde nu, afzichtelijk verminkt van schrik.—De boeien om!.. dat sloeg ’m in één neer.... Guurt gilde van angst en ellende, voelde dat ’r heel leven in één vermoord was.. de Ouë zóó op straat! Ze wist niet meer wat ze deed van benauwing, woede, schaamte, beroerdigheid. Nou had ze mèt Dirk, den Ouë liever doodgetrapt, voor ie wegging.—Wat zou d’r galant van de sekretarie zeggen!
De twee agenten trokken den machteloozen ineengeschrompelden Ouë Gerrit òp van den stoel, die als ’n half-verlamde, wien de krukken onder de oksels zijn weggeslagen, tusschen hen bleef inhangen.—Z’n oogen schuin naar den grond, bang nog voor ’n nieuwe ranseling van Dirk of Piet, in martelenden angst, schrompelde ie mee, de morsige, bevende, steelzieke handen opeengewrongen, verkrompen in den boei.—Piet keek ’t raam uit en Guurt schreide weer. Alleen Dirk met wraak in z’n kop, keek naar den Ouë minachtend, woest, alsof ie ’m met één vuistslag wou neerdollen.—
Plots van ’t raam, in zenuw-snellen tred, sprong ’t lijf van vrouw Hassel wèg, stortte zich op Ouë Gerrit in ’n kreetsnik, en in krizis-stijging van éven oplevend bewustzijn, gilde ze, razend:
—Main Gerrit! main Gerrit, je gain nie van je waif!
Ze schrokken allen. In maanden had vrouw Hassel geen beweging gemaakt, en in ’n jaar bijna, niet wat uit-zich-zelf gezegd. En nou, met stuipige krizis, stònd ze, in toevloei van laatste zenuwkracht, rechtop, smakte ze zich op Ouë Gerrit met ’n vastzuigende hevigheid dat de agenten ’r niet konden losrukken.
—Helpt toch kerels, donderde de burgervader, die ’t dwarse hinderde van die familie.
Piet schoot toe, en rukte z’n kermende moeder met ’r lèvend smartmasker, nu bewust, waarin zenuwdolle oogen licht vraten, van den Ouë af, geholpen door de agenten. Ouë Gerrit wist niet wat ie zag.
Hij had plots z’n vrouw op zich gevoeld, zonder ontroering voor haar stuipige herleving, maar in angst dat ze ’m bedrogen had; dat zij alles wist. Ze had z’n kop gezoend, betraand, z’n lokken en baard vastgehouen, maar hij had ’r met z’n ellebogen mee afgeweerd.. Z’n eigen schaamte en sidder voor de boeien was verschokt achter den angst voor haar stem, haar loopen, haar spreken en herkènnen;.. dat ze zeggen zou.. dat ie spullen had.. al voor jaren.—Nòu waa’s tie ’r tug bai....
In laatsten stamel van angst, half-verstikt stotterde ie uit:
—Goan weg waif! goan weg!.. jai weut d’r wie ’k bin.. sai is d’r daas, puur daas!
In hevigen worstel hadden de kerels vrouw Hassel neergebonkt op den stoel weer voor ’t raam. Met ’n smak leek ’r bewustzijn weg te dolen. Ze staarde weer suffig. Doorgroefd van stom lijden geelde ’r kop weer in ’t raamlicht. De kort-hevige zenuwkrizis was uitgebarsten, slonk. Op den stoel, zat weer ’t ouë vuile wijf, starend, zonder gedachte, zonder wil, met idioten schuwen angst in de doffe oogen.
Burgemeester, koel-deftig, vond ’t lastig, walgelijk volkje, beval hoog-officiëel den agenten te gaan. Ruw stieten ze den strompelenden Ouë Gerrit de deur uit op straat, waar ie van brullend knapengeschreeuw hoonend overstort werd.—
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Als ’n fel vuurtje, voortgeblazen en vervonkend rechts en links, door laster en konkelenden schrik, was de betrapping van Ouë Gerrit door Wiereland heengegaan. De tuinders keken elkaar aan in stomme ontzetting, halzige ontdaanheid. Niemand eerst die ’t gelooven wou, als ie Ouë Gerrit zelf niet tusschen de politiemannen geboeid had zien wegvoeren. Die brave ouë Blommepot! die d’r nooit dronk, nooit schold, met z’n ellendig wijf en woeste jongens.... ’t Was d’r puur ’n meroakel!—
De notabelen beplozen ’t gevalletje, weerden even ’t gemeen luchtje dat de diefstal zelf ròndspreidde, bejammerden ’t als uiting van geldnood en zorgen. De fotograaf werd nog al scherp aangekeken, omdat ie den boel zoo gauw had aangegeven. De tuinders zelf, half-vernield van zorg door den boonestorm, uitten zich kregel en smartelijk omdat de Ouë weggevoerd was. Guurt leek gek. D’r sekretarie-heertje keek ’r niet meer aan,—stel je voor, de dochter van ’n dief!—en maakte heele omwegen als ie ’r al van verre zag aankomen.—
Ze was radeloos van verzet en machteloosheid. Ze verbleekte, vermagerde in ’r teer gezicht van chagrijn. Ze had ’m laten schrijven, gepaaid, voor ’m gejammerd, maar ’t hielp niet; hij antwoordde niet eens. Op straat werd ze dikwijls nagejouwd door kereltjes.—
—Je foàder hep stole! jaù foader is d’r ’n laileke dief.... je broer is d’r ’n strooper.... je foàder ’n dief!
Dan wist ze niet waar zich te bergen. Om ’r vroegere trotschheid hadden de Wierelanders weinig meelij met ’r, ze vonden ’t wel wat onbarmhartig van ’t straattuig, maar verschamperden toch lachjes.—Vroegere verwaarloosde vrijers boerden ’r in ’t gezicht, hoonden ’r najouwend. Alleen Jan Grint bleef ’r brandend-jaloersch in stil-ziedende heetheid bestaren.
De boel thuis was al aan den paal geslagen. Alles genummerd, verzegeld, stond op punt van verkoop. D’r zou geen vijftig gulden voor de kerels overschieten.—
Met ’n buffeligen wrok, stom van nijd, en doorknauwd van ellende, hoek-lijnden de zwijgende barsche koppen op hùn werklooze lijven.—Ze zeien niks en deden niks, de knapen; slenterden rond, zonder land als verschoppelingen zoekend naar werk.—Pachtgrond was ook weg. Niemand van de landheeren die de jongens meer geven wou, en borgen maakten ommestraatjes, hielden zich niet thuis.
