De nijlbruid (part 2 of 3)
"Tot mijn twintigste jaar woonde ik altijd bij mijne ouders, en gedurende mijne veelvuldige vrije uren kon ik doen en laten wat mij het best aanstond, en dat waren, als het niet te voornaam klinkt, louter geneeskundige zaken. Als twaalfjarige knaap was ik het eerst begonnen mij daaraan te wijden, en wel door een toeval. Ik liep natuurlijk gaarne in de werkplaatsen rond, en daar was eene ekster, een potsierlijk beest, dat mijne medelijdende moeder opgevoed had. Het dier kon 'jij domkop', mijn naam en nog andere woorden roepen, en hield veel van lawaai; want waar de smeden en slotenmakers het drukst hamerden en vijlden, daar fladderde het 't liefst heen en weer, en waar het zich neerzette bij een aambeeld, keek het onder al dat kloppen, knarsen en slijpen altijd vroolijk rond. Jarenlang was het dier zijne gezelligheid goed bekomen, maar op zekeren dag geraakte het in een schroefbank beklemd en zijn linkerpootje brak. Dat arme beestje!"
De oude bukte even, om heimelijk zijne oogen af te vegen, en ging toen opnieuw voort: "De ekster viel op zijn rug en zag mij zoo medelijdend aan, dat ik den blaasbalgtrekker, die hem uit medelijden den genadeslag wilde geven, de tang uit de handen rukte, het beestje voorzichtig aangreep en mij voornam het te genezen. Toen heb ik de ekster op mijne kamer aan een kunstig bedacht toestelletje bevestigd, opdat zij zich stil zou houden en zich geen pijn zou doen; ik heb het pootje gezet, de gewonden einden in mijn mond verwarmd en bevochtigd, en kleine houtjes als spalkjes daarom bevestigd. En ziedaar, het pootje genas waarlijk, het beestje werd gezond, fladderde als vroeger in de werkplaats rond, en als ik mij vertoonde vloog het op mijn schouder en pikte met zijn spits snaveltje mij voorzichtig in het haar. Van dat oogenblik af zou ik gaarne de hoenders in den hof de pooten gebroken hebben om ze te genezen; doch ik kwam op een ander denkbeeld. Ik ging naar de barbiers en zeide hen, dat wie een vogel, een hond of eene kat met gebroken leden had, die mocht ze bij mij brengen, ik verklaarde mij bereid ze om niet te heelen, dat konden ze aan hunne klanten vertellen. Reeds den volgenden dag bracht men mij een patiënt, een zwarten jachthond met gele vlekken boven de oogen, dien eene afgedwaalde lans een poot verbrijzeld had; ik zie dat beest nog voor mij! Op dezen volgden andere gevederde en viervoetige kranken, en zoo was dan mijn heelmeesterswerk begonnen. Die lijdende vogels, die daar aan de boomen hangen, dank ik weder aan mijne bondgenooten, de barbiers. Met viervoeters houd ik mij thans slechts bij uitzondering bezig. De lamme kinderen, die gij als helpers in den tuin ziet, behooren aan arme ouders, voor wie de wondarts te duur is. Die vroolijke krullebol die u onlangs de roos bracht, mag over weinige dagen naar huis gaan. Maar wij moeten naar mijne jeugd terug!
"De hoogere beweeggronden, die aan mijn leven deze richting gaven, hebben zich eerst later na mijn twintigste jaar en nadat ik de hoogeschool reeds achter mij had, bij mij doen gelden, ja door hunne kracht ben ik eerst aangegrepen, nadat mijn oom mij reeds menige gelegenheid had verschaft om mij in mijn vak te oefenen. Zonder ijdelheid mag ik zeggen, dat mijne voordrachten de lieden bevielen, en ofschoon ik een afkeer had van gezwollenheid en bloemrijk gezwets werd ik toch niet uitgefloten. Hoewel de ouders zich verblijdden als ik uit Nikou, Arsinoë of uit andere plaatsjes in de provincie met lauwerkransen en goudstukken terugkeerde, was ik in mijne eigene oogen altijd een bedrieger. Doch om mijn vader waagde ik het niet een ander beroep te kiezen, ofschoon het mij al meer en meer tegen de borst stuitte lieden hemelhoog te verheffen, die ik noch liefhad noch achtte, en tranen van ontroering te schreien, terwijl ik bereid geweest zou zijn hartelijk te lachen.
"Vrije tijd had ik in overvloed, en daar het mij niet aan moed ontbrak en ik zeer gehecht was aan onze Grieksche geloofsbelijdenis, was ik er altijd bij als er verschillende geloofsgenooten met elkander in opstand kwamen en handgemeen werden. Gewoonlijk liep het af met builen en schrammen, doch soms werden ook de zwaarden getrokken. Eens waren duizenden tegen duizenden in strijd geraakt, en de prefect had de troepen--allemaal Grieken--laten uitrukken, om de rust met geweld te herstellen. Dit gaf eene slachting, waarbij wel duizend vielen. Ik kan u dit niet schilderen. Zulke dingen gebeurden niet zelden en vaak richtten de woede en hebzucht der menigte, waarachter maar al te dikwijls de overheid en de creaturen van den aartsbisschop stonden, zich tegen de joden. Wat ik dan aanschouwen moest is zoo akelig, zoo afgrijselijk, dat de tong weigert het te vertellen. Maar die arme joodsche moeder, wier man door ellendige rekels--nog wel onze geloofsgenooten--werd vermoord, die haar huis hadden leeggeplunderd en daarna door een zwaargewapende bij de haren over den grond werd gesleurd, terwijl een bloeddorstige kerel haar zuigeling voor hare oogen bij de voetjes nam en den schedel tegen den muur verpletterde, gelijk men een natten doek tegen een paal uitslaat--die schoone jonge vrouw en haar kind heb ik nooit vergeten, en niet zelden verschijnen ze mij bij nacht in den droom.
"Dat alles heb ik beleefd, en met afgrijzen zag ik, een schepsel Gods, een redelijk wezen zijn medemensch verscheuren, vervolgen, diep ongelukkig maken. En waarom? Barmhartige Heiland, waarom? Alleen uit haat, alleen--zoo waar de mensch de maatstaf aller dingen is--voortgezweept door eene gruwzame begeerte om zijn naaste, die niet wilde zijn wat hij was, ja den naaste, die het waagde voor zichzelven iets te zijn, te schaden, te krenken en leed te doen. En deze woestelingen, deze legers die zich schaarden onder de banier der onbarmhartigheid, der vernielingswoede, van den bloeddorst, waren christenen, gedoopt in den naam van hem die gebood den vijand te vergeven, die de liefde had uitgebreid van huis en stad en stal over de menschheid, die de echtbreekster uit het stof ophief, die de kinderen in zijne armen nam en zich meer wilde verheugen over éen zondaar die zich bekeert dan over negen-en-negentig rechtvaardigen! Bloed wilden zij zien, bloed, en was dan niet de leer van hem, op de belijdenis waarvan zij zich verhieven, gesproten uit het bloed van den man, die zijn leven had opgeofferd voor alle menschen, gelijk de lotusbloem zich verheft uit het helder water van het marmeren bekken? En zij die in de eerste plaats zulk eene leer der barmhartigheid door woord en daad moesten verkondigen en verdedigen: de patriarch, de bisschop, de presbyter en de diaken, zij hitsten de volkswoede aan, in plaats van der menigte het beeld te toonen van den goeden herder, die het afgedwaalde schaap opheft en vriendelijk naar de kudde terugdraagt.
"De eeuw waarin ik leefde scheen mij de jammerlijkste van alle eeuwen en zij is het ook, zoo waar de mensch de maatstaf is aller dingen; want in dezen tijd is de liefde veranderd in haat, barmhartigheid in onverbiddelijke gevoelloosheid. Niet alleen de tronen der wereldlijke vorsten, ook die der geestelijke gezagvoerders dropen van het bloed van den naaste. Keizer en bisschop gaven het voorbeeld, het volk en de leek deden het hun na. Evenals de grooten, de mannen van het zwaard, zoo ook de kleinen, zoo ook de vreedzamen, die zochten naar geestelijke goederen. Wat ik als man op straat zag gebeuren, dat had ik als knaap en jongeling reeds op de lagere en hoogere scholen waargenomen. Elke leer had hare aanhangers, en wie het met Cnejus eens was, die haatte Cajus en deze sprak en schreef op zijn beurt met geen ander doel dan om Cnejus te benadeelen, te vernederen, te kwellen. Elk tracht met den meesten ijver de fouten van zijn evenmensch aan te toonen en hem aan den schandpaal te binden, vooral wanneer deze voor grooter werd gehouden dan hij, of dreigde hem boven het hoofd te wassen. Hoort de meisjes aan de bron en de vrouwen bij het spinnewiel! Alleen hij is zeker bijval te zullen vinden, die van andere mannen en vrouwen wat kwaads kan vertellen. Wie vraagt naar den lof van zijn naaste? Wie over het geluk van een ander hoort spreken wordt zijn benijder.
"Haat, overal haat! Overal de wil, de wensch, de hartstocht om een ander te bedroeven en ten val te brengen, in plaats van hem op te heffen, voort te helpen, te genezen! Dat is de geest van mijn tijd en alles wat in mij is verhief zich daartegen met heiligen toorn, en ik zwoer anders te zullen zijn en te handelen, en geen ander doel te willen nastreven dan den ongelukkige bij te staan, den ellendige te helpen, tot mij te trekken allen die een voorwerp waren van onbillijke bespotting, bij mijn naaste recht te maken wat krom, heel wat gebroken is, balsem te gieten in wonden en ze te genezen, ja te genezen!
"Gode zij dank, het is mij gelukt althans voor een deel die gelofte te houden, en al paarde ik later aan mijn ijverig streven ook zekere grillen en eene zonderlinge begeerte tot onderzoek, het groote levensdoel waarover ik u sprak heb ik eerst onafgebroken in het oog gehouden, nadat mijn vader gestorven was en mijn oom mij zijn aanzienlijk vermogen had nagelaten. Toen hing ik den rhetorsmantel aan den kapstok, doorreisde het westen en het oosten om het land te zoeken, waar liefde de menschen aan elkander verbindt, en haat als eene krankheid wordt beschouwd. Maar--zoo waarlijk de mensch de maatstaf is aller dingen--tot heden is alle moeite om dat land te vinden vruchteloos geweest. Inmiddels heb ik mijn huis zoo ingericht, dat het een burcht der liefde is geworden. Daar waait eene lucht waarin de haat niet kan tieren en in de kiem verstikt.
"Maar ondanks dit alles ben ik geen heilige geworden, en hoeveel dwaasheden, hoeveel onrecht heb ik begaan; hoeveel geld en goed, dat ik misschien beter voor de mijnen had kunnen bewaren, is mij door de vingers gegleden, hoewel meerendeels bij het vervullen van plichten die ik voor de edelste hield. Wilt gij 't wel gelooven, Paula? Vergeef den ouden man, als hij de dochter van Thomas zoo vaderlijk toespreekt. Nauwelijks vijf jaren na mijn huwelijk met deze mijne beste vrouw, spoedig nadat wij onzen eenigen kleinen zoon verloren hadden, heb ik haar en mijn dochtertje, deze Pul, verlaten, voor meer dan twee jaren verlaten, om zonder opgeroepen te zijn, geheel vrijwillig keizer Heraclius te volgen in den krijg tegen de Perzen, die mij niets in den weg gelegd hadden. Trouwens ik ging niet als krijgsknecht, maar als een leergierige wondarts. Eerlijk gezegd, schepte ik evenzeer behagen in het zien en behandelen van breuken, wonden en verminkingen bij menigte en in het groot, als in het betoonen van mijne mildheid. Met een gebroken doch redelijk samengelapt been keerde ik tot de mijnen terug, weinige jaren later echter kon ik het niet langer op dezelfde plaats uithouden. De trekvogel haalde vrouw en kind uit de rust van huis en tuin, en sleepte ze mee naar de hoogeschool. De echtgenoot, de vader, de grijskop maakte een wonderlijk figuur onder die jonge metgezellen, die de lessen en verklaringen van den leeraar volgden. Maar zoo waar de mensch de maatstaf aller dingen is, in vlijt en ijver stond ik bij niemand hunner achter, hoewel menigeen mij in geest en gave verre overtrof, en onze Philippus muntte uit boven allen. Ziedaar de reden, edele Paula, waarom de grijsaard en de man in den bloei zijner jaren studiegenooten zijn, doch de oude buigt zich heden nog gaarne voor den jongeren kunstbroeder, die van denzelfden geest bezield is. Recht maken, troosten, heelen dat is ook het doel van zijn leven, en vaak lust het mij oudje, die het doel van Philippus zooveel eerder dan hij heb nagestreefd, mij zijn leerling te noemen."
Hier zweeg Rufinus en stond op, ook de Damasceensche verhief zich van haar zetel, drukte hem hartelijk de hand en zeide: "Ware ik een man, ik sloot mij bij u beiden aan. Doch het is ook aan eene vrouw geoorloofd, zooals Philippus mij leerde, in uw geest te werken. En thans verzoek ik u nog, en gij zult mij deze gunst niet weigeren, mij nooit anders dan Paula te noemen. Zoo gelukkig als ik thans ben bij u, had ik niet gedacht mij nog ooit weder te zullen gevoelen. Mijn hart wordt hier frisch en gezond. Vrouw Johanna, wees gij mij tot eene moeder! Ik heb een besten vader verloren, en tot ik hem wedervind zult gij Rufinus zijn plaats bekleeden."
"Gaarne, volgaarne!" riep de oude man, greep hare beide handen en ging daarna opgewekt voort: "Daarvoor verzoek ik u echter, dat gij onze Pul als eene jongere zuster aanneemt. Maak gij van het schuchtere, menschenschuwe schepseltje een jonkvrouw naar uw voorbeeld.--Maar kom, kinderen, spoedig den blik naar den hemel gericht, want daar begint, zooals de oude heidenen van dit land zeiden, als de maan verduisterde, Typhon reeds in de gedaante van een everzwijn het Horus-oog te verslinden. Ziet hoe de schaduw de blanke schijf bedekt! Als de vaderen dit zagen maakten zij geweld; zij schudden het sistrum met zijne metalen ringen, zij trommelden, bliezen, tierden en raasden, om den booze vrees aan te jagen en hem te verdrijven. Voor vierhonderd jaren zal dat hier voor het laatst gebeurd zijn, en heden--trekt de hoofddoeken wat vaster aan en volgt mij naar den stroom--heden maken christenen zich bespottelijk door hetzelfde te doen. In welk christelijk land ik ook geweest ben, overal heb ik hetzelfde schouwspel aangetroffen. Onze heilige godsdienst heeft het geloof der heidenen vernietigd, maar hun bijgeloof bleef leven en is door de voegen en naden in onze gebruiken binnengedrongen. Daar trekken ze heen met den bisschop aan het hoofd, en hoe luide overstemt het gejammer der vrouwen en het huilen der mannen het gezang der geestelijkheid. Hoort maar! Ook die liederen klinken zoo klaaglijk en zoo hartstochtelijk smeekend, als voerde de oude Typhon nog in zijn schild de maan te verslinden, en als stond de wereld het grootste onheil te wachten. Ja--zoo waar de mensch de maatstaf is aller dingen--die beangstigde schepsels daar beneden zijn geesteskrank, en hoe kan men hen vergeven, die het wagen christenen, ja christenen, met de overblijfselen van heidensche dwaasheid bang te maken en hun geestelijk oog te verblinden!"
TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Tot voor weinige dagen was de kleine Katharina een onzelfstandig en gehoorzaam kind geweest, dat er eene eer in gesteld had niet alleen hare moeder maar ook vrouw Neforis en, sedert hare eigene Grieksche opvoedster het huis verlaten had, zelfs de bitse Eudoxia zoo snel mogelijk en op haar wenk te gehoorzamen. Ook het kleinste vergrijp tegen hetgeen haar bevolen was, ook eene ondeugendheid of eigenmachtige handeling zou zij voor hare moeder en hare degelijke opvoedster, waaraan zij gehecht was, niet verborgen hebben; ja het was haar onmogelijk geweest in te slapen zonder voor het avondgebed alles wat zij in haar eigen klein hart als niet volkomen in den haak beschouwde, te bekennen aan eene andere die zij liefhad en van deze volle vergeving te hebben ontvangen. Zorgeloos en met een geweten zoo blank als de borst van hare witste duif was het kwikstaartje avond aan avond ingeslapen, en het ergste wat zij overdag misdreven had bestond in eene verbodene klauterpartij, en meestentijds in een heftig of onvriendelijk woord.
Sedert Orion's kus onder den bedwelmenden geur der bloeiende boomen had de eerste omkeering bij haar plaats gegrepen en bijna ieder volgend uur had nieuwe wenschen en beschouwingen in haar gewekt. Wat vroeger niet bij haar was opgekomen, namelijk zich een oordeel over hare moeder aan te matigen, dat deed zij nu onophoudelijk. De manier, waarop deze met de vrienden van het stadhouderlijk verblijf gebroken had scheen haar verkeerd en onbetamelijk, en de hatelijke, bittere uitvallen tegen de oude vrienden, waarvan vrouw Susanna's mond overvloeide, ergerde Katharina en brachten haar eindelijk in tegenspraak met haar, wier oordeel haar tot hiertoe onfeilbaar was toegeschenen. Nadat het paleis van den overleden Mukaukas voor haar gesloten was, bezat zij dus niemand, aan wie zij gaarne haar vertrouwen had geschonken, en tusschen Paula en haar rezen scheidsmuren op, tegen welker hoogte zij angstig opzag zoo vaak zij toegaf aan het verlangen om ze te overschrijden. Zij was zeker de andere van wie Orion gesproken had, en hoewel zij aan den avond na de begrafenis van zijn vader heimelijk tot Paula was gekomen, zoo had minder een brandend verlangen om vertrouwelijk te spreken met een deelnemend gemoed haar daartoe gedreven, dan wel eene kwellende met ijverzucht gepaarde nieuwsgierigheid. In een zonderling gemengde stemming van teeder verlangen en doffe haat was zij door de heg geslopen, en toen het tot eene tweede ontmoeting gekomen was, had zij zich aanvankelijk geheel overgegeven aan het genot, om zich openhartig uit te spreken en gehoor te vinden bij eene die zoo ver boven haar stond. Doch na Paulas terughouding bij het antwoorden op hare rondborstige vragen, waren haat en nijd weder in haar ontwaakt. Wie Orion niet haatte, moest hem volgens haar inzicht liefhebben. Behoorden die twee reeds bij elkander?
Misschien had Paula haar onder de sykomore slechts als een lichtgeloovig kind behandeld en haar wat wijs gemaakt. Dit 'misschien' martelde haar, en zij wilde althans beproeven er een einde aan te maken. Een helper had zij tot hare beschikking in den persoon van haar zoogbroeder, den zoon van hare doove voedster, en zij wist dat deze blindelings al hare wenschen vervullen, ja als het haar aangenaam kon zijn, zich midden onder de krokodillen van den Nijl werpen zou. De jonge Anubis had in al hare kinderspelen gedeeld en op zijn veertiende jaar was hij, nadat hij met haar lezen en schrijven had geleerd, op voorspraak van hare moeder als leerling op het rentmeesterskantoor van den stadhouder gekomen, om daar onder den voortreffelijken rentmeester Nilus zich verder te bekwamen. Vrouw Susanna dacht hem later op hare goederen te gebruiken of hem te Memphis aan het hoofdkantoor van het bestuur over haar vermogen eene aanstelling te bezorgen, die aan zijne bekwaamheden beantwoordde. De knaap woonde nog steeds bij zijne moeder ten huize van de weduwe, doch bracht zijne werkdagen door in het stadhouderlijk paleis, waar hij zich bij den arbeid zeer vlijtig betoonde, terwijl hij zich in zijne vrije uren bezig hield met dingen, die ver buiten zijn toekomstig beroep lagen. Op verzoek van Katharina had hij eene duivenpost aangelegd tusschen het huis harer moeder en het paleis van den stadhouder, en langs dezen weg was menig briefje met kleine mededeelingen, uitnoodigingen, afspraken en dergelijken van het kwikstaartje tot de kleine Maria en van deze weder tot haar overgebracht. Anubis vermaakte zich bijzonder met die kleine diertjes, en met goedkeuring van zijne meesters was de duivenslag op het dak van het rentmeestersambt getimmerd. Maria lag nu op het ziekbed en elke gemeenschap met haar was afgebroken; de goed ingerichte post behoefde daarom niet ongebruikt te blijven en Katharina was begonnen zich daarvan voor andere doeleinden te bedienen.
Orions schrijver was gisteren zeer lang opgehouden ten huize van haar buurman, en door Anubis, wien niets ontging wat in het kantoor van Nilus verhandeld werd, was zij te weten gekomen dat aan Paula eerlang haar vermogen zou worden uitgekeerd, en waarschijnlijk wel door Orion in persoon. Bij die gelegenheid moest een onderhoud plaats hebben, en misschien was het haar vergund dit af te luisteren. Hoe dat kon bewerkstelligd worden, was haar ten aanzien van 's buurmans huis dikwijls genoeg op de proef gebleken; zij had alleen te zorgen ter rechter tijd op de plaats te zijn.
In den morgen, die op den nacht der maansverduistering volgde, omstreeks twee en een half uur voor den middag, bracht de kleine duivenoppasser, die de gevleugelde boden in den slag voederde, haar een briefje, waarop Anubis geschreven had, dat Orion zich gereed maakte om heen te gaan. Deze tijding werd echter niet bijzonder vriendelijk ontvangen, want dit tijdstip kwam haar zeer ongelegen. Heel in de vroegte toch had de bisschop Plotinos hare moeder medegedeeld, dat de patriarch Benjamin uit Alexandrië zich aan gene zijde van den Nijl bij den Arabischen gouverneur Amr bevond, om wat later Memphis met een bezoek te vereeren. De patriarch zou éen dag vertoeven, had voor elke plechtige ontvangst bedankt, en het aan hem overgelaten een geschikt kwartier te zoeken voor zijn persoon en voor hen die hem vergezelden, daar hij niet wenschte af te stappen aan het stadhouderlijk paleis. De ijdele weduwe had zich terstond volgaarne bereid verklaard, om den hoogen gast onder haar dak te herbergen. Het bezoek van den kerkvorst moest haar huis zegen aanbrengen, en zij dacht daaruit eenig voordeel te trekken ook voor veel, dat haar thans bezighield. Den patriarch moest eene prachtige ontvangst worden bereid. Daarvoor bleven haar maar weinige uren over, en daarom begon zij, nog vóór de bisschop van haar afscheid had genomen, hare bedienden samen te roepen en hare bevelen te geven. Het geheele huis moest van boven tot beneden schoon gemaakt worden; een deel van het keukenpersoneel moest haastig naar de stad gaan om inkoopen te doen, terwijl een ander deel alles aan den haard in gereedheid bracht. De tuinlieden plunderden de bloembedden en heesters om guirlandes, kransen en ruikers voor de ontvangst in orde te brengen. Van den kelder tot op den beganen vloer waren een vijftigtal blanke, bruine en zwarte slaven met alle kracht in de weer; want ieder meende door dezen dienstijver ter wille van den patriarch op de bijzondere genade des hemels te mogen rekenen, en daarbij schreeuwde hunne onvermoeide meesteres hun gestadig toe, wat zij verlangde dat gedaan zou worden. Zij, die als meisje de oudste dochter was geweest van een gezin dat rijk met kinderen gezegend, maar minder met goederen bedeeld was, en zelf de handen had moeten uitsteken, vergat heden dat zij eene rijke aanzienlijke vrouw was geworden, wie het niet meer paste in persoon huis te houden, en zoo was zij nu hier, dan daar, hield een oog op alles, op ieder groot en klein, alleen niet op hare dochter.
Katharina was het fijne, Grieksch opgevoede popje des huizes, aan wier ernstige hulp niet gedacht kon worden; ja, zij zou meer in den weg hebben gestaan. Na het afscheid van den bisschop had zij enkel den last bekomen, den patriarch in haar beste kleed met een ruiker te ontvangen onder het linnen afdak aan de hoofddeur. Meer verlangde Susanna van hare dochter niet, en deze dacht, terwijl zij de trap opvloog die naar hare kamer geleidde: "Orion zal weldra komen, vóor het middag is verloopen er nog ten minste twee uren, en wanneer hij een half uur hier naast blijft, is het al lang. Ik zal nog tijd genoeg overhouden om mij te kleeden, en uit voorzichtigheid zal ik mij de nieuwe schoenen reeds dadelijk aan de voeten laten binden. De voedster en de kamenier mogen mijne kamer niet meer verlaten Voor het geval dat het wat later wordt moeten zij alles gereed houden, want misschien hebben Paula en hij elkander veel te zeggen. Zonder eene terechtwijzing laat zij hem niet gaan, tenzij zij hare verwijten reeds op eene andere manier aan den man heeft gebracht."
Spoedig hierop sprong zij, met fraaie, met gouddraad doorstikte en blauwe saffieren bezaaide sandalen aan de kleine voeten, op een met zoden belegden aardheuvel, die zij reeds vroeger had laten maken achter de heg, waardoor zij gisteren gekropen was, en zette zich daar met een tevreden lachje op een zeteltje neer, als gold het eene theatervoorstelling. Eenige bladplanten, die achter deze verborgen zitplaats groeiden, beschutten haar eenigermate voor het branden der zon, en terwijl zij op dezen uitkijk, waarvan zij zich niet voor de eerste maal bediende, wachtte en luisterde, begon haar hartje steeds sneller te kloppen, ja, zij vergat door hare groote gejaagdheid het suikerwerk, dat zij, om den tijd te verdrijven, op een groot blad in haar schoot had gestrooid. Tot haar geluk liet Orion niet lang op zich wachten, hij kwam in de gesloten vierwielige carruca van zijne moeder. Naast den voerman zat een dienaar, en op elk der beide treden van de deuren van het voertuig zat een slaaf. De wagen werd gevolgd door eenige nietsdoende mannen en vrouwen en eene schare van halfnaakte kinderen. Maar de nieuwsgierigen hadden zich misrekend, want de carruca bleef niet op straat stilstaan; zij reed den tuin van Rufinus binnen, en de planten en boomen onttrokken haar aan de blikken van het daarbuiten wachtende gepeupel, dat nu spoedig vrijwillig uiteenging. Vóor de middendeur van het woonhuis steeg Orion en na hem de rentmeester uit den wagen, en terwijl de oude heer den zoon van den Mukaukas begroette, zag Nilus toe op het overbrengen van een tamelijk aantal zware zakken in de schaduwrijke werkkamer van den ouden heer.
Bij dit alles was er voor Katharina niets merkwaardigs te zien dan het aanzienlijk aantal en de grootte van de zeker met goud gevulde buidels, en de man, waarom het haar vooral te doen was. Zoo schoon was Orion haar nog nooit voorgekomen, want het laag neerhangende treurgewaad, waarvan hij de einden in breede plooien over den schouder had geslagen, deed de natuurlijke lengte van zijne gestalte nog beter uitkomen. Zijn overvloedig thans ongekruld haar hing in rijke kunstelooze golvingen langs zijn gelaat, dat er bleek en ernstig uitzag, hetgeen haar tegelijk roerde en onweerstaanbaar aantrok. De gedachte, dat deze uitmuntende jonkman eens hare hand gevraagd, haar bemind en gekust had, hem bezeten en daarna voor altijd verloren te hebben, omdat hij eene andere liefhad, deed haar pijn, als een gevoel van smart dat van de borst uitging, en zich tot in de hersenen deed gevoelen. Nadat Orion in het huis verdwenen was, meende zij hem nog altijd te zien, en toen zijn beeld daarna ook voor haar zielsoog verflauwde, en zij zich voorstelde hoe hij thans stond tegenover die andere, Paula, en deze evenzoo aanzag als haar eenige dagen geleden, verdubbelde haar zieleleed. Of die Damasceensche ook maar half zoo gelukkig was als zij in die onvergetelijke ure? Ach het was haar zoo wee om het hart! Het liefst ware zij over de heg gesprongen, om zich in 's buurmans huis tusschen Paula en Orion te werpen.
Daar zat zij nu rusteloos en toch zonder zich te verroeren, geheel beheerscht door booze gedachten, die maar zelden ter sluiks de ziel van een goed mensch doorkruisen, daar zat zij te staren op het huis van Rufinus. Dat lag daar doodstil in den gloeienden zonneschijn, als was het ingeslapen. Ook in den tuin bewoog en verroerde zich niets dan de dunne waterstraal, die uit het marmeren bekken opschoot met zacht, eentonig en telkens afgebroken geplas, niets dan de kapellen, vlinders, bijen en kevers, wier gegons zij niet hoorde en die de bloemen zonder eenig geluid schenen te omfladderen. De vogels sliepen zeker, want er vertoonde zich niet éen, geen enkele brak met zijn tjilpen en fluiten de benauwende stilte af. De carruca stond als voor de huisdeur vastgenageld, de voerman was van zijn zetel gestegen en had zich naast de andere slaven neergevleid in de smalle schaduwstrepen van de zuilen der veranda. Allen lieten het hoofd op de borst rusten en niemand sprak een woord; alleen de paarden verroerden zich, als zij met de volle staarten zich tegen de vliegen weerden, of beten naar de brandende wonden die zij gestoken hadden. Soms hieven zij onrustig de distelboom op, en als de wagen zich dan krakend achterwaarts bewoog liet de slaapdronken voerman zijn "brrr!" hooren.
Katharina had een breed blad op haar schedel gelegd om zich te beschutten tegen het branden der zon, want zij durfde noch een zonnescherm noch een hoed gebruiken, uit vrees van gezien te zullen worden. De planten rondom haar gaven maar bitter weinig schaduw en de middaggloed kwelde haar, doch hoewel de eene minuut na de andere, kwartier op kwartier met slakkengang voortkropen, hield de spanning waarin zij verkeerde alle slaperigheid verre. Zij had geen zonnewijzer noodig om den tijd te berekenen, immers zij wist precies hoe laat het was wanneer de eene schaduw tot hier, de andere tot daar was getrokken, en wilde zij de oogen aan het gevaar blootstellen om naar den vuurbol boven haar op te zien, dan kon zij zich volkomen zekerheid verschaffen.
Thans moesten er hoogstens nog drie kwartier verloopen voor het middag was en ginds in huis bleef alles even stil als te voren. De patriarch moest echter op zijn tijd afgewacht worden, en van haar geheele toilet had zij nog niet anders aangetrokken dan de gouden sandalen. Zij nam een kort besluit, ijlde naar hare kamer, verbood de kamenier haar kapsel opnieuw te ordenen en vergunde haar alleen eenige rozen te steken in de natuurlijke lokken. Vervolgens liet zij zich in vliegende haast haar zeegroen bombyxkleed, dat met fraai geborduurde randen omzoomd was, over de schouders werpen, beval den peplos te bevestigen met den eersten den besten haak, en toen zij zichzelve een armband van kostbare saffieren wilde aandoen en het slot daarbij brak, smeet zij het kleinood bij hare overige sieraden, gelijk men een onrijpen appel bij de anderen werpt. Spoedig sloop haar handje nu door een gouden spiraalveer, die haar halven arm bedekte, en eindelijk greep zij de overige kleinoodiën bijeen, die zij zichzelve buiten op den wachtheuvel wilde aandoen. De kamenier kreeg bevel haar op het middaguur te komen roepen met den ruiker voor den patriarch, en een kwartier nadat zij hare schuilplaats verlaten had, was zij er weer terug. Zij kwam op het rechte tijdstip, want terwijl zij de medegenomen sieraden aandeed kwam Nilus uit het huis, gevolgd door slaven met een aantal lederen zakken, die zij weder in de carruca legden. Hierna stegen de rentmeester en de arts Philippus in en de wagen verliet den tuin.
"Paula vertrouwt Orion opnieuw haar vermogen toe," dacht Katharina. "Zij zijn het nu eens, en van nu aan kan er eene geregelde verstandhouding tusschen het huis van Rufinus en het paleis van den stadhouder beginnen. Een slim overlegd spel, maar wacht eens, wacht!"
Daarbij klemde zij de kleine witte tandjes op elkaar, doch behield tegenwoordigheid van geest genoeg, om niets over het hoofd te zien van hetgeen verder gebeurde. Gedurende hare afwezigheid toch was Orions zwarte hengst in den tuin gekomen, een ander ruiter te paard leidde het dier daar rond, en terwijl zij met hare oogen de paarden volgde, prevelde zij met een spottenden lach in zichzelven: "Hij neemt haar dus in elk geval niet dadelijk mee."
Wederom verliepen eenige stille oogenblikken; eindelijk kwam Paula uit het huis, en vlak achter haar, bijna aan hare zijde Orion. En hoe zagen zij er uit! Zijne wangen waren niet bleek meer, neen zeker niet, ze gloeiden evenals die van Katharina zelve! En hoe helder stonden zijne oogen, waarin blijdschap en tevredenheid te lezen was! Zij had wel eene slang willen zijn om beiden in de verzenen te steken! Bij dit alles had de Damasceensche hare edele, trotsche houding niet verloren. En hij?--Als een betooverde zag hij zijne geleidster aan, en zij meende te zien dat de plooien van zijn rouwgewaad zich boven zijn hart op en neder bewogen. Ook Paula droeg heden een rouwkleed. Natuurlijk! Zij behoorden immers bij elkander en zijn leed moest ook het hare zijn, hoewel zij het huis van den Mukaukas als eene gevangenis was ontvlucht. O, die deugdzame schoone wist wel, dat haar niets beter stond dan donkere kleuren. In houding, gang en grootte schenen deze beiden twee bevoorrechte schepsels, die het lot zelf voor elkander bestemd had; dat kon Katharina zich zelf niet ontveinzen.
Een nijdige demon, zij noemde hem een vriendelijke, voerde hen zoo na aan haar voorbij, dat zij met hare scherpe ooren ieder woord verstond, dat hij en zij, nu eens langzaam voortwandelende, dan stilstaande spraken; en het vlugge kwikstaartje volgde hen, terwijl het langs de heg onmerkbaar voortsloop.
"Ik heb u zooveel te danken," waren de eerste woorden, die zij uit Orions mond opving, "dat ik schroom u nog één ding te vragen; maar juist dit betreft ook u. Gij weet hoe zwaar de wond is, die de kinderhand van Maria mij geslagen heeft, doch wat haar daartoe bewoog was hare brave, oprechte gezindheid en hare afgodische liefde voor u."
"Gij wilt dat ik mij dit kind zal aantrekken?" vroeg Paula. "Deze wensch is natuurlijk reeds dadelijk ingewilligd, alleen..."
"Alleen?" vroeg Orion.
"Alleen moet gij haar hierheen zenden, want gij weet dat ik het stadhouderlijk paleis niet weder betreden wil."
"Helaas! Maar het kind is zwaar ziek geweest en zal het huis moeielijk kunnen verlaten. En--dit moet ik er bijvoegen--mijne moeder ontwijkt het op eene wijze, die het toch reeds overprikkelde kind verdriet doet en telkens opnieuw beangstigt."
"Hoe kan vrouw Neforis haar hartediefje dat leed aandoen?"
"Bedenk toch eens," zeide Orion met een zucht, "wat mijne arme moeder voor mijn vader geweest is! Thans is zij als verpletterd en als zij het kind ziet, komt de laatste ure van haar ongelukkigen gemaal haar weder voor den geest, en wat mijn vader en mij toen is aangedaan, door Maria alleen. Zij ziet in die kleine de booze demon van ons huis."
"Dan moet men haar daaruit verwijderen," zeide Paula bewogen. "Zend haar naar ons! Onder het dak van Rufinus huizen vriendelijke en vertroostende geesten."
"Hartelijk dank! Ik zal mijne moeder zoo dringend mogelijk vragen...."
"Doe dat!" haastte Paula zich te zeggen. "Hebt gij Pulcheria, de dochter van mijn waardigen gastheer gezien?"
"Ja, een eigenaardig lieftallig meisje."
"Zij geeft Maria dadelijk eene plaats in hare trouwe ziel."
"En onze arme kleine heeft eene vriendin noodig, sedert vrouw Susanna hare dochter heeft verboden den voet over onzen drempel te zetten."
Nu kwam het gesprek op de beide meisjes en zij spraken over haar als lieve, beklagenswaardige kinderen, en toen Orion opmerkte hoe ver zijn nichtje in ontwikkeling hare jaren vooruit was, voegde Paula er bij, op een toon van zacht verwijt: "Ook Katharina hebben de laatste dagen gerijpt; uit het flinke kind is een meisje geworden, welks kort geleden zoo luchtig hartje bezwaard is door pijnlijke ervaringen."
"Die last wentelt zij, als ik haar goed ken, weldra weder van zich af," antwoordde de ander. "Zij is een lief, vroolijk, klein schepsel, en onder al het kwaad, dat ik op dien vreeselijken dag heb begaan, heb ik haar misschien het ergste leed aangedaan. Ik kan niets tot mijne verontschuldiging aanvoeren, en toch: alleen om den lievelingswensch van mijne moeder te vervullen, stemde ik toe om haar te vragen... Maar spreken wij daarover niet verder! De groote schreden waarmede ik van nu aan mijn weg verder vervolgen wil, moet zij kunnen volgen, wie de liefde den moed geeft om mijne levensgezellin te worden!"
De laatste woorden had Katharina nog met alle inspanning verstaan, thans sloegen de beluisterden een pad in dat, maar even door enkele boomen voor de middagzon beschut, naar het waterbekken in het midden van den tuin leidde, en zij verwijderden zich al verder en verder. Zij verstond niet meer wat zij zeiden, doch zij had genoeg gehoord en kon de rest er wel bij denken. Het hoofddoel van hare tegenwoordigheid aan deze plaats was bereikt; zij meende nu zeker te weten wie die andere was. En hoe hadden die twee over haar gesproken! Niet als over eene verlatene bruid, wier goed recht men met voeten heeft getreden, maar als over een kind, dat men de deur wijst, wanneer het lastig begint te worden. Doch zij meende dat paar daarginds te doorzien en te weten, waarom het dus over haar gesproken had. Paula moest voorkomen dat er een nieuwe band tusschen haar en Orion geknoopt werd, en hij hield het voor verstandig over haar, die hij toch eens met teederheid had overladen, te spreken als over een kind, om zich te vrijwaren voor de jaloezie van de andere die zoo gestreng oordeelde. Dat hij haar althans op dien avond onder de boomen had liefgehad, daaraan hield zij met onwrikbare taaiheid vast, aan deze overtuiging moest zij zich vastklemmen, om niet het laatste steunpunt te verliezen. Hare geheele natuur was in geweldigen opstand. Hare handen beefden, bij deze middaghitte was haar mond als verdroogd. Zij wist dat er verdord loof tusschen hare voeten en de sandalen was geraakt, en dat bladeren en takjes in heure haren waren blijven hangen doch zij lette hierop niet, en toen de de dichte struiken de wandelenden aan hare blikken onttrokken, snelde zij naar haar uitkijk terug. Dáar kon zij hen weder met het oog bereiken, en nu had zij het liefste en beste wat zij bezat willen geven om dat te zijn, waarmede zij zich ongaarne hoorde vergelijken: een kwikstaartje of een andere vogel.
Het middaguur moest nabij, zeer nabij zijn, misschien was het reeds daar; zij maakte hare sandalen schoon, en gaf er geen acht op dat eene roos op den grond viel, terwijl zij hare krullen weder in orde bracht en zuiverde van de dorre bladeren. Alleen de handen, niet de oogen waren met dit werk bezig. Plotseling verhelderde haar blik, want het paar dat zij bespiedde, liep recht op de heg toe, en weldra zou het haar mogelijk zijn hen weder te beluisteren.
DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Orion en Paula hadden over veel gesproken, sedert de eerste het huis van Rufinus had betreden. De onderhandelingen over de bezorging van het vermogen der Damasceensche hadden lang geduurd. Ten laatste hadden hare raadgevers besloten, de eene helft te plaatsen bij den juwelier Gamaliël en zijn broeder, die te Konstantinopel aan het hoofd stond van eene groote zaak. Toevallig was deze te Memphis en beide broeders hadden zich bereid verklaard, om het aangeboden kapitaal ieder voor de helft tegen eene behoorlijke rente in ontvangst te nemen. Beiden wilden gemeenschappelijk de verantwoordelijkheid op zich nemen zoodat ieder borg bleef voor het geheel van het hun toevertrouwd vermogen, wanneer de ander, om welke reden dan ook, zijne betalingen eens moest staken. Nilus had op zich genomen te zorgen voor de rechterlijke bekrachtiging van dit verdrag en de vereischte zestien getuigen. Het andere deel van het vermogen zou, op voorstel van den arts Philippus, de broeder van den Arabischen koopman Haschim ontvangen, die in de nieuw gebouwde stad Fostat aan den oostelijken Nijloever een wisselbank had opgericht, waarin ook de tapijthandelaar deel had. Deze plaatsing had dit voor, dat het kapitaal onaantastbaar bleef, zoolang de Arabieren in Egypte heerschappij voerden. Na deze onderhandelingen ging Nilus heen met dat gedeelte van het vermogen, hetwelk aan den muzelmanschen wisselaar morgen door Orion zou worden toevertrouwd.
Paula was getuige geweest van deze onderhandelingen der mannen, zonder er echter aan deel te nemen; zij had alleen dankbaar hare toestemming gegeven tot hetgeen besloten was. Het was haar niet ontgaan hoe klaar, ernstig en beslist Orion zich getoond had bij deze overleggingen, en hoewel de verstandige, korte, eenvoudig uitgesprokene opmerkingen van den rentmeester altijd doeltreffend bleken te zijn, had zij toch het meeste waarde gehecht aan de gronden en toelichtingen van Orion, want het kwam haar voor als getuigden ze van grooter staatsmanswijsheid en dieper inzichten dan die der overigen. Na het sluiten der zitting, had men haar met Orion alleen gelaten.
Er volgden onvermijdelijk pijnlijke oogenblikken, waarin het hart van den jonkman zoowel als het hare sneller klopten. Eerst toen de zoon van den Mukaukas meer moed had gevat en om vergeving biddend aan hare voeten was gezonken, was zij weder geheel tot kalmte gekomen en had hem herinnerd aan zijn brief, die haar omtrent zijn persoon gerust had gesteld. Doch het hart drong haar met onweerstaanbare macht tot meerdere toenadering, en daaraan toegevende vroeg zij snel, wat hij bedoeld had met den ruil, waarover hij geschreven had.
Hij was daarop met neergeslagen oogen tot haar gekomen, had uit de borstplooien van zijn gewaad een doosje te voorschijn gehaald, hetwelk de smaragd bevatte met de verborgen kas van bladgoud. Beiden had hij haar smeekend toegestoken, en daarbij met zijne zware stem op zijn eigenaardigen diepen toon gezegd: "Ziedaar uw eigendom! Neem het aan, en schenk mij in de plaats ervan uw vertrouwen, uwe vergeving!"
Hierop was zij enkele schreden achteruit gegaan, had eerst hem, daarna den steen en de kas verrast, blijde en ontroerd met wijd geopende oogen aangezien. Het was den jonkman daarbij niet mogelijk geweest een woord te spreken, en hij had haar het juweel en het eenvoudig stuk bladgoud dichter en dichter onder de oogen gebracht, toegereikt als een arme, die het waagt een trotsch, rijk en aanzienlijk man het beste wat hij heeft ten geschenke aan te bieden, ofschoon de gave te gering is voor hem die haar ontvangt.
Paula was niet lang besluiteloos gebleven, maar had naar zijne gave de hand uitgestoken, en dankbaar met hare van vreugde stralende oogen het verloren kleinood als verslonden. Eergisteren zou zij het als bezoedeld en ontheiligd beschouwd hebben, het zou streelend zijn geweest voor haar trots dezen kostbaren schat vrouw Neforis en haar zoon opeens voor de voeten geworpen te hebben, om dien nimmer weder te zien. Zoo bezwaarlijk geeft men het recht op, om hem te haten die op misdadige wijze ons leven verbitterd en onze zielen gewond hebben. Doch heden deed Paula vrijwillig afstand van een recht, dat zij nog kort geleden voor niets zou hebben prijs gegeven, ja zij wees dien eisch af als een drukkenden last, die de vrije ademhaling en het rustig kloppen van het hart belemmert. In dit juweel zag zij thans weder het dierbaar aandenken aan hare overledene moeder, het vereerend sieraad dat een groot monarch aan een harer voorouders had geschonken, en zij was blijde dat het haar weder toebehoorde. Deze herinneringen hadden echter het warme, zonnige gevoel, dat haar thans doordrong, niet bij haar doen ontwaken en zij waren ook de oorzaak niet dat het zoo snel in kracht was toegenomen; neen, hare oogen letten nauwelijks op den fraaien, blinkenden steen, maar staarden onafgebroken op het armzalig bladgoud, waarin hij was gevat en dat haar zulk eene vreeselijke ure had bereid.--Wel bezat dit ellendig verbogen voorwerp de macht zich voor hare rechters en vijanden te rechtvaardigen; wel zou het haar gemakkelijk zijn gevallen met dit ding in de hand hare aanklagers te vernietigen; maar ook dit was het niet wat haar zoo onuitsprekelijk goed deed. Het woord van den arts was haar voor den geest gekomen, dat er namelijk geen grooter vreugde is dan te ervaren zich in een mensch tot zijn nadeel bedrogen te hebben, en zij had den man die daar voor haar stond eenmaal liefgehad. Hij stond daar diep bewogen voor haar, wederom bereid tot alle goed, en het oordeel dat zij over hem geveld had, was honderd-, ja duizendmaal te hard geweest! Alleen een edele verwacht met vertrouwen edelmoedigheid van den vijand en hij, hij gaf zich weerloos over in de handen van haar, die door deze noodlottige, misschien eenige schandelijke daad zijns levens doodelijk getroffen was. Met dit stuk bladgoud leverde Orion zich zelven uit, als bezitster van dezen talisman stond zij tegenover hem als het almachtige noodlot! En toen zij den blik naar hem opsloeg en zijne groote oogen zag, waaruit geest en leven straalden en waarin tranen blonken van innige ontroering, scheen het haar onbetwistbaar zeker, dat deze lieveling der fortuin, die zoo zwaar gezondigd had, toch in staat was het grootste en hoogste te bereiken wanneer een vriend hem wees op den verhevensten eisch des levens, en hij bereid werd bevonden diens wenk te volgen. En deze vriend wilde zij voor hem zijn!
Evenals Orion zoo kon ook zij eerst geen woorden vinden. Eindelijk was hij zichzelven niet meer meester, naar haar toegesneld, en had hij zijne lippen met warmen dank op hare rechter hand gedrukt. Zij had het zich moeten laten welgevallen en zou ook niet in staat zijn geweest het te beletten als hij haar driftig, gelijk in dien droom, in de armen gekneld en aan zijn hart gedrukt had. Met geestdrift was zijn brandende mond op hare hand blijven rusten, doch maar een oogenblik had zij toegegeven aan de machtige ontroering, die haar had aangegrepen; toen was zij door de wilskracht ten goede, die haar bezielde, haar gevoel meester geworden, had hem bepaald maar toch niet onvriendelijk teruggewezen, en hem op bewogen en liefderijk schalkschen toon,--iets dat hem vreemd in haar voorkwam en hem nog meer in verrukking bracht dan hare grootheid en trots--met dreigend opgeheven vinger toegeroepen: "Neem u in acht, Orion! Ik behoud den steen en de kas, ja ook de kas! Wacht de gevolgen maar af, gij onvoorzichtige man!"
"Spreek niet zoo," had hij in zalige stemming geantwoord. "Zeg liever: gij dwaas, die eindelijk eens eene verstandige daad volbrengt. Wat ik u hier uitlever is geen geschenk, maar altijd uw eigendom geweest. Voor u kan het niet meer of niet minder gelden dan vroeger, doch voor mij heeft het nu deze nieuwe, onschatbare waarde, dat het mij, mijne eer, misschien ook mijn leven in uwe handen stelt, dat gij nu over mij beschikken kunt gelijk de keizer over zijn armsten dienstknecht in het paleis. Behoud en gebruik den steen en dit noodlottig nietswaardig stukje goud, tot de dag komt, waarop mijn wél en wee het uwe zal zijn."
"Om der wille van den afgestorvene," had zij hem sterk blozende geantwoord, "gaat dit wél mij thans reeds ter harte. Wie over het hoofd van een ander den vloek eens vaders bracht, is het haar plicht niet den zwaar belaste te helpen, om zich van dien vloek te ontheffen? En misschien ligt dit in mijne macht, Orion, wanneer gij het niet versmaadt den raad te volgen van een onwetend meisje."
"Spreek!" had hij met aandrang gebeden, doch zij had hieraan niet dadelijk gehoor gegeven, maar hem verzocht met haar in den tuin te gaan. Hem zoowel als haar was de sombere kamerlucht onverdragelijk geworden, en zoodra toen zij het huis verlieten, hadden de bespiedende blikken van Katharina het paar in het oog gekregen, waarbij het deze niet ontgaan kon hoe beider wangen gloeiden. Daarbuiten temperde een nauwelijks merkbaar zuchtje van de Nijlzijde den middaggloed, en hier had Paula den moed gevonden hem uiteen te zetten wat Philippus zijne levensopvatting noemde.--Deze was hem niet nieuw, ja zij was in overeenstemming met de voornemens, die hij ten aanzien van zijn toekomstig leven had opgevat. Dankbaar nam hij die levensopvatting over; "het leven een ambt, een dienst, eene verplichting," dat was als eene roepstem, die hem bij het doorzetten van zijne plannen voor de toekomst behulpzaam zou zijn.
"En dit woord," zeide hij tot Paula, "zal mij bovendien lief zijn, omdat het komt uit uw mond, doch voor mij het is niet meer noodig. Ook de wijste en nuttigste levensregelen hebben nog geen mensch beter gemaakt. Wie nam ze niet uit de school in de wereld mede? Woorden helpen niets, als zich niet bij de vaart door het leven de mannelijke wil aan het roer zet. Ik heb dien opgeroepen en deze zal mij tot het doel leiden, want den stuurman zweeft eene heldere ster voor oogen, die hem geleidt. Gij, meisje, kent haar, het is..."
"Het is datgene wat gij uwe liefde noemt," sprak zij blozende hem in de rede vallende. "Uwe liefde voor mij, en ik wil aan haar gelooven."
"Gij wilt!" zeide hij met vuur. "Gij veroorlooft mij te hopen..."
"Hopen, hopen!" haastte zij zich weder te zeggen, "intusschen..."
"Intusschen," ging hij voort, "'dring thans niet verder aan', wildet gij laten volgen. O, ik versta u, en voor ik niet voel dat gij weder reden hebt om op te zien tot den dwaas, die u door eigen schuld verloren heeft, spreek ik, die u eens als een doodvijand bestreden heb, zelf het laatste woord niet uit, leg ik aan mijn smachtend verlangen het zwijgen op, wil ik beproeven..."
"Zult gij beproeven mij te toonen, neen, zult ge mij toonen," hernam Paula, "dat ik in u uit een vijand en vervolger den meest geliefden vriend heb gewonnen. Wij weten nu wat wij aan elkander hebben, willen verder steeds en blijmoedig op elkander bouwen en den Allerhoogste danken, dat hij een nieuwen heerlijken levensweg voor ons geopend heeft. Wij willen te zamen dezen dag..."
"Zegenen en onder de besten rekenen," viel Orion blijmoedig in, en nu volgde het gesprek over de kleine Maria, dat Katharina had afgeluisterd.
Toen zij zich weder uit het bereik van haar gehoor verwijderd hadden, verklaarde Orion, dat de zaak van het kind tot morgen moest blijven rusten, daar hij heden aan gene zijde van den stroom met den veldheer Amr moest spreken. Zeer bepaald verklaarde hij zich tegen hare bezorgdheid, dat hij zich door den muzelman tot zijn geloof zou laten overhalen; want hoeveel lust hij ook had om den patriarch te doen gevoelen, dat hij niet van plan was den smaad zijn vader aangedaan lijdelijk te dragen, was hij toch te vast aan zijn geloof gehecht, wist hij te goed wat hij aan de nagedachtenis van den afgestorvene en ook aan haar verschuldigd was, om tot dit uiterste over te gaan. Vervolgens schilderde hij haar met geestdrift, hoe hij in de toekomst zijne beste krachten aan zijn arm onderworpen vaderland dacht te wijden, hetzij in dienst van den Kalief, hetzij op andere wijze. Vol vreugde liet zij zich medeslepen door zijne edele opgewondenheid, ging zij op zijne plannen in en gevoelde weder met stil genot het meesterschap van zijn geest en de groote veerkracht zijner ziel.
Toen het gesprek haar onwillekeurig op het verledene bracht, vroeg zij hem zacht, op den man af en zonder hem aan te zien, waar de smaragd uit het Perzische tapijt gebleven was.
Hij verbleekte, keek voor zich en antwoordde aarzelend, dat hij dien naar Konstantinopel had gezonden om hem in goud te laten vatten en op te maken tot een sieraad--waardig voor haar, die hij...
Doch eensklaps hield hij op, stampte boos met den voet op den grond en zeide, terwijl hij de jonkvrouw flink in de oogen zag: "Leugen, vervloekte, onwaardige leugen! Van kindsbeen af heb ik de waarheid gehuldigd, maar het is als verlangde die verwenschte aller dagen iets onwaardigs van mij, telkens wanneer ik er weer op terugkom. Ja Paula, ja, de steen is op weg naar Byzantium, maar dat gestolen goed was niet voor u bestemd, maar voor eene schoone, zachte vrouw, die zeker niet verdient veroordeeld te worden, eene vrouw die mij haar hart had geschonken. Zij is voor mij nooit meer geweest dan een aardig speelgoed; toch zijn er uren geweest, waarin ik geloofde... Arme ziel!... Eerst door u heb ik de liefde leeren kennen, geleerd hoe groot zij is en hoe heilig. Ziedaar, dat is de waarheid!"
Hierna wandelden zij weder op en Katharina, die den samenhang dezer verklaring niet had kunnen rijmen, verstond nu weder hoe Paula met warmte en blijmoedig tot hem zeide: "Ja, dat is de waarheid, ik begrijp het; en van nu aan zij er eene streep gehaald door dezen heilloosten aller dagen, worde hij uit uw en mijn leven uitgewischt, en wat gij mij verder ook zeggen wilt, ik zal het gelooven!"
Verder vernam het luistervinkje hoe de jonkman antwoordde met bevende stem: "En gij zult u in mij niet bedrogen vinden! Ik ga thans, ik ga, en bij al mijne ellende als een blijmoedig man, die op nieuw geluk mag hopen. O meisje, dit alles ben ik aan u verschuldigd! En, niet waar, als wij elkander wederzien, zult gij mij niet anders bejegenen dan op dien avond bij die spelevaart na mijne terugkomst?"
"Zelfs met nog blijder vertrouwen," hernam Paula, waarbij zij hem met eene edele aandrift, die het hart haar ingaf, de hand reikte. Hij drukte haar een oogenblik vast aan zijne lippen en sprong toen in het zadel, om in snellen draf den tuin te verlaten. Zijn slaaf volgde hem.
"Katharina, kindlief, Katharina!" zoo riep uit de richting van het huis der weduwe Susanna eene krijschende vrouwenstem. Het kwikstaartje verschrikte, en wierp, terwijl het de hand nog even over het haar streek, een boozen blik op de Damasceensche, "die andere," die vleister, die haar onder de sykomore schandelijk bedrogen had, en zij balde de kleine vuist, nu er niets meer te luisteren viel, toen zij Paula den heengaanden Orion met van vreugde stralende oogen zag nastaren.
Met een zalig gevoel, en als had zij vleugelen aangeschoten, ging Paula naar haar huis terug, terwijl de arme, diep gekrenkte kleine bij het eerste scheldwoord harer moeder, die allesbehalve tevreden was met haar verfrommeld toilet, in heete tranen losbarstte en daarna weerbarstig en korzelig zeide, dat zij den patriarch den ruiker niet aanbieden maar op haar kamer blijven wilde, daar zij bijna stierf van hoofdpijn. En zoo gebeurde het ook.
VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
In den namiddag gaf Orion gehoor aan de roepstem van den Arabischen gebieder over Egypte. Op zijn edel ros reed hij over de schipbrug. Twee jaren geleden zag men ter plaatse waar nu de nieuwe residentie Fostat zich aansloot bij het oude fort Babylon niets anders dan akkers en tuinen, maar als door een wonder was zij op bevel van Amr als uit de aarde opgeschoten, en thans verhief zich in de straten en op de pleinen reeds het eene huis naast het andere, de haven lag vol schepen en booten, op de markt heerschte groote bedrijvigheid, en waar gedurende het beleg der vesting Babylon de winkel van een kramer stond, omgaven nu reeds lange dubbele zuilenrijen de ruime bidzaal van eene moskee. Van Egyptenaars en Egyptisch leven was hier weinig te zien; het was als had een demon een deel van Medina uit Arabië aan den Nijl verplaatst. De menschen, de dieren, de huizen, de kramen droegen den stempel van hun vaderland, ofschoon de gebouwen bewezen, dat de bouwmeesters ook andere dingen hadden gezien in de door hen veroverde beschaafde landen van Azië. Waar Orion een landsman zag, stond deze als arbeider of rentmeester in dienst van den vreemdeling, die hier zoo spoedig vasten voet had verkregen.
Voor zijn vertrek naar Konstantinopel had daar, waar zich nu tegenover de half voltooide moskee het woonhuis van Amr verhief, een palmentuin van zijn vader gestaan. Waar thans honderden muzelmannen met den tulband op het hoofd en in de kleederdracht van hun vaderland, die reeds veel weelderiger was geworden door den in korten tijd geroofden buit en het gemeenzaam verkeer met pronklievende natiën, zich heen en weer bewogen, deels te voet, deels te paard, en lange rijen kameelen gehouwen steenen droegen naar de bouwplaats, had hij weleer slechts nu en dan een ossenwagen met knarsende raderen ontmoet, een ruiter op een ezel of op den ongezadelden rug van een oud trekpaard, en van tijd tot tijd ook eenige overmoedige Grieksche soldaten. In plaats van de taal zijner voorouders en van de Grieksche overheerschers van weleer vernam hij thans de harder en scherper klinkende van de zonen der woestijn. Zonder den dienaar, die naast hem ging, zou hij zich op zijn eigen vaderlijken grond niet hebben kunnen doen verstaan.
Het huis van Amr was spoedig bereikt en een Egyptisch schrijver deelde hem hier mede, dat zijn heer op de jacht was en hem niet in de stad maar op den Lichtenburg ontvangen zou. In dit schoone gebouw, oorspronkelijk opgetrokken voor den prefect des keizers op eene goed gekozen plaats van het kalkgebergte, dat zich achter het fort Babylon en de nieuw verrijzende stad verhief, had Amr thans zijne vrouwen, kinderen en lievelingspaarden geherbergd, en om goede redenen hield hij zich daar liever op dan in het huis in de stad, te midden van al die voor den dienst bestemde vertrekken. Bovendien benam hier de nieuwe moskee het uitzicht op den Nijl, terwijl men van den Lichtenburg ver in de rondte kon zien.
De zon neigde ten ondergang, toen Orion zijn doel bereikte; doch de veldheer was nog niet van de jacht teruggekeerd en de poortwachter verzocht hem wat te toeven. Den jongeling, die gewoon was door zijne landgenooten als de erfgenaam van den eersten man des lands behandeld te worden, steeg het bloed naar het hoofd, en het deed zijn Egyptisch hart zeer, dat hij tegenover den Arabier zijn trots buigen en zijn spijt verkroppen moest. Hij behoorde thans tot de onderworpenen, en de gedachte dat éen woord uit zijn mond voldoende zou zijn, om weder in de rij der heerschappij voerenden te worden opgenomen, vatte opeens en met nadruk post in zijne ziel. Doch hij onderdrukte haar met alle kracht en liet zich zwijgend naar het terras brengen, dat door lange met wijngaardloof omrankte gaanderijen voor de zonnehitte beschut werd. Hij nam plaats op eene der marmeren banken bij de borstwering van dit groote tuinbalcon en liet zijn oog door de ruimte weiden. Al wat hij daar zag was hem nauwkeurig bekend, immers het was het tooneel zijner kindsheid en vroege jeugd. Dit tafereel had zich wel honderdmaal voor zijne oogen uitgebreid, en toch maakte het heden een gansch anderen indruk op hem dan vroeger. Zou er, vroeg hij zich af, wel een vruchtbaarder, weelderiger land gevonden kunnen worden dan het zijne? Hadden niet reeds de Grieksche dichters den Nijl bezongen als de eerwaardigste aller rivieren? Had de groote Caesar het ontdekken van zijn oorsprong niet zulk eene heerlijke taak geacht, dat hij daarvoor, volgens zijne eigene uitspraak, de heerschappij over de wereld zou hebben prijsgegeven?
Eeuwenlang had van de opbrengst dezer uitgestrekte akkers het geluk en het ongeluk afgehangen van de grootste steden der aarde, ja het keizerlijk Rome en het machtig Konstantinopel hadden gebeefd bij de vrees voor naderenden hongersnood, wanneer een mislukte oogst de hoop van den landman verijdelde. Was er eene vlijtiger bevolking van landbouwers te vinden, en bestond er voorheen wel eene wijzer en kunstvaardiger? Als hij terugzag op de lotgevallen en daden der natiën, dan zag hij in het verst verwijderd verschiet, daar waar het spoor der geschiedenis nog bijna niet te herkennen is, als eerste en oudste gedenkteekenen van het menschelijk scheppingsvermogen de reusachtige sphinx liggen, dezelfde pyramiden staan, die als oudste kunstmonumenten daarginds, aan gene zijde van den Nijl en zijne vervallene vaderstad Memphis, aan den voet van het Lybische gebergte zich altijd nog onveranderd, even grootsch en trotsch als weleer verhieven en eerbied afdwongen. Hij was een nazaat dergenen, die deze onvergankelijke kunstwerken hadden opgericht, wellicht vloeide in zijne aderen nog een druppel van het bloed der pharaonen, die in deze reuzenmausoleën eeuwige rust gezocht, wier grootere nakomelingen aan het hoofd hunner legerscharen de halve wereld onderworpen en bewondering en gehoorzaamheid afgedwongen hadden. Hij, die zich zoo vaak gevleid had gevoeld, wanneer men--niet enkel met het oog op de taalverbastering, die zijn tijd kenmerkte--zijn zuiver Grieksch en zijne innemende Helleensche manieren prees, hij gevoelde zich hier op dit oogenblik trotsch op zijne Egyptische afkomst. Ruimer ademhalende rustte zijn oog op het westen en de ondergaande zon scheen hem de onschatbare waarde van zijn vaderland prachtig te willen verduidelijken, terwijl zij, haar wondervol licht uitgietende over het geheele landschap, de akkers, den stroom, de palmbosschen, de daken der stad, ja zelfs het naakte woestijngebergte en de pyramiden in louter goud veranderde. Thans ging zij achter den keten der Libysche hoogten ter rust. De naakte, heldere kalkrots glinsterde als lichtende ijskristallen, en het was alsof de vuurbol in het hart van het gebergte wegsmolt, terwijl zij achter zijn kam verdween, als verbonden die laatste opwaarts schietende stralen het dal zijner geboorte door millioenen gouden draden met den hemel, de woning der godheid, die het boven alle andere landen gezegend had.
Dit heerlijk stukje grond en zijn volk van de overheerschers te bevrijden, daaraan de macht en de grootheid weer te geven, die het eens bezeten had; de halve maan te rukken van de tenten en gebouwen daar beneden, in de plaats daarvan weer het kruis te planten, dat hem van kindsbeen heilig was; den overmoed der muzelmannen te fnuiken aan het hoofd van met geestdrift bezielde Egyptische mannen, en met dezen het oosten te onderwerpen als die Sesostris, waarvan geschiedenis en sage wisten te spreken, dat was eene taak, den kleinzoon van Menas, den zoon van den grooten en rechtvaardigen Mukaukas Georg waardig. Tegen zulk een plan zou Paula zich niet verzetten, ja zijne overprikkelde verbeelding deed hem in haar aan zijne zijde eene tweede Zenobia zien, bereid om zulk eene grootsche roeping te volgen, om te handelen, hem bijstand te verleenen, te heerschen!
Geheel onder den indruk van deze bespiegelingen in de toekomst, had hij zijn blik afgewend van het glanzend schouwspel van dezen zonsondergang en voor zich gestaard; daar stoorden de stemmen van menschen op den weg in de onmiddellijke nabijheid van het terras zijne hoogvliegende droomen. Hij keek naar beneden en zag aan zijne voeten ongeveer een twintigtal Egyptische arbeiders, vrije, door geene teekenen van slavernij onteerde lieden, die met weerzien en toch zwijgend gehoorzamende daarheen trokken en aan geen tegenweer of vluchten dachten, ofschoon éen enkele Arabier hen in ontzag hield. Dit gezicht trof zijn in hooge mate opgewonden gemoed, als eene wolkbreuk het glimmend vuur, als een hagelslag het jonge groene graanveld. Zijn oog, dat zooeven nog vol geestdrift fonkelde, zag teleurgesteld en met minachting op de ongelukkigen neer, wie hetzelfde bloed door de aderen stroomde. Een trek van bitteren spot speelde om zijn mond, want die schare vrijwillige slaven achtte hij zijn toorn niet waard, en des te minder hoe levendiger hij zich voorstelde wat zijn volk eenmaal was geweest en wat het nu was. Eigenlijk dacht hij er niet over na, maar terwijl de duisternis viel, kwam in zijne herinnering het eene tooneel na het andere op, waarbij Egyptenaars zich smadelijk gedragen en bewezen hadden, dat zij de vrijheid niet verdienden en gewoon waren als knechten te bukken. Gelijk thans éen Arabier zoo waren vroeger drie Grieken voldoende geweest, om eene geheele schare zijner landslieden in bedwang te houden. Op de landgoederen en aan het hof zijns vaders had hij tallooze voorbeelden gezien van eene bijna blijmoedige onderdanigheid van Egyptische boeren, dorpshoofden en beambten, enkel vrijgeboren lieden. Hadden ook in Alexandrië en Memphis zijne stamgenooten het juk der vreemde overheersching niet gewillig gedragen, en het zich laten welgevallen overal, evenals waren zij van minder soort en afkomst, door de Grieken in de schaduw gesteld en vernederd te worden, als men maar niet raakte aan de instellingen en spitsvondige geloofsartikelen van hun godsdienst?--Alleen in het laatste geval had hij hen zien opstaan en hun bloed vergieten, doch ook dan nog met groot misbaar en veel belovend vertoon. Reeds de eerste nederlaag was beslissend en een handvol goed geoefende strijders bleek voldoende om hen zulk eene te doen lijden.
Voor dit volk, met dit volk en aan zijn hoofd iets groots te willen ondernemen tegen een machtigen, stouten veroveraar zou waanzinnig geweest zijn. Hem bleef niet anders over dan in dienst van den vijand zijn volk mede te beheerschen en zijne beste krachten in te spannen, om het lot zijner landgenooten dragelijker te maken. Daarom had ook zijn wijze vader, een man van zooveel ervaring, het raadzamer gevonden, om zijne landslieden van dienst te zijn als bemiddelaar tusschen hen en de Arabieren op te treden, dan den muzelmannen een vruchteloozen weerstand te bieden aan het hoofd der Byzantijnen. "Ellendig, ontaard geslacht!" mompelde hij verstoord in zichzelven, terwijl hij overlegde of hij den tuin verlaten en den overmoedigen Arabier toonen zou, dat althans nog éen Egyptenaar den moed had om zich zijne minachting niet te laten welgevallen, dan of hij ter wille van de goede zaak blijven, zijn toorn onderdrukken en de rest afwachten zou. Neen, zulk eene behandeling wilde en mocht hij, de zoon van den Mukaukas, niet dulden. Hij wilde liever als rebel het leven laten of in de wijde wereld gaan rondzwerven, om ver van zijne geboortegrond een groot veld voor zijne werkzaamheid te zoeken, dan met den voet van dezen vreemdeling op den vrijen nek.
Midden in deze overpeinzingen werd hij gestoord door voetstappen in zijne nabijheid, en toen hij omkeek zag hij lantaarnen, die al schommelende juist naar hem toekwamen. Dat moesten boden zijn van Amr, om hem te geleiden tot hun meester die dan, daarvan hield hij zich overtuigd, zoo genadig zou zijn, vermoeid van de jacht hem op zijn rustbed te ontvangen, en hem zeer uit de hoogte, als had hij met een vrijgelatene te doen, zou vragen wat hij begeerde.
Doch het waren niet enkel boden die kwamen, neen, de groote veldheer zelf zocht hem op; de lampendragers moesten niet hem, Amr, maar "den geliefden zoon van zijn gestorven vriend" voorlichten. De trotsche plaatsvervanger van den Kalief was op dit oogenblik de voorkomende gastheer, wien het gastrecht gebood den man, dien hij de hand had gereikt om hem welkom te heeten, het verblijf onder zijn dak te veraangenamen. In verstaanbaar Grieksch, dat hij reeds in zijne jeugd geleerd had, toen hij eene karavaan naar Alexandrië geleidde, verontschuldigde hij zich over zijn lang uitblijven, en sprak zijn leedwezen uit Orion zulk een tijd te hebben laten wachten, hij berispte zijne dienaars, die verzuimd hadden zijn gast in huis te brengen en hem ververschingen aan te bieden. Op den weg door den tuin legde hij zijn arm op den schouder van den jongeling, vertelde hem dat de leeuw dien hij vervolgd had, hoewel door een zijner pijlen getroffen, hem ontkomen was en voegde er dan opgewekt bij dat hij hoopte de schade weer in te halen en in plaats van het ontsnapte roofdier heden een nog edeler wild voor zich te winnen.
Den jongeling bleef niet anders over dan zooveel hoffelijkheid met beleefdheid te beantwoorden, en dat werd hem gemakkelijk gemaakt, want de welluidende stem van den veldheer, die getuigde van ongeveinsde hartelijkheid, alsmede diens natuurlijke en voorname houding, deden hem goed, streelden hem, boezemden hem vertrouwen in, en namen hem onwillekeurig in voor den man op rijper jaren, die tegelijk een beroemd held was.
In een helder verlichte, met kostbare Perzische tapijten behangen kamer noodigde Amr zijn gast uit, om het eenvoudig jagersmaal met hem te deelen en zich de Arabische gewoonten te laten welgevallen. En zoo nam Orion plaats op de eene zijde van den divan, terwijl op de andere de veldheer en zijn Wekil [11] Obada, een Goliath met het zwarte gelaat van een Moor, naar de zeden huns volks meer hurkten dan zaten. De donkerkleurige reus verstond, zooals Amr zijn gast mededeelde, geen Grieksch en bracht slechts nu en dan iets in het midden, hetwelk de veldheer, als hij het noodig oordeelde, voor Orion vertaalde, en dezen beviel wat die zwarte tusschen het gesprek invlocht al even weinig als zijne geheele houding en verschijning. Obada was in zijn kindsheid een slaaf geweest en had zich door zijne eigene bekwaamheden weten op te werken tot den hoogen rang, dien hij thans bekleedde. Het eten, dat hij gulzig en op ruwe manier verslond, scheen hem geheel bezig te houden, en toch moest hij, die geen Grieksch verstond, het gesprek zeer goed kunnen volgen, gelijk bleek uit zijne opmerkingen. Wanneer hij opkeek van de schotels, die op lage tafeltjes voor de spijzenden geplaatst werden, om wat te zeggen, verdraaide hij zijne groote oogen zoo, dat men alleen het wit ervan zag; richtte hij ze echter op Orion, dan was het dezen of die kleine zwarte oogappels doordringende, brandende stralen schoten, en zeiden dat hij hem zeer kwalijk gezind was.
De tegenwoordigheid van dezen man van wiens onvrije geboorte--in het oog van den aanzienlijken jonkman iets om hem te minachten--van wiens wilde dapperheid en groote scherpzinnigheid hij gehoord had, beangstigde hem, en al verstond hij niet wat Obada sprak, er lag toch in den toon zijner woorden iets wat hem het bloed naar het hoofd deed stijgen en hem meer dan eens aanleiding gaf de tanden op elkaar te klemmen. Hoe meer de houding en de taal van den veldheer hem weldadig aandeden en innamen voor zijn persoon, des te meer afkeer kreeg hij van zijn onbehagelijken plaatsvervanger, en hij voelde dat hij zich vollediger en vrijer zou hebben uitgesproken, menige vraag doeltreffender zou hebben beantwoord, als hij met Amr alleen was geweest. In den beginne liet de veldheer Orion vertellen van zijn verblijf te Konstantinopel en van zijn vader, en scheen met bijzonder genoegen naar de mededeelingen van den jonkman te luisteren, tot Obada hem opeens in de rede viel om een vraag tot zijn meester te richten. Deze beantwoordde haar snel in het Arabisch en gaf weldra aan het gesprek eene andere wending. De Wekil had gewenscht te weten, waarom Amr den Egyptischen melkbaard zoo lang liet zwetsen eer de hoofdzaak was behandeld, waarom hij hem geroepen had, waarop de veldheer geantwoord had, dat hij meent het meest onderhoudend te zijn, wien men gelegenheid geeft om zichzelven te hooren spreken; overigens was de jonge man goed op de hoogte en wat hij vertelde was bovendien gewichtig.
Terwijl de muzelmannen zich geheel van het drinken onthielden, werd Orion op den voortreffelijksten wijn onthaald, doch hij dronk weinig, en toen Amr eindelijk over de begrafenis zijns vaders begon te spreken, aan de vijandelijke houding van den patriarch herinnerde en erbij voegde, dat hij dezen heden morgen gesproken en zich verwonderd had, hoe hij zoo lijnrecht tegenover zijn gestorven geloofsgenoot had kunnen staan, die toch vroeger zijn vriend was geweest, nam Orion het woord. Hij zette den veldheer duidelijk uiteen waarom de patriarch eene zoo in het oogvallende vijandschap tegen zijn overleden vader had aan den dag gelegd, die wijd en zijd was opgemerkt. Benjamin was er thans alles aan gelegen voor de oogen der overige christenen zich te zuiveren van het verwijt, dat hij een land, hetwelk den godsdienst van den Heiland aanhing, had overgeleverd aan hen, die de christenen "ongeloovigen" noemen; daarom had hij het erop toegelegd zijn vader voor te stellen als den man wien eenig en alleen de schuld trof van zijn geboortegrond aan de muzelmannen in handen te hebben gespeeld.
"Juist, juist, dat begrijp ik," gaf Amr den jongeling ten antwoord; en toen deze vervolgens mededeelde, dat het wegens het Cæcilia-klooster,--welks goed recht de patriarch had willen bestrijden door aan een oud, maar duidelijk document eene verkeerde uitlegging te geven--tusschen den kerkvorst en den afgestorvene tot een openbare vredebreuk was gekomen, wisselde de veldheer ras een blik met den Wekil, en vroeg Orion: "Maar gij? Zijt gij voornemens u geduldig te laten welgevallen wat deze onrustige grijsaard, die u zoowel als uw vader kwalijk gezind is, tegen u en het aandenken van den waardigen Mukaukas verkiest te doen?"
"In geenen deele," antwoordde de jonkman trotsch.
"Dat is goed," riep de veldheer, "dat had ik van u verwacht, doch leer mij de wapenen kennen, waarmede gij, als Christen, den slimmen en invloedrijken man denkt te trotseeren, aan wien gij u zoo als ik weet--en dat niet alleen ten aanzien van het heil uwer zielen, op genade of ongenade hebt overgegeven."
"Ik ken ze zelf nog niet," antwoordde Orion, en keek voor zich toen zijn oog den honenden blik van den Wekil ontmoette.
Maar Amr stond op, ging naar hem toe en zeide: "Gij zult ook tevergeefs daarnaar zoeken, jonge vriend! En al vondt gij ze, toch zoudt gij ze niet kunnen gebruiken. Het is gemakkelijker op eene verlatene vrouw, een aal of een vliegenden vogel los te slaan, dan op die buigzame, zwakke, ongewapende langrokken, die liefde en vrede in den mond dragen, hunne weerloosheid en lichamelijke onmacht als schild gebruiken en met onzichtbare, vergiftige pijlen ieder treffen, op wien zij het voorzien hebben. En tot de zoodanigen behoort gij in de eerste plaats, zoon van den Mukaukas; ik weet het en raad u op uwe hoede te zijn. Denkt gij er echter werkelijk over den smaad der nagedachtenis uws vaders aangedaan mannelijk te wreken, dan kunt gij spoedig uw doel bereiken, hoewel altijd onder eene voorwaarde."
"Wijs mij het middel aan!" zeide Orion, en zijne oogen schoten vuur.
"Kort en goed: word de onze!"
"Daarvoor ben ik hier gekomen. Mijn geest en mijn arm zullen van heden af behooren aan hen die mijn vaderland beheerschen, aan u, aan ons gemeenschappelijk opperhoofd, den Kalief."
