← Dokter Helmond en zijn vrouw

Dokter Helmond en zijn vrouw (part 1 of 3)

Part 1 of 3 · Jacobus Jan Cremer · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #25138, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (3)

Continue:

Dokter Helmond en zijn vrouw

Dokter Helmond en zijn vrouw

Door

J. J. Cremer

Achtste Druk

A. W. Sijthoff's Uitgeversmij--Leiden.

JACOB JAN CREMER.

1 September 1827-5 Juni 1880.

Toen Cremer nog leefde, was er soms in de gehoorzalen van onze groote en kleine steden een treffend tooneel te bespieden.

Dames en heeren uit de voornamere kringen, anders zeldzaam bij Nederlandsche voordrachten, thans te laat gekomen, daar al de plaatsen reeds een uur te voren bezet waren, stonden zeer verlegen, maar volkomen waardig, uit te zien naar de eene of andere open plek. Een stoel op de verhevenheid naast den spreker, was alles wat overbleef. Eenvoudig, maar toch bewust van zijne kracht, trad Cremer voorzichtig door de dichte rijen zijner hoorders. Zoodra hij begon, ving zijne overwinning aan. Hij greep onmiddellijk in de gemoederen, sloeg terstond den juisten toon aan. Zijne klankvolle, met meesterlijke berekening ingehouden stem drong overal door. Zijn geheel eenig talent van nabootsen sleepte zelfs den stugsten hoorder mee.

Welk een gloed in de voordracht, als hij den opgeblazen domtrotschen boer uit het "Pauweveerke" in zijn sjees doet voorthollen over den weg; hoe zacht en teeder klinkt de stem van Kruuzemuntje, als zij grootmoeder voorleest uit het sprookjesboek; welk eene schalkheid, als hij eene Overbetuwsche Romeo en Julia doet vrijen in den kersenboomgaard; welk eene kracht als hij den veerman Dorus Giesels met zijne boot over de rivier laat roeien bij opkomenden storm--dit alles maakte Cremer tot den grootsten dramatischen kunstenaar van ons vaderland in den verhevensten zin van het woord.

I.

Cremer, in de schoone Geldersche dreven geboren (te Arnhem den 1sten September 1827), meestal vertoevende op den Oldenhoff, het buitengoed zijns vaders, bij Driel, kwam van zijn jeugd af in aanraking met de Geldersche boerenwereld, die hij weldra--hij schreef zijne eerste dorpsvertelling op den Oldenhoff in 1850--met zooveel meesterschap zou voorstellen. Het is algemeen bekend, dat hij begon met het schilderen van Geldersche bosschen, maar spoedig boeide hem de Betuwsche menschenwereld oneindig meer dan de frissche Geldersche natuur. De rijkdom zijner waarnemingen deed zich beter, deed zich krachtiger gelden op het papier dan op het doek, en zoo is Cremer de algemeen beminde novellist en romanschrijver geworden, die aan het bloeiend tijdperk onzer Romantiek zooveel luister wist bij te zetten.

Ik zal het genot door de lezing of door zijne voordracht der "Betuwsche Novellen" mij herhaaldelijk geschonken, niet licht vergeten. Hoe dikwijls vergezelde ik hem, als hij zijne beide rijke Betuwsche boeren, Meeuwsen en diens zoon Gijs, van hun dorp naar Amsterdam doet reizen om de Kermis te zien. Aardig vooral is de schildering der rampen van de twee gegoede dorpers, die met allerlei slag van beleefde afzetters in aanraking komen. Het klagen van Meeuwsen, wanneer hij met eene plaatskaart der eerste klasse in den tochtigen derde-klasse-waggon zijne verzuchtingen begint met: "Slechte woar veur 't geld!"--de openhartigheid van Gijs, als hij in den omnibus op de vraag van den conducteur: "Waarheen?"--grinnekend antwoordt:--"Ik? Noar de Karmis, is 't niet, voader?"--zijne kinderlijke dankbaarheid, als een knecht uit den Doelen hem zijn reiszak afneemt en hij beweert, dat het "veul te vrindelijk" is--de kluchtige naïeveteit van beiden, vader en zoon--als ze, in twee verschillende vertrekken opgesloten, elkander toeroepen door het houten beschot: "Jong! woar zit ie? Wat zuwwe nou doen? Kom toch is hier?" en Gijs antwoordt: "Mag dat voader?"--de verlegenheid van denzelfden Gijs, die, als hij eten bestellen moet, een reiziger aanspreekt, welke hem het zelfstandignaamwoord "Ezel!" toesnauwt--al deze en honderd andere kleine trekken zijn van eene verrassende comische kracht en getuigen tevens van zooveel fijne studie en trouwe schildering der werkelijkheid, dat ze aan Cremers arbeid eene schitterende toekomst waarborgen.

De "Betuwsche novellen" leggen nog altijd het zwaarst gewicht in de weegschaal van des schrijvers roem. "Deine Meu" "Oan 't kleine revierke", "'t Pauweveerke", "'t Kriekende Kriekske", "Kruuzemuntje"--vooral dit laatste verhaal, zoo voortreffelijk gespeeld bij de voordracht--blijven de immer groenende twijgen aan Cremers lauwerkrans. Er was eenmaal gedurende eene vergadering der redactie van "de(n) Nederlandsche(n) Spectator" een geleerde strijd over het nut en de wenschelijkheid van dialecten in novelle en roman. Bakhuizen van den Brink, die in Cremers "Oan 't kleine revierke" bladerde en las, legde het boekske weg met de ernstige verklaring, dat hij er een paar dagen uit zijn leven voor geven wilde, mocht hij auteur worden van bladzijden als deze [1].

Allerliefst is de vertelling van "Kruuzemuntje." Dit aardig boerenkind wordt door Bol, den veldwachter--den slimmerik, die een beetje te veel "klaart en rooje-jenevert" zegt de Burgemeester--beschuldigd, van appels te hebben gestolen. Zeldzaam is een eenvoudig gegeven zoo geestig uitgewerkt. De aartsdomme Burgemeester, de handige Secretaris, de plompe veldwachter, het onschuldige kind, vormen een aantrekkelijk tafereel, waarvan de indruk nog verhoogd wordt, als men Grootmoeder en Arie, Kruuzemuntjes vader, heeft leeren kennen.

Naast Cremers dorpsvertellingen staan zijne novellen en romans uit het Nederlandsche stadsleven met eene eigenaardige strekking. Cremer heeft evenals Charles Dickens door zijne pen maatschappelijke hervormingen willen invoeren. Dickens tuchtigde in "Nickleby" den ellendigen staat der kostscholen in Yorkshire, in "Nelly" ("Old Curiosity Shop") en "Hard Times" het verschrikkelijke lot van fabrieksvrouwen en fabriekskinderen; in "Chuzzlewit" de slavernij en de kwade praktijken der Yankees; in "Dombey" den geldtrots; in "Copperfield" de juridische knoeierijen van Doctors Commons; in "Bleak House" de nog grooter misbruiken van het kanselarijhof en de evangelisatie-dolheid van sommige domme Engelsche vrouwen; eindelijk in "Little Dorrit" den tragen gang van het Engelsch staatsbestuur.

Zoo strafte Cremer in zijne "Betuwsche novellen" de zeven hoofdzonden telkens in het type van den eenen of anderen boer; zoo schrijft hij een pleidooi voor Frederiksoord en de Maatschappij van Weldadigheid in zijn "Wouter Linge". Cremer heeft Frederiksoord bezocht, hij heeft gezien hoe dringend daar behoefte is aan stoffelijke ondersteuning. De teekening der geduldige liefde van Anna Linge en Willem is eene idylle met de strekking, om de aandacht te vestigen op eene instelling, wier voortreffelijkheid door onze landgenooten niet altijd op den juisten prijs wordt geschat. Een vermogend en edelmoedig Nederlander te Batavia, las Cremers "Wouter Linge" en zond, onder omslag, een paar flinke bankpapiertjes naar Frederiksoord. Het feit is welsprekend en behoeft geene toelichting.

In "Fabriekskinderen" onderneemt hij een veldtocht tegen een groot onrecht in Nederland--de exploitatie van het kind door de ouders in de fabrieksteden; "van ouwers"--als Juffrouw Baks zegt--"die zuipen en luieren en d'r eigen onmondig vleesch voor den kost laten zorgen." Met dit voortreffelijk kunstwerk had Cremer veel geluk. De wet Van Houten zal ter zijner eer blijven getuigen, hoe een dichter, ondanks duizenden ongunstige omstandigheden van eigenaardig Nederlandsche kleur, invloed oefende ten goede op de achtbare Nederlandsche wetgevende Macht.

In de grootere romans, die hij sedert 1867 begon te schrijven, streeft hij naar een dergelijk doel. "Anna Rooze" is een warm pleidooi tegen praeventieve inhechtenisneming, "Hanna de Freule" behandelt werkstakingen en de sociale quaestie, "Tooneelspelers" hekelen de vooroordeelen, in Nederland zeer ten onrechte tegen den stand en de personen van tooneelkunstenaars gekoesterd.

II.

Het verdienstelijke, het ongemeene in Cremer is, dat hij de goedheid van zijn hart op treffende wijze in zijn kunstwerk openbaart. Cremer heeft zijne natuurgenooten lief en gevoelt een diep medelijden voor ieder verdrukt, of onrechtvaardig ter zijde gesteld schepsel. Zijn warm hart voor al wat edel is en rechtvaardig, doet hem ijveren tegen elk onrecht, dat hij meent te ontdekken. In de teekening van booze naturen is hij niet zoo gelukkig, als in de schildering van edele menschen; hij verstaat de kunst om nobele karakters voor den schijn van eentonigheid te bewaren.

Het best zal men hem waardeeren, wanneer men een paar uitgelezen plaatsen uit zijne werken bijeenbrengt.

Onder de beste reken ik het volgende.

In de eerste plaats geef ik den aanhef van "Wiege-Mie", een der oudste en aantrekkelijkste der Overbetuwsche novellen:

"Hei je 't neis uut 't darp al geheurd?" vroeg de daglooner Peter Janssen aan zijne vrouw, die bezig was om voor haar vermoeiden echtgenoot de avondpap op te zetten. "Hei je 't al geheurd, Net, hoe miseroabel gauw de weduwvrouw van Cloas Hermsen hoar man is noagestapt?"

"Wàt zei je!" riep de huismoeder verbaasd, terwijl ze den aarden schotel met pap op tafel zette. "Is manke Heintje dood? Wel jong, jong, die twee hebben mekoar dan niet lang allinnig geloaten. Cloas is van de leinte gesturven en Heintje,--da's nou krek zes moanden loater! Jong, jong, 't is veur Wiege-Mie 'en heel ding, woar mot ze noa toe? ze het niks, geen spier; neejen en breien kan ze, moar da's alles, en ik geleuf niet, dat ze 't nog al te best duut.--Nou, stil, bloagen!" vervolgde vrouw Janssen, hare vier spruiten toesprekende, die hunkerend de roggemeelpap zagen dampen; "Moeder kan niet alles tegeliek! Hè'k nou ooit van m'n lêven! ze zal zoo um de vieftig zin gewêst en Wiege-Mie was met Sint-Jan achttien joaren in 't darp. Loawwe erst bidden, Peter, de kienders drammen en sjenken, da'k m'n iegen woorden niet heuren kan!"

Janssen nam het pijpje uit den mond, drukte de pet voor de oogen en vrouw Janssen gaf haar oudsten telg een duw, met een dreigenden wenk, om de oogen dicht te doen.

Men bad.--Peter bad ernstig met een dankbaar hart. Willem, zijn buurman, had zulk heerlijk avondeten niet voor zijne vrouw en kinderen. Zijn gebed was reeds geëindigd, maar, toen hij over den rand van zijne pet de wangen van zijne goede vrouw en de kinderen beschouwde, toen deed hij de oogen weer dicht en zei nog eens: "Ik dank u, goede en groote God, amen!"

Behaagt hier de eenvoud in de kleine landelijke woning, scherper wordt de toon van den dichter, als hij in "Fabriekskinderen" den rijken, edelmoedigen student tegenover het tienjarig straatjongetje zet, in den winternacht slapende op eene stoep gevonden. De student redde het kind van doodvriezen, nam het in zijne armen naar zijne kamer en legde het in zijn ledikant. Met de uiterste oplettendheid waakte de student voor zijn pleegzoon. Hij liet hem uitslapen, trok hem eene oude overjas aan en sloeg de mouwen tot vrijmaking van de handjes, halverwege om. Daarna zet hij hem op de sofa van zijne studeerkamer en overlaadt hij hem met krentenbroodjes en waterchocolade. De arme duivel van een fabrieksjongen zet groote oogen op:

--"Ben jij 'en prins?" klinkt het zachtkens van Sanders lippen, en het jongske, wiens vrees na het kostelijk onthaal voor een groot deel was geweken, werpt een schuwen blik op zijn gastheer, doch slaat de oogen ook aanstonds weer neer.--"Ik? wel nee!" lacht Willem, uit zijn gemijmer ontwakende, "maar, als ik het was, zou je dan wel altijd bij zoo'n prins willen blijven?"--"Jawel" zegt Sander.--"Waarom?"--"Om ditte!"--zegt de jongen en likt nog langs den rand van den grooten chocoladekop. "Hadtje dit nooit geproefd?"--Het ventje grinnikt, alsof hij wil zeggen: "Dat kun je begrijpen."--"'k Dacht eerst, dat het mosterd was," zegt hij iets later.--"Mosterd?"--"Ja, die haalt moeder in een potje, en 's middags, als we van 't febriek kommen, dan krijgen we aardappels met zoo'n beetje mosterd in 't water."--"Niets anders?"--"Ja, soms wel een scheutje azijn. Vader en moeder eten spek, maar da's gallig voor de kinders, zeit moeder."--"Beesten!" roept Willem.--Neen, Sander, schrik maar zoo niet, dat geldt niet u of een van uws gelijken; hoor maar, hij vraagt u weer vriendelijk:--"En hoe heet je vader?"--"Dat weet ik niet," is het antwoord.--"Maar, jij, hoe heet jij?"--"Sander Zwarte."--"En wat doet je vader?"--"Hè, hè," grinnikt de jongen: "moeder zeit zuipen."--"Maar wat is hij dan van zijn ambacht?"--"Ambacht?" grinnikt het kind.... daar had hij nooit van gehoord.--"Waar verdient hij zijn centen mee?"--"Dat doen wellui."--"En hoe oud benje al, ventje; benje al zeven?"--"Ikke," zegt het jongske, "ikke ben tien."

In de geheele letterkundige werkzaamheid van Cremer is geen knapper, geen meesterlijker bladzijde te vinden, misschien wel naïever, teederder, roerender.

Zoo bijvoorbeeld, in "Anna Rooze", als hij de geschiedenis der Veluwsche boerendeerne, Hanneke Schoffels, verhaalt. Hanneke wordt onschuldig van kindermoord beticht. De schijn is tegen haar. Evenwel is zij zich van een anderen misstap bewust, zoodat ze, na een slapeloozen nacht, in den vroegen winter-uchtend voor haar stoel neerknielt en bidt:

"O Lieve Heere Jezus! wa'k oe verzuuken mag, loat 't niet uutkommen, nee! Voader zal mi'en vluuken en Joost.... O, God! ik zal wel tweemoalen Zundags noar de kerke goan; en van 't loon uutlegge veur den arme, vier duite wêks, of ook wel 'n stuuver. O Lieve Heere Jezus, ik was een kiende en...."

En ze was verleid door een Veluwschen schelm.

Zij wordt weggejaagd uit de pastorie, waar zij dient. Zij vlucht luid schreiend "noar moeders huus toe." Daar valt een aandoenlijk tafereel voor. De vader vreest het ergste, en stuift op. De moeder denkt alleen als een moeder kan denken. Zij verloochent de innige liefde voor haar kind niet.

Hanneke staat te klappertanden en vader ziet haar aan en herhaalt met krachtige stem zijne vraag: wat er dan was, dat haar op dat late uur van 't domineeshuis naar moeder joeg.--"Zie je dan niet Berend"--zegt de moeder--"dat ze hoast niet sprêken kan, zoo kolde ze is--kom hier Hanneke; hier op de vuurploate. 'k Zeg, loat ze erst bekommen, eer ze proaten zal. God, kiend! oe hande zin as' steen.... Hier, goat er zitten; hier op mien stoel."--Berend stelt zich in den weg. Hevig: "Ik vroag wàt, wàt, wàt er is?"--"Man, wês toch wiezer, altied den driftkop! Oe kiend is dood van de kolde, da's nommer een...."

Kan het moederhart treffelijker getuigen, dan met dit eenvoudige woord:--"Oe kiend is dood van de kolde, da's nommer een."--Het is mogelijk, dat elders de zielkundige studie van meer ontwikkelde, en rijker aangelegde karakters een hooger kunsteffect zal kunnen bereiken, maar mij boeit deze eenvoudige teekening, mij sleept dit kleine drama in eene Veluwsche boerenwoning mee; ik ben er den edelen dichter dankbaar voor, en hoop, dat zulke bladzijden den letterkundigen naam van Cremer in de toekomst zullen handhaven.

Dus voortgaande zou men eene vrij uitvoerige bloemlezing uit Cremers novellen en romans kunnen verzamelen. De lezer zijner thans opnieuw uitgegeven werken zal deze poging gemakkelijk zelf kunnen voortzetten. Ik wijs nog op enkele voortreffelijke bladzijden in "Anna Rooze"--de heldin met haar vader, den zeeofficier, bij het graf der jong overleden moeder; de beschrijving van den storm, die uit het Overmaassche zich verheft en Rotterdam teistert--alles voortreffelijk werk, evenals de teekening van de fabriek in "Hanna de freule", als Hein Pronk, de stoker, nieuwe kolen in den vuurgloed werpt en het dreunend gerucht der werktuigen elk ander geluid onhoorbaar maakt.

III.

Stelt men de vraag, waardoor de arbeid van Cremer zich onderscheidt, wat zijn naam zal doen leven voor het nageslacht, dan behoort men te wijzen op zijne onmiskenbare verdienste als Nederlandsche dorpsnovellist.

Cremer was niet de eerste, die de hand legde op de in onze eeuw zoo hartelijk geliefde stof--de dorpsvertelling. In 1844 had onze Van Koetsveld met zijne "Schetsen uit de Pastory te Mastland" het eerst de aandacht voor het Zuid-Hollandsche dorpsleven gewonnen. En zelfs Van Koetsveld was niet de allereerste, zijn boek verscheen eenige jaren na de "Camera Obscura", waarin reeds "'s Winters buiten", "Gerrit Witse" met het dorp Van Claartje Donze, en de "Nederlandsche Karakterschetsen" met "Teun, de(n) jager" voorkomen. En reeds vroeger, 1821 en 1822, las men in de "Vaderlandsche Letteroefeningen": "Leven en wandelingen van Meester Maarten Vroeg", in 1826 te Haarlem in twee deelen uitgegeven. De Nederlandsche nieuwere dorpsvertelling begint dus met Jacob Vosmaer en Van Koetsveld. Want er is ook eene oudere, die in de 17de eeuw onder den titel van "Arcadia's" zeer veel werd gelezen. De moderne dorpsnovelle, zooals Cremer die schreef, stamt eensdeels van J. H. Voss ("Luize", 1784) en van Goethe ("Hermann und Dorothea", 1796), anderdeels van Sir Walter Scott, die tafereelen teekende uit het leven der Hooglanden en der Orkney-eilanden. Omstreeks 1830 begint men in verschillende landen de aandacht op kleine landstreken en dorpen te vestigen. De schildering van het onbekende, kleine, maar frissche dorpsleven gaf afwisseling, na de reusachtige doeken der historische romanschrijvers, na de bonte tafereelen uit het high-life der groote hoofdsteden van Europa.

Naast Walter Scott komt aan Duitschland de eer toe de moderne dorpsvertelling het eerst te hebben voortgebracht. De bekende Zwitsersche paedagoog Pestalozzi begon met eene schildering van het boerenleven in zijn "Lienhard und Gertrud" (1781), een boek, bestemd het volk te leeren en te verheffen, evenals Zschokkes "Oswald, oder das Goldmacherdorf" (1817), dat evenwel lager staat omdat het droger, gekunstelder is van toon. Eerst in 1836 gaf Albert Bitzius zijn "Bauernspiegel oder Lebensgeschichte des Jeremias Gotthelf" die alom grooten opgang maakte en den schrijver zelfs als "den Shakspere van het dorpsleven" deed prijzen. Eenige jaren later kwam Gotthelf met zijn "Uli der Knecht"--Bitzius had zich den naam van zijn eersten held tot pseudoniem gekozen--welk boek aan een Nederlandschen dorpspredikant Van Schaik, de gelegenheid gaf (1852), om er eene quasi-oorspronkelijke Drentsche geschiedenis "Geert" uit saam te stellen.

Na Gotthelf oogste Berthold Auerbach de schoonste lauweren met zijne dorpsschetsen uit het Zwabische leven, Immermann met zijne Westfaalsche tafereelen, eindelijk gunden beiden den schepter aan Fritz Reuter, den schepper der Voor-Pommersche en Mecklenburgsche dorpsgeschiedenissen. Deze specialiseering der stof kwam steeds meer in zwang, zoodat Klaas Groth de dichter van het Ditmarsche volksleven, Moritz Jókai de gevierde novellist van de Magyaarsche boeren, Sacher-Masoch de geschiedschrijver der Karpatische bergbevolking werd. Russische boeren werden door Tourguénief en Tolstoi behandeld, voor Elzas-Lotharingen traden Erckmann-Chatrian, voor de Vlaamsche dorpen Hendrik Conscience, Sleeckx en de gezusters Loveling op.

Niet het minst vloeide uit het jonge Amerika stof voor deze afdeeling der romantische litteratuur. Daar was het frissche natuurleven, de nog onbeschreven schoonheid van tropische planten en bosschenweelde te waardeeren, daar vormde zich eene rij van novellendichters, die weldra blijvenden roem in de oude wereld zouden winnen. 't Eerst kwam Friedrich Gerstäcker, om weldra overtroffen te worden door zijn geheimzinnigen landsman, Charles Sealsfield, die eigenlijk Karl Postl heette, en sedert 1834 met zijne "Trans-Atlantische Reise-Skizzen" een grooten naam maakte. Gerstäcker gaf den indruk van oppervlakkige stofferij, Sealsfield schilderde de wording van een nieuwen staat, Texas, met onmiskenbare juistheid van waarneming en verblindend coloriet. Beiden stonden in nauwe betrekking tot Fennimore Cooper, die het eerst al de aantrekkelijke poëtische frischheid van de nieuwe wereld in zijne beroemde romans had geopenbaard. Ook Fransche dichters betraden het Amerikaansch terrein. Gabriel Ferry schilderde met opmerkelijk talent de Mexikaansche wildernissen, een gebied ook betreden door den Ierschen Kapitein Mayne Reid, die zich berucht maakte door de vermetelheid zijner "onjuistheden." Gustave Aimard werd de lieveling der nieuwsgierige jongelingschap, Xavier Marmier schonk eenige Egyptische en Noordsche natuurtafereelen, terwijl Jules Verne een ongehoorden bijval verwierf door de geheele stof der natuurwetenschap op meesterlijke wijze in romantischen vorm te gieten.

De Amerikanen gingen op den ingeslagen weg voort. Wat Sealsfield voor Texas gedaan had, deed Bret Harte voor Californië en Mark Twain voor Nevada. Beide jongere schrijvers trokken terstond de algemeene aandacht, omdat zij geheel onbekende typen van menschen, geheel onbekende zeden ten tooneele brachten. Juist dit verlangen onzer eeuw naar het nieuwe, naar zedenschilderingen, en teekeningen van verborgen of weinig bezochte plekjes uit de oude of nieuwe wereld, heeft den naam van de meeste der genoemde kunstenaars beroemd gemaakt. De Nederlandsche dominee Van Schaik--reeds genoemd als kopiïst van Gotthelf--poogde later een West-Indischen roman te schrijven.

Het onbetwistbaar meesterschap van Multatuli in zijn éénigen kolonialen roman, de onderhoudende Oost-Indische verhalen van Ritter, Van Hoëvell, Van Rees, Groneman, Perelaer, mevrouw Frank en Annie Foore stelden Van Schaik in de schaduw. Maar meer nog werd hij overtroffen, toen Cremer zijne Over-Betuwsche en Veluwsche schetsen begon te schrijven. Cremer maakte een school van schrijvers, die hem allen met meer of minder talent navolgden: Van Duinen (Thineus), met Groningsche, Lesturgeon met Drentsche, Beunke met Zeeuwsche, Heeren met Overijselsche, Hollidee met Noord-Brabantsche en Seipgens met Limburgsche zedenschilderingen.

Cremer werd voor Nederland in betrekking tot de Betuwe, wat Fritz Reuter voor Duitschland in betrekking tot Mecklenburg en Voor-Pommeren geworden is. Cremer neemt in de geschiedenis onzer letteren de plaats in dier talentvolle kunstenaars, welke elders eene bijzondere zijde van het volksleven het eerst hebben beschreven. Moritz Jókai deed voor het Magyaarsche landleven, Auerbach voor de Schwartzwälder boeren, Gotthelf voor de Zwitsersche, wat Cremer voor onze goedhartige naïeve Betuwers deed. En daarom bekleedt Cremer een geheel eigenaardigen rang als Geldersch dorpsverteller, hooger dan als romanschrijver, dan als dramatisch auteur. Mocht men willen aanmerken, dat Cremer zich bijzonder op het vak van miniatuurschildering heeft toegelegd in afwijking van de breede epische manier door Reuter en Auerbach gevolgd, dan stem ik dit gaarne toe, onder voorwaarde, dat men tevens erkenne, hoe beider wijze van opvatting en schildering hare eigenaardige, talentvolle aantrekkelijkheid bezit, hoe Cremer daarom aanspraak heeft op de dankbaarheid van het geheele Nederlandsche volk.

Dr. JAN TEN BRINK.

AANTEEKENINGEN

[1] Het eerst medegedeeld door A.L.H. Ising, in "de(n) Nederlandsche(n) Spectator" van 1880, n°. 24.

[2] Berm-rand, het gras langs den straatweg.

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

EERSTE HOOFDSTUK.

Aan het eind van een kleinen stadstuin, nabij een ouderwetsch poortje in den tuinmuur, staat een prachtig bloeiende roode meidoorn.

En zie, terwijl hij met een stroom van geuren den hof vervult, staat daar in zijn vriendelijk lommer een minnend paar, dat, dicht aaneengesloten, zeer zachtjes fluistert.

Wat ze spreken zou slechts de meidoorn kunnen verstaan,--maar immers een meidoorn heeft geen ooren.

"Ja liefste Eva, morgen zal het zijn! Morgen! en dan voor altijd aan elkaar verbonden!"

"Mijn August, ik kan het haast niet gelooven. Soms moet ik mij geweld doen om te begrijpen dat ik werkelijk al morgen mevrouw Helmond zal heeten, en dat jij dan in allen ernst, en niet meer alleen uit een aardigheid, mij je wijfje zult noemen.--Mijn beste August!"

Een roodborstje in den meidoorn tjilpt met zoet geluid, en als hij van het eene takje op het andere springt, dan vallen de kleine roode bloempjes, die al loszitten, op de hoofden en schouders van een gelukkig bruidspaar.

"Wij zullen gelukkig zijn mijn Eva."

"Ja August, altijd!"

"Omdat we elkander oprecht liefhebben, en niets dan de innigste liefde ons tot elkander bracht."

"O August, hoe verachtelijk zijn ze, die een huwelijk sluiten met het oog op fortuin of stand."

"Verachtelijk?--Niet altijd. 't Is dikwijls noodig dat het verstand de liefde beheerscht. De man, wiens middelen niet voldoende zijn om een gezin te onderhouden, doet wèl zich een vrouw te kiezen, die mede eenig vermogen bezit."

Eva, terwijl zij haar hoofd aan zijn schouder vlijt:

"Mijn lieve dokter heeft zich zulk een vrouw niet gekozen."

"Bezit zijn wijfje dan niet alles wat hem gelukkig kan maken?"

"En hier heeft de man genoeg om in het noodige te voorzien."

"Het vrouwtje zal met hem deelen 'tgeen hij bezit, en méér zal ze niet verlangen."

"Nee zeker niet."--Hem schalks in de oogen ziende: "Maar we zullen het toch zoo kwaad niet hebben, is 't wel mijn beste?"

"Zeker niet: een kalm en eenvoudig, maar ook een extra genoeglijk leventje. We zullen huiselijk en tevreden zijn."

"Toch beginnen we met Parijs! O August, wanneer ik zoo denk dat we overmorgen om dezen tijd al samen in die heerlijke stad zullen zitten, als mijnheer en mevrouw Helmond Van Romphuizen--ja, waarom niet Van Romphuizen--daar komen we immers vandaan?--o, als ik dááraan denk dan krijg ik zoo iets alsof ik zal vliegen. Parijs, 't was altijd mijn illusie: 't is m'n idole!--Och, je bent toch een beste man. Ja zeker, om zoo van je Hartz af te stappen en me Parijs te gunnen. 't Is overheerlijk!"

"Goed kind, wat zou ik niet voor je overhebben! Van 't reizen zal toch later zoo gauw niet meer komen, en zou ik dan nu mijn zin hebben gevolgd!"

"We zullen er eens braaf pret maken niewaar? Want juist, als we hier in de deftigheid terugkomen, dan moeten we er heel lang op teren.--Maar zeker, als jij nu veel liever naar dien Hartz waart gegaan dan had ik het óók goedgevonden, heusch...."

"Wij zullen altijd hetzelfde willen, niewaar mijn wijfje?"

"Ja zeker August."

"En bij verschil van meening....?"

"Och, die zal er niet zijn.--Nee zeker niet!"

"Hij was er toch al een paar maal in ons engagement; ja zelfs in de heerlijke bruidsdagen."

"Verschil van meening, nu ja, in kleinigheden; toch nooit als het iets belangrijks gold."--Met een blosje: "We waren het immers wel eens dat we onzen gelukkigsten dag niet nog een halfjaar zouden uitstellen, volgens den raad van den generaal. En dan, over het koopen van het groote huis op de markt, daar heb ik toch in 't geheel niet meer over gesproken, is 't wel lieve? Maar à propos, ben je 't niet met me eens dat we in de kerk het Deventers tapijt en niet het rooje karpet moeten hebben? Pa heeft het karpet besteld, maar...."

"Laat het dan zoo blijven, beste kind; wat doet het er toe."

"Nee lieveling, het doet er zeker niet toe, maar me dunkt, je zult toch ook bekennen dat het oude rooje karpet, waar letterlijk Jan en alleman op trouwt, geen kleed is voor dokter Helmond; een eigen neef van den generaal! Mij zelve laat ik er buiten, maar het karpet waar bijvoorbeeld pas acht dagen geleden Elsje Van Buren de naaister met haar Piet den turfboer op stond, je moet me niet kwalijk nemen, dat is toch wat al te min.--Zeg, zul jij in 't voorbijgaan dus even aan koster Bik zeggen dat ie het Deventer tapijt moet nemen? 't Kost drie gulden meer, maar 't is toch wat erg kleingeestig om bij zulk een eenige gelegenheid op een driegulden te zien."

"Och ja, wat dàt betreft; 't is mij om 't even.--Je pa zal het toch niet kwalijk nemen?"

"Wel nee August, als wij het betalen; guns nee.--Och, je bent toch de liefste man die er leeft; alles heb je voor me over, alles zou je voor me inschikken."

"'t Is immers de afspraak mijn dierbaar vrouwtje--vrouwtje op morgen hé?--dat we alles voor elkaar zullen overhebben en inschikken; en, als er verschil van meening mocht komen, dat dàn het gezond verstand steeds in kalmte zal uitspraak doen?"

"Och, dat spreekt immers vanzelf mijn August.--Maar waarlijk je bent me haast te ernstig vandaag."

"Een weinig ernst kan geen kwaad in oogenblikken dat we elkander voor 't laatst zien en omhelzen als bruid en bruigom."

"Ja, 't is wel inschikkelijk van me dat ik mijn lieven man den laatsten middag en avond van onzen bruidstijd zoo geheel wil afstaan. De generaal is goed en best, en je houdt misschien niet zonder reden veel van hem, maar zijn uitnoodiging is toch heel vreemd.--Zoo'n laatste middag en avond!"

"Best wijfje, beknor mijn ouden pleegvader niet. Hij kan natuurlijk niet meer gevoelen zooals minnende harten het doen; maar zijn stelregel: 't bruin geeft het licht aan de schilderij, past hij waarschijnlijk ook toe op het heerlijke feest dat we morgen zullen vieren. De kleine scheiding dezen dag, en ons weerzien op het uur dat ons voor altijd verbinden zal"--hij klemt haar vaster aan zijn borst--"die scheiding zal ons dat welkome uur misschien nog in verrukter stemming doen genieten, en den indruk er van nog sterker maken.--Lieve Eva!"

"Mijn August!"

"Goed kind, dus vaarwel voor 't laatst, voor 't laatst als het voorwerp mijner wenschen.... voor 't laatst als Eva Armelo."--Terwijl hij haar met gevoel in de schoone oogen ziet: "Eva, hier onder den meidoorn heb ik je 't eerst gezien. Weet je 't nog? je zat aan den anderen kant op de groene tuinbank. Je waart bleek en lijdend. En nu...."

"Mijn lieve dokter!"

"Genezen ja, Goddank, geheel en al. Maar Eva, op dit plekje, dat mij altijd heilig zal blijven, laten we hier voor 't oog eener scheppende Majesteit, bij de pracht Zijner werken, in schooner tempel dan waarin we het morgen zullen doen, onzen eed van trouw en liefde herhalen. Eva, wij zullen elkander altijd liefhebben, niewaar? wij zullen één zijn totdat de dood...."

"O, spreek van die sombere toekomst niet. Hoe! moet ik dan nóg eens herhalen wat ik al honderden malen uit de volheid van mijn hart heb gezegd: Ja mijn August, met en voor je te leven dat zal mijn eenig geluk zijn. God weet het hoe ik je liefhad schier van dat eerste oogenblik afaan."--Eva's schoone oogen blijven met zulk een innige teederheid op den vriend gericht, dat de reinste verrukking zijn borst doorstroomt. Een teedere omhelzing volgt er op hare woorden. Toen was het oogenblik van scheiden daar.

August heeft, alvorens hij het verdere gedeelte van den laatsten bruidsdag bij zijn pleegvader gaat doorbrengen, nog eenige patiënten te bezoeken, en later nog velerlei te doen en te regelen, 't geen niet vreemd is voor een dokter die, ofschoon nog jong, reeds een goede praktijk heeft en ze voor een groote veertien dagen aan een collega moet overlaten.

"Eva, mijn wijfje, tot morgen!"

"Tot morgen August, mijn beste man! Wacht,"--en terwijl zij met haar fijne vingers een bloeiend takje van den meidoorn knakt en afbreekt, steekt ze het den bruidegom in het knoopsgat: "Hier August, neem nog een bloem van den meidoorn mee. Hij heeft ons zoo dikwijls te zamen gezien, ja, misschien wel beluisterd."

"Als dat laatste waar was liefste, dan zou hij daareven wel heel veel goeds hebben gehoord.--Nu, zie eens hoe je mij hebt opgeschikt. Als we ooit een herinneringsfeest van onzen bruidstijd of trouwdag vieren, dan moet een roode meidoorn de hoofdbloem zijn in het feestbouquet. Tot morgen mijn lieve vrouwtje, tot morgen!"

"Tot morgen elf uur August; vaarwel!"

Een laatste zoen wordt er gegeven. August opent de deur van het tuinpoortje, maar voelt zich teruggehouden:

"August, 't is waar ook: Pa heeft gezegd dat het orgel morgen bij 't inkomen in de kerk niet noodig was; maar vinje dat niet ijselijk schriel? Ik wed, als Donerie het wist dat ie 't graag voor niemendal zou doen--zoo'n goeje jongen! Als ik hem in de laatste dagen gezien had, dan zou ik 't hem zeker gezegd hebben. Toe, zorg jij nu dat we 't orgel erbij krijgen. 't Is zonder orgel niemendal plechtig en zoo ijselijk commun. Zulje, beste August?"

"Dus het karpet en 't orgel?"

"Nee lieve; guns nee, niet het karpet maar 't Deventer tapijt, en dan aan Donerie vragen of ie ons--voor de staatsie--beorgelen wil. Bonjour!"

Terwijl dokter Helmond langs de achterzij van den tuinmuur door een der stilste straatjes van Romphuizen zijn weg kiest naar een drukker gedeelte der stad, ziet hij nog eenige malen naar Eva om en beantwoordt haar zakdoekwuiven met handgroet en knikken.--Nu verdwijnt hij om den hoek--en Eva trekt de tuindeur achter zich toe.

"Baas Krul, is menheer Donerie thuis?"

De timmermansbaas laat de schaaf een oogenblik rusten en ziet den dokter bedenkelijk aan:

"Dat zou 'k je voor de vaste waarheid niet durven verassereeren dokter. Als ik 'em hoor op z'n porteviano, dan weet ik wel dat ie thuis-is, maar anders....."

Tot een jongen die aan 't zagen was en nu den dokter staat aan te gapen:

"Gijs, is mijnheer Donerie boven?"

"Jawel baas; maar de juffrouw zei dat ie niet frisch was."

"Nee, dat geloof ik ook niet; als ie frisch was dan zou je hem wel hooren. 't Is mooi als ie d'r op slaat, dokter, en 't verameseert een mensch nog eens die ook al zijn zorg heeft in de wereld."

"'k Zal maar eens oploopen baas Krul."

"Als menheer zoo vrijpostig wil wezen."

Uit de werkplaats komt men met een zijdeur in de smalle gang van het huis. In 't midden ervan bevindt zich een trap. Helmond beklimt die, en op een donker portaaltje gekomen, klopt hij op de deur der voorkamer, die boven de werkplaats van Krul is. Uit de tegenovergestelde richting van die, waaruit Helmond een antwoord verwacht, klinkt het: binnen! ofschoon dof en uit de verte. De deur der achterkamer wordt nu door den bezoeker geopend, en Helmond treedt het slaapvertrek van Donerie binnen.

"Bent u ziek menheer Donerie?" zegt Helmond met belangstelling: "Ik had er niets van gehoord."

"Sedert een paar dagen was ik een weinig van streek dokter;" antwoordt de aangesprokene die zich in zijn ledikant heeft opgericht en met de eene hand de gordijn terzijde houdt, terwijl hij met de andere zich langs het bleeke gelaat en vervolgens langs de glanzig zwarte krulharen strijkt.

"Hebt u dokter Biermans al gehad menheer Donerie?"

"Nee dokter, pardon; 't heeft niet zooveel te beteekenen. Als u me spreken wilt, wees dan zoo goed en ga naar de voorkamer; in een paar minuten zal ik bij u zijn."

"Toch niet, blijf rustig; ik had u maar heel even iets te vragen. 't Zal u door uw ongesteldheid wel niet mogelijk zijn aan mijn verzoek te voldoen; maar toch wil ik u de reden zeggen van mijn komst.--Nee nee, blijf rustig.--Zie, ik zit hier al.--U weet waarschijnlijk menheer Donerie, dat ik morgen, als alles wèl gaat, in Hymens bootje zal stappen."

Mijnheer Donerie wist het.

"Naar ik vernam, wordt de plechtigheid van een kerkelijke inzegening naar verkiezing àl of niet door orgelspel opgeluisterd. Mijn aanstaande schoonvader scheen de zaak maar eenvoudig te willen behandelen, doch de meer belanghebbenden waren van een ander oordeel, en dewijl mijn bruidje, evenals ik, het uitmuntend orgelspel van menheer Donerie zoo hoog waardeert, zoo had ik op mij genomen om u te verzoeken ons morgen met uw schoon talent te willen van dienst zijn."

Helmond heeft eerlijk zijn meening gezegd. Toch vreest hij dat zijn lof den schijn van vleierij heeft gehad: althans hij zag dat een vluchtig rood het gelaat van den jonkman kleurde, en herneemt:

"De kunstenaar ondervindt doorgaans zooveel teleurstelling menheer Donerie, dat zijn ware vereerders inderdaad niet te angstig met hun lof behoeven te zijn."

Een pijnlijke glimlach speelde er om de lippen van den musicus.

--Teleurstelling! ja!....

Helmond vervolgt:

"Meen echter niet dat ik u iets vriendelijks heb gezegd om u, inweerwil van uw ongesteldheid, tot het voldoen aan ons verzoek te bewegen. Nee menheer Donerie, ofschoon ik uw dokter niet ben, zoo moet ik u toch, in dit bijzonder geval, ten zeerste aanraden om voor uw gezondheid te zorgen en niet uit te gaan voordat u collega Biermans hebt geraadpleegd--tenzij ge u al eerder beter gevoelt."

"Mijnheer Helmond, ik zou gaarne...."

"Ik ben er van overtuigd mijn beste menheer. Aan 't verzoek van een oud-élève zou je zeker gaarne voldaan hebben; maar de gezondheid is nommer één. Je bent zenuwachtig; dus kalm--kalm--Wij zullen ons 't genot der orgelbegeleiding nu maar ontzeggen, in de hoop dezen zomer gedurig een uwer schoone Woensdag-concerten te kunnen genieten. Van harte beterschap menheer Donerie, adieu!"

"Zou mijnheer Helmond meester Daal niet willen vragen om morgen in mijn plaats te spelen?"

"Nee, dankje hartelijk menheer Donerie, daar zullen we nu niet aan denken: mijn bruidje stelde er wel hoogen prijs op dat u het orgel bespelen zoudt, maar de zwevingen van den braven meester Daal zouden ons zeker wat al te veel aandoen!"

"Hoe gaarne ook, dokter.... u gevoelt zelf.... dat ik...."

"Geen woord meer mijnheer Donerie; van uw welwillendheid zijn we geheel overtuigd. Nogmaals beterschap. Tot weerziens!"

Helmond heeft den jonkman bij 't opstaan even de hand gedrukt, en--denkend aan hetgeen hij verder te doen heeft, verlaat hij de kamer.

Nadat de onverwachte bezoeker vertrokken is, blijft de jonge muziekmeester nog een geruimen tijd in de richting van de deur staren. Droeve gedachten doorwoelen zijn kloppend hoofd. Een paar dikke tranen wellen er op in zijn schoone--nu eenigszins fletsstaande oogen. Hij drukt er de handen voor; maar dan, na een kleine wijle, springt hij van zijn leger op; kleed zich vluchtig; dompelt zijn hoofd eenige malen in het frissche water, en gaat eindelijk met haastigen tred het portaaltje over naar de voorkamer.--In weinige oogenblikken heeft Herman Donerie nu een secretaire en een binnenkastje ervan geopend. Alsof hij vreesde dat men hem bespieden zou, zoo ziet hij om zich heen: en ofschoon wel wetend dat zulks bijna onmogelijk is, en dat men niet onaangemeld zal binnentreden, toch wordt de kamerdeur van binnen door hem op slot gedraaid, toch werpt hij een blik door het venster op de woning aan de overzij der straat en laat hij de valgordijn naar beneden.--En nu--nu is hij dan zeker dat niemand hem bespieden of overvallen zal.

Voor de secretaire gezeten, met de rechterhand zijn gloeiend hoofd ondersteunend, houdt hij in de linker- het photographie-portretje van een veertien- a vijftienjarig meisje, en beschouwd het met strakken en diepweemoedigen blik.

--Lief vroolijk gezichtje! peinst Herman: Je zult het niet vermoeden dat je me ook nú nog met die heerlijke kijkers zoo schalks in de oogen ziet. O Eva, Eva! waar zijn ze, die zonnige dagen, die uren vol zaligheid!--Je zat toen naast me--jij op het ronde stoeltje midden voor de piano; ik aan je rechterzij met het gouden potlood in de hand. Welk meisje van je leeftijd was er die het al spoedig zoover als jij had gebracht, en onder mijne leiding!--Een dweper of droomer was ik nooit, maar als dan Mendelssohn's "Lieder ohne Worte" door je lieve blanke vingers aan het instrument werden ontlokt, dan is het toch gebeurd lief kind, dat mij iets in de ziel drong als een heimwee, als een zucht naar een onuitsprekelijk zalige toekomst; en--blijde was ik dan, Eva, dat je mij niet kondt aanzien, omdat ik mij schaamde. Ja, want het gebeurde dan ook wel dat die beroering mijn oogen had vochtig gemaakt. Maar een dweper of een droomer was ik toch niet!--Die prachtige zwarte lokken, wiegend om den kleinen blanken hals en afdalend op den witten boezelaar! Ha! als ik mij soms vooroverboog om op het muziekblad iets aan te wijzen of duidelijk te maken, dan, lief meisje, dan doortintelde somwijlen een ongekende verrukking mijn borst, want, onwillekeurig had dan mijn wang de trilling van die zwarte lokken gevoeld. Eens, ja ééns heb ik met voordacht en zonder noodzaak op een point d'orgue gewezen, alleen om nogmaals.... O, toen ben ik van mij zelven geschrikt, en toch dat oogenblik vergeet ik niet.--Maar stil, waarom pijnig ik mij opnieuw? Bonst mijn hoofd niet reeds genoeg?--Ben ik niet waarlijk ziek en daardoor week en gevoelig? Of zou die ongesteldheid haar oorzaak vinden in de zekerheid dat dat engelachtige wezen....?

Weer zit Herman Donerie met de beide handen voor de oogen gedrukt. Hoe meer het tijdstip nadert, waarin de vervulling van zijn zielewensch een onmogelijkheid voor hem zal worden, hoe meer het oogenblik nabij komt, waarin Eva Armelo haar leven aan dat van een ander zal verbinden--hoe zwarter ook zijn eigen toekomst hem voor den geest treedt, hoe zwakker de anders zoo kloeke zes en twintigjarige jonkman zich gevoelt, en in oogenblikken als deze zich verwijt dat zijn wijsheid een dwaasheid geweest is.

Ja, Eva Armelo was omtrent vijftien jaar oud, toen zij haar ouderlijke woning en Romphuizen ging verlaten om haar intrek bij een tante in den Haag te nemen, teneinde er op de Koninklijke Muziekschool haar heerlijke stem en muzikaal talent verder te oefenen en ontwikkelen. Twee of drie, misschien wel vier jaren zou Eva in den Haag blijven, zoo het althans niet wenschelijk werd geacht om haar later nog eenigen tijd naar een Conservatoire te zenden.

Toen Eva haar geboorteplaats verliet, toen heeft ze van allen die ze liefhad heel hartelijk afscheid genomen. Ook haar Do-majeur--zoo noemde ze haar talentvollen muziekmeester Donerie wel eens--ze heeft hem met dank voor zijn geduldig en uitstekend onderricht een handdruk gegeven, en bovendien een der photographie-portretjes die in Romphuizen de herinnering aan de vroolijke Eva tot haar terugkomst moesten bewaren. Maar ook zonder dat heerlijke aandenken--waarop ze aan de achterzij haar naam had geschreven, zou Herman zijn liefste élève niet vergeten hebben. Voor dringende zaken is hij gedurende haar afwezigheid eenige malen naar Neerlands residentie gereisd, en heeft dan telkens bij Eva's tante een bezoek gebracht teneinde "het nichtje eens 't een en ander van haar familie en vrienden te vertellen, en zich met de groeten voor allen te kunnen belasten."

Dien laatsten keer, o wat hevigen strijd heeft hij toen moeten strijden om getrouw te blijven aan het vast genomen besluit en zijn Eva van geen liefde te spreken aleer zij in Romphuizen zou zijn teruggekeerd. Eerst dan, wanneer zij door het geven van zanglessen in haar geboorteplaats zou toonen dat ze zich gelukkig in zijn stand zou kunnen gevoelen, eerst dan mocht Donerie het wagen zijn Eva te smeeken om het weinige, 't welk hij haar met een hart vol reine liefde kon aanbieden, voor dit leven met hem te deelen.

Ja, 't heeft hem vooral dien laatsten keer een zwaren strijd gekost.

In den vollen bloei van haar jonkvrouwelijke schoonheid heeft hij haar weergezien. Ze was gekleed voor een avondpartij. Een paar freules Lasure, die haar op de avonden van Toonkunst leerden kennen, en haar--vooral om haar lieve stem zeer en amitié namen, hadden haar nu op een muziekpartij genoodigd, met beleefd verzoek: wat muziek te willen meebrengen.

Eva was als altijd zeer vriendelijk tegen haar voormaligen muziekmeester, maar sprak nu toch het meest over de partij, waarvoor men haar met het rijtuig van den baron zou komen afhalen, en over jonker Eduard die een prachtige barytonstem had, en--zij moest het eerlijk zeggen--allerinnemendst en niemendal trotsch was.

Nadat men weinige oogenblikken later een rijtuig voor tante's woning had hooren stilhouden en de huisschel vernomen, trad de bedoelde jonker de kamer binnen. Zonder de oude tante of Donerie zijn bijzondere aandacht waardig te keuren, noodigde hij juffrouw "Van Armelo" beleefdelijk uit om de goedheid te willen hebben hem te volgen: Hij had zich op verzoek zijner zusters zeer gaarne de eer gegeven om juffrouw "Van Armelo" in persoon te komen afhalen.

En Eva, neen, haar ouden stadgenoot had ze niet verloochend, maar ze heeft hem aan den jonker voorgesteld: als een jong vriend van haar papa, als een groot muziekliefhebber met wien ze vroeger wel eens duo's heeft gezongen en quatre-mains gespeeld.

Toen Eva met den jonker is weggereden, neen, toen heeft Donerie bij de oude tante geen rust meer gehad. Een angstig vermoeden is er opgerezen in zijne ziel. Indien men Eva misleidde.... die jonker, dat rijtuig!

Gode zij dank! hij had zich bedrogen. Aan de woning van den baron Lasure gekomen, heeft hij juffrouw Armelo nog even te spreken gevraagd.--Goddank, zij was er! Met vragenden blik is ze hem in het spreekkamertje genaderd. O, 't was wel zeer vriendelijk van mijnheer Donerie, dat hij daarvoor nog eens aankwam; maar waarlijk, zij had niets bijzonders aan familie of bekenden te zeggen. Hoe gaarne zou zij gezien hebben dat mijnheer Donerie hier ook van de partij had kunnen zijn; maar.... altemaal haute volée.--Men was enorm lief voor haar. De gastheer heeft haar bij 't binnenkomen een mooi bouquet gegeven, en jonker Eduard was de voorkomendheid zelf; zijne stem--o magnifique! Straks zouden ze nog een duo samen zingen.--Mijnheer Donerie moest niet kwalijk nemen, maar men zou haar wachten.... Adieu, adieu!--Zóó wilde ze heengaan. En toen.... Maar neen--neen! nu minder dan ooit mocht hij spreken. En Eva, de heerlijke Eva is naar het gezelschap teruggesneld, en hij, die haar zoo teeder beminde, hij is den volgenden morgen in zeer droeve stemming opnieuw naar zijn werkkring en Eva's geboorteplaats vertrokken.

Twee maanden later--'t was in de eerste stormdagen van Maart, toen is Eva Armelo ziek en zwak in haar ouderlijke woning teruggekeerd.

Drie weken te voren was het engagement van jonker Eduard Lasure met eene freule Leeuwenhuis publiek geworden. Eva was zeer ziek; men vreesde dat het op een tering zou uitloopen. De middelen van dokter Biermans hebben haar niets gebaat. Sommige vrienden drongen erop aan, dat men den jongen dokter zou consulteeren; dokter Helmond was volgens velen zoo bijzonder knap; men zei van hem dat hij voor professor in de wieg was gelegd.--Dokter Biermans vond het zeer goed dat men den jongen collega wilde raadplegen, indien men hem dan maar niet kwalijk nam dat hij geen voet meer over den drempel zoude zetten.

't Was zeer natuurlijk dat dokter Biermans er zoo over dacht; en Eva, die medelijden met den ouden man kreeg, zei, dat ze genoeg vertrouwen in de kennis van dokter Biermans stelde, en dat mijnheer Helmond niet behoefde te komen. 't Was haar inderdaad onverschillig of zij beter werd of niet. Alles en iedereen was haar onverschillig geworden.... na dien slag, na dat ontwaken uit den zoetsten droom.

Toch waren de menschen heel lief voor haar. Die Donerie, wat was hij goedaardig: wat deed hij alle moeite om haar genoegen te doen. Soms vond zij hem lastig van vriendelijkheid. Wat ter wereld had ze aan die oude jaargangen van de Illustrirte Zeitung, of die "dood-oude schetsen" van A. V. H.--Alle pracht werken van Doré en zoo vele anderen had ze ruimschoots genoten in den Haag bij de familie.... Die naam wilde haar echter niet van de lippen, en van den Haag sprak ze zelden of nooit.

Toen de ruwe Maart zijne grillige jongere zuster met een frisschen voorraad lentegroen zag naderen, toen meende men dat Eva wat beter werd. Haar lustelooze onverschilligheid was niet zoo sterk meer als in den beginne. Op zekeren avond dat Donerie weer een bezoek aan "haar ouders" bracht, sprak zij zelfs met eenige belangstelling over den naderenden zomer, over den muzikalen toestand van Romphuizen, over Donerie's lessen, over zijn eigen studie, en nam het aanbod gretig aan om hem een stuk van eigen compositie te hooren spelen, een cavatine, die hij op den dag van haar terugkomst in Romphuizen gemaakt had.

In den nacht na dien avond lag Eva in een hevige koorts, en weinige dagen daarna besloot kapitein Armelo om dokter Helmond inweerwil van Biermans' bedreiging, bij zijn kind te ontbieden. Haar behoud ging hem boven de vriendschap van den ouden plattelandsheelmeester.

En Helmond is gekomen.

En Eva is beter geworden; al spoedig, zeer spoedig.

En morgen!....

--En morgen!? herhaalt Donerie bijna overluid: morgen om dezen tijd dan is de bijl gevallen, die mijn leven voor altijd van het hare scheidt. Dwaas die ik was! Waarom zweeg ik dan terwijl mijn hart gloeide van liefde, terwijl die liefde sterk genoeg zou geweest zijn om haar geluk te verzekeren? Dwaas die ik was! Ik heb haar den tijd gelaten om zich te ontwikkelen in een richting, die ik vreesde dat de zwakste zijde van haar anders zoo beminnelijk karakter worden kon. O, had ik haar reeds vroeg, zeer vroeg een blik gegund in mijn hart! Had ik haar doen gevoelen dat zij haar waarachtig geluk zou hebben gevonden in den nederigen stillen kring, waar ze zich aan mijn zij zou bewegen! Had ik haar gesproken van dien glans en grootheid der wereld die zoo velen aanlokt, maar bij 't nader aanschouwen of 't grijpen ervan geen blijvende voldoening schenkt; had ik haar daarvan gesproken in tegenstelling van den waren rijkdom, dien wij te zamen in onze heerlijke Kunst, in onze Liefde zouden bezeten hebben! Had ik.... Zwijg dan dwaas! uw verstand moest immers de overwinning behalen; zóo hadt ge in uw wijsheid besloten! Een meisje als Eva kon met u niet gelukkig zijn.... of althans op den duur niet gelukkig wezen; gij wist het vooruit.... welnu!....

Onbestemde, maar meestal zeer droeve denkbeelden blijven het kloppende hoofd van den jongen muziekmeester vervullen. 't Is eindelijk alsof het rustiger wordt in zijn fel bewogen gemoed.

--Je hebt het zoo gewild Herman, denkt hij voort terwijl hij nogmaals het portretje beziet: Mor dan niet langer. Zij heeft je dat bittere leed niet berokkend, dat lieve kind! Neen;--Hoe zou ze mij nog straks dat verzoek hebben gedaan wanneer zij er iets van begrepen had. Neen Eva, kleine lieve Eva--mijn Eva van vijftien jaren--zóó hard en gevoelloos zou je niet geweest zijn.--Goddank! ik ben ziek; dat zul je nu weten door je vriend, en begrijpen zul je dus ook dat ik het schoonste oogenblik van je leven niet wijden kan door mijn kunst. Begrijpen, ha!

--Moedig Herman! peinst hij nog voort na een oogenblik van pijnlijk hoofdschudden, terwijl zijn oog strakker op het aanvallige meisjeskopje staart: moedig nu, dat gezichtje mag zóó niet langer door je beschouwd worden; dat schoone kind, het meisje dat je altijd toelacht, het mag je zóó niet meer aanzien. Iets anders wekt die aanblik bij je op dan hij verwekken mag. Dat kind is nu de bruid, ja haast de vrouw van een ander.--Moedig dan! verscheur dit blaadje karton opdat de aanblik ervan je hart niet meer beroere, en schuldig doe staan voor 't oog van God en je zedelijk gevoel. Weg met de beeltenis van dat schoone kind!---Maar, zij was immers toch je élève! zij zelve gaf je dat blaadje.--Zie, haar naam staat daar--en onder den uwe.--O God! ben ik dan schuldig als ik de beeltenis van het vijftienjarige meisje een enkele maal bezie met een kalmen blik, met de bee voor haar heil in het hart? Neen, ik kan het niet verscheuren, ik kan het niet wegdoen. Mijn God, wat bonst weer dat hoofd. O Eva, Eva! als je wist wat ik lijd!....

TWEEDE HOOFDSTUK.

Dokter Helmond heeft intusschen nog een drietal patiënten bezocht, en aan koster Bik inplaats van het oude roode karpet, het nieuwe Deventer tapijt voor de trouwplechtigheid besteld. Zijn laatste doctorale visite zal hij bij "den majoor" brengen, want de majoor, ofschoon aan de beterhand, is toch de eenige patiënt van wiens ziekte hij nog voor weinige dagen vreesde dat zij een leelijke hinderpaal voor het beraamde reisplan kon worden.

De zieke majoor zit op een weelderig gemeubileerde, zeer warm gestookte kamer, met een rooden Turkschen sjaal over een dicht gesloten chamber-cloak, en een fraaie reisdeken over de beenen, in een voltaire bij het venster.

"Phu majoor, wat een hitte!" zegt Helmond bij 't binnenkomen, en blijft op den drempel staan.

"Er in of er uit dokter, als je blieft!" roept de man met den sjaal: "je zet me op een tocht wie de drommel!"

"Ja, om u de waarheid te zeggen majoor, liever bleef ik er buiten als het u om 't even is."

"Ben je razend dokter, zoo is het niet bedoeld. Maar je zet me op een vreeselijken tocht. Je hebt me aanbevolen om me vooral te ontzien en warm binnenskamers te houden, en moet jij me nu zelf op apegapen zetten! Kom dokter, maak geen gekheid.--Herein als je blieft?"

Helmond komt binnen; doet de deur achter zich dicht; gaat naar het venster 't welk niet door den majoor werd ingenomen; schuift het zoo hoog mogelijk op, en opent daarna de haarddeur terwijl hij de schuif een weinig verzet. Na een kernachtige rede van den patiënt wordt deze eindelijk door zijn dokter overtuigd dat het zóó beter is. Het weer was immers buitengewoon zacht, en de lucht op de kamer--ook ten gevolge van den walm der steenkolen--zeer onaangenaam en ongezond.

--Het consult is afgeloopen.--Met weinige woorden herinnert Helmond nu zijn patiënt dat hij morgen de gelukkige echtgenoot van Eva Armelo hoopt te worden.

"Te henker ja, daar heb ik met m'n zieke karkas niet aan gedacht. Ei ei, gaat morgen de kogel door de kerk, ha ha! 's-Lands wijs, 's-lands eer! Wel ja, waarom niet! Mooie vrouw! charmant mooie vrouw, waarachtig!"

"Ik moest u dit alleen herinneren majoor, omdat ik nu een groote veertien dagen vanhuis denk te gaan."

"Wat blief je, vanhuis? Op reis? Jij als dokter op reis? En wou je mij dan in den steek laten? Is mijn corpus je zóóveel waard menheer de dokter? Weet je wel dat ik d...... hard ziek ben geweest?"

"Jawel, u is zeer, zeer...."

"Zeg maar dat ik het voor den dood heb weggehaald."

"Tenminste...."

"Tenminste dat malle schaap van een juffrouw hieronder kwam me dien Zondag-avond heel christelijk overbrieven, dat je bij 't heengaan zeer bedenkelijk de schouders hadt opgehaald."

"Er was reden tot bezorgdheid, maar u is nu zóóveel beter majoor, dat ik gerust...."

"Gerust! jawel, welzeker: jij kunt gerust met je jonge vrouw aan den zwier gaan, dààr is geen gevaar bij; maar als ik hier mocht instorten door kou vatten, door open ramen--ik zou dat raam nu maar dichtdoen, jawel, jawel; we zijn hier in 't kikkerland en niet in Oost-Indië... als je blieft....!"

"Het dient open te blijven totdat de atmosfeer hier wat zuiverder zal zijn. Wat uw vrees voor instorten betreft, daar is niet veel grond voor, tenzij u excesses mocht doen die...."

"Ik ben geen kind menheer Helmond; maar je weet zoo goed als ik, dat een ongeluk in een klein hoekje zit. Dezen nacht voelde ik hier.... zieje hier zoo'n pijn, zoo'n bijzondere drukking, en ik kan je zeggen dat me 't klamme zweet uitbrak, niet omdat ik bang ben voor pijn, maar omdat... in verband zie je... en..."

"Die pijnlijke aandoening staat in geen het minste verband met de ziekte die gelukkig aan 't wijken is; en ik ben er vrij gerust op dat u bij mijn terugkomst weer geheel in orde zult zijn. Met de middelen, die ik u voorschreef, stilletjes voortgaan; matig versterken, en....."

"Ja, dat is nu allemaal tot je dienst; maar waarvoor heb ik een dokter als ie voor zijn plezier reisjes mag maken, en mijn karkas in den steek laat? Nee, ik ben in 't geheel niet beter. Van nacht bijvoorbeeld overviel me een benauwdheid, die zoo iets te beteekenen had: 't nachtlicht was uitgegaan; 't was zoo donker als in de hel, en 'k dacht een oogenblik dat ik levend in de kist lag..."

"Zeker een soort van nachtmerrie majoor. U hebt toen 't licht weer aangestoken?"

"Natuurlijk!"

"En 't ging toen beter nietwaar?"

"Dat is te zeggen toen kreeg ik die pijn. Wàt je me nu ook vertellen moogt, ik heb m'n gevoel; en als ik zoo iets wèèr kreeg dan zou ik m'n dokter willen hebben, zelfs midden in den nacht, want de angst zou iemand..."

"U bent toch niet bang majoor?"

"Ik! te donder, wie zegt dat! Maar als je alleen ligt, je maakt je dan van die zwartgallige voorstellingen, zieje, in één woord...."

"Hoor eens majoor! met 't oog op morgen moet ik mijn bezoek wat bekorten. U weet het: 't is in dezen tijd een bijna algemeene gewoonte dat jonggetrouwden op reis gaan."

"Juist, maar een dokter..."

"Een dokter die geen patiënten heeft wier toestand zijn bijzondere zorgen vereischt; die bovendien zijn praktijk--en voor korten tijd--aan een collega kan overdoen, die dokter maakt van een recht gebruik, dat niemand hem zal betwisten, en het allerminst de patiënt, die van een vrij ernstige ziekte herstellende is."

"Zoodat ik dokter Helmond nog op den koop toe zou moeten bedanken voor de beleefdheid dat hij mijn korpus aan een ouden kwakzalver endosseert. Ik zeg je dat ik me beroerd gevoel, heel beroerd; en als me in dien tusschentijd wat overkwam, jij zoudt het op je geweten hebben; ja waarachtig!" Hij slaat met de vuist op de tafel.

"Er zal u niets overkomen majoor; tenminste als u je niet driftig maakt. U hebt me dikwijls gezegd--misschien zonder er veel bij te denken--dat u "aan een beroerte zoudt heengaan." Maar zóóveel is zeker, dat ik u--behalve een matig leven enzoovoorts enzoovoorts, ten zeerste kalmte moet aanbevelen, of anders...."

"Wat! denkt jij òòk dat ik aanleg voor een be.... be.... roerte heb?--Ik!? Je hebt er altijd om gelachen...."

"In de sociëteit majoor."

"Ja juist in de sociëteit."

"Ik begreep dat het u te doen was om op dat punt een geruststellend advies van een uwer vrienden, misschien wel van uw dokter uit te lokken. Mijnheer Kippelaan bleef dan ook zelden in gebreke met zijn: Kom majoor, ù een beroerte! je wordt honderd jaar oud."

"Maar zou je dan waarachtig denken dat ik...."

"Ik denk majoor, dat u méér vertrouwen in me stelt dan je me straks woudt toonen. Toen u er slecht aan toe waart, toen hebt u gezegd: jij kunt me beter maken dokter; doe alles wat in je vermogen is, dan zal ik.... enfin, die belofte doet niets ter zake. En nu--nù moet ik weer met zekerheid bepalen dat u aan een beroerte...."

"Neen, ben je gek, dat moet je niet met zekerheid bepalen, ik wilde...."

"Mijn besluit is eenvoudig: dat ik mij in het vertrouwen van den majoor mag verheugen; ongetwijfeld zal hij mij dus gaarne een goede reis wenschen, indien ik hem verzeker, dat ik er geen het minste bezwaar in zie om hem voor een veertien dagen te verlaten, vast overtuigd dat hij tegen dien tijd weer geheel en al beter zal zijn."

"Zoo.... is er dan waarachtig geen kwaad bij? En die drukking hè? Kan die niet van invloed wezen op die ber....--Nee, in allen ernst dokter, is daar met zekerheid iets van te zeggen? Zie, een beroerte vind ik nu juist het beroerdste wat er is. Je moet niet denken dat ik bang voor nommer één ben, God beware! maar...."

"Hoor eens majoor, zeer zeker dragen we voor 't meerendeel onzen laatsten vijand van kind afaan met ons. Voordat hij zich echter vertoont, zou het een schermen in 't blinde zijn om hem te willen bevechten, en kon men juist wel eens groot gevaar loopen hem door ontijdig wapengerammel wakker te maken. Weet u majoor, wat de verstandige mensch alleen ten opzichte van dien vijand verplicht is? Mijns inziens moet hij zich oefenen om in den tijd van nood de wapenen te kunnen hanteeren, hij moet geduld leeren oefenen en zelfbeheersching; terwijl hij alle vrees voor den dood--een ding, waar hij ten slotte toch niets van gevoelen zal--met kracht als lafhartig moet zoeken te bestrijden. Tot weerziens majoor. Vooreerst nog trouw innemen, en binnen een paar dagen eens de lucht in. Vaarwel!"

Helmond heeft al sprekend het raam weer dichtgeschoven en gaat nu heen.

De majoor hem naziende zegt, met een vuistslag op de tafel en een vloek als tusschenwerpsel:

"Wát! denk jij dat ik een wezel en bang voor den dood ben?"

Helmond omziende:

"De majoor heeft naar mijn opgedane ondervinding nog te veel levenslust om nu al naar den dood te verlangen. Ik herhaal dat onthouding en kalmte hem 't meest geraden zijn."

"Ah! tourneer je het zoo. Nou, dat was je geraden. Je moet voor den d.... niet denken...."

Maar dokter Helmond is al vertrokken.

De majoor Kartenglimp blijft een oogenblik met zijn donkerbruine oogen naar de deur staren, en roept dan zoo luid hij kan den vertrekkenden dokter terug. Dewijl Helmond niet verschijnt, grijpt hij de zilveren tafelschel, die voor hem staat, en doet haar geweldig klinken.

Helmond komt niet terug.

Kartenglimp schelt nog eens, en sterker, en zeer langdurig. Eindelijk verschijnt juffrouw Ketel, zijn hospita.

"Zeg, loop jij wie den drommel den dokter na, en zeg hem dat ie hier komt."

"Wel wel majoor, wat een leven en haast! De dokter is...."

"Roep 'em zeg ik je; ik moet 'em nog spreken."

Juffrouw Ketel gehoorzaamt; althans zonder tegenspraak gaat ze naar beneden. Tien minuten later zegt ze aan haar dienstmeid--een heldere deern van vijf en twintig à dertig jaren:

"Ga jij maar naar boven, en zeg dat je den dokter nageloopen maar nergens gezien hebt; en, dat ie ook niet thuis was."

Mietje maakt een knipoogje en brengt de boodschap aan den majoor.

Na weinige seconden stond Kartenglimps gelaat in een geheel andere plooi dan toen de dokter vertrok. Mietje heeft hem vrij knaphandig uit een aangewezen fleschje een goede dosis barnsteendroppels toegediend; straks heeft ze gezegd, dat ze "verachtig naar beneden moest, want dat anders de juffer 't in de mot zou krijgen;" en toen met een bijzondere vrijmoedigheid, terwijl zij zich aan zijn arm onttrekt: "Ei, ik zie wel dat je aan de beterhand bent, maar nou mot ik naar beneden. Atjuus!"

Toen dokter Helmond haastig den weg naar zijn woning vervolgde om er, alvorens naar den generaal te gaan, nog 't een en ander--ook voor zijn patiënten--te bezorgen, toen kwam hem bij 't omslaan van den hoek der Groote Kerk, een "jongmensch" van omstreeks veertig jaren met zeer magere beenen en grooten neus te gemoet, die, met de beide handen naar hem uitgestrekt, al spoedig Helmonds hand omklemde en gedurende zijn gansche, tamelijk radvloeiende en schelluidende toespraak, op 't innigst er mee aan 't karnen bleef.

"Fameus veel plezier dokter, je nog te ontmoeten. 't Doet me almachtig veel genoegen dat je 't zoo treft. Ja niewaar, je treft het bijzonder. Alles wèl niewaar? Je meisje--je bruidje wil ik zeggen, en de familie, en de generaal, en dat heerlijke weer niewaar? Be sure dokter, ik ben jaloersch op je; je hebt een engel van een meisje, van een bruidje wil ik zeggen; reëel 't is een engel! Morgen, enfin, hé? Ik benij je. Ja waarachtig, als jij het niet was dan zou ik je benijen. Ook in de kerk hé? 't Zal zeker vol zijn. Algemeene belangstelling; je hoort van niets anders.--'s-Middags op reis niewaar? Zeker naar Zwitserland? Ja ja, je zult het niet aan de groote klok hangen. Nou, van harte--van harte hoorje, als je, soms iets hebt, in je absentie.... van harte hoorje, van harte!"

"Dankje Kippelaan, 'k ben van je belangstelling en hulpvaardigheid ten volle overtuigd;" zegt Helmond terwijl hij zijn hand uit de dansende klem zoekt los te werken: "Je neemt me niet kwalijk, maar ik heb nog zaken, en dus...." Wuivend met de bevrijde hand: "Tot weerziens, adieu!"

"Och-kom, is die haast zoo groot?" herneemt Kippelaan terwijl hij met een snelle beweging Helmond in den weg treedt: "Vijf minuutjes? toe, vijf minuutjes, daar kun je niet tegen hebben? Je bent hier vlak bij m'n huis. Eventjes inwippen hé? Staandvoets een klein beetje parfait d'amour. Parfait d'amour hé? Watblief? Dat kun je niet weigeren?"

"Nee Kippelaan; waarlijk...."

"Allemaal gekheid, dát kun je niet weigeren: Parfait d'amour!? Op de liefste!? Op morgen?" Hij vat Helmond onder den arm en noodzaakt hem een paar schreden met hem voort te gaan.

"Stellig Kippelaan, ik heb geen tijd; ik hou je parfait d'amour te-goed. Je weet bovendien dat ik nooit...."

"C'est vrai! c'est juste! Maar in m'n keldertje heb ik ook delicieuze pomerans. De majoor zegt dat je ze nergens zoo drinkt. A propos 't gaat beter hé? Ik kreeg tweemaal niet thuis. Een beroerte? Half verlamd hé? Zeg, ga je morgen naar Rotterdam, of zul je over Arnhem langs den Rijn....? Naar Rotterdam hé....?--Jawel, já wel je moet nu even mee binnen."

"Maar ik herhaal je nóg eens dat ik geen tijd heb. Oom wacht me tegen halfzes op De Zonsberg met 't eten. Je zult dus begrijpen...."

"Allemaal gekheid, ik hou je geen twee tellens op. Eventjes, eventjes maar. Je kunt dan, en passant, m'n nieuwe causeuse eens zien. 'k Geef je te raaien. Je zult ze prachtig vinden. Tachtig gulden; massief parole d'h...."

Helmond brengt zijn hand, die opnieuw werd gekerkerd, niet zonder eenig geweld in vrijheid; maakt een afwerende beweging, en zegt haastig: "Die kom ik later eens kijken;" en gaat dan zoo snel mogelijk naar den kant zijner woning.

Nog geen twee schreden ver, daar voelt hij zich bij het pand van zijn jas grijpen, en terzelfder tijd een looden druk op zijn schouder. Weer is hij tot stilstaan gedwongen. Kippelaan mocht hem zóó niet laten vertrekken. Als Helmond dan volstrekt niet binnen wil komen en in geen geval iets gebruiken, dan moest Kippelaan hem toch nog even de hand drukken, en--daar hadt je het lieve leven weer gaande: Helmonds hand dubde nogmaals en sterker dan straks tusschen hemel en aarde:

--"....en Gods allerbesten zegen, hoorje.... en dat je die prachtige engel in alle opzichten.... en gelukkige reis hoor! Maar als je morgen te Rotterdam logeert, ga dan niet in De Keizer van Marokko, dat is afzetterij.--St.-Lucas!--Ik zie je er al met je beien; delicieuze tafel.--'k Neem 't je niets kwalijk dat je me niet op de partij van eergisteren hebt gevraagd; heusch niet, niemendal, hoor! Je kondt al je vrienden niet vragen. En morgen in De Gouden Arend, dat begrijp ik ook best. Maar je ziet me in de kerk.... 'k Zal je een oogknipje geven.--Zeg, tóch een klein dropje....? Eén heel klein droppeltje pomerans?"

Vijf minuten later treedt dokter Helmond, die door een snelle beweging aan vriend Kippelaan is ontkomen, zijn eigen woning binnen.

Het doktershuis is een kleine en lage, maar vriendelijke woning, gelegen aan den buitenkant van het stadje, welke buitenkant door velen de wal of het walletje, door sommigen de singel genoemd wordt.

Het woonhuis met vier ramen in den gevel, een deur in 't midden en een hoog zoldervenster boven die deur, moet ongetwijfeld in de laatste dagen belangrijk zijn opgeknapt. Het witte pleister is zoo blank als verschgevallen sneeuw, terwijl de palissanderhoutkleurige verf der voordeur en de lichtgele of witte tinten van kozijnen en lijstwerk, glimmen dat het een lust is. 't Ligt daar heel aardig dat kleine huis. Een zeer smal tuintje--of liever een paar smalle bloemperken met een klinkerpaadje in 't midden, scheidt het van den wal, die de geliefkoosde wandeling is der Romphuizers, en door fiksche ijpe en lindeboomen wordt overschaduwd. Het eenige dat men jammer kan noemen is, dat men om in de woning van dokter Helmond te komen, drie trapjes in den wal naar beneden moet. 't Huis ligt van den wal gezien wel een weinig in de diepte, en mist ook daardoor voor een goed deel het fraaie uitzicht op De Zonsberg en de bosschen van Hoenderveld, 'tgeen men ten volle zou hebben indien het huis een voet of drie hooger lag.

Nochtans voor dokter is de ligging van zijn huis juist een zeer gewenschte. Zijn woning is de laatste van een--althans voor het stadje--vrij drukke straat die op den wal uitkomt, en ofschoon nu de voorgevel iets te laag is om het fraaie uitzicht te genieten, zoo geeft de rechter-zijmuur het voorrecht dat men door een tweede buitendeur zeer gemakkelijk en zonder den wal op te gaan erbinnen kan komen, terwijl bovendien de ramen in dien zijmuur het gezicht op de straatpassage vergunnen. Wat inzonderheid die zijdeur bijna onmisbaar maakt, is de omstandigheid dat Helmond, zooals dat in dorpen en kleine steden nog altijd gebruik is--zijn eigen apotheek houdt. Nevens die zijdeur dan, en alzoo in het achterhuis, bevindt zich Helmonds apotheek. Wie dokter spreken of uit de apotheek iets hebben moet, komt in de Hoenderveldstraat en niet aan de voordeur op den wal. 't Is aan de klompen, die dikwijls in de straat voor het drempeltje staan, zeer duidelijk te zien dat het doktershuis de zijdeur wel noodig had.

