Gereformeerde dogmatiek. Vierde deel (part 3 of 3)
Op deze overwegingen worden dan aangaande het uiteinde der goddeloozen, indien wij afzien van het pantheisme en materialisme, dat alle onsterfelijkheid en eeuwigheid loochent, de volgende drie hypothesen gebouwd. Ten eerste zijn er, die leeren, dat er eene mogelijkheid van bekeering open blijft, niet alleen in den tusschentoestand tot op het eindgericht toe, boven bl. 382, maar ook daarna nog en tot in alle eeuwigheid. Of er dus eene hel en eene eeuwige straf is, hangt geheel van den mensch en van zijn vrijen wil af. Indien hij zich voortdurend tegen de roepstem tot bekeering verzet, wikkelt hij zich steeds vaster en dieper in de zonde in en verlengt zijne straf. Wijl echter de prediking van geloof en bekeering nooit ophoudt en de wil des menschen steeds vrij blijft, wordt de mogelijkheid van eene eeuwige straf in de hel zeer onwaarschijnlijk en vleit men zich liever met de hope, dat ten slotte allen tot bekeering komen en in het eeuwige leven ingaan. Eeuwige pijn in de Schrift beteekent dus alleen, dat zij, die zoo laat zich bekeeren, altijd de herinnering aan hun hardnekkig verzet blijven behouden en bij hen, die in dit leven het evangelie geloofden, eeuwig zullen achterstaan. Dit hypothetisch universalisme komt dus op eene voortdurende loutering neer en is eene hernieuwing van de leer der zielsverhuizing. Het verschil is alleen, dat de metempsychose deze loutering laat plaats vinden in het Diesseits, terwijl het hypothetisch universalisme haar in het Jenseits stelt. Deze leer vond vooral in de vorige eeuw bij de Rationalisten ingang, maar wordt ook thans door vele theologen verdedigd, cf. Wegscheider, Instit. § 200. Bretschneider, Dogm. II 468 f. 581 f. Reinhard, Dogm. 706 f. Lange, Posit. Dogm. § 131. Dorner, Gl. II 972. Nitzsch, Ev. Dogm. 624. W. Schmidt, Christl. Dogm. II 517. Saussaye, mijne Theol. van Ch. d. l. S. 71-75. H. Ernst, Geloof en Vrijheid 1886 blz. 407-444. Voorts in Engeland de voorstanders van de zoogenaamde future (second) probation of van de wider hope, zooals Robertson, Maurice, Theol. Essays 1853 p. 442: the word eternal and the punishment of the wicked. Thomas de Quincey, On the supposed scriptural expression for eternity 1852. Tennyson, In Memoriam. Farrar, Eternal Hope 1878 en Mercy and Judgment 1881 met de door deze beide werken te voorschijn geroepen litteratuur, cf. The wider hope, essays and strictures on the doctrine and literature of future punishment by numerous writers, lay and clerical, London Unwin 1890. In Amerika de verdedigers van de Andover position, ingenomen door de vijf professoren van Andover College, Churchhill, Harris, Hincks, Tucker en Egb. C. Smith, die van verschillende artikelen der belijdenis afweken, ook van dat aangaande de eeuwige straf, cf. Andover Review April 1890 p. 434 enz. Vanzelf leidt dit gevoelen van een voortgaande bekeering en loutering tot de leer van de zoogenaamde universalisten, die meenen, dat aan het einde alle schepselen de zaligheid en de heerlijkheid deelachtig zullen worden. Wat daar gewenscht en gehoopt wordt, wordt hier zeker verwacht en als dogma verkondigd. De leer van den terugkeer aller dingen in God komt reeds voor in de indische en grieksche philosophie, ging vandaar over in Gnosticisme en Neoplatonisme en werd dan het eerst in de christelijke theologie voorgedragen door Origenes. Deze spreekt wel herhaaldelijk van eene eeuwige straf in de hel maar ziet daarin toch slechts eene practische leer, die voor de onontwikkelden noodig is doch door de gnostici geheel anders opgevat wordt. Volgens Origenes toch zijn alle geesten oorspronkelijk door God gelijk geschapen, doch de daden van den vrijen wil brengen ongelijkheid en veroorzaken, dat de zielen der menschen ter loutering in eene stoffelijke wereld verplaatst en aan lichamen verbonden worden. Doch deze loutering zet ook na den dood en na het eindgericht zich voort, totdat uit en door de grootst mogelijke verscheidenheid de gelijkheid weer te voorschijn treedt en alle geesten weder tot God terugkeeren in dienzelfden toestand, waarin zij oorspronkelijk bij Hem verkeerden. Wijl echter de vrije wil altijd dezelfde blijft, kan hij evengoed als van het kwade tot het goede, zoo weder van het goede tot het kwade terugkeeren, en is er dus eene voortdurende wisseling van afval en wederbrenging aller dingen, eene eindelooze schepping en vernietiging der stoffelijke wereld, cf. Atzberger, Gesch. der christl. Eschat. 1896 S. 366-456. Deze gedachte van de wederherstelling aller dingen vond in de oudheid weerklank bij Gregorius Naz., Gregorius Nyss., Didymus, Diodorus van Tarsus, Theodorus van Mopsuestia, e. a., cf. Petavius, de angelis III 7. 8, in de Middeleeuwen bij Scotus Erigena, Amalrik van Bena en de broeders en zusters van den vrijen geest, na de Hervorming bij Denck en vele Wederdoopers, bij Jane Leade, J. W. Petersen, Ludwig Gerhard, F. C. Oetinger, Michael Hahn, Jung-Stilling, Swedenborg enz., en in den nieuweren tijd bij Schleiermacher, Chr. Gl. § 117-120 en § 163 Anhang. Schweizer, Gl. II 577 f. 591. 604. Schoeberlein, Prinzip und System der Dogm. 679. Riemann, Die Lehre von der Apokatastasis² Magdeburg 1897. Scholten, Initia 268 sq. W. Francken, Geloof en Vrijheid 1886. Cf. Köstlin, art. Apokatastasis in Herzog³. Veel grooter instemming vond echter nog een derde gevoelen, dat onder den naam van conditioneele onsterfelijkheid bekend staat. Hoewel de vroegere theologie zeer dikwerf van de onsterfelijkheid sprak in geestelijken zin, als eene gave, door Christus verworven, toch dacht daarom schier niemand eraan, om de natuurlijke onsterfelijkheid der ziel te loochenen. Het eerst leerden de Socinianen onder den invloed van hun abstract supranaturalisme, dat de zielen niet van nature onsterfelijk waren maar dit eerst werden in geval van gehoorzaamheid door eene gave Gods. Daaruit volgde, dat de goddeloozen en de duivelen krachtens eene natuurlijke vergankelijkheid eenmaal moesten ophouden te bestaan. Socinus sprak dit nog niet zoo duidelijk uit, maar zijne volgelingen leerden zonder omwegen, dat de tweede dood in vernietiging bestond; en deze had dan volgens Crell, Schmalz e. a. niet bij of spoedig na den dood, doch eerst na de algemeene opstanding en het wereldgericht plaats, Fock, Der Socin. 714 f. Van de Socinianen werd deze leer overgenomen door Locke, Warburton, Whiston, Dodwell, Walter e. a., en in deze eeuw door Rothe, Theol. Ethik § 470-472 en Weisse, Ueber die philos. Bedeutung der christl. Eschat. Stud. u. Krit. 1836. Vooral echter begon zij opgang te maken en aanhangers te vinden, sedert zij in 1885 verdedigd werd door Edward White in zijn Life in Christ, a study of the Scripture doctrine on the nature of man, the object of the divine incarnation and the conditions of human immortality, 3 ed. Stock London 1878. Dit boek bracht vele pennen in beweging en lokte niet alleen ernstige bestrijding doch ook velerlei betuiging van instemming uit. Overal vindt het conditionalisme thans talrijke verdedigers, zooals bijv. Schultz, Voraussetzungen der christl. Lehre von der Unsterblichkeit 1861. H. Plitt, Evang. Glaubenslehre 1863. II 413. Weisse, Philos. Dogm. § 970. Lemme, Endlosigkeit der Verdammnis und allgemeine Wiederbringung, Lichterfelde-Berlin, Runge. (voordracht, geh. 12 Aug. 1898). Charles Byse, L’immortalité conditionelle ou la vie en Christ, Paris 1880. Petavel-Olliff, Le problème de l’immortalité, Paris 1891. Dr. Jonker, De leer der condit. onsterfelijkheid, Theol. Stud. I.
6. Indien nu bij de leer van de eeuwige straf het menschelijk gevoel te beslissen had, zou zij zeker moeilijk te handhaven zijn en thans ook maar weinig verdedigers vinden. Dankbaar dient het te worden erkend, dat sedert de vorige eeuw de idee der humaniteit en het gevoel van sympathie krachtig ontwaakt zijn en aan de wreedheid, die vroeger vooral ook op het gebied van het strafrecht heerschte, een einde hebben gemaakt. Maar niemand kan er toch blind voor zijn, dat ook deze humanitaire beschouwing hare eenzijdigheden en gevaren medebrengt. De machtige omkeer, die plaats gegrepen heeft, laat zich in dezen éénen zin beschrijven, dat, terwijl vroeger de krankzinnigen zelfs als misdadigers werden behandeld, thans de misdadigers als krankzinnigen beschouwd worden. Voorheen werd in elke abnormaliteit schuld gezien; thans worden alle begrippen van schuld, misdaad, verantwoordelijkheid, toerekenbaarheid enz. van hunne realiteit beroofd, cf. Simons, Nieuwe richtingen in de strafrechtwetenschap, Gids April 1900 bl. 48-84. Het besef van recht en gerechtigheid, van wetsovertreding en schuld wordt op bedenkelijke wijze verzwakt, naarmate de maatstaf van al deze dingen niet in God, maar in den mensch en in de maatschappij wordt verlegd. Daarmede gaat allengs alle zekerheid en veiligheid teloor. Want als het belang der maatschappij den doorslag geeft, dan wordt niet alleen elke grens tusschen goed en kwaad uitgewischt, maar loopt ook het recht gevaar, aan de macht te worden opgeofferd. Het is u nut, dat één mensch voor het volk sterve en niet heel het volk verloren ga, Joh. 11:50, wordt dan de taal der hoogste rechtspleging. En hetzelfde menschelijk gevoel, dat eerst voor de humanitaire behandeling van den misdadiger pleitte, ontziet zich niet, om straks den marteldood van den onschuldige te eischen; het hosanna maakt voor het kruis hem plaats; de vox populi, die dikwerf ten onrechte als eene vox Dei wordt geëerd, schrikt voor geen gruwelen terug; en terwijl de rechtvaardige er nog mede rekent, hoe het zijn vee te moede is, is zelfs het ingewand, het hart, het gemoed van den goddelooze nog wreed, Spr. 12:10. Op het menschelijk gevoel valt daarom weinig te bouwen; dat mag en kan bij de bepaling van recht en wet de beslissing niet geven; zelfs als de schijn er tegen is, is het toch oneindig veel beter, in de hand des Heeren, dan in die van menschen te vallen, 1 Chron. 21:13. En dit geldt ook bij de leer van de eeuwige straffen in de hel. Want 1º verdient het opmerking, dat deze leer, hoezeer zij in kerk en theologie dikwerf veel te realistisch is uitgewerkt, toch in de Schrift is gegrond. En niemand spreekt er in de Schrift vaker en breedvoeriger over dan onze Heere Jezus Christus, wien niemand diepte van menschelijk gevoel en medelijden ontzeggen kan, en die de zachtmoedigste en nederigste was onder alle kinderen der menschen. Het is de hoogste liefde, die met de zwaarste straffen dreigt. Tegenover de zaligheid van het eeuwige leven, welke Hij voor de zijnen verwierf, staat de rampzaligheid van het eeuwig verderf, dat Hij den goddeloozen aankondigt. Beide waren in het Oude Test. in schaduwen gehuld en werden onder beelden voorgesteld. Maar in het Nieuwe Test. is het Christus, die het vergezicht opent zoowel in de diepten van de buitenste duisternis als in de woningen van het eeuwige licht. 2º Dat de straf in deze plaats der buitenste duisternis eene eeuwige is, valt met de Schrift in de hand niet te betwijfelen. Wel is waar, geeft αἰωνιος (van αἰων, hebr. עולם, d. i. tijdduur, levensduur, levensloop, menschenleeftijd, onbepaald lange tijd in verleden of toekomst; de tegenwoordige wereldtijd, αἰων οὑτος; de toekomende eeuw, αἰων μελλων) zeer dikwijls een tijdduur te kennen, die wel menschelijke berekening te boven gaat maar volstrekt niet eindeloos of eeuwig is. Dikwerf wordt het ook in het N. T. nog gebruikt van den ganschen tot op de verschijning van Christus toe voorbijgeganen wereldtijd, waarin de raad Gods door de profeten verkondigd werd maar toch niet ten volle geopenbaard was, Luk. 1:70, Hd. 3:21, Rom. 16:25, Col. 1:26, 2 Tim. 1:9, Tit. 1:2. Doch het woord αἰωνιος dient in het N. T. vooral, om de onvergankelijke, boven alle bederf en verderf verheven natuur van de door Christus verworvene heilsweldaden aan te duiden, en wordt dan inzonderheid zeer dikwerf met ζωη verbonden; het eeuwige leven, dat Christus schenkt aan een iegelijk die gelooft, heeft zijn begin reeds hier op aarde maar wordt toch eerst in de toekomst volkomen openbaar; het behoort wezenlijk tot den αἰων μελλων, Luk. 18:30, is onverderfelijk, Joh. 11:25, 26, en heet eeuwig, evenals de οἰκοδομη ἐκ θεου, 2 Cor. 5:1, de σωτηρια, Hebr. 5:9, de λυτρωσις, 9:12, de κληρονομια, 9:15, de δοξα, 2 Tim. 2:10, de βασιλεια, 2 Petr. 1:11, evenals God, Christus, de H. Geest ook eeuwig worden genoemd, Rom. 16:26, Hebr. 9:14, 13:8 enz. Daartegenover wordt gezegd, dat de straf der goddeloozen bestaan zal in το πυρ το αἰωνιον; Mt. 18:8, 25:41, Jud. 7, κολασις αἰωνιος, Mt. 25:46, ὀλεθρος αἰωνιος, 2 Thess. 1:9, κρισις αἰωνιος, Mk. 3:29. Evenals het eeuwige leven, wordt door deze omschrijving de eeuwige straf voorgesteld als te behooren tot den αἰων μελλων, waarin geen verandering van staat meer mogelijk is. Nergens duidt de Schrift met eenig woord aan of laat zij zelfs de mogelijkheid open, dat er aan den toestand, die daar intreedt, nog een einde komen kan. En positief spreekt zij uit, dat het vuur daar onuitblusschelijk is, Mt. 3:12, dat de worm niet sterft, Mk. 9:44, dat de rook der pijniging opgaat in alle eeuwigheid, Op. 14:11, en voortduurt dag en nacht in alle eeuwigheid, 20:10, en dat zij als eeuwige pijn staat tegenover het eeuwige leven der rechtvaardigen, Mt. 25:46. Onbevangen exegese kan hier niet anders vinden dan eene eeuwige, nimmer eindigende straf. Cf. Cremer s. v. 3º De toestand der verlorenen wordt beschreven als ἀπωλεια, Mt. 7:13, φθορα. Gal. 6:8, ὀλεθρος, 2 Thess. 1:9, θανατος, Op. 2:11 enz., in overeenstemming daarmede, dat in O. en N. Test. menigmaal gezegd wordt, dat de goddeloozen verdelgd, uitgeroeid, verwoest, verdorven, verdaan, buitengeworpen, afgesneden, als kaf verbrand zullen worden enz. De voorstanders van de conditioneele onsterfelijkheid verstaan al deze uitdrukkingen in den zin van eene volkomen vernietiging, cf. White, Life in Christ 358-390. Maar deze opvatting mist allen grond. Leven beteekent in de Schrift nooit puur bestaan, en dood is nooit hetzelfde als vernietiging. Van den tijdelijken, lichamelijken dood kunnen ook de conditionalisten dit niet ontkennen; zij nemen meest als de Socinianen aan, dat de goddeloozen ook na den dood nog blijven voortbestaan, hetzij om eerst na opstanding en eindgericht door God vernietigd te worden, hetzij om langzamerhand weg te sterven en ten slotte ook physisch te gronde te gaan. Het laatste is zoowel wijsgeerig als Schriftuurlijk eene onmogelijke gedachte. Zonde toch is geen substantie, geen materia maar forma, die een zijn onderstelt en dat zijnde niet vernietigt maar in eene verkeerde, van God afgewende richting stuurt, deel III 81v. En de lichamelijke dood is niet maar een natuurlijk gevolg doch eene positieve, door God bedreigde en voltrokken straf op de zonde, ib. 176v. In dien dood vernietigt God den mensch niet, maar scheidt Hij ziel en lichaam tijdelijk vaneen, om beide in stand te houden en bij de opstanding weder te vereenigen. De Schrift leert duidelijk en onwedersprekelijk de onsterfelijkheid van den mensch. Het conditionalisme verwart het ethische met het physische zijn, als het in ἀπωλεια, die de straf der zonde is, eene vernietiging van de substantie des menschen ziet. En evenals God in den eersten dood den mensch niet vernietigt, zoo doet Hij dit ook niet in den tweeden dood. Immers wordt deze in de Schrift ook omschreven als pijniging, Mt. 25:46, weening en knersing der tanden, Mt. 8:12, verdrukking en benauwdheid, Rom. 2:9, onuitblusschelijk vuur, Mt. 18:8, nooit stervende worm, Mk. 9:44 enz., welke uitdrukkingen alle het bestaan der verlorenen onderstellen. Maar hun toestand kan toch ἀπωλεια, φθορα, ὀλεθρος, θανατος heeten, wijl zij in zedelijken, geestelijken zin geheel te gronde zijn gegaan en in volstrekten zin die levensvolheid missen, welke den geloovigen door Christus geschonken wordt. Zoo heet de verloren zoon νεκρος en ἀπολωλος, Luk. 15:24, 32, de Efeziërs in hun vroegeren toestand νεκροι in hun zonden en misdaden, Ef. 2:3, vervreemd van het leven Gods, Ef. 4:18, die van Sardes νεκροι, Op. 3:1 enz., zonder dat iemand hierbij aan hun niet-bestaan denkt. 4º Aan eene zelfde miskenning van het ethisch karakter der zonde maken de voorstanders van de apokatastasis zich schuldig. Het woord is aan Hd. 3:21 ontleend maar houdt daar, gelijk thans iedereen erkent, volstrekt niet in, wat er thans mede bedoeld wordt. De Schrift leert nergens, dat eenmaal alle menschen en zelfs alle duivelen zalig zullen worden. Wel spreekt zij dikwerf zeer universalistisch, omdat het werk van Christus intensief van oneindige waarde is en aan de geheele wereld en menschheid in haar organisch bestaan ten goede komt, deel III 390v. Maar zij sluit beslist uit, dat alle individuen onder de menschen of ook zelfs de duivelen eenmaal burgers zouden worden in het koninkrijk Gods. Ten allen tijde is de leer van de wederbrenging aller dingen dan ook slechts door enkele op zichzelf staande personen geleerd, en zelfs heden ten dage vindt onder de theologen nog eer het conditionalisme dan de apokatastasis voorspraak. Feitelijk is deze leer ook niet van christelijken doch van heidenschen oorsprong, en draagt zij geen Schriftuurlijk doch een wijsgeerig karakter. Het is het pantheisme, dat er aan ten grondslag ligt en alle dingen, gelijk zij uit God voortkomen, zoo ook successief tot Hem terugkeeren doet. God is hier geen Wetgever en Rechter, die eenmaal de wereld in rechtmatigheid oordeelen zal, maar eene onbewuste, immanente kracht, die alles voortstuwt tot het einde en eens alles tot zich hereent. De zonde is hier geen ἀνομια, maar een noodzakelijk moment in de wereldontwikkeling. En de verlossing in Christus is geen juridisch herstel en geen ethische vernieuwing maar een physisch proces, dat alles beheerscht. 5º Om de eeuwige straf te billijken is daarom vóór alle dingen noodig, dat men met de Schrift de onkreukbare rechtvaardigheid Gods en het diep zondig karakter der zonde erkenne. Zonde is geen zwakheid, geen gebrek, geen tijdelijke en allengs verdwijnende onvolkomenheid, maar zij is naar haar oorsprong en wezen ἀνομια, overtreding van de wet, opstand en vijandschap tegen God, negatie van zijn recht, van zijn gezag, zelfs van zijn bestaan. Wel is de zonde eindig in dien zin, dat zij door een eindig schepsel in een eindigen tijd wordt volbracht, maar Augustinus heeft reeds terecht opgemerkt, dat niet de tijdduur, waarin de zonde gepleegd wordt, maar haar innerlijke aard de maatstaf is van hare straf. Een uur van onbedachtzaamheid kan maken, dat men jaren schreit. Op zonden van een enkel oogenblik volgt heel een leven van schande en straf. Wie eene misdaad begaat, wordt soms gestraft met den dood en door de aardsche overheid in een onherstelbaren toestand overgebracht. Zoo doet God ook; want wat op aarde de doodstraf is, is de straf der hel in het eindgericht. Hij beoordeelt en straft de zonde naar haar innerlijke qualiteit. En dan is de zonde oneindig in dien zin, dat zij begaan wordt tegen de hoogste Majesteit, die een absoluut recht op onze liefde en onze vereering heeft. God is onze gehoorzaamheid en toewijding waardig op absolute, oneindige wijze; de wet, waarin Hij deze eischt, is daarom absoluut verbindend, hare verbindbaarheid oneindig groot; en de overtreding van die wet is dus, intensief beschouwd, een absoluut, een oneindig kwaad. Bovendien komt hier niet zoozeer de diuturnitas peccandi in aanmerking, als wel de voluntas peccantis, quae hujusmodi est ut semper vellet peccare si posset, Aug. de civ. 21, 11. Wie de zonde doet, is een dienstknecht der zonde en wil en kan niet anders dan zondigen. Het ligt waarlijk niet aan hem, als hij buiten de gelegenheid wordt gesteld, om op den zondigen weg voort te gaan; naar zijn innerlijke begeerte zou hij niet anders willen, dan eeuwig blijven leven, om eeuwig te kunnen zondigen. Wie zou dan, lettende op deze zondige natuur van de zonde, durven zeggen, dat God onrechtvaardig is, als Hij haar niet alleen met tijdelijke maar ook met eeuwige straffen bezoekt? 6º Gemeenlijk wordt dit argument, aan de rechtvaardigheid Gods ontleend, dan ook slechts schuchter en aarzelend aangevoerd. Des te meer wordt de eeuwige straf in strijd geacht met de goedheid en de liefde Gods. Indien zij echter niet met de rechtvaardigheid Gods in strijd is, dan is zij dit ook niet en kan het zelfs niet zijn met zijne goedheid. Er is hier geen keus. Indien de eeuwige straf onrechtvaardig is, dan is zij daarmede geoordeeld en behoeft de goedheid Gods er niet meer bij te pas gebracht te worden. Indien zij echter beantwoordt aan Gods rechtvaardigheid, dan blijft de goedheid Gods daarbij ongedeerd; wat rechtvaardig is, is ook goed. Het argument, aan Gods goedheid tegen de eeuwige straf ontleend, brengt dus op het voetspoor van Marcion heimelijk een conflict tusschen Gods gerechtigheid en zijne goedheid en offert de eerste aan de laatste op. Eene goedheid echter, die de rechtvaardigheid te niet doet, is geen ware, wezenlijke goedheid meer. Zij is niets anders dan menschelijke zwakheid en weekheid, en, op God overgebracht, een verzinsel van het menschelijk brein, op geenerlei wijze beantwoordend aan den levenden, waarachtigen God, die zich in de Schrift en ook in de natuur heeft geopenbaard. Want indien de eeuwige straf met Gods goedheid onbestaanbaar is, dan is het ook de tijdelijke straf. Doch deze is een feit, dat door niemand kan worden ontkend. De menschheid vergaat onder Gods toorn en door zijne verbolgenheid wordt zij verschrikt. Wie kan het lijden der wereld rijmen met Gods goedheid en liefde? Toch moet het er mede overeen te brengen zijn, want het bestaat. Indien nu het bestaan van het ontzettende lijden in deze wereld ons niet mag doen twijfelen aan Gods goedheid, dan mag ook de eeuwige straf ons niet leiden tot hare loochening. Als deze wereld bestaanbaar is met Gods liefde, gelijk zij is en moet zijn, dan is het ook de hel. Want buiten de H. Schrift is er geen sterker bewijs voor het bestaan der hel, dan het bestaan dezer wereld, aan wier ellende de trekken van het beeld der hel zijn ontleend. 7º Bovendien bestaat er voor den mensch, die de eeuwige straf bestrijdt, groot gevaar, om tegenover God den schijnheilige te spelen. Hij doet zich voor als de liefderijke, die in goedheid en medelijden den Vader van onzen Heere Jezus Christus zeer verre overtreft. Dat neemt niet weg, dat diezelfde mensch, zoodra zijne eer wordt aangerand, in woede ontsteekt en zijn beleediger alle kwaads toewenscht in dit en in het toekomende leven. Nijd, haat, toorn, wraakgierigheid komen op in het hart van iederen mensch tegen elk, die hem in den weg staat. Wij zoeken onze eigene eer, maar om de eer van God bekommeren wij ons niet; wij komen op voor ons eigen recht, maar het recht van God laten wij met voeten treden. Dat is toch waarlijk een afdoend bewijs, dat de mensch niet de geschikte beoordeelaar is van de woorden en de handelingen Gods. En toch, ook in dat opkomen voor eigen recht en eere ligt iets goeds. Hoe verkeerd de mensch het ook toepasse, er ligt toch in, dat recht en eere boven goed en leven gaan. Er sluimert ook in den zondaar nog een diep rechts- en eergevoel. En als dat aangerand wordt, ontwaakt het en onderdrukt het alle medelijden. Als het in een strijd tusschen twee menschen of tusschen twee volken gaat om het recht, dan bidt elk van ganscher harte, dat God het recht doe triumfeeren en de schenders ervan met zijn oordeel treffe. Alle menschen beseffen nog iets van het fiat justitia, pereat mundus, en billijken het, dat het recht triumfeere ten koste van duizenden menschenlevens. Om het recht gaat het ook in den oordeelsdag, en niet om een of ander privaat recht, maar om het recht bij uitnemendheid, om het recht in zijne gansche beteekenis en in zijn vollen omvang, om de gerechtigheid Gods, om God zelven als God te prijzen in der eeuwigheid. 8º Er is dan ook geen twijfel aan, of God zal zich in den oordeelsdag, ook als Hij de eeuwige straf over de zondaren uitspreekt, voor het oog van alle schepselen ten volle rechtvaardigen. Thans kennen wij ten deele en kennen ook de schrikkelijkheid der zonde slechts ten deele. Maar als wij hier reeds bij het hooren van sommige gruwelen de zwaarste straf reeds niet zwaar genoeg achten, wat zal het dan zijn, als wij aan het einde der dagen een inzicht ontvangen in de diepten der ongerechtigheid? En daarbij zijn wij hier op aarde altijd eenzijdig; rechtsbesef en medelijden komen telkens in conflict; wij zijn of te zacht of veel te streng in ons oordeel. Maar alzoo is het niet en kan het niet zijn bij den Heere onzen God. In Christus heeft Hij zijne volle liefde geopenbaard, en die liefde is daarom zoo groot, wijl zij eene verlossing heeft geschonken van den toekomenden toorn en van het eeuwig verderf. De bestrijders van de eeuwige straf doen niet alleen aan de doemwaardigheid der zonde, aan de strengheid van het Goddelijk recht tekort; zij maken ook inbreuk op de grootte van Gods liefde en van de verlossing, die in Christus is. Indien het niet gegaan had om de redding van een eeuwig verderf, ware de prijs van het bloed van Gods eigen Zoon veel te duur geweest. De hemel, dien Hij door zijn zoendood ons verwierf, onderstelt eene hel, waarvan Hij ons bevrijdde. Het eeuwige leven, dat Hij ons schonk, onderstelt een eeuwigen dood, waarvan Hij ons verlost heeft. De gunst en het welbehagen Gods, waarin Hij ons eeuwig doet deelen, onderstelt een toorn, onder welken wij anders eeuwig hadden moeten verzinken. En daarom zal deze Christus ook eenmaal het gericht houden en het oordeel uitspreken. Een mensch, een waarachtig, volkomen mensch, die weet wat in den mensch is, die de zachtmoedigste aller menschen is, zal de rechter der menschen zijn, zoo rechtvaardig, dat allen het zullen erkennen en alle knie voor Hem zich buigen en alle tong belijden zal, dat Christus de Heer is, tot heerlijkheid Gods des Vaders. God zal aan het eind, zoo niet gewillig, dan onwillig door alle schepselen als God worden erkend. 9º Dit moet ons genoeg zijn. Onderzoekingen over de ligging en grootte der hel, over de hoedanigheid van vuur en worm, over den psychischen en den physischen toestand der verlorenen leiden tot geen resultaat, omdat de Schrift er het zwijgen over bewaart. Alleen dit weten wij nog, dat de straf der hel eerst een aanvang neemt na den oordeelsdag, dat zij steeds gedreigd wordt aan degenen, die de waarheid Gods hardnekkig tegenstaan, aan de vreesachtigen en ongeloovigen en gruwelijken en doodslagers en hoereerders en toovenaars en afgodendienaars en leugenaars, Op. 21:8, en dat zij ook dan nog verschilt naar de mate van ieders ongerechtigheid. Nergens leert de Schrift, dat er dan nog plaats voor bekeering en vergeving is. De toevoeging in Mt. 12:32: noch in deze eeuw noch in de toekomende, strekt niet, om de vergefelijkheid der zonde tegen den Zoon des menschen ook nog in de toekomende eeuw, maar om de volstrekte onvergefelijkheid der zonde tegen den H. Geest in het licht te stellen. Straf is in haar wezen handhaving der gerechtigheid en dient bepaaldelijk na het oordeel, niet om te louteren maar om een iegelijk te vergelden naar zijn werk. Maar toch leert de Schrift zeer duidelijk, dat er in die straf graden zijn; de poena damni is gelijk, maar de poena sensus verschilt; een ieder ontvangt naar zijne werken, Mt. 10:15, 11:24, 23:14, 24:51, Luk. 10:12, 14, 12:46, 47, 2 Cor. 5:10 enz. En daarin spreekt zich nog iets van Gods barmhartigheid uit, deel II 362. 365. Alle zonde staat absoluut tegen de gerechtigheid over, maar toch rekent God bij de straf met het relatief verschil, dat tusschen de zonden bestaat. Ook al wordt daarom niet met Augustinus, Enchir. 110, cf. Lombardus, Thomas, Bonaventura op Sent. IV 46 toegegeven, poenas damnatorum certis temporum intervallis aliquatenus mitigari, toch betoont zich zijne gerechtigheid in de eeuwige straf op die wijze, dat zijne goedheid en liefde ongeschonden blijven en nooit rechtmatig kunnen worden aangeklaagd. Ook in de hel geldt het woord, dat Hij de menschen niet van harte plaagt, Klaagl. 3:33; de smart, die Hij toezendt, is geen voorwerp van zijne of van der zaligen verlustiging, maar een middel tot verheerlijking van zijne deugden en dus door dit einddoel in hare zwaarte en hare mate bepaald. Cf. Augustinus, Enchir. 110-113. de civ. XXI. Lombardus e. a. op Sent. IV 46-50. Thomas, S. Theol. suppl. qu. 97-99. Dante, De Hel. Petavius, Theol. dogm. t. IV de angelis III c. 4-8. Simar, Dogm. § 163. Jansen, Prael. III 946-975. Bautz, Die Hölle, Mainz 1882. Sachs, Die ewige Dauer der Höllenstrafen, Paderborn 1900. Gerhard, Loc. IX tract. 5 en Loc. XXX. Quenstedt, Theol. I 560-565. Vilmar, Dogm. II 323. Philippi, Kirchl. Gl. III 389. Kähler, Art. Höllenstrafen in Herzog³. Limborch, Theol. Christ. VI 13. Calvijn, Inst. III 25, 12. Synopsis pur. theol. disp. 52. Turretinus, Theol. El. XX qu. 7. Marck, Exspect. J. Chr. III c. 12. 13. Moor III 354-358. VI 798. M. Vitringa IV 175 II 305. 320. J. A. Turretinus, Op. II 612. Swinden, An inquiry into the nature and place of hell. Lond. 1727. Jon. Edwards, Works, New-York 1881 I 612-642 IV 254-321. Id. Betoog voor de eeuwigheid der straffen in een toekomstig leven, Utrecht 1792. Hodge, Syst. Theol. III 818. Shedd, Dogm. Theol. II 667. Oosterzee, Dogm. § 149.