"Ja salam! [12] Goed zoo!" riep Amr, terwijl hij zijne hand op Orions schouder legde. "Er is geen God buiten God; en de uwe is de onze, want hij heeft geen tweede naast zich. Gij zult als geloovig muzelman weinig hebben prijs te geven, want uw Heer Jezus Christus rekenen wij mede onder de geloovigen, en dat de laatste en de hoogste onder hen Mohammed is, de ware profeet Gods, onze Heer Mohammed, moet gij, moet ieder erkennen, die niet met opzet de oogen sluit voor de gebeurtenissen, die onder zijne aanvoering en in zijn naam gebeurd zijn. Uw eigen vader heeft toegestemd...."
"Mijn vader?"
"Hij heeft moeten toegeven, dat wij ernstiger, dieper, met meer geestdrift van ons geloof doordrongen zijn dan gij, al zijne eigene geloofsgenooten."
"Dat weet ik."
"En toen ik hem vertelde, hoe ik bevolen had in onze nieuwe moskee den lezenaar van den koranvoorlezer weg te laten, omdat deze zoodra hij die plaats beklimt boven de andere biddenden staat, heeft de vreugde over deze mededeeling den vermoeiden man opgefrischt en hem bewogen tot eene luide bijvalsbetuiging. Wij muzelmannen--dat was de beteekenis van mijn bevel--willen allen gelijk zijn voor den eeuwigen, barmhartigen God; de leider der gebeden mag zich boven de anderen zelfs geen hoofdlengte verheffen, en de leer van den profeet toont ieder den weg tot de vreugde van het paradijs; wij hebben om haar te vinden, geen menschelijke gidsen noodig. Het geloof, onze wil ten goede, onze daden, en geen sleutel in de hand eens priesters openen of sluiten voor ons den hemel. Als een der onzen kan geen Benjamin u de vreugde der aarde vergallen, kan geen patriarch u en uw vader het recht op de zaligheid ontzeggen. Gij hebt eene goede keuze gedaan, jonkman! Geef mij uwe hand, mijn nieuwe geloofsbroeder!"
Daarop stak hij Orion in blijde ontroering zijne rechterhand toe. Doch deze nam haar niet aan, maar deed een schrede achterwaarts en zeide bezorgd: "Versta mij niet verkeerd, groote veldheer, hier is mijne hand en ik ken geen hooger eer dan haar in de uwe te leggen, daarmede op uw bevel het zwaard te zwaaien, haar te gebruiken in den dienst van u en van mijn heer, den Kalief; maar ik mag de trouw aan mijn geloof niet breken!"
"Zoo laat u dan door Benjamin vertreden!" sprak Amr teleurgesteld en met weerzin, terwijl hij eene minachtende beweging met de hand maakte en zich tot den Wekil wendde, om dezen op een honenden uitroep schouderophalend antwoord te geven.
Orion zag beiden zwijgend en besluiteloos aan, doch weldra kwam hij weder geheel tot zichzelven en zeide op den toon eener bescheidene en dringende bede: "Luister naar mij, heer, en wijs niet af, wat ik in staat ben u aan te bieden. Wat kan de overgang tot uw geloof mij anders aanbrengen dan voordeel? En toch weersta ik deze groote verzoeking, maar evenals mijn geloof zal ik ook mijn woord aan u weten te houden."
"Tot de priester u dwingt het te breken," haastte de muzelman zich er schamper bij te voegen.
"Neen, neen!" zeide Orion. "Ik weet dat Benjamin mijn vijand is; doch ik heb een dierbaren vader verloren en geloof aan een wederzien hiernamaals."
"Ik ook!" hernam de muzelman, "en er is maar éen paradijs en éene hel, gelijk er maar éen God is."
"Hoe komt gij aan die zekerheid?"
"Door mijn geloof!"
"Vergeef mij dan wanneer ik aan het mijne vasthoud en mijn vader in dien hemel hoop weer te zien..."
"Die, zooals gij dwazen meent, geene andere zielen opneemt dan de uwe! En als die hemel nu eens enkel openstaat voor het onsterfelijk deel der muzelmannen en voor de christenen gesloten blijft? Wat weet gij dan wel van het paradijs? Ik ken uwe heilige geschriften: staat het daarin geschreven? De algoede God heeft onzen profeet vergund een blik daarin te slaan, en wat hem gegeven werd dáar te zien heeft hij zoo geschilderd, als had de Allerhoogste zelf de schrijfstift bestuurd. De muzelman weet wat hij van zijn hemel te wachten heeft... Gij, gij--uw hel, die kent gij; het valt uw priesters gemakkelijker te vloeken dan te zegenen! Wie maar een haar breed afwijkt van hunne leer, hem duwen zij aanstonds naar de plaats der verdoemden: mij, de mijnen, de Grieksche christenen en in de eerste plaats--geloof mij, jonkman--uw vader en u!"
"Wist ik maar dat ik hem daar zou wedervinden!" riep Orion uit, terwijl hij zich op de borst sloeg. "Het zou mij waarlijk niet afschrikken hem daar te volgen. Ik moet hem wedervinden, weerzien, al ware het in de hel?"
Bij deze woorden barstte de Wekil in luid gelach uit. Toen de veldheer hem hierover zijne ontevredenheid betuigde, weerlegde de andere hem, en nu ontspon zich tusschen beiden eene levendige woordenwisseling.
De hoon van den zwarte had Orions toorn gewekt, en alles wat in hem was, dreef hem aan om den onbeschaamden spotter het zwijgen op te leggen. Doch met inspanning van al zijne wilskracht hield hij zich in, tot Amr zich weder tot hem wendde en op een toon van gezag maar niet onvriendelijk zeide: "Deze scherpzinnige man spreekt een vermoeden uit, dat ook bij mij is opgekomen. Een jong, wereldschgezind christen als gij geeft geluk en welzijn hier op aarde niet gemakkelijk prijs voor de onzekere vreugde van uw paradijs; en als gij het toch doet en alles wat een man het dierbaarst moet zijn: eer, tijdelijke bezittingen, een ruim veld van werkzaamheid en wraak over uwe vijanden afwijst om de ziel van een afgestorvene aan gene zijde des grafs weer te ontmoeten, dan moeten hiervoor bijzondere gronden bestaan. Tracht uzelve gerust te stellen en geloof mijne verzekering, dat gij mij bevalt en in mij een ijverig beschermer, een stilzwijgend vriend zult vinden, wanneer gij mij open en naar waarheid de beweegreden van uw besluit blootlegt. Er is ook voor mij veel aan gelegen onze ontmoeting te maken tot eene vruchtbare voor ons beiden. Stel dus vertrouwen in den ouderen man, die een vriend van uw vader was, en spreek!"
"In geen geval in tegenwoordigheid van dezen man," antwoordde Orion met bevende stem. "Hij, die geen Grieksch heet te verstaan, volgt elk mijner woorden met loerende oogen, ja hij heeft het durven wagen mij uit te lachen, hij..."
"Hij is even verstandig als dapper en mijn Wekil," dus wees Amr hem terecht. "Gij zult hem moeten gehoorzamen, wanneer gij een der onzen wilt worden, en--vergeet dit niet jonkman--ik heb u laten roepen, om u voorwaarden te stellen, niet om ze mij te laten voorschrijven. Ik schenk u gehoor als heer van dit land, als plaatsvervanger van Omar, uw en mijn Kalief."
"Zoo bid ik u mij te laten gaan; want voor dien man daar blijven mijn hart en mijne lippen gesloten; ik voel dat hij mijn vijand is."
"Pas op, dat hij het niet wordt!" zeide de veldheer, terwijl Obada met minachting de schouders ophaalde.
Orion begreep zijn gebaar, doch hoewel het hem ook ditmaal gelukte zijne tegenwoordigheid van geest te bewaren, was hij toch niet zeker meer van zichzelven, en daarom boog hij, zonder op den Wekil acht te geven, eerbiedig en diep voor den stadhouder, en verzocht voor heden hem te laten gaan.
Amr, wien de houding van Obada niet ontgaan was, en die te fijngevoelig was om niet te begrijpen wat er bij den jonkman omging, hield hem wel niet terug, maar veranderde van toon en werd opnieuw weder de voorkomende gastheer. Ja hij noodigde Orion zelfs uit, daar het reeds laat geworden was, den nacht onder zijn dak door te brengen. Doch Orion sloeg deze uitnoodiging hoffelijk af, en toen hij eindelijk heenging--andermaal zonder den Wekil een blik waardig te achten--deed Amr hem uitgeleide naar de voorzaal. Hier greep hij de hand van den jonkman en zeide hem op zachten, vermanenden toon, doch vol oprechte vaderlijke deelneming: "Neem u in acht voor dien zwarte, wien gij mannelijk maar niet verstandig hebt getoond, dat gij hem doorziet. Wat mij betreft, ik meen het waarlijk goed met u."
"Dat geloof ik, dat weet ik," antwoordde Orion, wiens gekwetst gevoel weldadig werd aangedaan door den warmen, diepen toon waarop de edele Arabier hem toesprak, als drupte er balsem in zijne ziel. "En nu wij alleen zijn, vertrouw ik u gaarne alles toe. Ik, heer, ik--mijn vader--gij hebt hem gekend. In bittere verbolgenheid is hij--heeft hij zijn eenigen zoon, voor hij de oogen sloot, den zegen onthouden."
De herinnering aan die verschrikkelijke ure zijns levens greep hem zoo zeer aan, dat hij eenige oogenblikken niet spreken kon; maar weldra ging hij weder voort: "Eene enkele daad van misdadige lichtzinnigheid had den stervende in toorn doen ontsteken, doch onder mijn leed en berouw dacht ik na over het leven dat achter mij lag en bevond, dat het ijdel geweest was. Wanneer ik nu hierheen gekomen ben met een vol gemoed en in blij vertrouwen, om u alles wat ik aan geestes- en lichaamsgaven bezit te kunnen aanbieden, dan geschiedde dit, heer, omdat ik grootsche, verheven, moeilijke, als het zijn moet onmogelijke daden wensch te verrichten, omdat ik in een woord verlang nuttig werkzaam te zijn..."
Amr liet hem niet verder gaan; hij legde zijn gespierden arm op den schouder van den jonkman en zeide: "En omdat gij de ziel van uw gestorven vader, dien rechtschapen man, toonen wilt dat gij door een lichtvaardigen jongensstreek toch zijn zegen niet onwaardig zijt geworden, omdat gij door wakkere daden hem dwingen wilt de ontevredenheid in goedkeuring, de minachting in achting te verkeeren..."
"Ja, ja, daarom, heer, juist daarom!" viel Orion met groote geestdrift den veldheer in de rede.
Maar deze gaf hem dadelijk een wenk om wat zachter te spreken, als vreesde hij dat iemand die hen beluisterde, hun gesprek op zou vangen, en haastig fluisterde hij hem toe op een toon van warme toegenegenheid: "En ik, ja ik zal uw helper zijn bij uw loffelijk streven. O, hoe doet ge mij denken aan den zoon mijns harten, die gestruikeld was als gij, en wien het vergund was alles, meer dan alles op het slachtveld door den dood, den heldendood voor zijn geloof te boeten! Reken op mij, en laat wat gij u hebt voorgenomen tot daad worden. In mij hebt gij een helper gevonden. Ga thans, weldra zult gij weder van mij hooren. Nog eens: terg den zwarte niet, neem u voor hem in acht, en als gij hem weer ontmoet, toom dan uw trots in en neem den schijn aan, als zaagt gij hem voor de eerste maal."
Daarbij zag hij Orion aan met een weemoedigen blik, als deed het zien van dezen jonkman eene dierbare herinnering in zijne ziel ontwaken, hij kuste hem op het voorhoofd en zoodra de zoon van den Mukaukas de voorzaal verlaten had, schoof hij het zware gordijn, dat deze van de eetzaal scheidde haastig terug. Enkele schreden daarachter vond hij den Wekil, die bezig scheen te zijn met den bandelier van zijn zwaard, en riep dezen verstoord toe: "Ge luistert! Man van geest, man van de daad, een held in den slag en in den raad, een leeuw, een slang en een pad tegelijk; wanneer zult gij eindelijk al dat erbarmelijke en kleine uit uwe ziel rukken? Wees wat gij geworden zijt, niet wat gij waart, en herinner hem die u groot gemaakt heeft niet dagelijks, dat gij uit een slavin zijt geboren."
"Heer!" sprak de man, dien daar de les werd gelezen, knarsetandend, terwijl het wit zijner oogen akelig afstak bij zijn donker gelaat.
Doch Amr belette hem verder te gaan, liet zich niet van zijn stuk brengen en vervolgde op streng vermanenden toon: "Ge hebt u tegenover dezen jonkman als een gek, als een potsenmaker op de jaarmarkt, als een onzinnige aangesteld."
"Naar de hel met hem!" riep Obada. "Ik haat dat gouden gelukskind!"
"Nijdigaard! Terg hem niet! Alles kan verkeeren en er zou een dag kunnen komen, waarop gij reden hadt hem te vreezen."
"Hem?" schreeuwde de andere. "Als een mug druk ik dien speelpop in elkaar. Hij zal het ondervinden."
"Eerst gij, en dan hij!" zeide Amr, dreigend. "Van u beiden is hij voor ons van de meeste beteekenis, hij, het gelukskind, die speelpop! Hebt gij het gehoord? Hebt gij het verstaan? Als gij hem éen haar krenkt, kost u dat neus en ooren! Vergeet geen oogenblik, dat gij enkel leeft, ten onrechte leeft, omdat twee paar lippen tot heden gesloten blijven! Gij kent ze. De vindingrijke kop blijft niet langer op uw hals, als het hun behaagt. Houdt hem vast, man; gij hebt er maar éen op het spel te zetten! Het was noodig, mijnheer de Wekil, u hieraan weder eens te herinneren!"
De zwarte steende bij het hooren dezer woorden als een gewond dier en bracht met moeite en doffe stem deze woorden uit: "Zoo beloont men bewezen diensten; zoo dankt de muzelman zijn geloofsgenoot, om der wille van een christenhond!"
"Dank hebt gij ontvangen, meer dan genoeg," antwoordde Amr op kalmen toon. "Gij weet wat gij beloofd hebt, eer ik u, roover, terwille van uw helder hoofd en uw zwaard tot mijn Wekil heb gemaakt; gij weet wat ik vergeten moest eer ik het deed, niet om uwentwil, maar voor de groote zaak van den Islam. Verlangt ge te blijven die ge zijt, geef dan uwe onstuimige driften prijs! Zijt gij daartoe niet bij machte, dan zend ik u liever heden dan morgen naar het leger, en maakt gij het te erg, gebonden en met het doodsoordeel in den gordel naar Medina terug."
Onder deze woorden stiet de zwarte doffe geluiden uit; de veldheer ging echter ongestoord voort: "Waarom gij dezen jongeling haat? Een kind kan het doorzien. In den zoon en erfgenaam van den Mukaukas Georg ziet gij den toekomstigen Mukaukas, terwijl gij den waanzinnigen wensch koestert om zelf Mukaukas te worden."
"En waarom moet die wensch waanzinnig zijn?" riep de ander met eene krijschende stem, terwijl zijne lippen brandden. "U er buiten gelaten--wie is hier verstandiger en sterker dan ik?"
"Misschien geen muzelman; doch een Egyptenaar, een christen, en niet gij of een ander geloovige zal den gestorvene in zijn ambt opvolgen. Dit vordert de wijsheid en--zoo luidt het bevel van den Kalief."
"En gebiedt deze ook den schoongelokten aap zijne millioenen te laten?"
"Verlangt gij daarnaar, onverzadelijke gierigaard, naar dat geld? Drukt u nog niet zwaar genoeg, wat gij door hebzucht hebt bijeengeschraapt! Goud, altijd meer goud, dat is het doel, het walglijk doel uwer wenschen! Een vet hapje, die grondbezittingen van den Mukaukas, zijne talenten goud, zijne edelgesteenten, slaven en paarden; dat vind ik ook! Maar den barmhartigen God zij dank, wij zijn geen dieven en roovers!"
"Wie heeft de millioenen te voorschijn gehaald, die de Egyptenaar Petrus onder den waterbak had verstopt, en hem zelven in het gras doen bijten?"
"Ik, ik! Maar alleen, zooals gij weet, om ze naar Medina te zenden. Petrus had ze voor ons verborgen, eer wij hem terecht stelden; de Mukaukas daarentegen en zijn zoon hebben alles wat zij bezitten aangegeven tot op den laatsten dinar en den uitersten akker lands; zij hebben de belasting stipt betaald, en dus blijft het hunne hun eigendom, gelijk voor mij en u ons zwaard, ons paard, onze vrouw. Waar zet uw nimmer verzadigde ziel u toch toe aan?--De hand van den dolkgreep!--Geen koperstuk van hen daar ginds zal in uw hongerigen muil vallen, zoowaar helpe mij de Almachtige! Gij werpt den zoon van den Mukaukas niet andermaal een boozen blik toe! Stel mijn geduld niet op te zware proef, anders,--houd uw kop maar vast!--anders hebt gij hem weldra voor uwe voeten te zoeken. Wat ik daar zeide is gezegd. Goeden nacht voor heden! Morgen vroeg zet gij in den divan uiteen, wat gij ontworpen hebt ten aanzien van de nieuwe landindeeling. Mij wil dit plan in zijn geheel en in zijne deelen niet best bevallen, en ik zal ook nog andere ontwerpen laten uitwerken."
Hierop keerde de veldheer den Wekil den rug toe, en zoodra de deur zich achter hem gesloten had balde Obada de vuist, en dreigde woedend zijn heer en bedwinger, die tot hiertoe verzwegen had, dat hij een deel van eene bezending goud had gestolen, die Amr hem bevolen had naar Medina te geleiden, en liep toen driftig, hijgend en snuivend op en neer, tot de slaven kwamen om het tafelgereedschap weg te ruimen.
VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Terwijl maan en sterren den nachtelijken hemel verhelderden nam Orion den terugweg aan. Hij hield het hoofd fier opgericht, zoo vroolijk en vol hoop als bij dezen rit had hij zich niet gevoeld sedert dat watertochtje met Paula. Aan gene zijde van de schipbrug stuurde hij zijn paard niet rechtstreeks naar het stadhouderlijk paleis, de frissche nachtlucht deed hem zoo goed, zijn hart was zoo ruim, dat hij zich niet dadelijk in een eng vertrek kon opsluiten. Met nieuwe geestdrift bezield en van eene zwaren last bevrijd reed hij in snellen draf naar het huis waar zijne geliefde gehuisvest was, en hij stelde zich voor hoe verheugd zij zijn zou bij het bericht, dat hij in Amr een helper bij de verwezenlijking zijner plannen, ja, misschien een vriend gevonden had.
De veldheer, dien zijn vader zoo hoogschatte om zijn edel gemoed, zijn verstand en zijne rechtvaardigheid was ook in zijn oog het ideaal van een voortreffelijk man, en als hij hem vergeleek met de voorname beambten en bevelhebbers over de troepen, die hij aan het Byzantijnsche hof had gezien, moest hij glimlachen. Zij allen stonden tot dezen waardigen en toch levenslustigen en deelnemenden man in verhouding als de oude stijve godenbeelden zijner voorvaderen tot de edele gestalten der Grieksche kunst. Thans zegende hij het aandenken zijns vaders, die zijn geboortegrond bevrijd had van de heerschappij van dit ontaard gebroed. Heden, dit wist hij zeker, zou de afgestorvene, wiens beeld hem zoo levendig voor den geest stond, over hem tevreden zijn, en dat gaf hem een gevoel van geluk dat hij wilde vasthouden en nog verhoogen door hetgeen hij verder zou overleggen en uitrichten. "Het leven een ambt, een dienst, eene verplichting," deze tooverspreuk uit een zoo dierbaren mond, zou hem houden op den goeden weg en hoe spoedig hoopte hij, zeker van zijne zaak, op mannelijke daden te kunnen wijzen, die hem voor zichzelven het recht gaven, om het lot van de edelste der vrouwen aan het zijne te verbinden!
Van zulke gedachten vervuld, was hij aan het huis van Rufinus gekomen. De vensters van het hoekvertrek op de bovenste verdieping, waarvan twee in de Nijlstraat, twee op den stroom uitzagen, waren verlicht. Hij wist niet juist welke kamers Paula bewoonde, maar hij keek toch naar boven in het onzeker vermoeden, dat dit licht bij haar nog zoo laat brandde, en de vrouwelijke gestalte, die thans zich vertoonde aan de door het maanlicht beschenen vensteropening, zeide hem dat hij zich niet had bedrogen, want hij herkende in haar Paula's voedster Perpetua. De hoefslag had haar uit nieuwsgierigheid naar het venster doen gaan, doch zij scheen hem bij het matte licht niet te herkennen. Langzaam reed hij voorbij en toen hij spoedig daarop omkeerde en opkeek, in de hoop ditmaal zijne geliefde aan het venster te zullen vinden, zag hij niemand meer. Maar hij merkte eene lange donkere schaduw op, die zich van de eene zijde van het vertrek naar de andere bewoog en die noch van de voedster, noch van hare slanke meesteres afkomstig kon zijn. Het moest de schaduw zijn van een bijzonder lang man, en terwijl hij stilhield en verontrust door allerlei pijnlijke gewaarwordingen nog eens naar boven keek, herkende hij duidelijk den arts Philippus.
Het middernachtelijk uur was reeds voorbij: hoe te verklaren dat Paula hem thans ontving? Was zij ziek geworden? Of was dit vertrek misschien niet het hare? Bevond de voedster zich toevallig met haar en den arts in eene woonkamer van Rufinus?
Maar neen! De vrouw die thans voorbij het venster ging en zich met uitgestrekte hand juist bewoog naar de schaduw van den man, was Thomas' dochter en geene andere.
Zijn hart begon steeds sneller te kloppen en hem overviel eene bezorgdheid, die tot hiertoe door zijne edelheid was teruggehouden, ofschoon hij toch meermalen getuige was geweest van de vriendelijke verstandhouding, die er tusschen Paula en den arts bestond. Misschien was het meer dan vriendschap en onschuldig vertrouwen, dat de jonkvrouw aanleiding gaf de bescherming en de hulp van dezen man zoo onverholen in te roepen. Zou hij Paula's hart, hare liefde gewonnen hebben? Zou dat mogelijk zijn? En waarom niet? Wat had zij bij Philippus anders te vergeten dan zijn leelijk gelaat en zijne lage afkomst? Maar hoeveel andere vrouwenharten hadden zich over gansch andere dingen moeten heenzetten! De arts was nauwelijks vijf jaren ouder dan hij, en zijne bezorgdheid klom als Orion zich den blik weer voor den geest bracht, waarmede hij Paula heden morgen had aangezien. Ja, Philippus had Paula lief!
Eene kleine omstandigheid, die hem eenklaps inviel, was voor hem, die in zulke dingen maar al te veel ervaring had, voldoende om dit als zeker te beschouwen. Reeds gisteren was het hem opgevallen dat Philippus zich sedert den dood zijns vaders, dus sedert Paula verhuisd was naar het huis van Rufinus, zich veel zorgvuldiger dan vroeger gekleed had. "Daarin," dacht hij, "brengt een ernstig man geen verandering, wanneer de liefde hem er geen aanleiding toe geeft."
Een pijnigend gevoel van angst en toorn overviel hem, toen hij de lange schaduw weder bij het venster zag verschijnen. Voor de eerste maal in zijn leven gevoelde hij de kwelling van den ijverzucht, waarom hij zijne vrienden dikwijls had uitgelachen. Toch was hij niet dwaas genoeg om zich er door te laten martelen, immers sedert heden morgen kon hij zeker op zijne geliefde bouwen. Al moest hij, Orion, voor een hoogeren rechter bij dezen achterstaan, voor een vrouwenhart was hij gewis zijn meerdere. Desniettemin hinderde het hem te weten dat de arts op dit uur bij Paula was, en korselig rukte hij aan den teugel om het paard te doen keeren. Het beviel hem dat het edele, vurige beest zich verzette tegen deze ongewone ruwe handeling en een honderd passen voorbij dat verwenschte verlichte venster weder de koppigheid toonde, die men het als veulen had afgeleerd. Orion moest werkelijk een strijd beginnen met den hengst, en het deed hem goed het dier met den toom en zijne beenen zijn overmacht te doen gevoelen. Wel steigerde de hengst en draaide hij met hem in een cirkel rond, maar de krachtige ruiter werd hem de baas, en nadat hij het dier tot stilstaan en gehoorzaamheid gedwongen had, streelde hij het langs den gladden hals en zag, tot verademing gekomen, nog eens om.
Naast hem verhieven zich boven de lage heg de dichte sombere bosschages van den tuin der weduwe Susanna, en daarachter schemerde uit de achterzijde van het huis die op de Nijlstraat uitzag, een nog helderder licht als uit Paulas woning. Uit drie vensters straalde het in den tuin, uit twee slechts met een mat schijnsel, misschien het licht van eene enkele lamp. Dat alles kon hem onverschillig zijn, toch bleef zijn oog gevestigd op het dak van de zuilengaanderij, die onder de bovenverdieping heenliep, want daarop stond dicht tegen het kozijn van een der verlichte vensters geleund, eene kleine vrouwelijke gestalte, die het hoofdje zoover vooruitstak om te luisteren, dat het licht schemerde door het golvende haar dat het omlijstte. Katharina beluisterde het gesprek, dat de patriarch Benjamin, wiens gebaarde apostelkop Orion goed onderscheiden kon, met den presbyter Johannes voerde, een klein onaanzienlijk mannetje, van wien Orions vader echter getuigde, dat hij den ouden bisschop Plotinos in geest en kloekheid overtrof.
Het zou den jongeling niet moeilijk zijn gevallen elke beweging van Katharina te volgen, doch dit was hem de moeite niet waard. Terwijl hij doorreed zag hij in zijne verbeelding het kwikstaartje, hoewel niet alleen, want het beeld der geliefde plaatste zich dadelijk daarnaast, en hoe kleiner gene hem voorkwam, des te heerlijker kwam de wasdom van deze uit. Ieder woord, dat hij heden vroeg van Paula's lippen vernomen had, kwam hem weder voor den geest, en die schoone, levendige herinnering verdreef alle bezorgdheid. De vrouw, die zich nog dezen morgen bereid verklaard had met hem te hopen, alles van hem te gelooven, zijne bescherming aan te nemen, de edele jonkvrouw, aan wie hij gaarne had toegestaan het oog mede te richten op wat hij zich in de toekomst ten doel had gesteld, wier reine blik zijn hartstocht, zijn eigenwaan als met toovermacht in toom had gehouden en hem nochtans het recht gegeven had naar haar bezit te streven, dat trotsche heldenkind, dat zijn vader zoo gaarne als dochter aan het hart had gedrukt, zou het mogelijk zijn dat zij hem misleidde als eene behaagzieke schoone uit de hoofdstad? Kon zij ooit hare waardigheid als vrouw vergeten? Neen, duizendmaal neen! Aan haar te twijfelen was haar te beleedigen, was een onrecht tegen haar en zichzelven. De arts had haar lief, doch wat haar ook aanleiding gaf om hem zoo laat te ontvangen, eene andere beweegreden dan die van vriendschap bestond er zeker niet. Schande over hem, wanneer hij de lage verdenking van vroeger weder plaats gaf in zijne ziel.
Als van een last bevrijd haalde hij vrijer adem, toen zijn dienstknecht verscheen, die bij de betaling van den bruggetol was opgehouden. Terstond sprong hij uit het zadel en beval dezen het paard naar huis te brengen, daar hij begeerde verder te voet te gaan, om ongestoord zijne gedachten te kunnen vervolgen. Weldra wandelde hij dan ook peinzend onder de sykomoren voort, en nog was hij niet ver gekomen, toen hij aan de andere zijde van den thans stillen hoofdweg iemand met groote, haastige schreden achter zich hoorde naderen, die spoedig hem voorbijschoot. Zijn scherpziend oog deed hem in den wandelaar den arts Philippus herkennen, en het verheugde hem dezen te zien, want nu was het bewijs geleverd hoe dwaas en verkeerd zijn twijfel was geweest, hoe weinig grond hij had om in den arts een medeminnaar te zien. Die man daarginds zag er toch niet als een gelukkige uit. Met gebogen hoofd, als ging hij gebukt onder een last, ijlde hij voorwaarts, en thans bracht hij als iemand die vertwijfelt de hand aan het voorhoofd. Neen, achter dien haastigen, nachtelijken wandelaar lag geene zalige ure, en als zijne houding iets van hem vroeg, dan was het niet nijd, maar medelijden.
De arts merkte hem niet op, want geheel in zichzelven gekeerd vloog hij verder, terwijl nu en dan een zucht of eene doffe klacht zijne borst ontsnapte. Voor enkele oogenblikken ging hij een huis binnen, waaruit luide klaagtonen werden vernomen, en toen hij daarna zijn weg vervolgde, schudde hij van tijd tot tijd het hoofd, als iemand die allerlei tooneelen onder zijne oogen ziet afspelen, waarvan hij het rechte begrip niet heeft. Het doel van zijne wandeling was een gebouw, dat aan een paleis deed denken. Het pleister was voor een deel afgevallen en de vensters van de bovenste verdieping waren tot groote aan de zijden uitgebroken openingen verwijd. Weleer had dit huis de stedelijke en districtbeambten voor de financiën geherbergd en de benedenvertrekken waren toen zeer geschikt en doelmatig ingericht voor den ideoloog, den hoofdbeambte van dezen tak van bestuur, die gewoonlijk te Alexandrië verblijf hield, maar bij zijne inspectiereis zich soms weken lang te Memphis moest ophouden. Doch de Arabieren hadden het beheer der financiën van het geheele land verlegd naar de nieuwe hoofdstad Fostat aan gene zijde van den stroom, en die van de vervallen plaats was verbonden geworden met het stadhouderlijk ambt. De senaat van Memphis had het te kostbaar gevonden om het groote gebouw te sloopen, en was zeer blijde geweest toen men voor de benedenvertrekken in den arts Philippus en den Egyptenaar Horus Apollon huurders had gevonden. Beide geleerden bewoonden wel afzonderlijke vertrekken, maar dezelfde slaven bezorgden het gemeenschappelijk huishouden en moesten bovendien den helper van Philippus, een bescheiden en wel onderwezen Alexandrijn, diensten bewijzen.
Toen de arts de hooge en ruime werkzaal van zijn grijzen vriend betrad was deze nog wakker, en zat achter een groot aantal opene schriftrollen zoo geheel verdiept in zijn arbeid, dat hij den laat terugkeerenden vriend eerst vluchtig opmerkte, toen deze hem een avondgroet toeriep. Het antwoord daarop bestond enkel uit een onduidelijk gebrom, en nog eenige oogenblikken daarna bleef de oude geheel in zijne handschriften verdiept. Eindelijk keerde hij het gelaat naar Philippus en wierp daarbij het ivoren staafje, waarmede hij de papyrusrollen openlegde en gladstreek, ongeduldig op de tafel, en tegelijk begon zich daaronder eene donkere massa te bewegen, de sedert lang ingeslapen slaaf van den grijsaard. De drie lampen op de schrijftafel plaatsten den oude en zijne omgeving in het volle licht, terwijl de arts, die zich op eene rustbank op den achtergrond van het groote vertrek had neergevleid, in het donker bleef.
Wat dien arbeider bij nacht opschrikte was het zwijgen van den teruggekeerde, waaraan hij niet gewoon was; dit hinderde hem als het stilstaan der klepperende raderen den molenaar.
Hij zag nu den vriend verstomd en vragend aan, maar deze bleef stom waarop de oude zich weder in zijne schriftrollen verdiepte. Toch had hij zeker de noodige aandacht verloren, want zijne gebruinde hand, waarop de aderen als blauwe knoopen en draden zichtbaar waren, verschoof nu eens de rol, dan weer het ivoren staafje, en zijn ingevallen mond, die eerst vast gesloten was, bleef voortdurend in beweging. De uitwendige gedaante van dezen man bood een zonderlingen, weinig opwekkenden aanblik, want zijne magere, bruinachtige gestalte was van ouderdom gebogen, zijn echt Egyptisch gelaat met de breede kaakbeenderen en de hoog opstaande ooren was gerimpeld als eikenbast, zijn schedel had het laatste haar verloren, en zijn gezicht was wel-is-waar pas geschoren, maar op de plaats van zijn baard wiesen in de diepe rimpels van kin en wangen enkele grauwe haren als struiken, die uit het enge bed van eene beek te voorschijn komen. Het scherpe scheermes had die plaatsen niet kunnen bereiken, en die haren gaven aan zijn geheele gelaat een onordelijk en verwaarloosd aanzien. Hiermede was de kleeding van den grijsaard in overeenstemming, als het linnen schort en het witte doek, dat sedert het ondergaan der zon over zijne naakte schouders hing, zulk een naam verdiende. Doch niemand op straat zou hem voor een bedelaar hebben gehouden, want het linnen dat hij droeg was fijn en sneeuwwit, en uit zijne wijd uitpuilende schitterende oogen, waarboven juist in het midden kleine maar lange borstelige wenkbrauwen zonderling opstaken, spraken helder verstand, krachtig zelfbewustzijn en afstootende norschheid, eigenschappen die een ontvanger van aalmoezen even weinig pasten als de van wilskracht getuigende, soms honende trek, die altijd om den mond van dezen man scheen te spelen. Er lag in de trekken van dezen ouden man niets aanvalligs, niets teeders of behagelijks, en wie zijn leven kende kon zich niet verwonderen, dat de jaren niet in staat geweest waren zijne ruwheid en onaangename zucht tot tegenspraak te breken, of te verkeeren in die vriendelijke toegevendheid, die vaak een hoogen leeftijd kenmerkt, als men zoo vaak gestruikeld is en zoovelen heeft zien vallen.
Hij was voor tachtig jaren geboren op het schoone eiland Philae, aan gene zijde van den katarakt in de nabijheid van den Isis-tempel, dus bij het eenige Egyptische heiligdom, waarin de heidensche eeredienst nog tot in zijne jeugd en nog wel openlijk kon worden uitgeoefend. Sedert den grooten Theodosius hadden keizers en "praefectus augustales" om strijd krijgslieden te voet en te paard den katarakt laten overtrekken, om aan de afgoderij op het lieflijke Nijleiland een einde te maken, maar allen waren door de dappere Blemmyers, die in de woestijn tusschen den stroom en de Roode zee huisden, tot de terugtocht gedwongen of vernietigd geworden, want dit onrustig zwervend volk vereerde de Isis van Philae als zijne schutsgodin, en volgens een oud verdrag werd het beeld hunner patrones door hunne priesterschap jaarlijks in feestelijken optocht naar de Blemmyers gebracht, om eenige weken in hun midden te verwijlen.
De vader van den grijsaard was de laatste horoscoop en zijn grootvader de laatste opperpriester van Isis op Philae geweest. Zijn jongenstijd had hij nog doorleefd op het eiland der godin. Toen was het echter aan een Byzantijnsch legioen gelukt de Blemmyers te verslaan, het eiland te omsingelen, het heiligdom uit te plunderen en te sluiten. De Isis-priesters ontkwamen aan de keizerlijke vervolgers, en Horus Appollon had zijne geheele jeugd met vader, grootvader en twee jongere zusters op de vlucht doorgebracht, overal door groote gevaren bedreigd. Haat tegen de vervolgers, de misdadigers die het geloof zijner vaderen verachtten en vernietigden was de spijs geweest, waarmede men zijn jeugdig gemoed had gevoed, en deze haat zou klimmen tot onverzoenlijke bitterheid, nadat te Antiochië de zijnen door keizerlijke soldaten overvallen en zijn grootvader benevens zijn beide onschuldige zusters neergehouwen waren. Op aanhitsen van den bisschop die in de vreemde familie Egyptische afgodendienaars had herkend en wien de prefect des keizers, een overmoedig en trotsch patriciër, de gewapende macht gewillig ter beschikking had gesteld, had deze ontzettende gebeurtenis plaats gehad. Slechts aan een toeval of, zooals de oude meende aan de 'groote Isis' was het te danken, dat zijn vader gelukkig ontkwam met hem en de kostbaarheden, die de oude opperpriester uit den tempelschat had medegenomen. Het ontbrak hun dus niet aan middelen om onder vreemde namen te reizen en zich eindelijk in Alexandrië neer te zetten. De vervolgde jongeling veranderde hier zijn naam Horus in den Griekschen vorm ervan, en heette van nu aan in huis en in de school Apollon. De begaafde jonkman gebruikte met vurigen ijver de rijke leermiddelen van een stad als Alexandrië, rusteloos verdiepte hij zich in elk gebied der Grieksche wetenschap en verwierf daarbij onder de leiding zijns vaders al de kennis van een Egyptischen horoscoop, die in dezen lateren tijd toch nog niet geheel was te loor gegaan.
Te midden van de christenen der hoofdstad en hun geloofsstrijd bleven vader en zoon heidenen en Isis-dienaars, en toen de oude priester op hoogen leeftijd stierf, verhuisde Horus Apollon naar Memphis, waar hij het stille afgezonderde leven van een onderzoeker leidde, van tijd tot tijd vertoonde hij zich op de sterrewacht onder de astronomen, astrologen en kalendermakers, of bezocht hij de laboratoria der alchymisten, die ook in christelijk Egypte zich ijverig bleven bezighouden met pogingen om onedele in edele metalen te veranderen. De scheikundigen en sterrekundigen erkenden weldra de meerdere kennis van den ouden man en ondanks zijne zwartgalligheid en de beleedigende wijze waarop hij iemand kon afwijzen, vroeg men toch bij moeielijke vraagstukken hem om raad. De roep die van hem uitging was ook tot de Arabieren doorgedrongen, en toen het de vraag was hoe men aan de gebedsnis in de nieuwe moskee van Amr de juiste richting naar Mekka zou geven, werd zijne hulp ingeroepen en zijn advies was beslissend.
De arts Philippus was eenige jaren geleden aan het ziekbed van den oude geroepen en had aan hem zijn meesten tijd en zijne beste krachten gewijd, daar in die dagen nog maar weinigen een beroep deden op de kunst van een pas beginnende. Er kwam bij dat Horus Apollon door de degelijke beschaving en den ernstigen zin tot onderzoek van den jongen geleerde werd aangetrokken en spoedig warme sympathie voor hem had opgevat, ja, de warmste, die hij na den dood der zijnen voor een zijner medemenschen had getoond. Eindelijk sloot de oudere den jongeren man met zulk eene teederheid aan zijn hart, als beijverde hij weer goed te maken wat hij in liefdebewijzen tot hiertoe was te kort gekomen. Geen vader kon inniger, met meer zelfverloochenende liefde gehecht zijn aan een zoon als de grijsaard aan den arts, en toen eene ziekte hem opnieuw aan den rand des grafs bracht, maakte hij Philippus tot zijn vertrouwde, openbaarde hij hem het geheim van zijn uit- en inwendig leven van den aanvang af, en beloofde hij den arts tot zijn erfgenaam te zullen maken, wanneer deze zich verbond bij hem te blijven tot zijn einde. Philippus, wien de grijze, geestrijke onderzoeker reeds van den beginne de grootste belangstelling had ingeboezemd, nam dezen voorslag aan, nadat ook hij zich meer had ingelaten met de studiën van den ouden man waaraan hij soms deelnam, noodigde deze hem uit een werk te helpen voltooien dat hij voor zijn dood wilde afmaken. Het handelde over het hiëroglyphenschrift en moest de beteekenis der afzonderlijke teekens, voor zoover deze nog was vast te stellen, verklaren en aan de nakomelingschap overbrengen. De grijsaard, die alleen Egyptisch wilde schrijven omdat hij het Grieksch niet genoeg machtig was, vertrouwde aan zijn jongen vriend de vertaling zijner opteekeningen in deze taal toe, en het samenleven van die twee in ouderdom en karakter zoo uiteenloopende, maar in betrekking tot hun geestelijk streven verwante mannen, nam een voor beide partijen aangenamen en voordeeligen vorm aan, ondanks de velerlei zonderlingheden, de ruwheid en hardheid van den ouden man.
Horus Apollon leefde op de manier van een oud Egyptisch priester, daar hij zich onderwierp aan veelvuldige wasschingen en scheringen, weinig anders nuttigde dan brood, groenten en tamme vogels, zich onthield van peulvruchten en het vleesch van alle viervoetige dieren en niet alleen van de reeds aan zijne voorvaderen verbodene zwijnen, zich van geen andere dan reine linnen gewaden bediende en zekere uren voor zich hield tot het uitspreken van die heidensche gebedsformulieren, welker magische kracht de goden moest dwingen aan het verlangen hunner aanbidders te voldoen.
Zooals de oude aan Philippus zijn geheele vertrouwen geschonken had, zoo verborg deze voor hem niets wat in hem omging. Deed hij het soms, dan gevoelde de ander dit met wonderbare scherpzinnigheid. De arts had den vaderlijken vriend vaak over Paula gesproken en hem hare voortreffelijke eigenschappen geschilderd met al de warmte van een liefhebbend hart; doch de oude was haar van den aanvang niet genegen, reeds dadelijk omdat zij de dochter was van een patriciër en prefect. Wie dezen titel voerde was voor hem een voorwerp van haat, immers een prefect en patriciër droeg de schuld van het bloedig einde dergenen, die hij het meest had liefgehad. Wel-is-waar had de stadhouder van Antiochië enkel op last van den bisschop gehandeld, doch het lustte den grijsaard--en zijn vader had er van den aanvang af evenzoo over gedacht--alle schuld op den prefect te laden; want de nazaat van een overoud priestergeslacht verheugde zich, dat hij al de volheid van zijn toorn over een ander kon uitstorten dan over een dienaar onverschillig van welke godheid.
Als Philippus Paula's groote gestalte, hare voorname houding, den adel van hare vormen en van hare gezindheid prees, voer de oude tegen hem uit en riep: "Zoo is dat 't! Pas op, knaap, wees op uwe hoede! Hoogmoed, eigenwaan, zelfverheffing, teekent ge mij, maar verguld met de schoonste namen. Het woord patriciër bevat alles in zich, wat wij ons onder zelfzucht en onmenschelijkheid denken, en de ergsten, onverschilligsten, hebzuchtigsten onder hen maken die apen in purper, die de keizerstroon schandvlekken, tot hunne prefecten. Zooals zijzelven zijn, is ook hun gebroed. Al wat zij in hunne aanmatiging 'klein' noemen, wordt door hen in 't stof geworpen en onder den voet getreden; maar wij, gij en ik, allen die in het burgerlijk leven arbeidzaam de handen roeren, wij zijn in hunne oogen de verachtelijke kleinen. Let erop, knaap! Heden lacht de dochter van den stadhouder en den patriciër u toe, omdat zij u noodig heeft, morgen werpt zij u weg, gelijk ik mijn oud pantervel, dat in den winter mijne voeten verwarmt, wegschop als de heete dagen van Maart komen."
Was hij de dochter van Thomas niet genegen, hij was even afkeerig van den zoon van den Mukaukas, ofschoon hij hem nooit gezien had, en toen de arts hem verteld had, dat groote verbolgenheid tegen Orion zich had meester gemaakt van het hart zijner vriendin, was de grijsaard in een hoonenden schaterlach uitgebarsten en had gezegd, als bezat hij het vermogen om in de harten te lezen en in de toekomst te zien: "Heden bijten zij elkaar, over drie dagen zullen zij elkaar kussen! Haat en liefde zijn de eindpunten van denzelfden staf. Hoe gemakkelijk draait men dien om! Die twee, ze zijn van hetzelfde bloed en van denzelfden aard! De zoodanigen vliegen naar elkander toe als de magneet naar het ijzer en het ijzer naar den magneet."
Maar soortgelijke vermaningen hadden op het gevoel van den arts weinig invloed uitgeoefend, en zelfs door de afwijzing van zijn warm aanzoek, nadat Paula haar intrek had genomen in het huis van Rufinus, was zijne hoop van haar eindelijk geheel voor zich te winnen niet geheel geschokt. Heden morgen bij de onderhandeling over het vastzetten van het vermogen der geliefde, was Paula van harte bereid geweest hem tot haren kurios, haar voogd aan te nemen, om in haar plaats bij het gerecht op te treden; doch uit menig teeken meende hij waargenomen te hebben, wat zijne ziel zoo pijnlijk aandeed, dat zijn grijze vriend goed had gezien, dat de staf gekeerd en in het hart der jonkvrouw haat in liefde veranderd was. Toch had Paula hem nog nooit zulk eene warme genegenheid getoond, had hij hare stem in het gesprek nooit zoo week en hartelijk hooren klinken dan heden avond in den tuin van zijn vriend. Vroolijker en spraakzamer dan ooit was zij niet moede geworden zich tot hem te wenden. Daarbij waren langzamerhand zijne bezorgdheid en zielesmart geweken, en eindelijk had hij gevoeld, hoe teedere aandoeningen opnieuw bij hem ontwaakten en zijne eigene geestelijke kracht toenam... Ja, hij meende dat hij aan zijne gedachten nooit schooner en beter uitdrukking had gegeven dan in de laatst verloopen uren. Zij had hem ook haar bijval niet onthouden, had blijmoedig hare instemming betuigd met elk zijner stellingen, en toen hij zich een half uur voor middernacht met haar naar de kranken had begeven, was er eene nieuwe heerlijke hoop in hem ontwaakt. Gelukkig en als betooverd had hij aan haar wensch voldaan om haar te volgen naar hare woonkamer, en dáar, op die plaats...
Arme, bitter teleurgestelde man! Daar zat hij in den donkeren hoek van de ruime studeerkamer, waarin het verstand tot hiertoe het grootste woord had gevoerd en naar de stem van het hart nooit was gevraagd. Hoe hij den weg hierheen had gevonden, dat wist hij zelf niet meer. Dit alleen herinnerde hij zich nog, dat hij, gehoor gevende aan zijn plicht, het huis van een Memphiet was binnengegaan, wiens vrouw, eene moeder van vele kinderen, in den namiddag stervende was; dat hij daar een lijk en vele luid en oprecht weeklagende menschen had gevonden, dat hij met hun en zijn eigen leed in het hart naar huis was gewaggeld en zich daar niet naar zijne vertrekken, maar naar dat van den grijzen vriend had begeven, omdat hij zichzelve niet vertrouwde. Het leven had alle bekoorlijkheid, alle waarde voor hem verloren; doch hij schaamde zich, dat hij door eene vrouw het edelst doel van zijn bestaan zich geheel ontvreemden, door haar zijne blijmoedige stemming verstoren liet, die hij niet missen kon om verder zijn beroep in den zin van zijn vriend Rufinus te vervullen. Hij kende zijn ouden huisgenoot en wist dat deze loog in zijn wonden zou gieten; maar daar had hij vrede mee. De grijsaard had reeds zoo vaak getracht Paulas beeld van zijn hoog voetstuk te werpen en te vernielen, maar altijd te vergeefs, en het zou hem ook heden niet gelukken! Het vurig verlangen, de brandende hartstocht naar haar, die door zijn aderen woelden sedert den nacht waarin hij den woedenden Masdakiet had bedwongen, dat wilde hij te niet doen, in het stof werpen, door alle winden laten verstrooien. De grijsaard daar aan de tafel, wiens strenge en onvriendelijke trekken door de drie lampen zoo helder verlicht werden, was geheel de man om dit werk der vernietiging te volbrengen, en Philippus wachtte op zijne eerste woorden als een zieke op den heelmeester, die het schroeiijzer in het vuur houdt, waarmede hij de wond wil uitbranden.
Arme man, die na deze ontgoocheling de genezing zoozeer behoefde! Daar lag hij op den divan en zag hoe de ander over de schriftrollen hem bespiedde en daarbij heen en weer schoof in zijn leunstoel. Het zwijgen van Philippus verontrustte den oude zichtbaar en de arts zag aan de spichtige wenkbrauwen, die boven de oogen van den grijsaard zich opzetten, dat hij zijn eigen oordeel vormde, dat zeker het ware was. Weldra moest het zwijgen gebroken worden en Philippus verwachtte den aanval. Hij was bereid de grootste moeielijkheid uit den weg te ruimen, maar hoe zou hij over zich kunnen verkrijgen den pijniger zijn werk te verlichten?
Zoo verliep er een geruimen tijd en evenals de arts op de toespraak van den grijsaard, wachtte deze op zijn eerste woord. Doch het ongeduld en de nieuwsgierigheid van den ouden man waren machtiger dan het verlangen van den jongeren naar genezing, en opeens legde deze de schriftrol neder, greep met eene onwillekeurige beweging het ivoren staafje, dat hij zoo even had weggeworpen, gaf aan den zwaren stoel met een voor zijn hoogen leeftijd verwonderlijk krachtigen ruk eene andere richting, keerde Philippus zijn volle gelaat toe en vroeg luide, terwijl hij met het staafje dreigend naar hem wees: "Het besluit van het spel, niet waar? Het einde van een treurspel!"
"Niet geheel, want ik leef nog!" antwoordde de arts.
"Maar het bloedt daarbinnen, en die wond doet pijn," hernam de oude. Na zich een oogenblik bedacht te hebben ging hij voort: "Wie niet hooren wil moet voelen! Men heeft den vos den haak getoond, maar het lokaas was te verleidelijk. Gisteren was het nog tijd geweest om de kluister van den voet te strijken, men had slechts ernstig te willen, want men was goed onderricht omtrent de gruwzame listen van den jager. Nu is het gebeurd, men heeft geen enkel wapen waarover men te beschikken had ontzien, en nu ligt het wild stom van smart en schaamte, en verwenscht zijne eigene dwaasheid. Men schijnt heden het zwijgen te verkiezen. Wil ik u eens vertellen, hoe dat alles gekomen is?"
"Ik weet het zelf maar al te goed," antwoordde Philippus.
"Doch ik, ik kan het mij wel voorstellen," gromde de oude. "Zoo lang die patricische deerne het trekdier noodig had, heeft zij het aangehaald, het gerst en dadels toegeworpen. Nu baadt zij zich in het goud, woont onder een veilig dak, en flap! in eens krijgt de uitgediende beschermer zijn afscheid. Evenals de hemel de zon laat opgaan, wanneer de bleeke maan achter de bergen verdwijnt, zoo stelt deze jonkvrouw, die gebied voert over de harten van ons zwakkelijk en van vrijheid verzadigd geslacht, in de plaats van den armen, langen arts den rijken Adonis uit het stadhouderlijk paleis. Als het anders gebeurd is, heet het mij liegen!"
"Kon ik dat maar!" zuchtte Philippus. "Gij hebt goed gezien, verwonderlijk goed, en toch zoo verkeerd als mogelijk is."
"Dat klinkt duister," zeide de grijsaard gelaten. "Maar ik kan ook in den nacht zien. Het feit staat vast, doch gij zijt nog verblind genoeg, om die beweegredenen niet te laten gelden. Overigens verheugt het mij, dat uwe dwaling een zoo 'gelukkig' en wat mij betreft een zoo 'spoedig' einde heeft genomen; de aanleiding--zooals gewoonlijk eene vrouw--is mij onverschillig geworden. Waarom zou ik haar zonder noodzakelijkheid van iets ergers verdenken, dan zij gedaan heeft? Alleen om uwentwil zou ik dit gaarne vermijden, want rechtgeaarde zielen hechten zich gaarne aan hen, die zij onrecht zien aandoen. Doch het staat aan u, dacht ik, niet aan mij, om te spreken; ook zonder uw hardnekkig zwijgen weet ik wel dat gij wijsgeer zijt; en wat mij betreft, ondanks mijne tachtig jaren ben ik nog altijd niet vrij van nieuwsgierigheid."
Toen stond Philippus haastig op en terwijl hij nu eens in het groote vertrek op en neer liep, dan weder voor den ouden vriend staan bleef, vertelde hij hem met vuurroode wangen en levendige gebaren wat hij gehoopt en geleden had, hoe Paula eerst nieuw vertrouwen bij hem gewekt en hem daarna in hare woning ontboden had--om diep ontroerd, verbaasd over zichzelve en toch niet bij machte en ook niet voornemens om de zaligheid te verbergen die haar vervulde, hem in haar hart te laten lezen. Gelijk eene beangstigde ziel voor den priester biecht, zoo had zij hem, haren besten vriend, geopenbaard, wat sedert de begrafenis van den gestorven Mukaukas in haar binnenste was omgegaan, en hoe zij thans overtuigd was dat Orion na zijn zwaren misslag zichzelven had wedergevonden.
"En daarover," viel de grijsaard hem in de rede, "was zoo groote vreugde in den hemel, dat men niet wachten kon met den afgedankten vrijer de weldaad te bewijzen, om ook daaraan deel te nemen."
"Veeleer heeft zij mij onder zwaren strijd beleden, wat het hart van haar vordert; ja, ofschoon zij niets dan spot, waarschuwingen, verwijten van mij verwachten kon, heeft zij toch haar binnenste voor mij ontsloten."
"En waarom, met welk doel?" vroeg de oude met schrille stem. "Wil ik het u eens zeggen? Omdat een vriend altijd nog zoo'n halve minnaar is en de vrouwen ook niet een vierde van zulk een geliefde prijs geven willen."
"Dat is niet waar!" haastte Philippus zich met afkeuring te zeggen. "Zij heeft het gedaan omdat zij mij hoog schat, mij acht, mij--ik ben niet ijdel--mij als een broeder genegen is, en het niet verdragen kon mijn gevoel voor haar--het zijn hare eigene woorden--ook maar een uur te misleiden. Dat is edel, dat is groot, is harer waardig, en niettegenstaande alles wat in mij is zich daar tegen verzette, zag ik mij toch gedwongen hare oprechtheid, hare trouwe vriendschap, hare zelfverloochening en haar moed in het beheerschen van hare vrouwelijke teergevoeligheid te bewonderen. Neen, val mij nu niet weer in de rede, spot nu niet! Het beteekent niet weinig voor eene trotsche jonkvrouw, die zich van hare waardigheid bewust is, de zwakheid van haar hart zoo bloot te leggen voor een man, van wien zij weet, dat hij haar bemint, op de wijze als zij dit gedaan heeft. Zij noemde mij haar weldoener, zichzelve mijne zuster, en welke drijfveeren gij, die haar haat om een oud vooroordeel, zonder haar zelfs te kennen, ook aan hare handelwijze wilt toedichten, ik geloof haar en begrijp haar ook. Kon ik anders doen dan de hand aannemen die zij mij bood, toen zij met betraande oogen mij bad haar vriend, haar beschermer, haar kurios te blijven? En toch, toch! Waar zal ik de kracht vinden om niets anders van haar te verlangen, van haar tot wie ik mij door eene brandende hartstocht getrokken gevoel, niets anders dan een vriendelijken blik, een handdruk, een verstandig overwegen van hetgeen ik zeg? Hoe zal ik mijne kalmte, mijne zielsrust, mijne zelfbeheersching bewaren, als ik haar zie in de armen van den schoonen halfgod, dien ik gisteren nog als een nietswaardig jongeling verachtte? Welk ijs kan den gloed verkoelen van dit brandend gemoed? Welke lans doorboort den draak van den hartstocht, die in mij woelt? Dit hart is gekomen tot aan de grenzen van een menschenleeftijd, zonder toch naar de liefde te smachten, waarvan onze dichters zingen. Alleen door hen of door de klacht van een vriend, wiens zwakheid mij leed deed, heb ik zulk een gevoel leeren kennen, en thans, nu de liefde mij zoo laat met al hare onbedwingbare macht overvalt, aan zich onderwerpt en mij in ketenen slaat, hoe kan ik mij van haar bevrijden? Hier, trouwe man, die mij als uw zoon beschouwt, van wien ik het gaarne hoor, als gij mij 'knaap' en 'kind' noemt, die de plaats bekleedt van mijn vroeg gestorven vader, hier blijft mij niets anders over dan u en deze stad te verlaten, hare nabijheid te ontvluchten, een nieuw verblijf voor mij te zoeken, ver van haar met wie ik zoo gelukkig zou hebben kunnen zijn als de zaligen in het paradijs, en die mij nu nog ellendiger heeft gemaakt als de verdoemden in het eeuwige vuur! Ik wil, ik moet van hier als gij, die zooveel vermoogt, mij niet leert dezen hartstocht te dooden, of dien te veranderen in eene koele, broederlijke vriendschap."
Philippus, die vlak bij den ouden man was blijven staan, sloeg de handen voor het aangezicht, doch Horus was bij de laatste woorden van zijn geliefden leerling met jeugdige kracht opgerezen. Met een stevigen ruk trok hij diens rechterhand van het gelaat, en zeide driftig en buiten zichzelven van verontwaardiging en groote bezorgdheid: "En zegt ge mij dat in ernst? Zijt gij, verstandige man, zoo diep in de dwaasheid verzonken? Is het u niet genoeg, uw eigen geluk om deze--hoe zal ik haar noemen--verspeeld, verslingerd te hebben? Begrijpt gij dan nu eindelijk waarom ik u voor dat patriciërgebroed gewaarschuwd heb? Trouw, dankbaarheid, de liefde van een degelijk man--wat vraagt zij daarnaar? Werp dien katvisch van den haak, smijt hem in het zand! Daar komt reeds de vette wentelaar [13] aangezwommen, die zal wel bijten! Wilt gij aan haar en dien ellendigen stadhoudersjongen ook het heil en de hoop der laatste jaren van een grijsaard opofferen, die zich gewend heeft u, die zulks verdient, als zijn eigen zoon lief te hebben? Wilt gij, flinke arbeider, gij man met zulk een krachtigen geest, zoo vol ijver in het vervullen van uw plicht, in wien de goden een welgevallen hebben, wilt gij als een verlaten meisje wegloopen, van de Leukadische rots springen als de door liefde verteerde Sappho op het theater, waarover de toeschouwers zitten te schudden van het lachen? Gij blijft, knaap, gij blijft! En ik, ik zal u toonen hoe een man den hartstocht onder bedwang krijgt, die hem onteert!"
"Toon het mij," antwoordde Philippus met zachte stem. "Ik verlang niets beters. Meent gij, dat ikzelf mij niet zou schamen over mijne zwakheid? Zij staat mij toch slecht genoeg, mij vooral, wien het lot eer tot alle andere dingen bestemd heeft dan tot een zuchtend minnaar en dweper. Strijden wil ik, worstelen met al de kracht mijner ziel; maar hier, hier in Memphis, hier in de nabijheid, als haar kurios, ben ik dagelijks gedwongen haar weer te zien, moet ik dag aan dag nieuwe smadelijke nederlagen lijden. Hier, altijd in hare nabijheid, put de strijd mij uit, zie ik mijzelven ondergaan naar lichaam en ziel. Op dezelfde plaats, in dezelfde stad is er geen ruimte voor ons beiden."
"Dan moet zij het zijn," riep de oude met schelle stem, "die plaats maakt voor u."
Hierop richtte Philippus het gebogen hoofd omhoog en vroeg verrast en op streng afkeurenden toon: "Wat bedoelt gij hiermede?"
"Niets," antwoordde de ander onverschillig, terwijl hij de schouders ophaalde. Daarna ging hij vergoelijkend voort: "Memphis heeft in elk geval van u meer nut te verwachten, dan van die patricische deerne." Vervolgens schudde hij zijne leden, alsof hij het koud had, sloeg met de hand op de borst en zeide: "Hier binnen is alles in oproer, en ik kan thans helpen noch raden. Weldra begint het in het oosten te schemeren; wij willen trachten wat te slapen. In den zonneschijn kan men knoopen loswikkelen, die bij lamplicht niet te ontwarren schijnen, en misschien toont de godin mij, terwijl ik slapeloos op mijne legerstede lig, den weg, dien ik zoo straks beloofde u te zullen wijzen. Een weinig meer luchthartigheid zou ons beiden niet schaden. Tracht uw eigen leed te vergeten door te denken aan dat van anderen; daarvan leert gij alle dagen genoeg kennen. Het zou niet veel baten of ik u al een goeden nacht wenschte, maar moge hij u wat tot kalmte brengen! Op mijne hulp kunt gij staat maken; maar van weggaan, vluchten of iets dergelijks, daarvan zult ge mij, arme man, niets meer laten hooren, niet waar? Neen, neen, dat--ik ken u genoeg Philippus--dat leed doet gij uw eenzamen vriend niet aan!"
Deze laatste woorden waren de teederste, die de arts ooit uit den mond van den grijsaard vernomen had, en het deed hem goed toen deze hem een oogenblik omarmde en aan zijn hart drukte. Aan zijn woord: dat het aan Paula stond om plaats te maken, dacht Philippus niet verder; doch de oude man scheen het toch zeer ernstig gemeend te hebben, want zoodra hij alleen was, wierp hij het ivoren staafje weder heftig op tafel en prevelde met fonkelende oogen, eerst in toorn en dan spottend: "Om dit trouwe hart, dezen besten aller arbeiders voor mij en de wereld te behouden, zou ik een dozijn van die volbloed deernen naar de Amenthe [14] willen sturen. Ei, ei, gij schoonste der schoonen, de brave arts is voor ons te slecht, en men smijt hem weg als de pit van een dadel, dien men opgegeten heeft? Een ieder naar zijn smaak! Maar hoe zou het zijn, als de oude Horus u eens dwong hem te leeren hoogschatten? Geduld, geduld! Met het doel voor oogen is het mij nog altijd gelukt den weg te vinden; op het veld der wetenschap, meen ik natuurlijk. Doch het leven, wat is het leven van den wijze anders dan toegepaste wetenschap? Waarom zou de oude Horus niet nog eens vóor zijn einde beproeven, wat zijn geest vermag uit te richten op de markt van het leven der werkelijkheid? Hoe goed of het u ook bij uw liefje in Memphis bevalt, gij breekster der harten, gij zult toch plaats moeten ruimen voor den armen weggegooiden speelbal! Ja, dat zult ge! Reken er op, mijne lieveling, dat zult ge!--Heidaar Anubis!"
Bij deze woorden gaf hij den slaaf, die onder de tafel rustig was blijven doorslapen, een schop met zijn naakten voet, en terwijl deze zijn meester voorlichtte naar het slaapvertrek en hem daar, bij zijne zorgvuldige en langdurige wasschingen behulpzaam was, hield de grijsaard niet op afgebroken volzinnen te prevelen, nu eens verwenschingen uit te stooten en dan weer in ondeugend gelach uit te barsten.
EINDE VAN HET EERSTE DEEL.
TWEEDE DEEL.
EERSTE HOOFDSTUK.
Evenmin als de arts Philippus, kon ook Orion dien nacht rustig slapen. Hij twijfelde niet meer aan Paula, doch zijn geheele hart was vervuld van vurig verlangen naar haar en naar de bevestiging dat zij hem en hem alleen liefhad, en dat verlangen hield hem wakker. Bij het krieken van den dag stond hij op, blijde dat de nacht voorbij was, en stak den Nijl over om den wisselaar Salech, den broeder van den ouden koopman Haschim, de helft toe te vertrouwen van het vermogen der dochter van Thomas.
In Memphis was alles nog stil en wat hij daar zag, kwam hem heden bijzonder oud, afgeleefd, traag en vervallen voor. Alles scheen niet meer waard dan om onder te gaan, terwijl hij aan gene zijde van den stroom, in het jonge Fostat, niet anders waarnam dan een frisch, bedrijvig en krachtig jeugdig leven. Onwillekeurig vergeleek hij de oude pharaonenstad achter zich met eene vergane mummie en de nieuwe residentie van Amr met een jonkman, die dorst naar daden. Alles was daar leven en beweging. Den wisselaar, die, als alle muzelmannen vroeg opstond, "zoodra men een witten van een zwarten draad onderscheiden kon," om zijn eerste gebed te verrichten, vond hij reeds bezig met het uitbetalen van rollen goud en zilver, en hoe gezwind, hoe knap en handig wist de Arabier deze zaak met hem en Nilus, die hem vergezelde af te doen! Werwaarts hij het oog ook richtte, hij zag niets dan oogen vol vuur, niets dan aangezichten, die van geestkracht, kloekheid en ondernemingszucht getuigden, geen slaafs gebogen halzen, geen trage suffers, geen blik van sombere berusting, zooals in zijne vaderstad aan de andere zijde. Hier in Fostat vloeide het bloed hem sneller door de aderen, dáar drukte het leven hem als een last. De Arabieren trokken voor alles hem aan.
De kraam van den wisselaar bestond gelijk alle verkoopwinkels in de bazar van het jonge Fostat uit eene houten tent, waarin de koopman met zijn helpers verblijf hield. Door de opene zijde, die naar de straat was gekeerd, onderhandelden zij met de bezoekers, die als de onderhandelingen over een zaak wat langer moesten duren, door den koopman binnen werden genoodigd, ten einde naast hem te gaan zitten op de uitstallingsplanken. Ook Orion en Nilus hadden aan zulk eene uitnoodiging gehoor gegeven, en terwijl zij bij hunne samenspreking met den wisselaar daar zaten voor het oog van alle voorbijgangers, stapte de Wekil Obada, welke zich over den afkeer die de zoon des stadhouders hem gisteren avond betoond had zoo geweldig boos had gemaakt, rakelings hen voorbij. Tot zijne verbazing groette deze hem met bijzondere vriendelijkheid, en indachtig aan de waarschuwing van den veldheer, beantwoordde hij dien groet van den gehaten man, hoe zwaar het hem ook viel. Toen Obada echter andermaal en ten derde male daar langs ging, gevoelde Orion dat hij bespied werd. Doch het was ook mogelijk dat de Wekil insgelijks met den wisselaar zaken te doen had en wachtte tot hij gereed zou zijn.
Intusschen zou Orion deze ontmoeting weldra vergeten, want tehuis wachtten hem gewichtige zaken.
Zooals vaak geschiedt, had de dood van een enkel man, ofschoon zijn huis door zijn verscheiden noch rijker noch armer was geworden, en men daarin gedurende den laatsten tijd zijn afgezonderd leven nauwelijks had waargenomen, dit huis geheel, ja bijna onherkenbaar veranderd. De anders zoo levendige vertrekken waren nu stil en als uitgestorven. Smeekelingen en aanklagers vulden niet meer de voorzaal, en zij die hunne deelneming kwamen betuigen waren naar oud gebruik op den dag na de begrafenis ontvangen. De zooveel gedruisch makende bedrijvigheid van vrouw Neforis, haar roepen en het rinkelen harer sleutels dat alles vernam men niet meer, want zij hield zich van allen afgezonderd enkel in het slaapvertrek of in de koele fonteinzaal op, welke laatste het lievelingsverblijf van haar gemaal was geweest, wanneer zij ten minste niet in de kerk vertoefde, die zij dagelijks tweemalen bezocht, Met hetzelfde afgematte en onverschillige gezicht waarmede zij naar den tempel reed, keerde zij daaruit terug, en wie haar werkeloos en in somber gepeins verzonken op den divan zag zitten, die gewoonlijk de rustplaats was geweest van haar overleden gemaal, zou in haar bezwaarlijk de altijd bezige, zorgvuldige vrouw van voor weinige dagen hebben herkend, die zoo geheel vervuld was van hare huishoudelijke beslommeringen. Zij treurde en klaagde eigenlijk niet over het verlies van haar echtgenoot, en als had zij in den nacht na de dagen van het sterven en begraven voor altijd uitgeweend, zoo had zij thans geen tranen meer voor hare smart. Zij kon helaas niet komen tot dien door vriendelijke herinneringen gewijden weemoed, waarin vertroostende engelen, als men het eerste zieldoorvlijmend leed te boven is, zoo vaak eenige verkwikkende druppels mengen. Zij gevoelde, zij wist echter dat met haar gemaal een deel van haar eigen wezen van haar was afgescheurd, al had zij ook nog niet begrepen dat dit deel niets minder omvatte dan de hoofdbestanddeelen van haar innerlijk en uiterlijk bestaan.
Haar vader en die van haar gemaal waren de eerste mannen in Memphis, ja in Egypte geweest. Trotsch, gelukkig, met een hart vol liefde, had zij den zoon van Menas de hand gereikt. Hij was niet alleen maar verbonden met haar opgeklommen tot de hoogste waardigheden, die een Egyptenaar bereiken kon, en zij had alles gedaan wat in haar vermogen was, om hem te handhaven op zijn door velen benijd standpunt, om hem dat schitterend en waardig te doen innemen. Na vele bij uitstek gelukkige jaren had de smart over hunne vermoorde zonen de harten van dit reeds innig verbonden paar nog vaster aan elkander gesloten, en toen haar gade in een kwijnende ziekte verviel, vergezelde zij hem blijmoedig in zijne afzondering, wijdde zij zich geheel aan zijne verpleging, en deelde zij met hem in den twijfel en de bezorgdheid, die zijne staatkundige handelwijze deed ontwaken. Het bewustzijn van voor hem niet alleen veel maar alles te zijn, maakte haar trotsch en gelukkig. De afkeer, die zij meer en meer voor Paula gevoelde, was allereerst hier uit ontstaan, dat zij had opgemerkt hoe zij, Neforis, niet meer onmisbaar was voor den lijdenden echtgenoot, zoodra deze zijne schoone nicht tot gezelschap had. En thans? Thans?
Wanneer zij in een slapeloozen nacht ontwaakte uit de sluimering die haar niet verkwikte, luisterde zij onwillekeurig naar eene zachte, afgebrokene ademhaling, en toch was er in hare nabijheid geen borst meer, die zich op en neer bewoog. Als zij in den vroegen morgen de eenzame legerstede verliet, scheen de aangebroken dag haar een ledige, dorre woestijn te zijn. Des nachts zoowel als overdag trachtte zij herhaaldelijk zich het beeld van den afgestorvene voor den geest te brengen; doch zoo vaak dit hare zwakke verbeeldingskracht voor een oogenblik was gelukt, had zij hem enkel gezien zooals hij was in de laatste oogenblikken zijns levens, hem gezien en gehoord met de verwensching van zijn eigen zoon op de bevende lippen. Deze akelige herinnering bedierf voor haar de laatste troost der treurenden en het vriendelijk aandenken aan den ontslapene, en benam haar tegelijk het trotsch en blijmoedig welgevallen in haar eenig kind. De jonkman, die nog kort geleden de afgod harer ziel was geweest, stond daar voor haar als besmet en geschandvlekt. De last, die de rechtvaardigste van alle rechtvaardigen op Orion had gewenteld, mocht zij waarlijk niet voorbijzien. Doch in plaats van met verdubbelde teederheid hem aan haar hart te drukken, in plaats van het schrikkelijk oordeel, dat de vader over hem geveld had, te verzachten en wat hem drukte te verlichten, wist zij hem enkel te beklagen. Als Orion haar opzocht, streelde zij hem over de krullende haren, en daar zij hem noch beleedigen wilde, noch ongelukkiger maken, dan hij reeds was, berispte en vermaande zij hem niet, en herinnerde hem nimmer aan den vloek zijns vaders. En hoe verarmd was dit onvrijgevige hart, dat zich gewend had alles wat het aan liefde bezat slechts aan enkelen, ja bijna aan een enkele te wijden, die nu niet meer onder de levenden was. De vroolijke kinderstemmen in huis waren voor haar aangename tonen geweest, zoolang zij haar lijdendenden gemaal niet gestoord hadden; nu waren echter ook dezen verstomd, en aan hare eigene kleindochter, die de zonneschijn van hare zeer beperkte liefde nog niet ten volle had genoten, had zij die liefde thans geheel ontzegd. Droeg niet de kleine Maria de schuld van dat vreeselijk vonnis, dat in de laatste ure van haar gemaal over haar en Orion was geveld? Ja, in het overprikkeld gemoed van de treurende vrouw had de valsche voorstelling post gevat, dat dit kind de booze demon van het huis was en een werktuig van den satan.
Sedert eergisteren had Neforis eenige betere uren gehad. Gedurende de slapeloosheid, die haar als eene lichamelijke smart begon te kwellen, was haar ingevallen, welk eene verlichting den afgestorvene juist in onrustige nachten die witte opiumpilletjes hadden gegeven, en zij had nog een pas aangebroken fleschje met deze artsenij bij de hand. Leed ook zij niet ondragelijke pijn? Waarom zou zij het middel niet gebruiken, dat de smarten van haar echtgenoot zoo wonderbaar had gelenigd? Bij langdurig en al te veelvuldig gebruik konden die pilletjes schadelijk werken, en zij had den overledene vaak teruggehouden om er zich te rijkelijk van te bedienen; maar kon haar leed dan nog verergeren? Moest zij dit geneesmiddel niet danken, wanneer het dit ellendig leven voor haar verkortte? Zoo gebruikte zij dus het proefhoudend bevonden middel, eerst aarzelende, dan menigvuldiger en reeds op den tweeden dag met waar genot en blijde verwachting. Het had haar niet alleen een goeden nacht bezorgd, maar haar ook den volgenden morgen eene groote weldaad bewezen, want de afgestorvene was haar voor het eerst na zijn dood niet als een vloekende voor den geest gekomen, maar als een jong, levenslustig man. Niemand in huis wist van welk een troostmiddel de weduwe zich bediende en de arts zoowel als haar zoon hadden zich gisteren verheugd, dat zij haar gelatener hadden aangetroffen.
Toen Orion, nadat hij te Fostat zijne zaken met den wisselaar had afgedaan, naar huis terugkwam, moest hij aan de voorpoort zich een weg banen door een aantal lieden, die van alle zijden waren saamgeloopen, daar hij het binnenhof vol menschen en de wacht alsmede alle bedienden in groote beweging vond. Niemand minder dan de patriarch was het stadhouderlijk paleis een bezoek komen brengen en deze vertoefde thans bij zijne moeder. Hij had, zoo deelde de huismeester Sebek hem mede, ook naar hem gevraagd, en vrouw Neforis wenschte, dat hij terstond tot haar zou komen, om den allerheiligsten vader zijn eerbied te betuigen.
"Wenscht zij dat?" vroeg de jongeling, en bleef besluiteloos staan, terwijl hij een slaaf zijn reishoed toewierp. Hij was te veel kind van zijn tijd, en de kerk en hare dienaars hadden een te grooten invloed op zijne opvoeding uitgeoefend, dan dat hij het bezoek van den grooten prelaat niet als eene groote eer zou hebben beschouwd. Toch kon hij den smaad, die der nagedachtenis zijns vaders was aangedaan, kon hij de vermaning van den edelen Arabischen veldheer om zich voor de vijandschap van Benjamin te wachten, niet vergeten, en wellicht, zeide hij tot zichzelven, was het beter om eene samenspreking met den machtigen man te ontwijken, dan zich bloot te stellen aan het gevaar van gedurende het onderhoud zich niet te kunnen inhouden en nieuw voedsel te geven aan zijne eigene verbolgenheid.
Doch hem zou geen keuze worden gelaten, want de kerkvorst zelf trad uit de fonteinzaal in het viridarium. De hooge gestalte van den grijsaard was nog ongekromd, zijn trotsch hoofd was omgeven door sneeuwwitte haren, en zijne grijze baard daalde in zachte golvingen af tot op zijne borst. De scherpe blik van zijne krachtige oogen vestigde zich op den jongen man, in wien hij terstond den heer des huizes herkende, ofschoon hij hem het laatst als knaap had gezien. Terwijl Orion diep voor hem boog, riep de patriarch hem met eene zware, welluidende stem waaruit opgewektheid en waardigheid spraken, vroolijk toe: "Wees welkom, zoon van mijn onvergetelijken vriend! Het kind is, gelijk ik zie, een flinke man geworden. Ik heb een uurtje aan uwe moeder gewijd, thans moet ik met den zoon belangrijke zaken bespreken."
"In de werkkamer mijns vaders!" riep Orion den huismeester toe, terwijl hij den patriarch voorging, daarbij de vormelijke, uitnoodigende beweging makende van de kamerheeren aan het keizerlijk hof.
Voor de patriarch hem volgde, gaf hij hen die hem vergezelden een wenk, dat zij achter zouden blijven, en zoodra het vertrek gesloten was, trad hij op Orion toe en zeide: "Andermaal breng ik u mijn groet! Hier heb ik dus den kleinzoon voor mij van den braven Menas, den zoon van den Mukaukas Georg, den algemeen gevierden afgod van mijne Memphietische schapen, die bij den duizelingwekkenden dans der aanzienlijke jongelieden te Konstantinopel hun de baas is gebleven! Een zeldzaam meesterstuk voor een Egyptisch christen! Doch allereerst, mijn kind, allereerst uwe hand!"
Daarbij stak hij hem de rechterhand toe en Orion gaf hem de zijne, hoewel schoorvoetend. Want in die toespraak van den patriarch trilde een toon van lichte bespotting, en hij vroeg zich af, of deze man hem werkelijk zoo welgezind was, dat hij hem met een goed hart, gelijk zijne ouders als "mijn kind" durfde aanspreken. Er viel niet aan te denken hem de hand te weigeren. Toch had hij den moed om te antwoorden: "Uw wensch, heilige vader, heb ik te gehoorzamen; intusschen weet ik niet of het den zoon wel vrij staat de hand aan te nemen van een vijand, dien zelfs de dood, die alles doet vergeten, niet verzoende, die zijn vader, den braafsten man, en met dezen ook hemzelven op het kerkhof, aan het gaf, den zwaarsten smaad heeft aangedaan."
De patriarch schudde met een gemaakt lachje het hoofd, legde Orion de hand op den schouder, waarbij deze een gevoel had als ging er een gloed door al zijne leden, en zeide met vriendelijken ernst: "Het valt den christen niet zwaar den belager, den tegenstander, den vijand te vergeven en het is hem eene vreugde het den zoon niet euvel te duiden, dat hij zich in de ziel van zijn eigen vader gekrenkt gevoelt, hoe kortzichtig en dwaas zijne boosheid ook zij. Uwe verontwaardiging kan mij zoo weinig deren als den Allerhoogste in den hemel, en gij zoudt daarover zelfs geene berisping verdienen, wanneer niet--doch daarover spreken wij later--wanneer niet--gij moet het maar dadelijk hooren--wanneer niet uit uwe houding juist zoo duidelijk en tastbaar bleek, wat u nog ontbreekt om een oprecht christen, om een man te zijn, gelijk hij moet zijn dien God in dit door ongeloovigen overheerschte land op eene zoo hooge plaats heeft gesteld. Gij weet wat ik bedoel?"
