← Menschenwee

Menschenwee (part 1 of 3)

Part 1 of 3 · Israel Querido · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #71767, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (3)
  1. Menschenwee about 6 h 8 min
  2. Menschenwee (part 2 of 3) about 5 h 56 min
  3. Menschenwee (part 3 of 3) about 4 h 38 min

Continue:

Menschenwee

MENSCHENWEE ROMAN VAN HET LAND

DOOR IS. QUÉRIDO

HAARLEM DE ERVEN F. BOHN

EERSTE BOEK

WINTER.

EERSTE HOOFDSTUK.

I.

Diep, in zandkuil van uitgespitte hei, weggeslobberd met zijn beenen, in blauw-zwarte glimmige klei, schoot ie rhytmisch-breed over, zwaar-ademend, grauwe zandbonken van z’n stompkorte graaf opwerpend in kracht-zwaai, àl meer roestige brokken en plakken naar den omgespitten grond, die dichtgegooid lag boven hem. Grauw-grijze december-donkering dreigde; gier-felle wind, met er doorheen dwars gerafel van regen, bolde en loeide wijd-wild over het verre middag-land, dat vaal-bruin, en groezelig-geel, aan de kim vernevelde in toonloos grauw van winter-droef-doodsche akkers, grimmig verdoffend tegen verschimd-bleeke bosschages en hagen van ver-affe tuinderijen en bollenland. En zwaar-eindloos, laag, stond boven het akkerbrons gestolpt de wild-dreigende lucht-donkering, aanhollend wolkengrauw met al duisterder tintvegen. Hier en daar brokkelde gloedloos pluimgroen van boerenkool en prei, groen-vaal gerijd tusschen bollenakkers, die in vuil-geel dekriet schimmelden of bemorst lagen met boomstronken en zwaren takkenrommel. Flauwe silhouetten van grondwerkers en spitters kontoerden in wrongig-gebuk, schonkig-somber, in den woest-kalen omtrek van het grondbrok dat Dirk bewerkte. Zwaar-melancholisch loomden van ver hun lijfbewegingen en starre armenheffing in het stugge druillicht, dat àl droeviger door-donkerde over de velden. Schonkig-gespierd, met zweet-vet op roodbruin gezicht, schoot Dirk over, al hooger boven ’m, al dieper wegzakkend in hei, uitspittend onder z’n voeten in breeëre sneden, òpwerpend de zandvrachten, vlijmend met scherpen kant van mes-blinkige spa in den grond, plots harder en inspannender soms, met bloed-rood hoofd van aanzwellende kracht-dreiging inhakkend en kervend, waar kleibonken, ommodderend z’n beenen, kleef-zwaarder naar den grond terugzogen.

Z’n vuile slijk-klompen klodderden in het sappige kleiblauw, en àl zwaarder, werkkoortsig-heftig, in onberusten maatgang kerfde en hakte z’n graaf door modder en zandgrond, in wilder opwerping van àl zwarter gestikte brokken en roest, omwoelde en groef ie uit de spitkuil, al breeër en dieper, tot het zwart-vette water uit den grond borrel-schuimde rond z’n beenen en broek. Dan ging er ’n wellust-tinteling door z’n werklijf, door z’n blaasbalgende borst, want dàt moest ie zien van zijn land, doorwatering, vettig en modderig.

De ouë Gerrit Hassel, bijgenaamd de Blommepot, Dirks vader, was achter z’n erf uit, de akkers opgeloopen, stond nou bibberend-verkleumd voor de spithei op Dirk neer te kijken. Z’n lang, lichtelijk bij schouders gekromd lijf, stramde ingebogen tegen den stoei-wind en z’n rond gezicht vertrok, blauwig-koud, in wreveltrekken, voor zoover ’t kon wrevelen op z’n boersch-poppig gezicht, bol-rond, omzilverd van grijs-prachtige lokken, flap-krullend en wind-stoeiend nu onder z’n vuil-groen petje uit, met z’n zware sprookjes-mooie zilveren baard, eerwaardig-bisschoppelijk vreemd omhuivend z’n kindergezicht. Op z’n bruin-kalig verschoten jekker, spatte de regen korrelig en z’n blauwe kiel wapperde ’n endje er onder uit, flapperig lawaaiend. Toch had ie schik, de ouë Gerrit, want telkens berekende ie met ’n stil-trotsch genot de zandvracht van elken schep, dien Dirk in kracht-zwaai, breed-gebarend òp-wierp uit de kuil, boven ’m uit; voelde ie zich overmoedig op dat vijfsteek-diep-spitten van z’n jongen, den eenigen van wien ie ’n beetje hield, om z’n sullerige spraaklooze werkbeulerij, zonder klacht of krimp. En nou had ie schik in zichzelf, dat ie daar weer stond, zijn Dirk, in gierende windguurte, die door de kleeren heenrilde op ’t naakte lijf, zonder klacht. ’n Halven akker van Dirk stond Piet te spitten, gemakkelijker grondbrok bewerkend, omdat ie niet had stille, wriklooze stierekracht van Dirk. Vreemd zang-stemde, ver, heel ver, licht-bevend, dàn opgejaagd door windrukken, zijn in deun-maat uitgezeurd lied, dichtbij raar-vroolijk vergalmend bij elken zandworp, onder grauwe luchtzwaarte. Vlak bij ouën Gerrit klankte nu door het winterveld, zwak zanggestem in de bewogene lucht:— —Toe... en .... sprèk sai van betooàle.... moar ’k hàt gain sint....

Sai vloekte en skolde.... main f’r lailikke fint.... en wèg woei weer, beverig-zwak Piet’s zeurig geluid in den wind over de akkersombering vergàlmend.

—Hoho.... ho!...... ho!.... die hep puur skik, grinnikte de Ouë, afwerend met grimmige gezichtskreukels, aangutsend regengespat, dat uit zware wolkdreiging over het land rafel-grauw heenvaalde weer. Dirk hoorde niet in z’n spithei, spraakloos baggerde ie door in z’n zandkuil, opwerpend rhytmisch, kleurige kluiten, blauwige zwarte kleibonken, forsch-geweldig, in breede plakken, wegsnijend onder z’n voeten.—

Met zware dubbele hypotheek belast, was het bunder land van den ouën Gerrit, waarop z’n zoons nu werkten. Maar voor hem gelukkig, lag ’t in het hartje van ’t tuinderstedeke Wiereland.—Z’n anderen grond had ie gepacht, lag meer aan den kant van gemeente Duinkijk, die komvormig om Wiereland liep en in één weg zich uitstrekte recht-door naar zee, vormend daar één gemeente met Zeekijk, armelijk zeegehucht, dat alleen zomers, door kleurige vreugde van badgasten wat opleefde. Zijn bunder werd nou ’t laatst bewerkt. Achter z’n huisje en erf liep ’t uit, omsloten rechts, door groezelige armelijke huisachterbuurtjes uit de arbeiders- en tuinderswijk, links openliggend, met aanschakeling van tuinders- en bollenakkers, ver, heel ver.—Dooie tijd was ’t alom voor de tuinders in ’t stedeke; luiertijd en tijd van ellende voor de meesten, pijnigende zorg-armoe en grauw gebrek voor de Wierelandsche getrouwde daggelders, los volk, dat met ’t sterven van den zomer, werkeloos rondscharrelde; hier ’n trap, daar ’n snauw, ’n paar dagen zwaar spittend, dan weer niks, geradbraakt en omhongerend elken winterdag, in gierig licht en zonnestraalte. De ouë Gerrit had z’n twee pootige zoons, die hem te eten gaven, nou hij ’t jaren hun had gedaan. Want nou, op z’n ouën dag, voelde ie zich na z’n zware ziekte van verleden jaar te stram en te beroerd om in guurte en regen te spitten. Als ie z’n kinderen niet had, zou ie nou nog op z’n achtenzestigste jaar moèten, want loon kon ie niet betalen.

Lekker warmde ’t nou in ’m, dat hij maar met z’n handen in de zakken daar te staan had, alleen maar kijken naar hun werk en ie z’n eigen niet druk hoefde te maken. Wat ’n kerel was z’n Dirk toch!.... hoho!.... wat ’n skoften.... wat ’n makelei.... wat ’n poote en arreme!.... Jesis!.... wa stong ie daar stoer in z’n kiel.... huhu!.... hu.... da skept moar, .... skiet moar òver. En s’n Piet gunters.... ook ’n pootige knoest.... kaik.... da song ie weer.... wat ’n hassebas.... da se’m toch soo gemeen konne f’rbluffe.... kaik die Dirk.... da segt t’met g’n woord.... stil.... da gong ie puur.... bònk!.... poef.... bònk!.. poef!! wat ’n vracht.... daa’s werk.... ieder keer t’ met vaiftig pond.... boofe se macht.. main kristis.... Dâ ken puur nie eene van de ploas!......

Ouë Gerrit huiver-kleumde van kou. De wind rumoer-baste en kermloeide bolderig-wild over de vlakte, pal in zijn pimpelpaarse gezichtskleum.... Jesis.... da natte gespikkel.... soo effe sommetaids.... hai mos maor instappe....

Dirk, in z’n spithei had ’n laatste kleiworp met hevige kracht-zwelling en inkerving van z’n graaf, bevracht met heel z’n lijf-zwaarte, en wierp uit, zwarter vastgestikte brokken, die blauw-gloederig nog terugzogen in kwebbelenden moddergrond. Nou stond ie even uit te hijgen, heet zweet van z’n brons gezwollen hoofd te luwen met vaal-rooie zakdoek. En suffig, als timide waanzinnige, stomp, staarde ie op het omwoelde grondbrok boven ’m, dat nu weer brons-kleurig lag in het zwaar-grauwe druillicht, met z’n al ingedroogde kleur-plekken aan de kanten, die geheimvol grijs, en teertonig tint-wasemden of boetseer-bonkig en en pulverig van rauwe rulheid woelden tusschen roestige stapels, midden in zanderige uitgravingen. Met de dikke vuilgroenige moddervingers van z’n geweldige, melaatsche hand, gutste ie telkens ’t zweet van bronzen kop in spitkuil, en telkens weer woei er nattig-splinterend, regen tegenaan. Nog even uithijgen bleef-ie, weinig voelend van de bolderende windgieringen. Dàt was werken, beestig zwaar, maar wat gaf ’t te donderjagen, ’t mos toch dààn. Nou voelde ie z’n ruggestreng steken en pieken en stram stroefde, lammig, ’n heete pijn in z’n polsen. Maar hij moest ook nog wennen aan dien spit-buk-stand, uitputtend in zoo’n diepte. Zoo dikwijls spitte ie ook niet vijf-steek. Als ie nou maar niet begon te beven in z’n dondrement, want dan was ’t zaniken.... dan kon ie niet meer voort. Net als verleden jaar, toen ie doorgong.... heere.... wat beroerd was ie toen niet weest. Donders nou voelde ie de regen weer, nattig geplak op z’n heet-dampend zweetlijf.... vastplakkerig.... Dan maar weer aan den skep.

—Paás op Dirk! je hoalt natte beene.... pàas op, waarschuwde de Ouë, die modderige opborreling van doorzuigend water zag opschuimen uit den grond, rond Dirk’s klompen. Het schuimde onder z’n beenen aan broek-onderend, nauw dichtgesnoerd met ontrafelde brokken grauwen zak, als slobkousen slobberend. Op het geschreeuw van den Ouë schrik-vlug, lichtte Dirk één vet-bekleid been, met het andere even dieper vastzuigend in poelig zwart. Toen veerkrachtig toch, versprong hij in andere hei-kuilholte op droog-plek. Z’n klomp-voeten stonden vergrauwd plat-breed als olifantsklauwen, rondig vereeld uit het kledderende kleizand. Nog bleef ie uitstaren. Z’n stroo-gelig haar, grof-ongekamd, rossig vervlekt, sluikte langs groote krom-ingekrulde ooren, en spriette onder z’n pet, bij voorkop uit. Wit-blond vlasten z’n brauwen en kort, als afgeknipt, zeerden wimpers om bloed-randige oogen, wat gaf z’n beenigen chineezig ingekaakten kop iets versufts en wreeds. Z’n dof-groene glazige oogen lobbesten maar stommig glansloos in z’n grooten, wreeden kop. En aldoor keek ie voor-zich-uit, met iets van koe-beestige loomheid in z’n doffe lenzen. Spraakloos nog bleef ie z’n gezicht bevegen, kalm door de krommige beenen van z’n vader heenziend over de akkers. Zachter blaasbalgde z’n borst in lichten kreun van ademhaling nà; zwaarste inspanning moest nog komen.

—Huhu!.... hu.... je laik puur warm, wà jou Dirk.... huhu!.... huhu!...., lachte de Ouë zuur, verlegen ’n beetje met eigen nietsdoen en luierstand. Niets zei Dirk terug.... alleen in zachte uithijging kermde gesmoord z’n borst en verstoomde adem. Even zou ie omdraaien tegen wind in....

Lager stond ie nu in z’n hei-kuil, en vóór ’m winterden en dorden de uitgestorven akkers, bronzige wijdheid àlom, vergrauwd in knagende droefnis. Van de verschrompelde erfjes en rottige tuinbrokjes achter de huisjes uit Rozen- en Bikkerstraat die rechts Hassels land begrensde, klapperde heftig geflapper van uitgespannen waschgoed, boven-uit smerige schuttinkjes. Triestig en kniezerig brokkeldakten de huisjes in de winter-sombering, met de oneffen geveltjes die in lijnschokken hotsten tegen de laag-zware luchtgrauwing. Vreemd-vaal kleurden òp, mos-groenig verweerd, en omstoven met wintersmart de laag-gezonken droef-rooie bedakingen. Heel de arbeiderswijk lag daar, met d’r gruizelig donker klein gekrot als ingestort muurwerk te kijk; groenige zolderluikjes, bruinige deurtjes, venster-knussige ruitjes, grijze gevel-stompjes, peuterig-dorpsch, rommelig vergoord in de dagdonkering. De erf- en tuintjes-schuttingen, uitrottend hout, kreunden in den gierwind. Van Dirk’s hei af was te hooren het zeeruischend wild geslier en geloei, van kaal-gewaaide iepen uit de achterafstraatjes, die takkennaakt met forsch-donkre stamheffing, loei-zwiepend in hoog overdonderend geweld, als reuzige wezens, boven de laag knielende huisjes, hun winter-worsteling bevochten. De somberste hoek lag te huiveren, vlak bij greppelrand en afwaterend slootje, waar de achtergevel van ’n katholieke kerk, grijs-vaal, smartelijk verkleurd in bruin-zwartig muurvocht hoog uitstak, met z’n weenende stigma’s en kringen van verweerd kleurleed, rimpels van angst, gekrast in gevelsteen; somberste hoek in de duistere druiling en kruiping van beangstigend wintergrauw. Daar, ver tegenover, afgezien van erfjes-engte lag ’t uitgestorven land, waartusschen nog niet omgespitte tuinderij, brokjes late andijvie, spruitjes en koolhoekjes, wat armelijk geel-groen gevlek duwde. Maar overal, wijd-om verschimmende bosschages, winterdroeve en kil-verre hagen, afgeknaagd en vervreten, omprangd in één lucht-grauw, laag, laag, met angstig zware voortschuiving van al donkerder wolktinten, stug-droef nevelend en toch geheimvol vervalend over de ontzettende, van-god-verlaten leege velden.

Juist wou Dirk z’n graaf weer in den grond steken, toen ie ouen Bolk van het Wierelandsche achtereind, ’t droefste, afgekniesdste ellendehoekje van de streek, naar hen toe zag dobberen.

—F’rjenne, dà hep je Jan Platneus, wà stapt dìe hier staif op an,.... zei ie zacht, glurend tusschen vaders beenen door, die zich nog niet had omgekeerd om te kijken.

’n Klein gedrongen mannetje strompelde waggelend-moeilijk op z’n groote klompen tusschen de enge greppels van bollenakkers. Van ver riep ie al, met doffe neusklankstem... gedaa’g, naar de Hassels. Blaas-hijgend, in de handen slaand, kwam ie, klein-krom naast ouen Gerrit staan. Z’n afgeknaagd, smerig vest stak boven z’n pilow clownig-gelapte, zakkerige broek uit, met drie knoopen-open-naar-voren, en z’n groenige rots-kale jekker bobbelde losjes over z’n lange blauwe kiel. Z’n smoezelig vuil-geel gezichtsvel, stond over den heelen vergrijsden kop tot diep in de halskuil gebarsten van scherpe groefjes en zwartige rimpels. En z’n groezelige stoppelbaard haardotte verwaarloosd over ’t heele gelaat als was ie ingewreven met turfmolm. Als ’n gekerfde lijnden nijdig de barsten en ruitrimpels over ’t vel-geel van kaken en knevel-zware brauwen gromden donker-dreigend boven kleine flauw-grijze oogjes.

—Gemiddag.... lekker hee?.... de rege hep dààn hee? sputterde Bolk.

Zwaar dofklankte z’n stem, als baste ’t geluid uit z’n neusgaten òp met ’n brom-nasalen nadreun.

—Langedaik.... de Mosterdbroek hé ’k net vàt, hai sait.... gong hier hain.—Hai je wa veur me?.... spitte of overschiete?....

Hassel uit z’n hoog rug-krommige lengte keek bar neer op den sjofelen daglooner, die zoo plots zich kwam opdringen. Zonder antwoord van Hassel af te wachten nasaalde z’n stem dreunend weer uit z’n platten polypen-neus:

—F’r duuf’ld aas’k wà anskiete ken.... f’r duufl’d.... ’t is hard.... nou loop ’k puur de haile waik af.... en de polder af.... moar vast niks.... vast niks!....

Te bibber-blauwen van de kou stond ie, kabouterig-verkrompen, en onder ’t spreken stampte ie z’n klomp-voeten tegen den hei-rand. De ouë Bolk was een van de stumperige daggelders uit Wiereland, verschrompelde grijsaard van zeventig jaar die niet weten wou, dat ie zoo grijs al was, z’n hoofdhaar van voren altijd kaal liet knippen uit angst dat ze ’m te oud zouen vinden om te werken, en nu, beef-oud, nog heviger te beulen en te jakkeren had voor brood, dan in z’n jeugd. Stram, krom was ie van ’t staan in alle weer, rhumatiekerig van beestigen arbeid, onmenschelijk lang en wreed-rauw, krom van ’t rooien, spitten, wieden, plukken en kruipen, in guurste herfstweer en vlijmend windgesnij, in slagregen of zonnebranding op ’t vlakke veld, dat ie verdroogde van martelende hitte en ie wel ’t zweet van z’n lijf wou inzuigen uit drang naar keelverkoeling, naar iets nattigs.—’s Winters was ’t meeste werk gedaan; hadden bijna alle baas-tuinders voor eigen arbeid hun zoons, kon hij den bedel op naar arbeid, tegen November al, als in Wiereland markt en verdien-werk finaal stil-stonden. Zoo, tot Maart of April bleef ie lanterfanten, leeg, grimmig, wel voelend, dat ie met z’n stramme karkas en afgebeuld lijf toch nooit in den omtrek van Wiereland en Duinkijk, waar ook tuinderij en bollenland lag, werk kon vinden. En nooit zag ie tegen zwaarste ploetering op. Bij elke nieuwe kans, wreef ie zich over z’n stramme korpus, zei ie, met ’n schijn-luchtig lachie an z’n vrouw, dat ’t nog wel gong; spoog ie z’n kees in de verklauwde geteisterde handen, de geweldige vermartelde handen, die altijd, in werkstuip, in krampige vingerbuiging haakten; wroette ie in den grond, sjouwde of deed boodschappen, met karren, vervoer naar de haven, ploeterde ie in ruige leefdrift, dol-bang,—maar diep verbergend dien angst in zich-zelf,—dat ze ’m te oud zouen vinden, woedend en smartelijker geslagen als elk jaar, jongere krachten ’m gingen verdringen. Ja, ze hadden zoo op ’t oog wel meelij met ’m, de menschen, maar dat gaf ’m niemendal in z’n zak, gaf ’m geen eten, heel dien honger-dorren winter door. Hij woonde al zoo goedkoop moog’lijk voor negentig cent op ’t weekie in ’n krot, één kamerachter met erf op ’t Wierelandsche achterend, in ’t mors-deel van de armoe-wijk, krot waar net even geademd kan worden, met plaats voor twee stoelen, ’n kastje, ’n tafeltje, meer niet. Daar woonde ie al vijfentwintig jaar, tevreê als ie kon werken, ploeteren; was ie opgedroogd met z’n vrouw van acht-en-zestig, al jaren samen geklonterd met ’t vuilste schorem, afval van de streek, dat zich daar ophoopte, klierde in onreinheid van stoofhuisjes, hondenhokkig laag, onder wijde hemelstolp. Daar schurkerde ie met zijn vrouw, kinderloos. Van de diakenie had ie dit jaar krieltjes gehad, maar ze waren voor de varkens te slecht, rottig, kuilerig, en ’t brandhout van de armenbedeeling nog schunniger beetje. Zoo was ’t alle dag blauwige krieltjes met olie.... wat gebedelde groenten soms, of droog brood.... zoo alle dag, alle dag.... tot ’t liep tegen April, als het stedeke uit z’n winterslaap begon te ontkillen. Als er beweeg, leven en rijrumoer kwam in lente-opbloeiing; als zacht lentelicht droef akker-brons en dooie hagenboschjes ging beflonkeren en beketsen met zonnevuur, de tuinders al druk zaaiden en drentelden in hun groentebedden; als ie zelf, midden in de geuren en gloei-kleuren van zwaar-wasemende bollenakkers, duizelig nog van werkblijdschap, al vroeg de lenteluwing inzoog, koesterend z’n ouë gebroken karkas, en heel z’n stramme binnenste van fijne zoet-warme grondlucht doorwaaien liet. Tegen dien tijd voelde ie dat ie nog noodig was, ook zijn afgebeuld lijf, omdat ie beter dan de jonkies wist, wat ie te doen had. Dan voelde ie weer stoere kracht in z’n rug en joeg naijver ’m op, zoodat ie met de anderen al om drie uur in den klaren ochtend op het groote land stond, tot ’s avonds negen, soms tot tien uur, in drukst van aarbei- en pluktijd, mee naar ’t haventje tot elf—dan, eindelijk hijg-op in de bedstee naast z’n vrouw, geschroeid en verzuurd van zweet, neergesmakt lag als ’n beest, doorsnurkend, ’n haastige paar uurtjes, tot den volgenden ochtend. Dan weer aan ’t plukken, laaien, lossen, karrevracht verduwen zonder end.

Op het eind van zoo’n zomersche week, voelde ie zich gekraakt en trillend ging ie gloeibevend in handen en polsen, snakte ie naar den Zondag, één lang niksdoen, één juich-stil rusten, ingeklompt zitten en slobberen koffie, en smakkeren pruimpies. Dan nieuwe week, toch maar met ’n soort inschikkelijkheid begonnen, want zóó, in zomerschen werkroes haalde ie nog wel negen pop, lei er zuinigjes wat van over, as ie ’t eerbiediglijk in de knokige spierhand van z’n vrouw zag opgeborgen, oversparend voor de eerste zwaarste wintermaand, om niet heelemaal in-één daar naakt te staan. Zoo ploeterde ie mee, tot ’t leefrumoer van zomer en brandende zonnezoenen het stedeke met z’n tuinen en bollen, z’n groenten en vruchten, tot wondre, schoone bloeistreek had gekleurd; als overal in het naarstige stedeke, werkroes droesemde, en ’t havent je knel-vol, en rumoer-donderend in enge ruimte was opgepropt van tuinders, boeren, paarden, honden en karren, met gaan en komen van booten en vrachten; het leven er gloeiend opging in stage wemeling van drukte en werkhaast. Zoo ging ie mee, zorgzaam, zag ie weer afnemen zomergloed en werkkoorts. Langzamerhand hóórde ie niet meer het geratel van groentekarren en vruchtwagens; zàg ie niet meer de frisch-kleurige groentebakken, klonk niet meer naar z’n akker dóór, ’t vroolijke belgeklingel van zeetram, volgepropt met badgasten, kinderen en jolende vakantiebenden, die anders, luidruchtig in hun ongebondenheid, het stedeke bespatten en beschuimden met joedeling en leefdrift; doolden er weemoediger, drukkender wolkenbonken in de luchte-hallen en kwamen droeviger regenvlagen door het àl stillere herfstloover heentikkeren, beglimmerend ’t groen, ’t overal uitpralende, woeste prachtgroen van Wiereland. Dan hóórde ie, onbewust op z’n akker, in de stillere grondgeluiden zàg-ie in den lageren zonnelichtdag, het woel-gloeiende zomersche, ’t roesleven van ’t stedeke vergaan, verruischen in den herfst; drong er vaalte op het veld, vreemde vaalte en late schijnsels op de paadjes, tusschen hagen en tuinderijen; kleuren die ’m vervreemdden van ’t leven, die ie aanvoelde niet meer fel, als zomermooi. Dan doordrong ’m, dat alles weer aan ’t zinken was, de groote zomerkoorts van werk en ploetering, maar toch omgeurd van aardbei-zoete aroma’s en versche-groentereuk. Dan voelde ie angstig, om-zich-heen en in zichzelf aansluipen barren doodslaap van den winter, die honger, nare kregelkermende kilheid en luiering bracht. Stiller kwam ie al thuis, schoof ie z’n kopje leut langzamer naar zich toe, lachte ie met z’n vermummied wijfje niet meer gemoedelijk, pruttelde en gromde ie, strak voor zich uit, z’n mijmer-zorgen. De blompotjes stonden dan uitgegrauwd, verdord, voor z’n klein krotraampje, en geen geurtje, geen kleurtje was achter noch in z’n armoegrimmig donker straatje te zien. Nou was alles dood; de tuinderij dood, de bollen dood, de boomen dood, hij ook dood en triestig, naar en vervelend. Nou tergde er saaiheid, werd alles ramp om ’m heen. Nou was ie af gekaald en uitgeput als z’n blommepotjes op ’t vensterplankje voor z’n raam. Zwaar begon te dreigen de dood-triestige donkere herfst-lucht in z’n krotje, de late grijze duizeling en druiling, hij al bijna werkeloos. Dan de winter, de sarrende zwarte winter, zwart voor hèm, al blinkte ’r ijs en zon; de winter, dien ie vervloekte, de gierende dolle waai-winter, die z’n streek lam sloeg en vereenzaamde tot woestenij. Nergens, nergens wat voor ’m te verdienen: dood z’n krotje, dood z’n raampje, suf z’n wijf, z’n kat in huis, in de stoof; dood z’n blommetjes, dood hijzelf en z’n pijpie.—Dan moest z’n vrouw gaan bedelen bij den rijkdom van ’t stedeke, huis aan huis. Dat bedelen huis aan huis van z’n wijf deed ’m krimpen van schaamte en van drift soms, omdat ie was een mannetje van eergevoel, een van ouën stempel, omdat ie wou werken en ie niet kon verdragen, dat de menschen dachten, dat ie niet wou. Maar toch, één ding was er voor hem gebleven in al z’n ellende,.... vertrouwen op God, stomp-zalig vertrouwen op het Opperwezen. Toch, in die naarheid, dien armen tijd, Zondags naar kerk, luisterend en gierig-gretig indrinkend in z’n doezel-zwaar hoofd wat ie maar brokjes-dwaas voelde van die zoete woordjes, van het leven hiernamaals, hopend, altijd maar hopend, tot de barre grauwte weer gauw om was, geduldig maar.... tot God te zijner tijd kwam.... En dan, in den hemel ergens voor hem ’n plaasie,.... lekker rustig op z’n gemak, zonder huurskuld, zonder zorg, altijd pruimpies en lekker werk.... Voelde ie soms, dat er nog wel werk was, maar dat ze hem nie meer konne gebruike om z’n stramheid; ging er dan ’n week voorbij van erbarmelijke kou en narigheid, dat z’n wijf ’t stookie op straat mos snorre, dan kreeg ie wel zenuwproppen in z’n keel, maar dan keek ie weer naar z’n droog stil wijf, dat ook niet morde, rustig bleef. Kwam weer hoop, hopen op Zondag in de kerk, en lekker stil soezelen.... dat ie nou later zou ankomme.... ergens in den hemel.... lekker-rustig en op z’n gemak.... pruimpies en g’n sorg......................————————

Nou ook bij ouë Gerrit.... niks!.... alleen kon ie nog vragen of ie iemand wist, die ’m wat aardbei-mandjes wou laten vlechten. Maar lieve heer.... wà’ kon hij uitvoere mi’ s’n bevende hande.... Vroeger sestig, sevetig op ’n dag, nou geen tien.... wa’ kon ie hale.... vaif sent.... En boompies make.... nee dat gong heelegoàr nie.... da bukke.... da bukke.... ure achter malkaer.... de tieme rondvlechte.... en stoan mi s’n poote op de boompies, gebukt.... nee, dan was ie zoo roar in z’n ouë dop.... of d’r al moar bloed noar z’n hangende kop droaide.... Verlede jaar hattie ’t prebeerd.. Maar bòns, was ie tege den muur gesmakt, duizelig en tollerig en z’n stuut voelde ie gebroke.... Wa hadde se’n pret had, ’t jonge goed.... nee, nee da gong nie.... sou ie maor nie eens mee ankomme.... da gong nie.... En dan.... se woue ’m nie eens hewwe.... da jonge goed was ’m de baas, da speelsche tuig.

Wà nou, wà’ nou, joeg ’t, jammer-knaagde ’t in ’m. Was ’t moar t’ met somer.... moar lieve Heer!.... December.... begin December.... goeie God.... wà’ mos da na-toe!—van wà’ nou vrete....

De ouë Bolk had eerst nog voor zich heengekeken, stug, met oogengraagte, de kalme zekere spithouwen van Dirk in z’n hei bestarend,.... met jaloersche lust den kerel daar te verdringen.... want dà kon ie, as de beste.... Maar toen inéén had ouë Gerrit ’m aan ’t verstand gebracht dat ie gosommooglik ies veur ’m hat, dat ie alleen die paar roe hat diep te spitte—miskien in ’t veurjaor, tegen Moart, as de grond nie nog te hard was....

—Hoho!.... Bolkie, schraapte de Ouë eruit, je skiet of’r, je bin nie f’rtuunelik.... ’t spait me duuf’ls daa’k segge mot.... tug is ’t puur woar.... je skiet of’r.... d’r is op heede van alderlei volk te veul.... j’ bin te veul.... d’r is nies.. puur nies omhande.... ’t wort allegoar dàan, allegoar deur hullie.... verjenne.... ’t spait me.... huu!.. huu....

En bij elk woord van afwijzing nog, wreed-onbewust van Hassel ’n knauw op z’n bangelijk-grauw gezicht dat de barsten er dieper op vergroefden in jammerlijnen; knauwen, neergemokerd op z’n gebukten kop, die lager zonk onder ’t dorre afwijsgepraat. Nooit had ie ’t zoo strak-zeker gevoeld. Niks meer was ie,.... niks meer.... ja.... In zomer.... dan was s’n kromme bast nog goed genog.... Maar nou!.... verslagen en verdroefd stond Bolk dieper de spithei in te kijken, naar het wringlichaam van Dirk, dat overal kronkelde om dieper door panderige ijzer-harde aardbonken in den grond te dringen, in hevige stooten van z’n blinkige graaf doorvlijmend, stootwaggelend met z’n modderklomp op schep-nek, al woester hak-trappend dat ’t zweetvet bij dikke druppels van z’n brons-warmen kop parelde, en z’n lijf zwol en wasemde van hette-damp. Guurder woei wind aan en kleum-paars-bevlekt, kregelde Bolk’s gezicht. Aan z’n zware neergedrukte leeuweneus, breed, waaruit haar borstelde, grauw-pluizig, pinkelde, klaar als ijspegeltje, ’n droppel. In mijmerende droefnis morrelde ie zacht-trampelend tegen spitheirand, dat der brokjes zand klonterig in terugbrokkelden....

—Verjenne, daa’s hongerlije, nasaalde ie dof-klankloos voor-zich uit,—daa’s hongerlije.... vast niks.... vast niks....

Droef daalde z’n stem, beveriger smart huilde er doorheen, stil, versmoord.

—Paa’s op Dirk, paa’s op! schreeuwde ouë Gerrit weer naar beneden.... bom! d’r hai je ’n klodder!.. op s’n natte beene.. huhu.... huhu!....

Onbewust sterker trampelend had Bolk de spithei-rand afgebrokkeld en kledderend was één zandkant ingestort. Dirk vloekte en keek giftig naar ouë Bolk op, dien ie wel had kunnen doodtrappen.

—Wa skeel je.... oud k’nijn! giftte ie met halve stem woedend....

Vloek-brommend, schoot ie met zware hakken den ingestorten zandboel weer boven ’m uit en onder z’n klompen bleef de grond zuigen en schuimen in zwart-blauwige modderborreling.

—Aa’s je nou d’rs de vaifde steek ommekeert Dirk, je zie nou water hee?.... teemde goeig ouë Gerrit.

—Daa’s net, bromde Dirk, de kuil uitstarend schuin langs de beenen van z’n vader, uithijgend, met neerhangende graaf, aan loom-moeën arm. Piet was ook even van z’n hei naar hen toegestapt, nieuwsgierig wat Bolk wou.... was nôu in den middag toch geen haast bij ’t werk.

—’n Pruimpie vader?.... soo?.... niks van doen Platneus.... gain spitwerk?

In z’n hooge modderlaarzen, met touw onder z’n knieen, om broek gesnoerd, stond ie, reus-lenig, hoog, naast gekromde Bolk, uitdagend-jolig in z’n jeugd-kracht en schonkige stoerheid van polderkerel, z’n breed-jong lijf in los lawaai, onkenbaar verspat en beklodderd in z’n slijkpilow plunje en bronzige kiel. Dirk stapte ’n end achteruit, nieuwe hei afstekend met z’n graaf, ’n lijn trekkend in den grond, gooide weer dicht voorkuil die ònder ’m lag. Leniger werkte hij bij elken heitop, tot alles weer werk boven z’n macht werd, en z’n uitgegraven hol hem langzaam deed inzinken. Als neergestorte rots, zwart blauwe blokken met zwavel-gele, en warm-roestige tinten lag de akker nu wijer voor ’m omwoeld en Dirk daarin, op hei-top staand, stoer-geweldig, midden in het kleur-bonkig gekluit, gebrokkel en zwaar omwoeld aarde-innerlijk.

Krachtvoller, rythmisch-breeër, met z’n arm-gebaar de lucht inhouwend, zwaarder, plonsden z’n schep-steken òp, en neerbrokkelden ze in ’t woel-gedruisch van de al gespitte grondbonken. Achteruitgaand, met langzamen stap, in al meer uitgapende nieuwe kuil, onder z’n vettige klauwen, langs de afgestoken hei-lijn, bekerfde ie zwaar ’t gansche aardbrok, beheerschend met z’n knoest-armen ’t grondgewoel in reuzig-gebaar, dat deinde in wiegeling van schep, naar-’m toe, vàn-’m-af. En de zandklei, licht-luchtig zulde wèg van het ploeg-blinkende graaf-staal, met krachtworp afgestooten, rondgestrooid, en verpulverend om ’m heen als uiteengruizelend marmer. En nu, vaker stond Dirk even uit te hijgen, denkloos, verstompt en uitgemergeld van arbeid, vooruitstarend ’t verre middagveld over, met lichaam, rauw-bemorst en massaal-donker gezakt tegen de laag-grauwe lucht, roerloos kijkend, als geboetseerd uit smartelijke kleurklei waarin ie werkte, stinkend in z’n fladderende rotplunje, melaatsig uitgeworpen door zwaren grond en aarde-drift, in dampend lijf-gezwoeg.

Piet stond nog te lol-lachen naast den stroef-verslagen Bolk, niets meevoelend voor z’n angst en smart-ontzetting en angstige hongerbenauwing. Wreed rauwde en plaagde ie door.

—Heé Jaan, seg es, hoe goa’t je kooters, na opstendigheit wel?....

Nooit had ouë Bolk kinderen gehad; geen jongen, geen meid; z’n grootste, stille smart.... En zóó maar grienbalke kon ie as se d’r van begonne.... nou weer die lamme kerel, had ie ze moar....

—Koot’rs.... koot’rs, gromde ie vlak naar de spitkuil, ha’k ze moar.... ha’k ze moar.... donderejeune!.. ha’k se moar.. ééne poar hannekemoaiers.... lee ’k t’met g’n honger.... Bevend kneep z’n traanstem door de ingedrukte neusgaten.

—Debies!.. de fent is dáás, sarde Piet.... hai hongerlaie.. hep ie de smoor in.. hai hongerlaie!.... ken ie begraipe.... drie beeste op stàl.... fier beere mest!.... main lieffie.... w’mo-je-nog-meer, zong Piet sar-hoog in deklameertoon met ’n hoonbuiging naar Bolk.

—Bars jai, gromde Bolk, met tranen van windkou in z’n oogen,.... godskristes.... koebeeste,.... ha’k moar koot’rs..

Weer kwam er schrei-droefnis in z’n stem, die stil, voor hem alleen uit weende z’n smart.

—Dubbel debies! hoe he’k nou?.... schamperde Piet, gain kooters?.... enn.. enne al die je.. die je ampart speult hep bai Jans.... in ’t pertiekie.... seg?.... ’n ouë bok lust vast nog ’n groen bloatje.... wa jou oue?....

Bolk draaide zich nijdig om, met z’n rug naar Piet. Dirk zwoegde door, spraakloos.—Rondom was grauwer, late middag-somberte over de velden aan ’t verdroeven.... Op akkerverten, hier en daar, was drukker beweeg van spitters dan in ochtend, silhouettig, zwart-vagelijk toch, in het wazig winterdroeve grijs-grauw. De lucht dromde zwaarder van regenwolken, en windstooten loeiden op, bulderend rondgierend in dollendans, op de leege wijdte van ’t bronzen land. Schimmiger uit alle hemelhoeken woei áán, scheemrige wolkenjacht. aansliertend, wijd-alom, in reuze-donkering naar horizon, grauwiger opgeblaas van vale wolkenkoppen, monsterlijk verwrongen met àl droeviger schemerschijn op angst-looien wolk-gezichten. En stiller nu, in roerlooze effenheid stonden de donkere erfjes en achteruitjes van Bikkerstraat, vertriestend vaal, in barren grijns.

—Hep je bai Neelis de Borstel niks.... niks te hakke?...., informeerde schuintjes, nog eens de Ouë, onverschillig toch voor ’t antwoord, kijkend met gretigheid naar Dirk, die weer zwaar-zwellend in kracht, door panderige aardplaten heen moest bonken.

—Wâ hakke?.... die raize, da’s louw, die hakke se omm’rs selfers

—Hoho!.... hoho! veur ’n skeet en acht knikkers wille sullie wel....

—Goe je.... mùrrege.... goe je.... mùrrege, neusklankte hooger Bolk onthutst.... se hewwe main neudig, al wi’k veur ’n sint p’r uur, puur nog nie.... dà mo je gloowe hoor!....

En weer opgehitst door angst en hongerbesef, klaag-vroeg ie voort met zangerige, Wierelandsche stemstijgingen:

—Nou gain gaintjes Piet.... moar.... wee jai nou niks?

—Wie mo je hebbe.... màin,.... of m’jaosie, lolde Piet terug.

—Wa jonge kop.... de heule tait m’r gaintjes.... neegtien jaor t’met....

—Da lieg gie.... neegtien en drie maondjes.

—In de eeuwighaid gaintjes.... goff’rdeeë!

—Nou, mag nie?.... wa ken main jou mikmak skeele.... mo’k nou al griene, wa jou Dirk?

—Daa’s net, daa’s net, bibberde de ouë Bolk, zwakkelijk neus-brommend voor zich uit, strak de spithei inkijkend, met oogen vol tranen van guur windgescherp. Z’n kop was paarsig-bestriemd van kou, en nattig klefte z’n wild verwaarloosd achterhoofdhaar, grijs-kroezend z’n nekdoek in.

—Hee Jaa’n, d’r is puur ’n herberg in anbouw.

—Wa nou?

—’n Herberg, rejaal in anbouw, lolde Piet met ’n slag van pret op z’n been,—d’r hang ’n droppel an je kokkert!....

—Bars jai, snauwde Bolk verlegen ’n beetje, haastig met vlakke hand z’n stompe neuspunt vegend. Nou was alles dààn, dood.

Droomerig-droef zei ie goe-dag en sukkelde, ingekrompener dan ie aangesjokt was, weer weg, strompelend door de natte moddergreppels ’t land over, bij ’n buurman van Hassel, die met wat mannetjes verderop te spitten stond.

—Nou gaat-ie bai Ronk, f’rek, die stong, van morge t’met an seve uur op ’t land.... f’rek, hai hep g’n hand veur ooge sien-en kenne, hep sain noodig......

Piet lachte nijdig, draaide zich om en loerde op den waggelrug van Bolk, die kleiner nog wegzakte in de lage greppels en dwergelijk donker, moeilijk-bang door de nauwe padjes heenmodderde, om te zien of ’r wat voor ’m was bij Ronk.

—Half seeve? vroeg ouë Gerrit ’n beetje ongeloovig.... wie hep saìn sien?

—Ikke, rumoerde Piet, ikke.... ik stong juust op de dors.. mos net voerbiete hoale... enne.. vlak veur ’t raampie he’ksa in sien.. ’t was donker buite aa’s de pest.... wà’ stinkende stuit....

—Wa sel ’t dan hier bloase hewwe, bibberde ouë Gerrit in elkaar schokkerend van kou, dieper handen z’n broekzakken indringend, opsjortend z’n kleeren, in nauwe kreukels om z’n lijf. En plots voelde ie wat lekker ’t voor hem was, zoo vroeg, in winterkilte dat Piet de koebeesten voerde. Donderemente wa’ koud kreeg ie ’t nou....

Piet was weer zingend naar z’n hei gestapt.

.... Die zai t’met niks van de kou.... jong bloed....—Gerrit bibberde en blauwde.... Heere.... as nou s’n waif moar nie so suf was as lest; was t’met ’n merakel.... Wà’ s’al niet vergeten kon....—Wa’ keek ouë Bolk zuur, oud k’nijn.... hu.... hu!.... wa stong ie jammerlik te sukkele en te klietere.... brr!.... nou sou ie moar s’n tukkie doene.. lekker.... kachel.... buik nog vol....

Langzaam sjokte ie, schouer-krommig ’n greppel door, dobberde over braak brok grond, naar z’n huisje. Om drie uur stapten Dirk en Piet op, lebberend hun kopje leut. Maar daarna, voort, voort, met ’t warme spoelsel nog in hun maag, stil in de leeggegrauwde oneindigheid, tot vier. Rondom de stille werkers kwam avondland aandonk’ren. Heel de lage lucht hing vol paarsig-grauw geschemer, lag vaal te nevelen, droef-duisterend op wijden akker, donker-brons. Stilte-suizel woei aan uit alle schemerhoeken. De erfjes en achteruitkrotjes schimden als uit lucht àfgebonsde wolkgedrochten, zweef-los neergeduisterd op vreemd-droef aardeland. En duisterder nog tegen de lucht, en verder, soberden silhouetten van eenzame, gebogen zwoegkerels, àl sterker overgrauwd van doorstilden avondval. In laatste werkkoorts worstelden ze daar, met het gezonkene late licht, dat króóp over de velden, slóóp over de donkere gestalten, die bangelijk ver-reuzigden, tegen aandreigend hemelduister in. En wijd-rondomme, eind’looze avond-weedom van ’t land zonk uit, verdempend wegstervende geruchten, in de donkerende verstilling van leven.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Er was drukke doenigheid in ’t stedeke Wiereland, Sinterklaas was op handen. Dienstmeisjes liepen door de in vroegte al rumoerende straatjes, met pakjes, kistjes en doozen. Kerels met hondekarren holden in hortende ratelvaart langs den weg, en twee dronken tuinders, met ’n metselaar, zwaaiden zigzag door het nauwe hoofdwijkje, waggel-zwaar over de tramrails, be-lawaaiend ’t straatje van de fatsoenlijke burgerij en notabelen van het plaatsje. Voor elk tuinhekje der éénverdiepingshuisjes, bleven de rauw-zingende dwarse kerels zeurderig chicaneeren, in ronkend geschreeuw, zich vasthakend aan ’t krulwerk, hun logge lijven uitslingerend naar rechts en links.—Komiekerig-hard sloegen ze elkaar op schouders en pofpetten, en brulden hun rauwe stemme-ronk door het deftige buurtje, dat de meiden aan de ramen kwamen kijken. Overal, uit zijstraatjes, klonk door het dorps-stadje het vreemd-klossend geklakker, op dit uur, van beklompte schoolkinderen die vrijaf hadden, en glunderig loerden voor de winkeltjes, duffe koomenijtjes, opgedirkt met grof suikerwerk, in fletse kleur, melancholiek-gedwongen pronkend achter de ruitjes, boerig gebluf van schreeuwleelijk kleurgerammel. In de zijstraatjes, en op de groote Baanstraat bij ’t station, dè winkelwijk, was meer gedruisch dan anders ooit verklonk op dit morgenuur van uitgestorven winterstedeke. De lucht was blauw-licht en overal gouïge zonneglansjes, bleek winterstrak, maar vroolijk toch, en het naakte arm’lijke boomgetak in de zijstraatjes en tuintjes, stond nu, lichtelijk te duizelen in blijig Sinterklaasweer. Al kwam telkens, gelig-grauw gewolk van zeekant aanwaaien, beduisteren ’t stedeke, en woest-vaal windgezwier opgieren door de wijkjes, telkens weer worstelde zon er onder uit, glanste en strak-lichtte ’t weer vroolijk nà op grond en geveltjes, op wit geschort van slagers, dienstmeisjes en opgedirkte speelkindertjes-kleertooi.

Ouë Gerrit rammelde op z’n klompen ’t deftige buurtje door naar de achterwijk. Hij had vijfmaal uitgestelde belasting betaald, en de ontvanger was heel vriendelijk geweest. Nou liep ie naar z’n huis, tusschen kronkelwegjes van Wiereland, inkrommend, plots nauw-pijpig uitloopend, poel-modderig onbestraat, op duffe gangetjes en blinde steegjes, naar geestigste armoehoek van ’t stedeke. Overal brokkelden honden-hokkige, laag-knellende huisjes met triestig-groen bemoste daakjes, zacht-rood verweerd, bedakpand en uitgezweet in vale kleuren op smadelijk droeve, heimwee bergende geveltjes. De dakjes dreigden vlak op deuringang, boven één raam, nog verstugd in kleine ruitjes, donkere krotjes van menschbeesten. Overal rumoerde in koker-diepe straatjes-engte, aan weerskanten vóór krotjes, zware olmen, neergeplant als wakende reuzen, droef stam-zwaar, gekerfd en vreemd-kleurig bemost, hevig lawaaiend in windgeloei en takgegeesel, vullend de armoe-wijkjes met hoonend windgeschrei en orkaan-gedreun. En dààr, achter den wind, de verre zeestem, in bulderzang er boven uit. Tusschen halve bestrating, morsig en rommelig, kronkelden wegjes en erfjes, kaal, in-één uitloopend op verwaarloosde padjes, waar overal ruigte lag en vuil, slijk-bonken en rotte graszooien; waar, met ’n draai, plots open-groenden, groote kale tuinderijen en wei-brokken, uitgedord en woest-vereenzaamd tusschen krotjes-gebrokkel, winterig dorps-stil en sidderend melancholiek. Voort klomperde ouë Gerrit op ’t Beukenwegje, krom-gegroeid straatje, ’t eenige dat vroolijker uitkleurde in ’t licht, met z’n grijslila en wit gekalkte geveltjes en blauwige teer-randen; waar de boomen ook ’n minder droeven loeizang, hoog boven bemoste krot-daakjes ver-klaagden.

Bij ’t Bikkerspleintje, dat wijd-donker en nacht-zwaar beboomd wegschool, met een rij laag-grimmige huisjes, aan elkaar, in geheime schaduwstilte, druilig-geel licht uit ruitjeskleine ramen verkaatsend,—liep Gerrit raak op z’n woning aan, ’t Hielandsche pad, dat uitkeek op weiland en tuinderij. Daar was ’t deftiger, met krenterige nette huisjes, nieuw. Stil, op ’t grof-bekijde weggetje, stond, in zonnehoek ’n omroeper te schreeuwen met dreun-zangrige slagen op koperen bekken. Na iedere roffeling, rochelde ie uit z’n lesje.... dat t’r venàfint gesmakt sou worde krek ses uur in de Groote Hoorn, om paling. Dan sloeg ie àf, dat z’n koperen bekken vlam-sidderde en vonk-ketste in zon, begon ie weer eentonig voor ’n konkurent te ratelen,.... die smakke sou veur Sinterklaas op bloedbeuling, kenijne.... varkesboutjes èn -soo foort.

In de woonkamer, aan den weg, zat vrouw Hassel, met ’r rug naar de kachel, dof omgonsd in ’r ooren, vol van dreunslagen van bekken, versuft toch, als sliep ze met oogen open. Achter haar stoeltje rookte ’t benauwd, lichtelijk in brandlucht. Bij ’t kamer-instappen zag ouë Gerrit dadelijk dat haar schort aan ’t branden was, over de kachel te drogen gehangen.

—Ho!.... hoho!.... waif’.... wa sije nou te suffe.... je skort.... kaik toch minsmeroakel!.... stoan te smeule.... reuk je dan nies....

Met schrik-gezicht, draaide vrouw Hassel om, wild grijpend naar d’r schort. Ze had ook even wel iets vreemds geroken, iets smeulerigs, maar ’t was ’r weer door d’r hoofd gegaan, omdat ze niet begreep wàt ’t kon zijn, heelemaal niet meer wetend dat ze d’r schort voor de kachel had gehangen.

—Wa vergat ze leste taid tug alles en alles.... Hoe was ’t gods-in-d’r leve mogelik. Nou had se d’r eige nog so gesait.... Nou dènk je d’r an.... en nou, na ’n paar menuute allegoar rejaal vergete.... vergete.... Tranen kreeg ze in ’r oogen. ’t Maakte ’r zoo bang, zoo huilerig en zenuwachtig. Ze voelde wel onrustig dat er al ’n poos lang wat mals met ’r gebeurde, in ’r kop vooral, maar ze kon niet vatten wàt, wàt.

Ouë Gerrit was op z’n kousen door den stal heengesjokt, had even naar z’n beesten gekeken, en was moe-huiverig op z’n biezen kaal-korten gemakstoel bij den kachel geschoven. Z’n jekker had ie aangehouen en met ingezakt bovenlijf zat-ie zich behaag-zwaar te schurken, zoekend naar meer broeiing en warmte. Toch voelde ie zich brommerig op zijn wijf dat al ’n jaar lang temet alles vergat. En dàn, dat huilen van ’r, dat nare drenzerige grienen, met halve smart-zinnetjes er tusschen gekermd, waarvan ie niks begreep, dàt, dàt maakte ’m helsch. F’r wa griende da waif tug?.... Wier se soo fèl geslage?.... godskristus, wa g’luk da Guurtje d’r was, s’ maid van twintig, sain eenige maid goddank. Versakrementeele, aa’s die d’r nie was, krege temet de jonges nie eens d’r buik vol. Dan vergat se te koke.... snôverjenne.... wa’ malle f’rduufeling tug....

Nijdiger gromde ’t in ’m, vreemd, kwaadaardig vreemd staand tegen het vergeten van z’n wijf. Want altijd maar dacht-ie, net aa’s nou, dat se d’r eige van huiswerk af wou make op d’r ouë dag....

Wa wou dat mormel tug, die laileke trien?.... Wà sat se nou weer? van de skrik te griene.... ja verdomd!.... op ’t achterend weer....

Stram opstaand, gooide ie z’n vies-groen petje van ’t hoofd in ’n kamerhoek en pookte, omdat de kachel niet genoeg trok naar z’n zin. Rumoerig bonkte ie met den pook onder ’t rooster, dat de vonken er uitspatten op z’n rood-bebaand karpetje. Met z’n nog blauwige, doorkerfde handen grabbelde ie de vonken op, bang voor vuur-in-z’n-boel, vlug in pijnhaast ze afwerpend in den aschbak. Wrevelig smakte ie weer terug in z’n dunbiezigen gemakstoel, beklemd tusschen de afgeknaagde arm-leun-stompjes, schurkte weer verlangend naar hitte, zooals daarnet toen ’r zoo’n lekkere slaperige loomheid over z’n oogen was geduizeld. Maar nou kwam ’t niet gauw. Van morgen had ie weer es wat gestolen. ’n Wilde stille jubel was ’t in ’m gebleven, tòt ie z’n vrouw weer zoo mal had aangetroffen en ie ’r nijdig van was geworden. Rare vent was ie toch. Nou ’n heele poos weer winter, nies doen, en al maar weer in ’m, die rare, bange lust om dinge te ganneffe, die van sain nie ware... Heere-verjenne!.... Hij was d’r self ook wel es dood van, maar ’t sterkst kwam ’t toch in ’m op aa’s d’r heelemaal niks omhanden was. Nee, dat zware tuinen,.... was ie ’s winters niet meer tegen opgewasschen.—Maar s’n liefebrij had ie angehoue uit eige senieeghaid, dochtte se allegoar.... Villa Duinzicht, van de familie Bekkema, dat most ie opknappen ’s zomers, en dan had ie ’r self wat mee omhanden. Tuinieren dat was eigenlijk z’n vak. Als de familie Bekkema, die soms tot October hokte op d’r buiten, weer naar de stad heen ging, bleef de heele tuinboel voor zijn zorg. Dit jaar had ie ’r juist nieuwe menschen ingekregen, omdat de weduwe Bekkema ’t vorige jaar gestorven was. Wa lief waif dâ wezen kon. Ze had ’m zóó vertrouwd dat hij de heele boel voor d’r afsloot, alle kamers en kasten, en alles het voor- en najaar, onder zijn toezicht liet schoonmaken.—Van diè dame had ie den sleutel gekregen en was ie baas in den tuin. De nieuwe lui, erfgenamen, wouên ’m wel houen, ouë brave kerel als ie was, met z’n vrindelijk-grijze kop, altijd klaar met z’n onderdanig lachie.... Ze hadden ’m wel leuk gevonden.—Maar van hen kreeg ie alleen sleutel van het tuinhek, en van de winterkasten.—In ’t stedeke konkelden de menschen dat ouë Gerrit ’t eigenlijk niet noodig had te doen voor z’n brood; wisten ze niet dat ie tot z’n strot in de schulden zat; dachten ze dat ie, van ’n zware ziekte weer opgescharreld, op ’t land toch niets meer bijna kon uitvoeren, en nou maar wat an de hand wou hebben. Zoo zeien ze allemaal en zichzelf had ie ’t ook ingepraat dat ie zich het prettigst nog bezighield met wat blommen verzorgen, potjes opknappen, perkjes beknutselen, snoeien en knippen, en dan op z’n eigen akkers bijhouend heel licht werkje voor ’t voorjaar, zaaien, bedjes maken. Zoo wou ie, al was ie zwakkelijk in z’n rug en al had dokter geseid, dat ie geen zeventig zou halen, een en al doenigheid, doenigheid. Anders voelde ie zich benauwd, doodgaan, raar in z’n kop, klopperig en beverig, zenuwachtig van stilzitten, nies-doen. Nou had ie toch werk in den tuin van de Bekkema’s, z’n knutselen hieran, daaran; was ie geruster. Maar iets, van z’n vroeger leven al, liet ’m nooit los. ’n Diepe, diepe drift, ’n hartstocht, martelend had ’m vastgeklauwd. Wat van hem niet was, moest ie somwijlen in één hebben;—wat los stond en waar ie van af moest blijven. Juist ’n paar maanden geleden, had ie ’t „plaatsje” opgeruimd, den tuin van de Bekkema’s, had ie de groote bakplanten weggekruid, de bladmest omgeharkt, langzaam, elken dag wàt, op z’n dooie gemak. Toen had ie stiekum ’n paar kruiwagens bladmest meegepiept, zoo maar, alleen om te hebben, om er niets mee te doen, dan hèbben, hèbben.—Eerst nog zoo heelemaal nièt van hem, daarna, toen ie ze had, zoo heelemaal wèl van hem. Met z’n handen in z’n zakken had ie eerst zoo’n beetje ouëmannetjesachtig achter de villa omgekuierd, woedend toch, dat dit jaar, in àl die veertig jaren, voor ’t eerst de boel voor hem gesloten was, dat ie nergens in kon, alles dichtgemetseld stond met nare blauw-vale luiken.

Alles had er kaal-vreemd gestaan; kaal-vreemd, ’t pàs nog van zomergroen gloeiende loover, waarachter de villa diep verdoken in wingerd- en klimoplommering, was gaan uitkijken, toen, àchter tooverroes van herfstkleurbrand. Maar hij had niks anders gevoeld dan wrok, onrustig en nijdig, in zich zelf al maar heen en weer loopend, scheldend op den nieuwen „rijkdom” die ’m nou zoo buiten had gesloten, hèm die ’t grootste genot had as tie mocht snuffelen en skarrelen in ’n anderman’s boel. Zoo was ie, wrokkig, blijven turen in de prachtige achterhoeken van den tuin, die toen lag te wonderen in z’n kleur-legenden van herfst, tusschen wingerdbloedglanzen en goud-groene boomentooi. En de voorbijgangers van ’t stedeke hadden ’m benijd, in z’n lui werkie, maar hij had wel kunnen razen en vloeken van kwaardaadigheid. Dien ochtend juist had z’n vrouw voor ’t eerst zoo gegriend omdat ze vergeten had voor de jongens eten klaar te maken. De kerels hadden gescholden en op tafel gebonkt met d’r zwarte, gebarsten knuisten.... dat se vrete mosse.... dat se dáás leek.... En er was thuis ’n lawaai wéést van wa-ben-je-me. Toen had hij d’r, in z’n grimmigheid ’n opstopper pal tegen d’r snoet gemept, dat ze te duuzelen stond; en niks zei ze, bleef ’m alleen maar aanzien, met oogen die besefloos wijd vraagstaarden, staarden naar wat ie nòu dààn had. Plots was ze heviger in grienen uitgebarsten en had ze krampzwaarder snikken uit d’r borst gescheurd. Daar kon ie dien ochtend met z’n gedachte maar niet van af. Hij was ’n ongeluksvogel. Nou dattie wel dacht ’n beetje rust te krijgen, werd z’n wijf mal, stapel. En al maar had ie aan dat grienende mormel gedacht, met telkens stijgende woedevlagen, bij elkaar harkend nijdig de blaren, tot gouïge lichtduintjes, rond groen-brons en roodgegloeid boomgeglans. Midden in z’n harken, hoorde ie weer d’r snikken. Zoo mal, woestgillend en heesch had ze gegriend, ’m al maar ankijkend. Toen, in-één, was dolangstig door ’m heengeschokt ’n gedachte, die ie zichzelf bijna niet voorhouen durfde.... aa’s z’n wijf, z’n bloedeigen wijf nou d’r maar zoo deed om sain te snappen, om achter de waarheid te komme van z’n rommelen in de donkere kelderhoekjes, als d’r niemand was dan zij. Angst-zweet was er op z’n lijf gewazemd, en zwel-benauwing had ie in z’n gorgel gevoeld. Nou, là die dokter moar klietere, had ie gebromd, die hep gekoop seure.... hài sat t’r mee...... in huis...... hai.... hai alleen! da’ verrekte waif!.... da lamme waif!.... f’ r’ wâ sei dokter nie wa’ d’r skol.... dan wist ie t’met’.... waa’s ’t puur uit!—

’n Jongen die ’m zag staan, stil met z’n hark, had toen, midden in z’n woedend gemopper geschreeuwd....

—Haei! Hassel.... Blommepot!.... mo je niet strak-en-an na huis.... je waif stong op wacht.... t’met al ’n uur!....

En teruggeschreeuwd had ie—„vast nie, la moar stoan”.... lacherig gemaakt, valsch, want de buurlui, en ’t heele stedeke wisten al, dat z’n vrouw zoo raar deed. Telkens dien ochtend weer, was de angst in ’m teruggedraaid, dat ze zich zoo maar hield, die feeks, die lintwurm, dà sluwe kreng. Want in den laatsten tijd had ie voor hààr veel minder z’n steeldrift verborgen, had ie al ’n beetje gerekend op ’r vergeetkop. Zichzelf inpratend, dat ze zich toch vergiste, dat ze werkelijk zwak van kop was, had ie gauw afgeharkt om te kunnen snuffelen in de winterkasten of daar t’met nog wat lag, dat ie hebben wou. Bij z’n rondgaan, langs den tuin-achterkant, had ie ’n trap tegen de deurluiken gegeven, omdat alles zoo stom-gesloten en potdicht-sarrend ’m beloerde.... Vroeger elke plek besnuffeld!.... Wat had ie al niet mee gepikt, toen de weduwe nog leefde.... Damesskoentjes met gespeltjes.... brokkies van dat faine goed mit kanten skulpies.... En linte!.... en grafbloarkranse.... en zilveren suikerlepeltjes.... En plate en kemieke poppetjes.... Elk jaar wat.... En armbande.. gevonde in den tuin na ’t krikkete.... En damespetoffels.... van sai.... so glad as ’n mol om d’r over te straike.... En meiderokkies.... onderrokkies.... gekleurd.... En damesrokkies, allemaal geel mit sai.... prêchtig! En twee peresols.... rooie.... he!.... hè!.... da was mooie woar.... En wa lai da nou allemoal kloar voor sain!... precies hoe en wanneer ie die dingies gekaapt had.... Dàt nou allemaal had ie gevoeld dien ochtend in dien tuin.... En de heeleboel zoo maar verstopt, nauwelijks verstopt àchterof, in ’n vuile hoek, bij ’t vat gepekeld vleesch, achter àn, in de donkerste kuil, daar, in ’n groot zwart hok, waar niemand kwam, dan hij zelf, zachies an met stukkies en beetjes afgeschut. Daar lei ’t verknaagd en beskimmeld ’n beetje. Maar daar lei ’t. ’t Was toch wel lollig weest dà’ s’n waif soo’n vuilpoes hiete, soo klieterde en stonk t’met van ’t smeer.... Da se nooit-nie keek na d’r kelder, en da hai, alleenig, bai skoonmoak ’t eerst rondrommelde.... En.... da Guurt d’r de koning te raik mee was da sai d’r niks mee van doen had.... ook soo’n skoone!.. Wel lollig toch dà’ hai nou joar an joar, veur skoonmoak sorgde doar.... en al die hoeke... dà’ t’r leê, z’n spulle.... rustig.... bestig.... Soms kreeg ie zoo’n vreeselijk verlangen er naar te kijken dat ie ’t niet uithouen kòn. Dan moest ie zien, ’s nàchts, als allen snurkten en ronkten. Want na z’n zware ziekte sliep ie weinig, lag ie soms halve nachten wakker, en dan was ’t maar prakkeseere.... met open ooge, tegen ’t donker beskot van de bedstee.... Ja dat had ie daar nou allemaal staan.... Nou kon ’t verrotte voor zijn part, as ie maar wist, dat ie ’t had, dat ’t van hem was.... Zoo voor zijn eige òòge en hànde.. dat ie ’t kon grijpen en zien wanneer ie wou.—Maar ’t zalige ook was, dat geen sterveling wist dàt ie gapte,.... hij de fesoenlijkste tuinder van de plaats. En als ie nagong,—al liep ie in Amsterdam,—da s’n spulle dààr leie.... in zijn kelderhoek.... God-kristus! dat ontroerde zoo hevig, gaf ’m zooveel geluk, dat ie d’r bevingen van kreeg, in z’n armen en beenen, en handen, en dat z’n hart ging hameren.... En helsch-lekker was ’t, dat niet één uit de plaats, niet één bij ’m thuis wist waar ’t lag.... zelfs z’n vrouw niet. Elke dag effetjes zag ie z’r bij dwalen, dàn Dirk, dàn Piet, dan z’n meid Guurtje.... maar vast niks.... Nooit niks merken.... En spannend, zag ie ze, nou jaren en jaren achtereen, wegduiken in de rotte kelder, en weer opduiken en nooit niks, nooit nooit niks!.... Dat gaf ’m nog weer ereis gloeiende vreugd, maar stil, stil.... in zichzelf gesmoord....

Met z’n stoel strompelde ouë Gerrit nog dichter bij de kachel, onbewust, ’t zelf niet merkend, in brandende opwinding, blij iets te bewegen. Z’n vrouw zag ie sjokkeren van den stal naar de keuken, met ’n peinzerig gezicht, en rooie huil-oogen, ’n paar kopjes wegdragend van ’t koffieblad. Vandaag had ie puur trek om er is te kaike na z’n spulle.... Maar hij dorst nie.... Guurt, s’n dochter mos sóó komme.... aa’s tie ’t moar weer es sag....

Wà’ kon ie lolle, lolle, soo in ’t donkere hok, tusschen z’n gestolen rommel in.... Wa genot! om te stikke! Wà’ had ie ’t netjes an rijtjes legd lest.... Die vervloekte muize.... allegoar goatjes d’r in.... Hij kon se de kop afbijten.—Nee, vandaag zou die ’r geen poot anzette, als ie ’t moar sàg, soo moar sag, kon ie al sterven van heetige lol.—Wâ spulle! Wà’ kon die ’r mee doen.... Nee, toch niks doen d’r mee.... Alleen moar hebbe, wéte, al moar wéte en beseffe, dat ’t van sain was...., dat ie ’t kaapt had van andere.... andere.... Kristis, wà’ lol, wà’ salig.... So moar had ie ’t gegannift van ’n aêre en nou was ’t van sain, van hèm, van hem, van sain. Wat zoet, wat zalig zoet dat toch was, dat nemen! Hoho!.. ho.. ho.... Van g’n waif, van g’n waive hield ie zooveul.... Da gappe.... puf!.... naar je toe.... En zoo verborgen weg duufele in je eige kelder.... En dan, aas de menschen je vrage en segge.... Hai je al hoort?.... dà’s stole of dit is stole, dan verbaasd meekijke en lache, en dan zoo zeker, zoo zeker wete dà’s se hem, hèm, mit z’n grijze kop, z’n faine noam net soo min verdenke, aa’s den bestolene self.... En dan lol, brandend lollig van binnen, daà’ niemand je sien hep.... niemand, nooit niks!.... En dan àl maar meer lachen om ’n grappie ertusschen en schudden met de zilveren haren, en dan, daardoor heen, maar genieten, bij ’t spreke d’r over... En wrijven door de baard, en zalig, zoet van binnen weten: jonge, kerel, dà’ hep jài nou,.... dà’ lait nou stikempies op z’n rug, bai jou.... Niemand hep sien.... En dan ’t genieten er van, de eerste week.... nachten, als ie niet slapen kon, in het kelderhok, met ’t lampie.... en soms, als ie ’t niet kon houen, als ie van binne opbrandde van zien-dorst, dan op den dag ook nog effe.. Aa’s ’t most, en ’t kwam, dol-heet-begeerend, dan omkeerend van ’n boodschap en dan loeren op ’n vrij gelegenheidje. En dan de tweede nacht, aa’s ’t verlange om te zien zoo hevig was, dat ie lag te beven.. om z’n spulle te pakken.—Als ’t door ’m heengierde, onrustig gehijg van kijkdrift en voeldrift. Als ie zich dan al lekkerangstig eindelijk voelde, òver z’n wijf, heenstapte.... bang-vol en blij dat ze ’m wouen snappen, en eindelijk met wild lichtgejuich in z’n oogen, in en uit z’n kelder kwam, zonder dat ie gesnapt was. Dan in bed weer zien, rustiger en verzadigd, hoe alles gelegen had, kijkend met oogen dicht. Herinnerend hel-schittering van knoppies, blinking van lepeltjes, en na-tastend in z’n verbeelden de kleuren en ’t zachte goedje.—Dan den volgenden nacht weer, kijken en tasten, slaaploos met zweet-hoofd van angstig-zwaar genot.—Na ’n week begon lust te luwen, bleef ie ’r maanden zonder, dacht ie er nog alleen maar aan, in z’n bedstee, stil-starend tegen beschot-donkerte, dat ’t daar lei, effe onder ’m.. dat ie ’t kon zien, kon hebbe aa’s ie wou.. dingen al van veertig jaar, nooit niks van verkocht.... nooit niks.... gegapt voor sain... zalig zoodje.. Nou vàn sain, vàn sain alleen. En geen sterveling die wat wist van z’n zalig genot, geen die iets wist van z’n sluipen ’s nachts, z’n waken, z’n woest-geheime passie, z’n heethevig begeeren.

Van heel klein al had ie ’n diep jubel-genot gekend voor stil stelen, juist op de gevaarlijkste plekken. Nou nam ie alleen wat ’m beviel, maar toen, nog jong, nam ie elk onbeheerd ding mee. Telkens werd ’t ’m toen afgenomen, kreeg ie ransel en straf, omdat ie ’t nog niet goed wist te verbergen, of handig genoeg weg te kapen. Op later leeftijd was ie zich gluip’riger gaan toeleggen op stil-stelen, op dat loerend geheim-zoete stelen, met uren-geduld van ’n poes, onbeweeglijk, rumoerloos dan toespringend als de kansen schoon stonden, en dan alles vergeten, om te hèbben, te hèbben. Eerst had ie, als eenmaal de dingen van hem waren, er niks meer voor gevoeld. Later tikte ie de zaakjes op hun kop, maar bewaarde ze meteen; werd zoo nieuwe prikkelhartstocht, dien ie eerst niet gekend had. En nooit nog had ie goed beseft hoe ie eigenlijk aan dien steeldrift kwam. Zóó zag ie iets, zóó gréép ie, zonder dat z’n hartstocht ’m kleinste nàdenkruimte liet. ’n Vrouw pàkken en stelen, maar stelen nog liever.—Verder was z’n heel leven niks voor ’m geweest. Z’n land ging al jaren bar slecht; z’n zoons bestalen ’m, z’n pacht en schulden al hooger, de opbrengst al minder.... Maar ’t gong z’n triest gangetje nog.... Toch was ’r niks geen pienterigheid meer in z’n werk; z’n steellust was alles, ging nog ver boven lijfbegeeren uit.... ontzettend, van genot, van stil genot.

Eens had ie, zoo in ’n angst-bui, die ’m in z’n jonge jaren maar heel zelden bekroop, aan dominee in ’t geheim verteld dat ie zoo graag dingen wegnam, die van hem niet waren, zoo alleen maar om ze te hebben, en om te doen, te doèn vooral. Maar die man had ’m uitgescholden, had ’m de deur gewezen in woede.... zeggend dat ie niet verkoos voor den gek gehouen te worden. En hij in z’n boerige stommiteit en blooheid had niks verder kunnen zeggen. Toen had ie dominee in de kerk nog es hooren dreigen met de hel, dat dieven monsters waren.. En hij had dol-angstig gegriend, bang, bang, de hel, de hel.... En de ouë vrome, streng-bijbelsche dominee had hèm onder de preek aangekeken. ’n Tijdje was ’t stil in ’m gebleven. Maar z’n begeerte vrat dieper in. Geen rust had ie waar ie was. ’t Verlangen, heet schroeiend, kwam in ’m opblakeren, als ie iets zag, van verre al, hartkloppingen beukten z’n slapen en z’n binnenste stond in brand. Dan de gréép.... En als ’t gedaan was, voelde ie zich opgelucht, lollig, lekker.... tot ie later weer moest, en de hitte-greep weer kwam. Door dominee’s gedreig had ie nooit iemand meer iets durven zeggen, wat ie toen wel gewild had. Want ’t werd ’m soms, zoo zwaar, zoo bang,—maar dan weer vond ie ’t zoo zalig, zoo zoet.... Zoo was ’t geweldiger in ’m doorgevreten, met de jaren erger, kon ie ’r niet meer zonder. En om zich heen zag ie niemand die wist wat in hem omging, hoe wreed-rauwelijk ie genoot, en hoe ie leed, als ie wroeging, angst voelde. Want elke week precies toch ging ie naar de kerk, soms als ’n zelf-marteling om te hooren wat ’m te wachten stond. En elk woord paste ie dan toe op zich-zelf, elken zin, elken uitleg. En soms midden door z’n donkeren, hoog-donkeren angst, schoot dan berouw, klagelijk deemoedig voornemen, dat ie nooit meer iets van ’n ander zou wegnemen. Twee dagen daarna als de woorden van dominee afgekoeld waren, zat ’t alweer in hem te hijgen, als ie maar iets zag, dat alleen stond, dat ie hebben moèst. Dan bleef ie in zoete streel-stemming van z’n eigen begeerte, tot ze onstuimiger, brandender oplaaide, niet meer te houen, en duizelde ie van nieuw genot, dat te wachten stond. Dan kwam er al dagen vooruit, licht of doezelig geduizel in z’n hoofd, vreemde ontroeringen en gevoelige toeschietelijkheid thuis, in alles.... zelfs z’n stem begon te vleien, lichtelijk.

En dan had je ’t, volop ’n groote blij ontroerende angst voor wat ie doen ging en voor wat nou weer in ’m woelen en snoeren kwam. Zoo wàchtte ie op zich zelf, dook er grillige benauwing ônder z’n hartstocht uit.—Soms klaar-fel in één, heel kort, zag ie zich-zelf, begreep ie, hoe ie Onze Lieveheer bedroog, den dominee, de menschen, de wereld.. Dat kwam dan meestal ’s nachts, als ie wakker lag, niet slapen kon, en er klare kijklust juist in z’n oogen kittelde; in die lange, donker-dreigende nachten, als ie verschuil-angst voelde, angst dat ie slecht was, dat ie toch eens gesnapt zou worden, dat z’m in de kelder zouen pakken en opsluiten, of dat ze ’m eerst midden op den weg zouen sleuren, zóó, midden op straat jagen, en dat iedereen ’m dan kon zien met z’n grijzen kop, z’n lange haren.... dat ze’m zouen uitjouwen, uitgieren en met steenen gooien. Dan werd ie week, voelde ie, hoe hardvochtig ie was voor z’n wijf en kinderen.... In die angstnachten voelde ie zich aan alle kanten bedreigd, zàg ie klaarder dan op den dag, hóórde ie beter, de vreemdste tikjes, kraak-lichte geluidjes, strak-zuiver in de nachtstilte.. En hij, hij die nooit niks gevoeld had,—wel duizend keer in ’t holst van winternachten dwars door ’t Duinkijker bosch, van ’t zeedorp Zeekijk, naar Wiereland was geloopen,—híj huiverde dàn, en kippevelde van angst, hij lag daar te stumperen, te beven en benauwend te zweeten, naast z’n wijf, beschutting zoekend àchter haar dooie, snorkende lijf, toch blij dat zij er tenminste was, ’n mensch net als hij, die ie hoorde ronken.... die hij kende.... die hem kende.... En als ie dan, loerend stil, in ’t pikdonkre vunzige ruimtetje van het hollig bed-steetje, uit groenig vuur op ’m zag aangrijpen, handen met kromme, scherpe worg-nagels, vreeslijke, knokige, graaiende handen, beenderige geraamte-handen, vaal en grauw en hij lag te steunen, zoetjes in zweetangst te kermen, zich verkrimpend en kleinmakend àchter ’t half-wezenlooze lijf van z’n vrouw—dan begon ie stil tegen haar lichaam te praten, òp te biechten, luid, met beverige stem, tegen haar rug.... Dan angstigde ie uit, dat ie ’t haàr wel zeggen wou, z’n slechtighede.... aa’s se’t maar nie verklikte... da’ se ’m steenige souê... En dat alles, alles in de kelder lei....

In den stillen nacht hoorend z’n eigen holle beefstem, weenend van wanhoop, keek ie even òp achter het ronkend lijf van z’n vrouw of ’t groenige vuur nog liktongde—van ’t donker beschot naar ’m toe. Maar als ie dan geen beenige grauwige geraamte-hand meer zag, zweeg ie gauw met biechten, verroerde ie zich niet meer, ’n kwartier, ’n half uur, al spijtig, gejaagd dat ie te veel had gezegd, dat ie zich had laten bangmaken. Bleef ’t weg, ’t groenige vuur, dan begon z’n zweet-benauwing wat te luwen, gingen er knellingen los van z’n kop, z’n beenen, begon ie weer ’n beetje ruimer te ademen .... in zichzelf gerustgesteld, dat ie toch iemand opgebiecht had wat ie deed—En aa’s ze wakker was zou ie ’t weer zeggen. Stilletjes wel, dacht ie ’rbij, dat ze toch alles weer vergat,.... maar dat kon hem niet schelen, had hij niks mee van noode. Hààr zou ie ’t zeggen, dan wist ie ’t ten minste niet meer alleen. Als ie dan eindelijk achter ’t deurtje van ’t donkere bed-holletje durfde kijken, in de scheemrige schijnseltjes, naar de stille schaduw-schimmen van de roerlooze kamer en hij zag op ’t ruit, aan den straatweg, ’t nachtlichtje, blompotjes-schaduw en tak-vormpjes, grillig-dwars en puntig op ’t vaal-geel gordijntje lijnen, kreeg ie weer moed, zei ie zichzelf, dat ie ’n lintworm was, drong ie zich op, dat ie nog nooit-ofte nimmer kwaad had gedaan.....

....Dief? .... dief....? nee, dâ was tie nie, heelegoar nie.... En snappe?.... nooit!.... nooit!.... Wou ie stele om geld?.... bah! kon ’m geen zier skele.... ’t Was lekker, ’t was puur zalig.... Hij mos gappe.... hij mòs of ie wou of nie.... Soms wou ie zelf nie...., en toch most ie.... En dan had ie al branding en wilde jeuking in z’n handen.... Nee pakke dée ze’m nooit van d’r leve.... want sluw, sluw was ie, aa’s de beste.... En wie had d’r ooit erg in sain? Hij mit z’n grijze kop, hij diake weest?.... Hij die nooit dronk, hij die met jare beule en ploetere, eindelijk ’n stukkie grond had gekocht, met veul hypetheek?....ze zeie allemoal wat van z’n zachtzinnigheid, en hoe goeiig ie omging met z’n ongelukkig suf waif....

Maar aa’s tie alleen was met haar, kon ie z’n geduld niet houên. Dan griende ze, had ze vergeten waar ze woonden, wist ze niet meer den naam van haar kinderen; dan griende ze maar, grienen. En hij er tegen in, haar meppend met wat ie maar in handen kon krijgen. Dan griende ze erger, mepte hij harder, uit drift, uit dolle drift, dàt ze blerde.... En toch vergat ze waàrom ze griende, wist ze na ’n paar minuten niet meer, dat haar man ’r geranseld had, sjokte ze weer stil-droevig voort, alleen brandende pijn-plekken voelend op ’r lijf en handen..

Eergisteren nog had ie ’n paar mooie ronde bollemanden gekaapt, ’n stel witgeschuurde klompen en ’n nieuwe overschieter.... Donders, vaa’n arme kerel, dat had ’m even heel erg gespeten, maar ’t stond ’r zoo zalig voor.... Niet lang was de bedenking. Door z’n bars boeren-verstand, wrokkig, eigenzinnig en steenhard-achterlijk was de gedachte gegaan dat ’t maar ’n zuiplap was, hij er toch nies an had. Listig en bijgeloovig, dat was ie, bang en brutaal. En gisteren had ie alles aangedurfd.... Zoo, in de zon had ie staan blinken, de overschieter, en de mandjes ’n eind verder, en bij ’n ander de witte klompies. ’t Was plots in ’m gaan kriebelen, hij had zich voelen bleek worden, gejaagd, kloppingen op z’n borst, in z’n strot, hooger op naar z’n kop.... En opgejaagd in zichzelf gromde ’t: da mo je hewwe Ouë, da mo je hewwe.... Er was licht in z’n oogen geloensd, raar valsch licht, als uit de oogappelspleet van ’n kat die ’n vogeltje met stil lijf en zachte kopwending alleen beloert.—Z’n handen waren gaan woelen in z’n broekzakken en voor ie zelf wist of ’t kon, of niemand ’m zàg, had ie ’t beet, beet, beet, schuurde ie met z’n stille juichstem langs brandende hebzucht, die nou te blakeren lag, wild in z’n strot, had ie ’t ding in knelkramp vast, schroefvast en daverde z’n hart in geweldsbonzen, dat z’n ooren dicht suisden van woest genot. Zoo was ie weggehold, keek ie strak voor zich uit, zwaar, lang genietend, om te voelen hoe ’t afloopen zou.... met ’t heete steel-gevoel in ’m, zoo zàlig zoet-spreidend over z’n harsens, dierlijk genietend van eigen benauwing.... En dwars door vage-angst-van-pakken, lol dat niemand ’m in den weg was getreden, dat ie dadelijk kwam, waar ie wezen wou, dat ’t dadelijk kon geduwd in z’n kelder en daar begulzigd met z’n oogen. Toen, alleen z’n wijf thuis, kon ie ’t raak-zeker wegstoppen waar ie wou. Eén huilgenot was uit ’m gevloeid. En gisterennacht had ie ’t weer gezien. Tranen van ontroering had ie zitten schreien in z’n kelder.

Over z’n spullen gebogen, beaaiend met z’n kijk, had ie ’rbij gezeten in z’n rooie wollen onderbroek en z’n wilden zilveren haarkop, te schreien in z’n kelderhok, met z’n klein lampje, rossig-geel, bewalmd in vunshoek, genoot ie van z’n doorgestane spanning, duizendmaal, zacht-snikkend in stembeving zich zelf zeggend, in huil, dat ’t nou van hem was, van hem.... Dat ’m dat geen sterveling kon afnemen, Dirk niet, Piet niet, Guurtje niet.... En stil als ’n faustig spooksel, kromde z’n verdonkerd rood lijf zich in z’n lage kelder, veegde ie z’n tranen van de handen, snikte ie zachter, luchtte ie op, lag ie om en om z’n gestolen waar, zoet-innig streelend, en bleekte z’n zilveren haardos en kindergezicht, in het wazige kelderschimmige lampschijnsel òp, met gelukslach en zalige verrukkings-koorts.