7. Na het eindgericht volgt de vernieuwing der wereld. Sommigen hebben deze met Thomas, S. Theol. suppl. qu. 74 art. 7 wel vóór het laatste oordeel geplaatst, maar de gewone voorstelling is toch deze, dat zij daarop volgt en dan eerst intreedt, als de goddeloozen reeds van de aarde verbannen zijn. Ongetwijfeld komt deze orde ook het meest met die in de H. Schrift overeen. In het Oude Test. wordt de dag des Heeren wel door allerlei schrikkelijke teekenen voorafgegaan en heeft het gericht over de volken onder allerlei ontzettende gebeurtenissen plaats, maar de nieuwe aarde met hare buitengewone vruchtbaarheid neemt dan eerst een aanvang, als de overwinning over de vijanden behaald en het volk Israels in zijn land wedergekeerd en hersteld is. Evenzoo gaan volgens het Nieuwe Test. aan den dag des gerichts vele teekenen vooraf, zooals verduistering van zon en maan en sterren, beweging van de krachten des hemels enz., Mt. 24:29, maar de verbranding der aarde heeft toch eerst in den dag des Heeren plaats, 2 Petr. 3:10, en daarna komt dan de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, in welke gerechtigheid woont, 2 Petr. 3:13. Als het oordeel voltrokken is, ziet Johannes het nieuwe Jeruzalem neerdalen van God uit den hemel, Op. 21:1v. Bij deze verwachting eener wereldvernieuwing neemt de Schrift een standpunt tusschen twee uitersten in. Eenerzijds is door velen, zooals Plato, Aristoteles, Xenophanes, Philo, Maimonides, Averroes, Nolanus, Peyrère, Edelmann, Czolbe enz. beweerd, dat deze wereld eeuwig in hare tegenwoordige gedaante zou voortbestaan. En andererzijds waren Origenes, de Lutherschen, de Mennonieten, de Socinianen, Vorstius, de Remonstranten en ook enkele Gereformeerden, zooals Beza, Rivetus, Junius, Wollebius, Prideaux van meening, dat zij niet slechts in gedaante veranderd doch in substantie vernietigd en door eene gansch nieuwe wereld vervangen zou worden, M. Vitringa IV 194-200. Doch geen van deze beide gevoelens vindt steun in de Schrift. De Oudtest. profetie verwacht eene buitengewone verandering in heel de natuur maar leert toch geen vernietiging van de tegenwoordige wereld. De plaatsen, waarin men deze laatste geleerd acht, Ps. 102:27, Jes. 34:4, 51:6, 16, 65:17, 66:22, beschrijven de verandering, welke na den dag des Heeren intreden zal, wel in zeer sterke bewoordingen, maar houden toch geen vernietiging van de wereldsubstantie in. Vooreerst toch is de beschrijving, welke daar gegeven wordt, veel te beeldrijk, dan dat er eene letterlijke reductio ad nihilum van heel de wereld uit afgeleid zou kunnen worden. Voorts wordt het vergaan, אבד, van hemel en aarde, Ps. 102:27, dat op zichzelf reeds nooit eene volstrekte vernietiging der substantie te kennen geeft, daardoor verklaard, dat zij als een kleed verouderen, als een gewaad veranderen, als een blad afvallen, als rook verdwijnen zullen, Ps. 102:27, Jes. 34:4, 51:6. En eindelijk geeft het woord scheppen, ברא, dat van den nieuwen hemel en de nieuwe aarde gebezigd wordt, Jes. 65:17, volstrekt niet altijd een voortbrengen uit niets te kennen, maar duidt het dikwerf zulk eene werkzaamheid Gods aan, waardoor Hij uit het oude iets nieuws te voorschijn doet komen, Jes. 41:20, 43:7, 54:16, 57:19; daarom wisselt het ook af met planten, gronden, maken, Jes. 51:16, 66:22, en kan de Heere in Jes. 51:16 zeggen, dat Hij die nieuwe schepping daarmede begint, dat Hij zijn woord in Israels mond legt en het dekt met de schaduw zijner hand. Het nieuwe Test. verkondigt op dezelfde wijze, dat hemel en aarde zullen voorbijgaan, Mt. 5:18, 24:35, 2 Petr. 3:10, 1 Joh. 2:17, Op. 21:1, dat zij zullen vergaan, en verouden als een kleed, Hebr. 1:11, ontbonden, 2 Petr. 3:11, verbrand, 2 Petr. 3:10, veranderd worden, Hebr. 1:12. Maar deze uitdrukkingen sluiten geen van alle eene vernietiging der substantie in. Immers leert Petrus uitdrukkelijk, dat de oude aarde, die door scheiding der wateren ontstond, door het water van den zondvloed vergaan is, 2 Petr. 3:6, en dat de tegenwoordige wereld evenzoo, ofschoon krachtens Gods belofte niet meer door water, toch door vuur zal vergaan. Aan eene vernietiging van de substantie bij het vergaan der tegenwoordige wereld valt dus evenmin te denken als bij de verderving der vroegere wereld in den zondvloed; vuur verbrandt, reinigt, zuivert maar vernietigt niet. De tegenstelling in 1 Joh. 2:17: die den wil Gods doet, blijft in der eeuwigheid, leert, dat met de woorden: de wereld gaat voorbij met hare begeerlijkheid, niet bedoeld is eene vernietiging van de substantie der wereld, maar eene verdwijning der wereld in haar door de zonde verwoeste gedaante. Paulus zegt daarom ook zeer duidelijk, dat de gedaante, το σχημα, van deze wereld voorbijgaat, 1 Cor. 7:31. Trouwens komt zulk een wereldvernieuwing alleen overeen met wat de Schrift over de verlossing leert. Deze is immers nooit eene tweede, nieuwe schepping, maar eene herschepping van het bestaande. Daarin bestaat juist Gods eere, dat Hij dezelfde menschheid, dezelfde wereld, denzelfden hemel en dezelfde aarde verlost en vernieuwt, welke door de zonde verdorven en verontreinigd waren. Zooals een mensch in Christus een nieuw schepsel is, bij wien het oude voorbijgegaan en alles nieuw is geworden, 2 Cor. 5:17, zoo gaat ook deze wereld in haar tegenwoordige gedaante voorbij, om op het machtwoord Gods uit haar schoot aan eene nieuwe wereld het aanzijn te geven. Gelijk bij den enkelen mensch, zoo heeft er aan het einde der dagen ook bij de wereld eene wedergeboorte plaats, Mt. 19:28, die geen physische schepping maar eene geestelijke vernieuwing is. Cf. Thomas, S. Theol. Suppl. qu. 74 art. 1 en qu. 91. Atzberger, Die christl. Eschat. 372 f. Gomarus, Op. I 131-133. 416. Spanheim, Dubia Evang. III 670-712. Turretinus, Th. El. XX qu. 5. Moor VI 733-736. M. Vitringa IV 186-215. Kliefoth, Eschat. 297 f.
8. Deze vernieuwing der zienlijke wereld stelt de eenzijdigheid van het spiritualisme in het licht, dat de toekomstige zaligheid tot den hemel beperkt. Bij de Oudtest. profetie is er geen twijfel mogelijk, dat zij de zaligheid als eene aardsche beschrijft; zij verwacht, dat het volk Gods na den grooten dag in veiligheid en vrede onder den gezalfden koning uit Davids huis in Palestina wonen en door de heidensche natiën omringd en gediend worden zal. Er ligt waarheid in de woorden van Delitzsch op Jes. 66:24: Das ist ja eben der Unterschied des A. und N. T., dass das A. T. das Jenseits verdiesseitigt, das N. T. das Diesseits verjenseitigt; dass das A. T. das Jenseits in den Gesichtskreis des Diesseits herabzieht, das N. T. das Diesseits in das Jenseits emporhebt. Maar toch doen zij de N. T. verwachting van de toekomstige zaligheid niet geheel tot haar recht komen. Er ligt in het N. Test. ongetwijfeld eene vergeestelijking der Oudtest. profetie; wijl Jezus’ komst in eene eerste en tweede uiteenvalt, wordt eerst het koninkrijk Gods in geestelijken zin in het hart der menschen geplant; en de goederen van dat rijk zijn alle inwendig en onzienlijk, vergeving, vrede, gerechtigheid, eeuwig leven. Dienovereenkomstig wordt het wezen van de toekomstige zaligheid ook meer geestelijk opgevat, vooral door Paulus en Johannes, als een altijd bij den Heere zijn, Joh. 12:26, 14:3, 17:24, 2 Cor. 5:8, Phil. 1:23, 1 Thess. 4:17, 5:10, 1 Joh. 3:2. Maar toch wordt die zaligheid daarmede niet binnen den hemel opgesloten. Dat dit niet het geval kan zijn, blijkt principiëel reeds daaruit, dat het N. T. de vleeschwording des Woords en de lichamelijke opstanding van Christus leert, aan het eind der dagen zijn lichamelijke wederkomst verwacht en terstond daarna de lichamelijke opstanding van alle menschen, en inzonderheid die van de geloovigen, laat plaats hebben. Dit alles werpt het spiritualisme omver, dat, indien het aan zijn beginsel getrouw bleef, evenals Origenes na den oordeelsdag niets dan geesten in een ongeschapen hemel mocht laten overblijven. De Schrift leert echter gansch anders. Volgens haar bestaat de wereld uit hemel en aarde, de mensch uit ziel en lichaam, en heeft dienovereenkomstig ook het koninkrijk Gods eene geestelijke, verborgene en eene uitwendige, zienlijke zijde. Terwijl Jezus de eerste maal gekomen is, om dat koninkrijk in geestelijken zin te stichten, keert Hij aan het einde der dagen weder, om er ook eene zichtbare gestalte aan te geven. De reformatie gaat van binnen naar buiten; de wedergeboorte der menschen voltooit zich in de wedergeboorte der schepping; het Godsrijk is dan eerst ten volle gerealiseerd, als het ook zichtbaar over de aarde uitgebreid is. Zoo verstonden het ook de jongeren, als zij aan Jezus na zijne opstanding vraagden, of Hij nu aan Israel het koninkrijk weder oprichten zou. En Jezus ontkent in zijn antwoord op die vraag niet, dat Hij eenmaal zulk een koninkrijk oprichten zal, maar zegt alleen, dat de tijden daarvoor door den Vader zijn vastgesteld en dat zijne jongeren thans de roeping hebben, om in de kracht des H. Geestes zijne getuigen te zijn tot aan het uiterste der aarde, Hd. 1:6-8. Elders getuigt Hij uitdrukkelijk, dat de zachtmoedigen de aarde zullen beërven, Mt. 5:5, en stelt Hij de toekomstige zaligheid als een maaltijd voor, waar men aanzit met Abraham, Izak en Jakob, Mt. 8:11, spijze en drank geniet, Luk. 22:30, eet van het nieuwe, volmaakte pascha, Luk. 22:16, en drinkt van de vrucht van den nieuwen wijnstok, Mt. 26:29. Wel is in deze bedeeling, tot de parousie toe, het oog der geloovigen naar boven, naar den hemel gericht. Daar is hun schat, Mt. 6:20, 19:21; daar is Jezus, die hun leven is, gezeten aan de rechterhand Gods, Joh. 14:3, 17:24, Col. 3:1-3; daar is hun burgerschap, terwijl zij hier vreemdelingen zijn, Phil. 3:20, Hebr. 11:13-16; daar wordt voor hen de erfenis bewaard, Hebr. 10:34, 1 Petr. 1:4. Maar die erfenis is bestemd, om geopenbaard te worden. Christus komt eenmaal zichtbaar weer, en doet dan in zijne heerlijkheid de gansche gemeente, ja heel de wereld deelen. De geloovigen worden niet alleen naar zijn beeld veranderd, Joh. 17:24, Rom. 8:17, 18, 28, Phil. 3:21, Col. 3:4, 1 Joh. 3:2, maar de gansche schepping zal van de dienstbaarheid des verderfs worden vrijgemaakt tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods, Rom. 8:21; aarde en hemel worden zoo vernieuwd, dat er de gerechtigheid in woont, 2 Petr. 3:13, Op. 21:1; het hemelsch Jeruzalem, dat thans boven is en het voorbeeld van het aardsche Jeruzalem was, daalt dan op aarde neer, Gal. 4:26, Hebr. 11:10, 13-16, 12:22, 13:14, Op. 3:12, 21:2v. Dit nieuw Jeruzalem is niet met de gemeente identisch, al kan het ook overdrachtelijk de bruid des Lams heeten, Op. 21:2, 9, want Hebr. 12:22, 23 maakt zeer duidelijk onderscheid tusschen het hemelsche Jeruzalem en de gemeente der eerstgeborenen (vromen des O. T.) en der volmaakte rechtvaardigen (ontslapen Christenen). Het hemelsch Jeruzalem is eene stad, door God zelven gebouwd, Hebr. 11:10; zij is de stad des levenden Gods, omdat God niet alleen haar bouwmeester is maar er ook zelf in woont, Op. 21:3; de engelen zijn daarin de dienaren en vormen den hofstoet van den grooten Koning, Hebr. 12:22; de zaligen zijn daarin de burgers, Op. 21:27, 22:3, 4. De beschrijving, welke Johannes van dat Jeruzalem geeft, Op. 21 en 22, mag zeker evenmin als zijne voorafgaande visioenen letterlijk worden opgevat; dit wordt reeds daardoor uitgesloten, dat Johannes haar voorstelt als een kubus, waarvan lengte, breedte en hoogte gelijk zijn, n.l. 12000 stadiën, d. i. 300 Duitsche mijlen, terwijl de hoogte van den muur toch maar 144 el is, Op. 21:15-17. Johannes bedoelt met zijne beschrijving geen teekening van de stad, maar hij geeft gedachten en vertolkt die in beelden, wijl de heerlijkheid van het Godsrijk op geen andere wijze tot ons bewustzijn te brengen is. En die beelden ontleent hij aan het paradijs, met zijn rivier en levensboom, Op. 21:6, 22:1, 2, aan het aardsche Jeruzalem met hare poorten en straten, Op. 21:12v., aan den tempel met zijn heilige der heiligen, waarin God zelf woonde, Op. 21:3, 22, aan heel het rijk der natuur met al zijne schatten van goud en edele gesteenten, Op. 21:11, 18-21. Maar al zijn het gedachten, welke op die wijze door beelden vertolkt worden, die gedachten zijn toch geen inbeeldingen of verdichtselen doch diesseitige beschrijvingen van jenseitige realiteiten. Alwat waarachtig is, al wat edel is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat welluidt, in de gansche schepping, in hemel en aarde, wordt in de toekomstige Godsstad saamgebracht, maar vernieuwd, herschapen, tot zijne hoogste heerlijkheid opgevoerd. De substantie ervoor is in deze schepping aanwezig. Gelijk de rups zich ontwikkelt tot vlinder, gelijk koolstof zich omzet tot diamant, gelijk het tarwegraan, stervend in de aarde, een ander voortbrengt, gelijk de gansche natuur in de lente herleeft en in feestdosch zich tooit, gelijk de gemeente gevormd wordt uit Adams gevallen geslacht, gelijk het opstandingslichaam opgewekt wordt uit het lichaam, dat gestorven en in de aarde begraven is; zoo komt ook eenmaal door de herscheppende macht van Christus uit de door vuur gelouterde elementen van deze wereld de nieuwe hemel en aarde te voorschijn, stralend in onvergankelijke heerlijkheid en van de δουλεια της φθορας voor eeuwig bevrijd. Heerlijker dan deze schoone aarde, heerlijker dan het aardsche Jeruzalem, heerlijker zelfs dan het paradijs zal de heerlijkheid van het nieuwe Jeruzalem zijn, waarvan God zelf de kunstenaar en de bouwmeester is. De status gloriae zal geen zuivere restauratie zijn van den oorspronkelijken status naturae, maar eene reformatie, die, dank zij de macht van Christus, alle ὑλη tot εἰδος, alle potentia tot actus doet overgaan en heel de schepping voor Gods aangezicht zal stellen, stralend in onverwelkelijke pracht en bloeiend in de lente eener eeuwige jeugd. Substantieel gaat er niets verloren. Buiten zijn wel de honden en de toovenaars en de hoereerders en de doodslagers en de afgodendienaars en een iegelijk, die de leugen liefheeft of doet, Op. 22:15. Maar in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde wordt de wereld hersteld; in de gemeente wordt het menschelijk geslacht behouden; in die gemeente, die uit alle natiën en talen en tongen door Christus gekocht en vergaderd is, Op. 5:9 enz., behouden alle de volken, ook Israel, elk zijne onderscheidene plaats en roeping, Mt. 8:11, Rom. 11:25, Op. 21:24, 22:2; en alle die volken brengen in het nieuwe Jeruzalem saam, al wat zij elk naar zijn onderscheiden aard van God ontvangen hebben aan heerlijkheid en eere, Op. 21:24, 26.
9. De zegeningen, waarin de gezaligden deelen, zijn daarom niet alleen geestelijk maar ook stoffelijk of lichamelijk van aard. Zoo verkeerd als het is, om de laatste met de heidensche volken en ook met sommige Chiliasten tot het hoofdbestanddeel der toekomstige zaligheid te maken, zoo eenzijdig is het ook, om ze op stoische wijze onverschillig te rekenen of ook van de zaligheid ten eenenmale uit te sluiten. De Schrift houdt het geestelijke en het natuurlijke steeds in nauw verband; wijl de wereld uit hemel en aarde en de mensch uit ziel en lichaam bestaat, behooren heiligheid en heerlijkheid, deugd en geluk, zedelijke en natuurlijke wereldorde ook ten slotte harmonisch verbonden te zijn. De zaligen zullen daarom niet alleen vrij zijn van alle zonde, maar ook van alle gevolgen der zonde, van onwetendheid en dwaling, Joh. 6:45, van den dood, Luk. 20:36, 1 Cor. 15:26, Op. 2:11, 20:6, 14, van armoede en krankheid, smart en vreeze, honger en dorst, koude en hitte, Mt. 5:4, Luk. 6:21, Op. 7:16, 17, 21:4, van alle zwakheid, oneer en verderf, 1 Cor. 15:42 enz. Maar de geestelijke zegeningen zijn toch de voornaamste en zijn ontelbaar vele: heiligheid, Op. 3:4, 5, 7:14, 19:8, 21:27, zaligheid, Rom. 13:11, 1 Thess. 5:9, Hebr. 1:14, 5:9, heerlijkheid, Luk. 24:36, Rom. 2:10, 8:18, 21, aanneming tot kinderen, Rom. 8:23, eeuwig leven, Mt. 19:16, 29 enz., aanschouwing van en gelijkvormigheid aan God en Christus, Mt. 5:8, Joh. 17:24, Rom. 8:29, 1 Cor. 13:12, 2 Cor. 3:18, Phil. 3:21, 1 Joh. 3:2, Op. 22:4, gemeenschap met en dienen en prijzen van God en Christus, Joh. 17:24, 2 Cor. 5:8, Phil. 1:23, Op. 4:10, 5:9, 13, 7:10, 15, 21:3, 22:3 enz. Omdat al deze weldaden in beginsel reeds op aarde aan de geloovigen worden geschonken, zooals bijv. de aanneming tot kinderen, Rom. 9:4, 8:15, Gal. 4:5, Ef. 1:5, en het eeuwige leven, Joh. 3:15, 16, 36 enz., hebben velen de zaligheid, welke Christus schenkt, uitsluitend als eene tegenwoordige opgevat, die alleen in den weg van een ethisch proces zich hoe langer hoe meer realiseert, Pfleiderer, Grundriss § 177. Biedermann, Dogm. § 974 f. Scholten, Initia c. 7. Ook Ritschl en vele zijner aanhangers leggen eenzijdig den nadruk op de diesseitige Weltstellung des Menschen, houden de zedelijke vrijheid, welke de Christen in het geloof tegenover de wereld ontvangt, voor de voornaamste weldaad, en spreken weinig of niet van de eeuwige zaligheid, welke Christus in de toekomst den zijnen, bereidt, Ritschl, Rechtf. u. Vers. III² 459 f. 484 f. 534 f. 600 f. Tegenover het abstracte supranaturalisme der Grieksche en Roomsche kerk, dat de zaligheid uitsluitend transcendent opvat en dus hier op aarde het christelijk levensideaal in den monnik belichaamd acht, verdedigt deze beschouwing eene belangrijke waarheid. De Reformatie heeft, teruggaande tot de Schrift, deze supranaturalistische en ascetische levensopvatting principieel verwonnen. Wie gelooft, heeft op datzelfde oogenblik vergeving van zonden en eeuwig leven; hij is een kind van God, dat den Vader dient, niet als knecht uit hoop op loon, maar als een zoon, die uit liefde en dankbaarheid den wil des Vaders volbrengt; en hij volbrengt dien wil, niet door uit de wereld weg te vluchten maar door trouw te zijn in de roeping, welke hem hier op aarde toebetrouwd is. Het leven voor den hemel vormt daarom geen tegenstelling met het leven in het midden der wereld; juist in die wereld bewaart Christus zijne discipelen van den Booze. De nieuwe hemel en aarde wordt immers opgebouwd uit de elementen der wereld, die thans bestaat, en de gemeente is de herstelde menschheid onder Christus als Hoofd. Maar hoezeer de zaligheid in zekeren zin reeds het deel is van de geloovigen op aarde, zij is dat toch maar in beginsel en niet in volle werkelijkheid. De geloovigen zijn in hope zalig, Rom. 8:24; Jezus spreekt de armen van geest enz., zalig, omdat hunner het koninkrijk der hemelen is, dat in de toekomst op aarde gesticht worden zal, Mt. 5:3-10. De geloovigen zijn kinderen Gods en verwachten toch nog de volle verwezenlijking van dat kindschap, Mt. 5:9, Rom. 8:23. Zij hebben het eeuwige leven, en moeten het toch nog bij de opstanding ontvangen, ook volgens Johannes, 5:20-29, 6:40, 44, 54. Beide is dus waar, dat het koninkrijk der hemelen er is en dat het toch nog komt. En deze dubbele waarheid bepaalt heel het karakter van den staat der heerlijkheid. Gelijk de nieuwe hemel en aarde gevormd wordt uit de elementen dezer wereld en de gemeente eene herschepping is van het in Adam gevallen menschelijk geslacht, zoo is ook het leven der zaligen hiernamaals te denken als in analogie met het leven der geloovigen hier op aarde. Het bestaat eenerzijds niet in eene visio Dei in Roomschen zin, waartoe de menschelijke natuur slechts door een donum superadditum kan opgebeurd worden, en het is aan de andere zijde ook niet eene langzame en geleidelijke ontwikkeling van het christelijk leven, dat hier reeds op aarde door de geloovigen geleid wordt. Het is een echt natuurlijk leven, maar door de genade tot zijne hoogste heerlijkheid opgeheven, en in zijn rijkste schoonheid ontvouwd; de materia blijft, doch de forma verschilt. De religie, dat is de gemeenschap met God, neemt er daarom de eerste, de centrale plaats in. Maar die gemeenschap zal rijker, dieper, zaliger zijn, dan zij hier op aarde ooit was of wezen kon, want zij zal door geen zonde verstoord, door geen afstand verbroken, door geen natuur of Schrift bemiddeld zijn. Nu zien wij in den spiegel van Gods openbaring slechts zijn beeld; dan zien wij aangezicht tot aangezicht, en kennen, gelijk wij gekend zijn. Visio, comprehensio, fruitio Dei maken het wezen der toekomstige zaligheid uit. De zaligen zien God, wel niet met lichamelijke oogen, maar toch op eene wijze, die alle openbaring in deze bedeeling door middel van natuur en van Schrift zeer verre te boven gaat; en dienovereenkomstig zullen zij Hem allen kennen, schoon elk naar de mate zijner bevatting, met eene kennis, die in de kennisse Gods haar beeld en gelijkenis heeft, rechtstreeks, onmiddellijk, zuiver en rein, deel II 150-155. Zij ontvangen en bezitten dan alles, wat zij hier slechts in hope hebben verwacht. En alzoo God aanschouwende en God bezittende, genieten zij God en zijn in zijne gemeenschap zalig; zalig naar ziel en naar lichaam, in verstand en in wil. In de theologie was er verschil over, of de zaligheid hiernamaals formaliter zetelde in het verstand of in den wil, en dus in kennis of in liefde bestond. Thomas zeide het eerste, S. Theol. I 2 qu. 3 art. 4, en Duns Scotus beweerde het laatste, Sent. IV dist. 49 qu. 4. Maar Bonaventura vereenigde beide en merkte op, dat de fruitio Dei niet alleen eene vrucht was van de cognitio Dei maar ook van den amor Dei en in beider vereeniging en samenwerking haar oorzaak had, Sent. IV dist. 49 p. 1 art. unic. qu. 4. 5, cf. Voetius, Disp. II 1217-1239.
10. De zaligheid der gemeenschap met God wordt genoten in en verhoogd door de gemeenschap der heiligen. Reeds op aarde is deze gemeenschap eene heerlijke weldaad des geloofs. Wie om Jezus’ wil huis of broeders of zusters of vader of moeder of vrouw of kinderen of akkers verlaten hebben, ontvangen reeds in dit leven met de vervolgingen huizen en broeders en zusters en moeders en kinderen en akkers terug, Mk. 10:29, 30, want allen, die den wil des Vaders doen, zijn Jezus’ broeder en zuster en moeder, Mt. 12:50. De geloovigen komen door den Middelaar des Nieuwen Testaments in gemeenschap, niet alleen met de strijdende kerk op aarde, maar ook met de triumfeerende kerk in den hemel, de gemeente der eerstgeborenen, de geesten der volmaakte rechtvaardigen, zelfs met de vele duizenden der engelen, Hebr. 12:22-24. Maar deze gemeenschap, ofschoon in beginsel reeds op aarde bestaande, boven bl. 28, zal toch onvergelijkelijk veel rijker en heerlijker zijn, wanneer alle scheidsmuren van afstamming en taal, van tijd en ruimte geslecht, alle zonde en dwaling uitgebannen en alle uitverkorenen in het nieuwe Jeruzalem saamgebracht zullen zijn. Dan zal het gebed van Jezus ten volle worden verhoord, dat al zijne schapen ééne kudde vormen onder éénen Herder, Joh. 10:16, 17:21. Alle heiligen zullen dan te zamen ten volle begrijpen, welke de breedte en lengte en diepte en hoogte zij van de liefde van Christus, Ef. 3:18; zij zullen saam vervuld worden tot al de volheid Gods, Ef. 3:19, Col. 2:2, 10, want Christus, dien God vervult, Col. 1:19, vervult op zijne beurt de gemeente met zichzelven en maakt ze tot zijn pleroma, Ef. 1:23, 4:10, cf. deel III 417. En aanzittende met Abraham, Izak en Jakob aan éénen disch, Mt. 8:11, heffen zij uit éénen mond het loflied aan tot eere van God en van het Lam, Op. 4:11, 5:12 enz. Van de gemeente op aarde zegt de Schrift menigmaal, dat zij een klein kuddeken vormt, Mt. 7:14, 22:14, Luk. 12:32, 13:23, hetgeen door de historie tot op den huidigen dag bevestigd wordt. En zelfs tegen het einde der dagen, als het evangelie onder alle volken gepredikt zal zijn, zal de afval toenemen en het getal der getrouwen gering zijn; reeds de profetie des O. Test. verkondigde, dat slechts een overblijfsel van Israel zich tot den Heere bekeeren en behouden zou worden, boven bl. 429; en het N. Test. koestert evenzoo de verwachting, dat degenen, die volharden tot den einde toe, weinigen zullen zijn, Mt. 24:13, 25:1v., Luk. 18:8. Maar aan de andere zijde spreekt de Schrift dikwerf toch zeer universalistisch. Het verbond der genade wordt in Adam aan heel de menschheid bekend gemaakt, Gen. 3:15. Het verbond der natuur, dat na den zondvloed gesloten wordt, omvat alle schepselen, Gen. 9:9, 10. In Abraham worden alle geslachten der aarde gezegend, Gen. 12:3. De verlossing, welke eens aan Israel geschonken zal worden, komt allen Heidenen ten goede, boven bl. 433. Jezus zegt, dat Hij zijne ziel zal geven tot een rantsoen voor velen, Mt. 20:28, en dat velen zullen komen van Oosten en Westen en zullen aanzitten met Abraham, Izak en Jakob in het koninkrijk der hemelen, Mt. 8:11. De genade, die in Hem is verschenen, is veel meer overvloedig dan de overtreding van Adam; zij komt over alle menschen tot rechtvaardigmaking des levens, Rom. 5:12-20, 1 Cor. 15:22. Nu worden in deze bedeeling alle dingen in den hemel en op de aarde onder Christus tot één vergaderd, Ef. 1:10. En eens aan het einde, zal alle knie voor Christus zich buigen en alle tong Hem als den Heer belijden, Phil. 2:10, 11. Dan zal eene groote schare, welke niemand tellen kan, staan voor den troon en het Lam, Op. 7:9, 19:1, 6. Het zijn volkeren, die zalig worden en in het licht van het nieuwe Jeruzalem wandelen, Op. 21:24, 26, 22:2. En God zal dan in allen alles zijn, 1 Cor. 15:28. In aansluiting bij en met beroep op deze laatste reeks teksten hebben velen de hope gekoesterd, dat ten slotte, zoo niet alle schepselen, dan toch alle menschen en, indien ook dit niet het geval mocht zijn, dan toch verreweg de meeste menschen zalig zouden worden; de hel zou in het geheel niet bestaan of slechts een kleine uithoek zijn in het heelal. Zij grondden deze hunne verwachting òf op de mogelijkheid, om ook zalig te worden door de werken der wet (Pelagianen, Socinianen, Deisten enz.), òf op de gelegenheid, om ook na den dood in den tusschentoestand of zelfs nog na den oordeelsdag het evangelie te hooren en in den geloove aan te nemen (Universalisten). Deze gevoelens zijn vroeger reeds besproken en behoeven dus thans niet meer aan de Schrift getoetst te worden, cf. deel I 232. II 318 f. 340 f. 350 f. III 390-408 en boven bl. 499v. Maar ook onder hen, die de belijdenis vasthouden, dat niemand tot den Vader komt dan door Christus en dat er maar één naam onder den hemel ter zaligheid gegeven is, Joh. 14:6, Hd. 4:12, zijn er altijd enkelen geweest, die aan de mogelijkheid der zaligheid in dit leven buiten de prediking van het evangelie hebben geloofd. Zij leerden alzoo ten aanzien van de kinderen des verbonds, van al de jongstervende kinderen binnen en buiten de grenzen des Christendoms, van idioten, krankzinnigen, doofstommen, die feitelijk van de prediking des evangelies verstoken waren, en ook van sommige of van vele Heidenen, die in hun helder inzicht en deugdzaam leven bewijzen gaven van eene waarachtige godsvrucht. Sommige kerkvaders namen een werkzaamheid van den Logos in de Heidenwereld aan, deel I 238. Augustinus geloofde, dat er van den beginne af aan niet alleen onder Israel maar ook onder andere volken altijd enkelen waren geweest, die in den Logos geloofden en naar zijne geboden vroom en rechtvaardig leefden, Ep. 102. de civ. 18, 47 en andere plaatsen bij Reuter, Aug. Studien 1887 S. 90 f. Abaelard beweerde, dat ook Heidenen de zaligheid konden deelachtig worden, bij Münscher-v. Coelln, D. G. II 147. Volgens Strauss, Chr. Gl. I 271 sprak Luther eenmaal den wensch uit, dat God ook mannen als Cicero en Seneca genadig mocht zijn, en wilde Melanchton in het midden laten, of Hij soms langs een bijzonderen weg aan Solon, Themistocles e. a. eenige kennis van de vergeving in Christus had medegedeeld. Zwingli sprak beslister en geloofde dat God ook onder de Heidenen zijne uitverkorenen had, Chr. fidei expos. Op. IV 65. Maar anderen lieten alleen de mogelijkheid open en durfden niet meer dan hopen en wenschen, zooals bijv. à Lasco, bij Kuyper, Heraut 1047. Zanchius, bij Shedd, Dogm. Theol. I 436 II 704. Bilderdijk, Brieven V 81. Kuyper, Heraut 594 cf. 1047. Ebrard, Das Dogma v. h. Ab. II 77. Shedd, Dogm. Theol. I 436 II 704. Dit gevoelen bleef echter altijd het gevoelen van enkelen; de kerken lieten er zich in hare confessies niet over uit en de meeste theologen kwamen er tegen op, cf. litt. bij M. Vitringa I 29. Iets gunstiger oordeelde men over de zaligheid der jongstervende kinderen. De Roomschen leeren, dat alle Christenkinderen, die, voto of re gedoopt, sterven, zalig worden en alle andere vroegstervende kinderen in den limbus infantum eene poena damni, niet sensus, lijden, Lombardus e. a. op Sent. II dist. 33. De Lutherschen oordeelen ten aanzien van de Christenkinderen als de Roomschen en laten de anderen aan Gods oordeel over, Gerhard, Loc. XVI § 169. Buddeus, Inst. theol. V I, 6. De Gereformeerden neigden ertoe, om te gelooven, dat alle in het verbond der genade geboren en dan vóór de jaren des onderscheids door den dood weggenomen kinderen de hemelsche zaligheid deelachtig worden, Can. Dordr. I 7. Voetius, Disp. II 417, hoewel velen ook hier tusschen verkoren en verworpen kinderen onderscheid maakten en niet aan elk dezer kinderen individueel met zekerheid de zaligheid durfden toekennen, Martyr, Loci Comm. p. 76. 436, Beza, Pareus, Zanchius, Perkins e. a. Wat de vroegstervende kinderen buiten het verbond betreft, oordeelden sommigen vrij mild; Junius vermoedde liever uit liefde, dat zij behouden dan dat zij verloren waren, Op. II 333, en Voetius zeide: of zij verloren zijn dan of sommigen onder hen uitverkoren zijn en vóór hun sterven wedergeboren worden, nolim negare, affirmare non possum, Disp. II 413, cf. verdere litt. bij M. Vitringa II 51. 52, en vooral B. Warfield, The development of the doctrine of infant salvation, in: Two studies in the history of doctrine, New-York, Christ. Lit. Comp. 1897 p. 143-239. Met de Schrift in de hand kunnen wij, zoowel in betrekking tot de zaligheid der Heidenen als tot die der vroegstervende kinderen, niet verder komen, dan dat wij van een beslist en stellig oordeel in positieven of negatieven zin ons onthouden. Alleen verdient het opmerking, dat de Gereformeerde theologie bij deze ernstige vragen in veel gunstiger conditie verkeert dan eenige andere. Want alle andere kerken kunnen hierbij dan alleen een zachter oordeel koesteren, wanneer zij op hare leer van de volstrekte noodzakelijkheid der genademiddelen terugkomen of op die van de verdoemelijkheid der zonde inbreuk maken. Maar de Gereformeerden wilden ten eerste de mate der genade niet vaststellen, waarmede een mensch ook onder vele dwalingen en zonden nog aan God verbonden kan zijn noch den graad der kennis bepalen, die tot zaligheid onmisbaar noodig is, Voetius, Disp. II 537. 538. 781. Witsius, Apost. Geloof II 2 en 15. Spanheim, Op. III 1291. En ten andere hielden zij staande, dat de middelen der genade niet absoluut noodzakelijk waren tot de zaligheid en dat God ook buiten woord en sacramenten kon wederbaren ten eeuwigen leven, Calvijn, Inst. IV 16, 19. In de tweede Helv. Confessie, art. 1 luidt het: agnoscimus Deum illuminare posse homines, etiam sine externo ministerio, quos et quando velit; id quod ejus potentiae est. En de Westminstersche belijdenis spreekt in cap. X § 3 uit, dat uitverkoren kinderen, die in hun kindsheid sterven, wedergeboren en behouden worden door den Geest van Christus, qui quando et ubi et quo sibi placuerit modo operatur, en dat dit ook geldt van de overige uitverkorenen, quotquot externae vocationis per ministerium verbi sunt incapaces. Reuter zegt daarom terecht, als hij de leer van Augustinus op dit punt heeft uiteengezet: In der That, es lässt sich das Paradoxon rechtfertigen, gerade die partikularistische Prädestinationslehre habe jene universalistisch klingenden Phrasen ermöglicht, Aug. Studien 92. In de Gereformeerde theologie komen zelfs de bovenaangehaalde universalistische teksten der Schrift het best en het schoonst tot haar recht. Want universalistisch in dien zin, dat alle menschen of zelfs alle schepselen worden behouden, zijn die teksten zeker niet bedoeld en ook door geen enkele christelijke kerk opgevat. Alle belijden zonder uitzondering, dat er niet alleen een hemel maar ook eene hel is. Hoogstens is er dus verschil over het getal dergenen, die zalig worden en die verloren gaan. Maar daarover valt niet te twisten; want dat getal is alleen Gode bekend. Op de vraag: Heere, zijn er ook weinigen, die zalig worden, gaf Jezus alleen ten antwoord: strijdt om in te gaan door de enge poort, want velen zullen zoeken in te gaan en zullen niet kunnen, Luk. 13:24. Dit alleen is rechtstreeks voor ons van belang; het getal der uitverkorenen behoeft ons niet bekend te zijn. Maar in elk geval staat dit vast, dat het getal der uitverkorenen in de Gereformeerde theologie om geen enkele reden en in geen enkel opzicht kleiner behoeft gedacht te worden, dan in eenige andere theologie. Als het er op aankomt, is de Geref. belijdenis ruimer van hart en breeder van blik, dan eenige andere christelijke confessie. Zij vindt de laatste, diepste oorzaak der zaligheid alleen in Gods welbehagen, in zijne eeuwige ontferming, in zijne ondoorgrondelijke barmhartigheid, in den onnaspeurlijken rijkdom zijner almachtige en vrije genade. Welke vastere, breedere grondslag zou daarnaast voor de zaligheid van een schuldig en verloren menschengeslacht te vinden zijn? Laten velen dan afvallen; hoe ontroerend dit zij, in Christus wordt toch de gemeente, de menschheid, de wereld behouden. Het organisme der schepping wordt hersteld. De goddeloozen worden van de aarde verdaan, Ps. 104:35, zij worden buitengeworpen, Joh. 12:31, 15:6, Op. 22:15. Maar onder Christus worden alle dingen, in den hemel en op de aarde, vergaderd tot één, Ef. 1:10. Alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen, Col. 1:16.
