Menschenwee (part 2 of 3)
Héél-stille groene hoeken, stil van sappige moestuinteelt, in Meizoeten toon, aan greppels en beekoevertjes, in lentepraal volgestrooid met druipglanzende boterbloempjes, omzoend van onschuld-madeliefjes met d’r gele koontjes, naïeve kijkertjes, halsjes-rekkend uit ’t malsche grasgroen, tusschen de fijn geschulpte akkerhoorn,—heel die stille hoekjes, teer wit, broos wit, sneeuwspatjes rond gouên vonken in ’t klare groen,—lagen plots verdrongen door vlammenbrand van tulpen, helsch-hevig en schroeiblakerend, als levende kleurkreet; vermiljoen, daar aangeblazen tot hellevuur in kelken, vlammen die in wondren brand, zichzelf styleerden in levend spel van vonklijnen, uitlekten en rank weer òpgroeiden tot flonkerende wijnschalen, op blauw-waas van loof, grijs-zacht bedauwd. Heel de bosschage, duin-woest, op hooge glooiingen uitgegroeid boomgroen, wild hakhout, met z’n sier van roze en witte koekoek, z’n blanke lafenis van vloeiend vogelenmelk, z’n slanke waterster,—lag daar, als weggeslagen en verdoft achter de kleurkreten der tulpen. Tulpen van spattend vuur, kelken wijd-open, waar invloeide schuimende zomer-wijn, borrelde bruisend in de roemers, boordevol geschonken, dat de zonnedrank als lichtvocht er droop over de kelkranden.
En vlak daarnaast, erover, ertusschen, duizelden kleurgamma’s van hoog goudgeel, en goud-gloeiende honigkelken, die bruisten en vonkten, vlak tegen het rooie tulpenvuur, in rondsidderenden, zengenden gang langs den grond. En verder, weer akkers, vol donkerend tulpenpurper, als in verdoofden zwijmel uitgedroesemd, met enkele schalen slank er boven uit, stengelende, lichtende kelken, er nog tusschen, als schitterende roemers, hoog geheven in het laaiende licht, dat er bruisend in vervonkte en spatte als schuimende zonnewijn. En rond daarom weer, als nooit eindigende zee, aangolving van nog donkerder kelken, rood doordauwde tulpen, wazig geplooid in half uitknoppende bloem, waar al driftig het zonnegoud tegen opspatte, de beschulpte randjes verterend in gloed.—Daarachter weer koraal-rood gevlam, met ertegen opgedrongen, diep gele en witte lawines van lichtende, luiende kleurklokken.... En heel apart, als vreemde, zoetste, tooverende akkersier, in geheim-zachten geur, die er boven bleef drijven als nevel, tulpen van teederst zangerig lila. Kelken, uitgeschulpt in ’t fijnste rose, blankig doorroomd. Kelken, hoog en groot, als omblazen in waas van venetiaansch glas, met rond-dwalende weerschijnen, besluierd teer-blauw, en roze-rood hier, wazig en blank purper daàr, fijn gebogen in stengelsier. Ver van het helsche demonenrood, het gillende vuur, waarin het licht gepijnigd bruiste, dìe akkers met hun teeren kelkenbouw, uitgegroeid als glanzig uitwaaierend spel van venetiaansche roemers, doorwaasd in kleurmist. Koel en toch vonkend, broos, teeder en toch rank-sterk, zonder brio-brand, doorgeurd en zwemmend onder den nevel van hun eigen zoetsten gouden honinggeur, als temperend de ijlende lichtkoorts van de rondomme vlammen-akkers.—
En vreemd, in ’t lage land, met z’n vochtdamp en prachtig mistend lichtzilver, gloeide daar overal van tulpen, rooie, gele, paarse brand; kleuraangolving van narcissen en hyacinten, zònder oplossing in ’t lichtende, heldere schitter-innige weigroen, en de goud doordampte stille achtergronden van vervlakt duin, zònder rust in ’t avondnevelige waterland, met z’n goudvocht en trillende vloersen.—
Als was daverende stoet Oosterlingen neergestort en verpulverd op de lage landen, als had titanische vulkaan-ruk één heet kleur-doordoopt brok zuideraarde uitgeslingerd en weggespoten, midden in den verbluften Hollandschen Mei, met z’n malsche wei-groening en grazige zoetheid, zoo onopgelost bleven daar gloeien de bollenakkers, helsch opengebarsten brand, uit eerst koesterend groen van prachtig sierloof.
II.
In festoenen hing zoo de Meidag te tooveren, was wintergrauw in Wiereland weggezakt, goudde ’t licht, schooner soms waar geen bollenakkers te koortsen geurden, in de tuinen, op stille laantjes en paadjes; lichtgesprenkel van zon, splinterend rond drommen, goudgroen boomblaar. Omjubeld van licht en kleur stonden de landwerkers in den Meidag, in pracht van werkgebaar, op de groene akkers, warm-rood en blauw bekield, in ’t opene zonneveld of kleurschemerend tusschen rijzenpaadjes.
Plots kwam Meimaand weifelen, verstierf de goudpracht van de jubelende dagen. Als in zatten wellust leien de bollenakkers elken dag weer hun geuren uit te hijgen, tusschen het geploeter der kerels, die niets meer zagen van kleurpracht rondom. Plots was daar, dampige horizon aangewaasd, wuifden wolkenslierten als reuzige veeren, berkenzilverend den hemel door, trok grijzig luchtspel uit zee áán. ’t Groen dreef in tintige wazen, en Hollandsch-ijl, dampte er weer gebroken licht door ’t landschap.
De kleurlyriek van Mei donkerde àl zwaarder weg, achter luchtgrauw en zilverende gevaarten. Hengelaars, éven achter Wierelandsch haventje, in polderbegin, stonden onrustig aan de rustieke weidammetjes in ’t watervlak te turen, dat soms schitterspatte, zilvervloeiend en rimpelend, of stug terugkaatste wolkdreigende regenlucht, ontzaglijk welvend over polderruimte, waar het stille zilte licht, wijd-neergeplast, nattig glansde over veld en wei. ’s Avonds vooral, lei Wierelandsche polder, stil en oneindig, steeg er dampige watergeur uit de kronkelende plassen, soms éven lichtelijk doortint van avondrood, ging er koele rietfluister langs slootjes en kwaakte er stijgende kikkerzang uit de droomerige, innige oevertjes. Vochtig en doorzilverd wasemden de dagen daar uit. Soms droef plots, in ’t verguurde weer, eenzaamden boven fort en dijken, vage kerktorentjes, als violette puntjes op horizonrond. En zacht, in wissel-licht, schemerden de avonden weer aan, ruischte en fonteinde ’t riet, teer en geheimvol, als fluisterend van nog komende zoete Mei-verlangens; doofde droomerig, op kleine sloepjes en schuitjes, weggegroend tusschen slootkantjes en pluimriet, de kleuren en tinten stil uit. En áánwieken kwam in breede zeilvlucht en zwier, ’n ooievaar door de eenzaame polderlucht, steeg aan anderen kant òp, van donkerende weivlakte, klein leeuwerikbeestje, uitparelend hóóg, zoeten zang, als gewiegde toontjes van fluitlied, stijgend in jubel, doorslierd van zilveren klankjes, tègen het late wolkenspel in, al hooger zwevend tusschen oneindigheid van donkerend weigroen en wijd-eenzame avondlucht.
Er ging gemor onder de tuinders van Wiereland en omtrek. Snerpende vorst hield ’s nachts aan. Wat jonge groente stond gelig, blad-verdord, doorspoeld van regen en ’s nachts vroren fijne vruchtbloesems dood. Schade, schade van allen kant. Nergens meer schoot ’t gewas de aarde uit. Alles klefde en modderde vuil. Overal was geloer van angstige tuinderskoppen naar den grond, op de bedden, angstig gekijk naar onheil en schade. ’t Weer bleef dreigen kil, en windguurte vlijmde langs de akkers, de kerels in ’t gezicht, dat hun handen soms krampten in kou-onmacht.
—Da sel main ’n loatertje worre, gromden ze tegen elkaar, in nood voor hun oogst. Mee klaagden de kweekers, die bang waren voor hun bollen.
Aan Duinkijk, naar zee, stond ’n groepje tuinders te praten, met één kerel op den akker.
—Daa’s puur bot afspronge van alle weer, zei dof ’n lange uit ’t stoetje.
—Daa’s net, de vorst hep hier huishoue.... kaik t’met alle blommetjes dood op die oarbai-bedde.... en kaik die frambose.... die appele!.... die pruime!.... kaik kaik! die peere! d’r is kwoalik veur vier duite meer àn!
Stil liep ’t stoetje door, bleef de werker op z’n akkers, zorgelijk turend naar z’n bedden en vruchtboomen.
Dagen op dagen bleef regen drenken en vorst door de aarde killen, vunsde er vocht uit regengrond, dampig en nattig. Onrustig joegen de tuinders elkaar òp in hun verborgen angst. Dat was nog nooit gezien, zoo slechte maand.
Toen plots, sloeg Meiweer òm, kwam goudpracht weer lichten in goudgroenen gloed over het volgedromde boomenstedeke en dorp.—Heel vroeg in de ochtenden, blankte en purperde de bloesempracht van vruchtboomen weer, als nooit te voren.
Uit de beukenlaan liep ’n lange, magere tuinder met de zeis op den rug, zilveren bliksems vlijmend en flitsend boven z’n hoofd, als zenboom bewoog op z’n krommige schouers. Achter dichtgegroeide, begroende rijzenlaantjes met erwten, op de akkers, klonk klare mannestem, zangerig en diep, in de hooge gouen lichtglorie en morgenblauwte, tusschen zang van kerse-diefjes, alt-volle melodiëerende merels en nachtegaalslag, schuchter, toch vloeiend. Eén wild getjirp en getjilp, fluiterig gedraal van zoet-lokkende lentezangetjes en geluidjes, waar doorhéén galmde, in vibreerende sonore diepte, de menschenstem, verborgen achter ’t groen van vruchtboomen en haag, dat ’t daverde door de zoet-geurende zonneruimte. Overal harpte takkensier in moestuinen, en weelde-bloeseming. De groene hagedoorn stroomde van licht, en op al de labyrinthpaadjes en laantjes verjubelde groen-goud, lagen hoog doorzond, de doodstille wegjes in den reinen Meiglans om Wiereland, volgestrooid en doorwaaid met zoetsten geur, licht-bedroesemend in zwijmel. In pracht van stilte en licht, stond ’t wilde hakhout rondom te dauw-druppen, en bladergroen te zwemmen in zonnegoud. Wondere lentelicht dauwde en vloeide er, één sneeuwing van maagde-blank uit de vruchtboompjes, in hun mystieke gratie van heerlijken takgroei, geheimvol neigende standen, als spraken ze ’n taal van zachte tinten, gebukt onder het zware, vrucht-sappige leven. De boomen en boompjes, van noot, morel, peer, appel en pruim dààr, harpten in bruidswit, bloesemsneeuw, in blankste gamma, overwaaid met goudstof dat er van kapellenvleugels poeiert, blank-ijl, in het dansende dronken geurlicht. De bloesemen erop, breed-uit in takwiegeling, als stille glans-ruikers van heilige pracht, toch beschroomd in hun overvloed, teer in hun maagde-adem, als verblankte bruidszielen, omstraald door de Meitoortsen van goudglans.
Verwrongen de takken, de kleine verkromde stammetjes gebukt, ernstig van vol leven dat ze droegen, stonden andere pereboompjes weer als geheiligde kommuniekinders, in gewijde schittering, stil nu en hoogblank, in het zachte groene land, roerloos. Tusschen die in weer, op ’t doordauwde grasgefonkel rijden òp, zacht-rose sneeuwige appelboompjes, als hooggegroeide boeketten, in zacht-wadend goud; stammetjes, bescheiden teruggekrompen, als in angst voor de zoete purpering van bloesemweelde. Weer andere, kleiner en ranker, gebogen in bidhouding, heilige bekoring van groei, stil gebaar van schoonheid, toch overzegend met lichtende bloeseming, ònder de hoogeren, in luisterend leven. En overal van de paden, op lichte koele wuifjes, zoelde ààn, geur van linden, kastanje en sering.
In wondre verjonging praalde het stugge grauwe winterstedeke weer, van goudschemer en groen. Langs de weggetjes, woest gestruik bij slooten, zeefde Meilicht, stonden hoogslanke, wilde waterboeketten, fijnrose koekoek. Teere zilvering blankte langs de greppeling, woest doorgroeide oeverbeekjes, hoog belommerd, met zilverend pluimgras, riet, goud-gloeijende brem en doovenetel. Felle boterbloempjes glansden als gepolijst; en overal rondom, hooggele toetjes en vlekjes van roze koekoek, even paars getoorts van hondsdraf, laag gekruip van madeliefjes en akkerhoorn.—Soms in de blanke Meimaand, uit de fijne darteling van lichtende glanzen en deinende, brooze tinten, schoten òp hoog-roode papavers, kopjes-wiegelend op slanke stengeling.
Ook de straatjes van Wiereland, nauwe kronkel van arbeiderswijkjes, zwommen in bloeseming en geur, groenden in boomenpracht, waaiden vol Meihoning en doordrènkende grasgeur. Overal waaide ’t vol lichtjes en zonneflitsjes, vol goud-gevonk en lommering, zoemde gevleugel van insekten en goudhaantjes, die aandreven als vurige arabeske, in slingerende lijn door de lucht, vliegjes met groenstalige schijnseltjes en goud-beschubde lijfjes.
Zoo bleef de Meiemaand rondgaan in ’t stedeke en dorpjes-zeeweg. Door de tuinen en uitgebloeide bollenvelden, vergeurden de seringen hun weemoedsgeur in avondrood, kwam ’t schemergoud in nog heiliger nimbusval glanzen, roodblond en gloedloos, droom-teer, als van bijbelschen boschbrand, niets verterend. ’t Licht verstierf over de kleine, stille dorpshuisjes, even néervloeiend voor de raampjes, plintjes, kozijnen, ze bewasemend vol rooden goudglans, als staarden ze òp de ruitjes, naar de Zon, die wijd-plechtig verzonk, in wolken van wond’re violet, en staartglans van pauwendauw.
III.
Loom slofte Kees den weg naar zee af, met doffen klomp-schuur, zandwolken voor zich uitpoeierend. Eindelijk dan was ie bij de sekretarie van Duinkijk, doodop van verveling en lanterfanterigheid.
In de zoete lenteavond-scheemring van weibrok, achter Van Ouwenaar’s landgoed, vaagden vorm-fijn, twee stille, peinzende paardjes, grazend in halslagen kop-hang. Avond was aangefloersd in heilige rust. Overal rond droomden wazig, in duister dampig violet, tonige bosschages, en hoog aan een zij van den weg, dromden dennen, donker op zwaar begroeide glooiingen, waarachter ver, woeste duinstreek schemer-mistte, tusschen jachtgrond van Van Ouwenaar, tot aan zee. Waziger in rust, dommelde andere tuinkant, vlak-bewerkte moestuinderij, met ver, teer paars verschiet op duingolvingen. Uit de pastorie, schuin over Kees woning, glansde avondlampje op ’n kamer, roodzacht kapje, in goud-oranjen lichtkring. Stil zat dominee in mijmer, in ’n rieten tuinstoel, aan den weg. Sigaren-rook krulde wolkerig loom om z’n in schemer verduisterd gezicht. Loome koe-gestalten, in de wei, vlak vooraan, stapten over donkerend avondgroen gras, in loggen gang, stap voor stap. Onder hun koppenduister raspte graas-geluid òp, ritseling in de avondstilte, zacht als eerste haperende zeisslag van maaier.—
Kees voelde niets om ’m van de weirust. In ’m gromde wrok, driftige lust om iets uit te schreeuwen. Hongerdrift was ’t die ’m wrevelde, en verveling dat ie nog overal z’n kop stootte, wààr ie vroeg naar werk. Tegen pluktijd, hooitijd, zou ’r misschien wat voor ’m zijn. Koortsige drift jeukte er in ’m, om iemand te pakken, te ranselen, als ze ’m maar een woord in den weg zouen leggen. Hij voelde, dat ie ’r gek van zou worden, overal teruggestooten en tòch lachjes en schampere lolgezegden over z’n niks doen. Op ’n bulterig brok duinweg, uitgegraven voor tuinderij, vaagde ’n gestalte op de akkers, donkerend.
Dat most kweekertje Reeker zijn.—Zou sain d’r nog erais veur ’t lest vroage.
—G’noafed Reeker!....
—G’noafed.... Kees nie?.... joa! Kees!.... zei Reeker. Zangerig-klaar galmde z’n stem van de akkers in de scheem’ring.
—Mooi weer hee?....
—Daa’s net.... fierkant somer.... wá’ doe jai nou?....
—Ikke hep sien noa ’t onhail.... se hebbe d’r gister hier drie honderd muise pakt.... da tuig.... freet wortel en bol op.... je sou se kroàke!....
Kees luisterde niet meer, stond even droomerig te turen ’t veld òver, met een been op prikkeldraad. Boven een wijen akkerhoek vloeide nog wat geel hemellicht, met rooie teere sikkelveeren doorwuifd.—De nacht dekte donkerder, al donkerder land en boomen. Reekertje was opgeloopen, stond stil onder het gelige luchtbrok, in het avondgedroefde, verzonken akkergroen, toch in duistering van gestalte. Vol klonk Kees’ stem door avondstilte.
—He je t’met gain kerel noodig Reeker?
—Spait main, moar t’met ke’k nog mi main jonges besti of.... In de pluk.... op tuin.... dan is ’t wá’ aers!.... Bai de groote hoal.... dàn m’skien.... Moar nou.... ’t is niks daàn, hoor.... f’r wá’ hei je selfers nie ’n lappie hee?....
Kees stond te turen, in één houding, schemer-akkers op, waar stilte wijd-om staarde....
Wá’ nou.... vroeg die kerel naar de bekende weg?.... Wist ie nie dá’ t’r veur sain geen grond was?....
—Wá’ nou?.... je wee tog suiver, dat t’r hoast niks niemedal grond is.... en daa’k niks kraig sonder borg.... al ses.... wá’ ses?.... al tien keer bi’k weest bai netoàris en bai alderlai volk hier.... moar vast niks hoor!.... vast niks!.... d’r is nie één die goed wil stoan.... ka’ jai d’r nie wá’ op finde?....
Kees had nog wat ouë vriendschap met de Reekertjes. Vroeger had ie veel vooral voor hèm gedaan bij strooptochten. Nou dacht ie, dat dìe vent nog wel es wat helpen kon.... Maar „’t speet” Reekers weer duivels. Stil wrokte de tuinder in zichzelf, dat ie d’r mee begonnen was. Wat had ie te klesse mit soo’n hongerlijer.... die skooier!.... Nou ja, vroeger,.. vroeger was vroeger! Toen most hai ook stroope.... Hai borg?.... dá’ kon ie denke!.... Pas d’r self indroaid.... en dan ankomme mit soo’n lid!.... Ieder most moar veur s’n aige sorge.... sien dat tie ’r boven op kwam!....
Zoo had ’t even stil, in z’n hoofd geredeneerd..
—Neenet Kees, aarzelde z’n stem in de starende schemerstilte van akkers en straatweg.... dá’ wee je, aa’s ’k je pelsiere ken.... mi d’een of den aêr.... groag!.... duufels groag!.... Moar borg stoan.... dá’ kennie.... Main waif sou me van veure d’rin, van achter d’ruit trappe!.... Eenmoal andermoal.... ik hep selfers kooters.... ikke mó’ main aige rekenskap gaife!.... Eenmoal.... andermoal.... aa’s ’k je pelsiere ken.... mi d’een of den aêr.... Groag!.. ik erinner main nog bestig, dá’ je main vroeger.... veul vroeger.... te freete hep gaife.... da je main op stroop.... wel van de twintig beesies.... tien hep loate.... eenmoal andermoal Kees.... tjonge.... aa’s ’k wa hep!.... moar....
Kees tuurde weer in den akkerschemer, die stiller staarde, verder naar duin.... Niks zei ie, maar ’t wrokte heet, heet van binnen.
Dá’ tuig! niks had d’een voor d’aêr over, of ze motte wete dat ’t vast goed gong.... dan.... dan ha’ je je man.... Moar ’n kwinkwanker aa’s hai, hellepe mi ’n lappie.... ’n skorem sonder rooie duit.... dá’ gong nie.... Veur d’r aige siel en salighait poere.... Verder kon ieder d’r krepeere.... wá’ tuig.... nie een die d’r noà je omkeek!....
Baloorig was Kees doorgesloft, rhytmisch in klosgang langs de wegstilte.—Stiller droomden de verdonkerde boomen in de scheemring; ’t gele luchtbrok, boven den tuinder was verbleekt in groenige vaalheid. Zoele geurtjes wuifden op windefluister aan, door hakhout en gras. Zachter verzonken de akkers in ’t wije geduister, en overal rondom ruischte het groote avondzwijgen van land en lanen. Doodstille huisjes, ver van elkaar, verdoften in sluimerrust, glansden in teer raampjesgoud van lamplicht, zacht droomrig, als heilige kluisjes. Voor ’m lag de lange wilgenlaan naar zee in boomschemer, waar dunne luchtstreep boven waasde, teer-groenig, heel ver.—Vogeltjes kweelden en weedomden rondom, in zoete zangetjes, zaligdroeve murmel van vleiende fluitertjes. En nu en dan zeilde ’n zwaluw, vlak over z’n hoofd naar den grond, de duindonkering in.
Angst en wrevel kwam in z’n hart op, nou ie Wimpie ging zien. Wrevel om de geloofsfratsen, al begonnen met de Vasten, en de Maria-maand, Mei.—Woedend was ie geweest dat ’t mannetje den goeien Vrijdag puur droog broodhomp had geslikkerbikt en niks meer!—En dàn, dat snikken om z’n kruiske op Asch-Woensdag.... van stof mòakt.... tot stof sel je weerkeêre.... Netuurlik!.... Skoàp!.... Wat ’n Paschen en Hemelvoartsdag ’t feur ’t manneke weust was!
Was de pluktaid d’r moar;.... de oarebaie,.... de peule, de vroege groentes!.... Wa sou die se smere!.... Femorge had ie Wimpie op ’n poar kiste mi s’n bedje in ’t sonnetje set.—Veur ’t huisie!.... Wa’ ’n lol dá’ kereltje had hep!.. Enne.... wat ie bleek sien hep? godskristis.... kon die d’reis selfers ’n lappie grond kraige?.... Soue se sain nou moar feur los wille!.... Wa’ da kereltje invalle was!.... een-en-al been!.... die f’rekte vaste.... bai ieder feestdag! ’t skoap! f’morge hep ie lache en songe.... mi se ooge knippertje speult teuge de son!.... In joàre had ie gain licht soo sien.... stakker!.... Enne nou Ant weér mi’ d’r swangert laif.... Dat tie nou tog nie van d’r afblaive kenne hep.... Had soo duivels s’n aige sait.... Had ie moar ’n hoekie.... ’n lappie.... Snof’rjenne wá’ sou die poere!.... Tut ie d’r bai neerviel!.... Nou niks.... veur ieder kon ie krepeere.... D’r woàre wel meer aa’s hai.... veul, veul meer!.... moar die krege d’r nog es los werk!.... die gonge stiekempies noa kerk.... likte pastoor of dominie.... of dokter of netoaris.... Nee, da gong sàin nie af.... dá’ bleef sain in s’n keel sitte.... Nou stroope dààn.... ook gain freete.... wá’ nou?.... Dá’ rooit ná’ niks.... ná’ niks.... aa’s tie nou erais poere gong, ergens wait hier vandaan!.... kon die d’r moar is de wereld in.... Moar wie holp sain.... wie?
Enne Wimpie?.... hai sou ’t vast besterrefe.... enne tog.... ’r moar van komme ’t most.... Waa’s tie nou moar knecht! Se konne ’m veur sain part soo veul bloedsuige aa’s ze woue.... aa’s tie moar wa had.... kaik! d’r was ie ’r....
Tegen ’n duinhoogte, woest naar voren dreigend uit vlakken grond, diep in ’t pad, lag z’n huisje, donker, met geel lichtje, uitprikkend achter naakt ruit. Avondlucht, wijd en geheimvol groen-teer schemerde wijd áán, van de duin-zee.
Angst duizelde in z’n hart, nou ie instappen ging met leege handen, eeuwig met leege handen.... En woest, met wrevelgevoel, kwam ie zichzelf opporren! Wat donder! wá’ kon hai ’t helpe!.... Aa’s s’n waif ’t ’m zuur moake gong, sou die d’r van mekoar splintere.... En aa’s d’r moer wá’ sai sou die d’r ’n kruk op d’r test stuksloan....
Gram-zwaar in barsche-zwijg, stapte ie in, kwakte zich op bed, zonder ’n woord, zonder Wimpie zelfs te durven aankijken.—
’n Week later klompkloste Kees weer in den avond, den weg naar zee àf, opgeruimd en veerkrachtig. Dirk, z’n broer, had ie gesproken.. Hij kon meehelpen. Ouë Gerrit had gegromd, en bang-strak gezeid, dat als Kees op ’t land stond er ongeluk kwam over ’t huis. Maar Dirk, Piet en Guurt waren vóór ’m, hadden geantwoord dat ie hongerde, dat ’t zoo niet langer blijven kon; dat ’r te veel werk was voor hun handen, dat ’r anders toch ’n vent gesteld moest worden, daalder daags.... En Kees was al heel blij als ie zeven pop kreeg voor de heele week.—
Nou liep ie rustig naar huis, blij om Wimpie, dat ie eindelijk, eindelijk heel stil kon zeggen, dat ’r wat was, dat ie ’m ààn kon zien, en z’n wijf ’m nou es niet kon uitschelden, waar ’t kereltje bij lag.—
Zoet woei lenteavond licht z’n longen in, en telkens even rekte ie zich de spieren, spande ie z’n kracht, om vooruit te weten of ie ’t nog wel uithouen zou, of ie nog wel wieden, kruipen, hurken, harken en spitten kon in den grond.—
Volgende week stond Kees op de Beek.—Z’n vader had ’m niet gegroet, niet aangekeken zelfs. Ouë Gerrit wist dat Kees kon aardwroeten in de tuinen als de beste, maar hij had gruwelijk ’t land aan ’m, was bang voor z’n spullen en Kees’ geloer; geloofde stellig dat ’r ongeluk op ’t huis lag, als hij in z’n nabijheid werkte. Toch, Dirk wou Kees hebben, hield wel van den kerel, zonder vast zich rekenschap te geven, waarom. Blij was ie, dat ’r ’n paar flinke handen meewerkten, nou de Ouë maar weinig meer hielp. En Guurt had Kees ’n gehavende broek van Dirk gegeven, met schoone kiel.
Kees, aan ’t wieden, rustiger nu in z’n arbeid, schoof handig z’n peulenschoffel tusschen de boonen. Dirk werkte af, rond de rijzen in, met z’n handen nawiedend, waar de schoffel niet bij kon.
De zon stond al hoog, en hitte dampte er òp uit de zweetkoppen der werkers, die gloeiden, pal in ’t zonnegesteek. Dirks blonde kop stond in glans, en de rossige vlekken er in, brandden als schedelvlammetjes achter z’n petje. Kees, reuzig, met ’n vuil-gelen strooien hoed, schonkigde boven de rijzen uit, die knoesterig en kaal-vermergeld, in het sappige gewas en kleurlicht, dorden. De lichtgroene aardbei-bedden, akker aan akker, omrasterd van prachtkleur verglinsterende hagenwanden, als ingesloten tuinen, dampten uitgestrekt, met warrelende witte bebloeseming. Overal op de akkers rond de werkers, vlekten kleuren in ’t sappige groen, rood, wit en hoog glansgeel gespikkeld van bloemen en bloesem, licht-blij daverend in ’t zonnegevonk.—
Vijandige oom Hassel stond ’n greppel verder met z’n zoons, zwaargebouwde kerels blauwkielen, bedrijvig wroetend in de aarde. Ouë Gerrit kromde met den rug naar z’n broer toe, dol jaloersch, zwellend van gift op al wat oom Hassel had en deed, glunderig loerend naar z’n akkers, die met sla en aardbeien voor waren in groei. Ook frischte al ’t diep-groen sier-loof van wortelen bij ’m op.
Dat maakte Gerrit helsch. Hij wou ’t zijn kerels wel wat uit den grond zien trekken, zoodat ’t gauw, heel gauw ver boven teelt van z’n broer uit zou staan.—Toch was ie blij dat bij hèm ten minste ’n hoek rhabarber al hoog in stengel en blad bloeide, prachtig jong, vlak voor den neus van z’n broer, waar die op kijken moest, terwijl bij dièn de rhabarber, laag in ’t blad, kwijnde.—Telkens loerde Gerrit stilletjes en voorzichtig, om te zien, glunderig of broer Hassel niet naar z’n rhabarber keek.... En telkens ook keek z’n broer naar hem, of Gerrit niet naar zijn aarbeien en wortels loenschte. Dan stootten ze op elkaar in met hun loer, keken ze weer tegelijk, strak voor hun uit, met woedende gezichten, omdat geen van de twee wou laten zien, dàt er haat, jaloerschheid tusschen hen was, ze iets om elkander gaven.
Oom Hassel stond te schoffelen, groote magere vent, in gelig werkhemd.—
Drie kerels, buiten z’n zoons had ie al in dienst voor rooien en wieden.—
Z’n oudste Willem, keek uit naar de rooiers, die hurkend, diepe geulen slagwielden in ’t zand, met hun knieën. Gretig graaiden hun handen in den stuifgrond, in zware rukkende, klauwige scheuren de aarde omwoelend, om de bollen met wortelfijn draadnet er uit te graven.—Een rooier zong dronkemansliedje, onder het wroetend uitstuiven van den heeten zandgrond, in klauwigen grabbel. Piet Hesse, naast ’m, klokte gretig koue koffie uit z’n kruik, naar binnen.
—Hesse, wèrk! nijdigde Willem bazig.... dá’ lange suipe van jou kost geld....
—Nou seg!.... aa’s je me nou! verontwaardigde in woestdriftigen kijk daggelder terug. Maa’g ik nou nie suipe?....
—En jai kerel, jai skreeuwt de heule buurt op ’n klus.... ikke sou main stroatje d’rais dichtknaipe ’n uurtje.... is dâ singe?!....
Nijdig had Willem Hassel z’n bazig praatje uitgeschamperd, negeerend ’t brutaal kijken van Piet Hesse.—Kalm geweerde ie z’n schoffel op schouder, liep ie heen en weer, en stil-bedrukt keken de andere werkers òp naar de blinkige staalstreep van z’n schoffelmes. Angstige, kruiperige valschheid zat er in hun plotselinge stilte. Niet één van de groote kerels, die iets tegen durfde zeggen, of ze moesten ’n prop in d’r lijf hebben; dàn barstte opgekropte woede van vernedering los. Maar nou! koesjt! Want de ouë oom Hassel was nog veel erger dan de piep-jonge Willem.
Alleen Hesse was loom met z’n knieën in de kuil-voren gezakt, woelde en groef voor zich uit, zwaarstoffig, gromde naast den ander, die ’n standje beet had over z’n zang.
—Potdorie, nou mag je nie meer drinke... hei je main ooit!..
—Hier-op-pan!.... enne ikke mó’ m’n bek houe!.... da weut je ommirs van joàre.... wee je nie?.... die Seeuw van lest hier!.... wá’ die veur hupla’s hat.... dat ’t bai hoarlie nog tienmoal erger is.... op ’t land!.... Dá’ sullie doàr puur de groaf op d’r kop kraige.... of de skoffel in d’r sielement....
—Nou.... wa.... Oùww!.... jemichkrimi!.... donderjenne!!.... kromp Hesse plots in van pijn, afbrekend z’n zin. Met z’n hand was ie, diep en woest, op ’n steen ingegraven, die z’n nagel afgescheurd had. Bang nog voor loerblik van Willem, bleef ie doorwerken toch, zei ie kreunerig wat van pijn.
—Nou wa!.... bromde de andere rooier, ik seg moar dá’ die ouë rakkert van ’n Hassel main al drie keer ’n graof noà’ main harses mept hep!.... toe’k ’n kwetiertje te loat maffe hep!.... en sain naif.... uit de polder.... ranselt puur s’n rooiers mi de staikvork in d’r pinse.... aas se effe wá’ segge.... onder hoarlie.... werrik!—
Bij elk woord, rukten z’n dof-groene klauwen den grond in, kluiterden aardbonken voor ’m uit, sprak ie afgehakt en hijgend.
—Nou, die ken veur main, sain buik verliese.... giftte Hesse, z’n zandhand in den mond uitzuigend, waar de nagel onder ’t vleesch losgescheurd was.
—Jesis.... wá’ jai main ’n roer-menietje bin!.... lolde de ander.... f’rleje joar he’k main duim afhakt.... hier kaik.. mi de moker.... op de schee.... scheeringpoaltjes.... ik hep sain d’r soo moar anplak.... hep effe moar bloed....
—Nou.... ik f’rrek weer van de dorst.... ik sit éé.... effetief te broaje!....
—F’rjenne main strot brandt m’of.... ik naim ’n urretje.. benne jullie kerels.... wegsture.... hai ke main nie misse!..
Weer was ie opgesprongen naar z’n kruik, die blinkte bij nog niet gerooid bed-end, slobberde gretig z’n lauwe slappe koffie.—Zweetvet drupte ’m langs z’n rooiige gezicht, den bronzigen hals in.
Willem Hassel had geloerd, maar durfde toch niets zeggen, nou ie zag dat de kerel ’m wel wat mans leek.—
Kees was van z’n boonen aan ’t wortelen wieden gezet. Zweetzwaar en paf-heet ploeterde ie hurkend, met stekende lendepijn van ongewoonte. Driftiger grabbelde z’n hand tusschen ’t gewas, en telkens brandde ie zich aan netels. Boordevol werkdrift zat ie. En giftig, heftig, was ie op z’n neef Willem, nou ie gehoord had, hoe bazig ie ’n stakker, die daar te druipen stond van zweet, had afgebluft om ’n slok drinken in de hitte. Wat ’n branie! Nou dat ze’r ’n beetje bovenop gekomme binne! Eerst toch net zoo arme skooiers aa’s sai.... en mi gelukkies en gapperaie bai de bolle.... en bloedsuigerwerk!.. nou leeke ’t heere.... Je sou se ’n skoffel op d’r test sloàn.... ’n mestvork in d’r pins steke!.... die skarre!....
Vlak voorbij ’m schoof Willem Hassel, langs greppelland.—Heerig voelde de jonge kerel zich en tartend wou ie dat volkje ereis toonen dat hij mocht luieren als ie wou en zij niet. ’n Kwartier bleef ie rondkijken, zonder ’n hand uit te steken. Jaap z’n jongere broer, die te poeren hurkte als de meest ondergeschikte rooier, lollig royale kerel, hinderde ’t bazige doen van Willem.
—Seg, sou je je aige nie rais afprottetaire.... je stoan net soo mooi te kaike hier.... Hee! foader!.... hai staikt t’ met gain poot uit!....
Kees groeide van lol. Hij had Jaap wel de hand willen drukken, al sprak ie uit gewoonte, ook al jaren niet met ’m.
—Lá’ sain s’n gangetje, zei norsch oom Hassel, wien bestig ’t stramme van Willem beviel.
Overal rondom dorde en rotte in den warmen Junidag, verstorven blad op bollenakkers, geel en groen-fletsig bruin, kleurfijne nazang van loof, op tulpendood. De lucht stond strakblauw, wijd licht. Van den Lemperweg geurde en dromde zware boomgordel, in groene pracht. Laag kromden de takken, met bladerdos op bollengrond, hooge boomendrom, in ’t lichtgoud geheven, stil, met nu en dan windruisch door ’t pluimige groen-goud, zwaar-wiegelend als met moeite, glanzen en licht verwuivend over de verre stille akkers en werkers. Een boomhoek, teruggedoken als poort, waar lichtglans op bladranden nog éven afzilverde, schaduwde in diep donker groen, leek één bladerdrom, zonder zichtbaren stam, neergewolkt groen op akkergrond. Op het zalig-wijd, rustig bollenland, hurkten klein de blauwkielen, ingebogen met kop naar de aarde, wiedend-zoekend tusschen nog lichtend hyacintenloof, naar ziek loof. Om hen ademde in diepe rust, de groote trillende stilte, ruischte ademhaal van het licht over de velden. Orgelende geluidjes aeoliënd, doorzilverden ’t hemelblauw neerregenend over de akkers, in snoertjes trillenden zang. Verzwakte straatgeruchten van den weg af, woeien éven nog, vaag-klankend áán. Overal gooiden de blauwkielen de zilverbeflonkerde rooischalen voor zich uit, was er zwaar geploeter van werkers met bestoven zakken en mandjes bollengoed, naar het pad sjouwend op handkarren. Naar alle kanten uit, van de zondoorstroomde akkers, kropen de wieders in fellen goudbrand, blondden de groote stroohoeden van enkele ingehurkten uit, bòven verdord goud-brons loof. Wat witte hoeden stipten blank in ’t licht. Eén groepje kruipende aardwroeters, net achter de haag van ouë Gerrit’s akkers, werkte met kleine petjes op, dat ’t zweet ze van ’t gezicht gutste, kropen tusschen ’t groen, in hun kielkleur als blauwe voortschuivende vlekken, die afdropen in zonnebrand. En prachtig, over nog groenende, puntig-neergekrulde tulpbladen zeilde en moireerde zilveren forelleglans van licht, en fijn sidder-golfde ’t loof in áánfluisterenden windsuizel, droom-zacht, àl méér en méér; week geruisch, rond gréép en donkere wroet, van zwart-verbronsde werkhanden; geruisch om de lijven, in lichtgewiegel van glanzen door ’t loof; loom gezang van de aarde, naar ’t lichtende, groeiende leven. In hooger groen, uitgebladerd, stonden in stille aandacht de akkersingels, met goudstof bevonkt op dwars-uitstekende blaadjes, hier en daar gloeijend als enkel wit vuur. En langs de padkanten van akkers, waar de karren donker wachtten, in geduldstand op lading, in ’t naakte licht, fonteinde ’t siergras in beverige straaltjes, zilveren glansdrup tusschen den roesttint van zuringwild, sprietend zachtelijk over den fijn-rossigen zandgrond, vervocht in ’t dampende akkergoud. Boterbloempjes schaterden in glans, paardebloemen, uitsterrend als zonnetjes, wielden goudkringetjes rond, en in wemeling dartelde tusschen boeketten van akkerhoorn en madelief uit, gonzende vurige streep-glans van insekten. Telkens in ’t wilde grasgroen donsde koekoek met z’n rose-fijn behaarde knopjes tusschen de zilverende drup van grasbevertjes, vlekten ze open-gegroeid, lilarood rond ’t goud van boterblom en sierwit van schitter-blanke waterster.
En veel verder op akkergroen in het wazende lentelicht, éven schroeiend de aarde, als voorspel van laaienden zomerbrand en werkroes die te komen stond, kleurden òp werkers in zaaigebaar, even ingebogen ’t lijf, in rood hemdenbaai, dat warm donker-bloedde tegen den goudglans van groenen singelendrom.
—Die soaie nog kool en wortele, bai Rommeloar, bromde Gerrit tegen Dirk.
’n Paar dagen later kwam ouë Gerrit op ’t land, achter zijn huis.
—Hai manne! ik hep ’n daik gras kocht.... hoho!.... ho!.... in de polder, achter ’t fort.... jullie kenne t’met aa’s droog blaift op hoope steke.... de moaier he’k sproke.... ’n poar doàge is ’t overend set....
—Dan mog je hier nog wel ’n kerel stelle, Ouë.
—Nog ’n vent? en Kees dan!.... d’r blaift t’met niks of’r.... An Peters van de Baanwaik hé’k femurge twee hoek oarbeie f’kocht.... en drie hoek an De Gauw.... veur Duitsloànd!.... sloffies, mi en sonder doppies.... half raip an de pluk!....
—Nou Ouë!.... la de soete fransies veur Amsterdam!.... da lief ik!.... dà wee je!....
—Netuurlik, gromde de Ouë, ken ie beterder suipe.... sonder daa’k sien!....
Tegen den middag werd ’r ’n kwartiertje geschaft, lagen de werkers, wellustig-vadsig uitgerekt op d’r buik, met handen onder de kin ingehaakt, luiig-lekker, soezend in schaduw van haagjes. Lichte dagschroeiing was afgekoeld wat, en blond glansde ’t licht over de velden. Hommels streepten van allen kant fluweelige kleurtjes door de lucht; zoem-zoem zongen de bijen. En brom-zwaar gonsden de staalschittervliegen gouden glanswieltjes om de nu even stille hoofden der werkers, neerplakkend op hun zweetgezichten, dat de loome kerels, woest met de handen om zich heen sloegen, zonder de zoemers te raken.—
Kees had ’n dikken broodhomp met roggebrood uit z’n stukkenzak getrokken, en gretig hapte z’n mond in ’t blanke kruim.
—Gaif main ’n bonk uit je koartesak, riep Piet naar Dirk, die juist ’n stuk brood, dat ie te veel had, weer in z’n vuilen stukkenzak wou wegduwen.
Kees, in wije kakensperring, hapte door, gretig. Ant had weer wat op den reutel gekregen, nou ze zagen, dat Kees aan ’t werk was. Goedig en rustig zat de kerel, lekker zichvoelend in de zonkoestering, blij dat ie wat kon meenemen voor Wimpie. Zelf wist ie niet goed waarom, maar hij voelde zich zóó bestig en tevree, nu ie zwaar-ploeteren kon en wat verdiende, dat ie den Ouë wel wat wou zeggen, al loerde die nog zoo stug-angstig naar ’m op.
—F’rdroaid aa’s t’met ’t gewas opskiete wil.... d’r waa’s te veul kou.. tussche.... nog gain oarbaie.... t’met half Juni!
—Watte? duwde Piet, met zwaren kouw-mond, volgepropt met brood, er tusschen door, kaik die spersies!.... die boone hé’k ’r veur vaif doàge in de grond douwt.... en nou kaike se puur d’r al boofe uit....
—He-je-me van-je-laife!.... verbaasd riep Dirk.... daa’s hoast bai!....
—Murge moar an de Beek.... raise sette bai de boone.... kwam ouë Gerrit door ’n greppel voortsjokkend, weer invallen,—ik mo wâ tullepies op stelling droàge, veul te vroeg rooit.... sien nog puur wit!.... en loa t’r wá’ tussche de oarebaie anharke.... hee?....
Ouë Gerrit, zonder antwoord af te wachten, sjokte de greppel uit, ’t erf op, in huis.
Vrouw Hassel zat op de punt van ’n stoel voor potdicht raampje, met ’r neus achter ’n groote blompot geranium, die vuurde tegen ’r grauwe kop, en vochtige aardlucht uitwasemde. Geel-grauw stond ’r rimpelig gezicht. Ze had zich weer driemaal bevuild. Nou was ’t uit. Guurt wou niet langer blijven, als de Ouë er niet Dokter Troost bijhaalde. Nou, in ’n half jaar was ’t zóó verergerd, dat ze de heele boel bedierf.
Dat zou ie nou moar erais doen... Nou moar weer es op stap noar dokter. Dat die vervloekte kerel sain niet in ’t ziekefonds wou naime.... kostte sain zoo de hoaren van z’n hoofd. En noar een aer loopen kon ie ook niet. Want de notoaris waa’s dokters zwager, die sain veurskoten had.... En van ’t winter most ie miskien weer bai sain ankloppe veur mest!.... mi vaif persint? Neenet! hai sou moar stiekum morge er op afstappe.... ’t waif vroage gaf tug niks!....
Den volgenden dag vroeg, stond Gerrit in ’t duffe apotheekje van dokter Troost. Vol dromde ’t ’r van ziekenfondsklantjes, armelijke vrouwen met klierhoofdige kinders, jongetjes en mannen. De apothekersbediende, dunharig grijs kereltje met groote bril, stond drentelig-langzaam van gebaar, achter z’n toonbank, wat fijn te stooten. Dof dreunde z’n stamper in den glans-prachtigen, rood-koperen vijzel. Z’n scherpe neus, ompoeierd van rooiige sproetjes, haakte òp, dat de reuk-gaten wijd-open holden in ’t gezicht, en nijdig bitste gespannen z’n mond, kwaadaardig, als hield ie strak, spoelsel tegen kiespijn-schokken in. Telkens zei ie wàt, achter z’n toonbank uit, tot een van het ziekenfondsvolkje.
—En jij vrouw, wat jij?
—Nou.... sien uwes mehaier!.... nou.... haa’k groag dokter.... d’r saitje.... sien uwes.... d’r saitje,.... d’r heule saitjes t’met één pain!.... enne....
—Seg vrouw, ik ken me tijd anders gebruike.... draal niet zoo.... kort! wat heb je?.... bitste ie af, barscher spannend z’n mond, met drift-stoot z’n bril bij de ooren vastdrukkend, in ongeduld-gebaar weer grijpend naar z’n stamper. Verward en geschrikt, stotterde tuindersvrouw er nog wat uit, duwde ’n kindje, dat laag aan ’r arm hing, naar voren, snauwend in drift-verlegenheid tegen stumpertje, dat ’t maar zelf zeggen moest wat ’t had. Ouë Gerrit, wrevelig, dat ’m zoo veel volk voor was, stond ingedrukt achter ’n paar breeë vrouwenruggen, te staren naar de bruine kastjes, waarin de witte zalfpotten rijden, blank-beglansd in hun wit steen, met hun scherpe zwarte titeltjes. Zacht voor zich uit las een voor ’m, naampjes van de potten af.... haperig spellend, wezenloos:
—U.... ung.... a.. a.. aci.. aci.. ci.... Bor.. Bor.. Bori.. ci!..
Gerrit hoorde ’m brommen, begreep d’r niks van.... niks. En angstiger staarde ie òp tegen de eikenhouten zuiltjes, waar de standflesschen, met bruine en rooie vochten ingerijd tusschen flonkerden, op de mahoniehouten plankjes, netjes en ordelijk.—Te jeuken begon ’t ’m. Zoo’n glad prêchtig fleschje.... tjonge.... tjonge.... huhu!.... hu.... sou mooie woar weuse.... Moar hoe komp je doàr bai?.... Godskristis sou faine woar weuse!....
Eindelijk had de vrouw, voor de toonbank gedrongen, duidelijk gemaakt wat ’t kind scheelde.—Vlug ratelde ze af, kordaat, aan ’t end nog in bijdraai:
—’t Skoap hep sekers koors.... se kwailt puur van d’r pain in d’r saitje....
Assistentje stond ernstiger van z’n stamper naar ’t kind te kijken, dat met blond krullebolletje net even boven apotheekbank uitkeek, ’t klein bang gezichtje sip òploerend naar de glanskopering en ’t rood vonkwerk van al kleinere stampertjes, die voor d’r neusje uitgestald stonden, naast weegschaal.—Wasem van kruiden en benauwingslucht van warme smerige lijven, zoog door ’t winkeltje. ’n Jongetje achter de toonbank, op ’n trapje, verrinkelde tusschen medicijnfleschjes ’n licht schoonmaakspel. Zoete valeriaan en jodiumstank drong benauwend door, uit den kelder.... Stil, versuft en beangstigd van eerbied, stond ’t fondsvolkje, glanspotjes, fleschjes en schaaltjes te bestaren, luisterend in ontzag, naar de woord-afhakkende stem van assistentje.
Vrouw met kindje was geholpen door den grijzen, grimmigen bediende. Van ’t geval had ie geen zier begrepen. Zou wel wat larie zijn. ’t Wijf wist zelf niet goed wat ’t kind scheelde. Toch voelde assistentje zich kregel, dat de dokter hem iederen morgen met dat vieze fondsvolkje opscheepte.... Nou ja, dat heette wel, gewone gevalletjes. Maar d’r kwamen zooveel rare zaakies bij, waar ie geen spier van snapte.... en waar ie toch raad moest schaffen!....
Weer was ’n dikke vrouw, kordater dan de eerste voor de toonbank geschoven, had bediende z’n stamper neergelegd en z’n bril vaster op de ooren gedrukt.
—Wel.... wat had jij moeder?....
—Menaijr.... waa’k op haide hep.... is skrikkelik!.... daa’s puur moar duisel op duisel.... en aldegoar sterretjes veur m’ooge.... ik bin d’r puur daas van!....
Ze had gesproken in vuur, met grove harde stem, en ’r dikke knuisten maakten voor nijdigen wipneus van assistentje, beverig snelle gebaartjes, om ’m haar sterre-wemeling voor te stellen.
—Soo, soo, zei strak-wijs en peinzend assistentje, zich krabbend tusschen z’n grijze dunne haren, van z’n kruin tot in den nek, met zwaar raspend nagelgekras.
—Soo.... soo.... ga je goed af?....
—Nou menaijr.... mit uwes pirmissie.... nie soo aa’s ’t....
—Soo.... soo, onderbrak ie ’r, duwend nijdig op z’n brilmontuur.
Maar door sprak de vrouw:
—Aa’s ’t.... aa’s ’t mot.... ik hep oambaie.... sien u....
—Soo.... soo! onderbrak ie norsch, weer stuitend uitleg, steek je tong ereis uit!—
Wijd lapte dikke vrouw ’r tong uit den mond, waarop wijs-geheimzinnig, grijs assistentje staarde, zich telkens den bril kwaadaardigjes op den neus vaststootend.
Zenuwachtig bleef dikke vrouw d’r mond sperren, dat ’r wangrood schminkte van kongestie, ’n kreungeluid ’r rooie holte uitkermde, terwijl ’r handen op de toonbank pianoden in vingerdrift.
—Soo.... soo! zachter zei assistentje.... Nou moeder.. je bin wat volbloedig.... Als je ’n trap opgaat.... heb je ’r dan ook wel last van?
Niet goed wist ie wat anders te vragen, dan juist, dàt, wat ie dokter zoo dikwijls had hooren zeggen. Dikke vrouw stond weer klaar, met gretigen uitleg:
—Seg ’t uwes dà wel!.... aa’s ’k ’rof mot.... enne aa’s ’k er òp mot.... Veur ’n waik ston’k bai de smitse.... uwes weut.... main man is Storp.... de smit....
—Soo.... soo! onderbrak weer assistentje, dof geluiden stampend in vijzel, die roodkoperen gloedjes afvonkte door duffe apotheek.... Nou.. ik zal je ’n poeiertje geve.... vier maal daags.... vanmiddag klaar....—En jai? vroeg ie in-één door, dikke vrouw negeerend, die nog wat zeggen wou.
—Moar menaijr, kaa’k nie wachte.... ’n uurtje.... ikke kâ gosonmogelik terugkomme.... ’n uur wait hier hain....
Ze drong weer naar voren de dikke vrouw, wegduwend met armenvet, andere patient. Nijdig keek assistentje ’r aan.
—Heb je geen oore.... van middag.... geen minuut eerder!
—Moar.... main kindere.... dan kaa’k nie weg.... twai legge d’r siek....
—Heb je geen oore, schreeuwde ie, bleekig van drift, dat de dikke vrouw bedremmeld wegbukte door de achterstaanders, de deur uitschonkerde.
—En jij, vrouw?
—De klaine hoest d’r aige deur twaie.... hai leg te rille aa’s ’n oal.... en aile datie doen.... aile!!
—Steek je tong eris uit jonge! bitste ie kort-strak weer.
Roodharige moeder lichtte, bullig-zwaar kind, met inspanning ’n end boven de toonbank. Als ’n gaper sperde ’t de kaken, krijschte ’r angsthuil uit z’n vertrokken mondje, bang, dat de brilleman ’m iets doen zou.
—Nie bang sain me-jonge.... Mehair doen je niks.... puur niks!....
—Bà-à-ng.... bà-àng, gilde in krijsch-angst kereltje, dat zich hangen liet, nauw wringend en trappend met z’n onderlijf naar beneden, tegen de bank, in gesmoorde voetstooten, dat moeders gezicht vuurrood stramde van inspanning.
—Hou je bek schreeuwleelik!.... ja vrouw, als je de jonge niet stil krijgt.... mo je maar wachte tot ’n andere keer.... En jij?....
Weer schoof patient vóór, de roodhoofdige vrouw met den spartelenden schreeuw-jongen, die zich vastgehaakt had aan ’r schort, opzij duwend.
’n Donker behaarde kerel was ’t, hoog boven wijs brilgestaar van assistentje uitkijkend.
—Joa... klonk dreig-zwaar z’n stem, ik.... ikke kom veur main waif.. an ’t end van Duinkaik....
—Soo.... soo!.... en wá’—
—Nou.... seg.. wacht erais effetjes!.. hep jai d’r puur effe geduld mee.... loa me rais denke.... kaike?.... wá’ hep se tog weer said.. ’t waif?.. je ken ’t moar nie in je kop skraive!.... Ojoà! se hep puur al.... vaif nachte pain hier.... doar.... bai d’r bui-j’k.... se hep ’n deureloop.... saa’k moàr klesseneere hee? en uitskaie ken se nie.... vat je?....
—Soo!.... soo! dan sal....
—Nou wacht erais effe!.... hep nie soo’n hoast smakwammes! hée?.... Sien je.... nou wou’k dokter sellefers spreke.... Hep ’t waif sait.—Z’n stem intoneerde Wierelandsch spraak-zangerig, boven assistentjeshoofd.
—Dá’ ken nie.... Dokter is t’r nie.... Of ze mot maar zelf hier komme....
—Dá’ ka’ je begraipe! Se ken puur gain kippestap doen.. nee Ouë.... se haigt in malkoar van swakkighait.... Neenet.. ik mo dokter hebbe....
—Soo.. soo.. nou als je d’r op staat, zal dokter late wete wanneer ie komme kan....
—Daa’s net.... moar.. moar gaif jai d’r nou vast ’n drankie mee.... hée smakwammes!.... daa’s aêr krek of ’k nie weust bin.... Sai.... sai ken kwoalik stappe.... enne.... sai loopt puur laig.... soo slap aa’s ’n tieme is ’t waif.
Luidruchtig sloeg z’n stem door ’t kruiperig fatsoen van ’t vrouwenvolkje, en de drukkende stilte. Achter lachten en kakelden wat vrouwen, waar vrijer nu ’n kerel vuile grapjes verkocht.
En telkens drongen anderen naar de toonbank, liet grijs klefferig assistentje ze de tong uitsteken als ze zelf wat hadden, scheepte ie ze af, met ’n medicijnbeloftetje.
Een vrouw, nog ’n beurt vóór ouë Gerrit, kwam aansukkelen, mank....
—Mehair.... nou kaa’k tòg nie mair.... da’ wachte!....
—Soo.... soo; en wat had je?....
—Daa’s te segge, nou bin’k al dertien doage, omme de doàg hier hainkomme, mit.... main klaine maid.... Enne nou kaa’t skoap.... tog nie en mair.... Se lait te haige na d’r oàsem.... D’r kail is aa’s ’n krop.... soo.... meroakel dik! en nou deur al d’r laije!....
—Soo.. soo!.. steek je tong d’ris uit!—Verstrooid, niet luisterend had assistentje z’n peins-vraag gedaan, met den stamper nog in z’n hand, woedend op de meid dat ze ’m nog geen thee kwam brengen.
—Nainet moàr! nainet moar! da’ he’k nooit nie van main laife an de hand en had!.... drift te ’t vrouwtje verbaasd uit, ’n sleurige sleep aan ’r been gevend, dat ze laag-ingezakt aan één kant met ’r woedend vraaggezicht ouë Gerrit kon aankijken.
—Wa’ mot ie van main tong!.... aa’s skoap thuis te krepaire lait.... soo sout hé’k nooit-nie....
—Soo! soo! Och! nou ja.... ik bedoel je maid.... heb je ’r tong gezien? is ie beslage....
—Nou aa’s ’n lairelap.... mehair.... ’t slaim stoan d’r ’n duim dik op.
—Soo! soo! gaat ze goed af?....
—’t Mogt wá’ mehair.... ’t met de heule doàg an ’t perse.... nai.... moar ik zou d’r dokter nog aiges-sellevers bai hebbe, sien u....
—Soo, onderbrak assistentje weer met z’n droge korzelige stem, en nijdiger toonklank.... maar dat gaat nie, dat weet je. Laat t’r nou nog maar wat keere hierheen komme.... dat dokter ’r hier in de apteek onderzoekt.... Dokter ken nie voor elke kleinigheid klaarstaan.—
—Sai hierhain? moar menair.... ik swair u.... daa’t skoap insakt.... se hep ’n hoest van ’n aisbair.... ’t is t’met ’n uur loope.... op ’t end van Duinkaik....
—Soo, soo, ja maar, je mot ’t toch maar probeere....
Achter Gerrit was ’n slank blond meisje, dochter van ’n notabele uit stedeke ingestapt, luchtig. Luid-lachend groette ze vriendinnetje op straat, die ’r gebracht had.
—Dag Daan, familjaar klonk ’t tegen assistentje, van blond meisje in korte rokken.
—Dag jongejuffrouw, onderdanigde ie, stem-beduusd, moet u dokter hebbe? Dokter is an ’t ontbijt.... maar wil ’k ’m effe waarschuwe?—
—O nee Daan! dank je.... ik kom om de poeiers van grootmoe, zijn ze klaar?
—Zeker, jongejuffrouw, zeker! Hier zijn ze.... asjeblieft!
—Best Daan, dag Daan, en wild jolig in jeugdige stemklaarheid, sprong ze luchtig weer den winkel uit, in losse straatjongensbewegingen, frischblond leventje.
Mank vrouwtje, nederig en scheefgezakt aan een zij, had schuchter gezwegen en opgekeken, naar ’t blonde bakvischje. Gerrit stond beduusd ’r na te kijken op straat, mijmerend bij zich zelf, of ie ’r wèl of niet kende,—of ’t niet was de dochter van den rijken Zuivel, ’t raadslid.
Mank vrouwtje stond, nòg triester in ’t gezicht, voor toonbank, half verdrongen nu door ouë Gerrit, die wrevelig begon te worden van ’t wachten. Maar nijdig, bang toch, brak ze los.
—Nou mehair.... Ik mò dokter hebbe!....
—Soo.. soo!.. dus je wil nie probeere met ’t kind? Strak drukte ie z’n bril in neusgleufje, montuur tegen z’n ooren.
—Dá’s gosonmogelik.... se lait mi de koors op ’r laif.... en ’n hoest.... se loop mi de dood an ’t touwetje....
—En ik heb ’r jood-ijzerstroop gegeve.... Heb je dat?..
—Seker, moar holp niks.... was niks doan d’rmai....
—Soo, soo! nou dan sal ik dokter zegge.... mo’ je maar komme hoore, wanneer ie komme kan.... maar je weet ’t, tachtig sent de visite.... was anders voor de Zeekijkers ’n gulde.... maar voor jou, omdat je zoo lang in ’t fonds bent, tachtig cent....
—Tachtig sint? zei verbleekend, mank vrouwtje... schuiner afzakkend ’r linkerschouder naar één zij, tachtig sint mehair?.. huilde ’r stem na.... moar daa’s godgekloagd!.... m’n maa’n lait al acht waike krom van de rimmetiek.... en wai.... wai binne tog in ’t fons.... en dokter komp nooit-nie bai main.—Enne ik betoal tog vaiftig sinte ieder waik....
—Soo.... Soo!
—Enne.... veur de klaine twai sinte....
—Soo, nou vrouw, jij bent lang van stof hoor! Maar ik heb je vooruit gewaarschuwd.—
—Trillend ging de deurbel en smerig kereltje stapte in, bedremmeld.
—’n Sint kattedroppies!....
—Wat, schreeuwde woedend assistentje, donder op! wordt hier niet verkocht.—Bedremmelder en geschrokken ’t kereltje àf.—
—Moar ’t is tog godgekloagd mehair!.... doar stoan mîn f’rstand van stil.... ikke betoal tog in dá’ fons!.... enne ikke vroag tog allainig dá’ gaine op waa’n mins se rechte hep.. en in de feregeleminte stoan tog.... veur Wiereland en veur omstraike.... Veur wá’ betoale wai aêrs vaiftig sinte in ’t waikie!.... aa’s.... aa’s wai nie siek binne?.... foàder, moeder.... drie soons.... enne nog twai kinders, en ’t skoap is an ’t uiterste mehair.... se kan.... kan puur nie mair!.. mi de dood an ’t touwetje....
Haar stem kermde, ’r lippe beefden, onrustig joeg ’r kijk door de apotheek, van assistentje naar Gerrit, van Gerrit naar assistentje.
Er lag schreiklaag in ’r geluid, die niet hooger-op durfde.... Maar assistentje begon ’t gelamenteer danig te vervelen.
—Soo.... soo!.... maar ik zeg dat ’t nou genoeg is, barstte uit, z’n nijdige stem; woede-doorschokt dreigde z’n gezicht.... Kort en goed.... of ’t wel of nie in ’t reglement staat.... daar heb jij niks mee noodig.... Wou je mij hier de wette stelle?.... Al die buite Wiereland woont, betaalt.. Dat weet je, dat wil dokter zoo. Dan wou jij zeker, dat als jij naar Lemmer ging wone, dat dokter dan ook maar van omstreke sprak hee?.... kort, en goed, ik heb je ’t gezegd.... En nou marsch!....
—Joa, moar mehair, schrei-klaagde weer ’r stem.
—Is ’t nou uit, donderde ie giftig, als jij nie dokke ken, kom jij met je kind hier.... kort en goed!....
—Moar aa’s ’t nou hailig nie loope....
—Vort wijf! daar is ’t gat van de deur, ben jij belatafeld! En jij Hassel?—
Mank vrouwtje stond te beven met bleek-grauw gezicht. Wat woorden lagen te sterven op ’r lippen, van angst. Ze durfde niet meer tegenspreken. Van alle kanten, hoorde ze achteruit, geloop rond matglazen tuindeur, waar ’t licht, goud-groen, doorheen glansde; zag ze de meiden, blank beboezelaard en bemutst, met kleedjes en klopper in en uitgaan. Telkens nog dacht ze dokter zelf even te zien, voor wien ze sidderde, maar hij kwam niet.
Zwaarder in heupsleep was ze eindelijk de apotheek uitgewaggeld, met huilgezicht, stille biggeltranen op ’r wang, niet wetend wàt te doen, verstompt van zorg en bangheid.
—Heb je me ooit, bromde assistentje, nog in nawoede, tegen ouë Gerrit, zoo’n schooierswijf.... Wat ’n bedil! Ze wou natuurlijk dokter graag voor niks hebbe, dat ’r man weer beter zuipe kan.... Nou hunkert ze naar ’n bewijs van onvermoge.... Ze heeft zich al voor drie weke opgegeve an de sekretarie.... Maar kà je begrijpe.... Daar is dokter baas over... En jìj Hassel, wat jij?
Gerrit had verlegen staan luisteren, bang al, dat ie straks dokter Troost zou zien.
—Nou Weimer, daa’s nie best mi’t waif.... mi de doàg ergert sai.... dâ laikt puur toof’rai.... hoho!.... hoho!.. wá’ da’ mins skeelt.... hoho.. hoho.. ik wou juustemint dokter effe spreke....
—Goed hoor, ga maar effe hier in de wachtkamer! Ik zal dokter daadlijk zegge dat je ’r bent.—
Stijfjes en onrustig was ouë Gerrit, met z’n pet in de hand, onnoodig afslaand z’n kleeren, en lacherig-verlegen, duf-klein wachtkamertje ingestapt. Stijf, in een hoekje bleef ie staan, strak op den prachtmoestuin van dokter uitkijkend. ’n Paar meiden, wit-geschort, stonden daar warm-blank, tusschen het goudgroen boomgewas te lachen.—
Niks op z’n gemak voelde ie zich, beverig, bang dat dokter iets aan ’m zien zou van eigen gedachten aan z’n spullen en steelgenot.—Na vijf minuutjes strak tuin-ingekijk, rinkelde ’n schelletje langs den wand, kwam grijs hoofd van assistentje deuropening in, dat ’m wenkte te volgen.
In angstige beklemming voelde ouë Gerrit zich door assistentje vooruitgeduwd, de marmergang in, naar dokters kamer.
—Hassel! kondigde assistentje kloppend áán.
Dokter, in z’n ontvangvertrek achter, zat met tuinramen wijd open, waardoor goudene schaduwkoelte aanwoei. Geurzoete stamrozen stortten wellustdamp rond, en licht gesuizel van windgewuif, kabbelde zoetjes tegen rooie veranda-gordijntjes aan, met zachte zomer-blije tikjes.
Gerrit durfde bijna niet de kamer instappen, bevangen van vrees voor rijkdom en geleerdheid, hield z’n adem in, draaide z’n petje snel rond in de grove, vuile handen, kuchte en schraapte alsof ie ’n graat uit de keel wou stooten.
—Zoo Hassel, ben jij daar, joviaalde zwaar-gemoedelijk dokter Troost, van z’n stoel opveerend, naar ouë Gerrit toe; ga zitte man, ga zitte, je wijf weer niet al te best?
Ouë Gerrit voelde zich in schemerkoelen hoek op ’n stoel neergedrukt, door joviale groote handen van jovialen dokter Troost. Neergeboomd, in ’t weeldevleeschvet, stond z’n zwaarlijvig lichaam gezakt vóór Hassel. Gerrit’s neus raakte bijna hagelwit zomervest op spanbuik van dokter Troost, als ie even voor ’m uitstapte, heen en weer. Deftige rijkelui’s-geur ademde ’r uit dokterskleeren. Telkens bleef ie in lichten waggelgang van vettigheid, voor Hassel staan.
Zakkerig kwalden z’n wangen, kort donker bebakkebaard, in z’n hoofd, en zakkerig plooide z’n onderkin dubbel, op laag open-gepunte boord, loerden z’n half dichtgeknepen oogen, kleintjes-bijziende, rond.—En joviaal, baste z’n stem, diep, welluidend:
—Allons donc! Ouë wat is t’r! vertel op!
Ouë Gerrit was door vriendschaptoon van dokter altijd overstuur. Hij wist nooit goed, wat ie met hem voor had, en hoe ie z’n antwoord moest aanleggen. Was ie vriendelijk terug, dan keek dokter norsch. Bleef ie stijf, dan lachte dokter ’m uit. En nou, zoo heelemaal diep in dat prachtige huis. Van verlegenheid trok ie zich aan de baard, haakte ie z’n handen door z’n zilveren lokken.
—Joa.... kaik es dokter.... ’t waif laikt puur daas! se hep.... wullie hewwe.... vier en vaif en nie....
—Zoo-zoo, zoo-zoo, is ’t zoover!.... Allons! en verder,.. kuchte ie uit z’n hoogen stand, strak-kippig in loer, met z’n lichte oogjes op Hassel neerkijkend.
—Ikke hep soo.... bai main aige docht.... aa’s da’.... hoho.... aa’s dá’ ’t waif miskien bestiges in ’n gesticht sel konne.... sai bevuilt d’r aige.... Guurt,.... Guurt.... hoho....
—Wat Guurt? gretig vroeg dokter!
—Guurt f’rdrait ’t langerst, wil d’r aige bereddere.... en niks.... heulegoar niks blaift d’r meer in d’r kop....
—Kom-kom! dat proatje van ’t gesticht is ’n bêtíse vriendje, ’n stommigheid.... Jullie leeke, jullie zègt máár; ’t wijf mot hulp hebbe, voila tout! En jullie kijkt misschien niet heel best naar ’r om.
—Joa,.... aa’s dokter.... aa’s dokter....
—Ha.... ha.... ha! schaterde vettig zinlijke dokter, jullie bent me ’n volkie, jij ouë schooier! Daar net had ’k er nog een hier van den polder. Die had zes kwartier ver geloope,.. Ze klaagde van koorts.... Is me daàr ook ’t landje! Allons donc!.... ça ira!.... Ik vraag of ze pijn heeft!.. bliksems!.. ’n donders aardige meid.... met ’n fraîcheur! prachtig!.... Ze zegt, nee.... dokter.... Nou is daar alles.. hm! hm!.. malarialand! alle duivels wat ’n streek! Ik zeg tot ’t meisje. Klee je maar uit meid.... Ik zal je buik es onderzoeke.... „Uitklaiie”.. gilt me ’t lieve mensch!.. „Nee maan, dan is uwes an ’t verkairde ketoor”.. En, verdomd! wild staat ze op, rent de deur uit, trappe af.... op straat.... Ha.. ha-ha! wat ’n volkje, ça m’en fiche!.... ha! ha ha!
Ouë Gerrit half maar begrijpend, lachte gemaakt mee. Hij had ook wel gehoord, dat dokter Troost, al jaren weduwnaar, niet één meid met rust kon laten; dat had ’m Guurt nog pas gezeid.... Mos s’n aige skoame.... soo’n ouë rot.... Niks voelde ie zich op z’n gemak nog.
—Nou, moar aa’s dokter nou erais wil komme!....
—Met alle genoege vader!.... ik zal er vanmiddag zijn, tegen drie uur,—maar vertel eens.... hoe staan je zake?
—Mi’t waif.... maint uwes?....
—Ajakkes kerel nee! jou eige zake. Jìj.. had laast dat stuk grond motte neme.... kuikens zijn jullie.... je had al veel eerder van de Beek motte weg zijn.... zet je hoeke vol aarbeie, dàt is winst....
Gerrit voelde zich altijd stikbenauwd, als dokter over tuinderij begon, en over grond. Wel twintig tuinders uit de streek, die hij kende, had dokter ’r met alderlei aanraadsels op die manier ondergebracht. En aa’s dokter ’m zoolang ankeek.... was ie nog banger.... dat ie alles in z’n oogen merken zou van z’n spulle, z’n gannefe.... je wist nooit wá’ soo’n man an je ooge sien ken.... puur soo’n geleerdhait....
—Joa.... joa.... moar.... viere en vaif.... en nie genog, schuchterde ie verlegen.... ikke hep de loodpot nie, dokter?.... ikke nie!
—Zoo-zoo, nou, zijn jullie kerels, d’ris nog meer land, voor je zoon Dirk.... ’n prachtig lapje.... van mìjn.... ik hep ’r mooie huisjes bij gezet.... voor jullie.... twee kamers gelijkvloers.... twee bove.... zolder.... schuur.... ruim.. maar mooie.... jonge koopies!.... Maar apropos.... hoe zit ’t met m’n rekening vader! Ik mot nou vange man! Je weet, nog ’n paar dage,.. of als de aarbeie ’r zijn?
Ouë Gerrit had gevoeld, angstig, dat ’t daar op uitdraaien zou. Daar had je ’t gedonder al. Wa nou.... Wa-nou! Angstig in z’n stoel gedrukt keek ie van z’n paarse kousen, naar Troost òp, die met ’t vet van z’n onderkin speelde, in plooien-wellust.
—Joà.... hoho!.... hoho!.... kaik uwes d’rais.... uwes weut.... slecht joar....
—Ha.. ha! zeg vader! Kom nou niet met die praatjes.... ken ik waarachtig àl te goed.... dat is met iedere rekening zoo.... nee vadertje,.... we zulle nog eens ’n hypotheekie klaarmake... van ’t lapje achter je huis... bij m’n zwager... Dat kost je van akte opmake niet veel, ’n vijfentwintig poppies.... jij heb dan vrij spul.... en ik hoef niet tot de aarbeie te wachte....
Ouë Gerrit werd groen-bleek van schrik.
—Moar dokter.... uwes runiweert main!... ikke sit t’r puur in.... de rekening is te hoog hoho!... ’n gulde per siefiete!.... en honderdseventig pop.... en nou nog van akte vaif....
—Papperlepap vader! dacht je dat ik je voor jullie plezier hielp.... en de medicijnen die je van me hebt.. verkoop jij je boel voor niks? ik zou maar wat koest zijn als ’k jou was, he?.... Door mìjn blijf je dit jaar nog op de Beek, anders hadde je d’r al lang afgesmete.... Je weet dat ik kommesaris voor kerkbestuur ben van weiland.... je weet dat ik je je grond onder je voete kan wegtrekke, als ik wil.... dat weet je àl je grond! En nou zou je mijn rekening niet willen voldoen. Niet een die jullie volkje zoo netjes behandelt als ik.... En stank voor dank.... Natuurlijk! Nou dat aktetje komt morge in orde, ik heb ’t m’n zwager al gezegd.... anders gaat je boel eran.
—Moar dokter.... had u main.... nie effe eerstig kenne vroage.... ik sit ’r soo kras in, dâ....
—Wàt?.. ik weet toch, dat je niks hebt.. Soo is ’t goed hoor vader.... best.... Allons donc! Wat zit je daar nou of je geen tien kan telle.... Nou.. je wijf zie ik van middag, adieu! adieu! ’t beste hoor!
Ouë Gerrit was langzaam opgesjord van z’n stoel, voelde, dat dokter ’m kwijt wou zijn. Troost had uit de bovengang z’n hoed van den kapstok gelicht, was Hassel voorgegaan naar beneden.
Dokter’s rijtuig stond klaar.—In de apotheek groette ie vluchtig wat menschen, die recepten halen kwamen, en eerbiedig voor dokter uit den weg schuifelden.
In livrei-glimsel, stond vóór z’n koetsier, met knop van portier in de hand. Voorzichtig kippiglijk stapte dokter in. Voort ging z’n rijtuig, waggelde ’t zware lijf van dokter op de makkelijke bank, tegen de fluweel-donkere kussens van den kaprug.—
Wat ezelstom volkje, vrolijkte ’t in ’m. Die denken maar, dat je voor niets werkt, dat je ’s nachts voor ze klaarstaat, als ’t een er maar invalt je te laten roepen. Wat zal ik ’m krijgen.
Van alle kanten, uit z’n open rijtuig, groette joviaal-doenerig, dokter Troost. Met z’n log bebakkebaarden kop, kippig enkelen nakijkend, deftigde ie door de tuinderswijkjes, in z’n lichtgrijs pak, z’n blank schittervest, met z’n licht-grijzen hoed, geheel doortrokken van rustige, rijke zomerweelde, heerschend in z’n stedeke-notabelheid over allen.
IV.
’s Middags zat dokter Troost bij Gerrit, tegenover vrouw Hassel, die ’m wezenloos bestaarde, niet begreep, waarom die man ’r telkens vragen deed, wat ie van ’r wilde.—Met z’n rug naar ’t raam zat dokter, zich peinzend wrijvend onder de vetkin, vrouw Hassel vlàk voor ’m, twee vingers van ’r blauwig doorpeesde stekelhand, in ’r kwijlmond versabbelend. Haar steekmuts plakte slonzerig scheef op ’r uitfladderend vuil-grijs haar, oogen doften star. Om ’r kwijlmond groefde in stillen kreun ’n droefnisrek, waar d’r verstand al niet meer aan mee deed. Soms heél even, flitste ’r angstlicht in de oogappels, dofte daarna weer haar wezenlooze kijk, erger. Gelig-smoezelig magerde ’r hals, met ver-uitstekenden beverigen keelkrop. Uit ’n vies-zwart jak, van boven knooploos afflodderend, propte ’n stuk van smerigen borstrok òp.—
Dokter Troost bleef ’r stil bekijken, schudde soms even zwak, z’n log hoofd. Dirk en Piet waren op hun kousen, met wasemende zweetgezichten de kamer ingeloopen, en Guurt met handen op ’r zij geoorkruikt, stond naast den dokter. Ouë Gerrit zat beverig en angstig tegen over Troost. Op tafel bij ’t raam, vonkte uitgeschulpt karafje met konjak, kristallig, in groen-rooie lichtspatjes, op dofrood boersch-stug blaadje en deftig-stil ernaast, pronkten wat grove kelkjes, rustig glanzend in zonschijn.
—Nou moedertje, zwaar sprak Troost, en zeg nou eens wat verder....
—Wâ.... wâ?.... schrok ze op, wâ segt u?.... gansch vergeten wie voor ’r zat.—
—Sacré nom, quelle misère! bromde dokter voor zich uit, ja.. wat? wat?.. Heb je nog zoo ’n drukking hier?.... hé?..
—Joa.... joa.... beefde ’r stem.
—Hier, an je slape ook? en hier, op je achterhoofd, en daar bij je neuswortel, en....
—Joa.. joa.... wâ?.. wâ?..—Niets wist ze meer wat dokter gevraagd had.—
Dokter keek juist òp naar Guurt, toen ouë Gerrit ’m aanzag, dìe juist snapte, dat ie z’n meid lievige knikjes gaf.—
—Niks an te doen, brommerig gromde Troost’s stem.... is in ’n half jaar schrikkelijk verergerd.... kollega Zwanke heeft gelijk!.... beroerd.... beroerd....
Stiller bromde ie in zichzelven, dat niemand ’m meer hoorde, noch storen durfde met vragen in z’n diagnostisch gepeins.... Beroerd.. dementie.... nou mooi! afgedaan!.. jonge.... jonge wat ’n meid die Guurt! dat was er nou eens een, daar had je wat an.... jonge.... die most nou eens zijn huishoudster worde!.. kijk.... die schape je angape.... Nou.... dat wijf gaat kapot! oud-nieuws!
—Ja, ja! hm! hm! klonk uit z’n zacht gebrom scherper òp. Ja Hassel, is in ’n korten tijd zeer, zeer verergerd.... ’n droevig geval, zeer, zéér droevig. Houd je maar taai, want dat is noodig! En jij Guurt, jij mot maar de huishouding heelemaal op je neme.. hoor beste meid! En laat moeder vooral met geen petroleumstel omgaan.... of met geld....
—Joa.... zei Guurt.... wai hebbe ’r vast ’n kluif an!
—Soo! soo! nou laat ’r geen dinge doen, die gevaar kunne veroorzake.... doe jij ’t liever....—Guurt had ie schijn-ongemerkt ’n knijpje in arm-dik geperst, met vriendelijk-zinnelijk lachje.
Vrouw Hassel sufte, wezenloos in ’r staar, niet beseffend wat ’r gebeurde, ziend de menschen om ’r heen, telkens weer ze vergetend, tòt ’r stemmen opklankten. Ze hoorde wel, maar zoo erg was ’r bewustzijn geslonken, dat ze nog sneller vergat dan ze hoorde. Even soms flitste ’r angstlicht in ’r oogen, keek ze bewuster, alsof ze ’n stoot kreeg in den rug, of ’n prik in ’r lichaam. Kwijl slijmde langs ’r mond, glom morsig over ’r natte kin. Armelijk ingehurkt en verzakt, zat ze op puntje van ’r stoelzitting. Niet één der kinders, die besefte, iets van ’r verkwijning en angsten. Ze zagen ’r vergrauwen als ’n half-verrottend meubel, dat in elkaar getrapt en opgeruimd moest worden, dat in den weg stond. Haar doffe staar verveelde, beangstigde hun, verlamde vroolijkheid en stoeilust soms. Haar angstige opspringing vond ouë Gerrit malle aanstellerij en Guurt vooral nijdigde bits van zich af, als ze zich bevuild had, en geen besef meer toonde om ’r eigen lijf te wasschen. Godsliederlijk lui en gemakzuchtig, heette ’t Guurt, en ze wou ’t wijf niet langer in huis hebben.
Gevoelloos in z’n rauwe wellustnatuur bleef Troost nog wat plakken, paf van Guurt. Even broeide in z’n heet brein ’n plan. Als ie ’t wijf eens onderzocht, haar liet uitkleeën, die gapende stomme kerels verzocht heen te gaan, voor ’n kwartiertje hem alleen te laten met Guurt, voor hulp. Maar luidruchtig, midden in z’n stille, heete bedenkingen over Guurt, die Gerrit en de jongens aanvoelden als ernstig bepeins over zieke moeder, kwam geklop op straatdeurtje, en stemmeklank rumoerend:
—Is dokter hier?.... Ja he? Ik zag juist z’n rijtuig buiten staan.. hm! moet ’m effe spreeke..—Onder rijkelui’s-keelrumoer, stapte ’n meneer in, kassier, geldleener en bankman; Stramme, zwager van Troost.
—Donders, daar had je z’n zwager, da speet ’m nou donders, roet in ’t eten.
Guurt was naar meneer Frans Stramme geloopen, komplimenteerderig, deftig doend en lacherig. Ze wist wel, ze voelde ’t, dat de heeren ’r mooi vonden, om hààr kwamen, en heerlijk vond ze’t zoo bekeken te worden, gevleid, toegeknipt en beknepen, met lieve handdrukjes. Ze had ’r zich voor opgedirkt vandaag, zoo’n uurtje vóór dat dokter komen moest. Ze konden ’r beschateren de jongens, maar daar gaf ze niks om.—Zij zou hèn uitlachen als ze eenmaal ’n kerel met duiten had aangehaakt.—En nou, zingen kon ze van de pret, dat de rijkdom van Wiereland zoo maar in ’r huis stond.
—Toe goan u sitte, meneer Stramme, dokter blaift nog.
—Ja zeker.. beste meid.... kuch-stemde ie, en negeerend den stoet om ’m heen, tot Troost,—’t is goed dat ik je tref, ik moet je daar dadelijk spreke....
—Ja, ja! ik kom, ik ga mee..—Nou moedertje.... hou je maar goed.... zal wel betere eer je ’n kerel wordt.... Sacré nom, quelle misère.... perste ie, met gemaakt-versteld gezicht naar zwager Stramme eruit.
