Dokter Helmond en zijn vrouw (part 2 of 3)
--Rechtvaardige hemel! De letters van dat libel staan hem telkens weer als vurige slangen voor den geest. En ja, na alles wat hij daar van dien wauwelaar hoorde, kon het niet anders of ook August moest schuld aan die verregaande beleediging hebben. Een andere Eva heeft, maar al te ras, den vroeger zoo kloeken en verstandigen man tot het proeven van den schoon-glanzenden appel verlokt, zoodat ook hij, helaas, nu reeds is verdreven uit dat paradijs van dankbare, maar tevens werkzaam vooruitstrevende tevredenheid.
Na een oogenblik van stilte, weet Van Barneveld eigenlijk niet meer wat die zotte man met zijn schellevisch-tronie daar 't laatst heeft geroffeld.--Had die dwaze veertiger inderdaad om de hand van Coba gevraagd? Was er een apotheker die haar het hof maakte? Zou het mogelijk wezen dat Van Hake die, na den morgen van Coba's ongeval bij Krul, een paar malen zoo deelnemend naar haar gezondheid kwam vernemen..... dat hij....?
Op het oogenblik dat Van Barneveld met een kort maar kernachtig woord den heer Kippelaan tot een snelle escampade wil noodzaken, en Kippelaan zelf, met een blik op het gelaat van den generaal, en al kloppend met zijn kapotte paille handschoenen tegen het been, reeds een weinig retireerde, werd er een zacht tikken op de kamerdeur vernomen.
Mevrouw Mansburg verzoekt verschooning dat zij de heeren stoort.
"Watblief?--Nee Alexander, 't spijt me wel, maar ik moet me excuseeren. Mijnheer zal me ten goede houden, ik kan en mag...... 't Was maar even om je te zeggen...." en mevrouw Mansburg fluistert den generaal wat in 't oor.
"Helmond!? Is hij? Wou hij? Weet ie niet meer dat mijn geduld, dat mijn bloed...." Eensklaps opstaande tot Kippelaan:
"Menheer, permitteer me je te herinneren dat je bezoek me vandaag niet zeer gelegen komt. Hou me ten goede; ik ben een oud man, en.... Nee, 't spijt me.... maar.... Wat het hoofddoel van je komst betreft...."
Kippelaan strijkt eensklaps nader: strekt de beide handen met de tien paille handschoenvingers naar Van Barnevelds hand uit, en zegt:
"O generaal, het is...."
"Voor heden genoeg menheer. Ik begreep je niet recht; men kan die zaken schriftelijk behandelen."
"Maar excellentie, de liefde, O.... indien mevrouw?"
Mevrouw Mansburg maakt een zeer zonderling afwijzende beweging. Aan zoo iets heeft ze immers niet kunnen denken, op hare jaren: acht en vijftig! Na reeds twaalf jaren weduwe te zijn geweest! Nee o nee! Een man zooals hij in de kracht van 't leven! Maar toch, als onmogelijk heeft ze het niet beschouwd.
"Mijnheer Kippelaan," zegt de weduwe met eenige terughouding zeer deftig: "mijn broeder de generaal lijdt waarlijk aan hoofdpijn. U zult hem excuseeren. Wat mij betreft, wanneer ik u, in zijn plaats, kan....ne te woord staan, wil over mij beschikken."
--Och neen, Hermine weet en gevoelt wel dat het een dwaasheid, een dolzinnigheid zou wezen, op haren leeftijd; maar men wil zoo iets toch hooren; men wil.... En terwijl mijnheer Kippelaan--verrast over zooveel heuschheid--na de hartelijkste respectsverzekeringen aan zijn excellentie, met de oude dame het"bureau" van den generaal zal verlaten, herhaalt Van Barneveld op gestrengen toon het reeds gegeven antwoord aan zijn zuster:
"Nee Hermine, zeg aan dokter Helmond, of laat hem zeggen, dat ik hem niet kan spreken.--Nee: niet, 't is immers duidelijk genoeg!"
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Tegen den avond van denzelfden dag stond Thomas Van Hake in de vestibule van het huis De Zonsberg, en gaf aan Hendrik een brief van dokter voor den generaal.
Hendrik zegt: niet te gelooven dat mijnheer op 't bureau of in huis is; tenminste vóór een half uurtje omtrent is hij de plaats ingewandeld, en Hendrik zag hem niet terugkomen.
Welzeker, Van Hake zal dan maar zoolang in de achterkamer gaan en meteen wat rusten; hij moet den generaal toch zelf even spreken en het antwoord op den brief ontvangen.
"A propos: is de juffrouw thuis Hendrik?"
"Jawel menheer, de juffrouw is binnen. Juist toen u schelde hield zij op met piano-spelen; dat doet ze maar 't liefst als zij alleen is."
Bij 't hooren van deze woorden wordt Van Hake eensklaps door een zonderlinge beklemdheid overvallen. Neen, zie, dáárop had hij niet gerekend. De beide vorige keeren, toen hij naar Jacoba's welstand is komen vragen, toen is hij óók in die kamer gelaten, en weinige minuten later kwam toen de generaal en heeft zeer welwillend een kwartiertje met hem gepraat. Maar, juffrouw Jacoba had hij niet te zien gekregen, neen, ofschoon men toch eenige verplichting aan hem had en het belangstellend bezoek zeker háár gold in de eerste plaats.--Hoe 't zij, 't heeft hem eigenlijk niet verwonderd dat het zoo gegaan was, en vooral niet omdat Juffrouw Jacoba nog altijd ongesteld heette. Maar nu, nu hij door dokter met den brief--een speciale zending--is belast, en zijn bezoek alzoo geen uitsluitend belangstellend karakter had, nu heeft hij zich in 't geheel niet durven voorstellen dat hij háár.... háár, dat zachte teedere schepseltje, zoo aanstonds en alleen zou vinden.
"Nee Hendrik, wacht... ik weet niet.... ik heb.... Is.... isse de juffrouw weer heelemaal beter....? Zou het wel goed zijn dat ik.... als de generaal....? Watblief?"
"Wou je liever niet binnengaan menheer Van Hake? Ja, als u in de zaal wilt, of in de eetkamer, dan...."
"Nee Hendrik, ik meende alleen...."
Diep ademhalend en na een snelle beweging met de hand door de blonde krulharen, herneemt hij: "Ga jij je gang maar Hendrik; dien me maar aan alsjeblief. kHem hém!"
Over Jacoba's bleek gelaat verspreidt zich een licht blosje nu zij den jongen provisor ziet binnenkomen. Nochtans, zij heeft zich spoedig hersteld, want, terwijl haar physiek door het geregeld gebruik van versterkende middelen inderdaad wat verbeterd is, zoo schijnt het verbond met haar wil gesloten, den wil om zich los te scheuren van droombeelden en ijdele wenschen, haar een nieuwe veerkracht te hebben geschonken.--Dien blos, nu ja, zij heeft hem niet in haar macht gehad, en bij het zien van dien blonden knaap moest dat vreeselijk uur in de woning van baas Krul zich immers wel krachtig opdringen aan haar geest.
Nu is 't voorbij.
"Ga zitten menheer Van Hake.--Ik hoop dat vader gauw komen zal.--Ik heb nog altijd een oude schuld met u af te doen, en u hartelijk dank te zeggen voor uw goedheid. Papa is u ook zeer erkentelijk. Op dien morgen.... 't was...."
"O, ik bid u, spreek daar niet van juffrouw Van Barneveld; 't maakte me waarlijk gelukkig dat ik u zoo spoedig behulpzaam kon zijn.--Ja! dat was daar wel een schrikkelijke toestand. Die arme Donerie zoo in den bloei van 't leven! en zoo knap niewaar!? U kunt er over oordeelen juffrouw; en dan vooral: hij was zoo'n edel best mensch! Och ja, we hadden in 't laatst nog een soort van orgelkrans."
"Ei zoo!" zegt Coba met eenigszins afgewend gelaat.
"Jawel, eigenlijk waren we maar met ons drieën, 's Zondags avonds, en een paar malen 's morgens vroeg, kwamen we op 't orgel bijeen, en dan gaf hij ons les; altijd even fiks en degelijk, en toch zoo heel amikaal. 't Mocht niet eens den naam van les hebben, en hij nam er dan ook niemendal voor; we noemden het orgelkrans of orgelclub; jammer dat het maar zoo heel kort mocht duren."
"Zoo.... kort?"
"Ja, na de zevende les is hij aan 't sukkelen geraakt. Ik kan u niet zeggen hoe vreemd of 't me nog altijd is wanneer ik mij nu op dat orgelkamertje 's morgens heel vroeg wat aan 't oefenen ben. 't Is me dan alsof ik hem nog zóó moet zien binnenkomen."
Er volgde een pauze.
Van Hake begreep eensklaps dat het misschien niet goed was om zoo over Donerie te spreken; dat lieve meisje heeft immers zenuwaandoeningen, en de herinnering aan dien akeligen morgen bij Krul kon haar nadeelig zijn.--Die blanke engel!
"'t Is hier toch een prachtig uitzicht juffrouw Van Barneveld! Wat geeft de ondergaande zon een heerlijken gloed over 't land, en wat blinkt de Rijn daar helder in 't verschiet; het donkere hout op den voorgrond maakt het uitzicht hier waarlijk tot een schilderij."
"Ja.... 't is wel een heerlijk gezicht;" zegt Coba, mede naar buiten ziende; en dan: "Is dat een mooi... instrument.... zoo'n orgel? Ik bedoel er achter, waar men speelt? Ik heb nooit... Ja, op een plaat misschien; maar anders heb ik nooit...."
"O, als u 't orgel zien wilt juffrouw; wel, als ik dan de eer mocht hebben?" zegt Thomas snel, en er is een verheffing in zijn stem, alsof hij een vraag doet waarvan de toestemming hem voor zijn gansche leven gelukkig zal maken.
"Zien, ja wat dát betreft, maar 't is tegenwoordig zoo warm op den dag."
"Nee maar in de vroegte juffrouw! Van morgen bijvoorbeeld was ik al om halfzes op 't orgel. Zie, als ik weten mocht wanneer, dan zou ik zorgen...."
"Wel vriendelijk, maar 't zal toch niet gaan, zoo vroeg; ik moet mij nog wat ontzien, en geloof dat papa...."
"Nee, als mijnheer de generaal 't liever niet had.... dán.... Maar anders, ik zou er mij een feest van maken om u alles eens goed uit te leggen. De brave Donerie kon met zulk een warmte over zijn orgel spreken. Wat speelde hij nog prachtig op den dag van dokters trouwen, niewaar? Wie had kunnen denken dat het zijn laatste toon zou wezen! Maar neem mij niet kwalijk juffrouw, dat ik alweer over mijn vriend spreek, 't geeft u een sombere herinnering."
"Hebt ú ook gehoord van een plan.... van een monument of zoo iets op het graf, menheer Van Hake?"
"Welzeker juffrouw; dokter heeft er al van gesproken; maar ik meen dat u--tenminste de familie er niet vóór waart."
"Wij.... dat is te zeggen: papa heeft geweigerd te teekenen omdat hij in 't algemeen tegen zulke zaken is; maar wat mij betreft, ik, nee, ik ben er niet tegen." Even naar buiten ziende en dan snel en bepaald: "Ik moet u ronduit zeggen dat naar mijne meening de stad Romphuizen zoo iets wel verplicht is aan de nagedachtenis van mijnheer...."
"Donerie," helpt Thomas. En dan, terwijl er een bijzondere glans in zijn mooi blauw oog te bespeuren is: "Zou het waarlijk ook ú genoegen doen dat het tot stand kwam, juffrouw Van Barneveld?"
"Ik geloof dat het de wensch zal zijn van allen die zijn onderricht ontvingen of die zijn talent op prijs stelden. De wijze waarop hij les gaf was eenig."
"Nu juffrouw, als ú het wilt, dan zal, zoo waar als ik Thomas Van Hake heet, dat monument er komen ook! Dokter wou dat ik er mij eens flink zou voorspannen; maar.... ik was wat bang, en 't ging niet zoo vlot als ik wenschte, doch nû, ja, nu ik weet dat u.... jawel juffrouw, jawel! dat geeft me courage, dat steekt me, als ik weer werven ga, een riem onder 't hart. Sapperloot juffrouw, ik kan u niet zeggen met welk een ijver...."
Jacoba moet de hand op 't hart drukken om het hevig kloppen ervan te weerstaan, terwijl ze Van Hake snel in de rede valt, en hem dringend verzoekt om de zaak niet op die wijs te behandelen. Haar naam mag niet genoemd worden.
"Nee natuurlijk niet juffrouw," stemt Thomas eenigszins verrast maar haastig toe: "dat begrijp ik best. Als mijnheer de generaal er niet voor is.... nee natuurlijk, natuurlijk!"
"Niewaar, natuurlijk!" herhaalt Coba, en dan zachtjes met een blos: "Een onbekende heeft bij u ingeschreven voor een bedrag dat.... later kan worden ingevuld, u verstaat me; en ik teeken--een weinig onderaan slechts voor tien gulden." Rondziende snel: "Maar de onbekende blijft onbekend voor iedereen.... natuurlijk!"
"Welzeker, natuurlijk juffrouw!"--Och hemel, zoo'n engel!
De deur werd geopend. De generaal trad binnen.
De kloeke vormen van den ouden krijgsman komen in zijn lichtgrijs zomer-tenue nog sterker uit; nochtans nu hij den grooten ronden stroohoed afneemt, nu ziet men dat de uitdrukking van zijn gelaat geenszins in harmonie met dien kloeken bouw is.
"Wie daar....? Ahzoo menheer Van Hake, ben jij 't! Je moeder welvarend?"
"Dank u generaal; ma is heel gezond, en het doet me ook recht veel genoegen dat ik de juffrouw hier zoo wél mag vinden. De juffrouw ziet er waarlijk al veel beter uit."
"Ben je druk aan 't praten geweest? Je hebt zoo'n kleur."
"Niet te druk, lieve pa. Menheer Van Hake heeft een brief voor u gebracht. Hebt u hem niet gekregen?"
"Nee, een brief? Van wien?"
"Van dokter, generaal. Hendrik zou u buiten gaan opzoeken."
"Ik heb 'em niet gezien;" zegt Van Barneveld en trekt tweemaal met kracht aan de schel: "Jacoba-lief, je zoudt me nu plezier doen met wat naar buiten of naar je kamer te gaan. 't Is goed dat je menheer Van Hake, die ons zeer verplichtte--ja zeker m'n vrind, ik vergeet dat niet--dat je hem ontvangen hebt; je bent veel beter, en je mocht hem nu zelf wel eens bedanken, maar je ziet er wat vermoeid uit; menheer Van Hake zal je nu zeker excuseeren."
"O wat dat betreft generaal; ik hoop niet...."
"Nee 't zal haar nu geen kwaad hebben gedaan; maar we moeten nog voorzichtig zijn."
Hij geeft Jacoba een gebiedenden wenk.
Van Hake tast naar zijn hoed die onder zijn stoel staat:
"Indien ik anders zoolang ergens anders....?"
"O nee, volstrekt niet menheer Van Hake," zegt Jacoba: "papa heeft gelijk; 's morgens moet ik me nog wat rustig houden, want ik wil in 't vervolg 's morgens wat heel vroeg opstaan en wandelingen maken. Goeden avond! Mijn groeten aan mevrouw uw mama. en ook aan...."
"Waar of Willem blijft!" valt Van Barneveld in met krachtige stem: "Ik heb tweemaal gescheld; de oude wordt langzaam."
Gevoelde Jacoba dat haar vader 't slot van haar opdracht wilde verhinderen, toch zegt ze bij 't heengaan:
".... En ook mijn groeten aan dokter Helmond en zijn vrouw."'
De oude koetsier--die 't nooit verleeren zal om bij 't naderen van zijn generaal, de twee voorste vingers nabij de grijze haren te brengen, krijgt in last om driemaal de groote schel boven 't huis te doen klinken: dat was 't sein voor Hendrik dat hij niet meer in de plaats behoefde te zoeken en terugkomen moest.
In afwachting van Hendrik sleept het gesprek tusschen den ouden generaal en den jongen provisor. De laatste, ach, hij gevoelt het weer levendiger dan ooit dat hij met "zulke wenschen" een gek, een groote gek is; en toch....
En Van Barneveld?--Heeft hij dan daarvoor in Gods schoone schepping wat rust voor zijn ontstemd gemoed gezocht, om bij zijn binnentreden aanstonds weer in dien maalstroom te worden geworpen! Had hij van den babbelaar niet meer dan genoeg vernomen; heeft hij den pleegzoon dezen morgen niet ten tweeden male--en toen met nog wat meer recht dan den eersten keer--een onderhoud geweigerd! Wat moet die brief hem nu melden? Wat wil hij dan? Wil hij liefde van den pleegvader en heulen met een Delila! Wil hij twee heeren dienen!?--En die jongen daar; voert ook hij iets in zijn schild? Heeft de wauwelaar van 't stadje dezen morgen waarheid gesproken? Zou dat manneke zich verstouten.... zou hij zich in 't hoofd hebben gezet dat bij met Jacoba....? Neen, 't is bijna niet te denken; en toch....
Hendrik kwam binnen en overhandigde zijn meester den brief.
Van Barneveld heeft toen met een wenk verlof gevraagd of genomen, om den brief in Van Hakes tegenwoordigheid te lezen.
Van Hake zit voor op zijn stoel.
Van Barneveld leest:
"Geëerde oom!"
De generaal gaat naar het raam. 't Werd al wat donker, en, 't was niet noodig dat die knaap hem zag terwijl hij las. Bij 't raam leest hij verder:
"Voor de tweede maal werd ik aan uw woning afgewezen. Gedachtig aan uw spreuk: "Kruipen doet het laag gedierte", drong het besluit zich aan mij op, dat deze poging om u te ontmoeten de laatste zou geweest zijn.
"Goddank, dat ik tot betere gedachten kwam!
"Ik wist niet oom, dat het voorgevallene op dien avond,--het opperen van mijn vermoeden omtrent de oorzaak van Coba's zenuwlijden, en het wel wat vrije gedrag van mijn vrouw,--reeds voldoende zou zijn om mij uwe liefde onwaardig te maken...."
"Wátblieft u Generaal?" zegt Thomas, door een paar onverstaanbare woorden van Van Barneveld, plotseling uit een zeker orgelkamertje weggerukt.
"Watblief?" herhaalt Van Barneveld, die den provisor vergeten was, terwijl hij omziet. En dan met een vorschenden blik: "Ben je met den inhoud van dezen brief bekend menheer?"
Thom die onwillekeurig is opgestaan, aarzelt, maar zegt toch ferm:
"De hoofdinhoud is me geen geheim generaal; maar gelezen heb ik hem niet."
"Ahzoo!" zegt Van Barneveld, terwijl hij Thom nog even van terzijde beschouwt. Daarna den brief weer inziende en zoekend naar de woorden, die hem straks onwillekeurig een gesmoorden kreet van verbazing ontlokten, prevelt hij onhoorbaar: "Wel wat vrij gedrag! Ha, mij dunkt!"--Nu leest hij verder:
"Diep erkentelijk voor het vele goede, dat gij mij van jongs af aan bewezen hebt; gedachtig aan zoo menig woord door u gesproken, aan zoo menige les van u ontvangen, moet de vrees dat uw liefde voor mij verloren ging, mij wel bitter kwellen.
"En waardoor moest ik haar dan zoo eensklaps verliezen? Door mijn opvatting omtrent Coba? Dat is niet mogelijk. Een enkel oogenblik mocht die meening uw wrevel wekken, uw helder doorzicht zou er mij op den duur geen verwijt van maken, daar ben ik zeker van. En evenmin kan Eva's ondoordachte handelwijze er oorzaak van zijn."
--Ha, ondoordacht! bromt Van Barneveld in den grijzen knevel; en leest weer voort:
"Neen, wat zij in uw oogen misdreef, het kan toch niet voor rekening komen van den man, die ook in zijn vrouw zal afkeuren wat afkeuring verdient. Ik wil Eva's gedrag op dien avond niet rechtvaardigen: zij heeft den eerbied aan uw jaren verschuldigd zeerzeker een oogenblik uit het oog verloren, maar ook, haar oprecht karakter...."
Van Barneveld leest niet meer; zijn oogen staren strak in het dommelig verschiet, waar de zon zooeven is ondergegaan en slechts roode strepen aan den hemel heeft achtergelaten. De hand, waarin hij den brief hield, zakt bij het lichaam neer, terwijl hij de linker tegen 't hart drukt, 't Kon hem daar in de laatste weken soms zoo snel, zoo pijnlijk kloppen. Groote God! mocht hij zulk een brief dan nog verder lezen: de verbloeming, de verdediging van een smaad, waarover ieder rechtgeaarde, en die pleegzoon althans, niet dan verontwaardiging gevoelen moest.
--Ha! ik heb het gevreesd! zucht Van Barneveld onhoorbaar: Neen, God weet het dat ik niet "trotsch en schriel" ben, maar 't bloed kookt mij al te onstuimig wanneer ik de dwaasheid ten troon, en Gods wetten verkrachten zie. Om dat bruisende bloed, om dat pijnlijk kloppen hierbinnen, ontving ik hem niet. Maar zijn brief kon ik lezen; die brief--lang verwacht--zou me zeggen hoe het stond tusschen hem en mij. En ik weet het nu: Breed en diep is de kloof. Tusschen ons is alles voortaan....
"Deert u iets generaal?"
Van Barneveld geeft in den beginne geen antwoord. Het blad papier heeft geritseld in zijn hand en viel op den grond.
Doch zie, met een krachtige zelfoverwinmng grijpt hij de leuning van zijn stoel. Zijn donkere oogen strak op Van Hake richtend, staart hij hem eenige seconden stilzwijgend aan, als zoekt hij naar een gepasten vorm voor 'tgeen hij spreken wil, en zegt dan met vaste stem:
"Je hebt het vertrouwen van.... je patroon, menheer Van Hake, dáárom geef ik je in antwoord op zijn brief een mondelinge boodschap. Zeg aan.... dokter Helmond, dat ik hem aan Simson herinner, hoe deze, sterk met God, schier ongewapend duizend Philistijnen versloeg; maar ook, hoe hij, krachteloos gemaakt door een vrouw--een heidin--slechts zijn sterkte mocht herwinnen om zich onder 't puin van den heidentempel te begraven."
Van Hake stond roerloos. Zonder een woord te kunnen zeggen, zag hij den spreker een wijle aan. Wat moest die toon, wat moest dat beeld beduiden? Ach, hij vreest nu maar al te zeer dat die oude man meer reden tot wrevel heeft, dan dokter vermoedde of blijken liet.
Helmonds sombere stemming der laatste dagen was Thom niet ontgaan; maar, eerst dezen middag--nadat dokter erg verhit was thuisgekomen--heeft hij zijn hart voor hem uitgestort.--Thom, zoo onverwacht de vertrouwde van zijn weldoener geworden, heeft bescheiden maar toch met veel vrijmoedigheid zijn oordeel gezegd, en, hij gelooft het zeker, ook goeden raad gegeven. Als het niets anders was dan een opvatting tegen mevrouw Helmond--zooals dokter zeide--een verschil van zienswijze; de strijd van een jonge levenslustige vrouw met een grijsaard, die toch ook alleen door ervaring de wereldsche goederen en genietingen als ijdel heeft leeren beschouwen, welnu, dan was er toch zooveel reden tot voorhoofdrimpelen niet.--Och zie, heeft Thom gevleid en gedrongen: als dokter nu eens wilde doen wat hij dacht, namelijk; aan den ouden man een hartelijken brief schrijven, maar een heel hartelijken, met verzoek om een onderhoud in alle liefde; en als Thom dan zelf dien brief mocht brengen, en dokter het verder eens stilletjes aan hem wilde overlaten, ja, dan geloofde hij zeker dat hij dokter nog dezen avond met een gunstig antwoord zou kunnen verheugen.
Wat Thom in die oogenblikken zoo vermetel heeft gemaakt, hij weet het zelf niet. Maar immers, tweemaal is hij zeer welwillend door dien voornamen heer ontvangen; en heeft hij dan toen niet vrij--erg op zijn gemak--over alles kunnen spreken? 't Was toch een heel verstandig man die generaal, en Thom geloofde vast dat men, wanneer men 't maar verstandig aanlei, in de redelijkheid wel alles van hem gedaan kon krijgen. Zie, 't was toch ook bedroevend dat dokter nu in weerwil van al zijn geluk, met zoo'n mooie jonge vrouw en een prachtig huis, en zulke schitterende vooruitzichten--terwijl hij al gedurig zoo stil en afgetrokken geweest is--daar nu neerzat alsof alle geluk is vervlogen; die beste dokter, die edele vriend! En dan--maar nee, waarachtig niet! Nee, op zijn woord van eer, met eenige bijbedoeling heeft hij geen boodschap naar De Zonsberg gezocht. Wat zou het hem voor zich zelven baten, al kon hij door een gepast goedmoedig woord die beide mannen weer wat spoediger tot elkander brengen? Nee zeker, die andere gedachte is achteraan gekomen, als een roover. Hij behoeft zich immers 't vertelseltje maar te herinneren: Er was eens een koning, en die koning had een dochter. En er was een boerenjongen, en die boerenjongen was een gek.--Uit er mee!
--Of hij Jacoba misschien toch even zien zou? Nu ja, zien; wie weet....! zoo heeft hij gedacht.
En of het geen dwaasheid van Helmond geweest is om aan het voorstel van zijn jongen vriend gehoor te geven? Och, Helmond wist het toen evenmin. Erg verhit met een bonzend hoofd thuisgekomen, heeft hij zooveel oprechte deelneming in het oog van dien braven Thom gelezen, dat hij hem wel tot zijn vertrouwde moest maken.
Eva was niet thuis. Indien hij haar terugkomst afwachtte, om haar eerst zijn weervaren mee te doelen, ongetwijfeld zou zij hem, na zulk een afwijzing, het onmiddellijk schrijven als de grootste dwaasheid, ja misschien als een laagheid hebben ontraden. Waarom dan niet aanstonds gedaan, waar een goede geest hem nu toe aanspoorde; uitstel zou licht tot afstel kunnen leiden, en immers, terwijl hij vroeger zoo lang besluiteloos bleef, is spoedig handelen nu geraden. Bovendien, nu hij ten tweeden male werd afgewezen, nu is er zeerzeker bij den ouden man meer grieve dan August zich heeft voorgesteld. En zie, daar stond die goedmoedige Thom met zijn blonden krullebol en zijn helderblauwe oogen. Helmond had zijn tusschenkomst niet gezocht, Thom heeft ze hem als 't ware opgedrongen. Nu dan, geen bedenkingen meer; gedachtig aan ooms onverzettelijke gestrengheid tegen Philip, was een algeheele scheuring nog 't best te voorkomen door de tusschenkomst van zulk een vriend, die nog bovendien het vertrouwen van den grijsaard bezat.
En of Thom een warm vriend en zijn zending waard was. Hoor dan:
"Generaal, u moet me niet kwalijknemen, maar dat heele verhaal van Simson, dat.... neem mij niet kwalijk, dat durf ik niet aan dokter weeromzeggen. Dokter is een best mensch generaal, een bijzonder best mensch, en.... dat heeft ie van u.... jawel op m'n woord, hij heeft het vroeger honderdmaal gezegd: al wat er goeds aan hem was dat had hij aan u te danken."
--Och! wát is het anders dan de eeuwenheugende geschiedenis van de slang en de vrouw, en de vrouw en de slang, zucht Van Barneveld onhoorbaar, terwijl hij zonder op Thom te letten strak voor zich heen ziet.
"Maar als men dan alles weet generaal, van de gevoelens en van de liefde niewaar, dan kan er immers geen misvatting meer zijn, dan...."
Van Barneveld ziet op, en Thom van terzijde aan:
"Ik heb je, meen ik, 't antwoord voor den dokter gegeven. Iets anders heb ik niet."
"Maar.... met uw verlof; als ik me niet bedrieg dan hebt u den brief niet heelemaal gelezen generaal."
"Jawel, tenminste...."
"Nee! nee waarlijk niet! U moet me niet kwalijknemen dat ik u tegenspreek, maar op m'n woord, als u hem heelemaal gelezen hadt dan liet u zeker weten: dat u dokter met plezier ontvangen zoudt. Och beste dokter--generaal wil ik zeggen, als u nu eens wist hoe blij ik met die boodschap zou wezen. Vijf en twintigmaal zou ik er voor door een heete zon, zooals 't van morgen was, willen heen en weer loopen. Och, dokter is zoo'n best mensch, generaal, en nee, z'n vrouw is ook zoo kwaad niet, als men haar nader leert kennen. Gul is ze, goedhartig! Kom generaal, u moest die haken en oogen nu maar uit de wereld maken, en maar denken...."
Van Barneveld, die weer met de hand op de vensterbank geleund bij 't raam staat, ziet om, en valt met eenigszins schorre stem nu haastig in:
"Je bent nog zeer jong menheer Van Hake, en daarom vergeef ik je dat je een man van mijn jaren de les wilt lezen, en onder 't oog brengen hoe hij ten opzichte van dokter Helmond en .... zijn vrouw te handelen heeft. Een man...."
"Maar.... maar...." aarzelt Thom in bijna smeekende houding: "als u dan toch waarachtig dien brief niet heelemaal gelezen hebt...."
"Mijnheer de provisor, ik verzoek je mij niet meer in de rede te vallen. Een man als je patroon, van wien men onderstellen mag dat hij denkt alvorens te schrijven--nee dankje, dien stoel kan ik wel zelf....--ik zeg, zulk een man zal aan 't slot van zijn geschrift niet weerspreken wat hij vooropstelt. Genoeg, ik ken dien brief, al las ik hem niet ten einde. De kern...."
Thom kan zich niet weerhouden en valt in:
"Ja maar generaal, juist die kern van dokter; zijn hart voor u..."
Van Barneveld ziet Thomas aan met een blik, waarin zeer duidelijk geschreven staat: Zwijg! Meer niet, maar 't was voldoende:
"Ik dien toch een misverstand bij je weg te nemen jongmensch," herneemt Van Barneveld met zichtbare inspanning: "Je schijnt te denken dat een verschil, "haken en oogen" zooals je dat gelieft te noemen, mij 't besluit deed nemen om dokter Helmond niet meer te ontvangen. Maar ik zeg je: zoomin als vuur en water, of duisternis en zonneschijn in vrede kunnen leven, zoomin kan het de geest, die in dokter Helmond gevaren is met mijn waarachtige overtuiging,"
Thom bijt zich schier de lippen aan bloed. Hij wil spreken, hij moet spreken..... Maar nee, halt! halt jongmensch, wacht je beurt; halt!
"En Helmond kent die overtuiging!" hervat de generaal met verheffing: "Of weet hij niet meer wat ik den worm noem, die knaagt aan den wortel van ons volksbestaan! Die worm is het zinneloos teren op den roem en het geld van een wakker voorgeslacht; 't is die geest van luie brooddronkenheid, van voorname domheid, maar vooral van zotte verheffing boven zijn stand. En die duivel in veel gedaanten, moet met kracht worden bestreden zal de geest van 't voorgeslacht ontwaken in 't eind: "Met God voor Oranje! Door noeste vlijt, tot Neerlands roem!"
Maar hij zal ontwaken. Bij God, men zal het ervaren dat Neerland niet rijp is, en niet rijp worden zal voor annexatie! Het juk der dienstbaarheid verdragen wij nooit op den duur. De oude leeuw zal tand en klauwen toonen. Losrukken zal hij zich en vechten tot zijn laatsten droppel bloed, wanneer overmacht hem den nek durft krommen. Wee, wee dan de vadsige gasthuis-Nederlanders, 't ontaarde ras, wanneer het, in zijn dommel, door kanongedonder wordt wakkergeschokt! Wee, wee de verwijfden!"
"Generaal, ik bid u, zou mijn beste brave dokter...."
"Knaap, kun je niet hooren en verstaan? Zeg, werd dan Helmond sedert zijn vrouw hem regeert, niet mijn tegenstander, een vijand van zijn vaderland!?"
"Generaal, waarachtig hij wil niets liever dan in overeenstemming met u handelen."
"Maar wie, wie kiest hij dan! Ik zeg je dat hij steeds haar zal kiezen, al gevoelt hij zelf dat hij zondige weelde boven eenvoud en tevreden zin, dat hij een Delila boven Jehova verkiest."
"Generaal, nog eens: u trekt het te ver. Mevrouw Helmond is...."
"Een duivelin! Zwijg jongen; wie mijn pleegzoon in zulk een korten tijd reeds zóó tot haar slaaf maakte, heeft met satan een verbond gesloten.--Na zulk een avond, mijn God, inplaats van haar te noodzaken aanstonds neer te vallen aan mijn voet, liet hij zich door die vrouw, vier weken lang van zijn grijzen pleegvader terughouden.--'t Is haar wufte zin die hem zand en klatergoud in de oogen strooit.--Wat wil hij nu!--Mij zeggen dat hij de kooper werd van een huis met dertien kamers, zonder het te kunnen betalen. Mij bekennen misschien--zoodra ik hem het geld voor zijn dwaasheid weigeren moet--dat hij nu mede geheel overtuigd is van 'tgeen zijn vrouw mij verwijten dorst, dat ik.... ha! dat ik ben: én trotsch én schriel!"
"Goeje hemel, generaal!"
"Nu weet je het knaap. En 't is goed misschien dat de vertrouwde van dokter Helmond het weet, om ervan te kunnen gruwen. Spaar me nu verder; ik was niet voorbereid op dit alles.... Ga! Nee, niets meer. Ik ben wél, maar toch...." Van Barneveld, die reeds gedurig de hand ter plaatse van 't hart heeft gebracht, doet het ook nu, terwijl hij vervolgt: "In een fel bestookte vesting wordt spoedig bres geschoten. Heb ik je soms wat hard toegesproken menheer Van Hake, vergeef 't den ouden man; jij deedt je plicht.... jij....! Blijf een brave zoon; vergeet je moeder nooit. Wees eenvoudig; tracht niet naar 'tgeen onbereikbaar voor je is; en, als je een vrouw kiest...." Thom werd bloedrood: "neem er dan eene uit je stand, die--zoo noodig, 't brood mee verdienen durft. Vaarwel!"
't Was Thom na dat laatste zeer beslissend: vaarwel, niet mogelijk een woord meer te spreken.--Ja toch:
"Maar ik bid u, generaal!"--Halt! zóó donker heeft hij nog nooit een oog zien worden.--Goeie hemel, moest dit het besluit dan wezen! Die beste dokter!--En dan, ach!.... Daar was eens een koning en die koning had een dochter en, en.... de boerenjongen was een gek, een verduivelde gek!
Nog denzelfden avond moest Hendrik een brief aan 't adres Binzler te Godesberg, op de post bezorgen; en, reeds twee dagen later--bij 't eerste uchtendkrieken, draafden Victor en Coco, voor de vigilante, met koffers beladen, het hek van De Zonsberg uit.
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
't Was Augustus.--Reeds sedert eenige dagen hebben Helmond en Eva hun nieuwe woning betrokken.
Inderdaad, het deftige oud-burgemeestershuis was prachtig opgeknapt, zoowel vanbuiten als vanbinnen. Ja, en men komt zoo van 't een op 't ander. De stadstimmerman beweerde dat dokter het huis "schandekoop had: tweeduizend gulden voor reperaties--met de serre, waar mevrouw zoo'n zin in heeft gehad erbij--'t was hem wel driehonderd gulden meegevallen. Zoo goed als present!"
De zaal, waarin Helmond en zijn vrouw zich op dit oogenblik bevinden, is de kleinste der beide zalen in het huis, en werd de Oranjezaal genoemd sedert Koning Willem I er op zekere doorreis, bij den voormaligen hoogadellijken burgemeester een collation gebruikte.
Eva heeft aanstonds een bijzonder zwak voor deze zaal gehad. Het prachtige stukadoorwerk met zijn fiks gesneden cherubs; de fraai geschilderde doeken aan den wand--Arkadische landschappen voorstellend: de hooge zeer kunstig gebeeldhouwde schoorsteenmantel, met zijn prachtig wit marmeren beeldengroep in 't midden en een paar wapenschilden in 't lofwerk erboven, dit alles heeft Eva van het eerste oogenblik afaan ten zeerste bekoord.
En dan, niet al te groot en daardoor ongezellig: een vroolijk uitzicht hebbend op het ruime marktplein met de frisch groene linde- en kastanjeboomen; zóó, keurig gemeubileerd, was het niet vreemd dat Eva de Oranjezaal tot het vertrek heeft gekozen, waar ze het meest vertoeven en haar vrienden ontvangen zal.
Ja zelfs August, die in den laatsten tijd wel wat somber en afgetrokken was--"geen wonder na de infame behandeling van den ouden despoot"--zelfs August die eerst in de onaangename bui drie stuks meubels voor de Oranjezaal onbarmhartig van het lijstje had geschrapt, hij stond verrukt toen hij voor 't eerst een kijkje mocht nemen, en zijn Eva met een kus moest toestemmen, dat, zonder de drie stuks--die ze natuurlijk tóch maar komen liet--het geheel lang niet zóó zou voldaan hebben.
Weinige oogenblikken geleden heeft Helmond een boodschap van zekeren boer Bikkers ontvangen, om aanstonds op De Schebbelaar te komen.
Dat verzoek kwam zeer ongelegen. Dokter Helmond heeft het dezen morgen zóó met zijne visites geregeld dat hij den namiddag vrij had.--Het theegoed stond reeds gereed; men wachtte behalve papa en mama Armelo, den majoor Kartenglimp, die den uitslag zijner nasporingen betreffende de veronderstelde afstamming der kapiteinsfamilie van de graven Van Armeloo, zou komen meedeelen.
"Ja August, 't zou al heel onredelijk van me zijn indien ik niet volmondig toestemde, dat je als een lieve brave man hebt woord gehouden. Welzeker heb je getoond dat ik je onverdeelde liefde bezit, ja, door alles te doen wat mij genoegen kon geven, wanneer het namelijk niet in strijd was met je plicht. Maar mij dunkt, je neemt het nu met dien plicht wat al te zwaar. Of je een paar uur vroeger of later naar dien boer gaat, dat zal zooveel niet uitmaken. Aanstonds zullen de oudelui en de majoor hier zijn. Je dient er toch bij te wezen August, en 't zou me bepaald een groot verdriet doen als je nu heengingt."
"De Schebbelaar ligt een heel eind buiten de stad Eva. Men kan niet weten; misschien is er werkelijk haast bij."
"Die menschen hebben altijd haast August."
"'t Is waar, de boer wacht langer met den dokter te roepen, dan hij zelf wachten wil. Indien ik wist dat Kartenglimps verslag wat spoedig afliep...." Hij ziet naar de pendule; "Maar nee 't is toch beter....."
"We kunnen hem immers zeggen dat je wat haast hebt, en later neem je een vigilante."
"Nee Eva, vigilantes nemen dat kan en wil ik niet, dan zou ik zelf op die visite een gulden toegeven."
"Och arm arm mannetje!" zegt Eva; en opstaande komt ze aan zijn zij, en hem zacht onder de kin strijkend, vleit ze met zoete stem: "Zal dat nu altijd zoo blijven?"
"Wat meen je lieve kind?"
"Nu ja, wát meen ik.... Niet boos worden August!"
"Boos....? Geef ik zooveel reden om dat te vreezen?"
"Nee zeker niet. Maar...." Aarzelend: "We zijn immers één als man en vrouw; en waarom dan altijd die achterhoudendheid! Toen je mij 't eerst van liefde hebt gesproken, toen vroeg ik er niet naar of je..... rijk waart; maar, nu ik het weet--ja natuurlijk, ik weet het--nu moest je vis-à-vis je eigen vrouw dat vertoon van armoede, of wat er naar zweemt, toch laten varen.--Is het uit vrees August, dat ik op den duur wat veeleischend zal worden? O, geloof me, wanneer je mij in alles je vertrouwen woudt schenken, dan zou je me waarschijnlijk al gauw moeten opdringen wat ik nu onstuimig begeeren blijf." Hem liefkoozend: "We dokteren zoo wat voor liefhebberij.... hé....? en hebben fortuin, nog al veel fortuin....?"
"Ik, Eva, ik?"
"Nu ja, van mijn kant is er geen quaestie van. Pa en ma hebben geen sous; en tante in Den Haag heeft haar fortuintje in een levensverzekering gestoken. Als de goeje ziel morgen sterft: La bonne nuit ses écus!"
"Nee Eva, je bedriegt je; ik heb geen...."
Eva legt hem snel de hand op den mond: "Stil, niet jokken. Foei, die guldens- en stuiversberekeningen á la Zonsberg, zouden den besten en verstandigsten mensch van de wereld ten laatste in de war brengen. Wat je me verbergt, je doet het op aanraden van het gepensionneerd reliek...."
"Eva! zóó niet!"
"Pardon, op aanraden van Rechtsomkeert met de leege tasch, marsch! Volgens het mooie systeem: Eet alle dagen beschimmeld roggebrood zoo hard als een keisteen, dan zal beschimmeld wittebrood zoo hard als een baksteen, taart of pastei voor je wezen."
"Eva, Eva!"
"Heb ik er iets aan miszegd, lieve August, dat ik je voor den besten verstandigsten man van de wereld houd--met een klein deukje door een schriele opvoeding misschien?--Toen we op de catechisatie eens den tekst behandelden: "Geldgierigheid is de wortel van alle kwaad," toen heb ik er tegenover-gesteld: "Royaliteit is de moeder van alle deugd," en, dominee en al de meisjes hebben er toen met sympathie om gelachen. Jij bent au fond royaal mijn beste man, ik weet het bij ondervinding; maar zeg dan nu ook ronduit dat je die dubbeltjes- en centen-uitzuinigings-manie zult zien af te leeren; dat past niet wanneer men...."
"Maar Eva, ik bezweer je...."
"Tuterletuterletu!" roept Eva zoo hard mogelijk, als wilde zij een valschen eed voorkomen. En dan vleiend: "August, als je me nu waarlijk liefhebt, veins dan niet langer. Of je arm of rijk bent, ik heb er je even lief om, dat weet je; maar, nu je het bent, toon me nu ook, door het te erkennen, dat je me heelemaal vertrouwt. Als je het niet waart dan zou je immers wel de domste man van de wereld moeten zijn. Welk verstandig mensch zou er huizen koopen zooals dit, en het meubileeren zooals wij deden, wanneer hij er niet zeer warmpjes inzat. O, ik heb het al begrepen toen je in Parijs, voor mijn toilet en diamanten, zooveel meer kondt uitgeven dan het totaal van je reisgeld bedroeg!"
't Was Helmond bij Eva's laatste woorden alsof hij door een wesp werd gestoken.--Dát was te veel!
Alleen ter wille van háár wier oog hem liefdevol moet toelachen, aan wier boezem hij zoo gaarne rust, en van wier heerlijk mondje hij zoo graag een zoeten kus ontvangt, slechts om haar gelukkig en tevreden te zien, heeft hij dat fatale woord gehouden, en, toegegeven, telkens meer. En nu zegt hem diezelfde mond dat hij een dwaas zou zijn geweest indien hij, zonder de middelen ertoe te bezitten, dat alles had ingewilligd; Een onverstandig, een dom, een zeer dom man!
--Maar was hij dat inderdaad? Heeft hij dan niet werkelijk een kleinen, spaarpot gehad, waarmee hij nooit heeft willen pralen, maar die hem instaat zou stellen om het dierbare wezen, dat hem geheel wilde toebehooren, als op rozen te doen gaan in de zoetste levensdagen--de eerste van een zaligen echt?--Toen was hij dan toch geen dwaas en onverstandig man, al heeft hij in die luttele dagen wat heel veel geld uitgegeven.--En later?--Ja ja Helmond! fluistert het vanbinnen: Ja, later!
--Maar, neen! nog eens neen! Hij is er immers gerust op geworden. Voor zooveel de notaris mocht laten blijken, is er sedert het gebeurde met Philip geen wijziging in het testament van den pleegvader gebracht. En heeft men dan inderdaad geen fortuin, wanneer men het later met eenige zekerheid verwachten mag? En bovendien al moest dat uitzicht in damp vervliegen--en zoo waar als er een God is, en zoo waar als hij den grijzen pleegvader altijd zal.... achten, zoo waar zal hij niet speculeeren op een vermogen, waarop hij inderdaad geen recht heeft--neen, al moest dat uitzicht geheel verdwijnen, indien hem 't leven en de kracht gespaard worden, dan kan hij, na een zestal jaren, die tot heden gemaakte schulden reeds hebben ingehaald.
--Een man als hij: een dokter wiens praktijk dagelijks toeneemt en zeer winstgevend mag heeten, hij kan waarachtig zeggen: fortuin te bezitten. En zie dan Helmond, hoe die schrandere zielvolle oogen je aanstaren. Zal hij voortaan een onverstandig man zijn in zulke heerlijke oogen!--Zou hij niet door te bekennen, de achting waarop hij aanspraak heeft verliezen, en bovendien zijn zedelijk overwicht.... 'twelk hij voortaan wat meer zal weten te handhaven! Inderdaad, met het oog op dit alles, mag bij immers zijn Eva toestemmen, dat hij niet de domme onverstandige man is, die een huis koopt en het prachtig meubileert zonder het te kunnen betalen.
Na een korte weifeling zegt Helmond:
"Nu ja kindlief, 't spreekt vanzelf. Zou ik zoo iets gedaan hebben indien ik 't niet doen kon! Maar toch...."
"Bravo, bravo!" valt Eva in: "dat heet nu waarlijk lief hebben, en zijn vrouw als zijn ander ik beschouwen. Zie, dát moest ik maar zeker, heel zeker weten: mijn beste man deed niets wat hij niet doen kon. 't Blijft me even onverschillig August, hoeveel we hebben in de wereld. Ik weet genoeg, en ben recht tevreden. Maar mannetjelief, tob dan ook over geen gulden meer, als je om mij genoegen te doen, die visite wat later per vigilante kunt maken. Zeg, zul je blijven August? De zaak is immers belangrijk genoeg?"
August stond met den rug naar Eva gekeerd in een boek te bladeren.--Hij heeft haar bedrogen, hij heeft haar gezegd dat hij.... als een verstandig man handelde, toen hij inderdaad maar al te dikwijls aan haar dwaze wenschen het oor leende. Zal hij haar nu een vermaning geven; haar nog eens het oude lied herhalen....? Neen! Maar toch:
"Eva, al is het dan waar dat ik vóór ons trouwen misschien iets terzij had gelegd, vergeet niet dat zelfs de verstandigste man door de omstandigheden zijn verstand kan verliezen, en.... dat na alles wat we reeds uitgaven, ijver en zuinigheid waarachtig boven alles plicht is.--Nu ja, wat de conferentie betreft, ik zal ze bijwonen. 't Zou niet aardig voor je zijn wanneer ik al dadelijk heenging; maar zoo spoedig mogelijk zal ik dan toch naar mijn zieke wandelen. Ja zeker wandelen Eva, al wordt het wat laat."
"Och mijn lieve beste August!" vleit Eva met een zoen; en dan vroolijk: "Wacht, om je te toonen hoe lief ik je vind, zal ik je nog maar eens dadelijk laten hooren dat mijn Erard hier uitmuntend voldoet.--Zingen? Ja zeker, zingen zal ik erbij, als je dat wilt. Wacht! een aardig lied, dat mij juist zooeven uit vroeger tijd te binnen viel. Zieje wel manlief, dat ik waarheid sprak toen ik je zei, dat ik hier in ons ruimer huis weer heel veel spelen en zingen zou?"
Eva's slanke gestalte zweeft naar haar kostbaar instrument; en, nadat ze al ras met groote kunstvaardigheid en kracht een wegsleepend praeludium deed hooren, zingt ze nu met haar overheerlijk sopraangeluid:
Vraag aan den nachtegaal toch niet, Als hij zijn plechtig avondlied Zoo rein welluidend klinken doet: "Waarvoor ontvingt ge als prijs of loon "Een stem zoo schoon, "Zoo wonderzoet?"
Laat toch het vogeltje ongestoord Maar jubelen met vol accoord, Wat ook natuur ten loon u biedt, Haar eêlste gaven schenkt ze om niet!
Vraag aan het bloeiend roosje niet, Als gij haar lieflijk blozen ziet, En ze u bekoort door zachten gloed: "Waarvoor ontvingt ge als prijs of loon "Een kleed zoo schoon, "Een geur zoo zoet?"
Laat toch het roosjen ongestoord; Van arbeid heeft net nooit gehoord. Wat ook natuur ten loon u biedt Haar eêlste gaven schenkt ze om niet!
Nu Eva zwijgt en de slotaccoorden reeds wegsterven, nu staat Helmond daar nog sprakeloos, doch met een glans van verrukking op zijn mannelijk schoon gelaat. Hij denkt er niet aan dat Eva misschien als tegenhanger van 'tgeen hij daar straks had gesproken, dit bijna vergeten lied gezongen heeft, 't Sloeg ook wat al te weinig op 'tgeen hij bedoelde. Maar ja, ja zeker: "Natuur schenkt haar eêlste gaven om niet!"--Groote God, is het werkelijk zijn vrouw, zijn eigen vrouw, die daar zoo heerlijk, zoo betooverend schoon heeft gezongen? Ze heeft woord gehouden; hier, waar het ruim hoog en niet vochtig is, hier zingt en speelt ze; hier leeft ze weer op; hier wil en zal ze gelukkig zijn met hem, en met haar prachtig talent. Reeds vier malen zong ze in deze zaal, maar zóó heerlijk, zóó onuitsprekelijk betooverend schoon, neen, zóó kan ze zelfs voorheen nooit hebben gezongen:
"Eva.... nóg eens, ik bid je, engel! nóg eens!" dringt Helmond met denzelfden blik vol verrukking, terwijl hij schier aarzelend zijn hand op haar schouder drukt: "Ja waarachtig: Natuur schenkt haar eêlste gaven om niet!"
"Bevalt het je lieve man? Komaan!" En weder zingt Eva het eerste couplet, waarin men nu werkelijk den reinen nachtegaalstoon kan herkennen.
En August, hij voelt een heeten gloed naar het voorhoofd stijgen.--Een talent als het hare, waarvan misschien de gansche wereld als van een Jenny Lind of een Patti kon hebben gewaagd, zulk een talent heeft zich aan hém, een eenvoudigen stadsdokter, overgegeven, geheel en al, met hart en ziel! En zulk eene heeft hij willen kerkeren in bedompte lage naargeestige vertrekken. En dan--deze eenige onder de Romphuizer vrouwen, zou men miskennen en beleedigen durven! Zulk eene zou niet de eerste en eenige blijven! Ja, zoo waar als God leeft, zweert August bij zich zelven, terwijl nogmaals de laatste tonen wegsterven van die wonderschoone melodie: ik zal haar in eere houden zooals ze verdient!
TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Mama Armelo heeft zich dezen middag in 't gala-pak gestoken om met Armelo, die ook zijn Zondagsche jas heeft moeten aantrekken, aan Eva's uitnoodiging te voldoen.
De echtgenooten begeven zich op weg naar het nieuwe doktershuis.
Met een eenigszins vreemd draaiende deftigheid stapt mevrouw, naast den ex-kapitein--die in de laatste jaren wel wat voorover loopt--door de voornaamste straten van het stadje, op het tamelijk groote marktplein toe.
"Zieje wel Armelo, dat Wessels de kleermaker weer groet?"
"Ja Marie."
"En slager Van Delden dáár..... heb je 't gezien, zoo anders als anders, zoo onderdanig?"
"Ja.--Je hadt je wel wat minder mooi kunnen maken Marie."
"Waarom?"
"'k Heb immers Van Delden nog om drie maanden uitstel gevraagd; nu zal je mooie plunje hem in de war brengen."
"'t Is vreemd Armelo, dat je dat uitstel en die beleefdheid niet beter begrijpt. Ik voor mij geloof dat we sinds het bekend is, zooveel krediet kunnen krijgen als we maar willen."
"Bekend? Wát zeg je! is het al bekend? Ik dacht dat die gekheid tenminste geheel onder ons zou blijven totdat de majoor...."
"O dáár spreek ik niet van Armelo, ik bedoel van onzen schoonzoon, van Helmond. Sedert dat men zeker weet dat hij, ook van zich zelven, er warmpjes inzit."
"Ahja, wat dát betreft. Maar het staat me toch eigenlijk tegen dat men dáárom aan mij...."
"Is Eva dan misschien je eigen vleesch en bloed niet, man?"
"Ja waarachtig! Maar te speculeeren op andermans geld! Nee Marie, nee!"
"Andermans! andermans!! De wettige man van je eigen kind! van het kind dat haar bestaan in de wereld aan ons te danken heeft. Is dokter niet precies zoo goed je zoon als Eva je dochter? Noem jij het andermans, ik noem het eigen! Van één meel, van één deeg!"
"Ik spreek van zijn geld."
"Geld is niemendal. Wát is geld voor iemand die genoeg heeft! Geld is een dood, een onnoozel ding...."
"Stil vrouw, je praat zoo hard dat de jongens die daar knikkeren er van opkijken."
"Die jongens kunnen ook wel om wat anders opkijken, Armelo. Maar hoe 't zij," vervolgt mevrouw iets zachter: "wat heeft men aan geld dat niet gebruikt wordt? En, als jij bijvoorbeeld eens rijk waart en schoonouders hadt die een stand moesten ophouden in de wereld, zou jij dan niet zeggen..." Mevrouw vervalt in iets zeer theatraals: "neem van het mijne, ik heb fortuin!"
"'t Is me moeielijk Marie, om me met de herinnering aan mijn schoonouders, zoo iets van stand ophouden voor te stellen, en nog moeielijker om....."
"Och Armelo zwijg nu maar, je schijnt weer een dwarse bui te hebben; dat treft al heel slecht van avond. Je hebt die buien zeker uit de Tiendaagsche ruzie gehouden!--Kom man, kijk toch wat opgewekter. Zie, daar heb je het huis al. Goeje hemel, dat we nu zoo zeggen kunnen: daar, in dat mooiste huis van de heele stad, daar wonen onze kinderen! Och lieve deugd! wat een front maakt dat huis!--Nee, zenuwachtig ben ik niet Armelo, tenminste niet dagelijks; maar nou! wil je wel gelooven dat ik ieder keer kippevel krijg, als ik den markthoek omsla en dat huis daar voor me zie.--Och, hij doet het, onthoud er je vrouw bij."
"Hij doet het? Wat meen je?"
"Wat? Wel Armelo, denk toch eens door.... zóóveel kamers, zóóveel ruimte voor twee personen!"
Armelo antwoordde niet. Het hoofd ging hoe langer hoe meer voorover.--'t Is hem tegenwoordig precies alsof hij overdag een boek leest, en 's nachts droomt dat hij er zelf in vermoord wordt.--Ha! zonder dien verwenschten drank, die het gevolg was van..... Stil, zijn vrouw leeft nog, en ze heeft zich gebeterd, evenals hij, helaas toen het te laat was.--Maar ja, zonder dát zou hij niet telkens gepasseerd en, ofschoon nog per gratie met klokke vijftig, gepensioneerd zijn geworden. Neen, dan was hij nu kolonel, wie weet misschien generaal geweest! Maar dat alles is voorbij. Stil dan ouwe kameraad; gedane zaken nemen geen keer. Als je na nummer één, daar heel Boven, ergens in een nieuw garnizoen komt, en bij een hooger wapen van voren afaan kunt beginnen, dan zul je 't wel verstandiger aanleggen. Zeker! Nu, wees te vreden dat je zonder schandaal nog een geregelde retraite hebt kunnen maken; dankbaar dat je stilletjes kondt rondsukkelen met wat zuinigheid en wat werken erbij.--Maar, in den laatsten tijd! in de laatste weken! Ach, somwijlen heeft hij oogenblikken gehad dat hij--nee, dat is niet waar; ja, ja toch, verdord! dat hij naar een glas jenever verlangde. Als het dan toch draait..... dan..... Een glas jenever!
Dat was slecht! Heeft het geluk hem beneveld en zoo uitzinnig gemaakt? Welk geluk? Welnu is Eva niet geheel gelukkig getrouwd; Eva, zijn oudste, zijn lieve dochter?--Stil, dat is voor hem zulk een groot geluk niet. Hij durft het niet uitspreken; men zou het verkeerd kunnen uitleggen; maar, sinds dat goede huwelijk, zoo geheel naar aller zin, en vooral in de laatste weken, was Eva zijn Eva niet meer. Vriendelijk is ze, nu ja, heel vriendelijk. Eens hebben papa en mama met Louise zelfs bij haar gegeten, en tweemaal thee gedronken, welzeker! Maar toch, 't was hem toen juist zoo vreemd en raar geweest. Bijvoorbeeld 't is hem soms onmogelijk om zich duidelijk voor te stellen dat hij háár--die mooie rijke mevrouw--als kind zoo dikwijls op zijn knie heeft gehad; dat ze hem in die schrikkelijke dagen van vernedering en ellende--de lieve vroolijke bloem met haar golvende lokken--zoo telkens uit eigen beweging kwam liefkoozen en zoenen op den pijnlijk geplooiden mond; of, met haar rein welluidende stem haar schoonste liederen ging zingen, om, zooals ze zeide, haar "lieve pa'tje weer wat vroolijker te maken, en van zijn dierbaar hoofd die nare rimpels te verjagen". Toen, ach, ofschoon telkens en telkens teruggestooten, gekrenkt in zijn eer en benadeeld in zijn inkomsten--helaas door eigen schuld! was hij toen niet dikwijls nog gelukkiger dan nu? Is het dan niet alsof de rust en kalmte der laatste tien jaren, nu na dat huwelijk van Eva, een eind hebben genomen? Aan wien zal men het wijten? Aan den braven dokter die Eva als zijn oogappel bemint? Neen onmogelijk! Maar toch..... Ach, ware ze met ziek geworden! zucht Armelo onder 't voorttreden in stilte; ware ze zoo meer in "onzen doen" gebleven; muziekonderwijzeres geworden; en was dan die goede Donerie niet zoo terughoudend geweest..... Maar, dat alles is voorbij! En nu, 't is alsof er sinds dat huwelijk en sinds die dwaze voorspiegeling van een graventitel vooral, een oude kwade geest in huis is wakker geworden. Het geld van den generaal; het fortuin van Helmond, en de adellijke titel, ze maken het oude hoofd van die arme vrouw weer op hol. Heb ik Louise, dat goede eenvoudige kind, niet bijna alle dagen met tranen in de oogen gezien, en was het mij dan niet telkens alsof ik in een zwarten nacht staarde; alsof ik op een slagveld was met kermenden en lijken overdekt, terwijl de raven akelig krasten in 't rond? Dat beeld vervolgt me al meer en meer; en als ik wakker lig, soms uren lang--terwijl ik in die laatste jaren weer zoo gerust kon slapen--dan zie ik altijd en altijd weer datzelfde huis, dáár, en schrikkelijk groote vlammen uit die vensters naar buiten slaan, en dan hoor ik haar kermen en gillen: Vader, vader!--O God! En dan.....
"Guns Armelo, je loopt alsof je spelden zoekt;" klinkt het eensklaps aan zijn zij; en Armelo schrikt op, en zet zijn kin in de stropdas, want ja, zij heeft gelijk: als oud-soldaat mag die rug niet zoo krom worden.--Maar, wie weet, wie weet wát hij nog te dragen krijgt: "Watblief Marie?"
"Dat je waarlijk je oudste schoenen hebt aangedaan."
"De oudste? Ik dacht dat het de nieuwe.... Ahja, nu zie ik ook...."
"Ze zijn bovenop in de buiging heelemaal kapot; je kous schijnt er door. Zóó kun je niet meegaan, we moeten eerst weer...."
"Marie ben je mal! Eva zal dáár niet naar zien, en al deed ze het, we hebben háár dunkt me in allerlei toilet gekend, van haar eerste kreetjes afaan."
"Daar spreek ik niet van Armelo, maar een fatsoenlijk man, een man van geboorte.... enfin zelfs een oud-militair loopt met geen kapotte schoenen. Wat zou de majoor wel van je denken!"
"De majoor! dat is me vrij onverschillig. Je weet dat ik aan die heele affaire niemendal hecht; tenminste...."
"Tenminste Armelo, zoolang we geen zekerheid hebben. Ik ken je, mannetje, en zoo ben jelui mannen allemaal: schimpen op zoete koek, maar, als ze 't trommeltje bij zich krijgen 't heelemaal leeg eten--zoo ongemerkt!--Ik zou me schamen, in jou positie met kapotte schoenen! Kom, ik heb quasi m'n zakdoek vergeten."
"Als ik nú weer mee naar huis terugga, Marie, dan kun je er zeker van zijn, dat ik blijf waar ik ben.--Je weet wel dat ik toch al moeielijk tot deze visite--of conferentie zooals jelui het noemt--te bewegen was."
"Maar met zulke vieze kapotte hannekemaaiers op haar mooie tapijt!"
"Als je met de hannekemaaiers mijn schoenen bedoelt, dan zeg ik je dat je overdrijft; 't is er maar één, en waarlijk zoo erg niet; de andere is nog heel."
"'t Staat arm man, armzalig! Maar als je in zoo'n dwarse bui bent, dan zou je wezenlijk instaat zijn om thuis te blijven.... tenminste 't zou schrikkelijk laat worden.--Je houdt dan je rechter den heelen tijd over je linker, op die plek, begrijp je Armelo. En nu, in 's-hemelsnaam, niet dat lamentabele gezicht!--Kijk, daar staat schoonzoon al voor 't raam. Hemel, wat een pracht van een huis!--Gauw Armelo, zie eens op zij, ongemerkt: Zie me om de liefde eens hoe de freules Van Winteren ons nakijken. Je kunt denken hoe het die dames pikeert dat wij de hooge breede stoep van 't mooie oud-burge.... van 't nieuwe doktershuis opstappen."--Zij trekt aan de schel der huisdeur: "Nu front naar de markt kapitein!"--en dan bij zich zelve: "Ziezoo dames, als je wilt dan kun je ons nu uit de verte nog eens in onze volle waarde genieten. Jawel kale jonkvrouwen met een heelen boel verbeelding en wind op het lijf! hier staan wij; ik en m'n man; en we gaan hier--om zoo te zeggen zoo goed als in ons eigen huis, en als je maar geduld hebt, dan zie je mettertijd nog eens een heel ander kroontje op de kaartjes van de familie Van Armeloo dan het magere ding, waarmee jelui zoo'n laffen bluf maakt." Luide: "Och Armelo, zie eens, zit m'n mantille wel recht? Trek hier 'en beetje. Man, strijk je knevel toch op; en,--denk aan je schoen!"
Bus, de lange drankjesrondbrenger van dokter Helmond, die een soort van "huisknechtelijk" voorkomen heeft gekregen--door een licht linnen jasje met blauwe streepjes--opent de deur.
"Dag Bosch!--Mijn kinderen thuis?" zegt mevrouw: "Mijn zoon de dokter óók? Ha! le voola!"--Een enkelen keer--nochtans hoogst zeldzaam--sprak mevrouw Armelo Fransch.--"Ha! Lieve Helmond! hoe gaat het? Foei, kom je ons zelf in de gang ontvangen? foei!--Och, je moet je om óns niets, niets ter wereld geneeren. Wij hebben zoo volstrekt geen complimenten of aanmatiging, wij...."
Helmond die den zoen van zijn mama "recht hartelijk" heeft gevonden, begroet intusschen zijn schoonvader met een trouwhartigen handdruk; en dan:
"Wat! niet heel fiksch papa; moet ik u in den vijzel hebben?"
"O 't heeft niets te beteekenen," zegt Armelo: "van morgen een beetje hoofdpijn."
"In den vijzel!" zegt mevrouw: "Helmond-lief, ik dacht dat je den vijzel voorgoed...."
"Maar mama'tje, wie heeft dát gezegd!"
"Gud! menheer Kippelaan zei...."
"Och vrouw, zwijg toch van Kippelaan, 't is 'en proppenschieter."
"Ga binnen; Eva wacht u;" zegt Helmond en doet de deur, waaruit hij in het breede marmeren voorhuis kwam, wat verder open, en papa Armelo treedt achter mama Armelo de Oranje-zaal binnen.
Eva heeft gewacht.
Als altijd schoon, ja schooner misschien dewijl het zwart barège kleed haar blankheid te meer doet uitkomen, ligt Eva bij het binnentreden van haar ouders, zeer gracelijk in een voltaire, met het hoofd achterover, de fijne hand aan den kleinen mond, en den blik schuin terzijde door 't venster in de blauwe lucht. Helmond begreep die houding op dit oogenblik niet. Moest dat een klein ondeugend comediestukje wezen? Was het om haar ouders stilzwijgend een raadseltje op te geven, 't raadseltje van twee is drie? Of Eva inderdaad iets van dien aard bedoelde toen ze bij 't binnentreden der ouders--hoewel slechts gedurende een ondeelbaar oogenblik--half liggend zitten bleef, of dat zij misschien 't effect van haar Oranjezaal die nu kant en klaar was door een gepaste stoffage,--een rustig figuurtje--wilde verhoogen, wenschend dat men bij 't binnentreden een indruk zou krijgen 'tgeen onmogelijk was wanneer zij aanstonds ging opvliegen als een schichtig konijn!?--Helmond gelooft het eerste. Eva zou hem, indien hij 't haar later gevraagd had, waarschijnlijk geantwoord hebben: Mijn hemel, wie kan nu van al die vluchtige gedachten en invallen zoo haarfijn rekenschap geven? Ik zat zoo, mijn hemel, ik zat zoo!
Nu heeft ze de ouders begroet. Er is plaats genomen. Eva zet thee. Mama Armelo komt aan het woord:
"Wij denken geheel eenstemmig Eva, en 't allerbeste zal dunkt me zijn, dat we nu eerst eens bedaard den majoor af wachten.'t Verstand van je lieven man, mijn besten zoon--ja ja Helmond, God weet hoe ik dweep met je kennis en verstand; maar ik zeg Eva, er zijn wel eens zaken die de vrouwen oneindig beter inzien. De majoor is een man die zeer juist...."
"Och Marie, jij altijd met je verheerlijking van dien majoor!" roept Armelo; en dan wat zachter: "Als Helmond zelf me niet had laten vragen om de zoogenaamde explicatie van dat heerschap te komen aanhooren, dan, neem me niet kwalijk, dan zou ik er vast voor bedankt hebben."
"Heb ik u gevraagd....?" zegt Helmond en ziet Eva die naast hem zit, van terzijde aan.
"Hé August-lief, weet je niet meer dat ik zei van gisteren, en toen.... van morgen;" zegt Eva met een snel blosje, terwijl ze met den rug van haar mooi blank handje even zijn wang streelt: "en dat je het toen beter vondt om het vandaag te hebben. Weet je niet meer August?"
"O ja, wat dat betreft in zoover heb je gelijk Eva." En dan tot den schoonvader, waarschijnlijk met het doel om aan zijn interpellatie voorgoed een eind te maken: "In onze waardeering van den majoor--hoewel we hem eerlijk gezegd, nog weinig kennen--geloof ik niet dat we zoo heel veel van elkander verschillen papa. Maar zonder te beslissen of er iets van komen kan, zoo moet ik mama en Eva toestemmen, dat de majoor zich de zaak waarlijk met den meesten ijver en belangeloos heeft aangetrokken. De man verdient tenminste met eenige waardeering te worden aangehoord; hij heeft zeker aanspraak op onze.... dankbaarheid."
Helmond had de laatste woorden met moeite en weerzin uitgebracht. De dankbaarheid weegt hem pijnlijk zwaar.--'t Was alles, met die verandering van woning enz. enz. alles zeer eenvoudig in zijn werk gegaan. De notaris Zoutenheer heeft hem het geld bezorgd--zeer amikaal, en 't is dus een zaak geheel tusschen hen beiden. Maar toch, was die majoor niet inderdaad de man, die hem door zijn praatjes, in Eva's tegenwoordigheid, het hoofd op hol heeft gebracht!--Helmond heeft geen berouw van 'tgeen hij voor zijn vrouwtje deed; neen, straks nog heeft hij het levendig gevoeld: 't was goed, en alles zou best terecht komen. Maar, dat die persoon, die indringer, op zijn handelen inderdaad invloed heeft uitgeoefend: dat die vreemde sinjeur door den loop der omstandigheden geheel op de hoogte van Helmonds zaken gekomen is, dewijl--zooals de notaris hem in vertrouwen meedeelde--de majoor zelf een deel van het geld bezorgde waarmee hij geholpen werd; dát, zie, dat alles heeft een weerzin tegen dien man bij hem verwekt, een geheel anderen en veel sterkeren weerzin dan vroeger het uiterlijk en de manieren van dien majoor, of wel zijn vrees voor den dood het gedaan hebben. Nu echter zal Helmond dien weerzin moeten bestrijden, omdat hij bij 't openbaren ervan het allereerst zijn eigen vonnis zou hebben geveld.
De kapitein, die zich steeds vrijer tegenover zijn vrouw gevoelt wanneer er heeren in 't gezelschap zijn, en zich nu vooral--onder den machtigen indruk dat eens in deze zelfde kamer een Oranje heeft gezeten--zonderling sterk en in zijn kracht gevoelt, de kapitein herneemt terwijl hij zijn schoonzoon een sigaar presenteert--'tgeen zijn vrouw de verkeerde wereld en bespottelijk vindt:
"Ik spreek het niet tegen Helmond, de man is almachtig gedienstig; maar in dienst kenden ze geen dienst zonder commando."
"Och hoor je wel kind," fluistert mevrouw Armelo tot Eva: "papa spreekt van zijn dienst alsof ie nog in 't volle vuur stond."
Eva glimlachte, maar zweeg.
"Ik hou niet van menschen," vervolgt de kapitein: "die zich ongevraagd in onze zaken mengen. In 't jaar dertig...."
"Beste Armelo, die geschiedenis kennen we allemaal."
"Pardon mama, ik ken ze niet;" zegt Helmond, en luistert nu met geduld naar het verhaal van den schoonvader, hoe deze namelijk indertijd met een zeer indringend kameraad van 't "zesde" had gehandeld. Helmond, echter al spoedig bemerkend dat hij reeds volkomen op de hoogte der geschiedenis is, kan intusschen zoo van terzijde gedurig eens naar Eva luisteren, om haar blijde instemming te vernemen met alles wat mama vooral in deze zaal te roemen en te bewonderen vindt.
"Zoodat ik maar zeggen wil Helmond," vervolgt de kapitein: "dat ik nooit op menschen gesteld ben, die je hun vriendschap zoo opdringen, en voor niemendal alles voor je doen willen. Er wordt zoo weinig voor niemendal gedaan in de wereld!"
"Je moet van middag maar niet te veel van papa verwachten Eva; papa heeft de bokkepruik opgezet. Heb je niet Armelo? Och manlief, ze staat je zoo leelijk. Jij kunt niemendal goeds van den majoor hooren omdat ie majoor is, dáár zit 'em de knoop.--Wat zeg jij kind?"
"Kom papa, zet uw grieven nu maar aan kant. We vinden menheer Kartenglimp geen van allen een modelman, maar, zooals Helmond al zei: wat ie voor ons doet dat is wel zeer beleefd, en ik verzoek u dus tegen mijn gast heel vriendelijk te zijn papa'tje. Mij dunkt, u zult toch ook naar zijn verslag verlangen."
"Ja Armelo, dat dunkt me; tenminste...."
Armelo--'t is aan zijn gelaat te zien--zet er zich overheen:
"Verlangen? Nee Marie, nee! Of je me nu aankijkt of niet, ik zeg je nee; ik verlang er niets naar; ik heb er geen oogenblik--nee tenminste geen minuut naar verlangd. Ik zei van den beginne afaan dat het gekheid, groote gekheid was."
"Dat heb je niet Armelo lief; je hebt er wel degelijk in gegroeid: je hebt in je handen gewreven. Niewaar Eva? Ik zie het nóg."
"Ja, u hadt er wel mee op papa. Misschien niet dadelijk, maar toen u begreept...."
"Ik zeg je nee! Ik heb gelachen."
"Ja juist Armelo-lief, dat was het bewijs: je hebt gelachen."
"Maar duizend bommen en kanonnen, is lachen dan niet een bewijs..."
"Zeker pa, dat je ergens plezier in hebt."
"Of Eva, dat je iets belachelijk vindt. Zieje, en ik lach inderdaad om dat malle idee van dien adel. Heb ik het dan niet aanstonds gezegd: al ware het zoo, wát zou ik met zoo'n titel doen; ik die met Gods hulp nog werk heb om rond te komen."
"Chut, chut beste, je schreeuwt dat men 't buiten wel hooren kan."
"Dat komt omdat jij me zoo dikwijls overschreeuwt! Maar zieje, als men er mij naar vraagt dan wil ik het zeggen: In den verstandigen tijd dan eten we gewoonlijk moespot met een stukje vleesch of spek--of zonder als 't wezen moet; afgemarcheerd! We houden onze kleeren tot ze 't verstellen niet meer waard zijn, en...."
"Maar Armelo, ik ken je niet meer! Man, je vergooit je...."
"Dan gaan we in 's-hemelsnaam allebei tegelijk!--De schoenen"--en Armelo laat, doch niet zonder zekere zelfoverwinning zijn linkervoet zien--"we dragen ze totdat ze versleten zijn."
"Maar dat is 'en schande!" roept mevrouw. En Eva het hoofd met zekeren weerzin afwendend, zegt zacht in zich zelve: "C'est un peu trop fort!"
"U wilt maar zeggen papa, dat zulk een titel minder bij uw tegenwoordige positie past," meent Helmond.
"Dát wil ik maar zeggen: dat, heel eenvoudig: en hoe belachelijk ik het denkbeeld vind: dat ik een graaf zou wezen, en mama, de dochter van een bakker, gravin! 't Is onzinnig!"
"Maar Heer in den hemel!" roept mevrouw met trillend hoofdgebaar: "Een bakkersdochter! Alsof bijvoorbeeld alle adellijke families Bakker geen bakkers, of weet ik het wát anders geweest zijn! Ga jij je gang maar Hanoversche boerenzeun.... ga jij...."
"Mama ik bid je," valt Eva in met hooggekleurden blos, nadat ze een snellen blik op haar man heeft geworpen: "u moet je niet zenuwachtig maken. We weten heel goed dat, onder andere, de eigen broer van úw mama luitenant ter zee is geweest."
"Ja, ja juist!" stemt mevrouw: "dáár denkt men niet aan."
"Wat geeft dat!" zegt Armelo: "Ik, Harmen Pieter Armelo, ik ben van boerenzoon wel kapitein geworden; maar wou je daarom nog een graaf van me maken? Ik zeg je 't is onzinnig!"
"Papa, dát is het niet," zegt Eva eenigszins driftig, ofschoon op een gansch anderen, oneindig gekuischter toon dan hare moeder: "'t wordt dunkt mij onverstandig om over de onmogelijkheid en de onzinnigheid van iets te spreken, dat men niet onderzocht heeft en waarvan de mogelijkheid door anderen in 't geheel niet zoo sterk wordt betwijfeld."
--Aha, het kind leest hem de les! Moeders partij wordt krachtig versterkt! Och 't zal nu maar beter zijn verder te zwijgen. Er zijn vrouwen die altijd altijd gelijk hebben; volkomen! al ziet men ook klaar dat ze een kanon voor een trekpot houden. Zwijgen is dikwijls verstandiger. Maar een enkele maal moet het pak eens van 't hart.--Helmond heeft nu tenminste gehoord hoe de oude man erover denkt. En, al zal hij dan nooit in der eeuwigheid zulk een gekheid goedkeuren, nú wil hij zwijgen.--Als het kind gaat meedoen..... en vergeet....--Enfin, hij zal weer zwijgen, en luisteren. Welzeker!
"Drievierden van 't gezelschap papa, beschouwen als zeer wel mogelijk, 't geen ú zoo heelemaal verwerpt. Mama, Helmond en ik."--Mama geeft teekenen van goedkeuring; Helmond tuurt op het gloeiende kooltje van zijn sigaar onder de grauwe asch, en Armelo luistert:
"Wij met ons drieën verlangen te weten wát mijnheer Kartenglimp ons zal meedeelen;" vervolgt Eva: "Na gehoord te hebben papa, kunnen we oordeelen of de zaak mogelijk is. Als er werkelijk stukken zijn die duidelijk aantoonen dat wij afstammen van de oude graven Van Armeloo, en ons goed recht op dien titel alzoo te bewijzen is, dan zal ieder verstandig mensch toestemmen...."