11. De gemeenschap met God, die in de gemeenschap der heiligen genoten wordt, sluit zeker in de toekomende eeuw evenmin als in deze bedeeling alle handeling en alle werkzaamheid uit. De christelijke theologie heeft hier in den regel wel weinig aandacht aan gewijd en meest van de hemelsche zaligheid als een kennen en genieten van God gesproken. En dit is zonder twijfel ook de kern en het middelpunt, de bron en de kracht van het eeuwige leven. Ook biedt de Schrift weinig gegevens, om ons van de werkzaamheid der gezaligden eene heldere voorstelling te vormen. Zij beschrijft de zaligheid meer als een rusten van den aardschen arbeid dan als het volbrengen van eene nieuwe werkzaamheid, Hebr. 4:9, Op. 14:13. Maar toch is de rust, die in het nieuwe Jeruzalem genoten wordt, evenmin bij God, Joh. 5:17, als bij zijne kinderen, als een zalig niets-doen te denken. De H. Schrift zegt zelve, dat het eeuwige leven bestaat in een kennen en dienen, in een loven en prijzen van God, Joh. 17:3, Op. 4:11, 5:8 enz. Zijne kinderen blijven ook zijne knechten, die Hem dienen dag en nacht, Op. 22:3. Zij zijn profeten, priesters en koningen, die op de aarde heerschen in alle eeuwigheid, Op. 1:6, 5:10, 22:5. Naarmate zij op aarde over weinig getrouw zijn geweest, worden zij in het koninkrijk. Gods over veel gezet, Mt. 24:47, 25:21, 23. Ieder behoudt zijn eigen persoonlijkheid, want van allen, die ingaan in het nieuwe Jeruzalem, zijn de namen geschreven in het boek des levens des Lams, Op. 20:15, 27, en elk ontvangt een eigen, nieuwen naam, Jes. 62:2, 65:15, Op. 2:17, 3:12, cf. 21:12, 14. De dooden, die in den Heere sterven, rusten van hunne moeiten, maar worden elk door zijn eigen werken gevolgd, Op. 14:13. Geslachten, volken, natiën dragen het hunne tot verrijking des levens in het nieuwe Jeruzalem bij, Op. 5:9, 7:9, 21:24, 26. Wat hier gezaaid wordt, wordt in de eeuwigheid gemaaid, Mt. 25:24, 26, 1 Cor. 15:42v., 2 Cor. 9:6, Gal. 6:7, 8. De groote verscheidenheid, die in allerlei opzicht onder de menschen bestaat, wordt in de eeuwigheid niet vernietigd maar van al het zondige gereinigd en aan de gemeenschap met God en met elkander dienstbaar gemaakt. En gelijk de natuurlijke verscheidenheid in de gemeente op aarde nog met de geestelijke verscheidenheid vermeerderd wordt, 1 Cor. 12:7v., zoo neemt dit natuurlijk en geestelijk verschil in den hemel nog weer daardoor toe, dat er onderscheidene graden van heerlijkheid zijn. Uit oppositie tegen de verdienstelijkheid der goede werken hebben sommige Gereformeerden, zooals Martyr, Loci C. III 17, 8, Camero, Schoenfeld, Tilenus, Spanheim, evenals in de vierde eeuw reeds Jovinianus en later sommige Socinianen en thans nog Gerlach, alle onderscheid in de heerlijkheid hiernamaals geloochend. En het is ook waar, dat aan alle geloovigen dezelfde weldaden in de toekomst van Christus worden beloofd; zij ontvangen allen hetzelfde eeuwige leven, dezelfde woonplaats in het nieuwe Jeruzalem, dezelfde gemeenschap met God, dezelfde zaligheid enz. Maar desniettemin stelt de Schrift het buiten allen twijfel, dat er in die eenheid en gelijkheid eene zeer groote afwisseling en verscheidenheid is. Zelfs de gelijkenis, Mt. 20:1-16, waarop men zich menigmaal voor het tegendeel beroept, pleit voor zulk een onderscheid; want Jezus wil met die gelijkenis leeren, dat velen, die naar eigen en anderer meening lang en zwaar hebben gearbeid, in het toekomstig Messiasrijk volstrekt niet zullen achterstaan bij degenen, die veel korter tijd in den wijnberg zijn werkzaam geweest; de laatsten halen de eersten in, want velen zijn wel geroepen en arbeiden in den dienst van het koninkrijk Gods, maar weinigen zijn er, die daarvoor hiernamaals eene bijzondere onderscheiding genieten en een uitgelezen plaats ontvangen. Veel duidelijker wordt zulk een gradueel verschil in de heerlijkheid op andere plaatsen in de Schrift geleerd, vooral daar, waar sprake is van een loon, dat een iegelijk geschonken zal worden naar zijne werken. Dat loon wordt thans in de hemelen bewaard, Mt. 5:12, 6:1v., Luk. 6:23, 1 Tim. 6:19, Hebr. 10:34-37, en wordt eerst in het openbaar uitgedeeld bij de parousie, Mt. 6:4, 6, 18, 24:47, 2 Thess. 1:7, 1 Petr. 4:13. Het wordt dan geschonken als vergoeding voor hetgeen de discipelen van Jezus hier op aarde om zijnentwil verloochend en geleden hebben, Mt. 5:10v., 19:29, Luk. 6:21v., Rom. 8:17, 18, 2 Cor. 4:17, 2 Thess. 1:7, Hebr. 10:34, 1 Petr. 4:13, en verder ook als vergelding voor de goede werken, die zij hebben verricht, zooals bijv. voor goede besteding der talenten, Mt. 25:15v., Luk. 19:13v., voor vijandsliefde en belangelooze milddadigheid, Luk. 6:35, voor verzorging der armen, Mt. 6:1, voor bidden en vasten, Mt. 6:6, 18, voor het dienen der broederen, Mt. 10:40-42, voor trouwen dienst in het rijk Gods, Mt. 24:44-47, 1 Cor. 3:8 enz. Dat loon zal in verband staan met en evenredig zijn aan de werken, Mt. 16:27, 19:29, 25:21, 23, Luk. 6:38, 19:17, 19, Rom. 2:6, 1 Cor. 3:8, 2 Cor. 4:17, 5:10, 9:6, Gal. 6:8, 9, Hebr. 11:26, Op. 2:23, 11:18, 20:12, 22:12. De zaligheid is wel voor allen dezelfde, maar er is verschil in glans en heerlijkheid, Dan. 12:3, 1 Cor. 15:41; er zijn in het Vaderhuis, dat alle kinderen opneemt, vele woningen, Joh. 14:2; en de gemeenten ontvangen alle naar de mate van hare getrouwheid en toewijding, van den koning der kerk een eigen sieraad en kroon, Op. 1-3. De Roomschen hebben op deze uitspraken der Schrift de leer van de verdienstelijkheid der goede werken gebouwd, Trid. VI can. 31. 32, en het recht op bijzondere belooningen in den hemel, die naar Ex. 25:25 aureolae genoemd en aan de allen ten deel vallende corona aurea toegevoegd worden, vooral aan de martelaren, de coelibatairen en de leeraars toegekend, Thomas, S. Theol. III qu. 96. Bonaventura, Brevil. VII 7. Maar dit misbruik neemt de waarheid niet weg, dat er onderscheid in de heerlijkheid is naar gelang van de werken, die door de geloovigen hier op aarde verricht zijn. Er is geen loon, waarop de mensch van nature aanspraak zou kunnen maken, want de wet Gods is absoluut verplichtend en laat den eisch tot volbrenging niet afhangen van de vrije keuze van den mensch. Indien deze daarom de gansche wet heeft volbracht, past hem toch niets anders te zeggen, dan dat hij een onnutte dienstknecht is, die maar gedaan heeft wat hij schuldig was te doen, Luk. 17:10. Alle aanspraak op loon kan daarom alleen voortvloeien uit een verbond, uit eene vrijmachtige en genadige beschikking Gods, en is daarom een gegeven recht, deel II 553. Zoo was het in het werkverbond en zoo is het nog veel meer in het genadeverbond, deel III 563. Want Christus heeft alles volbracht, niet alleen de straf geleden maar ook door het volbrengen der wet het eeuwige leven verworven. De eeuwige zaligheid en heerlijkheid, welke Hij ontving, was voor Hem het loon op zijne volmaakte gehoorzaamheid. Maar als Hij deze zijne gerechtigheid door het geloof den zijnen schenkt en daaraan het eeuwige leven verbindt, dan zijn beide, zoowel die geschonken gerechtigheid als de toekomstige zaligheid, gaven van zijne genade, welke alle verdienste van de zijde der geloovigen ten eenenmale uitsluit. De geloovigen zijn immers Gods maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat zij in dezelve zouden wandelen, Ef. 2:10. Het wordt hun uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te gelooven maar ook voor Hem te lijden, Phil. 1:29, Hd. 5:41. Niet alleen in de gave van het eeuwige leven aan een iegelijk, die gelooft, maar ook in de uitdeeling van eene verschillende mate van heerlijkheid aan wie uit dat geloof goede werken hebben voortgebracht, kroont God zijn eigen werk. Maar dat doet Hij dan ook, opdat er, gelijk hier, zoo hiernamaals in de gemeente eene rijke verscheidenheid zijn zou en in die verscheidenheid de heerlijkheid zijner deugden uitkomen zou. Door die verscheidenheid toch neemt het leven der gemeenschap met God, met de engelen, en van de zaligen onderling in diepte en in innigheid toe. In die gemeenschap heeft elk, gelijk in de gemeente hier op aarde, Rom. 12:4-8, 1 Cor. 12, in verband met zijn persoon en karakter, een eigen plaats en taak. Van de werkzaamheid der zaligen mogen wij ons geene zuivere voorstelling kunnen vormen, de Schrift leert toch, dat het profetisch, priesterlijk en koninklijk ambt, hetwelk de mensch oorspronkelijk bezat, in hen door Christus ten volle hersteld is. De dienst van God, de onderlinge gemeenschap en de bewoning van den nieuwen hemel en de nieuwe aarde biedt ongetwijfeld voor de uitoefening van deze ambten overvloedige gelegenheid, ook al is de vorm en wijze ervan ons onbekend. Maar dat werken is een rusten en genieten tevens. Het onderscheid van dag en nacht, van sabbat en werkdagen heeft opgehouden; de tijd is doordrongen van de eeuwigheid Gods; de ruimte is vol van zijne tegenwoordigheid; het eeuwige worden is gehuwd met het onveranderlijke zijn. Zelfs de tegenstelling van hemel en aarde is verdwenen. Want al wat in den hemel en op aarde is, is tot één vergaderd onder Christus als Hoofd, Ef. 1:10. Alle schepselen zijn en leven en bewegen zich in God, die alles in allen is, die in den spiegel zijner werken al zijne deugden weerkaatst en daarin zichzelven verheerlijkt. Cf. over de hemelsche zaligheid: Augustinus, de civ. XXII c. 29. 30. Lombardus, Sent. IV dist. 49. Thomas, suppl. qu. 92-96. Bonaventura, Brevil. VII c. 7. Oswald, Eschat. 38-57. Atzberger, Die christl. Eschat. 238 f. Simar, Dogm. § 162. Jansen, Prael. III 903-946. O. Ritschl, Luthers Seligkeitsvorstellung in ihrer Entstehung und Bedeutung, Christl. Welt 1889 S. 874-880. Gerhard, Loc. XXXI. Quenstedt, Theol. I 550-560. Hollaz 451 sq. Polanus, Synt. VI c. 72-75. Amyraldus, Theses Salm. III 859. Synopsis pur. theol., disp. 52. Mastricht, Theol. VIII 4, 10. Turretinus, Theol. El. XX qu. 8-13. Marck, Exspect J. C. III c. 8. 10. 11. Moor VI 718-733. M. Vitringa IV 179. Kliefoth, Eschat. 311 f. Titius, Die N. T. Lehre von der Seligkeit im Reiche Gottes und ihre Bedeutung für die Gegenwart 1895-1900.
BREEDERE INHOUDSOPGAVE.
EERSTE DEEL.
INLEIDING.
§ 1. Naam en begrip der Dogmatiek bl. 1-9. Namen der dogmatiek n. 1[A]. Het woord dogma 2. Gezag van het dogma 3. Materieele inhoud van het dogma 4. 5.
[A] Deze cijfers duiden de nummers aan, waaronder de stof der verschillende paragrafen verdeeld is.]
§ 2. Encyclopaedische Plaats der Dogmatiek bl. 9-14. In de system. Theologie 1. Onderscheid der Dogmatiek van de Symboliek, Catechetiek 2 en Ethiek 3.
§ 3. Methode der Dogmatiek bl. 14-31. Schrift, kerk en persoonlijke overtuiging als factoren, waarmede de Dogmatiek te rekenen heeft 1-3. Kritische richting, die de kennis put uit het subject 4. Kerkelijke, die de traditie onfeilbaar acht 5. Bijbelsche, die de Schrift raadpleegt buiten de historie om 6. Beteekenis der kerk en van hare belijdenis voor de Dogmatiek 7. Van de Schrift (en de openbaring Gods in de natuur, theol. naturalis) 8. Van de persoonlijke overtuiging 9.
§ 4. Indeeling der Dogmatiek bl. 31-51. Bij Clemens, Orig., Theodoretus, Damascenus, Augustinus 1, Lombardus, Bonaventura, Thomas 2, latere Roomsche theologen 3. Bij Melanchton, Calvijn 4, en latere Geref. en Luth. theologen 5. Reactie tegen de synthet. methode bij Calixtus, Coccejus 6, en nog sterker bij het Rationalisme 7, en is de nieuwe theologie 8. Indeeling in algemeen en bijzonder deel, en van dit laatste naar de synthetische orde 9. 10.
§ 5. Geschiedenis en Litteratuur der Dogmatiek bl. 51-139. Wetenschappelijke theologie, die bij de Apost. vaders nog niet voorkomt 1, wordt na de bestrijding van het geloof door Lucianus, Celsus, Porphyrius, Julianus, de Gnostieken ter zelfverdediging bij de Apologeten noodzakelijk 2, en gaat dan in de richting der N. Afr., Klein-Az., of Alex. School uiteen 3, en krijgt in den twist tegen het monarchianisme in de 3e eeuw een vasten grondslag 4. Vaststelling en verdediging van het trinitarisch en christologisch dogma in het Oosten in de 4e tot de 8e eeuw 5. De dogmatische ontwikkeling loopt in het Oosten uit op Joh. Damascenus 6, en zet zich dan wel voort maar is voor een groot deel nog onbekend 7. De dogmatiek in het Westen draagt van den aanvang af, reeds bij Tert., Cypr., Iren., een eigen karakter, al is zij ook van het Oosten afhankelijk 8, en krijgt haar uitnemendsten tolk in Augustinus 9. Gregorius leidde kerk en theologie over naar de nieuwe volken, die eerst beide eenvoudig overnamen (Isidorus, Alcuinus) 10, maar dan zelfstandig werden en in de scholastiek een eigen theologie voortbrachten 11. De scholastiek verliep in drie perioden 12, en had de mystiek naast zich 13. In het laatst der M. E. kwam zij in verval en stond aan veel critiek bloot, maar zij herstelde zich na de Herv. weer 14, en kwam vooral in Spanje tot bloei 15. In de 18e eeuw kwam de Roomsche theologie onder invloed van het Rationalisme 16, en bleef daar ook nog ten deele onder in de 19e eeuw (Hermes, Günther); maar zij wist zich toch weer vrij te maken en trad als traditionalisme, romantisme, bemiddelingstheologie en vooral als Thomisme weer zelfstandig op 17. De Luthersche Reformatie kreeg haar eersten dogmaticus in Melanchton en haar consensus in de Form. Conc. 18, werd in de 17e eeuw scholastisch ontwikkeld 19, maar in de 18e eeuw verzwakt door Pietisme, Hernhuttisme, Rationalisme 20, 21, en sloot zich in deze eeuw vooral bij de verschillende stelsels van wijsbegeerte aan, bij Kant 22, Jacobi 23, Schleiermacher 24, Hegel 25, Schelling 26, of trad op als confessionalisme, Bijbelsche theologie 27, of neokantianisme 28. De Zwitsersche Reformatie, die principieel van de Duitsche verschilt 29, ontving haar dogmatisch systeem van Calvijn en vond ingang in Frankrijk, Nederland, Engeland, Schotland, Duitschland 30. Tegen het einde der 16e eeuw kwam in de Geref. theologie de scholastische methode op, die haar in verschillende landen tot grooten bloei bracht 31, maar door Anab., Arm., Cartes., Coccejanisme 32, Amyraldisme, Independentisme, Baptisme, Kwakerisme, Deisme tot verval kwam 33. Tolerantie, neologie, supranaturalisme, neonomisme kwamen nu aan het woord 34. Maar tegenover de negatieve richtingen in ons vaderland van supranaturalisme, Groninger en moderne theologie kwam er eene herleving van de positieve theologie door Afscheiding en Reveil, Utrechtsche en ethisch-iren. richting en door het ontwakend Calvinisme 35, eene herleving, die ook elders voorkomt, maar gewoonlijk een minder beslist Geref. karakter draagt, Duitschland 35, Zwitserland en Frankrijk 36. Engeland en Schotland 37, Amerika 38, 39.
HOOFDSTUK I. PRINCIPIA IN HET ALGEMEEN.
§ 6. Beteekenis der principia bl. 140-145. De naam ἀρχη, principium 1. Principium essendi 2. Principium cognoscendi, externum en internum 3. Eenheid en onderscheid dezer drie principia 4.
§ 7. Principia in de wetenschap bl. 145-170. Het Rationalisme, dat door heel de geschiedenis der philosophie heenloopt 1, leidt alle kennis af uit het subject 2, maar miskent het princ. cogn. externum en vervalt tot idealisme en illusionisme 3. Het Empirisme zoekt de bron der kennis in de zinlijke waarneming 4, maar miskent het princ. cogn. internum en leidt tot materialisme 5. Daarentegen gaat het Realisme uit van de algemeene, natuurlijke zekerheid aangaande de objectiviteit en waarheid der kennis 6, erkent zoowel het princ. cogn. internum als externum 7, laat alle kennis aanvangen met de zinlijke waarneming 8, maar schrijft aan het verstand het vermogen toe, om uit de phaenomena tot de noumena door te dringen 9, omdat de rede in ons en de rede buiten ons saam haar oorsprong hebben in den Logos 10.
§ 8. Principia in de Religie bl. 171-214. Het wezen der religie, wier naam van onzekere afleiding is 1, is volgens de H. S. als religio objectiva identisch met Gods openbaring en als religio subjectiva met de gezindheid, om in zijne wegen te wandelen 2. Deze onderscheiding is ter bepaling van het wezen der religie onmisbaar. Als religio objectiva bevatten alle godsdiensten de elementen van traditie, dogma, ethos, cultus 3. En als religio subjectiva zijn zij pietas, die cultus tot vrucht heeft 4. Deze religio subjectiva, die een habitus is, werd door de zonde bedorven, wordt door wedergeboorte vernieuwd, en bestaat volgens de H. S. in geloof 5, dat in een cultus naar Gods wil zich openbaart 6. De zetel der religie is vooral onderzocht, sedert het wezen der religie, ten onrechte, alleen in de religio subjectiva werd gesteld 7, 8, is niet uitsluitend het verstand 9, want godsdienst en wetenschap zijn onderscheiden 10, noch ook de wil 11, want godsdienst en zedelijkheid zijn twee 12, noch ook het gevoel 13, want godsdienst is iets anders dan kunst 14, maar da gansche mensch, die God geheel en altijd en overal dienen moet 15. De oorsprong der religie is niet vrees, priesterbedrog, onkunde, animisme enz., 16, noch ook de zucht, om zich tegenover de wereld te handhaven 16, 17. Historische en psychologische methode zijn tot verklaring van wezen en oorsprong der religie onvoldoende 18. Godsdienst is alleen verklaarbaar, wanneer het bestaan van God en de waarachtigheid zijner openbaring aangenomen wordt 19.
HOOFDSTUK II. PRINCIPIUM EXTERNUM.
§ 9. Algemeene Openbaring bl. 215-244. Openbaring is een religieus begrip, dat alleen in het theisme te handhaven is 1, en bestaat in het algemeen in eene daad Gods, waardoor Hij den mensch tot zichzelven in eene religieuse verhouding plaatst 2. De onderscheiding in natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring is reeds van de oudste kerkelijke schrijvers afkomstig, maar werd bij Rome tot eene rationeele tegenstelling 3, die door de Reformatie wel gewijzigd werd, maar toch in het Socinianisme enz. bleef voortleven en heel het begrip der openbaring ondermijnde 4. De Schrift maakt geen begripmatig onderscheid tusschen natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring, wijl alle openbaring het persoonlijk, boven de natuur verheven bestaan Gods erkent, en alleen verschilt in de middelen, waardoor zij tot ons komt 5. Bovennatuurlijke openbaring is niet met onmiddellijke identisch, want alle openbaring geschiedt middellijk, maar verschilt van de natuurlijke in de wegen, waarlangs zij tot ons komt. Daarom verdient de onderscheiding van algemeene en bijzondere openbaring de voorkeur 6. De algemeene openbaring is onvoldoende, wijl zij niets bevat van Gods genade in Christus 7, maar is toch voor de Heidenwereld 8, 9, en ook voor de gemeente van groote waarde.
§ 10. Bijzondere Openbaring bl. 224-295. Gelijk alle godsdiensten, beroept het Christendom zich op eene bijzondere openbaring, φανερωσις, ἀποκαλυψις, die op drieërlei wijze geschiedt 1, door theophanie 2, profetie (spreken Gods, lot, urim, droom, visioen, inwendige verlichting) 3, wonderen 4. De H. Schrift doet ons daarmede de bijzondere openbaring kennen, niet als loutere mededeeling van leer of als religieuse inspiratie of als instorting van nieuw leven of als bewustwording Gods in den menschelijken geest 5, maar als een systeem van woorden en daden Gods, die zich concentreeren in den persoon van Christus en na zijne verschijning en na de voltooiing der Schrift gewijzigd, in de bedeeling des H. Geestes zich voortzetten en voltooien. 6. In dezen rijken zin wordt zij echter miskend, zoowel door het abstracte supranaturalisme van Rome enz., 7, 8, als door het rationalistisch naturalisme 9, dat echter onvoldoende is ter verklaring van de openbaringsverschijnselen 10, en in een pantheistisch of materialistisch monisme zijn grond heeft 11. Maar dit monisme wordt door eene juiste natuurbeschouwing zoowel 11, als door de Schrift weersproken; in haar wereldbeschouwing neemt de bijzondere openbaring eene passende, harmonische plaats in 12.
§ 11. De Heilige Schrift bl. 295-362. De bijzondere openbaring, die historie is en als zoodanig voorbijgaat, wordt tot de menschheid en wereld uitgebreid, doordat zij in den vorm der Schrift optreedt 1. De Schrift is daarom niet al de openbaring noch ook slechts oorkonde der openbaring maar de laatste acte, de sluitsteen der openbaring 2. Want de openbaring valt in haar geheel in twee bedeelingen uiteen; de eerste brengt de vleeschwording van den Logos en de Schriftwording van zijn woord tot stand, de tweede past de schatten van Christus en van zijn getuigenis in de gemeente toe, die daarom met die Schrift steeds in levend, organisch verband staat 3. Van die Schrift is de Goddelijke ingeving steeds door de kerk beleden, van de oudste tijden af 4, door de scholastiek 5, door de Roomschen 6, de Hervormers 7, maar ook dikwerf van buitenaf bestreden en dan tot eene dualistische of dynamische inspiratie verzwakt of ook geheel ontkend 8. De Schrift leert echter duidelijk hare eigene inspiratie, zoowel in het Oude Test. 9, en in het N. T. aangaande het O. T. 10, als ook in het N. T. aangaande zichzelf 11 en geeft zich daarom uit voor het Woord Gods 12. Dit zelfgetuigenis der Schrift is onwraakbaar 13, onderscheidt de inspiratie, waardoor de Schrift ontstond, van alle andere, geniale inspiratie, van Gods immanente werkzaamheid in de wereld, van revelatie en van wedergeboorte, al staat ze ook met al deze in verband 14. Zij is een spreken Gods door middel van profeten en apostelen, echter niet in mechanischen maar in organischen zin 15, en niet tot bezieling der personen of tot ingeving van hoofdzaken te beperken 16. De bezwaren, tegen deze inspiratie ingebracht, staan zonder twijfel voor een deel in verband met de vijandschap van het menschelijk hart 17, en worden anderdeels verminderd door eene organische opvatting 18, en door eene duidelijke omschrijving van het doel, waartoe de Schrift gegeven is 19.
§ 12. Eigenschappen der Schrift bl. 363-415. De leer der eigenschappen van de Schrift ontwikkelde zich in den strijd tegen Rome, dat de verhouding van Schrift en kerk gansch anders dan de Hervorming bepaalt 1, 2. Het gezag der Schrift rust bij Rome op de kerk 3, en volgens de Reformatie, zonder miskenning van de paedagogische beteekenis der kerk, op de Schrift zelve 4. Hoewel bij dat gezag de auctoritas historiae et normae te onderscheiden is 5, is zijn Goddelijk karakter toch niet voor een menschelijk, historisch, zedelijk gezag in te ruilen 6. Want in de religie is een Goddelijk gezag, dat echter heel iets anders is dan geweld, onmisbaar 7. De noodzakelijkheid der Schrift wordt door Rome, door vele mystieke richtingen 8, en ook door Schleiermacher ontkend 9, maar staat toch vast, wijl de kerk altijd rustte op een ongeschreven of geschreven Woord Gods 10, zonder zulk een woord tot dwaling en leugen vervalt 11, en daaraan in deze bedeeling steeds behoefte blijft houden 12. De duidelijkheid der Schrift wordt eveneens door Rome ten bate der kerk verworpen 13, maar is, goed opgevat, op de Schrift zelve gegrond, door de oude kerk algemeen erkend 14, en ter handhaving van de vrijheid des Christens 15, en van de facultas S. Scr. se ipsam interpretandi van de grootste beteekenis 16. De genoegzaamheid der Schrift eindelijk, door Rome ten gunste der traditie bestreden 17, die echter ten slotte geen ander kenmerk voor hare waarheid behoudt dan de pauselijke uitspraak 19, en de Schrift aan de kerk, dat is aan den paus onderwerpt 19, werd door de Hervorming wederom tegenover de traditie gehandhaafd 20, wijl zij door de Schrift zelve geleerd wordt en met den aard der tegenwoordige bedeeling overeenkomt 21, zonder dat daarmee het betrekkelijk recht der traditie wordt ontkend 22.
HOOFDSTUK III. PRINCIPIUM INTERNUM.
§ 13. Beteekenis van het principium internum bl. 416-421. Aan het objectief principe moet een subjectief beantwoorden, dat bij ieder van kindsbeen af in overeenstemming met den godsdienst, waarin hij geboren is, een bepaalden vorm aanneemt 1, en in zijn diepsten grond schier aan alle onderzoek zich onttrekt 2. Daarom worden voor het geloof ook vele en verschillende gronden genoemd (historisch-apologetische, speculatieve, ethisch-practische), die echter de zelfstandigheid der religie en het werk des Geestes miskennen 3.
§ 14. De historisch-apologetische methode bl. 423-431 werd vooral door Rome 1, en door verschillende supranaturalistische richtingen toegepast 2, maar is, schoon eene geloovige apologetiek recht van bestaan heeft, theoretisch en practisch onhoudbaar 3.
§ 15. De speculatieve methode bl. 431-444, door Hegel 1, door de Vermittlungstheologie 2, en in gewijzigden vorm door Hofmann en Frank gevolgd 3, bood wel belangrijke voordeelen boven de apologethische, maar verviel in de dwaling der oude gnostiek en offerde het zijn aan het denken, de historie aan de idee op 4. Ook de poging van Frank, om de objectieve waarheid der dogmata uit de subjectieve zekerheid van den Christen af te leiden, is niet geslaagd 5, en berust op eene onjuiste Erkenntnistheorie 6.
§ 16. De ethisch-psychologische methode bl. 444-465, schoon van ouds gebruikelijk, kwam in eere door Pascal en Vinet 1. Zij is verwant aan het moreele bewijs van Kant 2, en vindt in dezen vorm bij velen hier te lande 3, en vooral ook bij Ritschl en Lipsius c. s. steun 4, 5. Maar, ofschoon religie het element van den troost niet missen kan, ervaring des harten kan 6, evenmin als religieuse waardeering, bewijs voor de waarheid der religie zijn 7, en leidt bovendien tot een onhoudbaar dualisme tusschen gelooven en weten 8.
§ 17. Het geloof bl. 465-484. Wijl het principium internum aan het princ. ext. beantwoorden moet, kan het niet liggen in den natuurlijken, maar alleen in den door Gods Geest verlichten mensch, zoodat de dogmaticus daarmede een subjectief standpunt inneemt 1. De Schrift noemt als dit princ. internum het geloof, dat een acte van het bewustzijn is, verwant aan het geloof op natuurlijk terrein 2, maar daarvan toch wel te onderscheiden 3, en ook niet met nudus assensus te vereenzelvigen 4. Dat geloof brengt eene eigen zekerheid mede 5, die naast de wetenschappelijke en moreele zekerheid recht van bestaan heeft 6.
§ 18. De grond des geloofs bl. 484-509. Wijl dit geloof door geen bewijzen of redeneeringen, maar alleen door Gods genade gewerkt kan worden 1, neemt Rome daarmede in beginsel hetzelfde subjectieve standpunt in als de Hervorming 2. Het testimonium Sp. S. is de laatste grond des geloofs, gelijk de Hervorming, inzonderheid Calvijn, erkende maar het rationalisme ten onrechte bestreed 3. Want het komt overeen met het getuigenis, dat onze geest in het algemeen aan de waarheid geeft 4, beantwoordt aan de bijzondere openbaring in Christus en handhaaft hare autopistie 5. Het sluit voorts het argumenteeren niet uit, is sterk als getuigenis der gansche Christenheid, onderstelt de wedergeboorte en komt daaruit op spontaan en vrij 6. Ook heeft het niet eenzijdig betrekking op de autoriteit der H. S., maar staat met heel het geloofsleven in verband, verzekert subjectief van al de waarheid Gods en daarin ook van de divinitas der H. S. 7, en wordt door de onderlinge verschillen der Christenen niet van zijne waarheid beroofd 8.
§ 19. Geloof en Theologie bl. 509-532. Ofschoon in het geloof zeker van de waarheid, streefde de christelijke kerk toch altijd, niettegenstaande alle bestrijding, naar eene wetenschappelijke theologie 1, die dan ook, in weerwil van haar vele afdwalingen, recht van bestaan heeft en zonder welke de openbaring, de religie, de dogmenhistorie, de kerk gevaar loopen van miskenning 2. Deze theologie is een vrucht van het denkend bewustzijn der gemeente en heeft de hulp der philosophie van noode 3. Geloof is daarom van theologie onderscheiden, gelijk ook vroeger blijkens de leer van de fides implicita 4, de onderscheiding van theologia infusa en acquisita en die tusschen fundamenteele en nietfundamenteele artikelen aangenomen werd 5. Maar beider verwantschap is even groot als hun verschil 6. En wijl de theologie niet in het geloof als zoodanig maar in het geloovig denken haar oorsprong heeft, is ter harer beoefening de ontwikkelde rede en dus de philosophie onmisbaar 7, al is het ook, dat de kennis, welke de theologie verschaft, nooit een begrijpen wordt en in bewondering van het mysterie eindigt 8.
TWEEDE DEEL.
HOOFDSTUK IV. OVER GOD.
§ 20. De onbegrijpelijkheid Gods bl. 1-24. De dogmatiek leeft in het mysterie, want zij heeft altijd te doen met God, die volgens de H. S. onbegrijpelijk en zelfs met geen naam te noemen is 1. Deze onbegrijpelijkheid Gods is ook buiten het terrein der bijz. openbaring erkend 2, in de christ. theol. van de kerkvaders 3, 4, van de scholastici 5, van de reformatoren opgenomen 6, en in de nieuwere philosophie vervangen door de volstrekte onkenbaarheid Gods 7, 8. De gronden, welke dit agnosticisme aanvoert 9, zijn, al is er zeer zeker geen adaequate kennis van God, niet houdbaar, wijl het agnosticisme alle spreken bij ons over God en alle openbaring van Gods zijde aan ons onmogelijk zou maken 10. De loochening van de kenbaarheid Gods sluit in, dat God zich niet heeft willen en niet heeft kunnen openbaren, en dat wij ook zelfs den grond missen, om zijn bestaan aan te nemen 11.
§ 21. De kenbaarheid Gods (cognitio Dei insita) bl. 24-44. God is kenbaar, voorzoover Hij zich openbaart. En dat Hij zich openbaart, staat vast volgens Schrift en natuur en wordt door alle menschen bevestigd; atheisten zijn er schier niet 1. De natuurlijkheid, algemeenheid en noodzakelijkheid der Godskennis hebben velen geleid tot het geloof aan aangeboren begrippen 2, 3. Maar de christ. theol. verwierp deze leer, niet alleen patres en scholastici 4, maar ook Luth. en Geref. 5, wijl zij tot rationalisme of mysticisme voerde 6. Doch daarmede werd niet ontkend, dat de mensch de potentia en inclinatio meebrengt, om vanzelf, zonder wetenschappelijke redeneering tot eenige kennisse Gods te komen 7.
§ 22. De kenbaarheid Gods (cognitio Dei acquisita) bl. 44-62. De cognitio Dei insita wordt vermeerderd door de langs den weg van nadenken en redeneering verkregen cognitio Dei acquisita 1. Beide behooren tot de theologia naturalis, die geen product is van de menschelijke rede maar in de Schrift is opgenomen en door den geloovige uit de natuur wordt afgeleid 2. De H. S. bewijst Gods bestaan niet maar getuigt ervan 3. De zoogen. bewijzen voor Gods bestaan, deels over-, deels onderschat 4, n.l. het ontologisch 5, kosmologisch 6, teleologisch 7, en moreel bewijs 8, heeten ten onrechte bewijzen maar zijn signa en testimonia, dat God zich niet onbetuigd laat aan den mensch 9.
§ 23. De Namen Gods bl. 62-78. Al wat van God door zijne openbaring kenbaar wordt, vat de H. S. saam onder de namen, waarmede God, op grond van zijne openbaring (nomen editum), genoemd wordt (nomen inditum) 1. Al die namen zijn anthropomorphistisch 2, en naar de analogie in schepselen gevormd 3, maar dit terecht, wijl God zelf in en door de schepselen zich openbaart en op geen andere wijze noembaar is 4. Zij geven daarom wel geen adaequate doch ook geen onware 5, maar eene ectypische, analoge kennis van God 6.
