De nijlbruid (part 3 of 3)
En toch stond het bedenkelijk met hare zaak, en de niet minder zachtmoedige dan rechtvaardige kadhi, die zelf lieve dochters bezat, werd pijnlijk aangedaan, toen hij zag welk eene ongegronde gerustheid de ziel van deze voortreffelijke jonkvrouw oogenschijnlijk vervulde. Ja, het stond bedenkelijk met hare zaak, want er lag een onwederlegbaar bewijsstuk op tafel, en de samenstelling van het gerechtshof, die streng volgens de wet had plaats gehad, was naar het scheen niet in haar voordeel. Hare zaak werd door evenveel Egyptenaars als Arabieren behandeld. De laatsgenoemden waren er bijgenomen, omdat door haar toedoen muzelmannen om het leven waren gekomen; als bewoonster van Memphis en als christin behoorde zij tot de jurisdictie van de eersten.
De kadhi leidde de rechtspraak, en de ervaring had hem geleerd, dat de Jacobietische rechters de rechtzaal binnentraden met het doodsoordeel in de plooien van hun mantel, zoodra de aangeklaagde tot de Melchietische geloofsbelijdenis behoorde. Wat hen tegen deze schoone jonkvrouw innam, wist hij niet, doch het was gemakkelijk te zien, dat zij der Damasceensche kwalijk gezind waren, en wanneer zij het "schuldig" over haar uitspraken en ook maar éen Arabier met hen medestemde, was het lot van de jonkvrouw beslist. En wat wilde die in het wit gekleede grijsaard op de bank der getuigen, de oude, geleerde Horus Apollon, met de verklaring, die hij wenschte af te leggen? De blikken waarmede hij de Damasceensche opnam lieten niets goeds voor haar verwachten.
Het was drukkend, ondragelijk heet in de zaal! Ieder gevoelde zich bezwaard, en ondanks het gewicht dezer beraadslaging, bleef zij toch menigmaal steken, om dan daarna weder met onbetamelijken spoed te worden voortgezet. De aangeklaagde zelve scheen gelukkig geheel frisch te zijn, en niet onder den indruk te verkeeren van de hitte van dezen dag. Zoo weinig moeite het haar gekost had, bij het verhoor van den ruwen zwarte hare bewering vol te houden, dat zij geen deel had genomen aan de vlucht der nonnen, zoo moeilijk viel het haar tegenover de welwillende vragen van den kadhi Othman. Doch haar werd geene keus gelaten en het gelukte haar te bewijzen, dat zij, terwijl de Arabische krijgsknechten tusschen Athribis en Dumiat om het leven waren gekomen, Memphis en het huis van Rufinus niet verlaten had.
De kadhi trachtte deze omstandigheid terstond in haar voordeel aan te wenden, en de Wekil Obada, die veel met zijn grijzen buurman op de bank der getuigen te fluisteren had, liet hem gelaten doorspreken; doch zoodra hij geëindigd had stond Obada op en legde den brief, dien hij in Orions kamer had gevonden, voor de rechters neder. Deze was onloochenbaar van de hand des zoons van den stadhouder, was aan Paula gericht, en de slotzin: "Veroordeel mij daarom niet; uw schoonste en maar al te zeer gerechtvaardigde wensch, om aan uwe geloofsgenooten hulp te verleenen, zou voldoende zijn geweest," liet niet na, op de rechters een diepen indruk te maken. Paula antwoordde op de vraag van den kadhi, wat zij wist van dit schrijven, geheel overeenkomstig de waarheid, dat het haar geheel vreemd was; toch wilde zij niet loochenen, dat zij de zusters in het Caecilia-klooster, hare geloofsgenooten, steeds het beste toegewenscht en gehoopt had, dat het haar gelukken mocht heur goed recht tegen de vijandelijke aanslagen van den patriarch te verdedigen. Ook de gestorven Mukaukas en de Jacobietische raad van de stad hadden hare zienswijze gedeeld, en de Arabieren hadden den vrede der vrome krankenverpleegster nooit verstoord.
De kalmte en de kortheid, waarmede zij dit alles verklaarde, werkten gunstig, inzonderheid op de muzelmansche rechters, en de kadhi begon voor Paula te hopen. Hij beval nu Orion te roepen, die het best in staat was, om inlichting te geven omtrent de beteekenis van den door hem geschreven, maar niet verzonden brief.
De jonkman verscheen, en ofschoon hij en Paula zich geweld aandeden, om op deze plaats volkomen bedaard te blijven, zag ieder toch duidelijk, hoe het wederzien beiden ontroerde. Horus Apollon hield de oogen strak op Orion gericht, dien hij hier voor het eerst zag, en zijn gelaatstrekken verkregen daarbij een steeds somberder en onheilspellender aanzien.
De jongeling erkende den brief geschreven te hebben, doch, evenals Paula had gezegd, zag de inhoud alleen op het gevaar, hetwelk de nonnen reeds lang van de zijde van den patriarch bedreigd had. Den bijstand, dien hij in dit schrijven aan de dochter van Thomas toezegde, zou hij haar ten gevalle later en te zijner tijd gaarne en vol ijver aan de zusters hebben verleend, en wel met hulp van den stadhouder Amr, die, gelijk hijzelf zou kunnen bevestigen, de zienswijze zijns vaders deelde omtrent het goed recht der nonnen.
De oude op de getuigenbank mompelde luid genoeg, om door de rechters verstaan te worden: "Handig, zeer handig!" en de zwarte naast hem begon overluid te lachen en riep: "Dat noem ik op een sluwe manier zijn leven te verlengen! Weest gewaarschuwd, heeren rechters! Deze twee spelen éen spel en zijn nauw aan elkander verbonden. Het bewijs daarvan is in mijne handen: die jonkman heeft het vermogen van Thomas' dochter belegd, als ware het reeds zijn eigen, en verder...."
Hier viel Paula hem in de rede. Zij wist niet wat die kwalijk gezinde man verder in het midden kon brengen, doch zeker was het iets ergerlijks. Daar stond Orion tegenover haar, juist zooals zij hem in hare verbeelding had gezien in aandoenlijke uren, die haar thans voor den geest kwamen, en zij gevoelde, hoe zijn blik haar vol verrukking aanzag. Hier tot hem te gaan en hem te zeggen, wat zij te midden van dezen strijd tusschen leven en dood gevoelde, dat scheen onmogelijk, en toen nu de Wekil voor de rechters begon te ontsluieren, wat haar en den geliefde alleen aanging, drong al wat in haar was die onthulling te voorkomen, en den vriend in deze beslissende ure toe te staan wat zij hem eens kleinmoedig had geweigerd. Blijmoedig gestemd en met schitterende oogen viel zij dus den zwarte in de rede en riep: "Zwijg man! Gij verspilt woorden voor niet. Wat gij arglistig tracht te bewijzen, dat beken ik zelf trotsch en dankbaar. Hoort het gij allen: de zoon van den Mukaukas Georg is mijn verloofde."
Bij deze woorden zocht haar oog dat van Orion; zij vond het en weder genoten beiden te midden van het hoogste gevaar een oogenblik van het reinste en hoogste geluk; en in Paula's oogen blonken tranen van de dankbaarste ontroering, toen Orion uitriep: "Wat de hoogste zaligheid mijns levens uitmaakt, hebt gij uit haar eigen mond vernomen. De edele dochter van Thomas is mijne bruid!"
Daar ging een gemompel door de rijen der Jacobietische rechters. Sommigen hadden tot hiertoe, tengevolge der drukkende hitte, half zitten te dommelen en het hoofd op de borst laten zinken; thans waren zij allen opeens zoo wakker en helder, als had een koude waterstraal hen getroffen. "Uw vader, jonge man," riep er een, "hebt gij schandelijk vergeten! Wat zou hij wel gezegd hebben van deze bloedschande? Want wat anders is het verbond met deze Melchietin, eene dochter dergenen, die twee uwer broeders tot martelaars maakten? O, als de gestorvene...."
"Hij heeft onze verbintenis op zijn sterfbed gezegend," riep Orion hem toe, zonder hem te laten uitspreken.
"Heeft hij?" vroeg een ander Jacobiet met bitteren hoon. "Dan is de patriarch in zijn recht geweest, toen hij de geestelijkheid verbood zijn lijk te begeleiden. Moet men oud worden, om getuige te zijn van zulke schandalen?"
Deze woorden waren voor de ooren der twee gelukkigen als krekelgezang; zij gevoelden, zij bedachten alleen, wat deze zalige oogenblikken hun hadden geschonken, en vermoedden niet dat Paulas blijmoedige bekentenis hun doodvonnis inhield.
De toorn der Jacobieten bespoedigde van nu aan den gang van het rechtsgeding. Met welsprekendheid stelde de aanklager onder de Arabieren in het licht, aan hoevele muzelmannen de redding van de nonnen het leven had gekost, en hij las nogmaals den brief van Orion voor. Zijn christelijke ambtsbroeder trachtte te bewijzen, dat dit schrijven alleen betrekking kon hebben op de zoo listig in het werk gestelde vlucht der zusters, en nu deed zich iets nieuws voor, dat niemand had verwacht en een beslissenden invloed had op de verdere behandeling; de grijsaard viel den kadhi in de rede, om eene verklaring af te leggen.
Paula's vertrouwen, dat door de laatste sprekers geschokt was, begon weer te herleven; want zij hield zich zeker overtuigd dat de beproefde vriend en pleegvader van haar trouwen Philippus voor haar in de bres zou springen. Doch wat was dat?
Met een blik, welks vijandige gezindheid haar door merg en been drong, nam de oude haar hooge gestalte op en zeide daarop langzaam: "In den morgen, die volgde op de vlucht der nonnen, is de aangeklaagde in het Caecilia-klooster geweest en heeft daar de klok geluid. Weerspreek mij, trotsche dochter van een prefect, zoo gij kunt; doch laat mij u bij voorbaat zeggen, dat gij in dit geval mij dwingt tot nieuwe aanklachten."
Het meisje, door ontzetting aangegrepen, zag in hare verbeelding de weduwe van Rufinus en Pulcheria naast zich voor de rechters op de bank der arme zondaars zitten, zij voelde, dat zij met tegen te spreken de vrienden met zich in het verderf zou sleuren, en daarom bevestigde zij met bevende lippen de uitspraak van den grijsaard.
"En om welke reden hebt gij de klok geluid?" vroeg de kadhi.
"Om hen te dienen," antwoordde Paula, "die mijne geloofsgenooten zijn en die ik liefheb."
"Als aanlegster van eene als hoog verraad gebrandmerkte onderneming, die droop van bloed," riep de Wekil, "en met geen ander doel dan om ons, de beheerschers des lands, te misleiden."
Doch de kadhi gelastte hem te zwijgen en gaf het woord aan haar Jacobietischen advocaat. Deze had in de vroegte met haar gesproken en trad nu op Egyptische manier met een verdedigingsschrift voor haar op. Doch dit matte knutselwerk deed geen uitwerking, en hoewel de kadhi alles op den voorgrond stelde, wat tot hare rechtvaardiging kon strekken, werd toch het schuldig over haar uitgesproken.
Maar kon haar misdrijf met den dood gestraft worden? Het was uitgemaakt, dat zij bij de redding der nonnen de hand in het spel had gehad, doch niet minder zeker was het te bewijzen, dat zij gedurende den strijd op den Nijlarm ver van de zusters en hare verdedigers was geweest. Zij was toch eene vrouw, en hoe vergeeflijk scheen het, dat een vroom meisje geliefde geloofsgenooten bijstond, om de vervolging te ontgaan. De kadhi Othman bracht dit alles met welsprekendheid in het midden, en beval den Wekil streng en ernstig rustig te blijven, toen hij van de bank der getuigen af voor de doodstraf trachtte te spreken; en de menschlievende overredingskracht van den zachtmoedigen rechter won de harten der meeste muzelmannen. Paula's persoon maakte een machtigen indruk op hen, en niet minder de omstandigheid, dat hun dapperste en edelste vijand de vader van de aangeklaagde was geweest. Toen het eindelijk tot eene stemming kwam, geschiedde wat ongehoord mocht heeten, dat namelijk alle geloofsgenooten van de aangeklaagde, dat de Jacobietische christenen eenstemmig haar dood eischten, terwijl van de ongeloovigen onder de rechters maar éen met dit strenge vonnis instemde.
Het oordeel was geveld, en toen de Wekil Obada Orion voorbijkwam, die bleek en bijna buiten zichzelven in zijne cel teruggebracht werd, riep hij hem spottend toe in gebroken Grieksch: "Morgen komt de beurt aan u, zoon van den Mukaukas!"
Daar zweefde Orion het antwoord op de lippen: "Ook aan u komt ze, zoon van een slaaf!" Doch Paula stond tegenover hem en om hare vijand niet nog meer te verbitteren, gelukte hem thans, wat hem vroeger niet mogelijk zou zijn geweest. Zonder een woord te antwoorden, liet hij den Wekil en Horus Apollon voorbijgaan.
Zoodra de deur zich achter deze twee gesloten had, knikte de kadhi Orion met welgevallen toe en zeide: "Recht en wijs gehandeld, mijn vriend! De adelaar mag niet vergeten, dat het betaamt, zijne vleugels in de kooi anders uit te slaan dan tusschen de woestijn en den hemel."--Daarop gaf hij de wachters een wenk hem weg te leiden en hield zich op een afstand, toen de jonkman zijne bruid met hand en oogen een afscheidsgroet toewenkte.
Eindelijk ging de kadhi naar Paula toe, wier van heldenmoed getuigende kalmte bij de verkondiging van het doodvonnis zijne bewondering had gewekt, en zeide: "Het gerecht heeft in uw nadeel beslist, edele jonkvrouw, maar boven zijne uitspraak staat de genade van onzen heer, den Kalief en die van den barmhartigen God. Richt gij uw gebed tot Hem, tot genen zal ik met eenige vrienden mij wenden." Bescheiden sloeg hij hare dankbaarheid af, en toen men ook haar had weggebracht, riep hij de vrienden, die op hem wachten, in de beeldrijke taal van zijn volk toe: "Het hart doet mij pijn! Zulk een oordeel uit te spreken drukt neer als een gewicht van honderd pond; maar het kan niet zwaarder vallen den ganschen aardbol te torschen dan een Obada tot geloofsgenoot te hebben en hem te moeten gehoorzamen."
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
Nauwelijks had de raadselachtige oude de rechtzaal met den Wekil verlaten, of hij verzocht dezen om een onderhoud. Onbeschaamd verdreef Obada nu den gevangenbewaarder met zijne vrouw en haar zuigeling uit hun vertrek, en liet zich hier door den grijsaard mededeelen welk een einde hij der ter dood veroordeelde had toegedacht. Het plan van den oude beviel den zwarte wel, doch het scheen hem in menig opzicht zoo gewaagd, dat het den grijsaard bezwaarlijk gelukt zou zijn hem er mede te doen instemmen, indien hij niet een gewichtige wederdienst had weten te noemen, dien hij Obada hoopte te kunnen bewijzen. Den Wekil moest er alles aan gelegen zijn stellig te kunnen volhouden, dat Orion de hand in het spel had gehad bij de vlucht der nonnen, en het toeval had den grijsaard een geschrift in handen gespeeld, dat dit boven alle bedenkingen scheen te verheffen.
Vroeg in de morgenkoelte was met zijne verhuizing naar de woning van Rufinus een begin gemaakt. Alleen de kostbaarste en gewichtigste schriftrollen waren tegelijk met hem overgebracht, en terwijl hij ze in een kleine lessenaar wegborg, dezelfde die Rufinus aan Paula in gebruik had gegeven, had Horus Apollon daarin het briefje gevonden, hetwelk de jonkman vluchtig had neergeschreven, toen hij, na lang te vergeefs gewacht te hebben op de geliefde, die met de kleine Maria bezig was, zich eindelijk gedwongen had gezien om heen te gaan, ten einde van den veldheer Amr afscheid te nemen. Dit wastafeltje waarvan het schrift sterk uitgewischt en ten deele geheel onleesbaar geworden was, moest de rechters van Orions schuld overtuigen, en zoo bezorgde de uitlevering van dit bewijsstuk den grijsaard de vergunning van Obada, om te bepalen op welke wijze de Damasceensche ter dood gebracht zou worden.
Toen beiden eindelijk de kamer van den gevangenbewaarder verlieten, wendde de zwarte zich nog eens tot dezen en snauwde hem toe, terwijl hij wees op zijne aardige vrouw met het kind aan hare borst, dat zij alle drie kinderen des doods zouden zijn, wanneer hij Orion veroorloofde zijne cel ook maar voor een oogenblik te verlaten. Hierop steeg hij te paard, terwijl de oude dadelijk naar de kurie reed, om den stadsoverste uit te noodigen heden avond eene zitting bijeen te roepen, waarna hij zijn nieuw verblijf opzocht. Daar vond hij zijne kamer zorgvuldig in schaduw gehouden en zoo koel, als het bij zulk eene hitte maar mogelijk was. Men had den grond met water besprenkeld, er stonden bloemen waar er maar eene geschikte plaats voor te vinden was, en de schriftrollen en andere voorwerpen, die voor hem gekomen waren, hadden reeds in kisten en kasten eene plaats gevonden. Nergens lag een stofje, overal snoof zijne neus behagelijk de heerlijkste geuren op.
Wel had hij een goeden ruil gedaan. In zijn gewonen, ouden leuningstoel gezeten wreef hij zich met welbehagen de magere handen, en toen de kleine Maria verscheen, om hem aan tafel te noodigen, had hij er plezier in met haar te gekscheren. Pulcheria moest hem uit het viridarium naar de eetkamer geleiden, en aan tafel liet hij het zich goed smaken. Zijn vaal, verschrompeld gelaat begon er werkelijk schooner uit te zien, terwijl hij zijn oog liet gaan over zijne vrouwelijke huisgenooten, waarvan alleen de Griekin Eudoxia ontbrak, omdat eene lichte ongesteldheid haar had doen besluiten op hare kamer te blijven. Hij had voor ieder een vriendelijk woord; opgeruimd en zonder het gevoel van dankbaarheid, dat hem vervulde, te verbergen, vergeleek hij zijn vroegeren toestand met den tegenwoordigen, en schilderde hij, met een ondeugenden blik op Pulcheria, hoe heerlijk het zijn zou als Philippus terugkeerde, om hen allen te zamen tot een echt en wezenlijk gesternte te maken; want iedere Egyptische ster had vijf stralen; de ouden hadden nooit eene andere gekend of in steen gegraveerd, ja zich van het sterreteeken zelfs bediend, om het getal vijf te schrijven.
"Maar dan," riep Maria, "dan zijn wij zoo ik hoop een ster met zes stralen, want dan is de arme Paula toch stellig ook weer bij ons."
"God geve het," zeide vrouw Johanna met een zucht.
Pulcheria vroeg den ouden man wat hem scheelde, want opeens veranderde zijn gelaat. De vroolijkheid van zooeven was verdwenen; de haarstoppels boven de oogen staken omhoog, en de saamgetrokken lippen bewogen zich krampachtig, toen hij eindelijk knorrig antwoordde: "Mij scheelt niets.. Intusschen, ik zeg u eens en voor altijd: deze naam stuit mij tegen de borst."
"Paula?" vroeg Maria verbaasd. "O, als gij wist..."
"Ik weet meer dan genoeg," haastte de grijsaard zich te zeggen.
"Gij zijt mij allen lief, ja gij allen; mijn oude hart gaat open in uw midden. Het bevalt mij bij u, ik houd veel van u, ik ben u dankbaar, elke vriendschapsdienst dien gij mij bewijst, doet mij goed, want die komt uit het hart. Kon ik alles maar spoedig en rijkelijk vergelden, het zou mij van vreugde verjongen! Gij moogt het gelooven, en ik zie u aan dat gij het doet. Doch," en nu trokken zich de wenkbrauwen weder samen, "doch wanneer ik dezen naam hoor noemen, en wanneer gij beproeft mij voor die vrouw te winnen, of mij met haar lof aan het hoofd te malen, dan, hoeveel leed ik hiermede ook mijzelven zou aandoen, dan ga ik terug naar de plaats vanwaar ik gekomen ben."
"Maar Horus, Horus! wat is dat?" riep vrouw Johanna ontsteld.
"Dat is," barstte de oude los, "dat zich alles in haar belichaamt wat ik in haar stand veracht en haat. Dat is, dat zij een koud, verraderlijk hart in de borst draagt, dat zij mij dagen en nachten heeft gekweld, in 't kort, dat ik liever verdoemd wilde zijn, om met klamme salamanders en koude slangen onder éen dak te leven...."
"Als met haar, als met Paula?" zeide Maria opeens, en daarbij vloog het levendige meisje op, hare oogen vonkelden en hare stem trilde van verontwaardiging, toen zij voortging: "En dat zegt gij niet alleen, dat meent gij in ernst? Is dat mogelijk?"
"Niet alleen mogelijk, maar zeker, klein hartediefje." hernam de oude, de hand naar haar uitstekende.
Maar zij week voor hem achteruit en zeide heftig: "Ik wil uw hartediefje niet zijn, wanneer gij zoo over haar spreekt. Wie zoo oud is als gij, moest rechtvaardig zijn! Gij kent haar niet, en wat gij van haar hart gezegd hebt..."
"Wees bedaard, meisje," zeide de weduwe.
De oude antwoordde echter met bijzonderen nadruk. "Dit hart, jonge wildzang, zal goed en nuttig zijn voor ons en allen, wanneer wij er niet meer aan denken, in goeden zoo min als in kwaden zin. Men heeft heden over haar recht gesproken en dit hart tot stilstand veroordeeld."
"Veroordeeld? Barmhartige hemel!" riep Pulcheria; en terwijl zij daarbij opvloog, zeide hare moeder: "Om Gods wil zwijg! Het is zonde met zulke dingen te spotten. Is het waar, is het mogelijk! Deze ellendigen, deze.... O, ik zie het u aan, het is zoo, ze hebben Paula veroordeeld."
"Gij zegt het," antwoordde Horus koel. "De Damasceensche zal terechtgesteld worden."
"En dat, dat zegt gij eerst nu?" zeide Pulcheria snikkende.
"En gij," voer Maria uit, "gij hebt daarbij kunnen schertsen en lachen. Gij hebt... Schande over u! Wanneer ge niet zoo'n zwakke stokoude grijsaard waart..."
Vrouw Johanna bracht andermaal het kind tot bedaren en vroeg, onder een vloed van tranen: "Men wil haar terechtstellen, haar onthoofden? Is er dan voor haar, die van dien onzaligen strijd even ver verwijderd is gebleven als wij, voor haar, de dochter van Thomas, geen genade?"
"Wacht maar, wacht!" antwoordde de grijsaard. "Wellicht heeft de hemel haar uitverkoren voor groote dingen. Zij kan bestemd zijn, om door haar dood een geheel land en volk te redden. Het zou toch mogelijk zijn..."
"Spreek duidelijk uit, wat gij op het hart hebt; ik huiver voor die orakelen," viel de weduwe hem in de rede.
Doch hij haalde de schouders op en zeide gelaten: "Wat wij vermoeden, weten wij daarom nog niet. De hemel heeft hier te beslissen. Wel ons allen: mij, haar, u, Pulcheria en ook den afwezigen Philippus, wanneer de godheid haar tot werktuig kiest! Maar wie vermag in het duister te zien? Als het u rust kan geven, Johanna, weet dan, dat de teerhartige kadhi en met hem zijne Arabische mederechters reeds uit haat tegen den Wekil, die ze allen in geest en wilskracht overtreft, niets onbeproefd zullen laten...."
"Om haar te redden?" haastte de weduwe zich te vragen.
"Morgen houden zij raad, of er een bode met eene bede om genade naar Medina gezonden zal worden," ging Horus Apollon met een hatelijk lachje voort. "Overmorgen krijgen zij geschil over de vraag, wie die bode zijn zal, en voor hij een voet in Arabië zet, is het lot van de veroordeelde beslist. De Wekil Obada rijdt sneller dan hij en deze heeft alle macht in handen, zoolang Amr ver van Egypte is. Men zegt, dat hij den stadhouderszoon niet luchten of zien kan, en om zijnentwil--wie weet het?--kan de Damasceensche als zijne bruid..."
"Zijne bruid?"
"Voor de rechters heeft zijzelve zich zoo genoemd en zichzelve gelukgewenscht als zijne verloofde."
"Paula en Orion?" juichte Pulcheria onder hare tranen, en klapte blijmoedig in de handen.
"Zij beiden," hernam de oude. "Gij hebt reden, om u te verheugen, mijn meisje. Wat hebt gijlieden toch teergevoelige harten! Let op de ervaring van den oude en zegent het lot, wanneer dit het paard verlamt van den bode des kadhis! Doch gij wilt niets hooren, wat als orakeltaal klinkt, en het is ook beter over iets anders te spreken..."
"Neen, neen," smeekte Johanna. "Waaraan zouden wij kunnen denken dan aan haar en hetgeen haar boven het hoofd hangt. O Horus, ik herken u niet meer. Wat heeft u dat arme, ons zoo dierbare, voortreffelijke meisje, dat door zulk een bitter ongeluk vervolgd wordt, toch gedaan? En bedenkt gij in het geheel niet, dat de rechters, die haar veroordeeld hebben, nu ook verder zullen onderzoeken, hoe Rufinus en wat wij allen..."
"Wat gij hebt uit te staan met dit waanzinnige reddingsplan?" vulde de grijsaard aan. "Het is mijne zaak dat te verhinderen. Zoo lang deze oude hersenen denken kunnen, deze mond spreken kan, zal u geen haar gedeerd worden."
"Heb dank daarvoor!" antwoordde Johanna. "Maar als gij dan zooveel macht hebt, gebruik haar dan, om Paula te redden. Gij weet hoe lief Paula ons allen is, hoe hoog uw Philippus haar schat."
"Ik bezit volstrekt geen macht en wil die ook niet hebben," antwoordde de oude op strengen toon.
"Maar Horus, Horus!--Kom kinderen!--Wij zouden een tweeden vader in u vinden, hebt gij beloofd; zoo toon dan, dat dit geen ijdel woord is, en laat u door ons bezweren."
De oude man stond, terwijl hij diep ademhaalde, zoo spoedig hij dit kon op; twee scherp afgeteekende roode vlekken kleurden zijne vale wangen, en met heesche stem riep hij uit: "Geen woord meer! Doet geen poging om mij te vermurwen! Val mij niet met weeklachten op het lijf. Genoeg, duizendmaal genoeg van dit alles! Gij hebt het gehoord en hoort het nu weder: De Damasceensche of ik, ik of zij! Kunt gij, wat er in de toekomst ook gebeure, het niet over u verkrijgen in mijne tegenwoordigheid over haar te zwijgen, dan--dan--dat bezweer ik u, en wat ik beloof dat houd ik--dan keer ik naar mijn oude hol terug, om droefgeestig en wederom eene teleurstelling rijker mijn bestaan voort te slepen of te sterven, zooals mijne godin het zal beschikken."
Daarop verliet hij het vertrek. De kleine Maria hief de tot vuist gebalde rechterhand dreigende op en riep hem na: "O, dat hij maar wegging, dat oude, harde, onrechtvaardige monster! Ach, dat ik een man ware!" Daarbij barstte zij uit in luid geween, en zonder naar de terechtwijzing van de weduwe te hooren, ging zij voort, zichzelve niet meer meester: "O, er is geen slechter mensch dan deze, moeder Johanna! Hij zou haar willen zien sterven, hij wenscht haar dood, ik voel dat hij dit wenschen kan! Hebt gij het gehoord Pul, hij zou er zich in verblijden, als het paard verlamde van den bode, die hare redding zou kunnen bewerken? En zij is nu de bruid van Orion,--ik had ze reeds zoolang voor elkander bestemd--en hem willen zij ook dooden. Maar zij zullen het niet, als er nog een rechtvaardig God in den hemel is. O dat ik... dat ik..."
Maar het hevig belette haar verder te gaan, en toen zij eenigermate tot rust was gekomen, smeekte zij Pulcheria en hare moeder, om haar naar Paula te brengen. Daar zij dezen wensch met haar deelden, begaven zij zich vóor het donker werd op weg naar de gevangenis. Hoe meer zij de markt naderden, die zij moesten oversteken, des te voller vonden zij de straten. Alles ging denzelfden weg uit, zij werden als door de menigte gedragen. Uit de richting van het marktplein kwam hun het gedruisch en geroep uit ontelbare monden te gemoet. Vrouw Johanna werd in het gedrang beangst voor het geweldig rumoer op het plein, en gaarne ware zij met hare beschermelingen omgekeerd, of had zij die plaats ontweken; maar alles bewoog zich daarheen, en het zou gemakkelijker zijn geweest tegen een gezwollen bergstroom op te zwemmen als weder naar huis te komen. Zij bereikten dan ook weldra de markt, en werden daar, van alle zijden opgedrongen, tot stilstand gedwongen.
De angst van de weduwe klom steeds meer. Hoe pijnlijk was het haar met de meisjes midden in zulk een volksoploop geraakt te zijn! Pulcheria hield haar stevig vast, en toen zij Maria gebood haar eene hand te geven, riep de kleine, die in dezen avontuurlijken tocht bijzonder behagen schepte: "Zie eens, moeder Johanna, daar staat onze Rustem, hij is toch de grootste van allen!"
"Hadden we hem maar bij ons!" zeide de weduwe met een zucht.
Daar rukte het kind zich van haar los, sloop behendig als een eekhoorn door den menschendrom en bereikte weldra den Masdakiet.
Deze had Memphis nog niet verlaten, want de eerste karavaan, waarbij hij zich met zijn wijfje zou kunnen aansluiten, brak eerst op na eenige dagen. De brave Pers en Maria waren goede vrienden, en zoodra hij hoorde, dat zijne weldoensters in vrees verkeerden, baande hij zich met het kind een weg tot haar, en de weduwe kwam tot verademing, toen hij haar aanbood bij haar te blijven en haar te beschermen.
Intusschen nam het gejoel en geschreeuw steeds toe. Aller hoofden en oogen waren naar het raadhuis gericht, want men scheen te verwachten dat daar iets groots, iets buitengewoons zou plaats hebben.
"Wat is er toch te doen?" vroeg Maria den Pers, terwijl zij hem aan het kleed trok. De reus boog zwijgend tot haar neder en tot hare vreugde stond zij een oogenblik later op zijne over de borst gekruiste armen, en zag, nadat zij zich eene zitplaats had gekozen op zijn breeden schouder, van dezen hoogen wachttoren over allen heen.
Vrouw Johanna legde angstig de handen op hare voetjes, maar zij riep haar uit de hoogte toe: "Moeder, Pul, ik vergis mij niet! Vóor de kurie staat de witte ezel van onzen oude, en daar doen zij het beest een krans, een olijf krans om den hals."
Thans klonk van het raadhuis bazuingeschal over de markt door de verstikkend heete, stoffige lucht, en plotseling werd het rondom stil en steeds stiller, en waar iemand zijn mond opende om te schreeuwen of te praten, kreeg hij een duw van zijn buurman, die hem tot zwijgen bracht.