"Welzeker!" komt mevrouw tusschenbeiden.
"Toestemmen dat men zoo iets niet mag prijsgeven; dan zal men...."
"Ja maar Eva," valt Helmond in: "papa oppert alleen het groote bezwaar dat men als graaf, heel anders dan als eenvoudig gepensioneerd kapitein voor den dag dient te komen. Papa begrijpt....."
"Papa begrijpt de zaak geheel en al verkeerd, evenals jij lieve man....."
Mevrouw Armelo bijt, hoofdknikkend, op den nagel van haar duim.
"Ronduit gezegd, hij voelt niet dat een graaf, die bijvoorbeeld niets meer dan roggebrood heeft, toch inderdaad een heel ander mensch is dan een burgerman in dezelfde omstandigheid. Met honderd voorbeelden zou ik dat kunnen bewijzen."
"O, desnoods met duizend;" stemt mevrouw.
"Om iemand te noemen," hervat Eva: "was Karel V geen keizer meer toen hij in zijn klooster horloges maakte?"
"Me dunkt 't," zegt mevrouw, ofschoon ze inderdaad dien vijfden Karel niet zoo spoedig te plaatsen weet.
"Daar heb je Napoleon," vervolgt Eva met vuur: "was die op St.-Helena de groote keizer niet meer? Was Marie Antoinette zelfs onder beulshanden niet koningin? Waren....."
"Eva, je moet je niet zoo opwinden," zegt Helmond met een vriendelijk dreigen: "we begrijpen wat je bedoelt, maar waarlijk je slaat met die voorbeelden mis. In 't klooster was Karel zoomin werkelijk keizer als Napoleon het was op St.-Helena, of de ongelukkige Marie Antoinette koningin op het bloedig schavot."
"Maar Helmond, begrijp jij, jij dan ook niet dat waarachtige, dat hoogere van den adelstand? dat het iets aangeborens is, iets...."
"Onafneembaars," vervolgt mevrouw Armelo: "iets wat er nooit uitgaat, wat er altijd in blijft, totdat....."
"Totdat het verzuurt misschien!" mompelt de kapitein onhoorbaar.
"Ik begrijp wat u zeggen wilt mama," valt Helmond haastig in: "maar dan zouden we bijna evengoed kunnen stellen dat Sixtus V, als paus, eigenlijk nog veehoeder, of Benedictus XII in die hooge waardigheid nog molenaar was."
"Je bent onaardig Helmond, heel onaardig, en dat in presentie van mijn ouders!"
"Ik ben 't niet Eva. Misschien begrijp je 't verkeerd; ik sta tusschen de partijen in. Met mama en met jou ben ik het eens, dat Kartenglimp eerst moet gehoord worden. Zoodra het waar blijkt te zijn wat hij als zeker stelt--'t geen ik betwijfel--dán kunnen we nog nader beoordeelen of niet inderdaad de inzichten van papa de beste zijn, en....."
"Dáár moet het heen, welzeker!" roept Eva, terwijl tranen van spijt haar in de oogen springen: "'t Mankeert er maar aan August, dat jij papa gaat stijven in zijn.... ja al heel weinig militaire opvatting; in een bekrompenheid waaraan ik geen naam weet te geven. Diezelfde bekrompenheid....."
--Zwijg Armelo, zwijg, vermaant de ex-kapitein zich zelven in stilte: je hebt straks genoeg gezegd. Als jij spreekt dan zal 't vuur van een anderen kant nog feller gaan opvlammen.--Goed zoo kind! denkt hij terwijl Eva verder spreekt: ga jij zoo maar voort. Ik ben niets meer dan je vader; och nee, een door eigen schuld vernederd en bekrompen vader. Goed zoo, diezelfde bekrompenheid zal papa doen voorbijzien wat hij aan zijn kinderen is verschuldigd, en dat hij als man, als hoofd van zijn geslacht, verplicht is om zijn recht in de wereld--ha, zijn recht!--'t koste wat het wil, te hernemen.
"'t Is als de dag!" zegt mevrouw.
"En," gaat Eva voort: "dat het aan een dochter, die tenminste een aristocratisch hart bezit, dat het aan háár als 't ware een roof zou wezen....."--Goed zoo kind.... een vader die je besteelt!
"Ik zeg August een roof, als hij niet deed wat zijn plicht is in 't belang van de zijnen. Men verzaakt niet altijd zijn plicht...."
--O God, dat is te veel! dát van haar, van Eva zijn kind! Maar blijf zwijgen Armelo, zwijgen; toon om Gods wil niet dat je zoo iets begrijpt. Ze heeft het zóó niet bedoeld. Neen, je kind, je oudste, heeft dát niet willen zeggen. Zwijg! aan 't beven van je stem zouden ze 't merken.... Raap dat pluisje van den grond, want..... aan je oogen kunnen ze zien dat er iets naar boven dringt.--Zeker, als hij nu sprak hij zou zich niet goedhouden, hij zou 't uitbarsten misschien. O God! zulk een verwijt van háár!... Stil--stil!--Goddank! daar wordt gescheld. Dat geeft afleiding. Goddank!
"Nee, niemendal, Helmond;" zegt Armelo nog met het hoofd naar omlaag: "Ik dacht dat ik daar iets op 't tapijt zag liggen.... dáár.... maar 't is niets.... O zoo, is de majoor er. Ei zoo!"
DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Dank zij Helmonds bijzonderen tact, heeft Kartenglimp bij zijn binnentreden niets bemerkt van de bewogen stemming, waarin het gezelschap verkeerde.
Maar ook Eva zelve, ofschoon door papa's tegenstreven ten zeerste ontstemd, zij heeft zich spoedig weten te herstellen. Een man aan wien men verplichting had--zie, dat moest men begrijpen--zulk een man diende men met eenige onderscheiding te ontvangen, en 't zou al zeer burgerlijk en onhoffelijk zijn, indien men zulks, door een onderlinge verdeeldheid, kon verzuimen.
Eerlijk moet Eva zeggen dat die majoor Kartenglimp nooit haar charme zal worden. Er is iets in zijn gelaat 'twelk haar niet bevalt; zijn manier van spreken heeft bovendien zeer dikwijls een zekere gemeenzaamheid die geen plezier doet, en waardoor men wel haast gedwongen wordt om zekere geruchten niet zoo onvoorwaardelijk met den naam van laster te brandmerken. Maar toch, bij een nadere kennismaking--en Eva heeft hem nu immers reeds eenige malen, ook bij den notaris ontmoet--mag zij zeggen, dat ze het zeer onverstandig zou noemen om iemand als den majoor, alleen op 't uiterlijk of op geruchten te veroordeelen, zonder hem meer van nabij te kennen. Wanneer men over dat zekere Oostersche in den man wat heen was, dan zag men tenminste dat hij een fameus goed hart bezat. En bovendien, hij heeft iets breeds. Niemand bijvoorbeeld heeft zoo goed als hij begrepen, dat August wel heel onverstandig zou hebben gehandeld, indien hij de eenige gelegenheid om dit huis te koopen had laten voorbijgaan; niemand als hij begrijpt zoo geheel en al, dat men in de wereld moet zijn wie men is, en dat men....
"O nee volstrekt niet majoor; nee, ik heb wel altijd zeer veel aan de muziek gedaan, maar niet om er ooit...."
"Dat begrijp ik mevrouw: u hebt de Kunst liefgehad om de Kunst, maar 't is natuurlijk nooit bij u kunnen opkomen om er een armzalige broodwinning van te maken. Uw familie zou zóó iets...."
"Dat was toch primitief wel degelijk 't plan menheer;" zegt Armelo, die sedert Kartenglimps komst nog bijna geen woord heeft gesproken.
"Mijn vrouwtje beklaagt zich haar studies niet;" valt Helmond in, terwijl hij Eva met een blik beschouwt waarin een zacht verwijt stond te lezen: "Maar, of haar ouders al bedoelingen hebben gehad, toen ze zeer verstandig voor de ontwikkeling van dien prachtigen aanleg zorgden, ik geloof ook dat zij zelve alle recht had om te gelooven, dat haar kunst wel gauw brutale kapers aan boord zou krijgen."
"Wat papa bedoeld heeft August, dat weet ik niet, maar dit weet ik wel, dat ik nooit heb begrepen dat men in ernst het plan had om mij zoo te vernederen: Een muziekjuffrouw!--Of bestond het voornemen misschien om mij tot een théâtre-chanteuse, een tooneelprinses te promoveeren? 't Is allerliefst, allerliefst!"--Fier: "Nee! dat is papa's bedoeling nooit geweest."
"Maar mijn hemel Eva!" zegt Armelo: "omdat je zoo'n mooie stem hadt.... omdat.... Weet je dat niet meer?"
"Nee papa, dát weet ik zeker niet meer. Ik geloof dat u je vergist; zulk een eer zoudt ú als oud-officier voor uw kind niet hebben begeerd, dát weet ik papa. U zult mij met iemand anders verwarren, 't Is onaangenaam. U meent het goed, maar.... zóó.... Wat moet men van mij denken!"
--Wat moet men van haar denken! Ja, waarachtig, wat, wát moet men van haar denken!--Zwijg Armelo, zwijg nu vooral: die vreemde is er bij. Wat zou hij dan wel van haar moeten denken indien hij wist dat ze de waarheid bedekt.... neen, dat ze--ofschoon misschien voor 't allereerst--dat ze nu.... liegt, dat ze haar ouden vader tot een suffer, of, tot een leugenaar maakt.--Stil ouwe kameraad.... daar ligt weer iets onder de tafel. Stil! "Nee niemendal Helmond, dankje.... ik dacht dat daar tóch iets lag, maar 't is niets, niemendal."
Aangezien Helmond dezen avond, zooals bekend is, nog een zieke buiten de stad te bezoeken heeft, en daarom op wat spoed moet aandringen, zoo geeft de majoor gaarne aan de uitnoodiging gehoor om het resultaat van zijn onderzoek aan de familie te gaan meedeelen. De papieren, die Kartenglimp nu te voorschijn haalt, legt hij met een bijzondere zorg voor zich op de tafel. Hij schijnt heel wat correspondentie over die zaak te hebben gevoerd, en 't moet moeielijk zijn om alles goed uit elkaar te houden.
Eva voelt haar hart kloppen nu de majoor nog eens een papier inziet alvorens te beginnen. Maar hoor, 't was alsof haar een pak van dat hart viel:
"Mijnheer Van Armeloo, nu wij tot de belangrijke zaak komen, die u mij hebt willen opdragen, nu acht ik mij gelukkig u voorloopig met een gunstigen uitslag te mogen feliciteeren."
Eva zag terzij, en stond op; en, om haar opstaan te rechtvaardigen, gaat ze naar de schel waaraan ze trekt, maar bespeurt niet dat Kartenglimp nu juist in den grooten spiegel, die schuin tegenover hem hangt, haar schoon gelaat waarop een blijde ontroering te lezen stond, genieten kan.
Armelo maakt een beweging alsof hij iets zeggen wil; immers, hij heeft dien majoor volstrekt niets opgedragen, niets! maar moeder Armelo geeft haar echtgenoot een zoo beheerschenden wenk, dat de majoor ongestoord kan vervolgen:
"U weet kapitein, dat uw naam mij van den beginne af aan zeer bekend voorkwam. Ziehier de reden: In mijn jonge jaren logeerde ik veel te Waechtel in Noord-Brabant. De pastoor van het dorp kwam somtijds bij mijn familie aan huis, en van hem vernam ik--zonder er destijds eenige waarde aan te hechten--dat de goederen zijner parochie voor 't grootste deel het geschenk waren van een zekeren graaf Arend Van Armeloo, wiens echtgenoot de erfgename der heeren van Waechtel geweest was. In de eerste plaats kan ik hier het stuk overleggen van den tegenwoordigen pastoor van Waechtel aan wien ik heb geschreven. Wees zoo goed dit even in te zien kapitein..... alsjeblieft....."
"Ja..... maar mijn oogen..... Ik heb....."
Mevrouw Armelo heeft nu haastig het papier gegrepen, doch Helmond, vreezend dat zijn schoonmoeder bij 't mogelijk voorlezen ervan, over 't een of ander woord zal struikelen, neemt het snel van haar over, alsof hij meende dat mama het hem heeft willen toereiken.
De deur wordt geopend, en Bus in zijn huisknechtelijk jasje, vraagt bij 't binnentreden:
"Wat blieft oe mevrouw?"
"Zul je straks wijn brengen Herman?"
"Da's goed; woar mo'k ze kriegen?" vraagt Bus geheimzinnig.
Eva had den domoor wel willen schudden.--Dát kwam ervan! Is die oude apotheeklooper dan ook een persoon om meteen voor huisknecht te dienen? 't Was om dol te worden. Enfin, August heeft het nu zelf kunnen hooren!
"Ik heb aan Antje m'n bevelen gegeven Herman. Ik dacht dat je 't wist. Ga, vraag 't haar."
"Joa moar mevrouw, as Antje altied van "kalfsoog" en "pillenposteljon" begint dan...."
"Bus, je vraagt aan Antje 'tgeen mevrouw je gelast;" zegt Helmond, en geeft den man een gebiedenden wenk; en als de huisknecht met een: "Asjeblief dokter" vertrekt, dan haast zich Helmond om door 't voorlezen van den brief die onaangename stoornis te bedekken en Eva's voorhoofd weer effen te strijken. Hij leest:
"Hoogedelgestrenge Heer!
"Op uw verzoek meld ik u, dat de goederen onzer parochie Waechtel cum annexis, inderdaad voor het grootste deel bestaan uit een donatie van wijlen den grave Arend Van Armeloo, ter eere geschonken en gelegateerd aan onze Lieve Vrouwe en Heilige Moeder de Kerk, zijnde dit geschied, zooals uit het charter blijkt, "ad pias causus, met vollen consent van zijnen veelbeminden soon Herbert van Armeloo, in den jare onzes Heeren vijftienhonderd en tien, bij zijn vollen kennis en verstande op het grafelijk slot Waechtel."
Met dezen aan uw wensch voldaan hebbende teeken ik mij,
Hoogedelgestrenge Heer!
"Uw Dienstw. Dienaar
"J. Mans,
"Pastoor te Waechtel c. a,"
Waechtel..... 18.
't Klonk Eva--die voor 't oogenblik den huisknecht geheel vergeten was--als muziek in de ooren, toen Helmond, nog eens het adres van den brief beschouwend, met overtuiging zeide:
"Die brief is al dadelijk een bewijs voor uw goed geheugen, majoor!"
"Mijn geheugen bedriegt mij niet gemakkelijk dokter. Ik ga verder: Een tweede brief van pastoor Mans gaf mij zekerheid dat het wapen der graven Van Armeloo de treffendste overeenkomst heeft met dat van ú kapitein. Het uwe is goud met een blauwen dwarsbalk; dat der graven Van Armeloo was mede goud, maar de blauwe dwarsbalk is beladen met drie gouden sterren. Wacht--of nee, de brief bevat niets bijzonders; maar ziehier de afbeelding die ik voor mijn eigen genoegen van de beide wapens gemaakt heb."
"'t Is al te vriendelijk;" zegt mevrouw Armelo.
Eva's oogen glinsteren sterker dan de gouden sterretjes in den blauwen balk terwijl ze de teekening beziet.
"Maar ik heb u vroeger al eens gezegd majoor, dat ik dat wapen zelf heb laten maken. We deden het vroeger met 'en grosken, een duit of 'en cent, maar toen ik de epaulet kreeg toen meende m'n vrouw....."
"Mijn beste kapitein, ik weet het, ik weet het, maar juist dat uw wapensnijder u dit wapen heeft gemaakt, het bewijst zijn bekendheid met uw geslacht."
"God! dat is nu zoo duidelijk als tweemaal twee!" zegt mevrouw terwijl ze Eva aanziet; en dan tot haar man: "Armelo-lief, je moest den majoor, die zooveel moeite voor ons doet--jawel majoor ook met dat schilderij van de wapens, jawel--je moest hem nu laten uitspreken."
"Ja maar, ik zeg ..."
Kartenglimp maakt een gebaar met de hand, waarmee hij uitdrukt dat zulk een oppositie hem onaangenaam is, en voegt er bij: "Wil de kapitein liever dat zijn hooge titel niet te bewijzen zal zijn.... ik heb er vrede mee. 't Is dan alleen jammer dat men 't mij niet eerder heeft gezegd."
De beide dames verzekeren den majoor dat men vol belangstelling luistert. De majoor zal--volgens Armelo's echtgenoot--begrijpen dat de tegenspraak van Armelo alleen voortspruit uit.... uit.... dat ongewone; als men nu "dagelijks graaf was geweest", niewaar....? En uit verkoudheid; Armelo had van morgen schrikgelijk geniesd; en.... en.... 't een bij 't ander: "Jawel Armelolief, en een geest van tegenspraak, dat is.... dat is.... Laat den majoor, ik bid je, nu voortgaan."
Kartenglimp ziet een papier in, en voelt terzelfder tijd dat de beeldschoone doktersvrouw haar oogen met al den "gloed der belangstelling" op hem gevestigd houdt. Hij moet dien zoeten triumf toch even genieten:
"Als er belangstelling is dames.... met veel genoegen.--'t Spreekt dan vanzelf dat ik verder 't allereerst mijn werk ervan maakte om te vernemen of er in ons vaderland nog andere afstammelingen van dien Arend of zijn zoon Herbert te vinden waren; doch nergens is daar eenig spoor van te ontdekken. In 't archief van de oude leenkamers, vond een mijner vrienden wel het geslacht Van Armeloo vermeld, doch van veel vroeger en zonder dat het van eenig belang voor onze zaak was. Ik meende nu aanstonds mijn verdere stappen in uw geboorteland te moeten beginnen kapitein. U werdt in November 1807 te Birchheim in Hanover geboren niewaar?"
"Watblief....?"
"Ja majoor, juist," zegt Eva snel, en wisselt dan een blik met haar moeder, die Kartenglimp niet ontgaat en waardoor hij opnieuw in de overtuiging wordt versterkt dat mijnheer de graaf van Armeloo ook bij die mooie dochter een nul in 't cijfer is. Best! als hij 't maar weet!
"Zoon van Peter Harmen niewaar?" vervolgt Kartenglimp; "welgesteld landbouwer aldaar."
"Welgesteld!" herneemt Armelo: "ik moet je zeggen...."
"Ja maar papa," valt Helmond in: "Eva heeft nu gelijk: wanneer de majoor zoo telkens door u in de rede wordt gevallen dan...."
"Dan is het letterlijk om gek, om tureluursch te worden:" stemt de gravin.
"Hier dokter," herneemt Kartenglimp die--zooals Eva opmerkt--zeer bescheiden doet alsof hij van dat intermezzo niets gehoord heeft: "hier dokter, heb ik een heele correspondentie met de burgemeesters van Birchheim, Puttenburg, enz. enz.; met heeren Archivaren und Geheim-ober-land-und-volk-statistik-inspectors, of hoe ze heeten; met heeren Pastors oder Predigers en het lest wel 't best, met een persoon, waaraan ik zeer toevallig ben gekomen, een allerschranderst actief mensch, van wien ik u later spreek. 't Grootste deel, ja bijna die geheele correspondentie kan ik u sparen. Ze zou u niet veel meer doen zien dan wát er alzoo is gedaan dokter, om den overgrootvader, ik zeg den _over_grootvader van mijnheer uw schoonvader op 't spoor te komen."
"En is hij gevonden majoor?" zegt Helmond, nu Kartenglimp een oogenblik zwijgt.
--Hoor, hoor! August vraagt dat met wezenlijke belangstelling, meent Eva, en ze voegt er bij: "Ja niewaar, hij was er majoor?"
"Maar kind, welzeker!" bevestigt mevrouw: "de eene vader heeft natuurlijk altijd weer een anderen vader gehad, dat spreekt!"
"Hier heb ik, om kort te gaan, een brief," hervat Kartenglimp, terwijl hij met een uitdrukking van groot gewicht het papier toont: "een stuk dat voor het geslacht der Van Armeloo's evenveel waard is als het gevoel van eer voor den soldaat. Deze brief dokter,"--de majoor scheen het woord niet meer tot den kapitein te richten; "deze brief van den heer Dr. Heinrich Stangbetter, evangelisch Pastor of Prediger te Mariënthalen in Oldenburg, ofschoon hij in bijna onleesbaar Duitsch is geschreven--zie maar dames--hij gaf mij de zekerheid van het hoogstbelangrijke feit dat van 1707 tot 1752 twee heeren Armelo, Walter en Peter, vermoedelijk vader en zoon, na elkander evangelisch predikant in die plaats zijn geweest, terwijl te Mariënthalen in gemeente- en kerk-archieven de overvloedigste bewijzen daarvan voorhanden zijn."'
De linksche wijze, waarop de lange drankjesrondbrenger Bus inmiddels het theeblad heeft weggenomen en den wijn op de tafel gezet, kon Eva nu voor 't oogenblik niet uit den zaligen hemel stooten waarin ze zich bevond, 't Hinderde haar alleen dat papa zoo akelig onverschillig en strak zat te kijken; en ook--ja, dat Kartenglimp hem nu zoo in 't geheel niet meer aansprak.
"Papa!"
"Watblief?"
"Meen je om in te schenken, vrouwtje?" zegt Helmond: "Ja, de majoor mag wel eens drinken."
"Ah! merci!" zegt Kartenglimp, en proeft den heerlijken Cantemerle, en herneemt terwijl hij ter halverwege opstaande met het glas salueert: "Ik drink even het welzijn van dezen huize: Mevrouw Helmond! dokter! mevrouw Van Armeloo...."
"Papa, de majoor wou.... Papa dan!" roept Eva.
"Hemel Armelo-lief! zie je dat glas niet!"
"O jawel; jawel.... Wát was de....?"
"Derangeer je niet kapitein. Ik dronk het welzijn van mevrouw je dochter, en van mijn vriend Helmond in hun nieuwe woning."--Den ontevreden blik van Eva bemerkend: "'t Is niets mevrouw; papa heeft zeker zinkings die hem wat hinderen in 't hooren."
Armelo zet er zich weer overheen, en ja, hij verstout zich:
"Ik drink graag het welzijn van mijn kinderen majoor, maar.... ik weet niet of deze conferentie en uw bemoeiingen wel inderdaad zoo bijzonder in 't belang van hun en ons geluk zijn."
De majoor is doodsbleek geworden, maar schijnt toch zijn kalmte te bewaren.
"Hemel papa!" zegt Eva.
"Man ben je.... om Godswil, ben je stapel geworden!" roept mevrouw.
Ja, ook Helmond moest in stilte bekennen dat het wat erg liep. Ofschoon zulk een bemoeiing in zake van afkomst, het stokpaardje van dien majoor bleek te zijn; hoewel hij volstrekt niets te verzuimen had en hij zich voor deze bereddering letterlijk heeft opgedrongen, men moest toch erkennen dat niemand hem bepaald weerhouden heeft, en zelfs dat mama en Eva door haar openlijk betoon van ingenomenheid, hem zeker tot handelen hebben aangevuurd. En nu, terwijl men hem dan een tijd lang rustig liet begaan; nu men bijeen is gekomen om zijn verslag te hooren--ofschoon Helmond zelf het wel graag had ontweken--nu de majoor werkelijk reden meent te hebben om papa te kunnen feliciteeren; zie, nu zet die oude heer zich eensklaps zoo schrikkelijk stijf in den zadel. Indien het onmogelijk was, à la bonne heure, maar onmogelijk was het niet; en ofschoon papa er dan zelf--althans van middag--schrikkelijk tegen was, vergeten mocht hij niet dat Eva er geheel anders over denkt. Hij, Helmond, o nee, hij hecht er niets aan, zoo goed als niets; maar als het dan waar is, wat Debecque heeft gezegd, dat namelijk zulke titels zeer gemakkelijk kunnen overgaan, en hier dus zeker vooral, van schoonvader op schoonzoon--natuurlijk in 't belang van kinderen en kleinkinderen,--ja! dan was het inderdaad zeer onbeleefd om een man, die zich zooveel moeite getroostte, en nog wel op het oogenblik dat hij aan Eva een soort van toost bracht, zoo onheusch te behandelen.
"Papa, we mogen dunkt me niet vergeten dat de majoor zich te veel moeite voor ons gaf, om er tot dank een onvriendelijk woord voor te ontvangen.--Wij die u kennen, weten wel dat het uw bedoeling niet was om den majoor iets onaangenaams te zeggen." Met nadruk, ofschoon steeds op gepasten toon: "De majoor wil met u klinken papa!"
Na een korte aarzeling heeft Armelo met eenige trilling zijn glas genomen, en stoot het weifelend tegen dat van Kartenglimp, doch, met een wrevelig gebaar en zonder te drinken zet hij het daarna op de tafel.
Kartenglimp bespeurt een "algemeene verontwaardiging," waarvan mevrouw Armelo inderdaad al aanstonds de tolk wordt. Er komt iets in zijn blik, 'twelk hij met moeite zou kunnen verbergen, doch 'tgeen hij nú, bij die "algemeene verontwaardiging" te verbergen onnoodig acht.
"Ik geloof mevrouw," zegt hij snel tot Eva: "dat papa zijn diensttijd wat te zeer vergeten is. Wanneer hij uw wellevendheid en uw beschaving bezat...."--Kartenglimp ziet Eva--ongetwijfeld door zijn woorden gestreeld--de oogen neerslaan en blozen, en vervolgt: "dan zou hij zich wat beter herinneren dat de man, die ertoe meewerkt om hem van eenvoudig gepensioneerd kapitein tot den gravenstand te brengen--'tgeen zonder mijne relaties zeker nooit gelukken zou--dat die man tot nu toe in rang nog altijd zijn meerdere is. Je moest een voorbeeld aan je vrouw en dochter nemen kapitein, en wat meer eergevoel toonen."
Mevrouw Armelo geeft, sterk knikkende, bewijzen van toestemming.--Eva is vuurrood geworden.--Helmond ziet links en rechts.... naar Eva, naar papa, naar Kartenglimp, en zijn gansche houding teekent onrust. Opgestaan gaat hij naar de deur, vreezend dat iemand onverhoeds in deze oogenblikken zal binnenkomen, terwijl Kartenglimp nog voortgaat met inzonderheid Eva te verheffen tot een model, waaraan de vader zich wel spiegelen mocht.
En, een zwaren strijd heeft Helmond te strijden. Op dien toon kan het niet verder! Hij ziet den armen schoonvader daar zwijgend en met pijnlijk saamgeperste lippen neerzitten.--Ja, zijn vijandige houding tegenover den majoor was zonderling en ongewettigd; maar op deze wijze! Zal die vreemde, den oud-kapitein hier, onder Helmonds dak, dan zóó de les mogen lezen; zal hij Eva zóó op een dwaalspoor mogen brengen, en haar doen vergeten dat zij ten koste van haar vader verheven wordt? Helmond wil spreken, hij zal, hij moet!--Maar, als hij dien man--nu zichtbaar verstoord--door een terechtwijzing tegen zich in 't harnas jaagt....? Vernam hij dan niet in vertrouwen dat juist die majoor een der personen is door wien de notaris hem 't geld kon bezorgen? En heeft hij niet zooeven gehoord dat het zonder de hulp van dien man zeker nooit zal gelukken om een titel te bekomen, waaraan Eva hangt met al de kinderlijkheid van haar hart? Waagt hij dan niet, door zijn terechtwijzend woord, dien man nog meer te ontstemmen, en Eva een teleurstelling te berokkenen, die dan ook wel mogelijk een bron van kwelling voor hem worden kon?--Maar hoor!
"Ik bedrieg mij niet kapitein, uw vrouw en dochter, en ook uw zoon, ze schamen zich over je kleingeestigheid. Ze gevoelen...."
Armelo hoort niet meer wat zijn vrouw en kinderen gevoelen. Hij, hij zelf voelt het oude militaire hart weer krachtig wakker worden in de borst.--Wat vermeet zich die gepommadeerde opsnijer, de brutale klant met zijn vreemde tronie, de indringer van wien "God noch goed mensch" de origine en geschiedenis kent; de man, die zich opwerpt om een titel aan 't licht te brengen--wie weet met welke bedoeling--een titel die tóch niet bestaat. Wat waagt hij het--duizend bommen en kanonnen! om op zijn kwajongensjaren met een in Indië verworven rang, een oud-kapitein van het Neerlandsche leger te insulteeren! Wat duizend donders! waagt hij het om vis-à-vis vrouw en kinderen zulk een toon te voeren; zijn dikwijls weerspannige, hooghartige vrouw nog meer tegen hem op te zetten, en zijn kind, zijn Eva, van hem te vervreemden geheel en al!?--Op, ouwe kameraad! knip dat brutale onridderlijke poespas onder z'n neus! Duizend donders! toon nu.... Nee, chut Armelo, stil! bedaar!.... 't Is hier de plaats niet. Zal de arme kapitein dan aanstonds in de rijke woning van zijn schoonzoon schandaal gaan maken en haar tot een kroeg verlagen? Nee, stil; stil nu Armelo; weerhoud je. Als je spreekt en loskomt dan raak je slaags in 't volle vuur. Zwijg dus! Morgen in de sociëteit, dan kun je hem vinden. Een knip onder den neus zul je hem geven; ha! dáár, een knip onder den neus; Ga nu maar voort sinjeur; wel ja, doe mijn eigen vrouw maar altijd toestemmend knikken en triumf op mijn "kleingeestigheid" vieren. Laat dat kind zich maar schamen voor een vader, die.... o God!.... Neen zwijg Armelo, zwijg tot morgen! Laat hem zijn gang gaan. Stil!
"Ik denk dames," vervolgt Kartenglimp met een naren lach, "dat de kapitein dat glas niet wil drinken, omdat hij misschien tegenwoordig tot het korps der afschaffers behoort,--hahihaha! hahihaha!"
--Maar God, wat is dat?--Hoor, wat snerpt daar als een gil door de ruime Oranje-zaal? Wat vliegt daar op en scheurt dien valschen lach vaneen?
Ze hebben het niet gehoord hoe het in de laatste minuten, mede bonsde in Eva's borst. Haar blozen en verbleeken; het neerslaan dier oogen; haar zwijgen, neen, ze hebben het niet beschouwd als den strijd van haar dwazen wensch met haar waarachtig liefhebbend kinderhart.--God! had zij dan straks zoo iets uitgelokt? Maar zóó heeft ze het niet bedoeld!
"Zwijg! dat is laag en gemeen!" heeft Eva eensklaps met de grootste overspanning geroepen, terwijl ze zich ten deele van haar zitplaats verhief: "Zwijg man, en lach zoo akelig niet..... Dat is mijn vader weetje, mijn goede lieve brave vader! Wie riep je hier, om dien ouden man te beleedigen, zeg? in mijn huis....?
"Eva, Eva!" zegt Helmond: "In 's-hemelsnaam!"
"Wát Helmond! wil jij me terughouden? Al heb ik straks ook den schijn gegeven van meer aan een titel dan aan mijn lieven vader te hechten, die schijn mag niet blijven! Zou jij dat willen!?"--Geheel opstaande en fier tot Kartenglimp:--"Je lacht al niet meer, goed! Vraag nu mijn vader excuus voor de verregaande beleediging die je hem, vooral met dat laatste woord, hebt aangedaan.--Ik zeg: vraag excuus!"
Kartenglimp zoo wit als een lijk geworden, schijnt nochtans zijn kalmte niet te verliezen.
"Een beleediging mevrouw? Heb ik met dat laatste woord een beleediging gezegd? Ik wist niet...."
--O God, heeft ze dan haar zinnen verloren....? Hoor! het was hem onbekend, wat er gebeurd is in vroeger tijd! Heeft ze dan in haar overijling nu zelve dien goeden stillen vader den pijnlijksten stoot gegeven, door vuur te vatten toen men hem een afschaffer noemde? Ze heeft goed willen maken wat ze straks misdeed, neen--haar hart, haar liefdevol kinderhart heeft gesproken; maar helaas, ondoordacht, om hem nu nog dieper te wonden in 't bijzijn van dien man. O, zij weet niet wat ze nu spreken, waar ze zich bergen zal.
Maar zie.... het hoofd van den vroeg vergrijsden vader, het schudt wel vreemdsoortig, maar toch, ja, in die altijd zoo goedige oogen ziet ze tranen glimmen. Tranen!--En met die oogen vol tranen ziet hij haar aan.--Lachen ze haar toe door die tranen heen? Wenken ze haar om te komen aan zijn zij; in zijn armen, aan zijn vaderhart?
Ja Eva, dat trillen van het hoofd en dat beven van die lippen, 't is nu een gevolg van den warmen gloed, die daar eensklaps zijn borst doorstroomde.
O, toen ge daar op dien schrillen gejaagden toon uw: "Zwijg! dat is laag en gemeen", hebt uitgekreten; toen gij hem uw lieven braven goeden vader hebt genoemd, toen was het hem als zongt gij het schoonste lied uwer kinderjaren; als drukten weer uw rozelippen op 't teederst zijn pijnlijk gesloten mond.... o God, toen had hij zijn Eva, zijn kind weergevonden, de oudste, de lieveling die hij straks reeds verloren dacht.
Zie, en nu staat ze aan zijn zij, en ze drukt dat grijze goede hoofd vast, heel vast aan haar borst;--zóó, zóó! nog meer op zij, nog vaster, ja, want--die vreemde, zal ze niet zien: de tranen van haar goeden, haar lieven vader!
VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Een groot kwartier later was de majoor Kartenglimp vertrokken.
Door zelf zijn kalmte te bewaren, of wel met geweld te hernemen, was Helmond er al spoedig in geslaagd om, althans voor 't oog, de gemoederen tot bedaren te brengen.
't Was immers een misverstand, een mal-à-propos. Men heeft het den majoor die zooveel moeite deed, niet durven zeggen, dat papa, bij rijper en rijper indenken, hoe langer hoe meer tegen de zaak is geworden, en niet dan op sterk aandringen van.... de familie, erin heeft toegestemd om dezen namiddag de conferentie bij te wonen. Een lichte ongesteldheid, zooals mama zeer juist gezegd heeft, had hem misschien dezen middag nog bovendien wat zenuwachtig gemaakt, en zoo heeft het den schijn gehad alsof hij zich tegen den majoor en niet, zooals werkelijk het geval is geweest, tegen de zaak bleef kanten.--"Niewaar papa?"
"Jawel, welzeker!" heeft Armelo gezegd. Och hij zou nu wel alles hebben toegestemd; immers, hij had zulk een zalig oogenblik gehad, o zoo onbeschrijfelijk zalig!
En wat Eva's uitval betrof, de majoor zelf zou dien waardeeren niewaar? Een dochter die gevoelig wordt, zeer gevoelig, wanneer men haar vader.... "U zult bekennen majoor," heeft Helmond vervolgd: "dat, ofschoon er reden was u eenigszins gekrenkt te gevoelen, dit gevoel zich wat sterk tegenover onzen braven vader heeft lucht gegeven. Ook op mijn schoonmoeder en mij moest uw woord een pijnlijken indruk maken. Maar als een misverstand nu aanleiding gaf.... wanneer ik zelf erken dat wij schuld hadden door u onbekend te laten met de zeer verminderde ingenomenheid van onzen vader met de zaak, dan bedrieg ik mij niet of u zult--niet als bekentenis van ongelijk, maar als de mindere in leeftijd, ofschoon de meerdere in rang, den ouden kameraad--ook ter wille van vrouw en van dochter, wel gaarne de hand reiken."
En..... Zoo was het geschied.
Maar wat er omging in de harten dat is in die ure onvermeld gebleven.
Nadat Kartenglimp vertrokken was, hebben papa en mama Armelo nog eenige minuten getoefd; maar papa verlangde nu toch zeer naar huis, want de hoofdpijn, die men reeds eenige malen had voorgewend, was werkelijk gekomen. Mama die na Eva's uitbarsting en wat erop volgde, zeer stil is geworden, heeft toch niet kunnen nalaten om Eva te zeggen, dat ze heel "grootsch" had gehandeld met zóó haars vaders eer op te houden en zijn partij te trekken; en, slechts fluisterend--want in Helmonds oogen vreest ze toch straks wel wat al te onbewimpeld voor haar meening te zijn uitgekomen--slechts fluisterend voegt ze in 't heengaan er tot Eva bij, dat ze van dien adel nog altijd het beste blijft hopen, ofschoon ze het lijdelijk moesten aanzien hoe de majoor--en zonder dat er over de zaak een woord is gerept--al die papieren en stukken weer stilletjes mee naar huis had gepakt.
En Eva, 't was háár wel aan te zien dat ze zware hoofdpijn had. Ze sprak na 't heengaan der ouders bijna geen woord. August vond dat niet vreemd. 't Was maar beter; en, Eva zou hem groot plezier doen met naar bed te gaan: haar pols ging wat gejaagd, en haar voorhoofd gloeide.
--O, wie durfde nu nog beweren dat zulk een vrouw geen schat was, grooter dan de grootste op aarde?
"Ziezoo lief wijfje, lig nu maar rustig; 't is mede in 't belang van ons "geheim" dat je bijna verklapt hadt. Met den gezwinden pas ga ik nu naar mijn zieke; ja; toch te voet. 't Zal wel donker zijn als ik terugkom, maar als je slaapt dan zijn de uren seconden. Nee, wees gerust, die hoofdpijn van papa zal morgen wel beter zijn. Maar, vrouwtjes, die zulke goede plannen hebben als jij, ze moeten wat oppassen en ook bij haar edelste emoties niet te hartstochtelijk worden. Tot straks mijn lieve beste vrouw!--Watblief? Of dat onderzoek van dien adel, nu papa er zoo schrikkelijk tegen is, toch niet kan plaats hebben?--Welzeker Eva, alles kan; maar 't beste is nu dat je er niet over denkt. Mij dunkt, dokter Helmonds vrouw heeft dezen avond bewezen dat ze, ook zonder adelbrieven, wel waarachtig van adel is. Dag lieve, slaap zacht!"--Nog een kus op haar lieven mond, en Helmond spoedt zich voort.
't Begon al te schemeren toen Helmond, reeds een tien minuten buiten de stad gekomen, verfrischt door de heerlijke avondlucht, van verre een boerenknaap op ongezadeld paard in vollen draf zag naderen.
In weinige seconden was de ruiter den dokter voorbijgejaagd; maar terwijl Helmond met gefronste wenkbrauwen even omziet, bespeurt hij dat het paard door den knaap met kracht wordt ingehouden terwijl ook de ruiter naar den voorbijgereden dokter omkijkt!
Helmond heeft een oogenblik te voren gevreesd 't geen hij nu moet vernemen. Die haast, dat ongewone harddraven naar stad, 't is het gevolg van een sedert bijna twee uren vergeefsch wachten op den dokter, die gezegd had dadelijk te zullen komen. Reeds drie kwartier geleden is een andere knecht van boer Dirksen, te voet naar stad getrokken, om dokter, als hij hem mocht tegenkomen, tot spoed aan te zetten; maar, misschien zal Japik, niet wetend dat dokter verhuisd is, naar de oude woning aan den wal zijn gegaan en hem zóó hebben misgeloopen.
--Ja, 't was vreeselijk erg; boer Dirksen lag "als dol", en telkens was het alsof hij "genacht ging zeggen." Als dokter rijden kon, dan moest hij toch dadelijk "den bles" nemen, en hem maar ferm "ribbenhaver" geven, want o Heer, d'r zou wat te koop zijn als boer Dirksen bezweek!
In een oogenblik heeft Helmond den bles beklommen. Vroeger, vooral in zijn studententijd, had hij menig paard bereden, en ofschoon hij nooit een harddraver had zooals deze, ja zelfs nu zonder beugels of sporen en van 't losse dek, 't zou tóch wel gaan.--'t Was van belang geen minuut te verliezen.
--Goeje God! als hij had kunnen voorzien dat er zooveel haast was! Nu ja, men heeft de boodschap gebracht of dokter eens dadelijk op De Schebbelaar bij boer Dirksen wou komen.--Dadelijk!--Maar, kwam er dan ooit een boodschap, en vooral van een boer, zonder dat dadelijk er bij!--En dan, die gezonde ronde, blozende boer Dirksen! Hij had een talrijk gezin, en een macht van loontrekkend personeel.--Aan hem zelf heeft Helmond het allerminst gedacht. Gevolgen van onrijpe vruchten eten en dergelijke, hebben hem een oogenblik voor den geest gestaan. Bovendien, men moest wel niets verzuimen, maar een dokter behoeft toch ook geen schel te zijn, die maar aanstonds geluid geeft als men--noodig of niet--aan het koord trekt. Hoe dikwijls kwam hij niet reeds in een woning, waar men hem dringend liet roepen, om er met een: O, 't is alles weer bestig dokter; we dochten, dokter kan licht eens komen;" te worden begroet.
En toch, terwijl Helmonds lichaam door den stevigen bles--ook zonder dat hij hem hak- of ribbenhaver behoeft te geven,--op ongewone wijze wordt geschud en geschokt, roert er mede iets in zijn binnenste, 'twelk hem geen rust gunt: Het was je plicht geweest dokter, om zonder wettige verhindering aanstonds naar De Schebbelaar te gaan. Een dwaasheid heeft je er van teruggehouden, een vrouwengril!
--Een dwaasheid! een vrouwengril? Zou het dan geen lafheid zijn geweest dien majoor te ontwijken? Zou het vervullen van den plicht, inderdaad geen dekkleed voor zwakheid geworden zijn!?
--En, vanwaar dan zulk een bijzondere weerzin tegen dien majoor? Waarom, waarom is zijn gezelschap een kwelling voor Helmond geworden?
--O Eva.... Eva!
--Eva? Neen! zou hij háár, die liefdevolle dochter, die engelachtige vrouw met haar hemelsche gaven, durven noemen, wanneer hij zelf zijn plicht kon verzaken als man!--Is zij het niet geweest die hem nog bovendien heeft aangeraden om althans niet te voet te gaan maar een rijtuig te nemen?
--Een rijtuig!--Maar stil, zij mag en zal immers niet weten dat haar man een onverstand, een dwaas was, toen hij zich liet vervoeren om meer te doen dan hij kon en mocht.
--Hoe! tóch onverstandig? Is het dan ooit te veel of onverstandig gedaan wat hij voor haar doet? Neen! neen!! Hij wil zich dat telkens en terdege herinneren, en bewijzen zal hij het later zonder fout. Maar, om dat te kunnen, moet hij voortaan ook als dokter op 't verstandigst zijn rekening maken.--Waartoe zal het rijden dienen indien hij den tijd tot loopen heeft! Tegen vermoeienis ziet hij niet op; immers al wat hij werkt en doet, hij doet het ter wille van haar, zijn schat en zijn liefde.
--En dan, wanneer men een huishouding heeft, dan behoeft men ook immers niet meer zoo buitengewoon discreet met het maken van visites te zijn.--Debecque heeft het getoond, men ziet een dokter graag als hij zijn zaak kent.--Wanneer de burgers en boeren tóch niet tevreden zijn aleer zij een paar "bruine dranken" geslikt hebben, waartoe ze hun dan--tot zijn eigen scha te onthouden!
Eensklaps gevoelt de ruiter bij een zeer sterken schok een stoot aan zijn knie; een plotselinge duizeling overvalt hem, en....--Neen, Gode zij dank! dat is goed afgeloopen; dat had veel erger kunnen zijn. De moedige harddraver--ofschoon anders een dood mak paard--heeft aan de hand die hem bestuurde waarschijnlijk geen meesterhand herkend, en, hoe het gekomen is weet Helmond niet, maar toen hij een weinig van den schrik bekomen, opstaande van den bermrand [2] waarin hij gevallen of geworpen was, naar het been tastte 'twelk hem wat zeer deed, toen zag hij ginder nabij de hoeve van boer Dirksen, nog den harddraver met het schuingezakte geelbonte paardedek voortrennen, en straks, schier rakelings langs den hekpost heen, het erf van zijn meester binnenhollen.
--Gelukkig! de val had veel erger kunnen zijn. Helmond kan zeer goed voort: het loopen hindert hem weinig of niet. Maar, hij gevoelt zich toch eenigszins ontsteld, en zeker was het nu voor hem geen geschikt oogenblik om in een woning te verschijnen waar hem misschien, door zijn late komst, een ongewenschte ontvangst inplaats van eenig betoon van deelneming te wachten staat.
Helmond houdt zich kloek. Men bemerkt niet eens dat hij wat bleek ziet en wat ontdaan is. Men had ook wel aan iets anders te denken en naar iets anders te zien! Aan het bed van boer Dirksen gekomen, voer Helmond--ofschoon men 't niet zag--een schok door de leden.
Helaas! Wat men vreesde is waar. De man had den tol der natuur reeds betaald. Neen, die kleur op dat gelaat, men behoeft er zich niet mee te vleien; Dirksen zou zelfs nog kleur hebben wanneer hij begraven werd. Er was geen twijfel: de pols stond stil, boer Dirksen was dood!
Het gejammer en geweeklaag van het boerengezin, van die weduwe met haar zuigeling op den arm, en de negen andere kinderen die allen schreiden--de meesten in navolging der ouderen, zonder den omvang van hun verlies te beseffen; de smartelijke kreten van meiden, knechts en geburen, die in een oogenblik het huis deden weergalmen, ze roerden Helmond heviger dan ooit een zoodanig tooneel het gedaan had. Geen wonder, met eigen zaken vervuld; getroffen door het onverwacht bericht dat hij misschien te laat zou komen; ontsteld en méér geschokt dan hij in den aanvang geloofde door dien val van het paard, maar bovenal gefolterd door de gedachte dat hij waarschijnlijk met een spoedige hulp hier het ergste had kunnen voorkomen; door dit alles innerlijk bewogen, is het niet te verwonderen dat de dokter al zijn wilskracht behoeft om voor 't uiterlijke bedaard te schijnen.
En, hoe moest het hem dan te moede zijn, toen daar eensklaps een groote zwaargebouwde kerel--de broeder van vrouw Dirksen--met woedend gebaar hem onder de oogen trad, en hem in weinig gekuischte, ja in deze oogenblikken akelig schril klinkende woorden, den dood van zijn "braven zwager" verwijten kwam?
Er was aan Helmonds lichaam geen zenuw die niet trilde, maar nochtans hij scheen bedaard. Hij betuigde dat het hem waarachtig leed deed hier te laat te zijn gekomen; maar dáárom zou boer Geurtsen toch niet beweren dat dit sterven des dokters schuld was. De familie heeft zelve de zaak--toen Dirksen dezen middag ongesteld werd--niet ernstig ingezien; anders zou zij wel een boerenwagen of sjees gestuurd en op den meestmogelijken spoed hebben aangedrongen. Dit alles was niet geschied. Zoodra het dokter geschikt heeft is hij van huis gegaan. Maar bovendien..... wie zou, en vooral met het geloof van boer Geurtsen, durven zeggen, dat een menschenhand krachtiger was dan de hand van God?
Dit laatste mocht inderdaad een overloopen tot de tegenpartij heeten uit zucht naar zelfbehoud. Helmond gelooft wel degelijk aan een God en een Godsbestuur, al begrijpt hij het niet, en al zoekt hij de "onoplosbare raadsels" niet te verklaren; doch zeker zou hij zulk een uitstekend dokter niet geweest zijn, indien hij meende dat het met ziekten anders ging dan met een snel wassenden vloed. Dijk en dam zullen hem keeren totdat hij weer effen vloeit binnen zijn boord, indien zijn kracht althans niet te sterk, en het water niet...... te overvloedig is.
Helmond had, na het vernemen der ziekteverschijnsels, immers aanstonds het oog gehad op heilzame kruiden die een Voorzienigheid mede in 't aanzijn riep.
Maar dat overspringen naar den vijand baatte den dokter niet, want, hoe vast boer Geurtsen ook anders in de leer was, nu zwager Dirksen daar "dood lag", en die dokter hem "verzuimd had--jawel, vrouw en kinders en allen konden dat getuigen; nu zou God er wraak over roepen, en de Heer zal een onnutten dienstknecht uitwerpen in de buitenste duisternis waar zal zijn weening en knarsing der tanden!"
Een oogenblik is het te vreezen geweest dat de groote zware Geurtsen, reeds eenigermate in de rechten van den Heer des onnutten dienstknechts zou treden; doch Helmonds bedaardheid, en de zorgen die hij--alsof er geen bedreigingen tegen hem klonken--in stilte aan de weduwe ging wijden, dewijl haar zenuwen door 't geen er nu voorviel nog meer geprikkeld werden,--Helmonds schijnbare kalmte, en zijn bedaard handelen: vriendelijk wenkengevend in 't belang van al die schreiende jongens en meisjes; lafenis biedend aan Geurtsens eigen vrouw, een zuster van den overledene--zooals ze daar doodsbleek zat te klappertanden, dit alles deed den storm althans voor het oogenblik bedaren. Slechts in een dof gebrom gaf de zwager, op een stoel neergevallen en met het hoofd in de hand geleund, nog gestadig aan zijn verbolgenheid lucht. En wat er omging in zijn "hartengedichtsel"....? "God beter 't, nou kreeg ie dien heelen troep onder voogdij en beheeren! Zulke dokters! zulke verd..... dokters!"
Voordat Helmond een half uur later vertrok, mocht hij de groote voldoening smaken, dat de altijd schreiende weduwe hem de hand drukte, met de betuiging dat ze 't hém niet kon wijten; immers, als dokter 't zóó begrepen had dan zou hij eerder gekomen zijn; niemand heeft dit kunnen denken. En dan weer uitbarstend in geween:
"Och God! och God! dat ie nou dood is, waarachtig dood!"
't Was goed dat er zich te midden van al die weenenden en verslagenen, toch één enkele bevond die sedert dokters komst, nog om een andere reden tranen heeft geschreid. Dat was Hanna, de frissche blonde boerenmeid met haar goeden aard en helderblauwe oogen. Neen, ze heeft het bijna niet kunnen aanhooren dat die lompe Geurtsen, dien besten man zoo onheusch en onrechtvaardig bejegende. Was die dokter geen engel van goedheid! Heeft hij haar niet met Gods hulp uit een zware ziekte weer vierkant op de been geholpen; was hij niet alle dagen aan moeders huis geweest--weer of geen weer; en, toen het op betalen aankwam..... toen, toen had ie de arme moeder op den schouder geklopt en gezegd: "Als Hanna eens een fikschen boerenzoon trouwt moedertje, dan kom ik op de bruiloft meesmullen voor drie!" Och zoo'n edele goeje man, zoo'n knappe--om dien zoo te boenderen als Geurtsen gedaan had!
Ja, 't was maar heel goed dat die frissche blauwoog inwendig gekookt heeft, en dat ze haar weldoener, bij 't heengaan, de bewijzen van haar trouw en vereering zoo overvloedig liet blijken.
Dat geschiedde toen ze hem uitliet, en ze samen alleen waren in 't achterhuis bij de melkkamer der groote boerderij.
--Lieve hemel, wat schortte hem? Hij moest zich aan een karnton vasthouden.
"'t Is niets Hanna, niemendal."
"Moar ie wordt zoo wit as 'en doek dokter."
"Nee dat komt wel terecht.... laat me maar eens even.... stil...."
"God dokter, drink dan; drink! Hier 'en schoep karnemelk.... hier...."
"Zoo ja; 't wordt al beter. Dankje goeje Hanna, dankje kind. 'k Ben straks vóórdat ik hier kwam gevallen; en...."
"En toen zoo'n schandoal hier in huus!! Kom mee, kom mee dokter. Loopen dát zu'j niet. Wat schêlt 't mien! 'k Zal oe voaren tot bij stad. Ze zullen mien nou niet missen of zuuken. 'k Zet Kwiebes den ezel veur 't kerreken op veeren. Kom moar mee noar 't stal. Ze zouwen oe kapot moaken hier! Kom gauw moar; kom mee!"
VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
De majoor Kartenglimp, zoo pas van de conferentie in de nieuwe dokterswoning thuisgekomen, heeft zijn hoed met ruw geweld op een canapé gesmeten en zich zelf in een voltaire geworpen. 't Ware bedroevend geweest voor wie als getuige van zijn teleurstelling die lang verkropte woede had moeten aanschouwen.--Driemalen dreunde de tafel door een krachtigen slag van zijn vuist. De onzinnigste vloeken en verwenschingen ratelden hem tusschen de tanden.
--Wees voorzichtig Kartenglimp; drift is nadeelig voor je gestel; denk aan die laatste ziekte in 't voorjaar. Je bent nu sterk en flink; en zoo iets zal niet terugkomen, maar hou je aan zijn raad. Maak je niet zoo ontzettend driftig. Wees matig in alles.--Jawel.... hij zal het in 't oog houden; 't is zaak! Maar, moest die oude dronkaard, die dwarskop, die.... ploert-kapitein hem zóó beleedigen, zóó zijn plannen, zijn zalige uitzichten dwarsboomen, ja, voorgoed verijdelen misschien!--Zijn plannen verijdelen!?--Neen, dát nooit, dát in der eeuwigheid niet!--Wat wil hij dan? Wát?--Ha! hij wil het menschdom toonen dat de maatschappij de rechten van het individu verkort en verkracht. Hij zal toonen dat de mensch zich niet beneden het dier heeft te stellen, beneden den leeuw die vrij is in zijn woud en spelonk, en zijn prooi en zijn lust neemt waar hij die vindt. Hij wil zich wreken op die maatschappij waar men hem zijn vrijheid heeft benomen, waar men hem gekerkerd houdt en als 't ware een dolk op de borst zet. Zie toe brave Oostindische officieren, vervloekt moedig eedgespan; wat Ronner-Kartenglimp niet instaat is op u te verhalen dat zal hij zich hier verschaffen: wraak op wie hem durft kwetsen, vernederen en weerstaan.--Ja brave dokter Helmond, die wel voor een muziekmeester maar niet voor mij kondt terugkeeren, boeten zul-je; ik zal je inwikkelen, inwikkelen, en met je schoone vrouw, totdat ze, voor den duivel, in mijn armen zal toestemmen dat ik haar redder werd!--En wat wil men nu? peinst Kartenglimp iets kalmer voort. Dien adel, waarvoor ik mij sinds eenige weken zooveel dwaze moeite gaf, zal zelfs zij.... dat heerlijke kind er nu van afzien, ter wille van dien vader? --Onvoorzichtige Ronner! je hebt je te zeker gewaand van haar zucht naar die glorie, gesteund door dat malle creatuur van een moeder. Dien vader heb ik beschouwd als een onding, die zelfs in 't oog der dochter geen stem had. Maar 't was buiten haar kinderliefde gerekend. Dat overweldigde mij toch een oogenblik. Ja, dat was schoon.... toen, toen dacht ik eensklaps aan de vrouw die mij leerde als kind, en mij haar lessen gaf.... lieve onnoozele lessen! Toen,--nu ja, ik voelde mij getroffen maar was een gek. Ik was.... Nee nee Ronner, dat was je niet! Nee, 't zou groote dwaasheid geweest zijn wanneer je dáár die hand niet hadt gegeven. Haar oog werd aanstonds helderder; het vertrouwen keerde terug.... Waarachtig, ja, die blik, toen ik mijn papieren zonder een woord te spreken opborg.... die blik.... Zeker, de zucht naar die glorie is nog niet uitgedoofd. Ik moet geduld hebben, mij stilhouden; de wensch zal weldra, door de onzekerheid waarin men bleef te meer geprikkeld, weer levendig, en bij weigering van mijn zijde al grooter en grooter worden.--Zou ik dan ook tevergeefs zoo lang gezocht en gesnuffeld, en de oneffen schakels voor die geslachtsketen zoo kunstig hebben aaneengesmeed?
Ja, Kartenglimp had zich veel moeite gegeven. Inderdaad was het hem in den beginne niet onmogelijk voorgekomen dat de kapiteinsfamilie nog kon afstammen van de oude graven Van Armeloo. De overeenkomst der wapens had hem in den aanvang werkelijk getroffen, en, de tegenwerping van den kapitein: dat hij bij zijn bevordering tot officier geen wapen bezat maar zich er een graveeren liet, ze heeft hem het meest waarschijnlijke antwoord doen geven, namelijk: dat de wapensnijder, met het grafelijk wapen bekend, op het hooren van denzelfden naam iets dergelijks doch wat eenvoudiger gemaakt heeft. Voor het overige was alles misgeloopen. De vader en grootvader van den kapitein waren boeren in het Hanoversche dorp Birchheim geweest, maar van zijn overgrootvader heeft de majoor zelfs geen spoor kunnen vinden. Evenmin was het hem gelukt om eenige zekerheid te verkrijgen, aangaande een vermoeden als zou de genoemde jonge graaf Herbert, zoon van den te Waechtel overleden graaf Van Armeloo, naar Hanover zijn uitgeweken en zich daar als predikant hebben neergezet. Nergens heeft hij elders den naam van den kapitein teruggevonden. Onder zijn veelvuldige correspondentiën daarover, is hem echter mede een brief van een predikant in Oldenburg geworden, die waarschijnlijk een a voor een u heeft gelezen en gemeld, dat er--zooals Kartenglimp op de conferentie heeft meegedeeld--in de plaats zijner inwoning, van 1707-1752, twee predikanten elkaar hebben opgevolgd die den naam van Urmelo droegen. Deze vondst heeft Kartenglimp als een heerlijk redmiddel aangegrepen. In des predikers slecht geschreven brieven met Duitsche letters, waren de U's gemakkelijk wat te veranderen geweest, en--mocht de familie al zelve aan dien prediker schrijven, men zou zijn Urmelo's misschien in gemoede voor Armelo's houden.--Nu kwam het er maar op aan om een authentiek bewijsstuk te verkrijgen, dat zekere Hollandsche graaf Herbert Van Armeloo,--met verandering van zijn naam in eenvoudig Armelo--van den heer eener heerlijkheid zijn aanstelling als prediker ontving, en bovendien het bewijs, dat de beide predikers Urmelo--die nu reeds zeker als de voorvaders van den kapitein door Kartenglimp waren aangenomen--in een rechte lijn afstamden van den Hollandschen uitgewekene, zooeven vermeld.--En die bewijsstukken?--Haha!--Kartenglimp heeft immers zijn alvermogenden zaakwaarnemer in dienst, zijn trouwen Ronner, haha! Maar diens papieren houdt hij terug! hij houdt ze geheim--geheim, dát is zijn kracht.
--Maar als men dan bedrogen is? Welnu--haha!--dan is men bedrogen! Dan is hij het mét hen; dan zijn ze maar altemaal bedrogen, voor den duivel!
"Wat is er, wát?"
"Boeh! je kijkt weer zoo leelijk!" zegt de gemeenzame deerne die vooral den majoor dient; en dan: "Daar is de krant."
"De krant? waar?"
"Hij staat op de trap."
"De krant op de trap!? Alle duivels, wat moet dat beteekenen? Ik versta geen gekheid."
"Ojee! is het weer zóó laat. De krant: wel, Kippelaan met z'n spillebeenen."
"Niet thuis!"
"Nee dat zie ik ook." Naar buiten roepend: "De majoor zeit dat ie niet thuis is."
Kippelaan, overtuigd dat hij zoowel hier als overal steeds welkom moet zijn, heeft het woordje niet óf voor een aardigheid gehouden óf niet verstaan, althans, langs de deerne heen struikelt hij de kamer binnen, ziet naar den dorpel om, en dan met de tien tolken zijner vriendschap vooruit op den majoor toeschietend, verheugt hij zich in zijn welstand; vraagt hem naar zijn welvaren; verzekert hem van eigen welzijn; deelt hem mede dat het uitmuntend weer is, dat de dagen al korten, dat hij ware vriendschap gevoelt voor een man als de majoor, en....
"Heb je anders niets?" zegt Kartenglimp: "Ik had belet gegeven."
"Dat begrijp ik majoor; men kan niet altijd voor iedereen, niewaar, natuurlijk! Daarom waardeer ik te meer uw vriendschap.--Nog niets gehoord? O, van belang! van belang!"
"Wat meen je?"
"Fameus geval! De heele stad mee vervuld! tenminste.... enfin! Pas gebeurd. Zeker nog niets van gehoord? Van De Schebbelaar? Van boer Dirksen? Watblief?"
"Och jij met je praatjes; is er brand, laat ze 't blusschen."
"Brand? pardon! pardon!! Dood. Subiet. Onze vriend dokter Helmond...."
"Wat, wát!?" schrikt Kartenglimp op: "Is Helmond dood?"
Kippelaan stuift een paar schreden achteruit. Dat heeft hij niet gezegd of bedoeld; en, Kartenglimp krijgt nu een ontzettend verhaal--Kippelaansstijl--van het gebeurde in den avond; een vermeerderde maar niet verbeterde uitgave van hetgeen reeds naar stad was overgewaaid, namelijk: dat boer Dirksen, de geëerde en welvarende boer van De Schebbelaar, aan zijn groot gezin en aan de maatschappij was ontvallen, ten gevolge van een krampkoliek, die door zijn dokter zóó weinig is geteld dat hij den man zonder hulp heeft gelaten.
"En die dokter was.... dokter Helmond?" vraagt Kartenglimp ten slotte, terwijl hij met moeite den vreemden glimlach weerhoudt die hem soms de baas wordt.
"Ja, jawel! 't Is mijn vriend, mijn intieme vriend Helmond; knap, uitstekend knap man; beroemd; mijn neef de professor zei...."
"En had hij den kerel zonder naar hem om te zien maar zoo laten...."
"Om u te dienen.... jawel, om u te dienen....!"
--Om hém te dienen!--Haha, lacht Kartenglimp, hahiha!
De goedhartige Hanna van De Schebbelaar heeft Helmond--uit vrees dat men hem, inweerwil van den gevallen avond en de huif die het karretje overdekte, in een ezelwagen zou zien--met een kleinen omweg tot bij het oude huis aan den wal gereden. Daar wilde hij wezen om Hanna aanstonds 't een en ander uit de apotheek voor het gezin te kunnen meegeven.--Met het oog op deze noodzakelijkheid heeft Helmond te eerder vrede gehad met Hanna's goedaardig inspannen, waartoe haar door boer Dirksens plaatsvervanger hoogstwaarschijnlijk het verlof zou zijn geweigerd. Nu immers heeft Hanna's rit voornamelijk, zoo niet uitsluitend plaats gehad in 't belang der familie van den overleden boer.
Van Hake haastte zich om in weinige minuten de fleschjes gereed te hebben die Hanna mee terug zou nemen, en waarvan hij de gebruiksaanwijzing vooral duidelijk moest opschrijven.
Terwijl het meisje nu met den arm op de toonbank geleund de werkzaamheden van den provisor gadeslaat, verzuimt ze de gelegenheid niet om de zaak van haar goeden dokter in het verschoonendste daglicht te plaatsen, en brengt Van Hake daardoor tevens geheel op de hoogte van 'tgeen er gebeurde, ofschoon hij reeds eenigszins door dien tweeden afgezant van De Schebbelaar was ingelicht.
Hanna heeft thans met haar ezelkarretje, door de straten der stad den terugtocht naar De Schebbelaar aangenomen, en een traan komt haar in de oogen nu zij de vreeselijk groote doos vol pepermuntjes beziet, die de goeje dokter haar nog heeft opgedrongen en die ze nu--onder 't rijden--tegen 't verliezen waarborgt, door er haar neusdoek om te winden en ze dan in den zak te steken.
De Romphuizers, voor zooveel ze nog op straat zijn of op de stoepbanken hunner woningen den reeds korten zomeravond genieten, zien het karretje van De Schebbelaar na, en begrijpen niet wáár het vandaan komt, dewijl niemand het straks zag voorbijkomen.
Op sommige plaatsen vormen zich groepjes, vooral onder de boomen op de markt nabij het oud-burgemeestershuis; en, men wauwelt er over het plotseling sterfgeval; hoe een mensch er gauw uit kan wezen, en hoe--zooals menheer Kippelaan straks nog in 't voorbijgaan aan den molenaar heeft gezegd--hoe het onvergeeflijk is dat een dokter, die te veel geld heeft om te dokteren, tóch maar dokteren blijft.
En terwijl men dit alles beredeneert, en het daarbuiten oproer is in veler gemoed, was het zeer kalm en rustig in het fraaie en groote doktershuis. Men vernam er nog niets van 't geen er op De Schebbelaar gebeurde.
Eva slaapt. Kalm en zacht slaapt ze op den lauwer dien haar kinderlijke liefde haar vlocht; en ze droomt..... o zoo heerlijk van een feest, een prachtig feest; en van vuurwerk en Bengaalsch licht.--En zie, uit het schitterende licht trad een bevallige knaap met een kniebuiging haar tegemoet;--'t was Siebel uit de Faust, de opera die men te Parijs zag opvoeren--en op een rijk geborduurd kussen bood hij haar een kroon aan, een grafelijke kroon met diamanten en parelen omzet.
't Was niet zoo geheel zonder aanleiding dat Eva van een feest droomde. Even nadat Helmond naar De Schebbelaar was gegaan, heeft men aan mevrouw, ofschoon ze wat te bed lag, een briefje overhandigd, terwijl een knecht op antwoord bleef wachten. Het adres: "Monsieur et Madame Helmond-Armelo", heeft haar recht gegeven om het briefje te openen. 't Was een uitnoodiging van mijnheer en mevrouw Debecque om een feest te komen bijwonen 'twelk zij zich voorstelden te geven op Woensdag den 5den September e. k. En, Eva heeft de uitnoodiging maar aangenomen.
Minder feestelijk dan Eva in hare droomen, was Helmond gestemd.
Misschien heeft dat karretje, aan de hoofdpijn, die hij op De Schebbelaar het eerst gevoelde, geen goed gedaan, althans zij is er niet beter op geworden, en, nu hij een oogenblik in mevrouw Van Hakes huiskamer op de ouderwetsche doch gemakkelijke sofa zit, nu gevoelt hij dat die rust hem goeddoet. Ja, 't een en ander had hem van streek gebracht. O wat zou hij niet willen geven indien hij slechts een uur vroeger bij Dirksen ware geweest, al had de afloop dan ook dezelfde moeten zijn.
"Ja zeker Thom, dikwijls moet men wel uren laten voorbijgaan eer men een zieke bezoeken kan; maar nú, om een niets!"
"U hadt visite. De familie. Mij dunkt dus....."
"Jij bent een goeje kerel Thom; maar weet je waar mijn "onverbiddelijke" zit? Niet? Hier, hier zit ie; hier vanbinnen. Die is crimineel."
"Ja maar dokterlief," zegt mevrouw Van Hake: "men moet zoo iets toch niet te sterk trekken. Mijn trouwe man was de braafheid en ijver in eigen persoon, maar bij een geval als dit zou hij het hoofd hebben gebogen en gezegd: "Hier misgunde de dood den dokter zijn brood." Een geval als met boer Dirksen behoort tot de zeldzaamheden."
Helmond knikte haar vriendelijk toe, maar antwoordde niet. Het glas frambozenazijn, 't welk de goede vrouw hem intusschen gereedmaakte, nam hij dankbaar aan, en dronk het met lange teugen, doch, starend naar den grond en zonder inderdaad goed te proeven wát men hem ter verfrissching geschonken had.
Thom met zijn volle liefde voor den braven meester, heeft Helmond een wijle in stilte gadegeslagen, en oppert nu aarzelend het vermoeden dat dokter door dien val toch meer van streek is dan hij bekennen wil.
Maar neen, waarlijk, de goede jongen moest daarvoor geen zorg hebben; de pijn aan het been was al beter, en 't hoofd zou na een goeden nacht, morgen wel heelemaal in orde zijn. Thom kon toch wel begrijpen, dat de omstandigheid op zich zelve reeds genoeg was......
"Om u wat onplezierig te stemmen. Ja zeker," valt Thomas in: "maar als u dan reeds aan die goede Hanna hebt kunnen zien hoe een onbevooroordeeld mensch de zaak zal opnemen, dan moet u er waarlijk niet zelf zoo'n gewicht aan hechten. Als mevrouw u zóó zag thuiskomen...."
"Wat zeg je Thom, zie ik er uit dat mijn vrouw zal schrikken wanneer ze mij ziet?"
"Wel heere nee!" vallen moeder en zoon schier gelijktijdig uit: "'t is maar alleen als u zoo ernstig kijkt!" En mevrouw Van Hake, die nu begrijpt dat men dokter maar liefst over geheel wat anders moet spreken, laat er schier onmiddellijk op volgen: "Ik geloof dat Eva toch bijzonder met het huis blijft ingenomen," en dan half lachend: "beter dan met Bus als huisknecht."
Thomas die zijn moeder verstaat, valt nu mede half lachend in:
"Ja, Bus zei van avond, dat ie z'n eigen blind keek op z'n eigen als ie zoo'n lichte jas aanhad, en dat ie, vooral met die jonge meiden, er genoeg van kreeg."
Of moeder en zoon de rechte snaar niet hebben getroffen, althans Helmond antwoordde ook nú niet; maar, eensklaps zich vermannend en opziende alsof hem iets inviel, zegt hij:
"Thom, jij bent niet om je kwartaal gekomen; 't is waar, ik had het je kunnen meebrengen, maar...."
Onwillekeurig hebben moeder en zoon elkander vluchtig aangezien. Thomas kreeg een kleur. Ze hebben er niet om willen vragen; en toch....
"O, wat dat betreft dokter," zegt hij met eenige aarzeling: "dat zou wel terechtkomen. We begrepen heel goed dat u met al die drukten van verhuizen en allerlei, zoo iets gemakkelijk vergeten kondt."
"Natuurlijk," valt de weduwe in: "vooral ook omdat u hier niet meer in huis woont. Ja zeker, men kan dat begrijpen."
Helmond die was opgestaan met het besluit om zich krachtig te toonen, is onwillekeurig nogmaals in de oude sofa neergevallen, en, met het hoofd in de hand geleund, zegt hij nu op een toon waardoor moeder en zoon opnieuw tot het wisselen van een snellen blik worden gedwongen:
"Ja, ik heb wat veel aan het hoofd.--'t Liep wat druk in den laatsten tijd."--Eensklaps opziende, met iets luchtigs in den toon alsof hij bevreesd is dat men hem zekere zorgen zal toeschrijven; "Wat je kwartaal betreft Thom, 't ligt klaar in mijn schrijftafel." En dan weder opstaande: "Komaan, nu zal ik 't wijfje eens gaan opzoeken. Ze had wat hoofdpijn van avond."
Met leedwezen vernemen Thom en zijn moeder dat mevrouw Helmond ongesteld is. Maar gelukkig volgens dokter heeft het niet veel te beteekenen. Ze had zelfs van middag nog prachtig gezongen: "Ja dat moet u toch eens komen hooren mevrouw; 't klinkt heerlijk in onze groote kamer. U zult zelve toestemmen dat Eva gelijk had toen ze hier niet spelen of zingen wilde. 't Was hier te laag, veel te laag."
"Zeker, dat scheelt nog al," zegt mevrouw Van Hake: "maar anders, och dokter, dit huis...."
Thom, die bij zijn moeders laatste woorden door allerlei gebaren tevergeefs heeft getracht haar opmerkzaamheid tot zich te trekken, valt nu haastig in:
"Moe wil zeggen dat de herinneringen haar dit huis zoo lief maken. Maar moe begrijpt natuurlijk dat mevrouw.... niewaar moe....?"
"O ja Thom, jawel; wie zou dat niet begrijpen; voor een jonge vrouw met zulk een talent en zooveel smaak! zeker, als men het hebben en doen kan--dat weet dokter ook wel, dan...."
Thom, onzichtbaar voor Helmond, staat te schudden met het hoofd en bijt zich fel in de lippen. Nee, nee! Moeder moest nu vooral niets doen blijken. Och, hij weet wel dat ze zeggen moeten 'tgeen hun op het hart ligt, maar niet dezen avond. Immers, Thom zweeg al zoo lang, ofschoon het hem dikwijls strijd heeft gekost. Maar had hij dan ook aan dien goeden meester de harde woorden van den pleegvader kunnen overbrengen? 't Was al erg genoeg dat hij hem, na zijn bezoek op De Zonsberg, heeft moeten zeggen dat de oude generaal wel wat verstoord was over den koop van het oud-burgemeestershuis, en dat hij dokter nu in geen geval meer ontvangen kon, aangezien hij morgen naar een badplaats ging.--Thomas heeft gezwegen, want, moeder had immers mede gezegd dat die oude man het wel wat al te ver trok. Dokter mocht dan wat erg toegeeflijk--ja soms wat zwak zijn ten opzichte van zijn jonge vrouw, hij was toch zeker zoo onverstandig niet, meer te doen dan hij verantwoorden kon.--Maar ach, in den laatsten tijd heeft men toch wel eens gevreesd dat de trouwe vriend inderdaad meer deed dan.... Doch stil, stil! nu geen woord. Ha! moeder heeft hem begrepen;--zij wenkt het hem zijdelings toe. Nu zal men zwijgen, maar later spreken; ja, want er moet een eind aan komen, in aller belang.
Helmond heeft den hoed opgezet.
--Nee, waarvoor zou Thom met hem meegaan? Dan zat bovendien zijn moeder alleen.--Of hij duizelig is?--"Nee goeje vent," zegt Helmond zoo vroolijk als hij kan: "duizelig ben ik in 't geheel niet. Ik dacht dat mijn handschoen gevallen was. Enfin, wil je me volstrekt een klein eindje brengen? Komaan dan maar. Goeden avond lieve mevrouw. Thom is hier aanstonds terug.--Nee, we zullen over boer Dirksen niet te veel tobben, al blijft het me leed doen.--Slaap wel!--Komaan m'n vrind, je arm! Jawel, jawel, nú moet ik er alles van hebben."
Toen Van Hake zijn goeden beschermer had thuisgebracht, en naar huis terugkeerde, toen kwam hem een vrouw tegemoet die bijzonder veel haast had, en hem vroeg: of dokter Helmond tegenwoordig niet dáár in dat groote huis woonde?"
"Ja. Moet dokter ergens komen?"
"'t Is voor de vrouw van den kuiper Sturk;" klonk het antwoord: "Zooals men meende zou 't er op aanloopen. 't Was volgens berekening een veertien dagen te vroeg, maar 't schijnt zoo te willen."
"Dokter is ongesteld."
"Ja dat kun jij wel zeggen, maar hij moet mee. Hij heeft haar aangenomen; en ik zeg: 't is wel om 'en kind te doen, maar daarom niet kinderachtig."
Thom verkeert in den grootsten tweestrijd. Helmond was volstrekt niet fiksch bij 't naar huis gaan; hij gelooft zeker dat dokter wat koorts had; inderdaad vertrouwde hij wel dat dokter na een rustigen nacht morgen veel beter zal wezen, maar, indien hij nu zulk een vermoeiende nachtwake hebben moest, dan--God wist, of de lieve, de al te goede vriend, niet zelf erg ziek zal worden; en, waar moest het dan heen! Neen, wanneer de toestand waarin vrouw Sturk verkeert aan dokter bekend wordt, dan is het zeker dat hij zich geen oogenblik zal bedenken, maar er aanstonds zal heengaan, zonder voor zich zelven de gevolgen te berekenen.
--Maar, dat mag en zal niet gebeuren!
"Ik zeg je dat dokter ziek is; dokter ging met koorts naar bed. Doe geen vergeefsche moeite, hij kan toch onmogelijk meekomen."
"Maar kristene-zielen, moet 'en mensch in zulke omstandigheden....!"
"Stil vrouwtje, we zijn hier niet zonder hulp. Ik ben de provisor van dokter Helmond; we zullen aanstonds naar vrouw Spanning gaan. Jawel, dat mensch is knap genoeg, daar sta ik je borg voor. Wat mij betreft, ik zal bij Sturk blijven, en mocht er iets wezen.... welnu, nood breekt wet, dan kunnen we altijd dokter Helmond nog halen."