§ 24. Indeeling der namen Gods bl. 78-102. De H. S. eert gelijkelijk alle deugden Gods en kent de onderscheiding niet tusschen wezen en eigenschappen 1, die later in de theologie opkwam en het wezen Gods deed omschrijven als het Absolute of als Souverein of als Vader enz., 2-4, en de eigenschappen daarvan afzonderde 5. Maar er is bij God geen onderscheid tusschen wezen en eigenschappen 6, al zijn ook de eigenschappen onderling verschillend ratione ratiocinata 7. De eigenschappen werden op velerlei wijze ingedeeld 8, maar al die indeelingen komen zakelijk overeen en worden door dezelfde bezwaren gedrukt, zoodat eene goede indeeling moeilijk te vinden is 9.
§ 25. De eigennamen Gods bl. 102-115, in ruimer zin zoo genomen, zijn die, waarmede God benoemd en aangesproken wordt, zooals θεος, deus, God 1, in de H. S., El, Elohim, Eljon, Adonai 2, El Schaddai, Ihvh 3, Ihvh Zebaoth 4, κυριος, πατηρ, Vader, Zoon en H. Geest 5.
§ 26. De wezensnamen Gods bl. 115-227, welke vóór de leer der triniteit dienen behandeld te worden, bevatten eerst die, waarmede God als de Zijnde in volstrekten zin wordt aangeduid, n.l. de onafhankelijkheid 1, de onveranderlijkheid 2, de oneindigheid, welke weder insluit de eeuwigheid 3, en de alomtegenwoordigheid 4. Vervolgens zijn er namen, die ons God doen kennen als den Levende, als Geest, n.l. de eenvoudigheid 5, de geestelijkheid 6, de onzienlijkheid 7. Verder zijn er namen, die het Goddelijk wezen omschrijven als volkomen zichzelf bewust, als Licht, n.l. kennis van zichzelven en van de wereld (waarbij de praescientia en de scientia media ter sprake komt) 8, wijsheid (ideeën in God) 9, waarachtigheid 10. Voorts zijn er namen, die ons wijzen op de ethische natuur van Gods wezen en Hem doen kennen als den Heilige, n.l. goedheid (goedertierenheid, barmhartigheid, lankmoedigheid, genade, liefde) 11, heiligheid 12, heerlijkheid 13, gerechtigheid 14. En eindelijk zijn er namen, waarin God ons tegemoet treedt als de absolute macht, als Souverein, n.l. de wil, die als propensio Dei in se ipsum (necessaria) en als propensio in creaturas (libera) onderscheiden wordt 15, in laatstgenoemden zin wel als vrij maar niet als pure willekeur te denken is 16, voorts in voluntas beneplaciti en signi uiteenvalt 17, en eindelijk als almacht te eeren is 18.
§ 27. De personeele namen Gods bl. 227-312 doen ons in het ééne Goddelijke wezen de zelfonderscheidingen kennen, welke reeds in het O. T. (Elohim of Ihvh brengt alles tot stand door Woord en Geest) voorkomen 1, maar, vooral ook in tegenstelling met de dwaalleer der tusschenwezens in de Joodsche philosophie 2, 3, in het N. Test. veel helderder worden geopenbaard. Het N. Test. leert niet alleen, dat alles in natuur en genade tot stand komt door Vader, Zoon en Geest 4, maar doet ons ook iets kennen van de relatiën tusschen deze drie personen, als het den Vader in metaph. zin den Vader van Christus 5, Christus in specialen zin het Woord, den Zoon, het Beeld Gods 6, en den Geest in bijzonderen zin Geest des Vaders en des Zoons noemt 7. Deze gegevens der H. S. leidden de kerk tot de belijdenis van de triniteit, een leerstuk, dat in den eersten tijd door Justinus, Irenaeus, Tertullianus, Origenes ontwikkeld 8, vervolgens vooral door Athanasius 9 en Augustinus uitgewerkt en verdedigd werd 10, maar door Arianisme en Sabellianisme 11, en de daarbij zich aansluitende richtingen sterk bestreden werd 12, 13. De termen, die bij dit dogma gebruikelijk zijn, wezen, personen, drieëenheid enz., zijn wel niet uit de Schrift genomen maar zijn daarom niet ongeoorloofd 14. Het woord wezen duidt de Godheid, de Goddelijke natuur aan, gelijk die in de personen bestaat 15. Personen heeten de drie zelfstandige modi subsistendi in het ééne Goddelijk wezen 16, die van dat wezen niet re maar toch realiter verschillen en onderling onderscheiden zijn in namen, personeele eigenschappen en wijze van werken 17. De eerste persoon heeft als personeele eigenschap de paternitas 18. De tweede persoon is de Zoon, die door geestelijke, eenvoudige, eeuwige generatie uit het wezen des Vaders is gegenereerd 19. De derde persoon is de Geest, wiens persoonlijkheid en Godheid, schoon in de kerk later erkend dan die des Zoons, voor leer en leven van het hoogste belang is 20, en wiens personeele eigenschap de εκπορευσις is, niet alleen uit den Vader 21, maar ook uit den Zoon, Filioque 22. Deze ontologische triniteit spiegelt zich af in de oeconomische, welke met de eenheid ook het onderscheid der drie personen in de openbaring doet uitkomen 23, maar zij is, schoon het zeer veel beproefd is, moeilijk door beelden op te helderen of door redeneeringen te bewijzen 24. Toch is zij voor de leer van God, van schepping en herschepping, ja voor heel de christelijke religie van de grootste beteekenis 25.
§ 28. De Raad Gods bl. 313-385, die, als omvattend de opera essentialia ad intra, het verband aanwijst tusschen God en zijne werken (opera ad extra), komt in het O. T. vooral voor als feit in de historie 1, en blijkt in het N. T. duidelijk te zijn eeuwig, persoonlijk en betrekking hebbende op de bestemming hiernamaals 2. Maar in de christ. kerk werd de leer der praedestinatie door de Grieksche kerk, door Pelagianisme, Semipelagianisme 3, door de Roomsche kerk 4, en zelfs door de Lutherschen verzwakt 5, terwijl de Gereformeerden haar wel handhaafden, maar over de methode van behandeling 6, en over de infral. of supral. orde der decreten verschilden 7, en vele anderen, Socin., Remonstr. enz., ze ontkenden of in een wijsgeerig determinisme omzetten of in pelag. of semipel. zin wijzigden 8. Nu is Gods raad niets anders dan zijn eenvoudig en eeuwig besluit over al wat in den tijd zijn of geschieden zal 9, allereerst omvattend de providentia in den zin van ratio ordinis rerum 10, en vervolgens de praedestinatio, die door het Pelag. voor de praescientia ingeruild 11, en vooral op drie punten bestreden wordt 12. Onder de Geref. was er verschil over hare infral. of supral. orde 13, die beide iets voor en iets tegen hebben 14 en geen van beide de ware oplossing bieden 15. De reprobatio, die in de H. S. herhaaldelijk voorkomt, behoort in zekeren zin beslist tot de praedestinatie 16, maar behoort er toch in een anderen zin toe dan de electie 17, in welke de praedestinatie haar einde bereikt en tot haar volle realiteit komt 18, want de verkiezing heeft Christus en zijne gemeente tot voorwerp en de eere Gods in de redding van de gevallen wereld tot doel 19.
HOOFDSTUK V. OVER DE WERELD IN HAAR OORSPRONKELIJKEN STAAT.
§ 29. De Schepping bl. 386-424 is het begin der uitvoering van Gods raad. Haar leer neemt in de H. S. eene breede plaats in 1, en is alleen te verstaan door het geloof, zoodat de Heidenen haar niet kenden en de philosophie haar gewoonlijk verwierp, om de wereld pantheistisch of materialistisch te verklaren 2. Pantheisme en materialisme zijn echter beide onbekwaam, om ons den oorsprong der dingen te doen kennen 3. De christelijke kerk hield zich dan ook aan de leer der H. S. 4, en leerde eene schepping uit niets 5, welke door God drieëenig, Vader, Zoon en Geest, tot stand was gebracht 6, en bepaaldelijk den Zoon tot Middelaar heeft 7. Zij had niet plaats in, maar viel saam met de schepping van den tijd 8, en had haar oorzaak niet in Gods overvloeiende volheid van zijn noch in zijne armoede en behoefte 9, maar in Gods wil, die daarbij de heerlijkheid van zijn naam beoogt 10. Als product van Gods wil, is de wereld één geheel, dat de grootste verscheidenheid in zich bevat.
§ 30. De geestelijke wereld bl. 424-456 omvat de wezens, die gewoonlijk den naam van engelen dragen. Hun bestaan wordt schier in alle godsdiensten aangenomen, maar is toch ook menigmaal verworpen 1; wijsgeerig en historisch onbewijsbaar, is het voor de religie, schoon geen centraal dogma, toch van belang 2. De Schrift heeft voor hen niet één gemeenschappelijken naam, maar noemt verschillende klassen 3. Zij zijn echter daarin toch één, dat zij allen geschapene 4, geestelijke, onlichamelijke 5, redelijke 6, zedelijke wezens zijn 7, wezenlijk onderscheiden van den mensen, die beeld Gods is 8, tot een buitengewonen en gewonen dienst in het koninkrijk der hemelen geroepen, die echter geen personeele bescherming en voorbede insluit 9, en op geen godsdienstige vereering aanspraak geeft 10.
§ 31. De stoffelijke wereld bl. 456-489 blijft in haar oorsprong buiten de H. S. onverklaard 1, maar ontstaat volgens Gen. 1:1 door schepping uit niets (creatio prima) en wordt in de zes dagen toebereid (creatio secunda) 2, waarbij eene bepaalde orde valt op te merken 3. Dit hexaemeron werd in de christ. theologie dikwerf uitvoerig behandeld en zonder bezwaar naar de heerschende wereldbeschouwing (ptolem. kopernik.) gewijzigd 4. Maar de hypothese van Kant en Laplace 5, alsmede die van de op de aardlagen gebouwde ontwikkelingsperioden der aarde zijn met de Schrift moeilijk overeen te brengen 6. De pogingen tot verzoening kunnen niet geslaagd heeten 7, al bevatten zij ook goede elementen 8. Maar eene juiste opvatting van het scheppingsverhaal 9, en eene zuivere schifting tusschen het zekere en het onzekere in de geologische wetenschap brengen toch eene voorloopige overeenstemming 10.
§ 32. De oorsprong van den mensch bl. 490-507 is in het eerste en tweede scheppingsverhaal verschillend beschreven maar volgens beide verhalen aan Gods scheppende almacht te danken 1. De christ. kerk hield dezen goddelijken oorsprong van den mensch tegen alle materialistische, evolutionistische verklaring in vroeger en later tijd vast 2, en vond daarin ook bij vele mannen van wetenschap, die het darwinisme bestreden, steun 3. En voorts is tusschen de H. S. en de hedendaagsche wetenschap niet alleen de oorsprong van den mensch in geschil, maar ook de ouderdom 4, de eenheid 5, en de bakermat der menschheid 6.
§ 33. Het wezen van den mensch bl. 508-545 ligt volgens de H. S. daarin, dat hij beeld Gods is 1. De inhoud van dit beeld werd in de christ. kerk verschillend opgevat. Vooral kwamen er allengs twee opvattingen tegenover elkander te staan, de naturalistische 2, die door historie, Schrift en gezonde redeneering gelijkelijk weersproken wordt 3, en de supranaturalistische, die in de Roomsche leer van het donum superadditum tot ontwikkeling kwam 4, maar op eene valsche conceptie van den mensch en van zijne bestemming berust 5. De Hervorming leerde daarom, dat het beeld Gods wezenlijk eigen was aan den mensch 6, niet als eene substantie, maar als eene bij het wezen des menschen behoorende qualiteit 7. De gansche mensch is toch beeld Gods, gelijk de Gereformeerden met hun onderscheiding van beeld Gods in ruimer en enger zin tegen de Lutherschen erkenden, naar ziel en geest, die geen twee substantiën zijn, en naar al hun vermogens 8, naar de deugden van kennis, gerechtigheid en heiligheid (justitia originalis) en zelfs in zekeren zin naar het lichaam 9. De menschelijke natuur is onder de werken der schepping de hoogste openbaring Gods 10.
§ 34. De bestemming van den mensch bl. 545-571. Adam, schoon Gods beeld, had volgens de H. S. terstond het hoogste nog niet en werd daarom in het verbond der werken geplaatst 1. De christ. theologie heeft deze waarheid niet ten volle erkend en Adams toestand beurtelings te laag of te hoog geschat. Maar de Geref. hebben haar in de leer van het foedus operum opgenomen 2, eene leer, die, schoon al te schoolsch ontwikkeld, toch eene diepe gedachte bevat, wijl zij de religie als gemeenschap met God handhaaft 3, met Adams staat vóór den val ten volle rekening houdt 4, den rijkdom van het beeld Gods eerst in het menschelijk geslacht zich ontvouwen laat 5, en daarom ook verklaart, waarom Roomschen en Gereformeerden, in onderscheiding van de Lutherschen, over het algemeen aanhangers van het creatianisme waren 6, 7.
DERDE DEEL.
HOOFDSTUK VI. OVER DE WERELD IN HAAR GEVALLEN STAAT.
§ 35. De voorzienigheid bl. 1-34. Het werk der schepping gaat in het werk der voorzienigheid over, dat in de H. S. duidelijk geleerd wordt maar ook ten deele uit de natuur bekend is 1. Toch is de christ. leer der voorzienigheid eene andere dan die der wijsbegeerte, al ontleende zij daaraan ook den in de H. S. niet gebruikelijken naam. Want de providentia, als executio ordinis van de bij den raad Gods behoorende ratio ordinis wel te onderscheiden, is geen nuda praescientia maar eene almachtige en alomtegenwoordige daad Gods 2, die noodlot en toeval, pantheisme en deisme beide vermijdt 3, als onderhouding zoowel het verband met als het onderscheid van de schepping handhaaft 4, als medewerking de eigen natuur der schepselen met hare causae secundae juist door hunne volstrekte afhankelijkheid van God waarborgt 5, en als regeering heel de schepping, ook door den val in zonde heen, heenleidt tot het door God vastgestelde einde 6.
§ 36. De oorsprong der zonde bl. 34-72 ligt volgens de H. S. niet in God, al schiep Hij ook de mogelijkheid der zonde, maar in vrijwillige overtreding van Gods gebod, waartoe de mensch wederom door den gevallen engel verleid werd 1. Ofschoon zulk een val buiten de bijzondere openbaring niet geheel onbekend is, heeft men de zonde toch gewoonlijk anders trachten te verklaren, hetzij deistisch uit den altijd vrij en onschuldig blijvenden wil, zooals ook Pelagius deed 2, 3, of pantheistisch uit de natuur der dingen, en wel uit de zinlijkheid van den mensch, of uit den kosmos, of uit God 4. Al deze verklaringen echter zijn onbevredigend, zoowel die uit den altijd vrijen wil en uit de zinlijkheid 5, als die uit de wereld en uit God 6. Wel gaat Gods voorzienigheid ook over de zonde, en niet met eene nuda doch met eene efficax permissio. Maar de zonde, waarbij de materia en de forma wel te onderscheiden zijn, heeft toch in God niet haar causa efficiens 7. Hij wilde, dat zij zijn zou, maar Hij wilde ze niet als zonde en niet op dezelfde wijze, als Hij het goede wil en als menschen haar willen 8. De oorsprong der zonde ligt in den wil van het schepsel, dat veranderlijk goed en met de mogelijkheid, om te zondigen, geschapen was en die mogelijkheid op onbegrijpelijke wijze in werkelijkheid deed overgaan 9. Deze val was niet eeuwig en had ook niet in het moment der schepping maar, hetzij langer of korter tijd na de schepping, eerst bij de engelen en daarna bij de menschen plaats 10.
§ 37. Het wezen der zonde bl. 72-104. Do eerste zonde sloot reeds alle andere in zich en maakte haar waren aard openbaar 1, die volgens de namen en de beschrijving van de zonde in de H. S. in ἀνομια bestaat en dus haar maatstaf heeft in Gods wet 2. Dienovereenkomstig vatte de christ. kerk de zonde, tegen alle richtingen die in haar een substantie of een noodzakelijk, voorbijgaand ontwikkelingsmoment zagen, als eene privatio op 3, die daarom alleen aan het goede kan bestaan, als eene deformitas te beschouwen is en den wil tot haar eigenlijk subject heeft 4. Ofschoon één in wezen, zijn de zonden toch in graad onderscheiden. Er zijn duivelsche en menschelijke zonden 5, en de laatste verschillen weer, naarmate zij met meer of minder kennis en opzet, tegen God of den mensch, in verzwarende of verzachtende omstandigheden gepleegd zijn. Daarom zijn ze ook verschillend in te deelen, maar de Roomsche onderscheiding in peccata mortalia en venialia is te verwerpen 6, en de lastering tegen den H. Geest draagt een bijzonder karakter 7.
§ 38. De verbreiding der zonde bl. 104-154. Schrift en ervaring leeren beide, dat de zonde gansch algemeen is, en dus over alle menschen en in den enkelen mensch over zijn gansche wezen zich uitbreidt, en dat krachtens hun afstamming uit den eersten mensch 1. De christ. kerk bouwde daarop de leer der erfzonde, die door het Pelagianisme wel geloochend 2, en door het Semipelagianisme verzwakt werd 3, maar vooral door Augustinus ontwikkeld en verdedigd, en, na miskenning door Rome 4, door de Reformatie weder opgenomen werd 5. Tot recht verstand is de erfzonde te onderscheiden in peccatum originans en peccatum originatum; de eerste is de toerekening van Adams zonde aan al zijne nakomelingen op grond niet alleen van hun physische maar ook van hun foederale eenheid 6. De tweede is een gevolg en in zekeren zin een straf der eerste, bestaande in algeheele zedelijke verdorvenheid 7, die niet door imitatie maar door generatie, gelijk ook de nieuwere leer der herediteit tot op zekere hoogte erkent, het deel van alle menschen wordt 8, ook van Maria doch niet van Christus 9, en in den enkelen mensch ziel en geest en lichaam en alle vermogens en krachten heeft aangetast en hem onbekwaam maakt tot alle geestelijk goed 10.
§ 39. De straf der zonde bl. 155-186. De straf, welke door God op de eerste zonde gedreigd werd, is door tusschenkomende genade uitgesteld en gewijzigd. Maar toch wordt zij, ook reeds op aarde, ten deele voltrokken, tot herstel en handhaving van het recht Gods 1, en bestaat altijd in zeker lijden, dat den overtreder toegevoegd wordt en hem buigen doet onder het recht 2. Zij omvat schuld, d. i. verbintenis tot straf 3, smet, d. i. zedelijke verdorvenheid 4, lijden naar lichaam en ziel 5, dood, d. i. scheiding van ziel en lichaam 6, en heerschappij van Satan 7.
HOOFDSTUK VII OVER CHRISTUS.
§ 40. Het verbond der genade bl. 187-228. De genade neemt terstond na den val een aanvang, mengt zich zelfs in de straf over de zonde, en krijgt terstond het karakter van een verbond 1, dat dan later meer formeel bij Noach, Abraham en Israel aan den Sinai opgericht wordt en allengs steeds duidelijker als eene Goddelijke beschikking, als eene διαθηκη, aan het licht treedt 2. Deze bondsidee ging uit de Schrift in de theologie over en werd daar, ter handhaving van de eenheid en het onderscheid tusschen Oud en Nieuw Testament, eerst tegen Gnosticisme en Judaisme 3, en later, vooral door de Gereformeerden, tegen het Anabaptisme verdedigd en tot rijkere ontwikkeling gebracht 4. Voor kerk en theologie heeft deze leer van het genadeverbond dan ook de grootste beteekenis. Het rust op het pactum salutis 5, het staat in verband met het foedus gratiae in ruimer zin, dat met heel de gevallen wereld opgericht is 6, het handhaaft de eenheid en het onderscheid in de bedeeling der genade onder Oud en Nieuw Test. 7, het is louter genade en ligt vast in God alleen, zoodat het, schoon het verbroken werkverbond in zich opnemend, toch daarvan onderscheiden is en ook niet met het pactum salutis identisch is 8, het handhaaft Gods souvereiniteit in het werk der verlossing en doet tevens, ofschoon geen eischen in eigenlijken zin kennende, de redelijke en zedelijke natuur des menschen tot haar recht komen; en laat eindelijk de verkiezing zich realiseeren door de geslachten, door het organisme der menschheid heen 9.
§ 41. De persoon des Middelaars bl. 228-302. Het verbond der genade heeft in Christus een middelaar der verzoening, die zelf door zijn Geest in Israel met zijne instellingen en ambten, van zijn eigen persoon en werk vooraf getuigen liet 1, en dan in de volheid des tijds op aarde verscheen, het koninkrijk der hemelen stichtte en als Zoon Gods en Zoon des menschen, beide in geheel eenigen zin, zich openbaarde 2. De gegevens der Schrift verzamelend en Ebionitisme en Gnosticisme tegelijk vermijdend, kwam de christ. kerk weldra tot de belijdenis der persoonlijke eenheid van de twee naturen in Christus 3, welke echter in de Grieksche en Roomsche, in de Luthersche en Gereformeerde weder verschillend opgevat 4, en door allerlei richtingen rechts en links, vooral ook in de nieuwere theologie (Kant, Schleiermacher, Ritschl c. s.) bestreden werd 5. Dit verwondert niet, omdat de persoon van Christus, wel niet uitgangspunt maar toch middelpunt is van Schrift, religie en dogmatiek. De incarnatie, die apriori op pantheistisch en deistisch standpunt onaannemelijk is, onderstelt de triniteit en bepaaldelijk daarin de eeuwige generatie, want de persoon des Zoons is mensch geworden 6. Zij onderstelt voorts de creatie, ook al is zij niet onmiddellijk met deze gegeven en al is de leer van de vleeschwording buiten de zonde verwerpelijk 7. Zij onderstelt eindelijk de revelatie onder Israel met de verkiezing en toebereiding van Maria als moeder van Jezus, ook al is hare onbevlekte ontvangenis in de Schrift niet geleerd 8. Toch, al sluit Christus in zijne vleeschwording bij de voorafgaande openbaring zich aan, Hij is geen product van het verleden, maar bestond persoonlijk van eeuwigheid en was en bleef waarachtig God 9, die de menschelijke natuur aannam door ontvangenis van den H. Geest en door geboorte uit Maria 10, 11, en die daarom, in tegenstelling met het Docetisme, waarachtig, en, in tegenstelling met Apollinaris, volkomen mensch was 12, zoodat God en mensch, twee onderscheidene naturen, ongedeeld en ongescheiden (tegen Nestorius), onveranderd en on vermengd (tegen Entyches) in Hem vereenigd zijn 13. Deze vereeniging is daarom niet anders dan als eene personeele te denken, als vereeniging van den persoon des Zoons met eene onpersoonlijke menschelijke natuur 14, en brengt noodzakelijk mede de communicatio idiomatum, de communicatio apotelesmatum en de communicatio charismatum, die vooral in de Geref. theologie, tot handhaving van de waarachtig menschelijke natuur van Christus, ontwikkeld werd 15, en ten slotte ook nog den honor adorationis 16.
§ 42. Het werk van den Middelaar bl. 302-424. Onder alle volken komen heilige personen, profeten, koningen en vooral priesters voor, die door offeranden de gemeenschap met God bewerken en in stand houden 1. Ook onder Israel was een priesterstand verkoren en waren offeranden door God voorgeschreven, die duidelijk eene typische beteekenis hadden en heenwezen naar de ware offerande van den knecht des Heeren, die de waarachtige priester en tevens de ware profeet en koning zou zijn 2. Volgens het N. T. is Jezus, de zoon van Maria, deze knecht des Heeren, die in zijn drievoudig ambt het groote werk Gods volbrengt, als profeet de wet en het evangelie verkondigt, als priester door zijne zelfovergave, die alle offers des O. T. vervult, voor de zijnen de gansche zaligheid verwerft, en deze als koning hun toepast 3. Dit werk van Christus werd in de christ. theologie verschillend beschreven, nu eens meer als verlichting of als mededeeling van nieuw leven, dan weer als loskooping van de macht van Satan of als voldoening aan Gods recht. De laatste voorstelling won vooral door Anselmus ingang en ging, ofschoon belangrijk gewijzigd, over in de Protest. theologie 4. Maar zij werd bestreden niet alleen door allerlei mystieke, maar ook door vele rationalistische richtingen, en vooral door de Socinianen, die alles aanvoerden wat er tegen de leer der voldoening te zeggen viel 5. In de nieuwere philosophie en theologie werd zij daarom geheel verworpen of in mystischen of ethischen zin gereconstrueerd 6. Maar reeds door zijne namen wordt Jezus aangeduid als de middelaar Gods en der menschen, die dit was naar zijne beide naturen, die van eeuwigheid reeds door den Vader tot profeet, priester en koning gezalfd was en deze ambten ook reeds bediende in de dagen des O. T. 7, zoodat de leer van het munus triplex ten onrechte door Ritschl e. a. bestreden is 8. Als zoodanig is Christus eene openbaring van Gods liefde maar tegelijk van zijne gerechtigheid, die met de liefde niet strijdt 9, en in verband met Gods heilige natuur, met de schrikkelijkheid der zonde, met het onverbreekbaar karakter der zedewet de voldoening noodzakelijk maakt 10. De Socinianen c. s. hebben deze noodzakelijkheid wel bestreden, maar daarmede eene valsche tegenstelling tusschen recht en genade gemaakt 11. De offerande der voldoening, welke Christus bracht, bestond in zijne volmaakte gehoorzaamheid, die niet uitsluitend, gelijk vroeger dikwerf, o. a. met Piscator, als passieve te denken is maar ook de actieve omvat 12, en ook niet uitsluitend, zooals veelal in de nieuwere theologie, als actieve mag opgevat worden doch ook de passieve inhoudt 13. Deze gansche gehoorzaamheid draagt het karakter eener satisfactio en wel van eene satisfactio vicaria 14, die tegen allerlei bedenkingen nadere verklaring en verdediging behoeft 15, en wier mogelijkheid door den weg des verbonds wordt geopend 16. Christus volbracht dit werk in den staat der vernedering, van zijne ontvangenis af tot de nederdaling ter helle toe 17, verwierf erdoor de gansche zaligheid met al de daaronder begrepen weldaden van verzoening (ἱλασμος en καταλλαγη), rechtvaardig-, heilig-, heerlijkmaking, die daarom niet tot één enkel begrip van satisfactio, meritum, Erlösung of Versöhnung kunnen beperkt worden 18, en Hij verwierf deze, niet voor alle schepselen of menschen, gelijk de universalisten beweerden en de Gereformeerden over het algemeen bestreden 19, maar voor zijne gemeente, zooals de Schrift duidelijk leert 20, al is het ook dat het werk van Christus voor heel de schepping beteekenis heeft 21. Dit werk, in den staat der vernedering volbracht, voert Christus uit en past Hij toe in den staat der verhooging met zijne verschillende trappen, die allereerst voor Christus zelven het loon op zijn arbeid was 22, maar voorts ten goede komt van zijne gemeente, want ook in den hemel blijft Hij haar profeet, priester en koning, totdat Hij de gansche herschepping tot stand heeft gebracht 23.
HOOFDSTUK VIII. OVER DE WELDADEN DES VERBONDS.
§ 43. De Heilsorde bl. 425-485. Terwijl in de heidensche godsdiensten de mensch zijn eigen zaligheid moet uitwerken, is het in de H. S. God zelf, die den mensch opzoekt, hem in den weg des verbonds uit genade zijne weldaden meedeelt en dan op grond daarvan hem tot eene nieuwe gehoorzaamheid verplicht 1. Als Jezus optreedt met het evangelie des koninkrijks, stelt Hij geen anderen eisch dan dien van geloof en bekeering, welke ook zelve weer genadegaven Gods zijn. Want Hij is het zelf, die door zijn dood al de goederen des koninkrijks voor de zijnen verwierf en ze nu van uit den hemel hun meedeelt door den H. Geest als werkmeester van het geloof en van een nieuw leven 2. Deze leer der genade werd in de christ. theologie reeds spoedig, vooral door Pelagius, ten bate van de wilsvrijheid, verzwakt 3, en kwam, niettegenstaande de krachtige verdediging van Augustinus en in weerwil van de handhaving der gratia praeveniens 4, ook in de Roomsche theologie, van wege de semipelagiaansche richting, welke zij meer en meer insloeg, niet tot haar recht 5. De Luthersche Reformatie kwam daartegen in verzet maar verviel toch spoedig weer tot het synergisme 6. Veel beter werd de leer der genade, ook in de toepassing des heils, door de Gereformeerden gehandhaafd 7, maar naast hen kwamen toch de richtingen van mysticisme en rationalisme, van antinomianisme en neonomianisme op, die de toepassing des heils met de verwerving vereenzelvigden of er haar geheel van losmaakten 8, 9, en ook in de nieuwe philosophie en theologie nog nawerken 10. De heilsorde echter, welke den weg aanwijst, waarlangs de zondaar in het bezit van Christus en zijne weldaden komt, loopt dan alleen zuiver, wanneer zij de beide gevaarlijke klippen van het nomisme en het antinomisme vermijdt 11, en op den grondslag der trinitarische belijdenis in de toepassing des heils een werk des H. Geestes ziet, dat van de verwerving door Christus wel onderscheiden maar niet gescheiden is, wijl de H. Geest alles uit Christus neemt 12. De weldaden, welke Christus verwierf en door den H. Geest toepast, kunnen alle saamgevat worden onder den naam van genade, maar deze wordt door de Reformatie gansch anders dan door Rome opgevat 13, en bevat vele bijzondere weldaden, die langzamerhand in de dogmatiek breeder werden uitgewerkt maar tot drie groepen te herleiden zijn 14.
§ 44. Roeping en wedergeboorte bl. 485-511 vormen de eerste groep. Gelijk God de schepping tot stand brengt door Woord en Geest, zoo ook de herschepping. Hij roept in zekeren zin reeds door de natuur (vocatio realis), maar toch vooral door zijn woord (vocatis verbalis) 1, welke roeping algemeen, ernstig en van groote waarde is 2. Maar de vocatio verbalis zonder meer is niet voldoende en moet daarom op grond van de H. S. in eene externa en interna onderscheiden worden 3, en komt in laatstgemelden zin in het nauwste verband te staan met de wedergeboorte, welke in engeren zin de instorting van het beginsel des nieuwen levens is 4, en, zonder aan den mensch te kort te doen, het pelagianisme bij den wortel afsnijdt en de genade, ook in de toepassing des heils, onverzwakt handhaaft 5.
§ 45. Geloof en rechtvaardigmaking bl. 511-552. De geestelijke mensch, die in de wedergeboorte wordt ingeplant, komt te zijner tijd door de verlichting des H. Geestes tot het geloof, dat, schoon eene gave Gods, geen den mensch vreemde substantie noch een bovennatuurlijk toevoegsel is maar hem, in overeenstemming met het nieuwe leven, aan het woord van Christus bindt 1. Want het draagt in de Schrift een dubbel karakter, het is een als waarheid aannemen van de apostolische getuigenis aangaande Christus en het is een persoonlijk vertrouwen op Christus als machtig, om de zonden te vergeven en alle weldaden der genade te schenken; en deze beide staan met elkander in onlosmakelijk verband 2. Ofschoon zij in leer en practijk dikwerf van elkander gescheiden worden, behooren zij steeds saam te gaan, wijl er eenerzijds geen gemeenschap aan Christus’ weldaden is dan na en door gemeenschap aan zijn persoon, en anderzijds deze gemeenschap niet anders tot stand komt dan door middel van de apostolische getuigenis 3. Van dat geloof is eene der heerlijkste vruchten de rechtvaardigmaking, welke naar de Schrift niet eene ethische, maar eene juridische daad is 4, haar grond heeft, niet in des menschen, in eene ἰδια δικαιοσυνη, maar in eene δικαιοσυνη θεου, welke in Christus geopenbaard is en gereed ligt, den mensch door God uit genade wordt toegerekend en zijnerzijds door het geloof wordt aangenomen 5. Wel wordt deze leer van de justitia imputata sterk bestreden, maar deze bestrijding komt grootendeels voort uit eene geheel verkeerde opvatting van de toerekening van Christus’ gerechtigheid 6. Deze rechtvaardigmaking geschiedt in zekeren zin in het besluit, in de opstanding van Christus, in de vocatio interna, maar heeft toch naar de doorgaande voorstelling der H. S. vooral plaats uit en door het geloof en staat juist als zoodanig tegen die uit de werken over 7. Zij omvat niet alleen de volkomen vergeving van alle zonden, van schuld en straf beide, hetgeen echter de dagelijksche belijdenis van schuld en bede om vergeving niet te niet doet, maar voorts de aanneming tot kinderen en de toekenning van het recht op het eeuwige leven 8.
§ 46. Heiligmaking en volharding bl. 553-572. Op de rechtvaardigmaking volgt de heiligmaking, die er wezenlijk van onderscheiden is, maar er geen oogenblik van gescheiden mag worden, want Christus schenkt zichzelven aan de zijnen niet alleen objectief maar ook subjectief (unio mystica) 1. Deze heiligmaking is in de eerste plaats een werk Gods, bestaande niet alleen in uitwendige afzondering van de wereld maar ook in inwendige vernieuwing door den H. Geest, zonder dat deze daarom in eens of allengs in dit leven reeds hare voltooiing bereiken zou; maar voorts is zij ook een werk van de geloovigen, in zoover deze op grond van de ontvangen weldaden geroepen worden, zichzelven te heiligen en goede werken voort te brengen als vruchten van hun geloof 2. Evenzoo is de volharding der heiligen eene daad en eene gave Gods, maar die door de geloovigen zelven heen, in den weg der middelen, zich realiseert, en daarom hunne zelfwerkzaamheid niet uitsluit maar hun wel rijken troost en zekerheid biedt 3.
VIERDE DEEL.
HOOFDSTUK IX. OVER DE KERK.