De weduwe legde de hand vaster aan de enkels van Maria en vroeg, terwijl zij zich het zweet van het voorhoofd wischte: "Wat is er te doen?"
De kleine antwoordde haastig, zonder zich in het zien te laten storen: "Kijk maar naar het balkon van het raadhuis; daar staat het hoofd van de stad, de purperverver Alexander. Hij is vaak bij grootvader geweest en grootmoeder mocht zijne vrouw niet lijden. En daar naast hem, vlak naast hem--herkent gij hem niet?--dat is de oude Horus Apollon. Hij neemt zich juist den lauwerkrans van de pruik. Alexander wil spreken."
Opnieuw klonk het bazuingeschal, en terstond daarop hoorde men eene luide mannenstem uit de richting van het raadhuis. Het werd nu zoo stil, dat ook aan de weduwe en hare dochter maar weinig ontging van de toespraak, die nu volgde:
"Medeburgers, Memphieten, lotgenooten!" zoo begon de stadsoverste langzaam en met ver klinkende stem. "Gij kent ons gemeenschappelijk lijden. Er is geen leed, dat ons niet ten deel viel, en nog gruwzamer gebeurtenissen schijnen te dreigen."
De menigte gaf door oorverdoovend geschreeuw hare instemming te kennen, doch bazuingeschal vermaande weder tot rust, en de stadsoverste ging voort: "Wij, de senaat, de bouleuten der stad, wien gij hebt opgedragen, om voor uw welzijn te zorgen..."
Een woest gehuil belette den redenaar verder te gaan; men onderscheidde alleen de kreten: "Zorgt, doet uw plicht!"--"Gierigaards!"--"Houdt uw woord!"--"Redt ons van het verderf!"
Doch de bazuinen brachten de ontevredenen andermaal tot rust, en Alexander ging verder, ditmaal gejaagd en in een staat van de grootste opgewondenheid: "Hoort mij! Valt mij niet in de rede! De nood, de ellende treft onze hoofden zoo goed als de uwen. Mijn vrouw en mijn zoon zijn dezen nacht aan de pest gestorven!"
Ditmaal ging er slechts een zacht gemompel door de menigte, en alles werd vanzelf weder stil, toen de deftige man met zijn grauwe baard op het balkon de oogen afveegde en voortging: "Is er iemand onder u die ons wijzen kan op een verzuim--hij zij man, vrouw of kind--die heffe een klacht over ons aan bij God, bij onzen nieuwen heer, den Kalief, en bij uzelven, burgers van Memphis; maar thans niet, lotgenooten, thans niet! Staak thans uw schreeuwen en roepen, thans, nu er redding mogelijk is, moet gij naar mij hooren. Gij moet mij te kennen geven hoe gij denkt over het laatste uiterste redmiddel, dat ik u kom aanbevelen!"
"Hoort naar hem! Zwijgt! Weg die schreeuwers!" klonk het van alle zijden.
"Tot onzen Vader in den hemel," zoo ging de redenaar voort, "tot onzen goddelijken Heiland en zijne heilige kerk hebben wij als christenen allereerst ons gewend, om ons te helpen, en ik vraag u: heeft het ontbroken aan gebeden, aan kerkgangen, aan processiën, aan wijgeschenken? Neen, neen, mijne lieve medeburgers en burgeressen! Ieder uwer is mijn getuige--zeker niet!--Maar de hemel heeft zich blind en doof en stom getoond voor onze woorden, ja als verlamd... Neen, niet als verlamd; want hij is krachtig en haastig genoeg in de weer, om nieuw leed te voegen bij het oude. Wat menschelijke voorzichtigheid en verstand bedenken en in het werk stellen kan, daarvan is ook niets onbeproefd gelaten. De oude kunsten van toovenaars en magiërs en alchymisten, die menigmaal doel troffen, om de macht van booze geesten te breken, ook deze zijn gebleken bedriegelijk en onmachtig te zijn. Toen dachten wij aan onze groote, beroemde vaderen en voorvaderen, en wij herinnerden ons dat in ons midden een man leeft, die veel weet wat voor anderen verloren is gegaan in den loop der tijden. De wijsheid der voorvaderen heeft hij gedurende een langdurig leven zich eigen gemaakt, door dag en nacht rusteloos te arbeiden. Hij bezit den sleutel tot het schrift en de geheimen der ouden, en hij heeft ons medegedeeld van welk redmiddel de voorvaderen gebruik maakten, wanneer een dergelijk onheil hen bezocht zooals ons in deze gruwzame dagen. De grijsaard hier aan mijne zijde, de wijze en verstandige Horus Apollon, heeft ons dit geopenbaard. Ziet die eenvoudige rollen in zijne hand! Zij leeren ons, welk een wonder dat middel in vroeger tijd heeft uitgewerkt."
Hier belette een Memphiet den redenaar voort te gaan, door uit te roepen: "Heil Horus Apollon, onzen redder!" waarop duizenden hem navolgden en den oude hun bijval en dank te kennen gaven door luid geschreeuw. Deze boog bescheiden, wees op zijne smalle borst en zijne ingevallen mond en gaf dan door teekenen te verstaan, dat het stadshoofd de man was, die op zich had genomen het volk zijn raad mede te deelen.
Daarop ging Alexander aldus voort: "Groote gunsten, medeburgers en vrienden, zijn alleen voor groote gaven te koop. Dat wisten de ouden, en wanneer de stroom, waarvan, gelijk wij maar al te goed weten, het algemeen welzijn of de algemeene ellende hier te lande afhangt, niet wilde stijgen, en het uitblijven van het wassen onheilen na zich sleepte van allerlei aard, zoo brachten zij hem een offer, dat zij voor het edelste hielden van alles wat de aarde draagt: eene reine, schoone jonkvrouw. Wat wij verwacht hadden gebeurt: hiervan schrikt gij! Ik hoor u morren, zie uwe verbaasde gezichten, en hoe zou de ziel van een christen geen afschuw hebben van zulk een offer! Maar is het dan zoo vreemd? Hebben wij inderdaad ooit anders gehandeld? Wie van ons richt zijn gebed niet tot den heiligen Orion, hetzij tehuis, hetzij onder bijstand der priesters in de kerk, wanneer hij van onzen heerlijken stroom een gave verwacht? En dit jaar hebben wij, als altijd in den nacht van den druppel, onder gebeden tot hem een kistje met een menschelijken vinger in de golven geworpen [22]. Dit kleine offer moest het meer kostbare en grootere der heidenen vervangen; het werd gebracht en zijne noodzakelijkheid is nooit in twijfel getrokken, en ook de strengste en heiligste lichten der kerk, een Antonius en Athanasius, een Theophilus en Cyrillus, hebben niets daartegen weten in te brengen; onder hunne oogen is het jaar aan jaar aan de golven prijsgegeven. Een vinger in een kistje! Een armzalige plaatsvervanger voor het schoonste en reinste, dat God schiep onder de menschen. Kan het ons verwonderen, indien de heilige eindelijk dit jammerlijke vergoedingsmiddel versmaadt, afwijst en voor zijn Nijl eens weder begeert, wat hem vroeger ten deel viel?
"Maar zult gij vragen: welke moeder, welke vader is in onzen zelfzuchtigen tijd zoo gansch en al doordrongen van liefde voor zijn geboorteland, zijne gouw, zijne stad, dat hij zijn maagdelijke dochter voor het algemeen welzijn aan den dood in de golven zal overgeven? Welke dochter van ons volk zou bereid zijn voor het behoud van anderen, en voor haar eigen heil zonder tegenspraak uit dit leven te scheiden?--Doch maak u niet beangst! Vreest niet voor uwe aankomende meisjes in het vrouwenvertrek, die u lief zijn als uwe oogappels. Vreest niet voor uwe kleinkinderen, uwe zusters, uwe speelnooten, uwe bruiden! Reeds in de allervroegste tijden verbood eene strenge wet der vaderen, om menschen van Egyptisch bloed te offeren; het was enkel geoorloofd vreemden ten offer te brengen, of de zoodanigen die andere goden dienden dan de hunne. Datzelfde, medeburgers en geloofsgenooten, is ook u geoorloofd. Hoort nu aandachtig toe, gij allen! Schijnt het u niet toe als wenschte de voorzienigheid zelve ons te helpen, om eindelijk aan onzen gezegenden Nijl het offer te brengen, dat hem zoovele tientallen van jaren, ja zoovele eeuwen onthouden is? Ja, zij verlangt het, want dat offer is als door een wonder in handen gegeven. Heden hebben de rechters eene schoone, ongerepte jonkvrouw ter dood veroordeeld, om een misdrijf, dat haar niet verontreinigde. Zij is eene vreemdelinge, en bovendien eene Griekin, eene kettersche Melchietin.
"Dat grijpt u aan, dat wekt uwe zielen op tot dankbare vreugde, dat kan ik u aanzien. Maak u dan op, edele stroom, weldoener van dit land en dit volk, tot uw huwelijksfeest! De Jonkvrouw, de bruid, waarnaar gij verlangt, wij zullen haar voor u tooien, wij voeren haar in uwe armen, zij zal de uwe zijn!
"En gij, Memphieten, medeburgers, lotgenooten." en hierbij bukte de stadsoverste ver over het balkon naar de menigte, "wanneer ik u thans, om uwe toestemming bid, wanneer ik in naam van den senaat en van dezen grijsaard u vraag...."
Het geweldig ten hemel stijgend gejubel der verzamelde menigte belette den spreker verder te gaan en duizend stemmen riepen: "In den Nijl met de jonkvrouw!"--"De Melchietin wordt aan den stroom uitgehuwelijkt! Kransen voor den Nijlbruid, bloemen voor haar bruiloftsfeest!"--"Volgen wij de lessen der vaderen!"--"Heil den raadsman, heil den wijzen Horus Apollon. Heil onzen stadsoverste!"
Zoo schreeuwde en riep men vroolijk en met geestdrift door elkander. Alleen aan de noordzijde van de markt, waar de ledige tafels van de wisselaars stonden, die hun goud en zilver reeds lang in veiligheid hadden gebracht, verhief zich een afkeurend en dreigend gemompel.
De ademhaling van het kind, dat op den schouder van den Pers zat, was reeds lang zwaarder geworden. Het meende te weten wie die duivels hadden uitverkoren tot het schandelijk heidensch offer, en toen Maria zich neerboog tot vrouw Johanna, om zich te overtuigen of deze het afgrijselijk vermoeden deelde, zag zij de oogen van de weduwe en hare dochter in tranen baden. Zij wist genoeg en vroeg niet verder, want eene nieuwe gebeurtenis trok onverdeeld hare aandacht. Bij de tafels der wisselaars werd eene hand met een crucifix omhoog gestoken, en het kind zag, hoe zij zich met kracht en geregeld voortbewoog in de richting van de kurie. De menigte maakte plaats voor een persoon en het heilig teeken dat hij droeg, en het was Maria, als week het gedrang voor het voorwaartsgaande beeld van den gekruisigde naar beide zijden als de baren van de Schelfzee voor het vluchtende volk Gods.
Het gemompel aan de noordzijde van de markt werd sterker, het gejubel der menigte verloor in kracht, iedere stem scheen weg te sterven en nu besteeg een klein, gezet man, met eene edele, eerbiedwaardige houding, in bisschoppelijk gewaad, de treden van de trap en verdween eindelijk in het raadhuis. Op den vloed van zoo even volgde de ebbe, het geschreeuw veranderde in een ontevreden, vragend geprevel, en ook dat verstomde, toen de kleine man, die groot scheen door het crucifix dat hij omhoog hield, op het balkon verscheen, de borstwering naderde, en den arm met het beeld van den gekruisigde zoover mogelijk uitstrekte over de voorste rijen van het volk.
Daar ging de oude Horus Apollon met van toorn fonkelende oogen naar het hoofd der stad, en vorderde van dezen, dat hij den indringer het woord zou ontnemen. Doch de purperverver was door het indrukwekkend oog van den kleinen man getroffen, en met gebogen hoofd liet hij den bisschop begaan. Ook geen der bouleuten waagde het hem den weg te versperren, want ieder kende den vurigen, standvastigen, geleerden presbyter, die sedert gisteren de plaats had ingenomen van den gestorven bisschop Plotinos. Thans riep de nieuwe zielenherder, zoo luid hij kon, zijne weerspannige kudde het volgende toe:
"Ziet dezen gekruisigden en hoort zijn dienaar! Gij smacht naar het heil van Christus en gij wilt heidensche gruwelen bedrijven! Dat afgodisch gejubel, waardoor ik mij een weg baande tot uwe ooren, zal in jammergehuil veranderen, wanneer gij ze toestopt en doof maakt voor de woorden van zaligheid.
"Ja gij moogt morren! Mij zult gij toch niet tot zwijgen brengen, want uit mij spreekt de waarheid, die nooit verstomt! Voor ieder, die het nog niet weet, zij hier gezegd: de kromstaf van de gestorven Plotinos werd aan mij overgedragen. Ik wil dien gebruiken met zachtmoedigheid en goedheid, doch als het zijn moet, zal ik hem zwaaien als een zwaard en een geesel, tot gij uit wonden bloedt en uwe builen wrijft. Ziehier het beeld van uw verlosser in mijne rechterhand. Ik richt het op als een muur tusschen u en de heidensche gruweldaad, die gij in uwe verblinding hebt toegejuicht.
"Gij waanzinnigen en afvalligen! De harten omhoog en opgezien tot hem, die aan het kruis gestorven is, om u te redden. Waarlijk hij laat hen niet vergaan, die aan hem gelooven. Maar gij, waar is uw geloof? Omdat het nacht werd, huilt gij: 'het licht is uitgegaan!' Omdat gij krank zijt, meent gij: 'De arts kan niet helpen!' Welk eene lastertaal heb ik hier gehoord! 'De Heer', heet het 'is onmachtig, alsook zijne kerk! Tooverij, magie, eene heidensche gruweldaad moet ons redden?' Maar juist omdat gij niet op den waren redder en verlosser hoopt, maar op eene heidensche gruweldaad, op magie en tooverij, worden de straffen op gehoopt over uwe hoofden, en zoo zal het voortgaan--dat zie ik aankomen--tot gij geheel in het slijk verstikt en smachtend zoekt naar de eenige hand, die u oprichten kan. Datgene waarmede verblinde menschenkinderen beloven u van de ellende te redden, dat, dat is juist de bron van uw lijden, en hier sta ik, om deze bron te verstoppen en de bedding harer wateren af te graven. Gij wildet Moloch's dienaars worden en ik hoop u weder tot Christenen te maken. De jonkvrouw, die uwe woede in de diepte van den stroom wil storten, haar maakt de verheven kerk in hare barmhartigheid tot hare beschermelinge, want met haar lichamelijken dood brengt gij over u den dood uwer zielen. De heilige Orion keert met afschuw het gelaat van u af. Weg, weg met dat onzalige offer, weg van u die onzinnige wensch, en de handen die den tempel ontheiligen!"
"Legt die handen in den schoot, wringt ze samen in den gebede tot bloedens toe, tot ellende en pest de laatste van u ten grave heeft gesleept!" riep op eens de fijne, schrille stem van den grijsaard, die aan alle zijden werd gehoord. En ontelbaren uit de menigte op de markt gaven door luid geschreeuw hunne instemming te kennen.
De overste der stad, die tot hiertoe berouwvol en met gebogen hoofd den bisschop had aangehoord, kwam weder tot bezinning en riep in geestvervoering uit: "Het volk sterft, stad en land gaan te gronde, pest en verderf stijgen op uit den stroom. Toon ons een anderen weg tot redding, of laat ons den raad der vaderen volgen en dit laatste middel beproeven!"
Doch de kleine man richtte zich ernstig op in al zijne lengte, wees met zijne linkerhand op het crucifix en zeide met onverstoorbare kalmte: "Gelooft, hoopt, bidt!"
"Is dit dan niet geschied?" riep de stadsoverste weder uit.
"Maar u heeft geene stervende vrouw met gebroken oogen, u heeft geen reutelend kind..."
Thans verhief zich van beneden een nieuw gebrul, veel krachtiger en wilder dan te voren. Ieder wien de dood in huis had bezocht en in het hart had gegrepen, wiens tuinen en akkers verdord waren, wiens dadels stuk voor stuk van de boomen waren gevallen, verhief zijne stem en schreeuwde: "Het offer, het offer!"--"In den stroom met de jonkvrouw!"--"Heil onze redders, heil den wijzen Horus Apollon!"
Doch anderen riepen daartusschen: "Laat ons christenen blijven!"--"Heil den bisschop Johannes!"--"Ons eeuwig heil!"
Intusschen trachtte de prelaat opnieuw de aandacht van het volk tot zich te trekken, en daar hem dit niet gelukte, wendde hij zich andermaal tot den overste der stad, de bouleuten, de tubablazers, en eindelijk wist hij de laatsten te bewegen, een en andermaal en telkens luider de bazuinen te doen spreken. Doch ook dit geschal bleef zonder uitwerking, want op de markt waren enkele groepen handgemeen geraakt, en het geschreeuw en de strijd dreigde in een bloedig straatgevecht te ontaarden.
Beschut door den Masdakiet was het der vrouwen gelukt de markt te verlaten voor Arabische ruiters kwamen aandraven, om de strijdende menigte uit elkaar te jagen. Op het raadhuis verklaarde de bisschop Johannes aan de senatoren der stad, dat hij niets onbeproefd zou laten, om het onmenschelijk en onchristelijk offer eener jonkvrouw te verhinderen, al was zij een Melchietin en ter dood veroordeeld; heden nog zou hij eene duif met een brief naar den patriarch in Opper-Egypte zenden, ten einde diens beslissing te vragen. Toen Horus Apollon hierop terstond antwoordde, dat de vertegenwoordiger van den Kalief zijne toestemming tot het offer had gegeven, en dat men ook tegen den wil van de geestelijkheid aan den ondergang van het volk een einde zou maken, vloog de bisschop heftig op, en bedreigde allen die dit afschuwelijk plan hadden uitgedacht, met den vloek der kerk. Doch de grijsaard verzette zich wederom tegen hem met vurige welsprekendheid, de vertwijfelende bouleuten kozen zijne partij, en ten hoogste verstoord verliet de bisschop het raadhuis.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
Voor de stille weduwe van Rufinus, die zich verre hield van het gewoel der samenleving, was er niets onverdragelijkers dan zulk eene volksoploop. De ontbonden hartstochten, het gejoel en de geringere volksklasse, waarmede men daarbij in aanraking kwam, kwetsten haar teeder gevoel, en bij de toespraak van den grijsaard had haar maar eene gedachte bezield, namelijk die van zoo spoedig mogelijk uit het gedrang te komen. Doch zoodra zij de zekerheid had gekregen, dat Paula de ongelukkige was, die haar vreeselijke huisgenoot aan het bijgeloof der menigte wilde prijsgeven, dacht zij niet meer aan terugkeeren, maar hield het zoolang mogelijk onder de volksmenigte uit, en liet zich eindelijk met de beide meisjes door Rustem naar de gevangenis brengen, ofschoon de weg daarheen door de drukste straten leidde. Was de tijding van het onuitsprekelijk verschrikkelijke, dat Paula bedreigde, reeds door de kerkermuren tot haar oor doorgedrongen, of zou het haar, Johanna nog vergund zijn de jonkvrouw, die door het noodlottig doodvonnis over haar geveld tot de uiterste wanhoop moest worden gebracht, daarop voor te bereiden en te troosten?
De gevangenbewaarder had gisteren haar wensch om Paula te zien zonder tegenspraak, ja gaarne ingewilligd, want de kadhi had hem bevolen haar evenals Orion met alle onderscheiding te behandelen, maar de bedreigingen van den Wekil noodzaakten hem vrouw Johanna thans af te wijzen. Terwijl hij echter met haar sprak, stak zijn kleine zoontje, waarmede Pulcheria reeds gisteren op hare aardige wijze gespeeld had, haar weder de handjes toe, zij nam het kindje op den arm, kuste het en bewees daarmede een weldaad aan drie harten tegelijk, en wel het meest aan de jonge moeder van het kind. Deze trok zich nu de vrouwen aan en wist haar man te bewegen, haar ook thans niet onverrichter zaken weg te zenden. De aardige Emau had onder de palmen bij de herberg harer ouders den levenslustigen Orion veel liever dan menig ander gast bediend, en haar man, die zijne wederhelft op echt Egyptische manier gehoorzaamde en tot hiertoe niet vrij van jaloezie was geweest, bewees den zoon van zijn weldoener nog blijmoediger elken dienst, sedert hij wist dat de schoone Damasceensche zijne bruid was.
In de groote zalen der misdadigers ging het heden, als altijd wanneer de rechters een doodsoordeel geveld hadden, bijzonder onstuimig toe, en de vrouwen sidderden, toen zij die ongelukkigen luide hooren juichen en brullen. Van al die schrille kreten kon niemand zeggen of zij haar oorsprong hadden te danken aan wilden overmoed dan aan gruwzame smart, en er was voor dit ontzettend geweld geen passender begeleiding te bedenken dan het gerammel der ketenen. Toen de vrouwen eindelijk aan Paula's cel waren gekomen, klopte haar hart zeer onrustig, want achter de deur die de wachter opende, moesten zij doodsangst en vertwijfeling vinden.
De gevangene stond aan het venster, drukte het voorhoofd tegen het ijzeren traliewerk en luisterde in het donker naar het luitspel van den geliefde, dat te midden van het gejoel der misdadigers klonk als klokgelui onder storm en onweer. Naast hare eenvoudige legerstede zat de voedster op een bankje en sliep met het spinrokken in haar schoot, en noch zij noch hare meesteres werden de binnentredenden gewaar. Een armzalig lampje verlichtte het kleine vertrek.
Maria wilde naar hare vriendin toevliegen, doch vrouw Johanna hield haar terug en riep Paula teeder, maar zacht bij den naam. Doch zij kreeg geen gehoor; zeker hielden smart en doodsangst de ziel van de veroordeelde gevangen. Nu verhief de weduwe haar stem luider en ditmaal keerde de ongelukkige zich om en slaakte tegelijk een kreet van blijdschap, ijlde naar de trouwe vriendinnen toe, die haar ook in den kerker wisten te vinden, en omhelsde eerst de weduwe, vervolgens Pulcheria en eindelijk het meisje met opgewekte teederheid. Toen vrouw Johanna haar hoofd tusschen de beide handen nam, om haar te kussen en te zien of het leed en de vrees voor den dood hare schoone trekken hadden veranderd, kwam er een zachte kreet van verwondering over hare lippen, want in plaats van een bleek en pijnlijk, zag zij een blijmoedig, rustig gelaat voor zich waaruit twee groote oogen haar helder en dankbaar aankeken.
Had men haar nog verzwegen, wat haar boven het hoofd hing? Maar neen, want zij begon dadelijk met de vraag, of de vriendinnen reeds van hare veroordeeling gehoord hadden? Zij vertelde nu, hoe het haar voor de rechters gegaan was, en hoe de vriend en pleegvader van haren goeden Philippus plotseling op onverklaarbare wijze als een verbitterd vijand tegen haar was opgestaan. De anderen konden nu hare tranen niet meer bedwingen, doch Paula troostte en bemoedigde haar en deelde haar mede, dat zij in den kadhi een vaderlijk vriend had gevonden, die haar beloofd had den Kalief genade voor haar te vragen.
Bij dit alles wist vrouw Johanna nauwelijks hoe zij zich bedaard zou houden. Dit meisje en hare heldenmoed onder zulk een onheil waren haar als een wonder. Heerlijk vertrouwen! Doch hoe gemakkelijk kon het bedrogen uitkomen, hoe onzeker was de grond, waarin zij het anker harer hoop had geslagen. Zelfs Maria scheen meer bezorgd dan de vriendin, en wierp zich weenende aan hare borst. En Paula beantwoordde hare teederheid, zocht Pulcheria gerust te stellen aangaande de schandelijke handelwijze van haar nieuwen grijzen huisgenoot en lachte de weduwe vriendelijk toe, toen deze haar vroeg, vanwaar zij die zelfbeheersching had onder zulk een groot ongeluk, zeggende, dat juist Johanna's voorbeeld haar geleerd had, het zwaarste geduldig te dragen. Zelfs in deze sombere uren vond zij meer stof tot danken dan tot klagen, ja een heerlijk geluk was er uit voortgekomen. Johanna en de meisjes herinnerden zich nu eerst dat zij bruid was, en wederom omhelsden zij elkander.
Daar klopte de bewaarder, waarop Paula zich bezon en fluisterend zeide: "Ik heb Orion iets te overhandigen, wat ik aan vreemde handen niet kan toevertrouwen; thans heb ik u, Maria, gij moet het hem overbrengen."
Daarop haalde zij den smaragd te voorschijn, gaf dien aan de kleine en droeg haar op dit kleinood haar oom te overhandigen, zoodra zij met hem alleen zou zijn. In het briefje, dat het juweel omgaf, verzocht zij den verloofde dit als zijn eigendom te beschouwen en daarmede de vordering van de kerk te voldoen.
De bewaarder was gemakkelijk over te halen, om het kind bij zijn oom te brengen. Hoe vroolijk en gelukkig vloog Maria hem vooruit, naar Orion toe, hoe groot was diens blijdschap, toen hij haar wederzag, en hoe dankbaar bracht hij dien smaragd aan zijne lippen! Maar toen zij haar oom toeriep, dat hare voorspelling nu toch uitkwam en Paula de zijne zou worden, rimpelde zich zijn voorhoofd, en in hoogen ernst uitte hij voor het kind de klacht, dat hij wat hem het liefst was op aarde wel gewonnen had, maar om het weder te verliezen.
"Doch de kadhi is uw vriend, en zal den Kalief genade vragen voor u beiden!" zeide de kleine.
"Maar daarentegen treedt plotseling een nieuwen vijand tegen ons op--Horus Apollon!"
"O, onze oude!" zeide het kind, tandenknarsend. "O, als gij eens wist, Orion! En dan onder éen dak met hem te wonen!"
"Gij?" vroeg de jonkman verbaasd.
"Ja, ik en Pul en moeder Johanna!" En nu vertelde Maria, hoe de oude in huis was gekomen. Door allerlei zinspelingen kwam Orion op het vermoeden, dat er iets gewichtigs voor hem verzwegen werd, en het kind kon eindelijk niet nalaten hem alles te openbaren, wat het gezien en gehoord had.
Thans kon hij niet langer rustig en bedaard blijven. Buiten zichzelven van toorn riep hij zijn geliefde bij haar naam en in hartstochtelijke woorden gaf hij zijn verlangen te kennen naar den terugkeer van den veldheer Amr, den eenigen man, die in dezen nood helpen kon. Op hem alleen was zijne hoop gebouwd. Hij had zich als een tweede vader jegens hem gedragen, en hem een moeielijk maar heerlijk vraagstuk voorgelegd.
"Waaraan gij u geheel en al gewijd hebt!" zeide het kind.
"Reeds op de reis," antwoordde Orion, "heb ik alles overwogen. Gisteren heb ik beproefd het eerste neder te schrijven, maar mij ontbrak het daarbij aan het voornaamste: de kaarten en de lijsten! Nilus heeft dat alles bij elkander gepakt, ik zou het hebben medegenomen op de vaart met de nonnen, en ik heb bevolen de documenten in het huis van Rufinus..."
"Om het bij ons te brengen?" viel het kind in, met van vreugde stralende oogen. "O, het is daar! Ik heb de geschriften zelf gezien, toen de kist werd leeg gemaakt voor den oude. Morgen, morgen vroeg zult gij alles hebben!"
Orion kuste het kind blijde en snel op het voorhoofd, sloeg vervolgens met zijne vuist tegen den wand zijner cel en zeide, nadat aan de andere zijde met knarsend geluid iets verschoven was: "Goede tijding, Nilus! De plannen en de lijsten zijn er weer; morgen heb ik ze!"
"Voortreffelijk!" antwoordde de droge stem van den rentmeester uit het aangrenzend vertrek. "Wij kunnen wel wat vertroostends gebruiken. Zoo even kreeg ik tot gezelschap iemand, die bij een oploop op de markt zich aan een Arabische ruiter vergrepen heeft. Deze vertelt ontzettende dingen!"
"Die mijne verloofde betreffen?"
"Helaas ja, heer!"
"Dan ben ik reeds op de hoogte," antwoordde de jonkman.
Nadat Orion en de rentmeester nog eenige woorden gewisseld hadden over het dolzinnige plan van den oude, ging Nilus aldus voort: "Mijn celgenoot vertelt ook dat de Arabieren, terwijl hij op hun wachtpost werd vastgehouden, gesproken hadden over een bode van den veldheer, die bericht gaf van diens aankomst te Medina, en bovendien, dat hij daar maar korten tijd dacht te vertoeven. Hij zou dus niet lang meer op zich laten wachten."
"Hij is dus reeds lang weg vóor de bode van den kadhi daar kan aankomen, om den Kalief het verzoek om genade te overhandigen. Op Amr, op hem alleen mogen wij hopen, en indien hij onderweg op de hoogte gebracht kon worden..."
"Dan verwijlt hij zeker niet lang in Opper-Egypte, dan bespoedigt hij zijne reis of zendt een gevolmachtigde vooruit," hoorde men zeggen door den wand. "Hadden wij nu maar een betrouwbaar persoon, om hem tegemoet te zenden. Onze lieden zijn naar alle windstreken verstrooid, en hier thans naar hen te zoeken...."
Daar liet opeens Marias heldere kinderstem zich hooren: "Ik zorg voor den bode."
"Gij? Bedenk toch, meisje!" begon Orion te zeggen.
Zij gaf geen acht op zijne bezwaren, maar ging, zeker van hare zaak, met vuur voort: "Alles, alles zal hem bericht worden! Mag men hem ook toevertrouwen, wat ik van uwe deelneming aan de vlucht der nonnen heb vernomen?"
"Neen, in geen geval!" zeide de rentmeester en de jonkman tegelijk.
Maria besloot uit dezen uitroep, dat haar voorslag werd aangenomen, klapte in de handen en riep vol ijver en met vuurroode wangen: "Morgen gaat de bode op reis, verlaat u op mij! Ik voer dit zoo goed uit als de beste. Geef mij nu nauwkeurig den weg op, dien hij nemen moet. Griffel voor alle zekerheid de namen der stations hier op dit tafeltje.... Maar wacht, ik moet het eerst gelijk maken."
"Wat staat er op het was?" vroeg Orion. "Een groot hart met enkel rechthoeken er in. Dat beduidt?"
"Malligheid!" zeide het kind, een weinig beschaamd. "Ik teekende maar eens, hoe ik mijn hart verdeel onder hen die ik liefheb. De eene geheele helft behoort aan onze Paula, dit vierdedeel is het uwe, maar daar, daar"--en hier stiet zij met de stift in het was--"hier had ik ook den ouden een plaatsje gegund. Kom, geef het mij nu weder!"