De vrouw, overtuigd dat mijnheer Van Hake zóó niet spreken zou als zijn patroon niet werkelijk ziek was, moest toestemmen dat het dan zoo maar 't beste zou zijn, want menheer had gelijk: nood breekt wet, en baas Sturk had 'en hekel aan dokter Biermans, omdat Biermans z'n regenton door 'n knoeier als Govers had laten maken; en: "Gauw dan maar, want Sturk heeft gejaagd van belang."
Thomas Van Hake handelde met de beste bedoeling, en toch, of hij goed deed? De tijd moet het leeren. Zooveel is echter zeker, dat dokter Helmond een gansch anderen nacht zal doorbrengen dan de goede Thom hem denkt te bezorgen.
Thuisgekomen ging Helmond het allereerst naar de kamer, waar hij zijn geliefde zou vinden. En, ja, toen zijn Eva daar kalm en rustig slapende vond, toen gevoelde hij voor het eerst sedert dien langen namiddag, iets weldadigs zijn borst doorstroomen, iets dankbaars, dat hem persoonlijk met zulk een val geen ernstig ongeluk was geschied; dat hij gespaard bleef voor háár.
--Wat ligt ze daar lief, denkt Helmond bijna overluid, terwijl hij de zwaar damasten gordijn een weinig terzijde houdt, en Eva bij het zachte schijnsel der groote moderateurlamp die op het beddetafeltje brandt, eenige oogenblikken beschouwt: Wat lag ze daar lief; wat slaapt ze gerust!--Het mondje half geopend alsof het zoo de welluidendste tonen zal doen hooren. Zie, die heerlijke golf van haar losgevallen haar, wat teekent hij nu vooral de blanke fijnheid van haar huid. Wat ligt ze daar rustig en schoon; met dat edele voorhoofd, met dat regelmatig bewegen der kleine neusvleugels, met dat telkens dubben der lange oogwimpers als zullen die oogen zich zoo aanstonds openen en hem liefdevol aanzien; met dat geregeld golven van den boezem onder het dekkleed, waardoor mede schier onmerkbaar de blanke en kunstvaardige handen worden bewogen die er nu zoo rustig op nederliggen.
--Wat is ze schoon en wat slaapt ze kalm! Op gevaar af dat hij haar wakker zal maken, drukt Helmond een teederen zoen, eerst op haar voorhoofd en dan op haar zachte wang.... en.... Neen, ze wordt niet wakker; zie, ze slaapt nog voort: een vriendelijk lachje plooit haren mond.--Droomt ze van hem, van August, van haar geliefde? Ziet ze hem in haar zoeten sluimer zooals hij daar werkelijk voor haar staat met den blik vol innige liefde op haar gevestigd; een blik waarin ze zou kunnen lezen: Engel, om uwentwil heb ik het leven lief, om uwentwil blijft de wereld mijn lust; een graf zou ze zijn wanneer de ademtocht, dien ik nu verneem, moest verstommen, wanneer die dubbende oogwimpers eens niet meer opengingen....? Mijn engel!
Of ze van hem droomde? hij moet het weten, want bij die laatste gedachte werd het hem eensklaps zoo angstig, zoo vreeselijk angstig om het hart.
"Eva! lieve! hier ben ik!"
Zij glimlachte weder. En die schoone oogwimpers gaan nu vluchtig naar boven; en hoor:
"Mon ami!" lispt ze met nog sterkeren glimlach; en dan, zooals het gaat in den slaap, dan volgt er een diepe ademhaling met een langen zucht, en, de schoone slaapster wendt zich om, met het gelaat naar de binnenzijde van het ledikant, en haar ademhaling gaat weer geregeld als van eene die rustig blijft slapen.
--Mon ami!....
--Ze droomt dan toch werkelijk van hem!
Ja waarlijk, en 't is juist het schitterendst oogenblik van haar blinkende droom geweest toen August haar bijna ontwaken deed, omdat hij haar stem wilde hooren, omdat hij haar oogen moest zien. Maar hij was verstandig, hij liet haar slapen en voortdroomen dien ganschen droom ten einde.
Mon ami!--Uit het midden van een zonderling bonten optocht, die zich binnen het vierkant van een zeer groot tooneel heeft bewogen, trad August Helmond in een prachtig gewaad van parelgrijs satijn haar tegemoet. Hij boog de knie voor zijn Eva die zich de vroeger ontvangen prachtige kroon op de sierlijk golvende lokken heeft gezet, en ze reikt hem haar hand, waarop hij een teederen zoen drukt. En dan, van het rood fluweelen kussen 'twelk nogmaals die knaap--alsof het Siebel uit de Faust ware--haar met een kniebuiging kwam aanbieden, neemt ze een tweede kroon met fonkelend edelgesteente omzet, en ze drukt het kostbaar sieraad op het, voor haar neergebogen hoofd van den vriend.--En een zeer hel licht blinkt weer eensklaps, en ze zegt: "Mon ami--demain--toujours!" Maar dat licht werd verblindend sterk; zij moest zich omwenden.....--'t Was juist het oogenblik toen Helmond haar stem gehoord, en vluchtig haar oogen had gezien, en zij zich omwendde naar de donkere zij van het ledikant. En in den droom was het nu eensklaps een vuurrood licht 'twelk het helle en witte licht had vervangen. Ze kon nu de oogen beter geopend houden, en, hoe lang ze staarde dat weet ze niet, maar altijd en altijd weer zag ze daar een grijnzend satergezicht om den hoek van een geschilderden boomstam gluren; en dat wezen was geheel en al in 't rood en zwart gekleed; soms als een vleermuis, met een degen op zij; en uit zijn oogen bliksemden roode slangen; en het grijnsde akelig, en als zij de oogen neersloeg en naar den grond zag, dan vloog er een luik open in dien grond, en dan sloeg een roode vlam naar boven, en eensklaps was ook hij weder daar, hij met die roodzwarte kleeren en dien vleermuismantel, en hij zag haar scherp en altijd scherper aan, zoodat zij moest terugtreden. En eensklaps klinkt er een gillend krijschende muziek; en de zonderling bonte schaar van vrouwen en mannen--zooals ze daar stonden, de mannen ter rechter- en de vrouwen ter linkerzijde van die geschilderde boomen--ze vliegen nu eensklaps als dolzinnigen walsend en gillend dooreen; en--hoe zij zich wendt en hoe zij zich keert, altijd staat dat wezen in het bloedroode licht, juist voor haar oog, nu eens lager en dan weer hooger; straks ten halve achter iets verscholen, en dan weer geheel en al zichtbaar, steeds met grijnzend sarrend gelaat, en terwijl het dan gillend zingt:
Le veau d'or est encore debout, On encense Sa puissance, D'un bout du monde à l'autre bout!
snerpt het dansende koor ten slotte met hem mee in snijdende cadence:
Et satan conduit le bal! Et satan conduit le bal!
"August! o August!" kreet Eva half ontwakend. Maar August was er niet meer. Hij heeft nog iets voor den volgenden dag te regelen gehad, en liet Eva gerust slapende alleen, om haar den "liefelijken droom" waarin ze hem--onbewust zoo hemelsch heeft toegelachen, stil en kalm te laten uitdroomen.
"August!" klonk haar stem nog eens, doch minder angstig dan zooeven, en toen, toen wendde zij zich weder naar de lichtzijde, en vielen de oogleden weer toe, en werd de ademhaling weer kalm en geregeld--zeer kalm en geregeld.
ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Op zijn studeervertrek gekomen heeft Helmond eenigszins gejaagd het werk verricht, 't welk hem nog te doen stond. Daarmede gereed, schelde hij, opdat men alvorens naar bed te gaan, het avondbrood zou wegnemen 'twelk Eva op zijn kamer heeft laten klaarzetten.
De oudste der beide nieuwe dienstboden--op 't stuk der dienstboden is men in de luttele maanden sedert het huwelijk mede zeer vooruitgegaan--de oudste dier beide nieuwelingen komt al spoedig met een paar brieven in de hand de studeerkamer binnen, en 't is wel aan haar oogen te zien dat ze dokter--die natuurlijk een huissleutel heeft--straks niet heeft gehoord toen hij in zijn woning terugkwam.
Van de beide brieven is er een zonder postmerk, aan het adres van Monsieur et Madame Helmond-Armelo, en een met het postmerk Amsterdam, aan Dr. A. Helmond.
Dat kleine briefje kon Helmond even inzien. 't Droeg wel de sporen alsof men gepoogd had het open te maken; maar hij verkeerde nu in geen stemming om dit te onderzoeken, en mocht hij al een oogenblik 't voornemen hebben opgevat om zijn nieuwe dienstboden tegen een "al te groote belangstelling" te waarschuwen, hij heeft de eenvoudige waarheid niet gegist dat het briefje der Debecque's waarvan het omslag slechts weinig had vastgekleefd, gemakkelijk na de lezing door Eva weder was dichtgemaakt.
En dat schrift bevatte de uitnoodiging tot het bijwonen van een feest.
Op dit oogenblik is er zeker niets, 't welk Helmond meer tegenstaat dan het denkbeeld om feest te vieren. Hij ziet die treurende weduwe van De Schebbelaar; dien zwager met zijn boosaardig verwijt!--Neen het kan niet. Bovendien met Eva, in haar omstandigheden, dient men wat voorzichtig te zijn. Ze heeft een zenuwachtig gestel. Erheen rijden; feestvieren tot laat in den nacht, en dan zulk een rit terug.....!?--Nu ja, maar die zorg is toch overdreven. 't Zal zeker een mooi feest zijn ter eere van Archibald; en Eva zal gaarne.....
--Maar het verstand zegt: blijf rustig thuis! En dan wat al kosten opnieuw! Voor zulk een avond zal er zeker weer 't een en ander aan het toilet ontbreken: Allereerst witte handschoenen. Bovendien, de vigilante--ook terug in den nacht--zal minstens drie gulden kosten, plus de verschillende fooien!--En dan de praktijk! Nee, peinst Helmond voort: Eva weet er nu toch niets van; als ik 't maar aanstonds afschrijf, en later als reden opgeef--bijvoorbeeld vrouw Sturk, 't geen immers mogelijk is, dan zal alles wel goed zijn. Ja, Eva kan en mag er niet op aandringen; haar geheim; haar tevredenheid in het mooie huis.....
--Misschien, ja misschien zal ze toch een heel klein beetje boos zijn!
--Nee, ze zal daar niet over tobben; nee!
Ofschoon Helmond weinig schrijflust gevoelt, hij zet zich toch aanstonds voor zijn nieuwe zeer fraaie schrijftafel--die door Eva op zulk een heerlijke studeerkamer volstrekt noodzakelijk was geoordeeld --en schrijft aan de familie Debecque: dat men door bijzondere omstandigheden verhinderd is van de zeer beleefde uitnoodiging gebruik te maken. Aan de dienstmaagd, die straks goeden nacht komt zeggen, geeft Helmond het briefje, met bevel dat Bus het morgen zoodra hij komt, voor den vroegbode bezorgen zal. Kaatje zou immers wel voorzichtig zijn, en het briefje volstrekt niet kreukelen!? Den grooten brief uit Amsterdam waarvan de hand op 't adres hem onbekend is, besloot Helmond eerst den volgenden morgen te lezen. De hoofdpijn was wel niet erger, maar in alle geval zal 't beter zijn om nu rustig naar bed te gaan. Waarom nog meer in 't hoofd te halen dan er nu reeds in woelde en spookte.--Helmond beziet nog even het adres. De hand gelijkt iets op die van zijn ouden vriend Woudberg, wien men nog op de huwelijksreis een bezoek heeft gebracht.--Even wil hij zien of hij zich niet bedriegt. Lezen zal hij hem in geen geval.
Nu Helmond den brief geopend en de onderteekening inderdaad voor die van zijn ouden academievriend heeft herkend, nu zou hij toch bij zijn besluit zijn gebleven indien niet een paar woorden, waarop toevallig zijn oog is gevallen, hem aanstonds daarvan hadden teruggebracht. De woorden "uw diep ongelukkige broeder", ze hebben hem hevig aangegrepen en wel tot lezen gedwongen.--O groote God, ook dit nog! zegt Helmond bijna hoorbaar:
"..... zoodat er naar men mij verhaalde letterlijk gebrek werd geleden," leest Helmond voort, terwijl hij den brief als 't ware verslindt: "Voor drie weken ongeveer besloot ik mij zelf te gaan overtuigen wát er van waar mocht wezen. Ik begaf mij naar zijn woning. Philip ontving mij tamelijk koel. Hij vroeg mij aanstonds of ik namens den generaal Van Barneveld of namens u kwam. Op mijn antwoord dat zulks niet het geval was, verzocht hij mij plaats te nemen, want, voegde hij mij toe: Indien gij uit naam van "iets uit Romphuizen" kwaamt, dan zou ik u verzoeken mij liefst niet op te houden.
"Ik verzwijg u niets Helmond, want het is noodig dat ge weet hoe ge tegenover uw broeder staat, alvorens gij iets ten zijnen behoeve zult besluiten.--Toen ik plaats had genomen, verhaalde ik hem openhartig wat ik van terzijde vernam. In den aanvang aarzelde hij zulks te bekennen: maar eindelijk moest hij toestemmen dat hij het bitter ellendig had. Nu, 't was den armen duivel wel aan te zien. Zijn altijd geestige oogen fonkelden nog wel, maar bijwijlen was er een matheid in zijn blik, zeer in harmonie met de bleekheid van zijn broodmager maar altijd toch nobel gelaat.
"'t Was roerend August, toen hij met een bevende stem en een traan in de oogen, maar tóch met een ruwen uitval bekende, dat bij zelf wilde honger lijden en zich laten vertrappen als het wezen moest, maar dat hij krankzinnig zou worden indien hij zijn vrouw en kind moest zien gebrek lijden en verachten door een wereld vol bekrompen laagheid. Toen, August, greep ik zijn hand, en sprak hem van menschen die het goed met hem meenden; van u en den generaal. Wat hij antwoordde meld ik u niet omstandig. Genoeg, hij dacht er niet aan om eenige hulp van u aan te nemen. Liever zou hij--doch waartoe meer. Eensklaps was hij opgestaan, en vroeg mij op een gansch anderen toon: wie mij eigenlijk tot hem gezonden had of het recht gegeven om mij in zijn huiselijke aangelegenheden te komen mengen?--Nu ja, in den beginne was hij zooals hij zeide, door mijn hartelijken toon wat zeer vertrouwelijk geweest, maar wanneer ik nu tóch gedurig van u en den generaal sprak, dan bekroop hem de vrees dat ik een poging waagde om hem tot een stap te bewegen, dien hij laag moest noemen; immers liever zou hij zich met vrouw en kind in het IJ werpen, dan van menschen die zich voor zijn dierbaarste schaamden, zelfs een groet te willen ontvangen. Tot mijn leedwezen August, kom ik er reeds toe om u bijna letterlijk Philips woorden terug te geven, doch het geschiedt opdat gij levendig gevoelen zoudt, dat de hulp van uwe zijde zóó zal verleend moeten worden, dat Philip gelooft van een gansch anderen kant te zijn geholpen. Nadat ik den armen vriend wat kalmer had gestemd door hem nogmaals te verzekeren dat ik hem geheel uit eigen beweging was komen zien, verhaalde hij mij de hoofdoorzaak zijner "voor 't oogenblik nog al moeielijke omstandigheden." Dewijl hij zich op zijn bureel, bij 't meesttijds verrichten van armzalig kopiëerwerk, somwijlen eenige vrijheden had veroorloofd, ja zelfs een stuk--'t welk hij meende dat toch nooit gelezen zou worden--in Alexandrijnen had gesteld, was hij door een "ploert" vervangen, die in gemoede den inktmop kopiëeren zou wanneer de schrijver er bij ongeluk een had laten vallen.
"Mij te zeggen wat hij al beproefd had om weder eene fatsoenlijke betrekking, zij het als klerk op een koopmanskantoor, te bekomen, dat wilde hij niet: het scheen wel alsof de mededeeling dat hij in de rechten gestudeerd had--zonder het Mr. voor zijn naam te kunnen plaatsen, en de daarbij gevoegde omstandigheden dat hij getrouwd was, en op een bovenkwartier in de Tuinstraat woonde, de deftige heeren kooplui aanstonds reeds "iemand op 't oog deden hebben, waarmee ze zoo goed als klaar waren", zoodat hij onverrichterzake kon aftrekken.--"Maar geen nood," riep Philip bijna woest; "je moet niet denken Woudberg, dat we gebrek behoeven te lijden. Waarachtig niet! Een valsch begrip van eer; het toegeven aan een dwaas vooroordeel in ons kleine land, maar vooral het besef dat de naam dien ik draag niet mijn uitsluitend eigendom is, dat alles deed mij dralen om gevolg te geven aan een plan, 't welk tot uitvoering zal komen, en waardoor het ons verder aan niets zal ontbreken."
"Om kort te gaan August, wat ik vreesde zal geschieden indien gij 't niet te voorkomen zoekt. Philip wil zich met zijn vrouw bij een tooneelgezelschap laten engageeren. Nochtans hij geloofde niet bij een der grootste theaters te zullen slagen. Ofschoon zijn vrouw er zeer goed uitziet, haar talent--ik heb dit vroeger wel eens meer gehoord--moet niet veel beteekenen. Philip zelf heeft wat gerederijkt, maar de tooneeldirecteurs geven geen eerste emplooi aan menschen zonder eenige reputatie.--Dit laatste komt in ons voordeel, want Philip schijnt bepaald te gelooven dat hij een eerste viool zal moeten spelen."
"Groote God!" zegt Helmond, en terwijl hij met beide handen zijn kloppend hoofd ondersteunt leest hij weer voort:
"Beste August, wij behoeven ons zeker niet te verdiepen in de vragen wat ons Nederlandsch tooneel is, en of de tooneelwereld inderdaad uit het rechte oogpunt wordt beschouwd; we staan hier voor het feit dat de naam van Helmond waarschijnlijk binnenkort zal te vinden zijn op de tooneelbiljetten--zeer waarschijnlijk van een der allerminste gezelschappen in ons land. Nu is het de vraag of dit kan en mag geschieden. Zonder u te hooren, heb ik reeds neen geantwoord. Mij dunkt, acteur mag Philip niet worden; en toch moet hij een kostwinning hebben.--Als uw oudste trouwe vriend, bied ik u gaarne de hand. Maar, er is geld noodig."
"Geld! ha, geld!" zucht Helmond, en drukt de handen vaster tegen het kloppende hoofd.
"Recht gelukkig ben ik August, dat ik waarschijnlijk in de gelegenheid zal zijn om den armen drommel aan een fatsoenlijke positie te helpen. Twee mijner neven hebben het voornemen om een nieuwe brandwaarborgmaatschappij op te richten, en zouden daarin uw broeder tot mede-directeur willen kiezen, indien hij zich bereid verklaarde om het meerendeel der werkzaamheden te verrichten, en minstens tien aandeelen a duizend gulden te nemen of te plaatsen.
"Deze zaak geef ik u alzoo ter overweging. Spoedig hoop ik te hooren hoe gij er over denkt. Philip die de zaak, om de tweede conditie, als een onmogelijke aanstonds verwierp, zou haar gretig aanpakken indien ik hem door mijn vrienden--gij verstaat me--die aandeelen bezorgde.
"'t Is dus een affaire van tien duizend gulden. Mij dunkt, indien een man als mijnheer Van Barneveld weet dat hij uw diep ongelukkigen broeder van zulk een stap kan weerhouden, en bovenal dat hij hem een fatsoenlijke betrekking kan bezorgen, waardoor zijn toekomst verzekerd wordt, dan zal hij niet aarzelen om voor een betrekkelijk geringe som aandeelen te nemen in een assurantie-maatschappij die, door een tal onzer eerste families ondersteund, bovendien de beste waarborgen oplevert.
"'t Is dan verder--zooals gij reeds vermoed hebt--mijn voornemen, om Philip, ofschoon werkelijk door de inschrijving van uw oom geholpen, tien andere naamlooze aandeelen te toonen, die reeds door mijn vrienden genomen zijn.
"Bij mijn laatst bezoek, 't welk ik hem gisteren bracht, liet ik de hoop doorschemeren dat ik hem--natuurlijk zonder den steun van u of uw oom--zou kunnen helpen. De arme kerel werd bijna tot tranen geroerd; hij beloofde mij dat tooneeldenkbeeld nog wat uit het hoofd te zullen zetten. Maar.... "de oogenblikkelijke moeielijkheden--?" Nu ja, van mij die zich steeds een oprecht vriend betoonde, en vooral, zooals hij zeide, die steeds aan zijn vrouw de eer had gegeven, welke men haar verschuldigd was--'t is mogelijk dat ik eens bij een ontmoeting op straat, den hoed voor haar heb afgenomen--van zulk een vriend wilde hij nog wel het kleine voorschot van honderd gulden aannemen, 't welk ik hem op kiesche wijze had aangeboden.
"En nu mijn vriend, stel mij niet te leur. Ik wilde onzen braven dolleman er weer zoo gaarne bovenop helpen; hij is het waard, al ware het alleen omdat hij uw broeder is.
"Houd mijn bemoeiingen voor de bewijzen van mijn onveranderlijke vriendschap, en schrijf spoedig aan uw vriend
Everard Woudberg."
Het was dokter Helmond alsof het arme hoofd hem ging bersten. Steeds turend op het schrift, bleef hij in dezelfde houding zitten, met de beide ellebogen op de tafel geleund.
--Ook dit nog!--Dit! Welk dit?--Het moest zeker een gevolg van wat koorts zijn, dat hem deze brief zoo loodzwaar op de borst drukte. Had Woudberg dan geen prachtig uitzicht voor Philip geopend? Was het geen heerlijke uitredding voor den armen jongen; geen gelukkige wederoprichting van den naam, dien Philip tot heden maar al te weinig had geteld, en die toch het erfdeel was van een geslacht waaruit, in de laatste twee eeuwen, zelfs zonen tot de hoogste waardigheden mochten opklimmen!
Maar nochtans, terwijl Helmond zoo peinst, klinkt daar telkens een stem, en het dreunt in zijn hoofd: geld, geld, geld, geld!
Opgestaan, zoekt Helmond nu naar het beste geneesmiddel--Het koude water 'twelk hij overvloedig aanwendt, doet hem inderdaad een oogenblik als herleven. Den kletsnatten doek stijf tegen de nekspieren gedrukt, ziet hij nu met verruimden blik de zaken weer in:--Geld is er noodig, veel geld: tien duizend gulden! En het moet er komen. Van oom....? Maar zal het geen vergeefsche moeite zijn om aan oom te vragen, of hij in Philips belang die aandeelen wil nemen! 't Is zoo goed als zeker dat de vroeger zoo nobele man, die langzaam in ongevoeligheid aan een steen gelijk wordt, kortaf zal weigeren.--Ha! nu heeft hij een goeden inval: Woudbergs vrouw zou aan Jacoba als haar oude schoolvriendin kunnen schrijven, met verzoek om haar vader in 't belang der beide oprichters tot het nemen van de aandeelen over te halen.--Ja, wanneer Coba maar geheel op de hoogte is, dan zal ze dat zeker met tact behandelen. De generaal moet niet weten dat hij met zijn geld den armen Philip helpt, zoomin als Philip ooit ontdekken mag dat de hulp van die zijde kwam.
En, Helmond kan aan den aandrang van zijn hart geen weerstand bieden. Aleer hij zich te bed zal begeven moet hij aan 't werk. Spoed is noodzakelijk.--Deze onverwacht schoone uitkomst mag Philip in geen geval door het dralen van zijn broeder ontgaan. Wanneer hij aanstonds schrijft, zoowel naar Amsterdam als naar den Godesberg, dan kon Bus de beide brieven morgen mede zeer in de vroegte bezorgen; en, bij de gerustheid dat August dan deed wat hij kon, behoefde de angst hem niet te kwellen dat hij morgen door ongesteldheid, of door den drang der praktijk--immers hij dient mede reeds vroeg naar De Schebbelaar te gaan--de goede gelegenheid tot schrijven zal missen, die hij nu heeft in het nachtelijk uur. Het water, waarmee de dokter zich gedurig het hoofd verfrischt, heeft hem waarlijk veel verkwikt, althans hij gevoelt geen smart zoolang hij aan zijn lieve pleegzuster schrijft. Het slot van den brief luidde:
"Meer, mijn goede zusje, behoef ik je niet te zeggen. Je vader moet de aandeelen nemen in de meening dat hij er de neven van Woudberg genoegen mee doet.
"De families Woudberg en Van Diense zijn bovendien in Amsterdam als solide bekend, zoodat oom voor zijn geld geene zorg behoeft te hebben.
"Nieuws van belang is hier niet. Meld mij vooral wanneer gij terug denkt te komen, en of het u, lieve Coba, in den vreemde goed gaat en bevalt.
"Hoe ik mij ten opzichte van uw vader voortaan zal moeten gedragen.... 't is mij in al die weken nog niet helder geworden. Ik hoop de kracht te behouden om mijn dankbare liefde voor hem met de innige liefde voor mijn engel te blijven verbinden, 't Heeft mij grooten strijd gekost om uw vader op zijn verjaardag te schrijven, en--in vertrouwen gezegd Coba--Ik geloof niet dat de brief er een van den ouden stempel was.
"Na 'tgeen ik ondervinden en van mijn goeden Van Hake hooren moest--ofschoon hij mij slechts zeer weinig te antwoorden had--was dit niet anders.
"Met een zoen aan mijn lieve zusje, in wier beterschap ik mij zoo recht hartelijk verheugde, en die zich ook nu, naar ik hoop, heel frisch en versterkt zal gevoelen, blijf ik als altijd haar liefhebbende broeder:
August.
Romphuizen van 29 op 30 Aug. 18...."
De pendule met een forsch metalen Minervabeeld erop, sloeg één. Buiten deed de Romphuizer torenklok het haar na.
Helmond zit weer eenige oogenblikken met de beide handen onder 't hoofd. En, zelfs terwijl hij daar schreef was het denkbeeld niet bij hem gerezen, om zelf in 't belang van zijn broeder geld op te nemen. Neen, nu en nooit te voren was hij op die gedachte gekomen, ofschoon hij toch om dit huis.... voor haar te kunnen koopen, met alles wat daarin is--de fraaie pendule op zijn studeerkamer had hem er aan herinnerd--zich niet heeft ontzien schulden te maken, zeer groote schulden!--Hola August, waartoe die zaak zoo gedurig te herkauwen, dat zou je ziek maken; waarachtig dat is tobben; dat is voor een goed deel de oorzaak van je hoofdpijn.--Voort! De brief aan Woudberg moet nog geschreven. 't Geschiedt toch alles in Philips belang. Wie geeft meer, hij die zijn nachtrust opoffert in 't belang van broeder of vriend, of hij die om te helpen geld leent van anderen!?--En Helmond schrijft:
...."Ik twijfel er niet aan beste Woudberg, of uw lieve Emma zal ongetwijfeld die kleine comedie wel mede willen spelen in 't belang van onzen Philip. Op deze wijze--ik ben er haast zeker van--neemt oom het getal aandeelen, en zal Philip kunnen terugkeeren in den stand waartoe hij behoort. Wat uw goedheid voor mijn broeder betreft, ik zal er je steeds erkentelijk voor zijn. Zoo hij mede-directeur der nieuwe verzekeringsmaatschappij wordt, hij heeft het dan alleen aan mijn trouwen Everard te danken.--Wat echter de gelden betreft, die gij aan Philip hebt geleend, ik mag niet toestaan dat de arme jongen in dit opzicht uw schuldenaar blijft. Zeg hem niet dat ik die zaak voor hem vereffende. Gij zelf weet waarom.--Mocht hij u later het geld kunnen geven, welnu, dan ontvang ik het op mijn beurt van u terug. Hiernevens alzoo de...."
Geld! geld! geld! klopt het sterker in Helmonds hoofd. Opstaande trekt hij een paar laden van de prachtige schrijftafel los.--Zie, dat was nog de onbekendheid met de verdeeling of bestemming der laden. Deze is voor de rekeningen. De rekening die bovenop ligt is van den Utrechtschen bloemist. Helmond was die bijna vergeten. En vluchtig leest hij: "Voor UEd. aan heesters en bloemen: driehonderd en dertig gulden" Welnu, 't is immers voor eens, en zoowel voor Eva's serre als voor dien grooten verwilderden tuin is er heel wat noodig geweest. Ah! deze la moet hij hebben. In weinige oogenblikken had Helmond nagezien hoeveel geld aan papier en contanten hij nog voorhanden had. Honderd negentig gulden en eenige stuivers! 't Is een luttele en bovendien een zeer negatieve bezitting, met het oog op den inhoud van de lade, die hij het eerst had geopend. De groote schulden zijn wel alle door de hulp van den notaris kunnen vereffend worden, maar hoeveel is er niet nagekomen, en om zich telkens weder bij den notaris aan te melden, dat stuitte hem tegen de borst.
--Neen de praktijk moet het goedmaken, en langzamerhand zal alles terechtkomen.
--Desnoods kan hij zijn weinige vrije uren aan het schrijven van eenig medisch werk besteden; een populair boek 'twelk men flink honoreeren moet.
--Maar voor het oogenblik?--Aan Woudberg wil hij tweehonderd gulden terugzenden. Woudberg is een beste jongen, maar 't was niet te dulden dat hij het huisgezin van dokter Helmonds broeder onderhouden zal. Tweehonderd gulden!--En het weinige dat daar ligt, al ware het voldoende geweest, kan hij het missen? Wat zou het zijn, geheel zonder geld te zitten in ... een woning met twee zalen! En dan, is niet verreweg het grootste deel van dit geld het kwartaal, 'twelk hij morgen volstrekt aan Thomas moet voldoen! Zie, hij had geen onwaarheid gesproken: 't Ligt hier immers klaar in zijn schrijftafel.--Goddank! daar wordt het eensklaps voor zijn starenden blik als brak de dageraad aan: Donerie's monument! Een andere kleine lade is ras geopend.--Naast eenige papieren, inteekenlijsten en correspondentiën over het op te richten gedenkteeken--ligt een kleine portefeuille. Helmond, die zich gaarne met het bewaren van de reeds ingekomen gelden heeft belast, neemt haastig de portefeuille en ... Neen, leg neer, dat is misbruik maken van vertrouwen. Dit geld moet tot het bestemde doel onaangeroerd blijven!--Maar is er dan niets, volstrekt niets meer in de roode tasch, waarin hij vroeger als vrijgezel zijn schatten bewaarde?--Hij kan dien ouden getrouwe toch licht nog eens even inzien. Er was links immers zoo'n klein zakje waarvan de voering wat loszat; wie weet of daarachter...? Wie weet?--Neen! de flauwe hoop is reeds in damp verdwenen. Al de zakken en binnenzakjes van de roode tasch, werden doorzocht, maar niets was er te vinden. Deze schatbewaarder van weleer, was, evenals boer Dirksen, nóg rood, maar dood!--Hu! welk een dwaze gedachte was dat! Daar is iets krankzinnigs in zulk een gedachte ... Krankzinnig!--Stil, hij mag zelfs aan dat woord geen plaats geven, 't Is natuurlijk dat hij wat overspannen is. 't Wordt hoog tijd naar bed te gaan. Doch de brief die daar ligt moet voltooid, en aan hetgeen erin staat moet voldaan worden.
--Waarom mag hij dan eigenlijk die tweehonderd gulden niet leenen van de zeshonderd en vijftien, die men reeds voor een eenvoudig gedenkteeken op Donerie's graf bijeen heeft gebracht?--Waarom? Omdat toevertrouwd geld ons heilig moet zijn. 't Is het geld ter vereering van een geliefden afgestorvene.--Geld?--Mag dit doode bankpapier de tolk dier vereering heeten? Neen, 't zal slechts het loon worden voor den arbeid. Het monument zal de vereering dier nagedachtenis wezen. Dit geld kan door ander vervangen worden, indien het maar gereed ligt wanneer men den arbeid betalen moet. Waarom zou hij niet...? Nee! Nee!" zegt Helmond eensklaps overluid, en hij schrikt schier van zich zelven. "Nee!"
En toch, slechts luttele seconden later heeft hij zijn besluit gewijzigd: Van zich zelven had hij niets te geven, maar wat dáár in geld lag--het geld voor dat monument--immers hij mocht het met recht voor een groot deel het zijne noemen. Zie maar, het gouden repetitie-horloge met den zeer zwaren horlogeketting, waarvan hij zich nu ontdoet, het wordt in de lade gelegd naast die kleine portefeuille waaruit hij twee--neen vier biljetten van honderd gulden genomen heeft. En--geld, geld, geld, bonst weder het hoofd. Maar immers, zijn daad kan zelfs den toets der strikste eerlijkheid doorstaan. Ligt daar geen waarde voor waarde!?
Zooeven had de pendule halftwee geslagen. Helmond schreef weer, en sluit nu zijn brief.--Alles was stil, doodelijk stil.--Een geweldig schellen aan de huisdeur klinkt eensklaps door de holle woning en doet den wakenden dokter hevig ontroeren, 't Verschijnsel dat men in den nacht aan een doktershuis de slapenden komt wakker maken, is zeker niet vreemd, en in denzelfden stond begrijpt Helmond dan ook dat men voor een zieke zijn hulp komt inroepen; doch in deze oogenblikken was het zeker niet onnatuurlijk dat Helmond, bij 't hooren van den hellen klank, is overeind bevlogen met een gevoel, alsof men hem op een misdaad kwam getrappen.
Eerder dan men verwachten kon heeft de dokter zich hersteld. Snel zijn kamer verlatend is hij op het breede bovenportaal naar het raam gegaan 'twelk op 't marktplein uitziet.
Het raam opgeschoven, roept hij naar buiten:
"Wie daar?"
"Ik!" klonk het antwoord, 'twelk zeker het meest voor de hand lag; doch spoedig ook werd die inlichting achtervolgd door de bijvoeging: dat menheer Van Hake liet zeggen of dokter, als hij 't eenigszins kon doen, toch alsjeblieft dadelijk bij vrouw Sturk wou komen, 't Was noodig, en de kuiper ging zoo vreeselijk aan. Als dokter niet kwam dan zou de kuiper gek worden, zeidie, want vrouw Spanning had hij al gedreigd de deur uit te smijten.
--Van Hake! Vrouw Spanning!--Helmond begreep niet wat dit alles beteekenen moest. Maar, duidelijk klonk het naar beneden:
"Zeg dat ik aanstonds zal komen."--En het raam ging weer dicht.
ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Des anderendaags morgens ging Bus, de nieuwbakken huisknecht--die toch zijn oude functies bleef waarnemen--reeds zeer vroegtijdig naar het nieuwe doktershuis. Het was tegenwoordig halfvijf wanneer hij aan de tuinpoort schelde--niet om de meisjes "die katten" te doen opstaan, maar om ze de rust te gunnen wanneer ze hem maar, inplaats van open te doen, den sleutel van bovenneer toewierpen.
't Zoldervenster werd eenige oogenblikken later geopend, en de nachtmuts van Kaatje, waarin een aardig ondeugend gezicht stak, vertoonde zich in de hoogte, en Kaatje wierp hem den sleutel toe.
"Zoo, ben je daar ouwe palfrenier. Pak aan! Klets.--Da's jammer, 't was op je neus gemunt. Ons roepen om zes uren hoorje! Een kwartiertje erover is ook goed. Zorg dat je water voor onze koffie hebt, taaie! En zie wat er op de lei staat. Bezoer!"
Bus zag wat er op de lei stond:
"Daadelijk die briev in je naamgenoot bezorgen ouwe slaaprok."
--k'Hem!--Bus vond den brief bij de lei liggen. Aan 't adres van mijnheer Debecque. Ja die moest vroeg bezorgd worden, en hij zal hem dan maar 't eerst naar zijn "naamgenoot" brengen--k'hem--maar wat er op die lei staat dát zal nog eerder weg: En Bus veegt de lei schoon.
Toen Kaatje een paar uren later dokter en mevrouw ging "kloppen", toen was mevrouw reeds bij de hand, want ofschoon zij nog geheel in nachttoilet was, aanstonds opende zij de deur der slaapkamer, en gaf Kaatje bevel om het briefje aan mijnheer Debecque, dat dokter gisterenavond gegeven had, nog niet weg te sturen, maar wel de twee brieven, die nu op het portaaltafeltje lagen. Kaatje moest goed toezien, de brief naar Amsterdam moest worden aangeteekend zooals dokter gezegd had.
Voorts zouden de meiden immers wel heel, heel stil zijn, want dokter is bijna den ganschen nacht uit geweest, om vier uren thuis gekomen en nu pas ingeslapen. Mijnheer had ook dit recept voor zich zelf geschreven; Bus moest er dadelijk mee naar mijnheer Van Hake gaan, en dan meebrengen 't geen deze hem geven zou. Tegen acht uren zou hij mede een vigilante bestellen, want dokter moest vroeg naar De Schebbelaar. Maar sust! geen leven, en vooral geen geklop meer.
--Wel heerejee, zegt Kaatje bij zich zelve, nu haar mooie mevrouw de deur weer dichtdoet: Zukke kinders! wat al complimenten! Wel heerejee, kun je ook nog meer in één adem een mensch op z'n lijf jagen!--Bon, best, 't zal allemaal plaats hebben; maar als Bus al die viezevazen moet doen, dan kan Kaatje messen slijpen en aardappels schillen en schoenen poetsen. Mersie zeit de Franschman; we kunnen dat luchtje zelf wel scheppen. De brieven da's één; 'en wandelingetje naar Zoethout is twee; 'en viselantje is drie, en--Careltje van den bakker da's vier.
"Waar heb jij dat briefje voor Debek Bus?"
"Al bezorgd Kaatje."
"Domme eend; dat moest niet."
"En 't stond op de lei?"
"Nu taaie, wat is 'en lei! Als 't schrift was; maar leischrift kun je immers uitvlakken."
Bus had Kaatje wel eens eventjes met dien schoenborstel...... maar.....
't Is gelukkig voor Kaatje dat ze er zoo schalks uitziet en zoo'n mooie rooie kleur heeft, want anders: "'t is een dierazie!"
Kaatje vond de morgenlucht allerverkwikkendst. Met den huissleutel boven op de beide brieven; een schoonen boezelaar vóór, en een hagelwit mutsje op, stapt ze zeer langzaam het marktplein over. Wat zou ze eerst doen?--Dat eind naar de post lag uit den weg. Careltje van den bakker stond nu zeker met de mooie forsche armen--zoo natuurlijk--in de bakkerij voor 't open raam aan den wal; niet ver van Zoethout; niet ver van de vieselantes. Zal ze eerst de brieven bezorgen? Maar als Careltje dan eens in dien tijd gedaan had.... Ze zal de brieven 't laatst bezorgen, welzeker, da's sekuurder.
"Goeje morgen vrijster! Kaatje van dokter Helmond niewaar? Iets verloren? Je stondt zoo in gedachten. Toch alles wel thuis?--Zoo vroeg al op 't pad!"
"Wat meen je menheer?" vraagt Kaatje strak.--'t Was de klok.
"'k Zal 't je zeggen. Juist op weg om even bij jelui aan te loopen. Gisteren gehoord, dokter niet heel fiksch was. Watblief? Treurig geval met boer Dirksen niewaar? De heele stad vol van. Je zult er alles van weten."
Kaatje wist van niets; maar van dien gek met z'n spillebeenen begeert ze niets te vernemen.--Careltje kwam toch óók overal en wist evengoed alles.
"Of dokter van nacht al of niet is uitgeweest?" herneemt Kippelaan: "Watblief? 't Is maar eenvoudig een vraag. Vrouw Sturk, je hebt het gehoord; treurig afgeloopen niewaar?"
Kaatje brandt van nieuwsgierigheid om al het nieuws te hooren waarvan ze niets vernam, en waar haar meester zoozeer in betrokken schijnt. Maar van die klok met z'n gewauwel wil ze niets weten. Ze zal 'em in 't riet sturen, en dan als de wind naar Careltje!
"Om je de waarheid te zeggen menheer Kikkelaan...."
"Kippelaan m'n lieve meid! Kippelaan, Jules Janin!"
"Juist, ik wou maar zeggen dat de dokter zoo gezond is als 'en visch; dat ie den heelen nacht rustig heeft geslapen, en ook nog in lange geen plan had om op te staan. Nee, in't geheel niet. Nou, als jij, menheer Kikkelaan, zoo'n jonge vrouw hadt, dan... Atjuusjes!"
"Kaatje, m'n lieve.... à propos?"
Kaatje omziende: "Hê, riep je me?"
"Nee, roepen niet. Maar ik zie je den Hoenderveldschen kant opgaan, terwijl je daar brieven voor de post hebt...."
"O wou jij die voor me bezorgen! Jongens ja, dan zou je 'en bolletje zijn."
Kippelaan heeft een sterk bewijs van aarzeling gegeven:
"Bezorgen!--tuterletu! bezorgen! Wát zeg je, deze frankeeren!--ei!--Ja maar m'n lieve Kaatje, je begrijpt...."
Eensklaps, nadat hij vlug de adressen had gelezen--waarom 't hem inderdaad voor 't oogenblik slechts is te doen geweest--neemt hij de brieven met een merkbare gejaagdheid van Kaatje aan; steekt ze zeer haastig in den zijzak van zijn jas die hij aanstonds dichtknoopt, en Kaatje groetend stapt hij haastig voort.
Weinige minuten later bevindt Kippelaan zich met de beide brieven op zijn slaapkamer, die de achterste is der beide bovenvertrekken welke hij bewoont, en onder andere dit verschil heeft met de zitkamer, dat hier slechts twee, en vóór--behalve een kleintje--drie spionnetjes uithangen.
Kippelaan had het onbeschrijfelijk warm. De gordijn voor het venster wordt neergelaten. Ontelbare malen heeft hij van dat venster naar de deur gezien.--Ha! nu was het gevonden! Twee stoelen worden er tegen de goed gesloten deur gezet, en, dwars over die stoelen ligt al spoedig het beddetafeltje, beladen met zooveel wit en blauw aardewerk als er maar voorhanden was en op den zijkant kon geplaatst worden.
In 't sleutelgat der deur zit een watje.
--Phu! Kippelaan krijgt het waarlijk al te benauwd.--Wil hij kwaad!? Waarachtig niet! 't Is zoo goed als een bestiering. Jawel, een bestiering! Praatjes, allemaal praatjes werden er rondgewauweld.--Kippelaan kan dat gewauwel niet velen--en een weldaad zou het voor de familie Helmond en aanverwanten zijn, indien men uit echte bron aan al die praatjes een eind kon maken. En, twee brieven van den dokter zelf zullen alles bevatten wat men te weten noodig heeft. Welzeker, familie-omstandigheden zal men vernemen uit den brief aan juffrouw Van Barneveld--het ideaal enfin,--en financieele zaken uit een brief met drie lakken naar de groote koopstad.
Ofschoon zedelijk verplicht tot de inzage van brieven, die hem "zoo ongezocht in de handen werden bestierd", aarzelt Kippelaan toch, aleer hij tot de voorgenomen operatie besluit, 't Was anders doodeenvoudig; de spiritusvlam onder de bouilloir brandt fiks, en het theewater dat alreeds van de kook was geraakt, begint weer te razen dat het een lust is. En zie, terwijl de brief aan Jacoba, die in een gom-couvert was gesloten, nu reeds op den geopenden ketel ligt, steekt Kippelaan ter ontzegeling van den gelakten brief, een mes in de groote spiritusvlam, meenend dat het hem gemakkelijk zal vallen door middel van een gloeiend mes, de zegels, zonder de stempels te beschadigen, wat los te maken.--Er stond hem zoo iets van voor.
Gedurig naar de gebarricadeerde deur, en een paar malen zelfs naar het donker onder zijn ledikant ziende, heeft Kippelaan nu reeds--ofschoon met eenigszins bevende vingers--den brief van Jacoba uit het losgelaten couvert genomen. En.... hij zal smullen:
"Lieve Jacoba, beste zusje!"
--O God wat is dat!? Men klopt op de deur:
"Hé! Watblief? Wie is daar?"
--Heeft hij goed gehoord, zijn ze daar om de brieven!.... O goeje God!..... Watblief!?"
"Kan ik er niet in; scheelt er wat aan?" roept men van buiten.
"Nee niemendal.... Een beetje ingeslapen!"--Lieve hemel! Het klamme zweet parelt hem onder den neus. Jacoba's brief is reeds tot een bal ineengefrommeld.--Waar blijft hij er mee.....? Ha! In den ketel! Voort, zóó, het deksel er op!
"Maak 'em open menheer!"
--Openmaken! Nee waarachtig niet! Althans hij heeft geen idee gehad om er iets uit te nemen.
"Maak de deur dan eens open menheer!"
"De deur! Ahzoo. Jaja! Dadelijk hoorje."
--Nee, dien brief met waarde in den ketel te stoppen, dat ging niet.--In 't bed! onder de matras, tot nader order. Goeje hemel, hij beeft over al zijn leden.
Kippelaans hospita hield er een looper op na "voor zekere gevallen, weet u, dat er een sleutel zoek was. Ze heeft dien looper maar even gebruikt omdat menheer waarschijnlijk iets scheelde. En, terwijl ze nu met fermeteit de deur opent teneinde te zien wat Kippelaan weerhield om den brief aan te nemen dien ze hem brengen kwam, geeft de dikke hospita een gil van ontzetting, want, met een vreeselijken slag, die haar gansche woning deed dreunen, sloegen honderden scherven van glas en aardewerk met beddetafel en stoelen voor de voeten van den rillenden Kippelaan neer.
Intusschen heeft Kaatje, van haar Careltje, die trouwens een groote Carel is, een heeleboel nieuws vernomen. Ten eerste vernam ze "met ijzing" 'tgeen er van De Schebbelaar bekend werd, en hoe er over de handelwijze van haar heer en meester wordt geoordeeld, 't Was God geklaagd om iemand zoo aan z'n eigen over te laten, en willens en wetens met een gerust hart de eeuwigheid in te sturen. Als er zóó met het rijke volk als Dirksen wordt geleefd, zei Careltje, dan kunnen menschen als wij en ons-gelijken wel op de vingers natellen hoeveel we zoo'n dokter waard zijn; hij mag dan zoo knap wezen als de neef van menheer Kippelaan."
"Ja, maar Kippelaan zei al gisterenavond dat ie 't vak voor z'n pleizier dee;" verzekert de molenaar die mede aan de bakkerij was gekomen.
"Maar dat is juist het gemeene;" herneemt Careltje, en wrijft met zijn "natuurlijken arm" een kruimel deeg van de wang: "Als dat dan waar is--zooals gisterenavond de smid ook al gehoord had--dat ie namelijk een vondeling en 't kind van een schatrijken graaf zou wezen, dan zeg ik dat zoo'n man d'r uit moest scheien met tongen te bekijken en de menschen naar de eeuwigheid te helpen."
"Een graaf!" zegt Kaatje, vuurrood geworden: "Is hij een graaf! Ben ik bij een.....?"
"Jawel, dat zeggen ze allemaal. 'En mooi ding! 'En graaf met 'en apetheek. 't Is schande!"
"Voor vier duiten drop!" grinnikt de molenaar.
"Nee maar gekheid is gekheid;" herneemt Careltje die geen gekheid verstaat: "Ze hebben--niewaar Kaatje--gisterenavond visite gehad?"--Kaatje knikt--"Zie-je, gesmuld en gebrast! En dan intusschen iemand te laten doodkrimpen die, zooals ze zeggen, Godsterwereld niks mankeerde, en dat omdat meseu de dokter z'n eigen liever op zijn gemak zet."
"Nee Careltje, gemakzuchtig is ie niet, da's niewaar. Ik zie 'em tegenwoordig dikwijls heen en weer draven naar dien wal dat ie d'r bleek van wordt. En dat moet ie om die aptheek. Ik zei: as ie 'm in z'n huis nam; zoo'n kazerne van 'en huis! maar daar heeft mevrouw geen zin in. Nee gemakzuchtig, nee!"
"Maar ik zeg," valt Careltje in, terwijl hij, om Kaatje niet af te stooten, haar met den natuurlijken arm om den hals pakt: "ik zeg dat jij gelijk kunt hebben, maar dat ik gelijk heb ook; of zou je me willen aanpraten om ooit weer 'en dokter te roepen die, God beter't, binnen ééne twaalfuur tweemaal naar zich fluiten laat?"
"Tweemaal?"
"Ja waarachtig meid;" valt de molenaar in: "Weet je dát nog niet? Vrouw Sturk heeft ze van morgen tegen halfdrie ook al genacht gezeid.--Verknoeid! 't Was niet alles in orde. Van Hake de bediende--je weet wel--had verteld dat z'n baas ziek was, en geraden om vrouw Spanning te halen..... Maar jawel, 't is verschrikkelijk! Toen dokter dan eindelijk toch om 'en uur of twee was komen aansukkelen, toen had de kuiper juist in woede vrouw Spanning de deur uitgesmeten.
"Heere beware!" zegt Kaatje.
"Ja, en wat het ergste was: van de kunst was er geen heil meer te wachten. Gekonfiskeerd! 't Mot er toen gerookt hebben van belang, en ze zeien dat Sturk hem een pak slaag had gegeven, niet gering!"
"Nee, da's gelogen!" valt Careltje in: "Menheer Kippelaan, die voor een half uurtje hier even aan 't raam was, wist alles precies van Mie de schoonmaakster: Sturk zou dokter zeker aan 't huis zijn gekomen, maar menheer Van Hake had hem tegengehouden, en een oogenblik later gelegenheid gevonden met den dokter door een zijdeur te ontkomen. Van Hake moet nog een leelijken veeg hebben gekregen. Maar 't was ook meer dan erg! Zoo'n wurm van een vrouw......!"
"Nee maar 't is gruwelijk! 't is helsch zeg ik," herneemt de molenaar: "'en leelijken naam hêt ie ook: Hel-mond!"
"Ja Dores, daar heb je wel gelijk aan, al 'en heel gemeene!" bevestigt Careltje.
"Maar als de dokter dan toch ziek was!" zegt een bakkersknechtje, die met een langen stok waaraan de natte ovendoek zit, het groepje in de deur der bakkerij was genaderd.
"Ziek! wát ziek!" zegt Careltje: "als je ziek wilt wezen dan moet je geen anderen willen gezond maken!"
"Maar hij was niet ziek," roept Kaatje, half in den waan dat ze dokter, met wien ze toch medelij heeft, door die verzekering nog eenigszins in zijn eer zal herstellen: "Hij is gisterenavond zoowat om half elf in huis gekomen; heeft--omdat mevrouw al naar bed was--op z'n kantoor smakelijk een boterham gegeten, en is toen doodbedaard brieven gaan zitten schrijven, blijkens dat er van morgen drie waren om naar de post te brengen...." Kaatje heeft bij deze laatste mededeeling eensklaps een kleur gekregen; maar men bemerkt het niet.
"Wat heb ik gezeid!? wát!" valt Careltje uit: "Zie je wel dat ie niet ziek was! De meid van Sturk die den dokter om twee uur ging halen wou het liegen heeten; maar d'r was licht op 't kantoor! Menheer Kippelaan had het van Hent den klepperman zelf gehoord; en ik zeg: d'r brandt geen licht om twee uur op 'en kantoor of d'r moet iemand óp zijn!"
"Nee nee," stemt het uit aller mond: "dat spreekt vanzelf; dát is bewezen! 't Is schandelijk! Wie zou zoo'n dokter vertrouwen!"
ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Toen Helmond door zijn Eva, te circa halfacht, met een zoen werd wakker gemaakt, en ze hem daarna met haar welluidend: goeden morgen! een geurigen kop thee met beschuit toereikte, toen gevoelde hij slechts weinig meer van 'tgeen hem, toen hij eindelijk ter ruste ging, voor slapeloosheid en zeer waarschijnlijk voor een ziekte deed vreezen.--Al zijn de uren die hij sliep slechts weinig in getal geweest, ze hebben hem zonderling verkwikt. Neen, ofschoon hij zijn hoofd rechts en links keert, de pijn is geheel verdwenen. De sombere voorstellingen die hem door het brein spookten toen hij zich bevend van overspanning tot slapen heeft gelegd, al die sombere visioenen zijn voorbijgegaan.
--En zie, zijn Eva, de schoone Hebe in haar gracieus morgenkleed, ze staat daar als een toonbeeld van zorgende liefde.--O goede God! nu ziet hij eerst hoe innig lief dat prachtige kind hem heeft. Zij is in zorg geweest, over hém! Ze heeft gevreesd dat hij te vroeg zou wakker worden. Ja dáárom hield zij de vensterblinden ter halverwege gesloten ofschoon ze de ramen heeft opengezet, dewijl hij daar zeer op gesteld is.
En zie, daar kwam ze nu zelve met den verkwikkenden drank:
"Eva!"
"Lieve August, gaat het beter? Waarlijk beter?"
Helmond knikt, maar antwoordt niet. Hij ziet haar slechts in de schoone oogen; drukt haar fijne hand, en dan haastig den blik van haar afgekeerd naar de binnenzij van het ledikant, verdringt hij iets, 'twelk hem uit het hart naar het oog is gevloeid. Goede God, was er voor haar dan niets beters weggelegd dan de vrouw te worden van een eenvoudigen dokter! Zie, daar is wat hoogers, iets vorstelijks in die vrouw; en ja, bij al die gaven van schoonheid en talent, toont ze, in de liefde voor vader en echtgenoot, een engel te zijn.
"Eva!"
"Wat is er dan beste?"
"Ik ben zoo gelukkig Eva."
"Nu lieve man, dat klinkt me waarlijk als muziek in de ooren. Ik heb van nacht den heelen tijd allerlei gekheden gedroomd, en ook dat je heel boos op me werdt; en je grijnsde me zoo akelig aan.--Ja ik weet het zelf niet meer: ik droomde dat we te Parijs waren, en dat we meespeelden toen ze de Faust gaven. Eerst was jij Faust en toen.... ik weet niet, toen werdt je eensklaps Mephisto, en, toen schreeuwde je me zoo akelig toe: "Et Satan conduit le bal," o zoo akelig. Zie, 't is allemaal gekheid, dat weet ik wel; eerstens beduidt het niets, en tweedens hecht ik niemendal aan droomen; maar zoo'n gezicht blijft je 's-anderendaags soms zoo bij. Toen je van nacht met hoofdpijn heel onplezierig thuis kwaamt, toen dacht ik, daar heb je 't al met dien naren droom; als hij nu maar niet ziek wordt!--Ik heb er je niets van gezegd, hoewel ik er erg vervuld mee was. Maar mijn lieve man, nu kun je ook best begrijpen hoe heerlijk ik het vind om je, bij 't wakkerworden 't allereerst te hooren zeggen: Eva, ik ben zoo gelukkig!--Komaan mon cher monsieur le comte--nu wacht maar, ik geef den moed nog niet verloren, al was papa er wat tegen,--komaan, we zullen aan geen akelige droomen meer denken; peuzel jij die beschuitjes nu maar op, dan zal ik je eens laten kijken hoe heerlijk vandaag het zonnetje schijnt, 't is een lust!"--Eva opent nu de vensterblinden, en, aanheffend zingt ze tevens met haar klankvolle stem, zoodat men zich in den zonneschijn zou wanen al zag men den regen ook stroomen:
"O Sonnenschein, o Sonnenschein, "Wie scheinst du mir in's Herz hinein. "Weckst drinnen lauter Liebeslust, "Dass mir so enge wird die Brust! "Dass mir so enge wird die Brust!"
Een kwartier later is Helmond gekleed.
Ofschoon hij zich wel iets minder frisch gevoelt dan bij zijn allereerst ontwaken, toch moet hij bekennen dat het oneindig beter met hem is dan hij heeft kunnen verwachten. Daar komt zijn lieve vrouw alweder met een kop thee in het slaapvertrek.
"Eva, mijn eenige schat, mijn zonneschijn!" zegt Helmond en sluit haar in zijn armen; en dan, dan hoort hij ook van háár een schier nog welluidender toon dan daareven; want ook zij heeft gezegd: dat ze nu zoo recht gelukkig is.
En Eva had waarlijk reden om zich gelukkig te gevoelen. Nu ze haar woning had, en er alles zoo heerlijk was ingericht, nu waren voor 't oogenblik haar liefste wenschen vervuld. De kleine katastrophe van gisterenavond zou zeker geen gevolgen hebben, en, als zij het maar eens van de rechte zijde aanpakt, dan zal papa wel meer zwak op dien adel krijgen. Het voornaamste, waar het op aankwam, bleef toch het bewijs dat men aanspraak op dien titel had, en dat bewijs was reeds in handen van den majoor. Welnu, een klein beetje geduld; en dan, wanneer zij èn Helmond er maar op blijven aandringen en zich dankbaar betoonen, dan zal de majoor --tegen restitutie van onkosten, natuurlijk omdat hij aan al die stukken en bewijzen met zooveel moeite gekomen is,--ze wel aan hen afstaan.
Ja, Eva voelt zich recht gelukkig, want ofschoon het briefje aan de Debecque's toch al verzonden was--omdat Bus beter hard draven dan dienen kan--ze heeft nu alle hoop dat August, wanneer hij zich zooals hij zeide wèl blijft gevoelen, ten genoegen van zijn vrouwtje nog een tweede briefje zal schrijven om die uitnoodiging tóch maar aan te nemen.--O die goede August! hij heeft immers voor 't grootste deel uit zorg voor háár bedankt.
--Nu, dat behoefde waarlijk niet, haar hoofdpijn van gisterenavond heeft niets te beduiden gehad, en August zelf--waarlijk ze is er zoo blij om--hij voelt zich weer heelemaal fiks. Hoor, hij vraagt haar zelfs om nog eens dat lied: Natuur is mild te zingen!--Wat ziet hij haar tevreden aan! Ja als ze het nu wilde doordrijven.... van die groote partij hier aan huis tegen haar jaardag --ja, ze weet dan zeker dat hij toe zou stemmen. Maar 't is nog niet noodig; en als men maar eerst bij de Debecque's is geweest, dan komt die partij op haar jaardag vanzelf. Ze weet nu immers zeker dat die hooggeprezen zuinigheid iets is, waar men voortaan maar zonder veel woorden overheen moet glijden; 't is een zwak dat het mannetje zich graag wat armoedigjes voordoet. Nu, in zulke scholen maakt men zulke leerlingen. Maar gierig, nee gierig is hij niet. Wat die nachtpraktijk betreft, daar moet hij van afstappen, dáárdoor alleen is hij met zoo'n dolle hoofdpijn en zoo laat naar bed gegaan. Mettertijd, als het gelukt met dat overbrengen van papa's titel op hem--en waarom niet--dan moet hij de heele praktijk maar neerleggen. Iemand die bezigheid wil hebben kan ze altijd wel vinden. Men behoeft daarvoor niet de slaaf van iedereen, ja van je minste plebs te wezen. Hoe heerlijk al, dat men tenminste hier van die aptheeklucht bevrijd is. Bah! zoo'n aptheek!
O voorzeker, Eva voelt zich nu recht gelukkig; alles, alles lacht haar weer toe; en zie maar, het allermeest haar lieve August.
Doch Eva weet niet dat Helmonds glimlach, nu hij de vigilante ziet voorkomen en haar straks een zoen tot afscheid geeft, een zeer gekunstelde wordt; neen, want hij heeft haar niets gezegd, niets van zijn val, niets van het gebeurde op De Schebbelaar, en niets van den nacht aleer hij--Goddank, een weinig mocht slapen.--Waartoe haar onnoodig zijn leed te klagen; immers hij had haar vroeger vermaand dat de praktijk alleen voor den dokter is.
't Was reeds laat in den voormiddag toen dokter Helmond aan zijn woning terugkwam.
Eva meende te bemerken dat hij wat somber gestemd was.
Of hij zich weer minder wel gevoelde....?
"Nee Eva, nee; ik heb wat heel veel zieken bezocht, en er zijn er die van een dokter meer verlangen dan redelijk is."
"'t Is een nare betrekking August, ik heb dat altijd gezegd. Geen oogenblik ben je zeker van je tijd; dag en nacht altijd voor Jan en alleman te moeten klaarstaan, en misschien nog heel dikwijls ondank voor zorg en moeite tot loon te krijgen!"
Er was veel waars in 't geen Eva zeide.
"Ja 't is jammer kindlief, dat het onverstand der menschen ons zoo dikwijls moet bedroeven. Waarlijk er is geen edeler werkkring dan de mijne. Maar, als men het onmogelijke eischt...!"
"Heeft men dat nú gedaan August?"
"Och--nú, en alle dagen. Maar wij zetten er ons overheen.... wij...."
"Welzeker," valt Eva in: "in jouw plaats beste man, zou ik nooit naar eenig praatje van het wauwelig gemeen luisteren, dáárvoor sta je te hoog èn als dokter én door je.... andere maatschappelijke positie.--Als ik in je plaats was August, weet je wat ik dan deed?"
"Hé?" vraagt Helmond in gedachten.
En Eva zegt fier:
"Wel, den eerste die mij een woord durfde tegenwerpen of zich aanmatigen om mij in mijn praktijk de wet te stellen, dien zou ik bedanken en verzoeken een anderen dokter te nemen."
--Bedanken!--August geeft met een pijnlijk glimlachje een antwoord 'twelk zijn vrouw--evenals dat glimlachje zelf--op rekening van zijn "eenig gebrek" stelt. Immers: "Waar zou de schoorsteen van rooken, als wij niet wat geduld oefenden?" heeft hij gezegd terwijl hij zich gereedmaakte om nu--na het koffiedrinken, --weer zoo spoedig mogelijk naar die nare aptheek te gaan.
--Bedanken! heeft August in zich zelven herhaald, terwijl hij buiten de kamer en op weg naar het huis aan den wal, een paar malen de hand aan het hoofd bracht--aan dat hoofd waarin het alweer niet heelemaal pluis is.
--Bedanken!--Neen zulke ruwe scènes heeft hij nooit te voren gehad; ze moeten eenig zijn in eens dokters praktijk. Op De Schebbelaar gekomen, heeft boer Geurtsen--de aanstaande toeziende voogd der tien minderjarige kinderen--hem zoo mogelijk nog brutaler dan den vorigen avond onder de oogen gezien, en gevraagd, of hij niet begrepen had dat hij op De Schebbelaar had uitgediend, en niet zoo "leep was om te vatten, dat de heele perementasie van de Dirksens en Geurtsens--over meer dan achttien hofsteden verdeeld--voortaan d'r eigen wel zou wachten om 'en dokter te nemen die zijn patiënten aan d'r eigen zelvers overliet, en onverlet den adem liet uitblazen?"
--Bedanken! herhaalt Helmond met dien droeven glimlach. Ha! zoo moet het maar gaan. Het rijkste deel mijner praktijk te verliezen, door.... Neen, de oorzaak had evengoed een andere kunnen zijn.--Maar toch, 't klinkt op dit oogenblik zeker uit haar mond al zonderling: bedanken!--Mijn obstetrische praktijk schijnt door de omstandigheid bij Sturk nog bovendien een gevoeligen knak te zullen krijgen.
--Bedanken! in mijne omstandigheden....? Een pleegvader die zich misschien reeds heeft voorgenomen om zijn hand voor nu en de toekomst geheel van ons af te trekken. Een woning te bezitten waarvan geen steen ons eigendom is; een huis dat aan zijn bewoners steeds grootere weelde en altijd en altijd meer geld zal vragen. Schulden hier en schulden daar; niet onoverkomelijk, neen, maar slechts aflosbaar bij een toenemen van praktijk en inkomsten.--Bovendien een broeder die gebrek lijdt, en die, ofschoon er hoop op een goede uitkomst bestaat--bij een weigering van den pleegvader, toch maar alleen van den broeder hulp kan verwachten.--En dat huis aan den wal 'twelk reeds tweemaal, doch slechts in zijn geheel is kunnen verhuurd worden, 't blijft nog altijd renteloos, dewijl ik immers mijn woord gaf dat de arme doktersvrouw het niet zou verlaten, en ook, ja, omdat Eva gezegd heeft, geen aptheek in haar nieuwe woning te dulden.....
Zoo denkende treedt Helmond de apotheek binnen.
"Al bezig Thom; dat is goed. Ik kwam Bus tegen, en gaf hem de recepten vast mee.--Je zult gemerkt hebben dat er een vijftal minder is dan waar ik je gisteren op prepareerde.--Boer Dirksens dood, zal collega Biermans voortaan weer wat minder rust gunnen. Nu, de man heeft nog ambitie genoeg, en--een groot gezin. Wat zoek je Thom?"
Thomas, die Helmond bij 't binnenkomen ternauwernood had kunnen groeten, is "op stikken af". Den lessenaar--terzij van de toonbank--heeft hij geopend, en terwijl hij deed alsof hij daarbinnen iets zocht, verborg hij zijn aangezicht voor den blik van zijn meester.
"Wat zoek je toch Thom?" vraagt Helmond nog eens. En dan--dan slaat de lessenaar neer met een slag, en bedekt Thomas zijn gelaat met beide handen, en... Nee, 't is hem onmogelijk! hij kan niet spreken. De keel is hem als toegenepen, en de oogen schieten weer vol tranen.--Och God, hij had het zoo goed gemeend!
Helmond is zijn jongen vriend nabijgekomen, en legt hem de hand op den schouder.
"Nu Thomas, wat is er? Zeg, heb je weer 't een en ander moeten hooren dat je om mijnentwil bedroeft?--Ik zal er je maar ineens doorhelpen mijn jongen, 't Is niet plezierig, zeker; maar zulke zaken komt men te boven. Nu ik zelf hier en daar zooveel overdrevens moest hooren, nu ben ik al meer getroost dan gisteravond. Thom, wat er gebeurd is, het spijt me, maar mijn geweten zegt me dat ik niet willens een patiënt heb verzuimd. In een kleine plaats worden zulke zaken schrikkelijk uitgemeten; in den beginne zal mijn praktijk er een beetje onder lijden, maar dan..."
"Och dokter!" valt Thomas nu bijna schreiende in: "och, als u eens wist hoe ik er kapot van ben; zooveel geschimp en geblaas tegen u, en mede door mijn toedoen, door mijn eigendunkelijk handelen! Och lieve God! ik meende het toch zoo goed!"
"Thomas, wees verstandig; al kan ik niet goedkeuren wat je hebt gedaan; dat je trouw hart het je heeft ingegeven daar ben ik zeker van. Komaan Thom, jij met je prettige natuur, je moest me vandaag wat opfleuren, maar geen gezicht zetten alsof Polen totaal verloren was."
"Och dokter, hoe zal men lachen als men zich zelf zou willen afranselen en op water en brood zetten. U, aan wien ik alles ben verschuldigd, ú heb ik door mijn eigenwijsheid schandelijk benadeeld. Jawel, die Sturk is een wraakzuchtige vent. Wat boer Geurtsen nog zal zwijgen, dat strooit hij uit met een helsch pleizier."
"Ho ho, dat kan toch zooveel niet wezen, 't Was zeker veel beter geweest wanneer ik er aanstonds had kunnen zijn; maar vrouw Spanning heeft niets bedorven, en de ongelukkige afloop dier bevalling was een gevolg van omstandigheden, die geen mensch kon voorzien of verhoeden."
"Hij heeft Biermans gehaald, en deze moet hem hebben toegestemd dat een tijdige en betere hulp haar zeker gered had. O, 't is om te vertwijfelen dokter!"
"Ik geloof niet Thom, dat Biermans dat gezegd heeft."
"Jawel dokter. Juffrouw Sillemond die zooeven hier was, en haar dochter, de vrouw van Winkelaar, kwam afzeggen--zoo'n feeks, alsof een dokter een barbier was!--diezelfde tang had Biermans zelf gesproken, en op haar vragen moet hij met een heel twijfelachtig gezicht de schouders hebben opgehaald."
"Ei, is juffrouw Sillemond haar dochter komen afzeggen ... ei!" zegt Helmond terwijl hij even pijnlijk glimlacht; maar aanstonds vervolgt hij op luchtigen toon: "Ik wou wel eens weten Thom, wat twijfelachtige gezichten zijn. Bovendien, iemand die twijfelt weet niet, en iemand die er nog op den koop toe de schouders bij ophaalt, bekent tweemaal niet te weten.--Zwijg nu hierover Thomas. Gedane zaken nemen geen keer."
"Nee maar die Biermans, die te hard en te schriel was om mij, toen vader al begon te sukkelen, een beetje met m'n Latijn en scheikunde voort te helpen, zoo'n kerel moet ú niet benadeelen door z'n leelijk gezicht tot een beschuldigend vraagteeken te verwerken."
"Bedaar Thomas. Biermans is altijd heel wel met me geweest."
"Ja, omdat u een engel van goedheid bent; maar ik weet wel waardoor zijn broodnijd tot broodwraak is geklommen, al zet hij in uw gezelschap een kermisgezicht. Dat u sedert uw huwelijk, geen avondjes meer bij hem komt doorbrengen omdat mevrouw er geen lust in heeft, dat steekt hem. Mevrouw moet eens aan Pietje zijn oudste dochter heel openhartig hebben gezegd: dat ze den toon bij haar ouders aan huis, sinds haar verblijf in Den Haag, niet best meer verdragen kon. Daar zit 'em de angel dokter: en dan uw mooie huis! ja, wat hij u benadeelen kan, dat zal hij niet laten; en och beste beste dokter, dat ik nu dien plattelandsscharrelaar zulk een venijnig wapen in de hand moest geven!--Och dokter," barst Thom nu werkelijk in tranen los: "Och vergeef me,--al ben ik misschien geen wegschoppen waard."
Een groot uur later waren, inweerwil van Thomas' bewogen gemoedsstemming, de recepten klaargemaakt, en trok Bus er de stad mee in.--Bus kreeg dien dag nog meer te slikken dan al het "bocht" 'twelk ie in z'n mand had. Maar Bus kon zwijgen, en als Bus antwoordde dan zei ie eenvoudig:
"Als Onze Lieve Heer trekt, en dokter trekt, wie zou 'et dan winnen hé?" Maar ook een anderen keer:
"Weet jij wát je doen moet? Laat je eerst door Biermans verknoeien, en als je dan "verknooien" en voor de pieren bent, zeg dan aan vader Abraham: complement van Lange Bus, en dat je 'en gek was!"
Toen Helmond de apotheek wilde verlaten, trad mevrouw Van Hake juist uit haar huiskamer de gang in, en verzocht op zeer beleefden, schijnbaar eenigszins kouden toon: of zij dokter even mocht spreken.
Helmond schrok onwillekeurig, 't Was hem--doch slechts een oogenblik--alsof het weer tikte en klopte in 't hoofd zooals gisteravond en in den nacht. Immers 't is nu reeds bijna een maand dat het kwartaal was verschenen. Neen, men zal hem dáárom niet te spreken vragen, ofschoon het geld hier zeker noodig is, maar uit die achterlijkheid kon men licht gevolgtrekkingen maken die hij graag voorkomen zou.
"Mij spreken, met genoegen!" zegt Helmond.
De weduwe laat den dokter voorgaan, en doet dan de deur der huiskamer zachtjes achter zich toe.
Er was iets bijzonder deftigs, ja schier plechtigs in de wijze waarop de weduwe haar jongeren vriend ontving. Haar kleed van eenvoudig zwart merinos was geheel in harmonie met de uitdrukking van haar gelaat. 't Is te raden dat het haar moeite heeft gekost om tot dit onderhoud te besluiten. Thomas weet waarover het loopen zal. Moeder en zoon hadden het afgesproken; ze waren er onherroepelijk vast toe besloten. Wat er gisteren, wat er in den nacht--mede door Thomas' schuld zooals hij blijft volhouden--in dokters praktijk gebeurde, het heeft de schaal geheel naar die zijde doen overslaan.
Mevrouw Van Hake mag niet langer van zooveel goedheid misbruik maken. Haar wonen in dit huis is een jaarlijksche schade voor Helmond van minstens driehonderd gulden. De weduwe van een Van Hake mag dat niet blijven genieten om Godswil, wanneer zij bijna zeker weet dat haar weldoener zich door wat al te groote toegevendheid, in erger moeielijkheden bevindt dan hij toonen wil. --O, had zij vooruit geweten hoe het tusschen den generaal en zijn pleegzoon stond, ze zou den laatste al vroeger als een moeder hebben gesmeekt, om toch niet toe te geven aan de steeds hoogere eischen van zijn schoone maar nooit tevreden vrouw; ze zou hem gewaarschuwd hebben, om geen huis te koopen waartoe hem de middelen ontbraken, en waardoor hij een reuzentred zou vooruitgaan op het pad, 'twelk hem moest voeren tot jammer en ellende.
--Neen, ze heeft het toen niet geweten. Zij had mede geloofd dat dokter toch inderdaad van zichzelf nog al middelen bezat, meer dan hij gewoonlijk blijken liet. Maar Thom heeft het op De Zonsberg anders vernomen, 't Was toen te laat voor die waarschuwende stem. Doch nu, wat men herstellen kan, dat moet geschieden Mevrouw Van Hake zal haar weldoener als vriendin, als moeder toespreken. Raden zal ze hem--maar met groote bescheidenheid. En dan, ze zal hem haar stellige voornemen meedeelen, om met Thom deze woning te verlaten, dewijl ze vast besloten heeft, in een achterstraat zeer goedkoop een paar tamelijk nette kamers te huren. waarin ze een kleine stramien- en wolzaak beginnen wil.--Muurvast zal ze bovendien weigeren om langer voor Thom een honorarium aan te nemen, 'twelk hij waarschijnlijk nergens in't heele land, en althans niet in een apotheek als deze, ter assistentie van een zelfhandelend dokter, zou kunnen bedingen. Zóó moet men tot een zuivere verhouding komen. De omstandigheden gebieden het.
Ofschoon Thomas weet waarover het gesprek moet loopen, zijne moeder heeft het gepaster gevonden dat hij er niet bij tegenwoordig zou zijn, vooral na hetgeen er dezen nacht gebeurd is.
Maar hoor, nadat de weduwe zich reeds een geruimen tijd met haar vriend heeft onderhouden, gaat de deur der huiskamer weer open, en roept mevrouw Van Hake met een van aandoening trillende stem naar de zij der apotheek:--"Thom! Thom! kom eens hier?"
Thomas spoedt zich zoo snel als hij kan naar de huiskamer.
"Thomas," zegt mevrouw Van Hake terwijl ze gedurig met groote moeite haar aandoening bedwingt: "ik ben tegen onzen trouwsten vriend niet opgewassen. Zeg jij eens jongen, dat we vast, vast besloten hadden...."
"Ja dokter, 't kan niet anders. Moe is er nu overheen. Niewaar moe?--U die tegenwoordig zooveel tot uw last hebt, u mogen wij verder niet bezwaren. Nee dokter, zeker niet!"
Helmond is voor 't uiterlijke kalm. Indien hij niet wat bijzonder bleek had gezien dan zou men zeggen--zooals hij rustig te luisteren zit, en nu nog even wacht alvorens te spreken--dat hij daar poseeren kon voor de type van een krachtig en helderdenkend man:
"Straks Thomas, ben je me haast wat al te nederig en smeekend geweest, maar nu val je weer wat te kras in een anderen toon;" zegt Helmond; en dan met gezag: "En mijn antwoord is: Zoolang Thomas, als je bij mij in betrekking bent, zoolang blijven onze condities onveranderd. Ons contract loopt van jaar tot jaar, ingaande met de maand Mei. Wil je van patroon veranderen, dan waarschuw je mij tegen Februari; of, zie je de gelegenheid schoon om ergens op billijke voorwaarden een apotheek over te nemen--je weet wat ik vroeger aan je vader beloofde--we spreken elkander dan nader. Maar tot zóólang geen oproer alsjeblieft; er is helaas genoeg gehaspel in de wereld."
"Dokter!" valt Thomas in: "op gevaar af dat ik u nog grief op den koop toe: Ziedaar, ik moet het u zeggen: Moe en ik we kunnen, nee we willen het brood om Godswil niet langer eten. We willen van iemand als u, die al werk hebt om zelf rond te komen... ja sinds u een vrouw hebt die..."
Mevrouw Van Hake schrikt van Thomas' woorden, en heft--alsof ze een storm wil bezweren--haar beide handen omhoog.
Helmond is opgestaan. Nu is zijn blik zoo gestreng als men dien zelden of nooit van hem ziet.