§ 47. Het wezen der kerk bl. 1-59. De gemeenschap dergenen, die Christus en zijne weldaden deelachtig zijn, draagt den naam van de kerk, die hare analogieën bij de heidensche godsdiensten vindt en in het O. Test. voorbereid werd 1, maar in eigenlijken zin toch eerst in de dagen des N. T. werd gesticht 2. Na den apostolischen tijd ontwikkelde zij zich spoedig tot een katholiek, zichtbaar, onfeilbaar, hierarchisch heilsinstituut 3, zoodat reformatie dringend noodig was. Luther, Zwingli en Calvijn brachten deze, ieder op eigene wijze tot stand 4, maar ter linker- en rechterzijde werd door rationalisme en mysticisme het kerkbegrip vervalscht, zoodat het ook thans nog, trots vele pogingen tot herstel, aan groote verwarring lijdt 5. De naam, dien de kerk draagt, duidt haar reeds aan als eene vergadering van Christgeloovigen, en de Schrift stelt dit op allerlei wijze, onder allerlei beelden, vooral ook door wat zij zegt aangaande de gemeenschap der heiligen, in het helderste licht 6. Als zoodanig kan zij in ruimer en enger zin genomen worden (ecclesia generalis, triumphans, militans, universalis, nationalis, particularis). Maar nooit sluit zij naar haar idee de ongeloovigen in, al zijn dezen ook op aarde steeds in de kerk aanwezig 7. Ook is zij niet als eene vergadering van praedestinati, perfecti, communicantes, vocati, baptizati te omschrijven, maar als eene vergadering van geloovigen, welke zoowel eene zichtbare als eene onzichtbare zijde heeft. Zichtbare en onzichtbare kerk zijn dus geen twee kerken, zijn niet aan den kring van ongeloovigen en geloovigen in de kerk, noch aan de kerk als instituut en als organisme gelijk, maar zijn twee zijden van dezelfde kerk 8. Kenteekenen der kerk zijn niet de 15 notae, welke Ballarminus opgeeft 9, maar het Woord Gods, dat in prediking, sacrament, belijdenis, leven bediend en beleden, en ten onrechte van Roomsche zijde verworpen wordt 10. Want al is met dit kenteeken de mogelijkheid van groote scheuring en verdeeldheid der kerken gegeven, ook Rome kan deze niet verhoeden, en de pluriformiteit der kerk sluit, hoe zondig en smartelijk eenerzijds ook, toch ter andere zijde een zegen in 11. Daarmede in overeenstemming hebben de eigenschappen der kerk, eenheid, heiligheid, katholiciteit, apostoliciteit, onvergankelijkheid en onfeilbaarheid bij ons een anderen zin dan bij Rome 12.
§ 48. De regeering der kerk bl. 59-131. De kerk is zonder regeering niet denkbaar en heeft daarom ook altijd eene regeering gehad. Zij was altijd tegelijk instituut en organisme 1, zoowel in het O. als in het N. Test. Het apostolaat is vooral een sterk bewijs voor het institutair karakter der kerk; en bij dit ambt kwam nog dat van de evangelisten en profeten, terwijl Petrus onder de apostelen primus inter pares was 2, en later dat van regeer- en leerouderlingen en van diakenen 3. Deze aristocratisch-presbyterale kerkregeering ging na den apostolischen tijd spoedig over in eene monarchisch-episcopale, die nog in vele kerken heerscht, en bij Rome in eene papale kerkregeering, die in de onfeilbaarverklaring van den paus hare consequentie trok 4. Beide deze vormen van kerkregeering zijn echter met de leer der H. S. over de verhouding van clerus en leeken, over het episcopaat, over het apostolaat, over Petrus’ primaat, en voorts ook met de oudste getuigenissen der kerk in strijd 5. De oppositie tegen de Roomsche hierarchie bracht velen tot verwerping van alle regeering der kerk, maar ook dit weerspreekt de Schrift, die der kerk een eigen regeering toeschrijft. Vandaar dat de Gereformeerden deze hebben gehandhaafd in hare onderscheidenheid van de politieke macht 6. Immers is Christus het eenige hoofd der gemeente, zoowel van de plaatselijke als van alle kerken saam. Hij stort er zijne gaven in uit, zalft allen tot profeten, priesters en koningen 7, en stelt voorts verschillende ambten in, die niet het orgaan der gemeente zijn, maar hun gezag aan Christus ontleenen, en die in den weg van vocatie, examinatie en ordinatie verkregen worden 8. Deze ambten zijn in de kerk wel willekeurig vermeerderd en van karakter veranderd, maar zijn twee, resp. drie in getal (leer- en regeerouderlingen en diakenen).
§ 49. De macht der kerk bl. 132-192. De kerk is, evenals de staat, eerst na de zonde ontstaan, en van den staat allengs duidelijker onderscheiden. Zelfs in Israel waren beide, schoon nauw vereenigd, niet één 1, en in het N. T. gaf Christus aan zijne kerk eene macht, die door haar geestelijk karakter van die der overheid wezenlijk verschilt 2. Deze geestelijke macht der kerk ontaardde echter bij Rome in eene juridische, dwingende macht, die in tegenstelling met het Cesareopapisme der Grieksche kerk, alle terreinen des levens, ook dat van den staat, aan zich onderwerpt en dienstbaar maakt 3, en in de plena et suprema potestas van den paus culmineert. Deze macht, bepaaldelijk de onfeilbaarheid van den paus, vindt echter niet alleen geen steun in de Schrift, maar is ook in zichzelve onbepaald, ongegrond, in strijd met het episcopaat en antichristelijk 4. De Reformatie verwierp daarom eenparig deze macht, maar ging weer uiteen, inzoover Luther en Calvijn anders oordeelden over de biecht, over presbyteraat en tucht, over de verhouding van de kerkelijke en de wereldlijke macht. De onderscheiding dezer beide laatste machten ging in de eeuwen na de Hervorming hoe langer hoe meer in eene, althans relatieve, scheiding over 5. Nu is het echter voor geen twijfel vatbaar, dat Christus aan zijne kerk eene macht heeft geschonken, die een eigen oorsprong, orgaan, natuur en doel heeft, en door Romanisme en Anabaptisme evenzeer wordt miskend. Deze macht der kerk is drieërlei 6, n.l. ten eerste potestas docendi, dat is, de macht, om het woord Gods te prediken, uit te leggen, te verdedigen, te belijden 7, ten tweede potestas gubernationis, dat is, de macht om de gemeente te regeeren 8 en de tucht uit te oefenen 9, en ten derde potestas misericordiae, dat is, de macht om barmhartigheid te bewijzen aan de ellendigen 10. Deze macht komt in de plaatselijke kerk saam in den kerkeraad en voor meerdere kerken in de meerdere vergaderingen, die reeds van oude dagteekening en voor den welstand der kerken noodig en goed zijn 11. Met deze macht staat de kerk in de wereld zelfstandig en vrij, maar haar dienende met de goederen, welke Christus haar schenkt 12.
HOOFDSTUK X. OVER DE MIDDELEN DER GENADE.
§ 50. Het Woord bl. 193-215. Bij de uitdeeling zijner genade bedient Christus zich van middelen, die door mysticisme en rationalisme ten onrechte miskend, door Rome verkeerdelijk in absoluten zin opgevat, maar door de Hervorming, bepaaldelijk door Calvijn in hun rechte waarde hersteld werden 1. Tot deze genademiddelen behoort in de eerste plaats het woord Gods, dat ook buiten de ambtelijke bediening werkt 2, en als genademiddel in wet en evangelie te onderscheiden is 3. Deze onderscheiding is echter geen onverzoenlijke tegenstelling, gelijk het antinomisme leert, en evenmin eene wezenlijke identiteit, gelijk het nomisme wil, want beide verschillen principieel maar gaan toch in de prediking steeds samen 4. En evenzoo is het woord als genademiddel noch van de werking des Geestes te scheiden noch ook met deze te vereenzelvigen. De H. Geest werkt niet sine verbo noch per verbum maar cum verbo 5.
§ 51. De Sacramenten bl. 215-252. Het tweede genademiddel is het sacrament. De naam komt in de Schrift niet voor, was eerst voor allerlei kerkelijke handelingen en plechtigheden gebruikelijk en werd eerst in de Middeleeuwen tot een zevental ceremoniën beperkt. Ook de leer der sacramenten werd eerst door de scholastiek uitgewerkt en vertoonde hoe langer hoe grootere afwijking van de Schrift 1. Rome toch verstaat onder de genade, door het sacrament medegedeeld, alleen de gratia sanctificans, en maakt het sacrament los van het woord en evenzoo van het geloof. De Hervorming verwierp deze dwalingen maar droeg toch in de personen van Luther, Zwingli en Calvijn eene verschillende opvatting voor, die de kerken verdeelde en, trots de verzwakking van de beteekenis der sacramenten door mysticisme en rationalisme, nog heden ten dage kerk en theologie uiteen doet gaan 2. Ofschoon de naam van sacrament in de Schrift niet voorkomt, is hij daarom nog niet te verwerpen. En ook is de behandeling van de algemeene leer der sacramenten vóór die van doop en avondmaal niet af te keuren, wijl daardoor het verschil in opvatting duidelijk aan het licht treedt en de dwaling gemakkelijk ingezien wordt. Volgens de Schrift zijn de sacramenten teekenen en zegelen van Gods genade en tevens belijdenisacten des geloofs 3. Als zichtbare teekenen en zegelen duiden zij aan en bevestigen zij de onzichtbare genade, door God in Christus geschonken dat is, dezelfde genade, welke ook in het woord wordt aangeboden, zij het ook op andere wijze 4. Het verband tusschen teeken en beteekende zaak is niet physisch, corporeel, locaal, maar een verband van relatie, dat door het woord der instelling tot stand komt, en, schoon van geestelijken aard, toch niettemin objectief en reëel is 5. Daarom werken de sacramenten ook niet ex opere operato maar onderstellen bij den ontvanger het geloof, hetgeen aan hunne objectiviteit geen afbreuk doet en hunne waarde ongeschonden laat 5. Het getal der sacramenten bedraagt niet zeven, maar slechts twee, doch deze twee wegen in waarde tegen het zevental van Rome op 6.
§ 52. De Doop bl. 252-299. In het O. T. door de besnijdenis voorbereid, werd de doop op Goddelijken last het eerst door Johannes aan de Joden bediend. Deze doop van Johannes verschilt niet wezenlijk van den christelijken doop, maar werd door Jezus overgenomen en vóór zijne hemelvaart tot alle volken uitgebreid, tot teeken en zegel van de vergeving der zonden en van de inlijving in Christus en zijne gemeente 2. Na den tijd der apostelen werd hij reeds spoedig met de trinitarische formule bediend, als een mysterium der inwijding opgevat, met allerlei ceremoniën omgeven en steeds meer magisch in zijne werking voorgesteld. Volgens Rome schenkt hij door de innige verbinding van teeken en beteekende zaak ex opere operato, behalve een character indelebilis, de heiligmakende genade, die van alle schuld, straf en smet der zonde bevrijdt 3. De Lutherschen leerden eene soortgelijke nauwe vereeniging van het water des doops met de Goddelijke genade, en lieten althans bij kinderen de wedergeboorte tot stand komen door den doop, maar de Gereformeerden hielden staande, dat de doop, als een sacrament, ook bij kinderen het geloof onderstelde en rustte op den grondslag van het genadeverbond. Maar dit verbond werd steeds meer veruitwendigd; en rationalisme en mysticisme miskenden de waarde van den doop zoozeer, dat in den nieuweren tijd verschillende pogingen tot handhaving van het objectief karakter van den doop beproefd zijn 4. De Schrift spreekt alleen van den doop van volwassenen, en leert duidelijk, dat hij alleen voor geloovigen ingesteld is en na belijdenis mag bediend worden. Het teeken in den doop is water, waarin de doopeling ondergedompeld of waarmede hij besprengd wordt 5. Dit water wordt tot een sacrament door het woord der instelling, dat in de Schrift niet als eene formule bedoeld maar toch in de kerk weldra zoo toegepast is, en tusschen teeken en beteekende zaak wel eene reëele maar geen physische en locale vereeniging tot stand brengt. De weldaden van den doop zijn in hoofdzaak vergeving en wedergeboorte 6. Tot hen die recht hebben op den doop, behooren ook de kinderen der geloovigen. Dit recht werd tegenover de bestrijders van den kinderdoop op verschillende wijze betoogd 7, en rust op vele schriftuurlijke gronden 8. Bedienaar van den doop is Christus, die daarbij van menschen, bepaaldelijk van de leeraars gebruik maakt; hem bedienen laat in de openbare vergadering der gemeente; op onbepaalde tijden; in geval van den kinderdoop, in tegenwoordigheid der ouders; aan alle personen, die nog gerekend kunnen worden te behooren binnen den kring des verbonds 9.
§ 53. Het Avondmaal bl. 299-352. Het tweede sacrament is het avondmaal, dat in het O. T. door het pascha afgebeeld en voorbereid 1, en in het N. T. door Christus ingesteld werd, tot een teeken en zegel van de gemeenschap aan zijne offerande op het kruis 2. Dit avondmaal was spoedig het middelpunt van den christelijken cultus en werd allengs, vooral sedert de scholastiek, opgevat als eene onbloedige offerande van het lichaam en bloed van Christus, waaraan de communie ondergeschikt is 3. De Reformatie verwierp deze Roomsche leer wel eenparig, maar liep in de positieve uiteenzetting van de leer des avondmaals ver uiteen. Luther, Zwingli, Calvijn droegen elk een eigen opvatting voor, die, na hen gewijzigd en verlaten, toch tot den huidigen dag voortbestaan 4. De namen voor het avondmaal zijn zeer vele in aantal, maar de beste is die van heilig avondmaal of maaltijd des Heeren, wijl het een wezenlijke maaltijd is met Christus als gastheer, de leeraars als zijne dienaren, met brood on wijn tot spijze en drank, in den eersten tijd met een gewonen maaltijd verbonden, aan eene tafel en niet op een altaar te vieren 5. Maar deze maaltijd heeft een geestelijke beteekenis, is niet bloot een gedachtenismaal of een belijdenisacte, doch eene gemeenschapsoefening door het geloof met den gekruisten Christus. Wel is Christus niet physisch en locaal in de teekenen aanwezig, want trans- en consubstantiatie zijn beide om vele schriftuurlijke en natuurlijke redenen uitgesloten 6. Maar desniettemin is die gemeenschap met Christus in het avondmaal objectief en reëel, zoo echter, dat zij van de zijde des ontvangers het geloof onderstelt en juist daardoor als gemeenschap aan den persoon en aan de weldaden van Christus, versterkt wordt 7. Evenals de doop, is ook dit avondmaal alleen voor de gemeente ingesteld, en wel voor gedoopte on levende geloovigen, die belijdenis van hun geloof hebben afgelegd en niet door de kerk om leer en leven zijn geweerd 8.
HOOFDSTUK XI. OVER DE LAATSTE DINGEN.
§ 54. De Tusschentoestand bl. 353-422. Alle godsdiensten bevatten eene zekere eschatologie en leeren bepaaldelijk de onsterfelijkheid der ziel; en de philosophie nam menigmaal dit laatste leerstuk over 1. De bewijzen, voor de onsterfelijkheid der ziel bijgebracht, hebben tegenover het ongeloof geen dwingende kracht maar zijn toch als getuigenissen en rechtvaardigingen des geloofs belangrijk 2. De Schrift bevat ook wel reeds in het O. T. de leer der onsterfelijkheid, gelijk hare voorstelling van den Scheol duidelijk bewijst, maar zij voegt daaraan de veel rijkere openbaring toe, dat het waarachtige leven alleen verkregen en genoten wordt in de gemeenschap met God, die over dood en graf triumpheert 3. De latere Joodsche literatuur liet aan deze openbaring geen recht wedervaren, maar het N. Test. doet nog beter dan het O. Test. uitkomen, dat de dood eene straf der zonde is, dat de geloovigen door Christus een leven deelachtig worden, hetwelk verre boven den dood is verheven, en dat zij, ofschoon na het sterven in zekeren zin tot het doodenrijk behoorend, toch terstond in een anderen toestand intreden dan de ongeloovigen 4. De christelijke kerk bleef eerst bij deze weinige gegevens der Schrift over den tusschentoestand staan, maar wijdde er meer aandacht aan, naarmate de wederkomst van Christus toefde, en kwam allengs tot het aannemen van vijf receptacula aan de overzijde des grafs, onder welke vooral het vagevuur voor den tusschentoestand van beteekenis is 5. De Reformatie verwierp deze leer, maar zag spoedig allerlei meeningen over den tusschentoestand opkomen, zooals die van een voorloopigen toestand, van een purgatorium, van een zieleslaap, van eene zekere lichamelijkheid der zielen, van zielsverhuizing en voortgaande loutering, van limbus patrum, limbus infantum en mogelijke bekeering na den dood 6. De Schrift bevat weinig over den tusschentoestand, omdat zij, schoon de onsterfelijkheid der ziel aannemende, vooral het nieuwe leven wil doen kennen, dat Christus aan het licht heeft gebracht en zonder hetwelk het menschelijk leven hier reeds op aarde en vooral hiernamaals in den Scheol zijn inhoud en waarde verliest 7. De leemten, welke de Schrift in onze voorstelling van den tusschentoestand openlaat, mogen niet aangevuld worden met menschelijke gissingen, zooals de zieleslaap 8, de lichamelijkheid der zielen na den dood 9, het blijvend verkeer der dooden met de levenden, dat dan misoffer, voorbede, heiligenvereering, doodenbezwering en reliquiëncultus medebrengt, 10. Van de plaats van den tusschentoestand is weinig te zeggen, maar zeker is, dat er terstond bij den dood een verschillende toestand intreedt voor geloovigen en ongeloovigen, waarin geen verandering door bekeering, gelijk velen thans meenen, meer mogelijk is 11. Ook is de toestand der gestorven geloovigen niet als een vagevuur te denken, want zij komen naar de leer der Schrift terstond na den dood in den hemel bij Christus. Ofschoon er dus van eene vereering der heiligen en van eene voorbede voor de afgestorvenen geen sprake kan zijn 12, blijft er toch eene gemeenschap der triumfeerende met de strijdende kerk bestaan. Ook de zaligen in den hemel zijn niet zonder ons volmaakt; zij zien verlangend uit naar de parousie van Christus, en zijn ook niet boven alle ruimte, tijd en werkzaamheid verheven 13.
§ 55. De wederkomst van Christus bl. 422-481. Gelijk er een einde komt aan het leven van den enkelen mensch, zoo ook aan dat van menschheid en wereld. De wetenschap bevestigt dat 1, de godsdiensten koesteren algemeen deze verwachting, en de Oudtest. profetie verkondigt aan het einde van deze bedeeling de oprichting van het Messiaansche rijk, dat, rijk aan geestelijke en stoffelijke zegeningen, tot de einden der aarde zich uitbreiden zal 2. Het O. T. beschrijft in dit Messiaansche rijk geen tusschenperiode maar een eindtoestand, doch de latere Joodsche litteratuur ging tusschen een voorafgaand Messiasrijk en een daarna volgend Godsrijk onderscheid maken en deed zoo de leer van het chiliasme opkomen, welke ook door vele Christenen, vooral in tijden van vervolging en druk, werd overgenomen 3. Ofschoon in sommige hoofdzaken overeenstemmend, zijn de Chiliasten onderling toch zeer met elkander in strijd en maken zij zich allen bij de uitlegging der Schrift aan groote willekeur schuldig 4. Reeds het O. Test. doet zelf van de profetie eene betere verklaring aan de hand, dan het chiliasme ons biedt, en het N. Test. beschouwt zich als de geestelijke en dus waarachtige vervulling van het O. Test. 5. Maar niet alleen is het chiliasme met deze hoofdgedachte der Schrift in strijd, doch voorts, ook met vele andere gegevens, vooral met de doorloopende verwachting des N. T. aangaande het Joodsche volk 6, die door enkele plaatsen, vooral Rom. 11:11-32, niet weersproken wordt 7. Voorts verwacht het N. T. nergens een staat van heerlijkheid en eere voor de gemeente van Christus in deze bedeeling, maar veeleer toenemende vervolging en druk, waaraan eerst de eenige wederkomst van Christus een einde maakt 8. Wel is er in Op. 20 van eene duizendjarige binding van Satan sprake. Maar dit hoofdstuk bevat eigenlijk niets van al wat aan het chiliasme wezenlijk eigen is, evenmin als andere plaatsen der Schrift 9. En de gebeurtenissen, in Op. 20 verhaald, vallen niet chronologisch na die der vorige capita, maar loopen daarmede parallel. Zij bedoelen, het einde ons te schetsen van de cultuurlooze volken, gelijk de vorige hoofdstukken dat deden ten aanzien van die natiën, in wier midden het evangelie gepredikt is en dus de anti-christelijke macht zich ontwikkelen kan 10. Aan de wereldgeschiedenis maakt dus Christus, wien als Zoon des menschen het oordeel gegeven is, door zijn tweede komst een einde 11. De tijd dier wederkomst is in het N. T. niet bepaald, al nemen hare voorteekenen reeds met den val van Jeruzalem een aanvang. En even sober is de Schrift in de beschrijving van de wijze, waarop die wederkomst plaats heeft 12.
§ 56. De Voleinding der eeuwen bl. 481-529. Met de wederkomst van Christus begint de Dag des Heeren, welks duur niet te bepalen is. De eerste gebeurtenis, die daarop plaats grijpt, is de opstanding der dooden 1, waarbij de identiteit van het opstandingslichaam met het gestorven lichaam bewaard blijft 2, 3. Dan volgt het gericht, dat over alle menschen en engelen en over al hun gedachten, woorden en daden zich uitstrekt 4. De plaats, waarheen de goddeloozen verwezen worden en eeuwige straffen lijden, is de gehenna. De eeuwigheid der helsche straf is wel menigmaal op allerlei gronden bestreden en beurtelings door de leer van het hypothetisch universalisme, van de wederherstelling aller dingen of van de conditioneele onsterfelijkheid vervangen 5. Maar zij is in de Schrift vervat, en door de natuur der zonde en de Goddelijke gerechtigheid geeischt, ofschoon zij zeer verschillende graden in hare toepassing niet uitsluit 6. Na het eindgericht volgt de vernieuwing der wereld, welke in geen vernietiging van hare substantie maar in eene herschepping van hare forma bestaat 7. Deze vernieuwing der wereld bewijst, dat de zaligheid niet uitsluitend als eene hemelsche maar ook als eene aardsche te denken is 8, en niet alleen geestelijke maar ook stoffelijke zegeningen omvat, welke beide hier wel aanvangen doch eerst in de eeuwigheid worden voltooid. De gemeenschap met God, die het wezen der toekomstige zaligheid is en met verstand en wil beide genoten wordt 9, wordt verhoogd door de gemeenschap der heiligen, wier getal, ook al omvat het niet alle menschen en al is er over de zaligheid van Heidenen en jongstervende kinderen weinig te zeggen, toch eene schare zal vormen, die niemand tellen kan 10, en die zelve allerlei verscheidenheid van persoonlijkheid, gaven, loon en werkzaamheid insluit 11.
REGISTER
van min of meer verklaarde Schriftuurplaatsen.
Gen. 1 II, 457v. Gen. 1:1-3 II, 397, 457v, 460, 469, 478. Volgens de restitutietheorie II, 473; III, 69. Gen. 1:26, 27 II, 508, 509, 512. Gen. 2:4{b}v. II, 490. Gen. 2:7 II, 536, 540. Gen. 2:17 III, 155, 176, 187. Gen. 3 III, 35v., 108, 191. Gen. 3:7v. III, 188. Gen. 3:9-13 III, 188v. Gen. 3:14, 15 III, 189, 213. Gen. 3:16 III, 189. Gen. 3:17-19 III, 190. Gen. 3:22-24 III, 190. Gen. 4:26 IV, 3. Gen. 6:2 II, 436. Gen. 9:1-7 II, 560. Gen. 14:18 IV, 337. Gen. 18 II, 231. Exod. 6:3 II, 109v. Deuteron. 32:8 II, 449. Joz. 10:12, 13 II, 465v. 1 Sam. 28 IV, 396v. 2 Kon. 20:9 II, 465v. Job III, 32. Job 33:23 II, 450. Job 38:7 II, 434. Ps. 2:7 II, 243. Ps. 51:7 III, 105. Ps. 73 III, 32. Ps. 104:4 II, 437. Spr. 8:22v. II, 242. Jes. 53 III, 363. Jes. 53:11 III, 531. Jes. 65:20 IV, 433. Ezech. 16:53-63 IV, 403v. Ezech. 38 en 39 IV, 462. Ezech. 40-48 IV, 431, 442v. Dan. 10:13, 20 II, 449. Dan. 12:3 III, 531. Hos. 6:7 II, 547. Mich. 5:1 II, 243 III, 231. Hab. 1:4 III, 17. Zach. 6:13 III, 203. Mal. 1:11 IV, 337.
Matth. 5:22 III, 99v. IV, 408. Matth. 7:12 III, 77. Matth. 10:23 IV, 477. Matth. 11:23 IV, 372. Matth. 12:31 III, 101 Matth. 12:32 IV, 409, 510. Matth. 16:18 IV, 4v., 71, 100v., 372. Matth. 16:19 IV, 135. Matth. 16:28 IV, 476. Matth. 18:10 II, 450. Matth. 18:15-17 IV, 4v., 172. Matth. 20:1-16 IV, 526. Matth. 20:28 III, 363. Matth. 22:30 II, 437. Matth. 23:37-39 IV, 450. Matth. 24 IV, 457, 477. Matth. 24:14 IV, 465. Matth. 24:29 IV, 477. Matth. 24:34 IV, 477. Matth. 26:39-42 III, 355. Matth. 26:64 IV, 476. Matth. 28:19 IV, 257, 258v., 270, 274. Mark. 10:45 III, 363. Luk. 13:33-35 IV, 450. Luk. 15:7 II, 450. Luk. 16:23 IV, 373. Luk. 21:24 IV, 450. Luk. 22:19 IV, 338. Luk. 22:32 IV, 100, 101v. Luk. 23:34 III, 400, Luk. 23:43 IV, 373. Joh. 1:1-18 III, 261. Joh. 3:5 IV, 295. Joh. 3:6 III, 105. Joh. 6 IV, 330, 346. Joh. 7:39 III, 430. Joh. 8:44 III, 39. Joh. 14:18-24 IV, 476. Joh. 14:28 II, 245. Joh. 21:15-17 IV, 100, 102. Handel. 2:39 IV, 287. Handel. 3:19-21 IV, 451. Handel. 6 IV, 79v. Handel. 11:30 IV, 80. Handel. 13:48 II, 316. Handel. 14:23 IV, 79. Handel. 15 IV, 180v. Handel. 19:1-7 IV, 256v., 258. Rom. 1:3, 4 III, 415. Rom. 2:12-16 III, 75. Rom. 3:25, 26 III, 312, 339, 533. Rom. 4:17 II, 399. Rom. 5:12-21 II, 547, III, 75, 109v. Rom. 7:7-26 III, 106v., 561. Rom. 8:30 III, 485. Rom. 9 II, 316v., 318. Rom. 11:11-32 IV, 452v. 1 Cor. 3:12-15 IV, 409. 1 Cor. 5:1v. IV, 173 1 Cor. 6:2, 4 IV, 494. 1 Cor. 6:11 III, 531. 1 Cor. 7:14 IV, 288. 1 Cor. 9:9 III, 18. 1 Cor. 10:2 IV, 258. 1 Cor. 10:15 I, 336. 1 Cor. 10:17 IV, 347. 1 Cor. 10:21 IV, 338. 1 Cor. 11:10 II, 437. 1 Cor. 11:30 IV, 346. 1 Cor. 15:20-28 IV, 467. 1 Cor. 15:21v. III, 109. 1 Cor. 15:29 IV, 349, 415. 1 Cor. 15:35-38 IV, 488. 1 Cor. 15:45-49 II, 545, III, 65v. 2 Cor. 3:17 III, 417. 2 Cor. 5:1-4 IV, 390. 2 Cor. 5:21 III, 366. Gal. 3:13 III, 366. Ef. 1:4 II, 380, 382. Ef. 1:10 II, 444, III, 406. Ef. 1:23 III, 417v. Ef. 2:3 III, 105. Ef. 4:9 III, 377. Ef. 4:11 IV, 76v. Ef. 4:24 II, 509. Ef. 5:26 IV, 275v. Fil. 2:5-11 III, 375, 412. Fil. 3:9 III, 536. Col. 1:15 II, 245. Col. 1:19, 20 II, 444, III, 406. Col. 2:11, 12 IV, 284. Col. 3:10 II, 509. 1 Thessal. 4:13-18 IV, 467. 2 Thessal. 2 IV, 463. 1 Tim. 2:4, volgens Augustinus II, 321, III 391; volgens de Semipelag. III, 391v. volg. de Schol. II, 323; III, 393, vgl. III, 398v. 1 Tim. 3:6 III, 39. 1 Tim. 3:15 IV, 167. 1 Tim. 5:17, 18 IV, 74, 78. 2 Tim. 3:16 I, 329v., 342. Tit. 3:5 III, 500. Tit. 3:7 III, 532. Tit. 3:10 IV, 174. Hebr. 1:3 II, 244. Hebr. 2:10 III, 412. Hebr. 2:17 III, 182. Hebr. 5:7 III, 355. Hebr. 5:9 III, 412. Hebr. 6:4-8 III, 103, 567. Hebr. 7:22 III, 204. Hebr. 10:25-29 III, 103, 567. Hebr. 11:3 II, 399. Hebr. 12:22-24 IV, 417. 1 Petr. 1:23 III, 500v. 1 Petr. 3:19-21 III, 377, 380, 422, IV, 404v. 1 Petr. 3:21 IV, 260. 1 Petr. 4:6 IV, 405. 2 Petr. 1:19-21 I, 345. 2 Petr. 2:18-22 III, 567. 1 Joh. 2:17 IV, 513. 1 Joh. 5:7 II, 239. 1 Joh. 5:16 III, 103. Jud. 6 III, 39. Openb. van Joh. IV, 460v. Openb. 1:20v. II, 450, IV, 78, 85, 97. Openb. 8:3 II, 450. Openb. 20 IV, 462v. Openb. 21 en 22 IV, 515v. Openb. 22:11 III, 532.
Register van Namen.
A.
Abaelard, Over de Schrift I, 311. Over de voldoening III, 317. Agobard van Lyon, Over de Inspiratie I, 311. Alcuinus, I, 79. Alexandrijnsche Theologen, Hun eigenaardigheid I, 59v. Alsted, Zijn Theol. naturalis I, 223. Alting, Jac. Over het lijden van Christus III, 350v, 352. Ambrosius, I, 71; over de erfzonde III, 119. Amesius, Over de Theologie III, 455. Amyraldus, I 122; II, 341; III, 454. Anselmus, Zijn methode in ’t alg. I, 82; zijn voldoeningsleer III, 317v., 349, 411. Apollinaris, Zijn christologie I, 63; III, 277. Apologeten, I, 55v., 423v., 445, 484; over de Heilige Schrift I, 307; over de Triniteit II, 250v., 405v. Apostolische vaders, Karakter hunner geschriften I, 52; over de Heilige Schrift I, 307; over de Triniteit II, 249; over den tusschentoestand IV, 375. Appelius, I, 126.
Aristoteles, Over de ἀρχαι I, 140; II, 29; over oorsprong en wezen der zonde III, 42.
Arius, Over de Triniteit II, 260v.; over de menschheid van Christus III, 277.
Arminius, Over de Praedestinatie II, 340; over den eisch van gehoorzaamheid na den val III, 220.
Athanasius, Zijn beteekenis voor de Theologie I, 62v., II, 256; Over den Heiligen Geest II, 289v.
Augustinus, Zijn indeeling der dogmatische stof I, 32v.; beteekenis voor de Theol. I, 72v., over de menschelijke kennis I, 165v., 168; over de ongenoegzaamheid der algemeene openb. I, 231; over de elementen van waarheid in het Heidendom I, 238; over de wonderen I, 291v.; over Kerk en Schrift I, 367, 368; over de noodzakelijkheid der Schrift I, 381; over de beteekenis v. h. geloof in algem. zin I, 470; over de onbegrijpelijkheid Gods II, 6; over ’s menschen kennis van de alg. noodzak, waarheden II, 33v.; over de essentia Dei II, 79, 80, 87, 175; over de deugden Gods II, 89, 92, 140; over de onveranderlijkheid Gods II, 120; over de alomtegenwoordigh. Gods II, 136; over de alwetendheid Gods in verband met ’s menschen vrijheid II, 162; over de ideeën in God II, 170, 407; over de schoonheid d. schepselen en de schoonheid Gods II, 193v., 421v.; over de almacht Gods II, 225; over de Triniteit II, 258v., 276, 291, 301v., 539; over de praedestinatie II, 320v., 334v., 358; over het getal der engelen II, 433; III, 407; over de kennis der engelen II, 439; over het paradijs II, 505; over den staat van Adam II, 549v.; over de permissio III, 56v.; over het privatief karakter der zonde III, 78v., 80; over de erfzonde III, 119v.; over het werk van Christus III, 316; over de particuliere voldoening III, 391; over de genade III, 436v., 443; over de volharding III, 565, 566; over de kerk I, 75; IV, 9v., 32, 262; over de Sacramenten IV, 218; over den Doop IV, 252; over den Kinderdoop IV, 262, 279v.; over het Avondmaal IV, 313v.
Augustinus Steuchus, over de alomtegenwoordigheid Gods II, 133; over de ligging van het paradijs II, 505.
Aureolus, Zijn Nominalisme I, 84.
B.
Baader, Franz von I, 95.
Bajus, I, 92.
Basilius, Over de verhouding van wezen en eigenschappen Gods II, 86; over het onderscheid der eigenschappen Gods II, 92.
Baudissin, over de heiligheid Gods II, 185.
Baumgarten, S. J. I, 101.
Baxter, Richard I, 118; III, 395.
Beck, Zijne Theologie I, 15, 108.
Bekker, Balthazar, over de engelen II, 425.
Bellarminus, Over de efficacia der roeping III, 497v., tegen de justitia imputata III, 538v.; over de ongeloovigen in Bellarminus, de kerk IV, 32v.; over de kenteekenen der kerk IV 39, 40v., 45v.
Berti, Over de gratia III, 441.
Biedermann, Zijn dogmatisch standpunt I, 107, 432.
Böhl, Over het beeld Gods II, 510.
Böhme, Over de Drieëenheid II, 266; over het werk van Christus III, 321.
Bonaventura, Zijn beteekenis voor de indeeling der dogmatische stof I, 34; over de H. Schrift I, 310v.; over de kennis van God en van de prima principia II, 34v.
Bonfrerius, Over de inspiratie I, 313.
Bonnet, Over de wonderen I, 292.
Boston, Thomas I, 128; III, 395.
Bourignon, Antoinette, Over het werk van Christus III, 321.
Bradwardina, I, 87.
Brahé, J. I, 126; III, 453.
Bretschneider, I, 102.
Briggs, Charles I, 139.
Bruining, Dr. A. I, 185.
Bull, George III, 454.
Bullinger, Zijn verschil van Calvijn I, 115.
Büsching, A. F. I, 15.
Bushnell, Horace, Over het werk van Christus III, 331.
Byzantijnsche Theologen I, 67v.
C.
Calixtus, Zijn indeeling van de dogmatische stof I, 40v.; zijn reactie tegen de scholast. behandeling der Dogm. en zijn syncretisme I, 100.
Calovius, Over het object der Theol. I, 7.
Calvijn, Zijn Institutie I, 38v.; zijn beteekenis voor de Geref. Dogmatiek I, 112v.; over de inspiratie I, 315v.; over het testimonium spir. sancti I, 490v.; over de nat. Godskennis II, 37; over de potentia absoluta Dei II, 226; over de praedestinatie II, 330v.; in betrekking tot het vraagstuk v. supra- en infralapsarisme II, 336v.; over het beeld Gods II, 531; over de erfzonde III, 125; over de heilsorde III, 448; over de kerk IV, 17v.; als vader v. d. presbyteriale kerkregeering IV, 129v.; zijn oordeel over afscheiding van de kerk IV, 48; over de kerkel. tucht IV, 155; over Kerk en Staat IV, 190v.; over de Sacramenten IV, 222, 228v.; over het H. Avondmaal IV, 319v., 330, 342v.; over den tusschentoestand IV, 380.