Hij had zich van z’n stoel met paf geluid, als kraakte z’n zwaar lijf, opgeheschen. Z’n zwager was niet gaan zitten, stond brutaal rond te kijken, uitdagend en machtig zich voelend in dat duffige tuindersgezin. Vlak voor ’t gezicht van Dirk had ie zich neergeplant zonder excuus, wiebelend op z’n teenen naar hakken, hakken naar teenen. Blufferig hingen z’n blanke manchetten half z’n mouwen uit, fijn grijsde z’n zomerpak en onbescheiden loerden z’n oogen achter gouên lorgnet, met fijn zwart koord vast om z’n hals. Lust voelde ie om te schateren, toen ouë Hassel, beverig, op ’t stugge boeren-presenteerblaadje ’n konjakje kwam aanbieden, dat ie joviaal weigerde. Dokter stond nog wat te bedisselen met Guurt, die fijntjes lachte.—En òver de hoofden der stille, landlucht uitwasemende kerels heen, die stonden in één houding, in ’t donker van ’t vertrekje, sprak meneer Stramme weer z’n zwager aan: of ie klaar was en meeging. Jaloersch ’n beetje ook, dat Troost de mooie meid daar vóór hem stond te bekneuteren met zoete woordjes en lievige stem-lachies.
Vrouw Hassel, in ’t licht met ’r stoel, had ie nauwelijks gezien, maar toen ie in-één op ’r suf gezicht keek, en ’r natte oogen zag die staarden, huiverde ie van afschuw en viezigheid.
En Troost, sluw en doortastend, beuls-brutaal en heerscher bij z’n tuinderslui, wist wel dat z’n zwager ’n stommeling was, alleen veel geld had, vertrouwde hem niet alleen met Guurt. Hij kon ’r wel voor zijn neus wegpikken. Guurt zelf stond te gloeien, hoog-rood van opwinding. Die prachtige kostuums van de heeren, die manchetten, die hoeden, dat witte vest van dokter, die grijze pakken.... Groote genade aa’s sai d’r is soo één uit de deftighaid kon inpalmen. Ze kon maar niet afblijven van den grijzen vilthoed, dien ze, onder ’t spreken, in de hand hield, drukte en aaide.—Van Guurt eindelijk was dokter Troost nog even naar ouë Gerrit geloopen, stond daar voor ’m, met handen achterwaarts, in lendenen gesteund, z’n wit vestbuik vooruit. In bangelijke houding, krommig gebukt, stond Hassel aan te hooren, al maar knikkend met z’n hoofd, dat z’n baard danste op z’n kiel.
Dokter had ’m ’n recept gegeven, voor drie soorten medicijnen.... en spuitgereedschap, alles in zijn apotheek verkrijgbaar. Meteen had ie gezegd, dat ’t hypotheekje door z’n zwager, notaris Breemsma, was klaargemaakt, dat ie maar gauw moest komen „teekenen,” al kon ie niet schrijven en de getuigen voor het aktetje door hèm waren besteld. Nog drukte ie ’m op het hart vooral de vijfentwintig pop direkt mee te nemen omdat z’n zwager geen lust had, z’n hypothekair erbij te rekenen. En ouë Gerrit schudde maar met z’n angstig bedremmeld gezicht, doodelijk benauwd, zonder kracht tot verzet.
In drukkerig stemgeraas en onder liefdoenerige geleiding van Guurt, die hoog-rood wang-glansde van genot, waren de heeren uitgestapt, en weggereeën.—Met gloei-gezicht stapte Guurt de kamer weer in, naklank van streelerige, zinnelijk-kirrende lokkerijtjes van dokter nog in ’r ooren, zich licht bedwelmd voelend, als was ze begoten met eau-de-cologne, als rook ze niets anders, den ganschen dag. Vriendelijk keek ze zelfs naar ’r moeder, die hààr bestaarde, maar niet zàg.
In de kamer, na dokters vertrek, loomde stilte.—Ouë Hassel keek verachtelijk naar z’n vrouw, die in één houding, stil op ’r stoel te sterven zat. In stommen Dirk giftte wat ingesmoorde woede op branie van meneer Stramme, die zonder ’m zelfs te groeten, pal voor z’n neus was gaan staan, in de kamer. Kees, vreemd alleen blijvend op ’t land, niet begrijpend waar de kerels zóó lang bleven, was ook even ’t vertrek ingestapt. Guurt had meteen de mannen ’n bak koffie voorgezet. Ouë Gerrit slobberde gretig ’t dampige, slappe afbaksel.—
—Jai ook ’n boakkie, hee moeder?—vroeg Guurt, met trillende stem, van napret nog.
—Wà’.... wá’?
—’n Boàkkie? zeg-wees ze naar ’t komfoortje....
—Joa.... joa.. gulzigden ’r handen al vooruit. Dat was ’r troost, gaf ’r lekkere, zoete hitte.—Beverig zette ze vollen kom aan ’r mond, zoog ze òp in gulzige slobbering, ’t bruine sopje, zoetig smakkend, met dorre tong tegen lippengrauw.—
—Nou, en nou bi’k aife wais hee?.... zei ouë Gerrit plots stug, met ’n bonk z’n kom op tafel stootend.... hoho! wa nou?....
Kees keek beteuterd op ’t ingeslonken kopgrauw van z’n moeder. ’n Minuut was ie ’r stil van. Zoo had ie ’r tijên niet gezien. Vandaag was ’t den eersten keer in jaren, dat ie de woning van z’n vader weer ingestapt was.
—Dá’ kost nou je duute,.. stugde die voort, iederder besoek ’n pop!.... morrege komp ie terug hep ie sait.... huhu.... en of’rmorrege!.... en of’rof’rmorrege.... hoho!.... en soo goan ie veurt.... sel je sien.... En Guurt mot twee drankies en poeiers tegelaik hoale....
—Moar stommeling! sprong Kees inéén woest op, zien jullie dan nie da die skoelje d’r ’n sloatje van moakt?.... Jullie bin ommers ’n vetje veur sàin, ’n kalfkoetje.... ’t is netuurlik s’n aigeste oapeteek.... hai skraift moar roak.... Morrige komp ie t’rug.... skraift ie weer. Snôf’rjenne.... ik sou sain d’r uuttrappe....
Ouë Gerrit was van ’t raam, op z’n arm-stompen gemakstoel gezakt, starend de lucht in, zonder nog ’n woord te zeggen. Duifje uit hoekje, stil, in glans van veertjes, koerde zacht, vèr, klagelijk.—
—Daa’s net, gromde driftig Dirk, daa’s net.... dá’ wai dâ nie docht hebbe....
Maar Piet was ’t niet ééns.
—Nou daa’s ook ’n mooie.... sel dokter soo moàr gaife aa’s je nie noodig hep?
—Jou skoàpskop, lachte nijdig Kees, dá’ hoor je t’met of’ral eenderlai, dá’-tie altait en altait vaif keer te veul gaift.... en dá’-tie komp, dèur komp, aa’s de minse al lang weer bestig sain....
—En hai gaift moar, hai skraift moar, gromde Dirk mee.
—Netuurlik! viel Kees weer in, tut ’t aêre joar.... kraig je je print aa’s tie tog selfers s’n oapeteek hep... hep tie ommers soo langest aa’s tie wil.... hai is tog nog de eenigste mi oapeteekie.... is tog ofskoft!....
—F’rduufeld g’laik, driftte Dirk opgewondener, t’met van de heule ploas hoor je dá’ de kerel nie van de grond is of te dwaile.... hai plakt aa’s ’n klomp in ’je hai....
Ouë Gerrit hoorde onrustiger toe, staarde door naar de lucht, wel voelend dat Kees gelijk had. Maar dat juist maakte ’m woedender. Want hij kòn, kòn nooit ofte nimmer àf van Troost, zooals ie niet àfkon van z’n zwager, den notaris. Die hadden ’m in d’r klauwen, ijzer, ijzervast... Sàin nie allainig, allegoar!....
—Enne veur wá’ goan je nie nà dokter Zwanke, die hep s’n arme-rotsooi van gemainte pas an dokter Troost of’rdaan.. dá’ komp Zwanke!.. verduufeld ’n jonge dokter.. pas ’n poar joar hier, moar ’n bliksems-rechskoape kerel.... en ook mi’ sonder aige oapeteek.. en nooit komp ie ’n keer teveul.... je kraigt puur nies niemendal drankies van sain... en frindelik.. sien je.... gesmaird.. fain.. netjes.... netjes!.... of goàn d’r noa dokter Moas.... se kukkerint.... nog altaid bestiger aa’s hai....
—Daa’s net, zei Dirk weer, verbaasd kijkend om Kees’ spreekradheid, hij die anders nooit wat zei.
Maar de Ouë was opgesprongen nu, driftig, bleek van gift.
—Wa’ jai?.... wa’ hai jai d’r mee van noodig? wá’ mo’ jai je bek d’r in? Van sàin af?.. ke’k dâ! ke’k dâ?.... Si’k nie an sàin vastspaikert.... netoaris is hèms swager.... die kraigt.... seker paa’s ’n joar sain losgeld?.... nooit nog ’n sint afdoan.... die hep al main pachtaktes, main koopaktes.... nooit hep ie die main wille afstoan.... die hep main hiepeteek! aa’s ’k van Troost noar Zwanke goan.... stuurt ie main rekening tuus.... Die hooge goàste.... sitte t’met allegoar an malkoar vast.... hoho! viere en vaife en nie g’nog!.. daa’s één klus.... sel ’k moar segge.... enne al wa dokter sait komp ’r deur.... woar je komp.... sit ie in.... en s’n swoager is d’r wethouër.... rechterhand van burgemeester.... aa’s je an d’een komp.... bran je d’aêr.... hu! hu! viere en vaife en nie genog.... sullie hewwe main vast.... vàst!.... stikkevàst.... aa’s ik main roer.... stoan ’k op stroat!....
Z’n stem sloeg over in gillerige stoot-woorden. Driftig heen en weer ging z’n lijf door de kamer, bochelden z’n schouders meer òp, rukte ie aan z’n baard en lokken.
Driftiger beende ie voorbij vrouw Hassel, die achteruitschoof op ’r stoel, met bang oogenlicht dat opflitste, telkens als Gerrit d’r voorbij donkerde, alsof ze voelde, met woestig angst-instinkt, dat ie haar wel slaan wou.
De kerels slobberden weer stil uit hun koffiekoppen, door Guurt volgeschonken. Ja, ze wisten wel dat Troost heerschte in Wiereland, als ’n god, dat van hem alles afhing bijna. Dat ie met al wat landheer was op besten voet stond, dat één woordje van hem, genoeg was om ze in alles te bemoeilijken. Dat ie ze ook bij die heeren in bescherming kon nemen, en kleine vooruitgangetjes voor hen aftroggelen, als ie wou. Ze wisten ’t wel, maar ze beseften ’t maar heel zelden en dàn nog met angstigheid in ’t hart.
’t Hoorde nou eenmaal, met ontzag naar dokter, notaris, bankman, op te kijken, dat moest zoo maar blijven. En gretig heerschte Troost, met z’n familie-vertakking, over Wiereland en omtrek, ’t sterkst onder arbeiders en pachtersvolkje. Vooral notaris heerschte mee, waar ze nog grooter angst-ontzag voor voelden. Want die baas-speelde nog direkter over hun wel en wee, over hun grond en pacht, hun schuld en rekening, aktes en hypotheekjes. Die kon ze wat voorgoochelen met cijfers, waarbij ’t hun ging duizelen. Die deed in hun koppen angsten ontstaan, van allerlei soorten. Angst voor landheer, angst voor borgstelling, voor pacht, voor koop en verkoop. Die kon ze laten wachten op zaken en afhandeling van akten, dat ze de heele boel bedierf, verliep. Die kon ze bevoorrechten, weer achteruittrappen, sarren en de noodschroeven aanzetten, al naar ie bliefde. Flauw beseften er enkelen, dat notaris, dokter, bankenman hier rijk werden, van hùn arbeid. Want luider ging ’t gemompel, dat dokter arm gekomen was in de streek, voor veertig jaar, en nou rijk pronkte, schatrijk, z’n equipage uitstalde, zoo goed als notaris Breemsma; dat hìj, in z’n praktijk uitgezogen had de pachterskliek en kleine burgertjes; dat hij zwol, vetter wier van hùn sappen. Er ging soms onderdrukt gegrom. Ze wisten wel, maar durfden niet spreken, dùrfden niet. Ze likten liever zoo’n man met macht, ze aaiden, paaiden ’m, bogen, kropen voor ’m, belasterden, bespogen hun makkers om wit voetje bij notaris of dokter. Godsdiensthaat barstte los op kantoor, bij notaris, die er stil van profiteerde. Alle nieuwtjes van elkaar kwamen ze hèm brengen en voor loon, zoog ie ze uit, nog meer. Ootmoedig groetten zij rijkdoorvoede, geurende kinders van notaris, dokter, notabelen-familie. Alleen, in dronkemansbuien, onder het schoremst werkstelletje barstte opgepropte haat los tegen dokter, notaris, burgervader. Bij kermisopstootjes en vechtpartijtjes op feestdag-avonden, schroeide en woelde haat en scheld-woede tegen notabelen rond, jeukten de knuisten om ’r op los te hakken, ging er een stroom van nijd en afgunst, verzet en dierlijk gegrom door het zuipende, lollende volk rond, ’t lagere, verschooierde, werkelooze, dat notaris, dokter en burgervader zèlfs, bangelijk uit den weg ging, toch wel wetend, dat ’t maar bij wat stuiptrekken bleef. En als één tuindertje of kweekertje waagde driftig te worden, wat te schelden op dokter en notaris, werd ’t overgebracht, stond de heele kliek tegen ’m als één man. Waar ie kwam, stootte ie dàn z’n kop.... voelde ze zich verlamd en geknakt in z’n handelsrelaties, tot ie weer kroop, excuus maakte, likte, likte, zich loenschig vernederend als geen ander. Kleine, schuchtere werkstemmetjes van onmondig, stomp stoetje ploeteraars en aardwroeters werden gesmoord. En in den Raad, stedeke-raadje, middeleeuwsch kliekje van boerige, bekrompen verstandjes, waartusschen ’n enkele scherp kijkende en sprekende, die listiglijk ontzien werd, of uitgestooten, troonde burgemeester, burgervader, achterlijk stompzinnige, gekroond en versierd met adellijk naampje, waarvoor gekniebuigd werd, hoedjes en petjes gelicht. Van hèm ging onderdrukking van „welvarend” plaatsje ùit, koel en wettelijk. Enkelen pruttelden wel over barre stommiteiten van burgervader, die met z’n officieel, nooit-glimlachend, strak-leelijk gezicht, door de straatjes en wijken liep, zich voelende als ’n afgezant Gods; enkelen joolden wel om stumperige kleinheid en bekrompen brein-nietigheid van dit mannetje-één, uit de burgerij; enkelen gierden wel in stilte, om z’n malle airtjes van politiehoofd en stedeke-heerschertje, die alles te leeren had van z’n scherpzinnigen gemeente-sekretaris, praktijk en theorie. Maar zóó, in ’t openbaar, boog men voor hem, man van adel, man van dubbelen naam.
En Kees heelemaal vergroeid en verwoest, kon niks zeggen. Hij schooier.... wat wou hij?.... hij die te hongeren lag om ’n cent.
Maar diep, diep in ’m brulde, gierde wild-woest verzet, tegen ’t stelletje dat ie verdoemde, in z’n wraak-borst, zonder dat ie ’n letter zeggen, spreken kon. Als ie aan Wimpie’s gezicht dacht, dien stumper daar neergesmakt, begon ’t al erger in ’m te gieren, voelde ie ’n onrecht, hem, hèm alleen aangedaan; dacht ie, dat de rijken nooit dàt, die ellende hadden. Nooit nog had Guurt es gezegd: „laat ik Wimpie ereis zien”, of een ander uit ’t vuile nest. Hij wist, dat Ant ze verboden had er te gaan, bij die ketters, en dat zij Ant verafschuwde om ’r vuilen, valschen nijd. Maar ’t griefde ’m, griefde ’m diep, dat niet één van zijn bloed, naar z’n Wimpie ooit vroeg. ’t Griefde ’m, hij kon ’r om uitbarsten, zwaar vloek-hameren van nijd.
In stikwoede was ie mee opgeloopen met de kerels, naar ’t land. Door z’n werk zou ie zich koelen aan den grond.
Tot ’t late licht ze verschemeren kwam, wroetten ze weer in de zandaarde, met gezichten in één donkeren buk naar den grond, in haastenden arbeid en werkjacht, als krom-gegroeide beesten, voortschuivend tusschen het rondom wijd-weg-drijvend, diepe goudlicht van lenteavond, pracht van glanzen en lichtspel.
ELFDE HOOFDSTUK.
Met wilden schrik in z’n oogen kwam ouë Gerrit ’n paar dagen later op ’t land, achter z’n huis uit, op Dirk en Piet àf die tusschen de boonen schoffelden. Kees hurkte op ’t paadje, met z’n groote handen snel tusschen het sierfijn uitgeknipt wortelenloof, wiedend.
—Nou maa’ne, klonk ontsteld Gerrit’s stem, daa’s ’n bakkie! Hoho.... hoho!.... ’t raip in de heule keet oarebaiê.... op ’t Duin bai de oarepels!....
Z’n stem beefde. Meer kon ie niet uitbrengen van ontroering, keek ie pal in verbaasde oogen van Dirk.
—De heule keet!?.... tien aggele?.... donderejenne.... komp gain duut van t’regt....
—Wà hoek, vroeg Piet suffig na, die al broeide in de warme zon, en kreukeltjes trok in z’n gezicht, als om beter te verstaan.
—Nou de heule hoek in ’t Duin.... hoho! heule blad f’rvrete!.... aa’s kittels stonge de vruchies.
—Main kristus, riep Dirk, nu pas angstig bewust wordend de schade, daa’s ’n bakkie, dá’ mo’k sien!!.... da’ mo’k hoàring of kuit van hebbe!....
—Sien?.... sien?.... huhu! d’r is niks te sien.... en wait òp sitte de slakke hier duimdik in de kole.... Rooit noà niks! noa niks!
—Moar, komp ’r t’met rege, schreeuwde Piet, bestig veur ’t raip!
Bezorgde klank zat ’r in ’t gepraat. Dàt was oogstverlies! Ouë Gerrit voelde dubbele benauwing. Voor zich uitstarend suffig, stond ie te berekenen hoeveel ’m dat schelen kon.... Most ’n meroakel-slechte oogst worde.—En midden in z’n gepeins en onrustig gereken, schoot knaging, dat ie zich dat zelf gelapt had.... Hai was ommirs ’n dief.... ’n gannef!..
Star stond ie, met rooien kop van angstigen bloed-aandrang te rukken aan z’n baard. Stil, met iets van bang ontzag, bleven de jongens, de schoffels in de hand, ’m bekijken. Dat maakte Gerrit onrustiger nog. Hij voelde, dat ze wisten wat ie dee.. aêrs souë se sain nie soo ankaike.... godskristus.... Wà’ stonge die kerels dà’ f’rsloàge noa sain te loere.... noa sàin..
Nou saie sullie niks, om Kees.... moar ’t sou komme.... Jesis! da’ skeulde sain t’met ’n poar honderd pop!.... dà was nie bai te rooie!.... nooit nie.... nooit nie!.... Hoho! die kerels.... dà kaike noar sàin.... Ja nou, da’ voelde ie.... sullie hadde dokter ook sproke.... die hep ook sien.... en sain waif.... en Guurt.... en alderlai volk!..........
Angst, zware angst, klauterde weer naar z’n strot. Van de heele vrije lucht om ’m, kon ie nog maar heel kleine teugjes inademen. Rond z’n keel, schroefde benauwing; lichter luchthaaltjes gingen er nog net even door, met moeite, als of ie stikken moest.—De manschappen waren langzaam weer aan ’t werk gegaan. Met groote passen liep ouë Gerrit tusschen de regels en bedden in. Bij de put op ’t erf, zag ie vrouw Hassel staan, met kousen in ’r handen. Haar grauw-suf gezicht maakte ’m woedend.... Dat waif was z’n armoe.... en dá’ die vervloekte Kees op ’t land werkte; ongeluk lai op ’t huis!.... Dá’ waif kostte sain geld.... En sai.... sai.... sai hep sien s’n spulle.... dà’ loeder!.... da’ loeder.... nou sou die ’r de kop kenne splaite.... aa’s tie moar mocht!.... mi’ de skoffel op ’r pins hakke.... want sai hep loert.... sai hep f’rteld....
Razende drift kwam in ’m opduizelen.... Tien aggele honderde guldens kwait, mit de koole.... puur kwait!.... En niks om te betoale!.... nou most ie poere en teekene veur s’n dokter-skuld,—veur ’t waif.... veur Piet’s been.... veur drankies!.... ho! ho!.... daa’s Kees op ’t huis, dá’ komp ’t al uut!.... dá’ komp ’t al uut!
Dirk en Piet keken naar de driftstappen van den Ouë. Nooit hadden ze ’m zoo bleek en woest-vertrokken van gezicht gezien, bij ’n oogst-tegenvaller.
—Nou Ouë.... wá’ hai je? Je sien puur ’n laik! hou je kalm! aa’s ’t eene teuge loopt, loopt miskien vaif mee, goeiigde Dirk.
—En de sinte!.... de sinte!.... de dokter hep weer ’n hypeteekie nome op main grond.... veur skuld van moeder en Piet.... en de sinte.... aa’s d’r strak-en-an de landheer komp!.... bai màin hoale sullie de sinte.... jullie suip moar.. suip moar.. hep lol in Amsterdam.... ho! ho!.... ho! ho! jullie gokt d’r op los.... moar ikke.... ikke stoan d’r veur.... aa’s de boel veur de wereld lait!....
Woest staarde z’n vergramd kindergezicht de kerels áán. Nijdig, ingekrampt, met grauw-bleeken kop, liep ie ’t erf op achter-end in, om wat te drinken.
Guurt met ’r rokken de hoogte ingesjord, in knoopsel achter haar schortbanden, klomp-kloste drentelig en druk op ’t beklinkerde erfstraatje, sjouwde met kommen en waterbakken heen en weer, bukte telkens,—met één been stevig neergeplant op den grond, het andere, wijd opgelicht in kuitstrekking,—over put heen, in rammelige bonken wateremmertjes òpbeurend en leegspattend in klettering over ’t straatje. Om ’r heen klaterde en bruiste ’t water. Ze schrobde in zwaren boen, forsch, met d’r dik-bloote armen in heftige stooten vóór- en achteruit, dat harige bezemborstel griste, siste en schuurde, ’r zwaar lijf te waggelen stond van drukke doenigheid. Den Ouë had ze net zien aanhollen, bleek en haastig.—
—Wa’ is dur? zong met Wierelandsche intonatie ’r stem.
Gerrit was doorgeloopen, zonder antwoord, recht op ’t achterend af, met verblufte achterlating van stomp-neuzige klompen tegen drempeltje.—’t Maalde en draaide in z’n kop, of ie zoo ’n beroerte zou krijgen. Vast en seker gong ie noar de grond. Nou mòst ie dood.... dood!.... Daar had ie nou juist angst voor, schrikkelijke, klemmende angst, die vastschroefde iets in z’n keel, dat ie geen lucht kon krijgen; die zwaar plette op z’n handen, z’n armen, z’n beenen.—En tusschen z’n angst, zalig verlangen toch naar z’n spullen.... Nou ie zooveul had kon ie s’n aige nog betere.... Kort maar bleef ’t gevoel voor z’n goed. Gauw overrompelde ’m weer wilde angst, nauw keel-toepersend gedreig om ’m heen, van allemaal dingen waar ie vroeger nooit ’n minuut aan gedacht had.... Waar z’n spullen zouën blijven, als ie dood was? of onze lieve Heer ’m zou ranselen, dat ie ’r bij neerviel?.... of Dirk, of Piet ’t eerst z’n spullen zouen zien?.... En of slechte aardbeien met rijp nog wat konden opbrengen.... En of ie met z’n baard voor onze lieve Heer verscheen?.... Zoo, dolle gedachten duizelden door z’n kop, en benauwings-toeschroeving van z’n strot, erger, stikkender. En overal holde dreig-angst met ’m mee, wààr ie ’n stap deed. Angsten, als ’n altijd omringende macht van zorg-schimmen, waar ie naar greep, die ie wou wegduwen, maar vervloeiden in z’n handen, door z’n vingers; toch strak-zwijgend weer om hem heenstonden, als ie keek. Of ie z’n oogen sloot of open deed, dat hielp niets. Altijd bleef ie ze zien, met oogen dicht, nog duidelijker en zwarter. ’t Bangst maakte ’m de angst-beklemming op z’n maag, dat ’r noodzweet op z’n gezicht klamde. Dat was doodskramp, benauwde ’t in ’m, druk van den duivel. Z’n hoofd voelde ie woelen in iets lauws, vochtigs, dat àl sterker verhitte, tot ’t ging gloeien, koortsen, branden op z’n huid, wangen en hals, en dan plots afkoelde om nà ’n paar minuten weer áán te gloeien.
Maar hij zou wel bedaren, suste ie zichzelf weer, rillend in kakebeving. Nooit had ie ’r toch om gegeven.... Veur wá’ noù wel?.... aa’s sullie moar niks wiste.... aa’s tie sullie moar beet had.... aa’s tie sullie allegoar moar ’n loertje kon droaie.... God ook’n loertje.... want gekkighaid.... die kon nie overal te g’laik saine.... Dá’ was puur malligheid om je bang van te moàke... aa’s hai ’s nachts in de kelder was gonge.. had ie puur pal ’t luikie veur ’t roampie set.... hep onse lieve Heer vast nie sien kenne.... moar aa’s God.... aa’s God nou erais sàin die sorge had toebedeeld?.... Kon die moar skraive.. en lese!.... hoho! kon die moar.... Dan sou ie sien.... of dá’ in de baibel stong .... enne of d’r vroeger ook sulleke minse weust binne aa’s hai!.. Nee.... tug nie lese.... miskien stong dur, dat ie nog meer, nog meer onhail kraige most!.... Bai s’n broer stong alles goed.... tien voet van sain of.... Dá’ was woarskuw van God.... Moar.... moar.... huhu! aa’s tie nou es,.. bai Grim keek.... da’ stong alles in ’t raip.. sou die.... sou die ook soo gannefe aa’s hai?.... Sou die?.. Moar die had wel de duufel in, moar.... tug nie bang aa’s hai!.... Nie bang.... sel ie moar segge.. en niks niemedal gain angst in s’n strot.... soo klam.... soo in doôssweet, aa’s hai. Enne bai Reeker.... hewwe muise.... twee bed bolle affrete!.... En.... kaike?.... hoe stong die d’rbai?.. Joa.... woedend aa’s die was.... netuurlik.... Enne bai de Grouw.... oarepelestruike doodvrore.... Hoho! Neenet!.... hai was ’t puur nie allainig. Nou had ie nie allain.... nie koorakter!.... Nou.... hai sou moar bedoàre.... ’t was puur niks! kaik.... nou was ie weer kalm!.... Enne nie bleek ook... Nee.. moar aa’s tie dá’ gevoel had.. dá’ bai s’n moag.. hu! wà benauwd!.... aa’s tie nou erais dood most.... En was d’r nou ’n hel?.... Godskristus, dá’ ’n mins op die deele heulegoar gain vastighaid hep.... ’s Nachs.... ’s nachs wist ie ’t altaid vàst, dat ie d’r was.... Moar op dag, gong ’t weg!.. Kaik da’ ha je se weer.... Nou stonge se weer om sain.... ’n heule bende swarte kerels!.... En nou stonge se weer an s’n strot te trekke.... kaik!.... soo weer aldegoar sterretjes veur s’n ooge.... huhu!.... pal d’r veur.... Enn.... nou.. kaik!.... wá’ donker ’t word.... hoho!.... enne.... enne.. tùg dag.... was ’t strak-en-an!.. Sou die in de hel komme?.. enne.... Spulle waa’s nooit van sain.... nooit had ie wá’ f’rkocht.... nooit sou ie s’n spulle weer anroàke!.... Enne.... hai sou weggaife.... teruggaife.... alles.... alles! Aa’s ie nou moar nie dood hoefte!.... Jesis wá’ wàrm om s’n hoofd.. begon ’t weer te gloeie, om s’n kop.—kaik!.... nog donkerder.... veur s’n ooge.... Jesis waa’n benauwing!....
Zitten, doodstil, bleef ie ’n poos, verkneed in hijgenden lucht-snakkenden angst, met z’n handen woest-grabbelend aan z’n kiel, of ie iets wou loswringen dáár. Langzaam eindelijk zakte weer gloeiing van z’n kop, begon ie weer te peinzen, stil.. Nou sat ie nie meer in donker.... Moar kaik!.... de kerels.... die swarte kerels van sain, woare weg! Moar tug most ’r ies skrikkeliks beure mit sain. Da’ was vast woar!.. vast woar.. hoho!.... Net of d’r swoare onweer in de lucht sat.... soo bangelik, beverig en angstig, gejoagd, en keliekig voelde ie s’n aige!.... Hai wou wel loope.... loope.... Want al die swoare wolke.... satte op sàin kop.... dá’ voelde ie puur. En nou kwam ’r weer donkerte veur sain ooge.... donker wier ’t.... heul donker....
Schuifelend was ie in den leegen koel-beschaduwden stal, in ’n duister hoekje op ’n steen neergezakt, met z’n hoofd tegen ’t rem. En z’n handen, slap en trillerig, hingen langs z’n lijf.
Nou mostie moar bedoàre.... stilletjes.... sain gangetje goan.... dà konne.... de wolleke soo op s’n kop drukke.... en.... aa’s d’r bliksem kwam.... kon die nie bai sàin.... nie sien.... want veur sain ooge was ’t donker.... stikke donker.... heulegoar puur nacht.... nou most ie bedoare.... puur nacht.... stikke benauwd.... puur nacht!....
II.
Hooge zang van werkers galmde uit, achter stekjes en rijzen, den Juni-ochtend in. Prachtige zangklanken, die zeilden in sonore trilling door diep luchtenblauw, uit de overal dichtgegroeide en omzonde groente-tuinen.—In kleur-klatering goudde de aarde, en overal uit de gaarden, van singelgroen en hagen ingesloten, dampte ochtendgoud van jongen zomer, nevelvroege dauw, die vonkvuur schoot en paarlen spatte tusschen grashalmen en bladeren. Achter de hagen, als groene sierwanden tusschen elken akker òpgegroeid, schemerden blauwkielen door, werkers die hurkten òver het lichtverstuivend prachtgroen van aardbeibedden.
Jonge, zoete geuren-hitte trilde uit de gouden aarde en lichtelijk schroeide de zon Wiereland. Tegen den middag alleen, beefde zwaarder hitte boven het groengoud van velden, flonkerde diep ’t licht tusschen de bladeren, stond stil de zanglust van werkers, wèg in zwaren zwoeg.
Dirk en Kees werkten in ’t paarse schaduwlommer, bij Gerrits aardappelengrond. Aan één zij achteruit, lag hun akker begrensd door woest, reusachtig tuinbrok van rijken, stillevenden kweeker Waarmer. Tot vlak achter de meidoornhaag van beukenlaan naar ’t duin, liep diens tuin, groot en wild. ’n Lompe, nijdige heereboer, stil-levend en kwaadaardig, was Waarmer. Z’n huis in ’t tuinbrok, lag er stil dicht-gegroeid en belommerd in groene schemerkoelte, tusschen reuzige olmen, eiken, beuken en diep gepoort van pracht-wilde lanen. Voorstuk met ijzerdraad afgepiekt keken de werkers in, schemerwoeste diep van den tuin, die nu in den Juniochtend te wonderen groeide, in sproke-atmosfeer van groengoude scheemring en kleurrankende bloeipracht. Glans-statige kippetjes liepen los, rond te kokkelen en te kukelen druk en jolig door het gras, doken glans-schuchter, met punt-wiegelende staartjes wèg in ’t hooge, blanke waterster, dat er neergesneeuwd wemelde in vonkschitter bedauwdrupt, broos en wiegelend op teeren, slanken stengel; hooge boeketten van blank licht, tusschen diep scheemrend goudgroen. Jonge abeeltjes stonden in wilden stammekronkel te sneeuwen met hun witte donsblad, te zilver-wuiven tegen luchtglanzen. En weeke luwte-schuifel zong om ze, als koelende zingende zomerregen in ruisch-tuin.—
En laag in ’t wilde boomgroen, stond, in oud-goud rood baksteen, teer-tonig, verzakt en ingeslonken, ’t stalhuis achter sierdans van gouden regen, slanke stammetjes, met hun gouden trossen, trossen in prachthang, als lanen waartusschen zonnewebben te verglanzen ragden, in trillend waas. Midden in tuinbrok kringde open, schemering van groen grasvlaktetje, goud-zonnig uitduikend onder woeste beuken. Blanke ganzen waggelden ’r rond, teer ’t oranje van hun bekken, en om hen dribbelden jonge blonde, kale kuikentjes, veerloos en druk, wegzakkend in de grashalmen, in eeuwig eetgepik, kopjes-golvend door ’t pluimgras, achter elkaar, in waggelend rijtje.—
Hoog, hals-gerekt, in zij-lingschen oogstaar, waakte vadergans, in blanken waggel achter de pikkende kuikens áán, soms even stappend in natten zonneschitter, dat er licht van z’n blanke veeren droop; drentelde moeder-gans méé, achter beschermd jeugdje, in het schitter-zonnige, zoete grasgroen. Oud bemenied hekwerk, stond in rood-felle schittering, half bezond, in sier van vuurlijnen voor ’n gedrochtelijk-uitgeholden boomknoest, monster dat gaapte, met nijlpaarden-muil, aan ingang. En heel diep, in half-bladerduister, blankte zacht òp, ’t witte huisje van Waarmer, beluwd onder koelend-groen uitgeurende kastanjes. Rondom, in ’t wild, danste kring van reuzevarens een woesten horlepijp, fijn in rankte spitsen hun krullende toppen, als vingeren slank ver-strekkend. En heel naar achter lag de woeste tuin dichtgegroeid, brak het lentelicht er in, tot zilver-koele glanzen, mat-blauwig, dampig licht onder blader-donker, in al gamma’s van schaduwdiep, geheimvol verruischend ’t lied van de lommerstilte. Als boven graf van gestorven saizoenen, zoemde er stil, in zilverblauwig waas, gebroken licht, al ijler uitgezeefd en onderschept door weer ander boom-groen en struik; dreven daar rond, geheimen van natuurleven, zalig in eenzamen groei, poëzie van het stilste, zwijgendste lommer.—
Groote heesters bogen in ranken wiegel òver naar wilde graspluim, en fijn ruischte ’r koele suizel rond van wind, ruischende eolusharpen, in fluisterenden zangespraak met bloemengroei en boomleven. Op ’t koele woningmuurtje, vermarmerd blank, ging in schaduwsier van varen en takjes, geheimvol leven rond van silhouetten, waartusschen rondgestrooide goudlichtjes en tril-vonkjes flitsten, verpijld door hooge tak-kronkels.
In de stille, omlommerde vensterruitjes, droomde koel licht van tuin, teruggeglansd in zachte vegen van gelen gloor, dof en heimelijk. En naast ’t hekwerk, brokkelde scheef verzakte, donker bemoste, roestige kringmuur, verweerd en duister, als ruïne van oud kreunend leven, waarop pauwenpracht uitwaaierde, bronzen goudscherm van veeren, groenstalen, kijkende schitterings-oogen van glans alléén. Zacht hondengeblaf dofte soms òp uit den stillen, binnensten goudschemer van roerlooze lanen.
In den hoek waar Kees en Dirk werkten, lag achter hagedoorn, ’n plek als leeggehakt, openend gouden tuinhart. Bleek-schoone, lila-seringen als jonkvrouwen in biechteenzaamheid gevangen, slankten plots òp uit gloeiende zonneplek, in lange rijen achter elkaar. Fijn, hun geurige kroonselen zoetten reuken door de lucht, en boven de rij van bleeke lila’s, dromden verdonkerend bronzen beuken, als wolken rood-violet licht, hooger òp doorvlamd van zonnegloed, felle zang van smachtend rood, tegen het bleeke lila, dat èven er onder uitgeurde, z’n fijne droomtonen, ijl in bedwelmende sfeer. Telkens zoo éven, schoot, uit de groen-gouë koelte van tuinwoesten groei, ’n plek open in zon, blankten wat rijtjes narcissen áán, of vruchtboomen in nabloei, purperend en sneeuwend, met zwoelenden geur-adem. Gloed zong van kastanje-kroonselen, die te geuren ijlden in ’t teer-heete Junigoud. En sterker kwamen uitranken verderop, zangerige lila-trossen, en kranzen hooger. En enkele seringen buiten de zon, slankten verbroosd in vochtigen wasem van gebroken zilverende lichtsfeer, koel.—
Op zoog de beukenlaan, vóór Van Ouwenaar’s landgoed, geurzwijmel van woesten tuin, die ijl te ademen hijgden. Seringen-adem en jasmijnen, dennengeur, en vochtige boschzoetheid, stoof in zacht en zwijmel naar de lichtgrot, tusschen al hoogzingender groen van jong geboomte uit jonkheer’s landgoed.
Als laatste dagpracht van lentefeest, geurde de beukenlaan, volgedronken van zwoele arooms uit tuinbrok, zwommen in gons, zang-teer de bijen en vliegen rond, ging lentezwijmel ten offer aan het licht, het licht dat gloeien en koken wou, naar de gouên grot, aan ’t laan-eind. In zalige weelde, glansde en praalde ’t daggoud, vonkte ’t licht, klaterden de kleuren van bloemen, rond grond en boomen, lag Wiereland honing te zwelgen uit gouden bloeme-schalen, in geuren-zoet te zwijmen, in rook van licht en vocht. En overal juichten en klaroenden de vogels hun zilveren zang door het groen.
Kees was wat later opgehouên dan anders. Er waren karren met bakken van de haven teruggehaald. Piet had gevent, goed verkocht, en Kees had van Dirk ’n gulden boven z’n zweetloontje gebeurd. Noodig voor z’n hongerend nest van dertien, waar ook nù nog, gevochten werd om broodkruimels.—Voor ’t eerst, met wat geld in z’n zak, stapte ie naar ’t duinkrot. Stil laat-lichtende lanen liep ie door, blij met ’t groen, dat ie eerst niet gezien had. Nou was ’t net, of er iets in z’n ruw leven, z’n driftziel, verzachtte tegen alles. Er woelde een geur om ’m heen van zoetheid, ijle reuk van bloemen, en er was iets blij’s in ’m, als hield ie toch van ’t leven.—
Luidloos, in prachtstralende zinking van licht was de vroege Juniavond om ’m, aan ’t sterven.—Jonge popels lichtelijk bebladerd slankten ver in avondrood, zachten gloed die als reuzige glansschild d’aard kwam overdekken.—
Rag en éven groen-verdonkerd lijnden de twijgen in ’t rozerood en stille murmeling van zoet landgeklank ruischte van akker-verten àf, als fluisterde nachtleven rond z’n beenen.—Zalig en zoet geurde bezonken dagzwijmel na, de aarde glansgroenend en glansvergouênd in droom-rozigen luchtbrand van zonnezink, madonna-gouïg en heilig ver-aureolend door laantjes en boomblâar.
Dennetjes, licht-groen gezoomd aan donk’re takkransen, stonden dwars doorlicht in rooien gloed, als heilige kandelabers in reuzige kathedraal zacht te branden, met de jonge kaarsjes tot den top in vlam geploft, zacht-glanzend, roereloos kaarselicht, aangestoken in ’t wonder-teere avondgoud. Aan wegkanten van weiland en glooiigen duingrond, bloedde éven doorvlamd fijn rood gepunt van eiken hakhout, teer als bladknipsels, looverig rood getintel, dat arabeske lijntjes droop van zonnig rood door ’t struikgroen. Fijn paarse hondsdraf toortste, lichtelijk gekringd in stoetjes, in ’t avond droom-fijne glanslicht, levende wezentjes, zelf bestarend den zonnezink. En rond, in verre kransen, kroop bijéén in ’t lokkende goud-zachte gevlam de eereprijs, heel teere blauwe lichtjes, dwaalzwammetjes in ’t grazend innig-schitterende weigroen.—Als weggewaaide kleurvedertjes van zwaluwstalig licht, stipten en trilden ’t blauw-zilverige avondgebloemte in de glanszonne, maar lichter, weeker van wéérgloedjes, tusschen de blanke boeketjes van geel-kransige madeliefjes en akkerkoorn, die heel broos, heel blank kuste ’t licht.—Teer wit, in blank gevloei van licht, al teerder en fijner, zilverden de witjes-madelieven òp tusschen het schitter-fijne vergelend gras. Van alle kanten staarden uit den wond’ren lichtstroom van ’t goud-doorzeisde grasgroen, de bloemgezichtjes. Overal zongen laat licht, en laat doorgloeide kleuren in den volstijgenden lentetooi, en ’t diep violet, ’t purper, ’t rood, vloeide en deinde tusschen ’t dauwende avondpaars. En ’t landschap zong in avondvergouïng, met keeltjes van duizenden harpenaren.
Tusschen wilgenzilver en abeelensneeuw ging suizeling, die fluisterde dat lente sterven moest, ging laatste tril nog, in zoete koortsigheid van grondgeur en jong gras. Hoog, uit de boomen, van kruinen en dieperen avondglans, zong jubel plòts van nachtegaal, afscheidszang aan lente.
Tusschen de zoete zomergeuren van wei en tuin en lichtval, die tooverde roodgoud rond de struiken,—overgoude stof die verwasemde de avondstille wegjes, rood-zandige kronkelpaadjes en nauw-door-elkaar harpende boomen,—zilverde neer hun lyrische jubel.—
Laag op wilgentak, grauwde klein lijfje van nachtegaal. Z’n oogjes glansden nog van avondrood geluk, en staar en stil, luisterde ze naar triolenden lokzang, uit eigen wond’re zilverkeeltje, lokzang opgroeiend in de heilige landstilte, tot zuiltje van parelend kwinkeleer en zoet tierelier.—Teer verhaperde eerst nog z’n lokkend vleiend fluitkeeltje, z’n kristallen gorgeltje, wat zangerige weemoeds-neuriing. En telkens brak z’n liedje, verstomd stil-staand in de vergoudende avondrust.
Dan plots borrelde zilveren tremolo, ’t kristallen keeltje òpzwellend in klank-zoet vleiend streelewijsje. Oogjes glansden rooder in gloed, z’n kopje luisterde zoet. Weer zette dierke in, kwam er smachting in ’t streelewijsje, spoot ’n trillenspartel jubelend hoog, borrelde voller, klare zilveren toontjes in ’t kristallen gorgeltje. Al luider en zoetvloeiender beefden de slagen òp uit z’n keeltje, kristallige spartel en fonkel; al passiënder zwòl de jubel.
Zwijmelende zange-wellust van minnaartjes-drift stortte uit, een kristalweb van zilveren trillers, en hoog in de lucht sloeg áán een golf, ’n zoet, zacht, rillend, weemoeds-deinend, jubelend, spartelend scherzo, klaar als tingelden en klingelden klokjes van kristal, eind’loos hoog in den hemel rond.
Dan stilte plots; ’t dierke, wèg in eigen jubel, de oogjes rood in zonnetoover, een takje lager huppelend rond wilgenzilver.
Van verre ruischte hevig-zacht nu, zangestem van aeolus uit serafientje, een ruischend gevloei van lichte aanslagwijsjes, héél roffelend-teer, in de diepte van andere keeltjes.—En sterker parelde ’t ààn, kristallen golfjes-ruisch in gouden zomeravondstilte.
Als in druisch van regenkristalletjes, stortten tegen elkaar in nachtegaal en merel, zanglijster en leeuwrik, zang en kweel van allen kant.
Sterfhymne aan de lente.
Uit hun donkre, grauwe nachtegaal-borstjes bleef klinken de snik van ’t minnen, ’t zoete lieven; door hun grauwe stille borstjes ging één kramp van uitstortend jubelgeluk. En engelenkeeltjes filomeelden in zoeten jubel mee, hoog, van uit ’n hemelschen toren.
Avondschemer donkerde neer over de zoete murmelende landstilte. Rond het laatste luchtenrood weefden de kristallen vogelen-gorgeltjes hun webjes van minnebegeerten. En donkerte rondom zonk uit, de schemer. Als zachte streken op violenkwint, fluweel-streelde, weende in ’t duisterend groen hun zanggekweel na. En als kinderkoortjes vèr, in gewijd lied, doorhuiverd van heiligen klank, tremoleerden terug, uit andere avondlijke schemerboschjes, broozer en reiner de vogelenkeeltjes, weenend van weemoed naar God.
DERDE BOEK
ZOMER.
EERSTE HOOFDSTUK.
Zachte vlekjes rood, donkere en lichte purpering, schemerden tusschen de vèr-groene, licht-verstuivende aardbei-akkers, onder laag blad uit. Door veld en straatjes van Wiereland en Duinkijk, dampten overal geuren, kittelend-arômig en reseda-zoet, van aardbeivrucht; zingende aroma van jonge groenten en frisch-kleurige doppers. De grond, doordrenkt van pas gevallen regen, wasemde aardvocht uit, verschen grondgeur, als was er mijlen in ’t rond geploegd. De lucht koepelde in zilvering van wolken en zonnebrand. Overal op de akkers was druk jagend gezwoeg. Kerels in rooidrift, groeven de aarde op, voor zich uitwolkend damp en zandig stof. Hurkende grondwerkers en wieders stramden in buk en knieling, dat hun lijven radbraakten van hitte-uitputting en ploeter. Geuren zoete rook van pieterselie en jonge selderie, vloeiden áán uit den grond, woeien door ’t land, de tuinen, en alles zacht, kwam in bloei en ranken groei de aarde uitzwellen.
Grove werkershanden, verbronsd, verklauwd, asch-groenig van aardewroet, graaiden door het jonge leven, dat bevloeide hun vingers met sappen en aroma’s van al soorten teelt.—
Geldersche maaiers, in donkere kleeren, met klein zwarte hoedjes op ernst-koppen, stapten al vroeg uit de goudbevonkte paadjes, met zeis op den rug, den polder in, of havenkant òver. Langzaam in gebaar, enk’len met uitgebogen beenen, de zenboomen vastgehaakt bij langen dol, ging hun rustig-rhytmische stap vlak langs het aanhittende akker- en havengewoel, streepte hun zeis-staal goudvlammen door de lucht, hoog, tegen prachtgroen van gras en boomen.
En telkens weer doken donkere ernstige maaiers, zwijgend in stap, naast elkaar, stille, goudene weggetjes uit, laantjes met paars-zandigen grond, in zonnegloed kleurhoog verhit; vlamden boven hun donkere schouders de zeisen, als droegen ze verzonken in extaze-kijk, zonnetoortsen rond, door vrome stedeke-plek.—
In hoogen zonschitter en diepe luchtblauwing trokken de dagen één na één over de velden, met soms snikheete gloeiing, op middag-uren.
Drukker en woeliger werkjacht begon er áán te koortsen in Duinkijk, Wiereland en rondom tuinders- en kweekersdorpjes.—
In de avonden, door de rood-goud doorzonde schijnsels als van brandende kathedraalglanzen, trokken van alle kanten òp, werkers uit verren omtrek, met karren vol kisten naar de haven van Wiereland, waar alles heen moest, in laten zomeravondzwoeg.—In rateling bonkten en dromden de hoog-beladen karren en wagens door de stille straatjes, waar knussige renteniertjes in lieve voortuintjes, van dagsloof en arbeidje uitrustten. Laat dromden de kerelslijven áán, in zwoegenden hijgduw, zweet doorzogen en kreunend achter hun kleur-felle hoog geladen vrachtkarren, twee mannen vooròp, met snoerende touwen over rugkromming gesjord, trekkend aêmechtig, doorvloekt van gramschap, van hevigen sjouw en woest spierzwellende inspanning. Hun zweet-druppende gezichten gloeiden rood-brons tegen het zonnezinken in, den haven op; hun afgemartelde zweetlichamen verstonken in rottende plunje.—
Een volle werkdag lag al àchter hen; nu kreunden hun borsten achter d’r karren.—Angstig keken hun oogen uit, tusschen de breed-uitgestapelde sappige kleurweelde van hun geur-versch, jubelend groente-groen en pralend wortelen-rood, bang ergens tegen aan te bonkeren. Zoo, met hun doormodderde verzweete kleeren, doorstoofd van schroeiend zonnevuur, als wroetende dieren, besmet met korsten van grondvuil, doorzogen van zweet, uitgegrauwd van dag-zware ploeterramp, stapten ze tusschen hun fleurige kleurschaterende waar, boot op, boot af, langs de haven. Van den polder uit woei zoelzoete hooigeur aan, en soms al, waggelden goud-matte wagens in langzamen stap van schonkig werkpaard, door de kleine drukke zomerdagstraatjes,—in hun geweldigen opbouw boven de huisjes uitzwellend, als versleepte duinruggen, mat goudgroenig nog van gras-verschheid.
Heete drang koortste rond, onder de landwerkers om elkaar vóór te zijn op de markt, met groenten. Enkelen, vroeg met wat bakken werkend, vervoerden in stillen trots wortelen en tuinboonen, en hier en daar stonden al wat mandjes met aardbei uit de zon, zoet te purperen, zangerig rood, koester-diep karmijn, in al verspringende gloedtinten, van geranium-vuur naar dahlia-purper.
Ouë Gerrit was naar de grasveiling en ’t etgroen geweest. Hij had twee dijken hooi gekocht; te duur, veel te duur, maar ’t moest. Nijdig nou op zichzelf was ie, dat ie twee dagen lang daar geloerd had, om ’n kandelaartje, in de zaal machtig te worden. Z’n heele zaak had ie ’r voor vergeten. Zoo had ie op ’t end ’n veel te duur dijkbrok gekocht. Toch praatte ie zich in, dat ’t nooit goedkooper zou zijn gegaan, omdat ’r zoo bar prijzig weer gevochten was. De boeren en tuinders op de veiling hadden elkaar met haat en woeste afgunst, de hoogte ingejaagd, zoo erg, dat de landheeren lachten in hun vuistje, de bode listig knipoogde tegen notaris.
Voor tuinders nu ook, werd ’t vroeg hooien. Dreunvol en zwaar klonk er klomp-geklos overal. Druk gedrentel van blank-geschuurde, gloed-nieuwe en vuile klompen op klinkertjes, weerhalden.—Ouë en nieuwe karren verwemelden in gezwoeg met trekhonden, vermartelde, woeste, bloedoogige beesten, heen en terug van haven naar tuin.
En vròeger, iederen dag poerden de tuinders al op hun akkers, met zenuwjacht en koortsige werkdrift in de handen, niet wetend wàt eerst te doen, zóó, in woesten overvloed kwam groei van al soorten gewas op woekeren.
Iederen dag drentelde Gerrit ’n beetje mee op ’t land. Maar morrend giftten en bitsten Dirk en Piet tegen ’m, als ze den Ouë strammig zagen sjokken zonder dat er iets degelijks uit z’n handen poerde.
Kees lei paadjes om, tusschen gerooide bollen, en klein helpertje wiedde onder de tuinboonen en erwten. Overal graaiden bronzige geweldige handenparen gekromd in arbeidsstuip.
Dirk liep met schoffel van de aal- en kruisbessenboompjes waar ie rondgeschoffeld had, naar kapucijnders, sla en kool. En ook bollen wachtten, om op stelling gebracht en gepeld te worden. Dat zou ie den Ouë toch eens ànsmeeren.
Ouë Gerrit was overstuur van ’t kwaadaardig grommen en bitsen der kerels. Nou had Dirk ’m weer gepakt. Hij zou nou maar wàt doen.—
Tegen zes uur ’s avonds stond ie op z’n rotduffe schuur, bollen op stelling te smijten. Door ’t open luik woei windstroom in. Uit zware zakken, waarin ’t rooigoed samenbroeide, wurmde hij ’t over in stortbakken, die Piet telkens op hoogste tree van schuurtrap, voor ’m neerschoof. Tusschen de duistere laag-stoffige stelling, vervuild en doorzaaid van klonterige spinraggen, grabbelden Gerrits handen op ’t hout geplank, rommelde ie de bollen met zwarte wortelenaanhangsels, gelijk. Overal in donkerig duffe hoeken, drukte ie de soorten plat, met z’n hoofd gekneld onder laag schuurdak. Even verduisterd, bogen zijn ooren uit jukken en donkere zijbalken van stelling. Te blazen en te zweeten stond ie.—Snikheet was ’t geweest, en veel had ie al gedaan, om de kerels wat vrediger te stemmen. Toch voelde ie, dat die loodzware zakkensjouw ’m den rug brak, àfploeterde, dat ie ’r bij hijgde. Dat kon zoo niet meer, kòn zoo niet meer.
Te zweeten benauwd, stond ie in de donkere vuile schuur, ingekneld tusschen de enge morsige doorloopjes. Stof sloeg ’m naar de keel van aardezand, droog en zurig. Telkens zat ie geknield de soorten in te deelen, zoog ie het heete zandvocht in z’n longen òp bij iederen vermoeienis-hijg, als ie heel in de diepte te rommelen had in hoeken, waar ie, àl elleboogstootend en lijfwringend z’n stortbakken uitleegen moest. Nog èven schimmig licht schemerde rond z’n gezicht en handen. Telkens weer kwam Piet, met ’n zak de schuurtrap opsjouwen, in borsthijg blaasbalgend, zóó vermoeid en doorzweet, dat ’t vet ’m dikdruppelend van slapen en bronzen voorkop, nek en hals ingutste. Z’n hemd, bij den hals opengescheurd, dat z’n bronzige haarborst bloot-ruigde, zoog dóórnat op z’n lijf. Hij hijgde als kreeg ie ’n beroerte.
—Hee Ouë.... Wa’ si’ je?.... dofte afgebroken z’n stem.
—Hier.... joa.... hoho! ik kom, schreeuwde gedempt uit duisteren stellinghoek ouë Gerrit terug, klankloos en beverig.
—Nog drie sakke.... en dan.... is ’t daàn!.... zei hijgend Piet op de trap, met ’n smak de vracht van z’n schouers afsjortend tegen den grond, dat er zandwolken waasden voor ’t lichtluik. Stil bleef ie staan, met z’n bronzen, vet-bedrupten zweetkop net boven de trap uitloerend, starend naar het lichtluik.—Koel dronk ie den frisschen windstroom op, die ’m tegemoet woei.
—Nou kaik.... nou erais.... die dubbelneus!.... jai smait te hard!.... hoho! die hep heulegoar sain neus broke!..
—Wa’ sou ’t!... komp bai de huur t’recht.. doen ’t sellefers sel je ’n vrachie voele!.... Nou Ouë, nog drie.... dan is ’t daan!.... ’k mo nog sloa staike tû donker....
—Bestig.... nou kraig ik nog wá’ imperoàters!.... wá’ leràine!.... wá’ gele prinse....
—Enne.... wá’ ru.... rub’rum.... maksimoà! stotterde Piet, met z’n gezicht gekeerd naar de treeën de trap afstappend, dat langzaam rooie zweetkop verdween in schemerdiepte van trapgat.—
—Heè.... schreeuwde ouë Gerrit door ’t windluik naar beneden op den tuin, met z’n zilveren kop in lichtlijst, dat z’n lokken fladderden en stoeiden om z’n ooren,—hullie benne nog veul te wit.... soo nie leeferboàr.... die hewwe gain son had!....
—Nou, dan láa’k die nog sitte, krijschte in kop-opstaar naar tochthoek Piet terug, z’n oogen dicht geknepen van zon, die er licht inlanste,—dan goan ikke nog wa sloà staike.... Kees hep nog wá’ roapstele.... aa’s ’t weer soo opsloàt, hai je f’rjenne van alles g’laik.
Tusschen ’n boonenpad was Piet doorgeloopen en nog schreeuwde Gerrit na:
—Moar daa’s nie billek.... je mot ’t veurste soo goed sien aa’s ’t achterste.... hoho! hee!
Kees hurkte aan slootkant op rottig plankje, bezig nog wat heel late raapstelen te wasschen. Voorover gebukt, laag z’n kop, schonken in blauwe kiel tusschen het grasgroen, dat fluweelde glanszacht, slobberde ie bosjes raapstelen, met breeë vegen door ’t klare zacht-stroomende watertje, raspte met stalen haarkam ’t vuil gewortel schoon in rukken, als kamde ie ’n verwarde pruik los; verspoelde ie telkens zand en aardvuil, onder klossende krinkeling van waterspiralen. Groen en gelig-rein kleurden de raapstelen òp in z’n handen. De gebonden bosjes, schoongespoeld en gekamd, lei Kees voorzichtig naast zich in een bruin-beschilderden bak, waarin ie z’n groenten opstapelde, druppend, zilverbespat groen, dat koelfrisch en sappig fonkelde van waterparels. Midden in groen en zoeten kleurschommel van riet en gras, bloemige goud-gele toetsjes van rolklaver en walstroo, bleef z’n lijf tot donker gebukt, verduisterde z’n kielblauw in schemer-gouden avondval, rond beekjes-stilte.—
Dirk wiedde nog, staroogend op de jonge postelijn, die rooiig even den grond uit kwam kruipen.
Op de tuinders-akkers was nog laàt gezwoeg. Bij ’t zonnezinken, ratelden en bonk-schokten karren met groente naar de haven, waar joel was van kinder-sjofelen stemmenkrijsch, razend geblaf van honden, afgebeulde en geranselde werkbeesten, met schreeuw van afgebeulde kerels, in droeve klankenschorheid, dwars door den boot- en laad-scharrel heenkrijschend.—
Elken dag, elk uur, groende ’t sperzieblad sterker, en zwaarder kronkelden de erwtenranken wit-teer bebloesemd, als was strooisel van sneeuwige kapelletjes boven uitgestort, tusschen brons-grijze rijzenknuppeling en aardegroen. De tuinboonen, in teer-wazig bladzilverdons, bogen en pluimden onder de werkhanden der wieders, die ze zuiverden van vuil. ’t Onkruid lag bij stapels te verrotten, op de paadjes, in de greppels.
—Da’ wort suinege Job, bromde Dirk in ’t voorbijgaan langs Kees, we motte f’rdomd ’n kerel stelle.... Nou mo’k vàn màin boone.... nog loof skoffele.... van die tullepehoek.
—Is tug nog nie g’nog besturrefe?
—Joa.... mot moàr.... snof’rjenne.... morrege mot ’t hooi overend, op de hoop, alles g’laik.... t’jonge!.... je hep gain tait van oàdemskeppe.... saa’k stikke!....
’n Paar dagen later begon heeter gejaag, zenuwachtiger gegrom. Van wiedhoek hièr, trokken de kerels, nog krom en gekneusd van kniebuk, naar schoffelbrok dáár. Geen woord! geen asem! Ze vloekten dat ze ’s winters niet te vreten hàdden, zomers niet vreten konden; geen tijd, jacht! jacht!
Ouë Gerrit joeg mee, zette ze op, z’n zoons en de twee losse werkers.—Een Zeekijker, had veel te lijden als baas weg was. Hij liep met ’n Wierelandsche meid. Dat maakte ze dronken van gift en jaloerschheid.
—Wa’ mò die snurkert, die suinige Job hier, schreeuwden ze rond ’m. Zaterdagavond werd op de haven met ’m gevochten, kreeg ie duwen, ransel, klonk er stemgedreig, dat,.... als ie niet van Wierelandsche meid afbleef, niet behoorlijk ’n Seekaiker tollereerde, ie veur z’n laife d’r van luste sou.
—Tullereer jai ’n Seekaiker.... mermot! of blaif vraigesellekerel hei?.... jai kwinkwanker, wá’ doen jai hier?
Zoo raasde ’t om ’m, op de akkers, maar stil bleef ie in z’n lijfbuk wieden, of uitplanten, elken avond zeker van z’n stiekeme vrijagetje door de donkere laantjes, met lieve Wierelandsche meid.
Onrustiger joeg Gerrit op. Z’n broer had al aardbeien op de markt, hij nog pas puur ’n schraal mandje. Hij vloekte en raasde in stilte, keek soms loenschig naar z’n eigen rhabarber, die blader-breed en steelfrisch opschoot boven die van oom Hassel.
—Manskappe, morge is ’t noà polder! huhu! ’t hooi mot moar overend.... aere week is ’t puur gain tait.... aa’s d’r rege komp sain wai vast!.... nie maa’ne?
—Kok.. kok.. kok?.... kokokok!.... moeder weer ’n ai! sarde Piet
—Nou joà! of jai nou gainigt.... dá’ skeel nies!.... ’t mot ’t mot, gromde de Ouë.
Overal was woeste jacht onder de tuinders, gezweet en gehijg van ploeter en sjouw, zonder opkijken. Alles stond gelijk in bloei, alles in één jacht moest gedaan. Dat ging zoo van half Juni tot Augustus, drie maanden van zwoeg, dat ze ’t bloed onder de nagels brandde, de hitte-zon ziedde en schroeide op hun lijven. Dat was de groote haal van aardbei, erwten en boonen, waarmee de centen voor pacht, grond, en winterwerkeloosheid er moesten komen.
De Ouë gloeide van angstige koorts, hoe de oogst afloopen zou.... Aa’s de boel soo stong aa’s nou, soo loat, kwam die f’rvloekte kermis net in ’t drukst van de boonetait weer; had je de kerels dronke en radbroakt van ’t pierewoaie.. en morrege most hai ’r bai, gong Dirk vente.... hoho! weer bestig daggie veur sain!
II.
Snikhitte schroeide door Wierelandsche polderwei, toen ’s middags Dirk, Kees en helpertje naar hun hooidijk stapten.—Oneindig in wijden kring van wasemend goudlicht, lag jonge bouwgrond aan een kant van den weg, omfloerst in vochtnevel naar horizon, doorbroken van stukken teelgrond. En ver, oneindig, aan andere zij, stil weiland, met gitglans van ’n eenzaam koebeest, ’t hoog behalmend gras, in roestige bevlamming van wilde zuring. Strakblauw, doortrild van zomerbrand, spande de lucht, wijd als ’t land, overstolpend den polder. Dwars door landerijen achter dijkige hoogte, ging glans-felle kabbeling van kanaalwater, naast ’n stuifpad, dat blank brandde in zonnige, heete zanderigheid.—
Masten daar met, achter dijkgroen weggezakte scheepsrompen, schoven voort, als over de verre grasvlakte, tusschen fonkeling en wiegeling van riet. Blanke en goudbrons-brandende roest-zeilen met rag touwwerk, bewogen door de weien van groen-goue waas, vreemd-kleurig, in sprokige grilligheid. Aan alle horizonbochten rond, in oneindigen kring, trilde wazige hitte, nevelig goud-violette floersen, téér naderend lichter sferen van zonnebrand, die schroeide de velden in blauwigen damp. En snikkend, gloeizwaar, bazuinde ’t licht boven de grashalmen, sidderde ’t boven jonge, tooverteer grijsblauwe haver en rogge-akkers, vlamde en spieste ’t op de jonge goudene mosterdvelden, in lichtstuivenden gloed van bloesems.—Fel, als wit vuur, dat koorts-gloeide en in sidder van heet-brandende stralen en vlammen rondschroeide door de lucht; als bol van ènkel razende witte gloeiing, zengde de zon in het blauw, met z’n okerende kringen, z’n vlammig violet, waar niet tegen op te staren was; licht dat werkers-oogen verbrandde, als viel er heete kalk in hun appels. Overal rond, in den polder, ijlde en koortste ’t licht, sloeg ’t de dakjes van boerenstulp in vlam, hel hevig schaterend rood, dat ze trilden en gloeiden als vuur-vlakken in luchtblauw, ’t hemelvuur zèlf doorbevend van hittewaas.—
Polderweg, met z’n heet-zanderige keitjes en klinkers voorààn, lag geblakerd als reep wit vuur in blink-strakken zeng. Hitte dampte uit de steentjes òp.—Langzaam stoof rullige zandstof achter eenzamen boerenwagen aan, langzaam, in loome zwaarte weer neerpoeierend over grasgroen en riet. Nergens koelde schaduw. Hier en daar, in eng boomkringetje om boerderij, alleen wat blauwige korte silhouetjes op heetdampenden grasgrond, weer weggezogen half, midden in vuurkring van goudwit hettelicht.—
Al verder, wààr de kerels stapten, lagen brokken wei, doorvonkt van boterbloem, hoog goudgelen spat van lichtjes, tusschen grasgroen en zuring. Hééle hoeken ver, vervloeiden in bronzige zilvering van siergras, dat wuifde en huifde zacht. Licht wierookte daar zilverend uit, verderop plots doorvlamd van zuringzee, bronsgoud, waar roode glans over heenhuiverde, als windestroom verwoei, en suizelende fluistergolving door heel den polder aanvloeien kwam, er droomgeruisch ging uit groei van halmen.
Op hooge dijken, achter verre forten, die groenend ophoogden in de vlakke stilte, figuurden groepjes maaiers, hoog in de blauwe, trillende hittelucht, achter elkaar, in één slingering, één rhytmisch-breed-uitwaaierende kring van armen, met even ingebogen lijf, goudoverstroomd van licht. En niets anders van ze te zien, heel in de verte, dan de kadans van hun armenzwaai, en fijne neig der beenen, als lichtend uitgehouwen in de oneindigheid van schittergroen en hemelblauw.—
Overal, aan alle zij, onder den polderhemel, wijd als zeeazuur, zalig en lichtend, figuurden de maaiers in pracht van gebaar. En dichterbij, op ’t vlakke land, zilvervlamden als verspringende en rondgeslingerde bliksems, hun blinkzeisen. Nu en dan klonk scherpe rasp van het mes door ’t neer-knikkende gras, in één rhytme-zwaai uitzwierend hun zeis, als drong er hooge maatgang in hun arbeid, rhytmisch in hun handen, tempo en zang in hun fonkelend gereedschap.
Als ze elkaar van ver iets toeriepen, verwaaide lichtelijk hun stemmeklank over de wei, zangerig in ’t zonnedronkene gouden polderruim.
Telkens van ver, één uit de maaiersgroep hief hoog z’n zeis, die stil dan stond te fonkelgloeien als zilveren vlam en plots, wen strijkers vlijmden langs ’t staal, trilde en zonbliksemde, weerlichten afketste in flitsen; zangerige galmen door de blauwe luchtzee verzwierven.
Op zandgrond, snikheet, met kittelsteen midden in, die te gloeien stipten als kogeltjes wit vuur, knerpte en knarste zware klompensjok van Dirk, klonk doffe stap van Kees, die aan stofkant liep. Achter de fortvuurlijn lag hun dijk, nog niet te zien in de wegkromming.
Verheiligd ruischte de stilte-muziek van de weien om hun sjoklijven en in schroeiblaker kookte zonne-oven z’n hitte-adem neer op hun gezichten, beenen, armen en rug. Ze konden bijna niet meer. Rug en hoofd dropen van zweet, en dòòr schroeide zon, op den overal ziedenden polder, dat ’t bloed ze brandde onder de huid.
Eindelijk, na twee uur zwaren, loomen gang, met ingebogen knieën klompklotsend in stikkigen zandstuif, naast elkaar, hoogde hun dijk in ’t zicht. Vlak daarvóór, wiegelglansden de jonge korenhalmen in huivering van leefgenot, groenig grijs, in toover van lichtdauw beplengd; ging er vloeiende golving door de halmen, koelend in zachten fluister, suizend rond de verre stilte, groeizang van de aarde, fluisterzang en suizel, stem van de stilte, heiligend boven het eindelooze vruchtbare werk der boeren.
Vlak naast den dijk waar de Hassels hun hooi op hoop gingen zetten, stonden vijf maaiers, met één kleintje, knie-diep gezakt in de hooge, golvend blonde graszee. Gelijk’lijk, in gevoelden maatgang neigden hun ingebogen beenen, vlijmde en raspte hun sissende sneeslag, door ’t blond-hooge gras. Stap voor stap drongen ze voort, zich zelf zettend in den goud-lichtenden kring van hun arbeid, één rhytmus, de zeis scherend langs den grond, naast elkaar, als doorvlijmde en schoren zij de aarde. Vóór hun borsten de sidderende grashalmen, zee van goudbronzen golving, doorvlamd van zuring, neerknakkend in één vlijmsnee, getroffen plots, door flits en fonkel-slag van zonnesikkels.—Mannetjes klein, naast elkaar, met even slag van zeis-ruimte tusschen de lichamen, de gezichten doorbronsd, met schaduw van kleine hoedjes op bloot-bronzen nekken. Mannetjes klein, vóór de graszee, met heet hemd-rood van uitproppende mouw onder kiel, hun pilo en zwarte broeken, half verzonken in ’t blonde gras, tusschen zilveren bevertjes en weeldetooi van groei; of naakter ten voeten uitstaand, op ’t kale afgeschoren lichter gemaaide weigroen,—zóó ging hun stap, hun rustige gang, ’t gegolf tegemoet, borsthoog. En vol, door trillende hittelucht en hoogblauw azuur, klonk zeisenzang. Telkens van meer dan één zen, fonkelstreepte wit bliksemlicht àf door wei-oneindigheid, leken de maaiers overstroomd en verzwolgen in kokend, neerschroeiend zonnevuur, en sidderde golvenvloei van graszee. Maar aldoor weer, in al andere hoeken, de zee ebde terug, onder den zonne-sikkelenden slag der maaiers, vlak onder hun warme voeten uitgroenend in hoogeren gloed.—
Achter den dijk nu, waar de Hassels werken gingen, aan linker polderzij ver, rondom, rondom, rijde weer maaier naast maaier. Eén groepje in pracht van diep-rooden baai-brand van hemden, gloeyend traag-bloedend in ’t zonnegoud, stond daar, de linkerarm verbogen om kruk, rechterhand om korten dol, èven rechterbeen gratievol en zachtkens geheven, in lichten kadans en meezwenk van linkerdij, ver de armen tèlkens in àchterwaartschen zwaai, en rhytmisch in schommel naar vòren weer, vlammende cirkels van zeisslag rondblinkend in wijdbeenschen trèk.
Halmen zwikten voor borst en beenen, in golvend zwad van goud, achter hun brandende hielen aan. Zoo, in zeilend gebaar van hoogste pracht, figuralen gang van zeisen, klonken ook uit dièn polderhoek op de flitsende zens, in cirkelende scherpte, met vonkende booglijnen van ’t mes, trillende bliksems weg-slangend van flikkerende zeispunt tot zeispunt, heen en weer; ging er ritseling en schuifeling als gloeiende sissen door ’t gras. Ook dààr braken de maaiers de golving, keerden zij de deining, de eeuwige, van ver aanvloeiende graszee, ver-zwaden ze de neer-gemaaide kringen, stapten ze voort, vaster, al verder, al vèrder en kleiner in het zengend heet rood van hun hemdbaai, naar den geweldigen horizon, die doorwaaid nevelde van gouen vochten, dampend violet, omvlamd dan en weer door den wit-blauwen bliksem van opgeheven zeis; verechode den zoetluidenden klank-zwier van hun strekels. Prachtig in gouen golving bleef achter hen aanrijen ’t gemaaide zwad, groenden fel-heet en glanzig-moireerende laaggeschoren hoeken, waar spreeuwen-wacht uit òpzwermde, tuk op omgewoeld aas.
Dirk had ’t eerst z’n kiel losgerukt aan hals, pafbenauwd en hijgend van hitte. Gretig greep ie naar drinkkruik die ’t helpertje op z’n rug droeg. Heet, uit ’t verzengende blik, zoog ie ’t lauwe vocht op.—Met genot was Kees ’n endje tegen koeltewindje ingeloopen op den dijk, dat nu en dan over den schroeigrond luwde.
—Nou moste wai moar ophoàrke Dirk, en nie beginne woar jai stoan, riep Kees.
Bestig vond Dirk dat. Die Kees, wâ die kerel tog werke kon. Allegoar knapte ie hullie op. Verduufeld aa’s tie nie twee Piets en twee Dirke veur sain rekening nam. Dá’ most ie tog eerlijk segge!
Onder ’t neergemaaid hooi haalde Dirk twee steekvorken uit.—Kees was langzaam den langen hoogen dijk, die doorstoofd gloeide van hoogovenhitte en hun voeten ver-blakerde, afgestapt; begon aan slootkant, vlak bij het soms doodstille, dàn plots kopjeswiegelende riet, te harken. Dirk en helpertje werkten aan anderen dijkkant in de laagte, naast teeltbrok velderwten en boonen.
—Wá’ nat nog in soo’n hette hee?.... schreeuwde Dirk naar Kees, onder het hoog uiteenzwaaien en opslingeren van ’t hooi, met witblinkenden houten hark de lucht ingraaiend.
—Daa’s net, sel f’doag wel nie waier komme aa’s keere....
Laag aan Kees’ kant lag niets dan weiland, waar op alleen figuurden donkere en in licht-zwemmende maaiers, zwart-brons, in kiel-fèl rood of wit-bekleerd.
Alles beheerschte hun zwierkringen, tusschen het gesuis en gehuiver van halmen, het blondgoud geglans van stengels en riet, de diepe oneindigheid van hemelblauw rondom, de reuzenkom, met z’n eeuwige stilte-druisch en lichtgespeel.—Den ganschen dag bleven Hassel’s harken woelen in ’t broeiende hooi, in lichte opslingering en uitristeling der afgevlijmde halmen, dat ze in hitteschroei al drooger kraakten onder den stap der mannevoeten. En pal op hun nekken en koppen, die dropen en parelden van heet zweet, doorzengden de gloeiharpoenen van zonnebol, weerhaken met giftpunt van kokend licht in hun lichamen priemend, dat er dolle gloei bruiste binnen in hun aderen.—Zonnevuur bleef uit ’t diep azuur, trillend heet blauw, neerschroeien, piekend en martelend hun vel, terugkaatsend in zeng van den grond op hun beenen, handen, oogen, als werkten ze in vlammenrijk van cyklopen, in hellestraf overal ingesloten tusschen hoogovens, die uit hun schroeiende muilen, lava en kokend licht verkraterden.—Als blaasbalgde daàr, achter zonnevuurbol, een demonenmuil de zonne-brand òp tot hoogeren helwitten gloei; als ging de gouden aarde vervloeien in hemelsmidsen waarin de zon vuur neerlekte, z’n vlamkronkels, z’n vlammebliksems van rood-wit, geel-wit, groen-wit licht. En stiller na elken windluw, dorstig in snikhitte en zomerbrand, stond roerloos ’t gewas, de brandende, goud-hevige mosterdakkers, in schallend blakergoud, de jonge koornvelden, dampig blauw-grijs van zware hette, de blank pluimige karwij, week geurend door zoetige hooilucht, in broeisfeer van warmte-nevelen.—
Den volgenden dag om tien uur, stonden de Hassels weer op den dijk. Verspreid op de hoogte, hooide ’n groep tuinders, die den boel haastig moesten binnen hebben. De vroege zomerhitte was afgedreven. Polderhemel, ontzaggelijk in wijdheid, wolkte zwaar betrokken. Weer vreesden de mannen voor onweer en regens, eer één hooi binnen kon zijn. Vandaag moest ’t op hoop, en als ’t kon, de dorsch ingereeën. ’n Week later, zaten ze gesmoord in aardbeien, erwten, kwam de zware ventdrukte. Dan kon er niks meer gehooid. De boeren, kalmer in arbeid, hadden tijd, werkten rustiger aan hun hooibouw. Kees harkte weer, en Dirk met helpertje zwaaide uitpluimende hooislierten de lucht in, als blond gewolk. Zwaar paars-grauwe zwerklucht dreigde boven hun hoofden, in ontzaglijke ruimte. Vèr, aan wazigen horizon, nevelend verzonken, droomden torenspitsjes, vaag violet en donkerrood gedak van dorpjes en boerderijtjes. Altaarstilte trilde wijd over het donker schaduwend weigroen. Nu en dan wiegde zoet-lief gefluit òp van leeuwerik, de lucht inzwierend hooge jubel, die uit de zilvergrauwe hemelzee neerzegende in zwellenden klankenval, vervlietend over vlakte-eeuwigheid.—Even soms geelde zon, ijlde schaduw in vlucht van adelaarswieken over de kleur-treurende weien.
Lichtgroen, kortgeknipt kaal, vlekten en hoekten de gemaaide brokken, tusschen de donkere, malsche sappigheid van uitgroeiend gras. Diepe zwijmel van zoeten hooigeur woei uit, over polderzee, alle windkringen mee, zoelde in prikkeling dàn als week-warme reuk van versch gebakken brood, dàn als rozen-aroom en honingdauw.—Geurprikkeling vloeide over de werkerskoppen, rondwentelend, verwaaiend en weer terugvloeiend in de oneindige hemelkom en graszee van polder. Groot en geweldig uit verren horizon stoetten áán, verbrokkelde wolkpoorten, waaronder wierookvaten en zilveren wolklampen wazige glanzen te dampen brandden.—Goud-dof geelden de mosterdakkers, en grijsteer vlekte karwij-sier tusschen donk’re klaver en erwtenranken.
In wissel-licht van zwerkzwaar hemelruim, stonden de hooiers en maaiers, dàn duister, als silhouetten, dàn oplichtend in stroomen zilverig geglans, uit blauwe hemelgaten onder poortendrom neerspuiend.—Breed hun machtig gebaar zeilde door de lucht, in rhytmischen gang van zeisencirkeling, als dwongen ze de aarde tot baren. En inniger, de naklank van zeiszang, galmde door de kloosterheilige weistilte, als strekels vlijmden langs ’t staal. Telkens donkerder, verreuzigden nù hun figuren in dreighemel onder wisselspel van licht, en breeër wiegden hun kringen; stonden ze hoog, bezwerend in devoot maaigebaar, wat met onvruchtbaarheid de velden sloeg.—
Dieper en heiliger, elke minuut méér naar den avond, staarde de stilte boven de vroomheid van hun zwoegkoppen, stiller en in siddering weer, zweefden de handen in geheime kringen van arbeid, schuifelden hun stappen, hieven de zeizen zich, en woelden òp de harken hooi, in den onmeetlijken unisonen stilte-ruisch van aarde- en hemelzee.—En telkens op àndere dagen, in ànder licht, stonden de hooiers onder woest paars wolkspel. Nachten van paarse angsten, gedrochtlijke wolken trokken voorbij, bòven hun hoofden. Plots daarachter uit, éven weer trillend zomerlicht, blauw-bloeiend en jubelend. Dwars daar doorheen weer, stille jacht van aanzilverende wolkdrommen, optrekkend, heel van verre horizonbrand, opjagend, in verduisterende dreiging en rond-donkerend de reuzige polderkom. Niets beefde in de stilte dan de raspige, rits’lende vlijmsnee van de zeisen, de maaiers plots reuzig bijéén op dijkengroen, donker en ver, in duisteren heersch over het onrustige aardleven.—
Dan het ritselend, krakerig gestoei van opwolkend hooi, dofblond geslier door ’t luchtangstige zwerk; dieper en plechtiger daarin, de groote werkzwijg der zwoegers, eenzaam in ’t zilvergrauw van stille hemelzee.
In aandacht sloeg Kees z’n hark òm, werkte Dirk, en verderop, al de hooiers slierten geuren in den wind, met de woelige lijn van blanke harken door de lucht. Plots brak sterker zon door, dampten de wolken wèg in zilverige zoomen, kleurde feller òp karwijbloei, sneeuwig; fonkelde de mosterd, hoog schallend-goudgeel, dampten de akkers in diep-groen, vloeide, stoeide en dartelde ’t licht weer over de werklijven. Zeisen bliksemden weer in de lucht, en glans van heiligheid vloeide weer over de geweldige werkdaad van maaiers en hooiers.
Dagen aanéén bleef ’t hooien op de dijken, in zonnedavering of zilvergrauw, de kerels in zwijg, tusschen de eeuwige stilte van eindloos land en hemel. Sterker stoeiden en wiegden de glansen, gebroken en vernevelend, gedrenkt in hooigeur, in diep zalige reuken van bloeiend jong zomergenot, dat zwijmelend en luchtig leefde vóór broeihitte en zonnevuur hèviger neerschroeien kwam op polder; laaiende zomerbrand die voeten, oogen en lijven van werkers moordend neersmakken zoû, in aêmechtigen hijg. Groot-machtig van gebaar stonden de zwoegers in de vochtige, volwasemende lichtkom, hijgend en sliertend, verstomd in hun arbeid, in hun stillen staar naar de aarde, geweldig in hun koortsige jacht, die verbronsde, de bazalten ernsttronies, onder gloeiende uitdampende hette van grond en hemelruim. Daar midden in stonden ze, in pracht en hoogsten òpbloei van zaad en gewas, tusschen de éérste uitvloeiing van zomerkoortsende groeiwellust der aarde, die uitstorten wilde, uitstorten moèst, haar vrucht-zware zwangerschap, brandende baring, onder luchtstolp van onèindige breedheid. Brons strakten de werkkoppen, als in donker bazalt gehouwen tronies, bestoft en grauw-rood doorvlekt van zweet, en hóóg in gang, sliertten de zware gereedschappen. In eindlooze tragedie van lucht en lichtspel, in koorts-strakken jubel en zonnebrand, stonden ze en zwoegden door, blind voor de pracht van ’t leven, ’t zingende groen, het heete blauwe vuur van de zengende lucht.