Nee, niks kon ’m meer skele.... z’n kinders, z’n waif, z’n pacht, z’n schulden, z’n hypetheek.... Alleen die lamme notaris, die ’m ’r in had met vijfhonderd gulde losgeld en al de rente, ses pissint, zat ’m dwars.... En de dokter.... die z’n rekening hewwe wou.. en veurskot van grondbelasting.... Snotverjenne, dat was nou ruim dertig joar puur, dat notaris ’m losse duiten leent had.... En nou, nou Dirk en Piet bij andere wat wouen knoeien mit grond, nou eischte ie op, in één s’n geld, met dertig jaar rente.... godskristis...... Da was puur ’n slag.... miskien ’n kleine twee duuzend gulden mit de rente van àl ’t deze! En nou weer ’n paar termaine hypetheek achter en pacht en nog drie joare raize achter.... Nou dan moest s’n brokkie moar an de poal.... Hai verrekke.... sullie ook verrekke.... Hai had toch se genot.... Moar dwars, dwars zat ’t ’m; nòg twee koebeeste voorschot waa’s tie ook achter! Nee, dwars zat ’t sàin!.... ’n suinige boel!.... Aa’s s’n heule rommel achtduuzend beskoûde, was tie d’r.... Maar da had ie t’met an volle skuld!.... Tug, ’t brok stong nog onder sain klompe!....

II

Guurt, de mooie blonde dochter van Gerrit Hassel, kwam op ’r fameuze dij, met ’n groote witte schaal grauwe erten aansjokken, en ’n pan uien met aardappelenbrei, die vettig smeulden en geurden in wasem voor d’r uit. Guurt was de mooiste blonde van Wiereland, met zwaar-korpulent, hoog boerinnelijf, rompig-rond en heupmollig, dat droeg, droomerig fijn klein hoofdje, wonder-blauw starende oogen, fijn poppig gezichtje, potsierlijk-lievig, teer en damesachtig in ’t zware zonneblond van haardos, kontrasteerend-pronkend op ’r vetten schommelenden vleesch-groei van flank en boezem.

Vrouw Hassel zat stil-ontdaan, met ’r huilerig gezicht vlak voor ’t raampje op den weg te kijken naar de kale tuinderijen, en de goor-gele hooi-klampen. Haar versmoezelde trekmuts zat scheef-achterover, en de eindkrullen ervan hingen slapvuil langs d’r slapen. Even blies ’n geraas door ’t vertrekje, en hoog-plechtig sopraande de staartklok ’t twaalfuurtje uit, na elken slag meetrillend ’n zangerig geluid als van tooneelklok, die vreemd-bekorend-sonoor, ’n nachtelijk spanningsuur aanluidt, in melodrama.

Achter in den stal, rumoerden de jongens binnen, zich in haast ruw neerschuifelend met stoelen aan tafel, beslijkt van grondwerk, overal langs schurend met hun modderplunje, gulzig laag bukkend in dierlijken vreetstand voor d’r borden.

Ouë Gerrit zat in gemakstoel, tegenover z’n vrouw. Plots zakte stom z’n kop op de borst; kruisten zich z’n handen in krampigen bid-buig. De jongens en vrouw Hassel brabbelden wat meê, gejaagd.

Gulzig-spraakloos begon er geëet, klikklakking van lepels op borden en schaal, die naar alle richtingen getrokken werd. Piet had zich zwaar-vol opgeschept, ruw-weg bij-lepelend, dat het donker klonterde op z’n borst, erwten met vet en kleine ertusschen gesnipperde vleeschbonkjes. Dirk kauwde, kauwde langzaam, zwaarder, met bij-zijduwing van kaken, en schoof na iederen hap z’n vuile lepel in de schaal, langzaam, langzaam, zoekend naar plekjes met vleeschbonkjes. En Piet er haastiger tegen in, opstapelend nieuwe lepelingen, telkens met z’n slijk-bruine vingers, reuzige grauwe klauw, erwteklusjes, druipend bedoopend met vet, wegzuigend, van mondgulzige toppenduw, z’n spreekholte in. Want telkens had ie wàt te zeggen, met barst-vollen, spuug-spattenden mond. Ouë Gerrit smakte zuinigjes z’n bord erwten op. Alleen vrouw Hassel at niets, bleef suffig-beteuterd kijken naar éen plek buiten ’t raam, met oogen flauw-versluierd van tranen.

Jammerlijk druilde stilte op haar grauw-verflenst gezicht dat sufte onder ’t vuil-grijze haar, bijzij steekmutsfloddering los uitkrullend. Om haar heen bleef zuigen stil gesmak van uitgehongerde kerels, die met zweet en vuil nog op rood-grauwe gezichten, stil maar hapten en kauwden, in grimmig kaakbeweeg, rauw en vraatvol, zich vergulzigend als beesten.—Guurt kwam pas zitten, met geschuifel van ’n stoel en wegduwing van Piet’s arm, vluggelijk biddend.

—Mo’k nie sitte?.... jai la nou nooit niks veur ’n ander...., mokte ze bits.

—Jonges, zei Hassel plots bezorgd, morge is ’t houtvailing bai jonker van Ouenaar.... wie goat t’r hain....? Sel ik ’t moar sain, hoho!

—Nou, gromde Dirk, z’n lepel uit z’n mond zuigend en gravend in de weer vol geplompte schaal,.... daa’s net, wà’ hai je meer?....

De Ouë wist wel dat ie moest, al vond ie ’t lam werk. Maar als Dirk en Piet zeien dat ’t gebeuren zou, durfde hij niet nee zeggen, bang dat ze ’r de heele boel op ’n goeien dag bij neersmeten.

—Aa’s t’r t’met wat is.... vier en vaif.... enne nie genog!..

—Mit staive stàp d’r moar op an Ouë .... sal wel wa sàin.... seurderij...., bromde Dirk, met vollen mond, in z’n altijd klanklooze kortsnauwende bitse zinnetjes.

De ouë zei al niets meer, keek sip voor zich, verschuchterd, zat star op z’n met zware duimvegen uitgelikt bord te kijken.

—Godverjenne moeder, barste Piet los, zwaar-boerend voor zich uit, in zangrige stijging van Wierelands spreekgeluid, godverjenne, waa’t is t’r t’met mi je veur.... ik sien je kwalik ’s murregens....

—Wa?.. wa?.. wa sait tie?.... wa sait tie?.... schrikte vrouw Hassel òp uit ’r sufkijk over het kale land.

Piet brokkelde weer onverstaanbaar iets verder, met uitgebuilden mond, stamp-vol van uien en aardappelenbrei, die z’n lippen overdrongen. Telkens greep ie met z’n grauwe vuile modderhanden in de pan, rondwroetend tusschen breiklodders, om direkt weer in te stoppen als ie met beklemming van zacht-roggelende ademhaling, ingeslikt had. Zoo aldoor met vollen mond blijvend, wou ie spreken, iets driftigs uitstooten, dat brabbelend wegsmoorde in z’n uienkauwsel.

Vrouw Hassel zat te wachten, maar hoorde niets meer.... Eindelijk na zware ademhaling, kraste er stemgeluid op, had ie alles doorgeslikt. Guurt, naast ’m, zat te giegelen om z’n gulzig geslobber, lachend, lijf-schuddend achter haar dikke handen.

—Nou moeder, wa’ kaik je aa’s ’n skoap.... f’rjenne!.... je sou main broek làpt hebbe.... d’r sit ’n gat in.... daa’ k’r t’met deurvalle sel.... hai je dà nou weer f’rgete?.... bin je dan t’met fe’gete daa’k ’n broek droag?.... geep.... dwarrel!.... wa skeel je....?

—Sai vergeet puur d’r kop van d’r romp, woedde de Ouë.

—En.... ne.... de bloedworst, hai je ’m kloar moeder, vroeg Dirk er loom midden in.

Vrouw Hassel zat met inspanning naar ’t stemgekruis te luisteren, vol angst-trekken om d’r ingevallen mageren neus en mond, vooruit al voelend, dat ze wat leelijks te hooren kreeg. Maar herinneren van bloedworst en broek deed ze zich. niets meer. Al wat zij haar voorhielden was nieuwtje, hoorde ze nou pas voor ’t eerst, meende ze.

—Ja, ja, stamelde ze in verwarring terug.... ik wee nie wâ main skeelt.... ik bin d’r puur f’rskote van kinders!.... En zwaar te huilen begon ze.

—Seg waif, bler nie.... valt rege sat.... snauwde hard de Ouë en allen nu snauwden mee, van lamme kemedie, gesanik van dit-en-van-dat, scholden eruit voor luiwammes, die gluipertjes wou maken. En stil snikte ze door, zonder dat ze zich met ’n woord meer verdedigen kon. Uitgesuft zat ze weer. Niemand die voelde wat ze had, wat ze leed. O! leed?.. leed?.. Nee, pijn had ze niet. Alleen zoo raar, zoo doovig, zoo rare banden kruislings over d’r hoofd, gespannen! en zoo knellend, zoo stevig.... En niks, niks meer kon ze onthoue.. Ze huilde weer harder.... Guurt keek ’r àn, met d’r glimlacherige blauwe oogen, of ze zeggen wou: hou je je aige moar stiekem van de domme, je bin immers zoo sterk aas ’n paard....

Dirk grabbelde ’n pijp vol, met kop in de tabaksdoos geduwd, en Piet diepte mee in. ’n Paar minuten bleef er stilte-gepaf van alle lijven. Alleen Gerrit en de vrouwen vouwden de handen, prevelden plechtig-mechanisch dankgebed.

—Seg Ouë.... kristus! wa he’k ’n pain in main polse.... kristus!.... main klauwe!.... saa’k verbrande aa’s ’k weet hoe ’k sitte mot.... jesis wa pain.... main stuit....

Afbrekend eigen zin bleef Dirk op z’n doorbarste spithanden staren....

—Nou Ouë, murge goant beertje d’r an—Met ’n schonkigen draai van z’n zwaar lijf keerde ie zich naar Gerrit, ’m drie maal zwaar boerend vlak in ’t gezicht. Vader Hassel keek bedrukt.

—Tjonge, daa’s te vroeg, f’rdomd, daa’s te vroe-eg, zàng-zeurde z’n stem.

—Nou maor, hai goant, daa’s main werk.... ikke hep ’r lol in.... Ikke hou van da werkie.... Aas ’t poar weke verduufle gong he’k g’n fait meer.... nee.... nou mot tie.... jesis! me sai laikt of ’k spersie-bedjes maok hep.... da verrekte diepspitte..

Dirk was rood van stille woede dat de ouë tegensprak, woede die aan kwam stuiven in bloedvlekken op z’n woest-kakigen wreeden kop. Z’n vlassige brauwen gramden in dreiging naar elkaar, en z’n kaken beefden. Dàt was z’n grootste hartstocht, slàchten; zelf ’t mes in ’t plooiige nek-vette van ’t varken te vlijmen, ’m bij z’n strot te smakken, dat ie spartelde, dan ’m te zien rochelen en hooren gillen, met bloed op z’n handen, warm-lauw, stankig en rood. Dan genoot ie met ’n bedaarde lol, niemand mocht er an komme thuis. As ie ’t niet zelf kon doen, vrat ie ’t niet; most ’t vleesch verkocht. Al de kippen, die niet meer legden, draaide ie even gemoedereerd den kop om. Guurt joeg ze op, greep ze, en hij alleen wrong ze den hals af. En Guurt zàg ’t ook dol-graag, al griende ze ’r soms bij van rillerigheid. Zij, zij met ’r meidehanden dee ’t altemet eerder dan Kees, de erge strooper, waar ieder in de plaats bang voor was; Kees de Strooper, oudste zoon van Hassel.

Piet had zich languit met z’n modderlaarzen en slijkgoed op den grond neergesmakt, vlak bij de rookige kachel, om wat te tukken. Dirk zat te smoken, slaperig weggedoezeld in blauwe rookkrullen, stomp, naar den straatweg kijkend. Ouë Gerrit voelde slaaploomte en rilling.

’n Paar uur maar had ie vannacht geslapen. Alleen Guurt lachte luid en brutaal, joligde tegen Dirk, die stom aanluisterde zonder zich te verroeren, wat ze snapte van Annie en Geert Slooter, dochters van ’n tuinder, bij hen in de buurt.

—Nou Dirk.... enne.... nou mo je wete.... nou sait se Annie.... se binne veur sain in ’n f’rseeekering... aas sain... sie je.... d’r vader.... aas sain nou wa beurt.... dan.... danne kraige sai ’n prais.... ’n prais sa’k moar segge.... van ’t Nuuwsblad.... En nou sait Geert.... hohà!.... nou sait Geert.... gom.... ikke wou moar da die ouë suiplap soo dood bleef aa’s ’n pier.... in se werk.... he?.... dan heppe wai vaifhonderd poppies.... Is da nou woar Dirk....? kraige sullie dan soveul?.... puur vaifhonderd.... tog jokkes hee?

—Nou seker, bromde Dirk, wrevelig dat ie spreken moest, aa’s t’r stoat, sal wel ’t uitkomme t’met....

—Nou, en nou sait Annie, sait se main.... f’r wa’ sai nooit niks meer van je sien, s’avens....

—La se stikke.... mestvarke.... hep màin noodig.... dwarrel! kabbeloebelaap!....

—Nou hait s’nie g’laik.... sa’k stikke aa’s se ’n sint los kraigt van den ouë.... nou is tie weewnoar.... en hokke mi Jan en alleman dat ie doe.... ’n wijd skandoal.... Nou lest, mi Sint Jan mosse Annie en Geert.... mosse ze ’n poar nuwe laarse.... hai gaift g’n sint.... strak-en-an komp ie thuis.... stroal!.... En hài an ’t danse.... de guldes rolde sain broek uit.... sóó, langs se paipe op de vloer.... Dà’ ware sullie bai aa’s kippe hee?.... Se heppe grabbeld en vochte.... Hai was smoor.. en niks het ie sien.... ha! ha!.... ha! ha! ha!....

Wat ’n beeste, wat ’n maide.... nou binne sullie skoene goan koope.... Ho-je-wi! wa ’n pinkebul!—

Gieren deed Guurt, met ’n bord in ’r hand, wild op ’r dijen patsend, dat ze schommelde.

—Hep jai Kees nie sien maid, vroeg dwars-vreemd en stroef Dirk er tegen in.

—Kees? Kees? sien ik t’met nooit.

—Wâ? en Grint dan, sain buurman? Kom je’r nie meer? Skarrel je doar nie?.... en se seun?.... is da doàn? verdomme.... Die jonge was puur mal op je....

—Wa? die staive hark? die .. kikker.. àn main blouze seg!.... gierde Guurtje, wild naar achter stormend, met vingergetrommel op borden.

—Houw doar smoele.... kaa’n g’n tuk pakke.... schorde Piet slaperig-stemlui van den grond, zich wild in protest, met lijf-lawaai, omdraaiend.

—V’rek, kom bai je, goedigde Dirk, zich aan den anderen kant van den kachel neersmakkend.

—Guurt, denk ’r an, één uur!

—Ja, stem-gilde ze uit ’t achterend, ja sel d’r sain!

Om één uur moesten ze weer op, spitten, spitten tot oneindige troosteloosheid van winterdonkering over avondvelden kwam droeven.

En Guurt bleef met ingehouen, geluid-dempende bewegingen vaatwerk-rommel beploeteren. Haar princessekopje roezemoesde. Zij was de mooiste meid van Wiereland. Iedereen had ’t gezeid.... en ze wist ’t zelf ook wel. Ze had wel nooit wat geleerd, maar de jongens keken d’r an, of ze ’r t’met allegaar teg’lijk wouen. Maar mooie Guurt wist wat ze waard was. ’n Meneer wou ze hebben, ’n meneer mit mooie mesjette, in nette kleere, en ringe om se hande.... ’n faine hoed.... en faine jas. En dan niks g’n konkelefoesies om den meneer, maar blij om den stand, om ’t hooger-opkomme. Dat was brandendste eerzucht in ’r. En aa’s tie, onfesoenlijk wou, voor d’r trouwe, sou se’m meppe.... O! se hield ’r wel van soms, maar so als die meide van Wiereland, soo dol.... nee, dà’ had se nooit niks soo erg naar verlangd. Die gooie zich te grabbel. Die moste wel, die hadde niks anders. Maar zij, de mooiste meid van Wiereland! De apetheker haalde d’r stiekem àn.... dacht moar.... stom boerinnetje.... En de dokter wou er soene.. t’met de heule ploats.... Lest mit d’r seere vinger wou die vent d’r nie helpe.... of eerst ’n lekkere soen.... so’n vuilpoes!.... dà’ hep ’n waif.... acht kooters....! En dà kreeg se, en dî kreeg se; allegoar van meneere.... En mee ging se.... met kennissies en skarrelaars, die wà’ graag de meneere van de plaots ànhaakte.... Nou, da had ze t’met puur sien.. maar bai haar, niks g’n kansies.... Zij wou nooit, nooit gemeen sain.... Alleen moar lolle en lache.... en pronke.... en t’met alle kemedies sien. En dan moar al die manne opwinde, en net doen of se wou.... of se soo moar te neme was.... En aa’s se dan woue toehappe.... pats, dan d’r van langs, mit d’r stevige knuiste, dan seie se niks meer.... dan was ’t glad f’rbai.

Zoo was mooie twintigjarige Guurtje, met haar dames-hoofdje, haar prachtig goudhaar, haar lichten lach, haar fijne trekjes en blauwe oogen-vreugd, met ’r hoog-zwaar, frisch boerinne-lijf, haar schommelend-onderstel, de begeerlijkste meid van ’t dorps-stadje, waarvan geen tuinder, geen meneer zich op beroemen kon dat ie ’r gepakt had. Maar allen had ze dol gemaakt en opgejaagd, van hartstocht. Midden in ’t paringsgedrang van beest-menschjes, koketteerde zij grof en stoeide met allen zoo goed en zoo kwaad als haar sluwe meisjesnatuur met berekening dat klaar kon spelen. Zij, vrij koud voor lijfgenot, zocht naar zwakkelingen met geld, die op ’r verkikkerd werden, ambtenaartjes eerste klas.—Op één had ze al lang ’t oog, ’n heel piek-fijn heertje, ’n rijk, wellustig slap-blond mannetje, maar chiek, ruikend naar odeur, met lokkende snor en streelend baardje, en zooveel geld as tie maar wou.... Die most se anhake, hebbe, al kwam de onderste steen boven, hem met z’n duiten, z’n chiek, z’n geurtjes en odeurtjes. En hij wou haar ook, maar d’r lijf alleen. Alles sloeg ze àf, en toch maakte ze ’m vuriger door ’r verleidelijke gekunstelde boerinne-onschuld. Hij, ouderloos mannetje, zwak dobberend, afgezwabberd, wou iets om handen, was ambtenaartje geworden.... later burgemester.... misschien! ....zoekend naar rijke heere-boerdochter, die z’n afgezwabberd lijf wel hebbe wou.... Toen, in één verkikkerd op ’t frisch-wellustige lijf van Guurt, ’r blonde haaraureool, ’r fijn snoetje.... Maar veel gegeven, weinig meegenomen, nooit iets kon ie bij ’r gedaan krijgen; niet eens mocht ie d’r met ’n zoen besmakkeren. Ze had ’m gezeid dat als ie ’r hebben wou, ie maar met ’r trouwen most. Hij stond wel op zich-zelf, en dertig jaar, kon ie doen wat ie wou.... Maar van die platte familie gruwde ie, die ruwe broers, die vuile moeder.... Daarom draalde ie.... En zij voelde z’n dralen. Sluw, hitste z’m met ’r lijf-mooi erger op, zich nog minder gevend dan eerst. Zoo was ze ’m gaan beheerschen.... En nou most ze zich bekennen, dat ze hem toch ook wel aardig vond, met z’n manchette, en z’n blondkrullend snorretje vooral, met dat gleufie in ’t midden, en z’n zachte kijkers, z’n goeie netuur.... o ja alles vond ze mooi an ’m. Maar ’t meest was ’t ’r te doen om z’n duiten, z’n lekkere duiten....

Dat ze zich prachtig kon maken, dat ze baas over ’t ventje was.... zij met ’r dijen, waarachter ie zich verschuilen kon, zonder dat z’n neuspunt te zien kwam. Maar hij wou, durfde maar niet. En zij, doorkoketteerend, met andere jongens van de plaats en van Duinkijk en van de sekretarie, dat ie dol werd van heetige jaloersigheid. En de anderen gebruikte zij om ’m op te winden, metéén te laten zien, dat ze maling aan hem had, en dat kerels als boomen om ’r heendrongen, naar ’n gunstje bedelden. Zoo, als ’n plompe, maar stomp-sluwe dorps-Carmen had ze Jan Grint den tuinderszoon, dien ze al van ’r schooljaren kende, mal gemaakt, maar toen ie met liefde en vuiligheid kwam had ze ’m de deur uitgesmeten. Ze kreeg smeekbrieven van ’m; dat hij d’r vroegste minnaar was en dat ie zich z’n handen van de romp zou afsnijen, aa’s sai ’t puur hebbe wou.... Maar ze dàcht niet aan ’m. Ze wou met ’m lachen en uitgaan of dubbelzinnig kijken, als hij, de rijke, in de buurt was, maar Grint most van d’r afblijve met z’n lompe pooten. En niet, omdat ze Grint geen heel-knappe jonge vond, pik-zwart haar, met ooge!.... glimmend, puur roet.... maar omdat ze nou eenmaal in ’r boerenhoofd de idee had vastgespijkerd, dat z’n dame most worde.... En dan raik! raik! Main Kristis! Nou zou ze met ruwe hebzucht wegduwen, wat ’r in den weg stond.... Om ’r familie gaf ze geen zier. Gehechtheid had ’r nooit ingezeten, bij niet één. Dirk was ’n stille zuiper en Piet ook.

Verdierlijkt en geteisterd in zwoeg, werkbeestig-stomp, zagen ze alleen in elkaar, wat hun rauwe begeerten wilden. Guurt zag ze alleen als zuiplappen, meidenlollers en spelers, en hun zwoeg-naturen begreep ze niet. Voor den Ouë voelde ze niks. Die had ’r in d’r leven nooit ’n zacht woord gezegd. Wat die docht dat wist se nie. D’r moeder vond ze raar, kniezerig en grieniger, niet-wetend wàt ze eigenlijk wou. Alleen Kees de Strooper, waar ze allemaal ’t land an hadde, die mocht ze wel lijen, omdat ie ’r vroeger, in huis, nooit geranseld had als Piet en Dirk.—Nee, aa’s se wat van d’r eige make wou, mos se hem, ’t heertje, hebbe.... En aa’s ze getrouwd was, dan naar g’n sterveling omzien.... dan was se ’n dame.—Dan naar ’n stad.... en hem onder d’r duim. En dan Guurt.... maide in je dienst.... zei ze zich ieder keer weer.... Paa’s op.... nie aa’s de andere vraisters.... nie in de donkere loantjes aa’stie wil, en nie op de grond, en nie achter de struikies....

Want aa’s je je aige geef, bi je’m puur kwait.... Sai wàs f’soenlik, se most ’t blaiwe.

DERDE HOOFDSTUK.

Om tien uur ’s morgens stond ouë Gerrit voor het hek van jonkheer van Ouwenaar’s buitenplaats. Op het jachtterrein en bosch was houtveiling voor tuinders van Wiereland en omstreken. Door de lanen van het bosch, even voorbij het groote kasteelig-leelijk woongebouw der adellijke familie, liepen, alleen of bij troepjes, de sjofele tuinders, leuk-ironisch elkaar belollend, dat ze zóó maar, vrijelijk op de binnenplaats, den tuin van het groote buiten, mochten kuieren, heen en weer, waar ze wilden, als vrienden van den hooghartigen jonkheer. ’n Paar bejammerden ’t, in luid naar-elkaar-toegeschreeuw, dat de jonker, ze op zoo’n guren winterdag „genooid” had. Ironie van kerels, die even hun ellende voelden,.... dat ze nu als kóópers, de slijkige winterpaden nog vuiler mochten bemorsen, met hun beklodderde klompen, maar zomer’s, als in dàtzelfde bosch, in die lanen, alles wasemde van gouddamp, drééf in zonnegloed, zij te eerbiedigen hadden, stugge bordjes met strafwetsartikel zóóveel, dàn die zondampende heerlijkheid verboden toegang bleef. Ze krieuwden en klomp-klepperden tusschen het kreupelhout, de donkere tuindersstoetjes, als hongerdieren, zoekend naar aas. Eén donkere stoet, bij groepjes, lijven op klompen, in grauwen winterdag, één droeve, troosteloos dolende massa, met nu en dan galgen-humor-uitroepen van kerels, die elkaar voorbijschoten in scheemrig kreupel- en hakhout, elkaar wat dollend toeriepen. Met handen in de zakken liepen ze te huiveren, pijpsmakkend of pruimend. ’t Gewas stond bij groepen genummerd te koop, met ’n rij ontvelde streepschors, aangevend hoever elk nommer ging. Telkens doolden van elkaar en donkerden weer bij één de kruipende, bukkende tuinders achter hoog kreupel door, op geul’rigen bultgrond, nauw-wringend hun lijven door eng gestrengel van takkronkels, die verwilderd zwaar uitschoten tusschen jong geboomte. Soms, achter elkaar gekromd, zich door het kreupel wringend, suisden er, in giftig weggespan van gestrengeld gewas, terugzwiepingen van knoest-takken, onder pijnschreeuw van nà-duikende kerels, die ’t zwiephout tegen hun kleum-paarse gezichten aangestriemd kregen. Voor dat de veiling begon wilden ze de nummers zien, kijken wat hun het beste geschikt leek.

Hassel liep met Taffer, armen tuinder, die niet koopen mocht, omdat ie éénmaal op grondgebied van den jachtheer gesnapt was als strooper; nooit meer hout voor z’n bedrijf krijgen kon. Maar toch was ie eens gaan kijken. Naast hem strompelde manke Karner, vroeger speciaal-teelder van erwten en boonen, maar die nog veertig gulden houtschuld had van twee jaar, en niets meer bijkrijgen kon. Hij had wel gejammerd en gehuilebalkt, bij den notaris, over z’n gemeen jaar, z’n vernielden oogst, door wild, konijnen, ongedierte, muizen, winden en plasregens, z’n beroerd brok grond met derrie verpest, en dat ze allemaal wisten, dat ie niet zoop,—’t hielp niets. De notaris kon geen krediet meer geven, want bij den jonkheer moest hij er voor instaan nee, de notaris kòn, mocht niet langer. Als de jonkheer van hem geld opeischte moest hij klaarstaan, al had ie van géén tuinder ’n cent binnen. Dat had Karner moeten weten, en dat ze’m zelf zoo vaak beet namen, ’m lieten zitten met ’t hout, of met ànderen scharrelden als hij ze pas gekrediteerd had. Ja, als ie ’n paar borgen had kunnen meebrengen dan ging ’t. En nou strompelde en morde Karner rond, hopend iemand te ontmoeten, die borg voor ’m zijn wou. Eerst dacht ie aan Hassel, maar die had ’m kort en nijdig geweigerd. Bij ’n hoek van ’n laan, op ’n duinbult zag ie den notaris en z’n bode al.... Jonge, jonge benauwde ’t in ’m, nou wordt ’t puur tait.... hij mos d’r een vinde!

Met zwaren mank-tred stapte ie plots áán op Wipper, grooten tuinder-pachter, roomsch, met vrome handen, den kleinen ’t brood uit den mond pikkend. Maar ’t most t’r nou maar uit, vond Karner. Ademloos-òp van ’t harde hinken, smeekte ie ’m voor ’n paar gulden hout borg te staan, dit jaar alleen. Maar Wipper hield zich verontwaardigd, juichend innerlijk, dat zoo’n krenterige ketter bij hem kwam bedelen.

—Wa, f’rsalderemende.... mô je main?.... zong z’n Wierelands geluid in haastige stemstijging,.... wa’ bin ik van je?.... wà’ hep ikke.... Waai borg f’r karnemelk!.... sel mooie klus sain.... f’r wa vrag je sain nie, an Geldorp.... die hep de loodpot.—

Onrustig door ’t kreupelhout keek Karner naar den notaris, of ie al begon, maar nergens zag ie ’m meer. Hij hoorde wel aan den toon van Wipper, dat ie ’r niet om dacht ’m te helpen.... die uitzuiger,.... die dief.... die had nou z’n brood veur vier....

Weer loerde ie naar voorbij drentelende tuinders, of ’r éen tusschen zat. Daar zag ie Kees Hassel, den Strooper.... verdomme, dat was ’n vent, as die maar had.... maar die was zelf luis-arm van beroep.—

Te vroeg waren ze, de tuinders. Nog wat gescharrel was er òm den eersten koop. Barend Swart had met z’n beklompten voet ’n stekelvarken uit kuilerig bladnestje gerold.

—Kaik lui.... daa’s krek ’n prikkebaas.... riep ie naar ’n troepje dat zijn richting uitdrentelde. Staan bleef ’t bij Barend.

Een ouë tuinder, Koo Bergert, hinderde ’t dat ze ’t beesje kwaad wouen doen.

—F’rek là’ sitte da beesie.... la sitte.... binne tuikige muisesnoepers.... toeë!.... la sitte da beesie.... se heppe ’t t’r wàrm....

—Verroest,.... hai.... wil puur nie loope.... jai luiwammes, lachte Barend.... ik sel f’rbrande aas ’k s’n snuit sien.... wacht!.... kaik!.... ’n duwetje op z’n test.... kaik, net de poap uit de Pieterstraat.... wà ’t ’n smoel....

Dat was berekende zet van Barend tegen Koo, hevig katholiekenhater als ie was, en belust om, waar ook, ze ’n trap te geven.—En nou kon ie ’t t’met niet zetten, dat die rooie Koo ’m zoo lijmerig had gezegd: la sitte da beesie.... hij, die geen kwaad in zin nam, en puur sien had, dat tie s’n eige trekhonde, aa’s-tie woedend was, so maar d’r poote knelde, tusschen de deur, van puur f’nijn....

Overal, van kreupelhout en zijpaden uit, klonk stemgerucht van tuinderslui in de gure dag-donkering. Van uit ’n duister dichtgegroeid opkronkelend, hobbelig dwars-pad, kwam ouë Gerrit op ’t kringetje aan met den radeloozen Karner, die nog geen borg had, overal was opgebonkt tegen lollende of tartende kwaadwilligheid, en help-jezelf-maar-egoïsme.

Nog stonden de koppen met pofpetten en kleurige platte dekkertjes, gebukt kijkend naar ’t stekelvarkentje, dat Barend, uit lust tot verzet niet met rust liet. Met z’n hand, bevilt in ’n stapeltje rotte bladeren, stond ie tegen ’t prik-bollige varkentje te schudden, om ’m aan ’t loopen te krijgen. Maar ’t diertje, dat langzaam z’n zwart kopje, door de ruggeduwetjes van Barend, uit z’n prikkel-lijf liet wiebelen, deed alsof ie loopen wou, maar niet kon.

—Kaik! daa’s Barend, stern-zong verbaasd ’n tuinder, achter het kreupel uitloerend.... wa hebbe wai nou an de hand?.... ’n bunsem?....

—Nee frind, spotte Barend, ’t poapie van ’t Pieterstroatje.. kaik.... f’rsalderemente.... kaik se snuut.... twee druppele woater ’t poapie uit ’t Pietertje.... kaik van angst moakt ie ’n kruissie.... op s’n aige....

—Is ’t weràchtig? gierde de tuinder in ’t kreupelhout, en metéen stapte ie den gulzigen kijkkring in.... Ik wou d’r al puur segge.... stonk ie van dat soon uur in de wind.—

—’t Is hier niks op hede, zuchtte ie naar Karner en Hassel toe, die opgedrongen stonden achter ruggen van kijkers, en knorrige kerels, die zwaar stampten van kou, en duivelsch nijdig elkaar vroegen of meneer de notaris nog niet inzetten, liet....

—’t Is hier niks op hede, hoestte Reldering weer uit.... koal.... koal.... aa’s de pest.... t’met allegoar elst.... elst.... wa hai je d’r an?.... g’n saitak d’ran.... alle ste dik.. of alles te dun.... koal ... f’rvloekt koal....

—Hoho.... ho.... ho.... kuchte Hassel, fijntjes lachend, se kenne je ’t nog wel an huus brenge heé?....

—’t Wort tog voor je gehakt, spotte Barend.

—Dank se de duufel...., gromde Reldering, vaif pesent.. kost ons duite, en wai.... arme donders.... wai betoàle de netaris, nog tien pesent d’rboofediene!

—Was ommirs altait soo...., zei plechtig-onderdanig een klein tuindertje uit den kring,.... en aa’s jonk’r d’r is betoalt.... biej jullie ommirs hóóger op.... en hai, meneer de netaris.... hai mo’ ommirs s’n tweehalf pesent an ’t Raik puur kwait.... da heppie nie in ééne....

—Hoor de gluipert, de stiekemert veur haorlie preeke.... Wat ’n bunsum.... aa’s jonker je sien, smait ie je krek ’t hek uit.... dan si-je in je stinker.... hee?....

—Da sit nog.... da sit nog.... dolde nijdig-rood de kleine terug.... main sinte heppe-eenderlai makelai.... aasjouwe.. vierkànt woar....

—Ho!.... pfoe!.... ho-pfoe! wat ’n krakende woar.... minachte met lipgeblaas Barend den roomschen tuinder toe.

—Wa geklieter, barstte éen lachend midden uit.... ’t sit t’im nie in de breete, ’t sit t’im nie in de lengte.... moar ’t sit t’im in de ronte.... doar!....

—Hard-stikke midde in, lolde Barend terug, in lach-gekuch, voelend dat ’t gehak ze begon te vervelen.

—Nou, d’r wort moar heul wà’ beskoue’.... mit sukke vailinge.... daa’s main weust!.... bracht deftig ouë Gerrit ertusschen, zoo maar om ook wat kwijt te wezen.

—F’r saldrefinke, vloekte Barend gemaakt, si je in de knaip? wou jài beure veur jonker?.... Hai jullie sien Lieshout van Bunkeweg f’rsaldrefinke.... stong t’met te spitte, gain voet mest op se land.... Die is sóó luisig nakent.... da tie t’met g’n vreete hep.... Je mag main an rieme snaie.... aas ie ’n poar klodders mest dokke ken.... Op de reutel is niks meer veur sain.... g’n halve sint.... sa’k verbrandde!.... Nou spit tie se aige dood, mi-sonder mest.... Op s’n bakkis kraigt tie niks.... vaiftien aggels mi-sonder ’n voet mest....

—Da sel main groentetje worde, ironiseerde Kwaker, wi je hem’s oogst ankommend joar buurmaàn?.... veur ’n kwartje de roe?.... ikke, veur g’n sint.... duure mest.... ge’koope groente.... wà’ jou!....

—Eige skult, zei gelaten Koo Bergert met ’n pruimspog op den grond, en oogen neer.... Eige skult.... de half van sain ontvangs verzuupt ie puur....

—Wâ roomsche ras! barstte nijdig Barend uit, aige skult?.. gekruist tuig! hep de netaris sain nie in hande, mi losse veurskietertjes? Hep dokter Troost sain nie t’met drie joar mi ’n rekening achter se gat sete?.... en hep ie kenne dokke?.... Hep ie nie ’n hiepeteek op sain stukkie grond gànnift.... dat-tie nou.... nòu nog sit te bloeje....? daa’s ’n skoft die dokter.... ’n fampier.... suigt se hier allegoar ’t bloed de nagels uit!.... die hep se allegoar onder ’t duimpie!.... hai.... en de netaris.—.... Aige skult?.... nou suipt ie van beloorighait....

Barend was in schreeuw-woede uitgebarsten. ’t Wrokte ’m al zoo lang, en niks, niks durfde ie zeggen, maar nou tegen dien roomschen glupert, most ’t eruit.

—Aige skult, drensde sarrend, de rooie Koo door, aige skult.. versuipt s’n messtuit....

—F’rsalderemoote, driftte met vuurrood opwindings-gezicht, Barend weer terug,—doch jài da se bai jullie nie soope.... De meeste onder ons saine tog van jullie ras.... hiet da liege!.. hiet da liege!.... nou daa’t ’n noakende grifirmeerde is.... nou is ’t aige skult.... d’r binne d’r genog bai jullie die d’r land niet beskaite kenne.... en suipe aa’s ’n spons.... wa jou.... Reldering, wà’ jou?....

—La’ die dwarrel klietere.... die geep.... sullie magge suipe.... aa’s se moar hullie petje veur de kerk wippe.... vàn de kerk, in de kroeg....

Barend, wat kalmer, lawaaiend in stugge gebaren met z’n dikke armen de lucht in, in z’n handen nog bladvuil, bukte weer over ’t stekelvarkentje, en gaf het, ’n gedachteloos-woedenden duw, dat z’n aapig zwart-gevlekt tronietje even hevig uit z’n priemlijf wiebelde. Met z’n voet morrelde ie ’t toen weer terug in bladernest, zachtjes, met ingehouen trapjes; streek ie nog meer bladrommel over ’t diertje, ’t warmer inbakerend boven z’n stekels. Achter het grauwe kreupel kwam plots gerucht van zware, aristokratisch-accentueerende notarisstem. Z’n zilver hoofdhaar schemerde al achter de boschjes uit....

—Huhu.... huhu!.... jaagde Hassel, uit den kring springend, t’met begint ie, kaik, jonker van Ouwenaar hep ie bai sain....

—F’rjenne wà’ koud, kermde er een, z’n armen koetsierig om z’n borst slaand.

—Bar, bin soo koud aa’s m’n paip, mokte ’n ander....

—Kruip in ’n stuk hout.... wà’ klieterkouse jullie benne. Een troepje kerels, bibberend van guurte, strompelde voorbij, op struikloos padje, armen over elkaar slaand, in woedende doffe patsen....

—Set bloed àn.... hai je de skrik van jonker opsoge Tellepan?

—Guur aa’s de pest.... nattig.... ging éen voorbij, aanstampend met zwaren loop op den bulterigen grond.

Hoesterig en stem-zwaar was de grijze notaris met jonker van Ouwenaar de stoeten achterop geloopen. De bode met ’n klerk je achter ’m, stem-luidde áán. Notaris achterop, bleef zwaar-deftig praten, met jonkheer. Als ’n stoet dringende, waggelende, donkere ganzen, strompelden en bonsden over den oneffen grond, vol stronken en stompen, de tuinders op bode-geluid bijeen. Notaris had wat te zeggen. Te luisteren stonden ze in ’n kring om ’m heen. Notaris, in ’t zwart,—tusschen sjofele plunje-kerels,—met gebaren, deftig, van begemsleerde handschoen-handen, z’n grijzen levenslustigen kop, z’n diepe rijkelui’s-stemklank, vertrouwelijk-hooghartig boeren en tuinders toesprekend, glimlachte met ironisch gebaar van wij-verstaan-elkaar, naar den jonkheer. Roerloos-aristokratisch stond deze naast ’m, eerbiediglijk toch af van de tuinders, broodmager als ’n menschelijk rijshout, schraal, om te knakken, uitgesproten, bloedloos-huid-gelig, ongenaakbaar, in kring van begroefde bruine zwoegerstronies, met hun breed-geweldige zwoegborsten, en geteisterde werklijven. Notaris las even enkele bepalingen voor. Als troepje dichter wat aandrong van achter, en opschoof van voorste rij, dan deftig, met lichte trekjes aan z’n klein rossig snorretje, stapte de jonkheer àchteruit, buiten vunzige lucht van hun modderige kleeren, met voelbare allure van edelman in gebaar, waaraan geen tuinder te na mocht komen. Notaris had door gesproken:

—Jonges, stemklankte ie voornaam-intiem,—nou weet jullie ’t.... Augustus volgend jaar betàle.... vijf procent voor den hakker.... tien procent voor ons.

—Betale ook, lachte éen uit den kring,—daa’s weer nuufe f’rreglemeteering.... was vroeger niks van sait....

Notaris lachte goeiïg, den bode ’n wenk gevende, die begreep. Met z’n wreed-stuggen kop, listig-gluiperige oogen, licht als schichtjes, wachtte die af, kruiperig, den blik van z’n patroon. Als geranselde hond zat er gehoorzaamheid in z’n gezicht en kwispelend-onderdanig vreugde-beweeg in z’n nerveuze handen. Met zwarte teerletters op plankje, was koop I aangeduid. Ze wisten allemaal wat voor waar ’t was. Met ’n handdraai van bode, hobbelden stoeten in beweging, in waggel-gang op bultgrond, elkaar verdringend en bestriemend achter boschjes en kreupel, om ’t eerst bij koop I, dicht naast den omroeper-bode, te staan. Plots stond stil, de donk’re stoet, bij ’t plankje-van-koop, wachtend tot bode zou inzetten, tusschen ’n opdringing van sjofele kerels, achter-elkaar, kring van kou-koppen, en hevige gezichts-kontrasten. Van achterste rijen, waren alleen maar koppen te zien met verdringing van lijven op elkaar ingestoet, in spannende luistering. Kòppen, geteisterd van kou, met vervreemde en vergrommende uitdrukking van leven. Opgestoet in jagenden, haat-woelenden kooplust. Kòppen, paars-blauwig, wrevel-dierlijk, bleeke, rooie en rossige gezichten. Snuiten, rauw-doorgroefd en verkerfd, doorpokt en bebaard. Spitse, naast vet-ronde, sluike, naast wreedhoekige, en spottende, tusschen vroom-strakke, primitieve boerentronies.

Pruik-haar naast woest-verwaarloosd groeisel, bruine en grijze stoppels op woestige, grimmige en leuke koppen. Tronies, fanatiek-gestard en valsch, van sluwe boertjes, met ingepriemde smuiger-oogjes, licht en ondoorgrondelijk-speelsch loerend naar elke beweging van jonker, notaris en bode. Eén kring van koppen en koppen, de eerste rij lijven voorop, alleen in rot-plunje te zien; wellust-koppen met hangende, smullende lippen en vuilbepruimde mondhoeken, naast strak-geschoren gladhuiden, komedianterig droog van trekken. Gezichten van àl-vreemde expressies, met halve Shakespearefronts, hoog als muren, Mirabeau-neuzen en mottig wangvleesch; met Dante-kinnen, vroom en scherp, bovenkaken van hyena’s, buldoggenmonden en bovenlippen met bestoppelde donk’re verbrande velkleuren en trekken van gesarde mandrils. Zóó, in dreigkring, met brokjes èven zichtbaar, van oranje dassen en kielblauw, stonden ze opgepakt, in den grauwen dag, tusschen het sombre bruin-vale kreupel, hunkerend, loerig, elkaar ’t licht in de oogen niet gunnend.

Machinaal-onverschillig met hoog-deunig Wiereland’s stemgeklank, en snelle verslikking van halve zinnen zette de bode in.

—Kom f’rrinde, hoev’l geld!.... twòalf, twoalf geboje.... dertien.... feertien.... feertien geboje.... vaiftien.... sestien.... sestien geboje.... sefentien.... àgtien.... àgtien geboje.... àgtien.... niemand meer?.... éénmoal.... àndermoal.... voor-de-derde-moal.... En uitstijgend, zong z’n stem de cijfers, kijkend naar elken kant glunderig, of ie niet vergat geheime bod-wenkjes op te vangen, van achterste rij koppen, of van bijzij-staanden op ’t pad.

Tuinder van Oever had „geprijsd”, stapte parmantig uit kringgedrang op bode aan, om sluiks-zeker z’n kwartje „plokgeld” naar zich toe te graaien. Maar koop was er nog niet mee gedaan. Uit-zich-zelf wetend, dat de heeren ’t laatste d’r uit moesten hebben, sloeg bode òp, boven prijsmaker nog tien gulden. Weer zong z’n zwaar stemgeluid:

—Nog twintig kwart daar-en-boofe.., en toen langzaam zakkend, de haat-loeringen van tuinders onderling, strak-cynisch negeerend, als suggereerend-aanwijzend, elken keer dat cijfer làger werd, zoekend met z’n dreigstem koop-slachtoffer, tusschen den stoet,—stootte ie uit, afgebeten, rauw van kreet:

—Negen-tien, agg-tien.... sefentien..... sestien.... vaiftien.... viertien..... dertien..... twaalf.... ellef!.... dan lager dalend met spannender stilterust in cijferzakking:

—tien!.... nege!.... àggt!....

—Main, klonk heesche kreet van tuinder-venter plots wild achter uit den stoet.

—G’luk d’rmee voor IJzerman, zangklankte de bode, die achter z’n rug, heesch geluid van dien tuinder herkend had.

Notaris, lach-luchtig redeneerend, even noteerend prijs en naam, handen warm-lekker-geborgen in dik gemsleer, sjouwde joviaal-op-’n-afstand, achter den wiemelenden sjofele tuindersstoet, die dwars en krom-wringend door kreupelboschjes, den bode vóór-waggelde naar koop II. Tusschen den droeven stoet liepen kerels, armelijk in voddige plunje, lawaaiende kooplui, met koek, jenever en drink-kruiken geheimzinnig verwikkeld in rood-baaien lap. ’t Mocht niet, jenever-verkoop, maar notaris en jonker knepen ’n oogje dicht, bij rijzenveiling van tuinders.

In armelijk, paars-kaal jasje rommelde een venter, met boeventronie, z’n bak, onder het snel-waggelend vooruitloopen van de tuinders. Achter de koopers aanstrompelend, striemden telkens in zijn gezicht, terugzwiepende takken van gewas. Met vloek en schreeuw, handen en armen weerloos beladen met negotie-vracht, kroop ie door, van pijn, stemscheller krijschend:

—Gooi up, gooi up!.... hondert moal f’r je golde.... gooi up.... ses keere f’r je dubbeltje.... gooi up!.... d’r onder of d’r boove.... gooi op.... onder de nege of boofe de twoalef!..

En sluwig-verborgen, wenkte ie de tuinders met klownige gebaartjes, dat ze dobbelen moesten om koek, wel wetend dat jenever bedoeld werd. Armelijk met z’n uitgerafelde, franje-zware, paarse jas, steen-rood hoedje, kroop ie, kromde ie door kreupelhout om vóór te zijn uit andere boschhoeken schreeuwende konkurrenten. Opdringend z’n waar, de tuinders aanklampend, onder hun zwaar gesjok over krinkels en bultpaden, liet ie ze glunderig-verlokkend jeneverkelk zien. En sluw zeker, dat ze dan komen moesten, ging ie al hurken op z’n knieën op moddergrond, loswikkelend met gretige rukjes z’n blikken jeneverkruik uit baaien lap. Zoo, van den een naar den ander, in wild gejaag en gestrompel, kroop ie voort, tusschen de koopers, vooral krijschend in nabijheid van tuinders die telkens ’n kwartje strijkgeld ingraaiden, rammelend luidruchtig tegen z’n konkurrent in, met bak en dobbelsteenen:

—Lekkere koek.... koek!.... d’ronder of d’r boofe.... gooi up!....

Uren bleef zoo geloop van koop naar koop in grauwe Decemberguurte, het heele bosch door, bijeendringend in cirkel om bode. Sterk-rauw bleef z’n stem doorklanken. En één hand in zak rammelend en grabbelend, in vooruit afgetelde kwartjes, reikte ie met gratie ’t strijkgeld uit aan den sluiks op ’m aanstappenden prijsmaker. Z’n gekleede jas, af gevreten kaal-zwart stramde ’m op de borst, en telkens gaf ie zich ’n bons tegen z’n strot, scherper afstootend z’n.... éénmaal.... àndermoal.... feur de derde moal.... En overal galmde bij inzet, z’n kraaiige stemschorte door ’t bosch.

—Kùm f’rinde hoev’l geld....

Kleiner was ringmuur van luisterende tuinderskoppen geworden. Maar overal om en àchter ’m hield áán schreeuwrumoer van jenever-koekverkoopers, waggelden wèg, uit den kring, dorstige kerels op struiken-pad, haastig-dobbelend, over de bak gebogen, met gretig gekijk hun worp uitklakkerend, woest op borrelkansje méér.

En star monotoon bleef December-grauw neerschemeren, met hier en daar, tusschen woelig kreupel, open hoeken plots, waarwije lage wolkenlucht zwaar te droeven dreef, troosteloos, in nattige neveling. Soms druilde ’n groenig mospadje tusschen het grauw-bruin van struiken uit.

Somberder ging de donkre tuinders-stoet als arbeids-processie, slaverig en loom voort, met doffe klompbonzen, en klosserig-dof gemep van hout op hout als loopplankjes overgesjokt werden bij slootjes. Deftig, achter den verguurden stoet, blauw-geteisterd van kou en kleer-dunte, stapten bedaard-áán, jonkheer en notaris, in zacht gesprek.

Plots giftte nijdig éen uit den stoet, tusschen wegkronkelenden loop, onder zwaar kreupel, naar anderen koop.

—Wà’ suinige piàs die jonker hier tug.... niks niemedal te bikke....

—Of ie, gromde ’n ander.... bij Roomela in ’t bosch, dâ ha-je nog brood mi koffie.... hai denkt.... geef jullie tuinders te freete.... ik-èn dank-kie!....

—F’r wà’ koop jai je hout dan nie gunter, saa’k moar segge, lolde ’n ander.

—Dà’ he’k ook kocht, moar nie alles was-en skikt....

—Nou kaik, nètaris kraigt ook niks.... Wai loope.... hai loope....

—Nou seg gort sak! die kraigt se buikie vol.... petraisies en ’n langoortje....

—Da kâ je denke.... Die jonker hier is soo’n liefert.... wai.... wai.... wee je nog vroegerts.... kraige wai altoos.. koffie mi brood.... bai sain hier ook.... enn.... dan mog hai happe in brood mi gehak.... bai tuinboas.... watte?.... doch-ie dat ie soo moar bai jonker in huis mog komme?.... an me blouze! Aa’s wai.... aa’s wai in de loods sitte te freete.... mag hai.... mag hai.... bai tuinboas.... En nou di’ joar in eens g’n snars meer....

Gesprek brokkelde af in den grimmigen haast-drang van bode om af te maken. Nog dertig nummers, fort.... fort.... bromde die, achter waggelstoet.

Ouë Hassel liep op bonkig struik-ruw terrein, vlak achter notaris Breemsma, die ’m nu en dan vriendelijk aansprak en grapjes maakte op z’n doorregend, groenig slap-vilten hoedje, dat met den rand plat afgeslagen, om z’n zilver-harigen kop heenrondde en z’n lokken, in zilveren kluwen tegen z’n nek opdrukte. Plots zag Gerrit ’t fijn-ranke gouden schuif-potloodje van notaris vallen. Uit de onbeholpen handschoen-handen was ’t weggegleeën, onder vraag-beantwoording van jonkheer. Hassel, die al ’n paar uur op ’t prachtige potloodje loerde, geen oog meer voor koop over had, heelemaal vergetend, waarvoor ie gekomen was, zag ’t vallen, precies op zandplek, tusschen het nattige gestruik en blarengrond.—Maar net deed ie of ie mee zocht, intusschen, beverig van hartstocht en verrukking, z’n zwaren klomp-voet op de plek drukkend, waar ie wist dat ’t potloodje liggen moest. In schijn van zoek-ernst, drukte ie het hevig éven in den blader-grond, zonder dat notaris iets merkte, met z’n achterste juist naar hem toegebukt. De smal-hooge jonkheer was doorgeloopen en bleef staan op ’n kruispadje met z’n stok tikkend tegen ’n paar struiken, uit speelsige leegheid. Maar verbaasd-wrevelig keek ie om naar notaris Breemsma, niet begrijpend, wat ie op één plek daar uitdraaide.

Beef-angstig-blij, had ouë Gerrit, nog al doend, alsof ie ingespannen meezocht, plots ’n wilde greep gedaan onder z’n voet in modderig zand, en zoo maar, wild in z’n jekkerzak afgeduwd, gis-voelend met z’n slijk-klauw in de voering, of ie iets stijfs tusschen het grondvuil gegrepen had. En snel-tastend voelde ie dat t’r zat, stijf, glad er tusschen.

—Daa’s daan, daa’s daan juichte ’t woest-dol in ’m van binnen. En strak ingehouen, met hevige beving in z’n stem vroeg ie notaris, liefjes, of ie ’m al had, naarstig bukkend naast Breemsma en wegduwend met z’n smerigen graaienden klauw, struiken en modder voor notaris, die met z’n handen niet grabbelen wou in ’t vuil. Zoo vriendelijk en lief vond ’m notaris, dat ie, onder scherp rondgeloer op grond, overal heen, maar mompelde.... dank je wèl Hassel, dank je wel....

—Drommels, ik dacht dat ik ’t maar zoo voor ’t oprape had, zei de notaris bedremmeld, nog even den achter zich loerenden bode een sein gevend om iets z’n gang te vertragen.

—Huhu! huhu! da ke je puur so hewwe, perste in zwaren bukstand en harkig gekrabbel onder knoestig gestruik, de Ouë eruit, de zwarte aardkluiten aan brei drukkend voor notaris oogen. Stil, met zwaar ernst-gezicht doorzoekend voelde Gerrit hart-bonkende verrukking, dat ie zoo vlak bij notaris stond, dat ding zóó maar in z’n zak had en dat ie zóó netjes kon liegen, netjes kemedie speule en zóó gejaagd en rustig tegelijk bleef.—Hij zou ’t wel kenne uitgiere van lol, van pret.... moar stil, soek en kaik aa’s ’n dooie soo strak, hou je goed.... jesis wà’ soàlig....

Niets kwam te zien. Notaris had in wanhoop ook gegrabbeld in ’t zand-nat en z’n vuile vingers streek ie, met viezig gezicht àf langs boomstammetjes. Erger voelde notaris wrevelblik van den jonkheer. Ouwenaar wilde niet langer wachten, en voor ’m hoorde notaris al den bode opjagen, die naar huis wou en schor nu van schreeuwen, doorkrijschte:

—Dertien, dertien mi je dertiene, veertien.... veertien mi je veertiene.... nog twintig kwart daarenboofe....—

Woedend voelde Breemsma zich, woedend op den grond, de struiken, ’t potloodje, den natten vuilen modder.... Maar vooral voelde ie vernedering in ’t brutale minachtende gekijk van den jonker. Wat ’n branie, wat ’n vent om hem zoo z’n minderheid te laten voelen, nog wel, tegenover die lamme kerels. Ja hij moest wel mee, anders zou ie van Van Ouwenaar wel weer ’n uitbrander krijgen, zooals laatst toen ie op ’n veiling ’n half uurtje te laat was gekomen.—Wat had ie toen niet ruwe beleedigingen over zich heen gesmeten gekregen, en ’n afstraffing, zoo maar, waar al die leelijke kerels bij waren. Ze hadden gegrinnikt....

Verdraaid, wàt lam nou.... dat potlood.... ’n goud ding.. Kijk ’m nijdig zijn.... ook geen vent om mee te spotten.... Maar kalm houen.... doen alsof ie niks merkte, weer vrindelijk lachen en anekdoten oprakelen; anders was ie verdomd z’n klant kwijt. Wel tien notarissen voor hem, die ’r op loerden.... Maar lànger kon ie niet zoeken.

Hassel zag ’t en zwaar-lekker, met zoete inzuiging van z’n eigen valsche woorden, zei ie langzaam:

—Aa’s je van de plek goat.... heppie ’t puur kwait....

Notaris grinnikte, sjokte met vuurrood hoofd van bukken, weer voort, achter tuindersstoet òp, vriendelijk-glimlacherig weer naast den stuurschen jonkheer.

II.

Toen Hassel zag, dat ’r voor hem toch geen koop meer was, dreef ie met ’n paar andere tuinders af, door ’n zijpad, modderend nog ’n half uur door zand en struiken, moe en hijgend maar met ’n oplaaiend hevig genot in ’m, van z’n diefstal.—Aan ’t Wierelandsche haventje kwam ie uit. Kringetjes-spuwers en leegloopers stonden daar voor kroegen, en aan straatjeshoeken gegroept. Z’n zoon, Kees den Strooper, zag ie ’r óók. Hij zou den vent wel steenigen willen, zoo woest was ie, alleen àl bij ’t zien van dat uitgeslepen bakkes. Nou moest ie sain twee maal in ’t gemoet loopen, op de veiling en hier.... bah....

Stil, in troostelooze kleurvaalte lag het breeë havenplein, met z’n droef-kaal boomgerij, dat droom-vaag in het vuil-bruine, donk’re water spiegelde. De spoordijk, die dwars ophoogde, voor het ontzaglijk-wije Wierelandsche polderland, lag scherp, in afsnijding van de luchtruimte, alleen te zien, als men hoog op huizen-stoep van ’t haventje stond, duizel-zwaar overstolpt in wintergrauwen wolkenhemel.

Uitgestorven sufte ’t haventje, met enkele schuiten en booten dwarsliggend, aan den walkant, stug-vaal van kleuren, menie-rood en rauw-groen, die waterig-flauw in wal-spiegel afbraken in vloeiende kleur-scherven. Ouë Gerrit was een van de havenkroegjes binnen geloopen, had snel ’n brandewijn met suiker in één slok ingeborreld, met niemand sprekend, hòlde naar huis, vol van hevig genot. Duizelig, met z’n modderhand, tastend in z’n zak naar het potloodje, dat ie nog niet eruit had durven halen, liep ie over den weg, in zoete zalige stille opwinding.

Guurtje had z’n eten in bed gestopt, onder de dekens en toen ie, toch grimmig van ’n leeg-weeïg maaggeprikkel instapte, vroeg ie gauw z’n kliek. Bij het suffe gezicht van z’n vrouw was ie al weer uit z’n humeur. Zij zat maar zonder ’m aan te zien, te suffen voor het raampje, met ’r ellebogen op tafel, te staren op het doodsche keipadje, naar ’n vuil kind dat voorbijkloste, naar ’n berooid-kale kip, die aan ’t drentelen was op ’t leege weggetje, naar ’n venter, en al maar voor d’r, de leeggevreten tuinderij, afgeknaagde singels, met d’r nattige vuil-gele hooi-klampen, stil en dreigend, en d’r omgespitte grondbrokken.—Bijna uit z’n humeur, toen ie d’r lamme snuit zag.... Alleen het gladde zalige wrijven over het potloodje, hield ’m stil-ingespannen. Tot vier uur bleef ie zitten smakken, blijerig denken, alleen in z’n vreugde, stopte ie pijp na pijp.—

Piet en Dirk waren van het avondland huiverkil thuisgerumoerd en bleven op ’t achterend, vlak bij keuken-warmte zitten schemeren, turend door ’n klein raampje, dat uitkeek op smederij van Willemse in de Bikkerstraat. Moeder Hassel en Guurtje zaten daar al van bij vieren. Dat was gewoonte bij Wierelanders in wintervroege donkerte, om licht te sparen, tot ’t broodje van half zes. In het donkere warme achterend-hok, gloeiden alleen, nu en dan, schijnsel-rooie gezichten òp, van vrouw Hassel en Guurt, die vlak tegen ’t raampje opgedrukt tuurden, als smidse, aan overkant van nauw straatje aan het hijgen ging, en van uit de open werkplaats ’n vlammenlicht, bevend over de oud-behuifde geveltjes heenijlen liet, dat de brokkelige lage krotjes te branden stonden in rosse gloeiing, verzwevend en wisselend, soms oplaaiend in dampend rood, dan verflauwend plots, met opdoeming van schaduw-schimmen wonder-wild en fantomig uit schemerstraatje. Telkens als smidsjongen trok, aan blaasbalg, ijlde ’n metaalgloed als brandende oker over de huisjeskrommingen, heet roodgoud neerschroeiend op ’n vuil-kronkelig gangpoortje. En telkens stapten menschen, nu donkere straatfiguren, uit zijweggetjes, in den lichtgloed, als magisch éven beschenen, met opglanzing fèl, van rooie koppen, lachend en satanisch, onbewust van hun rossige kleur-huivering, die wonder-diep en vizioenig gezichten en handen, vergroeien liet in vreemd avond-goud; alles rondom, dan plots donkerend verdween in zijweggetjes buiten brand-kaatsing. Het verweerde poortje stond even dan in gloed, als burcht-ingang, geheimzinnig vergroot, met achter zich, spitsen en tinnen in duisteren glimsels. En van overal kropen in rosse schijnsels de straatkrotjes bijéén, fel in vuurlijn afgestreept tusschen hevige schaduwen op kei en grond, angstig en ontzaglijk van geheim-kleurig duister.... Tot plots de smidse stil uithijgde en voor ’n poosje ’t straatje weer te droef-schemeren lag, stil en nietig, met z’n vuile mosdakige schemerdroeve krotjes.

Guurt kon niet afzien van den rossigen brand, die telkens op den vuur-verwilderden kop van den smid vóórop uitschoot, als de balg aan ’t laaien ging. Ze hoorde àchter ’t hok-raampje, het getemperde geluid van z’n hameringen op de gloei-lichtende wielen en hoepels.—Met pret in ’r, zag ze ’t vonke-sterren, de vuurspatten om de donkere hoofden en rompen van andere werkers dans-kringen en zweven, en alles weer heelemaal wegduisteren als de smidse tot rust kwam. Dan zocht ze in den zwakken zwaveligen nastroom van den gloed, hun hoofden, maar zag niets dan vage vormen van travaille, wiel-bonken en donkere karbrokken, groote hoefbogen, ijzerrommel en walsen, die als vergramd in de halve werkplaats-duistering zwarten uitlijnden.—Vrouw Hassel zag niets, zat met ’r donker hoofd maar te staren in schemerstraatje, tot plots vlammengloed van overkant haar kwam bebloeden, en wilden angst gaf aan ’r suffe hoofd met ’r magere hand aan d’r mond gekneld. Guurtje, tegenover haar, in ros-gouën schijn, begloeid als in tooverballet, het fijne hoofd, met die weeke trekken, als ’n Elsa, omlicht alleen, het gezicht en haardos. En plots weer schimden de vrouwenhoofden weg, met stilte tusschen de lichamen. ’t Was als ’n visioen van monsterachtige leelijkheid en vreemde sage-fijne schoonheid, dat koppenleven der vrouwen, weggezonken in het diepe zwart van kamertjes-donkerte. En zwaar tikte achter het hout beschot, door de stilte, de staartklok, langzaam, als wou ze telkens blijven staan. Tot plots weer, het raam in gloed òpschoot en de lichtkoppen uit de droomrige donkering van ’t kamertje opdoemden, het star-oogende, grauw-rossige bevende kakement, met den vertrokken breeden angst-mond, bevende skelet-hand van vrouw Hassel en de zoekende oogen volgevloeid van rood licht; daartegenover het sage-grillige prachthoofd van Guurt, in magischen haarbrand tegen de rosgouën raampjesruit, enkel hoofd en buste met verdonkering van lijf. Telkens en telkens zoo, verzinking van gezichten in donkre kamertjes-diepte, als de smidsevlam kromp, en vaag de halfduistere smeden weer heel gewoon te zien waren, peuterend onder kleine gasvlammetjes op donkere draaibanken.

Moeder Hassel was vandaag nog stiller dan anders, en toch kon ze helderder iets afdenken.... Nu juist voelde ze haar vreeslijk leed, zwaar alléén-leed, dat niemand van ’r begreep. Ze was altijd een gezonde vrouw geweest en, hoewel nooit heel slim, toch zuinige huismoeder. Tot ze, voor twee jaar inéén zoo’n rare knellende verdoffing in ’t hoofd had gevoeld, alsof er kruisbanden om ’r schedel gingen striemen en telkens gloeiingen er tusschen door, heete opstijgingen van iets naar ’t hoofd. Zoo, inéén, was ze zenuwachtig bang en huilerig geworden. En dan àlles vergeten, vergeten. Soms had ze de grootste moeite om te weten wat er in haar eigen huishouen omging. En niemand geloofde of begreep hoeveel smart ze had, hoeveel pijniging en marteling. Guurt was ’n meid die alleen aan d’r zelf dacht, dat voelde ze nog wel. En de jonges, ruwe kwinkkwanken die ’r afbluften.... Maar haar man was de ergste. Die was opschrikkend woest tegen ’r, duivelig, venijnig. Die porde en mepte ’r veel, altijd in ’t geniep. Dan kneep ie, maar valsch-bang, dat anderen iets merken zouden. En nou, wist ze zelf niet wat ’r met ’r gebeuren ging. Meestal kon ze niets denken, was ’t ’r dik en zwaar in ’r hoofd, watterig en benauwd.... Zoo zat ze nou weer te mijmeren....

Nou.... wa’ mos ze nou puur van denke?.... da ha je’t,.. kwait!.... kwait....

Wá’ kwait....? Nou, kwam ’t er niks opàn.... Ze kon nie.... nie....? wá’ nie?.... Main kristus.... Skande!.... skande.... wácht.... wá’ had ze ’t nou over?.. Stil,.... da gong ’t weer.... weg.... gut.... ja.... wacht nou há’ s’m.—Dá’ ze t’met niks onthouwe ken.... wacht se mos sich nou moar puur inprate da’t van selvers betert gong.... Zoo te mijmeren zat ze, met heete knelling in ’r doffe hersens, te grienen in het donk’re kamerke, voelde ze weer drukkende neveligheid in ’t hoofd, vergat ze weer wat ze zoo voor ’n paar tellen nog bedacht, kwam er licht gesnik in ’r keel, maar dàt hield ze in, uit angst, instinktief al, voor geschreeuw, wetend dat ze d’r uitscholden en snauwden als ’t gemerkt werd. Toch zat ze altijd in angst. Ze wachtte altijd achter, naast ’r, ’n roep, ’n krijsch, ’n stoot of woede-slag. Die wachtte ze nòu, uit ’t donker op ’r suffe kop, zoo pàl op ’r af, dat ze schrok als ’r heelemaal niets was en ze uit ’r doffe staar tot herinnering kwam, èven heel kort. Maar dan kwam indommeling weer, bewusteloos en toch hoorend, als even vóór den slaap. In die suizelige dommeling bleef ze voelen knaag-smart van iets dat ze niet begreep van’r zelf, vooruit wetend, dat ze toch alles weer vergeten ging, dat alles er door verkeerd zou gaan, maar zij ’t niet verhelpen kon. ’t Bangst was ze voor de snauw-giftige duwen van Guurt, en nog banger voor de driftige venijnige uitbarstingen van den Ouë. Zoo opgejaagd, niet wetend wat te doen, wachtte ze weer op nieuwe snauwen, voelde ze grimmiger aandreiging van vreeslijke rampen, zoo vlak tegen haar lijf. Dàt gevoel vergat ze weer als feit, maar bleef dan nog in nawerkenden vagen weedom, angstig zenuw-spannend, eng ingekerkerd tusschen angst-gevoelens, in ’r grommen. In haar week-watterig-dichtgestopt hoofd, spande en ònrustte ’t, als knaging van ’n woord dat men kent, maar dat niet wil invallen, toch door de ooren klankt, brandend op tongepunt. Al ’n paar jaar leefde ze in zoo’n martelende angst-spanning, zich erger, benauwder voelend, van maand tot maand, duizeliger, en doezeliger achter in ’t hoofd, al sterker vergetend, stommer smart uitsnikkend, van dingen die ze niet wist te zeggen. De dokter was er bij geroepen, had hooge rekeningen gestuurd, drankjes, drankjes uit eigen apotheek, zonder eind, ook de jonge arts werd er bij gehaald en in potjeslatijn hadden ze uitgemaakt dat ze ’r beide niks van snapten. Alleen de jongste mompelde iets van.... dementie.... hersenverweeking.... Toen ouë Gerrit ’m vroeg, wat ’t was, had ie z’n schouders opgehaald en alleen gezegd: „maar geduld hebben.” In dien tijd had zij alle moeite gedaan om er van af te komen, zonder drankjes. Want eerst dacht ze ook dat ’t aan haar zelf lag. Toen wou ze, wou ze onthouen, iets dat ’r eenmaal inzat. Ze groef ’t in ’r hoofd, metselde ’t in ’r geheugen, met drift. Dan begon ze te zweeten, te zwellen in onrust, in benauwing en lag ze in stille worsteling met de dingen die ze hoorde en wist.. Ja.. ja, nou had ze ’t nog.. ’t bleef.. ’t bleef.. nog.. nòg!.. Maar dan, heel zachtjes, kwam er verslapping, was ze vreemd-ver afgedwaald van wat ze moest, wilde weten, ging ’r de heele boel ontglippen.... Dan wist ze plots niet waarvoor ze zich toch zoo inspande. Er begon raar, wezenloos gedoezel in ’r hoofd te broeien, gedruk en iets heet-suizends kwam in ’r opstijgen.. Eindelijk dofte alles uit, ontspande en dommelde tegelijk wèg haar wil; begon weer dat stille smart-geknaag, zonder dat ze wist waarom. Plots dan, in het duister van ’r indommelen hoorde ze ’n schreeuw, zag ’n woedegezicht, rammelde ’n vloek boven ’r hoofd, drong ’n vuist op ’r aan;—nou hoorde ze stemmen van ’r zoons, ’r man, dat ze dat weer en dit weer vergeten had. Niks meer kon ze zich herinneren.—Alles klonk weer nieuw voor haar, en kort, heel kort dan, begreep ze, dat ze weer die dingen vergeten mòest hebben. Dàt pijnigde ’r erger. Sterker drong bij tijen de angst op ’r aan wàt ze beginnen moest, als dat zoo door ging. Onder hun hoon, hun schimp bleef ze radeloos, staar-bleek voor zich uitzien als levenlooze, omdat ze niet zeggen kòn, met geen woord, tegen die woedende gezichten, wàt er in ’r gebeurde. In die oogenblikken, dat ze om ’r heen dreigden in woest gekrijsch met woede-gebaar, voelde ze, onder haar eigen staren of ze stikken ging, dichtsnoering van ’r keel, met net nog ’n heel klein beetje lucht om te ademen. Bij elk nieuw verwijt sidderde ze, voelde ze in zich ’n angst van ’n rat die achter traliewerk wordt opgejaagd, wou ze zich ergens aan vastgrijpen, waaraan ook.

Vanmiddag zat ze in ’r donker hoekje, stil schemeruurtje, rustiger, nou ze geen verwijt-stemmen hoorde, veiliger zich voelend omdat ’r duisternis om ’r heenlag. Vandaag was alles weer beter gegaan. Ze had veel meer onthouden, voelde zich ook vrijer in ’t hoofd, ruimer, en stiekem had ze zich voorgenomen af te zien van ’n nieuw doktersbezoek, omdat van zelf de boel wel zou beteren. Heel even blij zat ze in ’t donker, dat ze nou wat minder gespan om ’r schedel voelde, dat ze weer veel gemaklijker op de namen van de menschen kon komen, beter op ’t eten had gelet, weer veel van ’r huishouding zag.

’n Adem-zware stemmings-stilte suisde door ’t warme achterend, paffig-warm en pik-duister. De smidse stond stil aan overkant. Dirk en Piet ronkten lichtelijk tegen muur-duister aan. Guurt zat roerloos, denkende aan ’n stoeipartij met ’n paar heertjes van de sekretarie, kale ventjes, die in hun heerige poenigheid diepen indruk op haar maakten. In d’r berekend verzet tegen hààr rijke, waarop zij loerde, die doodelijk van ’r was, had ze afspraakjes gemaakt, voor donkere laantjes-wandelingen om de tuinderijen. Maar zij wist wat ze deed, bleef zonder hartstocht. Ze zou zich daar niet te grabbel gooien, zooals zooveel meiden van de plaats, voor en zonder geld. Alles was fijn spel bij ’r, berekend op prikkeling, nou es naar de Wierelandsche Harmonie, dàn naar de kemedie. Daarvoor gebruikte ze àllen, loerend toch op één. Al was heel Wiereland nijdig op ’r, scholden ze ’r uit voor scharrelaarster, ’t liet ’r koud, ze wist wat ze deed.

Ouë Gerrit was uit den dorsch naar den stal gesjokkerd.

—Heé Guurt, ’t lampie!.... schreeuwde ie zwaar-hol uit den grooten stal, ’t achterend in, waar z’n stem geweldig in het duister kamerke stortte, tusschen de schemermenschen, in de pafrust. Gauw had Guurt je ’n lampje op schouwrand boven den stalhaard geschoven, haastig weer in ’t donker terugwijkend. Ze zat zoo lekker, zoo lekker d’r kansen te berekenen. De Ouë sukkelde en bonkte nog wat aan den haard, die vlak bij den stal rookte, op steenmiddenwegje, naar achterend. Met den vuurlepel rammelde ie dof en bonkend tegen den beugel, waar boven, zwart verbrande buik van konkelpot glimmerde.—Knetterend speelde er blauwig gevlam tusschen takkenhout. Duister-ruim schemerde de stal, en ronde ruitjes, hoog, als wilde oogen-sperring, in den bleekvuilen muur, staarden, nog doorlatend schemer-avond van buiten, groenig schemerlicht dat in valen schijn tegen de oograampjes opzweefde. In dàt licht, lijnden nog even donker op, takkronkels, stronken en schors-bulten van boomen op erf, bij brokken te zien door de starre-oogen van raampjesrond, uitkrampend in avondlijk schemergroen.

Ouë Gerrit moest melken, de eenige vaste arbeid ’s avonds aan hem overgelaten. Uit den duisteren hoogen dorsch, waar kouë vocht van de hooge dak-welving afvloeide, donker en griezelig-vreemd, midden in, hooiberg-gevaarte opsteeg, had ie luk-raak uit den hoek een arm vol hooi gegrepen, op den tast, en het in den stal-voorgang onder de donkere koe-koppen gesmeten. Ellendig vond ie ’t in den dorsch. Daar was ie altijd onrustig, in die zwarte ruimtekilte. Dan was ’t lekkerder in den broeiwarmen stal. Zware urinelucht en meststank zoog er doorheen, met bijtenden ammoniakgeur, verzwevend door het donker. Heel achteraan, in ’n hoek, stonden de twee koeien op hoogtetje.—Guurt kwam brommend uit het donkere achterend, waar de jongens nog ronkten, en moeder te suffen lag, het kleine petroleumlampje nadragen.

Voorzichtig zette ze ’t neer op ronde raampjesrichel. Hol klonk gestap van Guurt op steenen groep, en dof-schimmig onhoorbaar sloop Hassel op z’n paars-wollen kousen, door de leegte, dwars tusschen kleur-schimmige rempalen heen. Uitgestorven donkerde de stal, die gebouwd was voor twintig koeien. Zooveel had ie ’r vroeger bezeten. Nou maar, in verarming twee, die ie niet eens houen kon op de wei.—

Dirk kwam loom uit ’t achterend, de stal in, gapen uitstootend die hol vergalmden in de halve duistering. Met z’n handen, diep weggefrommeld in z’n groote zakken, bleef ie, lijzig koeiig kijkend, om den Ouë heen en weer drentelen.

—Hâ je nog wà’ vangst op vailing Ouë, vroeg Dirk.

—Hoho!.... ho.... ho.... niks te meer.... smeer’ge boel.... allegaer els.... saa’k moar segge.... els.... vier en vaif en nie g’nog.... skorumsootje....

—Zoo, bromde Dirk, zich uitrekkend, onder heviger gaapuitstootingen.—Toen, kijkend naar de beesten, leunde ie tegen den muur, onder het lampje, in geel-schemerig stallicht verdoezeld, bij een van de oog-starende raampjes.

Guurt scharrelde rond bij de pomp, op steenen middenwegje, naast den haard, klompklotsend. Ring.. ring.. ring.. ring.., stompte ’t uit donkeren hoek daar, met knarsingen van overhalenden slinger tusschen geweld-klettering van waterstroom in emmer. Even lichtte rossig òp soms ’n hand, ’n brok gezicht, ’n rokpunt, als ze overbukte dicht bij den haard. In den hoek, vóór de groep, schemerde ’t zwak-geel lampschijnsel op koei-kruisen en schonken, die heuvelig afschaduwden tegen beschot áán en op dwarsmuur, als drommedarisbulten, vaal-zwart. In de stank-uitwasemende groep lag koevuil te dampen, om den kruiwagen, die nog vol mest, beklonterd achter de beesten, op achtergang stond. Plots viel er stilte, toen de pomp uitgeklaterd had, en de dreunende ring-rings stomden. Overal door den groot en hollen stal, ging kruip’rig schaduwspel over steenen vloer en muurhoeken. De Ouë had eindelijk, lijzig, ’t melkblok op de stalstoep gelegd. Zacht op de koebil patsend, schoof ie ’t blok tusschen de warm-wasemende snoffelende dierlijven. In licht vreugdegeloei dat zacht-bazuinig en weemoedig-zangerig verhuilde in den stalschemer, draaide één koe d’r kop naar ’m toe, zich loswringend van ’t touw dat vastgesnoerd zat aan de groen- en blauw beverfde rempalen. Met z’n smoel duwde de andere koe, de loeiende terug. Wolkerig woelde op ’t hooi, dat de beesten uit vóórgang van den een naar den anderen kant trokken en scherp sneed door de stilte, hun grissend grazen en kauwen, hield soms plots even op, druischte dan weer ààn, als vloeide ’t zeis-geruisch van ’n maaier door ’t donker heen.

Lijzig nog bond de Ouë ’t spantouw om de achterpooten van ’t dier, voor ie melken ging, en lijziger ging ie zitten op ’n melkblok, als ’n stratenmaker op éénpootig krukje, met de melkketel tusschen z’n knieën gekneld, èven òpgelicht, van zich af. Z’n handen eerst nat-sabbelend in z’n mond kneep en trok ie tegelijk in maatgang aan de spenen. Zacht-regenend in bleeke straaltjes, spoot sis-scherp ’t melk-zoet den emmer in. Piet was ook ingeloopen, rugde naast Dirk tegen den muur. Hij hield er van zoo na ’t melken ’n paar lauwe glazen in te slaan. Daar loerde ie nu al op, gulzig maar stil. Dichter had hij ’t lampje naar z’n vader geschoven. Het profiel van ouë Gerrit kwam nu zwart-fijn en scherp op het inslinkende onderkruis van de koe schaduwen, fijn boerenprofiel met lokkenhang, puntig, dat lichtelijk mee-trilde met huid-siddering van koebeest. Maar telkens doezelde schaduwprofiel weg, of verwrong in woeste karikatuur op zwarte dijplekken tusschen huidwit in, als de Ouë, stram voorover bukte op melkblok, naar andere uiers, den emmer in schuineren stand knelde om de straaltjes beter te vangen. Dàn donkerde z’n ingebogen lichaam schaduw-bevracht wèg, tusschen de zwak-belichte schoften van het andere warme koebeest, dat tegen ’m aangedrongen stond, zacht loeide, in wellust om ook gemolken te worden.

—Wa bliksems mooie makelai hep ie tug, heé Ouë, stem-zong Piet.

—Oftie.... huhu.... huhu!.... dofte beklemd stem van Gerrit tusschen flanken-inknelling van de beesten uit.—Onrustig bewoog de wachtende koe z’n achterpooten, drong nauwer òp tegen den Ouë, zacht zwiepend met staart, die opgebonden kronkelde, aan ’t bindtouw. Urinelucht zoog zwaarder door den stal, en het koevuil plompte vet en zwaar-dampend in de groep, vlak voor de kou-uitrookende monden der loom-kijkende kerels.

Telkens vielen er bonkende geluiden in de stal-stilte uit het achterend, en als de koeien met hun ringen schoven waarmee ze vastgetouwd snoerden aan rempaal, echo’de het gebonk doffer door de licht-schemering.

Wemelende reuze-gestalten schaduwden door elkaar, toen de Ouë opstond, strammig van z’n melkblok, z’n vette vuile vingers beschuimd afdoopte in de ketels, Dirk en Piet vlak voor het lampje elkaar over groep en achtergang speelsch-woest heentrokken. Scherp-zwarte profielen, dàn klein omgetrokken en zuiver-gelijkend, dan grof-vage, achteruit verbleekende monsterlijke boerentronies onkenbaar, vervluchtigend ijl, op vuil-wittigen kalkmuur. Koppen braken of zwollen, als de kerels in wilden stoei vooruitsprongen, in vlakke, verdeukte schedelbobbels, tegen bruin-morsig beschot. Groote neuzen, flauw, en zware goliath-handen, ijlden schimmig over den wand, boven bultige silhouet-schonken van koe-beesten. Zoo holde, warrelend en wemelend, een donker spel van schimmen op vale muurbleekte, en de kerels zèlf, zwak-geel belicht, met verduisterde tronies, grof-knuisterig, adem-ingeperst, hijgden uit, in de stal-duistering, stoeiend over de dampende groep.

—Jullie làikt kinders, driftte midden in de Ouë,—neem jai mestkep en kuil wat àn.... ’t loopt er ’tmet over.... eenmoal.... andermoal.

In de voorgang stond Piet te gichelen tegen Guurtje die zenuwachtig haastig doende was in keuken en achterend.

—F’rslik je ’r nie an, Dirk.... de Ouë sòanikt.... hep puur tait tut mur’ge.... nou.... mi stróói-oàfend!....

Vlak op den kruiwagen liep ie aan, z’n adem, als gouën stoom, fel beschenen door lamplichtstraaltje, tegen achterlijven van koeien opblazend. Z’n gladde komieke kop rimpelde wreed en zijn mond, donker open, boorde duistere schaterlachen, snorkend door den stal. Een narocheling van lol, barstte z’n strot uit. Danserig sprong weer z’n grof-komiekige boerentronie in scherp silhouet op vuilen muur. Dirk bleef staan, lijzig, lachloos.

—Hep tait tut murrige, schaterde Piet weer, krullend met z’n lippen als ’n nijdige aap.

—Daa’s net, terug-deunde met luie stem Dirk.

—Daa’s nèt, bauwde Piet na.... je suster....

Guurt was juist weer met pompstraal ringkinkend, ingedreund. En weer holde Piet speelsch op Dirk aan, vlak bij ’t lampje springend, dat z’n kop scherp-zwart weer troniede op den lichtschemermuur. Plots gaf Dirk onder jolig geschater van Piet en Guurt, z’n broer ’n fellen tik op z’n schoften, dat die woest achteruit sprong, met z’n gezicht naar de stalraampjes, en z’n hoofd-silhouet weg-reusde als angstige goliath-kop. Maar méé trok Dirk, die lui zich sleideren liet met z’n beenen in mestvuil, naar ’t hoekje van Guurt toe, waar ze zingend en lach-schaterend, bek-af, met geweld neerstommelden.

