← Dokter Helmond en zijn vrouw

Dokter Helmond en zijn vrouw (part 3 of 3)

Part 3 of 3 · Jacobus Jan Cremer · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #25138, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (3)

Continue:

Dokter Helmond en zijn vrouw (part 3 of 3)

August Helmond blijft in dezelfde houding bij de kachel neerzitten, en 't klinkt op geheimzinnigen toon:

"Ben jij het Philip? Spreek zacht. Als men ons hoorde...."

"Niemand hoort ons;" antwoordt Philip, en dan terwijl hij naar de deur gaat en die eensklaps weer opendoet, zoodat hij den luisterenden knecht er bijna mee achterover werpt; "En niemand neemt het in zijn hersens om ons te beluisteren."--Dan de deur weer dichtdoende vervolgt hij tot August: "Maar wat je mij te zeggen hebt, 't zal toch taal moeten zijn die iedereen desnoods hooren mag, of anders--zou ik je nog dieper verachten dan ik het nu doe."

August is opgestaan. Bij het schijnsel der kaars kan Philip nu eerst dat gloeiend gelaat en het van koortsgloed fonkelend oog beschouwen.

De jongere Helmond doet een schrede terug.

"Ik zie het wel, je weet het; je schrikt van me niewaar?" fluistert de oudste: "Ja er kleeft bloed aan mijn handen. Daar staat hij, zie zijn oogen puilen uit de kassen.... zie je wel Philip!--O God, en hij heeft ons vervloekt!"

"August, wát.... wát zeg je?" stottert Philip, plotseling doodsbleek geworden: "Is hij dood....? Heb jij, jij...?"

"Ja, zie je dat niet? Zie je dan niet dat ik zijn moordenaar ben!? O God! daar vliegt mijn kind op me aan. Hou tegen, hou tegen! 't Steekt met een mes. O Eva, Jezus! God! O! weg, weg!"

Eer de jongere Helmond zich van de ontzetting kon herstellen, die hem schier aan den grond heeft genageld, was de oudere broeder uit de kamer gevlucht en sloeg de deur met geweld achter zich toe.

't Was een donker portaaltje waarin de vluchteling zich nu bevond. Rechts is de smalle gang die over het plaatsje, nogmaals door een langere gang naar het voorhuis leidt.--Neen, op dezen weg liggen de gerechtsdienaars in hinderlagen. Voort! Ter linkerzij loopt de smalle gang op een achterdeur uit.--'t Is donker! Waar is de knop van die deur?--Wie heeft den sleutel? Wie houdt haar gegrendeld?--O God, daar komen ze. Hoor maar, paardengetrappel.--Hoor!

Nu bonst hij op de deur. "Doe open, doe open!"

Daar wordt aan de buitenzij een grendel verschoven. De deur knarst open.

Een groote stallantaarn die nevens kartuigen aan een haak tegen den wand hangt, werpt een weifelend licht over een oude kapsjees, een paar hooge gele wagens benevens een kar die met de boomen op den grond rust.--Ter rechterzij is het een zwarte massa, waarin het licht slechts grillige en onbestemde figuren teekent, maar toch duidelijk genoeg twee grauwe koppen boven den nu onzichtbaren lijkwagen doet grijnzen. Een hooi en mestlucht vervult de ruimte.--Nabij de groote deur trappelen paarden. Ze zijn voor een vigilante gespannen. Een man die zooeven hielp om de tuigen te gespen, trekt nu in allerijl een jas met drie lange mantelkragen aan; wischt zich het zweet van het voorhoofd, en trekt zich een bonten nachtpet over de ooren.

"Hier Gerrit, geef me de zweep! Vervoerd, dát heet haasten."

"Moet jij naar Utrecht menheer?"

"Ik ja, voort! Om Godswil voort!"

Het portier der vigilante was reeds geopend. Dokter Helmond verdwijnt in het donkere rijtuig.

"Rij maar op Jan!" roept de man die het portier met kracht weer dichtslaat: "D'r zal zeker een goeje fooi op overschieten; er is 'en haast van geweld!"

"Vort poppetjes, vort!" zegt Jan op den bok. De paarden trekken aan. Uit het groote koetshuis van De Romein komt de vigilante in de straat. Jan doet de zweep klappen. En zie de paarden zijn wakker al is het vrij donker daarbuiten; ze schieten in een krassen draf, en verdwijnen al spoedig met het ratelend rijtuig om den hoek der Utrechtsche straat in den stormachtigen nacht.

Binnen de algemeene hotelkamer heerschte weinige minuten later een zeer ongewone opschudding.

't Was onmogelijk om het rijtuig nog in te halen, 't welk door den vreemden reiziger was besteld, doch waarmee de dokter van Romphuizen zich uit de voeten heeft gemaakt.

Na al wat men vernam en 't geen de schenker nu bovendien heeft moeten aan 't licht brengen, is het zoo goed als zeker dat, met den kolonel die, volgens den reiziger, in Romphuizen zou vermoord zijn, de generaal Van Barneveld was bedoeld.--Wat wisten de Romphuizers van 't militair!--En, meer dan zeker was het ook dat zijn pleegzoon, dokter Helmond, de schuldige moest wezen; immers Piet heeft hem onder andere zelf hooren zeggen:, Spreek zacht Philip; als men ons hoorde!" en later heel duidelijk, ofschoon van verre, nog de woorden: "O God!", en "moordenaar."

De reiziger, die zulk een haast had, was woedend, maar zou in allerijl op een andere manier worden geholpen. 't Ergste van alles, zei de kastelein, bleef de ontzettende geschiedenis zelve, waarvan--hoe kon men onschuldig ergens inloopen--het laatste bedrijf nu in het alom geëerde logement De Romein was voorgevallen.

De mannen in de gelagkamer spraken luid met gefronste wenkbrauwen, en schudden het hoofd; de vrouwen luisterden, en zagen bleek.

"'t Is de broer van Philippe. De broer van den nieuwen trotschen confrère;" zoo luidde het onder de acteurs overal.

De commis-voyageurs spitsten de ooren; en die er brieven schreven, stelden postcriptums, waarin ze de ontzettende gebeurtenis vermeldden.

Toen August hem straks alleen liet, en hij, hevig ontsteld, hem een oogenblik later wilde opsporen om hem naar het kamertje terug te brengen, toen spoedde hij zich naar het voorhuis, want aan een achterdeur heeft hij niet gedacht. Doch nergens mocht hij hem vinden.--Philip wist niet dat August reeds buiten de stad was, toen hij in 't eind ook in het koetshuis naar hem kwam onderzoek doen.

--Was dan August Helmond--zijn broeder, een moordenaar; de moordenaar van dien geliefden pleegvader!?

--Wondere menschenwereld!

--De lammeren onder hen worden wolven wanneer de nood hen dringt.

--Bloeddorstige doggen leggen zichzelf aan den ketting en lijden gebrek!

--Ja, ik wist dat hij verachtelijk was, ik wist het! Maar zoo!--Ach God, zou het wel waar zijn!

"De commissaris van politie kan met mij meerijden," zegt de vreemde zeer overluid tot den kastelein: "tenminste wanneer hij hier in de sociëteit is. Als hij den moordenaar snapt is zijn fortuin gemaakt.

Tot Philip sprak men niet.--Nu is hij verdwenen.--Hij vliegt naar zijn vrouw, en zegt haar zijn plan, en wat háár te doen staat.

Een klein kwartier later joegen twee vigilantes in den donkeren nog altijd door zware buien verdeelden voornacht, op den straatweg tusschen Briesborg en Utrecht.

In het voorste rijtuig ligt een mensch onbewust dat er een wereld om hem heen is.

In het rijtuig dat volgt, zitten twee mannen die over gruwelijke moorden spreken, en over dokter Helmond en zijn ijdele vrouw.

Op den bok van dat tweede rijtuig zit, naast den koetsier, een man in een glimmende regenjas. Voor een goede fooi heeft de voerman aan dat heerschap vergund om naast hem mee te rijden. Hij spreekt geen woord; maar telkens als de reiziger die vóór twaalven in Utrecht moet wezen, zijn stem verheft en schreeuwt om wat harder te rijden, dan zegt de man in de regenjas, dat men ter wille van een mensch zijn paarden toch niet doodjagen mag. De voerman geeft hem gelijk.

Omstreeks kwart voor twaalven--ongeveer een half uur later dan de eerst uit Briesborg vertrokken vigilante--rijdt de tweede vigilante de grijze Bisschopsstad in.

Teneinde den reiziger, die zulk een haast had, geen oogenblik op te houden en aanstonds te brengen waar hij wezen moest, is men bij het binnenrijden van de stad een geheel anderen weg ingeslagen dan dien naar het kleine logement waar men straks stallen zou, en 't welk de koetsier met de zweep heeft aangewezen.--De man in de regenjas is dáár--en alzoo in de nabijheid van het logement waar het eerste rijtuig zeker reeds was aangekomen--van den bok gesprongen.

Mijnheer Hagel, de commissaris uit Briesborg, is echter in het rijtuig gebleven, om, na den vreemde op de plaats zijner bestemming te hebben gebracht, even bij het politiebureel aan te rijden en er een paar agenten te verzoeken om eens even met hem mee te gaan.

Toen--weinige seconden na de aankomst der tweede vigilante in Utrecht, een heer in een glimmende regenjas het kleine logement is binnengestapt, toen heeft hij op zijn vragen, van een half slapenden schenker ten antwoord gekregen, dat er, jawel, met het rijtuig uit Briesborg een heer was aangekomen, die onderweg zwaar ziek moet zijn geworden, want, zoo wit als een lijk had hij in den wagen gelegen.

De juffrouw-eigenaresse van dit logement had eerst zwarigheid gemaakt om hem op te nemen, maar hij had er zoo akelig en toch zoo goedaardig uitgezien dat zij heeft toegegeven; en nu geloofde de schenker dat er iemand naar 't gasthuis was gegaan om een dokter te halen, hoewel het al op slag van twaalven is.

--Hê!--Of de knecht dan niet begreep dat hij--de man in de regenjas--de dokter zelf was'? Men behoefde niet meer naar 't gasthuis te zenden. Hij heeft geweten dat deze heer hier komen zou.

--O, ahzoo; of dokter dan maar bliefde mee te komen? Hier beneden in het tuinkamertje was de zieke menheer. In nummer drie.

--In de hevigste onrust staat Philip Helmond eenige oogenblikken later bij de kleine sofa, waarop de oudere broeder als wezenloos neerligt.--Philip ziet naar de deur. Hij vergat haar te sluiten. IJlings snelt hij terug naar de deur, luistert, en draait den sleutel om.--Maar nu, wat moet hij beginnen? Slechts door een snelle ademhaling geeft August teekenen van leven; doch, wat Philip ook beproeft om hem te doen ontwaken en hem op de wijze zooals hij zijn plan maakte, tot een spoedige vlucht te bewegen, neen--dat gelukt hem niet.--Kan die ongelukkige dan hier blijven terwijl binnen weinige minuten de commissaris in dit logement het allereerst naar hem zal onderzoek doen!

"August, August! in 's-hemelsnaam, keer toch tot je zelf. Verman je, August. Men zal je vatten. Sta op, ik ondersteun je. 't Zijn geen twintig schreden tot buiten de deur, en dan nog een paar stappen tot om den hoek der straat. August in Godsnaam word wakker!"

Maar 't is vergeefs. Zijn krachten schijnen uitgeput. Een pijnlijke glimlach speelt er om zijn mond.--Doch nu, eensklaps opent hij de oogen, en fluistert met een akelige stem: "Vergif, vergif! Pas op Eva. Voort! weg!"

"Ja waarachtig voort!" zegt Philip.--O mijn God, maar hoe dan! en hij werpt een angstigen blik naar de deur. Immers, hij kan den ongelukkige toch niet door de gang het huis uit dragen. Wat zou men denken als men 't zag! Ha, wanneer die kleine glazendeur uitkwam op een tuintje, waarmee men in een achterstraat kon komen....! In een oogwenk is Philip bij die deur. Zij is goed gesloten; hij trekt en wringt. Open zal ze, open moet ze.--Neen neen, hij kan niet--neen!--Ha, den pook bij de kleine kachel!--Hij luistert.--Nadert daar een rijtuig---? Ja, o God, men komt, het is te laat!--Welnu, met dien pook zal hij hem verdedigen; den eerste die de band naar den armen drommel durft uitsteken, dien vermorzelt hij den kop.--Hoor het rijtuig is.... neen.... het rolt voorbij.--Goddank, hij heeft nog tijd.

Philip mag een oogenblik herademen.--Wacht, met dien pook kan hij toch die tuindeur dwingen. Fiks! krachtig!--Ha, met een weerspannig geschrijn barst het slot vaneen.--De deur is open. Hij ziet naar buiten. Inweerwil van de duisternis bemerkt hij dat het werkelijk een ten deele geplaveid tuintje is. Scherper ziende bespeurt hij eenig oud vaat- en mandenwerk, 't welk naast steenkolen en wijnflesschenhokken bijeenstaat, en door de verhagelde en afgewaaide bladeren van een kastanjeboom overdekt wordt.

--Is daar een uitgang? Hij bespeurt er geen. Wat zal hij nu beginnen! 't Ware nóg beter in de kamer te blijven, dan August ginds in een dier hokken of achter die manden te verbergen. Immers men zou hem er aanstonds vinden, en dan....! Philip voelt zich eensklaps als met een ijsbad overgoten.

"Wie daar! Wat mot je?" roept een schrille stem uit een keukendeur in het tuintje uitkomende.

De jongere Helmond heeft zich geheel hersteld. Wie weet..... het geluk had hem straks in de gedaante van een halfslapenden huisknecht gediend.

"De zieke moet lucht hebben mevrouw;" klinkt zijn antwoord: "'t Is noodig, volstrekt."

"Ben uwe de dokter....? Ahzoo. Maar was die tuindeur dan niet gesloten? Wel lieve hemel, u deed me schrikken. M'n eerste denkbeeld was dat ze hier inbraken. Is die passagier zoo erg, dokter?"

"Ik vrees.... dat zijn benauwdheden op een rotkoorts zullen uitloopen."

"Maar mijn hemel, dan hou ik hem geen uur in m'n huis. Rotkoorts! God beware!"

"Zoodra ik hem zag," herneemt de vermeende dokter snel doch schijnbaar kalm: "begreep ik dat je hem niet houden kondt."

"Nee, nee!" schudt de dikke dame, en volgt den dokter aarzelend in de tuinkamer.

"'t Was aanstonds mijn plan om hem mee naar het gasthuis te nemen, maar ik liet toevallig mijn koetsje hier aan de achterzij van je huis staan; en...."

Philips hart sloeg met felle slagen. Immers hij wist niet of er werkelijk een straat achter dat tuinmuurtje was; bovendien gevoelde hij de ongerijmdheid dat hij als dokter, nog na middernacht zijn eigen rijtuig zou rijden, en zoo ja, dan niet tot voor de deur der woning waar hij wezen moest.

"O, hierachter op 't Singel; jawel, wat buiten den wind," helpt de hospita: "Ik wou dat j'em d'r in hadt dokter; de ziekte is 'em wel duidelijk aan te zien."