Thans maakte zij met hare vlugge vingers het was glad en Orion teekende over dat uitgevlekte hart, het knutselwerk van een kind, dingen op, waarvan leven en dood van twee menschen afhingen. Hij deed het in goed vertrouwen op het geluk en de nauwgezetheid van zijne kleine bondgenoote. Morgen in alle vroegte zou zij voor den bode nog een brief aan den veldheer ontvangen.
"Maar een snelle rit--en Amr kiest altijd zijn weg over de bergen en Berenike--is duur," merkte de rentmeester op, "zelfs wanneer wij onze laatste goudstukken bijeenverzamelen, zullen zij nauwelijks toereikende zijn."
"Behoud ze, gij hebt ze hier noodig," haastte het kind zich te zeggen. "Maar neen.... daar zijn nog mijne paarlen, en de sieraden mijner moeder.... intusschen...."
"Van zulke kostbaarheden mag men niet scheiden, gij gouden hartje" zeide Orion tot haar.
"Ja wel zeker. Wat doe ik er mee? Maar dat mijner moeder heeft vrouw Johanna in bewaring."
"En gij aarzelt daarom te verzoeken?" vroeg de jongeling.
Vervolgens richtte hij zich tot den rentmeester, en toen deze de benoodigde som berekend had, trok Orion een kostbaren saffier van zijn vinger, gaf die aan Maria en verzocht haar dit edelgesteente aan hare pleegmoeder te overhandigen. De jood Gamaliël zou haar op dit onderpand zooveel voorschieten, als zij noodig had.
Maria stak het kleinood vroolijk bij zich, doch toen de wachter spoedig daarop verscheen, ging haar zalig gevoel plotseling tot even levendige droefheid over, want zij nam van Orion afscheid, als gold het eene scheiding voor het gansche leven.
In de naar Paula's cel voerende gang bleef de gevangenbewaarder plotseling staan, want er kwamen lieden langs de trap naar boven. Als het de zwarte Wekil eens was en hij op dit uur nog bezoek in de gevangenis vond! Maar neen twee lampen werden voor den bezoeker uitgedragen, en in haar schijnsel herkende haar geleider den presbyter Johannes, den nieuwen bisschop van Memphis, die reeds vroeger dikwerf hier kwam, om de gevangenen te troosten.
De begeerte om de bedreigde Melchietin te zien, had hem heden tot dit laat bezoek in den kerker genoopt. Maria's houding en kleeding verrieden hem, dat zij niet behoorde bij een der beambten van het huis, en zoodra hij vernomen had wie zij was, beet hij zijn geleider, een ouden diaken, dien hij altijd medenam, wanneer hij vrouwelijke gevangenen bezocht, in het oor: "Hier zal men haar vinden!" Nadat hij vervolgens vernomen had met wie het kind op dit late uur hierheen gekomen was, wendde hij zich weder tot zijn ambtsbroeder en zeide zacht: "De vrouw en dochter van Rufinus. Het is dus zoo. Ik heb die Grieken reeds lang in het oog. Jaarlijks maar eens of tweemaal in de kerk. Heimelijk Melchieten! Zij zijn het eens met de Damasceensche. En in zulk eene omgeving groeit de kleindochter van den Mukaukas op! Een gevaarlijk spel! Benjamin heeft weder goed gezien, zooals altijd." Vervolgens daalde zijne stem nog lager, terwijl hij vroeg: "Zouden wij haar niet dadelijk medenemen?" En toen de diaken hiertegen bedenkingen inbracht, antwoordde hij snel: "Gij hebt gelijk; het is voor het oogenblik voldoende haar verblijf te kennen."
Intusschen had de bewaarder Paula's cel geopend, en vóor de bisschop binnentrad, richtte hij eenige vriendelijke woorden tot het kind en vroeg of het soms niet naar zijne moeder verlangde, en op Maria's antwoord: "Ja, zeer dikwijls!" streek hij met zijne magere hand over de lokken van het meisje en zeide: "Dat dacht ik wel. Gij draagt eene schoone naam, kind, en evenals uwe moeder, zoo wijdt ook gij wellicht weldra uw leven aan de vrouw der vrouwen, met wier naam gij gedoopt zijt."
Daarop ging hij de cel binnen, met de kleine aan de hand, en terwijl Paula den geestelijke, die haar op zulk een laat uur kwam bezoeken, getroffen aanzag, herkende vrouw Johanna en Pulcheria in hem den moedigen priester, die zich zoo krachtig had verzet tegen den grijsaard en het misleide volk, en bogen diep en met eerbied. De bisschop merkte het op en leidde daaruit af, dat deze Griekinnen misschien toch tot zijne kerk behoorden. In elk geval kon men haar gerust nog eenige dagen in het bezit van het kind laten.
Nadat hij eenige vriendelijke woorden met de vrouwen had gewisseld, maakte de weduwe zich gereed, om afscheid te nemen en hem met de gevangene alleen te laten. Hierop ging de bisschop naar haar toe en zeide dat hij haar morgen of overmorgen een bezoek zou brengen; het gold het geluk van iemand, die hun beiden dierbaar was.
Vrouw Johanna, die meende dat hij Paula op het oog had, fluisterde hem in het oor: "Zij vermoedt nog niets van het afgrijselijke, waarmede het volk haar bedreigt. Als het zijn kan, bespaar haar dan, voor zij gaat slapen, die schrikkelijke tijding."
"Als het zijn kan!" herhaalde de geestelijke, en toen Maria hem bij het heengaan de hand kuste, trok hij haar tot zich en zeide: "Het christuskind en ieder christenkind behoort aan de moeder. Gij zijt bevoorrecht boven duizenden, Maria! De hemel heeft uw vader als martelaar tot zich genomen, en uwe moeder wijdde zich zelve aan den hemel. De weg is voor u afgebakend, mijn kind; denk er eens over na. Morgen, neen overmorgen kom ik, om u te leiden op dien nieuwen weg."
Vrouw Johanna verbleekte bij deze woorden, want nu eerst begreep zij wat de bisschop met zijn bezoek bij haar in het schild voerde, en aan den voet van den trap sloeg zij haar arm om het kind en vroeg op zachten toon: "Verlangt gij naar het klooster; zoudt gij ver van ons, evenals uwe moeder, alleen voor het heil uwer ziel als non willen leven, in die stille zaligheid, die Pul u meer dan eens geschilderd heeft?"
Doch het kind gaf op deze vraag een bepaald ontkennend antwoord. Toen vrouw Johanna daarbij bezorgd en verontrust het hoofd liet zinken, toonde Maria weder een vroolijk gezicht en riep haar toe: "Heb geen vrees lief moedertje! Voor overmorgen kan er nog veel veranderen. Laat de heer bisschop maar komen, ik zal het wel met hem uitmaken. O, gij kent mij nog niet! Als een lammetje ben ik bij u geweest te midden van alle onheilen en de ernstigste gebeurtenissen, doch er steekt nog heel wat anders in mij; gij zult er verbaasd van opzien!"
"Blijf liever, die gij zijt," sprak de weduwe.
"Altijd, altijd meer vervuld van liefde voor u en Pul. Maar ik ben een persoontje geworden van groot vertrouwen. Morgen vroeg heb ik iets gewichtigs voor Orion te doen. Iets--Rustem zal mij vergezellen--iets gewichtigs, zeer gewichtigs, moedertje! Maar wat het is, dat mag ik aan geen mensch verraden, niet eens aan u!"
Hier moest zij ophouden want de zware deur van de gevangenis werd knarsend voor hen geopend. Voor den bisschop werd zij eerst een paar uren later weder ontsloten, zoolang hield het gesprek met Paula hem in hare cel bezig. Op zijne vraag of zij eene orthodoxe Griekin was, eene Melchietin, zooals het volk zich uitdrukte, gaf zij een toestemmend antwoord, en voegde er bij dat, wanneer hij haar had opgezocht, om haar afvallig te maken van het geloof harer ouders, zijn gang tevergeefs geweest zou zijn.
Toch achtte zij in hem den christen, den priester, den geleerde, den man, wien haar gestorven oom onder alle geestelijken van zijne geloofsbelijdenis het meest had vereerd, en gaarne wilde zij hem openbaren, wat haar in het aangezicht van den naderenden dood op het hart lag.
Hij zag haar in het rein en kalm gelaat, en hoewel hij na haar eerste antwoord voornemens was geweest haar te bedreigen met het vreeselijk lot, dat hij op de markt getracht had van haar hoofd af te wenden, dacht hij thans aan de bede van de vriendelijke Grieksche vrouw en legde zich het stilzwijgen op. Tot bij middernacht liet hij zich vertellen wat geluk en ongeluk zij in haar jong leven had ondervonden, deed zijn scherpzinnige geest onderzoek naar haar zieleleven, verkwikte zijn vroom gemoed zich aan hare geestkracht en haar moed. Toen hij haar verlaten had en met zijn diaken naar huis wandelde, was het eerste woord, waarmede hij het stilzwijgen afbrak, dat hij langen tijd bewaard had: "Terwijl gij sliept, schonk God mij door dit kettersche kind dezer wereld eene hartverheffende ure."
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Nadat zich de deur der hooge gevangenismuur achter de vrouwen gesloten had, ging vrouw Johanna aan den arm harer dochter door de altijd nog heete, stille straten, terwijl Rustem haar met het meisje volgde. Het goede hart van den reus hing aan Maria, en vaak veegde hij met zijne groote hand de oogen af, toen zij hem duidelijk maakte wat dat schouwspel, waarvan hij op de markt getuige was geweest, te beduiden had gehad, en welk een vreeselijke dood Paula bedreigde. Van tijd tot tijd maakte hij onder dit verhaal zonderlinge geluiden, waardoor hij lucht gaf aan zijn toorn en zijne bezorgdheid; want hij zag tot zijne verpleegster op als tot een hooger wezen, en Mandane had ook gezegd, dat zij nooit zou vergeten, wat die voorname jonkvrouw voor haar gedaan had.
"Als ik," barstte Rustem eindelijk los, terwijl hij zijn verbazende vuist ophief, "als ik kon, ze zouden..."
De kleine zag daarbij verstandig en vragend tot hem op en zeide levendig: "Gij kunt, Rustem, ja, gij kunt!"
"Ik?" vroeg de Pers verbaasd, terwijl hij ongeloovig het hoofd schudde.
"Ja, gij, Rustem; juist gij! Wij hebben daar in de gevangenis eene afspraak gemaakt, en als gij maar een beetje goeden wil hebt, om ons daarbij te helpen..."
"Goeden wil," lachte de wakkere jonge man, terwijl hij op zijn borst sloeg. Daarop vervolgde hij in zijn eigenaardig gebroken Grieksch, dat echter zeer goed te verstaan was: "Huid en haar waag ik voor de jonkvrouw. Kom maar voor den dag met de zaak!"
Het kind omklemde met beide handen den arm van den grooten man, trok hem nader tot zich en zeide: "Wij wisten wel, dat gij een dankbaar hart hebt. Maar, ziet gij--" hier hield Maria op, om on geheel anderen toon te vragen: "Gelooft gij aan een God? Of wacht... Weet gij wat een heilige eed is? Kunt gij ook iets zweren? Ja, Ja," en nu richtte zij zich zoo hoog mogelijk op en vervolgde op plechtigen toon: "Zweer mij bij uwe bruid Mandane, en zoo waar gij gelooft, dat zij u liefheeft..."
"Maar, zieltje...."
"Zweer mij bij haar, dat gij dat wat nu komt aan niemand verraden zult, ook niet aan moeder Johanna en Pul, zelfs aan uwe Mandane alleen als het niet anders kan, en nadat zij u heilig beloofd heeft...."
"Maar wat dan? Ik begin waarlijk bang te worden; wat moet ik bezweren?"
"Niet te verraden, wat ik u thans zal toevertrouwen."
"Nu ja, kleine meesteres, dat kan ik belooven."
"Ah!" riep Maria met eene diepe, langgerekte ademhaling, waarop zij hem mededeelde, dat den veldheer Amr een betrouwbare bode moest te gemoet gezonden worden, om Paula intijds te kunnen redden. Hierop volgde de vraag of hij den weg kende over de bergen van Babylon naar het oude Berenike, en toen hij antwoordde, dat dit juist de laatste was, dien hij had afgelegd, dat die weg het dichtst bij de zee voerde, als men naar Dschidda en Medina wilde, herhaalde zij haar goedkeurend "Ah!", greep zijne hand, en zeide, terwijl zij met zijne groote vingers speelde, op vleienden maar toch dringenden toon: "En nu, goede, beste Rustem, nu is er maar een enkele betrouwbare bode in Memphis, doch die, ziet ge, heeft eene bruid en daarom zou hij liever trouwen en met haar naar zijn vaderland gaan, dan ons helpen, om het leven van de ongelukkige Paula te redden."
"Die vlegel!" bromde de Pers.
Maria begon te schaterlachen, herhalende: "Ja die vlegel!" Daarop vervolgde zij vroolijk: "Maar gij scheldt op uzelven, domme Rustem! Gij, gij zijt de bode, dien ik bedoel, de eenige eerlijke, trouwhartige dien ik in geheel den omtrek ken. Gij, gij moet den veldheer te gemoet gaan...."
"Ik?" vroeg de karavaanaanvoerder verschrikt, terwijl hij bleef stilstaan.
Doch Maria trok hem voort en zeide: "Kom vooruit, anders zullen zij daar voor ons iets merken; gij, ja, gij zult...."
"Maar kind, kind," haastte de Pers zich te zeggen op klagenden toon: "ik moet naar mijn heer terug, en ik, ziet ge, laat ons eerlijk zijn...."
"Gij wilt niet van uw meisje weg, al moet ook de vriendelijke jonkvrouw, die dag en nacht bij u gewaakt heeft, daarom prijsgegeven worden aan den dood, den afgrijselijksten en gruwzaamsten van allen. Voor dien andere, dien niemand verpleegd heeft, ja voor dien hebt gij dat 'vlegel' dadelijk bij de hand, maar voor u...."
"Bedaar toch! Hoor mij eerst aan, kleine meesteres!" zeide Rustem, haar het woord ontnemende, terwijl hij tegelijkertijd zijne hand uit de hare losmaakte. "Ik wilde nog wat wachten en Mandane heeft er zich reeds in moeten schikken, maar éen mensch kan niet alles. Rijden, koopwaren overbrengen, kameelknechts onder bedwang houden, een leger opslaan, dat kan ik, doch met groote heeren omgaan, met wenschen en smeekingen een man als den veldheer onder de oogen te komen, ziet gij, zieltje--al gold het, mijn eigen vader te redden--dat zou..."
"Maar wordt dit dan van u gevorderd?" vroeg de kleine. "Gij kunt zoo stom blijven als een visch, het spreken zal de zaak zijn van die u vergezelt."
"Dus zal nog een ander? Maar, groote Masdak!--Wees dan met dien eenen tevreden!"
"Moet ge mij dan telkens in de rede vallen?" liet het kind hier dadelijk op volgen: "Eerst hooren en dan tegenwerpingen maken! Die tweede bode dan is in het geheel geen mannelijke bode, maar eene van het vrouwelijke geslacht, en die--zet uwe ooren maar wijd open--die ben ik, ik die hier naast u ga. En wanneer gij nu nog eens blijft staan, dan denk ik dat ge mij wilt verraden. Kort en goed, zoo zeker als ik wensch Paula te redden, zoo stellig rijd ik den veldheer tegemoet. Weigert gij mij te vergezellen, dan ga ik alleen en beproef of niet de bultenaar Gibbus...."
Rustem had eenigen tijd noodig gehad na deze buitengewone verrassing, om tot bezinning te komen; eindelijk zeide hij: "Gij--gij.. En tot Berenike, en dat nog wel over de bergen.."
"Ja over de bergen," herhaalde zij, "en als het zijn moest ook door de wolken."
"Maar zoo iets is toch onmogelijk, nog nooit heeft men dit op aarde beleefd!" zeide de Pers op meewarigen toon. "Een meisje, zoo'n kleine jonkvrouw, als bode, geheel alleen met zulk een onbeholpen kerel als ik ben. Neen, neen, neen!"
"En nog honderdmaal neen en weder neen," ging het kind blijmoedig voort. "De jonkvrouw blijft natuurlijk te huis, maar een knaap zal u vergezellen, dien gij Marius zult noemen, in plaats van Maria."
"Een knaap? Ik dacht toch... Men raakt de kluts gansch en al kwijt!"
"Een knaap, die een meisje is en een jongen in één persoon," zeide Maria lachende. "Maar gij wilt alles zoo duidelijk: Als knaap verkleed zal ik u begeleiden, en als wij morgen opbreken, letwel, dan houdt ge mij voor uw eigen broeder."
"Uw eigen broeder! Welk een schrander kopje zijt ge! Gij weet het onmogelijke mogelijk te maken," zeide Rustem lachend, terwijl hij daarbij de kleine met welgevallen aanzag. Doch opeens werd hij weder geheel doordrongen van het ongehoorde van haar verlangen, en geen raad wetende riep hij: "Maar mijn heer, mijn meester! Waarlijk het gaat niet!"
"Juist om zijnentwil bewijst gij ons dezen dienst," antwoordde Maria gevat. "Hij is Paula's vriend en beschermer, en wanneer hij hoort wat gij voor haar gedaan hebt, zal hij u prijzen. Als gij ons echter in den steek laat, dan weet ik zeker..."
"Welnu?"
"Dat hij zegt: 'Ik had dien Rustem voor verstandiger en goedhartiger gehouden'."
"Zoo, meent gij dat hij dit zeggen zou?"
"Zoo waar als ons huis daar staat! Wij hebben geen tijd meer om te kibbelen, en het blijft er bij: wij reizen te zamen. Morgen vroeg zal ik u in den tuin vinden. Gij kunt aan uwe Mandane zeggen, dat eene gewichtige handelszaak u van hier roept."
"En vrouw Johanna?" vroeg de Pers. "Dat gij naar haar niet vraagt," zoo vervolgde hij op bedenkelijken en bezorgden toon: "en in vertrouwen haar alles mededeelt, kindlief, dat wil mij in het geheel niet bevallen."
"Maar zij zal alles weten, alleen niet dadelijk," antwoordde Maria, "en wanneer zij overmorgen te weten komt met welk doel ik haar verlaten heb en dat gij mij vergezelt, zal zij ons prijzen en zegenen. Ja, dat doet zij, zoo waar ik hoop, dat de lieve God ons op onze reis bijstaat."
Deze woorden, waaraan men hooren kon, dat zij uit den diepsten grond des harten kwamen, braken het laatste verzet van den Masdakiet--ter rechter tijd; want hunne wandeling was ten einde, en daarbij scheen het hun, als hadden zij den langen weg in weinig stappen afgelegd. Zij waren groepen van schreeuwende en twistende burgers vlak voorbijgegaan, en menige lijkstatie van een aan de pest bezweken doode was langs dezelfde straat met fakkellicht grafwaarts getrokken; doch dat alles was hun ontgaan. Eerst bij de tuindeur bemerkten zij, wat er rondom hen plaats greep. Daar vonden zij den hovenier Gibbus en het geheele dienstpersoneel, dat met bezorgdheid de zoo laat terugkeerende vrouwen opwachtte. Ook de Griekin Eudoxia zag hare komst met een kloppend hart te gemoet.
In huis werden zij door Horus Appollon ontvangen, doch vrouw Johanna en Pulcheria beantwoordden zijn groet met eene koele buiging en Maria keerde hem met opzet den rug toe. De grijsaard haalde mismoedig en spijtig de schouders op, en op zijn kamer prevelde hij: "Dat wijf! Zelfs de goede dagen, waarop ik voor het overige van mijn leven hoopte, zal ze mij bederven!"
De weduwe en hare dochter spraken in haar slaapvertrek nog lang over Maria. Zij had haar met zulk eene innigheid en teederheid goeden nacht gewenscht, als stond de scheiding reeds voor de deur. Arm kind! Het vermoedde voor welk een treurig lot de bisschop en misschien hare eigene moeder haar bestemd hadden. Doch Maria zag er niet uit alsof zij het ongeluk te gemoet ging. Eudoxia, die bij haar sliep, verheugde zich veeleer in haar blijmoedig uitzicht, alleen verwonderde het haar dat de kleine, die anders pleegde in te slapen, zoodra zij het hoofdje in de kussens had gedrukt, heden zoo lang wakker bleef. Onwillekeurig volgde de bejaarde Griekin, die door allerlei kleine kwalen geplaagd, altijd eerst laat insliep, iedere beweging van het kind.
Doch wat was dat? Voor de morgen aanbrak sprong Maria op eens uit bed, wierp een kleed om, en begaf zich met een nachtlicht naar het aangrenzend vertrek. Van daar viel een helder lichtschijnsel in het slaapvertrek; zij moest dus eene lamp hebben aangestoken en toen Eudoxia later de deur van het woonvertrek hoorde kraken, stond zij op en overschreed zacht den drempel. Juist kwam Maria terug; zij droeg nieuwe jongenskleederen in de hand, dezelfde, die Pulcheria en Eudoxia kort geleden als zondagskleedij gemaakt hadden voor den lammen tuinmansknaap. Al lachende trok de kleine het blauwe rokje aan, en nadat zij hare eigene kleederen in de kist had geworpen, zette zij zich aan tafel, om te schrijven. Het scheen wel dat Maria een moeielijk onderwerp te behandelen had, want nu eens staarde zij op het papyrusblad, terwijl zij met de hand langs het voorhoofd wreef, dan weder tuurde zij peinzend in de hoogte. Zij had reeds eenige volzinnen voltooid, toen zij plotseling opsprong, Eudoxias naam binnensmonds prevelde en daarop naar de slaapkamer ging.
Daar trad de Griekin haar te gemoet en nu wierp Maria zich aan hare borst, en vóor de opvoedster nog eene vraag kon doen, openbaarde zij haar geroepen te zijn, om iets groots en gewichtigs uit te voeren. Zij was juist van plan geweest haar te wekken, om haar tot hare vertrouwde te maken en om raad te vragen. Hoe beminnenswaardig en oprecht was deze mededeeling, en hoe bevallig was hare schuchterheid, ondanks de vurige ijver die haar bezielde.
De opvoedster gevoelde zich verteederd, de woorden van berisping bestierven op hare lippen, en voor de eerste maal beschouwde zij dit ouderlooze kind als haar eigen, was het haar als viel zijn geluk en zijn lijden met het hare te zamen. Zij, die haar leven lang slechts om zichzelve en haar eigen welzijn had gedacht, zij, die zich aan de opvoeding van Maria tot hiertoe had gewijd, omdat zij daarvoor onderhoud en salaris ontving, zij achtte zich thans in staat om voor dit kind zichzelve en alles wat zij bezat ten offer te brengen. Toen nu de kleine de armen om haar hals sloeg en smeekte haar niet te verraden, maar veeleer haar te helpen bij het goede werk, dat niet minder ten doel had dan Paula en Orion, de ongelukkigen wier leven bedreigd werd, te redden, begonnen hare anders droge oogen vochtig te worden, kuste zij de gloeiende wangen van Maria opnieuw en zeide haar, dat zij haar lief, lief dochtertje was.
Dat gaf Maria moed en met pathetische waardigheid, die de opvoedster de lippen tot een lachje deed plooien, nam zij Eudoxias bijbel van den lezenaar, legde die op de tafel en zeide, terwijl haar smeekend oog de Griekin vlak in het aangezicht zag: "Zweer mij--neen gij moet geheel ernstig blijven, want gij kunt u niets gewichtigers denken--zweer mij aan geene ziel te zullen verraden, ook niet aan moeder Johanna, wat ik u wil toevertrouwen."
Eudoxia beloofde dit, maar zij wilde geen eed afleggen. "Ja, ja, neen, neen," was volgens het gebod des Heeren de beste eed voor een christen. Maar Maria klemde zich aan haar vast, streek haar over de magere wangen, en verzekerde haar ten laatste niet te kunnen spreken, wanneer Eudoxia haar zin niet deed. Aan deze lieflijke vleierij kon de Griekin op dit uur geen weerstand bieden; zij duldde het dat Maria over hare zooveel oudere hand beschikte, en deze op den bijbel legde. Toen dit eenmaal geschied was, deed Eudoxia ook verder wat zij verlangde, en legde, hoewel gedwongen en met een levendig hoofdschudden, den eed af, die hare kweekelinge haar voorschreef. Daarop liet de opvoedster zich als uitgeput en verschrikt over hare eigene zwakheid op den divan neer, en de kleine maakte van hare overwinning gebruik, door dadelijk bij hare voeten neer te hurken en haar alles te vertellen wat zij wist van Paula en de gevaren, die haar en Orion bedreigden. Wetende sedert lang, hoe hoog de jonkman bij de Griekin stond aangeschreven, was zij daarbij slim genoeg, om het gevaar, waarin deze verkeerde, met levendige kleuren af te schilderen.
Tot hiertoe had Eudoxia niet opgehouden hare lokken te streelen en met alles wat zij zeide in te stemmen; maar toen zij hoorde dat Maria voornemens was zelve het werk van een bode op zich te nemen, stond zij onthutst op en verklaarde ten stelligste, dat zij zulk een waagstuk, zulk eene onzalige dwaasheid nooit kon goedkeuren.
Doch nu riep Maria al wat zij aan overredingskracht en vleiende kunstmiddelen bezat ter hulp. Er was geen geschikter afgezant te vinden, en het gold toch Orions en Paula's leven. Was dan een rit over de bergen van zooveel beteekenis? Hoe goed verstond zij de kunst om haar paard te mennen, hoe weinig leed zij onder de hitte! Was zij niet meer dan eens van Memphis naar hunne goederen in het meerland gereden? En de trouwe Rustem was toch bij haar, en op den weg over de bergen, de veiligste in dit land, waren toch stations met gelegenheid tot verblijf voor vreemdelingen. En als zij den veldheer vonden, kon zij omtrent alles beter inlichtingen geven als eenig ander menschenkind op aarde. Maar de Griekin liet zich niet vermurwen, ofschoon zij moest toegeven, dat Maria's voornemen zoo onzinnig niet was, als het haar aanvankelijk toescheen.
De kleine liet haar niet verder spreken; zij herinnerde Eudoxia nog eens aan haar eed, en deelde haar zelfs in vertrouwen mede aan welk gevaar zij, Maria, zelve door dezen bodentocht ontkwam. Zij vertelde namelijk aan de Griekin welk eene ontmoeting zij had gehad met den prelaat, en hoe ook vrouw Johanna voor haar en hare toekomst bezorgd was. Ach het leven tusschen muren, achter slot en grendel scheen haar zoo schrikkelijk toe, en zij wist haar afschuw hiervan, hare begeerte naar vrijheid en een frisch, kalm, arbeidzaam leven onder menschen en vrienden, hare hoop dat de veldheer Amr, wanneer zij zich onder zijne hoede stelde, haar voor alles bewaren zou, zoo levendig, zoo warm en roerend te schilderen, dat de tegenspraak der Griekin verstomde, en de bedaagde jonkvrouw met de handen voor de in tranen badende oogen uitriep: "Het is verschrikkelijk, het is ongehoord, maar misschien is het toch het beste. Rijd den veldheer te gemoet, rijd maar weg!"
En toen het jonge schepseltje met zulk een warm, liefderijk gemoed en zooveel levenslust haar daarop om den hals vloog, verblijdde zij zich over hare zwakheid, want deze schoone, frissche, levenskrachtige menschenbloem mocht niet onder dwang en in gevangenschap wegkwijnen, maar moest gelukkig blijven om gelukkig te maken, moest tot vreugde van haar en alle goede menschen de volle schoonheid harer bladeren ontplooien. Eudoxia kende de weduwe en wist dat deze begrijpen zou, waarom zij het kind bijstond, namelijk, om haar van het grootste gevaar te redden, dat eene menschelijke ziel bedreigen kon, het gevaar om in voortdurenden strijd met zichzelven iets anders te moeten zijn dan hetgeen waartoe men door aanleg en neiging bestemd is. Onder een pijnlijke zucht gevoelde Eudoxia wat zijzelve, door het gruwzaam lot gedwongen, bij het gemis van de vrijheid en het gevoel van tevredenheid geworden was, zij, die eens een warmbloedig, jong meisje was geweest, vol van groote verwachtingen. Zij, de bekrompene opvoedster, gaf toe aan het zonderling en stout verlangen van een kind, hetwelk grootere vrouwenzielen bespot, veroordeeld, geweigerd zouden hebben.
Toen de dag was aangebroken verrichtte Eudoxia zelve, wat anders aan de kamenier wordt overgelaten; zij kapte Maria het haar, en daarbij sprak zij met haar en luisterde naar haar alsof in dezen nacht het kind tot een jonkvrouw was geworden. Vervolgens vergezelde zij hare leerlinge in den tuin, en zooveel dit mogelijk was bleef zij aan hare zijde. Vrouw Johanna en Pulcheria verwonderden zich bij het ontbijt over de houding, die zij tegenover Maria aannam, doch deze mishaagde haar niet, daar ook de oogen van de laatste schitterden van geluk.
Zonder tegenspraak liet de weduwe het meisje naar de stad gaan, om daar de geheimzinnige opdracht van haar oom te volvoeren. Rustem vergezelde haar, en wat het kind zoo vroolijk maakte kon wel niets anders dan geoorloofd en goed zijn. Orions kaarten en tabellen waren hem tijdig in de gevangenis toegezonden, en vóor de kleine met haar grooten geleider opbrak, keerde Gibbus met den brief van den gevangen jonkman aan den veldheer terug. Onderweg werd afgesproken, dat Maria tegen het aanbreken van den nacht in de herberg van Nesptah Rustem vinden zou. Nu er zooveel gebrek was aan voedsel en zooveel menschen stierven, kon men rijdieren van allerlei soort, met geleiders en knechts, te kust en te keur krijgen, en de Pers, die met deze aangelegenheid vertrouwd was, achtte het 't beste snelvoetige dromedarissen te huren, en eene kleine tent voor zijne jonge meesteres mede te nemen.
Bij de woning van den juwelier Gamaliël verzocht Maria hem te wachten, en de vroolijke goudsmid ontving haar met ongeveinsde blijdschap. Wat was er geworden van het huis van den grooten Mukaukas! Vuur had den zetel der gerechtigheid vernield, evenals de Egyptische steden, wien de profeet voor duizend jaren een gelijk oordeel had aangekondigd. Gamaliël wist in welk een groot gevaar Orion verkeerde en wat de edele jonkvrouw bedreigde, die hem eens den kostbaarsten van alle gesneden steenen geschonken en hem daarna een deel van haar vermogen toevertrouwd had. Het deed zijn hart goed althans een lid van het huis van zijn overleden beschermheer behouden voor zich te zien. Hij richtte tot Maria de eene deelnemende vraag na de andere, en zijne vrouw wilde haar dadelijk lekkere abrikozentaartjes brengen. Doch zij verzocht Gamaliël haar terstond een geheim onderhoud toe te staan, waarop de juwelier haar voorging naar zijne kleine werkplaats, en haar verzocht hem volkomen te vertrouwen. Wat de kleindochter van den Mukaukas Georg ooit van hem begeeren zou, dat was haar bij voorbaat reeds toegestaan.