"Zwijg Thomas! Niet verder! Als je me waarachtig een hart toedraagt, zooals je nog straks hebt gezegd, en ik altijd geloofde, dan komen zulke woorden niet meer over je lippen. Sinds ik een vrouw heb Thom, ben ik voor alle menschen die ik hoogacht en liefheb, zooals voor je brave moeder en voor een trouwen vriend zooals jij, dezelfde gebleven."
"Och dokter, dokter! Mijn jongen meende dat niet!" smeekt mevrouw Van Hake.
Thomas ziet strak naar den grond, 't Is nu alles verloren. O God! Hij is een ezel, een gek! een ellendeling!
"Uw zoon meent het goed, maar hij dient van u nog te leeren mevrouw, dat men niet alles zeggen kan wat men denkt. Kijk niet meer als een arme zondaar Thom!--Hier is mijn hand. O! je hebt van oom Van Barneveld wat al te veel fraais vernomen; ik begrijp het." Met klem: "Maar ik zeg je, dat diezelfde vrouw mij ten stelligste heeft verboden--ofschoon het natuurlijk ook mij nooit in de gedachte zou gekomen zijn--ik zeg: diezelfde vrouw heeft mij verboden om uw lieve moeder, op welke wijze dan ook, zij het zelfs tegen een ruime vergoeding te bewegen tot het verlaten van eene woning, waaraan zij zoozeer gehecht is. Die vrouw, Thomas..."
"Maar dokter, mijn jongen zegt waarlijk niets tot Eva's nadeel; hij is overtuigd, evenals ik, dat zij het hartelijk meent. Wij hebben er de bewijzen van. Hij bedoelde alleen dat uw huishouding zooveel meer kost tegenwoordig; niewaar Thom? dat u zoo heel veel uitgaven hebt, en dus... Spreek dan Thomas, 't Was goed bedoeld niewaar Thom?"
Van Hake antwoordde niet. Hij stond even strak te kijken, en schimpte onhoorbaar met een bijna schreiende nijdigheid op zich zelven:
"Gek! Eigenwijs!--Leg een slot op je tong. Kuiken! Ondankbaar schepsel!"
"Geef mij de hand Thomas, en leer te zwijgen."
Thom staart nog voor zich heen, maar eensklaps den blonden krullebol opheffend, ziet hij den meester met zijn blauwe--nu droefgetinte oogen zoo wonderlijk aan, en zegt op een toon waarvan een ijzeren hart wel aan 't kloppen moest raken:
"Weet u wat ik op dit oogen blik zou wenschen...? Ik zou willen dokter, dat uw vrouw gerust sliep op 't uiterste randje van een afgrond, en dat er dan een paar tijgers aan den eenen kant en een paar hyena's aan den anderen kant tot een sprong gereed stonden. Zie, en dan wou ik dat ik er eens bij was, met een dolk of revolver in de hand! Sakkerloot! tegen dat wild gespuis zou ik 't willen opnemen voor haar; ik zou..."
Nu speelde er weer een glimlach om Helmonds lippen.--Thom zou het doen: hij meende het, de goede kerel!
"Genoeg!" valt hij in, terwijl hij den vriend nu bewogen de hand schudt: "'t Zou Thomas, een vrij kritiek parquet voor je zijn, en hoe hartelijk 't mag wezen, ik zou er mijn wijfje maar liefst niet aan wagen. Ze moest onder jou heldenstuk eens verschrikt ontwaken en van dien rand naar beneden storten. Ziezoo--je sanglante voorstelling Thom, heeft ons weer een beetje vroolijker gestemd, en daar het al laat wordt, eindig ik ons onderhoud. Hoor eens mijn beste mevrouw, weet het nu wel en voor altijd: nooit zullen deze kamers zoolang als ú leeft--en God spare u lang voor ons allen--nooit zullen ze door iemand anders dan door u en Thomas bewoond worden. Uw zilveren Minerva-beeldje is ons contract geweest."
Thomas, eensklaps door Helmonds woorden tot de zekerheid gekomen dat zijn aangebeden moeder--'t mocht gaan zooals het wilde--levenslang in dit huis zal blijven, voelt een innige blijdschap zijn borst doorstroomen, en terwijl hij toch aan dat grootste bezwaar denkt, valt hij met een hartstochtelijkheid uit die wel eenigszins in strijd was met den raad dien hij ging voordragen:
"Moe zeg, als je hier, hier dan eens een mutsenwinkel gingt doen!"
En ja, nu moest Helmond wel lachen alsof er vooraf niets anders ware voorgevallen.
"Een mutsenwinkel!" herhaalt hij op eenigszins kluchtigen toon.
"'t Is een grandioos idee van je Thom! Nee voor trotsch m'n vrind, hou je me zeker niet, maar zie, eer ik dulden zou dat jouw moeder, de vrouw van dokter Van Hake, hier een mutsen..... Foei foei, we zouden nog waarlijk aan 't lachen raken.--Basta! Ik moet naar huis.--A propos, we hebben nog een klein misverstand uit den weg te ruimen....." Helmond heeft een portefeuille te voorschijn gehaald, maar laat die vallen, en vervolgt onder 't langzaam oprapen: "Men schijnt dus ook hier wel eens te denken dat ik boven mijn financieele krachten ga. Ik geloof dat men zich daarover niet bezorgd hoeft te maken. Tot heden heb ik nog alles kunnen betalen wat ik schuldig was, en voor 't overige..."
"Maar lieve dokter, wij vragen daar immers niet naar. Straks opperde ik alleen het vermoeden....."
"We komen er nu maar niet op terug lieve mevrouw. Hier Thom zijn twee briefjes van honderd gulden, hier.--Honderd en twintig moet je er afhouden voor het verschenen kwartaal. Heb je niet weerom?"
"Ja maar waarachtig dokter, 't is te veel, 't is..."
"Als je me nu boos wilt maken Thomas, volstrekt...? Nu dan: ik verzoek je mij quitantie van de tweehonderd gulden ineens te geven, de overblijvende tachtig schrijf ik op het volgende kwartaal. Ik hoop dat dit je toonen zal dat men de beste vrienden kan zijn zonder elkander juist te taxeeren."
Thomas hoorde beweging in de gang.--Was de straatdeur open gebleven?--Nu, dat gebeurt overdag wel meer. Hij ziet de gang in.--Neen, er was niemand.
Nadat Helmond weinige minuten later vertrokken was, zag hij Kippelaan op eenigen afstand voor het raam van een komenijwinkel staan, waarachter echter niets bezienswaardigs was uitgestald. Tot Helmonds verbazing, heeft Kippelaan zich haastig omgekeerd zoodra hij den dokter bemerkte, en verdween hij om den hoek van een straatje, zoo snel als zijn spillebeenen hem vervoeren konden.--Och die brief, die waarlijk nog ongeopende brief met de drie lakken, hoe brandde hij hem in den zak. Maar hoe hij 't er mee zou aanleggen!? Och goeje hemel, hij wist het niet. Misschien zou 't toch maar het beste zijn om eens eventjes te zien of de inhoud zooveel angsten inderdaad wel waard was.
Toen Helmond Kartenglimps woning voorbijging, zag hij hem juist de deur uitkomen. Eensklaps gevoelde hij weer dat kloppen in 't hoofd toen de majoor hem groetend terzij trad.
De majoor sprak van niemendal. Noch van het gebeurde op die conferentie gisterenmiddag, noch van een der treurige voorvallen die in Romphuizen een paar weken, of langer misschien, het hoofdgesprek zouden uitmaken, geïllustreerd met allerlei zeer belangrijke maar meest tegenstrijdige berichten omtrent dokter Helmond, zijn relaties, zijn fortuin en niet het minst zijne vrouw. Inderdaad, de majoor was zonder eenige rancune; zeer beleefd; gepast beleefd. Helmond gevoelt inderdaad eenig leed, omdat hij dien man misschien niet altijd juist beoordeelt.--'t Is waarschijnlijk nog steeds een gevolg van dien vroeger ontvangen indruk: au fond poltron!--Nu ja, maar voor nummer één mogen oud-militairen toch óók wel respect hebben.
"Salut! plezierige wandeling majoor;" zegt Helmond bij 't afscheid.
"Bonjour... Eh! wat ik zeggen wou! Altijd tot je dienst hoor!" en Kartenglimp maakt een veelbeteekenend knipoogje: "altijd tot je dienst, 't Zal wel terecht komen, als eindelijk de generaal... begrepen!?... Geen complimenten onder vrienden: a 5 percent. Gerust! Adieu!"
Weinige oogenblikken nadat Helmond straks zijn Eva verlaten had, is Kaatje met een groote doos in de Oranje-zaal gekomen, de boodschap er bijvoegende, dat de menheer uit Utrecht er was, met dit--en nog een heelen boel meer.
--Ha! hoe heerlijk trof het dat August nú uit is. Hij vond die dingen zoo licht vervelend. Juist, dit waren najaarsmantels volgens de laatste Gracieuseplaten.--Een fluweelen mantel voor den winter kon ze nu meteen bestellen, en dan--wat trof dat heerlijk--kleinigheden voor Woensdag als men naar de Debecque's zou gaan. --Ja, voor eenige zaakjes in 't belang van 't geheim, daar mag ze ook wel aan denken. O! al ware August zelfs thuis geweest, als ze maar 't eerst van de benoodigdheden voor dat laatste gesproken had, dan zou hij de rest ook wel hebben goedgevonden. 't Was inderdaad zoo'n beste man!
"U zult er dus voor zorgen?--Ja, met kant gegarneerd, eenvoudig maar rijk."
"Zeer goed mevrouw, ik hou me dan maar aan den fluweelen mantel van de gouverneursvrouw, die is bepaald rijk en deftig."
"Goed, in dat genre tenminste.--Overmorgen heb ik m'n jacquette niewaar? We hebben morgen al September."
"We zullen ons best doen mevrouw.--Hoe vindt u dit wit cachemire? Mooi voor sorties!--We maken ze voor al de eerste dames. Heel nieuwe modellen."
Eva beziet de stof.--Haar sortie is nog goed; ja, maar met rood; rood is zoo fameus opzichtig; blauw staat veel liever, veel fijner.
"Zou ie vast stellig Dinsdag kunnen thuis zijn?"
"Als 't noodig was morgenavond mevrouw.--Jawel, uw taille heb ik. Dus met blauw?"
"Maar als ie er Dinsdag niet is, dan krijg j'em terug."
"Voor onze rekening mevrouw."
"Zijn dat foulards?"
"Och, eenvoudige zijden schortjes mevrouw, meer voor burgermenschen."
"Wacht die twee zal ik nemen; de meiden loopen altijd met zulke verschrikkelijke tafellakens."
"Ja mevrouw, wij zeggen altijd: duurkoop, goedkoop; als de dienstboden dat over 't algemeen begrepen dan zouden ze liever wat méér voor hun goed besteden. Maar...!" De man trekt de schouders op.
"Maak jelui ook manskleeren?"
"In alle soorten mevrouw. We hebben zelfs kamerleden."
"Dus maak je livrei?"
"Zeerzeker mevrouw. Woudt u den knecht....?"
"Ja, dat is te zeggen, hij is nu uit; en 't is toch beter dat je daar later met mijnheer over spreekt. Stuur Dinsdag modellen mee van passement, rood met goud. We kunnen knoopen krijgen met.... met ons wapen er op?"
"Dat is te zeggen, als u ze laat maken, zeerzeker mevrouw."
"Goud met een dwarsbalk en een kroon erboven;" zegt Eva zacht, en onwillekeurig vluchtig blozend.
"'t Zal alles volgens mevrouw haar orders geëffectueerd worden."
"Ja maar dáárover dan een volgenden keer.--Denk aan Dinsdag. De sortie in alle geval!"
Terwijl de reiziger straks, op iets gemeenzamer toon, de dienstmaagden binnen de strijkkamer tot de bewondering van zijn goederen en stalen dwingt, doet hij met de verzekering, dat mevrouw het over de dienstboden geheel met hem eens was--namelijk "dat een meid niet beter haar fatsoen en eer kan ophouden dan door zich wat degelijk en netjes te kleeden"--Kaatje besluiten om "dan maar zoo'n fijne lakensche met al die gitten te nemen--wel ja, ze vroeg toch om opslag als ie 'en graaf was,--en Jaantje de keukenmeid, om er nog bovendien zoo'n "tierlantijn in de lendens op te hangen.--Waarom niet; wat maalde Jaantje om 'en riksdaalder; ze zag immers wel dat ze hier voor 't opscheppen waren."
't Was zonderling, zoo aanstonds heeft Eva aan rijtuig en livrei gedacht, en zie--daar staat het nu werkelijk voor de deur. 't Moet van een der buitenplaatsen zijn; een licht gentil rijtuigje, heerlijk!--Hé! zulk een elegant wagentje met zoo'n paar ranke paarden....! Al mettertijd; wie weet! Men moet met August niet alles opeens begeeren.
Een weinig achter de zware meubelgordijn verscholen, kan Eva de persoon zien die de paarden bestuurde, en nu wacht totdat men den knecht die schelde zal hebben opengedaan.--'t Is een jonkman met een zeer gunstig voorkomen, levendige oogen, donkerblonde haren en een zeer langen lichtblonden knevel. Hij is eenvoudig maar smaakvol gekleed.--Eva kent hem niet.
Met een snelle wending is de jonge vrouw naar de deur gegaan, en zegt om den hoek tot Kaatje die ging opendoen:
"Als er iemand is die mijnheer moet spreken, zeg dan dat dokter zoo aanstonds zal thuis komen."
"Bij u binnenlaten mevrouw?"
"Nee, in de groote zaal; en me dan zeggen wie er is."
Eenige oogenblikken later bericht de dienstmeid dat de luitenant Hardenborg, de zoon van den baron van De Poel, gevraagd had of mevrouw niet ontving.
"O! de zoon van menheer Debecque. Verzoek mijnheer hier te komen Kaatje. Als ik schel dan breng je port en fijne glaasjes."
Zeer verdiept in de lectuur van een der prachtwerken, die zij van een kleine tafel heeft genomen, zit Eva in haar fraaien voltaire bij 't raam, nu Archibald Hardenborg binnentreedt.
--Te droes! denkt de jonge luitenant, nu hij door Eva zeer minzaam maar toch eenigszins hoog-elegant wordt verwelkomd: te droes, die dokter mag tevreden zijn. Waarachtig, daar zijn de mooiste Parisiennes niemendal bij. En jawel, voor een dokter woont dat hier in een aardig stulpje! De oud-burgemeester sloeg het deksel van z'n kist stuk, louter van plezier als ie zag hoe prachtig men hier zijn oud foedraal heeft opgeknapt.
"Met schaamte beken ik mevrouw, dat het mij bijzonder lief is u te mogen ontmoeten;" vangt Archibald aan. Hij zet zich op een stoel dien Eva hem aanwees, en vervolgt: "Een onverwacht opgekomen uitstapje naar Parijs, was oorzaak dat ik mijn bezoek--nadat ik u niet thuis mocht vinden--eerst nu hervatten kan. Haastige vrienden hebben geen ooren voor afscheidsvisites. En toch had ik dit vóór ons vertrek, behalve in mijn eigen belang, uit pure dankbaarheid zoo gaarne gedaan, want, zonder de trouwe zorg van dokter Helmond zou ik zeker 't graf van Abélard en Héloïse niet gezien hebben--hetgeen me trouwens zeer zenuwachtig maakte--noch de mooiste vrouw van Europa op één na. Ik dacht dat keizerin Eugénie de mooiste was."
"Ah ja, u hebt een reisje naar Parijs gemaakt. Helmond heeft me dat gezegd..... Lieve stad niewaar?"
"Interessant, fameus! De Notre-Dame, 't Café Riche, de Louvre, Lodewijk XIV op allerlei manieren! De groote Napoleon op de punt van een naald!--Lief!? Jawel bij avond heel veel liefs, maar meest doré au feu. 't Valt minder in mijn smaak."
Eva vond het heerlijk over haar ideaal te kunnen spreken met iemand die er pas geweest was, die er zoo vroolijk over kon praten, en van wien ze mede wist dat hij een degelijk jongmensch was.
"Maar op gevaar af wat indiscreet te worden," zegt Archibald ten laatste, niet zonder een weinigje ironie: "wanneer mevrouw Helmond zich waarlijk zoo sterk gevoelt dat ze wel aanstonds opnieuw dat reisje zou kunnen maken, en dokter, zooals u zegt, gemakkelijk wanneer hij 't wilde een week of drie kon uitbreken, dan--neem mij niet kwalijk--dan is het toch wel hard voor de ongelukkige familie Debecque, om te moeten vernemen dat er bij dokter Helmond en zijn lieve vrouw zoo weinig sympathie voor haar partij bestaat."
Eva bloosde vluchtig terwijl ze glimlachend inviel:
"Maar menheer Hardenborg, wie heeft u dat verteld?"
Er volgde een ophelderende verklaring, die den luitenant volkomen bevredigde. Immers aan zooveel vriendelijks als mijnheer Archibald haar achtereenvolgens heeft gezegd, en voornamelijk over haar lieven man, had zij geen weerstand kunnen bieden.--Nu ja, dat briefje was geschreven op een oogenblik toen Helmond nog al hoofdpijn had, maar als hij wist dat het mede een fête zoowat ter zijner eere was, ja dan waagde zij niet te veel om mede uit zijn naam alvast de zeer beleefde uitnoodiging aan te nemen.
Archibald zegt dat hij nu gerust zijn ontslag uit den Nederlandschen dienst kan nemen, want gelukkiger overwinning dan deze zou er toch nooit te behalen zijn. Mevrouw moest weten dat hij geadviseerd had om de heele Romphuizer noblesse--waarmee hij dan later wel eens perceelswijze kon kennismaken--maar stilletjes thuis te laten en het feest in de doos te doen, wanneer "de bloemen die men voorop dacht te zetten er aan moesten ontbreken."
"Ha! ik zie daar Helmond het marktplein opkomen;" zegt Eva, die juist naar buiten zag dewijl ze vreesde dat de overstelpende zaligheid die haar borst doorstroomde, en waarvoor ze geen naam had, misschien wat al te duidelijk op haar gelaat zou te lezen zijn.--De familie Debecque, de eerste uit den omtrek, gaf een partij aan de noblesse van Romphuizen, maar ze zouden die partij niet laten doorgaan indien dokter Helmond en zijn vrouw daarvoor moesten bedanken!!!
"Ah juist!" zegt Hardenborg: "'t Doet me recht veel plezier dat ik hem eens weer de hand zal mogen drukken; 't is een juweel van een dokter. Natuurlijk, juweelen behooren bij elkaar. Weet u ook mevrouw, wie de snaak is waar dokter nu afscheid van neemt?"
"Dat is de majoor Kartenglimp;" zegt Eva, terwijl ze opstaat en schellen gaat.
"Kartenglimp! Kartenglimp!? Onbekend! Maar een gezicht dat men meer heeft gezien. Hij lijkt wel wat op den beer in De Jagers en het Melkmeisje, of op den wolf in Roodkapje. Wacht," hij haalt een zakboekje te voorschijn: "Jawel, juist, papa heeft niemand vergeten: de majoor Kartenglimp!--Prompt we zullen zijn kennis maken."
"Ha, ha, daar is onze dokter!--Wel hoe gaat het mijn brave clairvoyant. 'k Heb te Parijs alle middagen een extra glaasje op je gezondheid gedronken, en merk dat het je geen kwaad heeft gedaan. Je ziet er best uit, tenminste...."
"O ik ben heel wel luitenant, dankje.--Goed geamuseerd?" zegt Helmond die inmiddels zijn Eva een zoen heeft gegeven.
"Voortreffelijk!" zegt Archibald, en dan: "Nu spijt het me alleen maar mijn brave dokter, dat ik je ook van een minder mooie zij moest leeren kennen. Foei, om mij nu het feest te willen ontnemen dat le bon papa zoo mooi georganiseerd had. Maar 't is mis: Mevrouw heeft me al heelemaal gerust gesteld. Papa krijgt Woensdag de polonaise; dokter Helmond de wals; en je onderdanige, als het niet al te indiscreet is, nummer drie van het programme du bal."
"Ei ei!" zegt Helmond, door den opgewekten toon van den vroolijken luitenant, met zijn open en eerlijk gezicht, weldadig afgeleid: "Ei zoo, is dat alles in dien korten tijd al zoo vast bepaald?"
"Menheer Hardenborg anticipeert wel een beetje op onze dans plannen;" zegt Eva lachend: "Maar wat de partij betreft, ik wist immers dat je het goedvondt August, 't Was bezorgdheid voor mij, zooals ik u zeide menheer Hardenborg, en Helmond had ook wat hoofdpijn. Maar nu, niewaar lieve man, nu zijn we heel wel, en de lust ontbrak mij zeker niet."
"En mijn stelling is zeker zeer weinig gewaagd," zegt de luitenant: "dat een wensch van mevrouw Helmond, een wet voor haar man is?"
Helmond beviel de wending van het gesprek niet bijzonder. Ofschoon hij Hardenborg kende, en na alles wat hij van hem vernemen mocht, zich overtuigd hield dat hij een brave edele jongen was, zoo speet het hem toch dat een aangeboren courtoisie, waarschijnlijk geprikkeld door Eva's schoonheid, hem deed voortgaan met Eva's zwakke zij te streelen. Ongetwijfeld moest zij den jongen Hardenborg reeds een hoog denkbeeld van hun fortuin hebben doen opvatten, althans op luchtigen toon--zonder te vermoeden dat hij hier olie in het vuur wierp--ging Archibald voort om naar aanleiding van zijn laatste uitstapje, of als een gevolg van het gesprek over zijn nette equipage, die nog voor de deur wachtte, ten behoeve van de schoone doktersvrouw op Helmonds schuldenlijst te stellen: een toertje naar Parijs nog vóór den winter, en dan, een paar makkelijke lieve rijtuigen met een flink span mooie schimmels.
August had weer hoofdpijn toen de vroolijke prater--met de zekerheid dat Helmond en zijn prachtig vrouwtje het feest zouden bijwonen--in gestrekten draf het marktplein over en naar huis reed.
Eva vond het waarlijk een alleraardigst mensch, en August moest nu ineens niet zoo ijselijk ernstig kijken. Immers dat reisje, ze denkt er niet aan; nee, ze vindt het nu al heel prettig dat men Woensdag het feest op De Poel zal bijwonen. En dan, ja.... Helmond moet dat nu maar goedvinden.... een grandiose partij op haar jaardag moeten ze geven, een afdoener ineens.--Nee, anders niets!... Als Bus--of een betere huisknecht, nu maar eerst zoo'n eenvoudig livreipak heeft niewaar, vóór de partij, dan praten ze ná den jaardag samen wel eens heel ampeltjes over dat idee van Hardenborg.
"Idee van Hardenborg?"
"Nu, je weet wel....?" En, ijlend naar de piano, brengt ze na een krachtig accoord, eensklaps haar helder geluid tot de hooge Gis en zingt:
"Vooruit postiljon, met uw brieschend gespan; "Laat schallen den hoorn; "Doe spannen den reep Door de klappende zweep; "En voer me in het dons van den zachten karos, "Langs heuvel en bosch, "Naar 't heil van mijn leven: "Den lieven man!"
En zie, terwijl zij nu een oogenblik later naar hem terugsnelt, en den dierbare met haar armen omstrengelt, ja, waarlijk, nu glimlacht ook Helmond weder; nu glimlachte ook hij, de lieve, de beste, de gulle vriend.
NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Mevrouw Armelo was woedend--letterlijk woedend. Zoo'n onverzettelijk hoofd als tegenwoordig die man had, daar was geen denkbeeld van te maken. Bedanken voor zoo'n partij! voor een partij bij den baron Debecque van De Poel. Letterlijk de heele beau-monde van Romphuizen en omstreken was genoodigd, en daaronder natuurlijk ook de familie Van Armeloo: zelfs Louise, "mademoiselle Louise" jawel. En dan te bedanken! Waarom?--Goeje hemel! "Omdat men eens en vooral van conversatie, van zulke conversatie heeft afgezien"! Een mooie grap! als het een partij is die louter voor je eigen vleeschelijken zoon en dochter wordt gegeven--zooals Eva zelve heeft gezegd!--"Omdat men zulke menschen niet weerom kan vragen"!--Maar hemelsche goedheid, waarom niet!--Zal het dan noodig zijn om juist op dezelfde manier uit te halen? Kan men niet eens eenvoudig een avondje geven: tong, saucis, komijne, zoetemelksche en een taart....? "Te veel kosten"!--Nu ja, dat diner in De Arend daar is ook wat tegen geprutteld; maar was er dan iemand die daarvan nog een cent te pretendeeren had?--"Geen kleeren? De uniformrok?"--Mevrouw kan niet alles zeggen zonder spreken; maar als Eva binnenkort, ondanks papa's tegenwerken, zorgt de stukken van adeldom in haar bezit te krijgen, en alles bewezen is, dan zal manlief tóch wel aan een zwart pak moeten gelooven. Nota bene, een graaf zonder een zwart pak!--Maar nu, 't was hemeltergend. En daar stond je dan als vrouw letterlijk als een kind, als een niets! 't Was om razend te worden.--Toen de graaf--enfin Armelo--het antwoord aan den knecht heeft gegeven: dat men zeer vriendelijk voor de beleefde uitnoodiging liet bedanken, toen heeft zij wel gezegd, dat mijnheer zich vergiste, want dat hij aannemen meende; maar de graaf--enfin Armelo--heeft als een gek volgehouden dat hij zeer goed wist wat hij zeide, en was de knecht--terwijl haar letterlijk de vingers hebben gejeukt--half lachend heengegaan, natuurlijk lachend om de zotheid dat men voor zóó iets bedankte.--Wát geld! had haar eigen zoon geen geld als water! Dat zei niet slechts Eva maar iedereen!--Mevrouw Armelo is woedend. Geen wonder: heel Romphuizen is in beweging; alles kleedt zich voor van avond; en.... Ouwe tuinboonen zal ie straks hebben; bij vergissing met het boonenkruid er onder; dat lust ie volstrekt niet.
"Wat wil jij Van Hake? Moet jij bijgeval ook naar de partij?"
"Nee mevrouw; daar behoor ik niet; tenminste...."
"Natuurlijk; ik wist ook wel beter. Wat wou je?"
"Och mevrouw, onder ons gezegd, ik heb een kleine bestelling voor juffrouw Louise, maar 't moet dood dood geheim blijven, en daarom wou ik haar graag heel alleen spreken."
"Is 't weer in dien tijd! Je weet wel Van Hake, dat wij geen menschen zijn die tegenwoordig voor Jan en alleman zoo maar klaar staan."
"Ja mevrouw, dat weet ik heel best, maar 't is iets, enfin. Mevrouw Helmond is gauw jarig, niewaar? We hadden zoo'n idee. Eventjes mevrouw. Is Louise achter?"
"Ja, achter is ze zeker; want of ze het doet om me te plagen, maar dat zit letterlijk den heelen dag met den neus op haar naald.--Zeg, heb jelui plan op een comedie misschien?"
"We wilden het liever dan een treurspel!" zegt Thomas snel. Daarop vliegt hij naar het kamertje waar hij Louise vindt; en, als hij haar heeft gegroet, dan legt hij zijn vinger op den mond, en draait de deur op het slot.
Thomas Van Hake gevoelt zelf iets vreemds nu hij in dit kleine kamertje, zoo maar zonder verlof is binnengetreden, en, na de deur te hebben gesloten, tegenover de blonde voormalige schoolkameraad staat die hem met haar groote blauwe oogen vragend aanziet, terwijl een blos haar vriendlijk gezichtje heeft gekleurd.
Thom heeft nooit gezien dat Louise zulke mooie oogen had.... Nú schijnt het echter alsof ze wat veel heeft gewerkt of--geschreid.
"Ja Louise, dat is vrij brutaal om zoo maar binnen te komen en de deur op 't slot te doen."
"Zeker, wat moet dat beduiden Thomas?"
"Ik wou je alleen spreken."
"Maar dan kan die deur toch wel open blijven?"
"Nee Louise, nee! Ik wil zeker zijn dat niemand ons overvalt. Er is haast bij 'tgeen ik te zeggen heb."
"Is er iets kwaads Thomas? Je doet me schrikken!"
"Kwaad--nee, tenminste niets om van te schrikken.--Maar toch.... luister nu even, en laat die naald eens rusten."
"Ja Thomas, maar ik kan wel hooren en werken tegelijk, want deze sortie heeft ook haast; ze moet over een half uur klaar wezen. Ik maak die voor mevrouw Lens--natuurlijk in 't geheim, je weet wel--zij moet er mee naar De Poel."
"Maar dat is God geklaagd!" roept Thomas op gedempten toon: "Jij zit hier je oogen rood te turen, en je zuster...."
"Stil Thomas, stil, niet over háár. Misschien geniet ik zelfs meer dan Eva, terwijl ik hier rustig zit te werken en zij haar zorgen heeft voor haar toilet."
"Louise, ik kwam hier om je te verzoeken aanstonds naar je zuster te gaan."
"Ik Thomas? Zal ik haar moeten helpen; voor asschepoester spelen misschien? Nee Thom, dat meen je niet."
"Zeker meen ik dat niet.--Je moet haar bewegen niet naar De Poel te gaan. Het mag, het kan niet. Dáárom Louise kwam ik hier."
"Mag Eva niet naar dat feest gaan? En waarom niet?"
"Luister," zegt Thomas; en in weinige oogenblikken heeft hij aan het meisje den hoofdinhoud zijner vermoedens en bezwaren meegedeeld. Neen, alles kon hij haar niet zeggen, maar zijn moeder en hij, ze hadden nu de vaste overtuiging dat dokter werd gekweld door zorgen, die hij uit overgroote liefde voor zijn vrouw te verbergen zocht. Ja, vooral dezen middag was het gebleken dat dokter in een zeer gedrukte stemming verkeerde.
Sedert eenige dagen gebeurde het dikwijls dat dokter na het verrichten van eenige bezigheden in de apotheek nog eens in een der kamers van het oude, nu ontmeubelde huis ging, om er eenige oogenblikken te vertoeven, zonder dat Thomas begreep wat hij er eigenlijk deed. Dezen morgen nu, had Thom eensklaps in de voormalige huiskamer naast de apotheek, een slag gehoord alsof er iets van boven neerviel.
"Nee, 't was zoo erg niet;" valt Thomas zich zelven in de rede toen hij het meisje verbleeken zag: "Ik loop naar de deur," vervolgt nij: "en onwillekeurig luisterend, hoor ik nu nogmaals dien slag doch met de woorden er bij: "Dwaas! waarom gezwegen!" Ik begreep nu dat dokter met den voet op den grond had gestampt zonder aan mijn nabijheid te denken. Of ik goed deed of niet.... zonder beraad opende ik de deur, en vroeg of dokter mij riep.--Vreemd, ik zou zeggen met een bijna angstigen blik zag hij mij aan; maar spoedig zich herstellend, zeide hij, dat hij in 't geheel niet geroepen en ook niets noodig had. Maar, vermoedelijk toch vreezend dat ik het woord had verstaan, 'twelk hem in de eenzaamheid was ontvallen, achtte hij het raadzaam om eenigszins in dienzelfden toon te blijven, en, in de apotheek terugkomende, hernam hij: "'t Is me hinderlijk Thom, dat ik van middag naar die partij moet. 't Gebabbel over Dirksen mag wat verminderen, maar de gevolgen zijn toch grooter dan we ons in 't eerst hadden voorgesteld. Er kon wéér zoo iets gebeuren. En dan...."--"Wat is er nog meer dat u bezwaart?" vroeg ik met belangstelling. Toen Louise, vernam ik dat dokter een paar uur geleden Hendrik van De Zonsberg ontmoet had. De oude generaal die met de juffrouw eergisteren van De Godesberg was teruggekeerd moest niet heel wel zijn. Hendrik was naar den notaris geweest om hem te verzoeken nog dezen avond bij den ouden heer te komen. Ik kon dus wel begrijpen, zei dokter, dat hij geen trek had om nu naar een partij te gaan."
"De generaal ziek!" valt Louise in: "Nee dan is het wel te begrijpen. Is hij er niet aanstonds naar toe gegaan?"
"Och Louise, dat is nu het groote punt in quaestie. De generaal zegt kort en goed, dat je zuster--mevrouw Helmond--de tering niet naar de nering zet, en wanneer dokter haar daarin blijft stijven, dat hij dan niets meer van hem weten wil.--Je moet er niet van praten Louise, maar zieje, dát is de zaak. En nu zul je 't begrijpen, hoe ik om dien besten dokter in angst zit. Zelf niet heel fiksch tegenwoordig,--nee, recht gezond is hij niet--onder den druk zijner belasterde praktijk; in zorg over de gezondheid van dien geliefden pleegvader, die hem echter niet wil ontvangen; zeer zachtjes; in zorg misschien ook over die boodschap aan den notaris; ja wie weet als de oude heer zijn testament eens ten nadeele van dokter veranderen liet....!"
"Zou dat mogelijk zijn? Maar dán nog.... Eva zegt altijd...."
"Dat dokter rijk is niewaar?" valt Thomas fluisterend in: "Nee Louise, uit te ver gedreven liefde, uit valsche schaamte heeft hij háár, en uit onbaatzuchtige vriendschap heeft hij moeder en mij in den waan gebracht dat hij van zich zelven middelen bezat. Maar ik weet 't beter! Onder de tegenstrijdige praatjes, die er in den laatsten tijd zoo veelvuldig over mijn weldoener liepen, behoorde ook de verdenking dat hij bij notaris Zoutenheer diep in de schuld zit, ja zelfs dat andere personen hem gewillig met eenige duizenden hebben bijgesprongen."
"Heb ik het niet gedacht!" zegt Louise, en dan: "En jij Thom, geloof jij dat ook?"
"Ja, en 't is daarom voornamelijk dat ik hier kom. Ik geloof, ik weet bijna zeker Louise, dat mijn brave vriend in de schromelijkste moeielijkheden zit. Spaar me de bewijzen. Maar geloof me, naar mijn innige overtuiging zou je aan dokter en zijn vrouw de grootste weldaad bewijzen, indien je ze bewegen kondt om van avond niet naar De Poel te gaan maar wel naar De Zonsberg. En jij Louise"--hij vat in zijn gejaagden ijver de rappe hand van het meisje: "jij zult wel weten hoe je het aanleggen moet; je zult je zuster alles aan 't verstand kunnen brengen. Paai haar desnoods met een rijke erfenis van den generaal, als je om Godswil mijn besten dokter maar helpt redden. Och lieve Louise, ik zou je eeuwig erkentelijk zijn."
't Was getooverd, maar zelfs onder dit gesprek door heeft Louise de laatste hand aan haar sortie kunnen leggen.
"Ei zoo, heb jelui de rollen al verdeeld?" vraagt mevrouw Armelo, die Louise straks met haar simpel stroohoedje op, en een pakje onder de eenvoudige mantille verborgen, aan de zij van Thomas de woning ziet verlaten: "Moeten er nog meer in den arm worden genomen? Als jelui verlegen bent, je zoudt voor mij op een rol kunnen rekenen."
"Misschien de mère noble Duègne!" roept Thomas.--Mevrouw begreep het niet recht:
"Best, bestig, ik hou me daaraan!"
August en Eva hebben vroeg en zeer vluchtig gegeten, want Helmond had nog 't een en ander te doen,--waardoor hij zeker weer zoo afgetrokken is geweest, denkt Eva--en Eva zelve moest alles nazien wat haar zooeven uit Utrecht is bezorgd, om zich daarna te kleeden, 't geen ze niet graag zoo overhaast doet.
"Zei je iets August?"
"'t Kwam me voor dat je wat bleek zag Eva. Mij dunkt beter ten halve gekeerd dan....."
Eva met groote verbazing: "Ten halve gekeerd....? Je bedoelt toch niet om par exempel nog thuis te blijven? Nee maar lieve beste papa'tje in spe, nu moet ik toch heusch om je lachen. Wou je me thuis laten?"
"Ik ben waarlijk bang dat je je te veel zult vermoeien. 't Is eigenlijk een dolle geschiedenis."
"Een dolle geschiedenis!? Maar die jij hebt goedgevonden."
"Ik....? Nee! nee Eva, goedgevonden heb ik het niet."
"August, als je nu in ernst wilt dat de partij me geen kwaad zal doen, agiteer me dan niet vooraf.--Je bent een beste man, maar je hebt iets dat niet goed is.--Kijk nu niet boos, 't is zoo heel erg niet: je bent wat zwaartillend. Stil, ik weet wel dat het nu allemaal hartelijkheid is, en zorg voor ons popje meteen; maar men moet niet overdrijven. In den beginne toen we zoo zuinigjes, zoo doodeenvoudig moesten leven--in een hondenhokje--omdat men volstrekt geen middelen had, toen kon mijn goede man niet van het burgemeestershuis hooren of er rezen bergen van bezwaren; en,--nu men bewezen heeft dat men zeer goed over dat alles kan heenkomen, nu...."
"Eva, je spreekt altijd weer alsof ik over schatten te beschikken had, terwijl .... ja waarachtig, terwijl..."
"In 's-hemelsnaam August, begin nu niet weer van voren afaan. Ik vergeet niet zoo licht wat je mij eens hebt gezegd. Waarlijk op dat punt ben ik heel gerust, en, als er toch weer gezwaarmutst wordt, dan denk ik: dat zal wel slijten mettertijd. Maar manlief, je moet dat nu niet op een ander terrein overbrengen. Dat je zorg voor me hebt, dat doet me recht veel plezier, maar getob .... nee! eerst niet goedvinden, dan wel goedvinden, dan weer: we moesten nu tóch maar thuisblijven.... Hoor eens Evertje Zwaarhoofd, we gaan nu van avond dol prettigjes naar de Debecque's en dan zal ik stellig niet te veel dansen, en dan pruttel jij niet meer en je kijkt me niet zoo zwart, baasje, maar je geeft me nu een fermen zoen.--Ziezoo!"
Nu Eva zich snel heeft verwijderd, valt Helmond als geknakt, in een der zachte voltaires neer. Hij gevoelt wel dat hij in kracht--in zedelijke kracht vooral--sinds zijn huwelijk is achteruitgegaan.--Hij durft niet meer. In den aanvang was hij op den goeden weg. Te Parijs heeft hij getoond dat hij als man kon handelen, zelfs tegenover die aangebeden, zoo schoone als talentvolle vrouw.--Maar toen gold het zijn plicht als dokter; zijn plicht jegens een weldoener en geliefde pleegzuster. In zulk een geval zou hij immers ook nu nog krachtig zijn, indien Eva anders wilde dan hij.--Evert Zwaarhoofd! Ha, misschien heeft zij toch een beetje gelijk. Is die toekomst dan werkelijk zoo duister? Is een schuld van eenige duizenden guldens dan een onoverkomelijke....? De praktijk zal zich wel spoedig herstellen: en dan .... in de toekomst: Oom Van Barneveld!.... Helaas! ja, oom Van Barneveld!
--Maar 't is waar, een groote reden van bezorgdheid om nu feest te gaan vieren, is juist het bericht dat de generaal niet heel wel is.
Ofschoon oom al twee dagen terug was, August heeft geen poging gedaan om nog eens te beproeven of een afwezigheid van zoo vele weken ook gunstig heeft gewerkt. Hij heeft er zeer tegen opgezien, en kon er niet toe besluiten alvorens hij eenig antwoord op zijn brief aan Jacoba zou hebben ontvangen; immers hij vermoedt dat een verbod om hem te schrijven oorzaak van haar stilzwijgen is.--Maar ja, indien hij had geweten dat zijn pleegvader ziek was....!
't Is zonderling! Nu hij dan toch naar De Zonsberg zou willen gaan, om--na dat treurig bericht--dien ouden man te ontmoeten, en, of hij wilde of niet, de hand te drukken totdat hem de tranen in de oogen zouden springen, nu staat hij alweder voor een genot, 'twelk hij Eva er voor zou moeten ontnemen.
--Maar ook, de generaal heeft immers niets van zich doen hooren; men vernam toevallig dat hij terug en een weinig ongesteld was. 't Zal zoo erg niet wezen. Door niet naar De Poel te gaan, stuurde men bovendien het heele feest in de war; ja zelfs als Eva alleen ging. En, alleen te gaan; nee, dat zou haar zeker niet bevallen. Enfin! morgen dan naar De Zonsberg, morgen!
"Mevrouw," zegt Kaatje terwijl ze Eva's vriendelijk en keurig gemeubileerd boudoir is binnengetreden: "mevrouw, daar is de juffrouw van den kapitein: uw zuster zal ik maar zeggen."
"Hé, wat wil die?--Laat maar wachten in de zaal Kaatje."
Neen, wachten kon Louise niet. Zij klopt aan de deur van Eva's boudoir.
"Binnen!--Hé, kom je tóch boven Louise? Wat heb je kindlief? Is er onraad dat je zoo'n haast maakt? Je ziet me hierin een ergen boel; maar dat kleeden voor een partij waarop men zoowat de eerste zal zijn, is nog al lastig, tenminste zonder kamenier. Hé, zie jij eens eventjes, valt die berthe van achteren goed? Ja, in zoover kom je me heel van pas zusjelief. Hangt ze goed? Mooie blauwe japon niewaar? Nog uit Parijs meegebracht, vin jij 'em te laag? Maar wat heb je anders aan een tamelijk mooien hals niewaar? Men kan letterlijk niets zien met zoo'n kleinen spiegel."
"Eva, ik zou je heel graag helpen, maar liever om je weer uit te kleeden dan je verder toilet te helpen maken."
"Watblief?" zegt Eva verrast.
"Je weet Eva-lief, dat ik je niet te veel met mijn visites lastig val, sedert ik zeer tegen je zin blijf werken zooals ik meen dat mijn plicht is...."
"Lieve schepsel, kom me nu niet met de opsomming van al je verdiensten in de war brengen. Je bent een zeer handig meisje, dat weten we wel.--Nu kindlief, al dadelijk die waterlanders, foei! Ik zeg het niet uit boosheid. We waardeeren je immers en...."
"Och dat is niet noodig, volstrekt niet;" zegt Louise half schreiend; en dan zich spoedig herstellend: "Wij hebben ieder onzen eigen weg Eva, en ik bedoelde alleen dat ik niet zonder toestemming hier op je mooie kamer zou gekomen zijn als ik er geen reden voor had."
"Komaan kindlief, wat heb je dan, zeg?"
"Eva, je moet niet naar die partij gaan."
Eva houdt nú eens een witte camelia en dan een takje zeer fijne vergeet-mij-nietjes tegen haar prachtig zwart glanzend haar.
"Ei, niet! En waarom nie.... te.... Louise?"
"Omdat.... omdat je man, de goede dokter er ziek van zal worden."
"Och kom! Hé, hoe weet jij dat zoo, beste kind?--Och kijk nu eens heel eventjes, wat vin je mooier? Deze witte niewaar?"
"Eva, je denkt dat het geen ernst is...."
"O volstrekt niet; nee dat denk ik in 't geheel niet. Als jij me nu even zegt wat je mooier vindt, wit of blauw, dan zal ik je zeggen hoe het komt dat ik aanstonds alles begrijp, en me toch kalm kan blijven kleeden. Wit hé?--Nu dan: Dokter heeft een visite bij pa gemaakt, en gezegd dat hij geen plezier in het feest had, omdat ie bang was dat ik me wat te veel vermoeien zou. Zie, dat zijn nu zulke kleine zaakjes daar zusje nog niet van weten mag.--Zeg, heb ik 't mis?--Och geef eens even dat diamantdoosje aan. Nog uit Parijs meegebracht."
"Eva, je laat me niet uitspreken en hebt misgeraden bovendien. Lieve zuster, luister nu even: Er is waarlijk geen gekscheren mee.--Och laat die bloemen en diamanten een oogenblik rusten en hoor wat ik je ernstig zeggen wil."
Met een wel wat gemaakte belangstelling luistert Eva nu naar de zuster die de tolk is van de zorgen, waardoor de goede Thomas ten behoeve van den dierbaren meester werd gekweld.
Een betere keus, meende Thom, had hij niet kunnen doen. Louise zou met kalmte en verstand haar zuster op de hoogte van den wezenlijken toestand van zaken brengen. Een andere weg was er niet. Dokter scheen verblind te zijn, en--maar Thomas zou dit aan niemand, neen zelfs niet aan zijn moeder durven toevertrouwen--de arme man moest reeds in groote ongelegenheid verkeeren, ja waarschijnlijk had hij reeds de eerste schrede op een zeer gevaarlijken weg gezet! Immers, toen Thomas eenige dagen, nadat hij de beide bankbriefjes van Helmond had ontvangen, er een van wilde uitgeven, toen heeft het zijn aandacht getroffen, dat het dezelfde nummers waren, die hij kort te voren aan Helmond had gebracht, als zijnde de opbrengst der laatste lijst ten behoeve van Doneries monument.--Ja, ook de stempels van eenige firma's aan de achterzij, hebben hem overtuigd dat het dezelfde briefjes waren, die Helmond in een la van zijn schrijftafel had geborgen, met de woorden: "Ziezoo, dat ligt daar rustig totdat het monument zal zijn afgeleverd."--Van Hake zou vroeger misschien al spoedig tot het besluit zijn gekomen, dat dokter die briefjes voor specie of wel tegen ander bankpapier had ingewisseld, doch nú, sedert de ervaringen der laatste dagen, moest hij het ergste vreezen. Reeds tot drie malen toe heeft dokter het geldbakje uit de toonbanklade in zijn porte-monnaie geledigd met de opmerking, dat hij tegenwoordig telkens gebrek aan klein geld had, terwijl hij dezen morgen met een zonderlinge ongedwongenheid Thomas om vijf enkele guldens heeft gevraagd, "aangezien hij thuis niet anders dan groot bankpapier had, en men de meiden moeielijk om te wisselen kon uitzenden, dewijl mevrouw ze niet goed missen kon."
Thomas Van Hake gelooft dat hij wel een groote domoor zou moeten zijn, als hij mis heeft gezien; en vurig hoopt hij dat Louises gang naar het doktershuis gezegend zal wezen.
"Zoo, is dát nu de zaak Louisje-lief?" zegt Eva met kwalijk bedekten spijt: "Meenen sommige menschen dat ik den goeden dokter aanzet om hooger te vliegen dan wij kunnen--ik gebruik je eigen woorden, je hoort het.--Weet je wat? doe jij dan lieve kind, het compliment aan die menschen terug, en zeg hun dat Eva Helmond verstandig genoeg is om te weten wát haar convenieert; maar vooral ook: dat de allerknapste en allerverstandigste man uit dit heele babbelnesterige Romphuizen, zeker wel weten zal wát hij doen en wát hij laten moet."
"Maar Eva, 't is immers toch mogelijk dat Helmond om je genoegen te doen, niet alles zegt; en dewijl hij--zooals je zelve bekend hebt--telkens bezwaren heeft, inderdaad veel meer uitgeeft dan hij in redelijkheid zou mogen en kunnen."
"Nee kind, dat is niet mogelijk. Een jong meisje zooals jij, die zoowat niets van de wereld heeft gezien,--nee 't is je schuld niet, maar zoo iemand meet alles naar zich zelve af. Een man zooals de dokter, is geen Louise Armelo. Wat zulk een man zegt, dat is zoo, en wat hij doet dat moet men in Romphuizen niet blieven te bevitten of.... te misgunnen, voilà le mot! Ik zeg dat niet op jou, kind.--Maar brisons!--Wie heeft je met al die wijsheid hierheen gezonden?"
"Eva dat doet er niet toe. Maar als--ik zeg als het nu eens waar was, en Helmond reeds diep in de schulden zat, hoe zou hij er uit kunnen raken? Ik zeg: gesteld eens!"
"Och kind, je verveelt me. Is dit een moment voor al dat gebeuzel!"
"Eva, ik vraag je: wie zou in zulk een geval de eenige zijn van wien hij hulp zou kunnen verwachten?--Van wien anders dan van zijn pleegvader? En--die pleegvader is ziek teruggekomen.--Bij de verwijdering die er tusschen ulieden moet bestaan--terwijl je die ongesteldheid had moeten aangrijpen om je te verzoenen door een spoedig en hartelijk bezoek,--zal de generaal nu straks vernemen dat gijlieden, op 't prachtigst uitgedost, De Zonsberg voorbijrijdt zonder je om hem te bekreunen, terwijl je op De Poel een vroolijke partij gaat bijwonen."
"Waarlijk, ik maak je mijn compliment! Dat is in ons belang allerliefst door je berekend Louise. Je hebt een speculatieven geest. Uit vrees voor een mogelijke onterving, moeten we bij dat oude potstuk gaan opzitten en pootjes geven niewaar? Weet je wat die generaal is? Die man is een trotsch, een onverdraaglijk hoogmoedig despoot. Wil je weten wat ik hoop kind? Ik hoop dat menheer de generaal--die mij schandelijk durfde beleedigen en blijft beleedigen --dat hij zich straks zóó wel gevoelt dat hij, zonder vrees voor instorten--je ziet ik wensch den man van harte beterschap--enfin, zóó wel, dat hij voor 't open raam aan den straatweg zal kunnen zitten om ons "zoo prachtig uitgedost" eens ter dege te kunnen opnemen, wanneer we hem in de mooie open fourgon uit De Gouden Arend, triomfantelijk voorbijrijden!"
Louise moet het uiterste wagen:
"Eva, als ik nu eens zeker, eens heel zeker wist dat je Helmond op dit oogenblik met niets gelukkiger zoudt kunnen maken dan met het besluit, om, inplaats van naar De Poel, met hem naar De Zonsberg te gaan...."
"Zeg eens, zeer belangstellend zusje, ben je ook soms een heel klein beetje jaloersch dat Louise Armelo niet, en Eva Helmond wél naar dat feest gaat? Maar stel je gerust, tegen mijn jaardag kindlief, zullen we het hier eens heldertjes overdoen, en, al bedanken papa en mama dan óók weer uit een bespottelijke mesquinerie, we zullen zorgen dat jij er bij komt. Met mijn zijden ruit--nog van Den Haag--zul je een heele parade maken. Men denk er dan aan zusje: naaistertjes ja zelfs naaistertjes in het geheim, ze wonen op den duur geen feesten bij in den hoogeren stand."
Louise was te vol, zij kon niet meer spreken. Zij moest het wel opgeven Eva tot betere gedachten te brengen.--En dan, telkens gegriefd te worden! O het deed haar zoo zeer. Maar toch, het antwoord op Eva's laatste woorden, 'twelk zoo voor de hand lag, zij mocht het alleen onhoorbaar uitspreken: "Maar, naaistertjes in het geheim, ze mogen wel vijftig zuur verdiende guldens betalen aan een huwelijksdiner, voor een zuster uit den hoogeren stand!"
DERTIGSTE HOOFDSTUK.
't Was inderdaad een prachtig feest, 'twelk de Debecque's ter eere van hun in het moederland teruggekeerden zoon Archibald gaven, en waarvan die zoon de eer--zooals reeds vernomen werd--recht hoffelijk op dokter Helmond en zijn vrouw heeft overgedragen.
Van halfzes tot zes uren ongeveer, hebben de koetsen aanhoudend gerold. Voor 't meerendeel in gala-costuum, zijn de gasten in een der ruime benedensalons ontvangen. Nadat de genoodigden, op een paar heeren na, voltallig waren, werd men beleefdelijk verzocht zich mee naar buiten, naar "de groene kamer" te begeven.
De groene kamer was een groote rotonde, onder zwaar eiken- en beukenhout, tusschen de stammen dichtgegroeid met acacia- kamperfoelie en jasmijnstruiken, zoodat men binnen die rotonde--waarheen een klein slingerpad leidde--geheel in 't groen, en onbespied zat. Een aantal gemakkelijke tuinbanken--voor deze gelegenheid alle met kussens bedekt--stonden meerendeels in 't ronde der groene kamer, terwijl aan de eene zijde een groote tafel was geplaatst, waarop zich een menigte benoodigdheden van porselein en zilver bevond, zoowel voor de thee, die hier zal gebruikt worden, als voor de vele versnaperingen die er mede gereed staan. Echte havanna's en manilla's ontbreken er mede niet, en--"'t Is zeker een groot voorrecht om in zulk een groene kamer thee te drinken," zegt Archibald terwijl hij den heeren een sigaar presenteert: "want juffrouw Natuur heeft hier behoorlijk voor ventilatie gezorgd."
Niemand, die de schaar der gasten opmerkzaam beschouwt zal, durven ontkennen dat mevrouw Helmond, zoo niet de jongste dan toch zeker de schoonste is van de vele oudere en jonge dames, die de groene kamer binnen haar suizende en geurende wanden vereenigd ziet. Eva is niet ijdel op haar schoonheid--althans ze gelooft niet dat ze dááraan ooit voedsel heeft gegeven; maar nu, in haar prachtig blauw damastzijden kleed, met de witte camelia in de haren; de witte kanten berthe langs de blanke schouders waarover de zwarte lokken wiegen; zonder eenig ander versiersel dan het stel kleine diamanten, 'twelk August haar te Parijs had gekocht; zooals zij daar zit, naast mevrouw de gravin Van Leeuwen die zeer besproeteld en tamelijk corpulent is, en naast de burgemeestersvrouw die vijf en veertig jaren telt; nu zij, schuin tegen haar over, de schichtige gastvrouw ziet, met een heel mooie muts op de peper-en-zoutkleurige boucles, en twee geagiteerde kleurtjes op de wangen; nu zij daar, overal verspreid, de leden van haar sekse opmerkt, in 't rood en 't wit, in 't havanna en korenblauw, in 't neteldoek en barège--nu ze eindelijk opstaat omdat ze een paar heeren die haar in beslag hadden genomen, wel kwijt wil wezen, en zegt dat ze mevrouw Debecque eens even wil toespreken ja--nu zij, gracelijk knikkend, de gedesoeuvreerde aansprekers voorbijgaande, in haar ruischend kleed de rotonde, ten aanschouwe van zoo velen, doorschrijdt, nu gevoelt Eva iets vorstelijks, iets 'twelk haar het hoofd wat fierder doet opheffen, en glimlachen.... enfin zooals een geboren gravin Van Armeloo zou hebben geglimlacht.
Archibald Hardenborg heeft aan papa Debecque beloofd, te zullen zorgen dat de partij niet stijf werd. Er is dan ook geen quaestie van. In de groene kamer heerscht al spoedig een drukte en beweeglijkheid van plaatsverwisseling--om elkander eens toe te spreken--dat er maar al te weinig wordt gelet op de waarlijk schoone muziek der *** kapel, die, aan de buitenzijde der groene kamer geplaatst, haar welluidende tonen deed hooren.--De echte muziekliefhebbers, of ook de paartjes, die eens naar een rustiger kout verlangden, zelfs heeren die nog wel voor 't vallen van den avond een kijkje in de plaats willen nemen, ze verlieten al van lieverlee de kamer, waarin --zooals dominee Hoogerberg aan zijn vriend den burgemeester verzekerde: "het zeker overheerlijk moest wezen, om op een schoonen zomerzondagmorgen nog eens in alle stilte een preek te kunnen nazien;" en waarin--zooals Piet Lovers, de bleeke candidaat-notaris, die al acht jaar geëngageerd is, zijn Marietje toefluistert: "waarin hij 's avonds vooral bij maneschijn, wel zoo eens heelemaal met haar alleen zou willen zitten." 't Was een verschrikkelijk vak dat notariaat!--En Marietje nadenkend met een zucht:
"Zou je niet kunnen uitvinden om bijvoorbeeld papier van boombast te maken Piet?"
"Marietje-lief dat is al uitgevonden; 'k las het immers laatst in de krant."
"Och heer!" zegt Marietje en later: "Maar Piet dan iets anders, zoo iets in dien geest?"
"Toch niet ernstig die ongesteldheid, dokter?" vraagt de gastheer: "'t Was een groote teleurstelling dat de generaal liet bedanken. Ja, onder ons gezegd, indien de partij een nadere kennismaking met Archibald.... Begrepen!? Allerliefst kind, Jacoba, allerliefst! Wat scheelt den generaal?"
Helmond is schijnbaar afgetrokken.
"Pardon..... ik zag daar; ik meende..... Die ongesteldheid? Och, dat beteekent niet veel, tenminste ...."
"'k Dacht het wel! Al te bang voor uitgaan!" Roepend: "Archibald! --Zieje, 't heeft niets te beteekenen die ongesteldheid."
"Watblief, ongesteldheid? Ben je niet fiks mijn brave Aesculaap? Wat bedoelt u papa?"
"Ik meen van De Zonsberg."
"Ja .... ja, dat is treurig; maar wat er aan te doen! 'k Heb het plezier gehad haar eens te zien; bleek lief! Ah ja, we spraken van den generaal; dus niet gevaarlijk? Komaan!--Zeg dokter, in vertrouwen--Papa niet luisteren--ben je niet in den derden hemel? Mijn goeje deugd, wat een prachtige vrouw! Als ze van avond geschaakt is, telegrafeer dan maar op mijn signalement! A propos, is dat die majoor Kartenglimp? Die man is later gekomen hé? Hij is een intieme van je, niewaar?"
"H'm, intiem!" zegt Helmond.
"O, ik dacht 't, omdat je straks zoo'n heelen tijd met hem wandelde....?"
"Ja wel, hij is een patiënt van me;" zegt Helmond schijnbaar kalm doch met inwendige ontroering, want hij had er bij kunnen voegen: Eigenlijk ben ik er nú een van hem.
"Allemachtig bekend gezicht! Wil je me eens eventjes aan hem voorstellen?--.... Ha zoo, 't plezier den majoor Kartenglimp te zien?--Nee majoor, pardon, dat is van middag al meer gebeurd, een Debecque ben ik niet. Mama heeft me lager bij den weg gehouden. Mijn vader heette Hardenborg, om je te dienen. U bent ook in Indië geweest niewaar?"
't Was goed dat op ditzelfde oogenblik een snel voorbijvliegend dametje--wij gelooven niet uit ondeugd--den majoor zóó tegen den arm stiet, dat het kopje 'twelk hij in de hand hield op den grond viel, en de thee over het neteldoeksch kleed van het dametje werd uitgestort.
Ja, dat was een zeer gelukkig intermezzo, want bij Archibalds meedeeling en vraag, is het Kartenglimp geweest alsof hem "de dood op den rug sprong". Op gezag van mijnheer Kippelaan,--mijnheer Kippelaan had het van den horlogemaker, die wekelijks klokken en pendules bij den baron Debecque ging opwinden, wie kon het dus beter weten--op gezag van Kippelaan heeft hij in de stellige meening verkeerd, dat de jonge luitenant: Debecque heette, en zee-officier op non-actief was.
Tusschen het vliegende dametje en den majoor worden nu eenige verontschuldigingen gewisseld. Aller oogen zijn natuurlijk op het met thee gekleurde japonnetje gevestigd, en niet op het vuurrood, 'twelk het gelaat van den majoor had bedekt, maar dat--zoo het al gezien werd, in alle geval op rekening van het ongeluk moest gesteld worden.
Kartenglimp sprak met een paar dames over uitwasschen en 't vreeselijke jammer van een dameskleed zoo geheel onwillekeurig te hebben bezoedeld; terwijl hij intusschen den zoon des huizes geheel vergeten scheen.
"'t Is ongelooflijk" fluisterde Archibald tot Helmond: "zooals die majoor op een vent lijkt dien ik eens, drie jaren geleden, in Indië heb gezien; maar dat was er een die minder verlegen was op 't punt van damesjaponnen. 't Is vreemd! En vijf jaar is hij in 't land niewaar?"
"De majoor woont ruim twee jaar hier, maar een allervleiendst vaarwel van zijn mede-officieren, toen hij Indië verliet, 't welk ik lezen mocht, was gedagteekend: Juni 18.. nu ruim zes jaar geleden."
"Ei 't is zonderling! Men zegt wel eens dat Onze Lieve Heer geen twee blaadjes eender gemaakt heeft, maar die majoor en de kapitein Ronner, dat gemeen individu, ze mogen dan voor de blaadjes niets bewijzen, voor de menschen gooien ze de stelling totaal op straat.--Ah ha! mijn lieve freules!" vervolgt hij, zich eensklaps terzijde wendend, tot de dochters van den baron Narwal--een zeer vermogend edelman, wiens buitengoed omstreeks een uur van De Poel lag: "'t wordt al wat donker voor de groene kamer niewaar? Nu moeten de dames mij eens het groote voorrecht gunnen om zóó, ziezoo, bras-dessous bras-dessous, de vijvers met haar rond te wandelen. Papa had ze voor deze gelegenheid willen laten droogmalen om ze dan met Rijn-wijn te vullen, maar de snoeken hebben dat afgestemd, hé!--Ah zie, onze brave lampenisten zijn al met de verlichting bezig.--Freule Marie,--al geëngageerd voor de eerste wals..... Freule Rosa,--voor de eerste quadrille....? Welzeker, 't bal zal binnen zijn!--'t Was eerst plan om buiten te dansen, maar, van een concurrentie met de muggen hebben we afgezien.--Geen eerste wals meer? O, dat is verschrikkelijk! De galopade....? Ai, dat is jammer, de eerste galopade heeft mij mevrouw Helmond al toegezegd."
"Ah zoo, dan heeft mijnheer Debecque de mooie doktersvrouw zeker vooruit gevraagd, want al vroeg hoorde ik haar tot dien majoor zeggen dat ze geen dans meer open had."
"Abuis schoone freule: menheer Debecque heeft niemand vooruit gevraagd," zegt Hardenborg, en meent het aardige freuletje, in 't lila satijn, zóó wel een beetje te mogen foppen: "Een lief gezichtje die doktersvrouw;" voegt hij er bij, op dien halfvragenden toon, om--casu quo--niet nóg eens zeer te doen.
"Lief! ik vind haar bepaald prachtig!" zegt freule Marie; "'t Is een ware beauté."
"Ja ik kan haar niet genoeg aankijken;" zegt Rosa.
"Ze heeft compleet iets vorstelijks," herneemt Marie: "mij dunkt ik heb nooit zooveel charmes bijeen gezien."
"En naar ik hoor moet ze zoo prachtig zingen. Je kunt je haast niet begrijpen mijnheer Debecque, dat zoo'n mensch van geen geboorte is. 't Schijnt wel alsof er altijd iets aan ontbreken moet."
"Fameus jammer!" zegt Hardenborg, die nu vis-à-vis freule Rosa vooreerst maar een Debecque zal blijven.
"O, dat idee heeft me geen oogenblik gehinderd;" valt Marie in: "Nee, weet u wát me hinderde .... Hé dat is mooi die verlichting à giorno, mooi in het water;--het choqueerde me geweldig zooals die oude majoor Katten- of Kartenglimp haar het hof stond te maken. Die man heeft een leelijk gezicht."
"Hé, vindt u freule?"
"Pardon, 't is misschien een vriend?"
"Foei Marie, je zegt ook maar alles!"
"Ja 't is onverstandig. Ik denk wat al te dikwijls overluid. U neemt het niet kwalijk luitenant?"
"O volstrekt niet! Om je de waarheid te zeggen freule, ik ben het volmaakt met je eens; de manier waarop die majoor straks het mooie vrouwtje courtiseerde 't was...."
"A-bas!" zegt freule Marie.
"Au fond commun;" stemt Rosa.
Hardenborg werd zeer warm van binnen,--Harmonie!--Mooie muziek!--Hij sloot die beide, hem anders heelemaal onbekende armpjes wat vaster,--vooral dat armpje links aan de zij van het hart;--niewaar, 't pad werd zoo smal, en.... 't Was nu jammer dat die kleine van De Zonsberg er niet bij was. Dan--dán kon men misschien ineens besluiten: voor 't oogenblik: Links, nominatie nummer één!--En avant!
Juist tegenover de plek, waar het vuurwerk zou worden ontstoken, was een groote cantine geplaatst, waar wijn, limonade en sorbets benevens allerlei fijne gebakken werden aangeboden.
Reeds een groot aantal gasten bevond zich daar koutend en genietend bijeen.
"Een allerliefste avond;" zegt een der heeren.
"Wel iets bijzonders voor ons kalme Romphuizen;" antwoordt juffrouw Lansveld.
"En de feesten zullen elkander zoo spoedig opvolgen," zegt mevrouw Lens, terwijl zij de keurige met wit dons omzette sortie, door Louise Armelo gemaakt, een weinig lager laat zakken: "Tenminste ik heb mijn woord al moeten passeeren aan mevrouw Helmond voor--ik meen den acht en twintigsten September."
"Ja juist. Ik ben ook gevraagd!" klinkt het hier en daar.
"Allerliefst!"
"Prachtige gelegenheid in 't nieuwe doktershuis!"
"Recht lieve menschen!"
"Puissant rijk!"
"Hé puissant?" Zeer zachtjes: "Ik dacht dat het veel uiterlijk was. De praktijk verloopt bepaald!"
"O geen wonder menheer: heelemaal liefhebberij."
"Och-kom, dus zoudt u denken dat men bijvoorbeeld zoo'n rekening niet behoeft te....?"
"Nee quant à cela, heelemaal niet, maar een gracieus cadeau of cadeautje. U begrijpt--de generaal!--Puissant!"
"Ah zoo juffrouw Van Berge, zult u den acht en twintigsten September ook van de partij zijn?"
"Om u te dienen notaris. We stonden zoo bij elkaar, en toen heeft mevrouw Helmond ons, allerliefst, in massa geïnviteerd."
"Vin-jij dat Helmond er vroolijk uitziet?" vraagt de burgemeester aan den notaris.
"Vroolijk? Jawel; tenminste het tegendeel is me niet opgevallen."
"Hij ziet bleek."
"Wie, ik?" roept Hardenborg, die nu met zijn beide aardige freuletjes aan het buffet is gekomen, en zorgen zal dat ze op 't vlugst en op 't allerbeste bediend worden--door het zelf te doen: "Bleek, ja dat komt van zulk een zachte illuminatie aan weerskanten;" en, de freules Narwal loslatend, buigt hij galant rechts en links, en ziet meteen dat ze beiden bepaald allerliefst zijn, maar freule Marie..... ja waarachtig, freule Marie is lampion nummer één, en krijgt dan ook het eerst een glas punch à la Romaine en het eerst een roomhoorntje à la vanille.
"Eindelijk zal Eva haar lieven man dan eens te spreken krijgen," zegt de jonge vrouw, en neemt den arm van haar vriend, en slaat een zijpad met hem in, terwijl ze bijna iets zwevends in haar tred heeft, nu de kapel, Von Weber's geanimeerde Invitation à la Valse doet ruischen en zwellen.
"Kalm, kalm vrouwtjelief; je hebt al wat te veel kleur. Ik bid je, dans nu straks niet te druk. Ik moest het je eigenlijk heelemaal verbieden, maar....."
"Dan zou je zelf geen beurt krijgen niewaar? O beste man, als ik nog denk dat je me dit avondje bijna ontkaapt hadt. 't Is hier déli, ik amuseer me dol! En de menschen zijn allemaal even charmant en lief. De baronesse Doelemeere heeft wel een half uur met me gepraat, en de familie Narwal van Brouwerscate die fêteert me haast al te veel. Heb je 't niet gezien?--Guns August, die Kippelaan is toch een malle vent; ofschoon ik eigenlijk geloof dat hij de gravin Van Leeuwen even weinig kent als mij, zoo presenteerde hij mij aan haar, en wel als: Mevrouw Helmond geboren gravin van Armeloo.--O je kunt niet gelooven wat dat dadelijk een gemakkelijkheid gaf; ik heb toen ook maar de stoute schoenen aangetrokken en haar op een invitatie voor den acht en twintigsten geprepareerd. Dadelijk nam zij het zeer gracieus aan."
"Maar Eva, 't is onverstandig om die menschen al zoo lang vooruit te vragen; bedenk toch....."
"Bedenk toch, niewaar Evertje z. m., dat we dan allang dood en begraven kunnen zijn. Boe boe! kan het nog somberder?" En dan, half luide neuriënd, zingt ze de Invitation à la Valse na. Eensklaps houdt Eva stil: "Weet je August, wat me alleen hindert van avond--als jij tenminste heel lief en aardig bent--'t is, dat ik eigenlijk vis-à-vis mevrouw Narwal en vooral tegenover mevrouw Van Leeuwen een bespottelijk figuur maak. Ja, met m'n doodonschuldige diamantjes.--Zeker, ze zijn heel lief, en ik vond het alleraardigst van je, toen je ze mij, je weet wel, voor een vergoeding hebt gekocht; maar heusch, de schapen maken hier een allerzotste vertooning. Mevrouw Van Leeuwen had letterlijk geen oog van m'n broche af toen ze met me sprak, en ik kon zoo zien dat ze me den heelen tijd haar prachtige, o! over-over-prachtige broche wou laten opmerken, want, dan trok ze zoo met dien hals en zette de borst vooruit, van belang!"
"Mijn hemel Eva, hoe kun jij nu over een broche denken als je bij zoo'n vijftigjarige, eer leelijke dan mooie vrouw staat. Jij bent, bij haar vergeleken, heelemaal een diamant."
"Ja mannetjelief, zoo'n discours hebben we geloof ik nog eens gehad, op een achtermiddag; toen vond je--als ik me wel herinner --geslepen glas even mooi.--Maar neem me niet kwalijk, een man kan onmogelijk begrijpen wat het is, als men, enfin, nog al gekleed en dan niet zoo heelemaal een nul in 't cijfer, tegenover een dame staat die je letterlijk uitlacht omdat je bespottelijk kleine diamanten aanhebt."
"Heeft mevrouw Van Leeuwen jou uitgelachen Eva?"
"Ja! 't Was nu juist geen gillen, maar ja, ja zeker, ik kon heel goed zien dat ze--als ze 't gedurfd had--me zou hebben uitgelachen; en ik herhaal dat ik dat alles behalve plezierig vind. Zeg lieve kereltje, krijg ik tegen den acht en twintigsten....? Nee, chut! geen overijlde antwoorden, 't Is ook indiscreet misschien om zoo zelve te vragen; maar toch.... ik hoop....!"
"Nee nee Eva! nee!!!" En in zich zelven: Mijn God, waar moet dat heen!
"August!" zegt Eva verschrikt: "vraag ik te veel? Och, neem 't me dan niet kwalijk. Je weet wel dat ik niet 't beste, het allermeeste wil: wat jij doet en wilt dat is me altijd goed geweest. Was het niet, lieve beste August? Zeg dan, ben ik niet óvertevreden tegenwoordig? Heb ik dat niet bijna elken dag, ja nog zooeven gezegd?--August, ben ik niet je trouwe lieve vrouwtje? Zeg? Spreek dan; ben je boos omdat ik een beetje op mijn jaardag vooruitliep?"
Eva ziet rond of daar ook iemand wezen mocht; en dan, dan legt ze haastig haar poezelen arm om zijn hals en----een zoen als uit den zaligen bruidstijd, steekt Helmond opnieuw het hart in gloed!
Het vuurwerk was voor een particuliere partij inderdaad schitterend. Nu eens stond het schilderachtig gelegen landgoed met al zijn genoode en ongenoode gasten, in een tooverachtig rood of blauw of paars licht, waardoor men zich in een droom verplaatst gevoelde, en dan weer....
"Hé, dat is oorverdoovend!" zegt een der juffrouwtjes Lens, en trekt "voorzichtigheidshalve" het hoofd wat terug.
"'t Zou niet kwaad zijn menheer Debecque--o, 't is waar, menheer Hardenborg--als er nooit op een andere manier met kruit werd gewerkt;" zegt freule Marie Narwal, die toevallig weer naast Archibald stond.
"Dus zoudt u mij met de heele militaire macht zoo maar zonder complimenten op straat willen zetten? Foei foei freule Marie."
"Ik hoop niet dat mijnheer Hardenborg zich, bij gelegenheid, over de gastvrijheid op Brouwerscate zal te beklagen hebben;" is het antwoord, 't welk schalks wordt gegeven; en dan ernstig; "Maar ja, als ik wist dat u bijvoorbeeld iemand in den oorlog.... ja, hadt doodgemaakt, dan.... dan zou ik er misschien toe kunnen komen. Ik vind het afschuwelijk dat menschen elkander zoo koelbloedig vermoorden."
"Wel freule, wat ik vroeger wel eens mijn ongeluk heb genoemd, dat zou ik nu haast m'n geluk willen heeten: de ondergeteekende, ofschoon hij flink--ik moet het bekennen--op dat fanatieke Indische goedje heeft laten inblazen, hij is nooit zelf in de gelegenheid geweest om er een--althans zooveel hem bekend is--voorgoed de bajonet te doen afslaan." En dan zich terzij tot Kartenglimp wendend: "Hebt u ook nog met die vroolijke Bandjareezen kennis gemaakt majoor, als ik u vragen mag?"
"Nee, toen was ik al in Holland."
"O ja, dat meen ik gehoord te hebben. Ik denk wanneer ik u zie gedurig aan iemand die wat jonger was, hé, maar anders fameus op u geleek."
"Ei!--Mooi dat rad hé. Vin-je niet mevrouw Helmond? Fameus mooi!--Magnifique partij niewaar?--Ik geloof dat dat de "bouquet final" geweest is. Ha zie, nog een vuurpijl, pour la bonne bouche. Mag ik 't genoegen hebben u den arm....?"
"O dank u majoor; ik heb.... ik zoek...."
"Nog altijd een beetje rancune?" vraagt de majoor wat zachter, terwijl Eva hem toch onwillekeurig terzijde blijft, en men zich langs een smaller pad, tusschen een bosschage van hulsten en andere fijne doornheesters, uit den kring van het gezelschap verwijdert.
"Rancune, o nee majoor, maar...."
"'t Is niet onnatuurlijk mevrouw, en de vriendelijke woorden die ik u straks mocht toespreken zijn niet voldoende geweest. Ik heb schuld; ik had het al vroeger moeten goedmaken. Waarom ben ik niet bij u geweest sedert den avond van dat, voor u zoo onaangename misverstand.... 't Is onvergeeflijk, ik beken het! Maar, een geboren Van Armeloo is allerminst haatdragend of kleingeestig."-- Stilstaande: "Vergeef me mevrouw Helmond. Na al de moeite die ik met liefde had gedaan, werd ik dien avond zoo ge.... ge.... gedesillusioneerd dat ik mij zelf een oogenblik vergat, en ook naderhand besloot om die papieren altemaal weg te doen, te verbranden, want.... Nee nee, pardon, verbrand heb ik ze niet. Ik kwam daarvan terug, en vooral omdat er één stuk bij is, dat zelfs als curiositeit zeker een aardig sommetje waard zou wezen."
"O dat zal het stuk zijn 'twelk bewijst....?"
"Juist; uw papa hecht er niet aan! Enfin, ieder mensch heeft zijn eigenaardige begrippen. Uw papa is een zeer verstandig man, en zal waarschijnlijk zijn goede redenen hebben...."
"Ja dat is zeker; maar u vergist je majoor, als u denkt dat papa omtrent die papieren heelemaal onverschillig zou zijn. Papa zal er.... Nee, hij zal er u wel niet om vragen, maar...."
"Ik zou ze hem in geen geval aanbieden, mevrouw Helmond, dat kunt u gemakkelijk begrijpen."
"Nee...." aarzelt Eva, "dat is niet onnatuurlijk." Zich snel in de rede vallend: "Ik geloof anders majoor, dat--indien de zaak wáár is--dat dan het bewijs door iedereen gemakkelijk te leveren is."
"Dit laatste komt niet overeen met hetgeen ik u vroeger verzekerde mevrouw. Als man van eer, als oud-officier, geef ik u de stellige verklaring, dat het van de duizend menschen er nauwelijks één zal gelukken om het stuk te bemachtigen 'twelk ik door mijn bemoeiingen meester werd, en waarvan in deze zaak alles afhangt."
"Dat stuk is....?"
.... "Eenvoudig het document waaruit onwederlegbaar blijkt, dat de bet-overgrootvader van uw vader, en de zoon van den Hollandschen graaf Van Armeloo één en dezelfde persoon is geweest."
Een oogenblik bleef het stil. Dan zegt Eva snel:
"U zoudt mij verplichten met mij dat bewijs te.... zenden majoor."
