← De nijlbruid

De nijlbruid (part 1 of 3)

Part 1 of 3 · Ebers, Georg · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #42935, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (3)
  1. De nijlbruid about 6 h 39 min
  2. De nijlbruid (part 2 of 3) about 6 h 42 min
  3. De nijlbruid (part 3 of 3) about 2 h 39 min

Continue:

De nijlbruid

GEORGE EBERS

DE NIJLBRUID

IN HET NEDERLANDSCH BEWERKT

DOOR Dr. H. C. ROGGE

EERSTE DEEL

TWEEDE DRUK

AMSTERDAM

VAN HOLKEMA & WARENDORF

VOORREDE.

De "Nijl-bruid" behoeft geen voorrede. Alleen voor vakgenooten merk ik op, dat ik op gezag van den hoogleeraar De Goeje besloten heb bij mijn vermoeden te blijven, dat namelijk het woord Mukaukas niet voor den naam, maar voor den titel gehouden moet worden van den man, wien de Arabische bronnen, waarvan ik mij bediende, aanwijzen als den persoon, die als Stadhouder van den Byzantijnschen Keizer de hem toevertrouwde provincie overleverde aan de heerschappij der Muzelmannen. Van Karabaceks onderzoekingen betreffende den Mukaukas, heb ik helaas geen gebruik meer kunnen maken.

Dat ik den ouden Horus Apollon (Horapollon) plaats in de zevende eeuw, zal terecht de bevreemding wekken van ieder, die den schrijver van de Hiëroglyphica voor denzelfden persoon houdt als den gelijknamigen Egyptischen geleerde, die volgens Suidas onder Theodosius leefde, en van wien reeds Stephanus van Byzantium tegen het einde der vijfde eeuw gewag maakt. Doch eerstgenoemde lexicograaf Suidas telt de werken van Horapollon, den grammaticus en den commentator van Grieksche dichters op, zonder de Hiëroglyphica te noemen, waarop hier alles aankomt, en alle andere oude schrijvers, die den naam Horapollon vermelden, laten ons de vrijheid--gelijk ook C. Leemans, de beste beoordeelaar der Hiëroglyphica toegeeft--om twee Horapollons aan te nemen, van welke de tweede zeer goed eerst in de zevende eeuw geleefd kan hebben, daar in zijn tijd de nauwkeurige kennis van het hiëroglyphen-schrift reeds veel meer verloren moest zijn, dan wij dit mogen aannemen voor de vierde eeuw na Christus, wanneer wij in aanmerking nemen, dat er nog zeer goede hiëroglyphische opschriften uit den tijd van Decius, 250 jaren na Christus, bewaard zijn gebleven. Wij kunnen moeilijk aannemen, dat de Egyptische commentator van Grieksche dichters een vertaler noodig heeft gehad, terwijl de Hiëroglyphica eerst door Philippus in het Grieksch schijnt overgebracht te zijn. Onze combinatie, volgens welke de schrijver, in het Egyptisch Horus (zoon van Isis) genaamd, afkomstig was van het Isis-eiland Philae, waar de heidensch-Egyptische eeredienst zich het langst staande hield, en waar nog tot in later tijd eenige kennis van het hiëroglyphen-schrift bewaard bleef, houdt rekening met de juiste verhoudingen in het door ons gekozen tijdperk.

Tutzing am Starnberger See

1 Oct. 1886. Georg Ebers.

EERSTE DEEL.

EERSTE HOOFDSTUK.

Er waren een paar jaren verloopen, sedert Egypte zich onderworpen had aan de jeugdige maar met buitengewone kracht en snelheid zich ontwikkelende macht der Arabieren. Het was aan eene kleine, goed aangevoerde schare muzelmansche krijgslieden zonder veel moeite in handen gevallen, en de schoone provincie, die nog kort geleden een sieraad was van het Byzantijnsche keizerrijk, waar het christendom zijne trouwste aanhangers vond, behoorde thans aan den Kalief Omar, en moest er in berusten dat de halve maan zich overal naast het kruis omhoog hief.

Over het ongelukkige land was een zomer voorbijgegaan, zoo heet als men in lang niet beleefd had, en hoewel men als naar gewoonte het wassen van den Nijl den 17den Juni in "den nacht van den regendruppel" met feestelijke toebereidselen had gevierd, tot dusverre werd de verwachting der Egyptenaren bedrogen, en de stroom daalde al lager en lager, in plaats van te stijgen. In deze bange dagen, den 10den Juli van het jaar 643, trok een karavaan, die van het noorden kwam, Memphis binnen. De kleine karavaan wekte dadelijk aller aandacht in de ontvolkte, vervallen pyramidenstad, die zich in den vorm van een kolossaal rietblad slechts in de lengte uitbreidde, daar hare uitzetting in de breedte tusschen den Nijl en de Libysche woestijn beperkt was. In vroeger jaren zouden de Memphieten het nauwelijks der moeite waardig hebben geacht het hoofd op te heffen, wanneer onafzienbare met handelswaren bevrachtte wagentreinen, vrachtkarren met flinke jukossen bespannen, sierlijk uitgedoschte keizerlijke ruiterdrommen of afzienbare processies de meer dan mijlenlange hoofdstraat stoffeerden.

Hij die als koopman op een dromedaris van uitgelezen ras vóor de karavaan reed, was een magere muzelman, gehuld in een zijden kleed. Een breede tulband bedekte zijn klein hoofd, en overschaduwde voor een deel zijn fijnbesneden, oudachtig gelaat. De Egyptenaar, die als gids op een stevigen ezel naast den koopman reed, zag telkens en met blijkbaar welgevallen naar dit juist niet schoon gelaat, met ingevallen wangen, dunnen ringbaard en grooten adelaarsneus, doch het bevatte een paar heldere oogen waaruit vriendelijke bedachtzaamheid en hartelijke welwillendheid straalden. Maar deze schrale oude heer, op wiens gezicht smart en ziekten diepe sporen hadden achtergelaten, wist ook te bevelen en zijn wil te doen eerbiedigen. Dit kon men zijn fijnen, vastgesloten mond wel aanzien, en bleek ten overvloede uit de stiptheid, waarmede die kloeke, gebaarde, tot aan de tanden gewapende krijgslieden, die hem volgden, op zijne wenken gehoorzaamden. Zijn Egyptische geleider, het hoofd van de hermeneuten of het gilde der gidsen, een knorrige, bruine Memphiet, trok zich terug, wanneer hij onvoorziens wat dicht kwam bij de op dromedarissen gezeten ruiters, als vreesde hij een houw of stoot te zullen ontvangen, terwijl hij den koopman Haschim, den eigenaar van de karavaan, zonder vrees te woord stond, en praatziek, gelijk lieden van zijn stand, van alles de verklaring gaf.

"Wat zijt gij hier te Memphis goed te huis," zeide de Egyptenaar, nadat de oude heer zijne verbazing te kennen had gegeven over den treurigen ommekeer en den achteruitgang van de stad.

"Dertig jaren geleden," antwoordde de koopman, "ben ik voor mijne zaken vaak hier geweest. Hoevele huizen staan er leeg en zijn bouwvallig geworden, waarin men toen voor grof geld nauwelijks een onderkomen kon vinden! Overal ruïnen, waar men rondziet! Wie heeft deze schoone kerk zoo jammerlijk vernield? Door mijne landgenooten, ik weet het van den veldheer Amr zelven, is geen christelijk bedehuis aangevallen."

"Het was de hoofdkerk van de Melchieten, de dienaars van den keizer," zeide de gids als lag in die toevoeging tevens de verklaring van het gebeurde.

Doch de koopman had hiermede geen vrede, en vraagde daarom: "Nu, wat kwaad is er dan in hunne leer gelegen?"

"Wat kwaad?" herhaalde de Egyptenaar, terwijl zijne oogen van toorn fonkelden; "wat kwaad? Zij verdeelen den goddelijken persoon des Heilands en schrijven Hem verschillende naturen toe. Dit is niet alles. Al die Grieken hier te lande hebben, voor de uwen aan dezen gruwel een einde maakten, ons, de heeren des lands, als slaven behandeld, steunende op de macht van den keizer. Zij dreven ons met geweld in hunne kerken, en allen, die Egyptisch bloed in de aderen hadden, werden als rebellen en melaatschen behandeld. Zij hebben ons uitgelachen en verketterd, omdat wij geloofden aan de éene goddelijke natuur van onzen Heiland."

"En daarom," zeide de koopman, weder het woord nemende, "hebt gij, zoodra wij de Grieken verdreven hadden, u onverdraagzamer getoond jegens hen en hunne tempels, dan wij, die gij ongeloovigen scheldt, ons gedroegen jegens u!"

"Verdraagzaam, jegens hen?" hernam de Egyptenaar op minachtenden toon, terwijl hij verstoord een blik sloeg op het half verwoeste gebouw.--"Zij hebben geoogst wat zij gezaaid hadden, en wie thans in Egypte--de Heiland zij geprezen!--niet aan uw eenigen God gelooft, die gelooft in de éene natuur van onzen Heer Jezus Christus. Dat Melchieten-rot hebt gij verdreven, daarna was het onze taak om de handen te slaan aan de bedehuizen van hun erbarmelijken Heiland, dien zij op de synode te Chalcedon--verdoemd mogen ze zijn!--van zijne goddelijke waardigheid hebben beroofd."

"Maar die Melchieten blijven toch altijd uwe geloofsgenooten; zij zijn christenen," zeide de koopman.

"Christenen?" herhaalde de gids, terwijl hij met minachting de schouders ophaalde. "Ze mogen zichzelven daarvoor houden! Wat mij betreft en allen hier te lande, groot en klein, wij zijn van meening dat zij niet het minste recht hebben zich onze geloofsgenooten, zich christenen te noemen. Vervloekt zijn ze allen, en zullen ze blijven met hunne honderden ja duizenden duivelsche ketterijen, die onzen God en Verlosser tot een ding zouden willen maken als dat godenbeeld aan dien steenen deurpost. Van boven is het een koe en van onderen een mensch; welk verstandig man, vraag ik u, kan zulk een tweeslachtig monster aanbidden? Wij Jacobieten, Monophusieten, of hoe men ons noemen wil, geven van de goddelijke natuur van onzen Heer en Heiland geen tittel prijs, en als het eens uit is met het oude geloof, dan wil ik een muzelman worden en mij bekeeren tot het geloof in uw grooten, eenigen God. Want voordat ik de ketterij der Melchieten omhels laat ik me liever met vrouw en kind in stukken houwen. Wie weet wat er nog gebeuren zal! Wel beschouwd is het niet zoo onvoordeelig om tot uw geloof over te gaan, want gij hebt de macht in handen en moogt die behouden. Het is nu eenmaal ons lot door vreemden beheerscht te worden, en wie betaalt niet liever den kleinen cijns aan den wijzen en gezonden Kalief in Medina dan de grootere belasting aan het Melchietisch en ziekelijk keizersgebroed in Konstantinopel? De Mukaukas Georg is zeker geen slecht mensch; daar hij den tegenstand tegen u zoo spoedig opgaf, is hij zeker van dezelfde meening geweest. Hij geeft aan u, als rechtvaardige, vrome lieden, onze naburen, misschien wel onze stamverwanten, de voorkeur--boven die Byzantijnsche ketters, die menschenvillers en bloedhonden. Bovendien is de Mukaukas een christen zoo goed als een onzer."

De Arabier had den Memphiet, die door zijn ambt gedwongen werd zichzelven het zwijgen op te leggen, opmerkzaam en soms met een glimlach aangehoord. De Egyptenaar liet de karavaan nu een straatje inslaan, dat naar de met den stroom evenwijdig loopende hoofdstraat voerde, waarin eenige deftige huizen stonden, door tuinen omgeven.

Zoodra de menschen en de dieren op den beter geplaveiden weg verder trokken, zeide de koopman: "Ik heb den vader van den man, dien gij daar noemdet, zeer goed gekend. Hij was een rijk en bovendien welgezind man, en ook van zijn zoon vernam ik niets dan goeds. Mag hij nog altijd den titel van stadhouder of--hoe zeidet gij daareven ook?--van Mukaukas dragen?"

"Zeker, meester!" antwoordde de hermeneut. "Er is in Egypte geen ouder geslacht dan het zijne, en was de oude Menas reeds een rijk man, Mukaukas Georg is het nog meer, door hetgeen hij geërfd heeft en door het huwelijksgoed zijner vrouw. Wij kunnen geen verstandiger, rechtschapener stadhouder begeeren! Hij ziet de ondergeschikte beambten ook streng op de vingers; doch zoo spoedig als vroeger worden de zaken toch niet meer afgedaan. Wel is hij niet veel ouder dan ik, en ik ben bijna vijftig, maar hij komt zijne ziekte niet meer te boven, want sedert maanden heeft niemand hem meer zien uitrijden. Zelfs wanneer uw stadhouder hem zien wil, komt hij niet verder dan van de eene zijde der straat naar de andere. Het is jammer van den man! En wie heeft dat edele lichaam ondermijnd? De Melchieten-honden hebben het gedaan! Vraag maar aan den Nijl zoo lang als hij is naar de oorzaak van ons ongeluk, en gij zult overal hetzelfde antwoord krijgen. Waar de Griek, de Melchiet zijn voet zette, daar was het uit met den groei van het gras!"

"Maar den Mukaukas, den hoogsten beambte des keizers," begon de Arabier te zeggen.

Doch de ander viel hem in de rede, zeggende: "Meent gij dat hij voor hen veilig was? Zeker, zij hebben zijn persoon niet durven aantasten, maar wat hem overkwam was nog erger, want bij een opstand van de Melchieten tegen de onzen--het was in Alexandrië, en de gestorven Grieksche patriarch Cyrus had mede de hand in het spel,--zijn twee zijner zonen, twee schoone jonge mannen, in den bloei hunner jaren als dolle honden doodgeslagen; en dat, dat heeft hem geknakt."

"Arme man!" zeide de Arabier met een zucht. "En hield hij geen andere kinderen over?"

"Ja, heer, nog éen zoon, en de weduwe van den oudsten. Deze is echter na den dood van haar man in een klooster gegaan, doch haar kind, de kleine Maria, die nu zoowat tien jaar oud zal zijn, heeft zij bij de grootouders gelaten."

"Dat is gelukkig," hernam de koopman, "dat zal wat zonneschijn in huis gebracht hebben."

"O zeker, heer! Toch ontbrak het ook thans niet aan reden tot blijdschap. De eenig overgebleven zoon, hij heet Orion, is eergisteren uit Konstantinopel teruggekeerd, waar hij lang vertoefde. Dat was me een vreugde! De halve stad was als gek van opgewondenheid. Duizenden zijn hem te gemoet gesneld, alsof hij de Heiland was, eerepoorten hebben ze voor hem opgericht, zelfs de mijnen deden mee--er viel niet aan te denken dat iemand zich daaraan kon onttrekken. Allen wilden den zoon en erfgenaam van den grooten Mukaukas zien, de vrouwen natuurlijk in de eerste plaats!"

"Gij zegt dat op een manier, alsof de teruggekeerde zulk eene eer niet waardig was," merkte de Arabier op.

"Zooals men het op wil vatten," hernam de Egyptenaar, terwijl hij de schouders ophaalde. "Hij is nu eenmaal de eenige zoon van den eersten man in het land."

"Laat het zich dan niet verwachten dat hij den vader gelijken zal?"

"O, ja!" antwoordde de ander. "Mijn broeder, een geestelijke, die aan het hoofd staat van onze groote school, is zijn leermeester geweest, en deze zegt nog nooit zulk een schrandere kop ontmoet te hebben als Orion. Alles woei hem zoo maar aan, en daarbij was hij zoo vlijtig als het kind van een arme. Wij, zijne ouders, en zijne vaderstad Memphis hadden, zooals Marcus meent, niet dan roem en eer van hem te wachten. Doch ik zie ook de schaduwzijde, en ik zeg u dat de vrouwen hem het hoofd op hol brengen en hem eindelijk ten gronde zullen richten. Het is een mooie man, hij ziet er nog schooner uit dan de oude heer in zijne jonge jaren, en daar trekt hij partij van, en waar hij iets aanminnigs tegenkomt--en dat ontmoet hij overal op zijn weg--."

"Daar grijpt de jonge deugniet toe," zeide de muzelman lachend. "Nu, als het niets anders is wat u beangst maakt, dan doet mij dit plezier voor hem. Hij is jong, en zulke dingen komen terecht."

"Neen, heer, neen! Zelfs mijn broeder--hij is thans in Alexandrië en nog altijd blind en bespottelijk ingenomen met zijn vroegeren leerling--ziet hierin eene gevaarlijke klip. Wanneer daarin geen verandering komt, zal hij al verder en verder afwijken van de geboden des Heeren en schade lijden aan zijne ziel, want de gevaren omringen hem aan alle zijden als brullende leeuwen. De kostelijke gave der schoonheid en die om anderen voor zich in te nemen zullen hem nog in het verderf storten; waarlijk ik wensch het niet, maar ik vrees het...."

"Gij ziet het te donker in en oordeelt te hard," hernam de ander. "De jeugd...."

"Ook de jeugd," antwoordde de gids, "bij den christen ten minste, moet zichzelve weten te beheerschen. Zoo iemand, dan ben ik geneigd den schoonen jonkman het beste te gunnen. Laat ik er maar voor uitkomen: als hij mij groet dan ben ik te moede als ware mij een geluk te beurt gevallen, en zoo is het met ontelbare andere mannen in Memphis en met de vrouwen bovenal. Maar desniettemin heeft reeds menigeen vele bittere tranen over hem gestort. Doch, bij alle heiligen, als men van den wolf spreekt, dan..... Ziet ge wel, daar is hij!.... Halt, wat langzaam aan, mannen!--Het is wel de moeite waard voor een oogenblik onzen gang wat in te houden."

"Dat statige vierspan daar, bij die hooge tuinpoort, is dat van hem?"

"Het zijn de Pannonische dravers, die hij heeft meegebracht, snel als de bliksem en daarenboven.... Maar dáar.... zie! Ach, nu verliezen wij ze achter dien tuinmuur juist uit het oog; doch gij moet ze op uw hooge dromedaris nog kunnen zien. Dat kleine meisje daar naast hem, is de dochter van de weduwe Susanna, de eigenares van dezen hof en van dat fraaie paleis achter die boomen."

"Eene heerlijke bezitting!" zeide de Arabier.

"Dat zou ik ook denken," antwoordde de Memphiet. "De hof strekt zich uit tot aan den Nijl; en hoe goed wordt alles onderhouden!"

"Heeft hier niet vroeger de korenhandelaar Philammon gewoond?" vraagde de koopman, als verlevendigden zich bij hem oude herinneringen.

"Juist! híj was de echtgenoot van Susanna en moet reeds een vijftiger geweest zijn, toen hij haar vrijdde. De kleine is hare eenige dochter, de rijkste erfgename in de geheele provincie, maar niettegenstaande zij reeds zestien jaren telt niet flink opgewassen; het kind van een ouden vader, begrijpt ge? Toch is ze dartel en vroolijk, een lachduif in menschelijke gedaante, en zoo vlug en bewegelijk! Hare huisgenooten noemen haar het kwikstaartje."

"Heel aardig en naar waarheid," hernam de koopman met welgevallen. "Ze is klein, meer een kind dan een jong meisje, maar ik schep behagen in dat aanvallige vroolijke schepseltje. De zoon van den Mukaukas--hoe heet hij ook weer?"

"Orion, heer," antwoordde de ander.

"Drommels," zeide de ander meesmuilend, "ge hebt hem niet gevleid, vriend! Een jongeling als dien Orion ziet men niet alle dagen! Welk een lichaamsbouw! Wat staan die bruine lokken hem goed! Ja, ja, zulk een jonkman wordt eerst door zijne eigene moeder vertroeteld, en andere vrouwen volgen dan haar voorbeeld. Hij heeft een flink, open gezicht, daar wat achter steekt. Maar hij had dien purperen rok en dat gouden flikwerk in Konstantinopel moeten laten. Die dingen zijn hier in deze sombere vervallen stad niet op hun plaats."

Onder de laatste woorden porde de Memphiet zijn ezel wat aan, maar de Arabier hield hem terug, want wat er achter den tuinmuur plaats greep trok al te zeer zijne aandacht. Hij zag dat de schoone Orion een wit hondje, een zeer fijn zijdharig beestje, dat naar het scheen hem toebehoorde, het kleine meisje op den arm gaf; hij zag hoe zij het kuste en hem een langen grashalm om den hals sloeg, als wilde zij daarmede hem de maat nemen. De oude merkte verder op hoe ze beiden ondeugend lachten, hoe ze elkander in de oogen zagen en eindelijk afscheid namen. Daarna verhief zij zich op de teenen naar een vreemde struik, aan welks top twee heerlijke roode klokjes bloeiden; zij plukte ze haastig en reikte ze hem toe, terwijl een blosje hare wangen overtoog. Daarbij weerde zij de hand, waarmede hij haar bij het reiken naar de bloemen ondersteund had, met een zwaai van haar arm lachend terug, en op haar frisch gezichtje las hij de innige blijdschap die zij gevoelde, toen hij de plek, die zij met haar vingers had getroffen, kuste en daarna ook de bloemen aan zijne lippen bracht.

De oude heer zag dit alles met zooveel deelneming en vreugde aan, als wekte het de liefelijkste herinneringen in zijn gemoed, en zijne goedige oogen lachten toen Orion, niet minder schalksch en dartel als zij, haar eenige woorden in het oor fluisterde, waarop zij de lange grashalm uit haar gordel trok, hem haastig daarmede over het gezicht streek, als wilde zij hem straffen, en vervolgens ijlings, snel als eene ree, over gras en bloemperken naar het paleis vloog, zonder zich te storen aan zijn herhaald roepen: "Katharina, allerliefste, goede jonkvrouw Katharina!"

Dat was een klein opwekkend avontuur geweest, en de oude Haschim hield de herinnering er aan vast, en verkneukelde zich daarin nog altijd, toen hij met de zijnen reeds een tamelijk eind wegs had afgelegd. Hij was Orion, den zoon van den Mukaukas Georg, dankbaar voor dit liefelijk schouwspel, en toen hij het vierspan in langzamen draf de karavaan hoorde naderen, keek hij er naar om en hield het in het oog.