Overal stootten ze hun kop, om ouë Gerrits diefstal.—
Dirk sprak in ’t donkre huis,—waarin, buiten keldervuil, nu alles opgebroken stond en te kijk, tot zelfs ’n gekneusde mestwagen,—geen stom woord. Hij loerde alleen grimmig op Grint en Geert.—
In zijn kop kookte en suisde ’t van onuitgestorte woede, bruiste ’n passie van haat en vernielzucht, op alles wat ’m hinderde, den voet dwars zette. Hij had lust te trappen, te ranselen, omdat hij zich nu slachtoffer voelde van den Ouë. Hij vloekte ’m nog in z’n hok.—Had hij niet gestolen, dan zouen ze zeker nog wel ’n lapje grond gekregen hebben, zeker in pacht, al was de boel ook aan den paal. Maar nou was z’n vader ’n dief, ’n echte, gemeene dief, zoo maar in de gevangenis gesmakt.—Krengejochies gooiden ook hèm met steenen, scholden en sarden.... „je foader is ’n dief, je broertje ’n strooper!”
Hij zou ’r dol van worden; z’n moordlustige knuisten jeukten. En al de Grintjes schuwden ’m als de pest! Dat was ’t ergste van alles wèl. En wat nou met zich-zelf? Uìt z’n tochten naar de groote stad; ùit z’n lekkere zuip, z’n spelen; ùit eigen brok land.... Nou gekommandeerd als ’n hond, geen vijf minuten vrij voor je eigen, en den zoek op naar knechtswerk. ’t Loeide, donderde in ’m, de drift, de schuimende razernij. Als ’n dol dier kon ie overal in bijten.
’n Dag, vóór de verkooping, uit baloorigheid afslenterend van Kees, bij wien ie gehoord had dat Wimpie dien nacht gestorven was, liep ie Klaas Grint tegen ’t lijf, vlak op z’n erf. Klaas wou zich wegdraaien, z’n erfdeurtje insluipen, maar Dirk hield ’m barsch tegen.—
—Nee Kloas! soo komp jai d’r vàst nie van màin òf! pinkebul! denk kie daa’k ’n doodsbidder bin? jai hep main d’r fesoenlik en aa’s ’n kerel te woord stoàn hee en.... nou staik je de mal hee?
—Nou proàtjes legt d’r gain aiers,—ikke hep main tait nie veur ’t leussie en nie veur ’t malle!
—Daa’s net! moar ikke kom d’r om Gairt, sai is maìn maid!
Klaas sprong naar Dirk toe! Nou was ie geen gluiperige hielelikker meer; geen voorzichtige overweger van woorden. De vuisten kramp-hevig de lucht instootend, schreeuwde ie, met verwrongen mond:
—Da lieg jai!.. jouw maid! joùw maid! je mogt ’t wille! dâ sai op de kermis je fieselemie sien hep.. daa’s d’r stomme goeiighaid.. nou ka je ’r an de hiele blaffe.. joù maid! wâ pieterig bedunksel, daa’s malle!
Dirk voelde woede opwrokken, en heeter doorspoog ’m drift.
—Joa, maìn maid.. moak gain proatjes.. je weut dâ bestig! dá’ sai d’r jonk van main hep! Roep de maid.. sel je ’t hoore! Van main jonk! van màin.. van màin.. f’rstoàn!?—
Klaas Grint stond gebluft, grauw gemerkt van woede en geslagenheid. Wat? Wel had ie gehoord dat Geert zwanger van de kermis was thuisgekomen, maar hij dacht alleen, alléén van Willem Hassel. Daarom had ie ’r de deur niet uitgetrapt, omdat ze vanzelf nou wel met Hassel, die d’r bestig bij zat, zou trouwen. Geert had niet durven zeggen dat ze zich aan Dirk had overgeven, in ’n vreemden halfdronken zwijmel hèm juist. Nou kwam daar Dirk, die zag dat de meid ’m den rug toedraaide,—uit den mond van de zusjes al lang had gehoord dat ze met ’n kind van hèm zat,—nou kwam die vent hem in ’t gezicht spuwen. Maar de kerel loog, loog, zoo lang als ie leek.—Hij zou ’r doodschoppen z’n meid, als ’t waar was.—In razende drift holde ie wèg,.. ’t erf op.—Dirk achter z’n hielen aan.—
—Hier maide! hier Gairt, schreeuwde ie, hier hain! woar sit je? hier stoan je vraier! hier!
Klaas gilde heesch, holde in ’t gangetje naar Geert, die verschrikt op ’t erf kwam aanklomperen. Ze hartbonsde toen ze Dirk zag staan, zwijgend, uitdagend woest en grauwbleek, de handen stil in de klepzakken. Klaas stormde op ’r áán, pakte ’r in den nek, en sleurde ’r vóór Dirk.—
—Seg op maid! seg op! daa’k je te morsele hak! heb die skooier jou mit jonk sét? de soon van die vuile dief.... de Blommepot.
Geert beefde, snikte, kreunde wat woorden uit, de handen voor huiltronie geschuurd, trappelend op d’r klompen, als ’n angstdol driftig kind. Eindelijk uit d’r snikken, vergilde ze schorre klanken, de vingers tegen den mond òp:
—Ikke waa’s d’r dronke.. puur dronke.. da hebbe sai d’r daàn.. de maàne.. Moàr Willem weut d’r vàn.. enne hai naimt main tog! hai naimt.. main tog!
Dirk verbleekte grauwer. Z’n koeienoogen stonden rood, z’n kop dreigde, z’n nek vooruitgebogen met de stierige wreedheid van schoften, de chineezige kaken sidderend, keek ie ’r áán, z’n handen de klepzakken dieper inwoelend.—
—Jou gemain loeder! jou mestvarke! ikke hep je had! ikke! daa’s màin kind,.. daa’s màin kind! je bent d’r maìn waif! màin.. main màid.. màin.. màin!