"O, 't is zeker veel eer: veel...." Eensklaps omziende: "Mij dunkt ik hoor daar roepen: Zoudt ú mij 't genoegen willen doen mij den arm te geven, schoone mevrouw Helmond?"
Weer vliegt Eva het bloed naar de wangen.--Neen, haar arm krijgt hij niet!
"O, u neemt niet kwalijk majoor?" zegt ze snel: "'t Is Helmond die daar roept." IJlings spoedt zij zich nu terug langs het pad, doch.... halt, nu kon ze niet verder.
Helmond met Archibald, freule Marie Narwal en nog een paar jongelieden, bevonden zich aan 't eind van het pad.
"Een Absalome!" roept de luitenant, en vliegt naar de plek, waar Eva eensklaps tot stilstaan werd gedwongen, dewijl ze met haar sortie aan een nijdig takje bleef haken.
't Was maar een kleine scheur. Eva zei dat het niets te beduiden had. Maar Archibald hield een korte potsierlijke toespraak tot den ondeugenden meidoorn, die zich in 't voorjaar met zijn welriekende bloempjes zoo aardig voordoet, maar nu in 't begin van September zoo valsch is als een jaloersche kat.
Kartenglimp bleef op den achtergrond.
En ginds aan den arm van dien jongen luitenant zag hij haar voortzweven.--Welzeker, men wachtte haar in de zaal; de muziek speelde er reeds een Ouverture de Bal; zij zou er dansen, dansen met iedereen, maar voor hem--inweerwil van dat prachtige lokaas, 'twelk hij haar sinds dien avond toch in 't geheel niet meer toonde--voor hém heeft ze zelfs den arm niet over.... dien blanken welgevormden arm!--Maar ha! al wordt het tijd, 't is nog vroeg genoeg, welzeker, nog vroeg genoeg!
Een zeer groot aantal waskaarsen op luchters en kronen, verlicht overvloedig de groote zaal en de twee daaraan grenzende zeer ruime kamers, die door breede nu geheel weggeschoven battans gemeenschap hebben.
De groote zaal is delicieus gecireerd, als een spiegel zoo glad! Enkele paren wandelden daar reeds koutend in 't ronde, doch het meerendeel bevindt zich nog in het groote vóórsalon, waar men in den middag ontvangen werd. Dominee Hoogerberg, bekend met de huiselijke omstandigheden der familie Debecque, brengt er, alvorens de dans zal beginnen, en nú reeds, dewijl hij om gewichtige redenen vroegtijdig naar huis moet, een hartelijken maar korten heildronk aan de gastvrouw die heden verjaart, en aan haar eenigen zoon, die in 't moederland mocht terugkeeren om een moeder gelukkig te maken.
"Dominee, allerliefst! allercharmantst! Dank je, merci, aller-aller-hartelijkst!" zegt mijnheer Kippelaan, die aanstonds is vooruitgestoven, en met zijn beide handen de hand van den spreker vermeesterend, ten aanschouwe van al zijn hoorders, steeds karnend, de tolk blijft van aller gevoelens!
Archibald ziet het treffende schouwspel een oogenblik met een kwalijk verborgen glimlach aan, en dan net glas opheffend, zegt hij:
"Terwijl mijn schuld aan onzen hooggeëerden dominee op zoo passende wijze door de welwillende tusschenkomst van mijnheer.... re.....??"
"Kippelaan!" helpt de eigenaar van dien naam, terwijl hij met een verheerlijkt gelaat naar den spreker omziet.
"Ah juist, Kippelaan; uw naam was mij ontschoten...."
"Jules Janin!
"Straks hoop ik u mede een handdruk te geven dominee," zegt Archibald, eensklaps van Kippelaan op Hoogerberg ziende: "om u dank te zeggen voor de goede woorden aan 't adres van mijnheer Kip..... ik meen aan 't adres van mama en van mij; doch met den dronk die nu geen uitstel duldt, maar welke twaalf-twaalfde gedeelten der jonge dames toch hopen dat kort en vooreerst de laatste zal wezen,--omdat de muzikanten anders ongeduldig zouden worden; niewaar dames?--met dit glas dan moet ik den vriend gedenken, zonder wiens trouwe hulp ik misschien--zelfs met den besten wil van de wereld--hier niet als zoon van den huize had kunnen fungeeren.--Maar, ik zie eenige zakdoeken te voorschijn komen. Alzoo denkende aan het heden, en herdenkende "om het half uur een zeer leelijken lepel", maar ook: alle dagen twee- of driemaal een gezicht waarop een hart stond geteekend van goud, neen, een hart vol waarachtige belangstelling! denkende aan een trouwen vriend, die deed wat hij kon om mij voor mijn goede moeder in 't leven te bewaren, drink ik dit glas--de handdrukken mijnheer Kippelaan, zullen mogelijke flaters in mijn oratie goedmaken...'" Kippelaan wilde reeds toesnellen om den zoon van den huize te.... maar hij werd door een der heeren tegengehouden: "drink ik dit glas," herhaalt Archibald met verheffing van stem, "op wat mijn braven dokter liever is dan zijn leven, op haar die hem meer waard moet zijn dan al de schatten dezer, nog al plezierige wereld: op zijn aangebeden vrouw, mevrouw Helmond, geboren Van Armeloo!"
Het was bij de levendigheid die er nu onder al de aanwezigen ging heerschen--en waarbij mijnheer Kippelaan letterlijk handen te kort kwam--een zeer vermeldenswaardige bijzonderheid, dat er onder die vele dames, en inzonderheid onder die dames van hooge geboorte, geen enkele te vinden was, bij wie er een gevoel van jaloezie werd opgewekt, door den toost op mevrouw Helmond door den zoon des huizes uitgebracht.
Eva gevoelde zich.... half bedwelmd, als een veder zoo licht, en onuitsprekelijk zalig. De tranen stonden haar in de oogen. O! en toen men haar nu van alle kanten met de liefste woorden overlaadde, en de baron Narwal haar zeide: "Wij hopen de lieve doktersvrouw recht veel met haar echtvriend op Brouwerscate te zien;" en de baronesse Doelemeere haar met zoo'n recht vriendelijk en gemeenzaam knikje de verzekering van haar belangstelling schonk ja, toen zelfs de gravin Van Leeuwen naar haar toekwam en zeide: "Ik vereenig me van harte met de beste wenschen voor uw geluk, lief mevrouwtje,"--toen.... 't was niet om uit te spreken.... ze moest toen den fijn geborduurden zakdoek voor de oogen drukken; de weelde van dat oogenblik was schier al te groot!
Nochtans, toen ze zich nóg eens door diezelfde hooggeboren vrouw zoo innemend hoorde toespreken; en zij tevens uit mevrouw Van Leeuwens prachtige met parelen bewerkte flacon een weinig eau-de-cologne moest nemen, toen kwam er een klein, een bijna onmerkbaar wolkje haar gelaat overtrekken, want, weder waren de oogen der gravin op haar diamanten broche gericht, en zei de oudere dame met wezenlijke zorg: "Je aardig speldje is losgegaan lief mevrouwtje. Voorzichtig, 't zou toch wezenlijk jammer zijn, niewaar?"
En de groote diamanten der gravin blonken en fonkelden met duizend kleuren, en Eva tastend naar "'t speldje", inplaats van het vast te steken, deed het--'t was niet onnatuurlijk, door het eenigszins trillen der vingers, als een gevolg van de aandoening waarin de toost haar gebracht heeft--geheel en al losgaan, zoodat het op den grond viel. En zie, nadat een galant jongheer het aanstonds had opgeraapt en haar weergegeven, verdween "dat kinderachtige sieraad" voorgoed in den zak van haar kleed.
Helmond heeft met een zeer kort maar hartelijk woord, Archibald zijn dank betuigd, en het welzijn van den gastheer gedronken. Helmond gevoelde zich nu wat beter dan straks. Misschien hebben een paar glazen pittigen wijn hem goedgedaan. Een bediende komt reeds voor de vijfde maal met het blad waarop de geurige Côte d'or en Rudesheimer worden aangeboden.
"Dankje!--Eh.... ja toch.--Ziezoo kameraad."
Het bal heeft een aanvang genomen.
't Is een kleine misrekening voor Eva geweest: De baron Debecque heeft niet met háár, maar met mevrouw Van Leeuwen, die nog gaarne een enkel dansje--zoo'n Polonaise bijvoorbeeld--meedoet, het bal geopend. Aan den arm van den baron Narwal gevoelde Eva zich echter spoedig ruimschoots schadeloos gesteld, want mijnheer Narwal was een man nog in de kracht van 't leven, had wel vijf ridderorden, en was kamerheer of iets van dien aard; tenminste "ijselijk hoog!"
Nu de tweede dans zal beginnen en reeds
De dartele snaren Doen tripp'len de paren;
nu hangt Eva in den arm van haar alles, van den eenige, op wien ze waarlijk zoo trotsch is:
"O, engel!" zegt ze, en drukt hem dien arm zoo innig: "zulk een feest, zóó iets heerlijks heb ik nog nooit beleefd. Die menschen hier.... Och wat zijn ze allen onbeschrijfelijk lief en hartelijk, en zonder eenige distantie.--Eén ding beste August, als het te pas mocht komen, ik zeg als, och spreek dan vooral niet tegen dat jij ook van adel bent; 't is me letterlijk al pratend uit den mond gevallen toen ik door dien mallen Kippelaan.... ik weet niet hoe, een beetje in 't nauw raakte. Maar.... onwaarheid sprak ik toch niet; je kunt immers later papa's titel krijgen; niewaar August?"
"Mijn hemel Eva, dat gaat te ver!"
"Ben je boos, mijn lieve man? Nee, dat kun je nu niet wezen, niewaar? Maar luister eens.... ik mag er immers vast op rekenen....? Wel, op onze partij, met mijn jaardag? Och die jonge Hardenborg was zoo galant; ik zei maar even dat ik deze muziek zoo allerliefst vond, en--dadelijk dadelijk is hij toen gaan informeeren of de kapel den acht en twintigsten vrij zou wezen.--En ja zeker, alles is in orde! Natuurlijk moest hij er toen aanstonds beslag op leggen omdat ze zoo moeilijk te krijgen is...."
"Eva, ben je razend!"
"God August! je zoudt me doen schrikken. Freule Marie ziet juist naar ons, zij zal denken dat we woorden hebben. Lach: toe lach."--Eva lachte.--En August? Moest hij dan hier die algemeen gevierde vrouw, en ten aanschouwe van zoo velen, een barsch gelaat toonen, haar, zijn dierbare Eva? Ha, als men dan overal fluistert dat een man, die zulk een vrouw bezit, haar niets weigeren mag, dat ze hem meer moet waard zijn dan al de schatten der wereld; ha, waarom zou hij dan ook niet lachen! Waarom zou hij dan ook niet....
--Daar vangt de wals aan.--'t Is alsof de wijn hem eenigszins heeft beneveld. Misschien ook is hij het dansen ontwend:
"Bedaard, bedaard lieve kind; niet te vlug; je weet wel waarom? Ja zeker, heel goeje muziek, fameus in de maat!"
En Eva wielt, al zwevend, als in een hemel aan den arm van haar teerbeminde. En de muziek is krachtig; maar hoor, telkens en hoe langer hoe meer, klinkt er in die sterke bazuintonen bij het geanimeerd en wegsleepend refrein, een enkele noot.... die haar aan woorden, aan vreeselijke woorden herinnert, en ook aan dien droom met den saterlach:
Et--Satan conduit le bal, Et--Satan conduit le bal!
Ik wil wel eens rusten August!--Dit stuk moeten ze bij ons niet spelen, 't Refrein is toch leelijk; al te snerpend. Vin-je óók niet, m'n lieve man?"
Mijnheer Kippelaan voelt zich dezen avond misschien nog gelukkiger dan Eva Helmond. De bijzonderheid dat hij op zulk een partij was gevraagd, heeft hem boven de huizen gebracht.
--'t Scheen wel--dewijl zelfs de candidaat-notaris Piet Lovers met zijn ouderwetsch Marietje was genoodigd--dat de baron Debecque zijn invitaties zoo ver mogelijk had uitgestrekt; maar de eer was toch bijzonder, en hij mocht nu gerust zeggen dat de adel uit den omtrek met alles wat daartoe behoorde zijn intieme vriend was. In den beginne is Kippelaan iets minder op zijn gemak geweest, maar sedert hij het stoute stuk volbracht, en dokter Helmond, zonder dat iemand het zag, de beide banknoten van honderd gulden uit den brief aan Woudberg, met een couvert er om, in den achterrokzak heeft gewerkt, had hij zich zoo onschuldig gevoeld als een pasgeboren zuigeling.
Allerliefst lieve gelegenheid!--In den vooravond bij 't geleide van juffrouw Van Berge naar de groene kamer, heeft hij al iets voelen kloppen, en.... enfin, juffrouw Van Berge heeft hem eensklaps losgelaten, en Mina Lens die vóór haar liep, in den arm genomen.--O dat guitje!--Later had hij gehoord dat juffrouw Van Berge ook waarlijk al met den kantonrechter uit B. geëngageerd was, enfin.--Na 't verblijf in de groene kamer is hij weer zoo.... ja, hij moet het bekennen "zoo ondeugend geworden." Bij 't vuurwerk heeft hij de kleine blanke allerliefste jonge dame, Mietje Lansbroek, het hof gemaakt, en gezegd dat hij "duizendmaal op den rand geweest was, maar nu in háár den afgrond voor zijn hart metterdaad gevonden had." Mietje Lansbroek heeft toen gezegd, dat ze het al te akelig vond, wanneer menheer Kippelaan zijn hart aan zoo'n halsbrekenden toer zou wagen, en heeft hem toen haar "allerliefsten rug" toegedraaid--natuurlijk, volgens Kippelaan, een weinig verlegen over zijn aanzoek en de geestigheid van haar eigen antwoord.--'t Was waar ook, hij had zoo iets hooren spreken van een remonstrantsch proponent. Enfin, allerliefst, geestig! Dansen? Zie 't was jammer, al de dames waren disperaat dat ze hem een dans moesten weigeren.... maar nee, 't is zijn schuld; zijn eigen schuld; hij is niet vroeg genoeg gekomen! ofschoon.... Enfin, 't was allerliefst dat ze hem allen zonder uitzondering beloofden: jawel, als er weer een feest was; ja welzeker.
Op dit oogenblik schept Kippelaan nog even een luchtje, want hij had aan een der buitendeuren staande--iets in 't donker zien verdwijnen, ginder in de richting van de groene kamer, waar nog een enkele gekleurde ballon tusschen het donkere groen hing. En Kippelaan vond het buiten allerheerlijkst....
't Was heelemaal donker, pikdonker in de groene kamer. Daarbinnen klonk een zucht. Bijna gelijktijdig klonk er nog een zucht, meer piano.--Er volgde een plechtige stilte.--Na eenige seconden had de herhaling van het even genoemde diep roerende zuchten plaats.--Toen had men iets kunnen vernemen van een langgerekt geluid zóó bijna als van het theewater alvorens het aan--of van de kook raakt.--Nogmaals nú hartverscheurende zuchten. En dan:
"Och Marietje!"
"Och Piet!"
"O, als ze ons één--één tienduizendste meegaven, dan!"
"Och Piet, dán...."
"Och Marietje!"
"Gud, ik hoor wat!"
Twee personen zijn juist den ingang der groene kamer genaderd, 't Zijn Helmond en de majoor Kartenglimp.
Helmond is er overheen.--Wat drommel wáárom niet! Zijn er dan niet honderdduizend menschen voor één die doen zouden wat hij doet? Geld ter leen vragen als men 't noodig heeft en zeker weet dat men het zal kunnen teruggeven:--Kunnen? zeker? Ja, ongetwijfeld zeker! Als hij den generaal morgen maar eens als vanouds de hand heeft gedrukt, wat, voor den drommel, wat zouden er dan voor haken en oogen kunnen zijn? Zal een man van eer, een man als de generaal zijn woord breken, zonder een bepaald voorval waardoor een brouillerie gewettigd kan heeten? Zou hij zonder eenige kennisgeving de gedane verklaring intrekken, dat August nevens Jacoba zijn erfgenaam zal zijn? Neen, die pleegvader zal dat niet!--Nu, wáárom tobt en treuzelt hij dan, en zit zoo telkens met de handen in 't haar? Is het niet armzalig dat iemand met zulk een erfenis in 't verschiet, hier rondloopt met niet meer in zijn bezit dan de vijf guldens die zijn provisor hem leende!--Zegt het spreekwoord geen waarheid: Met den tijd komt alles terecht!--Wat weerga, al moest zijn leven, zijn heele aanzien, alles er aan opgeofferd worden, men heeft gelijk: Een vrouw zooals de zijne wordt er op de duizend geen gevonden! Zóó een moet boven alle ontbering verheven zijn en schitteren in haar vollen glans. Men moet haar ten volle waardeeren. Dat doet men hier, dat doet iedereen. Boven al die adellijke vrouwen, zelfs van leeftijd, werd zij verheven, door dien toost van den zoon des huizes. Wat drommel, Eva heeft gelijk, hij is een beroerde zwaarmuts; alles komt terecht.... en.... Neen, het dolle plan om confidentieel met den ouden Debecque te spreken en hém te vragen.... neen, hij heeft het laten varen; 't zou Eva die, nog al wat hoog van alles heeft opgegeven, compromitteeren; en ook.... met al die adellijke kennissen, en later die partij ten zijnen huize.... Neen! Kartenglimp had hem zeer heusch bejegend; den ganschen avond; allerhartelijkst! De man is poltron; tenminste een beetje wars van Vriend Hein was hij zeker; maar anders, noch over het niet terugkomen om zijnentwil uit Parijs, noch over dien onaardigen conferentie-avond heeft hij zich beklaagd.--Helmond weet toch zeker dat notaris Zoutenheer, een gedeelte van het hem verstrekte geld van den majoor heeft gekregen; en, inplaats van iets onaangenaams na die scène te laten blijken, heeft hij laatst zonder eenige pretensie gezegd: dat hij a vijf percent.... onder vrienden....
"U begrijpt majoor, dat ik 't alleen vraag omdat je 't mij zelf presenteerde. Ik vond je voorstel zoo cordiaal: anders zou ik aan Zoutenheer ... maar...."
"Nee nee, wáárom! Zoutenheer moet zes percent hebben, en ik ben er met vier tevreden."
"Vier? Ik meende...."
"Wat bl.... onder vrienden; jij bent een uitmuntende dokter! Apropos, kan zoo'n avondlucht kwaad? Nee hê....?"
"Niemendal majoor. Voor ú is de lucht allerheilzaamst. En dus..."
"Zou jij me niet zoo eens een levensregel kunnen voorschrijven? Zieje, voor gevallen.... Enfin, als ik zoo iets had, dan was ik gerust.-- Wat die drie duizend gulden betreft; accoord! Waarachtig, met alle plezier! Jelui moet het er van nemen. Als de ouwe opstapt dan ben je heelemaal binnen. Een schietgebedje voor zijn tijdige afreis. Hahiehaha!"
"Majoor, op die manier wil ik mijn vrienden niet hooren. Mijn pleegvader heb ik waarachtig lief, en....
"Bravo mijn waarde! Eere hebbe je hart. Maar permitteer me! Ik voor mij vind hem tegenover dokter Helmond en zijn vrouw een vervoerd schrielen compeer.--Praat er niet van! Geeft ie wel eens een zak guldens mee? Pardon, ik heb daar niet mee te maken!-- Enfin, in orde! Kom morgen in den loop van den voormiddag maar bij me. Altijd tot je dienst. Maar wat ik zeggen wil.... ah ja, is je vrouwtje nog een beetje boos op me dokter?"
"Nee majoor; wáárom zou ze....?"
"Dat vraag ik jou m'n vrind.--Weet je wat me, ronduit gezegd, een weinig hinderde?--Zonder er me op te beroemen, ik heb voor dien adel mijn best gedaan, en terwijl dokter Helmond nu vriendschappelijk en wel is, weigert mevrouw Helmond mij bijna een antwoord."
"Maar dat is een opvatting."
"Ik wil het gelooven. Maar zie, dan moest jij haar toch zoo ongemerkt eens zeggen, dat het je plezier zou doen als ze weer een klein beetje vriendelijker tegen me was. Ik ben toch geen monster niewaar?"
"De Hemel beware....!"
"Weet je wat me bijvoorbeeld hinderde? 't Was dat ik in presentie van een paar heeren, zoo maar kortaf moest hooren, dat ze geen dans voor me had."
"Maar dan zal ze er werkelijk...."
"Nee nee m'n vrind, je vrouwtje had er nog wel zes open, omdat ze je beloofde niet veel te zullen dansen. Dit laatste zei ze aan dien luitenant; en--hier zit 'em de voorname grief--toen gaf ze hém een oogenblik later toch een galop, ofschoon hij al tweemaal haar cavalier was.--Dat heer bevalt me niet Helmond."
"Wien bedoelt u majoor?"
"We spraken van dien menheer Archibald niewaar? In jou plaats amice, zou ik hem niet al te veel.... enfin! We kennen die heertjes! Ik ben zelf in Indië geweest, en...."
"Maar majoor, zulk een veronderstelling.... U vergeet dat mijn vrouw...."
Ik vergeet niets niemendal beste vrind! Je vrouw heb ik leeren kennen: 't is het prachtigste karakter dat ik ooit ontmoette. Haar houding, bij die vermeende miskenning van haar vader: o, 't was edel, magnifiek! Maar de listen van zulke heertjes.... waarachtig, daar zijn geen vrouwen tegen gewapend. Zet jij de kloekste vrouw aan den rand van een afgrond; wanneer men haar onverhoeds een stoot geeft, dan zal ze te pletter vallen zonder eenige kans op behoud."
"Archibald is naar mijn innige overtuiging een edele brave jongen."
"Edel en braaf, dat doet al weinig tot de zaak m'n vrind, dat weet jij ook wel. Je kunt kerken en gasthuizen stichten, ja zelfs aan 't hoofd van een asiel voor gevallen meisjes staan en toch op dat punt een zwak oogenblik hebben. Ik heb je gewaarschuwd, hij biologeert ze."
"Majoor..... je liegt het!"
"Ei zoo, is dát onze verhouding dokter! Ik meende dat het een bewijs van oprechte vriendschap was wanneer men waarschuwt voor een mogelijk gevaar. Ik zeg niet voor een zeker maar voor een mogelijk gevaar."
"Majoor, vergeef me dien uitval. Ik heb een paar glazen wijn méér gedronken dan me tegenwoordig inderdaad dienstig is, en...."
"Glad verkeerd dokter; als je helder wilt kijken dan moet je nooit te veel....."
"Ik weet het, en vergat het nooit. Maar nu, men is gelukkig, men....."
"Welzeker! Maar als je zoo gelukkig wilt blijven, geef dan--ik herhaal het, aan een pronkjuweel als je vrouw alles, alles wat haar hart begeert, maar zorg dat je haar alleen behoudt. 't Is een verkeerd teeken wanneer een jonge vrouw een man van mijn leeftijd een dans weigert, om hem een oogenblik later aan zoo'n blonden knevel te gunnen.--Nee, agiteer je niet.--'t Is mij volkomen goed dat je dien snaak vertrouwt; maar als vriend was ik verplicht je te raden om een oog in 't zeil te houden, en je onergdenkend vrouwtje een kleinen wenk te geven. Wat mij betreft, ik wensch als vriend alleen het bewijs der waarheid van je bemoedigend woord, dat je nobele vrouw geen rancune tegen me heeft. Zorg jij amice, dat zij het toont door de laatste wals met me te dansen.--Zie dán blijft alles zooals we dat hebben afgesproken.--Heb ik vier of drie percent gezegd? Nu 't maakt niet uit; onder vrienden! Morgen, twee uur. Drie duizend a drie percent; opperbest!"
De partij bij de Debecque's eindigde eerst laat in den nacht. In de pauze van het bal heeft men aan kleine tafels van vier en zes personen gesoupeerd.--Aan Helmonds tafeltje--hij had niet van zijn Hebe kunnen scheiden--zaten behalve Eva, de douairière gravin Van Leeuwen, de baron Debecque, de burgemeestersvrouw en--de majoor Kartenglimp.
Na het keurig fijne souper is een deel der gasten vertrokken.--Eva heeft nog tweemaal gedanst, eens met den baron Narwal, en eens met den majoor Kartenglimp; met den laatste de wals, waarin aan 't slot dat nare geschetter kwam.
Het gemakkelijke rijtuig uit De Gouden Arend voert Helmond en Eva huiswaarts.
't Is zoo heerlijk rijden na zoo'n feest, en aardig is 't ook, ze zitten half liggend nog zoo vertrouwelijk in dat rijtuig alsof ze pas geëngageerd waren.
Ja, Eva is wel een beetje moe, maar heusch, te veel vermoeid heeft zij zich niet. Alleen die laatste dans met dien vijftigponder was akelig. Die nare man!
"Ruw, ja, wat erg ruw, maar anders.... Mag ik het hoofd zoo'n beetje op je schouder leggen? Een oogenblikje lief kind?"
"Welzeker August, jij moogt alles doen wat je maar wilt, en zelfs als ik je wenschen voorkomen kan, dan zal ik het zeker niet laten. Hield ik niet trouw mijn woord August, hoewel ik er weinig plezier in had?"
"Je bedoelt?"
"Wel, dat ik met blauwbaard soupeerde en danste! 'k Denk altijd aan blauwbaard als ik hem zie. Gemeene stem toch."
"Gemeen.....? Vin-je! 'k Zeg, iets ruws, iets...."
"Nee, bepaald gemeen! Jij spreekt zooveel menschen van allerlei slag, en daarom hoor je 't zoo niet. Die kluchtige luitenant had op de laatste bladzij van zijn balboekje, zooals hij zei, een index gemaakt. Onder de personages wier conversatie hij schrappen zou, behoorden, nummer één: de majoor Kattenglimp zooals hij hem telkens noemde, en ten tweede menheer Kippelaan. Mijnheer Kippelaan had nota bene verteld dat jij geld van dien Kartenglimp zoudt geleend hebben. Verbeeld je!"
Helmond komt schielijk overeind:
"Ik! Is ie gek?.... En wie heeft je dat gezegd?"
"Och dat kwam zoo toevallig, al lachend. Hardenborg proestte het uit. Die Kippelaan had in één adem meer dan twintig vragen en confidenties aan juffrouw Lens gedaan, en zóó hard dat Hardenborg alles hooren kon. Jij waart de zoon van Van Speyk of van een op de citadel; en de majoor was bang dat Archibald mij wat te veel het hof maakte; en..... O lieve, we hebben bijna gestikt; dat alles diende als stormram om het hart van juffrouw Lens te veroveren. Juffrouw Lens had blozend gezegd, dat Kippelaan zich zeker vergiste, want dat ze hem al eens vroeger voor de eer moest bedanken.--Zeg August, als het niet om die stukken was, dan zou ik er heusch toe kunnen besluiten om dat heer Kattenglimp den acht en twinstigsten ook thuis te laten. Als men je zoo vriendschappelijk met hem ziet omgaan, dan mocht men soms denken dat die Kippelaanspraatjes van geld leenen wáár waren. 't Idee alleen zou me een hekel aan dien man doen krijgen. Bah!--Ojee!"
"Wat is er Eva?"
"Och niemendal; ik wou m'n flacon krijgen, want ik geloof dat je weer wat hoofdpijn hebt.... ja, met die hand aan het hoofd.... en daar prik ik me aan het nijdige speldje, dat ik in den zak stak omdat het was losgegaan. Kijk eens, 't bloed komt er uit."
"Och die arme vinger!" zegt Helmond, en terwijl hij zich zelf tot schertsen dwingt, zoent hij den kleinen patiënt, en voegt er bij:
"Een liefdepleister er op, dan is het aanstonds weer beter niewaar?"
"Nee nee...." vleit Eva zachtjes: "een garnituur à la douairière Van Leeuwen! Ja, als dàt er op kwam! Hé mannetje, we gaan toch overmorgen voor zaken naar Utrecht, niewaar? Niet!? Jawel! jawel! dat heb je vast beloofd als ik met dat Kattensinjeur wilde dansen..... 't Is zonde August, je deedt me schrikken; ik dacht dat je terug gingt krabbelen. Hardenborg zei immers dat het niet mooier kon treffen: iemand, die juist twee zulke rijtuigjes met een mooi span paarden moest wegdoen, omdat ie naar de Oost gaat. Wel foei, een dokter zonder rijtuig!" En dan, wuivend met de hand naar de zij van het in den nachttoon verscholen landgoed De Zonsberg: "La bonne nuit illustre général! 't Is jammer dat je ons niet nóg eens genieten kunt.--Stil mannetjelief. Wacht, hier heb je ál de eau-de-cologne die er nog in de flacon is,--als de oom het zag dan zou hij bang zijn dat ik bankroet ging--Ziezoo, laat mij maar weer eens heldertjes blazen.... Frisch hé? Nee stil, niets te lastig; mijn laatste ademtochtje wil ik verblazen voor zoo'n besten man.--Leg het hoofd maar weer neer. Nog een klein eindje rijden, en dan.... droomen van een feest, zooals er geen prettiger werd gegeven, maar waarvoor de partij op den jaardag van't vrouwtje toch zeker niet onder zal doen!"
EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
De generaal Van Barneveld bevindt zich in de serre--zijn lievelingsverblijf.--Hij heeft er nogmaals inspectie gehouden over de camelia's, azalea's, cactussen en zoo vele andere bloemsoorten, en zegt nu tot den tuinbaas die de inspectie heeft bijgewoond:
"Jawel baas, alles in orde! Je hebt goed gezorgd."
"En wat zeit menheer wel hiervan?" vraagt de tuinman, terwijl hij een kleinen pot van de stelling neemt: "Ziet de generaal dat uitbotsel wel? 't Is aardigheid zeg ik. Ja generaal, als d'r leven is dan is d'r nog hoop, zeg ik! Je zoudt het anders van zoo'n takje meidoorn waar blom aanzat en dat al aan 't zuchten was, niet gedacht hebben. De generaal heeft er eer van."
"Je kunt dat ding nu wel buiten zetten baas."
"Dat zou ik den generaal voor de vaste waarheid niet durven aanrecommandeeren. We hebben gisteren al een nachtvorstje gehad, en als het hier blijft, dan....."
"Ik zeg: je zoudt het buiten zetten!"
"Allebeneur, als de generaal het verkiest.--Nog iets van je bevelen menheer?"
"Niemendal baas. Alleen wil ik je zeggen dat je in mijn afwezigheid goed hebt opgepast. 't Was je plicht, maar 't zal je toch aangenaam zijn te hooren dat ik tevreden ben.--Je kunt gaan.--Hé baas, zeg eens: Jij hebt vroeger bij den Haag gediend, niewaar? Juist, ik meende het. Dus den tuingrond ken je daar?"
"O generaal als m'n eigen zelf."
"Goed! Je kunt gaan.--Zeg aan Hendrik dat ie na't ontbijt even naar stad moet met een briefje aan den notaris."
"Best menheer;" zegt de tuinbaas, en dan schoorvoetend, terwijl hij de pet in zijn handen ronddraait:
"Zou ik den generaal wel een vraag mogen doen?"
"Welnu?"
"Och menheer, je ziet me zoo bleek tegenwoordig. 't Is ons allemaal op 't lijf gevallen toen je thuis kwaamt. Als de generaal toch eens den dokter--menheer Helmond liet komen, ik geloof...."
"Dankje voor je belangstelling baas. Ik ben heel wèl.--Ga nu!--Hei! je vergeet dien pot. Je kunt hem wel wegdoen."
Zwijgend zit Van Barneveld nu een geruimen tijd binnen zijn lievelingsverblijf op een tuinstoel, met den blik, door de openstaande glazen deuren, over het smalle balkon der serre, in het tintelend verschiet.
--Wie heeft hem geroepen?
"Ah Coba, ben jij het! Wat is er?"
"Komt u ontbijten lieve papa? 't is al een kwartier over den tijd."
"Hé een kwartier.... Ei!--Geef me den arm kind."
"Waart u weer in gedachten verdiept?"
"Ja Coba, ik dacht daar juist dat het hier toch stil is, heel stil op den duur."
"Maar die stilte vind ik juist zoo heerlijk."
"Ei!"
Na eenige minuten, terwijl men aan de ontbijttafel heeft plaats genomen, herneemt de generaal met vaste stem, doch afgewend gelaat:
"Ik heb besloten De Zonsberg te verkoopen Coba."
Jacoba ontstelde! Toch kwam liet bericht niet geheel onverwacht. Zij heeft het gevreesd. Ze zwijgt.
"Spijt je dat Coba?"
"Het antwoord lieve vader, mag ik u schuldig blijven. Er is iets wat me meer spijt; u weet het."
"Meer spijt....? Wat meen je?"
Jacoba is opgestaan, en, bij den generaal gekomen, vlijt ze haar bleek gezichtje aan dien zilverwitten schedel: slaat den arm om zijn schouder, en dan bijna fluisterend zegt ze: "De reden wáárom u het doen wilt."
"Zwijg daarvan Coba."
"Och papa, kan ik dan zwijgen als ik zie dat uw dierbaar leven onder dien last moet bezwijken. Zou er dan geen mogelijkheid zijn om.... August, en Eva voor ons, voor ú te herwinnen?"
"Nee NEE! dat is ONMOGELIJK!" zegt de generaal met een kracht die de teedere Coba doet ontstellen: "Noem mij den naam van dat wijf niet meer, nooit, nimmer meer. De helle veeg die hem dronken maakt; de lichtekooi die...."
"Stil stil; bedaar beste vader...."
"Vergeef me klein lief meisje, ik dacht er niet aan dat jij hier waart." Hij strijkt met de hand langs het voorhoofd, en dan: "Jij bent heel wél niewaar? Tenminste.... je ziet er bepaald.... zeer zeer goed uit."
Jacoba beschouwt haar vader eenige oogenblikken stilzwijgend met teederen blik.--Neen, hij ziet er niet goed uit, in 't geheel niet. Zijn oogen staan flets, en in oogenblikken als deze, wanneer hij zich te veel door zijn smart laat vervoeren, bespeurt Coba zeer duidelijk dat zijn ademhaling beklemd is. Zie, terwijl hij zich achter een courant te verbergen zoekt, drukt hij de hand ter plaatse van het hart.
--Ja, Haar dierbare vader is ziek. Zijn hartzeer heeft mogelijk de kiem ontwikkeld eener kwaal waaraan zijn moeder, ofschoon in hoogen ouderdom, bezweken is.
--Indien de kalmte in dat hart mag terugkeeren en de juiste middelen worden aangewend, ja, dan kan ook die beste vader tot in hoogen ouderdom voor haar gespaard blijven, Maar anders....! Welnu, papa en Helmond moeten met elkander verzoend worden, 't koste wat het wil. August en Eva moeten den lieven vader excuus vragen.--Waarvoor?--Coba weet het zelf niet recht. Maar excuus moeten ze vragen, al ware het slechts omdat ze zonder haars vaders toestemming dat groote huis hebben gekocht. En als alles dan in orde is, dan moet dokter August papa eens flink onderhanden nemen, en hem weer sterk maken zooals hij het was voor weinige maanden.
Jacoba heeft haar besluit genomen: Al werd het haar ten strengste verboden om, op welke wijze dan ook, met Helmond of zijn vrouw in aanraking te komen, Jacoba meent het eenvoudige en eenige middel gevonden te hebben om den verbroken band der liefde weer aaneen te hechten.--Dominee Hoogerberg, den waardigen predikant, zal zij in den arm nemen. De verstandige leeraar zal, van zijn heerlijk standpunt, bewerken wat zelfs een eenig kind niet bewerken kan. Ginds zal zijn liefderijk vermaan tot ootmoed en berouw bewegen; en hier, door zijn bediening er toe gewettigd, zal hij wijzen op het voorbeeld van den lijdenden Jezus, die zelfs aan het kruis nog bad voor zijn moordenaren.
Den volgenden morgen was de schemering ternauwernood geweken, toen Jacoba Van Barneveld zich reeds op weg bevond om dominee Hoogerberg te gaan bezoeken. Een groot uur later mocht zij met dankbare zelfvoldoening de pastorie verlaten. De edele predikant, die wel met luste zich verblijden kon met de blijden, maar wiens dagelijksch leven inderdaad het waarachtige leven mocht heeten: een leven tot heil en geluk van anderen; dominee Hoogerberg heeft aan zijn lieve bezoekster zeer stellig beloofd dat hij hare mededeeling onder 't zegel der diepste geheimhouding zou bewaren, en alles doen wat hem mogelijk was om de zeer betreurenswaardige verwijdering--waarvan hij reeds hoorde spreken--ten goede te doen verkeeren.
Dominee Hoogerberg zou doen wat hem mogelijk was.--Meer heeft hij niet gezegd.--Ja zelfs toen hij het zeide vreesde hij meer dan hij hoopte. Hoogerberg wist maar al te goed, dat hij de harten der menschenkinderen niet vruchtbaar kan maken. Zaaien kon hij, niets meer! Eva Armelo's karakter meent hij te kennen, reeds van der jeugd afaan; en de oud-generaal, die haat, wat hij zonde noemt, met een vreeselijken haat, hoe zal men hem doen gevoelen, dat zijn onverzoenlijk haten een zonde tegen den armen schuldige wordt! Hoogerberg zou zaaien--zóó heeft hij in stilte besloten--mocht God den wasdom schenken, zoo mogelijk nog in dit leven!
Op haar terugtocht naar De Zonsberg neemt Jacoba, met een kleinen omweg haar pad langs het achterpoortje der groote kerk.
Nog eer zij het heeft bereikt, staat ze een oogenblik luisterend stil.--Neen, 't zwijgt alles daarbinnen. Haar hoop is in rook vervlogen. En zie, ook het poortje is gesloten. Maar stil, stil! Hoor dan.... Jawel; daar klonken de volle tonen van het orgel weer. Een huivering van blijdschap doortrilt Jacoba's leden. Neen, daar is niemand in het straatje, niemand die haar ziet. Ze slaat de hand aan den zwaren klinkring der kleine poortdeur. Ze was wel toe, maar niet gesloten....
't Is kil in de kerk. Een sterkere huivering doet Jacoba beven. Starend voor zich heen, staat ze daar stil en luistert. Vraag haar niet wat ze zou wenschen in dezen stond. 't Is immers zoo somber en eenzaam en kil in de ruime holle kerk.... hier beneden. En de orgeltonen, die daar van boven klinken, ze stijgen al hooger en hooger....
Met den arm op de leuning eener kerkbank geleund, bedekt Jacoba haar bleek gezichtje eenige oogenblikken met beide handen. 't Was haar eensklaps alsof ze zich in een luchtzee bevond, in een blauw tintelenden aether--eindeloos, eindeloos ver aan alle zijden. En, gansch van verre, daar zag ze hem zitten, als een koning, als David, spelend op de harp, hem den schoonen jongeling, den dierbare, die nooit heeft vermoed dat Jacoba hem zoo liefhad.--Nu is het voorbij. Dat was een week, een zonderling zwak oogenblik. Wanneer ze haar lang gekoesterd plan geheel wil volvoeren, dan moet ze nu krachtig en flink zijn.
Met de grootste verbazing zag Thomas Van Hake Jacoba het orgelkamertje binnentreden. Ofschoon hij wel gedurig aan Jacoba's wensch heeft gedacht om het orgel eens te zien; 't was al zoo vele weken geleden sinds ze dien wensch te kennen gaf, dat hij, althans in dezen stond, volstrekt niet op hare komst was voorbereid. Thom is in 't geheel niet verlegen, maar toch, het was hem bij Jacoba's binnentreden alsof het geheele orgelkamertje in brand stond.
In de eerste dertig seconden weet hij eigenlijk niet wat ze spreken; alles ziet hij dubbel, totdat hij eindelijk de eerlijke verklaring aflegt: waarlijk wel een beetje verrast te zijn, juffrouw Van Barneveld al zoo vroeg hier bij zich te zien.
"Ik stoor u menheer Van Hake; maar 't was onze afspraak dat ik eens in de vroegte zou komen kijken hoe het er op zoo'n orgel uitziet. Speel u gerust door. 't Klonk heel mooi. Gerust!"
"Nee, waarlijk niet juffrouw Van Barneveld. 't Is al een heelen tijd geleden sedert ik hier 't laatst speelde. En.... en...." Thom wist niet meer wat hij zeggen zou. O ja, hij moet haar 't een en ander uitleggen: "Ziet u juffrouw, hier zit je nou net precies als voor een piano, en je speelt er ook precies zoo op, en dan dáár op zij, ziet u, dat zijn de registers, die kun je uittrekken, allemaal een verschillenden toon; en daar beneden, daar heb je een klavier voor de voeten; dat is nog al zwaar, tenminste voor een bink zooals ik. Maar o, als u hier onzen goeden Donerie gezien hadt, dat ging met een gemak van belang!--Och, wilt u wel gelooven juffrouw, dat het geen wonder is als ik hier soms wat van streek raak. Goed is er nooit op dit orgel gespeeld dan door één, en die ééne was hij."
Nadat Thomas, die zich intusschen geheel herstelde, nog eenige explicaties had gegeven, moest hij ten laatste voor den wil van die "bleeke heerlijke engel" bezwijken, en speelde hij den 103den psalm zóó goed, dat zijn zalige meester, indien hij het had kunnen hooren, hem een bravo zou hebben toegeroepen.
Jacoba moest zich aan de leuning van de houten orgelbank vasthouden. Thom zit met den rug naar haar toe. Haar oogen dwalen het vertrekje rond.--De wanden zijn naakt; een klein wit houten tafeltje met een ouden matten stoel vormen het geheele ameublement.
--En op dat orgel, op dat klavier speelde hij dien zwanenzang! peinst Jacoba, terwijl de orgeltonen haar weemoedige stemming nog verhoogen.--En hier op deze houten bank, hier zat hij dan neer, en dacht er niet aan dat er ééne was, die de hardste bank en de soberste bete wel gaarne met hem zou gedeeld hebben haar gansche leven. Ach, waarom heeft ze door hier te komen de langzaam heelende wond weer opengereten?--Waarom? Omdat ze geen volkomen rust zou vinden, aleer ze die zucht had bevredigd om ook dit verblijf te zien, het kleine Zondagsvertrek, 't welk de dierbare wel eens zijn heiligdom genoemd heeft.--En is zij dan nú tevreden? Nogmaals ziet ze rond. Zou er dan werkelijk niets, volstrekt niets zijn, 't welk ze met zich kan nemen als een herinnering aan dit heiligdom, als een reliek....? Met haar kleine mes zou ze een spaander van die bank willen snijden. Ze zal.... Maar die knaap zou het bemerken; en dan.... Hoe! ziet ze wel? Steekt daar de punt van een blad papier uit de lade der kleine tafel?
"Volstrekt niet uitscheiden, volstrekt niet menheer Van Hake, ik vind het zoo heel mooi; 'k wilde maar even op dien stoel gaan zitten; 't voldoet nog meer zoo'n beetje achteruit. U speelt overheerlijk!"
"Och lieve juffrouw, 't is al te veel lof voor mijn broddelwerk;" zegt Thom, terwijl hij zijn hart voelt kloppen; en al voortspelend denkt hij: Ben je gek! Je zoudt uit de school van dien Kartenglimp moeten zijn, als je je zóó iets verbeeldde. Dat fijne lieve kind zou hier komen om jou! Schaam je wat! en immers--er is een vertelseltje: Daar was eens een apthekersjongen die geen cent bezat, en die jongen was een tijd lang een gek. Maar nu, hij is het niet meer.--Forto, Forto!
Thomas speelt inderdaad met kracht en gevoel. Maar Jacoba hoort het niet. Op den stoel nabij het tafeltje gezeten; gedurig het oog naar den speler gekeerd, trekt ze snel maar zachtjes de lade open. Van het piepend knarsen schrikt ze. Gelukkig werd het geluid voor den speler door het orgel overstemd. Het blad papier 't welk Coba's opmerkzaamheid had getrokken, bevredigt haar niet. 't Was een verfrommeld, afgescheurd muziekblad. Maar nu, zie, 't is een oud, geschreven muziekboekje 't welk ze, steeds dieper tastend, uit de la heeft te voorschijn gehaald.
't Hing zeer uiteen; een menigte aanteekeningen meest met potlood bevonden zich boven of beneden de notenlijnen.
Eensklaps overdekt een purperrood Jacoba's gelaat. Haar voorgevoel had haar niet bedrogen. Op de eerste bladzij daar leest ze: "Liedjes van Herman Donerie voor piano" en dan, met potlood er naast geschreven; "Prullen van een twaalfjarigen wildzang. Men dient te leeren lezen voordat men schrijft."
Neen, Jacoba bedriegt zich niet; dit alles is van zijn hand. En dat onschatbare manuscript lag hier begraven en vergeten in een la dier kleine tafel!....
--God, daar zwijgt het orgel! Van Hake ziet om, en haar aan. De gedachte om het boekje weer ijlings in de la te bergen is even spoedig verworpen als ze gerezen was. Inwendig bevend, tuurt Jacoba er in, en ofschoon het spreken haar moeite kost, toch zegt ze snel:
"Ik vond hier dit boekje, en dacht dat hetgeen u speelde er in stond, maar...."
"Hé, in dat boekje? ik ken het niet juffrouw, 't Was een psalm dien ik speelde."
"Ah juist," zegt Jacoba; en zich geweld doende, neuriet ze van het blad het begin eener melodie uit de "Liedjes van Herman Donerie."
"'t Komt me zoo bekend voor, zoo fameus bekend. 't Boekje is dus niet van ú mijnheer Van Hake?"
"Nee, pardon juffrouw!"
Jacoba heeft zich geheel hersteld.
Opstaande en hem het boekje toonend, vraagt ze:
"Kunt u ook zien of het hier op 't orgel thuis behoort?"
Van Hake heeft het ingezien, en niet zonder ontroering zegt hij:
"Dat schijnen oude composities van mijn besten vriend te zijn."
"Van....?"
"Van Donerie juffrouw.--Waarschijnlijk hechtte hij er geen waarde aan en bleef het boekje hier liggen."
"Och-kom.--Men zou het dus wel eens kunnen meenemen? Die ééne melodie komt me toch zóó bekend voor.... zoo fameus bekend.... dat ik ze graag eens zou spelen!" Ze legt het boekje op de tafel: "Wat ik zeggen wilde, u spraakt daar van uw vriend; hebt u nog al satisfactie van uw bemoeiing....?"
"U bedoelt voor dat monument juffrouw? Ja zeker," vervolgt Thom, en nadat hij vlug een kort verslag van den loop der zaken, en nog den meesten lof aan zijn ontslapen leermeester en vriend heeft gegeven, besluit hij op diep weemoedigen toon:
"Och, als u 't mij vraagt juffrouw, dan geloof ik vast dat ditzelfde orgelkamertje dien laatsten keer een soort van Gethsemané voor hem geweest is."
"Hoe zoo ...?"
"Och lieve juffrouw, er was er één die hij liefhad, en.... die eene...."
"Die ééne?" zegt Coba terwijl ze zich afwendt. Maar Thomas antwoordt niet. Is dan ook de Kippelaansduivel in hém gevaren? Heeft hij alweer te lang of te veel gebabbeld? Moest hij dan hier dat zwakke lieve engeltje met zooveel treurigs bezighouden! Zie, ze is weer zoo bleek als een doode geworden. De herinnering aan dien morgen bij Krul heeft haar zeker te fel geschokt. Lieve hemel, als ze nu hier weer ongesteld werd.... indien ze weer een flauwte kreeg....! Maar hoe ... een flauwte hier!! en haar dan te kunnen opvangen; haar te wiegen in zijn armen, te klemmen aan zijn hart; haar die lieve zachte oogjes onbespied weer los te mogen kussen, en....
--En.... een vervloekte struikroover te zijn, een geweldenaar, een inbreker. Thom, Thom! waar dacht je aan!
--Goddank! juffrouw Van Barneveld krijgt geen flauwte. Goddank, zijn armen en hulp zullen niet noodig zijn. Maar Thomas is nu verschrikkelijk de kluts kwijt. Waarom kwam ze dan ook hier! Immers hij heeft het haar niet verzocht.--Een apthekersjongen, al bezit hij geen cent, is immers ook niet van steen, maar van vleesch en bloed. Inderdaad, hij wenschte nu dat ze heenging, of anders zou het waarachtig nog kunnen gebeuren dat die apthekersjongen tóch een gek werd.
"O, zeer tot uw dienst juffrouw! 't Was al heel weinig en gebrekkig wat ik speelde. Als de juffrouw bij gelegenheid nog eens weer.... Maar nee, nee, dat mag ik niet vergen.--Wel de complimenten als ik verzoeken mag.--Voorzichtig, de trap is wat steil, voorzichtig!--Ei! wacht lieve juffrouw, u vergeet dat boekje, wacht!"
Of Jacoba het werkelijk vergeten had?--Ach, haar kloppend hart smeekt God in stilte om vergeving, dat het bewaren van haar hartsgeheim haar zoo dikwijls tot veinzen had gedwongen.--Ha! Er was er dan toch ééne, die hij heeft liefgehad!
O! zij heeft niet willen vragen, en nooit zal ze er naar vragen wie die ééne geweest is. Maar nu, ja gewis: wie zijn nagedachtenis het innigst vereert, die zal hij uit hooger orden de zijne noemen. O goede God, en wie vereert die nagedachtenis meer dan zij, de zwakke Jacoba!
TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
De avond die den dag voorafging waarop Eva's geboortefeest in het nieuwe doktershuis zou gevierd worden, was als 't ware de aankondiger van het gure seizoen. Geen wonder, October stond voor de deur. De regen viel bij stroomen neer, en de wind koelde zijn woede aan de reeds geel en bruin geworden bladeren.
Dokter Helmond liep--zooals hij zich in den laatsten tijd had aangewend--in gedachten de groote huiskamer op en neer.
"Maar lieve August, 't zou verschrikkelijk zijn!" zegt Eva, terwijl ze van haar borduurwerk opziende, langs de lamp heen haar wandelenden echtgenoot met de oogen volgt.
"Verschrikkelijk! Wat meen je Eva?"
"Wel, als het morgen zulk een weer was! Onze heele tuin-illuminatie viel in duigen; 't zou allerakeligst zijn!" Na een oogenblik stilte: "August, waar denk je toch aan? Weer muizenesten? Toe kom dan eens hier. Foei, tobberijen over niemendal, terwijl ik in zorg ben over 't geen ons nu toch het meest moet ter harte gaan: ons feest! het feest op den verjaardag van je wijfje August!
"Welzeker!" zegt Helmond: "als het zulk een weer was dan zou...."
Eva bemerkt niet dat haar echtgenoot in dit oogenblik een hevigen strijd heeft te strijden. Opgestaan is Eva hem nabijgekomen en zegt nu met haar zoetste stem: "Als ik morgen waarlijk den schoonsten dag van mijn leven door de liefde van mijn besten man zal genieten dan...." zij strijkt met haar zachte hand over Helmonds voorhoofd: "dan mag dáár geen wolkje te zien zijn. Weet je August, waar ik het nieuwsgierigst naar ben? Nee, ik zeg het niet.--Wil ik het toch zeggen?--Ja?"
"Ik weet niet wat je bedoelt Eva."
"Ei ondeugd, dat weet je niet? En je weet óók niet hoeveel die diamanten speld van mevrouw Van Leeuwen heeft gekost........?
Nee, daar heb je zeker niet naar laten informeeren niewaar?-- August, zeg.... ben ik er vér vandaan, of.... of vin-je dat visschen nu wat heel indiscreet? Maar och m'n beste man, je weet ook niet wat een schrikkelijke pret ik er in zou hebben, om morgen eens tegen over die deftige gravin Van Leeuwen te staan, en-- changement de décorations--dat ik dan op mijn beurt, zoo heel langs m'n neus weg kon zeggen--of als het àl te ondeugend was tenminste kon denken: Wat een aardig lief speldje hebt u daar aan, een lief garnituurtje! Ben ik ondeugend Guus? en vin-je me indiscreet? Nu, iets te zeggen dat behoeft niet, maar.... kijk me eens eventjes aan, dan kan ik wel zien of ik heel ver van honk ben.... Boe boe, wat kijk je zwart; is dat een verstoppertje-spelen misschien, zeg, lieve plaaggeest?"
Helmond aarzelt. Ofschoon hij een paar stel diamanten op bezien in huis heeft, neen hij zal ze haar niet geven.... neen! En bij God! ook haar partij zal niet doorgaan! 't Koste wat het wil. Beter laat dan nooit zal hij toonen dat zelfs die teerbeminde vrouw--zijn afgod--zonder wier bezit hem de wereld een graf zou schijnen, niet in staat is om hem, door haar kinderlijke zucht naar wat blinkt en schittert, op den duur als een dwaas te doen handelen, en haar door zijn zwakke toegevendheid in 't eind ongelukkig te maken.
"Eva kom hier eens zitten. Ja hier, dicht aan mijn zij.--Aan den laatsten avond van een jaar mag men wel eens een oogenblik aan wat ernstigs denken....
"Hemel August, het is me alsof ik dominee Hoogerberg hoor. Maar ja zeker, laten we nu eens als oude getrouwde luidjes--met een geheim, waar men nog niets van merken kan--eens heel heel ernstig praten." Ze steekt haar arm door den zijne, legt haar hoofd tegen zijn schouder, en vervolgt: "Morgen als de vrouw nu twee en twintig jaar oud wordt, dan zal er ten huize van dokter Helmond een soirée met soupee worden gegeven, zooals de goede stad Romphuizen nooit gedroomd had, dat er binnen haar doodsche wallen een zou gegeven worden. Nee chut! laat me nu eens eventjes heel ernstig praten: Op den avond van den acht en twintigsten September zullen de aanstaande heer van Romphuizen en z'n echtgenoot de graaf en gravin Helmond Van Armeloo--nu ja, niet al te ernstig kijken beste, want wie weet!--enfin, dan zullen ze al dien ouden en nieuwbakken adel uit den omtrek, eens toonen wat chic en bon ton is; dan.... Nee, ik bid je nog een oogenblik geduld! En dan overmorgen als Bel uit Amsterdam en La Fosse uit Utrecht alles weer netjes hebben opgeredderd en meegepakt, dan.... nu komt het.... dan gaan we verder eens heel zuinigjes en eenvoudigjes leven.--Goed hê?--Dan eten we nog een heelen tijd kliekjes van taarten en getruffeerde fazanten, en rijden heel deftig en ernstig...." Eva fluistert nu met haar onweerstaanbaar lieve stem: "ja heel ernstig, beste mannetje, naar den boer waar we ons lieve kleine popje zullen koopen, en.... Kom goeje Evertje Zwaarmuts, lach nu maar eens, en beken maar gauw dat ik wel heel ernstig ben, wanneer ik met al mijn illusies voor morgen, toch met zooveel plezier van de toekomst kan spreken, en je verzekeren, dat me waarlijk op den duur niets zoo gelukkig maakt als het bezit van mijn braven brompot, en de gedachte dat ik, al mettertijd, de moeder zal wezen van zoo'n engelachtig ventje, van ons heel klein snoeperig stamhoudertje, August."
De inwendige strijd, dien hij te voeren heeft, maakt Helmond ongevoelig voor de zoete omhelzing zijner Eva, zooals hij schier doof is geweest voor haar woorden, die deels weer de tolken waren van kaar ijdelheid, en deels ook der teederste aandoening van het hart der vrouw.--Helmond zwijgt nog een oogenblik. Nu zal hij spreken. Nú. Het moet! Morgen zou het te laat zijn. Reeds gisteren ontving hij een verzegelden brief van De Zonsberg; het resultaat der tusschenkomst van den waardigen Hoogerberg, het ultimatum van den oom.... Men moest terug: terug van den breed en weg die tot het verderf leidt! Terug, of anders...."
"Eva, toen je op dien avond te Parijs van me hoorde dat we 's-anderendaags zouden vertrekken, toen was je bitter teleurgesteld, maar je hebt je als een verstandige vrouw aanstonds getroost. Je bent alweer ouder geworden, en dus, wanneer er nú eens..."
"Och beste man, als je nu waarlijk graag wilt dat ik den laatsten nacht van mijn oudejaar rustig zal slapen, verg dan niet te veel van mijn verstand. Weet je waar ik plezier in heb? Ik heb er plezier in om nog maar altijd te denken, dat jij het verstand voor ons allebei hebt. En je hebt het; jawel! Maar je bent Evert Zwaarmuts, en 't zit er waarlijk op dat je me weer van voren afaan zult gaan beweren--ofschoon het wat te laat is--dat morgen het ijs en de ditten en datten wel konden wegblijven; en dat de blauwjassen evengoed zouden voldoen als de kapel die komen zal." Opstaande: "We moeten daar nu van afstappen lieve August. Teleurstellingen verwacht ik op mijn verjaardag niet."
"Eva.... het hooge woord moet er uit: de partij zal morgen niet doorgaan."
"August, is 't je in 't hoofd geslagen?"
"Daarvoor heb ik in de laatste dagen wel eens gevreesd. Het verstand voor twee was er zeker niet. Dáár Eva lees!"
Eva, doodsbleek geworden, ziet het geschrift in 't welk August haar toereikt:
"Ha! van hem!" zegt ze met weerzin: "Van dien bekrompen despoot! Wil hij eeuwig heerschen over mijn man? Nee dat lees ik niet; die schrale hanepooten doen me aan de magere jaren denken. Nee ik wil, ik wil het niet lezen."
"Als ik het je verzoek Eva?"
Eva, na zichtbaren strijd, zegt eensklaps met verheffing van stem terwijl ze stampt met den voet:
"Nee nee zeg ik je: dat mensch is de duivel, die zich tusschen ons stelt.
Helmond bedwingt een stijgenden toorn; en dan:
"Eva ik wil het: lees!"
Voor 't uiterlijke kalm ziet hij haar strak in de oogen. En zij, ze wijkt voor dien blik onwillekeurig een schrede terzij, en trillend als een popelblad door een onverwachten stormwind bewogen, nogmaals opziende naar den man, die zich eensklaps met zijn ongewoon ik wil het, zoo akelig gelden liet, vat ze het blad papier, ziet het in en, ofschoon het haar schemert voor de oogen en ze sommige volzinnen slechts ten deele begrijpt, ze leest nu den brief:
"Aan dokter Helmond!
"Er zijn twee wegen. De eene voert tot de eeuwige gelukzaligheid, de andere ter verdoemenis. Als dokter Helmond begrijpen wil dat hij sedert zijn huwelijk den laatsten weg heeft gekozen, en zich met zijn vrouw wil haasten om dien aanstonds te verlaten, dan zal de generaal Van Barneveld God danken, en zijn hart en huis zullen voor de jonge echtgenooten weer geopend zijn.
"Om op den weg die tot God leidt terug te komen, moet er echter met den vervloekten geest naar grootheid, naar verheffing boven zijn stand, en het weelderig genieten van Gods gaven zonder arbeid in het zweet des aanschijns, worden gebroken. Als voorwaarden, die van den goeden geest zullen getuigen, eischt de pleegvader, van dokter Helmond, dat men zoo spoedig mogelijk zal terugkeeren tot den kring waarin men behoort, en allereerst tot de woning, die men zonder reden voor een paleis heeft verwisseld. Het oud-burgemeestershuis zal met zijn meubels en versiersels binnen vier weken publiek moeten verkocht worden, om den volke te doen zien dat dokter Helmond werkelijk leven moet van zijn praktijk. Als bewijs dat men met Gods hulp tot het goede wenscht te besluiten, zal de partij ten zijnen huize worden afgezegd. Men vrage niet wat de wereld zal denken of spreken, men bedenke alleen wat God eischt en wat eerlijk en goed is. Een eerlijke retraite is geen schande. Indien het bewijs der goede gezindheid op den 28sten September wordt gegeven, dan zal de oude pleegvader dienzelfden dag zijn kinderen met open armen ontvangen, en, zoo er door daden, die de krachten te boven gingen, schulden mochten zijn, hij zal ze zwijgend vereffenen.
"Andere redenen, die een verwijdering zouden wettigen, bestaan er niet meer. De pleegvader wil vergeven en vergeten.
"Dit ultimatum is geschreven in overeenstemming met den waardigen leeraar dezer gemeente Ds. Hoogerberg.
"Herinnert u te zamen het woord van den heiligen stichter onzer religie, den Zoon van God: "Gij kunt Gode niet dienen en den Mammon!"
Alexander Van Barneveld
De Zonsberg, 26 September 18...."
"Afschuwelijk! Afschuwelijk!" barst Eva los met bevende stem: "Mijn God! welk een toon! Den Mammon dienen! Ha, wie durft daarvan spreken! Hij, die zelf in dienst van den geldduivel is!"
"Vrouw! zwijg!" roept Helmond met krachtige stem: "Als je me waarachtig liefhebt, vergrijp je dan niet opnieuw aan den man dien ik vereer en die het goede wil. Zwijg zeg ik je! Hoor je me niet! Ja, 't is nu genoeg, hij heeft gelijk: wij zijn op een rampzaligen weg!" Met verheffing van stem en Eva aanziende, zoodat ze hevig ontsteld een schrede teruggaat: "Ik zeg je Eva, die man heeft waarachtig gelijk; met dien vervloekten geest, die zucht naar grootheid en verheffing boven onzen stand, moet gebroken worden!-- Sta daar zoo niet te beven. Mijn toorn kind, geldt mij zelf in de eerste plaats, ja waarlijk, mij zelf geheel alleen. Eva, ik was krankzinnig, ja waarachtig!"
--O groote God, wat ziet hij haar akelig aan! Wat wil dat zeggen, krankzinnig! Nee nee, dat is hij niet, nee, stil stil. Goddank, hoor maar, hij spreekt bedaarder; hoor, hij noemt haar weer zijn beste kind, zijn lieve vrouw, Maar toch, dat gewone punt der tobberij wordt met een schier aan krankzinnigheid grenzenden angst behandeld.--Men moest terugkeeren tot den eenvoud waarop de pleegvader zoo gesteld is, men moest....
"Maar August, zoo waar als ik leef, die brief is geschreven door iemand die...."
"Die het goede wil, die begrijpt dat ik mijn kind, mijn schat niet bewaar met de trouw door mij bezworen; door een man die ons verderf tegemoet ziet, die mij in stilte bij mijn waren naam noemt: een zwak man tegenover zijn vrouw.--Eva, dat zal eindigen; zoo waarachtig als ik je liefheb, zoo waarachtig zal dat eindigen! Die brief is kras maar goed. Zachte medicijnmeesters maken stinkende wonden. Dat ultimatum moet worden nageleefd. De partij zal morgen niet doorgaan!"
Eva moest zich met de beide handen aan de tafel vasthouden. Die man.... háár man, hij maakte haar werkelijk angstig. Dat is geen taal van een verstandig man. De partij morgen niet doorgaan!--Zou het dan ernst zijn, waarachtig ernst?
Helmond haalt een aantal pas geschreven klein gevouwen brieven uit den jaszak te voorschijn:
"Ziehier Eva, dit zijn de bewijzen dat ik het goed met je meen. Voor zooveel mogelijk zullen wij deze briefjes nog van avond laten bezorgen. Als reden geef ik op dat je ongesteld bent geworden. Je teleurstelling zal die ongesteldheid zijn, want teleurgesteld dát ben je zeker."
Eva ziet hem aan met angstigen blik, en zegt nu met doodsbleeke lippen:
"August, ik word werkelijk bang.--Je bent toch niet.... zeg lieve August, je hebt toch geen erge hoofdpijn niewaar?--O, o! die akelige vrek zal hem krankzinnig maken."
"Nee Eva, oom zal me genezen. We zullen handelen volgens zijn wil, en dan zul je leeren inzien dat hij het goed met ons meende."
"Je spreekt dus met je volle verstand August! En ik versta je wel: aan dien onzin zou je gehoor willen geven!? Maar dat is onmogelijk! Wartaal, waanzin staat daar te lezen. Terugkeeren naar het oude huis, en dit huis publiek verkoopen, binnen vier weken!-- Publiek verkoopen en publiek schandaal maken is hier volmaakt hetzelfde. Gesteld eens dat die oom met eenig recht oordeelde dat onze manier van leven wat te weelderig is, zou een verstandig mensch dan ooit op het denkbeeld komen om zulk een ultimatum te schrijven. Daar spreekt haat en wangunst uit dat schrift."
"Eva, je kent mijn pleegvader niet; hij was van mijn jeugd afaan...."
"We weten dat, hij was je voorzienigheid, maar nu--nú is hij een wangunstige vrek die...."
"Zwijg, zwijg zeg ik je!"
Er was woede in Helmonds blik. Eva stuift achteruit, en dan in een vreesachtige houding met haar bevende klankvolle stem:
"Is dat je liefde man!--O God, wie had dat kunnen denken; op den vooravond van het feest waarop ik mij zoo verheugde, en dat hij mij eerst zoo hartelijk gunde! O! waarachtige liefde bestaat niet meer. Vertrouwen nee, vertrouwen kan men den edelste niet.... O God!"
"Schrei niet Eva, kind, schrei niet! Ik zal je toonen dat ik je liever heb dan ooit; liever dan mijn leven."
"Och August, hoor ik goed? Zul je, ja zul je zeker.... dien brief vol waanzin verbranden en me gelukkig maken....?"
--Gelukkig maken!
Helmond voelt zich eensklaps het hart als door ijskou versteenen. Neen hij beseft het volkomen, op den weg dien hij terug moet zal zij nimmermeer zich gelukkig gevoelen! Dat heeft hij bedorven voor altoos. De kleine woning aan den wal, waaraan ze allengs misschien zou gewend zijn, en waarin ze waarschijnlijk als jonge moeder gelukkig zou zijn geworden, nu, indien ze er moest terugkeeren, ze zal haar zijn als een graf.
"O ik wist het wel," vervolgt Eva met verruiming dewijl ze Helmonds zwijgen reeds voor toestemmen houdt: "Wat August eens aan zijn Eva schonk of toezeide, dat neemt hij niet terug. En méér beloven of schenken dan je doen kondt, dat heb je nooit gedaan; nee nee August, dát weet ik, dáárop bouw en vertrouw ik als op een rots. Je eigen woorden zijn me altijd een waarborg geweest, en je uitstekend verstand.... O, er is maar één knap en verstandig man in Romphuizen.... Lieve, lieve Helmond!"
--O God, hoe kan hij zich redden met haar, en zonder haar van zich af te stooten; zonder haar te dooden misschien? Immers zóó kan en mag het niet langer. In die weinige maanden reeds steekt hij diep in schulden, en voor een goed deel werd hij ondanks zich zelven, de schuldenaar van een man voor wien hij vriendschap huichelen moet. Slechts weinige dagen geleden ontving hij nogmaals van den majoor Kartenglimp een paar duizend gulden ter leen,--helaas! nu reeds door hem op rekening gesteld van ooms nalatenschap!--En die nalatenschap zou dan voor hem verloren zijn, voorgoed verloren!--En zonder dat uitzicht zou hij voortgaan op dezen weg!--O hoe spoedig zal dan het oogenblik der schande komen. Sinds hij aan die nalatenschap dacht, werd het uitzicht op eigen gewin al meer en meer beneveld: de verhouding tusschen het debet en credit was reeds sedert lang geheel verbroken.
--Terug! aarzel niet langer! roept de stem van 't verstand den jongen dokter toe, en de stem der liefde roept mede: Terug naar het hart van den pleegvader die, ofschoon hij niet volmaakt is, nu het treffendst bewijs heeft gegeven zijner liefde door het schrijven van dien brief. Immers, Helmond alleen kan beseffen wat overwinning hij op zich zelf heeft moeten behalen om dien regel te schrijven: dat de pleegvader zou vergeven en vergeten.... ja ook aan Eva vergeven, dat ze hem schold voor een trotsch en een gierig man!
"August.... waar ga je heen?"
"Ik ga goedmaken wat ik misdeed; ik ga eindelijk voor je welzijn zorgen kind!"
"Je bedoelt....?"
"Ik zal Herman deze briefjes ter bezorging geven, en laten telegrafeeren naar Amsterdam en Utrecht dat de partij niet kan doorgaan."
Het wordt Eva alsof er vonken vuurs door de kamer spatten, alsof het hooge stukadoorwerk naar beneden buigt en wringt.
--Als Helmond niet op den weg is om krankzinnig te worden--o vreeselijk denkbeeld--dan, dan is hij een tiran, een leugenaar, een.... Neen dát is niet mogelijk; hij wordt gedreven door den wil van een despoot, die hem onder zijn ijzeren schepter wil terugbrengen. --Eva beseft dat ze al haar geestkracht en al haar verstand zal behoeven om haar man, ter voorkoming van publiek schandaal, van besluit te doen veranderen. Ze voelt zich nu sterker. Ze zal kalm wezen, dat is het beste.
"Weet jij niet meer August," herneemt Eva: "wat me voornamelijk zoo gelukkig maakte in den laatsten tijd? 't Was het volle vertrouwen op mijn man. Sinds dien brief van Jacoba, geloofde ik in je, August, geheel en al; want je hebt woord gehouden; en als je wel eens aan 't tobben raakte, waarschijnlijk in navolging van dien ouden heer, dan sloot ons gesprek toch met de zoete verklaring; dat mijn August niets deed wat onverstandig was."
Helmond voelt weer dat pijnlijk hoofdkloppen.--Hoe verpletterend klinken die woorden, en toch op dien zoeten toon. Nu zegt hij:
"Eva, straks zullen we verder spreken en alles behandelen, dan zullen we elkander geheel verstaan en zeker in 't einde elkander liever hebben dan ooit.... Nu.... 't is hoog tijd; de telegrammen moeten vóór zevenen bezorgd zijn...."
Eva houdt zich oogenschijnlijk kalm.
"Wanneer die telegrammen en brieven werkelijk verzonden werden Helmond, dan zou daaruit blijken dat de man die het deed--zoo hij niet krankzinnig is--zijn jonge vrouw heeft bedrogen, weken en maanden lang". Fier en gevoelig: "En dat is niet zoo; zoo waar als er een God leeft, dat is niet zoo. Nee, hij behoefde zich niet te bekrimpen, maar zou het nú uit overgroote goedheid willen doen, om.... een ouden man te believen.--Zeg, zou je dan willen August, dat ik je tóch voor een zwak en niet te vertrouwen mensch hield!? Hoe! Mijn rots, mijn rots....!!" Zij vliegt op hem toe en omhelst hem in vervoering: "Mijn schat in dit leven! Nee nee dat wil je niet!"
--O God, als hem dan door zijn eigen vrouw de dolk op de borst wordt gezet:
"Ja ja Eva, ik herhaal het, ik heb je bedrogen; reeds weken lang leefde ik als een dwaas, en stak mij in schulden, terwijl ik zuinig had moeten zijn en klein en nederig...." Maar Helmond kon niet voortgaan met spreken. Eva had hem een oogenblik met doodsbleeke lippen aangehoord, en nu, hoor, nu berst ze in een zonderling lachen uit; hoor, al sterker en sterker.
"Eva! kind!--bedaar! Lach zoo wonderlijk niet. Eva je maakt je te zenuwachtig. Eva!--Eva!!"
Maar of Helmond ook poogde haar tot bedaren te brengen, het baatte hem niet. Vreemder en vreemder werd steeds dat lachen. De schok, dien Helmond haar heeft toegebracht, was nog grooter geweest dan hij het zich heeft kunnen voorstellen, en de woorden zuinig en klein en nederig, welke Eva in den laatsten tijd zoo dikwijls al schertsend had weerlegd, ze hebben, bij het ontvangen van dien schok, vermoedelijk tot dat akelige lachen aanleiding gegeven.
Eenige seconden later is dat droevige lachen in schreien overgegaan, en--een soort van bedwelming, die straks door een rustiger inslapen zal gevolgd worden, heeft haar nu vermeesterd.
Eva ligt op de sofa; kleine snikken ontsnappen aan haar fijngevormde lippen. August ondersteunt nog altijd het canapé-kussen waarop haar hoofd rust.
--Stil, zoo aanstonds zal ze inslapen. Hoor! nog een snikje, nóg een.... een lange zucht en:
"August!" klinkt het zacht.
"Wat is er lieve? Hier ben ik."
"Zoo ben je daar, dat is goed. Waar was je? Morgen, o, heerlijk, morgen!"
Weer volgt er een zucht. Een langgerekt geeuwen klinkt er, en--hoor, ze slaapt, ja zeker ze slaapt.--Zachtjes trekt Helmond zijn arm onder het kussen terug, en.... ziet nu om naar de pendule.
't Was--halfacht.
--Te laat!--De telegrammen kunnen niet meer verzonden worden.--En, morgen reeds met den eersten trein zal men uit Amsterdam komen om alles voor het soupee te regelen en, voor zooveel noodig, ook hier gereed te maken. En reeds dezen avond gaan de bloemen en bouquetten uit Utrecht op weg en....
Helmond staat in gepeins als verloren.
--Maar zou Eva's lichte ongesteldheid--die bovendien niet onnatuurlijk is in haar omstandigheden--zou ze niet als 't ware een bestiering zijn geweest? Dáárdoor werd het te laat... !!--Dominee Hoogerberg heeft gezegd dat oom Van Barneveld niets liever dan een toenadering wenschte, indien Helmond voortaan wat meer wilde bedenken hoe hij als dokter in Romphuizen moest en kon leven.--Dat was een gematigde toon. Die geest was verstandig.--Zóó, indien oom Van Barneveld er goed over denkt, ja, zóó kon hij terugkeeren. Maar Eva heeft gelijk: zou het verstandig zijn om op een wijze als in dien brief werd begeerd publiek schandaal te maken?--Eva heeft het bij den rechten naam genoemd. Hoe zal men over een dokter spreken, die zóó door zijn eigen pleegvader wordt aan de kaak gesteld! Zulk een dokter zal men verachten inplaats van hem te vertrouwen. Die brief, dat ultimatum is waarachtig onzinnig. Een feest ter eere van zijn jonge vrouw moet zonder een geldige reden eensklaps worden afgezegd, en duizend tongen zullen in beweging komen en zeker die jonge vrouw niet sparen! En binnen de vier weken zal men dit huis moeten ontruimen en verkoopen....!
Aan zijn gedurig hoofdlijden moet Helmond het toeschrijven dat hij oom's ultimatum in den aanvang zoo letterlijk heeft opgenomen--Goddank daar komt licht! Morgen op Eva's verjaardag zal hij zich zoo vroeg mogelijk met haar naar De Zonsberg begeven. De oom en pleegvader zal dien stap waardeeren en de redenen moeten billijken, waarom het feest voor 't laatst nog moet doorgaan. En dan, het vraagstuk zal worden opgelost meteen, hoe dokter Helmond zijn nieuwe woning zal kunnen verlaten zonder zijn goeden naam te bederven, zonder zich belachelijk te maken in het oog der geheele stad. Hij kan den pleegvader het voorstel doen om zich elders als dokter te gaan vestigen.
--Welzeker, denkt Helmond voort, zulk een schrijven draagt te vele blijken van overijling, dan dat de verstandige oom er niet op zou terugkomen. 't Is waar, wat hij eens heeft gezegd dat blijft in den regel gezegd; "wat geschreven staat dat staat geschreven," maar toch, met blijdschap herinnert August zich nu den avond vóór zijn trouwen, toen de onveranderlijke oom uit eigen beweging een overeenkomst vernietigde, waarvan hij bekennen moest dat de eischen, zoo niet te sterk, althans niet helder door hem gesteld waren.
--Goddank! zegt Helmond nog eens in stilte, want voor het oogenblik is hem niets zoo welkom als de rust die hij zich zelf door zijn overlegging bezorgde: Onzinnig wreed zou het zijn om nu dat kind, ja wat is zij anders dan een verrukkelijk kind! om haar "haar eigen feest" te ontnemen. Langzaam, zeer langzaam moet hij met haar terug indien ze niet verwelken en verkwijnen zal.--Zooals hij haar straks heeft geschokt, dat was werkelijk tirannie. Welnu dan Helmond, wees krachtig en wijs voortaan, en waak met verstand, terwijl een trouwe pleegvader den terugtocht wil dekken; maar sla dan ook niet tot uitersten over. Ze konden die engel dooden en mét haar, o lieve God, de teedere spruit, wier eerste kreetjes ook voor haar reeds meer waarde zullen hebben dan parelen en diamant.