Maar voordat de Pannonische rossen, den met allerlei in zilver gedrevene figuren bedekte wagen en zijnen menner, die te zamen een toonbeeld van buitengewone schoonheid en goeden smaak aanboden, hem langzaam waren voorbijgereden, om daarna pijlsnel op de nu vrije straat voorwaarts te rennen en in eene dichte stofwolk te verdwijnen, had het gelaat van den koopman zijne vroolijke uitdrukking verloren. Er lag iets diep weemoedigs in zijne stem, toen hij een der jonge kameeldrijvers beval de bloemen, die achter hen in het stof lagen, van den weg op te rapen en hem te brengen.

Hij had gezien hoe de schoone jonge man met een blik en eene beweging, als ware hij boos op zichzelven, de vriendelijke gave in het heete stof op straat had geslingerd.

"Uw broeder heeft gelijk," riep de oude den Memphiet toe. "Voor dezen jongen man zijn de vrouwen eene gevaarlijke klip, en hij is het voor haar, gelijk ik vrees.--Die arme kleine daar ginds!"

"Dat kwikstaartje, meent ge?" vraagde de gids. "O, met haar kon het licht meenens worden. De lieve moeders maken de zaak al klaar. Zij zitten beiden in het goud, en waar duiven zijn vliegen duiven toe. Godlof, de zon staat al boven de pyramiden! Laten uwe lieden gindsche groote herberg binnengaan. De waard is een schappelijk man, en men vindt bij hem ook schaduw."

"Wat de beesten en de manschappen aangaat," antwoordde de koopman, "mogen zij hier wat uitrusten. Ik, de aanvoerder van de karavaan en nog eenige lieden, wij zullen ons wat versterken--en dan brengt gij ons naar den stadhouder, met wien ik over een en ander spreken moet. Het is niet vroeg meer..."

"Wees daarover niet bezorgd!" hernam de Egyptenaar. "De Mukaukas ontvangt op zulk een gloeiend heeten dag het liefst na zonsondergang. Als gij wat met hem te doen hebt, zijt ge bij mij aan het rechte kantoor. Laat eenige goudstukken vliegen, dan verschaf ik u nog heden gehoor door den huismeester Sebek, mijn neef. Terwijl gij hier wat uitrust, rijd ik naar het stadhouderlijk verblijf en breng u dan bericht."

TWEEDE HOOFDSTUK.

De herberg, waarin de koopman Haschim met de karavaan zijn intrek nam, lag op eene hooge plek aan den weg, van alle zijden omgeven door palmen. Vóor de verwoesting van de heidensche oudheden in het Nijldal was dit een tempel van Imhotep, den Egyptischen Aesculapius, den vriendelijken god der geneeskunde, die ook in de doodenstad eene afzonderlijke plaats voor zijne vereering had gehad. Deze lag half verwoest, half in het woestijnzand begraven, toen een ondernemende herbergier den bevalligen tempel met het daarbij behoorende heilige bosch voor eene billijke som aankocht. Sedert was het gebouw van de eene hand in de andere overgegaan, tegen de stevig gebouwde tempelzaal had men een groot houten huis opgetrokken, bestemd voor het opnemen van reizigers, en in het palmbosch, dat tot aan den slecht onderhouden oeverdam reikte, verhieven zich stallen en zag men omheinde plaatsen, bestemd voor kudden, die hierheen werden gedreven. Het geheel had aldus het aanzien van een veemarkt, en werkelijk kwamen de slachters en paardenkoopers der stad gaarne hierheen om te vinden wat zij zochten. Daarentegen trok het palmbosch, een der weinigen dat in de nabijheid der stad bewaard was gebleven, de burgers van Memphis aan, om een luchtje te scheppen en zich in zijne schaduw te verkwikken. De waard had vlak bij den stroom tafels en banken doen opstellen, en in de kleine haven op zijn erf kon men booten huren. Iedereen die van de stad een pleiziertochtje te water maakte, legde hier gaarne aan en liet zich onder de palmen van Nesptah een verfrisschenden dronk geven.

De twee rijen huizen welke deze plaats van bijeenkomst zoo voor redelijke wezens als voor het redeloos vee vroeger van de groote straat gescheiden hadden, en zich uitstrekten in de richting van den Nijl, waren sedert lang ingestort en de waard had alles met den grond gelijk gemaakt. Op dit oogenblik kon men zien hoe onder de leiding van Arabische opzieners ettelijke arbeiders bezig waren, om eene kolossale ruïne uit den tijd der Ptolomeën, die nauwelijks tweehonderd schreden van het palmbosch verwijderd lag, af te breken en de groote, zorgvuldig gehouwene kalksteen- en marmerblokken, evenals de talrijke hooge zuilen die het dak van den Zeus-tempel te Memphis gedragen hadden, in weerwil van de brandende middaghitte, op ossenkarren te laden, om ze naar den dam en van daar op platte booten naar den oostelijken Nijl-oever te brengen.

Dáar bouwde Amr, de veldheer en plaatsvervanger van den Kalief zijne nieuwe residentie. De tempels der oude goden werden daartoe als steengroeven gebruikt, en men vond daarin niet alleen keurig afgewerkte ornamenten van den hardsten steen, maar ook Grieksche zuilen van verschillende bouworden in menigte, die allen aan gene zijde van den stroom weder opgericht werden. De Arabieren versmaadden geen enkel bouwmateriaal; zij gebruikten bij het optrekken hunner moskeeën alle steenblokken en zuilen, onverschillig of ze van heidensche of christelijke tempels afkomstig waren.

In den herbergtempel van Imhotep waren de wanden en zolderingen oorspronkelijk overal met godenbeelden en hiëroglyphische opschriften bedekt geweest, maar de rook van het haardvuur had ze sedert lang zwart gemaakt. Bovendien hadden de handen van geloofsijveraars ze onophoudelijk geschonden, en over velen had men kalk gestreken, om die plekken met christelijke symbolen en zeer wereldlijk gekrabbel in Grieksche teekenen of in het volksschrift der Egyptenaars, te bedekken.

In de groote tempelzaal van weleer gebruikte de Arabier met de zijnen den maaltijd. Allen onthielden zich daarbij van wijn, met uitzondering van den aanvoerder der karavaan, die eigenlijk geen muzelman was, maar tot de Perzische secte der Masdakieten behoorde.

Nadat de oude heer zich verzadigd had aan een afzonderlijk tafeltje, riep hij dezen tot zich en beval hem de baal met het tapijt, vast te binden op den draagstoel tusschen de beide groote lastkameelen, maar zóo, dat hij gemakkelijk losgemaakt kon worden.

"Dat is reeds geschied," antwoordde de Pers, een prachtige kerel, groot en breed als een eik, met een kop door blonde haren als met leeuwenmanen omlijst, terwijl hij zijn zwaren snorbaard afveegde.

"Des te beter," antwoordde Haschim. "Kom met mij naar buiten!"

Dit zeggende ging hij den Masdakiet voor in het palmbosch.

De zon was inmiddels achter de pyramiden, de doodenstad en de Libysche bergketen ter ruste gegaan, en haar schijnsel kleurde nog slechts den oostelijken horizont en het naakte kalksteengebergte van Babylon aan gene zijde van den stroom, met afwisselende verwen van onbeschrijfelijke schoonheid. Het was als hadden alle soorten van rozen, die de kunstigste hovenier in Arsinoë of Naukratis teelde, van de goudgelen tot de purperen, en die schitteren met donkerrooden naar het violet zweemenden glans, de kleuren geleverd, om de vlakke zijden, de uitstekende punten en kloven van het gebergte, sneller als zich laat denken, met tooverachtige tinten te overgieten.

Den ouden heer zwol de borst bij dit gezicht en terwijl hij diep adem haalde, legde hij zijne zachte hand op den reuzenarm van den Pers en zeide: "Uw meester Masdak leert: het is Gods wil dat de eene mensch niet meer of minder zijn eigendom mag noemen dan de andere, en dat er geen rijken noch armen mogen zijn, want dat alle bezittingen gemeengoed zijn. Zie nu eens met mij naar dezen kant. Wie dit nog nimmer aanschouwde heeft nog niets gezien. Er is hier beneden niets dat dit schouwspel in schoonheid overtreft. En wien behoort het? Dien armen eenvoudigen Salech daar, dien wij uit genade halfnaakt de kameelen laten nadraven, beschouwt dit evengoed als zijn eigendom als gij en ik en de Kalief. God heeft ons ten opzichte van zijne groote werken allen op éen lijn geplaatst, zooals uw meester begeert. Hoeveel schoons is er toch, dat ons geslacht gemeenschappelijk bezit! Laten wij daarom dankbaar zijn, Rustem, want waarlijk, het is niet weinig.--Met het eigendom, dat de mensch zich verwerven of dat hij verliezen kan, is het echter geheel anders gelegen. Wij staan allen in dezelfde loopbaan, en wat gij begeert zou vereischen, dat men hun die hard loopen kunnen lood aan de voeten bond, opdat de een den ander niet vooruit zou snellen; dat zou zooveel zijn als.... Maar geven we thans onze oogen den kost en laten wij ons liever wijden aan het prachtige schouwspel daarginds! Kijk eens, wat er zooeven uitzag als deze purperkleurige bloemkelk, dat worden nu robijnen; wat schitterde als een viooltje is donker amethyst geworden. Alles wordt heerlijk omlijst door dien gulden rand van lichte wolken. En dat alles is het mijne, is het uwe, is het onze, zoolang oog en hart zich daaraan te goed doen en verkwikken."

De Masdakiet barstte uit in een gullen, welluidenden lach en zeide: "Ja meester, als ieder maar uwe oogen had! Waarlijk het ziet er daar kleurig genoeg uit aan den hemel en tegen de bergen, en zulke roode tinten neemt men bij ons zelden waar; maar wat hebben wij aan dat betooverend gezicht? Gij ziet robijnen en amethysten daarginds, maar ik?--De juweelen in uw tapijt zijn wat meer waard dan al dat gefonkel aan den horizont! Gij moogt er over denken zoo ge wilt, maar voor dien baal dáar gaf ik alle zonsondergangen op aarde present, en waarlijk het zou mij niet berouwen!"--Wederom begon hij hartelijk te lachen, waarna hij vervolgde: "Maar vadertje, gij zult er wel voor passen om den koop te sluiten!--Wat ons Masdakieten aangaat, de goede tijd is nog niet voor ons gekomen."

"En als die nu eens aangebroken was en gij bezitter werdt van dat tapijt?"

"Dan verkocht ik het; ik voegde de opbrengst bij mijne spaarpenningen, ik ging naar huis om daar land te koopen, ik nam een aardig wijfje en begon kameelen en paarden te fokken."

"Jawel, en dan zouden overmorgen de armen komen, die niets bespaarden en slechte zaken maakten met dat avondrood; ieder zou een stuk van uw land, een kameel en een veulen verlangen; gij zoudt nooit meer een heerlijken zonsondergang te zien krijgen, en uwe lieve vrouw moest met u door de wereld trekken, om u te helpen met anderen te deelen. Beste Rustem, laat de dingen blijven zooals ze zijn. De Allerhoogste moge uw braaf hart bewaren, dwaze dweeper, die ge zijt!"

Terwijl de reus zich over den arm van zijn meester boog om hem dankbaar te kussen, keerde de gids met een lang gezicht terug, want hij had te veel beloofd. De Mukaukas Georg was,--een ongehoord geval--juist toen hij voor den Arabier gehoor wilde vragen, in een gondel gedragen, om met zijn zoon en de vrouwen van zijn huis een watertochtje te maken. De terugkeer van Orion, zeide de huismeester, had den ouden heer geheel verjongd. Haschim moest dus tot morgen wachten, en hij, de gids zou hem raden in de stad te overnachten in de herberg van Moschion, waar het hen aan niets zou ontbreken.

Doch de koopman verkoos hier te blijven. Het oponthoud hinderde hem niet, daar hij toch een Egyptischen arts wilde raadplegen over eene oude kwaal. Een beter en geleerder als de beroemde Philippus, zoo verzekerde de hermeneut, was er in het geheele land niet te vinden. Het was hier buiten zoo schoon, en op de banken aan den oever kon men de komeet waarnemen, die sedert eenige dagen zich aan den hemel vertoonde en zeker slechte tijden profeteerde. De geheele stad was als stom van verslagenheid, dat bemerkte men zeer goed hier in de herberg van Nesptah, want anders, als de avondkoelte kwam, zat het er op de banken en rondom de tafeltjes vol van bezoekers, die in bootjes kwamen; maar wie durfde in deze dagen van angst aan uitspanning denken?

De gids sprong weer op zijn ezel om den arts te halen, terwijl de oude Haschim zich aan den arm van den Masdakiet naar de banken onder de palmen begaf. Daar zat hij peinzend naar den sterrenhemel te staren, terwijl zijn jongere metgezel droomde van zijn vaderland, waar hij zonder het kostbare tapijt, en alleen van zijne spaarpenningen een stuk weiland kocht en een huisje bouwde waarin hij zijn aardig vrouwtje zag op en neer dribbelen. Zou ze er blond uitzien, of donkerbruin? Het liefst had hij eene blonde.--Maar opeens ging zijn luchtkasteel in rook op, want er naderde iets op den Nijl dat zijne aandacht trok, en hem noopte er ook zijn meester opmerkzaam op te maken.

Voor hen lag de stroom als een breede band van donker zilverbrocaat. De wassende maan spiegelde zich in zijne nauw merkbaar bewogen oppervlakte, en waar zijne wateren zich rimpelden, daar omzoomde hij de toppen der kleine golven met een helderen glans. Uit de richting van de doodenstad schoten vledermuizen door de nachtlucht en streken over den Nijl heen als lichte, door den wind bewogen schaduwen. Slechts enkele driehoekige zeilen zweefden als blanke reusachtige vogels over het donkere water, doch uit het noorden, van de zijde der stad, naderde op den stroom een groot gevaarte het palmbosch, met twee glanzende, van verre flikkerende lichten.

"Een statige boot, waarschijnlijk die van den Mukaukas Georg," zeide de koopman, terwijl hij het vaartuig langzaam uit het midden der rivier naar het boschje zag drijven. Onderwijl deed zich ook op den landweg achter de herberg paardengetrappel hooren. Haschim keek om, en zag fakkeldragers, die vóor een wagen liepen.

"De kranke," vervolgde de oude, "zal zeker tot hier varen en dan met een wagen naar huis rijden, om de nachtlucht op het water te vermijden. Zonderling, daar ontmoet ik nu heden voor de tweede maal zijn zoon, waarvan ieder den mond vol heeft."

Spoedig naderde de staatsiegondel van den stadhouder het palmbosch. Het was een groot, schoon vaartuig van cederhout, rijk met goud versierd en met het beeld van Johannes, den beschermheilige der familie, op de plecht. Aan den stralenkrans, die het hoofd van dit beeld omgaf, hingen lampen, en groote lantaarnen verhieven zich daarnaast en aan de achterzijde van de boot. Daar zat onder een baldakijn de Mukaukas Georg en naast hem zijne gemalin Neforis. Tegenover hen zat hun zoon en eene volwassene jonkvrouw, aan wier voeten een kind van tien jaar lag neergehurkt, dat het vriendelijke kopje tegen haar liet rusten. Eene meer bejaarde Griekin, de opvoedster van de kleine, was naast een zeer groot man, den arts Philippus, gezeten op eene rustbank, die niet meer door het baldakijn overhuifd werd. De heldere tonen van de luit begeleidden de boot, en hij die met kunstvaardige hand de snaren tokkelde was de onlangs teruggekeerde Orion.

Het geheel bood een vriendelijken aanblik; gaf het schoonste beeld te aanschouwen van eene aanzienlijke familie, wier leden door den band der liefde waren verbonden. Doch wie was die statige jonkvrouw aan de zijde van den jongen Orion? Blijkbaar wijdde hij aan haar al zijne aandacht, en telkens wanneer zijne hand krachtig in de snaren greep, zocht hij hare oogen; bijwijlen scheen het als speelde hij voor haar alleen. Zulk eene onderscheiding scheen zij wel te verdienen, want toen het vaartuig de kleine haven invoer en Haschim hare trekken kon onderscheiden, stond hij verbaasd over hare edele, zuiver Grieksche schoonheid.

Thans stegen eenige rijkgekleede slaven, die met den wagen langs den weg moesten gekomen zijn, in de boot, om den ziekelijken heer naar het rijtuig te brengen, waarbij bleek dat de zetel waarin de lijdende zat, van handvatsels voorzien was, die hen in staat stelden dezen op te heffen en te dragen. Een groote, zwarte kerel greep den stoel aan de achterzijde, en toen een ander zich gereedmaakte dezen van voren aan te grijpen, drong Orion hem opzij, trad in zijne plaats, hief den zetel met zijn vader op, en droeg dien over de landingsbrug, die het vaartuig met den oever verbond, voorbij Haschim naar den wagen. De jonge man verrichtte het werk van een drager met welgevallen, zonder dat het hem inspanning kostte. Telkens keek hij vriendelijk naar zijn vader om, en riep de andere vrouwen toe--alleen zijne moeder, die den lijder zorgvuldig in doeken had gewikkeld, en de arts volgden den kranke--dat zij uit zouden stappen en hem hier wachten; waarop hij bij het licht der fakkels, die voor hem uitgedragen werden, verder ging.

"Arme man!" dacht de koopman, terwijl hij den zieken Mukaukas nakeek. "Maar het treurigste en zwaarste lot verwaait als een morgennevel voor den wind, wanneer men een zoon heeft, die iemand zoo vriendelijk wegdraagt."

Het werd hem nu verklaarbaar, waarom Orion hedenmiddag de bloemen had weggeworpen! ja, toen die jonkvrouw aan wal kwam, terwijl het meisje haar zoo teeder aan den arm hing, moest hij bekennen, dat de kleine dochter van de rijke weduwe Susanna bezwaarlijk den toets der vergelijking kon doorstaan met deze hooge, koninklijke verschijning. Welk eene gestalte had dit meisje, welk eene vorstelijke houding, en wat klonk haar stem welluidend en lieflijk, toen zij het kind de namen noemde van eenige sterrenbeelden, en op de komeet wees, die juist opging. Haschim zat in 't donker, en kon ongezien waarnemen wat er op de bank aan den oever, die door een der lantaarnen van het schip beschenen werd, verder voorviel, en hij schepte behagen in deze onverwachte afleiding, want alles wat den zoon van den Mukaukas betrof wekte zijne deelneming en nieuwsgierigheid. Hij voelde zich getrokken tot dien buitengewonen jongen man, over wien hij zich een oordeel wilde vormen, en de aanblik van het mooie meisje daar op de bank deed zijn oud hart goed. Dat kind was zeker Maria, de kleindochter van den stadhouder.

De wagen zette zich thans weer in beweging, hij rolde over den weg voort en een oogenblik later keerde Orion tot de wachtenden terug.

Arm, rijk dochtertje van de weduwe Susanna! Hoe geheel anders verkeerde hij met deze schoone jonkvrouw dan met die kleine! zijne oogen hingen als betooverd aan hare trekken; terwijl hij met haar sprak hield hij nu en dan midden in zijn verhaal op; en wat hij zeide moest nu eens ernstig en boeiend en dan weer geestig zijn; want niet alleen zij, maar ook de opvoedster van de kleine luisterde met inspanning, en als de jonkvrouw hartelijk lachte, klonk het welluidend en helder. Er lag in haar wezen iets zoo voornaams, dat dergelijke uitingen van gulle vroolijkheid verrasten en den indruk maakten als de geur van een prachtige bloem, waarvan men tot dusver geloofde, dat zij alleen geschapen was om het oog te behagen en niet ook de andere zintuigen te streelen. En zij, tot wie alles gericht werd wat Orion zeide, luisterde niet alleen aandachtig naar hem, maar de wijze waarop zij het deed overtuigde den koopman, dat de verhaler zelf haar nog beter beviel dan hetgeen hij zoo levendig wist mee te deelen. Wanneer dit meisje het eens was met den zoon van den stadhouder, ja, dan zou het een kostelijk paar zijn.

Daar verscheen de waardin Taous, eene kloeke, lijvige Egyptische van middelbaren leeftijd. Zij droeg zelve hare beroemde spritskoeken, die zij juist eigenhandig gebakken had, benevens melk, druiven en ander ooft op, en hare oogen glinsterden daarbij van vreugde en gestreelde eerzucht; want de zoon van den grooten Mukaukas, de trots der stad, die vroeger zoo vaak op watertochten met lustige gezellen, meest Grieksche officieren, die helaas allen gevallen of uit het land verdreven waren, niet enkel om de koeken aan een bezoek bij haar de voorkeur had gegeven, deed haar nu de eer aan om zoo spoedig na zijne terugkomst weer bij haar te komen. Haar radde tong stond niet stil, terwijl zij vertelde, dat ook zij en haar man hem waren te gemoet gegaan tot de eereboog bij de Menespoort, terwijl Emau met haar jonkske hen hadden vergezeld. Emau was namelijk sedert getrouwd, en zij had dezen eersten kleine "Orion" genoemd.

Toen de jonge man daarop vroeg of Emau nog altijd zulk een aanvallig schepseltje was en zoo op hare moeder geleek als vroeger, stak vrouw Taous dreigend den vinger tegen hem op, vragende, terwijl zij op de jonkvrouw wees, of de vroolijke vogel, wien zoo menigeen bij zijn vertrek eene weemoedige zucht had nagezonden, eindelijk in een kooitje zou gaan, en of misschien die schoone jonkvrouw daar...

Maar Orion stuitte haar woordenvloed door te zeggen, dat hij nog zijn eigen meester was, hoewel hij den strik reeds om zijn hals voelde. Het schoone meisje kleurde daarop nog sterker dan bij de eerste vraag der waardin, maar hij overwon spoedig zijne eigene verlegenheid en verzekerde op luchtigen toon, dat het dochtertje van de brave Taous eens het aardigste kind van Memphis was, en dat zij niet minder werd gezocht dan de spritskoeken van hare voortreffelijke moeder. Vrouw Taous mocht het jonge moedertje van hem groeten.