Achter ’t erf uit, was vrouw Grint gehold, pas van de straat terug, en vlak met ’r zenuwvuist vóór Dirks gezicht, krijschte ze uitzinnig rauw:
—Wou jai màin dochter ’n gemaine noam gaife? jai sloddervos. Kaik na je loeder van ’n suster.. diefefemilje.. strooperskliek! galgebrok! wou jai.. wou jai.. uitvoagsel van Vainhuis!....
Ze barstte van nijd en verwoedheid, en in hevige zenuwdrift stootte ze Dirk d’r bonkende beverige vuist tegen de kaken, met nog ’n woesten stomp op z’n neus nà, dat ’t bloed spoot om z’n wang en mond. Maar Dirk, in stierige stille kracht, smakte ’r op zij, in één ruk tegen de straat, zonder verder naar vrouw Grint om te zien. ’t Wijf wou weer op ’m afspringen. Maar nu hield Klaas de zenuwtang in bedwang, voelend dat Dirk gelijk had, en blij dat Willem Geert toch nam.
Dirk bekeek Geert die d’r kop gebukt hield, handen voor ’t gezicht, in hevige schaamte. Hij keek, keek, bleèf kijken. Cor, Annie, Trijn, stonden te beven op ’t erf, want die wisten ook alles. En weer, in ontzettenden, uitbarstenden wrok liep Dirk op Geert af, schreeuwde rauw en heesch:
—Kaik, da kind is van maìn!.. main! je bin main waif! main!!.... Nou spuug ikke op je loeder; je bin minder aa’s ’n f’rot kreng!.. ik spuug op je!.. Seg daa’t an Willem!
Pal spoog ie ’r, tot twee maal op de handen, tusschen de kromme vingers, voor ’t gezicht gekneld, en Geert stond te duizelen van ellende en verbijstering. Haar lijf leek weg te zinken in ’n bevende kramp van schaamte.
Klaas stond verstomd in den schrik van ’t gehoorde. Maar rustig toch dat Willem Geert nam, rustig om de rijke vangst.
Dat gescharrel vond ie wel gemeen, maar ’t liep goed af, en daarom nou durfde ie Geert niks zeggen, geen woord.—
Met ’n zwaai van z’n barsch lijf schuurde Dirk, Klaas en Geert voorbij, in beef van minachting, en ruw, smeerde z’n morsige hand over z’n bloedneus en wang, dat z’n vingers als doopten in vermiljoen.
Vrouw Grint stond te klappertanden. Dirk waggelde ’t erf af, langs ’r, zonder dat ze ’n hand meer naar hem durfde uitsteken. Hassel zàg haar niet eens. Hij slingerde ’t pad op, stomdronken van wrok en haat, doorbrand van drift, die naar koeling zocht. Het huilde in z’n woeste driftige wrokborst, ’t steunde en kreunde in ’m, en z’n handen krampten van ziedende gift in z’n heete klepzakken.—
Stom liep ie op de Haven af, waar ie de eerste de beste kroeg instrompelde, neersmakte op ’n stoel. Daar bleef ie drinken tot donker, doodalleen.—
DERTIENDE HOOFDSTUK.
Gouden schijn brandde herfstig over Wiereland. Laatste Oktoberdag gloeide zacht, in wonder legende-rood; brooze zonnekoester, teer aanguldend ’t groen.—Akker-wijd, in de teere pracht van purper en fluweelkarmijn, oranje en wit, goudgeel en zwartrood van dahlia’s, doorwemelden de herfstbloemen de velden. En wijd-rondom, de zachte schitter en zilt-doorgeurde herfstlucht vlamde nog laat-zomersch áán, boven hel-rood kamgesidder van gladiolen en vurigen gloed van mombresia’s. De hemel blauwde rag en zacht, koesterend verstovend warmte-wasem.—
Op de bollenlanden, in frisschen omwoel van akkers, hurkten de rooiers en planters, in zwaar gebaar tegen ’t lage luchtblauw, met de felle blinking van hun schalen, den worp van hun bollen in gebukten mandsjouw, op gekromde ruggen, bezond in den fijnen teeren schitter van ’t licht.
Mestkarren van allen kant ratelbonkten over de paden, vergeurden hooizoet in de lucht, en de kaalgeplukte tuinderijen, met nog wat òpgroei van boerenkool, prij, biet en laat gewas, lagen rondom in groezelig geflakker van verlept groen, verstild en wijd in de herfstpracht.
Daar, achter de verdofte hagen, vèr, heel vèr, strekte de bronzing van omgespitte akkers, paarsig brons en terrakottig-warm in ’t weeke, fijne, glans-uitspinnende herfstlicht, zonnige aarde-glanzing, wisselend in de goudbruine stapeling van gevulde manden, omspeeld van ’t vlammige burrie-rood en den zilveren schalenfonkel.
Den laatsten Oktober draaide ’t weer. De gouden dagen, in braambrand van fijn-schitterende kleuren, uitvloeiend door boschjes, laantjes en tusschen boomen toovertinten van goudrood en goudbruin verspelend, vergleden tegen den stillen noen, in zilvering van zacht uitstroomend licht, levende wonderen wevend onder stammen en struiken.—
Regenbuien zongen, en alsof lichtzilver door de luchten heengespuid werd, zoo, grijs-fijn, in zilte pracht, dropen de dagen de hemelen uit.
De wolken zeilden en in trillend vocht glansde ’t land, tusschen den regen, strekten de akkers in zonnige borreling van licht volgestort.—
Zilverig geglans en nattig geglimmer overal op de bladeren; fijn gesproei van vocht tusschen den hoogen kleurgloei van boomen.—
In wonder ongedurig spel, na en onder elke bui, goudde hèl de herfstzon, in ’n zilveren lichtdamp, overstreelend de akkers met vloeiend goudlicht.—
De verhallende laantjes van Wiereland, volgemorst van goud-bruinen bladerval, doorflonkerden in hèlzonnigen toover tusschen en om de saffierige pracht van ’t àfstervende groen, zacht doorvlamd, nattig, en teer van gouden schijnsels omkranst.