"Kan ik hierachter door den tuin op het Singel komen?" vraagt Philip terwijl zijn hart nog feller bonst voor een mogelijk Neen!

--Maar, God zij dank:

"Welzeker;" klinkt het antwoord. En dan: "Ja dokter, als je hem meenam dat zou me een pak van het hart zijn. Morgen met de markt dan wist ik geen raad. Verbeelje, rotkoorts in huis. Lieve hemel!"

"Als ik er je plezier mee doe....?" zegt Philip.

--Maar dan; hoe zal hij alleen dien machteloozen mensch naar buiten krijgen?

--De juffrouw zou haar knecht roepen.

--Nee, nee,--er was geen oogenblik tijd te verliezen,--dat moet zij niet doen. De knecht moest liever niet weten dat de juffrouw zoo'n haast had gemaakt om een ongelukkigen zieke kwijt te raken. 't Was niet goed voor haar naam. Och, indien zij den armen man, die nu heel stil was, en nog wel een uur zoo zou blijven--jawel dat kon bij haar vast verzekeren--indien ze hem nu even aan den anderen kant wilde ondersteunen, dan kon men hem gemakkelijk op 't Singel buiten de tuindeur brengen. Die deur was immers open.....!?

--Nee, de juffrouw moest die eerst losgrendelen.

De oogenblikken waren voor den angstig wachtenden broeder zoo vele uren.

Hij meent nu weer heel in de verte een rijtuig te hooren. Ja, jawel, 't komt nader....

"Mevrouw, mevrouw!" roept Philip naar buiten.

"Hier ben ik dokter. De poortdeur ging wat moeielijk open."

"Als ú hem nu aan dien kant onder den arm woudt nemen mevrouw.--Komaan Augu....--Komaan menheer; u moet je wat meegeven. We zullen je goed en wel in 't gasthuis brengen.--Asjeblief mevrouw. Geheel alleen zou 't mij onmogelijk zijn."

Het rijtuig kwam al nader en nader.

"Ja, maar rotkoorts dokter ... U moet me niet kwalijk nemen; om nu een mensch met rotkoorts aan te vatten ... nee ..."

Het rijtuig kon slechts weinige huizen meer van de woning verwijderd zijn.

"Maar hij heeft ze nog niet. Als u weigert dan blijft hij hier. Ik heb haast."

De dikke juffrouw aarzelt, en dan....

Maar neen, 't was niet noodig. De lijder staat eensklaps overeind.... O God, wat ziet hij haar aan.

"Neem dat gif weg Thom! Weg er mee!--Zes grein!--Eva, Eva, voort, voort!"

"Dat is de koorts die komt opzetten;" zegt de jongere Helmond, en vat zijn broeder onder den arm; en diens laatste woorden herhalend, dwingt hij hem naar de zij der geopende tuindeur.

--Hoor! O goede God, het rijtuig houdt reeds stil voor de deur. Men komt.--Philip wil haastig voortgaan.

August Helmond rukt zich eensklaps los en, in de kamer terugkeerend en met angstig gebaar naar de hospita wijzend, fluistert hij schril: "Zeg haar dat zij ons kind het mes moet afnemen, zie je niet....? Zie, dat, dát, dát moorddadige mes!"

Philip hoort gerucht in de gang; voetstappen van meer dan één persoon.

Met overspanning van krachten grijpt hij den broeder onder den arm. Zoo kalm als 't hem mogelijk is, zegt hij: "Goeden avond mevrouw!" en, straks de tuindeur van de buitenzij dichtwerpend, voert hij met vreeselijke gejaagdheid den ijlenden broeder tot buiten de tuinpoort op den verlaten singel.

Ofschoon het terrein hem geheel onbekend is, toch zou Philip al spoedig bemerken dat het doel, 't welk hij zich voorstelde, zal bewerkt worden. Slechts weinige schreden voorbij dien muur, ziet hij links in de vaart weer de trekschuit die men straks is voorbijgereden en waarvan de voerman heeft gezegd dat het de nachtschuit op Amsterdam was. Om twaalf uren, ruim, voer ze af.

De groote Domklok bromt twaalf.

De hospita uit het kleine logement, niet weinig ontroerd door het gebeurde, en straks geheel van streek door hetgeen ze uit den mond der politie zal vernemen, ze zegt in gemoede: dat die vluchteling zich werkelijk zóó ziek heeft weten te houden dat zelfs de dokter er dupe van werd en hem mee naar het gasthuis heeft genomen. Den naam heeft ze niet gevraagd; maar 't was de dokter van 't gasthuis.

En terwijl nu de Briesborger commissaris vol ijver zijn nasporingen in de Utrechtsche gasthuizen begint, om echter al spoedig andere vermoedens te koesteren--glijdt de nachtschuit op Amsterdam langs de laatste gaslantaarns en woningen buiten de stad. Aan het roer staat de schipper, en, als hij even in de voorkajuit duikt om zijn kort eindje pijp op te steken, dan slaat hij zijdelings een oog op de beide passagiers die--"ter wille van een vrouw die erg ziek is, zoo haastig naar Amsterdam moeten."

Bij het schijnsel der wiegende hanglamp kan hij hen zien, daar ginds in den hoek der kajuit; en hij twijfelt er niet aan of het moet al een heel erg geval wezen, want, de oudste dier beide mannen is mede geheel van streek.--Zie maar, als een geest zoo wit ligt hij achterover, en tegen den schouder van den jongste, die hem het liggen al zachter en gemakkelijker maakt, terwijl die jongste zelf zich gedurig het zweet van de slapen wischt.

TWEE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Toen Eva Helmond uit haar verdooving ontwaakte, toen wist ze niet wat er met haar was voorgevallen. Ze begreep niet hoe het kwam dat mevrouw Van Hake zoo bij haar naast de canapé zat....

"Wat doet ú hier?"

"Ik ben gekomen om misschien van dienst te kunnen zijn lieve Eva!"

Eva strijkt zich met de hand over de oogen en dan, haastig opziende:

"Waar is August?"

"Dokter is uit, Eva; hij zal.... waarschijnlijk wel gauw terugkomen...."

"Waarschijnlijk....? Je zegt waarschijnlijk!? En waarom lig ik dan hier; en waarom....?" Eensklaps komt ze overeind en snelt naar de deur, roepend ja bijna gillend: "August, August! Helmond! waar ben je!?"

Mevrouw Van Hake komt Eva terzij:

"Als dokter hier was Eva, dan zou hij zeggen: Kindlief je moet je kalm houden; er zijn omstandigheden...."

Eva hoort haar niet. Zij staart strak naar den grond. En dan:

"Waar is dat briefje? Ik vraag waar dat briefje is! Was er geen briefje?--Jawel, ik weet het zeker. Ik heb het gelezen..... ik heb...."

"Eva, hou je van Helmond?"

"Houden! Mensch, je maakt me krankzinnig.--Ik wil dat briefje zien. Ik wil weten.... Geef hier. Jij hebt het. Jawel, jawel, jij hebt het!"

"Eva, in je eigen--nee, in dokters belang bid ik je kalm te zijn."

"Maar die brief, die brief!" roept Eva in dreigend smeekende houding: "Ik weet het maar al te goed. Ik wilde zien of hij sliep. Hij was er niet meer, En op zijn kamer vond ik toen dat schrift.... van een krankzinnige; en zijn naam stond er onder. Ja zijn naam. Ik wil dien brief zien. Laat mij toch gaan; ik wil nu.... ik wil naar boven! Hoor je dan niet!"

Mevrouw Van Hake haalt het geschrift te voorschijn. 't Zou zeker--nu de eerste schok was doorstaan--het verstandigste wezen om Eva zooveel mogelijk de waarheid in het aangezicht te doen zien, en, terwijl men haar bad om zich kalm te houden, een beroep te doen op haar verstand en haar waarachtige liefde voor haar man:

"Hier is de brief die je zoo treffen moest Eva. Maar ik verwacht dan ook dat je je krachtig zult toonen...."

Eva hoort haar niet; zij siddert, terwijl ze nogmaals die vreemde volzinnen leest, waarin August haar schrijft dat hij haar bedrogen heeft; dat een som--hij weet niet hoe groot--zijn schuld is; dat hij aan gene zijde van de zee duizenden menschen van de gele koorts zal genezen en tienduizendmaal het slachtoffer ervan worden wil; dat zij, Eva, er het brood zal kneden en doen....

Eva kan niet verder lezen. Maar die vrouw in haar rouwkleed, wat eischt ze dat ze bedaard zal blijven! Voelt het mensch dan niet dat deze groote kamer haar te eng is; dat zij weten wil waar die man--zooals ze zegt, in zijn ijlende koorts--is heengegaan; waar hij toeft in dezen stormachtigen avond, terwijl de hagelsteenen met zulk een vreeselijk geweld tegen de ramen kletteren! Begrijpt ze dan niet dat ze hem achterna wil, dewijl niemand hem beter en eerder zal vinden dan zij! Beseft ze niet dat een vrouw rust noch duur heeft aleer.... O God, had ze zóó iets kunnen vermoeden toen ze meende dat hij slechts wat vermoeid en overspannen naar bed ging. Eva wil, Eva moet naar buiten!

Het kostte mevrouw Van Hake de grootste inspanning om Eva te doen beseffen dat haar liefde-ijver nu onverstandig was. Waar immers zou zij hem zoeken in den stormachtigen avond! Zij, in hare omstandigheden, zou ze zich wagen daarbuiten aan een tasten in 't blinde! Bovendien: alles wordt er gedaan om den lieven zieke zoo spoedig mogelijk in zijn huis en in 't warme bed terug te brengen. Wanneer dokter--'tgeen men niet voor onmogelijk hield--nog met den laatsten trein naar Amsterdam was vertrokken, dán zelfs kon men tamelijk gerust wezen; men zou dan in den trein al spoedig bemerken dat hij ongesteld was, en bij aankomst zeker voor hem zorgen.

Helaas, mevrouw Van Hake wist wel dat zij Eva met deze hoop misleidde, doch, haar taak was geen lichte.--Eva vloog immers gedurig weer op van haar stoel, en wilde hem zoeken; zij moest hem vinden; ja, wie eerder dan zij! Neen, zij heeft het wel toegegeven dat zij haar ouders niet vóór den nacht verontrusten wil, immers men wist zeker dat de dokter er dezen avond niet geweest is; maar op De Zonsberg! Ja, 't waarschijnlijkste is toch dat hij, in zijn ijlende razernij, nog eens naar De Zonsberg is gegaan.--Men heeft hem er niet gevonden, maar door de duisternis misleid, kon hij gemakkelijk van den weg zijn gedwaald. O, misschien ligt hij nu in doodsgevaar op een dier naargeestige kronkelpaden van het erf, waar een verwaten gierigaard, nog aan den rand van het graf, den goeden zieke durfde vervloeken, terwijl deze ten koste van eigen gezondheid hem redden en behouden wil.

"Jawel, op de Zonsberger paden zal ik hem vinden!" barst Eva na een korte stilte weer los: "En als hij er niet wezen mocht, dan vlieg ik naar den woekerenden trotschaard, en zal hem zeggen dat zijn lage vervloeking slechts kan terugkeeren op zijn eigen grijs en zondig hoofd; dat hij dien goeden man heeft mishandeld door beleediging op beleediging; dat hij hem heeft vermoord; hem en mij, ja, hém en mij, en het kind onzer liefde."

"Zoover is het nog niet gekomen Eva. Men zal den goeden dokter gemakkelijk vinden. Thom was hem, zooals hij bij 't heengaan zeide, immers reeds op 't spoor. Dokter zal òf in de buurt wezen en gevonden worden, of--'t zij dan wat verder af--welwillend zijn opgenomen, en waarschijnlijk toch spoedig terug zijn."

"Waarschijnlijk! altijd waarschijnlijk!" roept Eva: "Maar als... o God! als men hem niet vond, wanneer hem in zijn ijlende koorts daarbuiten een onheil was overkomen! Zeg, mensch vol flegma, vol verstand en wijsheid, zeg, is dán die gierigaard ginds, zijn moordenaar niet? En ook, is hij de oorzaak niet van den angst die mij huiveren doet en de minuten tot eeuwigheden maakt!"

Mevrouw Van Hake ziet haar liefdevol aan en blijft het stilzwijgen bewaren.

"Maar spreek dan, spreek!" zegt Eva, doch op minder heftigen toon, want de liefdevolle blik der zwijgende vrouw heeft haar zonderling getroffen.

"Ik weet het niet Eva. We willen daar nu niet naar vragen. Het eenige wat ons vervult is toch de hoop dat we den goeden dokter spoedig zullen terugzien; en--dan zullen wij hem oppassen en verzorgen en alles doen om, met de hulp van God, zijn dierbaar leven te behouden."

"Ja! ja!" zegt Eva snel, en dan, na een oogenblik van stilte: "Och, waarom bleef ik niet bij hem toen hij naar bed was gegaan!" Schreiend, doch straks weer heftig: "Maar ik wist niet dat het zoo erg was. Nee nee, ik wist het niet! Wie zal zeggen dat ik hem niet liefhad; wie!? 't Is alles de schuld van dien oude, dien schijnheiligen man!"

"Eva," zegt mevrouw Van Hake met zachte stem: "weet je wel lieve, wie ik in deze oogenblikken het meest beschuldig?"

Eva ziet haar niet aan.

"Ik beschuldig waarlijk mij zelve het meest." Nu ziet Eva haar aan:

"U, ú beschuldigt...."

"Mij zelve. Ja Eva, ja!"

"Maar ik begrijp niet....?"

"Eva, ik heb in den laatsten tijd zijn weldaden aangenomen, ofschoon ik er bijna zeker van was dat hij de middelen om ze te kunnen verleenen niet meer bezat."

Een vuurrood vliegt over Eva's gelaat. Zij spreekt niet, maar blijft met angstig gespannen blik mevrouw Van Hake aanstaren.

"Ik bewoonde zijn huis," herneemt de weduwe: "en at zijn brood, en had hem lief als een moeder, en toch ... ik deed slechts een zwakke poging om hem terug te brengen van een weg, die ik vreezen moest dat op uw beider verderf zou uitloopen.--Lieve Eva, als gij iemand beschuldigt, doe het dan mij.--De man dien ge uw vijand noemt heeft immers gewaarschuwd; misschien te krachtig gewaarschuwd, maar gewaarschuwd!"

"Ik weet niet wat je zegt;" roept Eva, en slaat de handen voor de oogen. En dan, dan loopt zij de groote kamer op en neer, en bijna kermend klinkt het iets later:

"Zou alles dan waar zijn! Alles, alles!? En heeft hem dát spooksel benauwd en verdreven!--Maar nee, nee! dat is onmogelijk!" vervolgt ze terwijl zij eensklaps voor de weduwe blijft staan: "Heeft hij dan zelf niet door zijn daden getoond, en met zijn woorden bevestigd...."