De waardin ging daarop heen, geroerd en gestreeld door deze woorden. Orion greep het snarenspeeltuig weer op, en terwijl de vrouwen zich verkwikten, voldeed hij aan de uitnoodiging van de jonkvrouw en zong op haar verlangen het lied van Alkaios met eene welluidende doch zachte stem, onder meesterlijke begeleiding van de luit. Het meisje hing met de oogen aan zijn mond, en het scheen dat alleen om harentwil zijne hand in de snaren greep. Toen de tijd kwam om op te breken en de vrouwen in het vaartuig stegen, ging hij in de herberg om het gelag te betalen. Spoedig kwam hij alleen terug, en de koopman zag hoe hij een doekje, dat de jonkvrouw op tafel had laten liggen, opnam en haastig aan zijne lippen bracht, terwijl hij naar de boot ging. Met de prachtige roode bloemen was het heden morgen minder vriendelijk afgeloopen. Aan het meisje, dat daar op het water wegvoer, behoorde het hart van den jongen man. Zijne zuster kon zij niet zijn; maar in welke betrekking stond zij tot hem?

De koopman zou er weldra achter komen, want de gids kwam terug en lichtte hem in.--Zij was Paula, de dochter van Thomas, den wijdberoemden Griekschen veldheer, die de stad Damascus zoo hardnekkig en dapper tegen de krijgsmacht van den Islam verdedigd had. Zij was de nicht van den Mukaukas Georg, maar niet zeer bemiddeld, eene arme verwante des huizes, die men na het verdwijnen van haar vader--want men had zelfs zijn lijk niet gevonden--in het stadhouderlijk verblijf uit genade en barmhartigheid had opgenomen; dus eene Melchietische. De hermeneut was haar reeds daarom weinig genegen, en hoewel hij tegen hare schoonheid niets had in te brengen, zoo verzekerde hij toch te weten, dat zij trotsch en vol inbeelding was, en de kunst niet verstond om iemands liefde voor zich te winnen. Alleen dat kind, die kleine Maria, was aan haar gehecht. Het was een publiek geheim, dat zelfs de gemalin van haar oom, de brave Neforis, de trotsche nicht niet lijden mocht en haar slechts duldde ter wille van den kranken man. Wat kwam die Melchietische ook te Memphis doen, in een oprecht Jacobietisch gezin? Elk woord van den gids ademde den wrevel, die menschen van minder afkomst en zielenadel zoo licht doen blijken jegens hen, die de bescherming genieten van hunne eigene weldoeners.

Maar de schoone aristocratische dochter van een groot man had het oude hart van den koopman gewonnen, en het oordeel van den Memphiet wijzigde het zijne in geenen deele. Weldra zou hij ook steun vinden voor zijne opvatting. De arts Philippus, dien de gids had geroepen, was een dagelijksch bezoeker van het stadhouderlijk verblijf. Zijn ernstig voorkomen boezemde den Arabier het grootste vertrouwen in, en deze nu noemde Paula een dier heerlijke schepsels, welke de hemel ter goeder ure heeft geschapen. Doch die daar boven troont scheen zijn eigen meesterwerk vergeten te hebben, want sedert jaren leidde zij een droevig leven.

De arts kon den ouden heer het uitzicht geven op vermindering zijner smarten. Beide mannen begrepen elkaar zoo goed, dat het reeds laat in den nacht was, toen zij als goede vrienden scheidden.

DERDE HOOFDSTUK.

Intusschen gleed de boot van den Mukaukas, door krachtige riemslagen voortgedreven, rustig stroomopwaarts. Door hen die er in zaten werd nu eens een zacht gesprek gevoerd, dan weer gezongen. De kleine Maria was aan Paula's borst in slaap gevallen; de Grieksche opvoedster keek het eene oogenblik naar de komeet, die haar angst aanjoeg, het andere naar Orion, wiens schoonheid haar niet meer jeugdig gemoed verkwikte, of naar de jonkvrouw, wie zij het voorrecht misgunde van door dezen lieveling der goden aangebeden te worden. Het was eene heerlijke, warme, stille nacht, en het maanlicht, dat de wateren der zee dwingt te rijzen, doet ook den golfslag van het gevoel in de menschelijke borst zwellen en stijgen. Wat Paula maar begeerde dat zong Orion, als ware geen enkel lied hem vreemd van allen, die op de lier eens Griekschen dichters weleer de thans zoo diep gezonken wereld in verrukking hadden gebracht. Hoe langer zij voeren, des te helderder en schooner klonk zijne stem, des te weeker en betooverender werd hare uitdrukking, met des te vuriger verlangen wendde hij zich tot het hart van het meisje. En zoo gaf Paula zich ten laatste aan deze zoete betoovering gevangen, en toen hij de lier liet rusten en haar zachtkens vroeg: of zijn vaderland in zulk eene nacht niet schoon mocht heeten? welk lied het streelendst was voor haar? of zij begreep wat het voor hem beteekende, dat hij haar in het ouderlijke huis had gevonden? liet ook zij zich overhalen om hem op fluisterenden toon antwoord te geven.

Onder de dichte kronen der boomen van den stillen tuin bracht hij hare hand aan zijne lippen en bevende liet zij het toe.--Zware, moeielijke jaren lagen achter haar. De arts had maar al te zeer waarheid gesproken. Op de harde slagen van het noodlot waren voor haar, de trotsche dochter van een grooten vader, allerlei pijnigende vernederingen gevolgd. Het leven van de wel-is-waar niet arme maar toch verlatene aanverwante, die uit goedhartigheid in het huis van een rijke familie was opgenomen, was reeds lang voor haar een pad vol doornen geworden. Doch sedert eergisteren was dat alles veranderd. Orion was gekomen! Als een heerlijk geschenk van het lot hadden het ouderlijk huis en de stad zijne terugkomst gevierd, en ook zij had rijkelijk haar aandeel gehad van de feestvreugde. Hij had haar begroet, niet als de verlatene verwante, maar als de schoone jonkvrouw van edele geboorte. Het was alsof er een zonneschijn van hem uitging, die doordrong tot haar hart, en haar het hoofd opnieuw deed oprichten als eene bloem, die men weder onder den vrijen hemel plaatst, nadat zij langen tijd licht en lucht heeft moeten ontberen. Zijn frissche geest, zijn vroolijke levensmoed verkwikten haar hart; de achting die hij haar bewees versterkte haar onderdrukt zelfvertrouwen, en vervulde hare ziel met warmen dank. En wat deed het haar goed zich dankbaar, innig dankbaar te mogen gevoelen! En nu, nu was de avond van heden gekomen, de schoonste, de heerlijkste, die zij sedert jaren genoten had. Hij had haar weder geleerd, wat zij bijna vergeten scheen, dat zij nog jong, zoo schoon was, dat zij het recht had nog gelukkig te zijn, geestdrift te gevoelen en te wekken, ja misschien ook lief te hebben en bemind te worden.

Zijn kus brandde nog op hare rechterhand, toen zij het koele vertrek binnentrad, waar vrouw Neforis achter haar spinrokken, naast het rustbed van haar kranken echtgenoot, die zich altijd laat naar bed begaf, de terugkeerenden wachtte. Met een vol gemoed drukte Paula hare lippen op de hand van haar oom, Orions vader. Mocht zij hem haar Orion noemen? Daarop kuste zij--in hoelang was dat niet gebeurd!--ook hare tante, zijne moeder, terwijl zij met de kleine Maria haar goeden nacht wenschte. Neforis bleef koel, en terwijl zij hare verwondering over deze hartelijkheid niet verheelde, sloeg zij een onderzoekenden blik op Paula en haren zoon. Zeker vlogen haar daarbij allerlei gedachten door het hoofd, maar zij achtte het geraden deze voorshands niet uit te spreken. Als was er niets bijzonders gebeurd, liet zij de meisjes heengaan, hield zij een oog op de lieden, die haar gemaal naar het slaapvertrek droegen, gaf zij hem de witte pilletjes, die hij gebruiken moest om te slapen, en schoof zij met onvermoeide zorg de kussens zoolang terecht, tot hij naar zijn zin lag. Toen eerst, en nadat zij zich overtuigd had dat een dienstknecht in het aangrenzende vertrek waakte, verliet zij den kranke, en zocht zij haar zoon op. In uitstel lag gevaar.

De groote, stevige, een weinig gezette vrouw was in hare jeugd een statig, slank meisje, eene deftige verschijning, maar haar nuchter en onbewegelijk gelaat nooit in het oog vallend schoon geweest. De jaren hadden dat gelaat echter weinig veranderd; het was thans een goed, vol matronengezicht geworden, zonder veel uitdrukking, dat door de langdurige en inspannende verpleging van den kranke zijne kleur had verloren. Hare geboorte en de plaats die zij innam gaven haar een gevoel van zelfstandigheid, zekere zelfbewustheid, doch er lag daarbij niets innemends, niets aantrekkelijks in haar wezen. Zij deelde niet in het leed en de vreugde van anderen, toch kon zij zich uit zelfopoffering moeite en bezwaren getroosten, en haar hart was in staat om voor anderen te ontblaken in hartstochtelijken gloed. Evenwel die anderen moesten hare naaste betrekkingen zijn en ook dezen alleen. Er was dan ook geen trouwer en zorgvuldiger gade, geen teederder moeder te vinden, maar wilde men de liefde die in haar leefde bij een gesternte vergelijken, dan reikten hare korte stralen niet buiten de sfeer van hare naaste bloedverwanten, en dezen verheugden zich natuurlijk dankbaar over het buitengewoon geluk van te worden opgenomen in den engen cirkel van de genegenheid dezer onvrijgevige ziel.

Zij klopte nu aan Orions woonvertrek, en haar laat bezoek verraste hem niet minder dan het hem genoegen deed. Zij kwam om iets gewichtigs met hem te bespreken, en deed dit nu reeds, omdat de houding van Paula en haar zoon haar drong haast te maken. Er was tusschen beiden iets voorgevallen, en de nicht van haar gemaal stond verre buiten den beperkten kring harer liefde.

Zij leidde hare toespraak in met te zeggen, dat zij zoo niet kon gaan slapen. Zij had een wensch op het hart en zijn vader deelde daarin. Orion kon wel begrijpen wat zij meende; reeds gisteren had zij er met hem over gesproken. Zijn vader was hem vriendelijk te gemoet gekomen, had zijne schulden betaald zonder een woord van berisping, en nu stond het aan hem voor goed te breken met zijne ongebondene levenswijze van weleer en eene eigene huishouding op te zetten. De bruid, dat wist hij wel, was gevonden. "Susanna," zeide zij, "is reeds bij ons geweest. Hebt gij, booswicht, zooals zij zelve zegt, hare Katharina heden morgen niet het hoofd geheel op hol gebracht?"

"Helaas," haastte hij zich te zeggen op verdrietigen toon. "Het aanhalen van vrouwen is eene gewoonte van mij geworden; doch het zal hiermee van nu af uit zijn; het is beneden mij. Thans, lieve moeder, thans gevoel ik...."

"Dat de ernst des levens begint," vulde Neforis aan, "dat is ook de bedoeling van den wensch, die mij tot u doet komen. Gij kent dien, en ik weet niet wat gij er tegen zoudt kunnen aanvoeren. Kort en goed, laat mij morgen de zaak met vrouw Susanna in orde brengen. Van de genegenheid harer dochter zijt gij zeker, zij is de rijkste erfgename van het land, goed opgevoed, en ik herhaal het: zij heeft u haar hartje geschonken."

"En zij mag het behouden!" zeide Orion lachend.

"Ik bid u uwe vroolijkheid te bewaren voor een anderen tijd en voor komischer onderwerpen," hernam de moeder, verstoord over dit antwoord. "Ik meen het zeer ernstig als ik zeg: het meisje is lief en goed, en zal voor u, zoo God wil, eene trouwe, teedere gade zijn. Of hebt gij misschien uw hart in Konstantinopel gelaten? Heeft wellicht de schoone verwante van den senator Justinus... Maar dit is dwaasheid! Gij zelf kunt toch vooruit wel begrijpen, dat wij deze luchthartige Griekin...."

Opeens omhelsde Orion haar, en zeide op teederen toon: "Neen, moedertje, neen! Konstantinopel ligt verre achter mij in grauwe nevelen, aan gene zijde van het uiterste Thule; maar hier, hier vlak bij, in het ouderlijk huis heb ik iets veel schooners en volmaakters gevonden, als zij daar aan den Bosphorus ooit hebben gezien. Die kleine past niet voor een zoon van ons groot, breedgeschouderd geslacht. Ook onze toekomstige geslachten moeten zich in alle opzichten fier verheffen boven het gemeene volk, en ik wil geen speelpopje hebben tot gemalin, maar eene vrouw, zooals gijzelve in uwe jeugd zijt geweest, een flinke, voorname, schoone vrouw. Mijn hart wordt niet aangetrokken door eene elfenkoningin maar door eene waarlijk koninklijke jonkvrouw. Wat behoef ik er nog veel woorden over te verspillen: Paula, de kostelijke dochter van den edelen Thomas heb ik uitverkoren. Heden avond is mij dit als door eene openbaring duidelijk geworden. Ik bid u om uwen zegen over eene verbintenis met haar!"

Vrouw Neforis had haar zoon tot zoover door laten spreken. Wat zij gevreesd had te zullen hooren, had hij haar rond en open te verstaan gegeven. Hoe lang had zij zich ingespannen om zich in te houden! Maar nu was het ook uit met hare zelfbeheersching. Bevende van kwaadheid viel zij hem in de rede en zeide, terwijl een donkere blos hare wangen overtoog: "Zwijg, ga niet verder! De hemel beware ons, dat hetgeen ik daar uit uw mond moest hooren iets meer zou zijn dan een vluchtige, dwaze inval! Hebt gij dan gansch en al vergeten wie en wat wij zijn? Weet gij dan niet dat het de geloofsgenooten van deze Melchietin waren, die uw twee geliefde broeders, onze twee bloeiende zonen ombrachten? Wat zijn wij in het oog van de Grieken, de Orthodoxen? Maar onder de Egyptenaars, die de alleen zaligmakende leer van Eutuches aanhangen, onder de Monophusieten zijn wij de eersten, en wij willen dat blijven en ooren en harten sluiten voor ketters en hun bijgeloof. De kleinzoon van Menas, een broeder van twee martelaren voor ons heerlijk geloof, verloofd met eene Melchietin! Deze gedachte is heiligschennis, is godslastering; ik vind daarvoor geen zachter woorden. Voor ik, voor uw vader daarin toestemt, willen wij liever kinderloos sterven. Om der wille van deze vluchtelinge, die niets anders bezit dan haar bedelaarstrots en het saamgeraapte overblijfsel van een vermogen, dat nooit met het onze vergeleken kan worden, om deze ondankbare, die zich nauwelijks verwaardigt mij hare weldoenster, uwe moeder--bij God, ik spreek de waarheid!--ook maar een 'goeden morgen' te zeggen, waarmede ik zelfs de slaven vriendelijk begroet, om harentwil moet ik, moeten uwe ouders den zoon verliezen, den eenige dien de genadige hemel ons nog tot onze vreugde gelaten heeft? Neen, neen, neen! Dat kan niet! En gij, Orion, mijn beste jongen, gij zijt uw leven lang een drieste knaap geweest, maar gij zult den dwazen moed niet hebben deze koude schoone te beminnen, die gij in twee dagen maar enkele uren hebt gezien, en uwe oude moeder, die u vier-en-twintig jaren lang teeder aan het hart heeft gedrukt, tot der dood te bedroeven, en uw vader, wiens dagen geteld zijn, den korten tijd dien hij nog te leven heeft, te vergiftigen. Neen, mijn lieve jongen, daartoe hebt gij den moed niet, kunt gij den moed niet hebben. En mocht gij in eene noodlottige ure het wagen, mocht gij het durven doen, dan--ik ben gedurende uw gansche leven uwe teeder liefhebbende moeder geweest--dan, zoo waar God mij en uw vader zal bijstaan in onze laatste ure, dan ruk ik de liefde voor u uit mijn hart als eene schadelijke giftplant, dan zou ik, ook al moest mijn hart er bij breken..."

Maar Orion liet haar niet verder gaan. Hij trok de zenuwachtig opgewondene vrouw, die zich reeds lang uit zijne armen had losgemaakt, weder tot zich, legde zachtkens zijne hand op haren mond, kuste haar op de beide oogen en fluisterde haar in het oor: "Neen, hij heeft er den moed niet toe en zal dien ook bezwaarlijk vinden in zijn leven." Daarop greep hij hare beide handen en vervolgde, terwijl hij haar flink in het aangezicht zag: "Brrr! uw waaghals is nog nooit zoo angstig te moede geweest als bij deze bedreigingen. Maar wat hebt gij ook schrikkelijke woorden uitgesproken; en daar lagen u nog erger op de tong! Moeder, moeder Neforis! Uw naam beteekent de goede, maar hoe boos, hoe erg boos kunt gij toch zijn!"

Daarop omhelsde hij de geliefde vrouw nog hartelijker; in een aanval van overmoed, de terugwerking van den schrik dien zij hem zooeven had aangejaagd, kuste hij hare haren, slapen en wangen driftig achter elkander, en toen zij hem verliet had hij haar de vergunning gegeven voor hem aanzoek te doen om de hand van de kleine Katharina, daarbij echter de belofte ontvangen, dat dit nog niet morgen, op zijn vroegst overmorgen zou geschieden. Hij achtte het eene groote overwinning, dat hij dit uitstel had verkregen, en toen hij alleen was en nadacht over hetgeen hij gedaan en aan zijne moeder toegestaan had, bloedde zijn hart uit wonden, waarvan hij zelf de diepte nog niet kon peilen. Toch verheugde hij zich Paula nog niet vaster aan zich verbonden te hebben. Met zijne oogen had hij haar reeds veel gezegd, maar het woord 'liefde' was nog niet over zijne lippen gekomen, en daar hing toch alles van af. Het stond den neef toch vrij om eene schoone verwante een handkus te geven. Zij was en bleef voor hem het voorwerp zijner wenschen, maar om der wille van een meisje hoegenaamd, al gold het Aphrodite zelve, of eene der Muzen of Gratiën, met zijne ouders te breken, dat was hem ondenkbaar. Er waren nog ontelbare mooie vrouwen voor hem op aarde, maar slechts éene moeder, en hoe dikwijls had zijn hart niet voor vrouwen sneller geklopt, had hij niet veroveringen gemaakt en van de bekoring van het oogenblik genoten, maar ook daarna weder gemakkelijk en gewillig allen vergeten.

Ditmaal echter scheen het hem dieper te hebben aangegrepen dan bij vroegere gelegenheden, en zelfs die schoone Perzische slavin, om wier wil hij, toen hij pas de school had verlaten, groote dwaasheden had begaan, en de bekoorlijke Heliodora in Konstantinopel, aan wie hij nog een aandenken schuldig was, hadden niet zulk een indruk op hem gemaakt. Deze Paula prijs te geven, dat viel hem zwaar, maar het ging niet anders. Morgen moest hij beproeven op een vriendschappelijken, broederlijken voet met haar te geraken; want hij durfde niet hopen dat zij zich, evenals die zachtaardige Heliodora, die in rang met haar gelijk stond, alleen met zijne 'liefde' tevreden zou stellen. Hoe schoon, hoe onuitsprekelijk heerlijk zou het toch geweest zijn aan de zijde van deze schoone vrouw het leven door te zweven! Als hij met haar door de hoofdstad reed, dan kon hij er zeker van zijn, dat iedereen zou stilstaan en naar hen omzien. En als zij hem nu eens waarlijk liefhad, en teeder de armen voor hem opende.... Ach waarom had het grillige noodlot haar toch eene Melchietin gemaakt!--Doch het kon wel zijn, helaas, dat er iets haperde aan haar eigen karakter; anders had het haar toch moeten gelukken gedurende die twee jaren de liefde te winnen van zijne voortreffelijke, teedere moeder, die nu zulk een afkeer van haar had.--Alles wel beschouwd was het toch goed, dat de zaken zoo geloopen waren. Doch Paula's beeld wilde niet van hem wijken, het roofde hem den slaap en zijn verlangen naar haar bezit kwam niet tot rust.

Vrouw Neforis ging intusschen niet terstond naar haar gemaal terug, maar tot Paula. Deze zaak moest nog heden in allen deele worden afgedaan. Had zij kunnen verwachten dat de door haar behaalde overwinning den kranke onverdeelde vreugde zou hebben bereid, dan ware zij met de blijde boodschap naar hem toegesneld, want zij kende geen hooger genot dan hem een gelukkig oogenblik te verschaffen. De Mukaukas had echter noode in hare keuze toegestemd, want ook hem kwam Katharina te klein voor en te kinderlijk voor den grooten zoon, die hem in menig langdurig onderhoud, dat hij na zijn terugkeer met hem had, tot vreugde van zijn ouderhart de onloochenbaarste bewijzen had gegeven, dat zijn geest tot vollen wasdom was gekomen. Het "kwikstaartje", aan wie hij alles schoons en goeds toewenschte, voldeed hem niet als gade voor Orion. Paula was voor hem altijd eene lieve nicht geweest, en vaak had het hem goed gedaan, als hij zich haar voorstelde aan Orions zijde. Maar zij was eene Melchietin, en hij wist bovendien hoe kwalijk zijne vrouw jegens haar gezind was. Zoo verkropte hij dezen wensch om de trouwe verpleegster, die voor hem leefde, voelde en dacht, niet te krenken. Vrouw Neforis wist of vermoedde dit alles en zeide tot zichzelve, dat het hem de nachtrust zou kosten, wanneer hij heden reeds vernam wat Orion haar toegestaan had.