Daarop bracht zij verlegen en blozende Orions ring, dien zij zorgvuldig verborgen had, te voorschijn, reikte dezen den jood toe en vroeg hem daarvoor te geven wat billijk was.
In de vaste overtuiging, dat de vriendelijke man haar onverwijld het eene goudstuk na het andere voor zou tellen, zag zij hem met hare heldere oogen vragend aan. Maar hij nam den ring niet eens van haar aan, bekeek die slechts met een vluchtigen blik en zeide daarop ernstig: "Neen, meisjelief; met kinderen doe ik geen zaken."
"Maar ik heb het geld noodig, Gamaliël," zeide zij dringend. "Ik moet het hebben!"
"Moeten," hernam hij lachend. "Dat is zeker een nagel, die door het hout gaat, maar stoot hij op ijzer, dan gaat hij meestal krom. Meen niet dat ik hard ben! Maar 'geld!' 'geld!' 'geld!' Van welk geld spreekt gij toch eigenlijk meisje? Wilt gij het mijne hebben voor brood en voor koeken, dat mij het waarschijnlijkst voorkomt, dan knijp ik mijne oogen toe en grijp in den buidel. Doch als ik mij niet bedrieg hebt gij bij den Griek Rufinus, wien het aan niets ontbreekt, een goed onderkomen gevonden, en ik heb zelfs een aardig sommetje geld in bewaring, dat uw grootvader een paar jaren geleden op rente gaf, met de opmerking, dat het eene erfenis was, die gij gekregen hadt van uwe peettante. De kwijtbrief staat op uw naam, en de geldnood waarin gij verkeert heeft dus veel van hetgeen anderen welstand noemen."
"Geldnood, neen, die heb ik niet," hernam Maria. "Maar het geld kan ik toch niet missen, en wanneer ikzelve wat bezit en gij hebt het daar in de kist, geef er mij dan zooveel van als ik noodig hebt."
"Wat gij noodig hebt?" zeide de juwelier lachend. "Ja, dat gaat zoo gauw niet, meisjelief. Eer zoo iets klaar komt, heeft men in Egypte veel tijd, veel papyrus en inkt noodig, eene groote rechtbank, zestien getuigen, een kurios..."
"Welnu, koop dan den ring! Gij zijt zoo'n vriendelijk man, Gamaliël. Doe het om mij genoegen te geven! Dat ik heden wil snoepen gelooft gijzelf niet."
"Neen, maar een week hartje wordt in zulk een moeielijken tijd, waarin velen hongerlijden, licht tot een andere dwaasheid gedrongen."
"Zeker niet! Koop den ring! En doet gij dit mij ten gevalle..."
"Dan is Gamaliël een schurk en een zwakhoofd in éen persoon. Herinnert gij u nog dien groenen smaragd? Dien kocht ik ook, en wat een fraaie geschiedenis heeft dat gegeven. Dat gaat niet met dien ring, meisjelief!"
Maria trok de hand terug, en de teleurstelling en de bekommering die uit hare groote betraande oogen spraken, waren zoo roerend en smartelijk, dat de jood op zijne eigene woorden terugkwam en ernstig maar hartelijk voortging. "Ik zou liever mijn eigen ouden kop tot een aanbeeld geven, dan u leed doen, lief kind. Adonai! ik zeg ook niet--waarom zou ik 't zeggen?--dat gij in elk geval zonder geld door dien Gamaliël zult worden weggezonden. Hij heeft het toch, en hoewel hij het gaarne ontvangt, hij geeft het ook niet ongaarne, als het te pas komt. Dien ring kan ik waarlijk niet koopen, maar daarom niet getreurd. Kijk mij eens goed aan, kleine jonkvrouw. Gij verlangt veel, en ik heb in mijn magazijn nog veel schooner dingen. Als gij daarin iets vindt, dat u vertrouwen kan inboezemen, kom dan rond voor de zaak uit, en zeg den man, op wien ook uw grootvader een klein beetje bouwde, in het oor: 'zooveel heb ik noodig, en daarvoor'--hoe hebt gij ook weer gezegd?--'daarvoor moet ik het hebben'!"
Maria las in het opgeruimde, volle gezicht van den jood iets, dat haar vertrouwen inboezemde, en in haar kinderlijk geloof aan het verbindende van den eed, liet zij een derden persoon, en ditmaal een lid van eene derde godsdienstige overtuiging, zweren niets te zullen verraden, terwijl zij zich verwonderde, dat het ook thans met het afnemen van een eed, waarin zij zich reeds vrijwel geoefend had, zoo gemakkelijk ging.--Ook volwassen lieden koopen zoo gaarne voor een goedkoopen eed het kostbaar geheim van een ander. Nadat zij zich verzekerd had van de stilzwijgendheid van den Israëliet, vertelde zij hem in vertrouwen, dat zij, ingevolge een opdracht van Orion, den veldheer een bode moest zenden, om hem en Paula nog tijdig van den dood te redden.
De goudsmid hoorde haar aandachtig aan, en reeds voor zij nog geheel geëindigd had, ging hij naar de ijzeren in den grond gemetselde kist, en brak hare mededeeling af door de vraag: "Hoeveel?" Daarop noemde zij de som, die Nilus had opgegeven, en nauwelijks was haar bericht ten einde, of de jood, die de handgreep waarmede hij zijne kist opende zelfs voor zijne vrouw geheim hield, riep haar toe: "Nu, kijk eens uit het venster, gij wonderbare afgezant en geldnemer, en als gij daar beneden in den hof niets ziet, denk dan, dat er iemand staan kan als de oude Gamaliël, die u bij het hoofd pakte en u een duchtigen kus gaf. En stel u dan ook voor, dat hij daarbij in stilte bij zichzelven dacht: God in den hemel, als mijn dochtertje, de kleine Ruth, eens worden mocht als de kleine Maria, het kleinkind van den rechtvaardigen Mukaukas!"
Daarop sprong de dikke, bewegelijke man, die op de knieën was gaan liggen, hijgende overeind, liet het deksel van de kist open, snelde naar het kind toe, dat reeds eenige oogenblikken uit het venster keek, drukte het van achteren een kus op de haren en zeide daarbij lachend: "Dat, klein geldneemstertje, dat zal mijne rente zijn. Maar verder naar buiten gekeken, tot ik u weder roep!"
Behendig ijlde hij vervolgens met zijne korte beenen naar de kist terug, veegde zijne oogen af, nam er een kleinen buidel met goud uit, waarvan de inhoud de verlangde som een weinig overtrof, sloot de kist weder dicht, zag daarbij met eene gemengde uitdrukking van wantrouwen en hartelijk welgevallen naar Maria en riep haar eindelijk bij zich. Hij schudde nu den buidel voor haar uit, telde het bedrag af, dat zij verlangde, stak de overgebleven goudstukken bij zich, gaf het kind het zakje en verzocht het toen, terwijl hij de kamer verliet, listig meesmuilend, zijn 'voorschot' weder in het zakje te tellen en op hem te wachten. Toen hij terugkwam was zij met het werk gereed en merkte schuchter op: "Er ontbreekt nog een goudstuk."
Gamaliël kruiste beide armen over de borst, sloeg zijn blik ten hemel en zeide: "God, welk een meisje! Daar is de solidus, kind! Laat een man van ervaring u zeggen: wat gij onderneemt, dat zal u gelukken! Gij weet wat gij doet, en als gij eens groot zijt en er een zal komen, om u te vrijen, dan zal hij goed ter markt gaan. En nu nog uwe handteekening, hier! Gij zijt nog wel niet mondig, en het blaadje is--God verhoede het ergste--is wel niet veel meer waard dan een blaadje, de inkt er onder begrepen, doch het is voor de orde."
Nu nam Maria de schrijfpen, en terwijl zij eerst vluchtig doorliep, wat Gamaliël geschreven had, riep deze wederom in warme geestvervoering uit: "Een meisje, een kind! En dat leest, dat onderzoekt, dat overtuigt zich, alvorens het zijne handteekening zet! God zegene u, kind! Kijk daar komen de taartjes, en gij zult ze proeven voor ge... gerechtige God! Een kind, dat zulke gewichtige zaken doet!"
EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Terwijl Rustem, wien Maria het goud van den juwelier had toevertrouwd, voorbereidselen maakte tot de reis met het beleid van den geoefenden karavaanaanvoerder, en Maria met hare opvoedster de Perzische Mandane troostte en aan het verstand bracht, dat Rustems reis ten doel had Paula's leven te redden, had er in de gerechtszaal eene nieuwe zitting plaats.
Ditmaal was Orion de aangeklaagde. Nauwelijks was hij begonnen zich te verdiepen in de plannen en lijsten, die hij voor zijn arbeid behoefde, of men riep hem voor de balie. Het gerechtshof was als gisteren samengesteld. Onder de getuigen waren behalve Paula, de nieuwe bisschop Johannes, alsmede de juwelier Gamaliël verschenen welke laatste, terstond nadat Maria hem verlaten had, voor de rechtbank was geroepen. De aanklager beschuldigde den zoon van den Mukaukas, een kostbaren smaragd, die door zijn vader aan de kerk was vermaakt, ondanks de aanmaning van den patriarch, teruggehouden te hebben.
Orion nam zelf zijne verdediging op zich, herhaalde alles wat hij den kerkvorst zelven in de werkkamer zijns vaders tot zijne rechtvaardiging had gezegd, en verklaarde daarop, dat hij aan deze onaangename zaak spoedig een einde wilde maken door den steen terug te geven en dezen ter beschikking te stellen van de rechters. Hierop overhandigde hij den kadhi Paula's smaragd, en deze stelde dien weder aan den bisschop ter hand. Doch Johannes verklaarde zich nog niet bevredigd, maar las een schriftelijk getuigenis voor van de weduwe Susanna, die er bij was geweest toen de overleden Mukaukas Georg in tegenwoordigheid van zijn zoon al de juweelen, die het Perzisch tapijt bevatte, als een geschenk aan de kerk vermaakt had. Orion werd alzoo verdacht van eenig kleinood te hebben achtergehouden, en het zou zeer moeielijk zijn uit te maken, of de schoone steen daar op tafel dezelfde was waarop de kerk aanspraak maakte.
Dit alles werd met veel ijver voorgedragen en scheen eene vijandige gezindheid te verraden. Gehoorzaamheid en overtuiging dwongen den ijverigen prelaat deze houding aan te nemen, want dezelfde duivenpost, waarbij de patriarch hem tot bisschop had benoemd, deed hem het bevel toekomen, om de bestraffing van Orion door te zetten, die een doorn was in het vleesch van de Jacobietische kerk, een schurftig schaap, dat de gezonde dreigde aan te steken. Als de jonkman soms een smaragd uitleverde, moest men wel nauwkeurig onderzoeken of het de rechte was, dan wel een ondergeschoven steen. Dit was de reden waarom de bisschop zijn wantrouwen had uitgesproken, en hoewel dit onder de Arabische rechters een afkeurend gemompel deed ontstaan, vatte de kadhi den argwaan van den prelaat toch ernstig op, daarbij mededeelende, dat hij gisteren avond een brief van zijn oom, den koopman Haschim, uit Dschidda had ontvangen, waarin ook van den smaragd gewag werd gemaakt. Haschims zoon had den steen buiten zijn weten, voor hij naar Egypte op reis ging, gewogen, en hier was de juiste opgave van het gewicht. De juwelier Gamaliël was met een weegschaal hier ontboden en zou de zaak tot geruststelling van den bisschop onderzoeken.
Onverwijld ging de jood aan het werk, en de oude Horus Apollon, die in deze dingen uiterst bedreven was, kwam vlak bij hem staan, om elk zijner bewegingen met argwaan te bespieden. Alle aanwezigen verkeerden in de hoogste spanning; met koortsachtigen polsslag hingen Orion en Paula aan de handen en lippen van den juwelier, die na het eerste onderzoek den steen nog eenmaal woog. De derde weging volbracht de grijsaard met scherpen blik maar bevende vingers. Alle drie leverden dezelfde uitkomst; deze steen was enkele dourrakorrels zwaarder dan die, welke de zoon van den koopman had gewogen; toch verklaarde de juwelier, dat onder alle smaragden van de wereld geen reiner, vlekkeloozer en schooner steen gevonden kon worden.
Orion gevoelde zich verlicht en haalde ruimer adem, terwijl onder de rechters de vraag werd besproken, of de jonge Arabier zich aan eene onnauwkeurigheid had schuldig gemaakt, dan of hier inderdaad eene verwisseling had plaats gehad. Doch hieraan viel bezwaarlijk te denken, want deze moest tot nadeel van den aangeklaagde, tot voordeel van de kerk zijn. De bisschop, die billijk oordeelde, zeide nu dat het wantrouwen van den kerkvorst in dit geval toch te ver ging, en deed in deze aangelegenheid verder geen mond open. De Wekil Obada had zich bij de geheele behandeling van deze zaak het zwijgen opgelegd, doch de uitdagende, zegevierende blik, waarmede hij nu eens Paula dan weder Orion opnam van het hoofd tot de voeten, deden het ergste verwachten.
Nadat de aanklager den jongeling ook beschuldigd had van deelneming aan de veelbesproken bloedige vlucht der nonnen, verdedigde deze zijne onschuld en voerde als bewijs aan, dat hij zich gedurende den noodlottigen strijd tusschen de Arabieren en de beschermers der nonnen had bevonden in gezelschap van den veldheer Amr, gelijk deze zou bevestigen. Door eene ongehoorde daad van willekeur was hij, op eene bloote verdenking alleen, van zijne bezittingen en van zijne vrijheid beroofd, en hij vertrouwde allereerst op een rechtvaardig oordeel van zijne rechters en verder op de bescherming van zijn heer, den Kalief, die hem voldoening zou geven. Hij zag daarbij met vlammende oogen den Wekil aan; doch de zwarte wist ook nu zijne kalmte te bewaren en dit vermeerderde de bezorgdheid dergenen, die het wel met den jongeling meenden.
Obada, dit bleek uit alles, moest overtuigd zijn, dat hij zijn offer den strik zeker om den hals had geworpen, en weldra werd allen duidelijk, wat hem zoo gerust deed zijn. Nauwelijks toch had Orion zijne verdediging geëindigd, of hij stond op, overhandigde den kadhi met een duivelschen grijnslach het tafeltje, dat Horus Apollon hem gisteren had gegeven, noemde het een schrijven, door Orion aan de Damasceensche gericht en verzocht den kadhi er kennis van te nemen. De hitte had wel is waar veel van het schrift in het was uitgewischt, doch de meeste letters waren nog altijd leesbaar. De waardige grijsaard had ze reeds ontcijferd en zich bereid verklaard den rechters voor te lezen, wat de aangeklaagde, die zichzelven in zijne pleitrede als een onschuldige duif had voorgesteld, in zijne onschuld en zijn waarheidszin voor zijn schoone bruid had neergeschreven. Daarbij gaf hij den oude een wenk en ondersteunde hem, toen deze met moeite opstond. Doch de kadhi verzocht hem te wachten, liet zich door den tolk omtrent den inhoud van den brief onderrichten, en keerde zich, nadat deze met veel moeite zijn plicht had vervuld, niet tot den grijsaard maar tot Obada met de vraag, waar dit geschrift gevonden was.
"In den lessenaar van de Damasceensche," antwoordde de zwarte. "Mijn oude vriend hier heeft het ontdekt." Hij wees hierbij op Horus Apollon, die deze verklaring bevestigde door met het hoofd te knikken.
Nu stond de kadhi op, ging naar de jonkvrouw, die doodsbleek was geworden van schrik, toonde haar het tafeltje en vroeg of zij dit herkende als haar eigendom.
Nadat zij het voorwerp nauwkeurig had bekeken, antwoordde Paula met een blik op den oude, waaruit de diepste minachting en afschuw sprak: "Ja, heer, het is mijn eigendom. Deze onwaardige grijsaard nam het op eene schandelijk listige wijze uit mijne schrifturen."
Hier haperde hare stem een oogenblik, doch zij ging weldra voort, zich tot de rechters wendende: "Als er onder u iemand is, die hulpeloosheid en onschuld eerbiedigt en arglistigheid en slinksche streken veroordeelt, hij begeve zich naar de vrouw van Rufinus, over wier drempel die man daar is binnengeslopen als een bunzing in eene duiventil, binnengeslopen met geen ander doel dan om hartelijke gastvrijheid met voeten te treden, haar huis te doorsnuffelen en daaruit alles bij een te halen wat hem dienen kon voor zijn schandelijk doel, en hij waarschuwe deze aan zichzelve overgelatene vrouw voor den verraderlijken spion en dief."
Opeens hief de oude blazende van woede, niet in staat een woord te spreken, zijn mageren arm omhoog; de christelijke rechters fluisterden elkander hunne uiteenloopende meeningen toe, de jood Gamaliël schoof met zijn zwaar lichaam op de getuigenbank heen en weer, tikte onophoudelijk en onrustig met zijne vingertoppen op de borst, en zocht nu eens Paula's dan weder Orions oogen op zich te vestigen, om aan te duiden dat hij de man was, die vrouw Rufinus zou waarschuwen. Doch een vuistslag van den Wekil, die onverwacht zijn schouder trof, bracht hem tot rust, en terwijl hij in stilte morrende de gekwetste plek wreef en het niet waagde den geweldenaar terecht te laten wijzen, overhandigde de kadhi aan den grijsaard het tafeltje en verzocht hem den brief voor te lezen.
Doch de vreeselijke aanklacht, die de gehate dochter van den patriciër hem in het aangezicht had geslingerd, waardoor zij aan zijne verhuizing naar de woning van Rufinus beweeggronden had toegeschreven, die in werkelijkheid hem vreemd waren geweest, hadden hem zoo in verwarring gebracht, zoo boos gemaakt, dat zijne oude, bovendien reeds moeielijk ademende longen hem den dienst weigerden. Die vrouw had hem een nieuw onrecht aangedaan, want met de vriendelijkste bedoelingen had hij bij de vrouwen zijn intrek genomen, en een toeval alleen had hem het tafeltje in handen gespeeld. Toch zou der weduwe van Rufinus nog heden ter oore komen, dat hij als een spion hare woning was binnengedrongen, en dan was het voor altijd uit met die kostelijke laatste dagen waarvan hij gedroomd had; zelfs zijn Philippus zou in staat zijn met hem te breken. En dat alles door toedoen van deze vrouw!--Hij kon geen woorden vinden om zijn gevoel uit te spreken, maar toen hij zich weder op de getuigenbank neerzette trof Paula een blik, zoo vol haat, zoo overvol van gif en woede, dat zij huiverde en tot de overtuiging kwam: deze man is bereid om zelf onder te gaan, ten einde mij ten val te brengen.
Doch de tolk begon reeds Orions brief te lezen en dezen voor de Arabieren te vertolken, en terwijl hij, stamelend en onder de verzekering, dat geen enkele letter duidelijk te herkennen was, zijn plicht vervulde, kreeg Paula geheel hare zelfbeheersching terug, en even nadat de hermeneut zijn werk voleindigd had was het of er een zonnestraal gleed over hare reine gelaatstrekken. Een schoone, grootsche, vreugdevolle gedachte moest in haar brein zijn opgekomen, en men kon het haar aanzien, dat het haar gelukte deze vast te houden en er zich geheel aan te wijden. Orion, die tegenover haar zat, merkte het wel op, maar hij begreep nog niet wat haar smeekende blik hem te zeggen had, wat zij van hem verlangde, toen zij de hand op de borst drukte en hem daarbij zoo veelbeteekenend in de oogen keek, dat het doordrong tot diep in zijn hart.
Thans zweeg de tolk, en wat hij gelezen had was op de rechters niet zonder uitwerking gebleven. Uit de welwillende trekken van den kadhi sprak ernstige bezorgdheid, en de inhoud van den brief scheen wel geschikt, om haar te wekken. Woordelijk luidde het schrijven aldus:
"Nadat ik lang tevergeefs op u gewacht heb, moet ik eindelijk besluiten om te vertrekken, en hoeveel had ik u nog te zeggen. Een schriftelijk vaarwel..."
Hier waren eenige regels onleesbaar geworden. Dan volgde het noodlottige, leesbare slot: "Hoe anders had ik gewaand dezen dag te zullen besluiten, die voor het grootste deel gewijd was aan het maken van toebereidselen voor de vlucht der nonnen, en het is mij eene vreugde geweest, voor de goede, onschuldige en onrechtvaardig vervolgde zusters het mijne te doen. Haar willen wij het beste toewenschen, en ons beiden op morgen een ongestoord wederzien en een afscheid, dat herinneringen bij ons achterlaat, waarop wij lang teren kunnen. Gelijk onder de Egyptenaars hij het was, wiens heengaan wij beiden betreuren zoo is het onder de Arabieren de voortreffelijke veldheer Amr...."
Hier eindigde de brief, aan welks slot bijna drie regels ontbraken.
Nadat de kadhi het tafeltje eenige oogenblikken in de hand had gewogen, sloeg hij zijne oogen weder op, liet zijn blik gaan over de in groote spanning wachtende vergadering en begon: "Ofschoon de aangeklaagde niet behoorde tot degenen, die oproerig tegen onze gewapende macht de handen hebben opgeheven, zoo blijkt toch onwederlegbaar uit het voorgelezene, dat hij niet alleen kennis heeft gedragen van de vlucht der nonnen, maar dat hij haar ook ijverig de behulpzame hand heeft geboden.--Wanneer hebt gij dit schrijven ontvangen, edele jonkvrouw!"
Paula vouwde de handen met kracht te zamen en antwoordde met gebogen hoofd en neergeslagen oogen: "Wanneer ik den brief ontvangen heb? Nooit, want de brief is van mijzelve. Ik heb hem geschreven."
"Gij?" vroeg de kadhi met verbazing.
"Hij werd door mij aan Orion gericht," antwoordde Paula.
"Door u aan hem? Doch hoe komt hij dan in uwe lessenaar?"
"Op zeer eenvoudige wijze," verklaarde zij, altijd nog met neergeslagen oogen. "Nadat ik den brief aan mijn bruidegom gericht had, wierp ik dien bij de andere tafeltjes, zoodra hij onnoodig was geworden; want hijzelf verscheen, en ik behoefde hem niet te laten lezen, wat men beter mondeling bespreekt."
Daarbij speelde een eigenaardig lachje om hare lippen; een luid gemompel ging door de zaal; Orion keek met klimmende gejaagdheid nu eens het meisje, dan weder den kadhi aan. Maar de zwarte vloog op, sloeg met zijn vuist op de tafel, dat het dreunde en riep: "Nietswaardige uitvluchten! Wie uwer laat zich hier door zulk eene ellendige vrouwenlist beetnemen?"
Horus Apollon, die weder tot bedaren was gekomen, wierp hem met groot leedvermaak een goedkeurenden blik toe, de rechters zagen elkander verlegen aan, doch toen de zwarte verder bleef doorrazen, legde de kadhi hem het zwijgen op en gaf het woord aan Orion, die met hoogroode wangen hem reeds voor de tweede maal het woord had gevraagd en nu, nauwelijks in staat de woorden uit te brengen, uitriep: "Neen, neen, Othman; neen, neen! Gelooft haar niet, heeren rechters. Niet zij.... ik, ik heb den brief...."
Maar Paula viel hem in de rede, zeggende: "Hij? Maar voelt gij het dan niet: hij wil mij redden en daarom alleen mijne schuld op zich laden! Uit edelmoedigheid, uit liefde zegt hij dit! Gelooft, gelooft hem niet! Laat u door hem niet misleiden!"
"Ik? Neen, zij, juist zij," ving Orion weder aan; doch voor hij verder kon gaan riep Paula hem toe, met fonkelende oogen, dat het eene verkeerde liefde moest heeten, die zichzelve uit valsche edelmoedigheid opofferde. En toen zij daarbij wederom de hand tegen hare borst drukte, om hem te smeeken zich stil te houden, zweeg hij plotseling en zonk, terwijl hij diep ontroerd de oogen ten hemel sloeg, op de bank der aangeklaagden neder.
Nu ging Paula voort, met een juichend gemoed: "Hij is tot eene betere overtuiging gekomen en laat de dwaze poging varen, om mijne schuld op zich te nemen. Gij ziet het, Othman, gij ziet het allen, waardige heeren! Wat ik voor de arme zusters gedaan heb, laat er mij ook voor boeten!"
"Uw wil geschiede," riep de oude met krijschende stem.
"Een helsch spinsel van leugens," bulderde de zwarte, "een bedrog zonder weerga! Maar ondanks het schild, waarmede deze vrouw u dekt, kom ik u toch aan den hals, verraderlijke knaap! Is het te gelooven, rechters, dat men een voltooiden brief, weken lang na geschreven te zijn, bij den schrijver vindt en niet bij hem aan wien hij werd gericht?"
De kadhi haalde de schouders op en antwoordde met kalme waardigheid: "Bedenk wel, Obada, dat wij deze jonkvrouw hebben veroordeeld op grond van een brief, die wij niet vonden bij den persoon aan wien hij gericht werd, maar bij zijn schrijver. Omtrent dat document rees bij u geen twijfel op. Het betaamt ons rechters met dezelfde maat te meten, Obada!"
Deze, op verzoenenden toon uitgesproken woorden en het doeltreffende ervan, werd door alle Arabieren met bijval vernomen, en de juwelier kon niet nalaten een luid "voortreffelijk" uit te roepen. Hij schoof echter, zoodra het hem over de lippen was gekomen, in een oogwenk uit het bereik van den arm van den zwarte. Deze had hem echter nauwelijks verstaan, want vol toorn betoogde hij, zonder den kadhi toe te laten hem in de rede te vallen, hoe smadelijk het was van mannen en rechters, zich door eene vrouw om den tuin te laten leiden, zich het hart te laten vermurwen door het comediespel van een paar verliefde gekken. Voorts toonde hij aan, hoe noodzakelijk het iederen muzelman moest voorkomen, hunne eigene veiligheid te verzekeren, door den aanlegger eener bloedige muiterij tegen de steunpilaren van het gezag streng te tuchtigen. Zijne welsprekende, vurige taal bleef niet zonder uitwerking, doch de christenen, die der Melchietin alle kwaad gunden, waren met haar dood voldaan, en wilden den zoon van den algemeen vereerden Mukaukas Georg deze daad, zelfs al had hij haar werkelijk begaan, gaarne vergeven. Nadat men het er over eens was geworden, dat hier onmogelijk viel uit te maken van welke hand het schrift op het tafeltje afkomstig was, en er over en weer nog veel was gesproken, begon het eigenlijk beraad.
Het duurde lang eer de rechters tot een besluit konden komen, en gedurende dien tijd zat Orion nu eens neer als ware hij reeds tot een pijnlijken dood veroordeeld, dan weder liet hij zijn blik samensmelten met dien der geliefde en bracht de hand aan het hart, als vreesde hij dat het barsten zou. Hij begreep haar volkomen en hare grootmoedigheid deed hem goed. Wel had hij over zich weten te verkrijgen, hare gave aan te nemen, maar hij was toch vast besloten, haar, als zij sterven moest, in den dood te volgen. Het "non dolet" [23] van Arria, dat zij haren geliefden Paetus had toegeroepen, toen zij zich den dolk in het hart stak, om hem voor te gaan in den dood, klonk hem voortdurend als in het oor. Doch hij bedacht ook, dat Paula misschien begenadigd zou worden, dat hij dan vrij zou zijn en een geheel leven voor zich zou hebben, om haar te danken.
Eindelijk, eindelijk verkondigde de kadhi de uitspraak van de rechters: het was onmogelijk Orion den dood schuldig te verklaren, en evenmin kon men besluiten het geloof aan zijne schuld onbepaald af te wijzen; het gerechtshof verklaarde zich dus onbevoegd, om in deze zaak een oordeel uit te spreken en droeg dit over aan den Kalief of zijn plaatsvervanger in Egypte, den veldheer Amr. Hij, de kadhi, zelf zou alleen gelasten den aangeklaagde gestreng gevangen te houden, opdat de straffende gerechtigheid de hand op hem zou kunnen leggen, indien het eindoordeel "schuldig" mocht luiden.
Toen de kadhi verkondigde, dat het beslissend oordeel werd overgelaten aan den Kalief of diens plaatsvervanger, riep de Wekil: "Ik, ik ben de plaatsvervanger van Omar!" Doch een eenstemmig, ontkennend gemompel der rechters wees deze opvatting stellig van de hand, en op voorstel van den kadhi werd besloten door verdubbeling van de kerkerwacht den jongeling te beveiligen voor elken eigenmachtigen aanslag van den Wekil, tegen wien reeds zware aanklachten op weg waren naar Medina. De zwarte verliet buiten zichzelven van woede, de grijsaard nieuwe aanslagen smedende tegen de Damasceensche, de gerechtszaal.
Zoodra Paula in hare cel terugkeerde, dacht de oude Betta dat zij genade had ontvangen, want hoe vroolijk, hoe trotsch, hoe opgewekt trad zij bij haar binnen! Het grootste gevaar was van haren geliefde afgewend, zij en hare liefde waren het, die hem hadden gered. Zij had zichzelve opgegeven, maar wat het lot ook over haar beschikte, voor hem lag het leven open, hem zou het vergund zijn, zijne heerlijke kracht te toonen, en dat hij het doen zou, doen in haren zin, daarvan was zij zeker.
Nog was zij niet aan het einde van haar verhaal omtrent het oordeel der rechters, toen de gevangenbewaarder een bezoek van den kadhi kwam aankondigen. Weldra trad deze bij haar binnen, en nadat zij hem hartelijk had dankgezegd en hij haar vriendelijk verzekerd had, dat hij zich schaamde, misschien de schande te moeten dragen van een misleid rechter te zijn, en dat nog wel als een gunst van het lot, bracht hij het gesprek op het eigenlijk doel van zijn bezoek. "In den brief," dus begon hij, "dien hij gisteren avond van zijn oom Haschim had ontvangen werd ook veel over haar gesproken. Zij had het hart van den ouden koopman gestolen, en de berichten, die deze omtrent haar vader had ingewonnen..."
Hier viel het meisje hem in de rede: "O heer, heer.... Zou eindelijk de wensch, het gebed mijns levens vervuld worden?"
"Uw vader, de edele Thomas, voor wien ook de muzelman het hoofd buigt," antwoordde Othman, "men heeft hem..." En nu berichtte hij, dat de held van Damascus zich inderdaad op den Sinaï teruggetrokken en daar als kluizenaar geleefd had, doch zij mocht zich aan geene ontijdige vreugde overgeven, want de bode had hem krank gevonden, vermagerd door een teringziekte, die uitging van zijne gewonde long, ja bijna stervende. Zijne dagen waren geteld...
"En ik, ik gevangen," zeide het meisje, bitter weenende. "Vastgehouden, tot niets in staat, buiten de mogelijkheid, om hem in de armen te snellen!"