"Eva," valt mevrouw Van Hake in, en ziet haar onbeschrijfelijk liefdevol aan: "ja, die al te goede man toonde door zijn daden wat de wenschen van zijn geliefde waren, en sprak de woorden die zij het liefst van hem hoorde.--Eva, ik zie het, nú voor het eerst geloof je de waarheid!"

--De waarheid!?--Ach, hoe zou het mogelijk zijn dat ze nú de volle waarheid reeds geheel doorzag!

--Was dan alles een leugen; alles wat haar omgaf in den laatsten tijd? Dit huis, die meubels, de diamanten, die familiepapieren, alles leugen, leugen!

--Maar gerechte hemel! wat zijn blinkende meubels of schitterende steenen bij den doodsangst die haar weer eensklaps overstelpt en benauwt? O! men kan haar vrij dat alles ontnemen, ja, alles, alles, indien hij maar terugkomt; wanneer ze maar weet dat die arme kranke niet langer omdoolt in de gure lucht; wanneer ze hem maar aanstonds mocht sluiten in haar koesterende armen!--Zie, het pakket familiepapieren ligt daar nog op haar schrijftafel. Nu roert ze het aan; maar neen, toch neemt ze het niet, om aan die vluchtige opwelling te voldoen en alles in 't vuur te werpen.--Zij luistert.... Daar buiten klonken stemmen. Ha, God! men komt, ha!

Reeds is Eva de gang ingevlogen, en heeft ze de voordeur geopend.

Met luidruchtig gepraat nadert van de Hoenderveldsche straatzijde een langzaam voortgaande menigte. Een kleine handwagen ratelt in haar midden.

--Hoor! Een vrouwenstem klinkt luide van de hooge stoep naar beneden en tegen den snijdenden hagelwind in.

Men weet niet wat zij vraagt.

--Dokter Helmond? O nee, dien hadden ze niet, en moesten ze ook niet hebben. Dokter Helmond mocht de champagne nog in 't hoofd zitten, en slapen misschien in den zijden sleep van zijn vrouws japon!--Nee, ze gingen met den armen majoor, dien ze na lang tobben uit de gracht hadden gehaald, regelrecht mee naar 't huis van dokter Biermans.... dokter Biermans die er al dadelijk was bijgehaald:

"Vooruit maar jongens; vooruit, eer dat ie genachtsamen zeit! Van 'en schotje los kruit: Wie zou 't gelooven!"

Eva weet niet wat men nog verder in 't voorbijtrekken zegt.

Nu bevindt zij zich weer in de groote huiskamer. Een ontzettende angst doet haar als ineenkrimpen terwijl ze klappertandend bij het vlammende vuur staat.--Haar haren, die buiten nat zijn geworden, hangen sluik langs de bleeke wangen neer. Strakker en strakker staart ze, totdat ze eensklaps opziende half luide mompelt:

"Ik wist het, ja ik wist het! Hij heeft het mij dikwijls gezegd; en nu...."

Haar oog viel in datzelfde oogenblik weder op het pak "familiepapieren", en, Eva grijpt het weg van de tafel, en--werpt het in den breeden haard.

En de hoog opflikkerende vlam doet een rooden gloed spelen op het rose kleed 't welk Eva nog in den vooravond tegen het zwarte heeft verwisseld.--O God, het had dan toch een zwart, een rouwkleed moeten zijn! En als het vuur nog hooger opvlamt en ter rechterzij haar schier verstorven wang met zachten gloed komt streelen, en zij, klappertandend, met saamgeperste handen murmelt: "Ik wist het; ja mijn God, maar ik geloofde het niet!" dan, o dàn gevoelt zij eensklaps een nóg weldadiger gloed aan de zij van het hart haar verwarmen: Een moeder was er niet om haar kind te troosten: maar toch, zie, nu rust en nu schreit en nu snikt ze..... aan de moederlijke borst van een trouwe vriendin.

De nacht van storm en hagel die door Eva Helmond in duizend angsten is doorwaakt, moest toch in 't einde wijken voor een kalmeren morgen. De October-zon dook vriendelijk op uit haar valen sluier, en terwijl ze al spoedig haar kracht zou beproeven aan den hier en ginds langs velden en wegen bijeengegrienzelden hagel, zond ze ook een zachten straal in het vertrek waar de grijze Van Barneveld op zijn hard leger, met gesloten oogen en saamgevouwen handen neerlag. Daar ging de deur open. Zachtjes, zeer zachtjes.

En zie, Goddank, nu gaan die oogleden open en keeren zich zijn oogen naar het licht.--En het zonnetje 't welk door de deur naar binnen kwam, werkte misschien nog weldadiger dan het hemellicht, 't welk door het venster er in blijft gluren.

"Alweer Jacoba! Als je je volstrekt geen rust gunt dan zul je ziek worden. Ik had niets noodig kind!"

"Maar ik had behoefte beste pa, om weer eens even te zien hoe het u ging, en u nog een glaasje melk te komen brengen. O, sinds de tuinman mij gezegd heeft dat er voor die nare benauwdheden niets zoo goed is als melk, zal ik er u mee vervolgen totdat u weer heelemaal beter zult zijn."

"Ei Coba, zou je denken dat melk voor zoo'n kwaal....?"

"O ja, jawel papa, welzeker; melk moet daar heel goed voor zijn. 't Is ook zoo natuurlijk, zoo iets van een dier. Melk hé ja, dat vind ik nu erg natuurlijk!"

"Och, als je 't graag hebt lieve kind...." Van Barneveld drinkt, en Jacoba houdt er van terzij het oog op gevestigd.

"'t Is alweer hetzelfde!" zegt Van Barneveld.

"U bedoelt...."

"De vreemde smaak."

"Vreemd; hé, dat begrijp ik toch niet."

"Niet Coba....? 't Is me telkens alsof ik iets van amandelen drink."

Jacoba heeft het glas aangenomen en proeft de laatst ingebleven droppels:

"Hé dat moet toch verbeelding zijn lieve pa. Ik proef.... nee, ik proef er niemendal van."

"Diezelfde smaak was gisterenmiddag ook aan de...."

"Aan de rijst. O ja, dat hebt u gezegd. Maar het zal toch aan uw smaak liggen: of dat er misschien iets aan de melk is...."

"Wat zou er aan de melk zijn Coba?"

"O, weet u wát ik denk: de koe zal buiten langs den stalmuur zijn gegaan, en daar aan de perzikbladeren hebben geknabbeld. Dat lusten de koeien wel, nietwaar pa?"

"Doe je er suiker in Coba?"

"In de melk? O ja, een heel heel klein beetje."

"Zoo--dan is die suiker slecht. Er is altijd een bezinksel."

"Och, tegenwoordig wordt alles vervalscht. Ik vrees dat er geen betere te krijgen is. Maar--die melk met een bijsmaak en wat slechte suiker heeft u toch geen kwaad gedaan lieve beste vader. Nee, ze heeft u veel veel beter gemaakt, niewaar?"

"Dat heeft God gedaan Jacoba."

"Maar God gaf ook die melk, mijn beste papa."

"En Hij geeft mij mijn lieve kind, en...."

De grijsaard sloeg wel den arm om haar fijne middel heen, doch het gelaat wendde hij naar de zij van den muur. Zij mocht het niet zien dat zijn oogen met tranen zijn gevuld.--Een oogenblik later richt de oude krijgsman zich in zijn bed overeind, en zegt, terwijl de zware knevel boven zijn lippen trilt, en hij Jacoba strak maar toch met liefde beschouwt:

"Ik weet nu zelf niet Coba, of je liegen zonde of deugd is."

Jacoba's bleek gezichtje is bloedrood geworden.

"Ik weet het niet!" herhaalt de oude man. En een oogenblik later zegt hij: "Jacoba, geef mij de poeders in 't vervolg zonder rijst of melk. Ze hebben mij misschien goed gedaan. Als kind heb ik eens geproefd van de medicijn die je grootmoeder moest gebruiken. Dien smaak vergat ik niet."

Jacoba schreide aan de borst van haar grijzen vader.

"Och lieve papa, u zoudt het goede middel anders niet hebben ingenomen, en u ziet toch dat soms een vooroordeel...."

Maar zij vervolgde niet.--Misschien was zij reeds te ver gegaan; althans er vloog een donkere wolk over haars vaders voorhoofd.

Vooroordeel! Neen, van dien vereeuwigden geliefde heeft ze niet willen spreken; dat was voorbij.--Maar kon ze het dan nu niet wagen om nog één enkel woord te doen hooren in 't belang van haar dierbaren pleegbroeder? Was het dan óók geen vooroordeel om een zoon te haten, die zich na zulk een vervloeking wreekt: door aanstonds het beste middel uit te denken 't welk ter genezing kan worden aangewend, zonder dat het zich voor den man, die geen medicijnen wil gebruiken, door een te hevig bitter verraadt?

"Zwijg Jacoba, niets meer over hem;" zegt Van Barneveld een oogenblik later: "Mijn kind moet mij niet willen leeren wat mijn plicht is."

"Beste papa, dat was mijn bedoeling niet."

"Het had er allen schijn van Coba.--Nu, mijn kleine meisje, wees niet bang, en schrei niet langer. Wie heeft gezegd dat dokter Helmond ten eenenmale een verworpeling is voor God!?--Ik niet!--Zoodra hij den moed zal hebben om zijn vrouw den kanker van ons volksbestaan, die bij haar reeds een verpestenden stank heeft, uit de borst te snijden, dan.... Maar wij spreken hierover niet meer.--Ga nu nog wat slapen Coba. Jawel, en slaap maar gerust. Nooit nooit wil ik hem weerzien; maar, met de helft van het onze, zal tóch, mettertijd, dokter Helmonds geneesmiddel betaald worden. Is het nu goed klein meisje? Ga nu en slaap nog wat."

Op het oogenblik dat Jacoba de kamer zal verlaten, hoort ze zich terugroepen. Van Barneveld ligt weder met het aangezicht naar den muur gekeerd; doch met de hand naar Coba's zijde tastend, herneemt hij:

"Als er soms nog iets voor dat monument mocht noodig zijn, zeg dan aan tante dat ik...."

Jacoba zinkt eensklaps voor het ijzeren bed op hare knieën neer; vat de hand van dien grijzen vader, drukt er haar voorhoofd in, en schreit.

--O God, ze schreit; maar toch, een oogenblik zóó zalig als dit, ze had het nog niet beleefd.

"Bedaar, bedaar, klein onverstandig meisje. Kom, ga nu gauw wat rusten. Den ganschen nacht heb jij voor je vader gezorgd, maar hij, niewaar mijn goed kind, hij heeft toch ook de melk gedronken."

Zoodra de October-zon dien morgen de luiken en blinden binnen Romphuizen voor 't meerendeel heeft doen openen, heerschte er een buitengewone levendigheid op het kantoor van den Rijkstelegraaf. Het gerikketik klonk er bijna zonder ophouden. De metalen draad naar de zij van Briesborg en Utrecht had geen oogenblik rust.

En zeker, het groote Romphuizer Hondsbosch vermoedde niet dat er door den dunnen draad die--den kronkel van den straatweg volgend, langs zijn takken gespannen was, een aantal vragen en antwoorden vlogen, voor 't meerendeel met betrekking tot den man die gisteren in den guren avond tusschen zijn stammen en struiken heeft rondgedwaald.

De beide spreeuwen die zooeven uit het boschje op den grauwen draad waren neergestreken, ze vlogen er nu eensklaps van weg. Hadden zij 't gevoeld dat onder hun teere pootjes de vraag van de Briesborger zijde als een bliksemstraal heenschoot:

"Is generaal Van Barneveld vergiftigd? Reeds overleden? Vermoedens op dokter Helmond?"

Natuurlijk die diertjes gevoelden het niet. Vroolijk in den zonneschijn vlogen ze stoeiend en zwenkend voort.... tot op het dak van Het Roode Zoodje, en trippelden daar op het verweerde riet, en gebruikten straks in den voerbak, die voor de deur stond, hun ontbijt, zóó luchtig en opgeruimd, alsof ze 't nu toch werkelijk vermoedden dat daarboven, door dien draad langs de palen, het antwoord gleed:

"Generaal Van Barneveld bijzonder wel. Van vergiftiging in Romphuizen geen sprake. Zekere majoor Kartenglimp dood.--Dokter Helmond vermoedelijk ziek."

't Was misgeschoten. Toen grauwe Toon straks buiten kwam en een vijftal lijsters, die juist de laatste roode bessen aan gindschen hoek van het bosch hadden genuttigd, op den telegraafdraad hun siësta zag houden, toen heeft hij de verzoeking niet kunnen weerstaan, en.... paf! Maar, een ondeelbaar oogenblik te voren was het vijftal den draad ontvloden.... Zou het mogelijk zijn dat het bericht 't welk--rapper dan hun vleugels--onder hen heenvlood hen heeft geschokt:

"Mevrouw Helmond in doodsangst; Zet onderzoek voort in haar belang.--Spoed, Spoed!"

En de dépêches, die in Romphuizen werden aangeboden en moesten bezorgd worden, gunden het personeel aan den Rijkstelegraaf gedurende den ganschen voormiddag geen rustig oogenblik.

"Goddank menheer," zei de besteller tot den telegrafist toen deze in den namiddag het kantoor sloot: "Goddank, dat we nu toch weten dat ie in Amsterdam zit, en--dat het hier beperkte dagdienst is.--O ja, complement van menheer Kippelaan," vervolgde de man: "en of u van avond na sluiting plezier hadt om een kopje thee bij hem te komen drinken?"

DRIE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Op het bovenportaal eener kleine woning aan den Buitenkant te Amsterdam staan twee mannen; de een staat bij de deur der kamer, waaruit hij zooeven gekomen is; de ander op de bovenste trede der steile trap met de hand aan de leuning.

"Ik herhaal je menheer Baars, dat ik in geen geval aan je onbillijken eisch zal voldoen;" zegt de eerste op gedempten toon.

"Onbillijk!" herhaalt de tooneeldirecteur met smadenden lach: "Denk je dan dat we ons dáármee 't hoofd kunnen breken? 't Zou wat moois wezen als de een niet wou spelen omdat z'n neef 'en zinking op 't oog had, of 'en ander omdat z'n zuster aan eksteroogen leed!"

"Die zoutelooze aardigheden zijn ongepast. 't Geldt hier een doodzieken broeder, die al gedurende twee dagen en nachten in gestadige ijlkoortsen ligt, en door niemand dan mij wil geholpen zijn."

"Ja, dat is allemaal tot je dienst, maar daar kan een directeur zich niet om bekreunen. God beware! Toen m'n eigen vader op sterven lag, toen speelde ik 's-avonds wel voor Thomas-Vaer in de Bruiloft van Kloris en Roosje; en toen ik m'n moeder 's-morgens begraven had...."

"Toen hadt je je 's-avonds in je rol moeten ophangen!" snerpt Philip op dof schrillen toon. En dan: "Maak dat je wegkomt!"

"Maar sakkerloot, een acteur moet...."

"Een acteur moet niet vergeten dat hij mensch is. Ik heb nooit begrepen dat dit een eisch was dien men hem stelt. Nog eens: Zoolang ik in zorg ben over mijn broeder speel ik niet!"