Met Paula stond het echter anders. Hoe eerder zij vernam dat zij van haren zoon niets te wachten had, des te beter zou het voor haar zijn. Aan den morgen van dezen dag hadden zij en Orion elkander begroet als een paar verliefden, en zoo straks waren zij als bruid en bruidegom van elkander gegaan. Zulk een ergerlijk schouwspel wilde zij niet weder bijwonen, en daarom ging zij tot de Damasceensche, om haar in vertrouwen mede te deelen hoe recht gelukkig zij was, en welk eene vreugde haar zoon haar zooeven had bereid. Doch tot overmorgen moest zij het zwijgen.

Reeds dadelijk bij haar binnentreden had Paula uit de blijdschap die uit hare oogen straalde het besluit getrokken, dat zij eene voor haar pijnlijke boodschap kwam brengen, en zoo wist zij zichzelve te beheerschen. Met het masker eener koele onverschilligheid liet zij de uitstortingen van het blijde moederhart over zich heengaan en wenschte zij de verloofden geluk; maar zij deed het met een schamperen lach, die vrouw Neforis kwetste. Zij was anders niet boos van aard, maar tegenover dit meisje veranderde hare natuur, en het was haar niet ongevallig weder eens te doen blijken, dat Paula bescheidenheid voegde bij de plaats die zij innam. Dat alles zeide zij tot zichzelve, toen Paula's kamer achter haar gesloten was, maar wellicht had deze vrouw, die toch zooveel goeds had, berouw gevoeld, wanneer het haar vergund was geworden in de volgende ure in het hart te lezen van de aan hare zorgen toevertrouwde wees. Slechts eenmaal barstte Paula in hevig snikken uit, toen droogde zij spijtig hare tranen, staarde lang somber voor zich en schudde daarbij vaak het schoone hoofd, als ware haar iets ongehoords bejegend, dat zij niet vatten kon. Eindelijk legde zij zich ter ruste met een smartelijken zucht, en terwijl zij te vergeefs trachtte te slapen, en de kracht zocht om te bidden en stil te berusten, scheen haar de tijd eene oneindige steppe toe, het noodlot een gruwzaam jager, waarbij zij zelve het wild was dat hij vervolgde.

VIERDE HOOFDSTUK.

Den volgenden avond reed de koopman Haschim met een klein deel zijner karavaan het stadhouderlijk verblijf binnen. Een vreemdeling zou het eer voor de woning van een rijk grondbezitter dan voor de residentie van een aanzienlijk staatsambtenaar gehouden hebben, want binnen het uitgestrekte terrein, dat door de bijgebouwen aan drie zijden werd ingesloten, dreef men thans na het ondergaan der zon groote kudden runderen en schapen binnen, een vijftigtal paarden van edel ras kwam samengekoppeld uit de zwemplaats en bruine en zwarte slaven droegen naar een door horden omsloten zandige plek het avondvoeder voor een kudde kameelen.

Het woonhuis van den bezitter, buitengewoon groot in omvang, geleek een sierlijk paleis uit den ouden tijd en was dus wel geschikt om een stadhouder des keizers tot residentie te dienen. De Mukaukas Georg, wien dit alles toebehoorde, had inderdaad dit ambt langen tijd bekleed. Na de verovering des lands hadden de veroveraars hem daarin bevestigd, en tegenwoordig leidde hij de aangelegenheden zijner Egyptische landgenooten niet meer in naam van den keizer te Konstantinopel, maar op gezag van den Kalief te Medina en zijn veldheer Amr. De muzelmansche veroveraars hadden in hem een goedwillig en verstandig vertegenwoordiger gevonden, en zijne geloofsgenooten en stamverwanten gehoorzaamden hem als den voornaamsten en rijksten heer hunner natie, als den zoon van een geslacht, wiens voorouderen reeds bij de pharaonen in hooge eer stonden.

Alleen het woonhuis van den Mukaukas was Grieksch of liever Alexandrijnsch; de hoven en bijgebouwen, die zich daarbij aansloten, hadden daarentegen geheel het aanzien als behoorden ze aan het machtig opperhoofd van een grooten oosterschen stam, aan een Erpaha of gouwvorst, zooals de voorouders van den Mukaukas in den heidenschen tijd genoemd en als hoedanig zij aan het hof en onder het volk geëerd werden.

De gids had den koopman niet te veel verteld van het grondbezit van dezen man. Zijne uitgestrekte landerijen waren in Opper- en Neder-Egypte gelegen en werden bebouwd door eenige duizenden slaven onder een aantal opzichters. Hier in Memphis was het middenpunt van het bestuur van zijn bijzonder eigendom, en bij zijn eigen rentmeesterskantoor sloten zich de schrijfvertrekken aan, die hij als staatsbeambte noodig had. Goed onderhouden dammen en de breede Nijlstraat, die op de haven uitliep, scheidden zijn uitgebreid terrein te Memphis van den stroom, en langs den muur, die aan de noordzijde de afsluiting vormde, liep een straatje. Hierop kwam de groote poort uit die bij den dag wijd open stond om aan allen toegang te verleenen, hetzij dienaars hetzij zaakgelastigden, die op het grondgebied van den Mukaukas iets hadden uit te richten. De met Korinthische marmeren zuilen versierde, altijd gesloten schoone hoofdpoort aan de Nijlstraat, waardoor ook zij waren binnengekomen, die gisteren het tochtje op de rivier hadden gedaan, werd alleen geopend voor de familie en de hooggeplaatste bezoekers van den stadhouder. Bij de dienstpoort in het straatje stond het wachthuis, dat door eene kleine afdeeling Egyptische soldaten bewoond was, die hadden te waken voor de persoonlijke veiligheid van den Mukaukas.

Zoodra zich na de hitte van den dag eene verfrisschende koelte verhief uit de richting van den stroom, kwam er leven op het terrein achter deze dienstpoort. Uit alle woningen van het dienstpersoneel kwamen mannen, vrouwen en meisjes te voorschijn, om de frissche avondlucht in te ademen. Sommige dienstmaagden en slaven schepten water uit verbazend groote steenen bakken en droegen het in sierlijk gevormde kannen weg, terwijl de overige beambten des huizes in groepen stonden te praten, te spelen en te zingen, om zich te ontspannen van vermoeiende bezigheden. Uit het slavenkwartier, dat een tweeden hof omsloot, klonk het gezang van geestelijke liederen, het tot den dans opwekkende schrille en doffe geluid van dubbele fluiten en handtrommels, getwist en gelach, het gillen van een meisje dat tot dansen werd gedwongen en het geschreeuw van een door den opzichter gegeeselden slaaf, alles verward dooreen.

De poort voor het dienstpersoneel, die ter eere van den onlangs teruggekeerden Orion nog rijk met bloemen en groene guirlandes versierd was, stond ook thans wijd open, ten einde de schrijvers en boekhouders gelegenheid te geven om uit te gaan, en de stedelingen, die hunne vrienden in het stadhouderlijk paleis des avonds gaarne bezochten, om binnen te komen. Want men vond daar steeds eenige hooger geplaatste beambten van den Mukaukas bijeen, die van de jongste gebeurtenissen in staat en kerk meer wisten dan andere lieden. Onder de houten galerij vóor het huis van den hofmeester vereenigden zich dan ook weldra een groot aantal mannen, die in druk gesprek geraakten. Ook zonder het bier, dat de gastheer hun nog altijd op rekening van het welkomstfeest voor den zoon zijns meesters liet aanbieden, beschouwden zij dit als een bijzonder genot; want voor een Egyptenaar ging er niets boven een twistgesprek, waarbij hij de pijlen van zijn geestigen spot op aanzienlijke personen, die anders ongenaakbaar voor hem waren, alsmede op andersdenkenden en vijanden des lands kon richten. Heden was er ook zeker menig snedig woord, menige aardige scherts te hooren, want het vroolijk gelach en de luide bijvalsbetuigingen in de voorgalerij van den hofmeester schenen geen einde te nemen, en de bevelhebber der wacht bij de poort sloeg nu en dan een afgunstigen en wreveligen blik op het luidruchtig gezelschap, waaraan hij gaarne had deelgenomen, als hij zijn post had durven verlaten. Maar daar stonden nog de gezadelde paarden der boden, die op antwoord wachtten; daar kwamen af en toe zaakgelastigden en lieden met verzoeken die wenschten toegelaten te worden, en in het ruime voorvertrek van het stadhouderlijk paleis waren nog vele personen bijeen, die den Mukaukas moesten spreken; want geheel Memphis wist, dat de kranke stadhouder in de heetste maanden alleen des avonds audiëntie verleende. De Egyptenaars stelden nog weinig vertrouwen in de Arabische beambten, en iedereen trachtte te voorkomen, dat hij naar de plaatsvervangers van den Mukaukas verwezen werd; zoo verstandig en rechtvaardig als de oude heer was geen zijner ambtenaren. Hoe de lijdende man kracht en tijd vond om ook dezen op te vingers te zien, wist niemand te verklaren, maar het stond vast, dat ieder besluit door hem werd nagezien.

De audiëntietijd was voorbij, en de bezorgdheid, die het uitblijven van de overstrooming en de komeet wekten, had de wachtkamer heden met meer personen die wat te vragen hadden gevuld, dan gewoonlijk. De vertegenwoordigers der steden en de dorpshoofden waren bij groepen toegelaten; zij die over hunne eigene belangen te spreken hadden kwamen een voor een, en de meesten waren bevredigd of althans met goeden raad heengegaan. Alleen een landman, wiens rechtvaardige zaak reeds lang op afdoening wachtte, was achtergebleven en hoopte, omdat hij van zijne armoede eenige drachmen ten offer had gebracht voor den persoon die hem moest aandienen, nog heden de vrucht te oogsten van zijn geduldig wachten, toen de huismeester hem beval morgen terug te komen en de hooge deuren, die tot de vertrekken van den Mukaukas leidden, onderdanig opende voor den koopman Haschim, dank zij de goudstukken, die hij van zijn neef den gids ontvangen had. Doch de Arabier had den landman opgemerkt, en drong er op aan, dat deze hem voor zou gaan. Zoo gebeurde het dan ook, en na eenige oogenblikken keerde de boer tevreden terug en kuste Haschim dankbaar de hand. De huismeester liet daarna den ouden heer met zijne lieden, die hem eene zware baal achterna hadden gedragen, in een prachtig voorvertrek wachten, en zijn geduld werd zeer op de proef gesteld, eer de uitnoodiging tot hem kwam, om den stadhouder zijn koopwaar te toonen.

De Mukaukas had, nadat hij met een stillen wenk had goedgevonden den braven koopman, die hem bijzonder was aanbevolen, later te ontvangen, zijn rusttijd genomen, en zonder zich over den wachtende te bekommeren verpoosde hij zich met het schaakspel. Hij lag op een divan, waarover de gladde huid eener leeuwin was gespreid, terwijl zijne jeugdige speelgenoote op een lagen zetel tegenover hem zat. De deuren aan de Nijlzijde van het vertrek, waarin hij ook in liggende houding de personen had ontvangen die ter audiëntie waren gekomen, stonden nu half open, om de koelere maar altijd nog lauwe avondlucht binnen te laten. Het groene velarium [1], dat overdag de zonnestralen belette om door het in het midden geopende dak naar binnen te dringen, was nu op zij geschoven, en maan en sterren schenen in het vertrek, dat geheel beantwoordde aan zijne bestemming om in heete zomerdagen een dragelijk toevluchtsoord te zijn. Want de wanden waren met koele, bonte tegels bekleed, de bodem bestond uit een veelkleurig mozaïk van allerlei figuren op een grond van verguld glas, en op het ronde middenstuk van dezen kunstigen vloer verhief zich het voorwerp, dat eigenlijk de frischheid aanbracht, een twee manslengten wijde schaal van bruin met wit doorspikkeld porfier, waaruit een waterstraal opspoot, die de geheele omgeving met fijne waterstof besproeide. Enkele zetels, stoelen en kleine tafeltjes, allen van metaal, vormden het overige ameublement van dit hoog, door vele lampen verlicht vertrek. Eene zachte koelte drong door het open dak en de thans ontsloten deuren binnen, bewoog even de vlammen der lampen en speelde met de bruine lokken van Paula, die zich met geheel hare opmerkzaamheid aan het schaakspel scheen te wijden.

Orion, die achter haar stond, had reeds meermalen te vergeefs moeite gedaan om hare aandacht te trekken. Thans bood hij zich dienstvaardig aan om een doek voor haar te halen, opdat zij geen tocht mocht vatten. Maar zij sloeg het kortweg en bepaald af, ofschoon eene vochtige lucht van de rivierzijde binnendrong en zij reeds meermalen haar peplos dichter om de borst had samengetrokken. Bij deze afwijzing beet de jonge man zich op de lippen; hij toch wist niet dat zijne moeder haar had medegedeeld, wat hij haar gisteren had ingewilligd, en vond geene verklaring voor Paula's veranderde gezindheid. Sedert den vroegen morgen had zij hem ijskoud bejegend en zijne vragen ternauwernood met een koel "ja" of "neen" beantwoord, en deze verhouding werd hem, den verwenden lieveling der vrouwen, al meer en meer ondragelijk. Moeder had dus wel juist over haar geoordeeld. Zij liet zich gansch en al beheerschen door hare luimen, en thans deed zij ook hem haar trots gevoelen, waarvan hij vroeger niets bespeurd had. Ja, deze koude behandeling grensde aan lompheid, en hij was niet genegen zich dit langer te laten welgevallen. Bitter verdrietig volgde hij elke beweging harer hand, elke buiging van haar hoofd en de afwisselende uitdrukking van haar gelaat, maar hoe meer hij zich in de beschouwing van deze trotsche jonkvrouw verdiepte, des te schooner scheen zij hem toe, des te dieper indruk maakten die volmaakte vormen op zijn gemoed en des te hooger steeg zijn vurig verlangen, om haar weer zoo lachende, zoo echt vrouwelijk teeder te zien als gisteren. Thans geleek zij slechts op een voortreffelijk marmeren beeld, doch hij wist maar al te goed dat dit beeld ook eene ziel had. Welk een heerlijke taak zou het zijn om dit schepseltje, dat zoo geheel door hare dwaze luimen beheerscht werd, te leeren zichzelve te beheerschen, en haar, al moest het met hardheid geschieden, te wijzen op hetgeen eene vrouw, eene jonkvrouw bovenal betaamt.

Onder deze afwisselende gewaarwordingen wijdde hij zijne aandacht meer en meer uitsluitend aan Paula. Zijne moeder, die met vrouw Susanna op tamelijken afstand van de spelenden op een rustbank zat, bespeurde dit met toenemende ergernis; zij zocht hem door vragen en door hem nu en dan eene kleinigheid te verzoeken, van haar af te trekken en aan zijne kwalijk verholen gedachten eene andere richting te geven.

Wie had gisteren morgen kunnen denken, dat haar lieveling haar weldra zulk een verdriet, zooveel zorgen zou geven! Hij was teruggekeerd als een zelfstandig man, die het leven in de groote wereld heeft leeren kennen, juist zooals zijn vader en zij het gewenscht hadden. Wel-is-waar had hij in de hoofdstad alles genoten, wat het hart van een jongeling uit hoogen stand aantrekt, maar desniettemin--en hierover vooral verblijdde zich zijn vader--was hij frisch gebleven en ontvankelijk ook voor het kleinste. Van die oververzadiging, die onverschilligheid voor de gewone genietingen des levens, waartoe zoovele jongelieden van zijn stand vervielen, vertoonde zich bij hem geen spoor. Hij kon met de kleine Maria nog altijd even dartel spelen, zich over eene zeldzame bloem of een nieuw fraai paard nog even hartelijk verheugen als voor zijn vertrek. Daarbij had hij echter zulk een diepen blik geslagen in de staatkundige verhoudingen van zijn tijd, in den toestand van het keizerrijk en het hof, in het staatsbestuur en de verschijnselen op godsdienstig gebied, dat het zijn vader een genot was hem te hooren spreken, en deze aan zijne gade de verzekering kon geven, dat hij van den jongen man veel leerde, en dat Orion op weg was een degelijk staatsman te worden, die thans reeds kennis genoeg bezat om zijne plaats geheel te kunnen innemen.

Toen de moeder haar echtgenoot de groote som had genoemd van de schulden, die Orion in Konstantinopel had achtergelaten, greep de oude heer met zekeren trots in zijn buidel. Hij verheugde er zich over, dat de eenige hem overgebleven erfgenaam de kunst verstond om de groote rijkdommen, die hem zelven meer tot last dan tot genot waren, evengoed als hijzelf in zijne jeugd, te gebruiken, en zich te omgeven met een glans, waarvan het schijnsel op hemzelven en zijn naam terugviel. "Bij hem weet men," zeide de kranke, "waarvoor men zijne geldstukken laat rollen. Zijne paarden kosten veel, maar hij weet er mee te overwinnen; zijn optreden in de wereld verslindt aanzienlijke sommen, maar daarvoor verschaft hij zich achting, waar hij zich ook vertoont. Hij brengt mij een brief mede van den senator Justinus, en de waardige man erkent, dat hij eene groote rol onder de voorname jongelieden van aanzienlijk vermogen in de hoofdstad gespeeld heeft. Zulk een roem verwerft men geenzins om niet, en ten slotte valt de rekening nog mee. Wat vraag ik naar een honderd talenten meer of minder? En er ligt iets van beteekenis in, dat hij den moed heeft gehad het ook niet te doen."

Hij die zoo sprak was geen levenslustige grijsaard, maar een man wiens gezondheid was geknakt, en die zich verheugde dat zijn zoon alles, waarvan het genot hem sedert lang was ontzegd, nu blijde en volop genieten kon.

De vurige, pas de kinderschoenen ontwassen, hoogbegaafde jonkman, dien hij met eenige bezorgdheid naar de keizerstad had gezonden, moest dan toch in de hoofdstad een veel ingetogener leven hebben geleid, dan men van hem verwacht had; daarvoor stonden hem borg de roode blos op zijne een weinig gebruinde wangen, de kracht zijner spieren en de dichtheid van zijne gladde doch met kunstvaardige hand gekroesde haren, die in kort gesneden lokken, naar de mode van dien tijd, op zijn hoog voorhoofd neerhingen, en hem ietwat deden gelijken op de beelden van Antinous, den schoonen jongeling uit de dagen van keizer Hadrianus.

De moeder moest zelve bekennen, dat de wedergekeerde er uitzag als een toonbeeld van gezondheid. Niemand van de keizerlijke familie kon rijker, zorgvuldiger en meer naar de mode gekleed zijn dan haar lieveling; maar ook in het eenvoudigst gewaad zou hij een schoon, een krachtig jonkman, de trots eener moeder zijn geweest. Toen hij zijne vaderstad met de residentie verwisselde, was hij niet vrij geweest van zeker iets, dat den knaap uit de provincie verried, maar thans was hij vrij van alle onbeholpenheid en waar hij zich vertoonde, ook aan het hof, kon hij zeker zijn onder de eersten met bijval te worden begroet.

En wat had hij niet in die hoofdstad doorleefd! In de dertig maanden van zijn verblijf aldaar waren de gebeurtenissen elkander zoo verbazend snel opgevolgd, als had hij er een eeuw doorgebracht. Hoe grooter prikkel, des te meer genot, dat was het wachtwoord van den tijd, en ofschoon hij aan den Bosphorus in weelderige vermaken voor niemand had ondergedaan, zoo waren al die gastmalen, die liefdesavonturen, die wedstrijden met zijne eigene overwinnende vierspannen, van welke genietingen hij zich niets had ontzegd, toch kinderspel geweest in vergelijking met de zenuwachtige spanning, waarin hij gebracht werd door de schrikkelijke gebeurtenissen, die zijne oogen hadden aanschouwd. Wat een armzalig genot was dat wagenmennen in Alexandrië! Wat deed het er toe of de paarden van Timon, van Ptolemeüs of zijne eigene wonnen? Ook in den circus te Byzantium was het schoon den krans te verwerven, maar daar waren nog andere dingen dan paarden en wagens, die de gemoederen in beweging brachten! Daar was het om kronen te doen, daar gold het het bloed en leven van duizenden! Wat nam men voor indrukken mee uit de tempels in het Nijldal? Maar had men den drempel van den Sophia-dom in Byzantium overschreden, dan kwam men soms met bloedende wonden, ja, als een doode naar huis. Driemalen had hij den scepter in andere handen zien overgaan; een keizer en eene keizerin waren voor zijne oogen van het purper ontdaan en vermoord geworden. Dáar kon men in die dagen eerst waarlijk genieten te midden van tooneelen aangrijpend tot in merg en been. Wat het overige betreft, ja ook aan het kleine had hij zijn hart opgehaald. Men had hem niet ontvangen als andere Egyptenaars: half beschaafde philosophen, die zich wijzen noemden en met geheimzinnige en aanmatigende deftigheid optraden, astrologen, rhetoren, armzalige, maar vinnige en geestige spotters, geneesheeren die met de wetenschap hunner vaderen pronkten, fanatieke godgeleerden, die steeds gereed waren om bij elken bitteren geloofsstrijd zich van andere wapenen dan van bewijzen en dogmen te bedienen, droefgeestige, geestelijk zoowel als lichamelijk verwaarloosde heremieten en kluizenaars, korenhandelaars en woekeraars, met wie het gevaarlijk was zonder getuigen zaken te doen. Met al dit volk had Orion niets uit te staan. Men had hem ontvangen als den welopgevoeden, levenslustigen en geestigen zoon van den rijken en voornamen stadhouder, den beroemden Mukaukas Georg, ja, als een soort van gezant, en wat de rijkste jongelieden van de keizersstad zich veroorloofden, dat mocht ook hij doen. Zijne beurs was niet minder goed gespekt dan de hunne, zijne gezondheid en zijne veerkracht waren wel twintigmaal sterker, en zijne paarden, die hijzelf bestuurde en niet door betaalde agitatoren mennen liet, hadden driemaal de hunnen geslagen. De "rijke Egyptenaar", de "nieuwe Antinous", de "schoone Orion", zooals zij hem noemden, mocht bij geen feestmaal, bij geene partij ontbreken. De eerste huizen der stad telden hem gaarne onder hunne gasten, en in het paleis en de villa van den senator Justinus, een vriend zijns vaders uit jonger jaren, verkeerde hij als een zoon des huizes. Bij hem en zijne vriendelijke gade Martina leerde hij ook de schoone Heliodora kennen, de weduwe van een neef des senators, en de geheele stad had gewaagd van de teedere verhouding tusschen Orion en het aanvallige jonge vrouwtje, wier strenge ingetogenheid niet minder bewonderd werd dan heur blond haar en de groote edelgesteenten, waarmede zij hare wel eenvoudige maar toch kostbare kleederen gaarne opsierde. Reeds had menige schoone jonkvrouw uit Byzantium getracht de gunst van den jongen Egyptenaar te verwerven, toen Heliodora ze allen uit het veld had geslagen. Nochtans was het haar niet gelukt Orion vast en op den duur aan zich te kluisteren, en toen hij zijne moeder gisteren avond verzekerde, dat zij zijn hart niet bezat, had hij de waarheid gesproken.