Helmond is van de straatzijde in zijn woning gekomen, en treedt aanstonds rechts de kleine apotheekkamer binnen.

"Is er niets geweest Thomas?" zegt Helmond tot een jonkman met blonde haren, die achter de toonbank aan 't vouwen van poeders is.

"Nee dokter, niemendal;" zegt de jongen terwijl hij merkbaar Helmonds blik zoekt te ontwijken.

"Niemand voor de apotheek Thomas?"

"Nee dokter, geen mensch...."

"'t Ruikt hier zoo sterk naar spiritus nitri...."

"Hé.... o ja, jawel dokter," aarzelt Thomas en bukt zich om iets op te rapen dat er niet ligt: "ja ziet u, ik heb bij vergissing...."

"Kun jij je vergissen Thomas?"

Thomas heft het blauwe oog tot hem op en zegt:

"Och dokter, moe was zoo.... Dokter zal wel begrijpen."

"Zij is toch niet ongesteld?"

"Nee dokter, Goddank nee! Moe is heel wel, en den heelen morgen was zij bezig, maar.... wat zal ik u zeggen: Moe is dezer dagen een beetje van haar stuk.--Ja, eigenlijk van haar stuk," herhaalt de jongen terwijl hij de recepten inziet, die Helmond uit zijn portefeuille genomen en hem stilzwijgend heeft toegereikt: "Och ja dokter, 't kan moe zoo ineens overvallen dat ze.... geen woord meer...." Thomas draait zich plotseling om; kijkt naar de medicijnflesschen, en potten omhoog; pakt er een, zet hem met een zijdelingsche beweging op de toonbank en ziet weer naar de flesschen en potten, doch schijnbaar zonder te kunnen vinden wat hij hebben moet.

Helmond vraagt niet verder. Een oogenblik later zegt hij:

"Thomas, ik reken er nu vast op dat je in mijn afwezigheid alles nauwkeurig volgens afspraak zult behandelen. Zoo dikwijls collega Biermans hier mocht komen, zul je zeker beleefd en vriendelijk tegen hem zijn."

"Alles wat ú verlangt dokter, dat doe ik met liefde; beleefd wil ik tegen dokter Biermans zijn, maar vriendelijk....."

"Nu, je weet wat ik bedoel. Mocht er voor 't overige soms 't een of ander wezen waardoor mijn spoedige thuiskomst noodzakelijk werd--ik bedoel een zeer ernstig ziektegeval met een bepaald verlangen naar mijn persoon, telegrafeer me dan, zooals gezegd is terstond aan een der opgegeven adressen. Ik vertrouw echter Thomas, dat je dit niet dan in werkelijk hoogen nood zult doen."

"Dat spreekt immers vanzelf dokter. Alles zal zeker goed gaan. Ik.... ke...."

"Was er nog iets?"

"Nee dokter, nee; maar...."

"Beter vooruit gevraagd dan naderhand verlegen te zitten Thomas!"

"Nee dokter, toch niet, 't was alleen...."

Helmond krijgt nogmaals het achterhoofd met de blonde haren van zijn provisor te zien.

Thomas tuurt opnieuw naar de etiquetten der potten en flesschen.

"En wát was er dan Thom?"

Na een oogenblik van stilte komt de provisor, niet zonder eenige zelfoverwinning den jongen patroon nabij, en zegt terwijl hij hem met zijn blauwe oogen vriendelijk en trouwhartig ofschoon vluchtig aanziet:

"Dokter, moe en ik, we zouden zoo graag.... we dachten... we..."

"Je goede moeder heeft toch geen oogenblik gedacht dat ik zou heengaan zonder nog eens bij haar te komen! Maar mijn beste jongen, ik kom immers van avond weer thuis en ga morgen niet vóór elven de deur uit. Wel zeer zeker moet ik je moeder nog eens spreken.--Kom, ik wil haar maar aanstonds opzoeken."

Uit de apotheek in de achter- of dwarsgang der woning teruggetreden, gaat Helmond links zijn spreekkamertje voorbij, en klopt dan aan het eind van die korte gang op een deur.

Thomas is den patroon gevolgd, nadat hij even de binnenknip op de straatdeur heeft gedaan.

Nu Thomas in de woonkamer van zijn moeder komt, ziet hij hoe de goede vrouw den jongen dokter met een ongewone trilling van het hoofd te gemoet gaat.

Zij geeft hem de hand; zegt eenige bijna onverstaanbare woorden, en barst dan eensklaps in een zenuwachtig snikken los.

"Stil moeder, stil! Foei, dat is nu weer kinderachtig. Wat moet dokter daar nu van maken! Als dokter niet wist dat je erg zenuwachtig waart dan zou hij wel kunnen denken dat we ons niet verheugden in zijn geluk. Stil moedertje, stil!"

"Laat moeder maar eerst eens uithuilen Thom. De zenuwen willen zoomin gecommandeerd als beklaagd worden. Ik weet immers te goed hoe je brave moeder zich in mijn geluk verheugt."

Mevrouw Van Hake drukt Helmonds hand, en dan zich vermannend, zegt ze op bewogen toon:

"Daaraan heeft mijn weldoener nooit getwijfeld, dat weet ik zeker; maar.... er zijn oogenblikken...."

"Geef je moeder een glas water Thomas.--Ziezoo, drink maar eens ferm mevrouw. Flink zoo. En nu ook verder geen lange aanspraken niewaar? 't Is alles uitmuntend goedgemeend, daarvan heb ik de doorslaandste bewijzen. Werd mijn slaap- en zitkamer gedurende de bruidsdagen niet telkens als met frissche bloemen bezaaid, en wat meer zegt, heeft mijn lieve bruidje niet zelf er over geroepen zoo keurig als alles door mevrouw werd in orde gebracht? Zij verbeeldde zich dat ze verrukt zou zijn als we bij onze terugkomst, de overgordijnen voor de glazen en alles geheel in orde zouden vinden."

Mevrouw Van Hake heeft zich hersteld. Zij wischt zich de tranen uit de oogen, en zegt zacht op bewogen toon:

"Wat u aan de arme doktersweduwe en haar kind hebt gedaan, beste mijnheer Helmond, dat kan ik u nooit vergelden, maar...."

"Och lieve mevrouw, daar moet u niet van spreken; wat ik deed geschiedde werkelijk het allermeest uit een welbegrepen eigenbelang."

"Het schoonste eigenbelang! Het was om de voldoening te smaken bedroefden te hebben getroost en welgedaan."

"Mevrouw Van Hake, als twee menschen zich tegenover elkander gelijkelijk verplicht gevoelen, dan doen zij 't best elkaar stilzwijgend de hand te drukken, en die handdruk zegt dan mede genoeg voor de toekomst."

"O u bent zoo goed mijnheer Helmond, maar juist de toekomst is het die mij met droeve gedachten vervult. Toen Van Hake na al onze rampen en zijn langdurig ziekbed gestorven was, en u in zijn plaats als dokter te Romphuizen kwaamt, toen was het uw liefde die....."

"Beste mevrouw, waarvoor toch dat alles? Wij weten immers wel....."

"Maar dokter, laat moeder nu toch alsjeblieft uitspreken. Moe wordt altijd zenuwachtig als men haar in de rede valt. Ga jij je gang maar moedertjelief: je woudt zeggen dat dokter ons toen hier in huis heeft laten blijven, niewaar?"

"Ja kind, en ik zou van alles willen ophalen, en vooral hoe dokter je zelf zooveel heeft geleerd dat je zoo'n goed examen als apotheker kondt doen; en van alles en alles wat hij meer deed om ons onze smart te verlichten, terwijl anderen...."

"Zoo'n pruik als Biermans bijvoorbeeld!" valt Thomas uit: "zoo'n schrok, die...."

"Hoor eens Thomas, het is me niet aangenaam om mij ten koste van een oud en achtenswaardig man te hooren verheffen. Biermans heeft een zwaar huishouden en wilde zijn tweeden zoon immers zelf graag apotheker zien worden. En nu, ronduit gezegd beste vrienden, het zou me plezier doen indien we het zonder meer woorden bij een handdruk konden laten. Mocht er echter iets zijn dat mijn moederlijke vriendin voor de toekomst met zorg vervult, dan luister ik heel graag en met belangstelling; doch, raakt het punten van huishoudelijken aard, zijn het woon- of--vergun mij het woord--zijn het telkens weer _keuken_bezwaren, laat dan mijn verzekering mede uit naam van mijn lieve Eva, u voldoende zijn, dat het tot ons wezenlijk geluk zal bijdragen indien alles tusschen ons blijft op den ouden voet--uitgezonderd die kleine menage-verandering, zooals ze u is voorgesteld."

"Och, dat u mij toch begrijpen woudt lieve dokter," herneemt mevrouw Van Hake: "juist wat u met zooveel goedheid mijn woon- en keukenbezwaren noemt, ze zijn van zeer overwegenden aard. Toen u als vrijgezel onze woning kocht, toen was het behoud der drie kamers in het achterhuis niet van zoo heel veel belang voor u--daargelaten het geldelijk voordeel, dat er door u van zou zijn te trekken geweest."

Vriendelijk maar toch eenigszins verstoord zegt Helmond:

"Voor die kamers had ik dan toch al uwe zorgen, al uw huishoudelijke bemoeiingen, niewaar?"

"Juist, mijn lieve mijnheer Helmond; maar gesteld eens dat die laatste opwogen tegen alles, alles wat u voor mij en mijn Thomas hebt gedaan, is dan de toekomst voor mij geen pijnlijke toekomst terwijl ik weet dat het eenige wat ik u in ruil voor uwe weldaden kon geven, nu geheel moet ophouden? Met uw huwelijk dokter, neemt uw vrouwtje natuurlijk het huishoudelijk beheer in handen. Zal zij in den aanvang misschien nog een enkele maal zoo vriendelijk wezen om de oudere in jaren over 't een of ander te raadplegen, allengs zal zij, geheel berekend voor hare taak, mij niet meer behoeven, en ik in uw dienst geen nuttige hulp, maar steeds meer en meer een groote lastpost zijn."

"Mevrouw Van Hake is nimmer in mijn dienst geweest!" zegt Helmond half verdrietig: "en, als dat ooit door iemand als zoodanig is beschouwd, dan wordt het hoog tijd dat daar een eind aan komt. Vergeef me lieve mevrouw, dat ik een oogenblik wat knorrig werd, maar ik acht u te hoog dan dat ik u zóó over u zelve kan hooren spreken. Wilt u dat ik je even klaar en zuiver onze verhouding voor oogen stel, luister dan: Toen ik indertijd aan oom Van Barneveld mijn wensch te kennen gaf, dat ik u en Thomas de achterkamers wilde doen behouden, toen vond hij dat denkbeeld zoo aardig dat hij 't huis voor mij kocht. De beleefdheid komt dus van oom, en uw blijven in die kamers is alzoo een conditie voor mijn eigendomsrecht. U hebt recht. Zie, dat is nommer één!"

Mevrouw Van Hake, terwijl ze een traan uit het oog wischt, schudt half glimlachend het hoofd.

"Nommer twee is: dat ik u veertig gulden in de maand betaal."

Mevrouw Van Hake knikt als wil zij zeggen dat dit nu de hoofdquaestie wordt.

"Prompt," vervolgt Helmond: "wat ik daarvoor al genoot aan zorge en vriendschap, daarvan spreek ik niet meer; ik vraag nu eens heel zakelijk wat ik daarvoor genieten zal: Ten eerste mevrouw, de geheele hulp van Thomas, 't geen hoe langer hoe meer van beteekenis wordt, zoodat ik al gedacht heb of hij het daarvoor wel lang meer zal volhouden."

"Dokter," valt Thomas in: "er is misschien in 't heele land geen provisor die zóó betaald wordt; maar moeder staat er bij, en God hoort het me zeggen: al moest ik dag en nacht om niemendal voor u werken, ziedaar, ik zou...."

"Hoor eens mijn beste Thomas, al meen je het nog zoo goed, nu spreek je in allen geval voor je beurt," zegt Helmond en klopt Thom op den schouder: "ik was aan mijn berekening: Ten eerste heb ik dan voor mijn veertig gulden de geheele hulp van Thomas, en ten andere de volkomen overtuiging dat er onder mijn dak twee zielen wonen, op wier geheele liefde ik rekenen kan en aan wie mijn gansche bezitting beter dan aan mij zelven is toevertrouwd. Voor die ellendige veertig gulden--indien ik dáár nog van spreken moet--heb ik dan bovendien, bij mijn veelvuldige afwezigheid, voor mijn vrouwtje een lief en moederlijk gezelschap, en voor mij zelven de zekerheid dat zij, wanneer ik vanhuis ben, ten allen tijde raad en hulp zal vinden en, wat er ook gebeure, nooit verlaten is. Ik heb.... Maar genoeg, méér dan genoeg! Al wat ik daar 't laatst in rekening durfde brengen is een "naar ons toe rekenen" geweest. Alzoo resumeer ik, en, neem nu mijn woord als dat van een man die het eerlijk meent; wanneer u hier blijft op den voet zooals ik 't u heb voorgesteld, dan maakt u gebruik van uw recht, en handelt geheel naar den wensch van mijn braven oom, die mij met dat doel dit huis heeft gegeven. Maar bovenal, u toont erdoor aan mijne--ja ik mag het zeggen, ook aan Eva's liefde, te gelooven, en tevens dat het u mede niet onverschillig is om den band onzer vriendschap door een gestadigen omgang zoo mogelijk nog te versterken."

"Och beste mijnheer Helmond, zooals u het voorstelt, ja.... maar.... Ach, men kan niet alles zoo uitspreken."

"Geen maren meer goede mevrouw; 't zal misschien noodig zijn dat ik u later mijn woorden eens duidelijker op schrift geef. Wat geschreven staat, heeft dikwijls meer waarde ter overtuiging."

Moeder en zoon hebben onder Helmonds laatste woorden teekenen van ja en neen gewisseld.

"Jawel moelief, jawel!--Niet....? Dan zal ik het zeggen."

"Nee Thomas, nee!"

"Jawel, jawel moe; dokter moet het weten. Ziet u dokter, moe tobt er maar over dat ú wel in alles en alles--ziet u.... maar...."

"Och Thom, hoe kun je nu.... Dokter zal denken...."

"Nee moe, dokter zal het niet verkeerd opvatten. Ik.... wilde zeggen...."

"Komaan Thomas, wind er geen doekjes om. Misschien raad ik al aanstonds wat het wezen moet. Er is vrees misschien dat dokters vrouwtje de zienswijze en gevoelens van haar man niet geheel zal deelen, en dat de tusschen ons bepaalde overeenkomst door haar minder wenschelijk wordt gekeurd."

Thomas staart met groote oogen naar den grond terwijl hij verscheidene malen ter bevestiging met het hoofd knikt. Mevrouw Van Hake heeft het gelaat van den spreker afgewend en fluistert:

"Och Thom, dat was het toch niet;.... tenminste...."

"'t Is goed dat men de zaken maar bij haar naam noemt mevrouw, want als dit werkelijk een punt van vrees bij u uitmaakt, dan ben ik in staat om u volkomen gerust te stellen en van het tegendeel uwer vrees te overtuigen. In de eerste plaats heeft Eva nadat zij u leerde kennen, mij gezegd dat ze u zoo heel lief vond--ja het moet er nu uit--en dat ze hoopte recht veel van u te leeren. Bovendien waren het haar eigen woorden: 't Is zoo'n gezellig idee dat mevrouw Van Hake en haar zoon bij ons inwonen; wij zullen ze dikwijls zien, en als je mij zooveel alleen moet laten dan zal de goede vrouw nog last van me krijgen."--Is er nu meer noodig om u gerust te stellen en te doen gelooven dat de nabijheid uwer moederlijke zorg en liefde ons geluk moet verhoogen, terwijl uw inwoning--ik herhaal het alweer--toch steeds als een recht door u moet beschouwd worden?"

Ofschoon aangenaam door Helmonds woorden getroffen, zoo is de doktersweduwe nog geenszins overtuigd dat haar vrees voor de toekomst zoo geheel zonder grond is. Nochtans, indien zij na de verklaring van haar weldoener daarvan blijk gaf, het zou al zeer weinig kieschheid verraden, aangezien door haar vasthouden aan den twijfel, zoo al niet de oprechtheid van Eva's karakter, dan toch haar goed doorzicht in verdenking werd gebracht, 'tgeen den man die haar uit de volheid van zijn hart beminde, ja schier aanbad, zeerzeker moest grieven.

Thomas echter heeft zich voorgesteld om de zaak geheel in 't reine te brengen. Wat moeder verzwijgen wil, kan hij niet verkroppen.

"Ja dokter," valt hij uit: "'t is waar, juffrouw Armelo was ook heel vriendelijk en niemendal grootsch; maar...."

"Dacht je dat ze grootsch was Thomas?"

"Foei Thom, hoe kun je zoo raar spreken."

"Nee ziet u dokter, dat dacht ik niet, want ik zeg immers dat zij het niemendal is;" herneemt Thomas een weinig verlegen: "Maar weet u waar moeder niet overheen kan.... Jawel moeder, laat me nou spreken, je tobt er over. Jawel! Zie dokter...."

Mevrouw Van Hake bevreesd dat Thomas door een onbedachtzaam woord haar edelen vriend nogmaals zal kwetsen, valt haar zoon in de rede en vervolgt:

"Wat Thomas u zeggen wil komt eenvoudig hierop neer, menheer Helmond, dat ik vóór uw verklaring van daareven, een weinig grond meende te hebben om te onderstellen dat uw lief bruidje ons inwonen op den duur minder aangenaam zou zijn. Toen zij den laatsten keer met u hier was, toen zei ze--zonder er waarschijnlijk zelve zoo heel veel bij te denken: dat er van onze beide achterkamers links, en uw beide voorkamers aan dezelfde zij van het huis, een prachtige suite zou kunnen gemaakt worden als men de muren doorsloeg. Zie, beste menheer Helmond, nu Thomas mij tot spreken dwingt, nu moet ik eerlijk zeggen dat ik bij mij zelve dacht: als de jonge mevrouw Helmond met zulk een verbouwingsdenkbeeld haar nieuwe woning betrekt, dan zou ik èn haar èn haar braven man toch werkelijk tot grooten overlast wezen, en, met al mijn "recht", hen niet weinig in den weg staan. Dokter weet genoeg hoe menschen en plannen doorgaans geprikkeld worden, indien er zich bezwaren opdoen die echter niet onoverkomelijk zijn."

"Is dat nu alles, lieve mevrouw?"

"Och ja dokter, het was kinderachtig misschien."

"Is er niemendal méér Thomas?"

"Nee--niewaar moe?--Moe was eigenlijk bang dat we u toch te veel zouden zijn."

Helmond vat de hand van zijn oude vriendin:

"Mevrouw, in herhalingen treed ik niet. Wat ik u zeide was alles waar en van harte gemeend. Maar luister nu: wanneer een jong meisje haar aanstaande woning beziet, dan is het niet vreemd dat ze--in een tijd dat men schier geheel illusie is--zich nog meer illusies schept. Toen mijn lieve Eva die opmerking maakte, toen moest ik in stilte om mijn aardig bouwmeestertje lachen. 't Zou een mooie pijpenla worden die prachtige suite! Maar ik liet haar 't genot van haar bouwkundige opinie, geheel overtuigd dat zij aan zoo iets evenmin ernstig dacht als aan haar schertsend woord om in onzen voortuin een goudvisch-vijver te doen graven. Eva heeft het zonder eenig nadenken of misschien zelfs--zooals dat laatste--gekscherend gezegd. Zij was het volkomen met mij eens dat we aan onze flinke drie benedenkamers en één ruime bovenkamer met haar heerlijk uitzicht, ruimschoots genoeg hebben; dat méér overdaad zou zijn, en ik houd mij dus overtuigd dat u in alle opzichten zonder verdere schrikbeelden het jonggetrouwde paar in uwe of onze gezamenlijke woning zult kunnen ontvangen."

Liefdetranen besproeien Helmonds hand. Thomas valt zijn moeder om den hals en fluistert:

"Zie moedertjelief, ik wist het wel!" En dan zachter, op geheimzinnigen toon: "Nu maar doen hê?"

Mevrouw Van Hake geeft haar jongen een toestemmenden wenk, en terwijl nu Thomas naar een hoektafeltje gaat en een zwartzijden foulaard van een hoogopstaand voorwerp neemt, vermant zich de weduwe, en zegt met een aanduiding van het genoemde voorwerp:

"Lieve dokter, niemand weet beter dan u hoever het vermogen van Van Hake's weduwe reikt. Wat anderen u konden schenken, daartoe was ik niet in staat; maar u aan te bieden wat ik nog behouden mocht en voor mij een hooge waarde heeft, dat is mij en mijn jongen een wezenlijk genot en een behoefte van het hart. Neem den inktkoker met het zilveren Minerva-beeldje als een blijk onzer warme liefde, beste dokter, en zoo dikwijls als gij de woorden op het voetstuk: "Aan Dr. J. Van Hake, den schranderen Aesculaap," zult lezen, lees er dan bij 'tgeen Thomas zelf er onder graveerde: "Van zijn weduwe en zoon aan Dr. A. Helmond, den edelen menschenvriend."

"Maar mevrouw! die prachtige inktkoker! die herinnering aan uw waardigen echtgenoot! het stuk dat ge vol weemoed wel eens uw afgodsbeeld hebt genoemd; zou ik....?"

"Beken maar dokter, dat het heel goed is, wanneer men zich van zijn afgodsbeelden ontdoet. Och weerstreef ons niet. Iets anders konden wij u niet schenken zonder dat het uw rechtmatig misnoegen zou hebben opgewekt.--Zie, het is ons nu zoo aangenaam te weten, dat het stuk, waar Van Hake zoo innig gelukkig mee was, en waar hij in die vier laatste jaren vol rampspoed en ellende, ondanks onzen hoogen nood, niet van scheiden kon, dat het nu aan den man behoort waarop hij, naast God, voor vrouw en kind zijn hoop had gebouwd, den mensch--zooals hij op zijn sterfbed zeide--die ongetwijfeld als een trooster zou komen in onze droefenis."

"Mevrouw Van Hake, ik dank je; ik dank je met een vol en bewogen gemoed! Over de waarde van uw geschenk spreek ik niet meer. Dat u 't mij geven woudt, het treft me diep.... zeer diep. Hoe zou ik het kunnen weigeren terwijl Thomas zelf onze namen erop vereenigd heeft. Ja, welzeker, de Van Hakes en Helmonds zijn door onverbreekbare banden van vriendschap aan elkaar verbonden. Nogmaals dank mevrouw.... hartelijk dank! Hier Thomas, verwerk jij dien handdruk nu eens tot een zoen voor je beste moeder.... Of nee, nee Thomas, nog een handdruk voor jou, maar den zoen dien mag ik haar zelf wel geven."

En het was dokter Helmond alsof hij een eigen moeder omhelsde, en het was die weduwe alsof een oudste teerbeminde zoon haar den zoen had gegeven.

DERDE HOOFDSTUK.

Nadat Helmond nog 't een en ander met het oog op morgen en de aanstaande reis heeft in orde gebracht, verlaat hij omstreeks vijf uren zijn woning, teneinde vooral niet te laat bij den generaal op De Zonsberg te komen.

Nauwelijks is hij den wal ten einde- en links de kleine stadsbrug overgegaan--welke brug nog altijd den naam van Hoenderveldsche poort draagt, ofschoon de poort sinds jaren verdween--ternauwernood betreedt hij den golvenden straatweg, die hem tot aan het landgoed van den generaal wel heerlijke vergezichten maar weinig lommer zal bieden, of hij ziet bij de eerste kromming van den weg een rijtuig van achter het frischgroene akkermaalshout te voorschijn komen, en bemerkt terstond dat het de tilbury van De Zonsberg is.

In weinige seconden was het rijtuig hem nabij gekomen. De grijze koetsier houdt den schimmel in, en terwijl hij Helmond zeer militairement met de zweep salueert, zegt hij:

"Ik zal maar eventjes keeren menheer;" door welk wenden Helmond nu beter kan opmerken hoe, zoowel Willems zweep als het hoofdstel van den schimmel, met kleine maar allerliefste bouquetjes versierd is.

Een oogenblik later zit Helmond naast den koetsier, en terwijl de schimmel in gestrekten draf den terugtocht naar de De Zonsberg aanvaardt, zegt Willem:

"Ik had orders van den generaal om precies tien minuten over vijven op den wal bij dokter vóór te zijn."

"'t Maakt niet uit Willem. Ik wist niet dat oom mij zou laten halen, en ben maar opgestapt toen ik klaar was. Jongens, wat heb je Zampa mooi opgesierd."

"Dat is op order van juffrouw Coba menheer; de bouquetjes heeft zij gemaakt, en den baas gelast ze er aan te binden."

"'t Is een lief en hartelijk meisje."

"Ja menheer, dat zeggen we dikwijls; maar jammer dat ze zoo uit den aard slaat."

"Hoe meen je?"

"Ik meen vanwegens d'r.... postuur zal ik maar zeggen.--Als je de juffrouw bij den generaal ziet dan zou je niet veronderstellen dat ze een militairekind was. D'r zit zoo geen kommiesbrood in de juffrouw."

"Als ik me goed herinner dan had tante ook een bleek en ziekelijk voorkomen; 't staat me zoo flauw voor den geest."

"Jawel precies dokter. Mevrouw's portret dat boven 't schrijfbureau van den generaal hangt is nog veel te rond en te mooi. 't Was een braaf en zachtzinnig mensch, maar ziekelijk en bleek. Toen de kolonel haar op zijn acht en veertigste jaar tot vrouw nam, toen dacht ik al dadelijk dat ze niet lang onder z'n kommando zou dienen. 't Was jammer, een groot jaar nadat ik haar met witte handschoenen had gereden, reed ik haar met zwarte. Nee, dan denk ik dat dokter d'r langer plezier van zal hebben."

"Tenminste mijn aanstaande is heel gezond Willem."

"God geve dat menheer tot in lengte van dagen met haar gelukkig zal zijn." Na een oogenblik stilte terwijl hij met de zweep een paardenvlieg van schimmels hals heeft weggetikt:

"Als ik alles zoo bedenk dan zou ik u--met verlof--kunnen benijen dokter."

"Ei zoo Willem?"

"Ja menheer, ik heb op mijn jaren bij den braven generaal alles wat m'n hart kan begeeren, en ik dank er God voor; maar toch--toch wou ik dat ik van morgen afaan, voor een dag of wat in menheer z'n plaats was."

De ernst, die er op het gelaat van den ouden krijgsman is te lezen en die zich mede in den toon van zijn stem heeft geopenbaard, deed al spoedig den glimlach verdwijnen, die voor een oogenblik den gelukkigen bruidegom om de lippen speelde.

"En waarom benij je me Willem?"

"Naar ik in de keuken vernam zal menheer morgen met de jonge mevrouw naar Parijs gaan;" zegt de grijze snorrebaard terwijl hij vluchtig van terzijde een vragenden blik op den dokter werpt.

"Als men het in de keuken zegt dan zal het wel waar zijn."

"Menheer weet wel dat ik niet nieuwsgierig ben; maar ik spreek ervan omdat menheer als hij werkelijk naar Parijs gaat, een gezicht zal zien, waar ik om zoo te spreken m'n laatste eindje leven voor zou overhebben."

"Je bedoelt....?"

"Wat ik bedoel menheer? Wel, wat zou ik er anders willen zien dan de plaats waar de groote Keizer rust. Ja dokter, dat u met de jonge mevrouw die plek met je eigen oogen zult bezichtigen, dat kan ik je benijen. Zie, ik was nog maar een jongen van veertien jaar toen ik als pijper in dienst kwam, maar tweemaal heb ik hem toch gezien; op zijn paard, ons toewuivend met den steek; en, zie dokter, dát vergeet je je leven niet!--Komaan Zampa, het hek in."

"Als oom er nog eens naar toe ging Willem."

"'t Zal niet gebeuren menheer.--Ho Zampa!--Voorzichtig dokter.--Hoe laat verkiest u dat ik weer vóór kom?"

"Heeft oom gezegd dat je me ook zoudt terugrijden?"

"De generaal heeft me gelast u te halen en te brengen."

"Dan om negen uur Willem."

De grijze koetsier buigt, en salueert met de zweep.

't Is een klein maar heerlijk gelegen landgoed, dat door den gepensioneerden generaal Van Barneveld als eigenaar wordt bewoond. Van den straatweg ziet men langs den oprit--die om het breede middelgazon naar de woning voert, ter linker- en rechterzijde prachtige boomen en sierlijke heestergroepen.

De woning op zichzelve is er een van die solide gebouwde, zeer deftige en nochtans vriendelijke soort, waarin de tijdgeest echter niet veel behagen heeft.

Een deftig stadshuis zou men zeggen. Behalve de onderwoning, is het twee verdiepingen hoog; acht ramen heeft het in den voorgevel, uitgenomen nog de beide, even hooge, maar zeer smalle ramen der vestibule waartoe een fiksche deur met sierlijk lofwerk den toegang verleent, nadat men eerst een vrij hooge en breede hardsteenen stoep heeft moeten beklimmen.

Den goeden naam, dien het landgoed met betrekking tot zijn ligging geniet, dankt het bovenal aan 'tgeen van de straatwegzijde verborgen blijft. De achtergevel van het gebouw--naar het zuiden gekeerd--staat op de helling van den berg die aan het buitenverblijf zijn naam schonk. Is men onder de zware takken van eiken en beuken ter weerszijden van het landhuis doorgegaan, dan ziet men--behalve de bloemen aan zijn voet--het groen van heesters en boomtoppen die oprijzen uit de diepte. En tusschen die openingen door, geniet men weder het prachtigst uitzicht over een heerlijk Geldersch landschap: 'twelk zich verliest in een dommelig verschiet, en waardoor de grijze Rijn--nu eens blinkend in den glans van een doorvallend zonlicht en dan weder grauw gedekt door een voortjagende wolkschaduw, zich voorspoedt naar het verre welbekende duin.

Vooral bij een stoombootvaart op den Rijn, levert het wit gepleisterde huis met zijn fraai uitgebouwde serre aan de zuidzijde--zooals het daar in de hoogte telkens achter het geboomte wegschuilt--een recht vriendelijk pittoresken aanblik op. Men zou dan aan wal willen stappen om te dolen in het bosch aan den voet van den berg, waar de klare beek over blanke kiezels murmelt men zou de meestal steile paden van den fiks begroeiden Zonsberg willen beklimmen, om eindelijk in dat hooggelegen landhuis--als het zoo wezen mocht--een weinig te kunnen uitrusten, met het oog over den schoonen voorgrond in het heerlijke verschiet.

Voor het hoogopgeschoven raam van een ruim vertrek zit de generaal Van Barneveld in een gewonen leunstoel. De generaal is een man van bijna zeventig jaren. Zijn zilverwitte haren en forsche grijze knevels verhoogen het mannelijk schoon van zijn edel gelaat. Het hooge voorhoofd en de helderbruine oogen spreken van verstand en doorzicht, terwijl de eenigszins gebogen neus en fijnbesneden mond, kloekheid van inborst verraden en reinen zin.

Opziende uit het boek waarin hij heeft gelezen, tuurt de generaal een wijle naar het schoone vergezicht, om echter al spoedig een blik op de groote pendule te werpen, die zoo even halfzes heeft geslagen. Van Barneveld haalt zijn horloge te voorschijn en ziet "dat de pendule niet in de war is". De generaal is een man van de klok. Kleine zielen hebben dikwijls dezelfde accuraatheids-manie, en ofschoon die accuratesse alzoo op zich zelve niet veel beteekent, zoo mag men er nu toch uit opmaken dat Van Barneveld gedurende zijn militaire loopbaan zoomin in de lage als hoogere rangen, ooit naar zich wachten liet maar steeds op zijn post was.

De generaal verlaat zijn zitplaats; loopt een paar malen de kamer op en neer; ziet nogmaals naar de pendule, en gaat dan de kamer uit.

De breede gang, waarin hij gekomen is, vormt met de straks genoemde vestibule één geheel, en loopt tot aan den achtermuur van het huis waar voorheen, aan den binnenkant, een gipsen Ceres de nis versierde. Sedert de generaal eigenaar van De Zonsberg is geworden, werd de nis uitgebroken, en kwam er in haar plaats een glazen deur, die nu toegang geeft tot de reeds genoemde zeer smaakvol uitgebouwde serre.

Wanneer men het landhuis binnentreedt ziet men alzoo aan 't eind van de breede gang, door de glazen deur, in Van Barnevelds zoogenaamden wintertuin, die met recht zijn lievelingsverblijf mag heeten.

Op hetzelfde oogenblik dat de generaal er nog even denkt binnen te gaan, omdat hij, in weerwil van het wachten, geen oogenblik zijn goede stemming verliezen wil, komt August Helmond, gevolgd door Van Barnevelds dochter Jacoba, uit de groote zaal in de gang, en drukt de eerste al spoedig den verrast opzienden oom de hand.

"Ahzoo, menheer de bruigom! Ik wist niet dat je al hier waart, en was bang dat Willem wat getreuzeld had. De knaap wordt oud.--Hij heeft je immers gehaald?"

"Jawel, prompt zooals u besteld hadt oom. Ik dank u. De tilbury kwam mij even buiten Romphuizen tegen."

"Hadt je niet begrepen dat ik je zou laten halen?"

"Nee oom."

"Dat spijt me."

"Omdat u zelden...."

"Ik zend geen rijtuig wanneer men van mijn beleefdheid gebruik maakt, maar wel wanneer men mij een beleefdheid bewijst. Ik waardeer het dat je van middag woudt komen August. Is juffrouw Armelo en de familie welvarend?"

"Dank u oom. Ik moet u vriendelijk van haar en mijn aanstaande schoonouders groeten."

De generaal maakt een beweging met de hand, ten teeken dat hij de beleefdheidsformule heeft gehoord.

"Wat dee jelui in de zaal Coba?"

"Pa, ik heb...."

"Coba heeft er mij een nieuw bewijs van haar liefde gegeven oom. Ze vertelde mij dat u ingevolge haar verzoek, wilt terugkomen op uw besluit, en morgen na de trouwplechtigheid het déjeuner zult bijwonen, waarop de familie Armelo u had genoodigd. Coba wilde mij dit goede nieuws mededeelen alvorens aan tafel te gaan."

"Ei zoo ondeugende babbelaarster; moest het daarom over den tijd loopen!"

"Mijnheer, er is gediend;" zegt de huisknecht die uit de eetkamer in de gang komt en front maakt bij de deur.

"Goed Hendrik!"--In het Fransch vervolgt Van Barneveld tot den neef die hem een dankbaren blik had toegeworpen: "Toen Coba mij deed gevoelen dat de familie Armelo mijn weigering aan een dwazen trots zou toeschrijven, toen heb ik fiat gezegd. Als men mij maar vergunnen wil om niets anders dan het zeer gewone te gebruiken, en niet later dan om zes uur naar huis te gaan.--Convenieert dat de familie?"

"U bedoelt oom?"

"Zoo'n déjeuner in De Gouden Arend?" antwoordt de generaal terwijl hij den jongelieden een wenk geeft om plaats te nemen.

Helmond kleurt vluchtig; aarzelt, en zegt dan:

"Ik heb die zaak met den ouden heer Armelo besproken en geschikt oom."

"Ah.... zoo" zegt de generaal, en geeft te gelijk een teeken om te bidden.

Ofschoon Hendrik gedurende deze ceremonie in een zeer eerbiedige houding, met het oog op een der landschapvakken die de eetkamer versieren, achter de tafel staat, zoo kan hij toch niet nalaten om eventjes onder de oogwimpers door, een blik op "zijn biddende gasten" te werpen.

--'t Is om er akelig van te worden zooals die lieve juffrouw Coba er uitziet. Ja, als zij de mooie vriendelijke oogen, zooals nu heeft gesloten, dan zou men haast zeggen dat daar een doode in biddende houding zat. De werkmeid heeft gezegd dat het geen wonder is.--En, zou het werkelijk geen wonder wezen? Zou ze waarlijk hoe langer hoe bleeker worden omdat dokter Helmond morgen met dat juffertje van den oud-kapitein Von Habenichts gaat trouwen?--Ja, die neef van den generaal is een knap mensch. Wat een verschil van kleur met juffrouw Coba!--En juffrouw Coba's postuurtje, och lieve hemel, denkt Hendrik terwijl hij nu weer in de straks verlaten richting tuurt--schuinsrechts op het landschapvak met een herder en herderin onder een boom,--och lieve hemel, heel wat anders dan die juffrouw daar met den saamgepersten boezem in het gele keurslijf. Zoo'n wurm!

De gewone diners op De Zonsberg duren niet lang; in een half uur is gewoonlijk alles--van de soep tot den podding, afgeloopen. En, wanneer Hendrik het eenvoudige dessert heeft opgebracht en voorgoed de kamer verlaat, dan wordt het gesprek, 't welk gedurende het eten doorgaans in 't Fransch werd gevoerd, in 't Nederlandsch voortgezet.

"Dus zul je veertien dagen uitblijven?"

"Ja oom, 't kan nu zeer goed geschikt worden; en voor Parijs is veertien dagen niet te veel."

"Ah, dus moest het tóch Parijs wezen."

"We zijn daar nu zeer op gesteld oom."

"Ik meende August, dat jij er minder op gesteld waart;" herneemt de generaal, en meer dan gewoonlijk is er in zijn stem iets van den oud-militair te herkennen.

"Ik geloof pa, dat August's bruidje er nog al heel veel zin in had. Ja, en dat kan ik mij best begrijpen, wanneer men er nooit is geweest en zich zoo gezond en sterk gevoelt als juffrouw Eva; niewaar Helmond?"

August ziet zijn pleegzusje vriendelijk aan, en zegt tot den generaal:

"Toen ik bemerkte oom, dat Eva er zoo bijzonder op gesteld was, werd het ook mijn wensch. Ik geloof dat u de eerste zult zijn om te erkennen, dat het tot de zeer verschoonbare inconsequenties behoort om eigen lusten voor die van onze geliefden op te offeren."

"Welzeker August.... Wil je nog wijn?"

"Dank u oom."

Eenige minuten later wordt er gedankt.

Jacoba verlaat de eetkamer nadat ze een zoen op Van Barnevelds voorhoofd heeft gedrukt.--Hendrik die inmiddels is teruggekomen, presenteert den generaal en diens neef de sigaren. Nadat de heeren hebben opgestoken en Van Barneveld den knecht heeft gelast om het raam te openen, waardoor men evenals in de woonkamer het heerlijke vergezicht over den Rijn geniet, geeft de generaal aan zijn huisknecht een wenk. Deze verwijdert zich en doet de deur zorgvuldig achter zich toe.

"'t Was mijn wensch August, om je op den avond vóór je huwelijk over je belangen te spreken," vangt de generaal aan: "we zullen daartoe na de thee, op mijn kamer gelegenheid hebben. Nu echter moet ik eens even over Coba met je praten." Naar buiten ziende en dan met merkbare zelfoverwinning:

"Ze zag in de laatste dagen naar 't me voorkwam wat bleek."

"Coba is niet sterk oom;" zegt Helmond en ziet den pleegvader belangstellend doch met verwondering aan.

"Omdat ik niet aan den medicijnwinkel hecht August, daarom bevreemdt het je dat ik je over Coba's gezondheid spreek. Wat ik voor me zelf niet zou doen, dat doe ik voor m'n kind; en met het oog op je aanstaande reis vond ik het beter om je 't nu maar eens te vragen.... 't Kon dacht me geen kwaad.--Ze heeft voor een paar dagen iets gehad dat me...." de generaal wendt weer zijn hoofd van Helmond af en naar de zij van het raam: "dat me.... wel niet bezorgd maakt, maar.... toch ook niet beviel.---Zie je die sleepboot wel? Kijk, vier Keulenaars er achter, nee vijf, de verste zat nog achter den eiketop."

"En wat was er dat Coba.... oom?"

"O ja, 't had nu juist niet zoo heel veel te beteekenen, maar.... Eergisteren tegen den avond gaan we samen den berg af; zitten in 't bosch op den beekheuvel; praten over je huwelijk; ze maalt me dat ik om jelui plezier te doen dat déjeuner zal bijwonen, etcetera, etcetera."

"Zij heeft zoo'n lief karakter de goede Coba."

"Het evenbeeld van haar moeder. Om kort te gaan, vroolijk en wél hervatten we onze wandeling; we praten over je toekomst, over je praktijk, ik weet niet wat. Naar huis terugkeerende, onder 't beklimmen van den berg, bespeur ik dat ze sterker dan gewoonlijk begint te hijgen. 'k Zeg nog: wil je hier even op den kant in 't gras gaan zitten--terwijl ik in stilte besloot om op een paar punten een tuinbank te doen plaatsen. O nee pa, zegt ze, en, om me te toonen dat ze heel wél is, begint ze met haar hijgend stemmetje een van haar favoriet-stukjes te zingen.--'k Zeg: Coba ben je mal, dat zingen onder 't klimmen deugt volstrekt niet; maar of ze 't niet hoorde, luider ging zij voort. Achter haar aankomende verbied ik het haar sterker. 't Was juist toen we van den zigzag den laatsten hoek omsloegen, dat ze met zeer veel inspanning de slotwoorden van dat air herhaalde: adieu, adieu of iets van dien aard. Geen twee seconden later zag ze om, zoo wit als een doode. Och pa, papa! riep ze met zwakke stem; en August, als ik haar niet aanstonds in mijn armen had opgevangen dan zou ze zeker achterover zijn gevallen, want, plotseling zakte ze ineen, bijna als iemand die verlamd is, en trok ze zoo raar met de oogen, dat ik niets dan het wit ervan te zien kreeg."

"Was zij buiten kennis oom?"

"Nee in 't geheel niet. Tenminste, ze verstond me best. Bijna dragend heb ik haar toen in huis en op de canapé gekregen. Het hijgen, dat gedurende die.... vapeur een weinig bedaard was, kwam nu sterker terug; later werd ze koud, en haalde den sjaal, waarmee ik haar voeten had bedekt, eenigszins rillend over zich heen;--ze was wel wat luchtig gekleed, zieje, en 't is doorgaans nog geen weer voor die zomertoiletjes.--Enfin, ik stop haar wat toe; ze zal moe zijn dacht ik, en een fiksche toer slapen zal haar goeddoen. Maar jawel, een half uur later, toen ik wat in den Militairen Spectator zat te snuffelen, daar staat me 't ondeugende kind naast m'n stoel; zoent me, en zegt dat ze heelemaal weer beter is.--'t Heeft niets te beteekenen, niewaar? 't Was een natuurlijk gevolg van dat fatale zingen onder 't klimmen; maar ik meende toch dat ik verplicht was je 't eens te zeggen.--Omdat ze niet sterk is moet ze alle zotte efforts vermijden, dat is mijn opinie....?"

"Klaagt Coba nooit over pijn op de borst oom?"

"Nee, ze heeft een delicaat gestel, maar klagen doet ze nooit!"--Weer naar buiten turend: "Je ziet er geen kwaad in, niewaar? Een vapeurtje ten gevolge van die klim- en zingpartij?"

"Zooals ik Coba nog van middag heb gezien, kan ik in die bezwijming juist geen reden tot bezorgdheid vinden; maar...."

Helmonds antwoord heeft den ouden generaal van een grooter zorg bevrijd dan hij zou willen bekennen; ja grooter misschien dan hij zichzelf is bewust geweest. Voor des dokters laatste maar had hij nu geen ooren. Immers die dokter, een deskundige, heeft erkend dat in het genoemde verschijnsel op zichzelf geen reden tot bezorgdheid te vinden was. Zulk een verschijnsel is dus niet een erkend uitvloeisel, of een vast bewijs van het aanwezig zijn eener doodelijke kwaal. Dit te weten is hem genoeg. In de geliefkoosde overtuiging dat Jacoba, ofschoon zij niet tot de sterksten behoort, "gezond van harte" is, werd de vader opnieuw en krachtig versterkt. 't Komt uit zooals hij vermoed--of in stilte gehoopt heeft: de overspanning van het oogenblik heeft zijn dochter die "onpasselijkheid" bezorgd, en, zullen die malle kuurtjes zich niet herhalen en alzoo het delicate gestel op den duur niet verzwakken, dan dienen alle sterke inspanningen vermeden te worden, en moet Coba vooral niet meer zingen. In den laatsten tijd was ze altijd minder goed wanneer ze gezongen had.

"Je bent het volmaakt met me eens Helmond. Ik wist vooruit dat er geen kwaad bij was, maar, zonder je eens te hebben gepolst, rekende ik mij vis-à-vis Coba niet geheel verantwoord.--Komaan, ze zal ons met de thee wachten; maar--doe jij me nu één plezier en secondeer me als ik haar goeden raad geef. Dat zingen en gillen, waarachtig dat deugt niet--niemendal!"

Helmond kent zijn pleegvader. Hij vindt het onnoodig om hem, en zonder dat hij als dokter iets met zekerheid bepalen kan, de zoo gemakkelijk herwonnen gerustheid opnieuw te benemen. Hij besluit in stilte, om Jacoba aan de theetafel ongemerkt eens wat nauwkeuriger waar te nemen; haar zoo noodig goeden raad te geven, en wanneer er méér reden tot bezorgdheid mocht zijn dan hij nu vermoedt, om haar dan--al moest het ook in stilte wezen--met zorg te behandelen zoodra hij van zijn reisje zal zijn teruggekeerd.

Ternauwernood is de generaal met zijn neef in de huiskamer gekomen, waar Coba voor het tweede venster aan de theetafel zit, of hij zegt terwijl hij even bij haar stilstaat:

"Zie je wel klein ding, August is het heelemaal met me eens. Nietmeer van die kunsten hoor!"

Terwijl Jacoba's bleek gezichtje met een blos wordt gekleurd vraagt ze: "Wat bedoelt u papa?"

"Wel, met dat onbesuisde zingen. Helmond geeft me volmaakt gelijk dat jou persoontje niet voor al die krachtsbetooningen en hooge noten in de wieg is gelegd."

"Maar pa, dat zingen...."

"Ja lieve kind, dat doet je wél kwaad; de heele muziekboel doet je kwaad. Als je zoo'n uur op de piano hebt zitten tamboereeren, en vooral na de les, dan kan ik 't je aanzien dat je moe bent. Laatst nog beefde je hand toen je me 't kopje gaf."

"Dat was na den Erlkönig pa, en dat stuk....!"

"Ja dat is onverstandig kras, ik zeg bepaald onverstandig! Hoor eens lieve nachtegaal, August geeft me volmaakt gelijk dat je je versterken en je gestel niet door overmatige inspanning ondermijnen moet. Niewaar August?"

"Zeker Coba, oom heeft me gezegd dat je eergisteren...."

"Ja, ik heb August je kippenkuurtje van Dinsdag eens verteld. 't Kwam zoo ter sprake. 't Was niets niemendal. Maar, een tienponder kan geen kogels van een dertigponder verwerken. De mensch moet leven naar de mate der kracht die hem geschonken is! Zelfs nu nog, als ik den Zonsberg met m'n zeventig jaren beklim, dan behoef ik niet te rusten, maar jij met je constitutie, je moet het driemaal doen. Zie, zoo moet je het in 't generaal aanleggen, indien je komen wilt waar God je voor geschapen heeft, dat wil zeggen tot je ouden dag; en als je dat niet doet, en je nog gaat overschreeuwen erbij, dan, waarachtig, dan ben je je eigen revolver. August denkt er precies zoo over. Niewaar?"

"Ik ben het zeer met oom eens Coba, dat je niet te veel van je krachten moet vergen."

"Maar pa, u hebt zoo dikwijls gezegd dat bijvoorbeeld een soldaat door oefening...."

"Beste kind, in disputeeren heb ik geen lust. Van soldaten spreken we niet. Als je me met je lief gezichtje zoo wijsgeerig aan mijn militair herinnert, dan zou ik 't allereerst op commando en discipline komen, en je weet wel dat ik japonnetjes nooit als soldaten behandel. Ik hoop dat je uit overtuiging en uit liefde voor me doen zult, 'tgeen August volmaakt met me eens is dat je doen moet, en als deskundige van je verlangt. Donerie zal vooreerst niet meer komen. Piano en zang dienen een tijd lang te rusten. Voordat August op reis gaat, moest je hem en mij dat beloven. Zul je? Als we dan verder goed versterken; veel de lucht genieten--liefst op de vlakte--dan twijfel ik niet of hij zal bij zijn terugkomst moeten zeggen dat je er beter uitziet. Want ja, een beetje bleek zie je toch wel."

Jacoba is bij de laatste woorden van haar vader beurtelings rood en doodsbleek geworden. Meesttijds weet ze zich zonderling goed te beheerschen. Men zal niet licht bespeuren wat er omgaat in hare ziel indien zij het noodig oordeelt, het voor haar dierbaren te verbergen. Nu echter was het haar een oogenblik te machtig.

"Muziek en zang zijn mijn liefste uitspanningen. Waarom moet ik u en August.... beloven....?" zegt ze op bewogen toon terwijl er tranen blinken in haar zachtblauwe oogen.

Van Barneveld heeft niet geantwoord.

Die kijkers staarden hem aan als van een aangeschoten ree. Dat was den generaal te machtig.

"Coba, oom wil je volstrekt je genoegen niet ontnemen; hij vreest alleen dat het je nadeelig zal zijn."

"Als het beter is dat ik niet zing en speel August, en vooral als ik er pa genoegen mee doe, dan kan ik het laten;" zegt Jacoba terwijl ze door een zekere bedrijvigheid bij het inschenken van de thee, den strijd tracht te bedekken dien het bedaard gegeven antwoord haar kost.

"Fiks gesproken Coba!" zegt de generaal.

Weinige oogenblikken daarna verlaat hij de kamer om in de serre een kijkje te nemen, of.... met de heimelijke hoop misschien dat August gedurende zijn afwezigheid, Jacoba nog eens ondervragen en verder goeden raad, ja, zoo het noodig mocht wezen, een "mengsel uit den medicijnwinkel" zal geven. Coba zag toch erg erg bleek, en die kippenkuren konden terugkomen.

Helmond kent zijn pleegvader. Hij ziet hem de kamer verlaten en--straks is de deur weer gesloten.

"Heb je nooit pijn op de borst Coba?"

"Nee August."

"Kun je goed ademhalen. Zóó--diep, diep ophalen? Probeer het eens flink!"

Jacoba voldoet aan Helmonds verlangen, doch met een afgewend gelaat.

"Ja 't is wel vreemd dat ik nu juist op mijn laatsten bruigomsdag hier bijna aan 't praktizeeren zou raken. Tot nu toe was ik zoowat de drop-en-kamille-dokter van 't huis. Maar je zult het ondervinden dat ik heel gemakkelijk voor mijn patiënten ben; en, als ik ze liefheb zooals mijn beste zusje, dan moeten ze in een heel klein poosje weer van zessen klaar zijn. Aan jou Coba, is echter voor 't oogenblik gelukkig niet veel eer te behalen. Oom maakte zich om dat kippenkuurtje eerst wel wat ongerust, en ofschoon er naar 't me voorkomt volstrekt geen kwaad bij is, zoo noem ik het heel verstandig dat je--ook om zijnentwil--een veertien dagen zijn raad wilt volgen.... Mag ik je pols eens eventjes...... Wat de muziek en 't zingen betreft lieve kind, daar zal op den duur volstrekt geen bezwaar tegen zijn." Helmond drukt den pols wat sterker, en vervolgt: "Nu Donerie wat ongesteld is komt het juist goed om je naar papa's wensch te voegen en wat vacantie te nemen."--Hij ziet Coba die zich heeft afgewend, nauwlettend van terzijde aan; laat den pols varen; vat hare hand, en zegt na een oogenblik stilte:

"Vertel me eens heel oprecht beste zusje, is er iets dat je hindert?--Heb je misschien 't een of ander dat je droefgeestig stemt? of...."

"Ik August?--Wel nee!"

"'t Kon wezen Coba. De booien zijn soms onaardig. Weegt het bestier van de huishouding je ook wat zwaar?"

"Nee August, volstrekt niet."

"Toch komt het me voor...."

Jacoba trekt haar hand uit die van Helmond, en zegt op sterker toon dan ze gewoonlijk spreekt:

"Ik heb niets, volstrekt niets dat me hindert August. Alleen maakt het me zenuwachtig als men zooveel notitie van mij neemt. Ik heb laatst wat hard gezongen onder 't klimmen. Als men verdriet heeft dan zingt men zoo niet.--Nu, toen ben ik van overspanning wat raar geworden. Als mijnheer Donerie ziek is dan kan ik vanzelf geen les nemen en is dit, zooals je wél zegt, een geschikte vacantietijd. Is....--Je wilt nog thee?--Is.... se--wat ik wou zeggen, ah--is mijnheer Donerie ernstig ongesteld? 't Zou me niemendal verwonderen als die man eens erg ziek werd. 's-Winters kleedt hij zich onverstandig dun; bijna nooit een overjas aan. Zeker een zwaar gevatte kou....?"

"Ik geloof niet dat het veel te beteekenen had. Hoofdpijn. Wel mogelijk gevatte kou;" antwoordt Helmond zonder er veel bij te denken, want hij meende zeer goed te bespeuren dat Coba naar Donerie's ongesteldheid informeerde terwijl geheel iets anders haar vervult.

"Ik begrijp niet waar pa blijft;" zegt Coba terwijl ze opstaat en met afgewend gelaat zich voortspoedt naar de deur.

"Coba! Jacoba!"

"Is er iets August?"

Hij staat vóór haar; ziet haar fiks in de oogen, en haar fijne vingertjes vattend zegt hij kalm:

"Zusje, als daarbinnen verdriet of hartzeer woelt, dan zijn wij dokters met onze medicijnen niet in staat de kwaal te genezen. Dat verdriet of hartzeer moet worden weggenomen. En wat dunkt je zou ik nu--zelf ten toppunt van geluk--mijn lieve pleegzusje met een vroolijk hart kunnen verlaten terwijl ik vermoed dat zij iets heeft 't welk haar niet gelukkig maakt, of dat haar hindert althans; dat er werkelijk iets anders is 'tgeen haar gestel zou kunnen ondermijnen dan muziek en zang zelfs bij 't bergen klimmen? Coba ik heb je goed bekeken. Men ziet het maar zelden wanneer je iets wat je grieft of smart, verbergen wilt. Maar ik zeg je nu, dat je 't een of ander te onderdrukken zoekt; misschien al sedert lang, en ten koste van je gezondheid. Als de oorzaak van dat verdriet wordt weggenomen Coba, dan zul je waarlijk weer veel flinker zijn. In één woord, zeg me wat je hebt. Straks spreek ik met oom.--In de stemming waarin hij nu is zal hij alles toegeven; ja, al moest hij den ouden Willem of Betje wegjagen indien ze je hier in 't een of ander den voet dwars durven zetten, hij zou het doen. Oom ging naar de stad wonen als ik hem zei dat de stilte je hier onaangenaam werd en kwaaddeed. Dus, beste kind...."

"Ik dank je vriendelijk voor je belangstelling August, maar je hebt het mis. Niemand ter wereld heeft mij eenig verdriet gedaan, en De Zonsberg is het liefste plekje dat ik ken. Zul je pa eens inschenken? Ik moet even naar boven."

"Niet te haastig, niet te haastig die trappen op!" roept de generaal zijn dochter na, en dan binnentredend tot Helmond, alsof hij overluid een straks afgebroken gedachtenloop vervolgt: "Wat me óók zeer waarschijnlijk voorkomt August, het is dat Coba meer dan ze toonen wil gevoel van je huwelijk heeft.--'t Ligt in den aard der zaak dat je niet meer zoo dikwijls zult hier komen en dat ze je dikwijls zal missen. Coba houdt veel van je, August. Bij al wat we nu te observeeren hebben, zal het haar mede goeddoen dat die zaak nu morgen maar afloopt. Ze wil voor geen werelds-geld thuis blijven. 't Zou misschien beter zijn...."

"Dat geloof ik niet oom; afleiding is goed, en ik zal morgen bijtijds een klein fleschje zenden waarvan ze een paar keeren vóórdat u uitrijdt, gebruiken moet."

Hendrik de huisknecht annonceert op dit oogenblik met een ternauwernood onderdrukten glimlach: "Mijnheer Kippelaan!"

"Er is belet Hendrik. Zeg zeer beleefd aan menheer Kippelaan dat ik iemand bij me heb met wien ik moet spreken.... iemand die.... uit de stad moet, die.... Ik kan den man niet ontvangen."

Weinige oogenblikken later komt Hendrik terug, en zegt dat mijnheer Kippelaan juist het allermeest is gekomen om den persoon dien de generaal bij zich heeft: "Hij wilde dokter Helmond zoo bijzonder graag eens eventjes spreken."

"Ben je zijn dokter August?"

"Ik zou bijna zeggen: helaas ja!"

"Laat menheer binnen Hendrik."

Mijnheer Kippelaan struikelt de kamer in; ziet naar den dorpel om, en dan met een buiging:

"Serviteur je excellentie. Nee ik derangeer u niet; nee waarlijk niet; 't was maar om eventjes.... Ah! comment va Helmond; altijd wél geweest sedert ik 't plezier had je van morgen....?"

"Neem even plaats menheer Kippelaan;" zegt Van Barneveld met een aanwijzende beweging der hand, waardoor hij die hand voor een verovering van den bezoeker zoekt te vrijwaren. Doch, Kippelaan heeft zijn prooi reeds bemachtigd en dubt er mee op en neer.

"Pardon, pardon excellentie, ik kan bij deze gelegenheid niet nalaten u nogmaals van harte, van harte...."

"Ik dank je menheer;" zegt Van Barneveld terwijl hij tamelijk militairement zijn hand uit den kerker bevrijdt.

"Kwalijk genomen?" herneemt Kippelaan met vergoelijkenden lach: "Jawel jawel, u hebt het me kwalijk genomen dat ik u na onze laatste ontmoeting op de receptie niet bezocht. Ja ja, 't is slecht van me, heel slecht. Ik maak het grof met iedereen. Mijn neef de professor in Leiën heeft laatst ook al geklaagd dat ik hem heelemaal negligeerde. Och ziet u, zóó ben ik; maar ik informeer nu allereerst naar juffrouw Van Barneveld. Welvarend niewaar? Ochkom, dat doet me plezier. 't Zou ook jammer zijn voor het feest van morgen. Perfect idee in De Gouden Arend. Uitmuntende visch! Zeker half-twee aan tafel? Déjeuner niewaar? Geen muziek zou ik denken? Begrepen! stuitend voor de conversatie, en...."

"Menheer Kippelaan, we zullen maar eens open met elkander praten...."

"Welzeker je excellentie, daar hou ik van. Op een kleine plaats moest men over 't algemeen minder gesloten, en meer joviaal en open zijn. Ziet u, ik zeg wat ik denk; geef me zooals ik ben. Rond, weet u...." Vluchtig opstaande, buigend, en weer plaatsnemend: "Militairement!"

"'t Schijnt dat u de militaire usanties...."

"O zeker, men heeft mij dikwijls gevraagd of ik geen officier was--in politiek weet u; en maçon; ik was op-en-top maçon, want de maçonnerie is alleen jovialiteit: Och dat is het geheele geheim, niets anders. Dikwijls aangezocht om lid te worden; maar excellentie, ik was het zonder dat ik het was. Ziet u, ik hou van open, rond!"

"Wij beiden hebben onzen dokter te spreken menheer. Wilt u zoo goed zijn mij vóór te gaan.--Wanneer het geheim is August, ga dan in de zaal."

"Duizendmaal excuus! Volstrekt niet. Geheimen in geen geval; en wat vóórgaan betreft je excellentie, indien u haast hebt dan zou ik dokter als we samen terugwandelden niewaar, zeer goed kunnen zeggen 'tgeen ik te zeggen heb niewaar? Ik dank uw excellentie anders wel voor de groote beleefdheid om mij...."

"'t Is geen beleefdheid menheer. Ik maak wat haast omdat we onzen tijd noodig hebben. 't Zijn familiezaken die we moeten afdoen. Wilt u dus zoo goed zijn mijn neef te volgen?"

"Familiezaken! O welzeker je excellentie. Maar wat ik aan mijn vriend Helmond te zeggen heb is wel bepaald in vertrouwen, maar toch--nee nee pardon generaal, pardon, voor u is 't in 't geheel geen geheim. Pardon!--Je moet dan weten Helmond, dat ik van morgen nadat ik 't plezier had je te zien, nog even bij den goeden majoor Kartenglimp ben geweest. Perfect mensch! Onder heeren! Open! O!--Was ijselijk amicaal met me; Kippelaan voor en na. Maar hij gevoelde zich toch zeer ziek. Was fameus met je ingenomen--droppels of poeders daar wil ik afwezen. Enfin, was bang voor een beroerte--dit was het geheim; ziet u excellentie, maar onder ons niewaar? Ook niet plezierig een beroerte. Mijn neef de professor...."

"Heeft de majoor je een commissie voor me opgedragen Kippelaan?"

"Met je verlof, met je verlof dokter; commissies opdragen, zieje, dát is wat kras, maar...."

"Neem me niet kwalijk; heeft hij je verzocht om mij....?"

"Dat juist niet; ik heb de gaaf om--ja hoe mag ik het noemen; te voelen. Ziet u excellentie, dat is een voorrecht. Ik weet wat de Lieder ohne Worte zeggen. Dat voel ik! Ik begrijp, en dat doen de minste menschen. Als ik muziek lees dan lees ik een boek. Ja een vers van.... enfin vind ik niet zoo mooi als een blad muziek; een quatre-mains lees ik liever dan een roman."

"Heeft de majoor u verzocht....?"

"Pardon, ik heb begrepen dat hij boos op je was. Ik ben rond dokter. Ja hij was boos op je, heel boos, dat mag ik zeggen; en nu dacht ik: ten bewijze dat ik Helmonds vriend ben, wil ik 't hem zeggen. Nu zei de majoor--'t was à propos van je reis: als ik hem in tijd van nood maar telegrafeeren kon. Dat was juist gezien, niewaar excellentie? Mooie uitvinding: Wil ik iets weten, ik weet iets!--Rondeman gezegd, nu had ik een raad te geven. Schrijf me je adressen op, hê? watblief? Van dag tot dag? Goed idee niewaar? Niemand heeft er mee noodig waar je heengaat: maar als de majoor...."

"Voor 't geval Kippelaan, dat mijn thuiskomst volstrekt noodzakelijk mocht zijn, heb ik maatregels genomen. Van Hake zal in overleg met Biermans schrijven of telegrafeeren."

"Och-kom, Van Hake! zal die....!--Ah, hoe vaart u juffrouw Van Barneveld?" vervolgt Kippelaan tot Jacoba die juist binnenkomt: "Altijd wel geweest? Braaf feestgevierd dezer dagen? Ik ben verrukt over 't mooie uitzicht hier. Magnifique niewaar? Die Rijn!.... die landen kust en scheurt de dijken! 't Heelal verdeelt in ko...."

"Menheer Kippelaan, je zult me vergunnen dat ik me nu met mijn neef absenteer. Als je nog een oogenblik wilt rusten, mijn dochter zal je gaarne een kop thee schenken. Vaarwel."

Toen Kippelaan een groot uur later vertrok, toen was hij bij uitstek voldaan.--O, de ontvangst op De Zonsberg was charmant geweest. Al heeft hij dan tot heden geen rechtstreeksche uitnoodigingen voor familiare diners of soirees gekregen, de ontvangst bewees genoeg dat het een onwillekeurig verzuim, ja misschien wel een groot bewijs van delicatesse geweest is. 't Was hem in den aanvang moeielijk om die delicatesse geheel in overeenstemming te brengen met de handeling van den generaal, toen hij zich met Helmond ging verwijderen, en hem, "ten sterkste animeerde" om alleen met juffrouw Coba te blijven. Maar later, ja, grooter blijk van sympathie en waardeering heeft de generaal niet kunnen geven. Alleen met personen met wie men op een familiaren voet wil zijn, handelt men zooals de generaal heeft gedaan; heelemaal in den geest van hun gesprek.... sans gêne, rond, joviaal!

En juffrouw Jacoba! heeft zij hem een grooter bewijs van.... enfin, kunnen schenken dan juist door die koele, geretireerde houding? 't Mocht dan bij den "burgerlijken stand" en zelfs aan den generaal bekend zijn, dat hij den elfden April zijn vier en veertigste jaar is ingetreden, juffrouw Coba's terughoudendheid heeft hem wel degelijk gezegd, dat ze hem--zooals iedereen--op 't allermeest voor een zes en twintiger hield. O, welk een overheerlijk uur heeft hij gesleten! Zeer timide heeft ze veel naar buiten gezien, enfin in das Blaue hinein! en ze heeft zeer weinig gesproken; natuurlijk pour la première fois! Maar, zoo 't een en ander heeft hij toch uit haar allerliefste korte antwoorden kunnen opmaken; bijvoorbeeld dat zij zich nooit verveelde als zij alleen was; en dat het haar pa zeker bijzonder veel plezier zou doen als hij eens terugkwam wanneer papa geen zaken had. O, o, die invitatie!--Voor het overige is Kippelaan zeer tevreden over zich zelf. Hij heeft de overtuiging dat alleen de "toonnuanceering zijner stem"--waarover men hem dikwijls vol enthousiasme gesproken heeft--ook nu haar uitwerking heeft gehad. Toen hij van 't geluk sprak 'twelk dokter Helmond met zijn geliefde "te gemoet ijlde", in vergelijking van een lijdend herstellen zooals van den majoor Kartenglimp of een doodelijk ziekbed, waaraan--zooals hij vernam--de muziekmeester Donerie gekluisterd was; toen hij die weelde des echtelijken geluks, in tegenstelling van zooveel lijden op dit "werelddeel" had geteekend, toen heeft hij haar zien verbleeken en ontroeren.--O Coba mijn!--Ja, zoo dacht Kippelaan toen hij bij 't heengaan--geheel in gedachten--Hendrik die hem uitliet de hand schudde. Ja, nadat ik een drietal moest bedroeven en teleurstellen, zal deze dan de vervulling der planeet zijn: "De zon zal het zilver beschijnen en hetzelve aan u doen kleven." Zij was "bleekblank als het zilver", en de Zonsberg bescheen haar!

"Atjuus menheer Kippelaan!" zegt Hendrik, en Kippelaan eensklaps uit zijn droomen ontwakend, verbeeldt zich dat hij op De Zonsberg heeft gedineerd; haalt zijn portemonnaie te voorschijn, zoekt en frommelt en tuurt erin, en.... is verplicht Hendrik een gulden te geven, want "de twee kwartjes" hij vond ze niet.

Enfin, Kippelaan heeft het er ruimschoots voor over; en wat dien gulden betrof, als eenmaal het interessante bleeke kind--eenmaal, jawel, generaals zijn ook sterfelijk--dan zouden immers de guldens voor Kippelaan zijn "wat nu het zand was aan den oever der zee; tenminste...."

Kippelaan die in 't schemerdonker vertrok, heeft nog eens even, terzij van het huis een "blikslag" erop geworpen, want hij "kent gaarne iets aan alle kanten".

Schuin in de hoogte ontdekt hij licht. De glimp uit het raam schijnt op het gebladert van den meest vooruitkomenden eiketak. Juist onder dien eik stond Kippelaan, en hij hoorde spreken.

't Was "letterlijk niet te verstaan."--Nu werd het luider. Stil, dat is de stem van den generaal. Hoor:

"Getrouwd.... met Chassé.--Citadel.... twee kinders."

Kippelaan vond het indiscreet; maar hier onder den donkeren eik, wie zag hem! 't Was aller-interessantst! aller.... aller.... interessantst! en hij luisterde, en ving gedurende een groot half uur, misschien een honderdste deel van de woorden op, die er binnen de kamer van den generaal werden gesproken; woorden, waarop men den klemtoon te pas of te onpas gelegd had. Binnen die kamer zelve vervolgt de generaal tot zijn pleegzoon:

"Ja, toen je brave vader doodelijk getroffen in mijn arm den geest gaf, toen beloofde ik hem, zoo ik gespaard bleef, dat ik je beiden zou grootbrengen als mijn eigen kinderen. En heb ik dat niet gedaan August? heb ik dien andere minder liefgehad? 't Is wreed mij aan dien knaap te herinneren, wreeder dan je denkt misschien. Had ik hem dan laten studeeren om aanstonds, toegevend aan een dwaze rederijkersmanie, zich te verslingeren aan een tooneelnimf van het laagste ressort! Had ik hem dáárvoor mijn liefde betoond, om mij.... mij...."

"Beste oom, spreek hierover niet meer;" zegt Helmond dewijl hij ziet hoe de herinnering aan 'tgeen zijn broeder deed, den ouden pleegvader beroert.

"Waarom zijn naam dan genoemd August? Je wist immers dat ik ten strengste verboden had om, in mijn bijzijn, over hem te spreken."

"Oom, Philip is mijn broer, en waarlijk hij had u lief. Slechts in een oogenblik van opgewondenheid...."

"Opgewondenheid! Zwijg August. Dat hij mij zóó iets zeggen kon! Wanneer ik me die woorden herinner; van hem die woorden: "Man, als je één greintje eergevoel in de borst hadt....!" God in den hemel, hij tot mij! Zwijg, zwijg zeg ik je; spreek me van den aterling niet meer."

"Ja oom, 't was zeker schrikkelijk slecht om u, den weldoener...."

"Slecht! er is geen woord voor te vinden!"

"De hartstocht voor dat meisje had hem verblind. Ik wil hem niet voorspreken oom, maar uw woord is mij te zwaar; hem af te snijden als een "rot lid;" hem nooit wat er ook zijn mocht, te mogen bijstaan of helpen; hem te beschouwen als de adder die.... Oom, in godsdienstige begrippen verschillen wij veel, maar als u vasthoudt aan wat geschreven staat, dan moet u Philip niet vervloeken maar vergeven, evenals God...."

Van Barneveld, de altijd waardige man, is nu aan de uiterste grens van zijn geduld. Zich sterk beheerschend, schenkt hij zich met bevende hand een glas water in, en, na een teug te hebben gedronken, herneemt hij--aanvankelijk kalmer:

"Over onze godsdienstige denkbeelden spreken we niet August. Ik wil je alleen herinneren, dat ik aan een heilig, maar niet aan een weekhartig God geloof. Daar is een verdoemenis! De bokken zullen van de schapen worden gescheiden. Wie God veracht, gaat verloren; voor eeuwig! Geen Genade!--In Gods geest handelt de krijgsoverste als hij een verrader den kogel geeft; als hij opstand--insubordinatie--straft met den dood.--Het ongedierte vertrap ik vrij met den voet. En, als ik nu den ellendige vervloek dien ik liefhad en wéldeed; de adder die me zeggen durfde: "man, als je één greintje eergevoel...." God in den Hemel!.... zoo iets moest men niet opwekken, zoo iets...."

Bij Van Barnevelds laatste woorden heeft hij de tafel door een hevigen vuistslag doen dreunen. Toen zijn stem bleef stokken, is hij opgestaan, en, zichtbaar fel bewogen, loopt hij een paar malen de kamer op en neer, ofschoon zijn haastig tasten naar de waterkaraf, en het nogmaals drinken--nadat Helmond hem snel heeft ingeschonken--zeer duidelijk verraadt dat hij den storm in zijn borst tot bedaren wil brengen.

"Oom, uw toorn is rechtmatig, ik weet het!"

"Ha zoo, als men dat maar bedenkt."

"Ik vraag u niets voor.... hem. Ik wilde u alleen herinneren, dat hij mijn broer is, en mijn broeder kan ik niet haten oom."

"Ik wil niet over hem spreken. Hem te haten gelast je niemand. Zijn naam wordt in dat stuk niet genoemd."

"Maar de bedoeling ervan....?"

"Is duidelijk genoeg: Nooit meer zal hij iets genieten van 'tgeen mij heeft toebehoord. Ik dacht August, dat je stilzwijgend mijn bedoeling zoudt verstaan en gebillijkt hebben."

August Helmond staart op het schrift, 'twelk de oom hem straks ter onderteekening had aangeboden. Ofschoon men den jongen dokter wel eens andere verwachtingen had voorgespiegeld, wanneer hij zijn keus zou hebben gevestigd en in 't huwelijk ging treden; ofschoon men wel eens heeft gefluisterd dat de generaal aan zijn pleegzoon een ton of minstens een halve ton zou meegeven, zoo moest August erkennen dat de oom het wél had gemaakt; wanneer men namelijk bedacht dat zijn huwelijk met Eva Armelo geenszins Van Barnevelds geheele goedkeuring wegdroeg, en hij zich in den beginne er zelfs met kracht tegen verzet had. 't Was mooi genoeg dat Helmond--die alles wat hij was en bezat aan zijn pleegvader is verschuldigd; die reeds een eigen huis bewoont en van De Zonsberg bij voortduring een stroom van weldaden in het huishouden mag verwachten, dat hij zich van den dag van 't huwelijk afaan, jaarlijks een som van driehonderd gulden zag toegekend--het dubbele van 't geen hij, sedert hij dokter werd, ontving--terwijl den echtgenooten telkens bij de geboorte van een kind, een bedrag van honderd gulden was verzekerd.

Mocht de pleegzoon bij de inzage der gemaakte beschikking ook in den aanvang eenige teleurstelling hebben gevoeld, die teleurstelling heeft bij het verder lezen spoedig voor andere gewaarwordingen moeten plaats maken. Immers, ofschoon de generaal wel meermalen heeft laten doorschemeren dat August mede zijn erfgenaam zou zijn, nooit was daarop zoo rechtstreeks gedoeld als bij de woorden, dat August Helmond aan den vroegeren huisgenoot nimmer iets zou schenken van 'tgeen den pleegvader had toebehoord.--Was hem die meerdere zekerheid voor de toekomst een hoogst aangename, het kon niet missen of de zeer gestrenge bepaling ten opzichte van zijn broeder moest hem pijnlijk treffen.

Nog staarde Helmond eenige oogenblikken op het veelbeteekenend geschrift. Toen zag hij eensklaps zijn pleegvader aan en zei:

"Oom, wij hebben onze moeder niet gekend. Zij was een zachte edele vrouw."

"Is het je plan August, een nieuwe batterij te openen, laat dan dat voornemen varen. Je moeder heb ik--zooals je weet--zeer weinig gekend. Zij stierf twee maanden na den dood van mijn vriend. Zeker moet ze lief en goed zijn geweest, want zij was de oogappel van je vader. Maar August, al stond daar je moeder met "dien ander" voor me, en al kwam zelfs je vader, mijn onvergetelijke Herman, met hem aan de hand om een verzoening tusschen ons te beproeven, ik zou zeggen: Gaat heen, want je weet niet wat je vraagt. Slechts verachting op de wereld, kan misschien nog zijn vrijspraak bewerken voor den troon des Almachtigen."

"Oom! voor u die anders altijd zoo goed voor hem waart, is dat woord.... te hard, te...."

"Spaar mij August; wij menschen zullen eenmaal onze daden moeten verantwoorden. Ik vrees niet dat ik de oogen zal behoeven neer te slaan indien men "den ander" tegen mij over stelt. Nu genoeg hiervan.--Ik wensch je naam onder dat schrift.--Zeer lang heb ik er tegen opgezien om de zaak geheel en al af te doen. Dit moest vóór je huwelijk geschieden. Ik wilde dat je je huwelijksleven zoudt beginnen met eenige zekerheid omtrent mijn plannen. Weiger je deze verbintenis te teekenen, welnu August, dan deed ik wat ik kon en 'tgeen ik verplicht was, maar dan zijn wij elkander voortaan vreemd.... Heb ik me ook in mijn oudsten pleegzoon bedrogen, August?"