Daarop liet de kerkvorst zijne hand van 's jonkmans schouder glijden, zag hem vragend aan, en toen Orion, zonder een antwoord te vinden verder van hem terugging, zeide de grijsaard met toenemende opgewondenheid: "Deemoed, vrome en geloovige overgave, ziedaar, mijn vriend, wat ik bij u mis. Wie ben ik? Maar als de plaatsvervanger, het spraakorgaan van hem voor wien wij allen niets zijn dan wormen in het stof, moet ik vorderen dat ieder, die zich een christen, een Jacobiet noemt, mijn wil en mijn gebod, zonder er over te denken of te morren, zoo onvoorwaardelijk en zonder tegenstreven gehoorzaamt, als trof het heil of onheil hem van hooger hand. Waar zou het heen, wanneer ieder zich durfde vermeten mij te weerstaan en zijn eigen weg te gaan! Nog éen menschenleeftijd, en met den dood der ouderen, die nog als ware christenen zijn opgegroeid, zou het uit zijn met de leer des Heilands aan dezen stroom, zou overal in plaats van het kruis de halve maan prijken, zouden zich weeklachten in den hemel doen hooren over zoovele verlorene zielen. Leer u deemoedig en bescheiden te buigen voor den wil des Allerhoogsten en zijne plaatsvervangers op aarde, overmoedige knaap, en laat uwe houding tegenover mij u toonen, hoe ver uw eigen oordeel reikt. Gij houdt mij voor een vijand uws vaders?"
"Ja!" antwoordde Orion op stelligen toon.
"En ik heb hem liefgehad als mijn broeder," hernam de prelaat op gemoedelijken toon. "Hoe gaarne had ik onder tranen zijne lijkbaar bestrooid met palmen des vredes, zooals alleen de kerk die schenkt."
"Toch hebt gij hem, dien gij uw vriend noemt," zeide Orion, "onthouden wat de kerk den dief en den moordenaar niet weigert, wanneer hij vergeving van zonden verlangt en die uit de mond eens priester heeft ontvangen, zooals toch...."
"Zooals toch uw vader!" viel de grijsaard hem in de rede. "Wel hem! Hij mag thans misschien de heerlijkheid van den Allerhoogste aanschouwen. En desniettemin heb ik de geestelijkheid verboden hem eer te bewijzen aan zijn graf. Waarom, om welke afdoende redenen is dit bevel uit den mond van een vriend tegen een vriend uitgegaan?"
"Omdat gij hem," antwoordde Orion somber, "in het oog van de geheele wereld wildet brandmerken als de man, die aan de ongeloovigen de voorkeur gegeven en hen de overwinning gemakkelijk gemaakt heeft."
"Ziedaar, dat noem ik de kunst te verstaan om in de harten te lezen!" zeide de prelaat, terwijl hij den jongeling aanzag met een spottenden blik, die half van instemming, half van ontevredenheid getuigde. "Welnu, knaap, nemen wij eens aan, dat ik de christenen van Memphis had willen toonen welk lot hem wacht, die zijn land voor den vijand opent en hand in hand met de ongeloovigen wandelt, zou ik dan niet in mijn recht zijn geweest?"
"Heeft mijn vader de Arabieren hierheen geroepen?" vroeg de jongeling op zijn beurt.
"Neen, mijn kind," antwoordde de bisschop, "de vijand is vanzelf gekomen."
"En gij," ging Orion voort, "hebt uit de woestijn, nadat de Grieken u in ballingschap hadden gezonden, voorspeld, dat de Arabieren zouden komen om de Grieksche Melchietische vijanden van ons geloof overhoop te werpen en uit dit land te verjagen."
"Zoo heeft de Heer gesproken door mijn mond," hernam de grijsaard, terwijl hij deemoedig het hoofd boog. "En mij werden nog andere dingen geopenbaard, toen ik bij mijne askese mijn lichaam kastijdde in de brandende hitte der woestijnzon. Pas op, mijn kind, wees voorzichtig! Volg mijn raad, opdat het niet vervuld worde, en het huis van Menas verdwijne als de wolken, die de stormwind uit elkander drijft. Ik weet het, uw vader heeft mijne profetie zoo uitgelegd, als ware van mij aan hem de raad uitgegaan, om de ongeloovigen te ontvangen als werktuigen des Allerhoogsten en hen te helpen de Melchietische dwingelanden uit dit land te verjagen."
"Uwe voorspelling," hernam de jongeling, "heeft in elk geval een diepen indruk op mijn vader gemaakt, en toen de zaak des keizers en der Grieken verloren was, was uw woord, dat de Melchieten niet minder ongeloovig waren dan de belijders van den Islam, hem tot grooten troost. Zoo iemand, dan weet gij, hoe hij allen grond had hen te haten, die twee zijner bloeiende zonen hadden vermoord. Wat daarna geschied is, heeft hij gedaan om zijne en uwe ongelukkige broeders, die aan zijne en uwe zorgen waren toevertrouwd, uit het verderf te redden; en hier, hier in dezen lessenaar ligt het antwoord, dat hij op de verwijten van den keizer heeft medegedeeld aan het Grieksche gezantschap, die hem in ditzelfde vertrek rekenschap kwamen vragen. Terstond na hun vertrek heeft hij het opgeschreven; wilt gij het hooren?"
"Ik kan den inhoud van dat stuk wel raden."
"Neen, neen!" riep de jonkman vol vuur; opende in allerijl den lessenaar zijns vaders, haalde bij den eersten greep eene wastafel daaruit te voorschijn en zeide: "Aldus luidt het gegeven antwoord!"
Al lezende vervolgde hij: "De Arabieren zijn ondanks hunne minderheid machtiger dan wij met onze menigte; éen man van hen is zooveel als honderd van ons, want zij zoeken den dood, die hen liever is dan het leven. Ieder hunner dringt vechtend vooruit, en zij kennen geen verlangen om naar hun vaderland en hunne haardsteden weder te keeren. Voor ieder dien zij dooden verwachten zij eene groote belooning in den hemel en zeggen, wanneer zij in den krijg vallen, dat zich de poorten van het paradijs voor hen openen. Zij hebben in deze wereld niets te wenschen, wanneer zij hunne dringendste behoeften aan voedsel en kleeding bevredigd zien. Wij daarentegen hebben het leven lief en vreezen den dood; hoe zouden wij tegen hen stand kunnen houden? Ik zeg u, dat ik den met de Arabieren gesloten vrede niet breken zal...."
"En wat blijkt uit dit antwoord?" vroeg opeens de patriarch, de schouders ophalende.
"Dat mijn vader zich gedwongen zag vrede te sluiten, en dat hij--lees maar verder--dat hij als wijs man den vijand de hand moest reiken."
"Den vijand, aan wien hij maar al te gewillig toegaf, en wien hij grooter eer bewees, dan hem als christen betaamde! Klinken die woorden niet als hadden onze verdoemde, bloeddorstige dwingelanden alleen het recht de vreugde van het paradijs te verwachten? En dat muzelmansche paradijs! Wat is het anders dan een poel, waarin zinnelijke driften wellustig ronddartelen? De leugenprofeet heeft het bedacht om de zijnen op te winden, opdat zij zijne valsche leer het eene volk na het andere zouden opdringen, met geweld en woeste doodsverachting. Maar onze Heer kwam als het menschgeworden woord op aarde, en won de geesten en harten door de overtuigende kracht der eenige, eeuwige, tot daad gewordene waarheid, die van hem uitgaat als het licht van de zon. Deze Mohammed daarentegen is een menschgeworden zwaard! Ook mij blijft in zeker opzicht niets over dan mij te onderwerpen aan de overmacht, maar ik wil hun dwazen, zielen misleidenden waan haten en verafschuwen, en dat doe ik, dat zal ik doen tot aan den laatsten slag van dit oude hart, dat hoe eer hoe liever moge stilstaan. Maar gij? Maar uw vader? Waarlijk, waarlijk, wie maar éen oogenblik vergeet ongeloof en valsch geloof te haten, die heeft zich voor zijn geheele leven hier en hiernamaals tegen het eenig waarachtig en zuiver geloof en hem die het verkondigde bezondigd. Met misdadige, teerhartige lofredenen op de vroomheid en gematigdheid van den vijand, den verderver van lichamen en van zielen, den lichamelijken antichrist, heeft uw vader zijn hart en zijne tong bezoedeld."
"Bezoedeld?" herhaalde de jonkman, terwijl zijne wangen gloeiden. "Beiden heeft hij rein en eervol bewaard; want er is geen woord van onwaarheid over zijne lippen gekomen. Gerechtigheid, ja gerechtigheid tegenover ieder, ook tegenover zijn tegenpartij, dat was de grondtrek, dat het richtsnoer van zijn vlekkeloos leven, en zelfs de edelsten onder de heidensche Grieken hebben hem bewonderd, die zichzelven zoozeer overwinnen kon, dat hij ook wat groot, waar en goed is in den vijand erkende."
"En zij hadden gelijk," hernam de patriarch, "want zij waren nog niet in het bezit der waarheid. In het wereldlijk leven mag ieder onzer ook heden hen daarin navolgen. Doch wie hen vergeeft, die de hooge waarheid aanranden, die het brood, het vleesch en den wijn onzer christen ziel is, die bezondigt zich tegen deze waarheid. Is hij een leidsman der menigte, zoo lokt hij daarmede ook hen, die naar hem opzien en maar al te licht zijn voorbeeld volgen, in het eeuwige vuur. Waar uw vader een onwillig gehoorzamend vijand had moeten zijn, daar is hij een bondgenoot, en wat het hoofd der ongeloovigen aangaat--het heeft mij heete tranen gekost--een vriend geworden. En naar hetgeen ons arme volk zag gebeuren met zijn hoofd, heeft het--barmhartig God, schenk zijne verleiders vergiffenis!--heeft het zijne verhouding geregeld. Vele duizenden zijn van ons zaligmakend geloof afgevallen en overgeloopen tot hen, die in hunne oogen wel geen ellendige verdoemelingen konden zijn, daar zij hun wijzen en rechtvaardigen aanvoerder hand aan hand met hen zagen wandelen en handelen. En, daarom, daarom alleen, om de misleide menigte te waarschuwen, heb ik niet geaarzeld mijn eigen hart pijn te doen, eene waarschuwende stem aan de groeve van een dierbaar vriend te doen hooren, hem de eer en den zegen te onthouden, die hij echter door een deugdzaam en rechtvaardig leven voor de wereld waardiger was dan duizenden. Ik heb mij verklaard en nu moet er een einde komen aan uwe dwaze verstoordheid, en zult gij zeker de hand, die de wachter over de zielen der zijnen u andermaal reikt, gaarne en met een gerust hart aanvaarden."
Wederom stak de grijsaard Orion zijn rechterhand toe, doch deze nam hem ook ditmaal slechts aarzelend aan, en sloeg daarbij zijne oogen verward en somber naar den grond, in plaats van den kerkvorst in het aangezicht te zien. Doch de patriarch scheen het tegenstribbelen van den jonkman niet op te merken en drukte hem krachtig de hand. Hij bracht vervolgens het gesprek op Orions treurende moeder, den achteruitgang van Memphis, de toekomstige plannen van den jongen man, en eindelijk op de edelgesteenten, die de afgestorvene aan de kerk vermaakt had. Het gesprek vloeide nu kalm en op den toon van een gezellig onderhoud, de prelaat zat nu op den leuningstoel van den gestorvene, en het klonk natuurlijk en ongezocht, toen hij zich bij zijn lof op de juweelen de vraag naar den grooten smaragd ontvallen liet. Orion antwoordde op denzelfden toon, dat deze steen eigenlijk niet tot de schenking behoorde; doch de prelaat was van een ander gevoelen.
Wat Orion sedert dien noodlottigen gang naar het tablinum gekweld en beangstigd had, werd door dit gesprek weder levendig; toch strekte het hem tot eenige geruststelling dat noch zijne moeder, noch vrouw Susanna aan den prelaat scheen medegedeeld te hebben, welk eene schuld hij als rechter op zich had geladen terwille van dien steen. De weduwe had deze aangelegenheid naar het scheen verzwegen, om niet in de noodzakelijkheid te komen van te spreken over het valsche getuigenis, dat haar dochtertje daarbij had afgelegd. Doch hoe gemakkelijk konden die onzalige dingen den strengen grijsaard ter oore komen, en daarom scheen den schuldige geen offer te groot elke vraag naar dat ongelukkig kleinood opzij te schuiven. Hij verzekerde daarom onverwijld, dat die smaragd hem afhandig was gemaakt, doch hij verklaarde zich bereid de volle waarde ervan te betalen. Benjamin mocht zijn waarde schatten en hem naar believen elke som noemen, die hij voor een of ander weldadig doel noodig had, hij zou hem, Orion, bereid vinden, deze onverwijld te betalen.
Doch de patriarch stond dood bedaard op zijn eisch, gaf Orion in bedenking ijverig naar den steen onderzoek te doen, en verklaarde dat hij dien als eigendom van de kerk beschouwde, en de uitlevering van dit kleinood, wanneer zijn geduld zou zijn uitgeput, zeer stellig met alle middelen die hem ten dienste stonden zou vorderen. Orion bleef dus niet anders over dan te verklaren, dat hij het onderzoek naar den verloren smaragd wilde voortzetten; doch hij deed dit morrend, als iemand die toegeeft aan een onbillijken eisch.
De patriarch hoorde dit eerst gelaten aan, doch toen hij daarna opstond om afscheid te nemen, veranderde hij plotseling van houding en zeide op strengen en ernstigen toon: "Ik ken u thans, zoon van den Mukaukas Georg, en waarmede ik begonnen ben, daarmede besluit ik ditmaal: de deemoed van den christen is u vreemd, de macht en de waarde van ons geloof kent gij niet, maar gij weet ook niet hoeveel liefde dat geloof bevat, welk een vurig verlangen om den afgedwaalden zondaar terug te brengen op het pad des heils. Met betraande oogen bekende uwe voortreffelijke moeder mij voor welk een afgrond gij staat. Gij verlangt een verbond voor uw leven te sluiten met eene ongeloovige, eene Melchietin. En daar is nog iets anders, dat het vrome moederhart beangstigt en martelt met het oog op u en uw heil. Zij heeft beloofd het mij in de kerk toe te vertrouwen, en ik zal het bij mijn terugkeer weten uit te vorschen. Maar waarlijk, wat het ook zij, uwe ziel kan in geen erger gevaar komen dan door eene echtverbintenis met die Melchietin. Waaraan hangt uw hart? Enkel aan het geluk dezer aarde? Gij dingt naar de hand des dochters van een ongeloovigen ketter; gij rijdt--neen hoor mij verder!--rijdt naar de overzijde, naar Fostat en biedt uw verstand en uw arm--gisteren is het gebeurd--den ongeloovigen aan. Maar ik, ik, de herder mijner kudde, zal het niet dulden, dat de aanzienlijkste van geboorte, de rijkste van vermogen, de machtigste onder de Jacobieten door de klank van zijn naam alleen, duizenden met zich afvallig maakt. Ik bezit den wil en de macht om een dam op te werpen tegen zulk een onheil! Volg mij, of het zal u met bloedige tranen berouwen."
De prelaat verwachtte Orion na deze woorden de knie te zien buigen; doch deze deed niet wat hij verlangde, maar staarde hem met wijd geopende oogen diep bewogen en besluiteloos aan.
Benjamin ging echter voort, met klimmenden aandrang: "Ik ben tot u gekomen om mijn stem te verheffen, en ik verlang, ik vorder, ja ik beveel: verbreek elken band met den vijand van uw volk en van ons geloof daarginds, verban de liefde voor de Melchietische sirene, die uwe onsterfelijke ziel bedreigt met een onherroepelijk verderf, uit uw gemoed..."
Tot dusverre had Orion de vermaningen van den kerkvorst, die als vloeken hem naar het hoofd werden geslingerd, zwijgend en met gebogen hoofd aangehoord, Maar nu kwam al wat in hem was tegen den kerkvorst in verzet, de kracht om zich in te houden begaf hem, en met eene krachtige stem den prelaat in de rede vallende, zeide hij: "Nooit, nooit, neen nooit zal ik dit doen! Smaad mij, als gij wilt! Wat ik ben, dat zal ik blijven: een trouw lid der kerk, die de vaderen hebben aangehangen en voor welke mijne broeders gestorven zijn. Deemoedig belijd ik mijn Heer Jezus Christus. Ik geloof in hem, geloof in den goddelijken meester, die gestorven is om ons te verlossen en die de liefde in de wereld heeft geopenbaard. Onwrikbaar en trouw houd ik vast aan de mijnen. Nooit, neen nooit zal ik haar opofferen, die mij als een godsgezante, als mijne goede engel geleerd heeft den ernst en de waarde des levens recht te begrijpen, die ook mijn vader heeft liefgehad. Gij hebt de macht! Verlang billijke, bereikbare dingen van mij en ik wil trachten mijzelve te bedwingen en ze te volbrengen; doch trouweloos worden om u getrouw te zijn, dat wil, dat kan ik in eeuwigheid niet, en wat de Arabieren aangaat...."
"Genoeg!" dus brak de prelaat zijne woorden af. "Ik ga naar Opper-Egypte en bij mijn terugkeer hebt gij te kiezen. Tot zoo lang geef ik u tijd om tot uzelven te komen, u te bezinnen en in alle kalmte beveel ik: vergeet de Melchietin! Uwe, juist uwe verbintenis met eene kettersche vrouw is een gruwel, die nooit te dulden is. Over uwe verhouding tot de Arabieren en over de vraag of het voegzaam is dat gij, als degene die gij zijt, bij hen dienst neemt, zullen wij later nog spreken. Zijt gij als ik wederkeer, met betrekking tot die vrouw tot betere gedachten gekomen--het staat u vrij de hand van elke Jacobietische jonkvrouw te vragen--dan zal ik op een anderen toon met u spreken. Ik bied u dan mijne vriendschap en hulp aan; in de plaats van den vloek beloof ik u dan den zegen der kerk, de genade en de vergeving van den Allerhoogste, den effen weg tot aan gene zijde des grafs, en de zaligheid van het beangstigde gemoed eener bekommerde moeder met nieuw leven te vervullen. Mijn laatste woord luidt aldus: gij moet u losmaken van de vrouw, van wie gij niets te verwachten hebt dan ellende."
"Toch kan, en wil en zal ik het niet doen!" antwoordde Orion op stelligen toon.
"Dan moet en wil en zal ik u doen gevoelen hoe zwaar de vloek drukt, dien ik in het uiterste geval niet aarzelen zal u naar het hoofd te slingeren!"
"Dat zal aan u staan," hernam Orion. "Maar gaat gij tot het uiterste over, dan dwingt gij mij den zegen, waaraan mijne ziel inniger behoefte heeft dan gij bevroeden kunt, heer, dan dwingt gij mij het heil, dat ik behoef, te zoeken bij hen die gij verdoemt, aan gene zijde van den stroom."
"Waag het!" riep de patriarch, en verliet met gloeiende wangen en vasten stap het vertrek.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Orion bevond zich in het ruime vertrek alleen, en het was hem alsof na storm en onweder de geheele wereld rondom in het ijdele niets verzonk. Hij gevoelde in de eerste plaats, dat er iets verschrikkelijks had plaats gehad, dat hem uit het bereik van alles dreigde te werpen, waarvoor hij gewoon was te buigen, en dat hij tot hiertoe als heilig had beschouwd. Hij had den patriarch den oorlog verklaard ter eere van en uit liefde tot zijne goede engel, en de macht en invloed van dezen man waren niet minder groot dan zijne gestalte. Doch voor het oog van den jonkman verhief zich hoog en zegevierend het beeld van de geliefde, en hij zag in zijn vader een bondgenoot bij den kamp, dien hij geheel op eigene verantwoordelijkheid zou aangaan. Met behulp van zijn scherp geheugen en zijne helderheid van geest herinnerde hij zich thans ieder woord, dat hij uit den mond van den prelaat had vernomen. De geweldige grijsaard, wiens gemoed van geloofsijver overliep, had met hem gespeeld als een kat met een muis. Hij had getracht hem uit te hooren en te doorgronden, voor hij met het laatste voor den dag kwam, waarmede hij had moeten beginnen; daar hij van alles onderricht was, toen hij hem voor de eerste maal, als had hij geen ernstig verwijt tegen hem op het hart, de hand had gereikt. Orion nam zich voor, ook zonder hem vast te houden aan zijn geloof en zich door hem de beide andere hoogste goederen eener christenziel, liefde en hoop, niet te laten ontrooven. Als door een wonder scheen zijne moeder, ondanks den angst van haar bloedend hart, den kerkvorst nog niets van den vloek des vaders te hebben medegedeeld, en welk een wapen tegen hem zou zij Benjamin daarmede in de hand hebben gegeven! Met innig medelijden dacht hij aan de arme, ongelukkige vrouw, en daarbij bekroop hem de argwaan, dat de prelaat zich weder tot haar had begeven, om hem aan te klagen en haar tot nieuwe bekentenissen te bewegen.
Sedert het vertrek van den patriarch was reeds eenige tijd verloopen, en zonder hem uitgeleide te doen, iets wat opzien moest baren, had Orion den hoogen gast laten vertrekken. In dit vergrijp tegen de welvoegelijkheid, de ongeschreven wet der samenleving, zag de zoon van een oud aanzienlijk huis, die de achting daarvoor als met de moedermelk had ingezogen, eene beleediging, die hij zichzelven had aangedaan, en om deze weder goed te maken, streek hij haastig met de hand zijne verwilderde haren terecht en ijlde naar het viridarium terug. Daar werd zijn vermoeden terstond bevestigd, want het gevolg van den patriarch stond nog vóor den ingang van de fonteinzaal, waar zijne moeder zich ophield en waaruit Benjamin zoo juist te voorschijn kwam.
Met hoffelijke waardigheid, en als had hij met Orion in der minne onderhandeld, nam de grijsaard zijn geleide aan. In het viridarium vroeg hij zijn jongen gastheer naar den naam van eenige zeldzame gewassen en gaf hem den raad op zijne goederen zorg te dragen voor het aanplanten van schaduwgevende boomen. In de voorzaal stonden tegen de pilasters aan beide zijden van de hooge achterdeur de marmeren beelden van de waarheid en de gerechtigheid, kostelijke kunstwerken van den Alexandrijn Aristeas, die leefde ten tijde van keizer Hadrianus. De gerechtigheid droeg de weegschaal en het zwaard in de handen; de waarheid zag in een spiegel. Toen de patriarch deze beelden naderde, zeide hij tot den priester die hem vergezelde: "Nog altijd!" Hierop stond hij stil en zeide, zich half tot Orion en half tot den geestelijke wendende: "Uw vader heeft, gelijk ik zie, geen acht geslagen op mijn wenk, dat zulke heidensche beelden niet passen in een christelijk huis, en allerminst in een, dat een officieel karakter draagt. Wij weten wel welk karakter die symbolen aan deze beelden geven, maar hoe licht kan de mindere man, die hier moet wachten, die vrouw met den spiegel voor de ijdelheid houden terwijl die andere met de weegschaal hem in koopmanstaal schijnt te zeggen: betaal wat ons toekomt, anders--hierop doelt het zwaard--geldt het uw leven!"
Daarop liep hij lachend verder, op luchtigen toon tot Orion zeggende: "Als ik terugkom--en gij weet wat ik hiermede bedoel--dan zal het mij genoegen doen als mijne oogen niet meer beleedigd worden door deze beelden uit den tijd der afgoderij."
"De waarheid en de gerechtigheid," antwoordde Orion met een gedempte stem, "hebben bijna een vijftal eeuwen op deze plaats gestaan en in dit huis heerschappij gevoerd."
"Het zou schooner en eervoller zijn," antwoordde de kerkvorst, "dat gij dit kondet zeggen van den eenigen, dien in een christelijk huis de eerste plaats toekomt; in zijn rijk gedijt elke andere christelijke deugd vanzelf. De christen moet uit zijn huis elk beeldwerk verbannen, alleen bij de deur zijns harten plaatse hij aan de eene post het geloof en aan de andere de deemoed."
Onderwijl waren zij in den tuin gekomen ter plaatse waar de wagen van de weduwe Susanna wachtte. Orion hielp den prelaat bij het instappen en toen deze hem ten aanzien van eene menigte geknielde beambten en slaven de hand tot een kus toestak, raakte de jonkman haar even met zijne lippen aan. In diep gebogen houding bleef hij staan, zoolang de heilige man door de opene zijde van de karos zijne handen zegenend over de schare uitstrekte; daarna begaf hij zich haastig tot zijne moeder.
Hij had verwacht de ongelukkige vrouw uitgeput te zullen vinden door al de aandoeningen, die het bezoek van den prelaat bij haar had opgewekt, doch hij trof vrouw Neforis veel bedaarder aan dan hij haar sedert zijns vaders dood gezien had; haar anders zoo kalm gelaat droeg de uitdrukking eener dweepzieke opgewondenheid, die Orion verraste. Had zij aan zijn vader gedacht? Was het den patriarch gelukt haar vroom gemoed zoo te bezielen, dat zij zichzelve geheel vergeten kon? Zij was gereed om naar de kerk te gaan en nadat zij de eer had geroemd, die haar en haar huis door het bezoek van den allerheiligsten vader ten deel was gevallen, verlangde zij van Orion dat hij haar naar het godshuis zou begeleiden. Ofschoon hij deze uren voor geheel andere dingen bestemd had, voldeed de liefhebbende zoon terstond aan haar wensch, hief haar in den wagen, zeide den voerman dat hij langzaam zou rijden, en plaatste zich aan hare zijde.
Onderweg vroeg hij haar wat zij den patriarch had medegedeeld, en haar antwoord zou hem hebben gerustgesteld, indien het hem niet in een ander opzicht met nieuwe bezorgdheid had vervuld. De anders zoo verstandige, rustige geest dezer kalme vrouw scheen onder het gewicht van het ongeluk geleden te hebben, want alles wat zij zeide scheen zeer verward en begreep hij maar half. Doch dit eene bleek hem duidelijk, dat zij den patriarch geen deelgenoot had gemaakt van den vloek, waarmede zijn vader gescheiden was. De kerkvorst had ook tegenover haar de houding van den gestorvene afgekeurd en dit had haar zeker den mond gesloten. Zij beklaagde zich tegen Orion, dat Benjamin den ontslapene nooit begrepen had, zoodat zij de vurige begeerte had moeten onderdrukken om haar hart geheel voor hem te ontsluiten. Eerst in de kerk, in tegenwoordigheid van den Verlosser zelven, zou zij het over zich kunnen verkrijgen, dezen in haar hart te laten lezen als in een open boek. In het huis Gods, dáar alleen, zoo had eene inwendige stem haar gezegd, zou zij vrijspraak vinden voor haar en haren zoon. Dag en nacht hoorde zij die stem, en hoeveel leed het haar deed hem smart aan te doen, thans moest hij het hooren: die stem liet niet af haar te bevelen den band te verscheuren, die hem aan de Melchietin verbond. Gisteren geloofde zij, dat het haar oudste gestorven zoon was die tot haar sprak, hij die voor zijn Jacobietisch geloof het leven liet. Die stem klonk als de zijne, en had haar toegeroepen, dat het oude huis van Menas zou ondergaan, wanneer die Melchietin het reine bloed van haar stam bezoedelde. Benjamin had hare bezorgdheid begrepen, en was andermaal tot haar gekomen alleen om haar te bezweren het misdadig verlangen van Orion naar de dochter van Thomas te bestrijden met al de kracht van haar moederlijk gezag. Daar de patriarch denzelfden eisch stelde als die stem, zoo kwam zij van God en moest hij haar gehoorzamen. De oude boosheid tegen Paula was weder ontwaakt en men kon het aan hare stem hooren, dat zij klom bij elken volzin, waarin zij haar gedacht.
Orion smeekte haar zich te matigen en herinnerde haar aan de belofte hem gedaan bij het sterfbed van zijn vader, en toen zijne moeder hem weenende en klagende begon te antwoorden, hield de wagen voor de kerk stil. Thans spande hij al zijne krachten in om haar gerust te stellen, en daar de weeke, teedere klank zijner stem haar goeddeed, knikte zij hem vriendelijk toe, terwijl zij hem in het godshuis volgde. Achter den narthex, het voorportaal van de kerk, waar zich bij een klein marmeren waterbekken drie boetelingen ten aanzien van de binnentredende menigte den rug met geeselslagen kastijdden, moesten zij van elkander afscheid nemen; want de plaats voor de vrouwen bestemd bevond zich, afgescheiden van die der mannen, achter een sierlijk gesneden houten hekwerk. Terwijl vrouw Neforis in die richting voortschreed, schudde zij zacht het gebogen hoofd. Zij dacht aan de keus, die Orion haar stelde, om zich te schikken of naar de bevelen van den patriarch of naar de wenschen van haren zoon. Hoe gaarne had zij dien zoon weder vroolijk gezien, doch Benjamin had haar gedreigd met het verlies der hemelsche zaligheid, wanneer zij hare toestemming gaf tot Orions echtverbintenis met eene kettersche; de eeuwige zaligheid echter bestond voor haar in een wedervinden, een wederbezitten, en daarvoor wilde zij den zoon, benevens alles waaraan haar hart nog gehecht was, volgaarne prijs geven.
Orion woonde de godsdienstoefening bij op de plaats zijner familie, dicht bij het allerheiligste, waar het altaar stond en de priesters de plechtigheden verrichtten. Het was gescheiden van het drieledige hoofdschip door een muur, die met gebrekkig beeldwerk en dun vergulde sieraden was getooid: even min als het geheele gebouw wekte dit gedeelte een diepen, heerlijken of verheffenden indruk. De oorspronkelijk rijk versierde basiliek was bij een treffen tusschen Jacobieten en Melchieten door de laatsten geplunderd, en de verarmde stad was niet in staat geweest om den ouden glans harer eerwaardige hoofdkerk ook maar eenigermate te herstellen. Orion zag rond, maar hij zag niets, dat hem tot eerbied kon stemmen.
De geheele gemeente moest de godsdienstoefening staande bijwonen, en daar deze zeer lang pleegde te duren, steunden niet alleen de vrouwen achter het hekwerk, maar ook vele mannen gevoelden zich als lammen en kreupelen op krukken. Hoe leelijk klonk het Egyptisch gezang, dat telkens werd afgebroken door den schrillen klank van den slag op een metalen bekken, terwijl men daar tusschen het geruisch vernam van babbelende lieden, die zoodra hun gepraat in twisten ontaardde, door een priester luide en heftig tot de orde werden geroepen. In den regel liep alles met deze liturgische oefeningen af, als het avondmaal niet werd uitgedeeld; doch in deze dagen van angst besteeg sedert eene week geregeld een priester of monnik dag aan dag den kansel.
Kort nadat de jonkman zijne plaats had ingenomen, begon de preek, en met eene pijnlijke gewaarwording herkende hij in den holoogigen, in lompen gehulden monnik, die haar hield, een geestelijke, dien hij meer dan eens in de herberg van Nesptah zoo beschonken had gezien, dat hij zijn bewustzijn geheel verloren had. En deze afzichtelijke kerel, die zelfs op den kansel pronkte met de smerigheid en verwaarloozing van zijn lichaam, donderde der sidderende gemeente in het oor, dat het uitblijven van het wassen des Nijlwaters een gevolg was van hare zonde en de straf Gods voor hare misdaden. In plaats van de beangstigde gemoederen te troosten, op lieflijken toon tot geloof op te wekken, en hen te vervullen met de hoop op betere tijden, stelde hij hun in vurige taal voor welk eene straf hun wachtte voor hunne kleingeloovigheid. God de Heer plaagde hen en het land met groote hitte, maar deze was een koele noordenwind in den adventstijd vergeleken bij den gloed van den helschen oven, dien de satan reeds voor hen stookte. De brandende zon op aarde verlichtte den dag, maar die vlammen daar beneden verbreidden geen licht, opdat de verschrikkingen dergenen geen einde zouden nemen, die de dienaars van den duivel met lans- en gaffelsteken, met knodsslagen en diepe beten in het vleesch over de smalle brug dreven, die naar zijn afschuwelijk rijk voerde. In hun doodsangst en bij het gedrang op dezen weg trapten moeders hare zuigelingen, vaders hunne dochters onder den voet, en wanneer de verdoemden den stekeligen drempel van de hellezaal betraden, kwam hun een akelige, giftige stank te gemoet, die hen dreigde te doen stikken en hen toch als de frissche lucht kracht verleende om nieuwe kwellingen te ondergaan met verhoogde gevoeligheid aller zintuigen. Daar dreunde hun het jammerlijk gehuil van den duivel in het oor, dat het gewelf der hel deed trillen, en opeens greep hij hen met vreeselijk geknars van het rooster waarop hij lag, perste en maalde hen fijn als druiven tusschen zijn ijzeren gebit, en slikte hen door naar zijn brandend ingewand, zoo zij niet door de knechten der satans in gloeiende ovens aan hunne tongen werden opgehangen, of beurtelings door de vlammen of door het ijs werden gesleept om eindelijk op het aambeeld der hel in stukken gebeukt, of met doeken en stroppen dood geworgd en gewrongen te worden. In vergelijking van zulk eene smart, die men dáar te lijden zou hebben, was elke zielepijn zoet als de kus eener geliefde. De moeder hoorde de kokende hersenen in den schedel harer zuigelingen borrelen....
Bij dit afgrijselijk woord van den monnik wendde Orion zich huiverend van hem af. De vloek waarmede de patriarch hem bedreigd had, kwam hem voor den geest, en het was hem als werd de heete met wierookdamp bezwangerde lucht van het geheele sombere kerkgebouw vervuld met fladderende uilen en akelige vleermuizen. Een diepe afschuw greep hem aan en opeens ontwaakte de frissche moed der jeugd, de drang naar vrijheid, de lust om te leven met alle kracht in zijne ziel, en het scheen hem toe dat eene stem in zijn binnenste hem toeriep: "Weg met elken dwang en alle ketenen, ontplooi uwe wieken, geest die vleugelen draagt! Weg met dien god der verschrikking, die een andere is dan de hemelsche vader, wiens liefde de menschheid omvat. Ga vrij en ongebonden voorwaarts, steun op eigene kracht, begeef u kalm naar buiten in het volle, zonnige leven, geleid door uw eigen wil! Wees vrij, maar niet als de slaaf, die ternauwernood de boeien ontkomen en op eigen beenen staande, zich weder begeeft in de dienstbaarheid der zinnen; neen, om uit vrije aandrift, met het zweet op het voorhoofd rusteloos te streven, ten einde het hoogste doel te bereiken, alles tot ontwikkeling en tot zijn recht te brengen, wat er groots en goeds is in uwe ziel. Ja, het leven is een dienst! Evenals de leerlingen van de Stoa wil ook ik nastreven wat zij deugd noemden, met geen ander doel dan omdat het schoon is, omdat het ongestoord genot geeft deugdzaam te zijn. Geheel op eigene verantwoordelijkheid te zoeken wat het ware is, te doen wat ik als goed en recht heb erkend, dat zij voortaan het wit waarnaar ik jagen wil. Aan de beide groote wenschen van mijn hart: de verzoening met mijn vader en het bezit van Paula, voeg ik terstond als derde toe: het zoeken naar het hoogste doel dat voor mij bereikbaar is, en het kalm worstelen, om het zoo nabij te komen als mijne krachten toelaten. De weg, die daarheen leidt, is de arbeid, de leidster, die ik te volgen heb, om niet af te dwalen, mijne liefde!"
Met gloeiende wangen en diep ademhalende keek hij rond, als zocht hij eene tegenpartij om daaraan zijne krachten te meten. De ellendige preek was ten einde en uit het gezang der gemeente klonken hem de woorden in het oor: "Heer, straf mij niet voor mijne misdaden." Daar viel de gedachte aan zijn misdrijf en bovenal de vloek zijns stervenden vaders hem weer loodzwaar op het hart; hij liet het moede hoofd op de borst zinken en zeide tot zichzelven, dat hij te zwaar belast was om de stoute vlucht te wagen, waartoe hij de vleugels begon te ontplooien. Nog was hij niet ontheven van dien banvloek, nog gevoelde hij zich niet verlost van zijn last. Doch bij het woord "verlost" kwam het beeld hem voor den geest van den Verlosser, die de zonden der wereld op zich had genomen, en hoe meer hij zich verdiepte in het wezen van dien Heiland, dien hij sedert zijn kindsheid had liefgehad, des te vaster werd hij overtuigd, dat hij aan de vrijheid van zijn eigen wil geen afbreuk deed, maar veeleer gehoor gaf aan zijn oud verlangen, wanneer hij alles wat hem bezwaarde aan Jezus beleed; dat de liefde tot en het geloof in hem ook voor zijne ziel eene verlossende kracht bezat. En zoo verhief hij oog en hart tot hem; als aan een beproefd vriend vertrouwde hij hem alles toe wat hem beangstigde en in den weg stond en bad hem om zijn bijstand. In liefde tot Jezus wist hij zich éen met Paula, ofschoon zij eene andere voorstelling van hem had dan hij.
Zij zag behalve de goddelijke ook nog eene menschelijke natuur in Christus, en over dit punt, waarin hare opvatting van de zijne verschilde, begon hij te peinzen. Terwijl hij nadacht over eene beschouwing, waarvan hij nog zoo kort geleden een afkeer had gevoeld, kwam het hem voor dat de geheel eenige gestalte van den Verlosser, wiens wezen liefde en waarheid ademde, hem nader stond, wanneer hij zich dacht dat die vlekkelooze en volmaakte als een mensch had gevoeld, dat hij de levenslust eens menschen in het hart had gedragen, dat ook hij ontvankelijk was geweest voor het lief en leed dat stervelingen kwelt, dat hij onder menschen had gewandeld, om zich met hen te verblijden, dat hij uit reine liefde voor dat rampzalig geslacht uit den hemel was neergedaald, om zich onuitsprekelijke vernederingen, smarten, ja den dood te getroosten met een bloedend hart, dat toch vervuld was van de blijmoedigste zelfverloochening. Ja, die Christus kon ook zijn Verlosser zijn; hij die met almacht heerschappij voerde werd voor hem een volmaakt en liefderijk vriend, een edele, zorgvuldige en dierbare broeder, wien men gaarne zijn hart zou schenken, die alles begreep, bereid was alles te vergeven, ook dat wat er omging in zijn, Orions, gewond, naar loutering smachtend gemoed, omdat hij eens zelf als mensch menschelijk had geleden. Heden waagde hij, de Jacobiet, voor de eerste maal dit alles zichzelven te bekennen, en dat niet enkel om Paula's wil....
Heftige slagen op een gebersten metalen schijf wekten hem met luid gedruisch uit deze overpeinzing; evenals aan het slot van elke belangrijke Jacobietische godsdienstoefening werd ook heden het heilig avondmaal bediend. De bisschop plaatste zich voor de kast van het Allerheiligste, goot wijn in een zilveren beker en brokkelde daarin twee met het Koptische kruis gestempelde broodjes. Van dit mengsel nam hij eerst zelf en reikte het daarna in een lepel uit aan de leden der gemeente, die éen voor éen naderden. Nadat twee ouderlingen hun deel hadden ontvangen, kreeg Orion ook het zijne. Ten laatste reinigde de priester de bokaal door er water in te gieten, en dronk ook dit, opdat er van den verlossenden drank niets verloren zou gaan. Hoe had het hart geklopt van den aankomenden jongeling, toen hij voor het eerst tot dit heiligste aller christelijke gebruiken werd toegelaten! Hij kende den diepen, heerlijken zin ervan, hij had de reinigende, verlossende, verkwikkende en tot alle goeds kracht gevende werking van het avondmaal vaak ondervonden, als hij het met zijne ouders en broeders te zamen genoot. Hoe waren zij verkwikt naar lichaam en ziel, vaster dan ooit aan elkander verbonden, vaak hand aan hand naar huis gegaan! Heden was het hem, die zich niet ergerde aan de gebrekkige vormen der Godsvereering volgens de geloofsbelijdenis zijner kindsheid, als werd door het brood en den wijn, het lichaam en het bloed des Verlossers, het verbond betegeld, dat hij in stilte met hem had gesloten, en als nam de Heiland met onzichtbare hand de schuld en den vloek van hem weg, die hem zoo zwaar drukte. Hij geraakte in eene hoog eerbiedige stemming, en het scheen hem toe, dat zijn volgend leven hem Gode nader zou brengen dan vroeger, en zijne liefde hem in staat zou stellen, ernstiger, vrijer en met meer inspanning de gaven te gebruiken die de hemel hem had verleend.
DERDE HOOFDSTUK.
Orion had er tegen opgezien om met zijne moeder naar huis terug te rijden; maar Neforis was, nadat zij zich beklaagd had over de weduwe Susanna, die ook heden achter het vrouwenhek haar ongenoegen op eene in het oog vallende wijze had getoond, opzij gezonken en daarna vast ingeslapen. Met het hoofd geleund op den schouder van haar zoon bereikte zij het stadhouderlijk verblijf en Orions bezorgheid over de geliefde vrouw kreeg nieuw voedsel, toen het hem slechts met moeite gelukte haar te doen ontwaken. Hij voelde hoe zij als dronken waggelde, terwijl hij haar aan zijn arm niet naar de fonteinzaal maar naar het slaapvertrek voerde, waar zij verlangde wat te rusten. Nauwelijks had zij zich op de legerstede uitgestrekt of een diepe slaap overmande haar.
Orion begaf zich vervolgens naar den juwelier Gamaliël, kocht van hem een zeer kostbaren en grooten, maar eenvoudig in goud gezetten diamant, en de broeder van den Israëliet nam op zich dezen mede te nemen naar Konstantinopel en hem daar te overhandigen aan de weduwe Heliodora, die bovendien tot zijne klanten behoorde. In het woonvertrek van den juwelier schreef Orion vervolgens een brief aan zijne voormalige geliefde, waarin hij haar in warme en dringende woorden bad, den diamant aan te nemen en hem daarvoor den smaragd naar Memphis terug te zenden door een betrouwbaren ijlbode, dien de goudsmid Simeon van al het noodige zou voorzien.
Vermoeid en hongerig gebruikte hij wat later dan gewoonlijk het middagmaal, evenals sedert de laatste dagen alleen met de Griekin Eudoxia, de opvoedster van Maria. Het kind mocht de kamer nog niet verlaten, tot groote vreugde van de paedagoge, althans in éen opzicht; want het maaltijden onder vier oogen met den schoonen jongeling was voor haar bedaagd gemoed een buitengewoon genot. Hoe beleefd was het, dat deze rijke en aanzienlijke erfgenaam den slaven een wenk gaf om haar vóor hem te bedienen; hoe vriendelijk, als hij geduldig naar haar luisterde, wanneer zij vertelde van de aanzienlijke huizen, waar zij vroeger onderwijs had gegeven! Zij zou voor haar dischgenoot in den dood zijn gegaan; daar zich echter geene gelegenheid aanbood voor zulk eene zelfopoffering, verzuimde zij althans niet hem opmerkzaam te maken op de beste brokjes en te zorgen voor versche bloemen op zijne kamer.
Voor het overige trok zij zich op hoogst verdienstelijke wijze en met zelfverloochenende liefde hare leerlinge aan, sedert deze krank was, haar grootmoeder het hart van Maria had afgewend, en zij had opgemerkt dat Orion met vaderlijke liefde zich aan de kleine nicht liet gelegen liggen. De jongeling had heden nog geen tijd gevonden om naar Maria te vragen, en de mededeeling van Eudoxia, dat zij zich minder rustig dan gisteren toonde, maakte hem zoo bezorgd, dat hij, wat de Griekin er ook tegen in bracht, zonder het nagerecht af te wachten opstond, om zelf naar de kleine kranke te gaan zien.
Hij klom werkelijk bezorgd de trap op. Er was zooveel dat hem bezwaarde, en terwijl hij Maria's kamer naderde, moest hij zichzelven met een weemoedig lachje bekennen, dat hij, die in de residentie menig aanzienlijk man en menige zeer gevierde vrouw ontweken had, omdat zij aan zijne hooge eischen niet voldeden, hier buiten dit kind niemand had, van wie hij zeker kon zijn begrepen te zullen worden. Tusschen zijn kloppen en de uitnoodiging om binnen te komen verliep geruimen tijd, gedurende welke hij achter de deur haastig hoorde heen en weer loopen. Eindelijk vond hij Maria overeenkomstig het voorschrift van den arts op een divan naast het wijd geopende en goed beschaduwde venster. Hare legerstede was omgeven door bloeiende planten en op het tafeltje voor haar stonden twee groote bloemruikers, een half verwelkte en een frissche, die bijzonder fraai was.
Wat was het kind in de laatste dagen veranderd! De ronding der wangen was verdwenen, en het geheele aardige smalle gezichtje werd als beheerscht door de bovendien bijzonder groote oogen, die thans nog sterker schitterden. Gisteren, toen zij zonder koorts was, had zij er bleek uitgezien, maar heden gloeiden hare wangen, en daarbij herhaalde zich dat trekken met de lippen en met den rechterschouder, dat sedert den sterfdag van haar grootvader begonnen was, zoo vaak, dat Orion zich bezorgd bij haar neerzette.
"Is grootmoeder bij u geweest?" luidde zijn eerste vraag, doch het antwoord bestond slechts uit een treurig schudden met het hoofd. Alle nieuwe bloemen die de kamer versierden waren zijn geschenk, zoo ook de verwelkende ruiker. De andere, frissche, kwam niet van hem. Hij deed dus onderzoek naar den gever en was niet weinig verwonderd te zien, dat deze vraag zijne lieveling opnieuw onrustig maakte en in verwarring bracht. Daar moest iets bijzonders schuilen achter dien ruiker, dat lag voor de hand, en de jonge man, die hare overprikkelde zenuwen niet onnoodig wilde kwellen en zijne vraag ook niet weder intrekken kon, had er reeds spijt van haar gedaan te hebben, toen de ontdekking van een vederen waaier, die hij met de woorden: "ei, wat is dat?" opnam, hem uit de verlegenheid redde.
Opnieuw vloog Maria het bloed naar het aangezicht, en terwijl zij hem met groote oogen smeekend aanzag, legde zij den vinger op den mond. Doch hij knikte haar toe, als wilde hij zeggen dat hij alles begreep, en vroeg zacht: "Was Katharina bij u? Zoo bindt de hovenier van Susanna de bloemen. Die waaier... Toen ik klopte... Is zij misschien nog hier?"
Hij had juist geraden en Maria wees zwijgende op de deur van het aangrenzend vertrek.
"Maar om godswil kind," vroeg Orion met eene gedempte stem verder, "wat wil zij hier nog doen?"
"Zij is heimelijk en in eene boot hier gekomen," fluisterde het kind. "Door haar Anubis die op het rentmeesterskantoor is, heeft zij mij laten vragen of zij komen mocht. Zij kon het zonder mij niet langer uithouden, zij had mij toch geen kwaad gedaan. Toen heb ik 'ja' gezegd en zoodra ik daareven u aan het kloppen herkende, is zij een-twee-drie naar de slaapkamer gevlucht."
"En wanneer grootmoeder haar nu ontmoet?"
"Ja dan--wat er dan van mij worden zal... Ach God, Orion als gij eens wist, hoe dat..."
Over hare wangen biggelden twee dikke tranen, waarvan Orion de beteekenis maar al te goed begreep. Hij streek haar vriendelijk over de lokken en zeide zacht, terwijl hij telkens naar het slaapvertrek keek: "Ik ben eigenlijk gekomen om u veel van Paula te vertellen. Zij heeft u zoo lief en noodigt u uit om bij haar te komen en bij haar te blijven. Maar dat moet gij stil voor u houden, meisje, en aan niemand zeggen, ook niet aan Eudoxia en Katharina, want ik weet zelf nog niet hoe het gelukken zal van grootmoeder vergunning te krijgen. In elk geval moeten wij daarbij zeer verstandig en voorzichtig te werk gaan, begrijpt ge? Ik neem u thans maar in het vertrouwen, opdat gij bij voorbaat en ook bij nacht u daarop verheugen kunt, wanneer gij weder zoo dom zijt om als de hazen de oogen open te houden, in plaats van gerust te gaan slapen. Als alles meeloopt, dan zijt gij wellicht morgen--denk eens aan!--ja morgen reeds bij Paula. Eerst had ik de hoop reeds opgegeven om de zaak door te zetten, maar daareven--is het niet grappig?--pas een paar minuten geleden, heb ik tot mij zelven gezegd: 'het zal wel gaan!', en zoo moet het dus doorgezet worden."
Een vloed van tranen goot zich over Maria's wangen uit; en hoewel er geen einde aan scheen te komen, zoo behoefde zij niet te snikken en haar borst bleef rustig. Ook hare lippen bewogen zich niet, maar uit hare vochtige, heldere oogen straalde zulk een overvloed van dankbaarheid en geluk, dat Orion de tranen in zijne eigene oogen voelde wellen en blijde was iets te vinden, waardoor hij zijne ontroering kon verbergen. Want toen Maria zijne rechterhand greep en daarop eene lange warme kus drukte, bevochtigden hare tranen zijne hand en riep hij: "Zie eens, geheel nat alsof zij uit een waterbekken kwam..."
Verder bracht hij het niet, want opeens vloog de deur van de slaapkamer open, en de fijne, hooge stem der Griekin Eudoxia riep: "Maar waarom wilt gij nog langer tegenstribbelen? Maria zal er zeker blijde om zijn! Kind, kind, daar breng ik u uwe verlorene vriendin! Welk een verrassing!"
Daarop verscheen het kwikstaartje, dat de opvoedster met alles behalve zacht geweld voor zich uit over den drempel duwde. Eudoxias gelaat straalde van zelfvoldoening, als had zij een heldendaad volbracht, toch verschrok zij een weinig, toen zij Orion hier nog aantrof.
De gescheiden verloofden stonden tegenover elkander. Het gebeurde was niet weder goed te maken; doch behalve dat hij haar met eene afgemetene buiging ontving, en zij den waaier zachtkens voor haar gelaat heen en weer bewoog, om hare verlegenheid te verbergen, gebeurde er niets, wat een onkundige had kunnen opvallen. Ja, Katharina's gezichtje nam een uitdagende uitdrukking aan, als hij vroeg naar zijn witte hondje, en zij recht koel antwoordde, dat zij het beest in den hoenderhof aan een ketting had gelegd, omdat de patriarch, haar gast, niet van honden hield.
"Vele menschen vereert hij met dezelfde gevoeligheid," antwoordde Orion.
"Wanneer zij het verdienen," antwoordde het kwikstaartje, zonder zich lang te bedenken.
Op deze wijze werd het gesprek korten tijd voortgezet, doch de jonkman was noch in eene stemming om de hatelijkheden van het meisje lijdelijk aan te hooren noch om ze met gelijke munt te betalen, en daarom maakte hij zich tot vertrekken gereed. Doch voor hij afscheid had genomen, zeide Katharina, die uit het venster gezien en opgemerkt had hoe laag de zon reeds aan den hemel stond: "Lieve hemel, wat is het al laat! Ik moet weg, want aan den avonddisch mag ik niet gemist worden! Mijn boot ligt in de visschershaven bij de uwe. Is de deur van het rentmeesterskantoor nog niet gesloten?"
Orion keek naar den stand der zon en zeide: "Het is heden Sanutius-dag!"
"Dat weet ik!" zeide Katharina. "Juist daarom had Anubis heden middag vrij."
"En om dezelfde reden," voegde Orion er bij, "is er in het kantoor geen schepsel meer aan den arbeid."
Dat was kwaad! Voor geen prijs wilde zij in het huis van den stadhouder gezien worden en nu begon zij, die uit de dagen van haar spelen met Maria elken schuilhoek van het paleis kende, te overleggen, en haar fijn gezichtje verkreeg daarbij eene voor Orion geheel vreemde, loerende uitdrukking, die hem mishaagde en tegelijk zijne bezorgdheid wekte, niet voor zichzelven, maar voor Maria, voor wie uit den omgang met deze speelgenoote niets goeds kon volgen. Dergelijke bezoeken moesten zich niet vaak herhalen. In hare tegenwoordigheid wilde hij er niet over spreken; maar aan Katharina moesten terstond de noodige wenken worden gegeven. Zonder zijne hulp kon zij niet ongemerkt buiten komen, en daarom brak hij hare overleggingen af, deelde haar mede dat hij den sleutel van het rentmeesterskantoor bij zich droeg, onderzocht of de voorzaal vrij was, en leidde haar terstond hierop door allerlei gangen in het met het woonhuis verbonden kantoor. Dit was op dit uur als uitgestorven, en toen Orion dicht naast haar voor de achterpoort stond, die uitkwam op den weg naar de visschershaven, en hij den sleutel reeds ophief, om die te openen, liet hij zijne hand weder zakken, en brak voor het eerst het stilzwijgen af, dat beiden gedurende dezen geheimen tocht in acht hadden genomen, en vroeg: "Wat drong u toch om naar Maria te gaan, Katharina? Zeg het mij eerlijk?"
Haar hart, dat sneller klopte, sedert zij met hem alleen in het doodsche, van menschen verlaten, huis vertoefde, begon nu onstuimig te slaan en een groote angst overviel haar, zij wist zelve niet waarvoor. Zij was om velerlei redenen naar de stadhouderlijke woning gegaan, doch éene was van overwegend belang: Maria moest van haar vernemen, dat haar jonge oom en Paula elkander liefhadden; want het kind kon, gelijk zij uit ervaring wist, voor hare grootmoeder niets van belang verzwijgen, en dat vrouw Neforis Paula niet lijden mocht was een openbaar geheim. Zeker droeg deze nog geen kennis ervan, hoe ernstig haar zoon het meende met zijne verliefdheid op de Damasceensche; doch was vrouw Neforis eens hiervan onderricht, dan--daaraan twijfelde zij niet--dan zou zij niets onbeproefd laten om Orion van Paula af te houden. Zoo had zij dan de kleine ook medegedeeld, dat de lieden reeds vertelden hoe deze twee een gelukkig bruidspaar waren, en zijzelve had hen in den tuin van haar buurman zien minnekoozen. Tot hare teleurstelling had Maria dit alles zeer gelaten aangehoord, en scheen het meisje er volstrekt niet door getroffen te worden. Toen Orion haar thans de vraag deed wat haar naar deze woning had gevoerd, kon zij maar éen antwoord geven: "Onweerstaanbaar verlangen naar de kleine Maria."
"Natuurlijk," sprak de ander, "doch ik zou u willen verzoeken om aan uw vriendelijk verlangen niet te spoedig weer te voldoen. Uwe moeder laat hare boosheid tegen de mijne maar al te openlijk blijken, en deze zal nieuw voedsel ontvangen, wanneer zij verneemt dat wij u aanmoedigen om tegen haar wil te handelen. Misschien zult gij weldra in de gelegenheid zijn Maria meermalen te zien, maar juist dan verzoek ik u haar niet over dingen te spreken, die haar te veel opwinden. Gij hebt u kunnen overtuigen hoe prikkelbaar zij is en hoe zwak zij er uitziet. Haar jong hartje en haar wat al te vroeg ontwikkeld gevoels- en denkvermogen moeten tot rust komen, mogen niet door al te sterke indrukken opnieuw in beweging worden gebracht, en gij zijt in staat zulke indrukken te wekken. De patriarch is een vijand van mij en dit huis, en gij--ik zeg het niet om u te krenken--hebt hem in den afgeloopen nacht beluisterd en waarschijnlijk allerlei gewichtige dingen uit zijn mond vernomen en daaronder ook zoodanige, die mij en mijn huis betreffen".
Katharina stond doodsbleek tegenover den jongen man. Hij wist dat en op welk tijdstip zij den patriarch beluisterd had; de schrik hierover en het pijnlijk bewustzijn dat zij zichzelve in zijne oogen vernederd had, bracht haar in verwarring. Zij gevoelde zich overrompeld, beleedigd en bedreigd. Intusschen behield zij tegenwoordigheid van geest genoeg, om haar tegenpartij spoedig te antwoorden: "Maak u niet bezorgd! Ik zal niet wederkomen. Het zou bovendien niet geschied zijn, als ik had kunnen voorzien..."
"Mij te ontmoeten?"
"Misschien; maar beeld u hiervan niet te veel in!... Wat mijn luisteren aangaat... Nu ja, ik heb mij bij het venster geplaatst. Ik kon maar halve woorden verstaan van hetgeen binnen besproken werd; en wie komt niet in verzoeking te willen hooren, wat mannen van beteekenis met elkander verhandelen? Zulk een man, wanneer ik uw vader uitzonder, heb ik in Memphis niet weder ontmoet, sedert Memnon heenging. Wij vrouwen hebben nu eenmaal wat nieuwsgierigheid van moeder Eva geërfd; maar zoover brengen wij het zelden, dat wij in de kisten van onze gasten naar halsketenen gaan zoeken. Ik heb als misdadige weinig geluk, mijn lieve Orion! Reeds tweemaal verdiende ik die naam... Dank zij het grootmoedig en ruim gebruik, dat gij van mijne onervarenheid hebt gemaakt, heb ik zwaar, zoo verschrikkelijk zwaar gezondigd, dat het mij nog altijd mijne levensrust beneemt. Ditmaal mocht het vergeeflijker zijn, doch in beide gevallen werd ik betrapt, zooals gij weet."
"Uwe verwijten zijn rechtvaardig," antwoordde Orion somber. "Maar meisje, wij hebben beiden het lot te danken, dat wij niet lang op den dwaalweg vertoefden. Reeds eenmaal heb ik u vergiffenis gevraagd en ik doe het nog eens. Dat voldoet u niet, ik zie het aan uw gelaat, en ik kan het u nauwelijks euvel duiden. Misschien is het u meer welkom, wanneer ik u andermaal beken, dat geen misdaad harder en gruwzamer kon bestraft worden dan de mijne."
"Zoo?" vroeg Katharina op gerekten toon, en ging daarop luchtig voort, terwijl zij met haar waaier speelde: "Maar gij ziet er waarlijk alles behalve geknakt uit, en het is u bovendien gelukt die bewuste 'andere',--Paula, als ik goed raad--voor u te winnen...."
"Zwijg daarover!" zeide Orion zeer beslist, haar belettende verder te gaan, en bracht den sleutel reeds aan de deur, doch zij plaatste zich voor hem en zeide, hem met den vinger dreigende: "Het is dus zoo! Nu weet ik genoeg. Overigens hebt gij met uw plompe 'zwijg daarover' groot gelijk. Over uwe liefdesgeschiedenissen bekommer ik mij niet meer, doch naar iets anders mag ik wel vragen, want het gaat mij alleen aan. Hoe hebt gij over onze heg heen kunnen zien? Anubis is nauwelijks een hoofd kleiner dan gij..."
"En hij heeft er voor u de proef eens van genomen?" haastte hij zich te zeggen, waarbij hij zich niet onthouden kon te lachen, daar hij inzag dat zijn oprecht gemeende ernst bij Katharina zeer misplaatst was. "Ondanks uwe loffelijke voorzorg verzoek ik u het volgende voor toekomstige gevallen wel ter harte te nemen. Wat voor Anubis geldt past niet op iedereen, en behalve voetgangers zijn er ook slanke lieden op hooge paarden."
"Gij zijt dus die nachtelijke ruiter geweest!"
"Die het niet nalaten kon naar uw venster op te zien."
Bij deze woorden deed zij verschrikt eene schrede achterwaarts; haar oog verhelderde, maar slechts voor een oogenblik; daarop vroeg zij scherp, terwijl zij met beide handen de veeren van haar waaier samenkneep: "Moet dat spot zijn?"
"Stellig niet," antwoordde hij gelaten, "want ofschoon gij grond genoeg hebt om op mij verstoord te zijn..."
"Zoo heb ik u tot heden niet den minsten grond gegeven, zeker niet," ging zij opgewonden voort, "ik ben de gekrenkte, mishandelde, ik geheel alleen, en gij moet toegeven, dat gij bij mij in schuld staat en ik het recht heb iets van u te verlangen."
"Doe het," hernam Orion, "ik ben tot uw dienst."
Daarop zag zij hem vlak in het aangezicht en vroeg: "Vooreerst: hebt gij reeds verder verteld dat ik..."
"Dat gij geluisterd heb? Neen--aan geen levende ziel."
"En belooft ge mij het niet te zullen verraden?"
"Gaarne!--Wat moet op dit 'vooreerst' nu in de tweede plaats volgen?"
Het antwoord op deze vraag liet op zich wachten, het viel het kwikstaartje zichtbaar zwaar het te geven; doch eindelijk begon zij met neergeslagen oogen: "Ik zou wel... Maar gij zult mij voor dwazer houden dan ik werkelijk ben; intusschen... Ja ik vraag het u toch, al haalt het mij eene nieuwe vernedering op den hals.--De waarheid wil ik weten, en als u nog iets heilig is, dan moet ge mij, voor ik u deze vraag doe, bij het heiligste zweren, dat ge mij juist zoo zult antwoorden, als ware ik geen kinderachtig meisje, maar--verstaat gij?--als ware ik de hoogste rechter ten jongsten dage!"
"Wat klinkt dat plechtig!" hernam Orion.--"Vergun mij echter op te merken, dat er vragen zijn, die ons niet alleen betreffen, en wanneer gij mij de zoodanigen.."
"Neen, neen," antwoordde Katharina, "wat ik bedoel gaat u en mij alleen aan."
"Dan zie ik geen reden, waarom ik u niet ter wille zou zijn," zeide de andere weder. "Doch ik zou u een wederdienst willen vragen. Evenals u komt het ook mij wenschelijk voor te weten, waarover een man van zooveel beteekenis als de patriarch met een ander spreekt, en daar ik mij ter uwer beschikking stel..."
"Ik dacht," zeide zij, hem lachende in de rede vallende, "dat gij er allereerst belang in zoudt stellen uw schuld aan mij althans voor een deel af te doen. Doch ik verlang geene buitengewone grootmoedigheid, en het weinige wat ik heb kunnen afluisteren is spoedig verteld. Het zal u bovendien tamelijk onverschillig zijn... Ik vervul dus uw wensch, en gij belooft mij daarentegen..."
"De volle waarheid te zeggen."
"Zoo stellig als gij op vergeving van zonden hoopt?"
"Zoo waar ik dit hoop!"
"Dat is goed!"
"Wat verlangt gij dan nu te hooren?"
Zij schudde het hoofd en zeide angstig: "Nog niet, neen, neen, zoo kan het niet gaan! Laat mij het eerst aan de beurt, en doe dan de deur open. Als ik weg wil, moet ge mij laten loopen, zonder een woord verder te spreken of te vragen. Haal mij een zetel, ik moet een oogenblik gaan zitten."
En zij scheen inderdaad rust noodig te hebben, want sedert de laatste oogenblikken zag zij er bleek en afgemat uit en hare vingers beefden, terwijl zij het gelaat met een doekje afveegde. Zoodra zij plaats genomen had, begon zij te vertellen, en terwijl zij haastig en op onverschilligen toon sprak, als gold het niets bijzonders, hoorde Orion haar in groote spanning aan, want wat hij vernam, was voor hem bijzonder belangrijk.
Men had hem op bevel van den patriarch nagegaan. Deze was reeds omstreeks middernacht te weten gekomen, dat hij in Fostat was geweest en daar den Arabischen veldheer had opgezocht. Anders was er niets over hem gezegd, alleen had men de vrees geuit, dat hij het plan bij zich omdroeg het geloof zijns vaders af te zweren en tot de ongeloovigen over te gaan. Van meer gewicht was, wat Orion te weten kwam omtrent de onderhandelingen van den prelaat met den vertegenwoordiger van den Kalief. Deze had aangedrongen op de vermindering van kloosters, van monniken en nonnen, die van vrome stichtingen en geschenken leefden, naar den regel van Pachomius allerlei handwerken uitoefenden, en omdat zij niet in hun onderhoud behoefden te voorzien in staat waren de meeste voorwerpen voor het dagelijksch leven, van de matten in huis tot de schoenen voor de voeten, veel goedkooper te leveren dan de gewone handwerkers in stad en land. Het grootste deel van die arme lieden was bij zulk eene concurrentie reeds ondergegaan, en Amr, die zag dat ook de Arabische handwerkslieden, de lederwerkers, de wevers, de touwslagers en dergelijken met hetzelfde lot bedreigd werden, had besloten een flinken greep in dien kloosterarbeid te doen, en deze zeer te beperken. De patriarch had met taaie en krachtige volharding zich hiertegen verzet, maar ten slotte had hij toch bijna de helft der monniken- en nonnencoenobiën prijs moeten geven. Hij had echter niets afgestaan om niet, want Benjamin wist al te goed hoe groote hinderpalen hij als hoofd der nieuwe kerk der regeering in den weg kon leggen. Het was aan den patriarch dus overgelaten om zelf de kloosters aan te wijzen, die tot opheffing bestemd werden, en de prelaat had natuurlijk allereerst de hand gelegd op de laatste Melchietische coenobiën, en onder dezen ook op het Caecilia-klooster naast het huis van Rufinus. Deze inrichting moest reeds binnen drie dagen ontruimd worden en vervallen aan de Jacobietische kerk. Dit moest in alle stilte geschieden, daar men thans, terwijl ieder in koortsachtige spanning verkeerde over het uitblijven van het wassen van den Nijl, te vreezen had, dat het arme volk van Memphis in de bres zou springen voor de rijke zusters, aan wie het zoovele weldaden, zulk eene vriendelijke verpleging te danken had. Ook van den senaat der stad had men verzet te verwachten tegen een maatregel, die de gestorven Mukaukas als onrechtmatig en nadeelig voor het algemeen belang had afgekeurd. De verdrevene orthodoxe nonnen zouden als leekenzusters, zooals zulks meermalen pleegde te geschieden, bij Jacobietische kloosters worden ingedeeld, doch de abdis moest naar een afgelegen Ethiopisch coenobium worden vervoerd, waar geen mogelijkheid was om te ontvluchten, daar zij én door hare hooge afkomst én door haar kennis én door haren uitgebreiden invloed gemakkelijk de kerkvorsten van het geheele oosten tegen Benjamin in opstand zou kunnen brengen, wanneer men haar vrij liet.
Dit geheele verhaal had maar enkele oogenblikken in beslag genomen en werd met tamelijke onverschilligheid medegedeeld. Wat gingen Katharina, wat Orion, een broeder van twee slachtoffers der Melchietische geweldenarij, de opheffing van orthodoxe kloosters en de verdrijving van kettersche nonnen aan?
Orion liet ook niet blijken hoezeer het medegedeelde hem ter harte ging en toen Katharina eindelijk opstond en uitgeput naar het slot van de deur wees, zeide zij alleen, als had zij er spijt van zooveel tijd verbeuzeld te hebben: "Dat is in hoofdzaak alles."
"Alles?" herhaalde Orion, terwijl hij het slot opende.
"Stellig en zeker alles," antwoordde zij angstvallig. "Wat ik u vragen wilde.... of ik het te weten kom of niet.... het kan mij niet schelen.... Ja, het ware wellicht beter .... O zeker .... Laat mij heengaan!"
Doch hij deed niet wat zij verlangde, maar zeide vriendelijk: "Vraag maar, ik antwoord gaarne."
"Gaarne?" herhaalde zij, ongeloovig de schouders ophalende. "Eigenlijk moet gij u toch niet op uw gemak gevoelen, wanneer gij mij aanziet; maar het gaat in Memphis en op de wereld nu eenmaal niet toe zooals het behoort. Want wat bekommert gij mannen er u over wat gij van een arm meisje gemaakt hebt? Meen niet dat ik u verwijten wil doen, God beware mij! Ik ben niet eens boos op u. Zoo iemand, dan kan ik het gebeurde wel dragen. Denkt gij het ook niet? Aan mij is het best besteed; het kan mij niet deren! Ik ben zeer rijk en niet leelijk, en er zullen nog wel honderd komen, die naar mijne hand dingen. O, ik ben een benijdenswaardig schepsel! Eén vrijer heb ik reeds gehad, en de eerstvolgende zal in elk geval trouwer zijn en mij niet zoo koel opzij schuiven als de eerste; denkt gij dat ook niet?"
"Ik hoop het," antwoordde Orion ernstig, "hoe bitter de drank ook is die gij mij reikt..."
"Nu?"
"Zoo kan ik toch slechts herhalen, dat ik dien drinken moet, omdat ik ongelijk heb. Niets zou mij hartelijker verblijden, dan dat ik althans in iets weder goed kon maken, wat ik jegens u heb misdaan."
"O neen!" zeide zij op minachtenden toon. "Zoover zullen onze wenschen zich niet uitstrekken. Tusschen ons is alles voorbij, en als gij ooit iets voor mij geweest zijt, thans zijt gij niets meer voor mij, volstrekt niets. Een stukje verleden hebben wij met elkander doorleefd; het was wel kort, maar--weet gij het ook?--het is zeer gewichtig voor mij geweest. Het heeft het jonge ding, dat gij gisteren nog, gelijk ik zeer goed weet, voor een echt kind hield, wonderbaar snel doen rijpen, en daarbij veel slechter gemaakt, dan gij u kunt voorstellen."
"Dat zou mij leed doen tot in den diepsten grond mijns harten," antwoordde Orion. "Ik kan mijne houding met niets verontschuldigen, maar dat weet gij zelve wel, dat in de eerste plaats de wenschen onzer moeders..."
"Ons voor elkander bestemden, wilt gij zeggen? Gij hebt gelijk. En hebt gij ook ter wille van vrouw Neforis mij toen onder de acacias in de armen genomen, mij uw éen en alles, uw hartediefje, uw rozenknopje genoemd? Hebt gij,"--en hier verhief zij hare stem en hare oogen fonkelden van hartstochtelijke opgewondenheid--"hebt gij,--en ziehier juist wat ik u vragen wilde en weten moet--hebt gij ook toen gelogen, of hadt ge mij ten minste in die enkele oogenblikken daar onder de boomen uit den grond uws harten lief, even lief als thans--ik mag haar naam niet noemen--als thans uwe 'andere'? De waarheid, Orion, de volle waarheid, gij hebt het gezworen!"
Hier sloten zich hare lippen, maar hare glinsterende, vochtige, vragende oogen zeiden hem duidelijk en klaar, dat haar hart hem nog altijd behoorde, dat zij staat maakte op zijne edelmoedigheid en een bevestigend antwoord verwachtte. Zij drukte haar gevulden arm tegen hare borst, als wilde zij op deze wijze het onstuimig kloppen van haar hart beteugelen. Haar fijn gelaat werd met een nu eens donkeren, dan weder lichteren blos gekleurd. Haar kleine mond, die zoo even nog zulke bittere woorden had gesproken, lachte, als ware hij bereid eene zoete belooning te schenken voor het vertroostend, bemoedigend woord, waarnaar haar gansche wezen smachtte, en de verstandige oogen, waarin nu tranen welden, lieten niet af zoo innig en roerend te smeeken! Welk een betooverend beeld van hulpelooze, liefdevolle, genade smeekende jeugd en lieftalligheid!
"Evenzoo lief als die 'andere'!" en "gij hebt het gezworen!" bleef het voortklinken in 's jonkmans ooren. Zijn teergevoelig hart dreef hem aan om weder goed te maken, wat hij tegen dit aanminnige, ongelukkige, jonge schepseltje misdreven had; maar dat "evenzoo lief als die 'andere'!" en "gij hebt het gezworen!" gaven hem kracht standvastig te blijven. Hij die zich hier geroepen gevoelde medelijden te hebben en te troosten, strekte de handen naar haar uit, als smeekte hijzelf om hulp, zeggende: "Ja, Katharina, zoo aanminnig, zoo betooverend als thans zijt gij ook toen geweest; maar ik... Hoe goed ik ook voor u was, er is nu eenmaal eene groote liefde, die mijn gansche wezen vervult... Laat buiten spel, wat later gebeurd is... Stel uwe vraag alleen wat anders, doe haar nog eens, of veroorloof mij u te zeggen..."
Maar hem bleef geen tijd om verder te spreken; want vóor hij haar kon terughouden, was zij hem voorbij gesneld en als een vluchtend wild naar buiten gevlogen, naar de visschershaven.
VIERDE HOOFDSTUK.
Orion was alleen en keek haar droevig na. Was dat de vloek zijns vaders? Het scheen als moest ieder, die hem beminde, daarvoor smart en ellende oogsten. Hij huiverde, doch zijn jeugdige moed en zijn veerkracht waren sterk genoeg om deze pijnlijke gedachte te boven te komen. Welk eene gelegenheid bood zich aan om zijne kracht te toonen! Reeds onder het verhaal van Katharina had de kloeke jonkman, die naar daden dorstte, zich tot taak gesteld om de kloosterzusters te redden. Hoe grooter gevaren verbonden waren aan de oplossing van dit vraagstuk, ja hoe onuitvoerbaarder dit scheen op het eerste gezicht, des te meer was het hem thans welkom.
Blijmoedig en strijdlustig wierp hij de deur achter zich dicht en ging naar den hof. Het begon reeds duister te worden. De arts moest thans bij Maria zijn en hij had het plan opgevat het kind met zijne hulp uit de stadhouderlijke woning te verwijderen. Eerst wanneer hij wist dat Maria bij Paula in het huis van Rufinus veilig geborgen was, kon hij met een vrij gemoed datgene ondernemen en doorzetten, wat hem voor den geest zweefde. "De wagen met den Perzischen draver voor!" riep hij op de trap een slaaf toe, en een oogenblik later trad hij tegelijk met de slavin, die brandende lampen bracht, de kamer van de kleine binnen.
Noch het kind, noch Philippus merkte hem dadelijk op, en hij hoorde hoe zij den arts, die haar pols tusschen zijne vingers hield, vroeg: "Wat scheelt u toch heden? Mijn God"--het lamplicht viel juist helder op zijn gelaat--"wat ziet gij er bleek en treurig uit! Wacht eens, ik heb zoo straks een aardig kereltje van was gekneed...."
Met dit knutselwerk wilde zij den man, die altijd zoo vriendelijk tegen haar was, wat opvroolijken, doch terwijl zij zich voorover boog, om het te grijpen, bemerkte zij haar oom en riep: "Philippus komt hier om mij te genezen, doch hijzelf ziet er uit als had hij een drankje noodig. Pas op, gij krijgt die bittere, bruine medicijn van gisteren, dan zult gij eens proeven, wat leelijk smaakt!"
Hoe vriendelijk deze uitroep ook gemeend was, geen van beide mannen, die elkander zwijgend en met eene vormelijke buiging begroetten, lette er op. Maar ook zonder de opmerking van het kind zou het Orion zijn opgevallen, welke eene verandering er bij den arts sedert gisteren had plaats gehad. Schijnbaar zonder acht te geven op hem die was binnengekomen, deed hij Maria nog enkele korte vragen, verzocht Eudoxia de vroegere voorschriften, ook verder in acht te nemen, en bracht daarna haastig aan allen tegelijk een afscheidsgroet. Doch Orion beantwoordde dien niet, maar vroeg met een liefdevollen blik op de kleine: "Toch nog een enkel woord!"
Dit gaf ook Philippus aanleiding weder naar het kind terug te keeren, en toen daarop de oogen der mede minnaars elkander ontmoeten, wisten zij, dat zij althans in éen opzicht het eens waren en hetzelfde gevoelden. Het was den arts niet onbekend gebleven, hoe vriendelijk de jonge man zich het lot van Maria had aangetrokken; en daarom volgde hij hem zwijgend naar het vertrek, dat hij thans bewoonde en vroeger, zooals Philippus wist, de woning van Paula was geweest. "Gij zijt in dienst van uw, plicht," herhaalde hij zich telkens, om kalm te blijven en ten minste in het algemeen goed te verstaan, wat de klankvolle stem van dien schoonen jonkman tot hem zeide, wat hij hem als een smeekeling voordroeg met eene warmte, waarvoor hij hem niet in staat had geacht.
Philippus wist sedert lang, hoe de grootmoeder zich op beklagenswaardige wijze van hare kleindochter had afgewend, en vond Orions wensch, om het kind uit het stadhouderlijk paleis te verwijderen, maar al te zeer gerechtvaardigd. Toen hij echter vernam, dat zij aan Paulas hoede zou worden toevertrouwd, voer eene huivering door al zijne leden en keek hij zoo somber voor zich, dat de ander spoedig raadde wat er bij hem omging. Inderdaad, had de arts bij zichzelven gezegd, dit kind moet den minnaar tot een voorwendsel dienen, om meer bij zijn geliefde te kunnen komen, en reeds was hij, niet bij machte om deze vrees te verkroppen, opgesprongen om haar uit te spreken, toen Orion hem het woord van de lippen nam en met neergeslagen oogen, bescheiden en oprecht zeide: "Om het kind, alleen om Maria's wil--bij mijn zaligen vader..."