Als spelonken waar doorheen spuide een fijn-ijle damp van goud en rood, zoo gloeilichtten zacht de laantjes en bosch-brokken in den sprook-zachten, vlamkleurigen knetter van herfstbrand.—Laantjes in goud-verven, als kapellen waar ’t heilige licht intrilde, waar één gouden droomesprook in zachtsten tintenschitter legendeerde. Laantjes in doorgloeid bruingoud en rood, in glansen òverstreeld van hel-meloengoud, trillend in ’n omvloeiing van magischen gloed. Laantjes in heilig rood; bladerenkransen in gloedbrons en kopering, en takgroepen in primitieve kleurselen oud-geel en purperig scharlaken, als op mantels van heiligen en bisschoppen.
En voòrop, in Wiereland-Duinkijk de beukenlaan, met hoogen omgloei en statigen trots van de aangevlamde kastanjeboomen, diep in ’t laanfond, in den groen-gouden en meloengeel uitbrandenden kleurgloei, verdaverend in pracht tegen ’t beuken-goudrood. En overal doorschemering tusschen het brandend getwijg, van zilverende luchtblauwing en buiige wolkvaarten.
Overal door Wiereland verklonk doodenzang van zomer; kweelden geluiden van vreemde vluchtende vogels; gromden gebroken en doffe rateling van karren op den goudrooden bladerig bemorsten grond; vochtigden de paden in donzigen weergloei van herfstpraal, schitterende regening en afzwier van boomblad, in kleurval nog brandend van heiligend licht.—
Over de verre akkers ging doffer werkgerucht, en de stil-gouden lanen en de rood-bebladerde wegjes, met slanke popels, fijn-herfstig en heimvol in ruisch, verzwierven land-stemmigen zang, klankbroos, zucht van legende, en druisch van stervend leven.—
En de paadjes overal, dwars, kronkelend rood, en geel bladerig doorwaaid, de laantjes goud, in wond’ren glans.
Als de zon, na zilverende regenspui kwam uitstralen, ging er één flonkering rond van goud-groen, nadruip van regenzilver; stonden er op d’aarde gestold in teed’ren herfstbrand, kristallen schalen, millioenen, waarin kleurige zonnedroppels lekten tot hoog bruisend spel van herfstig vuur; natbloemige flonker van pracht. En een kristallen liedje verzòng door de ruimte droppelenzang van licht op ’t regenzilver, zang op de zacht gloeiende dagen.
Rondom de bosschen, heel in ’t rond, goudde kastanjebrand, meloengeel, besidderd van licht, als gouden sneeuw over de groene nerven gesmolten en op de blâd’ren weer gestold in goud schitter-rijp. En ’t beukengeel, en purperig bisschoppig mysterie-rood, zong dwars door de goddelijk berijpte gouden sneeuw. En de hemel, in ’t fijne zilverende herfstlicht, spinragde uit, de gouden lichtwebben in den braambrand van herfsttoover.—
Voor de tuindershoeven hóóg, tot de lei-glanzende of rood-overmoste bedakingen, stengelden de zonnebloemen, zonnen met donk’re bronzige harten in den vlammenkrans van hun goud. Overal in Wiereland schoten ze òp, in den forschen trots van hun stengels en goudpraal, volgend ’t licht en inzuigend in de donkre harten. De abeelen op duinbrokken en bosschages, in hun sneeuwing en zilveren ritselgeblaâr, kwijnden verbleekt tusschen den roodgoud koperen gloei van lanen; langs wond’re kronkelwegjes, doorruld van rossig zand, waar droomrige stilte boven herfstbrandende kleur, te suizen en te wiegelen lag, te legendeeren en te zuchten op zang-zachte wind-vedels, goudtrillend besnaard met fonkel-teere herfstdraden.
En telkens, tusschen den lagen zwiephang van getwijg, dat te ijlen hing in koortsig koloriet; tusschen ’t donk’re weenende rood, beschaduwd purper van prelatenmantels, verborgen rood, al wisselend naar schitterig koperrood, in tempelige gloeipracht goudgeel oversneeuwd, meloenig-warm,—verfakkelde de helle vlamming van de lijsterbes, oranje-hoog tegen ’t luchtblauw, daverenden jubel.—
Heele boomgroepen stonden in bronsgroen en bruingoud, met de doffe pracht van verouderde kleuren, in brozen bloei verbleekt. Dan plots weer straalde de zon dóór, feller àchter zilveren wolkbuien uit. En als ’n overstormde stad, overstormd van kleurensneeuw, goochelde de dóórscheemrende ruimte van boschplekken òpen in koperen gloei; waar, òver blaren en twijgen, kruinen en stammen, ’t zonnelicht één sprook van wonderglansen tooverde; moorsch-tempelig, doorgloeiend de goud-gele sneeuw, het bevende rijp-schitterige kastanjegoud; in wijden takkenkring, den saffierig dooraderden bladertros doopend in citroengloed, dompelend in heet oranje.—Zoo, in één gisting van wonderlicht, satijnig en moireerend, hevig doortinteld en gazig, nevelzacht en beverig, even doorstreeld van wasemenden kleurfloers, soms hèl omschijnseld van vloeiend wijnrood, purper en groen, in herfstigen toover, groeide de stille dagbrand áán.—
Als ’n ondergraven stad overstormd, plots opgerezen uit aardediep, uit inkrustatie van oudheid, goud-purperde en brons-roodde de herfstbrand, laaiend door de bosschen, legenden verwevend van boom tot boom; zóó goudvuurden de paadjes en laantjes in de vrome stilte van hun gloed; de tinten rond de boomen er opgestoven, er tegen áángeademd, rag, broos, heel broos en poederfijn, als bloemen-mysterie op bevroren ruiten, in een wiegelenden schuchteren lijnengroei,—maar nù doorgloeid, doorvloeid, doorbrand in één kleur-vuur, alles er om áánlaaiend in magische fonkeling; brand van braambosschig rood, goud-geel, parkietig blauwgroen, en heet zilverend blankgeel. En al de laantjes in den herfstmiddag daar verdampend in zonnegoud, dat regende van de boomen, de roòde stammen en de teer-groene bemòste stammen. En al de herfstvochten verglanzend, verdampend onder ’t groen-gouden licht van zonnezink, in tooverenden schitter, tusschen den kleurgloei van twijgen.—
In de middagen spuide er tusschen de laantjes aquariumlicht, waarin ’t wemelde van goud-rood fluweel.—Rood fluweel van goudvischjes, in ’t schichtig lichtende vloeigroen van zeewater, doorschijnend, doorneveld van mysterische glansen. En de roode, de goud-bruine en geel-bronzen bladeren trilden er in dàt wondere licht bij zonnezink,—dwars door den boomenkleurbrand heenschietend,—als fluweelen kleurvinnen van áánlichtende goudvischjes, purperigen kleurdauw over de herfst-vlammen plengend.