Zijn gedrag in de residentie was wel niet onberispelijk geweest, maar hij had zichzelven toch nimmer vergeten en de achting genoten niet alleen van de metgezellen zijner feestgelagen, maar ook van waardige en ernstige mannen, die hij in het huis van Justinus had leeren kennen, en die zijn verstand en zijne weetgierigheid roemden. Hij die als knaap een vlijtig scholier was geweest, liet ook hier geene gelegenheid voorbijgaan om te leeren. Vooral had hij zich in de keizersstad toegelegd op de verdere ontwikkeling van zijn aanleg voor de muziek, en het daar tot eene buitengewone hoogte gebracht in gezang en snarenspel. Gaarne zou hij langer in de hoofdstad gebleven zijn, maar ten slotte werd hem de bodem te heet onder de voeten, en wel om zijns vaders wil. Want de overtuiging dat deze er veel toe had bijgedragen, om Egypte van het Byzantijnsche rijk los te maken en het in handen te spelen van de gehaatte maar onweerstaanbare macht der Arabieren, had in de aanzienlijkste kringen geloof gevonden, sedert Cyrus, de afgezette en inmiddels reeds gestorven Melchietische patriarch van Alexandrië, zich persoonlijk naar Konstantinopel had begeven. Reeds was tot zijne gevangenneming besloten, toen de senator Justinus en andere vrienden hem waarschuwingen hadden doen toekomen, waaraan hij bijtijds gehoor had gegeven.

De houding zijns vaders had Orion wel in ernstig gevaar gebracht, maar hij was er niet verstoord over; integendeel, hij moest haar in zijne ziel billijken. Immers was hij duizendmaal getuige geweest van de verachting, waarmede de Grieken over de Egyptenaren, van den haat en den afkeer waarmede de orthodoxen over het monophysitisch geloof van zijn volk spraken. Het kostte hem moeite zijn toorn in te houden, wanneer hij den spot en de smaadredenen moest aanhooren, die aanzienlijke mannen en jongelieden, leeken en geestelijken over zijn land en zijne stamgenooten uitstortten, zonder zich te storen aan zijne tegenwoordigheid. Want zij hielden hem voor een der hunnen, voor een Griek, wien al wat 'barbaarsch' was even stuitend en verachtelijk moest voorkomen als hunzelven. Toch vloeide het bloed zijns volks door de aderen van den 'nieuwen Antinous', die de Grieksche liederen zoo schoon en met zulk een zuivere uitspraak wist voor te dragen. Elk smadelijk woord dat tegen de zijnen was gericht wondde hem diep in het hart, elk minachtend oordeel over zijn geloof riep den dag hem in het geheugen terug, waarop de Melchieten zijne beide broeders hadden vermoord.

Deze bloedige daden en ontelbare geweldenarijen, waarmede de Grieken de andersdenkende Egyptenaars gekweld, beleedigd, doodgemarteld hadden, waren nu gewroken, gewroken door zijn vader. Dat deed hem de borst zwellen, dat maakte hem trotsch, en hij vergunde den ouden man diep in zijne ziel te lezen, en wat deze daar vond verraste en verblijdde hem tegelijk. Immers hij had gevreesd dat Orion zich in Konstantinopel niet zou hebben kunnen onttrekken aan den onweerstaanbaren invloed van den Griekschen geest, ja, hij had er zich soms bezorgd over gemaakt hoe zijn eigen zoon het zou misbillijken, dat hij, hoewel gedwongen, de hem toevertrouwde provincie aan de Arabische veroveraars overgegeven en met hen vrede gesloten had.

De Mukaukas gevoelde dat Orion eenstemmig met hem dacht, en nu en dan wierp hij hem, van het schaakbord opziende, een teederen blik toe. Vrouw Neforis deed inmiddels haar best om de moeder van de toekomstige bruid haars zoons zoo goed mogelijk bezig te houden en haar af te leiden, zoodat zij de vreemde houding van Orion niet opmerkte. Dit scheen haar ook te gelukken, want vrouw Susanna luisterde naar alles wat zij zeide. Dat zij echter daarbij een oog in het zeil hield bleek uit de onverwachte vraag: "Zou de voorname nicht van uw gemaal zich wel verwaardigen ons een woord toe te spreken?"

"O neen," antwoordde Neforis op bitteren toon. "Ik hoop maar dat zij spoedig andere lieden vindt, met wie zij zich liever genadig zal inlaten. Ik zal haar den weg daartoe wel banen, daar kunt ge zeker van zijn!"

Zij bracht vervolgens het gesprek op Katharina en de weduwe vertelde, dat haar zwager Chrusippos met zijne beide dochtertjes in Memphis was. Morgen zouden ze weer vertrekken en haar kind had zich dus aan die meisjes moeten wijden. "Zoo zit daar nu het arme schaap," dus besloot zij op medelijdenden toon, "en moet die twee kleine babbelaarsters bezig houden, terwijl zij smacht om hier te zijn."

Orion had de laatste woorden gehoord; hij vraagde daarop naar de kleine en zeide daarna op luchtigen toon: "zij heeft mij gisteren vroeg een halsbandje beloofd voor dat witte beestje, dat ik als aandenken uit Konstantinopel meebracht.--Foei, Maria! Gij moogt het arme diertje niet kwellen."

"Ja, laat den hond los!" voegde de weduwe er bij, terwijl zij zich tot het kleindochtertje van den Mukaukas wendde, die het dier dwingen wilde tegen zijn zin hare pop te kussen. "Maar weet ge wel, Orion, dat die kleine keffer eigenlijk veel te sierlijk is voor zoo'n groot heer als gij zijt? Geef het beestje present aan een aardig meisje, daar is het beter op zijn plaats. Katharina is echter reeds bezig aan den halsband. Ik mag het eigenlijk niet verklappen, maar op den blauwen grond komen gouden sterren."

"Omdat Orion een ster is," riep de kleine Maria, "stikt zij enkel Orions."

"Gelukkig is er maar één gesternte dat mijn naam draagt," merkte Orion op. "Zeg dat, bid ik u, aan uwe dochter, vrouw Susa."

De kleine klapte in de handen en riep lachende: "Hij wil geen ster naast zich hebben!"

Maar de weduwe haastte zich te zeggen: "Die kleine wijsneus! Ik ken lieden die het zelfs niet lijden kunnen, wanneer men bij hen eenige overeenkomst met anderen waarneemt. Gij moet u dit echter laten welgevallen Orion!--Ja, gij had zooeven wel gelijk, Neforis, voorhoofd en mond zijn als uit het gezicht zijns vaders gesneden!"

Deze opmerking was zeer juist, toch kon men zich moeielijk twee uiteenloopender menschen denken dan deze jongeling in de frischheid der jeugd en die zwakke, oudachtige man op den divan, wien zelfs elk der kleine bewegingen, die het spel medebracht, inspanning kostte. De Mukaukas mocht eens op zijn zoon geleken hebben, maar dat was heel lang geleden. Enkele grauwe vlokken haar bedekten thans slechts ten halve zijn naakten schedel, en van zijne oogen, die voor dertig jaren zoo helder schitteren mochten als die van Orion, was gewoonlijk weinig en menigmaal niets te zien, want de zware oogleden vielen, als hadden ze alle veerkracht verloren, voortdurend er overheen en gaven het welgevormde doodsbleeke gelaat iets dat aan een uil deed denken. Toch was hij niet gemelijk, maar veeleer vereenigden zich in zijn gelaat smartelijke en vriendelijk welwillende trekken, die het eene weemoedige uitdrukking verleenden. De mond en de slap neerhangende wangen waren bewegingloos en als gestorven; de verlammende handen van kommer, angst en zorg schenen daarover heen gegaan te zijn en hun spoor daarop achtergelaten te hebben. Hij zag er uit als een doodvermoeid man, die alleen nog leefde, omdat het noodlot hem de gunst ontzegde van te sterven. Ja hij was door de zijnen reeds dikwijls voor een lijk gehouden, als hij al te dikwijls in het doosje van bloedjaspis had getast en te veel gebruikt had van de witte opiumpilletjes, van welke hij er ook onder het schaakspel met lange tusschenpoozen telkens een op de kleurlooze lippen legde. Langzaam en als sliep hij bijna verplaatste hij met half geslotene oogen stuk voor stuk, en toch kon zijne tegenpartij het niet tegen zulk een bedreven speler uithouden, en was zij reeds ten derden male door hem geslagen, ofschoon de Mukaukas zelf haar een goede speelster noemde. Men kon het haar hoog gewelfd voorhoofd en hare donkerblauwe klare oogen aanzien, dat zij verstandig kon denken en diep gevoelen. Maar zij scheen wel wat eigenzinnig te zijn en geneigd tot tegenspraak, althans heden, want als Orion hare aandacht vestigde op dezen of genen zet, volgde zij zelden zijn raad en verschoof zij de kleine figuur met op elkaar geklemde lippen naar haar eigen en zelden beter inzicht. Men bespeurde duidelijk dat het haar hinderde door dezen raadsman te worden terecht gewezen.

De wrevelige houding van het meisje zoowel als Orions ijverige pogingen om haar in vriendelijker stemming te brengen, moesten door alle aanwezigen worden opgemerkt, en daarom verheugde zich vrouw Neforis, toen hij, die de bezoekers aandiende, nadat de Mukaukas de derde partij had gewonnen en de op het bord overgebleven stukken met den rug van zijn hand door elkaar wierp, zijn meester kwam herinneren aan den Arabier, die buiten met toenemend ongeduld wachtte. In plaats van te antwoorden gaf de Mukaukas een wenk, trok dan den langen kaftan van den fijnsten wol wat vaster om het lijf, en wees naar het dak en de deuren van het vertrek. Zijne familie had reeds lang die vochtige nachtlucht, die het vertrek van de rivierzijde binnendrong, gehinderd, maar daar zij wisten dat vader niets onaangenamer was dan de zomerhitte, hadden zij allen gewillig den tocht verdragen. Orion riep nu de slaven en vóor de vreemdelingen binnentraden, waren deuren en dakopening gesloten.

Paula stond op, de Mukaukas bleef daartegen roerloos zitten en hield de oogen voortdurend met zijne oogleden bedekt, doch hij moest toch door eene onmerkbare opening kunnen waarnemen wat hem omgaf, want hij wendde zich eerst tot haar en dan ook tot de andere vrouwen met te zeggen: "Is het niet vreemd, anders zoeken ouden en kinderen de zon, en de laatsten spelen, de eersten rusten gaarne in de hitte. Maar ik.... Daar is mij jaren geleden iets overkomen, dat weet ge, en toen is mij het bloed in de aderen gestold. Nu wil het niet meer warm worden, en ik gevoel de tegenstelling tusschen de koude hier binnen en de hitte daarbuiten zeer sterk, bijna smartelijk. Hoe meer de jaren klimmen, des te liever laat men aan de jeugd over, wat ons zelven eens goed deed. Het eenige wat wij oudjes ons niet gaarne laten ontnemen is een aangenaam lichamelijk gevoel, en ik dank u dat gij zoo geduldig draagt wat u hindert, en dat gij het mij zoo aangenaam maakt. Een verschrikkelijke zomer! Gij, Paula, weet van den Libanon wat ijs is. Vaak wensch ik mij een bed van sneeuw. Mijn hoogste wensch zou zijn met de frissche koude éen te worden. De koele avondlucht, die gij vreest, doet mij goed. De warmte der jeugd verzet zich tegen alles wat kil is."

Dit was de eerste maal sedert den aanvang van het spel, dat de Mukaukas lang achtereen had gesproken. Orion liet hem eerbiedig uitspreken, maar toen nam hij de vrijheid er lachende bij te voegen: "Er zijn intusschen ook jeugdige menschenkinderen, die er een welbehagen in vinden koel en koud te zijn. God weet om welke reden!"

Hij zag daarbij haar, tegen wie deze woorden gericht waren, flink in de oogen. Maar zwijgend en trotsch wendde zij zich van hem af, en het was als trok er een donkere schaduw over hare schoone trekken.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Nadat den Arabier toegang verleend was tot den Mukaukas, spreidden zijne dienaars een stuk tapijt voor den kranke uit. De reusachtige Masdakiet was bij dit werk de hoofdpersoon. Maar zoodra de Mukaukas den kolossalen man zag, met zijne verwilderde haren, die hem als manen langs het hoofd hingen, met dien dolk en dien slachtbijl in zijn gordel, riep hij angstig uit: "Voort, voort met dezen kerel, weg met die wapens.... Ik wil het tapijt niet zien voor deze uit de voeten is!"

De handen van den lijder beefden, en de koopman beval terstond zijn trouwen Rustem, de onschuldigste ziel van de wereld, heen te gaan. De stadhouder, wiens prikkelbaar zenuwgestel, na een moordaanslag door een uit Egypte verbannen Griek tegen hem gepleegd, nu en dan onderhevig was aan dergelijke aanvallen van angst, kwam echter spoedig weer tot bedaren, en keek met bewondering naar het tapijt, waarom ook de zijnen zich schaarden. Ieder stemde toe zoo iets nog nooit gezien te hebben, en de levendige weduwe Susanna wilde hare dochter Katharina laten roepen met de kinderen die bij haar op bezoek waren, doch omdat het zoo laat en haar huis zoo ver van het stadhouderlijk verblijf gelegen was, zag zij er van af.

Vader en zoon hadden reeds van dit kunstwerk gehoord, hetwelk door het overwinnend leger der Arabieren bij de verovering van het Perzische rijk in het "witte slot", het koninklijk paleis der Sassaniden in de residentie Madain buit was gemaakt. Zij wisten dat het oorspronkelijk 300 ellen lang en 60 breed was geweest en hadden met schrik vernomen, dat de Kalief Omar, die altijd nog als een eenvoudig aanvoerder eener karavaan leefde, zich kleedde en voedde, en op zulk een prachtstuk met minachting neerzag, dit onschatbaar kunstwerk in stukken gesneden en onder de strijdgenooten van den profeet verdeeld had.

De koopman verklaarde nu, dat dit stuk tapijt het aandeel in den buit geweest was van Ali, den schoonzoon van den profeet. Hij had het kunstwerk in zijn geheel in Madain, waar het in de prachtige troonzaal aan den wand hing, en later andermaal in Medina vóor de verdeeling gezien.

Alle aanwezigen verzochten nu dringend, dat hij eene beschrijving zou geven van het ontbrekende gedeelte. Maar hij scheen niet op zijn gemak te zijn; herhaaldelijk keek hij naar zijne naakte voeten, die op den vochtigen mozaïekbodem nabij de fontein stonden; want overeenkomstig de zeden zijns volks had hij zijne sandalen in het voorvertrek gelaten. De stadhouder had de bewegingen van den ouden heer gevolgd, die zijne hand vaak aan zijne lippen bracht, en een zijner slaven iets in het oor gefluisterd, terwijl zijne vrouw, Orion en de weduwe, Haschim met vragen bestormden. De slaaf was terstond daarop teruggekeerd en had op bevel zijns meesters eene langwerpige strook tapijt voor de bruine, welgevormde maar teedere naakte voeten van den Arabier uitgespreid.

Terwijl dit geschiedde had er in de houding van den koopman eene eigenaardige verandering plaats. Met eene waardigheid, door niemand der aanwezigen verwacht van den man, die het vertrek zoo deemoedig was binnengetreden en zijne kostbare koopwaar met welsprekende woorden aangeprezen had, richtte hij zich op; zijn kalm, zachtmoedig gelaat nam een uitdrukking aan van tevredenheid, om zijn mond speelde een beminnelijk lachje, en zijne goedige oogen fonkelden als die van een kind, dat men bijzonder pleizier aandoet. Daarna boog hij voor den Mukaukas, terwijl hij met de vingertoppen zijner rechterhand het voorhoofd, den mond en de borst aanraakte, om daarmee te kennen te geven: "wat ik denk, spreek en gevoel is u gewijd," en zeide: "Heb dank, zoon van Menas! Dit was eene daad een muzelman waardig!"

"Een christen," verbeterde Orion haastig; doch zijn vader schudde daarop even het hoofd en zeide met nadruk en langzaam: "Slechts een mensch!"

"Een mensch," herhaalde de koopman, waarop hij nadenkend liet volgen: "Een mensch! ja, dat is waarlijk het hoogste, zoolang we zijn wat we zijn moeten: evenbeelden van den eeuwigen God. Wie is barmhartiger dan Hij, en ieder barmhartige uit eene vrouw geboren is Hem gelijk."

"Wederom een christelijk woord," zeide Orion, hem in de rede vallende. "Gij zijt een vreemde muzelman!"

"En toch," hernam Haschim met kalme waardigheid, "komt dit woord voor woord overeen met de leer van den besten der menschen, onzen profeet. Ik behoor tot hen, die hem hier op aarde gekend hebben. De geringste smart van den broeder vervulde zijn teergevoelig hart met innig medelijden. Zijn voorschrift verlangt barmhartigheid ook voor het boompje aan den weg, en noemt het doodzonde dit te schenden. Ieder muzelman heeft dit voorschrift te volgen. Barmhartigheid te betoonen heet in het boek van den profeet...."

Hier werd de koopman plotseling en ruw gestuit, want Paula, die tot hiertoe, tegen een der zuilen van den wand geleund, het tapijt bewonderd en het gesprek zwijgend gevolgd had, liep met een paar driftige schreden op den Arabier toe, wees, terwijl een hooge blos hare wangen kleurde en hare oogen vlammen schoten, op hem en riep met trillende stem, zonder zich te storen aan de verbazing en de ontevredenheid der aanwezigen, noch om het hondje, dat vinnig tegen den Arabier begon te keffen: "Gij, gij, de aanhanger van den leugenprofeet, gij de gezel van den bloedhond Chalid, gij zoudt barmhartig zijn! Ik ken u, ik weet wat gij in Syrië hebt uitgericht! Ik heb u en uwe bloedlekkende vrouwen met deze oogen gezien en het schuim van woede op uwe lippen! Hier sta ik als getuige tegen ulieden en roep u in het aangezicht toe: Gij hebt in Damascus verdragen verbroken en de slachtoffers van uw bedrog--mannen niet alleen maar ook weerlooze vrouwen en teedere kinderen--met het zwaard vermoord en met de handen geworgd. Gij, gij, een apostel der barmhartigheid! Hebt gij dan niets van Abyla gehoord? Gij vriend van uw profeet, wat hadden u, die zegt dat gij zelfs geen boom aan den weg zult deren, wat hadden u die onschuldige lieden in Abyla gedaan, dat gij ze worgdet als wolven die een schaapsstal binnendringen? En gij zoudt barmhartig zijn!"

Het hartstochtelijke meisje, wien niemand barmhartigheid bewees, wien dit woord als een smaad in de ziele had gegrepen, dat uren lang gemarteld door een pijnigend gevoel van spijt, met moeite ingehouden, thans zich verlicht gevoelde, nu het den vrijen loop kon laten aan het wee dat hare ziel kwelde--het meisje barstte uit in een bitteren lach en zwaaide met de hand, als wilde zij een bijenzwerm verdrijven.

Welk eene vrouw! Orion hield de oogen met huivering en toch vol geestdrift op haar gericht. Ja, zijne moeder had haar wel doorgrond. Zoo lacht geen goed en teergevoelig meisje; maar zij was toch groot, heerlijk, bewonderenswaardig in haar toorn. Zij deed hem denken aan het beeld van de godin der wraak van Apelles' hand, dat hij in Konstantinopel had gezien. Zijne moeder zag schouderophalend de weduwe aan met een blik die zeide, dat zij elkander begrepen. Doch ook zijn vader werd onrustig nu hij van dit tooneel getuige was. Hij wist wat haar aandreef, doch hij begreep dat hij haar niet mocht laten begaan en bracht het opgewonden meisje tot bezinning, door haar op half verwijtenden half meewarigen toon eerst zacht, daarna luider en strenger bij den naam te roepen.

Toen verschrikte zij als eene slaapwandelaarster, die plotseling uit hare halve sluimering ontwaakt, streek met de hand over hare oogen en zeide, terwijl zij zich voor den stadhouder boog: "Vergeef mij, oom! Het doet mij leed dat ik mij zoo liet medesleepen, maar ik kon mij niet inhouden. Gij weet wat achter mij ligt, en als men mij daaraan herinnert, als ik den lof moet hooren verkondigen van die afschuwelijken, die mijn vader en mijn broeder...."

Een luid snikken belette haar eensklaps verder te gaan, en de kleine Maria drukte zich weenend tegen haar aan. Orion moest zich bedwingen om niet naar haar toe te snellen en haar te omarmen. Hoe goed stond haar, die zoo groot scheen, deze vrouwelijke zwakheid, hoe trok zij thans hem aan! Maar Paula bleef niet lang in dien toestand, want reeds terwijl de stadhouder haar met vriendelijke woorden geruststelde, werd zij hare innerlijke ontroering meester, en zeide zacht, terwijl de tranen langs hare wangen biggelden: "Laat mij, bid ik u, naar mijne kamer gaan."