De arts schudde somber het hoofd, trad zijn medeminnaar nader en prevelde op doffen toon: "Terwille van dit kind ben ik in staat veel te doen en veel te laten. Beter dan bij Rufinus en Paula kan het nergens onder dak worden gebracht: doch wanneer ik zou moeten denken," en hier verhief hij zijne stem en zijne oogen verkregen een onheilspellenden, dreigenden gloed "wanneer ik zou moeten denken: de heilige, bedreigde onschuld is slechts eene brug...."
"Neen, neen!" haastte Orion zich met nadruk te zeggen. "Nog eens geef ik u plechtig de verzekering, dat ik niets op het oog heb dan de redding van het kind! En nu er toch zooveel gezegd is, komt het op een woord meer of minder niet aan! Het huis van Rufinus staat dag en nacht voor u open. Als alles gaat gelijk ik mij voorstel, dan zal ik in den eersten tijd ver van hier van Memphis, van de dochter van Thomas zijn. Er broeit iets schandelijks, een boevenplan meer mag ik niet zeggen, en met gevaar van mijn leven wil ik trachten dit te verijdelen. Dit ontneemt u het recht mij verder van dingen te verdenken, die evenzeer tegen mijne natuur strijden als tegen de uwe. Vergis ik mij niet, dan dingen wij beiden, gij en ik, naar denzelfden prijs en zijn wij elkanders tegenstanders geworden, maar waarom zou het kind daaronder lijden? Vergeet dit ter wille van Maria, en dit vergeten zal uwe waarde slechts doen stijgen in hare oogen; gij weet wie ik bedoel!"
"Mijne waarde?" vroeg de ander op spottenden toon. "Hier beslist geen waarde, maar hoe de blinde deerne van het geluk hare gaven daarheen strooit, maar alleen hoe een neus, eene kin, een oog gevormd zijn, alleen wat zich toevallig in het weeke was van een meisjeshart afdrukt, onverschillig of het misdadig of edel is. Maar," riep hij, als buiten zichzelven den ander toe, "maar ik mag vervloekt zijn als ik weet hoe wij op deze dingen komen! Heeft mijne dwaasheid dan met ontblooten boezem op straat rondgeloopen, om zich aan iedereen te vertoonen? Hoe weet gij, wat ik gevoel? Heeft zij u wellicht over dien belachelijken minnaar gesproken? Maar wat raakt het mij: gij weet nu reeds, of zult het morgen wel vernemen, wie het hanengevecht gewonnen heeft. Kijk mij maar aan! Zij die harten breken zien er anders uit dan dit Thersites-gezicht tegenover u. Veel geluk met uw overwinning, en het andere--daar het wel zoo zijn moet, tot morgen!"
Hierop liep hij haastig naar de deur, doch Orion hield hem tegen, smeekte hem zijn toorn althans voor dit oogenblik te vergeten, bezwoer dat Paula hem met geen woord zijne neiging had verraden, dat hij veeleer zelf door jaloezie was gekweld, toen hij Philippus gisteren zoo laat bij haar had gezien, en bad hem bij al wat goed was het onschuldige, lieve kind zijn bijstand niet te ontzeggen, hij mocht dan met woorden hem mishandelen zooveel hij wilde, als dat zijn gemoed verlichten kon.
Het menschlievend hart van den arts bleef voor deze bede niet gesloten, en toen hij eindelijk zich gereed maakte tot heengaan, in de blijde maar tevens smartelijke overtuiging, dat zijn gelukkiger medeminnaar de geliefde waardiger was geworden, had hij met Orion afgesproken, dat hij vrouw Neforis, bij wie hij eene lichte graad van geestverbijstering meende waar te nemen, zou voorschrijven het kind toe te vertrouwen aan een met hem bevrienden arts in de nabijheid der stad, omdat de lucht in de stadhouderlijke woning voor Maria gevaarlijk was.
Zoodra Philippus het huis verlaten had, reed Orion naar Rufinus, en toen hij met een paar woorden verklaarde dat iets ernstigs en gewichtigs hem herwaarts deed komen, verzocht de grijsaard dat hij hem zou volgen naar zijn werkkamer. Doch de jonkman hield hem hiervan terug, ten einde met hem en de vrouwen eerst alles in orde te brengen, wat de opneming van de kleine Maria betrof.
"Zoo wordt langzamerhand het geheele stadhouderlijk huis in onzen tuin geplant!" zeide Rufinus. "Ik heb er vrede mee; en gij, oudje, wat zegt gij ervan?"
"Dat ik het stellig goedvind," antwoordde zij. "Eigenlijk hebben gij en ik hierin niets te zeggen; zij zal Paulas gast zijn."
"Ware zij maar reeds hier," zeide de jonkvrouw; "want wie kan weten of uwe moeder, Orion.... Er waait hier eene bedenkelijke Melchietische wind."
"Laat Philippus en mij daarvoor zorgen!" hernam hij. "Gij had eens moeten zien hoe gelukkig het kind was!"
Daarop nam hij Paula ter zijde en vroeg haar haastig: "Hoop ik niet te veel? Behoort uw hart aan mij? Mag ik, bij wat er ook gebeure op u rekenen, op u en uwe liefde?"
"Ja, ja!" welde het op uit den diepsten grond van haar hart, waarop hij, ruimer ademhalend, gerust en vroolijk den grijsaard volgde.
In de goed verlichte werkkamer onderrichtte hij Rufinus, zonder Katharinas naam te noemen, van den aanslag van den patriarch tegen het Caecilia-klooster. Waarom bekommerde hij zich over het lot van deze Melchietische nonnen? Maar na dien kerkgang, waarbij een licht voor zijne ziel was opgegaan, beschouwde hij het als zijn plicht voor al wat recht was in de bres te springen en tegen alles te velde te trekken, wat hij voor nietswaardig hield. Hij wist bovendien, hoe warm en beslist zijn vader juist voor dit klooster tegen den patriarch partij had gekozen. Eindelijk had hij ook gehoord, hoe zijne geliefde aan dat klooster en de zusters die het bewoonden gehecht was, en vol blijden moed maakte hij zich gereed, om door kloeke daden een einde te maken aan dat mijmeren over zichzelven en zijne kracht te toonen.
De grijsaard hoorde hem aan met klimmende verbazing en schrik, en nadat Orion zijne mededeelingen geëindigd had, stond hij radeloos op, de handen wringende. Doch de jonkman sprak hem moed in en verklaarde, dat hij niet gekomen was, om hem eene noodlottige tijding te brengen, maar om met hem te overleggen hoe men de in gevaar verkeerende onschuldigen redden zou. De grijze menschenvriend en zwerver spitste zijne ooren, en evenals een oud strijdros voor den ploeg, wanneer het de trompet hoort blazen, begint te steigeren en den hals trotsch en fier omhoog heft, als onder het schitterend tuig van vroeger jaren, zoo richtte Rufinus zich op in al zijne lengte. Zijne oude oogen begonnen te fonkelen, en vol geestdrift en en verlangen om te handelen als een vurig jonkman sprak hij: "Zoo is het goed, en ik ben mede van de partij, en dat niet om te raden, neen, neen, met hoofd en hand en voet, ja met mijn geheele lichaam! En gij, jonge man, gij! Ik heb het u van den beginne wel aangezien, wat in u steekt, ondanks, ondanks... Maar, zoo waar de mensch de maatstaf aller dingen is, hij die langs afgelegen paden en omwegen in het rijk der deugd aanlandt, wordt daar dikwijls een beter burger, dan wie midden in dat rijk ter wereld kwam.--Het is al laat, doch het gebed voor den nacht is nog niet begonnen en ik zal de abdis nog op vinden. Hebt gij een voorstel te doen?"
"Ja! Overmorgenavond om dezen tijd."
"Waarom niet dadelijk morgen?" vroeg de driftige grijsaard.
"Omdat wij met al de voorbereidselen, die noodzakelijk gemaakt moeten worden, in twaalf daguren niet klaar komen."
"Goed, goed!"
"Overmorgenavond zal dus eene groote boot--niet een van de onzen--aan den oever van den kloostertuin gereed liggen. Ik begeleid de vrouwen tot Dumiat aan zee. Nog dezen nacht zend ik een renbode daarheen en laat door mijn neef Columella, den grootsten reeder der stad, voor de vluchtenden een zeeschip uitrusten. Dat zal de nonnen brengen waarheen de abdis zal bevelen."
"Kostelijk, voortreffelijk!" riep de oude man in geestdrift. Hij greep naar zijn hoed en zijn stok, en daarbij nam zijn van vreugde stralend gelaat eene ernstige uitdrukking aan. Vol waardigheid trad hij naar den verrasten jonkman toe, zag hem met vaderlijke vriendelijkheid aan en zeide: "Ik weet wat uw huis door onze, door geloofsgenooten dergenen wedervaren is, voor wie gij thans zoo kloekmoedig in de bres wilt springen, en dat, jonge man, dat is edel, dat is groot! Bij u, dien zij mij als een jongen wereldling met een ruim geweten hebben afgeschilderd, moet ik voor de eerste maal vinden, wat ik onder de vromen en deugdzamen van mijne jarenlange omzwervingen te vergeefs heb gezocht: den wil namelijk, om met blijmoedige zelfopoffering, den vijand, den andersdenkende uit groote gevaren te redden. Maar gij zijt jong, Orion, en ik ben oud. Gij vindt voldoening in de daad alleen, ik zie op de gevolgen. Weet gij wat u te wachten staat, wanneer ontdekt wordt welk een bijstand gij verleent aan het wild, dat de patriarch reeds meent in zijn net gevangen te hebben? Hebt gij bedacht, dat Benjamin, de onverbiddelijkste en daarbij de machtigste onder de Jacobietische geloofsbedrijvers, u dan als een doodvijand vervolgen zal met al de verschrikkelijke middelen, waarover hij te beschikken heeft?"
"Dat heb ik overwogen," antwoordde Orion.
Nu legde Rufinus de linkerhand op zijn schouder en de rechter op zijn hoofd en zeide: "Zoo ontvang daarvoor bij voorbaat den zegen van een oud man, ja van een vader."
"Van een vader," herhaalde Orion zacht, terwijl een gevoel van vreugde zijn lichaam en zijne ziel doortrilde, en ontroerd zonk hij aan de borst van den grijsaard.
Een oogenblik hielden zij elkander omvat, toen maakte Rufinus zich uit zijne omarming los, om zich naar de abdis te spoeden. Orion hield de vrouwen gezelschap, wier nieuwsgierigheid op het hoogst werd gespannen, toen zij den grijsaard zagen verdwijnen door de poort, die naar den kloostertuin leidde. Vrouw Johanna kon van innerlijke onrust niet stilzitten, en Pul gaf verstrooide antwoorden, als Orion en Paula, die elkander veel te zeggen en in te fluisteren hadden, trachtten haar nu en dan in het gesprek te mengen. Eens slaakte zij een diepen zucht en als hare vriendin haar vroeg: "Wat hebt gij, mijn kind?" antwoordde zij met een beklemd gemoed: "Er moet iets ernstigs op handen zijn, dat voel ik. Was Philippus maar hier!"
"Wij zijn, goddank, allen wel," antwoordde Orion.
"Ja, ja, den Heiland zij geloofd," antwoordde zij haastig, maar zij dacht daarbij: "Gij denkt dat hij alleen goed is om zieken te genezen, maar eerst als hij er is zal alles goed gaan en zich ten beste schikken."
Ieder begreep dat er iets buitengewoons, iets noodlottigs op handen was, en toen de grijsaard eindelijk terugkeerde, bevestigde zijn uiterlijk dit vermoeden. Stil en ernstig ontdeed hij zich van hoed en staf, trok zijne vrouw hartelijk naar zich toe en zeide: "Het komt er nu op aan ons moedig en verstandig te toonen, oudje; ik heb een zwaren plicht op mij genomen."
Vrouw Johanna was doodsbleek geworden, en terwijl zij zich vaster aan haar man klemde en hem bad te spreken en haar niet langer te folteren, beefde zij over haar gansche lichaam en biggelde dikke tranen langs hare wangen. Zij vermoedde dat er iets was dat haar man weder ver van haar en haar kind zou verwijderen, om andere menschen te dienen en te helpen, en zij wist tevens dat zij hem niet tegenhouden kon. Maar al had zij dit ook kunnen doen, zoo zou zij toch de kracht gevonden hebben om hem niet te beletten zijn voornemen uit te voeren, daar zij hem altijd begreep en met hem datgene als noodzakelijk voor zijn inwendig geluk beschouwde, wat hem uit den engen kring van zijn huis de wijde wereld indreef.
Hij zag wat bij haar omging, en het deed hem leed, maar hij liet er zich niet door van zijn stuk brengen. Hij die er naar streefde elk krank dier te genezen, had er zich aan gewend haar, die hij het meeste liefhad, om zijnentwil te zien lijden. Hij hield zich overtuigd, dat het huwelijk den man niet beletten mocht zijne innerlijke roeping te volgen, en in dezen verhevenen waan wist hij vaak voor zichzelven en zijne vrouw te rechtvaardigen, waartoe hem voornamelijk de lust om te zwerven en de begeerte om te handelen aandreven. Ook zonder deze neiging zou hij voor zijne bedreigde buren het zijne hebben gedaan, maar thans vervulde zij hem met nog meer lust om het schoone, gevaarlijke reddingswerk te volvoeren.
Het gruwzaam lot dat de arme zusters te wachten stond, en de gedachte haar uit hunne nabijheid verbannen te zien, deed de vrouwen bitter leed, en de mannen zagen vele tranen vloeien. Maar zij genoten ook het verkwikkend schouwspel, drie vrouwelijke wezens op gelijke wijze vast besloten te zien, om alles te wagen en hen, die zij liefhadden alles te doen wagen, om eene daad te verhinderen, die haar met weemoed en afgrijzen vervulde. Vrouw Johanna bracht er geen woord tegen in toen haar echtgenoot verklaarde de vluchtende zusters te willen begeleiden, en toen Rufinus met heldere oogen Orions overleg en wakkere vastberadenheid prees, vloog Paula naar hem toe en reikte hem vroolijk en trotsch beide handen. Het was den jonkman bij dit alles, als schoot hij vleugelen aan, en deze onheilspellende avond werd voor hem de gelukkigste zijns levens.
De abdis had in het plan toegestemd en het nog op enkele punten uitgebreid. Twee leekezusters en eene non zouden terugblijven. De beide eersten moesten elkaar afwisselen bij de verpleging der kranken in huis, als gewoonlijk de klokken luiden en zingen, opdat het opbreken der anderen niet zou worden opgemerkt; vrouw Johanna, Paula en Pull zouden haar daarin bijstaan.
Toen de jonkman, het was reeds laat, wilde vertrekken, wierp Rufinus de vraag op, of het onder gegeven omstandigheden wel aanging Maria in zijn huis op te nemen; hijzelf twijfelde er aan. Ook vrouw Johanna was deze zienswijze toegedaan, Paula verzekerde daarentegen, dat zij het voor beter hield het kind bloot te stellen aan verwijderde gevaren, waarvoor men nauwelijks beducht behoefde te zijn, dan het in de stadhouderlijke woning naar lichaam en ziel te laten ondergaan. Pull schaarde zich aan hare zijde, doch de meisjes moesten zich naar het oordeel der anderen schikken.
VIJFDE HOOFDSTUK.
De arts Philippus ijlde na zijn gesprek met Orion de stad door, en lette daarbij zoo weinig op de lieden die hem tegenkwamen, en op de processie, die met luid gezang hem voorbijtrok, om den hemel te smeeken den Nijl eindelijk te doen stijgen, dat hij meer dan een voorbijganger tegen het lijf liep en menigeen hem scheldwoorden achterna gaf. Hij ging enkele huizen binnen, maar noch de kranken, noch hunne huisgenooten herkenden in den barschen en gejaagden man den arts en vriend, die anders de lijdenden zoo deelnemend en met zooveel opbeurende warmte toesprak, de kinderen omhoog tilde, hen een kus gaf of vroolijk met hen gekscheerde. Heden kon hij zelfs volwassenen schrik en angst aanjagen. De aangename plicht was hem voor de eerste maal een zware last, hij zag in elken lijder een kwelgeest, die met anderen tegen zijne rust samenzweerde. Wat liefs ondervond hij van de menschen, dat hij zich om hunnentwil het genot des levens ontzegde en zich bij nacht den slaap liet ontrooven? Rufinus had gelijk, in dezen tijd leefde de een alleen om den ander te kwellen, hoe zelfzuchtiger men was, als met een bord voor het hoofd, zonder links of rechts te zien, des te verder kon men het brengen! Dwaas die hij was, zich door eens andermans leed in zijne rust te laten storen, zichzelven in zijn wetenschappelijk onderzoek te laten belemmeren!
Terwijl al zulke gedachten hem bestormden, betrad hij een net klein huisje aan de haven, waar een braaf schipper, omgeven door zijne vrouw en kinderen, op sterven lag. Dáar gevoelde hij zich eensklaps weer de oude, dáar putte hij al zijn wetenschap uit om nog te genezen, dáar openbaarde zich al de warme hartelijkheid van zijn gemoed, en met een bloedend hart en een ledigen buidel verliet hij die woning. Doch zoodra hij weer buiten was, keerde de vorige stemming met verdubbelde bitterheid terug. Toch lag het voor de hand: ondanks het stelligste voornemen om zich niet meer voor anderen op te offeren, moest hij het toch doen! Deze drang was sterker dan hij. Evenmin als een dronkaard het drinken, kon hij nalaten met de lijdenden te lijden, het beste wat hij had te zaaien, om niets daarvoor te oogsten. Hij was geschapen om alleen voor anderen alles te zijn; dat was zijn lot!
Met gebogen hoofd trad hij de werkkamer van zijn ouden vriend weder binnen, die evenals gisteren achter zijne rollen en drie lampen voor zijne schrijftafel zat, waaronder een slaaf lag te snorken, om op zijne bevelen te wachten. Met den welluidenden Griekschen groet: "verheug u!" die heden klonk als een: "gij moogt wat mij aangaat stikken!" wierp hij zijn bovengewaad af, en op den tegengroet van den grijsaard en diens bezorgden uitroep: "Wat ziet gij er uit Philippus!" antwoordde hij knorrig: "als iemand die een trap verdient in plaats van een welkomstgroet; als een onnoozele, die zich weer bij den neus liet nemen; als een hond, die de hand nog lekt van den vlegel, die hem schandelijk geranseld heeft!" Daarop wierp hij zich op zijn rustbed en vertelde Horus Appollon welk eene ontmoeting hij had gehad met Orion. "En het dolste ervan is nog," dus besloot hij, "dat die kerel mij bijna bevallen is, dat hij werkelijk op den weg schijnt te zijn om een fatsoenlijk mensch te worden, dat ik niet meer noodig heb hem in mijne verbeelding in den kalkoven te werpen, bij de gedachte alleen, dat hij de hand naar Paula zou kunnen uitstrekken. Maar"--en nu stond hij haastig op--"maar al help ik hem ook, om het arme kind te verwijderen uit de nabijheid van dat in de hersens gekrenkte oude wijf, Maria's arts kan en wil ik niet blijven! Er loopen kwakzalvers genoeg rond in dit lijkennest, en uit dezen mag zij er een kiezen. Ik.... ik...."
"Gij zult de kleine verder behandelen," zeide Horus Apollon doodbedaard hem in de rede vallende.
"Om te beleven dat mijn hart dagelijks met netels geslagen wordt?" zeide de arts driftig, terwijl hij met heftige gebaren den grijsaard naderde. "Gelooft gij, dat ik lust heb om het liefje van den stadhoudersknaap dagelijks te ontmoeten, mij vaak tweemaal per dag de weerhaken laten omdraaien in mijne bloedige wond?"
"Ik verwacht eene geheel andere werking van deze herhaalde bezoeken," zeide de ander. "Gij zult u gewennen Paula aan te zien voor wat zij sedert gisteren slechts voor u zijn kan: een aardig meisje, zooals er in Egypte duizenden zijn, de bruid van een ander."
"Ja, als dit hart een jachthond was, die gaat liggen als men 'koest' roept!" hernam Philippus met een honenden lach. "Het blijft erbij, ik moet weg, uit Memphis weg, of mijnentwege ook van deze erbarmelijke aarde! Ik zou in hare nabijheid de rust--mijne kostelijke verlorene zielrust!--kunnen wedervinden?"
"En waarom zou u dat niet gelukken? Voor ieder is elk ding slechts dat waarvoor hij het aanziet. Hoor eens naar mij. Ik had een werk voltooid over den ouden en nieuwen kalender, en mijn leermeester verlangde, dat ik daarover eene voordracht zou houden in het Museum--indien de tegenwoordige school van woordenvitters te Alexandrië nog dien naam verdient--doch ik durfde dit niet op mij nemen omdat ik vreesde dat de tegenwoordigheid van zoovele geleerde toehoorders mij verlegen zou maken. Mijn meester gaf mij den raad het er voor te houden, dat mijn auditorium niet uit menschen, maar alleen uit koolstruiken bestond. Dat vond ik slim bedacht; ik volgde den raad, en zoo kwam ik over mijne verlegenheid heen en mijne rede vloeide als olie."
"Een aardig verhaaltje," antwoordde Philippus, "maar ik zie niet in...."
"Gij moet, wil ik hiermede zeggen," voegde de oude hem haastig toe, "die allervoortreffelijkste geliefde, zoo al niet tot een koolstruik, dan toch in uwe gedachten tot een wezen maken, zooals er twaalf in een dozijn gaan, een schepsel waarmede uw hart niets heeft te maken. Wil dit eens ernstig en het zal u gelukken."
"Als het hart een getal en de hartstocht kalendermakerij ware!" zeide de arts. "Gij zijt een wijs man en uwe schriftrollen en tabellen hebben u als wallen en muren tegen den hartstocht beveiligd."
"Wie weet!" hernam de ander. "In elk geval zou die hartstocht mij nooit hebben gedwongen, om der wille eene vrouw, die mijne liefde versmaadt, mijn vriend en vader de weinige dagen wreedaardig te vergallen, die hem nog vergund worden onder de zon te wandelen. Wilt ge mij beloven niet meer over die vlucht uit Memphis en dergelijken onzin te bazelen?"
"Leer mij eerst mijne veerkracht te meten."
"Wilt gij ten minste beproeven die te oefenen?"
"Ja, uit liefde voor u."
"Belooft ge mij het arme, kleine meisje dat ik gaarne mag lijden ondanks hare afkomst, verder te behandelen?"
"Zoo lang ik kan uithouden dagelijks met haar te verkeeren...."
"Gij weet wie ik bedoel...."
"Ik houd u aan uw woord. Kom nu hier en laat ons nog een paar hoofdstukken overzetten."
Tot laat in den avond bleven de vrienden bij den arbeid samen en toen de grijsaard alleen was, dacht hij: Zoo lang hij het kind van nut kan zijn, gaat hij niet heen, inmiddels zal het mij wel gelukken voor die vervloekte sirene eene put te graven.
Orion had den volgenden morgen vroeg de handen vol werk. Voor de zon opging, zond hij twee betrouwbare boden naar Dumiat en overhandigde aan beiden een brief met de opdracht, om een zeilschip voor de vluchtenden gereed te houden. De een zou drie uur later vertrekken dan de ander, opdat het plan niet mislukken zou, wanneer een hunner een ongeluk overkwam. Hijzelf ging het eerst naar de haven en het gelukte hem daar spoedig eene goede, ruime Nijlboot uit Dumiat te huren. De kapitein, een geschikt en betrouwbaar man, beloofde hem de afspraak geheim te houden en morgen namiddag te zijner beschikking te zijn. Nadat hij onderweg over alles had nagedacht, begaf hij zich terstond naar het rentmeesterskantoor, om daar met hulp van Nilus een testament op te maken, hetwelk den volgenden morgen in tegenwoordigheid van den notaris en getuigen rechtsgeldigheid zou erlangen. Zijne moeder, de kleine Maria en Paula benoemde hij tot zijne voornaamste erfgenamen. Verder vermaakte hij als legaten vooreerst eene aanzienlijke som aan de zieken- en weeshuizen des lands, alsmede aan de kerk, om voor het heil zijner ziel te laten bidden, ten andere een aan "den rechtvaardigste onder de rechters des huizes," den rentmeester Nilus. Ook de Griekin Eudoxia, de opvoedster van Maria, werd bedacht en eindelijk gelastte hij de vrijlating van alle huisslaven, en vermaakte hen, opdat zij geen gebrek zouden lijden, een zijner grootste grondbezittingen in Opper-Egypte, die zij als hun gemeenschappelijk eigendom moesten bearbeiden. Voor de trouwe dienaars en vrijgelatenen der familie vergrootte hij de rijke schenkingen, die zijn vader hun reeds vermaakt had.
Dit laatste werk had eenige uren in beslag genomen, en Nilus, die alles in de juiste vormen goot en opteekende wat Orion dicteerde, was diep bewogen en verbaasd over het doorzicht en de goedheid van den jonkman, dien hij, sedert hij hem den rechterstoel had zien ontwijden, voor een verloren mensch had gehouden. Uit de bepaling van Orion, dat het testament geopend moest worden ingeval hij vier weken na het opstellen ervan nog niet was teruggekeerd van eene reis, die hij morgen zou aanvaarden, begreep de trouwe beambte, dat de laatste telg van het huis, in welks dienst hij vergrijsd was, zich aan groote gevaren dacht bloot te stellen. Doch uit bescheidenheid waagde hij het niet iets te vragen, en zijn heer nam hem niet in zijn vertrouwen.
Toen beide mannen de voorzaal betraden, stond daar de klerk Anubis, de zoogbroeder en vriend van de kleine Katharina; doch Nilus sloeg geen acht op hem. Terwijl hij Orion met vochtige oogen de hem ten afscheid gebodene hand kuste en den jonkman beloofde morgen avond voor zijn vertrek hem nog eens vaarwel te komen zeggen, opende de jonge Anubis, die zich eerbiedig op een afstand had gehouden hoewel hij zijne ooren spitste, gedienstig de zware met ijzer beslagene deur.
Uitgeput en hongerig vroeg Orion naar zijne moeder, en toen hij hoorde dat zij zich te bed had begeven, ging hij naar de eetzaal om wat te gebruiken. Ofschoon het uur van het ontbijt pas was aangebroken, kon men het der Griekin Eudoxia toch aanzien, dat zij hem met ongeduld wachtte. Er was een nieuwtje dat haar geen rust liet, en Orion had ternauwernood den drempel overschreden en haar begroet of zij riep hem toe: "Weet gij het al? Hebt gij het vernomen?"
Daarop begon zij, verblijd over zijne korte ontkenning, haastig te vertellen, dat vrouw Neforis op verlangen van den arts, die er zoo even geweest was, besloten had haar met hare kleindochter te zenden naar een vriend van Philippus, waar de lucht beter was, en wel reeds heden of op zijn laatst morgen.
Bij deze mededeeling schrikte Orion onwillekeurig. Hij had niet verwacht dat de arts zoo vroeg zou komen en nu was juist door dezen beschikt, wat sedert gisteren avond niet meer raadzaam scheen.
"Hoogst onaangenaam!" prevelde hij in zichzelven, terwijl een slaaf hem een gebraden hoen en asperges diende.
"Niet waar? En wellicht moeten wij ver buiten de stad!" antwoordde zij met een smachtende blik, terwijl zij een lange asperge door de tanden trok.
Dit ziende en hoorende werd Orion te moede, alsof hij die oude gekkin het goede gerecht misgunde, en het was op niet zeer vriendelijken toon dat hij haar antwoordde: stad of land stonden in dit geval volkomen gelijk, hier gold alleen de vraag wat het beste was voor de kleine.
Toen hij haar mededeelde, dat hij morgen avond op reis ging gaf Eudoxia een gil, liet van schrik een asperge in haar schoot vallen en zeide op klagenden toon: "O dan, dan is alles voorbij!..."
Maar hij voegde haar vermanend toe: "Dan vangt uw plicht eerst recht aan, om u geheel aan het kind te wijden. Gij weet dat hare eigene grootmoeder thans de tegenwoordigheid van Maria niet verdragen kan. Schenk haar uwe liefde, gelijk gij reeds begonnen zijt te doen, wees haar tot eene moeder, en als gij mij werkelijk genegen zijt, toon het dan daardoor. Wat mij betreft zult gij ontwaren, dat ik u hiervoor erkentelijk ben en dat niet enkel met woorden. Ga morgen naar het rentmeesterskantoor, daar zal Nilus u het eenige geven, waarmede ik thans mijne dankbaarheid toonen kan. Wijd nu gerust al uwe kracht aan de verpleging van het kind; ik was er op bedacht voor uwe ouderdom te zorgen."
Midden onder de dankzeggingen, waarmede de Griekin hem overlaadde, stond hij op en begaf hij zich naar zijne moeder. Zij rustte nog altijd, maar hij liet zich ditmaal toch aanmelden, en zij ontving hem gaarne, ja zij had zijn bezoek reeds verwacht. In haar slaapkamer, die goed beschut was voor de brandende zonnehitte, rustte zij in eene halfliggende houding op een divan, en openbaarde den zoon haar besluit om den raad van den arts te volgen en het kind toe te vertrouwen aan een zijner vrienden. Dat alles zeide zij op slaperigen, gelaten toon, doch zoodra Orion haar tegensprak en verzocht de kleine nog in de stadhouderlijke woning te houden, werd zij levendiger en onder de uitroepen: "Wenscht gij dat? Kunt gij dat van mij vorderen?" scheen zij hem verstoord met de oogen te meten. Daarna ging zij klagende voort: "Alles verkeert thans. De ouderdom vergeet niet, maar de jeugd heeft een zeer kort geheugen. Gij hebt reeds lang gansch andere dingen in het hoofd dan ik; ik denk er nog altijd aan wie hem, wie mijn dierbaren afgestorvene in het aangezicht van den geopenden hemel de laatste oogenblikken op aarde tot eene hel maakte!"
Een zacht snikken, zonder weenen, bracht hierop hare borst in eene snelle, krampachtige beweging en Orion waagde het niet haar verder te weerspreken. Met hartelijke woorden zocht hij haar tot rust te brengen, en toen zij zich weder herstelde, deelde hij haar mede, dat hij haar voor eenigen tijd dacht te verlaten, om naar het beheer van hunne goederen te gaan zien. Deze mededeeling deed haar genoegen; zij achtte het thans heerlijk alleen, geheel alleen en onopgemerkt te zijn. De witte pilletjes gaven haar meer, verhieven hare stemming beter dan elke omgang met menschen. Ze brachten haar in slapenden en in wakenden toestand droomen, en deze waren duizendmaal schooner dan het verlaten bestaan der werkelijkheid. Alles wat zij in het leven op aarde verlangde was: geheel in herinneringen op te gaan, te bidden, te droomen, zich te verplaatsen aan gene zijde des grafs te midden van hare afgestorvenen, en bovendien te eten en te drinken, wat zij dan ook gaarne en rijkelijk deed.
Toen Orion op eene nadere vraag zijner moeder antwoordde, dat hij eerst naar Delta dacht te gaan, betreurde zij dit; want in Opper-Egypte zou hij zijne schoonzuster, de moeder der kleine Maria kunnen bezoeken. Daarbij rees zij overeind, wreef met de hand over het voorhoofd en wees op het tafeltje aan het hoofdeinde van den divan, waar naast een beker met vruchtennat, fleschjes, doozen en andere dingen, ook een schrijftafeltje en een briefrol lagen. Zij greep naar de laatste, overhandigde haar aan Orion en zeide: "Een schrijven van uw schoonzuster! Het is gisteren avond gekomen, en ik begon ook het te lezen, maar het ving aan met eene weeklacht over uw vader, en dat--gij weet het--voordat ik ging slapen--ik kon met den besten wil niet verder lezen, kon het niet lijden! En heden... Eerst de kerk, toen de arts en zijn eisch betreffende het kind. Ik heb nog geen moed gehad verder te lezen. Wat kan mij een brief ook anders dan kwaad brengen. Weet gij iets dat voor mij een bron van vreugde zou kunnen zijn? Maar thans... Ik bid u, lees mij den brief voor; maar niet weer dat over uw vader; dat bewaar ik voor later, voor mij alleen."
Orion maakte het rolletje open en doorliep vluchtig met saamgetrokken lippen de weeklacht der non over den afgestorvene. Elke volzin van den brief der weduwe van den martelaar ademde wild fanatisme. Zij had in het klooster gevonden wat zij zocht, zij verklaarde nu enkel in God en in den God-Heiland te leven. Ook haar kind was voor haar slechts een vreemd, jong schepseltje van God, en het gaf haar enkel vreugde er voor te bidden. Toch achtte zij het haar plicht voor het zielenheil van het kind te zorgen, en als het haar grootmoeder niet te zwaar viel van het kind te scheiden, wenschte zij de kleine thans weder te zien. Zij was kort geleden abdis van haar coenobium geworden, en niemand kon haar beletten het kind bij zich te nemen. Doch zij vreesde dat overgroote natuurlijke liefde haar weder aan de vleeschelijke wereld zou doen hechten, waarmede zij voor eeuwig gebroken had, en daarom zou zij Maria in een naburig klooster laten opvoeden, niet voor aardsche ellende maar voor hemelsch geluk, niet tot levensgezellin van een zondigen echtgenoot, maar tot eene reine bruid van Christus.
Orion gevoelde eene koude rilling door zijne leden, terwijl hij dit schrijven voorlas, en toen hij het rolletje neerlag en zijne moeder zeide: "Misschien heeft zij gelijk, misschien is het reeds nu onze plicht het kind niet naar den vriend van den arts maar naar het klooster te zenden, en het op den eenigen weg te brengen, die zonder gevaar of hindernis ten hemel leidt!"--zeide Orion tot zich zelven, dat het zijn plicht was dit levenslustige kind voor zulk een lot te bewaren. Hij verzocht daarom zijne moeder te bedenken, dat het er in de eerste plaats op aan kwam voor de gezondheid van het kind te zorgen. Hij zag nu ook in, dat zij zoo straks gelijk had. Zijn vader had zich ook altijd naar de voorschriften van Philippus gedragen, en reeds daarom was het haar plicht diens raad te volgen.
Vrouw Neforis, die reeds eenigen tijd begeerig had gezien naar een doosje dat naast haar stond, weersprak hem niet, en dienzelfden avond bracht Orion de kleine Maria met hare opvoedster bij Rufinus, die beiden, niettegenstaande zijne bedenkingen van gisteren, gaarne opnam. Toen Maria dicht naast Paula's bed in het hare lag en de jonkvrouw zich over haar heenboog, sloeg de kleine de armen om haar hals, drukte het hoofdje tegen hare borst en voelde dat het daar warm, zacht en veilig rustte. Maria weende, als ware zij uit kerker en boeien verlost, en stortte al de smart en het lijden van haar diep gewond hartje uit in de ziel harer vriendin.
Deze hoorde onder alles Orions stem in den tuin en met onweerstaanbare kracht gevoelde zij zich tot den geliefde getrokken, dien zij bij zijne aankomst maar vluchtig begroet had. Maar zij kon het niet over zich verkrijgen het kind van haar boezem te weren, het juist nu te verlaten.--Doch neen, neen, zij moest hem zien! Alles wat in haar was, dreef haar naar hem heen en toen Pul de kamer binnenkwam, legde zij Maria's hand in die van het meisje en zeide: "Zoo, nu sluit gij beiden vriendschap en blijft bij elkander tot ik terugkom en u wat moois vertel. Gij hebt Orion zoo lief, mijn meisje; nu, over hem en mij zal mijn geschiedenisje handelen."
"Hij moest dadelijk weg," merkte Pul haastig op. "Op dit tafeltje staat zijn groet. Hij verging bijna van ongeduld, en toen hij niet langer wachten kon, schreef hij dit voor u op."
Met een klagende uitroep nam Paula den brief in handen, dien zij op hare kamer las. Hij had even smachtend als zij op hare komst gehoopt, doch eindelijk kon hij niet langer toeven. Hoe anders, heette het in dit schrijven aan zijne geliefde, had hij gehoopt dezen dag te besluiten, dien hij gewijd had aan de redding harer vriendinnen!
O, waarom, waarom had zij zich hier laten terughouden, waarom was zij althans niet voor een oogenblik naar hem toegesneld, om hem voor zijne goedheid en trouw te danken, en hem luid en open te hooren verklaren, wat hij haar gisteren maar toegefluisterd had. Bedroefd en ontevreden over zichzelve begaf zij zich naar het kind terug.
Orion had inderdaad zijn vertrek niet langer kunnen uitstellen, want hij had het noodig geacht den vertegenwoordiger van den Kalief kennis te geven van zijne reis en van zijn strijd met den prelaat. Van alle beweeggronden, die hem aandreven de nonnen te helpen, was 'wraak' de eenige, dien de Arabier het best zou begrijpen.
ZESDE HOOFDSTUK.
Terwijl Orion over den stroom naar Fostat reed, begaf hem de vroolijke stemming, die hem nog kort geleden had bezield. Had Paula hem althans niet een klein deel kunnen en moeten wijden van het uur, dat zij aan het kind had geschonken? Hij was afgescheept met een vriendelijken handdruk en een dankbaren blik, toen zij hem welkom had geheeten. Zou zij hem niet blijde tegemoet zijn gevlogen, wanneer de liefde, waarvan zij hem gisteren de verzekering had gegeven, haar hart zoo innig en vurig doortintelde als het zijne? Was de trotsche ziel van deze jonkvrouw, die zijne moeder koud en ongenaakbaar noemde niet vatbaar voor warme zichzelve vergetende overgave? Was er geen middel om het heilige vuur, dat in hem ontvlamd was, ook in haar aan te blazen? Allerlei twijfelingen en het bittere gevoel van teleurstelling kwelden hem, en een menigte bedenkingen drongen zich aan hem op, die verre van hem gebleven zouden zijn, wanneer hij bij het wederzien, haar blijmoedig: "ik bemin u" vernomen had, en zijne lippen gewijd waren door haar eersten kus.
Ontstemd en verdrietig trad hij de woning van den veldheer binnen. In de voorzaal ontmoette hij smeekelingen, die waren afgewezen, en met een bitter lachje moest hij bekennen, dat hij zooeven op dezelfde wijze onverrichter zake was weggezonden, weggezonden--en door wie?
Hij liet zich aanmelden en zijne stemming verbeterde een weinig toen hij terstond toegelaten en met voorbijgang van vele wachtenden in de ontvangkamer van den veldheer gebracht werd. Deze ontving hem met vaderlijke hartelijkheid; en toen hij hoorde dat Orion met den patriarch in openbaren strijd was geraakt, werd hij opgewonden en riep hij met uitgestrekte handen: "Neem mijne rechterhand, vriend, ga tot den Islam over, en met deze linker maak ik u, in naam van mijn heer den Kalief, ondanks uwe jeugd, tot opvolger van uw vader. Weg met alle bedenkingen! Sla toe, spoedig, spoedig! Het kwelt mij Egypte te moeten verlaten, terwijl ik weet dat Memphis geen stadhouder heeft."
Een hooge blos kleurde Orions aangezicht. Zijns vaders opvolger! Hij, de nieuwe Mukaukas! Hoe streelde dit zijne eerzucht, welke nieuwe wegen openden zich tot werkzaamheid! Het schemerde hem voor de oogen en eene geheimzinnige kracht drong hem zijn weldoener tegemoet te gaan, die hem nog altijd zijne rechterhand toestak. Maar zijne levendige verbeelding deed hem opeens het beeld van den Verlosser aanschouwen, met wien hij in de kerk zwijgend een verbond had gesloten, hoe deze droevig het zacht gelaat van hem scheen af te wenden. Hij herinnerde zich wat hij beloofd had, alles was vergeten wat Paula hem had aangedaan, hij greep wel is waar de hand van den veldheer, doch alleen om haar aan zijne lippen te brengen en hem te danken. Vervolgens bad hij hem met warmen, vriendelijken aandrang niet op hem te willen toornen, wanneer hij standvastig bleef en in het geloof zijner voorvaderen en van zijn vader volhardde. De veldheer werd niet boos, maar haastig en niet met die blijmoedige hartelijkheid waarmede hij hem verwelkomd had, waarschuwde Amr hem voor den patriarch op zijne hoede te zijn, tegen wien hij niet bij machte was hem te beschermen, zoolang hij volhield christen te blijven.
Toen Orion hem daarop mededeelde, dat hij voor korten tijd dacht op reis te gaan en thans gekomen was om afscheid te nemen, liet de veldheer hierover zijn leedwezen blijken. Ook hij moest van hier naar Medina, en dat wel reeds overmorgen. "Daar ik u," zeide hij, "te jong achtte voor den hoogen post van uw vader, was ook ik erop bedacht een moeielijke taak voor u te vinden, bij het volbrengen waarvan gij zoudt kunnen toonen, dat ik geene te hooge verwachtingen van u koesterde. Gij blijft volharden bij uw besluit, doch ik kan onmogelijk aan een christen van uwe jaren het zóo gewichtig ambt van stadhouder te Memphis toevertrouwen; ofschoon wij het met den jongen muzelman gewaagd zouden hebben. Doch ik wil u de taak, die ik u had toegedacht, ook thans niet onthouden. Gelukt het u die te volvoeren, dan zal het goed zijn voor uzelven en ben ik voornemens van uw dienst partij te trekken in het belang der geheele provincie. Wat toch dringt mij thans van hier te gaan, waar mijne tegenwoordigheid bij honderd nieuwe onvoltooide scheppingen zoo noodig zou zijn, wat anders dan de zorg voor het welzijn van dit land, waar ik maar een vreemdeling ben, terwijl gij het moet liefhebben als uw vaderland en den geboortegrond van uwe familie. Ik ga naar Medina, omdat de Kalief in den brief die daar ligt mij verwijt, dat ik uit een zoo rijk land als Egypte te geringe sommen in de schatkist breng. En toch komt geen dinar van uwe belasting in mijn eigen buidel.
"Van die belasting houd ik honderd-vijftigduizend arbeiders op de been, om de kanalen en waterwerken te herstellen, die mijne voorgangers, de Byzantijnsche bloedzuigers, zoo schandelijk verwaarloosd hebben en geheel lieten vervallen; daarvoor bouw en schep ik en strooi zaad uit voor de toekomst. Dat kost geld! Dat verslindt het leeuwendeel van de inkomsten. Ik begeef mij op weg, niet om mij te zuiveren van beschuldigingen, maar om Omar te overreden mij ook voor het vervolg te vergunnen niet als een roover huis te houden, maar het ware welzijn der provincie niet uit het oog te verliezen. Ik doe het ongaarne om ontelbare redenen, en gij, jonge man, zult, als uw vaderland u wat waard is... Hebt gij het lief en wenscht gij uw geboortegrond het beste toe?"
"Van ganscher harte!" antwoordde de jonkman.
"Welaan, dan moet gij thans, wanneer het eenigszins geschieden kan, stil te huis blijven en u met alle kracht wijden aan het werk dat ik u zal opgeven. Ik haat alle uitstel. Niet lang heen en weer rijden en de paarden vermoeien, maar recht op den vijand los gaan, dat is mijne grondstelling, en niet alleen in het veld. Neem die les ter harte! Gij zult geen tijd te verliezen hebben, want wat ik verlang is niet gemakkelijk. Gij moet, gesteund door uw kennis van dit land en van zijne bewoners, alsmede met behulp van de lijsten en aanteekeningen in de archieven van uw oud stadhouderlijkhuis, waarover uw vader mij gesproken heeft, beproeven eene nieuwe indeeling in districten te ontwerpen, waarbij gij inzonderheid zult hebben te letten op hetgeen elk der districten zal kunnen opbrengen. Die oude manier van belastingheffing deugt niet, dat ondervinden wij dagelijks; gij zult speelruimte genoeg vinden voor verbeteringen van allerlei aard. Werp al het bestaande omver, wanneer gij het noodig acht. Ook anderen hebben hunne krachten beproefd aan eene indeeling in districten en eene nieuwe wijze van belastingheffing. Het beste ontwerp verdient de voorkeur en gij schijnt mij de man te zijn om den prijs weg te dragen en u daarmede een schoon, ruim veld van werkzaamheid voor de toekomst te openen. Als het geen verveling is, of verlangen naar de genietingen van eene groote stad, waaraan gij gewoon zijt, die u aandrijven dit treurige Memphis..."
"Neen heer," verzekerde Orion haastig. "Wat ik mij voornam komt mijzelven niet eens ten goede, en als ik mij niet vast verbonden had, dan vatte ik reeds morgen die heerlijke arbeid met beide handen aan. Dat gij eene goede oplossing van zulk een gewichtig vraagstuk van mij verwacht, is het schoonste geschenk, dat mij ooit ten deel viel. Om mij uw vertrouwen waardig te maken, keer ik zoo spoedig mogelijk terug en zal al wat ik aan verstand en scherpzinnigheid, aan volharding en vaderlandsliefde bezit, aan dit werk ten koste leggen. Ik ben een vlijtig scholier geweest, en schande over mij, wanneer dat, wat ik als jongeling, was, den man verhinderde, den knaap te overtreffen."
"Goed gesproken," antwoordde de veldheer en stak Orion de hand toe. "Doe uw best en gij zult ruimschoots gelegenheid vinden uwe krachten te toonen. Onthoud mijne waarschuwing voor den patriarch en den zwarten Wekil. Ik heb hier helaas niemand, die zijne plaats vervullen kan uitgezonderd den wakkeren kadhi Othman, maar deze is geen krijgsman en op zijne plaats onontbeerlijk. Obada moet mij dus wel vervangen. Ontwijk hem en de Barmhartige zij met u..."
Toen Orion op den terugweg de schipbrug achter zich had, zag hij eene versierde Nijlboot, zooals er thans hier maar zelden een landde, in de haven voor anker liggen en op de Nijlstraat kwam hij twee draagstoelen tegen, gevolgd door lastdieren en dienaars. Dat alles zag er prachtig en voornaam uit; op een andere tijd zou het hem nieuwsgierig gemaakt hebben; doch heden stelde hij zich maar vluchtig de vraag, wie zij wel zijn zouden, die waren aangekomen, waarop hij verder nadacht over het werk door Amr hem opgedragen. Uit den diepsten grond zijns harten verwenschte hij de ure, waarin hij zich verbonden had voor vreemden in de bres te springen; want hij, die na zoo lang werkeloos te zijn geweest er naar snakte zijne krachten te beproeven, die zich plotseling en als door een wonder geroepen zag op den weg, dien hij zelf zich had gekozen, gevoelde zich thans belemmerd en afgetrokken van eene taak, die hij hoopte voortreffelijk te kunnen volvoeren, en waarmede hij zijn vaderland eene dienst zou bewijzen. Eene taak bovenal die hem aantrok als met honderd magneten.
Nadat zijn testament den volgenden morgen rechtsgeldig was verklaard, verzocht hij den rentmeester om een gesprek onder vier oogen. Hij was tot de overtuiging gekomen, dat althans éen in dit huis en die eene kon enkel Nilus zijn, kennis moest dragen van het plan dat hij ging volvoeren. De rentmeester noodigde Orion dus uit hem te volgen naar het impluvium van zijn bijzonder verblijf en deze uitnoodiging werd door vele der aanwezige schrijvers vernomen, zonder dat zij zich in hun arbeid lieten storen. Alleen de jongste van allen, een aardige zestienjarige knaap, met een gebruind Egyptisch gelaat en verstandige levendige gitzwarte oogen, die elk woord van den rentmeester en zijn heer opmerkzaam gevolgd had stond zacht uit zijn neergehurkte houding op, zoodra deze twee het kantoor verlaten hadden, en sloop ongemerkt naar de voorzaal. Van daar ijlde hij naar de trapladder, die op de duiventil uitkwam, waarvoor hij altijd zorg droeg; van het hooge verblijf der gevleugelde boden liet hij zich haastig afzakken op het dak van de benedenverdieping, en kroop op handen en voeten voorzichtig tot aan het groote, opene vierkant, waardoor het impluvium licht en lucht ontving. Vlug schoof hij met de hand het zeil een weinig opzij, dat deze ruimte 'smiddags overschaduwde, en luisterde met inspanning naar het gesprek, dat weldra beneden hem plaats had.
Deze knaap was Anubis, de zoogbroeder van het kwikstaartje, en het scheen wel dat hij in de kunst om luistervink te spelen bij zijne geliefde meesteres niet achter stond, want opmerkzamer dan hij kon niemand de ooren spitsen. Hij wist ook wel waarom hij zich op het dak blootstelde aan de gloeiende pijlen van de onbarmhartige Afrikaansche zomerzon; zijne aangebodene speelnoote, die zijn jong hartstochtelijk gemoed geheel beheerschte, had hem een hartelijken kus beloofd, wanneer hij haar nadere inlichtingen kon verschaffen omtrent de gevaarvolle reis van Orion. Anubis had haar reeds gisteren avond mededeeld, wat hij in de voorzaal van het rentmeesterskantoor had afgeluisterd; maar het kwikstaartje was met deze algemeene aanwijzingen niet tevreden geweest. Zij wilde duidelijk zien, nauwkeurig weten wat er op het getouw werd gezet, en zij bedroog zich niet door te onderstellen, dat juist het loon hetwelk zij den knaap had toegezegd, hem zou aansporen om zelfs het onmogelijkste te beproeven. Anubis had echter niet gedacht, dat hij zoo spoedig zijn doel zou bereiken, hoe stout zijne verwachtingen ook waren, want nauwelijks was het hem gelukt het zeil op zijde te schuiven, toen Orion begon den rentmeester opening te geven van alles wat hij dacht te doen.
Nadat deze zijne mededeelingen had geëindigd, wachtte de knaap het antwoord van den rentmeester niet af, maar kroop, als bedwelmd door den gelukkigen uitslag van zijn pogen en het uitzicht op het loon, dat voor hem eene hemelsche zaligheid omvatte, naar de duiventil. Doch hij kon den weg niet volgen waarlangs hij gekomen was, want bevond hij zich weder in de voorzaal en trof een der andere beambten hem daar aan, dan werd hij naar het schrijfvertrek verbannen. Hij kroop dus naar de borstwering van het dak, die naar de zijde van de visschershaven gekeerd was, boog er zich over heen en greep een gootpijp om zich daarlangs te laten afglijden. Doch deze was helaas zeer oud en verteerd, hetgeen niet was opgemerkt, omdat het te Memphis zoo zelden regent; en nauwelijks volgde het lichaam van den knaap zijne handen, of het halfvergane blik scheurde krakend van een. Met de brokken van de gootpijp stortte de overmoedige jongen vier manshoogten naar beneden; men hoorde op den geplaveiden vloer een zwaren, doffen slag en jammerlijk gekerm, en kort daarna wist het geheele rentmeesterskantoor, dat de arme, flinke duivenliefhebber Anubis bij de verpleging van zijne diertjes van het dak was gevallen en zijn been gebroken had. De beide mannen in het impluvium zouden eerst later het ongeval vernemen, want er was bevel gegeven hen niet in hun onderhoud te storen.
Nilus had de vertrouwelijke mededeelingen van zijn jongen meester met toenemende verbazing, weerzin en schrik aangehoord, en toen Orion had uitgesproken, met al de overredingskracht van een trouw hart, dat zich bezorgt maakt voor het heil van lichaam en ziel van een geliefd persoon, bij hem aangedrongen om van dit waagstuk af te zien, waaruit voor hem niet anders kon volgen dan afkeuring, nadeel en vervolging. Nilus was een Jacobiet van ganscher harte en de gedachte, dat zijn jonge meester op het punt stond voor Melchietische nonnen het uiterste te wagen en den toorn, ja den vloek van den patriarch op zich te laden, kon hij niet verdragen. De welgemeende waarschuwingen en smeekingen van den trouwen beambte bleven op Orion niet zonder invloed, doch hij volhardde in zijn besluit en bracht Nilus aan het verstand, dat hij Rufinus zijn woord had gegeven en daarom niet meer terug kon treden, ofschoon hijzelf geen lust meer had in de volvoering van zijn plan. Het stuitte hem tegen de borst, ja het was hem onmogelijk den ouden braven man alleen deze gevaarlijke reis te doen ondernemen.
Oprechte bezorgdheid maakt vindingrijk en nauwelijks had Orion uitgesproken of Nilus deed hem een voorslag, die wel in staat was de laatste bedenking van den jonkman op te heffen. De Grieksche opzichter van de werf, Melampus, was een ijverig Melchiet, al durfde hij niet openlijk voor zijn geloof uitkomen. Hij en zijne beide zonen, twee frissche stevige scheepstimmerlieden, hadden reeds meermalen hunne frissche, ondernemingszucht getoond, en Nilus twijfelde niet of zij zouden maar al te gaarne aan een waagstuk deelnemen, dat de redding van zoovele geloofszusters ten doel had. Zij moesten Orions plaats vervangen en konden den ouden heer veel krachtiger ondersteunen dan hij.
De jongeling stemde met dezen voorslag in zooverre in, dat hij degelijke hulp verwachtte van de wakkere handwerkslieden, die hij zeer goed kende; hij wilde ze dus wel meenemen, maar daarom niet van zijne eigene medewerking afzien. Hij moest eindelijk Nilus, die zoo taai bleef volharden bij zijne vermaningen, het zwijgen opleggen. Desniettemin ging de bezorgde man met hem naar de werf, en de oude meester, een goedhartige reus, toonde zich zoo van harte bereid om zijne hulp te verleenen tot het redden der nonnen, "als ware elk hunner zijne eigene moeder". De jongens zouden het als een feest beschouwen, dat zij aan zulk een waagstuk deel mochten nemen. Het bleek weldra dat hij zich daarin niet bedroog, want nadat men hen in het geheim had ingewijd, zwaaide de een vol geestdrift met zijne bijl, en de ander sloeg zoo vroolijk met zijne stevige vuist in de linkerhand, als zou hij ten dans gaan. Onverwijld stapte Orion met alle drie in eene boot en liet zich naar het huis van Rufinus roeien, om hen aan dezen voor te stellen, en zij bevielen den ouden man voortreffelijk.
Orion bleef bij hem; hij had hem gisteren beloofd het ontbijt met hem te gebruiken en dat stond gereed. Paula was reeds sedert een uur in het klooster en kon, zooals vrouw Johanna verzekerde, elk oogenblik terugkeeren. Men zette zich dus zonder haar aan tafel, de schotels werden opgedragen, het maal liep ten einde en nog altijd was zij niet terug. Orion had aanvankelijk zijne teleurstelling weten te verbergen, maar eindelijk werd hij geheel door dit gevoel beheerscht, zoodat het zijne gastvrouw moeite kostte, hem door vragen en wedervragen korte en verstrooide antwoorden te ontlokken. Ook Rufinus werd bezorgd, maar juist toen hij opstond om naar Paula te gaan uitzien, zag Pulcheria, die aan het venster stond, haar komen en vloog met een vroolijk "daar is zij!" naar buiten.
Weder verliep de eene minuut na de andere, van een kwartier werd het een halfuur, en Orion wachtte nog altijd te vergeefs op de jonkvrouw. Zijne blijde verwachting had reeds lang voor ongeduld, het ongeduld voor het gevoel van gekrenkte waardigheid en dit voor spijt en bitterheid plaats gemaakt, toen Pulcheria eindelijk in hare plaats het eetvertrek binnentrad en hem uit naam van Paula verzocht in den tuin te komen.
Buitengewoon lang was zij in het klooster opgehouden. Gelijk de rook, die de ijmker in een bijenkorf laat trekken, had de treurmare de stille, vrome zusters uit haar gewone rust opgeschrikt en allen door elkander gejaagd. Zij moesten heden wat het meest van waarde was bijeen pakken, en hoewel Orion gezegd had, dat maar een klein aantal kisten en zakken in de boot plaats konden vinden, kwam de eene haar bidstoeltje, de ander een groot heiligen beeld, een derden een koperen vischketel, en een vierde, vijfde en zesde zelfs met de groote kast met de gebeenten van den martelaar Ammonius aandragen, waaraan de priesterkerk haren bijzonderen roep van heiligheid dankte. De abdis had met al hare zeggingskracht en waardigheid tusschenbeide moeten komen, om al dat overtollige terug te houden, en menige zuster, die met hare dierbare maar al te omvangrijke bezitting werd afgewezen, was weenende met haar schat afgetrokken. De overste van de nonnen was eerst in de gelegenheid geweest zich geheel aan Paula te wijden, nadat men een overzicht had kunnen nemen van de geheele bagage, die zou worden medegevoerd. Zij had de jonkvrouw daarna naar haar woonvertrek gebracht, dat met kostbare en degelijke voorwerpen keurig versierd was, en haar met oprechte deelneming gelegenheid gegeven het hart voor haar uit te storten. Wie deze twee te zamen had gezien, zou licht hebben kunnen denken, dat een bekommerde dochter haar toevlucht had gezocht aan het hart eener moeder, om raad bij haar in te winnen; want de grijze abdis kon in hare jeugd veel gelijkenis hebben gehad met de dochter van Thomas. De voorname en toch aanvallige houding der jonkvrouw was alleen bij de matrone tot eene vorstelijke, nederbuigende waardigheid geworden, en men kon het haar ernstig gesloten mond niet meer aanzien, dat deze eens het aanminnig sieraad van haar gelaat was geweest. Terwijl zij de mededeelingen van het meisje volgde, veranderden hare rustige oogen telkens van uitdrukking, zij tintelden enkel van fanatischen gloed, wanneer geloofsijver haar gemoed vervulde. Zij kreeg van allerlei te hooren, want Paula beschouwde dit onderhoud als eene biecht, en verzweeg voor hare moederlijke en tegelijk priesterlijke vriendin niets van alles wat er in haar uitwendig leven, in haar hoofd en hart was omgegaan, sedert zij het huis van den Mukaukas had betreden. Zij hield niets in hare ziel verborgen, trachtte niets te bemantelen of te vergoelijken, en toen zij de mannelijke worsteling van haar geliefde schilderde om al den ernst van het leven te begrijpen, werd zij door liefde en geestdrift medegesleept ten einde zijn beeld, dat een oogenblik door eene donkere schaduw verduisterd was, in des te helderder glans te laten schijnen.
Nadat Paula ten laatste hare biecht geëindigd had, was de abdis een tijd lang zwijgende blijven zitten. Toen had zij het meisje tot zich getrokken en op liefderijken toon gevraagd: "En thans? Niet waar, alles wat in u is dringt en drijft u om den hartstocht, die op zoo bijzondere wijze zich van u meester heeft gemaakt, zijn loop te laten, den geliefden man in de wijdgeopende armen te snellen, u aan hem over te geven en te zeggen: 'Hier hebt ge mij, ik ben de uwe! Haal den priester, dat hij ons zegene!'--Is het zoo, zie ik goed?"
Paula had toestemmend geknikt met een blos op de wangen, doch de oude vrouw had haar hoofd tegen haar borst gelegd en was op ernstigen toon voortgegaan: "Ik zag hem toen hij met zijn vierspan mij voorbijreed, en dacht daarbij aan menig beroemd beeldwerk van Grieksche heidenen. Hij bezit schoonheid, geboorte, rijkdom, ja ook een geest van gaven, kortom alles wat het hart van eene Paula winnen kan; en zij--dat zie ik--geeft het hem gaarne."
Wederom had het meisje haar toegeknikt, en daarop was de grijze abdis met een stille zucht, en als kostte het haar groote moeite om zich in het onvermijdelijke te schikken, voortgegaan: "Elke waarschuwing zou dus ijdel zijn.--Hij is in elk geval niet van ons geloof, hij..."
"Maar hoe hij dat hoogacht," zeide Paula, "dat toont hij, terwijl hij voor u en de uwen vrijheid en leven op het spel zet."
"Zeg: voor de geliefde," antwoordde de abdis. "Doch wij willen dit onderwerp niet verder aanroeren, hoezeer het mij ook smart mij de dochter van Thomas als de gemalin van een Jacobiet voor te stellen.--Gij zult hem niet prijsgeven, en de Vader der liefde leidt trouwe liefde langs wonderbare paden naar het beoogde doel, al gaat het soms langs omwegen, door kloven en afgronden."
Paula was haar om den hals gevallen, om haar dankbaar te kussen, doch de abdis had het gelukkige meisje maar korten tijd laten begaan, en haar daarna aan haar zijde doen neerzitten. Met Paulas rechterhand in hare beide handen was zij toen overgaan op den toon van kalm overleg. Zij en de zusters, zoo begon zij, waren Orion grooten dank verschuldigd. Haar vurigste wensch was dat Paula als vrouw het hoogst geluk op aarde zou vinden, doch daar zij om raad had gevraagd mocht de abdis haar de oogen niet doen sluiten voor de gevaren die juist dat geluk dreigden te ondermijnen. Achter haar, de abdis, lag een lange reeks van allerlei ervaringen; zij had ontelbare jonge mannen leeren kennen, die als groote zondaars door vader en moeder, door de kerk en alle goede menschen waren opgegeven, en velen van dezen hadden hun dag van Damascus gezien. Er was voor hen een keerpunt gekomen en de verloren gewaande zonen waren uitnemende, vrome mannen geworden.
Onder dit verhaal was Paula met van vreugde stralende oogen nog dichter bij haar gekomen; doch de abdis had ontkennend het hoofd geschud, en terwijl haar gelaat eene steeds klimmende geestdrift verried, vervolgde zij op hoog ernstigen toon: "Intusschen mijn kind, bij deze allen had de genade gewerkt, was het wonder geschiedt, dat wij wedergeboorte noemen. Zij waren dezelfde gebleven naar het vleesch en de grondtrekken van hun wezen, maar hunne verhouding tot de wereld en tot het leven was eene geheel andere geworden. Wat hun vroeger wenschelijk voorkwam dat werd thans door hen verafschuwd, wat vroeger van waarde scheen was voor hen nietig, het nietige van waarde geworden. Hadden zij vroeger alles tot hunne eigene wenschen teruggebracht, thans beschouwden zij alles in het licht van God en zijn wil. De oude neigingen waren dezelfde gebleven, doch zij lieten zich binnen de perken houden door de nooit sluimerende erkentenis, dat zij niet den weg baanden tot blijvende vreugde, maar tot eeuwig verderf. Deze wedergeborenen leerden de wereld te verachten, en in plaats van naar het stof was hun blik opwaarts naar den hemel gericht. Wie van hen struikelde, hij werd door den nieuwen geest die in hem werkte gedwongen het evenwicht weer te vinden, alvorens geheel te vallen.--Doch Orion? Uw geliefde? Naar ik zie stapt hij over zijne schuld heen en wacht hij eene verzoening met God van het volbrengen eener waardige levenstaak in deze wereld. Niet alleen is zijne gezindheid dezelfde gebleven, maar ook zijne betrekking tot het leven en tot al de goederen, die het den kinderen dezer wereld aanbiedt. Zinnelijke liefde drijft hem aan, te streven naar wat hoog en groot is, met ernstigen wil tracht hij het te bereiken, doch hij kan en zal struikelen over elken steen, dien de duivel hem in den weg werpt, en het zal hem zwaar vallen weder op te staan; want het ongeluk heeft hem niet wedergeboren tot een nieuw leven in God. Juist zulke jonge mannen zag ik ontelbare malen terugzinken in de zonde, waaraan zij zich ontworsteld hadden, en voor wij ons geheel en al mogen toevertrouwen aan een man, die, al is het ook maar eens, zoo ver is afgedwaald van de wegen Gods, en bij wien de genade hare krachtige werking nog niet heeft getoond, is het noodig zijn gang en zijne handelwijze langer dan enkele dagen na te gaan. Gevoelt gij u gedrongen om vast te houden aan de neiging uws harten, werp u dan niet eer in de geopende armen van den geliefde, geef niet eer het reine heiligdom van lichaam en ziel aan hem over, word niet eer de zijne, voor hij eerst zich geheel standvastig heeft getoond."
"Maar ik geloof aan hem!" riep Paula onder een vloed van tranen.
"Gij gelooft, omdat gij liefhebt," antwoordde de abdis.
"En omdat hij het verdient."
"Sedert hoe lang?"
"En was hij niet een voortreffelijk jonkman vóor dien misstap?"
"Dat is ook menig moordenaar geweest. Eén oogenblik was voldoende om zoovelen als misdadigers uit de samenleving te verbannen."
"Zijne omgeving draagt hem nog altijd op de handen."
"Als den zoon van den Mukaukas."
"En omdat hij door hetgeen hij is aller harten wint."
"Ook het hart van den Allerhoogste?"
"O moeder, moeder waarom meet gij hem naar den maatstaf uwer den hemel gewijde ziel! Hoe weinig uitverkorenen worden de genade deelachtig, waarvan gij spreekt!"
"Wie als hij gezondigd heeft, moet er met inspanning naar streven."
"Dat doet hij, moeder, op zijne wijze."
"Die verkeerd is, verkeerd voor allen die zulke zonden hebben begaan. Alles, waarnaar hij streeft, zijn wereldlijke goederen."
"Neen, neen, hij staat vast in het geloof aan God en den Heiland. Hij is geen bedrieger."
"En toch gelooft hij zich van de boete ontslagen te kunnen rekenen."
"Vergeeft de Heer ook niet alles, na oprecht berouw? En hij heeft berouw gehad; hoe zwaar, hoe bitter zwaar heeft hij geleden!"
"Zeg liever: de striemen gevoeld, die de gevolgen waren van zijne ongerechtigheden. Er volgen nog meer, en hoe zal hij ze dragen? De verzoeking loert van alle zijden en hoe zal hij aan haar ontkomen? Als een waarschuwende moeder ben ik verplicht u toe te roepen: houd zijn en uw hartstocht nog in bedwang; ga voort hem te beproeven en sta hem niet eerder zelfs het kleinste toe, jonkvrouw, voordat hij..."
"En tot wanneer, ja hoelang zal ik zoo onwaardig op wacht staan?" zeide Paula, snikkende. "Is dat liefde, die niet vertrouwt, niet bereid is ook saam te leven met hem, wiens schreden nog niet vast staan?"
"Ja, mijn kind, ja," antwoordde de grijze abdis. "Alles te dulden, alles te verdragen is de plicht der ware liefde en ook de uwe; doch eerst dan zult gij uzelve en hem door den onverbrekelijksten aller banden laten binden, wanneer hij die wankelde een wandelaar is geworden, die met vasten stap voorwaarts schrijdt. Volg elk zijner schreden, sta hem met trouwe zorg ter zijde, twijfel niet aan hem als hij zich anders voordoet dan gij had verwacht, tracht met een vroom gemoed hem de genade waardig te doen worden, maar geef hem niet overijld, niet nu reeds het jawoord."
Paula voegde zich niet gewillig naar deze vermaning, maar het kwaad door Orion begaan, vervulde de abdis met groot wantrouwen. Zulk een groot zondaar, wien de vloek eens vaders had getroffen had naar hare overtuiging zich uit de wereld moeten terugtrekken, smachtende naar genade en jagende naar de wedergeboorte in plaats van aan de zijde van zulk eene bevoorrechte jonkvrouw als Paula, waaraan hij zoo innig gehecht was, de zaligheid te zoeken, die zij enkel gunde aan hare geloofsgenooten, aan wier wandel geen smet kleefde. Ja hoe gaarne had zij, die na eene stormachtige jeugd midden in de wereld eerst in het klooster zielsrust en waarachtig geluk had gevonden, het dierbaar kind der vriendin als reine bruid van Christus aan hare zijde gezien, misschien als hare opvolgster in de betrekking van abdis! Het vele verdriet, dat zij zelf door de lichtzinnigheid van trouwelooze mannen had ondervonden, had zij hare lieveling willen besparen, en daarom was zij geen duimbreed afgeweken van den inhoud van haar goeden raad en niet moede geworden de jonkvrouw met nadruk hoewel liefderijk op het hart te drukken, dat zij zich daarnaar moest gedragen. Eindelijk had Paula van haar afscheid genomen met de belofte, dat zij niet eer eene verloving met Orion zou aangaan, vóor hij uit Dumiat was teruggekeerd en de abdis haar schriftelijk had medegedeeld, welk oordeel zij zich over hem gevormd had op de aanstaande vlucht.
Zooveel tranen als bij dit onderhoud had de jonkvrouw, die zooveel geestkracht bezat, niet geweend sedert de noodlottige mis van Abyla, waarbij zij haar vader en broeder had verloren, en met een zeer beweend gelaat en hevige hoofdpijn was zij op den gloeiend heeten middag door de brandende zon weergekeerd naar het huis van Rufinus en hare oude Betta. Deze had er zeer op aangedrongen dat Paula wat zou gaan liggen, en toen zij geen gehoor vond, had zij haar tenminste overgehaald het hoofd te verkoelen met water zoo frisch als het bij zulk eene hitte te vinden was, en zich het haar door hare vaardige hand opnieuw te laten opmaken. Hare overleden moeder vond bij deze middelen altijd baat, als zij hoofdpijn had.
Toen Paula eindelijk op een schaduwrijk plekje van den tuin tegenover den geliefde stond, zagen beiden elkander schuchter en vreemd aan. Hij was bleek en blijkbaar ontstemd, en hare rood bekreten oogen en het gerimpeld voorhoofd, dat klopte en stak van pijn, droegen er niet toe bij zijne stemming te verbeteren. Het stond aan haar zich te verontschuldigen, en toen hij na zijn groet haar niet dadelijk toesprak, zeide zij dan ook op zachten, innig smeekenden toon: "Vergeef mij, dat ik zoo laat kom. Hoe lang hebt gij wel niet moeten wachten! Maar het afscheid van mijne beste vriendin en tweede moeder heeft mij zoo diep ontroerd, en was treuriger dan ik zeggen kan. Toen ik terugkwam wist ik van de hevige hoofdpijn niet, waar ik het zoeken zou, en thans.... Hoe gansch anders heb ik heden morgen vroeg gehoopt u te zullen ontmoeten!"
"Reeds gisteren," zeide hij somber, "bleef er geen tijd voor mij over.--En heden,--gij waart er bij toen Rufinus mij uitnoodigde--heden!--Ik maak geen hooge aanspraken, en mijn God, hoe zou ik dit durven doen tegenover u? Maar geldt het niet ook van mij afscheid te nemen, misschien voor altijd? Waarom moest aan eene vriendin zooveel van uw tijd en uwe kracht worden afgestaan, dat er maar een klein overschot bleef voor den vriend? Dat noem ik niet billijk verdeelen."
"Hoe zou ik het kunnen loochenen?" zeide zij droevig, "ja zeker, gij hebt gelijk, maar ik kon gisteren avond het kind, terwijl het zijne smart bij mij uitweende, niet terstond verlaten, en als gij wist hoe zeer ik verschrikte, en hoe pijnlijk mijn hart werd aangedaan, toen ik in plaats van u, een brief...."
"Ik moest naar den veldheer aan de overzijde," zeide Orion, haar in de rede vallende. "Dit avontuur dwingt mij hier veel achter te laten, en ik ben niet meer de meest vrije van alle vrijen van weleer. Gedurende dit pijnlijk ontbijt heb ik als op naalden gezeten. Maar spreken wij daarover niet meer. Met een hart vervuld van blijmoedige hoop kwam ik hierheen. En nu? Ziet gij, Paula, deze onderneming verscheurt voor mij meer banden, en laadt meer op mijne schouders dan gij u denken of weten kunt. Dat verklaar ik u later. Zij brengt mij in eene allergevaarlijkste verhouding, en om tegen alles bestand te zijn, om den frisschen moed, den blijden zin, die ik daarbij noodig heb, te bewaren, moet ik van éen ding zeker zijn, waarvoor ik zelfs nog gansch andere gevaren en moeiten als een vroolijk spel op mij zou kunnen nemen, moet ik weten..."
"Wilt gij weten," haastte zij zich te zeggen, "of mijn hart geheel en al zich voor uwe liefde heeft ontsloten..."
"Of ik," sprak hij met klimmende geestdrift, "trots al het zware lijden, dat deze arme ziel drukt, gelukkiger kan zijn dan de zaligen in den hemel. O, Paula, eenig aangebeden meisje, mag ik..."
"Gij moogt," hernam zij luide en uit den diepsten grond harer ziel. "Ik heb u lief, Orion, ik zal nooit, neen nooit meer ophouden u van ganscher harte lief te hebben."
Daar vloog hij naar haar toe, zichzelven niet meer meester omvatte hij haar met beide armen, drukte haar aan zijn hart, zonder acht te geven op de nabijheid van het huis, waar zoovele oogen hen konden zien, en overlaadde haar met vurige kussen, tot zij zich losmaakte uit zijne omarming en hem smeekend toeriep: "niet zoo, neen, bid ik u, niet zoo en nu nog niet."
"Nu, juist nu! Of wanneer anders?" vroeg hij onstuimig. "Doch hier, in dezen tuin, daar hebt gij gelijk in, hier is de plaats niet voor twee gelukkige menschenkinderen, die elkander gevonden hebben. Kom mede, ga mij voor in huis, zoek ons daar een plaatsje, waar wij ongezien en niet beluisterd alleen met ons geluk...."
"Neen, neen!" zeide zij gejaagd, terwijl zij met de hand streek over het pijnlijke voorhoofd. "Kom mede op de bank onder de sykomore, daar zitten we in de schaduw, daar kunt ge mij alles zeggen en daar zult gij ook nog eens hooren, hoe machtig de liefde mij heeft aangegrepen."
Teleurgesteld en verwonderd keek hij haar aan, doch zij liep naar de sykomore, zette zich daar neder en hij volgde haar langzaam. Zij gaf hem een vriendelijken wenk zich naast haar neer te zetten, doch hij bleef voor haar staan en zeide op doffen, treurigen toon: "Altijd dezelfde, altijd die kalmte en koelheid... Is dat het ware Paula? Is dat de machtige liefde waarvan gij spreekt? Moet dat het antwoord zijn op de smachtende kreet van een harte ontgloeid in hartstochtelijke liefde? Is dat alles wat liefde aan liefde betaalt, wat de bruid den bruidegom verschuldigd is, die op het punt is haar te verlaten?"
Zij zag hem hierop met grooten angst aan en zeide diep geroerd en innig: "O Orion, Orion! Hebt gij dan niet gehoord, gezien, gevoeld hoe zeer ik u liefheb? Gij moet het gevoelen, en is dit zoo, stel u dan daarmede tevreden. Gij, eenig geliefde, ik bezweer het u! Stel u er mede tevreden dat dit hart u behoort, dat uwe, ja uwe Paula--daar is zij, ik, ik ben het--aan niets denken, voor niets zorgen, bidden en smeeken wil dan voor u, ja voor u, thans mijn een en mijn alles."
"Nu, kom dan met mij," zeide hij driftig, "en sta den verloofde toe, waar hij recht op heeft!"
"Neen, neen, niet verloofde, nog niet!" riep zij smeekende uit den diepsten grond harer beangstigde ziel. "Ook in mijne aderen vloeit warm bloed, dat mij naar u doet smachten, ook ik verlang in uwe armen te snellen en mijn hoofd tegen het uwe te laten rusten, maar uwe bruid--heden, reeds heden mag en kan ik het niet worden!"
"En waarom niet? Laat mij weten waarom niet!" riep hij verstoord, terwijl hij zijne gebalde vuist tegen de borst drukte. "Waarom wilt gij mijne bruid niet zijn, als het waar is dat gij mij liefhebt? Waarom verzint gij deze nieuwe, afschuwelijke foltering?"
"Omdat de wijsheid mij geleerd heeft," hernam zij met jagenden boezem, snel en zacht, als vreesde zij hare eigene woorden te hooren, "omdat zij mij geleerd heeft dat de tijd daarvoor nog niet gekomen is. Ach, Orion, gij weet nog niet het verlangen, de wenschen te beteugelen, die in u branden; gij hebt al te spoedig vergeten, wat achter u, wat achter ons ligt, welk een berg er overschreden moest worden, tot wij zoover gekomen zijn dat wij elkander vinden, tot ik--ja liefste, ik moet het uitspreken--in staat ben u zonder boosheid of haat in het aangezicht te zien. Eene wonderbare geheimzinnige beschikking heeft het gewild, en ook gij hebt trouw het uwe daaraan toegebracht, dat alles geheel veranderd is, dat het zwarte nu wit is, dat de kille noordewind heeft plaats gemaakt voor een heeten wind uit het zuiden. Zoo wordt gif tot artsenij en vloek tot zegen! Uit hartstochtelijke haat is in dit dwaze hart eene even geweldige liefde ontstaan. Maar uwe bruid, uwe vrouw kan ik thans nog niet zijn. Noem het wat mij terughoudt lauwheid, noem het eene eigenzinnige bedenking, noem het zooals gij wilt. Ik noem het 'wijsheid' en prijs het, ofschoon het deze arme oogen ontelbare bittere tranen gekost heeft, alvorens hart en zin besloten waren zich te voegen naar de waarschuwende stem. En gij, houd vast aan dit éene: wat er ook gebeure, dit hart zal aan niemand anders behooren--ik ben de uwe met lijf en ziel!--Uwe bruid wil ik eerst worden als ik met even blijmoedig vertrouwen als warme liefde u mag toeroepen: 'Gij zijt overwinnaar gebleven, neem mij tot u, ik ben de uwe!' Dan zult gij voelen en erkennen, dat Paulas liefde niet koeler, niet zwakker is... O God, Orion, leer, leer mij verstaan! Gij moet het leeren om mijnent- en om uwentwil! Mijn hoofd, genadige hemel, mijn hoofd!"