"Haha, dat is dan die hooggeroemde trouw!"

"Wanneer ik onwetend mijn woord gaf voor iets, dat beneden mij is, dan breek ik dat woord. Ga heen! Ik zeg u voor 't laatst dat ik niet spelen zal. Ik kan en wil het niet."

"Dát zullen we zien!" zegt Baars met een dreigend gebaar, en als hij nog wil voortgaan om het "onwillig sujet" op weinig kiesche wijze aan zijn verplichting te herinneren, dan wordt de deur der ziekenkamer haastig maar behoedzaam geopend, en spreekt een zachte stem op bewogen toon:

"Als je een afgetobden lijder een oogenblik van verademing, ja misschien een rustig sterven gunt, doe dan wat mijn man u vraagt menheer Baars, en ga heen."

De directeur van het reizend tooneelgezelschap is een man zonder beschaving en zelfs zonder eenig kunstgevoel. Slechts het "slaan van dubbeltjes" is de kunst die hij liefheeft en beoefent met hart en ziel. Nochtans, toen hij na de woorden van mevrouw Philippe, zacht pruttelend naar beneden ging, toen plooide een rimpel zijn voorhoofd. 't Speet hem eensklaps dat hij die leugen heeft verzonnen om hem over te halen.

Wat moest hij wel denken van iemand, die op zijns vaders sterfdag een klucht ging vertoonen? Nu ja, als het hier zóó erg gesteld was dan.... In 's-hemelsnaam! de Casper Lariefarie moet Lowee dan maar spelen. Men kan geen ijzer met handen breken. Iemand die sterven ging! Enfin, dat doet men maar eens!

Zachtjes op de teenen loopend, is Philip nu met zijn vrouw in de voorkamer teruggetreden, die wel aan de vroeger door hem bewoonde bovenkamer in de Tuinstraat herinnert, doch--ofschoon grooter en niet zoo somber--nu kleiner schijnt door het breede ledikant 'twelk er in 't midden geplaatst is.

"Goddank! hij slaapt," zegt Philip, terwijl hij den doodsbleeken August, met pijnlijk gesloten lippen, schier voor het eerst na zoo vele uren van angstig waken en tobben, naar 't uiterlijke kalm ziet nederliggen: "Ja Virginie, hij slaapt Goddank!" herhaalt de jongere Helmond, en geeft zijn geliefde een zoen. En dan: "Wacht, blijf jij nu even hier; ik moet het oogenblik waarnemen om óók een zoen aan ons ventje te geven."

Philip verlaat nu de kamer en treedt in het kleinere vertrek ernaast. 't Is de slaapkamer der ouders van den kleinen Prits. En ginds zit hij in zijn tafelstoel, de blonde halfjarige guit met zijn groote blauwe oogen. De althea-wortel glijdt weg uit zijn mondje, en de rammelaar aan een blauwzijden lint valt eensklaps uit de kleine hand: Met de poezele armpjes naar den vader uitgestrekt, kraait het jongske van pret.

--Ja 't was ook hard! Met de reis naar Zutfen en Briesborg meegerekend, had het lieve blonde ventje zijn vader in zes dagen zoo goed als in 't geheel niet gezien; die vluchtige keeren in de laatste dagen telden niet mee.--Ja ja, nu zal hij den stoel uit. Ja, nu moet hij weer eens zoo heel hoog naar boven worden getild en dan, ploef, ineens heel laag naar beneden!--Hoor hoor hem eens kraaien vol ongeduldige blijdschap; en, wat de vader het jongske--misschien niet verstandig--alreeds zocht te leeren: het noemen van zijns vaders voornaam, het klinkt nu mede met ongeduldig opspringen in den stoel: "Fiffie, Fiffie!" en, hij kraait en hij springt weer.

--Neen, nu de deur maar dicht is, nu kan de zieke het niet hooren.

"Moest jij er voor lijden mijn arm klein Fribbeltje!" zegt Philip, en neemt het kind uit den stoel, en tilt hem hoog hoog en ploft hem dan tot op den grond; en weer in de hoogte en weer naar beneden, totdat.... Philip werd eensklaps zoo duizelig.--Hij hield den kleinen Frits goed vast, maar staakte het spel, en trok zich terug tot aan het groote ledikant.--Zóó op den rand zittend ging het beter. Fritsje wiegde in zijns vaders armen vóór- en achterover.--De vader wist echter niet wat hij deed.--Fritsje weet niet wat een schommel is, maar hij vond het prettig. Een beetje later is 't hem alsof hij in zijn wiegje ligt. En de vader--hij wist wel wat een schommel was, en meende dat hij met klein Fribbeltje erin zat. Hij hield hem stevig vast.... maar 't ging zóó hoog, zóó hoog, dat hij de oogen moest sluiten; en.... toen liet hij zich glijden, en.... hij weet niet meer wat.

Uitgeput van vermoeienis naar lichaam en geest, is de jongere Helmond in slaap geduizeld; maar het kleine ventje houdt hij toch altijd stevig vast. En Fribbeltje pinkt en dubt met de lange donkere oogwimpers, en.... slaapt dan mede--in de armen van zijn lieven Fiffie!

Virginie Helmond had den wensch van Philip begrepen. Ach ja, nu dokter August wat rustiger is geworden, nu mocht de goede jongen wel een oogenblik tot verademing komen.--Dien tijd kan zij waarnemen om hier in haar woonkamer de schromelijke wanorde een weinig te herstellen, die er, door den toestand, waarin men zoo onverwachts geraakte, wel moest ontstaan.--'t Is onbegrijpelijk hoe die trouwe Philip dat alles, en bijna geheel alleen, heeft beredderd.--Dat gebroken kopje op den vloer, en die groote scheur in het ledikantgordijn, ze bewijzen genoeg dat er vreeselijke momenten zijn geweest. En dan, wat zielsangsten moet de arme Philip hebben doorstaan! In de vaste meening dat dokter August, ten einde raad, zich aan dien ouden generaal had vergrepen, heeft Philip schier het onmogelijke gedaan om den lijder--na hun aankomst in Amsterdam--niets slechts te verzorgen, maar hem ook voor den blik der politie te vrijwaren. Toen eindelijk, door de tusschenkomst van den heer Woudberg, die schrikkelijke verdenking was opgeheven, en Virginie bij haar aankomst nog mede de onwaarheid ervan heeft mogen bevestigen, toen was de blijdschap van Philip zoo groot geweest, dat hij het bijna te kwaad had gekregen.

Het ledikant, 'twelk in allerijl van een voornamen uitdrager was ontboden, moest hier in de nette woonkamer worden opgeslagen--maar zonder levenmaken.--Den eerste die leven maakte smeet hij de trap af!

En uit de diepe kast in de achterkamer, waarin hij den broeder met de uiterste zorg een leger gespreid en tot nu toe verborgen had, heeft hij hem toen naar deze kamer overgebracht. Hier, hier zou hij herstellen; hier zou Philip hem bewaken en verzorgen al moest hij er zelf hij neervallen. Hier zou hij den "armen duivel" liefhebben totdat.... totdat hij weer heelemaal gezond vertrekken kon.

Terwijl Virginie Helmond zonder eenig geraas de orde in de kamer herstelt, blijft het rustig in het groote ouderwetsche ledikant.

--'t Was toch zonderling; dat die voorname zwager daar nu neerlag in hare woning, en geheel alleen overgelaten aan de zorg van den verguisden Philip en zijn verachte vrouw.

--Slaap gerust arme zieke, denkt de jeugdige echtgenoot van den vurigen Helmond, terwijl ze met de hand aan het fijnbesneden gelaat naar de zij van het ledikant tuurt: Slaap gerust! Ik heb verplichting aan u. O! 't geeft een zalig gevoel wanneer men iemand die ons.... wanneer men "iemand als ú", met zorg en liefde omringen kan. En dat gevoel heb ik leeren kennen door mijn eenige, mijn trouwe! O God, als hij het niet zoo dikwijls herhaalde, dat er zonder mij geen geluk voor hem kon bestaan, ja, dán zou ik misschien al gestorven zijn van smart over het lot dat hij door mij te dragen kreeg. Maar stil, was het misschien ook voor hém een bron van stille vreugd, dat hij een arm en onervaren kind aan zich verbond, om haar een trouw te leeren die in haar omgeving helaas, maar al te weinig gevonden wordt.

--O dokter Helmond, je wist niet wat kostelijken schat je in je broeder hebt bezeten, en dat zijn waarachtige trouw vaststaat als een rots in zee. Maar nú dokter, nú zul je het weten, nu zul je dan ondervinden wie mijn Philip is.

Eensklaps ontstelt Virginie geweldig. In gedachten verzonken naar het ledikant turend, ziet ze de oogen van den lijder strak en glinsterend om den hoek der gordijn haar aanstaren.

"Wil je wat drinken dokter?" zegt Virginie, zich herstellend, maar houdt de lange zwarte wimpers toch naar den grond geslagen.

"Neem weg! Grijp weg!" roept de zieke op angstigen toon; en nog eens met verheffing van stem: "Eva grijp weg!--Zie je niet? Dáár! Ze willen hem levend met mij begraven!--Laat vallen die diamanten, laat los; los! Grijpt hem! O God, daar hebben ze ons kind.... O God, en hij heeft het niet gedaan. Ik heb hem vergift gegeven, ik! Zie maar, bloed, bloed!" En vreeselijk gillend: "Bloed!"

Philip is reeds toegesneld. Hij waakte al slapend. Een half uur slapens heeft toch zijn krachten verfrischt.--Weinige oogenblikken later is hij er in geslaagd den zieke tot kalmte te brengen. Zijn Virginie geeft hij te drinken, en verzoekt haar dan zich te verwijderen.--Hoor, 't is nu nog treffender dan zooeven. Aanhoudend, zonder een enkel oogenblik rust, klinkt het nu uit zijn mond: "Eva kom, Eva kom!" en altijd weder hetzelfde op dien angstig jagenden toon: "Eva kom, Eva kom!"

Maar Eva kwam niet.

Neen, reeds vier- vijfmalen was Philip naar het venster gegaan, maar telkens reed het rijtuig, 'twelk hij had hooren aankomen voorbij. En toch, wanneer men na 't ontvangen van het laatste telegram--dat Woudberg ter volkomene opheldering naar Romphuizen heeft gezonden--aanstonds vertrokken was, dan had men reeds met den sneltrein kunnen hier zijn. Maar, of een vrouw als Eva Armelo zich zoo bijzonder zou haasten....? Althans Philip ziet alweder naar buiten, doch--Eva komt niet.

En Eva? Ach, van het oogenblik, waarin zij zekerheid bekwam dat Helmond zich te Amsterdam ten huize van haar zwager bevond, was haar opgewonden koortsachtig drijven om te vertrekken zóó sterk geweest, dat haar oude vriendin er ternauwernood in geslaagd was om haar een weinig tot kalmte te brengen, en te doen gevoelen dat men niets won met een paar uren vroeger per rijtuig te vertrekken, indien men toch met geen vroegeren trein te Amsterdam kon aankomen. Toen men in 't einde tot vertrekken gereed was, toen heeft de kapitein Armelo God in stilte gedankt dat mama had besloten maar thuis te blijven.

De "bespottelijke" ingenomenheid van Eva met die weduwe Van Hake, ekskuseerde haar, zooals zij beweerde, om "van de partij te zijn".--"Neen", heeft mama gezegd: "een moeder, die zóó met ondank wordt beloond, kan haar hart geen geweld aandoen, en meegaan om een schoonzoon op te passen, die de heele familie bedrogen en haar kind het hoofd heeft op hol gebracht."

Ja waarlijk, Armelo is blij geweest dat mama tot dat besluit is gekomen.--Eva verstond letterlijk geen rede tenzij die weduwe haar bemoedigde en troostte. Ja, ja zeker, ze luisterde ook wel naar hem als hij haar courage zocht in te spreken, en haar herinnerde hoe hij zelf na 't jaar 40 een pil te slikken kreeg, en de ritmeester Van Disse hém toen getroost heeft met te wijzen op het houten been, waarmee die oude kameraad sedert 30 moest rondspringen; maar hij wist toch al spoedig niet meer wat hij zeggen zou, en Eva werd er ook maar weinig door getroost. Nee die goede mevrouw Van Hake was hem inderdaad een reddende engel; zij had zoo den slag.... ze was zoo bedaard; ze praatte niet mee, en toch ook niet tegen. Ja, ze was zoo lief voor zijn kind; en dat kind--ach, ze heeft toch zooveel goeds, en is nu wel diep te beklagen.--Wát zal men er van zeggen!? Eigen schuld! Eigen schuld!? Maar wie heeft er geen schuld in de wereld? Eva was zoo jong; zooveel jonger dan hij, Armelo zelf, in den tijd toen mama.... op een kleiner schaal jawel....

"Stil maar Eefje-lief," heeft hij gezegd toen men dan eindelijk in de vigilante zat, die hen naar 't station zou brengen: "stil lieve Eva; vergeet niet dat je een militaire-kind bent. Je moet je in den spoorwagen goedhouden. De sergeant Wagenaar placht te zeggen...."

Maar Eva hoorde hem niet; ze stak het hoofd uit het portier en riep vol onrust:

"Vooruit dan koetsier, vooruit! of we komen te laat aan den trein!"

En Philip Helmond snelt opnieuw naar het raam. Hij heeft weer een rijtuig gehoord. Het kwam nader. Ja zie, de voerman tuurt naar de nummers der huizen.--Philips hart klopt vol onrust. Nu is de vigilante de woning genaderd. Zij houdt stil voor de deur. Zal zij er uitkomen? Zij! de vrouw die hij haat. Zal zij zich hier bevinden, hier, binnen weinige seconden....!

"Eva kom, Eva kom!" klinkt het nog altijd van August's lippen, doch nu telkens flauwer en straks nauwelijks hoorbaar.

"Ja kom dan, in Godsnaam, kom!" zegt Philip bij zich zelven, en perst de lippen opeen, en hoort gestommel op de trap, en.... staart naar de deur, maar mist toch de kracht om die te gaan openen.

"Voorzichtig kindlief, niet zoo haastig;" zegt Armelo: "Laat mij nu voorgaan Eva; de trap is steil; en,--ik dien toch te vragen of we hier waarlijk terecht zijn."

Maar Eva heeft niet naar den vader geluisterd. Op een paar treden na is ze reeds boven.--Doch nu, bijna had zij naar evenwicht verloren. De sleep van haar kleed is aan een spijker blijven haken. Met een krachtigen ruk, die een groote scheur in dien sleep maakt, heeft ze zich aan de klem ontworsteld.--Wat, wát geeft ze nu om japonnen met slepen!

Vreeselijk bonst haar het hart terwijl ze nu schier in hetzelfde oogenblik de hand naar gindschen deurknop uitstrekt. Zij voelt, ze weet het, daar, dáár moet hij zijn.

Philip Helmond staat onbeweeglijk. 't Is hem alsof hij versteend is.--Nu zal ze komen.--En, de deur ziet hij opengaan.