Camero, I, 122; III, 454.
Campbell, John M. Leod, Over het werk van Christus III, 330.
Canus, Over den laatsten grond v. h. geloof in de openb. I, 487.
Cappellus, I, 122, over den tusschentoestand IV, 380.
Cartesius, Over de aangeboren begrippen II, 30; over de creatio secunda II, 474; over het primaat v. d. wil in God II, 124; zijn Dualisme IV, 356.
Cassianus, Zie Semipelagianisme.
Celsus, Als bestrijder van het Christendom I, 53, 317v.
Chalcedon, Concilie van, over den persoon van Christus III, 241, 283.
Chemnitz, I, 99.
Chrismann, Over de inspiratie I, 313.
Cicero, Over de aangeboren begrippen II, 30; over Gods alwetendheid en ’s menschen vrijheid II, 161, 352.
Clemens Alexandrinus als dogmaticus I, 31, 60.
Coccejus, Zijn Theologie I, 41v., 121; III, 200v.; over de alomtegenwoordigheid Gods II, 134; over het beeld Gods II, 531.
Comrie, I, 126; over rechtvaardigmaking en geloof III, 453; over de vereeniging van Christus en de gemeente II, 339, 362; III, 260.
Crell, Over de alomtegenwoordigheid Gods II, 134.
Cremer, B. S. III, 453.
Cusanus, Over de kennisse Gods II, 9.
Cyprianus, Over de kerk van Rome in verhouding tot de andere IV, 88.
Cyrillus, Over de naturen van Christus III, 241, 283.
D.
Damascenus, Zijn Dogmatiek I, 32, 66.
Darby, J. Over de kerk IV, 22.
Darmesteter, J. Over de verhouding v. Parzisme en Judaisme II, 425.
Darwin, Over den oorspr. der religie I, 202; zijn evolutietheorie II, 492v.
Delitzsch, Franz, Over het tusschenlichaam na d. dood IV, 391.
Delitzsch, Friedrich, Over de ligging van het Paradijs II, 506.
Dionysius, Areopagita (Pseudo), Zijn geschriften I, 66; over de onbegrijpelijkheid Gods II, 7; over den oorsprong der wereld II, 389; over de hemelsche en kerkelijke hierarchie II, 432v.
Dippel, J. C. Over het werk van Christus III, 321.
Doedes, Zijn drieërlei Dogmatiek I, 11; zijn scheiding van gelooven en weten I, 451; zijn verdeeling v. d. eigenschappen Gods II, 89; over den Doop IV, 276.
Dorner, Over de onveranderlijkheid Gods II, 122v.; zijn christologie III, 252, 282.
Durand de St. Porciano, Zijn Nominalisme I, 84.
E.
Ebrard, Karakter zijner Dogmatiek I, 434.
Edwards, Jon. Sr. I. 137; over de erfzonde III, 127, 139; over de onmacht des menschen ten goede III, 150.
Edwards, Jon. Jr. I, 137.
Eerde, van Over het uitwendig verbond en de Sacramenten IV, 322.
Erasmus, Over de inspiratie I, 313.
Erastus, IV, 155.
Erigena, Joh. Scotus I, 79v.; over de onbegrijpelijkheid Gods II, 7, 400; over den oorsprong der wereld II, 389.
Ernesti, Over de ambten van Christus III, 326.
Erskine, Ralph en Ebenezer I, 128v.; III, 395.
Erskine, Thomas, Over het werk van Christus III, 330.
Eunomius, Over het wezen Gods II, 19, 86, 91, 141, 279.
Eutyches, Over de vereeniging van de naturen in Christus III, 283.
F.
Farrar, F. W. I, 134.
Feuerbach, I, 106; over de Godsidee II, 14.
Fichte, J. G. Over het Godsbegrip II, 13, 17, 82; over de zedelijke wereldorde II, 17, 59, 82; over de religio I, 191; over den persoon v. Christus III, 248.
Flacius, Over de erfzonde III, 125.
Frank, Zijn System der christlichen Gewissheit I, 434v., 439v.
Frohschammer, I, 95.
G.
Gomarus, Over de uitdrukking: unio sacramentalis IV, 235.
Gotti, Over het wezen Gods II, 81.
Gregorius, Magnus I, 77.
Gregorius v. Nyssa, Over de verhouding van wezen en eigenschappen Gods II, 86; over het onderscheid der eigenschappen Gods II, 92; zijn Realisme in de Trin. leer II, 271.
Grotius, Zijn voldoeningsleer III, 325, 358; over de verkiezing van kerkedienaren IV, 122.
Günther, I, 95; over de bewijsbaarheid der Trin. II, 306.
H.
Halesius, Alexander, Zijn methode in de Theol. I, 82v.; over het donum superadditum II, 518v.
Hamelius, Over de inspiratie I, 312.
Hamilton, William Over de kenbaarheid Gods II, 15.
Harnack, Zijn strijd met Zahn over de geschiedenis van den N. T. kanon I, 337; over de theologische dogmata I, 511, 513v.; over het Art. „ontvangen van den Heiligen Geest” III, 268v.
Hartmann, Ed. von, Over h. onbewuste II, 56v., 148, 156v.; over de heilsorde III, 459v.
Hase, I, 104.
Hatch, Edwin, Over de theolog. dogmata I, 135, 511v.
Hegel, Zijn wijsgeerig stelsel en invloed op de Theol. I, 106, 432, 436v.; over de religie I, 187v.; over de openbaring I, 266; zijn verdienste en fout I, 436v.; over de kenbaarheid Gods II, 14, 19; over de bewijzen voor Gods bestaan II, 52; zijn Godsbegrip II, 83, 267; over de geestel. natuur Gods II, 148; over den oorsprong der wereld II, 203, 391; III, 47; zijn dialectische methode en haar tripliciteit II, 300; over het Jodendom III, 202; over den persoon van Christus III, 249; symbolische opvatting van het werk van Christus III, 327; over de heilsorde III, 460, 468; over de Kerk IV, 20.
Helmholtz, Over de qualitatieve eigenschappen d. dingen I, 147v.
Herbert van Cherbury, I, 125.
Hermes, I, 94.
Herrmann, Over den grond van het geloof in den persoon van Christus I, 453v.
Hieronymus, I, 72; zijn beperking van Gods alwetendh. II, 160; III, 11.
Hilarius Pictaviensis I, 71.
Hodge, Ch. I, 138.
Hoekstra, Zijn aansluiting aan Kant I, 450.
Hofmann, Over de Dogmatiek I, 434.
Holden, Over de inspiratie I, 313.
Holtius, I, 126; III, 453.
Honert, J. van den, Over geloof en rechtvaardigmaking III, 454.
Hopkins, Sam. I, 137.
Huss, Joh. I, 87.
I.
Ignatius, Over het episcopaat IV, 84, 85.
Irenaeus, Zijn beteekenis voor de Theol. I, 57v.; over de Trin. II, 253v.; over de twee naturen in Christus III, 240; over het werk van Chr. III, 316; over de kerk van Rome in verhouding tot andere IV, 88; over den tusschentoestand IV, 376.
Isidorus, Hispalensis I, 33, 78.
J.
Jacobi, I, 104, 196; over de bewijzen voor Gods bestaan II, 52, 60.
Jansonius, Over het uitwendig verbond en de sacramenten IV, 322.
Joris, David, Zijn Triniteitsleer, II, 265.
Justinus, Martyr I, 56; over de Trin. en de Godheid van Christus II, 250v.; over de schepping uit niets II, 388; over het werk van Christus III, 315; over den tusschentoestand IV, 376.
K.
Kant, Zijn wijsgeerig stelsel en invloed op de Theologie der 19e eeuw I, 103v., 450v., 481; over de religie I, 12, 190v.; zijn postulaats-theorie I, 447v., 480v.; over de verschillende soorten van zekerheid I, 480v.; over de kenbaarheid Gods II, 12, 17; over de bewijzen voor Gods bestaan II, 51v.; over de Triniteit II, 267; over de intelligibele daad III, 70; over het radikale Böse III, 70, 153; over het Jodendom III, 202;
over den persoon van Christus III, 247v., 327; over de heilsorde III, 459; over de kerk IV, 20; over de onsterfelijkheid der ziel IV, 357.
Karg, (Parsimonius) Over de obed. activa III, 322, 350.
Karolingische theologen I, 79.
Keckermann, I, 41.
Kleman, Zijn orde des heils III, 454, 497.
Kleutgen, I, 97.
König, Over het karakter der profetische visioenen I, 255; over de werkzaamheid des Geestes in betrekking tot de openbaring I, 256.
Kuyper, A. Over de genade in den Doop IV, 269.
L.
Labadie, J. de, Over de Kerk IV, 21.
Leibniz, Over de wonderen I, 292; over de aangeboren begrippen II, 30v.; over deze wereld als de beste II, 213.
Leidenroth, Zijn afleiding van het woord religie I, 171.
Lessing, Over de Heilige Schrift I, 374, 382.
Lessius, Over de inspiratie I, 312.
Leydecker, Zijn indeeling der Dogm. I, 42.
Liguori, Alphonsus von I, 94.
Lipsius, Vergeleken met Ritschl I, 109; zijn theologisch standpunt I, 455v.; over de engelen II, 426.
Lombardus, Zijn Sententiae I, 33, 82.
Lugo, Over den grond van het geloof in de openbaring I, 488.
Luther, M. Zijn beteekenis voor de Theol. I, 98; over de rede in religieuse dingen I, 222; over de inspiratie I, 315; over de praedestinatie II, 327; over de verhouding van O. T. en N. T. III, 199; over de twee naturen in Christus III, 244; over boete en geloof III, 444v.; over de Kerk IV, 14v.; over de regeering der kerk IV, 108v.; over de ambten in de kerk IV, 119, 128v.; over de kenteekenen der kerk IV, 44; over de private biecht IV, 153v.; over natuur en genade I, 222v.; IV, 155v., 187; over de Sacramenten IV, 221; over den H. Doop IV, 264v.; over het H. Avondmaal IV, 318.
M.
Mansel, Henr. Longueville, Over de kenbaarheid Gods II, 15v.
Marcion, Over het O. T. I, 317; II, 200; III, 196, 339.
Mariana, Over de inspiratie I, 313.
Marshall, Zijn bestrijding van de alg. voldoening III, 396.
Maurice, Over het werk van Christus III, 331.
Melanchton, Zijn Loci Communes I, 2, 37, 98; zijn afwijking van Luther I, 98; II, 327; III, 446; over de kenteekenen der kerk IV, 44.
Menken, G. Over de heiligheid Gods II, 185.
Milligan, W. III, 419.
Milton, Zijn Arianisme II, 263.
Molina, Over de praedestinatie II, 326.
Mosheim, J. L. von I, 101.
Müller, Max, Over den oorsprong der religie I, 203.
Musculus, Over het Avondmaal voor kinderen IV, 350.
N.
Nestorius, Over de twee naturen van Christus I, 63; III, 281v.; over de aanbidding van Christus III, 298.
Nicea, Conc. van II, 256.
O.
Occam, Zijn Nominalisme I, 84; II, 212.
Oort, Over de doodenvereering onder Israel IV, 363v.
Opzoomer, I, 130.
Origenes, Zijn indeeling van de dogmat. stof I, 32; zijn theologie I, 60v.; over praescientia en praedestinatie II, 162; over de Trin. II, 255; over de schepping als een eeuwige daad Gods II, 409; over de oorspronkelijke gelijkheid aller schepselen II, 442, 549; III, 70; IV, 500; over de beschermengelen II, 447; over de wederherstelling aller dingen III, 390; IV, 500; over het louteringsvuur IV, 377, 500.
Os, van den, Over het geloof III, 454.
Osiander, Over het archetype van het beeld Gods in den mensch II, 535, 542; over het werk van Christus III, 320, 332.
Osterwald, I, 127.
Owen, I, 123.
P.
Pascal, Als verdediger van het Christendom I, 446.
Payon, Claude I, 123; III, 454, 497.
Pelagius, Over zonde en genade II, 319v., 349; III, 434v.; over den status integritatis en het beeld Gods II, 512; over de erfzonde III, 112.
Perrone, I, 97.
Peyrère, Isaac de la, Zijn Praeadamitisme II, 501.
Pfleiderer, I, 107,
Philaret, I, 68.
Philippi, I, 108.
Philippisten in Duitschland I, 98.
Philo, Over den naam Ihvh in verband met de onbegrijpelijkheid Gods II, 4, 80; zijn Logosleer II, 86, 233v.
Photius, I, 66.
Piscator, Over de obed. activa III, 322, 350v.
Placaeus, I, 122; III, 127.
Plato, Over de mogelijkheid v. h. leeren II, 29; over de ideeën II, 85v., 232; over oorsprong en wezen der zonde III, 42, 46, 70, 129; over de onsterfelijkheid der ziel IV, 355.
Plotinus, Over de onbegrijpelijkheid Gods II, 4; over het worden Gods II, 123, 204.
Pobedonoszew, IV, 22.
Poiret, Over het werk van Christus III, 321.
Porphyrius, Als bestrijder van het christendom I, 54, 318.
Procopowitsch I, 68.
R.
Ramus, Petrus III, 455.
Rathmann, H. Over Woord en Geest IV, 211.
Rauwenhoff, I, 186, 198, 461v.
Raymund de Sabunde I, 220.
Reinhard, I, 102.
Reland, Over de ligging van het Paradijs II, 505v.
Richer, Over de ambten in de kerk IV, 119.
Ritschl, Karakter zijner Theol. I, 15, 109v., 452v.; vergeleken met Lipsius, I, 109; over de openbaring I, 267; zijn Godsbegrip II, 84v., 88; over den persoon van Chr. II, 264; III, 252v., 266; over de erfzonde III, 43, 113, 115; over de aanbidding van Christus III, 299; over het werk van Christus en zijne ambten III, 329v., 335, 350v.; over Mark. 10:45 III, 363; over de vrucht van Christus werk III, 386v., 397, 398; IV, 518; vergeleken met Schleiermacher III, 387; over de heilsorde III, 462v.
Rothe, Over Dogmatiek en Ethiek I, 12; over de openbaring I, 265; over het onderscheid tusschen Jezus en de Apost. in hun verhouding tot de O. T. Schrift I, 340; zijn speculatieve methode I, 434; zijn Christologie III, 251v.
Rufinus, I, 71.
S.
Sabellius, II, 262.
Sanseverino, I, 97.
Schelling, Grondgedachte van zijn wijsbegeerte uit de 2e periode I, 107, 191; II, 203v., 393; in zijn 1e periode over de openbaring I, 266; zijn Godsbegrip II, 83, 267; zijn Trin. leer II, 304v.; zijn verklaring van den oorsprong aller dingen, II, 304v., 390v.; III, 47, 169v.; over de goede engelen II, 426; zijn polygenisme II, 502; over Christus, in zijn 1e periode III, 248; in zijn 2e periode III, 251; zijn symbolische opvatting van het werk van Christus III, 327; over de heilsorde III, 459.
Scherer, E. I, 131.
Schleiermacher, Over wezen en karakter v. een dogma I, 4; over de plaats der Dogm. in de Encycl. I, 9, 45; over het onderscheid van Dogm. en Eth. I, 12; zijn Theol. en invloed I, 104v., 433v.; III, 249v.; over de religie I, 180, 197; over de openbaring I, 265; over de inspiratie I, 319v.; over de H. Schrift I, 383; zijn subjectief uitgangspunt I, 437v.; over de kenbaarheid Gods II, 13; over het symbolisch karakter d. kennisse Gods II, 76; over de eigenschappen Gods II, 76, 92, 98v.; over de Trin. II, 267; over de praedestinatie II, 342; over de engelen II, 426, 429; over h. Jodendom III, 202; over Christus III, 249v., 328v., 354, 371; over de vrucht van Christus’ werk III, 386v.; vergeleken met Ritschl III, 387; over de heilsorde III, 461; over de kerk IV, 24, 38, 61; over de onderscheiding van Protestantisme en Romanisme IV, 61; over de Sacram. IV, 223v., 322; over den Doop IV, 268; over de onsterfelijkheid der ziel IV, 357.
Scholten, I, 432.
Schopenhauer, Over het egoisme der menschel. natuur III, 153; over de heilsorde III, 459. Zie voorts Pessimisme.
Schultens, J. J. Over rechtvaardigmaking en geloof III, 454.
Schultz, Over de heiligheid Gods II, 185.
Schwally, Over de doodenvereering in Israel IV, 363v.
Schweizer, Zijn vereenzelviging van Theologia natur. en foedus operum I, 47v.
Scotus (Duns, Joh) Zijn bestrijding van Thomas I, 83; over de kennisse Gods II, 9; over het wezen Gods II, 81, 89; over den wil Gods II, 210v.; zijn bestrijding van de noodzakelijk h. der voldoening II, 211; III, 317, 366v.; over de werking der sacramenten IV, 239.
Servet, Over de Triniteit II, 266.
Shedd, I, 138; III, 497; zijn Realisme in de leer d. erfzonde III, 131 en van Christus III, 371v.
Sherlock, Th. Zijn Tritheisme II, 264.
Smith, Henry I, 139.
Socrates, Over oorsprong en wezen der zonde III, 42.
Sohm, IV, 152v.
Spencer, Herbert, Zijn Agnosticisme II, 15v.
Spener, Zie Pietisme.
Spinoza, Zijn bestrijding van de openbaring I, 279; over de substantie II, 127, 134; over de attributen der subst. II, 91; over den oorsprong d. wereld II, 390; over de onsterfelijkh. d. ziel IV, 356.
Stade, Over het begrip חטא in het O. T. III, 75, 95; over de doodenvereering in Israel IV, 363v.
Stancarus, Over het werk van Christus III, 322, 332v.
Stead, W. T. I, 134.
Stearns, Lewis I, 139.
Stoa, Haar Logosleer II, 232; over den oorsprong der zonde III, 42.
Strausz, D. F. I, 106v., III, 249; over de engelen II, 426.
Suarez, Over den grond des geloofs in de openbaring I, 487v.
Swedenborg, Over de Triniteit II, 267; over de engelen II, 426; over het werk van Christus III, 321v.
T.
Tertullianus, Zijn beteekenis voor de Theol. I, 57v.; over de natuurl. Godskennis II, 33; over de lichamel. natuur Gods II, 146v.; over de Triniteit II, 254v., 276; over de twee naturen van Christus III, 240v.; over het werk van Christus III, 316; over de kerk v. Rome in verhouding tot andere IV, 88; over den kinderdoop IV, 279.
Theodoretus, Zijn indeeling van de dogmatische stof I, 32.
Thomas, Zijn Summa I, 34v.; over de virtutes en de religie I, 177v.; over het geloof v. d. articuli mixti I, 220v.; over de H. Schrift I, 309v.; over de kennisse Gods II, 8v.; over de voorzienigheid Gods II, 347v.; III, 6; over de voldoening III, 317v.; over de superabundantie der vold. III, 367; over de noodzakelijkheid der gratia interna III, 439.
Thuijnen, van, III, 453.
Til, Sal. van, Over de Theol. naturalis I, 43.
V.
Victorinus Rhetor I, 71.
Vincentius Lerinensis, Over de kenmerken der traditie I, 402.
Vinet, Alex. I, 131; als verdediger van het Christend. I, 447.
Vlak, III, 454.
Voetius, Zijn bestrijding van Cartesius’ leer der ideae innatae II, 38.
Vorstius, Over de eenvoudigh. Gods, II, 141; de onveranderlijkh. Gods II, 121; over de menschvormige natuur Gods II, 147.
Vrolikhert, III, 453.
W.
Wegscheider, I, 102; over de openbaring I, 280.
Weismann, Over de herediteit, III, 141.
Wernle, Paul, Over de heiligmaking III, 558.
Wette, de, Zijn dogmat. standpunt I, 104.
Whiston, W. Zijn Arianisme II, 263.
White, Edward (Als voorstander v. d. Condit. onsterfelijkheid) IV, 502.
Wiclif, I, 87.
Z.
Zinzendorf, Zie Herrnhuttisme.
Zwingli, Als Geref. dogmaticus I, 112; over de inspiratie I, 315; over de zaligheid van Heidenen I, 232; IV, 196, 522; over de praedestinatie II, 330; over de causae secundae III, 26; over de onzichtbare en zichtbare kerk IV, 17; zijn Dualisme IV, 155; over de uitoefening der kerkel. macht IV, 155; over de Sacramenten IV, 221v.; over het H. Avondmaal IV, 318v.
Register van Zaken.
A.
Aanbidding van Christus, III, 298v.
Aanbod der genade, Strijd daarover in Schotland III, 395; algemeenheid III, 399, 488v.
Aangeboren begrippen, I, 159; II, 29v.
Aanneming tot kinderen, III, 551v.
Aanschouwing Gods, II, 150v.; IV, 519.
Aarde als middelpunt der Schepping, II, 466.
Ἄβυσσος, IV, 374.
Acceptilatie in de voldoening van Christus, III, 367v.
Actus purissimus, van God gebezigd. II, 123.
Adam en Christus, vergeleken naar hun natuur en persoon II, 545v.; III, 65v., 258. Als verbondshoofden II, 563v.; III, 134v., 226v., 351, 361, 373, 547.
אֲדֹנָי, II, 105.
Adoptianisme, II, 244.
Afscheiding van de kerk. Oordeel van de Geref. daarover. IV, 48, cf. 52.
Ἀγαπαι, in de eerste Chr. kerk IV, 216, 311.
Ἀγεννησια, als person. eigenschap van den Vader II, 279v.
Agnosticisme, II, 15v.
Αιων οὑτος en μέλλων in het N. T., IV, 482.
Αἰωνες, als naam der wereld II, 420v.
Αἰωνιος, in het N. T. IV, 498, 503v.
Almacht Gods II, 222v.
Alomtegenwoordigheid Gods II, 132v.
Ambt der geloovigen IV, 117v.
Ambten van Christus III, 313v., 334v., 353v.
Ambten in de kerk. Ontstaan IV, 73v.; karakter IV, 119v.; aantal IV, 126v.; verhouding tot de gaven IV, 63.
Amerika, Gesch. v. d. Dogmatiek in I, 135v.
Anabaptisme, over natuur en genade, I, 222; IV, 20, 162, 186; over de H. Schrift, I, 381v.; III, 198; IV, 209v.; over de Trin. II, 265; over het beeld Gods II, 512; over de menschel. natuur van Christus III, 275v.; over de kerk IV, 20; over de kerkelijke macht en tucht IV, 155, 162; over de Sacramenten IV, 223; over den kinderdoop IV, 282v., 289.
Analogia fidei bij de uitlegging der H. Schrift I, 398v.
Analytische indeeling der Dogmatiek. Zie Dogmatiek.
Andover position, in Amerika IV, 500.
Anglikaansche kerk IV, 87.
Anthropologisch bewijs voor de onsterfelijkheid der ziel IV, 361v.
Anthropomorphieten in de Chr. kerk, II, 147.
Anthropomorphisme in de openbaring Gods I, 228v., 268v., 358; II, 65v., 536.
Antichrist IV, 464.
Anti-geologische theorie tot verzoening van Schrift en natuurwetenschap, II, 474v.
Antinomianisme over de satisfactio vicaria III, 365; over de heilsorde III, 451v., 467v., 525, 527, 553; IV, 209; over de wet IV, 203v.
Antinomianisme in Engeland I, 118; III, 453.
Ἀποκαλύπτειν en φανερουν I, 244v.
Apologetiek I, 429v.; waarde daarvan bij Rome I, 424v.
Apostolaat I, 334v.; IV, 64v., 69v., 99v.; in ruimeren zin IV, 66v.
Apostoliciteit der kerk IV, 57v.
Ἀρχή, in de Philos. I, 140; in de H. Schrift en Theol. I, 141.
Arianisme II, 260v., 262v., 309, 401, 404.
Aristotelisch-ptolemeische wereldbeschouwing II, 464.
Armenie-hypothese over de ligging van het Paradijs II, 505v.
Arminianisme in Engeland I, 117v.; in Nederland I, 120.
Atheisme II, 25v.
Atomen in het Materialisme II, 394v.
Aufklärung in Duitschland I, 102.
Augustinianen in de Roomsche kerk, I, 93; over de praedestinatie II, 326; over de genade III, 441, 497.
Autoritas historica et normativa der H. Schrift. Zie Gezag der H. S.
Avesta, over den val der menschen, III, 40.
Avondmaal, IV, 299v.; viering in de 1e Chr. kerk IV, 216, 311; opvatting bij Rome IV, 249, 315v.; instelling IV, 302v., 340v.; als offer opgevat IV, 312v.; bedienaren IV, 324v.; plaats van bediening IV, 327v., 348; wijze v. bediening IV, 328v., 348; in private woningen IV, 327, 350; voor kinderen IV, 348, 350v.; en Doop IV, 344, 350v.
B.
Baptisme in Engeland, I, 123v.
ברא I, 396; IV, 512.
Barmhartigheid Gods II, 180v.; in de hel II, 362, 365; IV, 510.
Bath-Kol bij de Joden I, 252.
Bedeeling des O. V., Eigenaardigheid III, 176, 213v., 229; IV, 443v.
Bediening des Woords, IV, 165v.; bij Rome IV, 138v., 163.
Beeld Gods als naam v. d. 2{en} persoon II, 244v., 511; niet de engelen, maar de mensch, II, 442v., 542, 568; leer v. b. II, 508v.; III, 82v.; grens van het, II, 557; III, 64v.; in hoeverre verloren door de zonde III, 82v., 165v.
Beeldenstrijd in de 8e en 9e eeuw I, 66.
Begrafenis van Christus III, 377.
Begraven, Het, in Israel IV, 364; in ’t algemeen, IV, 485.
Begrippen, Hun verhouding tot de werkelijkheid, I, 166v.
Bekeering, III, 480v.; eisch van IV, 206v.
Belijdenis, Als onvolledige uitdrukking van het geloof der kerk, I, 5v.; verhouding tot de Schrift, I, 25; IV, 168; tot de Dogmatiek, I, 27; geen kenbron der Dogmatiek, I, 26v.
ברית, III, 192v.
Beschermengelen, II, 447v.
Besnijdenis in het O. T., IV, 252v.; overgang in den Doop, IV, 284v.
Besnijdenis van Christus, III, 375.
Besprenging in den Doop, IV, 272v.
Bestaan Gods als onderstelling der religie, I, 209v.
Bewijzen voor Gods bestaan, II, 48v.
Bezetenen onder het N. T., III, 184v.
Biecht, Zie Boete.
Bijgeloof, I, 247; III, 180v.
Bisschoppelijk ambt, bij Rome enz. IV, 9v., 96v., 126v.; ontstaan, IV, 82v.; kritiek, IV, 96v.; verh. tot andere ambten, IV, 127v.; tot den Paus, IV, 147v., 150v.; bij somm. Geref., IV, 99, 130.
Bloed van Christus, III, 377.
Boek des levens, II, 314v., 318.
Βουλή, van den wil Gods gebruikt, II, 315.
Boete in de 1e Chr. kerk, III, 434; bij Luther, III, 444v., 480; bij de Geref., III, 480; als sacrament in de Roomsche kerk, IV, 139v., 163v., 170, 249.
Boom der kennis des goeds en des kwaads, II, 559; III, 35v.
Boom des levens, II, 559.
Borgtocht van Christus, III, 204v.
Bovennatuurlijk, Opvatting in de Theol., I, 222, 273v.
Breedkerkelijke partij in Engeland, I, 133v.
Buddhisme, III, 41, 426; IV, 2.
C.
Calvinisme, II, 371v.
Calvinistische Theologie in Frankrijk, I, 113, 122v., 127, 131; in Nederland, I, 114, 116, 125v., 129v.; in Engeland en Schotland, I, 114v., 117v., 123v., 128, 132v.; in Duitschland, I, 115, 130; in Amerika, I, 135v.
Canonisatie in de Roomsche kerk, IV, 400.
Cartesianisme in de Theol. I, 120v.
Catechese, bij de Reform. IV, 352.
Causa sui, op God toegepast, II, 122, 123, 124.
Causae secundae, III, 22, 25v.
Cesareopapisme, IV, 189; in het Oosten, IV, 142.
Chaldeeuwsche Genesis, II, 388.
Character indelebilis bij Rome, IV, 241v.
Charismata in de gemeente IV, 29, 117; verhouding tot de ambten, IV, 63.
Cherubim, II, 430v.
Chiliasme, IV, 436v.
Chochma bij Israel, II, 169.
Christendom, in betrekking tot het Heidendom, I, 240, 247v.; III, 228v.; en natuurwetenschap, II, 422v., 465; III, 23v.; volgens Rome, II, 528v.
Christus, Is hij causa electionis? II, 380; III, 356; als object van praedestinatie en electie II, 382v.; in zijn relatie tot de engelen II, 444v.; III, 405v.; zijn zondeloosheid, III, 145, 295v., 366; zijn persoon, III, 228v.; zijn Godheid, III, 239, 264v.; zijn ontvangenis van den H. Geest, III, 268v, 272v.; als Davidide, III, 274; als openbaring Gods, III, 342; zijn menschheid, III, 275v., 287v., 291v.; zijn getuigenis over het O. T., I, 333; III, 295; zijn werk, III 302v.; zijn verhouding tot de Wet, IV, 201v.; heeft Hij ook iets voor zichzelven verdiend? III, 312v., 411v.; in de nieuwere Theol. en Philos., III, 247v., 276, 328.
Chronologie der Schrift, II, 470v., 488.
Clerus bij Rome, IV, 86, 95v., 126v.; indeeling, IV, 127v.
Coadamitisme, II, 501.
Coccejanisme, I, 121. Zie voorts Coccejus.
Communicatio apotelesmatum, III, 290.
Communicatio charismatum, III, 290.
Communicatio idioimatum, III, 290: bij Rome en de Lutherschen, III, 243v., 290v.
Communisme, II, 561.
Concilie van Constanz, I, 87.
Concilie van Trente, I, 88; over de verhouding van bisschopp. en pauselijk ambt, IV, 147.
Concordistische theorie tot verzoening van Schrift en natuurwetenschap, II, 473v., 479.
Concupiscentia, III, 86v., 125; bij Augustinus, III, 86, 120; bij Rome, III, 86, 122; IV, 277.
Concursus, III, 8, 16, 20v., 25v.; verschillende opvatting in de Roomsche Theol., III, 11v.
Confucianisme, III, 41.
Congruisten in de Roomsche kerk, I, 93; III, 441, 497v.
Constantinopel als mededingster van Rome, I, 70; IV, 90v.
Creatianisme, II, 565v.; met het oog op de voortplanting der erfzonde, II, 567; III, 144.
Creatio prima et secunda, II, 459.
Cultus Dei en religie bij de Geref., I, 179, 182.
Cultuur en religie, I, 201.
D.
Dag des Heeren in de profetie, I, 261v.; IV, 427, 481; in de Joodsche Theol. en het N. T., IV, 481v.
Δαιμων, als naam Gods, II, 103.
Darwinisme, II, 492v., 513v.; als polygenisme, II, 502, 506v.; beteekenis voor de handhaving van de eenheid van het menschelijk geslacht, II, 503.
David als theocratisch koning, III, 230.
Decretum horribile, van Calvijn, II, 371.
Deisme, Alg. karakter, I, 17; II, 308; III, 13v.; over de religie I, 194; over de eeuwigh. Gods, II, 128; over de alomtegenwoordigh. Gods, II, 134, 137v.; over de voorzienigh. Gods, III, 11v.; over de causae secundae, III, 26; over den oorsprong der zonde, III, 43v.
Deisme in Engeland, I, 124v.; betreffende het histor. karakter der openb., I, 297; over de genoegzaamh. der alg. openb., I, 232.
Determinisme, in zijn onderscheiding van de praedestinatie, II, 341v.; III, 9v.
Deugden Gods, II, 78v.; als hypostasen opgevat, II, 85v.; in verh. tot het wezen Gods, II, 86v.; subjectieve opvatting, II, 91v.; indeelingen, II, 95v.
Deugden der Heidenen en ongeloovigen, I, 238v.; III, 149, 152, 210v.
Διαθηκή in LXX en N. T. III, 195.
Diakonaat, IV, 78v., 165, 177v.; bij Rome, IV, 128.
Διακονία, in het N. T. IV, 80.
Dicta duriora bij Augustinus en de Geref., II, 372v.; III, 57v.
Δικαιοσυνή θεοῦ bij Paulus, III, 533v.
Diocese bij Rome, IV, 85.
Doctorenambt, IV, 130.
Dogma, I, 3v.; ontstaan v. h., I, 514v.; volg. Harnack en Hatch, I, 511v.
Dogmatiek, Naam I, 1v.; formeel begrip, I, 6; materieel begrip, I, 6v.; II, 1; plaats in de Encyclopedie, I, 9v.; methode, I, 14v.; indeeling, I, 31v.; geschiedenis, I, 51v.; kerkelijk karakter, I, 14, 23; persoonl. karakter, I, 28v.; kritische richting in de I, 16v.
Dogmatische terminologie, I, 528; II, 268; IV, 225.
Δόξα, II, 191.
Donatisme, over de lapsi IV, 139.
Donum superadditum bij Rome; in de engelenwereld, II, 441; bij de menschen, II, 517v., 555.
Dood als straf der zonde, III, 176v.; IV, 367, 372, 383, 505; voor de geloovigen, IV, 411v.
Dood van Christus. Zie Kruis, werk van Christus.
Doodenvereering in de versch. godsdiensten, IV, 392; in Israel, IV, 363v.
Doodenvragen in de H. S., IV, 395v.
Doop, IV, 252v.; in verband tot de wedergeboorte, IV, 197v., 266, 290v.; tot het Avondmaal, IV, 344v., 350; van Joh. den Dooper, IV, 254v., 447; bedienaren, IV, 293v.; plaats v. bediening, IV, 295v.; tijd van bediening, IV, 296v.; wettigh., IV, 299; objecten, IV, 299; bij Rome, III, 442; IV, 248, 262v., 270, 275, 277.
Doop van Christus, III, 375.
Doopgetuigen, IV, 297v.
Δουλεια en λατρεια, II, 452v.; IV, 393v., 400v.
Drie. Getal in natuur en Schrift, II, 298v., 311.
Drieëenheid, II, 227v.; in verband met de eenvoudigheid Gods, II, 144v.; met de leer v. d. mensch, II, 539; als onderstelling van de vleeschwording, III, 254v.; belang voor de heilsorde, III, 469v.
Droomen als openbaringsmiddel, I, 253v.
Dualisme op metaphys. gebied in betr. tot den persoon van Christus, III, 278v.; van gelooven en weten in de N. Theol., I, 463v., 482, 512; II, 456.
Duidelijkheid der Schrift. Zie Schrift.
Duivelen, III, 90v.; aard hunner zonde, III, 92v.; macht over de wereld, III, 199v.
Duizendjarig rijk. Zie Chiliasme.
E.
Ebionitisme over Christus, III, 240; over Zijn werk, III, 320; over de toekomst, IV, 375.
אֵל, II, 104.
ברית, II, 104, 228.
אֵל שַׁדַּי, II, 106.