"Oom!"

"Ik dacht niet dat je een oogenblik zoudt aarzelen. Je afkeer...."

"Ja oom, hij heeft zich schandelijk aan u vergrepen; maar, om mijn woord te geven dat ik het kind mijner vroeg gestorven ouders, zoo hij hulpbehoevend tot mij kwam, allen bijstand zou moeten weigeren, omdat hij eens, door hartstocht en drift vervoerd, vergeten kon wat onze weldoener voor hem deed: Nee, dát kan ik niet!"

De generaal, die den spreker met vorschend oog van onder de grijze wimpers heeft aangestaard, valt nu eensklaps half toornig--half met zekere verruiming uit:

"Maar wie eischt dit!? Wie verbiedt of kan je verbieden, om anderen, onverschillig wie ze zijn, bij te staan met het uwe! Wie zou het recht hebben je te binden om met hetgeen je zelf zult verdienen, naar verkiezing te handelen? Ik verzet er mij tegen dat "de ander" ooit iets zal genieten van 't geen ik thans het mijne noem. Zou je dan wenschen dat hij nog dieper zonk, en willen meewerken om zijn zedelijk bewustzijn geheel te vernietigen door vurige kolen te hoopen op zijn hoofd! Ik had niet gedacht August dat jij zelf er een oogenblik aan denken zoudt."

"Maar alles wat ik zelfs nú bezit heb ik aan u te danken...."

"Niet je leven; niet je aanleg; niet je intellectueele kracht, die je tot een zelfstandig man heeft gemaakt. Heb je nu de bedoeling van dit geschrift begrepen?"

"Ja, oom.... en ik vergeet het niet."

"Je woord is er mij borg voor. Ja zelfs, ik ontsla je van de onderteekening van een stuk waaruit je toch de rechte zin van mijn wil niet duidelijk gebleken was."

Terwijl Van Barneveld het papier nu in kleine stukken scheurt alvorens het in de scheurmand te werpen, gaat hij naar zijn secretaire; neemt er een portefeuille uit, en telt dan honderdveertig gulden aan klein bankpapier voor Helmond neer.

"Wil je eens nazien August? Hiermede sluit onze rekening.--Wat de partij in De Gouden Arend betreft; nu daartoe besloten werd--misschien omdat men meent wederkeerig tot iets dergelijks verplicht te zijn--nu wil ik niet dat ze daardoor in moeielijkheden zullen komen, en vooral niet dewijl ik er zelf tegenwoordig zal wezen. Jij hebt de zaak met den kapitein al bepraat, niewaar? Zorg nu verder dat ze met dit--geheel in orde komt, en zonder dat iemand anders daarvan wete." Dit zeggende heeft de generaal een muntbiljet van vijftig gulden voor Helmond op de tafel gelegd.

"Oom, ik nam het voor mijne rekening, omdat mijn lieve Eva op dat déjeuner gesteld was, en zou dus gaarne, ofschoon incognito, morgen uw gastheer blijven."

"Heel mooi gezegd: maar onze verhouding is van dien aard, niewaar, dat je zonder bedenking aanneemt wat ik je presenteer? Tegenover het publiek staat mijnheer Helmond als zeer verstandig, knap en zelfstandig dokter; tegenover den generaal Van Barneveld als.... zijn volwassen zoon! Is die titel je iets waard, dan neem je dit aan.--En dan," vervolgt Van Barneveld, terwijl hij een paar regels op een couvert schrijft waarin hij terzijde, al pratend, iets uit de portefeuille heeft gestoken: "En dan, ik weet dat een eerste consult niet goedkoop en Parijs nog al duur is. Ziedaar!"

Helmond, die de hem zooeven geschonken vijftig gulden bij de honderdveertig heeft geborgen, leest nu op het couvert: "Tweehonderd gulden voor het eerste consult aan Dr. Helmond."

"Oom, uw goedheid....!"

"Ja dokter, zoo honoreer ik maar ééns, dat begrijp je. Nu, geen dank meer. 't Is wél zoo, heel wel! Je weet dat ik je liefhad als mijn eigen kind. En daarom ook August, vergun het den ouden man dat hij, in naam van je besten vader, je nog eens op dezen avond aan een vroeger gesprek herinnert:

"Ik begrijp u oom...."

"August, ik geloof niet dat het déjeuner in De Arend zou worden gegeven als je mij geheel en al begrepen had...!"

"Wanneer wij maar eens getrouwd zijn beste oom! Uw spreuk bewaar ik als goud: Wijsheid zal ik mengen in mijn liefde. Maar waarlijk, mijn Eva is zoo goed; en ijdel, nee, wat men ijdel noemt dát is ze niet."

"Heb haar lief met wijsheid August!--Zij zag er gisteren prachtig uit."

"Zult u mijn wijfje ook liefhebben oom? Ja, ik weet het. U zult het, evenals Coba; waarlijk, mijn engel verdient het!"

"Wie mijn zoon gelukkig maakt die heb ik lief als een kind.--Komaan, onze zitting heeft al te lang geduurd." Hij drukt hem met warmte de hand.

VIERDE HOOFDSTUK.

Den volgenden dag was het "regen en wind." De tuinman van De Zonsberg heeft het voorspeld. Toen hij gisterenavond langs de aspergebedden ging en hier en daar een pijpekop op een gebarsten plekje zette, toen profeteerde hij, met het oog op een donkere bank aan den zuidelijken horizon, dat er "donder aan de lucht was. De lucht kon nog weinig warmte verdragen; en de twee laatste, Meidagen waren krek balsemiek geweest."

'sNachts heeft het inderdaad een weinig geonweerd; en nu, in plaats van warm, is het guur buiten.

't Is acht uren in den morgen.

Willem de oude koetsier staat op vijf passen van zijn meester in militaire houding diens orders af te wachten."

"Om kwart over tienen vóór Willem."

"Zeer wel generaal. Met de koets?"

"Nee, met de vigilante."

"....Zeer wel generaal.--Toch 't koperen tuig?"

"'t Zwarte regentuig Willem."

"....Alzoo kwart over tienen vóór, generaal.--Nog iets van je orders generaal?"

"Je brengt me eerst met de juffrouw naar 't stadhuis. Van daar rij je naar den wal om dokter Helmond te halen, en brengt hem bij de familie Armelo."

"Zeer wel generaal."

"Je rijdt dan bruid en bruidegom naar 't stadhuis, en wacht daar om later, hen en ons, naar de kerk te brengen. Na afloop van de inzegening rij je ons, in twee toeren, naar De Gouden Arend, en dan, stapvoets naar huis."

"Volgens je orders generaal. Nog iets te belasten generaal?"

"Natuurlijk witte handschoenen."

"Natuurlijk generaal.--Met verlof generaal, als het weer nog wat opknapt, neem ik dan de koets en het koperen tuig?"

"De controleur gaat naar veel regen en wind."

"Niets meer van je orders generaal?"

"Zorg tegen twee uur weer met de vigilante aan het logement te zijn, maar met de imperialen er op. Je brengt de jonge menheer en mevrouw dan naar Briesborg aan 't station. Van daar kom je aan De Arend terug, en rijden we weer mee naar De Zonsberg."

"Volgens je orders generaal.--Dus in geen geval de koets of.... Opperbest generaal!" Bij de laatste woorden heeft Willem de hand met militair saluut aan het voorhoofd gebracht, en verlaat op den wenk van zijn meester het vertrek.

--De knaap wordt oud, denkt Van Barneveld, terwijl hij den koetsier met zijn zilveren haren en eenigszins krom-stijve beenen de kamer ziet verlaten: dat koperen tuig en die koets, ze hadden hem bijna uit het zaal gelicht.

De regen valt met stroomen uit de grauwe lucht, die slechts hier en daar een zeer klein plekje blauw vertoont. De takken van het akkermaalshout bezijden den straatweg zwaaien, door den sterken wind bewogen, soms als dolzinnigen heen en weer, en vangen het slik op, 't welk het voorbijjagend rijtuig van De Zonsberg doet opspatten.

"August treft het slecht Coba."

"Droevig weer pa."

"'t Was óók zulk een weer toen ik met je lieve moeder naar 't stadhuis reed. Dat is nu drie en twintig jaar geleden...... Bertha hechtte aan goed weer op den trouwdag."

"'t Stemt vroolijker papa."

"Ik hecht er niets aan; maar later heb ik mij toch dikwijls herinnerd dat het op dien Woensdag slecht weer was."

De wind stond op het raampje aan Coba's zijde. Ze kon niet naar buiten zien want de regen biggelde in allerlei slootjes en slangetjes langs het glas naar beneden. 't Was haar alsof ze tranen zag.

"Je hebt immers nog eens ingenomen voordat we uitreden?"

"Ingenomen?" zegt Coba verstrooid: "Ik geloof.... Nee ik heb het vergeten pa."

"Je bent tegenwoordig waarlijk nog al vergeetachtig Coba. Straks moest ik je nog roepen toen Willem al vóór stond; 't was twee minuten over den tijd. 't Is goed dat jij de bruid niet bent, je zoudt misschien zelfs je bruidegom vergeten.--Je gevoelt je toch goed in orde niewaar?"

In 't eerst kwam er geen antwoord. Toen zag ze eensklaps op, en zei:

"O heel wel!" en daarna, wijzend door het venster waarvoor haar vader zat: "Zie, de lucht is daar nog erg donker. 't Is zóó wel treurig vandaag."

Zeven minuten later reed de vigilante van De Zonsberg,--na den generaal en zijne dochter aan 't Raadhuis te hebben gebracht, naar het doktershuis op den wal. Maar dokter was al naar de woning zijner aanstaande schoonouders vertrokken.

"Daar hoor ik het rijtuig mijn vrouwtje!" zegt August Helmond, en onwillekeurig beeft zijn hand waarmee hij Eva's sluier in wat sierlijker plooien om haar heerlijke taille schikt.

"'t Is een vigilante lieve!" zegt de bruid, die zich in haar ruischend wit satijnen kleed, naar het venster heeft gekeerd: "'t zal voor papa en mama zijn."

"Nee beste kind, 't is heusch van De Zonsberg; zie maar, Willem zit op den bok, en Hendrik staat aan de deur."

"Wat! met een vigilante! Guns Helmond-lief, dat vind ik allerbespottelijkst. Heeft je oom de koets dan niet meer? Kijk, en een begrafenis-tuig.--Nee maar dat vind ik bepaald ridicule."

"'t Is zeker omdat 't zoo regent;" meent Helmond tamelijk naïef, en is door Eva's opmerking in deze oogenblikken van agitatie, zeer tegen zijn gewoonte, een weinig van zijn stuk gebracht.

"Ja maar daar bedanken we voor. Ik vind het heel lief dat oom een rijtuig zendt, maar de gewone vigilante! terwijl hier zelfs iedereen "met de koets" trouwt. Nee, je moet me niet kwalijk nemen, maar dat is wat erg militairement."--Roepend aan de openstaande gangdeur: "Pa! Pa-lief! Pa!"

Kapitein Armelo komt in militair costuum de gang uit en gaat naar binnen.--Eva had het zoo gewild, maar het spijt hem dat hij heeft toegegeven. De uniform zit hem inweerwil van al de veranderingen die Helm de kleermaker er aan gemaakt heeft "als een gek." Die nieuwerwetsche mouwen behooren niet aan den militairen rok van tien jaren herwaarts. Hij voelt zich in dat ding als een recruut in de kapotjas; 't is hem veel te wijd, veel te slobs geworden, bah!

"Zeg eens Eva, ik kan in dien rok waarachtig niet voor 't front komen; als je er niet tegen hebt dan doe ik eenvoudig mijn jasje aan."

Eva vond het ijselijk onplezierig dat men haar in oogenblikken als deze--nu ze natuurlijk zenuwachtig en geagiteerd was--op allerlei manieren toonde hoeveel men de plechtigheid telde waarvan zij de heldin zou zijn. Ze hoopte niet dat pa de dwaasheid zou hebben om het gewone jasje aan te doen. Pa had den militairen rok laten vermaken omdat een gewone zwarte hem--entre nous gezegd--te kras was; maar in ieder geval stelde zij er dan ook prijs op dat hij zóó bleef. De generaal was natuurlijk ook in uniform. Op het jasje kon pa de "groote tiendaagsche ruzie" en den "vijf en twintigjarigen dienst" toch niet hangen; en de Romphuizers mochten wel eens zien dat pa evengoed officier was geweest als mijnheer Van Barneveld.

Op Helmonds bevestiging dat de uniform inderdaad zoo heel slecht niet stond--waarbij hij den oud-soldaat een wenk gaf, waaruit deze moest opmaken dat men een bruid, die binnen weinige oogenblikken den gewichtigsten stap van haar leven zou doen, niet agiteeren maar wel iets mocht toegeven--was de oud-kapitein wel verplicht te zwijgen en zich gewillig te toonen. Van hare zijde moest Eva nu echter ook maar tevreden zijn. Waarlijk ze zou nog beter in de vigilante van De Zonsberg dan haar pa in den uniformrok zitten. Wat deed het er ook toe, of het een koets of vigilante was.

In zwartzijden staatsiegewaad, waarover een kanten sjaal hing die, ofschoon wel eenigszins rosachtig geworden, haar indertijd toch als zeer fraai door haar man was geschonken; een hoed met vuurroode linten op het tamelijk breede hoofd, kwam mevrouw Armelo uit het achterhuis naar voren. De kleine dienstmeid heeft juist opengedaan want er was alweder gescheld.

"O, zijn de rijtuigen daar?" zegt mevrouw Armelo tot Hendrik, die even in de gang komt om te berichten dat men vóór was: "Zeer goed, je zult wel wachten;" en dan tot de kleine dienstmeid een weinig zachter: "Nee, zeg aan Herman dat mijnheer vandaag niet kan overdoen. Foei, hoe indiscreet zijn de menschen!" Terwijl zij de voorkamer wil ingaan, komt de genoemde Herman, een knecht uit De Gouden Arend, haar op zij, en zegt:

"Menheer Siebold wilde een kistje van de vier, en drie pakjes manilla's voor de partij hebben. De duiten present."

"Wel man, hoe kun je zoo wezen! Op een oogenblik als dit! De kapitein is al te goed. Waarom ga je niet naar den winkel van Bol?"

"Wat is er Marie?--Watblief Herman?" vraagt Armelo in de deur.

"Asjeblieft een kistje van de vier, en drie pakjes manilla's, Kapitein?"

"O wacht, met alle...."

"God Armelo, ben je gek! Wou je nu nog iemand sigaren overdoen? in je militaire costuum!--Nee vrindschap, de kapitein kan je niet helpen."

"Ik heb hier anders den sleutel;" zegt Armelo met het wapen vooruit.

"Wacht pa, ik zal wel even.... Geef u maar hier. Wil je maar meekomen Herman? Van de vier niewaar? zwaar of licht....?"

't Is Eva's jongere zuster Louise, die, mede voor de trouwplechtigheid gekleed, naar voren is gekomen, zich spoedig van den sleutel heeft meester gemaakt en met de lichtheid van een veder, naar een klein vertrekje in het achterhuis snelt.

"Wat is daar....?" vraagt Eva.

"Niets, volstrekt niets lieve engel;" zegt mevrouw Armelo op den drempel.

"Ik zag daar Herman uit De Arend ma. Is er iets.... van 't déjeuner.... of....?"

"Och ja, er was iets te kort, en men komt dan maar aanzetten. 't Zou niet vreemd zijn als ze ook nog om 't zilver kwamen. Men durft maar alles!"

"Ik zal het vandaag wel 't bontst van allen maken, en wat ik u ontneem, ik breng het u niet terug;" zegt Helmond.

Terwijl de gelukkige aanstaande echtgenoot dit zegt, drukt hij Eva een zoen op de wang, doch, hij doet het met égards voor haar keurig toilet, en, met een zekere aarzeling bovendien. Immers, sedert hij Eva in haar trouwgewaad mocht ontmoeten, verkeert Helmond onder een machtigen indruk. Hij zag zijn Eva zooals hij haar nooit te voren aanschouwde; en het was hem bijna alsof een zekere schroom hem vermeesterde, wanneer zijn oog een enkele maal als bij verrassing durfde rusten op den fier golvenden boezem zijner bruid, ofschoon zediglijk verborgen onder kant en wit satijn.

"Ja Helmond, je ontrooft ons wel een kleinood!" zegt mevrouw met een zucht: "maar och, we krijgen toch ook terug waarnaar ons ouderhart altijd tevergeefs heeft gesmacht: een zoon, Helmond, een zoon die ons liefheeft, niewaar?"

Zij legt haar hand, met wit glacé omsloten, vol moederlijk gevoel in het glacé van den aanstaanden schoonzoon, en herneemt met nog meer gevoel: "Wij vertrouwen u ons kind August!"--En dan: "Ha, daar is ook onze equipage!" Straks roepend in de gang: "Louise! mijn engel! ik bid je, kom!"

De tocht naar het stadhuis zou echter op uitdrukkelijk verlangen der bruid nog eenige minuten worden vertraagd.

Binnen de trouwkamer van het stadhuis bevonden zich--en nu reeds omstreeks een half uur--de generaal en zijn dochter, benevens de heeren baron Debecke van De Poel; dokter Wolf uit Wieringerwaard, en mijnheer Lieder, docent in de Nederlandsche taal enz. enz. te Amsterdam.

De baron Debecke is een oud vriend van Van Barneveld, maar zou toch zeker niet bij deze gelegenheid binnen de trouwkamer en vooral met in qualiteit van getuige tegenwoordig zijn geweest, indien hij niet dat mooie futuurtje van dokter Helmond op De Zonsberg had ontmoet, en zich, terwijl hij haar een beetje courtiseerde--ja, ja, aanstaande bruidjes willen dat wel--had laten ontvallen, getuige bij haar huwelijk te zullen zijn. Mijnheer Debecke had het heele grapje vergeten, maar, een allerliefst briefje, dat Helmond hem namens zijn aanstaande had gebracht, was een zoo verplichtende herinnering aan zijn "belofte" geweest, dat hij geen vrijheid heeft gevonden om zich onder eenig voorwendsel terug te trekken.

Dokter Wolf is een klein maar forsch persoon van omtrent vijftig jaren; zijn voorkomen heeft niets deftigs, maar een veeljarige praktijk in Wieringerwaard en omstreken, zou ook zeker den fatterigsten medicus in een man als dokter Wolf herscheppen. Van zijn kleeding scheen hij zeer weinig werk te maken. Zijn rok was van een buitengewoon antiek model, en tamelijk kaal en glimmend, terwijl er zich op de rechterpijp van zijn pantalon--die mede geenszins nieuw was--juist tegen het scheenbeen een bijzonder groote vlak bevond, waarin zich reeds sedert lang veel stof moest verzameld hebben. Dokter Wolf scheen in den regel geen boordjes te dragen, althans uit den scheeven toestand, waarin het halsomwindsel met toebehooren zich bevond, zou men zulks hebben opgemaakt. Het licht- of blinkpunt van dokters toilet bestond in de prachtig glimmend verlakte laarsjes, waarin zijn voeten geperst zaten. Straks waren ze--evenals zijn broekspijpen van achteren--nog geheel en al beklonterd; maar, eer hij de trouwkamer binnenstapte heeft hij zijn rooden zakdoek er aan gewaagd, en daarom blinkt nu zijn schoeisel dat het een lust is.

Dokter Wolf die, als eigen broer van mevrouw Armelo, beloofd had het huwelijksfeest te zullen bijwonen en de getuige van zijn nichtje te wezen, heeft wel eenige woorden met de "voorname heeren" gewisseld, maar voelt zich toch meer aangetrokken tot den neef van zwager Armelo, den docent; en fluisterend--natuurlijk in zoo'n trouwkamer--zegt hij:

"Zeker pas gekomen? met de spoor?"

"Om u te dienen mijnheer. Zeven minuten over zessen verlaat de spoortrein Amsterdam, en alzoo was ik gereedelijk ter bestemder ure alhier. Het is een schoone uitvinding die stoom, en wel gebezigd als beweegkracht...."

"Ken je den oudste van die beide heeren?"

"Bedoelt u den grootste der beide grijsaards, of den kleinere met het eenigszins roodere gelaat?"

"Ik meen dien met het hooge voorhoofd. Hij sprak me aan. Een van beiden is de generaal Van Barneveld, maar ik weet niet wie. Ze hebben allebei grijze knevels."

"Dus u bedoelt den rechtsche, wiens stok een gouden knop heeft, en die zich nu naar de zijde dier jonge dame wendt, welke trouwens in stilte blijft voor zich zien?"

"Juist!"

"Tot mijn leedwezen kan ik u niet inlichten; ik heb de eer niet de families van onzen aanstaanden neef Helmond van aangezicht te kennen."

"Dat hadt je me wel eer kunnen zeggen."

Op een der stoelen die tot aan de langwerpige tafel, waarover een groen kleed hangt, in een cirkel zijn gerangschikt, zit Jacoba.

"Ik hoor van je papa dat je in de vorige week een weinig ongesteld bent geweest juffrouw Van Barneveld. Weer heelemaal in orde?"

"Dank u mijnheer Debecke, heelemaal. Mevrouw is ongesteld niewaar?"

"De zenuwen, altijd hetzelfde! Nu vooral in de war omdat we onzen zoon uit Indië al spoedig thuis wachten.--Fameus pleizierig; 't zal haar goeddoen."--Naar de deur ziende: "'t Jonge paar laat zich wachten dunkt me."

"Ik begrijp niet wat er aan hapert;" zegt Van Barneveld vrij luid: "'t Is wat erg, al zeventien minuten over den tijd!"

"Misschien iets met de paarden;" meent dokter Wolf: "De keien liggen hier in Romphuizen zóó schandalig, dat paard en mensch z'n eigen den poot moet verzwikken."

Wolf sloeg een blik op zijn feestvierende voeten.

"Als ik de geëerde familie daarmee van dienst kan zijn of gerieven, dan wil ik volgaarne eens gaan onderzoeken uit welke oorzaak...."

De aanbieding van den Amsterdamschen docent werd echter overbodig.

De bode van 't stadhuis opende op datzelfde oogenblik de dubbele deur der trouwkamer, en het jonge paar, gevolgd door de familie Armelo, met nog een paar juffrouwen en heeren, trad de deftig ouderwetsche stadhuis-kamer binnen.

Aller oogen hadden zich aanstonds op het bruidspaar gevestigd. En--'t was een kloek, aristocratisch schoon paar.

De groeten die er werden gewisseld, hadden iets plechtig-geheimzinnigs.

Van Barneveld begreep dat het nu het geschikte oogenblik niet was om te onderzoeken waardoor het zoo laat was geworden. Zeker had de bruid wat al te veel tijd aan haar toilet besteed--een toilet welks élégance en frischheid het eenigszins verouderd-burgerlijk feestgewaad van mama Armelo, en het dood-eenvoudige van zuster Louises zijden mantilletje over een wit neteldoekje, te sterker deed uitkomen.

Van Barneveld moest de opmerking van zijn vriend den baron volkomen beamen, dat de bruid er prachtig uitzag; doch zijn blik rustte nochtans met minder welgevallen op haar schoone gestalte dan die van den ouden edelman. De laatste gevoelde zich altijd jong, en vooral bij het zien van zoo iets.... enfin. Ja ja, dat was gracieus, dat, enfin--dat herinnerde aan vervlogen jaren; en, zeer zachtjes neemt hij de vrijheid om de schoone bruid--die zich juist in een der breede fauteuils heeft neergezet, en links en rechts haar satijnen kleed een weinig in orde schikt--een galant woordje toe te spreken, 'twelk door Eva met een allerliefst glimlachje wordt beantwoord.

"Daar heb je 't al!" fluistert de kapitein Armelo tot zijn echtgenoote: "de generaal is in politiek. Jelui met je gezanik! Zie menheer Debecke lacht er om; 't is geen smaak meer."

"Welzeker is het ton;" fluistert mevrouw met een melancholiek ernstige gelaatsuitdrukking, meer in harmonie met hetgeen er bij zulk een gelegenheid in een moederhart moet omgaan, dan wel met het antwoord aan haar echtgenoot gegeven.

"Hij heeft niet eens zijn decoraties aan; alleen de lintjes, en bijna onzichtbaar;" zegt Armelo.

"Dat is ook méér dan schandalig!" herneemt mevrouw nog zachter en met droevig neergeslagen oogen: "wij moeten steeds gevoelen dat die sinjeur generaal en ver boven ons verheven is. Welzeker! Allemaal trots om zich zoo alledaagsch te vertoonen. Wat verbeeldt ie zich wel! Als jij promotie hadt gemaakt dan was je generaal geweest zoo goed als hij."

Er werd eene zijdeur naast de groene tafel geopend.

De burgemeester van Romphuizen, gevolgd door den gemeente-secretaris, treedt de trouwkamer binnen.

Een zeer diepe buiging voor de hooge personages ter rechterzijde--welke buiging langzaam in een deftig-ernstigen groet voor het bruidspaar en hun verder gezelschap overgaat--die buiging is een nommer op het programma, 'twelk burgemeester bij de "formeele staats-koppelarij"--zooals hij het burgerlijk huwelijk noemt--gewoon is te volgen.

Jut de veldwachter die achter bij de groote deur staat, weet wat er komen moet, en, de deur aan de buitenzij zachtjes dichtdoende, gaat hij naar 't bordes en zegt--nadat hij eenige Romphuizer straatbengels, die zich graag nat laten regenen, van de stoep heeft weggejaagd--tot den koetsier van Siebold uit De Gouden Arend:

"Hoe liep het zoo laat Jozef?"

"Klikke over halfelf kreeg ik eerst last om de trouwkoets in te spannen, en als je dan op slag van elven vóór bent, dan zeg ik dat je moeder je mores hêt geleerd."

"Niet eerder besteld?"

"Waarachtig niet! Ze wouwen niet in de vigelant van De Zonsberg. Ze zeien dat de tree zoo smerig was. Afin, ouwe Willem zal je dat alles wel beter vertellen."

Oude Willem stond met de vigilante nummer drie van de vier rijtuigen, en 't was zeker niet naar 't behoorde, dat hij en Hendrik--zooals ze nu onder de groote parapluie op den bok zaten--bouguetten op de borst hadden, terwijl Jozef uit De Arend--die ook in de haast geen witte handschoenen heeft kunnen vinden--zelfs geen enkele bloem in het knoopsgat heeft.

"Op zij jongens!" zegt Jut, en dan tot Willem: "Was de koets te orde?"

"Jawel."

"Waarom nam je dan de.... vieselant....?"

"Ingevolge m'n orders!" zegt de oude snorrebaard.

Jut berekent dat het tijd wordt om weer naar binnen te gaan. Burgemeester zal wel haast aan 't eind zijn. Op 't laatst begint burgemeester gewoonlijk zóó hard, dat men 't in de gang wel hooren kan en men dus altijd weet wanneer hij gedaan heeft. Jawel daar heb je 't al:

"Het huwelijk is eene, dikwijls verbasterde staatsinstelling. Ik zeg dikwijls verbasterd, omdat lieden van beiderlei kunne zich vereenigend, verbintenissen aangaan, die zij niet bij machte zijn na te komen of te handhaven. Slechts daar waar ik de middelen toereikend of overvloedig aanwezend zie, daar juich ik een staatsinstelling toe, die het geluk van personen verzekert, en den staat voor de toekomst nieuwe burgers belooft, dewelke de middelen zullen bezitten om mede al die lasten op te brengen waar de Staat zich een rechtmatige aanspraak op verschaffen mag."

't Is zeer vol in de kerk voor zulk een gelegenheid, en niettegenstaande het slechte weer.

Koster Bik had alles prompt in orde. Een voorname trouwerij was altijd voordeelig. De Armelo's waren wel kaal, maar in alle geval zouden er een stuk of vier van de grootheid wezen. 't Zou hem niet verwonderen als hij, behalve onder de kussens van bruigom en bruid, nóg onder twee of drie andere kussens een paar rijksdaalders vond. De ouwe generaal was rijk, woest rijk, woest!

--"Nee juffrouw Sillemond, d'r zal vandaag geen orgel zijn; menheer Donerie is ziek. Als ie nog had kunnen komen dan was ie d'r al lang geweest, want 't is al tien minuten over den tijd. En boek juffrouw Sillemond? Asjeblieft!--Jawel menheer Kippelaan, ga daar maar zitten. Zeker, veel menschen, maar toch ruimte genoeg.--Woudt u liever in de regeeringsbank....? Ja, dat is wel mogelijk, maar dat gaat niet; burgemeester komt zeker; burgemeester is zelfs op de partij gevraagd naar ik hoor.... U begrijpt dus...."

"Ja maar, zieje--ik, ik ben gisteren nog den heelen dag op De Zonsberg geweest, en heb bruigom vast moeten beloven hém en zijn bruidje bij 't binnenkomen toe te knikken; en, weetje, als ik hier blijf zitten dan.... dan zie ik ze op den rug."

"Maar m'n goeje menheer, je zit hier juist aan den doorgang; ze moeten bij 't inkomen hier vlak voorbij; als je je wat omdraait dan...."

"O ja, o ja, dank je wel! merci, precies! Wacht....!" hij haalt zijn portemonnaie te voorschijn, en geeft vol verrukking den koster een fooi: "Zeg eens Bik, na afloop dan laat je me even in de kamer hoor. Ik moet de familie mijn compliment maken. Ze zou het kwalijk nemen.--Volstrekt! Zeg eens, heb jij gehoord om hoe laat....?"

Maar Bik moet ginder zijn. Een acht jaren lang geëngageerd paar zoekt plaats om de trouwplechtigheid te kunnen bijwonen.

Aan de groepjes, die hier en daar in de kerk verspreid zitten, is het te zien dat men ongeduldig wordt. Het fluisterend spreken wordt omtijds luider, dikwijls verstaanbaar op een afstand; en telkens richten zich de oogen naar de zij van den grooten pilaar, niet ver van den hoofdingang der kerk, waar de feeststoet moet te voorschijn komen.

--Hoor, daar rollen de koetsen.

--Nu zullen ze komen!

--Zie, koster Bik verdwijnt achter den grooten pilaar.

Men hoort de rijtuigen één voor één ophouden.

De kerkgangers die het dichtst hij den genoemden pilaar zitten, vernemen het neerslaan der vijf treden eener koets, en voelen een sterken luchtstroom, want de groote kerkdeur is nu geheel geopend.

--Daar komen ze! Zie, zie.... daar komen ze langs den pilaar te voorschijn.

't Is een heerlijk paar. Beiden zien ze wat bleek.--Maar 't is geen wonder; in zulk een plechtig oogenblik!--Iedereen weet dat Eva Armelo een zeer schoon meisje is; maar zóó--zóó is ze prachtig, ja prachtig inderdaad!

Langzaam, naast elkander, treden ze voorwaarts. Achter hen aan, komen--mede twee aan twee--de familie en getuigen zooals ze reeds te zamen op het stadhuis zijn geweest. Men ziet en zwijgt. 't Is een indrukwekkende stilte, slechts afgebroken door het geruisch van Eva's wit satijnen kleed, want de voetstappen der feestgenooten zijn nauwelijks hoorbaar op den looper, die tot aan het groote tapijt bij den preekstoel in het middelpad der kerk werd gelegd.

Die stilte in het tamelijk ruime Godshuis, in harmonie met den aanblik van een zoo schoon en nog slechts voor luttele minuten aan elkaar verbonden echtpaar, heeft iets eigenaardig-imposants.

Toch is het alsof het ruischen van dat satijnen kleed een ongepaste toon is die de stilte verbreekt.

Het pad is lang.--Ter helfte gekomen ziet Helmond aan zijn linkerzij eensklaps een figuur verrijzen; en in den maalstroom zijner gewaarwordingen bemerkt hij ternauwernood dat het Kippelaan is die zijn hand heeft gegrepen en, hem onwillekeurig tot stilstaan dwingend, de woorden toefluistert: "Van harte.... van ganscher, hoor!--Menheer en mevrouw Helmond hoor! Afgewonnen!--Van harte, van harte!"

Doch aan het eind der kerk achter den preekstoel waarboven zich het orgel bevindt, daar heeft, slechts weinige oogenblikken geleden, een ander belangstellende gestaan. Geen vijf seconden vóórdat Helmond en zijn jonge vrouw den hoek van dien pilaar waren omgetreden, kwam hij, bijna ademloos, het achter- of orgelpoortje der kerk in. Hij zag bleek, doodelijk bleek, maar niemand was er die het zien kon, want het zoogenaamde koor, achter den preekstoel en ten deele onder het orgel, was door een hekwerk--waarvan de stijlen op bronskleurige lansen en dolken geleken--van het schip der kerk gescheiden.

Ja toch, één was er die hem zag. Geen kwartier geleden heeft Janssen de orgeltrapper een boodschap van den organist gekregen, dat bij dadelijk, dadelijk naar 't orgel moest. Janssen was bijna vlak achter menheer Donerie aangekomen.

"Ben je niet frisch menheer? Je ziet er slecht uit."

"Zoo, Janssen.... Wil jij maar...." Donerie heeft den man een wenk gegeven om naar boven te gaan.

En Donerie stond daar beneden nog een oogenblik achter die lansen en dolken verscholen. Door de openingen heen kon hij in het ruim zien.

--Zwijg dan bonzend hart! Zoo aanstonds zal ze dien hoek omkomen. Zoo aanstonds....

--Is het een duizeling die hem overvalt? Neen, hij heeft daar van verre een feeën-gestalte gezien. Blank als een lelie; rank als een hinde; fier als een koningin. Is dat Eva.... zijn Eva.... de vijftienjarige....? Zwijg! Zwijg dan bonzend hart en hoofd. Toon nu Herman Donerie, dat je waarlijk sterk, en geen kleinmoedig minnenijdig dweper bent. Voort, voort! de trappen op! 't Wordt tijd, hoog tijd. Voort!

En met de hand aan het kranke hoofd, vliegt Donerie de trappen op en het orgelkamertje binnen. Daar zit hij voor het instrument; de registers schuift hij open en dicht. Nog even drukt zijn hand het hoofd dat dreigt te bersten, en dan, dan spreidt hij zijn ranke vingers, en een vol accoord, de aanhef eener indrukwekkende hymne, ruischt en jubelt door het kerkgebouw. Het onverwachte van dien toon maakt den indruk in het ruim te sterker.

Terwijl de jonge echtgenooten langzaam voorwaarts treden, kan men 't hun aanzien dat ze getroffen zijn.

Slechts voor Helmond verstaanbaar, fluistert Eva den naam van den organist.--Helmond heeft haar gezegd dat hij ziek was; maar, 't was nu lief van hem, heel lief....! En terwijl de grijze heeren een blik van goedkeuring wisselden over de muzikale verrassing, en Armelo zoowel als zijn vrouw en dochter een verhoogde feeststemming ontvingen, terwijl dokter Wolf naar zijn laarsjes zag, en mijnheer Lieder met een zielvollen blik naar het orgel, bespeurde Kippelaan dat juffrouw Coba Van Barneveld juist toen ze hem voorgijging, de oogen neersloeg, en, het gelaat afwendend een snel gerezen blos zocht te verbergen. O almacht der muziek! gij spreekt en doet spreken: Lieder ohne Worte!

En de hymne ruischte voort, en--het ruischen van Eva's wit satijnen kleed kon men niet meer hooren.

VIJFDE HOOFDSTUK.

De plechtigheid der kerkelijke inzegening is afgeloopen. Volgens Romphuizer gewoonte zullen de jongelieden zich nu aanstonds met hun gezelschap naar de pronkkamer van het met de kerk verbonden kostershuis begeven, om er, voor 't eerst zonder vreemde oogen, begroet te worden als man en vrouw.

Bij dat heengaan, terwijl het orgel nog zijn tonen door den straks verlaten tempel zendt, voelt de jonge echtgenoot den arm van zijn Eva in den zijne beven, en ziet hij dat groote tranen haar in de oogen blinken. Sterker dan te voren drukt hij den arm van het innig geliefde wezen, van zijne vrouw. Ja, hij verstaat die tranen; hij gevoelt wat het zeggen wil voor het fijngevoelige maagdenhart, om den draad te zien afgesneden die haar hechtte aan het schoone tijdperk der blonde jeugd, ofschoon dan ook een hechtere band, en voor een heerlijker toekomst, gesloten was.

Helmonds sterkere ondersteuning kon echter niet verhinderen dat Eva, juist bij het afstappen van het meergenoemde Deventer tapijt over een omgeslagen punt ervan struikelde, en misschien zou gevallen zijn, indien zij zich niet aan een lans van het koorhek had vastgegrepen.

Tot haar eer moet gezegd worden, dat het zoo uitdrukkelijk door haar begeerde tapijt, tot nog toe geen oogenblik haar opmerkzaamheid had getrokken. Nu ze er over gestruikeld was, nu glimlachte ze vluchtig door hare tranen heen, en zag naar den gescheurden witglacé handschoen, die zoo onverhoeds de lans had gegrepen.

"Nee lieve August, volstrekt niet;" zegt Eva in antwoord op een half angstig belangstellend vragen van den man, die zijn grootste en pas verworven schat een oogenblik in gevaar heeft gezien; sloeg toen den blik naar boven, waar, zooals 't haar toescheen, de orgeltonen elkaar omarmden en zich ophoopten alsof ze niet scheiden konden; en--ze dacht weer aan den avond toen een jonkman met bruine oogen en donkere krulharen een Cavatine voor haar speelde, en haar zeide, dat hij die op den dag van haar terugkomst in Romphuizen gemaakt had....

"Mijn lief best vrouwtje is toch wel wat geschrokken;" fluistert Helmond.

"Nee August, waarlijk niet. Een oogenblik misschien; maar nu is 't heelemaal voorbij mijn beste; heelemaal!"

't Verwonderde August minder, maar het ergerde hem des te meer dat oom Van Barneveld tot nu toe de eenige is die, na de kerkelijke plechtigheid, noch zijn bruid noch hem een woord heeft toegesproken. Die koets uit De Gouden Arend moest er schuld aan zijn. Nu ja, maar dat was kleingeestig.--Kleingeestig was het reeds dat oom zoo bang voor zijn eigen koets is geweest dat hij haar, bij zulk een gelegenheid, niet wilde missen, alleen omdat het wat regende. Maar, nóg kleingeestiger mocht het heeten dat in oogenblikken als deze, wanneer de neef--het pleegkind van wien men zegt zooveel te houden--den gewichtigsten stap van zijn leven heeft gedaan, wanneer hij een engel van schoonheid en lieftalligheid geheel de zijne mag noemen, dat in zulke oogenblikken de "liefhebbende pleegvader" geen heilwenschend woord, ja zelfs geen zoen en handdruk voor het jonge echtpaar overheeft, en dit alleen omdat een nette bruid haar trouwkleed niet graag ineens bederven wil, en daarom een schrikkelijk beslijkte vigilante wegzendt teneinde er een ander rijtuig voor in de plaats te nemen. Helmond zal zijn ergernis zoo goed mogelijk verbergen.

"Oom heeft ons al op 't stadhuis gefeliciteerd Eva;" fluistert hij terug op een aanmerking daarover van hare zijde.

"'t Gezelschap dier heeren schijnt hem bijzonder te bevallen;" herneemt Eva: "Nee, 't is wat erg.... zie, nu moet hij dien onuitstaanbaren neef Lieder nog aanspreken. Nee lieve, ik vind het zachtst genomen lomp! Als ik niet zoo in-gelukkig was dan zou ik me boos kunnen maken."

Kippelaan die--dank zij zijn straks gegeven fooi--in de kosterskamer is binnengedrongen, en, dewijl hij de jongelieden ongemerkt is genaderd, hun snel gesproken woorden voor een deel heeft opgevangen, vindt het nu een uitmuntend geschikt oogenblik om zijne hartelijke belangstelling nogmaals op alle manieren te betoonen:

"Tot in lengte van dagen hoorje!--Mevrouw Helmond, mijn enorm compliment! Ik weet amice, dat je op deelneming gesteld bent. Jawel, jawel daar is een mensch op gesteld. Ik weet het, je zoudt 't me kwalijk hebben genomen indien je me hier niet gezien hadt; jawel, en ik zelf zou het me kwalijk hebben genomen. Parole! A-propos amice! bekend dat ze in De Arend gemeene champagneglazen hebben. Wil je d'r anderhalf dozijn? Mevrouw Helmond, wil je? Gerust! Ze zijn nog van mama's kant, de Parladotti's. M'n neef de professor had er nooit fijner gezien. Je bent met vijftien personen aan tafel niewaar?"

"Dankje Kippelaan, dankje bepaald."

"Anders van harte gemeend! A-propos, dat schoot me nog in: Van Dins de stationschef is een vriend van me: perfecte kerel. Ik zal 'em gaan vragen of ie een afzonderlijke coupée voor je open wil houen.--Eerste niewaar? Naar Rotterdam niewaar? Enfin we zullen dat wel plooien.--Nee, nee, geen complimenten; met alle plezier.--Met den trein van drieën, of....?"

Zonder dat Eva of Helmond het hadden bemerkt was dominee Hoogerberg, die hen bij de inzegening recht hartelijk heeft toegesproken--nu van toga en bef ontdaan--de kamer ingetreden.

Van Barneveld heeft op zijn komst gewacht. Het geluk van dat jonge paar--van dien pleegzoon in 't bijzonder--ligt hem na aan het hart. Hij gevoelt dat zijn terughouding in deze oogenblikken hen pijnlijk moet aandoen; doch, veinzen kan hij niet. Hij is ontstemd, zeer ontstemd. 't Zijn kleinigheden, welzeker, altemaal kleinigheden, maar juist op dezen dag moeten ze hem met bezorgdheid voor de toekomst vervullen. Bij het rijden van het stadhuis naar de kerk was het hem gebleken dat mevrouw Helmond de vigilante van De Zonsberg niet voldoende is geweest. En dan: In het laatste kwartier heeft mijnheer Lieder uit Amsterdam de voorzorgen van Eva's moeder verijdeld, want, onwillekeurig eenigszins in 't nauw gebracht, doordien hij van mijnheer Wolf "den veearts" heeft gesproken, "wiens zwager ongetwijfeld die fraaie verlakte laarzen had gemaakt", is hij mede tot de gemoedelijke ofschoon ongevergde verklaring gekomen, dat hij zelf te Amsterdam ondermeester op een der stadsarmenscholen was. Neen, het deed er niet toe wat die menschen waren; Eva was de dochter van een man die het tot officier had gebracht, en als zoodanig kon Helmonds huwelijk geen directe mésalliance genoemd worden, doch, als daar iets leeft in den mensch om telkens met geweld iets meer te willen schijnen dan hij is; als men dan--en zelfs op dezen hoogstgewichtigen dag--dien toeleg bij de familie Armelo ten sterkste ziet uitkomen; als hij Eva's toilet nauwkeurig beschouwt, een toilet dat in Romphuizen na dezen dag zeker nooit meer gedragen kan worden; als hij.... Maar genoeg, hij heeft op dominee gewacht; door een weinig te wachten eer hij een woord tot de jonggehuwden sprak, heeft hij zich zelven wat kalmer gestemd, maar 'tgeen hij op het hart heeft dat moet hij zeggen, of anders--anders zou hij die jonge schoone vrouw niet den vaderlijken zoen kunnen geven, zoals hij er een aan het "ander ik" van zijn geliefden pleegzoon verschuldigd is.

Op Hoogerberg toegetreden, zegt de generaal nu tamelijk luid, als verzocht hij daardoor meer algemeene aandacht, terwijl zijn stem, ofschoon er het metaal van den hoofdofficier in gevonden wordt, toch een zekere beroering verraadt:

"Dominee, ik heb gewacht met de jonggehuwden, na uw inzegening toe te spreken totdat je zoudt tegenwoordig zijn. Allereerst wou ik je de hand drukken, om je te toonen hoezeer ik de goede woorden waardeer, die je tot hen gesproken hebt.--'t Was een waar gezegde, al is het niet nieuw misschien, dat het huwelijksgeluk --ja alle geluk--in waardeering bestaat. Zeer juist. De mensch mag--ik zou zelfs zeggen hij moet met kracht ook naar stoffelijken vooruitgang streven, mits hij het doe met geheele waardeering van 'tgeen hij goeds bezit en niet slechts van het betere 'twelk hij elders ziet of meent te zien en nooit zeker is te zullen verkrijgen.

"Jonge echtgenooten!" vervolgt de generaal, en terwijl nu die zekere trilling in zijn stem is verdwenen, treedt hij op het bruidspaar toe: "'t Is zeker een mooi woord door den wakkeren volgeling van den grooten Stichter onzer religie--onzen Heiland-- gesproken: "De liefde zij ongeveinsd!"--Zóó begrijp ik het ook. En als ik u nu toespreek hier, als 't ware op den drempel van het huis waar we God eere brachten; hier veel liever dan straks aan een feestmaal met een roemer wijn in de hand.--dan verwacht gij van een oud-soldaat geen sierlijke rede, maar een kort woord, ongeveinsd uit het hart. Helmond en Eva, je bent voor het oogenblik gelukkig; als er op aarde een volkomen geluk kon bestaan dan zou ik zeggen volkomen gelukkig! Laat dat zoo blijven, langer dan de weken of maanden die daarvoor door de wereld als regel zijn gesteld. Eischt niet te veel. Waarachtig geluk is niets anders dan tevredenheid. 't Gaat met het geluk zoo dikwijls als met den ransel, die door den al te begeerigen soldaat met een vermeesterden buit was overladen. Onder 't marcheeren barstte de ransel, en, niet slechts gingen de goudstukken verloren maar ook het noodige, waaraan hij zoo dringend behoefte had. Of het waar gebeurd is dat weet en geloof ik zelfs niet, maar dat het zoo gaat in de wereld dat weet ik zeker, en dat anderen dan komen om den buit op te rapen en voor zich te behouden.... ik geloof dat die stelling niet te gewaagd is.

"August, al zal ook je dagelijksch brood, geëvenredigd naar den stand waarin God je plaatste--het allermeest de vrucht van je eigen werk en studie--zeker voldoende, ja zelfs niet karig zijn, toch vertrouw ik dat jij met de vrouw van je keuze, ook bij een sober deel, rijker zoudt wezen dan een koning: gelukkig in haar bezit. Als dat geluk duurzaam zal zijn, heb haar dan lief met een kloeke verstandige liefde. Laat haar somtijds de zweetdroppels zien van den landman wanneer hij het koren maait, want zelfs de dorste broodkruimels zullen dan waarde krijgen in haar oog.--August, als een kind grijpt naar de vlam eener kaars dan trekt men dat kind terug; denk daaraan, en--heb haar lief."

"Oom, ik bid u," fluistert Helmond strak voor zich ziende, zeer zacht en zonder dat iemand dan Van Barneveld en Eva het hooren kunnen! want, met een vluchtigen opslag der oogen heeft hij bespeurd dat Eva doodelijk bleek is geworden.

Van Barneveld gevoelt eensklaps dat hij te ver is gegaan. Maar, ligt het geluk van dien laatsten pleegzoon hem dan niet onuitsprekelijk na aan 't hart!--Heeft hij niet gehoopt dat een waarschuwend woord van den grijzen soldaat in deze ure een indruk zou kunnen maken, beslissend misschien voor het geheele leven?--Maar juist: hij is oud; hij is geen redenaar die zijn woorden behendig kiest; hij was ontstemd. Hij had niet moeten spreken. Neen, althans niet nú: Hij ziet den geliefden pleegzoon daar voor zich staan en meent op zijn gelaat de uitdrukking te lezen: Als ge haar kwetst dan beleedigt ge mij, en al ben ik u veel verschuldigd, dát verdraag ik niet.--En Eva's wit--witter dan haar satijnen kleed; en het onrustig jagen van haar boezem, ontgaan hem evenmin; en--of hij eensklaps een dreigend spooksel zag verrijzen, dat hem nogmaals van 't hart dreigt te scheuren wat hem lief is: een tweeden pleegzoon; of ook dat hij slechts beseft een bitter woord te moeten goedmaken, zeker is het dat plotseling een warm gevoel de borst van den grijzen pleegvader doorstroomt. Met aandoening vat hij Eva's hand, en, zonder dat er voor den min-aandachtigen toehoorder een merkbare stoornis in zijn rede is geweest, herneemt hij:

"God weet het Eva, dat er voor Helmonds lieve vrouw een ruime plaats in mijn hart is. De oude soldaat heeft niet altijd de zoetste woorden gereed; maar dat hij het waarachtig goed met je beiden meent, daarvoor is zijn woord je borg. Eva, ik ben er van overtuigd dat je den zoon van mijn braven krijgsmakker gelukkig wilt maken. Je schoonheid, je lieftalligheid, je talenten. Ja ja, je talenten.... Kom kom, geen tranen! Je bent de dochter van een militair niewaar? Welnu, ik zeg.... ik zeg immers wel vast overtuigd te zijn, dat je hem gelukkig zult maken.... Fi fi, die tranen weg! Komaan kind, geef jij me maar een zoen....? Jawel--ziezoo...." En--de generaal omhelsde de jonge vrouw van zijn geliefden pleegzoon.

Van Barneveld vloekte nooit, of althans in de laatste jaren slechts zeer zeer zelden; maar toen hij de grijze knevels opstreek nadat hij Eva een zoen had gegeven, en Helmond hem op gansch anderen toon dan daar straks een: "Dank u oom," heeft toegebracht, toen wendde hij zich eensklaps af, en moest dominee Hoogerberg een woord opvangen, dat hij niet van den generaal gewoon was. Maar de anders zoo kloeke oude man, scheen ook zeer van zijn stuk te zijn en meer bewogen dan hij uiterlijk schijnen wilde.

Zwijgend--als om den storm te doen bedaren--drukte Hoogerberg den grijzen pleegvader de hand, en zacht klinkt het antwoord;

"Nee nee dominee, 't was verkeerd: een oud-soldaat moet geen openbare preek houden; maar ja, 't zou me knagen aan 't hart als ik den jongen niet gelukkig zag."

De feestgenooten hebben de toespraak van den generaal, die met zulk een hartelijke omhelzing was besloten, voor 't meerendeel hoorende niet gehoord, in de vaste overtuiging dat de generaal den schoonsten van alle heilwenschen ontboezemde. Mevrouw Armelo werd zelfs door den zoen aan haar kind gegeven, tot tranen geroerd, en hoezeer zij ook van de "gelijkheid der partijen" overtuigd was--"allemaal militair"--toch heeft ze, toen de rijke heer van De Zonsberg haar eigen Eva zoende, mevrouw Van Hake die naast haar stond, in 't oor gefluisterd:

"O 't is een engel van een man, en tóch vijf rangen hooger niewaar?"

Terwijl mevrouw Armelo die woorden sprak, kostte het haar moeite om een zekere agitatie te verbergen. Maar toch, niemand zal gissen dat ze zich eenigszins zoekt voor te bereiden op het mogelijke geval dat de generaal, in zijn bewogen stemming, ook háár, als de moeder van zijn nieuwe nicht en "schoon-pleegdochter" ten aanschouwe van zoo velen omhelzen zou. Och ja, waarom niet!

Maar de generaal heeft er volstrekt geen plan op. Bij het binnentreden van deze kamer had hij aanstonds, zooals het paste, aan de ouders der jonge vrouw zijn compliment gemaakt.

Kapitein Armelo voelt zich nu door zijn ega aan de wijde mouw van zijn uniformrok trekken. Hij verstaat haar. Als vader der bruid is hij verplicht hier ook iets te zeggen: "Ja ja Marie, ik weet wel! Maar 't is hier geen gemakkelijke taak. Enfin!" Na een korte aarzeling en drie kordate stappen, staat hij voor het jonge echtpaar.

"Mijnheer Helmond!"--Omziende: "Watblief?--Kinderen meen ik.... Eva, enfin! ik refereer me geheel aan de gevoelens van den generaal! Wat de geachte leeraar heeft gezegd, daar ben ik het ook volmaakt mee eens: God sprak, het was met goed dat de mensch alleen stond in de armee...."

"Guns Armelo!--Hij meent de wereld;" fluistert mevrouw.

"Dat het niet goed was in de wereld;" verbetert de kapitein: "En daarom sta ik hier als de ouders van de bruid en wensch je als mijn schoonzoon dat je ons wederkeerig zult respecteeren, en dat je met je nakroost.... enfin we weten d'r alles van niewaar.... in liefde en vrede, en...."

Armelo, die ook al geen redenaar bleek te zijn, was, zooals hij later verklaarde, in de war geraakt, doordien hij, "ongewoon aan die groote dingen op de borst", iets in 't oog heeft zien schemeren, en, meenende dat er iets op zijn jas zat wat er niet behoorde--een spin of zoo'n ding--heeft hij zonder nadenken er naar geslagen, en was het haakje losgegaan, zoodat de "groote tiendaagsche ruzie" voor het jonge paar op den grond is gevallen.

Maar 't was niemendal. Helmond zelf raapte het kruis voor den schoonvader op, terwijl de kapitein door dat kleine intermezzo nu ook gevoeglijk heeft kunnen eindigen.

Buiten blijft de regen stroomen en gutsen, en de wind zweept hem door de Romphuizer straten. De koetsen voor het kostershuis met haar druipnatte en pruttelende koetsiers; haar paarden die als zeekatten glimmen, en haar duizend-en-een geïmproviseerde regenbakken en gootjes; de steeds besproeide en druipende feesttrein, waaraan de feestgenooten echter nog ontbreken, was door de nieuwsgierigen voor 't grootste deel verlaten omdat het--zooals de laatst vertrokkenen zeer wijsgeerig hebben aangemerkt--toch niemendal gaf dan een kletsnat pak."

Behalve eenige straatjongens en meisjes--de laatsten met haar rokken over 't hoofd--stonden er nog twee, die dicht aaneengesloten onder een groote groene parapluie, het weder-instappen der jonggehuwden in de trouwkoets verbeidden. 't Was een zeer bleek, fatsoenlijk gekleed jonkman met een dito dito meisje. Ze zuchtten gedurig, maar ze hadden geduld, want, ze wachtten al acht jaren lang, wel te verstaan op "een oogenblik vol zaligheid zooals net nu aan dat paar geschonken was".--Piet Lovers was candidaat-notaris zonder fortuin, en heeft pas sedert vier jaren zijn titel gekregen.

"Piet, als je eens iets uitvondt;" zuchtte het meisje heel zacht.

"Ja, Marietje," zuchtte Piet weerom: "als ik eens iets uitvond; maar wat!?" en hij tuurde op de kleine cascade, die langs een baleinpunt van zijn parapluie naar omlaag stroomde.

De vaalgroene gordijn voor het hooge kruisraam der kleine orgelkamer hangt nu, zooals gewoonlijk, weer rustig in haar deftige plooien. Straks hield een trillende hand haar van terzij op een looverkier geopend. Glurend door een matten glimp, heeft Donerie langs het dak van een groote groene parapluie het oog gehad op die hooge trouwkoets. Toen het portier werd opengedaan en de treden neergeklapt, toen heeft hij strakker getuurd; maar--een rouwfloers heeft hem het uitzicht benomen. 't Zal een zwarte parapluie zijn geweest waarmee men het gelukkige paar voor den regen beschutte, maar in zijn oogen was het een rouwfloers, en slechts op 't laatst, bij 't verdwijnen in de lijkkoets, toen heeft hij nog iets wits zien blinken. 't Was haar kleed...--De lijkkoets?--Nu ja de trouwkoets! hij dacht aan rouwfloers, en men vergist zich dan licht.

Terwijl Donerie zich straks naar huis spoedt, bemerkt hij wel dat de regen nog altijd stroomt, en dat de wind guur en koud is, maar het deert hem niet; integendeel het verfrischt hem. Toch is het alsof het loopen hem moeielijk valt; zijn beenen zijn zwaar, en het hoofd! O dat bonzen, dat bonzen!

Op zijn kamer teruggekomen waar zijn "twaalf uur" als naar gewoonte gereed staat, is het blijkbaar zijn streven om zich kloek te houden. Soms, een enkele maal, geeft hij wel eens toe aan zijn gevoel. Maar vandaag, wie durft beweren dat hij niet krachtig is geweest! Was het zoo vreemd dat hij zich nu wat bijzonder onmachtig en gloeiend en zieker dan gisteren gevoelde--na zulk een concert!--Nu is 't alles afgeloopen. Ziezoo! Nu moet ook de kalmte terugkeeren. Morgen zal hij veel beter zijn, ja zeker van avond al!

Hij neemt een bord van de tafel en drukt zich het koude Wedgwood eerst tegen het voorhoofd en dan op de slapen.--Eten? hoe zou het hem mogelijk zijn! Nu hij zitten ging op zijn gewone plaats, zie, nu is het alsof de kamer met hem ronddraait.--Als hij opstaat dan zal dat beter worden.--Ja, zoo is het.--Wacht, hij moet den sleutel van het orgelkamertje nog op zijn gewone plaats in de secretaire hangen. Daarna wil hij zich uitkleeden en een weinig gaan rusten; dat zal toch beter zijn.--Nu is de secretaire geopend.

--Neen,-ja,-bonst het hoofd: neen,-ja; niet zien, wel zien; neen,-ja.--Het binnendeurtje was al open.

--Ah zoo.... jong mooi meisje; ei zoo, ben jij nu de vrouw van een ander....? Hahaha!--Wie lachte daar, wie?--Goede God, hij zelf heeft zoo vreemd gelachen; hij is er van geschrokken.--Wat deed hij ook met dat portretje in handen! Weg, weg er mee! Waar is dan de kracht; waar het verstand!--Wáár ze zijn....? Hier, dáár, hier! Hier zijn ze beiden! Zie dan, zie! En Donerie's brandende vingers, ze scheuren het blaadje karton, de beeltenis van dat heerlijke kind, in kleine,--ja zie maar, in zeer kleine stukken.

Nu heeft hij het raam geopend. Een felle luchtstroom doet alles kraken en fladderen en klapperen in het vertrek. Daar werpt hij die bijna onzichtbare deeltjes naar buiten in de verwoede golven der bruisende luchtzee. En zie--als sneeuwvlokjes licht, stuiven ze op; en dwarrelen over daken en goten, om echter al spoedig verloren te gaan in de doodsch-looden tint van dien somberen dag.

ZESDE HOOFDSTUK.

Ofschoon het déjeuner in De Gouden Arend in vele opzichten der beschrijving overwaardig mocht heeten, vooral dewijl het verschil van maatschappelijke positie der gasten overvloedige stof tot karakterstudie bood;--een kwalijk verbloemde onrust van het bruidspaar, en het gedurig heimelijk op zijn horloge zien van den generaal, werken--misschien wel gelukkig--aanstekelijk, en, wie er van de gasten of misschien van de bedienden lust in heeft, hij moge van het déjeuner vertellen, een déjeuner, zóó rijk en zóó netjes als er in De Gouden Arend nooit te voren een gegeven was, doch wij--we zwijgen ervan. Misschien droeg de voortreffelijkheid van het déjeuner er toe bij om de onrustige neergedrukte stemming van den generaal te verhoogen; hij mocht zich althans overtuigd houden dat hij gisterenavond met de vijftig gulden zijn berekening als gastheer slecht gemaakt had.

De reiskoffers der jonggehuwden zijn reeds vroeger in twee afzonderlijke vertrekjes van het logement gebracht. In die vertrekjes zullen ze zich nog haastig verkleeden, om er mede aan ouders of betrekkingen die, evenals zij, tersluiks den feestdisch zullen verlaten, een zoen of handdruk ten afscheid te geven. Van Debeckes laatste vleiende, een weinig ondeugende woorden aan den feestdisch, heeft Eva volstrekt niets gehoord. August had haar zooeven zeer zachtjes toegefluisterd:

"'t Is over halftwee; we zullen nu maar ineens, zoo ongemerkt...."

"Dan moet jij maar 't eerst...." heeft Eva teruggefluisterd.

Eva glimlachte naar Debeckes zij, zonder echter te weten waarover hij sprak, en ving tegelijk van zuster Louise een hartelijk knikje op, 'twelk ze beantwoordde, maar zonder juist veel aan 't zusje te denken dat ze wel liefheeft maar, dat toch altijd zoo iets.... zoo iets heel anders heeft gehad.

"Jawel, daar broeit iets Louise;" zegt Thomas Van Hake, die naast Louise Armelo zit.

"Nee guns, nóg niet. Zie maar, Helmond eet nog chipolata."

"Ja maar, 't is halftwee, en.... Wil je een stukje van de taart Louise?"

"Een heel klein stukje. Nee nee, foei! een beetje kleiner." En dan eensklaps met het oog naar het midden der tafel: "Guns, zie, ze zijn al gevlogen; hun stoelen staan leeg!"

Toen de Romphuizer groote torenklok het klikke over tweeën deed hooren, waren de koffers der jonggehuwden reeds op de vigilante van De Zonsberg geladen, en voor den fellen regen door een lederen kleed bedekt. Willem en Hendrik hadden nu, op bevel van den generaal, hun regenjassen aan. De oude koetsier--die "vrij wat meer parade op den bok dan op de been maakt"--zat, recht als een kaars, regen en storm te tarten, even kordaat als "de groote keizer" weleer de rampen braveerde van een bloedigen krijg. Een knecht uit De Arend heeft, met de hand aan het portier bij de vigilante postgevat. Hendrik, die de parapluie moet droog houden, staat in de voordeur, en werpt nogmaals een blik in de breede hotelgang.--Boven moeten er ramen of deuren zijn geopend, want eensklaps zuigt een geweldige tocht, zoodat een openstaande zijdeur in het voorhuis met kracht wordt dichtgeworpen, en de ganglantaarn schudt, en de pui-glazen rinkelen van den slag.

Er klinken voetstappen op de trap en in het achterhuis.

In het halflicht van de vrij donkere gang beweegt zich nu van verre een kleine groep. In 't midden ervan bevinden zich twee personen, die niet rechtstreeks onderscheiden wie het zijn die hen nog om strijd de hand drukken. De groep nadert, en schijnt eensklaps vaneen te scheuren. Uit haar midden komen ze snel naar voren, de beide personen die men zooeven ten afscheid de hand gaf.

Ternauwernood heeft Hendrik den tijd om zijn parapluie op te steken. In een oogwenk was een schoone jonge vrouw hem terzij en voorbijgesneld. Ofschoon hij geen oogenblik draalde, zoo zal het bruinzijden dak haar echter niet beschutten; een nijdige windvlaag slaat onder het scherm, en, als Eva, ofschoon op den voet door haar echtvriend gevolgd, nochtans zonder zijn steun, in de vigilante vliegt, dan spant Hendrik al zijne krachten in teneinde het omgeslagen en weerbarstig klapperende stuk in zijn voegen terug te brengen.

"Helmond! Hel....mond!" roept een vrouwenstem op den natten dorpel van De Gouden Arend. De geroepene ziet om. 't Is mevrouw Armelo die met den zakdoek boven haar feestmuts, nogmaals, inweerwil van regen, storm en toeschouwers, haar roepen herhaalt.

Helmond die zich niet zonder moeite staande houdt, en met een licht overjasje aan, in een oogenblik dreigt nat te worden, wendt zich schielijk om, en de oogen voor den snijdenden regen half dichtgeknepen, gaat hij de stoeptreden weer op, nadert de wenkende dame, en dan:

"Hadt u nog iets mevr.... mama?"

En mevrouw Armelo had nog iets. Och ja! Haar oogen vestigden zich smeekend op den beminden schoonzoon. En dan, aarzelend, bijna onhoorbaar:

"Och August, zul je bedenken dat ze mijn mijn kind is! O zul je, zeg!?"

August gaf de begeerde verzekering met een zeer plechtigen oogwenk, ofschoon hij volstrekt niet begreep wat zijn bedenken dat Eva bepaald een kind van mevrouw Armelo was, bijzonders tot haar geluk zou bijdragen. Bovendien in oprechtheid gesproken, of zij een dochter van háár of van een andere was, hoewel er op dit punt geen de minste twijfel bestond--'t is hem in deze oogenblikken volmaakt onverschillig.

Goddank! die fooi aan den natten logementsbediende dat was het laatste. Het portier werd dichtgesmeten; het raampje ijlings door hem opgehaald; Coco en Victor schoten voorwaarts; en, nogmaals Goddank! nu was hij alleen--alleen met zijn wijfje!

--Hoe! ze heeft haar heerlijk hoofdje afgewend?

"Eva! mijn engelachtig vrouwtje!"

Zij antwoordt niet.

Stil, ze schreit. 't Zal beter zijn dat hij haar een oogenblik geheel aan haar zelve overlaat.--Hoe zal een jonge man gepaste woorden vinden op het oogenblik dat de vrouw zijner keuze haar ouders en magen ja allen verlaat, om hém te behooren geheel en al, hém dien ze slechts kent uit gulden dagen.

Neen, Helmond zal een oogenblik zwijgen; haar zenuwen zijn geschokt, en hoe licht kon een onbedachtzaam woord bederven wat hij juist goeds er mee te bewerken dacht.

Dat besluit wordt spoedig gewijzigd. Een frissche koelte, meent hij, zal haar wel goeddoen.

"Zullen we het raampje wat neerlaten lieve; een klein beetje aan de zij waar geen wind is?"

Bijna onhoorbaar en snikkend klinkt het:

"Och.... 't is.... mij...."

"Zeker goed niewaar?" vult Helmond aan: "Ja 't zal beter zijn.... Wacht!"

Maar, er kwam zooveel regen naar binnen dat Eva ijlings onder 't schreien door, haar keurig reiskleed van grijs alpaka terugtrok, en August aanstonds het raampje weer dichtdeed.

Dokter Helmond is een vijand van spiritus en andere opwekkende middelen. Hij heeft ze niet bij zich. Nu het frissche luchtbad niet kon aangewend worden, nu keert hij tot zijn eerste besluit terug; legt zijn hand vertrouwelijk op de hare, en zwijgt.

En Eva houdt haar lief gelaat nog altijd afgewend, en haar schreiend snikken wordt sterker.

In een groot half uur zal men het eerstvolgende spoorstation te Briesborg bereikt hebben. Indien Eva zoo doorschreit dan zou men het haar straks terdeeg kunnen aanzien; 't publiek maakt zoo spoedig zijn gevolgtrekkingen, en.... Helmond slaat den arm om haar middel; haalt haar nader tot zich, en dan;

"Mijn wijfje is nu toch gelukkig niewaar?"

Zij vlijt haar hoofd op zijn schouder, en 't klinkt met een nokkenden zucht:

"Och.... August!"

"'t Zijn bijzondere, heel bijzondere oogenblikken in ons leven,--mijn eigen aangebeden vrouwtje!"

Zij ziet hem met haar beschreide oogen onweerstaanbaar liefdevol aan, en barst dan opnieuw in een luider snikken uit.

Eva Armelo is nooit geweest wat men zenuwachtig of overgevoelig noemt. Er zijn er zelfs die haar wel eens van hardheid en ongevoeligheid hebben beschuldigd. Vraag nu aan Eva Helmond niet waarom ze schreit. Ze zou het niet geheel onder woorden kunnen brengen. August heeft het naar waarheid gezegd: "'t zijn bijzondere, heel bijzondere oogenblikken." En ofschoon Eva zichzelve dan ook geweld doet om dien "dwazen tranenstroom" te bedwingen--misschien dewijl ze vreest dat haar August den oorsprong ervan onjuist verklaren zal, misschien ook omdat ze aan glurende passagiers in station en spoorwagen denkt--telkens overmeestert haar weer dat "onverklaarbare" 't welk haar gemoed vervult, en snikkend zegt ze:

"Waarlijk, ik kan het niet helpen August; ik weet niet hoe het.... komt.... en toch...." Eva kon niet eindigen. "En toch, ik ben zoo gelukkig;" heeft ze willen zeggen.

Maar dat geluk was immers de oorsprong dier tranen niet. Velerlei gewaarwordingen werkten voorzeker te zamen om een fiksche natuur als de hare een oogenblik van streek te brengen.--De zekerheid dat ze heden afscheid van haar blonde jeugd heeft genomen, mocht haar een traan in het oog gebracht, en de voorstelling eener wel lachend afgebeelde maar toch geheimzinnige toekomst, kan haar voor een wijl den blos van het aangezicht verjaagd en met ernst hebben vervuld, doch, voor dat zenuwachtig en langdurig snikken moest er een andere oorzaak zijn; althans bij een jonge vrouw als Eva Helmond-Armelo.

Niet straffeloos speelt men met de natuur, niet zonder wraak laat zij zich geweld aandoen.--Den ganschen dag heeft Eva zich beheerscht om te schijnen wat ze niet was.--In het oog van allen die haar zagen moest ze de heldin van den dag wezen, en ondanks den blik van welgevallen, waarmee ze zichzelve des morgens in haar feestgewaad beschouwde, heeft ze al spoedig, en tot het einde toe, een gevoel gehad alsof men haar de vreugd van dezen dag misgunde, en voor 't meerendeel de hulde onthield, waarop ze met het volste recht mocht aanspraak maken. Ja zij weet het zeker: 't is de houding van den generaal Van Barneveld geweest, die zoo doodelijk op de feestgenooten gewerkt, en haar als met looden hand heeft neergedrukt. Zoo ooit dan kreeg ze op haar trouwdag de zekerheid, dat die man met zijn streng--misschien aristocratisch voorkomen, een schriel, onwellevend mensch, en bepaald haar vijand was. Wat heeft hij op dezen dag voor zijn pleegzoon gedaan? Hij heeft hem vernederd in het liefste wat hij bezat, in zijne bruid, in zijn jonge echtgenoote. 't Is slechts de baron Debecke geweest die haar een paar malen iets vleiends over haar uiterlijk en trouwtoilet heeft gezegd. Niet, dat haar "de laffe vleierij van zulk een oud man"--in 't geringste aangenaam was; neen, maar 't heeft den blik van den generaal te sterker doen spreken, den blik die niet op haar rusten kon, zonder dat men de vraag er op las: Wat zou in 'shemelsnaam zulk een toilet wel gekost hebben!

Neen, niets ter wereld heeft die man gedaan om het trouwfeest van zijn pleegzoon eenigen luister bij te zetten. Niets! Zijn rijtuigen, zijn kleeding, de totale absentie van andere leden zijner familie dan de houterige ofschoon goedaardige Jacoba--terwijl juist twee dagen later een zuster van den generaal zou komen logeeren--dat alles, maar inzonderheid zijn indigne uitdrukkingen in die kosterskamer, ze hebben haar immers ten volle overtuigd, dat ze recht heeft om dien zoogenaamden hoogstverstandigen en degelijken man, een bekrompen despoot en haar vijand te noemen. Niemand, niemand weet het wat het haar gekost heeft om zich goed te houden; schijnbaar vroolijk, lachend en tevreden te zijn, ter wille van dien braven August--die nochtans voor de lompheden van zijn oom gesloten oogen en een bijna aan zwakheid grenzend geduld heeft gehad.

Deze overspanning nu was de hoofdbron van Eva's overvloedige tranen.

Of er misschien in haar binnenste nog iets anders roerde dan het gevoel van miskenning, waardoor haar het zoet van den schoonsten feestdag was vergald....? Zooveel is zeker, toen Eva straks haar prachtig trouwkleed voor haar net eenvoudig reisgewaad had verwisseld, toen voelde ze zich als van een drukkenden last ontheven.

Tegen den avond van dienzelfden dag, terwijl de trein het laatste station vóór Amsterdam verliet, was het noodweer bedaard. De maan "had het opgetrokken", en de natuur was tot haar vroegere kalmte teruggekeerd.

Binnen een compartiment van de eerste klasse zaten twee personen zeer dicht naast elkaar, met de handen vast ineengesloten, slechts bespied door het vriendelijk-stralende aangezicht 'twelk zooveel onstuimigs had naar boven gehaald.

"Ja August, oom Van Barneveld wil ik achten en liefhebben. Ja, ik ben een dwaas kind geweest. Was ik ijdel misschien? Maar op zulk een dag! Och August, als ik slecht of niet lief ben, zeg het mij gerust; over oom zal ik anders spreken, dat beloof ik je mijn beste man!"

Nu dokter Helmond zonder eenig geweld zulk een schitterende overwinning heeft behaald, nu wil hij zijn triumf op die aangebedene niet vieren, en in deze oogenblikken het allerminst. Vaster klemt hij haar aan het hart, en dan, in schier overspannen verrukking:

"Ja Eva, oom zal je kennen en waardeeren. Waarachtig hij zal mij nog jaloersch maken met zijn liefde voor mijn engel!"

"Die arme oom!"

"Hij moet erkennen dat mijn liefste, de nederigheid zelve is, waar ze bij haar vollen rijkdom van schoonheid en talenten nog wil aanzien en goedvinden wat buiten haar ligt: als ze zelfs één éénig wezen wil zijn met den eenvoudigen kleinsteedschen medicus."

"Hoe dan.... als jij nu dwepen gaat!" fluistert Eva na een lange omhelzing: "Heb ik niet juist mijn dokter genomen omdat hij uitblonk, omdat ik met hem schitteren zou. Mijn lieve professor!"

Toen Eva zich bij deze woorden alweder de liefdetolken op het gelaat voelde drukken, en, naar buiten ziende, de bleeke maan achter een voorbijschuivend wolkje verdwijnen zag, toen--ze wist niet hoe het kwam--toen dacht ze vluchtig aan Donerie; en ze hoorde hem zeggen--dat hij haar liefhad; maar.... ze weet niet wat ze geantwoord heeft.

De vigilante, die Helmond en zijn jonge vrouw in de groote Amstelstad, sluis op- sluis af, naar hun hotel bracht, had er geen weet van welk een bijzondere vracht ze reed. De eerste schenker in Het Keizershof had er al spoedig het zijne van. Oogknipjes aan confraters, en bijzondere beleefdheid voor mevrouw, zeiden genoeg. Maar, de beleefdheid zou niet van langen duur zijn. Toen hij had boven gebracht 'tgeen Helmond heeft besteld, toen verlangde men niets meer, niets niemendal, en hoorde de schenker na 't verlaten der kamer nog maar alleen--dat de deur van binnen ofschoon tamelijk zachtjes, op het slot werd gedaan.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Ook te Romphuizen had de maan haar welwillende taak volbracht, en 's anderendaags was het evenals eergisteren een prachtige Meidag.

Op de bovenvoorkamer van den majoor Kartenglimp is heden geen vuur aangelegd, en het raam staat er open.

Zooals de majoor daar in zijn voltaire aan de ontbijttafel zit, is hij bijna niet te herkennen. Toen zijn dokter hem de laatste maal bezocht, toen scheen hij, met zijn rooden sjaal op den chambercloak, en zijn reisdeken over de beenen, met de wanordelijk gekamde haren en den ongeschoren baard, een man van ruim vijftig jaren voor 't minst; thans echter zal men hem niet meer dan hoogstens veertig geven. Ja, nu de majoor wat meer werk van zijn toilet heeft gemaakt, nu moet men erkennen--hoewel 't hem is aan te zien dat hij ziek is geweest--dat hij in vele opzichten een gunstig voorkomen heeft.--Kartenglimp, ofschoon drie en veertig jaren oud, gaat dan ook nog gaarne voor een "dikken dertiger" door; en, mogen er sommigen zijn die hem juist taxeeren, er zijn er ook die hem inderdaad voor eenige jaren jonger houden dan hij is, en het wel een bewijs achten van zijn militaire verdiensten, dat hij op zulk een leeftijd reeds als gepensioneerd Oostindisch hoofdofficier in 't Moederland op zijn lauweren rust.