Hoog boven hun hoofden stroomden geurselen rond van zoetste welriekendheid, geuren als van vruchten en rozen, bruisend appelensap en druivenaroom, dronken-makende wierook van wei- en aarde-wijn, vervloeid uit wond’re gouden hofjes van ’n zonne-paradijs. Graanloof en hooi, karwij en klaver, graszwaden en bloemenhoning, stortten zoetste stroomen geurenwellust uit, diepste kern van geur-heerlijk aardleven, in onstuimige opborreling en bruis van sappen. Hoog boven hun hoofden waasde de honigdauw uit flonker-gouden lichtschalen, dauw druppend op hun handen, hun oogen, verstroomend tot waar de blink-helle zeisen vlijmden, ònder het zoete gras. De aardgeuren rookten in ’t licht als zichtbare adem van heliotropen. Dáár, in die ontzaglijke groene wereldkom baarde de eeuwige stilte, werkdaad der maaiers, hooiers en planters, heiliging van hun arbeid; stonden rond hen geschaard, àlle gestalten van bevende, warme, trillende aardevruchtbaarheid, doorgloeide passiën van aardbestaan. En midden in hemelpracht en aardewellust, sloeg de daad van hun goddelijken arbeid òver, in neermartelende afbeuling en hitte; werd woesten weedom en weenende eenzaamheid om hun lichtende gestalten uitgestort. Dáár, in de verste verlatenheid van het jagende leven, ging hun zwarte zweetzwoeg, hijgden hun borsten, werd de pracht van werkgebaar, de zwelling van hun nooitzinkende krachten, tot martelende aêmechtige zwijmel, naast den koortsheeten weelde-opbloei van rijpend gewas. Heet geurleven stoof, spatte, sapte, gistte òver, òm hen heen.—Glanzing en kleuren brandden triomf van zonnegloei rond hun voeten, en de alkleurige bebouwde aarde in baring en in weeën, stortte uit in geilen zwijmel, haar vruchtheerlijken rijkdom. Hun handen maaiden en zaaiden, hun oogen keken, hun lijven zwoegden, zuchtten, zwollen, krampten onder den werklast. En stilte, eeuwige stilte bleef trillen onder oneindigen luchtewelf.—En stiller daarin nog, koortste en verschroeide hun lijfzwoeg, dorde en droogde hun leven op, stonden ze neergebeukt in bronzing van koppen en gloei van prachtlijven, in één kramp van arbeid versteend; voortzwoegend tot den avond, zwijgzwaar, geradbraakt in pijning van elk lid.
Volgenden dag weer stonden ze op de lichtdaverende zonne-velden, als ingesloten tusschen hoogovens en kraterende hette; stonden ze stom, met rondom orgiën van licht, onder oneindige luchtendrama’s, geheel dood voor de lèvende godspracht van vruchtenland en wellust van aarde-groei.—Geweldig in lichtmacht trokken weer ochtend en avond over hen heen. Elken dag méér naar den oogst, dropen hun handen zwaarder van aardsappen, donkere en lichte, vloeiende en heetgistende; kwam zengende zonneharpoening, die ze verschroeide en martelde in hevig gesteek, dat hun huid klefte en branderig verhitte onder hun goed; kwam sjouw-vracht als gewichtenzwoeg ze verkrommen in gang, tot de avondzon wat koeling bracht; nimbus-rood damplicht omzeefde de avondweien. En zoo, in de vroege zomerhitte voelden ze áán de werkers, dat komen ging, elk uur nàder, de hooggroei van polder, de goudzang van ’t graan, de davergloei van tarwe, rogge, haver, als maaierszwaai was weggesikkeld, en àchter hun arbeid, ’t land in gouden korenbrand oplaaide; vloeiend goud, dat zingen kon. Als de oogst van golvend levensrijp, uit alle aardhoeken kwam opjubelen, in feilen hoogen goud-brand, en vogelenkweel over hun koppen verwaaide. Als in de oneindige stilte van ’t land, opengebarsten vruchtzwijmel, in heete baring van leven, de zaden uitstortten; één fluistering er suizelde van halmentaal, de ziedende geboorte van korrels en zaden luidloos gebeurde in de stille oneindigheid van lucht en grond. Als uit de zwel-aren en verwemelende strooiing van levend zaad bij elken windestoot, groèi de aarde doorstroomde, doorschokte, in krampigen sidder van hevig, levenbarend genot. Als er ging, groot unisoon fluistergeheim, koor van arengeruisch, òver den geheiligden arbeid van handenzwoeg, die gezegend daar stond, in groei en goudkoorts van ’t licht. Als de heete, felle jubel van hun zwoeg, de aarde uitgewellust was, brandend gekust, en wèèr razend overgekust door passie-schroeiende Zon; hun heilige arbeid omwaaid lei van winden, de zangerigen en gierenden; omzwijmeld en bedronken van geuren, dóórschroeid van kleuren. En ’s nachts, verkoeld weer door wijd-om fonkelende sterrenwemel van polder, diep donkere blauwing van hemelkring, met z’n goud lichtenden wondren flonker van nachtglans, onder dàn nog oneindiger transen die arbeid stil duisterde; onder ’t stille lichtgepleng van de zilveren sterrenlampjes, die flonkerden boven de duistergroene aardewei. ’t Land dàn weggevaagd droomde in wazen van nacht, immens en sidderend van stilte en roerlooze verten.—
Doorgeharkt was er dagen, in zwijg. Kees was naast Dirk gaan staan.
—D’r mot nou moar op hoop set hee? wá’ d’r stoan, stoan d’r dan.
Zon was uit zilverdrommigen wolkenstoet doorgevlamd in kringen van violet vuur, begon priem-strak te steken op hooierskoppen. Witte hoeden en strooien kiepen lichtten en blondden in de wei. Naast Kees zat ’n maaier te haren, in hoogrood hemdsbaai, als stil bonk vuur op ’t dijkje, met z’n brons-gladden kop, lichtelijk gebukt, starend naar z’n zeis, lichte klankjes vertikkend op ’t messtaal. Blinkende ringetjes aan groote oorlappen, in verlichting van haartjes, schudden mee, zachtjes, bij elken klop. Dirk harkte aan, naar plek waar Kees te wachten stond met groote steekvork, die fonkelde tusschen ’t gras, als stilsidderende, kromgebogen bliksemstraal. Telkens als Dirk wat stapeltjes aangeharkt had, lanste Kees in geweldigen priem, z’n scherpe steekvork ’t hooi in, ruischte en kraakte ie met lange slierten ’t begin van den hoop bijeen.—Dirk rondom, harkte bijzij den dijk, naar zich toe, en hooger in ’t krakende hooi lanste Kees z’n vork telkens in, met z’n knie in ’t heet-gouden gestapel, z’n bovenlijf gebukt, inrukkend tegen de hoopjes, dat dieper de staalpunten priemden en vastboorden ’t hooi op de tanden. In trage kracht heesch ie zich terug aan den vorksteel, dat òprees de vracht, en plots in forschen zwaai hief ie de vastgepriemde stapeling boven z’n kop, dat z’n kiel, onder de armen spande en ritste, wilde hooiharen z’n gezicht inwoeien.—Langzaam, en waggelend éven met den gouden hooiklomp boven z’n weggezakt hoofd, droeg ie z’n vracht dan naar hoogeren berg.
—Onder de poàrepluu! lachte helpertje, die in kleine, zwakke zwiertjes, Dirk hielp anderen dijkkant aanharken.
—Poà.. re.. pluu, hijg-sprak Kees, die juist weer ’n geweldigen hooiwolk opgeprikt en vastgeboord had, met heftige knie- en lijfrukken, er mee aansjouwend in gestrekten armhef boven z’n hoofd, dat vuurrood gespannen stond van krachtzwel. Rondom, wilder ruischten en sliertten hooihalmen weg; in z’n oogen, haar en mond. Diepe geur zoette rond. De grond onder hun voeten kraakte en ritselde in trilling. Van alle dijkkanten en op weihoeken wuifden wolkslierten, blond gestrooi, met de dansende beweging van de blanke harken, die opstapelden. Zwaar uit te hijgen wachtte Kees even, verzwelgend en inzuigend den zoeten hooistroom, waar ie tusschen te adem-drinken stond. Rondom kringden windkoelingen sterkere hooigeuren áán, dat de kerels dronken duizelden in den zoeten walm. In Kees’ hals prikte ’t hooi, in z’n haar en ooren piekten heele dotten. Rondom, nog wachtend op aanharking van klein-gouden stapels bij z’n voeten, keek ie in ’t groen, zag ie naar, in ’t licht weer opkleurende maaiers, met hun zeiszwaai beheerschend oneindigheid van luchthang en grasgolving. Grijsblauwig en zilverig dampte van verre ’t wolklichtspel en overal vlindertjes wiekten rond, in den stildroomrigen zwier van hun kleurenmanteltjes. Fijner in lichtgezeef, boekette op, uit de bebouwde polderbrokken, bloesem van erwten, kapucijners en tuinboonen, wittig en rozerood, als blank-treuzelend gefladder van kapelletjes en klapwiekend gespartel van vastgeprikte vleugeltjes op bronsstekelig rijzenhout. Akkerhommels in rood en brons fluweel kringden in zangerige gonzen over hun hoofden, en kikkerkwaak, vroeg-zomersch, in zwelling en uitsterving weer van geluid, verdreunde uit teer-groen bekroosde slooten, hun eentonigen broei-zang van zonne-leven. Doodstil in stommen moord, ging door de eindeloosheid van groen, en zwier van zoete geuren, de worsteling van insekt op insekt, in den zoeten dronken koester en zwijmel van licht en glansen; bloedde de hartstocht van den vraat, de stemlooze marteling en prooi-vernieling van zwak en sterker leven; bleef dreunen de kikkerzang, landelijk monotoon zwellend en verstervend; bleef gonzen de hommel, vonkglinsterde de goudvlieg in glanzen van pauweveerig licht, als vredigde er heilige rust in de graszee, paradijslijk, zonnekoesterend en kleurestreelend.—
Werkers sliertten òp hun hooi, àl hooi in één staar naar hun arbeid. Kees had ingeboord weer ’n hoogen opgeharkten stapel en stootte toe, met z’n knie hevig persend, als priemde ie den dijk mee aan z’n vork, drie, vier keer, telkens heftiger inboomend, dat z’n steel trilde en veerde in z’n geweldige werkklauwen. In één zwaai weer zwierde de zwaar beladen vork boven z’n hoofd, dat diep wegzakte z’n zweettronie in de hooiwolk, kwakte ie ’t kruipende, krakende gehalm neer op den al hoogeren berg, waar het als stortend watergeruisch goud-heet overheen vloeide.
—Aa’s die hoop daan is, sal t’met tait sain Kees, zei kalm Dirk, voortharkend rond z’n broer, die even angstig keek of z’n hooge hoop ook helde.
—Nou.... dà dotje nog hee?.... ’k mô nog sluite!
In ’t rond liep Kees met nieuwe zwaar-bevrachte vork, hoog in de lucht, òm den grooten hoop, zoekend ’n plekje waar de stapel neergeruischt, meteen ’t best de kop afgesloten kon worden.—Langs en om z’n hoofd en lijf fladderden en sliertten al grooter losrafelende hooidotten, als vlokken licht, die gouïg door de lucht zwierden en omkronkelden de zwoegende werklijven.—Diepe geurscheuten al stèrker zwoelden rond, in zonnigen zwijmel, als vloeide er koorts van heete mirre uit ’t zwaar-bevruchte land. ’n Laatste stoot nog boorde Kees in, dat de vork sidderde in z’n klauwigen greep, met hevigen zwoeg van z’n kronkelend, inbukkend en krachtuitzwellend lijf en dampende hijgborst.—Hijg-zwaar zwaaide blonde wolk boven z’n kop, sloot ie de hoop, blond uitbergend boven z’n reuzige schonken en hooggeheven armen. En overal nog in fijne verschuiving van halmen op den hoop, ging wit-gloeiende schittering van steekvorktanden tusschen den goudklamp, voorzichtig, als tastten daar lichtende, stalen vingers in brandend goudhaar.—
Kees’ lijf dampte van zweet en z’n rood-paars hitte-gezicht verdroop nattig vet. Zwaarder blaasbalgde z’n borst van moeheid en hitte, en door z’n kop hamerde ’n bloedstroom, als zou ie te barsten springen. Wezenloos wat minuten, bleef ie doodop staren voor zich uit, in den kleuren rondstrooienden wolkenhemel van paars en zilvering, zonder dat ie lucht en aarde zag.
’n Half uur later stapten ze naar huis, met vorken en harken op schouêrs. Rondom dreunde kikkerzang, afbrekend inééns, dat plots stèrker de stilte op ze aanviel; dàn weer zwelkroppend aanklakkerend in zangdeun, verinnigend de doorzonde zwaarkleurig bewolkte geur-lucht. Het licht, lager al, zeefde schuine glansen over de rijzen, die berkenzilverden en bronsden in halve schijnsels, tusschen het weigroen knoesterig inknuppelden. Zeisengalmen van heel vèr woeien áán op ’t wegpad. Sonoorder nog in zaligen fluister van wei-avond, zong de zachte, toover-fijne ruischmuziek, geheimvol van ’t gras en koornhalmen uit. Stiller schoven en spreidden de glansen tusschen vonkgroen en goud-gele bloemekelkjes, en rustiger in stommen stap gingen Kees, Dirk en helpertje naar huis, op ’t nog branderige zand en kei van hoofdweg.
Achter hen aan, wat later stapten telkens tuinders van ’t land op de klinkers, stil naar hun kluis, uren vèr.—
III.
Ouë Gerrit keek grommig, toen ie hoorde, dat ’t hooi nog niet heelemààl overend was gezet. Maar de kerels raasden en vloekten op den Ouë, want hij wist toch, dat ze zich tot ’t hemd toe in zweet gezwoegd hadden. ’s Avonds stond ouë Gerrit ’n pijpje te smoken, in uitgezwoelden zomeravond.—
Met woederig gevoel in ’m, van allerlei opgepropte nederigheidjes en teleurstellingen, bleef ie wat drentelen voor den dorsch van Janbuur, die al aan ’t òpsteken was. Daar stond ie nou, smokend voor schimmig verlichten dorschingang, naar de duistere stolp wat afgehakte bitse woorden, met onzekeren stemmeklank, tot Jan Brakel opgooiend, die boven op den berg, met z’n kop bijna tegen de pannen schoof, verdonkerd tusschen balken en binten. Daaronder groezelde, meer in ’t weifellate licht, hooiwagen met ’n kerel erop, die zware vorken naar z’n baas opstak, met forsche rukzwaaien ’m begravend in een graf van halmen, onder de duistere pannen. In druiping van zweet op z’n mager, uitgebeend gezicht, stond de daggelder op uitgespannen wagen in schemerenden dorsch, te hijgen, telkens met meer rukken en tragere stooten de vork vastpriemend in ’t hooi. Achter z’n, met grillige schaduw schuw-verduisterd hoofd, bonkten donkere doffe stooten en stampen van paardpooten tegen beschot, walmde uit, zoetige wasem van strooiigen stalstank. Even telkens, in buk en wrong van z’n lijf, als ie inlanste z’n vork, kwam z’n rood bezweet gezicht wat meer in ’t licht schimmen. Donkerig-grauw rood van uitputting, smalden z’n kaakhoekige wangen beenig vooruit.—Ver boven z’n hoofd, in de duistere diepte der stolpzoldering, hapte ’n vierkant klein glas-pannetje ’n lichtgat in ’t donker, waarin soms plots bij ’n zwakken harkhaal, brok gezicht van Janbuur op den berg vagelijk òpschemerde, en weer snel wegdonkerde in de geheimzinnige stolpdiepte.
Zwaar van klank en natrillend in ’t duister, klonk Janbuur’s stem uit de zoldering, tusschen het zachte geruisch en geritsel van z’n gehark.—Ingebocheld aan ingang, bleef Gerrit luisteren, z’n kielblauw droevig verpaarst in den schemer.—Onrustig had ie z’n pijpje mondhoek ingebeten, nu en dan optrekkend reutelenden zuighaal, vernevelend z’n hoofd achter rookwolken.
—Hai je je boel dan nog nie te hoop?.. wa’ luie broàsims die jonges van jou tog-en-binne, dolde Janbuur, uit berg-duister.—
Ouë Gerrit voelde zich nijdig worden, hoorde dol-klank maar half.
—Ho!.. ho!.. wa’ saa’k segge!.. vier en vaife en nie genog.... aa’s je wa’ forrekies hooi allainig neudig hep!.. bi’ je gàuw kloar.... huhu!.... huhu!.... de kerels hewwe nog wá’ meer aa’s hooie hee?..
Bleek vaalde schemering op de vuil kalkwitte muren van dorsch. Al donkerder zwartten wielen, voorkrat en dissel van den hooiwagen, tusschen de donkere hooge gebinten en ’t verduisterd gevaarte van stolp. Donkerder kromde en zwoegde gestalte van werker op den wagen en angstiger onder z’n verdonkerende gebaren kermde, in de lugub’re dorschstilte, z’n zware hijg-borst.—Z’n kop wasemde in ’t zweet en voort ging z’n vork in het ruischkrakend hooi, hieven z’n donkere armen stapel op stapel naar den stolp, waar ’t neersiste, op den al hoogeren, duisteren bergrug. Z’n beschemerd lijf schimde er verkromd en vergroeid als schimmige karyatide, waggelend op de lager-zinkende vracht, in krampige worsteling met het droog-wilde veerende hooi, dat onder z’n voeten uitsprong en tegenspartelde als levende aren.—
Z’n schimmig gezicht, bij vastboring van hooi, grauwig-rood alleen even te zien bij beenige kaken, in den omhuivenden schemer van ingang, draaide telkens donkerend wèg naar den baas, en stom sloeg z’n stille late avondzwoeg door het afbrekende gepraat van ouë Gerrit en Janbuur op den klamp.—
—Kaik ke’rais die Kerkvoarter doár.... die is d’r puur van f’morge halfdrie an ’t gangetje! en nou.... sel t’met naige uur weuse hee?.... één skoffie hep ie had.. daa’s doenig hee? één skoffie van ’n kwertier t’met! daa’s doenig hee?
Janbuur blufte op ’t werk van daggelder, alleen om ouë Gerrit te hinderen.
—Moar da’ mot sait.... hai hep dan ook ’n fesoenlik duitje.. doàr sit ’m alles in Blommepot.... daa’s ’t geheim vat je?.. wa’ jài nie kwakkelt.... mi je blommetjes s’murreges knippe!—’n fesoenelik doàggeld.—Zwaarder griste en kraakte ’t hooi onder hooiers kousen, en even uit stolpduister kwam lijf van Janbuur naar voren bukken, z’n donkere kop, turende laag in den dorsch, die volgegrauwd diepte van schaduw en schemer.
—Hee.. Joap!.. schreeuwde ie, naar den wagen, hoeveul vorkies nog, ’t wort main puur te donker!
—Nog drie, dan is ’t daan, kreunde dof stem van daggelder. Z’n donker lijf ging voort in zwoeg, lanste en vorkte ’t laatste hooi òp. Z’n armgebaren vaagden nog schimmiger, verdiept tegen ’t weifelende dorschduister van achtergrond, geheimzinnige hal van verdonkerde binten en kruispalen. Soms vréémd, lichtte oogenwit om appelkrans, nog èven schichtig onder hoedrandje en verduisterd gezicht uit, als ie opzij keek naar den berg.
Ouë Gerrit, leeg-wrevelig, niet wetend meer wat te zeggen, zei zacht goeien avond, klompklotste wèg, loom, vol kregel naar huis.
Den volgenden ochtend schommelden bij hem twee wagens hooi van één dijk in, die de jongens uit angst voor regen, maar opgestoken hadden.
Op balkvoeting stond ouë Gerrit in ’n erfhoek, achter bollenschuur, klaar. In open lucht zou daar ’n berg neergebouwd worden. Regen spatterde en windrukken stootten òp uit oprijlaan, waar de voerman één wagen ingereden had.—’t Geurde over hun hoofden. Kalm, als onder zonnegouden en blauwenden hemel, vorkte voerman ’t hooi van z’n wagen. Piet stak òp, naar den Ouë. Met vertrokken rimpels in z’n gezicht, stond die omsparteld van regen en windgeslier, bangelijk ruggekromd en beverig de opgeworpen stapels naar zich toe te rollen en op te bossen.—Diep zonk ie in broeihooi, dat z’n enkele blauwe kielromp krommig tusschen ’t matgoud gehalm uitbochelde.—
—Wa he jai ’n mooie vork, lolde Piet.... jai lait d’r ’n borrel glad, moar de bulle binne tog in orde.
—Joa jonge, ironiseerde terug voerman, afvegend zweetgezicht met mouwvest-end, en neerharkend hooihaar langs wielen en raambalken. Joà jonge, dá’ f’rboast jou hee?.. jai hep kwoalek ’n goed stuk gereedskap sien hee?....
Lachend en sneller vorkte ie af, dat Piet wegzonk tot de borst in de stapels.
Ouë Gerrit, in strammen buk, hijgend en puffend op de voeting, doorstriemd van regen, schuw van nattigheid, waggelde hooger, al hooger op hooiklamp, woelde, struikelde en verstrompelde tusschen het broeische gehalm, wreef telkens één hand tusschen lokken en baard. In zichzelf gromde ie, waarom ie maar niet, nà de pluk, wat hooi gekocht had.—Zou ie niks te maken hebben gehad met gemaai en gedroog, net als verleden jaar, al was ie ’n beetje bedonderd met de kwaliteit.—
—Wa hondeweer hee?.. f’rduufeld aa’s ’t droog is.... mot tug droog saine aa’s ’n hart saa’k moar segge!....
—Je ken.... die jonges ook niks.. late doen.. droog-komiekte voerman weer van den wagen, lager beenend den karbuik in, onder al zakkende hooivracht, snel-rustig stapels neervorkend rond Piet’s lijf. Piet lachte van zenuwachtigheid voelde wel dat voerman ’m nàm, met al haastiger afwerping van z’n vorken. Geweldig in werkdrift lanste Piet z’n vorktanden trillend vast, in de krakende, ruischend-blonde woeling om ’m heen, duwde ie dieper en gejaagder den steel in ’t hart van de nattige stapels, dat ie grootere vrachten vastpriemde en in woesten zwaai boven z’n kop sloeg.—
Heviger zwollen z’n slapen en aderen, en vlug, als kon ie geen til meer uithouên patste ie z’n vracht tegen ingebukt achterlijf van ouë Gerrit, dat die schokte op z’n voeting en voorover strompelde.
—Ho-ho! main kristus.... waa’n drift!.... is da hooie!.. je laikt puur daas!....
Piet hoorde niet, wou niet achterblijven. Regengespat en windgeruk splinterden en joeg om z’n warm gezwollen zweethoofd. Hooibroei verhitte z’n lijf en springende stroo-sprieten priemden in z’n oogen en hals, jeukten in z’n ooren.
Zoet dampte hooigeur rond, op ’t zwoel-smoezelige erf, over den natten glimmerigen moestuin, onder de grauw-wazige lucht. Hooigeur honingde rond, rookte in Piet’s beregenden mond. Woester en driftiger werd ie van binnen. Dier-zwaar hijgde z’n borst, en geweldig in werkstilte lanste z’n vork in de zwoele stapels. En hooger om hem, in kalmen sar, begutste voerman ’m met gouden golvensmak, als moest Piet stikken.
Erger, èrger giftte ’t in Piet. De zwoel-warme geur maakte ’m woestiger, duizelig, de regen plekte natter op z’n handen, jeukerig en piekend, en de wind joeg ’m op, lawaaide in rukken om z’n fladderkiel. Vloeken kon ie. Al drie maal was ’t gekeerd, en nou wèèr regen! Heeter broeide in de nattigheid ’t blond gegolf om z’n lijf en polsen. Hij trapte er op, woelde, wankelde, stampte en spoog er z’n pruimsap in. Hoe meer ie weg rukte, hoe sneller voerman stapels op ’m neerdrommen, neervloeien liet. Heftiger en veerkrachtiger, als in helsche spanning van al z’n spieren, nagelde Piet grootere stapels aan z’n vork, nauwelijks meer te tillen, hief ze langzaam, in heupwringende kracht-ruk boven z’n kop, en kwakte ’t woedend neer op ’t lijf van Gerrit, die hem niet meer bijhouden kon.
—Da goan soo nie.... je laikt hooikoors hewwe.... wa skeel jou?....
Paarsrood van uitputting bleef Piet hijgen éven. Zweet en regen, glibberden natte kringen om z’n neus en mond, die glommen als met boter ingewreven.—
Het balkraam, boven de wielen van hooiwagen, kwam al bloot, zoo snel-zeker had voerman af gestrooid, toen Piet nog in den om hem héén gebouwden, uitheupenden berg stond te woelen met z’n vork, niet wetend meer waar ’t eerst de stalen tanden in te harpoenen.—
Stiller was ie gebleven, want zonder woord òpenlijke ruzie had voerman ’m klein gekregen, in zwijgenden krachtworstel.
Na uren kreun-stillen zwoeg eindelijk, stond de berg overeind, voelde Gerrit zich blij dat ie in den regen, toch doorgezet had. Dadelijk, met zwart zweetig vervuild gezicht, hooidotten, tusschen z’n haar en nek gepaveljot, doorzogen van regen, was Piet weer den tuin ingeklomp-klotst, om te rooien.—
IV.
Vroèger in den ochtend, kropen de werkers op de akkers, làter bleven ze wroeten, donkerend in den schemer. Van alle kanten onder de tuinders, joeg werkkoorts, onrustten oogen en handen. Kees was drie avonden in de week, om nog ’n extraatje te verdienen, bij ’n ander aan ’t sla-steken, voor ’n baasje, die wat akkers kroppen van ’n grooten kweeker gekocht had.
Van Beek achteraan, waar ’t werk tegen half negen klaar was, liep ie òver naar den avondpatroon, om de sla uit te dragen, te bakken. Baas Booker zelf werkte mee, tusschen de nog helgroene lange krop-regels, stak snel de sla met klein mesje van den grond, ze zuiverend, en handig afscheurend ’t rot zanderig blad. Zoekend loerden z’n oogen tusschen de regels in, wáár de grootste propten; en telkens in buk, zonder opkijken sneed ie àf, keerde snel elke krop òm, nekte met scherp mès ’t vuil er van, smeet ze gestoken weer néér op den grond. Zoo ging ie voort, in één buk, de oneindige groene regels langs, springend dan hier, dan daar tusschen de kroppen, waar net èven plaats bleef voor z’n klompen om te staan.
Kees, met drie andere nazwoegers, vulden de bakken, sjouwden drie vier op elkaar, voor d’r buik, langs de greppels en loopkanten van bollenpaden naar de karren, aan ’t eind van de lange akkers. Hun lichamen kraakten en persten van zwaren sjouw, telkens als vrachtbakken afgedragen moesten worden naar ’t eindpad. Achter Kees hijgde aâmborstige kerel, kuchend en vloekend de kisten voor z’n buik tillend, in zwaar moeë armenstrekking.
—Wa’ dá’ goed nog donders swoar is, kreunde zwak z’n stem. Bij elken vrachtsjouw hing z’n tonglap ’n end z’n zacht-kermenden mond uit, als van bezweeten hond.
—Wa’? die poar bakkies, blufte ’n ander, sterke knoest, toch zwaar hijgend onder ’t tillen en versjouwen. Jai kâ d’r nie uitdroage.... loà ’n aêr die sinte hebbe hee!....
Aamborstige kerel zweeg,—Hij kòn niet spreken, z’n stem was wèg.—Hijgen alleen, hijgen deed ie, met ’n gevoel alsof er wat brak onder z’n zij en borst. Den heelen dag in zonhitte verploeterd en nou nòg z’n na-avond verzwoegen... nee, hij zag ’t nou.... hij kon ’t t’met niet meer houên. Vanavond voor ’t laatst. Zoo bromde ie in zichzelf, zwijgend voorttillend en versjouwend met ’t zweet op z’n moe lijf vergloeid, kuchend en ploeterend in de greppels.
Avondgoud was in wonderen rooden gloed over hen heengedampt, had hun koppen verbronsd, de velden van stervend loof, pastèltintig fijn beglansd, en de groene boomdrommen en hagen, laag langs de aarde doorgloeid in laat goud-vurige pracht; verstillend ’t land, de groei-zware akkers, vèr-zaligend ’t zachte geruisch dat nauw hoorbaar, als lichtste fluister uit ’t loof aanzwoelen kwam.
En laat, nà zonnedamp en rood-brons lichtgevloei, bleven ze nog stapelen en steken, laden en afrijen, tot de aarde, zwartdonker onder hun klompen wegduizelde in ’t nachtduister. Van alle kanten bonkten karren van sla-stekers aan, trokken de kerels in de avondkoeling naar de Haven, waar sjacher-rumoer hurriede, en davering raasde van wegtrekkende en aanratelende vrachtwagens. Uitgeput en gebroken van hitte-marteling en vermoeienis, duwden de werklijven achter hun karren áán, sleepsleur van loodzware vrachten, duwend met armen, buik en beenen; wat kerels, bij elken kar vòòrop, met hangtouw striemend gespannen over hun doorgroefde ruggen. Zoo, in rijen achter elkaar, ratelden hun vrachtkarren heen en terug door de zoel-koele lucht, door den heerlijk-neerdauwenden zomernacht, met overal ’t azuurfluweel van de hemeldonkering tusschen erfjes, tuintjes en gevelbrokken; ging hun laatratelend kargeploeter door de stille, deftige straatjes, waar burgers en notabelen in hun opgepronkte tuintjes thee dronken, lachten en babbelden; groote kinderen nog joolden en sprongen. En nu en dan, tusschen donker belantaarnd dennetjesgroen van villátje, vlamde een rood-bekapt cierlampje op, vèr uit tuinduister perspektief, tooneelvreemd, in rood-diepen gloed, als ’n vurig fantoom van sprookje, droomrige glanzen rondom verwazend, den fluister-duisteren tuin-nacht in.
Van de duizend laantjes uit, òm Wiereland, zwoelden warm-zoete geuren áán, van bloeiende meidoorns. Ook de zijwijkjes tusschen de deftige Reekerstraat in, wijkjes van werkers, zoelden en zwommen in geuren van meidoornzoet, schemerden donker en zwaar volgegroeid met hoogkronende kastanjen en lindeboomen, duistere reuzen in den avond, daar opduikend voor de kleine raamruitjes, die stil opstaarden tegen stammen-machten.—Geluidloos, als karren voorbij gerateld waren, vroomden de werkwijkjes in avondrust, ging zwellend en stervend boomgeruisch, in zoete wiegeling en week gefluister door ’t zware duistergroen; vaagden de krotjes laag-gevelend achter de reus-boomen, neergedrukt en gesmoord onder hun boschweelderigen takkenhang. Vóór de verdonkerde deurtjes, aan weerszij van de smalle straatjes, duisterden wat rompige, hurkende kerels en vrouwen, platzittend op de steenen, in spraakloozen zwijmel, genietend na zwoèg, van meidoorngeur en bloemenzoet, aanwaaiend in zachten windruisch en koele luwte, van allen kant.
Kees sjokte, doodòp, van de Haven terug door de achterwijkjes. Enkele kleine raampjes lichtten gouïg-mat in lampglans, uitlijstend achter boomdonker. In valen groezelschijn van klein petroleumlicht, sjofelden achteraan wat winkeltjes òp, met vervuilde magere uitstalling van blauwe en rood bemantelde heiligen-beeldjes, kruisjes en goud-kransige moeder Maria-plaatjes, strak-hard van kleur, verteederd en getemperd wat in armoedig-valen lampglans. Begijntjesachtig, tusschen de beeldjes, achter ’n winkelraampje, geelde uitgeputte gapende vrouwe-kop, armleunend op toonbankje.
Hoog, de overal uitstekende toren van Katholieke kerk, donkerde uit verren boomendrom òp, overheerschend in geheim-zwarten ernst, de armoewijkjes. En ruischvoller, in zachten huiver golfde uit, bòven de ingezonken donkere krotjes, boomenzang van kruinen, zachte suizel zuchtend door de avondstraatjes, volgevloeid van zomergeuren en gekruid meidoornzoet.
Kees’ gezicht, even opgelend in schamele lantaarn, de éénige in ’t diepe straatje, schoof voort op z’n donker lijf. Hurkende kerel had in ’t voorbijgaan z’n gezicht gezien.
—Nog òp de klompe Kees, schreeuw-vroeg ie, in hurkzit vóór z’n donker huisje.
—Da’ sien je.... hee? moar nou smeer ik sàin, zei Kees afgemat,.... van half drie in de kous.... daa’s t’met twintig uur, an één stuk,.... ke’ je je aige voele in die hitte!
—Nou, ikke van drie tut naige.... main waif hep vinte waist.... moar sai is d’r tut op haide, f’rdorie nòg nie.... hep jai d’r nie sien?.... hep puur al twai kair an de hoafe waist.... lag d’r aêrs al langerst in.... ikke si’ puur te wachte mi’ de sloap in main lampies....
—Tog is ’t nou paa’s lekker hee?.... je sou d’r f’rtoetert soo sitte blaive aa’s je ’t kòn lappe, mi’ je kin op je knieë, hee? zei met zwaar-volle stem, een van overzij, uit ’t duister ingehurkt, z’n rug tegen z’n huisje opjeukend.
—Kè’ je nou nog effe mi’ f’soen doene, moar wacht, erais, maàn, aa’s de groote hoal d’r is, he je om half elf nog nie daan,.. Lap jai ’t dan erais?.... aa’s je om half elf kloar bin!.... enne.... je mo, je mô.... om half drie weer persint! je sloap dan krek vier uur.... en dan.... aa’s te weerlig d’r uit!
—Nou vroeger he’k sloape aa’s ’n os.. schorde ’n ander, moar nòu.. ikke bin d’r al van de sestig, tog gain hufter hee?.. Moar f’rdomd.. aa’s ’k sàin in soo’n hitte pakke-en-weut!... ikke kâ nie en sloape..! main poote brande op ’t bed hee?... se gloeie puur!.... da’ kook je nie goar van hee?.... Krikf’rdorie.... ikke kâ d’r nie inkomme.. ik droai ’t met aa’s ’n knain in de sprenkel.... en main ooge brande aa’s vuur hee?.... En main kop.... tjonge! daa’s doar ’n roar soakie.. da’ kloppe sullie of se d’r spaikertjes in main test sloàne... Neenet, ’t heule soakie is mis mi main!
Van overkant, waar Kees stond, achter zwaar boomdonker uit, was de klacht uitgeschord. In trilling en snikzucht van vermoeiing had ’t geluid geklonken, beverig door ’t verstilde avondstraatje en plechtig ruischten boomkruinen nà, hoog boven de donkere stomme zwoegers, in geheimen fluister.—
Weer brom-beefde z’n schor-moeë stem nog tegen de krotdeurtjes en ruitjeskleine vensters òp naar de duistre kerels, die hij zelf alleen kon zien in vaag rompdonker, toen naast ’m plots een inviel:
—Da’ he’k nooit last van,.... aas ’k en leg, sloap ik t’met.. main waif hep main te kaire aa’s ’n pannekoek.... aas ’k uit mot, wá’ jai Kees?.... Veur jou mog ’t t’met winter weuse hee?.... dá’ stroope is tog bestiger werk hee?....
Kees hoorde stom áán, bleef rondturen op de hurkende kerels, mompelde plots zacht genavend en sjokte weer voort in sleepgang, met ’n vracht moeheid aan zijn beenen, als rukte ie bij elken stap, reuzige gewichten voort.—
Nog drie kwartier gaans eer ie thuis was! In geweld-rateling bonkten groentekarren ’m voorbij, de Beekerstraat op, terug van de Haven, weer naar de akkers. Achter ’m áán, klonk zachte meisjesstem, zwak huilerig geroep:
—Foàder!.... foàder!....
Kees bleef staan, keek om. Dientje was ’t, z’n dochtertje van negen, met groote mand poonen voor d’r lijfje. Sleeperig en vermoeid stapte ze uit ’t duister op ’m àf, bleef kleintjes-stil naast ’m staan.—
—Nou pas van de hoafe!....
—Joà, foader, ikke hep.... hep veur vaif en sestig sinte f’rkocht,.... enne.... enne ikke hep.... hullie selle.... sellefers van Kerkfoart, hoalt,.... mi’ Jans.... hain en weer foader!....
—Moar wá’ duufel! je hep veul vroeger thuis kenne sain.. D’r is nou niks meer van doene op de hoafe!....
—Joa.... moar.... moar moeder hep.... sait.... hep sait.... daa’k al de herreberge.... in mos.... toe heppe.... heppe.... enne sien u.... toen heppe manne.... main woar opfraite.... enne.... enne.... se binne dronke weust.... enne.... se heppe d’r vaif opfraite mi-sonder betoale.... toe hep de kastelain sait.... enne.... hier....
Haar stemmetje snikte en hijgde. Ze had zoo bar gehuild van angst, dat de kastelein ’r de vijf poonen vergoeden kwam, verzekerend goeiig dat ie ’t wel ’n keer met ’r vinden zou. En nou kon ze haar verhaal niet eens eindigen, zoo ontroerd en vermoeid was ze nog.
Kees voelde de uitputting in ’r snikstemmetje, kreeg meelij ’n beetje met ’t kind, hield z’n groote stappen in, dat ze’m beter bij kon houden. Want zóó liep ze zich uit ’r adem. Maar vertrouwen toch deed ie ’r geen zier. Dat kreng van nege was al soo duufels valsch vroom aa’s d’r moer.—
—Gaif main je mand moar hier!.. Nog negotie in?....
—Nog vaiftien poone.... enne... enne... agt bos skarre... moar moeder mo’k de sinte gaife....
Angstig gesmoord klonk ’r stemmetje. Ze dacht dat Kees ’r wat wou afnemen, in ’r schuwheid niet begrijpend dat ie ’r ging ontlasten van vracht.
—Hou je bek, snauwde woest-driftig Kees, ik vroag je sinte nie.... Hep je moer seker-en-sait.... dâ’ je noa je foader mot-en-soeke in de kroeg.... hee?....
—Neenet! vast nie!.... vast nie!.... stotterde Dientje, bangelijk-onzeker. Maar Kees, uit ’r ontdaan stemgebeef, voelde dat ze loog. Hij zou maar niet verder vragen.
—En hoe hep Wimpie ’t daàn f’doag?....
Ongemerkt, had ie weer aangestapt in lange passen, dat ’t kind hijgend en zuchtend weer àchter ’m aanliep, met ’r handje in ’r pijnende zij gedrukt.—Zoelte woei ze van den weg-naar zee, in ’t gezicht. Geur van meidoorn wellustte zoeter rond, den kant op naar Duinkijk, al zoeter, als lag in ’t duinduister een rozenhof uit te ademen. Diep groendonker azuurde de lucht, met bleek sterrezaaisel, en suizel-droomrig zoelde boomgeruisch van alle zijpaadjes áán. Zacht ging er fluisterkoelte door geblader. Langs de reuk-zwangere hagen, trilde vochtig-zoele aardgeur, vloeide uit, wijd uit, in de verzaligde avondrust.
Dientje, bangelijk, gejaagd, slecht ziend op duisteren weg, voelde hartkloppingen en duizelingen van onrust. Haar vader had ze niet eens geantwoord.—
—Nou! schreeuwde Kees barsch, dat ze opschrok uit ’r angstmijmer. Niets voelde ie meer van meelij voor haar kinderzwoeg.—
—Ikke.... wa?.. ikke.. wa?
—Wá’.... wa’.. bauwde ie na, grimmig. Hoe hep Wimpie ’t daan?....
—Ikke.... bin tog nie... tuis-en weust... F’morge.. vroeg bi’k mi Jansie na Kerkevoart-en-goan.... enne.... enne.... so wee’k nies.—Kees zweeg. De mand schuurde en kraakte langs z’n arm als Dientje in waggelgangetje er tegen opbotste. Nou rook ie alleen vischstank van scharren en poonen, die ’m wee maakte. Gejaagder stapte Dien beensnellend mee, zonder te durven zeggen dat ze’m niet bijhouen kon.—Ze had vreeselijke angst Dientje, en hartkloppingen. D’r vader wou ze ’t wel biechten. Van de zestig poonen die ze meekreeg van d’r moeder, had ze in den avond één vette opgepeuzeld, zoo maar van hongerigheid. Ze wist dat zóó iets ’r moeder dol maakte van woede. Eens was ze er mee thuisgestapt, had moeder ’r half lam geranseld in woeste nijdigheid.—„Jai poone fraite en wullie hongere, dá’ sel dur ’n mooie worde”, had ze uitgekrijscht en d’r al maar heviger dooreen gerammeld, dat ’t bloed ’r in de oogen vlekte. En nou had ze ’t weer gedaan. Heel vroeg in den ochtend, naar Kerkervaart loopend, had ze’n paar hompen brood meegekregen, voor den heelen dag.—Tegen den middag, toen Jansie naar huis was gegaan, had zij wat bij den weg gebedeld en pompwater òpgezogen uit d’r klompje. Maar toen ’s avonds, heel laat, aan de donkere, woelige Haven, tusschen al het gerij, gehos, geschreeuw en geratel in, voelde ze zich zoo wee en hongerig, dat ze ’t niet langer bedwingen kòn.
Eer ze ’t goed wist, had ze ’n poon, ’n klein vettertje van twee cent uit ’r mand gescheurd, angstig omgekeken, ’n beet in z’n kop gegeven en zoo smakkend en zuigend, tot de glimmige vette velletjes toe, afgezogen en òpgeslikkerbikt. Reuk van groenten, geur van vruchten en drankstank hadden ’r geprikkeld en beduizeld. Maar zoodra ze’m òpvoelde begon angst en berouw in ’r te woelen. Want èlke cent moest ze verantwoorden. Moeder telde precies alles àf. En nou had ze ’t weer gedaan. Ze durfde niet, durfde niet naar binnen. Razende angst deed ’r beven.—Haar hart klopte en hamerde in ’r keel. Niets voelde ze meer van beenenmoeheid, van snellen sjok en uitputting. Alleen maar angst, zenuwangst voor ’r moeder, ’r grootmoeder, die er zich ook in bemoeien zou. Toen ze Kees wat zeggen wou, vooruit al eigenlijk twee centen vragen om bij te leggen, stonden ze vlak voor ’t krot, kon ze geen woord meer eruit krijgen van bevende, stikkende benauwing en bedremmeling.
TWEEDE HOOFDSTUK.
De aardbeipluk was ophanden. Nog wel niet in één de groote haal, maar toch, als ’t ochtendgloorde, ’t land nog in grauwen dauw dampte en langzaam, brandroode nevel boven de verre, vaal aangroenende akkers uitkleurde, morgengloed door doodstille luchten sintelde,—dan hurkten, vóór zonnebol zelf òpvuurde, de tuinders al tusschen de nauwe paadjes, omkringd van kinders, jongens en meisjes; was er al druk gesjok en gesjouw van één naar anderen hoek, om arbeid te verdeelen tusschen eigen zwerm en vreemde plukkersknechten.
De eerste haal zette in, met zware zonnedaverende hitte. Na de kleur-orgie van tulpenbrand en òpbloei van hyacinten, was nu plots bij hoeken hier en daar op Duinkijksche akkers, even vóór den pluk, wondere zee van hoog-gele en paars-blauwe irissen, goud-geel beschubd, komen aangolven over ’t land. Klein was de teelt, op ènkele akkers, maar hoog de pracht van den in licht-dauw omzeefden paars-blauwen irissenbrand.
Graanhalm-hoog moireerden in golving van stengels, akkers weer, als in herbloei van hyacinten en tulpen, paarsblauwe en goudrandig geschubde. Achter en tusschen de hevige paars-zee, bloeiden helgouden pronkbekers van licht; welde glans, hooge brand als van graanvelden, duizelend, spartelend, kokend-hoog goud met brokken ertusschen, moireerend naar geelgoud, tegen de diepe golfzee van schitter paarsblauw, in ’t groene akkerland.
Als mythische stad in zonnedroom, met één slag door Satan neergetooverd in duivelszwaai van bloedrooden mantel en vampiergebaar van z’n armen, was herrezen dáár, uit eerst groene, stil-mijmerende aarde, een lichtfeest, een tooi, in woesten kleuren-wellust; herrezen een mythische stad, volgestort van sprokelicht, van nevel en vonken dooréén; stad, met wegjes van enkel stralend vuurgoud.—Zoo in wondrengloei, rankten en slankten de irissen, op ’n vloer van bevende glansen.—Uit de stille grasaarde, tusschen het nog dorrende loof, drong een òpstand van vreemd-starende bloemwezens, zonnedronken onder de warme uitgeuring van hun kleur-heete zielen.
Als in hemelspraak met ’t azuur, gedrenkt in ’t blauw van uitspansel, bleven ze daar wiegelen de gekleurde zielen, de vreemd starende bloemwezens, samengestald in hun mythische stad van licht, stralend paars en goud, in daverenden zonnezang van akkers.
Boven hen wisselden de luchten, groeiden en stapelden òp de wolksteden in zilverende lichtglansen, verduisterend de bloemenpracht, verbrokkelend den zonnedroom. En fijn schuimde er doorheen, ’t zilte zilver van den polderhemel, wazig en gebroken in glanzende neveling. En weer later, in satansgebaar neergetooverd, rankte en wiegelde op andere akkers, rond de irissen, dooreenwemelende bloei van kleur-wisselende anemonen.—Eén dans van kleurebloempjes, op rank-teere stengels, kopjesknikkend en wiegelend in windspel. Eén kankaneeren van donkerdiep dahliarood, rouw-fluweel met paars-purp’ren starren. Eén rondedans van korenblauw met zonnegoud, één sliertige omhelzing van roze bloemekopjes met goud-rood en oranje wezentjes.—Eén regening en zegening van doorééngewaaide kleurtjes, lichtjes, vlammetjes en brandjes, in vurige kleuren-kelkjes verfonkelend.—
Zoo gloeiden de anemonenbedden, tusschen de simpele teelt van erwten, wortels, sla en rhabarber, als een hageling van zomerkleuren, verpurperend en vergouend, verpaarsend en verblauwend de akkers, in jubelenden schitter en diep-geurende gloeiende zonnigheid. Zóó, als voorspel op den aardbeihaal, tusschen de vruchtjes in, bachanaalde ’t dronken iris- en anemonefeestje, in toover van licht, in zwijmelenden zonnedroom.
De hoog-groene aardbeiakkers, zilverend in lichtglanzen, overal ingesloten tusschen de goud-groene doorzonde hagentrofee van bladeren, doordarteld van glansen en vonkjes, juichten in den opbloei der vruchtjes.
Overal gloeiden in warme purpering de spitsige kogeltjes op zandgrond, die paarsig brandde van hette, naast heele bedden onrijpe amazonen, als beschilderde vruchtjes, flauw aan éen kant roodgevlekt tusschen het lage bladerdiep.—
Op de akkers hurkten neergezwermd, plukkers en pluksters in ’t woelige kleurgewiegel van hun kleeren, en overal was druk gedrentel en mandjesgesjouw, overal volgepropte bakken die verdragen werden uit zon.—Naast de akkers van Ouë Gerrit, hurkte in halven kring, kinderenzwerm van oom Hassel, in vale, voddige kleeren. Al z’n gespuis, tot ’n meisje van zeven, had ie aan ’t plukken gezet, in zwijmelkoortsige jacht, om te halen, te hàlen, hooger prijs te maken, anderen voor te zijn met goed, wel wetend dat de sterke werkmacht van al die rappe handjes, snel in pluk en grabbel, hèm niets kostte.
Werkroes koortste door Duinkijk en Wiereland. Elke minuut van langen ademhaal, rustend, was verlies. Koopers joegen, bemiddelaars joegen, bazen joegen hun kinders, los volk en vaste plukkers joegen elkaar.
Oom Hassel schreeuwde naar ’n troepje meisjes, dat inhurkte tusschen de nauwe aardbeipaadjes, in felle gloeizon:
—Denk d’r’an, jullie niks aa’s soete fransies!.. en Emmetjes.. mi sonder doppies.. en f’noàfed éers de halfe raipe in sloffies! De kinders stemmedrukten en joelden uitgelaten terug, dat ’t goed was, nog vroolijkend in ’t vroeg-landelijke ochtenduur, blij niet op de schoolbanken te zitten, den heelen pluktijd door.—
Vóór ingehurkten kniebuk uit, grabbelden hun handjes tusschen de groen-zilveren lichthuivering van bladeren, zoekend en tastend naar de rijpe vruchtjes, die bloedden in vochtig fonkelrood, puntig doorspikkeld van gouden spatjes. Licht purperden en hoogrood glansden in speelsche gloedjes en vonken de aardbeien in de brons-zanderige kinderknuistjes; handjes vol zoet-geurende vruchtjes, gloeiend in zonneschitter. Telkens, de palmpjes volgeplukt, kogelden ze de vruchtjes voorzichtig in de brons-teenen mandjes, donkere zuiltjes, volgestapeld in speelsch gebaar, met vuur.—
—He’ je nog mandjes doar? schreeuwde ’n plukker.
’n Kleine meid, in rood verflodderd en gescheurd kort rokje, losgehaakt op den rug, dat wit ondergoed en baleintjes er door heenschemerden, smeet mandjes door de paadjes àchter plukkersklompen, in joligen zwiep van ’r kinderarmpjes. Ze speelde er mee, gooide maar òp, te veel, dat de broers om ’r heen vloekten. In krommen hurk schoven de plukkers voort, op de knel-nauwe paadjes, die zandig-heet lila-paars schemerden tusschen het groen, elk klaargeplukt mandje opgestapeld met „kòp”, achter hun hielen neerbouwend.—
Tusschen al de paadjes van de verre akkers slangden de donker- en lichtroode vruchtjes in lage mandzuiltjes, zoetelijk geurend en vervochtend in de grove plukkershanden, die doortastten maar, onder ’t loof, telkens òpdiepten met de vuile vingers de vuurvonkende kogeltjes. Zóó, achter de ingehurkte plukkende lijven, vlamden de volgepropte mand-zuiltjes in karmijnen brand, in donkere en licht-gloeiende omzooming van de hèl-groen bladerige bedden; lange roode zuil-gangetjes, vurig van lijngolving in heet zonnegoud, in trillende hittesfeer, omzeefd van dampig licht, nevelig van rooden gloed, overal tusschen het frisch-joelende jubelgroen en ’t zilverspatten van zon-natte bladeren. Geuren van grond en vruchten, zwijmelden en wellustten rond uit den blank-gouden, blauw-diepen hemel; zwijmel van reuken en sappen. Rood bevlekt en besapt graaiden overal de geweldige barsche plukklauwen der werkers, vervuild en doorgroefd van aardwroet, tusschen het jonge heete aardbeienbloed. En nat van sappen, walmden zacht de kleine zonnig verbronsde kinderknuistjes tusschen lichtrood en dieprood, tusschen vuur dat laaide en vonkte, en karmijn dat sintelde, lekte, smeulde.
Door héél Duinkijk en Wiereland vonkte, spatte en purperde ’t rood van aardbei, tusschen de groen-flonkerende omhaagde hoeken; spartelden de handjes gezwollen van greep en pluk, ging één zoet-zalige stroom van rooden geurdamp zwoel over de akkers.
Guurt en Dirk plukten gelijk op, aan één bed, Kees, de Ouë en Piet, ’n anderen hoek uit. Ouë Gerrit had al heel vroeg gedaan bij de nieuwe familie op ’t plaatsje. Nou zat ie gretig mee te plukken. Z’n rug brak ’m wel, pijnde en stak als werden er naalden ingeboord, maar daar gaf ie niks om. ’t Moest, moèst nou. ’n Daggeldersloon viel er zoo wel uit te winnen. De kerels zouden ’m ook anders te lijf gaan. Z’n knieën tot op de borst ingehurkt, bij de kin wegknellend z’n baard, grabbelde ie met twee handen te gelijk, trillerig in z’n beenen, ’t loof omwoelend, de vruchtjes vlug neerkogelend in z’n mandje, zonder ze te kneuzen toch.
Hij gromde stil, dat ’r van z’n vervreten hoek rijp geen eetbaar vruchtje terecht was gekomen. Schade van honderden!.... Dá’ stopte ie zoo nooit.. hoho! hoho!—Woedend was ie ook dat z’n rooie kool zoo slecht stond.—Nou had ie op ’n lekker sonnig hoekie soaid, van s’n swoarsten grond, bestig bemest, en nou stonge se krek aa’s stokkies, deurvrete van oardevlooi.... En nog meer!.... s’n uitjes.. stonge slecht.. tedicht op malkoar soait.... weer skult van Piet.... hep ’t soo wille.... enne.... van de somerandaifie.. kwam ook nie veul.... most nou al ’n beetje gele kop hewwe!.... skuld van die f’rekt slechte woàteràfvoer....
—Hee Ouë, denk ’r ’an, dá’ jai strak-en-an die hoek overnaimp! Ik mó’ nog bosse veur f’nòafed.... hai hep de mande, veur àftetarre an de hoàfe....
Ouë Gerrit had zich naar Dirk gedraaid, die ’m uit erwtenpad toeschreeuwde. Schroeiend begloeide de zon akkerruim, dat hette uitdampte. In één bukkenden hurk, van knie op knie, schoven de werkers voort tusschen het prachtgroen, vervuild van zweet en martelenden pluk, met den steekbrand van zon op nekken en ruggen. Boven de aardbeibedden stond de lucht, blauwe jubel van uitspansel, stil van zoete geuren. In wierook gedrenkt, zwangerde de aarde van reuken, heimweevol en zalig. Met moeite zwierven klankgeruchten van straatjes en lanen òver naar akkers, door de geurnevelen héén.—
In één kniel- en bukstand schoven ze voort, werkers en kinders, zonder òpzien. Met wat vluchtige happen was de voorschaft gedaan, en dadelijk weer stonden ze klaar, opgejaagd met ’t broodpaffe nog in hun maag; liepen ze uit schaduwluwte, koelend groen van ’n haag, naar de gloeibedden terug, kniegebukt weer, op heet-zandige paadjes.
Ze voelden wel, de werkers, dat ’t nu ging om hun rust, hùn bestaan. Als de eerste haal maar voorbijbroeide, was er van zelf weer ’n dagje kalmer pluk uit de onstuimige aankolking van werkhaast en ploeterjacht.
Elken dag kwam zonneschroei heeter neerdaveren over de akkers, die droog-stoffig smachtten naar lafenis, en vroèger in den morgen wroetten de tuinders op de zengende vlakte, onder ’t neerkokende licht, in opjagender grabbel tusschen hun aardbeien; de handen voller van vuur-fonkelende vruchtjes, die al dièper of hoòger kleurden in zonnelaai, donker bloedden of lichter bevlamden de aarde, in stil-ziedend rood, verstapeld in de vurige zuil-mandjes, als vloeide boven de akkers ènkel heet spel van purper en goudgroenen vochtigen weerschijn.—
Eindelijk was de groote haal ingevallen. Ouë Gerrit had van z’n berijpte akkers niets gehaald. De vrucht was niet gezet, stond er wormstekig en puisterig flauw-rood. Tòch zou ie ze beet nemen.—Maar z’n andere jonge hoeken, ’t vorige jaar pas ingerankt, stonden mooi vol, maakten dat ie niet al te zwaar gromde. En gelijk-áán werkte ie met de jongens op ’t land, gelijk ging ie met ze heen.—De hitte deed ’m zich plezierig, lèkker voelen en ’t geld dat inkwam gulzigde naar meer.
Z’n steelzucht begon wat te koelen in de hitte van den werkroes, en z’n eigen gebroken karkas, voelde ie alleen ’s avonds verschroeid op bed, als z’n vrouw naast ’m lag te puffen en te snorken met ’r lippenblaas. Even, nu en dan, bromde er wel wilde lust tot gannefen in ’m, maar de akkers stonden vol werkvolk, overal had je oogen nòu. Zoo temperde z’n begeerte van zelf in de plukjacht, in de zekere opstapeling van de centen, dàn in die, dàn in ’n anderen kasthoek, dat de jongens niet wisten wààr. Alleen Guurt mocht ’t zien.—
—Manskappe, f’doag allainig ònraipe!.. in de sloffies....
Gain raipe hoho!.... die naim tie puur nie.... had de Ouë, om half vier uit huis, in den ochtend ’t land opstappend, gezeid tegen de jongens.
Vroeg al zengde de zon, dat ’t zand onder hun heete, van strakken zit gekneusde knieën brandde.
Guurt, met ’r zwaar lijf tusschen de bedjes geperst, in ’n oud-blauw jak en dof rooien onderrok, smeet de goudlichte slofjes vóór haar de paadjes in, achter de hielen van de knielende plukkers. Haar strooien breed-gerande hoed, hoepelde scheef, met ’n zwart bandje, gesnoerd om ’r blanke kin en los rond de ooren, spinragde fijnste goud van ’r harenkrul uit.—Ouë Gerrit keek nu en dan onrustig rond of ’r wel achtereen gewerkt werd, naar Guurt en Piet en naar twee nieuwe plukkers, die hij nog met moeite gekregen had.
Oom Hassel plukte in mandjes met z’n kinderzwerm rondom in kruip en hurk tusschen de bedjes. Eén kerel liep tusschen de paadjes in, gaarde de mandjes bijéén, stapelde ze in groote houten bakken op ’n kar, aan den wegkant. Eerst nog moesten ze naar huis gereden en in den avond, naar de haven gebracht. Bak aan bak dáár op de kar, hijgde rooden adem uit, zoeten wierook. Bakbrokken, hàlf nog in zon, met de bronzen, hooge mandjes-opstapeling, gloeiden fel-rood, vloeiende bloed-glansen, in ’t groen geblaar verdoken. Andere uit zon, in luwte-haag van schaduw, verdampten karmijn, in gesmoord passie-rood. Daartusschen in, schakeerden de bakken in zangerig purper, diep en vroom, waarop weer nieuwe kisten neèrgesmakt werden, met zwaren adem, rood van opstand; vruchtbakken inzuigend ’t licht, rood-donker en diep als het smarte-hart van duister-fluweelen dahlia.—Telkens meer plukkers stapelden kisten òp, onder en naast hagen, met sla en wortelen, maar alles weer overstapeld door aardbeigloei, dat ’t klaterde en smeulde, hel-daverde en zong, ’t rood, ’t goud-doorvonkte vruchtpurper, tusschen het rondom dringende uitwasemende groen, het goudgroen van boom en hagen.—
Overal verspreid, langs de akkers, zetten kleur-kleeren van plukkers, sjofel en gehavend, maar in pracht-koloriet er toonhoog in versmeltend, warmte en diepte tusschen groen en hemelblauw; waasde er zeef-fijn, gouddampend licht, een sfeer van bevende uitwisselende glansen òver den pluk-arbeid héén, die de werkers verheiligde in den geweldigen ernst van hun ploeter; wiegden en wuifden ’n licht-brio rond, die vèr, heel ver wègschoof wat dichtbij lag, als week ’t landschap, in de trilling van lichtdampen, geuren en glansen, onder den zonnedaver en hittenevel telkens meer en meer achteruit, àl achteruit.—
Drie kleintjes van oom Hassel, tengere meisjes, lagen ingekneld met blond-strooien hoedjes, verbogen als leger-des-Heils-kiepjes, met witte bandjes om blanke kinnetjes gesnoerd, stil te plukken, ’t kokende zongesteek en lichtgegolf op hun kleurige bradende ruggetjes.—Ze hurkten, knielden van knie op knie, en kreunden soms van pijn.
—Ik kâ nie meer van main stuut, kermde één, pijn-vertrokken rechtòp spannend ’t lijfje in ’r rood jakje, dat de borstjes zwollen, ’t kleine gezichtje even uitdook onder hoeddiepte. Suffig bleef ze uitkijken, een knuisje in de rugstuit gedrukt.
—Nou seg, mô’ je main knieë voele.... die binne heuldegoar deur t’met.
—Seur jullie tog nie!.. de son is ’n kwoaje veur ons.. en d’r is nog ’n heule doàg, zei wrevelig de oudste, ’n ruk naar beneden gevend aan den rand van ’r zonnehoed, de twee klagenden met gebaren opporrend te werken.
Zachter wrevelde ’r stem na:
—Kaik! Willem loert al.... aa’s ie jullie in de goàte kraigt.. bin jullie d’r bai.... bai foader!....
De kleine, die ’t eerst geklaagd had over rugpijn bleef droomerig ’t bedje afstaren, ’r knietjes verhit en pijn-zwaar onder ’t tengere lijfje, speelsch de vuurlijn van purperende mandjes, vòòr haar padje, met ’r knuistje voor de oogen, brekend.—Gedachteloos at ze wat aardbeiën uit ’r hand òp, plukkend onderwijl door, zonder ’r naar te zien, nog speelscher in kinder-luimigheid òpkaatsend snel achteréen, wat vruchtjes boven ’r hoofd, roodglanzende kogeltjes, vurig de luchtblauwte in, dat ’t vochtrood spiraalde boven ’r schalks gezichtje. Als vlammige kurketrekkertjes puntten de vruchtjes nèer op ’r smoezelige blanke handjes, die dropen van aardbei-bloed. Maar gauw, met ’n angst-woesten duw in ’r rug en ’n snauw van ouder zusje òver ’t bed naar ’r toegebogen, hurkte ze weer in, grabbelden ’r pootjes tusschen het groen van ’t bladerengewoel, telkens vòller van fonkelend roode vruchtjes, ze voorzichtig neerkogelend in de mandjes.
De groote plukkers, mannen en meiden, knielden en hurkten, telkens wisselend van knie en houding, in gloeipijn niet meer wetend, hoe te graaien; schoven voort, zwijgend in koortsigen arbeid, in stommen worstel tegen de kookzon, die doorzengde, brandend op hun koppen, nekken en rug, dat hun goed heet verschuurde op ’t naakte zweetlijf. Vèr, òver hun dampende gemartelde koppen, bleef blauwen zalig azuur, tot achter zwoeg van verste plukkers. Gestalten in buk, kruipend over de akkers, vernevelden daar in hitteviolet, floersig en barnend. En tusschen hen in, joelden geuren en kleuren, in de klare zuiverte van het eindloos hooger en hooger vertintlend blauw, doorschijnend en rein als albast.—Tusschen het groen ging paars-korte schaduw op den grond van werklijven, die bewogen of sjouwden, bak ààn bak àf; ging licht wiegel en gouden heete trillingen van losse groenteranken, pal in ’t zonnevuur verterend, smeltend weer in zilveren afkaatsing, vergloeiend op kantblaadjes van hagen. En telkens ànders weer lag ’t land geblakerd en schroeiend gezoend aan de kanten, als spel van windkringen door boomkruinen heenwuifde, verblindende warreling van waterval-goudgespat tusschen bladeren-bogen neerstortte òver de paars-dampende hitteaarde. Telkens uit andere hoeken, vervluchtigde kwinkeleerende jubel van vogels, tierelierende zangers op lucht-fluiten, met cierfijnen fladder, donker scherend ’t hemeldiepe, blauw-roerlooze in. En soms, beefde zachtjes en fijn, als enkel cierkronkelig lijntje van geluid, klaar kinderstemmetje òp in zang, achter hagengroei, ontroerend en dartel tegelijk.—
Achter Kees en Piet in pracht-roode rijen kronkelden de slofjes áán als blank gevlochten goud, ’t vruchtenvuur brekend in gloed, tusschen groen. Gaterig en bleek vlekten de onrijpe aardbeien ertusschen. Voorbij de vuur-omzooming van de groen-glanzende bedjes, tusschen ’t gevlam en geknetter van ’t doorzonde karmijn, liepen de kerels drukker met bakken áán en af.
—Snôf’rjenne Guurt, jai plukt te raip, schreeuwde Dirk onthutst.... sullie naime f’rdomme soo nie.... motte onderweg puur-en-raipe.... ’t is veur Duijtsland.. hep de Ouë nog soò sait....
—Dà’ te raip?!.. Wel neenet! Hullie binne....
—Debies! seg moar heé? Kaik dan sellefers.... kaik die!.. kaik diè!..
Dirk in rood-driftig zweetgezicht òvergebukt naar Guurt, wroette met z’n grove vuile handen in d’r mand, perste driftig wat aardbei fijn tusschen z’n vingers, dat ’t sap ’m langs de polsen droop.
—Nou.. daa’s ook alles.. moar kaik.. die!.. die!.. sain puur groene buikies....
—Daa’s net.... f’rjenne, je knaipt hoarlie t’met tû moes! paa’s tog op maid.. blaif d’r òf.... ikke lief dá’ nie....
—Wá’ ’n hupla’s die hep!.. sou je nie!.. sou je nie!....
—Seur tug nie Dirk! lá’ ’r dur gangetje!.... gromde de Ouë van z’n bed af, bang dat Guurt er den boel bij zou neersmijten. Elk jaar nog had ze verdraaid te plukken. En nou, in ’n gril, gewillig deed ze mee, om wat extra centen voor de kermis te beuren. F’rduufeld, nou gonge de kerels ’r koejeneere, bromde ouë Gerrit.—Dirk had naar ’m omgekeken, zonder te antwoorden, z’n rood bevochte vuile handen, loom op z’n knieën afhangend, z’n gezicht verzengd pal in zongepriem. Roode vlekken dropen van z’n blauwe kiel en z’n blond-wit haar plakte op z’n stompe voorhoofd in zweetkrul, onder de pet uit. En telkens even, in lodderigen oogstaar, probeerde ie òp te kijken naar de zon, maar dadelijk knipperde ie z’n oogen dicht, paf van ’t felle gepiek dat er inboorde, voelde hij zich blind gegooid met kokend licht. Z’n vuile broek stonk van smeer en zweet, zurig tusschen het geurzoet. Voort maar schoof ie weer in zwijg, niets begrijpend meer van den Ouë, waar die pas ze toegeschreeuwd had, vooral geen rijpe te plukken. En stiller den werkmiddag rond, schoof ie verder, voelde ie ’t woestijngloeiende zand onder z’n knieën schroeien en branden, verbukte en verwisselde ie telkens van knie, als er één, gekneusd en vergloeid, z’n zware paffe lijf niet meer dragen kon.
—God f’rdorie, geeuwde Piet, daa’s ’n kwoaje.... die son f’doag! main nek stoan puur in brand!....
—Dá’ sou’k denke, je weê puur nie meer hoe je kruipe mot...
—Debies! main knieë sain deurmidde.... aa’s ’k katteliek waa’s lie’k main stempele! galgenhumorde een plukker half schuin naar ’n makker, die meezong Zondagsavond’s in de kongregatie.—
Dirk, in den winter nooit sprekend van den zwaarsten zwoeg, morde, giftte nou, in verhitte worsteling tegen de zon, die ’m roosterde en martelde, waartegen ie ’n woesten haat voelde. Z’n rug stond den heelen dag in brand, z’n nek stramde verlamd in steekpijnen van voortdurenden buk en z’n branderige schonken schuurden jeukerig tegen z’n vuil heet afgesjokkerd baai goed. Guurt schreeuwde dat ie moar s’n laif d’rais most boene, mi’ wa’ woater....
—Da’ doe’k f’noafed t’met bai de put! da’ selle wai hebbe.
—F’noafed is d’r gain tait.... hee!.. Joanse, scherpte Piet voort tegen den katholieken plukker,—nou bi jai stempelt, hee?.... moar hè je nou puur gain pain in je donderemintje of peseer je ’t kerrikie.... mi je skietgebedje.... G’loofd sai Jaisis Kristus.... en de hailige sekreminte des oaltoàrs?....
—Laileke duufels-toejoager, bromde die terug, hoor je main kloàge?....
—Nou ikke stoan t’met dertien uur te plukke.... ik bin d’r hard stikke-dood van.... main stuut is deurmidde.. ha’ je nou moar je maid hier Janse.... veur ’n f’rsnoàp’rinkie!
Janse zweeg, giftig op Piet, dat ie met z’n geloof begonnen was en z’n dochter. Dat kreng had schande over z’n huis gebracht. Had ’n tweeling van ’n los werkman, die zich dood zoop. En zij werkte nou op de Wierelandsche fabriek van ingelegde groenten, tusschen ’n hoop van dat meidenschorem. Vier maanden geleden had ie ’r de deur uitgetrapt, met ’r dikken buik, en nou begon die kerel er weer van te klesseneere..
—Wat ’n gesoànik, schreeuwde ouë Gerrit naar Piet, al kon ie bijna zelf niet meer van pijn, toch voortploeterend in heete werkjacht.... wai doene ’t allegoar.... jai mi’ je stuut en jai mi je knieë.
—Nou? watte?.. allegoar ke’ je hoore skraiwe?.. die is f’rduufeld ’n meroakel.... mó’ je main of main jassie? dolde Piet geraakt toch.
—Hoho!.... hoho!.... wá’ sou da’ t’met hain? vier en vaife en nie genog aa’s....
—Hain?.. Welneenet.. aas ’k moar wa’ neusiesverf had, sou ’k main vast.. ’n kwassie smaire!
—F’rdomd! sel nie beure! sel nie beure! krijschte de Ouë, bleek grauw van schrik en hitte,—òp ’t land komp gain druppel, hoho! hoho!
In langzame optrekking van z’n linkerknie, met z’n handen steunend in ’t gloeiende zand, had ie zich uit z’n strammen hurk opgericht. Z’n rug voelde ie vlijmen van pijnen en z’n beenen stonden heet te trillen onder z’n lijf, als zou ie instorten. Piet gromde kwaadaardig:
—Skreeuw moar nie.... set ’t nie op je heupe.... maan! moak goàr gain relletjes.... aas ’k ’n urretje likke wil soa’k jou nie vroage!....
—En jai Kees? vroeg Dirk, hep jai ’t lekker?
—Kees, Kees, bromde Piet weer, die hep gain rug, gain stuit, gain kop, die hep niks!.... goàr niks!
Stil zwoegde Kees door, ’n endje van hùn bed af, zonder omkijken, in strakken loer op de aardbei, met uitgolvenden slag z’n manden vullend, tweemaal sneller dan zij.—En telkens àchter z’n hielen, draaide ie ’n gouden slof neer met trillend vuur.—
Op àl de paden, achter de akkerhagen, stonden groote bruine, rauw-groene en roodbemeniede handkarren, zwaar beladen met goud-glanzende sloffen en bronzen mandjes.—Van allen kant tegen den middag, kwamen de plukkers aansjokken met bakken, sloffen; geurde en smolt ’t vruchtenrood en sap inéén met gras en groentearoom, als wierook door de lucht uitvloeiend en verwaaiend. De hemel wiegde zwijmeladem en bruiste zonnedronkenschap door ’t stedeke. De luchtkoepeling stond gespannen in prachtglans van blauw, hoog boven de kruipende plukkers en pluksters. Overal, in de paadjes nu, achter de hagen, slangden de purperen regels in gloeiende zoomen. Kielblauw en kielrood, ademde hoog de zonnehitte in, en strooien hoeden blondden al meer in ’t jubellicht. Tusschen de doppers, kronkelden fel-groen, de duizelig lange slakroppen-regels, blank beschubd, en de jonge erwten glansden naast de bladzilvering van tuinboonen. En woester, gelijk met zomerroes, zonnedronken van licht en kleuren, ging ploetering òp, jagender. Alle handen koortsten rond in den grooten haal. Ze waren besteld de tuinders, door ’n paar groote afnemers uit stedeke, die in Engeland en Duitschland hùn waar met flinke verdiensten van de hand zetten. Duizenden op duizenden kilo’s moesten geleverd worden, naar spoor gedragen door de werkers, dààr gewogen en verzonden.—
Iederen dag làter in ’t saizoen, kon de prijs van kilo’s dalen, als van alle kanten te groote oppropping en aanvoer kwam. Daarom, in woeste jacht, met zwarte afgunst onder elkaar, heet op voordeeltjes, plukten ze in koortsige haast, om anderen vóór te zijn, als ’t kon; anderen er uit te smijten en op moment dat aanvoer ’t minst nog leek, nieuwe bestellingen bij te krijgen; al was er in den winter al kontrakt gemaakt voor vaste levering, met iederen gast die wou.—
Dirk had van ’t doorloop-pad àf, op den akker ’n groote kar met verlengboomen, om breeër op te laden, volgestapeld met sloffen en manden. Wat bàkken daarboven òp, versjouwde ie mee naar de hàven, de mànden naar ’t spoòr. Jan Hassel de minst-vijandige neef, reed mee den weg op naar ’t station. In zweetdamp, met bemorste kielen, geurvracht hoog opgestapeld en wijd-uit geladen van achter en van vóór, tot op de handkruk, zacht zwiepend op de verlengboomen, verduwden ze hun loodzware karren, met borst en armenspanning, pezig-gestramd, ’t lijf in rukkende stooten, Wierelandschen straatweg over naar ’t station.
Zonlicht zoog heet in ’t vruchtenrood. Over de manden lag bladgroen van tuinboonen, fluweel-zilverend er om heengestrooid, tusschen het purper, dat glansde als koralig licht-glimsel.—
Achter Dirk en Jan Hassel áán, ratelde een stoet van karren, geduwd door tuinders, gelijkelijk optrekkend in lawaai en gedrang naar ’t spoor.—Bij ’t zijhek werd halt gehouden, zwenkten om beurten ’n paar groenboeren de karren àchter de gele, schroei-zonnige omheining.
Van Lemperweg, haven en zijstraatjes, ratelden en woelden meer karren áán, gloeide ’t karmijn en purper, al naar aardbeisoort, in de gouden rietsloffen of blank-gele ronde manden; wierookte al zoeter, dieper vruchten-aroom heet-zomersch over ’t plein; vuurden en vonkten de aardbeien van alle kanten, zonnedronken in blaker, onder trillenden zonneroes.
Kerels met vermoeide, grimmige koppen, paarsig vergrauwd van zweetvlekken, uitputting en zwoegdrift, duwden òp, woelden, zwenkten, trokken hun karren, schreeuwden en vloekten tusschen gedrang, geratel en gedonderbonk van karren en manden. Trekhonden, afgemartelde beesten, verwoed van hitte en dorst, blaften gillend en bassend, stonden of lagen tusschen de kleurig-donkere kar-assen ingekneld, met riemrepen over neus, bek en nek gekneld, ademstootend in snellen hijg, woest schuim verkwijlend.—Van vier uur al ratelden en bonkerden wagens en handkarren áán. Bergen manden stonden opgestapeld naast wagens, apart voor aardbeivervoer, vastgehaakt.—
Op ’t station, aan achterkant van ’t zijpad, zat ’n man vóór gewichtstoestel, verzweet en gejaagd, in ’t ratellawaai en schreeuwrumoer om ’m heen, tusschen treindrukte, loop van passagiers, kruiers en zwellenden aanvoer van waar, met z’n bonboekje in de handen, afrekenend wat ieder leveren kwam. Telkens achter ’t hek, als ’n tuinder klaar was, zwenkte ’n ander uit al sterker aangedromde, woelerige karmassa, schuin tusschen de latten-omheining, op grof-bonkerig gekei, ratelde de leegte achter ’m dicht; stond ook diè weer met ’n berg nieuwe manden en vruchten voor den kontroleur. Voorzichtig zette iedere tuinder z’n rood-vochtige manden met aardbei op de èven boven den grond zwevende schaal, netjes op elkaar inschuivend en voegend al meer en meer, tot de heele vracht van hun kar afgeladen was.
De kontroleur, met z’n zweethoofd, z’n gezicht doorgroefd van zorgtrekken, overspannen arbeid en vreemde zenuwtrilling van lippen als geluidstroom en herrie watervallen over hem uitstortten van haast en jacht,—woog af, trok handvat van weegschaal achteruit, loerde intusschen naar kwaliteit der vruchtjes.
—Naam! vroeg ie kort, met moeë stem, ’t zweet van gezicht onder oogen en om neus uitwrijvend met rooien doek, waarop ie bang keek, na elken zweetveeg.
—De Kaiser!
—Wie?.. Piet of Willem?
—Willem!
—Achterweg?
—Welneenet!.. Slangetje!
—Slan-ge-tje herhaalde ie brommerig, zich zelf dikteerend, onder snel geschijf, afscheurend in rakettige karteltjes het geperforeerde reçu.
—Hier anpakke!—Weer schuurde z’n zakdoek langs z’n zweetnek en hals, veegde ie met nijdige rukken ’t vette nat onder z’n hemd weg. Dirk en neef Hassel konden met hun karren ’t zijhek nog niet in. Achter hen áán, dromden al meer paardwagens en karren met de hijg-sjokkende en duwende kerels er vóór, in al sterker áánstroom van aardbeien, purperende neergestorte wolken van rood licht, fijn-prikkelend doorgeurend weibrok, paden, stationsplein. Gevloek en geharrewar van rauwe vermoeide stemmen, krijschte òp uit woesten sjouw en gedrang.—Doffe blaffen basten tusschen hoognijdige keffers en kermende hondestemmen òp,—dwars door menschengeschreeuw en ratelgeraas, dat hooren en zien verging. Kisten en manden, leeg en uitgehaald, keilden rond achter ’t hek, waar ’n geholpen groep afzakte, en overal dromde gegrom en driftig geworstel der zwoegers, tusschen hun geurende stille vruchten in, hun roode bergen van geur en vonkpracht.—Op elkaar hitsend, afgunstig en nijdig, wou de één den ander voordringen. Plots kwam er lucht in worstelende ploeterende bende, konden ’n paar wachtenden inzwenken, met hun wagens en verlengde zwiepboomen, ratelden er karren wèg, dwars tegen aandrommende massa in.—
—Nou debies! Ik ke’ nie langerst wachte, krijschte éen uit den karrenstoet vóór ’t hek, met grauw zweetgezicht, vette kerel, paf van hitte, uitblazend van vermoeienis, gekneld z’n dikke lijf tusschen andere wagens in.
—Hulp d’r sain effe eerst, gil-schreeuwde één achter ’t hek, tegen kontroleur, die nu op ’n ouë mand zat, met z’n bon-boek op de knieën gedrukt, rondloerend overal heen, of ze’m niks bestalen, alles goed verstapeld werd in de donkere wagons.—’n Blauw potlood stipte ie telkens nat tegen z’n mond áán, dat z’n lippen paarsten als zou ie plots ’n beroerte krijgen. Van ’t toegeschreeuw, de rumoerige hurrie en onrustjacht achter ’t hek, maakte ie zich niks hooren.—Vóór ’m stonden de tuinders, hun waar verladend op ’t breede, lage, met stof-vuil overwaaide weegtoestel.
—Acht honderd kilo van?....
—Joapeke!
—Jaapeke uit?..
—Lemperweg!..
Snel kraste z’n potlood, stonden de tuinders voor ’m ingebogen te loeren, naar de koortsige krabbeling van blauw puntje op ’t blanke schitterpapier, waar ’t licht op beefde. Bij ’t ontvangen van reçu, hielp de tuinder z’n waar van de schaal laden. Twee smerige kerels, vergrauwd in zweet van zware werkjacht sprongen òp en àf uit de binnen-in-donkere wagons, half volgestapeld. De mannen rukten Jaapeke z’n manden en sloffen uit de handen, grepen ze van de weegschaal, klauterden met de aardbei wagons in, dat de purpering kwam te dooven tusschen de morsig bestofte houtwanden, waar àl hooger en duisterder de geurvrucht op elkaar gesmoord, in verdook.—
’n Twintig meter van den kontroleur af, op ’n weghoogte van grove keibestrating, àchter omheining, propte nòg ’n drom karren, rumoerde landvolk met waar en manden, bij ’n konkurrent-kooper, ’n Duitscher, die onder geeldoekig tentje, waar zonnebol gloeiheete lichtschaters op néérproestte,—aardbeivrachten innam en verzond in andere wagens weer.
’n Ontzaglijk dik wijf met reuzinneheupen, en magere dochter, langhalzig en beenderig geitengezicht, zat achter ’n klein kleurig tafeltje onder ’t brandende tentdoek te schrijven, reçutjes en kopietjes, terwijl zwaarbuikige Duitscher afwoog en loerde naar de vruchten, met z’n glimvettig bollig zweetgezicht.—Achterover, op z’n kruin geplakt, blankte ’n wit-stijve automobielpet, glansfel beklept.—Met iederen tuinder rumoerde en streed ie kort en stemsnauwend-krasserig, over gewicht en waar. Moe’, niets begrijpend van z’n Duitsch gebrabbel, stom en dorstig in de hitte van d’r zwoeg, kregelden hun ruwe gezichten, vervlekt van zweetvet, streken ze hopeloos en zorgelijk in angstig spiervertrek van zenuwmonden, handplat langs hun voorhoofden en monden, losten ze verder, zonder ’n woord verweer, wachtend op reçu.
Aldoor weer ’t oerige moederwijf brabbelde wat tusschen het gebrauw van den zwaarlijvigen mof. Lacherig en spottend, gromden eindelijk de kerels in vloek wat terug, verlegen onder ’t niet verstaan, òpkijkend telkens naar bemiddelaar, die naast ’t zengende tentdoek stond te schroeien in zonnevuur, allerlei zure grapjes uitlolde tegen langhalzige geelmagere dochter met den geitenkop en enorme, vetdijige moeder. Onder geschrijf en overgereik van bons aan tuinders, schoot zij,—onder fluisterend gekonkel van bemiddelaar in ’r ooren,—om ’n haverklap in proestlachen uit; schommelde ’t moederwijf van gierpret, ’r logge boezem lang nog nàbevend achter klein tafeltje, dat meelachte in lichten sidder tegen d’r schuddenden vetbuik. Toch, ieder keer duwde ze den kerel met ’r vette worsthanden soms midden in ’n grap, ruw buiten de tent, loerden zij en ’r dochter naar de weegschaal, of d’r niemand bedroog; gingen d’r sluwe klein-grijze oogjes in ’t pappig opgeblazen maangezicht lichtend rond, in kring der sjouwende werkers, die doorlaadden en losten, in stommen zwoeg, donker, morsig en vergrauwd, tusschen ’t schittervuur van hun vruchtjes. En stapel op stapel, purper leven slurpte op, al meer, satanisch-gesperde muilen van donkere wagons.—
Kleurigste hurrie daverde rond den kontroleur, verder op.—
Eindelijk was ’t Dirk’s beurt om te lossen, zwenkte ie vóór, met z’n zware kar, wrong en schuurde ie door engen hekingang, in giftduwen tegen de kruk, dat z’n kop te barsten stond, zwellend van spierspanning. Zweet droop van z’n wangen in de sloffen, toen hij mand voor mand van z’n kar op ’t weegtoestel schoof, berekenend, nauw passend en insluitend de manden, onder ’t opstapelen.