Daarop vermaande hij haar opnieuw zich bedaard te houden, en vertelde op zijne zachte, kalme manier verder, dat reeds eergisteren een Nabateër bij hem gekomen was, om hem als het hoofd der justitie in Egypte te vragen, of een oud tegenstander der muzelmannen, een veldoverste, die in dienst van den Keizer en van het kruis tegen den Kalief en de halve maan had gestreden, krank, verwond, gebroken den Egyptischen bodem mocht betreden, zonder zich bloot te stellen aan het gevaar van door Arabische ambtenaren gevangen genomen te worden. Toen hij, Othman, vernomen had, dat deze man Thomas was, de held van Damascus, had hij volgaarne en gelijk hij wist in den geest van zijn heer, den Kalief, hem vrijheid en leven verzekerd. Heden morgen vroeg was haar vader te Fostat aangekomen, en hij had hem als gast in zijn huis opgenomen. Ja, Thomas stond aan den rand van het graf, maar de wensch, die hem bezielde, om zijne dochter, wie hij, op grond van een valsch gerucht, dat zij bij den moord van Abyla was omgekomen, reeds zoolang beweend had, nog eenmaal weder te zien, hield hem staande. Hij achtte het zijn plicht dezen wensch van een stervende te vervullen, en hij had den gevangenbewaarder bevolen het vertrek, dat aan hare cel grensde, voor hem in te richten met het huisraad, dat uit zijne woning onderweg was. De deur, die haar vertrek met het zijne verbond, zou geopend worden.
"En ik zal hem wederzien, hem weder bij mij hebben, met hem leven, hem de oogen sluiten, misschien met hem sterven!" riep Paula uit, daarbij de hand grijpende van den goedigen man en die dankbaar kussende.
Den muzelman schoten de tranen in de oogen, en hij verzocht haar niet hem, maar den barmhartigen, eenigen God te danken. Voor de zon onderging rustte het hoofd van de ter dood veroordeelde dochter aan de borst van den gewonden held, wiens einde nabij was, maar wiens onverzwakte geest en warm hart zoo gansch en al evenals zijn lief, eenig kind, de zaligheid van het wederzien genoten. Een nieuw, onbeschrijfelijk geluk woonde voor Paula binnen de sombere muren van den kerker, en nog dienzelfden dag ontving Orion door den bewaarder een brief, die hem de groeten overbracht van den vader zijner bruid. Toen hij de innige zegenbede las, die deze brief bevatte, was het hem als nam een onzichtbare hand den vloek, waarmede zijn eigen vader hem beladen had, voor altijd van hem weg. Eene wonderbare, blijmoedige rust, werkkracht en levenslust openbaarden zich in hem, en hij gunde zijn geest en zijn schrijfstift geen rust, voor de morgen schemerde.
TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Somber, met gefronst voorhoofd keerde de oude Horus Apollon uit de rechtzaal terug naar zijn nieuwe woning. Voor het landgoed van de weduwe Susanna zag hij eenige lieden staan, die schuw in den tuin gluurden en op het schoone woonhuis wezen. Evenals ontelbare menschengroepen, die hij vroeger ontmoette, riepen ook deze lieden hem woorden van hulde, dank en opwekking toe, en toen hij ook voor hen even boog en daarbij de richting volgde van hunne angstig bespiedende blikken, voer hem eene huivering door de leden; want boven de groote huispoort hing ter waarschuwing, als ware het een schandteeken, het zwarte bord, dat den voorbijgangers toeriep: "Blijft ver van dezen drempel! Hierachter woedt de menschenmoordende pest!"
De oude schuwde alles, wat hem aan den dood herinnerde, en hij rilde. Zoo dicht te wonen bij een broeinest der vreeselijke ziekte, dat was angstwekkend en gevaarlijk! Hoe kwam de ziekte in dit gezondste deel der stad, dat ook bij het woeden van de laatste pestziekte verschoond was gebleven?
Een dienaar van den raad, dien hij staande hield, vertelde hem, dat de slaven, die gewoon waren voor het bad van vrouw Susanna te zorgen, vader en zoon, het eerst waren aangetast. Men had hen bij nacht heimelijk naar de ziekententen laten brengen; heden echter was de weduwe zelve ook aangetast. Om de wijk voor verdere besmetting te bewaren, bewaakte men thans dit terrein van alle zijden.
"Doe het streng, zeer streng; laat geen rat de deur uit," riep de oude en reed verder.
Het was later geworden dan gisteren, het etensuur moest reeds aangebroken zijn, en toen hij na een oogenblik rust aanstalten maakte, om zich met hulp van zijn dienaar voor den gemeenschappelijken maaltijd te wasschen en te reinigen, trad eene lamme huisslavin bij hem binnen en zette een blad met dampende schoteltjes op het tafeltje naast den divan neder. Wat had dat te beteekenen? En voor hij het nog vragen kon vernam hij, dat de vrouwen verlangden voortaan alleen te spijzigen. Men zou hem op zijne kamer bedienen.
Wederom vertoonde zich eene roode vlek op zijne wangen, en na een oogenblik nadenkens riep hij zijn slaaf toe: "De ezel voor!" en tot het meisje: "Waar is uwe meesteres?"
"Met den goudsmid Gamaliël in het viridarium, doch zij zal zoo dadelijk aan tafel gaan."
"Zonder den gast? Ik versta de bedoeling!" prevelde de oude, greep naar zijn hoed en liep de dienstmaagd voorbij de kamer uit. In de voorzaal kwam hij Gamaliël tegen, wien eene slavin juist den staf overhandigde. De grijsaard vermoedde, dat de juwelier alleen gekomen was, om de vrouwen voor hem te waarschuwen, en zonder hem met een blik te verwaardigen, begaf hij zich naar het eetvertrek. Daar vond hij Pulcheria en Maria weenende geknield liggen voor vrouw Johanna, die insgelijks tranen vergoot. Hij vermoedde, wie die tranen golden, en vervuld van de begeerte, om het onrechtmatige aan te toonen van de beschuldiging, dat hij als spion dit huis was binnengedrongen, sprak hij de weduwe aan.
Deze had gehuiverd, toen zij hem zag binnenkomen, thans wees zij hem echter met uitgestrekten vinger de deur, en toen hij toch bleef staan, om zijne verdediging te beginnen, sneed zij hem met het woord af, door luide en met nadruk te zeggen: "Niet verder, heer! Dit huis blijft van nu aan voor u gesloten! De band, die ons verbond, hebt gijzelf verscheurd! Verstoor niet langer onzen vrede! Trek weer daarheen, vanwaar gij gekomen zijt!"
De grijsaard beproefde nog eens te spreken, doch de weduwe stond op, riep de meisjes toe: "Komt, mijne kinderen!" ging hen haastig voor naar het aangrenzend vertrek, en trok de deur achter zich dicht.
Horus Apollon bleef alleen op den drempel staan. Hoe oud hij ook was, zulk eene smaadheid was hem nog nooit aangedaan, doch hij schreef haar niet op rekening van haar, die hem de deur had gewezen, maar op de reeds meer dan overladene van de Damasceensche, en toen hij op zijn witten ezel naar huis reed, hield hij telkens stil, om tot de voorbijgangers te spreken. In de eerstvolgende dagen stoorde hij zich niet aan de hitte van den dag, vroeg hij niet naar zijne behoeften, om het lichaam rust te gunnen en zijn geest bezig te houden met stillen arbeid, maar hij reed 's morgens, 's middags en 's avonds door de straten, ruide het volk op en trachtte het op listige wijze te overtuigen, dat het jammerlijk ten gronde zou gaan, wanneer het zich niet van het eenige door hem voorgeslagene redmiddel bediende. Bij elke zitting van den senaat was hij tegenwoordig; met vurige welsprekendheid hield hij de bouleuten aan zijne zijde, weerstreefde hij de bemoeiingen van den bisschop, en drong hij aan op de vaststelling van den dag voor het huwelijk van den Nijlstroom met zijn bruid.
Hij kende zijne Egyptenaars en hun hartstocht voor vroolijke, schitterende feesten. Het zijne: de echtvereeniging van den Nijlbruid met den geweldigen, rusteloozen gemaal, van wien het wel en wee des lands afhing, zou eene bloeiende oase worden in deze woestenij van nood en vertwijfeling. Wat hij nog wist uit de herinneringen zijner kindsche dagen van processies ter eere van Isis, wat hem uit zijn eigene aanschouwing en uit de verhalen zijns vaders nog bekend was van de aan deze godin en haar trias gewijde feesten, wat hij in boeken had gelezen over groote optochten en vertooningen in het heidensche Egypte, dat bracht hij in zijne voorstelling bijeen, dat schilderde hij den senaat en het volk af in levendige kleuren, dat raadde hij de bouleuten bij dit buitengewoon huwelijksfeest te herhalen. En ieder, wien Egyptisch bloed door de aderen vloeide hoorde hem opmerkzaam aan, vond welgevallen in zijne voorstellen en was zelf bereid, om alles aan te wenden ten einde den glans van dit feest te verhoogen, hetwelk ieder kon medevieren, hetzij door er een werkzaam deel aan te nemen, hetzij als toeschouwer. Duizenden leden gebrek, maar voor dit buitengewone huwelijksfeest waren er nog middelen en maakte de senaat geen bedenking wederom geld op te nemen.
"Ondergang of redding" was de leus, die Horus Apollon de Memphieten in den mond had gelegd. Ging alles te gronde, dan verzonken daarmede ook de bespaarde talenten; droeg het offer daarentegen vrucht, zegende de Nijl de zijnen met nieuwe welvaart, wat hadden stad en land dan naar eenige duizenden drachmen te vragen? De huwelijksdag werd dus bepaald. Geen volle twee weken na de veroordeeling van Paula, op het feest van den heilige Serapis, wilde men het wondervolle, reddende, gelukbelovende feest vieren. En hoe wist de oude, hoe wisten de rechters en bouleuten, die haar gezien hadden, de schoonheid van de bruid te schilderen! Hoe vurig fonkelden de oogen des grijsaards van haat, als hij haar beschreef! Geen minnend oog kon levendiger tintelen! Wat die patricische deerne hem ook had aangedaan, alles, alles zou zij boeten. En met zijne overwinning zou hij niet alleen die enkele vrouw, maar het geheele christengeloof, dat hij haatte, doodelijk treffen.
Maar ook de bisschop Johannes had niet stil gezeten. Dadelijk na zijn optreden tegen het besluit des volks, had hij een duif met een brief naar Opper-Egypte tot den patriarch uitgezonden, en Benjamins antwoord zou hem steunen, om nog krachtiger door te tasten. In de kerk, voor den senaat en zelfs op straat deed hij en met hem de geheele geestelijkheid al wat in zijn vermogen was, om het schandelijk plan van de raadsheeren en het volk te bestrijden; doch de hartstocht, dien de grijsaard aanblies, sloeg weldra in helderder vlammen op, dan de geloofstrouw, de gematigdheid en het verstandig inzicht, die hij en de zijnen moesten aanwakkeren. De wind blies met gelijke kracht van beide zijden, maar aan de zijne ontmoette hij slechts doovende kolen, aan de andere overvolle brandende schuren. De nood en de vertwijfeling hadden het geloof geschokt, de tucht ondermijnd, en zelfs de machtigste wapenen van de kerk: "vloek en zegen" bleken machteloos te zijn. Men wees den drenkelingen een drijvenden balk in de nabijheid, en daarom wilden zij niet langer op de reddingsboot wachten, die met goede roeiers aan de riemen en een ervaren stuurman aan het roer bemand, van verre naderde en verplicht was hen te redden.
Horus Apollon keerde niet meer in het huis van Rufinus terug. Weinige uren nadat de weduwe hem de deur gewezen had, kwamen zijne slaven om de voorwerpen weder weg te halen, die hem vergezelden, toen hij onder haar dak zijn intrek nam. Zijn lijfdienaar bracht tevens eene groote geslotene vaas met een brief aan vrouw Johanna van den volgenden inhoud: "Men zal niet richten, zonder te hooren. Toch hebt gij dit gedaan, maar ik ben op u niet verstoord. Philippus zal misschien, als hij terugkeert, de einden van het band weder opnemen en opnieuw vastknoopen, dat gij heden hebt doorgesneden. Ik zend u een deel van de artsenij, die hij mij bij het scheiden achterliet, om daarvan in geval van nood tegen de pest gebruik te maken. Eerst in de laatste dagen heeft hij hare werking proefhoudend bevonden. Moge de krankheid, die het aangrenzend huis heeft aangetast, het uwe verschoonen!"
Deze brief deed de weduwe genoegen, maar toen zij hem aan de haren voorlas, riep de kleine Maria: "En als iemand onzer ziek wordt, dan neme hij geen druppel van dit mengsel. Ik verzeker u, hij wil ons vergiftigen!"
Intusschen bleef vrouw Johanna erbij, dat de grijsaard, ondanks zijn onverklaarbaren haat tegen Paula, in den grond niet slecht was, en Pulcheria verzekerde van hare zijde, dat het stellig wel zoo zijn moest, omdat Philippus hem achtte. Als deze maar hier was geweest, zou alles zich anders hebben toegedragen en ten beste geschikt zijn.
Maria bleef met moeder en dochter samen tot het donker werd. Zij bracht het gesprek altijd weder op Paula, en toen in den namiddag de Nabateïsche bode zich bij haar aandiende en aan de vrouwen, ingevolge eene opdracht van de gevangene, het bericht bracht, dat hij haar vader in hare armen had gevoerd, begonnen de vrouwen weder voor haar te hopen, en Maria kon, zonder verdenking te wekken, onbewimpeld haar verlangen uitspreken, om te toonen hoe lief zij Paula had, daar het steeds naderend oogenblik van scheiding aanbrak. Eindelijk zeide zij, dat zij naar Eudoxia moest om onderricht te ontvangen; haar wachtten heden zeer moeielijke dingen; allen moesten aan haar denken en wenschen, dat alles haar goed gelukken mocht. Zij viel eerst de weduwe, vervolgens Pulcheria om den hals, en toen haar daarbij tranen in de oogen welden, vroeg zij, of zij niet een onbezonnen, dwaas kind was, maar niettegenstaande dat moesten zij haar gedenken en niet vergeten.
Op haar kamer gekomen sloot zij zich met de Griekin op, en nu knipte Eudoxia haar de schoone zachte lokken af. De opvoedster vergoot daarbij de eerste tranen, en dezen vloeiden nog overvloediger, toen zij Maria eene kleine amulet met een vlok uit het schaapsvel van Johannes den dooper, dat zij van hare moeder geërfd had, om den hals hing. Het was haar lief en heilig, zij had daarvan nooit willen scheiden, doch nu moest dit kleinood het kind beschermen en geluk aanbrengen. Had het haar dan zooveel zegen gebracht? Juist niet veel, maar zij geloofde toch in de heil en zegenbrengende kracht van deze reliquie. Eindelijk stond Maria met korte haren en als knaap gekleed voor haar. Welk een aardige, wonderschoone knaap was dat meisje! Eudoxia kon haar niet genoeg aanzien. Doch Maria was te aanminnig, te fijn voor een jongen, en zij moest haar raden den breedgeranden reishoed zeer ver in het gelaat te trekken, zoodra zij menschen zou ontmoeten, of haar gelaat zwart te maken.
Door Gamaliël, die vrouw Johanna inderdaad opgezocht had, om haar voor den grijsaard te waarschuwen, droeg zij kennis van het verloop der tegenwoordige terechtzitting, en Paula's daad om Orion te redden had haar bewondering voor de jonkvrouw nog verhoogd. Als zij den veldheer ontmoette, kon zij hem op alles antwoord geven, en zoo was zij in alle opzichten goed voorbereid, toen zij met Eudoxia door den tuin naar de Nijlstraat sloop. Aan gene zijde van de buitenpoort wierp zij het geliefde huis en zijne bewoners nog eene kushand toe, vervolgens wees zij zuchtend op het goed van de weduwe Susanna en zeide: "Arme Katharina, nu is zij opgesloten!--Weet gij, Eudoxia, ik heb haar toch lief, en als ik denk dat zij de pest zou kunnen krijgen en sterven--maar neen! Zeg aan moeder Johanna en Pul, dat zij vriendelijk voor haar moeten zijn. Geef haar morgen na het ontbijt mijn brief, en wanneer zij zich heden avond ongerust over mij maken, zeg dan dat gij alles weet, en dat het geheel onnoodig is over mij bezorgd te zijn. Gij zult het wel goed maken en zorg dragen, dat zij niet verdrietig worden."
Bij eene openstaande Jacobietische kapel verzocht zij de Griekin op haar te wachten, en wierp zich daarin voor het crucifix neder. Vroolijk en opgewekt kwam zij weldra weder buiten, en toen zij bij de laatste huizen der stad waren, zeide zij: "Is het niet zondig, Eudoxia? Welke lieve menschen laat ik hier achter, en toch ben ik te moede als een gevangen vogel, die de kooi ontvlucht is. Goede God, zulk een rit in den nacht door de woestijn en over de bergen! Een snelvoetig dier onder zich, en boven zich geen zoldering, alleen de blauwe hemel en ontelbare sterren! Altijd voorwaarts, naar een heerlijk doel! Geheel aan zichzelve overgelaten, met eene gewichtige zending belast, als een groot mensch! Is dat niet kostelijk? En als de lieve God mij helpt, als ik den veldheer vind en het mij gelukt zijne ziel te roeren.... zeg zelf, Eudoxia, zou er wel op de geheele wereld een gelukkiger meisje zijn?"
In de herberg van Nesptah vonden zij den Masdakiet met voortreffelijke dromedarissen en de noodige drijvers en dienaars. De Griekin gaf aan hare leerlinge nog vele nuttige lessen mede en daarbij met geheel heur hart haar moederlijken zegen. Rustem tilde het kind op den dromedaris, bracht met zorg zijne zitplaats in den zadel in orde, en de kleine karavaan zette zich in beweging. Maria wuifde de oude leermeesteres en nieuwe vriendin met een doekje vele groeten toe en Eudoxia keek haar nog na, toen zij reeds lang in het duister was verdwenen. Daarop ging deze naar huis, eerst stil weenende en met gebogen hoofd, daarna met opgerichten hoofde, zonder tranen en met vasten tred. Zij was bijzonder welgemoed, haar hart klopte veel krachtiger dan het in jaren gedaan had, en zij rees in eigen oogen door het bewustzijn, dat zij niet meer handelde naar de belemmerende voorschriften van een moeielijken plicht, maar als een vrij mensch naar eigen oordeel en inzichten. Zij zou zich weten te verdedigen en de anderen bewijzen, dat zij goed gehandeld had.
Toen Maria bij het avondeten werd gemist en ook op het uur dat men zou gaan slapen nog niet te huis was, had Eudoxia veel te doen om de anderen gerust te stellen en te troosten; zij moest zich menige verkeerde uitlegging van haar uitblijven laten welgevallen. Doch zij nam alles geduldig op zich, en het deed haar goed voor hare lieveling veel te verdragen. Den volgenden morgen toen zij vrouw Johanna Maria's brief overhandigd had, werden haar geduld en hare liefde op nog harder proef gesteld; ja de zachte, goedige weduwe ontzag zich niet tegen haar uit te varen op eene wijze, die haar voor weinige dagen ontwijfelbaar zou hebben genoopt met booze, scherpe woorden haar ontslag te vragen. Doch zij hoorde alles rustig aan, en eerst toen tegen den middag de bisschop verscheen, om het kind naar het klooster te brengen, en deze toornig werd over het verdwijnen van Maria, de weduwe bedreigde en haar verzekerde, dat hij de kleine in het gansche land laten zoeken en eindelijk wel vinden zou, gevoelde zij dat nu de beurt aan haar gekomen was, om zich over eene overwinning te verheugen.
De Griekin liet den bisschop kalm het huis verlaten. Toen hij vertrokken was, schoot zij eerst haar laatsten en besten pijl af, door vrouw Johanna te bekennen, dat zij het waagstuk van het kind in de hand had gewerkt, om het te redden uit het klooster. De in haar ontwaakte moederlijke liefde maakte haar welsprekend, en wat zij nauwelijks meer verwacht had, had werkelijk plaats: de kleine vrouw met het warme hart, die haar gisteren met zulke booze woorden beleedigde, sloeg de armen om haar langen, mageren hals, bood haar den mond tot een kus, noemde haar een braaf en degelijk meisje, en vroeg vergiffenis voor alles, wat zij haar gisteren had aangedaan. Toen de Griekin zich ter ruste begaf, was het haar, alsof hare jaren waren afgenomen en zij het onschuldige jonge schepseltje weder meer gelijk was geworden, dat zij geweest was onder hare zusters in het ouderlijk huis.
DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Paula wist nu wat haar bedreigde. De bisschop Johannes had het haar medegedeeld, hoewel met alle omzichtigheid en met de verzekering, dat hij altijd nog vast hield aan de hoop, de uitvoering van dit zondig heidensch gruwelstuk te kunnen verhinderen. Doch ook zonder den prelaat zou de veroordeelde vernomen hebben welk lot haar wachtte, want dagelijks verzamelden zich talrijke volksmenigten voor de gevangenis, en zelfs over de hooge muren drong het geroep, om "de Nijlbruid" te zien tot haar door. Vaak werd haar met geestdrift een "heil!" toegeroepen, maar hadden de onzinnigen tevergeefs hunne keelen heesch geschreeuwd, dan smaadden zij haar op de schandelijkste wijze. De kreet: "de Nijlbruid!" kwam van den vroegen morgen tot den laten avond niet tot zwijgen, en de kerkermeester was blijde, dat de bisschop hem ontheven had van de taak om Paula te verklaren, wat dat noodlottige woord beteekende, naar welks zin zij hem reeds herhaaldelijk had gevraagd. Aanvankelijk had dit nieuw en vreeselijk gevaar haar schrik aangejaagd en diep geschokt, doch om rustig en zoo mogelijk blijmoedig gestemd voor haar zieken vader te verschijnen, deed zij al haar best, om vast te houden aan de hoop van den bisschop. Dit gelukte haar eenigermate overdag, doch des nachts werd zij door angst gemarteld, en in hare verbeelding zag zij zichzelve zooals zij, door een razenden volkshoop omgeven, naar den stroom werd gesleept, om voor de oogen van duizenden in het natte graf geworpen te worden. Geen gebed, geen wilskracht, geen worstelen vermocht iets tegen dit schrikbeeld, geen teedere liefdegroet, gelijk Orion haar telkens deed toekomen, geen lied, dat hij in de korte uren van verpoozing, die hij zich gunde, der beminde toezong, geen troostwoord van den bisschop, geen bezoek van lieve vrienden.
Deze laatsten liet de bewaarder bij haar toe, zoo veel hij kon, en onder hen, die tot haar vermochten door te dringen, behoorden ook de senator Justinus en zijne vrouw Martina. Tot haar geluk hadden dezen, zoodra de badslaven van de weduwe Susanna ziek waren geworden en de verklaring van den arts hun ter oore was gekomen, dat hij deze krankheid voor het begin van de pest hield, het huis van hunne vriendin verlaten, om andermaal hun intrek te nemen in de herberg van Sostratus. Hun neef Narses, die uit de slavernij verlost was, bleef echter bij Katharina's moeder achter. Eigenlijk had deze hen met Heliodora moeten volgen, doch juist toen zij gereed waren om op te breken, had de pest vrouw Susanna reeds aangetast en de overheid verboden dat iemand het huis zou verlaten.
Heliodora zou het misschien gelukt zijn alleen naar de stad te vluchten, doch zij wilde den ongelukkigen zwager voor geen prijs verlaten. Alleen in hare tegenwoordigheid gevoelde hij zich beter, alleen door haar liet hij zich verplegen, en hij weigerde spijs en drank, wanneer zij het niet was, die ze hem aanbood. Hier kwam bij dat de vroeger zoo gezette officier der ruiterij in zijn ziekelijken toestand treffend geleek op haar gestorven gemaal, terwijl zij wist dat Narses haar eerder dan deze had liefgehad en wat hij voor haar gevoelde alleen verborgen gehouden had om zijns broeders wil. Haar lust om te verplegen vond hier bevrediging, en de zorg voor den half vernietigden, maar toch nog niet geheel verloren jongen man, de wensch hem in het leven te behouden, hield haar dag en nacht op de been en deed haar al het overige als bijzaak beschouwen. Zij had weder iets om voor te leven, haar streven had een doel gevonden dat bereikbaar was, en zij wijdde zich daaraan met hart en ziel. Haar oom had haar in het geheim medegedeeld, dat Orion eene ernstige liefde voor Paula had opgevat. Dat was voor haar eene smartelijke teleurstelling geweest, doch de Damasceensche had haar eerbied afgedwongen, en ofschoon hare eigenliefde was gekrenkt, toch deed het haar goed den geliefden jongeling aan niemand minder dan aan deze jonkvrouw te verliezen. Wanneer haar verlangen naar hem in menige stille ure desniettemin weder ontwaakte, scheen het haar toe, dat zij den verpleegde verongelijkte en in zijne rechten verkortte.
Wat Katharina betrof, was Heliodora, na hare moeder, het uitverkoren voorwerp harer zorg. De minste klacht van deze twee maakte haar vreeselijk beangst, en wanneer Susanna afgemat van de hitte zich neerwierp op den divan, of de jonge vrouw na een bij haren kranke doorwaakten nacht, over de vroegere hoofdpijnen klaagde, werd het meisje bleek, voelde zij haar hart pijnlijk kloppen, en zag zij in hare verbeelding de eene na de andere door de pest aangetast, met gloeiend hoofd en de verschrikkelijke, noodlottige vlekken op voorhoofd en wangen. Zoodra zulke schrikbeelden de jeugdige misdadige van verre naderden, gevoelde zij telkens weder die rampzalige drukking op dezelfde plek van het hoofd, waar de door koorts verhitte hand van den kranken bisschop had gelegen.
De vrouw van den senator had bij de gevangenneming van Paula hare houding tegenover het kwikstaartje zoo zeer veranderd, dat Katharina in haar niet anders zag dan een wandelend verwijt, en zij dus niet ongaarne het waardige paar het huis had zien verlaten. Doch nauwelijks waren zij vertrokken, toen in hunne plaats het grootste onheil de woning binnentrad. De slaaf, die belast was met het stoken van den badoven, had een deel der verpeste kleederen, die men hem had gegeven om te verbranden, achtergehouden, en zijn zoon die hem daarbij had geholpen, en hare voedster, de moeder van haar zoogbroeder Anubis, waren dadelijk na hare terugkomst van de tooveres en den bisschop in persoonlijke aanraking met haar gekomen. Deze drie waren het eerst door de pest aangetast. Zij waren naar de tent voor de zieken gebracht, de oude stoker en de voedster reeds als lijken. Maar had men met deze lieden de verschrikkelijke plaag ook het huis uitgejaagd? Zoo niet, dan kwamen zij aan de beurt, die zijzelve het als een sluipmoordenaar rondwarend monster in de armen had geworpen: eerst Heliodora en daarna hare moeder! Eigenlijk had zij deze twee voor moeten gaan, en wanneer de ziekte die anderen aangreep en de dood haar ten laatste in het graf stiet, dan bewees hij haar daarmede eene weldaad.
Zij was nog zoo jong en toch haatte zij het leven, dat haar niets meer opleverde dan vernedering, ontgoocheling en pijlschoten, die haar hart van uit den kerker tot in het binnenste troffen, en gruwzame doodsangst, die haar geen rust liet, bij dag noch bij nacht. Toen de arts kwam, om de zieken naar de tent in de woestijn te doen overbrengen, vertelde hij terloops, dat de rechters de dochter van Thomas ter dood hadden veroordeeld, en dat het volk zoowel als de senatoren besloten waren, niettegenstaande het verzet van den nieuwen bisschop, haar volgens oud gebruik als een offer in den stroom te werpen. Eerst morgen zou het lot van Orion beslist worden, doch het deed hem bij de Jacobietische rechters zeer veel kwaad, dat hij zich deze Melchietin tot vrouw had uitverkoren. Katharina had zich toen aan den leuningstoel harer moeder moeten vasthouden, om niet op de knieën te vallen, en met hoogroode wangen hoorde zij den arts uit, tot deze het geduld verloor en haar verliet, ontstemd over zulk een overmaat van vrouwelijke nieuwsgierigheid.
Ja "de andere" was nu voor de geheele wereld zijne bruid; doch zij was het alleen, om te sterven! Het was haar bij deze gedachte of een heete stroom in haar binnenste kookte en zij had luide willen schaterlachen en ieder om den hals vallen. Afschuwelijk, boosaardig leedvermaak was het, dat haar aangreep, maar dit gaf haar genot, heerlijk genot; het was eene bloem der hel, doch met glansrijke bladeren en een bedwelmende geur. Maar hare kleur verblindde en van de geur gevoelde zij weldra afkeer. Zij werd bang voor zichzelve, en toch had zij telkens weder willen juichen, wanneer de gedachte bij haar opkwam: "de andere moet sterven!" Hare moeder vreesde, dat hare dochter ook ziek zou worden, want hare oogen schitterden met zulk een vreemden glans; zij was zoo onrustig, zoo zenuwachtig opgewonden.
Sedert Heliodora de door merg en been gaande tijding van Orions en Paula's verloving, met onbegrijpelijke, zij het ook pijnlijke kalmte had aangehoord, was zij voor het heetbloedige meisje niet meer dan een zwak, nietsbeteekenend schepsel, dat hare opmerkzaamheid niet waard was. En om harentwil had zij iets gedaan, dat zoo sprekend op een moordaanslag geleek als de eene adder op de ander, had zij zelfs het leven harer eigene moeder in gevaar gebracht! Het was om radeloos te worden, om zichzelve met roeden te geeselen.
Toen vrouw Susanna haar dien avond een nachtkus gaf, klaagde zij over eene lichte pijn in den hals, en over hare lippen, die gezwollen waren, zoo zij dacht. Katharina hield haar staande, hoorde haar uit met eene bevende stem, bracht het licht bij haar mond en zocht met ingehouden adem op haar gelaat, haar hals en hare armen naar de vreeselijke vlekken. Doch zij kon er geene ontdekken, en vrouw Susanna lachte over hare angst en noemde Katharina haar goed, zorgzaam kind en waarschuwde haar, zich niet te bevreesd te maken, daar dit haar vatbaar maakte voor de ziekte. Dien nacht kon het meisje den slaap niet vatten. Het leedvermaak was verdwenen: alleen smartelijke gedachten en angstwekkende beelden beklemden haar wakende, en nog onverbiddelijker als zij indommelde. Bij het aanbreken van de schemering werd hare bezorgdheid over hare moeder zoo groot, dat zij opstond en tot haar ging. Maar Susanna sliep zoo vast, dat zij haar kind niet eens hoorde. Gerustgesteld ging Katharina heen, maar tegen den morgen gebeurde wat zij zoo gevreesd had--vrouw Susanna gevoelde zich niet meer in staat op te staan, had de koorts, en boven hare lippen, dezelfde lippen, waarmede zij haar verpeste lokken had gekust, vertoonden zich tusschen mond en neus inderdaad en onloochenbaar de eerste schrikkelijke vlekken.