"Goeden nacht dan, kind!" zeide de Mukaukas hartelijk, en daarop richtte zij na een zwijgenden groet aan de anderen, hare schreden naar de deur. De muzelman hield haar echter terug, zeggende: "Ik weet wie gij zijt, edele dochter van Thomas, en ik heb vernomen dat uw broeder de bruidegom was, die naar Abyla was gekomen, om daar bruiloft te vieren met de dochter van den prefect van Tripolis. Ach, dat ik, terwijl ik op reis voor mijne zaken daar ter jaarmarkt ging, het zelf moest beleven, zelf moest aanzien hoe eene waanzinnige bende van mijne geloofsgenooten de vreedzame stad overviel. Arm, arm kind! Uw vader was de grootste en wakkerste onder al onze vijanden. Hetzij hij nog op aarde leeft of in den hemel, hij eert gewis ons zwaard, gelijk wij het zijne. Maar uw broeder, die als bruidegom werd vermoord, hij heeft stervende ons vervloekt, en gij zijt de erfgename van zijn toorn en wanneer uwe verontwaardiging zich over mij, den muzelman, uitstort, dan kan ik niet anders doen dan mij buigen en boeten voor de schuld dergenen, die van mijn bloed zijn en wier geloof ik belijd. Ik weet niets aan te voeren, edele jonkvrouw, neen niets, wat de daad van Abyla verontschuldigen kan, en dáar, dáar was het mijne grijze haren beschoren--geloof mij, meisje, het heeft mij pijn gedaan--mij over de mijnen te schamen. De krijg, de herinnering aan menigen gesneuvelden vriend, aan roof en plundering had de hartstochten ontbonden, en waar deze de vleugels uitslaan, hetzij in den strijd om het mijn en dijn, hetzij om andere goederen, heeft sedert Kaïn en Abel altijd en overal hetzelfde plaats."

Paula, die den ouden man tot dusverre roerloos had aangehoord, schudde het hoofd en zeide bits: "Dat alles geeft mij mijn vader en mijn broeder niet weder. Gij zelf ziet er uit als een zachtaardig man, maar als gij even rechtvaardig zijt als goed, zoo overtuig u in het vervolg eerst met wien gij spreekt, voor gij de barmhartigheid van uwe geloofsgenooten roemt."

Zij herhaalde daarop haar groet en verliet het vertrek. Orion ging haar achterna; wat er ook van komen mocht, hij moest haar volgen. Doch weinige oogenblikken later keerde hij terug, terwijl hij na een diepen zucht de tanden vast op elkaar klemde. Hij had hare hand gegrepen, haar alles te verstaan gegeven, wat een beminnend hart zeggen kan, maar hoe scherp, hoe ijskoud was hij afgewezen, en met welk een onverdragelijk verachtelijk gebaar had zij hem den rug toegekeerd! En nu hij zich weder onder de zijnen bevond, hoorde hij nauwelijks hoe zijn vader aan den ouden heer zijn leedwezen te kennen gaf, dat zulk eene pijnlijke bejegening hem onder zijn dak was ten deel gevallen, en hoe de Arabier verklaarde zeer goed te begrijpen, dat de weeze van Thomas zich niet had kunnen inhouden. Het gebeurde te Abyla was door niets te verontschuldigen.

"Maar komt niet in elken strijd iets dergelijks voor?" zoo ging de oude heer voort. "Ook de christen is niet altijd zichzelven meester. Ook gijzelf hebt, zooals ik weet, twee bloeiende zonen verloren, en wie waren de moordenaars? Het zijn christenen geweest, uwe eigene geloofsgenooten...."

"De bitterste vijanden van mijn eigen geloof," antwoordde de stadhouder langzaam, en iedere syllabe weerlegde koel en uit de hoogte de meening van den muzelman, alsof het geloof dergenen, die zijne kinderen vermoord hadden, ook het zijne was, en daarbij openden zich zijne oogen wijd en kregen het aanzien der harde, dof glanzende steenen, welke zijne voorvaderen den zuilenbeelden als sterren om te zien in het aangezicht zetten. Opeens sloten zij zich plotseling weder en vervolgde hij op onverschilligen toon: "Hoe hoog schat gij uw tapijt? Want ik heb lust het te koopen. Geef mij den naasten prijs op, want afdingen stuit mij tegen de borst."

"Ik wilde er vijfmaal-honderdduizend drachmen voor vragen," hernam de koopman. "Met vierhonderdduizend zal ik tevreden zijn."

De vrouw van den stadhouder sloeg bij deze som hare handen in elkaar, waarschuwde haar gemaal door gebaren en schudde nog eens ontevreden het hoofd, toen Orion, die bijzonder zijn best deed om te toonen, dat ook hij zijn aandeel nam aan dezen buitengewonen koop, zeide: "Driemaal-honderdduizend is het wel waard."

"Viermaal-honderdduizend;" herhaalde de koopman kalm. "Uw vader heeft verlangd den uitersten prijs te weten, en ik vraag niet meer dan billijk is. De robijnen en granaten, die dezen druiventros vormen, die paarlen hier in de mirten, die turkooizen in de bloeiende vergeet-mij-nietjes, die diamanten daar boven, die als dauwdroppels aan de grashalmen hangen, en de smaragden die den glans van het groen der bladeren verhoogen--en vooral die eene reusachtige groote--hebben, als men ze er af nam, eene zeer hooge waarde."

"Waarom hebt gij ze dan niet uit het weefsel gesneden?" vroeg vrouw Neforis.

"Omdat ik het niet over mij verkrijgen kon," antwoordde de muzelman, "dit edele werk te schenden. Ik verkoop het zooals het is, of in het geheel niet."

Bij deze woorden gaf de stadhouder zijn zoon een wenk, zonder acht te geven op de afkeuring die zijne vrouw niet ophield te doen blijken, liet zich een tafeltje geven, dat bij het schaakbord lag, schreef eenige woorden daarop en zeide, terwijl hij het den koopman overhandigde: "De koop is door ons gesloten. Morgen vroeg zal de rentmeester Nilus op dit bewijs het bedrag voldoen."

Orion geraakte opnieuw in geestdrift, en onder het uitroepen van "heerlijk! heerlijk!" vloog hij naar zijn vader toe en kuste hij hem onstuimig de hand. Daarna wendde hij zich tot zijne moeder, wier oogen baadden in tranen van verdriet, beurde haar hoofd op, kuste haar voorhoofd en zeide trotsch en gelukkig: "Zoo handelen wij en de keizer."

Hierop ging hij naar den muzelman, zeggende: "Als de vader de grootmoedigste aller menschen is, dan zinkt de zoon er licht bij weg. Hij is er niet minder om, waardige heer! Wat uw tapijt aangaat, het mag kostbaarder zijn dan alle schatten van Kroisos, maar iets moet gij ons nog op den koop toegeven, voor gij uwe kameelen met ons goud belaadt: hoe heeft dit kunstwerk er uitgezien, vóor het verdeeld werd?"

De muzelman, die het kostbare tafeltje kalm in zijn gordel had geschoven, voldeed onverwijld aan deze uitnoodiging. "Gij kent," zoo begon hij, "zijne oorspronkelijke verbazende lengte en breedte. De zaal, welker wand met dit pronkstuk bedekt was, kon duizenden gasten bevatten, terwijl aan beide zijden van den troon plaats was voor honderden lijfwachten. Zooveel wevers, borduurders en juweliers als er dagen in het jaar zijn, moeten een heel menschenleven aan dit tapijt gewerkt hebben. Het ongeschonden weefsel stelde het paradijs voor, zooals de Perzen zich dat denken, geheel vervuld met groene, bloeiende en vruchtdragende boomen. Hier ziet gij nog een stuk van de koele bron, die bezaaid met diamanten, saffieren en smaragden, als men het behangsel van verre bekeek, er uitzag als glinsterend, frisch water. Die paarlen hier zijn het witte schuim eener golf. Die doorgesneden bladeren daarginds maakten deel uit van een rozestruik, die aan Edens bron bloeide, voor de drup van den eersten regen de wereld bevochtigde. Oorspronkelijk droeg hij enkel witte bloemen, doch toen de ledematen der eerste vrouwen grooter blankheid vertoonden dan zij, bloosden de witte bloemen van schaamte en sedert zijn er ook roode rozen. Zoo vertellen de Perzen."

"En wat was dit, ons stuk?" vroeg Orion verder.

"Het heeft," antwoordde de koopman, terwijl hij den jongeling met welgevallen aanzag, "behoord tot het middendeel van het tapijt. Aan de linkerzijde zag men het Oordeel bij de brug Tschinvat. Men had de verdoemden niet afgebeeld maar wel de gevleugelde Fravaschi, de genieën, die volgens het geloof der Perzen iederen sterveling in zijne eigene gestalte, met hem vereenigd maar toch niet onafscheidelijk verbonden, als schutsgeesten door het leven geleiden. Men zag hen voor zich, zooals zij in wilde vaart de verdoemde misdadigers, de werktuigen van den zwarten Angramainjus, die men zich als eene vluchtende schare voorstellen moest, vervolgden. Zegepralend trokken de zalige, reine, waarachtige vrienden van den lichtgod Ahouramasda zingend het bloeiende paradijs binnen, en aan hunne voeten zag men hen, die niet geheel verdoemd maar ook niet ten volle zalig verklaard konden worden, met gebogen hoofd, deemoedig en stil in een donker woud verdwijnen. In behagelijke rust genoten de reinen de gaven van het paradijs. Een priester der vuuraanbidders heeft mij dit alles verklaard. Hier ziet gij een reusachtige druiventros, waarnaar een gezaligde grijpt. Zijne hand bleef onbeschadigd, zooals gij ziet, maar de arm is, helaas! doormidden gesneden. Van de bloemen- en vruchtenkrans, die het geheel omlijst, bleef hier aan de bovenzijde een prachtig stuk bewaard. De smaragd, die daar den bloemknop vormt, hoe hoog schat gij dien steen wel?"

"Een prachtig edelgesteente!" zeide Orion, "Zelfs Heliodora bezit een dergelijke niet. Nu vader, wat mag die wel waard zijn?"

"Veel, zeer veel," antwoordde deze, "en toch zou het geheele, ongeschonden kunstwerk nog te gering zijn voor hem, wien ik het heb toegedacht."

"Den veldheer Amr?" vraagde Orion.

"Neen, mijn kind," antwoordde de stadhouder op stelligen toon. "Den hoogen, ondeelbaar goddelijken persoon van Jezus Christus en zijne kerk."

Bij deze woorden sloeg Orion teleurgesteld de oogen neder. De gedachte stuitte hem tegen de borst, dat hij dezen heerlijken steen op een reliquiënkistje in eene donkere kast zou zien verdwijnen. Hij zou er veel vriendelijker bestemming aan hebben weten te geven.

Doch zijn vader zoomin als zijne moeder bemerkten hoezeer hij ontstemd was; want vrouw Neforis was naar het rustbed van haar gemaal gevlogen, daarvóor op de knieën gezonken en fluisterde, terwijl zij de koude fijne hand van den kranke met kussen overlaadde, zoo welgemoed, als had dit besluit hare ziel van een zwaren last bevrijd: "Onze zielen, onze zielen, Georg! Wacht maar--terwille van zulk een geschenk--zal u alles vergeven worden en zult gij uwe zielsrust terug erlangen."

De stadhouder haalde zwijgend de schouders op, liet het tapijt oprollen en door Orion in het tablinum [2] wegsluiten. Ten laatste beval hij den huismeester, dat hij den Arabier en zijne lieden voor dezen nacht een kwartier zou aanwijzen.

ZESDE HOOFDSTUK.

Zielsangst en gewetenswroegingen waren het inderdaad geweest, die den stadhouder hadden doen besluiten het tapijt te koopen, en het zou hem daarom misschien verheugd hebben, wanneer het nog duurder was geweest. Hoe grooter de gave, des te vaster mocht hij verwachten dat hij, die het geschenk ontving, hem zijne genade en gunst niet zou onthouden. Hij had wel reden om zich te verontrusten en zich af te vragen of hij goed gehandeld had. Wraak te oefenen was geen christelijk werk, maar ongestraft te laten wat de Melchieten hem hadden aangedaan, terwijl zich de gelegenheid aanbood om het hun betaald te zetten, dat had hij niet van zich kunnen verkrijgen. Maar welke vader zou dit mogelijk zijn geweest, als men twee zijner bloeiende zonen had vermoord? Deze vreeselijke slag had den hartader zijns levens getroffen. Sedert had hij zijne lichaamskrachten langzaam voelen afnemen, en ook dat gevoel van zwakheid, die aanvallen van angst, die gebreken en smarten, welke hem meer en meer kwelden, meende hij op rekening te mogen schrijven van de Melchietische geweldenaars.

Het kwijnende leven van dezen man werd alleen staande gehouden door zijne natuurlijke kracht en door zijn brandenden dorst naar wraak, en de omstandigheden hadden hem in staat gesteld dezen laatsten op eene wijze te stillen, die ten slotte hem, die anders vreedzaam van aard was, al te zeer geschokt had.

Het mocht dan niet door zijne schuld zijn, het was toch met zijne medewerking, dat het Byzantijnsche rijk eene rijke provincie verloor, die de keizer aan zijne hoede had toevertrouwd. Hij was er getuige van dat de Grieken en allen die den naam van Melchieten droegen uit Egypte werden verdreven, en dat zij, hoewel hij het gaarne verhinderd had, op vele plaatsen door het opgeruide volk, hetwelk de muzelmannen als bevrijders begroette, gelijk dolle honden werden doodgeslagen. Al het kwaad, dat hij den moordenaars zijner kinderen, den verdrukkers en uitzuigers van zijn volk had toegewenscht, was over hen gekomen en zijne wraak maar al te volkomen geweest. Doch te midden van de vreugde over deze onverwachte vervulling van een vurigen wensch, dien hij jaren lang had gekoesterd, was de stem van zijn geweten ontwaakt en had zich eene te voren ongekende angst van hem meester gemaakt. Om als een held of een hervormer op te treden, daartoe ontbrak het hem aan geestkracht. Wat de nieuwe veroveraars hadden tot stand gebracht was van te veel beteekenis, de rampen die zij over duizenden hadden gebracht waren te vreeselijk, het christelijk geloof, dat hij zoo hoog stelde, was te zeer door hen in gevaar gebracht, dan dat hij de gedachte rustig zou hebben kunnen verdragen hiervan de oorzaak te zijn. De verantwoordelijkheid van dit alles was voor zijne schouders te zwaar, en hoe vaak hij het zichzelven ook herhaalde, dat hij de Arabieren niet in het land had geroepen, dat het hem aan macht had ontbroken hen af te weren, zoo hoorde hij zich toch van alle zijden aanwijzen als de man, die hun zijn vaderland had overgeleverd. Van alle kanten zag hij zich bedreigd, en hij geloofde hen die hem vertelden van sluipmoordenaars, welke de Byzantijnen tegen hem hadden uitgezonden. Maar nog kwellender was zijne vrees voor den toorn des hemels over hen, die een christelijk land aan de ongeloovigen hadden overgeleverd. Het bewustzijn dat hij levenslang een weldenkend, rechtvaardig man was geweest, kon hem van dezen angst niet verlossen, en er was maar éen middel dat zijn gezonken moed staande hield, namelijk de witte pilletjes, die hem sedert lang even onontbeerlijk waren als lucht en water.

De oude, zachtmoedige bisschop Plotinos van Memphis en zijn geestelijkheid hadden voor alles vergeving. De patriarch Benjamin, die gedurende zijne verbanning uit de woestijn op de Arabieren had gewezen als verlossers van de tyrannie der Melchieten, was vooral door zijn toedoen teruggeroepen en in zijn ambt hersteld. Hij had dus op diens goedkeuring gehoopt; maar deze had hem als een verlorene, eeuwig verdoemde bejegend, en hoewel hij, de Mukaukas, ook doorzag, welke bijzondere bedoelingen de kerkvorst hierbij had, zoo geloofde hij toch dat Benjamins herdersambt hem de macht verleende, voor elk schaap zijner kudde de hemelpoort te sluiten. Hoe meer hij zag dat de Arabieren zich in zijn vaderland vastnestelden, hoe verstandiger zij daar alles inrichtten, hoe meer Egyptische christenen hij eindelijk van het kruis tot de halve maan zag overgaan, des te grooter scheen hem zijn schuld. En nu, na zich volledig gewroken te hebben, hetgeen de Grieken "dubbel verraad" noemden, nu hem in plaats van de straf Gods alles ten deel viel, wat de menschen geluk en gunst van het lot noemen, bekroop den geloovigen man de vrees, dat dit de vergelding des duivels was, omdat de vrede die hij zoo haastig met de muzelmannen had gesloten, hem zoo vele christenzielen in de armen had gedreven.

Twee groote erfenissen waren hem onverwacht ten deel gevallen. Zijne schatgravers in de doodenstad hadden meer goud uit de oude heidensche groeven opgedolven dan alle overigen te samen. De muzelmansche Kalief en zijn plaatsvervanger hadden hem in zijn ambt gehandhaafd en bewezen hem vriendschap en eer. De bouleuten [3] der stad hadden hem onder de toejuiching van de geheele burgerij den bijnaam van den "rechtvaardige" toegekend. Zijne goederen hadden nooit meer rente afgeworpen. Van de weduwe van zijn vermoorden oudsten zoon kreeg hij uit het klooster brieven, gewagende van het groot geluk dat zij gevonden had in deze nieuwe levensbestemming, en haar dochtertje, zijn kleinkind, groeide zoo voordeelig op, dat ook vreemden in het vroolijke kind behagen schepten. Eindelijk hadden de talrijke brieven van zijn zoon uit Konstantinopel hem bewezen, dat deze zich in alle opzichten ontwikkelde en geen oogenblik zijne ouders vergat; want van alle genietingen die hij smaakte, van alle overwinningen die hij behaalde, had hij zich steeds beijverd uit eigen beweging dadelijk mededeeling te doen. Ook in den vreemde bleef hij met vader en moeder voortleven en hen beschouwen als het beste en liefste wat hij op aarde bezat.

En Paula? Zij wist zijne gade niet voor zich in te nemen, maar hij beschouwde hare tegenwoordigheid als eene goede beschikking, waaraan hij--niet enkel bij het schaakspel--menig aangenaam uur te danken had.

Dit alles kon wel een geschenk van den satan zijn, maar was dit het geval, dan wilde hij, Georg de Mukaukas, den booze nu toonen, dat hij niet hem maar den Heiland toebehoorde en op diens genade hoopte. Hoe was zijne ziel met innige dankbaarheid vervuld jegens den Allerhoogste voor den terugkeer van zulk een zoon! Al wat in hem was drong hem dit gevoel uit te spreken, en zoo waren het zielsangst en erkentelijkheid beide, die hem ertoe gebracht hadden zulk eene groote som op te offeren, om aan de kerk van Christus een geschenk te geven zonder weerga. Hij verbeeldde zich een krijgsgevangene te zijn voor wien het losgeld wordt voldaan, toen hij het tafeltje met de lastgeving tot betaling aan den koopman overhandigde; en nu men hem ter ruste bracht en zijne gade niet ophield hem te danken voor zijn vroom plan, gevoelde hij zich zoo verlicht en blijmoedig gestemd, als in geen jaren het geval was geweest.

In den regel hoorde hij Paula, die boven zijn slaapvertrek huisde, heen en weer loopen; want zij ging laat te bed en verdiepte zich gedurende de nachtelijke stilte misschien in zoete en smartelijke herinneringen. Hoeveel had het bittere noodlot haar niet ontroofd: een vader, een broeder, hare meeste bloedverwanten en vrienden, allen tegelijk, allen door de hand der muzelmannen, aan wie hij zijn vaderland had overgegeven zonder het te verdedigen! "Men hoort Paula heden niet," zeide hij, naar boven ziende, als zocht hij iets. "Het arme meisje zal zich na het gebeurde van zoo straks tijdig ter ruste gelegd hebben."

"Laat haar rusten," sprak vrouw Neforis, die ongaarne hare blijmoedige stemming zag verstoren, terwijl zij onwillig de schouders ophaalde. "Hoe heeft zij zich weer misdragen! Wij hebben zooeven veel te veel over barmhartigheid gehoord; ik zal over de mijne niet roemen, hoewel ik haar gaarne wil betoonen; bovendien is het mijn plicht eene verlatene verwante van u goed te behandelen. Doch dit meisje--neen, zij maakt het mij al te zwaar, en ik ben toch ook maar een mensch! Ik kan niet vroolijk zijn als ik haar zie; komt zij het vertrek binnen, dan is het mij als trad het ongeluk zelf over den drempel. En dan--gij hebt voor zulke dingen geen oogen, maar Orion bemoeit zich met haar veel meer dan goed is. Ik zou wel willen dat wij haar de deur uit hadden."

"Neforis," zeide haar echtgenoot op een toon van zacht verwijt. Gaarne had hij haar in sterker bewoordingen terecht gewezen, maar sedert hij een slaaf van de opium was geworden, wilde het hem niet meer gelukken, noch in kleine noch in groote dingen, zich krachtig tegen haar te verzetten.

Weldra lag de Mukaukas onrustig te dommelen, terwijl hij van tijd tot tijd de oogen opende. Hij hoorde den zachten tred niet boven zijn hoofd, waaraan hij sedert twee jaren gewoon was. Toch was zij, die meestal de eerste helft van den nacht nog in beweging was, niet ter ruste gegaan, gelijk hij meende. Na hetgeen er was voorgevallen had zij wel met gloeiende wangen en brandende oogen haar kamer opgezocht, maar de slavinnen, die weinig acht sloegen op een gast, die men slechts scheen te dulden en die door de vrouw des huizes met den nek werd aangezien, hadden het voorschrift om de luiken harer kamer na zonsondergang te openen, ten einde de koelere avondlucht binnen te laten, niet nagekomen, en thans vervulde eene bedwelmende, drukkende, zwoele atmosfeer het vertrek. De houten blinden, ja zelfs de linnen lakens op haar wollen rustbed voelden warm. Het water in haar aarden kruik en ook de handdoek waarnaar zij greep waren lauw. Voor eene Egyptische was dit niets ongewoons, maar de Damasceensche had elken zomer in het schoone landhuis haars vaders, op de zonnige helling van den Libanon, in schaduwrijke koelte doorgebracht, en heden scheen de warmte haar overal ondragelijk toe. Buiten was het aangenaam, dat had zij beneden gevoeld, en daarom stootte zij, zonder zich lang te bedenken, de luiken open, omsluierde haar hoofd met een langen donkeren doek, sloop de steile trap af en ging vervolgens door een poortje voor het dienstpersoneel, dat haar bekend was, naar den open hof. Daar haalde zij vrij adem en strekte de armen wijd uit, als verlangde zij niets vuriger dan van hier weg te vliegen; doch weldra liet zij ze zinken, terwijl zij rondom zich keek.