—Van?.... vroeg kontroleur, al klaarstaand met potlood op de lippen, tongpunt er tegen aangedrukt.
—Hassel!..
—Welleke Hassel?....
—Gerrit!
—De Blommepot, gromde ie voor zich uit, veerend op z’n mand, blauwe krullettertjes op z’n papier krassend.
Dirk in zweet en zon, stapelde dóór van z’n kar, rustig op ’t toestel.
—Hee, hield plots kontroleur z’n arm in, met ruwen schreeuwstoot, van z’n veerende mand opspringend,.. wa’ is dá’? die mand dààr.... en die?.... daa’s drek!.... ke’k niet gebruike!....
Dirk hield op, keek verstomd met z’n koeienblik den kerel aan, die weer was gaan zitten.
—Wa nou?.. wa’ bruike?..
Hij wist eigenlijk wel dat ie twaalf sloffies met vuil goed had meegekregen. Ouë Gerrit wou, woù nou eenmaal van de berijpte vervreten hoek wat pluksel verstoppen ònder de beteren, om zoo nog wat te beuren van z’n teelt, denkend dat in de drukte geen sterveling ’r op letten zou. Drie tuinders hadden ’t er op die manier al door gekregen, waarom kon ’t hèm ook niet lukken?
—Droal nou nie soo Hassel, donderden achter ’t hek wat kwaadaardige stemmen, van ongeduld barstende tuinders, wai hebbe ook ’n kilotje!
—Stik doar, schreeuwde ie terug. Woest nijdig begonnen plots z’n koeienoogen te werken, en kwaadaardig te schamperen van wreed licht.
—Daa’s d’Ouë s’n skuld, bromde ie zacht voor zich uit, die hep main d’r làte inloope.... da kreng.... en nou opelik betroàpt.... ’t foàrke sou je kefuus moàke....
—Nou! nijdigde kontroleur uit de hoogte.. Stapel die rommel nou maar weer weg, want neme doen ik ’t nie....
—Moar maa’n! je laikt puur daa’s, se benne bestig, loog Dirk, om zich te redden.... allaineg ’n baitje stainderig meskien!....
Kwaadaardiger vertrok kontroleur z’n zweetmond. Hij was weer opgesprongen van z’n mand, die knarste en kraakte onder z’n lijf.
—Als jij hullie nie van de schaal neemt, donder ik se fierkant tege de wage an, jou drek!..
—Stik! dá’ bi’k tog sellefers bai, hee? Daa’s f’rdomme twee doàg kromplukke weust.... twee doage!.... dâ je je donder deurmidde barstte.... en nou veur niks werkt!
—Al had je ’r ’n beroerte an gekarweit, ik neem se soo nie.. en fort nou, gauw ook! d’r blijve nou alleenig die veertig mande daa’s.... kijk!.... zes.... honderd.... kilo kijk! kijk!
De gewichten langzaam natellend, ingebukt en waggelend op z’n veerende mand, krabbelde ie de vracht op z’n boek àf. In dralende weerspannigheid had Dirk weer z’n twaalf manden van de straat op de kar geladen. Achter zich zag ie neef Hassel staan, klaar met z’n waar, in schamperen lollach op sarsnuit dat Dirk z’n rot boeltje terug gekregen had. Prachtig glansden neef Hassel’s manden, rond en hoog, op de handkar. Z’n bruin eikenhoutige wagen, met lichtblauw beschilderde wielen, als azuren raderen, waarin verflitsten de spaakjes in zongespat, kleurfel òpkringend tegen de daverend-oranje bemeniede assen, gloeide in zomerbrand, met z’n hel-roode aardbeistapels, rondbroeiend geurende warmte van glansen. Op elken mandrand, goudvlechtsel in zonnegloed, had ie groene bladerenkranzen geslingerd, tusschen het zingende warmhooge rood, en half beschaduwd vruchtenvuur, dat ’t frisch jubelde bòven de karkleuren.
—Daa’s siek veur niks, lachte kontroleur, se gaan toch de kist in, wees ie spottend op de wagens.
Dirk stond nog achter z’n neef, woedend neer te kijken op kontroleur. Die vervloekte Ouë... Most.. ie sain da lappe?.. hai sou sàin t’met de mande veur s’n skainhailige tronie sloan.... Sóó hep hai nog sait daa’t goàr nie gong.... nie gong.... f’rdomme!
Maar kontroleur, begraven onder nieuwen werkdrom, zag niet meer naar ’m om, loerde alleen rond naar vervoer, gewicht, wacht op reçu’s.—
Onrustig keek ie telkens achter zich, of alles wel vlotte en niets gegapt werd; of de kontrabons klopten, de wagens zuinig genoeg bestapeld werden.—Te zweeten, te zuchten zat ie van ’t aandrommende werk, rondom z’n overal kijkend lijf, in ’t geraas van treinen en dreungesmak, getier van ’t landvolk, dat van ongeduld sterker schold en trampelde voor hun karren. Nu en dan, heerig en afgemeten kwam patroon van kontroleur even kijken of de boel liep, stond ie dwars in den weg dat de tuinders ’m omver boften met hun karren en manden. Gauw had de heere-baas ’m gezegd, dat kontroleur zich niet moest laten beetnemen door ’t goochelend sluwe volkje; dat alle vergissingen en terugzendingen voor zijn rekening kwamen. Dat wist ie wel, en gejaagder loerde, zweette, vertilde ie de zware gewichten.—
Dirk had zich àchteruit door den drom wachtenden met z’n kar heengewerkt. Achter ’m laaide ’n roode gloed van purper en karmijn, waartusschen ’t landvolk woelde, met ’r sjofele stinkende plunje, bronspilow broeken, zwart-fluweelen truien, vuil-blauwe en lakrooie kielen, grijs-bruine en goorgele hemden.—
Nou moest ie nog even, achter de Duitschers, om nieuwe sloffies.—Van ver zag ie al ’n troep tuinders worstelen en dringen bij ’n wagen op tweede rails, met leeg aangevoerde manden. Z’n kar zette ie vàst tegen ’n boom vóór weibrok, en wrevelig achter ’t spoorhek drong Dirk dwars door den stoet.—
Ze vochten in nijdig gedrang, rond den wagon.—De een duwde den ander achteruit. Met trappen en stooten, in furiënde werkkoorts, doken telkens ’n paar weer in den nauwen wagon, op geschreeuw van den grooten aardbeikooper en mandeigenaar, die aflas hamen van tuinders.
—Hulers vier pakke, dreunde z’n stem, z’n oogen strak in loer op ’t lijstje.
—Persint, schreeuwde ’n kerel terug, dook weg in den nauwdonkeren wagon, holde den anderen kant weer uit met ’n trits sloffen aan ’n touw, door de hengsels heengeregen.
—Daa’s meroakel gemain!, krijschte éen woedend, altait Hulers veur ’n aêr,.. daa’s puur de fint van de bestige woar!...
Een brutale, met roet-zwarten baard om geelbleek gezicht en smalle schuwe oogen, wenkbrauwen neger-donker, rukte ’n tuinder z’n mandjes uit de handen, vloekend dat ie al drie keer voor niks hier was, op die manier niet plukken kon, z’n boel verrotte op den grond. De baas, er bijstaand, mengde er zich in, maar ze snauwden, verdrongen den heerigen vent. Hij voelde dat ie in zoo’n geweldige, stuipige werkjacht, z’n meerderheid verliezen ging.
—F’rek jai skorum, vloekte en tierde de onthutste tuinder, verhit van zongepriem, dat z’n oogen in brand stak, afgejakkerd hijgend van uitputting en sjouw.
—Ke’ main puur niks bomme.... ’k hep in twee doage al nie plukke kenne.... soo lait main oogst veur de waireld.
—Moar daa’s main.... skar! duufelstoejoager.... kabbeloebeloap!.... Doòr schold ie, wou op den zwart-baardigen kerel instormen, maar tusschen hen in drongen andere zwoegers, worstelend om sloffen en manden, den wagon òp en instormend, grijpend en rukkend wat ze maar krijgen konden.
—Jorisse!.. riep statig baas af, acht pakke.... om schijnorde in de bende te brengen.
Maar niemand die naar ’m hooren wou.
—Wat ’n janboel, bromde Dirk, die met z’n stiersterke boffende schoften door ’t gedrang en gewurm der half vechtende en razende kerels heen gestooten was, magere zwakkelingen op zij duwend. In de woeling en hitte van ’t gegrijp, gedrang, en geroep werden als verschoppelingen de zwakkeren vóór- en achteruit gemept. Bòven de koppen en kromruggen van ’n troep tuinders, die aandrongen op één plek, graaiend naar sloffies met armen vooruit, in woeste hebzucht,—deed Dirk z’n greep, met z’n granieten krachtarm naar één kant waar ie ’n lossen stapel in de gaten had gekregen.
—Daa’s jou beurt niet.... terug! schreeuwde ’n wagonknecht, luisterend naar den afroep van patroon.—Maar terwijl die bij één wagon-end aansjouwden en afweerden, ganneften ze aan anderen kant de sloffen wèg, in tierend kabaal en worstel.
—Ikke hep ses pakke, skraif moar roak! beet Dirk af, de rist manden over z’n schouers gooiend na ’t bindtouw eerst stevig om z’n hand gekneld te hebben, dat ’m niemand wat afnemen kon. Luchtig was ie den wagon uitgesprongen, lollig zich voelend, dat hij weer voor ’n pluk geborgen was met sloffen.
Honderden, teleurgesteld en woest, nijdig gromden en raasden tegen de kontroleurs en bazen, waarom ’r niet meer manden waren. Een, wachtte al drie, ’n ander al vier volle dagen.
—Ke’k niks an doen, laike puur roofers.... schreeuwde ’n kontroleur, morgeochend om vier uur.... stoan d’r weer twee woages, mo’ jullie moar ’n vroegertje moake!..
Zóó, in zwoegzweet vergloeiend onder schroeizon die ’t kokende licht rond ze neerdreunde, doornageld van steken, gemarteld en vergramd, huilde in raas-drift hun klacht naar gereedschap, barstte hun haat en afgunst op elkaar uit, in woest gescheld en getier; steeg de koorts van hun werkjacht, hamerde de pols van hun arbeid heeter, hooger, onmenschelijker. Hun ploeterramp dáár, lag als ’n lijk te ontbinden, tusschen het gouden daggeluk, het jubel-geschater van licht, de wellustzwijm van geur, tusschen het groen en ’t hemelreine, wijdzalig azuur, waarin het leven bruiste, en de kleuren klaterden.—De wilde storm en donkere furie van hun arbeid, brandde en stuipte in ’t rood van hun vruchtenzee.. Verbitterd in stillen wrok, stond er verwoesting van leefrust op andere koppen gerammeid, driften van zorg en geld-haal, die ze razend maakte, razend.
Aan weirand tegen spoorhek, èven buiten den worstelkring van schreeuwers om sloffen en ronde manden, stond droef-verschrompeld in eenzamen staar, ’n blinde man op klein orgeltje te draaien, z’n kaal hoofd pal in zonnevlam, brandend op schedelnaakt.
Tusschen gebonk en geratel dóór, schoten melankoliek, triest-zachte klanken uit z’n ween-instrument, dat met ’n riem over z’n borst gesnoerd, vóór z’n buik hing, steunend op ’n kort schuinen poot in ’t zand.—Eén mager-gele hand lag te beven op ’t bovenblad van z’n orgeltje, en de andere dor-uitgepeesd, draaide, draaide! Wèg zonk klaagstem van weenend orgeltje in den tierenden werkroes van ’t land volk. Bloedrood vlamde ’t omlijste gaas van orgelkast, vurige poortjes in ’t licht. En stil, krombeenig ingezakt, magerde z’n schreiend-sjofele figuur, in groen-roode jas, als vastgenageld, gekruisigd tegen ’t hek, eenzaam in de drift-woeling van ’t worstelende werk. Vóór ’m, op ’t heete gras lag ’n verluisd vuil mandrillig kereltje te smakkeren op wat verkneusde weggeworpen rottende aardbeien. Stommer, pruttelden de dooie droge lippen van den blinde, angstig gissend waar z’n zwijgend geleidertje ’m neergeduwd, had. En lang, heel lang bleef zon, sar-heet priemen op z’n naakt schedelvleesch, op z’n mageren, smal-hoekigen kop, angstigden z’n staar-oogen, als in luistering naar wat ze niet zien konden; draaide de hand, draaide, draaide uit, droef klankengeween, verdoofd wegvloeiend tusschen de furiënde aardbeienwoeling en felle glorie van zomerbrand, overal rondom.
Veel later, in den avond nog, dromden meér karren en wagens áán, lag ’t aardbeipurper en karmijn te koortszingen in ’t avondgoud, kwam ’r nieuwe vloed aanspoelen, aangolven, op de ratelhotsende karren, dampend nu in bovenaardsche zonglanzingen.
En van allen kant, de zwoeggezichten keken strakker, vermoeider.—
Op ’t stationsplein vóór en achter ’t hek, oproerde ’t nu, drongen en worstelden in beangstigend stillen drom, stóm van werkaandacht, de late plukkers. Wagons stonden in vreemd goudrooden gloed, in schijnsels van kathedraligen lichtdamp, overwazend de ploeterkoppen. Voor hun oogen verdroomde in nevelige pracht, ’t groene, eindelooze polderland, heel vèr, in ’t zinkende licht. De aarde dáár scheen te verdauwen, te drenken de verschroeide vruchten, en in zomermist zoelden de zoete grasgeuren en bloemenrook van de weiden en akkers òver naar den spoordijk.—
Sappig, in groen-zilverenden en aureolend rood-zachten zonneglans, vredig en hitteloos, verkleurde ’t weibrok vóór ’t station waar blinde man gestaan had.—Lemperweg, zwaar beboomd, groende in fijne lijngolvingen tegen goudregenende luchtverte.—Dáár vertintte donkerder purpergoud, in ’t al zinkende late licht, àchter de zwoegers, die verteerden in den dronken hartstocht van verkoop, de geweldrazernij van aanvoer en afname, niets meer zagen van ’t leven, rond hen heen. Van alle kanten stroomde nog áán zoete vracht, in wemeling van rood, róód, in al heerlijker schakeering, ’t zoetste purper, tusschen helsch vuur.—Over den karrendrang groeide de wondre avondzon, met z’n uitpralend madonnagoud zeefsel van broos-zinkend licht.—En hooger, tegen de scheemring in, stapelden òp de wagons, en zoeter rookten de vochtige geuren in den verdroòmenden lichtval.—
Tòt laat in den avond,—Lemperweg in boomenschemer al te wiegen lag in zalige zomer-nachterust, heel Wiereland verzwelgde in geuren en zoete kweel-geluidjes van wei en weg,—bleef tuinderszwoeg àchter en vóór ’t hek drommen; bleef donkerder vonken ’t vruchtenrood, schonkeren en botsen ’t martelend geduw van atlaszware sjouw-vrachten. Al meer verduisterde de roode vruchtenzee in den zachten ruischgolf van scheemring, verduisterden de kerels méé in de azuren neerkoeling van nachthemel. Woest wrevelig staakte eindelijk de zwoeg, ratelden de karren terug naar krot en straat, akker en pad.—Te donker werd ’t om verder te lossen.
Stiller nu op ’t spoorplein daalde rust, vernevelde de polderwei in nachtelijk, droom-donker groen, in heilige stilte, als ruischte elke grashalm heilig nachtgebed uit.
Dieper nageur van vruchtenzoet bleef aromen over ’t plein.—Van verre, uit teere, avond-doorschemerde laantjes klonk vedelweeke stemmejubel van ’n meisje, avondklanken verluiend in den zomernacht, als heimwee-zoete herderszang.
En wijd, almachtig, in diep blauw, zaaide de nachthemel z’n sterrengoud uit; hemel als eindlooze fonkelkoepel plots in ’t duistere azuur gegroeid, waar geruischloos gaas-ragge engelenvleugels, zilveren glansen heiligend doorheenzwierden.—
DERDE HOOFDSTUK.
Zonnezang daverde over de gouden akkers!
Zomer- en werkroes in Wiereland en Duinkijk, steeg, stéég.
Aardbeihaal werd op z’n hevigst. Alles in huis lag vergeten, verwaarloosd, vertrapt.—Elke lèvende hand moest graaien, elke rug moèst bukken, elk hoofd verzengen in zon. Nergens was volk genoeg. Geld van ontvangst kwam instroomen, verhitte de tuindersbazen, beduizelde hen, als ademden ze in tooverland. Kindertjes van twee, drie jaar, liepen tusschen wat ouderen, verwaarloosd als morsige honden, verstrooid in de laantjes rond; schooierden op zon-doorzengde erfjes, die rookten van hitte. Huishoudleven bleef in stàrende verwoesting, in de stille smoorheete krotjes achter.—Vrouw en kinders, die éven maar wat beseften, knielden en zwoegden in zonnegang van ochtend tot nacht, gelijk òp met volwassenen. Midden tusschen den aardbeibrand zwollen de doppers, de suikerraspers, zoetig en teer lichtgroen.
Tusschen den aardbeipluk kwam de erwtenhaal indringen. ’t Joeg, ’t joeg. Als ze nòu niet gehaald wierden, groeiden ze te dik, zwollen of verrotten ze in verpestenden honingdauw, die neerviel op de erwten en heele regels in gelig-kleverig vocht verschroeide.—
’t Brandde ze in de handen de werkdrift, en zoo kwam nù, tusschen den zwoeg van den aardbeipluk, de erwtenhaal.—
Zonnezang daverde rondom, elken dag heeter, schroeiender, uitdrogend de akkers, waar ’t zand op blakerde als heet paarsgruis, bij ander grondbrok soms, gelijk wit vuur, blink-hevig in stillen damp kokend.
De eerste gouden zomerjubel van wei en boom was weggelicht; gras en blad verstoofden al zachtelijk in moordenden broeidag en overal langs zeeweg en lanen, wolkte zand, verstikkend terugzuigend op hagen en gebladerte, de nerven begravend onder dorre grauwe asch.
Barnende hitte in grijsblauwen hemel, grijs van warmte, wijd uitstralend in fellen zeng, trilde over de werklijven, stom in hun arbeid, nu zomer ging rondom branden en moorden.—
Hun koppen, vroeg al doorlanst van vuur, dat neerlaaide uit verblindend fellen zonnekring, in witte gloeiing,—vlekten en gromden verwoest van wrok en zweet, sjouw en inspanning. Hun lijven, doorkleft van zurig nat, voelden verlamd, verweekt onder den brandheeten lichtval, die dreunde en bazuinde om hen héén, in roostering van leven.—
In stil-sidderende Julihitte, stapte Kees om drie uur al z’n erf op. Wimpie had er om gesmeekt buiten te zitten, elken dag nu. In ’n krakend, gebarsten wagentje, dat Ant van ’n Wierelandsch notabele gekregen had, zat Wim lang buiten de dampige kamerbenauwing. Heel voorzichtig, terwijl Ant wat hompen brood sneed en de kinders, ontbloot en vervuild, nog snurkten in de stikkend-broeiende bedsteetjes, droeg Kees Wimpie naar ’t erfje, schoof ie ’t kapotte kinderwagentje met z’n lammen kap, tegen ’t goud-okerende muurtje van z’n huis. Groenig-grauw dorde Wim’s doodskopje, tegen de goud-paarse weerschijnen van wandkleurig vochtspel; lag ook z’n lijfje pal in de zon, schuin onder ’t hooge raam, waarvan de vuil-bruine postrand, den heelen dag doorzoemd kookte van groote, dikke razende vliegen, die kringden op ’t heete ruit, dat gloeide als smidse. Fijn, boven z’n steen-bleeke ooren, rankte lichtgroen, ciergebogen, de wilde wingerd.
Den heelen dag maar staarde ’t ventje voor zich uit, op den zandigen zeeweg, in ’t verre prachtgroene duister van diepe kastanjelaan, in tuin van Jonkheer van Ouwenaar, of bijzij, naar sparreboschjes en ’n paar angstig krom-gewrongen knotwilgen vòòr aan den weg, groeiend hoog in de lucht, met wortel-klauwen bloot, in kramp-greep tusschen ’t duinzand uitvingerend.
Nou lachte ie, ’t zachtzinnige vrome kereltje, met z’n groote droomvrome, groenblauwe oogen, wijd open; nog altijd in allerlei variatietjes bepeinzend, uitroep van pastoor, dat ie gauw maar den geluksstaat moest ingaan.—
En vredig in z’n eigen zieltjes-rust, zat ie in de zon te blakeren, lekker en te kijken maar, roerloos, soms de vracht van z’n uitgemagerd lijfje, onder z’n zweetende handjes voelend als ie stil krampte van dijpijn.—Hij lachte tegen Kees, zachte, vreemd-ontroerende glimlach van smartmenschje, heel zacht en vroeg-wijs. Vóór ’m had Kees ’n bak met melk gezet, op ’n krukje, waar ie goed bij kon met z’n stok-magere armpjes.
Stiller iederen ochtend, ’n zoen drukkend op z’n kopje, ging Kees weg, voelend diep, dat ’t gedaan was met z’n Wimpie, z’n zoon, dat ie er èlken dag grauwer, zwakker en beroerder ging uitzien. Wild kwam er weer verzet tegen alles in ’m stormen, ’n woest blinde gift, ’n heete wrok zonder dat ie zich uitte. En Wimpie glimlachte maar. Als ie niet te vermoeid was neuriede z’n stemmetje uit ’t wagentje voor den zonnigen oker-gouden muur; kringden boven z’n steenbleeke ooren glansen en vochten op ’t prachtgeveltje, oud roodgoud, in groen-paarsen weerschijn, gesmoorde jubel van kleurtonen, er ingestreeld, door wond’re ragge stift van teedersten penseeler.—
Tegen vijf uur elken ochtend, ging Ant weg ná Kees, ’n uur den zeekant òp naar verre akkers, waar ’n tuinder ’r gehuurd had voor den erwtenpluk. Vóór ze vertrok, knuffelde ze Wimpie nog wat, bad ze koortsig in haast, vloekte en schold ze in driftige geprikkeldheid onder ’t wakkerschudden en opstooten tegen de andere kooters. Al de kleintjes, van één tot vijf, bleven ongewasschen den heelen dag rondluieren, schooierig en verklierd op ’t erf, of in de laantjes. Hun gezichtjes, korsterig, pukkelden, klierden en ’n paar, van drie en vier, met vuurrood haar, waren zóó bestrooid met groote sproeten, onder oogen en neus, dat ze bruin leken. Bedilzuchtig Grietje van zes jaar, kinderlijk miniatuur-moedertje, en vrouw Rams, pasten op de kooters. Maar vuiler daardoor dwaalden ze rond, met bloote lijfjes en voetjes, in gescheurde vodderokjes, die hevig stonken naar vuil zand, scharlucht en poonen.—
Van negen ’s morgens tot ’s middags drie was Dientje aan ’t venten met visch. Dan dadelijk kwam ze plukken bij ’n tuinder tot zeven uur ’s avonds. Op marktavonden joeg grootmoeder ’r nà zeven weer naar de Haven, wéér met ’r stinkende poontjes en nog stinkender scharren. Dan had vrouw Rams de handen vrijer, bleef zij alleen met de kinderen over. Schooierig zwalkten die dan nog rond, kijvend, vechtend en grienend. Soms ’n uurtje, paste Jans op de kleinste, pàs van de flesch.—
Vermorst met zwart-modderig grientronietje zat ’t notendopje in gebroken mestkar op ’t erf, naast Wimpie, uren achtereen te krijschen, huilstootend in stuipende zuigelingsdrift, als spoog ’t d’r longetjes uit,—meestal niet gehoord, en verwaarloosd door half blinde grootmoeder.
Ouë Rams bleef den ganschen dag roerloos, achter ’t bij plekken fel-doorzonde cellige raam neergeblokt, in den kamerhoek waar zomers de poonen en scharrebosjes tegen den vuilen muur vastgehaakt, hun schrikkelijk rotten stank uithijgden. Bedorven vischlucht zoog door ’t lage groen-duistere vertrek.—Rams rook niets, zag niets, vervlijmde hoest-scheuren, slikte rochelslijm in, bleef na elke vlaag die z’n bovenlijf overeindkromde, in sidder éven vergrauwd-rood, nakrampen z’n armen en beenen.—Uitgerocheld, zakte ie weer wat lager terug in z’n stoel, schoven z’n oogen net onder raamrichel dat ie niets meer van ’t tuin-buiten zien kon, de koperen knoopen van z’n vuil rood jekkerkraagje alleen bleven zon-fonkelen, als twee gloei-gouden oogen.
Zoo hitten, kleurden of regenstroomden de dagen vóór ’m wèg zonder dat ’r iets anders in ’m bewoog, dan de zuigende pruim in z’n mond, met smakkende tongpunt van één naar anderen hoek overgewerkt.—Stil staarde ie, verloren in loomen leefgang van ’n koe, half bewust, versuft z’n tanigen kop na elke hoestbui dichter tegen venstermuurtje drukkend; muurtje dat ziedde in zonnegloei; zoo vermummiede z’n neergeblokt krommig lijf in groenachtig kamerduister, doorschept reflexlicht van boomen; walmde de rotvuile vischstank van verterende scharren in de zomerhitte rond ’m heen, als lag in de schuwe donkere balkkamer ’n lijk te ontbinden.
Zóó, elken dag bleef Wimpie moederziel alleen, huilde hij soms als ie zonnetje zag wegduisteren en de groene sparrenboschjes, onder zwaardreigende, angstige onweerslucht, vóór ’m versomberden. Bij iedere regenbui kwam, tastend en stootend, vrouw Rams ’m wegrollen op z’n wagentje ’t achterend in, bij ’t pleehok, waar ie bleef tot de regen had uitgeruischt. Door smeek en huil verteederd, reed ze’m dan weer ruw en brommerig, onzeker en waggelend terug, tegen ’t muurtje buiten. Maar niets, op zulke dagen, zei hij ’s avonds van z’n leed tegen Ant of Kees. ’t Kereltje giste wèl, begreep goed, maar hield ’t stil-in-zichzelf, dat moeder weg moèst, om wat bij te verdienen, misschien ’n paar centen over te leggen voor de eerste wintermaanden, als vader niets om handen had.
’s Avonds, tegen half negen kwam Ant thuis. Nog morsiger dan in den ochtend, kringden de kinderen om ’r heen, doken ze allemaal een voor een òp, van allen kant, uit laantjes of erfje, alsof ze roken dat ’r wat te bikken viel. Maar Ant, half vermoord en doodelijk uitgeput van hette, ’t zwangere lijf als ’n zware vracht voor d’r buik, zakte op ’n stoel neer naast Wimpie, kleine hijgjes uitstootend uit dor vertrokken, heet-murvenden mond, zonder ’n woord te kunnen uitbrengen.—Ze keek niet om naar d’r kooters, had alleen oog voor Wimpie, dien ze stil toeknikte soms. Vrouw Rams, nijdig en duwerig in ’r kwaadaardige halfblindheid, kippigde om ’r dochter heen, nu en dan ’n donker kindergestaltetje van Ant afstootend, als ze ’t zag schaduwen of honger-stemmetjes hoorde drensen. Telkens stopte ze ’r éen ’n bonk brood in de hand, tastend met d’r zoek-vingers langs gezichtje en lijfje of ze soms al hadden gekregen. Voor d’r man, op raamrand, zette ze ’n bord waterige pap neer, zonder ’n woord te zeggen.—Jans had ze gepakt en toegeschreeuwd dat ze op de kleintjes moest loeren met bidden. Eindelijk in armkrommigen tast, pasjes-schuifelend kamer in en uit, bracht ze ook d’r dochter ’n bord eten, warm groentekliekje van middagmaal. Maar geen hap kon Ant doen van uitputting. Eerst ’n uurtje rustig bleef ze zitten, kwam ze van zelf ’n handje bij, keek ze vrindlijker naar Wimpie, streelde ze ’m ’n paar maal over z’n doodskopje, dat ie weer neuriede uit z’n vereenzaming; vroeg ze’m, moe en kort, of ie erge pijn had gevoeld vandaag, of alles goed gegaan was. Soms, plots in woeste driftprikkeling, gaf ze ’n woedenden snauw naar ’n wurm dat ’r bezanikte, of barstte ze uit tegen krijschend dreumesje.—Dan vroeg ze weer, stil in onrustigen ademhaal, en zacht op-en-neer-beweeg van ’r hangbuik, d’r ventje wat. Om negen uur, soms tien, kwam Dientje thuis van de Haven, met ’r ventgeld warm gekneusd in d’r zweethandje; bracht ze terug overgebleven poonen en scharren. Walgelijke lucht, als van vuile bokkingen en rottend, zoet bloedstankig vleesch, wasemde van ’r lijfje de kamer in. Hevig stonk ’t kind-karkasje, d’r vunze kleertjes, en wat ze aanraakte luchtte mee. Maar niet éen van de Hassels die ’t rook, alleen werd Kees er nu en dan misselijk van. Soms als lekkernij, mocht Wimpie ’n poontje zuigen, waar ie meestal geen trek in had. Maar àt ie ’r één, dan hongerden de kleine zusjes, met sluwe Jansie mee, in ’n stil rijtje voor z’n bedje; loerden alle oogjes gretig naar z’n langzame eetbewegingen òp, als vuile hondjes die te wachten zitten, geduldig-roerloos op afval; tot ze plots ruw weggeranseld werden door Ant of vrouw Rams. Dan langzaam, na eersten schok, rijden ze weer áán, stonden ze met kleine schuine hoofdgebaartjes loenschig en gulzig voor ’t zieke broertje, stiller nog dan éérst; smakkerend op de lipjes, vechtend en trappend in worsteling op den steengrond, als Wimpie dan hier, dan daar, speelsch ’n stukje visch of vel tusschen hen ingooide. Zacht schaterde ’t ventje dan van pret, om hun driftige grimassen, grijp-woedetjes, zoek-stooten en wilde hebzucht.
Dientje alleen bleef zitten bij ’t raam, doodop, achter ouë Rams, met ’r mand half open op den vloer, tot moeder ’r roepen zou om af te rekenen. Maar versuft bleef Ant zitten, als lamgeranseld in ’r stoel, niet opkùnnend met d’r zacht zwabberenden hangbuik.
Schemering duisterde de kamer in, waar duffe benauwing van versmoorde zomerlucht in rondrookte, tusschen vunzigen scharstank en poonenbroeisel. Telkens sulde Dientje met ’r slaaphoofdje tegen muur, zacht-ronkend in ’t zware kamerduister. Even voor Kees’ komst stak moeder Rams, beverig en tastend, ’t lampje op, begon Ant àf te tellen, stond klein-versmald ’t bleeke slaaptronietje van Dientje naast ’r moeder. Angstig-ingekneld had ze de centjes nog in ’r hand kleven; lei ze alles in treuzelige rijtjes op de tafel, dat Ant maar te tellen had, dadelijk kon zien wat ’r verkocht was. En al wist ze dat ’t uitkwam, al had ze ’t honderdmaal zelf over gerekend, toch ieder keer weer beefde kindeke van angst, dat ’r wat te min zou zijn.
Kindertjes rondom in de bedsteeën lagen al te snorken, hun lijfjes tegen elkaar verbroeiend.
Doodop nog, knielde Dientje met ’r bleek uitgeputte gezichtje naar den schoorsteen, òpstarend naar ’t krucifix, klonk dofmummelend ’r gebed, teemige gewoontewoordjes, half in slaapwegsullend van de heete dorstige lipjes. In dommel slingerde ze ’r handjes ’t wijwaterbakje in, boven Wimpie’s ledekantje, stapte naar ’t bedsteetje, waar ze ’n plaatsje opendrong tusschen drie naaktgewoelde, stinkende kleintjes.
Ouë Rams en grootmoeder waren naar bed gestapt in hun vuns gangetje. Daar broeide de hitte nog na, verduft als dampte er ’n warme bron open. Tegen half elf kwam Kees van de Haven. Z’n gezicht stond grauw van vermoeienis en verdroogd zweet. Hij beet zich op z’n dunne lippen, uit stillen wrevel. Geen woord dan werd gesproken. Alleen Wimpie, uit z’n donker hokje staarde levendig-angstig, van vader naar moeder, stil, met schraperig neusgeluidje van z’n zwakke korte ademhaaltjes. Op tafel lag ’n half tarfje met roggebrood voor Kees. Loom greep ie ’r naar, en loomer nog hapte ie ’r in, met breede sperring van stille kaken, lijzig kauwend, te vermoeid om te malen. Ingeslonken, z’n lijf gebroken van hitte en uitputting, bleef ie zitten, zonder klacht, stom.
Geen woord klonk tusschen man en vrouw òp. Z’n brood-slikkingen en kauwgeluid alleen, ver-zuchtte in ’t krot.—Ant bleef hijgend-ademen, met ’r handen aemechtig op ’r gezwollen buik gekruist, in zacht duimgeschuif. Dientje lag in ’t bedje wakker, als was met ’r instappen de slaap plots verdwenen. Ze voelde zich naar in ’r hoofdje, maar durfde niets zeggen, blij toch dat ze eindelijk lag.—Heete handjes van zusje, in blind gewoel op haar neergezakt, brandden op d’r lijfje. Maar stil liet ze de pootjes liggen, te òp en te stikwarm om zich te bewegen. Stom rekte Kees zich van z’n stoel overeind, in arm-rengelenden gaap gooide ie z’n jekker en kiel in ’n hoek, dat z’n schouders in kale zeemanstrui uitschonkten, drukte ie z’n handrug nog even zacht op ’t klamme kopje van Wim.—In één sprong òver ’t kleintje heen, dat tusschen hen in sliep lag ie in z’n smoorheet slaapholletje, te beroerd, te gekookt en gestriemd van pijn, om z’n broek uit te trekken.—
Langzaam, met paffe gebaren, wrong Ant zich hijgend, zuchtend van ’r stoel. Zacht, bij elken pas wiegde ’r buik mee, holden ’r lendenen en telkens met ’r handen veegde ze tranen van ’t goor-mager gezicht. Altijd in ’r zwangerschap, voelde ze zich weeker en angstiger, zag ze altijd vizioen van ’n ongeluk boven ’r hoofd hangen. Zacht zoende ze Wimpie, nog eens, en nog eens, lei ze ’t kleintje, dat tegen Kees’ stinkende pilowbroek was afgezakt met z’n snuitje wat recht, en stapte na knielgebed voor krucifix, en in verplechtiging van wijwaterkruisje, geradbraakt van pijngevoel in ’r doorstoofd slaapkrotje.
Ze had trui van Kees nog moeten uitspoelen, zijn en haar hemd, en van Wimpie nog wat goed, maar ze vòelde dat ’t niet ging, dat ze ’r achter bezwijmen zou. Uitstellen maar, uitstellen en nou slapen, als ’t kind dat doorbrand was van zuur, d’r tenminste niet de ooren kwam volkrijschen van nacht.—
II.
Naast den aardbei- en erwtenpluk ging rond op de akkers woeste rooidrift van bollenkweekers. Van alle kanten, in diepe voren ingekneld met hun knieën, schoven ze voort, de rooiers, ’t gloeiend akkerzand in klauwigen wroet opengravend, den heeten zandstuif naar zich toewaaiend, de longen in. Hun verschroeide bronzen koppen, strak en gebukt van ernst, dampten en zweetten in gloeistof, hun heele lijf ingehurkt, verteerde in drogen schroei van zand en lucht. De zon in z’n vroege Juliglorie daverde hoog in ’t eindloos blauw, ingeschroeid in kringen van roodviolet licht en gouden kransen, woelend de lichtende hemelzee rond.—En de lichtlansen harpoenden neer over de gloeiende akkers, die in dorre, schorre hette smachtten naar regen.—
Lèvende hitte trilde en golfde op de rooiershanden in den grond, als groeven ze in lava, en ’t zengende licht koortste en kookte zóó, dat de akkernevelen in ’t verre blauw wit en fijngrijzig vervloeiden van warmtewaas. De zandgrond, hoogpaars blinkend en heet, lag naakt in woestijnige zonnemarteling, met den opengegraven grond al heeter uitdampend onder hun knieën en gezichten. Van alle kanten uit breede hurkrij van rooiers, fonkelden schaalranden in ’t licht, rooibakken éven opschitterend fèl als scherven zonbeketst glas of schilferend metaal in brandgloed. Tusschen de bollenbedden bochelden in gedrochtelijke standen rooizakken, half of heel gevuld, als onthalsde kerels, enkele buiken en rompen, zonder armen, potsierlijke dans van wittig-bepoeierde karikaturen, die keken en lachten uit hun komische plooien. Kerels, in zweetzwoeg, sjouwden van en naar ’t pad, ladend de zakken op karren. Rijen rooiers, in brons, pracht-warm rood en blauw gekiel, ingehurkt verzakt in de zandvoren, knielden naast elkaar, in woesten grabbel rukkend met hun vingers ’t zand open, wroetend dieper den grond in, tot ze de bollen met heel ’t wortelennet, beklonterd fijn gevezel, er uitgegraven hadden. Telkens één uit de knielende rooiersrij, gooide de rooibakken en schalen, opgestapeld met bollen, leeg in ’n groote zeef. Van vijf, zes hoeken tegelijk soms, ging er schurend sis-scherp zeefgeluid over de akkers, rond kerels in zonnevuur, met de groote zeven in de handen, waar bronzige stofwolken onderuit stormden, òver gekromde ruggen en ingebukte koppen van rooiers héenwarrelend in wilden stuif, dat àl de werkers, momenten weggedampt vernevelden in ’t bronzige stofgoud, langzaam weer bijtrokken als gestalten van ènkel licht.—
Het licht, in koortsige wellustgamma’s van kleurhitte, sloeg, schroeide, bazuin-dreunde om hen heen, tegen ze áán.—De laaiende zomerbrand regende z’n zonnevuur neer, rond en op de werkers, die groefden, groèfden en woèlden in den akkergrond; in de gloei-heete aarde die hen teisterde en martelde. Als bij rooversstoet in oostersche sprook, ging er ’n graafdrift onder de stomme werkers, kampend tegen ’t zonnevuur, om schatten te vinden, schatten op te delven, in koorts en jacht van arbeid, bàng betrapt te worden door anderen. Knieën stramden en pijnden als in zweer, polsen en handen kreunden stil. Gezwollen kronkelden klauw-pezen, in bange paarse benauwing, en kreten van werkersgramschap stootten òp dat zwollen kop-aderen en slapen. Hun longenhijg trilde door de lucht als zachte zuchten van machienzuiger. Maar alles toch van hùn ploeter smoorde tegen den grond, die uitbraakte brand van zand. Dieper graaiden hun pijnvingers, feller gloeiden hun polsen in de blakerende aarde, de aarde die zelf kreunde en kermde onder den zwarten zwoeg der mannen; onder de orgieënde voluptueuse lichtrazernij, den heerlijken, goddelijken almacht-brand van zon.
Doffer in den grond smakten hun klonterende bollen in de bakken en fonkelschalen en stiller schoven hun knieën vóórt door de heete voren, natrillend nog van hun lijfsvracht.—
Zóó, elken dag rondom den pluk van aardbei en erwt, lag het bollenland in den gloeienden zwijmel van zomerbrand.
Elken nieuwen dag om hen heen, met z’n uitzwijmelend bloemenvuur, gloeide in kleuren en glansen, bloedde in rood, goudde in warm geel als een reuzig goud-dampend kerkraam, vàn de aarde geheven, hoog en oneindig, tot in ’t hel-lichtende azuur. Elken dag in den brand van zijn eigen kleurengloed, verrees als ’n reuzig kathedraal-venster, met z’n scharlaken bloeding van vitrails en rosetten, in ’t laaiende licht. Zóó zaligde de hemel in godlijk kobaltblauw, ’t azuur van middeleeuwsche vitrails, in den azuren droom van heilige figuren. Zoo kleurde de aarde in het zingende brons en extatische geel van z’n gloeiende glas-verven, omdampt in den aureolenden goudglans van altaarlicht.—
Zoò, in ’t bloedrood van ruitenbrand, als ontzàglijk kerkraam met z’n bogen en gierlànden, vlamden de bloemende zonnedagen in ’t azuur, gloeiend, kleurdampend en jubelend in de oneindige glorie van zomerleven.
En daaronder stom, de werkers, de geloovers van den arbeid, de zwijgende devoten van den machtigen zwoeg op ’t land.—Stommer en gekneusder elken dag weer, schoven hun knieën door de voren, ’t schitterheete zand. Dieper groeven hun klauwen den hitte-adem van de aarde naar hun longen. En geweldiger in de zonnelaai ging het schuurgeluid van hun zeven over de akkers, de wolkenstuif van het bronzen zand òver hun gekromde ruggen. Alsof de aarde, de stille rooiers nòg eens wou overstroomen met den trillenden zeng van haar zonne-lava.—
Verder op ’t land, naar den zeeweg, stonden de werkers onder de eindlooze hemelblauwing, met zware armhalen rottend loof van hyacinten en krokussen weg te schoffelen, hun lichtgestalten uitlijnend in de trillende hittelucht. Hoeken, in prachtigen kleurenschimmel, teer pastel, toonfijn, als tinten van doffe poeier, lagen tusschen gerooide bronzen akkers; loof dat zingend stierf in laatste kleurenkoorts. In donzig groen-dòf en goudlila,—als er op oud hekwerk uitvocht,—pastelden de akkers met rottend loof, verneuriënd ’n doodenzang van tinten tusschen ’t fel-jubelende zomergroen van boomen, hagen en pluimgras.—
Duffe lucht van rot geblaar, als vunze stank van aardappelenkelder, verstoofde in de zonnehitte, vervloeide tusschen de glansen van ’t oud goudleer-rood en bronsgroen, dat zacht golfde en moireerde soms in windwuif. Midden in den doodenzang van ’t bolblad, stonden de rooiers, wegsliertend in woeste onverschilligheid de stervende bladeren, met harkende, breede halen van hun blinkscherpe schoffels, ’t loof als vuil ophoopend in de greppels. Van allen kant over de akkers, wiekten ààn, in droomerige zwiertjes, kleur-teere vlinders, in lichtcier bemanteld, fluweelen scheepkens van glansen, droomerig zeilend in luchteblauw, zonder richting wiekvleugelend door het hittewaas, plots rustend op zonnevonkend boomgroen van hagen, of verdwijnend tusschen getemperden pastelgloed van ’t stervend loof.—Van allen kant kwam aanfladdering van pauwoogjes, stralend prachtkoloriet van atalanta en goudvosjes, als toef sidderschoone kleurenveeren uiteengewaaid over de akkers.—Gloeinaakt schroeide ’t land, in wit-violette hette naar horizon vernevelend, waar vèr, vlinderwiekjes met hun kleurgloed loomer verzwijmelden in zoet rooksel van geurenden, zonnigen bloemendamp.—
Tegen half vier, op derde schoft, zakten de rooiers in hagenluwte neer. Even rustten de gebroken polsen, gekneusde handen, zeere toppen. Schuw van pijn, gingen de zwartgroene vermartelde klauwen, in gretigen hap, naar ’t brood. Groepjes rengelden slaperig van uitputting, in mat-zoet ledengerek. ’n Paar werkers wreven hard hun verstijfde knieën. Anderen weer, nog stiller en strammer in hun kort schoft, schooierden plat op den buik, in de half-schaduwende koelte van singelhoek, handen onder de kin gehaakt, kop éven op, als bezwijmden starend zonder te zien, naar akkers die vóór hen verblakerden.
—Daa’s ook ’n klus, kaik sàin te goàpe legge noà oàsem! schreeuwde er één, spottend wijzend op ’n kerel, die ’t zòò martelend benauwd had, dat ie van z’n rug telkens op z’n buik draaide, uit de schaduwreep wegwoelde, en eindelijk pal onder gloeisteken van zonnevuur, op den rug, met oogendicht gezicht naar den hemel, voor dood bleef liggen. ’n Ouë vent naast ’m zat recht òp, met z’n schouers tegen ’n haag, lijzig te happen uit stukkenzak.
Sarrende bromvliegen gonsden om hun zweethoofden, loerend op warmtewasem van nat vel. Drie kruiken gingen rond, en zwaar-gretig klokten slokken verkookt water de heet-droge kelen in. Maar roerloos de kerel op z’n rug, ùit de luwte gerold, met z’n kop naar den hemel, armen boven z’n hoofd gerekt, lag daar dwars in moeë bezwijming. Hij kòn niet drinken, niet één verkoelingsslok. Hij kòn niet spreken, te machteloos zelfs om vliegendans op z’n dichtgeschroeide oogen en bezweet gezicht af te slaan. Stom liet hij zich maar bekletsen van lolwerkers, omzoemen van insektenwarrel. Stom bleef ie hijgen als half vermoord werkbeest, stom en uitzinnig van hitte.—
Van verre tuinen, de gouden vlierboomen vlamden als hooggele boeketten laaiend goud, hoog tegen hemelblauw geheven. Magere popels, wilgen in lichte zilvergrauwe ritseling naar duinkant, rankten star in de strakke hitte. Rietbergen op bollenakkers grauwden aschblondig. Naar den zeewegkant, achteruit op Duinkijk, groenden zware boomen, dichtgegroeide laantjes met eiken, beuken en wilgen, dooréén.—Soms poortten verschietjes òpen, als violette nisjes, ingediept onder ’t akkerbouwsel; lag er paarse nevel tusschen de kruipende halve boomschaduw te dommelen, loom van hitte.
Langzaam, wat laantjes achteruit, door dalenden zonnegang in brand gezet, ópenden zich als zonne-hofjes, dartelend en spartelend in schuinen zonnedamp, die overal onder zwaarhooge struiken dòòrvonkte. Langzaam week wazigviolette purpering van schaduw achter muren van licht, in sprookjesschemer.—Teergrijs en blauwpaars zengden òp de akkers wat schuurdaken.—Hel-roode stolpjes kleurschaterden fel in de gloeiakkers, vèr van elkaar. Eén leien schuurdak stond in zòò fellen zonschitter, zòò verblindend in uitstraling en fonkeling over de naakt-lage bollenakkers, dat ’t was, of dààr ’n aardebrok begon weg te gloeien, in ’t vonk-hevigste zilvervuur van licht. In helstrak hemelblauw vlamde ’t daar, straal-sterrelend; ’n uitbarsting, of de zon ’n stuk lawa-leven van háár leven, zengender en trillender, in helle fonkelsliert als woest goden-altaar van zilvervuur, op de verbaasde aarde had neergestort.
En telkens uit de zijlanen, die in reuzekring van groen en schaduw om de akkers dromden, stroomde zoete reuk áán van waggelende hooiwagens, en meidoorn zwangerde z’n hartstochtaroom uit, als om Wiereland te verzwelgen in geuren.
Soms, van de akkers àf te hooren, bonkerde in loomen waggel, ’n hooiwagen langs de landhaag, nu en dan bij open plek, achter boomstammen te zien, in ’t goudgestroom van z’n haren, zoetste hooirook in den zonzwijmel van akkerbrand uitstortend.—Van boschkant uit, ergens diep verborgen, verklonk koekoekzang, eentonig, toch vreemd-verhalend van minne-romantiek. Eentonig ontroerend zong koekoek dóór, in de gloeiende middaghitte, vreemd-lokkend geluid; optooverend visioen van koel-groen boomendonker, waar, op dàtzelfde middaguur, nimfen gevaarlijk-angstig stoeiden met van-zinnen-geschroeide faunen.—Geluid dat òpriep, fantoom van koelend bladerenlommer, waarònder de nimfjes en satyrs speelsch plasten in waterzilver; met schaterjubel kringdansten, doorholden onder zilverende ruischfonteintjes, die kleurvonken rondspoten, koel, in hun druppels-plengende kristallenspartel; en waar al verder, al vèrder de nimfjes verzwierven, tusschen het lokkende schemergroen, verloren in jagenden zinne-zwijm.—
Hooger weer nà schaft, steeg werkroes, ging er sneller schalenfonkel over akkers.—Zwaar stonden de verbuilde karikatuur-zakken met bollenvracht, op den paarsen grond, sterker rookten de voren van hitte, sjouwden de kerels op en af de greppels naar de karren op ’t pad, in stommen zwoeg met al geweldiger lasten op rug en hoofd. Nergens meer ging één lang uitgehaalde ademhaal.—
Rooiers en plukkers, verbronsden in ’t late licht van avond. En breed, in kringen, trokken de kleurgloeiingen en glansen over de akkers, rond de werkers, die zwoegden tot in den nacht, in àl andere pracht en zwenk van lichtspel, onder zwervende, oneindige fantasmagorie van het ontzaglijke, stille wolkenleven.—
VIERDE HOOFDSTUK.
Zenuwachtiger jacht van werkdrift steeg, stéég. Ploetering waanzinde rond onder de tuinders. Alles moest geplukt, stond in vollen bloei.—Koortsend duivelde rond de pluk van aardbeien, doppers, kapucijners, tuinboonen, peulen, wortelen, postelijn.
Ouë Gerrit stond van drie uur met de jongens en twee helpers op ’t Beekbrok, naast Oom Hassel. Guurt kwam elken ochtend later, zorgde eerst nog voor de bedden en vaten, ging tegen elf uur weer weg om aardappels op te zetten en groenten te stoven.—Dirk stond nog vòòr het eerste schoft, doppers te plukken, tusschen de hoog-uitgegroeide rijze-paden, waar, tegen den middag, groen schemerlicht waasde, maar ’s morgens de zon op neerschroeide. Hij blies van puffe benauwing. Rond ’m rankten de doppers uit, de teere, dof-groene vruchtjes, mollig-zacht. Snel woelden z’n armen door de ranken, knakte ie vlug de schepseltjes eraf, z’n handen vol heet-zachte, week-geurende groentjes. Bij elken vollen haal smeet ie ’n vracht neer in z’n mandje naast z’n beenen, dat meeschoof bij elken stap dien hij deed, tusschen goud-groen zonnig padje. Guurt hielp mee, in ’n ander laantje, met ’n groot blauw boezelaar om ’r lijf gespannen, waarin ze vlùg de geplukte doppers oppropte. Dirk hoorde ’t trillend geritsel van ’r handen tusschen de ranken, ’t knak-geluid van ’r pluk achter ’t dichtgegroeide doorzonde groen, zonder dat ie ’r zien kon. Op goed geluk af schreeuwde ie maar achter zich uit:
—Guurt, denk ’r ’an, allainig de dikste, en dà je skòòn plukt,.... gister he’k nog ’n mandje vòl hoâlt, woar jai al weust wàa’s!
—Daa’s net! most t’r ook vaif moal of.... heè?.... ’k hep nog boone sneeë, oarebaie plukt!.... sloà stoke.... wortel skoomoakt.... f’skeur dan je pampiere moar hee?....
Dirk gromde maar wat achter z’n groenen erwtenwand, loerde tusschen de dichtbebladerde rijzen uit, of ie t’met ’n puntje van d’r jak kon zien doorschemeren; knakrukte, zacht rondvingerend, toch sekuur, z’n doppers van de fijn-groene steeltjes, dat z’n handen kleefden van vocht. Guurt vlak achter ’m, ook zonder Dirk te zien, stapelde òp, in ’r boezelaar, knielde in moeilijken hurk, laag-zoekend, de vruchtjes tusschen het bladerenkroes en de ranke kronkels in, verwrongen bukkend en tastend onder dicht inééngegroeiden warrel van groen. Haar schoot zwol en ’r paf dik lijf zweette onder de zwaar-afhangende doppervracht, eng bewegend op ’t gloeiheete zandpaadje, waar onkruid bij boschjes tusschen prikte.—Ouë Gerrit plukte met Piet, zacht-zoete fransjes voor de markt, die Dirk den volgenden dag mee zou nemen naar de stad. Twee kerels achter hen áán, wroetten en poerden van de aardbeien naar de kapucijners, wortelen en sla. Stapels kisten purperden en vlamden half uit en in de zon, telkens endjes verder versjouwd in zuchtenden til-zwoeg, naar de luwte.—Stom en geweldig in gesmoorde jacht ging de kniel en hurk van de werkers weer over de akkers en overal vlamde en purperde ’t vuur van de aardbei, in slangekronkels langs ’t lichtstuivende bladgroen van bedjes, heet rood en wond’re brandende kleuren in zonnigen mist, broeierig gouden warmtenevel.
Bij Oom Hassel, vlak langs Kees, kroop kindergoedje van zes en zeven, pas aangekomen van verren aardappelenhoek in ’t duin. Hun smoezelige rokjes en broekjes schooierden dof en goor in den kleurdaver en dampende hitte, tegen den fellen schitter van de frisch-dauwvonkende groente ààn.—
Aardappelenhoeken stonden in prachtigen òpgroei met d’r rose en witte bloeseming. ’t Zilver-zijïge bladfluweel van tuinboonen, lag blank stroomend tusschen ’t groen, in lange kronkellijn, aan één kant donzig bezilverd. En ’t loof, ruischte en wiegde daar heel zacht, telkens donkergroen en zilver, als regenden ’r, in zwierigen val, zwermen duiveveertjes door de lucht. Aan de dikke, schuin-hellende stengels zwollen de vruchten. Zwaar donkergroen, met donzige deukjes en lichtglansjes op wat plekken, builde de tuinboonen-vracht in zacht-donzen vacht.
Hier en daar, tusschen zwaar-bevruchten in, stonden groepjes nog in bloeseming als zilverend witte kapelletjes, met git-zwarte zijïge vleugelvlekjes, waar ’t licht òp zoende, stoeide en vrijde.—Roode koolen, slecht opschietend in den zandgrond, stonden prachtig, toch in bladwrong, bij Oom Hassel. Dofpaars-roode dauw, waasde in teerste druivendons over de koolbollen, die òpkropten uit geweldigen bladerenkring. Forsch, in rood, zacht-rozerood, tusschen teerst-groene nerven, vlerkten de bladerenschalen uit.—
In wondre lichtglansen wasemden de roode kolen, naast elkaar over de akkers. Heele rijen slangden in bloedroode schijnsels, nevelig doorzond, in paars en groene wazen, gekronkeld in schelpschalen van dof-rood kristal, geweldig uitschulpend rond de kroppen.—Zwart-roode dauw, verpaarste er smeltende glansen in; glansen van blauwig dons naar violetrood, dof satijn, als er opgeademd rag, met tintfijnste kleurpoeier.—
Daartusschen, op de pastel-schoone, kleurtintige dauwbladeren, fonkten fèl als brandende parels, vurig gloei-groen en gloei-rood, wat druppels trillend kristal, zwemmend in weerschijnen, rondgestrooid grillig, op dons-doffe, fluweel-vertemperde bladerenwaas van de goddelijke vruchten.
In lange rijen, tusschen het fel-lichte groen van losgeplooide kroppen sla, waaronder enkele al, torentjes-spitsig doorschoten, glansde in heerlijken kleurzang ’t krotenloof, stalig rood, violet-licht, weerlichtend in tintdamp van mahonias, dwars door zonschijn omgloeid, als brandde er langs den zandgrond rood-paars fosfor, speelsch àfbliksemend, zonnesprankels; direkt weer omsluierd in waas van èigen kleurfelheid.
Tusschen de selderie en peterselie, zoet geurend verwaarloosd nu met aardbeihaal, pluimde onkruid, fijn-blommig en stekelig-wild.
Jong groenden spersie- en snijboonenblad, om stokken en latten gerankt, donker-groen, tusschen de fijne, licht smaragden kleur van doppers en kapucijners. Als vastgegroeide reuzespinnen, kroop ’t loof van de sjalotjes de aarde uit, tusschen wat snijboonpaden. En jonge savooie- en spruitkool stond in weelde-groei, doorvreten van rupsen, in angstige wacht op uitdunning, heet-droog in de akkergloeiing.
Hier en daar, hoekten heele plekken vervreten als zeeftige bladeren, in citroen-gouden wond’re pracht, sterfzang van loof, bloedrood bevlekt op stengels. In breeden kring reuzigde de rhabarber, zondoortinteld, om zich zelf ’n vleermuizigen schaduwmantel trekkend met ’t groen van z’n schulpend blad. Om vruchtboompjes heen, die stil-bloeiden in langzamen zwel van vruchtjes, bronzige peertjes, groenige appels en pruimen, kringden de bladzware rhabarbers.—Tusschen de rhabarberhoeken in, rankte òp, in rag-krulligen cier, als groene ruche de boerenkool, prachtig-donkere nuance van smaragd, tusschen het zeegroen van kroppen en doppers; tusschen de lichte kleuringen van savooie planten, gelig-groen, late victorias, spruitkool en zomer-kropandijvie in.—
De kleurige zomerprei stond uitgeplant, zuiver om de lange schorseneeren, fel-groene sprieten glanzend in ’t licht. In kleine zonnige hoekjes groende de fijn-wolkige fenkel, naast selderie en pieterselie, met z’n pijpige krulblaadjes als gefriseerd in ’t zonnevuur. En scherp kruidde fenkelgeur uit, tusschen den lagen groei van vruchtboompjes, lommerige plekjes, waar dicht opéén, in warmen zonnekoester bloeiden al soorten gewassen. Zoo, in heeten broei, stoofden de aanééngehaagde tuinderijen, warme lichtdampende glanzen uit, als kleur-klatering in diep-lanige oranjerie, waar de zon in rooden brandwalm doorheen vlamt.
Van alle kanten droegen de werkers wortelenbossen áán, oranje gloed op ’t fijne loofgroen, natgespoeld in de tobben en kuipen, en zilverparelend bij bergen op de bakken aardbei gesmakt. Tusschen wellustbloei van ’t gewas, groei en heete rijping, holden de werkers heen en weer, in angstige jacht.—Achter ’t groen verdoken, soms plots in ’t warme zonlicht uitschietend op open plek, kleurden hoeien en beenbrokken òp, gekromde ruggetjes van kinders, als zwerm ijverige bijtjes purend over de akkers.
Net barstte Willem Hassel uit tegen ’n zusje, woedend dat ie ’r had zien aardbeien snoepen, ’t ruggetje gekromd, argeloos en droomrig starend op de vruchtjes.—
—Is da’ wond’r da’ die soo moager kaikt aa’s s’n tang, schreeuwde ie naar z’n broer,—die frait te veul oarbaie, sai kraig t’met veul te veul nuwt bloed hee?.... sloàn d’r de dinge uit t’r poote....
—Krik f’rdorie, loâ hullie moar fraite, aa’s hullie d’r senie in hebbe, komp bai de huur t’regt.... wa’ jou?... goeiïgde Jan, de dikbullige jonge broer.—Nee.... die bai joù doàr, daa’s main ’n lekkere.... ’n happie.... da’ he’k f’murge van lust!...
—Wa’ noù dan! vroeg nieuwsgierig Willem.
—Nou, stootte Jan er stem-dof uit, handen vol roodvochtige aarbeien wegkogelend in de slofjes,—dâ baist is soo sels, hee?... Wâ he’k roepe om half vier!... krik f’rdorie! die was d’r mi’ de mestvork nie uit te staike.... en Trien òòk nie....
—Há’ je moar ’n emmer woàter over d’r kop uitsmaite motte! saine sullie t’met wassche ook, grinnikte Willem venijnig.
—Krik f’rdorie.... jai kookt ook nie goar!... je skraiuwt van kruis en munt, wà’ jou?.. da sullie d’r t’met ’n stuip bai oploope hee?.... mó’ je màin juùstig veur hebbe!... Nee, moeder hep hullie ’t netjes lapt.... krik f’rdori!... se hep sullie mit d’r sloapkoppe en d’r ooge puur toe, hep sai d’r éen veur één op de natte stroatsteene set.... krik f’rdorie.... je ha’ hullie ’n smoel motte sien sette.... aa’s ’n kikker op ’n kluitje! se woàre wakker hoor!.... p’rdoes! en Trien.... die aêre.... nee.... die ha’ d’r slinger!...
Toos en Trien, twee meisjes, van tien en negen, gebogen over hun bedjes in jachtigen pluk, luisterden, deden toch net of ze niet verstonden. Elken ochtend had moeder verschrikkelijk met ze te doen. Ze konden maar niet uit hun zwaren slaap wakker. Als ze geroepen, met porren opgeschreeuwd werden, grienden ze van slaap en vermoeienis. Soms half gekleed, met de kousen in de hand, vielen ze weer loom terug in de peluw, snurkten ze weer dóór, om in angstbui op te schrikken als plots stem van moeder of broer bulderde achter bedsteegordijntje. Van morgen was ’t bar geweest. Toos en Trien hadden er niet uit gekund. Moeder had ze geranseld, gevloekt, gebonkerd met ’r knuisten tegen beddeplank, ’t gaf niets.—Telkens weer waren ze ingesnurkt. Toen plots had moeder, éen voor éen, woest-nijdig in den nek gepakt en slapend, met de bloote voetjes op de koue stoep van de straat gezet, in d’r ponnetjes, dat ze huiverend grienden, niet wisten waar ze plots stonden.
Nou had Jan ’t verteld aan Willem, en Toos had willen antwoorden dat de meisjes van Straik en Toomaas òòk eerst om vijf uur opstonden en dat ’t bij die lui, niet eens tien uur wier, eer ze naar bed gingen. Maar ze durfde niets zeggen, bang dat Willem ’r nog ’n pak slaag zou geven. Toch schuchterde talmend, Trien uit, met ’n zenuwachtig huilgilletje in ’r stem.
—Nou.... bai Hulse en Toomaas magge de maissies.... magge sullie tut vaif uur.... vaif uur sloape!... enne wai binne doodmoei.... wai kanne nie woàkker om bai hallef vier.... ikke hep sukke bloare àn....
—Hou je bek, hufter! snauwde Willem, ’n mand aardbeien achter z’n hielen zettend,—’t is altait vet in ’n aeremans pot hee? Morge pirsint, of jullie sel ’t weute.... snurkers!
—Krik f’rdorie!.. je sel veul van hullie hoale hee?.. Trek jai d’rais faire van ’n kikkerbil! lachte Jan, z’n dikke lijf goeiig schuddelachend en z’n kop inwrijvend met zweet van z’n hand.
—D’r sel t’met ’n onwairtje rolle, stootte zwaar-gapend ’n plukker naast Jan uit,—’t is broeis hai?... saa’k f’rbrande aas’k ’t ooit soo hait had hep.... ikke leg te swemme puur in main swait hee?
—Nou, onwair da’ sî nog.... bromde Jan, naar de lucht kijkend waar wolken paarsig samendrongen,—ik voel niks, heulegoar niks an main groote toon.
—Jou toon deug nie.... laa’k je nie in je nek naime....
—Sou ’k je ook puur nie roàje hee! ikke waig t’met tweehonderd vaiftig pond!...
Tweede schoft was snel afgejakkerd in hagenluwte.—Ouë Gerrit had loenscherig rondgekeken, wou niet dat de plukkers en de kerels lang kauwen bleven. Naast ’m, bij z’n broer, kropen ze al weer in de paadjes. Nou moesten de werkers wat opgepord. Hij joeg.—Er zat onrust in z’n handen, onrust in z’n lijf, omdat ie werking voelde in de lucht, waar zwaar gewolk doorheen grauwde.—
Tot vier uur bleef er stomme stilte onder de zwoegers. Plots van allen kant kwam er windwarrel opzetten, die gloeikolkerig zand over de akkers heenhoosde. Duisterende groening, angstig geel-donker wolkgestapel, stond rond den horizon gebouwd als grauwe vestingen en forten. Stug vreemd licht, met paarsgeligen glans in zonkant, kwam de akkers grillig beschijnselen, heele brokken in fellen valschen zilverbrand verfonkelend. In regenhel licht, groenden boomen, hagen en gewas rondom. Er zat benauwing, droog nog, en angstige werking in de lucht, en snik-heet doorstoofd, verstoft, slapte ’t lage gras en wild gestruik aan de akkerpaden.
De werkers, plots onder geweldig gelige wolk-zwavel verkleurd, tusschen het demonische fel-zilverend groen, voelden prangenden druk en smoorhitte in ’t hemelruim, woeste werking vlak bòven hun koppen en velen van hen, angstigden en beefden in de handen en beenen, als ging er ontlading en uitbarsting van onweer, kramperig en gejaagd, éérst door hùn lijven.
Ouë Gerrit vooral had zich den heelen dag al onrustig opgejaagd gevoeld. Onweer woelde in hèm uren vooruit. Angstig was ie van z’n plukbed versprongen naar Dirk toe. En aldoor keek ie òp naar de paarsgele luchtdreiging, ver uitgewelfd, geweldig boven de akkers, die heel ’t diepe luchtblauw weggeslurpt had. Heftige warrelwind, droog en stuivend in wilden loei, ging telkens door de boomen, uitgolvend zeegedruisch dat aanzwellen kwam sterker, al sterker over de akkers, ziedend uit ’t bange geel-groenige laantjesduister.
Al benauwder voelde Gerrit zich worden, banger, in wurgenden angst, als droeg ie boomen en luchtzwaarte op z’n hoofd; als stortte straks ’t heele uitspansel boven ’m in, op zìjn kop neerdonderend, hem alléén verpletterend. Hij telde maar, z’n handen tot vuisten in z’n zakken gekneld: een-twéé, drie-víér, vaif-zès, tot tien, rhytmisch maniakaal, telkens heen en terug, van tien weer naar één, uit zenuwbange gejaagdheid, om ièts toch te doen, te doèn.... dat ’t onweer afleiden kon, die bange, nare, donkere lucht.—’t Verveelde ’m, maakte ’m benauwder, dat tellen, en toch bleef ie ’t doen... Hij moèst ’t doen heen en terug, in de benauwing. Plots voelde Gerrit,—bij dreigender hemeldonker, dat de akkers angstiger vergrauwden,—alsof ie in ’n wolkzee moest stappen en drinken, drinken, water, niets dan water. Hij lustte ’t niet en toch moest ie drinken, drinken, tot ie z’n buik voelde zwellen, z’n darmen rammelen, z’n adem weghokken en warmtewaas voor z’n oogen nevelen. Dan inéén weer, telde ie van één tot tien—heen en terug, rhytmisch uitstootend: een-twéé, zooals ie ’t eens een paar polderkerels had hooren uitzingen bij ophijschen van palen. En telkens voelde ie andere, angstige dingen. Nou weer alsof ze stroomen ijskoud water over ’m uitstortten. Hij rilde, snikte, z’n adem brak ’m in z’n keel, z’n rug verstijfde, net of z’n hart even bleef stilstaan, en hij stikken moest.—Hij voèlde zich bleek zijn, akelig naar bleek, en telkens dacht ie ’r aan, of de regen, die ’r nou kwam, wel ooit zou ophouen. Of niet alles verstroomen ging, de heele wereld wegregende, dooreenspoelde, de lucht, de aarde, ’t groen, ’t land in de wolken en z’n huisje, z’n spullen, alles wèg, alles door elkaar, één eeuwige, natte vuile warrel van verstroomende dingen.—
Heen en weer liep ie, dol-angstig als plots zoo vreemd z’n hart stil bleef staan. De kerels keken naar hem; dat voelde ie wel. Toch wou ie zich goed houên, zorgen dat ze niet te veel van z’n angsten zien konden. Dat kwam nou altijd weer terug bij onweer, dat jaag-angstige, wurgend-angstige gevoel, dat onbestemd bange, alsof ie ’n moord had gedaan.—Hoe donkerder de lucht werd, hoe langer regen en bliksem wegbleven tusschen den droog-donkeren woesten windwarrel en het waai-bange boomgedruisch, dat golfde, gòlfde door de duistere middaglucht om ’m heen,—hoe benauwder ie werd. Nou wilde hij zich verschuilen, de luchtdreiging niet meer zien, die donkere wolkenforten niet. Nou wilde hij zich wel ergens ingraven, in z’n kelder met ’t luikje dicht, dat hij den bliksem niet zag en de bliksem hèm niet kon pakken! O! als de dood was ie ’r voor, als de dood! Te sidderen stond ie en ’t akelig-valsche licht maakte ’m bijna misselijk. Guurt was ook bang, heel bang voor onweer, en telkens keek ze naar den hemel, of er niet wat wegdreef van ’t donkere gewolk, er niet wat blauw òpklaarde.—
Kees bleef strak, in werkrust, als gebeurde er niets in lucht en aarde om ’m. Bak voor bak sjouwde ie met Dirk áán, naar ’t pad.
—Aa’s dur moar eerst op de boot is maane, veùr de bui, vibreerde angstig-klam stem van ouë Gerrit, goeiig tegen Kees, dien hij anders nooit aansprak.
—Seur nie, snauwde Dirk, komp’r aa’s aêrs, hee?
—Wee’k soo net nie.... wee’k soo net nie.... kaik de lucht hee?.. hoho! die is t’met vuil!....
—Loop rond mi’ je lucht.... wa’ ken main je lucht skele, woedde Dirk achteruitgeduwd door Kees, met aardbeibak tusschen ze in, in sjouw naar ’t pad.
—Hier, neenet Kees, hier!.... soo... daa’s weer ’n aêre... boofe die bak.... Net soo!... ik mo’ nog main boome ansette!
Veertien bakken aardbei waren aangesjouwd. Breed raam van platte boomen, bonkte Dirk in hurriënden til op z’n kar. Al meer moest ie opladen, van vòòr, ver buiten de wielen, van achter, tot aan de kruk. Toen ie z’n raam op de kar geslagen had sjouwden Kees en Dirk bak voor bak aardbei òp, dof-angstig rood nu in ’t luchtdonker, sla-stapels en zakken met doppers op elkaar, en hoog boven de kisten weer wortelenbossen, nat nog, oranje bergjes op ’t groen van loof en kroppen.—
Vreemd schril, in woest-valsche lichtglanzing, fel goud-dampig, was zon achter paarse wolkbreuk plots doorgeschuimd. Blauwige gaten spoelden weer tusschen het dreigduister open. Ouë Gerrit luchtte òp. Er gebeurde iets in de lucht, waarop ie niet meer gerekend had. Net of ’t onweer ging wegdrijven. Om de kerels had ie rondgedrenteld, ze in z’n tel-rhytme: een-twéé, drie-víér, precies afmetend toegesproken, loopend en bewegend op maat, en hun allerlei kleinigheidjes aangereikt. Als ’t niet uitkwam met z’n tel, had ie ’t precies weer overgedaan nòg eens en nòg eens, tot ie ’r zelf misselijk van werd. Toen plots de lucht inkijkend, zag ie ’t opklaren, ’n blauw plekje hier en daar. O! wat voelde ie zich lekker opluchten.—Z’n borst weer loosde ademen. Ongevraagd, uit blijigheid, hielp ie goed mee, sprak ie druk, maakte grapjes uit zenuwachtige volheid, zonder dat de kerels ’r iets van begrepen.—Tellen deéd ie niet meer, voelde ie niet meer te moèten, nou ’r niks af te leiden was, weg te duwen viel uit z’n wurg-angst.—
Hoog stond de kar opgeladen, met z’n druipend groen en wortelenrood op ’t weer eronder uitvonkend aardbeivuur, in valsch-fel lichtgoud en duister-dreigende wolkenhallen. De wind was gaan liggen. Dòf nog ruischten de kruinen.—Met stootduwen in geweldige spierspanning, schoften krommig ingedrukt, lijf schuin vóór bakkenvracht, hand om karkruk geklauwd, zuchtend en ademuitpersend, ’t hoofd rood gezwollen, z’n beenpezen in strammen span, scheef-jukkig de schouders naar achter gerukt,—zette Dirk de zware kar in beweging, bonkerde ie, ’t heele lichaam kreupel, ineengekrampt, kracht uitstootend vóórt, over ’t zandpad naar den weg, ’n jochie vooròp dat met z’n rug naar de kisten aan de verleng-boomen meetrok. Aan de krukhaak sleepte Dirk nog mee, mandjes met selderie en pieterselie, geurend rond ’t schokkerig wielgeraas.—
Vóór de kar uit, zwiepten lichtelijk de boomen, wiegden de aardbeibakken en telkens moest Dirk z’n kop bijzij de kistuitstapeling buigen, om te zien waar ie reed. Guurt wou ’t helpertje, dat even de kar zandpad had uitgetrokken, niet missen met den pluk, zoodat hij dubbel uit moest zien achter z’n berg-zware stapeling. Bij helling van den weg, leunde ie met gestrekte armen en kin, bloedloos uitgedrukt, òp de kisten, zwaar persend en hangend aan z’n kruk, loerend bijzij telkens, of ie nergens tegen opbonkte. Dàn weer kromde ie z’n lijf in, stootte z’n klauwen òp, stond ie met één gestrekt achterbeen hoogten op te rijden, de heele karrevracht tegen z’n buik, borst en schoften gestut, in hevigen span van pezen, de nijdige chineesch-jukkige kaken beverig van krachtspanning, z’n tronie rood aangezwollen, langzaam duwend, dùwend....
Dood van zweet en gebroken van hitte bonkerde en ratelde eindelijk z’n kar de Haven òp.—
II.
’t Was Vrijdagmarkt, tegen half vijf. Van enkele zijwegen en uit smalle, door zon verblakerde steegjes kwam áánrateling van karren; tuinders die hun waar vroeg opgeladen hadden. De havengrond bij brokken bekeid, lag vol koolstronken, aardbeirotte plasjes en groentenvuil. Eén brok weg, zwart, gruizig besinteld, rond rood-wit bemeniede lantaarns, frisch zomers opgekwast, lag bezaaid met kisten. De huizenkant van haven, met z’n gevel-trappige woningen van dominee, dokter en wat winkeliers, tot meer naar achter, waar ’n woelige oppropping van kroegen en pakhuizen samendrong,—koelden donker in zwaar uitgegroeid lommer van hooge kastanjeboomen, wonder-groene laan, ingeplant tusschen wal en stoepen. Het ruiten-licht van de oud-gevel-typische huizen in wazig-groene glanzingen, verschemerde ’r geheimzinnig ’n eigen bestaan; bestaan van diepe halfschaduwen, dwars door het aandroesemende lawaai en geraas van havengescharrel, geheim stil verwisselend achter zwaar lommer.—In ’t walletje kleurden achter elkaar, pas aangekomen booten, waarop dekknechten met oorverdoovende herrie kisten van ’n plank lieten glijen òp de steenen, langs de reeling, door ’n anderen kerel weer vèrder rondgeslingerd tusschen vuile stronken en groentenafval, sintel en kei.—Zoet-zwoele, tot stank verbroeide geur van aardbei vloeide wèg in vunzige lucht van duffe groenten. Heel de Haven zoog in, àl luchten en reuken, ademde weer uit, bedorven saamgebroeid zoet van aardbei, aardappels, sla en penen. Telkens achter groene kroeg-gordijntjes spuiden de herbergen jeneverstank uit, scherpen prikkelgeur doòr den warrelenden damp en de stank-zwangere atmosfeer van verbroeid zonnig havenleven.—
Geweldig in wijdheid, doorwolkt van onweersgedreig en half in zonnigheid weer, welfde de polderhemel met ’t weiland eronder, afgelijnd door spoordijk; ’n hemel niet te zien, maar ijl te voelen toch in verte en diepte ònder de àlmachtige luchtruimte. Groen-prachtig, in fel-grilligen zonneschijn, lichtte de lange dijk òp, waarover lawaai herriede van aamborstige lokomotieven, hijgend en puffend, heen en weer, als in zweetbenauwing, drentelend en geduwd voor- en achteruit.—Vastgehaakt en voortgebufferd in stooten en dreunige stampen, donkerden vrachtwagens dwars door den uitkoepelenden polderhemel.
Onder kastanjelaan, vóór huizenkant van Haven, het doorrijpad van karren en paarden, kermisten zuurkraampjes en betentdoekte vischstalletjes met poonen en scharren, die walglijke stanken rondbroeiden in de hittesfeer van sjachering en half afgedreven zomermiddag-onweer.—Stijgender geratel en gerammel van karren en wagens, dooreen-klakkerende hoefslag van zwoegpaarden op keien, kwam dreunend òprumoeren uit steegjes en zijwegen, naàr en vàn de groentenvervoer-booten.
Heel de aardbeistuip van ’t land, de koorts van wroet en pluk, pakte zich daar saâm, in één woesten drang van laden en lossen, één jagende scharrel onder de ventende afbeuling van ’t landvolk. Al tweemaal op één dag was er door de booten in den drukken broeihaal van aardbei nù, op de groote stad afgevaren; al tweemaal geladen en gelost. Om vier uur in den ochtend, de heele week, waren er zes groote vrachtbooten, tot hoog boven de verschansing opgestapeld, weggestoomd, met allerlei groentegewas, stikvol van aardbeien, aàrdbeien. Om twaalf uur ’s middags, léég, heelemaal uitgeput teruggeboegd, weer gevuld, alléén met aardbei en weer leeg naar huis gestevend. Alles had de groote stad opgeslokt, gretig en woest; en nu wéér werd ingeladen voor den marktdag.
De Haven lag gerammeid, begraven onder leege kisten met mandjes, en overal dreef rood sap, donker bloedend door ’t zwarte kolengruis, verkrinkeld in sporen en plasjes.—
Dirk had z’n zware kar met voorzichtige zwenkingen tusschen stilstaande paardjes ingewerkt, zoo dicht mogelijk bij de boot, waar ie z’n goed op te laden had. Telkens schokkerde ie ’n eindje verder, meer naar den wal, tusschen de dooreengezwaaide kistenruzie en manden, tonnen en planken.
Sterker kwam áánwemeling van groenboeren, vrouwen en kinderen, en oorverdoovend raasden de blaffen van karhonden, die daar woelden, rukten en huilden onder de donkere assen, jammerend tusschen hun bemodderden engen knel van spanriemen en treksels.—
Vervuilde, langharige kerels, met dronken-lacherige tronies stonden in overhemd, àchter d’r poon- en scharrestalletjes, hun eigen waar op te eten, schor futloos roepend: fèrsche poone.. fersche skàrre.... In kringetjes rond en onder ’t tentdoek, lolden wat venters en tuinders, poonen etend en uitzuigend, met hun handen de visch losbrokkelend. In nek-achter-over-zwaai, kwakten ze zich telkens stukken vettig vleesch ’t mondgat in.—
Zuigsmakkend en belekkend de goud-donkere poonvellen, plezierden ze, waggelend op de beenen. Stil stopte verkooper ze schar na poon in de handen, terwijl hij zelf smakkerend vrat, z’n mesje tusschen ’t scharrenvleesch peuterde, fijn reepje na reepje, achter de tanden vergoochelde.—
Zon, uitgloeiend achter weggedreven onweergewolk, brandde weer fel op tentdoekjes, die lichtstreepten rood-geel, onder boomlaan door, de smoezelige linnen kleuringen, warm-dampig verzonnigend.
In één uur tijd was de geweldige marktdrukte komen áándonderen in furiënd gescharrel en gesjouw, geraas, getier en roezemoezende stemmenbotsing. Paarden met karren, al méér, al méér, klakkerden en bonkerden onder de belommerde kastanjelaan, schurend langs de huisstoepen, zwenkend, tegen elkaar òp. Vrachtrijders verkrijschten: ho!.... ho!... hai!-daar!-geroep, tusschen kerels, vrouwen en kinderen; tusschen ladende en lossende werkers, of dwars door rumoerige groepen, opgepropt òm groote groenteuitstalling van afslag, waar koopgierige schobbejakkige venters rond-kankaneerden in schor opbied-geschreeuw, als dronken duivels.
Van zijstraatjes uit, dobberde zwaar-stootend gedrang van karren, de eene al hooger achter de andere òpbergend, met kisten- en zakkenlading.
Tegen half zeven daagde van allen kant ’t landvolk òp, voortstuwend pyramiden van kleurdruipende groenten, als was aan akkerzij van Wiereland overstrooming losgebroken, de zee over de duinen heengegolfd. Als was daardoor ’n chaotische beroering, ’n opstand, dwars door paniekheen gescheurd; had zich ’n drom angstigen aanééngestoet, verschrompelde bemodderde kerels, reddend van hun zwaren ploeter àl wàt ’r op ’t land nog te halen viel. Eén wilde, woeste samenstrompeling van mannen, vrouwen, kinders, met kisten en manden en zenuwbevende handen, die meehielpen aansjouwen en wegduwen van kar naar boot.
Aardbeigloei, rood-fel en purperdiep, brandde weer in zonnelaai. Honderden en duizenden bakken met de roode pracht-furie der vruchtjes gingen van hand tot hand op de booten, van de karren naar de dekplaatsen, en van alle kanten losten de wagens uit, stortten een groentezee neer, in branding van kleuren, aanklotsend tegen zonnegolven; tegen broklijven van schuiten, kerels, karren, paarden en honden, één woeste uitgolving, òpzieding van groen, groèn, van zeng-rood, vuur, donkerend purper en hel prachtig wortelen-oranje.—
Hemel was blauw-diep weer uitgetinteld, tusschen zilverende wolktochten en in de koelender zilverglanzen van gloedroode, stillere zon, lag de kastanjelaan doorzeefd in wondren glansnevel, doorvlàmd en zonnemistig tegelijk. En de groenbemoste boomstammen, in flitsen grillig beserpentiend, kromden gevangen in gouden kronkels van glans-slangen.