De arts verscheen en verzekerde dat het de pest was. De villa werd van de buitenwereld afgesloten. De geneesheer en vrouw Susanna, die nog bij haar volle bewustzijn was, wenschten, drongen er ten sterkste op aan, bevolen zelfs dat Katharina naar de tuinmanswoning zou verhuizen; maar zij weigerde dit met onwrikbare trots en verklaarde liever te willen sterven dan van hare moeder te scheiden. In hare radeloosheid wierp zij zich over de kranke, om de roode vlekken aan haren mond te kussen en de pest zoo te doen overgaan in haar eigen bloed. Doch de arts trok haar met weerzin weg, en de zieke berispte haar met betraande oogen, waaruit tegelijk hare innige liefde sprak.
Van nu aan mocht zij de verpleging harer moeder op zich nemen. Twee nonnen stonden haar daarbij ter zijde en zeiden niet alleen tot de lijdende, maar ook tot elkander achter den rug der rijke weduwe, dat zij zulk eene zelfopofferende, liefdevolle dochter nog niet ontmoet hadden. Ook in tegenwoordigheid van bisschop Johannes, die zich niet ontzag de huizen der aangetasten binnen te gaan en hun te troosten, roemden zij de houding van Katharina, en de prelaat, die in het kwikstaartje tot hiertoe slechts een flink, vroolijk kind had gezien, bejegende haar met achting, knoopte met haar gesprekken aan als met eene volwassene, en beantwoordde uitvoerig en ernstig hare vragen, die grootendeels op Paula betrekking hadden.
Vol bewondering voor de zielegrootheid van Thomas' dochter vertelde de prelaat aan het meisje, hoe zij, om haar geliefde te redden, een misdrijf op zich genomen had, dat haar alle aanspraak op genade ontnam. De Damasceensche was wel is waar eene Melchietin, maar uit liefde de schuld van een ander op zich te laden, zoo iets dan mocht dit heeten Christus na te volgen.
Katharina haalde de schouders op, als wilde zij zeggen: "En vindt gij dat groot? Zou hetzelfde mij ook niet licht zijn gevallen?"
De priester merkte dit op en vermaande haar op vriendelijken toon, zich te wachten voor geestelijken hoogmoed, hoewel zij zich ook het recht had verworven met het zwaarste belast te worden en niet ophield een voorbeeld te geven van kinderlijke en christelijke liefde.
Daarop verwijderde hij zich, en Katharina, die elken lof op hare houding tegenover hare moeder, die door haar schuld op het ziekbed was geworpen, als eene kwellende beleediging beschouwde, waarover zij zich boos maakte, begon te meenen, dat zij dezen waardigen man bedrogen had. Doch het verwijt van geestelijken hoogmoed verdiende zij niet, want in dit stille vertrek, op welks drempel de dood stond, herinnerde zij zich telkens weder alle vreeselijke misdaden die zij begaan had, en bekende zij zich onophoudelijk, dat zij van alle zondaressen de grootste, de slechtste was.
Soms gevoelde zij behoefte, om aan een ander gemoed haar vertrouwen te schenken, aan bevriende oogen hare innerlijke ellende te toonen om er in te deelen. Den bisschop, den eerwaardigen priester, dien zij kende, had zij bijzonder gaarne alles bekend, en zich eene boete willen laten opleggen, hoe zwaarder hoe beter. Doch de schaamte over hetgeen zij begaan had hield haar daarvan terug, en nog stelliger, nadrukkelijker iets anders. De geestelijke, dat wist zij, zou van haar verlangen, met het oude leven te breken, de gevoelens en wenschen met wortel en tak uit hare ziel te rukken en een nieuw leven te beginnen. En daartoe was de tijd nog niet gekomen. Hare liefde was voor haar nog eene levensvraag, en de haat haar nog te dierbaar. Eerst als Paula, "de andere", haar vreeselijk vonnis had ondergaan; als zij, Katharina, met de oude gevoelens in het hart zich daaraan verkwikt had; als het haar gelukt was, Orion te toonen, dat hare liefde voor hem niet minder groot en sterk en zelfopofferend was geweest dan die van Thomas' dochter; als zij hem--wanneer dan ook, het zou en moest geschieden--zou hebben gedwongen te erkennen, dat hij haar smadelijk miskend en zich aan haar bezondigd had--dan, eerst dan wilde zij vrede maken met zichzelve, de kerk en haren Heiland, als het zijn moest den sluier aannemen en het overige van haar jonge leven als boetelinge in een klooster of in eene eenzame rotsspelonk in droefheid verslijten. Doch thans, nadat Paula, zijne bruid, dit groote voor hem gedaan had, ongezien, onopgemerkt, zonder dat hij er acht op sloeg, misschien door hem vergeten, een einde te maken aan hare liefde, zich in zichzelve terug te trekken, buiten zijn gezichtskring, dat ging alle menschelijke krachten te boven! Liever wilde zij dan te gronde gaan naar lichaam en ziel, liever in handen van den satan vallen en lijden in de hel, waaraan zij even vast geloofde als aan haar eigen bestaan.
Zoo ging zij voort hare moeder te plegen, zag zij hoe de roode vlekken zich uitbreidden over het geheele lichaam van de kranke, en de koorts, die haar sloopte, van dag tot dag, van uur tot uur in hevigheid toenam; hoorde zij met ontzetting en akelig welbehagen, waarvan zijzelve gruwde en waaraan zij zich toch overgaf, gewagen van de toebereidselen voor het offer der Nijlbruid; liet zij zich door den bisschop van Paula, haren stervenden vader en Orion vertellen; beefde zij voor de kleine Maria, die uit 's buurmans huis was verdwenen, tot zij te weten kwam, dat het kind de wijk had genomen, om het klooster te ontvluchten; vernam zij dagelijks, dat Heliodora, die met haar verpleegde naar de tuinmanswoning was verhuisd, nog van de pest verschoond bleef; smeekte zij in gebeden, die zij ook thans niet verzuimde 's avonds en 's morgens ten hemel te zenden, den lieven God en hare heiligen, om de jonge vrouw te bewaren, haar zelve niet tot eene moedermoordenares te maken, dat door haar verraad de eerwaardige Rufinus, dien zij had liefgehad, en met hem zoovele onschuldige menschen om het leven waren gekomen.
Zoo verliepen akelige dagen en nachten vol kwelling, en de door Katharina's schuld in den kerker gebrachte gevangenen, waren gelukkiger dan zij, ondanks het vreeselijke, dat hen bedreigde. Wat zijne geliefde boven het hoofd hing, kwelde Orion als ontelbare brandende wonden. Onherroepelijk naderde Paula's vreeselijk einde, waaraan hij bijna niet denken mocht. Overmorgen--de gevangenbewaarder, de senator Justinus, de bisschop hadden het hem in het geheim medegedeeld,--zou het huwelijksfeest zijner verloofde gevierd worden. Overmorgen wilden ellendige spottershanden de bruid optooien voor een schandelijk, doemwaardig comediespel, haar bekransen en uithuwelijken, niet met hem, den bruidegom dien zij lief had, maar met den Nijlstroom, het gevoelloos, doodend element.
Als een waanzinnige liep hij vaak door zijne cel op en neer, brak hij de snaren, als hij soms in het luitspel troost zocht; maar dan vernam hij uit het aangrenzend vertrek eene kalme, welmeenende stem, die van den rentmeester Nilus, die hem vermaande de hoop niet op te geven, op God te vertrouwen, zijn plicht en zijne taak niet te vergeten. Dan herstelde hij zich weder, verzamelde hij opnieuw zijne krachten en verdiepte zich geheel in zijn arbeid. Het was hem om 't even, of het dag of nacht was. De senator had voor olie en lampen gezorgd. Als vermoeienis hem overviel, genoot hij niet langer van den korten slaap op het harde leger, dan de natuur volstrekt eischte. Doch zoodra hij een weinig was uitgerust, verdiepte hij zich weder in zijne plannen en lijsten, voerde hij den schrijfstift, dacht hij na, teekende, rekende en overwoog. Zoodra er twijfelingen bij hem opkwamen en hij zijn eigen oordeel en geheugen niet vertrouwde, klopte hij aan den wand van het aangrenzend vertrek, en de verstandige, ervaren vriend was steeds bereid, hem naar zijn beste weten en inzicht te helpen. De senator deed een tocht naar Arsinoë, om hem het noodige over het meerland uit het archief aldaar te verschaffen, en zoo vorderde de arbeid en naderde het einde, deze versterkte en verhief zijn zinkenden moed, vervulde hem met vreugde, ziende dat het gelukte, deed hem menigmaal uren lang vergeten, wat anders wel in staat was, ook den moedigste tot vertwijfeling te brengen.
Zoo vaak de gevangenbewaarder, de senator, diens wakkere gemalin Martina, vrouw Johanna of ook de Griekin Eudoxia, aan wie de weduwe tweemaal toestond haar te vergezellen, hem bezochten, gaf hij haar eene mondelinge of schriftelijke mededeeling, hoever hij gevorderd was met de oplossing van het vraagstuk, voor Paula mede, en het gaf haar troost en innerlijke vreugde, hem bij zijn arbeid te volgen. Ook menig teeken van liefde, achting en bewondering sterkte de gevangene, wanneer haar moedig hart dreigde te bezwijken.
Ach haar kwelde niet alleen de afschuw van dien vreeselijken dood! Het grootste geluk haars levens was voor haar geweest het terugvinden van haren vader, en deze kwijnde onherstelbaar weg, onder hare liefderijke verpleging. Die ongelukkige verwonde long weigerde den dienst. Met moeite en onder pijn kon hij alleen nog enkele druppels wijn en eenige beten broods gebruiken, en zijn heldere geest was in de laatste dagen als beneveld geworden. Wellicht tot zijn geluk, zeide zij tot zichzelve en tot hare vrienden. Ook hij had de kreet: "Heil de Nijlbruid!" "Naar buiten met de Nijlbruid!" "Weg met de Nijlbruid!" vernomen, en ofschoon hij de beteekenis ervan niet begreep, hielden die stemmen hem in de laatste dagen toch voortdurend bezig. Dat schrikkelijke, vreemd klinkende woord scheen hem bijzonder te bevallen, want tot kwelling van Paula prevelde hij het gaarne, nu eens op teederen, dan weder op ernstigen toon.
Soms kwam de gedachte bij de jonkvrouw op, om een einde aan haar leven te maken, alvorens het verschrikkelijk vonnis werd voltrokken, voor zij zich aan een geheel volk liet tentoonstellen en door de menigte aangapen, vóor zij het middelpunt aanbood van een vermakelijk, opwekkend, maar tevens afschuw- en medelijdenwekkend schouwspel. Maar mocht zij dit doen? Mocht zij God vooruitloopen, op wien zij hoopte, in wiens hand zij zich overgaf in ontelbare stille en innige gebeden? Neen! Tot het laatste oogenblik wilde zij vertrouwen en hopen. Zonderling, zoo vaak haar weerstandsvermogen zijn grens had bereikt, zoo vaak zij meende stellig en zeker niet verder te kunnen, en te moeten bezwijken, kwam haar iets te gemoet, waaraan zij zich weder oprichten kon, dat haar troost en bemoediging bracht; want dan kwam er een boodschap van Orion, trad vrouw Johanna of Pulcheria bij haar binnen, liet de bisschop haar om een onderhoud vragen, kreeg haar vader zijn bewustzijn weder en sprak hij schoone, hartverheffende woorden. Dikwijls diende de bewaarder ook het senatorenpaar aan, welker gezonde, blijmoedige stemming altijd het juiste woord voor haar wist te vinden. Inzonderheid vrouw Martina verstond de kunst om met moederlijke fijngevoeligheid op alles acht te geven, wat haar vervulde, en eens toonde zij haar ook een brief van Heliodora, waarin deze de matrone mededeelde, hoe heerlijk haar hart tot rust kwam bij de verpleging harer lieve kranke, en hoe dankbaar zij zich gevoelde, dat hare moeite en zorg beloond werden; want Narses was reeds een geheel ander mensch geworden, en zij kende geen hooger taak, dan dezen ongelukkige weder met het leven te verzoenen, ja er hem liefde voor te doen opvatten. Zij dacht aan Orion niet anders dan aan een schoon lied, dat zij eens in eene vriendelijke ure gehoord had.
Zoo vloog de tijd voor de gevangene om, tot nog maar twee nachten haar van den Serapisdag scheidden, waarop de vreeselijke bruiloft gevierd zou worden. Toen, het was tegen den avond, liet de bisschop zich bij Paula aandienen. Hij achtte het zijn plicht haar mede te deelen, dat de voltrekking van het vonnis op overmorgen bepaald was. Hij bleef tot het einde aan zijn geloof en zijne hoop vasthouden, maar zijne macht over de misleide, opgeruide gemoederen was gebroken. In elk geval zou hij, als het ergste gebeurde, aan hare zijde blijven, om haar te beschermen door de waardigheid van zijn ambtsgewaad. Hij kwam reeds heden, om haar tijd te laten in elk opzicht hare beschikkingen te maken. Het zou hem tot eene vreugde, ja tot een dierbaren plicht zijn voor haren edelen vader te zorgen tot zijn laatste oogenblik.
Maar hoe stellig zij ook sedert lang op het uiterste was voorbereid, trof deze tijding haar toch als een bliksemstraal. Wat haar wachtte scheen zoo ontzettend en zonder voorbeeld, dat het wel nimmer mogelijk kon zijn, zulk een einde standvastig en gelaten tegen te gaan. Een tijd lang moest zij, zichzelve bijna niet meester, zich aan hare trouwe Betta vasthouden en langzamerhand eerst voelde zij zich in staat den bisschop te woord te staan en hem te danken. Doch Johannes betreurde zijn onvermogen en zeide hare erkentelijkheid niet ten volle te verdienen, want het antwoord van den patriarch op zijne aanklacht tegen hen, die het volk voorspiegelden dat eene heidensche misdaad redding zou verschaffen, dit schrijven, waarop hij al zijne hoop had gesteld was anders uitgevallen, dan hij verwacht had. Wel is waar veroordeelde de patriarch het schandelijk offer, doch het geschiedde op eene manier, waaraan alle kracht ontbrak, om de misleiden schrik aan te jagen en te ontmoedigen. Toch wilde hij beproeven welk eene uitwerking dit schrijven op het volk zou uitoefenen, en hij had een aantal afschrijvers opgedragen het in dezen nacht te vermenigvuldigen. Morgen zouden de afschriften onder de senaatsleden verdeeld, op de markt aan alle openbare gebouwen aangeslagen en onder de menigte uitgedeeld worden. Toch vreesde hij, dat alles zonder uitwerking zou blijven.
"Sta mij dan bij, om mij op den dood voor te bereiden," verzocht Paula somber. "Gij zijt geen priester mijner kerk, Johannes, maar deze kan geen waardiger dienaar hebben. Wanneer gij mij in naam van uw Heiland vergeeft, dan zal mij ook mijn Verlosser vergeven. Wel beschouwen wij hem anders, maar daarom blijft hij voor ons beiden dezelfde."
In den strengen Jacobiet werd de lust tot tegenspraak wakker, maar hij wist die in deze ure te onderdrukken en antwoordde alleen: "Spreek mijne dochter, ik luister!"
En nu stortte zij haar gemoed voor hem uit, als ware hij een zielenherder van haar eigen geloof, en den prelaat welden de tranen in de oogen bij deze biecht van eene reine, liefdevolle, het beste en het hoogste zoekende ziel. Hij verzekerde haar van de genade zijns Verlossers, en nadat hij "Amen" gezegd en haar gezegend had, zag hij een tijdlang voor zich en zeide eindelijk: "Volg mij, kind!"
"Waarheen?" vroeg zij onthutst, want zij geloofde dat hare laatste ure reeds gekomen was, en hij zich gereed maakte, haar naar de gerechtplaats of haar vochtig, eeuwig stroomend graf te voeren.
Doch hij antwoordde bewogen: "Neen mijn kind! Heden heb ik alleen de aangename taak te vervullen uwe verloving in te zegenen voor het aangezicht van den Allerhoogste, wanneer gij mij belooft uw bruidegom niet af te trekken van het geloof zijner vaderen. Want wat geeft een man al niet prijs, als de liefde tot eene vrouw hem beheerscht! Belooft gij dat? Welnu, dan geleid ik u tot uw Orion."
Daarop klopte hij aan de deur der cel, en toen de wachter haar opende, fluisterde hij hem een bevel in het oor. Zij volgde hem zwijgend en met blozende wangen; weinige oogenblikken later lag zij in de armen van haar geliefde, en voor de eerste misschien voor de laatste maal huns ganschen levens vonden zijne lippen de hare.
De prelaat liet hun een korten tijd bij elkander, en nadat hij beiden en hunne verloving gezegend had, bracht hij haar weder naar hare cel terug. Daar gekomen had zij nauwelijks tijd, hem uit de volheid van haar overvol gemoed te danken, want een veiligheidswachter kwam hem ontbieden naar het huis der weduwe Susanna: hare laatste ure was nabij, misschien reeds gekomen.
Johannes volgde den bode onverwijld, Paula zag hem vrijer ademhalende na. Toen wierp zij zich aan de borst van hare voedster en zeide: "Laat nu komen wat wil: Niets kan ons meer scheiden, zelfs niet de dood!"
VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
De bisschop kwam te laat. Hij vond alleen het lijk van de weduwe Susanna, en aan het hoofdeinde van het sterfbed de kleine Katharina doodsbleek, zwijgende, zonder tranen, als verpletterd. Hij trachtte haar op te beuren en een vriendelijk woord van troost toe te spreken, maar zij stiet hem terug, rukte hare handen uit de zijne en vloog, eer hij het verhinderen kon, de kamer uit.
Arm kind! Hij had aan menig sterfbed teeder liefhebbende dochters hare moeder zien betreuren, maar zulk een vorm van droefheid had hij nog niet ontmoet. Hier, dacht hij, zijn twee menschenzielen voor elkander alles geweest, en vandaar deze verpletterende smart.
Katharina was naar hare kamer gevlogen, had zich daar op den divan geworpen en hare ledematen zoo in elkander getrokken, dat geen binnentredende dat onkenbare, levende iets daar op het kussen voor een menschelijk wezen, een volwassene hartstochtelijke en gevoelige jonkvrouw zou hebben gehouden. Het was zeer heet, en toch voer de eene koude rilling na de andere haar door de teedere leden. Was het misschien de pest, die ook haar aangreep? Maar neen, het ware een te groote genade van het lot geweest, zich over haar lijden te erbarmen. Hare moeder dood, door hare eigene dochter in het graf gesleept! Op hare lippen was de ziekte uitgebroken, en hoe dikwijls had de arts zijne bevreemding uitgesproken, dat de pest in dit gezonde, geheel verschoonde kwartier en in een zoo zorgvuldig rein gehouden huis was binnengedrongen. Zij wist wie de doodsengel op de hielen was gevolgd, wie daar misdadig met hem had gespeeld. Het woord "moedermoordenares" kwam in haar geest op, en zij dacht aan de wet harer voorvaderen, die geen straf had gesteld op moord van ouders, omdat de vaderen zulk eene onnatuurlijke daad voor onmogelijk hielden.
Een spottende glimlach speelde haar daarbij om de lippen. Wet! Voorschrift! Was er wel een die zij niet had overtreden? Zij had haren God geminacht, zich met tooverij ingelaten, valsche getuigenis gegeven, gedood, en het eenige gebod, dat tevens eene gelofte bevatte, en dat, als de arts Philippus goed onderricht was, letterlijk zooals op de tafelen van Mozes, onder de instellingen der ouden stond opgeteekend, hoe had zij dat gehouden? Hare eigene moeder was door haar in het verderf gestort. Bij deze schrikkelijke zelfbekentenis voelde zij steeds die huivering door hare leden, en toen dit haar ondragelijk begon te worden, ging zij op en neer loopen, zoekende naar verontschuldigingen voor hare misdadige handeling. Niet hare moeder maar Heliodora had zij gewenscht den dood te brengen--waarom had het grillige noodlot...
Daar werd zij gestoord, want de jonge vrouw, tot wie de droeve tijding was doorgedrongen, zocht haar op, om haar te troosten en hare hulp aan te bieden. Zij sprak het meisje liefderijk toe, doch hare zachte welluidende stem herinnerde Katharina aan de ure na den dood des bisschops, en toen Heliodora de armen uitstrekte, om haar te omhelzen, ging zij achteruit en verzocht met een heesche, ruwe stem haar niet aan te raken want aan hare kleederen kleefde de smetstof. Zij had geen troost noodig; zij begeerde slechts alleen te zijn, geheel alleen, en niets meer.
Deze laatste woorden klonken hard en onvriendelijk, en toen de deur zich achter de jonge vrouw sloot, zag Katharina haar vijandig na. Waarom was de dood deze voorbijgegaan en had hij juist haar als offer geëischt, wier verlies voor haar onherstelbaar was? Nu trad het beeld harer moeder haar levendig voor den geest; zij ijlde weder naar het sterfbed terug en wierp zich daarbij op de knieën. Maar ook hier kon zij het niet lang uithouden; zij ging naar den tuin en zocht elk plekje op, waar zij met hare moeder geweest was. Doch zij hoorde zulk een vreemd gekraak in de boschjes, de boomen en heesters wierpen zulke wonderlijke schaduwen, dat zij het morgenlicht als eene uitkomst begroette.
Toen zij het huis weder binnen wilde gaan, kwam haar zoogbroeder Anubis haar te gemoet hinken. Die arme schelm! Ook dezen had zij kreupel gemaakt, ook zijne moeder was door haar toedoen aan de pest bezweken. De knaap sprak haar aan en gaf haar zijne deelneming te kennen, zij liet zich dit welgevallen, maar zeide zulke zonderlinge dingen en gaf hem zulke verkeerde antwoorden, dat hij vreesde dat de smart haar in het hoofd was geslagen. Zonder eenige aanleiding deed zij hem ook de vraag, hoeveel zij nu wel bezat, en daar hij van den rentmeester wist, hoe groot ongeveer het vermogen was en het haar mededeelen kon, sloeg zij de handen in elkaar; want hoe kon een enkel mensch, die geen koning was, zulke groote rijkdommen bezitten? Eindelijk vroeg zij hem of hij ook wist hoe men een testament moest opstellen, en ook daarop durfde hij toestemmend antwoorden.
Zij liet er zich door hem eene beschrijving van geven en hij voegde erbij, dat de onderteekening door getuigen geldig gemaakt moest worden; maar zij was toch nog te jong, om aan het opstellen van een uitersten wil te denken.
"Waarom?" vroeg zij. "Is Paula dan zooveel ouder dan ik?"
"En overmorgen," liet de knaap erop volgen, "werpt men haar toch in den Nijl. Het volk noemt haar algemeen 'De Nijlbruid'."
Daar speelde weder het hatelijk, van innig leedvermaak getuigende lachje om haar mond; maar zij onderdrukte het spoedig en liep rechtdoor naar huis.
Voor de deur vraagde hij haar schuchter, of hij de meesteres nog eens zien mocht, maar zij moest hem dit weigeren om de besmetting.
"Wat gij niet vreest, vrees ik ook niet," antwoordde hij trotsch, en volgde haar naar het sterfbed, waar het lijk, na een bad te hebben ondergaan, thans keurig uitgedoscht lag. Toen hij Katharina de hand van de gestorvene zag kussen, drukte hij, zoodra zij even omkeek, zijne lippen op dezelfde plaats, die de hare hadden aangeraakt. Daarop zette hij zich naast het sterfbed neer en bleef daar tot zij hem wegzond.
Vóor het middag was verscheen de bisschop weder en zegende de ontslapene in. Hij vond haar geheel door kostelijke bloemen omgeven. Katharina was weder in den tuin geweest, had de schoonste en zeldzaamste afgesneden en de hovenier wel veroorloofd haar den korf na te dragen, maar niet haar bij het plukken behulpzaam te zijn. Het gevoel althans nog iets voor hare moeder te kunnen doen, was vertroostend voor haar geweest, doch hare omgeving kwam haar bij dag nog onverdragelijker voor dan bij nacht. Alles scheen haar zoo groot, zoo ruw, zoo aanmatigend, zoo dreigend toe, en herinnerde haar aan een onrecht of eene daad, waarover zij zich schaamde. Ieder open oog, zoo meende zij, moest haar doorzien, en soms was het haar als waggelden de zuilen van de groote feestzaal, waarin het lijk nu stond, en als maakte de zoldering zich gereed in te storten om haar te verpletteren.
Alsof zij er in het geheel niet bij was, zoo gaf zij telkens geheel verkeerde antwoorden op de vragen van den bisschop. Deze meende dat zij te zeer onder den invloed verkeerde van hare groote smart, en om aan hare gedachten eene andere richting te geven, vertelde hij haar van Paula. Daar hij geloofde, dat Katharina haar liefhad, deelde hij haar in vertrouwen mede, dat hij haar gisteren bij Orion gebracht en hare verloving met hem ingezegend had.
Daar vertrok zich opeens haar gelaat op een wijze, die den bisschop verschrikte, en gedurende den vreeselijken strijd, die in haar binnenste woedde, bewoog zich haar boezem onstuimig en krampachtig op en neer; ten laatste kon zij niets anders uitbrengen dan de vraag: "En zal men haar toch offeren?"
De prelaat meende haar te begrijpen. Zij stond zeker onder den indruk van het ontzettend en gruwzaam einde, dat deze jonge bruid bedreigde, en hij antwoordde op klagenden toon: "Ik zal de vermetelen niet kunnen terughouden, en toch zal ook het laatste middel niet onbeproefd blijven. Het schrijven van den patriarch, dat deze waanzinnige schanddaad afkeurt, wordt heden uitgedeeld, en op de kurie zal ikzelf het voorlezen, toelichten en trachten er partij van te trekken door het nog te verscherpen. Wenscht gij het te lezen?"
Daar zij deze vraag met welgevallen toestemmend beantwoordde, wenkte de prelaat den akoluth, die hem met het heilige gereedschap gevolgd was, en deze haalde uit een pakje een blad, dat hij haar overhandigde.
Zoodra zij alleen was, doorlas zij den brief van den patriarch, eerst vluchtig, zonder den inhoud recht te begrijpen, dan met grooter inspanning en eindelijk opmerkzaam en met klimmende belangstelling, opgewonden door hetgeen zij zelve er bij dacht, en ten laatste met fonkelende oogen en versnelde ademhaling, als had dit schrift betrekking op haarzelve en besliste het over haar levenslot. Toen de lijkdragers verschenen, zat zij nog op dezelfde plaats, onophoudelijk op het papyrusblad starende. Zij rees nu op, maakte eene beweging alsof zij iets van zich afschudde, en nam afscheid van het verstijfde, koude omhulsel harer moeder, aan wier warm hart zij zoo vaak had gerust, die bij haar leven haar het meest had liefgehad. Doch ook thans werd haar de weldaad ontzegd van te kunnen weenen. Zij gevoelde nu niets meer van de diepe gewetenswroeging, die haar gepijnigd had, want het was haar alsof de gemeenschap tusschen haar en de gestorvene met den dood niet was afgesloten, als stond haar na eene korte scheiding een wederzien te wachten, misschien spoedig, misschien reeds morgen, en met dat wederzien eene verklaring, eene openbaring van hare hartsgeheimen, eene opheldering van al het gebeurde, zoo open, zoo zonder achterhouding, als nooit mogelijk was tusschen sterfelijke menschen, zelfs niet tusschen dochter en moeder. Wanneer die doove, blinde, gevoellooze ontslapene met helderder oogen dan zij als mensch bezat, met geestelijke ooren en gevoelszenuwen daarboven nog eens alles en alles zag, hoorde, onderzocht, overwoog wat haar bejegend en aangedaan was, wat zij gevoeld en wat haar tot dit uiterste gebracht had dan, zeide zij tot zichzelve, zou zij haar misschien harder berispen en bestraffen dan ooit te voren op aarde, maar haar ook krachtiger aan haar hart drukken en inniger trachten te troosten.
Zij fluisterde de doode in het oor, als leefde hare moeder nog: "Wacht maar, wacht, ik kom spoedig, om u alles te openbaren!" Daarop kuste zij haar zoo onbezorgd en hartelijk, dat de nonnen ontsteld haar van het lijk terugtrokken en de lijkbezorgers bevalen de kist te sluiten. Dezen gehoorzaamden en toen het houten deksel over de ontslapene werd gelegd, en krakend in de gleuven van de kist werd gewrongen, zoodat de doode aan Katharinas oogen werd onttrokken, brak de dam, die tot hiertoe hare tranen had teruggehouden, en begon zij bitter te weenen. Eerst nu overweldigde haar het gevoel geheel, dat zij hare moeder had verloren, dat zij eene verlatene wees was, en alleen stond, geheel alleen in de wijde wereld.
Zij zag en hoorde niet wat er verder met het geliefde lijk gebeurde, want toen zij de handen weder wegnam van het in tranen badende gelaat, was de meesteres uit het huis van de rijke weduwe Susanna verdwenen, had men haar stoffelijk overschot naar het naastbijzijnde pesthuis gedragen.--De wet verbood de lijken langer in huis te houden, en schreef voor, dat zij eerst des nachts begraven mochten worden. Zelfs het eigen kind mocht de moeder niet naar het kerkhof volgen.
Met gebogen hoofd begaf Katharina zich naar hare kamer terug, en staarde van daar in den tuin. Dat alles was nu haar eigendom, daarmede en met hoeveel meer, mocht zij thans handelen naar welgevallen, vrij en ongehinderd, gelijk tot hiertoe met haar vogel, haar hondje en de sieraden daar op haar kaptafel. Honderden kon zij gelukkig maken met éen woord, met éene beweging harer hand, zichzelve alleen niet. Zoo geheel volwassen, zoo zelfstandig, zoo vrouwelijk, ja zoo machtig en toch tegelijk zoo nameloos ellendig en onmachtig als in deze ure had zij zich nog niet gevoeld. Wat zou zij beginnen met al dat klatergoud? Het was niet voldoende om ook maar éen zielsverlangen te bevredigen!
Zij had met eene belofte van hare moeder afscheid genomen; die vurige begeerte, die hare geheele ziel vervulde, hield niet op zich te doen gevoelen, en nu had zij door den brief van den patriarch een wenk ontvangen, om tot het houden dier belofte, het stillen dier begeerte te geraken. Onverwijld nam zij dit schrijven weder ter hand en las het nog eens over. Het begon met eene strenge veroordeeling van het voornemen der misleide Memphieten. Vervolgens stelde het in het licht, dat Jezus Christus door zijne zelfopofferend sterven de wereld had verlost, en met zijn goddelijk bloed den hemel het verlangen naar menschenoffers had afgekocht. In het uitgestrekt gebied, dat zegenend door het kruis werd beschaduwd, was daarom elk menschenoffer eene nuttelooze, eene vloekwaardige gruweldaad. Daarop toonde hij aan, hoe de heidenen zich hunne goden hadden voorgesteld, als zwakke, zinnelijke, zondige menschen, en daarnaar ook hunne offeranden hadden ingericht. "Doch onze God," ging het voort, "staat zooverre boven het menschelijke, als de geest boven het vleesch, en de offers die hij verlangt, vraagt hij niet van het vleesch, maar van den geest. Moet hij zich niet bedroefd en toornig afwenden van de verblinde christenen te Memphis, die in allen deele willen voelen en handelen als dwaze, gruwzame heidenen? Zij willen slechts eene vreemde offeren, eene die een ander geloof omhelst, en wanen dat dit den gruwel voor de oogen des Heeren zal verminderen; maar Hij heeft er desniettemin een afschuw van; want geen menschenbloed mag de gewijde, reine altaren van ons zachtaardig geloof bezoedelen, dat leven wil brengen, niet den dood.