Eva slaapt rustig. Zie, de zachte blos is geheel op die donzen wangen teruggekeerd. Met den rug van zijn hand glijdt Helmond er zachtkens langs heen.
--Parelen en diamant, herhaalt hij nu bijna overluid, en drukt de beide handen vluchtig tegen zijn hoofd, dewijl het daarbinnen toch gedurig nog zoo vreemd en pijnlijk klopt.--Parelen en diamant! 't Zou de grootste dwaasheid zijn!--Maar, indien ik ze aanstonds genomen had, dan zou die dwaasheid reeds zijn geschied.... In alle geval 't zou op het groote geheel slechts een kleine doorslag wezen. Indien men dan liefdevol in de armen van den pleegvader terugkeert, dan zal hij op den laatsten misgreep-- die zoo natuurlijk uit den vroegeren geboren werd, niet letten. Oom Van Barneveld schreef: Zoo er schulden mochten zijn, ze zullen zwijgend vereffend worden.--Ach, als hij haar dan nogeen enkele maal zoo innig gelukkig zal zien.... Nee, nee, nee! "Weg Satan, weg!" zegt Helmond eensklaps overluid en stampt met den voet. zóó hard dat Eva er vluchtig van ontwaakt.
"Weg! Weg Satan! Trotsch, schriel! Weg!" zegt ze half wakend, half droomend.
Helmond ziet haar weer inslapen; maar nochtans zijn onrust komt sterker terug: Tot nogtoe heeft hij buiten Eva's vijandige gezindheid tegen dien oom gerekend. Zal zij er toe kunnen besluiten om morgen op haar jaarfeest tot hém te gaan. Neen neen.... !
Maar zie hoe men tóch denken kan met een steeds sterker bonzend hoofd.--Ja, zij zal er blij en geheel vrijwillig heengaan! O, die verzoening zal schoon zijn. Zie, zóó moet het gebeuren: Het fraaiste stel diamanten zal Eva als een verrassing ontvangen, en August zal haar doen gelooven dat diezelfde "schriele oom" het haar toegezonden heeft. Maar natuurlijk, zij mag den generaal dan niet spreken over zijn geschenk. En, met te dieper gevoel zal zij den grijzen weldoener bij dat morgenbezoek in de armen snellen, teruggekomen van haar onbillijk oordeel, en met de stilzwijgende verklaring van dankbare liefde.--O, en de warmte waarmee zij den oom--en geheel vanzelf--zal tegemoet ijlen en omhelzen, zij zal weldadiger werken op dat hart dan duizend verklarende woorden. Het stel diamanten zal zeker nooit door Eva vergeten worden.....
Zooeven had de huisschel geklonken, en dewijl men nu de kamerdeur naderde, liep Helmond zachtjes naar de deur, opende haar zonder gedruisch, en begaf zich al spoedig naar de spreekkamer, waar hem iemand wachtte, die hem noodzakelijk alleen wilde spreken. Bij de kleine lamp, die in de spreekkamer was neergezet, stond een aardig burgermeisje van zestien jaren omtrent.
--Wat ze verlangde?--Nee, zieken waren er gelukkig niet, maar dokter moest niet kwalijk nemen; ze was zooveel als Grietje van Wulters den huisschilder.
"Ah zoo!" Helmond voelde eensklaps iets zeer beklemds: "En.... ?"
"Ja dokter," vervolgt het meisje: "vader was een beetje opzichtig om u zelvers lastig te vallen, nadat u gezegd hadt van over drie maanden; en.... Maar ziet u, vader had ook al die inslagen van glas en behangselpapier moeten doen, en dáárom: en ook omdat vader zoozeer geen krediet heeft in Amsterdam, ziet u, nou zou vader een wissel krijgen, en dacht moe dat we maar zoo vrijpostig moesten zijn om u.... ja ziet u dokter, 't is een heeleboel geld, maar zulke mooie papieren, en het blommenhuis en al dat dure glas zei vader en.... vader heeft er ook hard voor moeten werken dokter."
Helmond heeft de kwitantie a zeshonderd en tien gulden, van het eenigszins bevende Grietje aangenomen en ingezien.
Groote getallen spreekt men zoo gemakkelijk uit. 't Was een slagveld met tienduizend of--daar wil ik afwezen--van honderdduizend lijken, zegt iemand, en de hoorder fronst bij beide getallen schier even zwaar het voorhoofd. Over het kleine verschil van negentigduizend lijken stapt hij gemakkelijk heen.
De betrekkelijk kleine sommen, die telkens en telkens het geld hadden verslonden, 'twelk de dokter extra heeft moeten opnemen, herinnerden hem gedurig en ook nu, hoe hij in den laatsten tijd maar zelden goed heeft doorgedacht, dat, om duizend gulden te kunnen betalen, men tienmaal honderd gulden moet bezitten.
--Doch waarom nú het arme hoofd daarmee gebroken! Kon hij dan een oogenblik vergeten dat hij juist morgen.... Goddank! van allen last zal ontheven zijn? Zal oom niet morgen stilzwijgend zijn schulden vereffenen....?
"Kindlief, als vader verlegen is dan zal ik hem graag voldoen. Wanneer zou die wissel vervallen?"
"Vader zei dat ik maar zeggen moet morgen dokter, maar als ik goed heb gehoord, dan spraken va en moe van Dinsdag, da's overmorgen dokter. Ziet u, ik wil niet buiten mijn hart spreken dokter."
"Doe jij dat nooit lief kind. Nooit!" zegt Helmond en drukt weer de hand op het hoofd: "Ga nu naar huis, en zeg aan vader dat hij er vast op rekenen kan overmorgen zijn geld te zullen krijgen."
"Bestig, alsjeblief dokter.--O, zou ik dat papiertje weer meenemen dokter.--Och, 't was in goeje handen."
Geen tien minuten later had Helmond een geheel ander bezoek.
't Was Archibald Hardenborg, die met een ongewone bedruktheid op 't gelaat, kwam informeeren of het waar was 'tgeen hij dezen middag van den generaal van De Zonsberg meende verstaan te hebben, namelijk dat de verjaringspartij morgen waarschijnlijk niet doorging?
Nog een oogenblik wacht Helmond en aarzelt een antwoord te geven. Maar dan:
"Nee amice, daar is geen quaestie van. Oom zal bedoeld hebben dat hij waarschijnlijk zelf niet komen zou. Oom is dezer dagen niet zoo heel fiksch.--Hoe.... hoe von-je dat hij er uitzag?"
Na een uitroep van blijde verruiming vervolgt Archibald:
"Hoe de generaal er uitzag? Ja om je de waarheid te zeggen, ik weet wel dat ie z'n degen en epauletten niet aanhad, maar voor de rest heb ik meer naar het fijne popje gekeken. Lief bleekneusje! Verduiveld, mijn trouwe reparateur, ik ben in de laatste dagen in zoo'n fragile positie. 'k Stond den dood uit dat je feest niet zou doorgaan." Geheimzinnig: "De Zonsberg--uit! finaal, totaal! Bij dat laatste bezoek dezen middag begon ik waarachtig een oogenblik sympathie voor bleek te krijgen. Enfin, ik geef het gesprek zoo'n polsenden draai,--je begrijpt dat--en verneem zoo en passant van een paar heel bleeke lipjes, dat het, volgens de overtuiging van die lipjes, groote zonde is wanneer een zwak en dikwijls sukkelend meisje haar hand schenkt aan.... Enfin, 't kwam er zoo'n beetje gevoileerd uit, maar 't wou toch zeggen: Als je er ooit aan denken mocht om me te vragen, reken er op dat je een heel mal figuur zoudt slaan."
"Ik dacht Archibald, dat freule Marie Narwal...."
"Stil stil: papa had een drietal geformeerd, en immers een oogenblik begon ik bleek nog al interessant te vinden, 't Is in zooverre niet ongemakkelijk indien candidaten zich terugtrekken.--Vin-je me pedant? Waarachtig, papa zou het me maken. Maar amice, er is er toch maar ééne, die ik van het eerste oogenblik afaan.... Zieje, en daarom werd ik drommels benauwd dat je partij niet zou doorgaan. Begrepen? Ik droom geregeld van dat engelachtige kind.--Apropos, komt Ronner, die poesbaard ook op het feest?"
"Wie zeg je, Ronner?"
"O sapperloot, ik meen Kattenglimp."
"De majoor Kartenglimp? Jawel."
"Zeg, vin-je dat au fond geen fameus gemeene type?"
"Gemeen!?--Dat is te zeggen, nobel is anders, maar gemeen...."
"Enfin, 't komt zeker door die frappante gelijkenis; 'k had hem maar eens gezien, op de ree van Batavia toen hij scheep ging; ik spreek van dien Ronner--maar, als twee droppels water! Grooter schoelje en poltron heeft er nooit een degen gedragen. Alleen ter wille van zijn moeder liet men hem loopen.--Maar ik zie het, ik hou je op.... jawel, je zult nog 't een en ander te bestieren hebben. Je charmant lief vrouwtje is zeker ook zoo'n beetje in de weer; men kan niet alles aan de domestieken overlaten. 'k Heb daarom met voordacht alleen naar mijn cordialen dokter gevraagd. Wat zul je morgen gelukkig wezen! 'k Zei gisteren aan papa: als Helmond voor zoo'n vrouw folieës deed, ik zou hem waarachtig de bon coeur mijn compliment maken."
"Helmond, Helmond! waar ben je?!" klinkt het luide in 't voorhuis. --Verrast den luitenant bij haar echtvriend te vinden, blijft Eva een oogenblik later op den drempel van het spreekkamertje staan. Ze was nog wat licht in 't hoofd van de flauwte, die haar na dien vreeselijken schok bezwijmen deed. Bij 't ontwaken wist ze in den aanvang niet of ze gewaakt of gedroomd had. Maar toen, toen moest en zou ze het weten. En nú, o Goddank! hoor maar, 't was alles alles een droom. August stemt immers dien luitenant zonder eenige terughouding toe, dat zijn vrouwtje morgen de schoonste feestkoningin zal zijn, die er ooit op aarde bevelen gaf. Hij ziet er volstrekt geen bezwaar in dat Hardenborg haar engageert voor een enkelen dans. Hij spreekt het niet tegen dat hij zijn vrouwtje morgen en haar gansche leven verwennen zal. Goddank! 't was dus een droom.... of neen, toch niet: het is een zinsverwarring, een misverstand geweest. Die dwaze brief van den "uitgedienden generaal" heeft August straks voor een oogenblik op 't sterkst in zijn gewone tobberij doen vervallen. Neen, men was niet arm.... Hoor maar, hoor, hij stemt het weer toe: Morgen, ja zeker, morgen zal het gansche huis één enkele feestbouquet zijn ter eere van Helmonds "engelachtig vrouwtje".
DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Reeds in den vroegen morgen van den 28sten September heerschte er een buitengewone, maar nochtans een fluisterende, en op de teenen loopende levendigheid in het prachtige doktershuis. De groote schuit met kostelijke bloemen, sierpotten en guirlandes, de Utrechtsche schuit, waarin zich mede een menigte groote en kleinere ruikers bevonden, was aangekomen, en, onder het oppertoezicht van dokter Helmond zelf, haastte men zich nu om werkelijk zijn nieuwe woning voor een goed deel in een lusthof te herscheppen.
Het kon niet anders of het hart moest wel feestelijk kloppen wanneer men de vroege herfstzon, na een avond en nacht van regen en wind, zoo vroolijk zag blinken op de heerlijke heester- en bloemgroepen, die met zooveel smaak in de zalen en kleinere vertrekken van het deftige doch riante doktershuis waren gerangschikt.
De Utrechtsche bloemist, die het laatste woord over de aanstaande partij in stilte met mevrouw Helmond had gewisseld, heeft toen gezegd, dat mevrouw het nu alsjeblieft maar eens aan hém moest overlaten. Helmond, die daarvan niets vernomen had, moet nu in stilte erkennen dat de bloemist meer gedaan heeft dan hij had durven verwachten, en de feestelijke geur in zijn woning--waartoe de geraniums en oranjebloesems, de reseda's en heliotropen, ja zelfs tot in het breede marmeren voorhuis, de guirlandes van fijne dennetakjes samenwerkten--werd er in zijn schatting nog door verhoogd.
Eva dient nog een weinig geduld te hebben. De serre die voor het orkest werd ingericht, moet nog eerst met de oranjeboomen en de kleinere heesters aan de binnenzij gemaskeerd worden. Hoe netter alles in orde is vóórdat ze beneden komt, hoe gelukkiger ze wezen zal, en ook--hoe eer ze te bewegen zal zijn om nu zoo spoedig mogelijk aan den wensch van haar man te voldoen en oom Van Barneveld een hartelijken zoen te gaan geven. Meer is er niet noodig; August gelooft het zeker: met dien enkelen zoen koopt ze ooms liefde, en herstelt ze wat anders niet te herstellen zou zijn.--Maar wacht, nu wordt het ook tijd dat hij doet wat vooral noodzakelijk is.
Haastig naar zijn kamer gegaan, staat Helmond eenige oogenblikken later met twee bijouteriedoozen in de hand, terwijl hij den inhoud ervan nauwkeurig beschouwt. 't Zijn de twee stel diamanten die men hem ter keuze voor een paar dagen heeft willen toevertrouwen.
--Niet langer gedraald, denkt Helmond in 't eind: Het verschil in prijs staat niet in evenredigheid tot het onderscheid der beide garnituren. 't Zou immers mogelijk kunnen zijn dat die kleine broche haar toch niet voldeed. Mevrouw Van Leeuwen is de maatstaf, en ik geloof dat de broche der gravin.... Nee, de indruk dient ineens beslissend te zijn. Oom moet in haar oog een halve verkwister worden. En inderdaad, wat maakt dit bagatel op het geheel! Het garnituur zal betaald worden van hetgeen ik nog bezit, en dan, in 's hemelsnaam, oom zal dan herstellen wat ik vooreerst bezwaarlijk goedmaken kan.--Komaan, deze laatste dwaasheid zal dienen om terug te komen op den weg van 't verstand.
Alvorens nu haastig de doos met het fraaiste garnituur in papieren te wikkelen en er een pakje van te maken, haalt Helmond eenigszins gejaagd--alsof hij bevreesd was dat men hem bespieden zou--een klein apothekersdoosje uit den zak, en neemt er een drietal pillen uit, die hij even haastig gebruikt.--Goddank, hij blijft toch tamelijk wel, en zijn ziekenbezoeken, die echter in den laatsten tijd nog al zeer zijn verminderd, kon hij dagelijks waarnemen; maar toch, daar woelt iets vanbinnen dat niet goed is.
--Doch heden, welzeker! wie zou er in zijn plaats niet fiksch en blij zijn; blij vooral dewijl het de feestdag is van een vrouwtje:
Als een gazelle rank; Als teedre lelies blank; Met kluistrend alvermogen In haar blij lachende oogen; En in haar rozenmond Die hem haar min verkondt: Een hemelsch reinen klank! O Eva mijn engel! Ja, eindloos meer Dan een schitterend leven, vol roem en eer, Dan de kronen der wereld, dan de schatten der aard Zijt gij, zoete duive, mij lief en waard.
Neen, een dichter is Helmond niet; maar met zulk een bekoorlijk wezen, dat men het zijne mag noemen, met een vrouw zoo vol smaak, gevoel en talent, ja dan moest men wel van steen zijn indien men niet somwijlen warm werd en zong. Nochtans 't was geen verjaarsgedicht, 't was al eenige weken geleden dat hij zijn hart zoo eens lucht gaf.
Nu is het kleine pakje, waarin geen letter schrift was te vinden, gereed. Op de bovenzij schrijft Helmond, terwijl hij in zijn schrift eenige overeenkomst met de hand van den generaal zoekt te leggen:
"Aan Mevrouw E. Helmond,
Armelo.
Op haar verjaardag."
Met het pakje in den zak begeeft Helmond zich nu naar beneden. Eenige oogenblikken dwaalt hij in den tuin--die straks door den Utrechtschen bloemist voor het feest van dezen avond zal ingericht worden--en begeeft zich dan in de kleine straat waar de tuin in uitkomt.
Al spoedig daarna wordt er door een knaap aan de voordeur van het doktershuis gescheld.
Bus, die de potaarde van de handen slaat, neemt het pakje aan en vraagt:
"Van wie kumt dat, manneke?"
"Ja dat mocht ik niet zeggen. 'k Gleuf van De Zonsberg."
"Zoo! bestig!"
In de kleine ontbijtkamer aan den tuin stond Helmond, met een groote maar fijne bouquet in de hand, op zijn jarige vrouw te wachten. Hij heeft haar doen weten dat alles gereed was.
En zie, daar vliegt Eva met een blos van verrukking op het gelaat, de feestelijk getooide ontbijtkamer binnen en haar glimlachenden echtvriend tegemoet:
"O lieve beste August!" roept ze, nog voordat hij spreken kan, bijna schreiend van vreugde, terwijl ze zich in zijn armen stort: "Dat is te veel! Ja waarlijk al te veel! O beste heerlijke man, wat ben je toch goed! 't Is meer dan ik had durven denken!"
"Ei lieve kind, wanneer alles zoo naar je zin is dan ben ik dubbel tevreden; maar je bent nu heusch wat al te haastig; je gunt me geen tijd lieve wijfje, om je eerst behoorlijk van harte.... ja van ganscher harte...." Helmond had in dezen stond geen woorden meer. Maar waartoe was het ook noodig? Hij sloot haar in zijn armen en zoende haar. O hij zoende haar zoo lang en zoo teer. En als hij haar niet meer zoent, dan sluit hij haar nóg vaster en nog inniger aan 't hart alsof.... Neen 't was kinderachtig, ze zijn immers beiden gezond; welzeker gezond en blij. En zie, de zon schijnt vroolijk op haar feest, en.... Doch die bruine beuk daar in 't pad, staat somber, ja die beuk geeft een te groote schaduw, die beuk moet daar weg. Waarom trof hem nu juist die bruine beuk?--Maar August dacht dit; hij sprak er niet van, hij kon niet spreken.
Welnu, daar behoefden ook waarlijk geen wenschen of woorden meer bij.
"'t Is zoo prachtig mijn beste hartelijke man!" zegt Eva weder.
"We zijn ook al vroeg aan 't werk geweest mijn jarig wijfje; maar je hadt eigenlijk nog niets mogen zien."
"Nog niets mogen zien van de versieringen in huis, meenje? Maar manlief! dat deed ik ook niet. Nee, trouw aan m'n woord!" Met klimmende en innige verrukking: "Maar het heerlijk prachtige cadeau van mijn arm lief mannetje, dat, dát mocht ik toch wel zien niewaar, zooals het me gezonden werd in mijn wachtende eenzaamheid? O, engel van 'en man, 't garnituur is zelfs oneindig veel mooier dan dat van mevrouw Van Leeuwen: Oneindig! 'k zag het dadelijk. Die groote brillanten...."
"Maar kindlief, wat meen je? Een garnituur? Ik, nee! Wat ik je geven wou; ziehier: 't is een kleinigheid; een medaillon, zie je wel Eva, met mijn portret."
Eva heeft het medaillon vluchtig bezien.
"Och August, als je me bederven gaat dan moetje zelf er den last van dragen; nu dat aardige dingetje ook nog, en met je goeje oogen er in. Dankje schat van 'en man. Maar dit...." en zij haalt het étui uit haar zak te voorschijn: "dit overheerlijke stel, dat is nu juist.... ja zie, dat is nu letterlijk het eenige wat ik begeerde, en dus...."
"Maar Eva, je vergist je; dat garnituur kwam niet van mij."
"Watbliefje.... niet van....?"
"Nee nee kind, da's een abuis."
"Abuis! August wát zeg je? Zou 't bij abuis.... op bezien....?"
Helmond zag Eva bleek worden.
"Nee, zóó meen ik het niet. 't Zal je zeker wel door iemand gegeven zijn, tenminste als het je werd gezonden. Is dat het papier waarin het gezeten heeft? Ei, zie dan maar: Aan Mevrouw E. Helmond, Armelo. Op haar verjaardag."--Eva haalde weer adem.
"Maar die hand is me bekend Eva. Welzeker."
"Geen wonder August; 'k vergis me niet: ik hou die hand op 't oogenblik in de mijne."
"Maar Eva, als ik je nu verzeker dat je je bedriegt."
"Ja lieverdje, dan bedrieg je me zeker, maar uit liefde en met de voortreffelijkste bedoeling. Het beste arme doktertje kan zóó iets niet geven...."
Eensklaps hem nogmaals om den hals vliegend:
"Maar nee, foei, foei! dat verdien je niet mijn alles! Dank August hartelijk dank! O ik ben zoo gelukkig!"
"Eva, maar waarlijk, dat present zou ik je niet gegeven hebben; het moet van iemand anders komen. Het is...."
"Och August, schei daar nu mee uit. Van wien zou zóó iets nu kunnen komen! Ik bid je van wien!"
"Ja kind, ik weet het niet; maar, als ik dat adres heel goed bezie.... Ja, mij dunkt, 't is zoo goed als zeker, dan...."
"Dan....?"
"Zeer mogelijk, zeer mogelijk!" herhaalt Helmond terwijl hij schijnbaar met aandacht het adres blijft beschouwen: "Dat moet van hèm zijn; van De Zonsberg. Ik houd het er bepaald voor. Jawel een verrassing van oom."
"O goeje hemel August! Schei uit!" roept Eva, terwijl ze eensklaps in een vroolijk schaterlachen uitbarst, waarbij ze de handen omhoog en ineenslaat: "O hemel August.... dat idee!.... 't is om te stikken. Van oom, van dien schrielen com.... p....peer!" en nogmaals en telkens weder uitproestend in een welluidenden schaterlach: "Een verrassing van oom! Groote hemel August, hoe kon je 't verzinnen!"
Dokter Helmond stond als verslagen. Wat scheelt hem dan, dat hij niet meer heeft kunnen doordenken! De mogelijkheid dezer wending heeft hij niet eens voorzien; en toch ze was zoo hoogstnatuurlijk.--Wat moet hij doen? Haar tot bedaren brengen, haar met zekeren ernst herhalen dat hij die onderstelling gansch niet belachelijk vindt; haar misleiden door de verzekering dat zoo iets juist in het karakter van oom ligt?--Ja, dit alles--helaas ook het laatste--hij beproeft het, maar tevergeefs.
't Is Eva volstrekt onmogelijk om zulk een kostbaar verjaarsgeschenk een oogenblik "vast te knoopen aan het telwoord Van Barneveld".--Nee, August moest nu heusch niet langer zoo droog komiek zijn. Zij is dol- en overgelukkig, want ze weet dat ze dit heerlijke geschenk van den eenige heeft van wien ze het gaarne ontvangt, van hem, die door het haar te geven nu reeds voor de honderdste maal heeft getoond dat al die tobberijen inderdaad geen grond hadden; Goddank, dat het slechts tobberijen waren, want tot schriele handelingen was haar lieve trouwe man nog nooit vervallen en ook niet instaat.
--Nee stil; hij mocht nu niet verder spreken; als August het schitterend effect van zijn verrassing niet bederven wil, dan moet hij althans van dien somberen Zonsberg zwijgen; hij moet....
"Maar Eva," zegt Helmond terwijl zijn hoop--op dien valschen grond gebouwd, hem ten eenenmale ontzinkt: "gesteld dan eens dat het van oom was, zeg, zou je dán niet....?"
"Dan zou ik denken dat de steenen valsch waren, en, valsch of niet, ik zond ze terug!"
Helmond verkeert in de grootste spanning:
"Eva, ik moet openhartig met je spreken.--Oom heeft.... ja hij heeft me instaat gesteld om dat cadeau voor je te koopen, want ik, waarachtig ik kon het niet. Maar daarom bid ik je, doe nu ook wat mij, wat ons allen gelukkig kan maken: Ga mee naar De Zonsberg; geef oom Van Barneveld een zoen, een hartelijken zoen.... Eva, het feest zal wel doorgaan dezen avond. Ja zeker, maar doe dan ook wat ik wensch.... mijn Eva?"
De doktersvrouw ziet haar echtvriend een oogenblik stilzwijgend aan:
"Voor een man, beste August, ben je al te weekhartig. Ik zeg weekhartig August, met een anderen naam wil ik het niet bestempelen. Jij bent te goed. Wie jou slaat op de linkerwang, dien zou jij letterlijk de rechter toedraaien. Zie, da's heel mooi in theorie, maar in de praktijk heel lastig. Jij bent vandaag gelukkig evenals ik, en nu zou je de heele wereld wel aan je hart willen drukken, ja zelfs den man die je als een kwajongen behandelt.--Stil, ik ben jarig, en mag dus wel spreken: Wat jij nu zoudt willen drukken lieve man, omdat je al te goed bent, dat moet jij weten; maar dat je van zoo'n slecht en ijdel individu als je vrouw is, zulk een tour de force zoudt verlangen, dat is onmogelijk. Jij met je goed gezicht, je zoudt misschien al dadelijk neus aan neus met Herrn General aan 't ombertje gaan zitten; maar ik--dankje; onmogelijk! Ik zou z'n excellentie--brave beste man, ik weet het, garde d'honneur geweest--'k zou 'em zeggen: Eerst hebben we samen een appeltje te schillen ouwe heer. Ga jij daar eens zitten: "Wijven en onbeschaamde feeksen" wonen in achterbuurten; maar de vrouw van een man, dien men reeds een paar malen met den rang van professor doodverfde; die--zooals ik pas onlangs mocht hooren, voor zijn doctorale promotie een dissertatie schreef, welke als een meesterstuk moet geroemd zijn, een werk waar de heele wereld van spreekt behalve die talentvolle schrijver alleen...."
"Eva waartoe dit alles?"
Eva vervolgt: "Die vrouw is veel te trotsch om, niet alleen zichzelve, en haar familie die een gravenkroon kan voeren, te zien minachten; maar vooral om hem, dien ze als een afgod vereert,"--zij nadert Helmond snel en slaat haar armen half schreiend om zijn hals--"als een kind, als een nul te zien behandelen, om hem de les te zien lezen, zooals men 't nog gisteren met dat zotte ultimatum gedaan heeft.--Zulk een brief bewijst in mijn oog dat de schrijver...."
"Eva, dat schrijven was misschien niet geheel doordacht, maar toch...." Eensklaps laat Eva haar August los; gaat een paar schreden achteruit, en dan dreigend met den vinger, half lachend half schreiend:
"0 ondeugd, ondeugd! 'k Heb het al meer gezegd: knap ben je, een professor, ja, maar voor de comedie deug je niet. Ei ei, baasjelief, dat potsierlijk geschrift kwam óók van De Zonsberg; jawel, precies, maar op dezelfde manier als dat stel diamanten! Kom, als je me nu wéér zulke guitenstreekjes uithaalt, dan zou ik nog moeten denken dat je me maar half gunt wat je me goeds geeft. Stil ventje, stil! dat ultimatum kwam van jou, ja ondeugd van jou!"
Helmond kon niet verder gaan. Al ware Eva niet ter regeling van eenige huiselijke aangelegenheden op dit oogenblik buiten de kamer geroepen en ijlings heengesneld, Helmond zou nu toch geen woorden hebben gevonden om haar op gepaste wijze zulk een onzinnig denkbeeld te ontnemen.
--Hij zelf, hij Helmond, zou dien brief geschreven hebben!--O God, waar moet het heen indien Eva niet toestemt! Ach, zal ze dan in haar dankbare stemming volstrekt niet willen voldoen aan zijn vurigsten wensch tot haar eigen heil? Hij wil, ja hij zal....
"Is mevrouw niet hier Antje?" vraagt hij eenige oogenblikken later, bij 't binnentreden van de feestelijk getooide en heerlijk geurende oranje-zaal, aan de dienstbode die hem tegenkwam.--Mevrouw was er niet. In gepeins blijft Helmond staan.--Maar wat zal het baten, zoo denkt hij: Indien ze al hier ware, zou ze juist hier ooren hebben voor zijn--straks reeds zoo kras door haar verworpen voorstel! Zal ze toegeven, tenzij hij haar terzelfder tijd wil bezweren dat hij zwak was, ellendig zwak, en heden dwazer dan ooit; dat hij armer is dan de bedelaar, die de aalmoes zijn eigendom kan noemen?
--Ha! wanneer hij haar met dien eed vermoorden wil op dezen dag!--Helmonds oog wordt schier terzelfder tijd door de morgenwijnen getrokken, die reeds ginder op 't buffet gereedstaan. Nee 't is niet goed; maar toch, één glas port zal geen kwaad doen; hij heeft iets noodig, een kleinen prikkel. Zóó rond te loopen den ganschen dag met die onrust in 't hart en op 't gelaat, te midden van groen en bloemen, aan de zij van een gelukkige vrouw, die hij toch heden zeer zeker sparen moet; neen, zóó rond te loopen dat kon niet. Dat enkele glas port zal zijn stemming wat op helderen. Misschien is hij inderdaad ook wel wat al te zwaartillend. Er zijn zeker menschen genoeg die er om lachen zouden indien ze 't wisten.... Ja, ja, die zijn er zeker.
Half in gedachten schenkt Helmond zich een tweede glas in, en ledigt het, strak voor zich heen ziende, in één teug.
--'t Is vreemd, een ander zou hij het afraden, en zelf....! Maar te droes, hij zou immers zulk een engel niet waard zijn indien hij haar eersten jaardag.... als zijn wijfje.... als de aanstaande moeder van zijn kind, kon vieren met een tobberig gezicht.--Zijn kind! Ha! Werktuiglijk schenkt Helmond zich nogmaals in; doch,--halt! dat ging zonder nadenken.--Maar ja, waarom niet, dit halve glas kan hij nog drinken. Het fleurt hem op, en--vroolijk moet hij zijn, ja, vroolijk, uitgelaten. Is het dan niet een dubbele schat, dien hij in Eva bezit, een aangebeden vrouw en de moeder van zijn kind!
--Waarachtig, Evert Zwaarmuts, zegt Helmond bijna overluid: waarachtig, je hebt somwijlen iets kleins. Ben je geen zoon van een dapper soldaat die sneuvelde voor zijn vaderland! Tobde die man toen hij twee arme duivels zonder geld in de wereld achterliet?--Wees geen kind August. Al was die heele schuld, alles en alles te zamen een ton.... nee, dat is te gek, een halve.... een kwart ton.... 't Lijkt er niet naar.... ik zeg, enfin al was 't een kwart ton, dan zijn er tien, twintig, honderd, duizend middelen om zooveel geld te krijgen. O, als 't dáárom te doen is: opnemen.... rouge et noir.--Nee nee, dat niet. Debecque wist het: boeken schrijven, populair; honderd duizend middelen zijn er..... voor den professor!
Daar kwam Eva.
"Ha--haha, ben je daar engel, mijn jarige vrouw! Wel wat drommel, zeg jij me nu eens of je 't hier niet een hemel vindt, een hemel vol bloemengeur, en een hemel aan mijn hart!?"
VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
"Waar gaat u heen pa?"
"Ik.....? ik ga uit Coba."
"En 't is al zoo laat."
"'t Weer is van avond zacht."
"'t Was zoel vandaag; ik vrees dat er storm zal komen. Och, blijf maar thuis lieve pa?"
"Nee, ik heb behoefte nog eens de lucht in te gaan; ik wil zien....." het woord stokte Van Barneveld in de keel, en, als wilde hij zich daarover wreken, stootte hij den zwaren rottingstok met kracht op het marmer van de breede gang.
"Pa, ik ga mee."
"Jij gaat niet mee; je blijft thuis."
"Ik wilde...."
"Je wilde.... Ik zeg: je blijft thuis."
"Palief, maar ik bid u, u waart dezen middag weer zoo benauwd."
"Dat is nu beter; en juist daarvoor is het goed; ik moet lucht hebben."
Na een oogenblik stilte, terwijl hij zich nu eensklaps naar de zij eener kamerdeur wendt; "Kom eens even hier Jacoba. Ik vergat je te vragen....."
"Wat blieft u pa?" zegt Jacoba die haar vader in de kamer gevolgd is.
Van Barneveld tikt met den gouden knop van zijn stok even op Coba's schouder:
"Jij weet zeker dat hun partij niet doorgaat?"
"Ik?.... Ja, jawel pa, jawel lieve pa, dat weet ik zeker."
"Dat heb je van....?"
"Dat weet ik van dominee Hoogerberg. Jawel pa. Nee ziet u, wat dát betreft dat weet ik heel zeker."
"De dokter is ziek niewaar?"
"Juist pa. Ja, de arme August is nog al ziek.... Dominee zei dat hij anders vandaag al stellig zou hier zijn geweest, maar, natuurlijk als men ziek is, niewaar lieve pa?"
"Natuurlijk!--Dáárom wou ik je zeggen Coba, dat ik besloten heb mijn zieken pleegzoon een bezoek te gaan brengen.--Tot straks."
Jacoba gevoelt dat de krachten haar dreigen te ontzinken; maar toch, ze houdt zich goed. Is er dan niets te bedenken....?
--Ha!
"Palief; ik vergat u te zeggen dat ik notaris Zoutenheer heb gesproken; hij zou van avond bij u komen, tenminste...."
"Tenminste....?"
"Tenminste.... hij dacht...."
"Wat dacht hij Jacoba? Dat het nu eindelijk tijd zal worden om het testament te veranderen?--Ik zeg je, hij zal niet komen omdat ik hem niet liet roepen.--Tot straks."
"Maar pa, om Godswil!"
"Gods wil is niet de leugen, Coba. Spaar me. Je weet wat ik, sinds ik dat Liederenboek moest vinden, aan mijn eenig kind te vergeven heb, en dagelijks bid dat de Allerhoogste rechter haar vergeven zal.--Laat me gaan.--Nee, weerhoud me nu niet."
"Och papa, mijn lieve papa!"
"God zal je vergeven Coba. Hij trad tusschen beiden door den jonkman weg te nemen. Maar anders, ik zeg je kind, óm dien knaap, óm die passie, zou je bij de geringste tegenkanting van je ouden vader, dien vader hebben gehaat. En wie zijn vader of moeder haat...."
--Goede God, heeft zij dan niet altijd, altijd gestreden uit liefde voor dien ouden vader! Een enkele blik, een enkel woord van háár aan dien geliefden Donerie, misschien ware het genoeg geweest om hem.... wie weet!--Maar immers, zelfs tot in die laatste ure heeft zij met kracht gestreden.--Doch nu, zij denkt niet aan zich zelve: Zij beeft slechts bij de gedachte dat haar vader, wanneer hij dien "zieke" bezoeken gaat, het feest zal vinden, dat onzalige feest, in vollen gang:
"Maar beste vader....!"
"Laat mij Coba, nog eens: laat mij gaan!"
Geheel Romphuizen was op de been. 't Was een ongewone vertooning: al de ramen van het oud-burgemeestershuis waren opengebleven, en van de markt- en straatzijde kon men, op de teenen staande, van buiten alles precies zoo duidelijk zien alsof men er binnen was.--Wat 'en licht in die kamers! Nog veel meer kaarsen dan in de kerk op ouwejaarsavond! En bloemen! "Nou!" zei er een uit de groep: "as ze dat in Den Haag wisten dan wier d'r beslag op geleid."
"Rijk Oostinje!" zei een ander.
"Baldadigheid zoo'n rikdom!" riep een straatjongen, en sloeg een ondermeester van de armenschool, die zich juist op de toonen verhief, den hoed over de oogen.
't Was een ongewone avond voor de buitenwacht: Gerij en gevlieg. Parade voor de groote lui achter de verlichte glazen. Muziek!--Ja hoor maar, 't schetterde de heele markt over.
"Heerejee," zei slanke Elsje van den molen tegen haar Jan: "we konden hier op 'et plein wel 'en anevandeu slaan." Maar Jan zei, dat ie op klompen was.--Hé, 't leek dan toch prachtig daarbinnen.
--Ja prachtig; en 'en schik dat ze hadden! Zie, zie, daar was de doktersvrouw.
"Wat 'en staatsie!"
"En kiek, dóár is dokter ook."--"Jawel, zie!"--"Kiek, nou drinken ze, kiek! Allemoal sampanje!"
"Geld dat ze hebben!--Tenminste te wachten! Of....!?"
"Stil, dring dan zoo niet!"
Men kon het niet helpen. Aan de linkerzijde van de groep was plotseling een beweging ontstaan. Men wilde zich verplaatsen. Geen wonder. Ginds aan 't einde van 't marktplein bij de Hoenderveldsche straat was een kleine oploop. Men zou alweer wat nieuws zien; en 't stroomde er met troepen heen. Nochtans, de verwachting van velen werd teleurgesteld. Men zou niet zien; slechts vernemen.
Geen vijf minuten geleden was een oud heer, uit de richting van 't nieuwe doktershuis, het plein afgekomen, en terwijl hij hier even stilgestaan en naar het doktershuis had omgezien, was hij plotseling ineengezakt. Op deze zelfde stoep had ie gezeten.--Gelukkig was de man niet heelemaal van z'n montanen geraakt; en Aalbers en Jut hebben hem onder den arm genomen en naar de apotheek van Van Hake gebracht. Spreken kon ie niet, maar hier had ie gelegen of gezeten, hier op deze eigenste stoep.
--En wie het geweest was?
--Ja, dat wist men niet met zekerheid te zeggen. Een van de grootheid buiten de stad, dat was zeker, en naar den ouderdom te rekenen kon het menheer van De Zonsberg wel geweest zijn. Alevel, men moest dat weder betwijfelen, want naar alle gedachten zou zoo iemand toch wel bij zijn "naaste bloed wezen als er een vette mond te halen was".
Dirk de slager was echter beter ingelicht. Toen menheer Kippelaan eergisteren lamsbout bij hem bestelde, toen had hij hem in vertrouwen meegedeeld, dat de generaal--die een particuliere vriend van menheer Kippelaan was--schrikkelijk op dokter Helmond moest gebeten zijn, aangezien de generaal het eerst door hém--Kippelaan--had vernomen dat dokter het oud-burgemeestershuis gekocht had. En o jee, er was een heeleboel meer: Dokter hield het op de hand van een broer, die zich slecht gedroeg en gemeen auteur was geworden.--Men ziet dat Kippelaan den brief aan Woudberg wat haastig had gelezen.--En de majoor Kartenglimp had--mede volgens Kippelaan--gezegd, dat ie heel bang was dat het nog eens slecht met den dokter eindigen zou.--Ja, ja, dat alles kwam goed overeen.--'t Was een rare geschiedenis met dien dokter. God wist of ie dat feest niet van gestolen geld gaf; dat ie misschien zoo'n generaal had bestolen; God wist 'et!--Tenminste zooveel licht als daar brandde in die kamers van het doktershuis, dat was overdaad en waarachtig geen pinksterlicht.
De generaal Van Barneveld gevoelt zich--zooals hij zegt--weer geheel beter. Althans hij verlangt nu te vertrekken met de vigilante, die hem tot aan het hek van De Zonsberg zal terugbrengen: Niet verder, want bij vreest zijn dochter onnoodig te doen schrikken.
De oude generaal maakt zoo flink mogelijk een buiging voor mevrouw Van Hake, en zegt te hopen dat hij haar niet te veel derangeerde. Daarna zich tot Thomas wendend, moet hij mijnheer Van Hake nogmaals zeer bepaald verzoeken om dokter Helmond volstrekt niet van dit ongeval te spreken, en, zoo hij door anderen reeds werd ingelicht, hem ten sterkste een belangstellend bezoek te ontraden: "Ik zou je dezen last niet opdragen menheer," besloot de generaal: "wanneer ik voor eenige weken niet bespeurd had dat dokter Helmond u zijn intiemste geheimen toevertrouwt. Zeg hem.... dat ik verandering van lucht behoef, en den notaris dezen avond aan zijn feest moest onttrekken om eenige beschikkingen te maken, mede tot verkoop van De Zonsberg."
Mevrouw Van Hake aarzelt, maar treedt dan haastig den vertrekkenden grijsaard terzij: doch, als zij spreken wil, dan blijft hij staan; ziet haar met zijn donkergrijze oogen zeer ernstig aan en zegt beleefd:
"Het zou mij onaangenaam zijn u iets te moeten weigeren mevrouw." En dan, op gestrengen toon: "Er was geen genade bij God voor den man, die door een eerste Eva het Paradijs verloor. God zond Zijn Engel met het vlammende zwaard." En wat zachter: "Ik wensch u toe, vreugde te beleven aan uw eenigen zoon mevrouw.-- Goeden nacht!"
Toen Van Barneveld door Thomas in het rijtuig werd geholpen, klonken de vroolijke walstonen uit het nieuwe doktershuis over het marktplein tot in de Hoenderveldsche straat; en nadat het portier was gesloten en de paarden in vluggen draf den wal opreden, wierp de grijsaard zich achterover in den hoek van het rijtuig, en sloot de oogen, en drukte de hand op het pijnlijk kloppende hart, terwijl hij bij zich zelven de woorden herhaalde: "Goeden nacht! Ja, goeden nacht!"
Eva Helmond had er voor gezorgd dat haar feest niet voor het feest der Debecque's zou onderdoen. Indien zij 't alles op den lieven August had laten aankomen--ja dán; maar, zij heeft gezorgd; in stilte. Men moest met iemand als Helmond--uit de school van "een gulden heeft tweehonderd halve centen"--niet al te veel redeneeren; men kwam dan aan geen eind. Wanneer August vooruit moest zeggen of men bijvoorbeeld bougies van de zes of vier zou nemen, dan was men zeker dat hij de kleinste kaarsen koos. Altijd goed genoeg! Maar later als het licht dan wat te zwak zou zijn, dan voorzeker, dan zou August er misschien nog meer over tobben dan zij. Met de bloemen heeft Eva al gemerkt dat zij maar heel goed heeft gedaan. August had niets gezegd, en scheen zeer tevreden.--Nu ja, 't geen hij besteld had, 't zou ook wat al te armoedig zijn geweest. Zeerzeker, Eva heeft den besten man, die haar nog dezen morgen zoo prachtig verraste--want voor háár berekent hij zoo niet--zij heeft hem heel wat hoofdbrekens bespaard en hem daardoor dezen avond al menig genoeglijke verrassing bezorgd.
--De twee nieuwe kronen in de beide zalen, hij vond ze prachtig. Nu ja, gehuurd, maar als ze er ééns hangen; niewaar--!? En dan de vier ombertafeltjes, en de Oostindische fiesjes-doozen! 't Was immers noodig, want hier, waar geen groot park was, hier wilden de heeren misschien wel graag een partijtje maken, en de beide oude tafeltjes--jawel die zijn uitmuntend voor de gelagkamer in De Gouden Arend.
"Allerliefst! dat is à l'instar de Frascati te Amsterdam. Frisch, delicieus!" zegt mevrouw Narwal, en doopt haar fijn geborduurden zakdoek in de kleine eau-de-cologne-fontein, die de bloemist-decorateur zeer smaakvol tusschen de fijnste potbloemen bij een grooten spiegel heeft aangebracht.
"Mevrouw de gravin Van Leeuwen kan nu moeielijk met haar mooie flacon pronken;" fluistert de oudste freule Blankenberge, half lachend maar toch spijtig, terwijl ze behendig het tamelijk groote stopsel van haar ingedoopt zakdoekje voor vlugge oogen onzichtbaar maakt.
--Och die povere Blankenbergjes! denkt Eva die het stopsel gezien heeft.
"Mevrouw Van Leeuwen is stil;" meent een der nabijstaande heeren.
"Ze heeft wat migraine naar ik hoorde;" zegt freule Rosa Narwal, en ziet tegelijk met een spotachtig lachje naar de diamanten broche, waarmee de gastvrouw schittert.
Eva zag in den spiegel dat ze ondanks zich zelve bloosde. Ei! de puissant rijke gravin Van Leeuwen had migraine; ei! Dát moet ze aan August vertellen.--Ha! mevrouw Van Leeuwen is stil en heeft migraine!
"Volstrekt niet comme il faut;" zegt de gravin Van Leeuwen zeer zacht tot den Oostindischen majoor Kartenglimp, die dezen avond in uniform de partij met zijn tegenwoordigheid vereert: "'t Vrouwtje is mooi en jong, maar bijzonder geéduqueerd is ze niet. Als gastvrouw zoekt men niet te schitteren zooals zij."
"Ja!" zegt Kartenglimp met een bijzonderen ophaal: "Ja! wat zal ik u antwoorden mevrouw; ik vrees....."
"U vreest.... majoor?"
"O, niets anders dan 't geen u zooeven bedoelde mevrouw."
"Ik?"
"'t Geen iedereen vreest. Ik beklaag hem. Jawel, iedereen beklaagt hem. Bon homme!--Ze speelde al een rare rol in Den Haag. Naar men zegt, enfin, naar men zegt....!"
"U bedoelt? Ik herinner me niet juist...."
"Ja men haalt die zaken liever niet op, maar...."
"Nee natuurlijk; maar....?"
"Ze moet toen zeer veel geconverseerd hebben met een zekeren jonker Lasure, later getrouwd met een freule Leeuwenhuis. Enfin, juffrouw Armelo kwam toen ziek in Romphuizen terug."
"Ziek....?"
"'t Heette toen tering.--Enfin, als het kind maar een naam heeft."
"U zegt een k....--O, maar dat zou affreus, dat zou... zoo iets kan ik niet gelooven majoor; nee, wat coquette en jong, zeer jong, maar zóó iets, nee, dat moet laster zijn."
Kartenglimp was te ver gegaan. Ofschoon het doktersvrouwtje in de schatting der gravin Van Leeuwen dezen avond zeer gedaald was; ofschoon de gravin migraine had en zich verveelde, zóó iets wilde ze toch van zulk een bevallig vrouwtje niet gelooven. Die majoor begon haar onaangenaam te worden. Een vrouw van geboorte verdraagt net niet dat een vreemde man haar sekse in een ongunstig daglicht plaatst, en vooral niet iemand op wie die sekse heeft roem gedragen, terwijl die iemand nog daarenboven voor het oogenblik haar gastvrouw is.
--Ja, Kartenglimp was te ver gegaan; hij heeft vergeten dat hij, wèl naast een praatgrage misschien wat zeer ijdele vijftigjarige vrouw zat, maar niet onder zijn kornuiten.
--Nu hij echter a heeft gezegd moet hij ook b zeggen. 't Zou onverstandig zijn indien hij dit verzuimde.
En, terwijl de majoor eenige minuten later--nadat hij de nieuwsgierigheid der gravin zeer gevoelig heeft weten te prikkelen--haar in een hoekje terzij van eenige schoone waaiervormige planten heeft gebracht, mag hij haar onbespied een briefje op rosé papier toonen, een geparfumeerd briefje waaronder zeer duidelijk te lezen staat: "Uw Eva Helmond Van Armeloo," en waarvan het adres luidt: "Aan den Majoor Kartenglimp."
"Prachtig! prachtig!" riepen al de gasten als uit één mond: "Bis, bis!" drong men van alle zijden.
Mijnheer Kippelaan wrong zich letterlijk door de heeren en dames heen, en--
--Enfin, hij kwam te laat. Eva had zich reeds bereid verklaard om van de idylle, getiteld; Peters-wijfje, nogmaals het slotcouplet te zingen. En, als er weder een ademlooze stilte heerscht, dan klinkt het opnieuw schier betooverend schoon en toch zoo hoogst eenvoudig:
"En bij den zomer-avondglans, Als 't rood nog fonkelt aan den trans. Dan tuurt zijn wijfje. En zie, van verre Daar flikkert spade of zeis als waar' 't een gouden sterre, En roept haar vroolijk toe: Hier komt hij kind, van d'arbeid moe; Zet jij nu fluks de brij maar klaar; En straks, mijn beste brave vrouw, Brengt Peter met een kus aan jou Zijn dank aan God d'Alzegenaar!"
Toen de eerste indruk, dien dat heerlijk welluidend zingen gemaakt had, een weinig voorbij was, toen waren er sommigen die in stilte de keus van dat lied niet bijzonder gelukkig noemden, 't Nederlandsch klonk zoo plat; dat jou bijvoorbeeld en die brij klaarzetten, Nee!
"Welzeker, dat zeg ik mijn dochter zoo dikwijls;" zegt mevrouw Armelo op haar innemendsten toon: "Ik hou óók niet van Hollandsche liedjes; die vindt men altijd op de orgels. Maar een mooie stem dat heeft ze. Ja, ik zeg maar mevrouw de barones, als men er bovendien rondom zoo dik inzit als mevrouw mijn dochter, dan....."
Mevrouw de barones Narwal werd juist door Debecque aangesproken, en zag er geen bezwaar in om met een gedistingueerd lachje de moeder der gastvrouw verder aan 't gezelschap van een der freules Van Winteren over te laten.
De laatste zal nu met de meeste welwillendheid vernemen, 't geen de aanstaande gravin Van Armeloo alzoo meer op het hart heeft, en vooral hoe het haar een opoffering is geweest om aan den grooten drang van mevrouw haar dochter te voldoen en de partij bij te wonen, dewijl de kapitein en freule Louise, tot hun onbeschrijfelijk leedwezen door een zeer lichte ongesteldheid zijn verhinderd geworden om mee te gaan: "Och," besloot mevrouw Armelo na een lang vertoog--waarin ook nog vermeld werd dat haar zijden kleed heelemaal uit Parijs was gekomen en maar eventjes vier en een half de el kostte: "Och, mijn dochter liet niet af, en, wat zal ik je zeggen freule Van Winteren,"--Mevrouw drukte haar hand boven den boezem: "Een moeder doet veel, zeer veel voor haar kind!"
"Verrukkelijk! Prachtig!" roept Hardenborg nogmaals vol enthousiasme over den heerlijken zang dien men zooeven hoorde: en terwijl hij Helmonds arm neemt, vervolgt hij: "Weet jij wel amice, dat die stem onbetaalbaar is? Als zoo iets in 't publiek was te hooren men sloeg elkander dood om een plaats."
Eva heeft van terzijde ook deze lofspraak gehoord, maar is daarom niet minder gevoelig voor de eer dat mevrouw Van Leeuwen--die migraine heeft, en--natuurlijk onwillekeurig--den uitgespreiden waaier voor haar buste houd, een zeer vleiend woord spreekt over de allerliefst lieve stem van haar gastvrouw.
Van tijd tot tijd moest Eva zich zelve als met geweld herinneren dat deze schitterende partij inderdaad door haar werd gegeven; dat deze rijkgetooide zalen de hare, en al de gasten--waaronder zoo velen van adel--werkelijk hare gasten zijn.--En toch het is zoo, en onder die allen is er zeker geen enkele, die zich zóó gelukkig gevoelt als zij.--Neen het deert haar zelfs weinig dat mevrouw de gravin met zulk een bijzondere belangstelling naar 't een en ander van vroeger informeert, en straks--met iets zonderlings om de lippen--haar vraagt of haar mama misschien geparenteerd was aan de familie Lyderick van Zevenkerken? Zij meent den naam Lyderick te hebben gehoord. De oude graaf Lyderick had een paar germain nichten gehad, maar...."
"Mama is een geboren freule Lieder," heeft Eva snel met een blosje geantwoord.--Wel ja, waarom niet? 't Was te gek om mama zoo uit te sluiten. Bovendien, in 't Duitsch was alles Fräulein. --Mama heeft zeker iets gezegd dat wat vreemd klonk, want dat lachje van mevrouw Van Leeuwen.... enfin, 't heeft Eva slechts een enkel oogenblik gehinderd, want o, zij was meer dan gelukkig. En straks, na het soupee, wanneer het tweede deel van 't balprogramma zal begonnen zijn, dan wordt haar de vreugdebeker ten boorde toe gevuld. Ja, ja zeker, de majoor heeft het haar toegezegd, nog dezen avond zal hij haar, als verjaringsgeschenk, het onwederlegbaar bewijs overhandigen dat Eva is: een geboren gravinne Van Armeloo.
"Ei majoor," zegt Eva, terwijl ze hem nadert met een--misschien wel eenigszins gekunsteld vriendelijk lachje: "ik ben er door vereerd dat u onze eenvoudige soirée in tenue de guerre, ofschoon zeker niet in vijandige stemming hebt willen bijwonen."
"Bekoorlijke gastvrouw, ik had mij voorgenomen geen uniform meer te dragen tenzij ik nogmaals de eer mocht hebben aan 't Hof te worden verzocht.... maar, dezen avond....!"
"Zeer beleefd majoor;" herneemt Eva met een gevoelig neerslaan der oogen, en dan met den blik naar den spiegelgladden vloer: "Het spijt mij dat ge u nog zooveel moeite moet geven. Zou niet een der bedienden... die boodschap naar uw woning kunnen doen?"
De majoor schijnt niet aanstonds te begrijpen wat de vraagster zeggen wil. Hij staart--zooals men dat doen kan--onwillekeurig strak voor zich uit, en heeft er zeker geen erg in dat zijn oog als bij toeval rust op Eva's blanken boezem, die--ofschoon het haar zelf geneerde--veel in 't oog moest vallen, aangezien volgens plechtige verzekering van de Utrechtsche modiste, "het Hof nog tot drie en vier centimeters lager ging."
Echter, dat staren bevalt Eva niet. Zij maakt een zijdelingsche beweging, alsof zij den sleep van haar prachtig lila satijnen kleed wil wenden, en zegt dan snel:
"Ik bedoel dat men die stukken voor u kon halen majoor."
"Ah zoo!" Maar de schoone gastvrouw zou begrijpen dat men zulke papieren van hooge waarde toch niet ter visie van iedereen liet liggen. Om haar genoegen te doen, ontzag hij zich geen moeite, ofschoon deze gering was.--Het bleef bij de afspraak: Onder den tweeden dans, na het soupee, zal hij bij den koepel in den "sierlijk verlichten tuin", haar het begeerde verjaringsgeschenk overhandigen. Ja, natuurlijk aan haar alleen; gansch alleen; want de majoor moet het herhalen: hij is zonder eenige rancune; maar bij zich zelven heeft hij gezworen, dat hij slechts op bepaald verzoek van de beminnelijke doktersvrouw zou kunnen besluiten om aan de kapiteinsfamilie het document te geven, 'twelk men zonder zijn hulp nimmer zou hebben gevonden.
"Waarlijk een prachtige vole;" zegt de gastheer tot een der heeren quadrilleurs, terwijl hij aan den arm van Archibald even bij een der speeltafeltjes stilstaat.
"'t Eerste mooie spel sedert de notaris werd weggehaald;" is het antwoord.
"Ja, dat Romphuizer notariaat is een geldwinning;" zegt mevrouw Lens: "U hebt de lavage mijnheer de kantonrechter."
"Is het tegenwoordig ton dat gastheer en gastvrouw ronddwalen zonder mee te spelen?" vraagt aan een ander tafeltje de oudste juffrouw Van Berge, die voor een ombertje letterlijk "geprest was."
"Welzeker juffrouw," bevestigt de burgemeester: "je bent hier heelemaal vrij. Ze noemen dat partie libre.--Harten troef. Hij ziet er bleekjes uit."
"Je sans-prendre burgemeester?"
"Nee, ik bedoel onzen gastheer. Beste vent, maar.... Jawel, harten troef.--Juffrouw Lens, aan u alsjeblieft!"
"Zonder eenige quaestie Helmond, 't verjaringsfeest van je prachtige vrouw is mijn jour de gloire. Ja, ik moest je hier hebben, hier in dezen hoek achter die mooie camelia's; eventjes, want ik wou je zeggen...."
"Mag ik je feliciteeren Hardenborg?"
"Man, druk jij nou deze hand eens. Me dunkt, jij polsenvoeler van je ambacht, je zult er nog iets bijzonders aan merken; deze zelfde hand had op 't oogenblik dat jou wijfje zoo betooverend zong, ongezien een kleiner dito aan boord, en die handen hebben elkaar iets herhaald:
"En straks mijn beste brave vrouw, Brengt Peter met een kus aan jou Zijn dank aan God d'Alzegenaar!"
"Ei ei," zegt Helmond terwijl hij den luitenant hartelijk de hand drukt. En vragend: "Freule Marie?"
"Nummer één van de drie!" rijmt Hardenborg lachend: "Jij bent de eerste die 't weet.--Er ons niet op aankijken hoorje.--Gelukkig dat ze van avond in 't rose is. Op één na de mooiste! Je ziet dat de liefde me nog niet blind maakt. Je wijfje is een Hebe van avond. Maar die vent....! Kijk, zie je hem wel, dáár, langs die varenplant heen, in de kleine zaal? Hij presenteert haar den arm.--Bah! 't spijt me dat ze hem aanneemt."
"Eva is een klein beetje verguld met het mooie pak dat de majoor heeft aangetrokken. Ze kan hem moeielijk weigeren. De man is altijd beleefd."
"Weet jij heel zeker Helmond, dat ie geen Ronner heet?"
"Wel ja! Tenminste...."
"Ik moet je zeggen dat ik me anders ook niet begrijpen zou hoe hij 't in z'n hersens kon nemen om z'n mooie plunje aan te trekken. De gelijkenis met dien Ronner wordt er bepaald frappant door. 'k Heb naar Indië om informatie geschreven. Als ie 't was, dan.... verdord!"
"Maar wát was er dan met dien Ronner?" zegt Helmond, terwijl hij Eva eensklaps den arm van Kartenglimp ziet loslaten, en zich voegen bij de gasten, die een der heeren hebben bewogen om zich bij de piano te doen hooren.
"Dat kan niet in 't volle licht verteld worden," zegt Archibald: "Kom even mee in de vestibule; we hebben er koelte bij noodig."
"Maar als die man zulk een schoelje was dan kon hij zich hier niet zoo lang een fatsoenlijk.... enfin als een tamelijk fatsoenlijk man hebben gedragen. Bovendien was hij destijds kapitein, en is met den rang van majoor gepensioneerd: mij dunkt...."
"Sedert hij die afschuwelijke rol speelde en zich niet slechts voor een goed deel het vermogen van dien vriend--men beweert vrij zeker door valsch hazardspel, had toegeëigend, maar hem tevens op zoo schaamtelooze wijze de eer van zijn jonge vrouw had ontroofd; toen hij den armen stakker er nog bovendien toe gebracht had om zijn leven in een der Indische pestspelonken--een amfioenkit--te gaan vernietigen, toen zag die ellendeling naar nieuwe slachtoffers uit. Al spoedig wist hij de vrouw van een zijner kameraden--een schoone inlandsche--het arme hoofd op hol te brengen, en, zooals ik je zeide, toen heeft dat fameuse duel plaats gehad waaruit hij als de laagste hond werd voortgeschopt."
"Maar ik zeg, de majoor Kartenglimp draagt immers....!"
"Ik spreek van Ronner. Jawel, Kartenglimp draagt de majoorsuniform; maar 't is bekend dat Ronner vrijwillig zijn ontslag uit den dienst heeft genomen, en dat hem--natuurlijk zonder bezwaar van 's-Rijks schatkist of eenig pensioen--ontslag is verleend met den titel van majoor en het recht om de activiteitsuniform te blijven dragen. De zaak is, naar men zegt, om familieredenen geheim gehouden en gesust, maar je begrijpt dat de hoofdfeiten toch moesten uitlekken."
"Hardenborg, neem me niet kwalijk, 't is niet rechtvaardig om iemand zonder bewijs te veroordeelen. De gelijkenis tusschen twee personen is niet voldoende om de laagheden van den een op rekening van den ander te stellen. Kartenglimp is...."
"Hij is je gast; zeker! dat mag ik niet vergeten. En jij bent een nobele vent, Helmond! Weet je wát ik doen zal, ik zal eerst eens het antwoord uit Indië afwachten, of Ronner al of niet te Romphuizen woont. Dat weten zijn vrienden, 'k ben er zeker van. Tot zoolang schorten we ons oordeel op, maar zal ik mijn schatje toch al vast verzoeken om dat heer te mijden, want indien hij werkelijk is voor wien ik hem houd, dan is zijn aanblik zelfs een beleediging; het is de vetvlek op een rein blad papier, of de vingerdruk op een prachtigen vlinder.
VIJF EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Nadat het soupeeren in de Oranje-zaal was afgeloopen, verspreidt men zich, alvorens het bal opnieuw zal beginnen, voor een goed deel in den tuin, waar Bus, met Bengaalsch vuur, wonderen verricht, die hem zelf de handen vol verbazing doen ineenslaan.
Terwijl door sommige heeren die binnen bleven, de champagne nu min of meer als onschuldig water wordt gedronken, en daarentegen de thee die men ook buiten presenteert, door de meesten met een enthousiasme wordt begroet alsof men al wat er voorafging slechts genoten heeft om anderen plezier te doen; houdt Eva zacht lachend met eenige dames en heeren nabetrachting over de aardigheid, dat bij 't ontsteken van het eerste blauwwitte licht, ginds op de bank onder den bruinen beuk, een jeugdig paar in teedere omhelzing zeer duidelijk is te voorschijn gekomen. Dat paar, in zoete droomerijen verloren, had niets van de extraordinaire verlichting bemerkt alvorens een zacht--misschien wel een waarschuwend handgeklap verkondigde, dat men hen had uitgevonden. En, terwijl men lacht en praat, in 't eerst vooral over den armen Piet met zijn bleek Marietje, en men den avond prijst, en de gulheid van die lieve gastvrouw in 't bijzonder, staat de gastheer, ongemerkt uit het gezelschap verdwenen, op zijn studeerkamer voor de geopende schrijftafel.
"Verwenschte champagne!" zegt hij half luid: "Heb ik dan geen greintje macht meer over mijzelf? Wat doet het er toe of hij betaald is of niet; hij heeft een lichaam nog meer van streek en 't brein als een wijnvat aan 't gisten gemaakt. Morgenavond--'t is waar, dan moeten de zeshonderd en tien gulden voor Wulters gereed zijn...."--Hé, hoe komt hij ineens op dien Wulters? Wat gaat hem die Wulters aan! Die man heeft geen vrouw die vier- of vijf-millioen kan verdienen op één winter; in Engeland, in Amerika en overal. Wulters de schilder dat is geen man die hier op de partij past; dat is.... Stil Helmond, stil, je moet water drinken, je suizelt; je denkt verward. Fi donc! Die verwenschte champagne! Maar wáár is het zeker: met zoo'n vrouw ben je millionair of je 't weten wilt of niet, en Wulters behoeft niet bang te zijn, zoomin als iemand ter wereld....
Helmond staat een oogenblik met de hand aan het hoofd. 't Is hier koeler dan binnen, en koeler zelfs dan buiten.--Ei, denkt hij eensklaps opziende: Waarom ben ik ook eigenlijk hier gekomen?.... Ah ja! Die gek, die aartswauwelaar, die handendrukker....! Juist, verrukt over alles, wist hij dat er nog een surprise zou komen.... Een charade; een.... Ja juist. Hij had de afspraak gehoord dat mevrouw Helmond den majoor onder den tweeden dans na 't soupee zou vinden achter in den tuin.
.... 't Zou zeker een charade zijn--heeft Kippelaan erbij gereuteld, want mevrouw Van Leeuwen had ook al aan mevrouw Narwal gezegd, dat men nog heel wat zien en hooren zou.--De majoor had haar zeer geheimzinnig een briefje van mevrouw Helmond laten lezen; enfin, dat waren haar eigen woorden: "een charade en action!"
--Ah ja, nu weet Helmond weer alles: Toen die wauwelaar, verrukt over het nieuws, 't welk hij hier en daar had opgevangen, met charade-illusies straks de zotste exclamaties over deze "heerlijke Italiaansche fête de nuitrdquo; uitkraaide, toen heeft Helmond met alle krachtsinspanning een zeer buitengewonen aanval moeten bedwingen; immers hij had dien gek tegen het marmer der vestibule kunnen slingeren, hij had hem.... Goddank, zelfs na dien verwenschten champagne kon dokter Helmond toonen dat hij zichzelf altijd meester is. 't Zou de grootste dwaasheid zijn geweest om aan de praatjes van dien zotskap de geringste waarde te hechten.
--Ha, Helmond gevoelt dat het hem goed heeft gedaan hier even in de stilte te hebben vertoefd. 't Is belachelijk dat hij straks op zulk een gedachte kwam.--Ja nu weet hij 't weer: Om die Oostersche kris te halen was hij zoo ijlings naar boven gevlogen.--O waanzin, o champagne-gif! Eva, zij, mijn eenige, zij zou met dien majoor....!--Groote God, ik ben ziek tegenwoordig. In denzelfden stond maak ik me bevreesd over 't geen mij een oogenblik tevoren het hart vol vreugde deed kloppen.
--Ben je geen ijdele dwaas? Zulk een vrouw! En rijk, ja rijk zijn we tezamen. Mijn wetenschap, háár goddelijk talent! En onze liefde! O God, draagt ze dan niet ons kindje onder 't hart!
Helmond meent na eenige oogenblikken dat hij weer geheel tot zijn natuurlijke kalmte is teruggekeerd.
Wat zijn gestel betreft--nu ja, wanneer Eva's feest voorbij is, dan zal hij eens een kuur beginnen; hij is inderdaad te gejaagd en te zenuwachtig voor een man van zijn leeftijd en kracht.--Komaan, nu moet hij terug naar beneden; die vreemde roes is voorbij.
"Ik heb overal naar je rondgekeken mijn beste man;" zegt Eva op den drempel der tuindeur, en terwijl zij hem even achter de breede gordijnen terzij trekt, drukt ze hem een zoen op de wang.
"Beste kind, je zult kou vatten!" vermaant Helmond die in weerwil van zijn menschlievenden aard, de centimeter-juffrouw in zijn ziel verwenscht.
Eva is niet bevreesd. Maar, nu Helmond haar iets heeft ingefluisterd--want anderen konden het immers nog bezwaarlijk weten--nu doet ze haastig een zijden foulard om:
"Jij ziet wat bleek beste. Er scheelt toch niets aan?"
"Aan mij, Eva? Wel nee.--Je hebt immers voldoening van je feest?"
"O ja, onbeschrijfelijk veel. Ik hoor overal zeggen dat het hier veel geanimeerder is dan bij de Debecque's. En...."
"En....?"
"Er wacht me nog iets."
"Je meent?"
"Een geschenk. Een verrassing. Meer zeg ik niet. Nee nee, mannetjelief, meer zeg ik niet." Eva snelt nu voort, want ze had iets vergeten.
In een kleine achterkamer waar dezen avond een kok in 't wit zijn schepter zwaait, geeft Eva haar bevelen. Zij heeft aan papa en Louise gedacht.--Neen, ze wil dat toch liever eigenhandig beredderen. Hier, in deze groote mand legt ze snel en zonder dat men het bemerkt, een flesch champagne. Nu, in een overdekte schaal er bovenop, getruffeerde kalkoen en wat pasteitjes. Ziezoo, een groot stuk ponstaart kan op een papier daarnevens. Ja, nog iets van deze snoeperijen, en een proefje van die fijnigheden. Dát zal smaken. Ach ja, die goede papa kon niet komen, 't Was niet kiesch van mama dat zij nu óók maar niet stilletjes is thuis gebleven. Mama was....
--Wacht, wie zal die mand nu bezorgen? Ja wie? Die vreemden weten hier geen weg,--Ha, daar komt Bus. Bus is in een livrei met rood en goud, hij heeft witte handschoenen aan; 't zweet loopt hem langs de slapen.
"Ei Bus," zegt Eva op den drempel der kamer: "jij moest deze mand eens eventjes...." Mevrouw Helmond ziet dat de kok haar juist de boodschap van de lippen kijkt.... "Ik zeg, je moest deze mand eens eventjes naar mevrouw Van Hake brengen, je weet wel de weduwe Van Hake."
"Nou!" zegt Bus, "die zou ik niet kennen. En, alsdat 'et van u kwam....?"
"Jawel," roept Eva hem toe, want ze snelde reeds voort. Onder 't geven van dat adres was ze vuurrood geworden.
--Nu 't was ook eigenlijk te dwaas om aan papa zoo'n mand te zenden, Morgen zal ze 't wel goedmaken. Ze rijdt er dan desnoods eens even naar toe. 't Een en ander in een hoededoos, welzeker!
Eva weet niet hoe het komt, maar het hart klopt haar sterk in den boezem, nu zij zich door den straks verlaten tuin ijlings naar de achterzijde spoedt.
Ginds bij den koepel wacht de majoor; hij zal dan eindelijk geven waarnaar ze zoo lang met fel bestreden ongeduld verlangde. Heeft ze goed gedaan met hem dat briefje te schrijven?--Wáárom zou ze net niet gedaan hebben! Zonder haar beleefd verzoek ware de majoor er zeker niet toe gekomen om die papieren te geven, terwijl een langer dralen zelfs gevaarlijk had kunnen worden, dewijl hij vroeger heeft gezegd dat het voornaamste stuk als curiositeit een groote waarde bezat. Wie weet of hij het niet had kunnen verkoopen; aan een museum misschien!
Eva begrijpt dat zij het zeer goed heeft aangelegd.--Aan de jarige echtgenoot van dokter Helmond mocht de majoor niets weigeren, en--door de wijze, waarop ze het behandelde, werden alle zwartgallige visioenen van papa en manlief, volkomen te niet gedaan. Immers, inplaats van de honderden of duizenden guldens die men er hem voor schuldig zou zijn, kostte het haar nu geen enkelen stuiver.
Ofschoon Eva den weg kan vinden, het doet haar toch leed dat de meeste lichtballons reeds zijn uitgegaan. Achter in den tuin ziet ze er zelfs geen enkele meer.--O ja, zie, nog een blauwe ginds, en een roode wat verder.
't Is toch zonderling dat haar 't hart zoo klopt. Is er dan iets kwaads in wanneer men het bewijs gaat ontvangen dat men 't recht heeft om zich op een der hoogste sporten van de maatschappelijke ladder te plaatsen? Is het niet God zelf die de menschen in het aanzijn roept, ieder in den stand waarvoor Hij hem verordineerde? Kan het geen strijd tegen God worden genoemd, indien men moedwillig verzuimt de plaats te hernemen die ons toebehoort?--Eensklaps staat Eva stil.--Wie zegt haar dat zij den naam van God daar ijdellijk gebruikt? Wie zegt haar dat ze voortholt op het pad der lichtzinnigheid en der zonde....?--Als het alles eens waar was!!! Wat?--Ja zij weet het wel.--Ook van terzijde; ook van dienstboden en meer andere kleine, half in 't donker zich wrekende vijanden, heeft ze wel eens vernomen wat ze niet hooren wilde, en als de uitvloeisels van jaloezie heeft beschouwd.--Heeft dan die oude man gelijk; holt zij voort op een weg die ten verderve leidt.... op een weg die....?--O foei Eva, schaam je! zegt ze bijna hoorbaar terwijl ze zeer haastig voorttreedt: In 't donker ben je bang. Kinderachtig kind! Is de verstooten vorstenzoon die een troon herovert, en zich met de weelde die tot een hof behoort omringt, dan ook een "verdoolde die jaagt naar verheffing boven zijn stand, en naar een weelderig genieten zonder arbeid in het zweet zijns aanschijns"!?--Foei Eva, je bent nog even bang in 't donker als toen je een kind waart.--Maar wie had ook kunnen denken dat de lichten om halféén zouden uitgaan! Voort Eva, voort....!
--Ha, daarginder ziet ze iets bewegen. Ja, het treedt terug naar de zij van den koepel achter de fijne dennen.
--Komaan Eva, waarom gedraald! Voorwaarts, gerust! 't Is heden uw schoonste dag: Gravinne van Armeloo!"
Dokter Helmond is merkbaar afgetrokken terwijl mevrouw Doelemeere hem attent maakt op den jongen Hardenborg en freule Marie Narwal, van welk paartje men--zij houdt het voor zeker--spoedig meer zal hooren.
--Waar was Eva? Hij ziet haar niet.
"O wil me even excuseeren mevrouw, ik heb...."
Helmond vliegt met zijn blik de zalen rond. De wals is aangevangen. --Mijn hemel wat spelen die muzikanten hard en wild.--Waar is Eva? Weet die kapelmeester niet meer dat hij deze schetterende wals hier niet spelen moet! 't Is hem immers door Eva zelve gezegd.--Waar is ze dan---Waar?--En hij, die majoor....?
"Heb je mijn vrouw hier niet gezien Hardenborg?"
Freule Marie Narwal antwoordt, terwijl haar geliefde ontkennend rondtuurt:
"Ik zag mevrouw voor weinige oogenblikken de groote zaaldeur uitgaan. Ik moet u eens eventjes zeggen dokter, dat uw vrouwtje er snoeperig uitziet. Zij vertelde me straks dat ze u met die lilajapon heeft verrast. Ik zei zooeven nog tegen Ar.... tegen den luitenant toen ze daar zoo heenzweefde: precies een reine! Zij heeft...."
"U houdt me ten goede freule, ik wilde...."
"Dokter ziet er fameus geaffaireerd uit, vin-je niet lieve; en vreeselijk bleek?" zegt de fleurige beminde van Archibald Hardenborg, nadat Helmond zich in allerijl heeft verwijderd.
De Turksche wals klonk ruw en hard, waarschijnlijk te harder door de weerkaatsing van het glas der serre. Aan de tuinzijde stonden de ramen open.
In de danszaal vlogen de paren rond; 't ging zoo geanimeerd en luidruchtig dat de oude lui--die na 't soupee niet meer speelden--nog eens kwamen kijken. Zie, er had een kleine stagnatie plaats. Een der wielende paren--waarschijnlijk het dansen wat veel ontwend--sloeg in 't midden der zaal neer. Gelukkig bij 't opstaan lachten ze allebei zooals dat behoort, en de kapelmeester werd nog te meer aangevuurd om--op straks gedane verzoek van den majoor--de wals met kloekheid door te zetten, terwijl de dansmeester vooral wat lang zou aanhouden aangezien "er een weddenschap was".
"Ha mon ami! Goddelijke soirée, Goddelijk, c'est le mot!" roemt Kippelaan, terwijl hij Helmonds hand even vastklemt en dan, door een sterken ruk naar beneden, diens arm bijna uit het lid trekt: "Parole d'honneur; in gespannen verwachting! Niemand iets van gezegd. Alleen mevrouw Toulaar en menheer Sommer--lieve menschen, vrienden van me.--'t Zal nu komen niewaar? Mevrouw al gezien. Jawel. Ze ging naar buiten. Charmant lieve vrouw, o charmant! Altijd gezeid! Een charade niewaar? Charade en action? Jawel, de majoor wacht met de costumes, achter in den tuin. Geobserveerd; jawel. Een beetje ondeugend misschien; maar enfin! Ik ben die ik ben, Charade niewaar? Allercharmantst! 'k Wil wel souffleeren.... Charade niewaar?"
"Ja zeker, ik moet er bij zijn;" heeft Helmond reeds in 't midden van den snellen Kippelaans-roffel geantwoord, en voort is hij den tuin ingesneld.
"Maar we kunnen hier wel buiten blijven majoor. Ik mag mijn gezelschap...."
"Natuurlijk niet te lang alleen laten, natuurlijk! Maar wat ik u ter inlichting te zeggen heb mevrouw, wil ik niet dat door iemand zal beluisterd worden.--Sedert het èchec dat ik leed...."
"Dat is immers vergeten majoor?"
"0 volkomen, maar die omstandigheden rechtvaardigen toch eenigszins mijn houding. Ik behaal een groote overwinning op mijzelf mevrouw, vergeet dit niet. Uw gasten zullen u korter missen, indien u aanstonds besluiten kunt....? Zoo niet, dan keeren wij zonder over deze zaak verder te spreken naar uw heerlijke partij terug. We kunnen de zaak dan als afgedaan beschouwen."
Weinige oogenblikken later staan Eva en Kartenglimp in den koepel, waarvan de deur door den majoor behendig gesloten is. Om haar dat eene papier te kunnen toonen moest er licht wezen. De majoor had er voor gezorgd. Een kleine lantaarn brandt op de tafel.