Guurt had aldoor èven gekeken, was met ’r hoofd, voorover bukkend in boen en emmergeploeter, tegen blauw-rood van steenen voorgang, soms net te zien geweest in zwak schijnsel, schimde dan plots weg, klomp-klepperend naar keuken, om met nieuwen boenrommel in ’r handen, weer den stal in te donkeren,—want ’t liefst was ze bij lolligen Piet. Piet, ongedurig, jongen van negentien met botten van rijpen kerel, wou alles aanraken, belollen.

Als ze niet werkten de kerels, zoo in den wintermiddag al, wisten ze met hun leege handen geen raad. Dan stonden ze, uren achtereen, te gapen, te rekken, te smoken, de lange winteravonden verzeurend, tegemoet; avonden, die, als ze niet kaartten of dronken, slakkerig-langzaam over hen heenkropen. Maar stoeilol kwam meestal los in broeiend warmen stal, met dien prikkelenden ammoniak-geur, ’t zoetige hooigeurige onder den heeten diepen stank van uitwasemende dieren.

’t Was onbewust, alsof eigen natuurdrift losgromde, in geilen vechtlust, als voor hen, de opene natuurlijkheid der koeien in vreten en ontladen, zich schaamteloos opgulzigde en weer uitplompte.—

—Seg, skarreloarster, hai je t’met je vraier op sterk woater zet, ’k hep ie sien.... f’rdomd.... met die blaike stadsmuil van ’t staa’thuijs.

—Daa’s jokkes, stem-gilde Guurt uit hoek-donkerte de stal in, onder zwaar geboen, uit ’t duister te hooren, op rinkelige emmers.

—F’rdomd....

—Daa’s jokkes, ikke daan niks.... niks daan ’k....

—Nou stuif nie soo.... jai hep-er t’met an ieder vinger ein..

—Tog hep-ie main nie sien.... jài nie—.. en niement nie.. schreeuwde Guurt, die nu met boender in d’r hand en losfladderende haren van ’t bukken, naast Piet in scheem’ring kwam staan, één arm in heup-zwaarte gedrukt. En hijg-zacht naar adem, woedde ze uit....

—Neenet Pietje, dà’ hai je mis.... glad en al mis.... main sien niement.... je sel Annie sien heppe.... daa’s puur ’n lekkere.... daa’s ’n kreng.... daa’s s’n kwinkkwanker.... mo je hoore.... nou binne se in ’n f’raasderantie.... sel ’k moar segge.... en nou sait sain.... Nou dat de Ouë.... die laileke suipert....

—Dà’ kenne wai.... onderbrak Piet grimmig.... Maar Guurt vertelde door, afgevend op ’r vriendin Annie. Piet keek telkens schuin naar den Ouë en Dirk stond roerloos, vadsig, tegen den muur geleund.—Guurt lach-praatte, telkens haar adem-stoom even beschenen, van ’t donker hoekje uit naar schemeringslicht waarin Piet stond, opjagend de kerels. Hol brokkelde haar hooge vrouwestem af, in wije, klankende stalruimte, gelende schemerdiepte,waar de woordplonsjes instortten, uit niet-zichtbaren menschenmond. Ze had uitgerateld en Piet begon weer of ze niets gezegd had.

—Nou skarrel jai moar roak, se weite ’t.... je bint t’r ’n dunne!.... jai mi je faine snuut.... Kaik, daa’s nou main weut! moar.... jai jài.... kraigt nooit ’n man.... mit je witte lintjen goan jai de kist in.... beduuf’l jai nog moar soveul.... jai knikkert mit je vraiers....

—Dà’ lieg je.... heftigde Guurt weer, uit donker hoekje op ’m afspringend van ’r bukkig hijgend geboen.

—Louw.... allegoar louw.... die tochtige maide.... an ieder vinger d’r éin.... en allegoar moak je hullie dààs.... Jesis Dirk.... wa trek jai roar smoel.... aas ’n bunsem op de sprenkel.... gierde Piet’s stem.

—Hait puur lol, bromde Dirk goeiig, onverschillig even met z’n schoften schurkend tegen den muur,.... suinigies an.... suinigies àn.... goan se gangetje.... se gangetje....

Ouë Gerrit was heelemaal klaar met melken, ’t viel ’m nog mee. Niks meer noodig, voor se aige ’n paar kan, en de rest veur de venter. Nou g’n zorg meer an z’n kop.... ’t potloodje zat er.... stilletjes.—

Twee koebeesten was genog, tege Maart moste ze tug weer weg....

Met woede-woelingen boorden de koeien hun snoeten in ’t hooi, zoekend naar lijnkoek, die komen moest. Dirk had er al ’n paar uit den dorsch gehaald, waar ze half lagen te broeien naast de voerbieten, op ’n berg. Vóór de drinkgang zat ouë Gerrit op z’n knie, naast ’m ’t lampje, tusschen beschot en voor-loop, nauw opgedrongen. De grillig vlekkerige koekoppen sloegen wilder hun ringen tegen de rempalen dat ’t echo-bonkte. Zwaar-woest en gretig stonden hun oogbollen, donker, vol lust, en van uit hun geketenden neergedrukten stands wrongen de koppen zich òp, in wild geronk besnuffelend de halfduistere handen van den Ouë.—

In brokken duwde ie de lijnkoeken in hun vadsige, lebberende kwijlbekken, of liet ze vallen tusschen het hooi. Woelig omwolkten de beesten dan den dorren stapel, in woest gesnuffel. Toen de koek op was sneed de Ouë de bieten in groote blanke plakken, ze tusschen het voer werpend. Gretiger gulzigden de donkere koppen in rauw-raspend geslik. Lijf-wasem sloeg overal van de beesten af, en hun bekken dampten zwaar. Vocht droppelde langs het beschot, warm-broeiend, tot vèr van de dieren àf. Woest bleven ze omlekken de donkere handen van den Ouë, die in z’n hoek, geknield, suffig ze zat te bekijken, niet meer denkend om z’n beesten, alleen, stil-zalig, en roezerig na-genietend, om wat ie weer zou te zien krijgen vannacht. En nou, in die warmte, oog-soezend in ’t dunne licht-straaltje, viel ’m ineen in, ’t heele tooneel. Hoe hij had gestaan, de notaris, en hoe raak z’n greep was geweest, met al dat zand en die rotte bladeren.

Guurt kwam de melktesten aansjouwen, die in hun lichtig glazuur, steen-bruin glanzerden in het scheemrig lamplichtje. Sieperend zeefde ze melk uit den ketel in de testen. Poesje, was zacht aangeslopen en geestig-fijn, tast-sluipend met z’n kopje in de test, bleef ’t in drinkbuiging, zacht ingehouen, met z’n bedonsde pootjes op testrand staan, schuchter, terugkrimpend in z’n blank poes-dons, bij elk stal-geluid, bàng dat ze ’m snappen zouen in z’n snoep. En fijner nu, herhaalde ’t z’n snoep-beweeg, vlak bij het lampje dat op steenen kleurgrond lichtte. Fijner schaduwde z’n kopjes-rond, snorlijntjes en punt-oortjes tegen beschot, en in schuchteren snoep-stand, boog méé, scherp zwart silhouetje, gratielijk met staart en sluippootjes.

III.

Het half-zesje stond klaar in de woonkamer. Vrouw Hassel en Guurt hadden hompen brood met kaas en roggebrood, zoo maar, op kale tafel klaar gesneden. De koffie stond te bakken op petroleumlichtje dat knepperde en stonk. Zwaar stoelgestommel rumoerde voor allen rustig zaten en gebeden hadden. Met handpalmen verkreukten en trokken ze hun brood af. Moeder Hassel schonk koffie.... koffie was haar eenige troost. De dokter had gezegd, dat ze ’t niet moest drinken, maar ze vergat ’t. Vroeger al had haar hevige drinkhartstocht elk bezwaar overrompeld. Ze mòest drinken. Den heelen dag dronk ze, dronk ze, spoelde ze iets weg in ’r, door dien heet-zoetigen smaak. Wel dertig kommetjes sloeg ze in. Dat was ’t eenige dat ’r staande hield, en ’r verdriet verdoofde. Daarom stond ’t wit-steenen koffiepotje, koud en bruin-besopt aan alle kanten, roetig-ingebrand bij den bodem, den heelen dag op ’t stinkende petroleumpitje. Bakken mòest ze. Water bij eerste treksel, water bij tweede treksel, al slapper, valer, viezer sop, klonteriger en grondiger; daarop weer nieuw gedrop. Zoo klieterde heel Wiereland bij de koffie. Overal in de tuinders- en werkmanskrotjes stonden de bemorste petroleumstelletjes, duffig en roetig-vies; stond vaal-bruin blad met grauw-steenen kopjes, uitgeschulpt en bepuist, naast ’n nikkel komfoortje, vuil-verbrand of pracht-blinkend.

—Skenk main nog wa’ leut, snorkte Piet tegen Guurt, met ’n bons z’n kopje op tafel dreunend.

—Nou, lachte Guurt, jai hep t’met ’n dam lait.... se kenne d’r puur ’n spaiker op je moag glaikkloppe.... wat ’n pens!..

—Kaik die, waa’t hekkepunter.... wat ’n bemoeial, sou je d’r nie ’n druil om d’r hoet ketse?....

Vlug, lacherig nog om Piet’s vraatzucht, schonk Guurt in. Stil gesmak zoog door ’t kamerke, dat sufte in z’n dof-geel lamp-schijnsel, waarin de staartklok alléén, met z’n koperslagwerk, zacht òpglimmerde in lichte, schichtige glans-veegjes. Telkens nog bonkten ringrukken van de koeien uit den stal, of het snikken even van ’n herkauwende, zuchtte tegen de half-opene kamerdeur. Bij nieuwe broodhompen sperden wijer open de kaken, lebberden de monden, lui en vadsig in de broeiige kachel-warmte en loom tiktakte de friesche, met iets van winterigen slaaplust in z’n slingergang.

Vrouw Hassel zat jammerlijk stil en verlaten te kijk-suffen onder het scheefhangende lampje, met z’n geel-rood vuil vlammetje en naargeestig schijnsel. Half afgezakt van haar stoel zat ze, in ’r vettig bruinige huisjapon, die bochelde op ’r rug. Haar afgeleefd rimpelgezicht leek grauw-zwart. D’r grijzig groezel-haar, dat flodderig los uitslonsde onder de smerige, bij de ooren gepunt-kruide steekmuts, die schedel-naakte gleuven door het gaas schemeren liet, overhuifde zwaar en donker ’r klein monsterlijk gezicht. Telkens gulzigde ze ’n slok koffie in, dat ’r magere keelkrop er van natrilde en beet dan weer op de punt van ’r vettig schortje.

Tranen pinkelden plots in ’r brandende oogen die gloeiden, alsof er kalk ingewaaid was. Om ’r breed-dunnen kwijl-mond, waar op afzakte, pappig wangvleesch, dat als los vel zwabberde op kakement, in teistering doorgroefd, doolden trekken van verlammenden angst, spanning om te willen volgen wat om ’r heen gebeurde, vast te houen wat ze dof hoorde. Even na ’t schemeruur hadden ze d’r weer geknauwd, waren, ze ’r weer op ’t lijf gevallen met vergeet-dingen.

En Guurt had ’t hardst meegekrijscht, blind voor d’r smart, zelf zich lekker, sterk, frisch, jong voelend. Nou was vrouw Hassel weer uit haar beetje opgeleefde vreugd gestooten. In één zag, hoorde ze weer alles veel slechter, vatte ze niets, ging ’r ’n lijm’rige verbinding van woorden door ’t hoofd, suizelde en spande ’t overal in ’r, hoorde ze geruisch, verdoffend om ’r héén, van stemmen en àldoor achteréén, fluiterig gegil door de hersens diep in ’r ooren. En telkens slokte ze gulziger ’r koffie-vocht lekker, warm, smakkend en opzuigend de zoetige vuilheid, die ’r niks zei, niks verweet, niet aan ’t schrikken maakte.

Paf-rust loomde ’r weer in ’t kamerke, waarin de dingen, boers-knus aanglinsterden. Klein-stijf stond in ’n dwarshoek, schuintjes, ’n pronkschoorsteentje, zelf-getimmerd plankje, omspannen met vaalrood lapje, koper-bepend. Om de lakzwarte glimkachel lag morsvuil, ingetrapt kolengruis en ’t plaatje dofte blikkig. Glanzerig van politoer-lichtvleksel, in rood-bruine gladheid stond er tegenover mahoniehout linnenkastje, parmantig-stijf, op klein-breed poot werk, aan hoeken versierd met poppetjes-spul, fel-kleurig steen, en tegen het blom-grof, geel behang, hingen los-opgehaarspelde gore haarwerkjes en kleur-stervende chromo’s, koningen met pelzen en Zwitsersch meer-blauwsel. Alles bakte en loomde ’r vergeten in boerenknusheid. De grof-rooie stoelen, met hevig geel bies-streepsel stonden te drenzen in den doffen lampschijn. Alleen de kwikzilverige vaasjes, buikig-rustig, op het mahonie-kastje, vroolijkten met breed-mondige lichtstreepjes. Naast de kachel, achter vuilen kolenbak, pronkte rijk-ongedeerd, koperen standaard, met schep, koperen tang en pook, sierlijk gebogen en zacht-beflonkerd, smetteloos voornaam lachend tegen den vuil-roetigen pook die ernaast op ’n stoel lag. In ’n anderen hoek van laag-balkend kamerke wemelde ’t van portretten, op klein tafeltje met goor-stijf-krullig haakwerk belooperd. En vlak achter vrouw Hassel donkerde ’n korf met tortelduifje, dat uit z’n beduisterd kamerhoekje klagelijk koekeroede.

Tusschen stemgepraat en eetgesmak, bij stilte-poozen, weemoedigde ’t duifje, uit ’t licht geschoven, in z’n korfje, op ’n voetstuk van gebroken bloemstandaardje, dat sidderde als ’t diertje sprong. Zacht klagelijk koekeroede z’n zwel-kropje, als ’n kindje, dat ergens ver, zacht te schreien en te snikken lag. Plots trok Guurt ’t meer in den lichtkring, toen ’t juist, wil-venijnig zich-zelf in z’n veertjes zat te snavelen, hals verdraaiend diep. Bij ’t geschuif, plots vooruit, in ’t licht nu, dat z’n korfje inschemerde, dook z’n kopje onder de veeren weg, begon ie stil te loeren voor zich uit, stil, als luisterend naar wat gezegd werd door Guurt. Dan weer keek ie bijzij àf met z’n donkere karmijn-oogjes, die kniploos stonden, staàr, stil. In één weer kropte dan, uit teeder donsborstje klagelijk kindergekreun, heel zacht en als van ver, koekeroekoe, koekeroekoe, melancholiek in de paffende, scheemrige kamerke-rust. Guurt, met dikken vinger, krauwde z’n nekje, door korf-tralie heen onder staal-blauw glans-kraagje vol violette weerschijntjes en groenige schubbetjes. En geestig, onder ’t krauwen, vonkten donker, z’n rooie gloed-oogjes van lekkerheid, ging dommig-dwars z’n teer kopje als om te luisteren, weemoedden weer z’n koekeroe’s klagelijk kamerke in.

Plots gaf Guurt ’t korfje weer ’n duw achteruit, dat tortelduifje wegdonkerde in ’n hoek, en schrik in z’n wijnrooie oogjes stolde. Ouë Gerrit had Guurt wat gevraagd, die lijmerend onverstaanbaar antwoordde met vollen mond.

—Nou joa.... sel ’k moar segge.... fa’n koniggin Fillemientje.... hai je nog wat lese kenne.... eenmoal.... andermoal....

Klank van groote onderdanigheid was er in z’n stem gaan beven, en met vreemd-rilligen eerbied sprak ie den naam van Wilhelmina uit. Dirk schoof stil Guurt z’n koppie toe.—Kijkend naar d’r vader, schonk ze gedachteloos in, gansch bevangen door het denken aan de rijke almachtige koningin....

—Hée doedelsak, lachte Piet, haar tegen den arm stootend, genog, je skinkt t’r snof’rjenne noast....

—Aa’s se nouw t’met trouwe goat Ouë, schokkerde Guurt, alsof ze niets gehoord had, door,.... aa’s sai nouw trouwe goat de koniggin.... hep sai dan d’r femilje.... en magge die d’r na kaike?....

Ouë Gerrit schaamde zich altijd ’n beetje voor de groote kerels en z’n meid dat ie d’r niks van wist, en dat tie nie lezen kon. Brutaal, lukraak stootte ie ’r maar uit:

—Wel joa.... sel d’r ommirs puur niks.... skele kenne.. dà moak niks, loa se kaike!.... je hep ’r ven dit.... en ven dàt.... op soo’n dag.... hoho.... ho.... se komme uit de hooge!.... sel ’k moar segge.... en mit hoarlie pakkies àn.... afain.... fiere en vaife en nie genog.... enne....

—Nou joa, hield Guurt vol, die nog niets wijzer was.

—Toe maid, gromde Dirk, die nauwelijks wist dat ’r ’n koningin bestond, skenk in, je skenkt t’r noast....

—Nee, jokkes, verdedigde Guurt, maar nog niet loslatend haar vader:

—Moar .... enne.... nou.... aas d’r puur hooge....

—Kaik tug veur je.... doedelsak, je skenkt op main poote, helhoak....

—Main kristus, waâ jokkes....

—Nou grinnikte Piet, skeelt t’met gain koe.... skeelt t’met gain koe.

—Jesses wà’ kerels.... wa hep jai smoor in.... en jullie.. jullie.... wete d’r ook gain snars van.... weet jai ’t moeder?....

Ze schrok op, vrouw Hassel. Niemand vroeg haar ooit wat over zulk soort dingen.

—Gut.... schokte ze stemhaperend.... da wee’k nie.... al t’met....

Schuw brak ze af, gejaagd, want nou, waarachtig, nou wist ze niet eens meer waarover ’t ging, wàt Guurt gevraagd had. Haar leerig gezichtsvel fronste samen in monsterlijke rimpeling, en haar grijs-grauwe brauwen dottigden krampend. Vergeten, vergeten, smartte ’t stil in ’r, met ’n snikhuil, maar uiterlijk bleef schrei-loos haar gelaat. Alleen lichtelijk sidderden haar kaken. Plots sprong Dirk woest op, bonkte z’n stoel tegen den muur dat duifkorfje trilde en vrouw Hassel opschokte van ’r zitje.

Met rumoer ging ie den stal in, achteruit op straat. Guurt was gretig in Wierelandsch krantje gaan koekeloeren of ze ook iets van de koningin lezen kon, van wie ze boven haar slaapstoel twintig beeltenissen had hangen, in al andere standen en leeftijden. In ’r egoïstische voorstellingen, waan-zeker en achterhoeksch-bedompt, wemelde ’t van licht, goud en juweel, als ze aan de koningin dacht. En hoog, op ’r verheven stoel zag ze Wilhelmientje zitten. Van de kranten-berichten begreep ze niet veel; uit ’n behoorlijken zin kon ze juist niet wijs worden.... Als t’r zoo stond, in die deftige krantentaal, voelde ze zich kregel, ’t verwarde hààr voorstellingen, want die alleen leefden voor haar. ’n Paar dingen maar, licht, juweelen en goud, overal goud en ’n hooge stoel, ’n troon,—dat alles omgedraaid en omgedraaid in allerlei variaties, bedacht en bekeken met haar achterhoekschen weelde-hartstocht, dat ’t sterde en fonkelde voor d’r oogen. En nou die kranten! Maar half lezen had ze geleerd. Dirk voelde heelemaal niets voor ’t feest; wist niet eens waar Den Haag lag. Toch zou ze doorlezen. Knusserig schonk ze zich nog ’n kopje leut in, en naast ’r, schoof bevend-gulzig, de blauw-doorpeeste grauwige beef-hand van ’r moeder, die ook weer hebben wou. Plots kwam Dirk weer in, plompte zich weer neer bij de kachel. Guurt frommelde ’t krantje op zij. Niks snapte ze ’r van. De Ouë zat met ingezakt lijf in z’n op schoot gedrukt en tabakspot te morrelen, lijmerig z’n pijp vullend, vingerdiep, den tabak met duwetjes bedaard inplettend.—Vroolijk snaterde Guurt weer op....

—Hep jullie hoort van die raike vent van Duinkaik.... die hep s’n aige veur s’n kop skote....

—F’rdomd! riep in verbazing ouë Gerrit uit, onder zuigend aantrekken van z’n pijp.

—Of tie!.... de kommenai is d’r vol van.... en de slager sait ’t ook.... en welk gast je d’r spreekt.... de heule ploats weut ’t.... s’n aige doodskote....

—En ikke hep hoort dat tie valle is, zei Piet, leuk-ontgoochelend ’t nieuwtje van Guurt.

—Main kristus! wa jokkes, sloeg Guurt de handen met ’n klets in mekaar.

—F’rhange, zei plots, kort-stug Dirk, f’rhange, da heppe se main sait....

—Wie sait dà’ nou....?

—Kees....!

—Kees, Kees, bromde de Ouë, da beest.... die hep s’n skoenlappertjesmoandag weer.... sal dronke weest sain.... t’met nooit nuchter hoho!....

—Da lieg je Ouë.... da lieg je.... driftte Dirk met ’n slag op tafel.

Stil bleef de Ouë doordampen in snelle zenuwtrekjes aan z’n pijp, omwaasd in rook. Maar verjenne, wat keek die Dirk leelijk. Waarom most ie dat ook zegge. Hij wist tug da Dirk geen kwaad op Kees kon hooren. Hij bleef zwijgen, zuigend reutelende haaltjes uit z’n pijp. Guurt wou geen ruzie, ze had er genoeg van. Nog volgepropt zat ze met nieuws.

—Nou die soon van die kwinkkwank in de Bikkerstroat.. die sosiaal?... die hep mit se moeder motte f’rhuise.... hai hep skult bij de slager en skult bij de bakker en skult bij de kruienier.... en se motte d’r of.... en ’t heule spul mot f’rkocht.... murrege....

—Daa’s puur klets maid, sarde Piet weer leuk.... hai hep skarrelt mit Mie van de metselaar.... en da sit nou mit jonk.. en nou hep ie van d’r broer op s’n ribbekast hat.... en nou durft ie nie meer op stroat komme....

—Niks van woar.... sloeg Guurt weer ’r handen de lucht in met ’n klets tegen elkander.... Mie sit nie mit jonk.... en s’dient in Amsterdam....

—Nou, bitste Piet.... seg.... is m’ ook ’n happie!.... wa sou dat? hep se doar g’n dam legge kenne.... kom sussie?.. kaik m’rais in main fieselemie.... seg, kaik nou nie soo onnoosel....

—Seg Piet, vleide plots stern-zacht Guurt, van-oàvent is d’r in de Son soo’n prèchtige kemedie.... toe, neem màin nou d’r is mee?

—Jai hep main noodig, debies, neenet snurkert, da’ lapje main nie!

—Main kristus, ik hep nooit niks.... nooit, driftte Guurt gemaakt; heé Piet.... toe.... wees d’r nou erais ’n oardige knoap!.... ik hep aêrs soo’n dooie Sinterklòas.... se speule van moorde.... soo vreeselik.... je weut wel daa’k ’r dol op bin....

—Nee Guurt, daa’s niks veur jou.... dan grien je....

—Nou ik sel niet-en griene.... toe Piet.... feremp’l.... ikke sel niet-en griene.... ik bin d’r soo dol op.... op die moorde, aa’s sullie vechte en d’r binne allegoar ongelukke.... nou, dan hou ’k jòu vrai.... sullie vechte d’r mit messe.... Geert Grint hept veleje joar self sien.... toe Piet.... sel je nie beroue.... kaik.... soo hiet ’t.... waor is ’t krantje?.. hé moeder! gaif hier!.... kaik.... Lesoare de Veehoeder.... kaik, vaif tefreele.... de moord in de herberg.... en.... wachters van ’t pelais woakt.... Te dansen begon Guurt, te stem-vleien. Ze hield dol van vreeslijke dingen. Bij elk vechtpartijtje in Wiereland was ze te zien, vooraan, en toch vond ze ’t vreeselijk naar en griezelig. Als ze bloed zag vloeien met vechtpartijen, dan krampte ’r iets in er van heerlijke naarheid. Van moorden, spoken en ongelukken wou ze alles haarfijn weten, en hoe bloederiger, hoe naarder, hoe griezeliger ze genoot.

Maar Piet was niet te vermurwen. Van avond, strooiavond, nee, dan most ie de ploats op, lollen met de meiden en zuipers.

—Wa’ geep, nijdigde Guurt, nou, dan goan ’k alleenig!....

Dirk zat lichtelijk te ronken, met kop tegen kachelpijp.... z’n ingezakt lijf stonk van grondvuil.... z’n stomp-wreed gezicht stond grimmig als van ’n slapenden bloed-dog en z’n vurige zeerende wimpers, streepten pijnlijk-rood onder z’n in gelen lampschemer, duisterende oogen. Hem vroeg ze niet eens.

IV.

Tegen acht uur stapten de jongens op.

In Wiereland joolden door de donkere straatjes, strooiavondgangers. St. Nikolaas was in wit gewaad neergedaald in ’t stedeke. Tegen den avond, uit grauw-grijze lucht dwarrelde wemelend, stil-blank geschitter en gevlok, windloos neersuizend, ruischloos blank, héél stil vertooverend daken en boomen. Het stille dorp-stadje was als dichtgeweven met blank schuim in enk’le uren, en overal schimden, wit-hoekige geveltjes, schuin en laag, zwaar besneeuwde dak-vlakken, schuimblank, met schaduwblauw van kousjes-koud licht, in de hoofdstraten. Langzaam aan kwam vertier en rumoer uit de achterwijkjes, sneeuw-scheem’rig verlicht, wègdroomend, in donker rossig-goud schijnsel van ’n paar ouë vlamgaslantaarns.

Naar de groote handelsstraat ging òp, gekrioel van schreeuwende kinderen en luid-pratende menschen. Door elkaar liepen deftige burgerij, lollende, flappende meiden en jongens, in blanken sneeuwval, en geluid-dempend verbleekte de straat in stille verwitting. Het voorplein van stedeke bij ’t station, waar ’n groot weibrok witte, schimmig onder donkeren hemel, lag roerloos; en van verre, op Lemperweg, naar ’t dorp Lemper, bronsden in duisterdiep, ’n paar rossige gaslantaarns op geheimzinnig verwitten boomendrom.

De Baanwijk schitterde in winkellicht, aan weerskanten en overal achter gloedglazen, spatte blinkering en fonkeling van kleur-voorwerpen. Voor iederen winkel stonden troepjes kinders, opgeduwd door grootere jongens en meidenvolk, en ’n stroom stommelende drukte-menschen ging en kwam de straat af en op. Soms, uit de massa, bleven er plots staan, ’n groepje, om te lach-kijken naar gillende dienstmeisjes en tuinders-dochters, die besneeuwbald en wit-gebombardeerd werden, bangelijk vluchtten in winkels en portieken. Telkens joolden kleine en groote stoeten dwars door den wandelstroom, sneeuw-bombardeerend als woeste donkere duivels omraasd van witte projektielen.

Woest, in heete feest-stemming braakten kerels hun lol uit, tierend en stoeiend. Zwaarder joeg rumoer door de anders doodstille winterstraatjes, als allure van groote stads-woeling. Lachend, gedempt, deftig, trokken notabelen van de plaats, voorbij opgedirkte winkeltjes, lachend minachtend om stedekepraal. Staan bleven ze alleen om kindertjes te plezieren; kindertjes juichend bij poppen die te star-oogen lagen tegen ’t koue winkellicht, in kleurige kleertjes en strakke waskopjes; oogengulzigend naar fornuisjes en kookstellen die kopervonkten in etalage-extaze; naar groote paardekoppen, omstrooid met zilveren en gouden snippers. Tegen half negen zuiverde de straat zich van het heerige volk, bleef alleen het woelige, arme, zuipende en stoeiende Wiereland, de tuinders jongens en meiden, armen, schorem, lawaaiend in de witte sneeuwhal, verplompend zijn stil-vonkend rein-blank, met zware donkere voeten, vol gloei-hartstocht en stoei-lust, beestig bijeen gekliekt, onder daverend schorre stemmenlol. Van uit het Kloosterpad, smal kronkelwegje, uitloopend op de groote Baanwijk, kwam opzetten zangkoor van jongens- en meisjesstemmen, donker kinderstoetje, achter elkaar áángerijd. Voorop praalde ’n snuitertje, bemombakkest, met zilveren haardotten aan masker onder de kin, bisschoppelijk beplakt met zilveren papieren mantel en hoog besteekt, omrand van sterretjes-rood, en ritselige goudloovertjes. Naast ’m ging ’n roetig besmeerde kleuter, kannibaalsch wild, in witte oogappelswoestheid, gooiend met sneeuwballen naar ieder die voorbijkwam. Dàn gedragen, dàn gesleurd en geduwd werd Sinterklaas. In z’n hand hield ie ’n schommelende lampion, overgebleven siersel van Drie-Koningen, in kwijnerig rood en groen licht, afschijnend op z’n beschilderd mombakkes, dat schaduw-geelde zwaar en bang. Om lampion, in zwak rood schijnsel, droomerig en diep, draaide ’n wiel van zilveren sterretjes door ’n ander, met ’n touw naast ’m, in gang gewenteld, dat ’t wemelde, glans-zilverig als waterkringen van fontein, om de half-belichte kinderhoofdjes. En zoo, kronkelend achterelkaar, donker-stoetig, grillig-rood bewasemd in lampiondamp en groenige dooreenschommeling van vale lichttintjes, slangde ’t troepje de bleek-besneeuwde Baanwijk over, tusschen de boomrijen door, in schaduwdans achterhaald op sneeuwgrond, de stoeikerels en wijven tegemoet, onder jongensgekrijsch en meisjesgegil. Van ver klonk soms even, stemzwakte van kleuterige achterblijvers, die met stukkende lampionnetjes en afzakbroeken, meezongen en roffelend rommelpot sloegen in ’t verwarde gegalm,.... liedjes van Driekoningen dat komen ging:

Drie koninge drie koninge Gaif main ’n nuute hoed Main ouë is f’rslete Main foàder maa’g’t nie wete Main moeder hep gain geld Achter de rooseboom is ’t teld....

Aan het eind van de Baanwijk stonden de achterwinkels opgepropt met troepen hurriënde meiden en jongens te smakken, vettig-glimmende feestgezichten, beglunderd en opgedirkt in kleeren-schetter, voor ’n geïmproviseerde toonbank, opgeslagen in ’n leeggeruimde kamer.

Blikjes gingen van hand tot hand als ’n smak over was.

—Wie hepp sàin, leste blikkie?.... tien cent, krijschte armelijk schorre kerel achter de toonbank,—’n venter die op den dag met afvalgroenten door de plaats ging, en nu, tot laat in den nacht, met schreeuwen en smak-opgejaag voor de winkeliers, nog ’n extratje verdienen wilde. Achter ’m stond deftig banketbakker-eigenaar met witte baret, blufferig in ’t wit, vettig-grinnekend bij stormgeloop van menschen, lacherig-kontroleerend, met z’n handen frommelend onder z’n blank schort.

—Nou, is nou dààn, la moar beginne, riep ’n ongeduldig bochelig kereltje.

—Nog één blikkie,.... nog één, schorde de venter met armelijken zangdeun in z’n stem, om fut in den dobbel te houen. Achter ’t kereltje, grabbelde ’n hand naar ’t blikje.

Nou kon gesmakt worden. Ratel-dof bonkten de dobbelsteenen in den smallen houten smakbak. Jans Brielle gooide negentien.

—Neeg’tien gooit, neeg’tien,.... schorde pijnlijk heesche venter, en duwde ’n anderen grijparm, die opdrong met z’n blikje, in ruil, dobbelsteenen in de hand.... Dof rolden ze den bak in....

—Sestien gooit.... neeg’tien blaift winne...., deunde de venter.... de hoogste hep sain, twee pond paling of ses pond speek’laos.....

—twoalf gooit.... neegtien blaift.... Jans je stoat prechtig mait....

En telkens bonkte ’n andere worp den smakbak in, onder heet gedrang om te zien, uitbarstende hoera’s, gevloek, geraas en gelol van lage en hooge gooiers. Het stonk vunzig, tusschen jassen en mantelgoed. Onder de hitte wasemde natte sneeuwlucht uit de kleeren op. Pilows, jekkers en duffelen manteltjes zweetten, tusschen ranzige vischlucht van paling, poonen, gebak en brokken. Straaltjes nat sieperden van hoeden in nekken en telkens raasde gevloek òp van kerels en meiden die dachten dat er sneeuwballen gegooid werden.

—Seg Jans.... jai hep sain vast.... hoor.... t’met ses pond vraiers.... wa mo je mit soo’n vracht.... puur ses pond....

Piet Hassel zang-deunde achter Jansie, komiekerig afwerend onder ’t spelen, aanvallen van stoeiende giechelmeiden, die ’m telkens op z’n neus wilden tikken met kop van Sinterklaasvrijer.

—Nou, lachte Jans terug,—mooie hoog-stevige boerinnemeid met dikken wellustkop en glimmig opgepoetst wangrood—bin je jeloersch?....

—Waa’n geep.... moar ken ’n mensch nou mi-sonder fesoen.... ses vraiers àn....

—Sevetien gooit, schorde rauw er doorheen, grauwe venter met zenuwknuisten op oude toonbank trommelend.... sevetien.... neegtien blaif winne....

Maar Jansie zag ’r geluk niet in woede.

—Geep, geep, daa’s je suster maan.... bi je beduufeld, en in ’n kwaadaardigen duw aan ’r kuifblond, wrong ze overbodig ’n haarspeld dieper in ’r kapsel, met zenuwgebaar.

—Dwarrel, stoppelkat, lolde half gebelgd Piet terug, kabbeloebelaap.... waa’n fiselemie.... waa’n muurvarke.... waa’n binnebeer.—’t Kijlde scheldnamen, met zwaar gelach van omstanders bij elk nieuw grapwoord, dat z’n mond uitflapte. De smak was om.

Jans, die negentien gegooid had, won.

—Neegtien hep wonne.... wa mot sain.... twee pond paling of ses pond speekeloas?

Dolgraag had Jans de vrijers gekozen. Maar nou er Hassel zoo gesmeerd had, durfde ze niet voor de omstanders. In heeten wrevel nam ze de paling, zich zelf in stilte verwenschend dat ze de vrijers liet liggen. Rammelend gingen de blikjes in zakschort van den venter. Z’n schorklankige stem, rauw, roggelde weer.

—Wie mot.. wie blief ’n pond paling of drie pond speek’loas?..

Plots dromde ’n woeste groep van zestien kerels, den winkel in. In gillende, krijschende herrie kaapten ze duwend den groenteman, vóór dat een ander nemen kon, de blikjes uit de schort, dat ie waggelde achter z’n toonbank. Een uit de groep, kerel met rood-behaarden kop, ottergezicht, snee-geulen om z’n mond en korst-rooie haak-krabben dwars over den neus, stak hoog, boven hun hoofden ’n gonjen zak, schreeuwend:

—Hier kailt de mikmak in!....

In ’n oogenblik waren de blikjes afgekocht, verdrongen ze andere smakkers die gromden en vloekten. Zware rookwolken dampten ze tusschen de menschen, rossig opkronkelend boven gelige koppen-donkerte. Hun pet-kleppen glimmerden onder ’t lamplicht, als mes-flikkeringen, bij hun wilde hoofdbewegingen. Telkens had één uit de groep bij wilden dobbel een smakprijs, die met rauwe hoera’s en stemme-donderingen den grooten zak van den rooie ingekwakt werd, onder gedrang en geduw naar den kerel.

In tien smakhuizen was de groep van zestien al rondgeduiveld.... Dit was de elfde.

—Wie mot blikkies, schorde venter beverig en ontdaan.... drie krentebroode of vier varkeslappies!....

Tegen de troep drongen nu anderen in die ook blikjes hebben wilden; ’n metselaar nam er acht, voor zich, en vier meiden die naast ’m stonden. Maar zij, één met hun zestienen, gierden en stem-rochelden er tusschen door, en weer had met dobbel-rondgang ’n kerel uit hùn bende den smakprijs.

De rood-behaarde kerel met z’n verwrongen smal ottergezicht, gilde als ’n razende, zwaaide den zak boven de paffende menschenkoppen en rukte de bloederige varkenslapjes, ’n help-juffer, achter toonbankje, uit d’r beenige handen. En telkens weer won er één uit hun midden, rauwden ze hoera’s, onder wilde zwaaiingen van den zak, dat bezadigde smakkers krompen van schrik.—Telkens weer kwakten ze, op en door elkaar in den donkeren gonjen muil, Sinterklaas en druipende bloedbeuling, paling en banket, chokolade en konijnen, onder dolwoest gekankaneer van den stoet, die in z’n kring trok, angstige meiden, dwingend ze mee te gieren. En òpstaarden in wilde extaze allen naar den grauwen zak, hoog in armstrekking van rooien dolleman, boven koppen, slingerzwaaiend door mistig-verlichte rooksfeer. Bleek als z’n bakkersbaret hielp de winkelier, bevend van drift. En z’n vrouw, in de lage kamer, naast ’m, groen-grauw van angst, trok ’m telkens aan z’n mouw, dat ie zich bedwingen zou. Onverschilliger in ’t geraas, ringelde de venter voor-zich-uit, in schorder stemrauwte....

—Wie mot.... wie blief.... drie kenijne of twee pond beuling.

V.

Piet Hassel, sterke oproerige Wierelander, was kroeg in, kroeg uit geloopen op de haven, waar wit-schimmig de spoordijk weg te donkeren lag, achter het breeë watertje en vèr, ver, nevelig-blank van alom polderland, waarin fantomig reservoirs van gasfabriekje opdoemden.—Groote molen rechts, naar ’t station, omkneld van donkere huisjesgroep, vaagde sneeuw-schimmig in duistere lucht, melancholiek over verren polder starend, den versneeuwenden bleeken nacht in.

Piet had z’n vrienden opgevischt in een kroeg bij Schildert. Hendrik Gelder, de Haas bijgenaamd, Jan Sik, Kees Slooter, Kol en nog wat arme ploeter-schooiers, woelige, jolige losse tuinders en bloemistknechten met ’n paar sigarenmakers. Naast hen schuchterde bescheiden, ’n half-heerig klerk je van de fabriek van ingelegde groenten, ’n Wierelandsch burgertje, dat zich ’t liefst bij plebsche arme, schooiende herrieschoppers opdrong. Ieder in Wiereland kende ’t zuipende stelletje, als gevaarlijke vechtersbazen, nakende zwoegers en sjouwers, die in dronk-zwijmel opspogen tegen alles, allereerst tegen elkaar ruzieden omdat Kol en Slooter, katholiek, Sik en Gelder, protestanten, in hun hitte-buien, elkaar moèsten afrossen. Want verborgen ingetoomden, plòts soms uitziedenden schroei-haat sintelde en giftte er altijd tusschen bevolking, katholiek en protestant. Onder alle standen dàt gebruis, al wilde niemand ’t weten, omdat, gelijk verdeeld in aantal, men elkaar te veel noodig had. Maar soms barstten de belhamels los en helleveegden rond, braakten langgesmoorde driften uit van twee kanten. Nuchter, kon ’t Wierelandsche stelletje elkaar wel luchten. Iederen avond, in den naakten wintertijd, broeiden ze vast bijeen, in ’n kroeg. Eerste avondwerk was jacht op meiden, achter, op de stikdonkere kronkel-weggetjes, tusschen tuinderij en wandelpaden. Wellust-jacht van buurtmenschen waar geen simpel landelijke vrijage òp kon leven, of doodgetrapt werd ze, door rauwe spot en krijsch van verdierlijkte massa. Gewissel van meiden en jongens was overal. Leefdrang en passie werd genomen of betaald.

Na meidenjacht, gloeirig en wild, weer terug honkten ze in kroeg, om ronde tafels in kaartspel-gegier. Zoo, elken avond had schooierigste tuindersgroep hier samenkomst, kwam werkvolk van Wiereland, onder heet-ingehijsch van brandvocht bijéén, verzoende zich tijdelijk haat van katholiek, protestant en jood. Dààr, in dompige, donkere kroeg-holen waar geur van jenever zoetig-helsch doorheen schroeide, werd gezopen, uit wellust, uit hartstocht, om ploeterramp van komenden zomer te vergeten, om zorgen te zien vernevelen achter rooiig lichtende blijheid, glanzende dronken-oogen-kijk, om werkpijn te stillen, te dempen, met iets, dat warm-gloeiend inbeet, in hun brandend lijf. Zoo werd gezopen in Wiereland als nergens in andere streken, vloeide er één hittestroom van drank, dampend vocht; dromde er altijd gewriemel van schreeuwende, woedende, melancholiek-geslagene of komisch-beschonkene kerels; kerels, die vrouwen en kinderen lieten krepeeren van honger in winternaakte. Zoo ging laatste duit in hevige zuipkoorts en driftigen gok, naar vettige, joviale, buldoggige kasteleins, die meerookten pijpen, pijpen vol zware tabak, en gemoedelijk rondsloften, op hun gekleurde toffels, tusschen hun spuw-bakjes met zand, volgeklodderd van vuil.

Dien avond ging het vriendenstelletje kroeg in, kroeg uit. Burgervader had permissie gegeven, dat herbergen en danszalen later mochten openblijven. Zoo trokken de kerels heen en weer op ’t schemerend havent je, dat stil lag schichtig, onder sneeuwgeschemer, en zware donkering van masten en booten in watertje, somber-groot opschaduwend tegen spoordijk. Uit de danszalen golfde bij vlagen, onder deur-opengesmak, rumoer, dat zacht verdempte in sneeuwgrond; galmden doffig, in tierend gewar, koperen muziekscheuren en zangstemmen.

In lange smalle loodsen wriemelden opgepakt de dans-brandende Wierelanders. Opgejaagd, in gloeiende schroeiing, kookte ’t licht, ’t avondlicht, uitkoperend fel in brons-hevige vloeiing, van balken en wandbrokken neer. Lang uitgereept leegden zwart-bemorste banken, waarop vermoeide paren zweetig uitdampten, droef-schroeiend omneveld in rook, rossig walmgewolk. Stik-benauwing en heete adems persten zwoel-zwaar, door de lage smalle lolzaal. Wierelandsch zwoeg en plebs, zweetende meiden, rood en grauw van dans-hartstocht, kerels en jochies joegen in stormdwarrel op heesch, opjagend muziekgetoeter door de loods; joegen en tol-dwarrelden, dat kwijl langs hun monden liep, de wijven met opwaaiend rok-gefladder en giftige beensliertingen.

Drie danszalen was Piet Hassel met z’n vriendenstel al ingestormd, maar teruggedrongen werd ie overal, door kleurig-helsche warreling van donker-verlichte paren, die telkens plompiger aandromden van hout-kaal buffet naar ingang-deur. Eindelijk was Piet met de anderen in grootste danszaal meegezogen met afdeinende dansgroep. Achter ’n dikstrakken kop van ’n rossig zwaar bebakkebaard agentje bleef ie staan, ingekneld van lol-lachers, achter z’n rug, klown-dolle grimassen makend. Toen omzag agent, gooide Piet zich wild met de anderen in helschen kleurkolk van dansende paren, meiden die vlammen ketsten van hun blouzes, rokken en befonkelden haarpronk. Plots voelde Piet zich in-gebonsd, omkneld van allen kant. Wegwemelend rok-gezweef en geruisch van meiden joeg in zinlijke vlucht-geur en plooi-ruzie voorbij. Harkig sleurden de kerels mee in stronkige armenknel. Vriendenstelletje was uitelkaar getrokken. Alleen Gelder zag Piet naast zich, midden in ’t dans-gewemel, die niet af kon zien van het witte onderrok-gefladder, dat telkens vèr onder opgeschorte rokken uitzinlijkte. Plots greep Piet, Gelder vast, begonnen ze stijf-komieke stappen rond zich te trappen, telkens opbotsend en wankelend, zich schijn-teeder omarmend als jong paartje. Schatering en hittend gejoel joeg om ze heen, zwaarder bonsden lichamen áán tegen de twee harkige kerels, dat ze waggelden, en dobberden gierlollend.

—Haej.... kanteloepp! je fiel droait.... snof’rjenne.... twee kerels.... krijschte Kol.

—Kaik, die klebakkium kaike.... t’met skiet ie op je af.. hai is puur ’n vuile smakwammes!.... lachte ’n tuindersmeid, die met zweet-rood hoofd naar ’t agentje bukte, kanaljeus, ’m ’n ruk aan z’n baard gaf.

—Nou aa’s j’r senie in hep ka je f’nacht in ’t koarte-huis maffe.... zong Wierelandsch stemgalm er doorheen van ’n meid die bukkend d’r kouseband toehalen wilde maar weer omgebotst werd door ieder paar dat ’r zag staan, kuit-naakt.

Zoo, zangerig doorwarrelde stemme-gons, schel gelach en schoffel-bonkend geraas, schal-scheurden felle trombone-dreun en hoornstooten uit van poepers, die half gekneusd en gebeuld op hoogtetje, achter groen hekje troonden, tusschen buffet en plee in. Op hun vaal-groene buizen, schemerden de rood-vuile epauletten, als bloedvlekken, verkleurd in stofstuifsel, dat opjoeg van zandgrond, lichtende hoozen, zacht weer neerpoeierend over gekromde speelruggen, en vervaagd rooiig, hun blazende walmkoppen bolden als barstend gespannen gas-ballonnetjes in oranjigen nevel-brand.

De zweethoofd-meiden, in hun opgedirkte kleur-helsche japonnen en lijfjes, plomp-hevig en boersch-echt, met schitteroogen, die gilden van genot, zopen langzaam smakkend, opgedrongen tegen buffet aan, bier, groot glas, omkneld in bonkige goud-beringde werk-knuisten. Enkele koketteerden met armbandsiersels, omrammeld, kannibalerig-woest bepronkt, wild in haar en hals, getatoeëer van tulpenvurige doeken en strikken. Vóór ’t drinkstoetje van meiden duivelde heet gegons van wemelparen onder lichthoek, schroeide rossige walm, stinkdamp van zweetlijven en asemen. Dronken tronies van mannen en meisjes lachten al ààn in zuipgrijns; uit de wemel-stoeten dampten op, rooie wilde oogen van verhitte vrouw-koppen. In gestoot en geduw werd gillerig en jagender de pret. De mooiste meiden smakkelden en koketteerden in boerenwaan, stijf en plomp-rauw met wreed gebaar, damesnadoenerig-stijf. Bij hoeken gedrukt stonden paartjes, in knie-knikkenden stand, krachteloos te mondzuigen en zoen-lebberen. Op de banken plonsten groote groepen neer, dood-affe, hijgende, zweet-druipende paren, elkaar zoetig verliefd bewaaierend met zakdoeken, waaruit duf en vergoord goedkoope patjoulie-reukjes en vieze eau-de-kolognerige zeepstank opluwde. Telkens sprongen uit de hijg-moeë groepen uitgeruste meiden op, nog bleek-rood van inspanning en dansdrift, in woest en zang-gier met d’r jongens zich weer stortend, in den wemel-stroom van zwirrelende parenwarreling, en slingerkolk van bruisend rokkenwit. Al nauwer drong òp en stormden ààn, nieuw-ingezogenen bij ingang-deur. Geen plaats meer bleef om te bewegen. Heele troepjes omsloten en ingeperst kleefden als aan elkaar, hobbelden rhytmisch op muziek-stooten, met lijven op één plek, zonder van plaats te kunnen wegbeenen. Soms spuide plots ’n beetje ruimte en dobberde menschenkluit wat van elkaar. Maar telkens weer botsten de lijven òpéén, trapten en stootten de meiden, pijnlijk-gespijkerd tusschen dierlijk-harkige omknelling van d’r dansende kerels.

Maar andere meiden, vuriger, verhit van demonischen dans-wellust en lijfgeschuur, onkenbaar verwrongen d’r koppen onder walm-brand, waarop hartstocht rammeide en ingroefde donkere lusten om oogen en toegeknepen kwijl-monden,—opjagend en lokkend met enkel heesch woord d’r kerels, niet òmziend, als verstard, kijkend pàl in minnaarsoogen, wezenloos en bezwijmeld, warrelden dóór, tot plots ze weer stuitten op paren-kluit, die vast-gezogen deinde, in ordeloos gedrang; opsukkelde naar deur als buffelbende, stoer aangestormd éérst, plots als omkluisterd aan pooten. Dan klonterden weer de zweetkoppen bij-een, ontstrakten de zwijmelgezichten, kwam er geduw, gejouw en lach-schalm onder heetste, gemeenste jongens-meiden. Herrie-gejoel barstte los, om elken tuindersjongen van Duinkijk en Kerkervaart, die danste met meid van Wiereland. Dan ging gegrom rondom en beflodderden ze elkaar met scheldnamen, kwam er hanige haat, vuurrood kamgesidder van nijd en geweldige mondspuwingen van vloeken-donder. Tegen het hekje, waarachter de blazende roodgezwollen muzikant-koppen, sidderend als in goudgaas van opgewoeld stoflicht en oranje rook,omzwierd en verwaasd, op hun hoogtetje dromden, stond nauw opgeplet in damp en stuifsel, ’n troep blonde forsche meiden, bepaaiend, besussend, woede-kerels, met smak-zoenen en wangstrijkingen. Anne Donke en Griet Karsen twee knappe tuindersmeiden van de plaats, praatten fier, ongenaakbaar, met loodgieter Ruig en smid Wenke. Naast hen, in gedrang, hurkten op de banken ’n troep jochies van twaalf en veertien jaar, met bierglazen in de hand, stoeiend en opgejaagd door schorem bollekweekersknechten, en ’t stelletje dat lol had in de kloek-zuipende groot-doenerige kerel-kinders. Telkens propten ze zich den mond vol met pruimpies, spogen in ’t rond, vloekten als grooten; be-gutsten de meiden met woordvuil, sprongen als apen, met glunderige licht-oogjes, loerend, dronken en verhit.

Piet Hassel wou ruzie. Dat had ie met ’t stelletje afgesproken. Wat zou ’t; gevochten most d’r worden. En Piet was in lol maar begonnen met schijnherrie tegen ’n Duinkijker, dien ie heel goed kende. Dadelijk erin, hakten anderen die partij trokken. Lach-barstend drongen Piet en Duinkijker weg, de partijtrekkers tegen elkaar aan den gang ziend. Achterhoeksche haatdragendheid en stupiede kijfbotheid stond op dronken zwijmelkoppen uit te barsten. Loome wrok, die langzaam maar schrikkelijk opboorde uit gesmoorde gloeidriften. Grooter werd broeiing, rossig toortste walm rond, vergroenend de zinne-koppen in grauwig brandlicht. ’n Kerkvaarter en Wierelander waren vlak bijeen gedrongen, eigenlijk niet goed wetend wat ze van elkaar wouen. Een had partij voor Piet getrokken ’n ander voor den Duinkijker. Die twee nou zaten te gieren op bank bij de deur tegen de uithijgende meiden lollend, dat ze voor hùn beidjes op elkaar inhakken gingen. Wierelander krijschte rauw.

—Bai jullie verdomme.... bai jullie op da gat.... da krot.. stong ommirs ’n bord.... en stong d’r’op.... hier hout ’t minsdom op.... da hai je t’met de beeste....

—Daa’s proat! loddermeroàkel.... nou.... ikke seg uit volle borst.... Duinkaik bóófe.... Wiereland ònder....

Bang gedreig van alle kanten. Rossige walmkoppen opdringend naar waggelkerel, die bleekig, met scheef vertrokken zenuwmond en drinkers-oogenlicht, doorzingen wou.... Duinkaik bóófe.

—Hou je smoel.... boerekinkel, of ’k sel je ’n lik onder je koàkebeen gaife....

—Sakrejenne.... wie breng je mee?.... seg.... snof’rjenne! beskimmelde huspot.

Plots hevig bonsden ruzie-stokers tegen elkaar op, door aanwarrelende dans-groep, die langs ze stoof, rondkolkte in stofwolken, gouïg oppoeierend midden in loods, verdween weer, in fantomige, sidderend rooïe walmsfeer, tusschen kankan van meiden, met rokken hoog opgezwaaid in schuimwit. Maar Duinkijker drong achteruit, stompte met z’n armen, roeide op ruggen en schouers terug naar z’n plaats.

—Kaik se stoan.... krek an ’n raitje.... aa’s aarepels in duin.... is da bier van sain?

—Joa!.... van sain.... blaif d’r af mi je poote.... Kaik die varkessnuit....

Meiden, verhit door danszwijmel lachten en giegelden belust op vechtpartij.

—Nou sel ’t puur uitsain, krijschte ’n Duinkijker midden in, of je hep ’n slag f’r je roap beet!....

—Bin’k self bai hée? venijnig-bleek giftte Wierelander terug, grauw-groen van drift.

—Wa hê jai mi An van doene!....

—Sjeis an je An, krijschte ie rauwer, z’n bierglas in woesten kring rondzwaaiend, dat ’t schuim vlokte om ’m heen.. Gesist en opgehitst werd er: kss!.... kss!....

Bloedschijn lag wild en begeerig in dronken zwijmeloogen van kerels, en de meiden, verlekkerd, wouen beroering, wouen gekerm en gekreun van ondergelegden, gekneusden, gebeukten, melodramatisch opgevlamd en verschroeid van zinnendrift. Midden in, drong Piet met Rink den polderreus, door de stilstaande paren.... Hevig-rauw krijschte geluid van lijf-reus, daa se moste deurgoan....

—Seg krente-mik, snait de fint an rieme, sloa’m sain beene stuk.... en timmer sain mit de bloedige ende op s’n pet!....

—Bàrst jai.

—Blaif jai heel!.... en meteen trok Rink z’n jas uit, om in z’n overhemd, meesliertend verkronkeld-oranjige halsdoek, nek-ontbloot, de eerste striemen weg te patsen, ’n Meid, blond in koniginne-statuur, slank en reuzig-forsch, was plots midden ingedrongen en uitrazend met tartende gebaren, duim onder kin woest wègstrijkend, gierde ze tegen Duinkijker kerel....

—Rooie!.... rooie!.... rooie!.... kaik ie tippele!..... kaik ie tippele!

—Laileke skarretje.... wa mo jai d’r vàn!

—Kaik ie tippele.... so glad aa’s ’n flesch....

—Debies jai.... ik stink tog nie suur.... duufelstoejoàger!

—Jai? an main jassie.... sie ie main van veure.... kaik nou doàr’.... En wild draaide furie om, met haar achterste hoog opwippend naar ’m toe, in dwazen hoonenden wellust-sprong.

—Vuile kwieb!....

—Mô je se maid siene.... puur soo breed aa’s hai.... soo pot!.... soo pan!.... gierde ’n kleine furie.

—Enn jai dan prop.... onder- en boofe-deurtje!.... mit je lange skele rot van ’n vraier....

—Debies, tartte de forsche meid weer, spitisger met ’r duim langs glimkin strijkend, in duivelend scherp gebaar, rooie tonglap er hoonend uitpuntend.

—Dubbel-debies jai muurvarke!.... stoppelkat!.. gaif jai je kindere te vrete!....

Plots opgestookt door verstoorde bende die dansen wou, kwam goeiig politie-mannetje, verlegen aan z’n rossige bakkebaard aaiend, tusschen de ruzie-lijven staan.

—Blaif jullie nou je fesoen houe.... toe nou.... kalm an.... kalm an.... jai die weg uit.... en jai die.—Zacht begon ie den polderreus te verduwen, die beenplakte, als ’n rots onwrikbaar, uitdagend, met z’n moker-armen tegen muzikantenhekje bombardeerend, dat de kerels trilden achter walmlicht. Rink’s groen-valsche oogen, lichtten als fosfor, donker-woest diep in z’n ruwen kop verdoken. Ruzie was geslabakt en wilde warrel joeg weer door de loods, die walm-zwaar pafte, in stofpoeier boven het geschetter, dat rood-sferig brandde. De koperen instrumenten van blazers flitsten in licht-glimsels.—Toortsig-helsch en satanisch, dreunden donkere monden van trombones, hun zwaarlijvige tonen den stankwalm in, dat wanden te barsten dreigden; fel boorden de hoorn-stooten als priemend geluid door de broeiing; schommelend gingen de lijven weer in rhytmisch gehobbel, in koorts van draai en tolling, geilde de zwijmeldans weer door de loods, in rossigen rook, die meid-gezichten schroeide en oranjerig-rood begloeide in zwelling van bezweete huid.

Piet zoende in ’n storm, tien meiden te gelijk, achter den arm van hun dansers, waarin ze omschroefd pletten, en met Rink achter ’m aan, wien hij iets in ’t oor schreeuwde, drong ie naar den uitgang.

—Wie main lief hep, volgt main!....

’n Twintig kerels hadden ’t sein begrepen. Buiten, op de verwittende havenkaai zouen ze ruim-rustig kunnen zuipen. Zacht vlokte sneeuw neer, wemel-schimmig op zwak lichtend haventje. Vlak bij tuindersboot, die donkerde in watertje, met fel-groen ooglichtje half-mast, holden en slinger-lijzigden de kerels aan, donkere stoet in wittigen vlokwarrel, schuw, om lantaarn-paal, die rossig-goud hun tronies beschemerde tegen nacht-duister. Piet en Rink smakten zich in de sneeuw, plat op hun achterste, met beenen vooruit, en schimmig cirkelde heele stoet, neergesmakt op straat, schimmig en schaduw-vreemd, zwakkelijk verrood in den gouïgen vlokkenmist onder lantaarn-paallicht. Achter de zuipers verwitten stil, huizen en boomgestalten, karren en manden. Inééngekromde pakhuizenrij, waarop bàng-wild, rossige schijnselkring van kleine lantaarn, makabren donk’ren bronsgloed kaatste, school droef weg in diepe droomtonen àchter sneeuw-wemeling. En geheim-zacht in ’t rosse licht dáár, zweefden de vlokken voor de droeve vensterblinden en schemerluikjes.

Piet had ’n groote kruik onder z’n jekker uitgehaald. Rink presenteerde ’n diendertje. Gretig ging rond nu in den kring mank glas en kruik, tot ’t onder beestig, koortsig-heet gekrijsch bij Piet weer terugkeerde. Kannibalig donkerde de hurkende zuipstoet, in den licht-schichtigen lantaarnkring en bang-groot slagschaduwden hun handen, koppen en lijven bij slingergebaren dooreen, in paarsdiepe silhouetten op rossigen, trillenden sneeuwgrond. Lallend zangden de heesche beest-stemmen. Even van kerels af, die in ’t vlok-schimmige als bedouïnen-stoet in sneeuw-nacht woelden,—kwam angst-gekijk van Baanwijkbewoners soms, schuw op haventje loerend.

En stil, ruischloos boven donker-rossige, woeste zuiptronies, omkaatst van schimmig straatwit, vlokte om lantaarnpaal heen, zacht sneeuwgeweef, kuisch, smetloos wonder van vlokkenschemer, zachte warreling vergouend in ros-vlam, ontroerende smelting van licht, heilig en stil, dichtwevend duisteren nacht rondom.

Politie was gewaarschuwd. De burgervader, met ’n paar mannetjes kwamen aansjokken, vooruit voelend, dat ’t niet goed afloopen zou.

Jeneverkruik was leeggezogen en de helft van stoet stond weer, waggel-zwaar, en nijdig vloekend op Piet en Rink dat ze niet eerlijk gedeeld hadden. Piet, met bloeddorstige natuur, voelde vechtjeuk, schold terug, aldoor één woord, liederlijk. Rink zag schuw den burgervader aanstappen. Verdoken achter den kring, gooiden ’n paar sneeuwballen, vuil-modderig, van ’n groentenkar uit, naar agenten. Piet lolde, rauw, mikte steenen pal op zwak-geligen blinkhelm van kleinsten agent onder schuw licht. De heele troep was plots van de straat-hurk opgesprongen.

In wilden grabbel graaiden krampige handen over sneeuwgrond. ’t Regende ballen naar burgervader en agenten, zacht aanpaffend tegen hun kleeren. Bleek-streng bij ’t licht,—den stoet verjagend, die achteruitdrongen was,—draaide burgervader zich om, beval barsch agenten te staan. Even stemmen-gefluister tusschen hem en agentje. Sabeltrekkend in ’t schuwe licht, donkerde ’t mannetje met z’n klein gevolg, stijf, in versnelden pas op bende aan, die onder vijandig uitdagend vinger-gefluit en heet-lustig vechtgeschreeuw van Rink, zich achter karren en mandstapels bij ’n schuit verschanst hadden.

Onder hagelstorm van moddersneeuwballen, was agentje den duisteren wallekant genaderd en luk-raak, in sneeuwgewemel, dat ruischloos donkere mondholte inzweefde, schreeuwde hij iets voor zich uit, onverstaanbaar terugslaand op gegier van dronken stoet. Toen kwamen, op fijn fluitsignaal van agent uit z’n staf, onder lantaarn uit, twee nieuwe mannetjes aanzetten, sprongen wild uit den rossigen lichtkring met sabels de lucht invlijmend, maakten schijncharge om te laten voelen, dat ’t ernst kon worden.

Uit de danszaal holden meiden, gillend in lawaai, en nieuwe kerels dromden áán, heet-nijdig op politie, drongen samen met vecht-stoet.

—Hak’ker puur op in, krijschte een agent, die lust had te ranselen, dwars door de dronken bende. Weer volgde van klein troepje dienders, ’n schijncharge. Achter karren, die schuin opstonden, met kruk de lucht in, vluchtte weg, donker gestoet van meidentroep naar wallekant, in angsthaast over glibbervuile loopplank dringend, naar tuindersboot. Achter kisten en manden uit, striemden steenen, hout en groentenvuil zwarte streepen door sneeuw-wemel, die als in stormhoozen weer wegwarrelde in andere richtingen.

Boven alle geweld uit krijschten de stemmen van Rink en Piet, dat sullie de kerels ’t water in mosten douwen. Plots trokken ze allen, met brok-scheppen, hooi- en mestvorken,—die ’n paar kerels uit afslagloods bij ’n pakhuis hadden losgewerkt uit den rommel,—op het viertallig agentenkringetje af, waar burgervader bleek-strak midden-in ordonneerde. De agentjes hadden de sabels ingehouen en de dronken stoet, in brullend gekrijsch en gefluit, drong weer, uit donkering van besneeuwde handkarren en kisten, in rossigen schemer van lantaarnlicht, midden op haventje, zwaaiend met scheppen, steekvorken, rijzenknuppels en boomstronken. Vooraan gilden dronken meidentronies, sommige woest-bleek beschenen, nat van sneeuw, met schuimige vlokken op neuzen, wenkbrauwen en oogranden. De burgervader, voelend dat ie te sterk had ingezet, schuchterde achteruit, wou ’t z’n klein agentje weer zoetjes laten bijleggen. Aarzeling was er, die de stoet voelde, want raker en striemender bonkten steenen, koolstruiken en hand-ingekneusde sneeuwballen in ’t kringetje, waarvan burgervader mikpunt werd. Klein agentje trad even weer uit den kring, vlak voor de donkere woelige bende, kerels die slagschaduwden op lichtschuwen sneeuwgrond, als wemelende gedrochten uit chineesch schimmenspel.

—Jonges, schreeuwde agentje met vredestichtend timbre in z’n stem,.... hou jullie je nou kalm.... wa geeft ’t nou!.. sukke herrie!.... goan jullie nou kalmpies uit mekoar!....

Woeling gierde er los uit den stoet, die nu weer vooruitstrompelend, in kring om alleene havenlantaarn duivelde, rossig, in wilde schijnsels.

—Barst jai, gilde Rink uit, jullie benne begonne.... laileke dood-van-ganzebord.... jullie sa’k levent f’rbrande.... aa’s we je nie mosse fille....

—Kalm nou, kalm àn, deemoedigde agentje, z’n sabel weer in de schee neerpuntend.

—Kalm, kalm, m’neer salm-salm, zang-gierde Piet.... komp bai de huur t’regt.... nou kort en goed, duufelstoejoager.... aa’s jai.... mi je k’rnuite.... aa’s jai nie ofer-dwars te woater mòt, ruk dan in.... mars!!

Schatering daverde òp uit den troep, meiden liepen gil-lawaaiend weer terug over loopplank. Donker gegons van áánpaffende sneeuwballen, verschimmend in kruisworpen naar agenten-kringetje, dat stil nu afweerde, bàng voor ergere opwinding.

—Doe jullie je latjes weg, krijschte éen uit den stoet.

—Verdomd aa’s de duufel jullie sette ken, verdomd,.... vloekte moedig klein agentje,—goan jullie nou deur.... mot ’r nou geranseld worde.

—Joà joa! krijschten meiden.... kok-kok-kok!.... kok-kok-kok!.... moeder weer ’n eai!....

—Op jullie bakkesse!.... die skar van ’n burgerfoader mô te woater.... galmden anderen weer.

—Smait sain onder de kar, breek se de strot, gierde Rink uit den stoet.

Een jolige meid duivelde plots vóór agentje, gaf ’m ’n ruk aan z’n baard, haastig in den donkeren stoet weer wegspringend, die al meer kwam aandreigen met zwarte harken, vorken en zware gereedschapbrokken.

Rink zwaaide met ’n ijzeren moker, maar agent je was ’t minst bang voor hèm. Vlak bij ’m ging ie staan.

—Wees jai nou verstandig Rink, vleide agentje, zeg jai an Hassel nou, da se goan motte.... jai ben tog de boas hier....

—Nee, huil-woedde Piet, die ’t half gehoord had,—doe jai die spitsboef doàr de boeie àn.... geef sain ’t kettinkie in z’n klauwe.

Rink, dronken-duizelig, half wetend wat ie zei, was gevleid door agentje.

—F’rjakkerjenne, spoog ie uit.... hou jai je bek:.... ikke bin boas hier.... ikke!....

Zwaar zwaai-suizelde moker boven z’n schemer-rossigen dreigkop; z’n lippen sputterden schuim en voort brulde ie, doffe klanken onder zwaarder geslinger van schamp-lichtenden hamer. Plots greep ie de vork van ’n meid voor ’m, sloeg de punten woest tegen z’n moker in, boven z’n kop, dat stàlen tanden, lichtflitsend, vonkten tegen ijzer....

—Weg d’r mee!.... de maa’n het glaik.... snurkers!....

En weer slingerde ie de mestvork woest tegen den stoet in..

—Fort jullie.... ’t skeelt t’met nies.... nies.... of wullie gonge de bak in....

Allo jonges.... wai saine waiser.... loate wai de vuilike links legge.... links legge.... wai.... wài.... binne vuilike.... wài.... sài binne ’t.... sài....

—Agentje klopte ’m gemoedelijk tegen z’n rug.

—Flink soo Rink.... soo is ’t.... goan jullie d’r moar van deur.

Maar Piet wou niet, bleef halstarrig, schold Rink uit voor ’n verrajer, ’n kabboebelaap!....

—Jai transvoalsche seemeeuw, stinkbunsum!.... jai.... Engilsche boef!....

—Hou jai je bek.... ik seg moar.... ik seg moar, waggelde Rink er uit, stomdronken, donkerhoog boven den stoet uitschouderend,—ik seg moar.... da je.. da je te veul neusiesverf hàt hep.... jài bin dronke.... f’rdomd!.... dronke!..

De vrouwen wouen niet langer staan in kou en nattigheid. Telkens scheurde zich ’n groepje af van den stoet, dat lollend en zingend, onder vermaning van agenten, de haven langsslingerde, onder boomen door; soms afbrokkelde, dàn weer arm-in-arm haakte, als donkere schutters in rijen, opmarcheerend naar hoek van achterhaven, tegen schuwen pakhuizenschemer in, den polderweg op. En achter hen áán, kreupelden al meer schamele hinkstoetjes, scharminkels in duister bewustzijn, verkoortst van karnavalshitte, onmenschelijk en ramp-zwaar geslagen, havenweg áfslingerend; landloopersellende, verspokend in langzamen schaduwtocht tegen oneindig donker-schimmige gat van besneeuwde-wei-poldernacht.

Piet alleen, bleef doorrazen, met nog ’n stoet je waggel-kerels, om lantaarn-paal heen. Rink drensde mee, Piet zeurde tong-zwaar met hoog-piependen stem-overslag.

—Sien je.... sien je.... jai!.... jai!.... jai-bint ’n fârrike.... sel ’k moar segge.... moar ik seg.... ik seg.... fierkant wa je bin....

—Nou.... en ikke, treurstemde terug Rink, ik seg.... ikke.... ik seg.... da jài ’n boef.... ’n boef.... ’n Sjemperlan bin.... ’n skar.... sien je!.... moar.... i i i i ikke.. ikke.... ikke.... ikke seg-’t.... i-i-i-in je smoel.... sien je.. sien je.... e’e eerlik!....

—Jeaijsis.... jeaijsis!.... daa’s net...., lolde Piet vroolijk.... Ikke.... i i i kke.... i i i n.... ’n ploert.... sien je.. é é énne.... enn jai.... jai.... ’n boef...., nie.... ?.. nie?... daa’s eerlik.... geef màin nou.... nou ’n poot kameroat!.... daa’s net.... jai ’n.... boef!.... é é é.... é é é.. enne.... ikke.... ikke.... ’n Sjamperlan!....

En roerend innig, verrast en verzoend, tegen elkaar opwaggelend, met kwijl van lach-pret om hun monden, tast-zochten ze naar lantaarnpaal voor houvast, in been-waggelend geduizel; grijnsden hun rossige tronies, lachend onder het licht, probeerden ze elkaars handen te grijpen. Piet met z’n mouw, poogde zwaar gevlok van z’n sneeuwgezicht en brauwen weg te strijken. Laatste troepje, waggel-breed, slingerde den polderkant op, den spoorweg òver. Rink alleen achteraan, waggelde een zijweg van polderpad langs, langzaam, in hevig geslinger, angstig-rakelings langs slootkant.

Stilte was nu geweven.... Van ver klonk telkens áán, melancholiek gegalm van Rink’s zangstem over doodstille wei, oneindig in vlokkendans verschemerd. Droef klonk dóór, zwaar-klagelijk en dronkemansteeder z’n lied:

Ik bin moar.... ’n swainke.... allain stoan ’k hieeeer! Allain op de weijrelt.... mi-sonder pelsieeer....

Piet, alleen sprekend bij lantaarnpaal, was ingezakt, wroette op de straat in ’t slijknat, kon zich niet meer op z’n beenen hijschen. Zachte redenaties hield ie tegen de steenen, met z’n gezicht in den sneeuwmodder.

Eindelijk kwam erbarming; werd weggedragen z’n stinkend lijf door twee agenten met kleintje aan ’t hoofd.

Stil nu lag haventje weer, in rossigen schemer, doodstil. Onder allééne lantaarn vlokte gesneeuw, vergouend in gasvlam, en schepen, verwitten hoog tegen spokigen spoordijk op, waarachter schimmig deinde, sneeuw-schemer van polderende wei-zee.

VIERDE HOOFDSTUK.

Kees Hassel, of Kees de Strooper, zooals oudste zoon van Gerrit overal genoemd werd, bij Wierelandsch en Duinkijksch volk, klomp-klapperde over deftig-stille Beekstraatje van ’t stedeke. Het nauwe, stille straatje, waar vierkantjes en netjes knussige huisjes van fatsoenlijke burgerij nestelden, lag nog in slaperige ochtend-stilte. Van hoek- en dwarsstraatjes uit, ratelde soms ’n boerenkar áán, met mest of rijzenlading. Twee kerels achter ’n groentenkar bonkerden juist de stille straatkromming in, uitglibberend achter hun wagen op ijzeligen grond. ’n Paar werklooze tuindersjongens, kwamen plots ’n zijwegje uithollen, schreeuwend ’t straatje vol met stemlawaai, staanblijvend voor drogisterij. Ze gierden, bij ’t plan, den Gaper, die suf z’n tong uitstak, mal lachend onder z’n kleurigen tulband, den mond dicht te kwakken met sneeuwballen. Z’n rooie holtemond kwijlde de ballen uit. ’t Was of z’n keel vol borrelde met schuim en z’n oogen, goliath-groot, angstiger sperden van benauwing.

—F’rsjue Jààn, hai hep t’met nog honger.... schaterde één, met twee zwarte, ingekneusde sneeuwballen klaar, om te gooien, springend van lol, alsof ie op gloeiende platen te dansen stond.

Weer bonkte ’t raak tegen rooien kokkert van Gaper, en wezenloos, z’n stommen lachmond, breed, als scheur in rauw vleesch, met schuim op bloed-rooie lippen druipend, bleven staren, z’n angst-oogen; plakten sneeuwbrokken op neuskromming, dwaas en klownig.

Ze gierden, de straatjongens, al doller grimassend vóór den roerloozen lachkop. Kees klapperde voorbij, z’n hoekig-reuzige lijf, in groenig-schimmeligen jekker, loom opkijkend naar jongenslawaai, los-onverschillig van gang, z’n armen afbengelend langs zwaar gelapte broek. Z’n geestige scherpe kop stond strak-onverschillig. Z’n lippen knepen fijn op elkaar gedrukt; lippen als van ’n visch, dunne snoekige mondlijnen, strak, wreed.—Klos.... klos, klapperde ie door ’t fatsoenlijke wijkje, waar elk gezin voor Kees den Strooper bang was. Van de heele plaats tot Kerkervaart toe, ging er roep uit van Kees, Kees durfde alles. Ook ’n moord te doen. Eenigen zeien, dat ie al twee vrouwen vermoord en tien jaar gezeten had. Bange katholieken maakten ’n kruisje als ze ’m zagen aankomen. Weer anderen vertelden, dat ie bij de Ruïne van Braale, ’s nachts, twee koddebeyers, die ’m op de hielen zaten, bij ’t stroopen, den hals afgesneden, en de bloed-koppen in z’n zak meegenomen had.

Politie en oppassers tartte, bespotte ie, omdat ie sterker nog was, dan Rink van den polder. Niet een uit de plaats durfde met ’m vechten, of om prijzen buksschieten. Geen strooper, die tegen hem kon vangen. Bijna altijd stroopte ie alleen, zonder lichtbak, in stikdonker, soms zelfs met helder maanlicht, want alles tartte ie. En als geen sterveling eruit durfde, de dolste wind door de bosschen gierde, en Satan schaterde; als heksen op den misthoorn bliezen in sidderenden loei, dat ’t bijgeloovige Wiereland, in d’r slaapsteën te beven lag in angst-luistering naar het kokend kraak-gebulder, dat zoo-van-zee, òver het stedeke uitraasde, dichter, al dichter bij de plaats,—kwam hij, uit holst van den nacht, met beste vangst, bevend van kou, druipend van regen, maar stil en mor-loos. Ieder hield hem voor ’n gevaarlijken rakker, met den duivel in de ziel. Nooit sprak ie bijna, maar als ie wat zei, was ’t raak, hevig, oproerig.

Zoo was er over Kees’ doen en leven, door dorp-stadje Wiereland, een legende geweven, waaraan iedereen wat bijsierde. In de kleine havenkroegjes dobbelden en vochten ze er om of ie wèl of niet gesnapt was. En als ie soms heel onverwacht daar verscheen, werd ’t stil, zakte rumoer, en praatten ze vriendelijk-bangelijk met ’m. Nooit nog had een ’m dronken gezien. Ze zeien dat ie stil zoop, want geen sterveling kon er ooit meer dan één borrel bij ’m inkrijgen. Wierelandsche notabelen en nette burgerij, braaf en verstandig, lachten goeiigjes, in soos en hoofd-kafé, aan de kletstafel, om dwaas gezwets en gefantazeer van het plebs. Ze vergoorden dáár, de onbewuste poëzie van klein-levend volksmassatje, met hoon, hoog-wijze knikjes en lachjes. Maar ook zij toch hadden respekt voor den reuzigen, eenzelvigen strooper. Als ze ’m zagen, keken ze den vent na. En nooit dronken ontmoetten ze ’m, nooit sprekend, nooit werkend, in één stil voor-zich-uitturen, met z’n grijze, fel-guitige oogen, ernstig en wreed-strak.

Toch, achterhoeksch volkje, bleef ’m omweven in legende-sfeer. Een strooper vertelde, met zwaar-klinkenden ernst, dat ie ’m gezien had, ’s nachts bij de Ruïne, in woest hondeweer, met z’n geweer geschouderd, hand aan den trekker loerend, op den duivel. Armelijke verbeelding van katholieke en protestantsche jochies, maakten zich onder elkaar van den strooper gedrochts-voorstellingen. Vooral in den winter, ’s avonds en ’s nachts. Vast waar was ’t, dat ’t spookte om de hut bij Kees, daar tegen het woeste duin van Duinkijk, ver achter straatweg naar Zeekijk, waar hij al jaren woonde.

Daar, achteruit-geduwd met z’n krot, z’n vrouw en kinderen, in het woeste duinhart, waar geen sterveling in donker den weg wist, gebeurden spokige, beangstigende dingen. Vaders vertelden ’t nà voor hun kinderen en vooral in katholieke kringen, gingen schriklijke verhalen over moord en geesten, van kind tot kind, elke week wat nieuws, dat de zieltjes er van beefden. En als ze ’m, na zoo’n verhaal, in den avond soms ontmoetten, was ’t hun, of z’n lichaam ’n bloedige schaduw vooruitwierp, op de straatjes, te zien nog éven, achter het rossige gaslichtschijnsel.

Kees wist wel, dat er duizend malle praatjes over ’m gingen, dat de katholieken vooral ’m meden, schuw, als ’n ziekte. Maar z’n onverwoestelijke koelheid en strakheid voor ’t geleuter van mènschen, en z’n reus-schonkige natuur, maakten ’m zelfbewust zeker en onverstoorbaar gewoon, onverschillig, stiller tegen ’t gepraat in. Z’n eenzaamheids-lust was ’m ingeboren. Met de stilte was ie opgegroeid. Ook z’n zwijgen was in hèm gewoon; dood-gewoon. Hij kende geen woorden, hij wist ze niet te plaatsen. Woordloos dacht, voelde ie de dingen beter. Er viel ook niks voor ’m te zeggen. Hij keek veel liever. Alles lag stil in z’n binnenste, en van z’n wrokkige verbittering op z’n wijf wou ie geen sterveling spreken.

Niemand had er mee noodig. Ook niet met z’n armoe-lijën.

Haastiger, in woede, klapperde ie besneeuwd-kromme straatje af. In z’n denken nu, dat boers-dwars, ruw-onbeholpen was, maar eerlijk en wreed-oprecht, lag zwaar ’t bewustzijn dat ze ’m nergens bijna wouën hebben, om z’n stroopen, omdat hij ’t was. Hij voelde in hun weigering, angst, bijgeloof. In z’n hevig, dier-driftig karakter, onbewuste opstandnatuur, brandde verzet tegen alles, wat ie kende aan menschen in Wiereland. Nooit had ie wat gelezen van socialisme. Van dat geleuter most ie niks, niemendal hebben. Alles in ’m was van ’n woeste vrijheid, onbelemmerde ademhaling, ruim in de lucht, in ’t duin. Meer wist ie niks van ’t leven. Nou, al vier weken, liep ie hongerig bij den weg, en ’t driftte in ’m rauw-geweldig, dat ie voor z’n nest van negen kinderen niks te vreten had. Dan nog de zieke lummel, die ’m zoo gretig kon bekijken als ie thuis kwam met leege handen, al was er voor hèm altijd iets.

Nou was ie half-lam, z’n eenige jongen, waar ie van hield, ’t eenige dat ’m thuis deed komen. Ingebukt van zorg-gedachten, wààr wat vreten te krijgen, bleef ie staan, voelend z’n lijfkracht als iets dat ’m hinderde, iets te véél, waar ie in ruil voor brood, wel van af wou. En duizelig, van weeïge leegte en knaag-jeuk in z’n maag, vloekte ie in stille hevigheid, dat ie geen geld had voor kogels, dat ie nou samen d’r op uit most om te stroopen, met lui, lui, die ie verwenschte, ’t stroopen dat ie haatte, schrikkelijk diep, waarvan ie ’n walg, ’n afkeer had, gloeiend en onzeggelijk diep, al dachten ze allemaal, dat ’t z’n grootste lol was.

Hij vloekte de uitgelaten stroopers, Wierelanders of Duinkijkers, die stroopten, vooral uit vraatzucht, bluffend en snorkend, zonder haat en worsteling, tegen ergst en honger, en tegen lui, die ’m beletten te vreten.

Huiverig en koud keek ie uit, overal, waar ie het sneeuwstraatje langs ging.—Z’n nest kinderen, z’n vloekwijf.... weer niks....! niks! wat kon hij ’t helpen.

Voor ’n koek- en brood winkel bleef ie staan, met groote gulzige oogen. Als ie ereis gapte, bom! weg was ’t! Nee, verrèk, dat kon ie niet van z’n eigen verkrijge. Jezes.... alles doen! maar dat niet. Aa’s se sain grepe.... en dwonge dat brood terug te geve,.. en aa’s se sain in z’n nek pakte en meesleurde... Nee, kristus nee, dat kòn ie niet hebbe, hij zou ze vermoorde, d’r strot dichtknijpe.... Dàn was ie d’r bij voor eeuwig en z’n jonge, z’n lamme kerel.... die daar nou thuis lag, alleen, bij z’n vervloekte moeder.... Nee, doorloope!.... doorloope!.... en niet kijke, niet kijke.... allegoar kende z’m hier.... iedereen had ’m nou in de gate.... nergens naar bakkerij kijke.... Je niet vernedere, da se je pakke en uitskelde veur dief....—Godf’rjenne, dan liever den boel làmrinkele....

Even staan bleef ie weer, met z’n oogen doelloos de grijze lucht instarend. Grauw drukte laag-zwaar de lucht op de tuintjes en huisjes, droef gewolk. In wittige donzing weggevlokt blankten de dakjes en gevels. Ingewarmd, in sneeuw, lag stil-vochtig, veilig, bourgeoisstraatje nu voor ’m, met de knussige bepoetste huisjes. De tuintjes er voor, wit besproeid; sierdennetjes en heesters, wit-stil, ’t groen verborgen, kromgekronkeld onder blinkend-stekende sneeuwvracht. En overal, in zij-wijkjes en Beekstraat langs, besneeuwd gepui van kleine huisjes, wit gedak, met zwarte en rooiige pannen-uitpunting, droef-mooi winterstraatje, scherp-blank in grauwlucht, vreemd uitblijend in sneeuwpronk van winterigen treurdag.