Zij liet het hoofd zinken en drukte de beide handen tegen haar gloeiend voorhoofd, maar hij legde bleek en huiverend de rechterhand op haar schouder en zeide op afgemeten, drogen toon, als ware zijn stem van haar klank beroofd: "De ingewijden verlangen dat hunne leerlingen proeven ondergaan, alvorens zij de toegang verleenen tot het mysterie. Wel zijn wij in Egypte, maar het komt mij toch vreemd voor, als dit op de liefde wordt toegepast. Maar dat alles komt niet uit uzelve. Wat gij 'wijsheid' noemt, is de stem der abdis uit het klooster daarginds!"
"De stem der bezonnenheid," hernam Paula zacht. "Het verlangen des harten had deze luide overstemd, en ik dank het aan die vriendin."
"Wat dankt gij haar?" vroeg de jonkman, diep verontwaardigd. "Om dezen nietswaardigen dienst moest gij haar verwenschen, gelijk ik thans doe. Kent zij mij eenigermate? Heeft zij ooit een woord uit dezen mond vernomen? Als die neuswijze, die oververstandige beheerscheres der nonnen wist hoe het er hier binnen uitziet, zou zij u anders hebben geraden. Reeds als kind heeft men mij door vertrouwen en liefde er toe gebracht het moeielijkste te volbrengen. Wat ik ook misdreven heb, welwillend vertrouwen heb ik nooit geschonden. En wat u betreft, gij wijze en bezonnene, zoo had ik, zalig door uwe liefde en alleen op uwe goedkeuring bedacht, trotsch en gelukkig, dat ik ook uw laatsten twijfel had overwonnen, voor u zon en sterren uit den hemel kunnen halen en elke beproeving lachend in het aangezicht durven zien.--Maar zoo, zoo! In plaats van mij te verheffen vernedert gij mij, stelt ge mij voor mijzelven aan den schandpaal! Eén met u zou ik u vooruit zijn geijld naar de sferen des lichts, waar de volmaaktheid woont; maar zoo, zoo?--Welk eene taak, uwe koele liefde door goede daden als met olijfboomenhout er toe te brengen om in vlam te geraken! Welk eene bezigheid voor een man, zich voor zijne geliefde te onderwerpen aan een proef! Dat is eene foltering, die mij tegen de borst stuit, mij beleedigt, die ik niet kan verdragen, waartegen alles hier binnen in verzet komt, waarvan gij zult en moet afzien, wanneer het waar is wat ge mij zegt, dat gij mij lief hebt!"
"Ik heb u lief, ja ik heb u lief!" riep zij buiten zichzelve van aandoening, terwijl zij zijne handen greep. "Misschien hebt gij gelijk. Ik ... mijn God, wat zal ik doen?--Vorder thans geen ja of neen! Ik ben niet in staat om over het eenvoudigste te denken! Gij ziet het, hoe ik lijd!"
"Dat zie ik," antwoordde hij, terwijl hij medelijdend het oog sloeg op haar bleek gelaat en zag hoe smartelijk zij het voorhoofd fronsde, "en omdat het dan zoo zijn moet: tot heden avond! Zoek nu wat rust en zorg voor uwe gezondheid,--maar dan..."
"Dan, gedurende de vaart, op de vlucht," zeide Paula, "herhaalt gij voor de abdis, wat gij mij zoo even hebt gezegd. Zij is eene voortreffelijke vrouw; zij zal u leeren liefhebben en begrijpen, dat weet ik. Ook het woord geeft zij u zeker terug..."
"Welk woord?"
"Dat ik haar gaf, niet eer de uwe te zullen worden..."
"Voor dat ik de proef van de oningewijden heb doorstaan?" zeide Orion gramstorig de schouders ophalend. "Ga nu wat rusten, ga! Wat de schoonste ure van ons leven had moeten zijn, dat heeft eene vreemde gemaakt tot eene droevige en onzalige. Gij zijt van uzelve, ik ben van mij zelven niet zeker. Wat wij hier thans nog verder spreken, daaruit kan voor u zoo min als voor mij iets goeds voortkomen. Ga wat rusten, en vergeet in den slaap uwe smart. Wat mij betreft, ik wil trachten te vergeten, ik wil... O, als gij wist hoe het hier binnen uitziet! Vaarwel, tot een vriendelijker en gelukkiger weerzien, ofschoon ik er nauwelijks op durf hopen."
Hierop keerde hij haar ijlings den rug toe, zij echter liep hem klagende na: "Orion, vergeet het niet, Orion, gij weet dat ik u liefheb!"
Doch hij hoorde haar niet meer, en liep zonder in het huis van Rufinus terug te keeren, met haastige schreden de straat op.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Inwendig diep beleedigd, viel Orion te huis gekomen op den divan neder. Zij had gezegd, dat haar hart hem toebehoorde, doch wat was dat voor een armzalige, koele liefde, die niets vergunde voor zij zich van alle zijden verzekerd zag! En hoe had Paula aan eene derde kunnen toestaan, om zich te plaatsen tusschen hen beiden, en haar handelingen en gevoelens te besturen? Wat tusschen hen was voorgevallen, moest zij aan die derde verraden hebben. Voor deze hem vijandig gezinde Melchietische non wilde, zou hij... het was om zijn verstand te verliezen.... Doch hij kon niet terug, hij had zich tegenover den waardigen grijsaard en tegenover haar tot dit onzinnig avontuur verplicht. In plaats van de edele, trotsche beheerscheres van zijn gansche wezen zag hij in zijne verbeelding thans eene in tranen badende, onzelfstandige, koelhartige vrouw.
Daar lagen de kaarten en plannen, die hij zich door Nilus op zijn kamer had laten brengen, om ze te bestudeeren voor de taak, die de edele Amr hem had opgedragen, en toen zijn blik er op viel, sloeg hij met zijn vuist tegen den wand, sprong hij op en liep als een bezetene in dezelfde kamer op en neer, die door haar stil leven was gewijd. Daar stond nog hare luit, die hijzelf opnieuw besnaard en gestemd had. Om wat tot rust te komen, nam hij die op, greep naar het plectrum en begon te spelen. Doch het instrument was slecht, zij had zich met een armzalig ding tevreden gesteld. Hij wierp het op het rustbed en nam zijn eigen speeltuig ter hand, een geschenk van Heliodora. Hoe verstond zij de kunst om aan deze luit schoone en weeke tonen te ontlokken! Ook nu gaven hare snaren een heerlijken klank, langzamerhand begon hij er behagen in te scheppen, en de muziek bracht, gelijk zoo vaak gebeurt, zijn onstuimig gemoed tot rust. Gevoelvol en roerend klonk zijn spel, doch menigmaal greep hij zoo heftig in de snaren, dat hun geweldig trillen en ruischen deed denken aan de weeklachten en kreten van eene vertwijfelende ziel.
Daar sprong opeens, te midden van dit hartstochtelijk spel, met dreunenden knal de kam op den bodem der luit, en op hetzelfde oogenblik opende de secretaris, die hem in de hoofdstad vergezeld had, in vroolijke opgewondenheid de deur en riep hem reeds op den drempel toe: "Heer, denk eens aan! Daar komt een bode uit de herberg van Sostratus en brengt u dit tafeltje over, het is open en ik heb het gelezen. Begrijp eens, het is nauwelijks te gelooven! De senator Justinus met zijne edele gemalin, de aanzienlijke matrone Martina, zij zijn hier, hier te Memphis, en zij laten u uitnoodigen om hen te bezoeken, ten einde gewichtige dingen met hen te bespreken. Heden nacht zijn zij aangekomen, zeide de bode, en nu... Welk eene vreugde! Wat hebt gij niet in hun paleis genoten! Kunnen wij hen in de herberg laten? Zoolang er nog gastvrijheid in de wereld is, zou dit zonde zijn!"
"Onmogelijk, volstrekt onmogelijk!" zeide Orion, die de luit uit de hand had geworpen en nu zelf het tafeltje bekeek. "Waarachtig hij is het, zijn eigen handschrift! En juist die twee, die zoo moeielijk te bewegen waren om zich te verplaatsen, zijn in Egypte, hier te Memphis! Bij Zeus"--zoo zwoeren de christelijke jongelieden van hooger stand te Alexandrië en Konstantinopel nog altijd--"bij Zeus, ik ben hun verschuldigd ze hier als vorsten te ontvangen! Wacht! Gij zegt natuurlijk aan den bode, dat ik terstond zal komen, en laat het nieuwe Pannonische vierspan voor den zilveren wagen zetten. Ik ga naar mijne moeder, doch dat kan nog wachten. Gij beveelt Sebek terstond de gastenverdieping, vanwaar de kranken nu gelukkig verdwenen zijn, voor de aanzienlijke gasten in orde te laten brengen. Mijne tegenwoordige kamer worde er bij genomen en ik ga naar mijn vroeger verblijf terug. Zij hebben zeker een groot gevolg. Twintig, dertig slaven moeten aan het werk, want op zijn langst binnen twee uren moet alles gereed zijn. De beide zalen moeten bijzonder fraai gemeubeld worden. Wat er ook ontbreekt, Sebek kan zonder bedenking over alles beschikken, wat in het stadhouderlijk paleis is. Justinus hier in Egypte!--Doch maak nu voort! Neen wacht even, hier neem die geschriften en plannen,--of neen, zij zijn te zwaar voor u. Overhandig ze aan een slaaf en laat ze naar Rufinus brengen, die ze bewaren moet tot ik kom. Zeg hem, dat ik er onderweg gebruik van wilde maken; dan weet hij het wel."
De secretaris vloog de kamer uit, en Orion liet zich snel de haren ordenen en zijn treurgewaad in nieuwe plooien leggen, waarop hij zich naar zijne moeder begaf. Zij had dikwijls en veel van de hartelijke ontvangst gehoord, die haar zoon en in vroegeren tijd haar gestorven echtgenoot in het huis van den senator ten deel was gevallen, en zij vond dus dat het vanzelf sprak de zoogenaamde gastenverdieping, waartoe ook Paulas gewezen kamer behoorde, voor de reizigers in te ruimen; doch zijzelve verlangde beschouwd te worden als te zeer lijdende, om zich met de gasten bezig te houden. Zij gaf vervolgens Orion den raad om zijne reis te verschuiven, ten einde zich geheel aan de vrienden te kunnen wijden; hij verklaarde echter, dat hij zich door hen niet kon laten terughouden. Men kon zich geheel verlaten op Sebek en de overste-huishoudster, en de keizer zelf ontsloeg een kranke van de verplichtingen eener gastvrouw. Zij zou evenwel het edele paar wel toestaan, haar hunne opwachting te maken, doch ook dit sloeg vrouw Neforis af, het was voldoende als de gasten dagelijks in haar naam en met hare groete uitgelezen vruchten en bloemen en ten laatste kostelijke geschenken ontvingen.
Orion oordeelde dit plan harer waardig en weldra rende hij met zijne Pannoniërs den hof uit. Bij de haven ontmoette hij den kapitein van het schip dat hij gehuurd had, hield hem haastig twee vingers voor en deze gaf door herhaald hoofdknikken te kennen, dat hij de beteekenis van dezen wenk: "twee uren voor middernacht wordt gij verwacht," verstaan had. Het zien van den door de zon verbranden schipper en het vooruitzicht voorname vrienden hunne goedheid te kunnen vergelden, wekte hem weder op, en hoezeer het hem leed deed juist deze gasten te moeten verlaten, zoo begonnen de gevaren die hem wachtten toch weder zijne zenuwen te prikkelen. Het zou hem niet zwaar vallen de abdis onderweg voor zich te winnen, en Paula zou hij misschien heden avond nog tot rede brengen. Justinus en zijne vrouw waren ook Melchieten, en hij wist dat zij, die hij hoogschatte, met zijn plan zeker ingenomen zouden zijn, als hij hen in zijn vertrouwen nam.
De herberg van Sostratus, een verbazend groot, vierkant gebouw, dat een ruimen hof omsloot, was de voornaamste en grootste van de stad. De oostzijde was naar de straat en den Nijl gekeerd en bevatte de beste vertrekken van het huis, die de senator met zijne gemalin en die hem vergezelden sedert den afgeloopen nacht bewoonden. Het geratel van het vierspan lokte Justinus naar het venster, en zoodra hij Orion herkende, zwaaide hij met een tafellaken, dat hij dadelijk had gegrepen, in de straat, riep hem een vroolijk "welkom" toe, en ging daarna snel in het vertrek terug.
"Daar is hij," zeide hij tot zijne gade, die slechts met de noodzakelijkste kleedingstukken bedekt op een rustbed lag, zich door een knaap wat koelte toe liet waaien, en van tijd tot tijd een beker met vruchtensap aan de droge lippen bracht.
"Wel komaan, dat is goed!" antwoordde de matrone en beval hare kamenier zoo spoedig mogelijk een overkleed, maar het dunste dat zij vinden kon, te brengen. Vervolgens richtte zij zich tot een zeer lieftallig vrouwelijk wezen, dat reeds bij den eersten roep van Justinus van den divan was opgesprongen, en vroeg: "Wilt gij, dat hij u hier dadelijk zal vinden, mijn hartje, of laat gij ons liever eerst met hem spreken en hem vertellen, dat wij u hebben medegetroond?"
"Dat zal wel het beste zijn," antwoordde zij tot wie de vraag werd gericht, met eene welluidende stem. Zij haalde diep adem, alvorens zij angstvallig vervolgde: "Wat zal hij nu van mij denken? Men wordt oud, maar die dwaasheid, die dwaasheid..."
"Neemt toe!" zeide de matrone lachende, "of wordt zij met de jaren minder? Doch daar zal hij reeds zijn."
De jonge vrouw vloog naar eene zijdeur, waarachter zij verdween. Vrouw Martina zag haar na, en terwijl zij met den vinger haar gemaal in de richting wees, zeide zij: "Zij laat de deur op een kiertje staan. Lieve God, bij deze hitte ook nog verliefd zijn, eene griezelige gedachte!"
Daar ging de deur open en nu volgde eene allerhartelijkste begroeting. Men kon het den jonkman en dit bejaarde paar aanzien, dat zij zich innig verheugden over dit wederzien.
Toen Justinus Orion omarmde riep de matrone: "Mij ook een kus!" en nadat de jonkman spoedig en blijde aan haar wensch had voldaan, klaagde zij zuchtende: "O mensch, o menschenkind, groote Sesostris! Hoe is uw beroemde voorvader in staat geweest onder zulk eene zon groote dingen tot stand te brengen! Wat mij betreft, ik verga, ik smelt hier als boter; doch wat doet men al niet voor die men liefheeft!--Maar Syra, Syra! Om godswil nog zoo'n kleinigheid, dat er als een kleedingstuk uitziet. Hoe verstandig zijn toch de modes der Afrikaansche boeren, die wij onderweg meermalen hebben ontmoet! Wanneer zij een doekje dragen van een vinger of drie breed, dan meenen zij al zeer net aangekleed te zijn.--Maar ga nu zitten, zitten hier aan mijne voeten! Een stoel voor den heer, Argos, dan wat wijn, en het water in zulk eene vochtige, aarden kruik, en zoo koel als straks. Manlief, ik vind dat de jongen er nog aardiger uitziet. Maar lieve God, dat rouwgewaad! Hoe treurig staat het hem! Arme, arme jongen; wij hebben het reeds te Alexandrië gehoord!"
Zij droogde daarbij hare oogen af en tegelijk de zweetpaarlen op haar voorhoofd, en haar gemaal voegde de betuiging van zijne deelneming over den dood van den Mukaukas bij de hare. Het was een aangenaam, vroolijk paar, die Justinus met zijne Martina: twee menschen, die zich zoo recht te huis gevoelden in hun grooten, door erfenis verkregen welstand, en die, ofschoon van hooge geboorte, nooit met hun adeldom te koop behoefden te loopen, daar hun die in de oogen van groot en klein toekwam. Zij hadden zich het recht veroverd, om in de stijve vormen van de deftigste gezelschappen natuurlijke menschen te blijven, en wie den vrijen toon van hun huis niet beviel, die konden wegblijven. Hij, zonder eerzucht, senator ingevolge zijne bezitting en zijn naam, was er steeds op bedacht van deze schijnbare waardigheid nooit een ander gebruik te maken, dan om bevoorrechte dienaars van het huis betrekkingen of de zijnen bij feestelijke gelegenheden goede plaatsen te bezorgen, en toonde zich overigens een gastvrij heer, een vriend zijner vrienden, die even gaarne prettig leefde als leven liet. Martina was eene doodgoede matrone, die nooit aanspraak had gemaakt op schoonheid, maar om wier hand toch velen hadden gedongen. Sedert lang vond dit echtpaar het nergens heerlijker dan in de hoofdstad of op hunne villa aan den Bosphorus, en het versmaadde daarom het genot van andere voorname en rijke personen, om baden te bezoeken of nu en dan op reis te gaan. Zij vonden er hun genoegen in het goede vrienden in hun huis aangenaam te maken; en aan de zoodanigen was nooit gebrek, vooral ook omdat zij, die aan het Byzantijnsche hof den rug moede hadden gebogen, in hun ongedwongen kring bijzonder behagen schepten.
De jeugd koos Martina gaarne tot haar vertrouwde en ook Heliodora, de weduwe van haar eigen neef, was met haar harteleed tot haar gekomen; zij toch had Orion in hun huis leeren kennen. Heliodora was de lieveling van het oude paar, maar hoog, hooger dan zij, stond in beider achting de jongere broeder van haar gestorven gemaal. Deze was bestemd geweest hun erfgenaam te worden, doch zij hadden hem twee jaren lang beweend, daar de tijding tot hen gekomen was, dat Narses die als tribuun onder de keizerlijke ruiters had gestaan, in den strijd tegen de ongeloovigen was gevallen. Intusschen was niemand in staat nadere zekerheid te geven van zijn dood, tot hunne onvermoeide nasporingen aan het licht hadden gebracht, dat hij door de Saracenen gevangen was genomen, en in Arabië als slaaf diende. Door Orion en zijn gestorven vader hadden zij de bevestiging van deze tijding en weinige uren na de afreis van den jongen Egyptenaar een met bevende hand geschreven brief van den verlorene ontvangen, waarin hij hun smeekte zijne verlossing door Amr, den stadhouder van Egypte, te bewerken. Het bejaarde paar was nu op reis gegaan en Heliodora had het hare er toe bijgebracht om hen tot dezen stap te bewegen. Haar verlangen naar Orion, wien zij een vol jaar had toebehoord met al de toewijding van een teeder gemoed, was sedert zijn vertrek van uur tot uur toegenomen, en zij had dit der matrone niet verheeld. Deze hield het weder voor haar plicht het arme, minzieke kind bij te staan, want Heliodora had haar echtgenoot, den neef van den senator, tot aan zijn einde met roerende trouw en zorgvuldigheid verpleegd, en bovendien was zij, Martina, het geweest, die den jongen Egyptenaar, die "het haar gedaan had," de gelegenheid had aangeboden om de jonge weduwe te ontmoeten. Die twee wáren immers voor elkander geschapen, en te koppelen was haar grootste genot. Maar in dit geval hadden alleen de harten, niet de handen elkander gevonden, en het was voor Martina eindelijk zeer pijnlijk geworden, als zij Orion en Heliodora door de geheele wereld en met alle recht een verloofd paar hoorde noemen.
Eens had zij den jongen Egyptenaar op hare innemende manier recht ernstig aangesproken en ten antwoord ontvangen, dat zijn vader, een Jacobiet, hem nooit zou vergunnen met eene vrouw van eene andere geloofsbelijdenis te huwen. Daar had zij toen weinig tegen kunnen inbrengen; doch zij had vaak gedacht, als ik Heliodora maar eens aan den ouden Mukaukas voorstellen kon, dan zou hij, dien zij jaren geleden in de hoofdstad had gekend als de schoone jonge vriend van aanminnige vrouwen, zijn tegenstand wel hebben opgegeven. Haar lieveling bezat inderdaad alles, wat in een vaderhart de oprechte wensch kon doen opkomen haar met zijn zoon te verbinden. Zij was van goeden huize, de weduwe van een aanzienlijk man, rijk, pas twee-en-twintig jaren oud, en bezat eene schoonheid, die oud en jong in verrukking moest brengen. Martina meende geen lieftalliger, zachter schepseltje te kennen. Hare groote, smachtende oogen, ze noemde ze "biddende", moesten een steen vermurwen, en haar blond, licht golvend haar was zoo zacht als haar gemoed. Daarbij kwam hare gevulde, buigzame gestalte, en de wijze waarop zij zich wist te kleeden, te zingen en de luit te tokkelen! Niet zonder reden trachtte al wat jong en voornaam was te Konstantinopel hare gunst te verwerven. Kon de oude Mukaukas haar maar eens hooren lachen! Er was niets vroolijkers te bedenken dan dit gelach, dat helderder klonk dan eene klok. Zij stond in geestes-ontwikkeling nu juist niet bijzonder hoog, maar evenmin kon men haar onnoozel noemen. Al te verstandige vrouwen vielen niet altijd in den smaak van iedereen.
Toen tot de reis naar Egypte besloten werd, stond het van te voren bij Martina vast, Heliodora mede te nemen en in Memphis de plagerij, die hare lieveling op ieders tong had gebracht, tot ernst te doen worden. Toen zij nu te Alexandrië vernam, dat de Mukaukas Georg inmiddels gestorven was, hield zij het spel voor gewonnen. En nu waren zij te Memphis, nu zat Orion voor haar en nu noodigde de jonge man haar en haar geheele gevolg dat uit een twintigtal personen bestond, bij zich in zijn huis. Het sprak vanzelf dat de reizigers aan dezen eisch van het gastrecht gaarne gevolg gaven, en er werden terstond toebereidselen gemaakt tot de verhuizing.
Justinus vertelde wat hem bewogen had naar Egypte te gaan en verzocht Orion om zijne hulp. De jonkman had den neef des senators als een der schitterendste en beminnenswaardigste jongelieden in de hoofdstad gekend, en het deed hem oprecht leed, de vrienden te moeten mededeelen dat de man, die de bevrijding van den gevangene gemakkelijk bewerken kon, overmorgen naar Medina dacht te vertrekken, terwijl hijzelf zich gedwongen zag nog hedenavond voor onbepaalden tijd op reis te gaan. Hij bemerkte, hoe deze zeer stellig uitgesprokene verzekering het oude paar teleurstelde en bedroefde, en op aandringen van den senator deelde hij hem en zijne gemalin onder het zegel der gestrengste geheimhouding mede, wat hem van hier riep en welk een gevaarlijk waagstuk hij op zich had genomen te volbrengen. Hij had zijn verhaal begonnen in de overtuiging, dat zijne orthodoxe gasten er mede ingenomen zouden zijn, maar tot zijne verbazing keurden beiden zijn voornemen af, en dat, gelijk zij verzekerden, niet alleen om hun zelven en de hulp die zij van hem verwachtten.
De senator maakte hem opmerkzaam, dat hij het natuurlijk hoofd was der Egyptische bevolking van zijn vaderland en dat hij door zulk een onderneming zijn gezag ondermijnde bij hen, wier leiding hem toekwam als de zoon van zijn vader. Zijne eerzucht moest hem voorschrijven naar die leiding te streven, en in plaats van den patriarch door zulk een avontuur in het aangezicht te slaan, was het zijn plicht, hand aan hand met den prelaat, wiens macht hij veel te gering schatte, zijne geloofsgenooten een dragelijk bestaan te bezorgen in dit door de muzelmannen veroverde land.
Paulas naam werd in dit gesprek niet genoemd, doch Orion dacht aan haar en bleef standvastig bij zijn besluit, ofschoon eene stem in zijn binnenste zich er heftig tegen verzette. Om echter de vrienden te toonen hoeveel er hem aan gelegen was hun welgevallig te zijn, sloeg hij hun voor terstond met Justinus den stroom over te gaan en zijne zaak den stadhouder Amr voor te dragen. Een blik naar buiten deed hem zien, dat er voor zonsondergang nog ongeveer anderhalf uur moest verloopen. De rit met zijn snelvoetige Pannonische rossen behoefde niet meer tijd in beslag te nemen, en gedurende zijne afwezigheid met Justinus kon de verhuizing plaats hebben. Reeds hielden vrachtwagens uit het stadhouderlijk paleis voor de herberg stil, en andere wagens waren later besteld, om de lieve gasten naar hun nieuw verblijf te brengen.
De senator nam den voorslag van den jongeling aan, en terwijl beide mannen zich verwijderden, riep mevrouw Martina Orion achterna: "Mijn senator zal u onderweg wel bewerken, en wanneer gij zijn verstandig voorstel aanneemt, ontvangt gij daarna eene schoone belooning. De goudtalenten niet ontzien, oudje, tot de veldheer belooft voor de bevrijding van den jongen te zullen zorgen.--Luister naar mij, Orion, en laat die dwaze streek varen."
De zonneschijf was nog niet geheel achter de Lybische bergen verdwenen, toen het snuivende met wit schuim bedekte vierspan het stadhouderlijk hof weder binnenreed. De mannen hadden helaas niets uitgericht, want Amr hield eene wapenschouwing over de troepen tusschen Heliopolis en Oniou en werd eerst in den nacht of morgen vroeg terug verwacht. De verhuizing uit de herberg was afgeloopen, en men zag de blanke slaven van het senatorspaar reeds tusschen de bruine en zwarte van het stadhouderlijk huis. Vrouw Martina was in verrukking over haar nieuw verblijf, en over de prachtige haar ten deele onbekende bloemen, waarmede de lijdende huisvrouw de beide groote ontvangzalen als een welkomstgroet had laten opsieren, doch het mislukte bezoek in Fostat viel als honingdauw op hunne vroolijke stemming.
Orion, zeide zij, moest dit ongelukkig gesternte als een godsoordeel beschouwen. De hemel zelf verlangde, dat hij zijn avontuur zou opgeven en zich tevreden stellen met de voorbereiding van dat edele werk, dat ook zonder hem uitvoerbaar was, om een ander werk, waarbij zijne hulp dringend noodig was, alleen uit vriendschap ten einde te brengen. Hij echter gaf opnieuw zijn leedwezen te kennen, dat hij ondanks alles zich moest vasthouden aan zijn genomen besluit, en als Martina hem vroeg: "Ook wanneer mijn geschenk u bij uitnemendheid welgevallig is," antwoordde hij met een droevig hoofdknikje, als wilde hij zeggen, "helaas, ook dan!"
"Dat zullen we zien," hernam zij op luchtigen toon, waarna zij met ernst vervolgde: "Ieder mensch heeft iets eigenaardigs, wat zijn bijzonder karakter uitmaakt en wat hem goed staat: zoo hebt gij uw beminnenswaardig voorkomen, mijn zoon! Maar zoo vast op éen stuk te blijven staan, dat past niet voor u, dat staat u zoo vreemd, en is juist het tegendeel van hetgeen ik bij u beminnenswaardig noem. Wees u zelf, ook in dit geval!"
"Dat wil dus zeggen, zwak en bereid om in te willigen, inzonderheid wanneer goedhartige vrouwen..."
"Als oude vrienden u smeeken," verbeterde zij snel; doch voor zij verder ging, wendde zij zich tot haar gemaal en zeide: "Lieve God, man, kom eens hier aan het venster! Hebt gij ooit zulk een gloed van purper en goud aan den hemel gezien? Het is waarlijk als stonden die oude pyramiden en geheel Egypte in vlammen. Maar nu, groote Sesostris"--zoo noemde zij Orion, als zij goed in haar humeur was--"nu is de tijd gekomen, om u te laten zien wat ik voor u heb medegebracht. Eerst deze ring," en daarbij overhandigde zij hem een kostbaren armring, met gesneden steenen van oud-Griekschen arbeid bezet, "en dan--neen, neen, nog geen dank--en dan... Het ding is nogal groot, en bovendien... Volg mij maar." Met deze woorden liep zij uit de ontvangzaal naar het voorvertrek, ging hem tot aan de deur van de kamer vooruit, die eerst Paula en toen hemzelven gehuisvest had, opende die even, wenkte hem binnen te gaan, en schoof Orion met een vluchtig: "Ziedaar, daar hebt gij het" over den drempel.
Heliodora stond dicht bij het venster. De lichte weerschijn van de ondergaande zon omscheen hare slanke en toch gevulde lenige gestalte; hare smeekende oogen zagen hem met eerbiedige bewondering aan, en de over de borst gekruiste blanke armen gaven haar het aanzien van eene heilige, die met smachtend verlangen, in het vooruitzicht van onuitsprekelijke zaligheid, deemoedig een wonder wacht.
Ook vrouw Martinas oogen waren op hem gevestigd en zag, hoe hij bij den aanblik der jonge vrouw doodsbleek werd, hoe hij door een zeker, zij wist niet welk, gevoel aangegrepen hevig verschrikte en voor de met een krans van licht omgevene gestalte daar aan het venster terugtrad. Zulk een uitwerking had de goede matrone niet van deze verrassing verwacht. Behalve op het theater kon zij zich niet herinneren ooit een man gezien te hebben, die zoo door de liefde werd aangegrepen, want zij vermoedde niet dat het hem was als had zich plotseling een gapende afgrond voor zijne voeten geopend. Met eene behendigheid, die niemand van de matrone met haar zwaar, dik lichaam verwacht had, keerde vrouw Martina daarop haastig naar haar man terug, en riep hem reeds van den drempel toe: "Alles is goed, alles is in orde! Bij haar aanblik was het, als had de bliksem hem getroffen. Let op--daar wordt hier aan den Nijl nog bruiloft gevierd."
"Mijn zegen erop," antwoordde de senator, "maar bruiloft of geen bruiloft, als zij dien kostelijken jongen maar zoo van de wijs brengt, dat hij dit dolle avontuur uit zijn hoofd zet. Ik heb gezien dat ook die bruine kerels bij de Arabieren voor hem ter aarde buigen, en zoo iemand, dan overreedt hij den stadhouder voor Narses het zijne te doen. Hij mag, neen, hij mag niet weg! Gij hebt Heliodora toch op het hart gedrukt...."
"Dat zij hem vasthoudt?" zeide de matrone lachende. Ik zeg u, zij nagelt hem hier vast, als het zijn moet."
"Nu dat is goed!" hernam Justinus. "Maar vrouw, het past toch inderdaad niet, dat gij hen zoo aan elkaar opdringt, zou men kunnen zeggen. Eigenlijk zijt gij toch zoowat haar vrouwelijke mentor, hare moederlijke patrones."
"Lieve hemel!" antwoordde Martina. "In ons huis hebben zij ook geene getuigen genoodigd bij hunne samenkomsten. Eerst moet dat arme, verliefde volkje zich toch uitspreken en zich verblijden over het wederzien! Daarna kom ik wel tusschenbeide en dan ben ik weer in allen ernst de bezorgde moederlijke vriendin. Tinus, Tinus! Als het hier nog tot eene bruiloft komt, God weet of ik dan nog niet barrevoets eene bedevaart doe naar de heilige Agathe."
"En ik slechts op één schoen!" verzekerde de senator, "want--alles wat betamelijk is--dat gebabbel over Dora ging ten laatste de grenzen te buiten. Het ging niet langer, om die twee te zamen bij ons te zien. Maar nu... neen in ernst! Ga nu naar hen toe...."
"Dadelijk, dadelijk!" antwoordde de matrone. "Maar eerst nog even hier aan het venster! O die zon! Ja, nu is het te laat. Nog geen twee minuten geleden zag de gansche hemel er uit als mijne roode Syrische mantel. Nu ligt daaronder alles in het duister. Het huis, de tuin zijn mooi, en alles is oud en degelijk: juist zoo heb ik mij de bezitting van den rijken Mukaukas gedacht."
"Ik ook," hernam Justinus. "Maar nu zult gij gaan! Worden zij het eens, dan mag Dora van geluk spreken."
"Dat zou ik meenen!" zeide vrouw Martina. "Maar hare villa behoeft zij ook niet weg te stoppen, en daar zullen zij elken zomer wonen, dat zal ik doorzetten. Wanneer die arme, beste jongen, Narses, er het leven niet af brengt--want twee jaren als slaaf te dienen, dat wil wat zeggen--dan zou ik in staat zijn...."
"Het testament te veranderen? Dit is zoo kwaad niet: doch daarmede hebben we den tijd, nu moet ge terstond gaan!"
"Dadelijk, dadelijk! Men moet toch kunnen uitspreken. Ik voor mij zou niemand weten, dien ik liever in de plaats van Narses stelde...."
"Als Orion en Dora? Nu, mij goed, maar thans..."
"Misschien is het zondig zich een levende reeds onder de dooden te denken... De arme jongen mag in geen geval naar zijne ruiterij teruggezonden worden."
"In geen geval; maar Martina..."
"Morgen zal Orion den Arabier onze zaak eens na aan het hart leggen..."
"Als hij maar hier blijft!"
"Willen we wedden dat zij hem vasthoudt?"
"Dan zou ik wel een gek zijn!" zeide de senator lachend. "Krijg ik ooit iets van u als ik win? Maar thans, alle scherts ter zijde, thans gaat ge, om naar beiden te zien!"
Ditmaal volgde de matrone het bevel van haar gemaal, en zij had de weddenschap gewonnen, want waartoe Orion noch door den brief van zijne schoonzuster, noch door de vermanende stem van zijn kinderlijk geloof, noch door de trouwhartige waarschuwing van den eerlijken beambte, noch door de overtuigende beweegredenen van den senator te brengen was geweest, daartoe had de zoete vleierij van Heliodora hem verleid.
Hoe was de liefde in haar hart ontvlamd, toen zij had bemerkt dat haar aanblik hem zoo diep had geschokt; met welk een roerende hartelijkheid was zij in zijne armen gezonken; hoe ootmoedig en als verteerd door zoete smart en zalige vreugde was zij neergegleden aan zijne voeten, had zij zijne knieën omvat en hem met betraande, van dweepende vereering sprekende oogen gebeden haar heden niet te verlaten, ten minste nog tot morgen te blijven, om haar dan, als hij wilde, in het stof te vertreden. Nu, juist nu, van hem te scheiden, terwijl zij door smart en innig verlangen opgewonden, hem had weergevonden, om zich te zien prijsgeven aan een onzeker lot, dat zou haar einde, dat zou zeker haar dood zijn. En toen hij zich desniettemin trachtte te verzetten, was zij hem om den hals gevlogen, had zij zijn mond met brandende kussen gesloten en hem allerlei vleiende namen in het oor gefluisterd, die hem eens zoo dierbaar waren geweest.
Waarom had hij nooit ernstig beproefd haar tot de zijne te maken, waarom haar zoo snel vergeten? Omdat zij, die tegenover anderen hare waardigheid streng wist te bewaren, zich aan hem na enkele ontmoetingen zonder weerstand had overgegeven, als ware zij bedwelmd door eene magische betoovering. De licht verworven kostelijke buit was hem weldra toegeschenen van minder waarde te zijn. Maar heden deed juist dat zijn liefdegloed ontvlammen, wat hem toen had afgekoeld. Zoo wilde, zoo moest hij bemind worden, met geheele overgave, met een hart dat enkel aan hem en niet aan zichzelve dacht, dat voor vurige liefde niet anders vroeg dan liefde, dat zich niet angstig allerlei grenzen stelde en vreemden bijstand inriep, om zich voor hem te beveiligen. Deze schoone, jonge vrouw, die een en al hartstocht, het banvonnis der samenleving, leed en smart op zich genomen had om zijnentwil, van wien zij wist dat hij haar verlaten had, omdat hij haar voor God en de menschen nooit tot de zijne kon maken, ja die vrouw wist lief te hebben, en het beurde hem op, hem die in menige ure aan zichzelven begon te twijfelen, zoo vereerd, zoo--hij kon het zich niet ontveinzen--zoo 'vergood' te worden. En hoe aanminnig, hoe recht vrouwelijk bleef zij bij dit alles! Die smeekende oogen die hem te Konstantinopel verveeld hadden, omdat zij altijd dezelfde roerende uitdrukking vertoonden, wanneer zij vol angst tot zijne ziel riepen haar niet te verlaten, die verleidelijke oogopslag, waarmede zij weleer hem verzocht haar den mantel om te hangen, waarmede zij hem het eerst had aangetrokken, dat alles was thans weder nieuw voor hem en oefende de vroegere tooverkracht op hem uit.
In deze oogenblikken van teeder samenzijn had hij beloofd, ten minste in overweging te nemen, of hij zich niet los kon maken van de verplichtingen die hij had aangegaan. Doch nauwelijks was dit gebeurd, of de herinnering aan Paula werd weder in hem wakker en eene innerlijke stem riep hem toe, dat zij tot eene hoogere menschensoort behoorde dan deze zich overgevende, zwakke, hem geheel onderdanige vrouw, dat zij zijne opkomst, Heliodora zijne ondergang beteekende. Eindelijk was het hem gelukt zich uit de omhelzing der wedergevondene los te maken, en na zijne eerste schrede uit dezen roes in het werkelijke leven had hij als een ontwakende rond gezien, en was het hem als had een booze geest den spot met hem gedreven, dat juist Paulas kamer het tooneel was geweest van deze wederontmoeting en zijne zwakheid.
Haar vraag naar het witte hondje, dat zij hem tot een aandenken had medegegeven, deed hem weder denken aan dien onzaligen smaragd, die een tegengeschenk daarvan had moeten zijn, en toen hij om het antwoord te ontwijken vertelde, dat hij, indachtig aan hare liefhebberij voor zeldzame juweelen, haar een bijzonder schoonen steen had toegezonden, waarover hij nog nader met haar spreken moest, gaf zij hare vreugde en hare dankbaarheid op zulk eene kinderlijk aandoenlijke wijze lucht, wist zij zoo welsprekend partij te trekken van zijn welgevallen in hare teedere aanhankelijkheid, ten einde hem te overtuigen van de noodzakelijkheid om te blijven, dat hij zelf daaraan begon te gelooven en haar zin deed. Hoe meer dit besluit met zijne eigene wenschen overeen kwam, des te gemakkelijker viel het hem er gronden voor te vinden. De oude Rufinus had hem niet meer noodig, en had hij, Orion, ook reden om zich te schamen over zijne wankelmoedigheid, zoo mocht hij van den anderen kant toch zeggen, dat hij ondankbaar en onvriendelijk zou handelen tegen zijne goede vrienden, wanneer hij hen in den steek liet, juist nu hij hen van nut kon zijn. Het zou er bij de nonnen op twee beschermende armen meer of minder niet aankomen, terwijl de gevangen Narses, zonder zijne voorspraak bij den veldheer, licht kon bezwijken, alvorens het gelukte hem los te koopen. In elk geval was het meer dan tijd een vast besluit te nemen. Neen, hij kon heden niet weg! Het was beslist! Rufinus moest terstond in kennis gesteld worden van zijn veranderd besluit. Het scheen hem thans niet mogelijk zich tot schrijven te zetten; de rentmeester moest in zijn naam spreken, en hij wist wel hoe gaarne en met hoeveel ernst Nilus zich van die taak kwijten zou.
Heliodora klapte in de handen, en juist toen vrouw Martina aan de deur klopte, traden beiden de helderverlichte voorzaal binnen. Haar gelaat straalde van geluk, en in hare kostbare, nieuwmodische, zorgvuldig gekozen kleederen zag zij er zoo aanvallig en, niettegenstaande zij slechts van middelbare grootte was, zoo vorstelijk prachtig uit, dat zij ook in de hoofdstad de bewondering der mannen en de afgunst der vrouwen zou hebben gewekt; hij was blijkbaar opgeruimd, maar om zijne lippen speelde toch een ernstig lachje.
Nog had hij de deur niet gesloten, toen hij voor het vertrek, dat aan Paulas vroegere kamer grensde, twee vrouwelijke wezens opmerkte, die, terwijl vrouw Martina bij hare nicht aanklopte, de voorzaal binnengekomen waren. Het was de kleine Katharina en hare kamenier. Men had den jongen Anubis, nadat hij van het dak was gevallen hier ondergebracht, en niettegenstaande dit gedeelte van het huis voor de voorname gasten was ingericht, was de arts Philippus niet te bewegen geweest de overbrenging van den kranke, die volstrekt rust noodig had, naar de benedenverdieping toe te staan.
De moeder van den zwaar bestraften luisteraar, Katharina's voedster, was bij hem. Het kwikstaartje vergezeld van hare kamenier had hem opgezocht en zou zich gaarne vergewischt hebben of het haar zoogbroeder gelukt was, vóor zijn val iets af te luisteren. Doch de arme knaap was zoo zwak en leed zooveel pijn, dat zij geen moed vond, om hem met vragen te kwellen. Haar gang uit Samaritaansche barmhartigheid zou echter niet onbeloond blijven, want Orion met zulk een schoone, voorname vrouw te zien komen uit Paulas vroegere kamer, dat was iets buitengewoons, waarvoor het wel der moeite waard was de oogen wijd te open te doen. Zij zou gaarne tweemaal den weg naar het stadhouderlijk paleis hebben afgelegd, al ware het enkel om de kleederen en sieraden van deze uit den hemel gevallene vreemdelinge te zien. Zoo iets raakte in Memphis zelden verdwaald. Of niet deze bevallige, voorname dame eigenlijk de "andere" was en niet Paula? Kon Orion niet evengoed met de Damasceensche zijn spel gedreven hebben, als vroeger met haar? Daar in die kamer moest een zalig wederzien zijn gevierd, dat verried elke trek van het heiligen gelaat der blonde schoone. O die Orion! Zij had hem kunnen verworgen, doch het deed haar genoegen, dat er buiten haar nog anderen, en wel zulke edele en aanvallige anderen waren, die hij bedroog.
"Hij blijft!" had Heliodora reeds van den drempel de matrone toegeroepen, en deze had den jonkman de hand toegestoken met een innig: "Dat God het u loone!"
Zij verheugde zich ook over het gelukkig uitzicht van hare nicht; doch bij dit alles waren de oogen van de levendige vrouw toch overal, en toen zij Katharina opmerkte, die nieuwsgierig was blijven staan, wendde zij zich tot haar, begroette haar vriendelijk en vroeg Orion: "Eene zuster, of wel het nichtje, van wie gij ons verteld hebt?"
Hierop sprak de jonkman Katharina toe en maakte haar met zijne gasten bekend. Zij vertelde harerzijds wat haar hierheen had gebracht en deed het op zoo allerliefste en hartelijk medelijdende wijze--want zij was haar zoogbroeder en speelnoot oprecht genegen--dat zij der matrone en Heliodora zeer goed beviel en deze de hoop uitspraken haar recht dikwijls weer te zien. Nadat zij zich verwijderd had, zeide vrouw Martina: "Een bekoorlijk popje! Frisch en rein, als pas uit den dop gekropen, flink en netjes; en wat babbelt zij aardig!"
"En bovendien de rijkste erfdochter van Memphis, misschien wel van geheel Egypte," voegde Orion er bij. Daar hij echter bespeurde dat Heliodora bij deze opmerking de oogen bedroefd neersloeg, ging hij lachend voort: "mijne moeder had ons voor elkander bestemd, doch wij verschillen te veel in lengte, en passen ook overigens niet bij elkander."
Hierop nam hij afscheid van de vrouwen, begaf zich naar Nilus en gaf hem kennis van zijn besluit. Het verzoek om zijn uitblijven bij Rufinus te verontschuldigen en de dochter van Thomas voor hem te groeten, alsmede aan haar de beweegredenen duidelijk uit een te zetten, die hem terug hielden, had tot uitwerking, dat de stille, bescheidene man buiten zichzelven raakte van vreugde en zich veroorloofde Orion als een zoon te omarmen.
Tot omstreeks middernacht bleef de jonge gastheer met zijne gasten bijeen, en toen vrouw Martina hare beschermelinge den volgenden morgen een weinig vermoeid doch stil gelukkig wederzag, kon zij haar mededeelen, dat de mannen den Nijl reeds waren overgegaan, en waarschijnlijk met den stadhouder reeds alles in orde hadden gebracht. Doch groot was hare teleurstelling toen beiden na eenigen tijd terugkeerden en haar mededeelden, dat Amr na de wapenschouwing bij Heliopolis, in plaats van naar Fostat terug te keeren, regelrecht naar Alexandrië was gegaan. Daar moest hij nog gedurende eenige dagen verwijlen, waarna hij zich naar Medina zou begeven. Er bleef nu voor den senator niets anders over dan hem onverwijld na te reizen, en Orion bood zich vrijwillig aan hem daarheen te vergezellen.
Heliodoras vluchtige poging om hem terug te houden, leed schipbreuk op zijn ernstig en standvastig besluit. Deze reis moest echter alleen dienen om zijne eigene zwakheid en deze schoone vrouw te ontvluchten, die niets meer voor hem zijn kon en mocht. In den vroegen morgen had hij tijd gevonden om Paula te schrijven, maar hij had meer dan éen half voltooiden brief weggeworpen, voor hij de rechte woorden had gevonden. Ze zeiden haar, dat hij haar en haar alleen liefhad, en terwijl hij ze in het was grifte, had hij met ontevredenheid over zijn eigen gedrag gevoeld, dat zijn hart inderdaad aan Paula behoorde, was het besluit in hem gerijpt aan zijne betrekking tot Heliodora een einde te maken, en zich niet eerder aan zijne geliefde te vertoonen, vóór het hem gelukt was den band voor altijd te verscheuren, die hem aan de jonge weduwe verbond.
De vrouwen hadden de reizigers naar den wagen gebracht, en toen zij met gebogen hoofden, als verslagene krijgslieden, in de groote voorzaal terugkeerden, ontmoetten zij daar het kwikstaartje met hare kamenier. Martina wilde het meisje tegenhouden en overreden mede te gaan naar haar verblijf; doch Katharina voldeed niet aan haar verlangen en scheen groote haast te hebben. Zij kwam van haren zoogbroeder Anubis, die heden minder pijn had dan gisteren en haar, zoo goed het gaan wilde had medegedeeld wat hij vernomen had. Dat zij naar het noorden zouden vluchten, stond bij haar vast; doch hij had het reisdoel van de zusters of niet goed verstaan of vergeten. Zijne moeder en verpleegster waren buiten de kamer gezonden, en toen had het dankbare kwikstaartje zich over hem heen gebogen, zijn aardigen kop een weinig opgeheven en hem twee zulke hartelijke kussen gegeven, dat de arme jongen er waarlijk angstig van was geworden. Toen hij zich weder alleen met zijne moeder bevond, gevoelde hij zich gaandeweg beter, en de herinnering aan het onuitsprekelijk geluk, dat hem wedervaren was, had de groote smarten, die hij om Katharinas wil leed, meer en meer gelenigd.
Het kwikstaartje keerde niet terstond naar haar moeder terug, maar begaf zich onverwijld naar den bisschop van Memphis, dien zij alles vertelde wat zij vernomen had omtrent de bewoonsters van het Caecilia-klooster, en wat men voor haar gedaan had. De zachtaardige Plotinos geraakte bij deze mededeeling zeer in toorn, begaf zich, zoodra zij hem verlaten had, naar Fostat, om de hulp van den stadhouder, en daar deze afwezig was, van zijn Wekil in te roepen, ten einde te bewerken dat deze de vluchtende nonnen zou vervolgen.
Toen Katharina op haar kamer alleen was, zeide zij stil tevreden tot zichzelve, dat zij nu iets op het getouw had gezet, dat Orion zoowel als Paula de vreugde van menigen dag bederven, ja zoo zij hoopte voor beiden noodlottig worden zou.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
De rentmeester Nilus had zich van zijn opdracht goed gekweten, en Rufinus moest toegeven, dat Orion het zijne gedaan en de voorbereidingen voor deze onderneming zoo voorzichtig en offervaardig had uitgevoerd, dat zijne persoonlijke medewerking niet onontbeerlijk scheen. Onder deze omstandigheden kon hij den jongeling nauwelijks euvel duiden, dat hij zijn persoon ter beschikking stelde voor zijne Byzantijnsche vrienden, maar zijn uitblijven verontrustte hem toch en maakte hem gejaagd, minder om der wille van zich zelven en de goede zaak als om Paula. Want het was noch hem noch zijne vrouw verborgen gebleven, hoe haar hart tot den jonkman werd getrokken. Vrouw Johanna ging het uitblijven van den jongen man nog nader ter harte dan hem, ja zij had het liefst haar man geheel teruggehouden van de onderneming, welker gevaren thans voor haar angstig gemoed vertiendubbeld werden. Maar zij wist dat zij eerder den Nijl kon doen terugvloeien, dan hem afbrengen van de belofte, die hij der abdis had gegeven, en zoo dwong zij zichzelve althans oogenschijnlijk kalm te blijven. In Paulas tegenwoordigheid verklaarde Rufinus, dat Orions uitblijven gerechtvaardigd was en roemde zeer de vrijgevigheid waarmede hij voor de Nijlboot en het zeeschip gezorgd, en de uitstekende mannen die hij in zijne plaats gesteld had. Pulcheria verblijdde zich in de onderneming haars vaders en het liefst ware zij meegegaan, om hem te helpen hare dierbare nonnen te redden. De opzichter van de werf was niet enkel met zijne zonen, maar met nog drie andere Grieksche geloofsgenooten en handwerksgezellen verschenen, die bij den lagen waterstand, waardoor de scheepvaart thans zeer beperkt was, zonder werk rondliepen. Gaarne namen zij deel aan zulk eene goede zaak, die bovendien beloofde winstgevend te zijn, daar Orion den ouden meester rijkelijk van geld had voorzien.
Met de koelte, die na zonsondergang inviel, was er verbetering gekomen in Paulas toestand. Zij begreep waarlijk niet wat zij van Orions uitblijven te denken had. Nu eens maakte zij zich angstig, dan weder verheugde zij zich, want misschien bleef hij bewaard voor groote gevaren. Zij had hem in de eerste dagen na zijn terugkeer uit Konstantinopel de goedheid en de gastvrijheid van het senatorenpaar hooren roemen, terwijl de Mukaukas, wien alle herinneringen aan de hoofdstad dierbaar bleven, met hem instemde. Het moest hem lief zijn juist aan deze vrienden zijn bijstand te verleenen, en Nilus, die haar van ganscher harte was toegedaan, had bijzonderen nadruk gelegd op Orions groet aan haar. Mogelijk kwam hij morgen, en hoe meer zij terugdacht aan zijn woord, dat hij vriendelijk vertrouwen nog nimmer bedrogen had, des te levendiger gevoelde zij zich gedrongen om, in strijd met den raad der abdis elke bedenking te laten varen de neiging haars harten te volgen en vol vertrouwen en zaligheid reeds nu de zijne te worden.
De afnemende maan was nog niet opgegaan en de nacht duister, toen de nonnen begonnen op te breken. De groote Nijlboot kon, bij den lagen stand van den stroom, alleen op tamelijken afstand van den oever, bij den kloostertuin landen, en de zusters, die zich verkleed hadden als Egyptische boerinnen, moesten een voor een aan boord gebracht worden. Men wilde de abdis het laatst door het slikkige oeverwater dragen en de oude opzichter van de werf had zich voorbehouden haar dezen dienst te bewijzen. Vrouw Johanna, Pulcheria, de voedster en ook de orthodoxe Grieksche opvoedster Eudoxia stonden rondom haar, terwijl zij Paula bij het geven van den afscheidskus toefluisterde: "God zegene u, mijn kind! Hij blijft nu bij u en dus zal het dubbel noodig zijn aan uwe belofte indachtig te zijn," en toen Paula haar fluisterende antwoordde: "Ik ben hem in de eerste plaats vriendelijk vertrouwen schuldig," hernam de abdis: "En aan uzelve standvastigheid en voorzichtigheid."
Rufinus bleef het laatst aan den oever staan, terwijl zijne vrouw en dochter hem omarmden. "Neem een voorbeeld aan dit arme kind!" zeide de grijsaard tot zijne gade, terwijl hij haar innig aan zijn hart drukte. "Zoo waarachtig de mensch de maatstaf is aller dingen, oudje, zoo zeker moet het ditmaal best met mij afloopen, wanneer de eeuwige liefde daarboven niet sluimert. Tot wederziens, allerbeste vrouw, en wanneer uw dwazen man eenig kwaad overkomt, erken dan altijd dat hij het zich op den hals haalde, om een paar dozijn onschuldige menschen voor het ergste te vrijwaren. In elk geval blijf ik op den weg, dien ik mij heb aangewezen. Maar waarom is mijn Philippus niet hier bij het afscheid?"
Vrouw Johanna begon bitter te weenen en zeide: "Dat, ook dat is zoo treurig! Hoe komt het, dat hij zoo van ons vervreemdt en juist nu?--Ach man, als gij mij lief hebt, neem dan Gibbus mede op reis?"
"Ja, heer, neem mij mede," voegde de gebochelde hovenier er bij. "Tegen den tijd dat wij terug zijn stijgt de Nijl zeker en intusschen kunnen de bloemen ook zonder mijne hulp verdorren. Ik heb heden nacht gedroomd, dat gij een roos hadt afgebroken van den bult hierachter. Zij zat er midden op als de knop op het deksel van een pot. Dat heeft wat te beteekenen, en laat ge mij achter, wat wordt er dan van de roos, dat wil zeggen, wat goeds kan ik dan voor u doen?"
"Draag dan, wat mij betreft, uw zonderling bloembed mede op het schip," zeide de oude lachend. "Zijt gij nu tevreden, Johanna?"
Nu omarmde hij haar en Pulcheria nog eens, en toen hem daarbij eene traan uit het oog zijner vrouw op de hand viel, blies hij haar in het oor: "Gij zijt de roos van mijn leven geweest, en zonder deze geen heerlijk eden, geen paradijs."
De groote Nijlboot stak van wal naar de diepere bedding van den stroom en de duisternis onttrok hen weldra aan de oogen der achterblijvende vrouwen. Het gelui der kloosterklok klonk de vluchtelingen achterna, het waren Pulcheria en Paula die deze in beweging brachten.
Geen windje woei er, zelfs het kleine zeil van het stroomafwaartsvarende Nijlschip kon niet uitgezet worden, maar de matrozen haalden de riemen aan met alle kracht en zoo gleed het schip al verder en verder naar het noorden. De ervaren kapitein stond met een boom op de plecht van de boot, om de diepte te peilen; zijn ervaren broeder zat aan het roer. Het wenden van de boot ging moeielijk bij dezen lagen waterstand, en ook de beste kenner van den stroom kon gemakkelijk op onbekende ondiepten stooten, ontstaan door nieuw slik, dat bij den geringen waterafvoer zich had vastgezet. Toen de maan nauwelijks was opgegaan, zat het vaartuig dan ook eenige stadiën onder Fostat vast, en de matrozen moesten te water, om het onder luid gezang, met inspanning van al hunne krachten weer los te wringen en vlot te krijgen. Zulk een oponthoud volgde meermalen tot zij te Letopolis waren gekomen, waar zij bij de verdeeling van den stroom, zoo mogelijk ongemerkt, de tolwachters voorbij moesten. Tegen alle verwachting bleef het groote vaartuig onzichtbaar in de nevels, die vóor zonsopgang van het watervlak opstegen. Zoowel de kapitein als de manschappen, schreven dit toe aan de voorbidding van de vrome zusters, en met nieuwen moed bezield stuurden zij het schip in den Phatmetischen Nijlarm.
Bij helder daglicht waren de ondiepten gemakkelijk te ontwijken, maar hoe smal was de waterader, die anders in deze maand zoo verbazend kon zwellen! De boschjes van papyrusriet aan den zoom van het stroombed stonden hier en daar op drogen bodem en hun spichtig groen was voor een deel in geelachtig stroo veranderd. Het weeke oeverslib was tot eene steenachtige massa verhard, en een witachtige stof werd daarover gestrooid door den zachten westenwind, die begon op te steken, zoodat men een zeil kon spannen. Op vele plaatsen was de grond gebarsten en diepe spleten liepen er door de zwartachtige oppervlakte, die als dorstige kelen ten hemel gaapten, begeerig naar drenking. De schepraderen stonden op drogen bodem bezijden den stroom, die zich uit hunne nabijheid had teruggetrokken en de akkers, die nog kort geleden door hen begoten waren zagen er uit als de dorschvloer, waarop men de vruchten dorscht, die zij gedragen hebben. De dorpen en palmboschjes waren gehuld in een dichten damp, waardoor de heete zonnestralen schitterden met geelachtigen glans, en de wandelaars op de hooge dammen langs den oever, sleepten met gebogen hoofden hunne voeten voort door het zware stof van den weg.
De zon goot meedoogenloos haar brandenden gloed van den wolkenloozen hemel uit over de aarde, den stroom en de vluchtende nonnen, die witte doeken over hunne hoofden hadden uitgespreid en in doffe gevoelloosheid haar verder lot afwachtten. De aarden kruik met Nijlwater ging van de eene hand in de andere over, doch hoe meer zij dronken, des te hooger steeg het onaangenaam gevoel en het verlangen naar nieuwe verfrissching. Op het etensuur keerden de schotels bijna onaangeroerd naar de kleine kajuit terug. De abdis en Rufinus zochten de zusters moed in te spreken, doch in den namiddag werd ook de grijze abdis door een flauwte overvallen. In de kleine, bedompte kajuit, waarin zij zich terugtrok, was het echter nog minder uit te houden dan op het dek. Zoo verliep een lange, pijnlijke dag, de heetste die de matrozen zich konden herinneren. Nochtans leden dezen er het minst onder, hoewel zij met wonderbare volharding van den vroegen morgen tot den laten avond aan de riemen zaten.
Eindelijk volgde de avond op deze schrikkelijke namiddaguren. Toen zich even voor zonsondergang een koeler windje verhief en de voorhoofden verfrischte, waarop de zweetdroppels parelden, ontwaakten de neergedrukte en gemartelde vrouwen tot een nieuw leven. Dat pijnlijk gevoel van het oogenblik had hen zoo beheerscht, dat zij onvatbaar waren voor vrees of hoop en geheel buiten staat, om over de toekomst te peinzen. Maar thans begonnen zij te denken aan den langen weg, dien zij hunne vervolgers vooruit waren. De avondmaaltijd smaakte de hongerenden, de abdis onderhield zich vriendelijk met den wakkeren opzichter van den scheepstimmerwerf en begon met Rufinus een ernstig gesprek aan te knoopen over Paula en Orion. De wensch van de oude vrouw, om Orion een proeftijd op te leggen, wilde den ouden heer niet bevallen. Aan de zijde van zulk een geliefde zou hij ook zonder dat de degelijke jonkman toonen te zijn, waarvoor hij hem hield, ondanks zijn wegblijven.
De gebochelde hovenier bracht met zijne grappen de jongere nonnen aan het lachen, en na den maaltijd vereenigden de zusters zich tot een gemeenschappelijk gebed. Ook de roeiers gevoelden zich krachtiger en levenslustiger, en het was goed dat maar enkele onder de Grieksche nonnen Egyptisch verstonden, want een grappenmaker onder de matrozen begon een liedje te zingen op de schoonheid van zijn liefje, dat niet voor vrouwenooren gemaakt was.
Al pratende dachten de zusters aan die zij achterlieten en menigeen sprak vol hoop over het wederzien, dat hun in het vaderland wachtte, maar eene oudere non verbood hun dit; want het was zondig, Gods genade vooruit te loopen, en waar men zijne hulp nog zoo noodig had, te spreken, als had hij haar in zijne barmhartigheid reeds verleend. Zij moesten beangst zijn en bidden, want zijzelve wist bij ervaring dat een dreigend onheil dan alleen ten beste wordt gekeerd, wanneer men er zeer voor gevreesd heeft. Daarop begon eene andere zuster te berekenen, of de vervolgers haar te voet of te paard zouden inhalen, en daar dit laatste haar zeer mogelijk voorkwam, klopte hare harten weder beangst.
Doch daar ging de maan op en wat zich aan den zoom van den Nijlarm verhief en zich in de gladde watervlakte weerspiegelde, nam weder bepaalde vormen aan, en verloor daardoor het schrikaanjagende, dat de gemoederen beklemde. Hoe verder zij voeren, des te dichter schenen de papyrusboschjes langs den oever. Duizenden vogelen nestelden daarin, maar zij sliepen allen, en eene diepe, tastbare duisternis was zwijgend over het landschap uitgespreid. Als een reuzenlotus, te midden van kleine, geurige lotusbloemen, die zij in glinsterende blankheid nog overtrof, dreef het spiegelbeeld van de maan over het donkere water. Het schip liet een lichtende streep achter zich, en na elken riemslag schitterde het op den vloed en de zachte lichtstralen weerspiegelden in glinsterende druppels. In de donzige pluimen van de toppen der slanke papyrusstengels speelde het schijnsel der maan, een dunne sluier als van fijn violet zilverbrokaat omhuifde de boomen, en dagschuwe uilen vlogen met gelijkmatigen, onhoorbaren vleugelslag van den eenen top naar den ander.
De betoovering van dezen nacht bij maneschijn greep ook de zielen der nonnen aan. Zij staakten hare gesprekken; doch toen zuster Martha, de jonge nachtegaal van het klooster, een vroom gezang aanhief, volgden de anderen haar ongenoodigd. De schertsende liederen der matrozen verstomden, en zacht als het wandelend maanlicht omzweefden het stil voortglijdende schip de psalmen en hymnen der maagdelijke zusters, die de hulp des Allerhoogsten inriepen. Urenlang en, wijl de komeet aan den hemel stond, met bijzonderen ijver, gaven zij zich over aan de geruststellende zielsverheffende vreugde van het zingen; doch langzamerhand verloren die stemmen haar kracht, en zacht, droomerig vermoeid ging met den stillen loop van den stroom haar vreedzaam lied zeewaarts. Ieder zag voor zich of richtte het oog dweepend nu eens ten hemel, dan weder naar het tintelende water en de lotusbloemen aan zijne oppervlakte. Niemand lette op den oever, ook de mannen niet, die door het zacht gezang in slaap waren gewiegd of meer droomden dan waakten.
De blik van den kapitein was op het bed van den stroom gericht, toch bespeurde hij, toen de morgen niet ver meer was, aan den oostelijken oever van tijd tot tijd bliksemende lichtstralen achter de rietboschjes; toch was het of er nu en dan in het riet iets ruischte en knakte. Zou er een jakhals in de dichte massa der woekerplanten zijn gebroken, om het nest van een watervogel te overvallen, of zocht een hyena zich door de rietstengels baan te breken? Die flikkerlichten, dat knakken en nu weer die doffe slagen op den harden grond, dat alles volgde de boot in dezen nacht als een haar onheilbrengende, lichtende en hoorbare schaduw.
Opeens verschrikte de aanvoerder en richtte hij zijn blik naar het oosten. Wat was dat? Misschien weidde er eene kudde runderen op de akkers achter het riet, mogelijk waren het twee stieren, die met de horens tegen elkaar stieten. De vloed was zoo laag en zijne oevers zoo hoog, dat men volstrekt niet kon waarnemen wat daar gebeurde. Maar eene schelle stem riep hem en de gebochelde hovenier zeide op gedempten toon: "Dáar, dáar... daar flikkert het weer, en... ik wil mijn eigen neus opeten, als dat niet... daar weder... Barmhartige God, ik vergis mij niet; het is paardengetrappel! En daar... dat was hinniken. Ik ken het... daar begint het in het oosten te dagen. Bij alle heiligen, wij worden vervolgd!"
De kapitein zag met inspanning van al zijne zintuigen in de richting van het oosten, en nadat hij een tijd lang gezwegen had, zeide hij op zeer beslisten toon: "Ja!"
"Zoo stelt de vogelaar een net voor een zwerm kwartels," zeide de hovenier met een zucht; doch de ander gaf hem knorrig door een teeken te verstaan, dat hij zwijgen zou en tuurde opmerkzaam rond. Daarna beval hij den bultenaar Rufinus en de werklieden te wekken, en de nonnen in de kajuit te brengen.
"Zij zullen zich daar voelen als ingelegde dadels, die men in doozen naar Rome stuurt," prevelde de hovenier in zichzelven, terwijl hij Rufinus ging opzoeken. "Arme zielen, haar heilige moge ze voor stikken bewaren! En ik, in waarheid, als vrouw Johanna niet zulk een trouwe ziel was op twee beenen, en ik niet gezworen had bij mijn meester te blijven, dan sprong ik nu in het water, om een tijdlang de gastvrijheid van de flamingos en ooievaars in het riet te genieten. Men moet zichzelven kunnen vernederen!"
Terwijl hij zijn last volbracht, overlegde de kapitein met zijn broeder aan het roer. Er was in de nabijheid geen brug en dat was goed. Als die ruiters daar ginds vervolgers waren, dan moesten zij door het water, om bij hen te komen, en nauwelijks drie stadiën stroomafwaarts werd het rivierbed breeder en vloeide de stroom door eene moerassige streek. Het eenige diepe vaarwater was aan den westelijken oever, en mannen te paard, die daar heen komen wilden, stelden zich bloot aan het gevaar om in het slib weg te zinken. Gelukte het hen tot zoo ver te komen, dan was er veel gewonnen. Moedig en op ernstige dingen voorbereid, spoorde de schipper de matrozen aan om alle krachten in te spannen, en weldra dreef het vaartuig dicht langs den westelijken oever van den vloed en was van de oostelijke door eene breede uitgestrektheid slib gescheiden.
Het begon nu te dagen en de oostelijke hemel verfde zich bloedig rood, als wilde hij vooruit verkondigen, dat deze morgen bestemd was om een geweldigen strijd en gapende wonden te zien. Het zaad van het kwikstaartje begon te kiemen. De Wekil had op uitnoodiging van den bisschop eene bende ruiters de nonnen achterna gezonden met het bevel, de vluchtelingen naar Memphis terug te voeren en die haar begeleidden gevangen te nemen. Daar de boot de tolwachten ongemerkt voorbijgekomen was, hadden de ruiters zich moeten verdeelen, om ook langs den anderen Nijloever te zoeken. Twaalf ruiters waren den Phatmetischen arm gevolgd en deze waren naar alle berekening voldoende, om een paar dozijn vrouwen en een hand vol matrozen, die waarschijnlijk wel geen pogingen zouden doen, om zich te verweren, gevangen te nemen. De Wekil had geen kennis gedragen van de aanwezigheid van den werfopzichter en de zijnen. De vervolgers waren omstreeks den middag van den vorigen dag opgebroken en hadden een paar uren voor het aanlichten van den dag het schip in het gezicht gekregen. Doch hun aanvoerder achtte het raadzaam den aanval eerst te ondernemen bij helderen zonneschijn, opdat niemand ontvluchten mocht. Hij en zijne lieden waren Arabieren en goed bekend met de richting van den Nijlarm, dien zij volgen moesten, doch niet nauwkeurig met de eigenaardigheden ervan.
Zoodra de morgenster was ondergegaan, verrichtten de muzelmannen hun ochtendgebed en kwamen daarna achter de papyrusboschjes te voorschijn. Hun aanvoerder bracht de handen als spreekbuis aan den mond en riep de afvarenden toe, dat de boot moest stilhouden. Hij kwam op last van den stadhouder en had bevel gekregen die naar Fostat terug te voeren. De vluchtende schenen hem inderdaad te willen gehoorzamen, want de roeiers hielden de riemen in. De kapitein had in den spreker den aanvoerder van de veiligheidsbeambten in Fostat herkend, een streng man, en eerst nu werd het hem duidelijk in welk eene levensgevaarlijke onderneming hij zich had gestoken. Gewoon, om zich naar de bevelen der overheid te voegen, hare beambten wel te misleiden, maar haar zoo min als het noodlot te weerstaan, verklaarde hij het voor waanzinnig, om weerstand te bieden; er bleef niets anders over dan zich te onderwerpen.
Doch Rufinus weersprak hem levendig en bracht hem aan het verstand, dat dezelfde straf hem wachtte, hetzij hij de wapenen neerlegde of zich verweerde; en de oude opzichter van de werf riep vol vuur hem toe: "wij hebben uw boot gebouwd en ik ken u, Setnau; gij zult geen Judas voor ons worden en wilt gij het toch zijn, dan vloeit hier op dit dek christenbloed, voor wij de ongeloovigen de tanden toonen."
Doldriftig, terwijl zijn zuidelijk bloed begon te koken, sloeg de kapitein zich tegen borst en voorhoofd, schold zichzelven een bedrogene, een verloren man, en beklaagde zijne arme vrouw en kinderen. Doch Rufinus maakte aan dat razen een einde; hij had met de abdis gesproken en drukte den ongelukkigen man op het hart, dat hij van de ongeloovigen in geen geval genade had te wachten, maar dat hij gemakkelijk op christelijken bodem voor zich en de zijnen een goed en zeker heenkomen kon vinden. De abdis beloofde hem, dat zij hem en zijne familie mede zou nemen op het zeeschip en aan land zetten, waar hij het begeerde.
Setnau dacht aan zijn broeder op Cyprus; doch het gold thans zijn huis en tuin in Dumiat, waar thans aan een vijftal palmboomen de vruchten rijpten, het gold, zijne nieuwe en stevige Nijlboot, waarmede hij voor zich en de zijnen het brood verdiende, op te geven, en toen hij dit den grijsaard voorhield, biggelden bittere tranen langs zijne bruine wangen. Doch Rufinus verklaarde dat hij, wanneer het gelukte de nonnen te redden, op schadeloosstelling aanspraak had. Hij kon dan zelf de waarde van zijn have en goed opgeven, en men zou hem alle verlies uit den kloosterschat, die in de zware kist aan boord was, niet alleen vergoeden, maar hem bovendien nog eene mooie som uitbetalen voor al wat hij had doorstaan.
Hierop wisselde Setnau een veelbeteekenenden blik met zijn broeder, die ongehuwd was, en nadat hem was toegezegd, dat ook deze eene plaats op het zeeschip zou ontvangen, gaf hij den ouden man zijne rechterhand. Daarop schudde hij zijne leden als had hij wat af te werpen dat hem knelde, duwde het lederen kapje op zijn geschoren hoofd vermetel opzij, richtte zich in al zijne lengte op en riep den Arabier, die hem en andere Egyptenaars toch reeds meer dan eens met kwetsenden trots bejegend had, op hoonenden toon toe, dat als hij iets van hem hebben wilde, hij het kon komen halen.
Het geduld der muzelmannen was al lang uitgeput, en na deze uitdaging gaf de aanvoerder den zijnen een wenk en sprong hen vooruit in het water. Maar weldra zonken de voorste paarden zoo diep in het slib, dat het verder gaan onmogelijk bleek en het teeken moest worden gegeven om terug te keeren. Daarbij steigerde een weerspannig paard en zijn ruiter stikte in den modder. De verdedigers van het schip zagen hunne vijanden met levendige gebaren raad houden, en de kapitein sprak de vrees uit, dat zij het plan om de boot te nemen opgaven, maar naar Dumiat rijden en hen daar, vereenigd met de Arabische bevolking van die plaats, de vlucht afsnijden zouden. Doch hij had niet gerekend met den krijgsmanstrots dezer mannen, die in ontelbare veldslagen gansch andere hinderpalen te boven waren gekomen. De boot moest veroverd, die er in waren moesten gevangen genomen en gestraft worden.
Van het schip zag men hoe zes ruiters, en onder hen de bevelhebber, van hunne paarden stegen en ze aan elkander koppelden, om daarna met hunne slagbijlen drie hooge palmen te vellen, terwijl de vijf anderen naar het zuiden draafden. Deze moesten zeker om het moeras heengaan, om op een gunstiger plek den stroom over te steken, ten einde het schip van de westzijde aan te vallen, terwijl de vijf anderen op de palmstammen van de oostzijde zouden naderen. Aan den rechter, oostelijken oever van den rivierarm, waar de Arabieren het vlot maakten, lag droog akkerland, waardoor de weg naar Dumiat liep; aan den anderen oever in de nabijheid waarvan het schip lag, breidde het moeras zich zeer ver uit. Eene onafzienbare wildernis van papyrusriet en biezen, dat de droogte en de zonnehitte van dit jaar tot stroo hadden verdroogd, bedekte hier den op de meeste plaatsen uitgedroogden en harden moerasgrond, en toen er uit het noordoosten een krachtige morgenwind opstak, kwam de kapitein op een gelukkigen inval. Door deze verdorde en verschroeide plantenmassa hadden zich de vijf tegen hem afgezonden ruiters een weg te banen. Bracht men vuur in dat stroo langs een zijkanaal, dat de vlammen verhinderde zich noordwaarts uit te breiden, dan dreef de wind den ruiters de rook in het aangezicht. Zij mochten van geluk spreken, als zij niet stikten of gedwongen werden in den stroom te springen, terwijl zij reddeloos verloren waren, wanneer de vlammen hen bij het moeras bereikten.
Zoodra nu de scherpe oogen van den stuurman uit den top van den mast de Arabieren een eind verder zuidwaarts den stroom zagen doorwaden, werd het riet op verschillende plaatsen in brandgestoken en de vlammen grepen snel en wild om zich heen. De morgenwind dreef ze zuidwaarts, tegelijk met grijze rookwolken waarover de stralen der rijzende zon een stroom van licht uitgoten. Als reusachtige gele en roode hagedissen kropen, joegen en kronkelden zich de vlammen over den drogen bodem, schoten hier op, en zonken daar neer. Zonder flikkering bij helderen dag verslonden zij vraatzuchtig wat zij bereikten, en teekenden den weg dien zij gegaan waren af door witachtig stof. Hun adem verhoogde de hitte van den dag, die langzamerhand den middag naderde, en ofschoon de rook, door den wind voortgezweept, naar het zuiden dreef, zoo dwarrelden toch enkele wolkjes over de boot en benauwden de borst van de nonnen en hare beschermers.
Een groot Nijlschip kwam van Dumiat de rivier op en zag den smalle waterweg door het andere versperd. De kapitein was een bloedverwant van Setnau, en toen deze hem toeriep, dat het hier een strijd gold met Arabische roovers, volgde deze zijn raad, wendde zijn vaartuig met groote moeite en ging bij het naaste vlek voor anker, ten einde andere van het noorden komende booten te waarschuwen, om niet in dit gevaarlijk avontuur bekneld te raken. Die van het zuiden kwamen afdrijven werden vooreerst door den rook en het vuur teruggehouden.
De zes krijgslieden op den oosterlijken oever zagen met woede en ontzetting den steeds toenemenden vuurgloed; doch zij hadden de palmstammen reeds aan elkaar gebonden, en maakten zich gereed met behulp van dit vlot de onbeschaamde weerspannigen de verdiende tuchtiging te doen ondergaan. Maar dezen hadden ook niet stil gezeten. Ieder man aan boord voerde wapenen en een der scheepstimmerlieden was met een matroos uitgezonden om door het riet te sluipen, verder noordwaarts den vloed over te steken, en als de Arabieren den aanval begonnen hunne paarden af te maken, of zoo een mocht beproeven langs den eenigen weg naar Dumiat te ontkomen, dezen van het paard te halen.
Daar hingen de zes aan het luchtig saamgevoegde vlot, waarop hunne bogen en pijlkokers lagen. Zij stuwden het voor zich uit en het bleek hun op het watervlak te kunnen dragen, terwijl hunne voeten den slikkigen bodem maar even aanraakten. Het waren allen echte krijgers, echte zonen der woestijn en van hun volk, kerels als had de natuur, toen zij hen schiep, aan haar meesterwerk onder de gevleugelde schepselen, den adelaar, gedacht. Scherp van blik, stevig en toch fijn van beenderen, zonder overvloedige vleeschvorming aan de gespierde ledematen, met bruine, scherp besneden, karakteristieke aangezichten, waarbij niet enkel de gebogen neus aan den koning der vogels herinnerde, bezaten zij ook den moed en den bloedigen strijdlust en roofzucht van den adelaar. De magere, gespierde linkerarm van ieder klemde zich vast aan het vlot, en met het ronde schild in de rechterhand vingen zij, zoodra zij de boot op een schot afstand genaderd waren, de pijlen op, die van daar hun werden toegezonden. Woedend knarsten zij met hunne witte tanden, en ook het kleinste ontging niet aan hun valkenoog. Zij waren uitgegaan om te vallen, ook wanneer het schip in plaats van met een twintigtal matrozen en handwerkslieden, door vijftig Egyptische soldaten verdedigd werd. Het moedige hart gevoelde zich door het pantserhemd, de schrandere sneldenkende kop door den metalen helm beschut, en met minachting en vreugde bemerkten zij, hoe de pijlen met een matten klank op hunne schilden afstieten. Het was de begeerten hunner ziel den dood te brengen; den dood te ondergaan, daarvoor beefden zij niet terug, want in het geopende paradijs zag hunne gloeiende verbeeldingskracht weelderige vrouwen, die hen met wijd uitgespreide armen en volle bokalen de vervulling beloofden van al hunne wenschen.
Hun scherp oor verstond het zacht gefluister, waarmede de aanvoerder zijne bevelen gaf, en toen zij ter zijde van het schip gekomen waren, klemde éen zich vast aan het open venster van de kajuit, snel als de wind sprong de aanvoerder op zijn schouder en vandaar op het dek van het schip, nadat hij een matroos, die een bijl tegen hem zwaaide, met een lans had doorboord. Een tweede Arabier volgde hem op den voet, twee blanke kromsabels glinsterden in de zon, de schrille kreten van het woedend krijgsgeschreeuw der muzelmannen doortrilden de lucht, en als eerste offer van hun grimmigen strijdlust viel de kapitein, met een wijdgeopende wond over voorhoofd en aangezicht, achterover op den grond. Doch een oogenblik later stortte een zware ra op het hoofd van den aanvoerder der muzelmannen neer en bracht hem ten val. De stuurman had in zijne woede met dit wapen zijn gewonden broeder gewroken.