Eva heeft de papieren gezien, en niet gezien. 't Was haar inderdaad voldoende te weten dat dit laatste stuk--door een zekeren mijnheer Ronner onderteekend, en met eenige stempels en wapens voorzien--het document was waar men alles mee bewijzen kon.--Die majoor is toch waarlijk goedaardig, 't Is kinderachtig dat ze een oogenblik angst heeft gevoeld toen ze hier zou binnengaan.--En zie, terwijl hij haar nu het pakje met al die stukken tezamen overhandigt, en daarbij de bedoelde, hoogstbelangrijke inlichting geeft, dat hij door zijn invloed in Den Haag zeer zeker bewerken kan dat dokter Helmond reeds spoedig den naam en titel der Van Armeloo's zal kunnen aannemen indien hij zulks verkiest; zie, terwijl hij haar nu zoo gracieus dat kostbare geschenk overhandigt, nu zou het toch de verregaandste preutschheid zijn om den man met met een vriendelijken handdruk haar innigen dank te betuigen, en hem te zeggen....
--Maar o God, wat is dat! Wat bedoelt hij nu! Hoe houdt hij haar hand zoo wonderlijk lang en vast in de zijne geklemd.... wat wàt eischt hij tot loon....?
De woede van den tijger is te grooter naarmate hij langer een begeerden buit moest missen.--Lang, zeer lang had hij zich ingetoomd; langer dan ooit te voren heeft hij zijn tijd zoeken af te wachten; maar nu, nu hij dan hier met haar alleen is, nu.....
"O God, mensch wat wil je!" roept Eva in hevigen angst.
"Niets anders dan een dankbaren zoen voor het document van Ronner, mijn engelachtig kind!"
"Vent! raak mij niet aan. Wat denk je! Met mijn nagels zal ik je de oogen uitkrabben hoor je.--Help, help!"
"Ha!" zegt Kartenglimp met vlammende oogen: "Is een enkele zoen te veel voor den titel van gravin!"
Eva, in den hevigsten angst, neemt eensklaps het paket 't welk hij haar zooeven overhandigde, en met een gillend: "Dáár! o God, moest dat je loon zijn!" werpt ze het hem in 't aangezicht; en nogmaals gillend: "August, August! Helpt menschen, helpt!"
Een vreeselijke slag doet den koepel schudden. De glazen van een der deuren storten rinkelend op den grond. Door een hevige krachtsinspanning is het Helmond gelukt de gesloten deur te doen openspringen.
"Goddank! Goddank!" roept Eva, en in koortsachtige overspanning vliegt ze haar geliefde tegemoet.
Kartenglimp door het pakket papieren ofschoon slechts licht aan het hoofd getroffen, maar vooral door Helmonds onverwachte komst geschokt, staat een oogenblik als verlamd. Eensklaps echter is zijn besluit genomen:
"Je vrouw speelt een vreemde rol dokter. Zoodra zij haar man in haar nabijheid vermoedt zal ze zich houden alsof...."
"Mijn God! August, hoe is het mogelijk!" roept Eva bijna schreiend.
"Lage ellendeling!" zegt Helmond, terwijl hij Eva vast aan zijn borst klemt, en Kartenglimp met een blik vol verachting doch schijnbaar kalm blijft aanstaren.
"'t Zal de vraag zijn wie hier van ons beiden met recht een ellendeling heet;" brult Kartenglimp met een ruwen vloek.
Eva trilt over al haar leden. Dokter Helmond kan zich beheerschen. Nu, nú vooral mag hij zich niet verlagen door het plegen van ruw geweld. Met nadruk zegt hij zacht:
"Wanneer je wist mensch, wat er omgaat in mijn ziel, het zou je zelf verwonderen dat ik je niet met dezen stoel, in één slag den boozen kop verpletter. Om mijn vrouw te sparen, die ik geen oogenblik langer aan je vuilen blik wil blootstellen, vergun ik je van hier te gaan. Wij spreken elkander nader. Ga heen!"
Kartenglimp inwendig bevend en overtuigd dat hij nooit zal herwinnen wat hij nu verloor, hij kan--inweerwil van den angst over Helmonds "wij spreken elkander nader" den lust niet bedwingen om zich aanstonds over zijn nederlaag te wreken. Met ruwe vloeken en verwenschingen barst hij los, en noemt zeer zeker hém den grootsten ellendeling, die ter wille van een ijdele vrouw zijn zieken als dokter verwaarloost, wiens praktijk in weinige weken door schandelijk verzuim zoo goed als verloopen is, en die ten overvloede schuld maakt op schuld, met het uitzicht op den spoedigen dood van een braven pleegvader.
Eva's verontwaardiging kent geene grenzen meer. Toen dat monster--dien ze inderdaad slechts van den beginne afaan heeft geduld, omdat ze door hem tot de hoogste eer dacht te komen, toen hij straks háár eer zoo schandelijk durfde belagen, toen ontstelde zij hevig maar gevoelde zich toch krachtig, ja krachtig zelfs als vrouw, om te heerschen over.... het dier. Nu ze echter haar innig geliefden man op die wijze hoort aanvallen en zijn eer belagen, nu roept ze met fonkelenden blik in schier teugellooze woede:
"Dat is gelogen! Dat is hemeltergende laster!--August, roep onze gasten hier. Dat mensch zou ons krankzinnig maken!" En dan schreiend aan Helmonds borst: "O God, zóó te durven spreken van mijn edelen braven man!"
"Stil kind, stil! Ja zeker," aarzelt hij in hevigen tweestrijd: "dat is onwaar. Zeker Eva, hij liegt!" En dan eensklaps met half angstigen, half vernietigenden nadruk tot Kartenglimp, die reeds de deur was genaderd: "Schuldenaars zijn we allen; maar de een kan zijn schuld vereffenen, en de ander misschien in der eeuwigheid niet!"
"Halt Ronner!" roept Archibald Hardenborg, terwijl hij den majoor den uittocht belet: "Halt!"
"Ronner! Wat meen je! Verdoemd als ik weet wat je zegt. Denk je dat ik....?"
"Ik denk en weet dat jij de lage schelm, de geld- en eerroover bent, onwaardig om de epauletten van een Neerlandsch officier te dragen. Hoe is 't mogelijk dat men dit nog kon toestaan!" Eensklaps met forschen greep, rukt Hardenborg hem een epaulet van den schouder; werpt hem die voor den voet, en zegt: "Ha; val nu weer op de knieën lafaard, zooals bij dat prachtig duel. Bid weer om vergeving en behoud van je ellendig leven, ter wille van een arme moeder die niet meer bestaat.--Komaan poltron, komaan op de knieën voor deze engelachtige vrouw en voor mijn edelen vriend. Vergiffenis gevraagd, of anders, zoo waarachtig als ik een Nederlandsch officier ben, eer drie dagen voorbij zijn, gaat je cadaver in 't graf. Op de knieën poltron, op de knieën!"
"Nee Archibald, nee! wij willen dat niet."
"O!" roept Hardenborg: "dat mispunt doet het zelfs voor de tromp van een geladen pistool als hij eerst heeft misgeschoten. Lafaard!" Op Helmond en Eva wijzend: "Die man is te goed, en die vrouw is te geschokt om je hier langer te dulden. Bovendien, zij hebben haast. Hun gasten zouden hun afwezigheid bemerken, Goddank dat ik tusschenbeiden kwam! Ik, ik ken je. Al hebben je al te genadige rechters zeker hun woord gehouden, de zaak moest in Indië ruchtbaar worden; de bosschen hebben er ooren. Voorwaarts marsch! Ha, 't is nog kluchtig er bij: de majoor-poltron wordt gecommandeerd door een luitenant op non-actief."
Dit laatste was toch te veel voor den oud-militair. Met een brullende verwensching en vuurrood geworden, grijpt Kartenglimp het wapen 'twelk Helmond straks versmaadde, en zou den jongen officier met den stoel hebben getroffen, indien Helmond niet, door een slag op Kartenglimps arm, zijn voornemen had verijdeld.
"'t Zou zóó best mogelijk worden dat de ziekte waarvoor je vreest er dezen nacht een eind aan maakte;" zegt Helmond met klem.
Kartenglimp siddert.--Dezen nacht een beroerte!
De overspanning na velerlei hartstocht moest het na die laatste krachtsinspanning waarschijnlijk bewerkt hebben, of de schrik bij des dokters laatste woorden het allermeest: Een blauwachtig paars verving Kartenglimps gloeiende kleur. Hij wankelde, klemde zich vast aan de tafel, en.... door de duizeling getroffen zou hij zijn neergevallen, indien dokter Helmond niet ijlings ware toegeschoten en hem voor den val had behoed.
Bij eene vrouw wordt zelfs de hevigste afschuw alras door medelijden vervangen, wanneer ze haar belager door een onheil getroffen ziet. De onverwachte ongesteldheid van den majoor en zijn akelig voorkomen, verdrongen eenigszins den indruk van hetgeen er vooraf was gegaan. Ja zelfs haar heimelijke vrees voor de waarheid moest nú wel eensklaps verdwijnen, want zie maar, de man die "ter wille van een ijdele vrouw zijn zieken door schandelijk plichtverzuim geheel verwaarloost", zie dan, diezelfde dokter laat zijn geschokte jonge vrouw aan haar zelve over, om een lagen beschuldiger, een onmensch--als patiënt aanstonds ter hulp te komen.--O goede God, is er een edeler man op de wereld!
En Eva zal toonen dat ze zulk een echtvriend waardig is. Zij zal toonen bovendien dat ook zij zich beheerschen kan, èn terwille van haar gasten, èn ter voorkoming van onnoodige opspraak.
Ja, Eva zal aanstonds in den koepel doen bezorgen 'tgeen Helmond verlangt. Hardenborg zal bij hem blijven. Alleen zal ze naar 't gezelschap terugkeeren, en haar man en zich zelve verontschuldigen, dat men voor een ongesteld geworden gast eenige oogenblikken het gezelschap verlaten moest.--'t Zal voldoende zijn te zeggen, ja, dat men een kleine charade heeft willen uitvoeren, en de majoor Kartenglimp onder 't spreken ervan, door een plotselinge ongesteldheid getroffen werd.
Alvorens Eva zich--even snel als dit besluit werd genomen--zal voortspoeden, wendt ze zich haastig naar een hoek van den koepel; raapt er iets wits van den vloer, en laat het onder 't heengaan ongemerkt wegglijden in den zak van haar lila-zijden kleed.
ZESENDERTIGSTE HOOFDSTUK.
't Was twee dagen na Eva's verjaardag. Er hing een zware mist.--Uit de oranjezaal die weer in haar gewonen toestand was teruggebracht--ofschoon eenige fraaie kamerplanten er toch waren in achtergebleven--kon Eva de huizen aan de overzij van het marktplein volstrekt niet zien, en zelfs ternauwernood de boomen op een twintig schreden afstands.
't Was een sombere herfstdag.--Eva tuurde naar buiten.--Nu dat feest voorbij is, gevoelt zij iets leegs, iets "gedesoeuvreerds." Zij heeft op digestie-visites gerekend, op uitnoodigingen misschien; maar de stijve Romphuizers, enfin, ze komen graag als er wat extra's te genieten valt, maar anders blijven ze waar ze zitten of staan.--Eigenlijk is Romphuizen onbeschrijfelijk vervelend. Hier op den druksten stand zag ze nu in een half uur geen enkel rijtuig, ja zelfs geen kar voorbijkomen.--En dan, zoo'n groot huis, zulke enorme kamers, zonder menschen! Op den duur is 't ontzettend vervelend. Luchtig, nu ja, en duizendmaal beter dan zoo'n krot aan den wal, maar zonder menschen, nee!--En met zoo'n mist en tegen den winter....! Als August weer wat flinker zal zijn--want zoo heel heel fiksch is hij niet--dan zal ze er nog eens een balletje over opgooien om in Parijs.... neen dat zal toch niet lukken--maar om tenminste in een groote stad te gaan wonen.
--Wanneer het waar is dat zijn praktijk niet toeneemt omdat hij fortuin heeft, waarom dan hier te blijven! In een andere plaats had men ook niet die moeielijkheden met het vragen der oude lui, en de onaardige jaloersche en toch hooghartige buitjes van zusje Louisje, die papa geheel en al onder haar plak zoekt te brengen.
--O foei, wat een vervelende mist! Verveling is niet goed voor ons beidjes, denkt Eva voort, terwijl ze zich vluchtig in den spiegel overtuigt dat nog niets haar geheim verklapte.
--We moesten den lieven "papa" maar eens tegemoet rijden.--Maar met den mist...." En waar Helmond zich nu bevindt dat weet Eva niet. Ze zal hem maar liever afwachten.--Gelukkig dat hij zijn menschlievendheid toch niet zóóver heeft uitgestrekt om zelf dien vreeselijken majoor mee naar huis te brengen.--Foei, aan die scène mag zij niet meer denken.--Hoe dankbaar moest ze niet zijn dat haar beste August als bij intuitie haar op dat oogenblik te hulp kwam. En, dat die schrikkelijke man nog bovendien zulke beschuldigingen heeft durven uitspreken tegen dien edelen trouwen August!--Maar ha! August heeft het leugen genoemd, en zeker leugen moest er wel komen uit den mond van een, die--gruwel en laagheid--zich reeds in Indië op zulk een wijze had doen kennen. Nu 't is hem voorgoed verleerd om zijn logens omtrent dien besten man in 't rond te spuwen. Gisteren toen hij van den schrik was bekomen, toen heeft die wakkere luitenant het hem onder vier oogen zeer krachtig gezegd: Wanneer hij de geringste klad op dokter Helmond of zijn vrouw zou durven werpen, ja zoo het blijken mocht dat men in Romphuizen over het gebeurde in een anderen zin zou spreken dan over een--door zijn plotselinge ongesteldheid--mislukte charade-voorstelling, dat het zwarte boek van Ronner dan blad voor blad zou worden opgeslagen, en Archibald het EINDE er onder zou schrijven met bloedroode letters.
--Eva moet dien hartelijken vriend wel dankbaar zijn. Immers, op den edelsten naam blijft een smet kleven, wanneer het wangunstig gemeen hem eens door het slijk heeft gesleurd. En dan, al werd het met dien vreeselijken angst tot duren prijs gekocht, uit den fellen gloed heeft ze toch haar schat gered. Ja, en 't was haar eigendom wel. Al had hij ze haar niet geschonken, de familiepapieren der Van Armeloo's behooren het allerminst aan een verachtelijken gelukzoeker. Voor zijn moeite kan men het loon hem voor den voet werpen; maar zijn eigendom, neen waarachtig, zijn eigendom waren die bewijzen nooit.
De mist hangt droevig zwaar. 't Scheen tegen den middag een oogenblik alsof de zon den strijd zou winnen, maar neen, de namiddag spoedt reeds voort, en nu.... de boomen op 't marktplein zijn geheel onzichtbaar.
Over Eva's gelaat heeft zich weder een glimlach verspreid. Het uur, dat er nog verloopen moet eer August zal komen, kan ze zich aangenaam bezighouden.
--Ja ja, mijn heel klein ventje, mijn aardig snoeperig klein graafje Helmond Van Armeloo, we zullen nog eens eventjes gaan kijken wat er nu 't allereerst en 't allerbest moet gedaan worden. Er is een heeleboel te lezen.
Toen Eva eenige oogenblikken later op haar boudoir voor haar elegante schrijftafel in eenige papieren te snuffelen zat, toen werd haar een briefje gebracht, 'twelk zeer inderhaast scheen geschreven te zijn.
't Was van Helmond. Hij meldde haar, dat zij niet met het eten op hem wachten moest, aangezien hij ver buiten de stad bij een zieke was geroepen. 't Kon wel avond worden, zeven acht uren.
"Zeg in de keuken dat we om acht uur zullen dineeren;" beval Eva iets later, en van haar gelaat was de vroolijke glimlach verdwenen, terwijl ze verder die papieren doorliep.
En de mist hing buiten zóó dik en zwaar dat Eva al spoedig de letters niet meer kon onderscheiden. Zij geeuwde.... ze dook achterover in haar voltaire; en.... Toen werd het eensklaps licht, helder licht voor haren geest: Een heerlijk schitterend bal masqué werd door haar in ruime zalen gegeven. Als een sylphide met donzen vleugels, zweefde zij over een kristallijnen vloer, aan den arm van een Elfenkoning, stralend van glans. En de breede kolommen der groote zaal weken aan weerszijden terug, en het dak scheurde van een. En daarboven, zie, daar troonde in een verblindend licht een grijsaard; en eensklaps--alsof het een stormwind ware--blies hij met zijn geweldigen adem het licht uit in die groote feestzaal, en zijn hand nam den Elfenkoning weg van hare zijde, en....
"O God! August, August!" gilde Eva ontwakend.
Trillend en bevend van den akeligen droom ziet zij naar buiten. De mist hing als een strak getrokken zwartgrauw kleed voor het venster, 't Was donker, akelig angstwekkend donker in het boudoir. IJlings vloog ze op, en schelde om licht.
August Helmond stond een paar uur vroeger in de groote woonkamer van het landhuis De Zonsberg. Van het prachtig vergezicht uit de hoogte over het statig geboomte, met den kronkelenden stroom, was niets te zien. Ook hier had zich de mist tot aan de vensters vastgepakt.
Met de hand op de tafel gedrukt, den starenden blik voor zich uit, zóó, onbeweeglijk stond Helmond daar reeds een twintig, ja dertig seconden misschien.
"Och mijn lieve August, staar toch zoo somber niet; hij heeft het zoo erg niet bedoeld; hij is zoo goed, zoo braaf, zoo edel...."
Helmond weet niet dat er gesproken wordt; hij weet niet dat Jacoba hem bij de hand heeft gevat, en dat ze van den ouden man spreekt die hem zooeven.... O, dat was een ontzettend oogenblik! Zoo iets, neen, groote God, zoo iets heeft hij niet kunnen verwachten. Een vervloeking en zulk een vervloeking!
"Beste lieve Helmond, och zie mij dan aan.--Geloof je je zusje dan niet? Zoo erg heeft hij het niet bedoeld. De arme papa is ziek. Die telkens terugkeerende benauwdheden maken dat hij soms niet weet wat hij zegt; hij meende alleen...."
Als uit een droom ontwakend, ziet Helmond Jacoba aan; en aanstonds beseffend dat hij het zwakke meisje zijn aandoeningen moet sparen, zegt hij zoo kalm als hem mogelijk is:
"Ja lieve kind, dat zal wel zijn: ik geloof óók dat je papa...."
"Och papa is waarlijk zoo goed, en hij houdt zoo innerlijk veel van je, mijn beste trouwe broeder. Maar hij is ziek niewaar? Hij drukte in den laatsten tijd zoo gedurig de hand op het hart. Ik vleide mij nog dat het een aanwensel was geworden omdat hij zeer bedroefd was August, zeer bedroefd...."
"De generaal is nu ziek Jacoba."
"Noem hem niet bij dien titel August. Och ik bid je, maak mijn lieven vader weer gezond, en hij zal je zegenen inplaats...."
"Inplaats van mij te.... vervloeken;" zegt Helmond zacht.
"Hij wist niet wat hij zeide. Niewaar, als men dan ziek is; wanneer men met een hartkwaal te worstelen heeft!?"
"Ja zeker Jacoba, dan.... dan is het zeer natuurlijk.--Maar nu," herneemt Helmond met inspanning, na een korte aarzeling: "nu kan ik hier toch niet van dienst zijn. Wat ik doen kon dat heb ik gedaan: hier komen met de beste bedoeling, op je dringend verzoek."
"En als je heengaat zal dan de arme papa zonder hulp moeten blijven? Zou jij.... jij August, hem aan zijn lot willen overlaten?--Nee nee, dat kun je niet, ik weet het zeker!"
"Er is geen dadelijk gevaar Coba."
"Maar dat sluit in zich, dat er wel degelijk een naderend gevaar is. Om Godswil August, luister naar de inspraak van je liefhebbend hart. Al ware het dat mijn arme vader zich al te zeer aan je vergrepen had, jij zult toch aan de wet der reinste liefde gehoorzamen: "Doe wél dengenen die u haten." Maar nee August, mijn lieve zieke vader haat je niet. Schrijf de middelen voor die hem redden kunnen. O ik bid je lieve August!"
Helmond ziet haar bewogen aan. Groote tranen wellen er op in zijn oogen. Hij onderdrukt ze met kracht.
"En gaf ik een geneesmiddel Coba, wat zou het baten? Je vader zal geen medicijnen gebruiken, en het allerminst wanneer ik ze heb voorgeschreven."
"Maar ik bezweer je August, zóó mag het toch niet blijven; wat zouden tante en ik beginnen zonder eenige hulp!"
"Ik zal dokter Alsma uit Briesborg laten komen Coba; 't zal niet geheel onnatuurlijk klinken dat de generaal liever een vreemde tot dokter heeft."
"Maar die kan eerst morgen hier zijn of van avond laat. O lieve August, zeg jij ons wat we doen moeten; zend de medicijnen die noodig kunnen zijn. O zie mij aan, ik zit in duizend angsten voor het leven van mijn trouwen vader."
"Ik herhaal het Coba, medicijnen zal hij toch niet innemen. Je kent zijn onwrikbaren aard."
"Ik heb het gevonden!" roept Coba met vuur: "Jawel hij zal, hij moet ze innemen. Poeders, droppels wat maar goed is, ik doe ze hem bij en in het weinige dat hij gebruiken zal, ongemerkt! O beste trouwe August, vergeet niet dat hij je altijd zoo liefhad, en ja--zoo waar als ik leef, dat hij je weer zal liefhebben wanneer je hem--ondanks zijn hard klinkend woord, door de macht van je kunst voor 't leven en voor zijn kind hebt behouden."
Toen Helmond in de vestibule trad waar hem de marmeren vloersteenen als gloeiende kolen onder den voet brandden, toen hing Jacoba hem nog aan den arm, en liet hem door vleiend smeeken de woorden herhalen, die hij reeds toestemmend gesproken had.--Ach, August zou haar toch wel gelooven dat zij geheel dezelfde was gebleven, maar niets voor den armen Philip heeft kunnen doen, omdat zij er niets van vernomen heeft. Noch van August zelf, noch van Emma Woudberg had zij een brief met eenig verzoek ontvangen. En dan, August zou toch gelooven ook dat zij van nu afaan--indien hij den geliefden vader met Gods hulp maar redden wilde, geen middel onbeproefd zou laten om dien akeligen vloek in een zegenbede te doen verkeeren?
Alvorens de woning voor altijd te verlaten--ja August weet het zeker, voor altijd--blijft hij nog even staan; ziet Coba schijnbaar kalm in de oogen; vat dan haar bleek gezichtje tusschen zijn beide handen, zoent haar op het voorhoofd, twee- driemaal achtereen, en daarna....
De voordeur valt met doffen dreun achter hem dicht.
Of Coba ook tuurt door het zeer smalle venster naast de deur, zij ziet hem niet meer; zelfs de uiterste einden der stoepleuning zijn in den mist onzichtbaar. Nu tuurt ze niet langer. Een heete tranenstroom heeft haar het uitzicht geheel benomen.
't Had weinig gescheeld of dokter Helmond ware door den boom van een rijtuig getroffen. In droeve gedachten verloren, haastig de stoep aftredend, heeft hij in den valen mist ternauwernood het rijtuig bemerkt 'twelk juist kwam voorrijden.
"Is de generaal thuis?" klonk een stem uit het rijtuig.
"Ja, maar niet te spreken."
"Ei Helmond, ben jij het! Ik dacht dat het Hendrik was.--Niet te spreken zeg je? 't Was de afspraak dat ik vandaag zou komen." Zachter: "De verkoop van De Zonsberg gaat door; hij kwam het mij zeggen op den avond toen ik van je feest werd geroepen; en 'k ben hard bang voor andere plannen ook. Ik had je juist een briefje geschreven. Is ie ziek.... erg ziek?"
Helmond staat nu als wezenloos bij 't geopend portier, tegenover den nog zittenden notaris. Uit de weinige woorden van Zoutenheer heeft hij meer verstaan dan hij nu schier dragen kan. Neen, 't was hem niet vreemd wat hij daar hooren moest; 't was hem de bevestiging van 'tgeen hij in de laatste uren maar al te zeer heeft gevreesd: De notaris is door den ouden zieken man ontboden om een verandering te maken in zijn uitersten wil.
"Je antwoordt niet dokter: is het zóó erg met den ouden heer?"
"Nee.--Ja ja, o ja, 't is op dit oogenblik zeer zeer erg met.... Je zult hem nu moeielijk kunnen spreken. Wacht, ik zal eens even."
Helmond is haastig de stoep opgegaan. Nu trekt hij behoedzaam aan de schel.
En, ofschoon hij 't zooeven niet gedacht had--nogmaals trad hij de woning binnen en stond hij in de huiskamer tegenover de zwakke Coba. Maar nu--'t was goed dat het zoo'n sombere mistige dag was--er parelden nu geen tranen in Helmonds trouwe oogen, neen, op zijn voorhoofd stonden angstparels, want, niewaar: Jacoba zou immers den notaris wel verzoeken om zijn visite tot later te verschuiven. Haar vader was, na die treurige scène, natuurlijk zenuwachtig. Indien hij nu "verkoopzaken" met Zoutenheer bespreken moest, 't zou hem zeker veel kwaad doen.
't Sprak vanzelf dat Jacoba den notaris, die in de groote zaal wachtte, ijlings ging verzoeken om zijn visite later te willen hervatten. Den wenk van Helmond had zij verstaan; zij kleurde den toestand van haar vader voor 't moment nog wat minder gunstig dan zij dien zelve inzag.
Zoutenheer achtte het zijn plicht om juffrouw Van Barneveld beleefdelijk te verzoeken, aan mijnheer haar vader te gaan vragen of hij hem nú of later wenschte te spreken.
"Als dokter kan ik een conferentie moeielijk toestaan;" zegt Helmond met eenigszins trillende stem.
"Er kunnen redenen zijn Helmond, die een patiënt meer naar den notaris dan naar zijn dokter doen verlangen.--Ik zeg er kunnen redenen zijn."
Helmond wischt zich ongemerkt het koude zweet van de slapen:
"De notaris heeft gelijk Coba, er konden redenen zijn."
"Welke redenen, mijn hemel! Zieke menschen gaan zich toch het dak niet boven hun ledikant verkoopen!"
"Zieke menschen willen soms testament maken, juffrouw Van Barneveld."
Jacoba ontstelde; maar men zag het niet. Zij zal 't haar vader gaan vragen.
Op de ziekenkamer ligt de grijsaard in zijn ijzeren ledikant op het varen leger met twee varen kussens onder het sneeuwwitte hoofd. Zijn ademhaling is benauwd.
"Ben jij daar Coba?"
"Ja lieve pa."
"Ik hoorde een rijtuig. Is de notaris er?"
"De notaris....? Nee, dat geloof ik niet."
"Als hij komt laat hem dadelijk boven."
Jacoba voelt haar knieën knikken. Antwoorden kan zij niet.--Zijn ademhaling is nog benauwder dan zooeven.
Weer heeft ze de kamer verlaten.
"Notaris, papa is op dit oogenblik zeer benauwd; hij verzoekt u vriendelijk later eens terug te komen. Als u 't goedvindt zal ik u nader een boodschap zenden."
"Ik hoor daar weer een rijtuig Coba: zou het nu Zoutenheer zijn?"
"Hé een rijtuig?" Jacoba gaat naar het venster, en dewijl de mist haar alle uitzicht beneemt, kan ze inderdaad het rijtuig niet zien, waarmee de notaris weer huiswaarts keert, en mag ze naar waarheid zeggen: "Ik zie volstrekt niets lieve papa. Misschien is de bierkar straks naar het achterhuis gereden en nu weer teruggekomen. Maar ik hoor niets.... hoor maar, niemendal."
Een klein kwartier later bracht Jacoba zelve de boodschap boven dat de notaris Zoutenheer door plotselinge ongesteldheid was verhinderd geworden om op De Zonsberg te komen. En terwijl ze het zeide, trilde de bee haar in 't hart: O God, vergeef mij! Moet ik dan altijd listig wezen gelijk de slang, terwijl ik oprecht zou willen zijn gelijk de duive!
--Maar zie, de ademhaling van den dierbare wordt, na dat bericht toch kalmer. Ha! hij sluit de oogen. 't Is alsof er meer vrede kwam in zijn gemoed.
"Waar ben-je mijn klein lief meisje?" zegt eensklaps de grijsaard en strekt de hand naar haar uit.
"Hier beste papa." Met teedere kussen bedekt zij zijn edel voorhoofd. --Maar stil, nu moet hij slapen.--Zie, hij sluit weer de oogen.
--Is dat droomen? Wat wil dat zeggen? Hoor, hij herhaalt het nog eens met hijgende stem:
"Ja ja, ik geloof wel dat ik er Simson zal vinden.--Ha, daar is hij.... met een kanon op den schouder; en zijn voet op die vrouw.--Ha! Goddank!"
"Vader, palief! zulke droomen!"
"Ah zoo, was jij daar lief meisje; ik dacht.... ik droomde.... Als Hendrik naar stad gaat dan moet hij de boodschap bij Zoutenheer brengen.... dat ik.... wachten zal.... totdat...."
"Totdat u weer beter bent; jawel dat is goed beste pa;" zegt Coba, en in de tranen die ze schreit mengden zich ook tranen van dank en van vreugd,
De grijze generaal drukt Coba's hand, en trekt haar nader tot zich.
"Niet schreien.... lief klein bleekneusje. Je moeder schreide ook nooit.... Stil, daar komt Blücher.... Ha ha ha! nu zal hij neerploffen van zijn troon; vervloekte eerzucht! Links voorwaarts in batalje! In galop marsch! Attaqueert.... snelvuur!.... Vuur!"
Met een hevige benauwdheid ontwaakte Van Barneveld weder en hijgend zegt hij: "Ik geloof dat ik weer droomde.--Nee niet weggaan, mijn goed lief kind. Niet bang zijn, nee!"
"Tante! tante!!" roept Jacoba: "O tante help, help!"
ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
De notaris Zoutenheer heeft dokter Helmond niet kunnen bewegen om mee naar de stad terug te rijden. 't Was misschien ook maar beter.--Hij heeft medelijden met den jongen man; waarachtig medelijden. Fiksche kerel; knap in alle opzichten, maar.... Te goed, jawel al te meegaande. Geen verstand van japonnen. Zoutenheer is zich bewust dat hij niets, volstrekt niets gedaan heeft om.... Neen, 't sprak vanzelf dat een notaris die er "een nest op nahoudt", huizen ziet te verkoopen als er "een stuiver of twaalf mee te verdienen valt", maar anders--wat hij deed, hij kon het voor zijn geweten en z'n beurs verantwoorden.--Kartenglimp, nu ja, dat is een andere affaire. Enfin, enfin, 't spijt hem: maar als notaris moet men zijn plicht doen, en, al verkoos mijnheer van De Zonsberg, den armen duivel zelfs heelemaal uit zijn testament te schrappen, de notaris was tot schrappen verplicht; plicht boven alles!
Helmond heeft niet mee willen rijden, 't Was hem niet mogelijk geweest om in de nauwe vigilante te stappen, en zich te zetten naast dien man met zijn grooten diamanten ring aan den vinger. Lucht moet hij hebben--al zij het een mistige lucht; en ruimte, ruimte! al wordt de blik door dien mist ook beperkt.
Wat bezielt hem dan, dat hij plotseling voor dien algemeen geachten notaris zulk een tegenzin gevoelt, iets, alsof hij eensklaps van vriend een hevige vijand geworden is? Wat drukt en benauwt hem zoo geweldig dat het hem gedurig is alsof hij.... de wereld zal moeten stukslaan om er uit, en in vrijheid te komen?
--Kalm Helmond, kalm! Weet een oud man wat hij zegt als hij ziek is naar lichaam en geest! En wat beteekent zulk een vervloeking? Welk edel mensch vervloekt een ander? Zulk een mensch moet al zeer hoog staan in eigen schatting. Die er beteekenis aan hecht is krankzinnig....--Krankzinnig....--Als die notaris geloofde, neen, indien hij wist dat die oude man het was, dan mocht hij daar niet terugkomen.... dan.... Maar dat is gelogen, die grijsaard is bekrompen, doch niet krankzinnig. Neen, wat hij teekent als zijn uitersten wil, dat is een geschreven wet.--Wat roert daar en doet hem ontstellen? 't Is een boschduif die uit den eschdoorn wegvliegt.--Hier was het, ja hier, op dien voorjaarsmorgen.--Hier hield hij hem staande, de grijze pleegvader, en heeft hem de hand op den schouder gedrukt en gezegd: "Wil je weten August of Eva een goede vrouw zal wezen, beproef haar, en zie of zij de vrouw is die de moeder van koning Lemuël voor haar zoon begeert."--Ha, dat was toch krankzinnig, twee en twintig verzen: Oostersche kruiden.
Hoor:
"Een deugdelijke huisvrouw.... zoekt wol en vlas en werkt met lust harer handen. Zij staat op als het nog nacht is en geeft haar huis spijze. Van de vrucht harer handen plant zij een wijngaard. Zij maakt fijn lijnwaad en verkoopt het, en levert den koopman gordelen. Zij beschouwt de gangen van haar huis en het brood der luiheid eet zij niet. De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ijdelheid; maar de vrouw die den Heer vreest die zal geprezen worden; en laat hare werken haar prijzen in de poorten."
--Hoe komen die woorden hem eensklaps zoo helder voor den geest? Hij weet het niet meer. Waar denkt hij dan aan? Aan wie?--Ha, Eva!--O zie, nu zit ze voor haar Erard; ze zingt; ze weet van niets, ze weet niet....
"Goeden middag dokter. 'k Wist eerst niet zeker of het dokter wel was. Alles frisch en gezond?"
"Ah Darman, ben jij het?--Hoe gaat het?"
"Goddank best dokter. We hebben op Den Drumpt van dit jaar een gewas van geweld.--Zegen in alles. De kinders groeien als look, en als m'n wijf me 's-avonds met d'r rooje lippen een zoen geeft, dan zeg ik, dat is een doorslag op den zegen. Vijftig schapen hebben gelammerd. De scharige ossen heb ik aan Franck verkocht en aan 't veer geleverd; ze moeten naar Engeland. De Engelschen hebben geld als water en eten biefstuk als roggebrood.--Als de buil vol is dan loop je vroolijk naar 't erf dokter, aldat het mist dat men z'n eigen niet zien kan."
Helmond weet niet wat hij zeggen moet:
--Ei, heb je 't geld voor je ossen meegebracht....? Neen, dat zeide hij niet; het zweefde hem op de lippen:
"Ja dat is plezierig Darman."
"Dokter meent toch dien mist niet? 't Geld in den zak niewaar?
--Bange wezels zeggen dat je 't Duivelsche Laantje aan gene zij van De Zonsberg niet met geld moet doorgaan. Ik maal d'r wat om! Met vijfdehalf duizend gulden in m'n zak, loop ik net zoo gerust als dokter 't doet met z'n receptenboek."
Dokter Helmond voelt het hart kloppen tegen dat receptenboek. In dienzelfden zak zat nog iets anders.--'t Is de brief van Kartenglimp die hem binnen tweemaal vier en twintig uren terug vraagt wat hij hem leende.--'t Was goed dat die eisch is gekomen; ja hij heeft het voorzien en gewild, want die schuld brandt hem sinds dien avond, als een helsche vuurgloed op de borst. Die schuld moet vereffend worden; morgen, nog heden!
"'t Is toch gevaarlijk Darman; de weg van 't veer naar Den Drumpt is eenzaam."
"Wát eenzaam! Geld met moeite en zorg verdiend maakt vroolijk en sterk."
Dokter Helmond weet niet meer wat de tevreden boer, al voortgaande verder praat.
Nu zijn ze niet ver van de stad aan een zijweg gekomen. Boer Darman moet--naar Den Drumpt, dien weg op. Met de vereelte hand drukt hij de hand van den dokter--die zeker een zwaren patiënt heeft, zoo vreemd zoo kort als ie was!
"Atjuusjes tot weerzien."
Helmond heeft den boer een "wel thuis" gewenscht. Tien schreden van elkaar verwijderd, blijft Helmond aarzelend staan; wendt zich om, en roept terwijl hij den boer ter nauwernood zien kan:
"Hei Darman!"
"Riep je dokter?"
"Darman, ik wou je vragen.... Ik wilde...."
"En dat zal wezen dokter?"
"Ik.... Je hebt geen vuur bij je? Ik wou...."
"Wou je opsteken dokter? Nou m'n ketsgerij; is goed; met alle plezier."
De damp van Helmonds sigaar verdween in den mist. De dokter ging het stadje binnen, en den wal op. Neen, Goddank, hij heeft de verzoeking weerstaan; dat geld mocht hij niet leenen; het maakte dien man zoo vroolijk en sterk.
In de voormalige huiskamer naast de apotheek zat er iemand op dokter te wachten. Goed; maar eerst moet Helmond het briefje lezen 'twelk Thomas hem overhandigde. 't Is het briefje, waarop de houding van den notaris hem reeds voorbereidde. Hij heeft het verwacht. Bijzondere omstandigheden dringen den notaris om dokter Helmond te berichten dat hij hem de gevraagde som onmogelijk...
--Natuurlijk! zegt Helmond onhoorbaar: Ik wist het; de diamanten ring had het me reeds gezegd.
De persoon die Helmond in zijn voormalige huiskamer wachtte, was een tamelijk deftig heer. Hij maakte eenige plichtplegingen namens de firma Leesenaar & Comp., wier zaakgelastigde hij was, en verzocht den dokter beleefdelijk om de loopende rekening over de maanden Augustus en September met hem te willen vereffenen. 't Zou den dokter wel bekend zijn--zooals ook hierboven aan de nota met groote letters gedrukt stond--dat alles á comptant werd verkocht.
De Psyche, die mevrouw Helmond voor een paar dagen bestelde en die ook binnen een paar dagen geleverd zou worden, kwam voor de rekening van de loopende maand. Natuurlijk, natuurlijk!
Het totaal der meubelmakers-nota bedroeg een som die Helmonds schatting verre zou zijn te boven gegaan, indien hij in deze oogenblikken een juiste voorstelling van cijfers had gehad.
--Gisterenavond, Goddank, toen heeft hij van alle kanten nog zóóveel bijeengebracht dat hij aan den braven huisschilder Wulters zijn woord kon houden. Vraag hem niet wat hij er voor doen moest. 't Zou immers alles nog terechtkomen: de notaris zal hem wel helpen; en.... oom Van Barneveld!
--Maar nu, wat raakt het hem nu of die cijfers groot of klein zijn. Uit een leege flesch kan men evengoed een okshoofd wijn als een enkel glas schenken.
"Ik ben niet gewoon," zegt Helmond, voor 't uiterlijke kalm: "om op deze wijze gemaand te worden menheer. Men verwacht zoo iets in geen geval van een huis waar men zooveel gekocht heeft." Na een oogenblik zwijgens: "Uw patroons kunnen over veertien dagen disponeeren." En dan als tot zich zelven: "Ik begrijp niet waarom men zooveel haast maakt."
Neen, Helmond begreep het niet. Maar straks zal een andere en vrij wat ruwere aanmaning hem van verre doen vermoeden.... Wát? Doch, neen, zóó iets gelooft hij toch niet. Dat er een aantal naamlooze brieven aan Helmonds crediteuren door den schandelijken Ronner zijn verspreid, met een waarschuwing om zoo spoedig mogelijk te trachten het door Helmond aan hen verschuldigde meester te worden, aangezien het te vreezen was dat hij zeer binnenkort met de Noorderzon vertrekken zou; neen, dát heeft Helmond niet gegist of begrepen. Maar geen nood. Wie zou dat gulhartig gelaat niet vertrouwen, wanneer men uit dien edel geplooiden mond de verzekering mag hooren dat men op een bepaalden datum over het verschuldigde beschikken kan.
Toen de laatste bezoeker met beleefden groet vertrokken was, kwam er een klein ventje met een briefje, 't welk hij aan dokter moest geven, en waarop hij het antwoord wachten zou.--Ze hadden "aan 't groote huis gezeid dat dokter misschien wel aan de apotheek kon wezen".
't Is zeer vroeg donker.--Toen Helmond in den namiddag, na het ontvangen van een haastig briefje van Jacoba, met dringend verzoek of hij toch aanstonds op De Zonsberg wilde komen, aan Eva meldde dat het wel laat zou worden eer hij thuis kwam, toen heeft hij een breede tijdruimte wel noodig geacht, en niet vermoed dat zijn bezoek zoo kort zou duren. Maar toch, 't wordt nu al donker. Geen wonder met dien mist.--Hij kon het briefje niet meer lezen:
"Wil je de lamp aansteken Thomas?"
Thom stak de lamp aan, en zette het groene kapje er op, en sloot de luiken.
Helmond leest:
"Voor UEd. geleverd en ingezet twee nieuwe ruiten in den koepel. Op dato ontvangen de somma van f 2.35 centen.
Voldaan W. Wulters.
dato.. Oct. 18.."
--Wat vreemde lach klinkt er uit dokter's mond!?
"Is 't om een medicament dokter?--Moet jij wat uit de apotheek hebben manneke?" zegt Van Hake.
"Nee, twee gulden en vijf en dertig centjes. Vader was bang dat ie ze anders niet krijgen zou."
Thom werd bloedrood en had dat kleine monster wel in den vijzel willen platstampen.
"Twee gulden vijf en dertig centen.--Is 't goed dokter; zal ik 't maar betalen?"
't Was goed. Thom betaalde.--Nochtans een trek van verachtend medelijden plooide Helmonds bleek gelaat.--Dit briefje kwam van dienzelfden braven huisschilder Wulters.--Welzeker! Maar waarom kan die man niet braaf zijn en goed, en toch bevreesd dat hij zijn tweehonderd en zooveel centen niet krijgen zou. Ja waarom niet?
"Hei ventje....?"
Was het werktuiglijk? Uit dat kleine laadje heeft Helmond een pijp zwarte drop genomen en steekt die, starend voor zich heen den kleinen Wulters toe. De jongen lekte tot dank met de roode tong langs zijn schat en rende de straat op.
Thomas krijgt geen antwoord op zijn vragen.
"Watblief?--De generaal? O ja veel beter. Je vraagt of het beter was....? Maar zie jij dat niet?"
"Ik dokter?"
"Ja, zie je dat niet? Hier aan mij.... hier?"
"U ziet er wat ontdaan uit; zeker, maar...."
"En ik vergeet hem!" herneemt Helmond als tot zich zelven: "hém en haar.--Thomas, komt het jou voor dat ik zenuwachtig ben?"
Thom aarzelt, en dan snel: "Ja waarachtig dokter, 't schijnt met den ouden heer erger te zijn dan u bekennen wilt, en...."
"En....?"
"Niets mijn beste dokter.--Och God, als ik zeggen mocht wat ik denk.--Och dokter...."
"En wat wou je zeggen? Wat?--Maak die deur toe."
"De deur is dicht dokter.--Wat ik zeggen wilde? Ik wil.... nee, ik mag het niet zeggen.---Maar ja, toch: Die ú niet genegen is, die is het daglicht niet waard. Ik heb het bidden voor dien hardvochtigen generaal verleerd dokter. Hij is oud; God gaf voor u dat het zijn tijd was."
Helmond wordt eensklaps purperrood; zijn oogen fonkelen.
"Thom!" zegt hij met klem: "Thom ben jij het! Ga heen; ik wil je niet zien." En dan met de hand aan het hoofd: "Nee blijf, dat was uit overdreven liefde voor mij.... Je meende het goed Thomas. Je meent het altijd goed m'n vrind. Maar wie zegt jou, Thom, dat ik om eenige reden zou wenschen...."
"God beware dokter! ú wenschen! Nee nee, dat zeg ik zeker niet. Maar, als men dan miskend wordt en niets aan de levenden heeft, dan troost men zich gemakkelijk over hun dood. U trekt je alles zoo ijzerzwaar aan, beste dokter."
"Zwijg nu; ik weet wel hoe je het meent; maar toch, zóó iets duld ik niet.--Doe die deur toe Thomas. Jawel, de deur is open. Niet? Nu zorg dan dat ze dicht blijft."
Helmond schijnt zich iets te herinneren; en terwijl hij in zijn portefeuille zoekt:
"Waar is mijn recept? Waar is mijn recept Thomas?"
"Uw recept? Ik weet het niet. Welk recept dokter?"
--Welk recept?--Ja, welken patiënt heeft hij dan het laatst bezocht? 't Is alsof hij zich nog in dien mist bevindt. Hij weet het niet meer.--Ha! nu weet hij het. Aan Jacoba beloofde hij, voor dien ouden man iets te zenden 'tgeen hem weldadig kon zijn.--Ja, nu is 't hem alles weer klaar. Die oude man heeft een hartkwaal en Coba zal hem ongemerkt in 'tgeen hij gebruikt een geneesmiddel toedienen. En zie, hij ligt daar; daar op dat bed, en hij ziet hem aan, en vuur spat er uit zijn oogen, en hij zegt....--Neen stil, die vloek was razernij; het hart waaruit hij voortkwam is ziek.
--Stil, wees nu kalm Helmond; haal al die zwarte beelden niet door je hoofd; laat Thom niet bemerken dat je zoo overspannen bent; wees sterk! Spoed nu; maak de poeders klaar. Thomas zelf zal ze erheen brengen, en Jacoba uitleggen hoe zij ze geven moet.
Thom heeft den wensch van zijn meester vernomen. Met de meeste liefde zal hij aan juffrouw Van Barneveld alles uitleggen. Wanneer hij dokter hier niet meer helpen kan, dan zal hij zich nu maar aanstonds gereedmaken.
Dokter Helmond weifelt geen oogenblik in de keuze van zijn geneesmiddel--indien het een _genees_middel heeten mag.
Cyanuretum zinci staat er op een der fleschjes, die in het afzonderlijk hangende en goed gesloten vergiftkastje geborgen zijn. De sleutel van het kastje ligt op de gewone plaats bovenop. Nu heeft hij het kastje geopend.
"Wie is daar!?"
Ja, er was toch iemand.--Mijnheer Kippelaan struikelt naar binnen, en verzekert dat hij verrukt is, en nog meer, 'tgeen Helmond echter niet verstaat. Kippelaan sprak van mist, en van mevrouw Helmond, en van....--dát was de zaak van zijn intiemen vriend Kartenglimp. Namens den majoor, die sinds het kleine toeval op de partij--amusante partij--niet heel wél was en thuis bleef, en, o wonder--maar natuurlijk bij vergissing--inplaats van amice Helmond, amice--nee pardon, dokter Biermans liet halen, de majoor had hem vriendelijk verzocht dit briefje aan dokter Helmond ter hand te stellen, zeker een explicatie bevattende omtrent de vergissing of verwarring met het roepen van één der amices doctoren. Kippelaan kon parole d'honneur in gemoede getuigen--ofschoon het misschien vreemd klonk--dat hij niet weet wat er in dat briefje staat.
Geen de minste ontroering is er op Helmonds gelaat te bespeuren, nu die wauwelaar hem strak aanziet terwijl hij het briefje leest.--Helmond las:
"De hooggeroemde en zeer wetenschappelijke dokter Helmond, die de dupe was van een ijdele behaagzieke vrouw, zal zich niet verwonderen dat hij door den vriend, dien hij nu op schaamtelooze wijze verguist en belastert, wordt gesommeerd om de hem geleende zes duizend en achthonderd gulden met verschenen interesten op morgen den.... October te voldoen, zullende anders onmiddellijk de sommatie bij deurwaarders-exploit geschieden. Intusschen wenscht de ondergeteekende dat dokter Helmond zich zeer spoedig in de geheele herstelling van zijn dierbaren pleegvader zal mogen verheugen.
Kartenglimp."
"Ik dank je Kippelaan."
"Geen dank! Pas du tout!--Onder vrienden!--Wat ik zeggen wou: De majoor vraagt in dat briefje...."
"Of je hem 't antwoord heel spoedig wilt terugbrengen!"
"Welzeker, welzeker! Met alle plezier."
"Zeg hem dat het in orde zal zijn."
"In orde....? Maar wát?"
"De zaak die ik met hem te regelen heb."
"Dus een zaak....? Maar à propos, zonder de minste indiscretie: is het waar amice, dat jij...."
"Ja ja, dát is waar;" zegt Helmond met een blik die den wauwelaar een weinig doet terugtrekken. Kippelaan staat met geopenden mond:
"Wát? Wa.... blief?"--Enfin, hij hoopte het waar te nemen; en, onwillekeurig terugtredend naar de deur: "Allerliefst in zoo'n lab.... lab.... bretorium. Allerliefst! En vooral de complimenten aan de geëerde familie. Graven niewaar? Allemaal graven. Pardon!--Adieu!"
Hij wist niet waarom, maar in die laatste oogenblikken had hij het benauwd gekregen. Zou dokter het toch ontdekt hebben van die brieven?--Terug dan; terug! Hij wil hem alles meedeelen; specifiek welzeker! Het brandt hem toch gedurig op de lippen.
--Terug--Nee nee Kippelaan, zwijg! Je zwarte hoed weerkaatste in zijn oogen! En--wie weet, of nu de majoor niet iets loslaat. Wie weet.... wie weet!
Heeft de poging om zich voor dien zotskap goed te houden, Helmond zoozeer overspannen? Hij moet zich aan de toonbank vastklemmen.--Nu gaat het beter. Hij mag in dit oogenblik slechts denken aan 'tgeen hij met spoed heeft te doen. Jacoba wacht. Zij is in onrust.--Ha, schokken als die der laatste uren zouden wel sterker gestellen een oogenblik in de war kunnen brengen.--Doch zie maar, als Helmond wil dan is hij krachtig. Wanneer hij handelen moet dan zal men niets bemerken.... "Zullende anders onmiddellijk de sommatie bij deurwaarders-exploit...."--Maar wat beteekent dat!? Is er dan geen geld genoeg in de wereld om een ellendeling te voldoen; om....
Eensklaps schaart er zich een reeks van cijfers voor Helmonds starenden blik; en dan, dan ontstelt hij. Hij hoorde gejuich. Hij roept:
"Thom!" en met verheffing: "Thom ben jij daar!?" Helmond houdt de hand voor het licht en ziet naar de deur.
--Neen daar was niemand.
--'t Is vreemd dat hij zich telkens verbeeldt den ouden pleegvader te zien binnenkomen. Hij weet immers dat het onmogelijk is. Maar 't kon nú Thom geweest zijn. Neen, Thom was het niet. Er was niemand.
Helmond heeft het kleine fleschje met den witten harstachtigen inhoud uit het afzonderlijk hangende vergiftkastje genomen.--Met dien inhoud moet men voorzichtig wezen; zeer voorzichtig.--De lamp met het groene kapje van de toonbank nemend, zet hij haar in de hoogte op den lessenaar. Een vaal groen kleurt nu Helmonds bleek gelaat. Hij houdt het fleschje in de hoogte tegen 't licht, en keert en wendt het als wil hij zich overtuigen dat hij zich niet vergist.
Nauwkeurig turend, en kloppend op het fleschje, schudt hij nu een zeer zeer kleine hoeveelheid op het koperen grein-schaaltje tegenover het miniatuur-gewicht.--Zóó. Niet meer, zóó. Een twaalfde grein kan hij telkens toedienen.... Zeven, ja zes greinen opeens zouden reeds doodelijk zijn!!.... Ho--ho, niet meer... O God, wat vloekte hem een oogenblik zoo woest door het hoofd! Wie.... wát is daar? Wie zingt of schreit er....? Van waar dat luidruchtig rumoer?
--Hoor, een gansche bende nadert. Er klinkt muziek! Een schot knalt voor het raam.
"O God!" Hij duizelt achterover; de kleine flesch slaat hem uit de hand en valt aan duizend stukken op den vloer.
Thom en zijn moeder staan hun vriend reeds terzijde. Ze hebben hem bijgebracht. Hij weet niet wat er met hem is voorgevallen. Maar ja, nu is het weer beter; zie maar, heelemaal beter.--Zeker, hij herinnert het zich. Straks was er een heele drukte voor de deur. Ah juist, in de buurt wordt bruiloft gevierd--bruiloft! Met Huibert en Geurtje in het midden, gaat men een walletje rond maken. Peters met de klarinet, en Dirk met de harmonica zijn vooropgegaan; en vlak bij het apotheekraam heeft een der gasten--zeker Careltje van den bakker, die 't pistool nooit met rust kan laten--een schot gelost terwijl ze zingend voorttrokken.
't Was zeer begrijpelijk dat dokter,--in groote onrust over den treurigen toestand, waarin hij den generaal scheen gevonden te hebben, nu van dat schot zoo hevig ontsteld is.
"Wat ons in gewone omstandigheden in 't geheel niet zal treffen," zegt de weduw: "dat schokt ons in zulke oogenblikken soms op 't allerhevigst."
Helmond ziet naar Thom, die het gevallene heeft opgenomen, en het afgewogene, op dokters weifelend bevel, in poeders gereedgemaakt.
"Bovendien," aarzelt de goede vrouw, terwijl de tranen haar in de oogen springen: "men maakt het u moeilijk, men...."
"Wie?" zegt Helmond snel opziende, nadat hij Thom een wenk had gegeven, om zich nu met het geneesmiddel zoo haastig mogelijk naar De Zonsberg te spoeden.
"Waarom niet eerlijk met u gesproken!" zegt mevrouw Van Hake, zoodra Thomas in allerijl is vertrokken: "Als zelfs de kwade tongen zich roeren, dan mag de vriendentong toch zeker niet zwijgen; nee dan zal en moet hij troost en raad geven. Dokter, vriend, u hebt je in schulden gestoken...."
"Wie wie zegt dat? Wie zegt u dat ik schulden heb? Heeft de roos schuld omdat zij de schoonste bloem is en 't heerlijkst geurt? Heeft de vogel schuld omdat hij het fijnste kleed draagt en er geen reiner zang op de wereld is?" Helmond dacht aan Eva's lied.
"Beste dokter, ik zou u ook nú willen sparen, maar het mag en kan niet. Men schijnt vrij algemeen te hebben vernomen, dat de notaris het testament van den generaal ten uwen nadeele heeft moeten veranderen of veranderen zal, en daarom...."
"Wie zegt dat? Wie? Ik zeg u dat het niet waar is. En al was het zoo, wat gaat dit den menschen aan!"
"Dokter u hebt gelijk, wat gaat het den menschen, wat gaat het mij aan? Maar of het waar is of niet, och dokter, ik heb een dringende bede; als ge die verhoort dan ga ik dankbaar heen. Ziehier.... Het zou mogelijk kunnen zijn dat men u eens lastig kwam vallen. Ja 't is wel weinig dokter, maar toch eerlijk gewonnen geld. Vijf Russische spoorwegstukjes; ik heb niet ledig kunnen zitten terwijl ik alles om niet genoot.--'t Was voor mijn braven Thom bestemd als hij ooit.... Maar Thom wil er niets van weten. De goede jongen zegt dat hij de dingen nog liever verbranden zag dan in de secretaire liggen terwijl ze ú helpen konden. Och dokter, misschien kunnen ze u steunen voor 't oogenblik, en dan dan... Ja ik moet toch spreken, al zoudt u 't me nooit vergeven: Mijn vriend ik bezweer u, ga met Eva zoo niet voort. Ik ben er zeker van, met ú zal ze terug willen, liever dan in 't einde alleen te moeten. Helmond, zeg haar alles. O hoor een vrouw van jaren. Verzwijg uw Eva niet dat je haar, om haar zwakheid, uit liefde bedroogt. En dan.... Och zie mij nu eens aan, mijn beste brave vriend, troost u en wees sterk. Al moesten de zwaarste slagen u treffen: de dood van uw pleegvader en het verlies van 't geen waarop u hebt gerekend,--ik weet het Helmond, slechts in den laatsten tijd,--keer tot uw eigen eenvoudigheid terug. God zal u steunen; ik ben er zeker van."
Helmond waant zich eensklaps zeer sterk.--Wat wil men toch? Is hij met haar geen millionair? Zijn er geen rijke vrienden die met de duizenden spelen als kinderen met knikkers? Men schijnt zeer veel te babbelen over hem en de zijnen.--Ja, zijn oogen werden vochtig toen de brave vrouw hem daareven die krakende blauwe papieren in de hand wilde drukken. Groote God! was het dan zóóver met hem gekomen, dat een arme weduwe die hij sinds jaren onderhield, hem in stilte haar bijeengegaarden schat als een aalmoes kwam in de hand stoppen!--Edele ziel, of hij niet gevoelig is voor zooveel goedheid? O hij zou u omhelzen willen; hij zou schreien kunnen aan uw moederlijke borst. Maar, als hij bekende? Op wie zou de vloek komen? Op haar, o God, op Eva, zijn dierbare vrouw!--Weg, weg dan met alle zwakheid. Men liegt! Wie is er die geen schulden heeft? Maar de schulden hier, zullen betaald worden; dat is genoeg. Blijf krachtig Helmond, nú vooral.--Ellendeling!
--Wie heeft hem dat woord zoo onverwacht in 't oor geblazen? Helmond beefde. Maar dat duurde slechts een oogenblik.
Nu zegt hij zeer ernstig terwijl hij mevrouw Van Hakes hand aan zijn lippen drukt:
"De menschen zijn zeer belangstellend; maar niet allen op uwe wijze. Ik ben u dankbaar trouwe vriendin; maar.... uw vermoeden is ongegrond. Ik ben.... ik heb.... Wordt daar aan de deur geklopt?"
Mevrouw Van Hake ging naar de deur en opende die. Neen er was niemand.
"Men spreekt onwaarheid!" herneemt Helmond op zonderling geheimzinnigen toon: "Ik heb 't u vroeger al gezegd: wij hebben een bron van inkomsten.... Zij, ja zij.... Niet ik...." Hij ziet haar zeer strak in de oogen: "En als hij sterft, dan.... ja!"--Ellendeling! klinkt liet weder, doch alleen voor hem verstaanbaar. En zich haastig afwendend zegt Helmond, dat hij nu naar huis moet. 't Was reeds zeven geslagen. Eva zal wachten en verlangen; ja, zij zal zeer verlangen.
Mevrouw Van Hake staarde nog met bezorgden blik in de richting der deur, toen de dokter haar reeds verlaten had.
Ja, de uren duurden Eva vreeselijk lang. Ze wist niet dat de zieke, waarheen August zich zoo ijlings had moeten begeven, de generaal was, ofschoon ze wél weet dat hij ziek is. Sinds haar verjaardag werd de naam van "dat heer" op haar uitdrukkelijk verlangen--neen, op haar dringend verzoek, niet meer genoemd. Ze denkt niet aan hem; 't is haar de moeite niet waard.
Maar aan haar besten August denkt ze. Sedert zij straks naar beneden ging, moest zij--na dien curieusen droom--den heelen tijd aan hem denken. Zij heeft somwijlen een gevoel alsof het mooie plafond op haar zal neerkomen als het bovendeksel van een kist. Aan haar toestand mag ze het toeschrijven dat ze zulke nare droomen heeft. Straks had ze ook erg voorover gezeten terwijl ze sliep.--'t Was een mooie scène: Onze Lieve Heer boven een bal masqué! Hoe komt men aan zulke zotte profane droomen? En de hand, die den Elfenkoning zoo onbarmhartig wegnam, wat was die hand onbegrijpelijk groot, en toch precies een gewone hand; ja zelfs, in den vorm, was het de hand van papa....--Papa heeft haar gisteren zeer zonderling ontvangen, en gezegd.... Nu ja, maar papa is geen evangelie. Papa is onaangenaam, en Louise is een malle zottin. Als Eva dan zelve uit goedhartigheid bijna al de heerlijke overblijfsels van zoo'n feest naar haar ouders huis brengt, dan is het onaardig dat men iemand tot dank met allerlei onnoodige predikatiën verveelt, en halsstarrig weigeren blijft om van al die onbekende heerlijkheden iets te gebruiken.--Bah! wat gaat het haar aan; maar verwijtingen uit jaloezie, uit....
--Als het waar was! Maar het is niet waar. Men kan mij toch niet opdringen dat wit zwart is....--Zwart!--Waarom heb ik een zwarte japon aan vandaag? 't Is een doodsche kleur. Ik wil niet in 't zwart zijn als Helmond thuiskomt. De rose barège ziet hij zoo graag. Ja, en dan zal ik hem vragen ....
Er wordt geklopt. Eva ontving weder een briefje.
Onder het lezen ervan betrok haar gelaat. Mevrouw Helmond werd beleefdelijk verzocht om de familie-papieren der graven Van Armeloo, "die zij zich had toegeëigend", nog dezen avond terug te zenden, zullende anders de zaak in handen van den kantonrechter worden gesteld.... Het briefje was met een K onderteekend.
Dat waren de laatste krachtelooze sprongen van een geketend monster.
Van uur tot uur was Ronner-Kartenglimp er sedert dien avond op bedacht geweest om zich te wreken. De zoete prooi was hem ontgaan, helaas door eigen schuld!--Waarom is men toch altijd onvoorzichtig wanneer een doel, waar de wereld niet mee van noode heeft, moet bereikt worden, al zal men ook dagen en weken lang zijn plan hebben gewikt en gewogen? Was het geen verregaande roekeloosheid, om haar op den avond van het feest in dien koepel te lokken? Neen, dronken van genot en glorie, zoo heeft hij berekend, zal ze het willigst den prijs betalen voor de grootste eer en de schitterendste toekomst. Ha, die schoone vrouw! Ha!! Maar alles is voorbij. De begoocheling is nu verdwenen. Inplaats van de zaligste genietingen, waren zeer benauwde oogenblikken het loon geworden voor al zijn moeite tot het spannen van een "zekeren strik", en het oefenen van een geduld, waartoe hij vroeger onmachtig zou geweest zijn, maar nu, door zijn vurige "liefde" instaat was gesteld.
--En nu wát wil de "blancbec" die hier ter kwader ure uit Indië kwam overwaaien? Ronner heeft het wèl verstaan: die melkmuil zal zijn instructiën vragen. En dan....? Maar tot zóólang kan niemand hem deren.--Hij beval hem van die ontmoeting in den koepel te zwijgen.--Nu, dat zou hij doen; 't mocht toch maar ten zijnen nadeele worden uitgelegd. 't Was een charade; welzeker, een charade; haha!--Maar die dwang om zich ziek te houden, of althans zich nergens te vertoonen? Wat vermeet zich die kwajongen, die indringer; om een majoor daartoe te durven dwingen! Op dat oogenblik in den koepel, en later hier op zijn eigen kamer, was hij te zeer onder den indruk van die teleurstelling om zich te kunnen toonen; welzeker! Maar nu, voor den d.... als hij nú hier was, hij zou hem een anderen toon leeren aanslaan; hij zou hem, ha! een degen door 't karkas jagen, en dan uitlachen om al zijn heldenmoed!--Nochtans, dewijl kalmte voor zijn gestel hoogstnoodzakelijk is, heeft Ronner toch besloten om zich in den eersten tijd bedaard te houden. Waartoe noodelooze opspraak te verwekken? Aan Kippelaan en een paar andere bekenden, die hem een bezoek brachten, heeft hij wel bemerkt dat er niets van die scène is uitgelekt. Den tijd, dien hij nu beschikbaar heeft, kan hij niet beter gebruiken dan zich te vermaken met het schrijven van eenige briefjes; ze zullen dan toch bewerken dat dien edelen braven dokter, aan de zij van dat prachtige vrouwtje, het angstzweet zal uitbreken, en dat die weerspannige zelve in 't eind.... hahihaha!
Op dit oogenblik verlangde Ronner naar iemand dien hij inderdaad veracht, ofschoon die persoon hem--onbewust--reeds dikwijls een dienst heeft bewezen.--En zie, nu men hem hebben wilde, nu kwam hij niet. Ronner wil weten hoe de zaken staan; welke uitdrukking er zich op Helmonds gelaat teekende toen Kippelaan hem dat briefje overhandigde. Hij wil weten hoe het met dien ouden generaal is; of de notaris er reeds een testament heeft gemaakt; hij wil weten of de jonge doktersvrouw.... Ha! wat gloeit hem weer eensklaps het hoofd; hij wil weten of zij nu, ja nú thuis is.... alleen. Wat raakt het hem of hij zijn woord aan dien jongen gaf. Zal een gepensioneerd majoor zich laten ringelooren door zulk een individu; door een.... die hem de epaulet.... Stil, dat weet niemand; dat raakt niemand.--O! indien hij bij die vrouw nog herstellen kon wat hij bedierf. Hij zal haar zeggen dat hij al de schulden van haar man wil vereffenen; dat hij haar voor die gewaande vrouweneer de hoogste eer zal doen geworden.--Zou hij lafhartig zijn en op 't bevel van dien kwajongen nog langer arrest houden! Hardenborg is toch 's-avonds niet in de stad en niemand weet van dat,--uit overspanning, maar al te gewillig aanvaard arrest.
--Voort, het brandt hem vanbinnen. Voort!
Terwijl de avond viel was de mist van lieverlede verdwenen. 't Was guur weer geworden, zeer guur. De Romphuizer straten verkeerden zoo goed als in volslagen duisternis, want men verwachtte over een half uur--volgens den almanak--de maan.
En, in den omtrek van het groote doktershuis zwierf onbespied een zwarte gedaante rond.
--'t Is wel zeker dat ze zich daarbeneden, in die zijkamer, moet bevinden, denkt hij, terwijl hij onder de boomen van het marktplein staande, naar een venster tuurt, waarvan de blinden nog niet vast zijn gesloten, zoodat er in 't midden een groote lichtstreep naar buiten glanst.--Is ze daar? Alleen?--Ronner doet een paar schreden terzij, en, schrikt dan geweldig. Onwillekeurig had hij de hand tegen den killen ijzeren slinger van een stadspomp gestooten.--'t Is niet goed voor zijn gestel zoo alleen in 't duister. Men kon schrikken; er zou iets kunnen gebeuren. Maar als zij dan dáár alleen is! Immers die brave man zal wel weer naar De Zonsberg zijn,--haha, nu het er op aankomt!
--Ja, als zij dan daar werkelijk geheel alleen was....
Ronner staat nu voor het raam, en houdt de hand boven de oogen.--Hij ziet haar door den kier. Zeker is zij alleen, want ze tuurt en staart voor zich uit. Wat is ze schoon, wat is ze betooverend schoon! Voort dan!
Reeds heeft hij de stoep beklommen, en.... Wat hoort hij? Komt er een rijtuig van de Hoenderveldsche straatzijde? Ja, twee glimmende oogen grijnzen hem van verre aan: 't zijn de lantarens. Het rijtuig nadert naar deze zijde. Terug Ronner, wanneer het die Indiër ware. Terug!
Zoo snel 't hem mogelijk is, spoedt hij zich de stoep weer af, en gaat den hoek van het huis om.--Toch moet hij zien of hij zich niet bedroog.--Het rijtuig houdt stil voor de stoep. Men schelt. Zie, hij wipt de wagentree af. Het schijnsel uit de opengaande deur verlicht voor een oogenblik zijn gelaat. Ja, hij is het. Vervloekt, hij is het! Zou die blancbec inderdaad bij haar....? Ja, ja, natuurlijk!
--Ha! is alle vrouwendeugd bedrog, dan is het zeker de deugd van zulk een ijdel wezen! Ah zoo, ze heeft dan voortreffelijk haar rol in dien koepel gespeeld! Maar ha, nú zal ze het boeten, nú zal hij zich wreken op die allen tegelijk.--Spoed Ronner, ze zullen nu allen tezamen boeten. Voort!
Ronner heeft zijn plan in hetzelfde oogenblik gevormd: Twee regels zal hij schrijven aan dien goedaardigen echtgenoot. Twee regels: "Ga naar huis en vind uw geliefde in de armen van een dapperen huichelaar!"
Dát, en niets meer; maar 't zal genoeg zijn. Voor een paar kwartjes is Hannes de harddraver die aan den wal woont, zeker gemakkelijk te vinden om den dokter, binnen een kwartier--'t zij aan de apotheek waar hij moet geweest zijn, 't zij op De Zonsberg--het bericht in handen te spelen. Hannes kon zwijgen; Hannes is iemand op wien men vertrouwen kan. Ronner weet het bij ondervinding.
Met het voornemen om dat briefje ter bespoediging maar even in Hannes' woning te schrijven, spoedt de majoor zich nu haastig naar den wal. Hannes woonde daar niet ver van de Hoenderveldsche Poort of brug, en zijn woning lag, evenals het oude doktershuis, een weinig in de diepte.
Het kleine huisje is wel te vinden. Ronner kent het. Op den wal was het toch iets lichter dan onder de boomen op de markt. En, ofschoon de wind onaangenaam koud is en de duisternis hem weinig bevalt, Ronner heeft weldra het eind der straat bereikt.--Zoo, dezen hoek om; nu de glooiing op. Dit is de wal; rechts en links zijn boomen. Daar, in dat huisje, waar nog licht brandt, moet hij wezen.
--Wat is dat?--Welk woest rumoer en getier nadert van gindsche zijde? Wat wil men? Heeft die luitenant hem gezocht misschien--op zijn kamers, bij Helmond, overal, en niet gevonden? Komt hij nu met een ganschen drom....?
--Nee, stil; vrees is kinderachtig. 't Zijn vroolijke menschen. Hoor, zij zingen.--Ze maken muziek.--Maar toch, zij komen naar dezen kant. Dat volk is dikwijls dronken; men kan niet weten....! Als ze hem hier in de duisternis zoo alleen zien, dan zullen ze denken dat hij iets kwaads in 't zin had. Ze zouden hem in hun overmoed of dolle dronkenschap een onheil kunnen toebrengen. Hij wil hen uit den weg gaan. Als hij zich achter dien dikken lindeboom verschuilt, dan gaat de troep hem voorbij zonder hem te bemerken....
Hij klemt zich vast aan den boom, want de walkant is glibberig nat.--Hoor, ze komen al nader. Hoor, ze zingen:
"Nooit geen nood, Nooit geen nood. Zoetelief trouw, tot in den dood."
En de dansende stoet kwam al nader:
"Daar niet van, Daar niet van, Allevrouw pakt 'er eigen man.
"Nooit geen rouw, Nooit geen rouw, Alleman zoent z'n eigen vrouw."
Ze komen al nader. Ze zullen hem zien; en als ze hem zien, hier achter dien boom, dan zal men nog eerder denken dat hij iets kwaads in 't zin had. Maar toch, hij durft niet zoo eensklaps van achter den boom te voorschijn komen.
En al dichterbij klinkt het:
"Nooit geen nood, Nooit geen nood, Werken trouw voor 't daaglijksch brood.
"Hop hop hop, Hop hop hop, Schelmen trappen ze op den kop; Schelmen smijten ze uit de deur; Albeneur, Albeneur!"
De stoet, is op een paar schreden afstands, den boom genaderd. De majoor Ronner trilt over al zijn leden. Hij duikt een weinig naar omlaag. Maar zie, een vurige tong vloog op hem af. Een vreeselijke knal dreunde hem in 't oor; en....
--O God wat is dat! Wat kreet heeft zich daar met het pistoolschot van Careltje, en een blij hoezee der bruiloftsgasten vermengd? Wat plofte daar van den tamelijk steilen wal in de nauwe half droge gracht? Wat zou het wezen?
"Kom, niemendal; een dood stuk hout," riep er een.
"Wat raakt het ons!" zei een ander. En opdat de feestvreugde niet zou verstoord worden, blaast Peter luider en scheller op de klarinet, en roert Dirk de harmonica nog sterker, en op een paar enkelen na die hier 't ergste vreezen, trekt de feeststoet verder, weer zingend met klem:
"Hop hop hop, Hop hop hop, Schelmen trappen ze op den kop."
ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
't Verwonderde Eva dat de jonge Hardenborg, nadat hij over Helmonds afwezigheid zijn leedwezen had te kennen gegeven, zoo afgemeten was. Met geen enkel woord herdenkt hij de partij, die toch waarlijk niet voor het feest op De Poel heeft ondergedaan.--Maar, hoe kon ze 't een oogenblik vergeten: 't zou niet kiesch zijn indien hij ervan sprak. Immers hij was Helmond in die nare oogenblikken te hulp gekomen. Doch waartoe? Zou het inderdaad niet delicater geweest zijn wanneer hij buiten den koepel was gebleven? En dan, hoe kwam hij zoo toevallig achter in den tuin? Had hij haar misschien bespied toen zij zich voortspoedde? Heeft hij haar van ontrouw durven verdenken....?
--Weg, weg met die dwaze gedachten! Zij weet wel beter. Helmond heeft haar meermalen gezegd dat Archibald Hardenborg een brave edele jongen was.
--Voorzeker, hij heeft op dien avond de waarheid gegist. Hij kende dien Kartenglimp. Later werkte hij er krachtig toe mee, om dien vreeselijken man niet slechts uit hun huis te verwijderen, maar ook om te zorgen dat hij haar goeden naam niet door leugenachtige uitstrooisels in gevaar bracht.
--'t Was kiesch van Hardenborg dat hij niet van den feestavond sprak.--Maar nu.... zou ze hem eens om raad vragen! Zal ze hem den inhoud van dat pas ontvangen briefje meedeelen? Onder den indruk ervan is ze zelve minder spraakzaam; ze gevoelt het.--'t Zal haar misschien een goed denkbeeld geven, en tegelijk het gesprek beter doen vlotten:
"Ik wil het u niet verbergen luitenant.... daareven kreeg ik...."--Neen neen! toch niet, ze spreekt er niet van: "Ik kreeg...."
"Slechte tijding misschien van De Zonsberg mevrouw?"
--'t Is ook waar, Kaatje is haar, weinige oogenblikken voor Hardenborgs komst, met een bedenkelijk gezicht komen vertellen dat de generaal, volgens Bus, er slecht aan toe was.
"Ja, ja juist, heel slechte tijding;" zegt Eva snel.
"Toch niet reeds....?"
Eva wist niet hoe het kwam; maar toen hij haar aanzag met een gelaat, waarop zooveel vraagteekens geschreven stonden, toen kon ze 't niet laten om reeds als zeker te stellen 'tgeen toch zeer wel mogelijk was. Ze vond er een zonderling genoegen in om al vast eens te toonen "hoe ontzettend diep dat verlies haar zou schokken...."
"De generaal overleden?" zegt Archibald, en de gewoonlijk zoo vroolijke uitdrukking van zijn prettig gelaat is nu geheel verdwenen.
--Eva kon 't niet helpen. Zij heeft letterlijk geen tijd gehad om een reserve te maken. Ofschoon ze slechts door een gelaatsuitdrukking het antwoord heeft gegeven, het speet haar nu reeds dat ze een onwaarheid sprak. En--Maar nee, ze kon niet zoo aanstonds terug.
"Die fiksche oude man!" zegt Hardenborg: "Helmond zal zeer bedroefd zijn. Hij hield veel van den generaal."
"O ja.... tenminste...." zegt Eva. En dan; ze wil nu toch zeggen dat de luitenant haar verkeerd heeft begrepen. 't Is te dwaas dat zij "den ridder van De Zonsberg reeds van zijn aardsche schatten losmaakte, terwijl hij misschien nog bestemd was om als een tweede Harpagon op het wereldtooneel te schitteren". Ze wil hem zeggen bovendien, dat Helmond noch zij, veel reden zouden hebben om zich een mogelijk overlijden van den generaal bijzonder aan te trekken.
--Wanneer de luitenant soms door infame praatjes in de meening was gebracht, dat men op een erfenis van Helmonds "edelen pleegvader" hoopte, dan kon ze hem verzekeren dat dit een allerliefst misverstand was. Men achtte het beneden zich om aan zoo iets te denken, en gevoelde zich veel te hoog, en van te edele afkomst, om nog op een handvol goud te speculeeren terwijl men, door zelf fortuin te bezitten, dat armzalig gepotte geld gelukkig niet noodig had. Zij wil....
Doch zie, daar wordt de deur geopend.--Is het Helmond wel die binnentreedt? Eva schrikt. Wat ziet hij bleek. Wat staan zijn oogen strak. Misschien is hij naar De Zonsberg geweest, en....
Snel vliegt zij haar August tegemoet, en omhelst en kust hem alsof er geen vreemde bij was.
Archibald is mede getroffen door Helmonds voorkomen. Hij steekt hem de hand toe en zegt:
"Mijn beste Helmond, ik kan me je smart begrijpen. 't Is hard den ouden boom te zien vallen wanneer men als kind onder zijn lommer mocht spelen, 't Zal je een droom zijn. Men wist ternauwernood dat hij ernstig ziek was: en--nu al dood!"