Uit Leekerweg, kwam Westerling op ’m aan, met stapel hout op ’n slee.

—Zuinig weertje heé, lamenteerde die goeiig, onprettig zich voelend met Kees’ ontmoeting, maar toch even staanblijvend.

—Debies! zei kort-strak Kees met diepe basstem, vol en trillend, die naklonk ’t zijstraatje in.

—Niks om hande? vroeg Westerling, wel wetend, dat Kees niks had. Geen antwoord gaf ie, voelend ’t leutervraagje van den kerel.

—He’k je bai Teunders lest week nie sien?..

—Twee dage spit.... vaif steek.... wàs doàn.... meskien mo ’k morge raize loa’je...., in ’t bosch....

—Nou, k’ep ook nies, spuwde Westerling uit, ’n tabakstraal sputterend op z’n slee....

—Zoo, zei Kees, ’k loop mee....

Verwit lag arbeidswijk, in blink-licht, paarsig sneeuw-blank.

In rommelige wijkjes volgestord van hondengeblaf, dof en hoog verklinkend uit erf-hokken, stonden verschrompelde kerels en vrouwen aan deuren, hier en daar te praten, hoog-lijvend tegen krotjeslaagte, met dakrand, rakend bijna koppen. Verder op lag recht uit, àl recht uit, Roederspad, nauw boompoortig. En tusschen krot-ingeulingen, steegjes en kronkelige vuile padjes, in een sfeer van teringende ellende, waaruit opwasemden stanken van rotgroenten en karvuil, kwam plots, inkijk op vergoorde erfjes bloot, waar stapels hout rotten, omhuifd en begraven onder blanke sneeuw, stil-onkenbaar, rommelgrauw van erfjesellende. Soms zwartten en slagschaduwden paarsig op schitterwit, bodembrokken van vaatjes, donkere mandpunten, ouë stoelpooten, boomstronken, verbruikte rijzen en treurden ouë lappen en zeilbrokken, triestig en kniezig in ’t blank.—

Kees was ’n zij straatje ingeklost en Westerling liep recht uit, z’n slee slingerend op glibberbaantjes over platgeloopen sneeuw. Op ’t Kloosterpad kreunden krotjes, droeviger, wrakker verweerd, als beschimmelde hondenhokken, wegdonkerend tusschen spleetweggetjes, waar nieuwe krotjes-kronkel weer doorheenschroefde, uitloopend op sombere hoog-donkere schuttingen, om moestuinen der heerenhuizen van Baanwijk. Soms rammelde in de dorre gangetjes-grauwte ’n luikje, bleek-blauw, pastellig kleur-teer, met scharnierpiepjes krijschend; en kledderde vaal ’n kindje, met vuile voetjes in moddersneeuw, gretig uit z’n klomp water opzuigend, telkens vullend weer, in zwak bonzenden slinger aan de pomp,—grauw brok steen, er staand als groenig-bemorst voetstuk van vergruizeld standbeeld.

Dorps-stil lagen de huisjes en weggetjes hier. Kees klotste zwaar-rhytmisch in de stilte, op armelijke bestrating waar ’n enkele puntkei uitstak. In stiltegrauw kroop hier de winter rond van hondenhok naar hondenhok, bleef ’t licht treuzelen vóór raamkozijntjes. Soms klonk òp uit wintere dorps-stilte gedempt haangekraai van erfjes.—Vlak voor Kees’ voeten drentelde berooidnattige kip, kalig-zwart, in den sneeuwmodder pikkend, al pikkend.

Stil stond Kees plots voor krotje, dat, in kromming van spleet grauwde, vlak tegenover nog ingezonkener hokjes,—eenzaam, met smadelijke afknaging van gevel, als stadskrot-ellende, zonder kleur, met niets van landelijk mooi, dat er wazen en teer triesten kàn over ruïne-huisjes, en bouwvallige bosch-hutjes.

Droef en ellende-rauw kermde ’t krotje, z’n verzakt klinkdeurtje en kozijnen, in winterangst. Met z’n hoofd dakgoot rakend, trapte Kees even tegen de deur, die in broos-groenige, uitgevreten kleur, weende van armoe. Zich inkrimpend, keek ie rond, achterend in, of ie Bakkerman zien kon. Vóóruit was geen raam, geen kamer. Alleen achterend donkerde òp met grauw erfbrok als woonkuil. Bakkerman was niet thuis, kwam ’n vuile magere vrouw zeggen aan ’t deurtje. Achter haar áán, in gangetje, sleepte ’n modderigvuil kindertroepje aan ’r rokken vast, met zwarte snuitjes, in voddig goedje, iegelijk onder- en bovenkleertjes.

—Stil lammelinge, schold de vrouw, achteruit trappend tegen stinkende troepje, dat de voorste opzij viel door den schok. In ’t gaterige gangetje, donker en stank-uitwasemend, kon Kees net nog zien, hoe ze onder elkaar te wurmen lagen als vervuilde jonge honden, die zog-hunkeren naar de tepels, in gretig vooruitstrekken van blinde snuitjes. Gehuil kermde òp en weer vloekte de vrouw, Wierelandsch-stem-zangerig, tegen de oudste op ’t erf.

—Hier Mie, neem die helhake effe bai je!.... d’r valle puur klappe aa’s foàder t’met komp.... werm jai flesch effies.... Ko!.... kristus Hassel, se moake main puur daas.... geloof je?....

Kees wou even blijven staan, droomerig ’t gangetjes-donker inkijkend, zonder iets van de ellende te voelen. Met ’n barsch gedàg liep ie verder. Hij had Bakkerman motte hebbe,.... stroopafspraak.... debies.... fort dan moar!

Van ellende begreep ie niks. Hij voelde zich er stikwoedend bij, maar er in opgegroeid was ie, van jongs af. Z’n vader had ’m om z’n streken uit huis gejaagd. Op zichzelf had ie rondgeschooierd, en om beter leven, rustiger bestaan, dacht ie nooit. Z’n hongerleven joeg ’m op, liet ’m geen tijd te denken. Kwam ie in Wiereland al ’n enkele keer eens ’n rooie tegen, dan luisterde ie wel éven, ziedde ’t wel in ’m, begon er ’n drift in ’m te razen, maar kort, heel kort. Den volgenden dag, was ie de poespas weer vergeten. Om anderen gaf ie geen zier; ze moesten zich maar zelf redden. Hij most vrete hebbe voor z’n kinders, z’n zieke jonge. Wat ie alleen dierlijk-hevig voelde, was alles-neerbeukende verzet-drift tegen lui die ’m wouen pakken, als ie stroopte. Dan kookte in ’m ’n vuur-kraterende drift. In Wierelandsche winterellende, als er geen vuile brood-korst meer thuis lag voor z’n heele nest, zou ie kunnen moorden, uit wanhoop en drift, wanneer ze’m afjakkerden, opjoegen onder ’t stroopen. Want hij zelf had ’r ’n gruwel van, vond het ’n lam, ellendig werk. Zaten ze ’m dan toch achter z’n hielen, dan kwam ’n rooie moorddrift in ’m opschroeien, kwam er bloed-zware wrok, ’n felle, gierende, stil-hevige haat, hamerend z’n hart in, maar dien ie bedwingen wou, temperen, verjagen, onderdrukken. Dat lukte soms, maar dikwijls stond ie niet meer in voor zichzelf, was de drift zoo fel en ontzettend, dat ie niet meer zien kon; stonden z’n oogen in nevel van woede. Dan joeg ’t in ’m, brandde, bonsde ’t.... die lui die alles hadde. Zóóveel land, goed, bosch, weg, en die hem de paar beestjes niet gunde die ie schoot, om niet te verrekke van honger met z’n nest. Dat kon, kòn ie niet snappen. Redeneeren dàn was ’m onmogelijk. Als ie zich dan door koddebeiers zag opgejaagd ging er ’n siddering van moordhitte door z’n handen, voelde ie zich zwellen, hoorde ie, zag ie zichzelf niet meer. En toch vermeed ie ontmoeting, uit angst voor hùn leven; bleef ie soms ’n paar uur geluidloos in ’n sloot of greppel verborgen, kromgebukt, soms tot de borst in ’t water dat ze ’m niet zàgen. Maar loerden ze in ’t donker op ’t padje, naderden ze, zoo dat hij uit bosch wel hen op den weg maar zij, van paadje uit, in ’t bosch, hem niet zien konden; hoorde ie hun stille ademhaling, dàn brandde de hitte door z’n handen om de lakeiige bloedhonden neer te schieten, kwam er stemlooze dondering in z’n strot om uit te gillen dat ie haarlie en d’r boas d’r strot zou afsnijen als ze ’m niet met rust lieten. Dan kwam er bloed in z’n oogen, ’n rooie nevel en mikte ie.... Maar hoorde ie ze dan weer afdwalen, verder van z’n plek, zag ie ze even sluipen van den weg,—gingen er naardere rillingen door z’n lijf in z’n natte sloot. Dan voelde ie in ééns klààr dat ie ’n moord, ’n moord zou kunnen doen, kalm en vast; dat ie gauw z’n drift intoomen moest of zeker zou ie ’n moord doen.... doén!.... En z’n lamme jonge dan? z’n zieke kerel, z’n eenige zoon.... aa’s tie hèm niet had? Wat most ie zonder hem? Dan zei ie maar niks meer, kwam ie thuis met nog ziedende drift-oplaaiing, lag ie, doorzogen van water, in bed ’n paar uur te klappertanden en te beenbeven voor ie sliep, dat z’n vrouw ’m snauwde: of ie soms de koorts had in z’n pens. Na dagen eindelijk was die dolle drift gesmoord, afgebroken op ellende en verweekt door angstig oogestaren van z’n lamme jongen uit z’n bedje. Dan kraterde ’n andere op, even hevig en bloedrood, die taaier leven bleef.... de woede tegen kerkgangers en geloofshandelaars. Daar kon ie wel eens tegen uitluchten als ze ’m hinderden. Uitbarstende toorn, dat z’n oogen weer in bloednevelen driftten, z’n gezicht grauw-bleek stond van woede en z’n reuze-handen in zenuw-beweeg krampten. Dan sidderden ze voor ’m, als ie zoo op iemand afkwam.

Nou weer, in z’n loop naar huis, langs al die winkeltjes met heiligen-beeldjes.... Nee hij kon er niet om lachen zooals anderen deeën, hoonspottend, en gluiperig toch tegen katholieken. Eén woedestroom kwam er door z’n reuzeknuisten gloeien, in brandenden lust om den boel rinkelend tot gruizel te hameren, met z’n marmeren haat-vuist, om al dat laffe spul tot pulver te hakken en te blazen als stuivende kalk in de oogen van paapsche bedotters.

Wat ie was voor zichzelf wist ie niet, kon ’m geen zier schelen. Niks braaf, niks goed was d’r an ’m.... Maar huichelen en liegen dee ie nooit. Hij leefde om te ploeteren en te vreten. Met z’n merakelswijf was ie nou eenmaal getrouwd. Daar zat ie nou met z’n nest van negen. Nou, nòu eerst begreep ie, in woeste helderheid, waarom z’n vrouw, die eerst toch, als meisje van ’m gehouen had, ’m nou verafschuwde en altijd toch maar lief gebleven was. Nou zag ie ’t; de pastoors, de biechtvader, die werkten er achter; die hadden ’r opgestookt! Kinderen! kinderen! Alle vrouwe moste d’r hebbe, zooveul aa’s maar kon, dàn weer meer zieltjes voor de kerk! Zoo was ie met z’n stommen kop erin geloopen! Maar nou, nou was ’t vàst uit. Geen poot wou die d’r in d’r leve meer anrake! Geen poot! Daar zat ie met nege kooters en ’n vervloekt behekst wijf.... geen cent, geen werk. Wat ’n stommeling ie was! Daar had ze’m in goeie luim, nog gesmeekt, d’r vader en moeder in huis te nemen; dat ouë wijf Rams dat altijd schold op den Ouën Gerrit en zijn suffe moeder.... Wat ’n stomme kop, dat ie zoo iets had goed gevonden. D’r uit most ie ze trappe!.... hààr ’t eerst, dat ouë kreng.... die heulde en stookte met den pastoor, en venijnde tegen hem, met den biechtvader van Wimpie. Waarom niet ging ze bij d’r andere dochter hokke in den polder?.... die had toch te vrete?.... Maar die wou dien ouë boerehommel van d’r man niet.... hee?.... Nou zag ie, met z’n stomme beroerde kop, dat ie zich had late neme! Dat monster, dat oud k’nijn.... dat in d’r kippige ellende, ieder in z’n gebeente vervloekte, die niet van d’r g’loof gediend was. Dàt was heelegaar ’n helhaak, ’n heks, die hij om ’r afgrijselijke streken d’r schedel met lol kon splijten, in één mep. Wat ’n boeven in huis, die half lamme, zieke beroerling van ’n dooie vent Rams met z’n roggelhoest en dàt half-blinde wijf.... En zoo moest hij, hij toelaten, dat z’n kinderen knielden voor malle beeldjes, dat ze gebeden blerden, dat alles daar inroestte, katholiek-gemeen, haatdragend en venijn-barstend tegen ander geloof, tegen zijn geloof, waar ie toch ook geen duit voor gaf. Dat had ze ’m bij d’r trouwen nog wel gezeid. Wat had ze dan toch in d’r snoet gehad, dat ze ’m zoo had weten te beheksen? Ja, ’n knap wijf was ze geweest.... Dondersjuw, wat ’n heete!.... Wat had ze ’m angehaald.... Maar bij ’t trouwen mosten àl de kindertjes katteliek. Wat ’n botterik ie toch geweest was. Zoo had ie maar toegestemd, blij dat ie ’r hebben mocht. En nou ’n heele keet vol, met hatelijkst gezeur, dat ’r voor ’m te hooren was, voelde ie z’n kinderzootje als ’n vreemde bent, ’n troepje wezentjes, van ’m vergroeien vervreemden, volgepropt met „onze-vaders” en „wees-gegroets”..

Soms, in z’n rauwe borst, waar alleen zware en hevige instinkten brandden, en ruwe jaag-gedachten door z’n hersens bonkerden, hotsend achter elkaar; waar dierdriften,—in gramschap, als krankzinnige, onkenbaar makende vlagen naar z’n hoofd stegen, die in zwaar rood van hartstocht verbloedden—soms snikte er iets in ’m, dat smart leek, gevoel dat ie niet wist thuis te brengen.

Eén zoontje had ie, naast acht meiden, die ’m weinig konden schelen. Maar van ’t jongetje hield ie ràzend. Daar kon ie niet af. Daar dacht ie altijd an. Dat was iets in ’m van warm geluk, van brandend verlangen, zonder dat ie ’t zelf goed wist. Eén wild-hevig begeeren voor dat kindje, om het te zien, te verzorgen, te koesteren. Toch, in z’n rauw stil hongerleven, weggegroeid van àlle teederheid, wist ie ’t bestaan van die woorden niet, had ie geen naam om die drang-gevoelens te zeggen, gingen ze dóór ’m, als ’n stroom van snikkende pijnsmart, soms méé in de bloed-rauwe hitte, ’t geweld en leef-stompheid van al z’n andere driften, van al z’n andere instinkten, die zijn bestaan wegvraten. Hij wist niet wàt koesteren, verlangen, liefhebben was. Nooit had ie die woorden gehoord en als ie ze gehoord had, waren ze’m voorbijgeklankt onbegrepen, als zoo véél gepraat. Maar wààr ie was, dàt gevoel voor z’n ziek kereltje, kwam in ’m droeven en knagen, als iets heel smartelijks, zóó dat hij, de zwijgende arme schooier, onverschillig en beroerd, voor geen duivel of dood wijkend, dat hij huilen kon van binnen, om de ellende van ’t kereltje, mannetje dat ie wel kon zoenen, pakken. En overal, als ie alleen zwierf ’s winters, onder de grijze, leeggegrauwde oneindigheid van ’t duinland, dood-alleen, z’n sprenkels schuw uitzette, droefde ’t in ’m, om dàt kind.... zag ie ’t, àldoor.—Dáár juist, in die droeve winteruren, in donkere eenzaamheid, als er honger en nood dreigde, scheurde die snik er uit, rauw en zwaar; ging er ’n huilkreet door z’n stomp bestaan, scherp en angst-hevig, vlijmend, als ’n bijl door ’n strot. Dan voelde ie, wat daar broeide thuis, hoe die jongen van bijna tien, met z’n zware heupziekte te stumperen lag, al drie jaar in bed. Begreep ie, dat ie den boel niet wegjoeg, of neerhamerde om hèm; dat kind dat ’m zacht maakte, week als ’n lam soms, als ie ’m ankeek uit z’n bedhoekje, met z’n vroolijke oogen. Voor hèm smoorde ie alles thuis, zwoegde ie, want zeker voelde ie, zeker, dat zijn jonge ’t eenige wezentje op de wereld was dat ècht van hem hield. Buiten z’n Wimpie was er niemand al wist ie dat Guurt en Dirk ’m wel konden lijen. Z’n vader ouë Gerrit was bang voor ’m. Ieder vermeed ’m als ’n schurftige, om z’n stille, sombere natuur, z’n woede, z’n uitbarstenden toorn, z’n kracht, dat de boel te dreunen stond rondom, en grauwe drift op z’n gezicht kwam, die ze deed hollen van angst. Z’n grootste smart was ’t nog, dat die jongen ook van z’n wijf hield. Dat zag ie, voelde ie, vlijm-scherp, an z’n kijken, z’n geduldig liggen, z’n zingen. Dat zag ie an allegaar kleinigheden, die ie niet zeggen kon. En dan nog, dat ie katteliek was, ’n heel ander bonk leven dan hij; dat ie daar ziek lag, omdrongen door z’n wijf, z’n schoonmoer, z’n biechtvader, verwend door buurvrouwen, die ’m vertroetelen en beklagen kwamen, ’t Martelde ’m dat ie dien jongen niet meer naar zich kon trekken, uit dien femelrommel en dat vervloekte bidden.... Maar te ver was ’t al, te diep zat ’t ’r in.... Hij kon ’m doodmaken van verdriet.... zou dàt nie beter zijn voor ’t wurm?.... Dood?.... dood?.... nee, nee, dat gaf ’m toch gruwbare angst.... Nee, dan zoo maar....

Gejaagd liep ie achterweg af, tusschen dorre hagen en kale tuinderij. Valsche zonneschijn was doorgeschuimd achter roet-blauwe wolkbouwselen. Warme blankheid kwam er kaatsen uit sneeuwgrond.

Wrong-kaal harpten takkronkels van ingekromde lage vruchtboompjes op akkers, sneeuw-bevracht bij plekken, warm-blank in oksels en holletjes. Als grimmige spotters, symbolen van wroegende ellende, stonden knotwilgen afgehakt met knuisterige knoesten te dreigen langs de Kloosterlaan, in het valsch-lichtende schittergrijs van roetwolken onder laag zonlichtstuifsel. Ingekerfd in schors en bultschonken, dreigden ze in korte, ingekrompen naaktheid tegen grauwe hemelzwaarte, als vuisten met armen, woest opgegroeid uit de aarde. En andere weer als schreeuwbekken van krokodillen, dwars vertrokken, als vergramde cyklopen, als spotreuzen tot dwergen vervloekt, in de angst-kronkels van hun afgeknotte stompen en polyp-armen, met een gebaar van helsche wilde woede en helle schater uit hun gekerfde donderende strotten. Weer andere, kromden als koppen, rompbrokken, handen, beenen, grimmige donkere spot-herkulen, verwrongen in stuipgroei, niet afkunnend van hun plaats als verdoemden, vastgeworteld aan den grond, ’t stille grauwe kloosterpad, waaromheen sneeuw-tuinderij blinkte; de woedende boomgedrochten schreeuwend om verlossing, in ontzetbren vloek, in hevige gramschap, als voorbij ging menschleven, zonder hulpe. Dan dreigden hun knuisten, hun stille afgebroken knotsarmen, hun bekken, die sperden en razernij spuwden in de winter-stilte. En verderop, rondom de vruchtboompjes, kleiner, in liervormige groeiselen van takkenleed, dùldend in verstommend stil gebaar, verdroevend in ’t rondomme sneeuw-blank van kale akkers.

Kees klepperde, grimmiger in stillen hongerwrok voort, dood voor barren winterweemoed rondom. ’t Rammelde leeger weer in ’m. Er zou toch nog wel wat te vrete zijn, thuis, d’r was nog wat op den reutel te bikke.... dat most.... dat most....

Verderop lagen tuindershuisjes, meer uit-een, dwars en recht naar straatweg gekeerd, als hadden ze in boozen luim elkaar den rug toegedraaid. Winterig-frisch en wit wasemde de sneeuwnevel blanke warmte op, tegen laag-valsche licht-lucht, in wilde doorschieting van zon, die paarshevig slagschaduwde in ’t blanke akkerschuim. De volkswijk dampte daar achteruit òp in blanke neveling, droefde niet zoo eenzaam meer, en winterknaging lag èven weg te wazen in sneeuwig zon-blauw. Door ’n zijpad, dwars over duin, liep Kees nu op Duinkijk, over zanderig weggetje, langs besneeuwde wei, licht-wijd en blankvochtig van paarse glooiïngen.

—Kaik da hai je dokter Troost, heel luid in gesprek met B’ron Tuil van Roozeboom. Wat ’n kwab, natte kip.... nie groete wou ie; pest van de streek.... had ze allegoar de grond ingeboord....

Nog ’n paar duinige wegkrommingen en zwarte, besintelde paden, waar moddersneeuw rulde, vuil ingereën, en thuis was ie.

Vóór ’m lag al, de hooge woeste bultige grond van Duinkijk, waarlangs ’s zomers de tram reed naar zee. Zwaar-somber groenden nog besneeuwde sparrenboschjes aan voorkant van den weg waar z’n huisje stond. En aan den overkant, ’t landgoed van jonkheer van Ouwenaar, wilde duingrond, in pracht-glooiingen opbultend, zwitsersch-hoog, met woesten abeelengroei en denneboschjes, diep-groen en somberend-chaotische brokken, wègduinend tegen lààg-grauwe luchten.

Weggeduwd, op ’n vuil rullig ingereën pad, klei-modder en glimmerende kluitaarde, alsof wielslag van ploegen er doorheen gevorend had,—achter woeste pijnboschjes, tegen voet van geweldigen duinbult, stond z’n geel hutje, éénramig, met klein pastel-teergroen zolderluikje erboven. De heimwee-bergende gevel van z’n krot en overal rondom, de muren, waren uitgevocht in toover-fijne beschimmeling van vergane kleuren. Doorbrand geel en doorweekte verfkalk van wanden, ompoeierde met zacht waas, dauwig ’t hutje, in groenig goud en paarsigen weerschijn. Het zwaar bemoste pannendak, droef geteisterd en verweerd, drukte laag breed, ver òver de muren heen, als ’n fijn-kleurige-kap van donzig groen, waar violette hiëroglyfen kronkelden tusschen wemeling van schuchtere mosglanzen. Vóór, op okerigen gevel, hadden de winden en vochten kleurkrinkels gemerkt, rond den kalkverkleurden gouïgen muur. Langs het breeë hooge cel-raam, tintte nieuw kleurenspel rond bronzen kozijnen, verweerd in d’r voegen, oud en teeder, broos-schoon van ingeroesten gloed. En van de voorste dakpunt slingerde in fijne golving ’n wilde wingerd, schuin-langs ’t breed-hooge raam, in dorre naaktheid verhaard.

Ant, Kees’ vrouw, stond voor deuringang van achterend, fel lichtende gestalte, tegen donkere krotholte, wat vodde-kleeren de lucht in uitkloppend, dat ’t stof ’r den mond inwoei. Toen zij Kees achterdoor ’t erf zag opkomen, was ze de woonkamer ingeloopen, vloekend en morrend in zichzelf.—Twee-meter-hoekig achterend, en ’t laagdonker woonhok, was alles wat ze hadden. ’t Was nooit zoo bar geweest. Vunzige benauwing van stank en zoetige valeriaanlucht zoog door het duistere hok. Kleine kinders kropen met half-naakte lijfjes door en over elkaar als wriemelkluit, met vuil-snotterige gezichtjes, bebakken in smeer. Blond-krullig meisje zat te drens-grienen in ’n hoekje, inwrijvend met vuil, haar armoegoor, leelijk gezichtje. In den duistersten hoek, ’t verst van ’t kale, cel-hoog ingemetseld raam, tegen den steenvochtigen muur lag in ’n hout ledekantje, bruin beschilderd, Wimpie, al drie jaar. Even boven z’n hoofd duisterde ’n plank, waarop oud verschrompeld, breukvol speelgoed neergebrokkeld uitstalde, tusschen heiligenprentjes en beeldjes. Wimpie lag te vroolijken in z’n bed, fijn-luidruchtig en tingelde met z’n beenig-magere vingertjes tegen ’n doosje op, met kleurpapier beplakt. Even nog, grauwde in verzwakten lichtschemer van raamhoek, z’n bleek kaakbeenig doodskopje op, met vale lichtveegjes op smalle ingeslonken koonen. En lachen maar deed z’n breë mond als donkere spleet, en neuriën z’n stemmetje, en z’n groote groenblauwe oogen staarden rond, kàlm, overal heen, terwijl beenig hoofdje strak-machteloos liggen bleef. Dat was Kees’ Wimpie, tot ruim zes jaar, als ’n mol, zoo dik geweest, in ’n korten tijd door z’n hevige heupziekte ram-mager uitgeteerd. Wat hadden ze ’n schik in ’m gehad vroeger.... Net ’n bonk spek, zoo lollig vet als ie was.

Toen flap! in één ’n heupziekte, die ’m uitmergelde, z’n voeten en armpjes tot stokjes vrat, z’n heele rechter-dijtje wegschrompelde, vergroeien liet. Als ’n vingertop er maar tegen raakte, gilde ie. Zoo, al drie jaar lag ie in z’n donkeren vunzen krothoek te groeien, maar te vergaan meteen, werd ’t manke bedje te klein voor z’n lijf, duizelde om ’m kinderlawaai en gekrijsch. En eens had de kapelaan gezeid tot z’n moeder, zóó waar ie bij was: ’t ware te wensche, dat de Heere ’m tot zich nam, in mededooge....

Dat had ie gehoord, bevende ervan eerst, in z’n bedje. Toen was ’t in z’n brein vastgehaakt en telkens begon ie ’r om te zingen, dat ie gauw bij den lieven-Heer zou zijn. Alleen ’snachts niet; als ie dàn wakker lag was ie ’r bang voor, wou ie niet weg van zijn vader en moeder....

Als ze ’m niet raakten, aan z’n rechterdij, bij ’t helpen zitten, dan lag ie den heelen dag door te zingen, wist ie van geen ellende, geen jammer, geen ziekte, zag je niet schimmen z’n lijkenkopje, daarin z’n vreemd-onnatuurlijk groote oogenfonkeling uit ’t donkere bedhoekje, wist ie niet, dat z’n lichaampje lag te verteren, tegen groei in. Alleen zweette ie van bangheid, als ie de àl heviger ruzie tusschen z’n moeder, vader en grootmoeder hoorde. Dan kwam er doods-nood op z’n lijkenkopje, sjokkerde ie met de ellebogen in ’t kussen om alleen overend te komen, snikte en gilde z’n angst z’n keel uit, z’n borst. En als vrouw Rams z’n moeder aan ’t opstoken was, liederlijkheden vertelde, die Kees zou gedaan hebben, verbitterend vrouw Hassel, dan snikte ie eerst stil, wurmde zich dan op uit z’n bedje, onderdrukkend dijpijn, en gilde ie amechtig rauw naar ’t achterend:

—Da lieg-gie Omoe.... da lieg-gie.... da doen foader nie.. lieg-gie.... da lieg-gie!

Snikkend, van ophou-inspanning verbleekt, schokte ie dan weer terug in bed, met ’n bons op z’n vunzig vuil peluw, bleef ie, uren er nà, staar-oogen op den muur in ’t donker, vlak voor z’n gezichtje. Dan, na ’n middag zwijgen begon ie gebedjes te prevelen, prentjes te bekijken, één voor één de kleurtjes te tellen—die opzichtelijk gloeiden in z’n duister bedhoekje—met z’n bevende afgevreten vingertjes, kwam er weer zachte neuriing in z’n keeltje, zong ie al luider, alles dooréén, met z’n mooi week kinderstemmetje, straatdeuntjes en geestelijke liedjes en heel aan ’t end, als ie zich moe voelde worden, greep ie z’n rozenkrans, zong ie iets heel innigs en vrooms, wat litanies, aan de heilige Maagd, de heilige Jozef, wees-gegroets en onze-vaders, ’t oogenblik waarop ’m inviel altijd, dat ie gauw bij onze-lieve Heer zou zijn.

Kees had op ’t erf rondgedrenteld, lang, heel lang, eer ie binnen durfde gaan. Eindelijk had ie zich in z’n reuzige schonkigheid zwaar over ’t bedje gebogen, ’n zoen op Wims’ kopje gedrukt, was toen stil in ontroering, zonder zelf goed te weten wat ’m scheelde, aan ’t raam gaan zitten. Wat mager vond ie ’m, ’n spierinkie.... maar toch, wat lachte ie.... Er was nog hoop.—

Leeg-lam en neerslachtig, bleef Kees zitten, lang, voor den naakten raamhoek, zonder hongergevoel meer, al maar neerziend in triestigheid, op sparren en barre wilgen en verren somberen modderweg, die aanliep naar Zeekijk.

De steen-rooie vloer damde in gebarsten ruitvlakken, kil onder z’n voeten, bemorst met kindervuil, nat geplas, glibberige plekken en zoeter zoog valeriaanstank door vertrek.

’n Rimpel-dor mannetje, de ouë Rams, vader van vrouw Hassel, zat vlak aan de lage, roetig-beslagen schouw, als geschoven tusschen de door-rookt betegelde muurtjes, in donkering, met bloote zwarte voeten op beugel, waaraan stomp bengelende, roetige ouë konkelpot. Uit de tuit sisten fluiterige zang-geluidjes van stoomwater, woelige gammaatjes van hoog naar laag. In ’t verkort zat ie, bovenlijf ingekrompen, z’n beenen uitgestrekt, starend wezenloos naar crucifix op schoorsteenrandje, in koe-achtig kinbeweeg kauwend, als ie telkens z’n pruim van mondhoek tot mondhoek lei. ’n Vaal vuilgroen, kleploos petje, schurftte scheef op z’n voorhoofd in rafels, en zwaar ’n rooiige stropdas bobbelde om z’n hals, boven vet pilow-vest. ’n Lompige jekker, met twee vuil-koperen knoopen, uniformachtig dichtgehaakt van boven, slobberde om z’n kort lijf. Telkens roggelde ’n zware hoest, scheur-slijmerig uit z’n borst òp, kromp onder- en bovenlijf overend, vouwde ’t lichaam, zoo dat éven z’n grauw gezicht uit den duisterenden schouwhoek, in ’t schemerlicht viel; gele tronie waarop benauwing teisterde van hoest, die ’m schokte door ’t heele korpus. Dan lag Wimpie stil te loeren uit den anderen hoek, hield òp z’n neurieliedje, tot grootva weer uitgekermd had; zocht ie bangelijk naar profiel van gerimpelde oud-mannetjes-tronie in ’t diep-lage kamer-donker, perkamentig goor-geel en verwrongen,—naar ’t lijf, dat nog nakreunde, tot ’t weer in ’t verkort zat, ingedrongen, met vuile voeten tegen warmen beugel van schouw, stom-starend op donkerend crucifix.

’n Grauw-morsig geitje stond, met ’n touw aan ’n tafelpootje gebonden, blerrig-week te blaten. Kinders met aschblondige en vuur-lokkige krulkopjes, in vod-kleeren, kropen blootvoets rond ’t beestje over steenen vloer. Kindje van zes maanden, zat nog te huilen, scheef-gezakt, àl grien-heviger, met traan-snotterig gezicht, angstig voor ’t gestoei en gekruip van zusjes rondom, die vochten met ’t geitje. De schamele, laag-balkende, donkere kamer, sloeg z’n stank rondom en telkens bevuilden ’n paar kleinen den gebroken vloer, in dommelige dierlijkheid, er zelf in wroetend en plassend met hun half-naakt e lijfjes en handjes.

Tusschen ’n paar krukjes en matlooze stoelen, waarop wat ruwe planken gespijkerd, schoot plots ’n bemodderd mager kipje uit erf-achterend, onder waschtobbe rond-drentelend, ’t vertrek in, komiekte er weer fier-pedant uit. Soms stapten statig alle drie kippen van ’t erf, de breeë kamer in, pikkend in vuilen rommel van kinders en geit, als ’t klein achterdeurtje openstond, en achter den erf-rommel, door ’t lichte deurgat, sneeuw-bevrachte duinbrokken, in verstarden golfslag opzwelden, reuzig, wijd alom, rond het lage, eenkamerig krot. Soms schoot vrouw Hassel in ’n vaart ’t vertrek binnen, uit achterend, als ze de kinders zag vuil doen; mepte ze nijdig op d’r vuile billetjes, rammelde ze dooreen, krijschend, waarom ze niet riepen, duwde ze op ’n tinnen pot bij de bedstee, tegenover Wimpie.

De Ouë kramphoestte weer; in doodsbenauwing bleekte z’n gezicht, even bezij beschemerd, in ’t schuwe raamlicht òp. Rochelend en scheurend schokte de hoest-kramp door zijn lijf, dat ie als stikte in slijm.—’n Paar minuten hield áán ’t rochelgeweld, zakte dan weer, kreunde ’t lijf na.... mummelde de mond, slikte de strot....

—Spuug tog uit foader.... slik de vuilighait tog nie in.... naost je he’k ’n spuugbak.... je kraigt soo t’met nooit-nie lucht....

Maar de ouë Rams verdomde ’t. Hij wou z’n longen niet d’r uit braken.... Want dat was allegoar long.... Inslikken deê ie ’t alles weer; dat most ie, anders ging ie dood. Z’n dochter gaf ie geen antwoord. Schuw bleef z’n mond mummelen, z’n strot slikken, donkerde z’n hoofd weer weg in den schouwhoek achter ’t raam, strekten z’n beenen zich, zat ie weer in ’t verkort gekrompen, na elke hoestbui nieuwe pruim van mondhoek naar mondhoek zuigend. Tusschen rumoer van kinderen en ouë Rams lag Wimpie, machteloos stil te spelen, droevig dat z’n vader zoo stil bij ’t raamhoek zat, zonder ’n woord te zeggen, tegen hem.

Ant mokte al een paar dagen. Ze had drie meiden op de zusterschool gestopt, falikant tegen den zin van Kees, die gevloekt en gedonderd had, dat ze naar die nesten niet heen mochten. Dan liever op de groote skool aa’s se tog skool moste.

Maar zij had treiterig, na z’n uitbarsten telkens er kalm-gerekt tusschen gesard:

—Sullie benne katteliek.... van màin g’loof, jai hep d’r niks in te brenge....

Woest-nijdig was ie in stembuldering op straat gehold, voelend zwaar z’n onmacht, zich-zelf vervloekend, dat ie zich éens door d’r mooie tronie had laten beetnemen. Had ie ’t maar nooit toegegeven. Dat verdomde wijf was sàin nou de baas.

De eenige waar ie wel es ’n woordje mee sprak,—die zich ook niet te schuw voelde om zich éven te laten aanhouen door ’n schooier als hij, was de dorpssekretaris van Duinkijk. Die had ’m ook gezeid, dat ’r niks an te doen viel; nou ie eenmaal zoo met ’r getrouwd was, moest ie maar toegeven.

Maar nooit was z’n haat tegen ’t katholiek geloof zoo hevig in ’m opgestaan, als juist van het eerste oogenblik, dat ie z’n kinders in dàt gebed en geloof zag opgroeien. Hij had eerst gedacht er geen zier om te geven, en nou, nou ie ze heel anders zag worden in hun doen, als hij, nou gloeide ie van afschuw en wrevel. Hun helste ruzie barstte los om d’r geloof.

Lusteloos in z’n hoek, gaapte ie tegen de grauwe lucht, die zwaar hing in gewelds-wolken. Van ’t hooge gordijnlooze, van boven alleen met ’n vuilen lap bespijkerd raam, zag ie neer op de kniezende wilgen, naakt en triestig in hun wintergebaar. ’t Begon weer in z’n maag te hongerweeën.

—Seg, gromde plots dof de stem, van z’n vrouw uit achterend;—seg, weê je dâ d’r t’met gein sint in huis is. Hailige Moagd! wa.... wa.... mo’k van freete?.... aa’s jai ’t moar sait.... aa’s jai ’t moar sait.... Ikke wee niks meer.... niks meer.... Hai je nou weer niks kenne finde.... Main kristis! hoe sel dà rooie.... dà rooie....

Met ingezonken loom lijf bleef Kees ’t raam uitkijken, steunend op z’n elleboog, z’n groote hand in den mond, nagels knabbelend van stille drift, zonder woord.

—F’rek! bin ’k gein asem woart? hai je gein senie in spreke.. Nou, màin ook ’n sorg.... sien je nou moar wà’ d’r te freete is t’met. Enne dà’ skiet t’met iedere nacht hoase!.... main Kristis.... ’t stoat je gemeen! geméén de boel te f’rsuipe.... lá main mit de kinders krepeere.... Vrouw Liese van ’t pad seit ’t.... en buurvrouw Smit seit ’t.... En Teunis weut ’t.... puur de heule wairelt.... allain ikke mag toekaike.... ikke en de hufters.... sou je je aige nie f’rmorsele.... Sou je de skoàpe nie lieverst f’rhange....

In huilsnikken barstte ze los, met ’r vuile schort tegen d’oogen gedrukt. In de kamer stond ze nu. Kees had woest willen opvliegen bij de lage beschuldigingen van z’n wijf. Al vier weke had ie geen skot dààn.... Niet eens sente voor hulzen en ’n pond hagel.... Hij had ’r willen neerbonken in éen slag, maar met ’n draai, onbewust, naar Wimpie, had ie, diens groote schrikoogen uit ’t hoek-donker zien staren, angstig, en even ’t bleeke gesidder van z’n kaakjes.... Néé, inhouen, smoren maar, smoren maar, perste ’t in ’m, harder bijten op z’n nagels en stil bedrukt kwam er uit:

—Aa’s je aige soo loeders druk moakt, kraig je g’n asem.

—Moar, huilde Ant in scheurender snikken.... D’r is puur nie éen die d’r boft.... se f’rfloeke ’t.... ’t is doàn.... doàn.. doàn!! Sullie sture main allegoar weg.... jou maàn hep hullie achter s’n moue.... buurvrouw—dà’ segge hullie.... kom mi sinte.... dan stoat ’t kloar.... En Sanse van ’t pad sait.... da’ hai de heule ploats nie ken freete gaife van sain woar.... en Klaos f’rduufelt ’t ook.... Hai kraigt se nooit nie binne, sait ie.... hoe sel dá’ rooie....

Ant was dichter op ’r man aangedrongen en snikkend in huil, zwoegde haar borst. Telkens duwde ze d’r blondgoud krulhaar nijdig uit ’r natte oogen, die rood-zwollen in ’r blank-smal gezicht. Het geit je blerde pieperig stem-week, en de kinders, die eerst verschrikt bij ’t bedje van Wimpie in den kamerschemer samengepropt dooreen wriemelden, schrei-angstig, speelden weer, na eersten uitval, al gewend aan d’r huil-moeder. Alleen de tegen den muur geplakte kleine van zes maanden, scheef ingezakt, met armpjes onder het lijf gezwikt, was stil geworden, lag half nu met dik-suffen slaapkop, te knikkebollen, tegen den vloersteen op.

Met groote tranen, zwart-biggelend langs d’r wang, stond Ant, boven Kees’ hoofd uit te staren, op droeven winterweg. En lichtend glansden haar waas-grijze oogen in het vergriende hoofd, dat het hooge raam uitkeek, boven schemer-val van kamer. Mager uitgeknokeld, en schonkig lang, donkerde ’r lijf; gestriemd in zorgelijke kwaadaardigheid, strakte haar gezicht en nijdig in hoek-groeven stramden fijn-sluwe lippen. En toch, zóó, in ’r huiltronie, zaten nog aanhalige trekjes, rond ’r mooien hals, ’r wellust-weeken mond, waasde er méélij en smart-stilte in de mooi grijs-lichtende oogen. Stil blokte ze voor Kees, die zenuwachtig opstond, voelend haar dreigen, niets zei. Uit ’n mandje onder z’n stoel, gooide ie op den vloer de hongerige geit wat aardappelenschillen toe. Gretig rukte ’t beestje met dwaas-kleine vreugdesprongetjes naast zich-zelf, aan ’t touw dat door de kinders om de stoelpoot van grootvá was heengedraaid. Driftig sleurden ze ’t diertje naar zich toe, dat ’t touw sneed in z’n mager halsje; z’n bedrukt jodengezichtje benauwde, in zenuwachtige trilling van neushoeken; z’n pootjes zich schrapzetten, glibberend over de ruit-steenen en z’n stem weeker blerde.

Twee kippen drentelden weer door afgerotte erfdeur ’t vertrek in, pikkend in schillen van de geit, rondkoekeloerend komisch-verfomfooid op d’r gemak. Dadelijk lichtten drie meisjes de diertjes op en probeerden ze lachend bij den staart vast te houden, zoodat er twéé, schichtig wild over de tafel vlogen in angst, en achter de schouw opdrongen. De grootste kip, zwart-schubbig beest, met fluweelen broek aan, urkig-wijd om z’n dijen slobberend, kukkelde nijdig, vloog met schrik-zware klepper-vleugels op tafel, tusschen bak met broodmeel en wit-vuile, gebroken pannen en kopjes, waar ie statig om heen liep.—

Ouë Rams, zei niks, bromde soms iets, rochelend even, in mummelmond, zat stil-suffig in z’n broeierig, donker haard-hoekje, nou de hoest wat bedaard was, met z’n gezicht naar ’t licht gedraaid, dat vaal nog terugsloeg en omduisterde z’n mummiekop. Soms bromde ie opslobberend z’n woorden, in nattig lippengebeef:.... swaineboel.... swaineboel, spoog dan telkens sputterend-raak, bruin tabaksstraaltje tegen gloei-donkeren konkelpot, dat het siste in de kamerduistering.

Ant kookte van woede, dat Kees zoo kalm bleef. Ze had veel liever, dat ie uitraasde, dan zoo als nou, zoo treiterig en tòch d’r sarrend met z’n doffe stem en vrees’lijk rooie oogen, z’n afgemeten gepraat. Ze wist wel, al had ie ’r ’t nooit gezeid, dat ie dàt om Wimpie deed.—En ze wist ook wel, dat ie dol was met Wimpie, al wou ie ’t voor niks ter wereld weten, en al voelde ie geen zier voor de anderen. Dàt juist was nog ’n macht, ’n houvast voor d’r, om ’m te krenken, om te zeggen, dat hai, hai ’t kind vermoordde; niemand anders dan hai. Om ’m te zeggen, al wist ze, dat ie ’r dol van werd, dat hai om ’t skaap niks gaf. Maar dat durfde ze nog niet er uit te braken, omdat ze sidderde voor z’n schriklijke woestheid, z’n reuzige gestalte. Toch, ’t brandde en tonglekte in ’r, de haat, de wreede, heete lust om dàt ’r nog eens uit te smijten uit te spuwen, pal in z’n smoel. Om ’m te nekken, te knauwen, hem, dien kerel, die d’r moeder behandelde als ’n vod, raasde op ’r geloof, op den Heere.... God-in-den-Hemel, hoe had se sich tog eenmaal an die vent late koppele.... nou sat se an ’m vast.... kon ze.... mocht ze niet van ’m af....

Mokkend bedrijvigde ze weer door achterend en kamer, triest, in ’r vaal-rood, gat-doorvreten jak en vuil-zwarten onderrok. De kleine, die voorover op den steenen vloer in slaap was gevallen, had ze in stikduister kribje, nauw bakje dwars boven bedsteetje, te slapen gelegd, met de deuren potdicht.

Langzaam, in het voorbijdonkeren van zijn vrouw uit achterend, met erfdeur dicht en open, dan in licht dàn in duister, begon Kees wat los te laten.

—Morge meskien wa raize op te moake.... diepspitte is dáán.... d’r is niks t’met.... hun slòape t’met ’t waisertje rond.... se benne skuw van màin.... Juistement om daa’k stroop.... kraig ik niks g’n werk.... veur f’nacht he’k spuit leent.... aa’s sekretaris main.... aa’s hai main moar hollepe wil.... poar gulde.... he’k biggie.... nou rooit na niks.... Je mo je ’r moar weer deurgooje.... aa’s ’n goed nachie hoal....

—Deurgooie.... deurgooie, huilde Ant weer in drift uitsnikkend, daa’s krek eenderlei proatje, ieder dag.... nou sit ik self mit jonk.... Gods kristus.... nie een die d’r wa gaif!....

—Nou, de hokkeboas hé’k sproke.... hai gaift nog wel.... vaif kop steenkole.—

—F’reet jai steenkole?.... nijdigde Ant uit achterend.

—En aers kaa’k stompies opskarrele.... ik he nog.... ’n halfe sak lait op erf.... en d’aere week mo’k blokke sage veur Teunis, dan vroag ’k t’met veurskot....

—Vul jai je moag mi blokke.... dá’ geseur.... d’r mot nou sain, nou! nou!

Kees kookte weer, wat moest ie doen.... d’r was niks.... niks.... En als ’t iets was, stootte ze hèm nog uit.... Hij liep z’n beene lam.... Nergens was er wat, nergens.... wat kon ie meer doen....

—Aa’s je nou es dokter Troost vroag, zei bedeesd Ant, die hep soo veul te segge hier....

—Dokter Troost, stoof Kees op, hevig, dat ouë Rams schrikte op z’n stoel en hoestbui lichtelijk rochelend scheurde in z’n toch dichtgepersten mond, waaruit twee zware pruimstralen, door lippengeultje sisten achteréén, tegen konkelpot spattend.

—Dokter Troost,.... hou je bek waif, lá’ main die kerel nie vroage.... ik sloan sain liever se harses in mekoar, die beul, die se hier allegoar keldert—....

Zware drift zwol ’m naar z’n hoofd en z’n oogen, in woede-nevel, hoonden van afschuw, brandden alsof er rossige lichtvonkjes uitsprankelden.

Vreemd-woest stond z’n kop nu, met de strakke mondlijnen, moordenaar-achtig hevig verwrongen, in wreeden lust naar vechten.

—Je laikt puur doas, mopperde Ant, afgebluft. Ze wist nou eenmaal, dat ie gruwelijk ’t land had aan dokter Troost, die al veertig jaar in Wiereland, Duinkijk en Zeekijk praktiseerde, en zooals hij ieder zei, met raad- en daad de tuinders ophielp. En raik aa’s tie was.... dat had se nog pas hoord van buurman! raik.... raik.... om van te duuzelen. Ze beefde voor ’m van ontzag. Maar nou was d’r toch niks tegen in te brengen. Giftiger voelde ze zich worden op z’n lammen haat tegen dokter Troost.

Toch most ie hier in huis, ging ie over Wimpie en bij verlossingen mocht hij alleen an d’r lijf komme, hij alleen, al maakte ze d’r Kees mee barste van nijd.

Wimpie lag stil te snikken van angst, met z’n gezicht tegen den donkeren muur. De kruip-stoeiende kinders waren om het beschemerde ledikantje gekropen; kinder-stil en ontdaan nu, in onbewust voelen, dat vader vreeselijk kwaad was op moeder. Ant was naar ’t achterend geloopen en ouë Rams sputterde giftiger en sneller bruine straaltjes achtereen tegen sisbuik van konkelpot aan. Kees zat te mijmeren, voor het licht-schuwe raam, starend naar kniezend winterpad. Van avond kon ie niet stroopen, de maan was er weer. Te licht overal, te licht. Driemaal dit jaar had ie ’t uit nood gedaan, en ’t skeelde t’met niks of ze hadde ’m. Wat jacht dat geweest was. En wat lol, toen ze ’m de volgende week gesnapt hadden voor ’n bijpad met ’n spuit in z’n klauwe.... Dertig dage hadde ze ’m de doos ingestopt, want boete kon ie niet betale. Maar dat zitte in soo’n hok, nee nooit meer.... met z’n àlle loerde ze op hem, op hem.... Andere stroopers konden hun niet veel skele.—Aa’s se sàin moar pakte dat waa’s d’r eer, betoalde extra.

Loom was ie opgestaan om ’n stapel blokken en knubbelige stronken van ’t erf te halen en achter de schouw te smakken.

Op ’t achterpadje naar hun huisje zag ie vrouw Peters aansjokken met ’n zwenk, door modderdeurtje naar ’t achterend, op Ant af.

—Seg buurvrouw, hai j’ ook ’n droppel petreleem.... Kloas is t’r nie.... doar si ’k nou.... main kind mo’n beetje wêrme melk, de fles kaa’k nie wêrme.... is da nood f’r ’n mins....

—Gain droppel buurvrouw, gain droppel!....

—Nou houw d’r ’n mins se fesoen, jammerde haar stem, in angst overal rondziend met ’n steek onder water voor andere buurvrouw uit Duinkijk, die zich met d’r twee dochters, aan heel Wiereland voor geld verkocht.

—Nou houw d’r ’n mins se fesoen.... wa mo je beginne.... en suipe da die verrekkeling van main doen.... nou buurvrouw, jai hep ’t ook suinegies wà?.... is je maàn d’r nie....?

Schel kraste haar stem, jammerend toch. Uit haar vuile jak-plunje, loshangend, wasemde bleekpoeierlucht. Ant wees met ontzaggebaar naar binnen waar Kees zat. Vrouw Peters verbleekte. Voor dien duivel was ze bang, van die most ze niks hebbe....

—Nou buurvrouw, jai hep ’t ook nie-en-ruim hee?—en haastig dobberde ze weer ’t padje af. Ant was weer ’t vertrek ingesloft, naar Kees toe, die zich te vergrienen zat, voor het droeve winterraam op ’t doodsche pad uitstarend, z’n hoofd net èven boven ’t venster.—

De wind hijgde door de sponningen en overal uit vloer en muurgaten tochtte ’t in het schemerdiep vertrek.

—Kaik nog ereis, Hassel, meskien hai je nog ’n poar sinte....

Woedend, met dolle oogen, bloeddoorloopen ’r aanziend, dreigde Kees reuzig, onder balkenlaagte, van z’n stoel. Z’n vrouw zwabberde achteruit, angstmond vertrekkend, in oogen-schrik, vaal-bleek.

—Seg lamstroalig waif.... sou je t’met denke daa’k main kinders f’r pelsier la’ hongere?.... hai je dan gain ooge in je smoel, sien je dan nie woa’k prakkeseer.... Laileke stoppelkat.... wou je màin dondere.... sorg lieverst da je kindere nie stinke aa’s de pest.... en goan noà je klaphoedjesfebriek aa’s se skoon benne....

Ant was geraakt in ’t hart.—

—Da binne je soàke nie.... lammeling.... da hei je niks van noodig.... let op je foar en je stinkmoer.... die in d’r broek skait.... versuip jai de sinte nie.... jai hoerige vuilik!

—Hoor die d’r is!.... slobberde Kees, niet wetend waar ie z’n drift kon insmoren langer, om Wimpie niet te pijnigen. Schreeuwend gehuil barstte uit donkere ledekantje. Wimpie hikte en snikte. Ant voelde dat Kees bang was voor Wim, dat ze dus nog wat kon doorschelden, uitluchten. Ze haatte den kerel tienmaal heviger, als ie met d’r geloof begon. En driftig, in gillende stem-aanloopjes, al hooger en wilder, doorfuried van zenuwwoede, die opgepropt zat in ’r keel, begon ze weer:

—Jai en je heule femilje benne veur de hel gebore.... allegoar gevloekte, godskimpers, da seg ik.... allegoar goane jullie de hel in, f’rmetele sondoars!.... allegoar uitspoegsel!..

Kees kromp voor ’t raam van drift. Z’n reuzig lijf stond dreig-hevig, onder laag-balkende kamerduister. Ingesmoord, beef-woedde z’n stem:

—Waif!.... hou je smoel.... hou je smoel!....

—Ik wil nie.... ik wil nie, gilde ze, als ’n razende zich naar Kees toe dringend en in dreig-wilde zenuwgreep, met vingerkromme haak-handen vóór z’n gezicht gekrampt, tartte ze ’m. Wimpie scheurde kreet-huilen uit. ’t Geitje, dat achter ouë Rams’ stoel zat, had Ant zonder te zien, getrapt, en blerrend-beverig rukte ’t aan tafel-touw, rechts en links de kamer inloopend, om los te komen. De kinders hurkten bij Wim’s bed, saamgeklonterd, in doodsnood, spraakloos. Dientje van negen en Jansje van acht, die boodschappen gedaan hadden, zoo uit school, stonden op ’t achterend te sidderen, zonder dat ze binnen durfden gaan. Ze hadden niks los weten te krijgen van den kruidenier. Alleen de hokkebaas borgde voor zes cent. Maar de bakker had gedreigd, dat ie voor ’t lest brood bakte, aa’s se niet behoorlijk d’r drie sente meebrochte.... Hij gaf geen stroopersjong te vreete had ie er grinnekend bij gezeid tot ’n meid van rijke meneer uit de plaats. En niks durfden ze nou zeggen, als ze moeder en vader zoo driftig zagen, tegen elkaar. Nog eens dreigde Kees bulderzwaar nà:

—Hou je moel waif....

—Neenet.... neenet!.... gilde ’r helleveegstem en sterker scheurde huilen van Wimpie uit den duisteren hoek. Kees als radeloos, in grauwe drift, die hij telkens terug drong,—zag alleen maar de weenende angst-oogen van Wimpie. Maar inéén merkend, de woedelust, wreed om Ant’s mond, begreep ie, dat ze voelde, dat hij uit angst voor Wimpie zweeg en d’r daarom niet in stukken sloeg....

Plots was Jans, ’t blond-koppige kindje van acht, uit achterend, naar d’r moeder toegesprongen, en achter ’t meisje aan, als door ingeving, klodderde ’t heele vunzige kinderstoetje uit de hoekjes samen, schreilijk-goor in gaterige plunje en stank-vodjes. In hoogen angst, klemden zich ze vast aan Ant’s rokken van achter, op zij, van voren.... Maar van zich af schudde ze de wurmsteekige lijfjes, dat de bevuilde krulkopjes en hun prachtige angst-oogen, dan naar haar, dan naar Kees’ gericht, sperden van verbazing en ontdaanheid. Als jonge katjes had Ant hun in ’r vlam-furie, gekrenkten geloofs-waanzin, van zich weggesliert, zonder hun smeeksnuitjes te zien in fel-gloeienden haat opgedreven, verangst in hongerig ellende-gevoel.... Opgewekt en gebroken toch, gilde ze rouw:

—Main arremoe!.... main poere!.... daa’s gain skande!.. Onse liefe Heer hep ’t sien.... aa’s sondoar bi’k bore.... moar daa’k main va’ jou vuilik,.... jou heb afgegaive.... da bin ’k verdoemd van.... veur eeuwig.... da mist nie.... doar sel’k veur brande in ’t voagevuur!.... Main kind.... main kind.... bid om g’noade....

Met ’n ontzettenden lichaamszwaai van uit ’t schemerraam naar het hoekduister, was ze over ’t geitje, door den kinderstapel heengewrongen en had ze zich voor ’t bedje van Wimpie in den hoek op ’r knieën gesmakt. In starre wilde opwinding beefde dof ’r stem, extatisch:

—Main kind, main kind, bid veur main sonde.... Main Vader vergeef main skulde.... In schrei-vloed was ’er stem uitgesnikt, gebroken. Er klonk berusting door ’r nahuil, deernis, en snik-wringend drong ze haar hoofd op de dekens van Wim, aan ’t voetenend. Wim was in stumperigen angstnood opgesjokkerd, in de peluw, en huilde mee, snik-zwaar, in àl prangender gekerm en droge huilsmart.

En Kees, in schriklijke ontroering en toorn, die kraterde in z’n borst, stond stil tegen ’t raam, met z’n rug naar ’t licht als ’n donkere reus in de lage balk-kamer. Sterker stroomde de woedesiddering door z’n schonken. In tijdlooze bukking had ie plots ’n zwaren houtknots, van de blokkenstapel gegrepen, bij schouw, en in één sprong, woest-hevig,—dat de kinderen gierden, gilden, de ouë Rams achtereen, snel pruimstraaltjes uitspoog, tegen dikbuikigen pot, schommel-angstig op z’n stoel, zonder òp te durven—dreigde de knots boven Ant’s hoofd.

—Waif.... goan weg.... wèg van main kind.... wèg.... wèg!

Rauwe razernij schoot uit z’n stem, die scheurde en gilde tegelijk. Wou ze nou, zijn Wim, late bidde, late bidde tege sàin.... dat God t’r gena’ mos sain da’ se sain trouwd had?.... Da kind bidde.... da s’n vader ’n vuilik was, ’n skoelje.... ’n patser!....

Neenet, dá’ kòn nie langer.... ’t was in ’m opgespote, opgegild.... Hai sou d’r neer sloan.... sloan,.... dá’ vreeselek waif....

Maar Ant was kalm blijven lig-snikken, met ’r hoofd in de dekens, alsof daar niet boven ’r stond, die donkere dreigvent met gekke oogen, ontzettend in woede, als ’n wraakmonster uit sprookjesboek. Ant zag bijna niet op, ’t kon ’r niet schelen, wat ie deed. Maar weer hield ie den slag in, want uit ’t halfdonker, zag ie op zich turen, smeekend en hevig van schrik de stille groote oogen, van Wim, zijn Wim, die spraakloos snik-scheurend te staren lei. En even door de snik-stilte, beverig schreide z’n stemmetje zwak:

—Voàder is màin voader.... ikke.... bid.... veur voàder!....

Sidder-ontroering en iets van wild-rauwe vreugde ging er plots door Kees. Hij had zich willen neersmakken op z’n kind, om ’t kakebeenig doodskopje tegen zich te knellen, te zoenen, en stil, beschroomd, den knuppel ergens achter zich wegmoffelend, begon ie stem-haperend wat te zèggen, met wegsmoring van tranen, als om zich te verantwoorden voor hem, dat kereltje.

—Wim.... jonge.... je voader suip nie.... hep gain geld.... hai hep niks.... hai wil werreke, d’r is gain proat ván.... moar sullie wille nie.... sullie wille nie.... hai mo f’rrekke....

En Wimpie, met beefstemmetje, huil-bibberend:

—Neenet foader, nie f’rrekke.... ikke sel bidde.... bidde.—

Snik-scheurend, viel ie half flauw van inspanning terug in z’n peluwtje.—De kindertjes begonnen weer uit hun schrik-hoekje te praten, zacht, in schuwe fluister-klankjes. Ant, die woordstameling van d’r Wimpie had gehoord,—niet wist, dat Wimpie’s smeek-kijk ’r behoed had van ’n drift-slag op ’r hoofd, zooals Wimpie niet wist, dat ie met z’n kijk z’n moeder redde en Kees nauw begreep, dat ie ’t liet uit besef voor Wim’s oogenangst,—Ant was weer in furie gevlamd. Ze voelde, dat Kees ’n demonische macht had op Wimpie, die o zooveel hield van z’n ruwen vader; dat ie haar schat, haar kind behekste. En tòch, al het goed-aardige, innig-zachte in Wimpie, voelde ze aan, als ingegrift in z’n zieltje, zag ze, als sprak z’n mond, omdat ie moest spreken, door Satan bewogen. In haar klein-dwazen maar fel-blinden geloofshaat, opgehitst door biechtvader en d’r moeder, was uitgemaakt, vast, dat Wimpie behekst werd door Kees. Daar boven uit nog zag zij, dat Wimpie worstelde tegen die beheksing. Zoo leed ze dubbel. Wat echt-innig leefde in Wimpie, voelde zij áán als vreeselijk gemartel. Trok ie Kees voor, dan zei ze in zich zelf: arme stumper nou sit de duufel weer op se lijfie, nou is ie behekst.... Nou mot ie dinge segge, die ie heelegoar nie wil segge.... wat ’n gemartel.—En zoenend zei ze ’m dan: stil moar jonge, ikke wêe wel da je’t mot zegge.... dat de duufel je weer te pakke hep.... Dan huilde Wimpie verschrikkelijk, hartverscheurend en stamelde, dat ’t niet waar was.... dat ie van voader soo veul hield.... En weer zoende Ant hem ’r dwars tegen in, opgewarmd nog door d’r moeder.... ja jonge da wee ’k wel.... seg moar da je ’t meent.... je mó’t segge.... ik weut wel.... main jongelief, main skat.... onse Heer sel je t’met wel verlosse van die duufel....

Vol van ingelepelde gebeden, vroom en kinderlijk, soms wèg in godsdienstige zielsverrukking, viel Wimpie half in zwijm, begreep ie z’n moeder niet meer, bleef ie stil zitten zonder woord. Zoo was helsch, bij elkaar komen van Kees en Ant door Wimpie, onmogelijk geworden, omdat zij wel voelde dat Kees van Wim hield, maar vast wist, Wim niet van z’n vader, dien vuilen ketter en godskimper; vast wist dat ie behekst praatte. Zoo was ze ook nu weer naar achterend gehold, nog vol haat en woede, en toch met bang meelij voor Wimpie, die nu weer niet goed begreep, wat ze wou, z’n moeder.

Dientje en Jansje zaten in ’t achterend, op ’n rot toonbankje. Met gilstem krijschte Ant naar ze toe:

—Paa’s op f’r je foar.... hai hep main en-wille f’rmoorde.. hai hep main en wille f’rmoorde.... t’met snait ie jullie allegoar an rieme.... die skafuit.... die godskimper.... die ketter.... Op ’t erf hollend, schold ze door nog, naar binnen, tegen de kinders, die van de bank gesprongen waren.

Kees zat naast Wimpie, z’n vuile reuzehand over ’t doodskopje te strijken, zoo zacht, dat ie ’t hoofdje bijna niet raakte, niks zeggend. En Wimpie, lag stil met smartgroeven om z’n breeën mond, waarom iets lachen wilde maar niet kon. En over-wijs, als van bijna dood kind, staarden z’n oogen, groot in den schemerhoek.

De ouë Rams had zich niet verroerd. Sneller alleen sisten door de stilte, pruimstraaltjes tegen gloeienden konkelpot op, en grom-zwaar, strompelde van z’n lippen:

—Swaineboel.... swaineboel.

Vroeger had ie veel kranten ingekeken, maar, oproerige kerel als Rams geweest was, hadden de geestelijken ’m verboden te lezen. Nou, op ouën dag versuft, mocht ie alleen nog doorzien roomsch advertentieblaadje uit de streek. Ouë Rams had gehoorzaamd, eerst grimmig, later al toeschietelijker, gromde ie alleen nog maar, zonder nader te zeggen wie en wat ie bedoelde: swaineboel.... swaineboel.

II.

Om twaalf uur luidde in vromen galm, Engel des Heeren. Wim sloeg ’n kruisje. Met beverig schrikstemmetje nog, zette hij plots in, toch plechtig z’n toon:

—De Engel des Heere hep an minse geboodskapt.... en sai hep ontvange van de hailige geest....

Ant was strak naar z’n bed geloopen en met ’n wenk aan de kinders zette ze mee in, zangerig-plechtig, ’n wees-gegroet, in extatische bidhouding.

Even stem-stilte, en zacht uit ’t half donkere hoekje, vibreerde Wimpie weer:

—Sien de dienstmoagde des Heere, main geskiede noar u woord....

—Wees gegroet, dreunde weer in, Maria vol genoàde.... de Heer is mit u....

Zacht even weer bidstilte en Wimpie weer vooruitschietend:

—En ’t woord is vleesch geworde—en ’t hep onder ons gewoond....

—Wees gegroet, plechtigden weer in psalmdeun de kinderstemmetjes, met Ant er boven uit, schel:

—Bid f’r ons hailige moeder Gods, op da wai de belofte van Kristus woardig worde.

Alle sloegen, in ooge-dichte strakheid, ’n kruis, murmelden zacht iets nà.

Met rooie huiloogen nog, mond, stijf-nijdig dicht weer, begon Ant op klein vuil vierkante tafel, naar ’t raam geschoven, ’n paar borden, dof-bonsend van barsten, neer te rammelen. Geen woord had ze meer gezegd nà kijfpartij. Onrustig stommelde ’t steenen geluid door de gezonken ruziestilte. Door Dien en Jans was nog wat eigengemaakt brood, groenige schimmelkorstjes en vuile bonkjes deeg, bijeengesnord en tusschen smerige plasjes, op tafel uitgegooid.

De ijzeren pot met gebedelde en gekregen krieltjes was aangesjouwd van de schouw, met ’n vuil pannetje nattige rijst. Ouë Rams sjokkerde z’n stoel, zonder uit zitstand te buigen, langzaam naar tafeltje, met z’n rug, haard-hitte onderscheppend.

De kinders hielpen elkaar één-voor-één op ’n oud-brok waschstelling. Dien en Jans wiebelden wippig op ’n plank, over ’n paar onttakelde stoelen gelegd. En naaktbeenig, morsig stelletje van twee, drie en vier jaar, krullebolden aschblondig, rood-sproetig, met hun gore snuitjes naast elkaar, in gulzige eetloering. Ant, op laag krukje, verzakt tegen tafelrand, keek dreigend naar de kinders, die wachtten, gulzig wachtten, opgedrongen in eng ruimtetje. Dien van negen, paste op Jans van acht; Jans op Annie van zeven. Maar Grietje van zes wilde niet, dat Annie van zeven op d’r paste. Die voelde zich te slim. Met Dien van negen moest zij de kinderzorg deelen. De kleintjes kregen ’n bonk deeg en beschimmelde korst ieder, in ’n hoopje op naakte tafel vóór zich, met wat groen-glazige krieltjes, die Ant uit de pot naar hen toerolde. Dien aan ’t hoekje, stilde stemmenruzie tusschen drie kleintjes, deelde moederlijk broodhomp, met inspanning van magere handjes afbrokkelend, wat krieltjes en gekookte aardappelschillen, gedoopt in ranzige olie. En allen ooge-gulzigden, met vertrokken mondjes, zonder aan maaltje te raken. Voor Wimpie alleen was er altijd wat extra. Voor hèm werd uitgezuinigd door Ant, maar hij at ’t minst. Dokter Troost had gezegd, dat ie vleesch, heel veel vleesch, melk en eieren moest hebben. Anders zou ie kraken. Maar koemelk kon Wim niet doorkrijgen. Toen had Kees ergens ’n klein geitje weten los te krijgen voor ’n paar centen. Dàt had ie opgefokt en ’n paar kippetjes. Nou had Wimpie ten minste altijd wàt. Van afval en wandelingen op buur-erfjes vraten de kippen; van schillen, gras en groentebrokken gulzigde ’t geitje. Dá’ gong.... dá’ gong, vredigde Kees. En als ’t erg benauwd was, toch nog altijd wat reuzel en ’n kaantje spek voor Wimpie....

Ouë Rams begon, kromgebukt met z’n handen in de natte rijst en krieltjes te grijpen, slangde een dik straaltje olie uit oorloos grove, steenpuisterige ronde kom, er overheen. Kees schudde uit den pot z’n bord vol, perste met handeplat de aardappels fijn door de bewaterde, half rauwe rijstkorrels, bezaaide de groenige krieltjespap zwart, met gemeene peper.... Want soo.... neenet.... da gong nie.... da kan nie bokkeme!.. da’ zoetige flauwe goedje.... Nou bràndde er nog wat op z’n tong. Met z’n handen grabbelde ie in z’n bord, zich haastig den mond volproppend, in afsluiting van licht-rochelende ademhaalgeluidjes. Ant was ’n paar maal weer opgestaan. Plots baste haar huilerige stem uit naar hongerige, gedresseerde kinderstoetje:

—Nie te veul d’r afbreke Dién.... d’r mó’ f’r f’noàf’nd blaive....

Kinders schokten van schrik. Als d’r nou maar gebeden kon worden, gulzigden hun hongeroogen. Plots gaf moeder, na plechtig ’n kruisje geslagen te hebben, dat de kinders extatischstrak, in licht lipgemurmel, op hun lijfjes natrokken,—àchteruit naar bedje van Wimpie, met stroef gezicht, ’n vroom-stillen wenk, en heilig-rustig, klankte òp uit schemer-hoekje, zangerig z’n kinderstemmetje:

—Onse foader die in de hemele sait.... g’hailigt sai uufe noam.... loat toekomme U raik.... U wil geskiede op oarde aa’s in de hemel....,—waar schel, in stemgedrang op inviel hongerend stoetje met krasgeluid van Ant er boven uit:

—Gaif ons hede ons doàgelijksch brood.... en vergaif ons onse skulde.... g’laik wai vergefe an onse skuldenoare.... Laid ons niet in bekoring.... moar verlos ons van de kwoade.. O-amen....

—Oâmen, dreunden de kinders, vrouw Hassel en ouë Rams, en stilgevouwen, in sober gebaar, hun handen tegen borst ingehaakt, oogen dicht, met vroomstrakke gezichten, zaten allen in het schamele krotlicht tot de kleinste van twee, die gedresseerd staarde in plechtig bidhoudinkje. En zacht, innig-bedeesd, met vibratie van rust en diepe gemeendheid klankte uit ’t hoekje weer op:

—Wais gegroet Meria.., vol van genàode.... de Heer is mit u.... Gesegend sait gai boofe alle andere frouwe.... En gesegend is de vrucht uufs lichoams.... Jesus.—

Weer invielen de schelle stemmetjes, woord-duikelend snel, in toom gehouden tòch en achtervolgd door langzaam-rekkende stem van Ant, die geen haast had:

—Hailige Meria.... moeder Gods.... bid f’r ons sondoare.. nou en in ’t uur van onse dood.... Oàmen!

—Oâmen, plechtigden de stemmen na. Nog eens ging stil gemurmel door het groepje, ieder voor zich uit; dàn oogjes openden zich van de jongsten, die sluwig opgluurden maar gauw ze weer dichtknepen, toen ze vrouw Hassel’s mager-fijn gezicht nog naprevelen zagen in bid-stillen ernst, met ’t schuwe donkere licht van cel-hoog raam op ’r extatisch-verzèngde trekken. Kees had slonkerend in rochelende afsnijding van luchthaaltjes z’n peper-zwarte krieltjes verorberd. Te gloeien en been-schudden zat ie van ergernis. Elken keer als ’t stemmetje van Wimpie opklankte, vergrauwde en vertrok er iets zenuw-wilds in z’n gezicht.

De kinders konden beginnen, gulzigden in, met oogen en handen. Ouë Rams zat te smakkauwen met diepe inrimpeling van z’n oud-geel gezicht, dat vellig-slap meetrok, bij iedere kauwbeweging.—Z’n blauwdiepe oogwallen hobbelden zakkerig boven z’n kauw-kaken. Kees had nog ’n restje aardappels uit den pot geschud. Van ’t bidden zei ie maar niks meer. Elken dag had ie ’r om gevochten en geschreeuwd, maar ’t gaf geen zier.... Wimpie dee ’t uit zichzelf....—’t Was ze ingelepeld.. Hoe meer ie vloekte, hoe fijner Ant werd. Wimpie moest vóórbidden, wat vroeger nooit gebeurde. Ze had gezien, hoe ’t hem hinderde; dat deed ’r goed. Ant at bijna niet. Loom pikte ze nu en dan ’n kriel uit den pot, met ’r handen telkens ’n duw àfstootend op ’r buik als had ze ’t benauwd daar. De kinderen, die korrels napikten en tafelreten uitplukten met d’r nageltjes, ooge-gulzigden rond naar vader, die nog krieltjes slikte, tusschen ’n broodbonk door. Kees voelde ’t éven.

—Wie mô nog oàrepel?

—Je sel niks gaife, bitste Ant.... wat’r blaift is f’r morge.. se freete mi-sonder end....

—He moe?.... eintje moar, bedelde Grietje....

Kees woedend weer op z’n woest-nijdig wijf, rolde naar eindkant van tafel ’n paar gaterige aardappeltjes. De smerige kinderhandjes grepen en wrongen tusschen pot en nattige plasjes, schreeuwend door elkaar:

—Van main.... ikke.... van....

—Blaif d’r af.

—O! gemein.... moeder se knaipt!.... se bait!

Ant sloeg woest met d’r vuist op tafel.

—Hou je bekke skorum.... je moakt puur de klaine wakker.. Griet! sé’ jai de fles d’r is in de konkel.... moar suig d’r nie an ’t pijpie, ongeluk!....

Griet luisterde niet. Wild stoof Ant op, kletste ’n draai om ’r ooren, rukte Annie die met d’r vuil bovenlijfje, en bebreide knuistjes over de tafel kroop, terug naar d’r zitplaats, dat de anderen waggelden op hun waschstelling en gilden van schrik. Aan ’r vingertjes had Grietje ’n paar fijngeknepen krieltjes kledderen, en gulzig, ongevoelig voor snauwen, likte en zoog ze ’r handjes af, onder oogengetril toch voor ransel-angst. Weer kletsten er draaien en bonkten er boffen tegen ruggetjes en hoofdjes, grienden ’n paar in stikkend-stillen stuiphuil, die langzaam uitbarstte in schreiend gebler. Rustiger na de rammeling was ’t geworden. Nou moest Wim nog wat slikkerbikken. Weekzacht sprak Ant ’r lieveling, ’r jongen aan, ’n beetje als klein kindje.

—Wil Wimpie nou s’n aitje? Kom, laa’k sàin nou effe op main skoot neme.... hee?

—Hee joà!.... moe.... effe moar, lachte Wim vroolijk nù hij den kring inkwam.—Zeer voorzichtig, overal door Wimpie gewaarschuwd, waar ze ’m niet mocht aanraken, schoof ze banden van z’n beentjes. Touw door ledekantgat heen geboord, waaraan zware zandzakken als vracht schommelden tegen vergroeing, knoopte ze los. Zacht beurde ze ’m op, bij voeten en ingeslonken ziekte-nekje, dat mager boven z’n hempje uitspalkte. Ingebukt liep ze, voetje voor voetje met ’m naar tafel, ’m schokloos op d’r schoot zettend. Kees, die onverschillig gekeken en nog geen stom woord tot Ant, na de ruzie gezegd had, kwam nu bij z’n vrouw staan, gluiperig bijdraaiend. En terwijl de kinders om kruimels morden, muschjesachtig pikkerig en nijdig elkaar bevochten, schillen van geitje elkaar uit de handen trekkend en kijvend om bord van grootvader, die gemorst had, staaroogden Kees en Ant naar zieke Wimpie, als leefde alleen hij. Jammerlijk vaalgroen bleekte z’n kopje in ’t schuwe val-licht. Uitgemergeld, als ademend geraamtetje, wrakte broos z’n beenig, puntig zwaar hoofdje op ’t slappe nekje, als zou ’t breken bij lichtste wending; bleekten de steen-witte ooren, angstig-groot, ooren van een doodzieke, mager, uitgedroogd, stil-alleen sprekend voor heel het geteisterde kopje. Om z’n puntigen neus holden diepe oogwallen, paarsig, lijkig bleek-groen, ’t gezichtje akelig versmallend nog. Z’n vuile hansop liet z’n beentjes uitspaken, latjesplat, recht uit.

Om moeders schoot was als een kring getrokken waar binnen de kinders niet genaakten. Wim’s voetjes dwarsten verkromd en ingeduwd van liggewoonte en ’t bleeke vel zwabberde geel-plooiïg om de slappe spieren.

Uit de schouw sloeg roetdampige rook neer van takbossen, die nattig knetterden in het walm-mistige vuur. Niemand klaagde van rotstank, rook, valeriaan en ziektebenauwing, in het donkere hok. Ant liet den rommel vervuilen uit woede en uit geaardheid. ’t Kon er niks schelen of in d’r ellende de boel verrotte. Niemand zei wat. Ze was afgetobd met ’r kroost. Stank moest maar stank blijven.

Kees had, vóór dat Ant ’t Dientje kon zeggen, ’t eitje verzorgd en klaargemaakt voor Wimpie.—Op ’n boterham had ie ’t voor ’m in kleine stukjes gehapt en weer brokje aan brokje voorzichtig uit z’n mond op ’t brood geduwd. Hij was blij, dat er nog meer voor Wimpie stond, in ’t achterend. Menschen uit Wiereland, die meelij met Wimpie hadden, brachten wel ereis wat voor ’m mee. En als Kees zelf iets voor ’m klaarmaakte, had ie hoop, dat Wim nog beteren kon, al trok de dokter met den dag zuurder gezicht. Met kleine hapjes duwde Ant telkens stukjes ei in Wim’s mond, die hij traag verkauwde. Heel hoog op ’n teststoof steunden haar beenen in schoot, wijd-uit, en met inspanning nog, zocht ze ’m goed tegen ’r aan te houden dat ie nergens pijn zou hebben. Soms klonk éven ’n pijnkreetje op. Schrikangstig zei ze dan iets, niet wetend waar ze ’m geraakt had. Vandaag vond Kees ’m al vreeselijk zwak uitzien. Er kwam lamte in z’n hart en benauwing, want twijfel spande weer in ’m, of ie wel ooit beter kon worden, z’n jonge, z’n eenige jonge! Wimpie was klaar met eten. De kinders klonterden weer bijeen. Heel zacht droeg Ant Wim in z’n bed, rommelde ze weer bangelijk-tastend langs z’n lijfje, de bandjes van zandzak over z’n voetjes schuivend. Plots knielden, op sein van Ant, allen weer voor de tafel, die in ’t midden geschoven was neer, en oogendicht, met handjes ineengeprangd, gezichten naar duisterend kruisbeeld op de schouw, begon zwaar van allen kant tegelijk gebed te ratelen, met rauwe kuch-stem van ouë Rams, hoestscheurend soms, en ’t schelle wilde extaze-gebed van Ant er doorheen. In het scheemrig donker knielde het bidgroepje, midden in duisterende kamer, aan alle zij omwalmd van rook, die zwart-dampig uit schouw trok. Wimpie alleen bad in z’n bedje, met rozekransje schuifelend door z’n magere handjes, ’n extra tientje, de twaalf artikelen des geloofs,—en zacht dreunde door de stilte, onze-vaders en wees-gegroets, z’n plechtig stemmetje:

—Ik g’loof in God.... d’almachtige voàder.... skepper van hemel en oarde.... en in Jesus Kristus.... s’n eenige soon....

Kees kende die dolle vertooning, zooals ie schold, was machteloos ’t erf opgehold. Voor Wimpie wou ie niet heelemaal laten zien hoe gloeiend ’t land ie had, hoe vreemd en miserabel mal hij zich in z’n eigen gezin voelde.

Eens toen Wim nog gezond leek, had ie hem woest, in drift, gezegd, dat ’t uit most sijn, maar toen had ’t kind zoo gesnikt dat ’t in drie uren niet tot bedaren te brengen was; had hij liggen zoenen ’t kruisje, dat om z’n halsje, op z’n bloote lijfje hing. Nou zei ie niets meer, ook niet tegen d’anderen. Daar stond ie nou, op ’t erfje, in de kou, zich suf te staren naar den modderig besneeuwden rommel, naar de ingesneeuwde assen en wielen van ’n brok geradbraakte handkar.—In verlegenheid schopte ie ’n bezem tegen de put, sloeg ie de deur van ’t pleehok nijdig dicht.

Toen ie, huiverig van guurte ’n kwartier op ’t erf rondgescharreld had, wel dacht, dat ’t bidden nou gedaan zou zijn, kwam ie weer in. Dadelijk bitste z’n vrouw ’m toe, dat ze morgen de wasch had bij Henkels in Wiereland.

—Dan he’k de wasch op de ploas.... aa’s jai nou moàr hier en-blaif bai sain....

Driftig-stram draaide de hoestende ouë Rams zich plots weer naar de schouw, de geit in touwkronkels om z’n stoelpoot meesleurend. Met z’n stompige, afgesleten voeten zocht ie buik van konkelpot, ging pruimpje van mondhoek tot mondhoek, en spatte ie z’n sisstraaltjes weer door de stilte heen. Kees had wat gegromd.

—Murge mo’k meskien noa bosch.... raize loàje.... d’r is gister een van de ponder donderd.... half dood.... nou mo’k feur sain....

—Meskien!.... meskien!.... huildrensde Ant’s stem, en plots in ’n schreeuw opspringend greep ze rood-sproetige Mietje van twee, die op den grond zat vuil te doen, bij den arm. ’t Kind spartelde in ’r hand, en zwaar ranselde ze ’t meisje in drift-rammeling.

—Jou varke.... mo je nou hier skaite.... ka je nie vroàge.. beesteboel.... woar sit je.... Dien!?.... f’r wa holp je da merakel nie op de pot.... hier pak an!.... furt jai!....—En toen weer in een tot Kees—nou, ikke mo main wasch bereddere....

—En je moeder dan, ken die nie blaife, meskien is d’r feur main wa....

—Koue larie, da seg ikke.... hai je t’met ’n afsproakie mit ’n lel.... Kees smoorde weer. ’t Taai dóórtartende kijfheete van z’n vrouw kende ie....

De kinders zaten weer te spelen, met hun bloote lijfjes en flodderige rokjes op steen-killen vloer. Plots toen ze hoorden, éven, dat vader en moeder tegelijk wegwouen, kregen ze ’t doodelijk benauwd. Want dan moest grootmoe Rams op ze passen, ’n heks voor ieder, die hen sloeg, gromde in haar halve blindheid.—Vandaag was ’t feest voor hen, nou grootmoe d’r uit was, naar den polder, bij d’r ouwere dochter. En nou kwam dàt, midden in. Wel wisten ze, dat moeder op Donderdag ’n wasch had in den polder, maar dan bleef Dientje van school en vader altijd thuis. Nou Woensdag ook.—Wimpie was geschrokken. Als vrouw Rams d’r dochter opjoeg en vuilligheidjes vertelde van Kees, schreeuwde Wimpie dat ze loog. Daarop wreekte ze zich als ze alleen in huis regeerde. Als d’r lui bij waren, kon ze vrindelijk zijn, poezig-lief tegen Wim. Maar dat was hevige huichel, dat voelde hij zelf heel diep. Ze had gloeienden hekel aan ’m, omdat ie van z’n vader hield.