Eenheid der kerk, IV, 7v., 31, 53v.
Eenvoudigheid Gods, II, 88, 94, 140v.
Eeuwigheid Gods, II, 128v., 412.
Eeuwigh. en tijd, II, 128v., 410v., 412v.
Eigennamen Gods, II, 102v.
Eigenschappen Gods. Zie Deugden Gods.
Eigenschappen der Schrift. Zie Schrift.
Ἐκκλησία. Beteekenis en gebruik, IV, 4, 6, 25, 448.
Εκλογή, II, 316.
Emanatie-leer, II, 400v., 414.
Empirisme, I, 151v.
Engel des Heeren. Zie Malak Ihvh.
Engelen, II, 425v.; als bemiddelaars der openbaring, I, 249; II, 428, 445, 454; gedacht als bewoners der planeten, II, 426v.; getal, II, 431, 433; bestaan, II, 425v.; namen, II, 429v.; rangorde onder de, II, 432v.; hun schepping, II, 434v.; geestelijke natuur, II, 435v.; verschijningen, II, 437; redelijke natuur, II, 438v.; zedel. natuur, II, 440v.; vergeleken met de menschen, II, 442v., 567v.; dienst en werkzaamheid, II, 445v.; voorbede, II, 448v.; IV, 394, 398; vereering, II, 451v.; heeft Christus iets voor hen verdiend? II, 444v.; III, 405v.; zijn zij leden der kerk, II, 445; IV, 30v.; beteekenis v. h. geloof aan de II, 428, 451v.
Episcopaat. Zie Bisschoppelijk ambt.
Episcopale stelsel van kerkregeering, IV, 82v., 96v.
Επισκοποι en πρεσβυτεροι, IV, 74v., 97v.
Erfelijkheid volgens de nieuwere wetenschap, III, 140 v.
Erfzonde, III, 108v.; bij Rome, II, 525,; III, 116, 121v.
Ervaring als bewijs voor de waarheid der religie, I, 458v.
Esseners. Hun Eschatologie, IV, 371.
Essentia, als aanduiding v. h. wezen Gods, II, 270; Dei, bij de kerkvaders, II, 79, 87, 117.
Ethicisme, I, 191v.
Ethiek, Verb. tot de Dogmatiek, I, 12v.
Evangelie en Wet, IV, 201v.; bij het eindgericht, IV, 492v.
Evangelieprediking aan de overzijde van het graf, IV, 382, 402v., 499.
Evangelisten in het N. T., IV, 67v.
Evolutie theorie, I, 236v., 345; II, 491v., 513v.; over het bederf des menschen, III, 153v.
Examinatie, IV, 123v.
Expromissio en fidejussio, III, 204.
Extase bij het profetisch visioen, I, 255, 256.
F.
Fatum. Zie Noodlot.
Fidejussio en expromissio, III, 204.
Fides implicita bij Rome, I, 518v.
Filioque. Strijd over het, tusschen het O. en het W., II, 291v.
Foederalisme in de leer der erfzonde, III, 131v.
Formula Concordiae, I, 99; over de praedest. en wilsvrijheid, II, 328v.; III, 446.
Fundamenteele Artikelen bij do Prot. I, 520v.
Future probation theorie in Engeland, IV, 500.
G.
Gabriel, II, 431.
Gallikanisme, I, 403.
חַטָּאת, III, 74v., 95.
Gaven, geestelijke. Zie Charismata.
Geest, Heilige II, 246v., 285v.; als principe der openb. I, 256v.; II, 230v.; als principe d. schepping, II, 228v., 405; zijn uitgang, II, 246v., 287v.; zijn persoonlijkh. en Godh., II, 247, 285v.; bij den mensch in den staat der rechtheid, II, 540v.; zonde tegen den, III, 101v.; werkzaamheid in betr. tot de menschel. natuur van Christus, III, 268v., 272v., 416v., 430, 471v.; in betrekking tot de uitverkorenen, III, 430v., 469v., 556v.; IV, 342; uitstorting op den Pinksterdag, III, 217, 430v.; IV, 5; zijn werking ten opz. van het Woord, IV, 209v.; als uitdeeler v. d. gaven in de kerk, IV, 29.
Geest des menschen, II, 537; en ziel, II, 537v.
Geestenverschijningen, IV, 395, 396v.
Geestelijke natuur Gods, II, 145v.
Geestelijke wereld, II, 424v.; beteekenis v. h. geloof daaraan voor de religie, II, 428, 454v.
Geestelijk leven in verh. tot natuurlijk en zedelijk leven, IV, 188.
Gehenna, IV, 374, 495.
Gehoorzaamh. van Christus. Dadelijke, Zie obedientia activa. Lijdelijke, zie obedientia passiva.
Geloof in alg. zin, I, 469v.; III, 514; in relig. zin, I, 174, 181v., 472v.; III, 450, 514v.; als princ. internum v. d. rel. openb. Theol. I, 468v.; opvatting in de eerste Chr. kerk, I, 475v.; bij Rome, I, 476, 523; III, 442, 521v.; in de Reform. I, 477v., 523; III, 522; en Theologie I, 509v.; bij Christus, III, 294v., 515; eisch van IV, 206v.; in verh. tot de rechtv. making, III, 452v., 535v.; beteek. voor de Sacramenten IV, 241v., 344.
Geloofsstandpunt, onmisbaar voor den dogmaticus, I, 467v., 524.
Gelooven en weten, I, 463v., 483v.
Gelooven op gezag, I, 374v., 376v.
Gemeenschap der heiligen, IV, 28v., 520v.; der strijdende en triomf. kerk, IV, 417v., 520.
Gemeente en kerk, IV, 25v.; haar beteekenis en invloed in de regeering der kerk, IV, 73, 79, 122v., 180v.
Gemeente godsdienstoefeningen in den apost. tijd en verv. IV, 215v., 311.
Genade Gods, II, 181; hare openbaring terstond na den val, III, 155, 187v., 207v.; geen tegenstelling van de gerechtigheid Gods, II, 200v.; III, 339v., 346v., 381v.
Genade, III, 474v.; karakter bij Rome, II, 524, 528; III, 443v., 475v.; bij de Geref. III, 476v., 508v; IV, 187v.; alg. zie gratia communis; voorber., zie gratia praeparans.
Generatie v. d. Zoon, II, 282v.; in verband tot de schepping, II, 282, 310v., 401; III, 257.
Geologie over de ontwikkelingsgeschiedenis der aarde, II, 469v., 482v.; III, 208; verschil met de openb. II, 470v.; waarde v. d. II, 477.
Geologische perioden, Bezwaren daartegen, II, 482v.
Gerechtigheid Gods, II, 194v; III, 157, 340, 533. Vgl. ook genade Gods.
Gerechtigheid bij menschen, II, 197v.; III, 427.
Gereformeerden, verschil van de Lutherschen, I, 111; II, 328, 418; schakeeringen onder hen, I, 115; II, 331v.; over de Heid. religies, I, 239; over de inspiratie, I, 315v.; over de onbegrijpelijkh. Gods II, 10v.; over de nat. Godskennis, II, 37v.; hun omschrijving Gods, II, 81v.; over de praedestinatie, II, 330v., 358v., 373; over het beeld Gods, II, 531, 535; over den staat der rechtheid, II, 557v.; over de erfzonde III, 126v.; hun verbondsleer, III, 199v.; hun Christologie, III, 246, 291v., 294, 300v.; over de particul. voldoening, III, 394v.; over het koningschap van Christus, III, 424; over de heilsorde, III, 447v., 463v.; verschillen met het oog op de heilsorde, III, 452v.; over de kerk, IV, 16v.; over de kenteekenen der kerk, IV, 44; over de onderscheidene ambten in de kerk, IV, 130v.; over de macht der kerk, IV, 153v., 164v.; hun verwerping van de biecht, IV, 154, 170; over de genademiddelen, IV, 196v., 199; over de wet, IV, 208; over de verhouding van Woord en Geest, IV, 210v.; over de Sacramenten, IV, 226v., 236v.; over den Doop, IV, 265v., 275v.; over den Kinderdoop, IV, 281v., 297, 298; over het Avondmaal, IV, 321, 331v., 341v.; over den tusschentoestand, IV, 380; over de vroegsterv. kinderen, IV, 523.
Gereform. Dogmatiek. Geschiedenis I, 111v, vgl. Dogmatiek.
Gevoel als kenbron der Dogmatiek, I, 16v.; als zetel der religie, I, 195v.
Gevoelsrichting in Duitschland in de 18e eeuw, I, 104.
Geweten, III, 164.
Gezag in gezin en maatschappij, I, 376; in wetenschap en kunst, I, 377; in religie en Theol. I, 378v.
Gezag der Heilige Schrift. Zie Schrift.
Giesseusche en Tubinger theologen over de exinanitio Christi III, 245.
עֶלְיוֹן, II, 105.
Gnesio lutheranen in de 16e eeuw, I, 98v.
Gnosimachi, I, 509.
Gnosticisme, I, 54v.; over de Schrift, I, 380; over de onbegrijpelijkh. Gods, II, 4; over het Oude Test., III, 196v.; over de schepping, II, 401; over Christus, III, 240, 275; over het werk van Christus, III, 320; over de kerk, IV, 9; over de Eschatologie, IV, 375v.
God, als de Wordende in de panth. philos., II, 122, 124v.; als de Zijnde, II, 115v.; als Geest, II, 140v.; als Licht, II, 155v.; als de Heilige, II, 176v.; als Souverein, II, 202v.; afleiding v. d. naam, II, 103; als nomen personale v. d. eersten persoon, II, 240v.; toegepast op den Zoon, II, 245v.; III, 239, 264v., 266v.
Godheid van Christus. Zie Christus.
Godsbegrip, Geschied. v. h. II, 78v.
Godsdienstwetenschap, nieuwere I, 183v.; methode, I, 185v., 208v.; over den oorsprong der religie, I, 204v., 236v.; over oorspr. karakter v. h. Heidendom, I, 236v.
Goede, Het II, 177.
Goede werken, III, 564v., 571v.
Goedertierenheid Gods, II, 180.
Goedheid Gods, II, 176; in abs. zin als volmaaktheid, II, 178; voor anderen, II, 179v.; als motief der wereldschepping, II, 415v.
Goedheid des menschen, II, 539v.
Gottschalksche strijd, II, 322v.
Graden in de zonde, III, 89v.; in de helsche straffen, IV, 421v., 510; in de toek. zaligheid, IV, 421v., 526v.
Gratia communis bij de Geref. I, 239; III, 2O7v.; IV, 188, 384.
Gratia praeparans, III, 493v.
Gratia praeveniens bij Rome, II, 326; III, 439, 440v.
Grieksche kerk. Haar karakter en Theol. I, 68v.; II, 292v., 319, 539; III, 116, 242; over de nederdaling ter helle, III, 378; over de kerkelijke macht, IV. 153, 164.
Gronden des geloofs. Moeilijkheid v. h. onderzoek daarnaar, I, 418v.; volg. de histor. apolog. bewijsvoering, I, 420, 423v.; volg. de speculatieve bewijsvoering, I, 420, 431v.; volg. de ethisch psycholog. bewijsvoering I, 420, 444v.; in de Christ. kerk en Theol. I, 484v.
Groninger Theologie, I, 129; haar Godsbegrip, II, 84; over Christus’ werk, III, 330, 354.
Grootheid Gods, II, 194.
H.
Haat Gods, II, 196.
הָדָר, II, 191.
Hades in het N. T., IV, 372v. Vgl. verder Scheol.
Haeresie. Zie ketterij.
Handoplegging, III, 306; IV, 124v.
Hart des menschen, II, 538v.
Hattemisten, III, 452.
Hebreën, III, 452.
Heerlijkheid Gods, II, 191v.
Heidendom, Oorspr. en kar. volg. de Schrift, I, 234v.; III, 425; volg. de nieuwere godsdienstwetenschap, I, 236v.; elementen van waarheid in het, I, 238v., 247v., III, 228v.; vergeleken met de rel. v. Israel, I, 247v., III, 211v.; met het Christendom, I, 240, 247v.
Heidenen. Mogelijkheid hunner zaligheid, I, 232; IV, 522v.
Heilig, als attribuut van personen en zaken, II, 186; III, 557.
Heiligen, als daad Gods, II, 186v.
Heiligheid Gods, II, 184v.
Heiligheid der kerk, IV, 54v.
Heiligmaking, III, 553v.; IV, 411; in betrekking tot de rechtvaardigmaking, III, 431v., 540, 553v.; volkomene, bij den dood, IV, 411v.
Heiligverklaring in de Roomsche kerk. Zie Canonisatie.
Heilsorde, III, 425v.
Hellenistisch Grieksch in het N. T., I, 348, II, 236.
Helsche straffen, IV, 496v. Vergel. Gehenna.
Hemel in de H. Schrift, II, 434v.
Hemelvaart van Christus, III, 410v.
Herediteit. Zie Erfelijkheid.
Herrnhutisme, I, 101; II, 266v.; III, 300, 321, 457v.; IV, 21.
Hexaemeron. Zie Scheppingsdagen.
Historische boeken des O. T., I, 327.
Historisch-kritisch onderzoek der H. Schrift in verb. met de inspiratie, I, 318v., 340v., 360.
הוֹד, II, 191.
Hoog-kerkelijke partij in Engeland, I, 133.
Huisgemeenten, IV, 6, 73, 116.
Huwelijk als Sacr. bij Rome, IV, 250.
I.
Ideäe innatae. Zie Aangeboren begrippen.
Ideale theorie tot verzoening van Schrift en natuurwetensch., II, 471v., 476.
Idealisme. Zie Rationalisme.
Ideën in ’t alg., II, 171v.; in God, II, 170v.
IJver Gods, II, 197.
Ἱλασμος en καταλλαγη, III, 313, 381v., 524.
Immanentie Gods. Physische en ethische, II, 138v.
Independentisme, I, 123; IV, 21v., 115, 116, 183.
Indifferentisme, (religieus) I, 174, 184v.
Infralapsarisme. Zie Supra- en Infralapsarisme.
Inspiratie, I, 306v.; in ruimeren zin, I, 251; subsequens, I, 313; als negatieve assistentie des H. Geestes, I, 313; alleen v. h. religieus-ethische bij Rome, I, 313; onder de Protest, I, 318v., 349, 351v.; realis bij Rome, I, 314; dynamische, I, 319v., 351 v.; organisch op te vatten, I, 346v.; bezwaren tegen de, I, 353v.
Irvingisme, IV, 23.
Islam over praedest. en wilsvrijheid, II, 318; over de verlossing, III, 425v.; over den Mahdi, IV, 426.
Israel, godsd. v. vergeleken met andere. I, 247v.; III, 211v.; Kerk en Staat in, IV, 3, 132v.; toekomst v. volgens het O. T., IV, 426v.; volgens het N. T., IV, 446v.; vgl. ook Bedeeling des O. Verbonds.
J.
יָהּ, II, 110.
יהוה, II, 107v., 116.
Jahvisme en volksgodsdienst in Israel, IV, 364.
Jakobus en Paulus over de rechtvaardigmaking, III, 546v.
Jezuïten, Hun invloed op de schol. beoefening der Theol., I, 91, 97; Hun leer v. d. inspiratie, I, 312v.; v. d. scientia media, II, 162v.
Jezus, Beteekenis v. d. naam, III, 332. Vgl. verder Christus.
Johannes de Dooper, IV, 254v.
Joodsche Theologie over inspiratie en traditie, I, 306v.; over de versch. hypostasen en sefiroth Gods, II, 86, 127, 147, 234; over den oorsprong der zonde, III, 41, 45, 112; over den tusschentoestand, IV, 370v.; over de toekomst van Israel, IV, 436v.
Judaisme, III, 196.
Judas, Zijn tegenwoordigheid bij het Avondmaal, IV, 347.
Justitia originalis, II, 526v., 532, 540.
K.
כָּבוֹד יה, II, 191.
Kant, Laplace’sche hypothese, II, 467v.
Καταλλαγή en ἱλασμος, III, 313, 381v., 524v.
Katholiciteit der kerk, IV, 8v., 55v.
Kennisse Gods als inhoud der Dogm. I, 6v.; II, 1v., 77v.; haar grondslag: openbaring II, 22v., 24v., 40, 41, 45; niet adaequaat, II, 5, 25, 73, 75v.; niet symbolisch, II, 76v.; ingeschapene, II, 24v.; verkregene, II, 44v.
Κενωσις, Leer v. d., in de nieuwere Theologie, II, 122v., III, 252, 283v.
Kerk, Haar wezen, I, 422; IV, 1v.; zichtbare en onzichtbare, IV, 15v. 33v., 37v.; als instituut, IV, 34v., 60v., 197v.; kenteekenen, IV, 38v.; gedeeldheid, IV, 41v., 49v.; eigenschappen, IV, 53v.; ware en valsche, IV, 47v., 52; regeering, IV, 59v.; macht, IV, 132v.; belijdend karakter, IV, 168v.; in haar verhouding tot de Schrift, I, 24, 304, 363v., 366v., 380, 383, 385, 424v.; IV, 39, 43v., 195; als grond v. h. geloof aan de Schrift, bij Rome, I, 424, vgl. 431; IV, 39v.; hare roeping in betr. tot de uitlegging der Schrift, I, 399; IV, 167v.; in hare verhouding tot de Theol., I, 517, 525; tot den Staat, zie Staat; tot het Godsrijk, IV, 27; tot de wereld, IV, 186v.
Kerkenorde, Beteekenis, IV, 110.
Kerkeraad, IV, 127, 179v.
Kerkvaders, Over de Heilige Schrift, I, 308v.
Kerkverband, IV, 115.
Kerspelvorming, IV, 116v.
Ketterdoop, IV, 299.
Ketterij, IV, 52.
Kinderdoop, IV, 265, 278v.
Kinderen, jongstervende. Hun toekomstig lot. Zie zaligheid.
Knecht des Heeren bij Jesaja, III, 231v., 308v.
קדשׁ, II, 185.
Koningschap Gods, III, 2v., 28v.
Koningschap onder Israel, III, 230.
Koninkl. ambt van Christus, III, 335v., 421v.; IV, 111v.; als Materialprinzip v. d. Geref. kerkregeering, IV, 113v.
Koninkrijk Gods in de profetieën, IV, 435v.; in de Joodsche Theol. IV, 436v.; bij Jezus, III, 233v., 429; IV, 447v., 514; en kerk, IV, 27.
Kopernikaansche wereldbeschouwing, II, 465.
Kosmogonieën der Heidenen, II, 387v., 457.
Kosmologisch bewijs voor het bestaan van God, II, 54v.
Kritiek, nieuwere, Over de bondsidee, III, 191v.; over het O. Test. in ’t alg., III, 202v.
Kruisdood van Christus, III, 376v.
Kunst en religie, I, 199v.
Κυριος, als naam Gods, II, 103, 113.
L.
Lankmoedigheid Gods, II, 181.
Lastering tegen d. H. Geest, III, 101v.
Λατρεια en δουλεια, II, 452v.; IV, 393v., 400v.
Leeraarsambt, IV, 76v., 166v.
Leger des heils, IV, 22.
Leven in de H. Schrift, IV, 356, 367v., 383, 384v., 505.
Levens van Jezus. Oordeel daarover, III, 374v.
Levensduur, langere, der menschen vóór den zondvloed, III, 208.
Lezen der Schrift, door de leeken bij Rome, I, 394, 396.
Libertinisme, III, 55.
Lichaam des menschen, II, 541v.; vereeniging met de ziel, II, 541v.
Lichamelijkheid der gestorven zielen, IV, 381, 389v.
Licht, van God gebruikt, II, 155, 192v.; natuur van het II, 460v.
Liefde Gods, II, 183v.; en de voldoening van Christus, III, 357, 381v.
Liefde in de gemeente, IV, 30, 169.
Lijden, het, in betr. tot de regeering Gods, III, 32v., als straf der zonde, III, 159v., 167v.
Lijkenverbranding, IV, 485.
Limbus infantum bij Rome, IV, 378, 421.
Limbus patrum bij Rome, IV, 378, 421; bij anderen, IV, 382.
Loci, Beteekenis dezer uitdrukking in de Roomsche Theol., I. 2.
Loci Communes, Beteekenis bij Cicero, I, 1; als naam d. Dogmatiek, I, 2.
Logos, als benaming van Christus in de Schrift, I, 339; II, 234v., 241v., 283, 407v.; bij de Stoa, II, 232; bij Philo, II, 233v.; bij de Apolog., II, 405; opgevat als de wereldidee, II, 405v.
Loon in de H. Schrift, II, 553v.; III, 563v.; IV, 526v.
Lot als openbaringsvorm, I, 252.
Luthersche Dogmatiek, Geschiedenis, I, 98v.
Lutherschen, Verschil van de Geref., I, 110v.; II, 328v., 418, 556v., 567v.; III, 446v.; verwantschap met de Remonstranten, II, 329v.; over de duo hemisphaeria, I, 223; II, 35v., 534v.; III, 152; IV, 156, 187; over de cognitio Dei insita, II, 36v.; over de deugden Gods (indeeling), II, 98; over de praedestin., II, 328v.; over het beeld Gods, II, 529v., 530v., 534v., 556v., 565, 567v.; over de erfzonde, II, 567, 569; III, 125v.; over de verhouding van O. en N. Test., III, 199; over de twee naturen in Christus, III, 244v., 290, 294, 350, 412v.; over de aanbidding van Christus, III, 300; over de nederdaling ter helle, III, 379; over de verhooging van Christus, III, 412v.; over de heilsorde III, 446v.; over de kerk, IV, 23; over de regeering der kerk, IV. 108v., 128v., 156, 164; over het episcopaat, IV, 99; over de genademiddelen, IV, 196; over de wet, IV, 207v., vgl. II, 556; III, 350; over Woord en Geest, IV, 210v.; over de Sacram. IV, 228, 232, 235v., 242, 243; over den Doop, IV, 264v., 271, 281; over het Avondm., IV, 318, 331v., 341v.; over den tusschentoestand, IV, 379v.; over de wederkomst van Christus, IV, 480.
Λύτρον, van Christus gebruikt, III, 363.
M.
Magie, I, 246.
Mahdi, volgens het Mohammedanisme, IV, 426.
Majesteit Gods, II, 194.
Mal’ak Ihvh, I, 250; II, 229v.
Manicheisme, II, 388; III, 54.
Mantiek, I, 246.
Maria, III, 261v.; Haar onbevlekte ontvangenis, volg. Rome III, 145v. 262v.; haar voortdurende virginiteit, III, 271.
Marrow Controversy in Schotland, I, 128; III, 395v.
Materialisme, I, 285; II, 391, 392v., 394v., 419v.; over het zedelijke leven, II, 59.
Mensch De, Vergeleken met de engelen, II, 442v., 567v.; met de dieren, II, 490, 557v.; zijn oorsprong, II, 490v.; ouderdom, II, 498v.; eenheid, physisch en ethisch, II, 500v., 563v., 568v.; III, 129v.; oorspronk. woonplaats, II, 504v., 543; wezen, II, 508v.; heerschappij over de aarde, II, 543v.; zijn verhouding tot de natuur, volgens de christelijke wereldbeschouwing, II, 422v.; III, 24v.; zijn bestemming, II, 545v.; verlossingsvatbaarheid, III, 188.
Menschwording van den Zoon, III, 253v.; als centrum der openbaring, I, 268, 269; III, 257v.; buiten de zonde, II, 406; III, 258v.; voorbereiding daartoe, III, 210v, 211v., 256v.; in haar verband tot de religie, III, 285v.; was ze een vernedering? III, 291, 375.
Meritum ex congruo bij Rome, II, 324, 356; III, 442.
Messiasverwachting in de profetieën, III 230v., 308v.; IV, 427v.; in de apocr. litteratuur, III, 232v.; bij de Joden in Jezus’ dagen, III, 232v.
Metaphysisch bewijs voor de onsterfelijkheid der ziel, IV, 360v.
Methodisme, I, 132; III, 458, 466v., 481v., IV, 21v.
Michael, II, 431.
Middelaarschap van Christus, III, 332v.; van eeuwigheid, III, 206, 334. Vgl. verder verbond der genade, werk van Christus.
Middelen der genade, IV, 193v.
Mis in de Roomsche kerk, IV, 249, 317, 337v.; voor gestorvenen, IV, 317, 349.
Modernen in Nederl., I, 129v.; ethische, I, 192, 451; hun Godsbegrip, II, 84; III, 13; hun positie tusschen creatie en evolutie, II, 514v.; over het werk van Christus, III, 328; over de heilsorde, III, 460.
Molinisten, I, 93; over de praedestinatie, II, 326, 327; over den concursus, III, 11; over de genade, III, 441v.
Monarchianisme, I, 61.
Monisme, I, 285v.
Monophysitisme in het Oosten, I, 64, III, 242.
Montanisme, I, 381; III, 320; over de kerk, IV, 9; over de lapsi, IV, 139.
Morale indépendante, I, 192, II, 59.
Moreel bewijs voor het bestaan Gods, II, 58v.; voor de onsterfelijkh. der ziel, IV, 361v.
Moreele theorie over het werk van Christus, III, 329, 358v., 364.
Motazelieten, II, 318.
Motiva credibilitatis in de Roomsche Theol. I, 36, 424v., 485v.
Μυστηριον, I, 530v.; IV, 217.
Mysterien volg. Rome, I, 221; IV, 217.
Mysticisme, I, 380v.; II, 34, 39, 539; III, 320v., 450v.; IV, 193, 195v.
Mystiek in de Middeleeuwen, I, 85v.; vgl. Mysticisme.
Mystische theorie over het werk van Christus, III, 320v., 328, 358v., 364.
N.
Naam Gods in de H. Schrift, II, 62v.
Naturalisme, I, 227; over de bijzondere openb., I, 279v.; over het beeld Gods, II, 513v.
Naturen, Twee, van Christus, III, 240v., 279v.
Natuur, De, en hare orde volgens de theistische wereldbeschouwing, I, 259, 273, 286v., 290v.; II, 420v.; III, 10, 21v.; invloed van den val des menschen op de, II, 548v., 558, 560v.; III, 173v.; als kenbron der Theologie, Zie Theol. naturalis.
Natuur en genade, I, 240v., 278v.; II, 534v.; III, 471, 476v.; IV, 155v., 186v.; bij Rome, I, 276v.; II, 524; III, 475v.; IV, 162, 186, 248; bij de Luth. II, 534v.; in het Anabapt. I, 222; IV, 162, 186, 289.
Natuurwetenschap en Christendom, I, 289v.; II, 422v., 465; III, 23v.
Natuurwetten, I, 287v.; III, 21v.
Navolging van Christus. Opvatting daarvan in de chr. kerk, III, 349, 434.
Nederdaling ter helle, III, 377v.; bij de Lutherschen, III, 379, 413.
Ned. Geloofsbelijd., Art. 15, IV, 277.
Neokantianisme, I, 109; II, 15, 84. Vgl. verder Ritschl.
Neolutheraansche opvatting v. d. werking der Sacr., IV, 224; van den Doop, IV, 268; v. h. Avondmaal, IV, 322v., 334v., 346.
Neonomianisme in Engeland, I, 118; III, 454, 455; in ’t alg. in betr. tot de heilsorde, III, 454v.
Neo-Scholastiek na Trente, I, 88v.; in de 19e eeuw, I, 97.
Nestorianisme, III, 281v.
New-England Theology in Amerika, I, 137, 138; III, 127, 326, 396.
Nieuw-Jeruzalem, IV, 515.
Nieuw-Testament, Gezag, I, 333v.; over het Oude Test., I, 329v. Vgl. verder Bedeeling des O. V. en Oude Testament.
Nominalisme in de Middeleeuwen, I, 83v., 166; over de kennisse Gods, II, 9; over Gods wil en macht, II, 210v., 224v.
Nomisme, III, 553; IV, 203v., 209.
Nooddoop, IV, 294v.
Noodlot, III, 9v.
Noodzakelijkheid der Schrift. Zie Schrift.
Novatianisme over de lapsi, IV, 139.
O.
Obedientia activa van Christus, III, 349v.; vgl. met de obed. passiva, III, 361v.
Obedientia passiva van Christus, III, 353v.; vgl. met de obed. activa, III, 361v.
Oecumenische conciliën, IV, 92, 182.
Offerande, Oorsprong en wezen, III, 303v.; bij Israel, III, 305v., 362v.;
van Christus, III, 311v., 364; IV, 338.
Offermaaltijden, IV, 300v.
Oliesel, heilig, bij Rome, IV, 249.
Onafhankelijkheid Gods, II, 116v.
Onbegrijpelijkheid Gods, II, 1v.
Onderdompel. bij den Doop, IV, 272v.
Oneindig. Opvatting in de N. Phil., II, 17, 20, 127, 144.
Oneindigheid Gods, II, 126v.
Onfeilbaarheid van de kerk en den Paus bij Rome, I, 364, 387, 403v. 406; IV, 58v., 94v., 144v.; van de kerk in goeden zin, IV, 59.
Onmacht des menschen ten goede, III, 147v., 477v.
Onschuld der kinderen, III, 114.
Onsterfelijkh. van den eersten mensch, II, 542v.; van de ziel, IV, 353v., 384; conditioneele, bij de kerkvaders, IV, 356, 501; in den nieuweren tijd, IV, 501v.
Onthouding van de kelk in het Avondmaal bij Rome, IV, 336.
Ontologisch bewijs voor het bestaan van God, II, 53v.; voor de onsterfelijkheid der ziel, IV, 359v.
Ontologisme, I, 96; II, 31, 35.
Ontvangenis van den Heiligen Geest. Zie Christus.
Onveranderlijkheid Gods, II, 119v.; III, 382; in verband tot de schepping, II, 409v.
Onzienlijkheid Gods, II, 150v.
Oordeel, Laatste, IV, 490v.
Oostersche kerk en Theologie in onderscheiding van de Westersche, I, 69; II, 289v.; III, 242; IV, 90, 142; invloed op het Westen, I, 71v.; III, 242v.
Openbare Belijdenis, IV, 352.
Openbaring. Begrip, I, 217v.; verh. tot de religie, I, 175v., 210v., 215v., 226; II, 428; altijd supranatureel, I, 218, 225; II, 428; in zekeren zin ook natuurlijk, I, 290v.; onderscheiding in de, I, 219v.; volgens de Schrift, I, 224v.; altijd middellijk, I, 228; Algemeene I, 229v.; Bijzondere I, 244v.; middelen, I, 245v.; begrip, I, 263v.; bovennat. kar. I, 273v.; bestrijding door het Naturalisme, I, 279v.; historisch karakter, I, 268, 297v., 371v.; menschelijk kar., I, 228v., 268v., 348v., 358; II, 65v.; verhouding tot de Schrift, I, 299v.; tot de natuur, I, 278, 289v.; geschied. der, I, 270, 302v., 421.
Opleiding van dienaren des Woords, IV, 167.
Opstanding van Christus, III, 409v.
Opstanding der dooden, IV, 482v.
Opzieners. Zie ouderlingenambt.
Ordinatie tot het ambt, IV, 124v.; bij Rome, IV, 125, 138, 139, 249v.
Orthodoxe Theol. in Duitschl. in de 19e eeuw, I, 108.
Oude Testament. Gezag bij Israel, I, 306v., 328; bij Jezus en de Apostelen, I, 307, 329v.; citaten in het N. Test., I, 329, 331v.; gesch. van het, in de Chr. kerk, in zijn verhouding tot het N. T., III, 196v.; IV, 203; verhouding tot het N. T., I, 332; III, 206v., 216v.; IV, 202, 443v., 513v.
Ouderlingenambt. Instelling, IV, 74v.; taak, IV, 75v., 169v.; verkiezing door de gemeente, IV, 79; bij Rome, IV, 127v.; bij de Luth. IV, 129; bij de Geref, IV, 129v.
Ουσία, Gebruik van dit woord in de Theol., II, 269, 271.
Overheid als regeerder der kerk volgens de Lutherschen enz., IV, 108v., 111, 160v., 189.
Oxforder beweging in Engeland, I, 133.
P.
Pactum salutis, III, 203v., 256; verh. tot het Genadeverbond, III, 221v.
Palaeontologie, II, 485v.; III, 174.
Pantheisme. Alg. karakter, I, 17, 149, 285; II, 121v., 227, 308, 392v.; III, 278v.; over de religie en openb., I, 194, 216; over de onveranderlijkh. Gods, II, 121v.; over de eeuwigh. Gods, II, 129; zijn Godsbegrip, II, 20v., 82v., 91, 127, 144; over het bewustzijn
Gods, II, 156v.; over de geestel. natuur Gods, II, 146, 148; over den oorspr. der dingen, II, 388v., 392v., 409, 411v., 414v., 419v.; in betrekking tot het Voorzienigheidsgeloof, III, 9; tot de causae secundae, III, 25v.; Dualisme in het, III, 278.
Papale stelsel, I, 403v.; IV, 87v., 144v, 189v.
Paradijs, II, 504v.; IV, 373.
Parochie bij Rome, IV, 115.
Paroesie. Zie wederk. van Christus.
Parzisme, Verh. tot het Judaisme, II, 425; over oorsprong der zonde, III, 41, 54; over de toek., IV, 426.
Pascha. IV, 299v.
Pasi-tigris hypothese over de ligging van het Paradijs, II, 505.
Paulus als Apostel, I, 335v.; IV, 65v.
Paus. Zijn primaat, I, 403v.; IV, 87v.; zijn macht, I, 407; IV, 143v.; Vgl. verder onfeilbaarheid, Papale stelsel.
Pelagianisme, II, 319v., 349v., 371, 377v., 512, 513v., 539; III, 43v., 63v., 112, 136, 464v., 496, 505v.; over de genoegzaamh. der algem. openb., I, 232; over den wil Gods, II, 220; over de volgorde der besluiten, II, 333v.
Peremtoir examen, IV, 123, 124.
Permissio, II, 334, 336v., 363v.; III, 31, 55v.
Persoon in de Triniteitsleer, II, 273v.
Persoonlijk karakter der Dogmatiek. Zie Dogmatiek.
Persoonlijkh. Gods, II, 17, 21v.; in verband tot de geestelijke natuur Gods, II, 150.
Pessimisme, III, 47, 55, 169v.; IV, 425.
Petrus als Apostel, IV, 71v.; zijn primaat volg. Rome, IV, 93v., 100v.; zijn verblijf in Rome; IV, 103.
Phariseën. Hun eschatol. denkbeelden, IV, 371.
Phraseologia sacramentalis, IV, 238v.
Pietisme in Duitschl., I, 100v.; III, 456v.; in de Geref. kerk, III, 455v.; beoordeeling, III, 466v., 481v.; over de kerk, IV, 21.
Pilatus, Pontius als rechter v. Jezus, III, 376.
Plaatselijke kerken in hare verh. tot de algem. kerk, IV, 7, 32, 114v.; hun gelijkheid, IV, 115.
Plaatsvervanging op zedelijk gebied, III, 134v., 369v.
Planeten. Zijn zij bewoond? II, 426v.
Poetische boeken des O. T., I, 327v.
Polygenisme, II, 501, 502.
Potentia absoluta Dei, volg. het Nominalisme, II, 212, 224; volg. de Geref., II, 226, 373.
Potestas docendi der kerk, IV, 165v.; bij Rome, IV, 138v., 163.