En nòg later, bij zonnedaal, de herfstdraden in dwarse fonkeling van licht, elektriseerden als trillende spinrag, goud-roode webben, doordanst van zwevenden zonnestof.—Door de herfst-zonnige dalende luchten, vluchten pluimige flamingo’s, wolkvogels in draf, met vurige vleugels, rood klapwiekend door ’t ruim in waaierigen dans, al bleeker verpurperend in de avondvaalte; als daar zonk, de fijne herfstavond, met nagloed van rooden windhemel.—Dan rankten de slanke ruisch-popels wondergroot tegen de verduisterend roode herfstlucht, fantomig, en heimweeênd kruinsuisel in zange-wieg en duisteren fluister verruischend.—
Overal op de akkers, klauterden in de geschonden oofttuinen en goud-dampende hofjes, de tuinders-jochies in de vruchtboomen, hun kieltjes heet-blauwig tusschen ’t appelenpurper en perenbrons. Wonder-stil tegen den avond, wonder stil en roerloos in goddelijken bloei, verkleurden de vruchtenhofjes in den gouden doop van zonnedaal. En onder de doorgloeide dahlia-akkers ging rond dan in farandole, ’n fonkelende dans van gouden, rooden en purperen lantaarntjes, zonnig geschitter van wiegelend gebloemte in zachten windekezwier; verschuifelend schijnsel, in wiegel van glansen, donkerig gepraaid door den naderenden herfstnacht.—
II.
Plots was November in storm en hagelslag aangestormd. Als ’n wilde loei tikkerde en snerpte ’t witte gehagel over de herfstpracht van goud-purperen Oktober.—Gouden vedels, hoog gehangen tusschen den oktoberschen boomengloei, klaagden nù smartelijk wee uit, wind-vedels in grijs-grauwe lucht, verklagend druilende herfstmelancholie.—
In stroomregen, onder donkere lucht, werkten ze op ’t land, waar de wind raasde en bulderde en de boomen rondom van de lanen, in loeienden schrei takzwiepten en golfdruischten, als ’n weenende zee.—
Dirk en Piet hadden met moeite werk gekregen op bollenland bij ’n grooten kweeker, die de kerels alleen nam om hun pootigheid, stierige werkkracht, en zich niet stoorde aan de steelderij van Ouën Gerrit.—
Te spitten, diep in z’n hei, stond Dirk weer, en Bolk, de kromme dwerg-kerel, ’n endje verder schoot òver.—Z’n verwrongen korpusje, verwaaid in den gierenden hagelslag, stond stram tegen den loeiwind in, als had ie moeite zich op z’n korte beentjes staande te houden. Z’n gebarsten huid, over den kop, glansde van nattigheid, en telkens spoog ie, in zware zucht zand-scheppend en rondstrooiend over de bedden, bij elken nieuwen steek, bruin speekselsap van z’n pruim in de geteisterde handen.—
Piet rooide achter ’m, geknield, den scheef-grimmigen kop, overhageld van neerstroomende buien.—
Dirk zakte al dieper in z’n heikuil, de oogen èven boven den zand-rand. Telkens uithijgend, keek ie koeiig-loom de vaal-grauwe akkers òver, die eindloos droefden onder de lage lucht, scheemrig grauwden onder onrustige wolkenjacht.
Tegen donker werd er gestopt; stapte Piet naar Dirk, liepen ze, stom naast elkaar ’n havenkroeg in.
Bij Pijler, waar de blonde meid van Rink uit den polder, woonde, zopen ze zich zat, doorhuiverd van landguurte.
’n Week na den dood van Wimpie hadden ze daar plòts Kees ontmoet, met, van magerte verminkte tronie, slapwangig, fletse, moedelooze oogen, verbleekt, en beenig-verzwakt z’n scherpe kop.—Z’n reuzig lijf ging krommig als van ouën Gerrit, en hij zóóp, zóóp op den reutel, achter een, zonder ooit ’n woord te spreken.—
Wat óm en in hem gebeurd was, begreep ie zelf niet goed. Hij wist alleen dat hij, op ’n avond thuisstrompelend van ’n dag werk, in z’n donker krot, biddende wijven had zien staan, toen hij instapte. En daarna Ant, in snikkende huilkramp voor ’t lijkje van Wimpie; om ’r heen, de doodstille staar en angstige ontdaanheid van den kinderkring.—
In dollen schrik, die ’m deed waggelen, was ie dwars door de opschrikkende huilende wijven en wat kerels, naar de plek gesprongen, midden in de kamer op de tafel, waar Wimpie te kijk strekte, omschemerd van kaarslicht, naast ’t krucifix.—Op z’n doodsbed lag ie daar, ’t paarse kopje in den wasschemer, op wat kussens, strak, onkenbaar ingezonken, met smartelijntjes om mond en neus.—
De buurvrouwen en biddende kerels lagen om ’m geknield; stapten telkens naar ’t doodsbed, lichtten ’t laken van ’m af, en bestaarden ’t doode manneke.—Rozekransgemurmel en litanieën verklonken luid, en stemmen dreunden òm hem. Maar hij in schrik lam en wezenloos. En telkens, bij ’t weggaan van wat biddende wijven, zag ie hun, met ’n palmtakje uit ’n glas, wat wijwater plengen op ’t lijkje. In ’t eerste uur had ie niet meer kunnen kijken, hoorde ie de vlijmende snikken van Ant, die in ’t achterend zat weggedoken, stom; zag ie, in opdringerige felheid, z’n halfblinde schoonmoeder schuifelen tusschen de biddende buurvrouwen.—Laat in den avond was ie wat bijgeleefd uit z’n schrik-verstomming, durfde ie ook weer even kijken naar ’t doodenkopje.—
Maar inééns was er ’n angst, ’n stilte in z’n ziel neergeduizeld, die ’m deed huiveren. Hij voelde vrèès, vrees voor alles. Hij had wèl gevoeld, dat komen ging, wat nu gebeurde.—Drie nachten vóór z’n dood was Wimpie al hèèl benauwd geweest. Voor niets ter wereld was Kees van z’n bedje geweken. Op den dag niet en ’s nachts niet, juist nou ie toch werkeloos bleef.—Toen, op ’n Dinsdagochtend, na ’n onrustigen nacht, was Wimpie tegen den morgen ingeslapen en fluisterde Kees, roerloos aan ’t bedje, tegen Ant, dat zij de kinderen koest had te houden.—Zachtvredig sliep ’t vrome kindeke. Tegen elf uur was ’r ’n boodschap van Breugel dat Kees kòn spitten vandaag als ie wou.—Bang keek ie z’n vrouw áán. Dat was ’n dagloon. Zou ie? ze knikte stom, nijdig, en hij ging, wetend met donker toch weer thuis te zijn van ’t avondland.