Zij was niet enkel naar buiten gegaan om koelte te zoeken, neen, zij verlangde bovenal haar onstuimig en beangst gemoed aan anderen lucht te geven, en in de woningen der dienaren bevonden zich twee menschen, van welken eene haar begreep, kende en liefhad, terwijl de ander aan haar gehecht was als een trouwe hond, en zaken voor haar verrichtte, die voor den stadhouder en zijn gezin een geheim moesten blijven. Een van dezen was hare voedster, die haar naar Egypte was gevolgd, de tweede was de vrijgelaten stalmeester van haar vader, die met zijn halfvolwassen zoon de vrouwen had geleid en beschermd, toen zij na het bloedbad van Abyla uit hun schuilhoek waren te voorschijn gekomen, en na zich een tijdlang in een dal van den Libanon te hebben opgehouden, niet beter hadden weten te doen, dan naar Egypte te vluchten, ten einde zich daar onder de bescherming te stellen van den Mukaukas Georg, wiens zuster de eerste gemalin haars vaders was geweest. Zijzelve was gesproten uit den tweeden echt met eene aanzienlijke Syrische jonkvrouw, eene bloedverwante van keizer Heraclius, die op jeugdigen leeftijd kort na hare geboorte gestorven was.

Sedert hare komst alhier waren beiden van haar gescheiden. De vrouw van den stadhouder had in de voedster Perpetua terstond eene buitengemeen kunstvaardige weefster gezien, en haar gebruikt om aan het hoofd te staan van de huisslavinnen, die zich met het weefgetouw bezighielden. De oude vrouw had zich gaarne met die taak belast, ofschoon zij van geboorte eene vrije was; doch voor haar was er alles aan gelegen in de nabijheid te blijven van haar dierbaar pleegkind. Ook de stalmeester Hiram was met zijn zoon onder de lieden van den Mukaukas opgenomen, allereerst om te zorgen voor de vijf schoone paarden uit den stal haars vaders, die de vluchtenden naar Egypte hadden medegebracht, vervolgens ook--want men had zijne bekwaamheden spoedig ontdekt--om als veearts en bij het aankoopen van paarden met zijn raad te kunnen dienen.

Paula moest met beiden spreken en zij wist nauwkeurig waar zij te vinden waren, maar zij kon hen niet bereiken zonder zich aan onaangenaamheden bloot te stellen, want de vrije bedienden van den Mukaukas, haar vriend, en nu na het sluiten van de poort ook de soldaten van de wacht, zaten nog altijd in verschillende groepen bij elkaar te praten, en zij gingen zeker vooreerst nog niet uit elkander, want eenige slaven brachten daar juist aan de manschappen van de wacht hun avondmaal. In den hof hield het komen en gaan nog niet op, want ieder wien dit vrij stond genoot van de nachtelijke koelte. Alleen de slaven behoorden hiertoe niet, daar zij terstond na het sluiten van de poort voor het dienstpersoneel in hunne woningen gedreven waren. Doch ook uit hun kwartier lieten zich nog stemmen vernemen.

Met een kloppend hart zocht Paula alles, wat hare scherpe oogen en ooren bereiken kon, op te vangen. De hooger stijgende maan verlichtte de eene helft van den hof, de andere lag, zoover de schaduw van het stadhouderlijk paleis reikte, in het donker. In het midden van den eersten halven kring, waarin de vrije dienaars zich bijeen geplaatst hadden, brandde een vuur, dat flikkerlichten wierp op hunne bruine aangezichten, en wanneer het opnieuw met pijnappels gevoed werd hoog opvlamde, en ook de donkere ruimte van de groote plaats voor haar verlichtte. Dit vermeerderde de bezorgdheid van de luisterende, die den hof moest oversteken en toch niet opgemerkt mocht worden; want hoe natuurlijk en onschuldig alles ook was wat zij voorhad, zoo wist zij toch dat de vrouw van haar oom aan haren nachtelijken gang eene smadelijke uitlegging zou geven.

In den beginne had Neforis haar gemaal opgewekt, Paula bij hare nasporingen naar haren vader, van wiens dood niemand eenige zekerheid kon geven, behulpzaam te zijn, doch de aanmoediging van de vrouw des stadhouders was overbodig geweest, want hij had uit eigen beweging een jaar lang alles gedaan, om bij christenen en muzelmannen omtrent het leven of den dood van den verlorene berichten in te winnen. Sedert de laatste maanden was echter iedere verdere bemoeiing in deze zaak eerst door vrouw Neforis voor dwaas verklaard, en weldra had haar onzelfstandige gemaal deze zienswijze gedeeld en den verdwenen bloedverwant opgegeven. Van de goederen haars vaders had de Mukaukas niet zonder persoonlijke opofferingen veel voor haar gered, de grondbezittingen ten haren bate verkocht, uitstaande gelden zoo mogelijk ingevorderd, en haar afrekening willen geven van alles wat hij teruggekregen had. Maar zij achtte haar eigendom in zijne hand wel bewaard, en zij stelde zich tevreden met de mededeeling, dat zij, hoewel niet rijk in den zin van den Egyptischen Kroisos, toch een vrij aanzienlijk vermogen bezat. Toen zij een en andermaal een deel ervan vroeg, om de nasporingen voort te zetten, liet de Mukaukas haar het verlangde terstond uitbetalen, doch voor de derdemaal weigerde hij echter zeer bepaald aan haar wensch gehoor te geven, en wel met de beste bedoeling. Hij verklaarde bij die gelegenheid haar kurios [4] en natuurlijke voogd te zijn, en achtte zich verplicht haar te beletten ter wille van een hersenschim--want anders was dat vruchteloos zoeken toch sedert lang niet meer--een geheel vermogen te verkwisten dat haar later welkom, ja wellicht van groot nut kon zijn. Wat hij tot hiertoe uitgaf, had hij uit zijne eigene kas betaald. Zij erkende dit als eene edele daad, maar zij drong toch telkens weder bij hem aan om haar zin te doen, hoewel sedert lang te vergeefs; want onverbiddelijk legde hij de hand op dat hem toevertrouwde goed, en schonk haar geen enkele solidus meer om dat eenigst en dierbaarst doel van haar leven te bereiken.

Schijnbaar onderwierp zij zich, maar haar voornemen om er alles aan te wagen, ten einde het spoor van den verdwenen vader te ontdekken werd in haar vastberaden gemoed niet tot wankelen gebracht. Voor de opbrengst van een parelsnoer, dat zij nog bezat, had haar trouwe Hiram een verre reis ondernomen, en daarna een aantal boden naar verschillende landstreken gezonden. Nu kon althans éen hunner zeer goed met nieuwe berichten teruggekeerd zijn, en zij moest den vrijgelatene spreken. Maar hoe hem ongezien te bereiken? Een poos lang tuurde en luisterde zij, om een gunstig oogenblik tot het oversteken van den hof waar te nemen.

Daar viel een lichtstraal op een gelaat, het was dat van Hiram. Thans barstte de vroolijke troep in luid gelach uit; zij nam haastig een besluit, trok den hoofddoek vaster om haar hoofd, doorliep in allerijl het in de schaduw liggende deel van den hof, en snelde in gebukte houding door den maneschijn naar het slavenkwartier. Aan den ingang ervan bleef zij ademloos en met een kloppend hart staan. Had men haar opgemerkt? Neen! Geen roepstem weerklonk, geen schrede naderde, de honden kenden haar allen; de wachters, die anders hier stonden, hadden hunne posten verlaten en zaten met hunne gezellen bij het vuur.

Het lange huis aan hare linkerzij was de weverij en op de bovenverdieping woonde Perpetua, hare voedster.

Voor alles diende zij ook hier omzichtig te handelen, want de gemalin van den stadhouder kwam vaak op deze plaats, om bevelen te geven aan de arbeidsters, om op den arbeid toe te zien en te beoordeelen wat er gewerkt werd op de honderd weefgetouwen, die van 's morgens vroeg tot 's avonds laat in beweging waren. Als men haar hier opmerkte, konden de weefsters haar nachtelijk bezoek licht verraden.

Zij waren nog niet ter ruste gegaan, want uit de groote, aan alle zijden opene, alleen met een dak gedekte schuur, waar de kuipen der ververs stonden klonk haar een luid gelach te gemoet. Ook dit gedeelte van de dienstdoenden genoot na de gloeiend heeten dag van de nachtelijke koelte. De meisjes hadden bovendien een vuur aangelegd.

Paula moest hen in de maneschijn voorbijgaan, doch het rechte oogenblik daartoe was nog niet gekomen, en zij bleef zoo dicht mogelijk bij het strooien afdak, dat de groote aarden waterkruiken bedekte, die hier geplaatst waren ten behoeve van de slavinnen. Dat afdak wierp eene donkere driehoekige slagschaduw op den zandigen, helder door het maanlicht verlichten grond, en deze maakte haar onzichtbaar voor de oogen der weefsters, hoewel zij alles zag en hoorde wat er in de schuur gebeurde.

Een moeilijke, pijnlijke dag, die met een schrillen wanklank geëindigd was, lag achter haar, en daarachter weder eene reeks van zalige uren, die nieuw geluk schenen te voorspellen. Ze waren gevolgd op een langen tijd van deemoediging, de nasleep van het smartelijk ongeluk, dat haar had getroffen. Hoe zonnig en vroolijk was hare kindsheid geweest, hoe kostelijk hare vroegste jeugd! Zij had jaren gekend, waarin elke morgen haar tot nieuwe vreugde had gewekt, waarin zij elken avond ter ruste ging met dankgebeden, die zoo natuurlijk en vrij uit hare ziel opwelden als de geur uit de rozen stijgt. Vaak had zij toen ongeloovig en verdrietig het schoone hoofdje geschud, wanneer de aarde een jammerdal en het levenslot van den mensch beklagenswaardig werden genoemd. Thans, ja thans wist zij het beter, en in vele eenzame uren, in elken slapeloozen nacht vroeg zij zichzelve af, of het een goed en liefderijk God kon zijn, die een kind deed geboren worden en opwassen, en daarna vervulde met de schoonste verwachtingen, om het vervolgens alles wat het lief had gekregen en wat het begeerlijk achtte, ja zelfs de hoop te ontnemen. Maar de ongelukkige, die eene godsdienstige opvoeding had gehad, geloofde nog altijd, en nog onlangs scheen het wel als wilde de hemel haar geven, waarnaar haar warm gemoed het meest verlangde, de liefde namelijk van een ander, dien zij liefhebben kon en die hare liefde ten volle waardig was. En nu, hoe was zij teleurgesteld! Daar stond zij in het troosteloos gevoel van hare verlatenheid, en was haar toestand beklagenswaardig geweest vóor de terugkomst van Orion, hij was het thans nog meer. Want van eene vergetene was zij eene bedrogene geworden, zij, de dochter van Thomas, de bloedverwante, de gast van de rijkste familie in het land; en naast haar klonk in de ruw getimmerde smerige verversschuur, uit de borst van armzalige slavinnen, die door de zweep van den opzichter werden geregeerd, een zoo luid, levenslustig en jolig gelach, dat zij er naar luisteren moest en het oog richten op deze jeugdige wezens, die zulk een overvloed van blijmoedigheid schenen te bezitten dat er de mond van overliep.

Onder de met palmtakken gedekte wijde ruimte van de ververij waren vele meisjes bijeen, aardige en leelijke, bruine en blanke, kleine en groote, recht opgegroeide en anderen wier ruggen reeds gekromd waren door den zwaren arbeid in de weefstoelen sedert hunne prille jeugd. Allen waren nog jong, geen hunner telde meer dan achttien jaren. De slaven waren een kapitaal, waarvan de arbeid die zij leverden en de kinderen die zij kregen de renten vertegenwoordigden. Elk onvrij meisje werd spoedig, nadat zij volwassen was, uitgehuwelijkt aan een slaaf. In de weverij werkten vrouwen en meisjes, doch de eersten sliepen in een eigen kwartier bij hunne mannen en kinderen; de nog ongehuwde arbeidsters daarentegen overnachtten in slaapzalen, die aan de werkplaatsen grensden. Thans was het hun rusttijd en hadden zij zich in twee groepen verdeeld. De eene had zich geschaard rondom een Egyptisch meisje, dat allerlei krabbels op eene tafel maakte, de andere vermaakte zich met een eenvoudig spel, daarin bestaande, dat ieder meisje op hare beurt den schoen over het hoofd wierp. Vloog deze nu over zekere krijtstreep, waarnaar zij met den rug gekeerd stond, dan beteekende dit, dat haar liefje weldra haar man zou worden; bleef de schoen tusschen haar en de op den grond getrokken lijn liggen, zonder deze te bereiken, dan moest zij nog wat geduld oefenen, of werd zij verbonden met een lotgenoot, dien zij niet lijden mocht.

Het meisje dat, wel door een twintig anderen omringd, op de tafel krabbelde, moest de voorbeelden voor de weefsels afteekenen, en bezat de gave, die zij van hare heidensche voorvaderen geërfd had, om elk gelaat van ter zijde gezien met enkele strepen zoo weer te geven, dat het, ofschoon de trekken wat komisch verwrongen waren, gemakkelijk te herkennen was. Zij verrichtte dit kunstwerk met behulp van een wastafeltje en een koperen stift, en gaf dan aan anderen te raden wie zij bedoeld had.

In den uitersten hoek van de schuur zat een meisje geheel alleen neergehurkt, dat zwijgend voor zich keek.

Paula overzag dat alles en begreep tevens wat er gebeurde, ofschoon er geen samenhangende volzin gesproken werd en er niets te hooren was dan een luid, hartelijk en onweerstaanbaar gelach. Wierp een meisje den schoen ver genoeg, dan lachte de jonge bende uit volle borst, en ieder riep vroolijk den naam van hem, dien zij aan hare gezellin tot man wilden geven. Viel de schoen vóor de streep, dan ging het nog luidruchtiger toe en riep men den naam uit van den oudsten en onoogelijksten der slaven. Aan eene bruine Syrische was het niet gelukt de grenslijn te bereiken, maar zij greep ondeugend het stuk krijt en trok eene nieuwe lijn tusschen haar en den schoen, zoodat deze nu toch achter eene streep kwam te liggen. Hierop steeg de vroolijkheid ten top, want velen wierpen zich op de valsche streep om haar uit te wisschen. Een overmoedig Nubisch kroeskopje smeet de schoen in de lucht en ving haar weer op, terwijl anderen over deze aardige grap bijna niet tot bedaren konden komen, en den naam luide uitriepen van hem, om wiens wil hare gezellin met de fortuin een loopje had genomen.

Het was of een vroolijk kaboutermannetje in de tochtige schuur zijn kwartier had opgeslagen, want rondom de teekenares ging het niet minder lustig toe dan bij het andere groepje. Werd een portret herkend, dan hadden allen plezier; zoo niet, dan riepen de deernen de namen van allerlei personen, die het voorstellen kon. Met welke uitgelatene bijvalsbetuigingen werd de goedgelukte karikatuur van den slavenopzichter beloond! Elk die het zag hield zich den buik vast van lachen, en hoe dol en uitgelaten werden ze toen een meisje der teekenares het tafeltje uit de handen rukte, en anderen haar op het lijf vielen, om het veroverde weder machtig te worden.

Paula had dit tooneel aanvankelijk met bevreemding en hoofdschuddend aangezien. Hoe kon men zich met zulke nietige en onzinnige dingen vermaken! Wel-is-waar, toen zij nog klein was, had zij ook om nietswaardige dingen kunnen lachen, en waren deze volwassene meisjes in onwetendheid en bekrompenheid van geest niet allen nog kinderen? De muren van het stadhouderlijk verblijf omsloten hare gansche wereld, haar blik reikte niet verder dan het tegenwoordig oogenblik, evenals bij de kleinen en zoo konden zij ook lachen als dezen. "Het lot," dacht Paula, "stelt haar nu schadeloos voor het ongeluk harer geboorte en voor ontelbare zure dagen, en straks gaan zij moede en vroolijk gestemd naar bed. Ik kan die arme schepseltjes benijden! Als ik het doen kon, begaf ik mij onder hen en gevoelde mij nog eens een kind!"

Zie daar was het geestig portret van den opzichter klaar, en een klein dikkertje barstte boven alle anderen in zulk een uitbundig en aanhoudend lachen uit, dat zoo natuurlijk uit de diepste diepte van haar borst opwelde, dat Paula, die waarlijk niet hierheen was gegaan om vroolijk te zijn, er door werd aangestoken, en of zij wilde of niet meelachen moest. Kommer en ellende waren opeens vergeten, zij overwoog en peinsde niet meer, en gedurende eenige oogenblikken gevoelde zij niets dan dat zij lachte, hartelijk en onophoudelijk lachte, als een jong en gezond menschenkind. Dit was zij inderdaad, en hoe goed deed het haar een wijle zichzelve te vergeten! Zij zeide het wel niet, maar zij voelde het en lachte nog steeds door toen de slavin, die alleen in een hoek had gezeten, zich bij de anderen voegde om het luidruchtig troepje wat toe te roepen, dat door Paula niet verstaan werd, maar dat aan de dartelheid der anderen nieuw voedsel gaf.

Het stille meisje met die slanke gestalte stond nu bij het vuur. Paula had haar nog niet kunnen zien, thans bleek dat zij verreweg de schoonste van allen was. Maar zij zag er niet vroolijk uit en denkelijk had zij pijn, want zij droeg, als had zij kiespijn een doek om het hoofd, die op den schedel over het zware blonde haar was vastgeknoopt. Het gezicht van dat meisje bracht Paula tot bezinning, en zoodra zij weder begon te denken, was het uit met de vroolijkheid. Doch de slavinnen bleven in dezelfde stemming, hoewel haar gelach niet meer zoo onschuldig en rein klonk als zooeven. Zij hadden een voorwerp voor hare scherts gevonden, dat zij liever met rust moesten laten.

Het meisje met het verbonden hoofd was ook eene slavin des huizes, maar eerst sedert kort en nadat het eenigen tijd bij twee oude slavenweduwen handenarbeid had verricht, was zij bij de weefsters toegelaten. Eene legerbende van Heraklius had haar aan de borst harer moeder na de overwinning van Chosroes II uit Perzië naar Alexandrië gebracht, waar beiden voor den Mukaukas gekocht werden. De Perzische vrouw stierf, toen de kleine, die niet in slavernij geboren was, den leeftijd van dertien jaren bereikt had. Het kind wies op tot een lieftallig meisje met een lelieblanke huid en dik goudgeel haar, dat thans bij het licht van het vuur heerlijk glansde. De jonge Orion had haar vóór hij op reis ging opgemerkt, en bekoord door de schoonheid der jonge Perzische, wenschte hij haar te bezitten. Gewetenlooze dienaars en beambten hadden hem om strijd de behulpzame hand geboden, door haar naar een landhuis van den Mukaukas aan gene zijde van den Nijl over te brengen; dáár had hij haar ongestoord kunnen bezoeken, zoo vaak zijn hart begeerde. De nauwelijks zestienjarige onervarene slavin, die niemand had om haar te waarschuwen en te beschermen, had zich tegen den schoonen zoon haars meesters niet durven of kunnen verzetten. Toen Orion luchthartig, en nadat hij genoeg had van een meisje, hetwelk hem niet anders kon aanbieden dan hare schoonheid, naar Konstantinopel was vertrokken, vernam vrouw Neforis wat zij voor haren zoon was geweest, en beval zij den overste van de slavenopzichters, dat hij de ongelukkige zou beletten, om verder voor verleidster te spelen. De man had aan deze opdracht voldaan, door aan de Perzische, volgens een oud gebruik, de beide ooren te doen afsnijden. Na deze gruwzame straf verviel de schoone verminkte tot zwaarmoedigheid en waanzin, en niettegenstaande de kerkelijke exorcisten en andere duivelbanners vergeefsche moeite deden om de demonen van den waanzin te verdrijven, bleef zij, wat zij altijd geweest was, een gedienstig en vriendelijk schepsel, dat zich onder hare vroegere opzichtsters en ook in de algemeene werkplaats gedurende de uren van den arbeid stil en vlijtig betoonde. Alleen wanneer zij niets te doen had kwam haar waanzin voor den dag, en deze gaf de andere weefsters aanleiding om zich met haar te vermaken.

Zij hadden thans Mandane naar het vuur getrokken en haar onder allerlei dwaze betuigingen van eerbied uitgenoodigd, zich op haar troon, eene ledige verfton, neer te zetten; zij toch verkeerde in den zonderlingen waan, dat zij de vrouw was van den Mukaukas Georg. Lachend kwam elk haar huldigen, verzocht haar om eene gunst, of vroeg haar naar de gezondheid van haar gemaal en den staat harer bezittingen. Zeker gevoel van betamelijkheid had deze arme onwetende schepsels lang teruggehouden den naam van Orion voor haar uit te spreken, doch heden liep eene negerin, een schraal boosaardig ding, naar haar toe en vraagde met allerlei leelijke grimassen: "O gebiedster, hoe maakt het uw zoontje Orion?"

Het gelaat der waanzinnige vertrok niet bij deze vraag, maar zij antwoordde ernstig: "Ik heb hem in Konstantinopel aan de dochter des keizers uitgehuwelijkt."

"Wel kijk eens," riep de zwarte, "welk een voornaam huwelijk! Weet ge ook dat de jonge heer weer hier is? Hij zal zeker zijne hooge gemalin aan u voorstellen, en dan zullen we purperen gewaden en kronen zien."

Deze woorden deden de geesteskranke het bloed naar het hoofd stijgen. Angstig drukte zij de handen tegen het verband om de afgesneden ooren en vroeg: "Waarlijk? Is hij terug?"

"Nog niet zoo lang," zeide eene andere goedige slavin, als om haar te troosten.