Een akelig geschreeuw, vermengd met het gegil en gejammer der vrouwen, vervulde het schip. De tweede muzelman verbreidde met den moed en de kracht der vertwijfeling den dood om zich heen, en het gelukte nog drie zijner strijdgenooten de boot te beklimmen; den laatste stieten de aangevallenen in het water. Van de scheepstimmerlieden waren reeds twee, van de matrozen vijf gevallen. Rufinus had zich bij den kapitein neergezet, die hevig bloedde, maar misschien nog te redden was. Hij legde linnen strooken over de groote, gapende wonden van den man, die zoo straks nog bezorgd over vrouw en kind had gesproken, en dien hij voor de zijnen behouden wilde. Daar suisde een sabelhouw op hemzelven neder en uit zijn achterhoofd en rug stroomde het donkere bloed. Doch ook zijn moordenaar ontging de wraak niet; de oude opzichter van de werf velde hem met zijne zware bijl.
Aan den oostelijken oever van den stroom maakten de uitgezonden boden de paarden van de Arabieren af, om te verhinderen dat een die ontkomen mocht naar Fostat zou vluchten of verder naar Dumiat rijden, om het gebeurde te verraden.
Aan boord van het schip werd het stiller en stiller. Alle vijf de Arabieren lagen op het dek en de woedende matrozen maakten de gewonden onder hen zonder erbarmen af. Een matroos, die in den mast was gevlucht, had gezien dat de vijf andere ruiters, om het vuur te ontkomen, juist ter plaatse van het moeras in den stroom gesprongen en in het water verdwenen waren. Zoo had van de muzelmannen zelfs niet één zich kunnen redden, die het lot en de poëzie zoo gaarne sparen, om de schrikkelijke tijding te verkondigen.
Langzamerhand waagden de vrouwen zich weder op het dek. Zij die geoefend waren in de verpleging van kranken en gewonden schaarden zich rondom de lijders en openden de artsenijkisten. Terwijl onder leiding van den stuurman de vaart werd voortgezet, hadden allen handen vol werk, en daar zij zich ijverig aan dezen arbeid wijdden, verdroegen zij gemakkelijker de hitte van den dag. De lijken van de vijf muzelmannen en acht christenen, waaronder zich twee der Grieksche scheepstimmerlieden bevonden, werden in de nabijheid van een dorp, van elkander gescheiden, aan den oever neergelegd, en de abdis gaf den eenen een tafeltje in de hand, waarop zij de woorden had geschreven: "Acht christenen, die uit noodweer als beschermers van vrome vervolgden, dapper strijdende den dood hebben gevonden. Bidt voor hen en begraaft hen, alsmede die anderen, die hen, gehoorzaam aan het bevel van hun aanvoerder, het leven hebben benomen."
Nadat Rufinus, wiens hoofd in den schoot van den hovenier rustte, die hem met het scherm der abdis voor den zonnebrand beschutte, weder tot bezinning was gekomen en rondgezien had, zeide hij met een blik op den scheepskapitein, die naast hem lag zacht in zichzelven: "Ik had ook eene vrouw en een lief kind te huis, en toch.... Hoe smartelijk is dat! Het geeft niet of men zich aftobt, om zulk eene smart te lenigen. Het eenige hier beneden wat werkelijk bestaat, is niet de vreugde het is de smart, de ellendige lichamelijke smart, en wanneer het bovendien daarbinnen dan nog bijt en brandt.... Water, een teug water.... Hoe goed zou ik het nu kunnen hebben bij mijne Johanna in onze schaduwrijke woning.... En toch, toch..... heelen, redden, onverschillig, wie hulp behoeft.... Nog een teug.... wijn en water, wanneer het mag, eerwaarde vrouw!"
De abdis had bij de hand wat hij begeerde, bracht hem den beker aan den mond, sprak hem vele hartelijke, vertroostende woorden van dankbaarheid toe en vroeg hem wat zij, als zij ontkwamen, voor hem en de zijnen doen kon.
"Heb de mijnen lief," zeide hij zacht. "Pul zal nu zeker in het klooster willen. Maar zij mag haar moeder niet verlaten. Johanna, Johanna..."
Meermalen herhaalde hij dien naam, alsof die welluidende klank zijn oor en zijn hart streelde. Vervolgens schudde hij herhaaldelijk zijne leden en prevelde: "Brrr! zoo'n koude huivering af en toe.... dat deugt niet.... Die houw in mijn rug, die... Aan mijn hoofd doet het wel meer pijn, maar die andere... 't Is leelijk, dat het links aankwam... Neen, het is goed zoo; want had hij--zat het daar rechts, zoo... dan kon ik niet schrijven, en ik wil, ik moet voor... het te laat is. Een tafeltje en een schrijfstift! Dadelijk, dadelijk.... En als ik geschreven heb, waardige vrouw, dan sluit gij het tafeltje goed, heel goed weg. Dat belooft gij mij! Alleen hij mag het lezen, voor wien het bestemd is.... Gij Gibbus! hoort gij, mijn Gibbus? Het is voor Philippus, den arts Philippus, dien zult gij het brengen! Die droom van de roos op uw bult.... Uit de ellende hier op aarde--verklaar ik het goed?--wassen vrede en vreugde daarboven. Alzoo voor Philippus! En dan; te Dumiat woont mijn oude schoolvriend, de arts Christodorus. Gij brengt mijn lijk bij hem, Gibbus! Gij luistert toch? Hij moet het in een kist met zand doen, om het voor bederf te bewaren, en te Alexandrië naast mijne moeder begraven. Dan kunnen Johanna en het kind.... dan kunnen ze mij bezoeken. Ik laat niet veel na. Wat dat alles kost...."
"Dat is mijne zaak, de zaak van het klooster!" zeide de abdis.
"Zoo erg is het nog niet gesteld," zeide de oude met een glimlach. "Wat mij aangaat, dat betaal ik; het uwe behoort aan de armen, waardige vrouw. Gij vindt hier in het taschje meer dan gij noodig hebt, Gibbus! Maar nu.... spoedig, spoedig.... het tafeltje!"
Toen hij het met de stift in de hand hield, dacht hij eerst een tijdlang na en schreef toen met bevende vingers en met inspanning van al zijne krachten. Hoe groot zijne smart was, kon men zien aan zijn saamgetrokken mond en zijne pijnlijke blikken. Doch hij liet zich daardoor niet afleiden, hoe vaak de hovenier en de abdis hem ook baden de stift uit de hand te leggen. Eindelijk haalde hij vrijer adem, sloot het dubbele tafeltje, overhandigde het aan de abdis en zeide: "Zoo... Goed wegsluiten! Aan den arts Philippus. Aan hem alleen eigenhandig; hoort ge, Gibbus?"
Thans verloor hij zijn bewustzijn, doch nadat men zijn voorhoofd en de wonden opnieuw verfrischt had, kwam hij weder bij en prevelde zacht: "Ik heb van Johanna en het arme kind gedroomd. Zij brachten mij een komisch masker. Wat zou dat wel beduiden? Dat ik mijn geheele leven een nar was, omdat ik voor het leed van anderen mijzelven en de mijnen vergat? Neen, neen! 'Zoo waar de mensch de maatstaf is aller dingen,'--als dat zoo ware, dan zou dwaasheid het ware en rechte zijn.--Ik, ik.... mijn wil, het doel waaraan mijn leven gewijd was...."
Hier bleef hij steken, daarna richtte hij zich plotseling in de hoogte, sloeg de heldere oogen naar boven en riep luide en blijmoedig: "O gij, mijn barmhartige Heiland! Ja, ja! Thans zie ik het in.... Dank, dank!.... Wat ik heb nagestreefd, waarvoor ik heb geleefd, daarvoor, o mijn Verlosser, die de liefde zelve zijt, daarvoor laat gij--o hoe genadig is dat, hoe doet het mij goed!--daarvoor laat ge mij sterven."
Wederom verloor hij zijn bewustzijn; zijn hoofd begon heeter te gloeien, zijn keel te rochelen, en over zijne droge lippen, die zorgvuldige vrouwenhanden vaak bevochtigden kwamen telkens de namen dergenen, die hij het meest lief had en onder hen ook die van Paula. Op de vijfde namiddagure viel hij in den schoot van den bultenaar en had uitgeleden. Een vriendelijk lachje breidde zich over zijne trekken uit en het stille gelaat van den man, die zooveel had rondgezworven, geleek in den dood dat van een kind.
Den hovenier was het, als had hij zijn eigen vader verloren en zijne radde tong bleef stom, tot hij met de geredde zusters te Dumiat kwam, en den laatsten wensch van zijn heer vervulde.
Het zeeschip der nonnen nam ook den verwonden bootskapitein Setnau, zijne vrouw, zijne kinderen, zijn broeder, den stuurman en de in leven gebleven scheepstimmerlieden aan boord.
Terzelfder ure, dat Rufinus de oogen sloot, verscheen de veiligheidswacht van Memphis onder aanvoering van bisschop Plotinos, en legde in naam van den patriarch Benjamin en van de Jacobietische kerk beslag op het Melchietisch Caecilia-klooster en al de bezittingen van de zusters-ziekenverpleegsters. Den volgenden morgen reisde de bisschop naar Opper-Egypte af, om den kerkvorst van zijn wedervaren bericht te geven.
NEGENDE HOOFDSTUK.
De arts Philippus stond haastig op van de rustbank, waarop hij naast zijn ouden vriend het ontbijt had gebruikt. Voor den grijsaard stond nog een half gevuld bord; hij had de spijzen minder haastig verslonden dan de ander, en met een afkeurenden blik zag hij den man aan die zooveel spoed maakte, dat hij den gemengden wijn staande door zijn keel goot, bij het genot waarvan hij vroeger, na het einde van den maaltijd, gaarne met Horus Apollon wat gepraat of een ernstig gesprek gevoerd had. Dat was voor den grijsaard altijd de aangenaamste ure van den dag geweest, maar thans gunde Philippus zich zelfs des avonds bij het hoofdmaal nauwelijks den tijd, om zich behoorlijk te verzadigen.
Ongetwijfeld werd niet alleen zijne, maar ook de krachtsinspanning van alle andere artsen in dezen tijd gevorderd. Bijna drie weken waren er verloopen sedert de verjaging der nonnen, en de ontzettende hitte van dezen zomer was sedert nog toegenomen. In plaats van te stijgen, daalde de stroom nog altijd lager; de uit Aethiopië komende duivenboden, die men dagelijks met verlangen en spanning te gemoet zag, wisten ook niets te melden van eene zwelling der wateren op den bovenloop van den stroom. Het bijna stilstaande, brakke water aan den oever begon thans door zijne onwelriekende uitdampingen zeer schadelijk te worden voor de gezondheid der geheele bevolking, inzonderheid in de nabijheid daarvan vertoonde de vloed eene roodachtige kleur, en het anders zoo reine, smakelijke water in de leidingen was van allerlei plantaardige bestanddeelen en vreemde lichamen bezwangerd, vuil en walchelijk om te drinken. De geringe lieden gaven zich gewoonlijk de moeite niet om het te zuiveren, en de meesten hunner werden aangetast door een nog onbekende, doodelijke, aanstekelijke ziekte. Het aantal offers nam toe met den dag en de groei van de komeet hield gelijken tred met de stijgende ellende van de stad. Ieder bracht het luchtverschijnsel in verband met dezen zomergloed, het uitblijven van den Nijl-was en het verschijnen van de pest. Over deze omstandigheid hadden de arts en zijn grijze vriend soms harde woorden met elkander; want Philippus wilde aan het gesternte geen invloed toekennen op het menschelijk leven, terwijl Horus Apollon er aan geloofde, en zijne zienswijze door eene lange reeks van voorbeelden wist te bekrachtigen. Voor zijn tegenstander hadden die voorbeelden geen kracht van bewijs; hij verlangde deugdelijke gronden, doch evenals iedereen zoo leefde ook hij onder den invloed van den angst voor eene aanstaande schrikkelijke gebeurtenis, die de aarde en de menschheid bedreigde.
Gelijk ieder gemoed in Memphis zich gedrukt en beklemd gevoelde door zulke schrikbeelden van de naaste toekomst, en door den last van het onheil, dat niet meer dreigde maar reeds begonnen was zijne slagen uit te deelen, zoo lag op de wegen, de tuinen, de palmen en sykomoren langs de straten eene zware massa grijs en alles verstikkend stof. De hagen van tamarisken en ander struikgewas zagen er uit, als uitgevreten muren van kleurlooze, ongebrande Nijltegels, zelfs in de hoofdstraat omgaf den wandelaar eene dichte, grijze nevel, die door de voetstappen werd opgejaagd. Reed er een wagen, draafde er een ruiter door de heete straten, dan werden zij vervuld met grijze stofwolken, die de voorbijgangers drongen mond en oogen te sluiten. De stad was zoo stil, zoo ledig, zoo verlaten! Niemand verliet zijne woning tenzij eene dringende noodzakelijkheid of vroomheid er hem toe aandreef. Elk huis was een gloed uitstralende oven, en zelfs het bad gaf geene verkwikking, omdat het water sedert lang niet meer koel was. Tot overmaat van smart waren de rijpende dadels aan de boomen door eene ziekte aangetast, zij vielen bij duizenden uit de spichtige bundels onder de sierlijk gebogen bladerenkronen op den grond, en sedert eergisteren begonnen er in toenemende hoeveelheid doode visschen aan land te drijven. Ook onder de geschubde waterbewoners heerschte eene doodelijke ziekte, en de arts verzekerde zijn vriend, dat dit den mensch met nieuwe gevaren bedreigde, want wie zou den oever van de doode visschen zuiveren, en hoe spoedig begonnen ze bij de hitte te rotten.
De grijsaard ontveinsde zich niet, dat de arts het in zulk een tijd zwaar, zeer zwaar te verantwoorden had, wilde hij zijn beroep met alle nauwgezetheid vervullen. Maar hij kende zijn Philippus en had hem nu twee jaren geleden gedurende pestmaanden altijd frisch, vroolijk en geestig gezien, en nog meer opgewekt door de groote inspanning, die van hem gevorderd werd. Wat hem thans zoo geheel anders deed zijn, wat zijne ziel vergiftigde, hem martelde en als onder een banvloek deed zuchten, het was niet de bijna bovenmenschelijke zelfopoffering, die zijn plicht van hem vorderde, maar alles was een gevolg van de rampzalige afdwaling zijns harten, waarvan hij zich niet bevrijden kon. Intusschen hield Philippus de belofte, die hij aan den ouden man had gedaan. Dagelijks ging hij naar het huis van Rufinus, dagelijks ontmoette hij daar Paula, en evenals de wonden van een verslagene gaan bloeden, wanneer de oogen van zijn moordenaar op hem vallen, zoo ontwaakte daar telkens de oude pijn, wanneer hij haar ontmoette en gedwongen was met haar te spreken. Ook voor dezen kranke was het noodig de grondoorzaak van het lijden weg te nemen, door de Damasceensche uit zijn levenskring te verwijderen; de grijsaard beschouwde het als zijne roeping, als zijn plicht dit te bewerken.
De kleine Maria en de andere patiënten in het huis van Rufinus namen in beterschap toe, maar er was nog veel wat eene sombere schaduw wierp over deze verblijdende feiten. Vrouw Johanna en Pulcheria waren zeer bezorgd over het lot van haar vader. Noch van hem noch van de nonnen hadden zij sedert hun vertrek iets gehoord, en de verlatene gade en hare dochter, die tot den arts opzagen als tot een goeden, trouwen, alvermogenden beschermgeest, stortten voor Philippus al hare zorgen, smarten en vrees uit. En haar angst klom te meer sedert reeds driemaal Arabische beambten in haar huis waren gekomen, om onderzoek te doen naar den man en vader en de plaats waar hij zich ophield. Al wat de vrouwen zeiden werd opgeschreven, en vrouw Johanna, over wier lippen nog nooit een leugen was gekomen, had zich gedwongen gezien valsche opgaven te doen en te verklaren, dat haar man voor zaken naar Alexandrië was gereisd, ja dat hij wellicht nog naar Syrië moest. Wat beduidde dat uitvragen? Bleek daaruit niet dat men te Fostat kennis droeg van Rufinus' aandeel in de ontvluchting der nonnen?
Men was daar echter beter onderricht dan de vrouwen konden vermoeden, doch hield geheim wat men wist; want het onderdrukte volk mocht niet te weten komen, dat het een handvol Egyptenaars gelukt was eene gansche bende Arabische krijgers te vernietigen, en alleen een onzeker gerucht gaf de Memphieten eenige kennis van het gebeurde. De arts had van Rufinus' plan eerst gehoord, toen men met de uitvoering reeds te ver gegaan was, om haar nog tegen te houden, en thans kwelde hem de gedachte, dat zijn beste, oude vriend en de zijnen in het ongeluk gestort konden worden ter wille van die vreemde zusters. Want hij had in het geheim vernomen, dat het tusschen de verdedigers der vluchtelingen en de muzelmannen tot een strijd was gekomen, die aan vele strijders van beide zijden het leven had gekost.
En Paula? Had zij ten minste maar den indruk op hem gemaakt van gelukkig te zijn! Doch zij was bleek geworden, en dat de naar lichaam en ziel gezonde jonkvrouw hem thans niet te gemoet kwam met die trotsche, vrije, zelfbewuste houding van weleer, het was niet door de hitte, die alle schepselen neerdrukte, maar door eene smart die haar inwendig verteerde, veroorzaakt door hem, aan wien zij gehecht was met geheel haar hart, en die haar het vorstelijk geschenk harer liefde vergold--op welk eene wijze!
Philippus moest nog voortdurend bezoeken afleggen in de stadhouderlijke woning, en reeds een veertien dagen geleden had hij begrepen wat de oorzaak was van den vreemden toestand der weduwe van den Mukaukas. Zij gebruikte het opium van haar gestorven gemaal en dat in onzinnige hoeveelheden, en wist zich telkens nieuwen voorraad te verschaffen door een tweeden arts. Door klachten en smeekingen was het haar gelukt Philippus te bewegen haar niet aan haar lot over te laten, en daarom bleef hij haar bezoeken, in de hoop haar althans in het genot van het vergif te beperken. Ook de vrouw van den senator, Martina, noodigde hem uit het stadhouderlijk paleis niet te vermijden. Zij was wel niet ziek maar leed vreeselijk van de hitte en was gewoon haren waarden, ouden huisarts dagelijks te ontvangen, zich door hem nieuwtjes te laten vertellen, en nu en dan wat te klagen, wanneer in haar overigens zeer gezond lichaam soms iets niet in orde was. Nochtans liet Philippus, die handen vol werk had, zich met praatjes niet in, maar zijne raadgevingen waren goed en hielpen haar den gloed van dezen hemel beter te verdragen. De levendige, verstandige, openhartige, vaak wel-is-waar zeer scherpe en kort aangebonden man beviel haar, en hare natuurlijke, aangename manier van doen trok ook hem aan. Somwijlen gelukte het vrouw Martina, haren "Hermes Trismegistus" die gewoonlijk, "zoo verbazend ernstig was, als ware er niets grappigs meer op aarde," een lachje af te dwingen en hem een antwoord te ontlokken, waaruit bleek dat deze isegrim toch inderdaad een geestige kerel was en niet verlegen, om den bal terug te kaatsen.
Heliodora bezat weinig aantrekkelijks voor Philippus. Er bestond wel-is-waar tusschen hare smeekende oogen en die van Rufinus' dochter eene onmiskenbare overeenkomst, doch in de laatste lag zielsverlangen naar de genade en de liefde Gods, in de eerste warme begeerte naar de toegenegenheid van menschen, die haar bevielen. Deze vrouw was zeker aanvallig, maar hare volgzaamheid, die geen eigen doel had, die zelfs geen poging deed om eene eigene zienswijze te hebben, sprak niet tot zijn gemoed, dat wist wat het wilde; ja het verdroot hem wanneer zij, nadat hij haar had tegengesproken, zijn laatsten volzin herhaalde om, beschaamd over hare eigene dwaasheid, met hem in te stemmen. Haar gezelschap scheen ook de verstandige matrone, in wier eigen huis het eene bezoek het andere volgde, en voor wie de begrippen "avond" en "een onderhoudend gesprek in een talrijk gezelschap" van dezelfde beteekenis waren, niet te voldoen, want zij noemde zelfs zijne korte bezoeken oasen in haar Egyptisch woestijnleven, en die van de kleine Katharina beschouwde zij als eene weldaad.
Het kwikstaartje was haar dagelijksche gast geworden en bij deze hitte was haar vroolijk, hoewel soms kwaadsprekend gebabbel voldoende, om haar den tijd te korten. Katharinas moeder maakte geen bezwaren tegen deze bezoeken, want Heliodora had haar in haar prachtigste toilet bezocht, en haar met Katharina eene gastvrije ontvangst in de hoofdstad aangeboden. Misschien ging zij daarheen, want te Memphis bleef zij in geen geval, en dan was het een geluk door lieden als hare nieuwe bekenden in de samenleving te worden binnengeleid. Natuurlijk kreeg vrouw Martina ook veel van Paula te hooren, en hoewel dit zeer partijdig gekleurd was en er niet dan tot haar nadeel werd gesproken, zoo zou zij toch de dochter van den grooten en beroemden Thomas, dien zij gekend had, gaarne persoonlijk ontmoet hebben. Overigens vreesde zij van de Damasceensche, na alles wat zij vernomen had, niet veel voor hare nicht. Zij moest buitengewoon schoon, maar hoogmoedig, terugstootend, het tegendeel van beminnenswaardig zijn en daarbij eene orthodoxe als Heliodora. Wat kon den 'grooten Sesostris' aanleiding geven haar de voorkeur te schenken?
Ook Katharina bood de matrone aan haar met de Damasceensche in kennis te brengen; doch niets kon vrouw Martina bewegen, zich uit haar voor de zonnehitte zoo goed mogelijk beschut verblijf naar buiten te begeven. Zij liet het aan Heliodora over, die sedert lang éen hart en éene ziel met de kleine was en in zooveel dingen zich naar haar wil voegde, om haar van de schoone heldendochter te vertellen. Dit kon gebeuren, want het kwikstaartje had de stoutheid gehad de beide mededingsters samen te brengen en wel nadat zij elk afzonderlijk had medegedeeld, wat zij van Orions betrekking tot de andere wist. Dat was eene kostelijke grap, maar in éen opzicht bereikte zij daarmede toch haar doel niet; want Paula liet door niets blijken dat zij leed aan de ziekte der ijverzucht, die zij in haar wilde opwekken. Heliodora was echter bedrukt en beangst van de Damasceensche teruggekeerd; want deze had haar koel en met hoffelijke vormelijkheid ontvangen, en ook in het vervolg was de jonge vrouw zich tegenover haar steeds bewust gebleven, dat deze buitengewone jonkvrouw zeer wel in staat was haar beeld in Orions hart te verdonkeren, ja het daaruit geheel te verdringen. Evenals een gekwetste, al doet het hem pijn, de wond bevoelt, om zich van den toestand te overtuigen, gevoelde zij zich vaak getrokken tot Katharina, alleen om uit haar tuin de mededingster te zien, of om zich bij haar te laten brengen, ofschoon haar dan altijd eene koele ontvangst ten deel viel.
Katharina had in den beginne medelijden gevoeld met de jonge vrouw, in wie zij wat verstandelijke ontwikkeling betreft haar mindere zag. Doch dit was ingevolge eene bepaalde aanleiding geheel voorbij, en nu haatte zij ook deze jonge weduwe en gaf haar kleine steken zoo vaak zij kon. Paula scheen echter niet te verwonden, en toch was er geen leed dat Katharina haar niet gaarne zou hebben aangedaan, aan wie zij de grootste vernedering in haar ongelukkig leven had te wijten.
Hoe liet het zich verklaren, dat de Damasceensche in de schoone Heliodora geene gevaarlijke mededingster zag? Zij meende, dat Orion deze vrouw niet voor zoo langen tijd had kunnen verlaten, wanneer hij werkelijk hare liefde beantwoordde. Om de Byzantijnsche te ontwijken en voor haar, Paula, te blijven, wat hij voor haar was en zijn moest, bevond hij zich met den senator thans verre van Memphis. Deze Heliodora--eene stem in haar binnenste riep het haar toe--was de arme, bedrogene vrouw, waarmede hij in de hoofdstad gespeeld en voor wie hij dien noodlottigen diefstal van den smaragd begaan had. Bracht het lot hem slechts tot haar terug, en schonk zij den teruggekeerde wat hij begeerde en waarnaar hare eigene ziel zoo vurig verlangde, dan was zij geheel en alleen de koningin van zijn hart, dan moest zij dat zijn, hieraan viel niet te twijfelen. En wanneer zij in weerwil daarvan bezorgd en bezwaard het hoofd liet hangen, dan geschiedde dit niet uit vrees van hem te zullen verliezen, maar uit zorg voor haar vader en haar ouden, besten vriend Rufinus en de zijnen, die geheel en al de haren waren geworden.
Zoo stonden de zaken, toen de arts Philippus den wijn na den maaltijd, tot groot verdriet van zijn ouden vriend Horus Appollon, zwijgend en haastig door zijn keel goot. Juist zette hij den beker neder, toen de zwarte deurwachter een bultenaar aanmeldde, die den meester terstond over eene gewichtige aangelegenheid begeerde te spreken.
"Gewichtige aangelegenheid?" herhaalde de arts. "Geef mij bij mijne eigene nog vier andere beenen of een instrument om den tijd te rekken, dan wil ik nieuwe patiënten aannemen, anders niet! Zeg den knaap...."
"Niets, niets van kranken, heer!" zeide de zwarte, hem in de rede vallende. "Komt van heel ver, is de tuinman van den ouden Grieken-heer Rufinus."
Philippus verschrikte. Hij vermoedde welke tijding die bode bracht en met een angstig kloppend hart, beval hij, hem binnen te brengen.
Een blik op Gibbus zeide hem dat zijn vermoeden juist was geweest. De arme kerel was nauwelijks te herkennen. Een dikke laag stof bedekte hem van het hoofd tot de voeten en gaf hem het aanzien van een ouden man, wiens hoofdhaar en baard vergrijsd waren. De sandalen hingen gescheurd aan zijne voeten, in zijn met stof bestrooid gelaat had het zweet diepe voren getrokken, en de tranen die hij vergoot, terwijl de arts hem vragend de hand reikte, groeven nieuwe op zijne wangen.
Op Philippus' bange langgerekte uitroep: "Dood?" gaf een zwijgend hoofdknikje het antwoord, en toen de arts den hovenier, met beide handen aan zijne slapen, toeriep: "Dood! Rufinus, mijn arme, oude Rufinus dood! Maar hoe, om godswil, hoe is dat gekomen? Spreek, spreek toch man!" toen wees Gibbus op den grijsaard en zeide met nadruk: "Kom met mij naar buiten heer; geen derde moet...."
Doch Philippus beduidde hem, dat hij die daar zat zijn ander ik was en nu deelde de bultenaar mede, wat hij beleefd had en hoe zijn beste heer gestorven was.
Horus Apollon had bij dit bericht verbaasd en met afkeuring het hoofd geschud, terwijl de arts menige vloek uitstiet. Doch men had het verhaal van den ongeluksbode niet afgebroken, en eerst toen hij geëindigd had zeide Philippus, met gebogen hoofd en vochtige oogen: "Arme, trouwe, oude vriend, dat hij juist zoo moest sterven; hem, die hier het beste achterlaat, heeft het getroffen, en ik--ik!"
Daarbij slaakte hij een diepen zucht, maar de grijsaard wierp hem een blik toe, die zeide, dat hij zulk een uitroep afkeurde en hem beleedigde.
Terwijl Philippus het tafeltje, dat de abdis zoo zorgvuldig mogelijk gesloten had, ontzegelde en begon te lezen, vroeg Horus Apollon den hovenier: "En de nonnen? Zijn zij allen ontkomen?"
"Ja heer! Den volgenden morgen na onze aankomst te Dumiat stak een triremis [15] met haar in zee."
De oude prevelde half binnen'smonds: "De werkbijen gedood en de hommels gered!"
Maar Gibbus sprak hem tegen en roemde het moeitevol en arbeidzaam leven der zusters, die ook hem eens hadden verpleegd.
Intusschen had de arts het laatste schrijven van zijn vriend gelezen. Vol inwendige onrust draaide hij het om en om, liep met groote stappen de kamer op en neer en bleef eindelijk staan voor den hovenier, terwijl hij hem toeriep: "En wat nu? wie zal hen die tijding overbrengen?"
"Gij, heer," antwoordde Gibbus, terwijl hij smeekend de handen naar hem uitstrekte.
"Ik, natuurlijk ik!" hernam de arts, zich op de lippen bijtende. "Wat moeielijk, pijnlijk, schier ondragelijk is, komt zooals vanzelf spreekt op mijn hoofd neer. Maar ik kan, ik mag, ik wil het niet doen! Heb ik dan dat dolle avontuur verzonnen en op mijne rekening? Merkt gij het op vader? Wat die knaap gekookt heeft, ik, ik--daar zorgt het lot wel voor--ik krijg dat weder te vreten!"
"'t Is zwaar, zeer zwaar, mijn kind!" antwoordde de oude. "Doch het is uw plicht. Bedenk eens--wanneer hij, zooals hij daar voor ons staat bij de vrouwen komt..."
Opeens viel Philippus hem in de rede: "Neen, neen, dat gaat niet! En gij, Gibbus, gij--heden is er weder een Arabier bij vrouw Johanna geweest, en als zij--gij valt door uw uiterlijk zeer in het oog--wanneer zij ook maar vermoeden dat gij uw heer vergezeldet... Neen, man, uw trouw verdient beter loon! Zij zullen u niet vangen! Ik maak u vrij van uw dienst bij de weduwe en wij--wat denkt gij er van, vader?--Wij behouden hem bij ons."
"Goed zoo!" antwoordde de grijsaard. "Eens moet de Nijl weder stijgen. Blijf bij ons! Ik snak reeds lang naar zelfgekweekte groenten."
Maar de bultenaar nam zeer bescheiden dien voorslag niet aan en verklaarde, dat hij tot zijne oude meesteres terug wilde keeren. Toen de arts hem daarop nog eens onder het oog bracht aan welke gevaren hij zich blootstelde, en de grijsaard zijne beweegredenen van dit besluit wenschte te weten, zeide de hovenier: "Ik heb mijn heer beloofd bij de vrouwen te blijven en nu er buiten mij geen vrij man in huis is, zal ik hen alleen laten, om mijn erbarmelijk leven te redden? Dan liever een kromsabel tegen mijn hals. Is de kop eraf, wat er dan overblijft dat brokje schoonheid gun ik de schurken."
Bij deze woorden, die hol en afgebroken uit een verdroogden mond te voorschijn kwamen, vertrok de trouwe man zijn gelaat; men zag door het stof zijne wangen verbleeken en Philippus moest hem steunen, want de voeten weigerden hem den dienst. De lange wandeling door de vreeselijke hitte had de krachten van den bultenaar uitgeput; een dronk wijn bracht hem echter weldra weder bij en Horus Apollon beval den slaaf hem mede te nemen naar de keuken en den kok zoo goed mogelijk voor hem te doen zorgen.
Zoodra beide geleerden alleen waren, zeide de grijsaard: "Die oude, wakkere waaghals, die daar gestorven is, stelt u buitengewone eischen; men kon het u aanzien bij het lezen."
"Hier, lees!" antwoordde de arts, wederom door de kamer stappende, terwijl de grijsaard het tafeltje ter hand nam. De beide zijden waren met onregelmatige, golvend op en neer gaande schriftregels bedekt, die aldus luidden:
"Rufinus met den dood voor oogen, aan zijn geliefden Philippus.
"De eene koude rilling volgt de andere, ik sterf zeker nog heden, het gaat snel, het schrijven kost moeite. Als slechts het noodigste gezegd wordt. Vooreerst: Johanna en het arme kind! Wees voor hen zooveel gij kunt. Ik had meer voor hen zullen en kunnen zijn. Bescherm hen als voogd en vriend. Zij hebben om van te leven en kunnen nog anderen van het hare mededeelen. Mijn broeder Leonax bestuurt ons vermogen, en hij is een eerlijk man. Johanna weet alles. Zeg haar en het arme kind, dat ik hen duizendvoudig zegeningen en Johanna voor zooveel goeds ontelbare dankzeggingen toezend. Gij, vriend: hoor naar den oude! Maak uw hart los van Paula. Zij is niet voor u. Gij weet het, de jonge Orion. Maar gij. Wat van de geboorte af op den top stond, past slecht bij ons, die van onderen op naar de hoogte zijn gekrabbeld. Wees haar vriend. Zij verdient het, maar laat het daarmede genoeg zijn. Blijf gij niet alleen. Het schoonste, wat den man ten deel kan vallen, brengt de vrouw in zijn leven. In den diepen slaap vlecht zij vriendelijke droomen. Dat alles weet gij nog niet bij ervaring. Ook uwe waardige, oude vriend, dien ik laat groeten, heeft zich levenslang van de vrouwen teruggetrokken.--Voor u alleen. Dit zegt een stervende. Laat ik u bekennen, dat het arme kind, onze Pul, u houdt voor den volmaakste onder de mannen en u hoogschat gelijk geen ander. Gij kent haar en ook Johanna. Betuig uw vriend: dat geen boos woord ooit uit den mond komt van deze twee. Verre zij het van mij, u, die het beeld van eene andere vrouw in uw hart draagt, te raden: tracht dat kind voor u te winnen, zij is de vrouw die u past.--En dit voor u beiden: vereenig u, ik geef maar een raad, vader en zoon, met moeder en dochter, als goede trouwe huisgenooten en vrienden. Het zal beide partijen niet berouwen. Dat heeft een stervende gezegd. Verder wil het niet gaan. Gij, Philippus, zijt voogd over de vrouwen, een trouwe, dat weet ik. Hetzelfde doel, dezelfde gezindheid, gij en ik, vele heerlijke jaren... Zorg goed voor beiden, bid ik u, zorg er goed voor!"
Deze laatste woorden waren elk op zichzelf en buiten den regel als over het tafeltje heengestrooid, en het viel den grijsaard niet gemakkelijk ze te lezen. Gelijk zoo straks de arts, zoo keek hij nu verlegen en besluiteloos op dit onverwacht schrijven.
"Welnu?" vroeg Philippus eindelijk.
"Ja, wat nu?" antwoordde de ander schouderophalend. Daarop zwegen beiden geruimen tijd, tot de oude man opstond en leunende op zijn staf eveneens de kamer op en neer wandelde en half tegen zijn jongeren vriend, half in zichzelven prevelde: "Twee stille, verstandige vrouwen; er zijn, denk ik, maar weinige van dat soort. Wat hielp die kleine mij eens aardig op van dien lagen zetel in den tuin!" Daarbij lachte hij stil in zichzelven, hield Philippus, die naast hem liep, tegen en zeide terwijl hij hem zacht op den arm tikte, met een luchtigen toon, die hem anders vreemd was: "Een mensch moet toch alles eens beproeven. Vrouwelijke verpleging voor men ten grave daalt! En het is ook waar, dat zij beiden kijven noch babbelen?"
"Dat zeker niet," antwoordde de arts.
"En welk een 'maar' zal hierop volgen?" vroeg de grijsaard. "Laat ons eens lichtzinnig zijn, broeder! Ware het geval niet zoo duivelsch ernstig, het zou om te lachen zijn! Als we uitrusten, de jonge tegenover mij, de oude tegenover u, zoontje! Beter gewassen linnen, geen gat in de kleeren, geen stof op de boeken, een vriendelijk 'verblijd u!' elken morgen en aan den disch... Kijk die vruchten daar eens op dat bord liggen! Als haver, dat men de paarden voorwerpt! Bij den oude lagen ze zoo netjes geschikt, gelijk bij ons te huis op Philae; de avonddisch was een klein kunstwerk, een smulletje ook voor het oog. Die Pul schijnt er den slag van te hebben, evenals mijne arme gestorvene zuster. En dan: als men wil opstaan, zoo'n klein, vriendelijk, jong handje om je te steunen! Onze woning staat mij reeds lang tegen. In het slaapvertrek vallen kalk en stof van de zoldering; hier gapen overal spleten in den grond--ik ben er gisteren nog over gestruikeld--en onze krenterige huisheeren, de heeren bouleuten, zeggen: wat wij willen laten herstellen, dat kunnen we zelven doen; zij hebben er geen sestersie voor over. Bij den armen, ouden Rufinus was alles in den besten staat." De grijsaard begon luide te schaterlachen, en zich in de handen wrijvende, ging hij voort: "Als we nu eens éen lijn trokken Philippus? Als we den wensch van den stervende eens vervulden? Groote, genadige Isis! Een goed werk zou het zeker zijn, en ik heb mij op niet vele te beroemen. Met wat voorzichtigheid--wat denkt ge--tot wederopzeggens hij de maand, zou men er ten slotte de proef van kunnen nemen."
Daarop werd hij weer ernstig, schudde het hoofd en zeide met een bedenkelijk gezicht: "Neen, neen, men offert er zijne rust bij op.... Een aardig droombeeld, maar het laat zich bezwaarlijk uitvoeren."
"In elk geval vooreerst niet," zeide de arts. "Zoolang het lot van de Damasceensche niet beslist is, bid ik u dit alles te laten rusten."
De oude man begon in zichzelven te vloeken en zeide toen, met een blik van toorn en verontwaardiging: "Altijd en overal die patricische slang, zij bederft alles! Doch wacht maar, wacht! Ik denk dat zij spoedig voor ons uit den weg zal gaan, en dan... Neen, juist nu laat ik me stellig niet ontnemen wat ons het leven kan veraangenamen, wat op de weegschaal van het doodengericht mijn gewicht kan vergrooten. De wensch van een stervende is heilig. Dat zeiden de vaderen reeds en zij hadden gelijk. De wil van den oude geschiede. Ja, ja, ja! Nu staat het vast! Zoodra alle bezwaren uit den weg geruimd zijn, vereenigen wij onze huishouding met die der vrouwen. Ik wil het en heb het gezegd!"
Daar kwam de hovenier weder binnen en de grijsaard riep hem toe: "Hoor eens man, ten slotte komen wij toch bij elkaar; bijzonderheden nader. Tot het donker wordt blijft gij bij mijn volkje; maar mondje dicht, want het zijn allemaal luistervinken en babbelaars. Thans brengt heer Philippus de treurmare over aan de ongelukkige weduwe, en gij kunt dan van nacht met haar spreken. Daar beneden mag niets in het oog vallends gebeuren, en wat uw heer overkomen is, zelfs dat hij dood is, moet voor de geheele wereld een geheim blijven, behalve voor ons en de zijnen."
De hovenier wist wat er van zijn zwijgen afhing. Philippus keurde de schikking van den grijsaard goed, doch vermeed met opzet, om over de opneming der vrouwen te spreken. Toen hij ten laatste op weg ging, om zich van zijne zware taak bij de weduwe te kwijten, riep Horus Apollon hem toe: "Moed, moed, mijn zoon, en werp in het voorbijgaan een blik in ons tuintje: het deed ons leed, toen die oude palm daar wegstierf, en thans schiet uit zijn wortel een jong reeds groenend boompje op."
"Sedert gisteren laat het de waaiers hangen en zal wel wegkwijnen," antwoordde Philippus schouderophalend.
"Begieten Gibbus!" riep daarop de oude. "Men moet het jonge palmpje terstond begieten."
"Gij hebt het water bij de hand," hernam de arts en hij stond reeds op de trap, toen hij erbij voegde: "Als het met ieder zoo gesteld was!"
"Met geduld en goeden wil kan men het zoover brengen," mompelde de grijsaard. Toen hij alleen was prevelde hij hem knorrig achterna. "Weg nu met dien verdorrenden ouden palmstronk, zijn vroeger leven, voor zoover het verbonden is aan die patricische deerne! In het vuur er mee! Hoe krijg ik haar in mijne macht? Hoe zal ik het overleggen, ja hoe zal ik?"
Daarop wierp hij zich in zijn leuningstoel en wreef zijn voorhoofd met de vingertoppen. Hij was nog tot geen besluit gekomen, toen de zwarte slaaf gehoor kwam vragen voor eenige bezoekers. Het waren de hoofden van den senaat van Memphis, die men had afgezonden, om aan den oude wijze raad te vragen. Zoo iemand, dan moest hij een middel vinden, om het vreeselijk onheil, dat stad en land bedreigde, waartegen gebeden, offeranden en processiën machteloos waren gebleken, af te wenden of te verzachten. Zij waren besloten voor niets terug te deinzen, ook al moest heidensche tooverij erbij in het spel komen.
TIENDE HOOFDSTUK.
In den jongstverloopen donkeren nacht was in Katharina het gevoel van medelijden met Heliodora geheel uitgedoofd. Zij had haar in gezelschap van hare kamenier en een ouden doofstommen stalslaaf heimelijk begeleid naar eene waarzegster, die er te Memphis althans niet minder gevonden werden dan toovenaars, alchimisten en scheikundigen. Men had der jonge vrouw aangezegd, dat hare levenslijn opsteeg tot het hoogste geluk en dat alle, zelfs de stoutste wenschen haars harten, vervuld zouden worden. Met deze wenschen was het kwikstaartje maar al te zeer vertrouwd, en de waarschijnlijkheid, dat deze werkelijk de vervulling nabij waren, had hare jaloezie gaande gemaakt en haar geleerd ook Heliodora te haten.
De weduwe was in eenvoudige, maar kostbare gewaden bij de toovenares gekomen. In plaats van een gouden haak had een knop haar peplos op den schouder saamgehouden, die overeenkomstig hare liefhebberij voor kostbare edelgesteenten uit een saffier van buitengewone grootte bestond. Der waarzegster was deze terstond in het oog gevallen en had haar doen zien, dat zij met eene aanzienlijke en rijke vrouw te doen had. Zij had de eenvoudig gekleede Katharina voor eene juffrouw van gezelschap of eene arme vriendin der voorname dame gehouden en haar daarom slechts voorspeld, dat zij na eenige bezwaren te boven gekomen te zijn een gelukkig leven zou leiden aan de zijde van een niet zeer jongen echtgenoot, alsmede dat zij rijk met kinderen gezegend zou worden.
De zaak van deze vrouw scheen nogal wat op te brengen, want het inwendige van haar huis stak zeer gunstig af bij de ellendige hutten, die het overal omgaven in dit armelijk en berucht stadskwartier. Van buiten onderscheidde het zich weinig van de aangrenzende woningen, ja het werd met opzet verwaarloosd, om de overheden te bedriegen, die op tooverij en de uitoefening van magische kunsten de doodstraf hadden gesteld; maar de versiering van de kleine, opene zuilenzaal, waarin zij hare bezweringen en voorspellingen pleegde te doen, had niet weinig geld gekost. Aan de wanden hingen tapijten met magische teekens; de zuilen waren met figuren beschilderd, die verbazing en schrik moesten wekken; op kleine altaren rookten boven kolenbekkens aarden potten en ketels van verschillende grootten, bekers, flesschen, kannen, een rad, waarin een draaihals op en neer huppelde, wasfiguren en daaronder mannen- en vrouwenbeelden met naalden in het hart, een kooi met vleermuizen en glazen vol spinnen, kikvorschen, bloedzuigers, kevers, schorpioenen, duizendpooten en andere afzichtelijke gedierten stonden op voetstukken in de rondte, en aan eene der lange zijden van de zaal liep eene korte lijnbaan, waarvan men zich bediende bij zekere Thracische betoovering. Welriekende en scherpe dampen vervulden de ruimte, en achter een gordijn, dat de muzikanten voor het oog onzichtbaar maakte, liet zich het eentonig gezang van enkele kinderstemmen, schellengeluid en doffe trommelslag hooren.
De tooveres Medea kon nog niet ouder zijn dan ongeveer zes-en-veertig jaren, toch paste zij zeer goed in deze omgeving, zoo overvloedig rijk aan vreemde, betooverende, weerzin, angst- en schrikwekkende dingen; want haar gelaat was bleek en zijne ongewone lengte werd nog verhoogd door den hoog opgekamden, pikzwarten haarbos midden op den schedel. Bij het einde van het eerste bezoek der vrouwen, waardoor zij verrast was geworden en waarbij een en ander op dit toovertheater ontbroken had, wat heden eene bijzondere uitwerking deed, had zij Heliodora uitgenoodigd over drie dagen terug te keeren. De jonge vrouw was deze uitnoodiging gevolgd en op den bepaalden tijd verschenen in gezelschap van Katharina. Men kon Egypte, het land der tooverij en der magische kunsten, toch niet verlaten, zonder de proef er van genomen te hebben. Zoo oordeelde ook vrouw Martina, hoewel zij voor zichzelve op die waarzegging niet gesteld was. Zij was met haar lot tevreden, en stonden er veranderingen tot haar nadeel voor de deur, dan wilde zij zich door eene goede waarzegster niet bij voorbaat laten beangstigen. Door eene slechte bedrogen te worden was nog minder aanlokkend. Buitengewoon geluk kon zij niet meer gebruiken, dat zou haar gestoord hebben in hare rust. Maar voor het jonge volkje, lag het leven nog open, en als het een kijkje in de toekomst wilde nemen, was zij de laatste, om dit euvel te duiden.
De jonge weduwe en het meisje betraden den drempel der tooveres in zekere spanning, en van de twee was Katharina ditmaal wel het meest ongerust, want in den namiddag had zij Philippus het huis van Rufinus zien verlaten, terwijl spoedig daarop Arabische beambten het waren binnengegaan. Vóor zonsondergang was Paula met betraande oogen in den tuin verschenen, en toen een weinig later Pul met hare moeder bij haar waren gekomen, was de Damasceensche vrouw Johanna om den hals gevallen, en had zoo bitter geschreid, dat ook deze en hare dochter, "die altijd de tranen spoedig bij de hand had", zich hadden laten meesleepen, om met haar van droefheid te snikken. Daar was iets gewichtigs voorgevallen, maar toen zij naar het huis van Rufinus was gegaan, om wat naders te hooren, had de oude Betta, die altijd boos op haar was haar kort en onheusch afgewezen. Verder hadden zij en Heliodora op de straat eene zeer pijnlijke ontmoeting gehad, want de wagen van vrouw Neforis, die hen aan de grens der doodenstad moest afzetten, was onderweg door eene afdeeling Arabische ruiters aangehouden, en zij hadden zich moeten laten welgevallen, dat de aanvoerder haar allerlei vragen deed.
Zoo betraden zij dan ditmaal het huis der "lokken Medea", gelijk de tooveres in de wandeling werd genoemd, met een angstig kloppend hart, doch zij werden met zulk eene onderdanige hoffelijkheid ontvangen, dat zij spoedig tot bedaren kwamen, en ook de uiterst vreesachtige Heliodora weldra weder vrijer begon te ademen. De waarzegster wist nu ook wie Katharina was, en bewees de eenige dochter der rijke weduwe meer achting. Heden stond de smalle sikkel der nieuwe maan aan den hemel, en deze omstandigheid, verzekerde Medea, veroorloofde haar klaarder te zien als in den tijd van den Punaneger, zooals zij den nacht zonder maneschijn noemde. Haar zielsoog was bij het eerste bezoek onder de inwerking van vijandige machten overvallen door Typhonische duisternis. Terstond nadat de vrouwen waren vertrokken, had zij dit begrepen; maar heden zag zij des te helderder. Haar innerlijk oog was nu blank als een zilveren spiegel, zij had het gereinigd door drie dagen te vasten, en haar kon geen stofje ontgaan.
"Helpt," zoo ving zij aan, "Gij Horus-kinderen, helpt Hapi en gij heilig drietal!"--"O gij schoonen, gij schoonen!" ging zij in vervoering voort. "Honderden aanzienlijke vrouwen hebben mijne kunst beproefd, doch zooveel gunst van het lot als boven de uwen, zag ik nog nooit boven twee hoofden vereenigd. Hoort gij, hoe het borrelt in de geluksketels? Daar worden de deksels opgestuwd. Buitengewoon, buitengewoon!"
Zij strekte om te bezweren de hand naar de beide ketels uit en riep plechtig: "Overmaat van geluk, overvloed, overvloed, berstende schuren. Zefa-ou, Metramao... Keer terug tot de ware vlakte, ware hoogte, ware diepte, de juiste maat! Uwe el Meï--afmeter, afweger, gebruik ze, Techouti, gebruik ze, dubbele Ibis!"
Daarop beval zij beiden zich neer te zetten op sierlijke stoelen tegenover de ketels, bond aan de ringvingers van ieder hunner den "anoubischen draad", vroeg fluisterend en onder nauwelijks verstaanbare bezweringen aan de weduwe en de jonkvrouw een haar, en nadat zij ze beiden elk in een ketel had gelegd, riep zij met hartstochtelijken ijver, en als hing van het kleinste verzuim het wel en wee harer bezoeksters af: "De vinger met de anoubische draad op de plaats van het hart gedrukt, de oogen op den ketel gericht en den damp, die opstijgt tot de geesten des hemels, des lichts, tot den Groote in de hoogte!"
De vrouwen volgden met een kloppend hart het gebod der tooveres, en deze draaide plotseling met duizelingwekkende snelheid op de teenen in het rond; daarbij vloog de haarbos op haar schedel omhoog en de tooverstaf in hare wijd uitgestrekte rechterhand beschreef een wijden, zuiveren cirkel. Als door een schrik aangegrepen, hield zij daarna plotseling op te draaien; op hetzelfde oogenblik gingen de lampen uit, en de zaal werd door niets verlicht dan door de sterren aan den hemel en de glimmende kolen onder de ketels. De doffe muziek stierf weg, maar eene nieuwe, sterker geur drong door het gordijn in de zaal.
Medea wierp zich nu op de knieën, strekte de armen ten hemel, wierp het hoofd met een alleen door haar uitvoerbaren snellen ruk zoover terug, dat het geheele gelaat was gekeerd naar het firmament boven haar, en haar blik, recht opwaarts ziende, de sterren waarnam. In deze vreeselijke houding, met het blauwe hemelgewelf boven haar hoofd, zong zij bezwering op bezwering met eene helder roerende, smachtende stem. Haar borst welfde zich daarbij sterk omhoog, haar haarbos stond niet meer op, maar was naar de vrouwen gekeerd, die niet anders dachten dan dat deze den hemel aanroepende vrouw, door de opstijging van het bloed achterover op den grond zou vallen. Doch zij zong en bleef zingen, en hare witte tanden schitterden daarbij in het sterrelicht, dat loodrecht op haar neerviel. Onder den overvloed van demonische namen en magische woorden, die zij omhoog riep en liet trillen door de lucht, deed zich uit de richting van het gordijn een beangstigend, jammerend tweeledig rochelen, zuchten en klagen hooren; het eene geluid scheen voort te komen uit de beklemde borst van een door bitter lijden aangegrepen man, het andere was als het zacht, half verstikt gekrijt van een kind, dat pijn lijdt. Het laatste werd steeds luider en eindelijk hoorde men in het Egyptisch: "Water, een slokje water!"
De vrouw verliet opeens hare schrikkelijke houding, rees op en riep: "De klacht der beroofden en armen, van wie genomen werd, om aan de in overvloed badenden te geven, de noodkreet dergenen, die door het lot werden geplunderd om u gaven te schenken, genoeg voor honderden."
Na deze woorden, die zij op zalvenden toon in het Grieksch had gesproken, keerde zij zich naar het gordijn en riep nu weder plechtig in het Egyptisch terug: "Geef den dorstende te drinken, de gelukkigen gunnen hem een dropje van hun overvloed. Geef den klagenden kinderdemon den witten drank, om hem te vreden te stellen en te verdrijven. Laat muziek klinken, om de klachten der jammerende geesten te overstemmen!"
Daarna keerde zij zich naar Heliodora's ketel en zeide ernstig, als volgde zij een hooger bevel: "Zeven goudstukken, om het werk te voleindigen," en terwijl de jonge vrouw haar beurs voor den dag haalde, de tooveres de lampen ontstak en de munten in de kokende vloeistof wierp, zong zij onophoudelijk: "Rein, blinkend goud, zonlicht, in de bergen verborgen. Heilige zeven, schaschef, schaschef! Heilige zeven! Vereenigt u! Smelt samen."
Zij goot hierop een dampende vloeistof, zoo zwart als inkt, uit den ketel op een vlakken schotel, riep Heliodora aan hare zijde en verklaarde haar wat haar oog op den blanken spiegel zag: het was niets dan schoons, het gaf enkel hartverblijdende antwoorden op de vragen der weduwe. Wat de tooveres zeide, moest het vertrouwen op hare magische krachten versterken, want zij beschreef Orion zou nauwkeurig, als zag zij hem in den inktspiegel voor zich en wel op reis met een anderen heer. Maar daar kwam reeds zijn terugkeer op de blanke vlakte te voorschijn, daar zag zij Heliodora aan de borst van den geliefde, en nu welk een tafereel. Niet de bisschop van Memphis, maar een vreemde legde hare en zijne hand in elkander voor het altaar in een grooten, heerlijken dom en zegende hun verbond.
Katharina, wie het gezang van Medea en wat daarop gevolgd was met vrees had vervuld en in stilte deed huiveren, volgde ieder woord der tooveres met angstige spanning. Wat de vrouw zeide, de wijze waarop zij Orion beschreef, het was wonderbaarder dan alles wat zij ooit voor mogelijk had gehouden. En de dom, waarin het verliefde paar getrouwd zou worden, was de Sophia-kerk te Konstantinopel, waarvan zij veel gehoord had. Het hart werd haar als toegeknepen, maar met hoeveel aandacht zij ook de woorden van Medea volgde, haar scherp oor hoorde toch voortdurend het treurig rochelen en klagen achter het gordijn, dat beangstigde haar, beklemde haar adem, en een diep martelend gevoel van ellende overweldigde hare ziel. Dien krijtenden kindergeest daar achter, van welks geluk haar een deel ten goede gekomen zou zijn, had zij, juist zij, zeker niets ontroofd, want wie was er thans ongelukkiger dan zij? Alleen die schoone, smachtende, jonge vrouw daar had het lot met gaven, genoeg voor ontelbare anderen, zoo kwistig overladen. O als zij haar de eene na de andere had kunnen ontrooven, van den grooten robijn af, dien zij heden droeg, tot de liefde van Orion toe!
Bleek en overspannen gaf zij aan de roepstem der tooveres gehoor, nadat ook zij zeven goudstukken geofferd had. Zij had daarvoor het liefst eene moorddadige verwensching gekocht, om de gelukkige daar er mede te verpletteren. Reeds begon de pikzwarte vloeistof in den schotel te vloeien, waaruit een scherp riekende damp opsteeg, doch de tooveres blies dezen opzij. Zoodra het donkere vocht een weinig was afgekoeld en de oppervlakte niet meer troebel maar glad was, vroeg Medea het meisje, wat zij het eerst begeerde te vernemen. Doch het antwoord werd Katharina van de lippen genomen; een verschrikkelijk geklop en gedreun deed plotseling het huis daveren, en met een luiden gil liet de tooveres den schotel vallen, zoodat de inhoud omhoog spatte, en lauwe, vuile druppels zich hechtten aan het kleed en de armen van het meisje. Een onverwachte, ontzettende schrik bracht haar geheel in verwarring, en Heliodora, die zelve nauwelijks op de been kon blijven, moest haar steunen; want Katharina waggelde en dreigde in elkaar te zakken.
De tooveres was verdwenen; in de zaal bevonden zich alleen een half volwassen knaap, een jonge man en een lang opgeschoten, schamel gekleed Egyptisch meisje. In alle richtingen heen en weervliegende wierpen zij de voorwerpen, die hier en daar stonden, in eene opening van den vloer, waarvan zij het luik hadden weggetrokken, goten water op de kolen, doofden de lampen uit en dreven de vrouwen met gemeene scheldwoorden in een hoek van de zaal. Daarna klommen de knapen zoo vlug als katten naar het open dak, en sprongen naar buiten. Daar weerklonk een schel gefluit door het huis, en een oogenblik later stormde de tooveres de zaal binnen, vatte de beide bevende vrouwen bij de schouders en riep hun toe: "Om Christus' wil hebt medelijden! Het is om mijn leven te doen. Op tooverij staat den dood. Ik heb mijn best voor u gedaan. Gij zijt--hoort gij wat gij zeggen moet?--gij zijt uit barmhartigheid gekomen om de kranken te verplegen."
Daarop duwde zij beiden door het gordijn, waarachter nog altijd klaagtonen werden gehoord, in een bedompt laag vertrek, en het groote, magere meisje slenterde haar achterna. Daar lagen op armzalige legersteden een oud man met donkere vlekken op zijne naakte borst en zijn aangezicht, rillend over al zijne leden, en een vijfjarig kind, welks hoogroode wangen van de koortshitte gloeiden. Heliodora dacht in dit vertrek te stikken en Katharina klemde zich bevende aan haar vast; doch de tooveres haalde hen van elkander zeggende: "Ieder voor een bed; gij bij het kind, gij bij den oude!"
Werktuigelijk volgden beiden de vrouw, die van angst buiten adem was. Het kwikstaartje, dat zich nog nooit om eene kranke bekommerd had, werd van afschuw vervuld en wendde de oogen van de lijders af. De jonge vrouw, die vele, vele nachten aan de lijdenssponde van een geliefde gewaakt had en goedhartig,--want dat was zij van nature--haar lijdende slaven vaak met eigene hand hulp had verleend, zag het kind medelijdend in het vriendelijke, gloeiende gelaat, en veegde het met den doek de zweetpaarlen van het voorhoofd.
Katharina huiverde bij alles wat zij zag, doch reeds werd hare opmerkzaamheid door iets nieuws geboeid, want aan de andere zijde van het huis hoorde men wapengekletter, de deur werd met geweld opengestooten en de arts Philippus trad de kamer binnen. Hij beval de veiligheidsbeambten, die hem vergezelden, buiten te wachten. Hij verscheen op last der bouleuten, aan wie ter oore was gekomen, dat zich door de pest aangetaste kranken bevonden in het huis van Medea, en dat zij desniettemin voortging met bezoeken te ontvangen. Men had reeds lang besloten haar de uitoefening van dit handwerk te beletten; en heden was het bericht gekomen, dat zij in den avond voorname bezoekers verwachtte. De beambten wilden haar op heeter daad betrappen en de arts verlangde uit te maken, of haar huis tot de door de ziekte aangetaste behoorde. In elk geval wenschte de senaat de tooveres in de gevangenis ter zijner beschikking te hebben, hoewel men aan Philippus van dit verlangen niets had medegedeeld.
Zij die binnenkwamen, hadden in het minst niet verwacht deze gasten hier te vinden. Met een afkeurend hoofdschudden keek de arts hen aan, legde de tooveres het zwijgen op met een barsch: "dat alles zal wel blijken," toen zij haastig verzekerde, dat deze edele dames gekomen waren, om uit christelijke barmhartigheid de arme lijders te troosten en te helpen, en bracht de onvrijwillige krankenverpleegsters onverwijld naar buiten. Daar deelde hij haar mede in welk een schrikkelijk gevaar zij zich door hare lichtzinnigheid gebracht hadden, en gebood haar ten stelligste zich terstond naar huis te begeven, dáar, ondanks het late uur, een bad voor zich gereed te laten maken en van kleederen te verwisselen.
Met knikkende knieën bereikten zij den wagen en nog voor deze zich in beweging zette, barstte Heliodora in bittere tranen uit, terwijl Katharina zich nijdig achterover in de kussens wierp en met een blik op hare gezellin, die zoo geheel ontdaan was, dacht: "Het begin van het ongehoord geluk, dat haar verspeld werd! Goed, als het zoo voortgaat."
Het was alsof demonen, die het kwikstaartje welgezind waren dezen wensch vernomen hadden; want toen de wagen voorbij het wachthuisje den eersten hof van het stadhouderlijk verblijf wilde inrijden, werd hij aangehouden door vreemde gewapenden, met bruine krijgshaftige aangezichten, en moest hij eenige oogenblikken hier wachten tot een Arabisch bevelhebber verscheen, die verlangde te weten wie zij waren en wat zij begeerden.
Zij antwoordden met bevende stem, waarop haar werd medegedeeld, dat zoo even op last der Arabische regeering beslag was gelegd op het stadhouderlijk paleis. Orion was van eene groote misdaad beschuldigd en zijne gasten moesten morgen het huis verlaten. Katharina, die den tolk kende, kreeg vergunning Heliodora naar de vrouw van den senator te vergezellen, zich van den wagen te bedienen om terug te rijden en, als zij dit begeerde, de Byzantijnsche met zich naar huis te nemen; want in het stadhouderlijk verblijf zou het er in de eerste dagen zeer oorlogzuchtig uitzien.
Zij hielden nu te zamen raad. Het kwikstaartje drong er op aan, dat Heliodora haar terstond naar hare moeder zou vergezellen, want zij hield zich en hare gezellin voor verpest; en hoe zouden zij, in dit door soldaten bezet gebouw, een bad kunnen nemen? De jonge vrouw kon en durfde in dezen toestand niet bij vrouw Martina blijven. Morgen moest ook de matrone bij Katharina komen; hare moeder, zeide zij, zou zich bijzonder verheugen over zulke lieve gasten.
De weduwe liet werktuigelijk alles met zich doen, en nadat vrouw Martina gaarne had ingewilligd, om de uitnoodiging van hare "reddende engel" te volgen, bracht de wagen beiden naar het huis der weduwe Susanna. Deze was reeds lang te bed en hield zich vast overtuigd, dat haar dochtertje in hare vriendelijke kamer lag te slapen en te droomen. Katharina liet haar niet wekken en de badkamer was zoover verwijderd van Susannas vertrekken, dat zij rustig doorsliep, terwijl haar kind en hare nieuwe gast er gebruik van maakten.
ELFDE HOOFDSTUK.
Het was in de stadhouderlijke woning een ontzettende nacht. Vrouw Martina vroeg zich af welke zonde zij begaan had, dat zij juist uitverkoren was, getuige van zulk een ongeluk te zijn. En wat werd er nu van hare huwelijksplannen? Eene verhuizing in deze ontzettende hitte was zeker eene ware beproeving; maar zij had eenige malen uit het eene verblijf naar het andere willen trekken en zich als een bal heen en weer willen laten werpen, als zij daardoor haren lieven "grooten Sesostris" uit dit verschrikkelijk gevaar had kunnen redden. Dit alles was zeker het gevolg van die onzinnige, dolle geschiedenis met de nonnen. En deze Arabieren! Zij namen maar wat hun behaagde, en waren waarlijk in staat den zoon van den grooten Mukaukas uit te plunderen en tot een bedelaar te maken. Eene fraaie geschiedenis! Nu Heliodora had voor beiden genoeg, en zij en haar man behoefden haar in hun testament niet te vergeten. Doch hier was misschien sprake van geheel andere dingen: van leven of dood.
Bij deze gedachte voer eene rilling haar door de leden en hare vrees zweefde niet in de lucht. De zwarte Arabier, die tot haar gekomen was, om met haar te onderhandelen en haar ten slotte toe te staan tot morgen in de stadhouderlijke woning te blijven, had haar dit juist door den tolk doen weten. Een ongehoord, afgrijselijk onheil, waarvoor geen naam was te vinden! En zij daar midden in, gedwongen alles mede te beleven! En haar man, haar arme Justinus. Hoe moest hem dit alles ter harte gaan! Hare oogen werden niet droog, en voor zij insliep bad zij recht vurig, dat hare heilige en de goede moeder Gods dit alles tot een verblijdend einde mochten brengen. Met de gedachte: "Welk een ongeluk!" sloot zij de oogen en in den vroegen morgen ontwaakte zij daarmee weder.
Toch was het ontzettendste, wat er in dezen noodlottigen nacht had plaats gehad, niet tot hare ooren doorgedrongen. Eene schare Arabische krijgslieden was bij het aanbreken van den nacht te voet, te paard en in booten den Nijl overgestoken, en had, onder aanvoering van den Wekil Obada, het stadhouderlijk paleis omsingeld. Nadat het stellig gebleken was, dat Orion zich inderdaad op reis bevond, werd de rentmeester Nilus gevangen genomen. Vervolgens hadden de zwarten in last de weduwe van den Mukaukas van het gebeurde te onderrichten en haar aan te zeggen, dat zij reeds morgen het huis moest verlaten. Dit moest geschieden, omdat de Wekil met het eerwaardig verblijf van het oudste geslacht in den lande iets zeer bijzonders in den zin had.
Vrouw Neforis was nog wakker en hield zich in de fonteinzaal op, toen de tolk, als voorlooper van Obada, zich bij haar liet aandienen. Hij vond haar een weinig onthutst, want ofschoon zij niet meer in staat was regelmatig te denken, en haar de invallende gedachten als bliksemschichten door de hersens schoten, als zij haar geest moest inspannen, zoo had zij toch bemerkt, dat er iets bijzonders in hare woning plaats had. Maar zoowel de huismeester Sebek als hare kamenier hadden hare vragen ontweken en daarop in zooverre geantwoord, dat naar zij zeiden de plaatsvervanger van Amr gekomen was, om met den jongen heer te spreken. Het scheen eene belangrijke zaak te gelden, misschien eene valsche aanklacht.
Orion, zoo berichtte de hermeneut, was aangeklaagd van eene onderneming op het getouw te hebben gezet, die aan twaalf Arabische krijgers het leven had gekost, en reeds de aanval op een enkelen muzelman van de zijde eens Egyptenaars werd, gelijk zij wist, met den dood en de verbeurdverklaring van het vermogen gestraft. Verder was haar zoon van roof aangeklaagd. Aan het einde van zijne mededeeling, die vrouw Neforis met strakke blikken, verbaasd en ten laatste als verpletterd had aangehoord, vroeg de tolk gehoor voor den Wekil.
"Nog niet dadelijk, nog eenige oogenblikken," luidde het met moeite uitgebracht antwoord van de weduwe, want zij moest zich eerst door het genot van haar arcanum versterken. Zoodra dit gebeurd was, toonde zij zich bereid Obada te ontvangen.
De zwarte vijand van haar zoon wenschte voor haar te verschijnen als een mild en grootmoedig man, en deelde haar met vleiende onderdanigheid mede, terwijl hij telkens zijne tanden liet glinsteren, dat zij in den loop van den volgenden dag het huis verlaten moest, waarin zij den langsten en gelukkigsten tijd haars levens doorgebracht had. Op zijne verklaring, dat haar eigen vermogen niet aangetast zou worden, en het haar vrijstond te Memphis te blijven of haar huis te Alexandrië te betrekken, antwoordde zij gelaten, dat dit wel terecht zou komen. Daarop vroeg zij, of de Arabieren haar zoon reeds in handen hadden?
"Dat juist niet," antwoordde de Wekil, "doch wij weten waar hij schuilt, en morgen of overmorgen hebben wij den beklagenswaardigen jongeling in onze macht."
Bij de laatste woorden bemerkte de weduwe een glans van vergenoegen in de oogen van den zwarte, die tot dusver getracht had zich medelijdend te toonen, en met een zacht hoofdknikken ging zij voort: "Dus is het hier een vraag van leven en dood?"
"Blijf bedaard, edele vrouw," luidde het antwoord, "alleen van den dood."
Zij sloeg den blik ten hemel, bleef eenige oogenblikken in die houding zitten, en vroeg dan verder: "En wie heeft hem van roof beschuldigd?"
"Het hoofd zijner eigen kerk..."
"Benjamin," prevelde zij binnensmonds, en haar mond vertrok zich tot een eigenaardig lachje. Zij had gisteren haar testament opgesteld ten gunste van den patriarch en de kerk. "Wanneer Benjamin het gelezen heeft," had zij tot zichzelve gezegd: "verandert hij misschien van gezindheid jegens u en de uwen, en laat hij ijverig voor ons bidden."
Daar zij verder niets zeide, zag de Wekil haar vragend en met eenige verlegenheid aan, tot zij eindelijk opstond en niet zonder waardigheid afscheid van hem nam met de opmerking, dat de zaken hiermede afgehandeld waren en zij verder niets met hem te bespreken had.
Hiermede was dit onderhoud afgeloopen, en toen de Wekil de fonteinzaal verlaten had, mompelde hij bij zichzelven: "Welk eene vrouw! Zij is of van demonen bezeten en niet wel bij het hoofd, of eene buitengewone heldin!"
Vrouw Neforis liet zich naar haar slaapkamer brengen, en nadat zij zich te bed gelegd had, beval zij de kamenier zeker kastje uit hare kist te nemen en het op het artsenijtafeltje aan het hoofdeinde van haar legerstede te plaatsen. Toen zij alleen was haalde zij de beide brieven, die de Mukaukas Georg haar als bruidegom geschreven had, en een gedicht, dat Orion eens aan haar gericht had, daaruit te voorschijn en beproefde ze te lezen. Doch het schemerde haar voor de oogen, zoodat zij de bladen weer moest wegleggen. Daarop nam zij een pakje ter hand, dat de lokken bevatte, die zij van de verstijfde hoofden harer gestorven zonen en haars gemaals had gesneden. Met dweepachtige teederheid beschouwde zij deze dierbare voorwerpen, en nu begon het opium zijn uitwerking te doen. Met tastbare duidelijkheid traden de beeltenissen van de afgestorvenen voor hare verbeelding, en zij ging met hen om als stonden zij in vollen levenskracht aan haar bed. Met de lokken in de hand sloeg zij daarna den blik omhoog, en trachtte zich voor den geest te brengen wat heden had plaats gehad en wat haar wachtte. Zij moest dit vertrek, deze breede legerstede, dit huis, kortom alles verlaten, waaraan de dierbaarste herinneringen verbonden waren van hen, die zij zoo liefhad. Men wilde haar daartoe dwingen--maar voegde het haar zich te onderwerpen aan den wil van dien zwarte, dien vreemdeling, hier waar zij te gebieden had? Met een minachtend lachje schudde zij het hoofd en opende een glazen fleschje, hetwelk nog voor de helft met opiumpilletjes gevuld was, nam eenigen op den tong en sloeg den blik weer naar boven. Daar deed zich een nieuw visioen voor hare verbeelding op; zij zag hem, van wien ook de dood haar niet had kunnen scheiden, en hare gestorven zonen aan zijne voeten. En nu steeg Orion uit de wolken op, gelijk een duiker uit de golven van den stroom, en sprong op den oever van het eiland, waar haar gemaal stond met de jongelingen. Zijn vader opende voor hem de armen en drukte hem aan zijn hart, en zijzelve, of althans haar schim, voegde zich bij de anderen, en ieder ging haar teeder te gemoet, en ten laatste ook haar gemaal, aan wiens borst zij bleef rusten. Was zij reeds geruimen tijd en lang voor de Arabieren haar overvielen, half bewusteloos en als beneveld geweest, thans gevoelde zij eene aangename, de leden verlammende slaperigheid, waaraan zij zich geheel en al verlangde over te geven. Doch nauwelijks had zij de oogleden gesloten of de gedachte vloog haar weer door het hoofd aan hetgeen haar wachtte, en met inspanning van al haar wilskracht richtte zij zich op, nam het water dat steeds op het tafeltje bij haar stond, ten einde de rest van de pilletjes uit het fleschje er in te werpen en den beker tot den bodem te ledigen.
Bij dit alles was hare hand rustig gebleven, en uit het tevreden lachje om haar mond en den verlangenden blik van haar oog had men kunnen opmaken, dat zij dorst gevoelde en zich een smakelijke drank gereed maakte. Zij zag er allerminst uit als iemand, die in wanhoop de hand aan zichzelve slaat, en zij gevoelde ook geen berouw, geen doodsangst, geen drukkende last van een schuld, die zij op zich nam, maar eene zoete vermoeidheid en hoop, zalige hoop op een leven zonder einde, vereend met hare dierbaren. Maar nauwelijks had zij den doodelijken dronk genoten, of eene ijskoude rilling ging door hare leden, half opgericht riep zij de kamenier, die in het aangrenzend vertrek waakte, en toen deze haar angstig in de strakke oogen zag, stamelde zij tot haar: "Een priester, haastig--ik wil sterven!"
De dienares liep naar buiten en riep in het viridarium den huismeester Sebek toe, die met den Wekil voor het tablinum stond, wat er gebeurd was, en de zwarte stond hem toe aan het verlangen van zijne stervende meesteres te voldoen en bracht hem zelf tot aan de voorpoort. Pas buiten gekomen ontmoette de huismeester een diaconus, die zooeven aan een pestzieke den zegen der kerk gebracht had, en eenige oogenblikken later stonden zij aan de legerstede van de weduwe. Naast haar lagen de lokken harer zonen, hare handen waren saamgevouwen rondom een crucifix; doch hare oogen, die lang gestaard hadden op het aangezicht van den Verlosser, waren thans weder met een glans van zaligheid naar boven geslagen.
De priester riep haar bij den naam, doch zij vergiste zich in zijn persoon; zij hield hem voor haar zoon en stamelde hem liefderijk toe: "Orion, arm, arm kind! En gij, Maria, mijn hartje, mijn lieve kleine schatje! Vader--ja, lieve jongen--vader, kom maar; hij is weder goed en vergeeft u... Allen die ik heb liefgehad zijn weder bijeen, en niemand--wie kan ons nog scheiden? Weet gij, man? Hoor, Georg!--"
De priester deed wat zijn ambt van hem vorderde, maar zij bleef in de hoogte staren, zonder hem op te merken, en hare lachende lippen bewogen zich daarbij onophoudelijk, hoewel het haar niet meer gelukte duidelijke geluiden voort te brengen. Eindelijk kwamen zij tot rust, de oogappels verdwenen achter de oogleden, de handen lieten het crucifix los, zacht beefden hare leden, waarna zij zich uitstrekte en haar mond opende, als om nog eens diep adem te halen. Maar hij sloot zich niet weder, en toen de trouwe huismeester de lippen tot elkaar bracht was haar gelaat reeds verstijfd en had haar hart opgehouden te slaan.--De trouwe man snikte luide, en toen hij de treurmare aan den Wekil overbracht, stiet deze een vloek uit en riep den onderbevelhebber, die naast hem stond toe te zien, terwijl men eenige kameelen belaadde met de schatten van het tablinum, spijtig toe: "Ik wilde die gekke, oude vrouw grootmoedig ontzien, en nu speelt zij mij deze poets, want die in Medina leggen mij haar dood ook nog ten laste als niet..."
Hier hield hij plotseling op, en terwijl hij zich weder tot de kameelen en hun last keerde dacht hij: "Bij zulk een hoog spel komt het op een paar goudstukken meer of minder niet aan. Er moeten nog eenige koppen van den romp--die van den schoonen Egyptenaar voor allen.--Als de saamgezworenen in Medina hun plicht maar doen! De ondergang van Omar brengt ook Amr ten val, en daarmede komt alles terecht!"
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Katharina had weinig geslapen en was volgens hare gewoonte zeer vroeg opgestaan, terwijl Heliodora de morgenuren gaarne versliep. Deze waren in zulk een gloeiend heeten tijd zeker de schoonste van den dag, en het kwikstaartje had ze vroeger vroolijk genoten. Maar hoewel eene groote Indische bloem in den afgeloopen nacht voor de eerste maal was opengegaan, en de tuinopzichter haar deze met zekeren trots toonde, kon zij er toch geen behagen in scheppen. De bloem mocht verdorren en met haar de geheele wereld!
In 's buurmans tuin was nog geen beweging. Doch daar kwam de lange arts Philippus op de straat aanloopen, om de vrouwen hiernaast te bezoeken. Met enkele groote stappen ijlde zij naar de poort en riep hem aan. Zij wilde hem verzoeken over de ontmoeting van gisteren te zwijgen, doch hij bleef terstond staan en deelde haar mede, voor zij nog tijd had gevonden hem haar wensch te openbaren, dat de weduwe van den Mukaukas in dezen nacht, door schrik en ontzetting overmand haar gemaal gevolgd was.
Er was een tijd geweest, waarin het kwikstaartje aan vrouw Neforis als aan eene tweede moeder gehecht was, waarin het stadhouderlijk paleis in haar oog het kort begrip was geweest van al wat groot, eerwaardig en voornaam was; waarin zij er trotsch op was geweest en er zich gelukkig in had gevoeld, daar in en uit te mogen gaan; daar als een kind des huizes bemind te worden. De tranen, die bij dit bericht in hare oogen welden, waren dus niet geveinsd, en het was haar goed die vroolijke, trotsche en gelukkige houding te verlaten, die zij als een masker had aangenomen, sedert het er in hare ziel zoo duister, woest en ellendig uitzag.
De arts begreep hare droefheid, beloofde haar gaarne tegen ieder te zullen zwijgen, berispte haar niet, bracht haar echter nogmaals het gevaar onder de oogen, waaraan zij zich had blootgesteld, en herinnerde haar met nadruk, dat elk kleedingstuk, hetwelk zij en Heliodora gisteren gedragen hadden, moest worden weggedaan, daar de fijne aanstekelijke stofdeeltjes aan alles bleven hangen, en ieder kleedingstuk, dat een kranke had aangeraakt, zeer best in staat was om het pestgif op anderen over te dragen en verder te verbreiden. Angstig hoorde zij hem aan en zij kon hem gerust stellen, want alles wat zij en de jonge vrouw gisteren gedragen hadden, was in den badoven gestopt. De arts ging hierop verder, maar zij sloeg geen acht op de hitte en wandelde rusteloos rond in de paden van den tuin. Haar hart klopte met kleine, snelle, pijnigende slagen; een onzichtbare last drukte en verhinderde haar vrij adem te halen. Daarbij steeg er eene reeks kwellende gedachten ongeroepen bij haar op, die zich niet lieten onderdrukken en hare beklemdheid vermeerderden.