Dien middag ’t huis weer instappend, z’n hoofd vol van de praatjes, die ie had moeten aanhooren over Ouën Gerrit,—toèn nèt gesnapt,—zag ie de wijvengestalten, donkerig in zijn duister krot, kreeg ie ’n ontzettenden angstschok... kaarslicht aan ’t hoofd van Wimpie... Z’n ventje doòd!.. zonder dat ie ’t nog ééns wakker gezien, gesproken had.
Hij had ’t besef niet te vragen, waarom ze ’m niet even had laten roepen, want er was plots huiverende angst in ’m voor alles. Wàt zouen ze ’t kind van zijn vader gezegd hebben vóór ie gestorven was? Dat bangde nog in ’m. Hij voelde ’n sombere inzinking van al z’n energie, ’n val van al z’n driften, ’n tuimel van z’n haat tegen priesters, z’n wijf, z’n schoonmoêr.—
Hij was geslagen, gebroken, en z’n getrapt leven leek ’m ’n walg, ’n ontzettende ellende.—Z’n vrouw keek ie niet áán, hòòrde ie niet meer.—Z’n schoonmoeder knoeide en klieterde om ’m heen, met ’r blinden schuifel van voeten en omtasting van d’r vooruitgestoken armen, maar Kees zag en hòòrde niet. De Ouë Rams bleef rochelen en vlijmig hoesten; hij hòòrde niet......
Wimpie was begraven, van hèm weg. Hij zag z’n bleek kopje niet, en z’n oogen uit ’t donker hoekje hielden ’m niet meer in bedwang. Wimpies neuriënd stemmetje klonk niet meer, nòu zèlfs niet z’n gebedjes, zacht en vroom.—
Er was ’n grimmige knagende stilte in ’t armoekrot, ’n benauwende leegte die ’m deed weghollen naar de kroeg.—
Hij slenterde weer werkeloos rond, en niks kon ’m meer schelen, niks. Hij zòcht niet naar nieuwen arbeid. Hij zou zuipen, zuipen, telkens zich verhittend en verstillend dan ’n beetje ’t geknaag in ’m, van iets dat op smart leek. Hij zou soms hebben willen uitsnikken, alleen als ie dronk, in stilte, bij ’t naar huis gaan, langs ’t leeggrauwende duinpad.—
Dan snikte z’n reuzige borst, en z’n vuisten krampten van stom ellendegevoel. Drift kende ie niet meer. Z’n woeste ransellust was wèg. Al de makkers nou in de kroeg, beschouer-bonkten den gevaarlijken strooper. Ze omdrongen ’m met vragen, waarom ie niet meer stroopte, of ie z’n „skot” kwijt was, maar hij stotterde wat, hield traag z’n schouders òp, en bestelde met doffe loeiende stem, nieuwen borrel.—
Hij voelde zich geschonden, geslagen, als ’n kerel die met spithouweel, ’n slag op z’n hersenpan had neergemokerd gekregen. Hij voelde zich kindsch, benauwd, zonder drift, zonder verzet, bang, lusteloos, in hevigen hartstocht alleen voor den zuip.
Dàn had ie Wimpie náást, bij zich, bromde ie in zich zelf, kwam er ’n lach op z’n mond, en scherpte z’n kop weer, guitigden z’n oogen.
Ze begrepen er niets van, de tuinders en werkers. Eerst hadden ze barren angst voor ’m gehad, nou begonnen ze al met ’m te dollen.. of hij d’r ook mit z’n vader ’n „soamespulletje” had gemaakt, en nou berouw had dat den Ouë alleen bromde in den krentetuin? Ze dolden en lolden met ’m, zonder dat ie ’n vin verroerde.
En brutaler werden de kerels. Want ze voelden z’n verslapping, z’n in-zich-zelf zot gegrinnik als verzwakking. Ze begrepen niet waarom ze ooit bang voor dien mallen vent konden geweest zijn, al was ie sterk. Voor dien kerel, nou elken avond en elken dag zich volzuipend en dan opstappend, in stomdronken waggel, nòg stiller dan ie ingezwaaid was.
Zoo, beschonken, strompelde ie op ’n laten Novemberavond z’n krot op ’t pad in, loom en sullig-zwaar zich neerschooierend op ’n beplankt oud waschstel.
Ant braakte woede uit, dat ie zóó schaamteloos zoop.—
En opgestookt in hellehaat door d’r moeder, schold ze Kees de huid vol.—
Tergend vroeg vrouw Rams of zij nòu niet altijd de waarheid had gesproken. Haar man was ’n zuipert, ’n vuilik, ’n dief, „zoo goed aa’s hullie foàr!”—
Dat maakte Ant kokend, kokend van woede, afschuw en haat.—
In ’t lage krot knaagde weer naderende winter-ellende; kniesde de gore rommel op den steenen bevuilden vloer; en de kinders hoopten bijéén, als voddige morsstapeltjes. Ant had van de fabriek snijboonen kunnen krijgen om àf te halen, maar de chef had geweigerd, omdat ’r man zoo zoop, en er nijdig bijgesnauwd.... of d’r nie g’nog schande was in de diefefemilje van Hassel. Dat giftte nou in ’r, en ze zou ’t den smeerlap toeschreeuwen pal in z’n snuit.—
—Suiplap, fuilik! aa’s wai d’r f’rhongere.. is vast jou skuld! ketter!.. feullak.... nou mis ’k main boone afhoale.. deur jou loremstraike. En Dientje skraiwe hullie weg.. deur jou.... Nou breng jai d’r onster aldegoàr in ’t ongeluk! Skooiert! skurk!.. jai bint krankjorum!