Voor het overige weet men in Romphuizen zeer weinig met zekerheid aangaande Kartenglimps afkomst en familie te vertellen. In 't laatste najaar is hij uit den Haag naar Romphuizen gekomen, omdat hij, zooals hij gezegd heeft: van een amicale sociëteit hield, en de "Haagsche witte" zoo stijf als een hark was. Dat dit echter de ware reden zou zijn waarom een nog betrekkelijk jong, bemiddeld en gepensioneerd hoofdofficier, een provinciestad als Romphuizen boven de residentie verkoos, liet zich niet zoo spoedig verklaren, doch de meeste Romphuizers gevoelden zich door die gulhartig gegeven verzekering gestreeld, en waren nu over 't algemeen met hem ingenomen, te meer dewijl men hem in den afgeloopen winter als een getrouw en uitmuntend quadrilleur, commerceur en domineur had leeren kennen.

't Was mede wel wat zonderling, meenden sommige Romphuizers, dat Kartenglimp--een man in de kracht van 't leven--zich geen vrouw uit hun midden koos. Ze hadden toch lieve dochters niewaar; en er waren ook jonge weeuwtjes die haar tijd behoorlijk hadden uitgerouwd en steeds de oogen moesten neerslaan als de majoor haar met zijn donkerbruine kijkers had aangezien. Maar, de jongelingschap die altijd een uurtje later in de "Socie" bleef, ze begreep al spoedig dat de majoor "te bescheiden was om zich aan zooveel schoons of bevalligs--en voor haar geheele leven--te willen opdringen!" Kartenglimp kon zoo "onder ons, nog al aardig doorslaan." Als de papa's er niet bij waren, dan had hij vooral van die avontuurtjes uit de Oost--enfin.... 't Was soms fameus pikant. En--zoo redeneerde reeds een groot deel der Romphuizer jongelingschap: au fond had de majoor met zijn principes gelijk: Het huwelijk was een allerliefst en alleraardigst ding, vooral hier in het bloedlooze Holland; maar als men vertellen wilde dat het een instelling Gods was; bah! de heele natuur leerde integendeel dat slechts menschelijke kortzichtigheid zulk een zotte overeenkomst tusschen één man en één vrouw kon hebben in 't leven geroepen. Ja waarlijk, als je den majoor er over hoorde, dan moest je zeggen dat hij volmaakt gelijk had. Indien het huwelijk een normale toestand voor de beide echtgenooten moet zijn, vanwaar komt het dan dat slechts het geluk der zes eerste weken spreekwoordelijk bekend is? De bekendheid van dat eerste geluk, maakt dat der volgende huwelijksjaren zeer verdacht, en--is het dan ook geen feit dat er van de honderd huwelijken nauwelijks tien middelmatig en misschien maar één volmaakt gelukkig mag heeten?--Waarachtig, de majoor had altemaal zeer gewone bewijzen, maar des te treffender waren ze: Wat een ontrouw zag men overal; maar die ontrouw--door zulk een onzinnig huwelijksverbond den armen geketende als schande toegerekend--wat is die inderdaad anders dan de roepstem der natuur en der liefde? Nota bene, welk wijs wetgever zal zijn landgenooten, indien ze reizen willen, verplichten om nooit verder te gaan dan tot de naaste stad; ten eerste: om de families wat meer bijeen te houden; ten tweede: om te waken dat men de zijnen niet in den steek laat, en ten derde: opdat men zich niet te zeer vermoeie of te veel geld vertere.--'t Was alleraardigst zooals de majoor er over redeneerde, en, nóg eens, de kerel had gelijk: al die stijve idees van den vroegeren tijd hadden uitgediend. Een leventje zooals de majoor scheen geleid te hebben, daar zou een jonge Romphuizer wel van watertanden, en de man zag er kapitaal uit, kapitaal!

De majoor zit smakelijk te ontbijten. De geruststellende verzekeringen van dokter Helmond hebben hem meer goedgedaan dan hij zou willen bekennen. Hij gevoelt zich inderdaad geheel en al hersteld, en sedert Helmonds laatste bezoek, letterlijk een ander mensch. In den aanvang ja, toen had het hem wel pijnlijk getroffen dat Helmond stilzwijgend heeft toegestemd dat hij aanleg voor een beroerte had; maar--redeneerde Kartenglimp--als men die zaak toch goed bezag, dan moest men al spoedig bekennen dat het nog beter was aanleg voor een beroerte, dan bijvoorbeeld voor pokken of cholera of typhus te hebben. Bij de minste epidemie zat je dan in 't nauw en terwijl het in de eerste plaats nog niet bewezen is dat iemand die aanleg voor beroertes heeft er een zal krijgen, zoo kan men bovendien tegen dien vijand een beetje op zijn hoede zijn, al moge een voorloopige bestrijding dan onvoorzichtig wezen.

"Matig versterken," heeft Helmond gezegd. Alzoo zal nu een tweede kievitseitje geen kwaad doen; maar, den port zal hij in 't vervolg menageeren; dat goed is te zwaar, waarachtig! En dan kalm houden. Welzeker!--Nu ja, de oogenblikken kunnen er naar wezen. Maar aan 't partijtje is hij altijd de kalmte in eigen persoon; dat kunnen die grasgroene Romphuizers getuigen!

Ofschoon er zich over Kartenglimps gelaat een vreemde--men zou schier zeggen een satanische lach verspreidt, zoo schijnt hem toch schier tegelijk een onaangename herinnering te treffen, want boven zijn koolzwarte wenkbrauwen vertoonen zich breede rimpels. Werktuiglijk schenkt hij zich een glas port in, en eerst wanneer hij het in één teug heeft geledigd, komt hij tot de bezinning dat dat goed "de pest" is, en hij Mietje zal zeggen die karaf--althans 's morgens--nooit meer op tafel te zetten.

Helmonds patiënt had buiten zijn ziekte en krachten gerekend. In zijn gevoel van geheele beterschap, is hij dezen morgen meer dan een uur op de been geweest om zich te kleeden en te "adoniseeren". Daarmee gereed, heeft hij tamelijk overvloedig ontbeten en een vol glas portwijn gedronken. Nu hij opstaat om een sigaar te rooken, nu.... wat er nu aan hapert dat weet hij waarachtig niet. Hij is zoo lam in de beenen alsof hij drie dagen en nachten aan den rol is geweest, en terwijl zijn hoofd begint te gloeien is het hem alsof een vuurgloed door zijn aderen stroomt.... alsof de raamkozijnen en behangselstrepen slangen worden, en het plafond golft en hem tusschen het insgelijks golvend tapijt te smoren dreigt.

Kartenglimp moet zich aan de tafel vasthouden. Wat duivel, wat is dat!? Van één glas port kan een mensch zoo beroerd toch niet worden. Als hij zes grogjes had gedronken, dan, nee dan zou hij nóg niet gevoelen wat hij nu gevoelt.--Het klamme zweet breekt den majoor de leden uit. Een vreeselijke vloek rolt van zijn lippen. Dat moet de voorbode van een naderende beroerte zijn, indien het niet werkelijk.... Nee nee, een beroerte.... nee....!

Een paar uren later stond Thomas Van Hake reeds voor de tweede maal aan 't bed van den majoor Kartenglimp. Kartenglimp heeft de boete voor zijn onverstandig doorgebrachten morgen betaald; slaap en koud water hebben hem in een gewenschten toestand teruggebracht.

"....En u zult dus zelf moeten bekennen majoor, dat er volstrekt geen reden bestaat om dokter Helmond te telegrafeeren."

"Dat beken ik je in 't geheel niet mannetje. Jij met al je wijsheid, je kunt net zooveel weten wat me gescheeld heeft als die beddekwast. Ik weet dat ik heel wel was, heel wél, en dan zou dat ontbijt met één glaasje port...."

"Na uw ziekte majoor!"

"Ziekte of geen ziekte, ik zeg je dat ik niet naar Romphuizen ben gekomen om me voor m'n tijd te laten kapot maken. Die ouwe Bierton met z'n wauwelarij daar pas ik voor; ik zou 'em m'n kat niet toevertrouwen; en voor jou pillenkennis heb ik zooveel respect als voor m'n ouwe laars. Ik zeg je dat je zult telegrafeeren, terstond, en zoo uitvoerig als 't maar kan, met bepaald verzoek dat de dokter thuis komt.... Zwijg, want je maakt me nog gek."

"Maar waarachtig majoor, er is niets geen kwaad bij. U bent nu wat overspannen omdat...."

Met een vreeselijken vloek valt de majoor den provisor in de rede. Van Hake moest niet denken dat hij een kind voor zich had. Kartenglimp heeft--zooals hij zegt--duizendmaal den dood onder de oogen gezien, maar hij verkiest niet door de brutale onverschilligheid van een pil, en plezierreisjes van een dokter, die zijn plicht moest kennen, vóór zijn tijd in de kist te liggen.--Bij deze woorden brak den reconvalescent, die zich heden te veel heeft gewaagd en nu nog driftig erbij is geworden, opnieuw het klamme zweet de leden uit. Zijn tanden klapperden en een doodelijk wit had zijn gelaat overdekt.

Van Hake, hoezeer hij er tegen geijverd heeft, hij gevoelde zich ten slotte niet gerechtigd om geen gevolg te geven aan het verlangen van den majoor. Ofschoon overtuigd dat onnoodige vrees den man zoo onhandelbaar maakte, en met innig leedgevoel dat hij zijn geliefden weldoener nu reeds in den vollen glans van zijn geluk moest komen storen, beloofde hij aan Kartenglimps wensch te zullen voldoen. Nochtans Van Hake nam zich voor om de zaak geheel naar waarheid en zeer duidelijk--natuurlijk op kosten van den majoor--over te seinen, en het telegram zóó in te richten dat Helmond--ofschoon de provisor zich niet verantwoordelijk mocht stellen--overvloedige vrijheid zou vinden om zijn reis te vervolgen, wanneer hij--dit moest Helmond tusschen de regels lezen--slechts ter bevrediging van den geagiteerden majoor een eenvoudig calmeerend receptje er bij zond.

't Was halfdrie in den middag toen mijnheer en mevrouw Helmond zich op hun kamer in het Amsterdamsche hotel gereed maakten om uit te gaan, want de vigilante stond voor de deur. Op het oogenblik, dat zij de kamer zullen verlaten, wordt Helmond door een schenker het telegram van Van Hake overhandigd.

Eva verneemt dat het telegram niets verontrustends behelst, 't Is over zaken. August moest even antwoorden. Als het vrouwtje een oogenblik wachten wil? hij is aanstonds gereed.

Eva nam de Haarlemsche Courant nog eens op, waarin haar huwelijk reeds vermeld stond, en sloeg bij 't doelloos inzien ervan, telkens een zijdelingschen blik in den grooten spiegel om zich te overtuigen of het wit neteldoeksch kleed met groene bloempjes haar wel waarlijk kleurde, en goed stond bij haar fijn kanten hoedje met lila brides.

De hotelbediende, die op het telegram wachtte, zag die mooie mevrouw op den rug, en mocht, zoo in stilte, haar élégance bewonderen, toen hij eensklaps ontstelde, want, die "levendige pas getrouwde oogen" hadden onwillekeurig de zijne in den spiegel ontmoet.

--Wat kijkt hij mal die jongen, denkt Eva, maar zonder te weten waardoor, werd ze nu eensklaps geheel overtuigd dat dit toilet haar goed stond.--Nu gaat ze naar het venster en ziet uit de hoogte in de drukke straat.

En Helmond schreef zijn telegram:

"T. Van Hake, Romphuizen,

Majoor kan gerust zijn. Gevolg van te veel inspanning en gebruik. Nù terugkeeren onmogelijk en geheel onnoodig.

Het telegram werd ingevolge van Hakes wensch met een recept besloten, en, straks in een omslag, aan den schenker ter verdere bezorging gegeven.

Weinige seconden later reden Helmond en Eva naar een der eerste gedeelten van de Prinsengracht. De naam van den advocaat Mr. E. Woudberg stond op de deur, en de koetsier behoefde niet te zoeken.

Nu de jonggehuwden om bijzondere redenen hun reisje over Amsterdam hadden genomen, en er nagenoeg een dag stil waren, nu zou het onvergeeflijk zijn geweest indien August zijn jonge vrouw niet aan dien goeden Everard en zijn Emma gepresenteerd had. Met Everard had hij te Leiden gestudeerd, en ze waren er vrienden van den echten stempel geweest om het voor altijd te blijven, terwijl Emma bovendien een kostschoolvriendin van Helmonds pleegzusje Coba geweest is.

Eva, met de vrienden Woudberg onbekend, gevoelde er zich, op dezen eersten dag na haar huwelijk, niet recht prettig. Mevrouwtje Woudberg, een vroolijk klein ding, met drie spruitjes, waarvan de jongste in een berceau binnen de kamer sliep, mevrouw Woudberg vond die nieuw aangekomene in Hymens tempel prachtig mooi maar, wel wat stijf--misschien een weinig gegeneerd--en trachtte haar door velerlei verhalen van guitenstreekjes der kleinen een weinig "op haar gemak te zetten."

Wat Eva betrof, die guitenstreekjes waren haar even onverschillig als de geheele familie Woudberg. Hier te zitten terwijl August met dien ouden vriend--nota bene--over de wet op het geneeskundig staatstoezicht sprak, terwijl die mevrouw van de lieve jeugd verhaalde, en haar ventje van drie jaren versjes liet brabbelen! Hier te zitten in een saai, tamelijk donker Amsterdamsch zaaltje, met het uitzicht op een slecht begroeid tuintje met leelijke hooge huizen er achter, neen, dat was op den eersten dag van 't reisje inderdaad niet verkwikkelijk, en, op net oogenblik dat mevrouw Woudberg even de schreiende kleinste uit de berceau nam, en mijnheer Woudberg een boek ging halen waarin men iets zou nazien--'tgeen August hem echter mede graag geschonken had--in dat oogenblik gaf Eva haar August fluisterend en met een wenk te kennen, dat ze hier niet langer wilde blijven, en vooral niet alleen terwijl hij, zooals afgesproken was, dat andere bezoek ging brengen.

Woudberg en zijn vrouw waren bij het afscheid recht dankbaar en gevoelig voor de allerliefste visite:

"We mogen er heusch wel trotsch op zijn," besloot mevrouw: "want om je de waarheid te zeggen, in de eerste dagen na ons trouwen--niewaar Es--toen bedankten we voor familie en vrienden."

Terwijl de vrienden Woudberg er bij stonden, heeft August aan den koetsier gelast om naar 't hotel terug te rijden; maar nu nabij den hoek eener zijgracht, tikt hij op het voorglas, en beveelt: "Tuinstraat No. Twaalf."

"Ik dacht een oogenblik dat je besloten hadt er méé heen te gaan Eva."

"Maar August, hoe kon je dat denken?"

"Nee 't is ook waar. Ofschoon.... 'k zeg alleen, dat ik het een oogenblik dacht."

"'t Was dunkt me al wel, lief mannetje, dat ik mee naar je vriend ging. Je hebt zelf gehoord hoe andere menschen over dat bezoeken van vrienden en familie op hun huwelijksreisje denken."

"Ja zeker, 't was al heel lief van je om aanstonds toe te geven. Maar ik dacht nu.... een eigen broer!"

"'t Spijt me lieve, dat je er nog over gedacht hebt; ik meende dat we vast...."

"Zeker mijn wijfje, we hebben dat vast afgesproken."

"'t Zou hen toch ook geneeren August."

"Juist kind; 't kwam me nog een oogenblik voor dat ze 't hartelijk zouden vinden; een bewijs van belangstelling, maar...."

"Och nee August, wie vroeger in weelde was, wordt niet graag in zijn armoede bezocht, en 't minst door nieuw aangetrouwde familie."

"Ja, 't zal beter zijn dat ik alleen ga. Je bent ook wel wat heel chic gekleed. Nee nee, heel goed en lief gekleed beste kind, uitmuntend voor de Woudbergs en voor mij; maar, voor dáár.--Dus blijf je dan zoolang in het rijtuig?"

"Niet te lang beste man.--Ha! ik kan me, in dien tijd zoo'n reistaschje koopen."

't Zag er sjofel uit in die Tuinstraat. De hooge smalle huizen waren meestal zeer verveloos. In de kelders hoorde men ijzer smeden, ton-kuipen, hanen kakelen en kinders schreeuwen. Hier zag men groenten uitgestald; daar rood en ander lijnwaad te drogen gehangen over de grauwe leuning van een smalle hooge stoep. Ginder bij een pothuis stonden eenige vrouwen rondom een kruiwagen met doode bot. Een terugkeerende armenlijkwagen laveerde tusschen turfkarren en turfmanden door, en een der heeren bidders die met afhangende beenen erop zat, liefkoosde in 't voorbijrijden met de versleten punt van zijn gegespten schoen, eene jonge Tuinstraatsche, wie deze vreemdsoortige liefkoozing echter gansch niet beviel, en haar met een weinig vleienden grauw beantwoordde.

Helmond is uitgestapt, en heeft den koetsier gelast om mevrouw naar een voorname galanteriewinkel te brengen; over een groot half uur moest hij hier terug zijn.

No. 12 was een van de fatsoenlijkste huizen in de Tuinstraat. In het kelderhuis woonde een schoenlapper; op de eerste verdieping een oud heer met een goudsche pijp, een nicht, twee katten en een papegaai, en een verdieping hooger.....

"Jawel meheer, gaat uwé maar gerust naar boven," zegt de nicht, die een rist uien in de hand, en een kat aan haar boezem heeft: "meheer Hellemond is voor een half uurtje thuis gekomen. Voorzichtig, de trap is een beetje gesleten. Oom zou 'em opknappen, ziet uwé, maar oom is een oud mensch, en...."

Helmond is reeds naar boven gegaan.

't Zag er zeer armoedig maar toch ordentelijk uit in het kleine vertrek 't welk August is binnengestapt. Op het oogenblik dat hij in die kamer kwam, heeft een jonge zeer slanke vrouw met prachtig zwartgolvend haar, door de deur die naar een achterkamer leidde, dat vertrek verlaten.

De bezoeker heeft de jonge vrouw nog even van terzij kunnen zien. Hij zou haar zeker gegroet hebben; maar zij, ze heeft gedaan alsof ze hem niet zag. August meende dat ze vreeselijk wit was geworden.

"Hoe gaat het Philip?" zegt de oudere broeder terwijl hij den jongere de hand reikt.

"'t Zou valsch van me wezen August, indien ik je welkom heette en je de hand gaf.--Als je me wat te zeggen hebt, en wilt zitten, daar staat een stoel--als ie je niet te gemeen is."

"Op dien toon had ik het niet verwacht Philip."

"Dat spijt me. 't Is me een bewijs dat je met al je menschenkennis en geleerdheid, op dit oogenblik niet verder ziet dan je neus lang is."

"Ik kom je opzoeken als broer; mij dunkt dat ik niets beters kan doen om je te toonen dat ik je altijd als mijn goeden Philip het beste hart heb toegedragen. Philip, kom, geef me de hand?"

"Zeg eens, je noemt me goed August; maar weet je wel dat ik me zelf vervloekt laag zou vinden als ik je aanstonds die hand gaf?"

"Nog eens Philip, zulk een ontvangst had ik niet verwacht;--wanneer ik die had kunnen voorzien...."

"Dan zou je niet hier zijn gekomen, 't Ware misschien beter geweest."

"Philip, goeje kerel! wat heb ik gedaan dat je mij...."

"Wat je gedaan hebt August? Niets! waarachtig, je hebt niets niemendal gedaan!"

"Je bedoelt....?"

"Ik bedoel alles wat je zeer goed begrijpt."

"Zeg niet Philip, dat ik niets gedaan heb. Ben ik niet je krachtige voorspraak bij oom geweest? Ik zou er van gezwegen hebben indien je me niet het tegendeel verweten hadt. Is het mijn schuld dat oom...."

"Wie spreekt van je schuld! Je bent zoo onschuldig als een lam. Je broederlijke raadgevingen bewaar ik als goud. Daar ginds in de la van dat meubel--gemeen hê zoo'n houten kast--daar ligt nog die prachtige brief. De slotregels waren heel mooi; ik ken ze van buiten. Hoor: "Keer berouwvol tot onzen besten oom en weldoener terug. Zeg hem dat je in onbezonnen drift die woorden hebt gesproken. Zet beste Philip, die liaison uit je hoofd; waarlijk ze zal je ongelukkig maken. Een student! en zonder eenig fortuin! Wees verstandig; later zul je zelf inzien dat het doorzetten van dat huwelijk je ongeluk zou geweest zijn. Mijn beste broeder had, zoover ik weet, nooit een zin voor het gemeene...."--Genoeg! Wat je met dat laatste woord bedoelde, daar wil ik mij nu zelf geen oogenblik in verdiepen. Als ik het deed dan ging mij 't bloed aan 't koken, dan.... dan.... Wat jij gemeen durfde noemen August, het is de vrouw die ik liever heb dan mijn leven, en jij--je hebt oom helpen opzetten tegen die vrouw!"

"Bij al wat heilig is Philip, dat is onwaar!"

"Zweer niet; ik heb je immers den slotregel van je mooien brief herhaald."

"Philip, nu het een feit is geworden wat ik voor onverstandig hield, en nóg houd--je ziet het, ik ben oprecht evenals jij--nu zou je broederlijk handelen met dien brief voor een deel ongeschreven te beschouwen. Ja ik noemde het onverstandig een meisje te trouwen dat...."

"De man die meineed en ontrouw voor verstand wil laten doorgaan, dien veracht ik. Als jij het doet, ga dan naar dien edelen generaal die je zulke principes leerde, en folter mij niet meer."

"Philip, waarachtig, je oordeelt onrechtvaardig; en wanneer ik je minder liefhad, dan zou ik zelfs je harde woorden niet verdragen. Er is verschil in de opvatting van trouw aan zijn woord. Dat verschil verklaart veel, zoo niet alles.--Oom wierp je tegen: "Wie zijn woord houdt in een kwade zaak, is een verrader van zich zelf." Maar genoeg. Wat oom betreft, hij vergeeft je de woorden niet, die hem wel vreeselijk moesten grieven en waardoor zijn verzet te krachtiger is geworden. Zeer stellig heeft hij nog onlangs verklaard daar nooit op terug te komen, en bovendien bleef hij onverzettelijk bij zijn besluit om je nooit meer, noch bij zijn leven noch na zijn dood, iets van het zijne te doen genieten, maar...."

"Wie heeft hem dat gevraagd? Wie? Wat meent hij wel de...."

"Zacht Philip! bedenk dat ik hem liefheb, en dat hij van der jeugd afaan onze weldoener is geweest."

"Had hij zich onzer niet aangetrokken, ik zou misschien een ambacht geleerd hebben, en gelukkiger zijn."

"Je bent dus niet gelukkig Philip?"

"Wie zegt dat!"

"Niet ik. Maar je omgeving; je.... in één woord, alles doet mij vermoeden dat je met moeielijkheden te kampen hebt.--Laat mij even uitspreken Philip, en je bittere grieven trachten weg te nemen. Geloof mij, terwijl ik sedert lang, maar tevergeefs, op 't spoor van je verblijf zocht te komen, was het steeds mijn voornemen je te bezoeken en je te zeggen, dat ik zooveel ik mag en kan, wil bijdragen om je geluk te helpen bevorderen. Nee, luister nu een oogenblik! Al keur ik niet alles goed wat je deedt, en al heb ik getracht je van die liaison af te brengen, in mijn ziel heb ik je altijd om je trouw aan dat meisje geëerd en liefgehad. Zoo je meent dat ik oom--dewijl ik meer met hem dan met mijn opgewonden broeder instemde--tegen dien eenigen broeder of zelf tegen dat meisje heb opgezet, dan dwaal je Philip."

"Genoeg August, genoeg! Ik denk er het mijne van."

"Je gelooft me niet? Waarvoor zie je mij dan aan? Zou ik hier komen om je als broeder de hand te reiken wanneer er bedrog was in mijn hart? Philip, misken mij dan niet. Ik ben kalm, maar je weet toch dat ik evenals jij het bloed der Helmonds in de aders heb. Kom Philip, geef mij de hand; roep je vrouw; zeg haar dat August haar graag een broederlijken zoen wil geven. Laat er geen kloof zijn tusschen ons, al loopen onze wegen wat uiteen. Mij gaat het goed in mijn praktijk; jij hebt het niet breed. Weiger mij niet Philip, om je van tijd tot tijd metterdaad te toonen dat ik je broer ben. Neem vast dit bagatel. Kom Flip, pak aan, eer je je vrouwtje roept. Je waart immers altijd mijn goede opbruisende maar eerlijke kameraad. Neem aan Philip!"

Slechts een oogenblik heeft er in de donkere oogen van den jongsten broeder iets geflikkerd, 'twelk strijd verried bij het zien van dat bankbriefje van veertig gulden. 't Is echter een schier ondeelbaar oogenblik geweest.--Terwijl August, die geen plaats had genomen, voor de tafel is blijven staan, stond Philip nog aan de andere zijde ervan naast het venster:

"Dus, zakelijk gesproken, zou je waarlijk zijn hier gekomen August, om ons te toonen dat je de vrouw die mij dierbaar is, als je zuster wilt erkennen en liefhebben? Je weet het, zij is de dochter van een gering acteur. Haar misdaad was,--stil, ik wil ervan spreken--haar misdaad was dat ze mij op mijn eerewoord geloofde.--Toen ik haar trouw had beloofd, toen was ze voor 't oog van God mijn vrouw, als moest de wet ons verbond nog bekrachtigen. Dat alles is geschied. Zonder middelen om mijn studies ten einde te brengen, moest ik uitzien naar een middel van bestaan. Beiden gevoelden we roeping voor het tooneel. Met het oog echter op de kleingeestige wereld, bedenkend dat mijn naam ook de naam van mijn broeder was, maar 't meest--ik erken het--om mijn Virginie niet bloot te stellen aan de vele ellenden van zulk een leven in ons vaderland, besloten we daarvan af te zien. Op dit oogenblik August, is je schoonzuster de vrouw van een tweeden klerk op het bureau van een begrafenisfonds. Na al wat er tusschen ons voorviel--stil, laat mij nu óók uitspreken--na de bedreiging in den straks genoemden brief, dat ik er niet op behoefde te rekenen ooit eenigen steun van je te zullen ontvangen...."

"Maar Philip, ik heb immers gezegd dat je een brief uit die dagen van spanning niet meer in rekening brengen moet."

"Ik weet het, maar je begrijpt toch dat ik me zelf verachten zou indien ik nu aalmoezen van je aannam. Van dat geld kan geen sprake zijn; berg het gerust in je portefeuille. We spreken er nu slechts over, of ik geen laagheid bega met mijn broeder de hand te geven, en mijn vrouw niet compromitteer met haar aan dien broeder voor te stellen."

"Maar Philip!"

De jongste Helmond schijnt reeds lang te hebben geaarzeld. Hij was in tweestrijd of hij rechtstreeks op zijn doel zou afgaan. Een oogenblik heeft hij naar buiten gezien; nu kijkt hij den broeder fiks in de oogen en herneemt:

"Je bent getrouwd; gisteren. Ik las het van morgen in de Haarlemsche krant die mijn huisbaas me leent."

"Ik kon je geen kennisgeving zenden omdat ik eerst dezen morgen je adres heb uitgevonden."

"Genoeg, ik wist het, August. Door dezelfde omstandigheid die je, eerder dan ik verwachtte, mijn adres deed vinden, vernam ik dat je in de stad waart. Ofschoon ik het in 't geheel niet wenschte, zoo voorzag ik de mogelijkheid dat je mij bezoeken zoudt, en nam zooveel ik kon maatregelen dat je mijn vrouw niet alleen zoudt vinden. Mijn voorgevoel heeft me niet bedrogen; en gave God dat ik nu zeggen kon, je verkeerd te hebben beoordeeld."

Minder gevoelig dan hij de laatste woorden sprak, vraagt nu de Jonge Helmond snel:

"Dus August, je schaamt je de vrouw van je broer niet, en wilt haar de eer geven die haar toekomt....?"

"Ja Philip, twijfel niet meer. Komaan, roep je vrouwtje!"

Philip zwijgt een oogenblik, en dan eensklaps met een stem die van dien inwendigen strijd getuigt, zegt hij bijna snerpend:

"Roep jij eerst de jouwe!"

"Wat! wát meen je?" zegt de oudere broeder, en Philip ziet hem bleek worden; "Haar roepen! hoe zou ik haar roepen! Zij is...."

"In het hotel misschien?"

"Ja, ik denk het.--Tenminste...."

"Hoe! is die, dáár.... is dát dan je vrouw niet?" herneemt Philip met fonkelende oogen terwijl hij naar beneden in de straat wijst: "Is de mooie dame die zoo op- en rondkijkt uit die vigilante, niet dezelfde die je straks de hand hebt gegeven toen je er uitstapte, zeg....?"

"Nu ja, zij is het; maar kon ik haar wagen aan een ontvangst als deze.... aan....?"

"Ha! alsof ik mijn wereld niet kende! Was zij aanstonds meegekomen, ik geloof dat hier de ontvangst een heel andere zou geweest zijn!--Nee, je roept haar niet. Natuurlijk! ik begrijp dat je haar met roepen kunt."

"Men kan toch van een jonge vrouw niet vergen Philip, dat zij op den eersten dag van haar huwelijk bezoeken aflegt."

"Maar wel bezoeken bij vrienden op de Prinsengracht! Ha! nu kunje toch liegen niewaar? Toen ik van 't kantoor kwam heb ik dienzelfden voerman bij den ouden academievriend voor de deur zien staan. Zie je wel, dat ik vervloekt laag zou hebben gedaan met je de hand te geven. Zie je wel!--In een achterafhoek van Amsterdam, op een stille bovenkamer, daar zul je, door niemand gezien, aan die vrouw--ha! die gemeene vrouw! een hand willen geven! 't Kon soms het reisgenot vergallen als je bedacht, dat daar in de Amsterdamsche achterbuurt een broeder gebrek leed omdat hij, zonder die hulde, geen aalmoes had aangenomen. Maar Goddank, je aalmoes behoeven we evenmin als je schijn vertooning van hartelijkheid. Zie, ik zou je kunnen verachten indien ik niet wist dat je van nature goed waart.--Maar pijnig me nu niet langer. Doe me 't genoegen deze kamer te verlaten. Die plaats dáár, dat is de plaats van mijn vrouw. Niemand zal haar verhinderen hier te zijn zoo ze dat verkiest. Boven alles ter wereld staat zij; ze is me als een deel van m'n lichaam.--August, ga heen!"

De oudere Helmond heeft zich vast voorgenomen om kalm te blijven. De valsche positie waarin hij zich tegenover dien trouwen maar dikwijls onbesuisden broeder bevindt; zijn eigen sluimerend vermoeden dat Eva--al mocht ze tot een bezoek te overreden zijn--toch niet veel goeds zal bewerken; de wensch van zijn edel hart, dat Philip en hij als broeders mochten scheiden, dit alles werkt samen om hem toegevend te stemmen.

Hij heeft wel ingezien dat een karakter als Philip door dit bezoek--terwijl August's jonge vrouw daar wacht in dat rijtuig--zich eer beleedigd dan aangenaam getroffen moest gevoelen. Eensklaps tot een besluit gekomen zegt hij nu zacht met liefde:

"Philip, om je vriendschap te herwinnen zou mij in dit oogenblik bijna geen opoffering te groot zijn. Geloof mij nu. Maar ook, gebruik nog eens je kloek verstand: Doe ik niet alles wat je met reden van mij verlangen kunt, wanneer ik hier kom om je vrouw als mijn zuster te omhelzen? Maar ook, kan ik een jonge vrouw, die gisteren nog mijn bruid was, reeds heden dwingen...."

"Nu is 't waarlijk genoeg August. Je kalmte zou me haast razend maken; maar ik beheersch me ter wille van de vrouw die dáár is, dáár in die kamer, en die ons waarschijnlijk woord voor woord zal verstaan. Weet nu kort en goed, dat ik ten opzichte van de moeder van mijn kind geen halfheid versta. Wil je mijn broederhart, waarachtig! kom dan met je jonge vrouw, mij en mijn eenige met open armen en zonder woorden te gemoet. Wij zijn broeders, zij zusters. Mij liefhebben en haar miskennen dat is mij beleedigen, ja, erger: trappen! Versta je August: is je die vriendschap ernst, dan ben je hier onze gasten; dan gaan de beide Helmonds met hunne vrouwen dezen avond te zamen naar park of opera. Nog eens, die mijn vriendschap verlangt, die respecteere allereerst de vrouw die mij lief is boven alles!"

"Maar broeder Philip, zou er dan volgens je meening niets, volstrekt niets bestaan, waardoor mijn jonge vrouw er tegen op kon zien om aanstonds.... Nee, 't zijn geen verwijten; maar, in oprechtheid, is Virginie dan altijd, altijd zoo te respecteeren geweest als je verlangt dat ze nu.... gerespecteerd zal worden?"

August Helmond moest wel in een zonderling bewogen toestand verkeeren om in deze oogenblikken en op die wijze, zulk een teedere snaar te durven aanroeren.

Philips oogen schoten vonken vuur. De leuning van den stoel, dien hij in de hand houdt, kraakt in zijn vuist.--Moest hij dát komen verwijten; hier, in haar eigen woning, ja, in haar eigen oor!--Is dan het kind te beschuldigen wanneer een dolle stoeier het een breekbaar voorwerp uit de hand slaat; wanneer een zoete vleier het overreedt om hem een kostbaar kleinood ter bewaring te geven!

"Drijf en terg mij niet tot een uiterste!" snerpt Philip zijn ouderen broeder toe, terwijl hij hem doodsbleek met bevende lippen blijft aanstaren: "Ga heen, ga heen zeg ik je! Bezoedel met je vormelijk slijk ons rein geluk niet. Vertrek! dit is een gemeene woning; maar zij is de onze! Die er een vinger naar mijn schat durft uitsteken, dien kon ik den kop verpletteren, al was hij duizendmaal mijn broeder.... Ga heen zeg ik je!"

"Philip bij God, ik wil vrede en liefde!"'

"Zwijg!" dondert de broeder: "zwijg of anders!"

Op hetzelfde oogenblik, dat hij den stoel nogmaals doet kraken, gaat de deur open, waardoor de slanke vrouw straks is verdwenen. Zichtbaar ontroerd treedt ze nu de kamer weer binnen. Haar ontroering verwinnend ziet ze vluchtig naar Philip, op wiens gelaat zich verbazing in den toorn heeft gemengd, en terwijl zij den bezoeker noch een schrede naderbijkomt, zegt ze zacht doch met klem:

"Mijn man verzoekt u te vertrekken mijnheer.... Ons kindje slaapt!"

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Ofschoon dokter Helmond na de afgelegde bezoeken een drukkende hoofdpijn had, zoo wilde hij toch daarom zijn reisplan niet wijzigen, en vertrok nog dienzelfden middag met zijn Eva naar Rotterdam, om den anderen morgen van daar de reis naar Frankrijks hoofdstad te kunnen vervolgen.

Eva heeft als een lief en erg meelijdend vrouwtje, zoowel te Amsterdam als later in den trein, en ook in hun logement te Rotterdam, al het mogelijke gedaan om op hare beurt dien geliefden dokter eens spoedig geheel weer beter te maken. Of het baten mocht of niet, ze heeft bijna een fleschje eau de cologne op dat dierbare voorhoofd "verblazen."

Wat keek hij lief maar droevig als hij zoo'n pijn had, die goede dóór en dóór edele August. Eva kon het niet laten om hem een paar malen een zoen op die gesloten oogen te drukken, Wie zou, als hij, zoo óvergoedhartig zijn geweest om bijna een geheelen dag van die reis te willen opofferen, alleen--ja, want daarom is het toch inderdaad geweest--alleen om in een Amsterdamsche achterbuurt, een bezoek te brengen aan een jongeren broeder die zich allerinfaamst gedragen had? Zeker mocht het een bewijs zijn van Helmonds overgroote vergevingsgezindheid en bijna overdreven geringschatting van zich zelven, dat hij de minste heeft willen wezen, en een lichtmis de hand ter verzoening--ja wat méér zegt, zijn hulp en financieele ondersteuning had aangeboden. Ofschoon August bij het terugkomen uit dat huis haar nog gevraagd heeft, of ze er niet toe besluiten kon om toch even binnen te gaan, en die menschen als broer en zuster te begroeten, zoo heeft hij ook aanstonds moeten toestemmen, dat hij haar aan zulk een ontmoeting toch niet wagen mocht.--Zij is niet trotsch of hoogmoedig--of het moest op haar besten dokter wezen, want haar "beetje schoonheid is nu immers haar eigendom niet meer,"--maar een vrouw, en vooral een jonggehuwde vrouw, behoort haar weg met bedachtzaamheid te kiezen en zeer omzichtig in de keus van haar gezelschap te zijn.--Die woning in de Tuinstraat was er geen waarin Eva, zonder zeer in 't oog te loopen, kon binnengaan. En dan, behalve een doldriftigen lichtmis, zou zij er een vrouw vinden die--voortgekomen uit een der laagste en "meest zedelooze" standen der maatschappij,--niet heeft geaarzeld om met opoffering van haar eer, het ongeluk van een onnadenkend jonkman te bewerken.--Nee, August heeft het aanstonds moeten erkennen dat zijn jonge echtgenoote niet, als zuster, de vrouw kon omhelzen, die reeds als meisje tot zulk een peil was gezonken.

Uit Helmonds weinige woorden heeft Eva wel kunnen opmaken dat dit bezoek hem niet zoo aangenaam is geweest als hij het zich had voorgesteld; en, ofschoon August beweerde dat ze het zich moest verbeeld hebben, zij vergist zich niet dat ze bij hun wegrijden van die woning, een man voor een der bovenvensters heeft bemerkt die, met verwoede pikzwarte oogen naar beneden zag, en--zij meende het zeker--een dreigende vuist hield opgeheven.

's Anderendaags mocht August in het Badhotel te Rotterdam verkwikt ontwaken, en gevoelde hij zich met een helder hoofd en aan de zij van zijn schoone nu weer lachende Eva, een geheel ander mensch.

--Wat hij ten opzichte van Philip heeft kunnen doen, dat heeft hij gedaan. Die overtuiging wischt de droeve herinnering weg aan dien eersten dag na het huwelijksfeest.--Indien Eva had kunnen besluiten er binnen te gaan, dan... Maar neen, 't zou niet verstandig en zelfs niet kiesch zijn geweest indien hij sterker daarop had aangedrongen. Goddank, die storm is voorbij.

--Wat ziet zijn engel er lief en vroolijk uit, terwijl ze hem--bijna ten afreize gereed--met een zoen de kleine reistasch om den schouder hangt. En hij, hij sluit haar in zijn armen en zegt:

"Nu zal het dan ernst met Parijs worden mijn heerlijk vrouwtje." "Hadt je mijn raad gevolgd lieve, dan ware we er al gisteren geweest;" antwoordt Eva, terwijl ze half lachend met den vinger dreigt.

Maar hij:

"Toch is het zoo beter lief kind."

En Eva--of zij hem niet begreep:

"Ik ben tenminste maar blij dat die hoofdpijn verdwenen is."

Geen half uur later snelde het gelukkige echtpaar op de breede vleugels van den stoom de vele genietingen te gemoet, die vooral het jonge vrouwtje reeds van verre toelachten uit die heerlijke wereldstad.

Reeds twee volle dagen bevinden zich de echtgenooten te Parijs, en ofschoon Eva vast aan haar ouders beloofde om al spoedig te zullen schrijven, zoo is haar zulks tot nu toe onmogelijk geweest,--althans zij beweert het--omdat ze bij haar aankomst in die groote stad terstond bemerkte dat ze allereerst wat meer werk moest maken van een voegzamer toilet, want met haar achterhoekschen hoed, haar ouderwetsch kapsel, en laarsjes zonder hooge hakken moest ze er voor een Francaise wel uitzien pour se pamer de rire.

Nu, na het ontbijt, terwijl August een paar regels aan Van Hake, en een langen brief aan den generaal schrijft, zal Eva zich eindelijk van haar kinderplicht kwijten. Haar pen vliegt over het papier:

"Hotel du Helder, Mai 18....

"Mes très-chers parents!

"Haast zou ik in 't Fransch vervolgd hebben, want men raakt er hier al spoedig aan gewoon, maar ik weet dat u niet veel Fransch leest, en dus, enfin!--Wij zijn sedert Vrijdag-avond in ons hotel rue du Helder, en ik schrijf nu in de ontbijt- en eetzaal--die niet veel meer is dan een langwerpige, tamelijk sombere roef zonder eenig uitzicht. Wanneer dit begin u den indruk gaf dat ik hier niet op mijn aise zou zijn--nl. in Parijs--dan zoudt ge u zeer vergissen. Ik vind het hier dol. O, als men er niet geweest is dan kan men er zich geen begrip van vormen. 't Leven heeft hier doorgaans iets van een heerlijken droom--iets wits, blinkends: altijd ruimer, altijd hooger, altijd meer; ik weet het niet anders uit te drukken.--Bij dat alles valt alleen ons hotel erg af. 't Is een zoogenaamd deftig logement; en ofschoon ik erkennen moet dat ik, om iets te noemen, onder al de Romphuizer jongelui er nooit een zoo chic heb gezien als de garçons in ons hotel--en van den morgen tot den avond,--zoo vind ik het logement zelf toch tamelijk somber, en heb August bepraat om morgen naar het Grand Hotel te verhuizen, waar men, voor weinige franken meer, het Parijsche hotelleven in den volsten zin van 't woord geniet. Maar van dat alles vertel ik u mondeling nader. Ook kan ik u geen verhaal doen van alles wat wij reeds prachtigs bezichtigden; in den Baedeker dien we meenamen, kunt u later alles lezen. In éen woord, ik vind het hier goddelijk! U hebt geen denkbeeld van al de pracht van bijouteriën in de winkels en vooral in die van het Palais-Royal. Een garnituur, broche en knoppen, heb ik gezien.... nee maar heusch, u hebt er geen idee van. Voor een aardigheid gingen we er eens in: Deux mille trois cent francs! 't Viel me nog mee. Niet dat Helmond er over dacht; u kunt wel begrijpen dat, al zou hij zoo iets een oogenblik in 't hoofd hebben gekregen, ik 't hem zeker afgeraden, ja zelfs zou verboden hebben. Wat zou ik met zulk een garnituur in Romphuizen doen:

"De kerk Notre-Dame is ook beeldig, en vooral die miskleeren zijn prachtig; zoo iets rijk geborduurds met goud en edelgesteenten, daar hebt u geen begrip van. Gelukkig dat ik niet begeerig naar al die luxe ben, want aan mijn August heb ik genoeg. O, u weet niet wat een heerlijk leven ik met mijn lieven man heb. Hij is zoo goed. Letterlijk zou hij alles doen om mij genoegen te geven; maar juist dáárom zoek ik op mijn beurt uit te vinden wat hem het aangenaamst is en waar hij het liefst heengaat. De Keizerlijke Bibliotheek en de Morgue daar heeft hij echter op mijn verzoek van afgezien, omdat die bibliotheek voor mij nu heelemaal niets was, en die Morgue zoo akelig is dat ik er van droomen zou. Maar, om hém plezier te doen zijn we toch naar de buitenplaats van Père Lachaise geweest. U weet dat dat het groote Parijsche kerkhof is. Eerst had ik er tegen; want ik dacht fi! een kerkhof op ons huwelijksreisje! Maar 't is niemendal akelig; 't viel me tenminste vreeselijk mee. Ten eerste ligt dat kerkhof heel hoog en veel rianter dan eenig kerkhof bij ons; maar ook door al de prachtige mausoleums, de schoone beelden en bas-reliefs, de afwisseling van kransen, bloemen en versiersels bij en op de fraai overdekte graven, dat alles laat niets sombers na, en de Parijzenaars krijgen op hun kerkhof dunkt mij zoo volstrekt geen indruk van het nare denkbeeld "begraven worden". Papa zal wel zeggen dat ik nu ook weer heel aardsch en zonder nadenken redeneer; nu ja, maar u begrijpt wel hoe ik het meen, en hier in ons hotel, bij de débris van een keurig déjeuner met koude kip, oeufs à la coque, croissants--delicieuze broodjes--hors d'oeuvres, monster-garnalen enz. en heerlijke koffie, hier in een Parijsch hotel, met de voorstelling van een rit in een open rijtuig door 't Bois de Boulogne, en daarna 't zien van een steeple-chase enz. in 't Hippodrôme, kunt u mij niet kwalijk nemen dat ik geen diepzinnige bespiegelingen maak.

"Wat ik u nog vertellen wil, 't is hoe wij het overheerlijk hebben getroffen dat Helmonds vriend monsieur De Musart, in de stad was. Door diens relaties met een zeer voornaam heer die over de theaters--of sommige ervan, gesteld is, kregen we gisteren een paar prachtige plaatsen in het groote Thèâtre de la Gaieté--fauteuils de balcon avant-scène--vlak vooraan op den hoek bij het tooneel. Dat waren letterlijk de eerste plaatsen uit de heele komedie. O, delicieuze fauteuils! en aan de balustrade heeft men vóór zich écrans van groene zij--weet u, die men op en neer kan schuiven om geen hinder van 't voetlicht te hebben.--We zaten daar, bijvoorbeeld als in den Haag de Koninklijke familie, maar eigenlijk nog veel ruimer en chicker. We konden zoo zien dat ze allemaal dachten dat we zeer voornaam waren. Helmond moest er om lachen zoo gedegageerd als ik den meesten tijd in mijn fauteuil lag, en--alsof ik het dagelijks gewoon was, naarmate het voetlicht al dan niet hinderde, dien écran op en neer schoof. Ik ben er zeker van dat een deftig heer, met drie ridderorden, mij voor een barones of zoo iets heeft aangezien, want hij maakte bij 't binnenkomen, in de afdeeling naast ons, een enorm hoofsche buiging. Nu, wat August betreft, die ziet er ook recht gentlemanlike uit, niewaar, en dat helpt fameus!

"Het stuk dat wij gezien hebben was prachtig. Van de élégance der toiletten beste mama, kan men zich geen begrip vormen. Een actrice, die in de rol eener madame Duvanont overheerlijk speelde, en ons een vrouw voorstelde die uit innige liefde voor haren minnaar haar echtgenoot vermoordt; ja zelfs om hem te overtuigen dat zij niemand liefheeft dan hem, aan haar bediende den last geeft om haar kind--spelevarend met een bootje, in den vijver--heimelijk te doen omkomen; die actrice had in datzelfde stuk--ik heb het goed geteld--acht verschillende toiletten. Als wij zulk een vrouw en moeder in de werkelijkheid zagen, wij zouden er natuurlijk van gruwen, maar als men zoo iets op het tooneel ziet, dan geeft het een geheel anderen indruk. Men weet ten eerste dat het niet waar gebeurd is, en bovendien, 't was een beeldschoone vrouw; en die heerlijke toiletten! en die stem toen ze zoo zei: "Mon Edgard, sans toi le ciel me serait un enfer!" o dat was onuitsprekelijk mooi; en de claque heeft toen ook geapplaudisseerd à l'infini. Waar ik echter het meest naar verlang is de Fransche en vooral de Italiaansche opera. Dezen avond denk ik wel dat mijn beste August tot de eerste besluiten zal; en dan--Patti zal ik in de Italiaansche hooren! In één woord lieve ouders, wij genieten hier met volle teugen, en zullen nog oneindig veel meer genieten! Van de heerlijke boulevards, van de prachtige paleizen met bijna eindelooze danszalen, van dat onbeschrijfelijk prettige sans-gêne 'twelk hier heerscht, en zoo ongeloofelijk gunstig afsteekt bij al wat Hollandsch is; van dat alles schrijf ik u nader, of, zoo ik daartoe geen tijd meer mocht vinden, dan vertel ik er u bij onze terugkomst van. Gelukkig blijven we nog tien volle dagen hier. Denk er aan uw brieven te adresseeren: Grand Hotel. Zet u voor een aardigheid eens op het adres: Madame la Baronne; dat zou.... Maar nee, nee! ik schreef dit uit gekheid; ik zou om die lafheid dezen heelen brief kunnen verscheuren, maar ik heb geen tijd meer om een nieuwen te schrijven, want zoo aanstonds komt het rijtuig. Nu 't was maar een grapje, dat begrijpt u wel.

"Van harte hoop ik dat u en zusje Louise wél zult zijn. Louise zou zich hier niet op haar plaats gevoelen, althans niet als ze in ons gezelschap was. Ik heb voor u allen reeds een souvenir in mijn koffer. De goede August heeft me hier een blauw satijnen japon gekocht, een waar ik dol op was; acht franken de el; maar u moet er niet van spreken, want er zijn altijd menschen, wien het hindert als iemand genoegen heeft en iets meer bezit dan zij; of ook zijn er andere--in vele opzichten misschien goede, maar toch erg schriele menschen, die altijd den angst krijgen dat iemand zijn laatsten stuiver zal uitgeven.

"Leeft wel! Vele groeten van mijn August!

Uw liefhebbende: Eva Helmond-Armelo."

Terwijl Eva den brief aan haar ouders sluit, herleest Helmond vluchtig het slot van 'tgeen hij aan oom Van Barneveld heeft geschreven.

"....Wat mijn lief wijfje betreft, zij is den ganschen dag in verrukking. 't Spreekt vanzelf dat de smaak eener jonge vrouw van nauwelijks twintig lentes nog al uiteenloopt met dien van een dertiger, wiens lust het zou wezen om behalve in de Keizerlijke Bibliotheek eens een paar dagen in het Anatomisch Museum te snuffelen, of wel eenige hospitalen te bezoeken en de klinieken van Raspail of Nélaton te gaan bijwonen. Nooit in mijn leven heb ik er echter zooveel genoegen in gevonden om mijn eigen wenschen voor die van een ander te vergeten als nu. Maar ook, wat mij vroeger onbeduidend toescheen, ik leer het aan Eva's zij als voortbrengsels van smaak en industrie, ja soms als kunst waardeeren.--Zeker geloof ik, lieve oom, dat de omgang met een vrouw die een open oog heeft voor het schoone--zelfs voor het schoone dat wij beuzelachtig noemen--zeer weldadig moet werken op een man die zich zooals ik, gewoonlijk slechts in den poel der menschelijke kwalen en ellenden, van het boekenstof kan ontdoen.

"Er is iets onverklaarbaar liefs in die ingenomenheid van mijn goed vrouwtje met al het fraais en kostbaars 'twelk ze ziet, zonder het echter voor zich zelve te begeeren.

"Hoe langer hoe meer kom ik tot de overtuiging, dat, zoo Eva haar zwakke zijde heeft, die zwakheid haar grond vindt in den adel harer ziel: de zucht naar hooger en beter, de zucht naar volkomenheid. 't Is dan immers alleszins verklaarbaar dat de jonge vrouw bij haar edel streven--nochtans gebonden aan een stoffelijke wereld--ook te eerder een oogenblik zal stilstaan bij 'tgeen haar in dat stof als edel en volkomener toeblinkt. Hoe diep-gevoelig en lief zij is, het bleek mij nog gisteren toen zij op den Boulevard des Italiens, zeer nabij ons hotel, een schreiend meisje aansprak, en, vernemende dat het een frank had verloren, haar met zich naar het hôtel nam; haar op chocolade tracteerde, en met een vijffrankstuk weer vertrekken liet. In stilte vreesde ik wel dat de bruinoog op een anderen Boulevard, straks nóg eens over 't verlies van een geldstuk zou gaan schreien, maar de daad van mijn engel was er mij niet te minder om, en met mijn vermoeden kwelde ik haar niet. Ik bid u dan, beste oom, blijf mijn grootsten schat liefhebben zooals zij 't verdient.--De ondervinding heeft ons immers met mijn armen broeder geleerd, dat een geringschatting van de eischen aan zijn stand verschuldigd, niet tot zegen leidt.--Eva heeft u lief als een dochter. Met beminnelijke eenvoudigheid heeft zij mij daarvan op den avond van ons huwelijk de verzekering gegeven. Zóó moet het zijn en blijven. En terwijl Eva mijn goeden oom en weldoener hoe langer hoe meer zal hoogachten en liefhebben, zal ook oom van zijn zijde al de innerlijke schoonheden van mijn kostelijke bloem leeren ontdekken en waardeeren. Dat het Parijsche leven, hoeveel schoons en aanlokkends het door zijn nieuwheid moge hebben, mijn Eva op den duur zou bevallen, betwijfel ik zeer. Reeds gisteren bij het verlaten van het Théâtre de la Gaieté, waar een prachtig gemonteerd maar overigens horrible stuk was opgevoerd, zag ik haar onder een indruk van kwalijk verborgen misnoegen; en ofschoon haar lief karakter gaarne de verschoonende zij wil opmerken, zoo deelde zij toch geheel mijn oordeel: dat zooveel rijkdom van mise-en-scène en toiletten aan iets beters had behooren besteed te zijn."

Het besluit van den brief zou August maar niet nalezen. Men had geen tijd te verliezen, en al spoedig zaten de gelieven in de gemakkelijke open voiture de remise, en rolden en wielden ze langs de vroolijke boulevards, te midden van de honderden op- en neerjagende rijtuigen, karren, vrachtwagens en omnibussen, de laatste inzonderheid met de ronde forsch gebouwde schimmels.

Eerst na middernacht keerden de jonge echtgenooten, die den avond in de Fransche opera hadden doorgebracht, in hun logement terug. Bij hun binnentreden werd Helmond, met den sleutel van n°. 59, door den portier een telegram overhandigd, dat reeds op de trap--doch niet zonder weerzin--door hem geopend werd.

"Alweer zaken lieve?" vroeg Eva, terwijl ze, vermoeid van den heerlijken dag en het beklimmen van de veertig hoteltrappen tot besluit, op een sofa is neergegleden.

"Ja.... kh'm.... 't is niets.... maar...."

"God August.... toch geen kwaad? Je doet me schrikken. Is pa of ma....?"

"Nee nee nee! niemendal! Foei, een doktersvrouw moet niet zoo schrikachtig zijn, beste kind. 't Heeft niets te beteekenen. Tenminste...."

"Tenminste....?"

"Nu ja, tenminste.... 't Is over zaken, en de zaken behoeven 't vrouwtje niet te verontrusten."

"Als ze dan 't genot van mijn besten man ook maar niet vergallen.--Zeker weer die nare majoor?"

"Nee Eva."

"O gelukkig! Nu, ik ben verder niets nieuwsgierig. Mijn knappe August zal er wel komen zonder 't hoogwijs advies van zijn wijfje.--Ben ik je lieve wijfje August?"

"Beste kind!" zegt August en hij streelt haar de wang.

--Maar August is toch erg onder den indruk van die zaken. Hij is zoo verstrooid en ziet zoo.... nee boos is het niet, maar zoo ernstig. Zij trekt hem zachtjes naast zich, en, met den arm om zijn hals, zegt ze:

"Wat heb ik weer genoten vandaag, en van avond vooral. Wat zongen Faust en Mephisto overheerlijk. En Siebel's lied." Zij zingt:

"Faites lui mes aveux, "Portes mez voeux."

"Ja, 't was alles heel mooi; en ne.... mooi weer was het ook."

"'t Is hier dunkt me altijd mooi weer.--Zonder gekheid, ik begrijp me haast niet hoe het er hier met slecht weer moet uitzien. Hê August, als jij hier eens dokter waart! hê!--Ja, als ik geen familie in Holland had dan zei ik dadelijk va! 't Is toch ongelijk verdeeld in de wereld: hier zoo veel, en daar zoo niets! Weet je wat ik iederen avond, inweerwil van al 't genot, zoo'n nare gedachte vind....? Niet?--Nou, zeg dan eens behoorlijk nee, lieve ventje."

"Nee Eva, nee--wat dan?"

"Dat die dag alweer om is.--Van morgen schreef ik tien, en nu zijn 't nog maar negen dagen.--Dit is het laatste nachtje in onze rue du Helder niewaar? Heerlijk, morgen Grand Hotel. Gaan we bijtijds, of....? Mij dunkt we moesten nog vóór het dejeuner vertrekken."

"Ja.... welzeker, maar...."

"Je kijkt naar de koffers. O, in een kwartier is mijn boeltje er in. Zoo'n hooge koffer met bakken pakt gemakkelijk, en 't hoeft nu zoo mooi niet voor dat verhuizen. Aardig, wij verhuizen in Parijs! Aardig niewaar?"

"Heel aardig. Maar.... dat Grand Hotel.... Ik weet niet, dat Grand Hotel, 't is...."

"Nee August, je moet me niet plagen. Beloofd is beloofd! Hoor eens, of we nu hier zijn of daar, dat scheelt je tout au plus veertig franken; we hebben het immers als ouwe luidjes berekend."

"Ja kindlief, dat weet ik wel; maar toch...."

August Helmond blijft nogmaals steken. Hoe kon hij die engel nu zoo eensklaps als wegstooten uit den hemel van haar kinderlijk geluk. Zulk een teleurstelling zal haar te kras zijn. Neen, hij kan en mag haar dezen avond niet bedroeven met het bericht dat men inplaats van naar het Grand Hotel te verhuizen, waarschijnlijk reeds morgen de terugreis naar Nederland zal aannemen. Het telegram was weder van Van Hake, en luidde, in 't Nederlandsch vertaald, woordelijk aldus:

"Generaal hier geweest; scheen zeer bezorgd over Jacoba. Wilde in geen geval schrijven; een ander raadplegen veel minder; vroeg mij een zenuwmiddel. Mocht mijnerzijds u niets verzwijgen. Anders alles wel; behalve Donerie; gevaarlijk ziek.

Van Hake."

Neen, Helmond mocht niet dralen.--Oom Van Barneveld maakte zich zeer bezorgd over Coba. Waarschijnlijk had zij opnieuw een flauwte gehad zooals weinige dagen voor hun vertrek. Zijn plicht, zijn dankbaarheid, zijn liefde voor oom en Coba roepen hem, ja, al ware het zelfs dat oom zich zonder gegronde reden ongerust maakte, Helmonds besluit is genomen: morgen keert hij met Eva zoo spoedig mogelijk naar Romphuizen terug. Maar.... dat engelachtige vrouwtje; dat heerlijke schepsel met haar hemelsch donkerblauwe kijkers, met die glanzig zwarte lokken; dat lieve kind, zoo levenslustig keuvelend aan zijn zij, en zich verheugend op het genoegen, dat haar nog verder in de wereldstad wacht.... kan hij haar nú reeds zeggen....?

--En toch, het zal zoo moeten zijn. Wanneer men morgen met den eersten trein naar Brussel zal vertrekken, dan dienen de koffers dezen avond zooveel mogelijk in orde gebracht, en de afreize aan het dienstdoend hôtelpersoneel te worden bekend gemaakt.

"Eva, als we nu, op 't toppunt van ons geluk, eens door een onvoorziene omstandigheid van elkander werden gescheiden....?"

Eva schrikt inderdaad; maar toch, met een ongeloovig lachje zegt ze:

"August, wat meen je?"

"Heb je goed gevoeld best wijfje, wat dat wezen zou, zoo'n scheiding!?"

"August, spreek zoo niet; ik zou er duizelig van worden."

"Je begrijpt wel lieve dat ik het zóó niet zou gezegd hebben als er eenige quaestie van wezen kon."

"O Goddank!" zegt Eva, en Helmond ziet een paar groote tranen schitteren in haar oogen: "Foei, je rekent wat veel op de sterkte van mijn zenuwen. Wij scheiden!--Wij? Nee dát nooit. Dan liever sterven August!"

"Dus als ik morgen eens ter wille van een patiënt naar Romphuizen terug moest, dan ging je mee niewaar, liever dan alleen hier te blijven?"

Er zijn naturen die bij het zien van een groot gevaar--na een eerste en verklaarbare ontsteltenis--zich krachtig gevoelen; die op den brullenden leeuw zouden inhouwen, doch--angstig wijken, wanneer diezelfde leeuw zich eensklaps in een muis veranderen kon.

Helmond ziet Eva wit worden.

Na zijn laatste woorden had zij aanstonds het ontvangen telegram in verband met het gesprokene gebracht. Ze doorziet nu zijn bedoeling om haar, door een voorstelling van het ergste, voor te bereiden op geringer leed of teleurstelling; en, in den waan dat August haar omtrent Kartenglimp de waarheid verzweeg, zegt ze eensklaps, met het hoofd een weinig naar achter:

"Zou 't mogelijk wezen dat tóch die majoor....!"

"Nee lieve vrouwtje, dat niet; ik heb het immers gezegd. Maar ja, hoe allerverdrietigst en ongelukkig het moge treffen, toch moeten we morgen...."

"Moeten! August, je spot er mee. Naar Romphuizen moeten! nú, morgen al! Nee, dat is niet waar! Nee nee, dat is gekheid; ik zie het wel aan je gezicht, je wilt me weer in 't nauw jagen. Je speelt de Fransche acteurs al prachtig na." Luide lachend: "Morgen eerst naar 't Grand Hotel en dan naar Versailles niewaar? dat is wat anders, mijn ondeugd!"

"'t Zou me waarlijk niets helpen lieve kind, wanneer ik je nog een poosje in die meening liet. 't Kost me meer dan ik zeggen kan mijn besluit te moeten volgen."

"Maar dat zou een dol, een akelig besluit zijn! Hoor eens, dat kan niet; nee nee nee, dat kan en dat mag niet!" Bijna schreiend: "Voor iemand die misschien wat kou heeft gevat.... om daarvoor.... Nee, we zullen niet gaan niewaar? Zeg, zou je me zoo'n schrikkelijk verdriet doen, zeg?"

"Wijfjelief! hou je wezenlijk van me? Herinner je je alles wat je me plechtig beloofd hebt?"

"Ach ja August, ja! maar we gaan toch morgen nog niet!" En of de bron die slechts zelden vliette nu gemakkelijker vloeide, dewijl zich straks, na die eerste stoute aanspraak, een paar groote tranen op den dorpel der schoone oogen hebben vertoond, zeker is het dat ze thans overvloedig stroomen, doch het zijn nu kleine, zeer kleine tranen.

't Was een harde beproeving voor den jongen man; maar Eva's schreien, haar vleiend vragen, ja bijna haar smeeken, baatte niet. Boven alles gevoelde hij zijn plicht. Ware misschien een zijner gewone patiënten ongesteld geworden, en had men er zelfs "om zeer bijzondere redenen" op aangedrongen dat hij zijn reis zou bekorten, hij zou, evenals met den majoor, volkomen vrijheid hebben gevonden om niet aanstonds toe te geven aan een verlangen, vaak kranker dan het lichaam zelf.

Doch, waar het een zieke gold als Jacoba, de eenige dochter van zijn weldoener, waar hij dien weldoener ondanks zijn gewone minachting voor de geneeskunst en warsheid van medicijnen, nu zelf, maar zeker in 't geheim, zag sluipen naar de apotheek om er een geringe afleiding te vinden voor de onrust die hem vervulde; nu Helmond weet dat de man aan wien hij alles is verschuldigd, misschien de uren en minuten telt die er nog moeten verloopen eer hij den neef "weer zoo eens terloops" zal kunnen consulteeren; nu is er geen macht instaat om hem terug te houden, en zelfs hebben die kleine tranen geen vat op hem.

Halt! dat is zoo niet. Ze kwellen, ja ze folteren hem, al zullen ze het vast genomen besluit niet meer doen wankelen. Wat hem hindert bovenal, 't is de koelheid waarmede dat anders zoo aanminnige vrouwtje hem nu bejegent.

Maar Eva heeft toch reden ook. Hij laadt, bij de verdenking eener ongemotiveerde tirannie, nog het verwijt van achterhoudendheid op zich, door volstandig te weigeren haar het telegram te laten lezen, ja zelfs door haar niet te zeggen wie de patiënt is, die zijn hulp verwacht.

Neen, haar ouders zijn het niet, noch haar zuster Louise; maar voor 't overige moet zij niet vragen.--Helmond beseft terecht, dat het noemen van Jacoba en den generaal, de grief tegen den laatste plotseling zal doen herleven, en misschien een weerzin tegen hem verwekken, die niet meer zoo gemakkelijk te, overwinnen zal zijn. Later, als hij haar door 't een en ander met deze teleurstelling zal verzoend hebben, dan zal hij haar volkomen doen begrijpen dat het niet anders wezen kon, terwijl zij, indien ze nú het telegram had gelezen, ongetwijfeld Helmonds spoedig vertrek een dwaasheid zou noemen. Immers, met dat bericht in handen kon men Van Hake gemakkelijk van overdreven ijver beschuldigen.

Hoe 't zij, Helmond weet wat hem te doen staat, en zijn besluit is onwrikbaar vast genomen.

De bougies, die in het Hotel du Helder niet dagelijks werden vernieuwd, teerden op haar laatste kracht en hadden Helmond reeds genoopt om het was-nachtlicht te ontsteken.

Terwijl ze zich ontkleedde, heeft Eva niet meer gesproken of geschreid, maar August kon zeer goed bemerken dat zijn vrouwtje het onherroepelijke van zijn besluit had ingezien, dewijl ze, ofschoon met weerzin, meer zorg aan het inpakken van haar koffer besteedde dan ze zich had voorgenomen.

Terwijl ze nog in den koffer bezig is, en over den tweeden hoog opgevulden bak een witten doek spreidt, is Helmond haar van achteren genaderd, en den arm om haar middel slaande fluistert hij een paar zoete woorden.

"Stil, laat me nu pakken Helmond; ik moet op bevel van mijnheer immers morgen klaar zijn. Och wees nu niet zoo lief en aanhalig; ik vind dat ronduit gezegd in deze oogenblikken laf en ongepast."

"Maar Eva, je gelooft toch...."

"Ik geloof Helmond, dat alle menschen hun gebreken hebben, maar dat jij in 't bijzonder er één hebt dat onuitstaanbaar is voor een vrouw: despotisme! geweld! ruwe kracht! onuitstaanbaar!"

"Ik geloof dat je gelijk hebt Eva, tenminste dat het er allen schijn van heeft."

"Nee--haal me niet aan.--Zeg, gaan we morgen of blijven we hier?"

"We gaan Eva, zeker!--Maar luister dan toch. Als het nu werkelijk mijn plicht is...."

"Je plicht! jawel, plicht, basta!"

"Zou het niet jou plicht zijn Eva--nee, je bepaalde wil om aanstonds te vertrekken, als een van je ouders stervende was?"

"Maar dat is nu zoo niet; en, ware mij zoo iets gemeld ik zou het je zeggen. Voor mij is 't echter genoeg dat Mijnheer beveelt te gaan. Maar als hij dan aan zijn eigen vrouw de reden blieft te verzwijgen, waarom dat fatale besluit wordt genomen; wanneer hij zijn vrouw alle verstand ontzegt, en haar niet waardig acht om over 't geldige van dien plicht te oordeelen; wanneer het bewaren van de goede verstandhouding, het één zijn in alles, reeds op den zesden dag van 't huwelijk zoo prachtig wordt nageleefd, dan...."

"Eva, ik heb je gezegd dat de schijn tegen mij is; en ofschoon het waarlijk beter zou wezen dat ik zweeg, om je te toonen dat ik 't allerminst voor mijn wijfje een tiran of een despoot wil zijn--och je weet dat ook wel beter--zie dan hier; mij dunkt de drie laatste woorden van Van Hake's telegram zullen je doen gevoelen dat er reden genoeg is om nu te vertrekken, en een langer verblijf in Parijs eens tot later uit te stellen."

Terwijl Eva het tot later uitstellen met een ongeloovig schouderophalen beantwoordt, toont Helmond haar het omgevouwen telegram.

Maar het sprak vanzelf dat Eva haar hoofd houdt afgewend: ze behoefde nu volstrekt geen opheldering meer. August kwam er een beetje al te laat mee. Trachtte hij nu door zulk een halfheid haar liefkozingen te herwinnen!

"Dankje Helmond; dankje wel. 't Is me nu totaal onverschillig."

"Maar Eva, als je me waarlijk liefhebt, lees dan, en oordeel of dit laatste niet reeds genoeg is."

Met zachten dwang doet hij haar het hoofd naar de zij van het papier wenden, en, ofschoon nog onwillig leest Eva nu de woorden:

"Donerie dangereusement malade!"

Een vuurrood overtoog eensklaps haar schoon gelaat. Ze gist zelfs van verre niet dat zij omtrent de ware reden van hun aanstaand vertrek door Helmond op een dwaalspoor is gebracht. Ze denkt er niet aan--ofschoon ze het weten kon--dat Donerie een ander tot dokter had.

In de eerste oogenblikken staat haar slechts die gevaarlijk zieke jonkman voor den geest, en dan, dan ziet ze daar Helmond aan haar zij: In haar blos heeft hij toch niets kunnen lezen--neen, want slechts een voorbijgaand medelijden, een plotselinge ontsteltenis, de verrassing heeft haar dat rood op de wangen gelegd. En, nu vlijt ze zich weder aan zijn borst, en als hij haar vaster aan het hart sluit dan fluistert hij:

"Dat blosje heeft me genoeg gezegd. O lief meelijdend wezen, als je nu altijd maar gelooven wilt dat ik geen tiran ben...."

"Stil August, stil, niets meer! Mijn lieve man kent zijn plicht en ik nu den mijne!"

's Anderendaags reeds vroeg in den morgen verliet een fiacre met de koffers van Nº. 59 erop, het Hotel du Helder.

De eerste garçon die zooeven in de porte-cochèro zijn gelaat tot een recommandatiekaart verwerkte, en meesterlijk uitdrukte dat het vertrek der beide gasten zoowel voor zijn persoon als voor het hôtel een onherstelbaar verlies zou wezen, de garçon herinnert den commissionair die, bij het wegrollen der fiacre zich er aan vast klemt en op den bok springt, nog haastig: "Rue Lafayette vingtsix, Bassot bijoutier-joaillier;" waarna hij in het hôtel terugkeerend, den half duttenden portier voorbijgaat, en dan met een wenk van het hoofd naar buiten:

"Ça vaut la peine Gérard! Belle hollandaise!" en, rammelend met een paar vijffrankstukken in den zak: "Coquin de mari! C'est monsieur Bassot qui rira le dernier, hein!"

NEGENDE HOOFDSTUK.

Jacoba Van Barneveld weet niet dat August en Eva zich reeds op hun terugreis bevinden. Ze heeft uitgerekend dat er nog twaalf volle dagen vóór hun thuiskomst moeten verloopen.

Op haar schrijftafel ligt een blad papier gereed. Ze moet August schrijven. Ze heeft er eindelijk toe besloten. Nog wacht ze een oogenblik ofschoon het reeds halfelf is, en de brieven voor Parijs uiterlijk te één uur op het postkantoor moeten bezorgd zijn. Ja ze kan nog even wachten. Hendrik zal immers zoo aanstonds uit de stad terugkomen, want, behalve een boodschap bij de naaister, had hij niets te doen dan even bij baas Krul naar Donerie te vragen.

Jacoba luistert. Ze meende iemand bij haar kamerdeur te hooren.... maar ze heeft zich vergist.

--'t Is vreemd dat Hendrik zoo schrikkelijk lang uitblijft. Doch neen, de pendule zegt haar dat hij nauwelijks twintig minuten geleden vertrokken is.

Jacoba bladert in Longfellows gedichten. Dat mag een paar minuten duren, maar dan, dan staat ze weer op. Zichtbaar onrustig gaat ze naar de schrijftafel; een oogenblik later staat ze bij 't venster, waardoor ze het uitzicht heeft op het prachtige landschap met den zilveren Rijn; doch--geen seconde later is ze bij haar schrijftafel terug, en neergegleden in den gemakkelijk ronden stoel die er vóór staat, vat ze de pen om.... Maar neen, sneller dan ze zitten ging is ze weer opgestaan, en gaat nu de kamer uit.

Aan 't eind van den breeden corridor kan ze door het venster op 't hek van den straatweg zien. Nú kon Hendrik toch wel terug zijn.

"Ben je daar Coba?" vraagt een dame van omstreeks zestig zomermaanden, die uit de deur der groote groene logeerkamer op den corridor komt, en reeds gekleed voor het tweede ontbijt zich met hoed en parasol heeft gewapend om eerst nog een kleine wandeling op het boventerrein van De Zonsberg te doen.

"Ja tante. Hé, ik had u niet gezien."

"Wacht je iemand?"

"Hendrik zou inkt meebrengen tante. Hij blijft vreeselijk lang weg."

"Hé, inkt. Je pa heeft altijd een heel kruikje.... Was dat leeg misschien? Wacht, er is nog wel wat op mijn kamer; je hebt zeker zoo heel veel niet noodig?"

"Een paar velletjes tante."

"Velletjes?"

"O, ik meen.... Maar Hendrik zal wel dadelijk komen. Dank u tante."

"Coba-lief kom eens hier; wat scheelt er aan?"

"Mij tante!?"

"Ja lieve kind, kom jij nu eens eventjes hier bij tante op de logeerkamer. Jawel, eens eventjes."

"Tante ik heb waarlijk geen tijd. Ik wacht op Hendrik, en ik moet me nog kleeden ook."

"Ja maar zoolang Hendrik er nog niet is, kun je wel even bij tante Hermine komen niewaar? We hebben uit mijn kamer juist het oog op het hek aan den straatweg. Voel je je weer niet zoo fiks Coba?"

"Jawel tante, ik voelde me juist van morgen weer heel flink."

"Och kom, is dat waarlijk zoo? Ik dacht dat je het maar aan je pa zei om hem gerust te stellen. Je bent toch erg bleek, lieve kind."

"Vindt u tante; ik ben altijd bleek, dat is mijn natuurlijke kleur."

"Ja maar Coba, je oogen staan waarlijk een beetje flets. Papa merkte het gelukkig niet, maar ik kon wel zien dat je geschreid hadt toen je van morgen beneden kwaamt."

"Geschreid! ik!? Lieve hemel tante, geschreid! ik zou niet weten waarom."

"Nee ik ook niet Coba. Wie zou gelooven kunnen dat een meisje, dat zoo alles en alles heeft, en krijgen kan wat ze begeert, reden zou hebben om te schreien, maar...."

"'t Zou bespottelijk zijn tante."

Na dit gezegd te hebben wendt Jacoba zich van haar tante af en gaat weer haastig naar de deur.

"Jacoba hoor eens."

"Riept u?"

"Ja beste kind, kom nog eens even hier.--Zou je me een groot genoegen willen doen?"

"Als ik kan, zeker!"

Mevrouw Mansburg vat Jacoba's fijne hand, en haar vriendelijk aanziende zegt ze zeer overredend:

"Och, dan wou ik zoo graag dat je tante eens je vertrouwen schonkt. Er is iets dat je hindert. Jawel Coba; een vrouw van jaren en ondervinding zooals ik, ziet scherper dan een man, al is hij ook tienmaal een vader zooals je beste pa.--Je pa maakt zich erg ongerust over je gezondheid, veel meer dan hij weten wil."

"Maar ik verzeker u dat hij vandaag heel gerust is tante. Nadat ik gisteren zoo trouw ingenomen en van nacht zoo heerlijk geslapen heb, moest ik mij wel beter gevoelen. Ik heb het pa plechtig verzekerd, want ook hij heeft me in 't verhoor genomen."

"Heb je waarlijk waarlijk zoo heerlijk geslapen Coba?"

"Tante, ik vind het erg verdrietig en compleet om iemand ziek te maken als men zich wél gevoelt, en iedereen ons dan telkens wil opdringen dat we slecht geslapen hebben, er slecht uitzien en zekerlijk ziek zijn. Er zijn immers voorbeelden van dat men gezonde maar aantrekkelijke personen zóó een ziekte op 't lijf heeft gepraat.--Ik vind u waarlijk heel lief tante, en ik hou ook heel veel van u, maar u moest mij heusch niet altijd zoo vragen, en--zooals u gisteren en van morgen telkens deedt--mij zoo van terzijde zitten aankijken. Ja ik weet wel dat het belangstelling is, maar ik voel dat het mij bepaald kwaad zou doen."