Toch vertelde Wimpie nooit wat van d’r geniepigheid als zij alleen thuis de baas was. In z’n ziekelijk lijfje zat vroom, innig-simpel zieltje en diep onwetend was ie van al die vroomheid en innigheid. Soms vertelden de kinders Ant wel eens, dat Wimpie zoo gegild en gehuild had. Dan in onrust, niet begrijpend, vroeg Ant hem, maar Wim schudde z’n bleek kopje voelde zich héél sterk, wou vergeven, nu ie toch gehoord had van den kapelaan, dat ie gauw bij den Heere zou zijn. Vreemd lachte in droeve, zalige trekjes, z’n mond breeër, rimpelde z’n doodskopje, leek ie ouer in z’n kijk dan ’t groote mensch dat ’m ondervroeg, liefhad. Maar toch had ie angst voor zoo’n dag met grootmoe alleen, om de pijn en ’t gesar. Ant had doorgekeven op Kees’ vraag:

—Main moeder?.... gun je ’r nie daa’s ’n poar uur te freete hep in de polder....

—Gunne?.... f’r main blaift s’r veur de eefighait....

—Joa, jai ken d’r aa’sem nie ruike.... moar soo meroakel....

—Hou je nou moar koest.... ik blaif bij kinders.... je moer sel ’k nie roepe....

Ant was blij, maar wou niks laten merken.... Driftig riep ze Dien en Jans van ’t erf, die juist met touwtjes, aan ’t kalefateren waren, hun doorbeten modderzware mansschoenen, uit vullesbakken opgediept, voor en achter verbaggerd in gaten, rooig van kleur, wijdmannig slobberend om teer-kleine meisjesvoetjes.

—Hei skorum.... kom jullie.... goan jai stookie soeke.... furt.... d’r is vast niks meer.... murge.... furt!.... kwak de vullesbakke òm-end.... moar paa’s op in de Waik da’ de pelisie je nie sien.... En jai Jans.... àn de bel.... la je nie wègsture.... pakt an wat t’r te kraige kompt.

De twee kinders luisterden met koppige drift in d’r gezichtjes van verzet. Maar ze durfden niks zeggen. Dien had nou al twee ochtenden achtereen den heelen polderweg afgeslenterd, doodop, en gegrabbeld op de stinkaschbelt naar uitgebrande kokes, naar rotte beentjes, houtstompies; had paardevuil langs het pad bijeengeschoffeld op klein gebrekkig wagentje. Maar niks naar zin van Ant.... ’t Kind had gegriend, dat ze naar school wou, maar Ant had ’r woedend gemept.... en ’r gevraagd waar ze dan van freete moste en dat ze tog gain klompe an d’r poote vond....—En Jansje zocht al de heele week hout in bosch, onder den sneeuwmodder uit, loerde ook op stookies. Met ’r gebarsten blauw-kleumrige winterhandjes, knakte ze in jachtige onrust, takken van de padstruiken, bang voor tuinders en veldwachters, die lol hadden in ’t snappen van bedelvolk. En alles in ’n grooten zak stoppend, sjouwde ze op ’r mager kinderruggetje zware houtvrachten, in regen en windguurte, die onder ’r vodrokjes op ’r bloote lijf striemde. Dien droeg tenminste nog ’n jongensbroekie onder ’r stinkende vaal-rooie rokje.... maar Jans had nog niks. Nou mosten ze ’r weer op uit, in die nattigheid. Ze vloekten, harde vloekjes van haat en wrevel, tegen elkaar, die ze gehoord hadden, nauw verstonden, maar opluchtten toch hun verkropte woede. Want ze haatten, met afgetobde hongerlijfjes, zwerftochten in den winter, hoe lekker ze die ’s zomers ook vonden, dàn rondstoeiden op zonneplekken en gras, onder den bedel door.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Kees was met ’n nijdigen deurslag ’t pad opgegaan. Rammelen van flauwigheid voelde ie zich nog, en als ie dacht aan wat vleesch, liep ’m ’t water over de tanden. Toch, de lucht deed ’m goed. Alle weeren joegen en sloegen om z’n karkas, die er steviger tegen hardde. Z’n armoe had ’m sober gemaakt en gezond bleef ie, sterk, door zuivere lucht, ruimte, duingeur van zomers en al z’n grondwerk. Alleen z’n kinders niet; zwakkelijk geslacht, bang en zenuwachtig. Dat had ie nou sien bij veul tuinders, allegoar bijna beverige sukkels, mit hoofdpain, angst, slecht sloape.... da was nooit soo in sain tait.

De oogenglans van Wim, dat hij thuisblijven zou morgen had ie niet gezien, in woede nog om z’n kijfwijf en schoonmoeder.

Van god-verlaten, in oneindige eenzaamheid, lag de sombere weg naar zee, in groezeligen sneeuwmiddag, zwaar van grauwte. Vroeg-decemberend vaalde stilte-schemer over lage akkers, waartegen heuvelige duinbulten paarsig en grauwig in verte vernevelden. Nou was ’t al te laat voor ’m om nog ruigte te zoeken. Waar nou heen? Nattige mistigheid en guurte zoog tusschen z’n kleeren en huid.... Wacht, aa’s tie effe bai Klaos Grint gong. Meskien had die nog wat boompies te moake.... Verduufeld, datie selfers nog gain luis had om wa tieme te koope.... Op den reutel kreeg ie niks.... Wat skoremzoodje toch tegen sàin.... Die lamme Kloas, die gluupert!

Zwaar loomde z’n gang langs ’t sneeuwmodderpad. Telkens tuurden z’n oogen even op de grauwe wijdte van akkers en paarse duinnevels. Rustig toch voelde ie zich in de eeuwig-geheime stilte die er trilde en sloop boven ’t verre middagland. Vóór ’t huisje van Grint bleef ie staan, trapte ie even tegen de deur. Gouïg lichtschuim glansreepte langs kozijnen, achter rood gordijntje, en stil, in schem’rige middag-donkering, lag daar ’n sneeuw-bevracht huisje, blank-stil, op ’t duinpad geduwd met z’n bloedend raamrood, fèl-glanzend tegen ’t wit. Dadelijk achter z’n huis had Klaas Grint àl z’n grond, z’n bessen, frambozen- en aardbeienakkers ’t meest. Grint was de knapste en sluwste tuinder-kleinpachter uit de buurt, ’s Winters, zes maanden dóór, zat ie in z’n huiskamer met vier dochters en ’n zoon, aardbei-mandjes te vlechten, uitzuigend en afbeulend z’n kinderen, om te sparen, te spàren. Vrouw Grint maakte Kees open, lachte.

—Kaik?.... daa’s Kees!.... Piet is t’r ook, en je neef Hassel van de Kuil....

Al de niet-katholieke vrouwen uit de streek hielden van Kees om z’n reuzig lijf, z’n guitige grijze oogen. Kees bromde wat, recht uit ’t gangetje doorloopend naar ’t hok, waar gewerkt werd. Vier meisjes hurkten op den grond, naast elkaar, met ruggen tegen den muur gestut, beenen dàn rechtuit, dan opgetrokken. Dwars over hen, aan kortere muurzij hurkte Klaas Grint, de tuinderpachter; en bijna op de kachel gedrongen, met z’n beenen tegen z’n vader aan, zat Jan, zoon van Grint, lange bleuïge kerel van achttien. Lui-hangerig stond Piet, naast hurkende Geertje Grint, mooie donkere tuindersmeid met prachtige gloeiende bruine oogen, vol lichtrumoer. Als ze uit ’r bukwerk naar ’m òpkeek, sterden ’r uit ’r appels rooie vonkjes, aanhalig en stoei-levendig. Achter Piet weggeduwd in benauwing, stond Jan Hassel, zoon van Dirk Hassel, Gerrits broer, tusschen wie al twintig jaar hevige vijandschap broeide. De neven kenden elkaar bijna niet. Toch werkten ze zomers soms akker aan akker, in duin op Wiereland en loerden ze op dezelfde mooie meiden van Grint. Het vlechthok van Klaas was voor alle soort bloemkweekersknechten, tuinders en losse werkers ’n inloop ’s winters, ’n honk waar de kachel brandde, en allicht ’n kop heete leut te slobberen viel.—

Kees, reuzig boven allen uit, was stil in den hurkenden werkkring gestapt, zacht groetend, met z’n hoofd de bakzoldering net rakend. ’n Klein groen glaslampje hing aan ’n spijker tegen bruin-vuil beschot, boven den kop van Klaas, rood-fel beschijnend, lankaster gordijntje van achterraampje, zwak-naar groezellicht neerschemerend over den grond en laagzittend werkgroepje in ’t hok. Spraakloos bij Kees’ komst zaten ze in arbeid verbukt te vlechten, elk afgevlochten mandje in ’n hoek kwakkend, tot groezelbruinen hoop bijéén. Telkens verbukten ze even van beschot àf, naar kachelkant, greep-grabbelend in de vooruit klaargemaakte bodems, die met hun uitpriemende, dun slingerige teenen-enden, als groote donkere spinnen over den grond dooréénwriemelden, in het zuinige lampjes-licht. De kachel pafte zwaar-gloeiend in ’t lage hokje en Jan Grint, die broeiing in z’n rug opving, zat telkens te blazen en zweet met z’n mouw vol houtsplinters, in z’n gezicht te strijken. In het bruindoffe schijnsel van muur, donkerden de gezichten, nekgebukt, naar den grond, òver de mandjes heen en in wilde bewegelijkheid dàn duisterden weg, dàn lichtten òp vlechtende handenparen, de buigzame teenen verschakelend tot mandjes.

Van ’t achter-end uit stem-vroolijkte vrouw Grint naar Kees.

—Drink je nog Kees, ’n bakkie leut? D’r is d’r nog van ’t grondje....

—Dankkie.

—Leut? lachte schamper Klaas Grint,—gaif sain de fles.. verdomd Kees, aa’s ’k je nooit nog mi stuk in je kroag sien en-hep.... en nou segge alderlei, da je suipt aa’s ’n spons...., wa heppe sullie d’r an.... da moakt moar swart.... wâ ken hoarlui bokkeme.... verdomd!—

Kees antwoordde niet, haalde schimpig z’n schouders op. Hij wist wel, dat Grint ’t zelf vertelde, die skorem, en aa’s ie ’t meende, vond ie ’t nog lammer, want hij had ’t land door zoo’n beroerling beschermd te worden. Gesprek wou niet vlotten. Piet Hassel stond stil en Jan Hassel de neef, was bij Kees’ inkomen nog bescheidener in z’n achterafje teruggetrokken. De meisjes keken maar òp naar Kees, den langen Kees, den gevaarlijken Strooper, met z’n guitige oogen en z’n stillen loer op hun handen. Dat was nou Kees, over wien ze altijd den mond vol hadden, Kees met z’n streken!—Achter dun hokjesbeschot bonsde dreunwrijf op waschplank van de meid, in schuimtobben. En klagelijk huilde ’r stem ’n smertelijk liedje, zoeterig-sentimenteel, plechtig zangsleepend door werkgroepje:

A.. àn ’t be e.. edje fan d’r krà-à-à-’n-ke liefelinggg.. Si.. i.. t moe-der neer, in sti.. il.. ge.. waieen..

—Jessis poà, wa ken die maid seure, lachte kwaad mooie Geert, daa’s nou puur ieder Dinsdag krek soo.... an de tobbe.

—Is dat nou seure? klapte Trijn, vurige jongensmeid, ’t is prêchtig.... mô je moar wachte.... tweede komplot.... aa’s God d’r kind loat stèrrèfe.... en sai ken d’r in ’t klooster goan.... prêchtig! En ’t Treurelied van de jongelingg.... ses komplotte.... aàs hai se’n maisie f’rmoord uit jeloersighait.. en van de Skeepsjonge!....

—Nou, ik wou moar da se d’r snoàter hield, driftte Jan Grint, is me da.... da singe!.... daa’s griene!.... da gemeine kreng!.... die hep nou twee hufters.... en d’r gelant is d’r van deur.... Teun de kweeker.... en nou singt sai in d’r eeuwighait van d’r liefelinge, die se t’met thuis lam ranselt....

Piet voelde ook weer zeglust:

—Nou, jullie benne ook soo got-vergete stommetje.... segge jullie d’r is wat.... gong tug gain paop f’rbij.... seg erais wá’, jai Trien, jai Geert, lach d’rais.... effetjes!....

—Stil d’r ’s;.... hoor nou d’r ’s.... zei met gespannen luistergezicht Trijntje in armgebaar Piet tegenhoudend.

Nog nimmer f’r.. i.. in d’ laik ’t so.. on licht ske.. een.. Gebukt goan se onder smart en sorrege!

Dreun-dof bonsde langs richels van waschborden rhytmisch ’t goed-gewrijf, en klagelijk huilde d’r weemoeds-stem dóór, gedempt achter beschot uitklinkend. Dat was te veel voor Piet. Zwaar opdonderend tegen ’t huilig gezang, in stem-davering, barstte ie uit, met beenporren tegen Geert en Cor:

—Bommelebom, bommelebom.. làange Jaàn mit skeele Piet!.... mottige Toon en laànge Griet.... Alle goane wai op rais.... Jào, mi selfers de dikke Gais.... En elleke jonge hep ’n maid.... bommelebom.... bommelebom!

Met voetdreun trapte ie maat en Jan opwindend er tegen in, onder stuipgelach van meisjes die met hun hoofden naar elkaar toe-neigden.

—Deesie.... Deeeesie!.... ’k Wait daa’t êe blom in main hart ontbloei.. i.. it! Deeeessie!!.... Deeee.... esie!!....

—F’rjenne, jullie werke nie.... och Piet sing sooveul aa’s je lust hep.... moar la’ hoarlie d’r gangetje.... hee?...., schreeuwde Klaas rood-driftig boven gezang uit. Niet zien kon ie, dat met ’t mirakelsche lachen, d’rlui handen stilstonden.

—Nou poà.... u is t’r ook een!.... bitste kwaadaardig Geert, nou magge wai nie lache....

—Wel neenet, da mist nie.... lach sooveul jullie wille.... moar d’r mó’ werkt-en worde.

Ontstemde stilte viel in en ’t meid-geluid vlak achter beschot, treurde weer nà in het scheemrige werkhokje, met beverige lijfschokken van wrijfbonzen, tusschen ’r zangstooten.

—Gehail allain.... moe.. et.. ik hier dwoale.... Ik vi.... ind main minnoar ni.. i.. immer weer.... Joa langsaom sa.... al.. mai.. in laife kwai.. aine.

Piet kleurde van ergernis.... dat was verduuveld weer ’n ander lied.... die maid zat nou puur vol akeligheden, en ratelvaartend er tegen in, dreunde z’n zangerige stem met café-chantantkomiek-timbre.

—Op hede.... in de groote kemedie.... Mikke hou je vàst an de slip van main hemd.... treurespel mi ketelmesiek en melaische trombom.... neutemaide aa’s swafelstokkies.—Doàmes mi klompe.... toegang ses sint.... heere f’r naige..—sel speult worde.... Te-e-e filis Skeersalf.... of.... manke Metrain mo’ je geloofe....

De meisjes gierden, koppen bijeen in donkering, met de stijf-uitpriemende teenen van hun half gevlochten mandjes elkaar beprikkend. Nou lachte Klaas zelf mee. Hij kon zich niet meer inhouen, maar woest was ie toch op Piet, dat ie z’n meiden zoo inpalmde.... dat gaf niks goed.... niks goeds....

—Nou furt an ’t werk, joeg ie weer op, dat de meisjes hun lachen inpersten maar telkens weer in licht gegichel uitproestten, aanhalend de anderen, onder nieuw geratel van Piet’s lolletjes, die op één dreun bleef gekkigheidjes zeggen.

Kees bekeek met grimmigheid Klaas, die werkte als hing er z’n leven van af. Wat kon ie die arme maide toch beule.... was da nou werk veur maide.... Hai kon ommers best ’n poar kerels doar sette.... Stinksuinige vrouw.... s’n jonge die d’r hielp en in ’t land somers nog al s’n kooters plukte.... en hai niks.... niks....

—Is da nou maidewerk Kloas, je mos je aige skame, is da nou hullie werk?

’t Was er uit bij Kees, draaide al lang in ’m rond. Klaas was woedend, hij begreep niet waar de kerel zich mee bemoeide. Jaloesie most ’t sain, dat ie ’t sain nie lie doen.

—Seg Kees, stem-goeiïgde gemaakt Klaas,—je ben d’r ’n bofenste beste.... moar ik seg moar.... da binne main soake.. jai hep je eige saoke.... dà binne maine....

Stroef was t’r uitgevenijnd, en bleekig trilden z’n neusvleugels van stille drift.

—Nou ’t is puur skande.... kaik se sweete.... d’r ruggetjes breke t’met.... die hep ’r hand weer op d’r sai, en dìe steunt aa’s ’n big.... d’r is t’met niemand in de ploats waor maide werke....

—Soo?.... nou koopman.... dan kaik ie mi je neus.... vroeger nie!.... daa’s gelaik.... moar op hede huis an huis.. Doar hejje dochter van Piet Beugel, de maide van Molenaar, van Deuter, van Renke.... de maide van.... van.... van nou noem d’r self m’r is wa’ op.... die werke t’met veul langerst aa’s sullie....

—Daa’s net, lachte Geert, moar die kraige feur ieder tientje ’n sint.... en wai.... wai.

—Da hep d’r niks van, niks van, schreeuwde Klaas onthutst, met één hand nog uitgespreid door het vinger-langzaam optellen van tuindersnamen, waar meisjes aan huis vlochten.

—Hee, d’r af daor, d’r àf!.... schreeuwde Trijn, tegen twee jochies, die uit school binnen gestormd waren en in lawaai stonden te wiebelen op de mandjes en teenen-bossen.

—D’r af, schreeuwde Klaas, wi jelui deur main goed snerte.. benne jullie heule gaor daàs....

—Wàrrimpies! Wàrrimpies’ blies Jan Grint, vlak op de kachel geduwd, met ’n akelig benauwd gezicht, zoo komiek toch, dat ze lachten, allen.

—Je hep ’n kop aa’s ’n skarretje da nie lache ken.... lolde Piet....

—Wa mo je.... goan noà je snoeptoàfel.... laileke koàketoe!....—

—Komp dan d’r is hier langerst.. lolde Piet terug, met ’n zinlijk oogknikje naar z’n zus, mooie Geert.

—Hoor!.... nou hep se ’t op d’r heupe, lachte Geert, met ’r vinger op d’r mond om te stilte-sussen, luisterend naar waschmeid, die jolig stem-tierde nù;....

—O! doch je ferempel dat maines was bai d’r.... o ho! koopman,.... kom bai de huur terecht.... se kraigt puur d’r kinders in ’t joar....

—Seg, mi fesoen Jaa’n berispte Klaas streng, die zelf ’n gemeen nieuwtje had willen vertellen, maar niet durfde, en ’t nou deftig maar gooide op ’t fatsoen....

Kees voelde zich weer gloeien. Hai, hài wist, wat ’n merakel-monster Klaas weest was, in Amsterdam, toen ze voor jàren hèr samen gevent hadde doar.... hoe se doar same de beest uithonge;.... weest ware, van d’ eene meid na d’ andere.... steeg in steeg uit.... en nou most Jan se snuut houë.

—Of ’t maines is, vroeg Trijn, se hep ’r vraier tog moar blind mit fit’r’jool gooit, bai de Gasperlaon,.... vlak bai bolleskuur van Neelis.

—Hep sài da daan?.... is sai dá’? vroeg Piet onthutst...., nou ken ik d’r fraier ook.... pàl in se lampies hep se sain raokt.... dan hep se ook vier jaor sête.... hai is stekeblind!....

—Daa’s net, bromde Klaas, se hadde d’r motte vieredeele, dá’ varke.

—Nou, driftte Geert uit, moar hai hep ’r late sitte mi twee kinders.... en alle maide ware sain.... nooit hep ie se hande thuis houe kenne.... nie Annie? nie Cor? en naige skaïve f’rdiende ie.... en nooit niks kreeg ze.... ik had t’met ook dààn.

—Wa jài.... jai hou je bek!.... jai muurvarke.... wa jài.... hep ’t hart en la’ ’t so waid komme.... jai....

—Nou speul d’r moar nie soo òp.... ik bin tog va main aige....

—Hou je bek, woedde Klaas, d’r wort je niks-en vroàgt....

—Nou, tog is ’t woar, snibbigde Geert na, blij dat ze tegenstribbelen kon.

—Nou Kees, wai kraige ook pirsinte van Poa, lachte Annie, om weer ’n beetje goeiïgen toon te krijgen in ’t gesprek.

—Pirsinte? angstigde vragend Klaas,—nee kind, da mo’ je ’m nie lappe.... dan skie ’k in.... sullie kraige t’met tien sint veur de honderd....

—t’Jonge.... t’jonge.... daa’s main ’n klodder.... daa’s gul.... en jai moàkt anderhalf sint p’r mandje, scherpte Kees.

—Soo?.... enne main tieme?.... kwartje per bossie.... de leertieme dèrtig....

—t’Jonge.... sarde Kees door, meroàkel.... moar sullie moake de heule keet!....

—Dà’ wee’k soo net nie!.... dá’ wee’k so net nie, ik moak oore en boompies, de swoarste karrewei t’met....

Onder veel rumoer werd Jo, jongste meisje van Klaas, goud-blondige krullebol, zoo uit school, met ’r kort-geknipt groote-vrouwenmanteltje nog om, uit vlechtend kringetje gerold. De jongens trokken ’r aan de reuzige paarlmoer knoopen, door de mandstapeltjes en teenbossen heen.

—F’rdomme goan jullie achter.... jullie hep hier niks.... schreeuwde Klaas ’n teen-end om zich heen zwiepend uit nerveuze heetigheid.

—Aauw! pijnde Geert, kaik toch uit, main neus raok je....

—La se dan d’r biese pakke.. ongelukke bin kwoàje kanse,.. ’t is d’r hier krek om te stikke poe, poe!! trap ze d’r uit waif.. waif!! wá’ sit je.... trap se op stroat.—

De jochies en ’t uit de werkgroep weggerolde meisje, riepen mee, om ’t hardst, of ’t alleen vrouw Grint gold.

—Moeder.... moe-der!.... Voader roept.... Poa roept!..

—Aa’s da’ kriel van skool komp, vloekte nijdig Klaas, hep je hullie binne de mikke.... Waor sit moeder nou?.... is die weer bai vrouw Doalwiek?

Er was broeiing in ’t hokje. De meisjes stutten hun ruggen met handen, onder pijnuitroepen van vermoeienis. Klaas wou ’r niet naar hooren. Hij stikte van werkbenauwing. ’t Zweet glom vettig op z’n gezicht.... Moar d’r most iets overheen gepraat worden.

—Seg Kees, hai jai ’t ooit so sout gete?.... main waif hep malle sel’dremente meroakelsoàke t’met!.... Die hep puur de duufel in d’r sielement.... Se la soo maor ’n toafel dànse.... van d’r eige self’rs.... aas se d’r an goàt sitte.... se hep se allegoar snik moakt!.... laik t’r één van ’t gekruist ras.... en bang da s’is van d’r eige ’s nachts....

—Nou poà, nou moakt u d’r óók wa van.... mokte mooie Geert, goochelvlug nieuwe teenen in ’r aarbei-mandje stekend en vervlechtend.—Haar blank gezichtje donkerde telkens weg in buk. Soms éven,—als ze op keek naar Kees en lachte, lachte, aanhalig tegen hem, met fijne grimassen en trekjes om d’r mond, doezelde er lichtschemer òver, bukte ’t weer weg, dat haardos van achterhoofd en nekblank alleen nog te zien bleef.

—O Kristus, wa’ si’k hard, zuchtte Cor zwaar, m’n stuit breekt t’met.... Neenet Kees.... poa moakt ’r ’n slòa’tje van.... se saie da moeder an ’t spirretirrem is.... da’ sai d’r senie van hep.... sien-ie?

—Hou je mond jai muurpeek, wee jai ’t weer beterder?!

—Wel neenet...., snibbigde ze geraakt, u weet ’r ommers ook niks van.... En u is t’r bang veur aa’s de dood.... Nie Jaàn? nie An? nie Geert?.... is poa nou nie.... nou freeslik.. bang?....

En met stem-zangerige stijging ging ze door naar Kees en Piet kijkend, met groote angstig-geloovige oogen....

—Moeder het spooke sien.... weet je.... spooke die je nìe sièn ken....

—Seg, is t’r nou uit mit die lamme poppekasterij.... schaterde Piet, mo jullie main of main jassie!....

—Nou, da seg ikke nou ook.... t’met moakt se hullie alle-goar daas, snauwde Klaas, blij dat Piet ’m bijviel.... ze benne veur de half hier al tuureluursch.... Spooke!.... spooke! geloof d’r gain bal van.... Aa’s sai die heule keet nie fierkant tuureluursch moak hiet ik gain Kloas meer.... Ik sien d’r gain hail in....—Gaif main die boompies effe an Jaan?.... en jai Kees wà jai?—

Kees begreep Klaas’ kwaadaardigheid. Zoo terloops had ie van Ant gehoord, dat vrouw Grint al ’n paar maanden behekst was.... da se mit de duufel en de boose geest vocht. Nou wist Kees, waarom Klaas zoo nijdigde, maar wat ie zeggen moest wist ie niet. Hij kon d’r nooit niks uitkrijgen. Zoo als ie daar stond, tegen het beschot, beenen over elkaar, vond ie ’t alleen duizelig-lekker warm, en loerde ie op ’t lieve snoetje van Geert. Als ze opkeek, lachte ie in ’r mooie lampies, waar uit telkens dat rood gevonk opspatte.—Wat ’n kiekers.... wa lekkere maid.... Dol was ie op da jonge goedje!—

Maar Piet, z’n broer had de begeerige stilheid van Kees gemerkt, z’n loeren naar Geert, waar ook hij dol op was en Jan Hassel, de neef, die als ’n stille schaduw schuwen bleef in z’n donker hoekje.—Piet kon Kees wel ’n mestvork in z’n pens steken.... Wat had ie nou mit die maid te lache!.... hai had tog se waif.... wou die Geert nou veur sain neus wegkape.... die skooier. En sai, sai lacht f’rjenne ook! die peek. Maar Klaas keek naar ’m òp, van den grond, uitstrooiend z’n nieuwtjes.

—Hai jullie hoort Piet, van die oarstitek uit de Beekstroàt, op de ploas, da’ hullie sain heppe pàk.... de p’lisie.... dat ie stoapel tuureluurs is.... se saie da’ tie puur van oàdel mo weuse.... Nou wou die veertig huisies sette op één meter, hier an de weg.... noas de sekerterie....

—Daa’s hai nie poà.... je hep ’t mis.... daa’s sain broer uit Hoarlem....

—Vast nie.... vast nie, schreeuwde Klaas, woedend dat al z’n halve nieuwtjes vermorseld werden door z’n kinders.—

—Vast wel, hield Jan, stug-kalm vol, even met z’n handen plat op den grond zich uit z’n zit ophijschend van vermoeienis.—

—Jesus, main rug brant van pain, klaagde Geert, met ’r kin op ’r borst gedrukt, snel doorvlechtend om toch geen verwijt van Klaas te hooren wijl ze klaagde.

—Nou ikke seg...., daa’k g’laik hep Jaàn, se heppe sàin pàkt. S’n vrouw en sullie allegoar ’n noakende boel.. S’n broer hep ook op de ploats woont.... moar daa’s hài nie.... nou, die is mi tachtig duuzend gulde d’r van deur goàn van de inlegf’briek. en hai woont.... hai.. sai ’k moar segge.... tussche dronke Frans, de blomkweeker en.... en.... tussche Jaffer.... die weeduuw.... woar netaoris Verstrooke ’t mee weut....

’n Poos viel werkstilte in, tusschen golving van donkere handparen, die snel voortwriemelden in ’t schemerlicht. Uit het triestende werkgroepje wasemde hette òp, puf-benauwend. De hoofden bukten weg in duister en schaduwing, en telkens greep één uit den kring naar drinkketel, de tuit bezuigend in lipgesmak, met ’n zuchtadem als ’t klaar was, ’m neerbonzend op den vloer. ’t Korselde in Klaas nà, lust om nog wat nieuwigheidjes van de plaats te vertellen. Dat was hartstocht van Wierelanders en Duinkijkers om alles over de tong te halen, elk gezin, te martelen stil geniepig, te lasteren, met schampere glimlachjes, klein-vunzige haatjes. Hartstocht van Klaas om ieders leven omver te halen, er in te grabbelen, grabbelen, als ’n bedelaar in vuilnisbak.... En dan van ònder òp moest ie de boel hebben, er uitzwabberend alles wat afgunst kon knauwen, nijd kon slikken. Dat konkelende grimas, dat heete verlangen om te bekladden, te knauwen, leefde zoo hevig in Klaas, dat ie geen uur ’r zonder kon zijn, of hij voelde zich leeg, onrustig. Als ie niets wist dàn maar aan ’t verminken van nieuwtjes, die ie zelf gehoord had. Zelfs zou ie ze peperen als d’r niet genoeg brandends aan zat. En dan, rondgaand ’t praatje als ’n vuurtje, ’t wéér hooren, verminkt, erger altijd, uit andere monden; dat wàs z’n lust, z’n leven. Dat rondgaan van meid tot jongen, al maller, gemeener. En allemaal onder mekaar zoo, in Wiereland en Duinkijk, waarheidjes rondgerold en omgekonkeld in lasterpraat. Zoo ieder gekruisigd, beplozen, gehangen of vastgepriemd aan ’t spit van hun haastige babbelzucht, geroosterd op ’t vuur van hun schroeiend venijn, verlustigend de luisteraars en kijkers in ’t spatspel, ’t vet dat afdroop van hun lijven. Zoo roosterend, de lucht vol gebrand vleesch en dan smulpapend ieder met gulzige kaakhappen aan het lastermaal. Zoo zat Klaas, als ergste konkeltype met barstend lijf vol venijn en kleine stekelige haatjes, afkammerijtjes en verdachtmaking, stedeke-klein konkelend in eunuke onmachtjes; zat ie gezwollen van kleine afgunst, kleine indringerijtjes. Kanibaalsch vreugdegekrijsch klonk er om het braadspit van een vastgepriemde; makabere marteldans, tegen ’t ellende-gejank en gesnik van ’t gestoken slachtoffer.... Maar bij elkaar-gesapt venijn kwam te luchten, afgunst te gloeien. En overal rauw gescheur van vleeschbrokken en bloedgevloei rondom, en lekkende lastertongen, die opzogen het rood-warme vocht.... De volgende week zag ie zichzelf aan ’t spit opgepriemd en vermarteld door anderen. Da’ wist Klaas, moar toch nooit dood, altijd levend bestaantje van laster en stedeke-afgunst bleef ’t. O, Klaas zat vol nog.

—Nou Kees, wa seg jai nou van die hailige Markus in ’t Duin, drie keer te kerk per dag.... die faine! Verduuveld, lachte ie stemrochelend, nou heppe de maide hier sain gisteroafend op loer sien.... twai volle ure en nou gong de hailige.... en d’ appeteker.... en meneer Loskruit en hai van de Kooseweg, mit d’r viere.... achter mekoar gonge sullie binne.... dat benne nou heule Perlutte.... Se dochte aa’s da wullie in donker ni sien heppe.... moar.... moar wullie binne pienter weust.

—O jee joà.... lachte Geert, in zenuw-haast voortvlechtend, afvegend met ’r mouw zweet op ’r neus en donkere wang.—Eerst gong de lange Loskruit. Om half naige.... nie! en toen de àppeteker.... en de klaine hailige achteran teuge tien ure.... nou,.... die hep se ook moar achter s’n mouw hee?....

—En, drong Klaas op, hittig, en d’rlui moeder stong an de deur, die hep wacht houe motte.... sakrejenne.... en hai schutterde op pad hain en weer.... hain en weer.. wa sloeries hee?

Vet van konkelhitte rauwde z’n stem; er zat heete lol in z’n mond en z’n pruimpje sopte vies-bruin door z’n rotte tanden heen.

—Wa sou ’t, driftigde Kees, hee jullie daar nou skik van.... wa sou ’t.... Joap mag weete wa jullie nog t’met doen.... loa se goan.... benne jullie soake nie.—

—Nou seg, faine merreke, schimpte Klaas, moeder en dochter te g’laik.... ànlegge met wie d’r wul.... da benne kattelieke.... loope de kerk plat.... de kerel suipt s’n aige dood..

—F’rek, wa hep jai dan weest veur ’n meneer...., laileke smuugert, barstte Kees los, zwaar z’n lichaam uit beenkromming opveerend, dat wild z’n dreigschaduw op het zwak-belichte hok-beschotje donkerde;—benne hullie in de ploas soo fain.... bai jou femilje.... bai jou.... se legge tog allegoar in de loan.... wa poer je nou van de aêre.

—Stuif jai mer nie soo...., talm-treiterde Klaas.... wa segge se dan van jullie Guurt, daa’s nou je bloedaige sus....

Jan Grint, op den grond, beefde.... Z’n bleek groenige kop zag in schrik òp naar z’n vader in ’t licht. Ze wisten allemaal op de plaats, dat ie dol was op Guurt, dat ze elkaar van jeugd af kenden, maar dat Guurt ’m afgewezen had. Toch bleef ie op ’r loeren, bevend van jaloezie, ruw met stik-zwoele ziel van gloei-hartstocht. Z’n vader gaf d’r niks om. Juist zei ie, wat ie gehoord had, dan wist Jan waar ie zich an houen most.

—Nou vertelle hullie overal t’met toen se lest noa buite gong da sai, sel’k moar segge.... da sai, drie moande ’n luchie hep motte skeppe.... en da sai skoon thuis komme is....

—Veur main mag se veur eeuwig weg.... moar jullie hep sain achter de mouw, zei Kees straf, onverschillig voor wat ze zeien van Guurt.

—En jai hep altait duufel in,—treiterde Klaas, met onverwachte zwenking, gesprek op stroopen draaiend, in langzamen kuch, z’n mes door’n teen-end snijend dat afbrak bij invlechting,—altait aas ik seg.... sel’k moar segge.... dà je dieft.... sel’k moar segge fierkant.... Aa’s jai stroopt.... dief je....

—Ik dief nie, daa’s puur vuil.... jai vuile.... ik stroop, daa’k freete mo!.... mo ’k f’rrekke van honger?.... da wou je wel sien hee?.... Jai gluupert... ja!.. jai! jài hep freete!.. Jai bloedhond hee? je hep kinders hee?.... jai.... jai jai snurkert.... hun mosse je beuke.... jai bloedhond.... jai.... jai, jai!

Klaas werd bang. Oogen van Kees driftten dol. Hij stik-stemde van woede.... De vloeken stotterden en taterden in gift van z’n lippen. Er zat wilde jeuking in z’n handen en z’n voeten stonden klaar om den vent in mekaar te trappen.... Die laffe lammeling, die de groote meneere.... likke moar....

—Jài, dreunde ie voort, jài mo’t heppe van je gluupstreke.. de dokter hee?.... de notaris hee?.... dioàke hee?.... die likkie.... laileke sloddervos.... vuile bunsum.... kaik da.. dá’ goan je gladjanus!

Rumoer-zwaar had Kees spogstraal op den vloer gefluimd en woedend wreef één zware modderlaars over den knarsenden zandgrond.—

De meisjes zaten verstomd, dieper ingebukt, met d’r gezichten op de borst in snelle golving van handen-paren, stil-zwaar-geploeter. Alleen Piet keek Kees aan, wetend, dat ’t ’r voor Klaas leelijk ging uitzien als ie ’m nog meer prikkelde. Hij wist hoe Kees woedde op ieder die ’m voor dief schold, omdat ie stroopte. Klaas voelde ’t zelf ook al. Hij was ril-bang voor Kees’ reuze-knuisten. Die kon wel ’n moord doen, die vent, zei de heele ploats en tot an zee zeie ze ’t dat ie d’r al ’n poar op s’n geweten had. Kruiperig wou ie iets vergoelijken; doodsbang nou dat ie te ver was gegaan.

—Nee, lui bin je nie, da mo’k je noagaife.... moar da je niks.... nooit niks omhande hep.... so heulegoar niks.... da gaon main boofe main pet.

—Daa’s net, aa’s ik liege en diefe wou aa’s jai, haa’k neuit honger.... moar jai.... jai, jai bin ’n bloedhond.... de groote meneere likke veur ’n poar roe minder pacht, hee?

Klaas schoof onrustig heen en weer op den grond, brak in angst telkens nieuwe teenen.... Nou was ie nie van de vent af te krijgen. En Piet zei ook moar niks. Jan Grint, van angstige verlegenheid, pompte in den vuilen gloei-doffen kachel-muil nog wat blokken. De meisjeskopjes bukten dieper, zwaarder donkerden hun haarhoofd en nek; stiller schoven handen in grabbel onder de gespleten teenen. Het gordijntje, hoog-rood beglansd, kaatste licht af, droomerig over de werkhoofden in wazigen schijn, stille sfeer die zacht-innig te glanzen lei tusschen lijf-donkering der werkmenschen, omplengd van zweverige plekjes roodgoud hier en daar.

Plots leek Kees bedaard. Ruw hakkend z’n woorden vroeg ie:

—Kort en goed, hai je tweehonderd boompies te moake kwartje ’t uur?....

Kloas durfde niet weigeren. Miskien kreeg ie anders nog op z’n test, moar ’n kwartje per uur was te veul.... en tog kon ie nie alleen de boompies moake.

—Twintig sint, stem-schuchterde Klaas, want afdingen moèst ie. Er wrokte weer drift in Kees, trilling in de beenen om dat gierige brok mensch in mekaar te trappen, maar hij smoorde ’t, dacht aan thuis, àan z’n eigen krepeeren. Al de heule week had d’r bijna gain freete weest,.... ’t moakte ’m zoo wild, zoo brandend, zoo woest van binnen aa’s tie z’n Wimpie sag ligge doàr.

—F’rrek moàr, twintig sint.... in drie uur benne se d’r,.. langerst ke’k tog nie uithouë.

Dâ vat ’k, lachte Klaas, die wist wat ’n hellewerk ’t was, drie uur mandboompies maken; blij dat ie d’r voor ’n koopje af kwam.—

Elk lach-antwoordje, venijnigend op dunne lippen van Klaas, deed heviger drift in Kees grommen. Diep, diep, kraterde ingehouen vechtlust, traplust, dat hij met z’n stomme poote nou die rotte boompies mos goàn moàke. En ’t bedonderde dat hai ’t ook niet langer dan drie uur op z’n hoogst kon uithouen.

Dat was, in dat brand-benauwde hokkie ’n karwei om te vloeke van senuwighait.... Met de teenen, weerbarstig onder z’n voeten, uren achtereen, diep gebukt, dat ’t bloed ’m naar de strot lekte, dat ’t zweet ’m langs z’n nek en ooren afdroop.... draaien, draaien, invlechten, poef!.... d’r uit duwen verspringerig teenengoedje.... poef!.... d’r invlechtend; en zonder ophouên, dat ie duizelde, duizelde, alles voor z’n oogen begon te donkeren, en benauwingsvlagen door z’n kop vlamden, z’n beenen waggelen gingen, zwaar, loodzwaar, tot ie d’r bij omsmakte. Maar tenminste had ie nou ’n paar kwartjes.

—Hai je twai in f’rskot, vroeg ie bedremmeld ’n beetje, zonder Klaas aan te zien.

—Ka je ’t mi één nie af?

—Te duufel, gromde ’t in Kees, wá’ skavuit.... f’ruit d’r mee.... ’k mo’ freete....

Onverschillig, vaag voelend waarom ’t zwaar in ’m gromde, was Kees modderpad weer langs gesjokt naar huis. Om zeven uur zou ie van avond al in z’n nest kruipe. Sloape, sloàpe,.... dat was lekker. Dan merkte ie niet van knaagwee in s’n bast, verdrong ie z’n beroerdigheid.... Stroope gong nie.... om elf uur was licht.... geen stuk hagel van z’n aige. Noar s’n nest was ’t beste.... dan kon ie weer twee nachte uithoue....

Kilheid donkerde op ’t duinpad naar huis. In dreig-schimmig gezwijg, tusschen fijn grauw van struiken en wilgen, somberde voor ’m uit, ’t stervensdroeve avondland. De nacht kwam zwart-vleugelend aandonkeren over veldenwijdte, omduisterend lage hut-huisjes in droeve eenzaamheid. Voor raampjes en geveltjes hier, geveltjes daar, grauwde droomerig waas van schemer, de muurtjes verdonkerend, smartelijk half uitgedoezeld tegen luchtlaagte. Het ruitjes-licht verdofte, als stierf plechtig binnen-in, hutjesleven van gebroken ruit-oogenlicht, in droeven staar, naar den duin-winter àlom. De stille, diepe ruischende stilte, verwelfde in ’t schemergrauw van akkers, duin-verre glooiing van heuvelen. Nog tuinders in duister stonden heien af te steken, of te spitten in valen schemerkring, donker aard-brok niet meer ziend bijna, onder duister beweeg van gereedschap.

—Genoafend, klonk ’t wijd-eenzaam in ruimte-grauw, als Kees langs stille werkers aan padrand heentrok en terug galmde ’t plechtig: genoàfend.

Lager kwam duistere woelige windwolkenlucht hangen op schemeraarde en somber ingeplant, naakt, wrongen boven z’n hoofd de boomen, in zijlanen voor ’m uit; afgestorven alleenheid weer, die daar te sluipen en te heimweeën kroop in de doodschheid van winterpaden.—Naar huis, bromde ie, noàr je nest.... sloàpe.... sloàpe.... en aa’s se waif t’met begon, d’r harses insloan, puur, in één, dat tie d’r kwait was, kàn sain nie bomme, wâ t’met d’r beurde....

ZESDE HOOFDSTUK.

Ouë Gerrit had vier houtkoopen gedaan. Vroeg in wintergrauw van land en lucht waren Piet en Dirk erop uitgestapt. De sneeuw in Wiereland was half weggemodderd en overal in Duinkijk, waar geen bestrating lag, poelde slijkgrond, doorploegd met sporen van boerenwagens. Ze liepen naast elkaar. Dirk op klompen en Piet met z’n hooge kappen, woest heenbrijend door de slijkpoelen. Zwaar-grauw hing ochtenddamp nog boven de akkers en nauw-woeliger werd de weg naar Beekerbosch, twee uur achter Wiereland, met z’n wilden boom-groei en struiken, verwaasd in ochtendmist. Polderkleiïg diep, zakte de modderweg af naar het bosch, dwars door smalle paadjes, met woesten struikgroei; paadjes, wild verkronkeld en verwoeld in halven wielslag van wagens. Soms in één, uit boompoortig-nauwe laantjes, opende de weg, lagen groen-vale wei-brokken en brons-zware teenenvelden tusschen stronkige struik-glooiingen en duin-woeste bergjes, àchter schering afgelijst. De jongens wisten, waar de koop lag. Nummer dertien moesten ze hebben. Piet vond het ’n ongelukskoop, dertien, hij wou er eerst niet aan. Tegen negen uur, toen de ochtenddamp wat weggeneveld was, stonden ze stil voor hun werk, ’n groote plek jong hout, dat omgehakt stronkte. Twee uur hadden ze net van huis gestapt in slijkgrond. Even keken ze stáár in de boscheenzaamheid. Overal rondom lag gehakt hout en de stompjes van esschen, oranjig-rood, waar leefsap nog uitvochtte, besprenkelde roestig en wild, als met spatten, dooie ontzetting van takgrauwheid en stronkige knubbeling der jonge boomen, in stuipige groeikramp neergeveld. Piet had al ’n hap gedaan uit z’n stukkenzak voor ie begon, want nou was het voor de kerels ook te ver om eten te halen.

Van alle kanten klonk dof gehak achter de dichte struiken van nog niet omgehaalde plekken; gerucht van tuinders die al begonnen waren. In klaar-scherpe guurte joeg de wind door het kreupel en lager droefde hemelgrauw op bronsgrond, waar mager-lange boompjes van hun stam neergehakt stuipten, door elkaar; smart-stomme stammetjes, in takwarring bijeen gekronkeld als in doodstrijd.

Hun jekkers gooiden ze uit, de kerels. Het zou straks genog zweeten zijn in kiel. Zwijgend pakte Dirk aan. Tegenover hem, bewerkte Piet ’n hoek, hakkend, bonkend, knappend om gauw werkhitte in z’n lijf te voelen kruipen. Dirk, geweldig werkbeest, stond weer stram in zwijging, flitsend met z’n smal ijl-scherp hak-mes de lucht in, als ie uit afgevlijmde knoesten, voor ’m liggend, ’n stam buk-moeilijk had losgewerkt onder in-elkaar gehaakte takkronkels;—met één hand, onbewust gracielijk, in stil-machtig gebaar den stam in hoogte hief; dan, met oogenmijmer, éven de lucht in mat, loerend, hoe uit wilden stronk, in drie hevige kappen, de stevigste rijs te hakken viel. Telkens zoo greep ie, in buk, nieuwe stammen en stammetjes, cyklopig ze boven z’n hoofd wentelend, als knotsen. Eerst, van elken boom, hoog boven ’m uit geheven, sloeg ie af dik onder-end, met ’n paar geweldige hakhouwen, dat er siddering door z’n arm en bovenlijf ging, en dan kets!.... flits.... kets.. flits,.. slag op slag keilden weg, dor-dooie zijtakken. Vlug, in éven mijmerende oogenberekening, tegen de zware lucht oploerend, kwam stil spel van overleg en gewoonte, fladderden takjes in kringen, als splintervogels om z’n kop rond, de ruimte in. Met stroef zwikkenden hakslag slingerde ie op zij, wat diende voor takkenbos, te klein was voor rijzengoed. Soms, bij te zwaren boomstronk, drukte ie onderdeel van den stam tegen z’n knie, hakte ’t hevig, met vier, vijf slagen van rijsvorm af, dat het zweet van z’n kop gutste, z’n oogen in z’n hoofd trilden. De zware onderhelft, onbruikbaar voor rijzen, smeet ie in lichte slingering bij opstapeling van wiels, en dan vlug-zeker, roefde en flitste z’n hakmes weer tegen bovenste stam-end, dat snel z’n rijsvorm kreeg, onder z’n cirkelend weggezwaai en zwikloos geoefend weggekap van dooien takkenhang.—Zoo bleef Dirk, als stille reus in eenzaamheid, werkhitte uitwasemend, uren op uren z’n stammen de lucht inheffend, alle gehakte rijzen neerslingerend op groenige leer-teenen die voor elken rijzenbos al klaarlag in ’n knoop. Piet bond juist ’n stapel in, op den grond, luchtig zweef-wippend op de takkerige stammetjes, éénknieig inpersend, in kniewip de rijzen, met de groenige teenen in lus getrokken, snoerend den rommel tot zware bossen bijeen. Telkens als ’n bundel klaar was sjouwde Piet of Dirk ’m naar den weg, achter elkaar tot rijzenhok. Langs het pad schokkerden telkens boerekarren, be-ponderd met rijzenvracht, hooiwagenhoog, in waggelkadans, diep doorploegend wielslag van andere tuinderskarren die al beladen werden.

In grijs-neveligen mist en wind-guurte waarde de middag áán door het bosch, waar overal doffer nu, hakgerucht echode, ver en vereenzamend. Aan overkant van het pad, waar Dirk en Piet rijzen hakten laadde Limmer. Twee paarden stonden er triest te lijf-dampen voor donker vergroende boerenkar, omwasemend stil, in suffen staar, d’r droef-lange koppen. Hun slijmerige, schuim-kwijlende bekken, kieuwig week, besabbelden knabbelend d’r kille gebitten.—Beender-knokelig rekten hun platte ruggen, verdeukt van afbeuling en trekken, en hun schoftenskeletten, in droeve vergrauwing van hun bevlekt vuil-wit vel, stonden omtriest van winterlucht en bronzig struikgewas alom. Langs het zijpad, dreven lanen in licht-zilveren mist, verdiept beboomd in dampig ijl-grijs en fijn ademend achter noenlicht-sluiers, maar droef, droef van stommen weemoed. Als een klagelijk fluitgeluidje in een éven-zwevend triool door de lucht gestreept, zangden soms òp winterstemmetjes van vogeltjes. En rauw er doorheen, met zwarte onheilspellende opfladdering, kraste kraaienwanhoop door de stille lage lucht. Soms, uit verschuivenden nevel, tintten òp dof-gouïge elzestruiken, roerloos in dooien bladerdos, trieste nasier van herfst-brand, die het bosch doorschroeid had. Even in rijtjes, tintten hun kleurig-doffe kransen door het zilveren damptoongrijs. Uit één hoek van lage struiken, in perspektief van breeën jachtlaan, wasemde teer-tonig, ijl-zilveren mist-schemer, als zichzelf verlichtend, zacht en droomerig achter stam-donkering ver-violettend. En de mosgronden, zwaar nog van sneeuw, stronkten vuil bezaaid met takkenstammen, ontheiligd en klomp-zwaar besmet met groven zwartigen voetdruk, doorgroefd van dikke modderwielen.

Ouë Gerrit was komen kijken en stond weer, handen in zakken, vreemd-zwijgend, naar Dirk te loeren. Tusschen wild gehak en rondsplinterend houtgevlieg, was leuk-kalm een roodborstje gesprongen en achter dit dierke nog één. Onschuw en rustig-vrij, met hun oranjig dons borstje, pootjes-fijn, huppelden ze tusschen den vuilen houtrommel in, tjilpten ze elkaar wat toe, bleef één koel-wijs rondgluren op een stomp-punt van stronk, de andere, lichtelijk als veertje neergezweefd, op takknoest van klaarliggende rijs, zacht pieperen. En schuwloos oogden ze rond, niet bang voor Dirk, die zwaren jongen boom weer had geheven de lucht in, met geweldige houwen rondom splinterde, dood getak. Als kleursobere kolibrietjes, duimklein, tjilpten en huppelden ze dóór aan de voeten van den hakkenden werkreus, rustig ademend achter hun donsrood borstje, kleintjes-lief, zwellend in d’r klein leventje, mollig van hun hollandsch-grauw veervrachtje omkoesterd.

Dirk werkte weer met stijgende heftigheid, al voelde ie z’n handen en polsen zwaar pijnvol en gebroken z’n armen van het hoog-heffen en de-lucht-inhakken. Maar z’n werkklauwen, zwart-groen bemost en bemodderd van het hout, bleven grijpen in de stapels, stilzeker elken stam, éen na éen, met z’n knoest-armen uit takkenwar rukkend, dat het knapte, afschudde, sneeuw en zandmodder. Dan snel, suizelde en flitste weer in het mistige noenlicht, z’n blinkend hakmes dof in takkenspartel.

Overal om de beenen van zwoegers, om de klauwen van beesten en karwielen kwam opwasemen, sterker uit den grond, grijzig mistwaas, en als schemerige hallen stonden de diepe zwijglanen rondom de akkers, volgerookt van zilveren damp, suizend, zwevend licht. En verder af, bleeker takkenviolet, samengedruild onder angst-grauw van boschlucht. Schuchter daarin, vager geruchtval van doffe hakken, gescheur en geknap van taksplintering.

Dirk had weer ’n rijzenbos vol. Voorzichtig lei ie nog wat kleine tusschenstekertjes apart, wrong te korte uit den stapel, met z’n knie veerend op het zwiephout, de zoo maar los op elkaar gegooide rijzen inknellend met z’n leer-teenen alsnoerender, tot z’n gezicht zwol van hevigheid. Dan vasthoudend het teenen-end knoopte ie de ingeslonken bossen met krachtige lusrukken bijeen, en sjouwde den zwaren stapel veerig-licht bij den weg, naar het hok.

Ouë Gerrit kon niet langer kijken,.... die Dirk, die temet gain stom woord sai, al stong je de heule doag bij sain.—

—Hai jullie t’met al hoord dà Swart s’n aige ophange hep?

—Wá’ Swart.... van de Tonne of s’n broer van ’t Slangetje?.... vroeg Piet verbaasd, vlak bij Dirk hakkend.

—F’rek, zei Dirk, met ontstelden oogenkijk èven.—

—Nee, nie s’n broer! Boàrend, hoho! de lollige Boarend, zei bedaard de Ouë.

—Daa’s main ’n bakkie, lachte Piet zenuwachtig, z’n zweetgezicht met ’n stuk van z’n kiel afplakkend.

Dirk had even z’n hakmes in ’n stronk neergeflitst van esch-stomp, waar het vast-trillend bleef staan in het rooiige vleesch. Stil en ontsteld uit te kijken stonden de kerels en onder hun modderklauwen, zwartig, kwam opgrauwen grondmist, hun beenen verdonkerend in grauw waas. Er lag stugge stilte tusschen de mannen; ieder giste de ramp wel ’n beetje.

—Dat hep ie soo lapt in eene, zei Dirk, triestig-droog.

Het was toch jaren en jaren een makker van ’m weest en nou kwam er iets van ontroering, ’n wild gevoel in ’m opproppen naar de keel, al kon t’m niet veel schelen.

—Wee jai Ouë f’r wat ie ’m smeert hep?..... vroeg Piet weer.

—Ho.. ho.... se saie t’met van di en f’n dá’.... fiere en faive en nie genog.... moar.... moar.... het faine kom je nie an de weut.... De heule ploas is er vol en-van.... f’rduuf’ld, ’t waa’s ’n bestige kerel, saa’k moar segge....

—Nou, moar wa’ see se daàn....

—Nou, saa’k moar segge..., schuchterde Gerrit, ’n beetje stem-angstig, de dokter het weut.... se saie dat ie ’n hoandje los geld had hep.... van netoàris.... en skulde.... t’met twee honderd golde an dokter.... die hep sain nie in bus hewwe wille.... en hai, hai hep nie betoale kenne.... nou hep dokter hiepeteekie lait.... bai die fent van de feurskotbank.... enne.... had Swart lamme grond, lamme oogst, veul bedurrefe, nou hat ie puur niks meer.... en dokter hep draigt, dat aast-ie nie betoale kwamme.... se boeltje op stroat stong.... nou en soo is t’um noar sain kop sloage....

Op het pad donkerden kerels in het mistvage voorbij, rug-gebukt, onder vrachten van hout en gereedschap.

—Hai Platneus, seg!.... hé jai wâ hoort van Swart.... hep s’n aige van murrege ophange hee?

—Ophange? nasaalde dwergelijke Bolk, staanblijvend achter het donkere groepje werkers, dat geheim-vaag voor ’m uitging in mistdamp, en stil wegdonkerde weer. Ophange? joa.... moar da’s nie lukt, s’n frou hep touw afsneeë.... nou is t’ie gek, puur doas.... hai ’s noar gekkehuis transpereerd.... Ieder hep ie wille staike mit messe; die had d’r ’n mooie Kerst!.... Nou roep-pie moar.. jou boef, hé jai main ongelukkig moakt.... main en main kinders.... Hai je m’n stukkie land onder m’n poote wegstole.... En dan skreeuwt ie van hiepeteekie, hiepeteekie!.... en wild dattie is.... mit gain vaif kerels te houê t’met.

Bolk stond donker-vergrauwd, omslopen van noen-mist, zwaar schouergekromd, met dikke wiels op z’n rug, zakmessen en spaden tegen z’n linkerzij gedrukt. Koel-dof nasaalden z’n woorden van het pad naar de werkers, die luisterden in spanning. Bolk, spraakzaam, blij, dat ie wat takkebosjes te maken had, ging door.

—Ik hep sain best konne, bestige kerel, nou is t’ie gek van betoalinge.... Seg maanne, hep jullie effe ’n slok, ik stik temet van dorst, bedelde Bolk.

Ouë Gerrit en Piet grepen tegelijk naar de kruik onder ’n paar stammen en gulzig klokte Bolk het water in.

—Niet te veul, genog jài.... d’r is hier niks.... je mô puur drie kwartier loope, aa’s je wa’ suipe hoale wil.

Gretig trok Piet, Bolk den kruik van z’n mond, die nog doorzoog, niet los kon laten en met handrug, zuchtend van slikgulzigheid, z’n apigen mond afdroogde, dat de barstruitjes in z’n vel samentrokken. Dirk stond weer met z’n groen-modderige handen, stam-stronken onder het hakhout uit te rukken, flitste z’n ijl-scherp hakmes in snerpende wonding van getak. Zacht-vèrre hakgeruchten doften zwaarder òp uit den mistdamp, die al grauwiger om de zwoeglijven heenvloeide, vernevelend gestalten. En stiller triestte het bosch in z’n mist-grauw, zwaarder zonk weg het violette gebrons van hakhout en struiken, in demp-stille scheemring.

Zóó, vijf dagen, bleef één sneeuw-duister en mist, zilvergrauwen en ochtend-verdoffen ’t middag-bosch, en dóór hakten in zwijging daarin de werkers, elken dag één arbeid, zelf gróót, geweldig in hun eenzaamheid.

Dirk en Piet hadden nog maar weinig te hakken. Aan overkant van pad was Limmer een week vroeger dan zij al aan ’t opladen. Krelis Limmer stond met zwaar-ingedrongen lichaam, uit rijzenhok achterste stapels naar den weg te sjouwen. Er was wat bleek zonlicht door ’t zilvergrauwe noenlicht geglansd. Nu en dan stonden de groote boschlanen in zachte gloedlooze branding. Winterstrak en diep violet-blauwig vloeide sneeuwschaduwing over boschgrond.

De voerman van Limmer stond in z’n boerenkar, Krelis op het pad. Het achterkrat had voerman Heelis van den wagen weggeschoven, klaar om de rijzen op te vangen. Woest greep Limmer rijzenbos na rijzenbos òp en smeet ze met geweld in den karbuik, overlangs, vlak voor den voerman, die ze schikte en paste onder z’n voeten en bij elken wilden inworp van Krelis, hooger op de stapels kwam te staan. Limmer sjouwde telkens zware bossen van het rijshout naar de kar, roodkoppig gezwollen, de geweldige vrachten in zangerige hupla’s opheffend boven z’n macht, naar Heelis, die gauw pakte en ordelijker dichtgooide den karbuik.

—De duufel ken hullie temet niet tille, zuchtte voerman Heelis, magere geel-bleeke vent.—Wa’ swoare rakkers.... t’met vaiftig kilo’s de bos.... wel.... Wa saa’k stikke aa’s ’k se sóó swoar in main poote had hep.

Limmer, ingedrongen herkuul, lachte. Aa’s hai s’n raise bond, kwamme d’r looie bosse van. Da’ wist ie heul goed. Had ie lol van. Heelis stond te sputteren en te glibberen op het vochtig-natte rijzenhout bij elken bos dien Limmer op achterkrat nu hooger opwierp.

In zwaren arm-houw, z’n twee handen bij onderste van rijzen, hief Krelis telkens de vrachten op, tegen achterkrat aangeleund en wat tellen er mee staanblijvend, tot langzaam, Heelis ze van boven pakte, van uit z’n glibberige hoogte opsleepte, hijg-moeilijk ze dwarsdraaide, in puf-warmte van gezicht, ze dan met ’n smak op het hout liet vallen, al hooger opstapelend. Bij elken nieuwen aansjouw van Limmer, al dikker bossen, klaag-kermde en zwoegde in zweetbenauwing en zuchten voerman op de kar, die, veel zwakker dan Limmer, vloekte dat Krelis ze zoo dik gebonden had. Sterk omkneld kwam Krelis nieuwe vrachten aansjokken, lachend negeerend zweet-afgebeul van den voerman, in één armruk zwaaiend den bundel boven z’n kop, dof neerbonzend, tegen de hoog-dwarse rijzenstapeling. Heelis, zonder houvast, waggelend en uitglibberend op de rijzen, al verder van Limmer àf, kòn niet meer ophijschen bijna. Loomer schuurden de takken op, langs de kar, bij kleine optrekjes. Donker bloed steeg naar z’n kop, als Limmer beneden voelde, dat Heelis beet had, zorgloos de rijzen losliet van onder, zoodat hij alleen de vracht te tillen kreeg.

—Saa’ ’k f’rbrande aa’s ’k wee waa’k er mee beginne mot, perste ie uit, de vracht afhangend zwaar, beet in angstgreep zonder macht ze òp te sleepen.

—Toe Krelis gaif sain ’n mep!

—Kaik, lachte Limmer, barsche kerel, sarrend den voerman, hai kraigt ’n lekker kleurtje.... snof’rjenne, je sien d’r skeel van.

Even nog liet ie ’m martelen, in rood-koppige zwelling, radeloos, en toen langzaam, kwam Krelis met de hooivork, boorde krachthevig in een uitgezocht plekje, dwars door het hout, stootte op de vracht, in één ruk, tòt geladen hoogte, dat Heelis, die nog angstig beet had, achterover glibberde op z’n rug, bijna van de wagenhooge stapeling afwaggelde, in duizel op den grond.

—Bàrs jai.... soo he’k nie vroagt, stotterde ie angstig opkrabbelend weer.

—Duuzend vloeke is d’r moar een op ’n dag, zei droog-onverschillig Limmer, die naar Heelis tuimel nauw had omgekeken en alweer aan ’t bossen versjouwen was.

Al hooger tegen de lucht in, meer vergrauwd, stond Heelis nu te zweeten, wachtend op nieuw werk. Nog tien vrachten moesten erop. Met z’n hoofd stond ie al even boven enkele boomkruinen aan padkant. De kar, in boerenstijl met z’n gebogen sierlijnen, z’n stil-wasemende paarden onder d’r fijn kleurtonig, dof-groen en donker oranje-rooiig dek, gingen verduisteren al, in het latere licht. Lekker even uitblazen kon Heelis, hoog van z’n geweldige lading uitkijkend.

—Wacht, da’ kwam weer werk.

Limmer had met rukzwaai ’n geweldigen bos boven z’n macht geheschen, dat z’n lijf te zwellen stond, z’n keel kuchte, z’n plunje strak uitritste en z’n roodbaaien onderbroek onder z’n hardgroen morsig vest uitdotte in zware plooien omkruld, vastgehaakt in takkenwar.

—F’rrek, trek nie, riep ie dreig-angstig Heelis toe, die op z’n knieën neerbukte naar Krelis om te zien, wat er was. Met z’n tong uit den dampenden mond, zag hij Limmer ingekrompen staan, hijgend z’n kleeren los te morrelen van de rijzen, die Heelis al bij den kop gegrepen had.

—F’rdikkeme, vloekte Krelis, goan nie los.... die mo’ main hebbe.

—La’ hange, sar-lolde Heelis nu op zijn beurt, stem-vreemd uit de hoogte.

—Hou jai je stroatje moar, boschluis.. hep jou neudig!—

En in zware rukken nu, brak ie, rondom z’n ingehaakte onderkleeren, uitpuntend getak weg, schuin-steunend op borst-breedte de vracht, die Heelis alleen niet houen kon; stond Krelis, met beenen ingekromd, z’n gebukt bovenlijf als rumoer-hijgende karyatide. Toen, met z’n knokkels rammeide ie woest door het hout, dat ie eindelijk loskwam en vrij zich weer bewegen kon. Met ’n hevigen ruk-hijsch sleurde Heelis den bundel naar zich òp, in twee schuringen langs het hout, tot ie de vracht, met heel z’n lijf eindelijk bòven beprooid had. In zwaar gesteun, droeg ie de stapels dwars, zoekend waar het best ’t hout neergesmakt kon worden. Hooger donkerde zijn lijf tegen de langzaam zwaarder uitgrauwende lucht. Onzekerder waggelden en verglibberden z’n stappen op het nattige geknoest en breeër uit, al massaler, stond de kar bevracht, in z’n donker-bronzen heupige forschheid.

—Temet binne d’r sestig op, Krelis.... meer vast nie, schreeuwde Heelis naar beneden, bangelijk-stappend op de takkronkels, die knapten onder z’n beenen en zwikken deden z’n voeten. Limmer sjouwde áán, zwijgend, z’n looden vrachten. Heelis, stil, stond even weer uit te blazen op z’n berg.

—Neenet, schreeuwde ie angstig, toen ie zag, dat Krelis doorsjouwen bleef—ikke verdom je lekker, ik wil d’r nie afduijke, aa’s lest Humert.

—Skreeuw moar nie, nog drie bossies hoor, lachte Krelis, dan is ’t daan,—en weer rukte ie op ’n rijzenbos, z’n lijf bij laatsten til, naar achter gekromd, met z’n hevige armbalken stuttend de vracht, tot Heelis boven „beet” riep, maar toch hangen liet uit onmacht.

—Hai j’ sain dan nie? riep Krelis

—Joa, vast is ie, moar gaif jai sain effe ’n peukie, ’n wàtje-koù.... hee?.... saa’k ’k ferbrande hee, de duufel te swoar.. je laikt puur gek.... ik daan ’t niet.

Krelis kwam aanzetten weer met z’n vork terwijl Heelis, met bloedrood zweet-hoofd heel z’n armkracht uitperste om te houên den stapel.

—Waa’n karwei, ikke stik t’met.... moak voort, Krelis, of f’rdomd ’k loat sakke.

Krelis zoekend naar ’n open plek in het hout, boorde de tanden met ’n ruk er in weg.

—Seg, donder main nie omver, nou kallempies an, angstigde Heelis, die glibberig-onrustiger stond op het hout, dat in z’n geweldige zwelling op ’n in brand gestoken reuzigen hooiwagen ging lijken. Krelis berekende nu, zette den rijzenstapel op, met zachten zwaai van vork. Boven waggelde Heelis mee, in gretigen greep. Z’n magere zweetkop parelde, z’n borst stond te blaasbalgen.

—Daa’s, daa’s t’met de swoarste van de heule keet, hée? perste ie uit, stemhaperend achter z’n adem, de swoarste fa’.... fa’.... de heule keet.

Eindelijk had ie den bos bemachtigd, mans-hoog, dwars neergekwakt en ingeduwd, stapte ie waggelend voort op den reuzigen stapel, met z’n armen wijd-uit angstig balanceerend. Krelis beneden, hijg-rustte even, veegde, met uitstekende punt van rooien borstrok, woestig z’n gezicht en zweetnek af.

—Ikke sterf t’met van dorst.... gain druppel in de kruik.. Hééé hallo!.... hei jullie nog wa’ kejak doar, schreeuwde ie naar overkant Dirk en Piet toe.

Van de luchthoogte af, lachte Heelis; dat mos woar weuze, kejak, hitte ’t in ’m.

—Nog krek ’n poar druppels, schreeuwde Piet terug, de kruik naar Limmer opslingerend,—He jullie dààn doar?

—Daan? ik sta temet mit main harses in de hel, galgenhumorde Heelis.

—Doar hoor je juistig!.... letste rit? schreeuw-vroeg Piet.

—Nog een keer.... aas ’t nog licht genogt is.... al vaif sain d’r lait f’doag.... die duufel doar op de kar het de tering.. hai knakt aa’s ’n boonerank.... nou lait ie al puur veur de werelt.

Krelis krijschte uit. Er zat wilde werk-woestheid in z’n oogen en zwaar-bemorst van afgeslibd moddervuil kluitte het zand op z’n hals en wangen. Heelis stond te zweeten en te kuchen op de kar, schikte en duwde nog wat gelijk met z’n voet, beukte en trapte in de veerende houtvracht.

—Hangt de klos vrai Krelis? vroeg ie, angstig afloerend naar houtblok bij achterkrat, waar ponder aan vastgesjord moest worden,—gooi d’r es effe ’t houtje òp!

Limmer greep zwaren ponderboom met zwaai boven z’n kop.

—Oppase nou! angstigde van z’n waggelend-veerende hoogte Heelis weer, bang, dat Limmer een lolletje wou maken om ’m te zien vallen. Den ponder had ie beet en opgeheschen, maar dwars onder z’n voeten sprongen zijtakken wèg, waar de balk tegen afstuitte.

—Gooi d’r es effe je mes àn Krelis!.... Is achterbent vrai?

In luiigen zakgrabbel haalde Limmer ’n vuil mes uit z’n modderbroek, raak opslingerend naar Heelis.

—Knap, lachte die, vlug wegsnoeiend wat takkenrommel rondom den ponder. Kruip-bang waggel-veerde ie op z’n knieën, met z’n handen vooruit, langs den balk, plots ziend in angst, dat de lading schuin over de kar hing. Toch overal met lichaamszwaarte drukte ie den balk in het hout, om in de vracht te persen.

—Hier, schertste ie gemaakt, het mes met de punt naar beneden spiesend in den klomp van Krelis.

—F’rrek, schrikte Limmer, onthutst door de zenuwachtige speelschheid van Heelis.

—Blaif jai heul.... nou Krelis ’t touw, het houtje sit.... nou ’t touw, saa’k sain effe wurrege.

Van den bok af, was ie weer op handen en voeten waggelend, langs den ponder naar achterkant gekropen, het touw snoerend in knoest om balk-end, telkens even met bang-verbogen lijf naar beneden kijkend, of Krelis al klaar was om te sjorren. Limmer stond met het touw in z’n hand, dat Heelis ’m toegeslingerd had. Met heel z’n lijfvracht hing ie er zich aan, rukte in veerende kadans het zwiepende hout neer, sprong weer op, zakte, steeg en viel terug, dat het bloed naar z’n kop drong, al heviger sjorrend en inpersend de rijzenvracht. Zware modderbonken klonterden en spartelden af van het hout, z’n oogen en diep z’n nek in, dat ie verkronkelde en vloekte. Maar bij elken nieuwen sjor-ruk regende het weer zwart rijzenvuil over z’n lijf. Met oogen dicht nu, blind gestoven, in woeste werkdrift, bleef ie sjorren en Heelis, van boven, schreeuwde, in furie aanzettend bij elken ruk: een-tweee.... een-tweee, tot de lading inkromp beneden den boomkruin. In wildere giftrukken sjorde Krelis dóór als waanzinnig. Uìt het rijzentillen nu, had de windguurte ’m te pakken, die hij killig voelde luwen op z’n wasemend zweetlijf. Heelis boven op, slingerde heen en weer, botste dàn naar voren op z’n knieën, lag dàn weer lang-uit, heel z’n lichaam, been-gekronkeld over ponder, met doodsnood in z’n gezicht soms, als ie de lading, schuiner zag hellen, bang dat de heele boel zou kieperen en hij eronder smakken.

—F’rrek, Heelis kom d’r af.... ’t is mooi genog, schreeuwde Limmer oogen-dicht, woedend op het zandvuil dat ie machteloos moest laten kluiteren òver z’n kop. Heelis klauterde langzaam langs achterkrat af, blij, dat ie eindelijk weer eens vasten grond onder z’n voeten voelde. Op het pad nam ie sjortouw van Krelis over, die z’n oogen vloek-woedend uitwreef.

—Nou, nog effe mit ons twee, hee? Hij mot nog wel ’n voet sakke.

En weer in worstelend-cyklopische rukken sjorden ze touw-ponder in, dat heupiger uitdijde kar, maar inkromp stapelhoogte. Zenuwachtig knoopte Heelis touwend achter hijschblok vast met zware rukken, dwars in ’n knoest.

—Daa’s daan, zuchtte ie uit.

Krelis trok zijn jekker weer aan, die tusschen rijzenstapels aan den weg lag, en voerman Heelis haalde z’n jas van de stille paardruggen, ònder de kleur-stervende dekken uit.

—Smeer jullie sain? schreeuwde Piet Hassel van den weg af.

—Joa!

—Loop mee, m’n kruik vulle, main stroatje lait puur droog!

Begrafenis-achtig langzaam, waggelde boerenkar voort, wiebelend in halven wielslag.

—T’met lait de boel veur de werelt, kaik sain helle.

—Jesis, schrikte Limmer, moak main niet tuureluursch Piet, dan hang ’k m’aige fast op.... ’t is main lest twee moal beurt.. ik doch daa’k gek wier.... de heule rommel mos ’k weer oversteke.

—Nee, schreeuwde Heelis van den bok af, opstarend naar den berg, hai houdt nog wel.... d’r binne moar acht bossies te veul.

Op nauw kronkelpaadje klemde, kreunde de wagen voort tusschen struiken, met z’n dwars uitpriemenden takkenhang in deftige wiegeling, meesleurend bossen uit rijzenhokken aan den weg. Plots kwam van anderen kant, uit kronkelpad een andere rijzenwagen aanwaggelen.

—Heere-me-taid! lachte Piet, doar hai je d’r nog een.... die mag afloaje....

Voerman Heelis op lagen bok vloekte, de andere van overkant, schold.

—Wa nou, schreeuwde Heelis, weggedoken achter houtstapeling, met z’n hoofd ingedrukt tegen de takken.

—Joa, wa nou, nuchterde de andere voerman, terwijl de paardkoppen elkaar besnoven, loom-verbaasd over hun ontmoeting.

Krelis was achter ’n paar struiken langs den wagen heengedoken.

—Daa’s main snoff’rjenne ’n bakkie.... wacht.... dan mot ie moar tot an de deute in ’t gras.... Heéé, Héelis!.... goan jai d’r is heulegoar an kant, sofeul je ken.... en jai hier Rooster, heulegoar an die kant.... Ikke en Piet selle je woage ’n duufetje gaife.... soo juuster.... deur de struike hein.

Heelis keek achter zich, tegen den donker-dreigenden stapel op, die schuiner helde, om moar niet te zien hoe het afliep. Onder hevige rugduwingen tegen achterwielen en krat op, schreeuwde Piet naar Krelis, dat voerman Rooster op zij moest mennen en aanzetten. Hoefstampend, in kledderenden moddergrond en stuifsel, met tragen ruk van zweep-bestriemde jakkerende knollen, kwam er waggeling in de kar, zwenkten de kerels den wagen, zij-wielslag in. Trampelend en hoefketsend sjokkerden de paarden van Rooster naar uitersten pad-rand, met de borsten en koppen in ruw struikgewas verzwolgen. En hoog nù, waggelde in doffe schuren van elkaars lading, Heelis voorbij, met duizend vreezen in het hart van de zwoegers eròm, dat de boel nog instorten zou. Angstiger helde en waggelde de kar, toch passeerend achter Rooster, tot ze weer wielvrij op het pad stond. Heelis lachte en zuchtte van blijdschap.

—Seg! aas je t’met nog eris hier langest komp, spotte Heelis, mo’ je eerst fesoenlik tellegrefeere!

—Daa’s net lachte de ander, zelf dolblij dat ie er door was.

Begrafenisachtig liepen Krelis en Piet weer achter den wagen aan, tot Hassel bij ’n boerderij rechtsaf sloeg, gedag morde. De wagen wiebelde verder, in al angstiger dreig-helling, als ie op nieuwe wielsporen wegzakte of zwaar-langzaam, slingerig kantelde over bonkige boomwortels, zoo erg, dat Krelis z’n hart weer vasthield van angst, voor omstorten.—

II.

Sjokkend-traag klepper-klompte Piet alleen terug langs mistige teenenvelden in donkerder uur, miezerig ’n beetje dat ie z’n hooge laarzen niet had aangetrokken vandaag. Sluiperig, in rag nevelgrijs, was damp opgezweefd uit vochtigen grond. Overal rondom ’m weefde boschneveling, toongrauw, met late droeve lucht, omsluipend en verwazend struiken en boomen. Overal rondom droefnis in het teedere mistenweefsel, vergrijzend tegen luchtverte, als land vóór dampige zee. Overal teenenvelden, triest-eenzelvig, met kruislanen, nu en dan gothisch-geopend in zilvering volgerookt. En langs den grond vóór Piet, opstammend de boomen, met droef-smeekend gebaar, even schuchterend te zien in de fijn-grijze rust. Bij hun wortels, groeide violet gewasem, verzwevend langs de zachte mosreuzen, die te treuren tuurden en droomden in de stilte van hun schorstinten, in den starren weedom van hun eenzaam grijs-week boschgesuizel.

Na drie kwartier stond Piet weer te hakken naast Dirk en ouë Gerrit, die vandaag weer eens was komen kijken, omdat ie z’n jongens niet altijd vertrouwde, al kon ’t ’m soms niks meer schelen of ze den rommel verwaarloosden of niet. Geweldiger hakte Piet een zwaren stronk tegen z’n knie, driftiger op z’n vader, die elken middag met leege handen rond hen heendrentelde en toekeek maar. Scherper hieuw ie om zich heen, hakte en vlijmde ie in de houtwonden, toen plots z’n zwaar kort-stelig hakmes uit de hand schoot, afrinkelde van de stronk en met ijl-scherpen kant-punt bij-zij z’n scheenbeen inkerfde. Met een vloekgil en scheurend huil-geluid sloeg ie òver z’n stronk heen, tegen den grond. Dirk keek verbaasd-koel om en de Ouë stapte snel op ’m aan.

—F’rrek, kreun-krampte Piet zacht, smartelijk beef-huilend van pijn,—Godskristis.... godskristis.... kristis waâ pain!.. wâa hak!

Eén hand, half leun-zittend, drukte ie krampig-bevend op z’n voet; bloed klodderde door de vuile vingers, hoogrood door z’n modderbroek heenstroomend. Langzaam had Dirk z’n hakmes in esch-stomp getrild en koel-verbaasd loomde ie naar Piet toe.

—Wa’ nou, goan je d’r bai lègge? beet ie kort af.

Piet kon niets zeggen, z’n bleeke kop kreunde en met één elleboog in het grondvuil tusschen stompen en splinters, lag ie in pijnkramp achterover, met z’n hand tegen het been dat doorbloedde, zwaar, in rooie plasjes onder z’n vingers, langs z’n broek. Nou eerst voelde ie, dat ie bloedde, en wilde angst voor dood joeg in ’m op.

—Godskristis, kaik da bloeie.... da bloeie.... hou teuge.... hou teuge....

Z’n slapen zwollen en z’n oogen, wild rumoerend van angst, zenuwden dol-groot in z’n grauw-wit hoofd. Dirk was achter ’m gaan staan, steunde ’m in den rug, terwijl de Ouë het bebloede hakmes wegkeilde, Piet’s broek en kous openscheurde van het been, om te zien, waar ie geraakt was. Bezij de schenen was het hakmes ingegleufd, en had een diepe scheurkromme bloedwond tot op het been, als een breeë vleeschhaak er uit gewipt. Bij het broek-openscheuren, onder zacht beverig gekerm, angstig huilende stem van Piet, in het rondom-droevende mistdampige, dat zwoegers grauwer omzwachtelen ging, schreeuwde op goed geluk af, Dirk het pad op, niet wetend of Limmer al weer met z’n kar terug was.

—Hahoo heehoóó!.... is d’r niemoànd!.... hahoo!.. ’n ongeluk!

Dirk’s roep zong door de lucht-wijdte, galm-zwak verbleekend, en oneindig droef, bleef stilte nahangen en grauwen, rondom z’n stem, met bangen echo-galm om ’t woord: ongeluk.

—F’rek, sullie benne nog nie w’rom.... seg.... foader gaif jai de kruik is an en loà me je saddoek om sain voet binde.

Ouë Gerrit, geschrikt ’n beetje maar grimmig dat hij nou juist hier most sain aas dat karweitje beurde,—sukkelde naar de kruik. Dirk had Piet opgelicht, veer-licht afsof ie nog niets gedaan had den ganschen dag. Zacht lei ie’m op z’n linkerzij met wondbeen boven. De Ouë kwam met de kruik naast Dirk knielen op één been, lag hardvochtig vleeschhaak bloot met z’n smerige handen, die zwaar in bloed sopten. Twee zakdoeken begoot ie met water en Dirk wiesch zacht het bloed-vuil weg. Toen ie zag, dat er geen doek meer was om bloedstroom te stelpen, scheurde ie kalm los z’n stropdas, onder z’n vuile werkkiel uit.

—Nou stil Piet, bitste ie met groote levendigheid in z’n koeienoogen. Ouë Gerrit zat nog knie-stram te rafelen aan Piet’s bloederige plunje. Die beet zich de lippen stuk, paarsgrauw van pijn, zonder te gillen want hij wou, wòu niet kleinzeerig zijn. Bij al te ruwe wondkoeling trok ie romp-krommend z’n been even in, dat den Ouë deed vloeken, en meedempten met natte vodjes, geen raad wetend waar het naar toe most. Guur en naargeestig huiverde het mist-gezwachtel áán, zwaarder door het droef-grauw gestruik en overal in de lucht, tusschen boomen, onder struiken vaalde schemer, de kerels angstiglijk omprangend, in onrust geknield daar, op dooien grond, rond kermenden gewonde. Het bloed bleef vloeien, zwaarder, donkerder. Met ’n zakmes had Dirk ’n stuk van Piet’s hemd afgeritst, bond ie snel-zeker, onder kreun-week stemgehuil angstigend uit den donkeren struikenhoek, het vuile linnen om z’n voet, dat nog maar enkele droppels bloed versieperden. Nou zou ie ’m even probeeren op de been te krijgen. Onder z’n oksels lichtte ie ’m op, maar Piet, grauw-bleeker, in koortsig angst-gezicht, bleef hang-staan.

—Verdomd, kerel, kreunde z’n stem smartelijk ingehouen huilend, ’t goan nie.. ’t goan nie.—Slap z’n karkas zakte in. Meewarig en angstig vochtigden z’n oogen om meelij en steun.

—Wa’ nou?.... wa’ nou, bromde Dirk.

Aa’s de Ouë nou es effe ’t bosch ingong.... Hai mos eerst nog eris skreeuwe....

—Héé.... hahooo!.... is d’r niemoànd!

Droef-zangerig vereenzaamde z’n stem-galm weer in ’t avondlijke mistgrauw.

Piet ingezakt, lag weer sidderbleek op z’n rug, korte benauwde ademhalinkjes uitstootend, met z’n bange oogen ’t scheem’rende luchtgewelf boven ’m instarend. Koorts-vuur schroeide rillingen door z’n lijf en daarover kilde mistguurte. Plots van het pad, donkerden tuinders voorbij, gebukt-simpel met vorken, hakmessen en zen-boomen op ruggen, droef-sjokkerig ingaand tegen ’t late licht.