Vrouw Neforis dood, de stadhouderlijke woning in handen der Arabieren. Orion van al zijne goederen beroofd en aangeklaagd op leven of dood! En dat vreedzame huis daar achter de heg! Wat stond het te wachten, en zijn zilverharigen heer en diens onschuldige vrouw en dochter? Er pakte zich boven hunne hoofden een onweder samen, zij zag het naderen, en daarachter als eene nieuwe, donkere met den dood dreigende wolk de pest, de vreeselijke pest!--En al die schrikkelijke dingen had zij, zij, het kleine, zwakke meisje, het vlugge kwikstaartje te voorschijn geroepen; zij was het geweest, die de sluizen had geopend, waaruit thans het verderf links en rechts van haar zich uitstortte. Zij zag den vloed wassen en stijgen, zag dien reeds haar eigen huis, haar eigen voet begeerig omspoelen, en zij werd zoo bevreesd, dat de gedachte hieraan alleen haar het zweet op voorhoofd en handen deed uitbreken; en toch, toch! Al had zij werkelijk de macht gehad, om het onweder in zijne wolken, de vloed binnen zijne bedding terug te dringen, zij zou het toch niet gedaan hebben. Het laatste wat zij wenschte, wat zij als vrucht van het door haar gezaaide begeerde te zien opschieten en zich ontwikkelen, was nog niet gekomen. Om dat te beleven was het waard veel te dulden, ja als het zijn moest deze valsche, heete aarde vaarwel te zeggen, die alle aantrekkelijkheid voor haar verloren had.
Boven Orions hoofd hing het zwaard, en vóor het hem trof zou hij weten, wie het voor hem geslepen had. Misschien bracht hij er het leven af, maar de Arabier gaf niet terug wat hij eens bezat, en moest werkelijk de jonge, schitterende Kroisos als bedelaar uit de gevangenis in het leven terugkeeren, dan, dan.... Maar Paula! Maar Heliodora! Hare kleine hand had aan den adelaar van Zeus nu eenmaal den bundel bliksemstralen ontwrongen,--dan vond zij ook voor deze een schicht! Het gevoel harer geweldige macht, die reeds het eene offer na het andere had doen vallen, bedwelmde haar. Zij wilde Orion, wilde hem die haar bedrogen had, in het verderf gestort en aan ellende prijs gegeven, als bedelaar aan hare voeten zien, en dat was het wat haar den moed gaf, om ook het uiterste te wagen; dat, en dat alleen! En wat haar dan zou lusten te doen, dat wilde zij zelve nog niet weten, dat lag in den schoot der toekomst verborgen, dat kon misschien teeder, barmhartig en liefderijk uitvallen.
Toen zij in huis terugkeerde waren angst en beklemming van haar geweken; een nieuwe lust om te handelen vervulde hare ziel, en de kleine luistervink en belaagster was in deze uren eene vreeselijke vrouw geworden die voor geene misdaad terug zou deinzen en zich volkomen bewust was van het doel, dat zij bereiken wilde.
"Arm schaapje!" dacht de arts Philippus, toen hij den tuin van Rufinus inliep, "de ongelukkige zal ook haar kleine hartje leed genoeg hebben gedaan!"
De tuin van zijn ouden vriend was ledig. Alleen onder de sykomore zaten twee menschen, de reuzengestalte van een jonkman en een schoone, teedere, wat bleeke, blondharige vrouw. De groote jonkman hield een breede streng wol met de kolossale handen uit elkander en het meisje naast hem wond den draad tot een kluwen. Het was de Masdakiet Rustem en de schoone Mandane; beiden waren van hunne wonden hersteld, terwijl de Perzische tot een nieuw, kalm, zelfbewust leven was ontwaakt.
Philippus had deze wonderbare herstelling met groote belangstelling en deelneming gevolgd. Hij schreef haar allereerst toe aan de sterke hoofdbloeding, vervolgens aan de goede lucht en de verpleging, die zij genoten had. Het kwam er nu op aan haar ook verder voor onrust en hevige gemoedsaandoeningen te bewaren. In den Masdakiet had zij een vriend en gehoorzamen vereerder gevonden, en Philippus verheugde zich in den aanblik van deze twee, met wie zijne kunst geen schande had ingelegd. De groet, die hij beiden toeriep, klonk vroolijk en hartelijk, en op Philippus' "hoe gaat het?" antwoordde de Masdakiet blijmoedig: "Als een visch in het water!" en vervolgde, terwijl hij daarbij op Mandane wees: "Mijne landgenoote evenzoo."
"Zijt gij het daarmee eens?" vroeg Philippus, en zij stemde toe met een levendig hoofdknikken.
Philippus stak dreigend zijn vinger tegen den Pers op en zeide: "Wikkel u hier niet vast, vriend! Wie weet hoe spoedig heer Haschim u vanhier roept!"
Terwijl hij het herstelde paar vervolgens den rug toekeerde, prevelde hij in zichzelven: "Toch altijd nog iets verkwikkends bij al de ellende, zij en de kleine Maria!"
Voor zijn vertrek had Rufinus de vergroeide kinderen, die hij bij zich had opgenomen, naar hunne ouders teruggezonden, en de arts vond dus niemand in de voorzaal. Waarschijnlijk waren de vrouwen aan het ontbijt in de spijszaal. Doch hij bedroog zich, want dit zou eerst later beginnen en Pulcheria was nog bezig met de tafel gereed te maken. Zij merkte hem, die binnentrad niet op, terwijl zij druiven en granaatappelen, vijgen en vruchten, die in bundels uit den stam der sykomoren ontspruiten en in smaak op moerbeziën gelijken, zorgvuldig schikte tusschen bladeren, die door den gloed der laatste weken half geel waren geworden. Het aardige bouwsel rondde zich reeds tot een sierlijken kegel in vele geledingen. Doch hare gedachten waren niet bij dezen arbeid, want herhaaldelijk biggelden haar tranen langs de wangen.
"Die gelden haar vader," dacht Philippus, terwijl hij in de deur staande haar beschouwde. "Arm kind!" Hoe vaak had hij zijn vriend haar dus hooren noemen! En voor hem was zij tot nu toe ook een kind geweest. Heden moest hij haar echter met andere oogen aanzien, omdat haar eigen vader het aldus had gewild; ook stond hij werkelijk voor haar als voor een wonder. Wat was er uit die kleine Pul geworden? En waarom merkte hij dit eerst heden op? Eene schoone, volwassene jonkvrouw roerde daar voor hem de sneeuwwitte armen, en kort geleden zou hij hebben gezworen, dat zij nooit andere dan dunne kinderarmpjes had gehad, die zij hem zoo vaak om den hals had geslagen, wanneer zij op hem, haar "edelen ruiter", in den tuin op en neder had gereden. Hoe lang was dat geleden? Tien jaren! Zij telden nu zeventien! En hoe teeder, slank en blank waren die handen geworden, waarover de moeder haar zoo vaak berispt had, als zij zandhuisjes had gebouwd en terstond daarop aan tafel was gaan zitten.
Nu legde zij een druiventros in sierlijke winding rondom eenige granaatappels, en daarbij bedacht hij, hoe zijn oude vriend gisteren hare huishoudelijkheid had geroemd. De gordijnen voor de vensters waren gesloten, toch vonden enkele zonnestralen den weg in het vertrek en vielen op hare goudblonde haren. Zulk een heerlijk gekleurde haartooi hadden zelfs de blonde Boeotische meisjes niet gehad, die hij als student van Athene uit in haar vaderland had bewonderd. Dat zij een aardig, lief gezichtje had, wist hij sedert lang; doch toen zij de oogen opsloeg, hem opmerkte en haar blik zoo maagdelijk schuchter, zoo aangenaam verrast en tevens zoo vriendelijk de zijne ontmoette, gevoelde hij dat hij eene kleur kreeg, en hij moest eerst eenige oogenblikken tot bezinning komen, eer hij haar groet met iets beters dan een gewonen wedergroet kon beantwoorden. En met welken veelbeteekenenden volzin begon hij zijne toespraak, waarop hij zich in deze pauze bedacht had?
"Ja, daar ben ik," luidde het woordelijk. Waarlijk dit verdiende niet het hartelijk antwoord: "Goddank dat gij komt!", en de met zulk een bevallige verlegenheid erbij gevoegde verklaring: "Al ware het enkel om moeders wil!"
Daar kleurde hij andermaal, de man, die van jeugdige bedeesdheid sedert lang niet meer wist, en vroeg naar den welstand van vrouw Johanna en hoe zij haar leed droeg, en zeide eindelijk ernstig: "Wat booze tijdingen bracht ik u gisteren, en heden kom ik weder als een ongeluksraaf in huis fladderen."
"Gij?" vroeg zij vriendelijk, en in dit enkele woord lag zulk een lieftallige twijfel aan zijne bedoeling, om iets kwaad te brengen, dat hij erkennen moest, zijn vriend hem in dit kind, in deze jonkvrouw het beste had nagelaten wat de eene sterveling den ander vermaken kan: eene dierbare, trouwhartige, onschuldige dochter, neen, een zuster, zoo rein, zoo aanminnig en beminnenswaardig, als alleen het kind van zulke ouders zijn kon. En terwijl hij haar vervolgens vertelde, wat er in de stadhouderlijke woning gebeurd was en bemerkte hoe zeer haar om Paula's en Maria's wil de dood van de weduwe ter harte ging, die haar overigens vreemd was, besloot hij Pulcherias moeder zoo spoedig mogelijk met den wensch van haar overleden echtgenoot bekend te maken.
Doch dit alles stelde de vroegere gevoelens voor Paula in geenen deele in den schaduw, neen, zij kwelden hem heden meer dan ooit en brandden hem op het hart; maar hij erkende daarbij, dat zij hem ongelukkig maakten, dat hijzelf zich daarmede schade berokkende en beleedigde, daar zij niet beantwoord werden. Hij wist, dat hij in de nabijheid van de Damasceensche, veroordeeld om met haar samen te leven, nooit tot rust zou komen en leed op leed te verduren zou hebben. Alleen ver van haar en onder éen dak met Johanna en hare dochter kon het hem gegeven zijn een tevredener, gelukkiger mensch te worden. Toch waagde hij nog niet deze gedachte onder woorden te brengen.
Pulcheria bemerkte, dat hij iets voor haar verzweeg en vreesde dat hem opnieuw iets bekend was geworden, dat haar bedreigde, doch deze bezorgdheid kon hij wegnemen door te verzekeren, dat hij veeleer iets in het schild voerde, dat hem althans verblijdend toescheen. Maar haar bekommerd en zeer beangstigd gemoed kon daaraan nauwelijks gelooven en daarom smeekte hij haar de hoop op beter dagen niet te laten varen en vroeg haar, of zij goed en vast vertrouwen in hem stelde. Daarop antwoordde zij blijmoedig, dat hij dit wel voelen kon, en terwijl vrouw Johanna en de anderen de kamer binnenkwamen, en zij hare moeder, die zij reeds in de vroegte begroet had, toeknikte, reikte zij hem de hand, greep de zijne en schudde die hartelijk. Dat waren verkwikkende oogenblikken voor hem geweest, doch het zien van Paula en wat hij haar had mede te deelen, bracht hem weder in de oude, gedrukte, ongelukkige stemming.
De kleine Maria, die weder roode koonen had gekregen en er gezond uitzag, vloog bij de booze tijdingen, die hij overbracht, snikkende Paula om den hals. Deze hield zich echter bedaarder dan hij verwacht had en wist zich te beheerschen. Wel-is-waar was zij eerst doodsbleek geworden, doch weldra had zij rustig en kalm geluisterd en eindelijk hare vrije, opgerichte houding weder aangenomen. Philippus moest de hand aan het hart brengen toen hij haar zag, en zoodra het voegzaam geschieden kon vertrok hij. Het was als moest hem nog eens duidelijk en smartelijk voor oogen gesteld worden, wat hij in haar had kunnen bezitten, want als gedragen door een hooger gevoel schreed zij daarheen, en een fantastische glans verleende haar edel gelaat eene betoovering, die hem evenzeer pijn deed als ze hem in verrukking bracht.
Orion een van zijne goederen beroofde gevangene! Maar korten tijd had deze gedachte haar schrik aangejaagd; doch daarna was het haar geweest, als moest het juist zoo zijn, als ware datgene wat op het eerste gezicht een vreeselijk onheil scheen, haar toegezonden, om haar liefde geheel van het omhulsel te bevrijden, haar in al hare grootte en reinheid in het licht te stellen, en daaraan met hulp van den Algoede de rechte wijding te geven. Voor zijn leven was zij niet bevreesd, want hij had haar gezegd en geschreven, hoe de veldheer Amr hem met vaderlijke genegenheid tegemoet was gekomen, en alles wat thans gebeurde was zeker een streek van den Wekil, van wiens boosaardig en hatelijk voorkomen hij een afschrikwekkend beeld had geteekend, terwijl Rufinus de abdis was gaan waarschuwen.
Toen het huis van den vriend achter Philippus lag, haalde hij weer vrijer adem. Wat had hij die vrouwen geheel anders gevonden dan hij verwacht had! Zijn oude vriend kende de menschen! Uit kleine aanwijzingen was het den grijsaard gelukt zich een vollediger beeld van Pulcheria te vormen, dan hij door jaren lange vertrouwelijke omgang zou hebben kunnen verkrijgen. Ook dat had de oude vooruitgezien, dat de gevaren, die des stadhouders zoon bedreigden, Paulas gevoelens voor Orion als eene frissche koelte zouden aanwakkeren. En Johanna, de teedere zwakke Johanna, hoe droeg zij als eene heldin het verlies van hem, voor wien zij zoovele jaren in trouwe liefde had geleefd. Hij kwam er vanzelf toe haar met de ongelukkige Neforis te vergelijken, en wat was het, dat Johanna het zwaarste verlies zooveel waardiger deed dragen dan deze? Zeker dit, dat het teeder gemoed harer Pulcheria, hetwelk het leed zoo eenvoudig en stil met haar droeg, dat verlies zoo gaarne en verstandig met haar deelde. Zulk een hart had der weduwe van den Mukaukas ontbroken, en gelukkig wie zulk een hart het zijne kon noemen. Met gebogen hoofd liep hij den tuin door, ditmaal zonder ter zijde te zien.
De Masdakiet, die nog altijd met Mandane onder de sykomore zat en even weinig als zij letsel had van de steeds toenemende zonnehitte, keek hem na, wees op hem en zeide: "Daar gaat hij! Het was zeker voor de eerste maal, dat hij u of mij een norsch woord toesprak; of hebt gij het niet verstaan?"
"Wel zeker," zeide zij zacht, zonder de oogen van haar handwerk op te slaan.
Zij spraken Perzisch met elkander; want zij hadden de taal nog niet verleerd, die hunne moeders tot het laatst met hen gesproken hadden. Het leven gelijkt soms op het wonderlijkste sprookje, en men kon het bijna een wonder noemen, dat juist deze twee in de ziekenkamer bij elkander gekomen waren, want zijn afgelegen vaderland was ook het hare, en hij kende ook haar oom, den broeder haars vaders, en de treurige geschiedenis van den laatste. Toen het Grieksche leger zich van zijne landstreek had meester gemaakt, waren de mannen met de kudden in de bosschen gevlucht, de vrouwen en kinderen in het vestingwerk, dat den landweg verdedigde. Dit had maar korten tijd tegen de Byzantijnen stand kunnen houden, en de vrouwen, waaronder ook Mandane en hare moeder, waren onder de soldaten verdeeld als een kostbare krijgsbuit. Haar vader had toen een gewapende bende rondom zich vereenigd, om de vrouwen te bevrijden, doch was daarbij met zijne gezellen om het leven gekomen. Men sprak nog heden ten dage in dien streek over het treurige einde van den moedigen man, en zijn jongeren broeder behoorde thans het goed en de heerlijke graslanden, die gene eens bezeten had.
Zoo hadden beide herstellenden elkander veel van vroeger te vertellen en het was merkwaardig, hoe vele herinneringen uit hare eerste kindschheid Mandane waren bijgebleven. Met benevelde hersens was haar gewond hoofd op het kussen in het ziekbed neergelegd, en gelijk een onweder, dat de verstikkende lucht van een drukkenden zomerdag zuivert, had het nieuwe leed den sluier weggenomen van de oogen harer ziel. Zij verwijlde gaarne bij hare kindschheid, den tijd toen zij hare moeder nog bezat, en bij het tegenwoordige; wat daar tusschen lag was voor haar als de nachtelijke hemel; donker, maar verhelderd door eene schrikwekkende komeet en schitterende sterren. Die komeet was Orion. Wat zij met hem genoten en door hem geleden had, rekende zij tot den tijd van haar waanzin; zij had zich gewend, dat alles toe te schrijven aan de zinsbegoocheling, waarin zij toen bevangen was geweest. Hare ziel was niet geschapen om te haten, en zij wilde en kon den zoon des stadhouders niet vijandig gezind zijn. Zij stelde zich hem voor als een die haar zonder boos opzet groot onrecht had aangedaan, en aan wien zij zelfs niet meer denken mocht, zonder zich aan gevaar bloot te stellen.
"Dat wil dus zeggen," begon de Masdakiet weder, "dat het ook u niet onverschillig zal zijn, als Haschim mij terugroept?"
"Neen, Rustem, dat zou mij zeer leed doen."
"O!" riep de ander, terwijl hij zijne hand streek over zijn groot hoofd, waarop het zware haar, dat men had afgesneden, weder begon langer te worden. "Ja, dan, Mandane, dan.... Ik heb reeds gisteren willen spreken, doch het kwam er nog niet uit; maar nu: Waarom doet het u eigenlijk leed, dat ik vertrekken moet?"
"Omdat--ja wie kan dat zoo ineens zeggen--omdat gij altijd goed voor mij waart, en omdat gij mijn landsman zijt en ik met u Perzisch spreken kan, evenals met mijne moeder."
"Zoo, daarom dus alleen?" vroeg de ander op gerekten toon, terwijl hij zich over het voorhoofd wreef.
"Neen, neen! Ook omdat.... Als gij ons eenmaal verlaten hebt, dan zijt gij er ook al niet meer...."
"Ja, dat is het juist, dat is het! En als u dat leed doet, dan moet het u hier toch bevallen hebben--zoo samen met mij."
"Waarom ook niet? Het was zeker heel prettig," zeide zij, terwijl zij blozende zijn blik trachtte te ontwijken.
"Dat was het ook, en is het nog altijd!" zeide hij met de breede vuist in zijne linkerhand slaande. "En juist daarom moet het er eens uit, daarom moeten wij, als wij verstandig zijn, niet meer van elkander scheiden."
"Maar uw heer zal u noodig hebben!" zeide zij, met toenemende ongerustheid, "en wij kunnen die goede menschen hier toch niet altijd tot last zijn. Ik mag nog niet weven, maar nu ik toch vrij ben en het geschrift in handen heb dat mij de vrijheid wedergeeft, moet ik naar werk omzien, en een krachtig, gezond man als gij zijt kan zich toch ook niet altijd laten verplegen."
"Wat verplegen!" zeide de Masdakiet, terwijl hij vergenoegd lachte. "Er moet gewerkt worden, gewerkt en wel voor drie!"
"Bij uw kameelen: altijd op reis?"
"Dat moet dan ophouden," antwoordde hij meesmuilend. "Wij gaan naar ons land terug, ik koop mij daar een goed stuk weiland, want mijn oudste broeder heeft ons goedje, en of ik de kameelfokkerij versta, dat kunt gij aan Haschim vragen."
"Maar, Rustem, bedenk toch!"
"Bedenken! Denken voor en na! Willen en hebben daarop komt het aan! En als gij meent dat er geld noodig is om te koopen, en dat het haperen zal aan dat goedje, zoo kan ik u zeggen.... Kunt gij lezen?--Neen?--Ik ook niet, maar hier in mijn taschje heb ik de afrekening van mijn heer, met zijne eigene hand geschreven. Elfduizend driehonderdzestig drachmen waren het aan loon, tot den laatsten termijn, verstaat ge, en aan winst, waarin de heer mij liet deelen sedert ik de karavaan leidde. Hij heeft bijna alles voor mij bewaard; want voor mijn onderhoud behoefde ik niet te zorgen; van de koopwaren viel altijd genoeg af om mij te dekken, en een slemper ben ik nooit geweest. Elfduizend driehonderdzestig drachmen! He, mijn duifje, zoo staat het; en wat zegt gij nu? Kan daarvoor ook iets gekocht worden? Ja of neen?"
Hij zag haar zegevierend aan, doch zij antwoordde met warmte: "Wis en zeker, en hij ons te lande, geloof ik, iets heel aardigs."
"En wij--gij en ik--wij--er zal nu een geheel nieuw leventje beginnen. Ik was zeventien jaren oud, toen ik den meester volgde en bij de laatste zonnestilstand ben ik zes-en-twintig geworden. Hoe veel jaren was ik dus reizende?"
Beiden dachten een poosje na, waarop Mandane schuchter zeide: "Als ik mij niet vergis zijn het er acht."
"Het zijn er reeds negen, geloof ik," hernam hij met nadruk. "Laat eens zien; hier met het handje! Ziet ge met de zeventien begin ik--zoo oud was ik toen ik in dienst trad. De kleine vinger eerst--wat een lief fijn dingetje!--en nu de andere!"
Hij hield hare rechterhand vast en telde aan hare vingers verder, tot hij aan den laatste der linkerhand gekomen was. De uitkomst deed hem verbaasd opzien, en het hoofd schuddende zei hij: "Men heeft toch aan de twee handen tien vingers, en tien jaren kunnen het nog niet zijn, het zijn er hoogstens negen!"
En thans begon het tellen, dat hem zeer behaagde, van voren aan, doch de uitkomst bleef dezelfde; zij verzekerde nochtans, dat het maar negen waren; zij had het berekend, en hij gaf haar gelijk en meende, dat hare vingers betooverd waren. Ja, het spel zou nog lang hebben voortgeduurd, als zij niet op het denkbeeld was gekomen, dat men de zeventien niet mee mocht tellen, maar dadelijk met achttien beginnen moest. Rustem kon dat echter niet goed begrijpen, en toen hij niettemin toegaf, liet hij toch hare hand niet los en ging vroolijk voort: "Ziet gij, lief kind, deze kleine hand--gij moogt haar nu terugtrekken als ge wilt--deze hand wil ik behouden, en met haar het aardige meisje, en alles wat daartoe behoort. En ik neem u en de beide handen met de betooverde vingers mede naar mijn huisje. Daar kunnen zij vlijtig weven en borduren, en als man en vrouw zullen we nooit weer van elkander scheiden. Eén leven zullen wij leiden--éen leven--de vreugde van het Paradijs zal daarbij vergeleken zijn; als enkel slagen met een knuppel van olijvenhout op den schedel; daar weet ik van te praten!"
Daarbij greep hij weder naar hare hand, doch zij trok haar terug en zeide verlegen en met neergeslagen oogen: "Neen Rustem, ik heb reeds gisteren gevreesd, dat iets dergelijks zou komen, doch dit kan nooit gebeuren. Ik ben zoo dankbaar, o zoo dankbaar; maar neen, neen, dit mag niet, daar blijft het bij. Uwe vrouw kan ik niet worden, Rustem!"
"Niet?" vroeg hij op doffen toon, en op zijn vermagerd voorhoofd begonnen de aderen te zwellen. "Hebt gij mij dan vroeger voor den gek gehouden? En wat gij daar bazelt van dankbaarheid..."
Hevig ontsteld stond hij op, doch zij greep hem bij den arm, trok hem op de bank terug, waagde het hem met teederheid in de oogen te zien, die niet lang boos konden kijken, en zeide: "Wat vliegt gij dadelijk weer op! Het zal mij zeer stellig aan het hart gaan van u te scheiden, en kunt gij het mij dan niet aanzien, dat ik u goed gezind ben? Maar het gaat, waarlijk het gaat niet! Ik, ik... ach, kon ik maar weder naar mijn vaderland terug, met u, juist met u! En uwe vrouw. Wat eene verhevene, heerlijke gedachte is dat, en hoe gaarne zou ik voor ons beiden de handen roeren, die vlijtig en bekwaam genoeg zijn, maar...."
"Maar?" vroeg hij terwijl hij zijn groot, vuurrood gezicht naar haar toekeerde met eene uitdrukking, als wilde hij haar verslinden.
"Maar om uwentwil gaat het niet, en mag het niet gebeuren, neen, waarlijk niet, want zoo slecht wil ik u voor al uwe goedheid niet beloonen. Hebt gij dan geheel vergeten, wat ik was en wat ik ben? En gij? Als vrij man gaat gij weldra met een mooi kapitaal naar huis en kunt van iedereen achting en eerbied verlangen; doch dat alles wordt anders, geheel anders, wanneer gij eene vrouw als ik ben met u medesleept, eene,--al ware het maar alleen eene voormalige slavin!"
"Komt het dus daarop neer?" haastte hij zich te vragen, terwijl zijn gelaat weer ophelderde. "Is dat het wat u beangst, gij arm zieltje? Maar weet gij dan niet wie ik ben, heb ik u niet onlangs verklaard, wat een Masdakiet is? Wij Masdakieten gelooven en weten, dat alle menschen oorspronkelijk gelijk zijn, dat het er beter zou uitzien in deze oliedomme wereld, als er noch heeren, noch knechten waren; maar het gaat nu eenmaal op aarde toe zooals het gaat. De reine Hemelheer duldt het wellicht nog een poosje, maar eerlang, misschien spoedig reeds wordt het geheel anders, en het is onze taak, dien dag der gelijkheid voor te bereiden. Met dien dag komt het Paradijs op aarde, dan zal er onder de menschen geen hooger of lager zijn, maar zij zullen naast elkander en hand in hand gaan en staan. Krijg en ellende houden dan op, want wat er schoons en goeds op aarde is, dat wordt gemeenschappelijk eigendom, en ieder geeft en helpt den ander even gaarne, als hij hem thans alles ontneemt, hem benadeelt en onderdrukt. Wij sluiten ook geen huwelijken, zooals de andere menschen, maar de man, die eene vrouw liefheeft, zegt: 'Wilt gij de mijne zijn?' en als het hart haar dit ingeeft, volgt zij hem in zijn huis; doch de een mag echter den ander verlaten, als het uit is met de liefde, maar geen echtpaar onder Parsen en Christenen was inniger verbonden dan mijne ouders en grootouders; zoo willen ook wij bij elkaar blijven tot het einde, want onze liefde zal ons vast samenbinden met stevige koorden, die langer duren dan ons leven.--Nu kent gij de leer van onze meester Masdak, dien mijn vader en grootvader reeds volgden, en die mijne moeder mij heeft ingeprent, toen ik nog zeer klein was. Ons geheele dorp is die leer toegedaan, en daar zijn ook geen slaven, neen, het land dat bij het dorp behoort, dat bearbeiden allen te zamen en den oogst deelen zij met elkaar. Vreemden laten zij echter niet meer toe en ik moet mijn deel elders gaan zoeken. Ik blijf daarom toch Masdakiet [16], en kies mij eene gewezene slavin tot vrouw, dan handel ik naar de leer van mijn meester en laat daaraan recht wedervaren. Maar u--u gaat dit alles eigenlijk niet aan, want gij zijt het kind van een vrijen, braven man, wien het geheele land acht; voor wie daar in het oosten wonen zijt gij eene gevangene, maar geene slavin. Zij zullen mij eeren als uw bevrijder. Maar had ik u zooals gij daar zijt, als de minste slavin van een zwijnenhoeder gevonden, ongetwijfeld zou ik dan terstond in den buidel getast, u losgekocht en u als mijn vrouw mede maar huis genomen hebben, en geen van de onzen, die u zag, zou het u hebben aangezien. Nu weet gij waar het op staat, en is het, hoop ik gedaan met dat tegenspartelen en uitvluchten zoeken."
Doch Mandane gaf hem nog altijd geen gewonnen spel; zij zag hem droevig aan met een blik, die medelijden scheen te vragen, en wees naar de plaats van hare verminkte ooren. Hierbij haalde Rustem de schouders op en zeide lachende: "Natuurlijk, dat nu ook nog! Gij schijnt mij niets te willen schenken. Ja, had het de oogen gegolden, dan was het uitgeweest met het zien, en eene blinde vrouw kan een landman niet gebruiken; dan liet ik u ook waar gij zijt. Maar zoo--zeg zelf, mijn duifje hoort gij niet zoo scherp als een vogel? En de vogels--het zijn zulke aardige diertjes--hebt gij er ooit een met ooren gezien, behalve die leelijke vleermuizen en uilen? Dat is allemaal zottepraat. En wie kan u dan nog aanzien wat gij mist sedert jonkvrouw Pul u de haren zoo netjes naar voren gekamd heeft? En dan bij ons te lande! Hebt gij vergeten welk een hoofddeksel onze vrouwen dragen? Al had iemand lepels gelijk een haas, wat nood? Men ziet er toch niets van. Zooals gij zijt, gij lelie, die als een cypres zijt opgewasschen ziet gij er nog tienmaal schooner uit dan de aardigste ginds al hadt ge in plaats van twee, zelfs drie of vier ooren. Een meisje met drie ooren! Denk eens, Mandane: waar zou dat derde komen te staan?"
Hoe hartelijk lachte hij daarbij, hoe blijde was hij, die aardigheid bedacht, en wat haar gemakkelijk leed had kunnen doen, zoo schertsend terzijde geschoven te hebben. Doch zijne openhartige vroolijkheid miste hare uitwerking en plooide hare zwijgende lippen slechts tot een glimlach, en ook deze verdween snel, en in de plaats daarvan nam haar gelaat, terwijl haar schoon kopje laag op de borst zonk, zulk eene diep bezorgde, bekommerde, uitdrukking aan, dat hij noch met zijn scherts voortgaan, noch verder bij haar aandringen kon, maar medelijdend en even met het hoofd schuddend zeide: "Zoo moet ge mij niet aanzien, duifje, ik kan het niet verdragen. Wat ligt u verder dan nog op het hart? Moed, moed, mijn schatje; spreek het maar vrij uit! Maar wacht! Zwijg maar! Ja, dat kan ik u wel besparen. Arm lief meisje!--het is de oude geschiedenis met den zoon van den Mukaukas."
Zij bevestigde dit door eene lichte beweging van het hoofd en met betraande oogen, maar hij slaakte een diepen zucht en zeide: "Dat heb ik wel gedacht, juist gedacht, arm hartje!".
Hij nam hierop hare hand en ging trouwhartig voort: "Dat heeft ook mij kwade uren bezorgd, heeft mij daar binnen veel te doen gegeven, en bijna was het zoover gekomen, dat ik u daarom had laten zitten en ons beiden het geluk en de vreugde had ontroofd. Maar ter rechter tijd heb ik mij bezonnen. Niet omdat vrouw Johanna--en wat zij zegt moet wel waar zijn--mij eergisteren zeide dat het met--nu ja, dat weet gij wel--dat is alles weg en voorbij; neen, ditmaal is het verstand uit mijzelven gekomen; want ik heb bij mij zelven gedacht; zulk een engelachtig schoon, moederloos, weerloos slavinnetje, dat de jonge zoon van den heer zelven vasthoudt, hoe zal het zich verweren? Hoe gruwzaam werd dat arme lieve hartje gestraft! Ach meisjelief, meisjelief, huil maar uit! Mijne oogen schieten ook vol tranen, het heeft zoo moeten zijn, het was zoo over u beschoren. Gij en ik en de groote koning en alle hemelsche heerscharen, wie kan er iets tegen doen? Maar, ziet ge, ik arme gek, ik begrijp hoe dat gekomen is, en klaag u daarom niet aan en heb u ook niets te vergeven. Het is echter een groot onheil geweest. Maar het heeft, goddank, intijds een einde genomen, en ik kan het geheel en al vergeten, wanneer gij mij slechts zegt: 'Dat alles is uit en voorbij, en ligt in het graf als iets dat dood is.'"
Nu bracht zij, voor hij het beletten kon, met onstuimige hartelijkheid zijne hand aan hare lippen en zeide snikkende: "Zoo goed, zoo goddelijk goed als gij zij, Rustem, zoo goed zijn er geen twee menschen op aarde, en daarvoor zal mijne moeder u zegenen. Doe met mij wat gij wilt! Weet dat alles voorbij is, weg en voorbij, en als ik er nog eens aan denken moet, dan gevoel ik een afkeer daarvan. Zoo, juist zooals gij zeidet, is het werkelijk gegaan. Moeder dood, en niemand om mij te waarschuwen en te beschermen! Ik was pas zestien jaren oud, een eenvoudig, onervaren ding, toen hij mij tot zich riep, en wat er met mij gebeurd is was als een droom, als men slaapt. En toen ik weder ontwaakte..."
"Nu zijn wij er," zeide hij, haar in de rede vallende, waarbij hij de oogen afveegde en beproefde te lachen. "Toen lagen wij beide met wonden aan het hoofd naast elkander, en gelijk het bij mij te huis altijd op zijn fraaist is, wanneer de harde wintervorst voorbij en de sneeuw gesmolten is, en alle bloemen in het dal opeens beginnen te bloeien, zoo gaat het ten leste ook met ons, meisje. Het zal nu goed, wonderschoon worden! Ziet ge, eergisteren was ik het met mijzelven nog niet eens, want uw ongeval liet mij geen rust en zat mij in den weg; nu, dat kunt gij wel begrijpen. Toen ik later op mijne kamer te bed lag en de maan naar binnen scheen, toen"--en nu ging hij nadenkend voort met een droomerige uitdrukking, die zijn eenvoudig gelaat bijzonder goed stond--"toen moest ik vragen: heeft dan de maan daarboven heden avond niet weder goede verfrissching en fraai licht gebracht, hoewel zij toch in de vroegte nog in zee verzonken was? En kan zoo een menschenhart, dat eenmaal was ondergegaan, ook niet weder helder en blank opgaan, wanneer het zich gereinigd heeft en uitgerust is? En welk een hart! Men zou de liefde van zulk een hart wel voor zich alleen wenschen, maar die kan zich toch meer dan eenmaal weggeven. Want, zoo dacht ik bij mijzelven, wat is mijne moeder teeder voor mij geweest; en toen er nog een kindje kwam en weder een, heeft zij aan dezen ook het beste gegeven wat zij bezat; en ik ben daarom toch niet tekort gekomen, als zij mijn jongste zusje aan de borst hield, en ook dat zusje leed er geen schade bij, als moeder mij liefkoosde en mij kuste. Zoo moet het ook zijn! En zij, dacht ik verder, al heeft zij ook reeds eenmaal een ander liefgehad, er blijft toch voor mij nog een goed deel liefde over!"
"Ja, ja, Rustem, zeker!" zeide zij, hem met dankbare betraande oogen in het open gelaat ziende. "Wat er aan liefde en teederheid in mij is, dat zult gij, gij alleen hebben."
"Nu," riep hij vroolijk, "dat was een woord! Daar kan men zich aan vasthouden! Dat noem ik me eerst een morgen! Als een losgelaten landlooper heb ik mij hier onder de sykomore neergezet en als een toekomstig grondbezitter, wien het schoonste wijfje op aarde aan huis bindt, sta ik nu op."
Zij bleven nog lang in de koele schaduw van het loofdak zitten en hij verlangde niets anders, dan haar aan te zien en op de oude vraag van geliefden met de lippen, de oogen en een zwijgend hoofdknikken het antwoord ontvangen. Hare handen brachten de naald niet meer in beweging; doch beiden zouden hen medelijdend hebben uitgelachen, die dezen voormiddag met zijne verzengende, alles verdrogende hitte onuitstaanbaar noemden. Een paar tortelduiven boven hunne hoofden was minder ongevoelig voor den zonnegloed, want het had de oogen gesloten, en de kop van het wijfje rustte slap tegen den donkeren ring aan den hals van het mannetje.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
Evenmin als het verliefde Perzische paartje, liet de zwarte Wekil Obada zich door de hitte van den dag in de uitvoering zijner plannen storen. Hij beschouwde het stadhouderlijk paleis als zijn eigendom en wat hij daarin vond wekte in hooge mate zijne belangstelling. Het was niet enkel hebzucht, die hem aandreef, want in de eerste plaats kwam het er op aan bewijsstukken te vinden, die zijn optreden tegen Orion en het in beslag nemen van diens bezittingen in Medina konden rechtvaardigen. Daar waren groote dingen op het getouw gezet en wanneer de samenzwering tegen den Kalief Omar gelukte, dan had hij weinig meer te vreezen en durfde hij des te zekerder op de goedkeuring van het nieuwe opperhoofd hopen, naarmate de sommen, die hij weldra naar Medina kon zenden, in omvang de grootste overtroffen, die zijn heer ooit in den schatkist van zijn vaderland had gestort.
Met de nieuwsgierigheid en de begeerlijkheid van een kind doorliep hij de eene kamer na de andere, betastte hij alles, onderzocht hij de zachtheid der kussens, gluurde hij in schriftrollen, die hij niet verstond, wierp hij ze weldra weer weg, rook hij in de kamer van de gestorvene aan de reukwaters en artsenijen, waarvan zij zich bediend had, knarste hij van genoegen met de tanden, toen hij in hare kist kostbare sieraden en gemunt goud vond, stak hij den schoonsten diamanten ring aan de reeds overladene vingers, en doorzocht hij ten laatste met den grootsten ijver de vertrekken, die Orion bewoond had. Zijn tolk, die Grieksch kon lezen, moest daarbij ieder geschrift dat gevonden werd overzetten, wanneer het geen gedichten bevatte. Onder het luisteren krabde en trok hij met geheel onkundige hand aan de snaren van 's jonkmans lier, goot hij van den zalfolie, die de fijne jongeheer gebruikte, op zijne hand en besmeerde daarmede zijn baard. Voor den blanken, zilveren spiegel van Orion trok hij onophoudelijk allerlei gezichten.
Tot zijn verdriet kon hij onder al de grootere en kleinere zaken, die hier overal stonden, niets vinden wat grond tot verdenking kon geven. Reeds maakte hij zich gereed om heen te gaan, toen hij in eene mand bij de schrijftafel eenige weggeworpen schrijftafeltjes opmerkte. Terstond wees hij den tolk daarop, en hoe weinig leesbaars er ook op het diptychon [17] stond, het was in het oog van den zwarte van het hoogste gewicht, want het luidde:
"Orion, zoon van Georg--aan Paula, de dochter van Thomas!"
"Gij hebt reeds vernomen, dat het mij onmogelijk is geworden aan de redding der nonnen deel te nemen. Beoordeel mij daarom niet verkeerd! Uw goede en maar al te billijke wensch, om uwe geloofsgenooten hulp te verleenen, zou voldoende zijn geweest...."
Van hier af waren de in was gegrifde teekens met opzet uitgewischt, en er was bijna geen enkel woord meer te ontcijferen, ja, er volgden nog maar zoo weinig regels, dat men moest aannemen, dat deze brief nooit voltooid was geworden. En zoo was het inderdaad. Ofschoon dit stuk den Wekil niets aan de hand deed, waarmede hij Orion zou kunnen belasten, zoo was er toch wel eene beschuldiging aan vast te knoopen. Want de dochter van Thomas had zeker deel gehad aan de onderneming, die zoovele wakkere muzelmannen het leven had gekost, en de zwarte wist door den wisselaars in Fostat, dat zij in nauwe betrekking stond tot den zoon van den Mukaukas, en hem het beheer over haar vermogen had toevertrouwd. Beiden moesten als verbondenen in deze zaak terecht gesteld worden, en Orion werd in elk geval door dit schrijven aangewezen als de persoon, die van het plan kennis had gedragen.
De bisschop Plotinos van Memphis, op wiens verlangen de vervolgers waren uitgezonden, moest aanvullen wat de jonkvrouw mocht verzwijgen. Hij was terstond, na het plan tot ontvoering te hebben aangegeven, den patriarch achterna gereisd en eerst gisteren ochtend uit Opper-Egypte teruggekeerd. Hier te Memphis had hij den Wekil twee aanklachten van den kerkvorst tegen Orion doen toekomen; de eene betrof de vlucht der nonnen, de andere het achterhouden van een kostbaren smaragd, die de kerk toekwam. Beide beschuldigingen hadden Obada den moed gegeven, om beslag te leggen op de bezittingen van den jonkman, daar de bittere vorm van de aanklacht des patriarchs hem deed inzien, dat hij in Benjamin een bondgenoot bezat. Paula moest dus gevangen genomen worden en hij twijfelde niet of hare verklaringen zouden Orion op eene of andere wijze bezwaren. Het liefst zou hij haar dadelijk verhoord hebben, maar hij had heden nog andere dingen te doen.
Het onderzoek van het rentmeesterskantoor nam den meesten tijd in beslag. Dit werd aangevangen onder leiding van Nilus, die daarvan aan het hoofd stond. Alles wat de beambte, als bewijzen van erfenis en eigendom, als koop- en pachtcontracten, kadasters en dergelijke aanwees, alsmede de groote voorhandene sommen in goud en zilver werden terstond op ossenwagens en op kameelen geladen en onder veilig geleide over den stroom gebracht. De akten en documenten uit vroeger tijd, het familie-archief en wat daarmede samenhing liet de zwarte daarentegen onaangeroerd. Hij was zeker een onvermoeid man, want ofschoon hij met dit werk den ganschen dag bezig was, gunde hij zich geene verademing, ja hij liet zich niet eens eene bete broods of een verfrisschenden dronk brengen. Hoe later het werd op den dag, des te meer vroeg hij naar den bisschop, en telkens op ongeduldiger en boozer toon. Hij had zich tot den patriarch moeten begeven, maar waar bleef Plotinos? Gevoelig als alle lieden, die van niets tot iets zijn geworden, beschouwde hij diens uitblijven als eene daad van persoonlijke minachting.
Doch de herder der gemeente van Memphis was geen hoogmoedig prelaat, maar een bescheiden, vroom man. Zijn opperhoofd, de patriarch, had hem in Opper-Egypte gewichtige boodschappen toevertrouwd aan den veldheer Amr of diens plaatsvervanger, en toch liet hij den Wekil tevergeefs op zich wachten, en zond hem ook geen boodschap. Zijne oude huishoudster zond in den namiddag echter den akoluth [18], die hem persoonlijk diende, naar Philippus. Haar anders zoo sterke en wakkere heer had zich gisteren, terwijl het nog helderen dag was, naar bed begeven en was niet weder opgestaan. Zijn lichaam gloeide, hij had een hevige dorst en scheen niet recht te weten waar hij zich bevond en wat hem omgaf. Plotinos had altijd beweerd, dat het gebed de beste medicijn was voor den christen; toen echter zijn arm lichaam zoo schrikkelijk heet was geworden, had de huishoudster den arts ontboden, doch de bode was met het bericht teruggekomen, dat Philippus op reis was gegaan.
En zoo was het inderdaad: een brief van den ouden Haschim had hem genoopt Memphis te verlaten. De zoon van den koopman, wien het ongeluk had getroffen, werd maar niet beter. Het scheen dat inwendige deelen van het lichaam waren aangedaan, en dat zijn leven in gevaar verkeerde. De beangstigde vader bezwoer met vurige gebeden den arts, in wiens bekwaamheden hij het grootste vertrouwen had leeren stellen, naar Dschidda te komen, den kranke te onderzoeken en zijne genezing te beproeven. Bovendien liet hij den karavaanaanvoerder Rustem verzoeken weder tot hem te komen, zoodra zijne gezondheid het veroorloofde.
Dit schrijven, dat met een groet aan Paula sloot, wier vader hij met allen ijver liet opsporen, had Philippus diep geschokt. Hoe kon hij in dezen tijd van pest en ellende Memphis verlaten? En vrouw Johanna en hare dochter? Van den anderen kant wilde hij om Paula's wil weg, ver van hier weg; en hoe gaarne zou hij alles beproeven om den zoon van dien wakkeren grijsaard te behouden! Desniettemin zou hij gebleven zijn, wanneer zijn oude vriend zich niet zeer onverwacht aan de zijde van Haschim gesteld en hem bezworen had de reis te ondernemen. Het was zijn plicht en ook zijn verlangen voor de vrouwen in het huis van Rufinus te waken. Philippus' helper kon bij vele kranken zijne plaats vervangen en de anderen zouden ook zonder hem wel sterven, daar hij toch zelf verzekerd had, dat er geen deugdelijk middel tegen de pest bestond. Bovendien had Philippus nog de overtuiging uitgesproken, dat hij de verloren rust in Paula's nabijheid niet weer kon vinden. Nu bood zich de gelegenheid aan, om op eene niet in het oog loopende wijze op de vlucht te gaan, en tegelijk een degelijk werk der barmhartigheid te verrichten. Philippus had zich laten gezeggen en was weinige uren later met zeer gemengde aandoeningen op reis gegaan.
De oude Horus Appollon deed al zeer weinig, om het zichzelven gemakkelijk te maken, doch in éen opzicht zorgde hij goed voor zijn persoon. Het loopen viel hem zwaar, en daar hij in de avondschemering gaarne de vrije lucht inademde en later nu en dan de sterrewacht bezocht, hield hij er voor zich een ezel op na, een best exemplaar van het edelst ras. Hij ontzag zich niet voor zulk een beest een hoogen prijs te betalen, als het maar in alle opzichten aan zijne wenschen voldeed, dat wilde zeggen sterk, niet nukkig, volgzaam en licht van kleur was. Zijn vader en grootvader, de Isispriesters, hadden steeds op witte ezels gereden, en daarom deed hij het ook. In de laatste heete weken was hij zelden buiten gekomen en ook heden wachtte hij het uur van zonsondergang af, om zijne belofte te houden. In sneeuwwit linnen gekleed, met nieuwe sandalen aan de voeten, frisch geschoren, op de wijze der vaderen door eene net geordende, lange pruik alsmede door een scherm voor de brandende stralen der ondergaande zon beschut, besteeg hij, overtuigd dat hij voor den uiterlijken mensch al het mogelijke gedaan had, den fraaien, witten ezel, en zijn Ethiopiër draafde te voet achter hem aan.
Het was nog helder toen hij voor het huis van Rufinus stil hield. Zoo gejaagd had zijn oud hart in lang niet geklopt. "'t Is of ik eene bruid ga zoeken," zeide hij tot zichzelven met fijnen spot. Nu, het geldt dan ook een verbond te sluiten voor het nog overige deel des levens. "Men moest," verweet hij zich, "althans de nieuwsgierigheid met de haren en tanden verliezen!" Maar zij was nog voorhanden, en hij kon zich niet verheelen, dat hij in spanning was over het uiterlijk van de vrouw, die hij haatte zonder haar ooit gezien te hebben, omdat zij de dochter was van een prefect en patriciër en zijn Philippus ongelukkig maakte.
Terwijl hij afsteeg geleidde een jong, sierlijk gekleed meisje eene oudere vrouw in kostbare, maar eenvoudige kleedij in den tuin. Dat moest het kwikstaartje en Orions Byzantijnsche vriendin zijn. Dat trof slecht, zooveel vrouwen tegelijk! Hare tegenwoordigheid kon den eenzamen onderzoeker, die het verkeer met vrouwen ontwend was, maar hinderen en zijn plannen verstoren. Doch wat kon hij er aan doen? Die bezoeksters zagen er bovendien zoo kwaad niet uit. Het kwikstaartje was een allersnoezigst, klein meisje, ook zonder hare millioenen veel te goed voor den onzinnigen stadhouderszoon. De matrone had een innemend, goed gezicht, juist zooals Philippus het beschreven had. Doch, en dit bedierf alles, in dit gezelschap kon hij niet spreken over den dood van den armen Rufinus en dus ook niet over hetgeen hij voor had, en zoo had hij dus voor niets, geheel voor niets zooveel stof geslikt en zooveel hitte verdragen. Morgen moest dit alles tot zijne ergernis voor de tweedemaal genoten worden!
De eersten, die hij ontmoette was een aardig jong paartje: de Masdakiet en Mandane. Hij behoefde niet te vragen, zij moesten het zijn, hij ging dus naar hen toe, deelde Rustem den wensch zijns meesters mede en bood hem in Philippus naam aan, hem het reisgeld voor te schieten; doch de karavaanaanvoerder sloeg op zijne mouw, waarin een aardig sommetje aan goudstukken geborgen was, en zeide vroolijk: "Alles reeds voorhanden, ook voor twee reizigers naar het oosten!--Mijne bruid, met uw welnemen!--De tijd is gekomen, mijn duifje, wij moeten weg, op reis naar het vaderland!"
De groote jonkman zeide dat met zijne basstem zoo gelukkig, zoo uitgelaten vroolijk, en het schoone meisje zag daarbij zoo blijmoedig, zoo verliefd, zoo innig dankbaar naar hem op, dat de grijsaard zelf recht vergenoegd gestemd werd. Hij die in elk verschijnsel een voorteeken zag, hield deze ontmoeting voor een goed "omen" bij zijne intrede in dit huis, dat misschien, zijn tehuis zou worden. En even gelukkig als zijn bezoek begonnen was, ging het nu verder, want de weduwe van Rufinus en hare dochter ontvingen hem uiterst vriendelijk. Pulcheria haalde dadelijk vaders leuningstoel voor hem naar voren en schoof hem een kussen in den rug. Dat alles ging zoo stil, zoo natuurlijk, zoo hartelijk in zijn werk, dat het zijn oud gemoed verkwikte, en hij erkennen moest, dat een mensch bijna te veel goeds genoot, wanneer hem dagelijks en uur aan uur zulke verrassingen werden aangeboden.
Hij zeide tot het meisje een vriendelijk, schertsend woordje over hare goede zorg, en de matrone uit Konstantinopel vatte die scherts dadelijk op. Zij had hem op zijn fraaien ezel zien zitten, roemde het dier en wilde niet gelooven, dat hij zelf al boven de tachtig was. Zijne mededeeling dat Philippus op reis was gegaan, vernamen allen met leedwezen; hem deed het genoegen waar te nemen, dat Pulcheria bij dit bericht niet weinig verschrikte en zich daarop verlegen terugtrok. Wat had dat meisje een lief, onschuldig, goed en daarbij bevallig gezicht! Dat zou, dat moest zijn dochtertje worden, en midden in het gesprek met anderen, onder de kleine aardigheden van Katharina en de vriendelijke vragen van de matrone en vrouw Johanna, zag hij in zijne verbeelding zijn Philippus en dat lieve schepseltje als man en vrouw, en bij en met hen aardige kleine kindertjes, die rondom hem speelden. Hij was gekomen, om te troosten en te beklagen, en nu viel hem hier zulk een vroolijke ure ten deel als hij in lang niet had genoten.
Hij was met de anderen in het viridarium ontvangen, dat thans door verschillende lampen werd verlicht, en van tijd tot tijd keek hij naar de deuren, die op deze middenruimte van het huis uitkwamen, en maakte daarbij voor zichzelven een plan ten aanzien van de bestemming, die verschillende vertrekken later zouden ontvangen. Daar hoorde hij achter zich zachte voetstappen; de matrone stond op, het kwikstaartje snelde de binnentredende te gemoet en terstond daarop verscheen, zoodat ook hij haar zag, de hooge gestalte eener in rouwgewaad gekleede jonkvrouw. Met deftige waardigheid begroette zij de matrone, wisselde met Pulcheria en vrouw Johanna een blik van hartelijke en medelijdende verstandhouding, en toen deze laatste haar den naam noemde van den grijsaard, ging zij naar hem toe en reikte hem de hand, eene marmerblanke, koude, slanke echte patriciërshand.
Ja, schoon, buitengewoon schoon was deze vrouw! Eene dergelijke herinnerde hij zich nauwelijks ooit gezien te hebben. Waarlijk een onberispelijk meesterstuk des scheppers, eene verschijning, om als een ongenaakbare godin de aanbidding te vragen van gehoorzame vereerders; maar op de zijne behoefde zij niet te rekenen, want in deze marmeren trekken, wier bleekheid het zwarte gewaad nog beter deed uitkomen, lag niets wat hem aantrok. Uit deze trotsche oogen kwam geen verwarmend licht te voorschijn, onder dezen schoon gewelfden boezem kon geen vriendelijk, liefhebbend hart kloppen. Bij haar handdruk had hij gerild en hare verschijning scheen hem eene verlammende en verkleumende uitwerking te hebben op alle aanwezigen.
Inderdaad vergiste hij zich hierin niet. Men had Paula geroepen, om de senatorsvrouw en Katharina te begroeten. De laatste, dacht zij, was alleen uit nieuwsgierigheid gekomen, en al wat Heliodora betrof, stootte haar reeds dadelijk af. Zij had haar vertrouwen in het kwikstaartje verloren, want eergisteren was de akoluth, die in persoonlijken dienst stond bij den bisschop van Memphis, en wiens kind Rufinus van een voeteuvel had hersteld, bij vrouw Johanna geweest, om haar voor Katharina te waarschuwen, die zijn meester voor een paar weken een gewichtig geheim had verraden, dat betrekking had op haar echtgenoot, en Plotinos aanleiding had gegeven, om terstond naar Fostat te gaan. Het viel wel hard eene "vriendin" van zoo iets te verdenken, maar zij alleen, die gelijk zijzelve erkende, zoo gaarne in den aangrenzenden hof beluisterde wat in dezen tuin gesproken werd en geene andere kon den bisschop hebben geopenbaard, welk plan er voor de nonnen beraamd werd. De stellige mededeelingen van den akoluth lieten geen twijfel over. Paula's ziel was niet geneigd, om kwaad van den naaste te denken, doch onder zulke omstandigheden kon hare openhartige, voor geene onwaarheid vatbare natuur het niet over zich verkrijgen de kleine anders dan koel te bejegenen, en hoe meer Katharina zich met teederheid aan Paula zocht op te dringen, des te kouder wees Paula haar af.
De grijsaard zag dit alles en de wijze waarop de Damasceensche zich hier voordeed, hield hij voor haar aard en haar eigenaardig karakter. Hij zag in haar den hoogmoed van den patriciër, de zelfzuchtige ongevoeligheid en de krenkende teugellooze trots van die gehate kliek, die zich alles laat voorstaan op den adeldom der geboorte, als belichaamd, als in vleesch en bloed voor zich staan. Gelijk de geheele soort, zoo verachtte hij dit toonbeeld ervan; en zijne boosheid vertiendubbelde, als hij bedacht wat deze koude sirene den zoon naar zijn hart had doen lijden, wat zij hem zelf nog aandoen kon, wanneer zijn lievelingsplan door haar onuitvoerbaar werd. Liever ware hij in zijne laatste dagen eenzaam en zelfs van Philippus gescheiden gebleven, dan dat hij met die vrouw tafel, huis en leven had gedeeld, zij die daar weder de hartelijke gemeende liefkoozingen dier aardige, kinderlijk onschuldige, kleine Katharina met hinderlijke, ijskoude zelfverheffing afwees. Bij het zien van die vrouw zouden de beten hem bij den maaltijd in de keel blijven steken; zelfs het hooren van den voornamen toon harer stem in een aangrenzend vertrek, zou hem den lust tot den arbeid benemen, de druk van hare koele hand bij den nachtgroet hem den slaap bederven.
Ook thans werd hare tegenwoordigheid hem ondragelijk, zij was hem eene uitdaging, eene beleediging, en had hij vroeger den wensch gekoesterd haar uit de nabijheid van zich en zijn lieveling te verwijderen, of als het zijn moest met geweld te werpen, die begeerte beheerschte hem nu geheel en al. Verstoord en spijtig nam hij van de vrouwen afscheid, maar Paula verwaardigde hij opzettelijk niet met een blik, toen zij, nadat hij was opgestaan, naar hem toeging om een vriendelijk woord tot hem te spreken en hem te toonen, hoe hoog zij zijn pleegzoon vereerde. Pulcheria begeleidde hem naar den tuin en hij beloofde haar morgen of overmorgen weder te komen, doch dan moest zij zorgen, dat hij haar met hare moeder alleen vond; want hij had geen lust, om zich dien hoogmoed en eigenwaan der Damasceensche ten tweedemale "onder den neus wrijven" te laten. Pulcherias poging, om hare vriendin te verdedigen, wees hij verdrietig af en met verwenschingen op zijne oude lippen draafde hij naar huis.
Intusschen was vrouw Martina op hare vertrouwelijke, gemoedelijke manier Paula genaderd. Zij had vroeger eens hare ouders te Konstantinopel ontmoet en wist met hartelijke warmte over dezen te praten. Dat brak dan ook bij de jonkvrouw het ijs, en toen vrouw Martina met waardeering en deelneming gewaagde van Orion, haren "grooten Sesostris", en hoe hij te Konstantinopel algemeen geacht en bemind werd, en welke ongelukken hem sedert hadden getroffen, gevoelde zij zich tot de oudere vrouw zoo zeer getrokken, dat zij elke achterhoudendheid liet varen, zoodat het gesprek tusschen deze nieuwe kennissen steeds levendiger, inniger en vriendschappelijker werd. Bij het opbreken gevoelden beiden, dat zij door verder verkeer met elkander slechts winnen konden.--Toen Paula bij het afscheid werd weggeroepen, verliet zij het viridarium met deze warme woorden, die alleen tot vrouw Martina gericht waren: "Tot wederziens; doch aan mij, de jongere voegt het natuurlijk, u op te zoeken!"
"Welk een meisje!" zeide de matrone, na haar vertrek. "Waarlijk, zij is de waardige dochter van een voortreffelijken vader! En hare moeder? O vrouw Johanna, een lieflijker wezen is deze ellendige aarde zelden tot sieraad geweest. Helaas, zij moest zoo vroeg heengaan; zij was maar bestemd om eene wijle te bloeien!" Vervolgens wendde zij zich tot Katharina en vervolgde, haar vriendelijk dreigende: "Hoe valsch heeft uw boos tongetje mij toch dit meisje beschreven! Men spreekt wel eens van zilveren kernen in gouden schaal, maar bij deze zijn beide van goud. Ik ken mijne menschen! En gij, gij beiden... hemelsche Vader... ik weet al, wat u arm katje, de oogen beneveld heeft. Zooals ieder wenscht te zien, zoo ziet het er ten slotte uit. Ik wed, vrouw Johanna, dat gij mijne zienswijze deelt, namelijk, dat deze Paula een door en door edel schepsel is, ja een 'edel'! Dat is een hoogdravend woord, en lieve God, hoe zelden kan men het gebruiken! Het ligt mij anders ook niet op de lippen, maar voor die jonkvrouw weet ik geen ander, en voor haar schaadt het niet!"
"Zeker niet!" antwoordde zij, tot wie de vraag gericht werd, uit volle overtuiging; doch vrouw Martina slaakte een stillen zucht en dacht: "Arme Heliodora! Ronduit gezegd: mijn 'groote Sesostris' en Paula, dat zou eerst recht een paar zijn. Doch, om Godswil, wat moet men dan met dat arme, verliefde, ongelukkige wijfje beginnen?!"
Dat vloog haar opeens door het brein, terwijl Katharina zich trachtte te rechtvaardigen en betuigde, dat zij Paula's groote eigenschappen wel erkende, maar dat deze zoo trotsch kon zijn, zoo vreeselijk trotsch! Zij had zoo straks vrouw Martina zelve daarvan een proefje te smaken gegeven.
Pulcheria viel haar in de rede, om met nadruk de partij van hare vriendin op te nemen. Doch zij kwam niet ver, want in de voorzaal verhieven zich luide mannenstemmen, en plotseling stormde de voedster Perpetua naar binnen en riep met den schrik op het gelaat, zonder op de vreemde bezoeksters acht te geven: "O, o vrouw Johanna! Dit nieuwe, ontzettende ongeluk! Daar zijn die Arabische duivels teruggekomen, en met hen de tolk en een schrijver.--Men heeft ze gezonden--barmhartige Heiland, hoe is het mogelijk?--en zij brengen een bevel tot gevangenneming; en mijn arm kind moet met hen mede, mede naar de gevangenis, de gansche stad door te voet naar de gevangenis!"
Snikkende sloeg de trouwe, oude vrouw de handen voor het gelaat, en een vreeselijke schrik maakte zich van allen meester.
Vrouw Johanna verliet zwijgende en bleek het viridarium en de matrone riep: "Een allerverschrikkelijkst, een ellendig land! Mijn God, thans vergrijpen zij zich zelfs aan de vrouwen.... Kinderen, kinderen--geef mij een stoel! Ik word zoo wee!--In de gevangenis! Dit heerlijke, eenige schepsel over de straat gesleept, naar de gevangenis! Wanneer het bevel tot inhechtenisneming er is, dan--dan moet zij in den kerker, daarvoor kan geen engel haar bewaren. Maar deze edele, wonderschoone jonkvrouw door de stad te laten slepen, als ware zij eene erbarmelijke dievegge, dat, neen, dat is niet te dulden! Wat de eene vrouw voor de andere doen kan, dat ten minste mag niet verzuimd worden, zoolang ik nog hier ben en op mijne twee beenen sta! Katharina, kind, begrijpt ge dan niet? Wat staat ge daar nog en gaapt mij aan, als ware ik een gevederde aap? Waartoe vreten uwe dikke paarden de haver! Nu, begrijpt gij het nog niet? Dadelijk, dadelijk vliegt gij naar de overzij, en laat den grooten, gesloten wagen, waarin men mij afgehaald heeft, inspannen en den tuin binnen rijden!--Thans gaat haar eindelijk een licht op! En nu de voeten en armen gerept!"
Daarop klapte zij in de handen, als wilde zij kippen van een tuinbed jagen, en het kwikstaartje moest volgen. Vervolgens tastte zij naar haar buidel en toen zij dien vond, zeide zij geruststellend: "Goddank! Thans kan ik met die ongeloovige schurken praten! Deze taal"--en daarbij liet zij de goudstukken rammelen,--"verstaan zij allen! Kom, vrouwtje, waar schuilen die rekels?"
De wereldtaal van de matrone deed de gewenschte uitwerking, want de aanvoerder der veiligheidswacht liet zich met behulp van den tolk overhalen, om Paula in een wagen naar de gevangenis te brengen, beloofde haar aldaar een goed verblijf te bezorgen, en vergunde de oude Betta, die met heete tranen er op stond, de gevangene in den kerker te volgen.
Bij deze ontzettende verrassing behield Paula hare tegenwoordigheid van geest en hare waardigheid. Eerst toen het er op aan kwam, om afscheid te nemen van Pulcheria en Maria, die als radeloos zich aan haar vastklemde en haar met Betta in den kerker begeerde te volgen, kon zij hare tranen niet weerhouden. De schrijver had haar medegedeeld, dat zij door den bisschop Plotinos was aangeklaagd; de redding en de vlucht der nonnen te werk gesteld te hebben, en vrouw Johanna voelde hoe hare knieën knikten, toen Paula haar zacht in het oor blies: "Neem u in acht voor Katharina! Zij alleen kan ons hebben verraden, doch ook wanneer zij heeft aangegeven, wat Rufinus voor de zusters heeft gedaan, dan moeten wij het loochenen, stellig en zeker. Vrees niets! Van mij zullen zij niet het geringste te weten komen."
Een oogenblik daarna zeide zij met luider stem: "Ik behoef u niet te bidden mij in liefde te blijven gedenken. Heb dank, beiden, vurigen, onuitsprekelijken dank voor alles..... Gij Pul"--en daarbij omarmde zij moeder en dochter te gelijk, terwijl Maria vast aan haar geklemd bleef en het hoofdje in haar kleed verborg, onder bitter schreien--"Gij Pul, en gij vrouw Johanna, gij hebt eene arme verlatene tot de uwe en gelukkig gemaakt, totdat het lot ons allen te zamen.... Gij weet het, ach, gij weet het!--En wat gij mij geschonken hebt, schenk dat verder mijne Maria! En nu nog een ding!--Ach, daar roept de tolk wederom; nog een enkel oogenblik geduld!--Wanneer de bode terugkomt en bericht brengt van mijn vader, of--God, als het eens waar was!--hem zelven, laat het mij dan weten, of--genadige hemel!--breng hem tot mij! En ben ik er niet meer als hij komt, zeg hem dan, dat het de vurigste wensch mijns levens is geweest hem terug te vinden, hem weder te zien. En dan"--deze woorden fluisterde zij vrouw Johanna weder zacht in het oor--"smeek mijn vader, dat hij Orion lief hebbe als zijn eigen zoon. En zeg aan beiden, dat ik hen heb liefgehad tot mijn einde, zoo vurig, zoo onuitsprekelijk en innig."--Daarna zeide zij weder overluid, terwijl zij ieder afzonderlijk de oogen en de lippen kuste:--"Ik heb u lief en zal u blijven liefhebben, u, vrouw Johanna, u, mijne Pul, en u Maria, mijn eenig hartediefje!"
Daar vloog ook het kwikstaartje met geopende armen naar haar toe, maar vrouw Johanna wees haar met een veel beteekenend handgebaar terug, en de innig vereenigden klemden zich voor het laatst nog eens zoo vast aan elkander, als waren zij een en mocht niets vreemds, niets dat hunne vrede verstoren kon, hen naderen. Toch beproefde Katharina nog eens bij Paula te komen; doch vrouw Martina, wier vochtige oogen aan de vier afscheidnemenden hing, hield haar bij den schouder vast en duwde haar toe: "Stoor haar niet, meisje! Zulke harten trekken vanzelf tot zich, waarnaar zij verlangen. Ik oude vrouw zou wel waard willen zijn, dat zij mij riepen!"
Nu vermaande de tolk met alle gestrengheid om te scheiden; de drie vrouwen lieten elkander los, doch het kind hield Paula stevig vast, ook toen zij tot de matrone ging, en deze uit vrije beweging omarmde.
Vrouw Martina nam het hoofd der jonkvrouw tusschen hare handen, kuste haar innig en zeide, hoewel zij nauwelijks spreken kon: "God bescherme en behoede u, mijn kind! Hem dank ik, dat hij mij u deed ontmoeten! Zoo onschuldig en rein van hart als gij zijt blijft men niet in de residentie, doch als vrienden van onze vrienden houden wij voet bij stuk, tenminste ik en mijn senator! Als God er mij toe in staat stelt, dan zult gij het ondervinden, Gij behoeft niet alleen te staan in de wereld, zoolang Justinus en zijne vrouw er nog zijn. Onthoud dat mijn kind, want het is ernstig en eerlijk gemeend."
Hierop kuste zij Paula nog eens, en toen deze naar buiten ging, om den wagen te bestijgen, en zij ook de Griekin Eudoxia en Mandane, die zich bescheiden en in stilte schreiende op den achtergrond hadden gehouden, een afscheidskus had gegeven, en eindelijk ook den gebochelden tuinman en den Masdakiet, wien de tranen langs de wangen biggelden, de hand gereikt had, trad Katharina haar gejaagd en diep beleedigd in den weg, klemde zich aan haar arm vast en zeide dringend: "En voor mij, hebt gij dan niets voor mij?"
Paula wrong zich uit hare handen los en fluisterde haar toe: "Dank voor den wagen! Gij weet het, die brengt mij naar den kerker, en ik vrees dat uw verraad mij daarheen voert. Vergis ik mij, vergeef het mij dan, zoo niet, dan zal uwe straf zeker niet lichter zijn dan het lot dat mij wacht. Gij zijt nog jong, Katharina, tracht beter te worden."
Daarop besteeg zij met de oude Betta den wagen, en zag alleen nog, hoe Maria snikkende vrouw Johanna in de armen viel.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
De weduwe Susanna was der Damasceensche nooit genegen geweest, doch wat haar nu getroffen had verschrikte haar en wekte haar medelijden. Men moest onderzoeken, of het niet geoorloofd was, haar in plaats van den kost der gevangenen beter voedsel in den kerker te doen toekomen. Dat was christenplicht. En hare dochter scheen het ongeluk der vriendin mede zeer ter harte te gaan, want toen zij met vrouw Martina terugkwam zag zij er zoo verslagen en verward uit, dat het vreemden zeker niet zou zijn ingevallen haar met een vroolijk vogeltje te vergelijken.
Wederom had een giftige pijl haar getroffen. Tot dusverre was zij slecht geweest voor zichzelve alleen, thans was zij het ook in de overtuiging van een ander. Paula wist, dat zij haar verraden had. De verraadster had een verrader gevonden. De gehate jonkvrouw had het recht haar voor boos en valsch te houden, en dat maakte deze nog meer gehaat in haar oog. Waar had men haar tot hiertoe niet vriendelijk begroet en liefderijk ontvangen, en hoe was zij heden afgewezen, niet slechts door Paula, maar ook door vrouw Martina, die iets moest bespeurd hebben. Zij kon het niet verdragen, dat deze haar straks zoo ruw had tegengehouden.
De oude bisschop was de schuld van alles, want hij was zijne belofte ontrouw geworden, dat hij haar verraad zoo geheim zou houden als eene biecht. Ja, hij moest zijn woord gebroken hebben, want er was niemand buiten hen die er iets van wist. Misschien had hij ook aan de Arabieren haar naam genoemd, en dan moest zij getuigen voor het gerecht, en in welk licht zou zij dan voor Orion staan, en voor hare moeder, vrouw Johanna en Martina?--De oude Rufinus, dat had zij wel begrepen was bij de onderneming omgekomen, en dat deed haar leed. De buren hadden haar altijd vriendschap bewezen en zij wilde niet gaarne iemand ongelukkig maken. Als zij voor het gerecht alles bekennen moest, dan kon het met haar ook kwaad afloopen, en zij wenschte niemand kwaad toe behalve die eene, die haar de liefde van Orion had ontstolen.
Ja, dat getuigenis voor het gerecht, dat was het ergste, dat moest vermeden worden tot elken prijs. Waar was toch de bisschop Plotinos? Hij was reeds gisteren teruggekeerd en nog niet bij hare moeder geweest, die hij anders dagelijks bezocht. Ook achter dat uitblijven vermoedde zij eenig onheil. Het was van het grootste belang den ouden heer zoo mogelijk spoedig aan zijne belofte te herinneren, want als hij morgen vroeg bij het verhoor, dat hij zeker moest bijwonen, haar naam noemde, dan kwamen de wachters, de tolk en de schrijver ook in haar huis, en dan--brrr--zij had reeds eens getuigenis moeten afleggen, en wat daarop gevolgd was, wilde zij niet voor de tweede maal beleven.
Maar hoe kon zij heden, of althans morgen zoo vroeg mogelijk bij den bisschop komen? De wagen was nog onderweg, en wanneer zij.... Het was nog twee uren vóor middernacht... Ja, zoo moest het gaan! Onverwijld begon zij met hare moeder over het uitblijven van den prelaat te spreken. Ook vrouw Susanna toonde zich daarover bezorgd, vooral daar zij gehoord had, dat de oude heer ongesteld van de reis was teruggekeerd, zoodat zijne dienaars hadden rondgeloopen, om een arts te zoeken. Katharina bood zich nu terstond aan, om naar hem toe te rijden. De wagen was ingespannen, de voedster kon haar vergezellen. Zij moest naar den waardigen vriend, om te vernemen hoe het hem ging. Vrouw Susanna vond dat alles heel lief, doch zij meende dat het te laat was voor zulk een bezoek; daar echter hare lieveling eens gezegd had "ik moet," was deze zaak reeds uitgemaakt. Vrouw Susanna streek dus de vlag, de voedster werd geroepen en zoodra de wagen voorkwam vloog Katharina hare moeder om den hals en beloofde haar, zich niet lang te zullen ophouden. Kort hierop hield de wagen stil voor het bisschoppelijk paleis. Daar gebood zij de voedster op haar te wachten en betrad alleen het groote, uitgestrekte gebouw.
In de ruime voorzaal, die door een klein lampje verlicht werd, was alles stil en ledig; zelfs de deurwachters moesten zijn uitgegaan. Doch zij wist hier goed de weg en kwam door het impluvium in de boekerij, waar de bisschop anders op dit uur zich pleegde op te houden. Doch het was er donker en niemand beantwoordde haar zacht geroep. In het volgende vertrek, waarheen zij verlegen rondtastende den weg vond, lag een slaaf voor een groote wijnkruik bij een handlampje te snurken. Dat gezicht stelde haar eenigermate gerust. Het hier op volgend vertrek was de slaapkamer van Plotinos, die zij nog nimmer had betreden. Door de geopende deur schemerde een mat licht en vernam zij het geluid van een pijnlijk kreunen en ademhalen.
Zij riep de huishoudster een en andermaal bij den naam, maar kreeg geen antwoord. Ook de slaaf achter de wijnkruik verroerde zich niet, wel hoorde zij eene haar welbekende stem, die uit het slaapvertrek, meer hijgende dan sprekende, vroeg: "Wie is daar? Komt hij? Hebt gij hem eindelijk?"
Het geheele dienstpersoneel van den bisschop was uit vrees voor de ziekte weggeloopen, zoo ook de akoluth, die vrouw en kinderen had. De huishoudster had haar meester moeten verlaten, om den arts, die er reeds eenmaal geweest was, opnieuw te gaan zoeken. De laatste achtergebleven slaaf, een trouwe, goedhartige lichtzinnige drinker, zou intusschen voor de verpleging zorgen, doch hij had voor zich een wijnkruik uit de onbewaakte voorraadkamer gehaald, deze snel geledigd en was daarop, door dronkenschap en de drukkende zwoelte van den nacht, overmand ingeslapen.
Katharina liet dadelijk blijken wie zij was en hoorde zich op vriendelijke wijze begroeten met de woorden: "O, gij, gij, mijne kleine!" die echter met moeite werden uitgesproken.
Zij greep nu het handlicht en ging daarmede naar den kranke toe. Deze had haar de magere armen ter verwelkoming toegestoken, doch toen tegelijk met haar ook het licht zijn bed naderde, sloeg hij de handen voor de lichtschuwe oogen en zeide angstig en pijnlijk: "Neen, neen, dat doet zeer; weg met die lamp!"
Katharina plaatste haar op eene lage kist achter het hoofdeinde van het bed, kwam met ledige handen nader bij den lijder, bracht hem de groeten van hare moeder over en vroeg hem, hoe het hem ging en waarom hij zoo alleen was. Hij gaf haar echter onduidelijke antwoorden, die met moeite werden uitgebracht, en bad haar dichter bij te komen, daar hij haar niet duidelijk verstond. Het ging hem slecht, hij zou wel sterven. Het was lief van haar dat zij kwam, zij was altijd zijne lievelinge geweest, zijne kleine, vrome Katharina. "En gij gevoeldet u zeker hier heen getrokken, mijn kind," zoo besloot hij, "om nog een zegen van den ouden man te halen. Van heeler harte zult gij dien hebben."
Hierop stak hij haar vriendelijk de hand toe, en zij volgde een innerlijken drang des harten en knielde ontroerd voor zijne legerstede neer. Hij legde haar de rechterhand op het hoofd en prevelde zegenende woorden. Maar zij hoorde hem ternauwernood, want zijne hand scheen zwaar als lood, hare koortsgloed deed haar pijn en maakte haar vreeselijk beangst. Het smartte haar oprecht hem, den ouden, trouwen vriend harer kindsheid, zoo te zien lijden, wellicht sterven. Intusschen vergat zij niet wat haar hierheen had gevoerd; maar hoe durfde zij hem bij zijn liefdewerk storen? Hij zegende haar, dat was zoo vriendelijk, doch het geprevel nam maar geen einde en de last van de gloeiende hand op haar hoofd werd zwaarder en zwaarder en ten laatste ondragelijk. Het was haar of zij bezwijken zou, maar opeens kwam zij tot bezinning, en nu bemerkte zij dat de grijsaard, in plaats van de gebruikelijke formules eener zegening, slechts onverstandige woorden mompelde, zonder samenhang!
Zij bevrijdde zich van die heete, schrikkelijke hand, legde haar weder op het bed en wilde hem vragen, of hij haar verraden en den patriarch haar naam genoemd had, doch, groote God, daar zag zij op zijne wangen dezelfde donkere vlekken als op de pestzieken in het huis van de lokken-Medea, en met eene kreet van ontzetting sprong zij op, greep het lampje van de kist, lichtte den lijder in het aangezicht, zonder op zijn pijnlijk geroep te letten, trok de matte handen, waarmede hij de oogen voor het lichtschijnsel zocht te beschutten, met geweld weg, en vloog nadat zij zich overtuigd had, dat zij goed had gezien, door het eene vertrek voor het andere na naar de voorzaal.
Hier kwam de terugkeerende huishoudster haar te gemoet, nam haar het licht uit de hand en wilde haar met vragen ophouden, maar zij riep haar enkel toe: "Gij hebt de pest in huis! Laat de deur sluiten!" en holde den arts voorbij naar buiten. Met éen sprong was zij in den wagen, en zoodra de paarden aantrokken, zeide zij op droeven toon tot de voedster: "De pest, de pest is daar! Plotinos heeft de pest!"
De verschrikte vrouw trachtte Katharina neer te zetten en verzekerde, dat zij zich vergist moest hebben, want zulke helsche plagen waagden zich niet aan een heilig man; doch het meisje verwaardigde zich niet haar te antwoorden en beval haar alleen zoodra zij terug zouden zijn, een bad voor haar gereed te doen maken. Zij gevoelde zich als verpletterd, en op de plaats waar de heete hand van den aangetasten grijsaard zoo lang gelegen had, gevoelde zij onophoudelijk eene sterke, akelige drukking; ja, toen de wagen eindelijk den tuin binnenreed, was het haar nog altijd, als droeg zij op haar schedel iets warms, iets zwaars en afgrijselijks, dat zich niet liet verwijderen.