Mevrouw Mansburg begrijpt nu dat ze een krasse wending moet wagen om in 't belang van dat bleeke kind haar vertrouwde te worden:

"Op gevaar af dat je me lastig zult noemen, beantwoord mij deze ééne vraag: Is er iemand op de wereld dien je liever hebt dan papa?"

Of Jacoba op iets dergelijks heeft gerekend, althans haar gelaat teekent geen de minste ontroering.

"Dat is een zonderlinge vraag tante. Nee, zekerlijk is er niemand dien ik zóó liefheb als mijn besten vader.--Ha daar komt Hendrik het hek in! Tot straks tante; bonjour!"

Mevrouw Mansburg heeft haar doel niet bereikt. Twee dagen na Helmonds huwelijk kwam ze bij haar broeder Van Barneveld op De Zonsberg logeeren. Aanstonds heeft het haar getroffen zoo zwak en lijdend als Coba er uitzag; en, aanstonds had zij tevens Van Barnevelds onrust bemerkt, hoezeer hij die ook te verbergen zocht. En, zij heeft die onrust gedeeld, vooral den dag na haar aankomst, toen Jacoba--nadat men onder het theedrinken tamelijk druk over August en zijn jonge vrouw had gesproken--een soort van flauwte heeft gekregen met een zonderling benauwde ademhaling. Ofschoon mevrouw Mansburg die plotselinge ongesteldheid volstrekt niet voor gevaarlijk hield, en haar ondervinding schier dezelfde verklaring gaf als vroeger dokter Helmond heeft gegeven, zoo moest zij op Van Barnevelds krachtige maar wellicht slechts uitlokkende verzekering: dat het volstrekt niets te beteekenen had, toch opmerken, dat Alexander het niet al te licht moest tellen, want--mevrouw sprak wel eens in beelden--dat er nooit een deur van zelf dichtging; was er geen hand die het deed dan deed het een tocht of rukwind misschien.

't Is reeds bekend dat Van Barnevelds heimelijke onrust, door de herhaling dier zenuw-attaque, en waarschijnlijk door het advies van zijne schoonzuster, aanmerkelijk was toegenomen; en, hoewel met tegenzin, heeft hij op het vragen der zuster langer over dat punt gesproken dan hem lief is geweest. 't Was zeer verklaarbaar dat hij mede de onderstelling heeft herhaald, of ook Helmonds huwelijk eenigen invloed op Coba's zenuwgestel kon hebben uitgeoefend. Ofschoon Coba bijna tien jaren jonger was dan hij, zoo waren ze toch, vóórdat August naar de academie ging, in Van Barnevelds huis als kinderen te zamen geweest. August hield bijzonder veel van zijn "klein bleekneusje;" en later als hij met vacanties over was, o wat kon hij haar dan mokkelen de aardige speelpop, het achtjarige zusje; rijden met haar op zijn knie de heele wereld rond, of straks op den rug door het gansche huis--en 't was een groot mooi huis in Den Haag--naar boven, de breede trappen op, al de kamers door, van de eene in de andere, de trappen weer af, totdat hij er doodmoe bij neerviel.

Ook later heeft August altijd getoond dat hij veel van Coba hield. Toen Helmond dokter te Romphuizen is geworden, en Van Barneveld daarna op De Zonsberg kwam wonen, ging Helmond--vooral in den beginne, toen de praktijk niet zoo druk liep--er heel veel heen. Natuurlijk is dat later wel iets verminderd, maar geregeld kwam hij er toch een paar malen 's weeks dineeren, en, dan hadden die twee het altijd druk, zóó zelfs dat papa wel eens tweemaal aan "zijn partijtje" moest herinneren, want, van kwart over achten tot halftien speelde de generaal graag een ombertje en famille.

Ja, Coba hield veel van broeder August.--En, in de laatste twee jaren is er bovendien veel gebeurd. In die sombere dagen toen Philip door zijn schandelijk gedrag den oom en weldoener zulk een smaad had aangedaan, toen heeft haar zenuwgestel een sterken schok gekregen.

Van Barneveld wil het niet ontkennen dat hij Jacoba's voorspraak toen wel wat ruw heeft afgewezen. 't Is den eenigen keer geweest dat hij zijn kind harde woorden heeft toegevoegd, maar ze moest het gevoelen, dat de generaal Van Barneveld, van elk ander dan zijn pleegkind, bloed zou hebben geëischt voor zulk een smaad, en gevoelen ook dat men door het zoeken van zijn minderen, zooals Philip had gedaan met dat trouwen ver beneden zijn stand, tot alles instaat raakt, zelfs tot het verguizen, het beleedigen van hen aan wie men het meest is verschuldigd.

Jacoba heeft het begrepen; maar dat ze bij die droeve gebeurtenis alweder aan de zij van broeder August heeft gestaan, en niet eerder dan hij heeft willen berusten in het harde vonnis, 'twelk haar vader over Philip had uitgesproken, het pleitte opnieuw voor de genegenheid, die zij haar pleegbroeder toedroeg en de waarde die ze aan zijn zienswijze hechtte.

En dan, is Coba niet telkens weer zijn krachtige voorspraak geweest, wanneer de vader haar--en misschien wat al te veel--met zijn grieven over het huwelijk van August had lastiggevallen? Ja, Helmonds keuze heeft hem in den aanvang zeer gehinderd. Een oogenblik zelfs was het voornemen bij hem opgekomen om zijn toestemming te weigeren--voor zooverre die weigering beteekenis had,--en Jacoba zal er onder hebben geleden zooals zij telkens Helmonds voorspraak heeft moeten zijn. Immers, August had haar gezegd dat hij zoo onuitsprekelijk veel van Eva Armelo hield, en toch de liefde van zijn braven pleegvader zoo noode verliezen zou. Al wat ze kon heeft ze gedaan om haar vader met dat huwelijk te verzoenen. Ze heeft er aan herinnerd dat Eva's ouders, ofschoon ze van geringe afkomst waren, toch nu, door den rang van mijnheer, tot den "fatsoenlijken stand" behoorden; ze heeft de omstandigheid dat de kapitein om bijzondere redenen zoo vroeg is gepensioneerd,--redenen die Van Barneveld kende--weten te vergoelijken, door er op te wijzen hoe men nu--en zelfs in Romphuizen--er toch nooit meer van hoorde dat de familie en vooral mevrouw Armelo, dépenses maakte, die haar krachten te boven gingen. Wat Eva betrof, Jacoba heeft haar zeer geroemd, althans voor zooveel ze dat kon. Ze was zoo schoon, ze had zulk een slank figuur, zulk glanzend zwart haar, en daarbij zulke mooie donkerblauwe oogen. Wat speelde ze prachtig en wat zong ze overheerlijk!

Welnu, papa Van Barneveld heeft dan immers ook toegegeven. August moest het weten. In den aanvang had hij hem wel zijn bedenkingen gemaakt, en hem volgens zijn overtuiging, op de zwakke zij van Eva's karakter gewezen, maar--men weet het--ten laatste heeft hij toch "zooveel mogelijk het zijne gedaan om de onderlinge vrede en liefde te bewaren".

Inderdaad, er is genoeg geweest om een teeder gestel als dat van Jacoba te ondermijnen. En wanneer men nu Coba's zusterlijk gevoel voor August in rekening brengt, dewijl het toch vanzelf spreekt dat Helmond veel minder dan vroeger op De Zonsberg zal kunnen zijn, en althans niet meer onverdeeld zooals vroeger, dan meent de generaal wel grond te hebben voor zijn overtuiging, dat dit huwelijk bij Jacoba zwaarder heeft gewogen dan hij het zich heeft voorgesteld, en dat het zijn plicht zal wezen om, zoodra August en Eva terug zullen komen--ofschoon met verstand, en steeds tegenover Helmonds vrouw met de leuze: "eenvoud en zuinigheid"--het veelvuldig samenzijn, vooral ter wille van Coba, zooveel mogelijk te bevorderen.

Driemaal achtereen heeft mevrouw Mansburg, na een veelbeteekenend ophalen van de wenkbrauwen, dat laatste besluit van haar zwager met een "Ja maar!" beantwoord, en ze dacht er bij: Mijn goede Van Barneveld, al ben je misschien een man die alleen door de juistheid van je blik de sterkste vesting zoudt nemen of een overmachtig leger verslaan, het vrouwenhart doorzie je niet!

Ja maar! er kon iets anders zijn. Er kon iets anders leven in Coba's boezem! En, 'tgeen mevrouw niet heeft uitgesproken, dat heeft Van Barneveld toch aanstonds moeten raden;

--Hoe, wat! zou zoo iets mogelijk wezen....!?

En zuster Hermine heeft nogmaals zeer sterk, zoowel haar schouders als wenkbrauwen naar boven getrokken. En, zij zou er zekerheid van hebben, dat beloofde ze vast. Maar inweerwil van haar goede bedoeling, en inweerwil van haar tact, mevrouw Mansburg heeft nóg geen zekerheid gekregen, ofschoon ze er "des ondanks" nog zekerder van is dan den vorigen dag.

"Welke boodschap heb je?" roept Jacoba den knecht toe die naar boven komt.

Hendrik wipt snel eenige trappen hooger en zegt dan:

"Compliment, nog hetzelfde juffrouw."

"Ik meen van de naaister?"

"O, dat ze zorgen zou dat het naar uw zin zou wezen juffrouw."

"En van de zij? En zou ze het vooral netjes doen?"

"O, zij had ze genoeg, en jawel, de juffrouw zou heel tevreden zijn."

"Heb je de taf?"

"Jawel juffrouw.--Alsjeblief."

"Best Hendrik!"--In het teruggaan zich even omwendend: "Niets beter met mijnheer Donerie?"

Hendrik, in 't naar beneden gaan stilstaande en omziende: "Nee juffrouw; 'tzelfde; eer minder, was de boodschap."

"Zoo!"

Op haar kamer gekomen sluit Jacoba de deur zeer zachtjes van binnen op het slot.

Van haar waschtafel neemt ze den flacon; doet een overvloedigen scheut eau de cologne in het water, dat ze zich in de waschkom heeft geschonken; dompelt er haar polsen in, en verfrischt daarna drie, vier keeren haar hoofd.

Nu zit ze weder voor haar papier. Een wijle tuurt ze op de kleine buste van Mendelssohn--in wiens trekken ze steeds een zekere overeenkomst met hem.... meent te zien; en dan, na een paar malen de pen te hebben opgenomen en weer weggeworpen; na nogmaals te zijn opgestaan, en ginder eenige oogenblikken op den stoel bij het venster te hebben gezeten, neemt ze eindelijk weer plaats voor het papier, en schrijft met bevende hand:

"Beste August!

"Altijd heb ik je liefgehad en vertrouwd als een dierbaren vriend. Sedert den dag van je vertrek had ik geen rustig uur. O, waarom heb ik niet gesproken toen je mij op dien avond zoo deelnemend ondervroegt. Ik wist toen reeds wat ik vreezen moest, maar kon niet denken dat mijn gevoel op zulk een harde proef zou worden gesteld. Och waarom moest ik huichelen; waarom je verbergen wat mij verteert...."

--Verbergen wat mij verteert? Hoe is het mogelijk dat deze woorden aan mijn pen zijn ontsnapt, denkt Jacoba; en dan, nadat ze de geschreven regels heeft herlezen:

--Nee, dat alles is bespottelijk; dat mag en dat kan zoo niet. Het papier wordt nu ijlings door midden gescheurd; en, op een ander blaadje schrijft ze:

"August!

"Bij papa's letteren voeg ik een paar woorden om je te zeggen dat ik mij, ofschoon zelve best in orde, zeer ernstig ongerust maak...."

--Maar dit kan evenmin blijven. Neen, ook August mag niet weten, niet vermoeden zelfs....

Weder staart Jacoba eenige oogenblikken in gedachten op Mendelssohns buste, terwijl ze het geschrevene in kleine stukjes scheurt.

--Ha! die inval komt als een lichtstraal. Ja, dát heeft haar wel voor den geest geschemerd, maar nu eensklaps is het helder geworden. Nogmaals neemt ze een ander blaadje en schrijft dan snel:

"Lieve August!

"Bij papa's letteren voeg ik een paar woorden om je te zeggen dat ik mij ernstiger ongesteld gevoel dan ik hem bekennen wil. Herhaalde flauwtes, binnenkoortsen en slapelooze nachten doen mij vreezen dat ik binnenkort onherstelbaar wezen zal indien, ja August, indien je niet spoedig terugkomt en mij behandelt zooals je dat voornemens waart. Om papa niet ongerust te maken heb ik hem gezegd dat ik mij zelfs beter gevoelde dan vóór je vertrek, en hem uit het hoofd gepraat om je over mij te schrijven, zooals hij een oogenblik van plan scheen, ten einde je te kennen te geven dat een spoediger terugkomst hem aangenaam wezen zou. Waartoe behoeft papa meer of langer in onrust te zijn dan noodzakelijk is. Doch om zijnentwil evenzeer, voelde ik mij verplicht je wel degelijk zelve te schrijven. Mij te verliezen zou hem zwaar vallen. Je gevoelt dat ik in geen geval zoo spreken zou indien wij--al ware het op een paar uren afstand--een goeden dokter hadden. Biermans, die onlangs Loovers kindje als klierachtig behandelde, totdat jij, er bijgeroepen, verklaarde dat het een hersenontsteking was, die man is òf afgeleefd òf nooit te vertrouwen geweest. Stel je waarlijk eenig belang in je zusje, August, keer dan aanstonds terug; ik zal je die liefde duizendmaal trachten te vergelden; maar ook, lieve broeder, laat in 'shemelsnaam niet blijken dat ik je zoo geschreven heb. Behandel mijn ziekte voor 't oog van papa maar luchtig, en geef als reden van die overhaaste terugkomst op, dat er hier een ernstige zieke was, die volstrekt onder je behandeling wilde zijn. Het treft in zooverre gelukkig dat er juist zulk een zieke is, hoewel het mij voor den armen sukkel spijt. Mijnheer Donerie is, zooals ik vernam, na den dag van je trouwen weer veel erger geworden, en om nu alles voor papa heel natuurlijk te maken, zal ik wel zorgen dat Biermans bij mijnheer Donerie zijn congé krijgt, of zelf verklaart een consult met je te wenschen. Och lieve August, wat verlang ik naar je komst; stel het niet uit want je ziet aan mijn schrift hoe ik beef van zwakte, en ik geloof zeker dat jij me beter zult maken. Wist ik niet dat je liefde voor je kleine zusje reeds voldoende zou zijn om je over alle bezwaren te doen heenstappen, de kans om den Romphuizer muziekmeester, den waarlijk niet ontalentvollen stumper, die in de kerk nog zoo zijn best deed, meteen weer beter te maken, die kans zou alleen reeds genoeg zijn om mijn geliefden broeder tot een spoedige terugkomst te bewegen. Donerie's ziekte komt in zooverre goed zegt pa, dat ik nu aan geen muziek kan doen.

"August, ik tel de uren, de minuten. De koorts verheft zich.....

Uwe Jacoba."

Of Jacoba inderdaad koorts heeft, of, dat haar stemming iets koortsachtigs had, zooveel is zeker dat een ongewoon blosje haar wangen kleurde toen zij den brief vouwde en, na het couvert te hebben dichtgeplakt, nog een tamelijk breed lak er op deed, om eindelijk het eenvoudige adres te schrijven: "Aan August."

Nu gaat ze naar haars vaders "bureau".

"Hier is mijn epistel voor onzen zwierbol, pa."

"Ah zoo Coba," zegt Van Barneveld die aan 't schrijven was: "ik dacht al, 't is kwartier voor twaalven; 't werd tijd. Om twaalf uur moet Hendrik er mee weg."

"Hendrik komt pas uit de stad terug pa. Ik wou 'm zelf even brengen. De uwe is immers klaar?"

Van Barneveld ziet haar verwonderd aan:

"Ja, hier is mijn brief, maar wou jij dien naar de stad brengen? Eer Willem de paarden klaar heeft, zal..."

"Nee ik wou te voet gaan."

"Te voet! Nú te voet.... jij! Heeft tante je daartoe bepraat?"

"Nee pa, maar August heeft wandelen zeer aangeraden.--Ik moet bij de naaister zijn. Hendrik heeft iets vergeten."

"Je schijnt vandaag bijzonder wèl te wezen, beste meid."

"O, ik ben weer heel flink!" Zij zoent den vader op zijn hooge voorhoofd: "Toe, sluit u nu mijn epistel in; 't wordt immers tijd beste pa?"

"Maar wat een vreeselijk lak Coba. Dat couvert dient er af.... Wil ik maar even?"

Jacoba ontneemt hem onverhoeds haar brief:

"O nee, wacht.... dat mag ik niet vergen, wacht!".... En met den brief snelt ze voort.

"Niet vergen! ha ha ha, niet vergen!" lacht Van Barneveld haar achterna: "dat noem ik discretie....!"

Maar eensklaps betrekt zijn gelaat. Jacoba's goed uiterlijk en haar vroolijke stemming hebben hem voor een oogenblik doen vergeten, 'tgeen hem toch sedert het gesprek met zijn schoonzuster gedurig als een akelig spooksel voor den geest heeft gestaan.

Zoo dat schrijven aan August op zich zelf niets beduiden mocht, dat zonderlinge wantrouwige wegrukken van den brief toen hij het couvert er af wilde doen, dat zegt iets meer.... ja! dat zegt veel veel meer:

"Ah zoo Coba, is er nu een ander couvert om?"

"Ja zonder lak.--Ik had het heele couvert kunnen weglaten omdat u hem insluit; maar, nu het er weer om is, nu kan het zoo blijven niewaar?"

"'t Couvert verzwaart een heelen boel; als het je 'tzelfde is dan liet ik het er toch liever af; mij dunkt...."

"Nee nee!" zegt Coba haastig, en als Van Barneveld--alsof hij die zekere vrees niet verklaren kan--haar vragend aanziet, dan herneemt ze heel luchtig, met een glimlach:

"Als men bestellingen in Parijs doet dan kan men redenen hebben waarom zelfs.... un très-cher général"--zij strijkt hem zachtjes met het magere vingertje langs den neus--"heel discreet moet wezen. Kom pa'tje-lief, nu wat spoedig, want u hebt zelf gezegd: beter drie kwartier te vroeg bezorgd dan één seconde te laat. Bovendien ik ben niet van plan om mij te overloopen, maar denk het doodbedaard te doen."

Terwijl Van Barneveld Coba's brief in den zijne sluit, en, nog eens naar haar opziende, weder dat lachje om haar lippen bemerkt; nu hij plotseling een geheim in dien brief vermoedt, 't welk op een verrassing voor hem zal uitloopen, nu kan hij toch niet anders dan in stilte erkennen, dat er sedert gisteren--wie weet, na dat getrouwer innemen en dat heerlijke slapen--iets in die bleeke kleur is gekomen wat men leven mag noemen.

Ja, die vroolijke trek om hare lippen doet eensklaps het vreeselijke denkbeeld verdwijnen 't welk hem in de laatste uren zoozeer beangst, en, zijn zorg voor de gezondheid der dierbare is schier geheel naar den achtergrond gedrongen. 't Was hem plotseling alsof er in 't geheel geen reden tot vreeze meer bestond, en terwijl nu de hoop zijn liefde voor dat kind te sterker doet opvlammen, legt hij, straks opgestaan, zijn beide handen op Coba's teedere schouders, en zegt met de innigste verrukking, ofschoon uiterlijk kalm:

"Ik geloof waarlijk dat je een heelen boel beter bent Coba. Nu dat dacht ik ook wel.--Ja komaan, waarom zou je niet wandelen als je er lust in hebt; een kwartiertje heen en een kwartiertje terug.--Ei, wat zou je ervan zeggen als papa eens meeging, hé?--Maar kindlief, hoe beef je zoo?"

"Uw handen drukken wat zwaar pa."

"O popje, popje! Hij zoent haar op de wang: "Kom kruidje-roer-me-niet, dan gauw maar den hoed opgezet. Hier heb ik den mijne. Tante zullen we natuurlijk vragen om van de partij te wezen."

"Hoor eens pa-lief. 't Zou mij waarlijk geneeren als u en tante meegingt. Ik heb allerlei met Elsje te bepraten. Laten we van middag te zamen naar den boschwachter rijden, en dáár wandelen; maar nu, naar de stad om mijn commissies te doen, waarlijk, nú ga ik liever alleen!"

TIENDE HOOFDSTUK.

't Sloeg op den Romphuizer toren juist halféén toen Jacoba Van Barneveld den brief aan 't adres van "Monsieur le docteur A Helmond, Hotel du Helder, rue du Helder, Paris," zorgvuldig in de brievenbus liet glijden. Om van het postkantoor naar de woning van Elsje de naaister te komen, moest zij de eerste straat rechts nemen. Maar Jacoba kiest haar weg ter linkerzij. De groote kerk langs gaande, vermindert zij een oogenblik haar tred, terwijl ze het oog slaat op een der hooge kruisramen, en straks op het kleine poortje dat--zooals dikwijls voor bijzondere catechisaties in de consistoriekamer--ook nu openstaat. Toch vervolgt ze haar weg. Aan 't eind der Korte Kerkstraat gekomen, loopt ze den timmerwinkel van baas Krul voorbij. Zes huizen verder staat ze stil. Wie haar gadesloeg zou op haar gelaat een uitdrukking bespeurd hebben alsof zij zich iets herinnerde 't geen ze bijna vergeten had.--Een oogenblik later staat ze in de werkplaats van Baas Krul, en verzoekt hem op De Zonsberg te komen teneinde er iets aan een van haar meubels te veranderen:

"Dat kun je immers wel, baas?"

"Kunnen, ja juffrouw, wat dat betreft, zoo goed als de beste; maar omdat ik nooit voor menheer den ginderaal heb gewerkt, zoo ben ik een beetje schrompiljeus om Kraals het brood uit den mond te stooten."

"O werk jij nooit voor pa; ik dacht het. Nee, dan.... dan.... Ik wist dat niet. Maar in alle geval kun je voor mij wel iets maken, bijvoorbeeld, een kistje niewaar? Zieje, voor mij. Jawel, zoo'n vierkant kistje."

"Meent uwe zoo'n soort van naaidoosje zal ik maar zeggen?"

"Precies, zooals je d'r wel meer hebt gemaakt."

"Wel meer? wel meer? O ja, uwe meent misschien iets zooals voor Mietje Ten Hoed?"

"Ja baas, zoo iets bedoel ik juist, maar dan heel netjes."

"Nou, dat mot de juffrouw maar aan me overlaten. Als de juffrouw de astrantigheid wil hebben is eventjes mee achter te komen, dan kan ze eigens is zien wat baas Krul met den fijnen beitel al knutselen kan. Kom maar mee asjeblief.--Ga binnen juffrouw.--Dat is de freule van De Zonsberg, moeder; die wou ik eens eventjes m'n kleine poppe-lindekastje laten zien.--Wacht, zet jij die wieg is opzij.... Nou watbliefje? Al dat kleine snijwerk dat gaat uit de hand, niewaar moeder? Ja juffrouw, wat de stakker die boven leit me d'r over vercomplimenteerd hêt dat zal ik niet navertellen; maar die was d'r gek na, en weet je wat ik en de vrouw al gezeid hebben: als ie weer beter wordt dan...."

"Wien meen je?" vraagt Jacoba.

"Wien ik meen? Weet de juffrouw dan niet dat de muziekmeester Donerie hier bij mijn woont? Och hemel, welzeker! ik dacht dat je dat wist omdat de knecht nog strakjes...."

"O ja, nu je 't zegt, ja, nu weet ik ook wel dat de muziekmeester hier boven woont; bij een timmerman--jawel!"

"Al zeven jaren answiet m'n lieve mensch! Maar wat ik zeggen wou: als ie door Gods goedheid weer beter mocht worden, dan ware ik en de vrouw overeenkomstig geworden om menheer Donerie dat kastje voor zooveel als een muziekkastje op z'n kamer te zetten. Och 't is zoo'n gemoedsvol man."

"Ja zeker dat is ie," zucht de vrouw: "en nou leit ie daar als 'en geraamte.--Zoek ie 't een of ander juffrouw....? Och ja, ik begrijp wel, 't zal je zeker aandoen, want de juffrouw is immers ook van menheers eeleeves, en de heele grootheid van Romphuizen laat naar 'm vragen."

"Dat doet de ginderaal net zoowel vrouw."

"Ik strij 'et niet tegen Krul, daarvan niet; maar ik zeg alleen dat ie veul vriendschap uit de stad ondervindt; al die vruchten en zeleitjes; maar och heere, wat zon ie gebruiken!"

"Is het zoo.... erg met menheer Donerie?"

"Lieve juffrouw, als je d'r mijn naar vraagt, dan zeg ik...." De vrouw zegt niets, maar haalt de schouders op en zet een zeer bedenkelijk gezicht.

"Maar wat scheelt hem eigenlijk?"

"Ja, dat is de affaire juffrouw. Dokter Biermans zei dit, maar menheer Van Hake die gisteren hier was, heeft--zoo van achteren op--laten blijken dat ie den drank liever niet nemen moest, omdat...."

"Hei hola vrouw! nou ga je buiten je boekje; menheer Van Hake zei nadrukkelijk dat ie dat heel onder de roos zei, want anders ging ie z'n kompetensie te buiten."

"Nou Krul, we benne immers onder de roos, want de juffrouw zal d'r niet van spreken niewaar?"

"En gebruikt menheer Donerie nu in 't geheel geen medicijnen?" vraagt Jacoba.

Man en vrouw Krul zien elkander veelbeteekenend aan:

"Wel nee juffrouw. Nee zekerlijk niet!" zegt vrouw Krul.

"Hoor is Antje, laten we nou voor God en ons geweten niet liegen. Als de juffrouw d'r niet van gesproken had dan zouwen we gezwegen hebben, maar in stilte--jawel vrouw, waarheid bovenal--ziet u, in stilte heeft menheer Van Hake...."

Vrouw Krul, die op Jacoba's gelaat iets zag voorbijgaan 'twelk ze voor een teeken van bijzondere goedkeuring hield, valt haar man in de rede.

"Jawel, toen heeft menheer Van Hake 's avonds 't een of ander uit de aptheek gebrocht, en we hebben van nacht met bloedzuigers getobd, och Heere! en ofschoon 't niet beter is, menheer Van Hake zei strakjes nog,--altijd onder de roos--dat ie zonder dat alles den dag niet gehaald had."

"'t Zou heel jammer zijn geweest;" zegt Jacoba terwijl ze zich omwendt en naar de deur gaat: "Ik hoop er het beste van!"

Juffrouw Krul maakte bij zich zelve de opmerking dat het gevoel der grootheid toch gauw bekoelde. Hoe koud was dat antwoord.

Krul heeft iets dergelijks gevoeld; 'tgeen hem te meer trof omdat de juffrouw niemendal van zijn poppe-lindekastje heeft gezegd, geen boe of ba:

"Jammer! ja, als je d'r jammer van zeggen kunt, dan zeg ik dat het krek jammer zou zijn; en dan het adee dat zoo'n mensch--onder ons gezeid en gezwegen--verknoeid is."

Jacoba blijft bij de deur staan, en omziende zegt ze als viel haar wat in:

"Als dokter Helmond hem behandeld had dan zou het zoo erg misschien niet geworden zijn?"

"Net wat we samen gezeid hebben juffrouw," herneemt Krul: "en 't ergste is dat hij nu juist op reis moest wezen, en zoo wijd van hier; want om je de waarheid te zeggen, dat ie menheer Helmond uwes broer of neef, niewaar, beter vertrouwde dan den ouwen Biermans, dat kon je al lang merken; niewaar Antje?"

"Ja. Ojee! als ie ielde dan was het schering en inslag: Helmond, Helmond, en allerlei; maar van Biermans hoorde je nooit."

"Als menheer Donerie er zoo op aandrong dan is het toch vreemd dat jelui dokter Helmond niet hebt laten telegrafeeren."

Krul ziet zijn vrouw met beteekenis aan:

"Nou Antje, wat heb ik gezeid?"

"Jij, nee wat heb ik gezeid! Ik! En daarom heb ik menheer Van Hake ook eigenlijk gesproken; maar die wou d'r niet aan; die durfde voor een patiënt van Biermans geen telegraaf sturen; dat kon en mocht hij niet doen. Zieje juffrouw, dat het aan ons niet lee....!"

"Maar mij dunkt, jelui zult er toch de naasten toe wezen. Ik heb er mij niet mee te bemoeien, maar de verantwoording zou me wat zwaar zijn."

"Ja waarachtig Antje, de juffrouw heeft gelijk. Ziet u, als we wisten, niewaar, dat dokter zou komen; en waar ie ergens bezeild was, dan...."

"Ja Krul--maar zoo'n telegraaf.... en...."

"Eigenlijk heb ik geen tijd," zegt Coba, meer naderbij komend: "maar als jelui d'r zoo op gesteld bent, dan wil ik wel even zoo'n telegram opschrijven; om je plezier te doen natuurlijk, en omdat menheer boven er zoo op aandringt."

"Aandringen; nu ja, aandringen is de rechte benaming wel niet, maar...."

"Jawel Krul, dat roepen: Helmond, Helmond, dat noem ik aandringen."

"In één woord, als jelui er bij mij op aandringt, geeft dan maar een stukje papier...."

Krul en de vrouw zien rond alsof ze het gevraagde op den vloer zouden vinden, maar eindelijk zegt Antje:

"Je zakboek Krul!"

"Ah ja Juist!--Wacht."--Hij scheurt er een blad uit en biedt het met zijn timmermanspotlood Jacoba aan.

"Heb je geen inkt?"

Weer zien de echtgenooten hun kamertje rond.--Nee, in dat glazen fleschje, waaruit een vuil stompje ganzepen steekt, is niets dan een weinig verdroogd zwart te ontdekken.

"Zie dat is nou spijtig, maar inkt hebben we niet in huis;" zegt Krul.

Jacoba met het oog op een "Onze Vader" in sierlijk schrift aan den muur, vraagt, blijkbaar afgetrokken maar toch met een bijzonderen nadruk op het voorlaatste woord:

"Hé! geen inkt in het heele huis!"

"Wel Krul, nou zou je niet eens aan boven denken;" zegt de vrouw: "Op de voorkamer van meneer is een heele toestel."

"Accoord, dat wou ik net zeggen!" herneemt de man: "loop jij maar eventjes naar boven en haal het hier."

"Maar dan moet je den zieke storen;" zegt Coba met eenige trilling in de stem, terwijl ze steeds het "Onze Vader" ziet.

"Nee, excuus juffrouw, menheer leit achter."

"Ah--zoo--heeft ie een vóór- en achterkamertje?"'

"Kamertje!!" vallen Krul en de vrouw schier gelijktijdig uit, en de laatste vervolgt: "Nou 't benne in 't geheel geen kamertjes, maar zuivere kamers hoor! en heelemaal op z'n grootelui's gemeubieljeerd. Nee, als de juffrouw ze zien wil, kom dan maar is mee--asjeblief?"

Jacoba met den rug naar de echtgenooten Krul, wijdt haar bijzondere aandacht aan een paar zwarte knipsels naar reeds overleden Romphuizer dominee's.

"En als de juffrouw van schilderijen houdt, zooals ik zie dat ze doet," zegt Krul: "dan kan ze daar nog m'n eigen vrouws vader en moeder in miliatuur zien hangen, dat was ook grootheid, niewaar moeder?"

Vrouw Krul blijft niet in gebreke om dit volmondig toe te stemmen. De herinnering aan die--altijd eenigszins betrekkelijke grootheid, verlevendigt haar wensch dat de juffrouw van De Zonsberg eens zien zal, hoe haar eigen huis er boven uitziet, en niet langer zal denken dat het zoo min is.

In 't einde zal ze echter dien wensch moeten opgeven. Juffrouw Van Barneveld schijnt niets nieuwsgierig te zijn.

"Nou Antje," zegt Krul gemoedelijk: "we moeten de juffrouw niet forceeren. Ik zal maar eventjes dat inktpotje halen; de trap is ook nog al stik voor de juffrouw."

"Och nee, wat dat betreft," zegt Coba: "als je erop gesteld bent, och dan wil ik waarlijk wel eventjes meegaan."

't Was goed dat vrouw Krul op de trap achteraan kwam--een oogenblik werd Coba zoo raar, doch 't duurde één oogenblik slechts, en zonder dat de timmermansvrouw er iets van behoefde te merken, kwam Coba boven.

"Hier juffrouw asjeblieft: hier heb je nou de voorkamer. Dáár, die deur, dat is de slaapkamer. Ik spreek wat zachtjes omdat de stakker daar leit, weet u, en als ie me hoort dan wil ie me graag hebben ook."

"Ligt ie dan alleen, heel alleen?" zegt Jacoba zeer snel.

"Dat is te zeggen, nee, m'n oudste dochtertje, zoo'n aankomeling, die zit bij 'em, en past 'em op, als ik of m'n man d'r niet bij benne. Wacht, gaat uwe nou hier maar in. Hé, dat hadt je zoo niet verwacht! Riant niewaar? Prebeer die stoelen maar eens, ekfetief paardenhaar! Onderwijl zal ik toch is eventjes kijken of ie nog slaapt. Och als 'et maar rust was!"

Na deze woorden verlaat vrouw Krul het zooeven binnengetreden vertrek; ontdoet zich op het portaal van haar pantoffels, en gaat op de kousen het slaapkamertje van Donerie in.

Jacoba is alleen.

--Zou het mogelijk zijn dat iemand het kloppen hoorde van mijn hart, denkt ze, terwijl ze de eene hand erop houdt gedrukt en die vluchtig aan het voorhoofd brengt: Wat heb ik gedaan! Hier te komen, hier!--Zie, dat moet zijn piano wezen.--Dat vrouwenkopje er boven....?--Zou dat misschien het portret zijn van eene.... die....?

Met een snellen blik heeft Jacoba zich overtuigd dat het bedoelde portret een gravure is. Maar, 't is de zeer fraaie gravure van een beeldschoon meisje.--Een huivering overvalt Van Barnevelds dochter. Toevallig heeft ze haar eigen bleek en mager gezichtje in den spiegel gezien.

--Stil, daar komt de vrouw terug:

"Goddank!" zegt ze: "ofschoon hij niet slaapt, hij ligt toch rustig. Och lieve God, de stakker! Maartje zei dat ie straks nog driemaal in 't ielen Helmond riep: en dan van den kapitein Armelo en z'n familie ielt ie ook. Maar omdat ie den dokter noemt, blijf ik er bij dat we dokter met de telegraaf moeten hier halen. Wacht, hier is inkt in overvloed, als je nou schrijven wilt...?--Je bent d'r toch óók ontdaan van juffrouw; ik zie 'et aan je bevende hand."

Jacoba verklaarde wel bewogen te zijn en wel medelijden met den zieke te hebben, maar dat beven kwam toch van iets anders ... de trap was tamelijk steil; en zie, terwijl ze schreef lag haar pols op den scherpen rand der tafel.... Doch, nu beeft ze niet meer....

--Ja tóch, nu wel, Maar o God, wie zou er ook niet gebeefd hebben van dien droeven kreet.

Met een ontsteld gezicht vertoont zich Maartje op den drempel en wenkt hare moeder.

Nogmaals blijft Jacoba alleen.--Zij luistert.... Bitter pijnlijke kreten doen zich telkens hooren. Aan een onduldbaar lijden moet die arme kranke ten prooi zijn. Terwijl de moeder met haar kind de deur der ziekenkamer opent en er binnengaat, snijdt een schrikkelijke wanhoopskreet de luisterende Jacoba door de ziel.--Nu klinken die kreten weer doffer. Men had de deur gesloten. Nochtans de woorden, die hij somwijlen met verheffing uitgalmt, zijn wel verstaanbaar te midden van een klankenvloed zonder samenhang--treffend gelijk plotselinge ratelslagen bij het doffer dondergerommel van verre.

Jacoba's hart bonst met pijnlijk geweld. Op den drempel der voorkamer, starend in de richting der deur van Donerie's slaapvertrek, staat ze met het hoofd voorovergebogen en zich vastklemmend aan den deurpost.

O God! zóó erg heeft ze niet gedacht dat het wezen zou. Daar moet aanstonds, aanstonds hulp komen: een professor uit Utrecht! O, dat is een vreeselijke ijlkoorts. Hoor:

"Laat mij!!--Laat los!!" zoo klinkt het: "Ik wil haar grijpen! Zij vliegt over de daken. Zie maar, verscheurd door een tijger...! Laat los! ik ben een tijger!... Heisa! Laat los! ik moet haar vangen! In de secretaire. Ho! ho! pakt hem! pakt hem! Helmond! O, o! Helmond!"

In hetzelfde oogenblik stormt het kind van den timmerman angstig geworden ter ziekenkamer uit.

"Vader! vader! help!" roept het gillend aan de trap.

Jacoba weet niet meer waar ze zich bevindt; het donkere portaal is haar als een graf; maar altijd hoort ze toch die kreten; ja, ondanks haar verdooving nu zelfs sterker dan te voren. O, wat klaaglijk gesteun. Wat vreeselijke smart in dien toon.--Ha, nu weet ze weer waar ze zich bevindt. Ginder ligt de jonkman wiens dierbaar beeld haar geheele ziel vervult. Daar ginder ijlt en lijdt hij; en ruwe handen verzwaren zijn lijden misschien! En zij, wat moet, wat mag ze doen? Zal ze haar zachte handen drukken op dat schoone, nu kranke voorhoofd? Hem zoete woorden toefluisteren, om zoo mogelijk kalmte te brengen in dat verhitte brein? Met koud water die blanke slapen bevochtigen; immer koelend totdat een zachte slaap zijn oogleden sluit; en dan waken aan zijn sponde, en den doodsengel verjagen door de innigste gebeden? Hem met haar adem bijstaan als de zijne te ontvlieden dreigt; hem liefkoozen ... zoenen op die bleeke lippen...!?

Neen! neen!! O groote God, neen! dat heeft Jacoba niet gezegd; zelfs niet gedacht in dezen stond.--Al rijten die vreeselijke kreten haar ook den boezem vaneen, geen schrede mag zij verder. Daar is een krachtige stem in haar binnenste die 't haar verbiedt; en immers, voor haar verbeelding staat daar een dreigende vader, die vertwijfelen zou indien hij vermoeden kon wat er omgaat in het hart van zijn teergeliefde eenige dochter.

Van hier dan Jacoba! Spoed! Verzend dat telegram, of, doe nóg sneller hulp opdagen, de beste die te bekomen is. Maar voort, van hier!--En toch, moet zij de stem van dien arme dan hooren, zoo angstig, zoo radeloos bijwijlen, en zonder hem te zien? O God, al is hij dan niet meer gelijk voorheen, zooals hij dikwijls naast haar zat, met de glimmend zwarte krulharen en den fijnen knevel scherp geteekend tegen het mannelijk blank van zijn edel welgevormd gelaat; al zijn die donkerbruine oogen, nú de oogen vol geestdrift niet wanneer hij met den fijnbesneden mond aan zijn gretig luisterende leerlinge van den kunstroem der klassieken sprak; al moet de schoone kloeke jonkman, nu ten prooi aan de vreeselijkste ijlkoortsen, slechts de schaduw zijn van 't geen hij zoo kort geleden nog was, ach, kan zij dan vanhier gaan zonder een enkelen blik te werpen in dat vertrek; zonder den juisten indruk te hebben van zijn toestand; zonder hem nog eens, o God! misschien voor 't laatst te hebben aanschouwd?

Zie, de deur der ziekenkamer staat op een kier. Met bonzend hart en op de toonen zachtkens voorwaarts komend, doet ze een schrede in de richting dier kamer ... een tweede ... een.... Neen, eensklaps deinst ze terug:

"Laat los! Hoor je niet, los!" roept Donerie weder; en akelig klinkt zijn hijgende stem: "Zij is de mijne!--Ha! Op de voorkamer is ze. Laat los! of ze vliegt het raam uit; over de daken. Ha: heisa! los!"

Een dreun, een slag heeft Jacoba nog gehoord. Toen is het nacht voor haar geworden, heelemaal nacht.

ELFDE HOOFDSTUK.

't Is een oud, misschien een goed gebruik in het stadje Romphuizen, dat de torenklok der gemeente verkondigt wanneer er een doode naar zijn laatste rustplaats wordt gevoerd. De klok had echter heden niet noodig haar droef "memento mori" te doen klinken, want reeds voordat ze haar stem verhief, was er veel volk op de been. Geen wonder, er zal wat bijzonders te zien en te hooren zijn.

Ginder, buiten de zoogenaamde Zijperpoort, trekt de zwarte stoet langzaam voorwaarts, en de zware lindenlaan in, op wier helft het groote kerkhofhek reeds geopend staat.

De zon lacht en spartelt zoo vroolijk in de breede laan alsof het een feeststoet ware, die zich onder de vallende bloesems voortbewoog.

Spotte zij misschien met den vreeselijken huilebalk wanneer zij tusschen de bladeren door, snelle lichten op dat zinlooze hoofddeksel kantte? Lachte zij met den terugstootenden lijkwagen als ze vonken spatte op die doodshoofden en gekruiste beenderen, op de doodskoppen vooral, die natuurlijk niet zien kunnen--dat er een zon aan den hemel, en het heelal met ontelbare werelden doorzaaid is.

Wanneer men op de Zijperbrug bleef staan en van daar de laan inzag, dan was er nochtans iets plechtigs, ja iets aangrijpends in dien optocht.

Onder het tintelend groen der zware linden, verloor de hooge koets zich van lieverlede in een fijn-blauwe tint. Zoo van verre had die lijkwagen wel eenige overeenkomst met een monument, een vierkant grafgesteente met een urn er boven op.

En zie, aan den voet van dat monument verheft zich, boven de golvende menigte, een zilverwit voorwerp--juist blinkend in een zonnestraal. 't Is de kleine zilveren harp boven de rooskleurige banier der muziek- en zangvereeniging "Koning David". Het rood satijn der banier met zijn zilveren letters is door een zwart floers omgeven, maar nochtans komt die kleur--evenals die blinkende harpknop erboven--steeds zeer duidelijk uit tegen den vaalblauwen toon van dat monument, den langzaam wegschuivenden wagen.

En de golvende schaar, wier aanblik het hart met weemoedigen ernst vervult, zij getuigt het mede dat er in dezen lentemorgen geen gewone begrafenis plaats heeft. Immers, 't zijn niet enkel mannen en jongelingen die den wagen volgen. Neen, meer dan dertig meisjes en jonge vrouwen gaan met kloppende harten mede, om aan een afgestorvene, die haar zoo lief was, nog een laatste hulde te brengen, en straks bij de versch gedolven groeve saam te stemmen in het lied waarvan de slotzang luidt:

Slaap zacht! Op den krans dien we u vlochten, Slaap zacht! Tot den morgen die u wacht. Goeden nacht! Goeden nacht!

Hoor, het geboem-bam der torenklok dreunt nog voort. En zie, de lijkkist van de zwarte sprei ontdaan, staat reeds boven de groeve.

Met bevende hand heeft een der meisjes een frisschen lauwerkrans op het deksel der kist gelegd, terwijl een jonge vrouw van de andere zijde genaderd, er eene van immortellen daarnevens plaatst.

't Is nu dominee Hoogerberg die op de lijkkist toetreedt en straks, na een korte inleiding, zijn hartelijke toespraak aldus vervolgt:

"Ja, een wolk nam hem weg van deze aarde. Nog ruischt ons de Hymme in de ooren, die hij deed klinken toen twee geliefden zich voor het oog des Almachtigen hadden vereenigd, en hij, instemmend met hun blijdschap, als een andere David heerlijke tonen lokte uit zijn verheven speeltuig. En,--dat die tonen de laatste zouden zijn! Velen onzer wisten het ternauwernood dat hij zich ongesteld gevoelde op dien morgen, en geen enkele was er die vermoeden kon dat reeds de kille hand des doods hem had aangegrepen toen nog zijn vingeren het orgel deden juichen: "Loof, loof den Heer mijne ziel!"

"Hij is niet meer! De man die op het gebied der heerlijke toonkunst zulk een leven in onzen doodsslaap wekte; die gedurende een zevental jaren ons en onze kinderen voorging waar het de verhevenste der kunsten gold; hij is van ons heengegaan: een wolk nam hem weg voor onze oogen.--Dat hij leeft of leven zal in een betere wereld, ter eindelooze volmaking, het is onze hoop, ons blij vertrouwen. Maar, als ik de tranen zie, jongelingen en maagden, de tranen die u vloeien langs de wangen, terwijl wij ouderen ze zelfs met moeite bedwingen of niet bedwingen kunnen, dan zeg ik met u: 't is ons niet genoeg te hopen, noch zelfs zeker te weten dat een dierbare broeder of zuster leeft in hoogeren werkkring; immers wij missen, wij betreuren hem, wij dragen rouw over hem. Maar wél dan, indien we bij een blijmoedig: Daar zal licht zijn aan gene zij van het graf! ook kunnen roemen van hem of van haar die stierf: Onze broeder of zuster leeft nog op aarde!

"En onze vriend, onze leidsman in het rijk der tonen, hij leeft en zal met ons leven, ofschoon wij hem missen zullen, heden en telkens weer. Hij leeft, ook voor ons! Wat hij goeds stichtte dat blijft, dat zal voortleven in ons en in de kinderen die hem liefhadden.--Ziet onze banier: Koning David!--Neen, de groote koning is niet gestorven ofschoon er eeuwen over zijn graf zijn gegaan. Is het omdat hij tot koning werd gezalfd, of, omdat uit zijn geslacht de Eenige onder de menschen is voortgekomen? Neen, hij leeft bovenal, omdat hij dichter was, omdat hij liederen zong vol gloed en bezieling; hij leeft als de harpenaar, en zijn vorstelijk paleis is nu de gansche wereld.

"In bescheidener huis dan een David zal onze ontslapen vriend woning behouden op aarde: In onze harten, in onze dankbare herinnering zal hij gehuisvest zijn.

"Mijn vrienden! Werke hij dan in reiner oorden, naar des Almachtigen welbehagen, ook hier zal zijn geest wonen, ook hier zal hij met ons leven. Amen! Amen!!"

En na deze woorden, op diepgeroerden toon gesproken, valt het koor in, en zingen Donerie's vrienden:

VROUWEN.

Nog was zijn lente niet gevloden, Toen hem des maaiers sikkel trof.

MANNEN EN VROUWEN.

Nu bergen wij zijn dierbaar stof Vol weemoed in den stillen hof, Te midden onzer lieve dooden.

MANNEN.

Zijn kunstnaars-ziel vol reine klanken Ontvonkte in ons den zin voor 't schoon.

SOLO sopraan.

Welluidender werd steeds de toon In onzen kring.

TRIO sopraan, tenor, bas.

Helaas! tot loon Ontvangt hij nu, in 't somber graf Waaraan de dood hem overgaf, Ons diep weemoedig danken.

SOLO tenor.

Luister: "Treurt niet over mij," Zoo ruischt zijn stem in 't suizend koeltje ons toe: "De toonkunst, 't rijk der melodij "Was reeds van eeuwigheid. Ze is de adem Gods!

SOLO sopraan.

Ja, blij te moe "Zal zelfs het vogeltje in 't woud bij 't uchtendpralen, "U dat zoet schallende verhalen.

SOLO tenor.

"Waartoe dan rouwe nu! Wie heeft er mij te danken! "In 't Heiligdom der klanken "Zijn vele Priesters. Op dan! Op! Weent bij hun assche niet; "Onsterflijk is de harp, onsterflijk is het lied!"

MANNEN EN VROUWEN.

Een priester vol reinheid, hém geldt onze rouw: Een priester rechtschapen, in 't minste getrouw. Den kunstnaar zoo needrig en klein bij zijn kracht, Dien priester, dien mensch geldt ons weenend: slaap zacht!

VROUWEN.

Slaap zacht, Op den krans dien we u vlochten! Slaapt zacht Tot den morgen die u wacht!

MANNEN EN VROUWEN.

Goeden nacht! Goeden nacht!

In welluidenden toon klonk nog drie malen, telkens stiller, dat aandoenlijk: Goeden nacht! en de laatste droeve klank stierf langzaam weg op den doodenakker, terwijl het stoffelijk overschot van Herman Donerie in de groeve werd neergelaten.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

't Is de derde dag na dien, waarop de beschreven plechtigheid had plaats gehad, en de achtste na de overhaaste terugkomst der jonge echtgenooten.

In de kleine achterkamer van het doktershuis aan de straatzijde, onmiddellijk grenzend aan de apotheek, zit Eva in een keurig morgentoilet, bij de overblijfsels van het ontbijt, dat ze reeds meer dan een uur geleden met haar August gebruikte.

Zooals ze daar zit, gracieus en toch ongekunsteld achteroverliggend in haar stoel, de donkere lokken van onder het guitige morgenmutsje dartel wégvluchtend naar de ronde schouders; met een nieuwsblad van ongewonen vorm in de blanke handen, vertoont er zich op Eva's schoon gelaat zulk een glans van innige verrukking, dat August, indien hij haar zóó had mogen bespieden, geen oogenblik getoefd, maar haar aanstonds met kussen van blijdschap zou hebben overladen.

Wát--wát ter wereld wilde hij ook liever dan zijn aangebeden vrouwtje, zijn eenige Eva, gelukkig zien; gelukkig, zooals hij het is met haar.

Maar August ziet haar nu niet met dien trek van welbehagen op het gelaat. Straks toen hij heenging, stonden die mooie oogen strak, zeer strak. Ja, zij heeft hem wel een zoen gegeven, maar 't is geen zoen geweest die.... haar geliefden man iets zeggen moest; niets--of het moest iets geweest zijn dat maar beter gezwegen was.

Eva heeft teleurstellingen gehad; 't is waar. Inplaats van een groote veertien dagen in Parijs te zijn, is zij er slechts een paar dagen geweest. Instede van zoo ontzaglijk veel te zien waarop ze zich verheugde, is ze, uit deernis met haar vroegeren leermeester, teruggekeerd, maar, zonder de voldoening te smaken dat haar opoffering van eenig nut is geweest. Immers, toen August den kranken Donerie zoo spoedig mogelijk na zijn thuiskomst heeft bezocht, toen moest hij hem helaas, reeds stervende vinden.

Ja, Helmond gevoelde wel dat Eva in deze dagen niet zijn kon zooals hij het zich, met een vroolijk oog in de toekomst, had voorgesteld.--Moe van het reizen, zoo heeft hij gedacht, verzadigd van het zien en bewonderen, zal zij, bij 't allereerst bezitten van een eigen huis--al mag die woning haar dan ook niet in alle opzichten voldoen--er toch spoedig een zekerder genot vinden dan die wereldstad haar schenken kon. O, in zijn verbeelding zag hij Eva al schikken en verplaatsen en beredderen, en de teugels opnemen van het huishoudelijk bestier, met al den ijver, waarmee een jonge vrouw gewoonlijk de teugels van haar bewind aanvaardt.

--Maar nu, onvoldaan en geenszins van het zien verzadigd, is Eva teruggekeerd. In haar nieuwe woning, waar men op die onverwachte komst niet was voorbereid, ontbraken bijna al de kleine geriefelijkheden, waaraan zeker op den eerstbepaalden dag van terugkomst, door de goede zorg van mevrouw Van Hake, niets zou ontbroken hebben. Om slechts iets te noemen: niet vroeger dan morgen konden de ledikant- en meubelgordijnen bezorgd en opgehangen worden, zoodat men zich nu reeds acht dagen zonder die gordijnen heeft moeten behelpen. De dood van Donerie, die toch een goed vriend van Eva is geweest, en van wien ze altijd met zooveel achting als haar leermeester sprak--heeft ook niet meegewerkt om haar over de teleurstelling heen te zetten en vroolijk te stemmen. Zeer veel verdriet heeft ze bovendien van de "hulde" gehad, welke men hem aan zijn graf heeft gebracht. Ja, 't moest haar wel zenuwachtig maken, zooals men haar gedwongen heeft mee te zingen. Helmond is krachtig tusschenbeiden gekomen. 't Was niet kiesch dat men een jonggehuwde vrouw kwam geweld doen om zich aan een graf te doen hooren. En dan--zij had gelijk--men moest ook begrijpen dat Eva Helmond, niet meer Eva Armelo was. In één woord, die geschiedenis heeft het goede kind zeker nog veel meer aangedaan dan ze blijken liet, terwijl ze zich toch de moeite heeft getroost om op dringend verzoek van 't gezelschap "Koning David", een compositie van Donerie, welke op den laatsten oudejaarsavond in de kerk is gezongen en nu met kleine wijzigingen, bij andere woorden in denzelfden rythmus, zou gebruikt worden, te helpen in orde brengen, zoodat de kleine Cantate door die hulp dan ook zeer goed voldaan heeft.

Eva had zich daaraan niet willen en kunnen onttrekken, maar, dit alles moet haar stemming verklaren, een stemming die door het zonderlinge verzoek van oom Van Barneveld, om vooreerst haar visite op De Zonsberg nog wat uit te stellen, er zeker niet op verbeterd was.

--'t Is natuurlijk, denkt Helmond onder 't wandelen voort: het kind heeft reden om niet zoo vroolijk en opgeruimd te wezen als ik het wenschen zou; ik zie het nu duidelijk in.--De een zet zich gemakkelijker over 't leed en de teleurstellingen der wereld heen dan de ander.--Immers, ook hij zelf heeft zijn teleurstellingen gehad. Reeds in het eerste uur na hun aankomst, kreeg hij aan Donerie's sterfbed de zekerheid dat zijn kunst op den armen lijder niets meer vermocht; en--nog in datzelfde uur bevond hij zich in de woning van zijn oom, waar hem een nieuwe teleurstelling wachtte.

Zonder den schijnbaar kalmen pleegvader te doen bemerken dat diens onrust over Jacoba de oorzaak van hun overhaaste terugkomst is geweest; voorgevend dat Donerie's hoogstgevaarlijke toestand hem er toe besluiten deed, heeft August getracht den geliefden oom al aanstonds zooveel mogelijk gerust te stellen, door, bij het terugzien en ondervragen van Jacoba, een zoo luchtigen toon aan te slaan als de omstandigheden het gedoogden.

En gelukkig, met de meeste gerustheid heeft Helmond zijn vroeger gegeven woord kunnen herhalen: dat Jacoba's toestand, volgens zijn vaste overtuiging, voor 't oogenblik geen de minste reden tot bezorgdheid gaf. Haar zenuwgestel was wel uiterst zwak, zoodat schrikken als in de woning van Krul haar allernadeeligst waren, maar indien men zijn voorschriften nu eens getrouw wilde volgen, dan twijfelde hij niet of zijn lieve zusje zou nog dezen zomer weer veel flinker en krachtiger zijn.

En Van Barneveld heeft na die verklaring, zoodra hij zich met den neef alleen bevond, met zekere ongewone koelheid gezegd, dat de verhaaste terugkomst ter wille van den reeds stervenden muziekmeester, hem mede genoegen deed, omdat zuster Hermine zich over Coba wat bezorgd had gemaakt, en met de herhaling van zulke vapeurtjes inderdaad wel eens weten wilde of men er notitie van diende te nemen ja of neen. Doch.... Helmond moest die ongesteldheid heel en passant behandelen. Ware die laatste schrik er niet bijgekomen, dan zou Coba nu zeker reeds geheel beter zijn, want tante Hermine kon getuigen, hoe ze op den morgen, toen ze zoo ongelukkig bij den timmerman verzeild geraakte, bijzonder wel en zelfs zeer opgewekt was geweest.--Welzeker, Helmonds voorschriften, en vooral van de koudwaterbaden, zouden zoo nauwkeurig mogelijk worden opgevolgd, maar hij zelf moest nu vooreerst wat op den achtergrond blijven. Hoe minder Coba aan haar ongesteldheid werd herinnerd, en ook aan de personen die ze in den laatsten tijd had ontmoet, zooveel te beter scheen ze zich te gevoelen. Bezoeken waren haar alles behalve dienstig, en dáárom ook zou Eva--ofschoon men haar natuurlijk gaarne ontving--beter doen om haar bezoek op De Zonsberg nog een acht dagen uit te stellen.

Zoo heeft oom bij het eerste bezoek gesproken. En August.... wat heeft hij kunnen antwoorden! Ofschoon hij in Coba's toestand inderdaad geen reden tot oogenblikkelijke bezorgdheid vond, zoo geloofde hij toch dat men den vijand met kracht moest bestrijden. Hij heeft zich voorgesteld dagelijks zijn geliefde pleegzuster te zullen bezoeken en met de meeste opmerkzaamheid gade te slaan, teneinde den oorsprong van haar kwaal te ontdekken, en alzoo te spoediger tot haar herstelling te geraken. Dat een geheim verdriet haar kwelde had August reeds vermoed, en krachtig werd hij in die meening versterkt nu hij Coba heeft weergezien. En wat moest hij dan antwoorden? Zou hij ooms onrust niet onnoodig prikkelen indien hij na zijn verklaring--die ter geruststelling, helaas, wat al te rooskleurig geweest is--tóch op een geregelde behandeling bleef aandringen? Hij kent den oom, en wil tot geen prijs--ook in Coba's belang--zijn vertrouwen verliezen. Maar zie, dewijl hij den vader niet noodeloos heeft willen bezorgd maken, wordt nu zijn persoonlijke hulp, zijn geregeld praktizeeren over het goede pleegzusje, als geheel onnoodig versmaad. Was hij dan niet alleen uit belangstellende liefde voor Coba zoo haastig teruggekeerd! En instede van blijdschap daarover, heeft hij een zonderlinge koelheid bespeurd, terwijl ooms bepaald verzoek: dat Eva vooreerst niet op De Zonsberg zou komen, de maat heeft volgemeten. Ja, met reden mocht ook August over teleurstelling klagen. Die overhaaste terugreis, wat heeft zij goeds gesticht....? Niets! Een enkel recept, een enkelen raad heeft hij aan Coba mogen geven, dat was alles! En Donerie is gestorven; en Eva was ontevreden, en.... Maar komaan, heeft Helmond in 't einde gezegd, men moet zijn verstand gebruiken: ooms aangeboren weerzin tegen den "medicijnwinkel" en een "praktizeerend dokter over den vloer", hebben hem zóó doen besluiten. Den dokter moet hij weren zoolang het hem mogelijk is. Doch, ofschoon voor het oogenblik gerustgesteld, oom zal het koudwatermiddel--'t welk blijkbaar zijn goedkeuring heeft weggedragen--zeker geregeld doen aanwenden; August kan nu de werking daarvan afwachten, en, mocht Coba's toestand onverhoopt den armen oom in nieuwe spanning brengen en hem toch weder tot den dokter zijn toevlucht doen nemen, dan--dán zal die dokter wat geslotener en ook wat voorzichtiger zijn. En nu, Helmond zal zich over die wereldsche teleurstellingen heenzetten. 't Is jammer dat Eva daar niet even gemakkelijk toe besluiten zal. Maar geduld, met den tijd zal dat beter worden. Eva is nog zoo jong; pas even twintig jaren!--Zeker, het zou de grootste dwaasheid zijn geweest, indien hij had toegestemd om nu, nú aanstonds reeds, die reis te hervatten: maar Eva zal het zelve spoedig inzien, en als ze dan van dat denkbeeld is teruggekomen, dan zal ze weer lief en vroolijk zijn. Ja! en als dan de mooie ovale spiegel komt waar ze zoo'n zin in had, dan zal ze wel blij verrast en tevreden lachen. Alle leed is dan vergeten, en we maken weer plannen voor de toekomst, en reizen al vast eens achter den haard, om later, later misschien.... Och, 't is zoo'n goed en lief en prachtig vrouwtje. Indien zij dat andere, die zekere zucht naar grootheid maar wat onderdrukken kon, dan....................

--Ho ho, dokter Helmond, dat is immers "het kenmerk van den adeldom der ziel".--Nu ja, zoo is het, en hij zal ook met zijn lachende Eva gelukkig wezen. Zeker, van morgen--van overmorgen afaan, geheel en al, en juist "door wijsheid te mengen in zijn vurige liefde".

Zoo dacht August bij tusschenpoozen terwijl hij zijn patiënten bezocht, en telkens bij die bezoeken, waar het pas gaf, roemde in zijn geluk, en roemde over de lieve vrouw, die "ook zoo gelukkig en zoo hoogsttevreden in haar nieuwe woning was".

En inderdaad, indien August zijn vrouw in de straks beschreven houding had kunnen gadeslaan, dan zou hij immers geheel overtuigd zijn geworden--of althans een oogenblik geloofd hebben, dat hij waarheid sprak.

't Werd reeds gezegd dat het nieuwsblad, waarin Eva leest, een bijzonderen vorm heeft, 't Is Le Grand Hotel, Gazette des Etrangers. Heden, juist negen dagen geleden, heeft August dat blad op den Boulevard des Italiens gekocht. Men had wel reeds vernomen dat er dien avond in de groote opera Gounods Faust zou gegeven worden, doch de Gazette heeft het bevestigd, en Helmond had er aanstonds werk van gemaakt om zijn "lieve nachtegaal" het genot van dien avond te verzekeren.

Welk een heerlijke avond is dat geweest! Met haar eigen zangkennis en talent, was er zeker niemand in de zaal, die meer dan Eva genoot; en ofschoon zij zeker het allermeest door de voortreffelijke uitvoering van Gounods meesterstuk was opgetogen, zoo hebben de gouden schalen, waarop men haar de vrucht had aangeboden, en het altijd wederkeerende bewustzijn zich in den Parijschen lusthof te bevinden, er toch krachtig toe meegewerkt, om haar dien avond te doen zijn als een, doorgebracht in een tooverwereld, in een hemel, in iets.... onuitsprekelijks!

--August was gul--ja men kon er niet over klagen--maar, in kleinigheden was hij soms.... enfin, misschien had hij gelijk! Hoe 't zij, toen men: "Le Programme, Le Programme détaillé!" en "l'Entr'acte!'" riep, en zij, in de Stalles d'orchestre gezeten, hem verzocht heeft een dier bladen te koopen, toen haalde hij de 's morgens gekochte Gazette te voorschijn, en beweerde dat dit blad evengoed was, en zeker nog meer nieuws dan de tooneelbladen bevatte.

En Eva heeft dan op dien avond in datzelfde blad gelezen, of er althans, zoo nu en dan, gedurende de pauzen eens in gesnuffeld. Zie maar, op de plaats waar met stellige zekerheid het gerucht werd bevestigd, dat "Mlle. Patti ferait sa rentrée mardi prochain dans La Somnambule," daar is nog de kleine scheur te zien, die ze in het papier maakte toen ze August dat goede nieuws wilde wijzen en met haar pink wat sterk erop drukte. Die kleine scheur heeft ze toen gemaakt, toen op den avond, die haar nóg als een zalige droom voor den geest staat. En onwillekeurig bevond Eva zich nogmaals, terwijl ze weder dezelfde reclames en bulletins en programmas doorliep, in den toovercirkel van grootheid en glans, welke haar zoo geweldig had aangetrokken. Het Grand Hotel, 't welk ze op het blad zag afgebeeld, werd haar als iets dat naar een hemel zweefde: een ruimte met onafzienbare zalen, waar alles van wit was met goud!" Ja, bij 't gedurig al lezend ontmoeten der namen van boulevards en straten, die ze aan Helmonds zij, in een rijtuig was langs- en doorgevlogen, of ook die ze betreden had met het oog op een wereld vol rijkdom en pracht, telkens klonken die namen haar nu als de welluidendste tonen in de ooren.

En daarom, 't was niet vreemd dat er op Eva's schoon gelaat een glans van innige verrukking stond te lezen, terwijl ze zich met dat blad in handen nogmaals baden mocht in de schitterendste herinneringen.

Doch die glans van genot bij 't lezen van de oude Gazette, zal sneller vergaan dan hij gekomen is. Door het geraas van een hondenkar gewekt, ziet Eva op, en terwijl de Gazette des Etrangers nu eensklaps ritselend neerglijdt langs haar schoot, is het een schampere lach die haar schoonen mond komt ontsieren.

--Hondenkar! zegt ze bijna overluid: 't Is allerliefst, welzeker; hier schrikt men op van een hondenkar! Zouden er ooit dommer creaturen zijn geweest dan zij, die op den inval kwamen om steden als Romphuizen te bouwen, met huizen en kamers als deze! Zie, uit dit doodsch vertrek,--hemel ja, precies een doodkist: langwerpig, smal, donker, vochtig, bah! uit deze kamer, met een eeuwigdurende ziekenlucht van die nare apotheek, hier heb je 't uitzicht op een touwwinkeltje en een blinden muur aan den overkant, met de passage van zes kippen en wat zieke lui die om een drank komen.--Nee, in deze dompige la is 't op den duur niet uit te houden. Vóór--hoe ellendig men er ook in een kuil zit--vóór zie je tenminste nog een bloem en een enkel fatsoenlijk mensch in de hoogte voorbijgaan; maar hier is 't om te verkniezen!

--Pruttelen! zegt August: pruttelen! Nu ja, maar als ik bedenk dat ik hier reeds acht dagen gevangen zit,--ja zeker gevangen, want al ware dit huis zoo somber en akelig niet, dan zou het nu toch een gevangenis voor me wezen, terwijl ik op ditzelfde oogenblik nog in Parijs moest zijn, zooals mij vast was beloofd.... 't Is waar, dat droeve bericht van Herman kwam er tusschen. Zeker, als ik den armen jongen met mijn thuiskomst en hier-zijn 't leven had kunnen redden, ja, dán.... Ik heb het getoond.--'t Heeft me erg getroffen; telkens ben ik er nog zenuwachtig van, want gedurig staat hij zoo voor me, zoo.... Maar nee, nee! ik had hem nooit iets te kennen gegeven, nooit!--Als August vermoeden kon hoe me die gedachte soms een oogenblik kan beklemmen, dan.... Maar juist daarom ook zou het ter afleiding veel beter zijn, om nu--nu alles toch is afgeloopen--nog eens van huis te gaan. Ja, al was 't maar naar Brussel, 't Is hier zoo aller-aller-akeligst en doodsch, he in vergelijking van daar, in dat brillante Parijs.--Als ik er nu was in dat Grand Hotel--en ik moest er wezen--nú zou ik bijvoorbeeld, liggend in zoo'n heerlijke cauzeuse, den garçon dien naren ontbijt-trommel dáár laten wegnemen.--Zelfs thuis stak ik geen hand naar die dingen uit. Ma of Louise deden het gaarne.--Hoe! is 't al elf uur! En om twaalf komt August voor de koffie terug.

Haastig opstaande schelt Eva.--Eenige oogenblikken later treedt een boersch dienstmeisje van vijftien a zestien jaren de kamer in.

"Gerritje, je moest dat ontbijt eens aan kant maken."

"Van kant moaken juffer?

"Afwasschen bedoel ik."

"De kummekes wisschen juffer?"

"Ja, alles; en dan voor de koffie weer klaarzetten."

"Da' kan'k niet juffer."

"Kun je dát niet? Goeje hemel!--Roep mevrouw Van Hake."

"Mevrouw Van Oake roepen? Best juffer."

"Hier! Hoor eens Gerritje."

"Juffer?"

"Weet je wel tegen wie je spreekt?"

"Joawel, tegen oe juffer."'

"Dan zou ik in 't vervolg behoorlijk mevrouw zeggen hoorje; de mevrouw hier in huis is de vrouw van dokter Helmond.--Versta je me?"

"Joawel, doof bin ik niet juffer, iens geheel niet.--Alsdat ik mevrouw Van Oake zou roepen, niewoar juffer?"

"En, en.... en.... dat je tegen mij niet meer juffer zult zeggen, maar mevrouw!"

"Bestig ma-juf-vrouw."

"Goeje morgen lieve Eva, heb je me geroepen? Is er 't een of ander waarmee ik je helpen kan?" vraagt mevrouw Van Hake, die vriendelijk groetend binnentreedt.

"Morgen mevrouw. Och ja, wilt u alsjeblieft hier eens omwasschen? 't Is laat geworden; ik wou me kleeden voor de koffie. Helmond komt om twaalf uur weer thuis."

"Omwasschen?" herhaalt mevrouw Van Hake, en moet zich geweld doen om een zekere ontroering te verbergen.

"Ja," zegt Eva: "dat kleine boerenperceel kan noch het een noch het ander. Dát is toch geen meid voor mij zou ik denken."

"Misschien niet heelemaal Eva; maar met geduld...."

"Ja maar, neem me niet kwalijk, om nu idioten op te voeden dat laat ik aan de liefhebbers over. Misschien is het extra dom van me, maar tusschen een boer of boerin en idioten zie ik geen onderscheid."

"Wou je graag dat ik dit van morgen eens voor je omwaschte, Eva?"

"Och ja; wil je?"

"... Eva... ik ben... ik had gehoopt..."

"Och mijn beste mevrouw, ik weet niet wat je bedoelt, maar als er iemand is die op dingen heeft gehoopt die niet gebeurd zijn, dan, geloof me, ben ik het.--Hebt u een reis gemaakt na uw trouwen?"

"Ja Eva, Van Hake was óók dokter."

"Dat weet ik. Hoe lang bent u uit geweest?"

"We waren veertien dagen uit en thuis. Och ja, eerst gingen we...."

"Veertien dagen! Zieje!--Zoudt u, als je man gezegd had "we moeten om zaken met den vierden dag naar huis," niet de scha hebben willen inhalen zoodra die zaak was afgedaan?"

"Ik weet waar je op doelt Eva. Maar luister eens: als je brave verstandige Helmond het nu minder goedkeurt om in de gegeven omstandigheden aanstonds weer op reis te gaan, zou het dan van zijn vrouwtje niet verstandiger wezen om...."

"Mevrouw Van Hake," zegt Eva zich verheffend: "van uw lessen, hoe goed ook gemeend, zou ik nu liefst verschoond blijven. Ik ben de jonge juffrouw Eva van vroeger niet meer. Sedert was ik lang in Den Haag, en nú ben ik Mevrouw Helmond. Men dient hier in huis toch te weten wie het hoofd is,--zoo dunkt me!"

Na deze woorden verlaat Eva haastig de kamer. De weduwe, die reeds het haar opgedragen werk had aanvaard, weerhoudt de tranen niet die haar opwellen in de oogen, terwijl ze hoofdschuddend, de jonge vrouw ziet verdwijnen. Ofschoon zelve een paar malen gevoelig door Eva's woorden gekrenkt, vervult haar nu toch een andere smart. O, wat ze in stilte wel eens heeft vermoed, dat werd voor haar in de weinige dagen dat Helmonds echtgenoote onder het altijd zoo vreedzame dak verkeerde, reeds zekerheid: de goede dokter zou met die vrouw niet gelukkig wezen; en de dagen, die de bedroefde weduwe nog in de woning van den weldoener zal doorbrengen, zijn zeker geteld.

Terwijl de doktersweduwe het werk verricht dat dienstbodenwerk moet heeten wanneer het zóó wordt opgedragen; terwijl ze afwascht, en weder gereedzet, en de tranen gedurig langs de wangen rollen, is Eva in haar onrustige stemming naar haar slaapkamer gegaan. Daar gekomen blijft ze eensklaps staan. Met één oogopslag ziet zij welk een verandering er heeft plaats gehad, sedert ze een paar uur geleden die kamers verliet. Een keurig frisch-groen behangsel met nette kwasten is er om den hemel van haar echtkoets gehangen.

In weinige seconden was Eva beneden, en bevond ze zich in de voorkamer der suite, die het uitzicht op den wal heeft. Zie, 't was er donkerder geworden, maar waarlijk ja, daar hingen ze ook, de nette overgordijnen, met zorg geplooid en ongebonden.--Dat stond goed, ja dat stond heel goed; dat gaf waarlijk iets salonachtigs; iets niet-communs.--Wat is er ook burgerlijkers te bedenken dan ramen zonder meubelgordijnen.--Jawel, ze zijn zóó heel heel ordentelijk, besluit Eva, terwijl ze de nieuwe gordijnen nog eens op een afstand en dan van nabij beschouwt.--'t Is aardig; dat moet mevrouw Van Hake van morgen gedaan hebben na 't ontbijt.--'t Is eigenlijk toch een goed mensch. Een beetje saai. Maar, och lieve hemel, wie zou er ook in Romphuizen niet saai worden. Ja waarlijk, ze heeft erg veel liefs.... Zie, daar staat dat mooie zilveren beeldje onder 't stolpje ook nog. 't Was eigenlijk een mal cadeau; je kondt er een voltaire of zoo iets voor gehad hebben, maar, 't bewijst toch dat ze een goed hart heeft. Ik geloof dat ze me die kleine terechtwijzing een klein beetje kwalijk nam; misschien omdat ze juist was bezig geweest met me een verrassing te bezorgen. Nu ja, maar men moet toch begrijpen wie hier in huis nummer één is. Zedenpreeken aan te hooren van menschen, die men letterlijk en zonder eenige verwantschap 't genadebrood geeft; nee nee, daar bedanken we voor; en.... Maar ze staan heel netjes die gordijnen. Och hemel, ik liet de goeje sloof nog omwasschen ook; misschien was ze daar ook wel wat knak over. 't Zou me toch spijten indien ik haar leed had gedaan....

Een geruimen tijd stond Eva nog in de voorkamer, straks met de hand nog op haar boezem. Er was strijd daarbinnen: Nee ja, nee ja.... nee.... ja! En--nu is ze voort; bij de deur der ontbijtkamer aarzelt ze nog, maar, tóch gaat ze erbinnen.

Een laatste overwinning heeft er plaats; en dan, dan vat ze eensklaps de oude dame, die Eva met blijde verbazing beschouwt, vertrouwelijk bij de hand, en zegt:

"Als ik een hard woord heb gesproken, lieve mevrouw, och wil het mij dan vergeven; u waart zoo goed en hebt alweer zooveel moeite gedaan. Och, ik was ondankbaar...."

"Spreek zoo niet.... mevrouw Helmond. Ik gevoel...."

"Zeg dan Eva, Eva! Immers straks nog was ik onverstandig als een kind? Vergeef mij dan als ik u leed heb gedaan! Uw tranen maken mij beschaamd."

Juist op het oogenblik dat Eva de oude dame een zoen op de wang drukt, treedt Helmond de kamer in:

"Ei ei, zóó mag ik het zien," zegt hij met blijde verrassing: "dat is nu een zoen, die mij niet jaloersch zal maken.--Maar hoe, ik zie tranen? Is er iets dat u bedroefd heeft mevrouw...?"

"Men kan immers ook schreien beste dokter," antwoordt de weduwe met innige ontroering, "als het hart weldadig wordt aangedaan."

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Op den avond van dienzelfden dag zijn de weduwe Van Hake en haar zoon in het schemerdonker bijeen. Mevrouw Van Hake zit in haar leunstoel. Men ziet van haar niet veel meer dan 't wit van haar muts en het wit der breikous, waaraan zij met ijver werkt, 'tgeen aan het rusteloos naaldengetiktak te hooren is.

Thomas, met den rug naar het venster gekeerd, is in massa wel zichtbaar, maar zijn goedaardig doorgaans vroolijk gelaat is nu--natuurlijk--zoo zwart als de nacht.

"We willen er dan maar 't beste van hopen moedertje, en ik beloof je vast er geen woord van te zullen spreken; maar, neem me niet kwalijk, den eersten keer dat ik weer merk dat ze u voor haar meid aanziet...."

"Stil stil beste Thom, wie heeft dat gezegd, ik...."

"Nee, dat hebt u niet gezegd, maar wij beiden hebben het bemerkt moeder; en ik herhaal het: den eersten keer dat zij u op de een of andere wijze weer durft krenken, dan ... ja, dán moet het maar uit zijn!"

"Lieve Thom, 't is zeker je goeje hart dat daar spreekt, maar je hebt me immers moeten toestemmen dat óók de jonge mevrouw getoond heeft een goed hart te bezitten; en daarom, wie weet...."