—Hee, schreeuwde Dirk, is Limmer doar mi sain kar?

Mannen duisterden van zijpaden, uit den zwakken mist naar ’m toe.

—F’rek wie lait doar?

—Piet.... hep s’n aige in been hakt.... hakmes is s’n poote uitvalle.

Bolk stond naast ze, krom-klein ingezakt onder gereedschapszwaarte, nasalend dat ie de kar gezien had.

—Saa’k d’r effe hain roepe.... wacht kaik!.... doar hep ie sain temet.... Limmer....! Heé Krelis!

Leege kar kwam rumoer-loom aankreunen van kronkelpad, met loome paarden in donkering ervóór. Krelis schaduwde uit het mistgrauw òp. Langs hem trokken tuinders van alle kanten door het bosch naar huis, zwijgend in het schemergrauw. Doffe groeten klonken zwak tegen elkaar in uit verstilde werkkoppen, òp van uitputting. Tusschen takkengrauw was schemer gezeefd en vreemd klonk soms stemgerucht van afgedwaalde roepende jongens, die nog niet overal weg wisten in het bosch. Telkens weer donkerden andere kerels voorbij in het zinkende licht, als onderbroken processie, nu en dan samenstappend in de stille mistende donkering van hun pad.

Krelis was naast Piet komen staan. Andere vluchtige kijkers waren doorgeloopen, met meelij-gebaar even hoofden schuddend, onmachtig toch zich wetend. Naast Limmer stonden in ’t grauwe geschemer, Bolk en Heelis de voerman. Weer hadden ze Piet op de been geholpen, maar nu schreide ie als een kind zonder schaamte, van woeste brandpijn. Dirk had met Krelis afgesproken, dat Piet maar op de kar vervoerd moest worden, naast hem, op het voorkrat, en zullie met d’r drietjes in den buik, of ze dat goed vonne? Zwijgend stemden Heelis en Limmer in. Het bloed was weer door het verband gezogen en ouë Gerrit trok er nieuwe lap om, van de kerels. Piet, met angstiger pijntronie, weende. Z’n voeten voelde ie als geroosterd en z’n nu duistere oogen grimden van nog ingetoomde smart. Soms zag ie in één duizeling voor z’n kop, voelde ie weeheid om het hart, sloot ie z’n oogen.

Met donkerder mistgrauwing, was scherper guurte door het bosch getrokken en spraakloos hielpen de mannen, niet meer voelend zwoegpijn van eigen beulerij. Piet moest op het krat getild naast Dirk, die ’m steunen zou. En plots, door den stoet, in schemermist vergrauwd, ging vage weemoed onder de jagende avondwilde lucht, ging rond gevoel, diep besef van ellende-bestaan, kort maar hèvig als ’n snik. In die boscheenzaamheid kroop groot mensch-leed bijeen, lag er even heilig meelij en stildiepe ontroering op de schim-vage gezichten. De stille zekerheid van hun gebaren sprak van smart, ontzaglijk gevoel. Ieder wist wat ie deed en allen beseften éven in die donkere uren, wat angst en smart er sidderde door hun rampzware ploetering. Besef, even, éven, maar diep in die donkere oogen, in die van avonddonker verschimde gezichten, woordloos stilte-besef van hun ellende, straks weer weggedoezeld door ruigen leefstrijd.

Als ’n jochie had Dirk Piet op voorkrat gezet met z’n gewond been voorzichtig tegen den dissel. Krelis, Bolk en Heelis slobberden in den vuilen kar-buik, waar ze neerhurkten opeengedrongen in modder en nog wat rijzen-bossen.

Licht en zeker was Dirk op het krat geklauterd naast Piet, die sprakeloos in koorts vergloeide en huiverde. Gebogen even vooruitstarend in den schemer, met de leidsels in z’n groote handen, zette Dirk aan, de paarden voorttrampelend in halven gang, mistdonkering in. Droef-stil in doodsche rust van avondbosch stofte het karstoetje òp, snijend de hoofdlanen om, op grooten straatweg, gauwer thuis te zijn. Bonk-bonk dreunde de kar daar, in strompelend geratel en gehos en zacht kermde Piet tegen linkerdij van Dirk aangeleund met z’n hoofd op z’n schouer, gloei-kil en huiverend, meehotsend over kuilen, zonder schreiïng, zonder klacht. Zacht-sterk steunde Dirk z’n broer en spraakloos keken elkaar áán de donkere gezichten in den karbuik. Ouë Gerrit alleen, benauwd opgedrukt tegen Bolk en Heelis, bromde zwaar in zichzelf. In het hotsende bonk-bonk van kar klotsten z’n gedachten mee, somber.... Waa’s hai d’r nou moar in de ploats van Piet.... want hai sat ook tug an notaris en dokter vast.... hai kon ook tug nie betoale en nou weer ’n dokter bai Piet.... f’r wa da f’rvloekte spul nou weer op sain dak komme mo?.... die dokter Troost, die sain s’n duite had afstole bij s’n waif en se aige.... en nou weer bai Piet.... dâ rooit na’ niks.... da rooit na’ niks....

En gejaagder klosten mee, op zwaar-dreunenden hobbelgang, gedachten van ouën Gerrit; òm hem, de stille zwoegers, die voortratelden in den donkeren mist-avond.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Ouë Gerrit zat ingedommeld, lichtelijk-besuft in de loom-soezerige stilte van stal en achterend op z’n gemakstoel te peinzen. Hij had weer eens wat bemachtigd. Als ie dat zoet-zalige niet had, was het ook heelemaal niets waard z’n leven, in al die beroerdigheid. Hij had op Kerst drie mooie gladde planken, Nieuwjaarsmiddag een toet tabak en nou weer ’n prachtig rood kindermutsje gekaapt.

Daar zat ie nou soezerig van na te genieten, met zware oogleden en zaligzacht murmelde en zangde dat stil geluk om ’m heen, soms opstijgend in z’n uiterlijk zoo stille borst, tot een roes van hartstocht die ’m naar de keel sloeg, wegstormde zwarte zorgdingen, anders strak en zwaar tegen ’m aangedrukt. De staartklok galmde plechtig negen uur, dreigend in radgeraas even bij elken nieuwen slag. En alles om ’m hoorde ie vaag vergalmen, versuizen in iets zalig onbewusts, diep verdoken in z’n eigen verrukking. Vannacht most ie z’n boel zien met z’n eigen oogen. Die begeerte brandde nou als ’n wond in ’m. De duivel met z’n moer zou ’t ’m niet beletten. Op den dag kwam er toch nooit niks van, was ie bang, dat ze ’m snappen zouen, kon ie zich niet heelemaal geven.

Vrouw Hassel zat op verfrommeld krantje te staren, onder groezelen lampschijn in halve gezichtsduistering. Als ze de krant uit had, kon ze regel voor regel weer beginnen, zonder ooit te weten wat er in stond.

Guurt bracht de pap òp en van alle kanten scharrelden ze naar tafel, rond de groote schaal. Alleen ouë Gerrit at, roerde zich niet. Hij was te vol, te vol. Vanavond zou ie z’n boel zien, zién.

Een voor een, schoffelden ze van tafel zonder dat Gerrit de dingen om zich heen zag gebeuren. Er zat slaperigheid in het zakkende petroleumlampje, dat karig kringde in ’t halfduister van kamerke. Hij zou naar bed gaan. Vlug z’n broek los, stond ie mager, lichtelijk gebogen in z’n roodbaaien broek-borstrok, z’n bisschoppelijke zilverbaard op het beulig-rood van z’n lijf, dat even flauw door de kamer bloedde. Guurt rilde van kou. Dat zou me’n vroegertje worden. De klefferige bordjes, leeggesmakkerd, vaalden steenbleekig in het zakkende licht, en de stille hoofden van Piet en Dirk, om beurten zwaar geeuwend, stil-grimmigden van verveling.

Guurt begon ’r jurk los te haken, in ritsende scheurgeluidjes. Het heele gezin sliep in de woonkamer, in hoek-bedsteeën, benauwd. De jongens tegen het beschot naar den stal; Gerrit en vrouw Hassel in een donkerig-laag bedsteedje tegenover het raam. Alleen Guurt op ’n slaapstoel in de kamer, elken avond opgezet. Vroeger had daar ’n dienstmeid gelegen, maar dat gaf schandstukken met de jongens. Al drie meiden waren er zwanger weggegaan, dat moest uit zijn had de Ouë gezegd, met ’n bons op de tafel.

Gerrit, in z’n rooie onderbroek, sjokte nog rond, brommerig verwijtend aan Guurt, dat ze ’t lampje niet zóó zou zetten dat ’t op de bedsteedeur scheen; hij wou het niet op z’n gezicht hebben, als ie ’s nachts of ’s morgens op de klok ging kijken of als het broeide en moeder woelde zóó, dat ie de deuren open moest hebben. En toch mocht ’t niet heelemaal donker zijn. Voortbrommend, half-luisterend naar Guurt, die nijdig zei waarom ie eigenlijk dat slapen met licht niet afwende, wipte ie strompelig op het bed-randje, tuimelde het donkere slaapholletje in, duisterde z’n magere lijf, met z’n zilveren glanskop plots in de diepte. Met ’n bons had ie de bedsteedeurtjes achter zich dichtgeslagen..

Guurt met bloote armen, slanker nu in ’r kort dameshemd, zat op den slaapstoel aan d’r achterhoofd te peuteren, in moeilijken armwrong, wat haarspelden in den mond vastgebeten. In ’n draai ringde ze los ’r haar, dat golf-zwaar neerspreidde langs blank-vollen hals, over naakte schouders, sprookjes-achtig ragblond beschemerd, èven in zachten lampjes-gloed. Haar fijn princesse-gezichtje stond jeugdig op korpulent onderlijf, en zware armen-vleeschweelde blank en woelig van lijn, zwol òp, met ’t beweeg van ’r groote werkhanden, tusschen het zacht-wondere glanshaar; statig beweeg van princessekopje, neergedrukt op heupig boerinnelijf, zwaar en zinnelijk-zwellend onder ’r verkreukt hemd-blank; schuchter kopje, met droom-oogen, teer mondje en neusjes-scherpe aristokratie, boven rijpe vrouwe-borsten, uierend-zwellend, en lomp de rauwe handen woelend tegen het geweldige vleeschlijf.

—Kristis moak toe, schreeuwde Guurt, haar naakten borst bedekkend, naar Dirk die de voordeur uit opstapte de kroeg in.

—Moeder, nou effe et vuurskutje van de stal.. hoal jai ’t?—

Al ’n half uur zat vrouw Hassel, stom-suf op punt van d’r stoel haar rokken los te frommelen, die wegzakten slap onder haar beenen uit, toen ze opstond op de vraag van Guurt. Ze hoorde wel, maar begrijpen deed ze niks, niks vanavond. Er was allemaal zwarte dofnis in ’r kop, stil gegil, gesuis en gedruk. Maar besef had ze d’r niet veel van. Alleen angst, jagende angst, angst als ze’r naam maar hoorde. Dan duizelde ontzetting in d’r, waarop onmiddellijk weer dofte plofte, grauwig-zwart alles voor d’r oogen, zonder besef.

Onrustig gerammel en gehijg dofte uit de bedstee van ouën Gerrit, die draaide en woelde; geschuur van nagels langs de beddeplank kraste zacht er doorheen. Ouë Gerrit grabbelde naar z’n lucifers in donker, voor vannacht.

Vrouw Hassel ging mee naar bed, omdat ze ’t zag duisteren om ’r heen en stil worden. Maar slaap had ze niet. Al jaren sliep ze slecht, in angstdroomen, die ’r overeind krampten, ’r deden gillen met ontzet gezicht. Loom had ze zich, krabbend steekmuts van het hoofd gelicht en kwijl-mond droog-geveegd met beef-hand. In den lampschemer grauwde ’r gele tronie, ouelijker nu zonder bedekking, met het kaalplekkige hoofd, groezelig-dun haar, als was ze plotseling ver-skelet. Spichtig oud-vrouwtjesachtig magerde ’r lijf bochelig door het vertrekje. Onder d’r vuil-zwart onderrokje slingerden kuit-sjovele beenen en wezenloos-sjokkerig liep ze naar de bedstee, grabbelend naar d’r slaapmuts....

Gerrit gromde en vloekte uit z’n hoek, dat ie ’t licht weer op z’n snoet kreeg. Ze hoorde en grabbelde door, niet merkend dat ze d’r slaapmuts al opgezet had.

—Is da nou dàan, hee! bulderde Gerrit uit het donker.

Vrouw Hassel sidderde, ze wist niet goed meer wat ze deed, waarom ze zoo grabbelde. Guurt koepelde ’n doek over de korf van duifje.

—Wa soek je moeder, je mus?.... sit ommers al op je kop te maffe!

Plots opgedrongen, éven tegen ’r aanstaand sprong Guurt op zij, ’n vies gezicht trekkend.

—Kristis moeder wa’ stink je.... Is d’r weer.... hai je weer fuil dàan?

Een huilschok krampte door haar ingebogen lijf. Voor de bedstee stond Vrouw Hassel met half doorgezakte knieen in ’r bobbelige, wije, ruwe onderbroek, waaruit stank opsloeg. Zonder het te weten had ze zich bevuild.... Nou, an ’r lijf voelde ze ’t.... Ze rilde, rilde. In bed kruipen plots wou ze van schaamte, maar Gerrit duwde ’r terug, krijsch-heesch.

—Zoo komp je ’r nie in waif, gain stap!

Bij haar borst smeet ie ’r achteruit. Ze kermde en snikte. Met ’r grauwe skelethanden aan de beddeplank geklauwd, zenuwklampte zij zich vast in verbijstering, tot Guurt ’r terugtrok en dwong schoon goed aan te doen.

—Je ken d’r tog nie soo mi die swaind’rai ’r in.

—F’r wa.... nie?.... huilde ze zonder te weten wat ze zei.

—Om da’ niet-en-ken.... Om da’ niet-en-ken, stampte Guurt driftig op den grond uit.

Vrouw Hassel was weer vergeten waarvoor d’r dochter zoo dreigde. Uit het kastje slierde Guurt ’r ’n hemd en broek toe, die ze rillend over ’r goor lijf liet zakken, in kakenbibbering.

—Mo’ je j’aige nie wasse? vroeg Guurt, nijdig om de moeite.

Moeder Hassel hoorde niet meer, staarde besefloos voor zich uit, krabbend ’r hoofd, onder smalle schuifbanden van ’r puntige kromgekreukte slaapmuts.

Guurt had de heele pan op ’n stoel gesmeten, alleen het vuile stank-walmende hemd naar het achterend geschopt, grommend en vloekend op ’r moeder, dat se puur daas leek. Vrouw Hassel stond verschoond, beef-grienerig, goorder in ’r schoon wit hemd en broek, sjokte huil-schokkend nog, op bedderandje, in langzame onzekere tasting verdwijnend in donker, naast den Ouë, in d’r slaapkuil. In eng ruimtetje lagen stille oogen van twee menschen te turen in het duister, klaar wakker. Op ’r peluw snikte ze dóór, lang niet meer beseffend waarom, uitkroppend ’n kramp van smart die door d’r borst en beenen schokte.

Guurt stond nog in ’r hemd wat te beredderen. Kwaadaardig bekeek ze bij het nachtlichtje ’n paar wratjes op ’r pink, zich woedend voelend op ’r grove werkhanden. De hanglamp had ze heelemaal uitgeblazen en donker nu in zachte rust vloeiden schaduwen en stille glanzen om ’r heen in het kamerke. Langs het kleine lampje, schimmig in ’r hemd, blankte ze voorbij, met den goudschemer van ’r harenpracht op rug- en schouer-vleesch. Om er ooren kroesden enkele krullige haarsprongetjes als gouden spinneweb, verfladderd wat. Net wou ze in bed stappen, toen ’r rammeling gromde aan de deurkruk, de hond bassend-ontsteld aansloeg op het erf.

—Koest.... koest! dreigde stem van Piet die thuis kwam, wat vroeger dan Dirk na de paar weken gedwongen rust met z’n beenen. De hond buiten bromde nog zacht.

—Koest, snof’rjenne, ke’ je de boas nie, sloddervos! Is d’r nog wa’ te slikkerbikke Guurt?

—Waa’n meelsak, nou weer bikke, driftte Guurt uit ’r bed stappend.

—Ik bin soo kout aas ’n botje.... legge de ouën al?

—Stil!.... joa.... moeder hep weer fuil dàan!

In ’r dameshemd liep ze, met nachtlampje in ’r hand ’t keukentje door, grabbelend in den broodtrommel. Bidderend kwam ze terug, het lichtje voorzichtig neerzettend in het kamerke, dat glijend, als een schaduw-hal voor d’r openen ging.

—Droog? f’rek, da mag jai frete.

—Nou.... loop nou noar de bliksem.... doen ’t dan selfers, ik goan d’r in!

—Wa’ f’r werk he’ jai doar an je hemmitje hange? potdikke Abram.... Prikkie!

Met z’n hand wees ie naar Guurt’s borst waar strikjes om laag-uitgesneden kantbaan pronkten.

—F’r jou ’n froag f’r main ’n weut,—bitste ze terug, met één hand ’r borsten bedekkend en gauw op ’r slaapstoel onder de dekens woelend. Piet bromde nog wat in zichzelf, van ’n luiwammes.... wat ’n maid-meroàkel.... niks van bloed-beuling had, draaide ook langzaam uit naar z’n bed.

II.

Het sloeg één uur, trillend zangerige klankgalm door de nachtstilte. Ouë Gerrit lag oogen-wijd wakker, in z’n donker slaapholletje, opgedrukt met z’n gezicht naar den muur, dat z’n warme adem terugwaasde op oogen en mond. Z’n vrouw hoorde ie doffig snorken, met kermende geluidjes uit d’r keel, en puffende blaas van ’r lippen, zóó erg, dat ’t ’m soms benauwde. Daar lag ie nou, in donker, stikdonker, met ’n groenigen schemer in de verte. Boe! wa’ stonk ’t waif nog, wa’ benauwing! Moar fe’nacht, fe’nacht most ’et beure!

Doodstil lag ie, toch hartebons hamerde raak door z’n lijf. Z’n kop en handen gloeiden en binnen-in zanikte weer ’n lekker angstig gevoel rond, dat ie altijd had als ie bang was betrapt te worden....

Moar fe’nacht most et.... Sachies an moar Ouë.... soo aa’s je sain dâ altaid lapt.... sekuur an.... fain werk....—Zacht had ie zich overeind gewurmd. Plots rammelden uit den stal, stooten van koe-ringen tegen het rem, dof-bonzend. En klagelijk vanuit stemme-diepte loeide koegeschrei òp, akelig in de starende nacht-stilte.

Ouë Gerrit schrok, wurmde weer even onhandig terug en keek in het donker of ie z’n vrouw’s oogen kon zien.... Da’ f’rfloekte beest!.... daa’s nou puur de heule weuk, dattie skreeuwt ’s nachts.... aa’s tie hullie wakker moakt goan ’t weer nie.... gòan ’t weèr nie....

Maar vrouw Hassel bleef snurken, met ’n stilstand telkens in ’r ademhaling en sterker lippen-gepuf dat ’m benauwde. Net was ’t of ze’m wat zeggen wou, maar niet kòn. Nou voelde ie klamte op z’n kop trekken....

—Fain werk.... fain werk. bromde ie, zonder naar zichzelf te luisteren, angstig wèg al met z’n gedachten in den kelder. Met z’n gezicht kwam ie weer even áánloeren op den duisteren kop van z’n vrouw. Nog meer bukte ie in.... Nou rook ie ’r warmen adem, niks zag ie van ’r.... alleen hoorde ie ’r snurk-gekerm, dat z’n mond indrong en vreemd als uit ’r neus opschraapte.... Neenet.... neenet, ze snurkte.... allegoar larie, ’t kon sain ook niks meer skele.... hai mos, mòs se boel sien.... Godskristis, s’n spulle....

Winterige nachtkilte huiverde door z’n lijf, in zoete narilling achterhaald door wild genot dat al te tintelen begon in z’n beenen, zacht schroeide z’n lijf; ontembaar genot, dat opkroop naar z’n buik, al maar opkroop, dat ie zacht duizelde in heerlijk heet plezier.... Wa kon ’m nou sain pacht skele?.... gain duut ha ie.... nou, nou da’ moar gain duut.... pachtgrond.. wa? watte?.... neenet.... nou sebiet se goed sien hoho!.... da’ was je woare.... godskristis sou ie ’t kenne uithoue?.... Sou ie niet gille aa’s tie ’t sag, aa’s tie d’r was in sain kelder. Sou Guurt het lampie op toàfel set hewwe.... nie feur ’t bed....

Zacht nu woelde ie op, òver z’n vrouw heen. Boe! wa’ stank.... wa’ donker.... dondersjin, ’t skol nie veul of ie trapte ’t waif op d’r beene.... soo.... kràk!....

Nu zat ouë Gerrit heelemaal losgewoeld van de dekens, overeind op z’n peluw. Telkens schrok ie even, als koeienloei weer uit den stal opschreide, bang en lang aangehouen als klacht van gemartelde. Maar gauw suste het in ’m dat ze toch niet wakker zouen worden. Langzaam uit z’n zit sloop ie òp, deed bukkend en beef-zwaar ’n grooten stap over z’n wijf heen, tot ie op ’t bedrandje stond, schuivend nog met z’n nagels langs de deurtjes, die ie langzaam openduwde. Een beving van geluk overhuiverde ’m toen ie zag dat het lampje vóór Guurt’s bed stond. Nou kon z’n wijf niet wakker schrikken van het licht. Dat had ie netjes berekend.. Donderemint, doar glipte ie...

Ritst, krak-kràk, gingen de deurtjes. Even bleef ie in hangstand stil.... stil.... Z’n hart bonkte en wilder gloeiden z’n oogen in z’n grijzen glanskop.... Het lichtje schemerde wat gouïg waas op z’n gezicht vol schaduw, en z’n ingekrompen, stramme lijf, in z’n rooie ondergoed, bloedde donker in den zwakken kamerschijn. Guurt sliep door, alleen vrouw Hassel had zich even na het gekraak achter ’m opgericht. Hij voelde ’t, voelde ’t, zònder te kijken.—Maar in één stand bleef ie staan, met z’n stillen rug ’r bezwerend, dat ze’m niet zien zou. En snel doorflitste ’m de gedachte.... „Noa de plee mo’ je zegge.... noar de plee mo’ je segge aa’s se vroagt”. Even zanikte slaap-stem van vrouw Hassel achter ’m op, idioterige slaapklanken murmelend, verward het donkere bedholletje uit. Toen plots stilte..... Ze lag weer.

Nou voort! ijl-drang zat ’m in z’n beenen, maar daar gaf ie niet aan toe, verzette ie zichzelf tegen.... làng-zaàm àn, làng-zàam àn.... zei ie zichzelf, in maatgang.

Het lampje had ie in z’n hand genomen en zacht afgedraaid, dat het vlam-spetterde, dood-strijd van ’t pitje. Even spiesten bleeke lichtpijltjes op het slaapgezicht van Guurt, dat zwàklijk oplichtte en weer wegdoezelde in de duisternis. Het lampje eerst uit, dat wou ie nou eenmaal, zoodat ie niemand zien kon. Dan voelde hij zich ook zekerder.... Nou had ie ’t.... nou zacht.... zacht ’t achterend inschuifelend, precies tast-wetend hoe ie langs het beschot te gaan had. Daar ’n drempeltje, daar ’n stoel.... dan ’n inham, nou de dorsch, d’r achter langs.. sachies an, mooi.... da’ gong, da’ gong.

Er begon weer wilde jubeling en ijl-drang door z’n lijf te gloeien, maar hij dwong zich kalm te zijn, kalm. Nou stond ie voor het luik.... Doar had ie f’navend al ’n blokkie hout onder set.... ’t kroakte aêrs aastie ophieuw!.... Soo.... soo.... heere! wa’ donker.... stikke, stikkedonker...... Wacht!.... gong da’ nies?.... hoorde ie doar nies in de bedstee?.... neenet.... hoho! de jonges ronkte aas varkes, konne ’t huis omhakke, hoorde sullie nog nies.

Juist stram-bukte ie naar het blokje hout vóór het kelderluik, tast-schurend met z’n hand langs den grond, toen diepe koeien-loei door den nacht schreien kwam, uit den donkeren stal, met ’n onderdrukt-bang nagehuil, dat hangen bleef in het duister. Bonk-stooten van ringen tegen ’t rem klonken nà.

Nou skrok ie nie meer.... loa moar skreeuwe.... ronke tùg deur.... tjonge, tjonge woar da blokkie tug sit?.... o joa hardstikke middenin.... Ouë paa’s op, Ouë! paa’s op.... ’t lampie.... f’r wa’ hat ie self tùg nie ’n lampie kocht?.... bài s’n rommel,.... nee gong nie.... gong nie.... rooit na’ niks.... most ie fulle en weer fulle en dan ruike sullie.... neenet da’ gong nie.

Zacht had ie ’t luik opgetild en vastgehaakt, geluidloos. Sluip-licht ging ie ’t keldertrapje af, waar ’n kou-stroom plots om z’n naakte voeten zoog en dompige lucht, vunzig opwoei.

Nou luik sachies toe.... boofe se test.... tredje veur tredje.. oppasse.... wa’ genot.... stil.... wacht.... joa, da gong.... hai was t’r t’met.... mi-sonder hurrie.... stil.... eerst lampie weer an....

Nou, in de stik-duistere kelder-laagte, nou ie ’r stond en niemand ’m meer hooren kon, begon ’t al in ’m te jubelen, ’n hevig-zalig zwoel gevoel, dat ie ’r was, bij al z’n spullen, bij al den rommel van hem, van hèm. Lucifers had ie van de bedplank afgegrabbeld en in z’n onderbroek gestopt, onder z’n buikband. Met ’n snelle lichtstreep vlamde ie ’t lucifertje aan, en bevend met z’n genothanden, lichtte ie ’t glaasje van ’t lampje. Zoo, nou kon ie zien. Schuw keek ie even naar ’t lage kelderraampje of ’t luikje ’r wel voor stond. Maar alles was dicht, potdicht. Nou wou ie zich inéén op z’n rommel smakken, d’r op, d’r op, woest d’r op! Maar eerst hooger het lampje.... en dan langzaam an.... làng-zàam an.... rekke.... rekke, ging ’et weer in ’m.... Een twee, een twee, in maatgang. In wilde roggeling van woest-gierend verlangen brandde z’n strot, joeg wild tegen z’n kalmte òp. Zien-begeeren krijschte door z’n een twee, een twee-maatgang in, dat benauwing zwol om z’n kop en om z’n maag.

Daar was ie nou bij al z’n rijkdom, en niemand die ’t wist, hij.... hij.... alleen.... van hem.... van hem....

Hooger draaide ie ’t lampje òp. Ingekneld stond ie tusschen duister-stillen kelder-rommel, groote vaten, die scherpe pekellucht uitzuurden. Boven z’n hoofd in ’n hoek, reuzeworsten als kabellussen, door elkaar gehaakt; daartusschen hij, ingebukt, schuifelend stap-vaag, door ’t opgeschikt kelderduister. Het lampje had ie op den bodem van omgekeerden karner bevend neergezet en versuft van hevige aandoening, met zwaar verlammingsgevoel in z’n voeten was ie op ’n brok handkar, die schuin tegen vaten opstond, gaan zitten, het wiel scheef onder z’n beenen gekneld. Het lampje koolde, maar de ouë maniak, waanzinnig bevangen door z’n duizelenden hartstocht, zàg niet. Hij keek maar in de vlam, met gekke, diepe oogen, hevig in brand staand van hartstocht, wijd-open en strak, en z’n zilveren haarlokken kluwden over z’n nek op z’n rooie borstrokhemd, dat beulig-verlicht bloedde in het fel-kleine schijnsel. Zoo bleef ie staren, z’n kindergezicht pal in ’t licht, z’n zilveren baard verglanzend boven het helle, angstige rood van z’n verbeuld lijf. En tègen z’n ingekrompen gestalte, de kille kelderduistering, zwaar dreigend om ’m, met d’r verschrikten nachtrommel, goud-schichtig verlicht, in gril van lampjes-schijn. Roerloos zoo, bleef ie zacht hijgen, z’n adem als gouden damp uit z’n mond verstoomend. Langzaam kwam zwijmel bij, viel de kou om ’m, al voelde ie ’r nog niks van. Nou alleen onderging ie bewuster, in roerloos genot, dat daar, iets verder, in dien vuilen spinraghoek, waar nooit ’n sterveling kwam, dat dáár, achter dat beskot z’n spullen lagen. En altijd vóór ie ’r was, doorrilde ’m die zwijmel, die ontroering.... angst, dat ze d’r niet meer waren, dat ze’m hadden bestolen, beloerd, gevolgd, en zachtjes an z’n rommel weggeganneft. Rauw joeg ’t in ’m, de drift om te zien, dadelijk, dadelijk, en toch ging ie niet.... Teruggehouen door den zweet-angst, dat ’t er niet meer wàs zooals hij ’t bewaard had. Hij.... àlles.... Godskristus, dan zou ie gek worde, moorde, skreeuwe, slaan. Nou mòar kaike.... Langerst was ’t nie uit te houe.... hai most, moest durrefe....

Met ’t lampje, èven voor zich uit, boven z’n grijzen kop, die nu strak stond en wit van hevigen hartstocht, in fellen gloed, schoof ie langs de groezelende stil-morrende kelder-dingen, die schuw in voortkruipende glanzing òplichtten in stilte-angst, uit hun vuilen, zwarten slaap van eeuwig-vunzen nacht. Voort schoof ie, tusschen vaten, touw, manden en turfstapels, lijf-ingebukt, met z’n hoofd de zoldering rakend, overal rondom, rossige adem verdampend. Zacht stapvoets vooruit, verdrong ie den huivernacht in den diepen kelder, met z’n licht, z’n bloedrood ondergoed, met z’n zware haararmen, uit opgestroopte mouwen fel beschenen, tot ie eindelijk pal bij z’n spullen stond.

Sidder-ontroering rilde door ’m....

Nou, nou.... nou sou ie ’t sien.... sien!.... Waa’s d’r? waa’s d’r?.... allegoar?....

Even ’t lampje op den grond. Wild nu joeg licht om z’n eerst donkere beenen over killen vloer. Fel bloedde pijpenrood van z’n broek en smerig z’n plompe voeten lichtten òp, in vervuiling van de lange roetige nagels. In donkeren val zwenkte ’t licht van de wanden op groezelgrond en lage rommel-stapels, dreig-schaduws tuimelden, trillende lichtkringen boorden zoldering in. En angstig, de dingen stonden in nieuwen lichtglans weer. Groot-zwaar verdeukt, reuzigde ’t schaduw-lijf van Gerrit in donkere vlakken tusschen vaten en mandjes, afgebroken, met gekneusde beenen, verplet hoofd en verminkte armen.... Dreigend silhouetteerde één reuzige arm en kabballistische schaduw-hand, in woest gebaar tegen de stomme dingen van kelder in. Plots was Ouë Gerrit ingehurkt, graaiden z’n belichte handen en haar-armen in de laagte, op de steenen. En z’n kop, gloeide vlak bij de lamp-vlam, dat z’n baard in zilveren brand stond, z’n rooie schonken bloedden, z’n vingers grabbelden in beef-gretigen hartstocht, tusschen molm-vuil, boven z’n gestolen rommel rondgestrooid.

Telkens zag ie wàt blootkomen.... de schoentjes, gespjes.. parasolknoppen.... lepeltjes.... de groote armband.... alles. In waanzin greep ie, huilde, viel er op, lachte, huilde.... wou ie schreeuwen, gillen, onderdrukt; moest ie in stikkende ontroering, er geknield voor blijven staren. Gek zou die d’r van worden!.... Puur daas, nou ie ’t doar allegoar legge sag....

Z’n borstrokhemd trok ie los van boven, uit benauwing, snakkend naar lucht, dat z’n verbronsde halsvel, ongewasschen, bloot kwam. Dichter schoof ie ’t lampje naar zich toe, dat z’n spullen in glanzen tegen ’m òplachten. En overal rondom, met weggeschuif van licht, engen keldernacht in, stáárde schrikstilte en schaduwangst. Op ’n turfstapel, achter z’n hok, ’n eind van z’n rommel af, had ie zich eindelijk neergezet.... Zware tranen van woest genot zwollen z’n oogen in.... Zichzelf zei ie, dat ie niks nou denken mocht....

Kaike.... kaike.... nies aa’s kaike en effe voele moar!.... en nou beseffe daa’t allegoar van sain waa’s.... Dattie dàt ganneft had, toen ouë vrouw Bekkema juist uit de kamer gonge was.... enne dit.... van d’r nichie, die d’r f’rlesjeerd had.... en.... en.... Neenet.... neenet.... nie denke.... nie denke.... kaike.... allainig kaike moar!.... doar.... doalik weer.... En niemand-nie die ’t wist.... soo tussche de sakke en muiserommel.... en mit de skoomoak hài d’r bai.... effetjes.... om se boel swerfe.... in dien diepen stikdonkeren hoek, woar z’n smerig waif en Guurt nooit-nie ’n hand an dàan hadde.... Soo òpe de rommel en tug nooit nie sien.... soo.... tussche spinrag en molmvuil....

Weer beef-greep ie naar z’n lampje, zette ’t neer op den vloer, lichtte bij, pal op den rommel, dat ie àlles, alles zien kon.

Kaik de oàrmband skaine!.. puur goud.... sóó legge moar.. nie ankomme.... soàlig!.... kaik die knoppies poarlmoer.... niks doen!.... soo legge.... godskristus.... van sàin!.... gain sterveling die ’t wist.—

Waanzinnig in genot, stormde blijheid en angstgeluk naar z’n keel, dat ie schreide, schreide van spanning, lang, heel lang. In gretigen buk wrong z’n rood lijf vol kreukels, in begeeropslurping; wreef ie z’n begloeide haar-armen langzaam in verrukking, drukte ie op z’n hoofd, graaide door z’n baard, stonden z’n naakte voeten ingeklauwd in hun vergroeide vuile vingers, tusschen ’t molm, krom en driftig van passie. Dàn ging ie zitten er van af, met de lamp aan z’n voeten, dàn weer sprong ie op, plots met ’t licht op z’n spullen, dat ’r telkens woeste schaduws rond ’m instortten, in donkeren tuimel, zonder geluid, stomme schaduwmoorden, stil in keldernacht. Zoo bleef ie staren naar z’n waar, ’t licht aan z’n morsige voeten, z’n ingebukt lijf; z’n stil-dreigend verkneusd silhouet reuzig er achter, op muur en rommel, meedoend elk waanzin-gebaar van grijsaard-maniak met z’n zilveren glanshoofd en kindergezicht; z’n baard, zwaar van levenskracht, geweldig beborstelend z’n rooie borst.—Zoo staarde ie, omdromd van donker stil geweld en zwijgstand der dingen uit keldernacht, die ijzigden rondom.—En bloeddonker in ’t licht, z’n beenpijpen rood begloeid als droop z’n lijf tot bloed, sloop ie telkens in verrukkingsgreep naar ’t lampje, op z’n boel af.... En dan wéér terug op z’n zitje, van angst, als de hartstocht ’m te hevig werd en plette z’n kop.... Terug dan, met z’n lijfhoogte de lage kelderduistering beheerschend, ver van z’n spullen, z’n vurige adem verdwijnend in ’t licht, satanisch, rillend op ’n turfstapel, als krankzinnig roofdier, opgesloten en gesard, dat nu en dan uit z’n hol opsloop, stil-vergramd ronddreigend in de kelderengte, wild zoekend naar lucht, ruimte, licht.... Zoo bleef ie ’r uren, hoorde ie den nachttijd niet om hem heen verruischen, wèg in z’n staar, z’n tast, z’n zalig genot.—De kou had ’m eindelijk zoo beet, dat ie bibberde en langzaam uit z’n eerste verrukking oplevend, hoorde ie òm zich rattengespring en stil nachtgeknaag van muizen, in klein-sarrend gewroet.

Neenet.... neenet.... bang waa’s-tie heulegoar nie.... niks niemendal.... moar.... nou.... aa’s tie ’r nou moar eerst uit was.

Stil graaide z’n hand weer molm en vuil over de spullen.

—F’rjenne.... wa’ waa’s tie nou moei.... dood op.... en roar in s’n kop.... moar nou terug.... godskristis Ouë!.... f’rsichtig.

Zacht draaide ie ’t lampje af, heel laag, dat ’t blauwig spetterde in doodendans en gretig nu, uit den lichtval, diepte de kelder terug in stikke-donker, als had ie Gerrit opgeslokt met zwarten muil.

Bij ’t trapje stond ie even.... Plots viel ’m in dat de muizen weer leelijk aan z’n rommel geknaagd hadden en dat.... t’r veul beskimmeld was.... Moar stil.... nou nie an denke.... nou eerst d’r uut.... ’t Lampje zette ie op ’t treedje. Zachtjes ’t luik duwde ie òp, meenemend ’t lichtje.

Geraasloos kroop ie òp in donker achterend, even angstig luisterend of de koeien nog huilden. Maar geen zuchtje was er te hooren uit den stal.... Weer ’n endje beurde ie knielend ’t lampje verder. Angst klauterde tegen z’n keel, zakte weg in z’n knieën, in licht-makende duizeling, en zwaar-bang genoot ie weer, dat ie nou door ’t gevaar moest, langs de slapenden.... Blij was ie dat ie z’n kousen in bed uitgemorreld had.... dat was lucht.... lucht.... Klaar spitsten z’n zinnen zich op ieder licht geluidje. Even bonkten weer uit den stal donkere ringstooten. Nou stil.... Met de pit iets hooger, stond ie op vloersteenen achterend. Z’n voeten klompten als ijs.... Nou voelde ie ’t.... Nou zag ie alles.... nou, ’t licht even voor ’m uit!—

Op ’t drempeltje van kamerdeur, waar ze sliepen, keek ie op de klok.... Bij vieren.... Waa’s tie d’r drie uur weg weest!.

Zwaar geronk gromde uit de bedstee van Dirk en Piet. Nou was ie ’r. Niemand had sain meer kenne pakke.... ’t Gevaar was ie vlak te bove.... Gesmoord-wild gejubel brandde in ’m op.... Nooit.... nooit zouen ze ’m snappen.... nooit.... D’r was t’met nie één soo sluw aa’s hai.

Zacht schoof ie de kamer in, vóór Guurtjes bed.... Even gleed licht over z’n slaapholletje.... Nou zou ie ’t lampie neersette in ’t vochtkringetje, woar ’t stoàn had, op vloer.... En nou d’r in.... d’r in.... aa’s ’n aisklomp sain bast.... en nou effe nog denke.... an.... alles.... alles....

Plots schrok ie òp.... Nou zag ie eerst dat ie de deurtjes van z’n bedstee had laten openstaan. Godskristis.... da’ ha je’t!....

’n Angst sidderde door ’m heen.... dat z’n wijf ’m gezien had.... Gauw, recht op ’t bed aan, liep ie, zag ie pal op ’t grauw-strakke idioten-hoofd van z’n vrouw, die ’m stom aanstaarde. Ze had allang wakker gelegen, maar niets had ze gezien of gevoeld. Niet eens dat ’r man weg was, of dat de deurtjes van de bedstee openstonden. Gesuft had ze uit angstdroom, in ’t donker....

Plots was ’t lampjeslicht de kamer ingekringd.... d’r duistere oogen voorbij geflitst en had ze ’t rooie lijf van ouë Gerrit gezien, zonder te beseffen wie ’t zijn kon....

Stomme ontzetting was ’r in de leden gehamerd. In één had ze Hassel op ’r zien aankomen, vergroot in z’n rood ondergoed.... en met ’n sidderschok door ’r lijf gilde ze schor-mal:

—De duufel!.... de duufel!.... hai komp main hoàle....

Rauwe angstklanken, schor en ontzet van schrik, galmden kermend-gerekt door de nachtstilte. Overeind zat ze, vrouw Hassel, met handen vooruitgestrekt, krombeenig ingehurkt, schreeuw-gillend tegen ouë Gerrit, die niet meer wist wat ie doen, wat ie zeggen zou. Toch wou ie ’r verdringen, in bed springen, maar plots bonkte ze, met heviger krachtstooten en rukken, in zenuwangst z’n beenen van ’t plankje.—Op z’n knieën strompelde ie neer, scheurend z’n schenen langs ’t bed, z’n handen nog glibberig-onzeker vast aan ’t randje. En heviger furiede vrouw Hassel òp. Zwaar, met verkronkeld lijf, bleek-grauw-wild gezicht over beddeplank gebukt, wrong zich haar angstkop uit ’t donker òp, stáárden haar krankzinnige oogen schitter-dol en vermetel. Haar slaapmuts was ’r van ’t hoofd gezakt en losjes fladderden wat bleeke haren over ’r angstgezicht, onkenbaar vermummied. Als waanzinnige, hysterische heks rochelde ’r stem, krijschte duivel-angst door ’r kermen héén. Ouë Gerrit kroop over den vloer telkens probeerend in ’n woesten sprong ’r tegen ’t peluw neer te smakken en plat te drukken met z’n hand beverig naar ’r spuwmond tastend, om ’t gil-kermen te smoren. Maar sterker, wilder sloeg ze z’n beenen weg van bedrandje, dat ie schuurde z’n kinnebak, neerbonsde tegen de plank, vloekend van pijn en benauwing. Guurt was in halven slaapduizel en schrik in ’r hemd opgesprongen naar ’t bed toe, zonder te weten wat er gebeurde, achter ’r vader áán.

—De duufel!.... de duufèll!.... móó-óórd, gilde vrouw Hassel, trampelend nu met ’r magere beenen tegen de beddeplank, dwars achteruit in ’t donker, ’r hoofd op de peluw afduwend, dan inéén overend, in woest-stil geloer, afwerend aanvallen van Gerrit, die weer op z’n beenen stond, telkens inbukte met z’n kop en handen ’t duisterende slaapgat in.

—Waif!.... waif.... hou je smoel.... hoho!.... je bin dààs.... puur stoàpel.... ikke bin ’t.... hou je bek....—Voort bulderde de Ouë, die niet begreep waarom ze hèm den duufel skold, en vannacht tienmaal sterker was dan hij.—

Guurt ’n beetje bij, van den eersten schrik, wist nog niet wat er gebeurde, hoe ’r vader uit bed kwam en waarom d’r moeder zoo krijschte en kermde. Door ’t gebulder van ouë Gerrit, en ’t schrei-gegil, waren de jongens dommelig wakker geworden. In zware, woedende slagen bonsden ze hun bedsteedeurtjes open, stonden ze in hun ondergoed, achter het worstelende lijf van ouë Gerrit, die zonder verklaring maar doorbulderde:

—Hou je bek waif!.. waif!.. of ik snai je de strot af!..

Maar vrouw Hassel rochelde en gilde dóór, kromde zich woester overeind, sloeg razend in ’t donkere holletje om ’r heen, schuimig speeksel tegen gezicht van Gerrit spuwend, dat ie besmet stond van valsch mondvuil.

Plots had ze d’r man herkend.... en wilder nu rochelde ze door met rauw-schreeuwerig stem-geluid.

—Moord!.... moord!.... hai wil main joàpe.... moord!.. moord!....

Dirk was woest vooruitgesprongen, had z’n vader ’n trap in de zij gegeven, dat ie waggelde, greep de tang-sterke armen beet van z’n moeder, smeet ’r in ruwen ruk achteruit met ’r gezicht half op de peluw en smoorde in dekenkronkels zwaar òver vergrauwden haarkop gepropt, ’r angstgehuil.

—S’is puur daas, rilde Piet, en Guurt stond paars-bleek te bibberen van angst en kou.

—Stoàpel.... puur.... stoa.. pel, rilde ze na, met ’r slaap-oogen op achterlijf van in bed gehurkten Dirk starend, schuddend ’r gouddos op ’r koue bloote schouers.

—Komp hier Ouë.... rauwde Dirk, met z’n grooten, wreeden kop de bedstee uitgedraaid naar Gerrit toe,—sai begin weer strak-en àn!.... pak jai d’r poote.... goan d’r op legge.... ik hep nou d’r kop.... stevig-àn hoor!....

Rood donkerden de zeerende wimpers van Dirk uit slaap-schrik, gezwollen, tegen lichtschijn van ’t lampje, dat Guurt nu midden op tafel had gezet. Snel weer z’n kop hevig draaiend staarde ie ontsteld in hurkhouding op de bobbel onder ’m neèr, die hij indrukte. Zacht gekerm en verdoofd gekrijsch kreunde uit de dekens. Dirk, in al z’n krachtzwaarte telkens opgewipt door ’t ingesnoerde zenuwlijf onder ’m, kroop verder in bed, drukte zwaarder met z’n knieën op de plek waar vrouw Hassel’s nek zat, plette, zelf radeloos, in angst, niet beseffend, wàt anders te doen. Moeder was plots gek geworden. Dat voelden de kinderen. En niemand viel ’t in, den Ouë te vragen, hoe ie eigenlijk uit bed kwam. Op d’r beenen lag ie nou, Gerrit, neergekrampt in ’t donkere bed-endje. Maar telkens even, rukte vrouw Hassel in angstkrampen en stuiping van d’r voeten ouë Gerrit òp, dat ie waggelde, in den hoek beukte met z’n kop; dan weer trapte ze’m tusschen de liezen, dat ie wilden, jagenden pijnkreet uitstootte en vloekte.

Onderhands bedacht ie, wat ie zeggen most als z’m vragen zouen, waar ie geweest was, wat ie d’r uit te doen had?

Niks.... niks heulegoar gain uitproatje had ie.... Dat moakte ’m stikke van angst.

Zachter, al zachter kreunde en kermde vrouw Hassel. Toen, als in schok, begrepen Piet en Guurt in één, dat ze stikken ging zóó.

—Houw op Dirk... houw op, gilde Guurt ontzet, je smoort d’r.... se hep gain lucht....

—F’rdomd, gromde Piet, se stikt t’met.... dá’ holp nie.... lá’ d’r nou los.... Dirk, zelf geschrikt, plots voelend dat ie ’r vermoord kon hebben, was angstig van d’r lijf opgesprongen, Gerrit uit z’n hoek meesleurend, nu vrouw Hassel d’r beenen al wat minuten beweegloos gehouen had. Met z’n zware schonken, dachten ze, dat Dirk ’r doodgekneusd had, moeder gestikt onder de lakens zou blauwen.

Guurt en Piet rukten de dekens in plooiwarrel van d’r hoofd. Stil lag ze, roerloos verwrongen met grauw gezicht en vuil-grijze flodderharen voor dichte oogluiken gekroest.... Zacht kwam er hijging in ’r lijf.... openden de kijkers weer, na ’n poosje, glurend door harenwar op Hassel, die in benauwde streken over z’n baard wreef, ingekrompen naast de kinderen voor ’t bed stond.

Plots in gansch onvoorzienen ruk, sprong vrouw Hassel weer overend, aap-lenig op Hassel af, spoog z’m witte klodders in z’n gezicht, schudde z’n langen haarkop.... gil-roggelend:

—Moordenoàr, je hep main wille joape.... ik hep ’t sien....

Nu was ’r geheugen sterk even, in krisis. Machteloos, met lendenen achteruitgedrukt viel Gerrit op z’n knieën, in dollen angst, dat ze’m gevolgd, gezien had in den kelder.... In z’n benauwing daarover, voelde ie bijna de bonken niet, die z’n vrouw ’m op zijn grijzen kop en nek hamerde, met krampige vuistwoede, in waanzin. Guurt, angstiger nu, gilde mee, en schreeuwde huilend dat ze de buren verderop roepen zou.

—Hou je bek, snauwde Dirk, zoo wait hain.... is nog nie.. sel d’r wel mores leere.... Hier Piet.... graip jai d’r poote.... den Ouë leg tog veur merakel....

Dirk wilde eerst den Ouë losrukken uit de kramphanden van z’n moeder, die in woeste dierdrift doorstompte en mokerde. Gerrit vloekte, al benauwder dat z’m sien had, dat se ’t doar soo inéén sou uitskreeuwe,—mepte zwakkies terug in ’t donkere ruimtetje, tegen de magere roggelborst van z’n wijf, soms ’n woester bof, dat ’t kraakte op ’r karkas. Eindelijk had Dirk ’m losgeworsteld, en in waggelende strompeling ’m opzij geduwd.

—Si jai hier Ouë.... op die deele is ’t waif sterker aa’s wai..

Toen in loer, greep ie weer de handen plots van z’n moeder, sloeg haar er mee in ’t gezicht, boog ze achter de schouers half om, beukte ze dan weer naar d’r mond, dien ie dichtdrukte, plat als varkenssnuit. Wilde vechtlust driftte in ’m los, om ’t dolle wijf te temmen. Te hijgen stond ie, en Guurt, bijlichtend, krijschte gesmoord, doodsbleek d’r fijne hoofd in lichtschijn. Piet had ’r beenen nù vastgemoerd in zìjn schroefhanden en gekneld onder z’n zware schonken, die zacht, ademzacht bewogen. Langzaam begon angstkrisis van vrouw Hassel te zakken. Haar gezicht, los omwoeld van vuil-grijs haar, waaronder naakte schedel doorschemerde, lag grauw-paars te kaaksidderen, angstbezweet. Om ’r breed-dunnen mond schokten zenuwtrekjes, snel achteréén. En lossig zwabbervel van rimpelwang vlamde nu doorspikkeld van doffe vlekken. Uit ’r opengescheurden borstrok bruinde ’r smoezelig bloot lijf. Bij elken òpschok, knakte Dirk ’r met zwel-kracht terug in de peluw, haar magere armhanden geschroefd in z’n spitklauwen, kruislings over d’r borst, die hijgde zwaarder van benauwing nog. Zacht likte ze ’t schuim uit ’r mondhoeken weg. Plots begon ze uit te snikken, doofde angst-staar in ’r oogen, gebroken van flauw licht, keek ze weer rond, gewoon-suf als altijd, wist niet, wat ’r met ’r gebeurde.

De krisis was afgezakt. Angstmom van straks leek uit ’r gezicht weggerimpeld. Zwak, in uitputting nog, vroeg ze naar Dirk òp, huil-schokkend.

—Waâ is d’r.. wa’ hou je main vast.. is ’t al loat hee?..

—Hou je bek, snauwde Dirk, je bèn d’r daàs,—niet beseffend, dat grienuitbarsting eindkrisis had gebracht.

Stil weende ze door, handen kruislings-stil op d’r borst gedrukt, snik-scheurend als altijd, niet wetend, waarom ze huilde, alleen bang maar weer dat ze ’r zouen roepen, d’r naam, dat ze dit en dat weer vergeten had. En ook dàt gevoel dofte weg, hield ze nog maar alleen den angst, zonder te weten waarvoor. Ze zag ze nu allen met bleeke gezichten zwak-belicht, maar ze begreep niet wat ze wouen, die koppen. Ouë Gerrit zat nog op z’n stoel, onder de staartklok, in zich-zelf zacht jubelend, dat se niks sien had, ’t waif.... daâ’ se anders wel babbelt sou hewwe.... daa’ se niks niemendal sien had.... en aas se’t wete had.... waa’s sai ’t tug doalik kwait....

—Moar snof’rjenne voàder, riep Piet, ’t bedsteedje uitspringend, nou ie zag dat z’n moeder zich niet meer verroerde, d’r beenen machteloos leën,.... hoe kwam je d’r uit? Hep se je d’ruit trapt?

—Ho.. ho.. nee.. hu.. hu.. so wait hain waa’st nie.... moar.... ik mos soo noòdig.... en toe’k t’rug kwaam, lai sai wakker.... begon se t’met te roase en te sloan.

Even had de Ouë geduizeld, bij de onverwachte vraag van Piet. Niet meer verwachtend dat ze’m vragen zouen, had ie er ook niet meer over gemijmerd wàt te zeggen. Nou was ’t er sebiet uitgeschoten, zonder bedenksel.... en heel gewoon klonk t’em alles.... doodgewoon,.. hij was t’r zelf verbaasd van. Vrouw Hassel hoorde ’r man spreken buiten ’t bed. Nou merkte ze eerst, dat ie niet naast ’r lag. Dirk had ’r handen losgelaten, maar bleef toch voor bed staan.

’n Half uur, in nachtstilte, dommelde ’t groepje bijéén, slaperig wakend weer, voor ’t donkere bedje. Ze bescholden ’t wijf, snauwden ’r toe wat ze uitgehaald had, maar ze sufte wezenloos ’n stamel-woord terug, zonder begrijpen. Stil-suf bleef vrouw Hassel rondstaren, niet vragend, in zachten snik soms. Piet bromde, dat ’t nou puur daan was.

—Se moak g’n sloffies meer, gaapte ie in armrengeling.

—Daàs is se nie.... aa’s se.... aa’s se gèk was dàn.... Nou.... ik goan d’r in....

Alleen de Ouë durfde niet goed, bang dat ze’m zou wurgen, als ie eenmaal stil achter d’r lag. Toen Dirk kwaadaardiger bromde dat ie d’r nou moar in zou stappen, deed ie raar, ouë Gerrit, net of ie weer naar achter moest. Maar Dirk vloekte wou niet langer opblijven.

—Is ’t nou daàn.... murrege roep jai dokter.... ’k mo’ vroeg op stap.... ik goan d’r in.... aas sai.... aas sai weer hep.... skreeuw je moar....

Bang-stil was ouë Gerrit achter z’n vrouw gekropen, in angst dat ze zich dadelijk op ’m zou smakken als ze ’m zien zou. Maar heel bedaard bleef ze, ’m loom vragend of ie d’r uit was geweest.

Guurt plette d’r hemdkantjes weer recht, met ’r hand op zware borsten, klaar wakker. Ze begreep niks meer van ’t wijf. Ze had ’r kunnen slaan, uit wrevel, dat moeder nòu klaar wakker keek, en zij-zelf zoo geschrikt was. Maar toch voelde ze meelij ’n beetje met suffe staargezicht uit ’t donker opgrauwend.

—Wa’ he’k daan.... wa’ doe jai, smeek-stemde ze tegen Guurt, die ’t laatst voor ’t bed was gebleven.

—Niks.... niks.... jai was benouwt!.... goan nou moar sloape....

Guurt stapte in bed, lekker onder de dekens kruipend, huiver-ha-tjes van kou uitbevend. De Ouë lag te rillen. Angst had ’m weer beet. Z’n vrouw wist ’t toch, dacht ie.... s’n spulle.. s’n spulle....

En òver angstgevoel, dat ie z’n spullen zou verliezen, groeide wroeging dat ie stal, dat God ’m wou straffen.... Groene figuren en vlammetjes zag ie weer uit den donkeren hoek lekken. F’r wa’ ha’ Guurt de bedstee dicht daan.... Nou was t’r heule goar g’n licht.... En als ie even stil lag, angst zakte, dat z’n oogleden dichtkapten zwaar van uitputting, kwam er droom-benauwing, bleef z’n adem plots weg in z’n long, dacht ie te stikken. Met geweld, wild zat ie overeind, telkens en telkens, met z’n handen grabbelend tegen z’n strot, waar de benauwing rondkroop.

Z’n vrouw naast ’m, hoorde ie zacht weer lippufferen, in doffen slaap, kreunig kermen. Nou kòn hij niet meer snurken,.... de rust in ’t bedhol drukte ’m in elkaar, hing om z’n oogen, z’n handen, z’n keel....

Heel lang bleef nog nachtdonkerte in ’t holletje voor z’n oogen gonzen. En heel langzaam jubelde ’r weer iets in ’m, zoete mijmering, dat geen sterveling ’m toch snapt had.... da d’r nie een, puur nie één wist, dat ie spulle had, en waar ie ze had.. puur nie één....

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Warrelende schemersneeuw, traagvlokkend, wemelde over de breeë Baanwijk. De boomen kromden stamdonker tegen de dampende, gelig-wit stuivende straat. Van boulevardboomrij uit, donkerden heel van ver, hooge karren en paarden omnibus-schimmig ààn, tegen den tragen kringenden vlokwemel in. Even ’n vrouw, met triest-rood omslagdoekje en donkere kleeren, fantoomde òp uit ’n laag huisje, de leege straat òver. Alles witte, ingesneeuwd in stilteval. Bij ’n laag karretje, waarop blauw melkvat, dat met besneeuwde hoepels-omranding stond te eenzamen in ’n nauw wit zijwijkje, drentelde Kees Hassel heen en weer, wachtend op ’n kerel, die misschien iets voor ’m had.

Demping en dampige stilte witte van straatjes en daakjes. Hoog bij den Lemperweg naar ’t stationsplein, lag ’n groot brok weiruimte vol te wemelen met glanzige vlokken. Tusschen de boomen overal, als in traag spel van stoeiende hemellingen, schemerde prachtige stille warreling, over en op elkaar, ingangen bouwend en hooge boogpoorten van schemer-witte hallen. En àlom schuiner geweef van vlokken rond en om roerloos takgedonker, doodstille stammen, pastelgroen in broze kleurteerheid. Daartusschen nu en dan, beweeg van menschen met sneeuw-zware petten en jassen, wit, wit, onkenbaar bevlokt op gezicht, wenkbrauw en haar, doorsjokkend met donkerend lijf tegen den stoeidans van vlokken in. En voort weer wemelden glans-zacht en kleur-schitterig in zachten spat, de groote verstillende vlokken, op de al witter aarde, al dons-zachter, op de roerlooze wachtende takken, op de doodstille stammen.

Aan allen kant lag Wiereland ingesneeuwd. ’t Ouë jaar was als ’n woest stuk leven voorbijgestoven, met nachtlijk rumoer, gebras, en zuiplappen-gekrijsch van kerels en meiden, verdierlijkt in jammer. Kouer bleef ’t in stedeke en Duinkijk, rondom de groote heerlijkheden van Van Ouwenaar en Duindaal, met z’n witte akkers en noordpolige blanke weibrokken, zelfs als de zon plots doorschitteren kwam en blauwe dampen goot over ’t landwit, dat violet-zwaar verschaduwde in ’t bleek-gouïge licht.

De vorst steeg en mopperend vloekten de kweekers, dat hun gewas uit den grond was komen kijken en nou t’met doodvroor. Avond daarop daalde de vorst, modderden de wijkjes weer in drassige brij, grauwden jammerdagen in laag grijze luchten, verdruild door ’t vale stedeke, tot wéér inviel sneeuw, almaar sneeuw, aanwittend en bedonzend de wijkjes en huisjes zonder dat er ijs kwam in de sloten.

Kees stond te trampelen van voetenkou. Nou zou ie met den vent ’n hoekkroeg ingeloopen zijn, als ie even bleef passen op z’n karretje, maar die kwam niet terug. Verrek, dan zou ie ’m smeren.

Op z’n erfhuis bleef ie rommelen, uit ’t pleehok wat gier opscharrelend. ’n Paar dagen had ie helpen opladen en wat kwartjes verdiend, met nieuwe mandbodempjes maken. Nou was ’t weer daàn. Morgen zou ie reis, puur uit verveling z’n rot brok skuur slope en ’r blokken van zagen. Kon ie maar mee met de tuindersboot op Amsterdam, wa’ wild en k’nijne smokkele.... da’ satte nou al die f’rdommelinge bai mekoar.... en nooit kon ie mee. Maar van avond zou ’t er nou erais van komme.... stroope.... Hij had afgesproken met drie lui, beruchtste wildstroopers van Wiereland, omdat ie zelf geen kogel en geen achterlaaier, geen sprenkels, niks, niks meer had. Z’n laatste laaier hadden z’m afgekaapt op bijpad, de koddebeiers. Piet Hassel, z’n broer wou ook mee, voor ’t eerst. Kon hem niks schelen, als ie maar geen grooten bek sloeg.

Tot donker bleef ie nog rommelen op z’n erfje, grom-nijdig en stil-wrokkend, dat er weer niks te vreten was. Donderement, nou wier t’m te guur. Huiver-rillig schokkerde ie de kamer in, smakte zich neer, plat op den grond, voor laag vuurtje, waarin takken vlamknetterden, als in winterpret-verhaal met doorbrande schouw en den donkeren konkelpot. Ouë Rams zat ’r weer met z’n beenen, in ’t verkort, in hoekje opgedrongen, pruimstraaltjes sissend in ’t geknapper. Even verwarmd stond Kees weer op, grommend. ’t Stonk ’r aa’s de pest.... en de zoete valeriaan, kon ie niet luchte, maakte ’m misselijk. Dan nog maar effe noar Grint.... tjonge die maid.... die Geert.... die draait sain puur veur s’n test.... wat ’n lief ding....

—Waif aa’s t’met de kerels komme, lá’ hullie wachte.... aa’s hullie d’r om àcht uur nie benne, goan wai f’nàcht....

Ant bromde iets terug uit ’t achterend, door wat schreeuw-kinderen heen. Tegen half acht dook Ant uit ’t donker, om ’t lampje op te steken in de kamer. Wimpie’s stemmetje zangde neuriënd uit z’n stikduister hoekje en ouë Rams zat even flauw-rossig bewalmd in zachte knettervlammetjes van schouw. Huilerig en drenzend sjokkerden de kinderen, in armoedigen lampschijn groezelig bewegend, zich hun vodjes van ’t lijf. Vier meisjes lagen al, nauw gekrompt bijeen in bedsteedje, elkaars adem opzuigend. Twee, met slaperige morsige kopjes ronkten naast drie woelenden, later ingestapt. Daàr, vlak boven hun hoofdjes, als in ’n doodkistje, plankte eng kribje dwars tegen bedstee-schot, klauterde Neeltje van vier in, met gatduwetjes van onderen opstommelend. De gonjen bevlooide zakken met haverdoppen, waarop ze lagen, stonken en wasemden vocht uit, als adem van ziek beest, door de krottige slaapholletjes. Smal hanglampje, pitjes-droef, groezelde wat vuil-geel lichtschijnsel op de magere slaapsnoetjes. Twee roodharige kooters liepen nog wat rond, met bloote modderige voetjes, drentelend in speelsche vadsigheid op den steenvloer, wachtend op nieuwe schreeuwen en porren van moeder, om in te stappen. Zuigeling lag in ’t bed van vader en moeder, naast Ant, voor ’t gemak ’s nachts, als kindeke de borst moest lebberen. Dientje, ’t moedertje, met ’r zenuwzwak kopje, holle wal-oogen en uitgebleekte wangetjes moest rondgaan.

—Bidde.... helhoake, schreeuwde vrouw Hassel,.... nog twai Akte van Hoop enne.... Akte van Berouw.... kaik rond Dien.... gaif hullie d’r ’n mep.... dá’ kenalje.... la’ hullie nie klesseneere.... aa’s se nie wille.... d’r òp moar!....

Bij knielend zusje Aafje ging ze staan om te hooren, in te vallen, te verbeteren. Toen Aafje klaar was hielp ze’r in de bedstee, voorzichtig tusschen de andere kinderkluit.—Van ’t schoorsteenrandje, uit ’n hoekje, peuterde ze ’n fleschje open, nam ze zelf met rillingen ’n lepel valeriaan. Voor d’r zenuwen, had moeder gezegd, omdat ze ’s nachts zoo schrikkelijk droomde, zoo wild dee.... zeien ze,.... op ging zitte, en bange gekkigheid zei. De kleine naast ’r most ook ’n slok, krijschte Ant weer even uit achterend naar Dien.

—En sai.... sai mo’ nog bidde.... Dien.... kaik.... f’rdomd se lait al.... Stommeling! kwam dreigend aanstuiven Ant.... Sien je nou nie daa’ ’k brood an ’t moake bin?....

—Nou.... en.... ik bin soo moe.... zuchtte bleek-angstig Dien, ’r bruin stinkend rokje van d’r beentjes schuddend.

Met ’n smak had Ant ’n lang-ijzeren brood-vorm en ’n grooten steenen pan op tafeltje neergekwakt, dat de kinders verschrikten in de bedjes. Wimpie, die neuriënd naar ’n Moeder Mariaplaatje te droom-turen lag, schrok òp, hevig. Nooit kon ie slapen of moeder moest ook liggen, al werd ’t elf uur. Plots kwam grootmoeder Rams aansjokken uit achterend, vaagtastend in schuifel-pasjes overal heen, met ’r handen en armen krommig vooruit, alles werend waartegen ze op kon loopen. Haar zwaar korpulent oud-vrouwe-lijf, heupig-uitgezwollen, schommelde als van tiendubbel berokte vischvrouw. Op vetten romp stond ingekwabd nekloos, ’n klein hoofd, vossig-spits, met erin, leelijk-groene schichtige flikker-oogjes, weggediept in slappe, bruin-gele wangen. ’n Versleten paars jak met zwarte streepjes over loggen borstenhang, was kort afgefranjed in smerige rafeling bij tonnigen dijenschommel, en overal kromden ’r groote handen met worsterige week-dikke vingers en stompe vette armpjes,—gespannen in ’t nauw lijfje, als kinderdijen,—vooruit, waar ze liep. Bij ’t bedje van Wimpie stond ze stil. Alleen nog maar schaduwen kon ze zien. Op den dag liep ze wel alléén, omdat ze wòu, maar telkens werd ze door goedhartige lui thuis gebracht, die ’r zagen zwerven en tasten. Als ze met ’r befloerste oogen, waar ’t licht al bijna uitgekringd was, in doffen appelstaar, strak tegen iemand of iets aanliep, stotterde ze van kwaadheid, gaf ze dadelijk de schuld aan ding of mensch, waartegen zij opbonsde. Nooit goed wist vrouw Rams wie wèl, wie niet in de kamer was. Maar sluw vroeg ze ’t ongemerkt den kleintjes, of Wimpie, denkend dat ze dan niet wisten, hòe weinig ze nog maar zien kon.

—Mo’ je, mo’ je nie wa’ drinke.... jonge.... vroeg ze Wimpie al tweemaal, die driftig nee had geschud, zonder dat ze ’t zag.

In ’r stem, schril en scherp lag bijtende klank van nijdigheid.

—Seg jonge.... hoor je nie?....

—Nee.... nee.... neenet!.... ’k mô nie.... driftte Wimpie, met z’n hoofd draaiend, moeilijk in de peluw.

Over ’t bedje heen van Wimpie, boog ze ’r vossenkop, om ’m beter te zien, moar ’t mannetje begon te huilen.

—Wa wi-je tog.... wi je tog, angstigde z’n stemmetje.... ’k mo’ niks.... ’k hê niks vroagt.

Ant, met ’r handen vol meelklonten, staand voor ’t tafeltje, keek naar den hoek, barstte nijdig uit tegen vrouw Rams.

—Wa’ mo’ je tog moeder.... là sain s’n gangetje.... wa seur je.... je moak sain in de loorem....

Stil-nijdig schoffel-paste ze weer weg van Wimpie’s ledekantje, langs bedsteeën van de meisjes, die nu met groezel-gelig schijnsel op stille slaapmaskertjes te snurken lagen, eng d’r lijfjes in elkaar gewurmd. Even keek ze in, vrouw Rams, zag niets dan donker, sjokte verder, met armen krommig-stomp vooruit, tot ze pal den hoek inliep, tegen lichtbak van Kees op.

—Daa’s jouw.... jouw.... skuld.... jouw skuld.... beet ze af, stem-nijdig zacht achteruit schuifelend. Maar niets hoorde vrouw Rams terugzeggen, begreep ze dat ze ergens tegen aangeloopen was. Bij den haard bleef ze weer staan, in lichtelijke uithijging van d’r zwaren borsthang. Daar zag ze, in ’t schuwe licht, den schaduw-romp van ouë Rams, silhouet van z’n bloote morsige voeten in ’t verkort saamgekrompen; haar man, dien ze haatte, met wien ze al dertien jaar niet sprak, die haar ook nooit wat zei. Ze haatte ’m omdat ie Ant met Kees had laten trouwen, omdat ie Kees niet de ribben stuk sloeg en omdat hij nooit op ’m meeschold. En hij, in z’n grimmigen, eenzelvigen leefangst, oud, afgeleefd en verzwakt, wist niets meer van dien trouw-rommel af, wou alleen geen gezeur, haatte heftig z’n vrouw terug, zoo maar, uit afschuw voor ’r glunderige, ’r schimperige valschheid, al bleef z’n haat niet meer zoo fel in z’n kop nagloeien als vroeger. Maar bespuwen kon ie ’r, verafschuwen deed ie ’r, zonder ’t ooit iemand te zeggen. Ingedrukt, in een bedsteetje op duf achtergangetje, sliepen ze al dertien jaar naast elkaar, zonder ’n letter gesprek. En niks geen gezeur, van niemand, wou ouë Rams. Alleen maar stilte, nou ie geen werk meer kon doen, en vreete. Als ’r dat niet was, pruimpies en hitte. Zoo bleef ie zitten op z’n stoel, bij de schouw, zomer en winter, verlangend geen lucht, geen zon, geen straat te zien. Alleen mompelde ie: swaineboel.... swaineboel.... als Ant geen tabak voor ’m gebedeld had, of als ie z’n vrouw zag sluipen, rond ’m heen, zonder woord, al maar sloffend en tastend in grabbel.—

Ant stond nog aan ’t schuddende tafeltje, onder schijnsel van armoe-lampje, te grijpen in den vuilen, geel-glazuren pot, kledderde telkens nat deeg van ’r smoezelige vingers in plaat-ijzeren vorm, met ’r bemeelde handen, grof-bekluit, persend en plettend. In ’t lage kamerdeurke bleekte plots hoofd òp van vrouw Reeker van ’t pad. Guurte bracht ze mee van de straat. Achter ’r lang, rood omdoekt lijf, kwakte ze donkere hokdeur dicht, sjokte in zucht van uitputting op ’n krukje neer, bij de schouw.—

—Main kristus, is dà skrikke....

—Gommenikki.... jai buurvrouw? keek verbaasd om, Ant.

Nooit kreeg ze bezoek van vrouw Reeker, omdat die zich altijd, als vrouw van zuinigen braven kleinpachter, wàt te voornaam voelde om met Hassels-schorem om te gaan. Want Kees, nie waar, wà was Kees nou veur ’n snaiboon.... nog g’neens ’n los werkman.... Maar nou was ze zoo geskrikt op den weg, dat ze buiten ’r fatsoen ging.

—Buurvrouw.... hijgde ze nog met ademlooze stem, je mô.... je mô main effe.... effe an ’t bedoàre late komme.... gaif main.... ’n.. ’n.. bakkie woater.... is da skrikke.... dá’ ’n mins doen ken.... is dá’ skrikke.... liefe-deugd!....

Ant wreef bedaard handen-plat over het deeg, gladduwend en indrukkend buitjes en geultjes. Zacht was ze naar Wimpie geloopen die nog wakker lag, om hem d’r vingers, rauw-bedeegd van witte kluitjes, te laten aflikken. Dat vond ie zoo lekker altijd. Met één hand in Wimpies breeën mond, de andere nattig, ruig afstrijkend aan ’r schort, vroeg ze half naar vrouw Reeker toe, met iets bits in ’r stem:

—Moar main goeie mins.... wa’ hep je.... je laikt puur f’stuur.... hier hai je ’n bàkkie.... doar in d’emmer....

Grootmoeder Rams was om vrouw Reeker heen geschoffel-past, had vlak op ’r donkeren rug geloerd en eindelijk aan de stem gehoord wie ’t was.

—Wa’ hai je?.... vroeg ze schel tusschen Ant en vrouw Reeker inschuifelend.... hai je weer belet in je hoofd.... mi je spooke?....

Ze lachte scherpe schraapgeluidjes uit en in tastrichting nijdigde ze haar woorden naar vrouw Reeker, die vóór ouë Rams zat.—

—Nou.... nou ik swair d’r op daa’k se puur sien hep.... twai.... twai.... eine van langest.... ’t pad....

—Nou mins, de boose gaist sit in je.... scherpte nijdiger vrouw Rams, met sarrende mondtrekjes in ’r spitsig gezicht.... De duufel hep je bait.... dá’s nou main weut.... die hep je puur bait....

Ant moest nog eruit, ’t brooddeeg naar den bakker brengen in Wiereland. Al ’n kwartier wachtte ze op vrouw Zeilmaker en Zeune die altijd meegingen, tegen dien tijd.

—Je ken hier blaive, soo lank je wil buurvrouw, moar ikke mo’ effe main booskap....

—Nainet.... nainet.... dan goàn ik mai.... dan goan ik mit vrouw Zeilmaker t’rug, zei drift-angstig vrouw Reeker, luchtig opstaand. Ik durf.... durf nie moedersiel allainig ’t pad af.... twai.... twai.... hep ’k d’r nou sien.... ik sit d’r puur van te trille....

—Twai.... twai.... bitste vrouw Rams hoonend-streng.. mins ik seg moàr.... paa’s op je sieldrement!.... je ben an de duufel f’rkocht.... paa’s d’r op!....

Plots met deurgebonk en gestoot rumoerden vrouw Zeune en Zeilmaker de lage groezelig duisterende kamer in.

—Kloàr buurtje? schorde met heeschige, mannige ventersstem vrouw Zeune....

—T’met buurvrouw, nou he’k de eer van vrouw Reeker d’r besoek.... s’ is d’r puur tureluurs van, se hep weer spoke sien op ’t pad.

—Spoke, spoke? gier-lachte grof-hevig vrouw Zeune met ’r bassende mannestem.... ’t regent t’met aa’s de see.... stikke donker.... en ’n wind van foàldera!!.. neenet vrouwe! die komme d’r nou nie uit.... die blaive bai hullie perremetoàsie.... die....

Bleek-bevend was vrouw Reeker weer voor ouë Rams op ’t krukje neergezakt. Achter haar schonkig lijf sisten in ’t groen-duister grootvaders pruimstraaltjes, sneller, sisscherp tegen konkelpotbuik aan. Vrouw Rams was weer tusschen de visite ingeschoven, armen krommig vooruit, in radden tast-schuif.—Ze wist precies nou aan den stemmenklank wie er waren; Kees hoorde ze niet. Die was weg, wèg.... want met al haar haat, was ze bang voor dien kerel, voor z’n razende drift.

—Ik seg moar, scherpte ze stil uit, da’ se d’r van bekold is.... behekst.... se mos puur belese worde.... daa’s nou main weut.... ik belees hullie allegoar.... Wimpie hep puur behekst weest.... deur hoar sloerie!.... die suiplap.... die maidejoàger....

—Moeder, là Kees se gangetje kregelde Ant, bang voor Wimpie’s drift, en ook omdat ze ’t niet zetten kon nou, waar die branie van vrouw Reeker bij was, dat ’r man zoo uitgemaakt werd.

—Wá! se gangetje?.... jai weut niks!.... niks, jai onskuld!.... jai weut nie wa se segge.... op de ploats.... enne op de polder!.... Moar nou.... hep ie.... hep ie de burgemeester weer wille dèursteke.... puur woàr.... en nou hep ie weer àlderlei meissies ongelukkig moakt.... puur.... en nou hep ie drie doàge se aige dood-soope in de kroeg.... bai ’t Veertje....

—Daa’s jokkes, hai hep hier weest.... de heule week.... brak Ant nijdig af.

—Da lieg jai!.... hou je bek jai onskuld!.... hai beliegt je.... beliegt je!.... soo’n skaamteloose vuilik!.... hai legt ’t àn mi iedere maid van fleesch en beene!.... en.... enne iedere nacht hep ie stroopt die dief.... die ongeluk in je huis!.. allegoar bloedsinte.... aà’s tie d’rais wà afgaift.... je most sain!.... suilie moste sain fille!.... an rieme snaie.... soo’n gedrocht!.... soo’n ketter!....

Ze stond te gebaren in ’t vrouwekringetje, woest-blij van binnen, dat ze op Kees schelden kon, dat ze d’r hitte-kregel kon luchten, nou bij vreemden, en hij toch weg was. Armen hoog boven ’r vossekop, gebaarde ze met ’r twee handen bij elk scheldwoord, en in vingerkrampige trekkingen, liep ze, in opwinding voortschimpend, tegen ’t lijf van vrouw Zeune, die ’r met ’n stoot, kwaadaardig achteruit bofte. Ant gaf ’r moeder gelijk, altijd als ze alleèn waren. Maar nou, nou vond ze ’t toch te bar.

—Moar moeder, wa’ hai je nou soo ineens op je heupe.... la sain se gangetje seg ik.... là’ sàin.... je kletst puur de honderd uit....

Wimpie was begonnen, te snikken en te schreeuwen.

—Dà’ lieg ie Omoe.... da lieg ie.... Foader hep nies daan.... foader hep nies daan!....

Met rood woedehoofd, doordrift van nijdtrekken, draaide vrouw Rams zich naar Wimpie’s hoek, in schamperende spotlach.

—Hehie.... hehie.... nou.... dá’ manneke sel t’met beterder weute.... Aa’s ’k je moeder waas, had je al ’n veeg beet.... jou snurkert.... jou hufter....

—Kom, kom waa’n geklieter.... bas-lachte vrouw Zeune.. je klets puur de honderd uit vrouw!.... kaik ’rais.... die skoape doar.... droaie d’r aige d’r van om.... je kraist se puur wakker vrouw Rams.... en kaik d’ris mins Reeker beefe.. nog ’n kommetje woater.... hee?....

Ant was naar Wimpie toegeloopen, om ’m te sussen, zoende z’n handjes die krampig de lucht ingrepen boven z’n hoofdje in machtelooze drift-woeste gebaartjes, probeerend z’n grootmoeder wat plaatjes, en blokjes, van z’n plankje, naar ’t lijf te gooien.

—Toe moar.... toe moar, scherpte die valsch, gooi je groomoe moar.... oartje noar s’n voartje.... dat ’n driftbulletje.. je sou sain t’met molle-mi-de klomp.... toe moar....

—Groote gerechte! daa’s sarre an ’t skoap, dà stoan je nie net vrouw Rams, barstte vrouw Zeune uit, met ’r zwaar manne-geluid.... f’r’wâ moak je proatjes, woar de duufel mi se’n moer nie an g’looft.... daa’s puur houe en bouwe....

Rouw snikte Wimpie door, beentjesbevend, dat ’t ledekantje sidderschokte. Z’n stemmetje scheurde driftklankjes uit z’n keel, overstaanbaar verrochelend in z’n huil. Suffer door de herrie zat vrouw Reeker op ’r bankje, met ’r kommetje water in de hand, waaruit telkens beef-plasjes op ’r schoot plonsten.... Vrouw Zeune had walg voor ’t mensch Rams.

—Moar wà’ is d’r.... hebbe ze je dan hailig daàs moakt, baste ’r goeiige mannestem weer.

—Dá’ rooit ná’ niks—teemde vrouw Reeker,.. ik hep ’t self sien! en.... enne vrouw Grint.... van ’t pad, t’met ook.. mit d’r aige ooge.... d’r benne puur gaiste.... nou!.... nou!.... groote genoade! aa’s k’ran denk!.... kraig ’k koors van angst!.... Nou was ’k lest bai m’n zuster op de ploats.... en die.... die.... sien jullie.... die hep d’r puur kenne woarsegge.

—Soo veul aa’s ’n tooferkol, schel-stemde vrouw Rams, sarnijdig weer in....

—Nainet!.... puur nie.... puur woarsegge.... echt werk.... sien jullie.... en d’r man.... d’r man ken van alderlei genaise.... soo sebiet genaise, saa’k moar segge.... nou.. die is d’r ook.... ook.... van et spirre-ïsme.... sien jullie.. en nou he’k self sien.... aas da main aige toàfel danst hep..

—Och buurvrouw, daa’s gekkighait, lachte vrouw Zeune goeiïg-grof, vroolijk-ongeloovig, met meelij in ’r stem voor de strakangstig kijkende stakker, die zoo bijgeloovig was,.... aa’s d’r g’n mins ankomt.. ken de toàfel ommirs nie daa’nse.. àldegoar googelderai.... vast hoor buurvrouw.... vàst....

—Nainet! nainet.... hield zwaar-wichtig vol vrouw Reeker.... ’k hep self sien.... wá’ main ooge tog sien mo’k g’loove.... Groote genoade!!.... ’k ben soo doos-bang in huis, hee?.... aas de dood.... Woa’k sit t’met, denk ’k da’ ’k gaiste sien.... enn.... enne ’s nachts durref ik niet ronden kaike.... Enn.... aa’s.... aa’s ’n mins op de plai mo mi pirmissie.... naim ’k ’t lampie mai.... in donker.... en.. en.... joa.... lache jullie moar.... je weu nie woar ’n mins toe komme ken.... nou.... dan.... ainmoal andermoal.... se’k lampie puur op ’t grondje.... veur main.... pàl veur main.... ikke bin aa’s de dood.... de dood.... en aa’s ’k ies hoor.... ’s oafes.... spring’k op.... gil ’k op.... want.. vroag moar an vrouw Grint.... of’ral sitte hullie.... of’ral.. of’ral....

—Buurvrouw, sullie hebbe je daàs moakt.... en je maa’n?.. je maa’n.... wa sait tie?... hai mos je ’n rammeling gaive! Jai hep sain vroeger t’met ieder dag op s’n siel en soalighait mept.... nou most ie jou veur ’t bekkie sloan.... sain jullie glaik....

—Main man?.... nou, die lacht moar.... net aa’s Kloas Grint.... moar.... moar ’s nachts leg-gie te bibbere van de nood....

—Gommenikkie buurvrouw, niks dan googelderai.... dá’ seg ik.... daa’s rommelpottrai.... Enne Driekoningge is pas daàn! drink moar!.... en stap op.... de wind stoan op ’t pad....

—Jesis.... da nooit.... moedersiel op ’t pad.... doar hoor je nou niks aa’s.... klos-klos.... klos-klos van klompe.... enn.... aa’s je mi’n lichie komp.. is t’r g’n noàkende siel.. sien je niès en puur bai je oor is d’r nies aa’s.. klos-klos.. klos-klos.... komp soo puur op je af.... da’ je stik van angst..

—Nou seg,.... aa’s je main nôu!.... lachte vrouw Zeune.

—Nainet! Nainet! angstigde vrouw Reeker ontzet, met bleeker gezicht en verschrikte staaroogen, ik goan vast nie terug allain.... vast nie.