"Zou--vraag dit, mijn broeder, aan uwe verblinde en verdoolde schapen--zou de vader der liefde zich verblijden over het gezicht van een kind, al is het ook een afgedwaald, dat men ter eere van Hem, den Allerhoogste, in de golven verstikt, terwijl het zich daartegen verzet en zijne overweldigers vloekt? Ja, als er eene reine jonkvrouw gevonden kon worden, die door de zaligmakende geestdrift der goddelijke liefde was aangegrepen, die vrijwillig, naar het voorbeeld van hem, die door zijn dood de menschheid verloste, zich in de wateren stortte, en in heilige verrukking met stokkende stem ten hemel riep: 'Neem mij en mijne onschuld als offer aan, Heer, en red mijn volk uit zijne ellende!' ja dat zou eerst een waardig offer zijn, en misschien zou de Heer zeggen: 'Ik neem het aan; maar de wil alleen is mij genoeg. Geen mijner kinderen werpe het leven weg, dat ik het als heiligste en dierbaarste gave verleende!'"--Vrome vermaningen aan de gemeente vormden het slot van dit schrijven.
Eene jonkvrouw, die zich vrijwillig prijsgeeft aan de golven, om haar volk uit den nood te redden, zij, zeide de man Gods, door wiens mond de Allerhoogste zelf sprak, zou een offer zijn, dat den hemel welbehagelijk is. Deze uitspraak, deze wenk was als een spinrokken, waarvan Katharina in den geest de draden harer gedachten al verder en verder uitspon, om die op het weefgetouw te spannen en er een bruikbare stof van maken. Zij wilde de jonkvrouw zijn, op wie de patriarch had gewezen, de rechte, de ware Nijlbruid, die het jonge leven vol geestdrift prijsgaf, om haar volk uit den nood te redden. Daarin lag eene verzoening, die de hemel kon aannemen, dat verloste haar van den last des levens, die haar drukte, dat bracht haar bij hare moeder terug, daarmede toonde zij haren geliefde, den bisschop, der wereld de grootte van hare offervaardigheid, die in niets achterstond bij die "der andere," der hooggeroemde dochter van Thomas. Voor hare oogen, ten aanzien van het gansche volk wilde zij de groote daad volbrengen. Doch Orion moest weten met welk beeld in het hart en uit liefde tot wien zij in den bloei des levens den sprong deed in het vochtige graf der golven.
O, hoe wonderbaar, hoe heerlijk! Legde zij hem daardoor niet de volstrekte noodzakelijkheid op aan haar te blijven denken, zoo vaak hij ook aan Paula dacht? Ja, zóo dwong zij hem haar eigen beeld onafscheidelijk van dat "der andere" in zijne ziel te laten wonen. En moest door deze voorbeeldelooze daad hare gestalte niet zoo hoog rijzen, dat zij in de voorstelling aller menschen en ook in de zijne de groote Damasceensche gelijk kwam? Van nu aan smachtte zij naar de gewichtige ure. Haar ijdel hartje lachte de voorsmaak toe der vreugde, door ieder gezien, geprezen, bewonderd te worden. Morgen zou zij, de kleine, boven ieder uitsteken, en hoe gevoeliger de gloed van den brandende zon haar drukte, des te aangenamer scheen het haar toe, die het baden een genot vond, in het koele element rust te vinden na de marteling des levens. Deze daad uit te voeren, scheen haar niet moeilijk. Zij was thans meesteres, en slaven en beambten moesten uitvoeren, wat zij beval.
Bij dat alles was zij ook bedacht te zorgen, dat hare uitgebreide bezittingen niet in handen vielen van verwanten, die zij weinig genegen was. Zij stelde dus met vaste hand een testament op, waarin zij een deel van haar vermogen vermaakte aan haar oom Chrysippus, een kleiner deel aan haren zoogbroeder en aan de weduwe van Rufinus, bij wie zij een groot onrecht had goed te maken. De grootste helft harer bezitting, die op vele millioenen geschat werd, vermaakte zij aan haar geliefden vriend Orion, dien zij alles vergaf, en aan wien zij hoopte getoond te hebben, dat in het kleine "kwikstaartje" toch plaats was voor iets groots. Zij verzocht hem ook haar huis aan te nemen, daar hij door haar toedoen het huis zijns vaders verloren had. De bepaling, die zij aan deze nalatenschap verbond, bewees hoe bedachtzaam en helder van geest zij tot den einde toe was geweest. Zij wist, dat de verbolgenheid van den patriarch voor den jongen man gevaarlijk kon worden; om in dit opzicht te bemiddelen en tegelijkertijd zich van de voorspraak der kerk te verzekeren, waarop zij prijs stelde, schreef zij Orion voor, het grootste gedeelte van het door hem geërfde aan den patriarch over te geven voor de kerk en voor weldadige doeleinden; echter niet opeens, maar in tien jaren, en bij gedeelten, zoo groot als Orion geheel naar eigen inzicht zou willen vaststellen. Indien de zoon van den Mukaukas binnen drie jaar kwam te sterven, zouden zijne rechten als erfgenaam op haar oom Chrysippus overgaan. Aan de kerk, waartoe zij behoorde met geheel haar hart, richtte zij de bede, jaarlijks in alle godshuizen des lands voor haar en hare moeder op hare naamdagen te laten bidden. Als de patriarch haar zulk eene eer waardig keurde, zou de bidkapel, die moest opgericht worden ter plaatse van haar verscheiden, de Susanna- en Katharina-kapel genoemd worden. Eindelijk maakte zij alle slaven vrij en bedacht zij rijkelijk de beambten des huizes.
Terwijl zij dezen haar laatsten wil gedurende vele uren onder ernstig nadenken opstelde, lachte zij vaak tevreden bij zichzelve. Zij schreef het stuk eigenhandig netjes over, en liet ten laatste den arts en alle vrije beambten des huizes hare handteekening als getuigen bevestigen. Hoewel niemand vermoedde welk voornemen het kwikstaartje bezielde, zoo verwonderde toch niemand er zich over, dat de jonge in een verpest huis opgeslotene erfgename over haar vermogen beschikte. De arts bracht, vóor het nacht werd, den overste der stad, Alexander, een oud vriend haars vaders, die na den dood van den Mukaukas haar voogd was geworden, op haar verlangen aan de tuinpoort, en deze sprak daardoor met Katharina, was bereid haar als kurios te dienen, en bevestigde als zoodanig het testament en de onderteekeningen, hoewel zij hem het document niet wilde laten lezen. Eindelijk begaf zij zich naar het slavenverblijf, waaruit men weder eenige zieken naar de Necropolis had gedragen, en beval den schippers morgen vroeg de groote feestboot gereed te maken, daar zij het offer op de rivier wilde aanschouwen. Zij schreef den tuinlieden voor, hoe zij het vaartuig optooien moesten en welke bloemen zij voor haarzelve hadden te snijden.
Veel minder opgewonden dan gisteren begaf zij zich daarop ter ruste, en vóor zij nog het avondgebed geëindigd had, viel de zwaarvermoeide in een diepen slaap. Toen zij na zonsopgang ontwaakte, vond zij het groote, prachtige vaartuig, hetwelk haar vader te Alexandrië had laten bouwen, geheel bemand en tot de afvaart gereed. Ongehinderd besteeg zij het met Anubis en eenige dienende vrouwen, daar al de wachters, die het huis gisteren nog omsingeld hadden, waren saamgetrokken in de stad voor het groote offer- en bruiloftsfeest, waarbij het licht onstuimig kon toegaan.
VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Reeds hadden zich gedurende den nacht aan den oever niet ver van de herberg van Nesptah talrijke toeschouwers verzameld. De menigte groeide ieder oogenblik aan, en niettegenstaande de groote hitte van dezen morgen kon geen Memphiet in huis blijven. Mannen, vrouwen en kinderen stroomden naar de feestplaats; ook uit de naburige steden, vlekken en dorpen kwamen ze bij duizenden, om van het ongehoorde offer getuigen te zijn, dat aan den nood des lands een einde zou maken. Wie had ooit van zulk een huwelijksfeest gehoord? Welk een geluk, welk een voorrecht het te kunnen bijwonen!
De senaat had niet stil gezeten en het zijne gedaan, om het feest op te luisteren, ten einde zoovelen als mogelijk was in staat te stellen van het schouwspel te genieten, dat tot stand was gekomen door hunne medewerking en offervaardigheid. Rondom de haven van Nesptah had men in een grooten halven cirkel houten stellages gebouwd, waarop duizenden zit- en staanplaatsen konden vinden. Voor de bouleuten en hunne familiën, evenals voor de opperhoofden der Arabieren, waren in het midden van deze tribune bijzondere afdeelingen gemaakt, met tapijten behangen, en daarin stonden hooge leuningstoelen gereed voor den Wekil Obada, den kadhi, den stadsoverste, den ouden Horus Appollon en ook voor de geestelijkheid, ofschoon men wel wist, dat zij aan dit feest geen deel zou nemen.
Het geringe volk, dat geen middelen had, om zich den toegang tot deze estrade te koopen, had zich met vrouw en kind aan den oever gelegerd, en een aantal handelaars waren van alle zijden gekomen en boden, waar de menigte het dichtst was, op tweewielige karretjes of kleine tapijten, die zij voor zich hadden uitgespreid, verfrisschende dranken en eetwaren te koop. Ook bij de tribune hielden de waterdragers, die gezuiverd Nijlwater of vruchtensappen aanboden, niet op met roepen.
In de dorre kronen der palmen van Nesptah, waar anders tortels, hoppen en musschen huisden, had thans de straatjeugd der stad zich plaatsen veroverd, en plukte voor tijdverdrijf de verschrompelde zieke dadels uit de zware vruchtbundels, om ze den nieuwsgierigen voor de voeten of op het hoofd te werpen, tot de wachters dit in het oog kregen en het verboden.
Het voornaamste aantrekkingspunt voor aller oogen vormde de ver in den ondiepen stroom uitgebouwde brugvormige houten estrade, van waar de Nijlbruid den smachtenden verloofde in de vochtige armen zou worden geworpen. Aan dit toestel hadden zij, die het feest in gereedheid brachten, al hunne kunst besteed, want het was overrijk versierd met tapijten en doeken, palmwaaiers en vaandeltjes, met zware guirlandes van tamarisken en wilgenloof, waaruit eene menigte lotusbloemen, malva's, leliën en rozen helder en schoon te voorschijn kwamen, alsmede met kransen, de wapens van de gouw en andere vergulde sieraden. Alleen het uiterste gedeelte was geheel naakt gebleven; men had hier zelfs de leuningen weggelaten, om niets te doen ontgaan aan de oogen, die op de "echtvereeniging" gericht zouden zijn.
Op de derde ure vóor den middag ontbraken alleen nog maar zij, voor wie de plaatsen gereed werden gehouden, en de nieuwsgierigheid deed ook hen weldra verschijnen. De veiligheidsbeambten hadden handen vol werk, om te verhoeden, dat de voorste rijen der toeschouwers niet door de achterste in den stroom werden gedrongen; wel was dit niet overal te voorkomen, doch door den vlakken oever leed niemand schade. Toch hieven zij, die telkens in gevaar verkeerden, zulk een geschreeuw aan, dat het de muziek overstemde der op de tribune geplaatste muzikanten, alsmede de kreten van bijval, die zich lieten hooren, zoodra de oude Horus Apollon, die op zijn witten ezel vroolijk en frisch als een jongeling dan hier dan daar was, of een der hoogere beambten van de stad zich vertoonde. Op enkele plaatsen hoorde men niets dan jammerkreten en stoven de saamgedrongen groepen huilende uit elkander. Hier had een zonnesteek een burger getroffen, daar de pest een nieuwsgierige aangetast. De vluchtenden sleurden anderen met zich voort; gillende moeders zochten hare kleinen voor dooddrukken of voor besmetting te bewaren; de wagen van een koopman werd omgesmeten, zoodat de eieren en koeken onder den voet raakten; een geheele hoop menschen viel in een diep, half uitgedroogd kanaal. De veiligheidsbeambten zwaaiden hunne stokken en zochten schreeuwende en weer nieuw geschreeuw verwekkende, de orde te bewaren; doch dit alles oefende maar vluchtig eenigen invloed uit op de groote massa toeschouwers.
Op eens kwam er overal stilte, de verwarring hield op, het geschreeuw verstomde. Wie thans ook onder den voet raken, door de ziekte aangetast, doodgedrukt, of op andere wijze sterven mocht, het deed er niet toe. Uit de richting van de stad liet zich bazuingeschal en gezang hooren, de processie, de bruidsstoet naderde. Liever wilde men het besterven, dan dat het oog ook maar een tooneel van dit geheel eenig schouwspel zou ontgaan.
Wat gekken waren toch die Arabieren! Van hunne hoogste beambten waren behalve de zwarte Wekil maar drie verschenen, die niemand kende. Zelfs de kadhi zocht men tevergeefs. Hij had zeker de muzelmansche vrouwen verboden dit schouwspel aan te zien, want geen gesluierde schoone uit den harem was heden te bekennen. Van de Egyptische vrouwen zou zelfs de laatste zijn verschenen, indien de pest niet velen in hare huizen opgesloten had gehouden. Zoo iets beleefde men toch niet weder; wat hier gebeuren zou, daarvan zou men nog in later jaren de kleinkinderen kunnen vertellen!
Het gezang en de muziek kwamen steeds nader, maar waarlijk, dat klonk niet, alsof men een mensch geleidde naar zijn afgrijselijk graf. De eene fanfare volgde op de andere, en schetterde door de lucht, allen opwekkende tot feestelijk gejubel. Er weerklonken vroolijke bruiloftsliederen, die den hoorenden al nader en nader kwamen. De hooge koren der knapen en meisjes overstemden het krachtig maar dieper gezang van jongelingen, mannen en grijsaards. Schelle fluittonen verhoogden de feestelijke stemming en het dof geluid der trommen dreunde in vaste maat als het bruisen der zee. Daartusschen klonken cimbalen en rinkelden de schelletjes in de randen der tamboerijnen, die maagdelijke handen in feestroes over hare lokken zwaaiden, schudden en sloegen, terwijl luitspelers lieflijke klanken uit de snaren te voorschijn riepen. Toen deze geweldige stroom van allerlei tonen zeer dicht in de nabijheid was gekomen, liet zich reeds uit de verte nieuw gezang en nieuwe muziek vernemen.
Voor die aan den stroom stonden te luisteren, scheen de optocht onafzienbaar, en wat het gehoor had waargenomen, werd weldra door de oogen gezien. Allen waren een en al aandacht, tuurden en staken de hoofden naar voren, om de Nijlbruid en haar gevolg te zien. Ieders blik scheen gedwongen, om dezelfde richting te volgen. Daar verschenen voor allen de fanfareblazers op vurige paarden; zij schaarden zich aan beide zijden van de straat aan den oever, die tot het tooneel van de bruiloft leidde. Voor hen plaatste zich links het koor der vrouwen, rechts de mannen, die achter de eersten aankwamen, beiden in lichte, zeegroene kleederen, overvloedig met lotusbloemen getooid. De losse haren der vrouwen, die met witte bloemklokjes doorvlochten waren, golfden over hare schouders; de mannen droegen papyrus en riet in de handen, als vertegenwoordigden zij riviergoden, die uit de golven waren opgekomen. Vervolgens verschenen jongelingen en gebaarde gestalten in witte gewaden met pantervellen over de schouders, zooals ze weleer door de heidensche priesters werden gedragen. Twee grijsaards met golvende witte baarden leidden dezen optocht, de een met een zilveren, de ander met een gouden schaal in de rechterhand, gereed, om dezen als eerste offers, naar de gewoonte der vaderen, zooals Horus Apollon medegedeeld en voorgeschreven had, in den vloed te slingeren. Zij liepen de houten estrade op tot aan het einde en plaatsten zich aan beide zijden van het eindvlak, vanwaar de Nijlbruid met den stroom vereenigd zou worden. Op dezen volgde eene groote afdeeling fluitblazers en trommelslagers, en daarop weder vijftig meisjes, die de tamboerijnen zwaaiden en even zoovele mannen, allen gekleed en uitgedost als het gevolg van Dionusios, den in den Romeinschen tijd vereerden Osiris Bacchus. Daaronder merkte men ook den dronken Silenus op, alsmede saters met bokspooten en Pans, allen op grauwe en wonderlijk geel geverfde ezels, met uit vele rietpijpen bestaande herdersfluiten aan den mond.
Na dezen stoet werden giraffen, olifanten, struisvogels, antilopen, gazellen, zelfs eenige getemde leeuwen en panters voorbij de nieuwsgierige volksmenigte gevoerd. Men had dit ook gezien bij den beroemden feestelijken optocht ter eere van den tweeden Ptolomeus, dien Kallixenos van Rhodos beschreef. Nu volgden op een grooten door twaalf paarden getrokken wagen, de symbolische gestalten der geketende en ten onder gebrachte pest en nood, met vele schreiende, zwartgemaakte, aan palen gebonden kinderen, met spichtige vleugels op den rug en hoornen op het voorhoofd, die het hellengebroed tegelijk fraai en afzichtelijk moesten voorstellen. Op een anderen wagen zag men de godin van den overvloed. Zij was aan alle zijden door garven, vruchten en wijngaardranken omgeven, en werd door knapen en meisjes met ooft en korenaren, met granaatappels en dadelbundels, met wijnkruiken en bokalen in de handen omringd.
Hierop vertoonde zich in eene door acht sneeuwwitte paarden getrokken schelp, als rustte zij in een bad, de godin der gezondheid met eene gouden schaal in de eene en een slangenstaf in de andere hand, en daarachter de aanstaande gemaal van de Nijlbruid, de stroomgod, volgens het beroemde standbeeld, hetwelk de Romeinen uit Alexandrië hadden weggevoerd: de schoone, krachtvolle, gebaarde gestalte van een man, wiens bovenlijf op eene verbazende urn rust. Zestien naakte kindertjes, voorstellende de zestien ellen, die de stroom moest stijgen, wanneer zijn was het land zegen zou brengen, speelden rondom zijne herculische gestalte, en een dichte bruiloftskrans van lotusbloemen rustte op zijne golvende lokken. Krokodillen, bundels korenaren, dadels, druiven en schelpen versierden dezen met gejuich begroeten wagen, door grijsaards in heidensche priesterdracht omgeven. Nu volgden weder afdeelingen muzikanten en koren, en dan eene schaar van jongelingen en meisjes, voorafgegaan door zingende luitspelers. Ook zij waren gekleed als mannelijke en vrouwelijke stroomgoden, en stelden de speelnooten van bruid en bruidegom voor: het bruiloftsgeleide der verloofden. Hoe grooter het gedeelte werd van den stoet, dat was voorbijgetrokken, des te nader kwam het lang verwachte offer, en met des te grooter spanning luisterde en keek de menigte.
Nadat de jongelingen en meisjes voorbijgetrokken waren, werd het stiller op de tribune en onder het volk. Niemand voelde de gloeiende zonnehitte, noch lette op de droogte van zijne tong; aller oogen bleven dezelfde richting volgen, alleen de zwarte Wekil, wiens hoog opgerichte reuzengestalte voor allen zichtbaar was, wendde van tijd tot tijd met inspanning zijn loerenden blik naar de stad. Hij verwachtte rook te zullen zien opstijgen uit dat gedeelte waar de gevangenis stond; opeens opende hij de lippen, en met een hoonenden lach toonde hij zijne sneeuwwitte, glinsterende tanden. Dat, waarop hij hoopte, was verschenen; het grijze wolkje, waarnaar hij had uitgezien, werd al zwarter en zwarter, en nu vertoonde zich in zijn midden een roode gloed, dien zijn oorsprong niet aan de zon ontleende. Doch onder de duizenden was hij de eenige, die naar achteren zag en het opmerkte.
Nu betrad het bruiloftsgevolg het houten getimmerte in den stroom, daarop een nieuw koor van jongelingen met pantervellen over de schouders, en nu--eindelijk, eindelijk--kwam een wagen aanschommelen, die door acht koolzwarte, met groene struisvederen en waterplanten versierde stieren werd getrokken. Een hoog baldakijn, tegen wier pijlers vier mannen in de dracht van heidensche offerpriesters geleund stonden, overschaduwde den wagen, en onder dit met lotusbloemen en slingers van riet rijk getooide schutdak rustte, omgeven van groenen papyrus, rietgras, hooge biezen en bloeiende waterplanten, de koningin van het feest--de Nijlbruid.
In een wit gewaad en geheel gesluierd zat zij daar roerloos. Het lange, zware, bruine haar golfde los langs hare schouders, en voor haar lagen een krans en een aantal zeldzame rozenroode lotusbloemen op den grond. Tot hiertoe had de bisschop naast haar gezeten, de eerste christelijke geestelijke, die in het van geestelijken en monniken wemelende Memphis op deze schouwplaats van heidensche ongerechtigheid verscheen. Thans stond hij overeind en zag met gefronst voorhoofd en sombere, dreigende blikken de menigte aan. Wat hadden de boetpredikatiën in alle kerken, wat zijne vermaningen en bedreigingen en die van de gezamenlijke geestelijkheid gebaat? Trots ieder verzet had hij met de veroordeelde den wagen bestegen, nadat hij hare ziel nogmaals had getroost. Het kon hem het leven kosten, doch hij hield zijne belofte.
Paula hield Orions laatste groet, eene roos, die vrouw Martina hem gebracht had, en eene andere, die Pulcheria heden zeer vroeg haar was komen brengen, in de hand. Gisteren had haar stervende vader in eene heldere ure haar van ganscher harte zijn zegen gegeven, zonder te vermoeden wat haar wachtte. Heden was hij nog niet weder bijgekomen, en had de afscheidskus, die zij hem gaf, noch gevoeld, noch beantwoord. Onbewust was hij uit de gevangenis naar buiten, en vandaar naar het huis van Rufinus gedragen. Vrouw Johanna had zich het voorrecht niet laten ontnemen hem tot zich te nemen en tot aan zijn einde te verplegen. Orions laatste schriftelijke groet was Paula kort voor het wegrijden overhandigd; deze hield het bericht in, dat zijn werk thans gereed was. Men had hem medegedeeld, dat niet heden, maar morgen het ontzettend feit zou plaats hebben, en het was haar tot troost, dat hem de marteling bespaard bleef, haar in den geest op haren vreeselijken tocht te volgen.
De vrouwen, die gekomen waren, om haar in bruidstooi te kleeden, had zij laten begaan. Onder deze was ook Emau, de vrouw van den gevangenbewaarder, wier medelijdende tranenvloed haar goed deed. Doch reeds in het voorhof der gevangenis had zij de gedachte niet kunnen verdragen, zich in het bloementooisel eener bruid aan de haar aangapende menigte te vertoonen; zij had alles op den wagen van haar lijf getrokken en op den grond geworpen. De weg naar den stroom was haar lang, oneindig lang gevallen, maar zij had de nieuwsgierige menigte met geen blik verwaardigd en niet opgehouden haar hart in het gebed te verheffen. Zoo vaak haar aristocratisch bloed in beweging was gekomen en de vertwijfeling haar dreigde te overweldigen, had zij de hand van den bisschop gegrepen, en deze had niet opgehouden haar toe te spreken, haar te bezweren, om de liefde en het geloof te bewaren en ook de hoop niet te laten zinken.
En zoo was men aan de estrade gekomen, aan welker einde het leven in eene andere wereld voor haar zou aanvangen. Het geschreeuw der volksmenigte had nog niet zoo luide en jubelend, zoo vol blijde verwachting geklonken als thans; muziek en gezang vermengden zich met het gebrul van duizenden, en als beneveld liet zij zich van den wagen tillen, volgde zij de jongelingen en maagden, die haar bruidsstoet zouden uitmaken, en die in afwisselende koren voor haar uit den schoonsten hymenaeus van de Lesbische Sappho zongen.
De bisschop beproefde thans tot de menigte te spreken, maar hij werd spoedig tot zwijgen gebracht. Hij plaatste zich nu weder aan hare zijde en aan zijne hand betrad zij de brug. Zij verzamelde al wat zij aan kracht, aan trots en heldenmoed bezat, om rechtop, zonder te wankelen, den laatsten gang te volbrengen, en reeds had zij in waardige houding, zoo majestueus, als liep zij daarheen, om gehoorzaamheid van deze menigte te eischen, het midden van de houten brug bereikt, toen achter haar op de losse planken hoefslagen dreunden.
De oude Horus Apollon had haar op zijn witten ezel ingehaald en versperde haar den weg. Buiten adem, badende in het zweet, gebood hij haar op hoonenden, zegevierenden toon het aangezicht te ontsluieren, en den bisschop, dat hij haar los zou laten, om den persoon die den Nijl voorstelde in zijne plaats te laten treden. Dit was een reusachtige hoefsmid, die hem, hoewel met zijne vermomming verlegen, maar toch van plan, om zijne rol tot het einde zoo goed mogelijk te spelen, gevolgd was. Doch de priester en Paula weigerden hem te gehoorzamen.
Daar rukte de oude haar den sluier van het gelaat, wenkte den "Nijlgod" en deze trad in zijn recht en voerde haar, nadat hij zich eerbiedig voor Johannes gebogen had, tot aan het uiterste einde der brug, hetgeen de bisschop niet had kunnen verhinderen. Hier wierpen thans de beide grijsaards, die het gevolg van Osiris Bacchus waren vooruitgegaan, de gouden schalen als offer in den vloed, en daarop begon een als heidensch priester verkleede pleitbezorger in eene goed gestelde rede de beteekenis van deze trouw en dit offer uiteen te zetten. Daarbij greep hij Paula's hand, om haar in die van den hoefsmid te leggen, en deze maakte zich gereed haar in de armen van den vloed te werpen, als welks vertegenwoordiger hij hier stond.
Doch aan zijn voornemen stelde zich een hinderpaal in den weg. Eene groote feestboot was zoo dicht mogelijk het houten getimmerte genaderd, en thans hoorde men van de tribune en uit de menigte, die tot hier toe in ademlooze spanning het diepste stilzwijgen had bewaard, ontelbare stemmen schreeuwen: "De feestboot van Susanna!"--"Ziet op den Nijl, op den vloed!"--"Het kwikstaartje, de dochter van den rijken Philammon!"--"Een lieflijk gezicht!"--"Eene tweede, eene andere Nijlbruid!"
Thans wendden zich de blikken der duizenden eenklaps van Paula op Katharina. De schoone feestboot van Susanna had reeds een uur lang voor de estrade heen en weer gevaren. De wachters hadden herhaaldelijk bevolen die op grooter afstand te houden van het tooneel der trouwplechtigheid, doch zonder gevolg en zij waren niet bij machte, om met hunne kleine schuitjes geweld te gebruiken tegen het groote door vijftig matrozen geroeide schip. Het was nu zeer nabij de brug gekomen, en zou met zijn rijk verguld houtwerk, zijn hoog door zilveren zuilen gedragen kajuithuisje, zijne purperen keurig gestikte zeilen een heerlijk, vroolijk gezicht hebben opgeleverd, wanneer de groote zwarte vlag aan den mast het vaartuig niet tegelijk een ernstig en treurig aanzien had gegeven.
Katharina had zich in de kajuit door de dienende vrouwen in witte kleederen doen hullen en zich met zuiver witte bloemen, mirten, rozen en lotus doen tooien en daarbij alle vragen, die in bezorgdheid tot haar gericht werden, onbeantwoord gelaten. De kamenier, die de bloemen op hare borst stak, voelde het hart van de meesteres onder hare vingers kloppen, en de lotuskelk, die van den schouder op haar vollen boezem nederviel, rees en daalde, als lag zij op den wiegelenden stroom. Ook hare lippen waren voortdurend in beweging, en hare wangen bleek als de dood. "Wat zou zij toch willen?" vroegen zij die haar geleidden zich af.
Gisteren was hare moeder gestorven en nu woonde zij deze vertooning bij en gaf den stuurman zelfs bevel naar het houten getimmerte te varen en in zijne nabijheid te blijven liggen, waar zij door alle toeschouwers gezien moest worden. Doch zij wenschte blijkbaar zich in dezen tooi aan het volk te vertoonen en zich te doen bewonderen, want daar besteeg zij het dak der kajuit. Hoe lieflijk zag zij er uit, zoo schoon als eene onschuldige engel, terwijl zij de trap opklom, kinderlijk beschroomd, schuchter en met wijd opengesperde oogen, als verwachtte zij daar boven iets groots, waarnaar zij lang en van ganscher harte gesmacht had. Op de laatste trede moest Anubis haar steunen, want daar knikten hare knieën; doch boven gekomen zond zij hem terug met de opdracht ook de anderen beneden te houden, want zij wilde alleen zijn. De knaap, gewoon te gehoorzamen, voldeed aan haar verlangen.
Zij klom nu op de bank naast de borstwering van het boord, keerde zich tot Paula, die zij al nader en nader kwam, stak de rechterhand, waarin zij twee leliestengels hield met heerlijke bloemkelken, naar haar en den bisschop uit, en op het oogenblik dat de hoefsmid de ruimte tusschen de brug en het vaartuig met zijn oog mat en de onmogelijkheid inzag om de Nijlbruid in de diepte te werpen, alvorens de feestboot zich verder verwijderd had, riep Katharina:
"Eerwaarde vader Johannes en gij allen daar! Ik, ik en niet de dochter van Thomas! Niet zij, ik, ik, Katharina, ben de ware Nijlbruid! Vrijwillig, luister naar mij, Johannes! Vrijwillig offer ik mijn leven op, om mijn arm volk van zijne ellende te redden, en de patriarch heeft gezegd, dat mijn offer den hemel welgevallig zal zijn. Vaart allen wel! Bidt voor mij! Erbarm u mijner, mijn Heiland! Moeder, lieve moeder, ik kom!"
Na deze woorden riep zij den stuurman toe: "Verder van de brug!" en zoodra enkele riemslagen de feestboot verder op stroom hadden gebracht, klom zij vlug op de borstwering van het boord, wierp zij de leliestengels voor haar uit, en liet zij zich glimlachende, met het hoofd lieflijk ter zijde gebogen en terwijl zij hare kleederen schroomvallig tegen het lichaam drukte, in het water zinken. De golven sloten zich boven haar hoofd. Nog even dook zij, die zoo goed zwemmen kon, weder op, en haar gelaat zag er uit als dat eener badende, die zich verheugt in de frischheid van het water, dat als streelende haar omspoelde. Misschien bereikte nog de waanzinnige storm van kreten haar oor, die uit den mond der onafzienbare menigte van den oever den bijval, de schrik, het medelijden en de dankbaarheid vertolkten. Daarop boog zij het hoofd en verdween in de diepte.