"Nu ja moedertje, maar goeje harten hebben alle menschen. Gisteren hoorde ik nog van een zekeren mijnheer vertellen: dat hij gedurig zijn vrouw sloeg, maar anders au fond een heel goed hart had."

"Eva heeft zich illusies gemaakt Thomas. De reeds lang loopende Kippelaans-praatjes: dat Helmond voor liefhebberij praktizeert; dat hij van den schatrijken oom zooveel geld kan krijgen als hij verlangt; dat de generaal het mooie huis op de markt voor z'n neef zou koopen, dat alles heeft haar al wat hooger opgewonden dan goed was. Zoolang wij Eva kenden was zij hooghartig, en we weten ook dat ze thuis--vooral sedert haar terugkomst uit Den Haag--door haar familie als een halve godin werd gediend en ontzien. Wellicht heeft dat ziek-zijn er toe bijgedragen; en later toen ze met dokter Helmond geëngageerd was, toen is het er zeker niet op verbeterd. De goede dokter, die haar zoo liefheeft, mag haar mede wel een beetje bedorven hebben."

"Mijn beste moeder weet altijd de verschoonende zij van een karakter op te sporen; maar...."

"We willen nu liever zwijgen over dit punt beste Thom. Ik heb heden meer hoop voor de toekomst gekregen; en vergeet het niet, dat we uit dankbaarheid voor onzen lieven dokter toch wel wat geduld mogen hebben."

"Tot het uiterste moeder! Ja! maar ze moeten van ú afblijven! bij God! of anders...."

"Stil kind, stil! Maar bedenk dan ook dat je moeder nevens haar wensch om jou gelukkig te zien, er geen grooter heeft dan om hier onder dit vreedzaam dak, op de plaats waar ze je braven vader zag werken en lijden, haar dagen te eindigen, en het hoofd neer te leggen, het oog gericht op een betere toekomst."

De massa, die Thom moest wezen, had zich verplaatst, en men zag nu niets, volkomen niets meer in de huiskamer der Van Hakes. Toch, als men scherp keek, dan zag men nog een grauwe vlak--die mevrouw Van Hakes muts moest wezen--zich zeer terzij bewegen, terwijl men niet langer het getiktak der breinaalden, maar een zoet geluid vernam, het bewijs der innigste liefde tusschen moeder en zoon.

Uit een eerst bijna onhoorbaar gemurmel worden in 't eind verstaanbare klanken geboren. Zacht fluisterend klinkt het nu:

"Jawel Thom, jawel!"

"Nee moeder; nee....!"

"Er moet wel iets wezen Thom; je waart in den laatsten tijd niet zoo vroolijk als anders. 't Is waar, je hadt veel te doen; en dan de dood van mijnheer Donerie; je dagelijksche orgel-oefeningen in het vroege morgenuur; de zorgen voor moeders toekomst.... ja, ik weet het wel; maar, is er dan niets, niets anders, dat....?"

Alsof Thom nog vreesde dat men in 't donker, wit van rood kon onderscheiden, dook hij met den blonden krulkop achter moeders hals, en terwijl hij--op den arm van haar leunstoel gezeten--haar middel omvatte en haar zoo een zoen in den hals gaf, sprak hij een oogenblik later zeer zacht, maar toch schijnbaar luchtig:

"Wil ik je eens een vertelseltje doen moeder? 't Is heel kort: D'r was eens een boerenjongen en een koning; en de koning had een dochter; en de boerenjongen was een gek. Toen de koningsdochter van 't paard was gevallen en de boer haar naar 't paleis had gereden, toen vroeg hij de koningsdochter tot vrouw."

"En....?"

"Nou is 't uit moeder."

"Hoe meen je? Ik begrijp niet....?"

"Ik heb u immers gezegd moedertje, dat die boerenjongen een gek was."

Hoor, daar klonk de schel der apotheekdeur.

In één oogwenk was Thom óp, en ter kamer uit.

"Hoe vaarje; hoe vaarje?" Klinkt een stem den komenden provisor tegen: "Altijd wél geweest? 't Is hier drommels donker. Ik heb immers 't plezier dokter Helmond te zien?"

"Je plezier van zien kan zoo groot niet wezen, menheer Kippelaan; maar wacht, ik zal even de aptheek-lamp aansteken. U moet immers in de aptheek zijn?"

--O! ah zoo menheer Van Hake, ben u het! Verrukt je te zien.... of.... je zoo straks te zullen.... enfin! Mama welvarend? Komaan, dat doet me ontzettend veel plezier. Al gehoord dat je mama laboreerde. Zondag niet in de kerk geweest. Dokter welvarend en 't jonge vrouwtje? Allerliefst lief vrouwtje, allerliefst! Altijd een charme van me geweest. Entre-nous gezegd, bepaald vues op gehad; maar zwak, niet gezond. Tenminste.... die ziekte waar ze mee uit den Haag kwam, toen dacht ik: prudent! Voel-je? En ik wachtte; maar tusschentijds is dokter gekomen. Enfin, even goeje vrinden. Je weet Van Hake, dat we om zoo te zeggen boezemvrinden zijn, en dus...."

"Moest u dokter hebben, menheer Kippelaan?"

"Chut, chut, amice. Je begrijpt wel dat ik mijn reden heb waarom ik hier achter inkom. Mijn vriend Helmond wilde ik spreken; jawel, maar chut! in een teere zaak; heel teere zaak; en dáárom.... A propos, je hebt witte drop, wit? Klaar hé?"

"Jawel.--Verkouden menheer Kippelaan?"

"Ik, nee nee, pardon, nee, maar er is iemand die.... Enfin, ik wou wel graag een pond witte drop hebben.... mijn neef de professor is vóór witte drop; bepaald!"

Van Hake ondanks zich zelven lachend:

"Een pond....!?"

"Jawel, of tenminste een groote quantiteit, en dan in een prachtdoos; iets énorms--zóó zieje, van die hoogte bijvoorbeeld. Och entre-nous menheer Van Hake, jij bent de eenige aan wien ik 't zeggen zou, maar 't staat alles in 't nauwste verband. De reden waarom ik eigenlijk hier kom is een gezondheidsinformatie. Is.... isse dokter vandaag op De Zonsberg geweest?"

"Dokter is er op 't oogenblik met zijn vrouw."

"Op 't oogenblik, och-kom, dus niet thuis? Ojee!...." Eensklaps komt hij den provisor, die nog voor de toonbank staat, terzij; omvat met zijn beide handen Van Hakes rechter-onderarm, karnt er met een geweldige hartelijkheid mee op en neer, en vervolgt: "Ik vertrouw je menheer Van Hake; je bent iemand in wien ik fiducie heb, en bovendien ik dank je, jawel ik dank je; want ik heb verplichting aan je, groote verplichting; parole!"

"voorzichtig menheer Kippelaan, je zult zwarte handen krijgen want mijn jas...."

"Niemendal m'n vriend, niemendal;" zegt Kippelaan, ofschoon hij Van Hake loslaat, die zich nu met een snelle wending achter de toonbank verschanst.

"Je hebt meer voor me gedaan dan ik zeggen kan," herneemt Kippelaan: "We zijn hier veilig niewaar?" Hij ziet naar de openstaande gangdeur, doch zonder eenige beweging te maken om haar dicht te doen: "Enfin, op den dag toen mijn geliefde vriend Donerie 's-avonds gestorven is, toen ben je 's morgens bij baas Krul geroepen niewaar? En een uur later toen heb je iemand, een zeker iemand, compris, met een vigilante naar een zeker landgoed gebracht.... Vatje? Jawel, je vat me.... hé? De generaal heeft het die domme timmermansfamilie zeer zeer kwalijkgenomen dat ze haar als 't ware gedwongen hadden naar boven te gaan, blootgesteld aan een tooneel dat haar bijna van schrik den dood op het delicate lijf heeft gejaagd. Ze was geheel van zich zelve niewaar?"

"U spreekt van.... juffrouw Van Barneveld?"

"Chut! chu.... u.... ut, mijn beste vriend. Enfin, wie zou ik anders bedoelen. Jawel, onder ons, ik spreek van Jacoba, en ik ben òvergelukkig dat het toeval mij u, en niet dokter Helmond deed vinden. Je hebt haar op dien morgen gezien, geobserveerd, ge.... enfin door je uitmuntende zorgen haar in 't leven behouden. Merci, waarachtig Van Hake, van harte merci!"

Kippelaan tastte over de toonbank naar handen, die echter niet voor den dag kwamen. Weer omziende: "Nu is het alleen maar de vraag of het.... toevallen zijn of niet....? Men zegt dat ze toevallen heeft. Men zegt! maar men zegt zooveel. Geen verschijnselen--je weet wel.... op den mond niewaar? Mijn neef de professor...."

"Zijn ze razend! roept Thomas: "daar is niets niets van waar," en hij voegt er nog een krachtige bestrijding bij. Die malle Kippelaan was anders wel instaat om te gaan rondventen dat juffrouw Van Barneveld de vallende ziekte had, en als zijn zegsman den intiemen Van Hake te noemen.

"Merci, merci hoor!" valt Kippelaan uit: "Ik was er zeker van; 't was de schrik, de agitatie. Débiel gestel niewaar? Niet vrij van een weinigje aamborstigheid. Goed geobserveerd; jawel! Ik kom er tegenwoordig aan huis. De beide laatste keeren háár echter niet gezien. Débiel gestel. Na die scène zou 't haar te veel schokken.... 't Heet nu verkouden; vooralsnog moet ik haar excuseeren. Versta je, vooralsnog!"

"Aha, dus bestaan er plannen?" zegt Thomas nu tamelijk laconiek, ofschoon hij zich zonderling voelt geslingerd tusschen uitbundig lachen en "afranselen"!

"Chut, chuuuut! Plannen, ja ja. Ben ik te rond geweest, te openhartig, zeg? Ja, ik ben te rond. Maar enfin, ik ben die ik ben. Zieje, ik moest zekerheid hebben; ik wilde.... e.... e.... e.--Geen aanleg voor.... tering?"

"Watblief?"

"Een idee: een invallend idee. Ik heb een huwelijk gekend dat werd vernietigd door die fatale ziekte. Enfin, vooruit kunnen weten. Maar--zou je denken? aanleg?"

Van Hake heeft onwillekeurig den stamper uit den grooten vijzel ter hand genomen, en krijgt nu sterke aanvechting om "dat heer de tanden uit den mond te slaan".--Zeer laconiek klinkt echter zijn antwoord:

"Om dát heel zeker te weten, menheer Kippelaan, zou ik neef den professor eens laten komen."

"Maar.... maar m'n beste vriend, hoe zou die....? Ja! wat zijn capaciteiten betreft; maar hoe zou ik neef bij juffrouw Coba kunnen zenden om haar borst te kunnen onderzoeken.--Doch niewaar, als er iets van aan was, dan zoudt u en mijn vriend Helmond het weten. Zie 't was een idee. Ieder mensch heeft zoo zijn aanleg voor eenige kwaal."

"Welzeker," bevestigt Thomas: "zooals men bijvoorbeeld veeldenkende en alles onderzoekende menschen wel eens naar 't krankzinnigenhuis ziet marcheeren."

"Och-kom!" zegt Kippelaan, terwijl hij onwillekeurig naar zijn hoofd tast. En dan op eenigszins kalmer toon, herhaalt hij zijn innigsten dank voor de allerbelangrijkste inlichtingen. Mijnheer Van Hake zou toch moeten toestemmen dat men op zijn leeftijd--om en bij de dertig--eenigszins met verstand moest te werk gaan. Dood in vertrouwen gezegd was er toch bovendien 't een en ander, dat.... enfin--Van Hake zou er wel alles van weten.

Terwijl Van Hake, peinzend op een afdoend middel om dat individu kwijt te raken, half gedachteloos ontkent, verwringt Kippelaan zijn gelaat tot zulk een uitermate geheimzinnig en vertrouwelijk knipoogje, dat Thom toch met een weinig meer belangstelling zijn ontkenning herhaalt.

"Niet!" zegt Kippelaan: "weet je niets van die verstandhouding tusschen den generaal en.... jawel onzen vriend, je uitmuntenden patroon?"

"Verstandhouding?" zegt Thomas opziende.

"Ja ja! alles behalve wenschelijk. Uit een goede bron. Watblief? Weet je van niets? Ik zou 't aan niemand vertellen, maar aan u, die me drievoud verplichtte...." En Kippelaan vertelde nu in 't diepst geheim--Van Hake was reeds de zesde vertrouweling--'tgeen hij volgens zijn verklaring uit een goede bron vernam, maar inderdaad op dien avond, onder den eik en onder het raam van Van Barnevelds kamer heeft afgeluisterd. 't Was buiten twijfel, verzekerde Kippelaan--die slechts de luidst gesproken woorden heeft kunnen opvangen--dat de generaal in 't geheel niet zóó met den neef was ingenomen als men dat meende. Nog op den avond vóór zijn huwelijk, had hij hem in hevige woede, terwijl hij somtijds als razend de tafel door vuistslagen deed dreunen, zijn gebrek aan eerbied en onderdanigheid verweten, terwijl hij hem met geheele onterving had bedreigd indien hij daarin geen verandering bracht.

Van Hake was nog te zeer onder den indruk van die eerste zotte informaties naar Jacoba's gezondheid, dan dat hem deze laatste mededeeling ernstig kon treffen. Al wist hij niet dat dit geheele verhaal op een misverstand steunde, dewijl die toorn van den generaal immers geenszins den geliefden neef maar wel diens broeder Philip had gegolden, zoo hield hij de gansche geschiedenis toch aanstonds voor een "Kippelaans-praatje" en, ofschoon hij ook nu nog met zijn vroegere belhamels-natuur te strijden had, en dien babbelaar zeer gaarne een paar blauwe oogen zou hebben geslagen, zoo riepen hem nu al de etiquetten der groote medicijnflesschen toe: dat hij hier zijn verstand moest bewaren, en 't allerminst in de apotheek van zijn goeden patroon een dwaasheid mocht begaan.

Hoe 't zij, toen Kippelaan ongeveer een kwartier later, maar zonder zijn wit drop, uit Helmonds apotheek in de donkere straat kwam, toen mocht hij wel van geluk spreken, zonder kleerscheuren van achter die toonbank te zijn weggekomen. In 't eind toch was hij Van Hakes verschansing binnengedrongen, en, terwijl hij de hand had vermeesterd, waarin Thom den stamper hield, en er vol innigheid mee op en neder karnde, verzocht hij "rondement" aan zijn besten vriend, om--met het oog op iets zeer "kortafs" van den generaal, hem een enormen dienst te willen bewijzen. Van Hake zou wel begrijpen wat hij bedoelde, en--nietwaar, de beste vriend was juist de persoon om zoo eens te polsen, want, sedert den morgen dat mijnheer Van Hake juffrouw Jacoba van baas Krul naar De Zonsberg bracht, is hij immers een paar malen zeer welwillend door den generaal ontvangen.

Ja, indien Kippelaan had geweten wat daar omging in Van Hakes borst, dan mocht hij wel van geluk spreken--althans betrekkelijk--zoo heelhuids uit die apotheek te zijn weggekomen, want, zelfs de zware vijzelstamper, die hem eensklaps--voorzeker onwillekeurig door den provisor losgelaten--op den voet is gevallen, die stamper had hem slechts weinig geraakt, tenminste 't had niets te beteekenen; o niets! nee--heusch.... tenminste.... Bonsoir!

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Zooals reeds gemeld werd, bevinden Dokter Helmond en zijn vrouw zich dienzelfden avond op De Zonsberg. Des morgens aan de koffietafel, heeft er inderdaad--en bijna voor 't eerst--een helder zonnetje in de huiskamer van het jonge echtpaar geschenen. Eva, door het voorgevallene met mevrouw Van Hake, en wel door de overwinning, die zij op zich zelve behaalde in een mildere stemming gebracht, heeft haar echtvriend met een zachten handdruk nog eens de stellige verzekering gegeven, dat ze niet meer zou denken over 'tgeen voorbij was, terwijl zich dan alles voortaan wel schikken zou.--Ja, zij wilde wel gaarne haar best doen om met alles zóó tevreden te zijn als ze het van den beginne afaan met haar geliefden man is geweest; maar, August kon toch niet verlangen dat zij speelde op een piano, die geheel en al dof en ontstemd van de vocht was, en dat zij haar stem bedierf door te zingen in kamers als deze, waar men den zolder op den neus had, terwijl het klonk als katoen....?

--Nee natuurlijk.

--Hij kon toch niet verlangen dat zij veinsde en mooi en goed vond wat haar hinderde....?

--Nee, dat sprak vanzelf.

Nu ja, voor 't oogenblik was Eva dan ook heel tevreden. En, weinige oogenblikken later, toen die heerlijke verrassing haar was geworden, toen een waarlijk kostbare ovale spiegel in huis gebracht en in de salonkamer was opgehangen, toen stond het vrouwtje weldra met haar August in de teederste omhelzing ervoor, en vertrouwden die beiden volkomen het fraaie Fransche glas 'twelk hun toeblonk en zei: dat ze niet slechts waren een knap, maar ook een hoogstgelukkig paar.

--Maar dat geluk, neen, het kon immers niet zoo innig, niet zoo blijvend wezen, indien daar in de naaste omgeving iets was, 't welk Eva telkens opnieuw moest hinderen wanneer zij eraan dacht.

En Helmond heeft ook nu weer zijn vrouw gelijk moeten geven. Ja, 't was een onaangename verhouding tusschen hen en De Zonsberg. De korte vrij stijve visite, die oom met tante Hermine aan de jongelieden heeft gebracht, kon niets goedmaken en heeft volstrekt geen licht gegeven waarom men Eva van De Zonsberg zocht verwijderd te houden, terwijl Jacoba zich toch altijd, wanneer het te druk werd, op hare kamer terugtrekken kon.

't Een of 't ander is waar, heeft Eva beweerd, óf oom Van Barneveld en tante Hermine hebben een overdreven zorg voor Coba--misschien een zorg die eer nadeelig dan goed voor haar is, óf--en Eva heeft hier sterk op gedrukt--of oom Van Barneveld toonde maar al te zeer, dat hij was 'tgeen zij reeds vroeger gevreesd heeft: haar tegenstander, haar vijand, hoewel ter wille van den geliefden neef, een vijand met het zwaard in de scheede.

--Neen, dit laatste was onwaar, heeft August gezegd. Het verzoek van oom is--hij moet het bekennen--zeer vreemd geweest; maar indien Eva oom Van Barneveld kende zooals hij, dan zou ze begrijpen hoe hij tot zoo iets gekomen is. Oom mag soms zijn opinies hebben en iets zonderlings, maar Eva's vijand--August weet het beter, zijn woord is er haar borg voor--haar vijand is hij niet.

Indien dit dan waar was--en Eva wilde haar lieven man gelooven--dan zou men nog dezen namiddag naar De Zonsberg gaan om zekerheid te bekomen. In geen geval handelde men tegen ooms verlangen indien men er heden heenging, want, juist vandaag is het een week geleden dat oom zoo beleefd was te verzoeken: of Eva haar bezoek nog een acht dagen wilde uitstellen.

En, August heeft toegestemd.

't Was ruim zeven uren toen dokter Helmond en zijn vrouw het groote ijzeren hek van De Zonsberg binnenstapten en het breede gazon omgaande, de hooge stoep van het deftige landhuis, ofschoon langzaam, naderden. Nog nooit had Helmond een zoo beklemd gevoel als in deze oogenblikken. Hij, de anders zoo kloeke, handelende man, hij gevoelde zich temoede als een schoolknaap, die den meester onder de oogen zal treden van wien hij een welverdiende berisping verwacht. Neen, 't was nog een ander gevoel.... Hij kon er geen naam aan geven. 't Was hem schier alsof dat welbekende huis, 'twelk hij aan de zij van een teerbemind vrouwtje zal binnengaan, een vreemd en vijandig terrein voor hem geworden was; een vesting die hij bij verrassing verschalken moet. En, de kracht van den bevelhebber dier vesting is hem bekend.

Of het geknoerp en gekraak van hun schreden in het zware kiezelzand Helmond een geregeld denken belet, althans in dezen stond heeft hij geen helder bewustzijn van zijn verhouding tegenover den.... geliefden pleegvader, en een oogenblik zelfs beschuldigt hij zich van zwakheid en al te groote onderdanigheid, omdat hij zijn vrouwtje gaat wagen aan een mogelijke koelheid van den man die--Eva heeft waarlijk gelijk--haar niet volkomen genegen is; die van den beginne afaan een trotsche houding tegenover de familie Armelo had aangenomen, en de kleine zoo verschoonbare ijdelheden van een prachtig en talentvol meisje steeds in het ongunstigst daglicht heeft geplaatst. Ware het niet beter geweest indien hij die kinderlijke onderdanigheid en terughouding, terstond na de tehuiskomst van Parijs, had laten varen, en met gepaste vrijmoedigheid zoowel ten opzichte van Jacoba als van Eva, zijn meening blootgelegd en opheldering gevraagd had? Ook tegenover den oom had hij behooren te zijn 'tgeen hij elders is: kordaat en onafhankelijk. Het gold Jacoba's gezondheid in de eerste, het gold zijn huiselijk geluk in de tweede plaats.

--Oom, indien gij Jacoba spoedig wilt zien herstellen dan moet ik haar geheel als mijn patiënt behandelen, anders sta ik u voor de gevolgen niet in.

--Oom, indien gij tegen mijn Eva zijt ingenomen, en niet van plan om haar de vriendschap en hartelijkheid te betoonen, zooals ik die steeds van u ontvangen mocht, dan is het beter dat wij elkander niet meer zien, want, ofschoon ik u eeren zal en lief hebben zoolang ik leef,--man en vrouw zijn één.--Zie, zóó had hij behooren te spreken; of althans in dien geest. En nu, is het niet onvoorzichtig dat hij zijn Eva met hare grieven, laat komen voor den man, die wel eens een zeer hoogen toon kon voeren, die niet gewoon is zijn minder gunstig oordeel te verzwijgen, en vooral niet wanneer men zich op een hoogte tegenover hem stelt, of--zij het op zachte wijze--hem ter verantwoording zou willen roepen?

--En is August dan zeker dat Eva geen woord zal spreken 't welk den oom.....?

"Nee, nóg niet," zegt August snel, terwijl Eva's voet reeds de onderste stoeptrede drukt: "Wacht, laten we liever nog eens hier om het huis naar den achterkant gaan. 't Is daar zoo'n heerlijk plekje, en.... mij dunkt, nú vooral...."

Eva ziet hem vragend aan. Zij bemerkte terstond dat het August geen ernst met dat "heerlijke plekje" is; dat hij iets anders in 't schild voert; dat hij aarzelt die stoep op te gaan.

"Is er zwarigheid August? Ik dacht dat oom mij zoo liefhad; ik meende dat je woord mij daar borg voor was. Hoe nu....?"

"Welzeker Eva, zeker! Maar ooms zorg voor Coba! Oom is goed, uitermate, maar...."

"Maar.... hij heeft aan mij den oorlog verklaard. Jawel, en daarom aarzel je nu."

"Nee Eva."

"Enfin, we zullen zien."

En de huisschel klonk luid in de breede marmeren gang.

Ofschoon Hendrik op uitdrukkelijk verlangen van mijnheer en mevrouw Helmond, hen eerst had aangemeld, zoo was er toch bij hun binnentreden op Van Barnevelds gelaat, terwijl hij langzaam opstaande het naderende echtpaar een paar schreden tegemoet ging, een uitdrukking te bespeuren als van iemand die niet recht weet wie hij de eer heeft.... te zien, of aan welke omstandigheid hij een onverwacht, maar daarom nog juist geen aangenaam bezoek is verschuldigd.

"Eva had een groot verlangen om eens hierheen te wandelen oom, en als 't ware haar entrée op De Zonsberg te maken;", zegt August terwijl hij den generaal de hand reikt, en vervolgt: "Nu toch de staat van beleg hier is opgeheven, konden wij er gerust aan voldoen. 't Was er heerlijk weer voor. Hoe gaat het oom?"

Er was iets gekunstelds in den toon van dokter Helmond.

"Dankje August.--Aha nicht, hoe vaarje?" zegt Van Barneveld en drukt Eva's hand die in keurig licht glacé is gesloten: "Ga zitten.--Tante Hermine is juist met Coba naar boven gegaan. Kh'm! Wat meende je met "staat van beleg"?"

"Och.... u hadt immers te kennen gegeven dat het beter was indien Eva nog een acht dagen wachtte met hier te komen; en, daar die acht dagen nu juist om zijn...."

"Ei zóó! heb ik acht dagen gezegd? Zoo!"

"'t Was misschien uw bedoeling mijnheer Van Barneveld, dat ik...."

August, vreezend dat Eva reeds terstond in vuur zal geraken, valt haastig in:

"'t Was uw bedoeling dat we om Coba's ongesteldheid, vooreerst niet al te druk zouden komen. Maar, nu alles zoo bijzonder naar wensch gaat, nu meende ik dat het zelfs goed voor haar zou wezen wanneer we ons eens tezamen vertoonden. Wat mij betreft, ik verlang naar Coba, want de beide keeren dat ik in de verloopen week hier was, mocht ik wel heel aangenaam met u de plaats doorwandelen, maar mijn zusje zag ik niet, om redenen...."

"Om zeer natuurlijke redenen August."

"Ik moest ze billijken oom, tenminste als.... broer; maar, als dokter niet."

"We hebben datzelfde punt eergisteren op die wandeling met een enkel woord behandeld. Voor 't oogenblik acht ik het minder gepast. 't Is niet noodig je te zeggen dat ik je graag zie hierkomen; maar, indien het naar mijn overtuiging beter is dat Coba vooreerst in haar zeer dagelijksche omgeving blijft--terwijl ik er bijvoeg dat ze voor 't overige zeer zeer wel is, dan, dunkt me, moest men niet aandringen op.... op ontmoetingen...."

"Maar wie, wie dringt er....?" zegt Eva snel; doch August valt in:

"Een misverstand oom; wij dringen daar volstrekt niet op aan, al zouden we 't gaarne wenschen. Is het uw bepaalde wil dat Coba vooreerst--vergun me de opmerking: tegen 't advies van haar dokter--in 't geheel geen menschen zien zal, dan moet dat gebeuren! dan blijven zelfs wij op den achtergrond, maar niewaar, als we 't vooraf doen weten, dan zijn we toch immers bij ú altijd van harte welkom?"

"Dit is een vraag August, waarop geen antwoord behoeft. Zooeven heb ik nog gezegd dat ik je gaarne zie komen; maar...."

"Maar.... menheer Van Barneveld," zegt Eva met kwalijk bedekte spijt: "wanneer de vrouw van den geliefden neef blieft thuis te blijven, niewaar?"

"Beste Eva!" zegt August merkbaar ontsteld. En dan: "Ja ziet u oom...."

Maar Van Barneveld begrijpt dat hij alles zeer goed heeft door_zien_ en nog door_ziet_.

Immers, bij alles wat hem vroeger tegen 't huwelijk van August met Eva Armelo heeft gestemd, kwam nu nog het pijnlijke, schier tot zekerheid geklommen vermoeden der laatste dagen, dat diezelfde schoone vrouw de oorzaak is van het zielelijden zijner eenige teergeliefde dochter.--Op lossen grond meent hij niet te oordeelen. Zuster Hermine heeft hem getoond dat zij als vrouw, scherper blik bezat om een meisjeshart te doorgronden, dan zelfs de vader die zijn kind van der jeugd afaan als zijn oogappel heeft bewaakt. Had hem ook reeds een heimelijke vrees vervuld, vooral op den morgen toen Coba zooveel bezorgdheid toonde dat de brief, dien zij aan August had geschreven, door hem--haar eigen vader--zou geopend worden; ach, toen zuster Hermine, nadat Coba stadwaarts was gegaan, hem een doormidden gescheurd papier 'twelk zij op Coba's schrijftafel vond, had doen lezen, toen.... toen heeft hij wel moeten gelooven dat een steeds met kracht verborgen en nu hopelooze liefde voor August, zijn Coba lijden, en, zoo God het niet verhoedde, verkwijnen deed. Immers in haar gejaagden toestand heeft zij, waarschijnlijk ter juistere uitdrukking harer gevoelens een eerst begonnen brief terzij gelegd, en verzuimd de regels te vernietigen, die hem nu gedurig voor den geest staan:

"Beste August!

"Altijd heb ik je liefgehad en vertrouwd als een dierbaren vriend. Sedert den dag van je vertrek had ik geen rustig uur. O, waarom heb ik niet gesproken op dien avond toen je mij zoo deelnemend ondervroeg....

Och, waarom moest ik huichelen; waarom verbergen wat mij verteert...."

Ja, de oude generaal--ofschoon hij ten deele op een dwaalspoor is geraakt--hij gelooft nu alles zeer duidelijk te doorzien. Welzeker: Hermine heeft gelijk. En al wil dan ook Coba zelve, de jonggehuwden, maar vooral August bij zich ontvangen, dat mag en kan vooreerst niet gebeuren. De zaak is van te teederen aard om er zelfs met Helmond anders dan zeer zeer vanverre over te spreken; en, zal Jacoba leven en behouden worden, dan moet men gelijktijdig met het versterken van haar zenuwgestel, alles vermijden, wat nieuw voedsel aan dien droeven hartstocht zou kunnen geven.

Na Eva's laatsten uitval heeft Van Barneveld niet zonder groote zelfbeheersching zijn kalmte bewaard. Zulk een toon verdraagt hij niet, van niemand! Slechts de herinnering aan het gebeurde met den jongsten pleegzoon, maar tevens een snel herdenken van 'tgeen hij sprak op den trouwdag; het besef bovendien dat Eva wel inderdaad eenige reden had om zijn ingenomenheid met haar te mistrouwen, en zich nu gekrenkt te gevoelen; dit alles, gevoegd bij een aangeboren hoffelijkheid tegenover de schoone sekse--en Eva was immers zeer schoon--deed den generaal nu zich zelf met kracht beheerschen. Schijnbaar kalm, doch niet zonder klem zegt hij:

"Wanneer ik verzeker dat er voor de vrouw, die mijn neef gelukkig wil maken, een ruime plaats in mijn hart is, dan herhaal ik slechts wat ik vroeger sprak, en zou wel gaarne op mijn woord geloofd worden. De welgemeende zoen aan de vrouw van mijn pleegzoon op den dag van haar huwelijk gegeven, moest haar het bewijs zijn geweest van mijn.... welwillendheid."

"Waarlijk oom, Eva is geheel van uw liefde overtuigd. Alleen de hooge prijs, dien zij op uw toegenegenheid stelt, deed haar zoo spreken, en daarom...."

"En daarom wil ik haar dan ook alleen maar vragen August: of het voortaan tusschen ons "mijnheer Van Barneveld en mevrouw Helmond" of "oom en nicht" zal wezen?"

Voor Eva's muzikaal gehoor heeft de toon waarop de oude generaal daar sprak, niets welluidends gehad noch iets dat haar roeren kon. De laatste terechtwijzende vraag heeft haar zelfs tamelijk schril in de ooren geklonken; nochtans voor dien uitdagenden blik, door de grauwe en zwaar vooruitkomende wenkbrauwen verdonkerd, slaat zij de oogen neer, en zegt:

"De ongewoonte.... oom; men kan zich vergissen."

"Ik begreep het Eva, en geloof dat we elkaar op den duur hoe langer hoe beter begrijpen zullen." Eensklaps zich tot August wendend: "Sedert gisteren heb ik besloten met Coba voor een paar maanden naar De Godesberg te gaan. Dat besluit zul je wel goedkeuren niewaar?"

"De koudwaterkuur heb ik zelf aanbevolen oom; maar...." August beziet schijnbaar zeer aandachtig de toppen zijner vingeren: "maar, zult u haar dáár zoo geheel kunnen isoleeren.... op een badplaats?"

Van Barneveld, die op raad van zuster Hermine dit besluit had genomen, heeft niet berekend dat men hem aanstonds op deze inconsequentie betrappen zou. Zich gevangen te gevoelen en door eigen schuld, het maakt den ouden generaal korzelig--narrig! zooals hij het zelf zou noemen:

"Ik meen dat men dáár zoowel als overal stil kan leven," zegt hij tamelijk kortaf, en dan tot Eva wier donkere kijkers hem in deze oogenblikken bepaald hinderen: "Wil je zoo goed zijn nichtje, de honneurs van het theeblad op je te nemen? mijn zuster schijnt nog wat boven te blijven."

"Zou mevrouw niet terugkomen.... oom?"

"Ik weet het niet; maar 't is acht uur geslagen."

Of deze opdracht Eva aangenaam is valt moeielijk te bepalen. Vluchtig denkt ze nochtans aan den morgen en het gebeurde met mevrouw Van Hake. De parelgrijze handschoenen trekt ze schielijk uit, en voldoet aan ooms.... bevel.

"En denkt u al spoedig te vertrekken?" vraagt August.

"Dat zal van het antwoord afhangen. Dezen morgen heb ik erheen geschreven." Tot Eva, wier bewegingen hij onwillekeurig heeft gevolgd: "Ik geloof dat je de verkeerde bus hebt nichtje; in die grootere is de gewone thee, van de fijne doet Coba er tenminste gewoonlijk maar zeer weinig bij. We zijn onder ons."

Deze oogenschijnlijk onbeduidende aanmerking klonk inderdaad wat vreemd uit den mond van den grijzen ex-generaal. August bracht haar echter onmiddellijk in verband met ooms vroegere opvatting omtrent Eva; en, heeft hij reeds gevoeld dat hun--of althans dat háár bezoek den oom geen welkom bezoek was, hij meent nu in die aanmerking een uit tegenzin geboren toeleg te zien om zijn Eva al dadelijk wat huishouden en zuinigheid te leeren. 't Was ongepast; 't was.... Maar neen, met de jaren kon zelfs een ex-generaal wel eens huishoudelijk worden. Oom meent het toch goed, al is hij door het onverwachte en niet gewenschte bezoek, al is hij om redenen, die August niet vermoeden kon, in een minder goede luim. Die aanmerking, zoowel als dat verzoek om thee te schenken, getuigt dat hij Eva als "eigen", als een lid zijner familie wil beschouwen.--Zijn vrouwtje vriendelijk toelonkend, zegt hij nu met eenige zelfoverwinning:

"Je woudt oom zeker eens een heel lekker kopje schenken, niewaar Eva?"

"Ik heb daar niet aan gedacht;" antwoordt Eva, over wier wang een snelle blos is gevlogen, en wat ze er zachter bijvoegt, gaat--gelukkig misschien--voor den oom verloren, want, Hendrik die mede licht binnenbrengt, heeft luide het bezoek aangekondigd van den majoor Kartenglimp.

Van Barneveld fronst even de wenkbrauwen.

Nog slechts weinige dagen geleden is hij heel toevallig met dien majoor Kartenglimp in aanraking gekomen. Bij een wandeling in het Hoenderveldsche bosch, op een afgelegen pad, heeft hij hem voor 't eerst ontmoet, en het vallen van een dooden tak, die, volgens den majoor, door het gevecht van een kraai en een lijster was afgebroken, en juist tusschen de beide wandelaars is neergekomen, heeft hen eenige woorden doen wisselen. Met de meeste belangstelling had de majoor toen aanstonds naar juffrouw Van Barneveld geïnformeerd, terwijl hij schier in één adem de bijzondere capaciteiten van Dokter Helmond heeft geroemd, dewijl hij hem--Kartenglimp--van een ernstige ongesteldheid zoo spoedig en radicaal genezen had.

Van Barneveld heeft bij die ontmoeting in stilte een zeker leedwezen gevoeld dat een opvatting, een mindere sympathie voor 't uiterlijk van dien man, hem lomp heeft doen zijn, dewijl hij hem--volgens stadsgebruik--bij zijn komst in Romphuizen een visite had behooren te brengen, 'tgeen hij niet heeft gedaan.

Dat Kartenglimp hem, zonder eenige gevoeligheid daarover te toonen, in dat bosch zoo beleefd en respectueus heeft toegesproken, 't moest den generaal wel aangenaam treffen. Immers hij werd toch te oud om zich door vooroordeelen te laten regeeren, of naar praatjes te luisteren, die waarschijnlijk in de kleinsteedsche sociëteit met de el waren uitgemeten. Inderdaad, die majoor was heel vriendelijk, en dewijl hij gezegd heeft dat hij bij zijn komst in de stad, als zooveel jonger in jaren en lager in rang, zeerzeker den generaal het eerst had behooren te complimenteeren, waaraan hij, beter laat dan nooit, nog gevolg hoopte te geven--zoo heeft Van Barneveld wel niet anders dan hoffelijk kunnen buigen, met de verzekering dat zijn bezoek hem zeer aangenaam zou zijn.

Maar, nu kwam hij toch bijzonder ongelegen.... of neen, misschien had die komst juist nú haar nuttige zijde. De majoor scheen spraakzaam, en met Dokter Helmond is hij bijzonder ingenomen.

Van dit laatste was August in 't geheel niet overtuigd. Twee malen na zijn terugkomst van de reis, heeft hij getracht den majoor te bezoeken, maar telkens was de patiënt niet thuis, en 'tgeen Van Hake hem heeft gezegd, en wat men later van Kartenglimps waardeering verhaald had, 't is niet geschikt geweest om hem van 's mans ingenomenheid met zijn persoon een hoog denkbeeld te geven.

--Doch zie, 't bleek alweer dat men de woorden van een patiënt die wat bang voor vriend Hein is, niet al te letterlijk moest opvatten, en, dat de later uitgestrooide praatjes eenvoudig Kippelaanspraatjes zijn geweest. Althans nadat Kartenglimp mevrouw Helmond en den generaal begroet en naar de gezondheid van juffrouw Van Barneveld heeft gevraagd, drukt hij zijn dokter met warmte de hand. Met een klein excuus over "dat telegrafeeren", 'tgeen hij zegt volkomen juist door dokter te zijn opgevat en beantwoord--buigt hij nogmaals voor Eva, en terwijl hij haar, na een sierlijke geste, met de zeer belangrijke lotsverwisseling van harte gelukwenscht--iets, waarin hij vroeger door zijn ziekte is verhinderd geworden, en waarmee hij nu gemeend heeft te moeten wachten totdat de familie geheel op orde zou zijn--neemt hij toch alvast met veel genoegen deze bijzondere gelegenheid te baat, om zich ook in mevrouw Helmonds vriendschap ten zeerste aan te bevelen.

Dat klonk heel anders dan Helmond verwacht heeft. Niet, dat al de mooie woorden van den majoor bij hem als bewijzen van hartelijke belangstelling golden, terwijl Kartenglimps persoonlijkheid hem nooit bijzonder heeft aangetrokken, zoo kon het hem toch niet anders dan aangenaam zijn te mogen bemerken dat Kartenglimp niets tegen hem had, en, wat men van zijn grieven verhaalde, slechts uitstrooisels zijn geweest.

Nu de majoor zijn excusen heeft gemaakt dat dit eerste bezoek een avondbezoek is, waarvoor hij echter verschoonende redenen bijbrengt, wordt de ontmoeting in het Hoenderveldsche bosch als de aanleiding er toe herdacht. De majoor beweert dat het waarlijk origineel is dat het vallen van een dooden tak moest meewerken om hem een lang verzuimden plicht te doen herstellen--althans voor zooveel dit mogelijk was--want ja, "ja waarlijk generaal," zoo besloot hij: "'t was mijn plicht als oud-militair om het eerst bij u mijn opwachting te maken.

Van Barneveld beantwoordde deze herhaling van Kartenglimps beleefdheid met een welwillende geste, en wilde juist vragen of de majoor inderdaad goed had gezien dat een kraai, telkens het nest van den lijster voorbijscherend, een sterken vleugelslag aan den wakkeren verdediger gaf, waardoor in 't eind het doode stuk tak moest zijn afgebroken; toen Eva, zich over het theeblad vooroverbuigend, zacht maar toch goed verstaanbaar de vraag tot hem richtte: of oom verlangde dat ze ook nu--met het bezoek van.... mijnheer!--maar alleen van de goedkoope thee zou gebruiken?

Van Barneveld schijnt haar niet te verstaan, althans zonder te antwoorden wendt hij zich met zijn vraag--welke hem echter eensklaps geheel onverschillig is geworden--tot den majoor. Deze heeft met een oogopslag een zeer verschillende uitdrukking op de drie aangezichten gelezen, en tevens bemerkt dat Helmond, die zeer nabij zijn vrouw was gezeten, haar snel maar zacht met de knie heeft aangestooten.

"Jawel je excellentie, ik heb dat zeer goed gezien. Door het breken van den tak--zooals wij zagen juist een paar vingerbreed vóór het nest--is de kraai zeer verschrikt weggevlogen, en niet teruggekomen, tenminste zoolang wij er waren."

"Ahzoo, ja juist; 't deed me plezier dat het nest niet mee naar omlaag kwam;" zegt de generaal, en kan zich niet weerhouden om tegelijkertijd een zijdelingschen blik op Eva te werpen.

"Zeker generaal, recht gelukkig!" zegt Kartenglimp, en dan, zich tot Eva wendend, terwijl hij zijn donkere oogen slechts bij tusschenpoozen op haar bekoorlijke trekken gevestigd houdt:

"De eerste maal dat ik u vluchtig mocht ontmoeten, waart u zeer ongesteld mevrouw. Zeker had de Haagsche lucht u geen goed gedaan. Er is, als ik 't zeggen mag, bepaald eenige sympathie tusschen ons: die kille temperatuur in den Haag was mij--vooral omdat ik uit Indië kwam--mede zeer onaangenaam, en, dat wij beiden onze spoedige herstelling aan denzelfden vriend te danken hebben, nietwaar....?"

"Dan toch altijd naast God," zegt Van Barneveld, die in geen stemming verkeert om "menschenvergoding" te dulden, en nog twee malen als tersluiks een blik langs de groote moderateurlamp op Eva geworpen heeft.

"Natuurlijk, natuurlijk je excellentie, we erkennen dat stilzwijgend.--En wat ziet mevrouw er geheel anders uit dan toen. Dat was in Maart als ik me niet bedrieg. Men scheen destijds eenigszins bevreesd te zijn..... nietwaar? Tenminste onze goede vriend Donerie sprak er, indien ik mij wel herinner, met de meeste belangstelling over. Ja waarlijk, ik moet zeggen, dokter heeft er alle eer van.... althans naast God."

De laatste woorden klonken den generaal, uit dien mond, zeer zonderling gemaakt in de ooren.

Helmond zegt dat Eva inderdaad tegenwoordig gezonder is dan ooit, en te hopen dat het doktersvrouwtje een uithangbord voor de affaire zal blijven.

De majoor merkt met bescheidenheid aan dat dit beeld van den dokter, voor zijn jonge vrouw niet al te flatteus is; maar hij gelooft niet dat dokter Helmond inderdaad een zoo schitterend uithangbord zal behoeven; men beweert immers met recht dat het den neef van den generaal Van Barneveld niet zoo bijzonder ernst met een al te uitgebreide praktijk kan wezen; zijn jonge vrouw en de geëerde familie van De Zonsberg zouden daar zeker nog al op tegen hebben.

"In 't geheel niet!" zegt Van Barneveld snel en met klem: "Het kan de vrouw en de familie van mijn neef niet anders dan aangenaam wezen wanneer de zieken die er zijn en geneeskundige hulp verlangen, hem, zooveel mogelijk, hun vertrouwen schenken. De schoorsteen zal ervan moeten rooken."

De majoor Kartenglimp lacht bescheiden met ongeloovig ophalen der wenkbrauwen; en, heeft hij al straks bemerkt dat de jonge vrouw den blik van haar oom zocht te ontwijken, nu zag hij bij diens laatste woorden een donkere blos haar gelaat overtrekken.

Helmond weet met tact het gesprek een andere wending te geven. Zelfs Eva, door de spraakzaamheid van den galanten majoor daartoe uitgelokt, mengt er zich een enkele maal in, en was op het punt haar bittere grieven te vergeten--want de "hatelijke woorden" van Helmonds pleegvader en "de verregaande schrielheid van dien nabob in zijn somber paleis" hebben haar als een doorn in het hart gestoken--toen Kartenglimp de eenvoudige vraag tot haar richtte: of zij zich in haar nieuwe woning reeds wat thuis gevoelde.

Eva aarzelde een oogenblik, maar toen, bemerkend dat Helmond het antwoord wilde geven, zegt ze snel met kwalijk verborgen wrevel:

"Ik zou onoprecht zijn majoor, wanneer ik zei dat het huis mij bevalt. 't Is er somber en gedrukt. Aan de voorzij zit men achter een dijk, en aan de....."

"Ja, aan de straatzijde valt zeker niet veel te zien;" zegt Kartenglimp hoofdknikkend.

"Maar we zien er elkaar, niewaar wijfjelief?" valt Helmond in: "en dat is ons 't voornaamste. Aan een huis moet men wennen evenals aan een nieuw kleedingstuk."

"Als het kleed niet past August, dan zendt men het terug."

Kartenglimp geeft hoofdknikkend het teeken dat hij de opmerking der jonge mevrouw zeer ad-rem vindt.

"Men had al gezegd dat u de woning aan den wal zoudt verlaten om het leegstaande huis op de markt ervoor in plaats te nemen. Ik geloof generaal, dat de jonge mevrouw in het zoogenaamde oud-burgemeestershuis meer haar aisances zou gevonden hebben.--Nog altijd te koop je excellentie."

Op Eva's gelaat was--voor wie in haar ziel had gelezen--een oogenblik van triumf te bespeuren.

Van Barneveld die bij het hooren van den majoor, telkens sterker den tegenzin voelde herleven, welke vroeger door dat brutale donkere oog en de vreemde plooi om dien mond bij hem was opgewekt, meende, ondanks den strijd, dien hij inwendig moest voeren, dat het zijn plicht was om vis-à-vis dien man door geen enkel woord meer te verraden dat de harmonie tusschen hem en de jonge echtgenooten nog iets te wenschen overliet.

"Ja juist majoor, dat huis is nog te koop, maar ik geloof niet dat mijn neef er plan op heeft. Is 't wel August?"

Nadat Helmond ontkend, en Kartonglimp Eva's vraag betreffende zijn verkiezing van suiker en melk in de thee met een bijzondere hoffelijkheid heeft beantwoord--waarbij hij haar voor 't eerst rechtstreeks in de schoone oogen zag; na een snellen blik dien de generaal zijn neef heeft toegeworpen en waarmee hij dien bezoeker als geenszins van zijn gading, zocht te teekenen, zegt Eva tamelijk zacht maar toch met nadruk:

"U gebruikt zeker geen suiker in de thee.... oom?"

Kartenglimps oogen waren naar het fraai gestukadoorde plafond gekeerd, maar toch heeft hij op het hooge voorhoofd van den oom een trilling gezien als die van den effen vloed, wanneer een geworpen steen hem beroert, terwijl hem evenmin de half angstige half verwijtende blik van den jongen man is ontgaan, de blik waarmee hij als 't ware zijn Eva smeekte om toch niet roekeloos vonken naar buskruit te werpen.

"Maar ik begrijp volstrekt niet tante, waarom ik niet naar beneden zou gaan; we weten nu immers dat het August en Eva zijn die zich lieten aandienen," zegt Jacoba terwijl ze mevrouw Mansburg met haar zachte oogen vriendelijk aanziet: "Wat zou mij nu meer goed kunnen doen dan eens met mijn besten August te praten, al moet ik hem ook beknorren dat hij de geheele week nog niet naar mij omzag."

"Papa vindt het beter dat je alle mogelijke drukte vermijdt Coba, je weet het, en daarom...."

"Als papa geweten had wie het waren, die door Hendrik werden binnengelaten, dan had hij mij zeker niet verzocht naar boven te gaan."

"Ik geloof het wel Coba; maar we zitten hier immers ook heel prettig en gezellig op je lieve kamer. Tante zal heel graag bij je blijven."

--O die vermoeiende goedheid! zucht Coba bij zich zelve. Ja, tante Hermine is inderdaad een voorbeeld van deelnemende liefde; maar deelneming kan ook zoo bitter drukkend worden, en inzonderheid wanneer men telkens middelen ter genezing komt aanwenden, terwijl de wonde niet meer te heelen is.

--Neen, de wonde aan het hart is niet meer te heelen; maar Gode zij dank, indien men haar nu rustig liet, en niet zoo telkens pijnigde door haar aan zich zelve te herinneren, en af te houden van hen, die haar nog lief zijn op de wereld, ja, dan gevoelt ze wel dat het zwakke lichaam langzamerhand zijn vroegere veerkracht zal hernemen, en dat ze weer zal kunnen leven, geheel en al, voor den beminden vader. O voorzeker, nu God zelf met den dood is tusschenbeiden getreden, nu moest ze het wel verstaan dat ze een dwaas, misschien een zondig kind is geweest. Het voegt immers een meisje niet om in stilte lief te hebben; om in stilte te wenschen--te bidden aan God misschien--dat de edele jongeling haar zal kiezen tot de gezellin van zijn leven....? Maar immers nooit, neen nooit, door woord noch blik, heeft zij verraden wat daar woelde en soms zoo pijnlijk brandde in de borst. God is haar getuige hoe zij fel heeft gestreden, en reeds den strijd had gewonnen; hoe ze Herman Donerie in 't eind heeft beschouwd als een vriend, en de tijd reeds gekomen was dat ze hem naderen zag en gaan, niet slechts met een kalmen blik, maar ook met een rustig hart.

--Toen is de dreigende wolk komen opzetten.

--Herman Donerie--zoo luidde het--was ongesteld. Ja toch, hij kwam nog les geven; maar hij zag zeer bleek; en toen, toen is hij niet teruggekomen; en, nú eens heeft men gezegd dat hij zeer ziek, en dan weer dat hij geheel beter was. En zij is in een vreemde spanning en tweestrijd geraakt. Somwijlen was het alsof de borst haar te eng werd, alsof hoofd en hart werden saamgenepen.

--Maar Goddank! op dien morgen van regen en storm, toen heeft ze in de kerk toch gehoord dat Donerie's kracht niet was gebroken. Heerlijke dag van Helmonds trouwverbond: Hermans volle orgeltonen zijn als koele droppelen gevallen op den dorstenden bodem van haar hart. Ja, die dag was haar een dag van zegen: ze kon haar vrienden een blij gelaat toonen.

--Maar ach! kort daarna is het zeer duister geworden.--En toen; neen 't is haar niet mogelijk geweest om haar goeden vader, hoe innig lief ze hem had, een blik in haar hart te laten slaan, zelfs niet nu de dood voor altijd een scheiding heeft gemaakt tusschen dien jongen "muziekmeester" en Jacoba Van Barneveld. Immers het geringste woord van verwijt of zelfs een enkele uitdrukking in tegenspraak met de stille vereering, die zij den geliefden doode bleef toewijden, zou haar een wreede dolksteek zijn geweest, en had een scheidsmuur kunnen opwerpen tusschen haar en den lieven, haar zoo innig dierbaren vader.

En, als ze dan zelfs aan dien beminden grijsaard de oorzaak van haar zenuwlijden niet openbaren kan, hoe zal ze dan tot iemand anders--bijvoorbeeld tot een tante Hermine--daarover spreken! Maar dit laatste is haar ook geen oogenblik met ernst in de gedachte gekomen. Wat ze gewenscht en gedroomd heeft met een schuldeloos hart, zij zal het met zich nemen in het zwijgende graf. Neen, zelfs August, voor wien ze in die dagen van hevige spanning, bijna haar hart had uitgestort, of die, zoo Herman nog langer met den dood had moeten worstelen, de waarheid wel in haar oog zou hebben gelezen, ook hij zal nimmer vernemen wat haar heeft beroerd. Maar tóch, ze zou hem nu zoo graag eens spreken, haar lieven broeder!

"Ben ie nu weer verdrietig goede Coba, omdat ik je tot je bestwil raad, geheel in overeenstemming met je pa? Jawel, ik zie het aan je oogen, je bent er verdrietig om."

"Wel mogelijk tante, maar ofschoon ik herhaal dat ik 't veel beter voor mij zou vinden, indien ik nu bijvoorbeeld beneden kon wezen, zoo moet ik mij onderwerpen. 't Is vreemd dat pa het zoo geheel met u eens is."

"Nee, niet vreemd Coba, in 't geheel niet...."

"En waarom dan toch tante?"

"Waarom....? Wel lieve kind, weet je dan niet dat je na dien schrik--nee nee, ik spreek er niet van, ik wil alleen maar zeggen dat menheer Van Hake toen al dadelijk rust en vermijding van alle drukte heeft aanbevolen. Helmonds vrouw is bijzonder levendig, en je zoudt zeker een slechten nacht hebben indien je zoo van allerlei moest hooren, en over alles zoudt meespreken misschien."

Jacoba antwoord niet meer.

Tante Hermine is er blij om. Op uitdrukkelijk verlangen van broeder Alexander, mag zij zelfs in de verste verte niet laten doorschemeren dat men de allerdroevigste oorzaak van Coba's toestand heeft ontdekt. 't Zou voor het arme kind, dat zich tot zelfs op den dag van Helmonds huwelijk zoo boven alle beschrijving krachtig heeft gehouden, misschien de noodlottigste gevolgen kunnen hebben. De zwaarste strijd was nu zonder twijfel gestreden. 't Zal haar triumf wezen dat ze geheel alleen haar smart heeft gedragen, en, moest men dus alles in 't werk stellen om te voorkomen dat de wond, die vermoedelijk reeds aan 't heelen was, telkens weer door een vertrouwelijken omgang met den vriend werd opengereten; in geen geval moest men die wonde nog geweldiger aandoen door Coba te toonen, dat het bitter geheim van haar schuldeloos hart geen geheim was gebleven.

Met zulke overleggingen uit een valsch vermoeden ontstaan, moest Coba's zwijgen der goede dame wel genoegen doen.

--Het lieve kind gevoelt in stilte dat we haar ten beste raden, denkt ze, terwijl ze Coba vriendelijk toeknikt, om vervolgens alvorens de honderd en elfde rozet van haar sprei-deken te haken, een streng katoen, die erg in de war zat, te gaan afhaspelen.... Heel "prettig en gezellig" voor Coba.

Jacoba zweeg; de herinnering aan dien "schrik" heeft haar feller getroffen dan zij 't zich zelve bekennen wil. Ja, dat was het laatste geweest; een schrikkelijk einde. Nóg ziet ze hem daar van verre; de zwarte krulharen woest golvend om dat doodsbleek gelaat; de holle van koortsgloed vlammende oogen eensklaps strak, angstig strak op haar gericht, terwijl hij met angstige bijna schreiende stem de woorden gilde: "Laat los! hoort ge niet! Zij is de mijne!"

--De zijne....?

Jacoba voelt een inwendig beven.--Dat is niet goed; dat mag niet! Zij moet en wil immers krachtig zijn. Maar, hoe is dat mogelijk op den duur, wanneer men haar uit kwalijk begrepen voorzorg, niet als vroeger haar natuurlijken vrijen gang laat gaan; indien men haar hier van iedereen, zelfs van den lieven broeder terughoudt om nochtans--o zonderlinge tegenstrijdigheid--haar straks voor te spiegelen dat het leven aan een woelige badplaats haar weldadig zal zijn!

Inweerwil van tantes beweren dat papa het alles zoo goedvindt ja nadrukkelijk verkiest, gelooft Coba dat het inderdaad tante Hermine is die, ofschoon met de beste bedoelingen, haar physiek en moreel te kerkeren zoekt.

In dit oogenblik heeft Coba een onweerstaanbare behoefte om uit dien kerker bevrijd te worden.

En, de goede papa zal er niet tegen zijn.

"De lust om August eens weer te zien tante, bekruipt me zóó sterk dat ik ze beneden nu toch maar eens even verrassen wilde;" zegt Jacoba terwijl ze eensklaps opstaat.

"Jacoba-lief, dat kan niet; heusch dat zou onverstandig wezen;" antwoord mevrouw Mansburg ontsteld.

"Ieder mensch heeft wel eens zijn onverstandige buien tante. Nee, weerhoud mij niet. Mocht het minder goed voor me zijn, welnu dan moet ik er zelve de gevolgen van ondervinden. Maar, geen nood lieve tante."

De belangstellende dame, die haar nichtje op hartelijken toon tot andere gedachte zoekt te brengen, terwijl ze haar zachtkens met papa's misnoegen dreigt, vreest reeds dat ze op die wijze niets winnen zal, toen het klinken der huisschel haar eensklaps een krachtiger wapen in handen gaf.

--Nietwaar, dat bezoek van een vreemde zou Jacoba nu wel van besluit doen veranderen?

"Dat is te zeggen tante; als het dan waarlijk beter zal zijn dat ik niet naar binnen ga, dan wilde ik August laten vragen of hij bij mij wil komen. Ik verlang zoo naar August."

--Arm kind! zucht de oude dame bij zich zelve. Maar nú vooral moet tante zich kranig toonen, en het klinkt schier bevelend:

"Jacoba, je doodelijke bleekheid en je opgewonden stemming ontraden je bepaald om iemand te zien van avond."

"Maar als ik nu gevoel dat juist een gesprek met August mij weldadig zal wezen, omdat hij mij goeden raad zal geven lieve tante, zoudt u mij dan nog ontraden of verhinderen een consult met mijn dokter te nemen?"

Haar dokter! dat arme kind!

"Maar Coba, Alexander..... je pa.... hij zal...."

"U voelt toch wel tante, dat niets ter wereld mijn gestel zoo nadeelig moet zijn als het gemis van mijn vrijheid. Ik heb nu een gevoel alsof ik een onschuldig-gevangene ben.... en dat ú...."

"En dat ik...."

"Nee tante, zoo bedoel ik het niet. U bij een gevangenbewaarder te vergelijken dat zou toch wat al te dwaas en onvriendelijk zijn. Ik weet wel dat u alleen uit belangstellende liefde handelt"--Op zoeten toon: "Maar beste tante, ik wilde August zoo heel heel graag eens even spreken; iets vragen....?"

--Arm, arm kind! denkt de dame. Wat bitter zielelijden moet dat toch wezen! Niet slechts den geliefde gelukkig te weten aan de zij eener andere; maar, nu zoo nabij hem in dezelfde woning te zijn, en hem niet te kunnen zien of spreken; weerhouden te worden door een tante die.... Maar neen, zij is geen gevangenbewaarster, dat is een ondraaglijk denkbeeld! Heeft zij dan geen medelijden met zulk een lief en teeder, maar ongelukkig kind....?

Ofschoon mevrouw Mansburg zelve aan haar broeder den goeden raad--en zonder eenig voorbehoud--heeft gegeven, dat men Coba toch alle gelegenheid zou benemen om August, en vooral afzonderlijk, te ontmoeten, zoo hebben Coba's laatste woorden een zonderlinge gevoeligheid bij haar opgewekt. Zij, zij wordt beschouwd als een gevangenbewaarster, als iemand met een sleutelbos en handboeien, en dat, ter bewaking--niet van een schuldig wezen, maar van een lieve arme lijderes, wier eenige misdaad het is geweest dat ze heeft bemind zonder wederbemind te worden. Een gevangenbewaarster! nog eens, dat denkbeeld is mevrouw Mansburg onverdraaglijk!

Juist op het oogenblik dat Eva van haar echtgenoot den half angstigen half verwijtenden blik ontving--nadat zij, toegevend aan haar kwade luim, den generaal nogmaals op zoo weinig bedekte wijze deed gevoelen, dat ze hem van schrielheid verdacht, trad mevrouw Mansburg de kamer binnen.--Haar komst geeft een weldadige afleiding. Terwijl Kartenglimp en de jongelieden opstaan om haar te groeten, en Van Barneveld vluchtig den majoor aan zijn zuster voorstelt, vergeet hij--althans voor eenige oogenblikken--de "zonderling kwetsende maar toch waarschijnlijk verkeerd begrepen woorden van dat mooie duiveltje"--zooals hij Eva reeds bij zich zelven heeft genoemd--om aanstonds Hermines komst met Coba's welstand in verband te brengen, en met inwendige onrust doch schijnbaar kalm te zeggen:

"Toch wél boven, Hermine?"

Mevrouw Mansburg geeft een zeer bevredigend antwoord. Zij heeft neef Helmond iets te vragen.

De vraag werd zacht gedaan.

Om niet onbescheiden te zijn, knoopt Kartenglimp een gesprek met Eva aan, over Parijs en muziek en zang.

Van Barneveld begrijpt niet welk een bijzondere vraag zijn zuster aan Helmond heeft te doen, en terwijl hij zijdelings het oog op haar mond houdt gevestigd, als wilde hij zien wat ze sprak, zegt hij nog eens:

"Is er misschien iets.... dat....?"

"Volstrekt niet Alexander. 't Geldt mij zelve." Zij wijst op haar hoofd.

--Hermine zal weer last van hoofdpijn hebben, en geen rust aleer ze met neef de heele apotheek is doorgewandeld, denkt de generaal: à la bonne heure!--Ei zie, daar schijnen nog meer confidenties te moeten plaats hebben.--Helmond zegt dat men hem even zal excuseeren.--Mevrouw Hermine groet het gezelschap--wel wat vreemd, enpassant, meent Van Barneveld--en beiden verlaten de kamer.

De herinnering aan Parijs heeft Eva's kwade luim in een soort van overmoed doen ontaarden. Nu August de kamer verlaten had, nu was het alsof zij het geschikte oogenblik gekomen zag om den oom--al moest het in presentie van dien vreemde wezen--eens nadrukkelijk te doen gevoelen dat zij als Helmonds vrouw, ja zelfs als de nicht van den generaal Van Barneveld, zich op den duur niet ongestraft zal laten beleedigen.

Bij het luide roemen der genietingen in "die heerlijke stad", moest het telkens uitkomen dat men dáár zooveel breeder en gezonder opvatting van het leven had dan hier in het "achterlijke Nederland". 't Was daar aan alles te zien dat men er het dwaze stelsel niet huldigde: om door ontbering of gemis te leeren waardeeren. Neen, men genoot er wat betamelijk was. Potters en schrapers vond men dan ook in Parijs, ja zelfs in geheel Frankrijk niet.--Monsieur De Musard had het zelf gezegd: Men leefde er, en liet er leven! De minste werkman dronk er zijn flesch wijn en niemand bespaarde er een vijffrankstuk tot na zijn dood, indien hij er de levenden mee vroolijk kon maken.

Kartenglimp lachte gedurig zeer hoffelijk om de dikwijls niet onaardig klinkende phrasen van het jonge mooie vrouwtje, doch was tevens zoo vrij--met het oog op dien zwijgenden, meestal ernstig voor zich heen zienden generaal--om een paar malen beminnelijk met den vinger te dreigen, en iets van "Hollandsche degelijkheid" of "rijperen leeftijd" in 't midden te brengen, terwijl hij zelfs ten slotte den generaal met een: "nietwaar je excellentie?" tot de bevestiging zijner meer degelijke gevoelens te bewegen zocht.

"O ja majoor! men kan dat alles uit een zeer verschillend oogpunt beschouwen;" heeft de generaal geantwoord, en de toon, waarop hij dat antwoord gaf, verried niets, of althans zeer weinig van hetgeen er omging in zijne borst. De man met een open rondborstig karakter heeft zeker den zwaarsten strijd om zijn toorn te bedwingen. En nochtans beheerschte Van Barneveld zich op waardige wijze.

Neen, die majoor, wiens gemaakte manieren, wiens vreemde hoffelijkheid en dikwijls zonderling vleiende toon hem hoe langer hoe meer tegenstonden, de man wiens bezoeken op De Zonsberg niet zullen herhaald worden,--hij zou geen getuige zijn van een scène de famille!

De oude generaal zal de waardigheid van zijn rang tegenover dien inférieur niet te grabbelen gooien, en zelfs in zijn tegenwoordigheid dat dartele kind een vernederende terechtwijzing besparen, hoewel ze die zeer noodzakelijk verdient.

Of Van Barnevelds opstaan, zijn vluchtig rechts en links zien alsof hij iets zocht, en daarop een tamelijk snel verlaten van de kamer, zonder hierover eenige verontschuldiging te hebben gemaakt, alleen op rekening van den inwendigen strijd moesten gesteld worden, of ook dat het lange wegblijven van August nogmaals zijn heimelijke onrust over Jacoba had opgewekt, zeker was het dat Eva, in het heengaan van dien oom, alweder geenszins het bewijs vond dat haar persoon en gezelschap hem zoo bijzonder lief waren, maar wel--en met heimelijk genoegen--dat zij het "inhalige van zijn karakter juist heeft beoordeeld, en dat haar zijdelings afgeschoten pijlen raak zijn geweest".

Kartenglimp, die in een ondeelbaar oogenblik een flikkering van triumf in dat schoone oog heeft gezien, werpt nog een blik naar de nu weder gesloten deur, en maakt dan op bijzonder hoffelijken toon een half beschuldigende half verschoonende opmerking over het heengaan "der heeren", maar zegt ten slotte, dat hij zich niet te beklagen heeft zoolang het lief gezelschap van mevrouw Helmond hem voor dat gemis blijft schadeloos stellen.

Eva had er nog niet aan gedacht, dat zij als 't ware alleen is gelaten om dien vreemden majoor gezelschap te houden. Ze ziet hem na zijne vleiende woorden vluchtig doch met zekeren weerzin aan.

Straks heeft ze dien man een enkele maal gebruikt als.... den telegraafdraad, waarlangs men zijn gedachten aan het bedoelde adres zendt, als den biljartband, om van terzij een carambole te kunnen maken. Maar nu, nú heeft hij uitgediend! Zijn hoffelijkheid op dien gemaakt fatsoenlijken toon, stuit haar tegen de borst. Ofschoon zij het heengaan van den oom--ook met het oog op dien vreemde--lomp en hatelijk vindt, het komt echter niet te pas dat die man er zoo op zinspelen durft; 't voegt hem niet dat hij August, een der heeren noemt die het aan háár overlaten, om hem--dien man--"met haar lief gezelschap voor dat gemis schadeloos te stellen".--Wat verbeeldt zich die oude dwaas! En mijnheer Van Barneveld? Denkt hij misschien dat Helmonds vrouw, omdat ze aanstonds toegaf en zich gewillig voor het theeblad plaatste, dat ze hier juffrouw van gezelschap of huishoudster is geworden?

Indien de heele familie, uit welke oorzaak dan ook, er geen bezwaar in ziet om de kamer te verlaten, en mijnheer Van Barneveld het zelfs niet noodzakelijk acht in 't gezelschap van menschen te blijven, die hem bezoeken, dan voelt Eva zich wel 't allerminst geroepen om de honneurs van zijn huis waar te nemen, en zal die majoor haar althans geen beletsel zijn om mede heen te gaan wanneer zij zulks verkiest.

"Oom begrijpt zeker niet waar Helmond blijft," zegt ze snel, en dan, opstaande: "Ik vrees dat mijn nichtje weer minder is geworden.--U zult mij permitteeren....?"

Niet zonder verbazing en een vreemde plooi om den mond, ziet nu Kartenglimp die jonge schoone vrouw insgelijks en met haastigen tred de kamer verlaten. Ternauwernood smoort hij een verwensching terwijl hij haar naoogt; doch, niet zoodra is de deur achter haar gesloten en bevindt hij zich in die groote kamer geheel alleen, of hij weerhoudt den vloek niet, die hem op de lippen brandt, en balt hij zijn vuist, en verwenscht bij zich zelven een familie die zich niet ontziet om hem--den majoor Kartenglimp--als een kwajongen te behandelen....als een niets, als een nul!

Eensklaps--alsof een pijnlijke herinnering hem treft, fronst Kartenglimp de zwartgeverfde wenkbrauwen.--Ja.... indien men had vernomen....? Maar dat is onmogelijk.--Bij die toevallige ontmoeting in 't bosch is het hem duidelijk gebleken dat ook de generaal met die zaak geheel onbekend was. En, hoe kon 't hem, of iemand anders ook ter oore zijn gekomen! Hebben de vier officieren, die te Soerabaya in de zaak waren betrokken niet hun woord gegeven dat ze zwijgen zouden, en, althans zooveel mogelijk, de zaak geheim te houden of te smoren, indien hij terstond zijn ontslag uit den dienst wilde nemen, naar 't moederland vertrekken en er zich nimmer in eenige garnizoensplaats vestigen zou? Neen, 't is niet mogelijk dat die oud-kameraden hun woord hebben gebroken.--Dat zij hem steeds met hun dwazen haat vervolgen, en zelfs nog over den wijden oceaan het oog op hem gevestigd houden, 't is hem gebleken toen hij te 'sGravenhage vóór zijn vertrek naar Romphuizen, dien scherpen brief ontving, met bevel om zich onmiddellijk uit de residentie te verwijderen, indien hij wenschte dat het voorgevallene onbekend bleef. Maar juist deze bedreiging is hem weder het bewijs geweest dat men, zonder aanleiding van zijn kant, het gegeven woord niet zou breken, en, dewijl hij nu het kleine Romphuizen--waar volstrekt geen garnizoen was--tot zijn vaste woonplaats had gekozen, zoo is er immers van die zijde geen de minste reden tot vrees. Neen, zelfs hier heeft hij uit alle voorzichtigheid de conversatie met den oud-kapitein Armelo maar weinig gezocht, en er tot heden geen werk van gemaakt om den generaal te ontmoeten, ofschoon een verkeer met oud-officieren buiten een garnizoensplaats hem geenszins verboden was.--Verboden! ha! Zal hij zich dan nooit kunnen wreken op dat viertal, op dat ellendig eedgespan? Neen, elke poging ertoe zou slechts uitloopen op zijn eigen vernedering. 't Ware het zekere middel om hem bekend te doen worden voor de geheele wereld, en zich gebannen te zien uit elken kring waar hij nu zijn genoegen vindt.

En toch, soms kookt en bruist het met geweld in zijn borst, en schept zijn wrekende verbeelding zich een schitterende zegepraal. Dan, dan ziet hij ze ginder.... dáár in een kleine ontredderde boot, meegesleurd door den woest opgezweepten oceaan, kampen met de schuimende golven.

En met den storm van zijn haat stuwt hij het zwakke vaartuig voort, door de felle branding naar gindsche klip, en ha! het stoot er in splinters vaneen, en--vier verminkte lijken, gebeukt tegen de naakte rots, ze worden door 't schuim bedolven.

Of ook:

Zie, daar ginder snellen ze voort, met opgeblazen moed; ze zullen een vijandelijke benting bestormen. Maar stil, stil! een hinderlaag, kunstig met bamboes en palm en aarde bedekt, ze schuilt daar weg op hun pad als een adder onder 't gras. En zie, daar stormen ze heen; ze bereiken de plek. Ha! met dreunenden doffen klank storten er vier neder op de spiesen en palissaden, en, gillende kreten stijgen er op uit de diepten waar 't bloed spat in 't ronde.

--Doch, wat baat hem zulk een gewaande wraak? Staat hij niet machteloos tegenover hun geweld?

--Maar hier, waar men Kartenglimp slechts kent als den gepensioneerden majoor; waar men hem de eer aan zijn rang is verschuldigd, hier kan en zal hij zich wreken zoo men beleedigen durft!

--Opgestaan, met de linkerhand op den stoelknop gedrukt, balt de majoor nu nogmaals de vuist, en vlamt zijn oog de kamer in 't rond. Zie, een bijna levensgroot portret van den generaal treft eensklaps zijn blik, en uit den halfdonkeren toon aan den wand ziet het hem met wijd geopende oogen gestreng en onbeweeglijk aan.

Dat oog, zoo doordringend op hem gericht, hij weerstaat het niet. Wanneer zulk een blik hem in de werkelijkheid trof, het zou hem zijn alsof men hem had doorgrond, alsof men hem kende als den man, "onwaardig den degen te dragen, onwaardig zelfs den naam uit te spreken van een fatsoenlijke vrouw".

--Maar dat is gelogen! Indien er werkelijk vrouwen zijn die zulk een schoonen naam verdienen, die eerzamen, ze hebben zich nooit over hem te beklagen gehad. En wat het eerste betreft, heeft hij dan in den Bandjermassinschen krijg den dood niet onder de oogen gezien? 't is waar, steeds goed gedekt, met de rumflesch terzij en de zweetdroppels op het aangezicht, maar "'t gaat er immers duizenden zóó"!--Wie wil sterven!? Niemand! De krankzinnige alleen, omdat hij.... krankzinnig is; of de grijsaard misschien omdat zijn levenslust vervloog en hij niet meer genieten kan.

--Maar hij--Kartenglimp--hij wil leven en genieten zoolang het hem mogelijk is. En daarom ook, ofschoon dokter Helmond zijn wrok heeft gewekt, hij zal hem nu te vriend houden. Immers dat niet terugkomen na het ontvangen van het telegram, 't heeft juist bij de uitkomst bewezen hoe goed hij zijn gestel reeds kende, en dat hij een uitmuntend dokter is.--Ja hij, wil leven en genieten!--De ontdekking dat er door zijn verre vijanden geen scheidsmuur was geworpen tusschen hém en dien vermogenden luitenant-generaal; de zekerheid dat hij nu welwillend op De Zonsberg zou worden ontvangen; de hoop in 't eind dat men hem in dien kring zou waardeeren en trekken; dat hij er dikwijls de schoone doktersvrouw ontmoeten, en met de jonge teedere erfgename op een goeden voet zal komen, dat alles heeft hem met zonderlingen glans in 't oog geblonken. Ha, nu zou hij voortaan den rechten toon wel treffen. Ofschoon nog jong van hart en van kracht, men werd toch wat kalmer met de jaren. Welzeker, die Zonsberg zou voor hem een bron worden van genot, en de vriendschap van den generaal wel mogelijk meteen het bolwerk tegen "valsche geruchten".

Schuin terzij ziende, ontmoet Kartenglimp nu nogmaals dien strengen blik aan den wand.

--En moet die blik nu de bevestiging zijn dat hij heeft misgerekend; de bevestiging van 'tgeen hij inderdaad inweerwil van zijn gekoesterde verwachting, sedert het eerste oogenblik zijner komst in dit sombere vertrek, als onwillekeurig gevoelde, namelijk: dat zijn bezoek een onwelkom bezoek, en zijn hoop op de vriendschap in dit huis een illusie was?

--'t Zij zoo; de tijd moet het leeren; men kan zich bedriegen; maar, indien dát waar is, dan--en een zware vervloeking knoerpt er tusschen zijn blank gebit--dan, ja, dan heeft de duivel reeds zelf voor brandstof gezorgd.--De wauwelaar van het stadje had ditmaal toch waarheid gesproken. Kartenglimp heeft het nu zelf gezien: het vuur ligt te smeulen; soms spat het al vonken, en--langs de palm van zijn hand behoeft hij onbespied slechts zachtkens te blazen om den breeden vuurstroom te doen opgaan. Ha, dat zou een lust zijn om te aanschouwen; en in 't eind zal hij van verre zich zelf nog kunnen koesteren aan den fellen gloed! Ha!

Kartenglimp schrikt.--Eensklaps werd de deur geopend en de vrouw aan wie hij daar juist heeft gedacht, trad onverzeld de kamer weer binnen.