—Moeder! kermde Wimpie, zenuwachtig-opgewonden door ’t verhaal van vrouw Reeker.... Dientje en Jaa’nsie.... enne.... hebbe sait.... da’.... da’ snags.... ’s nags ’n woagetje mi sonder poardjes.... hier.... hier langest rait.... sóó.... deur.... deur de ploas.... Enne.... enne soo’ langest ’t pad.... soo.... hier vlak-en-langest!.... vlak-en-langest ’t roam.... Enn.... dá’ t’r.... da’ t’r.... ’n dooskop.... op sit.... op de bok.... die kaikt.... kàikt.... almoar kaikt....

Z’n stemmetje had zacht geklonken in gesmoorde ontdaanheid door de plechtige luistering van de vrouwen, die mee-angstigden met ’t kind, in benauwde gezichtsvertrekkingen.

Vuil groezelde lampjesschijn over schemerhoekje op Wimpies bedje, en bleek z’n doodshoofdje grauwde in ’t vale schuwe licht, met angstoogen groot en wildsmeekend, naar z’n moeder.

Stil stonden de bemutste vrouwenhoofden, donkerend naar Wimpie toe, in angst-luister en even in plotse stilte loeide windvlaag ààn in klaagsidder van buiten om raamduisternis, naar ’t nachtpad.

—’t Is sonde jonge, je moak main puur oàkelig.. zei rillend vrouw Zeilmaker.

—Niks main jonge.... niks hoor, suste Ant, eigen bijgeloof-angst in ’r hart smorend,—aa’s ’k weerkeer....

—Neenet moeder!.... neenet! moeder mag nie weg!.... nie weg!.... gilde in dollen angst Wimpie, opsjokkerend z’n lijfje in kracht, met elleboogstut achteruit in de peluw, dat z’n zandzakken aan ’t voeteneind rumoerig bonkten, zadderend tegen ’t bed op.

—Moeder mo’ hier blaive.... ’k bin soo bang, ’k hep dooskop sellefers.... sien.... sellefers sien.... en kaike.... al moar kaike.... da’ sullie doen.... enne.... enne.. mi s’n neus op ’t roampie.... soo.... soo.... en kàike!....

Lichter raakte geel schijnsel z’n doods-hoofdje, nu in angstgebaar vrouw Zeilmaker van z’n bedje wegdonkerde, ’t licht uit.—In groezel lampschemer van de kamer staarde ’t, in stillen schrik. Zweet angst-glom om z’n breeën mond en neus en spakig uitgekniesd, vleesch-vervreten, gebaarden z’n armpjes zenuwbenauwd boven z’n hoofdje.

Vrouw Reeker rilde, bezoog ’r kommetje water met kakementbeving tegen ’t steen en vrouw Zeilmaker sloeg bang, in oogenangst, ’n kruis.

—He je main ooit?! stem-drift e ze zacht uit.

—Daa’s droome main jonge.... droome, suste Ant weer.. aaiig koesterend z’n magere wangetjes en zweethoofdje.... daa’s nàgtmerrie. Murrige komp koàpeloàn.... kê je biechte main jonge.... enn.... aa’s je kommuneseerd heb is ’t daàn.. tog ieder moand sóó.... nie?.... Enne.... hep Omoe dan nie je kouse kruist veur ’t bed leit, ieder nacht?

—’t Is sonde, lachte nu plots weer mannerig-zwaar vrouw Zeune, je mot t’met op alderlei figgeleere.... kouse in ’n kruissie veur ’t bed.... jullie laikt hier t’met allegoar daas....

Vrouw Hassel bleef sussend en streelend Wimpie’s angstgrauw gezichtje aaien. Naar buurvrouw Zeilmaker had ze stiekem gefluisterd nog even te wachten.

—Aa’s tie wat bedoard is, goan ’k mee....

Vrouw Zeune was op ’t verbeukte waschstel over vrouw Reeker gaan zitten, kijkend dàn op neergeblokte stomme ouë Rams, die pruim-siste sneller, dàn op ’t beteuterde gezicht van vrouw Reeker, die kleine slokjes klappertandend, uit ’r kommetje opzoog.

—Seg buurvrouw, barstte vrouw Zeune ineen weer uit, tot Ant, waar is tog jullie gait bleefe.... is ’t beesie dood?....

’n Ontstelde wenk gebaarde Ant uit ’t halfduister hoekje, naar vrouw Zeune toe.

’t Beesje hadden ze moeten verkoopen, voor de huur.—Kees had geraasd. Wimpie was dol op ’t diertje geweest. Ruim ’n week had ie ’r om gegriend. Maar nou net docht ie ’r ’n dag niet an, nou gong dat waif ’t weer ophale.... Vrouw Zeune begreep half, maar zwijgend zitten kon ze toch niet. Ze was gewend an venten, schreeuwen, drukte en wat ’r man, klein tuindersbaasje, niet kon, lapte zij met ’r lolligen mond op de markt en in Amsterdam.

—Seg buurvrouw.... is da’ snuit van ouë lappe al hier weest?.... de huur ophoale saa’k moar segge?.... Is ’t ie al hier weest?.... wá’ ’n dwarrel hee?.... Waa’n geep....

—Swaig buurvrouw... bin aa’s de dood... aas’k sain sien buurvrouw, jammerde vrouw Zeilmaker... Nou kraigt ie van main puur ellef weeke.. nou sien ie, dá’ Joap nies omhande hep.... main Kees nies.... main Willem nies.. Nou sien ie dâ wai droog brood vrete.. nou draigt ie rond.. dà je de skrik om ’t hart sloat.... Main Kristus.. hai trapt ons op stroat..

In woede trok vrouw Zeilmaker ’r kort rood sjaaltje dichter om ’r schouers, prik-puntend onzeker, ’n speld in de wolstof.

—Hoe’s gosminsemogelik, jammer-schudde vrouw Zeune, met ’r hoofd dat de zwarte balletjes van ’r wollen kaper juichten.... Dá’ kreng.... in de ploas bai main suster.... beefe se t’met aa’s se sàin sien. Enne hai sait moar.... hai sait.... de groote heere motte van main geld hebbe.... ik stoan d’r veur.... aa’s hai nie betoalt.... is ie s’n boantje puur kwait.. nou betoale se van somer dubbel huur sien jullie.... dubbel saa’k moar segge.... om aa’s dan in winter is.... nie d’ruit set worre.... Moar hai mot self betoale sait ie.

—Da’ liegt ie.... hai sait sellefers teuge màin swoàger... die bouwboer uit de polder.... hep ie sellefers sait.... hep ie sait da’ tie ons dondere sel tò wai nie meer kenne.... da’ tie ons achter ons duufelemint sel sitte....

—Hier-òp-an! Gommenikkie, aa’s tie morge komp.... baste woedend vrouw Zeune, ken ie ’n lik onder se’n kakebaine kraige.... waa’n skar.... waa’n kwinkwank.... Wai hebbe nie genogt in ons kop.... ’n mins valt t’r bai dood.... aa’s je nie je lol d’rin houwt.... sou je t’met j’ aige f’rsuipe....

—Dá’ rooit na’ niks vrouw Zeune, schelnijdigde vrouw Rams ertusschen, hai ’s ’n fesoenlijk mins.... hai suip nie.... hai loop nie nòa de maide.... enn.... en ikke seg moar.... ’n mins sonder gòsdiens.... is.... is minder aa’s ’n beest.... daa’s main weut.... Hai.... hai is suinig, hai is fesoenlik en.. en ’n mins sonder gòsdiens is.. is minder.. aa’s ’n beest..

Stem van vrouw Rams beefde van nijdigheid. Haar lippen trokken hatelijk op, één mondhoek bleef natrillen, ’r oogappels stáárden, stáárden....

—Nou, vrouw Rams, daa’s jou weut.... maar ikk.... ikke sien je?.... ikke f’rtrouw de vint nog nie mi ’n leeg flenelletje.... saa’k stikke.... Jai.... jai kèn nie sien.... moar ikke wel.... Enne.... enne.... vroag nou alle vrouwe van de ploas.... wat-tie sloerie, die vuilpoes van hòarlui hebbe wil.. aasse.... aasse nie betoale kenne.... Enn.... enne.... mí’ de jonge waife gooit ie ’t dubbel groag op ’n ékoortje.... En hai.... hài nie suipe?.... hài nie suipe? Nou ikke wou.... da’ ’k sain loodpot op da’ teràin hier had.... enne fesoenlik?.. Hep ie nie mi main Trien gain hoarlemmerdaikies wille moake? enn heb ie nie.... Geert.... van.... vrouw Grint ongelukkig wille moake?....

—Daa’s puur f’nain.... fenain, schold met schelle stem grootmoeder Rams,.... hai is altait in de kerrek.... enne niemoant is t’r soo bestig in sain gloof aa’s hai... want sonder gòsdiens.... is ’n mins.... minder aa’s ’n beest.... snappie.. vrouw Zeune.... snappie?!....

—Daa’s net, kalmde vrouw Zeilmaker.... gedrukt woar,.. aa’s ’n boek....

—Nou dattie katteliek is.... nou is tie broaf veur vrouw Rams, baste gromzwaar vrouw Zeune, moar ik seg moar.... die faine.... die faine!.... daa’s houe en bouwe.... kletse de honderd uit!.... moar die hebbe se hier!.... achter hoarlie elleboog!.... enne.... ikk.... ikke seg de gek.... veur main persoon.... ikke leen hoarlie lieverst main kerkboekie.. aa’s main skoatse.... saa’k moar segge.

Ant stond nog in schemer-vaal hoekje, aan bedje van Wimpie, die half onder stemgeraas insluimerde. Met ’r paarsig-magere, doorpeeste hand streek ze zacht-koesterend over z’n bleek-beenig kopje, dat alleen even opschokte, als stemme-gekijf oprauwde en vrouw Rams geluid, nijdig-schel boven de anderen uitdrong.

—Vrouw Zeune.... ’t is sonde.... schamperde zachter ineens vrouw Rams.... jai bin gevoarlik.... daa’s nou main weut.... jai goan.... vast.... in de f’rdoemenis.... jai kraigt nooit de genoade.... jai belait je skult nie.... jai hep gain ootmoed....

—Bi-jai-’t-Hain! poe!.... poe! blies minachtend vrouw Zeune terug.... aa’s je nie puur veul ouer was aa’s ikke.... sou ’k je roake.... je mos je skame.... minss.... jài mot noodig klesseneere van ootmoet.... die flapt d’r me’r alles uit wá’ se leest hep in d’r kàtegismis.... da’ ke’k ook.... van elk skoap op de werelt spreekt se kwoad.... jai bin main ’n dàs.... hieròp-pan!....

—Jai bin f’roordeeld, plechtigde klemmender vrouw Rams door, ’r starre oogappels in stemme-richting van vrouw Zeune, beangstigend in geloofsextaze, stijgend in stemmeplechtigheid.... jai goan de doossonde in!.... jai blaif.... brande.... in ’t onuitbluschboar voaagevuuur.... jai kraigt gewaitens-knoaging!—

Zelotische waanzin galmde door haar stem en ’r handgebaren, vaag de richting in van vrouw Zeune, strekten en krompen terug, in en uit ’t groezele kamerduister. Een starre grijns van dwepen stramde in ’r spichtig bruin-geel gezicht en rillend onder angstigen invloed, stond vrouw Zeilmaker ’r te bestaren.

Ook vrouw Zeune, in ander geloof, wist in ’t eerst niet wat ze zeggen zou, overbluft door de plechtige dreig-strakheid van vrouw Rams woorden in ’t stille krot, omloeid van windgeklaag.

—Bi-jai-’t-Hain! lolde ze plots ruwig terug, na even stemmestilte tusschen allen.... daa’s fàine kemedie, mi-sonder betoale.... mooie f’rtooning.... allemàchtig.... waa’n waif.... komp Ant is ’t daan?.... ’k mot soo fort....

Uit ’t donker bedsteedje waar Dien met d’r drie zusjes lag, rommelde plots rumoer òp en angstig gehuil. Dientje was recht overeind gesprongen.—’n Paar vuile lappen als dekking over de kinderlijfjes heengepuild, had ze van ’r afgetrapt, dat de karkasjes ingekronkeld, slaap-asemend, in doffe suffige stilte, naakt wurmden en guurden in ’t armelijke groezellicht. Te gillen zat ze overeind, met ’r mager verzenuwd borstje bloot, ’r groenige, mager-beenige knietjes onder de kin, staar-oogend tegen ’t donkere bedmuurtje, met ’r handjes krampig in ’r kort afgesneeën blonde haren woelend.

Ant joeg naar ’t bed, woedend. Van niemand anders kon ze wat velen dan van Wimpie.

—Hou je bek maid.... hou je.... hep je weer je malle kuure?....

Maar Dientje zag ’r niet, bleef staren, krabde één handje op ’r naakte dij onder ’r smoezelig-goor vod-hemdje en met bangen angstsidder in ’r stem, toonloos heeschte ze zacht-gerekt uit, als in ijlkoorts:

—Hier.... hier.... hier hep.... pie main beet!.... Help help.... nou wil ie main steke.... Stil!.... stil!.... kaik hier.... stil!....

„Help” had ze zacht uitgeheescht, en „stil” toonloozer nog doordringend, angstig-broos.

—Hou je bek mormel, d’r is niks, goan legge!.... d’r is niks!....

Buurvrouwen waren in kliek naar ’t bedje gedrongen, met de koppen bijeen, het duister holletje ingebogen. Maar Ant drong ze terug en fluisterend vroeg ze aan vrouw Zeune of ze d’r effe, ’t flesschie uit den hoek van ’t schoorsteentje wou geven. Dientje, in bed, met ’r voetjes opgetrokken, op de gonjen zak, kromp in, stamelde zacht klankjes, lief-schreiend, die volgden r’ vingertje, dat strak-zeker iets aanwees op ’t donker muurtje van bedstee. En zacht afgebroken, toonloos, heeschte ze weer.... plots met ’n gil ertusschen.

—Dà komp ie.... moe.... oè.... moe.... oe.... der!! Nou hep ie ’n mes.... enn.... enne ’k wor soo dik.... soo dik!!.. Main hoofd wor soo.... dik.... kaaik.... kaaik.... nou graipt ie.... enn.... o.... moe.... moe.... oe.... der!! nou steekt ie.... aijj.... aijj!.... ajj!!.... moederrr.... hai steekt.... moederrr!.... moederrr!....

Twee kleintjes naast ’r werden wakker, wreven hun nachtlijfjes in kouguurte, huilden zacht in stillen schrik. In ’t ander bedje bleef nog stil alles. De half-open slaapmondjes zuurden adem uit in eng ruimtetje. Opgedrongen bijéen, in nauwe holletjes met armpjes op elkaars borst en gezichtjes gedrukt, grauwden de kopjes onder ’t groezel-zwakke licht, stil en wezenloos; verstonk er scherpe urine-lucht.—Vrouw Rams was van den haard, in tastvagen schuif, arm gekromd vooruit, door ’t vertrek naar ’t bedsteetje geschoffeld, scherpte weer nijdig.

—Daa’s de sonde van je sloerie!.... die suiplap!.... die maidef’rkrachter.... daa’s de vloek van onse Heere....

—Hou je bek moeder.... seg da nie.... je moakt main roàsend!.... roàsend!!.... ’k sou sain f’rmoorde kenne aa’s tie thuis komp.... stootte Ant uit, in huilwoeste vervoering en snikdrift van uitputting.

—Da’ lieg ie.... da’ lieg ie Omoe.... kermde Wimpie er doorheen, die al lang wakker was, en stil-ontdaan te luisteren lag naar ’t zacht-ontroerde ijl-stemmetje van Dien.

—Moar buurvrouw.... wa’ skeelt da’ kind? baste driftig vrouw Zeune.

—Aldegoar senuwe.... senuwe sait dokter....

—Nouw daa’s net, stemde verbouwereerd vrouw Zeune in, angstig kijkend naar Dientje.... daa’s eenderlai maine....! moar sóó erg toch nie buurvrouw....

Ant was weer naar Wimpie toegehold, had ’m geaaid, en gesust, dat ie weer rustig werd.

—Nouw buurvrouw, ik seg fierkant.... da kind doene te veul.... dâ is’t!.... Se hep main d’r nood al kloagt. Soo’n hufter.... soo’n neutedop!.... Nou kaik.... ’s morges de polder in!.... enne.... kaik! om naige uur weer ’t gangetje skrobbe bai vrouw Leming.... soo’n skoap.. tut hallef ellef.. nie?.... nie?.... enne.... dan.... dan mos-se doalik na de ploas kèrante ombrenge.... veur Teunisse.... tut.... tut.... drie? da’ skoap!.... enn da’ hepse nog niks in ’r laifie.... en ’s middags jou hellepe.... en s’oafes mo se finte aa’s t’r is, mi poone.... da skoap!.... se loop d’r aige dood.. enne op de kooters passe!....

—Wa’ gesanik, buurvrouw, nijdigde Ant.... is ’t main skuld?.... se hep niks meer om hande.... van skool kenne wai nie frete!

Nijdig slofte ze weer naar ’t bedsteedje toe, naar Dien die zacht-toonloos door-ijlde, met dwalend stemmetje; greep ’t kind met éen hand bij de polsen, brak ’r tanden, met scherp afgekartelde tinnen lepel van elkaar, ’n sloot valeriaan ijlend kindermondje ingietend.

—Niks aa’s senuwe.... dokter sait ’t ook.... se hep ’t nie veul.... soo eens in ’t weekie.... ja buurvrouw.... daa’s nou màin lééfe.... Soo mo je nou in d’r eeuwighait an ’t hannekemaie!.. naige kooters.... één an de borst.... sonder vreete!.... die màin ’s nachts nog leegsuigt.... drie moal.... daa’k gain oog toe doen!.... Bestig leefetje soo heè? gain wonder daa’k kaik aa’s ’n geroamte hee....?

Ant snikte. Met ’t fleschje in d’r hand was ze neergestrompeld bij ’t tafeltje, gingen er schrei-schokken door ’r schouders.. De buurvrouwen, om ’r, stonden stil, met verdroefde gezichten.. Vrouw Reeker was heelemaal ’r eigen angst vergeten en stilletjes aangedaan van de narigheid bij Ant. Nooit zou ze zoo trotsch meer wezen, nam ze zich stilletjes voor en ereis wat sturen, als ze wat over had. Beschaamd om ’r grienen was Ant weer opgestaan, droogde met forsch schortgewrijf ’r oogen uit; keek ze neer, strak op Dientje, die zacht nog steunde en wartaal uit-angstigde, maar toch weer toegedekt lag, onder ’r stank-verwasemende half-rottende boekweitzakken, met ’r bleek, zenuw-doorschokt, starend hoofdje onder de luizende lappen uit.

—’t Skoap is afgevrete aa’s ’n talhout, zei vrouw Zeune, meewarig,.... sullie doen te veul? te veul.... da’ goan hoarlie na’ d’r lui senuwe.... Buurvrouw wà.... wà vodde die kooters tug an d’r laifie hebbe, hullie rille kompleet van kou.... da gaift gain sloap soo!

—Daa’s main skuld nie.... Kees hep vast niks.... Nou droagt sai.... onderbroekies van Kees s’n broek.... en.... da mo’k bewoare.... en sai.... van hem’s rokkie.... en de klaine.... voering van ’n lellig broekie.... ikke lap en stop main aige ’n beroerte!....

Plots schoot Dientje weer overeind met woeste schrikoogen en angstgebaar, in wijzende, kromme vingertjes.

—Moe-oe.... de veldwòachter moe.... dà is tie!.... hier!.... hie.... er!

’r Hoofd wrong ze wild weg tegen den buik van Ant, die zelf geen raad meer wist, en dood op was.

—Buurvrouw, toe, gaif t’r nog es effe ’t flessie.... wá’ mo’k beginne.... daa’s puur iedre week soo!....

Door vrouw Zeune geholpen, drukte ze ’t kronkelend angstlijfje neer en sieperde tusschen de dichtgezenuwde tandjes ’t kind weer ’n slok valeriaan in.

Ouë Rams, bij de schouw, in ’t groezel-trieste vertrek, droefvaal en leeg-grauwend in ’t zwakke licht, siste achtereen z’n straaltjes tegen ketelbuik, verschoof z’n stoel dan rechts, dan links. Wimpie staroogde luisterend, uit z’n donkerend bedje, naar z’n zusje. Twee kleintjes, in ’t hokje naast Dientje, lagen nog zacht te snikken, wetend dat ze afgerost werden in vermoeienis-drift, als ze meeschreeuwden.

Kwijnend lampje groezelde nog even vuil licht over ’t vrouwengroepje vóór bedsteedje, waar sterker nu, tusschen walg-lucht van zoet-zurige valeriaan, vochtige vodden-stank uitrotte van zakken en smoezele onderkleertjes, in stank-hoopjes bij de bedsteeën opgestapeld.—Langzaam bedaarde Dientje, plooide haar gezichtje weer rustiger, dommelde ze in, naast de anderen. De kopjes van voorste kinderen, even, grauwig zwak-geel beschenen, in slaapmom, verduisterden vaal, in schrei-armelijke kamerdiepte. De lijfjes ingepast, en vlak op elkaar gedrongen, lagen nog verwoeld en naakt. Zacht adem-stil slaap-gehijg zuchtte door de bedsteetjes, droever vergroezelend in ’t weenende geelgrauw. Doodmoe was Ant op ’n kruk naast Wimpie neergesmakt.

—Nou buurvrouw, nou goan ’k nie meer! ik bin d’r kepot van!

—Dan naime wai je brood mee.... goeiigde vrouw Zeilmaker.... ’t is ons f’rtrouwd héé? tjonge.... tjonge!!.... hoor rais de wind opsteke!.... ’t raigent t’met aas de see.... hoe komp je d’r deur!.... mi sukke goate in de skoene!....

—Asseblief buurvrouw.... hier is drie sint.... dankie wel!.... hai kraigt nog acht en twintig sint.... en aas tie.... aas tie.... nie wil.... seg da’ Kees wa’ om hande kraig, miskien al....

—Wa? hai je bai sain nog skult van brood?.... nee buurvrouw.... dan naim ik niks mee, angstigde vrouw Zeilmaker.. dan bakt ie vast nie.... vast nie!.... lest f’r main ook....

—Groote genoade wa’ nou.... jammerde Ant met diepen snik-hik, handen, uitgepeesd-mager, op d’r gezicht drukkend, krampig.

Wimpie, woest, probeerde zich op te sjokkeren uit z’n bedje en ontroerd beefde z’n stemmetje zwak:

—Aa’s moeder huilt, goan Wimpie doalik dood.... doàlik..

Strak en besloten klonk z’n stemmetje plots, en scherp gloeiden z’n oogen in z’n vervreten-bleek hoofdje.

Ant, uit hoofdbuk, keek ’m aan, veegde ’r tranen met schort weg....

—Meroàkelsche jonge.... hou je bek! nijdigde ze, kwaad van vermoeienis,.... d’r mot toch vrete weuse!....

—Nou buurvrouw, aa’s vrouw Zeilmaker je brood nie pakt, naim ikke ’t.... Sien je.... de broafe vrouw Reeker, die ons alle drie wel koste ken.... die hout t’r mond.... die hep se hier.... enn vrouw Seilmoàker is d’r nou d’rais.... ’n faine.... van jullie gloof!.... Enn ikke.. ikke bin protestant.. moar ’t sit d’r dunnetjes op.... moar ikke seg moar.... van de faine mo’ je ’t hebbe.... die hebbe ze doàr, achter hoarlie elleboog.. achter hoarlie mouw.... En bakke sèl ie!.... ikke hep de heule winter op de reutel.... en somers betoale.... altait ’n joar achter.... enn soo frete wai allegoar.... ikke.... sai.... hai.... Piet de heule dot tuinders.

—Joa,.... onthutst ’n beetje, verantwoordde zich vrouw Zeilmaker, moar jai hep omhande somers.... main Kees nie somers.... nie?....

—Netuurlik, spotte vrouw Zeune, wai hebbe kerels, die d’r nog werreke.... wai kraige de heule winter op reutel.... hai hep nooit niks.... Och waif.... dá’ wee je nou ommirs nie?.... je mo wa òf’r hebbe veur je mèdeminse.... enne.. nou kaik da skoap reis an!.... hei je ’t nie durrefe woage?.. die poar sinte?.... nou is main man ’n prêchtig mèrk van s’n aige.... en nou vent ikke d’r self bai.... op Amsterdam.... en nou fedien hoarlie fent d’r t’met drie keere soo veul aa’s hullie.... ’t is skande!.... da gong noàr kerrik!.... nou.... je sou se molle-mi-de-klomp!.... nou.... dàg hoor! dag.... Wimpie!.... skoap!....

Zwaar gromde ’r mannestem. Ze was de deur uitgehold en schoorvoetend, bedremmeld, drentelden vrouw Reeker en Zeilmaker na.

Grootmoe Rams schuifelde weer door de kamer, ’r zware heuplijf zacht in schomm’ling, spichtig d’r vossekop, loerend uit de staar-appels, armen krommig vooruit, in tast van dikke vingers, mummelend wat heilige katechismus-zinnetjes. En ouë Rams als ’n romp-blok in ’t verkort neergekwakt, siste langzaam, door kamerstil geel-grauw, z’n pruimstraaltjes tegen buik van konkelpot, met zachte onderdrukking van hoest die ’s avonds èrger oprochelen kwam.—

II.

Om tien uur klos-klompte Kees thuis. Wimpie lag nog wakker. De ouë Rams stommelde in gangetjesbedstee, naast achterend. Ant frommelde ’r plunje los, zwaar gapend met zenuwgeluid. Windraas en regenstrieming loei-kletterden tegen ’t hoog-cellige raam van stil duinkrot. Met groote verdonkerde oogen lag Wimpie te luisteren, bang-roerloos in de stilte, naar het weer dat dol-gierde ’t pad rond.

—Goan je nie sloape, foàder?.... klonk vraag-aarzelend-zacht z’n stemmetje.

—Neenet jonge.... foader mot ’r op uit f’nacht.... doe jai je ooge nou toe, heè?

—Blaif je.... je.... dan de heule nacht wegg! gaapte in zwaren zenuwkreet Ant weer uit!

—Wee ’k niks van.... aa’s vangst goed is nie! hebbe sullie m’n spuit brocht?

—Joa.... he’k an d’muur hange....

—Nou gaon jai d’r moar in.... breek je kop nie van main.. we hebbe ’t weertje da’ we hebbe mòtte....

Kees had den achterlader, die dwars tegen den muur hing uit den hoek gehaald. Den lichtbak veegde ie van binnen, met z’n mouw, in ruwe smeren schoon; ’t glas langs z’n vuile zwaar belapte broek, waarover ie met moeite z’n hooge afgeloopen strooplaarzen had getrokken.—

Zacht rammelde ie de lamp van lichtbak aan z’n oor.... of d’r genoeg brandsel in was. Nog even moest ie den boel op monteren en spiegel-reflektor uitpoetsen. Zenuwachtig gejaagd kromden z’n groote handen door de àl donkerder kamer. In snellig beweeg trok ie z’n achterlader uit elkaar en rommelde de spullen met lichtbak in grauwen zak.

—Nou sloape, jonge, zei ie goeiig met vol-zware stem, rommelzak over z’n schouer slingerend, de punt-enden als knoop, stevig in z’n hand geknoest.

—Is nie errig swoar weer foader?.... zwak-angstig vroeg Wimpie weer.

—Daa’s net jonge.... dà hep foader juustement noodig.. aers vangt ie niks.... hoe meer wind.... en rege.... hoe meer schooje jonge.... daa’s ’t echte Janeòarie-weertje! Maar nou mo’ je sain pakke hoor!.. nou van niks meer prakkeseere hoor!..

Zwaar donkerde z’n reuzig lijf in z’n beschimmelden jekker, in de lage duisterende kamer òp in àl zuiniger lampschijn.... Uitgemergeld doodskopje van Wimpie lag nu vaal bleek-groen groezelig beschenen, te staren naar de stille bewegingen van Kees.... Ant draaide lampje laag, dat ’t bliksem-blauwig uitspetterde, knielde in huiverende devotie voor krucifix en bad stil-snikkende woorden.—

Zonder z’n vrouw te groeten, even in ’t donker op Wimpie aanstappend, ’n zoen op z’n kopje drukkend, stapte Kees de kamer uit, zacht, op z’n teenen.—

Zware windbuldering van zee aandonderend, stormde ’t nachtpad rond en in kolkend gesplinter kogelde hagelslag tegen ’t raam van z’n krot, dat als donker dreigoog onder vuilen lap, den nacht in keek. In stikdonkere dreiging lag ’t pad voor Kees, dichtgestormd met helzwart, naar den zeeweg. Windgebulder rumoerde boven z’n hoofd, in duister geweld, dolwoest en orkaan-kermend in boomgedruisch. Kees rilde. ’t Wrokte hevig, gloei-hevig in ’m dat ie ’r uit most. Wel echt weertje voor de jacht, maar toch gromde er stikwoede en drift in ’m dat ie duinnacht in moèst, omdat ie ’r ’t land aan had. Dan nog liever met sprenkels, maar da gong nie meer, nou ie niks bezat. Nog tien had ie ’r toegedekt verleje week, en nou.... alles was ’m afgeganneft.... alles.... door de speurders.

Geen duimbreed voor oogen kon ie zien. ’t Pad weggezwachteld in diep-duisteren nacht, de lucht nog zwarter.—Hevig teisterende windhuil uit alle duinhoeken, raasde op ’m áán. ’n Endje zou ie den weg op gaan. Om half elf mosten de makkers er zijn. Bij elken stap rammelde de lichtbak en achterlaad-stukken in den zak op z’n rug, mee. Regen splinterde woest windkolkerig z’n naakt gezicht in, met vlagen scherp prikkelend en guur door z’n dunne kleeren heen-huiverend. Even bij windligging, floot ie rap, dubbeltonig licht signaal, ijl door den week-huilerigen nawind, verslingerd in de duisternis. Niets hoorde ie terugsignalen. Donderend takkengeraas rondom, in fellen rhytmischen zwiep en sneeuwigen regen, plots z’n mond en oogen inwaaiend, als vlokjes smeltend nat. Wrevelig, met stikwoede in ’t lijf, bleef ie marcheeren langs ’t pad, poogde ie in te duwen tègen de windhoozen op duisteren zeeweg, die ver, ver voor ’m lag, toch vlak op ’m dreigde aan alle kanten, zwart dichtgegooid met donker orkaangeweld en wilgengezwiep. En van overal uit duin en akkers, stroomde aandonkering van zwarte windgolven, donderbruisend en kolkend, omsmorend, achter floersen van nacht, hallucineerende angststem van wind, die schreide, schreide uit alle hoeken; soms ijl in zijlanen schoot, wild en huiver-gillend, dàn plots klaagde, midden op den weg, waar lage wilgen, naakte stammen, nu zwart-gedromd stonden, in duister huivergebaar. Windeloei, zacht klaagde uit, in hallucinante klanken, als hooge mandolines, veelstemmige snarenween, samenschreiend met duisteren zang van de zee, die aanzong van ver, heel ver, over de duinen, en opschuimde z’n golven-bassen, oneindig wijd, in sidderend tempo door den nacht, klagelijk en wild, plots soms verspringend in schrillen variant met wind-mandolines.—En sterker soms, als orkaan even rustte en zachter gerucht uit wilgenduistre zijlaan deinde, klonk huiverende zange-klacht op, veelstemmige mandoline, zwevend boven breeë bassenrij van duisteren zeezang, die geweldig over het smoor-donkere duinland aanzwol.

Plots hoorde Kees, kort van den wegkant naar Wiereland, zwak doorwaaid fluitsignaal. Doar hà je de kerels.... Ril-ellendig, doorkild van kou, slobberde ie door modderbrei van pad af, den weg op naar de stroopers. Met hun vijven waren ze òpgegroept. Jan Breugel, Klaas Koome, Delker, Piet Hassel en ’n nieuweling Plomp. Piet had nooit nog gestroopt. Nou f’enoàved sou ie ’t ereis sien, wa se al deeën de kerels.—

—Ikke sien gain pitje.... snof’rjenne.... wà sitte se hier in donker.... wà sitte jullie, vloekte met driftstem de nieuweling Plomp, die zich onzeker voelde in den nacht, en telkens dacht ergens tegen op te loopen. Piet slifferde achter ’m áán, ook onrustig voor zich uit-tastend en morrend in stilte, dat ie geen hand voor oogen door de rumoerende duisternis kon zien.

Kees sprak geen woord, in de donkere been-schuifelende ontmoeting. Stil liep ie naast Jan Breugel, die den lichtbak dragen zou.—Klaas Koome de „hazewind” en Delker de uitkijker, sjokten achter Piet aan, spottend met den nieuweling, berooiden bloemkweekers-knecht, die zich erg benauwd en zenuwachtig voelde, en barren spijt had dat ie meegegaan was.—Met Kees, dien Plomp donker-reuzig vlak voor ’m zag schaduwen, al kon ie geen stip van z’n kop zien, durfde ie geen woord spreken. Dat was duivelsmaat, leek ’m de gevaarlijkste van allen.

In den heuveligsten hoek van Duinkijk, achter woest-lage glooiingen, tusschen weibrokken ging de tocht en overal joeg ’t windtumult van zwarten nacht vol bang gekerm en zong nà, zwaar, uit ’t duin-duister, den droeven zeezang van vèr.

Piet voelde zich niks op z’n gemak, en bang starde angst in ’m, als plots windrumoer was uitgeraasd voor ’n oogenblik en de stikduistering om ’m nòg stiller staarde in den nacht. Dan nog had ie liever windgeloei.—Maar niks wou ie laten merken voor den blufferigen Klaas Koome.

—Hei Piet.... lolde die, niks voelend voor den angst-zang van nacht-orkaan.... op da’ teràin kenne me soame hée.... jai piept se in je stroatje.... nou.... en ikke.... ikke konsteteer.... van da’ Kees nooit mis skiet.... want hai.... mi s’n skooj-beweging!....

—Hou je bek, dreigde Kees uit ’t duister, achter zich om-sprekend,—is ’t nou weer om de honderd uit te klesse!....

Uit padhoek, bij dichten boomengroep, waar éven luchtbrok wild-droef grijs boven joeg in zwammigen veeg, kwam langzaam, loeiing aanzwellen. En dampig stond, diep achter woeste haag, ’n raam-hutje aan padkant, in gouïg kozijnlicht gelijst, als rossig nisje, zacht-heilig uit nachtkrocht opdiepend, in warrigen brandschijn.

—Nou stil Kloas, fluisterde Breugel, da’ hei je Piet Smeuling.... de koddebaier. Breugel’s stem was gaan fluisteren. Op de teenen knarsloos, in zachten stap, sloop ’t stoetje lichthuisje langs, dat éven fijnen goudschijn uit raam misten liet, zacht en warm de duisternis in, ’t pad zwak beschemerend.

—Binne wai d’r nog nie?.... goan da’ wel goed?.... angstigde Plomp.

—Debies.... die sit nou al in de knaip.... op da’ teràin mò je Kees hebbe,.... blufte Koome,.... se selle je nie gannefe moat.... ikke konsteteer van da’ se je aa’s de drommel noar huis sture.... noa ’n uur.... op da’ teràin is ’t ’n jachtbeweging.... die je nie snapt....

—Hou toch je bekke,—snauwde Breugel, die naast Kees nog liep.

—F’rwa’, main manneke!.... we benne d’r ommers nog nie?.... Seg Piet.... da’ há’ je bai motte weus.... verleje week.... twintig làngoore.... in twintig skòòje!.... en sestig woar-ik-’m-weutjes.... in sestig skòòje!.... hep Kees lapt!.. da waa’s d’r ’n mooie beweging.... hai stong de paas te merkeere op Bekkerbosch.... op dá’ teràin hep Kees de medallie.... Nou ik konsteteer van da’ nie eene uit Egmond, uit Hoafedrecht of Seekaik sain lait.

Onverwacht bleven Kees en Breugel staan. Piet zag geen hand breed voor oogen, sjokte maar recht uit, met vagen angst in z’n hart en Plomp gromde, dat ze veur sain part net soo goed naar de hel konne loope, geloofde ie ’t nog.—Kees en Breugel, geoefender, zagen al beter in de duisternis. Ze stonden voor ’n wegkronkel bij ’n dwarspad, dat ’t diepere duin indonkerde, vol zwarte heuveling. Zacht schuifelden ze voort, tot ze, aan ’n breeë sloot voor ’n weiland, op prikkeldraadschering stuitten. Met lichten sprong was Kees over de sloot heen gewipt als ’n reuzige dansende schaduw en vlug ’t stekeldraad overgebeend. Breugel en Dekker klauterden na en Kees achter uit, stemfluisterde dat ’r nou geen woord meer gezegd mocht worden. Klaas Koome, de praatzieke, nog staand voor slootkant, fluisterde Piet en Plomp toch in, dat hier ’t weiland lag en de strooptocht beginnen moest. Koome was over de sloot gesprongen, hield zich geklemd aan ’t prikkeldraad en grabbelde in ’t donker naar Piet en Plomp die ’m angstiger naklauterden.—Er zakte barre vrees in Plomp, dat ie gegrepen zou worden, maar nou moest ie mee.... D’r was t’met gain freete thuis.... en allegoar hadde ze sain opgehitst.... hai los werkman.... hai mos t’r soo wa’ baif’rdiene.... ken se kossie bestig hoale.... beter aa’s mi poere in ’t winterland.... Moar lol had ie ’r nie in.... aa’s Koome.... die ’t veur lol dee.... en Delker....

—Wel snôf’rjenne Plomp.... sien ik je snuit-beweging hoast.... Piet is t’r al lang, barstte Klaas Koome uit....

Van zwaar besneeuwd gestruik, glibberde Plomp’s been af, telkens in ’t sloot-donkere nat, toen ie plotseling zich hoog voelde overlichten en òptrekken.

—Bi je bekranst, lolde Koome, krachtkerel,—paa’s nou op, dòndereminte!.... dá’ je op dá’ teràin je achterwerk nie an de prikkels sitte loat!.... sou t’met ’n kemieke beweging sain....

Zacht, zweeflicht fluitgeluidje siste op kleinen afstand van Klaas, twee, drie maal achtereen, met klagelijken windloei mee, zacht trillend.

—Nou stoan je ’r Plomp.... hoor.... de wind lait!.... Kees fluit.... op dá’ teràin mot ie main hebbe.... merkeer de paas.... nou.... hierhein!....

Met angst-bonzend hart en klopping in z’n hoofd, was Plomp op den donkeren weigrond gezakt. Nog niks kon ie zien, nou weer niet op nieuwe plek. Vóór ’m duisterde weer geraas en stormbuldering, overal pikzwarte diepte, waar ie dacht in te tuimelen, verder wijkend bij elken stap, en toch weer dichter op ’m áándreigend.—

—Was dá’ nou de angst van in ’t donker loopen?.... Was tie nou heulegoar g’n kerel? Moar vloeken kon ie, telkens vertrok ie z’n gezicht, bang tegen hek-werk pal op te loopen.... vaag, onzeker, niets ziend, niets tastend, en toch al maar vooruit!.... Nou klauterde de angst tegen z’n keel.... want hadde sullie nie sait, dat hier ’n skot van daan de koddebaiers loerde?.... kaik.... die motte nou loere uit de donkere hoekies en sain vastgraipe.... netuurlik.... Sjokkerig in tast, voelde ie zich bij ’t in duister fluisterende stoetje aangeland, dat hurkte laag bij den grond.

Kees, ongenaakbaar, met krachtwil, stil in speurfijne zinnen, zenuwloos gehard en gericht op z’n doel, zonder schijntje angst, beheerschte drukke onbezonnenheid en tartende klets van Koome, die overal waar ie was ophakte met woesten geestdrift van z’n stroopersbedrijf. Kees verafschuwde den vent, omdat ie geen ernst had, en omdat ie niet òòk ’t stroopen verfoeide, daar ie toch goed te vreten had, van ’n goed zaakje als zaadhandelaar.

Voorzichtig had Kees z’n achterlader uit den zak gemorreld, de stukken in elkaar gehaakt, zacht, uit gewoonte, zonder besef, dat ’t windgehuil knarsgeluid overraasde.

—Koome,—zei heesch fluisterend Breugel,—je weut ’t... kaik nog moar reis.... noar Delker!.... ’t is hier heet.... jai houdt de sak.... Delker hep se tieme kloar,.... gaif Piet die.... en Plomp d’r ook een.... wa’ d’r komp,.... sloan toe.... Lá’ je nie bang moake Plomp!.... splait se d’r smoel van mekoar!.... nou stil!.... ’t is hier heet, heet!

—Wa’tte? beefde ontsteld bange Plomp,.... watte sait tie?.... wa’ mo’k mi’ die tieme?....

—Stil, we sitte hier tussche vier koddebaiers, klankloos fluisterde Delker,.... aa’s die f’rrekkelinge ons in ’t stroatje pakke.... kenne wai de krentetuin in!.... Nou Piet, Plomp uitkaike!!.... aa’s t’r g’foar is!.... roep je wachtwoord: Hoarelim.... aa’s ’t goed goan.... Aimuide?.... kenne sullie deurgoan.... Enn aa’s de wind lait.... leg gie op s’n buik.... jullie ook.... kè je bestiger hoore ankomme!....

—Mo’k jou achteròp, vroeg Piet?....

—Stil, dâ’ goane hullie, heeschte zachter Delker, sloan d’r bakkesse in mekoar aa’s se je pikke.... aa’s hullie mi Kees an de stok kraige.... steek ie hullie rejoal deur d’r donder....

Breugel zat op z’n knieën, voorover in duistering, met lichtbak aan touw om z’n hals. Kees hurkte naast ’m, z’n geweer ladend en zacht bemorrelend.

Even schimde rossig kerelstoetje òp in ’t waskaarsvlammetje van Breugel, die diep in den bak gebukt, beschut door jassen en lijven, de lamp aanstak. Na wat gepeuter en geknars van ’t schuifglas, dat ie op en neer trok, was ie klaar. Plots schoot flikkerende lichtstraal, als goud zoeklicht bliksemend over duisteren weigrond, die sneeuwbevracht lag.—Maar snel had Breugel, gonjen zak over den bak geslagen.

—Hailige moagd, schrik-schreeuwde Plomp, t’met sien se ons.... aa’s die bak....

—Hou je bek, woede-fluisterde Kees, die nu klaar met ’t geweer aan schouder, in de donkering wachtte op Breugel.—

—Alles kloar.... wachtwoord.... kloar?.... Kloas?.... Piet? Delker kloar?....

—Ja,.... presint.... merkeer de pas....

—Merkeer de paas, dofte stem-gesmoord Klaas terug, ikke konsteteer van ’n prêchtig weertje.... die regen en windbeweging is prêchtig, lolde ie springend van joligheid.

Plomp begreep niks van den kerel. Hij rilde van angst, en nattigheid droop van z’n pet en haren den nek in. De wind joeg als ’n razende, ongrijpbare reuzenstoet van dol-kermenden, langs z’n kop en in kleeren, dat ie rilde tot op ’t gebeente. Huilen kon ie, grienen van woede en angst, onbestemden angst, dat ie mee was gegaan, daar nou zoo maar stond in ’t stikke duister, of ze ’m geblinddoekt hadden en dwongen met stooten en boffen voort te gaan.—Piet en Delker stonden ’n eind van elkaar af. Delker zweepte luchtigjes z’n teenen door de lucht, in suisgeraas, tegen weer zachteren wind in.

—Da’ ken je hullie ’n sneebeweging van gaife.... op da’ terain! lachte Klaas gesmoord, alweer vergeten dat er niet gebabbeld mocht worden. Een bof van Kees in z’n rug deed ’m schrik-stil zijn. Breugel stond nog even te morrelen aan ’t schuifglas van z’n lichtbak en z’n nektouw. ’n Endje van ’m af lag Delker al op z’n buik, met z’n oor op den grond gedrukt, te luisteren, nu de wind klaag-ver zacht schreien bleef uit boschduin.

Inéén liet Breugel zakpunt van lichtbakglas afsullen. ’n Felle stroom goudlicht schoot ’t donkere weiland over, tot aan heuvelige duinglooiing ver, heel ver. Kees stond soms hoog in rosgloed als achter vlammen, doorsmoord van donkeren rook, waar éven rosse tongen uitlekken, in zwartbronzen brandschijn naast Breugel, die in snelle kring-zwenkingen den lichtbak, voor z’n buik op- en neer bewoog en schommel-cirkelde over de wei, in al breeër lichtbaan.—Dat had Kees noodig; overal moest ie zien. Ingebukt, ’t hoofd scheef ’n beetje, stond ie met z’n hand aan den trekker, soms wild, grillig verlicht even, dàn plots in ’t duister, dàn even beglansd weer op dij en rug. Vlak achter hen, in d’r diep-zwarte schaduwen stappend, donkerde Koome. ’n End in duistering achteraf, bleven Piet en Delker de wachters, meezwenkend met lichtbaan, in staar rondloerend de duisternis in, achter de kerels. Plomp, schuchter, stond angstig met z’n zwiepende teenen in de hand, beweegloos. Snel ging Kees’ stap, en statiger in rossig roodgoud gekring, slingerwijd kaatste fellen brand, door fonkelende reflektors uitgeschoten, over den schichtigen sneeuwgrond.—

En in duizel-drom, helsch-geheimzinnig, sloop stroopersstoet in felle schaduw, breed goud omrand, als ingebeiteld met lichtende kontoer, beweeglijk op den vlam-sneeuwigen weigrond, spraakloos in spanning, tegen de windbuldering in, die weer orkanen kwam.

Plomp sidderde. Z’n beenen strakten soms als werden ze vastgemoerd aan de aarde. En voort toch, in wassenden angst, stapte ie mee, met de groep voor ’m, in helschen schroei, tegen de lichtduizeling over wei. Soms bij plotsen zwenk van lichtbak, rossigde uit stikdonker òp, achter Breugel en Kees, buldogkop van Klaas, den „hazewind”, met z’n handen vooruit, dan weer ineen, bij nieuwen lichtschommel als weggeslingerd in duister duinbrok.

Bij nieuwen zwenk stond hoog, in één weer, achterhoofd en arm van Kees in ’t goudrood bevlamd. Hun schaduwen schommelden wijd rond, telegraafpalig, mager-verrekt, als dronken silhouetten, kruipend, inbuigend de wei langs, in kopstoot tegen glooiingen òp, soms in één gebroken, al langer, bang-langer van lijf.—Dan in ééns hield Kees in z’n stap, was er donker geschuifel, slopen de schaduwen, korter fel-zwart op rossigen sneeuwgrond, als turend en peinzend spel van schimmen, soms plots, bij snelle lichtbak-wending van Breugel, in donkere aardeworsteling elkaar bevechtend. De stroopers-voeten sidderden in rossig licht, verdwenen weer plots, als ander weibrok vergloeide, in gouïge vochtdamping te trillen lag in vervliegende lichtbaan. Gejaagd, in al sterkere schommeling zwierf de lichtbak voor ’t lijf van Breugel, hijzelf in ’t donker, als levend, hijgend vuurbeest.—Onverwacht blondden zacht, twee konijntjes in ’t licht. Stand hield de bak-drager. Eén dierke zat rechtop, verbluft kijkend uit z’n rooiïge oogjes, als blindgeworpen met helle lichtglansjes. ’n Poefknal galmde achter hevigen windpats en angstige windhuil suisde om den loop-mond van zijn geweer. Snel laadde Kees, ingedrongen z’n beenen, vastgeplant in drassigen weigrond, schoot ie weer dat vuurvonken zigzag bliksem-blauwig uit z’n loop kronkelend wegflitsten in den dreignacht; liep ie door, snel in duizeling van licht om z’n voeten, tusschen den zwaveligen kruit-stank van schotwalm. Zwaarder knalde ’n schot, vergalmend nu wind uitgebulderd, klagelijk zacht rond-doolde.—Koome was achterop gehold, om ’t geschoten wild te grijpen. Konijntje, dat Kees ’t eerst geraakt had, kroop nog voort met pieperige kreuntjes, langs sneeuwgrond in donkerend bloedspoor. In wilden storm, voortstappend tusschen de zwabberende lichtstroomen, die alweer andere hoeken induizelend, over de snelstappende beenen heenschroeide, greep Klaas ’t weghinkend konijntje. Geweldig, beefzwaar van hartstocht, duwde ie den kop in z’n mond, beet ’t bloed-bespatte dierke met tandenhap den nek in.—Nou was ’t afgemaakt, kon ’t den zak in. Snel bukkend en spring-jolig, als ’n verhit dier, rende ie af op konijntje twee, door Kees geraakt. Uit zijn strot gromde kwaadaardigen drift, als ’t zacht-grommende keel-onweer dat ’n hond maakt vóór ie te blaffen dreigt.

—Magge sullie hoarlemèrdaikies moake in de sak!.... lolde ie, nà ze den kop ingebeten te hebben. Voort, zonder rust, laadde Kees opnieuw, klaar-staànd, z’n ingedoken reuzige gestalte soms even beflitst van lichtbak, in koorts van jacht, niets voelend van helleweer, nacht en angst. Plomp sidderde en kreunde. Moe holde ie mee over de vlakte, aldoor denkend weg te zinken in greppel of sloot, als ie struikelend verzakte in drassigen kuil of aan den kant tegen sloothakhout opliep. Telkens voelde ie op z’n nek, sprong van koddebeiers, zooals ze ’m verteld hadden, dat ze deden. Piet joeg mee, half buiten adem, ongerust, niet wetend waar ie stond, hij, die dacht van heel Wiereland en Duinkijk elke duimbreed te kennen.—Maar stil bleef onrust in ’m woelen. Plomp mopperde achter hem aan. Heel alleen bleef ie in z’n angst, volgend den stoet, omdat ie niet staan dùrfde blijven, toch niet wetend wààr ie was.—Telkens als wind even stomde, hoorde ie suiszwiep van Delkers teenen, die al maar loerde, àchter, opzij, om hem heen.—Alles viel Plomp nou in.... Alderlei gehoorde avontuurtjes dwarrelden in z’n kop...... die k’naine, die soo moar hinkend en half dood s’oafens de sak uitkrope.... en van de bijpatters.... drie.... vier gulde boete!.... aa’s tie d’r s’n aige nou erais stilletjes liet graipe? Want hai was toch allainig baipatter!.... niks droeg ie.... niks!.... gelukkig.... z’n tieme had ie allang weggegooid.... Kaik.... nou net.... weer.... doar had ie weer gedochte van die koddebaier die se pakt hadde an de ruïne van Braale.... ’s nachts.... nog net soo.... da’ hullie tòen met d’r viere vastgebonde hebbe.... op ’n plankie.... en soo ommekeerd boven ’n sloot hebbe hongere loàte.... wâ benauwing.... hailige moagd.... aa’s se nou d’rais dochte, da’ hai da’ mee an doan had.... meeholpe....?

Langs ’m donkerden Delker en Piet.

—Kaik uit Plomp! ’t is hier heet... puur heet!... hullie loere van alle kante t’glaik....

Met ’n woeste lichtslingering, die als zoeklicht over beenenstoet vlam-rossigde, was Breugel plots gekeerd, langs ’n duinglooiïng bij slootkant, laag den lichtbak tegen één plek grond richtend. Verdonkerd nu, zwartten hun rompen in snelleren schaduwgang, met évene beenbeschijning in fel rosgoud.—Langs prikkeldraad silhouette stoetje ’t donker in, als schichtig bevlamde spoken-opstand.—Klaas Koome dwarrelde achter en om den lichtbak, in hazewindsprongen, soms dwars over lichtbaan heen, in z’n ophitsend, zacht gegrom wetend, dat als ie nou zou spreken, Kees ’m ’t geweer perdoes op z’n hersens zou stuk slaan. Plots klonk bang-kort, kreet-angstig.... Hoarlem!....

De lichtbak doofde.... strakke duisternis staarde op ’t weiland, helle-duister. Visioen-bang was rossige lichtstoet verzonken in den nacht.

Van ’t nabijë kanaal dreunde òp ontzettende pijp-zang in winterweer, van reuzige boot, klaag-bas, diep en geweldig aanzwellend, als jammerende mammouth-stem in oer-nacht. Orkaangier zangloeide na, diep uit ’t duister. Plomp had in doodelijken angst, doorloopend, zich plots omklemd gevoeld om z’n beenen. Niet beseffend wàt er gebeurde had ie noodkreet uitgestooten, in angst-reflex om iets maar te doen. Nou, ingekrompen, gebukt in den loeinacht, zag ie, voelde ie niets op zich aandreigen, niets dat ’m knellender vastgreep. Snel, in goochel-routine had Breugel den lichtbak gedoofd en van z’n hals gelicht. Met de anderen was ie, zeker in z’n sprong, de sloot ingestapt. Kees stond met z’n stukgevreten modderlaarzen en doorrotte zolen in ’t nat, tot z’n knieën. Ril-kou sloeg om z’n beenen, ijzigend voelde ie ’t water op z’n naakte karkas inzuigen. Giftig stoof in ’m òp wilde dierlust om ze neer te hakken, zich in speelschen schijn even te laten pakken. Maar de kou verkoelde z’n gift, beet op ’m in, nuchter, verkillend. Heel z’n toestand, zag ie weer klaar, met stroopersroutine. Maar wat donder woar bleef Delker?.... en Koome?.... gromde ’t in ’m.

Die waren ’n eind verder neergehurkt in ’t donker, roerloos voor de sloot. Ze wisten allemaal wel, dat ze met den lichtbak, tusschen de koddebeiers doorgemanoeuvreerd hadden, dat t’r heet was, maar nou kwam er niks, hoorden ze niks.

Want dâ was ook wel hoarlie stiekeme pakmenier.... blaif sitte, jonges, sitte, bromde Klaas zacht voor zich uit. Piet lag zwaar-ingehouen ademend te loeren in ’t duister nachtgat voor ’m, te luisteren of ie stappen hoorde.... maar de wind gierde áán. Eindelijk stond Klaas zacht overeind, keek ’t diepduizelige donker in.... Nergens hoorde ie geloop of aandreigend geschreeuw.

Kees floot licht.... Dat kon ie niet langer verdragen.... Zacht seinde Breugel hem terug, wachtend op windstootrust. Koome en Delker hurkten vlak bij elkaar, zonder dat ze ’t wisten. Delker, hoorend vaag signaal, sloop òp, stootend tegen Koome.... Alleen Piet en Plomp durfden zich niet roeren van hun plaats. Want zeker had ie ’t gevoeld, Plomp, dat ze an z’n beenen getrokken hadden.—

Kees woedend en doorbibberd van kou, was uit de sloot gesprongen, zong met zachte stem hoe.... éét.... hoe.... ééét!—Op ’t geluid àf nu, naderden de donkere kerels elkaar..

—F’rrek Delker, wá’ hai je roepe.. d’r is g’n vlieg op ’t pad..

—Ikke hep g’n bek ope doan.... ik docht dá’ Piet roept....

—Ikke?.... ikke?.... hep niks sait.... Plomp waa’s ’t!..

—F’rrek, waa’s ’t die snaiboon?... woedde Klaas Koome, heul goed snurkert, we motte je weer meehebbe foàdertje.... op da terain poàtertje.... die skreeuwbeweging is nie kwoad f’rdocht.... ikke konsteteer van dà’ j’ mi’ moedwil dàan hep.... op dâ terain bin ik deùrpokt en deùrmoàseld.... nou legge de k’naintjes f’rdomd achter de poap!

Even klonk stemmengedreig van Delker en Breugel in ’t duister, tegen Plomp. Uit de nachtbefloersde koppen gromden zware vloeken.... Koome kon niet ophouên. Nijdig hakte Kees in stemmegefluister de ruzie door, met korte beveelwoorden, tegen gierwind in. Rondom den duisteren kerelsstoet, zwol ààn uit alle duinhoeken, helsch stormorkest, saamgeschald in nachtspraak.—Bange, sidderlange fluitgeluiden stegen hoog in woest-gillende vervoering, boorden dóór schaterende krakingen van dooreen gewaaide orgelklanken, met warrenden jammer van violen, wild en ijlend. En vèr.... vèr.... bòven laag toongestorm en gedreig, georgel en gezang,—als plots stòm bleef ’t fluitgeluid,—droefde klagelijk weemoed van diepen hobo-toon, die moduleerde, àl moduleerde, als zangstem van zingende waanzinnige in eenzaamheid, meestijgend en dalend met ’t duistere lied van de nachtzee. En soms weer, uit helsch donkerdiep nachtzwart, kaprioolden vreemde gonggalmen, geluiden en zangen van nooit gehoorde instrumenten, mysterieus en angstig-ver.... Geschrei dat zong, zong, versidderend van weenende harpen uit duisteren nacht, zachte mijmeringsklanken van aëolienen en gitaren..... rondo’s en stakato’s, ijl-verzwevend boven ’t woest donderend stormorkest. En lager, lager, in grondtoon, demonisch breed, ’t dieper gezang van adagio’s, doorstormde klankenplechtigheid, stukgeslagen akkoorden uit nachtkathedraal aangewaaid, smachtend en zwellend door ’t duister; zwellend van mijmerende melodie naar woeste klankschalmei.—Scherzo’s afgestooten en verslierd in jubel, in snerpende triolen, gracieus van spot, als schaterende karbouterstemmetjes.—En zacht, ijl,—in stilstand even van vlagen, bij pauzen van donkere razing, dreighevig als zwarte stormgolven, aangedonderd uit zeeduister—weer mijmerend nageklaag van motieven, weenende harpenzang uit duister, en weemoed van ronddolende ziels-mandolines.

Onbewust voelden de stroopers iets van de stemmen-mysterie rondom. In het duister orkaangeraas liepen ze dichter bijéén, tegen de stil-donkere duinruggen, die dreigden dààr, in hel nachtzwart, hoog en geweldig in hun aaneenrijging. Breugel stapte naast Kees, die z’n achterlader weer be-hageld had. Barre wrevel wrokte weer op tegen Plomp.

—Aa’s sullie tog van achtere komme.... gaif je hullie tog ’n poar strieme.... daa’se veur meroakel legge.... da’ tuig.... op da’ terain.... barstte Klaas uit.

—Joa, moar.... haperde stem-angstig Plomp, die niet wist, hoe zich te verdedigen nou er geen koddebaiers op ’m gesprongen waren, zich doodschaamde voor de kerels.... ze hadde main tog fideel beet van ondere....

—Wá’ beet.... beet, bosluis.... se moste je mostere.... waa’s netuurlik ’n struikbeweging woa’ je mi’ je pootjes in vasthoakt bin.... stoan doar ommers de paas te merkeere.... sloerie.... Is je spuit in orde Kees? hée Breugel!.... gaif màin effe de brom.... ik hep stikkedorst.... ’n urretje ken ik best likke nou.... warrempies hier.... wà jou?.... tussche drie loer-miroàkels!....

Koome kon niet stil zijn. Plomp beefde als ’n aar.... Nou zag ie nog niks.... aa’s tie nou moar van ’t pad weg snappe kon....

Kees en Breugel stapten spraakloos naast elkaar.

—Hier Breugel.... hier Kees! jai ook ’n slok....? sî heete suuker in.... f’rvloekt lekker!....

Kees gaf geen antwoord, dronk nooit onder ’t stroopen, Delker en Piet sjokten weer achter Klaas aan, met Plomp midden in, voort, almaar voort. Ze zouen ’t maar weer eens probeeren. Plomp bromde in zich zelf, dat ie nou z’n bek zou houen al sprongen d’r tien kottebeijers te gelijk op ’m af; al worgden ze ’m. Bibberend van kou en regennat sjokte ie, toch wat minder bang voort, tusschen de kerels in. Hij voelde nou ook minder angst voor Kees, die ’m geen woord verwijt gedaan had. Eerst dacht ie, dat ie ’m ’n hagelschot door z’n rug zou jagen.... Dat hadden ze’m van alle kanten gezegd als ie meegong en hai deed wat tegen Kees’ zin. Nou gromde dìe ’t minst en lichter voelde ie zich met z’n stappen, in ’t zwarte, eeuwig-zwarte voor ’m, rustiger ook, nu stormgerucht schrei-zachter verklonk.

Bij ’n woest duinbrok, dat hoog lag, als donkere dreiging tegen éven doorschijnenden luchtkring, morrelde Breugel weer aan z’n lichtbak, gingen Delker en Kees ’m dekken. Plots schoot zoeklicht van fellen reflektor over ’t sneeuw-modderig duinpad en hevig-hoog, in ’t licht, rossig-goud bevoet, aan den top dampiger lichtgeel, onder helle-zwart, drongen uit duistering de duinbulten òp, schuw aangegloeid, omknellend aan alle kanten de donkere kereltjes. Als reuzige mensch-stierruggen, hoog bijéén, stuttend elkaar dromden ze áán tegen ’t kleine menschenstoetje in. En telkens uit anderen hoek, in lichtslingering van bak, rugden ze op, zwijgend rond de kereltjes, nu kleingeslagen tot dwergjes in ’t woeste licht, ’t ros-wilde licht, dat éven gloeide over de opéen dringende, en starend-blinde, besneeuwde minotaurus-kudde.

Op en àf sloop ’t stroopersstoetje en dwars in den lichtbrand, met woesten rem, schoot schaduwspel dooréén, zich bemoeiend in jachtpassie der kerels. Telkens stond nieuwe dreighoek in ’t rosgouïg licht te dampen, staarde de Nacht boven de lichtkringels uit, bòven bang-hooge rugbulting, als duistere heerscher, opjagend den reuzigen minotaurus-stoet tegen de poerende mannetjes; slingerde weer wèg de lichtbaan, viel dicht over de ros-sneeuwige ruggen de nacht in nog angstiger zwart, dan vóór den kaatsbrand. En zwaar, in stomme razernij tuimelden de schaduwen mee, gebroken doorhakt in brokken, als spottend, springend in den grondbrand, plots weer verdwijnend in donkering. Verder door de nachthel, in sluip, kromden, kropen en joegen ze voort bij lagere duinbulten, die als stomgeslagen in schrikboei, roerloos ’t licht langs zich slingeren lieten, verbaasd in rossigen staar; weer wègsliertten uit slingerkring, de duistering in, vóór ze schreien konden, méé met den al zwakker kermenden windzang.

En voort ging ’t stoetje, in de weenende eenzaamheid van loeinacht en verstervend stormgerucht, om kronkelpaden, overal omdreigd van de stom-zwijgende zee-wachters, ingekneld tusschen den mensch-stierigen opstand, aandrommend in rosgouën damp. Voort stapten de stroopers, nu levend in één loer, één adem, niets beseffend van nachtangst, vastgemoerd in hartstocht van vangst. Snel en zeker, zonder struikeling, gingen Kees en Breugel voorop, in lichtdonkeren beenengang. Maar nergens nog verschichtigde wild. Breugel vloekte van nijd. Sneller wentelde ie z’n bak, dat de cirkels in golfstroom over de titanische duinwezens den nacht inrilden, als goud-schel weerlicht.

Plots stònd Kees, knalde ’n schot, nog een, nog een....

Koome vloog achterop in wilden dans, greep toe, stopte in dol gebaar van hartstocht alles den grooten zak in. Even bukte z’n schooier-mager lijf, met belichting van rooien halsdoek, bloederig in den fellen lichtslag van reflektor, en zwaar beefden z’n lippen van jacht-passie. Telkens éven schoot ie tusschen Kees en Breugel dóór, soms vlak ònder windvlaag verschreienden geweermond, waaruit ’n noodlots-stem klaagde; sprong ie terug, plat op den grond, of bukte in rossigen lichtbak-brand, dat z’n vurige tronie vlamde, z’n beeflippen weer zwollen in den gloeistroom. Woest schroeide z’n tronie, met bloedvlekjes om z’n mond gespat, trilden nog wittige haartjes op z’n beeflippen, van woesten nekbeet aan elk konijntje dat vóór den greep nog krampte en hinkend klagelijk verpiepte, smartgeluidje op den sneeuwgrond.

Tien passen van Kees af, zat ’n konijn recht op, met trillenden schrikstand van de lange stijve ooren, oogjes beduizeld van licht, z’n gelig-wit bedonsd haarborstje bevend, pootje over z’n angstig bewegelijk neusje te wrijven.

—Mo’ je nog ’n booskap.... lolde Koome.... doen t’ met.... aers gain tait....

’n Schot dof brandde uit; vuurvonken en blauwige lichtjes kronkelden vlamgrillig om Kees’loop. Achter ’m ààn, sprong Klaas, z’n schaduw woester meeslingerend in den grondbrand. Even sleurde z’n zak langs de sneeuw.... wou ie wat lollen, toen Kees dreigfluisterend ’m roerloos hield.

—Blaif doar!.... sitte nog twee!....

—Woar snof’rjenne?.... ik sien puur niks!....

Weer knalde ’n schot, daver-echoënd als ’n slag van onweer en met geelwit borstje sprong hoog in duizelkramptrek, ’n ander in de lichtbaan, voor Kees’ voeten; kermend klein lijfje, donker bebloed. Koome, gretig, snoof bloedgeur, greep toe, beet konijntje den kop in, vlug en tandscheurend-raak, in ’t weeke beenderenstel, dierke neerkwakkend op zakbodem.

—F’rrek, juichte z’n stem; wat ’n lampies die vint hep.... f’rvloekt aa’s ik nie docht daa’t ’n molshoopie was.... waa’n lampies!....

—Hou je bek driftte Kees, die één loer was, elk grasje zag trillen, elk plekje bewegen op het lichtbrok dat voor ’m uitcirkelde, in duizel.—

—Kristis, juichte gesmoord Klaas, nou he’k sain ook in de lampies, twee langoore!....

—Bek dicht, heeschte Kees, en langzaam even mikte ie, in lichte kromming van romp, dat noodlots-geschrei van zachten wind vóór zuiggat van geweerloop angstiger verklonk in de stilte, alsof de naakte Duivel zèlf in z’n knokige pezigheid ingehurkt zat te blazen op helschen misthoorn.

Knal-donderend spatte schot uit, en zonder te weten of ie raak was, zeker van Kees, holde Klaas in de baan vooruit, vlak achter het davergeluid dat verwaaid nog natrilde, tusschen de duinruggen in. Piet keek telkens verbaasd naar Klaas’ sprongen, vergetend dat ie zelf uit kijker was. Alleen Delker loerde in den nacht, op verren afstand goud-zwart-rossig stoetje volgend. Plomp holde weer mee, dan hier, dan daar, in zweetangst, van vetten Breugel naar Kees, vóór Klaas, die ’m wegduwde en stompte, als ie ’m voor de beenen liep. Dàn voelde Plomp zich benauwd, benauwd, dat Kees per ongeluk hem raken zou in lichtbakzwenk. Bij elk schot rilde huivering door z’n lijf, tot z’n teenen, zag ie uit ’t duister de kottebijers klaar in hun sprong. En telkens had ie lust den bak uit te blazen omdat die ze zoo brutaal aanwees wáár ze stroopten.—

Maar niks gebeurde, niks om ’m.

Nog ’n uur sjouwden de kerels, zonder dat er geschoten werd. Kees was met Breugel anderen kant van ’t duin ingeslagen, bij ’t landgoed van van Ouwenaar, vlak bij ’t bosch.

—Hoe loât is ’t, vroeg Breugel, doodop, zak-lap voor lichtbak éven wegtillend om Koome te kunnen laten zien op z’n horloge.—

—Vaif uur, t’met Piet, aarzelde Klaas uit, bukkend in den gloei-flakker van reflektor.—Van Ouwenoar lait op s’n ruggetje, lolde ie voort, naar Hassel, die achter z’n hielen aanliep.

—Nou ik stop!.... gromde Kees, ik goan terug!....

—Nou.... ikke ook, zei Breugel, ik sterf van de kou en natte....

—Trug vraier?.... wai hebbe nog niks t’met, zei Klaas, stem-ontsteld.

—Ke nie dondere.... m’n vingers stoan aa’s hoakies.... ken gain poot meer an de trekker sette.... en d’r komp tog g’n luis.... hoeveul?....

—Twintig k’naine.... drie langoore.... gommenikki.—Verleje week hai je’r veertig.... en vaif hoase!....

—Ke’ nie bokkeme.... ikke set stop!....

—Nou, en ik bin saik tut op main botte, klaagde Delker.—

Bij elkaar dromde ’t stoetje. Snel had Breugel z’n lichtbak gedoofd.

Als in stemmebetasting naderden ze elkaar in ’t dikke duister.

—Nou van Ouwenoar, lolde Klaas weer, nou mo’s je wete dá’ wai hier stoane!.... op dâ terain ke je de paas nie merkeere poatertje? zeg Breugel, jai nog ’n slok?....

—Nou ikke ook, wâ hèe?.... verweet Delker, die gulzig inzoog jenevervocht uit de kruik, en in donker op tast ’m weer Klaas terug gaf.

—La’ stikke.... die kerel.... verslikte ie hoesterig.—

Kees was over scheerdraad heengesprongen met de kerels achter aan. Plomp, langzaam, moest geholpen worden door Piet, die ’m er half oversleurde dat z’n broek haken bleef in de pennen....

—F’rrek! nou kost ’t main nog ’n broek!....

—Allo!.... kaik!.... woar sit je.... kom!.... ik sien hoarlie nie meer.... skàr...., nijdigde Piet, die geen weg wist en niet van den stoet af wou dwalen....

Breugel giftte nog tegen Klaas.—

—Ze frete main heule tuin op.... die meroakels van k’naine, f’rleje joar hebbe se main heule oogst f’rwoest.... die krenge.... om hullie he’k nie betoale kenne.... die stinkpoone!—

—Nou, hitte Klaas, aa’s ’k half dood ben, goàn ’k se nog achter skot....

—Jai!.... jai!.... da’ doen jai veur je pelsier.... moar wai noakende rotte.... wai hebbe ’r van te laie.... de groote heere hebbe d’r lol van.... moar wai niks aa’s ongeluk en f’rdriet.... ’t is puur onhail!....

—Hou toch je snoàters, snauwde Kees, wie f’rkoopt?....

—Wâ!, je ken nou sooveul babbele aa’s je lust.... geweer en bakkie in ’t sakkie.... nou is ’t ’r nie eens meer ’n baipad te moake!.... op dâ teràin....

Plomp dobberde weer mee in ’t duister, achter den zak van Breugels lichtbak. Hij gromde in zichzelf, dat ie ’t nooit zou leeren. Nooit had ie docht, dat ’t soo gevoarlik was. Nou aas tie doar nou wa’ mee mos bai f’rdiene, kon is s’n aige wel ophange....

Z’n angst verzonk, toen ie hoorde, dat ze waren op publieken weg bijna, en nou vast wist dat de lichtbak uitgedoofd in de zak bleef.

—Seg Kees, begon Klaas Koome weer, loopend en sprekend ’t duister in, wee je.... nog verleje week? Seg Breugel!.... da’ ha je bai motte weuse.... ses hoane hep ie skooie!.... soo.. poeff! in ’t donker.... uit de boom!.... Piep.... sait t’r één, bai ’t bossie.... piep! sait d’aer op ’t Hoàneprejeeltje.. piep-piep! sait derdes en vierdes in ’t Kruisgrot je.... se snertte d’r so t’met uit de takke.... dá’ waa’s d’r ’n piepbeweging op da’ terain.... Ik konsteteer van daa’ tie ’r ses soo hep neersmete!.... allegoar in ’t donker.... op ’n aere plek.... hep ie hoarlie paas loate merkeere.... enne toe gong hai moar verder!.... Enne.... op de terugtocht hep hullie in vaif menute al die meroakels vonde.... Dá’ noem ’k werk hée? da’ heppe hoarlie de paas loate merkeere.... Op da’ terain is t’r nie ééne!.... seg moar hoe ie ’t lapt.... soo al die plekke in s’n test!.... hee?—

—Wá’ he je weer te klesseneere, snauwde Kees.... wie f’rkoopt?....

Maar Klaas hoorde niet. Woest voelde ie nog in zich ’t genot van de vorige week....

—Nou, as se sain.... op de hiele hadde sete, hei Piet.... wa’ jai? se hebbe mit d’r achte op ’m loert.... en nie eens ’n baipad.... ha! ha! ha! wat ’n kuikes.... verleje moand hep ie nog sprenkels had, al s’n strikke hebbe sullie ganneft.... op da’ terain!....

—Hep ie wa’ vange nog?

—Of ie!.... éen hoas, mit s’n veurpoot d’r afdroaid.... jemi! kroemi!.... wa da’ kreng skreeuwde.... hai hep se rejoal d’r afknepe.... de sprenkel!.... je had sain ’n smoel motte sien trekke.... toen ’k sain de borst indrukt hep!.... Moar de strikke hebbe sullie pakt.... sullie lagge op de loer.. en van Delker hebbe sullie de strikke pakt.... en s’n spoor!.. da’ kuike hep ’n nieuweling meebrocht die in ’t sand loope hep!.... doalik hadde se s’n spoor!.... hai hep achtien doage had!.... wa’ ’n vuile hée?.... da’ heerskap van de droaibank.... hee.... op da’ terain....

—F’rrek,.... achttien doage? vroeg ongeloovig Delker.

—Nou wa’ sou ’t.... daa’s al drie keere.... dat ie ’n prent thuis kraigt.... kè se waif an ’t beskot hange.... veur ’n pronkie....

—Kerel hou je bek nou.... wie f’rkoopt? drong Kees aan.

Piet en Plomp telden niet mee; wouen niks hebben. Piet vloekte.... Nog nooit was ’t ’m zoo ellendig naar ’t hart geslagen, de kou en de beroerderigheid. Was dat lol?.... hij rilde van koorts! Liever vaif steek diep, elken dag, dan soo’n grap!.... Doorzogen was ie tot op z’n huid. De eerste en laatste keer.... Jesis, wa’ begreep ie nou goed, dat Kees d’r de pest an had. Kapot was die d’r van!.... Kapot.... en de slaap duizelde in z’n kop.... Kloas was ’n kwoàje.... moar Kees!.... Kees, gain stom woord had ie t’met teuge sain sait....

Plomp, dood op, vroolijkte bij, nu ie geen gevaar meer voelde.

Wind loeide nog maar bij eenzame vlagen zwaar bulderend achter ze aan, uit ’t duister, al uit duister....

Bij ’t duinpad waar Kees krot lag bleven ze even staan.

—Nou g’nacht!.... aa’s ’k poar uur slape hep.... goan ik mi sprenkel van Joap ’t duin in.... Seg.... Kloas.... goan je bai pelier van ’t slangetje.... breng murge moar sinte.. ’t k’nijn nie minder aas vaiftig sint!.... ’k si droog..

—Bestig kapetain!.... op da’ terain wee’k ’n eenige pelierbeweging.... hai merkeert de paas bai ’t bruggetje van Woagestroat in Aimuide.... ikke konsteteer van da’ tie duizend k’naine p’r dag.... f’r....

—Nou nacht manne, brak Kees af.... ’t zwart-stille pad òpstappend, tegen ’t donkere krot aan.

Stil van ’m af, donkerde ’t stoetje den modderweg naar Wiereland op.

III.

Zacht had Kees de deur van de klos gelicht en zachter nog stapte ie binnen. Benauwing van duffen slaapstank wasemde uit ’t stikduistere slaapkrot op. Hij rilde, z’n lijf dreef in nattig, drabbig vuil en z’n plunje dampte regenlucht uit naar z’n hoofd. Onder het uittrappen, moeilijk en hijg-zwaar, van z’n kleef-zuigende hooge schoenen hoorde ie zwak-weeke stem van z’n vrouw slaperig zang-neuriën:

Sloap, maideke sloap d’r buite lo-oopt ’n skoàp Hai hep vier wi-tte voetjes Hai drink se mellikie soe-oetjes.

’n Wilde wrevel steeg ’m naar ’t hoofd.... f’rdomme was die maid nou weer an ’t skreeuwe.... Nou da’ hai d’r juus tukke gong.... Was da’ nou nie moedwil van ’t waif....

’n Stoot, dof-krakend tegen ’n kruk had ’t kindje weer uit den dommel gescheurd. Krijscherig-scherp jammerde met langen kramphuil in zuigelingdrift ’t kindje uit ’t donkere bedholletje.—Wimpie woelde rond en-om, zonder wakker te worden.

Dol-driftig liep Kees naar de bedstee, en heeschte in stikwoede, die bij vlagen in ’m ophitten kwam, door niets te temperen:

—Is ’t weer soo wait?.... Kâ se d’r bek nie houë.... waif!

—D’r bek houë?.... ’t Skoàp hep taa’nndjes....

—Rooit na’ niks! ’k mo’ d’r in.... taa’nntjes!....

—We’ ja! Hier-oppan!.... skreeuw Wimpie wakker!.. leg je aige moar neer.... hee?....

Heviger gistte er razernij in Kees.... Hij zou d’r ’n pats tegen d’r kop geven aa’s se nog ’n woord zei....

—La’ die prop d’r bek houë....

Hij kon bijna niet meer van drift-moeë nijdigheid.

Maar heftiger krijschte zuigeling, in barstende zwelling van huil-kreet er doorheen.

—Je bek dicht, duifel! helhoak! spoog ie uit, meppend ’t kind in donker tegen Ant’s lijf aan.

—Hierop-pan!.... sloan d’r van mekoar, nijdigde Ant ertusschen, we-joa.... f’rmoor d’r moar....

Kees voelde dat ie z’n drift moèst temperen. Hij zou Ant en ’t kind anders tegen elkaar plat slaan....

Over zuigeling heen, was ie met z’n regenstinkende modderplunje nat en vuil in ’t slaapholletje gesprongen. Andere bedekking dan wat rotlappen was er niet.... En hij trilde te veel om zich uit te kleeden.

Ant had zelf driftig ’t kind op d’r haverdoppenzak gesmakt, was opgestaan, om ’t lampje aan te steken.—Maar alléén zich voelend, krijschte heviger ’t kind òp, dat Wimpie schokte in z’n bedje....

—Hou je smoel satansprop! donderde Kees weer uit, ’t onbeschermde kind nu, van uit z’n hoek op ’t kopje patsend in driftwaanzin, dat dof de klappen bonkten en z’n ellebogen stootten tegen ’t beschot. In wilde rammeling schudde ie ’t lijfje heen en weer, dat ’t kind stuipiger aankrijschte, heviger in zwelling.

—Godskristis, t’met sou die d’r hersens te pletter sloan, teuge de grond.... aa’s se d’r bek nie hield.... raasde ’t in Kees.... Ant was toegehold, had ’t kind opgelicht en in d’r armen gesust. Kees kòn niet meer, wou stilte, slaap, niks dan slaap, slááp, hijgend òp van vermoeienis en aftobbing. Op ’r vuile voeten, maatgangde Ant, heen en weer wiegelend, ril-koud, in ’r smerig hemd. Laag groezelde ’t lampje wat licht neer in ’t killige vertrek.—

Zachter nu dreinde de zuigeling.... z’n eeèè’s.... eè.... èèè’s, afgebroken door sus-schokjes van Ant’s been. Ze was neergeslobberd op ’n stoel. Haar borst hing roodgebeten van ’t persend-mummelende zuigelingsmondje. Niks meer had ze er in.

Zwaar-rood gezwollen kransten er donkere pijnkringen om de tepels. Maar dóór gulzigde zuigelingsmondje naar zwarte zog, slap-voedselloos néérhangend aan grove borst. Driftig frommelde Ant vuil doekje naast ’r, tot ’n propje, beet ’t week, met sterke tandhappen, dodderde er speeksel op en duwde ’t zóó, klefferig doorzogen, gulzig-kreunende zuigelingsmondje in. Zwaar-rampzalig schraapte ’r triest-zwakke stem in huivering, door ’t zwak-gelende kamergrauw, onder zacht maatbeweeg van één been:

—Sloap.... maideke sloap.... d’r buite lo.. oopt ’n skoap..

Droef en diep-eenzaam bleef zeurig nagalmen ’r tobstem, in den hel-nacht, lang, heel lang, ééndeunig. En ingeslonken verschrompeld, bibber-kleumde ’r afgebeuld lijf, ’r beenen gespreid tot schoot, waar zuigeling met z’n kopje plat in wiegelde.

Groezelig-stil kamergrauw omsloop Ant, en zachter, klankloozer, schraapte ’r beverig-moeë stem, d’r nacht-ellende en afmatting uit. Lang bleef ze zitten, kreunde ’t kindje tegen ’r neuriïng in, zacht geduwd op ruggetje, door d’r magere hand; haar weggezakt bibber-koud lijf, slaap-zwaar op leuningloozen stoel, tot ’r oogleden toekapten, ze indommelde, gelijk met ’t kleintje.

Stil lag zuigeling eindelijk na uren met huil-snuitje in Ant’s schoot gewarmd, ’t breed gezichtje met vuile doekprop in slapbekwijld bleek mondje, half weg-gekuild in moeder’s hemd.

Zacht lei ze ’t slaapkindje naast Kees, die grom-zwaar uitsnurkte ’n geluid van dronken reus. Even had ze ’r hemd uitgespoeld, te drogen gehangen met wat stukkende kousen van de kooters; was ze weer in bed gekropen, verstijfd van kou en doodop. Vrouw Rams had ze wat gezeid in ’t gangetje,.. da’ sai d’r moar effe vroeger uitmos, da’ se nog tot ’n uur of naige wou legge, omda’ se mi de klaine g’n oog had dichtgedoan! Vrouw Rams had teruggebromd, dat ’t goed was.

Tegen half acht rumoerde er onrust uit de donkerende bedkrotjes. De kooters kribbigden òp, vechtlustig, nà hun gebed, chagrijnig en valsch-op-elkaar in hongerige drenzerigheid. Dient je moederde en Wimpie, die al wakker had gelegen en gebeden toen Ant weer in bed was gestapt, keek toe uit z’n bedje naar ’t stoeiende en krakeelig-schreeuwende kinderhurrietje.—Vrouw Rams was in ’r gore jak uit achterend de kamer ingestommeld en bang, als ingekerkerd onweergeraas, scheurde uit gangetje, vlijmend hoestgeroggel van grootvader Rams, bulderend en rauwig pijn-scheurend, ’t krot doorklankend aan allen kant.—

Uit den werk-emmer bij de put buiten, plonsden de meisjes d’r hoofdjes nat in ’t grauwende donker, boenden ze met afgekaalde borstel elkaar door de verwarde haarbossen. Dien luisterde er naar, maar loerde meteen ’t zwarte achterend in, naar grootmoe, die vuur wou aanleggen en overal tegen opbonkte, dàn nijdig wat bromde.