De "stroomgod", een goedhartige kerel, die in het dagelijksch leven zijn evenmensch niet voor zijne oogen kon zien verdrinken, liet Paula los, vergat zijne rol en sprong Katharina na. Hetzelfde deden haar zoogbroeder Anubis en eenige matrozen. Doch zij vonden haar niet, en de knaap, wien het gebroken been in het zwemmen belemmerde, volgde haar in den dood, die hij met zijne jonge ziel geheel toebehoorde.
Katharinas toespraak hadden alleen zij gehoord, tot wie zij gericht was. Doch voor zij nog in den vloed was verdwenen richtte de bisschop Johannes zich tot het volk in zijne nabijheid, hield Paula, die zich reeds vrij gevoelde, nadat haar verschrikkelijke bruidegom verdwenen was, vast met de eene hand, zwaaide met de andere het crucifix, dat aan zijn gordel hing, en riep zoo luid hij kon: "De wensch van onzen heiligsten vader Benjamin, door wien God zelf tot u spreekt, is thans vervuld geworden. Uit eigene, edele begeerte heeft zich eene reine Jacobietische jonkvrouw, van hooge geboorte, naar het voorbeeld des Heeren, ten behoeve harer lijdende medemenschen voor uwe oogen opgeofferd. Deze hier," en hij trok Paula nader tot zich, "deze is vrij; de Nijl heeft zijn offer ontvangen!"
Vóor hij echter nog had uitgesproken en het volk tijd kon vinden, om zijn oordeel te doen hooren, was de oude Horus Apollon naar hem toegevlogen en belette hem verder te gaan. Reeds bij het begin der trouwplechtigheid was hij van zijn ezel gegleden, en om zich zijn offer niet te laten ontgaan, plaatste hij zich nu tusschen den bisschop en Paula, greep haar gewaad en riep het koor der jongelingen toe: "Aan het werk! Spoedig een ander in de plaats van den stroomgod.... En dan in den vloed met de Nijlbruid!"
Doch de bisschop drong zich andermaal tusschen beiden, om de jonkvrouw in zijne bescherming te nemen. De oude werd nu als door razernij aangegrepen, hij vloog op den priester toe, om hem het beeld van den gekruisigde te ontrukken, waarop Johannes met diepe verontwaardiging hem toeriep op een toon, die door merg en been ging: "Anathema!" Bij dit ontzettend woord en het zien van deze heiligschennis kwam bij de Egyptenaars het christelijk bloed in beweging; de geloofstrouw, die in zoo menigen strijd proefhoudend was gebleken en in deze dagen van angst en verschrikking slechts kunstmatig was onderdrukt, deed zich weder gelden. De aanvoerder van het koor rukte den oude weg en plaatste zich aan de zijde van den priester. Anderen volgden hem, terwijl een aantal jeugdige zangers partij koos voor den grijsaard, die zich aan Paula vastklemde, en liever zelf wilde ondergaan dan het gehate voorwerp van zijn wraak te zien ontkomen.
Daar vernam men uit de richting van de verlatene stad klokgelui en een gejoel, dat angst verwekte zonder dat men er eene verklaring voor kon vinden. Opeens brak een jongeling, met het ontbloote zwaard in de hand, zich baan door de menigte, in wien de meesten ondanks zijn gescheurde kleederen, zijne verwilderde haren en zijn zwart geworden gelaat, Orion herkenden. Alles vloog voor hem uit den weg, die als een razende voortholde. Toen hij dicht bij het houten uitbouwsel gekomen in een oogwenk begreep, hoe ver de handeling gevorderd was, snelde hij met groote stappen door de verkleedden de estrade op, duwde hier en daar een troep lieden opzij, die hem in den weg stonden, en voor men nog aan het einde van de brug zijne nadering had opgemerkt, rukte hij den oude van Paula af, en riep haar bij den naam. Toen zij half onmachtig van schrik, verrassing en onuitsprekelijke vreugde in zijne armen zonk, drukte hij haar met de linkerhand vast tegen zich aan, en het blinkend zwaard in zijne rechterhand en zijne fonkelende oogen verkondigden ieder, dat men evengoed kon wagen een leeuwin aan te grijpen, die hare jongen verdedigt, dan dezen radeloozen jonkman, die bereid was met zijne geliefde te sterven.
Zijn ruk had Horus Appollon ver ter zijde geslingerd, en toen de oude zich gereed maakte, om zich nog eenmaal op zijn offer te werpen, geraakte hij midden in een troep lieden, die handgemeen waren geworden, en stortte met eenige worstelenden, die een wilde hoop menschen, welke Orion gevolgd was, van den rand der brug afdrong, in den stroom. De meesten hunner wisten zich door zwemmen te redden, doch de oude zonk weg en alleen zijn hoog opgeheven vuist zag men nog een tijdlang dreigend boven de oppervlakte van het water.
Intusschen had ook de Wekil gezien, wat er op de houten brug gebeurde, en woedend was hij van zijn zetel gesprongen, om op alles orde te stellen en Orion, dien hij meende herkend te hebben, met eigene hand gevangen te nemen, of als het zijn moest neer te houwen. Doch duizenden versperden hem den weg, want onder het geschreeuw van: "Brand! De gevangenis, de stad staat in vlammen!" was de verschrikkelijke bende van losgebroken misdadigers, aan het hoofd waarvan Orion verschenen was, tot het feestterrein doorgedrongen, en nu vloog een ieder weg, naar Memphis en naar zijn bedreigde woning om zijne have, zijne achtergeblevene bezittingen en zijne geliefden te redden. Als een vlucht duiven, die door het gekras van een havik uit elkander wordt gejaagd, als een hoop dorre herfstbladeren, die door een rukwind worden opgenomen, zoo stoven de toeschouwers uit elkander. In wilde haast en onder schromelijke verwarring spoedden zij zich stadwaarts, sprongen op de wagens van den feestelijken optocht, sneden van die waarop de godin der gezondheid zat de schimmels los, om op de ruggen dier paarden naar huis te jagen, wierpen omver al wat hun in den weg stond, en sleurden de Wekil met zich mede, die met den sabel in de vuist naar de brug wilde.
Rook en vlammen stegen intusschen al dichter en hooger van de stad ten hemel, en dreven de vluchtenden voort met geheimzinnige kracht, om zich te haasten, ten einde nog intijds hunne woningen te bereiken. Doch vóor de zwarte tot de estrade door kon dringen werd de voortijlende menigte tegengehouden. Men hoorde hoefslagen naderen. Een dichte stofwolk maakte wel-is-waar paarden en ruiters nog onzichtbaar, doch zij die daar kwamen aandraven moesten gewapend zijn, want door de grijze wolk, die hen omgaf, zag men hier en daar flikkerlichten, de weerkaatsing der heldere zonnestralen op de blanke, schitterende helmen, pantsers en zwaarden. Ook de zwarte herkende ze thans. De kadhi rende vooruit en juist toen de Wekil hen bereikte, sprong hij bij het houten uitbouwsel uit den zadel, en met den luiden uitroep: "Bevrijd, gered!" waarin zich al de vreugde van zijn gemoed afspiegelde, stak hij der jonkvrouw, die aan Orion hangende den oever naderde, de handen toe.
Bij dit alles had Othman den Wekil nog niet opgemerkt, die maar weinige schreden van hem afstond. Dat "bevrijd, gered!" uit den mond van den oppersten rechter, verkondigde den zwarte, dat de begenadiging van zijn jongen doodvijand moest aangekomen zijn, en deze hield tegelijk de veroordeeling van zijne handelingen in. Hij had niets meer te hopen, Omar moest nog leven en de aanslag tegen het leven van den Kalief mislukt zijn. Hem wachtten afzetting, straf, de dood als Amr terugkeerde; doch hij wilde niet overwonnen worden zonder den gehaten jonkman, die hem ten val had gebracht, met zich te slepen in het graf, daarom drong hij den kadhi onverwachts terug en hief zijn zwaard met een geweldigen zwaai in de hoogte, om Orion te vellen vóor zijn eigen val. Doch de aanvoerder van de lijfwacht, die Othman te paard gevolgd was, had zijn voornemen opgemerkt en snel als de bliksem hieuw hij uit het zadel op den zwarte los, en zijn kromzwaard trof den Wekil diep in den hals. Met een afgrijselijken vloek liet Obada zijn arm zinken en zakte voor de oogen van het opnieuw vereenigde paar reutelend in elkaar. De lieden verzekerden later, dat zijn bloed niet rood was geweest, gelijk dat van andere menschen, maar zwart gelijk zijn lichaam en zijne ziel.
Men had wel reden, om hem te vloeken, want zijne schandelijke daad vernielde op dezen dag meer dan de helft van Memphis en maakte zijne burgers tot bedelaars. Twee misdadigers, die zich door hem lieten omkoopen, hadden gedurende de feestviering de gevangenis in brand gestoken, om Orion daarin te doen stikken; doch de brand was ontdekt en alle gevangenen werden nog intijds bevrijd. Zoo had de jonkman aan het hoofd zijner medegevangenen het feestterrein kunnen bereiken, doch het vuur was in het van menschen ontbloote gebouw niet te beteugelen geweest, had zich in de uitgedroogde straten van huis tot huis voortgeplant, en den volgenden dag was van de beroemde pyramidenstad niets meer over dan de aan den stroom gelegen Nijlstraat en eenige ellendige stegen. De oude residentie der pharaonen was veranderd in een armzalig vlek, en de van hun dak beroofde inwoners verhuisden naar genen oever van den Nijl, en bevolkten als muzelmannen het in bloei toenemende Fostat, of zochten op christelijken bodem een nieuw vaderland. Tot de huizen die verschoond bleven behoorden ook dat van Rufinus en de kadhi geleidde Orion en Paula daarheen. Hij wees hun dit huis als gevangenis aan tot den terugkeer van den veldheer, en hier doorleefden zij gelukkige dagen, vereenigd met hunne vrienden; hier werd het den stervenden Thomas vergund zijne kinderen voor de laatste maal aan het hart te drukken en te zegenen.
Kort voordat de kadhi op het feestterrein verscheen waren twee duivenposten aangekomen, beiden met het bevel van Amr, dat het offer van de dochter van Thomas in elk geval verboden en zij tot zijn terugkeer in het leven gespaard moest worden. Ook behield hij zich voor over het lot van Orion te beschikken. Maria en Rustem hadden hem bereikt te Berenike, aan de Egyptische kust van de Roode zee. Deze vervallen havenplaats was met Medina door eene duivenpost verbonden en op zijne vraag aan den Kalief in betrekking tot het offer, dat door de Egyptenaars in hunne vertwijfeling aan den Nijl zou worden gebracht, had Omar een antwoord gezonden, dat terstond aan den kadhi werd overgebracht.
De brand van de stad bracht een nieuw vreeselijk onheil over de zwaar beproefde Memphieten, en de Nijl wilde, ondanks Katharina's offerdood, nog niet stijgen. De kadhi riep nu, drie dagen na het gestoorde bruiloftsfeest, de gezamenlijke bewoners der steden aan deze en gene zijde van den stroom nog eens onder de palmen van Nesptah samen, en hier verkondigde hij den muzelmannen en christenen door den Arabischen omroeper en den Egyptischen tolk, wat de Kalief hem geboden had den Memphieten mede te deelen. De eenige, algoede God versmaadde elk menschenoffer. In deze stellige overtuiging zou hij tot Allah, den barmhartige, bidden, en hij, Omar, zond hierbij een brief, dien men in zijn naam in den vloed mocht werpen. Dit schrijven droeg ten opschrift:
"Aan den Nijl van Egypte,"
en was van dezen inhoud:
"Wanneer gij, stroom, uit u zelven vloeit, stijg dan niet; als echter God, de eenige en barmhartige, het is die u laat vloeien, zoo roepen wij den barmhartigen God aan, dat hij u doe wassen!"
"Wat niet uit God is," zeide de veldheer Amr in den brief, die het schrijven van Omar begeleidde: "wat baat het den mensch? Maar al het geschapene bestaat alleen door hem, zoo ook gij, edele stroom. De Allerhoogste zal het smeeken van Omar en het onze verhooren, en daarom verorden ik u allen, muzelmannen, christenen en joden u te verzamelen in de moskee aan gene zijde van den stroom, die ik bouw ter eere van den Algoede, om daar uwe zielen te verheffen tot een groot, gemeenschappelijk gebed, opdat God u hoore en zich erbarme over uw lijden."
De kadhi noodigde nu al het volk uit over den Nijl te trekken, en het volgde zijn gebod. De bisschop Johannes riep zijne geestelijken op en aan hun hoofd ging hij de christenen voor; de priesters en oudsten der joden voerden hunne geloofsgenooten achter de Jacobieten aan, en de muzelmannen verzamelden zich met hen in het heerlijke aan zuilen zoo rijke godshuis van Amr, en de aanhangers der drie verschillende godsdiensten verhieven daar oog en hart en stem tot den eenen, barmhartigen hemelschen Vader. En juist die moskee van Amr heeft hetzelfde hartverheffende schouwspel nog meer dan eens gezien, en nog gedurende het leven en voor de oogen van den verteller dezer geschiedenis werden muzelmannen, christenen en joden tot éen vroom gebed hier saamgeroepen, dat den Heer zeker welgevallig was.
Kort nadat de brief van Kalief Omar in den Nijl geworpen en het gebed der drie godsvereeringen opgezonden was, kwam er een duif naar Memphis, die het bericht medebracht, dat de stroom bij de watervallen zeer begon te stijgen. Na eene reeks van bange en toch hoopvolle dagen zwol de Nijl al hooger en hooger, trad buiten zijne oevers en gaf den landman reden, om eene heerlijke oogst te verwachten. Nadat een onweder en daarmede gepaard gaande overvloedige regen de lucht gezuiverd en het verstikkende stof weggenomen hadden, verdween ook de pest.
Juist toen het wassen van den vloed voor het eerst zichtbaar begon te worden, keerde de veldheer Amr terug, en in zijn gevolg bevonden zich de kleine Maria en Rustem, alsmede de arts Philippus en de koopman Haschim, die zich te Dschidda bij het reisgezelschap van den stadhouder hadden aangesloten. Reeds onderweg hadden zij vernomen wat er te Memphis was gebeurd, en toen de reizigers, met de pyramiden voor oogen, hun laatste nachtkwartier naderden, zeide de veldheer tot de kleine Maria: "Wat denkt gij, mijne lieveling? Wij zijn de Memphieten nu toch wel een groot bruiloftsfeest schuldig?"
"Neen, heer, niet éen, wel twee," antwoordde het kind.
"Hoe dat?" zeide Amr lachende. "Daar gij nog zoo jong zijt, en vooreerst niet meetelt, ken ik geen meisje te Memphis, voor wie ik een bruiloft zou kunnen aanrichten."
"Maar ik zou een man willen uithuwelijken, dien gij alles goeds gunt, en die zoo eenzaam leeft als een kluizenaar," antwoordde Maria, "en wel tegelijk met Orion en Paula: Ik bedoel mijn goeden Philippus hier achter ons."
"De arts? En is hij dan nog ongehuwd?" vroeg de veldheer verbaasd; want geen muzelman van den leeftijd en den stand des geneesheers zou als jong gezel kunnen leven, zonder zich bloot te stellen aan de minachting zijner geloofsgenooten. "O, hij zal weduwnaar zijn!"
"Neen," hernam Maria. "Hij heeft alleen nog geene vrouw gevonden, die hem past; doch ik ken er eene, die God zelf voor hem geschapen heeft."
"Kleine Chatbe!" [24] riep de veldheer uit. "Maak dit zaakje maar in orde, en het zal aan mij niet liggen, wanneer die tweede bruiloft niet schitterend is."
"Dan willen wij nog een derde vieren!" ging het kind daarop lachende voort. "Mijn brave beschermer Rustem..."
"Die reus? U, kleine, is niets onmogelijk! Alzoo hebt gij voor hem ook eene bruid gevonden?"
"Neen, hij is zonder mijne hulp aan zijne Mandane gekomen."
"Om 't even," zeide de veldheer vroolijk, "ik geef hen een huwelijksgift. Doch laat het nu ook genoeg zijn, anders verdringen al die nieuwe niet muzelmansche geslachten, die wij daar grondvesten, ons Arabieren nog uit het land."
Zoo ging de groote man met het kind om, nadat het te Berenike zijne tent was binnengekomen, en daar de zaak der twee geliefden, voor wie het gevaren en moeiten op zich had genomen, zoo welsprekend, zoo duidelijk en in zulke gevoelvolle woorden had verdedigd, dat Amr tegelijk besloten had het alles toe te staan, wat in zijne macht was. Maria had bovendien met de boodschap die zij bracht ook hem een dienst bewezen, want zij maakte het hem mogelijk dingen te verhoeden, die de zaak van de halve maan benadeeld zouden hebben, en de kinderen van twee vaders, die hij vereerde, den zoon van den Mukaukas Georg en de dochter van Thomas uit een groot gevaar te redden.
Bij zijn terugkeer bevond hij, dat hetgeen de Wekil misdreven had zijne ergste vrees zeer verre overtrof. De achting voor het Arabisch bestuur en de gerechtigheid der muzelmannen, die hij met alle inspanning bevestigd had, was de zwarte begonnen te ondermijnen, en als door een wonder was Orion aan zijne lagen ontkomen; want driemaal had hij moordenaars naar de gevangenis gezonden, en alleen aan de waakzaamheid van den man van de aardige Emau, was het te danken geweest, dat hij zich uit den brand der gevangenis had kunnen redden. Er was Obada alles aan gelegen geweest, om den gehaten jonkman, wiens verklaringen en aanklachten voor hem verderfelijk konden worden, uit den weg te ruimen. De onzinnige had een eervoller dood gevonden, dan zijne rechters hem zouden hebben waardig geacht. De schatten, die men bij hem opgestapeld vond, werden naar Medina gezonden, doch ook Orion moest erin berusten, dat de groote kapitalen, die de zwarte uit zijne schatten naar Fostat had gezonden, in het bezit der Arabieren bleven. Deze straf meende de veldheer hem te moeten opleggen voor zijne deelneming aan de noodlottige redding der nonnen; en de jongeling onderwierp zich gaarne aan deze boete, die hem en zijne geliefde de vrijheid teruggaf, en het den veldheer mogelijk maakte een grooter deel der inkomsten van zijn vaderland tot nuttige doeleinden te besteden.
Doch de Kalief Omar nam de sommen, die veel meer dan de helft van het vermogen van den Mukaukas Georg bedroegen, niet meer in ontvangst. Sluipmoordenaars hadden den trouwsten vriend van den profeet, den wijzen en krachtigen heerscher omgebracht en nu kwam aan het licht, dat de Wekil een der aanleggers van de samenzwering was geweest en het uiterste gewaagd had, bemoedigd door het vertrouwen op het gelukken van zijn plan.
Amr begroette den zoon van den Mukaukas, als ware hij zijn vader geweest, en nadat hij diens arbeid had onderzocht, bevond hij dat deze de soortgelijke ontwerpen, die hij door anderen had laten uitwerken, verre overtrof. Hij vertrouwde dus aan Orion de uitvoering toe van de nieuwe, tot in de kleinste deelen door hem vastgestelde indeeling van het land.
"Doe uw plicht en span ook in het vervolg al uwe krachten in, gelijk gij begonnen zijt," riep Amr den jonkman toe.
"Ik ben," antwoordde Orion, "in dezen moeielijken, maar toch heerlijken tijd over velerlei dingen tot klaarheid gekomen."
"Mag men weten over welke?" vroeg de veldheer. "Ik luister gaarne naar u."
"Ik heb leeren inzien, heer," antwoordde Orion, "dat hetgeen de groote menigte geluk of ongeluk noemt, niet wezenlijk bestaat. Wat het leven ons toeschijnt te zijn, hangt af van de vraag, hoe wij ons tegenover dat leven plaatsen. Pijnlijke wederwaardigheden, die van buiten in ons bestaan ingrijpen, zijn vaak niet meer dan een korte nacht, waarop een heldere dag volgt, of als de operatiën van den heelmeester, die ons gezonder maken dan te voren. Wat men in den regel ongeluk noemt, is ontelbare malen eene brug tot hooger geluk. Het alledaagsche geluk der groote menigte leidt als een snelvlietende stroom, af van dit heerlijk gevoel van innerlijke gezondheid. Gelijk een schip, dat bij een storm zijn roer heeft verloren, er beter afkomt in volle zee, dan in de nabijheid van de reddende kust, zoo vindt de mensch, die zichzelven verloren heeft, zichzelven en zijn waarachtig heil gemakkelijk weder in het wilde bruisen van de golven des levens, maar zelden en moeielijk, wanneer zijn levenshulk rustig daarheen drijft. Alle andere goederen verliezen in waarde, wanneer het bewustzijn ons niet draagt, dat wij de levenstaak trouw en ernstig opvatten, en de vraagstukken, die dit bestaan ons voorlegt, blijmoedig weten op te lossen. De verlorene zou gered zijn, zoodra hij, met zijn God voor oogen en in het hart, zijn denken en zijn handelen in dienst stelde van hoogere plichten. Mijne eigene levenservaringen en de vrienden mijner Paula hebben mij geleerd, onvermoeid het rechte te zoeken en eigen welzijn te vinden in het welzijn van anderen. Het gevoel van de vrijheid verloren te hebben was hard, maar liet mij mijne liefde en schonk mij gelegenheid en ruimte van tijd, om mijne beste krachten ten dienste van het algemeen flink te beproeven, en al ware het in den kerker niet volkomen, want zonder vrijheid geen waar geluk, toch gevoelde ik er mij voortdurend gelukkiger dan toen ik mij als lediglooper en onnut verkwister van tijd en kracht, overgaf aan de verschillende genietingen der hoofdstad."
"Zoo geniet dan de zelfvoldoening, die eene trouwe plichtsvervulling schenkt, en tevens van uwe liefde en vrijheid," hernam de veldheer. "En uw vader in het paradijs, geloof mij, vriend, hij zal u het schoonste en beste even blijmoedig gunnen als ik. Gij zijt op den weg, die elken vloek in zegen verandert."
De drie bruiloften, welke de veldheer aan Maria beloofd had te zullen aanrichten, werden glansrijk gevierd. Het huwelijk van Orion en Paula werd voor de vrienden te Memphis een onvergetelijke dag. De bisschop Johannes zegende het paar in, en het betrok terstond het eigendom van den jongen echtgenoot, het schoone huis van de kleine Katharina, de ware Nijlbruid. Als het vergund was geweest in Paula's en Orions hart te lezen en te vernemen, hoe zij over haar dachten, dan zou men bevonden hebben, dat zij voor beiden niet meer het kinderlijke kwikstaartje was en dat zij haar dankten voor het offer van haar jeugdig leven.
De eerste dierbare gast, die de nieuwe woning met hen betrok, was de kleine Maria, die hun liefste huisgenoote bleef tot haar huwelijk. De opvoedster Eudoxia, die Orion mede bij zich had opgenomen, volgde Maria later naar haar eigene, schoone woning en de leerlinge sloot eindelijk de oogen der Griekin, die zich bij de opvoeding harer kleinen niet als eene huurlinge, maar als eene ware moeder gedroeg.
Ook de patriarch Benjamin, die op grond van vele overwegingen en niet het minst om het testament van Katharina, besloten had met den zoon van den Mukaukas in goede verstandhouding te blijven, verscheen als gast bij het jonge paar. Noch hij, noch de kerk behoefden berouw te gevoelen over den vrede, dien hij met Orion gesloten had, en toen Paula haren geliefden gemaal een zoon schonk, bood de kerkvorst zichzelven als peet aan, en noemde den kleine naar zijn grootvader: Georg.
Spoedig na zijn huwelijk werd de waardigheid van Mukaukas aan Orion opgedragen, hoewel onder een nieuwen Arabischen titel. Zijn zoon erfde die later, toen hij tot man was opgewassen. Als de hoogste christelijke beambte in zijn vaderland moest Orion weldra van woonplaats veranderen en uit het ten ondergang gedoemde Memphis naar Alexandrië verhuizen. Van daar strekte zich zijne werkzaamheid uit over het geheele Nijldal, en hij wijdde zich daaraan met zooveel ijver, zulk eene trouw, zooveel verstand en rechtvaardigheid, dat nog door latere geslachten zijn naam met vereering en liefde werd herdacht. Paula maakte het geluk en de trots uit van zijn leven en bleef tot op hoogen leeftijd innig met hem verbonden. Tot de plichten zijns levens rekende hij ook, dag aan dag het leven recht gelukkig te maken der vrouw, die hem van een verlorene en vervloekte gemaakt had tot hetgeen hij nu was. In den gevel van het nieuw gebouwde paleis zijner vaderen in de havenstad plaatste hij het opschrift, dat de ring van den edelen Thomas versierde: "Voor de deugd heeft God het zweet gezet."
Ook de arts en zijne Pulcheria vonden te Alexandrië eene nieuwe woonplaats. Philippus had niet lang aanzoek om haar behoeven te doen; want toen de teruggekeerde zijn lief meisje, waaraan hij op de lange reis voortdurend had gedacht, in het huis harer moeder voor de eerste maal weder ontmoette, en zij hem beide handen vertrouwelijk en hartelijk toestak, trok hij haar tot zich en liet zijne Pul niet weder uit zijne armen los, voor vrouw Johanna hem en haar den moederlijken zegen had gegeven. De weduwe woonde in het huis van den arts bij haar kinderen en kleinkinderen en bezocht vaak het graf van haren lieven man. Eindelijk werd zij bij hem en zijne moeder op het kerkhof van de havenstad begraven.
Rustem, dien Orion tot een welvarend man maakte, werd een groote paarden- en kameelenfokker in zijn vaderland, en zijne Mandane bestuurde kalm en met overleg zijne goederen, die hij, ofschoon hij een Masdakiet bleef, met niemand deelde. Het eerste meisje dat zijne vrouw hem schonk, heette Maria, de eerste knaap werd Haschim genaamd. In het voorstel van Rustem, om den tweeden Orion te noemen, stemde zijne vrouw niet toe; zij riep dien liever bij den naam Rufinus en die er nog volgden bij die van Philippus en Rustem.
Het senatorenpaar uit Konstantinopel verliet Egypte met een tevreden gemoed. Vrouw Martina had toch nog de voldoening gehad, de bruiloft van hare lieve Heliodora aan den Nijl te helpen vieren, zij 't ook dat de bruidegom niet haar "groote Sesostris" was geweest, maar haar neef Narses die onder de zorgvuldige verpleging van de jonge vrouw wel is waar niet zijne volle gezondheid had teruggekregen, maar toch redelijk was hersteld. Als Paula's huwelijksgeschenk ontving de jonge weduwe de noodlottige groote smaragd, die intusschen naar Memphis was teruggekomen. Het Senatorenpaar en de Mukaukas Orion met zijne gemalin bleven tot aan het einde door innige vriendschap verbonden.
De rentmeester Nilus vervulde nog lang zijn ambt met vlijt en voorzichtigheid, en zoo vaak de koopman Haschim te Alexandrië kwam, ontstond er een strijd tusschen de vrienden Orion en Philippus, want beiden wilden zijn gastheer zijn. De arts gunde thans den Mukaukas zijne trotsche gemalin. Hij hield niet op haar te bewonderen, maar dacht daarbij: "Mijne aanminnige Pul heeft toch haars gelijke niet. Voor Paula zouden onze vertrekken te klein zijn maar mijne goudharige voelt er zich het meest op haar gemak."
Tot het einde vervulde hij zijn beroep met zelfopofferende toewijding, en als hij Orion zich zag inspannen bij zijne strenge plichtsvervulling, zeide hij vaak: "Hij weet nu, wat het leven eischt en handelt er naar, en daarom veroudert hij niet en klinkt zijn lachen nog altijd even innemend blijmoedig. Wie als de Nijlbruid een wissen dood en als de jonge Mukaukas den zwaarste aller vloeken weet te boven te komen: waarlijk, het is eene eer zich een vriend te durven noemen van zulk een paar!"
De Nijlbruid werd tot op den huidigen dag niet vergeten, want voordat de stroom in den "nacht van den druppel" stijgt, richten de bewoners der stad, die op de andere zijde van den stroom in aansluiting aan het door Amr gegrondveste Fostat de plek bewonen van het oude Memphis, de Kaireners, aan den oever van de rivier eene pop van klei op, die er uitziet als een vrouwelijk wezen, en zij noemen haar "Arouse", dat is "de bruid".
EINDE.
AANTEEKENINGEN
[1] Het zeil waarmee het open dak overspannen kon worden.
[2] Het vertrek waar de papyrusrollen en kostbaarheden werden bewaard.
[3] Raadsheeren.
[4] De vriend en raadsman eener vrouw, die ook bij het gerecht voor haar moest optreden. Met hem naast zich, stond de vrouw in het toenmalige Egypte voor de wet met den man gelijk.
[5] Klooster.
[6] Weinig samenhangende rijen van op zichzelf staande kluizenaarswoningen.
[7] Voogd.
[8] Een binnen het gebouw besloten tuin.
[9] Vertrek ter bewaring van boeken en kostbaarheden.
[10] De Grieken bedienden zich hij vrouwennamen gaarne van verkleinwoorden; men vindt ze zelfs in de belastinglijsten in plaats van de gewone namen. Overigens was het gebruik van diminutiva ook den Attischen Grieken niet vreemd.
[11] Plaatsvervanger.
[12] Bravo.
[13] Nijlmeerval, eene smakelijke visch.
[14] De onderwereld der oude Egyptenaren.
[15] Een groot zeeschip, met drie rijen roeibanken.
[16] De Alexandrijnsche bisschop Eutychius (geb. 876 n. Chr.) omschrijft de communistische leer van Masdak aldus: "God heeft de mensch het zijne toebedeeld, opdat gij het gelijkmatig onder hen verdeelen zoudt, en den een niet meer zal hebben dan den ander. Wanneer een echter meer dan billijk is aan vermogen, vrouwen, slaven en roerende goederen mocht bezitten, dien willen wij het ontnemen, om hem aan de anderen gelijk te maken."
[17] Een dubbel schrijftafeltje, dat kon worden toegeslagen.
[18] Een helper en dienaar van een priester.
[19] Onze zeep, die men echter niet in harden toestand gebruikte.
[20] Suez.
[21] De Grieksche vesting, waarbij het door Amr gestichte Fostat en later Kairo zich aansloten.
[22] Nog in de 14e eeuw na Christus werd door de Christenen in Egypte een kistje met een menschelijken vinger in den Nijl geworpen om den stroom tot wassen te nopen. Dit wordt bevestigd door een bericht van den betrouwbaren Makrisi.
[23] Het doet geen pijn.
[24] De bemiddelaren der huwelijken bij de Arabieren.