Straks in de marmeren gang gekomen, heeft Eva--die zich in de woning van haar nieuwen oom nog op vreemd terrein bevond--inderdaad niet geweten waarheen ze zich begeven zou. Ze heeft rechts en links gezien, even aan de trap geluisterd, in de hoop dat August komen mocht, en, terwijl ze nog luisterend op het koele marmer staarde, is het haar eensklaps geworden alsof een looden druk, een pijnlijk vuur haar van den boezem werd weggenomen. Ook nu heeft het betere in haar gesproken, ofschoon met zachte zoet-vleiende stem.--Zij is te ver gegaan!--Ja, maar veinzen dát kon ze ook niet, en dáárom heeft ze den oom moeten toonen wie hij aan Eva hebben zou en hoe ze hem beoordeelt. Doch wanneer zijn plotseling heengaan, en zonder dat hij een enkel woord heeft gesproken, dan eens het bewijs mocht zijn dat ze haar doel had getroffen; wanneer de rijke oom nu inderdaad gevoeld heeft wat hij aan den geliefden neef is verschuldigd, en hoe de aangenomen houding tegenover Helmonds jonge vrouw hun aller leven niet anders dan verbitteren kon; indien het dan waar is dat hij door haar "overtuigende redenen" reeds zoo spoedig tot een mildere zienswijze geraakte, dan moest zij bij kalmer beschouwing wel leed gevoelen dat ze zich zoo weinig beheerschte. In tegenwoordigheid van een vreemde, vierde ze immers haar onwil den vrijen teugel; in het bijzijn van hem, die met zijn vorschend oog ongetwijfeld geheel haar toeleg doorzag, heeft ze Helmonds oom moedwillig vernederd.

Een vuurrood bedekte Eva's gelaat.--Zij is te ver gegaan, veel te ver! Wát er mag wezen, de generaal Van Barneveld is ook haar oom.--En zal nu die vreemde--gekrenkt, dewijl men hem geheel alleen heeft gelaten--met den ontvangen indruk van hier gaan, om naar goedvinden te verhalen van 'tgeen hij ter kwader ure heeft opgevangen? Neen, dat kan en mag niet wezen; de gemaakte indruk moet worden uitgewischt; ze is het verplicht; en bovendien, de eer der familie is ook háár eer. Terug dan Eva, terug naar dien vreemde!

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Slechts met haar doel voor oogen bemerkte Eva bij haar binnentreden de plotselinge verwarring niet, die er op Kartenglimps gelaat was te lezen.

Alsof ze zich straks inderdaad met het voornemen had verwijderd om aanstonds terug te keeren, begeeft ze zich nu, met den snellen tred die zulks bewijzen moet, naar hare plaats, en ofschoon het haar de grootste moeite kost, vraagt ze tevens beleefd om verschooning dat ze mijnheer een oogenblik heeft alleen gelaten.

De overgang zijner zwarte of roodvlammende visioenen tot de onverwachte werkelijkheid van Eva's verschijning, had Kartenglimp zoodanig verrast dat hij niet aanstonds een antwoord gereed heeft, maar nochtans in hetzelfde oogenblik een zeer sterk sprekenden trek van hoffelijkheid op zijn gelaat kan te voorschijn roepen.

En Eva zal nu trachten goed te maken wat ze met het oog op dien vreemde misdeed.

Ze zegt te hopen dat mijnheer Kartenglimp de afwezigheid der heeren toch zal ten goede houden.--Neen, er is volstrekt geen gevaar; maar de lichte ongesteldheid van nicht Jacoba maakt oom Van Barneveld dikwijls zeer onrustig. Zeker zou hij echter zoo aanstonds terugkomen. Oom Van Barneveld en zijn dochter--zoo luidde het verder--ze waren met de innigste liefde aan elkander gehecht, en geen wonder, Jacoba was een goed zachtaardig meisje, terwijl oom--men behoefde er Helmond slechts naar te vragen--een door en door rechtschapen en edel mensch was, dien men zeerzeker liefkreeg op den duur.

Kartenglimp meende, met een goedwillig lachje, dat het altijd aangenaam was wanneer die duur niet te lang duurde. Er waren ook menschen, die men lief en beminnelijk vond van het eerste oogenblik dat men ze kennen leerde.

Juist omdat Eva de bedoeling zijner woorden giste, klonken ze haar in dezen stond zeer onaangenaam. Haar verheffing ten koste van den oom in diens afwezigheid, tooverde haar zijn beeld in waardiger trekken voor den geest dan het er tot nu toe gestaan had. Zonder haar overtuiging geweld aan te doen, voelde zij zich eensklaps gedrongen om den heer van De Zonsberg in het schoonste daglicht te plaatsen, en, met den lof van vrienden en vereerders op de lippen, haar geliefden August als 't ware sprekend in te voeren, terwijl ze met de weinig doordachte verklaring besloot, dat haar schermutselingen met den oom op rekening moesten gesteld worden van haar ondeugende zucht om oude heeren te plagen, waarbij ze dan altijd de slechte gewoonte had om de zaken zoo sterk te kleuren als haar mogelijk was.

En mijnheer Kartenglimp begreep dat alles zeer goed, en was uitermate beleefd.

't Is nog luttele minuten geleden dat Eva in de kamer terugkwam, maar ze duurden haar reeds verbazend lang. Nu ze haar schuld had geboet, nu kost het haar groote moeite om het gesprek met dien majoor te vervolgen. Toch zal ze volhouden, al dreigt ook de wrevel haar weer te overweldigen, dewijl de man wiens eer ze nu ophoudt, nog steeds op zich wachten laat.

Kartenglimp zoekt naar den juisten toon. Hij wenscht een goeden indruk bij het zonderlinge vrouwtje achter te laten, en, gevoelig voor zijn kleine hoffelijkheden is ze niet, ook dán niet wanneer hij haar buitengewone muziek- en zanggaven roemt, waarvan hij "zoo dikwijls met bewondering hoorde spreken".--En--naar zijn lof over dokter Helmond hoort ze met zichtbaar welgevallen. Maar zie, een blosje kleurt haar gelaat, nu hij eensklaps, half vragend zegt: dat mijnheer haar vader immers nog een afstammeling is van het oud Hollandsch geslacht der graven Van Armeloo? Hij had tot nog toe verzuimd den kapitein er eens naar te vragen.

Ofschoon Eva van die grafelijke familie niets anders wist dan dat ze moest bestaan hebben, zoo was het toch alsof een schok, maar vol zoete bedwelming haar getroffen had. Merkbaar in verwarring, geeft ze ten antwoord dat ze.... ja.... gelooft, maar toch niet zeker durft zeggen;--en ze gevoelt terzelfdertijd den blos steeds hooger stijgen, en 't wordt alsof vonken vuurs haar uit de oogen spatten. Dewijl verlegenheid bij Eva inderdaad een zeldzaam verschijnsel is, kwelt en drukt ze haar nu te sterker. Ze zou zich onzichtbaar willen maken in dezen stond. Ofschoon ze heimelijk hoopt dat men 't minder aan haar zal kunnen bespeuren dan zij 't zelve gevoelt, zoo zoekt ze nochtans naar een middel om zich voor een verdere bespieding te vrijwaren, en, ijlings opstaande wendt ze zich naar een pianino, die op eenigen afstand schuin achter haar staat.

Straks, terloops over muziek sprekend, had Kartenglimp gevraagd, of dat stuk een Erard was, waarop Eva het antwoord is schuldig gebleven. Nu, in haar verwarring, kwam het haar niet te gezocht voor om fluks het instrument te openen, en, met een blik op het étiquet den naam van den fabrikant te noemen; maar ook, ze gevoelt zich daarna nog te weinig hersteld om nu reeds voor 't oog van dien man in 't volle licht terug te keeren, zoodat ze haar toevlucht neemt tot het aanslaan van eenige zeer krachtige accoorden, de introductie van een lied, waaraan ze vluchtig was herinnerd door het vignet van een muziekstuk dat op de piano lag.

Fiks! het aanslaan van die accoorden doet reeds goed.

Zoo aanstonds zal hij niets meer aan haar bemerken.--Hier begint het lied.--Dat lied te zingen.... voor dien vreemde! Ze zal wel wijzer wezen. Toch kan ze nog even voortspelen; de melodie met de rechterhand.--Forto:

"Ach lieber Gott, mein krankes Herz Wird brechen bald vom Liebesschmerz."

--Maar straks, ja dan moet zij van dien vreemde méér vernemen.... De graven Van Armeloo.... Van Armeloo! In stilte heeft zij wel eens aan zoo iets gedacht.... Ha! een verarmde tak der graven Van.... Diminuendo:

Und bricht es in der tiefen Noth; Schau' denn mein' Augen weinens roth, Und tausch' mich in dein Armen, Tod!

"Nicht Eva, wil je alsjeblieft niet meer piano spelen? Je weet dat Coba ongesteld is;" zegt Van Barneveld, die bij het klinken der laatste accoorden in de kamer trad.

Ondanks den kalmen toon, waarop de generaal zijn verzoek heeft gedaan, was er toch een bijzondere trilling in zijn stem te bemerken, en spreken zijn oogen het stil verwijt: Als men dan den ouden man niet wil sparen, dan moest men althans zijn lijdend kind ontzien.

De majoor, die Eva reeds tot op zeer korten afstand was genaderd, heeft bij het binnenkomen van den generaal, onwillekeurig een schrede zijwaarts teruggedaan. Zich spoedig van zekeren schok herstellend, maakt hij nu een beweging met de hand die moet uitdrukken, dat men--hij en zij--daaraan had moeten denken, maar....!

"'t Is mijn gewoonte niet mijnheer," vervolgt Van Barneveld terwijl hij zich tot den majoor wendt, "om menschen die de beleefdheid hebben mij te bezoeken alleen te laten, de ongesteldheid mijner dochter was er nu de oorzaak van. Om u de waarheid te zeggen, liever had ik dezen avond niet ontvangen. U zult me deze openhartigheid ten goede houden."

"O generaal, indien ik had geweten....."

"U kondt dat niet weten majoor. Maar....." en uit den nadruk, dien Van Barneveld op dit laatste woord heeft gelegd, valt gemakkelijk te besluiten dat hij er zou willen bijvoegen; maar--'t zal mij nú aangenaam zijn indien gij vertrekt.

Weinige seconden later heeft Kartenglimp het landhuis verlaten. Na een ongezellige wandeling, waarbij hem gedurig zeer zwarte beelden voor den geest zijn gekomen, terwijl niet zelden een geritsel in 't akkermaalshout of eenig ander geluid hem tot grooteren spoed heeft aangezet; na dien gejaagden tocht is de majoor eindelijk met zekere verruiming het oude stadje binnengestapt, om al spoedig zijn woning te bereiken waar hij zich op zijn kamer met wat grog zal kalmeeren, en eens geregelder zal kunnen nadenken over......

Een "Ha!" op vreemden toon, rolt hem straks van de lippen terwijl hij, geheel in zich zelven gekeerd, juffrouw Ketels ronde dienstbode, kokend water in zijn glas ziet schenken, 't welk ten halve met rum is gevuld. Een gemeenzame lofrede op den klaargemaakten drank, die de deerne, na dat "ha!" meende verschuldigd te zijn, wordt echter door den majoor met een voor haar zeer ongewone ruwheid beantwoord, want, ofschoon door walmen en roode vlammen heen, ziet Kartenglimp nu slechts de slanke en fiere gestalte der beeldschoone doktersvrouw.

En in diezelfde oogenblikken staat Eva Helmond, gereed tot vertrekken, vol ongeduld op haar August te wachten.

't Is haar bekend geworden dat Helmond bij Jacoba is geweest, en dat Coba--wier zenuwgestel immers zoo buitengewoon zwak was--op het hooren van het gespeelde lied, waarvan de tonen, ofschoon door het plafond gedempt, toch duidelijk tot haar kamer zijn doorgedrongen, eensklaps klappertandend en straks ook snakkend naar den adem, in Helmonds armen is neergezegen.

Meer weet Eva niet. Doch zij heeft genoeg vernomen. 't Verwijt heeft haar getroffen dat ze door haar onnadenkendheid--jawel, niets meer en niets minder--het zwakke kind, zoo al niet in levensgevaar gebracht, haar dan toch zeker een gevoeligen schok had gegeven. Oom Van Barneveld meende dat Eva nu wel begrijpen zou, wáárom het ontvangen van menschen hem minder raadzaam voorkwam, terwijl hij haar uitdrukkelijk heeft verzocht, om haar bezoeken liefst niet te herhalen voordat Coba geheel en al hersteld zou zijn.

De oude generaal, die straks te laat was gekomen om nog een onderhoud van Coba met August--waarvoor hij gevreesd heeft--te kunnen verhinderen, had zuster Hermines redenen, ofschoon met droevig hoofdschudden, moeten aanhooren, terwijl men reeds zoo spoedig de treurige gevolgen van haar onvoorzichtigheid aanschouwen zou. Maar, nú ook bestond er geen schijn van twijfel meer dat Jacoba inderdaad een andere liefde dan zusterliefde voor haar pleegbroeder koesterde, en dat zijn huwelijk met Eva Armelo haar een diepe wond had geslagen. En Van Barneveld aarzelt niet langer, maar voelt zich krachtig gedrongen om in 't einde rondborstig met zijn pleegzoon te spreken. Helmond, met de oorzaak van Coba's zielelijden bekend, zal hem raden en steunen in 't belang van zijn geliefd kind. Ja, wat zou hij, de oude krijgsman, bij zulk een toestand ook langer alleen staan en schijnbaar zorgeloos zijn, zonder den raad en de medewerking in te roepen van hem, die in deze teedere zaak zoo nauw betrokken is!

En terwijl Eva vol ongeduld wacht, staan Van Barneveld en August tegenover elkander op de kamer van den generaal.

De laatste woelt met de hand in de witte haren, en herhaalt:

"Heeft ze niets.... niets anders gezegd?"

"Nee oom! Coba heeft me alleen over dat reisplan gesproken, waarbij ze mij dringend verzocht om u daarvan af te brengen, en ik moest haar toestemmen oom, dat ze evengoed op De Zonsberg als op De Godesberg herstellen kan; tenminste...."

"Ten minste....? Nu spreek dan Helmond."

"Wanneer oom zoo goed wil zijn te begrijpen, dat tante Hermine het veld voor Jacoba's dokter moet ruimen."

"Er zijn kwalen Helmond, die een vrouw van jaren misschien eerder en juister zal inzien dan een jong dokter, hoe knap hij ook wezen mag."

Van Barneveld neemt een boek van de tafel, en terwijl hij schijnbaar aandachtig den titel beziet, vervolgt hij: "Coba's zenuwkwaal moet een geheime oorzaak hebben."

"Dat heb ik sedert lang begrepen oom."

Van Barneveld opziende:

"Jij, begrepen? Sedert lang? Sedert wanneer August?"

"Het eerst op den avond vóór mijn trouwen oom, toen ik na ons gesprek over Coba haar eens nauwkeurig heb ondervraagd."

--Vóór zijn trouwen! August heeft het dan geweten nog eer hij zich en voor immer aan dat ijdele kind verbond! Hij heeft den oorsprong van Coba's zielelijden gekend, en is geen stap teruggetreden in 't belang van háár, die hij altijd zijn lieve zusje heeft genoemd. Eigen zin en hartstocht heeft hij gevolgd zonder te bedenken dat hij zijn weldoener met dien moord aan zijn kind een vreeselijken slag ging toebrengen, vreeselijker nog dan die, waarmee Helmonds jongere broeder hem vroeger getroffen had!

De oude generaal heeft weder door het opnemen van het boek een afleiding voor zijn ontroering gezocht. Nu is 't voorbij.--Ben ik dan kindsch geworden of wel een blind egoist, zoo peinst hij voort gedurende de luttele seconden, waarin het na Helmonds verklaring stil bleef. Kon ik dan verlangen dat August zijn liefde, zijn hart zou dwingen uit dankbaarheid; ter genezing....!? Wie zou de krankzinnigheid hebben om zoo iets te eischen? Maar zeker, altijd heeft August Jacoba liefgehad; zijn bewijzen van teederheid hebben wortels geschoten in haar schuldeloos hart; en toen, toen is een Delila met haar Sirenenzang gekomen, en ze heeft hem bedwelmd, zoodat hij blind voor Coba's liefde en voortreffelijkheden geworden is. Die vermetele! Smaden en trotseeren durft ze nu nog den grijzen pleegvader, en.... haar triumf op zijn engelachtig kind vol zelfverloochenende liefde, komt ze hier schaamteloos vieren met haar..... vervloekt pianospel!

Een oogenblik was Van Barneveld zich zelven geen meester; het boek wierp hij met kracht op de tafel, en een paar woorden, ofschoon bij het uiten gesmoord, ze mengden een verbolgenheid in die anders zoo waardige trekken, waaruit schier haat was te lezen.

"Oom, wat deert u?"

"Niets August."--Na een oogenblik van krachtige zelfbeheersching herneemt Van Barneveld, uiterlijk kalm: "Zoo, je hebt dus al vóór je trouwen geweten dat Coba.... méér voor je gevoelde dan...."

Een vuurrood vliegt over Helmonds gelaat. Hij moet zich aan de tafel vasthouden, want die schok kwam te onverwacht.--Groote God! is dat de oorzaak van Coba's lijden! zou het teedere zwakke kind....? Maar neen, door woord noch blik heeft ze hem ooit iets meer gezegd dan 'tgeen ze nog dezen avond, met blijdschap over zijn komst herhaalde: hij was haar lieve broeder--dát, maar ook niets meer.

"Oom, ik begrijp niet....? U bedoelt....?"

"Ik bedoel August, hetgeen je uit mijn woorden hebt begrepen.--

De zaak is van teederen aard. Had ik je niet van jongs af aan mijn zoon genoemd, we stonden zeker niet met zulk een verklaring tegenover elkander. Maar nu, 't is mij om 't welzijn, om 't leven van mijn kind te doen. Ik oude man kan niet langer een rol spelen; mij kwellen met verzinsels en vrouwen-intriges om Coba te vrijwaren voor schokken die haar nadeelig zijn; immers Hermine zelve heeft getoond dat de omstandigheden haar te machtig kunnen worden.--August, mijn openhartig spreken is je een vernieuwd bewijs van mijn achting en vertrouwen.--Je hebt de goede Coba lief..... als een broeder. Zeg me wat wij te doen hebben in haar belang?--August! August!!..... Hoor je me niet?"

"Ik hoor u oom.--Maar nee, nee! dát kan niet waar zijn!"

"Heb je geen brief ontvangen die, waarschijnlijk na je vertrek in Parijs gekomen, van daar is teruggezonden?"'

"Nee oom! van wie?"

--Zal mij dan niets gespaard worden, zegt Van Barneveld onhoorbaar. En dan overluid, terwijl hij August het papier toont, 'twelk door midden gescheurd op Coba's schrijftafel werd gevonden:

"Lees!--Ik weet dat mijn pleegzoon ons lief heeft, en zwijgen kan."

En Helmond leest de regels door Jacoba op dien bewogen morgen in vreeselijken angst geschreven.--Met strakken blik blijft hij op het onvoltooide epistel staren. Zou het mogelijk zijn?--Maar, geen enkel woord in dat schrift bevestigt zulk een vermoeden. Wat zegt het anders dan 'tgeen Helmond reeds zelf had doorzien: dat Coba namelijk hem deelgenoot wilde maken van een bitter hartzeer, van een zieleleed 'twelk haar lichaam te sloopen dreigde.

Eva Helmond loopt in het groote benedenvertrek vol ongeduld op en neer. Met een smadenden blik beschouwt ze vluchtig het sprekend portret van den generaal, 'twelk met dat doordringende oog op haar neerziet. Eensklaps treedt ze op het schelkoord toe en trekt er met kracht aan.

Eenige oogenblikken later verschijnt Hendrik.

Eva in een voltaire neergegleden, heeft een achtelooze houding aangenomen en zegt:

"Wil je mijnheer roepen. Zeg dat ik klaar ben."

"Mevrouw..... belieft.....?"

"Je zoudt dokter zeggen dat ik hem wacht."

Hendrik aarzelt.

"Mevrouw zal niet kwalijk nemen, maar dokter is op menheers bureau, en toen ik zooeven met de brieven boven kwam, toen zei mevrouw Mansburg, die juist op den overloop was, dat ik niet zou aankloppen maar de brieven hier brengen. Een is er voor dokter bij. Menheer Van Hake had gezegd dat de besteller hem maar mee zou nemen omdat dokter hier was."

Hendrik legt een paar brieven bij Van Barnevelds plaats op de tafel.

"Geef hier!" zegt Eva met een wenk naar de brieven; en dan, als Hendrik aan het bevel heeft voldaan: "Je hebt gehoord wat ik zei niewaar? Je zoudt dokter waarschuwen dat ik klaar ben."

"Tóch naar boven gaan mevrouw?"

"'t Komt me voor dat ik het vrij duidelijk heb gezegd Hendrik!"

Hendrik meesmuilt in zich zelven, dat die jonge mevrouw van de kale kapiteinsfamilie, nog meer komplementen op 'r lijf hèt dan al de leden der generaalsfamilie te zamen. Zoo'n kommando heeft ie van juffrouw Coba--die zachte engel!--nog nooit gehad. Maar afijn, als ie tegen de orders van den generaal handelt dan zal hij weten wie 't hem gelastte.

Eva beziet de brieven. De ééne--voor den luitenant-generaal Van Barneveld--interesseert haar volstrekt niet; de andere is aan 't adres van "monsieur le docteur A. Helmond, hotel du Helder, rue du Helder, Paris." Hé, dat is aardig! Een stempel van het hotel er op, en dáár afgeschreven: "Ronduyse près de la Haye, Hollande!" Kluchtig! Ronduyse près de la Haye!--Nu ja, wat wist men in die wereldstad ook van een nest als Romphuizen aan 't eind der aarde; 't was al mooi dat ze er een stedeke kenden 'twelk men hier de residentie noemt.--Wat al poststempels! Tweemaal Paris--'s Gravenhage--en Romphuizen--'t Is niet de inhoud van den brief, die haar belangstelling wekt, maar de brief, zooals zij hem daar in handen houdt, heeft voor haar zulk een bijzondere aantrekkelijkheid, omdat hij diezelfde heerlijke reis heeft gemaakt, en hun uit die prachtige stad en uit datzelfde hotel, nog als een groet van verre werd nagezonden. Men had hen dáár niet vergeten. Hém niet: le beau docteur, en zeker ook háár niet: la belle Hollandaise--ha! zoo men het geweten had: née comtesse d'Armeloo!

Het beschouwen van den brief met de vele postmerken op de voor- en achterzijde, heeft Eva's gedachten een weinig afgeleid. Zal ze hem openen?--Man en vrouw zijn immers één.--Bah! nieuwsgierigheid past niet in het kader van een fier en edel karakter.--Ze zou dien brief kunnen lezen, maar ze wil het niet.--Toch zal ze zoo vrij zijn om hem in den zak te steken: mijnheer de generaal behoeft de correspondentie van de familie Helmond niet te controleeren.

Weinige minuten, nadat dokter Helmond de hem straks getoonde letteren heeft gelezen, zegt Van Barneveld terwijl hij Helmond met zijn doordringendsten blik beschouwt: "Maar ik herhaal je, dat zulk een vermoeden mij en mijn kind beleedigt."

"En ik behoef u niet te herhalen oom, dat dit vermoeden zeker nooit in mij zou zijn opgekomen wanneer er voor u of Coba--naar mijn innige overtuiging--iets beleedigends in te vinden ware, want...."

"August, ga niet voort. 't Is volstrekt onnoodig dat mijn pleegzoon zich in deze teedere zaak verontschuldigt. Ik weet te goed wat hij voor Coba geweest is. Maar wáárom zich dan ook te verschuilen achter een vermoeden--bah! alsof Coba zich zóó zou hebben vergeten; alsof ze affecties zou hebben gevoeld voor haar.... muziekmeester! Zwijg, dat is beleedigend, zeer!"

"Als u mij niet vergunt te spreken dan zal ik zwijgen; maar, u hebt ongelijk."

Van Barneveld loopt met afgewend gelaat de kamer op en neer.

Helmond herneemt:

"Zelfs met uwe begrippen oom, kan mijn vermoeden noch voor u, noch voor de goede Coba beleedigend wezen. Immers door woord noch blik heeft ze ooit doen gissen wat er omging in haar hart."

"Maar ik zeg je dat er in Coba's hart niets, niets ter wereld omging voor dien man.... een muziekmeester, die...."

"Die een uitnemend mensch was, en--die nú rust in het graf oom."

"Wat beteekent die toon! Dat laatste klinkt als een verwijt. Mij dunkt dat er niemand is die de rust van den doode verstoort dan dokter Helmond alleen. Ik heb dat jonge mensch geacht; hij was bescheiden, had talent; maar, zulk een verhaal--wat kon het anders dan mijn weerzin verwekken!"

"Oom ik geloof...."

"Je gelooft het ongerijmde. Stil! Ik had je raad gevraagd, maar behoef hem niet meer. 't Kwam mij niet geheel onnatuurlijk voor dat een gevoelig kind zich wat al te zeer aan den zoon van mijn vroeg gestorven krijgsmakker had gehecht; maar, dat die broeder--na misschien wat al te veel haar teederheid te hebben opgewekt, haar nu, en tegenover haar vader, durft verdenken; haar durft betichten van een.... gemeene liaison; dát, zie dat is...."

"Maar, bij God....!"

"Nog ééns, genoeg August! Ik wil mijn kalmte niet verliezen. Stel je gerust: Jacoba zal genezen ook zonder je meewerking."

"Hoe! zou ik dan niet willen meewerken om Coba...."

"Wij zullen in geen herhaling treden Helmond. Ons gesprek heeft me meer gekost dan je vermoedt. Ik wilde...."

Er wordt vrij luide op de deur geklopt.

"Wie daar?" roept Van Barneveld.

Hendrik opent de deur en zegt op den drempel:

"Menheer, mevrouw Helmond vraagt of dokter beneden wil komen? Mevrouw was klaar om te vertrekken en kon niet langer wachten."

"Zeg aan mijn vrouw of zij nog even...."

"Heeft mevrouw Mansburg je niet gezegd dat ik ongestoord wilde blijven?"

"Jawel generaal."

"En tóch durf je hierkomen!"

"Mevrouw Helmond gelastte me generaal."

"En heb je niet gezegd dat mijn orders...."

"Jawel generaal, dat heb ik duidelijk gezegd, maar de jonge mevrouw zei dat dát er niet op aankwam, en dat ik tóch gaan moest."

Een donkerrood bedekt eensklaps het gelaat van den ouden krijgsman.

"Zeg aan mevrouw dat ik zal komen zoodra ik kan;" klinkt Helmonds bevel, en hij geeft een gebiedenden wenk aan Hendrik, die daarop aanstonds vertrekt.

"De onbeschaamde feeks!" murmelt Van Barneveld, terwijl hij zijn gelaat naar een andere zij heeft gekeerd en de vuisten krampachtig gesloten houdt.

Helmond heeft dat laatste gehoord. Het greep hem in 't hart. Snel werpt hij een blik naar de deur om zich te overtuigen dat hij zich met den pleegvader alleen bevindt, en dan:

"U spreekt van mijn vrouw oom!"

"Ja Helmond, ja!"

"Maar gevoelt u niet oom...."

"Gevoelen! Ha, dat zal waar zijn, meer dan ik zeggen kan. Bleef ik daarom te midden van 's-vijands lood in duizend gevaren ongedeerd, om mij 't leven door een paar wijven te doen vergiftigen!"

Helmond, doodsbleek geworden, staart met saamgeperste lippen op den grijsaard, die eveneens strak voor zich heen ziet. Bijna fluisterend met een trillende stem, zegt de eerste terwijl hij met de hand op de tafel geleund zich eenigszins naar de zij van zijn pleegvader vooroverbuigt:

"U bedoelt.... toch.... niet.... dat mijn Eva....?"

Van Barneveld grijpt den rug van een armstoel vast; blijft strak voor zich heen zien, en geeft geen antwoord.

"Het kan u geen ernst wezen oom, dat mijn vrouw waarlijk een hinderpaal zou willen zijn voor uw geluk....?"

Van Barneveld blijft zwijgen. Met Gods hulp zal hij verder heerschen "over den boozen geest die hem te vervoeren zoekt".--Helmond vervolgt:

"Al moest het waar zijn wat u ten opzichte van Coba hebt vermoed, is het dan Eva's schuld dat ik haar tot vrouw koos, terwijl ik de goede Coba toch nooit met zulk een liefde zou hebben bemind? Maar bovendien, de tijd zal het leeren dat mijn huwelijk met Eva Armelo uw kind geen hartzeer heeft berokkend oom. En dan, wat heeft Eva gedaan dat zij door u een onbeschaamde.... een--o het woord is te bitter--een wijf wordt genoemd, dat.... u het leven.... te.... vergiftigen zoekt.--Oom, mijn achting, mijn eerbied voor u, ze eischen toch niet dat ik de vrouw mijner liefde onverdiend zal hooren smaden en beleedigen....?"

Van Barneveld wendt zijn gelaat langzaam naar Helmonds zijde, en 't klinkt schijnbaar kalm op diepen toon:

"Zal ik mijn pleegzoon verschooning moeten vragen voor de woorden die hem griefden?--Welaan, het zij zoo, op mijn ouden dag wil ik den oorlog niet.--August, ga nu heen, we hebben niets meer te praten;--neen, niets meer, niets!--Groet je vrouw August. Zeg haar dat het beter zal zijn indien we elkaar niet meer--of wil je--slechts zelden ontmoeten. Ik eisch tenminste rust en vrede wanneer ik dan niet oogsten mag waarop mijn hoop was gebouwd: de liefde van hen die ik.... als eigen zoons heb opgevoed.--Ga nu August.... je vrouw wacht je."

Dokter Helmond staat een oogenblik besluiteloos. Op dien toon heeft hij den pleegvader nog nooit gehoord. Er was een weemoed in zijn stem die geweldiger trof dan ooit zijn toorn het gedaan had. August ziet den ouden man in een leunstoel neerzakken. Met den arm op de tafel ondersteunt hij het sneeuwwitte hoofd. Hoe! blinkt daar een traan in het starende oog,--een traan in het oog, 't welk men voorheen wel eens "des vijands vlucht" of "Neerlands krachtigst wapen" heeft genoemd?

Van Barneveld wendt zijn gelaat van Helmond af; maar de pleegzoon heeft den traan gezien. Met bliksemsnelheid vliegt een blonde jeugd en gelukkige jongelingstijd zijn geest voorbij; al wat hij goeds genoot van dien edelen maar gestrengen pleegvader, het staat daar weer levendig voor zijn herinnering. Zijn waardige lessen of kernspreuken, hoezeer ook somwijlen in tegenspraak met een vrijere, mildere--misschien een jongere--wereldbeschouwing, doch altijd getuigend voor zijn edelen aard en onkreukbare trouw, hij hoort ze opnieuw: "Vrees God! Eer den Koning!"--"Heb je vijanden lief, maar verdelg ze die komen om 't vaderland te belagen, of hém te bestoken die door God tot opperheer werd gezalfd."--"Zelfs de rijke werke in zijn jeugd opdat hij met zijn rijkdom niet arm zij in den ouderdom."--"God heeft standen en rangen verordineerd: wie huwt beneden zijn stand verbreekt de ordonnantiën Gods."--"Wees gestreng maar rechtvaardig; mild voor wie geen handen heeft of op krukken gaat."--"Zwijg als uw meerdere spreekt."--"Buig het hoofd indien de Heer gebiedt."--"Kruipen doet het laag gedierte."--"Knielen zult ge voor God alleen."

En dan, moest in dit oogenblik het woord niet met gloeiende letters voor Augusts oog geschreven staan: "Vergeet de hand niet die u de veldflesch reikte toen ge snaktet naar water"?

"Oom!" barst Helmond uit, terwijl hij de hand van den grijsaard vat: "ik bid u, spreek zoo niet. Heb ik u niet lief als een dankbare zoon?"

"'t Is wel August, maar ga nu. Waartoe nog meer! Je vrouw wacht beneden."

"Zou een vrouw mij verhinderen om u te zeggen dat ik u als een eigen vader liefheb?"

"Men zal de vrouw boven den vader stellen. Ga nu heen August!"

"Maar wij beiden zullen u liefhebben oom; zij zal wijs worden; maar wees niet te gestreng tegen haar!?"

Van Barneveld ziet hem eensklaps aan alsof hij wil vragen: was ik gestreng tegen háár? Gij die mij kent, hébt gij van dezen avond mijn zelfbeheersching niet gezien?--Maar, zonder spreken ziet hij weer voor zich neer, en dan:

"Ik wenschte nu dat je heengingt August; nóg eens, je vrouw staat te wachten."

"Maar Eva zal wachten oom! Zonder de zekerheid dat ik nog altijd uw liefde en achting bezit, kan ik niet heengaan. Waardoor heb ik die liefde verbeurd? Waarin heb ik moedwillig uw hoop bedrogen? Als man van eer verzeker ik u dat ik nooit met Coba's hart heb gespeeld, en zelfs, tot het oogenblik, waarin u mij uw vermoeden meedeeldet, is het denkbeeld aan de mogelijkheid niet eens in mij opgekomen. U gelooft mij oom....? U gelooft me, niewaar?"

Van Barneveld antwoordt niet; maar juist in dat zwijgen vindt Helmond zijn vrijbrief. Hij vervolgt:

"En, moest het nu al waarheid wezen dat ik geheel ondanks mij zelven aan uw dierbaar kind een dieper gevoel heb ingeboezemd dan we vermoedden, wat ik u bidden mag, laat mijn Eva dan toch buiten die teedere zaak. Immers, toen ik reeds haar jawoord ontvangen had, toen wist ze ternauwernood dat de lieve Coba bestond. En bovendien, haar aard is te edel om gelukkig te kunnen zijn ten koste van een andere. Is zij dan wat veeleischend misschien, bedenk ook dat Eva geen hart zou hebben aangenomen 't welk haar niet in den uitgestreksten zin alleen toebehoorde. Verdenk dus mijn Eva niet. Maar ook, om mijnentwil vergeef mijn jonge vrouw, die niet in uw goede leerschool werd grootgebracht, wanneer ze eens vergeet...."

Eva gekleed met hoed en sjaal heeft de deur van Van Barnevelds kamer geopend, en den drempel overschrijdend, zegt ze nu tamelijk luid:

"Ik geloof August, dat alleen de jonge vrouw iets te vergeven heeft, wanneer men haar gedurende een paar uren geheel en al vergeet."

"Eva....!"

Van Barneveld heeft eensklaps met vlammenden blik naar Eva omgezien; doch, nu zegt hij bedaard:

"August.... je hebt het gehoord."

"Maar ik had met oom te spreken Eva."

"Leert mijnheer Van Barneveld misschien dat men ter wille van zulk een gesprek, eerst zijn jonge vrouw met een vreemde, en later in holle kamers bij nachtlicht geheel alleen zal laten?"

"Eva, ik verzoek je...."

"....Te begrijpen August, dat men zulk een les niet opvolgt, en althans niet wanneer de zeer wellevende leermeester, die vrouw de deur heeft gewezen."

Van Barneveld steeds in zijn armstoel gezeten, grijpt een pen, stoot die eenige malen met kracht op de tafel, en dan, als hij haar gansch gespleten wegwerpt zegt hij zacht doch met klem:

"August, je kent me: Ga nu heen."

"Oom, ik kan...."

Van Barneveld reikt hem van terzij, met afgewend gelaat, de hand, en 't klinkt weer zacht:

"Laat dit eindigen; om Godswil, ga heen!"

Eva komt den generaal een schrede nader, en met een stem die bits kon heeten indien ze niet door een natuurlijke welluidendheid werd getemperd, zegt ze:

"Ik heb begrepen mijnheer Van Barneveld, dat het eindigen zou nog vóórdat het begonnen was. Dezen avond wilde ik zekerheid hebben, en...."

"Eva, kom, wij gaan.... Bedenk tegen wien...."

"Ik bedenk dat zeer goed, en wil dien ouden heer ook volstrekt geen kwaad August; ja zelfs ik zal je niet weerhouden hem lief te hebben zooveel je dat kunt. Maar, heb ik zelve nog straks zijn eer tegenover dien vreemde trachten op te houden; nú tegenover hem zelf, en bij ons laatste samenzijn, nu wil ik spreken: Ik heb altijd vermoed mijnheer de generaal, dat het zoo eindigen moest, en wel.... omdat mijn karakter nooit sterker in opstand kwam dan wanneer het trots, gepaard met schrielheid, ontmoette. Mijn ondervinding...."

"Eva zwijg!" roept Helmond hevig: "bij God, dat gaat te ver...."

De oude generaal heeft nogmaals en krachtig gestreden, maar ook nogmaals--tegenover een vrouw, zich zelf overwonnen. Nu opgestaan, zich zijwaarts tot Eva keerend, zonder haar echter aan te zien, zegt hij met een zeer merkbaar gekunstelde bedaardheid:

"Wil me uw ervaringen sparen mevrouw. Met mijn leeftijd zou ik driemaal uw vader kunnen zijn. Mijn trots en schrielheid...."

"Oom ik bid u, zij bedoelde...."

"Zij bedoelde mijn trots en schrielheid August, en daarom.... dáárom...." Doch de grijsaard kon niet verder spreken. Zijn lippen trilden; de stem stokte hem in de keel. Helmond greep zijn hand, maar als hij met de andere ijlings een glas water wil inschenken, dan vermant zich de oude krijgsman voor 't laatst, en zegt op zacht gebiedenden toon, terwijl August Goddank, nog zijn handdruk gevoelen mag:

"Laat me.... nu alleen.... of.... of ik vergeet....--Voort Helmond, voort!"

En August, wankelend tusschen den verguisden pleegvader en zijn gekrenkte maar onberaden echtgenoote, werpt een gestrengen blik op Eva, en ze vlucht voor dien blik terug naar de deur. En de grijsaard, neervallend in zijn zetel, bedekt met beide handen het gloeiend gelaat, en murmelt met tranen in zijn heesche stem:

"O God, dit alles op mijn ouden dag! Heb ik dat aan hen verdiend! Groote God, moest ik dit nog beleven!"

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

't Was den jongen dokter bij 't naar huis keeren alsof de starren hem treurig toeriepen dat de zon voor altijd was ondergegaan.--Ach! is dan de vrouw, die daar aan zijn zijde treedt, de schoone zoetgeurende bloem, die hij op zijn pad gedacht heeft te vinden? Is zij de teedere zachte; de stille bescheidene; de tevredene eenswillende de plooiende nederige levensgezellin, die hij voor 't eerst met een kwijnende plooi om den fijnbesneden mond onder den meidoorn heeft begroet? Hoe! is dan de vrouw, die daar zonder spreken als een donkere massa nevens hem voortgaat, en van wie het hem goeddeed dat zij straks den noode aangeboden arm versmaadde, is zij dezelfde, wier eerste kus hem voor luttele maanden de grootste zaligheid schonk, wier hemelsche oogen hem spraken van een eeuwigdurende liefde; wier mondje hem zoo dikwijls de zoetste woordjes had toegefluisterd en zoo plechtig verzekerd: dat het eenig geluk zou wezen, met en voor hem te leven!

--Heeft hij zich dan zóó bedrogen!?

--Welk een aard stak er dan in die schoon gevormde vrouw? Ongevoelig en vermetel, ja onbeschaamd heeft ze den edelen pleegvader grofheden gezegd die.... O God, 't is ongelooflijk dat zóó iets geschieden kon.--Is het wel waarlijk gebeurd? Heeft geen droom hem begoocheld? Neen, het is geen droom.--Daar gaat ze; nu bijna geheel aan de overzij van den straatweg.--Spreekt ze? Neen, 't Is het fladderen der zijden linten van haar hoed in den avondwind.--Toch meent hij te hooren....?--Neen, spreken doet ze niet. Is het klappertanden....?

"Eva!"

Geen antwoord.

Hij treedt naar den overkant van den weg haar terzij, en dan, na een oogenblik zwijgens:

"Wil je me vasthouden Eva?"

Nog geen antwoord; maar duidelijk hoort Helmond nu het gerikkel en het geklepper van haar tanden.

"Geef me den arm Eva!"

"Ik dank je August;" zegt Eva, bijna onhoorbaar, terwijl ze zich geweld doet om het tandengeklapper te bedwingen.

"'t Zou toch gemakkelijker voor je zijn; 't is nog een heele wandeling."

Eva antwoordt niet, maar denkt: En bij den dierbaren pleegvader staan drie paarden op stal, en zit een koetsier te luieren in de keuken!--Die goede pleegzoon! hij wil mij gaarne den arm geven, bevreesd misschien dat mij hier op den weg iets overkomen zal. Geen nood, zoo erg is het niet. Zou het mij bij zijn aanraking niet zijn alsof ik nogmaals den dolksteek zijner oogen gevoelde? Zulk een blik! Op mij.... zijn "liefste", zijn "eenige", zijn "geluk voor altoos". O! mag dankbaarheid dan zóó verblinden? Zou een man die waarachtig zijn grootsten schat vindt in de liefde zijner jonge vrouw, zou hij zich aanstonds zóó kunnen stellen tegenover haar, en aan de zij van een bekrompen autocraat!

"Of ik koud ben August? Ja, koud, verschrikkelijk!"

"Ik begrijp het Eva, je hebt...."

"Ik heb je ijskoude oogen gezien August. Nee, laat me, ik wil alleen gaan."

"Eva, we hebben onlangs van een kind gelezen, dat bij het naderen van een trein op de rails speelde. De vader schoot toe en greep het kind met ijzeren vuist. Het kind schreide want de vader had het zeergedaan.... Maar zeg, die ijzeren vuist getuigde zij voor de liefde van dien vader.... of....?"

Eva antwoordde niet.

Had dokter Helmond dan vergeten dat hij zijn patiënten gedurende een heete koorts geen versterkende middelen toedient, en heeft hij niet doordacht dat zijn overtuigend woord in deze oogenblikken zou zijn als olie geworpen in het vuur?

--Dat gaat te ver, prevelt Eva binnensmonds. Ei! ik ben dus het domme onwijze kind dat zelfs niet weet waar het speelt, ik! terwijl inderdaad de hoogwijze echtgenoot, die zoo beschermend de hand naar de onnoozele uitstrekt, met blindheid is geslagen en ten koste zijner jonge vrouw de partij trekt van een schrielen laatdunkenden voogd!

Toen dokter Helmond en zijn vrouw waren thuis gekomen, en mevrouw Van Hake nog eens even naar den welstand van juffrouw Van Barneveld kwam vragen, om meteen zoo ongemerkt te zien of ze Eva ook in 't een of ander behulpzaam kon wezen, toen bespeurde zij al spoedig dat het bezoek op De Zonsberg de jonge echtgenooten niet vroolijk gestemd had.

Zij achtte het echter verstandig daarvan niet te doen blijken; maar, nadat Helmond nog even in de apotheek was gegaan, zocht ze Eva een weinig te verstrooien door haar op vriendelijken toon over een huishoudelijke aangelegenheid te raadplegen, terwijl ze later, alvorens te vertrekken, een schoteltje aardbeien uit een buffetkastje te voorschijn haalde, met verzoek om dokter met deze eerstelingen eens bij 't souper te verrassen. Mevrouw Van Hake had ze zelve van een tuinman gekregen aan wiens dochtertje zij 't naaien leerde. Maar Eva mocht daar niets van zeggen.

En het betere, het edele in Eva fonkelde nu weder in haar oog, terwijl ze daar peinst:

--De arme ziel! Zij die zoo weinig, neen die niets bezit in de wereld, zij kon wel aanstonds wegschenken 'tgeen men haar uit dankbaarheid heeft aangeboden. En, niet uit haar naam moet ik ze geven, maar zij wil dat ik ze August zal voorzetten alsof ik zelve bedacht had hem er mee te verrassen.--O! zeker, 't is een lief en goed mensch die arme vrouw.--Welk een onderscheid met dien nabob van De Zonsberg! Uit haar attentie--hoe gering op zich zelve--spreekt liefde voor ons, en hartelijke gulheid.

En, bijna overluid zegt Eva, met de oogen in de richting der deur door welke mevrouw Van Hake zooeven de kamer verliet: Goed schepsel, arme sukkel, je had met je ananas-aardbeien op geen beter moment voor den dag kunnen komen. We zijn vriendinnen hoor, vriendinnen voor altijd! En dan, met een blik op de mooie vruchten: Maar mijnheer Helmond zal van avond geen aardbeien eten. Immers, er was reeds verkoeling genoeg!

En Eva borg de heerlijke donkerroode vruchten weer in de kleine buffetkast.

Weinige oogenblikken later ziet ze luisterend op. Een rijtuig--in den aanvang nog zeer van verre--komt al nader en nader, en doen de huizen der stille Hoenderveldstraat beven en trillen; verschrikt misschien over zulk een onverwacht bezoek in den laten avond.

Hoor, het rijtuig houdt voor de achterdeur stil.

Eenige minuten later komt Helmond uit de apotheek terug en zegt:

"Mijnheer Debecque laat me op De Poel halen Eva. Zijn zoon, die voor een paar dagen was thuisgekomen, is ziek geworden. De Poel is drie kwartier rijdens; 't zal dus laat worden eer ik terug ben. Jij moet maar naar bed gaan Eva."

"O, als je dat liever hebt....."

"Laat opblijven is niet gezond."

"Och, die gezondheid zal wel zoo schrikkelijk zwaar niet meer wegen."

Helmond ziet haar een oogenblik stilzwijgend aan. Nu gaat hij in de gang; maar komt ook spoedig, met zijn overjas aan en tot vertrekken gereed, in de huiskamer terug:

"Slaap wel Eva."

--Neen, die koude duldt ze niet langer. Nu ze den geliefde daar gereed ziet om haar voor 't eerst op zulk een vergevorderd uur, hoewel slechts voor korten tijd te verlaten, nu komt een zekere avond-weekheid--en vooral na een overspanning als die der laatste uren--zich huwen aan haar liefde voor den echtvriend; en dan, ofschoon met groote zelfoverwinning--want dien ijskouden blik kan ze niet vergeten--zegt ze, terwijl ze op het gereedstaande avondbrood wijst:

"Ik zou toch eerst iets eten Helmond."

"Nee..... dankje. Ik heb geen trek Eva.--Ik zeg..... wacht me niet; 't kan wel één uur worden eer ik terug ben."

"Dan zou ik toch zeker eerst nog iets eten."--Zij gaat naar het buffetkastje; opent het, en..... neen, ze doet het weer dicht. Maar zie, als Helmond haar straks is genaderd, en haar een zoen ten afscheid zal geven, omdat.... omdat hij het nu voor 't allereerst toch niet laten wil, zie, dan heeft ze den kleinen schotel met aardbeien reeds in de hand, en zegt ze met bijzonder welluidende stem:

"Als je er van deze wat bijnaamt August, hé? Een klein stukje brood?"

"Eva.... hadt je die voor mij.... die prachtige aardbeien?"

"Nee August, niet ik...."

"O, dan heeft oom ze gezonden.--Al gisteren had Coba gezegd...."

Eva legt haar vinger op den mond:

"Stil, niet te voorbarig August. Mijnheer Van Barneveld is er waarlijk onschuldig aan.--Nee, ze zijn van een arme weduwe, die ze uit haar eigen mond voor je spaarde, en, die zelfs wenschte dat ik haar naam niet zou noemen."

't Was een prachtige lente-avond of lentenacht; prachtig inzonderheid voor wie, zooals dokter Helmond, zeer gemakkelijk in het grijs damast eener overheerlijke coupee--gevrijwaard voor de kou, die dit jaar zeer lang bleef aanhouden--zachtkens geschommeld, het schoon daarbuiten genieten mocht.

De koetspaarden van mijnheer Debecque vlogen over den straatweg; en, door het portierglas heen zag Helmond, hoe de straks gerezen volle maan hen najoeg als op donzen wiek door het grauw azuur, terwijl ze velden en heuvels en bosschen, al dommelend of slapend in breede schaduwen, hier en ginds met haar phantastisch zilverlicht, deed droomen van den klaarlichten dag.

En zie, nu Helmond reeds lang heeft getuurd naar die zacht glanzende maan, meest in volle klaarheid voortjagend aan den wolkeloozen hemel, maar gedurig ook wegschuilend achter takken en blaadjes, waardoor zij zoo tooverachtig heenblonk alsof ze oude sprookjes vertellen wilde.... zie, nu giet zij eensklaps haar bleeken glans over den zijmuur van een deftig landhuis, terwijl zij het hooge ijzeren hek aan den straatweg met matte blinklichtjes flikkeren doet.

Dat is De Zonsberg.

't Is niet vreemd dat Helmond eensklaps in levendige trekken het beeld van den grijzen pleegvader voor oogen heeft.

En weer,--maar sterker dan te voren, komt de vraag hem bestoken: Bezit die waardige grijsaard dan inderdaad de gebreken waarvan Eva hem zoo overmoedig durft betichten? Is hij dan werkelijk trotsch....?

--Neen neen, dat kan niet waar zijn.--En toch, sprak hij niet meermalen dat woord; Er zijn standen en rangen door God verordineerd. Wie huwt buiten zijn stand verbreekt de ordonnantiën Gods!--En wanneer men dan daarmee zijn houding tegenover den armen Philip in verband brengt! 't Was toch zijn wil geweest dat de vurige knaap, het meisje aan wie hij reeds zijn woord van trouw, en helaas ook het recht op zijn naam had gegeven, dat hij haar dien naam zou onthouden; dat hij haar verstooten zou omdat-- omdat er standen zijn.... ha! rangen, hooger en lager, bepaald naar de geboorte der menschen.--O, den man dien men van kind afaan schier als het middelpunt der wereld, als den edelste der menschen, als den weldoener, den steun van zijn leven leerde beschouwen, zulk een ziet men zoo moeielijk anders dan bij den glans der aureole, waarmee wij hem zelf vol geestdrift tooiden. Maar toch, peinst Helmond voort, reeds zoo dikwijls heeft het mij strijd gekost om het denkbeeld te verjagen, dat er inderdaad op den bodem van dat hart een trots zetelt, die slechts op de gelegenheid wacht om zich naar waarheid te toonen.--Zou dan die vrees voor Eva's zucht naar grootheid, zouden zijn bedenkingen tegen mijn keuze, inderdaad de uitvloeisels van dien trots zijn geweest, ofschoon hij het steeds te verbergen zoekt? Oom is goed voor iedereen, maar zijn toon klinkt meestal gestreng; tegenspraak duldt hij niet, en gemeenzaam met zijn minderen is hij nooit.--En dat andere....? Maar neen, mijn gansche leven, alles wat ik ben, 't is immers het klinkendst protest tegen zulk een beschuldiging.--Hij, de weldoener, de grootmoedige, die zelfs twee arme knaapjes tot zich nam, hij zou de kiem in het hart dragen van dien wortel van alle kwaad?

Helmond weet niet meer waaraan hij later een geruimen tijd heeft gedacht. Onder 't voortrijden zag hij wel, dat kleine zwarte wolkjes nu en dan de maan hebben befloerst, maar wánneer dat begonnen is.... hij weet het niet. 't Is aanstonds een heele boel donkerder wanneer zoo'n wolkje de glanzende nachtvorstin in den weg treedt; doch zie, doorschijnender vluchten de laatste vlokjes reeds heen, en voorzeker, wanneer het dan weer helder en licht is--neen, dan komen weer andere veel grootere vlokken en wolken, en, de maan zal 't verliezen in den kamp, want..... de lucht gaat betrekken.

Straks in de lanen van het landgoed De Poel was het,--ofschoon geen donkere nacht, toch in geen geval helder.

--Mijn Eva ziet scherp en met onbevangen blik, peinst Helmond, terwijl hij in het dommelig zwart voor zich heen staart: Onverstandig, berispelijk zelfs was haar overmoed; maar ongelijk, inderdaad ongelijk heeft ze niet.

Aan een kleinen zwaai van het rijtuig en aan het knoerpen der wielen en paardenhoeven in 't kiezel zand, bespeurt Helmond dat men den oprit van De Poel heeft bereikt. Eenige oogenblikken later stapt hij de coupee uit, en treedt de vestibule van het fraaie landhuis binnen.

De oude baron Debecque ontvangt den dokter in de vestibule. Men heeft zijn komst met verlangen tegemoet gezien. Eergisteren is Archibald--de voorzoon van mevrouw Debecque, een charmante jongen, die voor zes jaren geheel vrijwillig, maar zeer tegen den zin zijner familie naar de Oost was gegaan,--met overplaatsing bij het leger in Nederland, uit Indië in de ouderlijke woning teruggekomen.

"Vandaag," zoo geeft Debecque eenigszins gejaagd de verdere inlichting: "vandaag, vooral van avond, zag hij vreeselijk bleek; fameuze pijn in de zij; belemmerde ademhaling; koortsig; mama zeer ongerust, natuurlijk!--Vooral niets laten blijken indien er gevaar mocht wezen.--Jawel op die kamer; ga binnen dokter."

Archibald Hardenborg, omtrent zes en twintig jaren oud, had een bijzonder gunstig voorkomen; men kon hem gerust een type van mannelijke schoonheid noemen. Nú, zooals hij daar met de donkerblonde krulharen om het eenigszins bleek gelaat in het kussen neerligt, nu zal men het eerste wel aanstonds toestemmen, doch waarschijnlijk het tweede niet zoo gereedelijk beamen.

Helmond groet mevrouw Debecque, die zwijgend een welkomstteeken heeft gegeven, en gaat dan aanstonds naar het ledikant.

"Ah zoo, ben je daar menheer Helmond;" zegt de zieke tamelijk snel, ofschoon het te hooren is dat hij moeite heeft om zoo rad te spreken: "Mama's troetelgodin, de lieve Hollandsche lente, heeft me leelijk in m'n wiek geschoten.--'t Spijt me dat ik je.... derangeeren moet.--Links in de zij, jawel.--Een pols als een gangklok.... Volstrekt geen kwaad bij.... Hoor je wel mama.... 't is niemendal!"

"Wees zoo goed luitenant! u niet te veel met spreken in te spannen, 't Valt u moeielijk niewaar?"

"Als je me nu vroeg om bijvoorbeeld een "Grace" uit de Robert of zoo iets te zingen, dan ja.... ai!.... Nee nee, 't is zoo erg niet."

"Heb je weer meer pijn?" vraagt de oude baron, en ziet beurtelings zijn zoon en dokter Helmond aan.

"Om u de waarheid te zeggen papa, daar hou ik zoo precies geen boek van. 't Is in alle geval een allemachtig mooie bestiering, dat een patiënt z'n rantsoen pijn niet voor de heele expeditie opeens.... te.... dragen krijgt."

Bij de laatste woorden, half lachend gesproken, bemerkte Helmond opnieuw dat dit schertsend spreken--waarschijnlijk het gevolg van een doorgaans vroolijken aard, en ter geruststelling zijner moeder--den patiënt meer moeite kost dan hij weten wilde. Archibald wendde het gelaat naar de binnenzij van het ledikant, en Helmond vernam voor niemand dan hém verstaanbaar de woorden:

"Een pleuris hé? Zeg aan mama dat het niets te beduiden heeft."

Mevrouw Debecque was een eenigszins vreemd, schichtig, lief leelijk mensch van ruim vijftig jaren.

Als de echtgenoot van den steeds galanten en doorgaans opgeruimden ouden baron, die zelf een goed gevormd gelaat had, waarover iets blank-zilverachtigs verspreid lag; als de echtgenoot van zulk een man, moest mevrouw Debecque, op wie haar voor 't eerst ontmoette, wel een zonderlingen indruk maken.

Ofschoon van patricische, maar niet van adellijke afkomst, had mevrouw Debecque een zeer burgerlijk voorkomen. Wat echter de minder schoone weduwe van den kapitein Hardenborg, vooral in de oogen van den baron Debecque tot een zeer wenschelijke partij heeft gemaakt, was de omstandigheid dat mevrouw Hardenborg, geboren Rebecca Fontayn, een zeer groot vermogen bezat; en, dewijl de baron na den dood zijner eerste vrouw--die hem een paar huwbare dochters had nagelaten--zich in groote financieele moeielijkheden bevond, zoo was hij verstandig genoeg geweest om te zorgen "dat hij baron kon blijven" ten einde ook aan zijne dochters, namens de tweede mama, een huwelijksgift te kunnen aanbieden, eenigszins geëvenredigd aan haar stand.

Nochtans, hoewel Debecque "baron en vader was in de eerste plaats", en ofschoon hij nog geenszins ongevoelig mocht heeten voor vrouwelijk schoon, hij was te zeer edelman, om zijn woord van trouw aan de weduwe Hardenborg te schenden, of voor haar toenmaals tienjarig zoontje Archibald, liefde te huichelen, indien hij niet werkelijk dat aardige kind als zijn eigen had liefgekregen.

Debecque heeft aan zijn tweede vrouw nooit gezegd dat hij haar "vurig beminde" of dat hij haar "schoon vond", maar somwijlen slechts dat "die beste lieve Archibald, waarlijk wel wat op zijn moeder geleek".

En immers, zoo iets te hooren, het was voor die moeder reeds meer dan zij wenschen kon.

Toen Archibald op twintigjarigen leeftijd officier is geworden, toen heeft mevrouw Debecque de zwaarste slag van haar leven getroffen. Met zijn vurigen aard, had haar jongen rust noch duur gekend eer hij den steeds gekoesterden maar lang verzwegen wensch zag vervuld, om als officier naar Oost-Indië te vertrekken, waar, zooals hij zeide, de nikker-populatie tenminste van tijd tot tijd nog zorgde dat een Nederlandsch officier zich leerde herinneren waarvoor hij den degen droeg. Met de vaste belofte "dat hij juffrouw Insulinde 't vaarwel zou toeroepen als ze hem soms wat al te chaude werd, of wanneer ze een van z'n ledematen als liefdepand zou hebben geëischt; met ernstige beloften, ook van "schrijven" en "niet vergeten" en "niet roekeloos wagen" en "altijd maar denken" enz., is Archibald vertrokken, zonder dat ook de invloed van papa Debecque hem heeft kunnen bewegen om af te zien van den altijd gekoesterden wensch.

Met Archibalds vertrek was voor de goede vrouw de zon uit het landschap verdwenen.--Zij is aan 't sukkelen geraakt, en terwijl haar schoonheid daardoor in geen geval had mogen winnen, ging bovendien het schichtige van haar blik zich steeds sterker in haar handelingen openbaren, zoodat zij zeer menschenschuw en dikwijls uiterst zwaarmoedig en zwaartillend geworden is.

Doch, sedert een half jaar, toen men het bericht uit de Oost ontving dat Archibald zou terugkomen, is mevrouw Debecque oneindig veel beter geworden; zij sliep veel geruster en was, voor den gewonen beschouwer, dan ook niets anders dan.... een eenigszins vreemd, schichtig, lief leelijk mensch.

En nu, twee dagen na Archibalds blijde tehuiskomst, werd hij eensklaps ziek; o goede God, en erger ziek dan men bekennen wilde, ja, dat zag de moeder zeer duidelijk.

Dokter Helmond heeft zijn recept geschreven, en geeft verder den noodigen raad. Opstaande zegt hij nu:

"Tot morgen jonker. Zoodra de middelen er zijn, trouw innemen, hoor!"

Door den baron vooruitgegaan en op het portaal gekomen, voelt Helmond zich eensklaps aan 't pand van zijn jas trekken.

"Dokter, zeg, verberg mij niets: is hij vergiftigd misschien? Door een wraakzuchtige in Indië.....? O God, dat zou verschrikkelijk wezen! Een langzaam werkend vergif?"

"Vergiftigd?" zegt Helmond zonder verbazing, want hij weet wel dat mevrouw Debecque zeer sombere oogenblikken heeft: "Nee waarlijk, daar is geen quaestie van mevrouw."

"Och waarlijk niet dokter! Maar mijn kind is toch ziek, ernstig ziek. Zal hij beter worden, zeker?"

"We zullen ons best doen om den luitenant weer heel gauw op de been te helpen. Maar, als u je ongerust maakt, en de luitenant het bemerkt, dát doet kwaad, natuurlijk."

"Och, ongerust ben ik niet...." Zeer zachtjes: "Maar hij is heel rijk; en ik ben er zeker van dat er zijn die loeren op zijn geld; jawel!--U zult de drankjes zelf en alleen klaarmaken?--Nu ik zal niet angstig zijn; maar hij is mijn eenig kind, en mijn voornaamste erfgenaam--Een klein beetje loeren ze wel dokter,--jawel, jawel!"

Terwijl de coupee weer voorkomt, wil mijnheer Debecque volstrekt dat Helmond even in de huiskamer een glas wijn zal drinken.

Helmond herhaalt op Debecque's vragen zijn verzekering: dat het met den luitenant, naar hij vast vertrouwt, wel spoedig zal terecht komen; bovendien hij heeft een krachtig gestel en een vroolijke natuur, maar.... men kan een ziekte niet vooruitloopen.

"Doe toch wat je kunt dokter," dringt de baron: "je weet niet hoe blij ik was toen ik Archibald weer behouden thuis zag. Mijn vrouw scheen letterlijk een geheel ander mensch geworden; over niets niemendal hebben we eenige tobberij gehad. Je begrijpt me.--Zie, voor 't geluk van mijn vrouw moet ik zorgen zooveel ik kan; maar bovendien, ik houd van Archibald, waarachtig! Allercharmantste jongen! In één woord, doe wat je kunt. 't Rijtuig blijft om zoo te zeggen voor je ingespannen. Zijn twee visites daags niet te veel van je tijd gevergd, maak er drie. Zijn consulten noodig.... beslis en handel.--Nee nee, 't is maar omdat ik die arme vrouw dat kind zoo duizendmaal gun; en.... zelf, ja zelf heb ik veel liefs van hem ondervonden. Onder ons gezegd amice, 't was al mijn plan om 't mooi gelegen Hoeverszathe voor hem te koopen; 't ligt vijf minuten van hier en vlak aan den straatweg. Niewaar, als hij zich dan een lief mooi vrouwtje koos, zooals bijvoorbeeld een mevrouwtje Helmond;--ja ja dokter, dat is charmant, charmant! eere hebbe je smaak. Ik zeg, als Archibald zoo nabij ons kwam wonen; natuurlijk den dienst quitteerde, en al vast over een tien duizend jaarlijks te beschikken kreeg, niewaar, dat zou voor z'n moeder en ook voor mij een waar genot, een.... Ah, daar hoor ik het rijtuig.--Nu, zooals gezegd is; we stellen het onbepaaldst vertrouwen in je. Doe voor den vroolijken snaak wat je kunt; spaar niets, en wat het rijtuig betreft, je bestelt maar zelf en disponeert er over,--als 't noodig is hoe meer hoe liever. Adieu! Wel thuis! Respect aan je mooie vrouwtje met haar schrander oog.--Jan, zeg aan Karel dat hij rijdt als de drommel!"

Toen Helmond een klein half uur later, terwijl de maan geheel achter donkere wolken verborgen bleef, het groote hek van het nu gansch weggedommelde landhuis De Zonsberg voorbijreed, toen dacht hij niet meer aan den nieuwen patiënt, wiens toestand hem ook inderdaad geen reden tot bezorgdheid gaf, maar, voor zijn geest stond daar opnieuw en altijd weder het beeld van den pleegvader.

--Neen, er is geen twijfel meer: ofschoon Eva in eerbied is te kort geschoten, en niet zacht, niet vrouwelijk, in één woord niet goed heeft gehandeld, zij heeft toch den generaal bij zijn ware namen genoemd, niet verblind, zooals hij, door het altijd hoog opzien tegen dien krachtigen krijgsman met zijn vaste principes, of verweekt misschien door het voeden van een wat al te kinderlijke onderwerping en dankbaarheid. Ja, niet slechts is hij hoogmoedig en trotsch, maar schriel daarenboven. Helaas! het is niet anders.

--Hoe! als men twee kinderen aanneemt, twee arme weezen, zal men dan het recht hebben om één dier kinderen--alleen omdat hij zich tegen onzen wil verzet, of ons een ongepast, een beleedigend woord naar het hoofd werpt, terug te stooten in den poel van armoede en gebrek?--Neen, dat is waarachtig wreed! dat is.... --Maar zacht, heeft oom Van Barneveld dan toch niet dikwijls getoond....?

--Helaas! dat bezoek bij de familie Debecque zou zelfs niet noodig zijn geweest om Helmond te overtuigen dat Eva scherper heeft gezien dan hij. Immers, een paar uren geleden hebben Eva en Helmond--het eigen pleegkind met zijn jonge vrouw--dezen zelfden weg te voet afgelegd--het eind van De Zonsberg tot aan Romphuizen! En ginds: In het belang van een stiefzoon, wiens dood den baron Debecque tot universeelen erfgenaam van het kolossaal fortuin zijner vrouw zou maken, daar zal het rijtuig van mijnheer de baron om zoo te zeggen steeds ingespannen voor den dokter gereed blijven. Niets, niets moet er ontzien worden. En dan, welk een vertrouwen op Helmonds kunde! 't Is daar geen geringschatting der geneeskunst--ofschoon helaas, de resultaten der wetenschap nog altijd te luttel en onbevredigend zijn.--Zie, men stelt er een onbepaald vertrouwen in hem als dokter, wanneer hij handelen zal in 't belang van den patiënt. 't Is daar geen uithooren slechts, om straks eigendunkelijk voort te leven met hypothesen zonder voorafgegane studie en degelijk onderzoek.--Welk een onderscheid! Inderdaad, wanneer de wereld het wist, men zou zich moeten schamen: Een man als Debecque, die toch twee eigen dochters heeft, hij bedoelt het welzijn van zijn stiefzoon alsof het zijn eigen leven gold; hij wenscht hem gelukkig te zien en steeds nauwer aan zich te verbinden. Een heerlijk en kostbaar landgoed wil hij hem koopen; een lief mooi vrouwtje wenscht hij hem toe, zonder zich door de gedachte aan een zeer mogelijke vermeerdering der familie te doen weerhouden. En dan, een jaarlijksche toelage van tien duizend gulden zal hij hem gaarne bij zijn huwelijk verzekeren.--Tien duizend gulden! O Eva, Eva! 't is hard maar 't woord moet er uit: Je hebt gelijk, oom is schriel, verfoeielijk schriel! De zeer vermogende generaal geeft aan den bevoorrechten pleegzoon een jaarlijksche toelage van driedui... ho, van driehonderd, zegge: drie-honderd gulden. En dan, goeje hemel! de vreugde over de geboorte van een kind; de blijdschap over 't huwelijksheil van zijn beminden pleegzoon, zal door den schatrijken oud-generaal worden gevierd met een geschenk van honderd gulden! Honderd gulden! Waarlijk, zulk een vreugd is al te uitbundig!--Ja, Eva had toch gelijk toen ze bij 't vernemen van die "schitterende toezegging", half blozend half glimlachend fluisterde, dat Helmond tegen dien tijd wel zorgen mocht een fiksche brandkast in huis te hebben.

--En dan, tweehonderd gulden voor een huwelijksreis, die veertien dagen zou duren, terwijl dat geld hem nog bovendien als honorarium voor zijn eerste consult was aangerekend! Tweehonderd gulden, terwijl Eva--niet meegeteld de diamanten, die hij haar op dien laatsten morgen heeft gekocht--bijna zóóveel besteden moest om in de geboorteplaats der mode, een weinig comme il faut voor den dag te komen.

't Zijn droeve oogenblikken in 't leven wanneer een illusie der kindsheid ons ontvalt, wanneer de vereering voor ouders of opvoeders moet plaats maken voor den onbevangen blik van het rijper verstand, en die edelen--die heiligen misschien--weggerukt van hun verheven voetstuk, daar staan als zeer gewone menschen met hun dwaasheden en gebreken.

Toen Helmond thuisgekomen, aan Thomas zijn recepten had gegeven om ze aanstonds klaar te maken, toen zag hij al spoedig Eva's rijkgelokt hoofdje om den hoek der apotheekdeur verschijnen terwijl haar schoone oogen--en zonder eenige terughouding--hem vriendelijk toelonkten. O welke heerlijke schrandere oogen! Ja schrandere oogen; die oude baron heeft het goed gezegd.

En wat moest dokter Helmond dan gevoelen nu hij na een avond als deze, in 't holle van den nacht van een zieke teruggekeerd, niet zooals voorheen een kil en zwijgend tehuis, maar, in dat huis een prachtige jonge vrouw mag vinden, die.... gedurende een paar lange uren heeft gewaakt en gewacht, alleen om hem te toonen hoe oprecht en teer ze hem bemint; die hem straks zachtjes toefluistert dat ze er waarlijk berouw van heeft dien ouden man wat al te openhartig te hebben toegesproken, omdat.... haar lieve August hem immers zooveel dank is verschuldigd!

O! en nu hij haar zijden lokken voelt wiegen langs zijn wang, en haar zoetste kus hem weer verrukt, ja, nu beseft hij dat er inderdaad op de gansche wereld toch geen is, die hem meer ter harte gaat dan zijn Eva; dat hij slechts leven moet vóór en mét haar; dat hij desnoods ieders liefde zal kunnen missen indien hij slechts zooals nu, het moede hoofd mag vleien aan hare borst, wanneer hij maar rusten mag in haren arm. En terwijl nu die schoone oogen, ofschoon ze slechts van liefde spreken, hem herinneren aan den stond toen hij voor God en de menschen betuigde dat hij zijn vrouw zou liefhebben als zijn eigen lichaam, met verstand; dat hij niet bitter tegen haar zou wezen, maar haar de eere geven als het zwakkere deel; nu zegt hij al spoedig in den zaligen roes der min, na zoo vele uren van zieleleed:

"En zul je mij dien naren zwarten blik dan ook vergeven, en vast hem vergeten mijn beste wijfje?"

En Eva zoent haar echtvriend weder, terwijl haar zachte hand hem een haarlok van het voorhoofd strijkt.

En hij: "O, ik wist het Eva, en geloof mij dan ook, voortaan zullen we EEN zijn zooals het behoort. Immers wij zijn elkaar het allernaaste. Nee Eva, zeker, ik trek geen partij meer voor wie mijn liefste zou durven beleedigen. Ik zie den schoonen kant van haar fiksch karakter, en stel dien in 't licht alsof het mij zelven gold. Zie, en wij onderwijzen dan elkander; ik leer van mijn vrouwtje om zaken en personen, ofschoon in een liefderijken geest, te beschouwen zooals ze werkelijk zijn, en zij...."

Op dit oogenblik was het Eva echter niet mogelijk naar een reeds bekend sermoen te luisteren. De bekentenis van haar August was dan ook al te verrassend. Met een schalksch lachje valt ze nu in, terwijl ze zijn baard om haar blanken vinger doet krullen:

"Ei! als het je dan heusch ernst is om zaken en personen te beschouwen zooals ze zijn, komaan mijn lief Augustje, beken jij dan eens volmondig, dat deze zeer geroemde huiskamer zóó ongelukkig laag van verdieping en zóó akelig doodsch is, dat de vrouw die er haar lieven man, dag aan dag en soms 's-avonds laat vol ongeduld zal wachten, zich er suf in kniezen of wel een tering op den hals halen moet!"

--Een tering!--Dat woord treft Helmond pijnlijk. Wat heeft hij gevreesd toen hij Eva voor 't eerst onder den meidoorn ontmoette? Een tering! En--Eva ziet wat bleek. Van 't late opzitten misschien?

"Komaan August, beschouw de kamer dan eens zooals zij waarlijk is, en spreek."

"Nu ja, ik wil niet zeggen Eva...."

"Nee nee, volmondig!"

"Vroolijk is anders Eva, welzeker."--Haar teer omhelzend: "'t Wordt nu tijd tenminste dat we een andere kamer gaan opzoeken: 't sloeg daarbuiten al twee."

En terwijl ze samen naar boven gaan--zoo heel vertrouwelijk, hand in hand--zegt Eva zachtjes langs zijn schouder heen:

"Ik las van avond toevallig in 't Romphuizer blaadje, dat het oud-burgemeestershuis over drie weken geveild, en acht dagen later publiek zal worden verkocht. Heusch, bij Siebold in de Gouden Arend."

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Den volgenden morgen nadat Eva zich voor 't koffiedrinken gekleed had, ontstelde ze een weinig toen ze, beneden gekomen, in den zak van haar japon nog den brief vond, dien ze den vorigen avond voor August van De Zonsberg had meegenomen. Maar immers haar lieve man zou wel begrijpen dat zij, door 'tgeen er is voorgevallen, dien brief vergeten moest.

En August heeft het begrepen. Doch, niet zoodra had hij het adres van den veel gestempelden brief bezien, en in het schrift de hand van Jacoba Van Barneveld herkend, of hij stak hem snel in zijn jaszak, om echter losweg te zeggen:

"O van..... ne dinges, dat was niets; al gesproken."

"Dinges, een patiënt?"

"Ja, 't heeft niets te beduiden."

"Wil je eens weten August, wat ik dacht toen ik dien brief voor je kreeg?"'

"Welnu?"

"Ei, dacht ik, is mijn lieve man zoo met dames aan 't correspondeeren. Ja, 't kan niet missen, 't adres is van een vrouwenhand, en...."

"Is dat zoo duidelijk? Waaraan zou dat te zien zijn? Ik ken dames genoeg die een fiksche heerenhand schrijven, en heeren in legio die krabbelen als een keukenmeid. Ik verzeker je....."

"Hé August, hoe vat je daar ineens zoo verschrikkelijk vuur op? Zóó zou je iemand waarlijk op gedachten brengen die...."

"Die....? Wat meen je Eva?"

Er werd aan de deur geklopt.

Een oogenblik later overhandigde Thomas Van Hake aan de doktersvrouw een brief waarvan het adres luidde:

Madame E. Helmond.

née Van Armeloo,

en ville."

Eva bloosde niet, maar, het adres beziende, ging ze toch naar het venster om een kleine ontroering te verbergen. 't Was dwaas, bespottelijk; maar 't kon ook niet zotter treffen: juist op het oogenblik dat de brief, dien August zoo haastig had geborgen, haar inderdaad begon te intrigeeren en--zij moest het zich zelve bekennen--terwijl Helmonds vreemde houding haar onaangenaam heeft getroffen, bracht men haar een brief van een.... onbekende mannenhand.

Eva zal echter van haar brief geen geheim maken. Dat behoort en dat behoeft ook volstrekt niet.

Helmond ziet haar zwijgend aan. Eva opent den brief en leest voor zich zelve:

"Mevrouw!

Gisteravond, na een hoogstaangename kennismaking met de echtgenoote van mijn hooggeëerden dokter, thuis gekomen, heeft het mij tot een waar genoegen verstrekt om--voor zooveel de bronnen er mij toe in staat stelden--na te sporen of mijn vermoeden zekerheid zou blijken te zijn....."

"Wat scheelt je Eva? Je wordt bleek. Van wien is die brief?"

Eva heeft zich spoedig hersteld; ze weet nu waarover die brief handelt. Een paar seconden ziet ze August zwijgend aan, en dan zegt ze met nadruk, ofschoon vriendelijk zacht:

"Ik denk op dit oogenblik, in verband met een brief die straks zoo spoedig in een jaszak werd geborgen, aan een laatsten avond in 't Hotel du Helder. Als dokter Helmond telkens redenen heeft om wat men hem schrijft voor zijn vrouw te verbergen, zou dat niet een zeer slecht voorbeeld kunnen zijn.....? Maar nee, nee August, zoo wil ik het niet. Ziehier, wij zullen samen lezen."

"Zou je denken Eva, dat een zweem van.... jaloezie..... of.....?"

"Ssst ssst beste man, wie zou aan zóó iets denken! Kom lees nu mee; 't betreft....."

"Is het je wensch; is het noodig? goed! maar zoo niet.... als men mijn lieve kind slechts den eerbied betoont, dien men haar als vrouw is verschuldigd, dan ben ik tevreden."

"O wat dát betreft; zie maar, de laatste regels ze vloeien over van eerbied."

Een oogenblik later lezen Eva en Helmond te zamen:

".... thuis gekomen heeft het mij tot een waar genoegen verstrekt om, voor zooveel de bronnen er mij toe in staat stelden, na te sporen, of mijn vermoeden zekerheid zou blijken te zijn, dat n. l. mijnheer uw vader inderdaad een afstammeling is van het bekende oud-Hollandsch geslacht der graven Van Armeloo."

"Wat, duivel, is die Kartenglimp gek!"

"Hé, vinje?"

Men leest verder:

"Met het familiewapen van Mijnheer uw vader bekend, mocht ik inderdaad de overeenkomst treffend bevinden."