Dampig gezeef van goudschemer, gloedrood, vloeide over de bronzen en roode kielen der woelende kerels, werkersstoeten in sfeer van gouden lichtdamp en roode toortsentooverij bewegend.—
Midden in zonnetoover daverde ’t haventje van helsche donderbonkerende rumoering. Telkens ratelden van de zijwegen, uit smal-doffige broei-steegjes, nieuwe karren áán, waarachter angstig-verwrongen gezichten èven uithoekten, tusschen bakken en manden; monsterlijk gerammeide zweetkoppen, doodòp van zwoeg, benauwing en snikhitte.—Hun bakken overstroomden de markt, verzwolgen ’t licht. Uit àl andere weggetjes en spleetstraatjes, van rechts, van links, dwars, opzij, uit nog fel-bezonde achteraffe gaatjes en steegjes, flonkerend en dampend in verblindend schellen lichtgloei, bonkerden en schokkerden ààn, al meer paardwagens en handkarren, aardbeien en groentevrachten, rood en groen; felle uitbarstende gamma’s van purper naar papaver-vuùr, en al soorten smaragd, tusschen gelige goud-gloeiende kolen, al méér, al méér, als moest ’t haventje begraven, verzwolgen onder de bakken, manden, vrachten en vaten. Overal, de heete hartstocht van ’t gloeikleurig rood en oranje, de felle klater van ’t schelle en zingende groen, dook òp van alle zij, uit zon-overstorte zijweggetjes, blakerend, smal en vunzig verstoft in de Julihitte, met hun ordelooze wemeling van krijtwitte, bruine, fel-groene bekalkte geveltjes en rooddakig brio.—Overal doken òp, geweldig in drommen tusschen ’t kleurheete, zengende geveltjes-koloriet,—ònder de roodgoud doordampte boomenlaan uit,—al nader, àl nader, de wagens met hun lichtend groen en vruchtenpurper, tègen de hemelblauwing in; de huisjes al kleiner, verder wèg, de karren àl grooter en massaler, aanbonkerend op de Haven.
Later nog, de kastanjeboomen zeefden in zonnemist en de kruinen stonden weer uitgegloeid als was ’t goud er tusschen vervloeid.—
Hier en daar nog van boven schampte ’n flits, ’n gloeiende kronkel, ’n trillende spiraalglans; was lichtweb uitgescheurd en blijven hangen wat bevend spinsel van goud-gloed.—
Links van de karren zwenkten de tuinders hun paardwagens àchter paaltjes áán, op stiller gedeelte, ’n end van d’r boot af.—Stil, tusschen rumoering, suften de paardkoppen, de voorste vastgetouwd aan paaltjes. Maar ook dààr, heel gauw, dromde ’t stikvol, schoven al meer karren in, stonden de beesten met de lijven op elkaar ingedrongen, koppen, droefmelankoliek naar beneden, in zorgelijke bepeinzing over ’t oorlogend havenrumoer, geraas en gekrijsch. Te wachten, roerloos stonden de beesten, d’r half-leeggeladen karren kleure-jolend in zinkenden zonnedoop, kermisjubel van helblauw, groen, hard-geel, bruin en menie-roode beschildering. Zacht zwiepten de staarten, knokelden schimmel-blanke, goudbruine en donker-bronzen ruggen, gloed-laag beschenen. Van alle kanten manoeuvreerden, tusschen ’t geraas van weggeslingerde kisten, de karren zoo dicht mogelijk bij boot waarop geladen moest worden, voor vertrek van den volgenden ochtend. Hoog bestapeld, van achter tot voordek, krioelden de booten in rij vóór den wal. Geen plekje kon onbezet blijven. Dekknechten en kapteins sjouwden gelijkelijk mee met de tuinders, droegen de bakken met vruchten en groenten ààn, in zwaren zwoeg, over keiweg en loopplanken. Handiger dan de tuinders wrongen zij zich tusschen de kisten, mand- en zakvrachten door, opstapelend in zwaren smak van uitputting, de nieuwe vrachten. Dwars door elkaar, bouwden ze òp, monumentaal, dat de groentebakken vèr boven verschansing, als ’n kleurig fort van ruw hout, neergeblokt stonden. En overal bij spleetjes, gloeiflitste ’t vruchtenrood tusschen het monsterbouwsel van kisten, levend monument van vruchten, gesmoord tegen orànjebrand van wortelen en groen.—
Op alle booten tegelijk, bleef de laatste stapeling aardbeibakken, langs heel den havenwal neergewolkt in vuur, en de gemeen-beschilderde kisten in ruig koloriet, dansten een kankan van helsche kleuren in ’t doorzonde, heete havenrumoer. Zwoele stanken drassigden in de lucht ’t zoet uit van de vruchtjes, zwoel-vochtig tusschen de groenten, die opeengebroeid, voozer verstonken. Over den drogen gloeiend-stoffigen sintelgrond verwàlmden geuren, dwarrelde rond, draaikolk van stanken, zoetige en ransige, kanteloeplucht en citroenen, sinaasappels en bedorven uitwasemende poonen, scharren, zuur en eieren; gotenlucht tusschen ’t aardbeizoet, dòòrwaaid weer van kroegstank en spiritus. Alsof zieke reuzen ergens heeten stankadem uitbliezen over de Haven, zóó van alle zij wasemden de dingen hun luchten uit, vermengd en verbroeid in de hitte. En telkens gulpte van spoordijk, rook-roetige wolk-smoezel, in woeste vegen donker heendampend over ’t havengewoel, òver karren, vruchten en menschenoppropping, doorzond en verstoofd in kleuren en licht. Zóó, fel omklaterd en verbrand van kleuren, in de hartstochthitte der zwoegers, verdampten de geuren bevend licht bòven de karren, de mensch-koppen, kisten en manden dompelend in zichtbare sfeer, stralend-fijn van ijl stofgoud.—
Sfeer van trillend licht, als neergestroomd uit reuzige zonnelantaarns, in banen van damp en warrel. En tusschen de menschkoppen en koopwaar, grillig-verspatte nog zonnevuur kleurfelle vlakken, gooide vlammig spel op bevende kaken, òp handen, in oogen. Telkens nieuwe kisten sjouwden dekknechten met tuinders áán, in hijg-zwoeg, dood-af gewerkt van den ganschen dag landwerk; telkens in hun gang gestuit, teruggestooten, weggeduwd en verkneld, door andere werkers met vrachten op nek, hoofd en schouders, ingebukt en woest in d’r moeheid, terugsjokkend van de loopplank, achter elkaar, met de doffe, of kleur-felle kisten op de schonken, wat ruzie-schor verschreeuwend tegen de kerels die opdrongen of worstelden om plaats. Dan hier, dan daar holden en kankaneerden de sjouwers op zij, vòòr paardkoppen of langs geweldige vrachtwagens, die tusschen hen indrongen. Overal was gestruikel, gestrompel; dof-klankten smakkingen, daverde gebonker van verslingerde kisten en manden, gloei-stroom van jachting, verkronkelend in dol-botsende drukte. De kleurige booten, achter elkaar langs den wal, sloegen ’n branding in ’t hart van ’t levende haventje. Eén vloed en eb deinde er van duizenden verlompte werkgangers die òp en af, dwars en tusschen elkaar’s groen-waar heensjouwden en reden.—Zoo golfde bij den wal ’t sterkst, woeste stroom en tegenstroom, zich vertakkend en verbrokkelend in zijwegjes, weer aanspoelend in kleinere hurrie-golfjes van andere kanten. Drang tot afdoen vloeide samen op één punt, bij al de booten, drang en jacht, die angst-steigerend, al hooger àànstortte tegen ’t forthooge bouwsel, kleur-heet monument van bakken en manden; stroom die plots weer àfrazernijde naar kroegen, dat er spuiing kwam en luchtiger rammeling van karren tòt in de afgelegenste, koel-uitgezonde hoeken, bij pakhuizen naar polderkant.
Langs de havenvaart, achter kastanjelaan, lag de kei- en sintelweg hooger met leege kisten bestapeld, teruggestrooide vracht van ’n boot, die al twee maal aardbei naar de groote stad had vervoerd. Nu ook van polderkant donderden en bonkerden paardkarren en ezelwagentjes ààn, met ’n geraas of ’r mijlen in ’t rond muren van glaswerk instortten, telkens één op den ander vergletscherend. Tusschen ’t lawaai van lossers en laders, gilden en joelden kinderen aan karkrukken, klauterend in stemmenschater over wagens, kisten, manden; hingen en wipten ze aan karhoeken, elkaar bejoedelend òprukkend of terugsmakkend. Beestig woelden ze rond, furiënd in de herrie, stremmend ’t gedrang en gesjouw, tot plots in woedevlaag van werkers, ze verjaagd werden naar andere hoeken. Maar ook daar woelden en klauterden ze weer als losgebroken apen uit dierentuin, òphitsend de honden die basten en jammerden gelijk schreiende gekken.—
Als wegratelde, met kar en hond, één tuindersgroepje, stortten nieuwe wagens rumoer uit, was ’r in enkele minuten weer kargedrang en gestoot op-elkaar-in. Achter boomgroen, waar goud-rooden gloed dampte, en scheemrig de laan lommer-glansde, keken vreemd de geheim-stille ruiten, nù onder half bladerduister, in haven-zonnerood vertooverd; bij brokken weerkaatsend ’t belichte gewoel, worstelzwoeg van tuinders, die er vóór sprongen en holden, tierden en hotsten als gestrafte misdadigers, kankaneerend op heete platen, met hun verweerde tronies tusschen eigen walmende reukwaar in. Geen sterveling in ’t stroomrumoer, die stààn kon blijven. Van alle kanten stootten de vrachten òp, mannen, vrouwen, kinders, vloekend, scheldend tegen elkaar in. Méér dragers balanceerden bakkenstapels boven ’t hoofd, waar ze in angst naar grepen, als ze zich teruggebonkt voelden, in den karren-kronkel. Minuten lang werden lijven geblokkeerd, ingesloten, door dwarrelgang van andere sjouwers vòòr de booten, en eindelijk haastig strompelde ’n troep vooruit, als er spuiing kwam aan den walkant. Snel warrelden ze dooréén, aanschuivend en verglibberend op stronken en groenteafval, met één voet soms tusschen ’n opening ingekneld, de andere op bakken en manden neergetrapt. Elk bloot keiplekje lag dadelijk dichtgesmakt, als ’n werker z’n voet wegtrok, opschoof of weer naar z’n kar terugdrong om nieuwe waar af te laden. Angstig geroep en gekrijsch van ho!.. ho!.. hai-je-hee!.... verklonk opjagend de werkgangers.
—Kaik veur je!.... paa’s d’r-op-bout!.... hee doar je kop!—màin snuit ook nie!.... kruiste en spatte tegen elkaar òp, in rauwe ironie en spot. Bij de minuten nu, zwol áán de razernij, ’t gewoel, gedrom, gekrioel op havenengte, en wilder ging werkjacht onder de menschoppropping, de samengeknelde worstelende zwoegers, teelders van Wiereland, Duinkijk, Kerkervaart, Lemperweg, Lemper en van al de dorpjes rondom; moeë kerels, afgejakkerd door dàglangen landarbeid, met heeten wrevel in d’r lijven, tot laat in den avond opsjouwend naar marktwemel.—
Van de kroegen uit, tierde, raasde, ziedde rumoer. Als dampige holen, volgerookt met smook-blauwigen nevel, donkerde daar roezemoes van zuipende kerels, uitspattende drinkers en pijprookers, klodderend en spuwend op zandgrond. Flikkering en lichtflitsjes gloei-speelden ijl over karaffen en glaasjes bij buffet, onderschepte vonkjes en glansjes van verdwaald rood en groen-goud licht. Van alle herbergen stonden de deuren wagenwijd open, en achter de boomenlom’ring uit, verdrongen de werkers elkaar rumoerend, om eerder in haastigen slok ’t brandvocht, droge, moeë keelen in te gieten.—
Benauwend sloeg de stank van groenten, visch en aardbei de kroegen door. In woelige, opgedrukte kringetjes zaten groepjes bijeen onder schor dronkenmanslawaai, en telkens schoot geschater uit, dat als jammerhuilen verklonk. Jovialig beklopten ze elkaar op de petten, schouers, of stond ’n troepje, bij ’n hoek opgedrongen, met de jeneverkelken in de hand, morsend en plassend over kleeren en polsen, d’r groen-waar te versjacheren, klakkend in handslag.
Vlak langs de huizen en stoepen schuurden de paardwagens, uitwijkend als ’t kon, voor groenteuitstallingen om boomstammen; ging rond, ’n gang van slenterende meiden en moeders met kinderwagens, zuigelingen, angstig verschrikt kermend en krijschend tusschen den jachtarbeid in. Telkens uit zijwegjes en onder boomlaan uit, doken de paardkoppen vlak tusschen de verweerde menschtronies in, joelde de havelooze kinderbent, onder paardenpooten, achter karwielen, vaten, zakken en bakken uitklauterend. En heviger, boven alles uit, furiede hondgeblaf, angstige huilgamma’s van verhongerde kreupel-getrokken beesten, dorstig, geranseld, in woeste razernij van klachten, òver heet werkersrumoer heen, met ’n ontroerend-menschelijken jammerhuil in d’r blaf, als verschreiden ze hun ellende, hun dorstgemartel in hitte; verklaagden ze elkaar hun slaag en driftschoppen van d’r bazen, waarvoor ze zwoegden, den heelen zomerdag door.
Tusschen het ketsende paardgetrappel en kargeratel, door dwarsweggetjes uitgestort en neergeworpen in den woelstroom van ’t donderbonkerend marktgeraas, bleven de honden blàffen. Eén jammerkoncert van droeve klaagklanken, van nijdig gekef, van gekerm, gejank; schor en dreigend gebrul van door kinderen gesarde dieren, tegen de wielbanden getrapt, aan de spanriemen vermarteld, met steenen besmakt, dat de schrei-blaffende koppen verkrampten tegen de assen òp. En àl meer karren ratelden ààn, met span van drie en vier beesten vóór en ònder de wielen, die dadelijk meeblaften in oorscheurend geweld.
Plots braakten twee hoekkroegen ’n stoet uit van krijsch-jolende kerels, in malle sprongen, hals-bloot, met slappe handjes naar elkaar toe kankaneerend. Dronken verzwollen koppen, roode stropdoeken, losgescheurd op bloote borst, joolden ze èng en opgestooten onder paardkoppen door, waggelend tusschen kar-honden, die nijdig aanbasten, en in dol geterg, met hun woeste, kwijlige schuimbekken dreigden te happen. Voor de zuur- en vischstalletjes bleven de kerels staan, gretig grabbelend in de zon-bebronsde poonen, waarvan de vellen glansden als gloeiend ceramiek. En schor joegen ventersstemmen de kerels òp.
—Fersche poòne.... mooie poòne? faine skarre!.... fersche skarre!
Verhitte relletjeskring van arme tuindersventers, die onder elkaar wat bakken groenten hadden verkocht, niet op bootveiling en afslag hoefden te wachten, zongen rauw, in dronken joel:
—Oooaaw.... waa’t ’n skà-ànde!..
Hun vervuilde kleeren stonken en drank-asem walmden ze elkaar in de roode bakkesen.—Van rechts golfde ’n nieuwe zwoegstroom áán, die den lolkring terugdrong weer, in de smookige donkere kroegen, waar de zweetwasem verbroeide als zure vleeschstank, tusschen de scherpe prikkellucht van tabak en jenever.
Oorverdoovender buiten, brulde, loeide, raasde en kermde de hondenbent onder de karren; duizenden woedende en schreiende dieren tusschen ’t menschgekrioel in.—
Ze huilden als uit dwangbuizen losworstelende gekken, door brandangst, in ruimte zonder uitgangen, opgejaagd. Tegen elkaar in blaften de beesten onder assen, wielen of krukken, met bassende, dreigende, hakkende, schorre hoog klank-martelende razernij, onvermoeibaar in één krisis van kretensmart. En vonkwild, bloedbeloopen, gloeiden hun oogen zonder dat ’t landvolk omkeek naar de dieren, die ze verhongeren lieten, en versmoren van dorst.—
Aan linkerkant van Haven, waar menschen, paarden, karren, ezels en honden in één oppropping, ’t sterkst dooreenkrioelden, daverde zwaaibreed ’t kistengesmak; keilden tuinders, manden en bakken rond, klonk rauw gekrijsch, barstten vloeken uit, giftig en grof, in heete stemme-botsingen.—’n Politieman, tusschen geraas en gedrang, verkrompen tot mager angst-gestaltetje, keek rond, hand op de sabel, dan hier, dan daar geschouerbonkt, tegen z’n rug, getràpt tegen z’ beenen, z’n kop, geen raad wetend soms, waar zich te bergen.—Aldoor sprong ie opzij tusschen karrenknel en hondgedreig, maar dadelijk weer ver-bonkten ze’m naar andere plekken.—
En overal om ’m, zwol ’t daverend marktgeraas, ontkraterde het heete onweer van zwoeg, de sjouwende kleurige opstand van marktkerels; deinde de zee van druischend woelgeweld, in d’r licht en kleur-golvend beweeg, geraakt nog door laten zonnebrand; in d’r klotsende schuiming overstroomend, vèr, al verder, de Haven, de booten, den polder, met daverend rhytmus van treinengang, dreunend in den lagen, snikheeten zonneval.—
Tusschen het geraas en de blaffurie klonk als ’n demonische hooge stemmenspot, plots bel van den afslag, uitrammelend z’n schellen schater boven de kleurig-opgepropte menschenmassa. Daad’lijk trok ’n bronskleerige tuindersstoet met straat-groente-venters, zonder eigen grond, rond den afslager, die bengelen bleef; tusschen de helle klank-strooiing dóórkrijschend, dat nieuwe omgang van afslag beginnen zou. ’n Helper riep naast den verkooper, met twee handen aan den mond als toeter gebogen, heftig dat ’t bloed ’m naar de wangen schroeide, ’t zweet glimmig van z’n slapen druppelde, den druischdonderenden warrel van ’t marktgeraas pogend te overschreeuwen. De schelle klankenrammel bleef luiend lawaaien en daaràchter de schor-verkrijschte afslagers-stem, onverstaanbare radde handelstermen uitbrabbelend. Op ’n hooge stapeling van kisten stond ie naast z’n helper, en rond ’m, de stom toekijkende beweeglooze, ingedrukte klomp brons-kleerige tuinders, loerend naar de uitgestalde groentewaar, den geweldigen kring van sla, groen-doorzond, als smagarden kwallen, geplooid en bekerfd; douwig-doffe doppers, platte peulen, rhabarberbossen, rooiig-groen, en korrelig blanke boeketjes bloemkool, op stapels dooreengesjouwd, in kisten en bakken. Eindelijk stopte afslager, satanischen klankstrot van bel dicht, kringden de koopers nauwer op en achter elkaar. Kleine baasjes-pachtertjes stonden in den koopkrans gedrongen, met d’r sluwe kaal-geschoren tronies, loenscherig berekenend in klankloos lipbeweeg, wat ze voor de waar geven konden. Anderen, in gedachten, staarden als gekataleptizeerden naar de nu stille bel op kistenhoogte, die flonkerde bronzerig in zongloed, tusschen ’t groen. Lager gloei-glansde zon rond de kijkkoppen, rood-gouden toover sprankelend op tronies-brokken, de kerels vervlammend in toortsigen brand van d’r pracht-bronzende kleeren. Demonisch vlàmde er gloed, inbijtend op den kring, hier fel-licht verblindend op wit gekiel, daar goud-wolkerig verzevend op fronskoppen, bronzen ooren en handen, kleurige kielen en schonken.—
Venters die Wiereland doorsjacherden met wat groenteafval in hun verrotte schrompeling van kleeren, beloerden elkaar woest-nijdig, vooruit al bang, dat een den ander zou opjagen. Onstuimiger drong de stoet bijéén, scharrelkring van schorre kerels, in naakten drang elkaar met oogentaal vermoordend van afgunst. Snel, in woordratel van z’n kisthoogen stapel àf, had afslager z’n waren geprijsd.—
—Veur tachtig de duuzend,.... veur dertig.... die.... veur vaiftig die....
—Main.... gilde één uit den kring, angst-ontzet als zouden ze ’m slaan.
Daar weerklankte helsche stemmestrot, van bel tingelingelinge! lingg!.... tin.... gelinge.... lingg-ling! ling! schel neerziedend in verdoovende vaart, in ’t rondomme geraas van karren, honden en menschen. Achter den afslager en kijkkring, was weer ’n ontzaglijke, aaneengekettingde rij aardbeikarren aangerateld, helrood tusschen de losgestapelde peenbossen. Als ’n geweldig fantomige opstand van plukkers en rooiers, was er ’n nieuwe stroom reuzige werkers en sjouwers uit den stationskant aangedrongen, dwars door de paardjes en ezeltjes, in ’n davering van ho!.. ho!.. hei daàr!!’s. Opstanding van titanische plukkers uit ’n heel anderen landhoek, tegen de paarden ingaand, die verhit, in pracht van trek-gang, trappelden en vernielden wat onder den hoef kwam.—
Rond handen en lijven, rond oogen van dieren en menschen bleef razen een heet gewoel, een druisch-hevige energie van demonische jacht, één krioelende gang van leven, tusschen boomen, tenten, stalletjes indringend en weer uitgulpend met overstroomenden golfslag van rondfuriënden ploeter.
Pal in den zinkenden zonnedamp, làger verglanzend in sfeer van goudrooden brand, doken de woeste zwoegkoppen òp, uit al meer verdonkerd boomlommer. Dààr, onder ’t verduisterd bladergroen sjacherden de kerels, met d’r tronies in geheim-fijnen schemer van half-licht, groen-goud en bleekblond omzeefd, soms plots uitgesmakt naar walkant, in ’t roodgoud gewolk, tot de voeten begloeid in fanatieken worstel van glansen.—
Van alle kanten in de avondzon, duwden ze òp de kerels, pracht-gespannen de spieren van stuw, al mèèr groenten, heele steden overrompelend met hun monumentale warenmassa. Inééngedrongen dààr, op karren bij elkaar, geplukt en gerooid, lag de éérst mijlen verspreide zwoeg van hun land, om straks te zien verdwijnen hun waar, hun voedsel en zoete spijs, als offerden ze, in angstige, stomme biecht van arbeid, aan den donkeren grom-muil van groote geweldige stad, verslindende metropool, die maar slikte, slikte, elken dag meer van wat er brandend en zweetend uit hùn gloeihanden zich opstapelen kwam.—
Van heinde en ver trokken ze op, van de stilste afgelegenste akkerhoekjes, waar eerst hun waar in zonnebrand had te gloeien gestaan. Van heinde en ver de kerelsstoeten trokken òp in orgieënden zwoeg, omjoeld van laat hemellicht, dat schaduwde en zacht vervlamde in beev’rige, goud-roode vegen, aarzelend purper en nevelig hitte-brio, verdonkerd onder lommerlaan in zeegroenige zweefglanzen. De kerelsstoeten er in, tusschen hun nog half levend goed, met den sappenden streng uit den grond gerukt, in den zwijmel van landgeur, den frisschen zwelg van aarde-lucht, verbrandend, verstovend in de havenstanken. Kerels-stoeten als ’n leger van werkers, met hun kleurfelle, gloei-dronken schitter-spijzen van overal, worstelend en optrekkend naar den grooten verren donder der stad, toestoppend den grommenden lekkenden reuzigen muil van het zwelgend, vraat-dolle, hongerige massa-monster, waar zij nu voor saamstroomden, met hun lèvende waar, doorzogen van hùn zweet; kerelsstoeten, onbewust van hun demonischen aanvoer, hun luidruchtige geweldigheid, en heet-koortsend kleurenbrio, hoorend in ’t kraterend marktgeraas, echo van den ontzettenden honger-grom van stads-strot.—Al maar, achter de kastanjelaan uit, van steegjes en weegjes, doken de karren òp, nu drukker in bedrijvig gedrang bij den molenkant van station. Ze waggelden de wagens, zwanger van hun vrachten, ratelden, hotsten heviger, alle door ’n blondroode baan van licht heenwadend, doortrilden gouddamp, die àchter hun koppen, hun waar, bleef hangen als ’n bevende nevel, laat zonnevuur waaruit ontzag’lijk, reuzige menschen groeiden. Eindelijk, hun lijven en karren, dromden buiten de lichtbaan, die zich achter hun koppen weer sloot als ’n wolkerig wonder van goud-roode glansen.... Al lager sloeg ’t zonnevuur de haven in tooverroes van kleur-vlammige schijnsels, als gebroken licht-vitrails, in scherven en brokken rondgestrooid over keien, sintelgrond, karren en vruchten, hout en steen; vlammige brandingen van ’n Juli-avond, waarin ’t marktgedruisch ziedde, kookte, in helle-sfeer van broeiing.—
De booten stonden al hooger opgestapeld, achter en òm de donkere pijpen en koelkast, bòven machinekamer. Gedraaf, hijgend òp en af de plankieren daverde en krioelde langs den wal. Te zinken dreigden de schepen van overvolle angstig-dicht opgepakte vracht. Burchten van ruw hout, in al woester koloriet, waar de late zon op neerlekte lichtvlammen. ’t Hoogst, bòven de bakkleuren uit, roest-rood, brons, groen, hel-blauw, goud-geel, bleven de aardbeien gloeien in hun ijl-zang van hel inkarnaat, purperend zonnegoud òpzuigend; de bakken volgedaverd van lichtende vruchtjes.—Daartusschen pyramidaalden bergen doppers, selderie, sla, postelein, wortelen, tuinboonen, bergen groen en oranje.—De bloemkoolen schaars aangevoerd van polder, stonken tegen de aardbei-zwoelte in, en telkens, uit den kroeg-smokigen mist, doken kerels òp, doodaf, in zweetvet verglommen, den heeten asem van hun drank in sjacher verhijgend over hun vruchten.
Midden in het oorsuizend donder-dof gesmak van bakken, in jagender tempo, stond plots ’n Jood, moorsch-zwart, op ’n kruk, voor ’n hoog standaard-tafeltje, waarop wat vuile tangen met kromme snavels, dooréén lagen; grimmig roodroestig gereedschap als martelwerktuigen van middeleeuwschen kerker.—
Midden tusschen ’t gekrioel en den furiënden aanstroom van lossing en lading, was de Jood tweemaal tusschen karren en boot doorgedrongen, maar weer teruggesmakt van z’n standplaats. Eindelijk had ie z’n tafeltje bij ’n wat uitgedaverd walhoekje vastgemoerd, was ie spraakloos in de giftige woeling rondom, blijven staan. Vòòr ’m dromden handkarren, volgestort met felgele komkommers, goud-glanzend, bij punten gepolijst, en telkens daverden kerels met groentebakken voorbij, die licht rondsloegen tusschen ’t overal wolkende aardbeirood.
Moorsch-zwarte Jood, met vonk-donkere oogen, stond hoog en rustig eindelijk op z’n smalle kruk, boven z’n tafeltje uit. Onder z’n tasch, tusschen de tangen, greep ie naar ’n trompet, tamboer-gebarig voor z’n mond drukkend. Valsch geschal toeterde en stootte ie uit, ééntonig als bazuindreun op grooten verzoendag in synagogen, kreten van vermoeienis en uitputting verjammerend.—Telkens bonkten, in ruwen daver kisten en manden tegen z’n kruk op, dat ie waggelde, zich vastgreep aan z’n vastgesnoerd tafeltje. Maar onvermoeid, toeterde ie door, energisch fel klankgescheur, dat de karhonden rondom nog ellendiger uitraasden, grienden en blaften, en telkens stortte ie ’n heet stjing! stjing! van bekkenslag er tusschen in.—
Achter den Jood, op z’n kruk, koepelde ’t geweldig polderluchtruim, doorgloeid van glansen, waartegen donkerhoog z’n gestalte oproer herautte, in ’t rondomme gebarrikadeer van manden, kisten en karren. Donker vonkten z’n oogen, en strak, taai-energisch, bleef ie toeteren en heete tjings van bekkenslagen afpauken in ’t geraas. Hem voorbij, in nijdige onverschilligheid, donderde ’t gewoel en gedraaf, gebroei en geschroei der zweetzwoegende kerels. Geweldige lasten voortzwoegende paarden zwenkten schurend langs z’n hoog standaardtafeltje. Ezeltjes huilbalkten achter z’n rug, en in loomen luister naar z’n getoeter en getjing-sjing stonden paardkoppen rondom, vlak tusschen het tuinders-gewoel, met heftigen tril van hun oortjes.—Wèg bleef ’t luistervolk, nog gebukt in sjouw, en sterker toeterden en dreunden de moorjood trompetscheuren, heet als schuimflitsen van golflicht, hooggoud en brandend rood, òver ’t woeste hurrie-rondkolkend marktgetier.—Eindelijk wat jongens en kerels, gedaan met sjouw, bleven hangerig en landerig staan voor z’n tafel, lacherig of in stompen staar bot òpkijkend naar den trompettenden Jood.—Grinnekend scholden ze ’m uit, krijschte een roomsch-nijdige kop, fel-spottend en dik-tongig.
—Enne.... ààpramm.... gewòn Isaak!... enne Issaakh!.. gewon Sjàkop enne.... Sjàkop ’r.. gewon.. heè! rot-smaus, appie!.... d’ur is d’r ’n goàtje in je trepetter!—
Maar Jood bleef star-kalm in z’n donkere figuring op de kruk, z’n vonk-zwarte oogen, hevig suggereerend in z’n hoofd. Stil had ie op z’n tafeltje de trompet en tsjing neergelegd, groote toortsen papier gerold en in brand gestoken, dat ze rookvlamden in z’n handen. Zachte kringen van vlammenlicht, zwierden hoog om z’n zwart hoofd, donkerend tegen den laag-stralenden zonschijn in. Walm-rook dampte blauwige mist rond z’n hoog-staand lijf, dat reuzigde tegen de polderlucht. Telkens als toortsen bijna uitgebrand waren, rolde ie met linkerhand nieuwe, zwaaide ze in kringen, dan één, dan twee, geheimzinnig om z’n gelaat; stak weer andere áán, wierp wèg de uitgebrande.—Nu en dan bazuinde ie tusschen het smokige, roetige gloed-rood gewalm, in den mist van z’n mysterieuze goochelsfeer trompetklanken uit, dat angstiger, burlesker, z’n omdampt-moorsche kop scheen te zwellen tegen ’t hemel-rood in.—
De jongens schaterden om mallen Jood, maar kerels nu bleven lijzerig staan kijken, bot, den mond van loome verbazing opengegaapt.—
Dirk was uit de kroeg, op ’t walmgerook toegesprongen in den kring, verbluft òpstarend naar den kwakzalver, als zag ie ’n wonder uit den hemel tusschen ’t havengewoel neergestort.
Onder de kastanjelaan woelde marktgescharrel, ’t drukst nu, rond de kleine tentjes en groenteuitstallingen.—De groote huisramen gloeiden rood in ’t zonnezinken, vreemd flonkerend, fel in gouden mist, onder den zwoel-duisteren bladerenschemer uit, rooden gloed, die diep, dièp, ’t marktkrioelen in bloedende gamma’s òverleefde, àchter de trillende boomschaduwen. In den geheimvol verwaasden ruitenbrand, mysterische vensterstaar, onder ’t scheemrige perspectief van havenlaan, stak zonnezink telkens andere ruiten ààn, die vlamden in lichter en donkerder gloei, tusschen het lommerig duistergroen dóór. Daar onder, en vòòr, joeg wilder gedrang en gedraaf òp en neer van kerels en vrouwen, in gekrijsch, geslikkerbik en ruwen klinkklank, òm de poonen- en stinkende scharstalletjes. Meisjesgegil joolde, tuinders lolden, dronken, in woesten stoei. En dwars door den brandgloed van ruiten, titaanden ze òp, naar ’t vlammegekring en getoeter van den Jood, met z’n makaber trompetgekrijsch en rossig-rookige toortskringen. Onder ’n oppropping van goud-gele, bronzen en bruine tentwagens, vóór kroegen en huizen uitgespannen, wiel- en rug-beflitst, holde ’t landvolk naar den trompetter, in gejaagder tempo.—Nieuwsgierig, verhit en afgebeuld, trok ènger en meer rijend achter elkaar, ’n kijkkring om den Jood. Telkens kwam karrendrom dwars door achterste loerders heendringen, in gesnauw, gevloek, geraas, verbrokkelend den stoet, maar aldoor vulden de gaten, propte zich voller de kijkkring.—Jood had goed rondgekeken, sluwigjes zich neergezet op plek waar de booten ’t hoogstmurend al volgestapeld stonden, de sjouw aan ’t afloopen was. ’n Tuinder had ’m gezeid dat ie doodgegooid zou worden met bakken en manden, als ie eerder begon. En stil, taai-rustig had ie gewacht, rondloerend met den heeten gitglans van z’n oogen, berekenend wanneer ie z’n slag moest slaan. Grooter werd koppengedrang om ’m heen, en telkens nog scheurde ie trompetgalmen de lucht in, tusschen het marktgewoel, dat soms plots woester langs ’m raasde en tierde; ontstak ie rustiger, z’n groote grauw-papieren toortsen, vlam-kringen boven z’n hoofd zwierend, als derwisch in godsdienstextaze, vreemd-woest in z’n moorsche, dreigend-suggestieve donkerheid. Nu en dan galmde ie wat woorden uit, die wègkreunden in ’t helle-geraas. In aandacht gespannen, verkuchten de kerels papierstank, brandlucht en rook; stonden ze op elkaar gewurmd en verdeukt van lijf, als menschenpròp vastgeslibd, saâmgeklonterd in de woelende aderen van dóórstroomend marktlawaai.
Eindelijk had Jood genoeg van z’n toortsen en toetering, lei ie z’n trompet neer, verschoof ie z’n papier, rammelend tusschen z’n trektangen en groote zwart-verlakte tasch. Stil-donker stond z’n lijf, hóóg op de kruk tegen ’t late zonlicht in, rug-beglansd, en schouers èven geveegd van goud-rooden glans.—Stil-donker, verduisterde z’n gezicht al meer. Z’n zwàrte flambard, breed model, dofte op z’n zwàrten kop, even boven z’n zwàrt-moorsche brauwen, als met kool-stift in z’n rimpel-hard voorhoofd geëtst. En z’n oogen, diep vergroefd in zwarte wallen, gloeiden vonkig, fosforig tegen ’t licht, als van ’n hond. Z’n snor, zwàrt en breed uitgekruld, en z’n baard, koolzwàrt, verdonkerd, vrat weg z’n smal geel-bleek gezicht, dat alléén oog en háár leek.
Sultan-achtig, èven ingebogen met rug en schouers, verdraaide ie hoofdsche gebaren, gratieus overdreven, met potsierlijk eigen-waarde-gevoel van hoffelijk markt-kunstenaar. Zwaar kuchte ie, èven beleefdelijk hand voor den mond, zette eindelijk in.
—Als hèt.... hooggewaardèèrdèn.... pùbliek.... eens èènèn.... oogènblik.... nààr mij.... luistèrèn wil.... zou ik mij.... bèkend willèn.... makèn....—
Elk woord stootte ie uit, in breede sperring van den mond, optrekking van wang en lip, dat z’n prachttanden, hagelwit, òpblankten tusschen z’n donkeren snorbaard. Door vreemd-trillenden òphaal van z’n mond onder ’t spreken, leek ’t of ie bij elk woord dat ie uitstootte, duivelsch grinnikte, in samenfrons van roet-zwarte brauwen, boven satanisch-gele groeven van z’n voorkop.—Z’n stem klonk schor-vermoeid, als van iemand die walgt van eigen praat. Smart lag er in, schorre, angstige, stil weenende misère. Soms onder ’t stoot-fel spreken, verdofte de vonk uit z’n oogen, stààrde ie over de luister-koppen, kwam er lusteloosheid in het donkere rumoer van z’n anders felle kijkers. En dóór bleef iets weenen in z’n schorre, àffe stem. Geen van de drieste, in zweet afgebeulde werkers, in de havenhitte, broeiig opééngepropt als groote verbaasde kinderen, loerend, loerend,—die iets merkte van Jood’s vermoeienis. Z’n handgebaren gingen mee, moè, afgetobd, met z’n stem, elk woord afhakkend, om duidelijk te zijn, verstaan te worden, vreemd-zangerigen, verkeerden klemtoon-druk op èlk woord neerdreunend.—
Boertjes, tuinders en meiden stonden te dringen, te zweeten, te blazen in de hitte, maar al meer landvolk propte zich dichter, vaster om z’n tafeltje, gevangen door z’n schijn-gratie, z’n zeg-vuur en opgewektheid.
Van alle kanten begluurden ze den Jood, klaar om ’m te steenigen als ie hen bedroog. ’n Paar jochies zwierden òver koppenkring heen, palraak, hem vuile groentenstronken in ’t gezicht, en kinders gilden plots, boven ’t marktgeroes uit: smaus! dief!.... rotte joòd!
Even keek ie naar de kereltjes, gooide de koolstronken, die smoezelig op z’n tafel neervlerkten, achter z’n kruk, lachte stil, ironisch-droevig.—
Plots lichtte ie z’n grooten donkeren hoed, beleefd van zwartkrulligen kop, groette in tooneelbreed gebaar, schreeuwde uit, woord-afstootend in zangrigen dreun vervolgend.
—Hooggè.... wààrdeerd pùbliek.. Ik heb.... den bijzonderèn èèren mij-zelffers ààn Uw.... voor tè stellèn.... Ik ben.... tandhéélkundigèn... mijn naam is... Jaack Ròzel... woonàchtig.... sedèrt.... drie-en veertig jàren.... te Rottèrdam.... nùummééroo zès-en-zèstig.... alwàar ik.... prakkiseer.... sedert veertig.... jarèn.—Ik ben.... dèn zoon van dèn.... èx-èx-professor.... te Montabilie, gènaamd.... Jaack Ròzel, seni-or.... waarvàn ik.... den eer heb.... den èchten, den eenigèn afstammèlingg.... tè-zijn.... Ik represènteer.. zijnen.... nagedàchtenis.... en verkondig den volken.. zijn sàluut!
Even rustte z’n stem, doodop, als stervend in z’n schorre keel. Rond z’n luisterkring lawaaide herriestroom van karren, kisten, kerels, gierden honden.—’n Paar boeren met goudrooiige kaasjes op grooten wagen, duwden tegen den kring in, schreeuwend en roepend, òp van inspannenden sjouw. Gevloek en getier sloeg terug, over kerels en meiden heen, opzij gedrongen uit kijkkring. Duw-kerels raasden en spogen naar den Jood, die deed alsof ie niet hoorde. Even zacht, sloot ie de oogen, mijmerend in zichzelf. Plots sperde z’n mond weer, ging uitgekrulde zwarte knevel in lippendans heen en weer, op den burlesken donkeren kop; stootten z’n woorden weer in zangdreun, met den angstig-schorren klank-moeën stemmebeef:
—Mijn bèroep, geàcht pùbliek is te zijn tandheelkùndigèn.. Ik.... genees.... àllen tant-, àllen mond-, àllen kies-, àllen keel-, àllen verhemelten-, àllen reumatièken pijnen.... Ik.. gènees àllen zinkes.... àllen koòrtsèn, àllen aandoèningèn.... en... stòringèn.... gèlijk gij dat.... ondèrvindt.... van profèssèuren.... gèlijk gij mààr.... wilt.... luistèrèn!—
Plots daalde z’n stem tot zacht-vibreerend gespreek, doordringend, duidelijk te verstaan toch, in den doodstillen kring, waarachter de markt raasde, tierde, smakte en donderde, àl verder, met heet geluid van duizenden mokerslagen op aambeeldstaal.—
—Noemt mìj.... éénen.... leugènààr.... noemt mìj.... éénen.... bedrièger.... éénen galèiboef.... indien ik.... ù niet... den geëèrden argumènten... toon... Maaààrrrr!!.... stootte in één, ùit de zacht-vibreerende spreektoon z’n stem plots hevig òp,—àllen profèssèuren.... àllen doktòren.... àllen tandheelkundigen, àllen verlòs-, àllen heèl-, àllen gèneeskundigen.... kènnen.... Jaack Ròzel, Jaack Ròzel, den éénigen.... en èchten.... afstammèlingg vàn.... Profèsseur.... Jaack Ròzel.... Senì-or.... zijnèn vàder.. te Montabilie.... begràven.... mèt mùziek.... en militairen eèren.. Allen kennèn.... Jaack Ròzel.... Juni-or!.... wien ik.... dèn eèren heb.... hièr tè zijn.... Voor wièn ik.... Hedèn.. mijn beproèvingen.... zal amploi-jèèren!....
In kring van luisteraars en loenschige kijkers, bot en verbaasd òpstarend naar den kwakzalver, was groote stilte-spanning gezakt. En achter den aangroeienden menschprop, in kring vastzuigend een aan den ander, zwol het hondengeraas als hellegekerm; ratelden en hotsten de karren, rauwden in krijsch en hurrie kroeggangers en sjouwers. Vreemd in bleeker goud, stonden huisruiten achter boomlommer uitgebrànd. Er vòòr krioelden nog tentwagens, karren, paarden, ezeltjes, vrouwen en kinders, scharrelaars met kippenmanden en lichtbekleurde vogelenkooitjes. Aardbeizoet bleef zwoelen, overal rond. Telkens uit de kroegen doken koppen òp, onder ’t lommergroen uit,—waar ’t nu dampte van stanken en broeinevel—opdringend in woesten stoei naar den Jood.—
In strammen staar bleef kring om ’m heengepropt, loerig wachtend op z’n proeven, maar voortschorde, scherp, droog, z’n stem, gemarteld van moeheid.—
—Ik.... Jaack Ròzel, woonàchtig te Rottèrdam, gènees U.... van àllen pijnèn, àllen wervèl-, àllen gezichtspijnèn, van kràmpèn.... zoòwel àls van kolièkèn.... van klièrèen.... zoòwel.. als.. vàn verzwèeringèn.... van spierpijnèn, van pèèspijnèn, van likdoòrnpijnen.... van gezwelpijnen, zòòwel als van abscespijnèn.... En ziet toe!.. Hooggèwààrdeerd.. pùbliek.... zièt toe!.. Ik gènees allès met hèt.... kostbàren vocht vàn.... Valura.... in dezèn fleschjès.. saamgèperst.—
In groote omzichtigheid tastte ie met één hand in z’n tasch, haalde er flakons, in vloeipapier uit. Hoffelijk buigend weer voor z’n gehoor, ironietrek verborgen om z’n breeën donkeren mond, nam ie gratielijk z’n hoed af, stootte schor-rauw uit:
—Mijn gè-acht.. en hoog-gè.. waàrdeerd.... pùbliek.... met dit.... vocht.... van Valura.... geneès ik.... wondèren!.... Met dit vocht.... heb ik reeds.. genèzen.... dèn kòning van Itali-en.... dèn koningin van Spanje.... dèn oud-kroonprins van Groenland.... den princes van Montàbilie.... den èrfgraaf van Havana.... dèn rèsident van Djòkjo.. kàrta.... dèn dekens.. èn dèn.... bisschoppen van Ròmana.. Mèt dit.... duurzàmen.... vocht.... mijnèn.... geëerden hoordèrs.... verricht ik.... geneesingen.... dien gèèn.... doktèr.... gèèn tàndheelkùndigen, gèèn chirùrgein.... gèèn àrts.... gèèn profèsseur, gèèn spiritist, gèèn hypnotiseur, gèèn fàkir, gèèn Bedouien, gèèn Arabier, gèèn Israelièt.... gèèn Christèn.... gèèn Moor, gèèn Zweed, gèèn Spanjool, gèèn Fransch-, gèèn Duitsch-, gèèn Engelschmàn mijn kunnèn.... na-verrichten!.... Maaààrrrr!.... mijnèn vrienden.... Eenigèn.... druppèls, van dit.... duurzàmen vòcht.... in dèn mond.... eenigen roersèlen in dèn gehemèlten gehoudèn.... daarnà hèt vocht.... uitgespògen.... dèn mond.... nagèspoeld met koud water.... èn wèg.... èènsklaps zijn àllen pijnen, àllen koortsen, àllen zinkèns.... Maaààrrrr! aanstonds mijnen heèren!.. en mijnèn damès.... aanstònds.. zàl ik.. onder.. uwèn.... geëerden.... aanwezigheid.... dien er.... mààr wil.... den proef laten nèmen.... Ik bèn.... Jaack Ròzel.... Juni-or.... woonàchtig te Rottèr-dam.... Reeds sedert.... veertig jàren.... trek ik.. zònder pijnèn.. en zonder geldèn!.... graties!.... voor-niets-niemèndal!.... Alleen vòòr dit.... flèschje.... betaalt gij....—Dat-wil-zeggen.... Ik ben.... hier niet.... gekomèn.... om wat.... te verdiènen.... maar.. òm dèn.. menschèn.. te bewijzen.... een weldààd.... Maarrr!!.... al zoudt.. gij mij.... vijfèn.... twintig guldèn.... willen gevèn.... ik zou dezèn.... niet akcepteeren.... Ik bèn hier.... òm ù.... van dienst tè zijn.. Alleenig daarom!—Dit vocht.... van Valura.... spéciaal.. bèreid van gè.. heime sappèn.... òntdekt.... ten tijdèn.... vàn het.... middernachtelijk uur.... door mijnèn.... vader.. profèsseur te Montabilie.... door zijnèn.... handèn.... den handèn.... van Jaack Ròzel.... Seni-or.... dit vocht.... met zijn..... geheimen sàppen.... kùnt gij.... krijgèn.... Maaààrrrr! nièt voor.. dèn prijs.... van vijf-en.... twintig.. gulden.... Voor gèèn twintig.... gèèn vijftien.... gèèn tien.. gèèn negèn.... gèèn acht.... gèèn zevèn, gèèn zes.... gèèn vijf.... gèèn vier.... gèèn drie.... gèèn twee.... gèèn één gulden.... Maaààrrrr! dit vocht.... waarmeè ik.... genees.. àllen zinkèns.... àllen koòrtsen.... àllen keèl, àllen tant.. àllen maàg, àllen ingèwandspijnen, dit vocht.... kost slèchts.. dèn prijs vàn.... vijf-èn-twintig centen.... En al.... woudt gij.... mij nu gèven.... na te hebben.... gèzien.... den wondèren van mijn wèrken.... op hèt lijf en den ledèn.... den pezèn en den spierèn van iederèn persoonaadjen.... al woudt gìj.... mij betalèn den blootèn sommà van vijf-èn-twintig.. guldèn.... ik zou.... hèt.... niet.... aanvaardèn.... omdat ik.... een weldààd.... voor den armen bèdoel....—
Even hijgde ie uit. Ronddaverend geratel was achter z’n kring heengedonderd, dat ie sterker z’n stem moest uitzetten.—Z’n gezicht glom van zweet, stond grauw van vermoeienis. Toch probeerde ie door te spreken met cier, hoogdravend in zinwending, langzaam, als uitrustend bij elk woord, overdreven in hoflijke geaffekteerdheid, alle woorden afstootend met zware „’n”. Weer had ie deftig z’n hoed van ’t hoofd gelicht, sprak ie ’t landvolk toe, meiden gapend van verbazing, kerels loenschend en heet op proeven.—Hier en daar, midden in en vooraan in den kring, stonden jongens en kerels met hand aan den mond gedrukt, zacht-kermend van pijn, gloeiend in hoop nu, van hun smart verlost te worden. Er begon wat bangelijk geloof en verschrikte suggestie in den menschklont rond te gaan. Dat voelde de Jood, zacht-triomfeerend met ingehouen ironielach.
Zon, al lager, verfde gouïge glanzen nu op de luisterkoppen, en tèlkens drong nauwer òp de groep, om tandentrekker.—
Zachte, plechtige verschuivingen van lijven en gezichten, armen en rompen, wurmden paffend in den kring, waar tusschen snikhitte dampte. Gezichten stramden strak, van vrouwen en kerels, nek-achterover, in òpstaar naar den al sterker suggereerenden Jood, in luisterspanning; koppen staarden, van jongens en kinders, waarop ’t late licht wondere schijnsels weefde in legendarischen gloed.
Karren ratelbonkten nu al verder van den kwakzalver af, die al breeder omsloten stond in kring, en sterker stootten z’n woorden òp, schorde z’n moe geluid, afgetobd en bevend:
—Maaààrrrr! nu.. Hoogè-eerd.. pùbliek.... Is er.... een-ònder u.... die soùffreert.... aan pijnèn.... ’t zij zinkens, ’t zij koòrtsen, ’t zij rheumà-tiek in dèn mond.... het strottenhoofd.... hij komèn.... tot mij.... opdat.... ik hèm.... òp slag gènees.... onmiddèlijk.... Ik ben.... Jaack Ròzel.. Juni-or.... heeren en dames!.... zoon vàn.... profèsseur.. Ròzel.... Seni-or.... woonàchtig tè.... Montàbilie.... Maaààrrrr!.. ieder.. dien nù.... lijdendèn is ààn pijnèn.... ’t zij oòrpijn, ’t zij.. wàng- ’t zij keèlpijn.... hij komèn.... tot mij!.... Mijnèn.... vriendèn.... en ik.... zal hèm.... dadèlijk.... genè-zen.... zonder smàrten.... met dit.... geheimen.... wondèr vocht.... van Valura!.... Laàt u.... hèden.. niet terughoùden, door.... àngsten of.... valschèn.. schaamtèn’s.... Want ìk trek.... zònder pijnèn.... en zònder àngsten....
Twee opgeschoten slungels en ’n knecht-tuinder wrongen zich uit den knellenden prop los, gingen bleuerig en gemaakt-lacherig voor de tafel staan. Een blondharige jongen had onder elken arm ’n dik kaasje gekneld.—Uit z’n jekkerzakken bochelden goud-glanzende punten van komkommers. Met suggestieve kracht keek de Jood van z’n kruk op hen neer, door-oreerend toch tot publiek, zonder de patiënten iets te zeggen, manouvreerend den kring rond met z’n fleschjes. En donkerder figuurde z’n mager lang lijf tegen het late luchtruim, hoog-eenzaam op z’n kruk, in de afzakkende havenherrie, in den zwoeg van karren naar booten.
—Hei Jansse, hai hep ’t op sain ruijker!.... t’met stol ie.. je koàsies.... kaik de fint se klietere onder sain oàrreme!.. schreeuwde Dirk, telkens aan z’n wang voelend of ie ook t’met geen kiespijn voelde. Dan kon ’t nou toch beure feur niks.—Maar de Jood zangdreunde voort.
—Nièmand.. mijnèn vriendèn.... behoeft dit.. te koopèn.. àls hij.... niet dèn.. proevèn.... heeft gèzien.... gelukkèn.. Komt ééns hier.... gij vriend.. ja!.. lèg u.. kaasjès.. mààr neder!
—Komp nou op de koffie hee?.... die bi’-je t’met kwait, schreeuwde één heesch, uit de menschenprop.
—Leg.. uw.... kaasjès.... maar hier.... nèder!.. mijn vriend.... Hun zal.. gèèn leed u geschiedèn.... Neen! kom niet.... àllen drie!.... tegèlijk.. Gij àlleen.. ja.. laat ùw kazèn.. mààr los!.. weès niet.. zoo bèvreesd.... Gij.... àlzoo!.. juist.. hier!.. maar.. op dèn straat.. jongèn vriend.
Wat schèèlt u?... en waar mààkt gij.... u bezòrgd ovèr? Zeg hèt mij gerust.
—Nou?.... joa kaik.... doàr.... achteràn.... in main bek hee?.... aarzelde bleekig van angst en verlegenheid de slungel, die bangelijk z’n kazen op de straat had gezet, er telkens naar glunderend, of iemand in den kring ze ook vergoochelde.
—Hoe is ùw.. naam.... jòngèn.. vriend?.. èn waar.. woònt gij?....
Van z’n stoelhoogte had tandentrekker zich voorover gebukt naar den beschroomden slungel, die met open mond, wijd gesperd, wat terug stamelde op z’n vragen, terwijl de Jood, ingezakt, beenen gekromd, ’n vies tangetje tegen de rottig-groene tanden van den jongen aantikkerde.
—Hier zit hij.. niet waar vriènd?.. juist.. dèzen.. juist dèzen.... dien doet u.. pijn? niet jongèling?....
Harder tikte ie tegen ’n bovenkies áán, en de jongen, beverig van pijn en benauwing, met z’n kop in den nek gedrukt, z’n schonkige schouders van angstigheid hoog-scheef opgetrokken, oogen duizelig hemelruim instarend, schokkerde, kwijlde op Jood’s hand, stotterde wat woorden, achter gerommel van vuilroestige tangetje, dat z’n mond inwoelde.—
—Hier hèbt gij.... pijn nièt?....
—Nou.... nou.... auw!.... ik f’rek puur fé’ pain!....
—Zekèr.. vriend!.. stil moàr! Houd ùw hoofd.. wat hoogèr!....
De twee andere patiënten, bleven gejaagd kijken, van den jood naar den slungel. Spannende angststilte hijgde door heel de menschenprop.
—Geef dit, tangètje ééns aan, gij vriend!
—Hoekke motte ’t weuse?.... stamelde de gevraagde verlegen.
—Dutte! dutte!—krijschte ’n andere er zenuwachtig schreeuwerig doorheen. Maar de Jood had zich, ongeduldig, zelf teruggebukt achter de tasch, z’n halven vuist in den gaapmond van den slungel stekend. Handig, uit z’n vuile rommel greep ie ’n kort-dikke tang, met roestige snavelkromming.—
—Kaik.. dat is weer ’n aêre!.. schreeuwde bang één uit den kring.
—Wá’ he’k main slinger!.... dá’ kost ’m sain heule stal!.. lolde zenuwachtig ’n ander....
—F’rskeur nou je pampiere moar.. Joap Jansse!.. gilde ’n meid.
—Kom bai màin op de koffie Joàp!....
Maar Jood bleef kalm, hield z’n tang op de tong van z’n patient gedrukt, keerde zich deftig naar het publiek, dopte weer hoofsch, met sierlijk groetgebaar, liet den slungel gapend, den kop diep den nek ingekrampt en sprak:
—Hooggè-waàrdeerd pùbliek.... gèachten.... vriendèn.. Ziet toè! gètroost uwèn.... geëerden oogèn.... den kòst.... te gevèn.... ziet toè... hoe mijn... vocht vàn... Valura.... wondèren.... uitrichten.... zal.... Dezen jongen vriend.... ùwen vriend, heeft.. hevigèn kièspijn.... koortsèn.... en zinkès.... van wegèn.... den verròtting.... èèns kies.... nièt waàr vriend? Gij lijdt.... gij hebt.... duldeloòzèn.. smarten.... in dèn ochtend.... wanneer gij.. u ten rùsten bègeeft, òp ùwen.. legerstedèn....
—Nou furt dan.... furt!.. furt!!.. ik f’rek fè pain.... stamelde woedend de slungel, ’t hoofd nog achterover gebukt, klein gesuggereerd in houding, roerloos, als zou ’m de Jood, bij kleinste beweging, begoochelen. Maar kalm weer, boorde blik van den kwakzalver op z’n angst-slachtoffer neer, en dòòr stootten z’n afgebroken woorden:
—Gij hoort hèt.... gèacht pùbliek.... ùw vriend lijdt.. pijnèn... smàrtèn... zièt toe... hoe ik... dezen.. jonggèling.. éénigen.... dròppels.... van dìt.... gèheimèn.... vocht toèdien.... zièdaar!.. mijn jeugdigèn vriend! neemt èèns, een slòkje en spoelt u, op dèn plek.. ùws pijns.... Maar houdt hèt.... geheimèn sap over.. uwen gànschen.. tong vèrspreid. Zoò juist! En nu.... ter exploiteering der kràchten.... vàn mijn... geheimen Valurasavochten... blijkt dit... koelen vocht saamgèsteld.... uit bestanddeèlen van wònderen.... dien ik niet.. zeggèn mag!.... Maaààrrrr! waarmeden.... ik allen.. pijnen.... gènees.. bij koningen en princen.... gravèn.. en baronnen.... tot bij den vòlken.... van dèn.. laagsten ràng..
Ik zeg nù.... tòt u.... gij jòngen vriend! neemt dit.... koelen vòcht van Valura.. en laat hèt één oogènblik liggèn.. in den hoèken uws gebeentens, op dèn plek.. ùws pijns.. en gij zult nièts meer.... voelen. Dèn pijn.. zàl zijn.. verdwènen.... en nooit wèder.. kèèrèn.... Alzóó.... spuw nù uit.. mijn jeugdìgèn.... vriend.... het speeksel.. ùws monds.... Schaamt ù niet.... voor ùws.. gelijkèn.. èn uwèn mindèren.. Zòò juist.... Drink nù eens.... één slok.... vàn dit.... ijskoud heràldisch wàter.... dat is heraldischen spijzèn.... vàn oòrsprong. Egyptisch.... zòò juist!.... spoel daarmèden uit.... den ònreinhèden.... uws lichaams.... spoelt dàt.... àlles, dat meèleed aan uwen.... spieren.... en pezen.... gewrichten.... en gebeènten.... laat uwèn... mond verkoelen.... èn wèg.... wèg.... èènsklaps.... zijn àllen pijnèn! Spreekt vriend.... spreekt.... hoe.... voelt gij.... u? Waar is ùw.... pijn?... Waar?... zoo éénsklaps verdwènèn?.... Sprèèk!.... sprèèk!....
Slungel, met uitgespoelden, smakkenden mond, stond beteuterd, keek sip rond, als zocht ie naar de pijn, verbluft... Angstig ’t eerst, greep ie naar de kaasjes op de straat, voelde in z’n zak naar z’n komkommers.
—Welnu.... jeugdigèn vriend.. sprèèkt—bid ìk u.... spreekt tòt u.... gèlijken.... tòt uw naasten.... vriendèn en maagdèn.... en zèg hèn.. dat Jaack Ròzel Juni-òr.. woonachtig.. te Rottèrdam.. Wagestraat zes en zestìg.... uw eensklàps.. heeft genezèn.... van àllen pijnen.... àllen smarten.... àllen zinkens.... àllen rheumatismen.... waarmedèn.... uw aangèzicht.... bezwangèrd wàs.... Spréékt!... Hebt gij pijn? nù nog?
—Nou f’vloekt.... nou hè’k puur main droai... dut is d’r tùg ’n meroàkel!.. ikke voel puur niks meer.. niks!..
Verbaasd drukte ie z’n hand op z’n kies, om te voelen of ie ’r nog zat. Triomf vonkte er in oogendonker van zwarten Jood. Deftig z’n hoed lichtend van den kop, met ciergebaar, vèr groetend en buigend lichtelijk voor den kring, krijschte plots z’n stem, heftig:
—Maaààrrrr!!.... nu zièt gij.... dat hèt wònder.. heeft plaats.. gègrepén.... Dezèn jeugdigèn vriend.... door mij àànschouwt.... begeeft zich tòt mij.... zoekend.... naar genèzing.... van dèn martelingèn.... des kiespijns.... Hij komt tòt mij.... uw allèr vriend.... met dèn hand.. aan dèn mond.. een gèzicht.... vertròkken vàn smart.. En ik.. naar gij zaagt.... geeft hèm.... eenìgen druppèllèn.... van mijn vocht... En éénen.... minuut.... staat hij hier.... hij drinkt vàn dit.... ijskoud heraldisch wàter.... en spoelt zich.... ònder... mijn toezicht.... En eensklaps... weg... is àllen... pijnen.... àllen koortsen.... Onthoudt nù.... geëerden menschen.... dàt hij èènen.... mìnuut.... voor hij.... hier kwaamt.... voòr mijnèn tafel.... nog hinkten.... nog jammerden en weènden.... van smàrten....
En spreekt nù.... weer jonggèlingg!... En zeg.... niets.. dàn dèn.. waàrheid.... àlleen en uitsluitend den wààrheid!..
Moor-Jood keek doordringend den slungel aan, die maar knikte van ja, ja, verlegen, sip, met z’n kaasjes weer stevig onder de armen gekneld. Uit z’n twee logge jekkerzakken, onder z’n ellebogen, drongen hooger z’n geel-glanzende komkommerpunten. Komisch verbluft, draaide ie om de kruk rond, staarde ie òp naar den Jood, knikte en stamelde tegen de menschen, dat ie heelemaal niks meer voelde..
—Debies, dutte is d’r puur ’n meroakel, riep Dirk Hassel extatisch, spijtig dat ie geen pijn had, om ook ereis te probeeren of ’t echt was.
—Nou.. die hep ’r ook ’n knikker, wees een, met ontzaggebaar naar ’t hoofd van den Jood.
—Aa’s ’t gain mesièk is!....
—Mesiek! mesiek! onderbrak een giftig.... en je sien ’t puur veur je aige lampies.... die vent hep rekloàme neùdig!.. mô joù hebbe.
—Tu tu tu.... sou d’r rais kaike.... mi’ de aêre hee!..
Verblufte aanhangers had Jood al en woest werd ongeloovige twijfelaar naar achter geduwd, met voettrappen en elleboog-stooten. Er ging gestommel en geschreeuw; kerels en meiden bliezen van de hitte.. krijschten ruig en paf-moe: daa’s puur ’n stookie hier!.... wa’ hitte!.... Maar Jood lachte stil, deftig doorgebarend, hoed in de hand. Verbluft verstierven de stemmen uit den kring, rumoerloos in luister.—Al dichter kringde menschenprop om kwakzalver heen en verder af daverde ’t kargebonk, gehots en geratel, om z’n kruk.—
—En nu gij.. mijn vriend.. wat dèèrt u?..
’n Woeste kerel, ruw uit verlegenheid strompelde vóór, met z’n pet in de hand, zweetharen over voorhoofd plat-verkruld, nattig glanzend. Wijd sperde ie z’n mond open, spoog ’n pruim voor de kruk, in klownig gebaar, dat ze schaterden in den kring. Z’n lippen, nog bruinend van pruimsap, smeerde ie woest af met handrug. Wild z’n hoofd achteruit, strammend den nek in, gaapte ie als ’n nijlpaard, zonder ’n woord te zeggen, z’n handen mèt pet, nù in z’n broekzakken saâm-gevuist.—
Jood keek, streng, donker, met één hand nog lager achterhoofd van kerel den nek indrukkend.
—Hoe heet gij.. vriend? wat dèèrt u?.. waar woònt gij?
—Da’ flop niks!.. waa’k hiet hee?.. aa’s jai main d’r moàr vèn furt holp, hee?.... barstte de vent woest-lachend uit, main heule bek is t’met rot.... de heule femielje sit dur in te kniese hee? en nou ke’k dur nie eens main flees an toàfel vèn baite.... hee?..
Schatergelach uit den kring barstte los om den brutalen schooier, van wien ieder wist dat ie noòit vleesch zag.—Kerel, aangestooten door ’t lachen, lolde zenuwachtig-schel door, om zich van z’n eigen verlegenheid en benauwing af te helpen. Door de menschenprop joeg weer drift. Nauwer drongen kerels en meiden naar ’t tafeltje òp.—Brallend gekrijsch uit den troep gierde uit:
—La’ jai je nie naime Piet!.... aa’s t’r pain is mo je.... f’rdomd,.... mo’ je ’t uitskraife.... aa’s ’n kerel!
—Nou.... da’ kaa’n je op toetere!.... riep ie driftig, op en neer wippend z’n kaken, terwijl tandentrekker telkens een tangsnavel z’n mond induwde, scherp loerend den beweeglijken donkeren gaapmond in.
—Ja vriend.... indièn gij.... ù niet rustig houdèn kùnt, gedurèndèn een kortèn poosèn zal ìk u.... moetèn opgèvèn.
—Nou seg... hep gain loàrie... ik stoan t’met aa’s ’n poal! furt! furt nou.... debies!....
Wijder sperde tuindersknecht z’n mond en strenger, in tanggerammel, keek kwakzalver er in. Sierlijker en geaffekteerder wellustte z’n schorre stem hoogdravend gepraat uit.—
—Ja vriènd.... in dit gèval, bij dèn staat ùws monds.. zal één kies.... verwijdèrd.... moetèn worden.—Wil èvèn.. uw geëerden nek achtèruit dringen,... Zòò.. juist zòò!.... Ik zal u.. trekkèn geheel zonder pijnèn.... zoòals.. Jaack Ròzel altijd trekt.... zondèr.... schokkèn.... zonder stòòten.... zonder smartèn.... zondèr soufrànsèn....
Doodstil loerde de kijkkring op z’n handen. Achterstaanders rekten zich op teenen, om beter te kunnen zien. Kalm draaide de Jood van z’n verroest grimmig stelletje, beplast met water uit ’n glas, een grooter snaveltang los, rood van roest.—Even boog ie in, z’n lichaam, sperde met één hand den mond, drukte plots haastig, de tang in donker gaapgat vóór ’m, verplaatste andere hand in bliksemsnel beweeg, achter den nek van den kerel, die òpstaarde hemelwijdte in, met gespannen kop, woest-verwrongen, donker-harig.—In één draairuk trok Jood de kies er uit, terwijl de kerel nog z’n kop naar achter hield gekrampt, niet beseffend dat ie al geholpen was. Zonder den patient tijd te gunnen tot spreken, zeide jood kort en suggereerend:
—En nu.... drink! dit ijskoud heràldisch watèr.... vèrmengd.... met vocht.... van Valura.... En wèg is.. àllen pijn.... èènsklàps! En nu.... spréékt ook gij vriend!.... Hèbt gij wat gèvoeld?.... bij hèt trekkèn? Sprèèk?.... zeg slechts.... den vollèn wààrheid!
Woest-harige kop, ook van dèzen patient stond gebluft naar den Jood op te staren. Niets, niets had ie gevoeld, geen sikkepit.
Toen ie dacht dat ’t nog beginnen moest, was ie al klaar....
En nou stond de trekker daar voor ’m, met z’n eigen bebloede kies in de tang..
—Gô sa’ main kroàke!.... daa’s puur ’n meroakel.... viel ie uit, in kringetjes bloedspuwend rond z’n beenen.... f’rduufeld.... hai jai sàin doàr te pakke hee?... Heerekristis waa’n kanjer hee?.... dut is dur puur ’n meroakel!
—Spuug slèchts.. in dezèn bèkèr.... èn drink.. nog één slok... van Valura.... àlles gratiès.... Dit vocht.... dit ijskoud watèr.... het trekkèn!.... Houdt dit vocht.. éénen mìnuut in ùws mond.... op dén plek ùws pijns.... zonder.. te sprekèn.... zondèr.... ù te... bewègèn... laat koelen.... ùwes mond.... uws zenùwen.... uwen verhemèlten, uwèn spierèn, uwèn pezèn, uwén gebèèntèn.... en weg is uwèn smart.... weg uwèn lijdèn!....
Twee minuten lang oreerde de kwakzalver weer door, al deftiger, hoogdravender, voelend z’n stijgender invloed op ’t bokkige, eerst scheldende publiek. De woeste kerel, stond onder ’m, met opgeblazen wangen, ’t vocht speelsch rond te spoelen in z’n mond, doodstil in één houding, bestaard, met ontzag, door heel den kijkkring.—
—Spuug nù uit, vriend, èn spreek!.... tot ùw maagden.. en makkèrs.... spreekt.. en zèg.. niets dàn den.. wààrheid.. Spréékt.. Drink nog éénen keer.. vàn dit.... ijskoùd wàter.. En zeg dàn.... of gij pijn hèbt... Zeg dèn... vollèn wààrheid aan uws gelijkèn.... aan uwèn meerdèren.... en mindèren.. spreekt.. hebt gij pijn?....
—Gain spier! f’rdomd.... of ’k mot ’t liege hee? Jeesekrim! meroakel.... daa’s òplucht!....
—Hai jai gain spier pain Piet? schreeuwde een.—
—Gain spier!
—En hep ie je nie van mékoàr hoald?
—Saa’k f’rbrande.... aa’s ’k wâ voelt hep hee? snó’f’rjenne moat.... daa’s de weg noà de haimel hoor!.... Jemikremi!
Maar Jood bleef stil even van z’n hoogte loeren met z’n gitpupillen op Piet gestard, en toen juichend den kring rond, hoed in den hand, schorde en stootte z’n stem weer:
—Gij àllen.. ziet hèt.... hooggè.. eerd pùbliek.... Ik ben gèèn.... leugènaar.. ik ben gèèn.... bedrièger.... ik ben.... gèèn.... galeiboef.... gèèn Chamberlain.. gèèn Rhodes!.... Hier vòòr u.... staat dèn.. èchtèn den èenigèn.. afstammèling van Profèsseur.... Jaack Ròzel.... Seni-òr.. woònachtig te Montabilie.... in zijn leven.. en strevèn.... op het rotsgebergte van Zuid-Amerika, alwààr hij.... de Sioux’s de Panie-ews!.. de Irokeèzèn, gràties hielp.... gèlijk ik.... dat ù doe.... Hier staat hij dan, in dèn.. levendèn lijven.. Gij ziet hèt.. gij hoort.. hèt.. gij rùikt het.. gij vernèèmt het.. gij beproèft het.... Hij gèneest.... ùwen maagden.... uwen vrièndèn.... uwèn kindèrèn.... Hij is.. den èenigèn.. Jaack Ròzel òp den ganschen wèèreld.. die hier komt om u.. te bewijzèn.. een weldààd.. Hij is.. tèr naam en tèr faam.... bèkend en spèciaal bè-vriend met àllen doktorèn.. professeùren, met àllen genèès-, hèèl-, verloskundigèn des heelen ààrdkloot.... En hij rèist den wèreld door mèt hèt vocht.... van Valura.... en den.... profesòren àchter hèm áán! En hij trekt.... gansch zondèr pijnen.... Hebt gij niet.... gèzien.. dat ik.... hier stàànden.... voor drie màànden.... twee lammen, van wien ik den krukken.... over dèn.... knieën, stuk bràk.... ter aarden.... wièrp,.... hen bèstreek... met hèt vocht.... van Valura.... èn zij.. van mijn tafél, weer loopènden vertrokken,.... rècht op!.... slank en elègant.... gelijk chiraffen.... En hebt gij niet-gezien.... dàt ik.... ùw vriend.... hiernèvens... trok-zòndèr... dàt één... spier vàn zijn.... gèlaat vèrtrok.... en dàt hij.. nu zelf.. bèweert en bèvestigt gèèn pijn te hebbèn.... gèvoeld? Zoo genees ik lammèn.... blinddèn.... doovèn.... rheumatieken.... met mijnèn wonderdruppels.. mijn vocht.. van Valura... Nu zal ik nog dezen.... vriend helpen.... en dan zal ik vertrekkèn.. uit hoofden en onherroepelijk.. zonder àànziens des persònen, na te hebben.... aangebodèn.. laatsten vòòrraad....
Weer bedremmeld stond een derde kerel voor ’m, mond wijd open. Zacht beduidde hij den jongen, dat ie niet noodig had getrokken te worden. Ook hém liet ie spoelen met zijn Valura, en onderhands haalde ie flakons uit z’n tasch in vloeipapiertjes verpakt.—Weer aarzelde verbluffing rond, in den verhitten kijkprop van tuinderskerels en meiden, sjouwers en vrouwen, want weer stamelde de kerel, na twee minuten ’t vocht in z’n kies te hebben gezogen, dat ie geen pijn meer voelde.—Naar alle kanten werd ie getrokken en verbluft knikte, stamelde ie uit, nergens pijn meer te voelen.—
—Dat wondèr voor dén prijs.. van vijf èn twintig cènt!
Geen woord kon Moor-Jood meer uitbrengen van vermoeienis. Het zweet drupte als stijfselkorrels vettig op z’n donker hoofd. Van drie kanten uit den kring, drongen lijven òp, grijp-armen vooruit, hoog naar ’t tafeltje. Meer niet. Gezicht van den Moor-Jood betrok, zenuwachtig, spijtig, alsof ’r ’n huil draaide rond z’n mond. Maar toch beheerschte ie zich, sprak ie weer met afgetobder, heescher geluid.
Eindelijk, de geholpen kerels, waren weer den kring ingesjokkerd, schouerbonkend, getrokken en gesleurd, babbelden en schreeuwden ze met ondervragers mee. Wantrouwig landvolkje, beduusd en vergaapt, kwam in beweging. Weer had de Jood getoeterd, schel en hoornhoog den hemel in, spattend z’n klanken, schuimend tegen opsteigerend gewoel, en weer zwaaide ie z’n brandende toortsen tegen al donkerder luchtgoud. Er kwam beweging, woeling in den menschprop, uit elkaar brokkeling van broeierige kluiten. Telkens, slechts twee, drie tegelijk, drongen naar de kruk, met ’t kwartje klaar in de hoog gerekte hand. En drukker stalde ie z’n flakons uit, zalig-wachtend op uitwerking van z’n wond’re woorden en proeven.—Sneller drongen de lijven en armen òp, dat ie nieuwe voorraad uit z’n tasch moest halen. Rapper z’n handen graaiden in den tasch-muil, z’n donkere kop lachte, tegen ’t licht in, burlesk, ironisch, onmerkbaar bijna.—Nu zòng z’n stem met klank van zalvende zekerheid:
—Een iedèr.. dièn lijdt.... ’t zij aan zinkèns.. ’t zij aan koortsèn.... ’t zij aan wondèn, blindheid.. doòfheid.. làmheid.... ik help hèm.... ook zondèr gèl-den....
Trager trok kring om ’m los. Meer en méér handen grepen, naar z’n hooge tafel, dat ’n stapel kwartjes tusschen z’n tangen ophoopte.—
Z’n oogen git-glanzigden, lachten, vonkten.—Eindelijk stopte ie. Zwaar gedaver en laatst gewoel dromde langs z’n tafel achter z’n kruk. Nou wou ie ook een ’n glas bier gaan drinken. Z’n keel brandde van rauwen krijsch en pijn. Eerbiedig weken de kerels voor den lang-mageren Moor-Jood, met z’n angst donkeren kop, z’n streng borenden blik, z’n kalmte. Even z’n schouders, in krommige lijn opgehaald, ging z’n lang lichaam tusschen de sjofele sjouwers en tuinders, z’n zwart-bleeke kop, prachtig beglansd in lichtwaas. Geheimzinnig in donkeren staar, schoof ie voort tusschen de botte kerels, zich-zelf voelend als ’n Cagliostro in zuidelijke gratie en suggestie.—
In eindloozen koepel, blauw-bleek glanzend, rondgestold in ontzaglijken hemelkring boven havenbrok en polder, wuifden struisveerige wolken, zilverzij-licht, en ver, heel naar den horizon, tusschen violette neveling van spitsjes en daakjes, bouwde de lucht porceleinen torens van lichtwolken, slank, met fonkelende tinnen.
Menschenprop was weggebrokkeld, nu kwakzalver bier dronk in rookige walmkroeg.—Daverend roezemoes ratelhotste in ’t zonnezinken als ging er hellevaart rond in Wiereland; begloeid en beglansd stedeke, met z’n hel-rood en zilver leigedak in vervloeienden goud-roes van eindloos polderruim.—
Op en af de booten ging ’t weer in laatsten ploetersjouw en afhitsende werkkoorts als hadden de kerels zich verzuimd met luistering naar den Jood.
Woester stormden de kroegen leeg en vol.—Verhitte zuipdrift stramde de koppen, en zwaarder, paffender in ’t zomerbrio, doorregenden geuren en stanken de haven; verklonk in rommelende donkerte ’t lawaai der zwoegers tegen al stillere rood-verre oneindigheid van polder-avondlucht; hemelkoepel, doorzeild van laatsten klankenjubel en verren vogelenkweel, leeuwerikkenvlucht, donker verstippend de luchtzee door.—
Sneller, àl lager sloeg de blink-glanzende gang van ’t licht over de haven, als kon de dag niet sterven dààr, vloedgolfde ’t over de kerels, roodgebrande tronies, nimbus van avondzon, gloedkoppen, verwaasd en verheiligd.—Dwars door den rauwrumoerenden gruwel van krijschende, furiënde sjacher en zwoeg, over pijpen, masten, zeilbrokken, pramen en sloepen, stroomde avondtooverige gloed, vreemd zilverrood, blond en telkens wisselend in gamma’s. Van de porceleinen wolk-torens, gloei-purperden de tinnen, vonkten hun gouden ommegangen.—Al lager de lichttoover doezelde over heete havenjoel, gedaver en gezwoeg; al wijêr glansde stralende purpering, verstillend de luchten, bedampend in wond’ren zonnemist, keien, sintels, en werkers. Paardkoppen droomden in stille, verglijdende glanzen en karren met aardbei en groen, doofden langzaam, bij stukken uit, in doffe zonloosheid.—
Zonnedroom, die uitdoezelde, wegnevelde, in violet gedamp en paarse vlekken, schaduw-fantomen wierp aan walkant, goudteer vergloorde, tusschen rag touwwerk en masten.
Over bootsrompen, en boegrondingen, waar kleurkopering van roeren en luikjes verbleekte; over heel het havengeraas, waar werkersopstand in drommen dooreen krioelde, starde al meer de vlam van den hitte-dag, de felle daverende blinkgang van licht, verdampend in wazige tonaliteit, in zilverige schemer-vegen en aarzelend blondrossig-goud.
Tusschen het al donkerder kastanje-geboomte, waar de schemer ’t eerst in duisternis verweefde, keken de kerels onder ’t lommer nog òp tegen den kleurzang van zonnedag, die lang, heel lang, tooverig begloeid, in polderhemel bleef nazingen z’n wond’re tinten. Menschen, paarden, honden en karren in opgepropte kronkel en warrel, onder ’t duisterende lommer kleurden nà, in de ver-affe roezemoes van ’t stervende licht.—Allen dáár, wriemelden dooréén in schemer-avondgoud.—Petten kleurden vaal, in al gamma’s; kielen, jassen, schorten, donkere sjouwers en tuinders-venters, boeren en kijkers, in één warreldrom, loom langs elkaar verkleurend en verkronkelend, als drasten ze voet-zwaar aan vastzuigende havenkeien, moeras van rottend groentenafval.—
Dirk Hassel was met Klaas Grint, z’n zoon Jan, en Rink van den polder, tusschen ’n groep tuinders de kroeg ingeschoffeld.—Voor hun beenen buldogde ’n ton-buikige boer, met ’n korf kleine varkentjes onder z’n arm gekneld, waar hooilucht uitrotte, urineachtig-vuns. Krijschend en ronkend woelden de dieren, scheefhangend tegen de korfbiezen op, en telkens bonkte bullige boer, met z’n worstige handen, ’n driftstoot op de krijscherige diersnuiten.—Achter kroeggangers ratel-rolden, dwars door de woelende menschenmassa, groote gele tabaksvaten, door troepje kerels met trappen tusschen de karren en dieren voortgebonkerd naar ’t spoor.
Dirk was blij dat ie eindelijk zat. Al twee maal van de haven naar de akkers geweest, extra-oplading, en nou zou ie ’t d’r eens lekkertjes van nemen. Hij grinnekte tegen z’n brandewijntje met suiker, dat op z’n schor-korten roep, dadelijk gebracht was. Om ’m krioelde ’t van klomp-klossende kerels, in stampigen gang op knarsenden zandgrond. Lekker en poeteloerig-duizelig snoof Dirk de jenever en bierlucht, zoetig en scherp, en stil tegen den muur ingedrukt, ’n pijp den mond ingebeten, sloeg ie, brandewijntje na brandewijntje klein, mummelde wat woorden uit, tegen groenboeren die naast ’m neersmakten, aemechtig hijgend van zwoeg.—
Zwaar-laag dampte de kroegrook, nevelig, en rood misterig toen gasvlam bij ’t buffet en boven biljart àànplofte. Stil bleef Dirk zitten, roerloos in z’n hoekje, uitspuitend pruimsop en pijpnikotine in de spuwbakken, doodop, lekker duizelig, in de wemeling van al meer aanstommelend landvolk en roezemoes van stemmen, achter hitterook uitkrauwelend, tot ie doorzopen, landerig en woedend, tegen tien uur naar huis waggelde.
III.
Om drie uur den volgenden ochtend, kwam er kort-driftig gestommel in de duister-beluikte woonkamer van ouën Gerrit. Zurige zweetlucht vervunsde uit de krottige slaapholletjes. Dirk uit ’t donker bedsteetje, was opgesprongen, òver Piet heen, nog slaperig en gaperig, rauw van pijn, geradbraakt van vermoeienis en katterigheid. Branderige matheid voelde ie door z’n lijf loomen. Driftig schouerbonkend stootte ie Piet op, die nijdig even gromde, maar dadelijk weer insnurkte. Dat maakte Dirk kregel en snauwender porde ie ouë Gerrit en Guurt, dat ruw z’n korte stem, kamerochtend-stilte doorscheurde. Wijê gapen loeide ie koeïg door ’t vertrekje, dàn vlak tegen beschot, dàn vóór bedsteedonker, telkens zich rekkend in achterwaartschen lijfkronkel, armen omhoog gerengeld en vingers verkrampt in slaapzoeten wellust, dien hij machteloos-heerlijk door z’n lijf voelde terugstroomen, tegen z’n luiigen lijfrek in. Langzaam slofferde ie op z’n kousen naar buiten waar ie de luiken van de ramen losmorrelde. Onder de pomp beplaste hij z’n gezicht, luchtigjes met water, vies van ’t nattige dat z’n hemdsmouwen en hemdboord beklefferde, en in branderige straaltjes tot op z’n naakte borst afdroop.—
Guurt was gauw opgestaan.—In ’r nachtpon, haarhang opgebonden in woesten kronkel, maakte ze vuur op ’t achterend, drentelde rond de stellen en zette boterhammenkoffie.—Ouë Gerrit en Piet in hun rooie onderbroeken waggelden nog slaapdronken en grommerig door de kamer, loom en lijzig hun bovenkleeren aansjokkerend. Even bleef Piet hang-zitten op z’n stoel, klepten z’n oogleden dicht, hield ie z’n stinkende pilow, half over z’n dijen getrokken, slap in de slaaprige, krachtlooze knuist. Ouë Gerrit, in schreeuw, schrikte ’m wakker.