Potestas gubernationis, IV, 164v., 169v.
Potestas juris-dictionis bij Rome, IV, 139v.
Potestas misericordiae, IV, 165, 177v.
Potestas ordinis bij Rome, IV, 139.
Praeadamitisme, II, 501, 502.
Praedestinatie, II, 316v.; plaats in de Dogmatiek, II, 332v.; complete en incomplete sumpta bij Rome, II, 325.
Praedestinatio gemina, II, 323, 335, 358, 365, 369, 372.
Praedestinatus, Het boek, II, 322, 324.
Praeexistentianisme, II, 564v.; III, 70v., 129.
Praeparatoir examen, IV, 124.
Praescientia Dei, II, 161v.; in verband met ’s menschen vrijheid, II, 161v., 351v.
Πρεσβυτεροι en ἐπισκοποι in het N. T., IV, 74v., 97v.
Presbyterale kerkregeering, IV, 129v.
Priesterschap, III, 302; van Christus, Zie werk van Christus.
Princeton College en Theology in Amerika, I, 138.
Principium. Beteek. dezer uitdr. in de Philos., I, 141; in de Theol. I, 141; essendi der Theol., I, 141v.; cognoscendi der Theol., I, 142v.; externum en internum, I, 143v.; in de wetenschap, I, 145v.; in de religie, I, 171v.; externum der Dogm., I, 24v., 215v.; internum, I, 416v.
Προγνῶσις, II, 316, 351.
Proefgebod in het Paradijs, II, 555, 558v.
Profeten des O. T., Hun zelfbewusth. I, 323v.; hun schrijven, I, 324v.; hun verh. tot de Thora, I, 325; hun geschiedbeschrijving, I, 327, vgl. Profetie.
Profeten in het N. T., IV, 68.
Profetie, I, 251v., 323v.
Profetiën des O. T. over Israels toek. en herstel, IV, 426v., 441v.
Profetisch ambt van Christus, I, 257v.; III, 310v., 388; in de verhooging, III, 418.
Προορισμος, II, 316.
Προσωπον, als aanduiding van de 3 personen, II, 273v.
Προθεσις, II, 316.
Q.
Quakerisme, I, 124; III, 321, 401, 403; IV, 21v.; over de Sacr., IV, 223, 267.
R.
Raad des vredes. Zie Pactum Salutis.
Raad Gods, II, 313v.
Ratio ratiocinans et ratiocinata. Beteek. dezer onderscheiding, II, 75, 93.
Rationalisme in de kenleer, I, 145v.
Rationalisme der 18e eeuw, I, 101, 427v.; III, 451; verschillende vormen, I, 279v.; over de openb. I, 280v.; over de kenbaarh. Gods, II, 11v.; over de heilsorde III, 451; over de kerk, IV, 20; over de Sacram., IV, 223; over het Avondm., IV, 322.
Realisme in de Erkenntnistheorie, I, 157v.; in de verklaring d. erfzonde, II, 569; III, 129v.; in de beschouwing van het lijden van Chr., III, 371v.
Reatus culpae et poenae bij Rome, III, 162.
Reatus potentialis et actualis bij de Geref. III, 162, 549.
Recht en religie, II, 84v.; III, 345v.
Rechtsorde, II, 201; III, 157v., 346v.
Rechtvaardigmaking, III, 529v.; IV, 410; in haar verhouding tot het geloof, III, 452v., 481v., 522v., 535v., 544v.
Rede, Haar natuur, I, 169; taak in de Theol., I, 525v.
Reformatie, De, over natuurl. en bovennat. openb., I, 221v.; over het geloof, I, 477; over de verhoud. van geloof en Theol., I, 520v.; over de mysteriën des geloofs, I, 531; over het werk van Christus, III, 319v.; over de kerk, IV, 14v., 33v.; haar oordeel over de Roomsche kerk, IV, 47; over de genademidd., IV, 194v.; over Wet en Evang, IV, 205v.; over de Sacram. IV, 220v., 271; over den tusschentoestand, IV, 379v.
Reformatie der kerk, IV, 118v.
Regeering Gods, III, 28v.
Regeering der kerk. Zie kerk.
Religie, Principia, I, 171v.; wezen, I, 171v.; II, 552v.; objectieve, I, 172v., 175v.; subjectieve, I, 172v., 177v.; zetel, I, 183v.; IV, 1; intellectualist. opvatting, I, 186v.; moralistische opvatting, I, 190v.; aesthetische opvatting, I, 195v.; en wetenschap, I, 189, 210, 376; en zedelijkheid, I, 193v., 462; III, 553; en kunst, I, 199v., 210; oorsprong, I, 202v.; in hare verhouding tot de openb., I, 175, 210. vgl. openbaring; tot het verbond, II, 551v.; tot de vleeschwording, III, 285; tot het recht, II, 84; III, 346v.; sociaal element in de IV, 1v.
Remonstrantisme, over de inspiratie, I, 318; over de kenbaarh. Gods, II, 11; over de eenvoudigh. Gods, II, 142; over de praedest., II, 340v.; over de voorzienigh., III, 12; over het O. V., III, 199; over de aanbidding van Christus, III, 298; over het werk van Chr., III, 325, 401; hun acceptilatie-theorie, III, 367; over de heilsorde, III, 451; over de kerk, IV, 20; over de kerk. macht, IV, 155; over de synoden, IV, 183; over de genademidd., IV, 193; over de confessie, IV, 167v.; over de sacr., IV, 223, 267.
Restitutie-theorie tot verzoening van Schrift en natuurwetenschap, II, 473, 478.
Reveil. Karakter, I, 131.
Rijk der zonde, III, 96, 167, 184.
Ritualisme in de Eng. kerk, IV, 23.
Roeping, III, 485v.; object, III, 399, 488; in verband tot de wedergeb., III, 480, 483v., 500v.; niet universeel, II, 354; III, 488.
Roeping tot het ambt, IV, 121v.
Romantiek, I, 196, 431.
Rome. Grondgedachte, I, 221, 276, 277, 426v.; II, 517v., 526; III, 243, 443v.; IV, 162, 186, 248; over het principium der Dogm., I, 17v.; over de inspiratie, I, 312v.; over de verh. van Schrift en kerk, Zie kerk; over de noodzakelijkh. der Schrift, I, 380v.; over de duidelijkh. der Schrift, I, 392v.; over de motiva credibilitatis, I, 36v., 424v., 485v.; over het geloof, I, 476v.; III, 442, 521v.; over den grond des geloofs, I, 485v.; IV, 40; over de fides implicita, I, 518v.; over de verhouding van geloof en Theol., I, 517v.; over de mysteriën I, 531; over de visio Dei per essentiam, I, 152v., 518; over de praedestinatie, zonde en genade, II, 323v.; III, 394, 439v., 442v., 475v.; IV, 410; over de kenbron v. d. leer der schepping, II, 387; over λατρεια en δοίλεια, II, 452v.; IV, 393v., 400v.; over het beeld Gods en het donum superadditum, II, 518v., 555, 570; over de erfzonde, II, 525; III, 116v.; over de concupiscentia, III, 86, 122; over de onderscheiding van peccata venialia en mortalia, III, 98v.; over de onbevlekte ontvangenis van Maria, III, 145v., 262 v.; over reatus culpae et poenae III, 162; zijn bescherming van het bijgeloof, III, 181v.; over het onderscheid van O. en N. Test., III, 198; over de twee naturen van Chr., III, 243v., 291, 414; over de aanbidding van Chr., III, 243v., 299v.; over het werk van Chr., III, 318v., 333v.; over de obed. activa, III, 349; over de nederdaling ter helle, III, 378v.; over de heilsorde, zie praedest., zonde en genade; over de kerk, IV, 11v., 32v., 35; over de kenteekenen der kerk, IV, 12v., 38v.; over de eigenschappen der kerk, IV, 53v.; over het „extra ecclesiam nulla salus”, IV, 42v.; over de macht der kerk, IV, 138v., 162v.; over de genademidd., IV, 193v.; over Wet en Evangelie, IV, 204v.; over het getal der sacr., IV, 218v.; over de sacr. in ’t alg., IV, 218v., 226, 232, 236v., 239v., 247v.; over den Doop, IV, 248, 262v., 270, 275, 277, 281; over het Avondmaal, IV, 315v., 331v.; over het vagevuur, IV, 378v.; over de aanroeping en vereering der heiligen, IV, 392v., 398v.; over den toekomstigen staat der kinderen, IV, 523.
Roomsche Theologie, na Trente. I, 88v.
Ruimte, Begrip v. d. II, 135v.
Russische kerk, I, 68v.; IV, 22, 142. Zie voorts Grieksche kerk.
Ruste Gods op den 7{en} dag, II, 462; III, 1.
S.
Sabbatsgebod in den staat der rechtheid, II, 559.
Sabellianisme, II, 262, 264v., 310.
Sacramentaliën bij Rome, IV, 247.
Sacramenten, IV, 215v.; verhoud. tot het Woord, IV, 166, 199v., 220, 232v.; getal der, IV, 217v., 246v.
Sadduceën, IV, 371.
Σαρξ bij Paulus, III, 49v., 66v.
Satan, Leer v. d. in de Schrift, III, 90v.; als verleider van den mensch, III, 38v.; zijn macht, III, 182v.; Christus en, III, 421v.
Saumursche Theologie, I, 122v.; II, 341; III, 127, 454; in Engeland, III, 395.
Savoy Declaration, I, 123.
Schaamte, III, 164; gemis van, bij den eersten mensch, II, 515.
Sche’ol in de H. S., IV, 365v., 385v.
Schepping, II, 386v.; als grondslag der openbaring, I, 225; in verband tot de Triniteit, II, 228, 282, 310v., 401, 402v.; uit niets, II, 397v.; in hare verh. tot den Zoon, II, 405v.; IV, 475; tot den tijd, II, 408v.; tot de voorzienigheid, III, 16v.; einddoel, II, 4l5v.; haar infralapsarisch karakter, II, 546; III, 175, 258; als onderstelling der vleeschwording, III, 256v.
Scheppingsdagen. Volgorde, II, 460v.; volg. de ideale theorie, II, 464, 471v.; duur van de, II, 473v., 478v.
Scheppingsverhaal, II, 457, 490.
Schisma, IV, 52.
Scholastiek in alg. zin, I, 80; in de Geref. Theol., I, 115v.; fout der I, 161.
Scholastiek, Middel-Eeuwsche, I, 80v.; invloed op de verdeeling der dogmat. stof, I, 36; over de mensch. kennis, I, 165v.; over de onderscheiding van Theol. natur. en supranat., I, 220v.; over de onbegrijpelijkh. Gods, II, 8; over de aangeboren begrippen, II, 35; over de praedestinatie, II, 323v.; over de uitgestrektheid der voldoening van Chr., III, 392v.; over de genade, III, 438v.
Schrift Het, in algem. zin, I, 296.
Schrift Heilige, als principium der Theol., I. 25v., 241; beteekenis der I, 305v.; geen wetboek, I, 20, 372v., 527; kerk en, I, 24, 304, 363, 366v., 380, 383, 385, 424; IV, 195v.; in hare verhouding tot de openbaring, I, 299v., 344; haar tijdelijk karakter, I, 143v., 300, 389v., 422; hare beteekenis voor de wetenschappen, I, 359v.; II, 465, 476; eigenschappen der I, 363v.; gezag, I, 366v.; noodzakelijkheid, I, 380v.; duidelijkh., I, 392v.; genoegzaamh. I, 400v.; strijd tegen de I, 354v.
Schriften Heilige, in de godsdiensten, I, 295.
Schuld der zonde, III, 161v.; in verb. tot de smet, III, 137v., 164v.
Schuldbewustzijn, geen maatstaf der zonde, III, 95, 163; in verband tot de object, schuld, III, 163v.
Scientia media, II, 162v., 326.
Semipelagianisme, II, 320; III, 43v., 115v., 391v., 435v.
Serafim. II, 431.
Simplicitas Dei. Zie eenvoudigh. Gods.
Slang in het Paradijs, III, 37v.
Sleutelmacht, IV, 135v.; bij Rome, IV, 138v.; bij Lutherschen en Geref. IV, 152v.
Smet der zonde, III, 164v.; in verb. tot de schuld, III, 137v., 164v.
Socialisme, II, 561.
Socinianisme, I, 120; over de nat. Godskennis, I, 222; over de inspiratie, I, 318; over de kenbaarheid Gods, II, 11, 82; over de eenvoudigh. Gods, II, 141, 147; over Gods alwetendh. in verband met ’s menschen vrijheid, II, 161v., 352; over de Triniteit, II, 263v.; over de praedestinatie, II, 340, 352; over de schepping, II, 390; over het beeld Gods, II, 512, 543; over de voorzienigheid, III, 11v.; over het O. T., III, 198v.; over de menschwording, III, 254; over de Godheid van Christus, III, 266, 412, 414, 424; over de aanbidding van Chr., III, 298; over de satisfactio vicaria, III, 322v., 345v.; over het priesterambt van Christus, III, 323, 418v.; over de heilsorde, III, 451; over de kerk, IV, 20; over de genademiddelen, IV, 193, 223; over den Doop, IV, 267; over den tusschentoestand, IV, 381; over de toek. vernietiging der goddeloozen, IV, 501.
Solidariteit onder menschen, III, 132v.
Soorten, onveranderlijkheid der, bij de organische wezens, II, 495.
Spiratie des H. Geestes. Zie H. Geest.
Spiritisme, II, 427; IV, 395v., 397v.
Spiritualisme, over de toek. zaligheid, IV, 513v.
Spraakverwarring van Babel. Beteekenis, I, 235; II, 502v.
Staat en kerk, IV, 111, 161v., 189v.; onder Israel, IV, 3, 132v.; in de oudheid, IV, 132; bij Rome, IV, 141v., 148v.; in het Oosten, IV, 142; in de Ref., IV, 152v.; bij de Geref., IV, 156v.
Staten van Christus, III, 374v.; staat van vernedering, III, 374v.; van verhooging, III, 408v., 430.
Status integritatis bij de Heid., II, 508; volg. het Naturalisme, II, 512v., 548; volg. de supranatur. opv., II, 517v., 548; juiste opv., II, 529v., 546, 556v.; III, 64, 173.
Status gloriae, II, 522v.; IV, 518v.
Stellige straffen der zonde, III, 159v.
Sterfdag van Jezus, IV, 302, 303.
Stoffelijke wereld, II, 456v.
Straf, wezen der, III, 156v.; der zonde, III, 155v.
Straffen, helsche. Zie Helsche straffen.
Straffen, wereldlijke, in de Roomsche kerk, IV, 141v., 164.
Subjectief uitgangspunt der christel. Theol., I, 467, 494.
Subordinatianisme in de Trin. leer, II, 255, 263.
Sufisme, II, 389.
Supra- en infralapsarisme, II, 333v., 358v.
Supranaturalisme der 18e eeuw in Duitschland, I, 102, 428; in Nederland, I, 126, 129, 428.
Supranaturalistische opvatting van het beeld Gods. Zie Beeld Gods.
Symboliek, I, 10; verh. tot de Dogmat. I, 27.
Symbolisch karakter der Chr. Theol. volg. de nieuwere opvatting, II, 77.
Symbolische handelingen der profeten, I, 261.
Synagogen onder Israel, IV, 3v., 134.
Synode van Dordr. in betr. tot het vraagstuk van supra- en infralapsarisme, II, 339.
Synode van Orange, I, 76; II, 322; III, 438.
Synoden, IV, 180v.; in de Roomsche kerk, IV, 92, 181.
Synthetische indeeling der Dogmatiek. Zie Dogmatiek.
T.
Taal, Beteekenis v. d., I, 296.
Teekenen, IV, 229.
Teleologisch bewijs voor het bestaan van God. II, 56v., 157v.
Teleologische- en mechanische wereldbeschouwing, II, 56v.
Testament. Gebruik van dit woord in de Stat. vert., III, 195.
Testimonium Spiritus Sancti, I, 421v., 490v.
Tetradisme, II, 265.
Theisme, I, 218, 227, 286v.; III, 16v.
Theistische wijsgeeren. Hun Godsbegr., II, 21, 83.
Theologia archetypa en ectypa, I, 142, 144.
Theologia Biblica, I, 15, 19v., 108.
Theologia naturalis, volgens de zuivere Geref. opv., I, 25v., 221v.; II, 46v.; 50v.; in lateren tijd, I, 43, 222v., 427v.; II, 46, 51.
Theologie, als wetenschap, I, 509v.; haar principium cogn. internum, I, 516v.; en kerk, I, 517, 525; en geloof, I, 509v., 517v.; en Philosophie, Zie Wijsbegeerte.
Theophanie, I, 248v.
Theopneustie, als element der openb., I, 301, 302, 344; als eigenschap der Schrift, I, 302, 305, 354.
Θεός, als naam van God, II, 103.
Theosophie. Alg. karakter, I, 107; over de lichamelijkh. Gods, II, 147v., 192v.; haar speculatie over de Trin. leer, II, 304v.; III, 47.
Thomisten, over de praedest., II, 326; over de genade, I, 92; III, 441, 497; over de werking der sacr., IV, 239.
Thora, I, 325v.
Tijd, Begrip v. d., II, 129v., 411; in verb. tot de schepping, II, 408v.
Toepassing der zaligh. in hare relatie tot de verwerving, III, 399v., 430v., 449, 469v.; bij de Antinomianen, III, 451v., 467v.
Toeval, III, 14.
Toleranten in Nederland, I, 125.
Toorn Gods, II, 196.
Tractarianisme in Engeland, IV, 268.
Traditie, volg. Rome, I, 400v.; bij de Joden, I, 306v.; volg. de Reform. I, 413v.
Traditionalisme, I, 95v., 296v.
Traducianisme, II, 565v.
Transsubstantiatie, IV, 313, 315v., 331v.
Trichotomisme, II, 537.
Tridentinum, over de praedest., II, 325.
Trinitarische formule bij den Doop, IV, 274v.
Tritheisme in de Chr. kerk, II, 264v.
Tubinger school, Roomsche over de inspiratie, I, 313v.
Tucht, Kerkelijke, IV, 171v.; in de 1e Chr. kerk, IV, 139v.; bij Rome, IV, 140; bij de Luth., IV, 154v.; bij Calvijn en de Geref., IV, 155v.
צֶדֶק, II, 194v.
U.
Uitgang des Heiligen Geestes. Zie Heilige Geest.
Unio mystica, III, 448, 555v.; IV, 342.
Unitarisme in Engeland, I, 135.
Universalisme, in de leer der voldoening, III, 390v., 489v.; hypothetisch, IV, 499, 500v., 521v.
Ὑποστασις, Gebruik van dit woord in de Theol., II, 269, 273.
Urim en Thummim, I, 252.
V.
Vader naam van God, II, 113v., 239v., 279v.; III, 29.
Vagevuur bij Rome, IV, 377v., 407v.; buiten Rome, IV, 380v., 408.
Val der engelen, III, 39v., 66, 72; tijd van dien, III, 69, 71.
Val des menschen, III, 37v., 72v.; tijd van dien, III, 68v., 71; invloed op de natuur, II, 558v.; III, 173, 407. Vgl. voorts zonde.
Vaticaansch Concilie, over den Paus, IV, 94v.
Verbeelding. Haar invloed op het ontstaan der zonde, III, 65.
Verbond, in de H. S., III, 191v.; als vorm der religie, II, 551v.; leer v. h. in de Chr. Theol., II, 549; III, 196v.; bij de Geref., II. 550v.; III, 199v., 221v.
Verbond der genade, III, 187v.; in ruimeren zin (Noachitisch), III, 209v., 218; met Abraham, III, 212; met Israel, III, 212v., 426; monopleurisch karakter, III, 194, 225; twee zijden v. h., III, 227v.; IV, 245; in zijn verh. tot de verkiezing, III, 224v., 226v.; IV, 285v.; tot het verbond der werken, II, 554, 564, 571; III, 219, 220v.; tot het pactum salutis, III, 221v., 372v.; weldaden, III, 425v.; in betrekk. tot kinderen, IV, 265v., 282v., 286v.
Verbond der werken, I, 226; II, 547v.; III, 131v., 219; in hoeverre verbroken door de zonde, III, 83, 165, 219; in zijn verh. tot het verbond der genade, II, 554, 564, 571; III, 219, 220v.
Vereering der martelaren en heiligen, IV, 392v., 398v.
Vergeving der zonden, III, 548v.; in verh. tot de voldoening, III, 348, bij Rome, III, 443.
Verharding Gods, II, 369v.
Verkiezing, II, 377v.; van Israel, II, 314; in het N. Test., II, 317v.; verh. tot het verbond der genade, III, 224v., 226v.; IV, 285v.; haar object, het mensch. geslacht, II, 366, 384.
Verkiezing tot de ambten door de gemeente, IV, 73, 79, 122v.
Verlichting, inw., als openbaringsvorm, I, 256v.; des H. Geestes, III, 513.
Verlossingsvatbaarheid des menschen, III, 188.
Vermittlungstheologie van Clemens en Origenes, I, 60, 61; in de Roomsche kerk, I, 96; in de Luth. kerk der 19e eeuw, I, 105v., 433v., 438v.; over de Heilige Schrift, I, 26, 319, 373, 383, 387; over de heilsorde, III, 461.
Vernieuwing der wereld, IV, 511v.
Verwerping, II, 369v.; bij Augustinus, II, 321, 334v., 358; bij Rome, II, 326v.; negatieve en positieve, II, 323, 335, 364, 369.
Verzekerdheid des geloofs, III, 526v., 57Ov.
Verzoeking van Christus, III, 297, 376.
Verzoening als vrucht der voldoening, III, 381v.; bij Ritschl, III, 329v., 386v.
Viae, de drie, in de kennisse Gods, II, 96.
Visioenen, als openbaringsmiddel, I, 254v.
Visio Dei per essentiam, II, 151v., 518, 522; IV, 519.
Vleescheten vóor den zondvl., II, 560v.
Vloek Gods, III, 162v.
Voldoening. Noodzakelijkh. II, 209, 214; III, 341v.; tijd der III, 350v.; in verb. tot Gods liefde, III, 356v., 381v.; als plaatsvervangende, III, 359v.; hare aequivalentie, III, 366v.; vruchten, III, 380v.; uitgestrektheid, III, 390v.; bestrijding v. d. leer der III, 320v., 365v.
Voleinding der eeuwen, IV, 481v.
Volharding der heiligen, III, 565v.
Volheid d. tijden, III, 210, 215v., 260v.
Volkeren. Hun ontstaan, II, 502v.
Volksgodsdienst en Jahvedienst in Israel, IV, 364.
Volmaakbaarheid der geloovigen, III, 559v.
Volmaaktheid Gods, II, 128, 178.
Voorbede voor de afgestorvenen, IV, 414v.
Voorbereidende genade. Zie gratia praeparans.
Voorbidding van Christus, III, 419v.; IV, 338; der zaligen, IV, 398v. Zie ook engelen.
Voortplanting van het menschelijk geslacht, II, 564v.
Voorzienigheid Gods, III, 1v.; als besluit opgevat, II, 347v.; III, 5.
Vormsel in de Roomsche kerk, IV, 248, 351.
Vrouw, Schepping der, II, 563.
W.
Waarachtigheid Gods, II, 173v.
Waarheid, begrip, in het N. Test., IV, 444.
Waarneming, zinnelijke, I, 161v.
Waarzeggen in het O. T., IV, 395v.
Wederdoopers, I, 120. Vgl. verder Anabaptisme.
Wedergeboorte, III, 479v., 500v.; IV, 214v.; bij Paulus en Johannes, III, 500v.; en Doop, IV, 197, 266, 290v.
Wederherstelling aller dingen, IV, 500v., 505v.
Wederkomst van Christus, IV, 422v.; tijd, IV, 475v.; wijze, IV, 479v.
Wederzien na den dood, IV, 417v.
Wereld, Begrip, volgens het Theisme, I, 286, 290v.; II, 419v.; III, 21v.; kan ze eeuwig zijn? II, 410v.; IV, 422v.; is ze de beste? II, 213, 423v.; verh. tot Gods wezen, II, 159v., 346; als object van verkiezing, II, 384; van Christus’ werk, III, 390, 403v.; hare vernieuwing, IV, 511v.
Werkverbond. Zie verbond der werken.
Werthurtheile, als inhoud en bewijs der Chr. religie, I, 454, 460v.
Westersche kerk en Theol., in onderscheiding van de Oostersche. Zie Grieksche, Oostersche kerk.
Wet Gods, haar kar., II, 209, 214; III, 343v.; in het Paradijs, II, 558v.; verschill. gedaante, III, 75; als maatstaf van zedelijk handelen, III, 75v., 84v., 151; als kenbron der zonde, III, 84v.; haar eenheid, III, 94; hare beteekenis in het O. Verb., III, 215; als deel van het woord Gods, IV, 201v.; bij Paulus, IV, 202v., 205; en Evangelie, IV, 201v.; bij het eindgericht, IV, 492v.
Wetenschap, Principia in de, I, 145v.; in hare verh. tot de religie, I, 189, 210, 376.
Wetenschap Gods, II, 155v.
Wezen Gods, in abstracto, II, 78; op onderscheidene wijze bepaald in de Chr. Theol., II, 80v.; en onderscheiden van de eigenschappen Gods, II, 86v.; in betr. tot de eigenschappen, II, 90, 115; in de Trin. leer, II, 270v.
Wider hope theorie in Engeland, IV, 500.
Wil, karakter v. d., II, 205v.; III, 87; als subject der zonde, III, 53, 85v.
Wil Gods, II, 202v.; III, 341v.; in betr. tot z.z., II, 178, 206, 418; tot het geschapene, II, 207, 413v., 419; als antecedens en consequens, II, 218v., 325, 354; III, 394; des besluits en des bevels, II, 216v.
Wilsvrijheid in Pelag. zin, II, 164v.; in Ger. zin, II, 167; in verband met de praescientia Dei, II, 167v.; met de praedest., II, 318v.
Wijsbegeerte. Hare verh. tot de Theol., I, 516v.; II, 456; haar gebruik in de Theol. bij de Apolog. en Kerkvaders, I, 55, 57v., 59v., 511v.; II, 252; standpunt der Reformatie tegenover haar, I, 516v.; haar invloed op de Dogmatiek in de 18e en 19e eeuw, I, 42v.
Wijsheid Gods, II, 168v.; als hypostase, II, 228v., 232, 242, 405.
Wonderen, I, 258v., 275, 289v.; III, 22; IV, 229; interpretatie door het Ration., I, 281v.; van Christus, III, 311, 376; geestelijke, als element der openb., I, 274v., 303v.
Woord en feit in de openb. Gods, I, 258v., 283v., 304, 352.
Woord Gods. Beteekenis in de Heilige Schrift, I, 338v., 372, IV, 201; en Schrift, IV, 200v.; als naam van Christus, zie Logos; als kenteeken der kerk, IV, 44v., 51; als genademiddel, IV, 62, 193v.; en Geest, IV, 209v.; en sacramenten, IV, 166, 199v., 220, 232v., 271; zijn efficacia, IV, 211v.
Wraak Gods, II, 196.
Z.
Zaligheid Gods, II, 178v., 206.
Zaligheid, als vrucht van Christus’ werk, III, 380v.; toekomstige, IV, 517v.; der jongstervende kinderen, IV, 522v.
Zalving, III, 335; van Christus, III, 336.
Zebaoth, als naam Gods, II, 111.
Zedelijke wereldorde, II, 59; III, 157v., 344, 347.
Zedelijkheid en religie, I, 193v., 462, III, 553.
Zegel in de H. Schrift, IV, 230.
Zekerheid, Soorten van I, 158, 470v., 478v.; des geloofs, I, 158, 469v., 478v.; III, 526v., 571v.; der zaligheid volgens Rome, I, 479; III, 570v.; IV, 251; moreele, bij Kant, I, 481v.
Zelfbewustzijn Gods, II, 158v.
Zelfbewustzijn van Jezus als Messias en Zone Gods, III, 237v.
Ziel des menschen, II, 536; en geest, II, 537; vermogens der, II, 538; vereeniging met het lichaam, II, 541v.
Zieleslaap, leer v. d., IV, 381, 386v.
Zielsverhuizing, leer v. d., in de oudheid, IV, 407; in den nieuweren tijd, IV, 381v.
Zielzorg bij de Gereform., IV, 170v.
Zoenoffer, III, 304v.
Zonde, In betr. tot de verwerping, II, 373; tot de regeering Gods, II, 369v., 373v.; III, 30v., 34v., 55v., 61v.; oorsprong, III, 34v.; invloed op de natuur, II, 558v.; III, 173, 407; ethisch karakter, II, 53, 80, 81; wezen, III, 72v.; IV, 506v.; bij engelen en bij menschen, III, 51, 66v., 92, 188; graden in de, III, 89v.; principe, III, 96v.; onderscheiding in vergeeflijke en doodel. bij Rome, III, 98v.; tegen den H. Geest, zie lastering; verbreiding, III, 104v.; straf, III, 155v.; als straf v. zonde, III, 135v.
Zondvloed. Zijn geolog. beteekenis, II, 474v., 487v.
Zoon Gods. Gebruik van dezen naam in de H. Schrift, II, 243; als naam van den 2{en} persoon, II, 243v.; III, 238; in betrekking tot de schepping, II, 405v.; IV, 475.
Zoon des menschen. Beteekenis van dezen naam, III, 235v.
* * * * *
Correcties:
Pag. 5: „verkoor” vervangen door „verkoos” (maar Hij verkoos ook een aantal jongeren).
Pag. 33: ingevoegd „niet” (zij behooren niet tot het rijk van Christus).
Pag. 36: „institnut” vervangen door „instituut” (dat ook instituut en organisme der kerk).
Pag. 45: „uitsprekcn” vervangen door „uitspreken” (die klaar en duidelijk dit uitspreken ).
Pag. 46: „one” tweemaal vervangen door „ohne” (Gottes Wort kann nicht ohne Gottes Volk sein, wiederum Gottes Volk kann nicht ohne Gottes Wort sein).
Pag. 68: „Huyper” vervangen door „Kuyper” (Dr. H. H. Kuyper, De opleiding tot den dienst des Woords).
Pag. 86: „toestemmiag” vervangen door „toestemming” (die met toestemming der gemeenten verkoren werden).
Pag. 100: „de elven” vervangen door „dezelven” (dat hij met dezelven gemeen had).
Pag. 143: „Poutif” vervangen door „Pontif” (Bellarminus, de Rom. Pontif. V. de membris eccl. III. Hergenröther).
Pag. 145: „snbordinationis” vervangen door „subordinationis” (officio hierarchicae subordinationis veraeque obedientiae obstringuntu).
Pag. 152: „tnsschen” vervangen door „tusschen” (Evenzoo maakte Calvijn tusschen kerk en staat onderscheid).
Pag. 155: „qaalitatieve” vervangen door „qualitatieve” (het wisselde de quantitatieve tegenstelling ... voor de qualitatieve, ethische tegenstelling).
Pag. 157: „pessim” vervangen door „passim” (Voetius, Pol. Eccl. I 124 sq. en passim. Disp. sel. II).
Pag. 185: „venlent” vervangen door „veulent” (contre ceux qui veulent abolir l’usage et l’autorité).
Pag. 187: „elkandar” vervangen door „elkander” (kunnen dus niet als lager en hooger tegenover elkander staan).
Pag. 220: „Confessionsknnde” vervangen door „Confessionskunde” (Kattenbusch, Vergl. Confessionskunde I).
Pag. 221: „eu” vervangen door „en” (op Gods genade in Christus richten en daardoor dat geloof oefenen).
Pag. 244: „Lomhardus” vervangen door „Lombardus” (sacramentum, non rem, suscipiunt, Lombardus, Sent. IV).
Pag. 246: de paragraafnummering is gecorrigeerd, „6” vervangen door „7” (7. Het getal der sacramenten).
Pag. 253: „Bedentung” vervangen door „Bedeutung” (Die Beschneidung in ihrer geschichtl. ethnogr. relig. u. medic. Bedeutung).
Pag. 261: „in” vervangen door „im” (Die Bedeutung der Taufe im N. T.).
Pag. 294: „zijue” vervangen door „zijne” (dat hij geheel buiten zijne schuld ongedoopt stierf).
Pag. 368: „anszeichnende” vervangen door „auszeichnende” (ist in Wahrheit ihre auszeichnende Stärke gewesen).
Pag. 394: „unitied” vervangen door „united” (Ryle, Knots united p. 491).
Pag. 396: „18” vervangen door „28” (welke hiertegen aangevoerd kan worden, is 1 Sam. 28, waar Saul).
Pag. 401: „venerirt” vervangen door „veneriert” (die Heiligkeit auf Erden religiös veneriert werde).
Pag. 414: „III1” vervangen door „III 1” (Jansen, Prael. III 1 030 enz.).
Pag. 424: „Deisseits” vervangen door „Diesseits” (en alles van het Diesseits, van immanente, kosmische krachten).
Pag. 435: „nimmen” vervangen door „nimmer” (en den staat der verhooging nimmer vanéén).
Pag. 451: „strak” vervangen door „straks” (maar het zal straks duidelijk worden).
Pag. 501: „znsters” vervangen door „zusters” (de broeders en zusters van den vrijen geest).
Pag. 501: „van” vervangen door „von” (Die Lehre von der Apokatastasis² Magdeburg).
Pag. 504: „dikwerk” vervangen door „dikwerf” (en wordt dan inzonderheid zeer dikwerf met ζωη verbonden).
Pag. 532: „cogu.” vervangen door „cogn.” (maar miskent het princ. cogn. internum).
Pag. 535: „Vermittelungstheologie” vervangen door „Vermittlungstheologie” (door Hegel 1, door de Vermittlungstheologie 2).
Pag. 545: „zooodat” vervangen door „zoodat” (12, zoodat God en mensch, twee onderscheidene naturen).
Pag. 548: „geregtigheid” vervangen door „gerechtigheid” (van de toerekening van Christus’ gerechtigheid 6).
Pag. 557: „18” vervangen door „28” (1 Sam. 28 ... IV, 396v.)
Pag. 557: „2S” vervangen door „28” (Matth. 20:28 III, 363.)
Pag. 560: „79v.” vervangen door „279v.” (Augustinus ... over den Kinderdoop IV, 262, 279v.)
Pag. 560: „alomtetegenwoordigheid” vervangen door „alomtegenwoordigheid” (Augustinus Steuchus, over de alomtegenwoordigheid Gods).
Pag. 561 „ziju” vervangen door „zijn” (Doedes, Zijn drieërlei Dogmatiek I, 11; zijn scheiding van gelooven en weten I, 451; zijn verdeeling v. d. eigenschappen Gods II, 89;).
Pag. 564: „Max Müller” vervangen door „Müller, Max” (Müller, Max, Over den oorsprong der religie).
Pag. 565: „sehepselen” vervangen door „schepselen” (Origenes ... over de oorspronkelijke gelijkheid aller schepselen).
Pag. 569: „vau” vervangen door „van” (Acceptilatie in de voldoening van Christus).
Pag. 576: „311v.” vervangen door „411v.” (Heiligmaking ... volkomene, bij den dood, IV, 411v.)
Pag. 588: „verh.” vervangen door „verk.” (Verkiezing, ... verk. tot het verbond der genade).