Ant gilde, sloeg met ’r armen door ’t krot, helleveegachtig dat de kinders ontsteld wegkropen, en Dientje begon te huilen. Ant’s mager, van zorg vervreten gezicht stond vaal-grauw en ’r mond schokte en hortte de woorden uit, in stuipige zieding van woedegebaren.—
Maar Kees hoorde half, begreep er niks van, dommelde voort in ronkerige pafheid. Dat maakte ’r nog woedender. Ze wond zich òp, vloekte, raasde, en bonkte ’r twee vuisten op de tafel, dat de losse planken er van de hoogte inwipten! Ze sputterde, spoog in ’n wolk van gift, haar woedewoorden uit. Nou had ze d’r Wimpie niet meer te ontzien.—Ze kòn niet begrijpen dat Kees pas zoo ingezonken was nà Wimpies dood. Want Wimpie was nou tòch in zijn geluksstaat. Ze had er eerst zelf ook martelende stomme smart van gehad, maar de Heer had ’m tot zich genomen, en daarin most zij berusten. En nou was ’t wurm tenminste uit den duivelsban van z’n vader. Nou, dacht ze, zou Wimpie z’n vader pas zien, hòe hij den boel verzoop. Nou zou ’t kind ’m toch verafschuwen, haten en vervloeken, zooals het toch op aarde óók had gewild, wanneer hij maar niet in den ban van den duivel was gezeten.
Zoo vatte ze van Kees’ inzinking en verdroefde baloorigheid niets; niets van z’n verstomde verbijstering en geschondenheid, omdat ze dacht, dat hij òòk ’t voortbestaan in den hemel, hoe ook verketterd, van Wimpie vóór zich zag.—
En ze haatte Kees erger dan ooit, haatte ’m in furie van geloof; geloof dat met Wimpies dood, nog heviger ’r doorgloeide, als ’t eenig ware.—
Haar moeder drentelde rond op ’t achterend, hoorde Ant hellevegend krijschen en vloeken in toornenden woordenhuil.—Ze zegende ’r kind, dat ze zóó heftig in verzet kwam tegen dien dief en moordenaar, dien kètter, dien schobbejak. En ze schoof dichter bij ’t voorkrot, om nog beter te hooren. Want meeschelden, durfde ze niet, altijd uit ontzettenden angst nog voor z’n moordend groot reuzelijf en knuisten. Maar ze had ’n blaadje van ’m gelicht, bij ieder in de buurt, door heel Wiereland. Ze had rondgebazuind, al de streken van dien dronken „moordenaar” zooals ze ’m bij vreemden altijd noemde.
Ant hurriede door, schimde òp in ’t goudgeel lampjesschijnsel, donkerde weer weg achter ouë Rams, die krom-verkort, voor de schouw blokte.—Onder ’t opruimen schreeuwde ze, bukkend en voortscharrelend:
—Skorumsooi! wou jai, dâ wai ook de krentetuin ingonge.. aa’s je kettersche fòar! godskimpers! gaif hier... de sinte! daa’s d’r veur twoalif koppe, twoalef monde.. jai f’rsuipt ons fraite! hier, gedrocht: de sinte! De sinte! màin sinte!
Kees bleef ingezakt zitten, in tragen dommel, hoorde den krijsch van Ant, zonder ’n woord tegen te zeggen. Soms grinnikte ie even zòt, keek dan weer lummelig, liet ie z’n kop op de borst hangen.—
Ant wier doller nou ie niks tegen zei.
Dat kòn ze niet dulden. Nou moèst z’m raken, ze moest ’m zien opduivelen van gift, dien vuilik! En voortratelde ze in vloekhoos.
—F’rdomme! wou jai d’r ònster f’rmoorde.... soo aa’s je màin Wimpie f’rmoord hep! hee?
Kees, plots beefde op z’n stoel. Grauw in lampschuwen schijn, zonk er sidder in z’n wangen. In heel zijn ronkigen romp kwam beroering. Een suizel zwirrelde door z’n kop. In ’n nevel van roode, moordende woestheid en drift, tastte ie rond.—Z’n lijf rees van de waskruk reuzig òp, onder de lage bebalking. Z’n oogen stonden gespalkt. Hij sidderde. Vrouw Rams was Ant opzijgetast en de kinders kropen voor ’t leege bedje waar Wimpie had geslapen bijeen, in instinkt om bescherming. Alleen Dientje stond achter ’r moeder in kindergekerm te trekken aan ’r plunje, voelend wat ’r opstormen ging. Maar Ant zag niets, stemkraste dóór, in wild venijn en woedetoorn, nog eens en nòg eens.
—Ketter.... Moordenoar van Wimpie! hep jai Wimpie d’r nie loate f’rhongere.... en....
Maar ze kon niet uitspreken. In hevigen schrik was Kees ontnuchterd.... hoorde ie daar wat z’n waif zei?.. hoorde ie niet den naam van Wimpie?.. sain jonge.. sain jonge! Wat? Wat? hai hài.. Wimpie f’rmoord.. hai?.. sei ze ’t doar nie weer?.. Nou suisde z’n kop vol bloed. Z’n oogen liepen rood, hij keek weer door ’n bloednevel en in ouë kracht sprong ie met z’n vuist mokerend vooruit, tastend in zwaai, de plek waar Ant stond te krijschen.—
’n Geweldige uitstorting van haat, woede en wrok barstte los. Hij voelde zich omklemd door ’t oude wijf, door Dientje. Maar met éen duw morzelde hij ze opzij, dat ze waggelden naar achter. Stemmengegil van kinders, bijeengehoopt voor ’t leege donkerende ledikantje rauwde òp, maar hij alléén zag z’n wijf, hoorde haàr stem, en in ontzettende wraakpassie, in vernielende krachthengst mokerde ie z’n vuist op d’r vale schuw-begeelde tronie, twee, drie maal, dat z’n handen in haar gebit vastscheurden en ’t bloed uit Ant’s mond stroomde.—
Met den derden slag lag ze op de steenen, Kees in drift struikelde dwars over haar kermende borst heen.