—Wà sloapmus, jai toch, gromde ie, soo’n jonkie!
Na ’n kwartiertje rondgeslenter en gedribbel, sluipzacht op ’r kousen, had Guurt de kerels bakken koffie en hompen brood voorgeschoven. Gretig schuifelden de mannen hun stoelen áán, neerblokkend met armen op tafel, hoofden gebogen over hun dampende koffiebakken, slurpend, gaperig, rekkend en korrelig-stil. Rond hen, walmde slaapstank van ’t kamertje, dat al zacht volgevloeid glansde van vreemd, gloed-stil ochtendgoud. Roodflonkerende zonnedans koperde bliksempjes op de staartklok-gewichten, op ’t pronkstelletje, tang-pook-schep, onder het schuingetimmerde, versierde hoekschoorsteentje.—
Langzaam, in bedaarde ouderwetschheid tiktakte de klok, zacht-vlammig aangegloeid rond de gewichten.—Guurt had ’t duifje losgedekt en daadlijk koerde z’n kopje als van verre, droef door de kamerstilte heen, waar alleen smakten en slurpten de wreede werkersmonden, en de klok dreinerig ti-jik.... tàkte....—
Moeder Hassel lag, met opengesmakte deuren, de kamer in te staren, bleek beslaapmutst hekserig hoofd, op peluwgrauw, de uitgedoofde staaroogen naar de slurpende kerels.—Ze hoorde koffie slurpen; dàt geluid kende ze. Ze zag ’t, voelde, besnuffelde ’t, met wilde, gesperde neusgaten.—Dàt geluid haakte vast in ’r ooren, ’t hoofd, bleef in ’r herinnering leven.... Woest instinkt naar koffieslurp.—Telkens gretig, even keek ze naar Guurt, als wist ze nu klaar, dat ze ’t van die moest hebben. Maar de kerels hapten door, slurpten onverschillig. Guurt klepperde nog ’n roodaarden bord voor hen neer, waar ze weer hompen brood op afsneed, slurpte zelf mee, gejaagd zittend op stoelpunt, ongewasschen in blauwkorten onderrok nu. Stil slurpte d’r mond in doorzond ochtendgoud van kamer, ’r blond hoofd in stil aureool. Buiten, achter ’t raam, glansden de akkers in aanbrandenden gloei van zonnekomst.
—Nou Ouë, gromde Dirk plots, kauwend en slikkend dat ie niet verder spreken kon eerst—aa’s ’tr nou moàr puur om drie uur, de oarbei-boel dur stoan, an de markt hee? daa’k hullie om vaif uur an de kant hep in de stad? kaa’k t’met nog ’n hooge markt moake.. hee?
—Sel d’r weuse.... mi sonder mekeere.... Hoho! ho!.... Piet loait op.... en Kees goan de hoàfe langest....
—Hier-op-pan! aa’s Kees de hoafe opgoàn, ken ie t’met oploaje ook....
—Hoho! dà lief ’k nie! dà lief ’k nie.... die suupt te veul.... die hep s’n skoenlappertjesmoandag.... enne.... dá’!....
—Wa’! Kees?.. Kees suipt?.... krijschte Dirk uit, ’n stuk brood, dat ie half al in z’n mond gestopt had er weer uithalend, met ’n web van fijne spoegdraadjes,—f’rvloekt aa’s de fint één borrel lait! jai suinege Job!
—Hoho! vier en vaife en nie g’nog! bars jai nie uit!.. soo vroeg in ’t morgeuur hee?....
—Wa’.... éénmoal.. andermoal.. ikke wil dá’ Kees oploait.. Piet hep s’n aige dood te plukke op haide.. En denk dur om.... niks aa’s oarbaie.... Op haide voart de boot twee keer!.... ikke goan doar.... om veur van... om twaalf uur is t’ie d’r wair.... sel main ’n dotje weuse op de kant!.. snof’rjenne, gain ploas om je klompe af te trappe, waa’n klus.... ’n drukte op de boot.... sullie dringe hoarlie aige t’met hardstikke dood.. hoagelvol!
Ouë Gerrit was opgestaan met ’n smak z’n koffiekop op tafel neerstootend, dat vrouw Hassel in ’r bed opschokte, iets brabbelend uitstamelde. Nog had Guurt ’r geen leutje gebracht. Onrustig, hongerden ’r oogen naar ’t zoete vocht, dat op stinkend petroleumvlammetje konkelde en leuterde. Ze besmakte ’r drooge lippen, zonder dat ze vragen durfde, vragen kòn. Besefloos Guurt te roepen, uit angst voor nijdigen snauw, in ban van trage dofheid, bleef ze staren, vroeg ze toch met ’r oogen, zonder dat iemand uit de aanlichtende kamer naar ’r omkeek. Gerrit, handen in zakken geknuist, keek met z’n neus op ’t raam gedrukt, naar buurman’s tuinderij, waar nu alles groen-goud in den ochtend-tintel gloeide, doorvonkt van dauwig druppelvuur.—Ochtendstilte, uit paadjes en wegjes, ruischte rond de tuindershuisjes en de roode bedakingjes vlamden licht-hel.—
Vandaag zou ie wat te plukken hebben, mijmerde Gerrit, speelsch drukkend z’n neuspunt tegen ’t ruit, wiebelend op z’n hakken. Z’n rug zwoor en stak van pijn. Maar ’t most, most nou. Hij had al dagen achteréén onrustig zitten piekeren, dat ’r geen regen kwam, gejaagd, nou de boel zoo droog stond. Maar nou most ie maar doèn, doèn en niet seure....
Met hun drieën waren de kerels over ’t erf den tuin ingestapt. Guurt drentelde weer op ’t achterend, spoelde en sjokte, terwijl de kamer in ruischender glans van zonnige ochtendwarmte, sterker aangoudde, tot op ’t slaapholletje waar vrouw Hassel staarde, en besmakte ’r droge dorstlippen. Op de tafel brokkelden nog broodhompen. Aarzelende glansjes van schichtigen prismaschijn uit geslepen spiegelrandje, kaatsten trillige vlakjes rood, goud en groen, op twee rood-aarden doffe bordjes.
Daar stààrde ze op, vrouw Hassel, besefloos en traag, tot ze de kleuren voor ’r oogen zag verflakkeren.—
Buiten hurkte Kees al, in pluk bij de erwten. Nog ’n uur bleef Dirk werken op ’t land, achter de wortelen. Eindelijk werd ’t tijd voor ’m om op te stappen naar de haven. Nog ’n mandje pieterselie en postelijn, schokkerde ie over den schouder en stil liep ie den weg op naar de boot. Nou had ie zich nog puur te haasten merkte ie, toen ie even achter ’t ruit gluurde, hoe laat ’t was.—Kwart voor vijf. Om vijf uur precies ging de schipper van wal.
Zwaar hijgend, z’n mandjes dobberend op z’n rug, kwam ie snel de haven opbeenen. Maar „Tuinders Geluk”, de boot waar hij mee voer, lag er nog rustig, met vier andere schuiten achter d’r áán, hoog gestapeld ’t schel-groene van kroppen, beflonkerend aardbeirood en wortelenoranje, tegen den blauwen luchthemel in, die diep en wijd lichtte, in strakke, fel-heete zonnigheid al.—
Op àchter-en-voordek, stonden de groenboeren saamgedrongen, in hun sjofele plunje, tusschen de dreigstille punthoekende hurrie van hoog opgestapelde kisten en mandwallen, waaruit zwavel-zoete geuren walmig verwasemden. Tot onder den stuurstoel, stapel-brokkelden de aardbeikisten en langs de reeling, propten, saamgekneld, bakken, vaten, manden, zakken, dat de kerels en vrouwen, in bochten er tegen elkaar opgedrongen stonden. Enge doorgangetjes, kronkelden tusschen de ladingen, waar ’t landvolk elkaars lijf beschuurde, schreeuwerig verscharrelend en ruilend koopwaar die ze te veel hadden. Tusschen zakken gekneld, op manden of kisten neergestooten, sjacherden de zwoegers, klonken òp de gesprekken, levendig, krijscherig, overgoten van duffe groentestanken uit de achterkajuit opwalmend, voos en duf, zuur en ranzig. Aardbeien zoetten ’t hevigst en weeïgst tusschen de mestige koolstanken.—Zwaar dampte uit, in de broeierig lange boot, hageldicht bestapeld, de stinkende kleeren der tuindersmannen en vrouwen, de zweetlijven, wàrme walg tusschen de gronderige stanken van ’t groen.—
Prachtig, jubel-fel schalden de hooge groentebergen als festijnen van licht, tegen ’t doortrilde, in zon-zwemmende lichtblauw. Daar onder, barokke wal van kleur-woelige kisten, met donkerder groen in onderschepte glansdempingen. Maar hoog-schuimend, gloeide kleurbrand van aardbeien boven alles uit.—Versjofeld en kleurbemorst, scharrelden de tuinders bijeen, in de vroege ochtendboot, al meer, al méér, achter elkaar. Galm-luid, de klok van hoogen katholieken kerktoren sloeg vijf, bevend in de wegstilte en havenrust. Laatste bootsein van vertrek liet kapitein zangbassen over de ochtendleege havenkaai.—Wat karren met aardbei-aanvoer ratelhotsten kei-beukend weer weg, wreed rumoerend door de morgenstilte. Bas-zang van pijpen bleef seinen, als stemmegroet van tuinders naar de verre makkers op ’t land, dat de reis naar de stad beginnen zou. Een dekknecht van „Tuinders Geluk”, had plankier gelicht en ingeschoven, reeling saamgehaakt en kaptein was op z’n stuurstoel geklommen. Statig liet ie draaien, ’t kanaal in.—Uit ’t boothart schokkerde machinedreun òp. Achter ’m aan, zongen pijpen van andere tuindersbooten, stemzwaar en hevig vibreerend, dat de stille starende ochtendlucht sidderde onder ’t dreungeluid. Plots klonk jagend geroep, onder zwaar lommerende kastanjelaan uit, van twee groenboeren die zich verlaat hadden en meemoesten nog met „Tuinders Geluk”. In vlieggang holden ze langs de stille huizen, kei en sintelpad over.
—Piet Groome en Anseeler, riepen ’n paar van de boot, over de reeling gebukt,—hee keptain! t’rug!.... twee van Lemmer! Hij had ’t al gezien, toeterde wat zangerige woordjes door z’n spreekbuis naar machinekamer, waarop boothart heviger bonkte, de voorboeg achteruit bijdraaide, dat de kerels in hollende vaart, rood-bezweet, nog net tusschen kisten en manden, over verschansing, heenklauteren konden.—
Achter „Tuinders Geluk” lagen nog drie booten, „De Dageraad”, „Ons Welvaren” en „Weltevreden” met tuindersvolk van heinde en ver saamgestroomd, ongeduldig wachtend op vertrek van de voorliggende schuit. Ook daar stond ’t landvolk, achter en tusschen de aardbei- en groentebakken opgepropt, ingekneld; één donker-dreigende, sjofele kerels-stoet, vlak om ’t koelscherm van machinekamer saamgepakt, wegzwartend onder rookwolken van stoompijpen, die dreun-zangerig doorbasten als duistere stem van zwoeg, somber-smartelijk, in den fellen klaterenden zonnegloei van polderlucht, in ’t eindeloos blauw, en weigroen.—
Stil zoeften de booten achter elkaar áán, de kerels en wat vrouwen, al meer opeengedrongen, donker tusschen den frisschen jubel en stoeiende kleuren van hun vruchten en waar. In de havenstilte, roerloos weer na zwijg van pijpzang, verdwenen de booten één na één onder lage spoorbrug, ’t kanaal in, dat wijd-geplast, zilver-vonkte en dampte tusschen onmeetlijk poldergroen. Stil druischten de kerels weg van wal, de donkere opgepropte stoeten, in de ochtendglorie; zittend of half hangend op en over de verschansing, beklemd tusschen de neerbrokkeling der stinkende kisten, als ’n bende vervuilde schooiers en melaatschen, naarstiglijk verpakt en versjouwd, onder den heeten jubel van hun vruchtengloed. Al de booten waren „Tuinders Geluk” voorgedraaid. Langzaam zoefte die eindelijk, achter de andere áán, onder de enge spoorbrug, zacht-schuiflende pàl langs wanden van brugbogen en pijlers.—
Dirk stond ingehurkt naast Klaas Grint, die weer aanleunde, half tegen twee vrouwen, een lange, met ’n gore steekmuts op, de andere met ’n donker rood-wollig kapertje over ’r hoofd gefrommeld. Vóór de vrouwenbuiken, spannend gestrakt onder boezelaar, hoekten kistenstapels waarachter weer ’n stoet kerels gekneld stond.
—Tjonge.. Tjonge.. d’r’is nog puur wâ wind op de ruimte hée?.. zei met vertrokken gezicht Klaas Grint, naar de lucht kijkend.
—Daa’s net bromde Dirk terug.... hai jai ’n pruim Kloas? nou he’k f’rdroaid main sak legge.... loate!....
—Bi-jai’t Hain!.. lolde Grint, da’ sel woar wese.... roep jai sàin d’r bai op Sint Jan hee?.... hier!.. pak-àn.. moar mondjes-moat.... oue!
„Tuinders Geluk” was ’t groote kanaal ingestoomd. Zacht kabbelden watergeruisch en schuim-zilverende vloedgolfjes langs de kanten. Zweef-luchtig zoefte ’t schip voort, tusschen ’t eindelooze poldergroen, bedauwfonkeld met vuurdroppels van trillend leven, robijnen weerlichtjes, en vurig smaragd.... Uren ver, verfonkelde nat goud-groen, glanzend en uitwebbend kleurige hette. Heerlijk frissche windbries stoeide luchtzuiverend om de boot, de voosduffe geuren en stank-wasem wegflapperend, ’t koele waterruim in. ’n Troep tuinders was achter de pijp geklommen, op zwarten kop van machinescherm, waar ze luiig neerhurkten in zonnegloei, of schuin opstonden achter den rooker, koppen fel omlijnd tegen luchtjubelblauw. Er was drukke stemmenhurrie onder ’t landvolk, gesnater en gelach tegen vrouwen, en overal brandende lust om van landgescharrel, marktwaar en prijzen te spreken. ’n Paar tuinders met fluweelig pilow-zwarte vesten en dof-zijden pofpetten, trommelden met hun gekleurde pantoffels, op ’t verhitte plaatdek van machinekamer, ’n orgeldeun meelallend. Plots de bootbode, kerel met roodgezwollen snuit, akteurskaal en voor-den-gekhouerigen, paarsen drinkebroersneus, werkte zich los uit stemmenroezemoes en scharrel van opgepropte tuinderstroep.—Z’n blauwig-glad geschoren komiekenkop grinnikte leukjes tegen z’n volkje en grimassig sprong ie op ’t veilbankje, hoog boven woel-massa uit, grabbelend in guitig steel-gebaar, met z’n hand in ’n grauwen zak.—Tegenover hem, op zon-doorhit koelscherm, zat luiig ingedoken tegen de pijp, ’n kerel met notitie-boekje, klaar om te schrijven. Bootbode, die onder reis van Wiereland naar groote stad, te veel waar van tuinders-zelf in veiling moest brengen, bleef rammelen in z’n zak, lolde wat tegen de kerels onder ’m, dat z’n roodfrissche wangen bolschaterden, sterker zwollen, z’n blanke tanden uitwitten onder z’n bieteneus en tusschen plaatjes-mooie helrooie lippen, hagelrein. Hard en stalig klonk z’n stem, toch vol, met ’n galm er in, als nadreun van klokgelui. Telkens uit den zak, vischte ie ’n blikken nummertje op, afroepend wie d’r ’t eerst veilen zou. Zoo regelde hij de beurten, schreef z’n maat, tegen de pijp, in kookzon luiig weggedoken, namen van veilers op.—
—Wie mot ’r ’n nommer?.... Gijs Janse! Kaike?.. daa’s vaiftien, klonk hard-galmend z’n stem door den koelen bries-stoei, klank-zangerig Wierelandsch.
—Bekermaa’n.... achttien?.... Grint.... drie en veertig! Hassel.... ses-en-dertig!....
—Main d’rook ain!.. riep ’n tuinder uit achtergroepje, die nog wat kwijt wou wezen, hopend op ’n begin-nummer, om ’t eerst te kunnen veilen.
—Vaif-en-veertig!.. Nailis Roskam.... hee! „netoàris”... Roskam!—lachte de Bode, lolligjes met oolijken oogenknik naar den „schrijver-notaris”, die luiiger weggedoken lag achter de pijp.
—Logge megoggie! nou ka je wachte, gromde de pachter, woest dat ie zoo’n laat nummer beet had. Nou was ie zoo heet geweest op ’n begin-blikkie.—Stem van Bode bleef afgalmen de nummers met veil-namen, en telkens lacherig, uitblankend z’n tanden, bloed-rooie lippenmond wijd open, kraaide ie schooirige grapjes uit, strooide ie schalksheidjes en hekelwoordjes boven hun hoofden rond, omgierd van terugkonkelende stemmen en giegelende kreetpretjes. Telkens klauterden andere kerels op en af ’t machinescherm, naast en tegen de pijp lawaaiend, rond den „notaris”, die overal spottend om z’n eeretitel beschaterd werd. Van hun hooge standplaats schreeuwden ze mee, boden, kochten en verscharrelden, de koppen, warm en zweetbedropen, paarsig en brons-nat, rood en geel-grauw aangegloeid in zonnebrand. Van achterdek af was alles plots naar voren gedrongen om vlak bij Bode te staan. Op kisten, morsige vaten, walm-stinkende manden en zakbulten, hingen en hurkten de kerels, in struikel en klauter, achter elkaar opgepropt.
De achtersten, ver van den Bode, loerden tusschen schoudergeultjes van vóórstaanden, in drom saamgestrompeld, heet op den scharrel.
—Veertig! vrouw Plenk.... dreunde Bodestem.... vaif.. vrouw Boterblom.... naigtien.... mamselle Kiester.... sestien.... vrouw Zeune!....
Eindelijk had ieder z’n nummer, kon de veiling beginnen. Zacht briesden en woei-koelden luchtige windscheringen over ’t smoezelige, walm-stankige dek, als ging er tochtige wiekslag van vliegende vogels rond. Recht voor den boeg, sprankelden waterglanzige sparteltjes licht, violet-zilverig, paars-goud, kabbel-deinend hemelblauw-vuur, dat in schuimig golfjes-spel zich heet verbraste in damp. Tusschen de fel-groen bezonde ochtend-oevers, komde in eindloozen kring, ’t vlakke zonnignevelende polderland, in vochtige ochtendpracht. En overal rondgekringd, goudden de lage hooi-schelfjes, tusschen siddergroei van korenhalmen, brokken weiland, ontsluierd uit morgennevel, uit nat-dampig goud en zilverende gloeiingen. Schitterig flitste ’t dauw-vuur, dat mijlen ver, weiland aan weiland in arabesk vonkspel omtooverde.
Bode op z’n bank, hoog boven de opgepropte tuinders uit, al dichter op één punt van de boot bijeengedrongen, klankte met z’n jolige, rauw-heldere spotstem in:
—Wai selle d’r beginne met seve-en-twintig pond raspers van....
—Neelis Skorpioen.... las „notaris” haperig af van z’n lijstje.
—Van Skorpioen.... uit Slangetje.... wie sait dur ’n gulde! daa’s vier sint ’t pond!....
Inmiddels had ’n tuinder, ’n zwaren zak doppers losgesjord uit kistenrommel, zich door lijfgedrang heengewurmd, z’n waar, àchter koppen, vaten-stapels en manden-torens, met krampigen arm, hijgend op veilbank vóór Bode neergesmakt. Dadelijk grabbelde die, met één hand tusschen de groene vruchtjes, liet ze speelsch rond z’n vingers glijen en riep weer opjagend:
—Prechtig jong goed!.... ruikt puur aa’s.... oo-de-kolonnie!.... wie sait dur....
—Tachtig, krijschte ’n stem uit het menschkluw op de koelkast.—
—Tachtig, vaif en tachtig, draafde Bode door....
—Naigtig! zenuwachtig scherp, piepte ’n vrouwestem onder de pijp uit.
—Naigtig, zang-dreunde, hard-klaar Bode’s geluid nà, tusschen bries-stoei en koelen kabbelgolfjesruisch in.... Naigtig.. vaif en naigtig.... da goan.... eenmoal.... veur de derde moàl.... Rietvink!
Pachtertje Rietvink had ’t laatst geboden, kreeg erwtenzak over koppendrom naar zich toegesleept en warm wroetten en graaiden z’n armen, tusschen ’t heete gedrang en getast van lijven. Dwars achter de pijp, waar ’n groep kerels zich spitste op ’t veilgoed, en uit alle hoekjes gretige kijk rondging, klonk dof gestommel en geschuur van voeten op stalen plaat en kijverige stemmenroes, warrelend en schreeuwerig als gesmoorde ruzie.
—Halt doar Kempees, krijschte de Bode naar de pijp, t’met d’r al heet! nog gain hallef ses... je hep dur puur nog ’n vaiftien uur om malkoar an rieme te snaie hee?.... kaik hier!.. is dur twintig pond mooie kapcainders.... wie set....
—Tachtig! schreeuwde daad’lijk ’n venter, stemschor, rauw.
—Tachtig, van fier kant gelaik!
Vrouw Banke, met’r zwartig-rood kapertje over ’t hoofd, ’r korte, spek-vette, trillige armen, boven ’r tonnigen romp-buik, grabbelde in den kapucijnerzak dien Bode op de veilbank sleepen liet.
Lacherig schalkte ie, hoog boven de venters uitkijkend:
—’t Benne gain kuite.... vrouw Banke.... je ken dur sain nie knaipe!
Gegier stortte in, en heeterig aangevlamd in hartstocht, tapten wat kerels schunnige moppen, die vrouw Banke met minachtend lipgepuf afweerde.
Bode had toegeslagen, en telkens weer ’n andere venter kwam op àfroep van zangnummer, van achter, bijzij, uit kajuit, door den opgeknelden menschenkronkel heenduiken, met zware zakken of bakken boven hoofd en onder arm, alles neersmakkend in vloek-heeten sjouw-zucht op veilbank voor den Bode.
—Nou he’k vaiftig pond piek-faine groentjes!
—’n Gulde:....
—Een-tien.... een-tien.. mi je drieë.... een vaiftien!.. een twintig.... mi-je viere.... een vaif.... een dertig!....
Overal keek z’n rood-frissche kop rond, lachte z’n lichtpaarsige wipneus, drinkebroer-komisch, kleurden z’n wangen alsof vrieswind ’n blosgloed op z’n kaken geschminkt had. En hagelwit lachten z’n tanden, tusschen z’n hel-rooie lippen, bij elk opbod. Hoog pagaaiden z’n arm-gebaren door de lucht, hitste z’n stem de venters op. Achter en om koelscherm bleef roezemoes gonzen van kakelwijven en schorrige kerels, rond ’t zwarte stoompijp-gevaarte.—
—Nou he’k nog twintig pond prêchtige loage woaltjes hee? eerste prime-kwoaletait!.. hai jai doàr!.... kalf-mi-je-natte neus!.... hoeke motte ’t weuse?....
Op plaatdek van machinekamer, dat gloeide van stoom en zon, trampelden de kerels ’n deuntje, brak weer herrie en gestrij los, tot de Bode er met z’n staalharde stem weer tusschen invloekte. ’n Knappe donkre vrouw, was uit ’t gedrang opgesjokt, met ’n zwaren zak voor d’r buik, dien ze met knieduwetjes opsjorde, en in blaas-zucht smakken liet op veilbank. Haar kop droop van roodzweet en gloeiing.—
—Dominie hiet! paa’s d’r op en bran je bekkie niet, schaterde de Bode.... seg vrouw Reep.... soo is dur puur gain vatte àn.... hee doàr!.. help jullie ’t goeie mins ’n handje sjorre.... hooger òp.... soo!.... soo is ’t broaf!
Plots gulpte de zwartmastige pijp rook uit, verwaaiend in roetgolvende mistkransen over de tuinderskoppen, hun rompen wegdonkerend in roetbruinen damp. Ze kuchten en vloekten de werkers, achter den brons-zwarten mist, en stil éven bleef Bodestem weg. Maar daadlijk uit wegroeting van rook kwam ’t afgeroepen nummer opzetten, naast de donker-vette vrouw, opdringend met blauw beschilderde manden.—
—’n Uijtvinding, lachte de Bode, blauwkokke in ’n beskilderde skulpmand.... hi-hi!.... nou minse.... wa segge jullie veur veertig pond blauwkokke!.. prechtige kapcainders!....
Snel en stemme-knetterend joeg opbod-jacht tegen elkaar in.
—Ke jài die nie hebbe Dirk, jai hep tug gain blauwkokke teelt!
—Es kaike hoeke se goan.
—Sestig.... tachtig!.... tachtig.. allegoar!.. Bi-jai-t-Hain!
—Naigtig! viel Dirk kalm uit.—Hij kon sullie d’r bestig bruike.... bai s’n aige doppers.... had ie vroag veur bai s’n klante!....
Meer en meer doppers werden opgesjord naar veilbank, en haastiger wisselden de venters hun waar uit. Zak op zak bonkte neer voor den Bode, en woester grabbelden z’n vingers in ’t groen.—Vóór de veilbank gedrongen uit achterste rij, stond ’n oue, beverige pachter, knorrige kop met ingegroeid zwarte vlekken op z’n neus en mottig voorhoofd. Aan z’n bepukkelde kleine oortjes, glimmerden koperig-gouden ringetjes, waar ie telkens met beverige handen naar greep, aan trok en kneep, dat z’n lelletjes bloed-rood gloeiden bòven z’n bontvervigen halsdoek, die morsig om z’n vest kreukelde.
—Veur ’n f’randring.... vaif bosse duifeke! wie set dur in!
Laag, armen uitgestrekt, hield Bode de bossen wortelen in z’n hand, wortelen, breed-puntig als priktollen.
—Die mo’k main hiete!
—Aràit!.... moàr se sitte vast an twee mandjes postelain.. wie sait dur wá’—Harder, staliger klonk z’n stem, uitdagend, verwaaiend in brieskoelte.—
Onder koelscherm uit, kwam roetige negerkop van stokersmaatje koekeloeren. Langzaam groeide zijn lijf hooger òp uit de, hittesfeer rondschroeiende machinekamer, waar ’t heet stootte en bonkte in treinrhytmus.... De stikwarmte uit hamerend boot-hart vloeide rond de groenten en vruchten, stookte en gistte ’r zwijmel van stankdampen. Tusschen de tuinders drong stokersmaatje zich heen, naar ’t dwars-vat met water, gretig loerend naar ’t kraantje en wit-steenen kom. Z’n roetige handen graaiden haastig door opening tusschen wat venters, naar drank. Gretiger nog omknelde hij ’t kraantje, met z’n beenen en romp weggedrukt achter de woelige jagende veilers, die in vuur van koop ’m niet doorlieten. Stil werkten z’n allééne handen en armstompjes in woeligen grabbel, als afgehouen levend, tusschen wat kleine ruimte-spleetjes, lieten ze ’t waterstroompje de kom inkletteren. Zacht-voorzichtig werkten de roet-handen zich weer achteruit tusschen de lijven door, de zwarte vingers krampig strak in greep om den wit-steenen rand gekneld. Gejaagd slurpte stokersmaatje, ingebukt àchter de ventersruggen in klokkende lafenis, z’n heete keel vol koude vloeiing begietend. Weer woelden z’n handen en armstompjes naar voren, tusschen dijen en koppen van laag zittenden, en weer slorpte ie bak na bak lauw vat-water in.—
—Gaif main d’r ook us ’n koppie, kost tug niks hee? lolde Klaas Grint.
Maar roetgezicht van maatje, waarin de oogen nikkerig met ’t vreemd-wild wit hadden òpgelicht, was al weer verdwenen achter de kerels, in de stoom-heete, blakerende machine-kamer.
Weer acht bossen tolronde wortelen bracht Bode in veiling. Drie tegelijk dongen gretig, heet.
—Ksj.... ksj!.... katjes! joag d’r malkoar moàr op.... schaterde de Bode.... dertig sint!.... veertig.... mooi soo.. ksj!.. kaik!.. da’ hai je Antje Meele.... kom Teun!.. gaif toe!.... gaif toe.... ’t is tug ’n maissie....
Teun lachte, was blij dat ie van ’t bod af was, begreep den vrindenwenk.
—Vaiftig.. veur de derde moal.. Antje Meele.. hai je-en-hoord netoàris?.. nou doar dan.... anpakke maid! g’luk d’r mee.... aa’s sullie dur nie veur aige bik benne!....
Over de koppen zeilde Bode de bossen naar Ant Meele heen, ’n rood behaarde, slank mooie meid die opgedrongen stond, tusschen de rumoerige kerels. In vaart nog greep ze de peenen tegen ’r borst op.
—Nou he’k drie bakke mooie sloà.... nie te sien.... mo je-en-gloofe.... op éere-wachtwoord.... stoan... onder kiste-stoapel.... bai àn wal te kraige, drie fersche bakke!....
—Sestig, plots zonder voorbod schreeuwde ’n mottige venter op ’n kist, weggeduwd achter twee vrouw-ruggen, èven in wippertje uitrekkend z’n hals, dat Bode net nog z’n pukkel-neus zien kon, voor hij weer snel in die diepte verzonk.—
—Sestig.... seventig.... vaif en seventig riep Bode, z’n hoofd draaiend naar allen kant, om te kijken of ’r opbod gewenkt werd in verre hoekjes.
—Tachtig schreeuwde nerveus, de laagzittend weggeduwde weer, even opwippend, nù met z’n heele mottige kop boven de vrouwruggen uit.
—Naigtig, van andere zij klonk ’t sarrend.
—Roggemegoggel! f’rek jai!.... die flop is main de heule uchend t’met in de wiele..... ikke ken d’r niks praise.... of hai is d’r bai.... nou ikke dankkie.... ikke mo nie meur.... wa jou Dirk?....
—Mo jai waite, binne d’r main soake nie!
—Nou seg.... dá’ binne d’r drie bakke.... die je nie sien kenne.... drie bakke.... kroppies!.... kenne wel floddermusse weuse.... die sloà, hee?.... heuldegoar slap!.... ikke mo nie.... wa? wà?.... nog hooger.... hoeveul sait ie doàr?
—Eén vaif schreeuwde Dirk, éen vaif.... je mag je wel hoaste laileke brompot!
—Roggemegoggel! ikke mó’ nie’.... kenne wel puur floddermusse weuse hee?.... mijmerde ie voor zich uit, tegen de donkere wollig-besjaalde wijfruggen op, met z’n weggezakten kop in de diepte.
Van allen kant gonsde snater en rauwe klankenwarrel van stemmen. Zon gloeide fel, barnend, stoofde de stanken, de broeilijven, en al pafferend zweetten de kerels, in lollige rumoering van veilhartstocht.
—Nou stoàn ’k tog puur van drie uur.... f’rdomd aa’s je hier sitte kenne, klaagde ’n tuindersvrouw, met morrend, moe-nijdig gezicht, ’n zwart breikous-stompje telkens van d’r borst, onder d’r kippige oogjes trekkend. Snel, in naaldflitsend beweeg breide ze mopperend voort, van ’r vingers-dansend draadgeweb, aldoor òpstarend naar Bode en groenten.—Geen gaatje plaats was er meer op de boot. Al de tuinders, lomp en hebzuchtig, hadden zich neergesmakt op manden of kisten of stònden op koelscherm. Dikke dijbrokken en achterwerk van ventsters, spanden ingekneld tusschen broeibeenen van kerels. Tegen de donkere pijp in ’t luchtbrandende blauw, leunde ’n troep beweeglijke werkers, lachend en krijschend, grimassend achter stillen rug van kapitein. Ze lolden met de breiende vrouw, die kippig en doodmoe van ingekneld-staan en hitte, niet veel zag van de waar, knorrig gromde, dat ze nog den heelen dag te sjokken, te venten had in de stad, in die pesthitte, en nòu d’r beenen al voelde als verlamd... En aa’s se d’r nou moar ’n kop leut kon naime.... ze had d’r dorst en honger veur drie....
Nerveuzer breidde ze door, tegen ’t hoofd van een kerel, vóór haar buik en beenen neergehurkt, d’r stuipig stompje kous boven z’n pof-pet komiekerig verkronkelend, onder de snelvingerige webberijtjes van ’r naalden en draad. Telkens flitste zon bliksemend licht op de naalden, die even hel-elektrisch gloeiden en schichtige flikkerpijltjes puntig àfslingerden, tusschen de sjofele kerels en hun morsige stankplunje.—
Bode had uit de kajuit ’n borrel gekregen, gelijk met „notaris,” die in vadsige houding bleef luieren in zonnegloei, tegen de pijp aangeleund, den borrel in één achterwaartschen smak van z’n hoofd, z’n keel ingoot.—
—Netoaris hep ’m glat laid s’n happie!.. lolde ’n groenboer met afgunst, hunkerend naar eigen zuip.—
Rooie kop van Bode lachte, mond-wijd.—Z’n tong klapte klakjes van genot tegen z’n gehemelte òp en prachtig z’n tanden glinsterden blank tusschen z’n vuurrooie lippen uit. Lustig hadden de venters den zoet-inglijenden borreldronk beloerd, want allen snakten naar ’t brandvocht, zalige lafenis in de venthitte.—
—Nog een borrel veur aige bik, veur de Bode, ironizeerde Klaas Grint.... enne een veur de „neerstige netoaris”.... daa’s veur sain drooge keel van ’t skràive... hei smoàkkert?
Dirk veegde z’n mond af, watertandde, voelde flauw speeksel op z’n lippen klefferen, en van allen kant, de zwoegers rumoerden heete grappen rond, nou er zoo vroeg al door de „heeren” geheschen werd.
—Strakk-en-an jullie beurt hee?.... beet de Bode terug.. En nou!.. manne broeders!.. luistert!.. tien bosse rebarber.. segge tien.... wie seit dur?....
Van alle kanten tegelijk, krakeelde bod tegen elkaar òp. Een vurigste, schreeuwde hoogsten prijs, bleef winner.
—Veur Vink.... ses bos.—Nou he’k nog vaiftien.. wie sait dur? Weer daverden stemmen in golfstoot tegen elkaar in. Geraas kraterde los. Ze scholden, keven, nijdigden, nu de làter-geveilde rhabarbers veel goedkooper gingen dan de eerste.
—Da’ binne dur gemoedereerde liefhebbers, grinnikte de Bode.... nog ses bosse.—In woesten slinger zeilde ie de verkochte stelen naar den groenteboer die ze gekregen had.
—Gooi jai hullie moar in ’t bakkes hee, jai kailt moar roak t’met!
—Nog vaiftien bosse vàn.... „netoaris?....” vroeg Bode, doend of ie niet merkte dat ie ’n kerel pal tegen z’n pijnlijken neus gemept had.
—Houweke!, schreeuwde achter de pijp notaris uit, met even oprekking van z’n hoofd uit luien armenleun.—
Dirk bood ’t hoogst, kreeg ook, in joligen zwier, de heele vracht van Bode toegesmakt, pal in z’n armen. Maar nergens kon ie zich roeren, wist ie z’n bossen te bergen. Schuin achter ’m hing al ’n rij manden, los, tusschen vaten en kisten.—Met de vracht z’n armen ingekneld, paf van zweet en hitte, bleef ie staan, tusschen de zittenden, hurkenden en woelenden; probeerde ie zich langzaam los te werken, met z’n zakken erwten en manden, uit het wasemende, broeiende menschenkluw.
—Nou nog sestig pond witte kapcainders.... wá’ segge jullie nou.... de loatste ressies.... Veur d’n dag manne.... dappere vrouwe of te wel kenàu-Ha?.... neenet.... kenau.. boè seloars!....
Zwaar sjorde ’n zak uit ’n bres geboorden hoek, op veilbank. Half afgezakt van den zinken rand sleepte ’n pachter z’n waar bij ’n touw, blaas-hijgend van hitte. Maar niemand bood meer, dat woedend de kerel z’n vracht van den veilbank terug rukte, opbonkerde tegen beenen en hoofden, met ’n vloek achteruitstoof, rood van gift. Z’n waar schoot de bres door, die achter ’m weer sloot, knellend, walmend-benauwd.
Tusschen den muur van koppen en ruggen, gromde ie nijdig nog:
—Wâ suinige Job.... die laileke takkebos kaikt je an of je ’t d’r stole hep!
—Nou wa’ dan.... pluk jai vaire van ’n kikker hee? aa’s d’r gain sinte binne, moedereerde ’n oudje, z’n neus hard snuitend met ’n vuil rood zakdoek, dat ie als geronnen bloedlap tusschen z’n beverig gelige vuist kreukelde.—
—Nou he’k nog vaif bosse wortele, schoof ie weer nijdig af bij ’n ander.
—Dank hee?.... ken jou wortele nie hebbe.... binne main veuls te groot.
—Loop jai rond, duufelstoejoager.... sain f’rassereerd-goed.
—Disketeere komp hier nie van paa’s foàder!.. lachte de Bode.... wá’ há’ je nog meer?.... komt dur dan mee veur ’t licht hee?.... O? wà? niks meer? niks?.... dus je bin dur uit! Mooi!.... dan he’k hier nog ’n prechtig kisje ongetelde tuinboone.... Wie sait dur veertig sint.. veur die heule sak.... soo wait aa’s de broek van vrouw Zeune!
—Vaiftig dofte ’n stem!
—Sestig, er boven uit gilde één heeter, trillender.
—Naigtig, ikke mose hebbe snauwde een ander driftig.
Weer zag de kerel op de lage kist, weggezonken achter de stom-breede vrouwe-ruggen ’n koop afgetroefd door z’n veiling-vijand.—
Even had ie weer ’n wipper van z’n bak genomen, den mottigen kop uitgerekt en gezien, met woede, dat ’t z’n ouë tegenstander was. Nijdig trampelde ie met ingeknelde zenuwbeving z’n beenen naar alle kant, dat de makkers voor en achter ’m vloekten en duwden, om de bemorsing van hun plunje.—
—Ben jai daas snurkert! hak je beene d’raf, aa’s je hullie d’r nie stil houe ken.
Weggezakt weer achter ruggenmuur, z’n pukkelkop gebukt, kookte ’t weer in ’m van drift, probeerde ie zichzelf wijs te maken, dat ’t toch veel te duur ging, hij zelf blij moest zijn dat ie ’r zoo goed afgekommen was.
—Haa’k strak-en an meskien die floddermusse had.. en nou.... potdoorie.... die haireboone!.... ongeteld!.... sitte d’r vast gain duusend in.... magge veur main bestig hebbe.... haha, wat ’n dolle smak.... Nou.... ikke mo nie!.. wa?.... wà?.. hoeveul sait ie?.... kaik.... prechtig! prechtig, joàge hullie sain d’rais ook op!...... kaik! nog hooger.. hoor main-dàt-t’rais an!.... kaik.... goan die nog hooger! hoor! daa’s d’r puur doas.... Wá’ brenge die op?... vast gain duusend in.... ongeteld! Gain duut!
—Een vaif en twintig, staalhard, hortend klonk Bodestem.. mi je tweeë.. één dertig.... mi je drieë.... éen vaif en dertig.. één vaif en dertig.... een vaif en dertig.... éen moàl.... andermoal.... veur de derde moal.... Ritsema!
Stomp keek ie, de hals rekkende venter, stomp op donkre vrouwruggen. Zacht, in zenuwnijd trampelden z’n beenen tusschen engte van lijven, schijnheilig overgaand in ’n deuntje op ’t doffe hout, en brommerig raspte z’n ventersstem, dat ie d’r niks van hebbe most, van floddermusse en ongetelde boone.—
—Nou nog veertig pond peule, bestige, malsige, soetige, schreeuwde de Bode, nog de loàtste ressies en dan is ’t puur daan!
Weer stortte ’n veiler rhabarber neer op de heet-zonnige zinken veilbank, die dampte van geuren als ’n wierookaltaar. Weer sjorden zakken doppers òp, en voort joeg onder proestlach en juichender krijsch, gedol en nijd, de roezemoezende koop; kwam er begeeren naar eerste schoft in de schorre, droge, heete keelen. Drukkender hitte gloeide en zwamde néér op menschenprop en koppen. Warmer stanken in zonnevuur, ontbroeiden op hun morsig vel, en de kajuit ademde wee-zoete luchten uit, van bakmuilen en grijnzende mond-manden, walmzwaar en duf-bezwangerd, naar ’t dek. Aardbeien, wee-zwoel geurden rond in ’n damp van benauwde zoetigheid, en telkens, in verschuif en versjouw van groenten, brandden de kisten hun rood uit, in zengenden blaker; kogelende vruchtjes vuur tusschen helgroen en zacht bleek, donker droef groen.—Groen, rauw als plankenkoloriet van Zaandamsche hutjes, omzond in heete murmeling van zomervreugd; tusschen pastel-teer bleek-groen.—En alles daar, zoefte voort in ’t landelijk kanaal, ’t hel-rood, ’t groen, ’t donkere en licht-felle, ’t brandende wortelenoranje, de zee-groene lichtverwiegende kroppen, de pastel-fijne erwten, de boonen en bakken, stoofgloeiend onder ’t blauwe vuur van de eindlooze lucht, hemeldom van brandend lichtblauw; hitte die wit vergloeide in daverenden zonnebrand op wei en bouwgrond, eindloos in ’t rond.
Als schroeiend brok zomer, levend brok aarde, in schipvorm saamgestampt, zoog de boot door het schitter-fel, licht-beketst water; als kleur-drijvende aarde-ark van groen en rood, tusschen goud-koperen gloeiing van roer-brokken en randstukken in glimmigen zwier van verglijende glansen. En rond de groente-ark, de hevige wemel, ’t brandende trillende koloriet van alkleurig kistenschmink. Vóór „Tuinders Geluk” zwierde kleurenbrand van andere booten, tusschen de heete zonneoevers van eindloos poldergroen. Vaag rumoer van stemmen klonk daar òp, achter de pijpen. Van ver brandde ’t aardbeirood uit kistenmuur, feller, hevig-heerlijk tegen hemeldom van brandend blauw. En windeke van zomermorgen, briesde en stoeide, koel-streelend en wuft om de vruchten, de zweetkoppen. In ’t water ruischte ’t golfjesschuim, stoeide de zon met z’n sprankelend vuur van zilverend-goud. Droom’rig murmureerde rhytmische kabbeling van zonne-golfjes, om boeg en steven heet vervloeiend.
Dirk stond van geuren en bries bekoeld, polderland te overstaren. Van den luchthelm naast ’m sprong plots ’n rooie kerel àf met ’n zwaren zak lage waalen.—Rook wolkte over hen uit. Donkere gulping en bronzen veeg van stoom verroette, en pijp-zang baste in beev’rige galmen ’t vuur-stoeiende watervlak over. Bronzerig in wolksmook, verlicht in dagbrand, bleef áánroetten de rook, dat de kerels vloekten achter de pijp. De rooie venter, kuchend en keelschrapend, sleepte z’n zak op veilbank, van boven nauw dichtgesnoerd met ’n dikken vuil-witten band.—
—Wa binne ’t veur snoake?.... vroeg ongeduldig van z’n bank, de Bode droog-komisch op den rooie neerkijkend.
—Sestig pond loage woale.... de leste!
—Sestig pond.... prèchtige loage woale, schreeuwde Bode dadelijk, zonder te sien.... fersche, malsche woale.... wie sait dur honderd gulde....
—Eerst kaike hee?.... se kenne d’r puur te dik weuse, norschte ’n vrouw.
—Sièn je woàr, duwde Klaas Grint er tusschen door.
Gejaagder morrelde de Rooie aan den zak, driftig rukkend, aan ’t wit stuk band dat er niet afkronkelen wou. Bode ophitsender, bonkte al met z’n handen op schouders van den venter, grimassig doend of ie ’m hielp trekken. Ongeduldiger geprikkeld, verhit, dolden en schaterden de kerels op ’m ààn.
—Die boel ken d’r nie los, vast nie.... da’ binne d’r gain woàle.... da seg ikke jullie!.. smak die gaip op s’n almenak.. da s’n ribbe kroake!
—Aas je main! je ben d’r nie lekker op.... aa’s ’n kikker op ’n kluitje hee?.... verontwaardigd snauwde knorrig en sputterend van vermoeienis de rooie groenboer terug, z’n zak even loslatend, van verlamd moeheidsgevoel in z’n armen.
—Furt d’r mee, los die rommel, joeg de Bode weer op, dien ’t nou begon te vervelen.... furt! of ikke sèl ’t doen.... f’rdomme, ’t kroakt hier op de bank of Sinterkloas er reeë heb!
Van z’n stoel, beenen uitgekromd, rukte ie aan de zak, nijdig met driftige handmeppen, maar de knoop bleef in kronkel gesnoerd. Giftiger rukte de Rooie, dat ’t vette glimzweet van z’n blanken kop waterde. Niets hielp. Allen in voorsten rij beukten en rukten den zak, die als ’n levende romp, gepijnigd op folterbank, in z’n grauwbrons en plooi’rige vadsigheid méékronkelde en stuipte onder de driftige meppen der kerels. Lol hadden ze ’r van, gierende lol om de zweetende, vloekende onmacht van den rooien groenteboer.—
—Da’ goan nie, dolde Klaas Grint, hai hep sain d’r vàstbakt....
—Nou, ikke seg daa’s ’t kouseband van sain tante!....
—An-main-hupla!.. van sain skoonmoeder t’met.... die hep dur koabels om d’r kuite!
—Niks gedoan! ’t kouseband van sain maid! kaik d’r stoan ’n merrekie op!
Woedender voelde de kerel hitte-drift in zich òpfuriën onder ’t heete geschater en de stekelige lolletjes van de groenboeren rondom.—Maar ’t dolst maakten ’m de nijdige grapjes boven z’n hoofd van den Bode, dien ie niet zàg, maar hòòrde grimassen. Eindelijk viel ie nijdig op den zwikkenden en krampenden zak áán, beet er z’n tanden woedend op in, rukte den knoop heen en weer met z’n drift-gloeienden mond, als ’n hond ’n been-kluif,—knaagde, scheurde en knarste. Even kwam er ’n stompje loswarrelen. In grabbel trok ie z’n mes, sneed plots den band door, dat de zak, gerammeid, gehurkt en vernederd, van boven lossprong uit z’n worgenden klem als met ’n snikzucht naar lucht.—
Weer nieuw goed werd aangesjouwd, nù losse slabakken.
—Mo’ je nog twai bakke, soo uit ’t knuisje van Knelis Tijsse?
—Hee, hai je d’r veur main ook nog twai?
—Ikke hep per nog één veur je, krijschte ’n ander er dwars door heen, veur de hàlft van sain prais.
—Daa’s liederlik, jai natte kip! hou je bek, jai ben d’r nie in vailing.
Met ’n grooten bak sla wou de dwarsdrijverige onderduiker zich door het kluw venters heen werken, maar van allen kant, bonkten ze’m terug, moest ie, strompelend en struikelend maken dat ie weg kwam, ’t stillere boot-achterend op.—
—La’ da’ varke nie deur.... eerst de bakke van Tientjes wèg.... hee Tientjes! wa hai je dur nog meer?.... rebarber he’k had, peene, sloà, postelain ook.... boonekruid... loate „spanneezie”....
—Ben d’r uit! schreeuwde Tientjes opgeruimd terug!
—D’ruit! mooi, dan he’k nog tien bosse faine peene!....
’n Sjofele, monsterleelijke tuindersvrouw, rimpelig begijntje, met dik-apige lippen en naarvoren gestomd kakement, had zich, in ’r hard-geel manteltje, vooruit gedrongen, bij kleine stootjes en duwetjes. Nou alles op ’t end liep, ’r verslapping kwam, en wrevelige hang naar schaft, drong zij vooròp, listigjes spekuleerend op vermoeiing der andere groenboeren.—
Met schuchter-zwakke stem zette ze’n bodje in, en plots dromde woeste snauw van alle kanten tegelijk op ’r af.
—Saa’k laife! da’ hai je ’t kallef mi-de-natte neus.—
—Loà de boere moar dorsse! ken hoàr ’t skele, minachtte ’n andere vrouw met venijnigen, puntig-bitsen kop, bejeukend d’r scherpen neus, die uitpriemde als ’n boor onder ’r gore steekmuts. De eeuwig-breiende ventster, moe, met ’r knorrige moppertronie, snauwde mee, schril. Niemand gunde ’t rimpel-begijntje ’r sjofele koopjes.—
—Roggemegoggel! de gele medam hep ’t puur op d’r heupies.—
—Se hep o-de-keloonie van d’r gelant op d’r jakkie, hoonschaterde vrouw Zeune, en de brei-vrouw rolde weer ’n vloek naar d’r verschrikt snuit.
—Veertig.... sint.... veertig, hakte de Bode door stemmen-gesnauw en gekef heen.... veertig eenmoal!....
—Vaif- en veertig, nijdigde ’n andere vrouw, alleen maar om òp te bieden, wrevelig-wetend dat ze de waar toch niet noodig had, volgepropt als de mannen en wijven al zaten, bij den laatsten rondgang.
—Vaif en vaiftig! dolde ’n kerel ’r tegen in, die de gele madam niet luchten kon, met genot ’r uitgehuilde kaken zag verangstigen.
Zweet-rood glom de gele madam, stotterend in verlegen angst, bekrabbend ’r apigen gelen mond en kin. Benauwd glunderden haar oogjes, vol glinsterig, sluw-bang licht, òp naar den Bode. Want op ’t eind van elke veiling was zij taai, zij, dat wist de kerel.
—Sssjesjjtig, siste ze even uit, met ’n wenk van ’r magere knokels, sluw, schuchter toch.—
Nijdige snauwhoera’s gierden ’r hoon-scherp tegemoet.
—Je man kaikt mi sain skele lampies noa je hain!, sarde ’n tuinder achter ’r rug, haar telkens porrend tegen de schouers, dat ze schokte.
—Nouw sssjjoà.... nouw sssjjoa.... aa’s.. aa’s... tongsleepte ze, in wanhoop opgejaagd om hooger te bieden. Haar naar voren gestomd, geel kakement sidderde van zenuwschokjes, ’r apige lippen trilden, en ’r ingedrukten neus, wijd opgewipt bij de reukgaten, bewreef ze onder ’t lispen.. nouw.. sssjjoà.. jullie gunt t’r main gain sssjjpòg woàter!
—Wa’ mò je tug mi die peene veur sestig uitvoere waif?.. je koop hullie pattekelier veur vaiftig bai ònster.... lolde een weer in hoontoon.
—Nouw sssjjoà... nouw sssjjoà... brabbelde ze verlegener terug, òpstarend in oogenangst naar den Bode, met zenuwsnel wimpergetril, als hing ’n slingerend mes boven ’r hoofd,—De vrouwen grolden, konkelden en schaterden vinnig jaloersch, lol-woest, dat ze’r zoo hoog opgedreven hadden, in hun gejaagd bieden.
—Nou mag sai d’r biertje loàte werrike?.. Bi-jai-’t-Hain!
—Sestig, eenmoal, veur de derde moal, hakte de Bode droog door, vrouw Joapeke!
Ze beefde als ’n riet, vrouw Jaapeke! Ze voelde, in ’r zenuwangst, dat ze toch te hoog was gegaan. Bang graaiden ’r gele, breed-bemouwde, slobberige armen, naar de penen die de Bode tegen ’r platte borst smakte. Geel-rooiïg vervlekt, dampte ’r tronie, dat monsterlijker rimpelde als oudwijverig apenbakkes, in glimmig zweetvet. Niemand durfde ze aankijken, als had ze een gemeene streek uitgehaald. Tegen ’r hardgeel, verkaald kort manteltje, knelde ze zenuwachtig de peenen, en banger loerde ’r monsterlijk verdroogde begijntjes-kop ùit, tusschen den fellen daver van ’r wortelen-oranje en ’t fijn-kartelig uitgeknipt donker groen loof.—
—Nog twai koopies, dan is de skaft dur, lachte de Bode, ’n bittertje weer met smaktong wegklapperend en opzuigend z’n adem.
—Nou he’k nog ’n sak mit laifende woar.... gain f’rklikker in de buurt?.... niks nergens peliesie?.... wel-nou-dan!.. dan he’k hier spring-laifende woar.... twee prêchtige kenaintjes!.... kaik hullie tippele!.. kaik hullie tippele!.. la’ main in gos noam niet langert proate.. beste minse!
De grauwe zak had ie opengefrommeld en er met één hand, bij de ooren, ’n donzig blond konijntje uitgegrabbeld, dat angstig spartelde en voorpootjes kramperig tegen wit-bevlekt borstje òptrok.—
Schater barstte òp naar ’t hangende diertje, kerels gierden, vrouwen gilden.
—Sou ’t d’r ’n broertje.... of ’n sussie van sain, moar dur sit dur nog een percies-eender in de sak.. wie blief dur hullie!
In rauwen humor, de twee ooren in één hand saamgeknoopt, keerde ie konijntje naar zich toe, ruggetje naar de koopers, vroeg ’t, venijnig tikkend met vingertop op beweeglijk zenuw-trillend neusje:
—Hoe vint ùfus de f’rgoadering.... die ùfus broàde sel? ouë jonge?....
Heet gegier raasde uit den troep en konijntje draaide ie rond aan z’n ooren, dat dierke als ’n spiraalwrong, weer duizel-snel terug-schroefde.—Kramperiger spartelden opgetrokken voorpootjes; suf bleef staren ’t stomme kopje tusschen engen oorenknel; sneller en verbluft trilde angstiger ’t blanke neusje.—
Vrouw Jaapeke was er weer ’t eerst bij met ’r bod.—
—F’rvloekt, die komp nou altait op ’t lest! stiekem uit ’t hoekie.... snauwde de brei-vrouw weer, giftig doorwriemelend d’r steken, bij webbende vingertoppen.
—Is juffer luiwoàge weer an ’t woord? spotte ’n groenboer naast ’r.
—Nouw sssjòa... nouw sssjjoà... kauwden ’r dikke lippen weer, en zweeterig, met rooie vlekken, rondgetrokken als doffe bloedvinnen, glom ’r gele begijnentronie. Angstig loerden ’r oogen òp naar ’t zacht nog nàschommelende konijntje, dat de Bode telkens kleine draai-duwetjes gaf. Droeverig-gebluft staarde ’t kopje, de oogjes trilden, keken wijs, als voelde ’t deernis, dat ze ’m zoo plots uit z’n stik-donkeren, duffen aardappelenzak, in ’t felle zonlicht daar te kijk hingen. Z’n spichtige steilgrijze snorhaartjes beefden en z’n weeke angst-bekje mummelde wat, als verkauwde ’t z’n eigen angst.—
—Veertig éenmoal....
—Sestig, ’n rauwe stem van tuinder klonk achteruit.
—Ksjt! ksjt! katjes.... siste ’n kerel, sloan jullie de gaile medam veur de sokke....
Weer trok weduwe Jaapeke beverig aan ’n grooten knoop van ’r hard-geel manteltje; sterker beefden ’r oogwimpers.
—An joù juffer luiwoàge!.. veur aige bik!....
—Wa’ mot dur medam mi’ knaine van doen? sai frait d’r puur kalkoene!....
—Nouw sssjjoà... nouw sssjjoà... sleeptongde en lispte ze angstig terug, afwerend duwen en grapstooten in rug en zij, jullie gunt dur.... gunt dur.. ’n minssjch nikssjch.
Angstiger loerde ze naar Bode òp, of hooger bod inviel.
—Sestig één.... sestig anderr....
—Vaif en sestig!....
—Mooi soo!.... gooit de boel òp waife;.... aa’s alles brandt brandt woater ook.. la’ jullie je aige nie troefe.. van die gele sloerie-ekster,—stootte ’n venter uit, grinnekend tegen ’n buurman.
Weer had vrouw Jaapeke den Bode stiekem gewenkt, vlak op z’n schoenen, schuwtjes-snel ’n knauw met ’r beverige handen àfdrukkend.—
—Aaj! vrouw Joapeke! main eksterooge! krijschte de Bode een arm en been lawaaiig-komiek de lucht insliertend, ’t konijntje meeslingerend bij z’n ooren.
Joelende hoongier schaterde los. Vrouw Jaapeke stond bedremmeld, nu Bode ’r in z’n lol verraden ging, dat zìj aan ’t bod was; dat zìj op z’n schoenen gedrukt had. Weer hooger ging tegenbod;.... angstiglijker rilde gedachtetje door ’r heen, dat ze de beesjes niet kreeg.—
—Sien jullie, de gele medam waa’s ’t weer!....
—Anme huppla!.... nou kraig sai twee fraiers thuis!..
—Tachtig, hakte weer door de Bode, en weer voelde ie ’n half verborgen druk van vrouw Jaapeke’s beverige knokels op z’n schoen.—
—Vaif en tachtig eenmoal.... andermoal.... veur de dèrde moal!.. vrouw Joapeke!
Weer barstte ’n rauw hoera los, rond de gele medam. Ribbe-stootend bonkten ze’r, gilden en hoonden de jaloerschen om ’r heen.—Want ze wisten wel, dat zij dingen plaatste, die anderen nooit gebruiken konden, bij wijven in de Nes. Daarom durfden ze niet nòg hooger tegen ’r opbieden, bang dat ze ’r misschien aan hangen bleven.—Bode had konijntje weer in den zak gesmakt en rolde de levende waar vrouw Jaapeke tegen ’r platte borst, boven wortelenstapel, waarmee ze nog onder de armen, tusschen de mensch-kluw ingepropt knelde.
—Saa’k f’rbrande aa’s ’k snap wá’ ’t waif d’r mee uithoale mot.... verleje.... mi Juni hep sai ook.. die vaif prêchtige leeuwerikkies kocht.... die hassebas.... woar hoalt ’t murmel de sinte van wèg!....
—Van beroep is d’r man tug stroat-oàrm, hoonde ’n ander.. hee! gele medam, koop jai d’rais ’n nuwt stelletje kiese hee?....
—Trek jai d’r veere van ’n kikker! schaterde valsch mee de vrouw met d’r rooie kap en woelige sierseltjes, boven ’r voorhoofd.... se is t’r moager aa’s ’n tang! en ’t laikt dâ se koopt veur aige bik!
—Nou, grinnikte de brei-vrouw,—in de stad... loopt ’t mins.... soo ver aa’s de hemel blauw is.... en roakt t’met nooit niks kwait van d’r kar.
—De leste koop!.... luistert wèl, goê-liën, schalde hoogklaar de Bode weer,.... om te beginne en an te vange mit ’t begin, he’k hier ’n prèchtige takrooie maidoorn.... wie blieft.. wie-sait!
Van vier kanten raasde áán, dooreengolvend stemgekletter.
—Tien! vaiftien!.... achttien!....
—Mit je àlle achttien, lachte Bode, mit je àlle twintig.... wie mot!
Dat was blomgoed, waar de hééle stoet op loerde.—
—F’rfloekt.... de fint snait d’r ieder dag ’n takkie van sain boom.... aa’s tie dit joar.. gain tachtig pop veur s’n boom moak, hiet ik puur gain Teun Stainders meer....
De eerste bloemenkoop was weggerùkt. Langzaam achter ’n stapel aardbeikisten, wrong groenboer nog twee kleinere takjes. Maar nòg schreeuweriger, voor hooger prijs, kochten ze die in. Ze wachten er op, en hurrieden alle tegelijk er om.—
—Op is de boel!... gelukkig, kwam d’r aêrs nog muiterai an board.... Moandag weer ’n handje!.... lachte de Bode, en nou he’k hier nog prèchtige lelies.... wie mot dur.. wie?..
Nauwelijks had ie de vormfijne lang-stengelige bloemen in de handen of ze smakten op ’m neer. Twee vrouwen rukten ’n heel bosje uit z’n warme knuist.
—Ikke ook, ikke mot d’r òòk....
—Hier.... doar hai je vast màin.. vrachie sinte!.... Ikke hep d’r tien!....
—Màin.... main!.... daa’s gemàin, gilde ’n ander.... ikke hep d’r eerst sait!....
—Krikf’rdorie.... die blomme luchte lèkker, snoof Dirk verbaasd-loom òp.. die mo’k hebbe veur main klante!....
De vrouw met de stuipige breikousstomp was plots òver de hurriënde en dringende kerels heengebukt, ’r vat-breed achterwerk ’n groenboer langs ’t gezicht schurend. In woesten ruk, had ze vrouw Jaapeke de lelies uit ’r hand gescheurd, de bloemen haastig in d’r schort beschermend.—Vier andere vrouwen, met verkoop van veiling, zwaarlijvig bijeengeklonterd, sprongen bijzij op gele madam af, om te zien of ze nog meer blommen bergde.—Maar in één ruk had de breivrouw ’r leeggeplukt. Grienerige woedetrekken groefden om schrei-mond van gele medam, en sputterend spoog-lispte ze vloeken uit, naar de woeststerke wijven. ’n Endje van vrouw Jaapeke af, waren nu wat groenboeren op de brei-vrouw losgesprongen, om die den blommeboel te ontfutselen, bonkend en haar bekrijschend dat ze niet had laten uitveilen. Maar breivrouw weerde zich heftig, trapte naar achter, beukte opzij, in den knellenden warrel van graaiende en rukkende handen, stampen van beenen en lijven. Bodestem schalde plots bòven ’t warme stoeigewoel uit, in lach van z’n frisschen kop.
—Nou nog wa’ prêchtige pioene, wie-se-hep kraigt de staikels.... ikke hou de blomme—.. In wat tellen hadden de venters ’m afgekocht.—Broeierige woeling gistte los in den veiling-prop.—Snikhitte dampte om hun zweethoofden. Zon priemde fellere lichtlansen neer op de boot. Elk plekje braadde en kookte.—Spraakloos buiten ’t gewoel, stond kapitein voor zich uit te staren, ’t vonkwater in, en hoorbaarder nu, achter veilingstilte uit, klotste de golfjeskabbel tegen schipwanden òp in schuimende koeling en week ruischgestroom.—
Hunkering naar ochtendschaft ging rond. Om den Bode klonterde de menschenkluit los. Twee dikke groenboeren kankaneerden in nauw gangetje van hangende manden en kisten, naar de kajuit. De dikste, achteruit dansend, met kwabbige schommeling van z’n vet lijf en spanning van dans-dijen, strompelde gladkoperen traprichel af. Springend met kromgebogen armen, ’n zwaai de lucht in, plof-bonsde de andere op z’n borst en buik. Achter hen ààn, trampelde ’n heele bende naar beneden, de kajuit in, waar al wat kerels, mistig berookt in halflicht hoekje, saamgebroeid hurkten achter hun manden.
Als ’n laag-bezolderde ark, spitsig toeloopend en hellend bij den boeg, dampigde de kajuit, volgesmookt van pijp- en sigarendamp, snikheet. Groòter en ruwer dan in ’t fel deklicht, onder half schaduw nù, lijfloom neergesmakt op de rooiige ruw-bekwaste banken,—leken de vrouwen- en manskoppen in de kajuitsdiepte. Achter enkele half-verduisterde hoofden, wangbrokken en kleurig haar, stroomde zonnelichtspuiing, door hooge ronde kijkgaten, beomtrekkend èven wat tronies in zoom van goud, fijn vloeiende lijn, die gloeide soms als electrische lichtdraad. Schuwere glansen schoten door morsig beruite kijkgaten, hoog ingeboord boven boeg, scheemrig vervloeiend in de halfdonkre kajuits-sombering.—Langs de wanden en midden in, plankten de ruw-rooiige banken, breed, waarop neergesmakt dromden in stomme hurrie van punten en brokkelige kanten, kisten, pakken en manden.—In de kajuit stonk ’t duffer, vunzer nog dan op ’t dek, waar dòòr de groenteluchten heen, soms nog ziltig zoute lucht van zee-windstroom aanwoei. De hooge kijkgaten, ’t heele schip langs, brandden in reflexvuur van kanaalwater en zonnegloed, tusschen ’t opkruipende half-duister in de stik-heete kajuit, als gloei-gouên oogen. Tegen de grijs-grauwe morsige zoldering zonden wat lichtkrinkels, die trillerig door elkaar heenspiraalden.—Vlak onder de gloei-gouden licht-oogenrij van kijkgaten, doorzond en fel-verblindend, kropen schaduwtinten langs verdonkerde wanden, zonk de kajuit in, vaag-kleurig van paarsen rook, even doorneveld van zwakke glanzen.—In al òpgeknelder drom trampelden de vensters van ’t dek, smakten zich neer op de banken, tusschen hun pakken en kisten.—In roodbruine somberheid plankten de banken, en heel de kajuit, met de oppropping van koopwaar, leek ’n groef, roodsteenig en duister, waarin schipbreukelingen saamgevlucht stumperden, bàng omknellend hun laatste rijkdommen.
’n Lange kerel, met heel kleine oogjes, z’n hoofd de zoldering rakend, waaronder z’n gebaren reuzigden, holde heen en weer te bedienen, stapte telkens op ’n vrouw af, die op bankpunt koffie schonk uit ’n bruin beschilderden koffie-stoomketel. Tegen muur van kajuitstrap, donkerde inhammend buffetje, waarin opgedrongen bijéén hinkten, diendertjes, manke jeneverglaasjes; tegen elkaar leunden, flesschen, koppen, broodbonken, kaas, steenen bordjes en sigaren. Van alle kanten, uit de half duistere kajuit, tusschen het triestige roodbruin van banken en morsig grijs van zoldering, roezemoesden zeurige, teemende en krijschend-jolige, hakkelende en sputterende stemmen. Uit elken hoek warrelde geraas, gekakel en boerenwoest geschater. Gretig pakten de venters hun stukkenzak met halve broodhompen en mikkies uit; hàpten, hàpten.
—Koffie main!
—’n Bakkie g’laik!
De heele bende verdonkerd en ver-reuzigd onder lage zoldering en balken, slurpte koffie. Overal, ingebukte nekken en gezichten, de warme lippen op de groote kopranden platgeperst, vuile handen rond de kom gekneld.—In anderen klauw, de halve mikkies gegrepen, hapten dierlijk de geile ruwe monden, slurpten de tongen, grepen en persten de morsig levend-beweeglijke vingers, groen en bruin vervuild van smeer. Op verhoogd boeg-end, druk roezemoesde ’n gierend troepje, de beschaduwde koppen naar elkaar toegebukt, in raaskallende lol, omwolkt van paarsblauwigen rookmist.—
Soms even schampte òp, achter nevel-paars, ’n pijpekop, ’n kiel, rooiig-donker, grimmig-gebarende hand, ’n wangkant, ’n harige achterkop, met even lichtbeflitste oorrand, plots weer wegduisterend in zwaarder rookgewolk. Naar alle kanten liep de lange kerel met z’n dampende koffiekoppen, zonder schotels rondgediend, oorloos en gloeiheet, de klef’rige greepklare ventershanden induwend. Al meer reuzige schoenen, beenen en lijven zakten de loom nauwe kajuitstrap af, waar ’n ruitje even licht sloeg, voor ààn, in ’t rookige hol. De vrouwen bijeengegroept kakelden en kuchten, op d’r hooge banken saamgedromd, tegenover de woeste rookers, aan spitsig-hellende boeg. Telkens moesten ze inschuiven, opschuiven voor al meer instrompelend volk, dat tusschen vrachten en meegesjouwde bakken, als onder ’n lagen hemel van zoldering-morsigheid bijeen kwam broeien. De balken met donkere reten en vuile flodders verf, kruisten vlak boven hun scheemrige tronies. Aan ’t eind van middenbank stond de schenkvrouw, breed ingebukt ’r oer-ketel te hellen. Telkens bracht de lange bediende, klefferig bevuilde koppen áán, hield éven schoongeplaste ònder den ketel-slurf, inmiddels vlug uit grooten suikerzak,—als overvloedhoorn blank-open neergetuit op bank-end,—’n schep opvisschend, en in zwierige vlucht afplonsend, in ieder kop ’n hoosje. Naast de ingebukte vrouw, die geen tijd had om ’r lijf te rekken, stond ’n vuil emmertje, van binnen bleek-rood uitgekleurd, met smoezel water, waarin ze luchtigjes,—toch doorschenkend uit ’r koffieslurf,—rond-spoelde de aangedragen, klodderig bestroopte koppen. Even ’t bruin-bestroopte van buiten wegplassend, druipend nog van vieze straaltjes grondig vocht, grabbelde ze met ’r natte handen de kommen weer òp, uit den emmer. En ’r zoon bleef bedienen, hield de reuzige koppen weer voor de tuit, die stroef stond, beklept-harig als ’n levende slurf, waarop vuiligheid bakte. En vlug, de eeuwig-gebukte schenkster rookte de kommen weer vol geurig koffiebaksel.—
Walgelijke stanken, duf en vuns rotbroeiden de groenten uit, de jenever, koffie en tabak. Tegen ’t roodbruine ruwe gebank, en den zwartmorsigen grond, zogen de stanken vast. Wilder, woester, in vergrootende donkering, slurpten, verhapten de koppen, met apig-dierlijke rukken ’t brood, in geilen slurp en zuig, smakkend zich gevend aan vroege vraatzucht en drank.
Dirk lag met z’n arm op ’n stapel duf-stinkende manden, en achter z’n hoofd, op tusschenplank van middenbank, tweekants bezet, stapelden bossen groenten en bloemen, zoet-zwoele lelies, tusschen voos-luchtende aardappels en kool, bruidsgeur en blankte, vermolmend onder gronderige stanken van benauwing. Elk ding wasemde stank uit. De kleeren van venters stonken als verrotte beenderen. Verhitte kroegasem en bloemengeur zogen door elkaar heen.—Naast Dirk, hurkten met beenen onder kin opgehaakt, Klaas Grint en Rink van den polder, happend en smakkerend in scharren en poonen, ronkend van vreetgenot. Dirk had z’n derde kop koffie al heet ingeslurpt, luisterde nu, dwars door leuter-geratel en handengeklakker van nasjacherende vrouwen en kerels om hem, naar Grint, moeilijk verstaand, z’n oor geheven als luistertrechter, tegen den heeten herrieraas van stemmen in. Grint bepeuterde voorzichtiglijk z’n poonen, smakkerde bij brokken de vet-glimmige blanke visch z’n mond in, sprak en vergierde schunnige moppen, dat z’n uitkauwsel, telkens tusschen z’n snaterende kaken opschemerde. Als ’n zaal, waarin rumoerige kakatoes op eigen houtje krijschend konverseeren, dazelde stemmesnater rond. In al gamma’s brulden, lolden, lachten menschenkelen, schorre, rauwe, zachte en weeke timbres dooréén.—Soms klonken er als schrei-geluid, kermende klanken; dàn bulderde en donderde woordkrijsch uit, hevig en verhit in de mist-rookige kajuit.—Rink van den polder, slobberde jenever, door z’n scharrenmaal hèèn. Van uit z’n apigen knie-hurk, rookmistig omdampt, keek ie telkens flikker-scherpe kajuitsoogen in, die trilrige zonnekringen, wazig-vloeiend verspuiden tegen zoldergrauw. Eén balk-brok kreeg felsten stroom, waarop, in krinkelige rilling, als ’n zwabberende kurketrekker, ’t licht invrat als wit vuur. Naast Rink, ingedrukt en bekneld van twee kanten, met mandwerk, stumperde ’n bochel, door z’n puntbult ’n end van bankwand afgeduwd.—Peinzend telde hij eiertjes. Zacht schuifelde z’n hand in ’t strooien bed, en koelblank tusschen z’n groenig-vuile vingers, marmerden de eitjes, telkens teederlijk door ’m weggekoesterd in ’t gouden stroo. Na koffieslurp voelden de kerels zich bijna in de stad, furiede zuiphartstocht òp. Overal rinkelden jeneverglaasjes, zogen de rooie dorstige kelen ’t vocht in, vol wellust.
—Màin segoàr.... moàr hardstikke swoàr! schreeuwde Dirk.
—Enne main nog ’n kats, veur sain sinte, grinnikte Grint op Rink wijzend.
Met acht kommen tegelijk, in balans-behendigheid deinde zacht de lange bediende door den rookmist heen, naar stijgenden boeghoek, al hooger onder de zoldering uitreuzend, in bukhouding z’n kop op borst gedrongen, om zich niet te stooten.—Zwier-vlug deelde ie de kommen rond, tusschen de gretig-uitgestoken handen.—Sterker klonk weer gelebber, smakking en dof eetgeronk. Klaterende roezemoes, gillerig en hoog, onder voortgonzenden toon van mannenbassen, gromde door de kajuit. Levende walvisch, leek ze menschen in angstlawaai opgehapt te hebben, die daar verwilderd in d’r half duisteren muil zaten te schreeuwen, te stampen en te reutelen tegen elkaar van kreupelen angst.—
Stooten van machinekamer bonkten trillingen door de wanden, bracht sidder in de koppen, handen en beenen. Door manden en bakken ging lèvende beefstroom. Alles zat in trilling; de tronies die raasden, de monden die zopen en vloekten, pruimden en kwebbelden; de handen, die vastklemden bevende kommen; de beenen, die trampelden of hurkten. Een flakkerende wiegel van schaduw en lichtvegen schemerde tonig en diep door de rook-paarse kajuit, rooïig-blauw verdampend in hel-lichtende òogenrij van kijkgaten, die loerden met zengenden vuur-blik.—Diep daarònder, de ingezonken lijven op banken, de handen op knieën, beverig doorschokt van machinedreun, de hoofden en oogen vertemperd in kleurigen wasem, tusschen den dof morsigen grom van roodbruin plankwerk en wandgrijs. Daar, midden in de broeihitte, sloegen, walmden en braakten de stanken òp, vunziger, uit half-open kelen van manden, uit zak-strotten, uit gaten en spleten van kisten. Zweet-rook van lijven dampte van kleeren; van barokke klompschoenen, enkele scheef en vergroeid als paardevoeten; van pilow-broeken en baaien rokken.—Uit alle hoeken wasemde rottende stank rond.—Schemervegen van schaduwzware tinten versluierden soms plòts groen-zwartig de kajuit. Rooie sigaarpunten gloeiden áán, in donkering van hoeken en de rondzonnige kajuitsoogen bleven loeren in fel vuur. Prachtige glansjes, smeltend en wiegelend, zwierden op menie-rooie randjes van drie gesloten venstertjes. Licht van waterkabbel wiegde méé met warrel van zonnespel daar in golfjes, àchter morsigblauw paarlmoerig-benevelde ruitjes. En wat trillerig geschijn deinde áán en af en om de kijkertjes. Als ’n diepe hangmat, waarin rookige schaduwen kwijnden en weer wazig-grillig verkleurden, in wiegel van gesmoord licht, hing de kajuit, plots weer in zachten schommel van boot; hangmat van rook en stank, waarin de menschlijven, opgepropt verduisterd in grauwig paars en dampig gesmoord zonlicht, bewogen in nachtmerrie-realiteit. Uit pracht van diepe donkerdroomrige tonen, stemmige diepte van zachtflakkrenden kleurmist, zwaarbefloersd in grillig verstaltigenden groenen rook, doken telkens ànders de boerenkoppen òp. Roodbruin de banken, angstiger verdoffend den getemperden kleurenstoei der mans- en vrouwkleeren; in rooknevels de groentebakken en manden, dwars en stapelend uitgestald op den donkeren vloer, vóór sprookjes-reuzige voeten, òp schootbrokken, tusschen glazen, vuile kommen en rommelzooi van stronken en afval. Daar, door dàt hangmatleven, zogen en walmden de helsch-gemengde stanken, tusschen gebeuk, getril en geraas; broeiden de koppen bijéén; lekte ’t zonnevuur door de naven en ’t dek naar kajuit, waar de snikkende hittedag verduisterd en gesmoord lag te reutelen tusschen engte van duffe wanden.—Ènkele menschkoppen bewogen in glansgouïgen zoom. Wangbrokken gloeiden beschminkt van goudpoeierig schijnsel. Pet-vormpjes vergrilden in zacht-kleurig dof-duister.—Praat en slok, deinde òp uit diepe tinttonen.—Eetmonden vervaagden omrookt onder nevels, snorre-baardig, in harige ruwheid. En de golfjes in schroeienden zonnedoop, verspoelden kabbelig-speels, ruischend tegen de lichtoogen bòven hun tronies.—In paarsigen waas, de groote werkhanden woelden en gebaarden in en uit lichtvegen, rumoerend méé met hun zuip, hun krijsch, lol en ironie.—Handen, breed en geweldig als levende wezens, op zichzelf, hevig gekromd, verbronsd in aardewroet, in rauwe energie van beweeg en passie, tusschen den rookmist en rood-groenen damp, in wilde gebaar-woeling wègslingerend scheemrige vegen en tint-grillige schaduwen. Handen van bronzen reuzen, graaiend in smoor van zonnevuur.—
—Dà waa’s d’r main ’n sjouw Dirk, schreeuwde Klaas Grint, met beverige stem, doorschokt van dreun,—nou he’k tug puur naitig bakke oarbei op de boot—hee annaime!—main nog ’n bakkie leut!....—
—Daa’s f’rduufeld achste bak, lachte de bediende.
—Nou wà’ sel ’t?.... betoàl ’k hullie nie? houw tot soo langest je snoater,.... nou hoor-je Dirk? daa’s tug puur naitig bakke, allain van main rechterhoek!....
—F’rek jai, viel Dirk met vollen mond in, zich verslikkend in hoestschokken, onder opslurping van koffie, dat z’n kop bloedrood te barsten dreigde....
—Kaik nou, die wil d’r babbele aa’s tie te slikkebikke sit,.. wà noù f’rek?.. der kenne.. kenne hier op dek, puur.. dertienhonderd bakke oarebai!.... en f’middag komp ’r nog ’n nuute anvoer.... nou, dan wee’k daa’k goar bin!....
—’t Is d’r dan ook duufels mit hoàst gonge hee?.. zei met diepe stem, zangerig, ’n venter vlak bij Dirk. Achter middenschot van bank zat ie, met verdraaid lijf, alleen neusbrok en oogen er boven uitloenschend naar de kerels.
Dirk, Grint en Rink draaiden zich half om.
—Hoe most da’ maint? vroeg stug Dirk.
—Wel nou, ’t is d’r nog gain drie weuke hee!.... t’met... daa’k... toe he’k de soete fransies sien hep hee?.... Wa’ màin dat d’r toen teugesloegte.... de vrucht wou nie sette.... alles d’r nog groen en half raip.. de grond uit!
—Daa’s net... veur drie weuke he’k niks aa’s rooie vlekkies in main tuin had, lachte Grint.
—Wel nou, zangde de diepe stem achter beschot weer, met halve tronie er boven uit, en een hand stumperig meebetoogend in beknelde gebaren,—de boel is d’r nou overstroomd hee?—
Met andere hand achter schot verscholen bonkte ie hevig op z’n weggedoken been, greep ie gretig naar ’n borrel, dien de lange kerel ’m brengen kwam. Achterover z’n kop, smeet ie z’n hapje donker mondgat in, bestelde smakkerend en likkend nog een.
—Nou, moar de haire hebbe d’r puur wâ inpalmt an ’t stêtjon en in de hoàfe hee?.... da stong t’met nie stil.... Van màin drie duusend kilo.. van sàin tweeduusend.. van Klaas, van Gijs, van Joap, van Dirk, sooveul aa’s sullie d’r hadde,—of aa’s je kèrtak veurskreef....
—Wa?.... sooveul?... soo veul aa’s ’k f’rkoope wil hee? barstte smadelijk Rink uit,—buite da’ f’koop ikke tug òòk.. da kroak je ommirs?
—Nou daa’s nie net, onthutst zei Grint, moar nou mo’ je.. mó’ je ook segge dâ je van ’t winter.... al kèrtak moakt hep.. van hoeveul je laif’re mot.—’n Màn, ’n man,... ’n woord, ’n woord.... hee?.... wa’ jou Dirk?.... wá’ jou Staine, wa jou.... Gais?.... je hoef d’r ommers nie veur de heule mikmak te f’rkertakteere?....
—Daa’s klesseneere, lolde Rink, woest verrollend z’n gemeengroene oogen,—màin nog ’n bakkie leut hee!.... moar ikke f’rkoop wa’ kwait kèn... aa’s d’r beteder martpraise binne, al hè’k kertak veur vaif joàr!.... vat je!....
—Nou seg, vergoelijkte weer sluwig Grint, de groote afnaimpers hebbe d’r tog ook hoarlie rissieko? daa’s net nie?.... en dá’ jòar.... f’rdomd.... sullie betoale d’r bestig hoog! da mô sait! Daa’s tog moar ordentelik! Velaije joar stong de mart vol van oarebai.... nie te f’rkoope.... hee?.... doar stonge wullie.... mit de pet in de ooge hee?.... en op haide?.... op haide?....