't Was Helmond alsof een ijzeren vuist hem inwendig samenwrong.
Roerloos stond hij daar en zag den luitenant aan met een blik, waaruit deze echter niet las dan een poging om zijn felle smart te bedwingen.
"Dood! Wie meen je? Wat? Wie is dood?"
Eva, hevig ontsteld, bekent met een schaamteblos dat er een misverstand is. Mijnheer Hardenborg heeft zeker straks uit haar woorden of houding opgemaakt dat de generaal reeds overleden zou zijn. Eva weet niet meer wat zij gezegd heeft; maar juist had ze den luitenant beter willen inlichten, toen Helmond is binnengekomen. Het spijt haar dat zij onwillekeurig mijnheer Hardenborg in een dwaling en Helmond aan 't schrikken heeft gebracht. Maar Helmond zelf zou het immers beter weten, want, zij kan het hem aanzien dat hij--al te goedaardig--er weer is heen geweest, en er waarschijnlijk zeer onaangename oogenblikken heeft doorgebracht.
--En ja, Helmond wist het beter.... Althans....? Maar hij moet zich nu goedhouden. Ofschoon hij bij 't binnentreden niet op zulk een nieuwen schok was voorbereid, hij zal de kracht niet missen om zijn gewone kalmte ook nu te bewaren.--Schokken zijn voor Eva in hare omstandigheden hoogstgevaarlijk. Zij heeft een teeder gestel.
"Ja, ik schrok ervan Eva; maar gelukkig, ik wist het beter.... tenminste....!" En dan, alsof hij zich aan een sombere droomerij, waarin hij opnieuw dreigt te vervallen, ontrukken wil: "Hoe gaat het op De Poel, en--op Brouwerscate?"
Archibald zou er bijna toe gekomen zijn om, naar aanleiding van die laatste vraag, weer op wat vroolijker toon te beginnen; maar, Helmonds krachtige poging om zich goed te houden ontging hem niet.
Er zijn oogenblikken dat een vroolijke toon klinkt als hondengejank te midden van een plechtig adagio. Er zullen er altijd zijn die lachen, maar wie gevoel voor muziek heeft dien snijdt het door de ziel.
Hardenborg herinnert zich nu het doel van zijn komst, en, dewijl hij bovendien vernam dat men nog dineeren moest, zou het zeer onbescheiden zijn geweest indien hij de echtgenooten langer bleef ophouden.
Met de beste wenschen neemt Archibald afscheid. Alvorens echter de kamer te verlaten--hij rekent erop dat Helmond hem zal uitgeleide doen--moet hij, tegen zijn zin, de schoone Eva nog een oogenblik tot raadsman dienen. Zij zegt hem, dat hij immers wel gaarne zal toestemmen dat Helmond zich zelven en ook háár kwaad doet, met zich den loop der wereldsche zaken zoo aan te trekken. Hardenborg moet beloven, vast beloven, dat hij haar lieven man dikwijls zal komen opzoeken. Men kon dan meteen eens over een plannetje spreken, dat ze--als alles wèl blijft--gevormd heeft; namelijk, om samen dezen winter partij te maken en wekelijks naar Briesborg te gaan als er comedie zou zijn. Ze heeft dezen morgen juist in het Romphuizer blaadje gezien, dat de troep die er speelde door aanwinst van een nieuw acteur en actrice zoo bijzonder zal voldoen.
"Niewaar luitenant," besluit Eva: "een dokter die later uit ambitie maar dokteren blijft, ofschoon hij er niet tegen kan--nee, wie zich alles zoo aantrekt kan er niet tegen--die dokter moet een contrepoids in afleiding zoeken?"
"Wel mogelijk mevrouw;" zegt Archibald: "Maar over dit alles later; ik mag u niet ophouden. Bonsoir!" En, met een buiging verlaat hij de kamer.
Archibald vond Eva lang zoo schoon niet als bij vroegere gelegenheden. Maar, hij verkeert onder een indruk. Nu zal hij zekerheid krijgen en zich verruimen meteen:
"Nee nee, eventjes moet je met me in je spreekkamer, mijn brave reparateur. Noodzakelijk!"
Helmond volgt. 't Bevreemdt hem niet dat Hardenborg hem iets te zeggen heeft. Hij zou zich op dit oogenblik over niets hebben verwonderd. Wanneer men hem gezegd had dat hij niet bestond, en dat de heele wereld een niets was, hij zou het niet vreemd hebben gevonden. Já, de heele wereld een ledig niets!
Zie, nu luistert hij toch. Ja zelfs aandachtig. Wat is dat? Fonkelen zijn oogen van blijde verrukking; glinstert daar een traan....
"Dat is nu alles wat ik je te zeggen heb," besluit Archibald: "Of de som wat grooter of kleiner is, mijn beste vrind, dat doet er niet toe. Grootpapa Fontayn heeft indertijd zulke goede zaakjes gemaakt, dat men op een enkel briefje van duizend gulden niet behoeft te zien. Komaan Helmond, bedenk je geen oogenblik: als ik raak heb geslagen dan zal het zoo zijn, en beschouw dan de geheele geschiedenis als een herhaalde dankzegging van iemand die blij is dat ie nog leeft.--O wat zou mijn engel hebben aangevangen in de wijde wereld zonder haar dierbaren luitenant op nonactief!"
Nu 't pak hem van 't hart is ademt Hardenborg weer ruimer.--Had hij vroeger zoo iets kunnen vermoeden, goede hemel, hij zou in overleg met le bon papa al lang die narigheid uit de wereld hebben geholpen. Maar eerst sedert gisteren vernam hij van alle zijden dat de arme vriend zoo rondom in de schuld zat. Begrepen! Het teleurgestelde monster, dat de zwakke zij der schoone vrouw, ter bereiking van zijn lage oogmerk, heeft weten te streelen, nam toch zijn wraak.
--Ha, begrijpt de laffe domoor dan niet dat Archibald Hardenborg terstond heeft doorzien van wien het ongeteekend schrijven kwam, 'twelk men bij de familie Narwal, als waarschuwing tegen den "tot over de ooren in de schuld stekenden Helmond", had ontvangen? Moest hij zóó woord houden die zwarte blanke, en inweerwil van de ontvangen krasse waarschuwing!--'t Besluit was aanstonds in stilte genomen: Als papa zou toestemmen, dan reed hij invliegende vaart naar den vriend, om hem, zoo 't noodig mocht zijn, carte blanche te geven; en vervolgens naar dien "talentvollen acteur" om hem nóg eens te zeggen--maar onbeschrijfelijk kort--wáár 't op stond tusschen hem en den tweeden luitenant.
En nu, 't is jammer, jammer dat de fielt geen onwaarheid heeft geschreven. De arme Helmond! Maar Goddank, Goddank! dat hij em helpen kan.--Archibald krijgt het warm, zeer warm. Hij voelt zich de hand vatten, die drukken met vuur, en.... Neen, woorden verneemt hij niet. Dat is pijnlijk, verdord! Dat is.... Hij zou geen "schouder geweer!" kunnen roepen als 't noodig was.
"Ben je gek Helmond; je drukt me die hand veel te hard. Weet je wat: je stopt dus, met wat wissels op onzen Amsterdamschen kassier, de scheuren maar heelemaal toe. Met dominees en dokters daar kun je zoo van die grappen mee hebben, zei le bon papa: die beste vrinden repareeren je van binnen en van buiten zoo goed als voor niemendal.--Kom, ben je gek vent; je trekt me de hand uit het lid."
"Archibald, ik ben op dit oogenblik niet instaat...."
"Nee dat hoeft ook volstrekt niet."
"Hardenborg, ik mag en kan...."
"Mogen daar denken we niet aan, kunnen da's iets anders; maar om 't je wat gemakkelijk te maken, heeft papa alvast een stuk of wat van die dingen meegegeven. Zieje, hier. Jij vult van de blanco's de cijfers maar in, enz. enz. Aan de achterzij je naam. Nu dat is toch zoo'n heksenwerk niet. Tot weerziens; adieu!"
Toen Helmond opzag was hij alleen. De voordeur hoorde hij dichtslaan; en, een rijtuig ratelde langs het marktplein voort.
--Heeft hij 't gedroomd!? Toont hem weer een grijnzende sater een schotel vol goud? Neen, hier, hier liggen ze.... de bewijzen. Zie maar. Hahaha, hahaha!!--Stil, dat lachen klinkt akelig; 't doet hem pijn, ja pijn, pijn overal! Maar toch, hij zou nog eens kunnen lachen.
"O God, ik dank u! mijn naam; mijn kind! mijn Eva!"
--Eva,--stil, zij mag niets weten. Als zij 't wist.... en als zij 't niet wist.... en als de wind tegen den molen blaast dan jagen de wieken elkander als krankzinnigen na, en die vermolmd zijn breken af, en slaan neer en verpletteren het huis met alles wat daarin is.--Waar dacht ik aan?--Ja, ik ben ziek; ik heb koorts. Maar met een vasten wil kan men zich zelf beheerschen. Goddank ik mag weer vrijer ademen. Goddank! nu zal alles vereffend worden, en dan.... Wees kalm Helmond; verontrust nu je zelf en Eva niet. Zie wat te eten. Zij roept je. Hoor:
"Er is gediend August, kom!"
--Krachtig dan, krachtig!
Eva zag wel dat August niet heel fiksch was; dat hij bijna niets gebruikte, en dat er gedurig een vreemde uitdrukking op zijn gelaat kwam, nu eens alsof hij lachte, en dan weer alsof hem de somberste denkbeelden door het brein spookten.
--De goede Helmond is al te gevoelig voor een man, denkt Eva: Hij gaat er vreeselijk onder gebukt dat die oude heer 't commando gaat neerleggen. Enfin, God heeft de wereld geschapen, en den mensch zooals hij is. Maar deze beste overgevoelige mensch werd door mijn toedoen toch zeker nog meer van streek gebracht dan hij 't reeds was. Die voorbarige condoléance van Hardenborg trof hem geweldig. Ja 't was mijn schuld. Misschien kalmeer ik dien goeden man nog het best door mij voor 't oogenblik maar over mijn grieven heen te zetten; 't zal hem hinderen dat ik in 't geheel niet naar dien "dierbaren pleegvader" vraag. Welnu dan:
"Was het zoo heel erg met.... den generaal, August?"
"Erg, ja Eva, ja. Maar spreek er niet van. Als ik niet beter wist, dan zou ik zeggen dat hij dáár zat, dáár naast je. Ik weet het wel beter, maar...." Helmond ziet weer voor zich neer. Hij wist niet wat hij zeggen wilde. Hij weet gedurende een paar oogenblikken zelfs niet recht waar hij zich bevindt, en wie het is die daar zit.--O ja, nu weet hij 't weer, dat is zijn dierbare vrouw, die miskend werd en gescholden door een pleegvader, wiens laatste woorden een vervloeking zijn geweest over 't hoofd van een pleegkind dat hem altijd eerde en liefhad.--Ellendeling!
--Wat kijkt hij weer akelig strak, en wat is bij toch bleek; denkt Eva.
Opstaande komt ze hem terzij; zoent hem op het voorhoofd, en zegt dan vleiend:
"Moet men zich dat zóó vreeselijk aantrekken! Hou je dan waarlijk meer van dien zieke, dan van je Eva, mijn beste man?"
"Nee mijn liefste, zekerlijk niet!" zegt Helmond op kalmen toon.--O, die zoete omhelzing deed hem zoo goed. Hij herinnert zich nu weder dat hij in hare tegenwoordigheid onder alle omstandigheden kalm moet blijven. Eva mag niet vermoeden wat er omgaat in zijn binnenste; welke spooksels hem vervolgen, en wat ze hem gedurig al grijnzend toeroepen.
"Dan willen we ons maar altijd vaster aaneensluiten mijn August, en wat ons dan ook ontvalle niewaar, twee en één en nog eentje blijven één, en voor elkander genoeg.--Maar nu, op mijn beurt ga ik nu eens voor dokter spelen. Je bent zenuwachtig en erg vermoeid, en daarom heb je weinig gegeten. Als je nu langer opblijft, dan zul je ziek worden, en dat wou ik om geen tien generaa.... ik meen voor geen geld van de wereld. Kom mijn beste; zie me nu eens even wat vroolijker aan.--Zóó ja,--dat gaat nog al. Zwaarmutserij daar doen we niet meer aan; is 't wel mijn lieve August?--Hé, wat komt daar uit dien zak gluren?
Het hoofd terzij houdend, en het papier uit den borstzak van zijn jas een weinig naar boven schuivend, leest ze luide het gedeelte van den wissel, 't welk nu te voorschijn is gekomen; en dan, dreigend met den vinger:
"Ondeugd! Evertje Zwaarmuts!! Nu moet het er één weer wagen om me met zotte babbelpraatjes aan boord te komen! Over jou, over mijn royalen man!--Kom, van avond geen vertoogjes meer! Gauw tot rust komen mijn lieve; en morgen dan hooren we dat die generaal weer voor zes jaren geteekend heeft. Want--onkruid vergaat niet;" voegt ze er onhoorbaar bij. En weder luide: "En dan ben jij een heel ander, een uitgerust kereltje; en dan heb ik je een heeleboel te vertellen; van iets fataals dat me van avond letterlijk een oogenblik van streek bracht, maar dat we vinden zullen, ook in 't belang van ons schatje, al moet het wezen á force d'argent. Nee nee, geen muizenesten meer! We bepalen dan, bij een helder zonneschijntje, den dag waarop we onze equipage gaan halen--met den trein er naar toe, welzeker--en spreken te Briesborg meteen over de plaatsen in de comedie;--natuurlijk als mijnheer Alexander V. B. weer inhuurt, natuurlijk!"
't Was Helmond bij den woordenstroom van Eva alsof er op zijn gloeiend voorhoofd heete droppelen vielen. Hij weet niet wat hij gehoord heeft....--O ja: ons schatje, heeft ze gezegd. Ha! ons schatje! Groote God, is hij toch niet zalig in dezen stond! Zijn gansche wereld van liefde en heil rust aan zijn hart. Eva streelt hem de wang; zij zoent hem op dat moede hoofd; zij dringt hem om nu te gaan slapen; over niets zal ze meer spreken; geen muisje zal zich bewegen in huis; en, zacht den eersten regel van een wiegelied zingend, dwingt ze hem op te staan terwijl ze alvast met haar fijne vingers hem den halsboord losknoopt, want, ze meent te hebben bespeurd dat de drukking ervan hem zooeven benauwde.
NEGEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Buiten sloeg de torenklok acht.
Ofschoon gestadig ten prooi aan de akeligste droomen, heeft Helmond bijna een kwartier geslapen.
Nu komt hij eensklaps overeind in zijn leger, opent ijlings de ledikantgordijnen, en staart naar het donker onder Eva's prachtige linnenkast. Ja zie maar, daar steekt een voet onder uit; daar ligt de kerel; hij houdt zich schuil; hij heeft zich daar verborgen om hem zoo aanstonds wanneer hij weer slapen zal, te overrompelen.
"Wie is daar! Wie!?"
Er komt geen antwoord. Toch--daar wordt gezucht. Hoor, men gromt en zucht geweldig....
"Wie, wie is daar, wie!?" roept Helmond weder. Met beide handen bedekt hij nu zijn gelaat.--Neen, daar was niemand. Het zuchten en grommen is het geraas van den wind in den schoorsteen.--Hij roept:
"Eva!"
Zij komt niet.--Eva zal nog beneden zijn.--Indien zij 'twist dat men hem zoekt; indien ze vermoeden kon dat men het huis omsingelt! Hoor maar, de sabels rinkelen;--men fluistert....
--O God, als men Eva dan ook....
Helmond is het bed uitgevlogen. In weinige seconden heeft hij zich aangekleed, gedurig starend naar het donker onder Eva's linnenkast.
--Wat doet hij? Opstaan, waarom? Nu weet hij het weer. Hij moet naar De Zonsberg; geen oogenblik mag hij wachten; misschien heeft de oude man reeds een poeder gebruikt, en ligt hij zieltogend neer.--Aan Jacoba zal hij het zeggen. De lijder moet een tegengif hebben?--Spoed Helmond, eer het te laat is!
IJlings, met het blakerlicht in de hand den corridor betredend, ontstelt de dokter hevig. Een lange gedaante trad de deur van zijn kamer uit. Is het een spookse?
"Bus, ben jij het?"
Bus, nog meer dan zijn meester ontsteld, slaat de oogen neer, en antwoordt met trillende stem: "Jawel dokter."
Helmond keert tot zijn volle bewustzijn terug:
"Wat dee je in mijn kamer?"
De arme lange Bus geeft stotterend maar naar waarheid verslag van 'tgeen hij er deed: Sinds den morgen na de partij bij mijnheer Debecque--toen hij dokters rok had schoongemaakt--heeft hij geen rustig uur meer gehad. Och de verzoeking was zoo groot geweest. In den linker-achterrokzak had hij zoo heel toevallig twee banknoten van honderd gulden in een couvert gevonden. Och en als men dan zooveel rijkdom ziet, en mevrouw dan zelve aan den kleermaker zegt dat het geld er niet op aankwam als de livrei maar mooi was; ja, als men dan een arme moeder en twee zusters zoo mager als palingen had, niewaar....? Och, maar God was zijn getuige hoe hij gestreden, en het niet gewaagd heeft om er een cent van uit te geven. Goddank, toen hij van morgen bij het trouwen van Huibert en Geurtje, dominee Hoogerberg zoo roerend hoorde zeggen: "Kinderen, vergeet uw eerste gelofte niet", toen--de arme Bus kon haast niet verder spreken--toen heeft hij zich voorgenomen om de briefjes stilletjes op dokters kamer neer te leggen, en zie, dat had hij nu naar waarheid gedaan.
--Twee banknoten van honderd gulden!--Helmond weet wel dat hij droomt. 't Is een droom dat Bus daar voor hem staat; 't is een droom dat Archibald hem die wissels op Druter en Comp. heeft gegeven.
....Neen toch niet, zie, de wissels steken nog hier in den jaszak.
"Waar heb je dat geld dan gelaten Bus?"
"'t Ligt op m'nheers schrijftafel."
Helmond gaat haastig zijn kamer in: "Wacht daar."--
--Ja zie, het is zoo; hier heeft hij de beide banknoten.
Helmond begrijpt niet vanwaar dat geld kwam. Het allerminst denkt hij nu aan zijn brief aan Woudberg, waarop hij geen antwoord ontving, en waarvan, volgens den Romphuizer postdirecteur bezwaarlijk iets terecht zou komen. 't Was, volgens dien laatste, zeer wel mogelijk geweest dat dokters dienstbode op dien morgen een brief naar Amsterdam gefrankeerd heeft, maar zeer zeker had zij er geen laten aanteekenen.
Op dit oogenblik herinnert Helmond zich echter niets van dat alles. Zooals reeds meermalen in de laatste dagen had hij nu een grooten draaienden cirkel voor oogen; en in dien cirkel wierpen zich de negen cijfers; en slingerend vereenigden ze zich, en vormden, in 't ronde en lange, grillige figuren en onnoembare getallen, terwijl dan eensklaps dat alles tezamen smolt tot een bloedroode nul, een niets, sissend en sarrend als een uitdruilend vuurrad.
Wàt zijn duizenden! Wat zijn tweehonderd gulden! Helmond weet het niet.--Maar hier die wissels, die duizenden, roepen ze hem niet toe: We zijn een aalmoes!?
--Dwaze man! ijdele lichtzinnige vrouw!
--Ha, wie durft haar beschimpen? Niemand is schuldig dan hij. Hoor, hoor:
"Als een kind grijpt naar de vlam eener kaars, dan trekt men dat kind terug; denk daaraan, en heb haar lief."--Wie heeft dat gezegd?
Helmond schrikt achteruit.--Die het gezegd heeft, ligt hij daar niet te worstelen met den dood? Neen, dat is verbeelding. Maar toch, als het te laat was! Spoed dan, spoed!
"Riept u dokter?" zegt Bus om den hoek der deur.
Helmond ziet den man eenige oogenblikken met verwondering aan, en zegt dan snel:
"Ja, je vliegt naar De Arend, en laat de vigilante inspannen. Binnen vijf minuten zal ik daar zijn; maar," hij ziet geheimzinnig rond: "aan niemand in huis er een woord van zeggen! Je begrijpt wel waarom: Ik moet naar De Zonsberg."
Bus beschouwt zijn meester met bekommering. Hij deed zoo vreemd; hij sprak zoo gejaagd.--O, 't was zeker, ofschoon die oude generaal hem in den laatsten tijd niet best moest behandeld hebben, zijn edele natuur streed er toch mee dat hij nu waarschijnlijk ging afreizen. Ach ja, die brave dokter, wat was hij goed, geen enkel hard woord over dat geld komt er zelfs over zijn lippen.
Lange Bus treedt zijn meester nu zeer nabij; vat zijn hand, en met een traan in de oogen zegt hij: "God zal je zegenen dokter, en je behouden wat je lief is. Zie, als de baas van de pannenfabriek me nou weer durft zeggen dat jij dokter, op het geld van den ouden generaal loert, dan, zoo waarachtig als ik Bus heet, dan sla ik hem met een van z'n eigen pannen de hersenpan in.--Ja ja dokter, ik vlieg!"
't Was Helmond gedurende eenige minuten alsof hij een zeereis maakte; hij voelde het slingeren van 't schip, en 't was hem alsof hij door het blinkend want, in een tintelend blauw staarde.--Hij weet niet meer hoe hij op dat denkbeeld kwam. Hoor! Wie zegt daar: "dat hij een bedelaar is, 't geraamte van een edel mensch!"
--Neen, dat is gelogen. Een Helmond wordt geen bedelaar. Welke démon heeft hem er dan toegebracht om zijn hand voor een aalmoes te openen? Hoe kon hij zich zóó vergeten!
In een oogenblik heeft Helmond, met tamelijk vaste hand, de wissels die hij van Hardenborg ontving in een groot couvert gedaan, en bij het adres: "Aan Archibald Hardenborg," de woorden gevoegd: "In dank terug van Helmond."
Dan--ja, hij weet net nu weer.... dat schip!... Nu schrijft bij:
"Eva, ik heb je bedrogen: wij zijn arm! Een som van hoeveel duizenden guldens, ik weet het niet, is mijn schuld. Toch zijn wij rijk! Aan gene zij van den Oceaan zal mijn kracht herleven.--Bij duizenden zal ik ze redden van de gele koorts, al moest ik tienduizendmaal het slachtoffer ervan worden. Neen, jij zult niet zingen in 't publiek; alleen wil ik werken en slaven en zwoegen, omdat ik niet langer zwak en ellendig wil zijn. Maar jij Eva, je zult er het brood kneden, en het bakken in den oven, en het maal bereiden. En dan zul jij, voor mij alleen verstaanbaar, zingen: "Brengt Peter met een kus aan jou...." Je kent het verder. En--dan vervloekt hij mij niet meer. En in 't eind bevrachten wij datzelfde schip, en zenden onzen jongen--je weet wel--naar die oude schuldeischers, en naar den grijzen man die mij vervloekte, en ze zullen zeggen: Hij was dood en is levend geworden, Nee hij was toch waarachtig geen zwak en ellendig man.
"Vaarwel! Je eeuwig liefhebbende:
August."
--Wat is dat? Wie komen daar?
Angstig ziet de arme koortslijder naar den donkersten hoek van het groote vertrek.--Bedriegt hij zich niet?.... Men is daar bezig met boer Dirksen te begraven. En zie, het lijk richt zich eensklaps overeind, en terwijl het hem verachtelijk aanziet, wijst het op hém--Nu zinkt het lijk achterover.--En daar, meer van nabij, daar ziet hij een doodsbleeke vrouw. Ja hij kent haar wel, 't is de vrouw van den kuiper Sturk. Zij slaapt--den eeuwigen slaap. Zie, ook zij richt zich op, en.... Neen, Goddank, Goddank! zij stapt van het leger af; zij lacht hem vriendelijk toe; zij groet hem nog met de hand en.... verdwijnt in de diepe duisternis.--Ja zie, daar roert alweder iets van verre.--Men schreeuwt--O God! aan dien man heeft hij in een paar jaren niet gedacht.... dat is die oude pleegvader. Zie, men heeft zijn lichaam geopend; men onderzoekt zijn ingewanden; zie maar en al de koppen van Rembrandts Ontleedkundige Les ze staren hem aan alsof ze vragen.... "Ben jij de moordenaar....??"--"O mijn God!" roept Helmond als in doodsangst nog eens. Aan dien grijsaard heeft hij straks niet gedacht. Maar, ja, de kleine lamp met de groene kap brandde boven op den lessenaar in de apotheek; en toen.... toen is er een schot gevallen.--Maar, hij zal nog niet dood zijn. O als hij dood was! Neen neen, dat kan niet! Voort dan, voort, naar De Zonsberg!
Een oogenblik later slaat Helmond de hand aan den deurknop. Hij zal zich uit zijn woning verwijderen zonder dat iemand het bemerkt. Eva zou hem weerhouden.--Maar, hoe komt hij erheen? Ha, hij heeft immers een rijtuig besteld. Ja hij herinnert het zich: Bus was zooeven hier en.... Bus heeft hem tweehonderd gulden gegeven die hij verloren had; en dat geld....--O Goddank, dat hij het zich mede herinnert: Donerie's monument! Dat is de eenige smet; dat geld moet nog aangezuiverd, dat moet aanstonds worden afgedaan!
Weinige oogenblikken later heeft Helmond zijn kamer verlaten.
En 't was stil, doodelijk stil in huis.
Eva zit in de Oranjezaal aan haar keurig bewerkte schrijftafel.
Haar besluit was genomen: Zij schrijft:
"Aan den Weledelgestr. Heer Van Dubbe, Kantonrechter alhier.
"Weledelgestr. Heer en Vriend!
"De majoor Kartenglimp vordert van mij familiepapieren terug, vermoedelijk op grond dat hij zich eenige moeite gaf om die van elders te doen komen. Een opvatting tegen mijn echtgenoot, aangezien deze hem na het ongeval op onze partij, niet zelf mee naar huis bracht, 'twelk hem echter als gastheer onmogelijk was, heeft den majoor een zoo hostile houding doen aannemen.--Ik wensch daarin volstrekt geen verandering te zien gebracht. Wie mijn echtgenoot beleedigt door hem het eens geschonken vertrouwen te ontnemen--hij wordt mij een individu!
"Intusschen wensch ik van UEdelgestr. te vernemen, of ik geen recht heb om papieren, die mij inderdaad werden aangeboden--zij het tegen een belooning--als mijn eigendom te beschouwen.
"Het recht eener familie op haar familiepapieren kan mijns inziens niet twijfelachtig zijn.
"Indien UEdelgestr. mij als rechter en als vriend het bezit der genoemde papieren--liefst zonder openbaarmaking--wildet waarborgen, het zou mij zeer aangenaam wezen. Mocht het noodig zijn daarvoor kosten te maken, dan geef ik u gaarne carte blanche. In de hoop dat gij u in deze zaak voor mij partij zult willen stellen, noem ik mij, enz., enz...."
--Goed zoo! denkt Eva met vergenoegden lach: Ik zal je bij de rechterlijke macht vóórkomen, monstermensch! En, mocht de zaak op den breeden weg moeten, welnu, mijn beste man draagt wissels van duizenden in den zak.
En terwijl zij nu den brief sluit, zingt ze--eerst zeer zacht, maar al spoedig luider:
"Tra lálala! Tra lálala! Daar komt hij de graaf van Tourloyette, Vite donc, chapeaux bas; Vite donc, placez vous là; Daar komt hij de graaf met zijn jeune eega!"
--Chut, chut! schrikt Eva eensklaps van haar eigen zang. Die dwaze roulades mochten eens tot boven doordringen en den armen goeden August wakker maken. Stil, hij is zoo bedroefd; en, ondanks zich zelve zingt ze toch weder, doch nu binnensmonds:
"Tra lálala! Tra lálala! Daar komt hij de graaf van Tourloyette, Vite donc, chapeaux bas; Criez un vif hourah! Daar komt hij de graaf met zijn jeune Evá."
--Men zou zich kunnen laten inhalen. Ja, waarom niet!
En Helmond sloop met ingehouden adem door het holle reeds donkere voorhuis; en hij hoorde.... haar zingen.
--Ha! zij zingt.--Goed, zij zingt!
Buiten was de wind koel. Ondanks zijn poging om de deur zeer zachtjes toe te trekken.... ontstelt Eva van een plotselingen slag.
Maar, er was niets in het voorhuis. De wind zal een luik hebben dichtgeslagen.--Foei, hoe kon een onnoozele speling van den wind haar zoo doen ontstellen, foei!--En nu naar den lieven man!
"Tra lálala! Tra lálala! Daar komt hij de graaf van Tourloyette."
Eva verdween in de donkere gang.
Ternauwernood is Helmond buiten gekomen, of een naderend rumoer doet hem zijn haastigen tred verkorten.--Wie komen daar? Wat wil men van hem....? Neen, in de duisternis bemerkt men hem niet. Hoor:
".... Ze zeggen dat ie al dood is; geweldig om zóó aan z'n eind te komen."
"Ga jij naar Biermans, ik loop naar den kantonrechter."
Een benauwde kreet ontsnapt er aan Helmond lippen; maar men hoorde hem niet. De wind speelde met den ijzeren ketting van den lepel aan de stadspomp.
--O God! daar komen ze! De handboeien houden ze gereed. Dood! dood! dood! Een lijk!--Et satan conduit le bal.--Voort! vlucht! Ellendige moordenaar, vlucht!--En, Helmond verdwijnt in de donkere straat.
VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
Naar den kant van Briesborg aan de westelijke zij van het stadje, wanneer men de laatste boerenhoeve voorbij is, wordt de weg zeer eenzaam. De straatweg klimt dan tot aan het zoogenaamde Romphuizer Hondsbosch, en gaat er vervolgens met een kleine kromming doorheen. Aan gene zij van het bosch ziet men links van den straatweg nog een armoedige hut, ofschoon de voerbak die er vóór staat moet aankondigen, dat men binnen Het Roode Zoodje toch wel eens "opsteken" kan. Is men de hut aan den zoom van het bosch voorbijgegaan, dan heeft men, na het kleine tuintje, met zijn luttele kromgegroeide appel- en pruimeboomen in 't midden van wat kool en andijvieplanten, niets meer te zien dan een eindeloos breede heivlakte. Ter rechter- en linkerzij van den straatweg golft die vlakte voort, hier en daar slechts afgebroken door een kronkelend karrespoor, of een jachtpaal naast een grooten steen met wat braamstruiken, of ginds door een lager gelegen waterplas met de duizenden indruksels van schapepootjes er in 't ronde, terwijl men recht voor zich uit, op een twintig minuten afstands, het zoogenaamde Briesborger Kattenbosch ziet, waarachter het stadje Briesborg zich verschuilt.
Sinds de mist tegen den avond was opgetrokken, hebben er zich in 't Noordwesten zwarte legermachten saamgepakt. Straks zullen ze zich in beweging stellen; legioen voor legioen. Ze zijn reeds in aantocht. Ha, ze zullen vrij spel hebben dezen nacht. Over de breede hei gaat het onverlet op woud en steden los.
Trompetters vooruit! Den aanval geblazen!
Dat was een schrikkelijke bui!
Grauwe Toon uit Het Roode Zoodje zette het geweer, 'twelk hij oppoetste, in een hoek, en keek naar de vuurplaat waarop de hagelsteenen, zoo groot als erwten en bikkels, kletterend neervielen om straks te sissen in 't vuur onder den pot met kokende aardappels.
Met een ruwen vloek zei grauwe Toon, dat Onzelieveheers hagel lang zoo best niet was als de zijne.
De vrouw, die naar de aardappels kwam zien, lachte om de "geestigheid" van Toon, en zei te vreezen dat het morgen met dat ruwe weer een slechte dag voor de jacht zou worden. En dan, eensklaps opziende:
"Ik hoor wat! Ze kloppen aan 't raam. Smijt die hazen en hoenders in 't hok."
Grauwe Toon nam een zestal hazen en eenige patrijzen van den grond en wierp ze in 't aangewezen hok.
"'t Zal Jaap zelf zijn om het zootje van vandaag," zegt hij: "misschien is 't buiten zoo donker dat hij de deur niet kan vinden."
Een vreeselijke stormwind joeg naar binnen toen de man de deur opende om eens even te gaan zien.
"Is daar iemand?" schreeuwde Toon naar buiten in de richting van het raam.
Twee mannen kwamen al spoedig den hoek der hut om.
Zelfs toen ze binnentraden zagen Toon en z'n vrouw niet wie het waren; de wind had de lamp uitgedoofd. Toen de deur gesloten was en de lamp weer brandde, vroeg de man op wat minder ruwen toon dan hij gewoonlijk sprak, wat menheer verlangde, want, ofschoon de menheer er niet erg voornaam uitzag, hij had een knecht in livrei bij zich. Die vreemden kwamen Toon wel bekend voor, maar thuisbrengen kon hij ze niet.
--Ah! nu is hij er achter. En Toon en zijn vrouw geneerden zich niet, ze schaterden van 't lachen:
"Ben jij Bus, de lange pijp drop! O lieve heer, in een apen- en hondenrok! Goeje hemel!" Toon hield zich den buik vast van 't lachen. Het wijf meende te bezwijken, want zie, een pand van die livrei-jas hing als een flard naar beneden.
Bus wreef aan z'n langen neus; de hagelsteenen hadden hem ouwerwets geraakt; 't water droop hem van 't lijf, en hij rilde van kou. Toen hij nu dat lachen hoorde, en zag dat het wijf naar het pand van zijn jas wees, keek hij over den schouder naar beneden en nam het afhangende flard onder den arm.
"Ah zoo" zegt Toon nog lachend: "ben jij Van Hake, de winkelknecht van dien knoeier!"
Bus wist niet wat hij wringen zou, en wrong aan het flard van zijn livrei-jas.
Thomas Van Hake trilt over zijn gansche lichaam; doch, hij houdt zich in; hij begreep dat het parels voor de zwijnen zouden zijn om hier Helmonds eer te gaan verdedigen.
"Ik vraag je Toon, of je ons helpen wilt om den dokter te zoeken? Je kent de wegen in 't bosch."
"Hêt z'n mooie zoetelief 'em de deur uitgeschopt? Wel, óf ze gelijk had; zoo'n domme kinkel! Als ie geen centen had en toch en gebraaien haan wou uithangen, waarom dan niet dien ouwen lands-palfrenier van De Zonsberg goejen nacht gezeid! Nou, alsof jelui er niet alle dagen eenigen voor grof geld naar de eeuwigheid helpt! Als ik het een schraal konijn doe, dan roepen ze moord en brand; maar zoo'n stommen dokter, sakkerhelp! dien laten ze z'n gang maar gaan!"
Van Hakes oogen fonkelden. In een oogenblik was hij nabij den haard, waar Toon straks zijn jachtgeweer heeft neergezet. Hij grijpt het; neemt het met beide handen bij den loop; en dan, de kolf omhoogheffend, roept hij in woede:
"Schelm! trek je woorden in, of in je eigen nest verpletter ik je den grauwen kop!"
Bus liet het pand van zijn jas los en greep naar een stoel.--Toons vrouw gilde weer van 't lachen. De strooper keek vergenoegd. Met zijn kolossale hand vatte hij het jachtgeweer bij de kolf, en--slechts een kleine draai was voldoende om het Thomas uit de hand te wringen.
"Waarachtig, jij bevalt me!" grinnikt Toon: "Nou zie ik dat je pit in je ziel hebt, aldat je een pil bent en verkleumd van de kou. Griet, lach niet meer en tap drie borrels klare. De lange heer met z'n bedorven goud op 't lijf is er goed voor.--Ei zeg, en wàt wou je dan nou?"
Toon van Het Roode Zoodje zal niet alles vernemen. De vreeselijke vermoedens die Thomas koesterde, ofschoon hij ze gedurig met kracht van zich afstiet, ze zullen hem niet over de lippen. Zelfs Bus,--ofschoon hij de aanleidende oorzaak is dat men den dokter zoekt op te sporen,--hij zal niet vernemen wat Thomas vreest ofschoon hij 't zelf niet gelooven kan.--Bus weet dat dokter zonderling had gepraat, precies als iemand die.... in de war is. De vigilante, die hij op dokters bevel heeft moeten bestellen, had volgens order aan den stal gewacht; vijf--tien--twintig--dertig minuten; en, toen is men naar 't doktershuis gereden. Nadat men daar een oogenblik was vóór geweest, is Kaatje komen aanhollen met de boodschap, dat ze mevrouw met een papier in de hand, stijf van haar zelve op menheers kamer gevonden heeft, en de dokter was dan ook nergens te zien, ofschoon hij een half uur geleden naar bed was gegaan.
Vliegend is men toen naar Van Hake gereden. De provisor was daarop ijlings met zijn moeder naar het doktershuis gegaan, en heeft Bus met de vigilante naar De Zonsberg gezonden om te zien of dokter dáár soms wezen mocht.--Doch tevergeefs. Een half uur later zat Thom in de vigilante, en Bus naast Jozef uit De Arend op den bok, om dokter Helmond zoo mogelijk in de richting van Briesborg te vinden. Op raad van mevrouw Van Hake, zou men aan het onderzoek de minstmogelijke ruchtbaarheid geven. Men kon immers zeggen niet zeker te weten welken patiënt de dokter nog buitenaf heeft moeten bezoeken, en dat men hem nu een vigilante zond, omdat het weer zoo guur was geworden. Alvorens naar den kant van Briesborg te rijden, was Thomas haastig naar het station gegaan, teneinde, zonder rechtstreeks te vragen, er zich te vergewissen of Helmond niet misschien met den trein--omstreeks een kwartier geleden--vertrokken was. Nadat hij daar bemerken mocht dat men den dokter in 't geheel niet gezien had, werd hij al spoedig overtuigd dat Helmond zich werkelijk in de richting van Briesborg op weg had begeven. Op zijn terugweg, nog even vóór de Zijperbrug, heeft hij Hanna van De Schebbelaar aan den arm van naar vrijer ontmoet. Ach, Hanna had het heel naar gevonden dat dokter in den laten avond, met dat slechte weer, nog zoo ver weg naar een zieke moest. Ja, een minuut of tien geleden was zij hem tegengekomen, en ofschoon dokter erge haast scheen te hebben, hij had háár en Evert toch ieder nog een hand gegeven en vast beloofd dat hij tegen 't voorjaar op hun bruiloft zou komen: "Zoo'n best en zoo'n nederig man!"
Weinige oogenblikken nadat Toon uit Het Roode Zoodje zijn vraag heeft gedaan weet hij in hoofdzaak, wat het geval en waar het om te doen is. Dokter Helmond, die ziek te bed had gelegen, was, waarschijnlijk in een ijlende koorts, opgestaan, en zonder dat iemand het bemerkte, dezen weg opgeloopen. Zoo spoedig mogelijk is men hem met de vigilante nagereden. Op een paar honderd schreden afstands van hier, heeft men--nog even vóór dien geweldigen hagelslag--ondanks de duisternis in 't bosch, een persoon gezien die, bij het vernemen van een naderend rijtuig ijlings ter linkerzijde van den weg het bosch was ingegaan. Bus heeft het voor zeker gehouden dat het de dokter geweest is--"precies zoo'n figuur".--Aanstonds hebben Van Hake en Bus toen het rijtuig verlaten, en den meester en vriend bij zijn naam geroepen zoo hard als ze konden; maar, die vreeselijke bui heeft gewis hun schreeuwen overstemd. Door struiken en bramen heen, hadden ze zich een weg gebaand, en ondanks de duisternis, getracht den zieken man te ontdekken; doch, toen ze eindelijk met gehavende kleeren hier aan den zoom van het boschje zijn gekomen, toen waren ze bitter teleurgesteld; ze hadden niets gevonden, en zoover als hun oog over de hei nog reikte, ook niets bespeurd wat op een menschelijk wezen geleek. Ze hebben hier aangeklopt in de hoop dat Toon, die met de kleinste paadjes in het bosch en op de hei bekend was, hen tegen een goede belooning zou willen behulpzaam zijn, en in alle geval een lantaarn leenen, waaraan men in het bosch de grootste behoefte had.
De zwarte wolken-kolonne, die met vliegende vaandels en donderend gekletter is voorbijgegaan, laat een oogenblik het laatste kwartier der maan in het hagelijs blinken, 'twelk hier en ginds de wijde heivlakte bedekt.
Angstig omziende naar het donkere bosch waarin men "om een moordenaar te vatten van alle zijden is binnengedrongen," daalt Helmond, terwijl hij zich een weg door struik- en braamgewas baant, een kleine helling af, en spoedt zich nu voort op de breede hei. Het vluchtige licht der maan wijst hem een zandweg.--Dien moet hij kiezen, want als hij een anderen weg neemt dan verdwaalt hij in 't duister en overrompelt men hem. O, indien hij maar wist dat ze hem ineens zouden treffen in 't hart, ja, dan zou hij wel terug willen keeren naar dat bosch, waarin ze hem schreeuwend opjaagden als een wild dier. Maar dat doen ze niet: Ze leggen hem handboeien aan, en dan bouwen ze een schavot, en dan.... Hu! wat is dat? Welk een vurig oog flikkert daar achter hem over de hei? O God, het schiet bliksemende stralen uit! Dat is het oog van de slang uit het paradijs; en, drie zwarte wezens verspreiden zich.--Voort dan, voort!
Buiten de deur der hut op een kleine verhevenheid gekomen, heeft Toon de lantaarn in de hoogte gehouden en, over de donkere hei ziende, beweerd, dat hij niets kon ontdekken; maar ook, dat de dokter, als hij met z'n zieke lichaam het bosch was ingegaan, er nóg wel wezen zou.
Van Hake meende echter heel in de verte iets zwarts te hebben gezien.
"Ik zeg je van nee!" beweerde Toon: "hij zit in het bosch."
"En ik wil zekerheid hebben!" riep Van Hake, en greep den forschen man, die daarop niet voorbedacht was, de lantaarn uit de hand, en spoedde zich voort in de richting waar hij meende dat zich iets zwarts had bewogen.
"Jammer dat die kerel 'en pil is!" grinnikte Toon: "Vooruit dan lange livrei-dragonder!" en hij gaf Bus een slag op den schouder zoodat deze hevig schrok, en nog minder plezier in den tocht had dan straks toen hij met den provisor alleen was.
"Wat 'en lucht komt er weer opzetten;" zei Bus, die nog maar half van den schrik was bekomen. En dan, dan ziet hij in de richting van den straatweg, waar Jozef zeker nog op dezelfde plaats in 't bosch met de vigilante zal wachten.--Toen hij straks op dien bok zat, ja toen was hij niemendal bang; maar nu!--Die Toon moest bovendien een slechte vent wezen. Er liep een verhaal dat hier eens een weggevluchte juffrouw uit Briesborg zou verdwenen zijn--spoorloos.--Lieve hemel! En menheer van Hake rende daar de hei op, alsof er geen eenzaamheid en geen nacht en geen gevaar in de wereld was.
"Ben jij bang?" roept Toon die Bus ziet achterblijven.
"Bang! nee nee, volstrekt niet." Maar, Bus was dubbel bang, én voor zich zelf, én voor zijn goeden meester.
Een vreeselijk wolkenheer heeft nogmaals hemel en aarde in een nacht gehuld, zwarter dan het gesloten graf. Met woedend stormgeloei rukte het tweede legioen aan, en spelt dood en vernietiging aan 't rijk van den zomer.--Een ontzettende hagelslag snort door de lucht en rakkelt op de hei, en doet het haas en konijn opschrikken en de lepels spitsen in hun onderaardsche legers.
Geen mensch is instaat om tegen zulk een gezweepten steenregen het hoofd en den schouder te zetten. Toon zegt dat het tempeest hem de baas zou worden; maar niemand hoort hem, want Bus, die het afgescheurde flard nu boven zijn hoofd houdt, bevindt zich reeds op den terugweg in de richting van de hut, en--Van Hakes licht flikkert een gansch eind verder al flauwer en flauwer.... zie, nú is het uit.
"Is daar iemand?" schreeuwt Thomas met geweld, want hij meent op korten afstand iets zwarts te zien bewegen, en 't is hem toch bijna onmogelijk om tegen dien hagelslag in, nog verder te gaan of zich naar eisch te doen hooren.
Een geweldig groote hagelsteen sloeg juist op dat oogenblik een der lantaarnruiten aan stuk, en het flikkerende licht was aanstonds uitgedoofd.--Thom aarzelt. Nu roept hij weder; maar krijgt geen antwoord. Toch wil hij weten of hij zich vergiste. Zóó vóórtgaan kan hij echter niet. IJlings trekt hij de jas uit en bedekt er het hoofd en ten deele het aangezicht mee.
Ach, hoe bitter moest Thoms teleurstelling wezen: Reeds meende hij zich zeker van zijn zaak, toen de zwarte massa, die hij nu werkelijk genaderd was, hem op zeer laconischen toon ten antwoord gaf: dat ie zich vergiste als ie meende dat hier 'en dokter Helmond was. Hij was niks meer als Jochem van den boer van 't Kraaiennest achter Briesborg. Met den mist die 's-middags gevallen was, had hij een jong schaap verloren, en, nu hij "den rakker" hier juist bezijden den plas achter het opschot van wat struikhout heeft teruggevonden, nu wilde hij liefst zoo gauw mogelijk naar huis, "want," zoo besloot hij: "Onze Lieve Heer zal van nacht den duuvel 'en strop um den hals hoalen!"
Blê, riep het schaap, Mêêê! En de man voor Thomas onverstaanbaar: "Stil stil kleine rakker; 'k zal oe kriegen a'j wéér wegloopen durft!"
En naarmate de slang met het bliksemend oog--het schijnsel van Thoms lantaarn--den armen Helmond straks al sterker achtervolgde, ja een paar malen schier op geen honderd schreden afstands was nabijgekomen, klom zijn geestverwarring tot den hoogsten trap: 't Was Satan zelf die hem achtervolgde, en God steenigde hem.--Met een nauwelijks hoorbaren kreet is hij neergezegen op den killen, met hagelijs overdekten grond. Toen viel er een nacht, een korte maar misschien een weldadige nacht over dien vermoeiden geest.
De tweede bui, die de hevigste van dien avond zou wezen, was voorbij.
Het laatste kwartier gluurde weer vluchtig naar beneden, en spiegelde zich even in den kleinen plas, die straks geschuimd heeft terwijl het noodweer hem zweepte en voedde.
En niet verre van daar toont ook somwijlen het maanlicht de plek, waar het bleek gelaat van een slapende de hagelsteenen, die hem ten hoofdkussen strekken, langzaam smelten doet.
.... Hoor, daar schreit een kind. Neen, het lacht en zie, nu speelt het met een blatend schaap.--Eva in een paars katoenen kleed, komt daar de voordeur van het huis aan den wal uit; en ze ziet naar het smalle perk met rozen; en zij plukt een bloem; en roept het kind, en liefkoost en kust hem; en versiert dan het schaapje met de bloem die ze plukte. Maar zie, het jongske trekt de roos weer uit den halsband, en vliegt er mee naar.... hém; ja naar hém; en kust hem, en trekt zijn Ma'tje erbij, en omstrengelt ze beiden, zijn vader en moeder.
En--ginds van verre staat het schaapje en blaat als schreiend: Mê blê, mê blê!
Jochem van 't Kraaiennest was geschrokken.--En "mansmins" voor je voet te vinden op de hei, en in den laten avond, daar zou de "trankielste z'n eigen over verdoen."--Nochtans, hij bracht dien vond al spoedig in verband met de ontmoeting die hij daar straks heeft gehad: 't Was zeker de dokter van Romphuizen die verdwaald moest zijn.
Helmond is wakker geworden, maar, hij weet niet waar hij zich bevindt en wat er met hem is voorgevallen. En terwijl hij eenige oogenblikken later met dien man naar de zij van den straatweg voortgaat, is het hem alsof hij zooeven nabij De Schebbelaar van een paard is gevallen. Maar ofschoon hij een vreeslijke pijn door al zijn leden gevoelt, en bijna niet voort kan,--toch zal hij zich goedhouden; immers hij moet een zieke te Briesborg bezoeken, en den zieke zal hij dood vinden, evenals boer Dirksen met vergif om het leven gebracht, door hém. Stil, niemand mag dat vermoeden, stil!
Weinige oogenblikken later heeft men den dokter op de kleine kar geholpen, waarmee een boerenarbeider den schaapherder op den straatweg heeft gewacht. En als Helmond er neerzit naast het lam, en het voertuig voortboldert over de steenen, dan weet hij niet wat er met hem gebeurt.--Is het de aarde die gestadig dreunt, en, ratelt de donder zonder ophouden voort?
--En, O God, zie.... het lieve kind speelt daar nog altijd voort op de glooiing van den wal met het blanke schaap. Hoor maar, hoor hoe het blaat! "Eva, om Godswil," roept Helmond angstig: "neem ons jongske weg. Eva, voorzichtig, een slang!.... Eva!"
Jochem de scheper, die naast den boerenarbeider op het voorbankje van de stortkar zit, meent dat de dokter iets zegt, en omziende, beweert hij dat menheer het maar goed heeft getroffen; op dat stroo "zat ie naast den kleinen rakker krek als op moeders schoot. De kar stootte wel een beetje maar dat was niets voor de kou. Als het goed was dan zou ie menheer te Briesborg, vlak voor de stad, van het karretje laten, want zóó op een mestkar mee binnen te rijden dat ging toch niet. In alle geval zou ie menheer den raad geven om z'n eigen naar Romphuizen met een rijtuig weerom te laten brengen. 'En mins was net as 'en schoap. 't Gebeurt soms dat ie afdwoalt en 't spoor biester roakt, moar--'en scheper weet 'et te vinden."
EEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
Op het oogenblik dat men Helmond uit de stootende kar hielp, zweepte een nieuwe stormbui een slagregen door de Briesborger straten, zoodat er nu, in den laten avond, geen levend wezen meer te zien was.
Alleen voor de deur van De Romein--het Briesborger logement bij uitnemendheid, en bovendien het toevluchtsoord voor wie naar publieke genoegens verlangde--zag men nog leven en beweging.
Twee groote reiswagens werden er juist ontladen; de laatste koffers of kisten draagt men naar binnen, en de dampende paarden die straks, sterk rillend, het tuig deden kletteren, voeren nu de ledige gele gevaarten door de groote koetshuispoort onder dak.
Helmond is bij het afstappen van de kar tot eenig zelfbewustzijn gekomen. Althans hij beseft de noodzakelijkheid om zich niet langer aan dien vreeselijken slagregen te blijven blootstellen. Dat huis aan gene zij van de stadspoort is het logement. Ja; maar niemand zal daar weten wie hij is: "Want de hagel die hem straks in het aangezicht sloeg heeft hem geheel onkenbaar gemaakt."
In de groote gelagkamer van het logement was de kastelein met zijn bediende druk bezig, om een aantal gasten te bedienen, die zooeven met de groote reiswagens waren aangekomen. De meesten hadden het koud en geeuwden.
"Nog al plaatsen genomen kastelein?" vroeg een gezet heer die het erg koud scheen te hebben en daarom zijn lange pelsjas nog aanhield.
"Dat houdt niet over menheer Baars. Van middag waren er geloof ik vier en twintig; maar, de lijst uit de sociëteitskamer is nog dáár.--Hei Piet, ga jij die lijst eens halen."
"Zóó, vier en twintig!" zegt de tooneeldirecteur, en bromt iets tusschen de tanden.--"Dat heb je van die kleine plaatsen," herneemt hij: "ze weten niet wat kunst is. Ze motten de poppenkast zien. Gisteren te Zutfen had ik het huis stampend vol!"
"'t Kan nog bijspijkeren menheer Baars. Morgen worden de meeste plaatsen genomen; en," vervolgt de kastelein nu zachtjes: "voor het bericht in het Briesborger weekblaadje is gezorgd. Mijn neef de schoolmeester heeft er geen inkt aan gespaard. Je nieuwe sujetten heeft ie in de lucht gestoken van belang. 't Zou me niet verwonderen dat er morgen zelfs Romphuizers kwamen. Dat volk is zoo arm dat ze geen lokaal hebben half zoo groot als het mijne. Als het morgen wat beter weer is menheer Baars, dan...."
"Tenminste 't moet heel wat beter worden dan den eersten keer, anders zie je me niet weerom. Laatst kon ik er zestig gulden bij toeleggen; daar sta je geen kou en ellende voor uit."
"Nee zeker niet;" zegt de kastelein, en dan zachtjes, nadat hij den directeur op een bericht in een der groote nieuwsbladen heeft gewezen, met een zijdelingsch knipoogje op een man die met een jonge vrouw ginds aan een tafeltje koffie en brood zit te nuttigen: "Als die bijten wou, hê?"
"Trotsche kerel!" bromt de tooneeldirecteur: "Ja, als die bijten wou!"--Eensklaps zich omwendend tikt hij den zooeven aangeduiden man op den schouder, en zegt terwijl hij hem terzijde wenkt:
"Menheer Philippe, 'en woordje alsjeblieft? Pardon mevrouw, één oogenblik maar!"
Philippe staat op; neemt een stoel; zet dien bij het tafeltje, en zelf weder plaats nemend, zegt hij: "Ga zitten menheer Baars. Voor mijn vrouw heb ik geen geheimen."
"Ja maar, ik wou je even alleen spreken; 't is een delicate vraag."
"Daar wil ik juist dat mijn vrouw van profiteeren zal. Zulke vragen komen zelden voor."
"Je toon menheer Philippe, tegenover je directeur is doorgaans onvriendelijk. Ik weet niet waaraan ik dat verdien."
"Dat verdien je menheer, omdat je mijn vrouw wilt dwingen in een stuk op te treden dat gemeen is. Maar, voor een onmogelijk wulpsch individu als Alma in De Glorie der Boulevards zal ze niet spelen!"
"Tututu mijn beste jongen...."
"Ik ben je jongen niet menheer Baars. Ik heet Philippe. Nog eens, mijn vrouw zal er niet voor spelen. Neem er juffrouw Lelie voor; ze heeft toch bij uw gezelschap den naam van la Puritaine."
"Ik meen menheer Philippe, dat ons contract...."
"Ons contract zal nageleefd worden," valt Philippe in: "maar wanneer de directeur ons onmogelijke rollen geeft, rollen waarin men zich ten aanschouwe van 't publiek naakt uitkleeden of ophangen moet, dan is de acteur die ze aanneemt immoreel of krankzinnig."
"Je overdrijft menheer Philippe. De Alma is een coquette, een...."
"Mijn vrouw speelt die rol niet! Dit is nu driemaal gezegd; en ik hoop genoeg."
"We zullen zien, we zullen zien menheer! Ik meende dat het een compliment was aan de schoonheid van mevrouw Philippe, dat ik in overeenstemming met den regisseur, haar een rol gaf waar het publiek bepaald plezier in zal hebben."
"Dan is het publiek verachtelijk! Wie een actrice toejuicht, die zulk een rol speelt, zou ik in 't gezicht willen slaan, 't Is vreemd menheer, dat je als directeur zoo weinig de roeping van het tooneel begrijpt."
"Ja beste jong.... menheer Philippe,--wat zal ik je zeggen: we moeten dubbeltjes slaan. Enfin, we kunnen er wel zoo'n beetje voor zorgen dat je tevreden zult zijn.--Maar à propos--wat ik zeggen wou, 't was mijn plan om je appointement te verhoogen."
"Ei!"
"Je ziet ik voorkom je, ofschoon je weer in Zutfen hebt gemerkt hoe allemachtig slecht de lui opkomen. Ja menheer je bent een acteur die aanmoediging verdient. Ik geef je zeshonderd gulden meer. Ja, jawel; maar op één conditie."
"En die is?"
"Zie, dat had ik nu juist liever onder vier oogen met je behandeld beste jon...."
"Philippe, laat mij dan even...." zegt de jonge vrouw terwijl ze opstaat.
"Wil je liever van mij hooren wat menheer Baars me te vragen heeft? Zooals je wilt Virginie.--Nu, wát is de zaak directeur? Als je zacht spreekt dan zijn we hier onder vier oogen."
"Je bent een man van karakter menheer, ja waarachtig, dat heb ik dadelijk gezegd. Zonder karakter is de kunst niemendal, zonder karakter is een talent mij geen knip voor den neus waard."
"De zaak menheer Baars?"
"Welnu, de zaak: een man van karakter schuilt niet achter een pseudoniem. Dat doe jij beste jongen, ja waarachtig, jij schuilt achter een pseudoniem, dat weet je bl...... goed. Wil ik je wat zeggen: als je je eigen naam op de affiches laat zetten, dan geef ik je zes--ziedaar dan geef ik je samen achthonderd gulden meer."
"Mijn naam is Philippe."
"Jawel juist, zooals mijn naam Leonard is, maar het Baars erbij doet de deur toe. Je naam is Helmond; ik weet het; ik wist het al lang. Je moet dat geen liegen heeten mijnheer!"
"Wie zegt je dat ik dat liegen heet: Liegen is laag. Ik verzoek je zoo iets niet te herhalen."
"Maar één ding is toch zeker, óf je schaamt je je naam, óf je schaamt je je betrekking menheer Philippe. Het eerste kan niet waar zijn, dat weet ik. U hebt evenals ik, heel wat grootheid in de familie. Maar wat duivel, ik en een ander we komen voor onze namen uit. Ik zeg: Baars! 't Gezelschap van Baars en Kogel, wáárom niet!"
"Een geslachtsnaam is geen particulier eigendom;" antwoordt Philippe.
"Maar men is toch vrij om zijn naam te noemen waar men wil."
"Wie zijn naam onteert, schandvlekt een heele famile."
"Schandvlekken!" zegt Baars heftig. En dan weer kalmer: "Maar nee, ik wil geen ruzie met je maken. Je hebt je rollen met talent gespeeld; en je vr... mevrouw Philippe, speelt lief, jawel, allerliefst. Maar als het je dan waarachtig ernst met de kunst is, en je waarlijk helpen wilt om ons tooneel te releveeren menheer, waarom onthou je ons dan je besten steun, je naam! Als de menschen meer en meer namen als Baars en Helmond onder de oogen krijgen--van Kogel wil ik niet spreken, diens heele paremantatie was figurant--ik zeg, dán zullen ze begrijpen menheer, dat we van één bloed en nieren zijn. Nu, wát zeg je: achthonderd gulden er nog bij; 't Is geen kleintje?"
"Nee ik moet je bedanken, menheer Baars;" zegt de jongere Helmond, strak voor zich heen ziende--want inderdaad, achthonderd gulden méér, 't zou hem in staat stellen zijn lieve vrouw en zijn kind....
--Maar neen, hij herhaalt op stelligen toon: "Ik dank je. Ik ben en blijf Philippe."
"Achthonderd gulden!" hengelt de directeur: "Watblief, nog een benefiet voor je vrouwtje erbij; een doorloopende vrijkaart voor je heele familie! Watblief, doe ik niet meer dan ik kan?"
Philip Helmond ziet den directeur eenige oogenblikken stilzwijgend aan.--Een vrijkaart voor zijn heele familie! Ha, kon het anders of een sarkastische glimlach moest een oogenblik die lippen plooien?
--Een vrijkaart voor den generaal Van Barneveld!--Nu is 't genoeg:
"Ik waardeer je goeden wil menheer Baars, maar ik moet weigeren. Wanneer alleen stukken gespeeld werden zonder slijk; zonder acties en volzinnen die den man en vooral de vrouw verlagen, ja dan zou ik met een dwaas vooroordeel willen breken, en door het noemen van mijn naam misschien ook anderen uit mijn stand bewegen om ons tooneel te helpen verheffen. Maar nu, nee!"--Eensklaps opstaande, gaat hij naar zijn vrouw die, niet ver van de deur bij een kleine tafel staat, en de courant inziet, welke er zooeven door den kastelein was neergelegd.--Ofschoon het nieuwsblad aan de schoone Virginie weinig belangstelling inboezemt, zoo las zij toch, op het oogenblik dat Philip haar naderde, met de meeste aandacht.
"Ei, zoozeer in de politiek verdiept?" zegt de jongere Helmond.
"Philip, zie eens hier, zie...."
En hij leest; en een blos overdekt zijn gelaat. Het nieuwsblad bevatte het bericht dat Dr. A. Helmond genoemd werd als candidaat voor de vaceerende betrekking van hoogleeraar in de medische faculteit te L.....
"Hij! hij!!" zegt Philip. En dan: "Ha, dat ontbrak er nog aan!"
Eensklaps bemerkend dat de directeur hem terzij is gekomen, herneemt hij, terwijl hij op het bericht wijst en hem streng in de oogen ziet:
"Ha! was het daarom!"
En de directeur zeer kalm:
"Ja, welzeker; dat was tenminste een reden te meer. Dat zou waarschijnlijk wat trekken, de broer van den professor! Zeg, wat dunkt je, zullen we er duizend van maken? Duizend meer, duizend blanke guldens boven het tegenwoordige appointement; twee benefieten en drie plaatsen vrij voor menheer den professor....?"
"Zwijg, geen woord meer hierover!" zegt Philip met smadenden lach! "Ik veracht mijn familie; maar ik wil niet dat ze reden zal hebben om het mij te doen. Ik mag haar naam niet blootstellen aan de kans om in één adem met: De Glorie der Boulevards te worden genoemd."
"Des te beter," zegt Baars: "als je familie zoo verachtelijk is, welnu dan traiter je ze 'tmeest met rondeman voor je naam uit te komen."
Baars vergeet dat hij door het geven van dezen raad, wat al te veel laat doorschemeren dat hij met het aanbieden van de vrijkaarten, den schijn heeft willen aannemen, alsof hij werkelijk meende dat Helmonds familie er zich niet in 't minst aan ergeren zou wanneer hij onder zijn waren naam ging optreden.
Helmond beschouwt den directeur met een bliksemend oog:
"Ik veracht mijn familie, ja! maar wien men veracht dien traitert men niet; men draait hem den rug toe. Bah!"--Philip heeft de daad bij het woord gevoegd, en zijn vrouw bij de hand vattend wil hij met haar zijn plaats gaan hernemen.
"Wie is dat? Wie staart hem op eenigen afstand van de halfgeopende deur, uit het vrij donkere voorhuis zoo onbeweeglijk aan. Is dat.... August?--Neen, dat moet verbeelding zijn; natuurlijk; dat is....
"Philip! ben jij 'et?" klinkt het fluisterend op bijna angstigen toon.
De jongere Helmond twijfelt niet meer. De hand van Virginie beeft in de zijne. Ook zij heeft gezien, en de stem van Philips broeder herkend. Ja, ze weet het nu zeker; daar staat de man wiens naam men zooeven in het nieuwsblad vermeld vond, en die voor haar man een vervloeking is geworden. Daar staat hij de broeder, van wien Philip, sinds dien morgen in de Tuinstraat, rechtstreeks niets meer vernam; maar die--zooals men verhaalde--in afwachting van mijnheer Van Barnevelds dood, zijn praktijk verwaarloost en de ergerlijkste schulden maakt, alleen ter wille van een ijdele vrouw, waaraan hij zich ter kwader ure verbond.
--Ja, hij was het wel. Ook Philip is er zeker van. Een doodelijk wit overdekt zijn gelaat. Maar, nog eer dokter Helmond nu de deur kon bereiken, heeft de jongere broeder haar dichtgedaan, en keert hij haastig met zijn vrouw naar het straks verlaten tafeltje terug.
De oudere Helmond--uit den fel gezweepten regen en den droevig donkeren October-avond onder een welbekend dak en in "veiligheid" gebracht, mocht bij het staren naar dat bekend gelaat de angstige visioenen, die hem gedurig voor den geest spookten, voor een oogenblik vergeten.
--Dat was Philip, de redder van zijn leven toen ze nog knapen waren; dat was de vurige Philip met zijn snel bruisend bloed; maar ook de trouwe, wiens woord een onverbrekelijk zegel was. Daar stond hij, hand aan hand met de schoone vrouw, die hem op dien morgen zoo roerend heeft gezegd: "Ons kindje slaapt!"
--Stil, stil dan, het kindje slaapt, heeft dokter Helmond onwillekeurig gefluisterd, waarna hij--om zich te vergewissen dat hij zich niet bedroog, den geliefden broeder bij zijn naam riep.
--Maar neen, hij kon het niet zijn. Zie, de deur deed hij dicht.--Als het Philip was, dan.....
"Wilt u logeeren menheer?" zegt Piet die voor den patroon de komedielijst uit de sociëteit heeft gehaald, en weer in de gang kwam.
"Ja logeeren. Een kamer achteraf waar niemand komt."
"'t Is ook niet vooraan wat er open is menheer. Veel commis-voyageurs met 't najaar, en de troep van Baars en Kogel. Ga binnen menheer." Piet strekt de hand naar den deurknop uit, maar voelt zich den arm weerhouden.--Neen, die heer wilde liefst niet binnengaan, 't Was daar zoo vol, maar er was toch iemand dien hij spreken moest, in 't geheim; een bleek blond heer--nog jong.
"Philippe....?"
"Ja ja, Philip; ja juist," zegt Helmond met schitterende oogen: "maar zeg hem dat ik hem zeer in 't geheim moet spreken. Hij mag er niemand iets van zeggen. Niemand verstaje.....
De schenker beschouwt den gast een oogenblik met meer opmerkzaamheid, en valt dan uit:
"Sakkerloot, neem me niet kwalijk menheer, heb ik 't plezier dokter Helmond uit Romphuizen te zien? Ik kende u warempel zoo gauw niet."
Helmond is op het oogenblik dat Piet hem zoo aanzag en zijn naam noemde, angstig een schrede achteruitgegaan.... O God! Als men hem herkende. Maar hoor, hoor Goddank!
--Piet zou hem niet verklappen. Piet begreep er alles van.-- Jawel, als dokter hier logeeren wil, zonder dat iemand--behalve die één, jawel, begrepen--er iets van merkte, dan zou hij hem wel helpen. Achter de comediezaal, bij 't koetshuis, daar was nog een net kamertje:
"Kom maar mee dokter," vervolgt de schenker: "ik vat de reden van uw komst wel.--'t Is menheer zijn eigen broer niewaar? Compris!--De patroon en Baars zijn op één hand; natuurlijk! Maar ik kan me begrijpen dat 'et schandaal-maken is.--Ja ik zal wel zorgen dat u hem ongezien te spreken krijgt; laat dat maar aan Piet uit De Romein over."
"Zoo, zul jij zorgen dat niemand, niemand me ziet?" zegt Helmond; en, gedurig rechts en links turend, volgt hij den schenker die met een blaker vooruitgaat, door een zeer lange zijgang, en eindelijk na een plaatsje te zijn overgegaan, en nogmaals een smal gangetje te hebben doorloopen, in een kleine doch nette kamer.
't Was gelukkig voor den armen dokter dat de kleinsteedsche hotelbediende de zaken, zooals hij dat noemde, "altijd zoo juist in hun verband beschouwde." Piet had het aanstonds begrepen.--heelemaal! Dokter Helmond uit Romphuizen heeft gehoord dat zijn broer--die eigenlijk een gemeen sujet is en z'n zelvers bij Baars en Kogel verengageerd heeft--morgen hier zal meespelen. Jawel en nu komt hij hem uit naam van de heele familie bewegen om z'n eigen toch niet te vergooien. Welzeker, de dokter zal slagen als ie bij z'n broer maar over de brug komt; en, Baars zal woedend zijn; maar dat kan Piet niet schelen. Piet heeft er eigenlijk een hekel aan dat zijn patroon den troep van Baars en Kogel in de Romein neemt. 't Was al van 't minste soort; en toch, al die spullen 't gaf een behei en geherrie, waardoor 'en mensch altijd uit zijn gewonen doen raakt.
--Enfin, geen haan zal er naar kraaien dat de dokter Van Romphuizen, met zulk een doel hier is. Piet moet den directeur geen kans laten om dien Philippe door een hooger bod te winnen. Niemand zal tusschen beiden komen, en als morgen die voorstelling fout loopt--omdat Philippe en z'n vrouw niet meespelen--dán, dan lacht Piet in z'n vuistje, want de troep zal dan zeker hier voor het laatst geweest zijn.--Spoed nu, men wacht op de lijst. Maar stil, eerst met een lucifer de kleine kachel aangestoken, waarin reeds wat spaanders met een vuurmaker op de bezielende vonk hebben gewacht. Dokter scheen het zeer koud te hebben; zijn kleeren waren erg nat. De dokter was afgevallen; althans voordeelig zag hij er niet uit,--Of dokter Helmond ook iets gebruiken zou....... een glas warmen grog!?
"Ja ja, dat is goed; maar, noem mijn naam niet; men zal toch hiernaast niet kunnen hooren....?"
"Volstrekt niet dokter; geen de minste nood. Als dokter 't verkiest dan kan hij vertrekken zoo laat en zoo vroeg als hij wil, door 't achterdeurtje naast de concert- en comediezaal. Dit is het zoogenaamde cachet-kamertje dokter, 't ligt heel appart."
Eenige oogenblikken later is Piet in de algemeene logementkamer teruggekeerd, en heeft al spoedig den heer Philippe in 't oor gefluisterd, dat er iemand was die hem noodzakelijk spreken moest; maar in 't geheim; heel dood in 't geheim.
"Ik ben niet te spreken;" heeft Philippe geantwoord.
Piet moest hem toen de duimschroeven aanzetten:
"'t Is uw eigen broeder menheer; dokter Helmond uit Romphuizen."
"Wie zegt jou dat ik anders heet dan er op 't affiche staat?"
"Nou!" zegt Piet, met een zeer vrijmoedigen zijdelingschen ruk van het hoofd, en laat er zachtjes op volgen: "Als u z'n eigen broer niet waart, dan zou die goeje dokter zeker niet door zoo'n heidensch weer heelemaal uit Romphuizen komen om u te spreken. Hij heeft iets heel gewichtigs menheer Philippe, en".... met een knipoogje: "geld als water."
De jongere Helmond ziet den schenker aan alsof hij hem door den grond wilde boren! Die vent is hem geen antwoord waard:
"Geef papier en inkt!" zegt hij gebiedend.
Piet zet groote oogen.
"En inkt....? Asjeblief menheer."
Helmond schrijft:
"Men moest niet vergeten dat Philippe Helmond gewoon is zijn woord te houden. Hij houdt het aan een tooneeldirecteur zoowel als aan de vrouw zijner keuze.
"Men moest begrijpen dat men zich verachtelijk maakt met openlijk eerbied voor trouw en rechtschapenheid te veinzen, en in 't geheim den meineed te komen aanvuren. Men moest zich schamen den steen te werpen op een onervaren kind--wier zonde het was dat ze bouwde op een mannenwoord, terwijl men zelf in verwijfden dommel wordt meegesleurd door een Sirene.
"Men moest zich bloedrood schamen, slechts dán van zich te doen hooren, wanneer men--zelfs badend in de weelde--week wordt voor een oogenblik; of, door eigenbelang gedreven, wél handen vol gelds zou willen wegwerpen om een naam te redden voor 't oog der wereld, maar geen stap zal teruggaan op den weg der verguizing.
"Dokter Helmond zal bemerken dat ik weet waarom hij mij spreken wil, en dat ik begrijp wat hij mij te vragen heeft. Hem te woord te staan doe ik niet, Maar toch dokter, keer blijmoedig naar huis terug: Ofschoon er acteurs zijn en actrices die ik als vrienden de hand druk, nobele zielen--nobeler helaas, dan het eerste kind onzer moeder,--wees gerust, ik zal den naam van onzen vader niet huwen aan een kunst zoolang ze nog den cancan in haar wapen voert.--Welaan keer met verruimden zin naar de vetpotten van een godzaligen pleegvader, en de omarming eener welopgevoede vrouw terug. Zelfs zonder dat men hem behoeft om te koopen zal de neef van een generaal en de broer van een hooggeleerden professor misschien, het geheim zien te bewaren dat hij gemeen acteur is.
"Ik eindig.--Philip Helmond bestaat niet meer; maar de acteur Philippe, die geen broeder meer heeft, hij haat den man die al dieper zinkt naarmate hij hooger rijst in de schatting der wereld; hij veracht den man die, misschien uit naam van een grijzen schijnvrome, hem geld komt bieden voor 't breken van zijn woord.
PHILIPPE."
"Lees Virginie," zegt de jongere Helmond, en geeft haar het schrift.
De lange zwarte wimpers der actrice gingen naar beneden. Zij las. Philip bleef haar aanstaren.--Nu zij gelezen heeft zegt ze:
"Die brief mag hem niet onder de oogen komen Philip. Ik kon evengoed de Alma spelen, als jij hem dien brief sturen."
"Wat meen je?"
"Je oordeelt en veroordeelt zonder onderzoek."
"Weet ik dan niet....?"
"Je weet lieve man, dat de dokter hier is, en dat hij je spreken wil: maar, wàt hij te vragen heeft dat weet je niet."
"Maar dat spreekt immers van zelf; het heeft geen onderzoek noodig. Ik veracht den afgezant van dien generaal.--Geef me den brief Virginie."
"Als je hem dadelijk wilt verscheuren.... ja, maar anders nee!"
De jongere Helmond ziet zijn vrouw eenige oogenblikken met gefronste wenkbrauwen aan:
"Laat mij den brief nog eens zien Virginie."
"Als je hem verscheuren wilt, anders NEE!"
Na een oogenblik van inwendigen strijd zegt Philip:
"Hij zal hem niet lezen. Geef hier."
Zonder de geringste aarzeling reikt Virginie haar man nu den brief toe, en Philip.... nadat hij het geschrift nog eens vluchtig heeft doorloopen, ziet haar aan met een pijnlijk zoeten glimlach, en--verscheurt den brief.
Nu roept hij den schenker:
"Breng me bij den dokter van Romphuizen. 'k Zal toch den man even spreken." En tot zijn vrouw: "Virginie ga mee, ik breng je dan met een naar onze kamer."
Het gesprek der jonge echtgenooten zou misschien de aandacht der aanwezigen hebben getrokken, indien niet weinige oogenblikken te voren een reiziger ware binnengekomen, die veler belangstelling had opgewekt. In luidruchtige bewoordingen verhaalde de man hoe hij te Romphuizen den laatsten trein was misgeloopen, en--omdat hij volstrekt vóór middernacht in Utrecht moest wezen, er een rijtuig genomen had. Onderweg, met dat noodweer, was men echter met één armzaligen knol zóó bitter langzaam vooruit gekomen, dat hij den kastelein nu dringend moest verzoeken om hem aanstonds van hier een ander rijtuig met een "uitgeslapen tweespan" te geven.
Juist toen Philip en Virginie de gezelschapskamer hebben verlaten, vraagt de kastelein, nadat hij zijn bevelen voor het rijtuig had gegeven, of er dan te Romphuizen in De Gouden Arend geen "goed spul" meer te krijgen was. Daarop heeft de vreemde verhaald dat men in De Arend geen rijtuig had kunnen geven, want de beide vigilantes waren uit. Er was in het stadje een heele opschudding geweest. Een kolonel, of zoo iets, moest heel subiet overleden zijn; en een dokter die hem vermoedelijk bestolen had, zou de vlucht hebben genomen, hij wist er het rechte niet van, maar 't heeft hem ook niet kunnen schelen; morgen stond het toch in alle couranten. Voor 't oogenblik had hij maar één gedachte, namelijk de vrees van te laat in Utrecht te zullen komen.
Dokter Helmond zit in zijn afgelegen vertrekje bij de kleine kachel. Achter hem brandt een bougie op de tafel. Helmonds gelaat, 't welk met een donkerrood is overdekt, valt daardoor weinig te zien. Zijn handen gloeien. Zijn geheele lichaam brandt. Zijn oogen schitteren van koortsvuur.
--O God men komt!--"Wie is daar....!?"
"Hier is mijnheer Philippe;" zegt de schenker, en wil nog eens even wat hout en turf op de kachel doen.... Maar, de jongere Helmond ziet hem aan en.... kijkt hem de deur uit.
"Je woudt me spreken. Wat is er?" zegt Philip.