De kinderen, wild, wisten dat ’r vervuiling mocht zijn, lieten d’r nekjes en lijfjes zwart bemorst van vuil, slonsden wat plasjes lichtelijk over d’r smoezelig bebakken snuitjes. Grootmoeder snauwde rond, als ze hoorde krieuwen in ’t achterend, sjokkerde vaag in tast, armen vooruit, door aangrauwende ochtendkamer, met takkebosjes en krulletjes die Dien hielp aanvlammen in de schouw.—En overal was Dient je bij, hielp de zusjes in d’r vodjes, geholpen door Griet-van-zes die meemoederde, snibbig en baasspelend. De kleinsten drensden op den pot hun gebedjes af, met slaperige stemmetjes, in klankloos gejammer.

Tegen negen uur, plots kwam er dreigend gebons op de deur, lichtte de klos òp en stapten tusschen kindersmeer, dat aangesjokkerd was naar den ingang, veldwachter van Duinkijk, met z’n platte pet, diep voor d’oogen en agent van Wiereland, binnen.—Vrouw Rams was met konkelpot in ’r hand, in schoffelgangetje, arm-gekromd vooruit, naar de deur geschoven, gretig loerend naar den hoek, wie d’r nou al kon zijn.

Deftig-streng klonk stem van veldwachter:

—We komme in naam van burgemeester!....

Wimpie, schrik-ontzet, z’n bedje uitkijkend, begreep er niets van. Dat had ie nog nooit gezien. Het kinderstoetje, goor, met afgezakte, gat-doorvreten stankplunje, dromde terug in kamer-hoekje, angstig elkaar bestarend. Zilveren knoopen van agentpak fonkelden even dreigend. Z’n behandschoende hand leunde deftig op sabelknop.... Zwijg-zeker en trotsch bleef ie naast veldwachter staan, die weer òpstemde, deftig in keelgeschraap:

—We komme in Naam der Wet.... vrouw Rams!.... d’r is f’nacht gestole.... persumsie is d’r gevalle op Hassel.... Is t’ ie hier?.... f’nacht is t’ ie d’ruit geweest?....

Vrouw Rams begreep er niet veel van, omdat ze nog niet wist wie ze voor had.... Maar toen ze besefte dat ’t tegen Kees ging, schokte ze gretig op, smakte ze in bons den konkelpot neer op steenen vloer. Nou plots, zoo in den naklank, had ze ook veldwachters stem herkend.—

—Groote genoade.... be-jai ’t Nooter?.... omme Hassel? hep ie nou weer stole!.... stole?.... hailige moagd;.... hep ie?.... hep ie?.... ja seker is t’ie er uit weust.... seker.. seker!....

Haar stem melodramatiseerde ontsteld, klonk schril van ingetoomde blijheid en plechtig sloeg ze met ’r vette handen ’n kruis.... Nou àl wou ze ’t erger maken, dat Ant weer ereis zou zien wat ’n skorem se had an Kees.

—Schrik maar nie soo, vrouw Hassel, wij kenne ’t niet helpe.. wij worde hier gestuurd!.... van wege de burgemeester.... wij motte huiszoeking doen!....

Wierelandsche agent, wit-dik behandschoend, stil arm op sabelknop, kuchte deftig-instemmend. De kinders, door z’n zilverig knoop-glimsel gelokt, drongen met hun verschooierde lijfjes om ’m heen, wèzen wat, en de rood-sproetigen bekibbelden de aschblondigen. Hun morsige gezichtjes strakten in spanning, en bang-ontdaan, keken de oogenpaartjes òp naar de politie.

Wimpie begreep iets; hoorde in beving, dat ze op z’n vader loerden, dat die gestolen had....—Onrustig-opsjokkerend, met beender-mageren armenstut onder lendenen, dat z’n zandzakken zadderden tegen bedjeskant, grabbelde ie de rozekrans van z’n hoofdplankje en bibberde met z’n vaal-bleek paarse angstlipjes wat „Weesgegroetjes” af.—Schreiend daartusschen angstigde z’n stemmetje òp naar z’n moeder....

—Wa’ nou?.... wà’ nou?.... slaap-gaapte Ant uit zwaren dommel.—

—De pelisie, zei strak-dreigend vrouw Rams, woest-blij, verwachtend schrik-angst op Ant’s gezicht.... je sloerie hep stole.... komp eruit.... de pelisie!!

Ant, in ontstelling, schokte overeind, sloeg ’n kruisje, bonkte Kees op, over ’t kindje, dat tusschen ze insluimerde, met z’n kopje afgezakt op nat-uitwasemende broek van Hassel. Met de vuile dek-lappen ’r naakte borst bedekkend, stak ze’r magere hoofd, halsrekkend ’t bedsteetje uit, dat d’r blonde haren van ’r wilden, ongekamden ragebos, langs d’r bleeke kaken slierden.

Nooter, de veldwachter kwam dichterbij Ant’s bedstee staan, brutaal door rarige verlegenheid.—

—’t Is noodig vrouw, d’r benne f’nacht vier koppels kippe gestole!.... vaif kippeloope opegesneeë!.... Vaiftig stuks.. en je man was d’ruit!.... met se sesse.... ieder sel wel wàt afgemaakt hebbe!.... De heele plaas hep pursumsie op sain!.. d’r mot onderzocht worde....

—Moar Kristis.... daa’s puur jokkes!.... hai hep geen veertje meebrocht.... Kees!.... Kees!.... d’r is de pelisie!.... Kéés!.... Kees!.... héé!

Zwaar grommend, dommelig in eersten, vast-diepen slaap, schudde en krijschte ze’m wakker.—Opgewonden, met stootende, gejaagde woordjes vertelde ze’m haastig, waarom ze ’r waren, de politiemannen.—

—Wa?.... wa?.... pelisie?.... ikke stole.... ikke?—Dat dofte door z’n kop....

Diep klonk uit bedsteetje-engte z’n stem van ’t muurtje àf.. kalm en luiig van slaap.

—Nee manskappe!.... hier is t’met niks!.... la’ main là’ main! opmercheerd!.... mars!

Nooter wenkte den agent vluchtig om zich ook voor bedstee te posteeren.

Ant lag te bibberen, met de lappen om ’r naakte borst en lijf gekronkeld.

Veldwachter verwachtte wel dat Kees ontkennen zou, maar de kottebijers hadden schoten gehoord; dat moest, moest Hassel geweest zijn. Alléén had ie ’r niet heengedurfd, maar nou met z’n besabelde makker, Kees zelf slaperig in bed.... nou had ie moedje!..

—Ja Hassel, da’s puur mooi praàte.... maar.... maar d’r mot ondersoek weze.... de burgemeester wil ’t.... daar is ’t mee uit!

Wat dichter nog voor ’t bedkrot stonden ze opgedrongen, loerend naar ’t duistere trage beweeg van Kees’ bedonkerd lichaam en armgerengel.

Eindelijk, Kees heelemaal uit den dommel, met nog zoete rekkerige matheid in z’n leden, begon te grommen. Dá’ was puur ’n karrewei.... Nou moste sullie sain hebbe!.... Godskristus aa’s’em terge gonge!.... dàn gong ’t goed!.... gong ’t goed!.... Wacht!.... kaike.... verduufeld.... ’t is Nooter.... die kwinkwank!.... die faine ploert!.... die sain altait op de hiele sat!....

Nooter en agent, fluisterend beraadslaagden wat. Agent meende, dat ie korte metten most make in die schooierspan en veldwachter had weer moed je gevat.

—Ben je f’nacht thuis geweest? klonk Nooter’s stem, waarin ie dreigzwaren klank wou leggen van strengelijke ondervraging.—

Wimpie kreunde angstig.... Moeder.... moe.... der!.... Maar bedsteedeurtje had vrouw Rams van Ant’s krotje uitgehaald, dat ze ’m niet hooren zou en tast-vaag liep ze op ziek kereltje aan, om ’m ’t bange roepen te verbieden.—

Kees had weinig lust te antwoorden, voelde kregelig ’t opgeblazen-brutale van veldwachter in z’n stem, maar eer ie ’t. zelf goed wist, had ie „neenet” gezegd.

—Soo! moar goed dá’ je niet ontkent!.... En waar ben je geweest?

Te koken begon ’t in Kees, te gloeien in zacht-stijgende drift, die tot razernij in ’m gisten ging, zoo, dat ie niets meer zag, niets meer voelde, dan heete haat en rauwe lust in woede-koeling.

Eerst had ie schijn-loomig, z’n oogen uitgewreven, was toen plots, met forschen zwenk over kind en vrouw heengesprongen. Z’n half gedroogde, verkreukte broek, plakte aan z’n reuzig lijf, en z’n groenige beschimmelde jekker luchtte regenstank uit.

In schrik was Nooter achteruitgebeend, met agent, die z’n sabelknop sterker beknelde.

—Wa dondert jou dâ, hee! schreeuwde Kees, in dreig-stand, hoog boven de mannetjes uit.... Joà, ik bin d’r uit weust, moar je mo knap sain, aa’s ik je seg woàr!....

—Moar de burgemeester....

—Stik veur main part jouw burgemeester!.... bulderde Kees driftig uit, met ’n greep naar ’n kruk die hij in ’n ruk boven z’n macht hieuw door kamergrauw, in woest gebaar, alsof ie ze de koppen wou plathakken,.. en nou kort en goed!.. wil jullie main mi rust loate?.... sure kwinkwankers.... denk je daa’k main hande vuil moak an jullie vuile natte kippies!.... bi’k soms ’n dief?....

—Stroopers,.... sain dieve!.... zei Wierelandsch agent, zenuwachtig-moedig, met z’n hand zwaar wiebelend op sabelknop, lichtelijk kuchend. En Nooter, verbleekt, stembeefde, zei dat Hassel zich kalm houden moest.

Kees had de kruk neergemokerd tegen den grond, in woesten stommel en z’n handen in de broekzakken gedrongen, woelde ze daar tot bulten op z’n dijen, om te smoren nog drift die àl erger te zieden begon, op te loopen in z’n oogen, in rooiïgen duizel van hitte. Z’n lippen, fijn, persten op elkaar, strakten in wreed-kouden mondsar en dreigstil keek ie agent aan.—Hij wist zelf nog niet goed wat er in ’m kookte en gistte.... Wel voelde ie driftduizel aanzieden.... Er broeide warmte in z’n kop.... En toch wou ie sarren, wou ie iets koels, iets wraaktergends doen, nou ie wist hoe leelijk ze zich vergisten.. Nooter, ziend z’n weifel vermande zich weer wàt.

—D’r mot ’n ondersoek in ’t heele huis gedaan worde!

—Sóó zei droog-sarrend nu Kees, met slaap-gaap achternà.... Soo?.... nou, begin moar!—Lollige hoon zat er in z’n verzoek, dat ’t de kerels prikkelde en verlegen maakte, tegelijk.

—We beginnen bai ’t bed.... zei plots agent, die wel gehoord had dat stroopers onder de beddeplanken hun waar verborgen.

—Soo?.... mooi!.... waif!.. waif!.. d’ruit feur de heere!..

—Ja, vrouw Hassel, je mot d’r effe uit, drong veldwachter aan, verlegen-angstig onder de buiige zwenking van Kees’ driftige woestheid, naar gullige inschikking.—

—D’ruit?.... nou?.... aa’s jullie d’r dan moar effe weggonge!....

—Nee vrouw Hassel.... da’ mag nie! je mot ons nie beduufele intijds!—we sain d’r in naam d’r wet.... en nou gaan d’r uit.... anders selle we je anders leere!.... allo!!

—D’ruit waif! scherpte Kees mee, die d’r lol in kreeg, daa’s nou je broave kattelieke Nooter!.... nou wil ie je te kaik stelle!....

—Da’ lieg je Hassel.... se mot d’r uit!.... kort en goed.. we late ons eige nie beduufele!....

—Hier moeder, pak d’reis kind an!.... hier!.... gaif main m’n hemd van achterend!....

—Nee vrouw.... d’ruit.... geen praatjes langer nou!.... sonder hemp slaap d’r niemand, zei barsch agent, die nu, naar ie meende scherper, juist wenkspel tusschen Ant en Kees had opgevangen....

—Hailege moagd!.... Nou he’k gain hemd an main laif!.. kaik sellefers.... dâ ’t te drooge hangt!.... hier.... bai ’t achterend!.... moeder!.... moe-der!!.. gaif jai toch!..... neenet.... doar!....

—Verskain veur de heere!..... sarde door Kees, al bleeker, en scherper bebijtend z’n lippen.

Agent stapte naar voren, trok Ant bij de lappen, die ze voor d’r borst gekneld hield.... ’n skandaal, da’ tuig! nog soo’n larie, gromde ie.

—Motte we je d’r uit sleure!.... in naam der wet.. vrouw Hassel?....

—Moar,.... stern-smeekte Ant, zwaar in angst-schaamte.—ik ben puur noakend.... puur!....

—Allo.... dan maar nakend.... ben je bedonderd!.... en nou d’ruit.... in naam der wet.... nog éen woord tege!.... en we trekke je ’r doorheen!.... baste agent nijdig, dat ze ’m met zoo ’n sluw praatje wouen afwijzen....

Ant voelde dat ze niet langer kon.—Met ’n lap voor d’r buik strompelde ze moedernaakt ’t bedsteedtje uit, huilerigingekrompen,.... schreeuwend van schrik en schaamte....

’n Skandoal!.... Wimpie!.... bid feur je moe.. der!.. bid.. jonge!.... main jonge!

Beduusder keken de wetmannetjes toe.... nou was ’t toch waar geweest.

Spiernaakt holde Ant ’t achterend in, in ’n wilden greep, op den grond, naar wat smoezel-doorlapte gehavenden rokrommel, waar de bellen bijslonsden.

Kees lachte, werd grauwbleek toch.—’n Oogenblik had ie gedacht, dat Ant maar wat gezegd had, als uitpraatje. Nou zag ook hij z’n vrouw, naakt, ingekrompen, ’t bedrandje òpstrompelen, verkronkeld in schaamte en woede.

Zacht smonselde agent met veldwachter, begonnen zij ’t vuns-stinkende krotje te doorzoeken, van plank tot plank, veldwachter verlegen, nou Ant geen uitpraatje had gemaakt.

—Is ’t ’r hier nog wat onder Hassel? vroeg Nooter.

—Wa’!.... wà!!.... stootte Kees zoo doorgramd van beefdrift uit, dat Nooter achter agent omdraaide, z’n vraag niet herhaalde.

Stil stommelden ze ’t bed door, overal loerend in holletjes en gaatjes, leien de vieze stank-walmende dek-boel weer recht, loerden in kamerhoekjes, gangpunten, op ’t erf, zonder dat ze iets konden vinden.—Wimpie lag ontzet te staren, naar z’n vader die in de kamer was blijven uitkijken voor ’t cel-raam. Ant vermorst en beverig in haar schrik, sjokte met smerig kort rokje en ’r triest rood jakje waar de gaten door heenoogden, tusschen kinders in, voelde half-natte hemd nog killig geplakt op d’r lijf.

Beduusde gezichten trokken de politie-mannen. Niets was er. En toch zoo op heeter daad betrapt!

—Dat sel ’n verkeerde persumsie weze, lijzigde deemoediglijk Nooter.

Niets zei Kees. Hij kon niet, kòn niet. Er dromde weer dierwoeste drift in ’m op.—Rondkeilen moest ie de kerels. Nog één woord, en Nooter zou die ’n veeg op z’n schijnheilig bakkes smeren! Uit den hoek wel, zag ie al lang op zich staren, doodsbleek kopje van Wimpie, zacht-verschrikt gelach van z’n bevend-paarse lipjes als z’n vader ’m aankeek, zenuwlach en schichtige spiervertrekkinkjes om z’n mond.

Nee.... neenet!... hij sou.... sou kalm blijve.... die jonge sou ’t besterve!.... Moar snof’rjenne! aa’s tie toch effetjes moar!.... effetjes moar.... ’t kereltje lie links legge.... effetjes moar.... effe s’n aige koele op die snuiter!—

De mannen draaiden nog rond.—Agent wijs-deftig wou wat zeggen.

—Nou dá’ kom je goed van àf man!....

’t Kropte.... ’t kropte.... hai kon ’t t’met nie houë!.... doodsloan moet ie dà tuig, meppe!.... meppe!.... meppe!! da se d’r gebroke bai neerlage.... nou sàin nog sarre! uit z’n sloap hoàle en sarre! Joa.... joà, hai sou ’t doen!.... Wimpie nie.... nie sien, Wimpie....

Een bloedsuizel verdofte rood z’n kop,—z’n oogenkijk brandde strak tegen de kerels op, dat Nooter, angstig naar de deur liep, haastig, gejaagd, met agent er achter.

—Voader.... kom je effe bai main... Wimpie is soo bang!.. soo bang!....

De mannen stapten uit en Kees, in glorie van woede, die ie net hevig voelde opduizelen naar z’n kop, stond in sprong klaar, om agentje neer te smakken en z’n spitsen parmantigen snuit tegen den muur tot bloed te hengsten, te bemokeren z’n kaken,—met z’n hakken ’m stuk te trappen.

Zoo, zachtjes, in driftduizel zag ie ze wegstappen, zonder dat ie zich verroerde, met vaaggehoord smeekstemmetje van Wimpie in z’n ooren, dat ’m terughield, terughield van razenden aanval.—Van alle kanten, in morsige drommetjes en havelooze plunje, doorvreten lap en bel, stankzwaar, sjokkerden de ontsteld-verstilde kinderen weer kamergrauw in, zuigend en smakkend op broodbonkies in d’r smerige knuistjes.

TWEEDE BOEK

LENTE.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Er was klomp-klossende drenteling, lichtelijk vroolijk geklank van de tuinderskerels op de akkers van Wiereland en Duinkijk, ’t groentendorp dat rondom ’t plaatsje dromde met z’n velden. Blauwe en lichtbronze kielen fladderden om stoere werklijven, in winderig weer, brekend in kleurfrissche helderheid de nagrauwing van ’t winterland. Maart-maand had blond-grillig licht door ’t tuinbouwstedeke en Duinkijksdorp gewuifd. Tusschen aarde-schraalte schoot zonneblond en droog lag ’t land, in koelen gloed, onder wilde vlucht van zilv’ren wolkcentauren en sproke-vogels, in lichtenden zwanengang, als booten door luchtzilver aandrijvend en uitzeilend, statig en geweldig in pracht van zeekant naar polderland. Maartsche wolkenstoeten, langs blauwige luchtstranden, zich langzaam vervormend in toovergedaanten van langhalzige graalzwanen, ontzaglijk in vluchtwijdte, zóó dreven de wolken-vogels, met vlerken van groen zeelicht doorschijnend, de blanke schitterveeren zilver-dauwig bedropen, langzaam sluitend en spreidend de parelende wieken. Zeilende kano’s van Vikings, optocht van gondelranke, spits-fijne scheepkens, zacht-zeilend, omzilverd van dauw-licht ’t mastenblank, hoog-gezwollen van windgang. Zóó joeg áán het wolkenspel, omdampt van goue lentelucht, bevlagd met uitgeplooide zilvervanen van hel licht dat voortdreef de luchtvloot.—Naast de zilveren zwaanhals-gondels, die te drijven zwierden, overal rond, overal, zachtkens en fier-gespannen de zeilen, langs onmeetlijk verre horizontbochten, rankten bevonkte galjooten in gril’gen zonneschitter, hun hoog-ranke stellages van kristallige praal geheven in zacht lentevuur.— Zóó, de lenteluchtvloot trok over ’t stedeke, van zee beoorlogend en verslaand doorgrauwd winterruim van Wierelandsche akkers en wei. En elken dag, in Maartmaand, éven maar, trokken òp in zeil-zwenk, aanééngerijde zwanengondels, in stralenden zilverdauw, cirkelend en manoevreerend in bochten breed, langs de luchtstranden, zacht weer terugzeilend naar zee; vloot-stoet, licht en duizel-tintig, omspuid van parelend zilt zilver, tusschen blauw-groen azuur van aanlichtenden lentehemel.

Zóó, onder Maartsche wolkenvreugd, zetten de werkers hun eersten lentedag op akkers in, ontworstelend elk lichtuur, aan weer teruggrauwenden winter, die maar niet wijken wou, telkens om en tusschen de gouïge zonne-uurtjes, als ’n reuze-zwarte vogel vóór ranke zonnevloot bleef ronddonkeren.

Er was opfrisschende lichte werkjool in de tuinders en bollenarbeiders gekoortst. Overal, om Wiereland en Duinkijk joeg werkwoeling en krachtige lust om met jongen arbeid, star-starenden winter te verdrijven. Onbewust, stil en onuitgesproken, groeide verlangen in hun harten om door grauw en angstig-eentonig takkenbrons van dorp en plaats, zomerwereld van kleur en licht te zien trekken, zooals die alleen oplaaiden in Wiereland en Duinkijk in gloei en vlam, in kleur en gloed van ’t wellust-doorkoortste groen, het vol-zoete groen, diep en licht; groen van ’t stedeke, met z’n praal-prachtigen hoogen omgroei van labyrint-lanen en paden, tuinderij en bollenakkers overal rond. In de straatjes was klosgang en drukkig verkeer bij zaadhandelaars en overal klonk klankrijker gepraat over zaaisel en maaisel.

In allen leefden drang naar arbeid, warmer lust in grondwerk, in woeste teelt, de grauwe aarde te omkleuren met groen en zongloed.

Door de bollenvelden liepen de werkers in de buiige, grillige schijnselen van Maart, en de bazen achteraan, heerig nog in hun boordjes en blankend overhemd-wit, speurend met angst in ’t harte, naar vorstschade, wijl ’t gewas den grond al uit kwam loeren.—Zìj ’t eerst, hadden alom, in ’t wije grauw-brons van nog niet beteelde tuinderij-akkers, hun velden al zachtjesaan zien opkleuren, in licht- en donker groen. Hier en daar droegen ze al ’t dekriet van krokussen en hyacintenloof weg, op rood-begloeide burries, die vroolijk vlam-streepten in den jong-aarzelenden dagglans. Kaal nog wel en vaal, stonden de hagen en de boomen op paden en wegkanten in jong geknop; bleven nurks grimmen in hun dor getak, tegen den stoeienden, fladderenden Maartwind en blonden lichthemel in. Maar al drukker ging beweeg onder de werkers, en ’t rhytmisch geklos van òplevenden klompgang,—heel anders dan de wintersche melancholieke klosloop,—klakte, hamerde en weerhalde op de keien, op den grond en overal dromden groepjes tuinders rond ’t land, met zaadzakken en kleurfelle emmertjes, helle zomersche toetsen rood en hardgroen, tegen wild-zilveren wolkenluchten en veldbrons; was er licht gespit en omgewentel van aardgekluit, teeldrift en groeigang door de nog grimmige akkers.

Ouë Gerrit stond met de lijn in z’n hand bedjes af te steken, langzaampjes en strammig. Piet trok voren met z’n schoffel en achter ’m aan, hurkte ’n helpertje, tuinboontjes in regels regelend.—Dirk, met z’n zware gestalte, tegen ’t lichtende veld-brons, stond vroege doppers te planten. Met z’n erwtenplanter in de doorbarsten knoesthanden, waarop nu, wildblond in ’t licht, de haartjes prikkig warden, bukte ie zwaar op de brug van ’t groote gereedschapsbrok en drukte in zachtkrachtigen zwel, met ’n trap van z’n beklompte linkerbeen, de ronde tandenrij als ’n beet van den planter, den grond in.—En telkens, in luchtig sliertgebaar, rukte ie, in halven kring, zware brug uit de aarde, zette kalm naast laatst-gestooten erwtengaatjes den planter neer, gaf ’n trap weer in zwelkracht, één rukduw met bovenlijf op den brug, rijde zóó door, achteruitstappend rhytmisch, naar den ouen Gerrit toe, die strammig langs z’n lijn slofte. De klompen van den Ouë te groot, gaapten telkens bij elken slof open aan z’n hiel, dat z’n fel-paarse kousen opkleurden onder z’n loop, bij iederen stap z’n beenen weer verzakten, in den pas gespitten grond.

Er was al volop werk voor ’m. Toch zou ie ’t langzaampjes-an doen. Haast had ie niet. Wat hij deed was maar toegiffie. Dat wisten de kerels wel. Onder ’t ophoogen van de bedjes en ’t aanstrakken van z’n lijn, zeurde zorg in z’n kop, die ’r al ’n poos niet uit wou. Hij had ook in lang niks beet gehad. Dat maakte ’m korzelig. Nou dacht ie méér aan z’n tuinderijrommel. Telkens hadden de steelkansen slecht gestaan, was ie z’n toestand benauwder gaan voelen. Dit jaar had ie zich nog voor ’n prijsje van de koeien afgemaakt. Maar wat ’n nacht was dat nou gisteren voor ’m geweest? Hij, met z’n oue, doorstramde karkas, d’r ’s nachts op uit, op de nachtboot, met ’n koe achter ’m an. Nee, da gong nie meer! en dà trekke, sjouwe en afslag op de mart.... da loope, strije en baidraaie.... Nou was tie d’r mi ’n sestig gulde verlies affêkomme.... dá’ was puur ’n duut.... Moar dá’ hat tie s’n mellekie veur.... en de mest.... de mest.... meskien tùg kiet? veleje joar had ie s’n heule mest vrai had. En tùg nog had ie twee koebeeste veurskot skuld.... En dan.... wá’ kon ’t sàin skele.... de boel gong tùg de loorem in.... Nou al twee keer had ie handgeldje van de netaris genoje.... vaifhonderd pop.... da waa’s.... da waa’s.... van dertig joar rente.... En nooit nog ’n sint had ie aflost.... Dá’ liep moar op.... moar op.... Hai kreeg s’n rente.... Moar hoeveul?.... f’rdomd aa’s ie ’t wist!.... ses persint!.... En dan nog se hypeteekie.... s’n pàcht, s’n hypeteek-termaine s’n.... hu.. hu.. hu.. jonge.. jonge da sel main d’r ’n joar worre.... Al twee keer was ie s’n landpacht achter.... en al één keer s’n borge ansproke, die niks meer mit ’m wilde. Dàt moàlde sain ’t ergst!.... Aa’s tie nou d’reis afgong van die vent,.... bai ’n aêre gong.... soo’n jongere snuuter.... die nieuwe doar.... mi s’n bank.... enn.... aa’s tie.... aa’s tie jonge kerel d’r nou d’reis rejoal see woar d’r op stond mi sain.. Want nie een die wist dat ie d’r soo baisat.... enn aa’s tie.... aa’s tie.... aere!.... die Gouws tie.... d’r nou d’reis see.... dan kreeg ie miskien nog wa sinte.... ho.. ho.. ho.. aa’s tie die jonge snuuter d’rais alles see!

—Hee Ouë!.... trap de greppel nie in!.... schreeuwde Dirk, die net zag, hoe Gerrit rugkrommig peuterde met z’n lat, waarop voetenmaat stond ingekerfd en in zeurderige zorg-gedachte op de greppel was gaan staan. Hij schrok.... donderjenne!.... wá’ kon ’t sàin skele.... hai mos de boel moar late woaie.... Had ie nie s’n spulle.... s’n goed?.... Aa’s t’r moar niet soo veul loervosserai was op ’t veld....

Wijd en ongedurig lichtte Maartschijn over de akkers rondom. Van alle kanten kreunden en kraakten in schommeling, werkkarren op de nauwe paden naar ’t land, kruiden kerels mest in kruiwagens, piepknarsend over planken loopertjes; stapelden ’r bergjes vettig op drogen akkergrond gekwakt, als zwartig-blauwe kwallenhoopen. Van ’n schuur fonkelde ’n glazen dakpan, als dagster, zilverend neergelensd tusschen de akkersingels.—Bedrijvigheid van bukkende en sjouwende kerels, met rood-vlammige burries door de greppels, drukte òp van de bollenvelden en als in voorhooi harkten enkelen bij plekken het dekriet dat opstoof in hooierige slierten, van ’t àl groenender loof bijéén. Dreigend waaierde plots de lucht uit aan één kant, over wijd brok land.

Ouë Gerrit stond er naar te kijken. Nou al dertig jaar had ie hier op de Beek, tusschen bollenakkers, ’n half bundertje grond gehuurd, waar ie van alles had gezaaid. En nou, nou moest ie d’r volgend jaar af. Onder z’n pooten had die voorskieter, zwager van dokter Troost den grond verkocht.

Nou kon ie blaive meskien.... meskien.... aa’s tie twee honderd golde meer betoalde p’r jaar!.... Moar dâ kon nie.. kon nie één tuinder.... Nou wist ie wel dat ’t land weer an de kweekers gong! Die slokten de heele ploats in,.... die konne meer betoale.... En.... wá’ noodig had ie dá’ brok, dat mooie brokkie hier mi s’n bestigste àfwoàtering nog van de heule ploas!.... Hai mit z’n slechte darie-grond, àchter z’n huis.... en kaik d’res an.... wá’ die plek hier mooi lai.... allegoar die hooge boome gunters.... en nog meer boome tut an de Beekerweg.... En kaik doàr die kant van ’t groote bosch.... al die iepe doar.... en die popels!.... En doar midde in.... de bolleakkers!....

Ja, nou ie zoo keek Ouë Gerrit, wijd-om, tot aan de boomdiepte van ’t bosch, prachtig wijd brok land over, nou giftte ’t duivelsch in ’m dat ie hier af moest, ’t beste stukkie. Met ’n handje mest was ’t altijd klaar. Als ie z’n lappie in ’t duin, mit aarepels en erwten nou nog moar houen kon?.... Moar kristis.... wá’ had-die f’doàg tug in z’n kop.... t’met allegoar sorgseurderij!.... Ho.. ho.. daa’s puur daas.... héé!.. da gong tug stil s’n gangetje.... Dan moar de boel veur de wereld.... Aa’s tie de loodpot had van s’n broer, waa’s tie d’r allangerst van deur gonge.... kaik die hep nou vlak noast sain hee, s’n bunder.... Moar, wel neenet.... die gong d’r nie of!.... die betoalde meerer!.... Moar wá’ kon ’t sàin bokkeme.... Hai had sain genot.... da’ wist puur g’n sterveling.

Weer stilletjes strakte en trok ie z’n lijn over den roestigen kluitigen grond, een steek omgelegd en Dirk bleef z’n zwaren blauwigen erwtenplanter lichten met elken trap van z’n reuzigen zandklauw, duizend donkere gaatjes in den rullen, bronzenden spitsgrond prikkend. Overal lagen hurkende kerels in blauw en brons gekiel, op de nog woest-bronze aarde, tot schemer graaiend en kervend met d’r brons-reuzige handen; de aarde, die stil-ontzag’lijk zich liet gleuven en pletten, verhakken en uitdelven door de noestige mensch-werkertjes.

Den volgenden dag was Ouë thuis gebleven. Hij had kou gevat in den Maartwind.—Dirk stak de bedjes af, lei de paadjes glad, groef en wroette in ’t zand, met hartstocht en lust en harkte in sierlijk-lichten zwaai, grondbobbels en kluitjes gelijk over de bedjes, luchter scherend met de beklonterde harktanden, in zweefkringen langs den grond.—Elk bedje, onder zijn hand, kwam prachtig gelijk te strekken, met recht afgelijnde paadjes ertusschen gediept en telkens kleurde onder z’n schoffel en hark, de bronzige zandgrond in lichtigen roesttint, fijntonig geschakeerd van afschoffeling en aanharking. In z’n stommen arbeidstaar lag werkgenot, om netjes te zijn, voor zich en anderen die langs zijn veld liepen. Breed-zeker drukte z’n klomp den weeken gespitten grond in, langs de bedjes, gebaarden z’n armen in forsche harkhalen, vierkanten in symmetrische vakken de akkers, voor ’n paar uur nog ruwonbewerkt, doorspit in roestkluitige woeling.—Tusschen de erwten hurkte Piet, met jonge aardbei-plantjes, die hij wortelteer den grond inkuilde. Peuterig werk voor hem, waar ie ’t land aan had. Dat was maar den heelen dag, met z’n dikke stompe vingers den grond openboren en heel voorzichtig, vezelig wortelnestje kreukloos de duffe aardkuiltjes indiepen. En elken dag, dan dezen dan dien hoek uit. Nou, binnen ’n paar dagen werd ’t jagen. Van de spinazie naar de wortelen wieden, van de erwten naar de boonen. Zoo, drukkig door, tot ’t ze groen en geel voor de oogen wier, ze zelf niet wisten wàt ’t eerst te doen.—

Tegen einde Maart stond ouë Gerrit weer op ’t land, met kleine gebaren en half bochelend, voorovergekromd z’n schonkige lijf, uit z’n emmertje sla te zaaien in lange lijnvoren. Er was wat zonnig middaggoud, in rooiïge weerschijnen over de werklijven heengedampt, toch zonder warmte. Alleen vloeide er lichtglans die warmte leek, ijl en in de lucht zilverden wolktronen door ’t lichte blauw, waarachter wind joeg, guur, maar frisch en dartel-blijstemmig.—

Met werkstil, diep genot plakte rustig Dirk z’n bedjes wortelzaad in, in doffe kloppen met plakker op ’t zand, zwijgend, in den ernst van z’n arbeid en innige gehechtheid aan saizoenen-werk. Piet, achter ’m aan, strooide in zwenkend uitwaaierend gebaar, ingehouen toch, nog wat raapstelen en wortelzaad na. Dadelijk hakte Dirk bezaaide bedjes in, met z’n harktanden omwoelend den grond, dat ’t zaad in grappige sprongetjes opdanste.—Z’n lijf stond krom en z’n gezicht wreed, werkstrak. Heel den middag door hakten en kerfden z’n harktanden overal de bezaaide bedjes, bang voor vogels, die de korrels anders wegpikten. Dàn plakte Piet den grond dicht, achter ingehakte woeling, glad als asfalt, dàn Dirk achter hem, in onbesproken wisseling van arbeid, ’n Greppel van hen àf werkten de neven Hassel. Flauw brommerig gegroet was er tusschen ’n paar, dat in den morgen éven gromde, maar dadelijk dreef de vijandschap weer boven, vrat er dieperen haat in, zonder dat ze familie-ruzie van de vaders ooit elkaar verklaard hadden. Piet had juist Willem Hassel, z’n neef, ’n snauw gegeven. Die, verbluft wat, niet klaar met z’n antwoord, stond in verlegen woede de lucht in te fluiten, sarrend den ander, smorend eigen kwaadaardigheid. Oom Hassel, Gerrit’s broer, was ook op ’t land gestapt, manoeuvreerde tusschen bedden en regels in en loerde stil of de neven ook gereedschap van hem gebruikten. Wacht!—daar zag ie waarempel ’n mestkruiwagen van d’r lui staan, even op zijn grond in ’n hoekje achter de voorhaag.

—Weg die rommel, krijschte ie, màin grond!.. màin grond!

Terug morde gevloek, zacht nog van Dirk; en Piet vechtlustig wou ’m wel op z’n gezicht slaan.

—Jou grond, snauwde Piet, aa’s je d’r ofstapt.... ke je de korrels van je klompe skuure!

Dirk, die niet erg hield van hurrie, had den kruiwagen ’n stomp duwetje gegeven, twee voet naar hun eigen akker toe. De neven, stil, bleven aan ’t inhakken van zaad of harken, zeien niets, keken maar strak op den grond en ’t zaad, dat òphuppelde onder harktanden. Soms, éven klonk licht gezang van mannestem uit bollenland, tenorig-hoog vergalmend. Dan plots weer uit anderen hoek woei zangstem aan, in afgehaakte geluiden, door schuddend beweeg van lijf, klonk er nagalm tusschen werkers, hurkend bij hyacint en tulpenloof.—

Hooger in enkele dagen was ’t prachtglanzend licht groen van de hyacinten-velden de akkers uitgepunt, juichend tegen den zilverenden, hooger zich openenden wolkdampigen lentehemel. Breed in vlakkige sier, òverlichtte het de nog grauwbronze aardplekjes van tuinderij midden in. Uit een hoek, bezij ’t land van den Ouë, kwam al zachte violet-paars waas, uit vergroend aardvlak schemeren. Door het haaggetak, van verre al, waasde paarse wasem, in zacht violetten brand, geurende goùdgeel-gloeiende krokussen, wonder-teer wiegelend op toonfijn stengelgroen. Overal rondom, in lanen en veldpaadjes, barstte strijd los, tusschen ’t groen. Fel lichtgroen glansde hoog in pracht tegen malscher kleurnuancen van tulpenblad. Dwars door ’t lichtende hyacintenloof, ’t blauw dof-groen van narcissen en ’t grijs-groene in waas omdampt, van al andere soorten. En ’s avonds, als werkers tegen half zeven afstapten van ’t land in lentescheemring; voortsjokten op de eenzame weggetjes, en kronkelpaadjes, tusschen haagjes-engte van tuinderijen waarachter aan twee kanten al uitsapte groente-spruitsel, in àl groenig waas, dan overal kwam hun tegemoet, wit geschemer van sneeuwklokjes, op regeltjes geplant, als dwalend lichtjesblank, afgebrande kaarsjes, die kropen, teer, halfgedoofd langs de donkerende aarde, even soms nog geraakt en opbrandend in flits van avondgoue glansjes. Stil en wijd-ernstig, den omtrek van Duinkijk beheerschend, lag doodstil landgoed van jonker van Ouwenaar, diep verdoken achter hoog geboomte, met de geheimvol groenaanschemerende beuken voor ’t hekwerk.

II.

Hooger en weelde-dieper lenteleven kwam er bloeien en zoet geuren in Aprilmaand, over de akkers. Fel stond ’t groen, narcissen en tulpen in hun grijs-blauwe loof. Overal uit het duizendlanige Duinkijk om Wiereland, tot aan Zeekijk, vloeide áán, de zoet-duizelende geur van bloeiende hyacinten, lichtelijk ontknopt, de lucht doordroesemend, de aarde bekleurend in teer-brozen gloed. Dronken luchtwaaisel, warm en eind’loos zoet, doorgeurd, woei longen in en hooger àl stonden de werkers omlijst van hun sierende singelhagen, op ’t ochtendland. In het getemperd hemelblauw, nevelig doorwaaid van gouïge dampen, stortten de dagen zich uit over de akkers. Heerlijke jonge vreugd-adem zoelde en koelde door ’t bollengroen en licht, in lentevuur, vlamde zonschijn van akker naar akker. Beukgroen van de lanen stond te wierooken in zacht lentewaas, en elk uur hóóger steeg ’t licht, doorvlamde ’t gras in zacht sappig weeldegroen, fluweel groen, zoet-zijïg groen. En de boomen overal traden áán, in fijne sier van jong-puntige blaadjes, overal neer-regenende pracht van satijn-groen over de heilig-stille wegjes met vocht van lentedauw doordrenkt. Overal lichtglans van nieuw leven dat aanzoelen, aangeuren, aanwuiven kwam, tusschen woesten groei van gras, rond wegduikende beekjes, langs oevertjes-stille lommering, langs watertjes, die glans-gouïg en zilverdoorstoeid van lichtrimpeling plasten en terugkaatsten, in bronze bodempjes, hemelblauw en wolkzilver, kristallig en even verdonkerd van gloed. Waar klaar doorhéén kleurden beekjesgrond en koralige steentjes, bloedrood.

Aprilmaand was, verstald als blanke vrouw van mythische sier, ingewiekt met gouen vleugelslag van zonnelicht, tusschen de velden, de eerst nog droef-grauwe landen. Daar zwierf ze plots, in lijnen-woest kapsel, met goudrossigen haarzwier, die vlamstreepte en lichtkringen trok door de lucht en ’t akkerloof. Vóór haar zwierden uit, blank-albasten handjes in godinnegratie, die rondstrooiden zoete bedwelmingen van geur en kleur. En rag schuifelde haar teedere voetjesgang door gras en sierloof, dat er ritseling golfde, als aanvloeiing van fijnregenend fonteingeruisch. En overal waar ze zwierde en zweefde, dàn liep en rustte, gingen zacht branden om ’r heen, kransen van kleur en kransen van licht. En waar haar wisselsnelle voetjes schuifelden en betipten éven de aarde, golfde achter haar aan, blank en blond spel van lijnen en glanzen, die ze terugving op doorvonkte sluiers van kantille-goudgaas, weer òpstrooide in kringen, al breeder en breeder uit, wel grillig en jong-vurig, maar licht en juichend; glans die gloeide, licht dat duizelde, bruiste en vonkte op de warmte-inzuigende aarde.

Er was vroolijk gestoei onder de werkers. Ieder voelde wat aanvloeien van de bedwelmende Apriljool in lucht en grond, hoorde schuifelen den schalkschen stap van de vrouw met ’r goudrossigen haarbrand.

Op de akkers was drukker beweeg en blauwkielen, diepkleurend met burries, vlammig beschilderd, droegen sneller dekriet tot hooibergen, hoog dofblond, even door avondzon in rooden gloed getooverd.

Rond de akkers was nog druk gespit van bollenkweekers op hoekpunten. Op den Beekhoek, zwaarder omdromd van groen, stond Ouë Gerrit te kijken. ’n Bed van ’m af hurkten Dirk en Piet tusschen de aardbeien. Overal rondom, piekten tuinders rijzen den grond in, die al klaar lagen op losse bossen tusschen de erwtenpaadjes. Licht-even groenden de doppers de aarde uit, in scheemrige fijne regels. Het dooie-grijs-brons rijzenhout brak malschen toon van ’t sappige gras in den omtrek. In één dag stond laag-groen landschap doorpriemd van bajonettigen stand van rijzenhout, mans hoog, vèr over de akkers. Als gepiek van verweerde en beroeste geweerloopen knoesterig en takdood, stonden de rijen hout tusschen het jonge doppergroen. En tusschen hekjes en stekjes, àchter takjes en knoestjes, schemervlekten hurkende kerels in blauwkielen als gedoopt in afdruipend ultramarijn. Hun stompe klompenneuzen drukten in ’t zand, als ze knielden naast hun hout en langzaam de rijzen op regels voortschoven, de puntig gesneden knuppels, met forsche rukken en stooten de aarde inborend.

Na eetuur van twaalf, stapten Dirk en Piet achter hun huisje op de akkers, wat spinazie snijend voor de markt. In groote bakken, vurenhout kistwerk, beschilderd met blauwe letters G. H., zeisten ze de spinazie bijéén, op bosjes, losse blaadjes, geurige jonge groenten, dat het glanzende sap van hun messen afdroop en zoetige lucht, frisch en prikkelend de bakken uitwaaide. Dirk sneed kalm en zeker, Gerrit laadde op, Piet sjouwde de kisten naar den wagen. Na ’n uur werken trok Piet naar de haven, waar al lichtelijk en duizelig door-eenwarrelend gedrentel van marktdrukte joelde. Groenteventers van ’t stedeke, zonder land en zonder eigen waar, stonden gedrongen om tuinders die te veel goed hadden en niet meetrokken met de tuindersbooten op marktdagen, naar Haarlem, Amsterdam. Aan walkanten, en onder áánlichtend groen kastanje-lommer van de havenboomen, vlak voor ’n rij woonhuizen, was uitstalling van jonge groenten op straat, in manden en bakken, van walkant tot aan de stoepe. ’n Ophooping van karren met stilturende trekpaardjes en ezeltjes, warden dwars en scheef bij elkaar. Stille koop voor afslag klonk ’r vóór dat tuindersboot aankwam om op te laden. Boven haventje dreef geweldig wijd-uit, wolk-doorzilverde polderhemel, en boven één hoek naar spoordijk grauwden paarse waterdragers.—

Aprilvrouw was, koketteerend en tartend, met ’r rosgouen zwier van wapperhaar en omslingerd van door-zonde sluiers, in ’r ranke gracie en vlammensier, al dagen achtereen weggedoken, had sarrend en schalks in háár plaats gegoocheld, grimmig klownig weer-duiveltje. Van overal dreigde wintergrauw in de luchten.

Reuzige ruïnen, omsmeed van licht-zilverend, afgebrokkeld poortwerk, breed en diep-verhallend, dreven prachtzwaar in den ochtend, met hooge bogen van wild licht omspannen, boven geweldige polderwei en haventje, om in stillen val in te storten tegen den middag, te vergrauwen in angstzwaar, woest regenzwerk.

Onder de spoorbrug, waar de tuindersbooten doorstoomden, spartelde tusschen het sluizig-diep schaduwdonker gemuur, lichtende plasglans van waterzilver, nauw-kronkelend door bruggeboog. Zwaarder boven den spoordijk, rond polderruimte donkerde ’t regenzwerk; droef daarin de gasreservoirs, die er neergetold stonden als duistere kringkazernes zonder ingangen.

Op den spoordijk, tegen fel-scherpe lichtwolk brak donker uit, lichaam van seinwachter, die draaide aan z’n paal voor z’n huisje, dat er parmantigjes, klein-hoog stond. Langs den havenwal joeg gewoel en gedrang van tonnenschuiten, tjalken, bokken en pramen. Uit meelsloepen klauterden telkens wat kerels, wit bestoven, met zakkenvracht, wit-doorpoeierd op den rug. Zwaarder in paars-duister omdreigde polderlucht de haven met spoordijk en plots door grauwblauw gewolk, rende lokomotief met wagens aan, doorstormde in donkere vlucht hemelzwerk, ijlzilveren stoom uitblazend tegen dreigenden wolkachtergrond. Rechts naar station, eenzaam boven het aansjacherend marktgewoel, hoog uitwiekend door grijzen luchthoek, in statige wenteling van windgang, keek reuzige molen over polderruimte. En rond hem, laag als neergebrokkeld, huiskrotjes in rood gedak, schuil achter en onder boomgroen. Enkele bootjes, vereenzaamd, lagen geankerd op stil walkantje, vlak bij de polderhoogte, buiten sjacher-rumoer, waar hun kajuitsoogen net even boven water staarden, wijd-open, als gesperd in benauwing, met de vuil-gele en smoezelig bruine walstrooming ònder hun angstblik. Matkleurig roer-rood en hardgroenen koperen bepuntsels van schepen, boorde door de grauwige drukte. Tonnen, met menierooie bodempjes werden in druk lawaai en geschreeuw loopplanken op- en afgerold, weggeschommeld en recht-opgecirkeld op d’r kanten, in voeten- en handen-techniek, als speelgoed, lichtelijk versjouwd. En overal, tusschen tuinders en venters, dromden kinderen, onder paardkarretjes en tusschen honden.—Havenkroegen liepen vol en gulpten zwoegkerels uit, slokten sjouwers in, kooplui, tuinders en scharrelaars, die afklapten en prijsbedongen. Maar weinig nog was aanvoer en slap ’t groen van spinazie en wat vroege sla.

Later in de maand was Aprilvrouw weer opgerankt in gracie en achter haar aan trok ze diepere streepglanzen en kleurkransen, lichtglorie van aanwarmend zomerland. Struikgroen en jong geboomte stonden te wasemen in dauw en eerste bloemenbloei tooide de ochtendvelden in kleurenlicht.

Zwaar, in zwoeg-ernst, wroetten de landwerkers. Eérst jolig werkgeluk was overal bij tuinders en bollenknechten overgegaan in zwoeggewoonte van menschdieren, stomp omwoelend de aarde. Overal stond strakke loer op groei naar vruchtbaarheid, op aardegistend leefsap, dat in wellustgeur den grond uitbruiste. Angstig was ’t getuur van tuinders en kweekers, stille kijk naar de aarde, bange, ingehouen vraag aan den zwijgenden grond of ie geven zou volop, of ie groeien zou, brengen kwam oogst, leven, of ie werkte, gistte, licht en warmte inzoog.

Lentebrand ging over de akkers, vlammen van schroeiloos zonnevuur. In al de tuinen kwam uitspruiten, asperge en radijs, tuinboonen, lichtelijk zilver beblad, raapstelen, in groenen bosjesdrom, erwtenranken en rhabarber, jong blad, waaronder steel-rood uitkleurde. De aardbeibedjes jongden in d’r hel tintelende groene uitloopertjes, lichter met den dag, dwars door het vaal dorre brons en bloedrood, gouïg-omrand geschub van afgestorven loof nog, dat nazong, tusschen lentegroen, éven z’n weedomlied van herfst.

Ouë Gerrit liep in zoekend getuur naar den grond te kijken, tusschen z’n bedden op de Beek. Dirk schoffelde rond de erwten en Piet met helpertje, armelijk jochie, verzakt in zware man-kiel, wiedde de worteltjes.

—Seg Piet.... hai jai d’r nog doppers.... de wind hep hier huis houe.... nie een die d’r opkomp!.... kaik!.... dá’ hebbe de musse in gefrete.... dá’ tuig!

Dirk sprak, doorwiedend met den schoffelboom hoog, uitschietend z’n armen in breed gebaar.

—Ikke hep hier niks.... hep den Ouë dan nie walletjes anstreke?....

—Wa’ nou.... walletjes? bromde Dirk met z’n rug naar Piet toe.... of dá’ stoàm-erte binne....

—Watte?.... schreeuwde Piet, die Dirk niet verstond.

—Twee swarte katte, bromde nog onverstaanbaarder Dirk, om Piet te hinderen. Helpertje van twaalf, hurkte op z’n jongensknietjes, mannig in z’n beweeg, tusschen de paadjes, achter Piets klompenzool wiedend, nu weer in jonge sla, die al fletsig met z’n geel-groenige schutblaadjes overgeplant, slap treurde. Z’n kleine kinderknuistjes wroetten driftig tusschen ’t onkruid en telkens èven schrok ie met ’n vloek terug, zoog ie z’n hand uit, in den mond, als hij zich gestoken had aan brandnetels. Zwaar doorlapt sjofelde z’n gescheurde broek om z’n lijf en z’n voeten in baggerschoenen,—rooiig en gat-doorvreten, dat vieze teentjes er uit kromden,—plompten weer met zwaren druk op bed-randje van wortels.

—Seg Nailis, wa droai je d’ruit.... wá’ goan dá’ vlug!

—Se heppe main nie vlugger moakt, lachte ie met guitigen kop éven opgeheven uit wiedbuk.

—Hier-op-pan! hee! je hakt puur mi je poote in de wortele!.... f’rwá’ hai je gain klompe?....

’t Manneke bromde wat. Z’n klein bruin knuistje rukte door, vuil uit den grond, in snelle grabbeling steunend op andere hand, gestrekt onder z’n ingehurkt lijfje. Plat op z’n knieën schoof ie voort in buk, al driftiger en gejaagder ’t onkruid voor zich uitsliertend op paadje. Smerige kielmouwen slobberden laag over z’n knuistje op den grond, z’n polsen en hand half bedekkend.

—Hee boàs.... boàs, schuchterde z’n stem,... hai je nog ’n pruimpie.... je hep ’t b’loofd!

—Bé-jai-’t-Hain!.... hier! pakkan.... kanteloep!

Gretig propte ie met z’n vuile vingertjes tabakskrul samen uit koperen doos die Piet, naar achtergedraaid ’m voorhield, en gulziger nog bultte ie propje z’n mondhoek in, zuigend, zuigend, dat ie kwijlde van genot.

—Kâ je d’r nou puur teuge.... je hep ’n kleur aa’s ’n vuil hemp....

—Ho-je-mie!.... ho-je-mie! schaterde kereltje hoonend, met woeste hand langs z’n kwijlend mondje strijkend,.... ikke rook t’met van main sevende joar.... g’laik op mi foader! enne.... main broertje van ses pruimpt wá’ stefig!.... En Kloas Dirkse.... Dirkse hep ’n.... soontje van.... vaif.... die rookt aa’s ’n skoorsteen.... t’met.... vast woar!

—Nou, dá’ pak skeef uit.... dà pak skeef uit mi jou,.... dolde Piet, snel wiedend, rondstrooiend z’n onkruid op de paadjes.... jai bind d’r nog slimmer.... nog slechtiger aa’s ketoen van twee sint ’t el....

—Hier-op-pan! lachte schalksch het mannetje.... ik bin alletaid thuis.... waa’k woon? Bikkepad.... nummertje soek moar!....

Ouë Gerrit sjokkerde achter Piet om, lekker zich voelend in lichte zonnehitte die aanwasemen kwam, en gretig snoof z’n neus aardgeuren, zoelig en zoet. Nou keek ie ereis maar wat rond. Z’n blommetjes had ie op de plaats van Bekkema, al wat gesnoeid, licht werkje. En niks was daar voor ’m geweest. Alles stond er nog potdicht. Alleen ’n boodschap van den huisknecht had ie gekregen, dat ie deze week moest klaar zijn met de perkjes en gazonnetjes vóór de villa! Nou had ie dààn, al van heel vroeg, en rustigjes stond ie te genieten, geuren in te drinken, z’n pijpje linker mondhoek, stevig ingebeten. Lekkertjes dampen zoo, en toch rustig loeren of d’r wat op den kop te tikken viel. Hij dacht over ’n vondstje. Vlak aan den weg, tegenover ’t villatje van Bekkema, was ’n klein huisje getimmerd van ’n fotograaf. Bij dien had ie al ’n paar ochtenden rondgedrenteld en ’n bakkie leut geslobberd. Die vent was heel vrindelijk voor ’m geweest, had ’n paar maal, in allerlei standen ’n kiekje van z’n kop genomen. Dat mocht ie wel hebben zoo, want iedereen zei dat ’t ’n rijke kerel was, die fotograaf.

Damp-zwaar zoog ie òp z’n tabaksrook, dat ’t zacht reutelde door ’t pijpsteeltje.

Lekker.... lekker tug soo’n paipie.... koesterde ie in zichzelf.... soo’n paipie.... in ’n lekker sonnetje.... Miskien oogst tug nog bestig.... enn.... bai die fent.... van de potegroàf.... soo veul moois sien.... Da kon rooie.... puur rooie.... suiver rooie!....

Zoo, in soezelige blijscheutige gedachtetjes snoof ie grondgeuren op, van allen kant, en vroolijkte er iets genoegelijks-rustig in ’m van binnen.—

Rondom stonden de bollenakkers in bloei. Hoog rankten de hyacinten, in hun vakkige stijfheid, uitstortend zoeten, diep-doordringenden geurwalm, en overal rond, vlam-vlekte, broeide, schuimde en bruiste ’t licht in dollen droesem over de kleur-felle akkers. In regel-rij schuimden als sneeuw-schitter, de hoogwitte hyacinten, rein veld van hagelblanke bengelende klokken, uitgalmend geuren. Dwars er tegen, er over en om, paarse stroomen, trillende kleurgolven, in het vochtige daggoud van Hollandsche atmosfeer. Paars, lichter en dieper, stijgend en dalend in gamma’s van gloed. En overal, op de doffe pracht van stengel-groen, gouden trompetnarcissen, als in koperen jubel onder het bevend lentelicht, uittoeterend zonnezang over de velden, wijd-alom.—

Zacht, boven de hoofden der werkers, verliep lentedag in late zon, dwars de boomen, rood-goud door hun groene pracht zeeftend. De lucht stond wolkloos aan allen kant, teer azuurblauw, droomerig ver en diep, wonderfijn ’t licht weerkaatsend, in zacht, nimbusgouïg avondrood, vochtig en heilig. De werkers op de landen, zoelden in ’t zachte groen-goud, en over hun gezichten nimbuste rooiige weerschijn, glans van verheiligd licht. ’t Late zonnevuur brandde op petkleppen van wat arbeiders in de bollen; vuur, dat weerlichtten zilveren flitsen door ’t avondgroen, bij beweeg van hun werkkoppen. Rondom de werkers, overal nog in beestigen zwoeg gebukt, ’t gezicht naar de aarde, gehurkt tusschen hun bedden van groente en gewas, ging zonne-avond rond, in zacht-heiligen brand. Fijn getwijg stond te glanzen als stoeiden er engelen rond-omme de boomen, als dwaalde er toortsen-tocht van madonna’s, gloed zonder vuur, goudene damp, wazig tusschen de bladeren, in roerloozen zwijg van het land. Lang áángehouen, stond de hemel stil, in doornevelde goudrooie glanzen, plechtig en wijd-uitstralend, al lager, lager.—Onderste struikvlammen en boomknoesten gloeiden nà in den nimbusbrand van avondgoud.... Bronsrood verdroomden de boomstammen; laag bij de aarde zonk dieper de zon uit in violet vuur, onder singels en hagenbosschage, over akkerruimte, wijd-om verpralend.

Mijmerende tempering vloeide over de kleurkelken van hyacinten. Zacht doofde uit, de goudfelle zang van trompetnarcissen in het plechtige avondzwijgen en èven nog, brandde na, in schroeiloozen, wondren glans, rood vochtgoud over de huisjes en ruitjes. Wazig en droomerig stonden de verre boomen te luisteren, roerloos naar de avondrust; eeuwig en plechtig stond stil de lentelucht, doorwaaid van zachte geuren.

En langzaam kwam aanritselen heimvol geruisch, uit bosch en zeekant, winde-voetjes door ’t loofgroen, in ruischenden stap, en dieper de zacht uitgekleurde velden, verzwijmelden weer in zoet bloemenaroom, sterker in avondval. Paarse en violette bloemselen ademden uitgebrand in zachten, stillen schroom; blanker in verscheem’ring sneeuwden òp de witte hyacinten.

III.

Acht klompen drongen bij deur-gangetje op ’t erf, stil en schuin, paar-aan-paar, bijeen. De jongens tukten nog nà ’t middageten. Guurt stond op ’t straatje bij steenen bank, borden, lepels en pannen-blauwgoed in werkemmer uit te spoelen.

Ouë Gerrit liep ongeduldig langs ’n rijzenhok. Er moest gegierd worden vandaag. De mestwagen met beervuil stond donker bedropen, in smeuge smeer, achter de bruinige stuit, stankverwasemend over de akkers. Niet goed zetten kon de Ouë ’t, dat de jongens nog tukten; kregelen kon ’t ’m.

—Guurt, roep jai de manskappe d’rais.

—Nou Ouë.... lá’ hullie nog effe....

—Moar main Jesis!.... hullie snurke de honderd uit!....

De hond, vast aan den ketting, uitgemagerd kreupel trekbeest, woelde onrustig in z’n stinkend stroo rond, beet woest in z’n vervuild harig, jeukend vlooilijf dat rondgedot zat met straatsmeer en geel riet, likte stiekem borden van Guurt af, rond ’r bank neergezet.

Giftig trapte de Ouë tegen z’n ribben uithoepelenden bast, dat ie jankend in z’n nauw vuns-vuil hok-donker terugkroop.

—Heeoo!.... hee doàr, wak-kerr! schreeuwde Guurt ’t achterend in, door ’t gangetje, naar d’r broers.

In schrik sprongen ze van den grond, met slaapmom op beteuterde wezenlooze gezichten.

—Main Jesis.... ’t is t’met half twee, gromde Piet, wrevelig en loom z’n rug schurend in felle jeuk-rukken tegen scherp muurbint van stal. Dirk was ’t erf opgesjokt, de akkers over, onrustig naar de lucht kijkend.

—Tjonge.... d’r si puur soo’n klodder raige in de lucht.... dik op hoor!

—Hoho!.... hoho!.... wa sou ’t, hee?.... aa’s d’r t’met moar is, veur giert hee?.... goeiïgde de Ouë.

—Je seurt fierkant Ouë.... sel wel beure....

Loom en rillig van slaapguurte, nog mat zich voelend in z’n lijf, was Dirk op den gierwagen gesprongen en schepte met z’n emmer ’t bruine vuil in z’n kruiwagen. Telkens als kruikar volgegoten was, reed ie op ’n drafje langs erwten en aardbeipaadjes, voet-nauw klemmend bijna, dwars door rijzenengte, naar diep-getrokken voren voor sperzieboonen, die ’r nog ingeplant moesten worden en apart gier noodig hadden. In ’n ouën gieter schepte ie uit kruiwagen ’t vuil, en snel, beenen wijduit, liep ie langs de voren, in stralen ’t vocht voor zich uitsliertend dat ’t kletterschuimde op den pas omwoelden, verschen aardgeur uitdampenden grond.—

—Seg, snert d’r nou nie deur hain Ouë, riep ie driftig naar Gerrit, die van anderen kant was komen kijken.

—Huhu!.... hu.... wa hep ’t weer vorst weust f’nacht, zuchtte ie, main Kristis!.... Kaik gunters!.... hoe die lamme kroaie in de errete sete hewwe.... vier en vaife en nie g’nog.... d’r is puur ’n regel d’r uit.... hoho!.... hoho!.... wa onhail tug!

—Nou.... bai.... ons.... is ’t nog.... hailig.... stootte Dirk er hijgend uit, onder ’t volscheppen van z’n gieter, in diepe onderdompeling door ’t vuil, dat z’n handen dropen.... kaik d’r t’met bai Huuzer.... en bai de Spinnekop.... enne bai slappe Joàp.... dá’ hep ie puur huishoue.... Nou netuurlik.. de spinoàsie ken teuge s’n leed.... Moar mó’ je.... kaike.... an s’n boompies.... s’n oarbaie.... gain blommetjes meer..

Weer was ie, afgebroken de woorden uitstootend, met z’n gieter langs nieuwe rijzen-laan van sperzieboonen gestapt, wijdbeens springend, Ouë Gerrit achter ’m aan, om z’n woorden op te vangen.

—Seg Dirk.... veur wá’ hai je de gierskepper nie?

—Goan ’t soo nie? in tait van nood skil je oarepels mit ’n bail hee?

—Moar.... da’ kê soo!....

—Wa? ke-niet is dood, wille leeft nog!

Dirk was spraakzaam vandaag, lichtelijk opgewonden en vroolijk.

Hij had ’n afspraakje gemaakt met ’n lieve meid, op wie ie lang geloerd had en die sprekend leek op Geert Grint. Nu zat ’r iets te gloeien in z’n stom zwoeglijf, iets prikkelheets, dat ’m lollig en woordwild maakte ’n beetje.

—Nou, bromde de Ouë na,.... hoho!.... ho, moar je hoef je aige.... ommers nie.... soo te bedruipe....

Dirk had z’n laatsten gierstraal kletterend in de voor geschuimd, schurend langs de klompen van den Ouë, die ’m op ’t rijzenpaadje in den weg drentelde. Stank drong er uit de kruikar, die hooiïg vergeurde als in omwoelde voren, ’t beervocht schuimig-gretig wegzoog. Weer was Dirk door nauwe paadjes en smal-beplante wegkronkeltjes heen-gerend, vlug naar de gier-kar, langs Piet weer, dien ie toeschreeuwde.

—Nou ke je, aa’s ikke gekrooje hep, de rebarber stukstoote.. goàte steke, en mest d’rin douë.... aa’s dà nie-en-kan, mó’ je ’t fémidoàg doen!

—Kaik, nou he’k da senefewerkie!.... die f’rjande redaisbosse.... kaa’k nou nie van afsnerte, hee?

Piet hurkte op z’n knieën, snel radijsjes uit den grond trekkend, geplant tusschen lange, jonge regels aardbeien in. Druk wroetten z’n vuile handen in den grond, zoektastend naar de grootste, die even de aarde uitkleurden. Dat was z’n laatste dot! Krieuwen kon ie ’r van! Telkens knelde ie, in warrelige ordening, tusschen vinger en duim, ’t korte loof van radijsjes samen, drukte de witte en rooie in elkaar, nijdig wegkijlend knolletjes met te kort blad, en striemde ’r ’n fransch teentje overheen. Vèrder telkens schoven z’n knieën langs den regel, groeven z’n klompeneuzen, recht in den stoffigen zandgrond, lei ie in kort gebaar elk afgewerkt bosje, met rukmoeite ingesnoerd, achter zich neer op ’t pad. Weer rende Dirk met wagen vol gier ’m voorbij, Piet nog iets toeschreeuwend, dat ie niet verstond. Giftiger gromde drift in ’m van peuterwerkje: dat ’t geen doen was voor kerels.

—Wà bromt die broàsem nou? grom-vroeg ie zichzelf toen hij Dirk voorbij zag rennen. Met z’n kop ingebukt, z’n neus rakend de aardbeiplanten, schoof Piet door, verder, verder, tot ie stuitte op een bed wortelen, waar ie den Ouë, vreemd en in zichzelf hoorde brommen.

Verlangen kreeg Piet naar z’n kommetje koffie, want anders.. verduufeld als ie end an den dag zag. Z’n knieën brandden, voelden lammig en zwaar aan, van den eeuwigen kruip, en z’n vingers pijnden van aardgegrabbel, heet en als gekneusd.

Ouë Gerrit kruiste rond, met z’n armen op den rug. Z’n uitgewasschen hel-blauwe boezeroen fladderde achter z’n broek uit. Onrustig loenschte ie over de akkers.

—Hai had wa’ sien.... f’rduufeld.... hai had wá’ sien! ’n prêchtig mandje stong d’r.... spierwit vlochte.... prêchtig....! al ’n poos allainig! Tjonge.... dá’ most ie hewwe.... hoho!.... ho!.... kaik waa’n snee!—Wá’ faine vlocht.... hu.... hu.... Aa’s tie nou toegreep!.... Aa’s tie dwars d’r langest gong, langest de greppel.... bai Jan-buur.... of.... aa’s tie de dorsch veuròm langest gong.... kalmpies.... huhu!.... hu.... fain werk!.... Aa’s tie.... Nee! dà gong nie! Kaik uit Ouë.... kaik uit!.... Aa’s tie Jan-buur teuge kwam.... van veure.... Jesis.... wá’ lekker voelde ie s’n aige nou.... wá’ lekker.... moar nou.... fain werk Ouë!.. fain werk!.... huhu!.... hu.... Want aa’s tie deur liep!.... pàl langest de greppel.... most ie de akker van Spinnekop langest.... en die stong te wieje.... en sain soon te skoffele.. Enne Dirk dá’ gunters.... kon puur vlak af sien, op sain poote.... ho.... ho.... en doar an oversai, ’n gaa’st bai de noàrcisse.... wel wait weg.... moar die doar blomme snaie stonge.... die twee woare nie mis.... ho.... ho!.... kaik de son skaint pal op d’r snuit.... die sagge gain snars.... moar aa’s tie.... aa’s tie van ’t sai langest gong!....

Dirk snelde weer langs hem, met ’n kruiwagen gier, wielbonkerend voorbij.

—Hee Ouë.... aa’s je d’rais wá’ veure trok hée?.... gunters bai de boone.... ikke bin t’met mi dà hoekie kloar!

—Stik, giftte ’t woedend in ouë Gerrit, stik!.... stik!.... f’r wa mó’ tie ’t nou segge.... wacht.... nou sel die doen.... of ie niks hoorde en kalm verder loope....

—Heeoéé Ouë! hoor je nie?.... heeoéé.... of je d’r effe veure trekt, bai main hoekie boone gunters!....

Achter de rijzenlaantjes schreeuwde Dirk, waarvan de paadjes volgesprenkeld vonkten van goudspatjes zonlicht. Nou kon ouë Gerrit zich niet langer doofhouen. Hoe zou ie zich d’r van af kenne make, zoo midden in z’n genot en berekeninge. Ho.... ho.... Kwaadaardig liep ie den greppel terug, ’t rijzenlaantje in, waar telkens, als windstoot in zoel-wuivenden suizel door geblader van kantboomen en singel heenwoei, even sterker zonglans tusschen openingetjes schoot, fijner plengde licht op de groene hagemuren, rijzentoppen en paadjes, groen-gouïg.

Met angstgevoel in z’n hart, dat straks ’t mandje wel weer weg zou zijn, was ie voor Dirk komen staan.

—Hoeveul?.... die twintig regels?

—Ja Ouë.... hier!.... neenet!.... begin d’r hier moàr.. Wa’ sien je d’r pienter uit op hede.—Al meer en meer voelde Dirk zich opvroolijken. ’t Zwaarste werk ging ’m licht van de hand. Stank van beervuil rook ie niet. Z’n handen grabbelden gretig in ’t smeer, of ’t klaar water was. Bruin-doffe wasem sloeg naar z’n hoofd òp uit ’t broeiende gier. En toch, heel diep, zat ’r ’n liedje in ’m te zeuren, wat doffe klankjes die ’r niet uitkonden.—Nooit zong ie, nooit. Hij wist niet eens of ie ’n stem had. Nou bleef ’t maar kriegelen in z’n keel en zoetjes vaag klanken in hemzelf, ’n kermisliedje dat ie half kende; nou dacht ie aan z’n meid, voor vanavond, in heete opjoelende lol.

Van half vijf in den ochtend stond ie al op ’t land; had Guurt ’m op ’t achterend z’n eerste kommetje koffie gebracht. Toen had ’t al in ’m gevroolijkt en gauw, in warme gedachten, was brood-uurtje en koffieslurp van half negen voorgedanst.... Nooit nog zoo’n lekker bakkie weest, aa’s toen!.... Straken-an skoftuur weest.... kostelijk eetetje....

Gisteren hadden ze de eerste centen van spinazie gebeurd. Dat was lol geweest in de kroeg, met Piet. Nou had ie nog ’n duitje achter gehouen om z’n meid iets te koopen.... Kristus!.... moet den Ouë wete.... enne op de boot had ie ’n pop verlore mí’ koarte.... most ’t moar gauw weer ba-hoalt.. mi spoarduit veur kermis.—En voort, in kroppend gevoel, lolligheid en heetigheid, die stroomen van pret en lustige doenigheid door z’n voeten en armen joeg, werkte ie af, alles achter een, zonder opkijken, van één hoek naar den anderen hollend. Met zenboom op z’n schok-zware schouders geheven, was ie naar ’n groot brok, hoog-uitgegroeide spinazie geklomp-klost. Daar kon ie nou mooi maaien, zoo lekker-gelijk in groenen bladstand, stond ze uitgegroeid.—En sis-scherp, in breed uitwaaierenden halven kring, sloeg z’n blink-zeis bogen rond z’n voeten, vlijmde ’t staal, in ’t sappige, versch-geurende spinaziegroen, dat ie éven lachte van pret, zoo gauw en sneeïg als ’t ging.—

—Gong tog gauwer aa’s snaiê.... Alleen was ie bang, dat t’r wat an z’n zen kwam, want haren kon ie niet. En vóórt, vàn de spinazie, die hij in mandjes overdroeg, bedrijvigde ie weer rond, tusschen de wortelen en aardbeien, jonge kool en doppers, plantte ie sla uit, schoffelde en plakte, want alles tegelijk wachtte. Piet was d’r ’n beetje zenuwachtig van, al werkte ie als ’n beest, zonder opzien, omdat de Ouë hem den heelen ochtend maar gejaagd had: jullie komp nie kloar, puur nie kloar!....

Piet had honderden bosjes radijs neergekwakt bij de pomp, waar Guurt ’n tobbe water kwam neerschuiven. Met ’n vuil-harigen borstel raspte ie in ruwe stooten en vegen de knolletjes schoon, spoelde ze na iederen boen wat uit, in ’t water, dat zanderig zwart modderde tusschen z’n natte vingers waaraan losgeschoten nattig loof bleef plakken. Guurt, met ’r zwaar lijf gebukt over de tobbe, hielp meeboenen, dat de beklonterde knolletjes, glimnattig-rood en geelig-wit, glanzig te kleuren gloeiden in de zon, op schoongemaakte klinkertjes, boven ’t bedrupte frissche loofgroen.

—Seg Piet, sou je nog nie d’rais wa’ skoon woater naime....

—Je laikt puur ’n doàseling!.... se glimme aa’s ’n hooge saaie.... van domenie.... wou je hullie somwaile poetse?—Guurt lachte, even uitblazend, met ’r handen plat op d’r dijen gedrukt, armenvleesch hoog ontbloot, bespat met zandkluitjes en watervuil.

Ouë Gerrit was klaar met z’n voren. Den trekker had ie angstig in ’t paadje gegooid. Z’n hart bonsde. Hij durfde niet zien of ’t mandje al uit den greppel weggehaald was. Voorzichtig stapte ie langs de boonenregels, langs de aardbeien aan greppelkant....

—Eerst nog erais effetjes de aêre hoek inkaike!.... kaik.... d’r stoàn g’n sterveling.... moar nou sien!.... Hee!.... nog effe wachte.... hoho!.... nou langsoam an ommedroaie.. of d’r ’t prêchtmandje nog stong.... kaik!....

—F’rek!.... weg!.... weg! heulegoar weg!....

Stom ’n oogenblik, bleef ie staren met razende drift in z’n borst.—Die lamme Dirk, dat ie nie effe hep kenne wachte!—Had ie sullie moar selfers nie soo joagd! soo’n kerel.... Jesis meroakel! nou was ’t weg! dá’ prêchtige ding! heulegoar weg! Er zat woeste huildrift en wroegende spijt in z’n borst die ’m verhitte. Hoe kon ie zoo stom zijn te gelooven dat ’t bleef staan wachten op hem. Dirk, Piet, Guurt, allen had ie wel kunnen smoren van gift.—En als straks ’m z’n lamme, suffe wijf in den weg liep, zou ie ’r ranselen, dat ze kreupel ging. Spuwen, spuwen van drift kon ie, dat ’m die kans ontgaan was. Als ie nou maar morgen eens uitkeek bij den fotograaf en bij Bekkema. Nou was ’t weggekaapt voor z’n neus. Twee uur had ie ’r op geloerd. Maar morgen, morgen moest ie wat hebben, grijpen, als moest ’r voor hèm in den tuin, ’n dag ’n kerel gesteld.

Met duizel en gloeiing van woede in z’n hoofd, ging ie terug. Z’n kinder-poppig gezicht stond stram. In giftige vegen rukte ie door z’n baard, bisschoppelijk-zilver op kielblauw.

Tot laat in den avond bleven de jongens op ’t land. Als wisten ze van geen ophouen en vermoeienis. Dirk neuriede zachtjes, want nou, t’met over ’n half uurtje zag ie z’n meid.

Overal op de akkers van bollen en tuinderij stond nog werkvolk te wroeten in den grond, koppen gebukt naar de aarde, nekken weggediept achter groote zonnehoedranden. Soms in halsheffing even, keken wat verbronsde koppen òp, staarden lichtende oogen rond, in ’t wije akkerland. Dàn weer vóórt, in kruip, of hurk, hakkend, kervend, wiedend, over den groen-lichtenden grond, altijd gezichten néér, in strakken loer naar ’t gewas, handenparen, groot en woest in grabbel, tot zonnevuur wegzonk en koelende scheemring over de velden doolde, stil en wijd, den nacht in.

TIENDE HOOFDSTUK.

Om den hoek van Wiereland, waar dorp Duinkijk begon, poortte, recht voor landgoed van jonkheer van Ouwenaar, ’n beukenlaan, prachtig in bloei. Rondom stonden de lommerende moestuinen, groenende boomgaarden, innig-zonnige, klooster-stille hofjes en wilde boschplekken, woest opgroeiend hakhout vóór en tusschen weibrokken, in heidergroene, wondre glorie te gouddampen in ’t licht.

In den Mei-ochtend straalde wonderteer, goudglanzing door de beukenlaan, schaduwkoel en omboogd in gothischen takgroei. En diep, diep, aan laan-end, naar het voortuinbrok van den jonkheer, schitterde op lichtrookenden achtergrond van goudgroen, zondoordoopte bladerenpracht, vonkerend in zonnegoud.

Diep-poortig neigde ’t siergroen van beukenlaan in takkenpracht, naar elkaar toe, en daaronder bloeiden jonge meidoornhagen, als lichtgroene betrofeede wanden van glans, doorrookt van sappige bloesemgeuren, waarachter weer ooft- en moestuinen aroomden, met hun zwaàr beladen vruchtboomen. Als àfglanzend fijn goudwaas, lichtten de hagen zàchter glans terug, op ’t donkere beschaduwde boomgroen van beukenlaan, er boven dichtgegroeid in geheim-stille pracht. En hoog, van af Duinkijk-weg, tot diep in de laan naàr ’t landgoed, stond tusschen elken boom, in goud-groene vochtsfeer van zoelende zoete Mei gedoopt, ’n rooie beuk, geweldig hoog opschietend, met brons-goud van blaren, hooger, al hooger, vergloeiend in bloedrooden tooi, met suizelende toppen, doorvlamd van zon; diep prachtvuur van wijnrooden gloed, wuivend ’t zalige wije, trillende luchtblauw in. Zoo, hoog geheven, boven gothische laan, die donkergroende in koelend lommer, uit de aarde òpgoudde met wazende wanden van zacht licht,—zoo bloedde in karmijnen zang, om tooversfeer van getemperden gouden poortschemer, de rooie beukenbrand in luchtegloed.—

En ver, perspektivisch verkleind, ’t vóórbosch van Van Ouwenaar’s landgoed, met z’n hooge, goud-groene grot, oplichtend uit ’t laanlommer, door de zon erin gegraven. Langzaam nu en dan, schommelden in de beukenlaan, uit dwarspaden en wegkrommingen, boerenkarren en wagens áán, langzaam, onder de koele schaduwgroene poort, tot ze op ’t eind inplasten, paardpooten, schommelkar en al, in de dicht rookende zonnegrot; plasten daar, in zuiver dampend goud, met ’n warreling nog van takkenschaduw, splinterend fijne silhouetjes, op karkrat en achterbinten, van vèr, vlietend te zien.

Gouïg-licht tentwagentje reed luchtig door laandiepe poort, en plots aan ’t eind, ook dàt plaste weg in lichtgrot, als verdrinkend in zonnedamp, dook weer òp in nauwen wegkronkel, met stille vaste naschittering van z’n hoogen, gouen rug en verpaarste kap.

Gloed-teer straalde Meizon, in trillende glorie op ’t witte pleister van tuinmanshuis, van de laan uit te zien als fellichtende reuzige krijtvlek, schitter-ver, blauwig afdampend waasglans, bijzij uithoekend naast de goudgroene grot, zonneplas van vóórbosch. Over grondje van beukenlaan, éven zonnend paars-rood beschemerd, sprankelden en flonkerden grillige zonspatten, door bladerengaatjes neergepijld in gebroken glans, verdampend als fijn paars-blank licht. En tusschen de verdonkerende beukenstammen aan weerszij, zweefde fijn schaduwleven, zacht violet-teer, verkoelde de lichtnevel, waar insekten in zoemden en slierten, sòms met glans-strependen dwarrel, dàn drijvend in stilstaande vleugeltrilling op goud uitpoeierende lucht.

Heel de laan, met haar beuken-rood voorspel van hooge karmijnen sier, rood, smachtend roode regen van ruischend licht, naast goud-doorkoortsten groenen bladerentooi, door elkaar heengeslingerd in takkenpracht, goud-poortte daar, in wondre luistering naar Meigroene lied, naar streel-lichte, lokkende vogelen; minne-gevloei van zilveren zangetjes overal uit de lucht, de zoet-geurende, zalige lucht. En rondomme, ’t zoet-zachte gekwinkeleer uit de zilveren gorgeltjes van zanglijsters en leeuw’rik de lokkende zangaanloopjes van parelende minneliedjes, eindloos zoet, wiegend gestreel van fijne vlei-fluitjes.

Zoo, in Mei-droom vloeide koele, groene schemer uit en in de beukenpoort, als voorhof van ’t landgoed, met z’n grot van fonteinende, opspritsende zonnevlammen aan ’t eind, heet vloeiend goud, waar alles naar toe dreef, alles in verdronk en verdampte.

Langs Wiereland en Duinkijk, overal uit de tuinderijen, op vervlakten duingrond, tusschen bedden groenten en aardbeien in, harpten in wonderteere standen de vruchtboompjes, bebloesemd, rose sneeuwig en purperend blank, zoet bruidswit, doorvlekt van scheutjes rose, maagdelijk teer. Stil harpten hun takken en stil, de knoestig dikke, fijn-groen bemoste stammetjes stonden daar, omjoeld van lichtend groen, in hun broos bloesemleven, in roerloos gepeins, over eigen vruchtbare schoonheid. Overal, rond de vruchtboompjes, uit de tuinen, wasemde òp, kruiig kittelend aroma van versche groenten, sappige gistigheid, zoete seringen, verwaaiende in koelen windwuif, geurgevloei langs akkers en wegjes. En van overal, kastanjebloesem en jasmijnen zongen méé in den zoeten wellustzang van zacht-rookige geuren uit tulpen en hyacinten-akkers.

De tulpen stonden er met hun vlam-kelken open, te duizelen, diep in het licht. Eén felle duizel van kleuren, tulpenbrand, die het land te schroeien lei in laaiende kleuren. Langs de akkers, op weg naar Zeekijk, waar de duinen eerst heel aan ’t eind, vaag opgolfden in violet waas, aan twee kanten, schoten telkens vooruit, tulpenvelden en hyacint-akkers. Maar ’t dichtst om Wiereland, ver van hoogduin, tusschen de bewerkte, vlakke tuinderijteelt, rijden ààn, nuancen van paars kleurleven, en witte, zacht golvende hyacinten-zee. Het licht stond er voor te beven, te sidderen, kroop en boorde driftig in de kelken, als hommeltong in honingmerk, bruiste er rond, dronken-zwaar van geuren, smolt er in het bloemaroom. Heele zeebrokken paars, op licht groen bladerloof, golfden áán, zangerige symfonie van licht, naar àl dieper blauwpaars, tot plots in anderen akker, de vloed terugsprong in donkere deining van rood, tusschen schuimenden sneeuwval van witte hyacinten, midden in. En rond die blanke lawine, op doorschijnend loofgroen, dat te flitsen zilverde in zon, bronzen, kaneel-doorpoeierde kleuringen, wulpsch-roze, zoete brand van roodbruin en lila. Stoetjes van uitrookende geur-klokken, legende-doorwaasde feeërie, kleurfestijn in ’t sprokenland....

Rondom, één wijde aanspoeling, aangolving van kleur-klokjes, die sidderden, zwollen in ’t zonnegoud, brand van bloemen, in al gamma’s; kleurwemel die koortsend te zingen, te ijlen lag onder azuren lichtteeren Meihemel.—

Maar feller nog, rond half-verdorde hyacinten, festijnden met hun rook-rooden adem, de grootere, fellere kleurenbrand van tulpen, die lichtfeest vierden pas. Als een orgie van vlammen, kroop, sloeg, rilde, leefde, ijlde ’t licht dáár op de aarde.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us