—Nou, giftte plots ’n rooie driftkop uit rookwolk òpduikend, z’n beenen met gestommel van de bank afsullend,—dà tuig f’rdient d’r g’nog!.... wa’ doene die likkebaire.... niks gedoan hoor!.... sai b’toale d’r lootjes feuruit bai de swoager van dokter Troost... komme hullie d’r effetjes kaike hee?.. de kontreleur doen d’r ommirs alles!.. enne.... dan.... dan hebbe hullie.... allain mit de oarbaie opsende.... allainig mit d’r oarbaie.... sien je!.... ’n duusend pop f’rdiend.... in ’n weuk of soo, hee?....
—Joà, moar de rissieko, teemde Klaas Grint.—
—Je suster rissieko.... soake aa’s piere.... soo staif.... om dà sullie de loodpot hebbe om vèur te skiete.... sende sullie ònster goed.... deur Duitschland... Enggeland.. en moake sullie d’r joartje wel goed hee? O die diefe.... die sloeries! schreeuwde Rink.
—Nou moar.. wa’ há’ je f’rlaije joar dan?... basstemde weer Steyne achter z’n schot, met z’n mondlijn even ’r boven,.. toen hâ je Beijens.... da’ rooide noa niks hee?.... die kaèrel.. hep toen ònster goed afnome hee? al wat wullie niet kwait kenne hee?.... ’n sint ’n mandje hee?.... mit ’n straip of’r de bakke!.... je was d’r blai da’ se hullie d’r nog veur ’n sint kwait kwam!.... Moar die skevuit heb f’rdiend... die hep d’r waite... dá’ wai gain uitweg hadde hee?.... mit al ’t goed.... die hep d’r van màin.... van joù.... van jan en alleman kocht.... hee?....
—Of daa’n skurk was, ’n geep..... tromboneerde de woedestem van Rink, daa’s Beijens van de Skans hee?.... die skoelje hep d’r ’n achthonderd pop, in één slag f’rdiend, één middag.. Hai skunnigde alles noàr ’t buiteland.... hai hep d’r wacht, tut ie onster mi de pet in de ooge heb sitte sien!....
—Je most d’r je stroopbek moar houe, woedde Dirk tegen Grint, jai.... jai!.... ’r sit d’r gain oasem nie soo goekòòp aa’s jai in Duinkaik.... en bestige grond da’ die vent hèp... swoare en lichte.... alles d’r aife bèstig... god’s kristus!.. aa’s d’r onse de half soo waa’s gaf ik d’r main pink veur... moar da rooit nà niks....
Dirk gifte zich uit. Hij hield van z’n brok grond, maar de woede, dat ’t zoo belabberd was met afwatering en ie toch óók niet heelemaal kon werken voor zich zèlf, maakte ’m doodonverschillig. Hij gunde d’r geen korrel zand van aan Piet of z’n vader.... En nou ’t zoo beroerd ging, moest de boel maar waaien. Toch hield ie jaloersch, heet-veel van ’n brokkie tuin voor zichzelf en ’n wijf, als ie maar zoo iets ’n hoek had als Grint; vet, vruchtbaar, doorwaterd, warmpies in ’t zonnetje en licht.
—Nou jou lap is t’r àn de Beek ook bestig.... kermde Grint.
—Ferrek jai!.... mesiek! mesiek!... aldegoar bluf! doar motte wai àf.... of tie da’ nie weut hee?.... en kaik erais wa’ doar van de oarepels komme is?.... die hemme nou self poot!.... gain bloas!....
—Wa’ ken main dat skele, jai beskait je land nie hee?.... suinige jop!.. moar heè? jullie sien nou dâ die mof van ’t stetjon d’r ook nie meer gaift.... aa’s veertien sint ’t kilo....
—Krik f’rdorie, riep Steyne verbaasd en angstig,—en gister hep ie nog sestien sint betoald.... is die fint nou heuldegoar daas?....
—Daa’s net, moar nou sien die da d’r te veul is.... nou goan ie onster an ’t knibbele hee?.... wa motte d’r wai mee?... aa’s je ’t nie goed vin.... la’ ie je stoan!.... Je ken je bakke tug nie je kooters te suige gaife?
Dirk bleef stom, lurkte aan z’n pijp die niet halen wou.. zoog en blies blauw-duisteren nevel rond de herriënde babbel-tronies.—
—Main nog ’n bakkie leut! riep Grint dof.—
—Daa’s kom naige!.... lachte stikkerig ingehouen de lange bediende, nou.... die suipt gain borrels meer.... die goan d’r mi’ sain neus allainig in de koffiewind....
Dirk zoog behaaglijk reutelige haaltjes door z’n pijp, uitkraterend zwarten walm en vonksterren.—Zure stank broeide rond, dat de kerels kuchten.
—Main ’n brandewaintje mi’ suiker.... riep Rink schor, zich schurkend met z’n reuzige schoften tegen bankrug òp.—
—’n Bestige segoar! en ’n brandewaintje mi’ sonder suiker.. mi’ suiker smoakt ie màin te lekker, ke’k nie finte!
—Nou sullie wachte d’r, tû je weeròm bin,.... vast hoor, schaterde een achter bankrug.... Seg Hassel.... weneer sel je hooi overend sain?
—Da’ wee’k nie, bromde Dirk.
Ventersgroep drong uit donker doorrookte boeghoogte, klompbonkerend voorbij kerels op middenbank, naar kajuitstrap.—
Naast Grint bij den ingang, rumoerden stoeiige krijschkerels die om waar streden, zoo hevig, dat Klaas voorover moest bukken naar Dirk om te verstaan.
—Wa’ sai je?....
—Daa’k nie weut.... wanneer wai ’t hooi of’rend hebbe! wai motte d’r nog één daik.... hooi is bestig.... sit van onder ’n strootje in.... moar bestig hoor!
Zoon van schenkster, aan punt van de middenbank, waar de kerels zaten te zuipkonkelen, drentelde nog met koffie door de kajuit, ingebukt z’n kop op borst.
—Toe skiet op! main die koffie!.. barstte Dirk ongeduldig uit, toen ie den kerel zag voorbij stappen met zìjn bak dampende leut.—
—Mo’ je van main nou nog wa’ mooie duiveke’s hewwe?.. vroeg de venter achter bankrug, met halve tronie er boven uit, oogen en neus strak gericht op Grint.
—Niks gedaan!.... ik hep d’r net waa’k ankèn hee?.... daa’s achtien bos!
—Mo’ je de mand pieterselie nog veur ’n kwart?.... mit ’n slokkie d’r op! krijschte uit de kajuitstrap, ’n rood-bukkende kop, boven zwaar-tonnigen buik, van ’n groenboer, schreeuwend naar ’n volgerookten kajuitshoek. Met hakkenstommel rumoerde hij op bovenste koper-beslagen tree.
—Mit ’n happie d’r òp is ’t daan, krijschte uit rookdiep hellend achterend ’n stem terug en ’n paarsige zuipkop op mager lijf, donkerde vóór, uit nevel van boeghoek.
Bij de kajuitstrap bonsden ze tegen elkaar-op. Dikke zuiper graaide centen òp van mageren zuiper, stopte den kooper ’n mandje zoet-geurende pieterselie in de knuist. Gretig slurpten ze hun borrel in, al klaargezet op buffetplankje door schenkster, die ’r klanten kende.—
—F’rek, daa’s nog hardstikke vol hier, bromde de dikbuik, met ’n zwiersmak z’n glaasje op buffetje bonzend. Strompelend wrong ie zich, snuivend en hijgend, door eng trapje naar ’t hek.—Magere pieterseliekooper stapte weer harkerig terug naar den kleurig-duisteren boeghoek. Telkens dáár, ’n ander nevelbrok van rooksfeer schemerde wolkerig òp, tusschen lichtkrinkels en wit-vuur van zonnespuiende open kijkgaten; weefde in diffuus licht, violet-zilverende damp, flakkerend en geheimvol tintfijn boven de donkere diepte van babbelkoppen, rookmonden, haar en handen. Eén wolkerige sfeer van rookglans rond duistere, in woelige diepte verdompelde menschen.
Van rechts schreeuwde ’n vrouw, midden uit ’n kakel-groep, naar den rookboeg tegen ’n kerel, ’t meest voorop in den damp:
—Nee!.... da’ waa’s ’t snuitwerk van Henk.... hai kwam ’n kiekie loere onder de trap hee?.... moar ’t waa’s vast Henk de koalbuik!
—Henk de koalbuik? lachte de kerel, Henk?.... Heé joa’ twee brandewaintjes mi’ suiker veur de doames... en nóg twai veur main aige hail hee?.... Nou Oàf!.... ik seg je dàn.... da die Henk d’r sain aige beeste la’ f’rhongere!—
—Nou, daa’s main ’n merk! de fint is d’r tuureluurs.... in de eeuwighait in de loorem....
—Daa’s klesseneere, daa’s klesseneere, bulderde de vent uit rookhoek naar ’t vrouwengroepje, hai lait s’n borrel glad.... hai likt s’n urretje op sàin menier.... moar de fint.... ken d’r puur sain honde nie te vraite gaife.... s’n aigeste beeste.. da benne d’r vaif!....—Hee.... hee!.... Dirk.... hai jai hoort da’ die trekhonde.... van.... vàn Henk.. de koalbuik.... da die d’r twai skoape van Jaanse van de Lemperwai hep afmoakt.... se hebbe de baiste puur van malkoar skeurt!
—Nou.... wa nou?.. schreeuwde Rink terug.... daa’s tug krek eender.... al die honger-meroakels.... die tuinders doar.... die Lemperhoek uit.... se hebbe d’r vast selfers niks, te fraite.. Is d’r netuurlik, daa’s sullie d’r honde snachts skiete loate! kenne sullie d’r aige potje soeke.... en woest aa’s die krenge binne.... se f’rskeure je.... van malkoar.... Bi-jai-’t-Hain!
—Nou ’t is d’r ’n klussie, blerde de breivrouw knorrig, dwars door ’t roezemoezige gekakel van andere schelle stemmen uit ’t vrouwentroepje,—’t is main ’n klussie.... main baiste legge d’r vast.... en fraite d’r aige vetje.—
—Wa’ sa’ je màin d’ran jokke.... laikt t’met of sullie ’n botertonnetje inslikt hebbe, soo ke’ je hullie ribbe aa’s hoepels deur d’r pins siene hainsteke....
—Nou, zeurde een venter met geknepen schor geluid, wai binne aldegoàr noakend!.... die beeste motte f’r aige kossie skarrele.... se hebbe d’r gain fraite veur.. voed jai d’r noà hullie g’noege! vaif kaire t’met.... Se benne d’r soo ellendig sterk.... en bloeddorstig.... enne uithongerd....
Van boeghoek waggelden de kerels òp, uit donkeren achtergrond, en dwars door de groen-violette wolksfeer, in ’t oogen-vuur der kijkgaten, sloegen de lijven en handen van opstaande en gaande kerels, een storm van lichtschokken, groot-donker in de rooksfeer, die zacht gloei-kwijnde in dampigen flakker bòven de banken.—Meer kerels stapten op, met d’r koppen zoldering rakend, sloegen door den walm heen, waggelden naar voren, bij trapje, plots onder ’t felle lichtgat uit kajuit-schemer, áángloeiend in zengend zonnegoud. De boel bleef leeggeslemperd, vermorst-suf op de banken staan.
Groote stad was in zicht, en van alle kant grepen de venters hun goed bijeen, manden, pakken, kisten. In groepjes, achter elkaar, drongen ze eng kajuitstrapje af, en met koopwaar op nek en schouders, rumoerden ze zich in woesten woel, los over ’t dek.
III.
Tusschen gewar van melkbooten aan ’t Westerdok, stuurde kaptein de stadshaven in. Tegenover „Tuinders Geluk”, waren al de drie andere booten, binnengeankerd.
Over den dwars dooreengestapelden warrel van kisten en manden sprongen de venters en vrouwen heen en weer, in woeligen stroom, overgolfd door snik-heete stanken. Van den „netoares” kreeg elk veiler ’n papiertje in de handen gestopt, waarop stond, hoe veel en van wie hij te vorderen had, bij teruggang naar Wiereland.—
In gistenden warrel, als ’n opgejaagde horde begon uiteenkluwing van kisten en manden, weggesjouwd, verdragen op nekken en koppen.—
Aan den walkant, in ’t zomerochtendgloeien, wemelde ’t van licht-bruine handkarren, waar de verhuurder in z’n zonnig-wit overhemd, bedrijvig doorheen manoeuvreerde, met elk venter wat snaterend en lollend. Vischvrouwen in kort-blauwe, roodbaaien rokken, en witflodderige jakkies, kanaljeus-aanhalig gekapt met de stijfbereepte haarkrullen, drongen, woelden in gillerigen kakel en ratel tusschen de enge karrengangetjes, opgejaagd, verhit snuffelend en schetterend, vastgrijpend de groenboeren om aardbeienwaar. Halsbloote Zeedijkers en stadsventers, met lawaaierige blousen, opgedirkt in heeten lok en streel met rooie strikjes om blank naakt, verdrongen de losse kijkers, paften vooruit, met hun borstzwaren zwel van lijf, pronkend in ’t vroolijke getinkel en gerammel van hun koralen snoertjes met gouden slootjes, in glans begoten. Op één hoek drongen samen, jodenmannetjes en jodenvrouwtjes, schuchter-brutaal,bang-overmoedig tegelijk. Van de boot àf, dromden, bonkten en zwoegden de venters, botsend tegen elkaar op, in gejaagden loer, ieder naar zijn huurkar. Telkens vàn hun plaats, joegen ze weer naar de boot, rukten en bonkten hùn waar uit den burcht van kisten, stormend in stortvloed terug, weer tegen elkaar opbonkend met nieuwe bakken en manden, dat ze verknelden tusschen hun eigen vrachten. Woest krijschten de vrouwen en mannen, die bakken of manden hadden gegrepen van anderen, er niet meer verder mee wilden sjouwen.
—Hassel.. hier:.. Has.. selll!.. jou bakke!
—Bierbrouwèr!.. pak d’r an!
—Bier.. broùwèrr! schreeuwde een naast den eersten krijscher, die ook ’n bak van dien venter had losgewoeld,—pak-àn! jou bakke!
Tusschen de aangolvende massa, waar gloeiender tempo van koortsige jacht en verkoophartstocht doorheen zwol, ging woelender angst van niet-gauw-genoeg bij hun markt te zijn. Zon laaide, priemde, verzengde alles, sloeg in fellen kleurbrand de golvende, wemelende scharrelmassa. En telkens àndere kerels sjouwden atlas-vrachten àf, van de boot naar hun karren, duwden in vloek en krijsch de Zeedijkwijven en joodjes op zij, die brutaler en heeter rond hun bakken en waàr opdrongen.—Eindelijk, na de eerste ontkronkeling van kisten en sjouwers, dobberden weer, met hebzucht-haat elkaar be-venijnend, de koopsters rond de groenboeren.—Tuk op aardbei, barstte er ’n heete dingdrift los, van allen tegelijk, als één vloedstorm, één aanrukking van feros jaagleven, brandend lawaai van stemmen, in de klater-schroeiende zon, die begloeide de kleurkleeren, de vruchten, en te zengen vlamde in de bakken. Breed bejakte vischwijven; joodsche mummieïg verdroogde groenteventertjes, met broeistank van zomersche zwoegmisere, verwalmend van d’r geteisterde lijven; kruiers, leegloopers met loenschig heeten oogstaar, venters en tuinders, woelden en krioelden rond de boot en aardbei-bakken.—Uitpuil-oogen gretigden overal waar vruchtjes òpgesjouwd werden. Vraat-zuchtige monden beefden rood-wreed en verwrongen van zenuwtrekken. Koop-hartstocht gierde en raasde door den zonne-brand van poer en scharrel. Van alle hoeken, nu manden en bakken losgestapeld rondgingen, sloeg ’t vruchtenrood uit, ’t gloeivuur van aardbei, tegen ’t blauwe hemelvuur van smoor-heeten Juli-brand. Op koppen en ruggen, de vruchten, sla, tuinboonen, aardappelen, doppers en wortelen, werden versjouwd, en hitsender, helscher joeg ’t schorre gekrijsch van kerels met verkeerde bakken, door de losgewoelde groepen.
—Joap Kerredaik!—hier hain! donderde rauw in zwel van drift, ’n stem.
—Vrouw Zeune!.... jai doar!!.. is d’r op kommende wège!
—Vrouw Engels.... daa’s jou goed! mô jai da’ nie tù je staike?
Rauw er doorheen brulde ’n venter, barstend van drift, met verzenuwden zweetmond, z’n kop doortrokken van bietrooie vlekken, in zwoeghitte:
—Gais Kerredaik kòm! of ik donder je bakke teuge de grond.... ikke kèn hullie nie langerst hewwe! se benne d’r swoàr aa’s ’n lokemetief!....
—Gaa’-ais! Kerre.... dàik! bazuinde ’n ander tuinder, in rauwen woesten krijsch, ingekneld tusschen groenboeren en meiden. Vastgebeukt met loodzware bakvracht, zat ie tusschen drie karren in, en wilder krijschte hij om verlossing naar Kerredijk, die zèlf praatjes verlolde met ’n Zeedijkster.
Wilder en ziedender stroomde ’n krioelbende langs en òm hem zonder dat ie z’n eigen waar kon raken. Te dansen van moordende drift stond ie, vloekend bakken tegen buik en keel aangedrukt, z’n zweetkop, zóó heet en rood-verzwollen, dat ’t leek of ie met z’n tronie in ’n menie-pot gesmakt was.—
Bij hoeken en brokken was handel aan walkant al begonnen. Dirk had ’n bak of tien, niet te gebruiken voor z’n klanten, verkocht aan ’n dikke meid, die op z’n karkruk wiegeldijend en breed-uit d’r zwiepende beenen, met mandjes zat te spelen.—
—Nou seg erijs blondje.... vleide ze zoetig-Amsterdamsch, dat Dirk ’n huiver van wellust voelde kruipen door z’n korpus, feur die daar as je d’r nou ’s drie sint seit!.... drie pop de honderd!.... hai je dèn je b’komst?
—Bi je bedwaild geep! donder moar op! he jòu neudig! die vaif veur vier pop!.. gain duut minder!.. je ken d’r bai main nie figelaire!....
Dikke dij-meid zat onrustiger op karkruk te wiebelen. Vòòr d’r neus zag ze Ka al, met ’r blanke jak wurmen tusschen karren-kronkel, om naar Dirk toe te dringen. Telkens keek ze van ’r zachten dij-wiebel òp naar Dirk, die norsch-stom z’n rommel bonkend weer in de kar terugschikte; rekende ze haastig uit, met mijmer-oogen luchtblauw in, nàtellend op haar vingers en d’r witte schort topfijn betingelend, hoe hoog dàn ieder mandje kwam te staan. Eén dij, schort-omspannen, drukte nu breed-uit op de kruk, onder plooiigen wriemel en kreuk van rokken-spul. En telkens aanhalig, met knipoogjes en zoetig lachje, probeerde ze Dirk’s kijkers in te staren, geil, verliefderig.—
—Nou blondje.. toe noù!..
Vlak achter de meid opgedrongen, ademhaalde in snurkerig gerucht, vuilneuzig zusje, dat toekeek, bleekgoor en stil. En rond de karren schreeuwden jochies en meisjes, liederlijk en vuil, als dolle duiveltjes in schel getier, tusschen elk engtetje en doorgangetje inkruipend en gierend. Van allen kant was nu de koopwaar losgebroken en uitgestald; smoorvolle karren als gloeiende karossen, bestapeld vóór den wal, beschaterd, en beblakerd van zonnevuur; ’t rood dat zengde, ’t oranje dat gloeide van hitte en ’t losgestorte groen, woelzee van gewas en vruchten. Hoog, in den dampenden gouddag, joelde en broeide kleurleven en sjacher daar sàmen, in den geluiden vermokerenden daver van zonne-begloeide stofstad. Golfwild en steigerend, sloeg en beukte de heete scharrel van vrouwlui en kerels dooréén.—
Ontzaglijk, in ruwe reuzenmacht van dondergeweld, zwel van krijsch en stemmenraas, schalden de geluiden door de snikheete lucht. In grilligen drom, wrongen de groenboeren tusschen de karren. Van allen kant klonk gepingel, gekrijsch als van schrei en lachstemmen, om geld, gèld. Toe- en afslag rumoerde. In dreun en rhytmus schokten koopers áán, verdwenen er weer, hier van elkaar geduwd, daar weer bijééngebotst, verkolkt in passiestroom van heeten sjacher, onder vloek en raas, tusschen gedrang en hitte. Schooierende sjouwers en kruiers wachtten, stoeiden met meiden in vuilen handgrabbel naar rokkenspul.—Dirk was met z’n vette schommeldame net afgehandeld. Ze had de bakken gekregen en breed, voor d’r buik, schort omgevouwen, werkte ze de kisten van de kar, terwijl hij geen vin verroerde. Telkens drong ze tusschen de kar-engten terug, sjouwde ze nieuwe vracht mee.—D’r zware kop schudde, ’r stijf bereepte krullen schudden, ’r oorbellen schudden, en wijder spande jakje òpen, bij vet-blanken wellusthals. Met ’r ingeperst, naar voren gebukt lijf, ’r breeë wiegende hangborsten op de bakken gekneld, armen in breeden span om d’r vracht uitgebogen, stapte ze zweetzwaar en snelademend vóórt, op de kort-stevige beenen, dòòr de venters en vrouw-stoeten heenzuigend; met d’r lijf teruggebonkt, op zij gewaggeld, toch doorporrend, tot ze bij ’r eigen kar, dood op en blazend, ’r boel kon neersmakken.
Dirk keek ’r na, loom-kalm. Dat waren de eerste warme centen in z’n hand, lolde ’t in hem. ’n lekkere markt.—.... kaike.... da waa’s net effe acht uur, da kon t’met.... En nou had ie nog ’n lollige reperoatie.. mit de maid.... ’n afsproàkie veur d’ aêre week.... Da’ gong... ’n vetje!.. lang nie mis.. Heere mejeepie! kaik! d’r stong sai te haige!... bloas jai moar maid.... da’ mo’k ook doen veur main kossie!.. kaik.... nou brenge de kooters d’r nog bakke noà!....
Overal onder de venters was bestiaal gestoei met meiden; braakten vloeken en getier los, dierlijk en broeierig. Tusschen het dondergeraas van groote stad, ’t mokergeweld van bierkarren, van rijtuigen en trem-jacht, schel geklinkel en gebengel, bonkerde de groote stadsscharrel, mokerde ’t havenhart. En overal rondom, geklakker van paardhoeven op keien in het barende roezemoes van kreten en schreeuwen, in den ontwakenden ochtendwemel.—
Tusschen gedonder en gewarrel van melkbooten, vrachtschepen en tuinders verder op, scharrelden de venters, verhit in dollen woordstoei rond de meiden, onder wellust-schater en vloek, verkoopend hun waar. En de wijven, zinnen-dronken met d’r bevende hartstochtmonden, hun felle oogen,—oogen vol van liederlijk begeeren, rood van kanaljeuze passie-vlam,—lieten zich bestoeien, soms èven in schijn-afweer beproestend de knappe boeren van Wiereland, die grepen en knepen in d’r blanke borsten, in d’r warme lijven, d’r vette armen, gespannen en saamgesnoerd in witte jakken, d’r schommel-dijen voluptueus zwellend onder heet-rooie en blauwe rokken.—
Dol keken de kerels zich op dat blanke vleesch. Dronken luisterden ze naar de tartende kanaljeuse meidentaal, en gretig roken, snoven, dronken ze in den zonnegloei, den zweetwasem van hun blanke lijven, verblind en bezwijmeld door ’t hel-witte jakkies-spel, de witte schorten, de rooie lintjes en kraalsnoertjes, de lichte rokken en boezelaars, zondoordoopt in felle helheid van barnend zomerlicht.—
Telkens meer blauwe en rooie onderrokken zwierden in uitschulpenden zwaai van de karkrukken naar de boot. Fel gloeiden de kittelende, zwierslaande slootjes op kralensnoertjes, om de varkenshalzen, en felketsend, in verblindende hoogheid van begloeid wit, dromden dan hier, dan daar, de jàk- en blousen-meiden tusschen ’t vruchtenrood, ’t groen, tusschen ’t geblaker en gezoem van gonzende, heete kleuren.—
Dirk zocht naar z’n kruier, want alle venters hadden hun vasten man, die de kar duwde in den zwoegenden ommegang rond hun stadswijk. Eindelijk door ’n woeligen drom heen, zag Dirk zijn helper. ’n Schreeuw, rauw, geweldig, ’n arm-pagaaiend gebaar, nijdige veeg door de lucht bòven de koppen der venters, en de kruier wurmde op ’m aan, tusschen ’t gedrang.
Langzaam hotsten en ratelden de karren weg van den wal, met de opgestapelde, pronkende waar, de grommende stad in, stad van gebarsten muren en hooge huizen, in zonkleurigen gloei van gevelsteen en beblakerde keien, brandende stad van ratelend rumoer en gloeistoffige zonnigheid.—
Wijven met karren, armelijk vergeelde joodsche vrouwtjes, en donkerkrulharige joodsche groenteventertjes in mandrillig rad beweeg van uitbuilenden mond, rimpelige voorkoppen en vooruitgezwollen lippen, donker en harig,—bleven op ’n hoopje elkaar nog wat toeschreeuwen bij den wal, met heete gebaren en kefferige schorre stemmen.
Zon moordde en zengde tusschen ze in, als reuzebom, die hel vonkend schroot uitgeslingerd had naar de, in goud-gloei gewiegde zonne-aárde, toortswalmige hitte verschroeiend op karwanden, vruchten en steenen. Alles stond in Juligloei, dreunenden lichtval, goud en fel wit-vurig. En hemeldom, strak, tusschen de huisblokken uit, boven ’t Westerdok, waar teerwalm zonnig rookte, barnde als blauwvuur. Aan overkant, tusschen woeling van melkbooten gloeide blauw, blauw van vaten.—Vatengerucht, metaalhol, jolig en dartel klankte òp bij bonzingen van karren, tusschen stadsgejoel. Uit de heet-zonnige straatbrokjes in ’t verschiet, fel-begloeid in brokkelige gevellijnen van pleister en rooden baksteen, schetterde òp orgeldreun, kanaljeuze stem van zonne-stad.—Langs den wal zwermden nog treuzelende groenboeren van de andere booten, tusschen melkvaten en karren. Eindelijk, ook dáár ratelden de karren met de roode en groene furie van vruchten, de stof-zonnende wijken in, verdwenen langzaam kerels en waar om straathoeken en pleinbochten, in ’t hartje van ’t gerucht-zwellende, gloeiende en dreunende stads-leven.—
IV.
In den middag tegen vier uur, stond Dirk weer met z’n kar aan „Tuinders Geluk”. Loom en doodop, sjouwden de venters aan, ieder uit ’n andere wijk. Om drie uur had Dirk z’n kruier afgedankt, ’n daalder betaald, was ie met al z’n klanten klaar; duizelig en vermoeid van sjok in brandzon, zuchtend naar drank, in wat kroegen hier en daar neergesmakt, en eindelijk ’n uur later, op de boot aangeland. Nou had ie z’n duiten in den zak, wel zeventig pop, die ie zwaar en warm voelde proppen in z’n broek. Hij wou, moèst ’r wat kwijt van. ’t Was ’n heete stroom van geldgrabbel, die ’m bedroesemde. D’r mòst wat gezopen, gezòpen. Nou kreeg ie straks nog de laatste zending aardbei uit Wiereland.—
—Tjonge! Tjonge!.... da most d’r moar gauw van deur.. en dan hè je.. ’t end tug!.. de soàlige soaterdag-middag.... enne de sondag!..., Bi-jai ’t Hain?—
Hij was de kajuit ingestapt, sukkelig, met handen in de zakken ’t trapje af, vragend den kaptein, hoe laat hij de aardbeisloep verwachtte.
—Die ken d’r t’met in ’n ketiertje sain... kaik op dek!.. de lui stoan d’r weer an de kant te dringe!.... kaik die maide!..
—Wa sou ’t.... in ’t harretje van de groote hoal hee?....
Grimmig en nijdig op alles, had Dirk zich in den hellenden boeghoek neergesmakt, languit z’n been op ’n bank, kop en schouders ingediept tegen ’n richel, die ’m pijn priemde in den rug.—Even moest ie toch adem scheppen. Hij zweette als ’n paard.—Z’n hemd dreef van ’t nat en door z’n lichaam rilden koortsige vloeiingen.
—Effe luiere.... veur da’ de bakke d’r ingoane, bromde ie, se’k t’met wel leeg smaite....—
Al meer kerels doken de kajuit in, jolig opgewonden, lichtelijk beschonken en paf van hitte. Beemster, met slaperige oogen en schorre spraak kwam op Dirk áán.
—Allo moàt!.. lolde Beemster, zware kerel, met lupusneus zwerig afgevreten tot op wangplat,—nou gaif jai d’r ’n urretje hee?—of.. of.. hai je d’r al de prins sproke?
—Bestig! Hee Henk.... vaif!.... main brandewaintje!
Lange bediende schoof weer weg in ’t groezellicht van trap-hol buffetje.
Meer kerels dromden in en zwaar nevelde de kajuit, in vaal-groenen rook, grijnzeriger, nu de kisten en manden nog niet van de karren ingesmakt, hurrieden op den vloer. Telkens donkerden reuzige schoenen, broekspijpen, lijven, langzaam zakkend neer, uit ’t licht-felle trapgat, schuifelden de kerels tusschen de sombere vegen en zweverige warrel van rookmist. De vrouwen, vermoeid en gebroken van hitte en zwoeg, vielen als bezwijmden neer, achteruit op de banken. Zwijnige grapjes zinlijkten wat kerels uit op ’n ventster, die plat op ’r rug lag te snakken naar adem. ’n Paar jolige half-beschonkenen drongen òp, maar met rukken van d’r lompe beenen, trapten en snauwden ze de kerels de bankrand af.
Is d’r dut ’n hette.... main goed.... brant d’r puur op ’t laif.... zuchtte vrouw Zeune, donkere rokkenvracht, klefferig en doorbroeid, van d’r heupen schuddend en weer luchtigjes vasthakend om ’r vette middel.—
—Daa’s net! ikke sweet d’r aa’s ’n os hee?.... ik ken d’r gain stap meer! vast nie!
—Pak ’n happie!.. Beemstra gaift ’n rondje!..
—Bestig, gretigde verhit, met uitgedroogde stem, de brei-vrouw.
—En jai gele medààm? hep ie de klantjes beet had hee?.. hep je d’r op gefigelaird.. mô jai ’n happie?
Gele medam bedankte, zat verschrompeld in ’n hoekje te blazen, met ’r lange wollige mantelmouwen over ’r vingers verzakt. Haar mond stuipte in zenuwtrekken. Ze kon geen syllabe uitbrengen meer, òp van smoorhitte en vermoeiing.
—En jai vrouw Zeune?
—Nou, wel twee, schraapte ze mannerig uit, enne.... gaif d’r de gele medam ’n affekoatje.... an ’n boere jònge hep sai ’n sussie dood!
Woeste schater barstte los, rochelend gelach, dat in de rook-kajuit als schreistemmen verklonk.—Achter dampgroen gierden de koppen, lichtten de wellustmonden, flikkerden de oogen en verschoven kramperig van heete pret, de lijven.—Achter bankbeschot stampten boerenknuisten grof en hamerhard, tegen ’t hout, in lol.
—Wai selle d’r ’n affekoatje gaife.... Hee Henk!.. Klus d’r es ’n aitje.. smait da’ hard-stikke vol mi brandewain!.... en suiker.... en dan sel sai lurreke.... hei! medam.... sing d’rais mee!
Enne.... se stonge.... doar op toeters te bloase.. Toe da’ nou waa’s doan Kwam d’r ’n man veur main stoàn Enne die sprak.. wil je rais goàn kniele?.... Ikke wist d’r nie wa-àt te doene.... Moar hai.... gaf main ’n soen.... En sai.... wài rèdde hier.. sie.... ie.... le!..
Schor en valsch-rauw zwabberde z’n stem achter rookwolkerige duisternis uit, en ’n demonische krijsch van dronkemans-passie ronkte door z’n lied....
—Daa’s nou ’n hails-maid.... rochelde z’n dronken proets, dat als geschrei verdoften in de rook, en z’n kop gloeide áán plots baardig en donker, in ’n zuig-ophaal van z’n gouwenaar, die even roodvonkte en sterretjes vervuurde.—
Klaas Grint bonkerde hakke-zwaar de kajuitstrap af, met Rink achter zich aàn.—Daarachter nog drie tuinders en ’n vrouw met ’n steekmuts, doodmager met krokodillige, bruine kop-snoet, en valschen oogenloer.
Rink scheerde de zoldering met z’n pofpet al liep ie ingebukt met z’n kop.
—Krikemejenne!... daa’s s’n afferekòansche smoorte hee?.. god hait de sege! moar nou bi’k tug t’met deurmidde loope hee? zuchtte de reus, paf en onmachtig neersmakkend op ’n bank. Met twee handen tegelijk schuurde ie ’t zweet van z’n gezicht, met ’n grauwlinnen zakbrok.
—Moei!.... moei!.... ’t sel wá’.... bromde Dirk, z’n pijp nijdig uitblazend, dat donkergroene damp z’n kop omstòòmde.—
—F’rek.. bloas jai ’t siellemint van je paip d’r nie uit?.. ik sit hier veur main pelsier...., lolde Grint naar Dirk.
—Moei, bromde Dirk, doorblazend, bolwangerig, dat ’t vuur weer uit den gouwenaar spatte in pijl-fijne dansjes.... moei, nou bi’k van drie uur t’met in de kous.... jai.... jai?....
—Ikke.. ikke.. aarzelde stem van Rink, nou eerlijk sait.. sait d’r dan van vier hee!....
—Da lieg-gie glad, sloeg Beemstra, de zanger er tusschen in, want om vaif uur stong je te haige an de boot nà oasem hee.... en je weut:
Ikke liep d’r.. o.. òp en nair ’t waa’s koud.... en slecht wair.. Och waa’s ’k moar bai moeder ge.. blai.. iife!
—Stik jai mi je Volledamse maid, rauwde Rink.
Achter ’m bonkte op bank-beschot, de kerel met z’n lupusneus, zwaaide met z’n borrel, krijschte in zang.
—Aa’s d’r alles brandt.... brandt woater ook! moar ikke seg!....
—Jai houdt je bek, jai sait d’r niks.... je hep f’rdorie gain tait da’ je slikkebikt, schreeuwde Grint midden in.... hee Henk?.... main ’n brandewain!....
—Main ’n biertje feur ’n f’randering!
Stroom borrels kwam aanspoelen. Met teedren hartstocht pakte de venter die bier had besteld, z’n flesch bij den hals, klakte ’t klepje er af en schonk, schònk in starend genot naar het blanke schuim, met zaligen huiver hoorend het koele geruisch van ’t bier in z’n glas. Gretig smakte ie z’n lippen in ’t bruis-blanke, rijzende schuim.—In één teug was z’n glas leeg. Heesch riep ie al naar ’n tweede fleschje terwijl ie ’t eerste nog leegschonk, zacht bij den hals, in verliefden tast. Even hief ie z’n glas tegen ’t licht, onder de kijkgaten, waar ’t òpkleurde in roodbruinen gloed, klaar en schuimzoet, en weer stortte ie z’n drank met één haal in z’n dorstigen duisteren strot, als ’n verkoelende lafenis.—
In elken hoek werd gezopen, geschreeuwd en geraasd. Dronken lachklanken proestten uit, rolden en dreunden geluid van kijvende en strijdende stemmen rond. Heet en opgejaagd werd ’r afgerekend onder elkaar, wat gekocht was op veiling. Telkens uit schetterklubjes brak gloeiende herrie los, dat zachtwijs gesust werd door „netoaris”; stille drinker die ’n heel buffet kon leegslurpen, zonder dat één ’m wist te betrappen op malle streken. Hij loerde maar rond, legde bij en suste; loenschte tòch met z’n rooie verhitte drankoogen of d’r iets voor ’m afviel. Overal werd ie tusschen geroepen, ingesleurd bij z’n arm, z’n jas, z’n broekspijpen, z’n schoenen, overborreld met kookstroom van hùn centenpassie, hùn gekwebbel en gevecht. Over en weer telkens de briefjes werden nagezien en boerenkoppen, met snuggere oolijkheid keken strak, bleven draaien op d’r stuk, wilden eenvoudigste rekensommetje niet vatten.—Eindelijk, bij beetjes en brokjes, werd geld afgeschoven, toch nog in gierigen klem en vasthou van elken cent.
Dwars door zingende en waggelende drinkebroers in schaduwen van den boeghoek, met hun glazen geheven in ’t doorrookte zilverlicht van de kijkgaten, nu uitgebrand in zinkende zon, barstte gestrij los van ’n paar kleine pachters, hoog in krijsch de zangers overschreeuwend.
—Nou ik sel d’r doodvalle.... ik bin d’r op ’t land lieferst veur.... tien gulde boas.... aa’s veur vàiftien knecht....
—Nou, ik wil d’r groag.. wa’ binne wai d’r veur boase?.. je kè je land nie beskaite.... fesoenlik!.... je sit d’r in d’r aifigheit in smorende sorg.... je loop de rissieko.... van dit.... en van dat.... en aa’s ’t November is.... mô je je pachte betoale.... hai je d’r gain de half van!.... mô je laine.. en borge beklomppe en ’s winters.. hai je nood.... nood maa’n! nie te fraite.... En hullie.... de vraigeselle-daggelders.... hullie hebbe d’r kossie binne.. hullie hebbe d’r nooit nie-en-sorg!.. hullie fraite.... en snurke.... aa’s wai d’r onster blind sitte te telle veur sinte.... veur de pacht.... veur hooi in je poar beeste.. de raise, en.... je soad.... je hout.. je mest.. En t’met f’rdiene wai minder aa’s hullie.
—Nainet daa’s dondere!.... moar je bint dur tùg alletait je aige hair en maister.—Aa’s je d’r knecht bin.... mó’ je feurt.... aa’s ’t hard stikke raigent.. en je wil skeule.... d’r uit.... ho! wacht erais effetjes!.... segt de boas.... werrek aers ka’ je spuite! aa’s je d’r is vaif menute te langer skoffie houdt.. d’ruit sait de baos! je ken d’r je aige nie-en-roere!.. je heb van ochend tut nacht te werke.... en nie òm te kaike.. fort.. fort.... nainet, loate sullie d’r moar ’n poar sinte meer hebbe aa’s wai.... je heb d’r tug je aige mikke.... je hep je aige lappie grond.... je bin d’r je aige boas.... je hep d’r ’n aige groentetje.... je kèn d’r boofe òp! je kèn d’r nog boàs blàife....
—Ik ruil d’r doalik.... doalik! schreeuwde ’n ander.... se kenne main lappie-en-kraige... aa’s ik d’r moar ’n beetje fesoenelike dagwerk hep.. van de honderd knechte f’rdiene d’r naigtig meer.... aa’s d’rlie aige boasies.... en de loodpot!.. doar komp d’r alles op neer, hee?
—Nou betoal jai d’r.... naige, tut tien gulde ’t roe hee? veur je kwoàje grond.... en tug is d’r veul te wàinig hee? hoe sit da’? daa’s tug ’n meroakel hee?.... je weut ’t hee?.... dure mest.... g’koope groente!.... daa’s alletait sòò.... en ikke twoalf vaiftig ’t roe.... daa’s bestig hoor!.. en nou, di joar is ’t bai main net mis.... Ikke seg d’r moar, ’n vroege somer.... ’n goeie somer hee?
—Moar jai roaskalt.... jai springt d’r van de hak op de tak.. ’n vroufemond goan de waoreld rond! wel of gain grond.... ikke bin d’r liefert knecht.. aa’s soo’n òngelukkig suinig boasie aa’s wai d’r binne.... wai f’rdiene minder aa’s hullie.... te veul om te sterrefe.... te wainig om te laife.... En veul meerer sorg.. en wài binne d’r pachters!.. nou hai je allain fraihaid.. da je of’r je aige te segge hep.. Daa’s ’m d’r ’n veurdeel!.. nou sel d’r gain besemsteel je bekolle.... en je segge.... je mò’ werrekke.... hee?.. je mag d’r nou heùlegoar uit je àige krepeere! kom ’t is d’r aldegoar ’n klus.... hier!.... Bi-jai ’t Hain!.. kom boòfe!
Zang, overstemde ’t spreekgeschreeuw van bank naar bank.
’n Drom kerels trampelde en lolde schorrig als bezetenen, in rood-groenen rookwoel, beklonken en rinkelden hun glaasjes.—Dirk was met z’n stelletje makkers naar dek geklauterd, had z’n kisten ingehaald, en in woesten sjouw weer bak en mand, leeg en licht, in stapels, op dek neergesmakt. Aardbeigloei was weg. Leege duffe mandjes en kisten stonden omslierd nog van stronken groen en verlepte bladeren.—Dekknechten en venters sjouwden weer op, pàf van ploeter, in moordende stofwalm van zonnebrand, die òpsloeg uit keien en boot.—
—Nou he’k tug nog gain hap daan van f’rmurge eerste skoft hee? klaagde ’n klein tuindertje, gebarend met handen, hoofd en schouders tegelijk.
—Wa sou ’t.... jai suipt d’r veur fraite en drinke g’laik, geep! snauwde ’n meidventster, gauw weghollend om kisten op te pakken naar achterdek, waar ze haar naam hoorde schreeuwen in alarm-krijsch.
Al meer venters keerden terug van hun zwerftocht door groote stad, half-dronken, luidrùchtig ondanks hun radbraking, of slap in elkaar gezakt, de heele reis làng zacht-rammelend met geld in d’r zak, waar zweethand op rustte, de wacht hield.
De karverhuurder, gewikste Amsterdammer, sloeg handig tusschen de kerels in, liet hen betalen, onder lolletjesstoei dòòr, pret waarnaar ze luisterden, kinderlijk, dronken-naief gierenden goedig, met huilerige schaters, de oogen nattig, in vaag bewustzijn verzwommen.
Aan walkant bralden en drongen weer meiden en joodjes, wachtend op laten aanvoer, geschrikt en ontnuchterd plots als ze gèèn dronken tuinder tegenover zich kregen. Tegen half vijf kwam kleine sloep met nieuwe aardbeibakken aanstoomen, en in halfdronken strompeling, stovende hette, woelden de moeë kerels weer tusschen hun kisten in, omdrongen van koopers, groentekarlui en schorremorrie, afzetters, gappende en smokkelende ventertjes, die loerden op afval en verwarring van bezopen boeren.—Er kraterde weer gevloek los, geprijs en gesjacher. Weer toeterden en raasden de kerels met verkeerde bakken, en de nog niet beschonken tuinders, met klaren hartstocht voor verkoop, scherpten en snauwden, elleboogden ruw door de òmdringers heen, in felle taal, om hun dronkeloozen kop te toonen.—
Laatste stuiptrek van sjouw en ploeter, krampte weer plots òp, in den snikkenden hittemiddag aan ’t dok, die stoffig doorzond er geschroeid kookte van licht, en uitsneed z’n strak-blauwe walmende schaduws op de keien. De half dronkenen waggelden weer èven vernuchterd, overeind. Duizenden in drang, driftigden daar bijéén, in woeling en sjacher, voelend bij instinkt dat ’t de laatste aanvoer zijn zou van ’t jaar, aanvoer zòò hevig, zòò vol en overvloedig.—
—De hoogste praiser hep ’m doalik, schreeuwde Dirk, in gul-dronken bui, kregel dat ie niet lekker-broeis, stil en zuipend in de kajuit kon blijven zitten met z’n borrel en z’n pijp.—
F’rdomme.... die Ouë.... nou hai hier in de smoorkook die naimt’ d’r van.... Nou.. wie mot d’r?—
’t Werd ’n jacht, ’n roes, ’n duizelende storm op de beschonken groenboeren, die waggelden in slappen beenstand, en lolden tegen de wijven.—De meiden glommen en vleiden weer, met geile mondjes en lok-lachjes, in glunderige zoete kijkerijtjes. Ze werkten weer met bloote halzen, blank rokkespul en smijig geplooi en gekreuk van d’r jakkies om borsten, d’r spanrokken om dijen.—Flik-zoete lintjes prikten weer òp en de blanke wellustkoppen gierden, en de handen friemelden weer.—
Als ’t niet ging met zoetig gestreel en weeïg gezanik, braakten ze plots uit ’n heeter stroom van smerigheidjes, met satanisch gevoel, in den laatsten sjacher, daarmee de kerels te overbluffen, te prikkelen en te verhitten. Veel venters, bek-àf, stemden toe in prijs, lam en gebroken van sjouw. Anderen, taaier en nuchter nog, hielden vol, begrepen hun eigen kansen, spotten en hoonden, braakten vuil terug uit, weerden de flikflooierijtjes en zoetigen wellusthuiver af, in bijtende woede. Onder gevloek en geraas gaf schorremorrie zich over, omdat ze de waar hebben moèsten, en kalm sarrend hielden de nuchteren hand òp, trechtervormig ingediept, om het zweet-plakkerige geld te ontvangen, vast te zuigen, in d’r zwaar-bronzen klepzakken van stinkende broek.—Een half beschonken stoetje kerels, half al geënterd en vastgenageld in kringetje van brutaal-bijéén gedromd klusje meiden, kreeg plots besef dat ze door bij elkaar hoorende koopers, betoeterd werden. Woest grabbelden de venters terug, rukten hun bakken weer in de karren, schreeuwden en vloekten als razenden tegen de beduusde wijven en handlangers, die op geen verzet meer gerekend hadden. Nu tierden en krijschten de áángeschoten boeren lànger dan de nùchtere, bleven taaier hangen aan hoogsten prijs.—Plots, ’n paar zwaar-beschonkenen, uit de verkoop-groep, verlekkerd op loktaal van meiden, dwongen ’n geel-harige Zeedijkster, vijftig mandjes voor niets mee te nemen. Om ’r heen kletste afgunst van andere wijven, die ’r verdrongen en aanstootten uit nijd dat ze dat niet doen kòn voor de politie. Maar de venters, dreigden de geelharige op ’r bek te ranselen, aa’s se nie toègreep!
Overal klonk dronken, herrieïg en halsstarrig gewawel, verbijsterend uitgesponnen gezeur, vast hakend gestrubbel en gestrij, tusschen de nuchtere koopers, en lachschreiende half-bezopen venters.—
Hitte braadde, priemde de koppen, de wangen, de nekken en drankstank walmde hun heete kelen uit. Te blazen van puf-benauwing, te schelden, vloeken en bonkeren met de morsige knuisten op de bakken, stonden ze, lawaaiend tusschen ratel en wegroffeling van karren, op dreun van gloei-dampende keien. Een aangeschoten groenboer was ingekneld tusschen ’n groepje joodsche vrouwtjes, met lepra-kopjes, gelig, vol huidbarsten, en groot-zwarte kijkers, àllen met zondig besef van hun sabbath-ontheiliging op d’r vergroefde zorgelijke gezichtjes, die klein onder kleurige mutsjes uitpuntten.—Niet los te woelen wist de lange tuinder zich uit den taai energischen babbel en sjàcher der kleine wijfjes, allemaal ’t zelfde gekleed, donker omsjaald, sprekend op elkaar lijkend, met lintkleurige mutjes op d’r glad-gekamde toertjes. En waar hij schoof z’n bewegelijk, zacht-waggelend lijf, schoof koop-heet kringetje van joden-vrouwtjes nauwsluitender mèè. Onder getier en geloei van stemmen, krijscherig en valsch, werkten ze ’m één voor één de waar uit z’n handen, goedkoop, héél goedkoop....
Plots kwam nuchter strenge kapitein,—die nooit iets anders dronk den heelen snik-heeten dag door, dan koffie,—zeggen dat ’t tijd was om op stap te gaan. In jagender tempo nu dromden de prijzers òp, gingen vloekender schokken door koopers en venters. Na ’n half uur was alles leeg, stond de wal schoongeveegd van sjouwers en sjacheraars, kruiers, wijven, meiden, karren en kisten.
In woesten smak laadden de kerels hun bakken weer de boot òp, en dadelijk, nà droeven sein-zang van pijp in den blakerheeten middag, draaide de kaptein havenwoel van groote stad uit, ’t dampige, oversmookte, violet-grauw van hemel, en gloei-kleuren verspoelende IJwater, instevenend.
V.
Aan de Wierelandsche haven wachtten meisjes en jongens met karren, klaar om bakken en manden op te vangen van vader en broers.—
Vier booten, achter elkaar, stoomden in, en van vier booten tegelijk, meerden de loopers ’t touw vast aan de palen. Een wild gedrang stootte òp, woest geschreeuw ratelde los; gekrijsch van tuinders, met verkeerde bakken, roep òm roep. Rauwe moeheid klonk door de stemmen, en zwaar de zweetkoppen, roodgrauw, paars en bietig, vloekten en gromden weer te moeten sjouwen in den nog smoorhitten zonnedaver.—
Eén helsch karnaval van dooreenkrioelende zwoegers en waggelende beschonkenen, brak plots weer los aan de doorgloeide haven, gestoofd en geschroeid in den vonkenden zengdag.
Paarden loomden weer stil, achter drom van kleurige karren, en van allen kant, op de haven, golf-vloeide gewirwar van kerels en wijven, meisjes, en jochies. Van de hooge booten reuzigden de werkers, met de bakken en vrachten op nek en kop, tegen eindlooze polderlucht violet vuur, dat dampte en smeulde.—Heele stapels hoekten in dwarsen lijn-opstand de lucht in, op de hooge boot; wilde kankan van opgeheven kisten, schuin en vlak, rechtòp, dwars, scheef, en mandtorens waggelden geweldig op de zwoegschouers, en dampende zweetkoppen.
’t Stormde op den wal, en woester krioelden en afmarcheerden de karren in hotsende ratel-herrie en bonkering, naar huis; geduwd door jochies en meisjes in schreeuwerigen konkel.—Het heete gedaver en gesmak van kisten waarin de leege aardbei-mandjes nu beèfden van schokken, bulderde weer òp, cyclopisch, als donderende klankneerstorting van mokers op aambeelden en houweelen-ring-king op steenen muren. En òm ’t smak-geraas heen, bleef roezemoezen bassig gegons van straatgeruchten.
Troepen venters, klaar met hun manden en vrachten, afgereeën aan d’r kinders, drentelden rond met hun handen op geldzak, warmpjes de centen ingekneld tusschen vleesch-hitte en broek-voering, smakkend naar lekkeren Zaterdagavondzuip.
Afgebeuld of in drinklol opgewonden, strompelden de groenboeren herbergen in, waar ’t borrelde en gistte van schurige stemmen, dronk’rige roezemoes; waar ’t schuiflawaai knarste van stoelen op zandgrond, tusschen stikwalm, rook-rood.—Buiten woelde ’t haventje in hellegedaver.
’t Kraakte, klotste, hotste en smakte ’r in gloeiend zwoeggerucht, arbeids-hellebaardiers, die burchten sloopten.—In ’t watertje glom, kleurveegde en brio’de druk beweeg van kramen, sloepen, tjalken en bokken; op elkaar gedrongen, tusschen engen spoel van spoor-polderdijk en walkant in. Wemel van schipkleuren nog blond doorzond, gloeide òp in ’t àl zinkender licht. Op hoogen bakkenstapel, midden in thuiskomst van Zaterdagavondmarkt, herautte nù ’n kleine jood, met luchtig fluitspel.—
Kring van honderden stond om ’m heengekranst, in starenden luister naar z’n wonderlokkend, klank-zoet fluitgevlei. Weinig sprak ’t joodje. Met ’n groot blad muziek op ijzer lessenaartje vóór zich, wees ie op de methode, zei wat van de fluit, ’t klank mooie, ’t zuiver-hooge en lage, en speelde, spéélde.—
Joodje leek verliefd op eigen fluit. In zwierpracht en zoeten huiver van vloeiende vlei-toontjes, zilverende koloratuur, zong ie zich uit,—dan één, dan twéé fluiten den mond induwend, zich zelf begeleidend. Starre bewondering strakte van de tuinderskoppen. Ze voelden, voèlden dat ’t ècht was. Prachtig ebbenhoutig-zwart, glansden de gepolitoerde oktavo-fluitjes in joodjes hand, en wonderzoete, zilver-trillende tonen blies ie de heet-zonnige havenlucht in. Met gratie, in duizelend snelle vingerradheid, duikelden, trilden, zweefden de toontjes uit z’n fluit, en z’n vingertoppen leken tien betooverde zieltjes, vol klank en zaligen galm. Snel dansten de topjes op de zwart-geglansde fluit, en machtiger zwol z’n toon, fel in zingende kracht, de havengeruchten overklankend. Dan plots hield joodje in, droefde ie weemoed uit, in weeken, donkeren fluister van wiegelende klankjes, slepend-zoet en innig-ontroerend, droomrige melankolie van teere toontjes, in klagelijk register.—Zoo jubileerde z’n wonderfluit tusschen ’t sjacher-rumoer, dat zacht verstomde onder z’n tooverzang. Heelemaal méé, in de pathetische zoetheid van z’n lied, schokte jood’s lijfje.—Zacht zwierde z’n hoofd, lichtelijk heen en weer. Op de kadans van z’n lied, rekte zich z’n postuur als groeide ie boven den luisterkring uit, kromp ie plots weer in, bij teerdren melodie-zwenk. En vlak om z’n hoofd geurde en zweefde ie uit, ’n krans van zangerige kabbelende klankjes, met iets er in van starende smart; murmureerde z’n vlei-klankende fluit, diep en vroom ’n litanie van innigheid; bleef dóórdroeven z’n zang, in smartlijk mineur, speelde ie uit, ’n lied van tranen en hartewee. Dan plots, in ’n schater, zwol z’n toon in ’t hooge register, joelde de klare zilveren klank van z’n demonische fluit als ’n woeste jubel door de polderlucht en haven, schaterend en klaterend. Roerloos stond ’t landvolk in tooverban te luisteren. Eén laatsten stroom van klankenjubel tremoleerde hij nog woest en oriëntaal òver de koppen heen, wijd uitvloeiend de zonnelucht in; klankenpracht, als ’n vurige hymne rondbruisend door den havengang. Plots zweeg ’t joodje.—
Dronken en nuchtere kerels stonden gebluft, nà de plotse fluitstilte, in argelooze luistering.—Zwoegers uit de donkere bedompte kroegen, waren opgestapt, in furie en bedwelming, naar den man die daar zóó gejuicht en geweend had, onder de slavende massa.—
Joodje, zeker van z’n kunnen, zelf wèg in zoeten huiver van z’n klankinstrument, speelde weer opnieuw, gaf zich heelemaal over, aureooleerde zich in een sfeer van zilveren tonenzang.—Eindelijk, klaar met z’n spel, stroomden de kwartjes op ’m af. In fijn-gele vloeitjes wikkelde ie de glanzige zwarte fluitjes met goud-vergulde ornamentjes, drukte ie de kerels de gewichtige methode in de hand.
—Mit dat boekkie, in drie daagh en nachte, kan èllek manspersoon en vroùspersoon de heele kunsh! ’n Kind kèn de meledie! wattie wil! as ie ’t marr kèn! begrijbt u!
Z’n luisterkring van boeren stond als vastgezogen aan den grond, in verbijstering voor dàt spelen. Zoenen wouen ze den kerel. Joodje had geen handen genoeg. Jongens met lach-van-ontroering op d’r gezicht kochten; mannen, die in hun schemeravondstraatjes onder de lommerstille zomer-boomen harmonika speelden, kochten; dronken kerels, betooverd en half ontnuchterd kochten; meiden, wijven en „notabelen” kochten.
Strak-zelfbewust bleef gezicht van Joodje, die soms midden in ’t drukst van z’n verkoop, plots naar zich toegestrekte armen terug-wees, met stil gebaar z’n fluit, koester-zacht vatte, en speelde. En alles roerloos, in tooverban als klonk er geen hond-geblaf, kargehots en sjouwgekrijsch meer, bleef rond ’m staan.
Tot heel naar den polderweg verklonk de klaagroep, van z’n fluit, zoet gefluister, smachtende adagio’s, plots vervloeiend in stoute schalmei van jubelende scherzo’s. Begoochelder stonden rond ’m, in broozen luister, de afgemartelde zwoegwerkers, met verrukking in de oogen, bevende monden en verlegen handen. Plots weer brak joodje àf, deelde ie z’n fluiten uit, tot ie alleen z’n eigen instrument overhield. Eén groenboer, wou dàt ding hebben, met ’n gulden toe, zei ie sluw lachend naar de omstanders. Maar Joodje lachte ook, gaf ’m z’n fluit, ruilde met den boer, die ’t geld klaar had in z’n hand, en speelde nòg mooier op ’t kwartjes-instrument.
—’t Sit ’m weràchdig niet in ’t fluitje.. ze binne d’r as tweeh drobbele water geleik eender!.... ’t zit ’m in ’t hart meneer!.. in ’t hart!....
—Hoart?.. hoart? sputterde ’n tuinder....
—Nou ja.... ik bedoell eigelik in uwès boekkie.... de methoòde.... lachte Joodje weer ironisch, ’n kind kèn ’t leere.. in drie daaghe het tie ’t onder de knie!
Vier honderd fluiten had ie verkocht in één uur. En overal op de haven, door Wierelandsche straatjes en steegjes verklonk fluitgejoedel, valsch en onbeholpen, stooterig-monotoon lawaai, dat joodje sarkastischer lachte op z’n bakkenstapel en inpakkend z’n lessenaartje, nog spottend nariep:
—In drie daaghe te leere.... voor ’t kleinste kind!.... de meledie....
Rond de bakken, honden en paarden, bleef ’t laat, tot in den schemer ratelhossen van karren, klakkeren van hoeven en orkanen van hellegeblaf.—
Bij aansluip van avond, begon éérste drinkmaal van venters. Lichte zuip was er geweest in de stad. Echte zuip barstte nu pas los. Ontembaar zouden ze zich gaan geven aan den heerlijken zoeten brand van dronk, als koelst ijs in hun stoffige ventstrotten verglijend. Bij wijven thuis was alleen gemor, kinderenherrie, schoonmaakploeter, geharrewar en zaterdagavond-afboenerijtjes. Geen zitje, geen likje. Niets lekkerder en plakkeriger noù, dan samenbroei in de stikheete kroeg, met gesuis van havenlawaai nog èven in de ooren, roezemoezigen verdoofden naklank van sjacher.
En niks doen dan lollen en babbelen, verdoofd tòch alles hoorend, maar van verre gebeurend, in ’n warrel. Zacht geklots, gezoen en getikker van biljardballen, kleurig en glanzend, robbelden over ’t gehavende lakengroen, bemorst en ingescheurd. Fel gevlam van gaspitten dampte hette uit.—Vuur en rook van pijpen en sigaren, rood-smokerden in een sfeer van kroeg-zwijmel.—
Scherpe jenevergeuren, spiritusachtig zuur, walmden uit buffet van tafel naar tafel. Ze voelden zich smoorheet, de groenboeren, maar lekker, paf-verhit in de kroeg.
Dirk en Klaas Grint bleven vlak bij elkaar. Dirk zoop zwaar dat z’n hoofd heet-kleurig rood te zwellen stond, en z’n kale, blond behaarde nek in vuur schroeide. Grint had stille drinkerskleur, zachtpaars, maar toch keek ie nog helder uit z’n oogen, zonder dat iemand merken kon dat ie al vet was.
Op de haven had Dirk Kees, die karren en bakken terugreed, nog even gesproken. Hij wilde ’m ’n borrel opdringen, maar ’t was niet gelukt. Ze hadden Kees ook èrg schuwerig bekeken weer, als voelden ze zich niet gerust bij den stillen Strooper. Uit angstigen bijval wilden hem ’n paar tuinders nog wat borrels aansmeren, maar Kees bleef weigeren, toèn met ’n vloek.—Dat was z’n kracht! Hij voelde dat, àls ie zuipen ging, hij niet meer ophouên zoù al z’n verdriet, z’n huiselijke ellende en getob over Wimpie’s beroerderigheid weg te spoelen. Nou z’n ventje ’r nog was, hield ie zich sterk.
Nou had Kees Dirk gezeid, dat Ouë Gerrit d’r strak-en-an nog rais ankwam, op de haven. Dat maalde Dirk ’n beetje. Hij voelde dat dàn z’n centen in den zak, bedreigd stonden; dat ie niet meer doen kon wat ie wou, als d’Ouë neerstrijken kwam. Toch verdoezelde die gedachte tot vage verwachting in z’n kop. ’t Heetst in ’m woelde ’t denken aan de mooie meiden van Klaas Grint, vooral aan Geert en de heete Trijn, waar de neven Hassel òòk op loerden. Naast Grint aan ’t stomphouten tafeltje opgedrongen, zaten Jan en Willem Hassel. Klaas Grint sluwigjes, voelde zich lekker tusschen de gesmoorde geilheid der knapen. Hij kon tegen ’n borrel als geen ander.
En nou vond ie ’t ’n zalige lol, zoo happie nà happie in te zuigen, zonder ’n cent te dokken, in woesten naijver van drie kanten opgepookt tot vrij zuipen; dàn door Willem, dàn door Jan, dàn door Dirk.—Piet mankeerde nog, hinnik-lachte ’t cynisch in ’m. Tusschen hùn halsstarrige, zwijg-nijdige boerenpassie in, wreed en moordend, warmde hìj z’n zuipbegeerte. En telkens als Willem zag, dat Dirk trakteerde, riep hij ook den kastelein, bestelde voor Grint in ’t wild erop los. Grinneken bleef Klaas er om, en trotsch voelde ie zich, in z’n dronken kop, dat hij toch de vader was van zulke lekkere meiden.
—Nou, drink jullie d’r moàr, d’rfeur binne jullie vraigesellekerels hee?.... Moar.... van màin goant nie hee?.. van màin hee?.... ikke hep d’r maide en klain goed....
Hij grinnikte Grint, veegde met z’n dikmorsige vingers langs z’n neus.—De kerels knikten, grinnikten mee. En Grint lachte erger, met dronken stemmeschuur in z’n schater, omdat zij grinnikten.
In tijen had ie zooveel zaken niet gedaan, als vandaag. En hij, helsch genietend als ie iets niet hoefde te betalen, z’n duitjes bezuinigen kon, maar toch loerend op wat lekkers, hij kòn ’r niet over uit, dat ’t nou bij hèm puur was: mond ope, portemenee dicht....
Joliger klokkerde ie z’n borrel in, langzaam roerend, elk happie, dat dadelijk weer aangeschoven stond onder z’n hand. En iedere borrel als ’n lafenis door z’n keel, spoelde wèg vermoeiing van smorenden dagzwoeg.—
Stiller, in dronken zwijg,—zwijg toch van huilend, woedend-woesten hartstocht, op z’n neven, schooiers die loerden op zìjn meid,—bleef Dirk naast Klaas Grint geblokt.—En lolliger werd Klaas, aangeprikkeld door den gonswarrel van stemmen in de herberg, den dronken zoem van kakelaars, venters en koopers en allerhande kroegtypen dooréén. Laag en diep, met z’n gloeiende glasvlammen, rookerig, verweerd van hitte, verronkte de kroeg z’n dronken reutel van geluiden. Jan en Willem schoven al dichter naar Grint toe en trakteerden weer. Langzaam genot-innigend ging de zuip rond, langzaam en demonisch. Dirk zag den ouen Gerrit niet opdagen. Vond ie lekker! Rond ’m woelde de herberg al voller met drommen bestoven zweetkerels, bek-af van sjouw. Waggelend en krijscherig sloegen hun lijven, massaal en reuzig door den heet-rooien rooknevel.—
Troepjes met blazende, gloeiende zweettronies bleven waggelen voor ’t buffet, de glaasjes tegen ’t licht geheven, dronken zeurderig en spraak-zangerig; plasten het vocht hun kelen in, onder knars van hun klompen op zandgrond. Van alle hoeken spogen groenboeren en venters in de bezande spuwbakken hun pruimen, zopen en vloekten ze. Op klein bankpuntje, dat open kwam tusschen ’t kroeggedrang, smakte zich haastig ’n werker neer, met grauw-moeën kop, en reuzige geknauwde handen bevend-uitgestrekt naar ’t buffet, in snak naar drank-koeling.
Tegen tien uur stapte Grint òp, z’n schitteroogen verkleind van stille beschonkenheid. Dirk mokkend en pruttelend, waggelde zacht mee òp, grabbelde duizelig in z’n diepe klepbroek, waarvan de grove voornaad vettig spande tusschen glimmig smeer. Alles betaalde ie.—
Willem en Jan opstuivend, streden, duwend en vechtend, dat zij de helft er moesten bijplakken. Dirk zei niets, gaf, zachtwaggelend, ’n stommen nijdigen wenk aan kastelein dat ’t, zóó als hij ’t wou, in orde was. Kalm schoof herbergier kleingeld terug op natbeplaste tafel, dat Dirk naar zich toeharkte, kleverig, maar vallen liet op zandgrond en in spuwbak.
—Nie d’r strooie hei Dirk? baste ’n kerel met diepe fagotstem.
—Aa’s je te veul hep, is màin d’r nog! gierde ’n ander.
Nieuwe drom kerels klomperde in, stapte langs en voorbij Dirk, die gebukt zoekend, in zachten rondtast, lijf-zwaaiend, ruw op z’n handen getrapt werd. Bloed zakte ’m naar den kop. Rauw vloekte ie uit, en flauw loerde ie rond op den grond, maar half beseffend of van hèm of van Grint wat duiten weggerold waren.—Lodderig staarde ie òp naar Klaas die gierde, z’n buik met z’n vuisten betamboerijnde van lol.
Plots vloekte Dirk weer, stapte in wijen waggel, onzeker naar de deur. Grint had ’t geld uit den spuwbak gegrabbeld, ’t nattig en bevuild Dirk in de hand geduwd. Maar die beweerde nou, met dikken tongstotter, dat ’t van hèm niet was, dat hij d’r puur nies verloren had.
—Zoo’n geep! gierde Willem Hassel hoonend.
Stom bleef Dirk voor zich uitkijken met z’n neus bijna op de deur gedrukt. En toch nijdig, gloeiend nijdig was ie, als ’n bromvlieg onder vangstolp. Niks nog kon ’r bij ’m uit. Alles zat opgepropt. Hij voelde den roes over ’m heen gloeien, benevelend, versuffend. Hij hoorde àlles half verward. Alleen heet-stellig maalde ’t in ’m dat ie nou meeging naar de mooie meiden van Grint, naar de lekkere Geert, Trijn, Cor en Annie.
—Nou... ik bin d’r op haide op stàp... mond ope.... portemenai toe.... schaterde Klaas opgewonden.
Geen woord zei Dirk, vroeg ook niet of ie mee kon. Hij strompelde zacht zwaaiend naast Klaas, de herberg uit, als hoorde ie bij ’m.—
—Nou.. aa’s hai.... had d’r sels is.. binne wai ’t ook, bromde Willem en nàbromde ’m Jan.
Daar zat Grint ’r ’n beetje mee, want de mannen hielden áán.—... Duufels, doar droeg ie twee, drie dronken kerels in huis.... heet op s’n maide... Moar sullie hadde sain tug soo rejoàl d’r van late snoepe!.. Allainig Dirk!.... die wou die puur wel kwait!.. Die keek d’r soo suur.... soo ’n naidas!.. Da’ konne s’n maide nie bestig hebbe.—
Hij had al rond gezien op de donkere haven, of ouë Gerrit d’r ook rondscharrelde bij ’n kroeg om ’m mee te sleuren. Want Willem en Jan waren ook veel betere partijen voor z’n meiden.. Zat veel meer loodpot! Die mochten haarlie bescharrelen zooveel ze wouen.... Als ’t maar niet tot kinderen kwam! Maar nou zag ie geen ouë Gerrit, geen Kees, geen Piet. Dan most de brombeer d’r ook maar bij; kon toch vast geen kwaad.
—Mô je nog ’n afsoàkker Kloas? vroeg plots, voor ’n rot kroegje staanblijvend Dirk, met bleeke strakheid in z’n kop en tril-trekjes om z’n lippen.
—Dankkie uit ’t hartje kaèrel! Ik hep d’r t’met.... t’met wá’ bai màin stopt, veur ’t nest hee?.... ’t mog d’r weer ’n weekie sain.... dan kraige sullie alletait van main ’n lik uit de flesch hee?.... Jammer da’ sullie d’r aige nou t’met juist an ’t boene binne....
—Selle wel waiser wese.. lolde Willem sabbelend op z’n woorden.... aa’s d’r jonge kerels komme.... da treft d’r nou net ellèndig mooi!
—Niks gedààn jonges! Je houê d’r jullie fesoen!.... daa’s onder en boòfe de wet sait hee? jonge maide is d’r hiet brood.. paa’s d’r op!
—Nou,.. sullie wete d’r woar Brammie de mosterd hoàlt, piekerde dikbullige Jan.
—Tu.. tu.. tu.. manne,.. hield in dronken energie Grint vol.... main maide binne d’r onskuldig aa’s ’n kerk-kruissie hee?.. ’t binne d’r netuurlik jonge skepsels hee?.. en se binne d’r soo ellendige goeie kooksters, enne meroakels goeie huishousters....
—En Train is d’r tug soo’n ellendig-knap swoàrtje, brulde dikbullige Jan huilerig, lachend van dronken aandoening.
—En Geert.... da’ liefe bakkesie! schreeuwde Willem.
Dirk gromde wat, dreigend onverstaanbaar voor Klaas en de neven, die maar zwegen, uit angst dat ie ’t herhalen zou.—
Recht over ’n weibrok stuurde Klaas op z’n erf en huisje ààn, dat stil en klein achter hagen en vruchtboompjes donkerde tusschen het verduisterd groen, midden in geheimzinnige murmeling van zomeravondland, weemoedstil en geruchtloos.—
Dirk voelde zich lam in de beenen. Hij had ’n schat verzopen, maar Klaas niets en de neven waartegen ie nooit sprak ook maar weinig. Dat hinderde ’m nou, maakte ’m barsch en nijdig, toch zonder dat ie iets zeggen kòn.
Bij Grint zaten de meisjes, in ’t halfdonker, paf van de hitte, doodop van aardbeipluk, lusteloos en morsig nog, op ’t achterend. Toen de mannen instapten, bonkerde ’r rumoer in ’t stik-heete hokje, dribbelde ’t vrouwenkliekje onder zachte gicheltjes en lach-kreetjes naar de voorkamer, waar de kleintjes sliepen in bedsteeën en ledekantje, en ’t duf stonk naar verstoofde menschenlucht, zweet en adem. Zenuwachtig door ’t lawaai van de zware stapkerels en schorre dronken stemmen, draaide moeder Grint ’t lampje òp vlak voor ’t raam, dat half in hoogòpgebloeide geraniumsblad en dennetjesgroen gezakt stond. ’t Vuur van de hel-rooie blommetjes vlamde ertusschen en tonglekte, fel-rood. Acht potjes in ’n rij, opgekneld en saamgeknussigd achter ’t dichte venstertje, dat nog inniger scheen in z’n kleinen ruitjesbouw, de blommen hoog uitgetakt, tusschen ’n pot-dennetje. Vlak er boven, ’t gordijn, geel-blank door-goud van lichtstroom, met z’n wollige bolletjes, zachtglanzend neergekroesd in ’t groen. ’n Klein scheepje hing tusschen ruitje en blompotranden te pronk, met z’n teer mastwerk, ragge kruisdraadjes en koperen boegplaatjes, glanzend tusschen het warme roodaarde.—
Zòò, intiem en stil, ’t raampje met z’n uitgeteerd-groen horretje in ’t puffe zomeravondkamerke, leefde eigen bestaan achter z’n stille, glansgouden gordijntje.—
Vader Grint al opgewondener, schreeuwde dat ie weer ’n likeurtje voor ’t nest had meegebracht. Geert keek glunderigschuw, naar Dirk en de neven. Haar diep-donkere oogen zochten te begrijpen waarom de mannen zóó laat waren meegestapt.
Dirk bleef bokkig, zei geen stom woord, zoende Geert alleen met z’n heeten oogenkijk, pal in ’r wulpsch blanken halskuil.. Nooit nog had ie soo’n lekkere maid sien—— doar waa’s Guurt ook niks bij.
Willem loerde van ànderen kant op Geert en Jan lolde met Trijn en Cor.—
Uit achterend in klomprumoer was plots Piet Hassel ingestapt, in schijn zoekend naar Dirk. Woest was ie op den kerel, dat ie daar zoo pàf en stomp naar Geert zat te gluren, hij, die toch ook wist, dat ze al lang met hèm aan ’t scharrelen geweest was.—Bokkiger nog keek ie op Geert neèr. Op z’n kousen, stil was ie ’t kamerke ingeslopen, morrend in zichzelf dat dâ speelsche meidetuig ’n elk vrijgezel lokte.—
Jan Grint, in ’t gangetje z’n klompen uitklakkend, stapte na Piet in. De meiden gierden, bufferden hun kopjes bijeen onder lampgloed. Vrouw Grint gichelde mee, schel, met snerpende schreeuwerigheidjes, dat ’t broeihok volschetterde van stemmenrumoer. In lollig opgewonden gebaar zette Klaas ’n flesch jenever op tafel.—
—Moeder!... nou skenk jai d’r aa’s ’n klebak de kring rondhaine.... hee?
Piet was dichter op de meisjes aangeschoven en Jan Grint gaapte, gààpte. Willem vloekte in zichzelf van nijd, dat z’n neef Piet, nuchter en koel, zoo midden in was komen opdagen. Maar Jan Hassel kon ’t niks schelen. Half al zat ie op Trijn d’r schoot, kinstreelde Cor, ’t blondje, onder woede van vurige Trijn, die geen jongen kon zien of ze moest ’m hebben. Gauw, met ’n por, liet ie Cor los, keek Trijntje pal in de appels, handstreelde ’r week-kittelend en sluiperig in ’r hals, staarde lodderig verliefd en dronken-sentimenteel, haar brandende begeerende kiekers in.—
In ’t ledekantje, wurmden en woelden de kleine plukkers en plukstertjes, half in den slaap. Een kereltje, klaar wakker van lol-gerucht, stootte de anderen òp.—Een vóor één, verschoond, pas wèg onder den Zaterdagavondboen, strompelden ze òp, uit bedsteetjes en ledekant, met knipperende oogjes tegen ’t felle licht.—De drie kleine meisjes, in blanke ponnetjes, met hun lachend slaperige, helder geboende rooie gezichtjes, drongen verbluft op de tafel ààn. De jongens, in d’r loshangende smoezelige hansoppen struikelden vàn gretigheid, naar voren. Klaas Grint, al opgewondener, schaterde en grappigde gemeene moppen uit, proestte zich zat met z’n eigen pret, en lachronk.—
Hij vertelde dat ie dat elken Zaterdagavond zoo had geprakkiseerd, ’n lekkeren dronk voor z’n nest, op ’t geploeter van de week. Dat mochten ze waarachtig wel hebben. Dan kreeg de heele kring ’n borrel. De kinders rekenden er al op; smakkerden en joolden al vooruit, wachtten elken week tot ’t kwam, met slaap in de oogen. Iedere week moest ’n ànder waken en wakker schudden zusjes en broertjes, als vader Grint wel eens heel laat aanzwaaien kwam. Maar dikwijls viel ’t kind-wachtertje in slaap, lag ’t heele hufter-zooitje te ronken; ging de zuip hun voorbij, zonder dat ze ’n druppel drank geproefd hadden.—
Gespitster bleven ze de volgende week, in langen worstel tegen slaap. Hoorden ze dàn flesch- en glaasjesgeluid zacht rinkelen, geslobber en geraas, dàn veerde wakertje òp, hielp hij, in stooten en bonken, zusjes en broertjes overeind; bombardeerden en drongen ze joelend naar voren, in den kring. En Klaas Grint, schaterde dan, was trotsch, heel trotsch op z’n wakkere kleintjes, dat ze zich niet hadden laten verschalken.
Dirk bleef stom op z’n stoel als ’n blok, deed niets anders dan Geert in ’r donkere oogen staren, en ’t gezicht zwart te rooken. Willem schoof al dichter bij, aan anderen kant en Jan Hassel, met z’n log lijf glisserde zich nou heelemaal op den schoot van vurige Trijn, waar ie telkens, met ’n schijn-ontstelden opkieper van afgebonsd werd. Dan gilde Trijn in dollen lach, stootte Willem tegen z’n buik, maar Cor en Annie hielpen Jan weer òpsjorten, langs d’r beenen. De meiden tusschen de stoomende stoeikerels, kregen ’t warmer, lachten, gierden en bliezen van hitte en klefferige vurigheid. Piet bestoeide Cor, uit wraak tegen Geert, en zoende Annie dat ’t klapte. Alleen als de kerels in brutalen grabbel hun te lijf wilden, trapten en beukten de meiden op hun schonken, die toch roerloos bleven, als van graniet, onder de weeke bons van hun meisjesknuisten.—Vader Grint keek loensch, woedend dat ’t wijf de kelkjes nog niet had neergekringd.
Schunnige grappen en woorden ronkten de kerels onder drinkhitte uit; branderig borrelde dierdrift op. Gloeiriger handen tàstten, feller oogen loerden door rookdamp heen. Maar telkens nuchterde vrouw Grint er wat tusschen, dat de kerels even verbluft en sip vòòr zich keken.—En Jan Grint, nijdig op ’t bezopen stoetje, den branie Willem, kalmeerde ze met koelen, norschen smak van woorden. Langzaam had vrouw Grint eindelijk kelkjes uit de kast gehaald en neergezet. In fijn zilverende glinsterkringetjes klokkerden klaar de glaasjes vol, en zoetig liet ze, in elk kelkje ’n klontje zakken.
—Enne de laipeltjes moeder.... da’ sullie d’r van deur-roere kenne! hee? schreeuwde Klaas, spog-sputterend uit z’n geschroeiden mond.
De kleine meisjes tegen elkaar gedrukt op twee stoelen, met de knietjes onder de schoone lijfjes, als duivenrijtje op tilrand blank, keken met groote oogen waar slaap nog in ronddraaide. De jongens, mannerig, wachtten, gierend van pret.
—Motte de kinders nou d’r ook weer foader?.... vroeg zichzelf onderbrekend vrouw Grint.
—Daa’s net! soo wèl aas wai hee?... die... die... binne d’r op kommende waige hee! barstte Klaas jolend uit, sullie hebbe d’r meeholpe.. nie? laileke kakketoes!.... en d’r aige krom plukt!.... soo tuikig aas de beste.... En nou.... doa’ goàn jullie.... wàif.... kèrels!... maide... kooters! santjes!
Vader Grint slokte gretig, stond zacht waggelend voor de tafel, zakte in zwaai weer neèr op z’n stoel. Mannen, vrouwen, en kinders met d’r kleinuitgestrekte armpjes, klonken beverig ààn, in driftigen rinkel en tinkel van kelkjes. De meiden proestten om alles en dronken te gelijk. Geert schoot in ’n kittellach, dat jenever ’r tegelijk uit neus en mond spoot, ze in krampende hoestbui, rood-doorschokt, dreigde te stikken, inéénkronkelend beenen en hoofd en spuwend-lachte met betraand-dolle oogen. Dirk was verschrikt opgesprongen waggelde weer terug, voelde z’n arm verdrongen door Willem die Geert hard op ’r rug klopte, onder d’r stikhoestend krampgelach. Eindelijk bedaarde de meid, nog nakuchend telkens van jeneverjeuk in ’r brandende keel, gloeiend als had ze ’n peperbus geleegd.
Jan Hassel had haar glaasje weer deftigjes tot aan den rand volgeklokkerd dat ’t fonkel-vocht, weer schitter-zilverend kringlichtte in de kristallige kelkjes, en stotterend hoestte Geert uit:
—Joa.. joa!.. ongelu!!.. ukke!!.. binne!! d’r kwoaje kan.... se!!
—Aa’s nou d’r Guurt d’r is hier waa’s! lachte wulpsche Annie, de jongste meid met ’r mopssnuit.—Geloenscht had ze naar Dirk en ’r broer Jan toen ze ’t gezegd had.
—Guurt.... Guurt!.... stotterde Dirk, voelend dat ie wat zeggen moest, die f’rskoont d’r aige... nou.. d’r bast!.. die stoan d’r.. nog feur.. ’n kattebakkie.
Geert dreigde op ’t botte, stom-uitgeaarzelde antwoord van Dirk weer te stik-proesten in jeneverslok, maar d’r broer Jan, keek zóó sneu en zuur dat ze d’r lach inperste en neven Hassel ook voor zich uit-sipten alsof Dirk heelemaal niets gezegd had.—
Licht-zilver wiegelde in glansjes om kelkjes, en fijn kristalde ’t zilvervocht. Klaas Grint vond ’t lollig, dol-lollig, wat Dirk daar uitstotteren kwam.
—Aa’s je main nou!.... jai.... jai ken d’r tug soo ellèndig goed liege hee?.... da’.. da’ de lekkere Guurt.. d’r.. d’r aige nou.. f’rskoont.. hee!.. daa’s sneu....
—Niks gedaan foader, hou je bek d’r buite, snauwde drift-bleekig Jan, die niet hebben kon dat Guurt door ’t bezopen stelletje belold werd, allerminst ’t duldde van zijn vader.