Met gejaagden doch onhoorbaren tred, kwam daar een vorstelijk schoone gestalte naar binnen. Nadat zij de kleine voile had opgeslagen, heeft ze hem vluchtig aangezien; en, in hetzelfde oogenblik naar het ledikant wijzend, is ze ijlings zonder te spreken er heengesneld.

--En, dát is ze dan.... dat is dan de ijdele vrouw die de zijne veracht....--Maar hoor--O God, dat moet wel een steen vermurwen; dat perst hem met geweld de tranen in 't oog. Hoor, eensklaps zwijgt het jagend geroep van den armen lijder; een lange zucht glijdt er van zijn lippen; de matte van koortsgloed schitterende oogen slaat hij naar haar op; 't is alsof een glimlach zijn doodsbleek gelaat overtrekt. En zij, uitbarstend in bitter geween, roept weder met nokkende stem:

"Ach ja, mijn August, mijn liefde, mijn alles! Hier hen ik; je Eva!"

Neen, Philip Helmond heeft aan die eerste opwelling toch geen gevolg kunnen geven. Een oogenblik was hij er bijna toe gekomen, om haar terzij te snellen en haar de hand te drukken, vol innigen dank omdat ze gekomen is en den armen broeder dien weemoedigen glimlach op 't lijdend gelaat heeft getooverd. Maar, 't was zóó beter; hij heeft het niet gedaan. De vrouw kan haar man liefhebben, en toch verachtelijk zijn.

De jongere Helmond wordt nu afgeleid. Er waren nog twee personen naar binnen gekomen. Dat moeten haar ouders wezen. Hij spreekt fluisterend met hen, maar, hij zal hun niet toonen dat hij medelijden heeft met hun kind. Dat kind, die dochter, veracht zijn vrouw, zijn schat, en daarom.... Philip staat nu weder alleen. De oude man en die dame in 't zwart zijn naar het ledikant gegaan, en.... Neen, het was te verwachten, de arme August herkende hen niet. Maar ook, helaas, de oogenblikkelijke kalmte, die Eva's komst had bewerkt, is reeds voorbijgegaan.

Op het zien van den ouden kapitein is August eensklaps overeind gerezen, en terwijl hij het hoofd terugtrekt naar de binnenzij van het ledikant, ijlt hij weder:

"Vermoord! dood! vergift! Voor duizend, voor tienduizend gulden vergift!" en in woeste opgewondenheid gaat hij met ijlen voort, en doet de omstanders sidderen, en Eva, marmerwit geworden, terugdeinzen en het gelaat met beide handen bedekkend jammeren:

"O God! o groote God!" Doch, meer te spreken vermag zij niet.

Weinige minuten later ontwaakt Eva uit een korte bezwijming. Zij rust met het hoofd tegen den schouder der jonge vrouw, die ijlings uit de andere kamer was toegeschoten. De man, dien zij bij haar binnentreden het eerst heeft gezien, stond aan haar zij en verfrischte haar met eau-de-cologne. En ofschoon ze eensklaps haar volle bewustzijn herkreeg, ze moet nu de oogen toch sluiten..... Een oogenblik later zegt ze zacht:

"Ik dank u.... 't Is nu voorbij.--Ik zal sterk zijn. Ach, laat mij nu met hem alleen?"

't Sprak vanzelf dat een vermeerdering van drie personen het kleine vertrek wat al te vol deed worden.

De dokter, die den patiënt kwam bezoeken, liet zich met een paar woorden hierover uit. In 't belang van den zieke waren lucht en stilte noodzakelijk. 't Was hier wel wat klein.

Weinige oogenblikken later bevindt Virginie Helmond zich in het benedenhuis, en spreekt er met haar hospita. De hospita schudde eerst geweldig het hoofd om aan te toonen dat de zaak niet te vinden zou zijn; maar toch, haar hart was "plooizaam" wanneer het noodig was, en--ze zou doen wat ze kon.

Nadat Virginie, weder boven gekomen, zeer vluchtig op het portaal met Philip heeft gesproken, treden die beiden de ziekenkamer weer in, terwijl ze nog op den drempel een snellen blik van verstandhouding wisselen.

Mevrouw van Hake, die zooeven een goedkeurend woord van den Amsterdamschen dokter over het aanwenden van een afleidend middel heeft ontvangen, zegt nu fluisterend tot Eva:

"Niet zoo onophoudelijk schreien lieve Eva. 't Is niet goed. Zie, hij ligt nu weer kalm."

"Maar hoop! Zou er hoop wezen?"

"Waarom zou die er niet zijn? Maar dan moet ook alles gedaan worden wat in zijn belang noodzakelijk is."

Op dit oogenblik komen Philip en Virginie in de kamer terug. Terwijl de eerste naar Eva ziet, doch op een afstand blijft staan, gaat Virginie naar het venster waar de kapitein Armelo reeds een geruimen tijd stond, en er gedurig eens naar buiten keek.

Het was hem eigenlijk alsof hij droomde terwijl hij daarbeneden die gansch ontwende drukte zag, en, voor zich uit, dat breede spiegelgladde IJ, tintelend in de zon, met al die zeil- en stoomschepen, en de af- en aanvarende roeibootjes er tusschen door. Ja, 't was hem alsof hij droomde. Maar telkens, en altijd weder wanneer hij uit die droomerijen ontwaakte, kwam hem de vraag voor den geest: Is het dan háár schuld; de schuld van dat arme kind? Zie, haar moeder is thuis gebleven, en die vreemde is meegegaan. Haar moeder heeft bij 't afscheid gezegd, dat zij--alles nu daargelaten--ook wel thuis blijven moest. Mama zou in Eva's afwezigheid toch het bestier van 't groote huis wel dienen op zich te nemen.

--Maar--zou het dan moeders schuld zijn alleen, en volstrekt niet de zijne.....?

Armelo heeft het eensklaps zeer warm gekregen. Ja, hij had daar immers juist het kind weer aangezien, het lieve kind met haar roodgeschreide oogen; en.... phu! de oude polonaise met de nauwe mouwen heeft hij toen wat losgeknoopt. Maar zie, nu de onderjas daardoor aan 't licht kwam, nu werd Armelo's oog onwillekeurig naar beneden getrokken. Wát was dat!--Toen hij zich voor die overhaaste reis naar Amsterdam heeft gekleed, toen moet mama hem--natuurlijk met den meesten spoed, de groote "tiendaagsche ruzie" en de "vijf en twintigjarige" op de reeds wat kaal geworden Zondagsche jas nebben genaaid.

--Goeje hemel, dat hij daar eerder niets van gezien heeft! Is dit nu een gelegenheid.... dit!?

Zoo spoedig mogelijk heeft Armelo zijn pennemes uit den zak gehaald.

Geheel en al afgewend, bijna met hoofd en handen tegen het vensterglas gedrukt, tarnt hij nu die monsterdingen los.

Op het oogenblik dat de kapitein hiermee bezig was, trad Virginie op hem toe. Zoo snel hij kon deed hij nu de polonaise weer dicht, maar kon het niet verhinderen dat de "tiendaagsche ruzie" er onderuit en voor zijn voet op den grond viel.--Dat was hem nog eens gebeurd.--Gelukkig, zij ziet het niet. Armelo zet er haastig den voet op.

"Watblieft u mevrouw?"

Terwijl Virginie Helmond den kapitein verzoekt om--voor zoolang als hij hier zal blijven--van een der beide benedenvertrekjes die haar hospita wil inruimen, gebruik te maken, is Eva--na een aarzeling--opgestaan, en, tot Philip genaderd, zegt ze fluisterend met neergeslagen blik:

"Ik wilde u iets vragen. Het betreft...."

Ofschoon Philip bij deze onverwachte toespraak eensklaps zeer bleek is geworden, zoo bespeurt Eva echter zijn ontroering niet, en, zich aanstonds herstellend, opent hij de deur van het kleinere achtervertrek en zegt:

"Ga in deze kamer mevrouw. Hij mocht ons hooren misschien."

En daar staan ze nu tegenover elkander. Eva is zeer gejaagd. Bij haar diepe smart pijnigt haar niets zoo geweldig als de gedachte, dat ze zich nu in de woning van dien Philip en zijn vrouw bevindt, en van hunne weldaden en hun genade afhankelijk is. Bovendien, in den laatsten tijd zeer aan ruime vertrekken gewoon, is het haar hier onmogelijk klein en benauwd. Met den sleep van haar kleed vult ze bijna de geheele ruimte van dit hokje.

't Is toch alsof dat gevoel haar nog uit een andere oorzaak hindert. Eensklaps vat zij de overvloedige ruimte van haar japon en trekt die naar boven.

"Wat wenscht u mevrouw?" zegt Philip en zijn stem klinkt ongevoelig.

--Is dat dezelfde man die haar straks met zijn hulp heeft terzij gestaan! Maar toch, dien toon kan zij nu beter verdragen: Koudwater dient haar; hoe killer hoe liever.

"Wij zijn u tot last," vangt ze aan terwijl ze--nog bezig met dien sleep van haar kleed--de oogen steeds naar omlaag houdt: "Uw woning bestaat uit deze twee kamers niewaar?"

Philip geeft geen antwoord. Eva vervolgt:

"De dokter heeft gezegd dat de voorkamer, met het oog op mijn lieven zieke, wel wat klein is. 't Zal hem kwaad doen als wij daar gedurig tezamen zijn.... Ik wenschte.... Ik zal in het dichtstbijgelegen logement een paar ruime kamers bestellen, en dan...."

Eva zwijgt.--Philip zwijgt mede; doch, na eenige oogenblikken van stilte ziet hij haar met gefronste wenkbrauwen aan, en herhaalt op vragenden toon hare laatste woorden: "En dan....?"

"Dan wilde ik Helmond erheen laten brengen," herneemt Eva: "tenminste wanneer de dokter het goedvindt. Natuurlijk met alle voorzorg; in een welgesloten rijtuig. En...."

Eva zwijgt weder.

"En....?" herhaalt Philip.

"Ja, en ik zou u dan hartelijk.... willen.... dankzeggen, voor..."

"Voor....?" vraagt Philip even koud.

"Voor alles wat u deedt in 't belang van mijn lieven man; en u verzoeken...."

Droefheid en verlegenheid werken samen tot het te voorschijn roepen der tranen die Eva weer snikkende schreit. Philip komt haar een schrede nader:

"Mevrouw," zegt hij zeer bedaard: "op dit oogenblik treffen uw tranen mij minder dan ik wenschen zou. Vergeef mij, ik kan niet altijd zwijgen, 't is mijn gebrek. Maar 't was toch mijn plan niet u hard te vallen. Tegen uw wil en tegen den mijne kwaamt u in deze woning. Geloof me, ik zal de wetten der gastvrijheid--en nú vooral--geen oogenblik schenden. Er is voor gezorgd dat uw vader en de doktersweduwe met u in deze woning kunnen blijven zoolang als zij 't verkiezen. Voor wie bij August moet waken zal mede op de voorkamer een bed worden gespreid. Niet meer dan één of twee personen tegelijk behoeven bij den zieke te zijn. Ik vrees geen oogenblik dat een verblijf hem hier, op die wijze, nadeelig zou kunnen worden. De lucht is hier frisch aan het IJ.--Ik bid u laat mij uitspreken: Mijn vrouw en ik, we beschouwen u van dit oogenblik afaan als meesteresse in die voorkamer, dáár. Wat u noodig hebt 't zal er wezen. Ik ben een zeer rijk man op dit oogenblik mevrouw. Maar," vervolgt hij zacht doch met klem: "tenzij de dokter gebood dat August in 't belang zijner herstelling naar elders moest vervoerd worden--'tgeen ik voor onmogelijk houd--zal ik niet toestaan dat hij ergens anders dan in deze woning herstelt of.... sterft. Ik herhaal u, dat zal ik niet toestaan. Misschien kent u beter dan ik de oorzaken mevrouw, die hem een rijke woning deden ontvluchten."

Eva sidderde.--Moest zij zoo iets hooren, zoo iets van hem! Waar is haar vader; waar blijven ze dan om haar te beschermen! O, nu hij haar hier alleen heeft, nu durft de man, die haar straks voor 't oog van anderen zoo liefdevol bijstond, haar wel waarheden zeggen die.... Hoe! Eva beeft nog sterker.--Heeft hij haar waarheden gezegd!? O God! Haar ontroering zal ze nu toch verbergen. Moet ze het dan hooren, van die lippen, dat ze zelve.... Neen, hoor:

"Maar naar die oorzaken vraag ik niet. Ik wilde u slechts zeggen, dat ik August op mijn weg heb ontmoet. Van zijn onschuld was ik niet overtuigd. 't Sprak vanzelf dat ik hem in bescherming nam, en een eed zwoer dat men den armen zieke niet vatten zou. Ha, daar was een middel!" vervolgt Philip, en zijn oogen glinsteren ofschoon hij dat middel niet noemt. Goddank, 't was onnoodig geweest zich inplaats van zijn broeder, den vluchteling te noemen: "Maar noodig was 't wèl dat ik hem hier bracht: Zijn eenige "trouwe vriend" kon hem niet opnemen. 't Was om de "lieve kleinen" zei Woudbergs vrouw; men vreesde voor een epidemische ziekte.--Nú is hij hier: 't zal u vrijstaan mevrouw, te blijven of te vertrekken naar goedvinden; maar, ik zeg 't u nóg eens: hier zal hij beter worden of--sterven!--En, als er niemand mocht zijn om hem te verzorgen, al moest het ook weken en maanden lang duren"--Philips stem bekwam eensklaps iets trillends, iets onbeschrijfelijk roerends: "dan, zie,--dan zouden wij hem toch terzij blijven, mijn vrouw en ik; en aan niets, nee, zoo waarachtig als hier een hart klopt, aan niets zou het hem ontbreken, al moest het laatste stuk uit ons huis, ja, al moest de wieg waar ons kind in slaapt, er voor verkocht worden."

--O God, die tranen in dat oog.... Eva weerstaat ze niet.

"Philip!" zegt ze en grijpt de hand van dien vurigen man; en weder: "Philip!"

En hij?--O, dat klinkt als muziek.--Maar neen, dat heeft hij niet bedoeld; niet gewild; en.... Ha, gelukkig, een zachte kreet van den ontwakenden kleine geeft hem het recht om snel zijn hand uit die van Eva terug te trekken. Nu spoedt hij zich voort naar de wieg. Zie, het wakker geworden jongske, met zijn frissche koontjes door den slaap gekleurd, het lacht en kraait zijn lieven vader weer toe.

"Sust sust Fritsje, stil! geen leven maken mijn kleine man!" zegt Philip, en neemt het blondkopje uit de wieg, dien lieven kleinen mol! En als hij nu zijn lippen op die lachende koontjes drukt, dan strekt het kind de kleine poezele handjes naar Eva uit, en wiegt onrustig met het lijfje naar die zij; en ziet haar aan met zijn lokkende blauwe kijkers.

--O welk een engelachtig kind! Zie, zie, hoe het haar toelacht. Met een snelle beweging wischt Eva zich de tranen af; en--als ze het kind, dat zich al meer en meer naar haar vooroverbuigt en bijna het evenwicht zou verliezen, nu met de beide handen heeft opgevangen, dan zegt ze zacht:

"Dat is je zoontje, niewaar Philip?"