De vensters van het huis waren reeds donker, alleen uit het vertrek op den beganen grond, dat Heliodora bewoonde, schemerde haar nog licht toe. Daar schoot haar eene duivelsche gedachte door de overprikkelde, onrustige hersens, en zonder links of rechts te zien gaf zij er aan gehoor, en trad zooals zij ging en stond in het woonvertrek en vervolgens door een gordijn in het slaapvertrek van hare schoone gast.
Daar lag Heliodora te bed, altijd nog door hoofdpijn geplaagd, die haar verhinderd had aan het bezoek bij vrouw Johanna deel te nemen, en merkte de late bezoekster eerst op, toen zij dicht bij haar bed stond en haar begroette. Eene enkele lamp verlichtte de groote ruimte met matig licht, en zoo bevallig als in dit schemerlicht had de kleine deze jonge vrouw nog niet gezien. Een nachtgewaad van het fijnste, doorzichtigste weefsel verborg maar half hare schoone vormen. Van de volle blonde haren ging zeker de wonderbaar fijne, nauw merkbare welriekende geur uit, die deze gelukkige steeds omgaf. Als twee glimmende slangen lag het in zware vlechten over haar schoon gewelfden boezem en het witte beddelaken. Het naar boven gerichte gelaat was onbeschrijfelijk lieflijk en kalm, ja zij geleek gelijk zij daar lag en Katharina toelachte eene vriendelijke engel, die uitrustte van werken der weldadigheid. De bekoring van zulk eene vrouw kon geen man weerstaan en ook Orion was er voor bezweken. En bij haar lag eene luit, waaraan zij zachte, vleiende tonen wist te ontlokken, de betooverende bekoorlijkheid, welke haar gansche wezen uitoefende, nog verhoogden.
Al wat in Katharina was kwam in opstand, en zij wist zelve niet hoe het haar gelukte Heliodoras groet te beantwoorden en haar te vragen, of het mogelijk was met pijn in het hoofd de lier te bespelen.
"Het geeft rust, het brengt het bloed tot bedaren, als men zacht met de vingers de snaren tokkelt," antwoordde zij vriendelijk. "Maar gij, mijn kind, ziet er uit, als leedt gij zwaarder dan ik. Zijt gij met den wagen gekomen, die zoo even voorreed?"
"Ja," antwoordde Katharina. "Ik was bij onzen lieven ouden bisschop; hij is doodziek en ook deze zal ons weldra ontvallen. Ach, deze dag! Eerst Orions moeder, toen Paula en nu ook dit nog! O Heliodora, Heliodora!"
Daarbij wierp zij zich voor de legerstede op de knieën en drukte haar aangezicht tegen de borst der medelijdende vrouw. Heliodora zag de vochtige oogen van het meisje, die onwillekeurig, zonder dwang, van tranen overliepen, en haar week gemoed werd mede aangegrepen door het lijden van dit vroolijke schepseltje, dat nog zoo jong reeds zooveel te dragen had. Zij boog zich over de kleine heen, kuste haar vriendelijk op het voorhoofd en sprak haar troostende woorden toe.
Katharina drukte zich nog vaster tegen haar aan, wees naar de plek op haar hoofd, waar de heete hand van den pestzieke gelegen had en zeide: "Hier, kus mij hier; hier doet het mij 't meeste pijn! Ja, zoo is het goed, dat verkwikt mij!"
En terwijl de frissche lippen der weekhartige jonge vrouw in aanraking kwamen met hare verpeste haren, sloot zij de oogen en werd te moede als de kampvechter, die de wapenen tot dusverre alleen op de oefenplaats hanteerde, maar ze thans voor het eerst in de arena gebruikt, om zijn tegenpartij het hart te doorboren. Zij was eene vreemde in haar eigene oogen iemand grooter dan zijzelve; ja zij was de alles bedwingende dood in eigen persoon en blies haar adem in de borst van haar offer.
Deze gewaarwordingen beheerschten haar geheel en al, terwijl zij op het zachte tapijt neerknielde; zij merkte niet op dat achter haar eene vrouwengestalte de legerstede van hare troosteres naderde, en werd ook niet gewaar, hoe deze de andere een welsprekende wenk gaf. Want terwijl zij andermaal riep: "Nog een kus hier, daar gloeit het zoo schrikkelijk!" voelde zij twee handen aan hare slapen, en twee andere lippen dan die van Heliodora drukten zich op haren schedel.
Verschrikt en verrast sloeg zij de oogen op en zag in het lachend aangezicht van hare eigene moeder, die zich gehaast had haar te volgen, om te vernemen hoe zij den bisschop had gevonden en natuurlijk verlangde ook haar aandeel te hebben in de leniging van de pijn harer lievelinge. Hoe aardig was die kleine ongedachte verrassing gelukt!
Maar wat overkwam daar hare kleine? Als door den bliksem getroffen, als door een adder gestoken, vloog Katharina op, zag hare moeder vol ontzetting in het aangezicht, en toen vrouw Susanna haar hoofdje nog eens wilde grijpen, om haar wederom op die noodlottige, pijnlijke plaats te kussen, duwde Katharina haar terug en liep, bijna niet wetende wat zij deed, door het woonvertrek naar de voorzaal en vandaar de trappen af, die naar de badkamer leidden.
Haar moeder zag haar onthutst en hoofdschuddend na. Zij wendde zich tot Heliodora, haalde de schouders op en zeide met vochtige oogen; "Arme, arme kleine! Er komt waarlijk voor haar te veel droevigs op eenmaal. Haar leven was kort geleden nog een helderen zonneschijn en nu slaat de hagel van alle zijde op haar neer. Zeker brengt zij eene treurige tijding van den bisschop."
"Hij moet doodziek zijn," antwoordde de weduwe medelijdend.
"Onze beste, trouwste vriend," hernam de weduwe, innig bedroefd. "Ja het is waarlijk te veel op eenmaal. Soms denk ik, ikzelve moest hieronder bezwijken, en nu is zij de eerste, dat nauwelijks volwassen kind! En met welk eene overgave draagt zij het zwaarste! O vrouw Heliodora, gij weet in lang niet alles wat haar getroffen heeft; maar misschien hebt gij wel opgemerkt, hoe zij altijd er alleen op bedacht is vroolijk te schijnen, ten einde mij het hart te verlichten. Geen zucht, geen klacht is tot hiertoe over hare lippen gekomen. Zij schikt zich in alles als eene heilige, zonder te morren. Maar nu, nu het den ouden besten vriend betreft, nu heeft zij voor de eerste maal hare zelfbeheersching verloren. Zij weet toch wat Plotinos voor mij was...."
Zij begon opnieuw hevig te snikken, en nadat zij eenigermate tot bedaren was gekomen, verontschuldigde zij zich wegens hare zwakheid en nam afscheid van de schoone gast.
Intusschen bevond Katharina zich in het bad. Zulk eene inrichting behoorde tot de voornaamste bestanddeelen van elk aanzienlijk Grieksch-Egyptisch huis, en haar vader had het zijne met bijzondere zorg laten inrichten. Het bestond uit twee afdeelingen, éene voor mannen, éene voor vrouwen, die beiden even prachtig waren uitgevoerd. Overal wit marmer, geel albast en bruin porfier, en op den bodem fraai Byzantijnsch mozaïek op gouden grond. Geen beeldwerk, zooals in heidensche baden, doch in plaats daarvan langs de wanden bijbelspreuken in gulden letters, en een crucifix boven de met giraffenhuiden overtrokken rustbanken. Zilveren lampen hingen in het middenveld van de in ruiten verdeelde zoldering, welke zeer in het oog vallend in de Koptische taal en in hetzelfde schrift de hoofdstelling van de Jacobietische geloofsbelijdenis te lezen gaf: "Wij gelooven aan de eene, eenige goddelijke natuur van Jezus Christus." Het groote waterbekken had men terstond voor Katharina kunnen vullen, daar de badovens elken avond voor de vrouwen des huizes gestookt moesten worden.
Bij het ontkleeden wees de kamenier haar op eene zieke dadel. De oppertuinman had haar die getoond, nadat hij heden middag had waargenomen, dat de plantenziekte ook hunne palmen had aangetast. Doch het meisje had weldra berouw over hare spraakzaamheid, want nadat zij er had bijgevoegd, dat de brave schoenmaker Anchhor, die haar eergisteren nog die nette sandalen gebracht had, nu ook aan de pest gestorven was, kreeg zij een bits bescheid en werd haar het zwijgen opgelegd. Terwijl zij voor Katharina knielde, om de sandalen van hare voeten los te maken, bleek deze toch haar verhaal niet onverschillig te hebben aangehoord, want zij vroeg of ook de aardige jonge vrouw van den schoenmaker door de pest was aangetast. De kamenier antwoordde dat zij nog leefde, doch men had de oude schoonmoeder en de kinderen in het huis opgesloten en ook de vensterluiken dichtgemaakt, nadat men het lijk van den man had uitgedragen. De bouleuten hadden bevolen, dat men overal zoo moest handelen, opdat de ziekte niet op straat komen of door de gezonden verder verbreid worden zou. Men bracht den opgeslotenen spijs en drank door eene opening in de deur, die telkens gesloten kon worden. Zulke maatregelen, voegde zij er bij, waren zeer wijs bedacht en verstandig. Doch zij had dit oordeel maar weder voor zich moeten houden, want voor zij geheel had uitgesproken gaf Katharina haar een trap met den voet. Vervolgens werd haar bevolen het smegma [19] niet te ontzien en heur haren zoo goed mogelijk uit te wasschen. Dit geschiedde dan ook en Katharina wreef zich zelve handen en armen met hartstochtelijke inspanning. Daarop liet zij zich een en andermaal water over haar hoofd gieten, en nadat zij bevolen had hiermede op te houden, leunde zij ademloos en als uitgeput tegen het marmer.
Ondanks het smegma en het water gevoelde zij de drukking van de heete hand nog altijd op haar schedel, en het was haar als werd ook heur hart door een onzichtbaar looden gewicht bezwaard. Hare moeder, hare moeder! Deze had haar gekust op de plek waar de pestzieke haar had aangeraakt en in hare verbeelding hoorde zij ook haar rochelen en om een slokje water bedelen als de stervende, bij wien het noodlot haar gebracht had. En ziet, daar kwamen de dienaars van den senaat en sloten haar met de kranke op in het besmette huis, en zij zag de pest voor zich als eene gruwzame, kwaadaardige heksengestalte, en daar achter rekte en strekte haar onverbiddelijke begeleider, de dood, zijn knokkelachtige hand uit en greep naar hare moeder en allen, allen die haar omgaven en ook naar haar.
Zij liet de armen machteloos zakken, en terwijl zij zich heden vroeg zoo machtig en gevreesd had gevoeld, werd zij thans neergedrukt door een gevoel van de erbarmelijkste, zwakste onmacht. Zij had hare uitdaging gericht tegen eene zwakke, teedere vrouw, en God en het noodlot waren in Heliodora's plaats in het strijdperk getreden. Deze gedachte deed haar huiveren, en juist toen zij oprees uit het bad, trad hare moeder de badzaal binnen, zeggende: "Nog altijd hier, mijn kind? Wat hebt gij mij doen schrikken! Is het dan waar? Was de ziekte van Plotinos werkelijk eene soort van pest?"
"Meer dan dat, moeder," antwoordde zij somber. "Het was de pest, en mij kwam in de gedachte, dat men zich moest baden, wanneer men in een verpest huis is geweest. Gij hebt mij ook aangeraakt en gekust. Wat ik u bidden mag, laat weder opstoken, en baad u ook, al is het nog zoo laat."
"Maar kind!" zeide de weduwe lachende; doch Katharina liet haar geen rust, tot zij toegaf en beloofde zich te zullen bedienen van het waterbekken in de afdeeling voor de mannen, dat sedert de pest was uitgebroken door niemand gebruikt was.
Toen vrouw Susanna alleen was lachte zij in stilte en dankbaar en terwijl zij het bad nam hief zij het hart en de handen omhoog en bad zij voor het goedige, teedere, eenige kind, dat zich voor haar zoo bezorgd maakte.
Katharina begaf zich naar hare kamer, na zich verzekerd te hebben dat ook de kleederen, die zij dezen avond gedragen had, aan het vuur in den badoven waren prijs gegeven. Het middernachtelijk uur was verstreken, toch beval zij hare kamenier te wachten en legde zich niet te bed. Zij zou toch geen rust hebben kunnen vinden. Zij verlangde naar buiten en ging op het balkon, waar zij zich in een schommelstoel neerzette.
De nacht was heet en zwoel. Elk huis, iedere boom, elke muur straalde de warmte weer uit, waarmede zij overdag verzadigd waren. Langs de Nijlstraat trok eerst eene processie van bedevaartgangers; vervolgens kwam een lijkstoet, waarop weldra een tweede volgde, beiden zoo dicht in stofwolken gehuld, dat het licht van de fakkels der geleiders alleen scheen te glimmen gelijk kolen onder de asch. Het waren aan de pest gestorvenen, die bij dag niet ter aarde besteld mochten worden, en thans begraven werden. In den eenen lijkstoet zag zij in hare verbeelding die van Heliodora, in den anderen hare eigene of, en daarbij gevoelde zij eene koude rilling, die harer moeder. En het gevolg van den stoet schreed in die stofwolk voorwaarts en hield stil bij den Necropolis. De sleden waarop de lijkkisten waren vervoerd, keerden leeg met heet geloopen ijzers terug; doch zij was niet bij de rouwdragenden geweest, want zij was ingesloten in het verpeste huis. En toen het weder geopend werd--zij zag dat alles vóor zich alsof het waar en werkelijk zoo was--waren in de hof van het rechthuis twee hoofden gevallen, die van Orion en Paula, en zij, zij was geheel alleen en verlaten, hare moeder lag naast haar vader in het stof van het kerkhof, en wie vroeg naar haar, wie zorgde voor haar, wie was haar beschermer? Als een boom zonder wortel, als een in zee gewaaid blad, als een uit het nest gevallen vogel zonder vleugels stond zij daar in de wereld. En nu kwam haar voor de eerste maal sedert dien nacht, waarin zij een valsch getuigenis had afgelegd, alles voor den geest, wat haar in school en kerk was geleerd van de straffen der hel, en ingevolge die vroegere bedreigingen zag zij daar voor zich het verblijf der verdoemden, en de knetterende, gloeiende vuurzee, waarin moordenaars, ketters en valsche getuigen....
Maar wat was dat? Had de hel zich werkelijk geopend en klommen de vlammen door de gebersten schaal der aarde waarlijk ten hemel op? Had ook het firmament zich geopend, om stroomen van gloed en zwarten rook over het noorden der stad uit te gieten?
Hevig verschrikt stond zij op en staarde het verschrikkelijk tooneel aan. De geheele hemel scheen in vlammen te staan, en dichte rookwolken, eene onuitstaanbare hitte en millioenen vliegende vonken vervulden de ruimte tusschen hemel en aarde. Een alles vernielende brand scheen de stad, den stroom en het nachtelijk sterrengewelf tegelijk te hebben aangegrepen, en daar verhieven zich alle metalen stemmen, die anders de geloovigen naar de kerk riepen, en op de stille straat daar voor haar werd het drukker, en weldra vervulden ontelbaren den weg. Geschreeuw, gehuil, wilde bevelen en kreten drongen door tot haar oor, en in de verwarring van stemmen onder en voor haar onderscheidde zij de woorden: "Stadhouders paleis," "Arabieren," "Mukaukas," "Orion," "vuur," "blusschen" en "redden."
Daar riep de oude oppertuinman van af den lotusvijver haar toe: "Het stadhouderlijk paleis staat in vlammen. En dat bij deze droogte! De barmhartige God beware de stad!"
De knieën van het kwikstaartje knikten, en toen zij onder het slaken van een zachten kreet naar een steunpunt zocht, om zich aan vast te klemmen, vingen twee armen haar op, waarvan zij zich in den laatsten tijd zoo gaarne bevrijd had, die der moeder, der moeder, die zich over het eenige kind had gebogen, om van zijn verpesten schedel met een teederen kus den dood te plukken.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Het stadhouderlijk paleis, de trots en het sieraad van Memphis, de grootste en rijkste zetel der oudste en voornaamste geslachten des lands, het laatste huis, waaruit eene lange rij van Egyptische mannen was voortgekomen, die ook de Grieken waardig hadden geacht plaatsvervangers van den keizer te zijn en de hoogste wereldlijke waardigheden te bekleeden, die verheven burcht van het nationale leven lag in den asch. En evenals eene reus van het woud, dien de storm ontwortelt, bij zijn val veel klein geboomte knakt en verplettert, zoo vernielde de brand dezer grootsche woning een groot aantal kleinere huizen. Van het vermolmde schip Memphis waren in dezen nacht de mast, het roer en bovendien vele planken weggeslagen. Het mocht een wonder heeten, dat niet de geheele stad in de asch zonk; naast God had men dit aan den zwarten brandstichter zelven en zijne Arabieren te danken.
Met koele en verstandige berekening was dit schelmstuk aangelegd en volvoerd. Bij het doorzoeken van het uitgestrekte gebouw had Obada voor zijn plan de geschiktste plaatsen uitgezocht en twee uren na zonsondergang, met eigene hand en door niemand bespied, het eene vuur na het andere aangestoken. In Fostat had men de troepen, waarvan hij zich later wenschte te bedienen, onder de wapenen gehouden, en toen eerst in het rentmeesterskantoor en terstond daarop in drie andere plaatsen van het stadhouderlijk paleis het vuur uitbrak, werden zij samengetrokken en met de meeste omzichtigheid aangewend.
De bijzondere kostbaarheden van groote waarde, die deze zetel van een rijk geslacht bevatte, zelfs het groot aantal edele paarden in de stallen was in veiligheid gebracht; de eigendomsbewijzen van de landerijen, de slaven en dergelijke stukken lagen goed geborgen te Fostat, doch de vlammen verteerden desniettemin een aantal onschatbare zaken, waarvan het verlies niet te herstellen was. Edele kunstwerken, geschriften, en boeken, die hier alleen nog bewaard waren, heerlijke planten en boomen uit alle luchtstreken, huisraad en weefsels, die kenners in verrukking brachten, gingen bij menigte te gronde. Maar dat alles betreurde de brandstichter niet, want daarmede verdween de mogelijkheid, om later aan te wijzen wat en hoeveel hem in handen was gevallen bij den ondergang van het stadhouderlijk paleis. In het ergste geval zou men hem wegens deze overmoedige daad van zijn ambt kunnen ontzetten. Welnu, van alle steden, die hij op de zegevierende tochten van den Islam leerde kennen, was geene hem zoo bevallen als Damascus, en hij bezat nu de middelen, om de tweede helft van zijn leven dáar in weelderigen overdaad te genieten.
Er was hem alles aan gelegen, om buiten het stadhouderlijk verblijf zoo weinig mogelijk door de vlammen te laten vernietigen, want welk eene doeltreffende beschuldiging zou het zijne vijanden in handen hebben gegeven, wanneer het oude, beroemde Memphis door zijne schuld geheel ten onder was gegaan? En hij was de man wel, om den strijd met het vreeselijk element op zich te nemen. Inderdaad viel geen ander huis in de Nijlstraat den vlammen ten offer; maar wel had de zachte zuidenwind brandende stoffen in noordwestelijke richting voortgedragen, en daardoor waren eenige huizen in de armenwijk aan den zoom der woestijn aangestoken. De hoofdmacht dergenen die blusschen en redden moesten had zich daarheen te wenden, en hier, evenals ten opzichte van het stadhouderlijk paleis, handelde hij naar het beginsel, dat men prijs moest geven wat stellig niet behouden kon worden. Zoo werd eene geheele stadswijk een prooi der vlammen, ontelbare behoeftige familiën verloren have en goed, en toch werd hij, wiens schandelijke hebzucht zoo velen in de ellende had gestort, gevierd en bewonderd. Want hij was nu eens aan den stroom, dan weder aan den zoom der woestijn, overal waar het gevaar ten top steeg, waar de tegenwoordigheid van den leider het allernoodigst was. Hier zag men hem te midden van het vuur, daar met eigene hand de bijl zwaaien; nu eens te paard de lijn afrijden waar langs dorrend gras moest omgespit en met water bevochtigd worden, dan weder te voet de slang der onbeholpen spuiten richten, of een balk, die buiten de getrokken grens was gevallen, met herculische kracht in de vlammen terugslingeren. Zijne schelle stem overschreeuwde alles, zijne reuzengestalte stak boven allen uit, ieders blik hing aan zijn zwart gelaat, aan zijne glinsterende oogen en tanden, en zijn voorbeeld sleepte de andere Arabieren mede. Zijne bevelen maakten het tooneel van den brand tot een slagveld, met doodsverachting en bereid hunne krachten tot het uiterste in te spannen en te gebruiken, verrichtten de muzelmannen, goed aangevoerd, met den naam van hun God en profeet op de lippen, het ongeloofelijkste. Ook de Egyptenaars deden hun best, maar tegenover den moed en de volharding dezer mannen gevoelden zij zich onmachtig, en achtten zij het nauwelijks schande door dezen overtroffen te zijn.
Ver, zeer ver in den omtrek werd de vuurgloed waargenomen, en ook hij, wiens rijk erfdeel door de vlammen verteerd werd, ontwaarde tusschen middernacht en den morgen aan den verren westelijken horizont eene roodachtige schemering, waarvan hij zich den oorsprong niet verklaren kon. Een halfuur had hij in die richting voortgereden, toen zijn reisgezelschap bij het voorlaatste der aan den keizersweg tusschen Kolzoum [20] en Babylon [21] gelegen wachthuizen halt maakte. Eene aanzienlijke schaar van gewapenden steeg tegelijk met hem van de paarden; Orion had hen echter niet tot zijne bescherming ingeroepen, hij was integendeel door hen aangehouden geworden en werd nu als hun gevangene naar Fostat gevoerd. De wagen, waarvan hij zich tot heden bediende, had hij moeten verlaten en in de plaats daarvan een dromedaris bestijgen. Twee tot aan de tanden gewapende ruiters waren hem steeds ter zijde gebleven. Zijne medereizigers had men ongehinderd in hun voertuig laten zitten.
Voor het wachthuis steeg de senator Justinus uit en noodigde zijn metgezel, een bleek en ingezonken man, hetzelfde te doen. Doch deze bleef zitten en schudde vermoeid met het hoofd, en toen de oude man hem vriendelijk vroeg: "Hebt gij pijn, Narses?" antwoordde deze kortaf en heesch: "Overal!" en vleide zich nog dieper in het rugkussen van den wagen. Hij wees ook de verfrisschingen af, die de dienaar en tolk van den senator hem bracht. Hij scheen in een staat van volstrekte onverschilligheid te verkeeren en niets te begeeren dan rust. Het was de neef van Justinus.
De senator had, met Orions bijstand, zijn doel bereikt, nadat hij van den veldheer Amr een vrijgeleide en een aanbevelingsbrief had ontvangen, en Narses losgekocht. De arme man had eerst aan den nieuwen waterweg, in de richting van het oude pharaonenkanaal, dien de Kalief Omar liet graven, om het graan langs den kortsten weg uit Egypte naar Arabië te vervoeren, en vervolgens in de rotsachtige haven van Aila dwangarbeid verricht. Aan den gloeienden oever van de Roode zee had Narses in de geweldige zonnehitte dezer streek steenen moeten verwerken, en er waren vrij wat dagen verloopen voor het zijn oom gelukt was zijn spoor te ontdekken. Helaas, in welk een toestand vond Justinus hem eindelijk! Reeds eene week vóor de aankomst zijner bevrijders had de vroegere officier der ruiterij in eene ellendige ziekenschuur der Arabische arbeiders gelegen, en zijn rug droeg nog de sporen der slagen, waarmede de opzichter den uitgeputte en lijdende tot inspanning had gedreven van de krachten die hem begaven. De opgesmukte krijgsman was een naar lichaam en ziel gebroken man geworden, een tot zwaarmoedigheid vervallen lijder. Justinus had gehoopt Martina een bloedverwant in de armen te voeren, die zich gelukkig gevoelde over zijne bevrijding, en nu bracht hij haar dezen uitgeputten jonkman, die zijn einde nabij scheen! En toch was de senator blijde hem ten minste gered te hebben. De aanblik van den lijder roerde hem, en hoe minder Narses van hem verlangde en aannam, des te dankbaarder was Justinus, wanneer de wedergevondene ook maar het kleinste teeken van warme deelneming gaf.
Orion was op deze reis te land en te water, en ten laatste als zorgvuldig medeverpleger van den lijder meer vertrouwelijk geworden met den ouden heer, en op gevaar af van zijne afkeuring te wekken, had hij den senator bekend waarom hij Memphis had verlaten. Onophoudelijk gevoelde hij, dat alles wat er groot en goed in hem was aan Paula behoorde, dat hare liefde hem verhief en versterkte, dat hij zichzelven zou opgeven, wanneer hij haar ontrouw werd. De minnekoozerij met Heliodora kon hem slechts afleiden van het groote levensdoel, dat hij zich had voorgesteld. Dit doel hield hij onafgebroken in het oog, en hij snakte, ja hongerde, naar rustige dagen, waarin hij zou kunnen volvoeren, wat hij zich in de kerk had voorgenomen, en de taak ten uitvoer brengen, die de groote veldheer hem had opgelegd. Het bewustzijn, de erfgenaam te zijn van een onmetelijk vermogen, verblijdde hem thans niet, ja hij moest erkennen, dat hij zonder die overmaat van rijkdom een gansch ander man geworden zou zijn, en meer dan eens kwam de begeerte bij hem op, om alles wat hij bezat achter te laten, vrij en frank de wereld in te gaan en door eigene kracht bevrediging te zoeken voor zijn gemoed en zich de achting te verwerven der edelsten.
De senator had zijne bekentenis opgenomen, gelijk hij dat moest. Was de dochter van Thomas zoo, als Orion haar schilderde, dan viel er inderdaad voor zijn lief vogeltje weinig te hopen. Hij en zijne Martina zouden dan wel-is-waar met twee lievelingen terug keeren, doch het zou daarbij de taak der oudjes zijn de jongeren op te beuren, niet omgekeerd, zooals het behoorde. Desniettemin had Orion zijn hart steeds meer gewonnen, want iederen dag, ieder uur was hem iets verblijdends, iets nieuws bij hem in het oog gevallen, had hij iets grooters in hem gevonden, dan hij verwacht had.
In den ruimen hof van het wachthuis brandden fakkels, en onder een door palen gedragen en met palmtakken bedekt vierkant in het midden ervan, stonden banken voor de gasten, die hier kwamen pleisteren. Hier ontmoette hij Orion weder en kon hij met hem spreken. De gerechtsdienaars hadden in zijne nabijheid plaats genomen en verloren hem niet uit het oog, terwijl zij hun gedroogd schapenvleesch, hun brood, hunne uien en dadels aten. Ook de dienaars van den senator brachten wat proviand uit den wagen, en juist hadden Justinus en zijn jonge vriend hun maal begonnen, toen een lange man den hof inkwam en naar de banken toeliep. Het was de arts Philippus, die hier op weg naar Dschidda een oogenblik wilde rusten.
Deze had reeds buiten gehoord wien hij hier als gevangene zou vinden, en de Arabieren, die den arts kenden, stonden hem toe zich bij deze twee neer te zetten, doch zij rukten wat nader en hun aanvoerder verstond Grieksch. Philippus was Orion allesbehalve genegen, doch hij wist welke gevaren de jongeling te gemoet ging, welk een zwaar verlies hij geleden had, en zijn geweten gebood hem alles te openbaren, wat hem van dienst kon zijn bij het verhoor over de onderneming, waarvan Rufinus het slachtoffer was geworden. Hij was de overbrenger, zoo zeide hij, van treurige berichten, die ook de Arabieren wel hooren mochten.
Tegen het in beslag nemen van het stadhouderlijk paleis kwam Orion in verzet, doch hij meende dat de Veldheer Amr dit besluit wel weder in zou trekken. Daarentegen greep het bericht, dat zijne moeder zijn vader gevolgd was, hem des te geweldiger aan, en toen de Arabieren den krachtigen jongen man zagen weenen en snikken, en hoorden welk een slag hem had getroffen, trokken zij zich eerbiedig terug, want de smart van den zoon over den dood zijner eigene moeder was hun heilig. Zij beschouwden hem, wien het dierbaarste ontvallen was wat hij op aarde bezat, als getroffen door de hand van den Allerhoogste en door die aanraking geheiligd, weshalve zij met vroom ontzag hem geheel vrij lieten.
Orion had niet opgemerkt dat de muzelmannen verdwenen waren, doch Philippus trok dadelijk van deze gelegenheid partij om hem met vluchtige woorden van alles te onderrichten, wat er op de vlucht van de nonnen gebeurd was. Van den brand van het stadhouderlijk paleis en Paulas gevangenneming droeg hijzelf geen kennis, den senator kon hij echter mededeelen, waar hij de zijnen had te zoeken. Toen de aanvoerder hem naar buiten riep, was Orion geheel op de hoogte van al het gebeurde.
Met gebogen hoofd, in diepe smartelijke gedachten verzonken, reed hij met de anderen verder. De stadhouderlijke woning--of de Arabieren hem deze ontnamen, of niet, wat kwam het er op aan? Maar zijne móeder, zijne moeder! Alles, alles wat zij van zijne kindsheid voor hem geweest was, kwam hem weder voor den geest, en onder de smart over dit verlies vergat hij het gevaar dat hem dreigde, den kerker die hem wachtte, en het smadelijk inbreuk maken op zijne rechten. Ja zelfs het beeld van de geliefde week voor dat der dierbare afgestorvene op den achtergrond. Misschien zou het hem niet eens vergund worden, zelf zijne moeder te begraven.
De weg liep door eene dorre woeste rotsstreek, en hoe verder men kwam, des te helderder werd de vuurgloed aan den horizont vóor hen, tot de dag achter de reizigers aan te lichten, en het gloeiend morgenrood het schijnsel in het westen deed verbleeken. Wederom brak er een brandend heete dag aan, en terwijl de rotsen aan Orions zijde nog lange schaduwen wierpen op den stoffigen woestijnweg, kwamen eenige ruiters uit de richting van Fostat hen tegemoet draven, en richtten zich tot den aanvoerder, om hem de nieuwste tijdingen mede te deelen. Het moest iets zeer belangrijks zijn, doch de jongeling verstond niet wat zij zeiden. Slechte tijdingen bereiken intusschen maar al te snel hun doel, en terwijl de ruiters nog met elkander spraken, rende de tolk naar hem toe en deelde hem mede, dat het geheele stadhouderlijk paleis tot den grond was afgebrand en half Memphis in vlammen stond. Vervolgens kwamen zij andere reizigers te paard en op dromedarissen tegen, ontmoetten zij wagens, kameelen met koren en Egyptische handelswaren beladen, en allen spraken het reisgezelschap van Orion aan en deelden mede wat er te Memphis gebeurd was, en hoopten de eersten te zijn van wie de optrekkenden het vernamen. Hoe dikwijls kreeg Orion hetzelfde te hooren, en zoo vaak een reiziger met zijn: "Hebt gij het al gehoord!" aanving en naar het westen wees, begon de wond, die de eerste tijding hem geslagen had, opnieuw te bloeden.
Wat lag er voor hem daar ginds niet onder de asch bedolven? Hoe veel, dat onherstelbaar was, hadden die vlammen vernield! Wat hij voor zich op dezen tocht in stille oogenblikken had gewenscht, ten deele was het thans reeds vervuld. Waar was de last der groote bezitting, die hem als aan de hielen had gehangen en hem verhinderde zich vrij te bewegen? Maar hij gevoelde zich nog niet vrij, hij zag den weg nog niet voor zich open, maar klaagde in stilte dat het huis zijner voorvaderen in het niet was verzonken, dat hij zijn tehuis had verloren, en een kwellend gevoel van onzekerheid overviel hem. Geen vader, geene moeder, geene ouderlijke woning meer! Jaren lang had hij reeds op eigene beenen gestaan, en toch beschouwde hij zich als een schipper, wiens boot het roer had verloren. Vóor hem lag de kerker, als het einde van het groote treurspel, waarvan hij zichzelven als de held mocht beschouwen. Evenals het huis van Tantalus had het noodlot het zijne ten ondergang gedoemd. Het was in asch verzonken, en daar lagen reeds de offers: twee broeders, vader, moeder, en op grooten afstand Rufinus. Doch waar lag de schuld?
Zijne voorvaderen hadden haar niet begaan, het kon alleen de zijne zijn, die het vonnis had uitgelokt. Maar bestond dan nog dat onverbiddelijk, ijzeren noodlot der ouden? Had hij geen berouw getoond, niet geleden, zich niet met zijn Verlosser verzoend, zich niet bereid getoond, om den zwaarsten kamp te wagen? Wellicht was hij de held van het treurspel, doch dan wilde hij toonen, dat niet meer de blinde noodzakelijkheid, maar dat, wat de mensch van zich zelven maakt, dat wat hij in vereeniging met den Allerhoogste najaagt, den loop des levens bepalen. Moest hij bezwijken, dan zou het niet zijn dan na wakkere tegenweer. Zonder vrees wilde hij zich verzetten tegen alles wat hem vijandig tegenstand bood, wilde hij voorwaarts dringen op den weg, dien hij zich had afgebakend, en nu zwol weder zijne borst en was het hem, als zag hij aan den hemel als leidende ster het voorbeeld zijns vaders, in wiens geest hij leven of sterven wilde. En richtte hij den blik naar de aarde, dan was ook daar nog iets wat hem waard scheen de beproevingen des levens te dragen en den moeielijksten strijd te volstrijden: Paula en hare liefde!
Hoe meer hij Fostat naderde, des te warmer klopte zijn hart, des te sterker werd zijn verlangen. Ja, het moest hem vergund worden de geliefde weder te zien, haar in zijne armen te sluiten vóor zijn dood! Hij hield het er voor, dat hetgeen hij in deze uren geleden had, alles uit den weg had geruimd en opgeheven wat hen nog van elkander scheidde. Hij gevoelde, dat hij thans de kracht bezat, om harer waardig te blijven; ja als hij Heliodora andermaal ontmoette, zou hij haar stellig en zeker niet anders bejegenen dan als eene lieve zuster.
Zij die hem geleidden brachten hem naar het huis van den kadhi, doch deze bevond zich in den divan, de raadsvergadering, die zijn vijand, de schurk Obada had samen geroepen. Deze had zich na de inspanning van den laatsten nacht maar weinige uren rust gegund, om vervolgens den raad bij te wonen. Daar zou hij ontwaren, dat hij er even vele vijanden had te weerstaan als deze leden omvatte. Zijne scherpste tegenstanders waren het hoofd van de justitie en het staatsbeheer, kadhi Othman, en Chalid, die belast was met de regeling der belastingen. Beiden waren niet gewoon hunne overtuiging voor hem te verzwijgen, en wie deze vergadering had bijgewoond zou wel niet op het vermoeden zijn gekomen, dat de meeste leden in hun jeugd, in tijden van vrede, als eenvoudige herders schapen op de bergen gehoed, karavanen door de woestijn geleid of kleine handelszaken gedreven hadden. In den strijd van den eenen stam tegen den ander was hun ruimschoots gelegenheid gegeven zich in den wapenhandel te oefenen en hun moed te versterken; doch wie had hen geleerd hunne woorden zoo zorgvuldig te kiezen, en ze met gebaren te begeleiden, welker bevalligheid elken Griekschen redenaar eer aangedaan zouden hebben? Alleen wanneer een spreker, wiens gal in beweging was gebracht, donderde en bliksemde, verloor hij, medegesleept door zijne drift, wel eens de ware evenredigheid; doch hoe verbazend was dan de uitwerking van stem, oog- en handbeweging! Doch nooit, ook niet in den hoogsten toorn, bezondigde men zich tegen de zuiverheid der taal. Deze redenaars, waarvan slechts weinigen lezen en schrijven konden, hadden evenwel de meest indrukwekkende verzen hunner dichters tot hunne beschikking, waarvan zij ontelbaren uit het hoofd kenden.
Heden werden hier de inwendige aangelegenheden behandeld van een land, dat reeds eene beschaving van eeuwen achter zich had, en hetwelk voor weinige jaren nog onbekend was aan de krijgshaftige zonen der woestijn. Hoe goed bleken de vier bouwmeesters, de opzichter van de markten, van de besproeiing der landerijen en van de molens hunne taak te hebben opgevat! Deze frissche, nog niet versleten koppen waren in staat het zwaarste aan te pakken en het kloek, goed en gelukkig uit te voeren. Inderdaad ook de zonen van deze vaders, die geen school hadden doorloopen, waren in staat aan vervallen, groote rijken nieuwen glans te geven, en de ingesluimerde wetenschap der door hen onderworpen natiën tot een nieuw leven te wekken. In deze vergadering was alles vol geest, leven en vuur, en de vroegere slaaf Obada had waarlijk geen gemakkelijke taak, om zich te handhaven onder deze welbespraakte nakomelingen van aanzienlijke vrije stammen.
Open en zonder vrees sprak de kadhi Othman zijne zienswijze uit over Obada's handelwijze, en verklaarde, ook in naam van de andere medeleden van den divan, de verantwoordelijkheid van het gebeurde geheel van zich te werpen en op de schouders van den Wekil te moeten laden. Deze verlangde echter niets beters; hij sprak met zulk eene vurige welsprekendheid, zijn voorstel, om de door het vuur van dak beroofde Memphieten naar Fostat over te brengen was zoo aannemelijk, en eindelijk had de afgeloopen nacht zijne groote eigenschappen in zulk een helder licht gesteld, dat men alle verzet tegen hem verschoof, en besloot het antwoord op eene tegen hem gerichte aanklacht uit Medina af te wachten. Ook schreef de alles beheerschende discipline voor, zich naar zijn wil te voegen, en menigeen, die in den slag den dood als een bruidegom zijne bruid was tegengesneld, vreesde den geweldenaar van lage afkomst, die voor het ontzettendste niet terugdeinsde.
Obada had eene overwinning behaald. Niemand was in staat hem van roof te betichten, zelfs niet van een drachme, en toch had hij woorden moeten aanhooren, die hij moeielijk verduwen kon, en van alle zijden was hem den eerbied onthouden, die hem als plaatsvervanger van den stadhouder toekwam. Ten hoogste verstoord verliet hij het laatst de zittingzaal en niemand, zelfs niet zijn onderbevelhebber bleef bij hem, om hem een vleiend woordje te zeggen over de kracht en de schoonheid zijner rede, terwijl die verwenschte lieden Amr bij dergelijke gelegenheden als bijen omzwermden en hem tot aan zijn huis volgden als kwispelstaartende honden. De minachting en vijandschap die hij ondervond, schreef hij niet toe aan zijne schuld, maar aan den afkeer, die zijne geboorte bij die hoogmoedige vrijgeborenen wekte. Toch zag hij over allen heen, gevoelde hij zich de meerdere van ieder afzonderlijk, en wanneer de aanslag in Medina gelukte, dan zou hij zich onder hen zijne offers kiezen, dan....
Aan deze wraakzuchtige overpeinzingen werd een einde gemaakt door eene bode, die tot over de ooren met stof bedekt was, en deze bracht goede tijding. Orion was gepakt en in het huis van den kadhi gebracht.
"Waarom niet bij mij?" snauwde Obada den krijgsman toe. "Wie is hier de plaatsvervanger van den stadhouder, Othman of ik? Naar mijn huis met den gevangene!"
Hij begaf zich daarop onverwijld naar zijne woning, doch in plaats van den aangehoudene verscheen een beambte van den kadhi, die hem in den naam zijns heeren aan het verstand bracht, dat de Kalief Othman tot opperste rechter in Egypte had aangesteld, dat deze aangelegenheid tot zijn departement behoorde, en dat Obada, als hij den gevangene zien wilde, bij hem kon komen, tenzij hij zich later wilde begeven naar de stedelijke gevangenis van Memphis, waarheen hij Orion zou laten brengen. Obada vloog woedend naar het in de nabijheid staande huis van zijn vijand, doch deze stelde tegenover zijne onstuimige hevigheid de rust van den verstandigen en rechtvaardigen man. De kadhi was pas ongeveer vijf-en-veertig jaren, maar zijne zachte, zwarte baard begon reeds grijs te worden. Zijn schoon gevormd bruin gelaat droeg den stempel van een eerlijk en edel karakter, en uit zijne oogen sprak scherpzinnigheid en kalmte van geest. Er lag iets rustigs en tevredens in de geheele verschijning van dezen man, die moeielijke levenservaringen waardig had gedragen en zich tot taak had gesteld anderen ervoor te bewaren, zooveel in zijn vermogen was. Ook tot den kadhi was de aanklacht van den patriarch doorgedrongen: ook hij was voornemens het ombrengen zijner geloofsgenooten zwaar te straffen, maar de straf moest enkel den schuldigen treffen, en het zou hem leed hebben gedaan, als hij dezen in Orion moest zien. Hij had zijn vader hooggeschat als een braaf man en rechtvaardig rechter, en van den ervaren Egyptenaar menigen goeden raad ontvangen.
De ontmoeting die er plaats had tusschen Othman en den uitermate verstoorde Wekil was zelfs voor de beambten, die er bij tegenwoordig waren, pijnlijk geweest, en Orion, die in het aangrenzend vertrek het razen en tieren van Obada hoorde, kon daaruit afleiden met welk een verbittering zijn zwarte vijand hem vervolgde. Doch evenals de zee na de heftigste stormen weder tot een gelijkmatigen golfslag terugkeert, zoo nam ook deze strijd een rustig einde. De kadhi had den Wekil onder het oog gebracht, hoe onbetamelijk het was en welk een smadelijk licht het wierp op de gerechtigheid der muzelmannen, op eene bloote verdenking het aanzienlijkste huis in den lande, aan welks hoofd de zaak van den Islam bovendien zooveel goeds te danken had, van zijne goederen te berooven. Obada had daarop geantwoord, dat eene stellige aanklacht was ingekomen van het hoofd der kerk hier te lande, dat niets geroofd, maar alles in beslag genomen en in verzekerde bewaring gebracht was. Wat Allah door zijn vuur had vernield, daarvan kon niemand de verantwoordelijkheid dragen. Van bloote verdenking was hier geen sprake; hij zelf was in het bezit van een document, waaruit schriftelijk bleek, dat de geliefde van Orion de ontwerpster was van de euveldaad, die aan twaalf geloofsgenooten het leven had gekost. Het meisje waarvan hij sprak, was gisteren gevangengenomen. Hij zou wel nader achter de waarheid komen, ondanks alle kadhis van de wereld, want wilde hij, Othman, een aantal muzelmannen door christenhonden ongestraft laten slachten, hij, Obada, kon dat niet onverschillig aanzien, en als hij het deed, zouden morgen de duizend Egyptische kanaalarbeiders de drie muzelmannen, die er het opzicht over hielden, met hunne spaden doodslaan.
De kadhi verzekerde op zijne beurt, dat hij niet minder begeerig was dan Obada de daders te straffen, maar eerst moest uitgemaakt worden wie het waren, en dat wel volgens de wet, rechtvaardig, zonder menschenvrees en blinde haat, door de rechtbank en met alle voorzichtigheid. Schuldigen vrij te spreken stuitte hem als rechter evenzeer tegen de borst als onschuldigen te veroordeelen, en zoo zou het onderzoek rustig zijn loop hebben. Wanneer hij, Obada, de geliefde van Orion in het verhoor wilde nemen, dan had hij als kadhi daar niets tegen; maar het leiden der eigenlijke verhandelingen en het voorzitten bij de beraadslagingen der rechters, dat was zijne zaak, en zoo iets liet hij zich zelfs door den Kalief niet uit de handen nemen, zoolang deze hem waardig achtte zijn ambt te bekleeden.
Obada moest hier het hoofd bij neerleggen, hoewel tegen zijn zin. Toen de Wekil Orion verlangde te zien, werd deze geroepen. De zwarte reus nam hem op van het hoofd tot de voeten als een slaaf, dien men verlangt te koopen, en terwijl de kadhi naar de deur ging en hem dus niet zien kon, vermocht Obada geen weerstand te bieden aan eene kinderachtige neiging. Hij streek zich namelijk, met een veelbeteekenenden blik op den gevangene, stevig en snel met den wijsvinger over den donkerbruinen hals, als scheidde hij het hoofd van den romp. Daarop keerde hij den jongeling verachtelijk den rug toe.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
In den namiddag reed de Wekil Obada naar Memphis en stapte af aan de stadsgevangenis. Hij verwachtte daar den bisschop te zullen vinden, doch inplaats van dezen ontving hij het bericht, dat Plotinos aan de pest gestorven was. Dat was een leelijke streek van het noodlot, want met den bisschop daalde de getuige ten grave, die hem het ten gunste der nonnen beraamde reddingsplan verraden had. Maar neen! de patriarch droeg gewis van alles kennis. Doch wat hielp dat voor het oogenblik? Hij had geen tijd te verliezen en er moesten zeker drie weken verloopen eer Benjamin terugverwacht kon worden.
Obada had Paulas vader in het kamp van Damascus ontmoet, en het had hem vaak gekweld, dat men den naam van dezen krijgsheld ook onder de muzelmannen met roem gedacht. Zijn nijdig gemoed gunde ook den grootste, de door vriend en vijand erkende onbesmette eer niet. Hij geloofde niet aan eer en hield ieder die haar genoot voor een slimmen huichelaar. Evenals van den vader had hij ook een afkeer van de dochter, zonder haar ooit gezien te hebben. Het lot van Orion was in zijn binnenste beslist en vóor zijn einde moest hij nog gemarteld worden door de terechtstelling van zijne geliefde, hetzij zij haar schuld ontkende of openlijk beleed. Misschien gelukte dit hem dit te bewerken, en daarom liet hij Paula onverwijld in de vergaderkamers der rechters brengen. Doch zijn plan mislukte volkomen, hoewel hij haar door den tolk de grootste toegevendheid beloofde wanneer zij openhartig zou zijn, maar haar in het tegenovergestelde geval met een pijnlijken dood dreigde.
Zóo had hij zich de gevangene werkelijk niet voorgesteld, en de trotsche kalmte, waarmede zij elke beschuldiging afwees, oefende een buitengewonen invloed uit op den vroegeren slaaf. Aanvankelijk hielp hij den tolk, door haar in gebroken Grieksch iets toe te schreeuwen, of door te beproeven haar angst aan te jagen met vreeselijke blikken, waarvan hij den indruk vaak beproefd had bij zijne ondergeschikten. Doch alles had niet de minste uitwerking. Toen liet hij haar verklaren, dat hij in het bezit was van een bewijsstuk, hetwelk hare schuld boven alle bedenking verhief, doch ook dit verstoorde hare kalmte niet, en zij verlangde alleen het te zien. Daarop liet hij haar zeggen, dat zij het vroeg genoeg zou leeren kennen, terwijl hij de verklaring van den tolk vergezelde van dreigende gebaren.
Obada had onder zijn volk kloeke vrouwen ontmoet, van grooten invloed. Dappere vrouwen had hij ten strijde zien trekken en hij was er getuige van geweest, hoe zij wilder, met meer doodsverachting en bloedgieriger dan mannelijke krijgers de gevaren van den geloofsstrijd deelden. Doch dat waren enkel echtgenooten en moeders geweest, en waar hij ze uit den stillen huiselijken kring, dien een meisje nooit verlaten mocht, had te voorschijn zien treden, waren zij altijd beheerscht door hartstochtelijke aandoeningen, met gloeiende geestdrift partij trekkende voor gade en kroost, familie of stam. Over het geheel hielden de vrouwen zijns volks zich bescheiden op den achtergrond en geene handelde tegen deze gewoonte, tenzij zij beheerscht werd door een onstuimigen strijdlust. Maar deze jonkvrouw stond daar tegenover hem als een veldheer, als het hoofd van een stam, met onwrikbare kalmte. Daar was in hare houding iets dat hem vrees aanjoeg en te gelijk het verlangen uitermate prikkelde, om haar zijne overmacht te doen gevoelen en haar trots te breken. Evenals hij uitstak boven alle aanvoerders der muzelmansche krijgsmacht, zoo overtrof zij in wasdom alle vrouwen zijns volks, en door nieuwsgierigheid gedreven om zich met haar te meten, ging hij dichter naar haar toe en trok van zijn hals met de hand een lijn door de lucht, die haar schedel raakte, en toen zij hierop achteruitweek, ontging het hem niet met welk een diepen afschuw zij hem aanzag. Thans steeg hem het bloed naar het hoofd en terwijl hij den tolk beval haar mede te deelen, dat zij op geene vergiffenis behoefde te rekenen, wijdde hij haar in zijn binnenste ten gruwzamen dood.
Bleek en op het ergste voorbereid keerde Paula naar het schamele vertrek terug, dat zij met hare oude Betta bewoonde. Het was een schrikkelijk oogenblik geweest toen zij de gevangenis binnentrad, want de wachters schenen van plan te zijn haar naar eene der zalen te voeren, waar mannelijke en vrouwelijke misdadigers in grooten getale gehuisvest waren, en vanwaar het gerammel van ketenen en een wild en verward geschreeuw van allerlei stemmen haar tegenklonk. Doch de tolk en de aanvoerder der veiligheidswacht hadden zich haar lot aangetrokken, en wel op verzoek van vrouw Martina, die hen een rijk geschenk had beloofd, wanneer zij morgen de mededeeling brachten, dat Paula in den kerker een goed onderkomen had gevonden. Ook de schoonmoeder van den gevangenbewaarder had haar in bescherming genomen. Zij was de waardin uit de herberg van Nesptah en had in de gevangene de schoone jonkvrouw herkend, die op het watertochtje met Orion bij haar was afgestapt, en die zij voor zijne bruid had gehouden. Zij bracht toevallig een bezoek aan de vrouw van den bewaarder, hare dochter, en verzocht ook deze Paula vriendelijk te behandelen. De jonkvrouw kreeg met Betta een eigen vertrek en de bewaarder was niet ongevoelig voor hare goudstukken. Deze man deed voortdurend zijn best, om haar lot dragelijk te maken, en heden morgen had hij Pulcheria vergund haar te bezoeken en haar de laatste nog niet verdorde rozen uit den tuin te brengen. Ook de weduwe Susanna had aan haar voornemen gevolg gegeven door spijzen en vruchten te zenden, maar deze waren aan den gevangenbewaarder gegeven en den bode werd gezegd, dat Paula van alles goed verzorgd werd en zulke gaven voor het vervolg niet meer behoefde.
In het gevoel harer onschuld had zij haar lot rustig te gemoet gezien en op de hoog geroemde rechtvaardigheid der Arabische rechters gebouwd. Maar niet zij, Orions vijand, dat zwarte monster, scheen haar lot te zullen beslissen. Neergedrukt door het gevoel, onmachtig en hulpeloos te zijn prijsgegeven aan de willekeur van een gewetenloozen schurk, gevoelde zij hoe de krachten haar ontzonken, en luisterde zij nauwelijks naar de bemoedigende woorden van hare voedster. Zij vreesde den dood niet, maar te sterven zonder haar vader weergezien, zonder Orion gezegd en getoond te hebben, dat zij hem toebehoorde, dat zij de zijne was en bleef, dat was te hard, dat viel haar te zwaar om te dragen.
Terwijl zij de handen wrong, op het punt van te vertwijfelen, draafde hij, die het geluk, de rust en de have zoo veler medemenschen vernietigd had, op het edelste ros uit Orions stal door de straten van Memphis, met het vaste plan de trotsche gevangene zijne macht te doen gevoelen. Op de groote marktplaats, in het Ta-anch-kwartier moest hij zijn hengst dwingen tot een rustiger gang, want daar had zich voor de kurie, het raadhuis der stad, eene onafzienbare menschenmenigte verzameld. De Wekil brak zich baan door het volk, zonder iemand te ontzien, want hij wist wat het begeerde en telde dit niet. Het arme gepeupel school reeds sedert eenigen tijd daar dagelijks samen en verlangde van de bouleuten hulp in zijne schrikkelijke ellende. Daar het kerkgezang en de processie gisteren weder zonder gevolg waren gebleven, bestormde het heden de kurie. Maar kon de senaat den Nijl laten wassen, de pest bezweren of de dadels verhinderen van de palmen te vallen? Wie kon helpen waar de hemel zijn bijstand ontzegde?
Zoo had het hoofd van de stad aan de om hulp roepende menigte van het balkon der kurie wel reeds tienmaal gevraagd, en altijd was het volk uitgebarsten in den kreet: "Ja, ja, gij moet het, het is uw plicht! Gij neemt van ons belasting, gij zijt geroepen voor ons te zorgen!"
Gisteren was de onzinnige menigte reeds niet meer te houden geweest en had met steenen naar het raadhuis geworpen, maar heden na den verschrikkelijken brand en den dood van den bisschop was het gepeupel in dichte drommen komen opzetten, woedender dan ooit en tot de uiterste vertwijfeling gebracht. De bouleuten zaten te beven op hunne oude, geel geworden, ivoren stoelen, de overblijfselen van uitgedoofden glans, die gelijken moesten op zetels der Romeinsche senatoren. Zij zagen elkander aan, haalden de schouders op en lieten zich een brief van den kadhi voorlezen, die zoo even gekomen was, en hen, christenen, beval, overeenkomstig de tot een besluit verheven voorslag van Obada, aan de gemeente door omroepers als anderszins bekend te maken, dat ieder burger, wiens huis in den afgeloopen nacht door vuur was verteerd, aan de overzijde in Fostat kosteloos grond en bouwmaterialen kon krijgen, om zich een nieuw huis op te trekken, ingeval hij den Nijl wilde oversteken en den Islam aannemen.
Dit smadelijk voorstel moest bekend gemaakt worden, daar viel niet over te beraadslagen, men kon er zich niet tegen verzetten. Maar wat kon van hunne zijde voor de klagende menigte gedaan worden? De pest sleepte het ongelukkig volk ten grave; de groenten, waaruit gedurende dit jaargetijde de helft van zijn voedsel bestond, waren verdord; zijne anders zoo zoete, verkwikkende drank was vergiftigd; de dadels, zijn toespijs, rijpten om met afschuw weggeworpen te worden. En daarbij een komeet aan den hemel, geen uitzicht op oogst, ook maar van enkele halmen, in de volgende maanden! De bisschop dood, het vertrouwen op de hulp der kerk geschokt, Gods genade als opgehouden, verloren in dit door de ongeloovigen bezette land! En zij, op wier hulp men rekende, waren arme, zwakke menschen, raadslieden zonder raad, ieder uur bedreigd om hunne door de pest aangetaste medeleden te volgen, die van de thans ledig staande zetels nog onlangs het grootste woord hadden gevoerd. Gisteren hadden naar ieders overtuiging, de nood en de ellende hun toppunt bereikt, en in den afgeloopen nacht waren ze voor zoovelen verdubbeld. Hun eigen zelfvertrouwen was uitgeput, doch er was nog éen wijze in de stad, die misschien nieuwe wegen openen en op een middel wijzen kon, om het volk voor vertwijfeling te bewaren.
Daar vlogen weder steenen door het geopende dak, en de bouleuten sprongen van hunne ivoren zetels op en zochten beschutting achter marmeren zuilen en pijlers. Van de zijde der markt drong een woest geschreeuw door tot de ooren der beangstigde raadsleden, en tegen de zware deur van de kurie werd met vuisten en stokken gebeukt. Gelukkig was ze met brons beslagen en met zware ijzeren grendels gesloten, maar ieder oogenblik kon ze voor het geweld bezwijken en de razende volkshoop de vergaderzaal binnenstormen.
Doch wat gebeurde er? In een oogenblik verstomde het gebrul en gejoel; het gedruisch nam een anderen, zachteren vorm aan. In plaats van de wilde vloeken en verwenschingen van zooeven weerklonk het: "Heil! Heil!" voor en na, en daartusschen hoorde men roepen: "Red," "help!" "Geef ons raad!" "Leve de wijze!" "Uw tooverkunst, vader!" "Gij kent de geheimen, de wijsheid der ouden!" "Red, red; toon die gierigaards en bedriegers in de kurie hoe men ons helpt!"
Het hoofd van de stad waagde het zijne veilige plaats achter het zuilenbeeld van Keizer Trajanus te verlaten, het eenige dat de geestelijkheid nog had verschoond, en langs de ladder, die men gebruikte om de hanglampen aan te steken, op te klimmen tot het hooge venster en een blik naar beneden te slaan. Daar zag hij een grijsaard in hagelwitte kleeding op een fraaien witten ezel door de menigte rijden, die eerbiedig voor hem plaats maakte. De lictoren der stad gingen hem voor met hunne fasces, waaraan, ten teeken van hunne vreedzame zending, palmtakken bevestigd waren, verder merkte hij op dat de oude, behalve de drijver van zijn beest, ook een slaaf volgde, die ettelijke schriftrollen droeg, en dit deed zijn hoop herleven; want ze zagen er zeer oud en geel uit en bevatten stellig een overvloed van wijsheid, ja wellicht magische formulieren en tooverspreuken, waarvan men heil kon wachten. Met een luid "hij komt," daalde het hoofd der stad van de ladder af; weldra knarsten de grendels, de deur ging open en men kwam tot verademing toen men bespeurde, dat buiten den grijsaard niemand de kurie was binnengedrongen. Toen Horus Apollon de raadzaal binnentrad vond hij de bouleuten in zulk eene waardige houding op hunne ivoren stoelen, als ware de raadsvergadering geen oogenblik geschorst. Doch op een wenk van den voorzitter stonden allen voor den grijsaard op en hij beantwoordde hun groet afgemeten, als ware hem een eer bewezen die hem toekwam. Hij liet het zich ook wel gevallen, dat het hoofd der stad hem zijn hoogeren zetel inruimde, om op een gewonen naast hem plaats te nemen.
Weldra was de behandeling van de zaak aangevangen, en deze werd niet gestoord door de menigte, ofschoon van de marktplaats nog altijd geluiden in de zaal doordrongen als van een bruisenden golfslag of van duizend bijenzwermen. De grijsaard verzekerde bescheiden, dat hij in zijn eenvoud, waar zulke wijze mannen geen hulp wisten te verschaffen, aanvankelijk twijfelde of die wel te vinden zou zijn. Hij was echter bedreven in de kennis van den aard en de wetenschap der vaderen, en hij was thans gekomen om mede te deelen, wat zij in dergelijke gevallen voor doeltreffend hadden gehouden, ten einde dat ook nu na te volgen.
Een gemompel van instemming vergezelde zijne zachte, maar zoetvloeiende reden, en toen de stadsoverste allereerst wees op den wortel van alle onheilen, het uitblijven van den Nijlwas, verzocht de grijsaard hem hierover te zwijgen en allereerst de nooden onder de oogen te zien, waartegen men met eigene krachten redmiddelen kon aanwenden. De pest woedde in de stad; hij was zoo even het kwartier voorbijgegaan, dat door den brand gedeeltelijk was vernield, en had daar vijftig kranken zonder verpleging en in de grootste ellende bijeengevonden. Hier kon wat gedaan worden; hier lagen de middelen voor de hand, om de ontevredene menigte te bewijzen, dat hare raadslieden en leiders de handen niet in den schoot hadden gelegd.
Een der leden van den raad stelde voor het Caecilia-klooster of het ongebruikte en vervallen Odeum voor hen in te ruimen, doch Horus Apollon verklaarde zich hiertegen en zette duidelijk uiteen, dat zulk eene opeenhooping van zieken midden in de stad de gezonde burgers in gevaar zou brengen. Dat was ook de zienswijze van zijn vriend Philippus en deze had de handelwijze der vaderen, als de eenige ware aangeprezen. Waar plaatsten de ouden niet alleen hunne inrichtingen van liefdadigheid, maar ook de groote ruimten vorderende tempels en begraafplaatsen? Altijd in de woestijn, buiten de stad. Op de reuzensphinx bij de pyramiden had de groote Arrianus zelf deze versregels geschreven:
Eertijds schiepen de goden die schoon hier prijkende vormen, Wijselijk sparend het veld, vol van den vruchtbaren oogst.
Dit sparen van het vruchtbare veld heeft het jongere geslacht vergeten, en het begreep ook niet meer, hoe het de woestijn kon gebruiken. De dooden en verpestten mochten de levenden niet in gevaar brengen, en daarom moesten zij buiten de stad, op den woestijnbodem van den Necropolis ergens worden ondergebracht.
"Maar wij kunnen ze toch niet in den zonnegloed laten liggen," zeide de stadsoverste.
"En evenmin," voegde een ander erbij, "kan men in een ommezien een gebouw voor hen optrekken."
Daarop antwoordde Horus Apollon: "Wie zou zoo dwaas zijn het een of het ander te verlangen! Maar linnen en palen zijn in Memphis meer dan genoeg. Laat dadelijk in den Necropolis groote tenten opslaan, en onder deze beschutting, op kosten en onder toezicht van de stad allen verplegen, die door de ziekte worden aangetast. Vaardig drie of vier uit uw midden af, om deze opdracht te volbrengen, en in weinig uren is er een onderkomen gevonden voor die van hun huis beroofde kranken. Hoevele matrozen en scheepstimmerlieden slenteren er zonder arbeid langs den oever! Roep ze samen, en zet ze binnen een uur aan het werk!"
Dit voorstel vond bijval en een fabrikant van lijnwaad onder de bouleuten zeide: "Ik lever alles wat er noodig is," en een ander, die in denzelfden stof handel dreef en dit beroemde Egyptische fabrikaat overal heen zond, viel hem in de rede en verlangde voor zich en zijn huis de opdracht, omdat hij goedkooper leveren kon. Deze strijd zou de zitting tot het einde en misschien ook tot den volgenden dag in beslag hebben genomen, als het voorstel van Horus Apollon, om de leverantie tusschen beiden te verdeelen niet spoedig ware aangenomen. Het volk begroette de afkondiging van het besluit, dat er tenten voor de zieken in de woestijn zouden worden opgeslagen, met een bijvalskreet van honderden stemmen. Zij die de opdracht ontvingen, om het besluit uit te voeren, gingen terstond aan het werk, en in den volgenden nacht konden de van hun dak beroofden reeds onder de eerste groote tent geborgen worden.
Op dezelfde wijze loste de grijsaard nog eenige andere gewichtige vragen op, terwijl hij daarbij altijd zich beriep op de wijsheid der vaderen. Ten laatste nam hij het woord over de hoofdzaak, en hij deed het voorzichtig en met groot beleid. Alle wederwaardigheden van den laatsten tijd, zeide hij, wezen er op, dat de hemel vertoornd was op het ongelukkig land zijner vaderen. Als een teeken van zijn ongenoegen was een komeet gezonden, dat vreesaanjagend gesternte, dat met den dag nog toenam in dreigenden glans. Het stond niet in de macht van een mensch den Nijl te doen stijgen, maar de ouden--en nu luisterden de bouleuten met ingehouden adem--stonden in nauwere betrekking tot de geheimzinnige machten, die het leven der natuur besturen, dan de tegenwoordige menschen, onverschillig of ze leeken of priesters zijn. In die dagen was ieder dienaar der allerhoogste godheid tegelijk een kenner en onderzoeker der natuur. Wanneer Egypte door eene ramp werd bezocht als die van dit jaar, werd er een offer gebracht, een groot offer, waartegen het menschelijk gevoel en alles wat in ons is opkomt, maar dit had nimmer zijne uitwerking gemist. Hier waren de bewijsstukken, en daarbij wees hij op de schriftrollen in zijn schoot.
De vergaderden bewogen zich onrustig op hunne zetels en eerst riep het hoofd der stad en vervolgens riepen en vroegen ook de andere bouleuten de een na den ander: "En het offer?"--"Welk offer brachten zij?"--"Wat moet dat offer zijn?"
"Laat mij dit verzwijgen tot een volgenden keer," verzocht de grijsaard. "Wat zou het kunnen baten dit heden reeds te verkondigen? Eerst moet onderzocht worden, wat den goden welgevallig is."
"Maar wat is het? Spreek man!"--"Leg ons niet op de pijnbank!"--Zoo drong men van alle zijden op hem aan. Doch de grijsaard bleef onverbiddelijk, beloofde den raad zelf samen te roepen, zoodra de tijd daartoe gekomen was, en verlangde van den stadsoverste alleen, dat hij van het balkon zou afkondigen, dat Horus Apollon een offer wist, dat den Nijl kon bewegen eindelijk te wassen. Zoodra het gevonden was, zou men het volk zijne toestemming vragen. In vroeger eeuwen had het nooit zijne uitwerking gemist. Mannen, vrouwen en kinderen konden dus gerust naar huis gaan en geduldig, met nieuwe en gegronde hoop, de toekomst afwachten.
Deze afkondiging, waarbij het hoofd der stad niet verzuimde de wijsheid van den grijzen Horus Apollon te loven, deed eene verbazende uitwerking. Van nieuwe hoop vervuld jubelde de menigte, een "Heil! Heil!" weerklonk van alle zijden, en deze kreten golden niet enkel den grijsaard, die redding beloofde, maar ditmaal ook de bouleuten, de zorgzame vaders der stad, wien een loodzware last van het hart werd genomen. Wat de oude man voorhad, was zeker niet vroom en zuiver christelijk, maar had de macht van de kerk zich dan zoo werkzaam getoond? En nadat alle pogingen van die zijde schipbreuk hadden geleden, waren zijzelven reeds tot middelen afgedaald, die de priesters veroordeelden. Bezweringen en tooverij waren echt Egyptische kunsten, en waar het geloof niets uitrichtte, traden dezen, trad het bijgeloof in zijn recht. Toen men de lokken-Medea op het lijf was gevallen en gevangen had genomen, was het niet zoozeer geschied, om de wet te handhaven, maar veeleer, om hare geheime wetenschap ongemerkt voor het algemeen welzijn aan te wenden. In zulk een nood was geen middel te slecht, en hoewel de grijsaard zelf een afschuw had van dat wat hij aan de hand deed, van hunne toestemming was hij zeker, als het maar de gewenschte uitwerking deed. Was de nood eerst uit den weg geruimd, dan kon men de schuld, die men op zich geladen had, wel boeten; en de goede God was zoo barmhartig! De bisschop had anders ook zitting en stem onder de bouleuten, en nu had de loop der omstandigheden hun de noodzakelijkheid bespaard, om zijne tegenspraak te weerleggen.
Toen Horus Apollon weer op de markt verscheen, werd hij met algemeenen bijval en zoo dankbaar begroet, alsof het hem reeds gelukt was land en volk te redden. En wat had hij ondernomen! Hetgeen hij dacht te doen plaats hebben mocht gelukken of niet, te Memphis kon hij niet blijven, want in elk geval was het daar uit met zijne rust. Maar dat schrikte hem niet af, want voor de vrouwen was het misschien heilzamer, als hij haar verwijderde uit de gevaarlijke nabijheid van de Arabische hoofdstad, en zijn besluit, om met het gezin van Rufinus te vertrekken, stond bij hem vast. Ook voor zijn Philippus kon het niet anders dan goed zijn in een anderen bodem verplant te worden.
In het huis van Rufinus vernam hij welk lot Paula getroffen had. Voor het oogenblik stond zij hem dus niet meer in den weg, doch wanneer men haar morgen of overmorgen of over een maand vrijliet, was zij hem even hinderlijk als te voren. De aanslag tegen haar moest dus toch doorgezet worden. Zijne bijzondere denkbeelden zetten hem er toe aan, en welk eene voldoening, als het hem gelukte de Egyptische christenen tot de heidensche daad te brengen, die hij hen wilde doen uitvoeren. Werd Paula door de Arabieren ter dood veroordeeld, zoo kon dit aan de uitvoering van zijn plan slechts bevorderlijk zijn, en daarom was het nu van belang zich met den zwarten Wekil in betrekking te stellen; want van zijne toestemming hing alles af.
Vrouw Johanna en Pulcheria vonden hem zoo opgeruimd en vroolijk als nooit te voren. Het voorstel, om met zijn Philippus haar huisgenoot te worden, werd ook door de kleine Maria met levendige vreugde begroet, en de vrouwen geleidden hem reeds heden door het geheele huis en ondersteunden hem daarbij zorgvuldig en liefderijk. Alles wat hij zag, beviel hem uitermate; zoo sierlijk en netjes kon het er alleen daar uitzien waar vrouwenoogen alles bestuurden en op alles toezagen. De kamer van Rufinus op den beganen grond zou de zijne worden, terwijl men een dergelijk vertrek aan de andere zijde van het huis voor Philippus kon inrichten. De eetzaal, de ruime voorzaal en het viridarium bleven gemeen goed, en voor de vrouwen en de gasten waren op de bovenverdieping kamers genoeg. Hij zou hier zijn intrek nemen, zoodra hij een zeker iets vastgesteld had. Het moest wel iets verblijdends zijn, want als de oude man daarover sprak, bewogen zich zijne ingetrokken lippen vergenoegd heen en weer, en daarbij schenen zijne fonkelende oogen Pulcheria toe te roepen: "Ook voor u, lief kind, heb ik iets goeds in den zin."
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
In de nauwe, gloeiend heete gevangeniscel, die de beide vrouwen herbergde, doorleefde Paula een ontzettenden nacht. Zij kon den slaap niet vatten, en als het haar gelukte eindelijk de oogen te sluiten, werd zij door het geschreeuw en het gerammel der ketenen van de gevangenen in de groote kerkerzalen, en door den harden stap van een lotgenoot gestoord, die nog rusteloozer dan zij boven haar hoofd op en neer wandelde.
Arme deelgenoot in hetzelfde ongeluk! Was het martelende gewetensangst die hem heen en weer joeg, of was hij even onschuldig als zij, en was het zielsverlangen, zorg, liefde misschien die hem belette te slapen? Hij was geen gewoon misdadiger, want voor dezulken was er geen plaats in dit gedeelte van het gebouw, en omstreeks middernacht, toen het gedruisch in de groote zalen plotseling verstomd was, vernam zij uit zijne cel de zachte klank eener luit. En zóo kon enkel een meester het speeltuig hanteeren. Die vreemde gevangene ging haar niet aan, maar voor dit geschenk der tonen was zij hem dankbaar, want ze leidden hare gedachten en overleggingen af van haar eigen persoon en met klimmende aandacht luisterde zij naar zijn spel.
Blijde een voorwendsel te hebben, om de warme, harde legerstede te verlaten, sprong zij op en plaatste zich aan het met ijzeren staven geslotene eenige venster der cel. Daar hield de muziek op en er volgde een gesprek tusschen den gevangenbewaarder en haar lotgenoot. Wat was dat voor eene stem? Bedroog zij zich of hoorde zij goed? Haar hart hield bijna op te kloppen, terwijl zij verder luisterde. Ja, nu moest elke twijfel zwijgen: Orion was het en geen ander, die daar boven haar sprak. Daar noemde de gevangenbewaarder ook zijn naam, daar sprak hij over haar gestorven oom, en nu werd als op een gegeven teeken zachter gesproken. Zij hoorde wel fluisteren, maar kon den inhoud niet meer onderscheiden. Eindelijk hoorde zij overluid afscheidswoorden spreken, de deur van de cel boven haar viel in het slot en de voetstappen van den gevangene naderden het venster.
Zij drukte haar gelaat tegen de warme ijzeren staven, rekte zich uit, luisterde in de stilte van den nacht en riep, als zij geen geluid vernam, eerst zacht, dan harder: "Orion, Orion!" En van boven klonk terstond daarop haar naam terug.
Thans begroette zij hem en begon te vragen, hoe en sedert wanneer hij hier was gekomen. Maar reeds bij de eerste woorden legde hij haar het zwijgen op met een beslissend "stil!" waarop terstond een kort "let op!" volgde.
Vol verwachting luisterde zij door de traliestaven; de oogenblikken groeiden met langzamen slakkengang tot een vol half uur, tot eindelijk het luide "nu!" werd vernomen, waarop zij gewacht had. Eenige oogenblikken later hield zij een briefrolletje in de hand, dat aan eene met een stukje hout bezwaarde luitsnaar naar beneden was gelaten.
Er was noch licht, noch vuur in hare cel en de duisternis maakte het haar onmogelijk om te lezen. Zij riep dus naar boven: "donker!" en terstond daarop naar zijn voorbeeld: "let op!" Zoodra zij de beide schoonste rozen, die Pulcheria haar gebracht had, aan de snaar had bevestigd, zweefden ze op haar vroolijk "nu" naar boven.
Met eenige zachte accoorden, waarin zijn zielsverlangen en zijn hartstocht trilden, sprak hij zijn dank uit. Toen werd het weder stil, want de gevangenbewaarder had hem zooeven verboden, bij nacht te zingen en te spelen, en hij mocht van de welwillendheid van dezen man geen misbruik maken.
Paula legde zich te slapen neder met Orions brief in de hand, en toen zij voelde dat zij zou insluimeren, schoof zij het rolletje onder haar hoofdkussen en sliep spoedig daarop in. Toen beiden na zonsopgang ontwaakten, hadden zij van elkander gedroomd en begroetten zij vroolijk den dag.
Orion was buiten zichzelven geraakt van toorn, toen de kerkerdeur zich achter hem gesloten had. Hij had de ijzeren staven uit den muur willen rukken en de deur willen intrappen of uit hare hengels lichten. Er is voor een man geen smadelijker gevoel, niets wat meer zijne verontwaardiging wekt, dan zich als een schadelijk dier te zien afsluiten van de wereld, waartoe hij behoort en die hij noodig heeft, om ze te ontvangen, wat hem het leven levenswaard maakt, en wederkeerig anderen te vinden, die het goede kunnen genieten, dat hij doen en geven kan. Gisteren was de kerker in beider oog het voorportaal van de hel, zij waren der vertwijfeling nabij geweest en welke andere aandoeningen bezielden hen heden! Orion was door den eenen slag van het lot na den anderen getroffen; met welk een angstig en bekommerd gemoed had Paula zijn terugkeer te gemoet gezien, en hoe rustig was heden hare ziel, niettegenstaande zij in doodsgevaar verkeerde.
De legende verhaalt van de Heilige Caecilia, die midden uit den bruiloftsdans naar de folterplaats werd gevoerd, dat zij, terwijl zij de pijnen van den marteldood leed, in hare verbeelding met een onuitsprekelijk gevoel van zaligheid hemelsche muziek en streelende orgeltonen vernomen had; en hoe ontelbaar velen hebben hetzelfde ervaren! In den uitersten nood en het grootste gevaar vinden zij hooger geluk dan in den glans, de pracht en de vreugde van het luidruchtige leven; want hetgeen wij gelukzaligheid noemen, valt hen ten deel, onverschillig waar zij zijn en in welk een uitwendigen toestand zij verkeeren, die juist dat bereikbaar achten, waarnaar hunne ziel smacht met innig verlangen. Wat deze twee in lang niet geweest waren, namelijk: recht innerlijk gelukkig, dat werden zij in den kerker. Paula met zijn brief voor oogen, dien hij reeds was begonnen te schrijven in het huis van den kadhi, en waarin hij zijn geheele hart voor haar ontsloot; Orion in het bezit harer rozen waaraan hij hing met oog en hart, en die voor hem lagen, terwijl hij de volgende dichtregelen neerschreef, die de gedienstige kerkermeester gaarne aan haar overbracht. Zij luiden aldus:
"Zie, toen donker en duf mij de nacht omsloot van den kerker, 't Zonlicht zonk en mij niets bleef dan het sombere graf,
Nam ik de roos in mijn hand, en, op eens, uit de purperen bloemkelk Straalde een heerlijke glans, klaar als de zonnigste dag.
Liefde, zoo heet het gesternte, dat licht uit de geurende blaadren Rees, als uit deinende zee Foibos' verrijzende span.
Is ook 't koesterend vuur van het harte door minne bevangen Niet als de glimmende vlieg, welke in rozen verschuilt?
Toen ons de dag nog lichtte, wij leefden in zon en in vrijheid, Was bij het helderste licht, toch ons die glans te gering;
Doch nu vol van bedreiging de sombere nacht ons beschaduwt, Sterkt ons het vriendelijk licht, draagt het den zinkenden moed.
Dan, aan de zaden gelijk, ontkiemend in nachtlijken aardschoot, Zoo als uit 't sombere graf rijst de gevleugelde ziel,
Dus ook zie ik dat hier in het zwarte gewelf van den kerker, Schooner dan rozen der haag, bloeien de rozen der min."
En wanneer was Paula inderdaad gelukkiger geweest dan in de ure, toen zij dezen groet van den geliefde, deze eenvoudige kerkerbloem voor de eerste maal genoot? De oude Betta kon aan het hooren van deze verzen zich niet verzadigen, en zij weende van vreugde, niet over den inhoud, maar over de wonderbare verandering, die zij bij hare lieveling hadden uitgewerkt. Zij was nu weder een meisje dat het geluk uit de oogen straalde, gelijk weleer aan den Libanon, en toen Paula voor de in de rechtzaal vergaderde rechters verscheen, zagen deze haar verwonderd aan, want met zulk een glans van vreugde op het gelaat was nog nooit eene op dood of leven aangeklaagde vrouw voor de balie verschenen.