—Nou.... kaik!.... daa’s... eerst.... ’n be.. laift.... bèfel.... van.... van hooger hand.... hee!.. Gain jai.... d’r na’ je snoeptoàfel.. foader! wil dá’ segge!.. nou!.. daa’s befèl van main nikker, de swarte Joan,.. eenmoal.... andermoàl.... nou hou je sain heul fesoenelik.... en figeleer je nie... en nou goan wai d’r nog rais ’t kringetje rondhaine hee?.... Moeder! gaif de kooters nog rais ’n hallefie.. enne main!... enne.. de kerels.. de volle moat! hee manskappe? da’ laikt hoarlie hee?
—Altait lekkerder aa’s op ’t land te f’rbrande, mit ’t hiete spog in je drooge bek.. sloeg Piet er door, tegen Trijn áán, stoeiend met de lange blonde Cor, die stil zat en smakkerend met zoete teugjes ’r jenevertje inzoog, dronkje waar ze dol op was, iedere week.—
Vader Grint lachte luidruchtig om Piet, met oogen nat van glansen en stil uitwerkende dronkenschap. De kerels roerden, smakkerden, en de meiden lachten en likten. En gretig, in felle passie, zogen de kinders ’t drankvocht bij zoete kleine teugjes in, piekerden met hun vingertjes klefferig bodempje schoon, boorden en kronkelden d’r tongetjes, spitsig langs ’t randje, omlekten de glanzige en besuikerde kelkjes, woelden en zuchten in spartelend plezier. In drukke gebaartjes pagaaiden de klef’rige kinderknuisjes door elkaar heen, schuurden woelig schoudertjes en armpjes langs de tafel. Fel lonkten en vonkten de oogjes in ’t lamplicht, en ’n paar brutale jochies poogden te likken, te smakkeren, doopten hun vingertjes in de kelkjes der vreemde kerels.—Onder gelach en gebabbel weerden die hun klauwtjes àf, zonder eigenlijk te zien wàt de kooters deden. ’n Roodharig jochie van vijf, apig maskertje, met wijsgeer-rimpeltjes op hoog-voorkopje ingegroefd, vroeg om méér. En ’n ander, wat ouër, drensde mee in hurk, z’n hoofd op twee ellebogen gesteund, vingertoppen den mond ingeknauwd, met z’n hel-blauwe oogen, pijn-lang ’t licht instarend. Maar dadelijk, als kreeg ze haar herinnering terug, viel vrouw Grint nijdig uit, dat ’t nou dubbel en dwars mooi geweest was, joeg ze de duizelige kleinen met snauw en duw weer naar hun bedjes. Christientje werd aan ’r lange haren meegesleept door ’n drank-verhit jochie van acht, en gierend opgewonden, elkaar beklapperend op de billen, klauterde ’t stoetje weer in de verbroeide slaaphokjes, die vol dampten van rook, walmden van snikheete, duf-drukkende kamerbenauwing.—
De mannen joolden met Dirk mee, die plots van stommetje, in ’n vlaag ’t drukst wierd van allen. Hij stoethaspelde en raaskalde, stoeide en sprong als ’n klown, strooide gepeperde moppen stotterend rond, flapte en stapte dat de meiden, verhitter, schik in den kerel kregen.—Z’n kop gloeide rood, z’n koeienoogen glansden, en z’n chineesch-kakerige snuit keek sentimenteel. Piet zong schor, schold ieder uit, zoende vlak voor Willem Hassels tronie, de mooie Geert op d’r gloeiend-wulpschen mond en blank open halskuil, dat er vloeken en bedreigingen hurrieden tusschen de dronken knapen. Maar de meiden konkelden ’t weer goed. Klaas Grint lachte er overheen en vuriger stoeiden de mannen dan weer, in haat en wrok, tòch voor ’t moment met elkaar verzoend.
Duffer broeide de avondkamer in voozen stofstank van gesloten vensters. Het raampje, met z’n geranium-vuur, bladergroen en fijn roodaarde, achter ’t vergroezelende licht en vroom-groen horretje, waasde stil-gouïg tegen avonddiep duister van buiten, en elk ruitvakje verpeinsde eigen glansjes van tonige tintstilte, diep en wazig. ’t Scheepje stond roerloos met ’t ragge touwgeweef, en heel ’t venstertje, gouïg aangegloeid in lampeglans, met z’n roodaarden blompotjes, bloemen-vuur, en groene twijgjes, ver-eenzaamde inniger achter geproest en schor stemgebrul, ver van ’t burleske geschater en schurend gegrinnik der dronken, dierlijke boerenkerels. Over bovenkant van half gezakt gordijntje holden en lolden schaduwbroklijven van de mannen, als ze waggelzwaar van hun stoel dansten en loom kankaneerden met armen en beenen gelijk. Dan ging er dronken waggel van rompen en koppen tegen ’t gelige gordijndoek; chinees-schimmig en burlesk-angstig vergroot als ze stapten naar achter, in ’t tonige halve kamerduister; schèrper aanrumoerend, en silhouet-zuiver, de dronken profiel-tronies omlijnd, als ze zich bewogen naar vòren.—Smokerig in nevel rookte de kamer rood van gouenaars en sigaren. Scherp in vlagen, prikkelde jeneverstank er doorheen en lolliger in de zomeravondhitte zopen de kerels hun kelkjes leeg, in kleverige klauwen, snurkerig schrei-lachend en dronken doorgrinnikend. Dirk zat met asch bemorst van z’n borst tot z’n knieën, en telkens plaste ’r jenever op z’n kleeren, als ie waggelend opstond en met z’n glaasje in de hand lachtronies der meiden bestrijken wou.—
Met schrik en angst loerden de dochters naar hun handen, die rondzwermden in al woesteren tast. Tot eindelijk, laat in den avond, heel laat, vrouw Grint ’t besef kreeg de kerels te bonjouren. Dat had ze nog nooit beleefd, zoo’n latertje, al wàs ’t Zaterdagavond. En al loerde ook zij op de rijke neven Hassel, nou, met die arme donders Piet en Dirk erbij vond ze ’r niet veel aardigheid in. Met boffen en beuken drong ze de kerels naar de deur, woedend op vader Klaas, dat ie zich zoo te buiten ging.—
Want Grint joeg de kerels òp, tegen elkaar in, om z’n meiden te zoenen, te pakken, te frommelen. Schor-ironisch, met scheefgetrokken mond, bezwijmelde oogen, die waterig glansden van beschonkenheid, riep ie hikkend, en òpwaggelend van z’n stoel:
—Alletait.. in.. ’t fesoenelikke.. Soene.... i i i i.. i i i.. ’n ’t fesoenèlikke.... enne.. pakke.... i n n n n.... ’t fesoenelikke.... enne!....
Ze zoenden, dat ’t klapperde, en de meiden verhit en vol verzet toch, bedroesemd, opgehitst, en nijdig-beschaamd tegelijk, trapten en sloegen. Annie en Cor vooral, duwden met vuist-stompen en kleine mokerslagjes de rook- en drinkmonden griezelig van zich af. Toch voelden ze niet te kunnen weghollen, om de lekkerige duizeligheid en soezerige zinnelijke hitte in d’r lijven, van ’t drankje.—Maar vrouw Grint waakte, hield ààn. De kooters konden niet slapen, zij moest d’r ook in,.. kortom, ’t was d’r ’n skandaal, zoo laat naar ’t nest te trekken. Dat was nooit nog in d’r leven gebeurd. Schoorvoetend, met brandende monden, scheefgewrongen van heete, verterende begeerten, met gloeioogen, in vlam geloerd op de guitige donker-lonkende kijkers van Geert en vurige Trijn, op ’t slanke lijf van Cor, en de warme molligheid van Annie, trokken ze af.
Klaas Grint waggelde ze nog achterop naar ’t pad. Z’n dronken haperende hik-stem, krijschte wat nà, onzeker verglijend in klank-schorre lalwoorden.—
In ruzie-smorende innigheid en vriendschappelijke woede, waggel-stapten de neven, over ’t maanbleeke duistere pad heen, armen ingehaakt, elkaar vervloekend. Ze zongen en raasden zich naar huis, met straatliedjes en dreunende scheldwoorden, uitrauwend in stildroomenden zomernacht, doordauwd van zoete geuren. En vóórt ging hun beestige passie, die de zwoegers, als steigerende, duistere furiën rondtrampelen liet, in ’t nachtelijk stil-donkere Duinkijk.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Vale lichtgloor van ochtendmaan weifelde boven het polderland.—Zomernacht, in vochtige stille glansen, was aan ’t versterven, in eindloos stille ruimte. Geruchten van eeuwigheid, suizelden in schelp-ruischend doorduisterd luchtgewelf en aard-schemer.—Rust van weide-sluimer waarde rond, in zachten ademhaal van landontwaken, rond lucht- en aarde-stilte.
Luidlooze groei van wazig, zilverpaars ochtendgloren, alom. Stilte, heilige stilte, huiverde over ’t polderland, eindloos bedehuis van zwijg, godstilte in kring van bidders.—
’t Licht verweefde en groeide in wazige gestalten, uit nevelig nachteduister. Zacht, doodelijk zacht en broos áángloren kwam ’t licht, stiller, sluipender over ’t morgenstille, glorend, zilvergrauwe land.—En àchter de paars-grijze hemelwolken, die áánlichtten in sterker gloor, staarde de nacht, al bleeker, blééker.
In grijs-paarsen toover en tinten van sluimer, glorend en vaal droomde ’t stedeke Wiereland òp uit een mist van paarsen, ijl-zwevenden ochtend-damp, die òm de vage daakjes, vèr-af van ’t land, langzaam weefde, al wééfde, ragweb van bleek morgenpurper.—
Geruischloos wiekte de geheimbrooze landstilte òp uit den roerloozen ochtend. Zachte tocht van blanke lichtvleuglen, ruischte over de nevelige stedeke-daakjes, en violet-teer òpkronkelende landwegjes. Al zachter vloeide ààn ’t hemellicht, in wondre weving, geheime groei van glansen,—àl paarser gloorde ’t boven de wondre stille weien.—
Tot zacht geruisch van ontwakend leven kwam beven boven ’t land, murmelend vibrato van wond’re zoete klankjes, aanstemmend den landelijk-zilveren morgen. Heel van vèr, en rondom, vlei-tjielptengesmoord, angstig-ingehouen, kweel van vogelenkeeltjes, murmeling en wiegeling, zoet-innig luit-gestem van luchte-zangertjes. En sterker preludeerde òp, gesmoorde jubel van zilveren kweelertjes in ochtendgebed, al áánstemmend den dag, den goudrooden zonnedag, die komen ging.
Heilig, verstommend heilig, vloeide de zilveren fluister van orgelende keeltjes door luchtgewelf, een blank, zalig-zomersch landgerucht, áánklankend al jubelender, zoeter, al fijner en hooger, mèt ’t glorende licht van den morgen.
Zilver-blanker en wonder-heimelijk verruischte het licht achter de harpenaartjes van hemel en wei, die wiek-vluchtten door wolkenruim en graszee.—
Zomerochtend-gloed, roodblond en groenig-goud, àl goud, verpurperde dampiger over ’t eindloos land, en heel de aardekom rookte van rood licht.—
Van ver, uit nachtweefsel, schemerglansde de hemel, en paarse wasem nevelde. Zacht-blond, roodblond èven de hooischelven, in glanskopering rij-den áán, betoortst in toovervuur van bergje tot bergje.
Van erfjes àf, uit Wierelandsche huisjes en polderstolpen, klonk haangekraai, zomer-zang’rige klank en zang, die hèl opgroeiden uit de stilte-eeuwigheid en neerstortten in gouden geluidsval van triomfaal alarm. Elk geluid, zwak-stemmend, aanzwevend uit paars ochtendgrauw van stadje, vèr naar weizee toe, werd zang-trillend leven, verwiegelde tusschen luchtgewelf en roodaarde-gloed.
Sikkelmaan zilverde zacht in aanlichtend lila-blauw van hemel, waar, tusschen meeuwblanke wolkjes, bleek purper streepte. Heel ver, naar nog glorenden polder-horizon, boven dorpjes-verren nevel, gloeide òp in rijk van glorend morgenrood, een brand van bleek-oranje vuur, ’t schemerend wei-groen zacht bekaatsend. Daar, òver ’t dorpsnevelige, zweefde klooster-heimlijke stilte.—
Plots, in een kring van paars gewolk zweefde òp ’n kruis, bloedrood in prachtschijn, hoog-òpgericht in ’t luchtgewelf.
Uit ’t paars rondom, schuifelden gestalten, wazige morgengeesten, die stom den stervenden nacht instaarden. Langs ’t bleek oranje schuifelden ze voort, ’t nevelrijk van morgenrood in, verheiligd, met wonder licht beglansd.—En stil, in hun god’lijken staar naderden de morgengeesten ’t oranje vuur, òm ’t wolken-belichtende hemelkruis geaureoleerd.
In zachten ochtendgloed ging rond geheime groei van wolken en licht. Midden in ’t paars-massaal wolkendom was plots het kruis geslonken, doorbroken tot toortsenkrans van rood licht.
Haan-kraai verklonk nu in sterker ontwaak-triumf over ’t morgenland, en hoòger mèt zonnegloor, viel blank fluitgeruisch in, wiegelend spel, jubel-teer en murmelend van windharpen die te neurie-peinzen hingen in ’t glorend-purperen luchteruim. Vogelkens mijmer-zangden, ontroerend-broos, en uit de aardewei wonderen òp, paleizen van zoet luitenden jubel, klankenhallen en poorten van zomervreugd, in den kleurigen gloei van morgen-gloor, rood-wazig en groenend-goud, omspuid met den zilverenden damp van ’t eerste nevellicht rondom. En wind-huiver omdauwde ’t polderland met bloemenzoet, graszoet, hooigeur en klaverrook.—
Al sterker ruischte áán ’t licht, zette in wondren gloed en fijnen glinster de groen-gouden wei, wekte de stille peinzende kleuren van ’t hooi, de haver, de rogge.—
In zang van toortsige gloedsfeer begon ’t heilige gebed van de tinten naar ’t licht.
Heel de ochtendpolder, toch vol wondre stilte-geruchten, vage klanktrilling en vroom gesuizel van ’t landstille eindlooze; al de hooi-schelven, de bloeiende klavervelden, de weibloemen, jubelden zacht-ingesmoord naar de Zon, die verrijzen ging. De luchtrand, rood-dof vergloeid, onder ’t massale wolkenland van paars, kartelde en wentelde nog wat vurige zonnewieltjes, dat ’t sprankelde van vonksels rondom in het ruim. Van verren horizon, aan polderdorpjes, glansden roode daakjes, in grijs-violetten morgennevel, en torentjes spitsig en bits, ontgrauwden.—
Goudgroen golfde het licht, ochtendazuur van blauw-penseé glansen en weerschijnen in, gloeide de wolkkring boven horizonbrand áán, als paars vuur, àl hooger prachtpaars, eindloos uitgekranst in ’t hemeldiep. De hooischelven, in koperen goudgloed, stonden aan één zij te branden in goudvochtigen nevel en rood-sferigen lichttoover in altaren-wonder, door ochtend-goden er om heengeademd.—
Golfgloed van rood-goud beefde van schelf tot schelf. Over heel de weizee vlamden zij áán de bergjes in liniën, tooverroode gloed; meer schijnsel dan licht, meer waas dan glans, vreemd gegloei van nimbus-brand, die trilde en toch schroeide, vlamde, straalde, en zelf zich weer wègweefde in sfeer van wonder-zàcht schitterend goud, dat tusschen de schelven wiegde en weefde, en de wei-aarde ros-groen begloeide.
Laag, scherend langs ’t land, zengde blonde gloed van ’t ochtendlicht.—Hier en daar fonkelzwartten de koeien òp in hun glanzig huidgit, dat glansde als natgeplast satijn.—
Wierelandsch stadje uit paars grauw opgedampt, begon te leven, in weerglans van ochtendrood. De pannen-daakjes, bijeengebrokkeld, vingen glanzen, donker en lichtrood, grijs en leiblauw. De groote toren stond beaureoold in madonnig vuur, dat goud-zacht gloeide, en van vèr, er achter, uit ’t sluimerende stedeke, jubelden zacht méé ochtendgebeden van lichten en kleuren. Aan polderweirand, waar zòn verrijzen ging, kwamen dampig en rood, uitstralende zonnesluiers, en in zwier van gazen wiekslag hing zweeflicht over eindloos groen.—
Heel ’t polderland verwasemde meer en meer z’n vroomrooden ochtendbrand, of diep in de hemelen, àchter aardeduister, een God voorbijging, en zijn fonkelende stoet van lichtende hemellingen, ’n gloed en praal van jubel-glansen, vóór z’n zonne-gang liet uitstralen, den morgen in.—
Soms leek de roode aarde van binnen uit te gloeien, fel brandend, door gronddonker heen, licht vervlammend uit zengend binnenste.—
Van Lemper-polderkant wolkte paars de lucht, rose, gloedloos, in zachte verglijing van purper-weeke tinten. Dáár in ’t eindeloos luchtstille, was heimvol naspel van zonnegloren, lag groen van bouwgrond er onder, in een koester van licht, brandden langzaam de wolken áán, ruischte een sombere huiver van tinten, ver buiten zonne-komst.
Dammetjes stonden aarzelend te kleurgroeien in ’t stille bouwbrok; rijzen piekten zilverig-brons de lucht in, en klaaglijk geloei van verre koeien woei áán, over weiland en hooi, ver, waar ’t vergalmde in ’t murmelende ochtendgerucht van ’t land.
Verder den polder in, langs de purperende slootkanten, die in ’t nevelzwierige morgenrood en hemelgloei te dampen dauwden, wasemde ’t kanaal als ’n breede bron, lichtend in een kleurigen wiegel en kabbel van schijnsels en dauwglansen.
Als in sprokenland dampten òp, gestalten en kleur-nevelen, in stoeten vlietend, al vlietend en zwevend langs de gouden oevers, verkwijnend en opgeslurpt, sprookjes-grillig in hemelgloei, verschuiflend over ’t rood-begloeide gras.
Door de hemelen oneindig, ging bang-ontzette, stille werking van kleur.
Onder den muur van paars gewolk aan horizon, gistte en bloedde ’t rood als bezworen brand, goud-rood bloed van den gestorven nacht, geofferd aan den naderenden zonnegloor. Geheime vlucht van geruchten ging blank en blond door de ochtendluchten. ’n Angstige stijging en aangloei van kleur en licht, brandde, smeulde, sintelde in ’t hemelwelf. Als begloeide koepel erautte luchten-welf zonnekomst, in dreunenden kleurenzang.
Het land, met z’n aangegloeid groen, de geluidlooze daggroei, de blondroode, de blond-gouden zomermorgen, uit paarsen nacht van hemeldom en sterre-zilverend-duister òpgerankt; de gloeiende ontwaak- en licht-jubel van huisjes en verre boomen; de zang van koeien, in de stilte-eeuwigheid; het stijgen van de vogelenkeeltjes, als harpjes en vedels, in zanggekwinkel,—alles werkte en jubelde door de hemelen, ’t godstille morgenland, herautend de zonnekomst.
Onder ’t muur-hooge wolkenpaars waar Zon moest verrijzen, gloeide vuur-feller òp ’t rood, al hooger in gloed, den verren wolkenomstand bevend bevlammend. En alles kleur-herautte áán ’t felle groote Licht dat komen ging.
Er zat bange ontdaanheid en grootsch ontzag in de kleurwolken, die opdreven ten jubel, nu niets nog verrees!
Maar àchter den horizon, waar ’t zonnevuur gloeide, in een brandenden vlammen-ring van licht, gebeurde al de onzichtbare stijg van de Zon, laaide vuurweg òpen, in walmkleurigen brand, áángloeiend al sterker de wolkenrijken, rondom geschaard in den gloed-bloedenden hemelkoepel.—
Wat stomme landwerkers stapten over polderbrugje van kanaal, naar de dorschen. Onder hun beenen brandde de aarde rood, roodblond, goudgroen, en hun gezichten gloeiden in aureolenglans, omvlamd van hemelvuur, dat uitstralen kwam.
Stom liepen ze áchter elkaar, de stille zwoegers, even starend in den vlammenden horizon, waar ’t licht herautte.—
Eindelijk, ’n kartelende vuurslang, als ’n kronkelflits van bliksem, òmgesmeed in éen schok, éen tril, tot vuur, boorde uit den luchtbezworen brand òp, ontzettend van kracht en hevigen glans, met bevenden rood-gouden-kop fònkelend.
Plots gloeide héél de luchtbrand aan, vlammend rood, en de muur van paarse wolken boven den morgengloed, schroeide tot violet-vuur, dampte uit, een azuren waaier van goud, in felle breede stralen, doorspat van trillend roode zonne-fonkels.
Laaie gloed danste en sidderde in nadering van Zonnegloor. Brandgeur rookte rond in de hemelen.—
Al de wolkgrotten, de wolkruïnen, de wolkpoorten en burchten, vlamden in den morgenbrand.—En fèl, in den vuurschijn dromden wolkwezens òp, kleur-herautend in ontzag, langs de aarde, de hemel-randen.—
Op den trillenden vuurkronkel, omgesmeede bliksemschicht, die aangloeide in al heviger fonkel, hèl-rood, dromden de wolkwezens, en nevelgeesten uit violet wolkenrijk neergedaald, al sterker herautend, met aangezicht in gloed geschroeid, gekeerd naar ’t groote licht, naar den Zonnewagen die rijzen kwam, áánschuimen z’n brandende en ziedende wielen in een golfgloed van rooden wonderglans.—
Ontzettend verstild, ging de vlucht van geruchten over ’t landgroen; éen suis, éen fluister van aanbiddend, wachtend leven.—
Mysterisch geruisch van verstommende klanken, harpte wèg, over ’t land. ’t Riet zong zachtsten fluister, de korenhalmen ruischten zang-zachter, de weibloemen, blauw en goud, glansden vreemd, in extatischen gloed.—
Hemelwelf van Lemperpolder gloeide nà, in rose brand, en wolkrijken daar, herautten nà, ontzag voor stijgend hemelvuur. Over heel ’t polderland scheerde ’t licht. Roode dauw dampglansde, en vonkgroen verdruppelde schittervuur in ’t natte goudgroene vochtgras.
Heel de polder, eindloos, zwom in gloedglansen van purperen brand en groen-goud zomer-vuur. Het kanaal wiegde zonnerood, zonnegoud, zonne-paars als ’n schitter-paarlmoeren kleurplas.—
Peinzend-stille bruine paardjes wachtten, laag den kop; githuidige en rood-bonte koeien stonden omfonkeld, omplast in ’t licht, dat steeg, stéég, in laaien gloei. En trillender, de levende vuurbliksem, omgesmeed tot slang, in den fellen hemelbrand onder violetten wolkmuur, gloeide áán. Vuurslang verbeefde rood gevlam op wolkenkring rondom, en z’n spitse kop siste ’t morgenlicht áán, tot heller goud-rood vuur, tot gloeitroon.
De hemel laaide òp, spoot uit vulkanig brandgoud.—Overàl, achter violet-vurig gewolk uit, rookten brandstapels, lekte vlammenrood.—
Plots vuurde òp, hèl-gloeiendst, ’n trillend punt, brok krater-kogel, en lòs achter de lichtende aarde, zweefde òp een bol van ènkel laaiend schitter-hevig vuur, ontzèttend van fonkel-rooden oer-gloed.
In éen schok van licht, laaide heél ’t polderland òp, in roode blinking, goud-groene helheid van hevig licht, als stond de aarde in brand, volgestort met zonnetoortsen.
Een zwijmelende jubel van kleuren en glansen zengde rond de wei en ’t hooiland. Het kanaal, waar de zon laag-scherend, op neerschoot stralenbrand, met z’n gele wipbrug stond in rood-gouden flakker van licht.—
In ontzettend moment van luidloos verschijnen was Zonnebol in z’n daverende helheid, z’n trillend rooden zèng, achter de aarde opgezweefd, en snel z’n goud-vurigen troon genaderd.
In matelooze kracht, stortte hij nu uit, zeegolvend breed, eindeloos licht dat deinde, en roodvlammig golfde en goudwiegelde éérst, maar plots schroeide en zengde, en rondslingerde zonneflambouwen, tusschen ’t gras, tusschen de hooischelven, tusschen beesten, dammen en rijzen.
Dollendans van licht zonnesprankelde, spartelde en priemde, lanste en pijlde uit den hemel, die zelf, als immense koepel van zonnevuur polderland òmstolpte.
Alles beefde in den ochtend òp met ’n schok van fel genot. Ruisch van goudvleugelenden wind woei áán, tusschen een bazuinstroom van zomervuur. Kwinkeleer jubelde òp, losschaterend, onder de gouden hemelpoorten als orgelkelen, hoog in ’t kleuren-ruim uitzingend.—
Een zomerende bloesemgeur wasemde uit de rood-begloeide, wonder-glinsterende weien, en zonnevreugd omdaverde de bebouwde aarde.
De Lemperpolderlucht wolkbrandde in nagloei van ’t eerste zonnevuur. Afgebrokkelde vlammepoorten ver-rookten er kleurwalm. ’n Weg dáár, onder poortendom, lag open naar hemelburchten, waar teer-rose verschieten schemerden. Karperkleurige lichtschubben ringden boven de poorten, en vèr, heel vèr, onder hoogste, vurig bezonde wolkenruïne, hingen lampions van zonnegloeiing tusschen gouden regenbogen in ’t blauwend firmament.
Zonnegod luidde z’n goudene licht-klokken uit, in ’t brandende hemelruim. De Juliochtend bleef jubelen van lichtglorie, tot plots zonnebol onder violetten wolkmuur wegdook. Er tegenover, in geweldigen kring, was plots ingestort ontzag’lijk bouwsel van kleurwolken.
Als ’n stukgewaaide gothische kathedralen-stad in hemelruim, bleven zwerven en zweven daar, brokken gloeiend brons, karmijn, en purperen gloed-scherven, roode torenspitsen en klokkengouden cijferplaten, blinkend tegen ’t sterker jubel-blauwend azuur.
Wolken als kruisramen en bevlamde vensterbogen kathedraalden er, doorrinkeld van geel, doorstroomd van bloedrood, kanteelen en schipstukken, in vlammenpracht, doorstookt van laatste schijnsels.
Stille werking van zonnebrand vergloeide overal.—
’t Kanaal bleef wondre allegorieën-stoeten uitdampen, in paarlemoeren schitter.
Plots achter den hoog violetten wolkmuur, langzaam verzilverend bij ’n gloeihoek, vuurde de zon weer uit, niet meer als ’n rood-barende bol, trillend van zengenden stralenflikker, in hel vulkanenvuur wonderstil uitzwevend achter donkre aarde, maar nù, als felle goudkokende krans, violet bevlekt en rood-groen ompijld, ruischend verterend in wit-goud vuur.—
Eerste toovertoortsing van ros-rood, was weggeschroeid. De weiden groeiden aan, eindloos in ’t licht, en boven ’t polderland, sloeg een warrelwind woeling in ’t zonnige, hel-schitterende gras en koren, blinking in de wolklucht, en vluchtstoei in de schaduwen. Goudlicht stoof òp, glijdend, schuifelend in wisselglansen over ’t land en de gods-zonnige heet-doorschitterde slootkanten.—
De wind, zwoel en wild zwabberde over ’t ruischende riet, en de korenhalmen in zacht-zwellende aar, zwiepten in sterken druisch.—
Overal in blinkende pracht, heet, zonde ’t morgenland, gloeiden de stolpdaakjes en blakerde hoeven-wit-gegevel. En eindeloos ’t heet-gezoende gras-groen gloeide, tusschen de blonde hooischelven. Blauwer ’t hemeldom koepelde uit, verbleekend de kleur-wolken in ’t stralend, brandend blauw. De wind doedelzakte en joedelde op spothoorns wildjolig, door ’t heete land, blies zwoelen tocht in dagsnikke hitte, blies kuilen in de tarwe, knakte halmen, besliertte in ruischschrik al woester ’t riet, stoof zandwolken langs polderweg op, kolkerend hoog.
Het wipbruggetje met z’n zonnig begloeid geel hek en ophaalleuninkjes stond heller in gouden vlam, ànders weer dan in z’n eersten rooden wondergloed, bij zonnekomst.
Als wind, moe van blaas op joedelende spothoorns, ergens aêmechtig neerlag op ’t land, gloeide de grond in hel zomervuur, knetterden de halmpjes in ’t groen-gouden schitterlicht, knapperden de aren, dreef de dag áán, op ’t stille goud-zilveren licht, ’t wit-heete goud-schroeiende van zomerpolder, vibreerende de eeuwige fluister-stille verte van Hollandsche wei-eenzaamheid.
Zangerige geruchten wiegden áán, zengend zonnegoud blakerde de hoeven en erfjes, waar boerenmeiden stapten naar dorsch, en bronzen werkkoppen langs de brandende hooischelven schoven.—
Langzamerhand kwam er licht gewerk van hooiers op het land. Windzang joedelde tusschen de bergjes in flapperenden stoei. Klankvage morgenmuziek luidde òp over ’t ochtendland, week aarzelgeruisch, murmelend van ver en dichtbij.—
En overal, van allen kant straalde en vlamde de landelijke ochtend, door ’t rust-zalige van wei en hooi, den blonden zonnevurenden halmenzang; op klaverrood, paars bloemsel en geel; op den gouden trillenden brand van schelven.—De roode helschaterende gloei van stolpdaakjes vlamde in ’t blauw-trillende luchtvuur; eindlooze doorzonde weilanden dampten in malschen schitter, van ’t gouden poldervocht doorsapt en de wondre fijne zonnige slootgloei hèl lichtten als kobalten plassen, verwiegend zomervuur. En rònd ’t hooiland, de weidengloed met z’n koeblanken schitter, zwart-begitte en bontrooie glansen, van ’t grazend-zonnige vee.
Zoò, de nevel-gouden morgen, schitter-blakerde wild met den stoeiwind er achter, die doedelzakte op spothoorns, en dravende zilvervloten door ’t lichtruim joeg, tot soms hij plots zwoel en paf lam lag op de velden. En heel aan den horizon rondom de dorpjes trilden in dampig goud, als naderden de torentjes en huisjes daar den eind’loozen polderkring van groen en licht.
II.
Tegen half negen, op boerenkar hortten Kees, Dirk en ouë Gerrit hun hooidijk òp. Dirk mende, wou alleen hebben, dat de Ouë meeging om rond te harken in den windstoei. Te vroeg was ’t nog om op te steken. De boel klamde nat. Ouë Gerrit omtastte de hoopjes, bromde wat in den wind, keek angstig naar den heet-blauwen hemel.—
—Hoho!.... op die smalle daik.... daik hier.... ke.. je.. ke.. jè vast nie teuge wind inkeere hier!.... daa’s niks gedáan.... hee!.. aa’s jullie d’r nou eerst.. rais.. huhu!.. die mikmak anharke.... hee!—schreeuwde Ouë Gerrit naar Dirk en Kees, die de boomen boven de wielen van boerenkar, met handen en voeten in de binten stampten. Z’n stem verwaaide in windvlaag, zwabberde klankloos naar de kerels, die aan dijk-end stonden.
—Sel wel op poote sette, Ouë, schreeuwde Dirk norsch,.... wai beginne d’r van hier.... eerest die hoopies op de woâge.. in vaif kaire is ’t doan....
—Allejeesis! da wordt dur ’n karwei tut an den oafed! hee.. riep Kees gebluft.
—Daa’s net, en teuge àcht.... mi die vuile oafeddamp.... is ’t suinege Job! je naimt d’r de boel nat in, moar ’t mot!.... die duufelsche oàrebaie.... en errete skreeuwe om onster hee? Hèp je nie.... dan mò je nie!.... ik wil d’r hier morge nie weer stòàn!
Julizon blakerde en wind joedelde in zwoeltegloeiing. Felgoud omschoten, trilden de hooischelven in ’t bazuinende vlammelicht, en er onder wasemde ’t doorgloeid gras, smeulende hette uit. Ouë Gerrit scharrelde rond tusschen ’t hooi, los neergemaaid op dijk, dat droog veerde onder zijn klompen. Den wagen had Kees ’n eindje hooger smaller dijk opgereden.—
Dirk die het hooi opbouwen ging, was karbuik ingeklauterd, liet z’n klompen neerklakkerend afsullen van z’n paarse kousen, op ’t grintpad. Zon gloeide, maar telkens stootte onrustiger òp, zoeltig-zoete windflapper en rilde zwierd’rig ruischend leven, onder halmen en riet.—
Hemelkoepel stolpte eindloos blauw nu, hoog vuur van lucht, en van alle polderhoeken stapten loom de laatste hooiers òp.
—F’rek.... stong ’k t’met moàr ook in de wai.. mi die vuile wind.. Sel je strak en-an wà belaife, verzuchtte Dirk naar Kees,—sullie kenne d’r beest t’met mi sain kop.... in de wind sette.... moar hier.... op dâ smalle kreng f’roer je vast gain vin! Moar ’t mot hee?
—Daa’s net, ’t mot, kauwde Kees gemoedelijk na, tusschen z’n dunne lippen, met ’n sisstraal z’n pruimpje ’t hooi inspuitend. Rood onderspul van boerenkar, veeren en wielen, vlamde hèl onder krat en buik-end. Dissel gloeide rood als ’n kromgebogen bazuin, en z’n koperen punt stond zon-beketst, goudfel te fonkelen. Op ’t land vèr onder hun dijk, kwam drukker beweeg van hooiers. Witte zonnehoeden en blank-strooien, bewogen op de brons-bezonde koppen, onder ’t opsteken. Karren met hard-groen zijwandsel, rood krat en wielspul, knetterden heet-rood van ver tegen ’t glinstergras, in laaien zonneblink, warm omvocht van hette, zwoele, dampige, smorende polderhette, òpnevelend uit fluweelmalsch gemaaiden grond.
Dirk kon ’t maar niet verkroppen, dat ie nou niet op ’t land ’n hooihoek had, schold tegen den Ouë, waarom ie toch juist dàt vervloekt dijk-end nemen moest.
—Hoho.. main Kristus jonge!.... da’ ke’k tug nie helpe hee?.... da’ d’r nou toefoàlig wind op de ruimte stoan.... hee?.... Hu! hu! sullie hewwe main da’ daikend tug nie f’rkocht, mi-sonder wind hee?
—Nou.. furt moar Kees, gooi op! norschte Dirk,—.... die laileke kwinkkwankers, f’rkoopje je alles mi wind hee?.... Hee Ouë!?.... aa’s ’k boòfe ’t roam bin, kaik jui d’r dan wâ de wind wil.. hee?..
Diepe hooigeuren, honingzoet, zwijmelden om den wagen heen, en warmer broei van licht en aarde wasemde òp zomergloeiing van polders, koortsig en zengend. ’t Rondom gemaaid gras op de weien, warm-groen, fluweel-doorgloeid, zong hoog in ’t schitter-licht z’n wonder lied van innigheid en de blankhouten harken gristen en ritselden door ’t hooi, met gerucht van grazende koeietongen.—
—Loà poard effe loope hee? riep Ouë Gerrit naar Dirk onder ’t opharken.
—Dá’ mô je moai maine, hai blaift d’r vast woar ie stoan!.. is ’t main knol?
Zalig-zomersche geuren, zonnig-zwoel en dooràdemd van bloemenzoet, zwierven rond, in de lucht en wei-zee. De schelpruischende polderstilte, de mijmer-zachte wuif van ’t slootriet, en de halmenfluister trilden door de heete schitterlichte lucht als koelte-suizel en droomrig geklots van golfkabbeltjes, soezend slaperig, tegen blank-zonnend strand.—Eindlooze ruimte van bevend licht, hemelblauw en groen, lag er tusschen de werkers. Als oneindige kom, volgeschuimd met lucht en groen, gloeide de lage polder onder den hemelkoepel, blauw-barnend-vuur, waar de wind in zonnig-zwierige vlagen doorheen dartelde, huppelend en stormend, zacht joedelend en stoeiend, alsof honderden kwelgeesten tartend zang-doedelden door ’t snikheete land.—De hooibergjes verbroeiden in zonnevuur, dat lèvend op ze neerlekte, ze kontoerde in een trillenden zoom van heet goud.—Naar bouwgrondkant van polder was druk gewoel van blauw- en baairoodbekielde kerels en wijven tusschen de erwten en veldsla. Daar achter en òm, dromde ’t vee luierend bijeen, slaperig traag in de drukkende hitte. De koppen opeengedrongen, koester-broeiden ze in de gouden vocht-warme wei van verre, begit, als met waterplassen glanzig oversmakt, in smeiïg schitterlicht, verglijend tusschen de plooi-glanzende blanke huiden. Op verren dijk, aan horizon, gingen traag twee boerenkarren, donker-kleintjes, als speelgoedwagentjes, tegen blauwen hemel in. Dichter bij de Hassels, waasde ’n nevel dauwig licht over ’t gras, wonder beglanzend ’t heete groen, dat hoog-gloeide, fel verschitterde, elk halmpje, in één fellen brand van goud.
Kees stak òp. Met z’n scherpe tandvork boorde ie diep in de schelven, en in kreunende rukken smeet ie den karbuik vol. Dirk met branderigen zweetkop, sloeg òm z’n rollen, en bouwde breed uit, naar één hoek. De eerste opsteek smakte makkelijk op Dirk neer, gloeiend in z’n handen.—Kees alleen kreeg telkens bij opzwaai van z’n vastgeboorde hooivracht, volle laag van windjoedel, die in ruk-stooten om zijn blauwe kiel heengierde, dartel-woest, en sarrend bossen van z’n vork afzwiepte en rondsliertte op den dijk.
—Nou, ikke seg je, dá’ de wind dwars veur de woàge blaift Kees! kermde stem van Dirk, ’t opgestoken hooi hijg-zwaar omknellend, aemechtig tusschen z’n armen.—
—Daa’s main dunk ook! zei Kees ademloos, wá’ hitte! ik sweet d’r nou al aa’s de pest, ’t is soo duufels broeis, ’t hooi! je brant d’r t’met je almenak àn.
Dirk bromde hoog van z’n kar wat terug in den wind, met z’n bevenden zweetmond geperst tegen ’t hooi dat Kees òpgesmakt had.
Eerst rechts, dan links, waggelend en woelend z’n paarswollig bekouste voeten in ’t heete goud, rolde ie de stapels òp, vast inéenpersend met z’n heele lijf, uitbouwend bij de hoeken. Ouë Gerrit liep onrustig rond de kar; loerde dàn naar de lucht, met verschroeide knipperoogen, dàn tegen ’t woelige lijf van Dirk òp, dat in z’n kielblauw ’n helle plek zoog in den vuurblauwen hemel.
Rood-bezweet drupte de nijdige zuchtende zwoegkop van Dirk, woest omprikt van z’n hard-geel haar.
Kees had z’n òpsteek boven ’t hoofd gezwaaid, maar ’n zware vlaag, rukkerig en fel-tartend, woei er heele dotten af, in sliertenden gouden harenstroom óver z’n worstelenden vergramden kop héén, die volgewaaid blondde van hooipijltjes. Vloekend gooide ie ’t restje op z’n vork weer neer, drong op nieuw met woedestooten de tanden in de schelf, die trilde in omlekkende hitte van zonnevlammen. Zwaar-kreunend perste ie z’n lijf tegen den steel, rukte ie weer òp ’n reuzige vracht, vàstgebeten tusschen de stalen vorkkaak. Langzaam stapte Kees naar den wagen met schuifelpasjes, bang voor nieuwen windwarrel, die weer hoonend en joedelend aanfloot, zacht tochtte om ’m heen, en tartend, verraderlijk koeltjes òmstreelde.
Dirk kroop àl hooger den wagen òp, stond in ’t gouden gevaarte gezakt, bezweet te wroeten, te verbroeien en verbranden.
—Nou Dirk, mô je hebbe? schreeuwde Kees tegen den wind in.
—Hier, an de kop! krijschte Dirk terug, van veure òp!.... f’rdomd.. aa’s je.... aa’s je loàie ken! in soo’n wind!.. je wee nie.... wá’ je-doèn.... hee!.. Ouë kaik d’r uit! goàn ’t wèl?.... of se’k te wait uit?....
Kees was met z’n reuzigen stapel boven den kop geheven, naar ’t voorkrat geschuifeld vlak bij ’t paard, en Dirk op den wagen, kroop knielend naar voren in waggel, op ’t brandende hooi.—Ouë Gerrit met de hark in z’n hand, kwam schouderkrommig aansjokken, in fladdering van lokken, onder z’n maaiershoedje uit, keek angstig òp naar den wagen.
—Nou.... skaif.... skaif!.... nog nie.... ho-ho! da’ gong! Moar paa’s d’r op! hu! hu! da’ je nou noar achter goàn! gunters! aêrs kom je t’met in ééne sai van de wind te hange!
—Zachies an Kees! zachies an! dofte Dirk’s stem uit hooi-hoog blond gevaarte, afgebroken, doorhijgd van vermoeienis,.. zach... ies an!... ik hep... sain... saa’k stikke... nog nie beet!
Kees schuurde hooger òp z’n vork langs ’t voorkrat, rekte zich op z’n teenen. Rond z’n kop en borst dartelde de wind weer, fluit-zangerig, verzwiepend blonde hooifladders. Hooger òp, blies ie Dirk in klefferig heetrooie zweet-tronie waar angstige kommer op spande en jammerde. Woelig waggelend hurkte z’n romp al hooger op ’t veerende, krakende hooi-blond. Z’n kiel, violet-blauw uitgewasschen en verdropen van kleur, flapperde wijd en bolderig, en z’n geelharige zweetkop, stramde rimpelig als ’n beschminkt chineesch masker. Zonnevuur daverde, omlekte ’t hooigoud verspieste er gloeipijlen in, uitrookend in hitte, dampend in de hooi-gloeiing van den wagen, die met zwel-lijn geweldig tegen ’t blauwe hemeldiep opbergde.
Ouë Gerrit was weggegaan, harkte weer op dijk-end waar ’t grint gloeide en knerpend piepte onder z’n sjokkerig-tragen klomp-klos.—
Z’n hel-witte klompen, blank geschuurd, dribbelden tusschen de schelven op zonnigen grond, soms bij hiel en neus achter de hoopjes uit, alleen te zien.
In martelende worsteling tegen windrukken woelde Dirk op den al hoogeren hooiwagen, angstig-breed uitgebouwd. Van één hoek ploeterde ie, knie-waggelend z’n vingers vastgehaakt in de schroeiende rollen, naar den ander.—Hij gromde en z’n rooie kop zweetdruppelde als was ie met water begoten. Z’n lijf stond in walm van zweet, poriede open in rauwen vleeschgeur.—Kreunend en hijgend rolde ie de opgesmakte gouden golven heet uitéén, met den heeten beuk van z’n bronzen knuisten en naarstig verdeelde, perste en bouwde hij uit aan één kant, trapte en voegde weer terug naar andere zij.
Sneller achter elkaar, in den smoorheeten zwoelenden zonnebrand stootten windrukken òp als zeng-adem uit strak-blauw luchtwelfsel, ’t gloeiende hooi versliertend tegen Dirk’s angst-kommervollen kop, kwaadaardig z’n oogen blind-stuivend, z’n ooren, z’n bevenden kermenden mond, met goud heet gefladder van pijltjes en strootjes, zaadjes en halmen; òm z’n strooiblonden hoed, opplakkend tegen z’n hals, z’n nek in een heeten krans van goud windend. Rond-omme den wagen zweefden en zeefden zandwolken van polderweg òp, doorzond stofgepoeier, hoog in kolkende slierten en spiraligen gloei-dans. Telkens zakten terug rollen hooi rechts, uitgebouwd naar links. Dan grepen z’n dikke driftige armen in den gouden hooibrand, woelden en trampelden z’n beenen en onderlijf, dwars verzakt in ’t gloeiende blond, de rollen onder ’m in; schoof hij in woester grabbel bijéén wat òm ’m verfladderde, tot hij plots weer z’n oogen in duizel dichtkneep, als nieuwe zengende windstuif, heet-schroeiend, hoog boven z’n kop uitvlaagde in dollen jool. Zóó, omduizeld van stof, hooiblaas en windgier voelde ie op zich braden, neerschuimen de zonnegolven, onder den wind uit, gloei-hevig in barnenden smoor, kon ie soms niet meer antwoorden, loom en versuft, op schreeuw en roep beneden.—Kees, nòg zwaarder dan Dirk in worstel tegen windrukgesar, boorde morloos, in helsche werk-drift, z’n vork in ’t hooi. Rond ’m, nu bij snellere vlagen, druisch-ruischten fladderend en warrelend, bossen van z’n vork.—Z’n kop zwol en zweetvet glom boterig op z’n slapen en wangen. Z’n oogen vlamden grauw, z’n scherpe mond perste lippenlijn op elkaar, nijdig, en mondhoeken winkelhaakten helsch en radeloos. Telkens moeër, greep ie naar ’t versliertende hooi, dan hier, dan daar, aldoor uit andere hoeken verwaaiend. Woester boorde ie ’n stapel weer vast aan z’n steekvork, dat de steel trilde in z’n hand. Geweldig in ruk, zwaaide ie z’n vracht boven den kop, dat ie tot z’n schouders verdoken stond in den harigen gouden fladder. Weer joedelde wind in speelschen sar òm z’n vracht, plukte en sleurde eruit wèg, waaierde luchtigjes òp, dotten die nog half-gescheurd tusschen de tanden bleven hangen. Zonnige lichtwiegel speelde en sliertte rond langs den dijk, blonde dans van levend, springend, staand en kronkelend, liggend en schuifelend hooi.—Kees’ kort-blauwe schaduw op begrinten zon-barnenden dijk kromp in, ònder z’n knerpend schuif-gestap naar de kar. En vloekend in zucht-diepen ademhaal harkte hij langs den Ouë, die bijeengriste wat te vèr wegwoei. Pal op z’n hersens, stookte de zon, en snikheet tusschen ’t windzwoele in, vlamde ’t licht uit, bekokend z’n handen en oogen. Z’n borst kreunde, kraakte rochelde adem uit in zwoeg, en z’n schonkige reuzigheid van schoften en lijf zwol onder de blauwe flapperkiel. In blinden scharrel, kop en schouders in vracht verzakt, stapte ie op de kar áán, smakte z’n golf hooi—toch nog vast op den vork—tegen den berg òp en schreeuwde beverig, armen krampend uitgestrekt:
—Hai je sain t’met?—
Maar van heel anderen kant op den geweldig-uitheupenden gevaarte-wagen, die te zengen stond in ’t zonnevuur, kwam Dirk aanwaggelen en òpwoelen uit ’t hooi, schreeuwend onder ’t intrampelen van rollen en verbouwing van hoeken:
—Ìk ken d’r nie bai, hooger mô je.... daa’t is d’r ’n kattebakkie!
In krachtruk strekte Kees hooger z’n arm, dat Dirk bòven makkelijker vastgrijpen kon. Hijgender staarde ie òp tegen ’t blauw en zonnevlam schoot ’m de oogen vol. Duizelig en half-verlamd van ’t armstrekken, sloot ie z’n kijkers, rekte en spande z’n lijf, in zwel van spieren, wachtend angstig-gehaast op broer’s roep, dat ie de vork beet had.—Dirk waggelde en kroop naar voren, dobberde òp uit de hooigolven, zakte zwabberend neer, scharrelde weer overeind met z’n bronzen handen gebeukt op ’t gloei-kruipende goud. Plots hield ie halt, worstelend tegen ’n rukwind, die ’m z’n tronie besmakte met priemende hooipijltjes, z’n oogen blindsloeg in ’n zwirrel van brandend stof. Onmachtig omtastten z’n handen vóóruit naar de vork, kermde z’n stem.
—Ken d’r f’rdomd.... nog nie bai!.. goan d’r puur.... soo nie! ikke ken d’r gain stap verder!.. Die pestwind stuift.. kom d’r moàr an ’t veurkrot an! dan snai’k sain achter deur!
Dirk’s stem huilde van onmacht en drift, maar Kees verstond niet.
—Wat-te?.... wa’.... tè? krijschte die in strek-stand van heel z’n lijf, tegen den zij-wand òpgeschuurd. Heet-koortsige vloeiingen van vermoeiing voelde ie door z’n armen trillen. Hij kòn niet meer; toch hield ie nog in radelooze spanning vast, hoog z’n vork. Dirk schreeuwde weer. Maar vaag hoorde Kees stemmeklank in windstoei, zonder woorden. Nou ging ’t niet langer.—Dàn moest de vracht maar smakken. Z’n borst blaasbalgde, z’n beenen gloeiden en trilden méé, en in heeten schater woei de wind hem hooifladders in de zweet-dampende tronie.
—Veùr op.... Veùr òp! krijschte Dirk, doldriftig en zweetrood woelend met z’n armen in den gouden hooibrand, woestnijdig dat Kees ’m niet verstond.—In spanning die hem dreigde te doen flauwvallen hield Kees nog òp de vracht, en vaag nu hoorde ie de woorden van Dirk achter windgerucht, begreep ie op voorkrat te moeten aanzwenken.—’t Was alsof ie bij ’t begrijpen, nieuwen krachtstroom in zich voelde gloeien.
Zacht weer schuurde ie z’n vork langs den berg.—De wind joedel-doedelde weer, dat ’r slierten als klapwiekende goudvleugelige vogels hem omzwermden. Z’n oogen brandden en piekten, morsten vol heet zand.—Maar voort ging Kees tot ie Dirk èven zag bij ’t voorkrat, weggedoken in ’t hooi, die eindelijk met wijdopen armen, z’n vork leegrukte.—
Zonnedaverend vlamblondde de wagen in al hoogeren uitgroei, en stilpeinzend paard bleef turen in droomgeduld, kop naar den grond, waar ’t hooi om z’n stille pooten warrelde en walste een jolige wind-horlepijp. De dissel, krom als ’n rooie bazuin, vuur-gloeide tegen ’t hooigoud in, en feller blinkerde z’n hel-koperen punt als ’n zonnige glanzige flakker in de lucht. Op enkele hel-roode spaken zonneschramden lichtkartels, maar heel ’t wielas-spul dofte donker-rood, in schaduwkoel van hooikar-heupen. Hevig in blauwen brand, straalde de hemel, boven ’t groen. En hooger, de blonde rug van het gevaarte zwol áán in ’t zingende licht. Dirk er in, er op, pal in ’t broeiende hart, woelend in wankel met z’n stronkige ruigheid van lijf onder de violet-blauwe kiel, z’n brons rooie, ramp-angstig gemartelden kop, hoog tegen de lucht.—Als ’n titan worstel-tastte en bouwde ie bijeen, bekookt, begoten van zonnevuur; licht dat schroeide z’n vleesch, groef en dreunde, sloeg en vrat in ’t hooi; hooi dat in sprongen veerde, ònder handen- en voetenwoel van den bronzigen titan. Z’n geel haar leek brandend hooi en z’n strooien hoed droop zweet af, op z’n heetrooien brons-zonnigen nek.—Telkens, in verhitte prikkeling viel ie neer op de vork van Kees, als ie de punt èven zag opschuren boven ’t voorkrat. Maar plots dan weer, patste windruk ’m scheef, vloekte en verwaggelde ie hulpeloos terug in ’t hooi, in driftgreep z’n knuisten de oogen inwrijvend. Met heeten windraas was hooizaadje z’n oogen ingewaaid als ’n gloeiende vonk. ’t Brandde pal op z’n appel en z’n morsige knuisten wroetten en woelden langs z’n priemfel stekend oog. Het gloeide ’r als prik van heete speldpunt. In razende pijndrift smakte ie zich neer, probeerde met nijdig gewrijf ’t zaadje er uit te persen, dat ie ging voelen, groot, als ’n brandende bol onder z’n oogleden.—’t Bloed gloeide ’m onder de nagels. Hij blies, pufte en vloekte al driftiger. De zon zengde z’n kop en door de hitte die ’m roosterde, branderig verklefferde, dartelde en joedelfloot de wind ’n sarrig deuntje, bij vlagen, hoog en laag. Dirk dreigde te bezwijmen van woede, pijngepriem en roosterende ovenbenauwing. Onder hevig gewrijf wanhopend, begon z’n oog te schreien, voelde ie ’t priem-vurig stekige verzwemmen in traannat, alsof ie ’t zaadje in ’n hoek gedrongen had.—Hij kon weer ’n beetje kijken. ’t Brandde er wel, en vòòr zich zag ie niets anders dan groene en rooie flakkering scheem’ren. Hij speurde wel geen hooi, geen lucht, geen vork opsteek, maar hij kéék toch. Na ’n poosje zag ie Kees uit ’n flakkerig-groenigen krans òpduiken, en den Ouë verderop. Nou maar weer voort, in worstel, tegen hitte en windsar.... En kalmer als ie kon, bedaarder vooral! Met open armen ving ie de hooigolven op, stond ie klein-weggezakt, en half-lam gebeukt van vermoeiing te puffen naar adem, in de rollen, stootte ie de opgevangen stapels vooruit met z’n kin, z’n borst, breed begraven in den hooi-blonden brand.—Terwijl z’n achterlijf naar achteren woelde persten z’n handen, zwaar driftig bijéén.
—Hee Ouë! kaik rais achteran? hoe stoàn die? Nai Kees!.. jai nie. Staik jai moar deur!.. Hee!.. Ouë!..
Gerrit kwam aanklomperen, klos-klos, knerpend op ’t grint. Z’n kop stond wrang van stuurschheid.—Hij voelde zich geroosterd, hij zuchtte.. dat ie vast hooikoorts had.. dat ie d’r niet meer tegen kòn. Met z’n hark geschouderd, keek ie òp naar den wagen. Tusschen z’n beenen sliertte hooi, hollend langs den dijk.
—Hoho! daa’s ’n meroakel-wind! die sloàn je boel òm!.. je hangt d’r hier àn dut sai heuldegoar òfer!
Dirk raasde van wagenberg, keek angstig naar Ouë’s mond, om beter te begrijpen wat ie zei.
—Hang’k òfer?.... die pestwind! je ken dur.... f’rdomd soo niet loaie.... daa’s gain doen.... da’ duurt d’r puur twai uur langerst.... iedere.... woàge.... en.. en.. as je dur dan nòg thuis kòmp!.. Strak en an lait.... de boel veur de waireld.
Ouë Gerrit, met half dichtgeknepen oogen achter den wagen, één beverige hand, als afdakje op z’n voorkop geluikt, oploerend tegen ’t schelle zonnevuur, naar gouden schaduwrug van gevaarte, schudde z’n lokkenkop, dat z’n krullen flapperden en z’n zilveren baard danste heen en weer, op z’n borst.
—Hoho! hou jai d’r moar stiekem deuse kant hee! dan komp ’r t’ met juustighait in!
—D’r is nie te loaie, veur de tuikigste kerel nie! aas je de wind dwars in je woàge hep! he’k ’t nie veuruit sait! Kaik sàin doar! op ’t land.... kop van ’t poard teuge de wind in, daa’s smeert. Moar goan d’r nou op de daike ’rais dwars stoan?.... debies! debies! is main ’n kattebakkie.
—Nou, schreeuwde al zwakker stem van ouë Gerrit, met angstigen kijk heel de polderlucht doorzoekend,—hou je d’r moar goed, deuse kant uit.... vier en vaife nie genog.... dan wâ sachies ansjouwe.... dan komp-ie d’r wel.—
—Joa! makkelik sait.... jai stoan d’r hier nie laifendig te f’rbrande.... da je de boel onders je almenak wegwoait.. Main kristis! wâ da’ hooi hiet kookt!.. je brant je achterlap d’r an! ’t stoan t’met te broeie onders je poote.... hier Kees! hier!.. joa! ikke ken d’r niks an doèn.... nou wair àchterop!.. ikke stoan hier puur op de valreep! kaik d’r selfers moar.... t’met lait ie veur de waireld! alles is hier.. wegsakt.. f’rfloekt aa’s je loaje ken.... en je poote stoan aas in hait lood!....
Weer schoof Kees, in arm-hoogen strek z’n vork van voorkrat naar achter, in hevigen spierzwel en stronkige krachtrukken van z’n lijf. Schurend en hijgend draaide ie op achterkrat áán, naar Dirk toe, die te wachten zat. Met opengesperden mond, strakwije lobbes-oogen, ingebukt op z’n knieën, over z’n hooi heèn, rukte hij de vracht naar zich toe, plompte ie neer, wijd-armig op den brand-gouden golf, in woest gewoel en krakerigen druisch van de rollen, waarin ie half verzoop en weer overeind spartelde met woest armen- en beenen-verweer.—Z’n kop gloeide en glom als was ie met boter ingesmeerd; z’n geel haar droop zweetvet af in z’n nek, die dronkenrood zwol en branderig pijnde. Beving van martelende, gehinderde werkdrift zat er in z’n hoekige kaken en beving in z’n handen die persten en duwden, rolden en smakten. Even moest ie, half zittend, uithijgen. De wind bleef joedelen rukkerig om z’n hoofd, stootte zwoelheete luchtkolken over ’t wagen-gevaarte. Ingekneld en verbroeid, met armen en beenen begraven onder ’t hooi, voelde ie ’n loome bezwijming in ’m zakken, ’n heete koortsig-kruipende verlamming door z’n lijf. Zoete hooigeur en bloemdroesem stroomde méé met zwoele windvlagen, z’n hijgenden mond in.—Zonnevuur blakerde z’n hersens, z’n schouders, z’n rug. Hij voelde zich als aan ’n spit gestoken, roosterend boven vlammenlik.—
Heel de gloei van fellen zomerbrand ziedde zich uit op den gouden bergwagen. De hemel, wijd-hevig blauw, dampte trilhitte uit. En tastend, vloekend, onrustig, en sarrend-speelsch in de snikwarmte, joeg de wind, floot ie z’n vlaagdeuntjes op doedelzak en spothoorns, dartelend en grillig; blies ie als ademhaal van ’n nijlpaard, pufte dan weer aan, kucherig en zwak, als hoest van ’n grijsaard, schaterde plots weer òp als wild stemmenkoor van jubelende cherubijntjes, meesliertend heeten stroom van landgeuren uit klaver- en groentevelden, tusschen brandenden warrel van stof.—
Al loomer voelde Dirk bezwijming opkruipen in z’n lijf. Z’n handen beefden, z’n oogen loken. ’n Zachte neig, duizelig en slaperig-bedwelmend, omkronkelde ’m, soezelde en trok ’m in ’t hooi. Hij voelde dat ie zich moest laten smakken tusschen de brandende rollen, in den zwijmel van snikhitte, windmartel en zwoel-geuren rondom.—Maar weer ’n heftige windvlaag schoot pal in z’n gezicht, frischte ’m èven òp, vergloeide erger daarna weer z’n oogen en hals, in blazende heete tochtvlagen.—
Zwaarder, lam-loomer waggelde ie voort op ’t zengende hooi, strompelig en doodop.
Klein leek ’t paardje onder hooigevaarte. Stil-suf in de hitte, stond ’t mijmerend aan ’t voorkrat, met zachten fladder van manen. Klein en weggedoken de kar, met z’n binten en donkergroene zijwanden, in huif van schaduw gevangen. En donkerder ’t assenrood en wielspul duisterde onder den berg boven ’t raam en blond gevaarte, uitgebouwd in welving, ontzaglijk tegen luchtblauw, als ’n duin van goud, blond-gloeiend goud, schroeiend in zonnevuur.
Kees had weer ’n zware vork opgestoken, kwam aanzetten, en ingedrukt op ’t hooi lag Dirk’s kop, z’n romp en beenen wèggewoeld. Als afgehouen levende tronie op ’t brandhooi, loerde z’n zorg-gekerfd hoofd daar, rood-bezweet en grimmig-bekommerd, doorgroefd van ploeterangst, naar den stapel die òppieken kwam.—Zwaar in schuur, teende Kees z’n lijf òp, smeet ie heet de brandende golf in wrang-rooie tronie van Dirk, die plots z’n armen uit ’t hooi opsloeg en ademsnikkend, in blaas en puf, de rollen naar zich toe trok. Schreeuwend achter de ingeknelde stapel angstigde z’n stem nog:
—Kaik.... jai d’rais Kees!.. hoeke kant ikke uit mot!.. Aifig f’rvloekt aa’s ’k ’t weut.
Kees had z’n vork teruggehaald, stond zelf nog half te duizelen van pijltjes die z’n oogen, hals, mond en ooren ingewaaid priemden. Stom zweet-dampend en hijgend liep ie naar achter.
—F’rfloekt! hai hangt d’r heuldegoar noar deuse kant!.. glad-en-al mis! Strak-en àn is tie d’r weust.... je mot aêre kant houê!
Dirk schrok hevig.
—Nou.... ikke ken d’r nie sien! barstte ie uit, je stoan d’r hier te broeie en de wind sloàn je aige blind.... die laileke kaketoe! woar da haine mot! die gaift.... je de hande vol! da’ kreng! da’ false loeder.
—Aa’s je nou moàr op ’t achterkrat anstuurt!
—Gaif d’r dan snóf’rjenne niks meer van veure àn!.... aêrs trap ik doar de boel weer omkant!
In joedelenden sar bleef windruk tarten, de zwoegbeestige kerels rammeiend. Dirk’s gezicht spande, en angstigde al meer, bij elken nieuwen, hoogeren aansjouw van Kees. Hij voelde den wagen al smakken.—Kees, geen stom woord klagend, stond sterker te hijgen voor z’n hooibergjes, zich voelend als ’n geslagen kind, òp en verlamd door windweer, woest op ’n ding dat ie niet grijpen, niet ranselen kon in z’n drift. Iedere inboor van z’n vork viel ’m tien maal zwaarder dan bij ’t begin. Bij elken opzwaai zwol z’n lichaam tot barstende kracht. Rond z’n beenen schuifelde een warrel van leven en de zon zengde z’n lijf, alsof ’t op ’n brandstapel vlamomlekt schroeide.
Witte hitte trilde over den polder, paarsig-ijl tegen forthoogten, alsof de heele aardkom verteerde in één schroei van stilwerkend wegvretend vuur. Onder den dijk gloeiden vèraf, de hel-roode, jubel-roode stolpjes, vlammen in luchtkobalt uitgebarsten dóór ’t porcelein-gloeiend azuur.—Hooiwagens blondden in goudbrand en schelven dampten witte hitte uit. Telkens, als heete blaas-adem, vlaagde de wind òp, zwoel tegen werkers-zweetkoppen; kittelkilde even in d’r ontbloote klefferige halzen. Hun kleeren schroeiden ze op ’t lijf. Hun handen en polsen gloeiden, oogen en hersens doften. In den ban van hun martelzwoeg, tusschen wind en snikhitte, ging één stille onuitgesproken begeerte naar koel nat, ’n snak naar ademhaal, ’n verlangen naar rust in schaduw-gras, om èven maar lenden te rekken, lijf te woelen in luien genotstroom van leven. Zacht beslopen voelden ze zich in loomen zwijmel. En sterker blakerde zon, plakte en zoog hun goed vast aan de brandrige leden.—Kees, ongewoon te hooien, voelde al warmere koortsrilling in z’n polsen, en jeuk in ’t bloed. Z’n gemartelde keel snakte naar kou.—Dorst droogde heet en jeukerig z’n gehemelte uit.—Z’n mond stond dor, in droge branderigheid. Dorst vampyrde op de warme stik-benauwde werkers-strotten, als ’n dier dat tergde, hun keel in brand kon zetten; ze martelden tot ze vloekten en raasden van gift en onmacht tegen de zon, die blakerfel, z’n àl witter vuur neergloeide op hun koppen; de zon, de groote, geweldige schroeier, die hun oogen doorpriemde en hun half-naakte, zweet dampende zwoeglijven zengde, vermartelde zonder genade.—
Zoo, onder worstel tegen wind, die de mannen grommen deed en huil-vloeken, groeide de wagen hooger òp, als ’n berg, ontzaglijk van goud-hel geweld in de peillooze luchtzee, eindloos gloeiend blauw, en de hooge woel van Dirk op de kar daar, tègen ’t hemelhelle licht in. Al langzamer, in waggelgang kroop en worstelde ie z’n lijf door ’t hooi, telkens met z’n kin op ’t brandende gegolf, z’n armen verspartelend in de rollen. Achter elkaar, holderdebolder, in sliertenden kringdans en grissenden zwier, fladderden hooihalmen de lucht in, over dijk en wei. Verder op, Ouë Gerrit strompelde nà, wàt ie vatten kon, met z’n hark.—
—F’rdomme, wa’ da’ hooi brant.... aa’s ’n vlam. Debies! schreeuwde Dirk naar beneden van ’t geweldige gevaarte, blauw verwapperend z’n kiel op ’t goud. De kin ingeperst op ’t hooi, zag Kees alleen Dirk’s kop, angstig-wachtend op nieuwe vork.
—Hoeveul.... hai je d’r nog Kees!
—Nog ’n vaif vorke, galmde ie terug, met z’n rug naar Dirk gekeerd. Bevend van zwaarte had ie z’n vork òpgezwierd, en ruk-hevig boven z’n kop gesmakt. Als loerde de wind plots naar z’n zwaai, zòò joedelde hij op Kees àf, plukte heele bossen uit z’n vork weg, en regende woeste gouden warrelpijlen om z’n zweet-tronie en lijf.
—Effe hooger je vork Kees! ikke kèn d’r soo nie bai!
Kees waggelde voort, in den brandenden fladder en sliert van hooi. Z’n adem snikte, brak àf in de keel.... Hij voelde weer dat ie niet hooger kòn. En Dirk zat te vèr, durfde niet trappen, uit angst dat de boel zou inzinken. Verlegen, klokkerde ie ’n slok in uit z’n veldflesch, die gekookt gloeide op ’t hooi, en loerde, wachtte. ’n Minuut in worstel tegen wind, bleef Kees staan op z’n teenen, blindgegooid van licht en hooistrooisel, vloekend rauw, uitzinnig van drift, dat Dirk niet greep. Maar die wachtte tot Kees hóóger op zou steken. Woest, in fladder zag ie hooi verslierten zonder dat de vork naar ’m toeschoof. Dirk bòven vloekte bezeten, Kees beneden, stond te gloeien van gift, adem-òp, dat Dirk niet vast greep.—Z’n kop stikte in hooipijlen en stofdotten; z’n ooren, haar en oogen werden volgestort van brandend gefladder. Brullend schreeuwde Kees:
—Nou Dirrèk!.... hep je sain nie an achterkràt?!
—Vàst nie! kom d’r hier op sai, f’rdomd aa’sk sain hoale ken.... die glad.. joànes.. van ’n wind.
Hij had geprobeerd Dirk, maar waggel-zwaar was ie achterover gesmakt, z’n kop pal in den fellen zongloei. Nou kon ie geen woord meer zeggen. Zacht schoof Kees òm, van achterkrat naar zijhoek. Windgesar floot om ’m heen, raasde z’n oogen blind, z’n kop duizelig van hevige inspanning en martel. Woester schreeuwden ze tegen elkaar; cyklopischer in weerstand en krachtzwel van spieren en lijf aangespannen. En toch was ’r ’n angstig elkaar zoeken te begrijpen met één woord, ’n schreeuw van rauwen vloek, gegooid boven op ’n woedekreet van wanhoop en vergeefschen ploeter.
Ouë Gerrit had ’t afgewaaide te hoop geharkt en vastgeboord aan z’n vork. Stil, puffend in ademhijg loerde ie schuwtjes òp naar den wagen.
—Hoho! da’ pakt skaif uit, pakt skaif uit.... aa’s die d’r goed-enne-wel an de dorsch komp hiet ikke-en-gain Gerrit meer!
Dirk raasde wat van den bergwagen af naar den Ouë.
—De leste vork goan d’r alewel òp.... en dan sel ’t pondere sain.... hoe stoan die?
—Nou t’met heuldegoar f’rsakt op de windsai! hu! hu!... kraaide de Ouë schel-scherp terug, handdakje beverig voor z’n oogen gekneld.—
—Leste vork en dan pondere alewel!
Hijgzuchtend woelde Dirk op den berg, in laatsten rolslag. Wind floot snelleren joedel en spotte uit blauw luchtewelf, in sliert en slag, flap en dans.
—F’rdomd aa’s ’k ooit soo loaie hep! schreeuwde Dirk, ’t hooi is d’r wild aa’s ’n knain.... ’t springt d’r onders je poote wèg. Hee, Kees!.... wa doèn jai?.... sloap ie?.... hooikoors?....
Kees was op den dijk tegen de laatste hooischelf ingezakt, met z’n brandenden rug op ’t gloeibergje. Hij voelde koortsvloeiing in z’n bloed, ’n matte doffe gloeiing in z’n handen, ’n piekenden brand van prikjes in z’n polsen. Z’n oogen holden verschroeid in z’n kop.
Nou moest ie, al was ’t maar tien minuutjes even uitblazen, met oogen toch star open, want anders, voelde ie stellig, zou hem slaap bekruipen, matte, paffe luier en zwijm..—
Hoog en geweldig uitgebouwd reuzigde de wagen als goud duin-gevaarte tegen ’t brand-blauw van den hemel, peilloos trillend van hellen zonneblaker; licht, dat in heeten windwarrel langs weien en bouwgrond één kleurbeving goot, brio van heete glansen, zomerhel en zònnegloeiend over riet, koorn en groenten vertrilde.—Dirk zat op z’n knieën in ’t hooi te puffen, wachtend op Kees, blij dat ie ook even kon uitademen. En strak in stommen staar, keek ie hoog van z’n goudberg eindloos polderland over.—
Zijïg-zachte warmglanzende goudgolving moireerde door ’t hooi-zwad, en de nog groen-blauwe koornhalmen ruischten en zuchtten als orgelregisters waar lucht-ziel in áánvloeit. Trillend gloeiende lucht, laaiend blink-goud van zonnigen zomerbrand vrat in op dakjes, karrenrood en groen, en witte wasemhette nevelde neer, tusschen gloei-gouden schelven en schoovensleur van karwei-hokkers. Windwiegel verstoof gouddamp bij iederen stap der landwerkers.
In de heet-zonnige lucht, boven eindloos-vlammend goudgroen van weiland, zoemden en klank-snorden goud-vliegjes en wespen. Boven de donker-groenende klavervelden, die dampten in gouden hitte, spartelde ’t in de geurende zonnelucht van àl diertjes. Hommels in d’r kleurig fluweel schommelden en gonsden en verzongen met hun tril-vleugeltjes, zomerlied van honinghaal; plots wègzwaaiend op windstoot uit hun vaart-vlucht naar de wei-bloemen. Wespjes in d’r spitsige pracht, zwevend en trillend op één plek, in hun goudvleugelige vlucht bepoeierd met zonnestof, zwierven hoog en laag in kransjes van licht. Gewemel en gezoem overal,—tusschen purper smeulende en hel-paarse klaver en gras,—van gloeiende torretjes, in fonkelgoud en weerlicht-blauw, vol gloedjes en glansjes dooreenzwermend; kevertjes rood, in zonnegloor, als heete lak-vlammige kruipertjes, rondstoeiend om spinnewebben, die als lichtend rag zij-ïg elektriseerden en vonkten in den zonnedag.
In geurenzwijmel dronken, volgesapt van zoeten honing, slingerden de hommels door ’t luchtblauw, en de klavervelden in den rose-witten en rooden bloemengloei, knapperden van licht. Op dwarspaadjes en dijken in wilden wriemel van madelief en boterbloemen, die dropen van glans, rookte ’t walstroo rond, gelige trosjes, uitademend zaligen zomergeur, diep bedwelmend; zoeten geur van zonnegrond, als vijgenreuk rondrookend heel den polder door, in gelukaangeurenden juich van levenslust. ’t Heete gras gloeide, hoog prachtgroen, heet goud-groen in hellen glinster, rag en lichtend in ’t weidevuur.
De polderplasjes wemelden van leven, zogen hemelblauw in, warmdonker terugspiegelend op ’t watervlak, en tusschen het ruischriet, snerpte gors, zongen er schelle vogelkeeltjes òp, van kievit en spreeuwen, floot lokkend-klaar eenzame wielewaal. Zonnige schitter plaste op de watertjes, die dampig en fonkelspattend, kronkelig en zonnewiegelend, tusschen ’t glanshelle weigroen slingerden. Koeiendrom op ’t malsch gesapte weiland, waar et-groen laag gloeide, glansde en blankte, in git en wit, in rood en blond, grazend doom’rig en traag-rustig op ’t afgemaaide gras, dat sapte en bruiste van gloed-licht.—Soms plots in draf, holde ’t vee langs sloot-greppel, spròng zot en onbeholpen terug in dwaze gebaren. Soms, op lui-bijééngegroepte koeien, zonnebroeiend, zakte parmantig ’n spreeuwpaar, stappend op hun ruggen als zwart-glanzende wandelaartjes, happend vliegen, die om neus en oogen van de koeien sarden, in kwellenden kringetjesgons.—Paardjes en veulens, roodglanzend, schimmelhitjes, grijzigblank, holden door ’t zomergroen, in slanke vlucht van manen en staart. En telkens van de dammen, waggelden òp de hooiwagens, hoog tegen trillend azuur, hel-blond, goudgeel met den woel der blauw-bekielde kerels er òp, als uitgesmeed tegen ’t hemel-ontzaglijke; de wagens achter elkaar in krakenden hort, in piependen kreun en zuchtenden steun, den bestráten polderweg àf, plots wiel-ratelend, omkolkt van zandhoos. En hoog in de lucht, dwars door donkeren klapwiek van kraaien waaierde blanke vlucht van leeuwrik, z’n zilver gerucht verjubelend door zonneruimte.
Overal zomervuur drupte brandende bloem-boeketten van zengend goud op ’t heete gras.
Heel de polder lag droomrig stil in den zonneblaker te roosteren. Alleen van den blinkenden bekeiden hoofdweg warrelde stof òp bij windrukken, in zwier en hoos, van damp en licht. Tusschen ’t gras brandde ’t bloemgezwerm, geel en blank, rood en brons, en hel-vlammige klaprozen bij dijken, slankten uit boven ’t groen, in fel kalkoenerood. Zomerhitte snikkend lag te zwijmelen tusschen karwijschooven en hooi. Broei-wind goot wilde striemsels van kleurbeving over ’t land, telkens anders verglijend van glans. En de oneindige polderkom, lag als ’n luidlooze wereld van stil gebeuren, brandend en murmelend, zangerig wind-doedelend en doorplechtigd van ruischende stilte-muziek der weien,—matelooze graszee en luchtewelf.—
Op dijken, achter stolpjes, sjokkerden soms kindertjes áán, roodharige en blonde jochies, speelsch zwierend vóór boerderijtjes, omblakerd van zonnegloei. En soms doken òp, uit erfjes, zoo van vèr, meisjes roodrokkig, heel van vèr, als dribbelende kersenmandjes in zon, vol bloeiend rood en fleurigen schater van kleur. Inéén doken ze weg achter kippenloop of stolp, en stil-leeg dan weer stonden de dijken heet te trillen, groen, tegen ’t hemellicht; verdwenen al meer schelven op de wagens, vervlakkend ’t land uit z’n bergjes-onrust. En rondomme, uit luchtvuur en gras, vlindergestoei zwermde áán, witjes met blanke zeiltjes doorzond, in argeloozen klapwiek van vleugeltjes, boven klaver en walstroo, distels en riet. Ze fladderzwierden zeilend door den blaker-gouden, wit-gouden dag. Goudvosjes en dagpauwoogen in glans brandend, verterend in eigen gloed, zwermden mee, méé in zomerzwijm, dronken en half-verstikt al in zoete walm van bloemengeur waarin ze vlerkten.
Dirk zat nog gehurkt uit te rusten op z’n kar, in slaapsuffen dommel.
Ouë Gerrit, stug en chagrijnigend over iets dat ie niet zeggen wou, harkte weer bij aan den overhellenden wagenkant. Met z’n handen rukte ie zware dotten langs de wielen af, gooide ze neer op den dijk, waar ze ritselden en zacht kropen om z’n voeten, tot ze plots, met ’n fellen windflap mee de lucht instoeiden, heel vèr.
Kees was uit z’n koortsige loomheid en dommel wat opgefrischt. Dirk had ie ’t achterbindtouw opgegooid, die in angstigen hurkkruip op ’t hellende gevaarte bij voorkrat ’n knoop sloeg. In ’n zwiep sliertte hij ’t touw weer naar beneden, om te sjorren. Met één been tegen achterkrat aangeperst, z’n voet in ’t gloeihooi wroetend, heesch Kees zich òp tegen ’t touw en sjorde den ponder. Plots schreeuwde Dirk kort:
—Hohai! feurbint is uit de kaip!
Dirk nijdig en vloekend met wrangen kop, woelde weer langs den ponder òp naar ’t voorkrat en haakte bindtouw in de pondergleuf.
—Arrait! schreeuwde ie driftig.
Kees, weer met één voet in ’t hooi gestampt om zich af te zetten van den grond, begon opnieuw met twee handen in herkuulrukken te sjorren, maar weer van de hoogte klonk wanhoopstem van Dirk.
—Hohai! feurbint is uit de kaip! f’rfloekte gladjanes!
Woest was ie weer naar voorkrat gekropen, duizend maal „debies”! razend, met z’n vuist ’t brandende hooi inwoelend, òp van ongeduld en voortvretende drift. Weer had ie ’t touw ingeduwd!
—Hoal an!
Kees sjorde weer. Dirk, op den berg, keek in grimmige spanning. ’t Gevaarte kraakte, kromp en steunde onder de rukken van Kees, geholpen nog ’n beverig handje, door Ouë Gerrit.
—Hoal an! hai hou dur! hoàl....
Bons! ’n ruk-scheur door Kees’ arm, en weer was ’t touw uit de pondergleuf geschoten.
—Hohai! d’ruit! da’ laileke kreng! die pestneger! krijschte stikkend van drift Dirk weer.
Dirk, in zwoeg, bloedrood nu van zorg, angst en nijdigheid stond overeind op den wagen, stapte staande naar ’t voorkrat.
—F’rek aa’s ’k dâ snap! dàn is de feurbint te kort.... debies! hai ken d’r nooit nie komme soodurwais! jai mot d’r van achtert te vèr of’rhoàle..... dan spant hài d’r hier te veul.... van feure.... enne springt d’ruit.... de boel lait.... te wàit hier.... dâ hai je dur nou van mit die staive wind! f’rvloekt.. alle duufels!.... da’ hooi brant je je laif àf....
In wanhoop greep Dirk z’n hoed en smakte ’m op den dijk, dat de zon nu z’n naakten gelen kop omkookte.—
Rauw-driftig geschreeuw klonk er òp en weer, van en naar den wagen, de stemmen verwaaid in windgerucht.
—Ken ie van ònders nog rekke.. schreeuwde Dirk.... hai lait.. weer..! Nou Kees.. Ouë!.. sachies àn! hoal!!
Weer sjorden de kerels achter ’t krat, in dampenden lijfzwoeg, borsten blaasbalgend in hijg. Weer zakte gevaarte zoetjes, daalde Dirk méé, angstig, gejaagd, z’n zweetrooie tronie gekeerd naar den ponderkeep. Maar weer bij sterke spanning schoot ’t touw uit, stopten de kerels, en rees in zuchtenden ademhaal, de hooiberg weer òp.—Dirk z’n kop bloot, woest, half dol van wanhoop, vloekte als ’n gek, bulderde keek òp naar de zon die z’n oogen blindsloeg van licht, stond half te stikken van onmacht.—
—Ik bin kepot, kepot! kreunde Dirk met gesmoorde stikkende en stervende stem.—
—Aa’s je d’rais ’n stuk touw knaipt an ’t feurbint, schreeuwde zwakkelijk Ouë Gerrit, de kaip is d’r.... afslaite.... hu! hu!
—F’rdomd.... daa’s net! gromde Dirk even òplevend uit z’n stervende moeheid.—Hee Kees hier!.. bai ’t feurkrat sit d’r ’n dot touw,.. kaik jài d’r us!
Maar Kees vloekte en wreef, in pijnkramp van z’n lijf, z’n oogen uit.
—Steek de moord, da’ goan main ’t zweet de lampies in! snof’rjenne wa’ bait dâ!
Als was z’n oog met ’n zuur gif volgedrupt zoo vrat en brandde ’t kopzweet hem ’t oogenwit in.—Rood geflakker vlamde ’r voòr ’m. Toch strompelde ie, half blind naar ’t voorkrat, met Ouë Gerrit achter ’m aan. Uit ’n hoek grabbelde Kees ’n end touw op. Met nijdigen ruk sjorde ie ’t voorbint los en kronkelknoopte ’r ’n stuk aan vast. Op één oog voelde ie zich blind, en pijn schroeide er in, als was ’t z’n kop uitgerukt. Toch vond ie ’t malligheid te jammeren.
—Kloar!
Dirk op den wagen, trok áán, probeerde of ’t touw lang genoeg was, niet meer uit de gleuf kòn.
—Te lang, slappies! knoop d’r ’n halfe slag bai! sóó, nou! nou goan die d’r wel! snó’f’rjenne.... aa’s da loeder d’r nou nie in blaift.... sprink sain vast op s’n strot!
Met ’n zware poef smakte Dirk zich neer op den ponder bij ’t katrol.
Kees en Ouë Gerrit aan achterkant, sjorden, rukten en strak-knarsend en kreunerig bleef ’t touw kermen in de gleuf.
—Hoal d’ran manne! hoal d’ran!
Zwaarder perste Dirk z’n lijf op den ponder, z’n beenen spartelend in ’t hooi, z’n armen krampachtig om den balk geklemd. Heviger sjorde Kees, dat de wagen wiegelde, kreunde en kraak-zuchtte en ’t gouden licht op den hooibrand meezwiepte, op-en neer, in ’t hemelblauw.