"Ja," klinkt het op zonderlingen toon: "en het kindje van Virginie."

Terwijl Eva het jongske zoent, heft ze haar schoone oogen tot den broeder op, en dan.... dan wil ze iets vragen....

Maar 't was niet noodig. Terwijl het in de voorkamer rustig bleef, scheen de moeder te hebben gevoeld dat haar kind was ontwaakt.

Virginie kwam zachtjes den hoek der deur om, in het achtervertrek. Ze zag haar Fritsje in Eva's armen. En:

"Virginie.... zuster!" zegt Eva met bevende stem. Meer zeide ze niet. Maar 't was genoeg.

En, als het spartelende jongske een oogenblik later op den arm der moeder zijn Fiffie, Fiffie! roept, dan heeft Eva den strijd gestreden. Ze had op de bleeke wang dier moeder een zoen gedrukt, een zoen van dankbare liefde.

't Was nu omstreeks een half jaar geleden. Aan Philips eisch was voldaan: August had zijn vrouw geroepen en--hun jongske heeft nú niet geslapen.

VIER EN VEERTIGTSE HOOFDSTUK.

Slechts voor weinige oogenblikken mocht een weldadig gevoel Eva's borst doorstroomen. Droeve hulpkreten klonken er weer uit de aangrenzende kamer. Eva's hoop, straks door Helmonds kalmer neerliggen gewekt, en de zoete gewaarwording der overwinning die zij op zich zelve behaalde, ze waren eensklaps vergeten.

Het innigst medelijden met dien lijder moest nu wel het ongevoeligste hart vervullen.--Eva was radeloos.--'t Werd onmogelijk dat zij langer in de ziekenkamer bleef. Slechts mannenkrachten waren instaat om den armen zieke te beteugelen. Zijn ijlende waanzin uitte zich het allermeest door het denkbeeldig beschermen van een kind tegen duizenden moordenaars, die het van een schaap wilden wegtronen, hem lokkend met gansche snoeren van diamant; en dan weder, zoo mogelijk nog sterker, door in doodsangst te willen ontvluchten aan de handen van bloeddorstige beulen die hem aangrijnsden omdat--zie maar, omdat daar het lijk lag van den generaal, den pleegvader, door hem vergiftigd, door hem vermoord.

De dokter, die tegen den avond nog eens terugkwam, heeft het niet tegengesproken dat het misschien weldadig op den patiënt zou kunnen werken, indien mijnheer Van Barneveld zich spoedig aan hem kon vertoonen:

"Ja zeker mevrouw, toen hij ú zag, toen werd hij óók kalmer. Welzeker!"

"Indien ik dan aanstonds schreef?"

"Ja, dat zou niet kwaad zijn.--Van harte 't beste! Tot morgen. Als ik van nacht soms noodig mocht zijn dan...."

"O God, dokter, u vreest toch niet....? Nee! mijn beste Helmond zal immers beter worden?"

"We zullen doen wat we kunnen mevrouw. Zoolang er geen zekerheid voor een droevig einde is, geven we de hoop niet verloren. In uw beider belang moet ik u echter bepaald ontraden om vooreerst weer bij hem te gaan. Wanneer hij morgen rustiger is.... Ja, dán, welzeker!"

--O, is er een vreeselijker toestand te bedenken!? Hier in het benedenhuis, in een benauwd en somber vertrekje, hier moet ze werkeloos toeven en verteren van angst, terwijl daarboven een aangebeden man door anderen wordt geholpen.... Eva vliegt overeind.

"Lieve kind, blijf toch wat kalm," zegt mevrouw van Hake: "Papa is immers óók boven. En hoor maar.... 't is nu weer rustig."

"Maar hier, hier is de onrust onbeschrijfelijk!" roept Eva, en drukt de hand met geweld op de borst. "O God, als hij stierf.... ik zou krankzinnig worden, want.... Maar nee, ik heb het niet gedaan. Nee, nee!" klaagt en schreit ze voort: "nee, ik heb hem zoo lief, zoo waarachtig lief.--Die vrek is de hoofdschuldige. En hij moet hier komen; hij zal! O schrijf hem, lieve engelachtige vrouw; schrijf hem dat August zal sterven als hij niet aanstonds hier komt. Nee ik, ik kan het niet."

Mevrouw Van Hake is tot schrijven bereid.--Maar dan--zou een brief er niet te laat komen, en zal die gestrenge man gevolg geven aan het dringend verzoek indien Eva het niet zelve vraagt?

--Ja zeker, de brief zal te laat komen, meent Eva, en, waar is het ook, indien zij 't niet zelve vraagt dan zal hij spotten met haar droefheid en angst.--In Godsnaam! Als zij dan kruipen moet, dan zal zij 't nú doen ter wille van dien eenigen vriend!--'t Zal een telegram zijn,--Goed, zij schrijft met trillende hand:

"Generaal!"

--Neen, dat kan niet blijven. Weder schrijft ze:

"De pleegvader van dokter Helmond wordt dringend verzocht..."

--Neen, alweder neen! Zóó weigert hij.--Opnieuw:

"Geachte oom!"--O welk een leugen! "Indien gij nog eenig gevoel voor uw pleegkind hebt...."

--Maar is zij dan krankzinnig! Al ware die stijl geschikt voor een telegram, op dien toon zal zij hem zeker niet bewegen om in allerijl naar hier te komen.

Eva staart voor zich heen. En, 't is haar eensklaps alsof ze den grijsaard dáár zag. Zij spreekt hem aan; zij verzoekt hem dringend dat hij August zal gaan zien en tot kalmte brengen.--Hij weigert.-- "Lieve oom!"--Hij schudt met dat grijze.... toch wel eerwaardige hoofd.--"Oom, beste oom, ik bid, ik smeek u!"--Hij ziet haar aan, maar zwijgt.--"Lieve oom.... ik heb schuld; ja wij zullen terugkeeren van dien weg.... beste oom, maar om Godswil.... ga dan ook mee?"

--Zie, nu wenkt hij haar toe.

Eva drukt vluchtig de hand voor de oogen. Een oogenblik later schrijft ze opnieuw. Eerst het adres, en dan:

"Beste oom. In bitteren zielsangst smeek ik u, kom Helmond aanstonds zien. Hij roept u. Hij zal sterven indien u wegblijft. Eeuwig dankbaar zal u zijn uw

Amsterdam, Buitenkant 103. Eva Helmond,

Armelo."

Het telegram werd verzonden.

En--er volgde een lange en droevige nacht.

Des anderendaags tegen den namiddag, bevonden zich onder de aangekomen reizigers met den sneltrein uit Utrecht, een deftig oud heer benevens een tengere jonge dame. Een oude knecht in eenvoudige livrei, met een valies in de hand, is hen reeds vooruitgegaan, en helpt straks met de meeste zorgvuldigheid den grijsaard en diens bleeke dochter in de vigilante, welke hij spoedig als de beste heeft uitgezocht.

"Naar de Keizerskroon Willem;" beveelt de oude heer.

"Best generaal;" zegt Willem, en slaat even aan, alvorens hij zich naast den huurkoetsier op den bok zet.

"Niet zoo hard rijden;" zegt Willem tot den voerman: "De generaal is niet al te wel, en hard rijden op de steenen zou hem kwaad kunnen doen."

"Zoo, is dat een generaal?" zegt de aangesprokene: "Ik dacht wel dat het een hooge van 't volk was. Nou hier in Amsterdam malen we daar weinig om."

Willem zweeg, maar op gevaar af van een "standje" met dien huurkoetsier te krijgen, greep hij als man van 't vak, naar de leidsels, want, dat vreeselijk gehots op die keien 't moest den generaal zeer zeker hinderen.

Ja, Van Barneveld was inderdaad zeer vermoeid toen hij aankwam. 't Was volstrekt noodzakelijk dat hij eerst in 't logement een half uurtje uitrustte.

De eerste vraag van Jacoba aan den opperschenker in het logement, was, om haar aanstonds een kopje en wat melk te bezorgen. Nog met haar handschoenen aan, maakte ze voor den lieven vader weer een van de poeders klaar die den zieke zoo heilzaam zijn geweest; en--in geen geval zou ze het anders doen dan dokter August Helmond had voorgeschreven.

"Over een half uur de vigilante;" beval Van Barneveld: "Buitenkant, nummer honderddrie."

Aan dien Buitenkant Nº. 103 stond het dokterskoetsje voor de deur. De dokter sprak in een der benedenkamertjes nog even met mevrouw van Hake. 't Was heel goed dat mevrouw Helmond nu maar boven bij hem was. Neen, kwaad kon het volstrekt niet; och nee.--Over een paar uren hoopte hij nog even aan te rijden, want.....

Mevrouw Van Hake vernam verder de laatste woorden in de gang, en zag daarna het koetsje wegrijden.

O welk een onbeschrijfelijk zalig oogenblik is het geweest, toen die schrikkelijke nacht was voorbijgegaan en de afgetobde lijder, na eenige uren van rust, de oogen heeft geopend, en kalm en zacht heeft gevraagd;

"Is Eva niet hier?"

--Ach, wáár zou ze nu anders wezen! Ja ja, hier was ze:

"August! eeuwig dierbare, lieve August! Och je kent me dan weer?"

"Ja, ja juist, ik wist wel dat je komen zoudt."--Hij ziet haar aan: "Goddank dat je er bent mijn lieve.--Ik ben erg ziek Eva; heel ziek."

"Ja mijn beste, maar nu ben je beter."

"Beter?--Toch niet heelemaal beter Eva. Ik voel.... Luister eens.... Hier.... Geef me die hand.... Zoo.... Wacht even.... 'k Ben moe.... heel moe...."

"Lieve beste August, als het je vermoeit, spreek dan niet; word dan eerst weer sterk en gezond."

"Ja, maar dan zou het te laat kunnen zijn;" zegt Helmond weder na een korte pauze en nu op zeer duidelijken toon: "Zoo, ja met die lieve hand op mijn hoofd dat is goed.--Eva, zeg, zijn wij alleen? Is daar nog iemand?"

"Ja beste, hier is papa; en Philip is daar ook. Je trouwe brave Philip die je in zijn woning verzorgt."

"Ik weet het; ik heb dat alles gehoord.--Goeje jongen! Onverdiend!"--Hij roept luider: "Philip!"

De jongere Helmond staat nu bij het ledikant. 't Is hem onmogelijk om een woord te spreken, nu hij de trillende broederhand vat die hem werd toegestoken, terwijl die afgetobde blauwe oogen hem zoo onverklaarbaar gevoelvol aanstaren.

"Papa ook;" herneemt August: "Brave man! Hier blijven allebei Mevrouw Van Hake....--Virginie!" zegt hij weer luider.

"Och Philip, roep je vrouw; hij wil haar zien;" zegt Eva snel:--O hoe helder spreekt hij nu. "Lieve eenige August!--Goddank, Goddank dat alles voorbij is!"

Een oogenblik bleef het stil.

"Ja, alles is voorbij...." herneemt Helmond, en vervolgt, somtijds zwakker doch ook telkens weer met heldere stem: "Voorbij!.....'t Was een korte dag. De morgen was wel schoon, maar de avond is vroeg gevallen; een leelijke mist had den dag verdonkerd...."

"Het ijlen begint weer;" fluistert Armelo bijna onhoorbaar tot mevrouw Van Hake; "Dan moet Eva weg. Volstrekt!"

"Ja Eva, ja, mijn zwakheid heeft dien korten dag in een mist gehuld...."

"August, mijn lieve August, spreek daar niet van."

Helmond slaat vluchtig de oogen tot haar op:

"Ik heb vreeselijke droomen gehad Eva."

"Och, die zijn nu voorbij," zegt Eva weder, en zoent hem op de ingevallen wang.

"Zóó, dat wilde ik juist vragen," herneemt de zieke zeer luid: "een zoen! Ik wist wel dat je hem geven zoudt, mijn mooi lief kind, mijn nachtegaal!"

Eva blijft hem zoenen met vuur, totdat de stem eener zorgvolle, vriendin haar in 't oor fluistert:

"Spaar hem. 't Is niet goed lieve Eva!"

"Laat haar, brave vrouw;" zegt Helmond weder, en heeft nu de oogen der doktersweduwe ontmoet: "Zij wil het doen voor u allen: mij mijn schuld vergeven." En dan nog luider: "Ja, mijn schuld mij vergeven, mijn zondige zwakheid, mijn ellendige zwakheid!"

Het moede hoofd viel terzij. Zóó kon hij niet voortgaan, maar toch vernam men nog met bijna onhoorbare klanken: "Als een kind grijpt naar de vlam eener kaars, dan.... weerhoudt men dat kind...."

't Gaf Eva na de oogenblikken van stille blijdschap over die merkbare beterschap--waardoor ze als 't ware in den zoeten dommel van 't verleden was teruggevoerd--een vreeselijken schok toen Helmonds laatste, misschien alleen voor haar verstaanbare woorden, haar zoo ontzettend diep in de ziel zijn gedrongen.

--Nu weet zij het weer; ja, alles ineens:

--Door háár, door háár alleen, is die brave goede man al dieper en dieper gezonken.

--Door hare schuld, o God, was er in zijn reine ziel waarschijnlijk voor een oogenblik--een ondeelbaar oogenblik--de gedachte opgerezen dat het geneesmiddel voor den grijzen pleegvader in een grooter hoeveelheid toegediend, het middel ter uitredding in den nijpenden geldnood zou kunnen worden.--Ja, Eva weet het nu alles: Wat zij niet zelve heeft begrepen, dat heeft die trouwe vriendin haar op 't zachtst en 't liefderijkst doen gevoelen.

"Och August!" barst Eva nu bitter schreiende los: "Moet ik, ik vergeven, ik, ongevoelig ijdel schepsel, ik!" Zij verbergt haar schoon gelaat in de beide handen, en dan, voorover vallend op zijn kussen, schreit ze nokkend voort: "Ik ben schuldig, ik heel alleen. O wát geef ik om alle schatten ter wereld als hij maar leeft. Och goede God!"

De oudere Helmond heeft het hoofd weer naar Eva's zij gewend: hij doet een poging om zijn hand op haar hoofd te leggen.

Mevrouw Van Hake ziet het, en is hem behulpzaam. Hij dankt haar met dat moede goedaardige oog. De weduwe verwijdert zich van het ledikant, 't Kon iemand te machtig worden. Helaas! zij weet dat er maar zeer weinig hoop op beterschap is.

"Eva niet schreien;" herneemt nu Helmond. En na een oogenblik stilte: "Wij hebben elkander te zwak.... maar toch zeer liefgehad, Eva.... zeer! En, nu zullen wij scheiden lieve kind."

't Was dokter Helmond aan te zien dat hij zich nog in deze laatste ure beheerschen kon. Hij heeft Eva de naderende scheiding zelf willen aankondigen. Hij had zich voorbereid op de uitwerking van dien vreeselijken schok. Het moest zoo wezen, in aller belang.