Ouë vrouw Rams gilde op ’t erf, aan de deur!
—Moord.... moord! de Strooper f’rmoordt sain waif! moord moo-oord!
De kinders gilden en schreiden bang achter ’r áán.
Plots was ouë Rams van z’n stoel gestrompeld, en smakte z’n wijf de kamer in. Hij mummelde z’n „swaineboel” uit, en keek in den wiegel-schijn van de lamp,—die Kees met z’n lijf voorbijscheerend ’n knauw gegeven had,—naar z’n dochter.
—Hou jai je bèk krèng! snauwde ie vrouw Rams toe, die sidderend naar de deur zocht, kromarmig vooruittastend, in angst, als ’n rat naar gat in ’n straatgoot.—
Kees was over z’n vrouw heen weer op de been gewaggeld, z’n krampig bebloede vuist in den mond. Ant lag stom, voor dood.—
Er stolde schrik in ’t krot en de lamp schommelde goren schijn àf. Schaduwvaalte spookte over de vervreten kniezende armoezooi van wat gehavende stoelen en de morsige tafel. Silhouetjes van kinderkopjes schimden heen en weer in lampenwiegel op den vuilsteenen muur. En de kleintjes groepten weer samen in ’t hoekje bij ’t ledekant waar Wimpie altijd gelegen had en waar boven nù ontzette stilte aangroeide.
Kees, ontnuchterd in schrikkelijke bleekheid, niet omkijkend naar z’n wijf, was rugkrommig ’t pad opgestápt, met woesten klank van z’n vrouw’s stem nog in de ooren.... jai... jai... moordenoar van Wimpie. Daar, ver op ’t duistere pad, snikte ie uit, een razende bui van droefenis, in ’t donkere duin, zich voelend, vernield, gebroken, ’t leven in hem weggetrapt, voor eeuwig.—
III.
Ant schaamde zich voor Kees, na haar wraak die ze op hem in ’r drift genomen had. De neermokering had ze van hèm verwacht, deed ’r beter dan z’n akelig stommetje spelen. Ze was flauw gevallen. De halve kinnebak was ’r platgeslagen. Ze had dagen van braak-weeê pijn en ellende. Maar ze klaagde en schold niet meer. Al kwam ie ook iederen avond dronken thuis, ze zei geen enkel verwijt. Flauw begon ze iets te beseffen van zijn martelingen. Kees was nog stiller dan ooit. Soms sprak ze ’t hoog-noodige tegen hem, met onderdanige stem. Maar ook dàt hoorde Kees niet meèr.
Hij voelde zich schuchter, verbangd voor alles. Als ie dacht aan nachtstroopen begon ie te rillen. Geen geweer nam ie meer in z’n handen. Dag op dag zwaaide ie in de kroeg, na soms ’n paar uur spitwerk. Gretig nam ie alle traktementjes, borrels van de dollende kameraden aan, die ’m wouên laten konkelen van al z’n stroopavontuurtjes. Maar hij zoop, zoop, zwijgend, verbraste geen stom woord.
Ouë vrouw Rams strooide overal rond dat ie z’n wijf wilde vermoorden, en heel Wiereland wist dat ie Ant de kaak had ingeslagen, ze doodgebloed zou hebben als ouë Rams, die anders nooit van z’n schouw kwam, ’r niet met water gewasschen en verbonden had.
Dat was ’n nieuwtje in de kroeg. Nou kenden ze hem wéér.. de kaak ingescheurd, z’n wijf bijna verbrijzeld. Ze voelden wel dat ie ’n halve moordenaar was, dat hij eigenlijk in de kast moest inplaats van den ouën Gerrit, want die had alléén uit dolle zorgen gestolen.—
Ze dachten dat Kees nog wel eens ’n griezeligen uitval zou doen, nou ie zoop als de ergste onder hen; Kees de Strooper, iederen dag zwaaiend door de straatjes, gesteenigd door straattuig, beschald en verschooierd; Kees, dien ze nooit nog dronken hadden gezien. Ze dolden den Strooper over z’n wijf, maar hij blééf stom, smoordronken in wrokkigen zwijg.—
Einde November, op ’n grauwen ochtend dat ’r jammer van vale droefheid over de akkers triestte, en de regen neerstriemde in kletter, liep Kees voorbij de verstorven herfstvelden, eindloos-droef onder den laag-doorgrauwden hemeldruil.
Als ’n verschoppeling liep ie ’n pad af, z’n huis voorbij met ’n smart-knagend wee, eindeloos van angstige gejaagdheid, in ontzette vereenzaming van leven, niet wetend waarheen.—Z’n rotte natte plunje verzweette regenstank om z’n lijf. Hij voelde zich bang voor de nachten, die komen gingen, in diepe aanstarende donkering. Hij voelde zich bang; verlangde in schreiend heimwee naar den dood, of naar den heeten zuip die z’n brein verbrandde, z’n hartzeer verdoofde, z’n denken aan z’n jongen gloeiend verwarmde. Twee kerels slungelend langs den weg, wouên ’m vroeg al in den morgen meetronen naar de kroeg. Wat deed ie daar suf te mummelen, alsof ie ’n tik op z’n hersens had gekregen.. luilakken in den regen. Hij weigerde; straks zou ie ’r zijn. En de kerels begrepen maar niet waarom ie eerst nooit gezopen had, en nou z’n neus verfde, erger dan een van hen allen.—
Om Wiereland droefden de akkers weer grauw en stil in de late herfstsombering. Op ’t grondbrok van ouë Gerrit stond Bolk bij ’n nieuwen baas te spitten, twee steek, en heel tegen den verren horizon, in mistige bronzing van ’t bollenland, de stomme silhouetten van Dirk en Piet.—
In grauwige somb’ring druilden de bosschages, en windruisch huiverbleekte achter boomen en laantjes. Leeggedroefd in de wintering kniesden kaal-wijd weer de velden; stille werkers zwoegden op ’t aardeland. Schemer regende, vertriestte over hun bukkende en verdonkerende gestalten.
En wijd-rondomme, eindelooze herfstweedom van ’t land zonk uit, verdempend geruchten, in donkerende verstilling van leven.—
EINDE.