Hier volgde een beschrijving van het bedoelde wapen.

"Mijne vroegere relaties"--zoo luidde het verder in den brief--"brachten mij in kennis met een onzer eerste genealogen. Door hem werd het mij duidelijk hoe niet zelden--tijdens de Hervorming vooral--zonen uit de aanzienlijkste geslachten hun adellijke titels prijsgaven om ze, bij het omhelzen van de Calvinistische leerstellingen, met die van herder en leeraar te verwisselen. Bedrieg ik mij niet, zeer geachte Mevrouw, dan heeft Mijnheer uw vader mij eens meegedeeld dat hij van Duitsche afkomst was, maar, dat zijn genealogie niet verder reikte dan tot zijn grootvader genaamd Peter Harmen Armelo, die in 1787 te Birchheim in Hanover gestorven was. De treffende overeenkomst der wapens doet mij schier met volkomen zekerheid beweren, dat een der voorvaders van Mijnheer uw vader, om geloofs- of andere redenen uitgeweken, zijn Hollandschen graventitel heeft prijsgegeven om te zijn een dienaar in den wijngaard des Heeren.--Wanneer zijn nakroost echter, zooals Mijnheer uw vader deed, opnieuw het zwaard voerde voor het erf, waarop zijn stam is geworteld, dan, dunkt mij, dient de gravenkroon hem te worden hergeven...."

"Welzeker!" lacht Helmond: "alleraardigst!" En hardop lezend:

"Den ondergeteekende zal het een waar genoegen zijn, indien hij nader mag vernemen of de familie Van Armeloo hem zal vergunnen, naar zijn beste vermogen mee te werken tot het herwinnen van een zoo schitterenden titel, dien zij--naar zijn bescheiden meening--niet aan haar nakomelingen mag onthouden, en waarvoor zij zich slechts een geringe financieele opoffering zal te getroosten hebben.

"Met de meeste onderscheiding en respectsverzekering, zoowel aan dokter Helmond als aan de geëerde familie Van Armeloo, heb ik de eer te zijn,

Mevrouw!

Uw zeer bijzonder gehoorzame en dv. Dr.

Kartenglimp."

Het hinderde Eva wel dat Helmond alweder lachte en haar met de woorden: "Wel wel, gravin Van Armeloo!" op eenigen afstand met zekere kluchtige reverentie beschouwde; doch zij zou hem niet toonen dat de ontvangen meedeeling haar borst met zulk een ongekende verrukking had vervuld.

"Wel kind, wat of er van den armen dokter zou geworden zijn, als men eerder had geweten 'tgeen die zeer vindingrijke majoor nu zoo eensklaps heeft uitgevonden!"

"Is dat het loon voor mijn openhartigheid? Meen je August, dat ik niet reeds lang heb vermoed en geweten 'tgeen die man daar schreef?"

"Waarlijk, al lang?"

"Maar heb ik er ooit van gesproken of er zelfs ooit op gedoeld?"

"Nu, laten we er dan ook maar te zamen om lachen mijn wijfje. Weet je wat ik geloof?--Ronduit gezegd, ik geloof hoe langer hoe meer dat die majoor de rechte broeder niet is. Hij wil zich aangenaam maken; en daarom dien gekunstelden brief."

"Genoeg van dien man August; zijn persoon staat mij tegen; maar hem om het schrijven van dien brief te beschuldigen, dat is onheusch. Gesteld eens dat hij waarheid had geschreven, dan zou hij voor 't allerminst op onze erkentelijkheid aanspraak hebben. 't Is zeker dwaas zich te verheffen bij de gedachte dat men zulk een adellijken titel zou kunnen bezitten, maar, er om te lachen.... nee! Indien het inplaats van de familie Armelo de familie Helmond gold, ik weet niet August of je dan...."

"Ah ja, daar zeg je een goed woord, als het de familie Helmond gold! Ja dan...."

"Welnu....?"

"Dan zou het voor die onderschrapte "nakomelingschap" tenminste nog van eenige waarde kunnen worden; maar kindlief, vader Armelo heeft twee dochters; de eene is het vrouwtje van je onderdanigen dienaar Helmond, pur sang plebejer, en de andere, al trouwde ze met een prins, de gravenkroon der Van Armeloo's zou toch nooit door haar edele telgjes kunnen gedragen worden!" En weder lachend: "'t Is alleraardigst!"

"Helmond, extra verstandig vind ik dat lachen niet. Ik zeg je nóg eens, als het zulk een titel voor de Helmonds gold....."

"En ik herhaal Eva, dat dit, met het oog op het onderschrapte in dien brief"--hij geeft haar een zoen--"ook heel iets anders zou wezen. Maar over mijn adelbrieven behoeven we ons 't leven niet moeielijk te maken. En nu, al is mijn lachen dan misschien niet heelemaal verstandig, geloof me kind, waartoe zou men zich iets in 't hoofd, en vele moeiten en kosten op den hals halen, om--gesteld dat alles dan waar was--een titel te verkrijgen waar men, zonder fortuin, eigenlijk mee verlegen, en geen enkel naneefje mee gebaat zou zijn?"

Eva zweeg en zag naar den grond. 't Was wel te merken, zoo dacht ze, dat Helmond plebejisch bloed in de aderen had. In háár is altijd iets geweest 'twelk haar zeide dat ze eigenlijk niet thuis behoorde in "'t knechtelijk gareel"--met welk beeld een groot dichter de lagere en middelstanden eens zoo juist had geteekend. Nochtans ze gevoelde het ook: Mocht het al schoon zijn en weldadig voor 't hart, indien men zeker wist uit zulk edel bloed te zijn gesproten; 't zou verkeerd wezen om er voor de toekomst een te groote waarde aan te hechten, dewijl papa geen zoons en geen fortuin bezat.... Maar.... ha! welk een licht gaat daar plotseling voor haar op! Zie, uit eigenliefde, uit trots heeft August zich zoo weinig ingenomen betoond met hetgeen hij vernomen heeft. 't Moest voor een man ook stuitend wezen om zich eensklaps ver beneden zijn vrouw te zien gesteld, vernederend om als eenvoudig burger te staan naast een geboren.... gravin!

"Nee August, wacht nog even, ik wou je zeggen....!"

"Ja maar vrouwtje, ik moet noodzakelijk weg. 't Is al één geslagen; je weet men wacht me in de stad, en om halfdrie komt het rijtuig van Debecque. Circa vier uur hoop ik weer thuis te zijn, en we kunnen dan 't chapitre vervolgen; nu, bonjour kind!"

Haastig heeft Helmond haar omhelsd, en gaat dan snel naar de deur.

--Maar neen, zóó kan Eva hem niet zien vertrekken. Zij moet hem aleer hij haar voor drie volle uren verlaat, dat nieuws doen zien bij 't licht dat er voor haar is opgegaan.

"Even Helmond, luister even."

Helmond blijft met de hand aan den deurknop staan.

Zij komt hem zeer nabij:

"Maar August, als mijn familienaam dan uitsterft, en we toch weten dat mannen dikwijls om zulk een reden den naam hunner vrouw er bij aannemen; ik meen als alles nu waar is, en dat het zoo uitkwam, natuurlijk, dan zou jij--juist met het oog op 'tgeen de tijd ons kan schenken...."--zij sloeg de oogen weer neer--"dan zou jij immers best...."

"Pots selderementen Eva! wou je een graaf van me maken!? Nee maar nou geloof ik waarachtig dat je eens zien wilt, of er hier bij me boven, iets los of stuk is. Kom wijfje, maak geen gekheid, en kus me maar, en noem me nóg eens zooals gisteravond je "trouwe"; die titel is me wat meer waard dan andere, die bovendien wel wat heel hoog in de lucht hangen. Bonjour!"

Een kwartier later was Eva gekleed om uit te gaan. Neen, ze ging niet, zooals August altijd deed, die apotheek door en de achterdeur uit; zij nam de voordeur aan den wal.

Binnen weinige minuten bevindt ze zich in de ouderlijke woning. Ze moet papa en mama afzonderlijk spreken.

Mama Armelo was druk met dochter Louise aan 't rekken en vouwen van de wasch, doch mama heeft voor dochter Helmond in allerijl een mooie muts opgezet, en komt nu in de voorkamer waar Eva wachtte, en verontschuldigt zich--tegen haar kind--over haar toilet. Niewaar, Eva wist wel hoe het soms laat werd, en, zij had zich juist even met een schoteltje bemoeid, een lekker schoteltje voor papa. Eva zou het begrijpen.

Eva met haar Parijschen hoed en mantille, maakte in de voorkamer van den zeer eenvoudigen oud-kapitein, en tegenover die mama in een vieze zwarte jas, en de sterk met rood gemonteerde muts--een contrast, waarmee ze zelve bijna verlegen werd.

Papa was op 't oogenblik dat hij geroepen werd juist in zijn achterschuurtje aan 't blokjes zagen. Hij deed gewoonlijk zoo iets; en vooral om anderen eens wat te kunnen "overdoen".

"Je zegt mevrouw Helmond?" heeft hij aan 't dienstmeisje gevraagd die hem roepen kwam: "wou die mij alleen hebben? Dadelijk hoor!--Gauw 'en bakje."

De kapitein behoefde geen nadere toelichting te geven. Als er voorname lui waren om hem te spreken, dan moest het meisje--wanneer hij althans aan eenige bezigheid was--terstond waschwater brengen.

Terwijl Armelo de zeep deed schuimen dat het een lust was, kan hij zich maar geen denkbeeld maken van 'tgeen Eva hem in 't geheim--alleen aan hem en mama--zou te zeggen hebben. Hoelang was ze getrouwd? Nee nee, dát zou ze ook niet aan hém.... Nee, wát of het wezen mag!

Zeer verlangend naar de oplossing van 't raadsel, trad Armelo de kamer in, juist op 't oogenblik dat mama Armelo reeds den voorsmaak van 't allerbelangrijkst geheim had genoten.

"Wat zeg je Eva, je pa een graaf Van Armeloo?" heeft mevrouw geaarzeld: "WIJ zouden.... WIJ....?" En dan naar de deur ziende: "Goeje God, Armelo! ben je gek; met je sloofje voor!"

Inderdaad de "graaf Van Armeloo" stond daar op den drempel der deur, en zag, half verrast half verlegen, op het bekleedsel neer, waarvan hij zich inderhaast vergat te ontdoen, geheel vervuld met de gedachte aan het nieuws 'twelk hij hooren zou.

De oud-kapitein schaamde zich inderdaad een weinig voor zijn dochter; maar, nadat het sloofje buiten de deur was geworpen, ging dat toch spoedig voorbij. Eva wist wel dat hij niet leeg kon zitten; en, hij heette haar hartelijk welkom, want waarlijk, hij zag haar niet al te druk, en spoedig keek hij haar vragend aan, immers 't was wel iets buitengewoons dat hij tegelijk met mama in de confidentie zou wezen.

Toen men zich reeds eenige oogenblikken in de grafelijke sferen bewogen had, beweerde mevrouw Armelo met klem dat Armelo "zich zelf altijd in den weg stond". Jawel, hij had geen oog voor de toekomst.

Maar Armelo bleef beweren dat het ook waarlijk te gek was. Hij heette eenvoudig Armelo, en het Van dat er vóór moest, dááraan haperde het immers.

"Maar dat hebben je voorouders laten vallen;" verzekerde mevrouw: "Begrijp je dat niet?"

"En als ik me niet bedrieg dan schreven de graven Van Armeloo zich met twee oo's."

"Maar die ó heeft je overgrootvader dan zeker óók laten vallen."

"Ja, zoo kun je alles laten vallen, Marie; maar ik zeg je dat m'n vader en grootvader eenvoudige boeren in Hanover waren, en dat ze....."

"Nee maar man, zóó dwars als jij bent, daar staat m'n verstand voor stil."

"Hoor eens pa," zegt Eva: "ik wist wel vooruit dat mijn nieuws met bezwaren door u zou ontvangen worden; maar, ik bid u, waarom wilt u je tegen zóó iets verzetten!"

"Mijn hemel, dat vraag ik je!" valt mevrouw Armelo in: "Maar ik herhaal het man, 't is je nooit recht ernst met de eer van je familie geweest; zeker, men zou je nooit zoo vroeg gepensioneerd hebben als je je niet....."

"Vrouw! moet je mij in presentie van mijn kind aan iets herinneren, dat ik met Gods hulp bestreden en geheel overwonnen heb?"

"Ja, toen het te laat was Armelo. Ik blijf er bij, je hebt je zelf altijd in den weg gestaan; je hadt generaal kunnen zijn als je dien drank...."

"Nee ma," valt Eva in, nu ze den man strak voor zich heen zag staren, en eensklaps berouw kreeg dat ze misschien eenige aanleiding tot dat verwijt heeft gegeven: "nee ma, daar moet u niet van spreken." En dan, terwijl ze haastig opgestaan haars vaders hand neemt, en hem op het voorhoofd zoent: "Ma meende het niet kwaad pa'tje-lief; zij wilde maar zeggen....."

"Nu, 't is niemendal kind, ik weet wel hoe jij het meent; 't is niemendal!"

"Zeker, 't was de kolonel Dadel die u niet zetten kon; en die leelijke Minister van Oorlog! Maar als anderen u dan hebben teruggestooten, terwijl er zoovelen vooruitkomen, die 't vrij wat minder verdienen, zoudt u dan--wanneer we toch werkelijk van zoo hoogen adel zijn, niet alles doen om u, door het herwinnen van dien rang, boven dien Dadel en dergelijken te verheffen?"

"Maar waarachtig kind, het is niet mogelijk; ik weet immers zeker...."

"Zeker!" valt mevrouw uit: "je weet niets niemendal! Die majoor Kartenglimp zal toch niet gek wezen. Wat hij schrijft, is zoo klaar als de dag; we hebben Goddank ons verstand nog; en als ik dien brief niet driemaal had gelezen, dan zou ik twijfelen kunnen; maar driemaal heb ik hem gelezen; en met Eva ben ik het volkomen eens dat er gehandeld dient te worden in ons aller belang."

"Maar mijn hemel Marie, we komen met de grootste moeite rond, en hoe wil je dan dat we ons nog opofferingen zouden getroosten om--gesteld dan.... gesteld dan.... dien titel te krijgen; maar vooral om als graaf en gravin....." schielijk opstaande: "Nee nee, 't is onzinnig, we zijn gek! We droomen! Ik, ik een graaf.... jij een gravin!" Zenuwachtig lachend: "'t Is om te lachen! Waar heb je den brief, geef nog eens hier; maar 't is om te lachen!"

Eva begrijpt nu dat lachen zeer goed. 't Was bij papa een repetitie van 'tgeen ze van Helmond hoorde, maar toen niet begreep. Zenuwachtigheid; jawel, anders niet. Dames vallen flauw zoodra ze bloed zien; maar de zenuwen van heeren worden 't eerst geprikkeld, wanneer hun iets van eer of rang in de oogen blinkt. Wie 't hardst heeft gelachen om een ridderlint, draagt het zelf als ridder op overjas en chambercloak. Dat ongeloovig lachen, ja zeker 't is de dekmantel voor een inwendige blijdschap die zich anders te ras zou verraden. Wie zoekt, of althans wie wil er geen eer! Ja! zelfs de domsten en zotsten, die nooit eenige eer kunnen behalen, ze dringen vooruit als er eerewijn wordt aangeboden.

--Ja zie maar: bij 't nogmaals doorloopen van Kartenglimps brief, gaat dat lachen van papa al over in een glimlachje, waaruit iets anders te lezen is.

Armelo las: "Wanneer zijn nakroost echter, zooals mijnheer uw vader deed, opnieuw het zwaard voerde voor het erf waarop zijn stam is geworteld, dan, dunkt mij, dient de gravenkroon hem te worden hergeven."

"Nu pa, dat is toch zoo heel onverstandig niet;" zegt Eva, terwijl ze met haar vinger in parelgrijs glacé, op den genoemden volzin wijst.

"Nee te donder, wat dat betreft; na Hasselt zei de kolonel Bik, in presentie van de sergeants Leeuwendaal en Wagenaar en een heele boel anderen tegen me: "Luitenant, je hebt je als een braaf officier gehouden." Zieje, dat vergeet ik niet; maar verdord dat hebben ze aan Oorlog vergeten, zoo'n Dadel! zoo'n Minister, die..."

"Och Armelo, als je nu hier bent gekomen om je ouwe litanie te zingen, dan zou ik liever...."

"Nee ma, 't is begrijpelijk dat pa zoo iets nu juist moet hinderen; als je dan bijna zeker weet dat je zoo heel veel hooger dan die nare menschen staat."

"O ja, juist Eva, wat dat betreft.--Voel je dat Armelo? Nee, ik geloof je voelt dat nog niet; jij voelt zoowat niemendal."

"Marie, nóg eens: 't is niet gepast dat je zoo in tegenwoordigheid van onze dochter spreekt. Als er iemand gevoel heeft dan ben ik het. Heb ik jou armen neef den schoolmeester niet laatst nog m'n ouwe polonaise en vijf en twintig stuivers gegeven, den armen drommel!"

"Och, laat nu in 's-hemelsnaam mijn familie en je ouwe polonaise rusten bij zaken als deze. Wat anders de Lieders betreft, die konden best--zei neef eens--van 't oude Lydië in Klein-Azië afkomstig en van vorstelijken oorsprong zijn; maar van zulk een oudheid is dat niet eens meer na te sporen. Ik zeg Armelo, we zijn voor God en onze kinderen verplicht de handen aan 't werk te slaan."

Armelo krijgt eensklaps een "akelig prozaïsch gevoel". Hij kon het niet helpen; maar.... 't spijt hem dat hij niet stilletjes buiten de confidentie is gebleven. Hij was straks juist zoo plezierig aan 't blokjes zagen; en 't bruine pijpje smaakte zoo lekker, en.... Och goeje God! hij was toch niet voor een graaf in de wieg gelegd.

--Wel hemel, waarom niet! Geen fortuin! wat doet het er toe. Luister, mevrouw zal 't hem herinneren: Graven met graafschappen zijn er geen drie meer in de heele wereld. De graaf Van Tiel is stationschef ergens op een klein tusschenstation. Baron Hars is gemeente-ontvanger te Limmen. De twee freules Van Winteren maken in stilte hoedjes voor de lui; en de drie magere freules Blankenberge met haar groote oogen, eten te zamen vijf ons vleesch in de week; hebben één fluweelen mantel met 'er drieën, en niet anders dan 'en loopmeisje van 's-morgens acht tot licht en donker!

"Maar dat is dan ook erbarmelijk;" zegt Armelo.

"Maar.... ze zijn van adel!" antwoordt mevrouw op tooneeltoon: "en, dat doet haar de wereld gemakkelijk trotseeren. De adel geeft een verhooging, een glans. Je kunt het dadelijk zien dat iemand van adel is, zelfs de freules Blankenberge...."

"Och omdat je 't weet Marie! maar anders, waarachtig...."

"Weten! weten!! Nee, ook zonder dát zou men 't zien. Maar als ze het dan van óns zullen hooren, dan moeten ze 't immers toch ook zien niewaar?"

Eva was stil geworden: ze wist niet wat haar eigenlijk méér hinderde, de burgerlijke toon, waarop mama den goeden papa gedurig beknorde, of de burgerlijkheid waarmee papa--een oud-officier--zich telkens de eer die hem toekwam van den hals zocht te schuiven. Inderdaad moet Eva voor zich zelve bekennen dat de graaf en gravin Van Armeloo-Lieder een tamelijk mal figuur in de wereld--ja zelfs in de Romphuizer wereld--zouden maken. Mama had meer dan papa dat gepaste gevoel van eigenwaarde, dat zekere, om zich te willen verheffen boven het mindere, het gemeene; doch, hoe goed zij mocht wezen, mama miste door haar opvoeding in den hoogsteenvoudigen stand, ten eenenmale dien fijneren toon en goeden smaak waaraan de aristocratie zoo gemakkelijk te herkennen is. Honderden malen bijvoorbeeld is Eva tegen de bonte kleuren die mama gewoonlijk droeg te veld getrokken, doch zonder een blijvende verbetering van smaak te kunnen bewerken. Neen, ware het slechts om dien titel voor haar ouders te doen, Eva zelve zou het bij nader inzien verstandiger oordeelen om de goede menschen verder maar stilletjes ongemoeid te laten. 't Zal toch inderdaad ook nog al werk hebben om dit huishouden, waar alles oud en versleten is--de weinige smakelooze meubels in deze pronkkamer getuigen ervan--slechts eenigszins in harmonie met dien nieuwen stand te brengen. Neen, had Eva geen andere plannen gehad--en zij twijfelt niet of ze zullen gemakkelijk te verwezenlijken zijn--dan zou ze zeker met haar vader hebben ingestemd, dat het waarlijk te dwaas is. Nu echter, nu moet er gehandeld worden! En, onder het diepst geheim, ontvouwde Eva nu de reden waarom zij, voor zich zelve, er hoogen prijs op stelde dat papa gevolg wilde geven aan de zaak, en zoo spoedig mogelijk den majoor Kartenglimp zou gaan spreken.

De oud-kapitein, ofschoon weinig bekend met de rechten van heraldiek of genealogie, betwijfelde het echter zeer of het wel mogelijk zou wezen dat Helmond--gesteld dan.... gesteld dan--met den naam zijner vrouw bij den zijnen te nemen, ook den titel van haar geslacht zou bekomen; doch, moeder en dochter vonden dat "zóó doodeenvoudig natuurlijk", dat hij zichzelf al voor heel onnoozel en dom had moeten houden, indien hij het zou gewaagd hebben daartegen nog bedenkingen in 't midden te brengen. Ten slotte beloofde de kapitein dan ook aan zijn dochter--ofschoon juist niet zoo geheel van harte--dat hij werk van de zaak zou maken, en, ja zeker, nog heden den majoor te zullen opzoeken om van hem te vernemen op welke wijze men dan zou moeten handelen.

Alvorens Eva naar huis zal terugkeeren, heeft ze nóg een vertrouwelijke meedeeling.--Nee, papa moest niet weggaan, 't gold hém in de eerste plaats.

Eva geeft een kort verslag van het gebeurde op De Zonsberg, en van de "infame houding die de generaal tegenover haar heeft aangenomen."--"Ter wille van Helmond," zoo vervolgt Eva, "zal ik mijn best doen om den man, die uit trots en schrielheid de jonge vrouw van zijn pleegzoon met onheuschheden overlaadt, niet al te zeer te.... verachten. Ik ben van plan zijn hostile houding met de grootstmogelijke onverschilligheid te beantwoorden. Het kan me soms hinderen dat we zijn zoogenaamde weldaden nog moeten aannemen, en ik zag die prachtige bewijzen van zijn schrielheid liever aan een arme gegeven. Maar ik moet ze dulden. August is voor de helft zijn erfgenaam; en hoewel ik voor mijzelve in staat zou zijn om die heele erfenis er aan te wagen, en mij stoutweg met hem te brouilleeren, indien hij 't nog eens te bont maakte, ik mag de toekomst van August, die nu werkt en draaft als een paard, niet roekeloos op 't spel zetten. Ik zal me om zijnentwil beheerschen. Maar papa, wat ik dulden moet als Helmonds vrouw, dat moogt u als de kapitein Van Armeloo--ik zeg Van Armeloo...."

"Hoor je wel Armelo; ze zegt Van Armeloo...."

"En wát mag ik niet dulden?" valt Armelo in: "de generaal heeft me niets niemendal gedaan; integendeel, hij was compleet frère en compagnon; kameraad, alles wat je wilt. Verduiveld, hij heeft immers nog zelfs het heele diner van je trouwen in De Arend betaald.--Schriel! Nee Eva, neem me niet kwalijk, dat is....."

"Maar goeje hemel papa, dát, dat is het juist! Me dunkt uw militair.... uw.... uw.... ja uw gevoel van rang enfin, alles in u moet daartegen opkomen. Toen ik er straks over nadacht, toen brandde mij de gedachte letterlijk als vuur op de borst, dat die mijnheer Van Barneveld mee het diner heeft betaald, 't welk de kapitein Van Armeloo ter eere van 't huwelijk zijner dochter gaf. Bah! 't is vernederend! 't is...."

"Maar kind, Helmond heeft me gezegd dat dat heelemaal onder ons zou blijven."

"Ja dat kan wel waar zijn papa, maar waar blijft het ook, dat de generaal vijftig gulden heeft gegeven voor uw diner."

"Vijftig gulden!" roept mevrouw: "voor een diner van twintig personen à vier gulden buiten den wijn! Goeje hemel, wat een schriele kompeer! Heeft Helmond dan de rest betaald?"

"Zeker! en ik wou dat hij 't heelemaal betaald had; maar nu, die vijftig gulden ze compromitteeren u en mij; onze heele familie; verschrikkelijk! Vandaar die trotsche minachting. Welzeker, ik ben de dochter van een officier, die zich het bruidsmaal voor zijn kind laat betalen!"

"Maar wat duivel, als een ander het niet betaald had dan zou het ding niet gegeven zijn! Je weet wel Eva dat wij geen geld voor zulke foeven hebben."

"'t Spijt me papa, dat u niet aanstonds gevoelt dat die schuld aan mijnheer Van Barneveld moet worden afgedaan. 't Komt me zoo heel natuurlijk voor."

"Ja maar...." aarzelt mevrouw: "ik moet toch ook bekennen Eva, dat.... vijftig gulden.... in onze omstandigheden...."

"Ik zou op m'n woord niet weten waar ik ze vandaan moest halen," herneemt Armelo: "en mij dunkt kind, dat diner is nu gepasseerd en, bij m'n ziel, de generaal heeft als oud-kameraad gehandeld; ik zou hetzelfde gedaan hebben wanneer ik in zijn schoenen stond.--Waar ga je heen Marie?"

Mevrouw gaf geen antwoord. Ze was reeds de kamer uit. Een overheerlijk denkbeeld was haar ingevallen.

Louise--Eva's jongere zuster--stond nog in de kleine tuinkamer aan het vouwen van de wasch, toen mevrouw Armelo haar om raad is komen vragen. Louise kent hare moeder. De goede vrouw heeft in alle opzichten een bijzondere liefde voor kleuren. Honderdduizendmaal geldt bij haar voor eens of hoogstens tweemaal. De rest laat zich gemakkelijk begrijpen. Moeder Armelo zou verder met wat opleiding een uitmuntende tooneelspeelster zijn geweest. Zie maar, ook nu is er in haar blik een soort van vertwijfeling te lezen terwijl ze, het gesprek vervolgende, zegt:

"Maar mijn hemel kind, denk je dan niet dat je arme vader er in stilte onder lijdt?"

"Ik heb er niets van gemerkt ma."

"Daarom zeg ik in stilte.--En wanneer nu de heele stad hem bespot en belacht, moet dan het hart van een oud-officier die--ik zeg het je--van den oudsten Nederlandschen adel is--ja, ik zeg het je--moet dan dat hart onder zijn ridderkruisen niet breken!"

"Maar weet dan de heele stad dat papa vijftig gulden van...."

"De heele stad Louise? Ja helaas! Wij kregen een brief van den majoor Kartenglimp. Papa is den titel van officier niet meer waardig....."

"Schreef dat die leelijke oud-majoor?"

"Nu ja, ten naastenbij.--Men zal hem van de sociëteit weren; men zal....."

"Wat! zal men papa van de sociëteit....?"

Mevrouw haalt schouders en wenkbrauwen op; werpt een blik naar den groen geverfden zolder, en zegt:

"Ik hoop mijn kind, dat ons zoo iets zal gespaard worden."

Louise ziet eenige oogenblikken strak voor zich heen.--Ruim éénhonderd en tachtig gulden heeft ze sedert vijf jaren bespaard; want evenals die straks genoemde adellijke dames, had ze met de naald in de behoeften van haar toilet zoeken te voorzien, en haar overgroote bedrevenheid in 't maken van handwerken is oorzaak dat zij nog bovendien zulk een som heeft kunnen overhouden. Louise is er altijd zeer geheim mee geweest, en waarschijnlijk had ze er gegronde redenen voor. Maar nu, na een ontmoeten van den heer Kippelaan, in wiens bijzijn men haar, onvoorzichtig genoeg, een gekleede muts heeft besteld, sedert die ontmoeting, waarbij zoo schrikkelijk veel gesproken was, wisten papa en mama Armelo ook al spoedig dat hun jongste dochter "fortuin" had; en, ofschoon eerst een weinig gevoelig over Louises achterhoudendheid, hebben ze hun dochter toch bewonderd en geprezen, 't geen mama anders volstrekt niet gewoon was.

En 't is heden nu reeds de derde maal dat mevrouw Armelo aan haar dochter een plekje van de gloeiende plaat wijst, waarop Louise een deel van haar zuur verworven spaargeld kan zien verdwijnen.

--Haars vaders eer!!

Louise zal er met papa over spreken.

Maar mevrouw Armelo zegt plechtig met de hand op den boezem:

"Met papa!--Louise! in Godsnaam, met hém geen woord!"

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Op De Poel werd dokter Helmond met blijde aangezichten ontvangen. Archibald was veel beter. De ongesteldheid is niet van zooveel beteekenis geweest als het zich in den beginne liet aanzien. 't Viel ook Helmond mee dat hij den luitenant reeds buiten 't bed en bijna zonder pijn vond.

"Mijn waarde dokter, je bent al te menschlievend;" riep Archibald hem bij 't binnenkomen toe: "'t Is immers geen gebruik om zijn patiënten met één visite weer beter te maken. 'k Geloof waarachtig dat er geen treurspel meer zou mogelijk zijn, als ze er ú in de laatste akte maar even bijriepen. Mama wil me van pure blijdschap een glas advocatenborrel maken, maar...."

"Guns Archibald, hoe kom je er aan?"

"Ja hóe ik er áánkom dat vraag ik ook; tenminste als ik u zulk een bedenkelijk gezicht zie zetten. Enfin, dokter Helmond zal misschien liever een glas port drinken."

Terwijl Debecque om den port schelt, zegt mevrouw met iets angstigs: "Ja maar, jij lieve Archibald, jij moogt daar niet aan denken."

"'t Zou ook wat erg zijn luitenant, als u mijn wonderlikeur nu al voor iets anders liet staan."

"Dat is een waar woord! Komaan dan mama'tje, versez à tasse pleine!" Maar als de vroolijke patiënt reeds de medicijnflesch vat, dan treedt de moeder haastig toe om hem die te ontnemen, want: "Voorzichtig, voorzichtig! Om de twee uren een lepel staat er op het briefje, en 't is nu nog drie minuten te vroeg."

De vernieuwde kennismaking met den zoon der Debecque's heeft Helmond een aangename afleiding bezorgd:

"'t Is een zeer opgeruimd, recht prettig mensch;" zegt hij tot den ouden baron, die hem straks uitgeleide doet: "'t Gezelschap van den jonker zal zeker voor mevrouw zeer heilzaam wezen."

"Ja zeker, Archibald weet best met haar om te springen."

"De jonker is de eenige zoon uit mevrouws eerste huwelijk nie-waar?"

"Juist! maar daarom nog geen jonker dokter. 't Maakt niet uit, natuurlijk; maar hij is niet van adel.--Ja waarachtig, ik heb wel eens gedacht: als ik den snaak mijn naam liet aannemen dan konden we hem misschien mettertijd nog baron maken ook. Je ziet me verwonderd aan. Ja Helmond, ik weet wel dat een knappe burgerkrullebol met fortuin, evengoed het mooiste meisje van 't land aan z'n hart zal kunnen drukken als een baron; maar, wat zal ik je zeggen: we zijn nu eenmaal wat bekrompen op dat punt; en lach dan binnenskamers om titels en eerelinten zooveel je wilt, 't publiek ziet er iets in, dat je niet weg kunt praten: Je hebt een pré.--Au fond sta jij, met je wetenschap, hooger--jawel, sans compliments, oneindig veel hooger. En Archibald--knappe jongen! een der eersten te Breda--hij beteekent duizendmaal meer dan een massa adellijke non-valeurs. Maar toch, au bout du compte, je blijft als baron altijd aan 't langste eind."

"Maar mijnheer Debecque," valt Helmond in, terwijl hij in de breede vestibule stilstaande, met eenigszins saamgetrokken wenkbrauwen het fijnbesneden gelaat van den kleinen ouden baron nauwkeurig schijnt op te nemen: "u zegt, als ik wel versta, dat de luitenant uw naam zou kunnen aannemen, en dat hij dan......."

"Welzeker!... Maar kom binnen. Hier.... hier asjeblieft.--Zieje, ik heb geen eigen zoons; en de naam Hardenborg-Debecque van De Poel en Hoeversathe, klinkt niet onaardig."

"En zal hij dan uw adellijken titel daarbij kunnen krijgen? Ik dacht dat zoo iets onmogelijk was."

"Onmogelijk! Parbleu, wàt is onmogelijk! Sedert het koningschap m'n vrind, doe je met geld en goede woorden een heelen boel in ons land. Vanwaar anders je nieuwe adel?"

"'t Is waar;" zegt Helmond.

"Nu ja, hij beteekent niet veel; maar het "juger les choses", en dus ook "les titres d'aprés leurs dates", is nog geen algemeen gebruik. En wat Archibald betreft, hij zou als een Debecque aanstonds tot den goeden adel behooren.--Maar parbleu, hoe komen we op dit chapitre? Mijn beste dokter moet wel denken dat de oude man aan 't verkindschen raakt, daar hij zich zoo vermeidt in den glans van 't wereldsche klatergoud."

"Nee, ik begrijp me zeer goed dat het niet onverschillig is of men zijn naam...."

"Niewaar, dat is de zaak! Je wilt dat je naam zal in stand blijven. Mijn beide vrouwen hebben het hare er niet toe gedaan. Archibald houdt van me alsof ik z'n eigen vader was. Enfin, enfin, 't zijn van die opwellingen, van die passe-temps. Pardon, dat ik je zoo lang er mee lastig viel. Wat jou betreft Helmond, jij moet een boek schrijven, waarachtig! over pokken of mazelen, 't doet er niet toe. 'k Bezorg je "de Leeuw!" 'k Heb connecties in overvloed, en, met capaciteiten als de uwe is er geen quaestie van! A propos, ik hoop dat je toch nog eens naar m'n woelwater zult komen zien? 't Spijt me dat we daardoor je charmant lief vrouwtje wat veel van je gezelschap berooven, maar, als we haar onze opwachting gemaakt hebben, dan breng je haar later eens mee niewaar? Hoe meer hoe liever."

Nog vóórdat Helmond zijn bezoek op De Poel bracht, heeft hij gelegenheid gevonden om Jacoba's brief te lezen, die hem na langen tijd zwervens, dezen morgen door Eva geworden is.

De inhoud van dien brief heeft hem krachtig in zijn vermoeden versterkt. Jacoba's dringende bede aan haar geliefden pleegbroeder, om toch zoo spoedig mogelijk uit Parijs terug te komen, moest een anderen grond gehad hebben dan vrees voor eigen gezondheid. De altijd zich zelf beheerschende, zich zelf verloochenende Coba, hoe! zou ze alleen uit angst voor eigen welzijn, een gelukkig echtpaar, reeds bij hun eerste schreden op het huwelijkspad, den voet hebben dwarsgezet? 't Was onmogelijk!--Maar ook, de dwaze onderstelling van tante Hermine, als zou Jacoba's zenuwlijden het gevolg zijn van een, door hém teleurgestelde liefde....? August meent juist in dezen brief het bewijs van de ongerijmdheid dier onderstelling te vinden. Immers, gesteld eens dat Coba zulk een liefde had bestreden en geheel onderdrukt, zou dan het meisje, dat nooit door woord of blik haar hartsgeheim verried; dat zelfs den vriend als bruidegom haar bloemruikers heeft gemaakt, en hem aan de zij van zijn jonge vrouw een hartelijken heilwensch heeft toegebracht,--zou datzelfde meisje zich dermate kunnen vergeten dat zij hem reeds een paar dagen later, onder 't voorwendsel eener ernstige ongesteldheid, tot een terugkeeren in haar nabijheid te bewegen zocht? Neen, dat is volstrekt onmogelijk en geheel onbestaanbaar met Coba's karakter. August verstaat dien brief. De luchtige toon waarop zij over "den armen sukkel" Donerie schrijft; 't verzoek, dat Helmond als reden van zijn vervroegde terugkomst de ziekte van "den waarlijk niet ontalentvollen muziekmeester" zal opgeven, "den stumper die in de kerk nog zoo zijn best deed;" dat alles in verband gebracht met het gebeurde in de woning van den timmerman Krul, maar ook vooral met Coba's hevige zenuwaandoening toen ze gisterenavond zoo geheel onverwacht de melodie hoorde spelen, welke Herman Donerie bij de woorden van een Duitsch lied componeerde, dit alles versterkt hem in de overtuiging, dat Coba dien brief had geschreven en zich daarin zoo ernstig ziek heeft gemeld, teneinde hem tot een onverwijlde terugkomst te noodzaken, opdat hij den jongeling dien ze in stilte beminde, zoo mogelijk nog in 't leven behouden mocht.

En Herman Donerie is gestorven, en Coba treurt en lijdt in stilte. Maar Gode zij dank! nu is er nog genezing voor haar mogelijk: nu immers zal de tijd haar wonde--ofschoon dan langzaam misschien--toch heelen in 't eind.

--En ook, de tijd moet de verbroken harmonie tusschen het doktershuis en De Zonsberg herstellen! Ja voorzeker, wanneer de oom zal erkend hebben dat de pleegzoon, Jacoba nooit van iets onedels betichtte; maar nog veel minder dat hij haar ooit reden heeft gegeven om iets meer van hem te verwachten dan trouwe broederliefde. En wanneer die oom dan bovendien in 't eind zal bemerken dat August met zijn Eva gelukkig is; dat zij inderdaad zoo oneindig veel goeds heeft, en begint in te zien dat hij ten opzichte van zijn beminden pleegzoon niet zoo royaal en niet zoo heusch is geweest als passend zou wezen voor iemand van zijn stand en fortuin, dan....

Eensklaps tikt Helmond vrij hard tegen het voorglas der coupee, waarmede men hem naar de stad terugrijdt. De koetsier ziet om. Een oogenblik later staat het rijtuig stil, en de dokter springt er uit. Zooeven was men twee dames voorbijgereden. Helmond had ze herkend, en terwijl nu de coupee naar De Poel terugkeert, wandelt August met tante Hermine en Jacoba Van Barneveld naar den kant van het stadje.

Aan mevrouw Mansburg is het blosje niet ontgaan, 'twelk bij Helmonds onverwachte verschijning vluchtig de bleeke wang van Jacoba heeft gekleurd, en tante vindt er alweder de bevestiging in van haar "diep treurig" vermoeden.--Helmond echter heeft in het blosje van een zenuwachtig meisje, en vooral na 'tgeen er gisteren gebeurde, niets vreemds gevonden. Hij wenschte van Coba te hooren of ze zich beter gevoelde, en hoe oom het maakte. Straks was hij in tweestrijd met zich zelf geweest of hij even enpassant De Zonsberg zou aandoen, maar, had ervan afgezien.

Op zachten toon is mevrouw Mansburg toen met de opmerking ingevallen, dat Helmond maar goed heeft gedaan met nog niet zoo spoedig te komen. Alexander was een beetje ontstemd. Men kon niet alles zeggen zonder spreken; maar Helmond zou wel begrijpen waarom.

Welzeker, Helmond begreep het; en hij begrijpt ook dat tante al spoedig den voorslag aan nicht Coba doet, om nu maar terug te keeren: 't was wel wat warm op den weg, en Coba moest zich ontzien.

Maar tante kreeg haar zin niet. Jacoba heeft haar pleegbroeder te lief, dan dat ze hem geen deelgenoot zou maken van 'tgeen ze weet dat hem om harentwil zal verheugen. Maar ook, terwijl de vrees haar heeft gekweld, of Helmond, na 't gebeurde gisterenavond op De Zonsberg, misschien iets van haar hartsgeheim geraden had, zoo acht ze nu deze ontmoeting te schoon dan dat ze er geen partij van zou trekken teneinde hem dat vermoeden geheel te benemen.

"Nee tante, ik wil veel liever nog een eindje meewandelen;" zegt ze zoo levendig als haar mogelijk is: "August moet het goede nieuws hooren."

"Ei, goed nieuws Coba?"

"Zeker. Toen ik van morgen wakker werd en de zon zoo vriendelijk zag schijnen, toen voelde ik mij eensklaps zoo verruimd en gesterkt, alsof mij in den laatsten tijd volstrekt niets gedeerd had. Niewaar tante?"

"Ja, je hebt het tenminste dadelijk gezegd Coba."

"Nog vóór het ontbijt was ik al beneden, en vroeg aan pa of hij dat plan van De Godesberg niet zou willen opgeven, wanneer hij werkelijk zag dat ik beter werd. En--papa heeft het dadelijk toegestaan!"

"Ja lieve Coba," valt de tante in: "dat was een beetje heel zwak van papa. Wanneer Alexander niet zoo slecht geslapen en zich zoo moe had gevoeld, dan zou hij ook zeker niet zoo spoedig hebben toegegeven. 't Was onverstandig."

"Onverstandig? Ik betwijfel dat tante;" zegt Helmond.

Mevrouw Mansburg prevelt weer onhoorbaar dat men helaas zonder spreken niet alles zeggen kan.

"Om papa maar dadelijk te toonen dat ik mij zoo veel sterker gevoelde," herneemt Coba: "ging ik terstond naar de piano en zong het stuk van.... Donerie--je weet wel dat erg sentimenteele--als een lijster. Niewaar tante?"

"Ja bespottelijk, terwijl ze gisterenavond alleen bij 't hooren van eenige piano-accoorden uit de verte, reeds geheel van streek raakte."

"Nee tante, dat is volstrekt niet vreemd," zegt August die, toen Coba den naam van Donerie noemde, een vluchtig zenuwtrekje op haar gelaat heeft bemerkt: "Een zenuwaandoening laat zich niet zoo gemakkelijk verklaren. De kleinste schrik, ja zelfs iets lachverwekends zou Coba gisteravond evengoed van streek hebben gebracht als nu het hooren van die piano-accoorden."

"Ziet u wel tante!" roept Coba levendig; en Helmond bespeurt met stille blijdschap een door tante niet begrepen verrukking op haar bleek gelaat: "ziet u wel, als men mij maar vrij laat dan zal ik beter worden. U hoort het nu zelve: mijn ongesteldheid kwam niet van die muziek, maar dáárdoor dat u...."

"Welzeker kindlief, tante is er vast weer de oorzaak van geweest. Och ja, en als je nu straks misschien wéér niet wel wordt, dan zal het óók weer tante zijn die er de schuld van heeft, ofschoon ze--al wie weet hoe dikwijls heeft aangeraden om niet verder te gaan."

"Nú moet ik tante gelijk geven Coba. Zie, we hebben daar de Romphuizer brug al; kijk, over den wal heen zie je 't hotel Helmond tusschen 't lindengroen. Komaan, rechtsomkeert! Een klein eindje ga ik mee terug. Ik geneer u niet tante?"

"O nee, wat dat betreft, maar 't is al laat, en je vrouw...."

"Eva is heel wel; dank u."

"Zij wacht je misschien met 't eten."

"Een doktersvrouw eet zoodra haar man thuiskomt tante."

"Zeer onderdanig!"

"Ik hoop Eva eens gauw te komen bezoeken, want ik moet je toch spreken;" zegt Jacoba.

"Ja maar Coba, vooreerst...."

"Hé tante, en uw eigen plan; uw eigen idee...."

"Mijn plan? mijn idee? Wat meen je Coba-lief?"

Tante Hermine voelde zich gestreeld; ze wist wel wat Coba bedoelde. 't Was haar zoo losweg uit den mond gevallen; maar waarlijk, het denkbeeld is toch van háár. Niemand heeft er te voren aan gedacht. Toen Jacoba van morgen zoo dolzinnig aan 't zingen is gegaan, en haar gevraagd heeft of ze die compositie, als het werk van een eenvoudig muziekmeestertje, niet heel mooi vond, toen heeft ze--eigenlijk boos, omdat Coba zoo overmoedig zoo.... luidruchtig was, en zonder dat het haar kwaad scheen te doen--toen heeft ze gezegd: "O prachtig, 't is jammer dat ze die menheer Donerie geen monument op zijn graf maken."

Neen zeker, tante heeft het zóó niet bedoeld; maar, toen Coba dat denkbeeld niet geheel verwerpelijk had gevonden, toen heeft tante het recht van uitvinding met kracht gehandhaafd. De muziekmeester scheen nog al een enfant chéri van de Romphuizers te zijn geweest. Ze hadden tenminste bij zijn begrafenis gezongen. Wie weet welk een opgang het denkbeeld van een monument, of iets van dien aard, zou maken, en, wanneer dan "zoo iets" verrees, dan was mevrouw de wed. Mansburg, geboren Van Barneveld, de operatrice ervan; misschien kwam haar naam dan nog wel op het voetstuk. Maar.... nee dát was wat al te gek. Hoewel....

"O, je meent van een gedenkteeken op het graf van.... ne.... dien talentvollen muziekmeester?" valt tante zich zelve in de rede.

"Ja, wat zal ik zeggen, 't is me onverklaarbaar dat niemand vóór mij daaraan gedacht heeft. Zelfs jij Coba, die toch les van hem kreegt en bekennen moest dat hij knap was, je zou nooit op zoo'n idee zijn gekomen. 't Goede wordt spoedig vergeten in de wereld!"

Helmond vernam nu, dat "het denkbeeld van tante Mansburg" door Coba niet geheel verwerpelijk was geacht, ofschoon Coba toch bedenkingen had gemaakt--welke tante echter volstrekt niet gedeeld heeft. Jacoba had ten slotte gezegd, dat zij "tantes denkbeeld" aan Helmonds oordeel zou onderwerpen; zijn Eva behoorde tot de muzikale wereld, en van zulk een kant diende een dergelijk voorstel uit te gaan.

Toen de dokter straks de dames heeft vaarwel gezegd, en zijn woning naderde, toen bestond er bij hem geen twijfel meer: Jacoba heeft dien jongeling liefgehad, en zijn nagedachtenis zal haar heilig blijven; maar ook, nu ze haar geliefden vader, na het voorgevallene van den vorigen avond, zoo bitter ontstemd heeft gezien zonder de rechte oorzaak ervan te weten, nu heeft ze--mede dorstend naar vrijheid voor zich zelve--zich krachtig aangegord om haar zwakheid te bestrijden. Leven moet ze en gezond zijn om den geliefden vader het voorhoofd effen te doen houden, en, was de eerste proeve reeds wel geslaagd, August houdt zich overtuigd dat Coba ook voor zich zelve het beste geneesmiddel gevonden heeft. Neen, zij zal niet langer staren op het nevelachtig beeld van een geliefde, die haar door den dood werd ontrukt. Ze zal nu slechts het oog hebben op een werkelijkheid. Een monument zal er voor hem verrijzen, en zij zal zorgen dat het tot stand komt, ofschoon men niet mag bemerken wie het roer in handen heeft.

Goed zoo Jacoba! broeder Helmond zal u terzijde staan.

Eva ontvangt haar August met een opgeruimden blik, ofschoon hij bijna een half uur te laat komt. Alleen wil ze graag weten met welke dames hij zoo doodbedaard den straatweg op en neer heeft gewandeld?

Of het kwam omdat August heden liefst geen namen van De Zonsberg noemde, en de dwaze onderstelling van tante Hermine hem voor den geest sprong, of vreezend misschien dat Eva weer over den brief zal beginnen die van morgen vergeten werd, zeker is het dat hij een oogenblik aarzelt aleer hij eenvoudig de waarheid zegt.

Eva's gelaat betrok. Zou het mogelijk zijn dat Helmond en Coba...? Neen, 't was te dwaas.... Maar toch, indien ze alles goed in verband beschouwt....

"Ik zou haast zeggen August, dat je in de laatste vier en twintig uren meer het gezelschap van Coba dan het bijzijn van je "lieve vrouw" hebt gezocht. Men heeft mij vroeger wel eens gezegd August, dat Coba.... veel van je hield.--Hé, à propos.... we zijn nog niet quitte."

"Wat meen je....?"

"Den brief van Kartenglimp heb ik je terstond laten meelezen: maar die andere.....? Zit hij nog in dien jaszak August?"

"Welke? O! je bedoelt den brief die me uit Parijs is nagezonden? Eva-lief, je moest je nu eens voornemen om niet nieuwsgierig te zijn, wanneer ik je in de zaken van mijn praktijk niet altijd geheel op de hoogte houd. Wat een biechtvader is voor de ziel, dat is de dokter voor het lichaam, en de biecht ligt onder 't zegel der geheimhouding, dat weet je wel."

"Nieuwsgierig!" zegt Eva fier; en dan met klem: "Mij dunkt August, dat er van zóó iets geen sprake kan zijn, wanneer ik je zeg te gelooven..... dat die brief van Jacoba was."

Helmond zwijgt. Bedriegen wil hij haar niet; en ofschoon ze den brief niet lezen mag, toch zal hij haar dien zotten argwaan benemen.

"En zoo hij dan werkelijk van Jacoba was, Eva, is zij mijn patiënt dan niet?"

Een vuurrood overdekt Eva's gelaat.

"Dus de brief was van Jacoba!?"

"Ja."

Een oogenblik blijft het stil. Dan zegt Eva snel als tot zich zelve:

"Dus bestaat er een inclinatie!"

"Maar lieve hemel Eva, hoe kun je nu zulk een gevolgtrekking maken. Ik zeg....."

"Vandáár dan een avond zooals gisteren op De Zonsberg," valt Eva in, met den blik strak voor zich heen: "Vandáár al die onwil, die liefdeloosheid, die vernederingen..... O 't is genoeg, nu weet ik alles. Dat bleeke kind kwijnt en treurt om den geliefde, en hij, hij hinkt op twee gedachten. O God! welk een ontwaken uit den korten dommel van geluk!"

"Eva, wees verstandig. Je bedriegt je waarachtig!"

Zij ziet hem fier in de oogen.

"Waarachtig Helmond!?--Laat mij den brief dan lezen?"

"Ik heb.... hem verscheurd."

"Dat is onwaar; geef hem, als ik mij dan waarachtig bedrieg. Niet!!?"--Zij stampt met den voet: "Goed zoo!.... goed! dan houd ik je voor 'tgeen ik nooit heb kunnen denken; ja, voor een....."

"Nu niet verder Eva, de scène behoeft niet tragisch te worden. Van morgen heb ik om Kartenglimps brief gelachen; maar, geloof me in vollen ernst, meer reden tot lachen is er nú om je ijverzucht, dan toen om je plannen voor onze verheffing in den gravenstand."

"Bewijs het me Helmond! Ik zeg bewijs het me! O God, ben ik dáárvoor geboren, ben ik dáárvoor getrouwd om nu reeds vernederd en verwaarloosd te worden ter wille van..... O!"

"Zie me eens aan Eva.--Nee goed! flink, heelemaal, zooals straks, maar nu als een zachte vrouw, die haar man vertrouwt en leed gevoelt dat ze hém, die haar geheel behoort en alles voor haar zijn wil, zonder grond en onrechtvaardig van ontrouw en misleiding verdenkt.--Geloof je me niet Eva?"

"Waarom mag ik dan dien brief niet lezen? Je hebt hem niet verscheurd, dat kon ik aan je antwoord hooren."

"En al ware dat zoo, je zult hem niet lezen. De brief is van een patiënt in vertrouwen geschreven."

"Je zult hem niet lezen!" herhaalt Eva: "je ZULT NIET! en zóó wordt de tirannie in de eerste huwelijksweken dan reeds grooter van dag tot dag. Is er geen reden dat de vrouw begint te twijfelen aan de volle liefde van haar man, wanneer hij instaat is haar argwaan te benemen, maar dat weigert onder een nietig voorwendsel, met een: je zult hem niet lezen!"

"Eva, geloof me....!"

"Ik geloof nu August, dat je ter wille van Jacoba, wie niets mankeerde, zoo spoedig naar Romphuizen bent teruggekeerd, zonder je om 't genot van je vrouw te bekreunen; ik geloof nu dat al die vernederingen van mijnheer den generaal, haar oorsprong namen in de misrekening op je onverdeelde liefde voor zijn kind, die zich in den beginne heeft goedgehouden, maar zich nu niet langer beheerschen kan; ik geloof...."

"En ik zeg je Eva, dat je je bedriegt. Wat geeft je dan toch het recht om aan het woord van een man, aan mijn woord te twijfelen?"

Eva aarzelt:

"Je achterhoudendheid!"

"Maar wanneer ik dan herhaal dat mijn plicht mij gebiedt om het vertrouwelijk schrijven van patiënten geheim te houden, zelfs voor mijn vrouw? Wanneer ik.... Nee Eva, keer je niet weer van mij af. God weet dat ik niemand liever heb dan mijn eigen, mijn eenige vrouw!--Kind, zie mij dan aan.... Moest ik dit, in zoo'n luttel tal huwelijksdagen, reeds zoo dikwijls herhalen? Eva, weet en geloof je dan niet dat ik alles alles voor je overheb; dat ik--wanneer het maar niet in strijd met mijn plicht is--aan je kleinste, ja zelfs aan je grootste wenschen met liefde zou voldoen?--Eva....!"

Terwijl Helmond de laatste woorden sprak heeft Eva hem aangezien, en 't was alsof plotseling de zon weer door de nevelen brak. Zij weet niet dat August haar weigert den brief te lezen, omdat het haar, óf in hare dwaze opvatting versterken, óf zoo hij haar den waren zin van dat schrijven verklaarde, Jacoba's zielsgeheim verraden zou: neen, maar de zachte toon waarop hij daareven sprak heeft haar getroffen. Heeft ze dan werkelijk recht om aan de waarheid van zijn mannenwoord te twijfelen? 't Was immers mogelijk dat een dokter de confidenties omtrent ziekteverschijnselen van een jong meisje, zelfs voor zijn vrouw moest verbergen. Maar ook.... nog andere woorden had Eva gehoord; hij heeft haar gezegd: dat God het wist hoe hij niemand meer dan haar beminde, en.... dat hij aan haar kleinste, ja zelfs aan haar grootste wenschen met liefde zou voldoen, indien het niet in strijd was met zijn plicht.

En zie, slechts weinige seconden later slaat ze haar beide armen om Helmonds hals, en zoent ze den man harer liefde met innigheid verscheidene malen op den blij glimlachenden mond. Ja, ze zegt, nu te gevoelen dat ze slecht deed haar edelen vriend zoo liefdeloos te hebben bejegend. En dan, wanneer de eerste reine uiting van het berouwhebbend gemoed voorbijgegaan, en vurige kussen van den echtgenoot het verbond van trouw hebben vernieuwd en bezegeld, dan.... helaas! dan komt de vijand die vanbinnen woelt zich weer met het zoetste lachje aan den gelukkigen echtvriend vertoonen. Nietwaar....? Als Eva haar besten man dan altijd op zijn woord wil gelooven, dan zal hij zeker ook het woord gestand doen 'twelk hij daareven sprak.

"Kom nu August, het eten zal wel koud zijn geworden, kom....!" En fluisterend met zoete stem: "Een mijner kleinste wenschen is, beste August, dat je niet meer lachen zult om het verkrijgen van dien titel voor papa, maar dat jij zelf zooveel je kunt daartoe zult meewerken: en, wat de grootere wenschen betreft, o ik weet het, mijn lieve man zal nu die eenig eenige gelegenheid niet laten voorbijgaan om me, door 't koopen van het oud-burgemeestershuis, te verlossen uit den vreeselijken druk dezer lage zolders en benauwende muren; maar ook, hij zal getrouw blijven aan zijn woord, en nooit meer den handschoen oprapen voor wie zijn wijfje--zijn ander ik, niewaar August?--onridderlijk minachten en beleedigen durft?"

En Helmond, nu hij zijne schoone Eva weer vast in de armen sluit, nu gedenkt hij wel vluchtig het woord der wijsheid van den grijzen pleegvader, en gevoelt hij wel--bij de blijde overtuiging Eva's argwaan voorgoed te hebben overwonnen--dat hij zijn triumf wat te duur heeft gekocht; maar nochtans, bij het smaken der zoete liefdeteugen kan hij, na zulk een overwinning, de stem niet meer hooren die waarschuwend klinkt:

--Voorzichtig, met bedwelming is de beker gevuld, en een doodelijk venijn ligt op den bodem!

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

't Is een prachtige maar tevens een echt autocratische zomerdag. Zelfs de machtigen der aarde houden met slappe hand de teugels van 't bewind, en buigen het hoofd, want heden is het de zon, die haar macht doet gevoelen en het aardrijk regeert met verblindende majesteit.

Alles zwijgt in het gloeiend middaguur.

De landman slaapt; het rundvee staat te lodderoogen in de schaduw van wilg en hagedoorn; de schapen op de hei hebben den zoom van het dennenbosch gezocht waar hun herder met opgetrokken knieën achterover op den grond ligt, en Philax nevens hem met de amechtige tong uit den ruigen bek.

Alles zwijgt. Geen vogel doet er zijn lied schallen of tjilpt op bescheiden toon; geen blaadje is er dat ritselt. Slechts een enkele bij, die zich op rappe wiek naar gindsche kamperfoelie spoedt, snort suizend langs 't oor; of ook een zwerm bruinvliegen doet zich hooren, wanneer een loome hoef of klauw den verschgevallen buit in 't weiland beroeren komt, en 't klein en azend gedierte daardoor al gonzend uiteenschuift.

Het landgoed De Zonsberg ligt daar almede zwijgend en dorstend in de gloeiende stralen der Juni-zon.

Nochtans voor den mensch, die zich heden aan een wandeling op den Romphuizer straatweg durft wagen, schijnt dat landgoed een oase te zijn. Ja zie maar, achter die fonkelend roode en witte stamrozen aan de linkerzij van het huis onder het lommer van het zwaar geboomte, daar moet het wel overheerlijk koel en verkwikkelijk wezen.

Mijnheer Kippelaan, nog slechts weinige schreden van het groote ijzeren hek van De Zonsberg verwijderd, voelt nogmaals naar zijn beide boordjes, die van de overmatige warmte in onmacht liggen; doet een hopelooze poging om ze weer tot den "kelk te vormen waarin zijn edelst lichaamsdeel--het hoofd--is gevat", en vraagt zich zelven dan zeer ernstig af: of hij in zulk een toestand wel inderdaad zijn plan kan volvoeren? 't Loopt hem--met permissie--onder den hoed uit, en langs het aangezicht met straaltjes den hals in. Kon hij 't zelf zien dan zou hij bespeuren: eenigszins bruinachtig gekleurd door de pomade, waarmee hij straks aan zijn kapsel zulk een verhoogden glans en zomergeur heeft gegeven.

Mijnheer Kippelaan begrijpt echter bij nader overwegen, dat juist deze positie--en jus, en nage--moet meewerken in zijn belang. Men trotseert! men braveert! men waagt een coup de soleil, een hersenontsteking!

't Is verbeelding, maar Kippelaan verbeeldt zich dat hij het ijzeren hek hoort sissen nu hij het met zijn eenigszins vochtige vingers aanraakt. 't IJzer was letterlijk gloeiend. Enfin, zijn hart! Enfin, alles was heden daarmee in harmonie!

En terwijl mijnheer Kippelaan nu zijn paille glacé handschoenen gaat aantrekken, maar den laatste, bij een geweldige inspanning om hem over de vochtige "muis" te krijgen, van onder tot boven ziet openbersten, stapt hij--door het ongeluk zoo mogelijk nog meer en nage geraakt--het gazon om, en op de groote stoep toe, doch ziet dan eensklaps terzij van het landhuis achter die prachtig fonkelende rozen en onder het zwaar geboomte, iets.... wits; iets.... En....

Daar staat hij dan nu.... in hare nabijheid!--Zoo pas uit de felle zon in het dichte lommer gekomen, heeft hij niet dadelijk bemerkt dat zij ter afwering van muggen en ander "onwellevend gevogelt" een witzijden doek over 't hoofd heeft gehangen, en, door de drukkende hitte overweldigd, in slaap is gevallen. Hoezeer ook en nage, met de sierlijkste buigingen is hij haar genaderd. Doch, nu buigt hij niet meer.

"'t Hem, kehem!" kucht hij eenige malen steeds luider en krachtiger, ofschoon gedempt. Doch helaas, het baat hem niet!

--Zij slaapt! O zij slaapt!!--Edele spruit! droomt zij wellicht, en ziet ze met haar zielvol geestesoog den man die haar.... enfin.... aanbidt, die háár, en al wat het hare is, liefheeft als zich zelf? Droomt ze van hém, en vermoedt ze onbewust dat hij in haar nabijheid ademt? Zal hij haar nog een wijle bespieden, ofschoon hij door dien vasten sluier, waarachter ze zich verborg, niets anders kan waarnemen dan de plek, waar zich het topje van haar neus bevindt? O die teedere! O dat uitstekende topje! hij zou het willen aanraken, hij zou haar willen ontsluieren en dan op dat topje een zoen drukken, en haar zeggen: Hier is hij die over u waakt als gij slaapt! Hier is hij van wien gij "droomend waakt en wakend droomt"; die u "wil omstrengelen met de teerheid van zijn hart". Maar--helaas! paf! daar barst ook de tweede paille handschoen. Schrikt ze wakker? Nee! zie maar.--Bah! 't is te warm voor handschoenen.

--Hij zal ze allebei uitdoen en los in de hand houden, dan ziet men niet dat ze kapot zijn.

"Juffrouw! juffrouw Jacoba!"

De neustop klimt. De sluier valt:

"Goeje hemel!--phu!--wat? Wie....? phu! Pardon menheer.... wie heb ik 't plezier....?"

"Hé, ik dacht...." zegt Kippelaan, in den beginne eenigszins uit het veld geslagen: "Ik meende dat u.... Maar enfin, ik heb de eer mevrouw Mansburg te zien? Ontzaglijk veel genoegen! Altijd wèl geweest mevrouw? En mijnheer de luitenant-generaal....?--Charmant mooi weer. Ik dacht.... enfin.... la belle dormeuse au bois, enfin!...."

"O ik vraag wel om verschooning. Mijnheer.... re Kippelaan nietwaar....?"

"Jules Janin, om u te dienen. Van mama's kant--de Parladotti's--Italiaansche origine!--Recht aangenaam u hier te ontmoeten. Fameuse warmte, maar als het hart niewaar....? Een dame, eene vrouw gevoelt zoo spoedig wat men zeggen wil. Geen zonnehitte is instaat om...."

Mevrouw Mansburg, die vreeselijk benauwd onder den zijden doek had gedroomd, weet waarlijk niet of ze nog wel heel wakker is.

--Wat wil die man?!

"Waarschijnlijk zal uw bezoek mijn broeder gelden," valt ze haastig in: "wanneer u zoo goed wilt zijn maar even te schellen dan zal de knecht u aandienen."

"Pardon, o pardon mevrouw; het voorrecht u hier 't eerst te spreken! 't Was ontzettend warm op den weg, en dáárom, indien ik mijn hart het eerst voor u mocht ontlasten; indien...."

"Mijnheer, ik verzoek u niet verder te gaan.--Op mijne jaren...." En dan terwijl een vuurrood haar aangezicht bedekt, staat mevrouw Mansburg van de tuinbank op, en Kippelaan den rug toekeerend om zich naar de achterzij van het huis te begeven, voegt ze er bij: "Zooals ik u zeide, men laat zich aanmelden. Ginds is de voordeur."

De generaal Van Barneveld verkeerde 't allerminst in een stemming om menschen als Kippelaan te ontvangen. Nochtans het strookte niet met zijn karakter om onder eenig voorwendsel belet te geven; en, om iemand, die in deze hitte een kwartier ver kwam loopen, eenvoudig met de boodschap: mijnheer ontvangt niet, naar huis te zenden, dat kon er in 't geheel niet door.

De merkbaar gedrukte stemming, waarin de generaal verkeert, werkt eenigszins kalmeerend op den gloeienden Kippelaan, en doet hem voor een goed deel zijn "joviale vrijmoedigheid" verliezen.

"En welke zaak is het menheer, waarover u mij zoo noodzakelijk spreken moest?"

"De zaak uw excellentie, de.... eigenlijke zaak.... Enfin, mijn naam is u bekend: Kippelaan, patricische familie; mama een geboren Parladotti.--Allebei overleden; papa en mama, aan de mazelen op een reisje, in den bloei van 't leven. Enfin! de eenige spruit, Julus Janin, naar een Fransch bisschop uit de veertiende of vijftiende eeuw--daar wil ik afwezen. Al vroeg...."

"De hoofdzaak, menheer Kippelaan?"

Kippelaan wischt zich nogmaals eenige bruinachtige zweetdroppels van 't gelaat. De donkergrijze oogen van den ouden generaal zien hem zoo "dolks en sabels" aan.

"De zaak uw excellentie, de zaak, enfin...." Eensklaps opstaande terwijl hij een snelle buiging maakt: "Mijn bijzonder compliment generaal. 't Prouveert voor zijn kunde, voor zijn praktijk. 't Zal uw gloriole zijn; ik wensch u van harte...." Kippelaan is er bijna toe gekomen om weder een aanval op Van Barnevelds hand te wagen, doch dat scherpziende oog dringt hem terug.

"Wàt meen je menheer?"

De generaal wendt straks het hoofd naar de raamzijde. 't Heeft hem de grootste moeite gekost om zijn verbazing voor dien babbelaar te verbergen, toen hij hem met een zonderling gekozen woordenvloed hoorde verhalen, dat dokter Helmond onderhands het oud-burgemeestershuis op de markt gekocht had.

Mijnheer Kippelaan gevoelde zich meer op zijn gemak toen hij mocht bespeuren de eerste boodschapper van dat goede nieuws te zijn geweest. De zaak, ohee, was anders in Romphuizen reeds "publiek domein". Op een avondpartij bij den notaris in 't laatst van de vorige week--waar o. a. ook getruffeerde kapoen uit Utrecht was geweest--daar moet die zaak tusschen thee en wijn reeds haar beslag hebben gekregen. Piet de aanspreker, die er 's-avonds met witte handschoenen heeft gediend, maar volgens de waschvrouw z'n duim in de chocolade-vla had gehouden, Piet heeft hem 's-anderendaags bij 't scheren, stellig verzekerd dat de zaak haar beslag had. Er waren onder de gasten heel wat glaasjes op den nieuwen koop en de aanstaande bewoners gedronken. De kleinste freule Blankenberge met den wipneus, had zachtjes tegen den majoor Kartenglimp gezegd: "Voor achttienduizend! Spotprijs!" en de majoor heeft toen geheimzinnig met de oogen geknipt alsof hij er alles van wist.

Dokter Helmond en zijn vrouw hadden de hoogste plaatsen aan tafel moeten innemen. Piet kon dat precies weten met de tafelpooten en de fauteuils--hij lette op alles, en de notaris had een "toost geslagen" zei Piet, over "de schoonere toekomst van de goede stad Romphuizen, wanneer degelijke kundige mannen zooals dokter Helmond, blijk gaven dat zij zich hoe langer hoe meer aan de spits stelden der burgerij; wanneer vrouwen, zoo schoon en beminnelijk als zijn gade, wilden post vatten op het hoogste, zeerzeker het moeielijkste standpunt, om van daar beschermend en zegenend de handen over de plaats harer inwoning uit te strekken." De majoor Kartenglimp had toen ook een "toost geslagen", en gezegd: dat de man die in het stadje Romphuizen zoo hoog werd gewaardeerd, die tot zulk een bevoorrechten stand behoorde, en wellicht eenmaal niet slechts onder de meestvermogenden in deze gemeente, maar tevens--hij mocht met eenige zekerheid spreken--dank zij het bezit van eene zoo uitstekend schoone en talentvolle gade, den schitterendsten titel zou kunnen verwerven, dat zulk een man dan ook voorzeker zijn edelste krachten zou blijven wijden aan het heil van het lieve stedeke waarvan hij, gave het God!--de majoor had toen den blik naar boven geslagen--eenmaal de vader, en zij, die teedere gade, de beschermvrouw, neen, de moeder zou worden genoemd.

Piet de aanspreker had dit alles zoo duidelijk gehoord dat mijnheer Kippelaan zich recht gelukkig gevoelde om nu de détails even precies te kunnen teruggeven. 't Was zeker voor den ouden generaal, die er nog niets van wist, aller.... aller.... interessantst!

"Welzeker, om u te dienen je excellentie; welzeker, tenminste gisterenavond hoorde ik nog dat uw lieve familie reeds met Augustus 't nieuwe huis zou betrekken.... en...."

"Genoeg menheer....!"

"Ben ik onbescheiden geweest? O pardon! Ja ik was onbescheiden. Misschien moest het een surprise, een.... pardon, pardon! Ik heb niets gezegd, niemendal. Wat weet ik ook anders dan wat iedereen weet. Meubels uit Utrecht; enfin, apotheek afgeschaft; 't huis aan den wal cadeau aan mevrouw Van Hake. Genereus, allerliefst....!"

De generaal, die een paar malen terwijl hij weer naar buiten zag, op 't punt is geweest om dien wauwelaar den mond te snoeren, zegt bedaard:

"Heeft men u verzocht mij die boodschap te brengen? Was dát de zaak waarover...."

"Waarover ik u spreken kwam? O pardon, pardon excellentie. Ik...., ik ben...., que voulez-vous; ik.... Charmant lief weertje vandaag, charmant! Maar de warmte.... ziet-u, de hitte." Opstaande: "Phu! enfin...."

"Je zult het een oud soldaat ten goede houden menheer, dat hij je den raad geeft om te denken voordat je spreekt; en, neem me verder niet kwalijk dat ik je niet langer te woord sta; ik heb hoofdpijn vandaag."

"Hoofdpijn? Tic? tic douloureux? Ah! een martelaar van! Een...."

Van Barneveld staat op:

"Wanneer u beneden een glas wijn met water of wat vruchten wilt gebruiken, menheer Kippelaan, 't zal me aangenaam zijn, maar wil me ten goede houden...."

"En toch, ik...., ik bid uw excellentie: als de zon dan mijn hart en mijn hart dan de zon is, verterend....! O! pardon, ik spreek te luid, enfin, indien dan een ander, een winkelbediende, zich verstout een blikslag te werpen op wat mijn ziel bekoort. Generaal, de liefde.... O, de liefde drijft mij en zal mij drijven. Ik ben, ik heb.... Mama was een Parladotti; ik ben in den bloei van 't leven; niet onwelgemaakt!--De teedere ziel onder uw dak generaal, heeft mij als aan mijzelven ontvoerd, en, dat een pharmaceut, een pillendraaier--pardon, een kruidenier mijn zaligste hoop en verwachting zou doen vervloeien tot nietig slijk, dit alles...."

Misschien zou er zich op Van Barnevelds gelaat een glimlach hebben vertoond, indien niet zooveel grievends zijn borst had vervuld, en die babbelaar hem geen zaken meegedeeld en vermoedens bij hem had opgewekt, waardoor hij nog meer in een bittere stemming geraakte.

Sedert den fatalen avond, toen dat "ijdele overmoedige ding" zulk een diepe kloof tusschen hem en zijn meestgeliefden pleegzoon heeft gedolven, is Van Barneveld zichtbaar afgetrokken en stil geworden. Ja zelfs, hoezeer het hem verheugde een merkbare beterschap bij Jacoba waar te nemen, zijn bijzonder gedrukte stemming--ofschoon hij haar zooveel mogelijk bestreed en voor Coba te verbergen zocht--was er niet door verminderd. Toen August zich veertien dagen later deed aanmelden, toen heeft Hendrik de boodschap aan dokter gebracht, dat de generaal niemand ontving; en zoo heeft Helmond, zonder nadere verklaring, kunnen begrijpen waaraan hij zich te houden had.

Uit een vertrouwelijk gesprek met Jacoba, waartoe de vader na rijp beraad besloten heeft, was het hem tot zijn groote blijdschap duidelijk gebleken, dat tante Hermines onderstelling, alsof een geheime liefde voor August haar zenuwgestel zou ondermijnd hebben, ten eenenmale ongegrond is geweest; en evenzeer had de luchtige wijze waarop Jacoba, bij dat gesprek, over Donerie's dood is heengegleden, hem wel het bewijs gegeven dat Helmonds vermoeden, waarmee hij zijn vaderhart zoozeer heeft gekwetst, niet minder ongerijmd mocht heeten; maar, of de vrees voor Jacoba's welzijn--nu hij haar werkelijk wat opgeruimder zag worden, ja zelfs nu hij haar weer telkens hoorde zingen zonder dat het haar kwaad scheen te doen--ach, of die vrees, die onrust over zijn kind, hem dan door Gods goedheid voor 't oogenblik is benomen, er was een diepe, een steeds dieper grijpende smart die niet zou voorbijgaan.

--Ja, t zal zeker wijs en goed zijn dat hij nog leeft, voor zijn eenig kind, maar anders....! Wanneer hij bedenkt wat het had kunnen zijn!--O God, die lieve jongens, die stoeiende knapen! Moest hij ze dan grootbrengen om ze beiden te verliezen, en zonder dat ze gestorven waren! Daar zijn oogenblikken die hij niet vergeet: Op elke knie zat er een. August rechts; de ander links. Wat staarden die tintelende oogjes hem aan wanneer hij hun van Waterloo, en Hasselt en Leuven, of van Neerlands helden en groote mannen vertelde, van De Ruyter vooral, den godvruchtigen zeeheld.--Ha, hij ziet die zielvolle kijkers nog glinsteren wanneer hij zoo verhaalt. En dan, 't was winter; druipnat werden ze thuis gebracht; de doodskleur lag op beider gelaat.--"Gerust maar," had de ander tot den oudsten broeder gezegd: "het ijs is sterk genoeg; als je er doorzakt dan zal ik er je uithalen, op m'n woord van eer."--En August was er doorgezakt, en de ander, trouw aan zijn woord, is hem nagesprongen; maar, als vreemden hen niet gered hadden dan zouden ze beiden verdronken zijn. De arme jongens! En wat schreide kleine Coba toen ze hen daar zoo koud en zoo bleek zag; en hij--de pleegvader--hij voelt nog dat inwendig beven, 'twelk hij nooit te voren gevoelde; en 't is hem nog als biggelt de traan langs zijn wang terwijl hij bad: "O God, laat het rood terugkomen op die kaken en de ziel weer in die oogen blinken; ik heb die jongens zoo lief!"--Ja, dat zijn oogenblikken die men nooit vergeet. Maar weg, weg met deze herinneringen! Zwakheid is laagheid! Toegeeflijkheid is spelen met de zonde! Een adder, die de borst waaraan hij werd gekoesterd vergiftigt, wordt in het vuur geworpen. En ook, de man die een ijdel schepsel terzij staat terwijl ze een grijzen weldoener lastert en smaadt; die, zonder haar te gebieden dat ze zich aan zijn voeten zal verootmoedigen, ja zelfs, die zonder genade voor haar te vragen, heengaat en eerst veertien volle dagen later terugkomt, om, ijskoud bij de geringste tegenkanting, zich voorgoed verwijderd te houden, zulk een man is...... Ha! en de maat was nog niet volgemeten. 't Moest August bekend zijn hoe de dwaze familie zijner vrouw--zonder twijfel door haar gedreven--den ouden luitenant-generaal heeft durven krenken! Het libel ligt daar nog in den lessenaar om tegen dat vermetele volk te getuigen:

"Hiernevens zendt de familie Van Armeloo aan den Hoogedelgestrengen heer A. Van Barneveld de vijftig gulden terug, die ZEd.--haars ondanks' en onbewust--voor het diner had geschonken, 't welk zij ter eere van het huwelijk harer dochter, mejonkvrouwe E. Van Armeloo, met den heere dokter A. Helmond heeft gegeven.

Met de aan ZEd. verschuldigde achting de familie

Van Armeloo."

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us