En, na een akeligen wanhoopskreet van Eva, en een uitbarsting van haar hevig beangst gemoed, terwijl ze schier in vertwijfeling God en menschen om redding smeekt voor hem die haar zoo lief is, slaat Helmond met alle krachtsinspanning den arm om haar hals, en zegt met heldere stem:

"Toon dan nog eens Eva, dat je mij waarlijk liefhebt, en schrei niet zoo hevig lieve; dat schreien maakt mij het sterven bang!"

Zie, die woorden wekken haar op. Ja zij vermant zich.--Moet zij hem dan ook het sterven nog bang maken. Zij!

"O, maar God zal het niet gedoogen! Nee August! Nee, nee, niet sterven, mijn lieve lieve man! In een hut wil ik wonen als je maar bij mij blijft; met brood en water zal ik tevreden zijn. O, voor wie, voor wie zou ik leven, als jij, mijn eenige, me ontvallen moest!"

En Helmond fluistert met trillende stem:

"Voor ons kindje Eva. Als God wil dan zie je mij in ons kindje weer.... Wees sterk, en leef voor hem lieve vrouw...." En dan bijna onhoorbaar: Als een kind grijpt naar de vlam eener kaars...."

"Mijn engel, mijn eenige!" nokt Eva aan zijn oor: "Zoo waar als God leeft, ik zal sterk zijn en goed. Maar jij zult bij mij blijven; jij zult hem leeren, en mij steunen; ja August, ja!"

"Ik heb het wel vurig gewenscht.... lieve vrouw. Ik zou hem zoo graag.... op den arm hebben gedragen.... en gekust op dat lieve kopje, maar, dat zal niet zoo zijn." En zich afwendend, onhoorbaar: "Nee, niet zoo zijn. Ik heb het niet verdiend!"

In het uur dat volgde kwam de dokter weder. Hij schudde het hoofd. Maar gelukkig, de zieke was nu zeer kalm; en de liefde van allen die hem omringden spreidde zijn peluw zacht.

Daareven was het een treffend oogenblik geweest. Met de vervlogen hoop om ooit het kindje te zullen zien waarnaar hij zoo vurig verlangde, heeft hij, waarschijnlijk teneinde zich nog even in de aanschouwing van een kleinen Helmond te verheugen, de namen van Virginie en Fritsje genoemd. En, ijlings is toen de moeder heengesneld en met haar jongske teruggekomen. Ja, ofschoon August onmiddellijk na het roepen van die namen heeft gestameld, dat men hem het kindje toch liever niet brengen moest--immers de vrienden Woudberg waren misschien met eenig recht bezorgd voor hun kroost geweest,--die moeder, die ouders hier, ze hebben geen oogenblik berekend.

Ach zie, met Fritsjes kleine warme handje, streelt nu die moeder nog zijn kille wang.--O God, dat deed hem zoo onbeschrijfelijk goed, en hij heeft gestameld:

"Philip, Virginie.... Eva, lieve vrouw, onze kinderen zullen, als God wil.... vrienden zijn, trouwe brave vrienden!"

Slechts twee wenschen, die de lijder een paar malen heeft geuit, schenen niet vervuld te zullen worden. De generaal Van Barneveld was nog niet gekomen, ofschoon hij desnoods reeds in den voormiddag te Amsterdam had kunnen zijn.--Mevrouw Van Hake bedroefde dit, misschien het allermeest in Eva's belang. Maar, innig deed het haar tevens goed, dat Helmonds tweede wensch--ofschoon die bezwaarlijk zou kunnen vervuld worden--haar besten Thomas gold. Helaas, het zou zeker te laat zijn al wilde men hem nú nog ontbieden, maar--Thom zou het weten, en levenslang zal hij den geliefden dokter er voor zegenen, dat hij nog in zijn laatste uren tot driemaal toe naar zijn "braven Thom" heeft gevraagd.

Een weldadig gevoel mocht mede de goede vrouw vervullen, toen zij weinige oogenblikken later het papier kon toevouwen, 'twelk een zeer kort afscheidswoord van dokter Helmond aan zijn pleegvader bevatte, een vaarwel, 'twelk hij haar met zwakke stem gedicteerd had, en daarna, ofschoon met onvaste hand toch zeer goed leesbaar, met zijn voornaam heeft onderteekend.--Dat afscheid luidde:

"Oprecht geliefde pleegvader!

"Heb dank voor alles. Laat mijn sterven de zoen zijn voor het leed, dat wij u hebben aangedaan.--Ik beveel u de vrouw aan, die ik te zwak heb bemind, en het kindje waarvoor zij leven wil. Mijn vertrouwen staat vast dat mijn weldoener grootmoedig mijn schuldeischers voldoen, en mij bovenal de schuld mijner zwakheid zal vergeven. Groet mijn zusje met een kus. Vaarwel!

Uw stervende

August."

Onder 't schrijven heeft mevrouw Van Hake op een schier gebiedenden wenk van Philip den volzin weggelaten, dien August er bij gedicteerd had: "Vergeef ook den trouwen Philip; zijn vrouw is zijn leven en kroon!"

Neen neen! Philips oogen hebben gefonkeld: Dat nooit; dat in der eeuwigheid niet!

Papa Armelo, die in het benedenvoorkamertje een brief aan mama en Louise schrijft, ziet eensklaps op. Onder den bril door, naar buiten turend, meent hij dat zijn oude oogen hem bedriegen. Daar ginds, dicht bij den waterkant zag hij een blond jongmensch die, terwijl hij zich het zweet van het aangezicht wischte, aan een sjouwerman eenige inlichtingen scheen te vragen.

En die jonkman was.... Maar een rijtuig is er eensklaps tusschen in gereden.--Het hield stil; hier, juist hier voor de deur.

--Is het Willem van De Zonsberg, de oude koetsier, die daar van den bok springt? Is het de generaal die.. .?

Armelo weet niet of hij waakt of droomt. Hij schreef daar juist aan mama en Louise dat die generaal toch zeer koud en hardvochtig was, want, dat Eva gisteren een telegram had gezonden en.... Maar nu, in een oogenblik heeft de oud-kapitein zijn onvoltooiden brief van de tafel weggegrepen en, ineengefrommeld, in den jaszak gestoken. Nu heeft hij de deur van het kamertje geopend. De generaal Van Barneveld is binnengetreden.

Hij ziet er zeer slecht uit, en is nog bleeker dan zijn dochter die achter hem aankomt.

De grijsaard kan ternauwernood spreken.

Armelo is een weinig verlegen, en neemt daardoor onwillekeurig een eenigszins militaire houding aan, terwijl hij in zijn woorden een paar rrs meer dan gewoonlijk gebruikt.

"Ja 't is zeer zeer erg generaal! Ik vrees.... Tenminste...."

Van Barneveld ziet op.

Tenminste.... kapitein?--Dus er is nog hoop?"

"Volgens den dokter niet, generaal. Hij heeft ontzettend geleden."

"Wij weten dat alles kapitein;" valt Jacoba zeer haastig in, en even snel vervolgt ze: "Is de familie van Helmond óók bij hem? Ik meen zijn broer en zuster?" en terwijl zij dat vraagt, wenkt zij den man dat hij ontkennend zal antwoorden. Maar de goede Armelo is de jaren van mimiek en taal der oogen voorbij. Hij heeft het niet begrepen.

"Jawel juffrouw, tenminste nog voor weinig minuten waren ze er allebei.--O generaal, uw komst is een waarachtige zegen van God. Wat heeft die arme Helmond om u geroepen en naar u verlangd." Armelo werd stouter: "'t Is braaf, 't is edel generaal, dat u gekomen bent. Ik zal ze boven met uw komst gaan bekend maken."

"Kapitein!" roept Van Barneveld hem na. Maar, of de oudedag Armelo soms al wat hardhoorig maakte, althans hij keert niet terug.

't Was een vreemde verschijning voor den generaal en zijn dochter, toen ze inplaats van Armelo, daar eensklaps Thomas Van Hake, zoo rood als scharlaken zagen binnenkomen.

Thom heeft in één adem gezegd wat hij op 't hart had: Dezen morgen, juist tien minuten voor 't vertrek van den sneltrein, heeft hij dezen grooten verzegelden brief aan 't adres van zijn goeden meester ontvangen. In verband met courantenberichten, en een paar woorden die de dokter zich in den laatsten tijd, zeer in vertrouwen, heeft laten ontvallen--als zou men hem namelijk over iets zeer gewichtige gepolst hebben,--in verband met dit alles heeft het aanstonds bij hem vastgestaan dat deze brief dokters benoeming tot professor bevatte. Terstond heeft hij Bus verzocht om voor dezen enkelen dag het huis te bewaren, en is hij zelf, zonder oponthoud naar het station gevlogen, waar de sneltrein juist het sein tot vertrekken gaf, toen hij bijna ademloos in een derde-klasse-waggon is neergevallen. Bij aankomst te Amsterdam heeft men hem eerst naar een geheel verkeerden Buitenkant gezonden; maar nu, hier zijnde, nu dankte hij den goeden God, dat hij--zooals de kapitein hem reeds in de gang heeft gezegd--zijn lieven meester nog in leven vindt om hem zelf dit schrift te kunnen geven, en, nog eens de hand te mogen drukken van den vriend, die zich zoo liefderijk over een arme weduwe en haar kind had ontfermd.

Van Barneveld scheen zeer getroffen.--Hij aarzelde een oogenblik, en sprak toen schijnbaar kalm:

"Je ijver prijs ik jongmensch; maar wat je doen wilt, keur ik af. Zulk een stuk moet den man niet meer onder de oogen komen, die binnenkort voor den rechterstoel van God zal verschijnen. Geef mij dien brief menheer Van Hake, en spreek er niet van."

"Maar generaal, maar...." stottert Thomas onthutst.

"Ik verzoek dat je mij dat stuk geeft menheer Van Hake!"

"Nee generaal, nee! Neem mij niet kwalijk, maar dat, dat is te erg. Om mijn besten dokter die laatste eer.... die...." Thomas ziet eensklaps Jacoba's angstig smeekenden blik. Hij weet niet wat het haar heeft gekost om den vader tot deze reis, en vooral tot het bezoeken van den stervende in de woning van Philip Helmond te bewegen; neen, Thomas weet het niet; maar die blik van Jacoba doet hem plotseling de waarheid vermoeden; en.... zou hij haar smeekend vragen weerstaan? Mag hij dien al te gestrengen man, hier--nog eer hij den dorpel van dat ziekenvertrek overschrijdt--door een vermetele tegenspraak ontstemmen, en daardoor misschien veel meer bederven dan honderd zulke stukken kunnen goedmaken?

"O vergeef mij generaal" valt hij nu zich zelven in de rede: "ik wil mij aan uw wijzer oordeel onderwerpen. Ik dacht maar dat het iemands sterven verlichten kon, wanneer hij de zorg aan zijn jeugd besteed, nog in 't laatst zoo krachtig gewaardeerd zag."

Een half uur later zat de oude generaal aan het sterfbed van zijn pleegzoon.

Mevrouw Van Hake heeft het reeds gezegd: 't kon iemand soms te machtig worden. Ook dien grijsaard werd het te machtig toen het reeds mat geworden oog hem voor 't laatst zoo smeekend aanzag, en zijn woorden nog bijna onhoorbaar klonken:

"Dank vader! Uw vloek.... gold de zonde! Uw gestrengheid was liefde.... Onnut en zwak.... mijn leven.... Verzoening mijn sterven.... O, voor allen vergiffenis vader?"

En de oude generaal? Er gleden dikke tranen langs zijn grijzen knevel neer; en hij drukte de magere hand van dien.... ja, van dien geliefden, dien meest geliefden pleegzoon; en, hij wilde nog spreken, maar neen, neen, die hand kan hij nog drukken, maar spreken, o God der genade, spreken, dat kon hij niet.

Maar hoor, daar klonk al schreiend en bevend toch een welluidende stem. 't Was die van Jacoba:

"Nee mijn goede August: onnut was je leven niet, nee! Dat mijn beste vader nog hier kon wezen, hij dankt het, naast God, aan de hulp van mijn lieven broeder!"

Thom kan niet zwijgen in dezen stond. Neen, goede God, hij kon het niet!--Als een doode zoo wit, grijpt hij de hand van zijn vriend, en zie zie,--er zweeft voor 't laatst een glimlach over Helmonds gelaat.

Heeft hij 't verstaan, heeft hij 't begrepen dat men hém, "den ellendig zwakken, den verder voor dit leven onmogelijken mensch"--zooals hij straks zich zelf had genoemd--nog den schoonsten en hoogsten titel als man der wetenschap heeft waardig gekeurd?

Sinds de generaal en Jacoba waren binnengekomen, heeft Eva zich met alle kracht beheerscht.

Bijna onveranderlijk is zij in dezelfde houding gebleven; met den arm om het hoofd van haar dierbaren man geslagen, want o, dát was hem zoo goed, heeft hij gefluisterd--en, ofschoon zij nog altijd op herstelling en leven hoopte, ach! als het dan anders wezen moest, neen, dan zou ze hem die ure toch niet bang maken, maar voor 't laatst nog toonen dat ze hem wel innig en waarachtig liefheeft.

--Maar--o God, wat is dat! Met een kreet van ontzetting vliegt ze eensklaps overeind:

"Eva!" heeft hij nog eens al stervend gefluisterd. En toen, toen is zijn laatste adem gevloden.--Helmond, haar dierbare, haar eenige Helmond; hij was niet meer.

Aan den avond van den volgenden dag kwam er van den kant der Nieuwe-Stadsherberg een trekschuit langzaam aangevaren.

Juist tegenover het huis nº. 103 aan den Buitenkant, zag men het vaartuig aan wal komen, en de schipper met zijn knecht wachtte er totdat de avond geheel was gevallen en de torenklok van de Oude Kerk zes had geslagen.

Weinige minuten later heerschte er een buitengewoon gestommel in het kleine voorkamertje der genoemde woning. Een agent van politie stond buiten, en hield een nieuwsgierige menigte terzij, die al spoedig een langwerpig voorwerp met een zwart laken overdekt door een achttal mannen ter deure uit en dwars over de straat zag dragen, terwijl het daarna met alle behoedzaamheid in het ruim der schuit geborgen werd.

Toen het vaartuig eenige minuten later van den wal was losgemaakt, gleed het weer langzaam heen.

In den stuurstoel stond, met het hoofd voorover, een reeds bejaarde man in eenvoudige livrei. Men kon het hem duidelijk aanzien dat hij een oud-gediende was.

Bij het wegvaren sloeg de oude nog eens de oogen op dat smalle hooge Amsterdamsche huis.

--In die woning was dan de brave pleegzoon van zijn meester, zoo jong, nog zoo bitter jong, gestorven!

De gaslantaarn, die juist was opgestoken, verlichtte inzonderheid het nummer der kleine woning. De oude Willem gaf er zich geen rekenschap van hoe hem nu eensklaps de woorden vol droeve waarheid zoo levendig voor den geest kwamen:

"Gelijk het gras is ons kortstondig leven, Gelijk een bloem die, op het veld verheven, Wel sierlijk pronkt, maar krachtloos is en teer. Wanneer de wind zich over 't land laat hooren, Dan...."

"Ach, zoo jong, zoo in de kracht van 't leven!" herhaalt de oude nog eens; en, het oogenblik kwam hem weer levendig voor den geest, toen hij--nog zoo kort geleden, dien goeden dokter als bruigom, met bloemen en linten aan 't tuig, mocht rijden, en hem benijdde omdat hij al spoedig het graf zou zien van den grooten Keizer die de heele wereld verwon....

Willem de grijze koetsier weet niet hoe het komt, maar 'tgeen hij nú gevoelde, dat heeft hij nog nooit gevoeld.--Hij zou niet weten wát te antwoorden indien men hem vroeg of hij nóg gaarne zou meegaan om het graf van dien grooten Keizer te zien. 't Zou hem nu zijn alsof....--De oude schudde het hoofd, en staarde vóór zich in het zwarte water, en streek den traan weg, die hem in den grijzen knevel gebiggeld was.

Thomas Van Hake is reeds in den morgen met Armelo naar Romphuizen vertrokken, om er den kapitein, met hetgeen er voor de begrafenis te regelen viel, behulpzaam te zijn.

De generaal die gisteren, na zooveel aandoening, weer minder wel was geworden, zal eerst morgen naar Romphuizen terugkeeren.

Op dit oogenblik, terwijl de pendule in de ruime hotelkamer halfzeven wijst, zegt hij tot Jacoba die juist weer een der poeders, waarop ze zooveel vertrouwen heeft, voor hem gereedmaakte:

"De schuit kan al twintig minuten weg zijn. 't Verwondert me dat ze nog niet komen."

"Misschien gaan de klokken hier niet zoo goed als op De Zonsberg lieve papa;" antwoordt Jacoba en geeft hem de medicijn.

De vader gebruikt die stilzwijgend, en zijn oog rust weder op het schrift, waaronder August met reeds stervende hand zijn naam had geschreven, en waarvan de inhoud hem telkens herinnert aan die smeekende woorden van den gestorven pleegzoon: "Verzoening, vergiffenis."

Van Barneveld weet niet dat er, op Philips uitdrukkelijk verlangen, een paar regels uit dien laatsten brief zijn weggebleven.

Maar, evenmin weet hij dat Jacoba's hart, bij al de droefheid en zorg--waarin ze schier wonderdadig tot de vervulling van haar moeielijke kindertaak werd gesterkt--nog onrustiger klopt dewijl het aanstonds zal uitkomen, dat zij zich alweder, uit waarachtige liefde, aan een klein bedrog heeft schuldig gemaakt. Van Barneveld weet het niet dat Jacoba een paar woorden heeft gevoegd bij de weinige regels, die de vader haar verzocht heeft aan Eva te schrijven, en die toen aanstonds naar het huis aan den Buitenkant zijn gezonden.

Alvorens Amsterdam te verlaten, heeft de oude generaal zijn jongsten pleegzoon doen weten: dat hij hem ter wille van dien afgestorven broeder, vergiffenis wilde schenken, wanneer hij waarachtig berouw gevoelde over de vreeselijke woorden, die hij vroeger gesproken had.

Jacoba heeft moeten schrijven:

"Indien Philip alzoo gezind is Eva, laat hij dan met u meekomen." En, Jacoba heeft er uit zich zelve bijgevoegd: "Natuurlijk, Philip èn Virginie, zijne vrouw."

Jacoba wordt eensklaps nog bleeker dan zij gewoonlijk is. Op dit oogenblik heeft er een rijtuig voor de Keizerskroon stilgehouden.

Was het een wreedaardig spel van het lot, dat die jonge moegeschreide weduwe in dezen stond den drempel van hetzelfde hotel moest betreden, waar ze aan de zij van haar geliefden vriend, den avond van haar eersten huwelijksdag was binnengegaan!

Zij wankelde op dien drempel.

--Maar Goddank, nog altijd was de trouwe vriendin haar terzij, die haar telkens dat woord van den eenige herhaalde: "Wees sterk, en leef voor ons kind lieve vrouw."

Van Barneveld zag bij het zwakke licht der beide bougies niet aanstonds dat er vier personen waren binnengekomen.

Jacoba beefde.

De grijsaard is opgestaan. Zijn oogen waren vochtig.

--Goddank! juicht het tengere meisje in stilte: Hij is zeer bewogen.

"God plaagt niet uit lust tot plagen!" zegt Van Barneveld terwijl hij Eva's hand vat: "Wij hebben veel verloren, maar het betere zeker gewonnen Eva."

Ach, hoe kon zij dit toestemmen in dezen stond!

Eva schreide bitter.

"Wij hebben hem beiden liefgehad," herneemt Van Barneveld: "maar ieder op een andere wijze. Voortaan--zoolang als God mij het leven schenkt, zullen wij elkander liefhebben Eva, als vader en dochter.--Je hebt nu geleerd dat het geluk niet uit weelde en overdaad wordt geboren, terwijl de handen er werkeloos bij neerhangen."

--O God, wat klinken die woorden hard, vreeselijk hard in zulke uren van bitteren rouw!

"Maar ik spreek geen verwijt;" herneemt de generaal: "Ik heb mijn ongelukkig pleegkind beloofd dat ik voor je zou waken en zorgen. Berust in den wil van God. Leer met weinig tevreden zijn, en geloof dat ook ik aan 't eind van mijn leven zwaar ben geslagen, want ik had hem lief Eva, zeer zeer lief!"

Terwijl zijn handen beven, en de tranen hem over de wangen rollen, geeft hij Eva een zoen.--En zij....?

Ze wil spreken; doch, zij kan het niet. Een oogenblik nog, en dan,--dan ziet ze hem aan en zegt op vasten toon:

"Ik wil u liefhebben oom, want mijn August had u lief. Uw raad wil ik hooren, en uw lessen opvolgen, maar," en nu trilt hare stem "Ik zal voor mij zelve zorgen, want...." In een hevig snikken barst zij uit, en de woorden er bijvoegen kon ze niet: Want van úw weldaden te leven, dat zou mij onmogelijk zijn.

O Goddank, dat zij die laatste woorden terug heeft gehouden. Die eersten, ze hebben den grijsaard zoo innig goedgedaan, ja gegrepen in 't hart.--Weet die oude man, dat men hem soms van bekrompenheid of zelfs van gierigheid beschuldigt? Weet hij dat zijn gestrengheid en zijn strijden voor wat hij recht en goed acht, inderdaad wel eens hardheid wordt?--Maar nu, o, nú wordt zijn hart zoo warm als een zomer-zonnestraal, en die gloed blonk hem uit de oogen; en zijn beide armen naar Eva uitstrekkend, zegt hij op onbeschrijfelijk en roerenden toon:

"Goed zoo kind! lieve kind! goed zóó!--Ach God, wáárom is nú mijn arme jongen er niet!"

"Oom, is er dan nog geen jongen die u wil liefhebben?" zegt Philip, eensklaps naderbij komend, en vat de hand van den trillenden grijsaard die Eva nu vast aan het hart hield gedrukt: "Oom, de arme August heeft verzoening gewild; en, ú hebt ons de hand toegereikt. Nú, weldoener van mijn jeugd, is het aan mij om u vergiffenis te vragen voor dat onzinnige woord in blinde drift gesproken. Ik moest het toen geweten hebben dat uw toorn alleen mijn stap van onbedachtzaamheid gold: uw rein gevoel, uw diep gevoel van eer kon immers nooit op den duur het lieve meegesleepte kind verstooten, aan wie uw wilde jongen zijn woord van trouw had gegeven."

Door Jacoba onmerkbaar vooruitgestuwd, is Virginie Helmond nu mede, ofschoon schoorvoetend en met neergeslagen blik, den grijzen generaal genaderd. Philip grijpt haar hand en vervolgt:

"Oom, hier staan we nu beiden. U hebt ons geroepen. U wilt vergeven; en wij, wij zullen u eeren en liefhebben. Ja, door duizend vuren zou ik voor u vliegen omdat u haar, mijn alles, hebt erkend; en zij, mijn schat, ze vloog met me mee, want, oom, we zijn één, in alles één!"

Verrassing en verbazing hebben eensklaps Van Barnevelds gelaat geteekend, toen hij Philips vrouw, zoo geheel onverwacht, heeft voor zich gezien.--Wat moest dat beduiden!--Heeft hij, hij zelf haar geroepen, hij! Is het dan noodig dat men ook die vrouw....? Maar hoor:

"O, wij zijn al vriendinnen, niewaar lieve zuster!" roept Jacoba; en inwendig bevend slaat ze den arm om Virginie's hals, en geeft haar voor 't oog van den vader, een teederen zoen.

En de oude generaal?

O, indien men de sterkste vesting wel veroveren kan, hoeveel te eer zal men dan het hart overrompelen van een bewogen grijsaard, aan den eindpaal van het leven.

"Virginie!" zegt de oude man; en ofschoon hij de hand op dat overrompelde hart moet drukken, hij voldoet toch geheel aan dokter Helmonds uitersten wil, en geeft ook een zoen aan de schoone maar tevens goedaardige vrouw van zijn jongsten pleegzoon.

En de najaarsstormen hebben gewoed; en de winter heeft ijsbloemen op de vensterglazen geteekend, schoone maar koude bloemen.--En de eerste groene scheutjes en blaadjes en veldbloempjes zijn toen te voorschijn gekomen, en, evenals zij, ook de vogels met hun luid getjilp en gefluit vooral 's-morgens vroeg op de daken.

't Was in die zeer koude dagen, toen de ijsbloemen niet van de glazen wilden wijken, dat Eva Helmond aan een vaderloos jongske het leven schonk.

Maar met de eerste bloemen en zangen der lente, toen ook de eerste kraaiende lachjes van het onschuldige wicht die arme moeder hebben verkwikt, toen was het haar mede alsof ze tot een nieuw leven ontwaakt was. 't Moest een leven worden ten nutte van dat lieve kind, en een leven ten nutte van anderen bovendien.

De generaal Van Barneveld heeft er voor gezorgd.

Het groote huis op de markt, 'twelk hij van mevrouw de weduwe Helmond ondershands heeft gekocht, en betaald met een som waardoor alle schuld kon vereffend worden, het groote voormalige burgemeesters- en doktershuis is--het doktershuis gebleven. Zie, die steen in den gevel moet het aanduiden; daarop staat gegriffeld: HELMONDS-STICHTING.

Ofschoon van alle meubelsieraad ontdaan, is het gebouw in- noch uitwendig belangrijk veranderd.

't Was een kostbaar geschenk, 'twelk de stad Romphuizen, met deze langgewenschte stichting, van den generaal had ontvangen. En, wie zou men nu eerder tot beschermvrouw van dat prachtige Weeshuis hebben gekozen, dan de weduwe van den man wiens naam de stichting droeg, en die voorzeker zooveel ze kon, haar kracht eraan zou willen wijden!

Maar nog een ander monument mocht de stad Romphuizen in datzelfde voorjaar ontvangen.

't Was het monument op Donerie's graf.

Aan den avond van den dag toen de plechtige onthulling ervan heeft plaats gehad, en de cantate nogmaals was gezongen en besloten met dat roerend:

"Slaap zacht, tot den morgen die u wacht!"

aan den avond van dien dag hield er een rijtuig voor het kerkhof stil. Twee jonge vrouwen in rouwgewaad stapten eruit. Ze werden geholpen door den tuinman van De Zonsberg, die naast den ouden Willem op den bok heeft gezeten.

"Hierheen Eva!" fluistert Jacoba, en gaat haar voor op een welbekend pad.

En ja, aan 't eind van den doodenhof, waar het kleine doch smaakvolle gedenkteeken verrees, daar moesten ze zijn.

Jacoba's oogen glinsterden terwijl ze er beiden nu sprakeloos stonden.

"En die steen.... dat is....?" zuchtte Eva.

"Ja dat is ons nieuwe graf;" bevestigde Coba: "Daar rust nu die goede August, in de schaduw van Donerie's monument."

Eva sprak niet.--O, dat woord moest haar ziel wel treffen: "In de schaduw van Donerie's monument!"

Jacoba zweeg mede.--Zij had haar doel bereikt. Op die stille plek naast het gedenkteeken, heeft haar vader den nieuwen grafkelder moeten koopen. Jacoba had het zoo besloten: zijzelve wilde er eenmaal rusten, naast de groeve van den eenige, dien ze zoo diep in haar ziel heeft liefgehad.

En Eva en Jacoba ze bleven daar sprakeloos nog een geruimen tijd staan. Beider oog was nu voor 'tmeerendeel op den tuinman gevestigd, die aan 't boveneind van de nieuwe blauwe zerk zijn arbeid verrichtte.

Wat hij er doet?--Hij plant er het takje van den meidoorn, 'twelk Eva, op den laatsten middag van haar zaligen bruidstijd, aan den geliefden bruigom heeft gegeven.

Pas kort geleden heeft Eva vernomen wat er met dat takje gebeurd is:

Met een schoonere bloem voor oogen, die hij den volgenden dag de zijne zou noemen, had August het reeds verflensende meidoornbloempje dien avond op De Zonsberg achtergelaten. En de oom die het takje vond, had er bloem en blaadjes en de kleine zijtakjes afgedaan, en--om eens te zien wat er nog van komen kon, heeft hij het binnen de serre in een pot met aarde gestoken. Zóó was het takje, wèl verzorgd, aan 't botten gegaan, totdat.... totdat op een lateren droeven morgen de tuinbaas het "wegwerpen zou".

Maar de tuinman heeft dat niet gedaan. Hij heeft den pot met het takje erin, bewaard. Immers Willem de oude koetsier wist heel zeker dat dokter Helmond op dien middag een takje rooden meidoorn in het knoopsgat heeft gedragen, en--'t was toch aardig, ja, en nú aandoenlijk erbij--dat de oude generaal het zelf gepoot en zelf gekweekt had.

En zie, nu staat het daar; en 't zal mettertijd een struik worden, een boom misschien, en de roode meidoornbloempjes zullen vallen op Helmonds graf, dat ook eenmaal Eva's graf zal zijn.

NASCHRIFT.

Wie voorts van vriend of vijand in Romphuizen nog iets meer zou willen vernemen; van den man die door een schot los kruit aan zijn eind kwam; of van de huwelijksplannen van den jongen Hardenborg; of van de gronden misschien waarop het engagement van den apotheker Van Hake met Louise Armelo rust; die zal zeker het best doen om zich in persoon te vervoegen bij den heer Jules Janin Kippelaan. Althans, er bestaat geen twijfel: wie zich bij hem aanmeldt, dien zal hij--met de beide handen vooruit--welkom heeten als zijn besten vriend, en hem alles meedeelen wat hij maar weten wil. Wel is waar zal Kippelaan moeten bekennen dat het hem nooit heel duidelijk werd hoe mijnheer Philip Helmond van "gemeen acteur, assuradeur" is geworden; maar zeer zeker zal hij steeds besluiten met de verklaring: dat hij altijd de intieme vriend was van dokter Helmond en zijn vrouw.

Den Haag 1869.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us