"Geloof haar niet," hernam de zwarte. "En als gij het nieuwste nieuwtje wilt weten: gisteren avond is hij met de groote Damasceensche op den Nijl gaan spelevaren. Mijn broeder, de bootsman, was bij de roeiers, en hij was heel lief voor de jonkvrouw, dat verzeker ik u, heel lief.."

"Mijn gemaal, de groote Mukaukas?" vroeg Mandane, terwijl zij hare gedachte verzamelde.

"Neen, uw zoontje Orion, die met des keizers dochter gehuwd is," zeide de zwarte lachend.

De waanzinnige stond op, keek met dwalende blikken rond en vroeg nog eens aarzelend, als had zij de laatste woorden niet goed verstaan: "Orion? De schoone Orion?"

"Uw lieve zoontje, Orion!" riep de andere nog eens, en zoo luide, alsof zij met eene doove te doen had.

Daarop bracht de anders zoo zachtaardige slavin de eene hand aan het verminkte oor, en sloeg met de andere haar kwelgeest zoo heftig tegen de breede negerlippen, dat het klapte. Vervolgens begon zij te schreeuwen en riep met eene gillende stem: "Mijn zoon, hebt ge gezegd, mijn zoon Orion! Alsof ge het niet wist! Hij is mijn liefje geweest; ja hij heeft mij gezegd dat hij het was, en daarom zijn zij gekomen en hebben mij gebonden en mij de ooren--Maar ik, ik mag hem niet lijden; ik zou, ik zou..." Daarbij balde zij de vuisten, knarste met hare witte tanden en ging hijgend voort: "Waar is hij? Wilt ge het mij niet zeggen? Wacht maar, wacht! O, ik ben zoo dom niet; ik weet het al, ge hebt hem hier!--Waar is hij dan?--Orion, Orion, waar zijt gij?"

Bij deze woorden vloog zij op, rende door de schuur, schoot van ieder verfvat het deksel weg, en boog onder luid gelach der overigen diep over den rand, als zocht zij hem daar.

De meeste meisjes grinnikten van plezier over deze dwaze vertooning, maar anderen stond dit blijkbaar niet aan. De smartelijke kreet van de ongelukkige had haar pijn gedaan en zij trokken zich weder in groepen terug. Reeds had een hunner een nieuw spel voorgesteld, toen eene kleine, net gekleede vrouw de schuur binnentrad en riep, terwijl zij in de vleezige handen klapte: "Ge hebt nu genoeg gelachen! Komaan, bijtjes, naar bed! Morgen vroeg is de nacht voorbij en na zonsopgang moeten de weefgetouwen weer klepperen. Komt, de eene hier, de andere daarheen, net als de muizen, wanneer de kat ze overvalt! Gaat ge haast, nachtvogels? Nu, gaat ge?"

De meisjes hadden gehoorzaamheid geleerd, en terwijl zij hare opzichtster voorbij ijlden naar de slaapzaal, spitste Perpetua, eene vrouw, die de vijftig nauwelijks voorbij was en op wier gelaat verstand en goedheid beide te lezen stonden, de ooren en luisterde in de stilte van den nacht. Uit de richting van de watertent had zij een eigenaardig, langgerekt, maar niet luid "Ohuio!" vernomen, en dat teeken was haar goed bekend; want de prefect Thomas was gewoon op deze wijze in zijn landhuis op den Libanon de in den tuin verspreide huisgenooten saam te roepen. Thans maakte Paula er gebruik van, om de voedster op hare nabijheid opmerkzaam te maken.

Deze schudde echter bezorgd het hoofd. Wat bewoog haar lieve kind om zoo laat in den avond tot haar te komen? Er moest wel iets bijzonders zijn voorgevallen, en met tegenwoordigheid van geest, als altijd, riep zij, om te kennen te geven dat Paula's roepstem haar niet ontgaan was: "Haast je wat, meisjes! Zijt ge klaar? Ohuio! Komaan, Ohuio! Een, twee, drie!"

Daarop volgde zij de laatste slavinnen naar de slaapzaal, en toen zij zich overtuigd had, dat er geen werd gemist behalve de waanzinnige, vroeg zij waar deze zijn kon. Allen zeiden haar zooeven nog in de schuur gezien te hebben. Perpetua wenschte de meisjes goeden nacht en verliet ze, den schijn aannemende alsof zij de achtergeblevene ging zoeken.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Paula ging de kamer binnen van hare voedster, die, nadat zij vruchteloos een oogenblik naar de waanzinnige had omgezien, Mandane niet zonder eenige gewetenswroeging aan haar lot overliet.

In het vertrek van Perpetua hing eene keurig gepolijste koperen lamp aan de zoldering, en deze kleine ruimte beantwoordde volkomen aan hare bewoonster, want beiden waren helder en netjes, eenvoudig en degelijk. Het bed van de voedster was omgeven door sneeuwwitte, doorzichtige gordijnen tegen de muggen; boven het hoofdeinde der legerstede was een kunstig gesneden crucifix geplaatst, en de zetels waren allen met goede stoffen van allerlei kleur, afval uit de weverij, overtrokken. Fijn gevlochten stroomatten bedekten den grond, en op de vensterbanken evenals in een hoek van het vertrek, waar een van klei geboetseerd beeld van den goeden herder op het beddetafeltje neerzag, stonden bloemstruiken, die het eenvoudige vertrek met een aangenamen geur vervulden.

Nauw was de deur gesloten, of Perpetua zeide: "Maar mijn kind wat hebt ge mij doen schrikken! Op zulk een laat uur!"

"Ik moest komen," verzekerde Paula; "ik kon niet langer wachten."

"Wat zie ik, tranen?" zeide de voedster met een zucht, terwijl hare verstandige, kleine oogen ook vochtig begonnen te worden. "Arme ziel, wat is er nu weer gebeurd?"

Daarbij naderde zij de jonkvrouw, om haar te streelen; maar deze vloog aan hare borst, sloeg hartstochtelijk beide armen om haar hals, en barstte in een luid en smartelijk weenen uit.

De kleine matrone liet haar eene poos begaan, daarna maakte zij zich los uit hare omhelzing, droogde hare eigene tranen en die van hare groote lieveling, die op hare gladde grijzende haren waren gevallen, greep Paula met eene vaste hand bij de kin, keerde haar gelaat naar zich toe en zeide vol deelneming maar op vasten toon: "Zoo, nu is het genoeg! Ween wat mij betreft maar uit, want dat verlicht het hart, maar vergeet niet dat het zoo laat is. Is het weder het oude lied: heimwee, verdriet en dergelijken, of is er wat anders gebeurd?"

"Helaas," antwoordde het meisje, en zij vervolgde hevig opgewonden, terwijl zij haar doek in de handen verfrommelde: "Mijn geduld is ten einde; ik kan het daar in huis niet meer uithouden; het gaat niet langer zoo! Ik ben niet van steen, en als men 's avonds vreest voor den nacht en 's morgens weer voor den dag, waaraan geen doorkomen zal zijn, zóó ellendig, zóo onverdragelijk...."

"Men dient toch redelijk te zijn, mijn hartje, en tot zichzelve te zeggen, dat het verstandig is om van twee kwaden het minste te kiezen. Wat ik u reeds zoo dikwijls in bedenking gaf, dat krijgt ge nu opnieuw te hooren: Als wij dit veilig toevluchtsoord prijs geven en ons werkelijk daarbuiten in den vreemde wagen, zullen we dan wat beters vinden?"

"Misschien slechts eene hut met eene bron onder een paar palmen! Ik zou er mede tevreden zijn, als ik u maar behouden mocht en vrij was, geheel vrij van die anderen!"

"Wat is dat? Hoe heb ik 't nu met u?" prevelde de oude, terwijl zij bedenkelijk het hoofd schudde. "Eergisteren waart ge geheel op uw gemak; dus moet er zeker weer iets...."

"Ja, dat is zoo, daar is ook wat gebeurd," viel het overprikkelde meisje haar in de rede. "De zoon van oom--gij waart er bij, niet waar, toen hij hier zijn intocht deed, en ik dacht, ja, ook ik heb geloofd, dat hij zulk een ontvangst verdiende... Ik, Betta, ik.... Ach, heb medelijden met mij, ik.... gij weet niet welk een onweerstaanbaren invloed die man op een hart kan uitoefenen.... En ik--ik stelde vertrouwen in zijne blikken, zijne woorden, zijn gezang en--ja, alles moet mij maar van het hart--ook in zijne kus op deze hand! Ik, ik... Maar dat alles was valsch, was gelogen, was een schandelijk spel met een zwak eenvoudig hart; misschien nog iets ergers, iets afschuwelijkers! Kortom, terwijl hij al zijne krachten inspande om mij in zijne strikken te vangen--zelfs de slaven in de boot hebben het opgemerkt--was hij op hetzelfde tijdstip--ik weet het van vrouw Neforis, die het zeker vertelde om er mij mede te krenken--bezig dat popje--gij kent haar wel--die kleine Katharina te vrijen. Zij is zijne bruid, en intusschen waagt die onbeschaamde het zijn spel met mij voort te zetten, heeft hij de brutaliteit..."

Paula begon opnieuw luide te snikken; de oude vrouw wist ditmaal niet hoe zij haar tot bedaren zou brengen en mompelde in zichzelve: "Ach, 't is erg.... Moest ook dit er nog bijkomen?.... Lieve hemel!...." Maar weldra kwam zij tot bezinning en zeide op vastberaden toon: "ja, dat is een nieuw onverwacht ongeluk; maar wij hebben zwaarder en nog gansch andere rampen te dragen gehad. Dus het hoofd omhoog, en wat daar binnen nog pleiten mocht voor den verleider, dat moet uitgerukt en vertreden worden. Uw trots zal u wel helpen, en als gij eens weet wat die Orion voor een heer is, dan dankt gij God misschien, dat het tusschen u niet verder kwam!"--Zij deelde haar nu alles mede, wat zij wist van de waanzinnige Mandane en hoe Orion de oorzaak was van haar ongeluk, en toen Paula duidelijk liet blijken hoezeer haar dit schrik aanjoeg, voegde zij er bij: "Ja, mijn kind, hij is een hartenbreker, een gewetenloos geluksverwoester, en het ware misschien mijn plicht geweest u voor hem te waarschuwen; doch daar hij overigens toch niet slecht is--hij heeft den broeder van de teekenares Hathor, die ge wel kent, met eigen levensgevaar uit het water gehaald--en ik bovendien bij zijne terugkomst meende, dat ge met hem althans op een vriendelijken voet zoudt verkeeren, heb ik het gelaten.... En dan... ik oude gekkin hield uw trotsch hart voor gepantserd, doch het is toch ook maar een zwak meisjeshart als dat van anderen, en nu het op een-en-twintigjarigen leeftijd voor het eerst de liefde van een man beantwoordt...."

Hier viel Paula haar in de rede, zeggende: "Ik bemin den bedrieger niet meer, neen, ik haat hem, ik haat hem meer dan ik zeggen kan! En ook de anderen! Van allen, allen heb ik een afkeer!"

"Helaas, dat het zoo zijn moet!" zeide de voedster met een zucht. "Gij hebt zeker een hard lot. Over hem, Orion, zullen we maar zwijgen, maar zou het met de anderen niet beter kunnen worden, vraag ik mijzelve dikwijls af? Als gij het hun zoo moeilijk niet gemaakt hadt, mijn kind, dan zouden zij u nu moeten liefhebben, dat kan niet anders; maar sedert ge hier in huis zijt gekomen, gevoeldet ge u ongelukkig en hebt gij gewenscht, dat men u aan uzelve overliet, en zij, zij hebben aan uw verlangen voldaan en nu vindt ge het moeielijk te dragen, dat de toestand geworden is zooals gij die wildet. Ja, mijn kind, zoo is het, gij moet mij niet tegenspreken. Wij moeten heden eens oprecht met elkander spreken: wie kan liefde vinden, als hijzelf geen liefde betoont en mismoedig anderen voorbijziet? Ja, als ieder de menschen waarmede hij omgaat zelf maken kon! Het leven eischt gebiedend, dat wij hen nemen zooals zij zijn, maar van deze waarheid, mijn hartje, neen, daar zijt gij niet van doordrongen!"

"Ik ben nu eenmaal zooals ik ben!"

"Zeker, en van alle goeden zijt gij de beste; maar wie kan dat in huis vermoeden? Elk mensch vertoont een zeker karakter. En gij? Is het te verwonderen, dat zij in u altijd de ongelukkige zien? Ik zeg het duizendmaal: het is God geklaagd dat gij zoo ongelukkig zijt. Maar wien doet het genoegen altijd een somber gelaat te zien?"

"Ik heb aan niemand daarginds nog ooit met een enkel woord geklaagd wat ik lijd!" zeide Paula, terwijl zij zich trotsch oprichtte.

"Juist, daar hebt gij het," antwoordde de voedster. "Zij namen u op, en meenden dus zekere rechten te hebben op uw persoon en ook op hetgeen u bekommerde. Misschien verlangden zij u te troosten, want daarin ligt--geloof mij mijn kind--daarin ligt iets streelends. Wie iemand medelijden betoont, die voelt er altijd bij, dat hijzelf het beter heeft dan een ander. Ik ken het leven! Hebt gij nooit tot uzelve gezegd, dat gij uwe bloedverwanten daarginds eene vreugde ontrooft, ja hen misschien beleedigt, door uw hart voor hen te sluiten? Gij gaat geheel op in uwe smart, die gij hun van verre toont, maar waar het u pijn doet, dat verbergt gij zorgvuldig. Ieder goed mensch wil gaarne heelen waar hij eene wonde ziet bloeden, maar uw geheele wezen roept hun toe: 'Blijft waar gij zijt en laat mij met rust.'--Voor uw oom tenminste waart ge goed."

"En dat ben ik nog, en honderdmaal gevoelde ik een drang om hem alles toe te vertrouwen, maar--"

"Maar?"

"Zie hem slechts aan, Betta, hoe marmerkoud, stijf en ongevoelig hij daar ligt, meer dood dan levend. In den beginne zweefden mij vaak vertrouwelijke woorden op de lippen...."

"En thans?"

"Thans ligt al dat smartelijke zoo verre achter mij! Ik geloof dat ik het recht verloren heb hem te klagen wat mij neerdrukt."

"Hm," liet Perpetua hooren, die hierop zoo dadelijk geen antwoord wist. "Kom eens goed tot bezinning, meisjelief. Orion heeft reeds dadelijk opgemerkt hoever men bij ons gaan kan. Gij kunt uw hoofdje gerust omhoog houden en kalm rondom u zien. Verdraag wat niet te veranderen is, en wanneer eene stem in mijn binnenste mij niet bedriegt, dan zal hij, dien wij zoeken..."

"Ook daarom ben ik tot u gekomen. Is er nog geen bode teruggekeerd?"

"Ja! de kleine Nabateër," antwoordde de voedster met eenige aarzeling, "en hij heeft ook... Maar om Godswil, mijn kind, vlei u toch niet met ijdele hoop! Even na zonsondergang is Hiram bij mij geweest--"

"Betta!" riep de jonkvrouw met verheffing van stem, terwijl zij de voedster bij haar arm greep. "Wat is hij te weten gekomen, welk bericht brengt hij?"

"Niets, niets! Wil toch niet met het hoofd door den muur loopen! Wat hij vernam is zoo goed als niets. Ik kon Hiram maar een enkel oogenblik spreken. Morgen vroeg wil hij den man zelven bij mij brengen. Het eenige wat hij mij zeide...."

"Bij Christus' wonden, wat was het?"

"Hij zeide dat de bode van een ouden kluizenaar had hooren spreken, die eens een groot krijgsheld geweest was."

"Mijn vader, mijn vader!" riep de jonkvrouw luide. "Hiram zit met de anderen bij het vuur. Dadelijk, ja dadelijk moet ge hem hier brengen; ik beveel het u, Perpetua, hoort gij!--O liefste, eenige Betta, kom mede; wij moeten hem spreken!"

"Geduld toch, mijn hartje, heb wat geduld!" zeide de oude vrouw medelijdend. "Ach, lieve arme ziel, ach, het zal weer op niets uitloopen, en als wij den verkeerden weg andermaal blijven volgen, geeft het niets dan teleurstelling."

"Dat doet er niet toe, gij gaat met mij mede!"

"Naar het dienstpersoneel bij het vuur, en op dit uur? Dat zou wat wezen! Maar... Evenwel... Wacht hier even meisje. Ja, zoo zal het wel gaan. Ik zal Jozef wakker maken, Hirams jongen. Hij slaapt ginds bij de paarden, en deze zal dan zijn vader roepen. Ach, dat ongeduld, dat onstuimig en hartstochtelijk zieltje! Doe ik niet wat gij verlangt, dan doet ge heden nacht geen oog dicht, en dwaalt morgen als een droomende rond... Bedaar, bedaar maar, ik ga al."

De oude vrouw had den hoofddoek reeds omgeslagen en ijlde naar buiten. Paula zonk voor het kruisbeeld boven het bed op hare knieën en bad innig, tot de voedster terugkwam. Weldra lieten zich mannelijke voetstappen op de trap hooren en Hiram trad binnen. Hij was een stevige vijftiger met twee goedige blauwe oogen in het grove alledaagsche gezicht. Wie zijn breede borst zag, begreep dadelijk, dat als hij ging spreken men eene krachtige basstem zou hooren; doch Hiram stotterde van kindsbeen af en in zijn dagelijkschen omgang met paarden had hij zich het gebruik van allerlei natuurgeluiden aangewend, die hij met eene schrille stem uitstiet. Hij sprak ook niet gaarne.

Toen hij tegenover de dochter van zijn weldoener en heer stond, boog hij zich voor haar neder, zag haar met de trouwe oogen als die van een jachthond, onderworpen en tevens teeder aan, en kuste eerst haar gewaad, daarna de hand, waarmede zij hem wilde oprichten.

Aan de met moeite uitgebrachte verzekering, hoe blijde hij was haar weder te ontmoeten, maakte Paula goedhartig maar toch spoedig een einde, en toen hij eindelijk begon te vertellen, sprak hij veel te langzaam voor haar ongeduld. De Nabateër, die de hoopvolle tijding had gebracht, zoo deelde hij mede, was niet ongenegen het gevonden spoor verder te vervolgen; hij kon echter slechts tot morgen middag wachten en had hooge eischen gesteld.

"Alles kan hij krijgen, alles wat hij verlangt," haastte Paula zich te zeggen.

Hiram smeekte haar nochtans, meer met zijne blikken en onverstaanbare uitroepen dan met duidelijke woorden, toch niet al te veel te verwachten. De Nabateër Dousare, dus vulde hij de mededeeling van de voedster aan, had van een kluizenaar te Raïthou aan de Roode zee vernomen, dat een groot krijgsheld van Grieksche afkomst, sedert twee jaren bij de vrome broeders op den heiligen berg Sinaï in alle stilte een boetvaardig leven leidde. Zijn wereldlijke naam had de bode niet te weten kunnen komen, maar onder de kluizenaars werd hij Paulus genoemd.

"Paulus?" herhaalde het meisje, terwijl haar boezem zwoegde. "Een naam die hem aan moeder herinnert en aan mij, ja, ook aan mij! Bovendien, hij, de held van Damascus, heeft in de wereld Thomas geheeten, en nu hij zeker gelooft dat ook ik om het leven ben gekomen, wijdt hij zich geheel aan den dienst van God en Christus; even als Saulus, die andere man van Damascus, noemt hij zich, nu hij de weg ter zaligheid gevonden heeft, Paulus. O Betta, o Hiram, gij zult het zien, hij is het, hij moet het zijn! Twijfelt gij nog?"

De Syriër schudde bedenkelijk het hoofd en stootte een langgerekt "Huust" uit. Perpetua sloeg de handen in elkaar en zeide op meewarigen toon: "Heb ik het niet gedacht? Het vuur dat herders in den nacht ontsteken om zich de handen te warmen houdt zij voor de opgaande zon, wapengekletter voor den donder des Allerhoogsten! Hoeveel duizenden heeten er Paulus! Bij alle heiligen, kindlief, blijf bedaard en poog niet uit ijle nevelen u een feestkleed te weven! Bereid u voor op het ergste, dan zijt gij tegen teleurstelling gewapend en behoudt gij het recht om te hopen! Zeg haar toch, Hiram, zeg haar wat de bode verder heeft bericht; want er is niets zekers, alles zweeft nog als stof in de lucht."

De vrijgelatene deelde nu mede, dat de Nabateër een man was op wien men staat kon maken, veel geschikter om op zulke onderzoekingstochten uit te gaan dan hijzelf, want deze verstond behalve zijne eigene taal ook Egyptisch, Grieksch en Arameesch; desniettemin was het ook hem niet mogelijk geweest te Tor, waar monniken uit het klooster op den Sinaï zich hadden neergezet, iets naders omtrent den kluizenaar Paulus te vernemen. Later had hij echter op den zeetocht naar Kolzoum van monniken vernomen, dat er nog een tweede Sinaï was. Het klooster dáar--en nu zette Perpetua het verhaal voort, dat den stotteraar het zweet op het voorhoofd deed parelen--dat klooster in de oase aan den voet van den spitsen, hemelhoogen berg was wegens de ketterij der monniken gesloten geworden, doch in de kloven van dat berggevaarte huisden nog altijd vele kluizenaars in een klein coenobium [5], in lauren [6] en in enkele rotsholen, en Paulus kon wellicht tot dezen behooren. Men was wel op den goeden weg en zij en Hiram waren reeds besloten in deze richting verder te onderzoeken, maar de voormalige krijgsman was toch waarschijnlijk een vreemde, en zij beiden huiverden bij de gedachte haar bloot te stellen aan zulk eene smartelijke ontgoocheling.

Doch hier nam Paula het woord en zeide met blijde opgewektheid: "En waarom zal mij ook niet eens wat anders ten deel vallen dan teleurstelling?.. Wat geeft u den moed om mij de hoop te ontnemen, waarmede dit arme hart zich voedt? Maar ik laat mij die hoop niet ontrooven. Uw Paulus aan den voet van den Sinaï is de verlorene, ik heb er een voorgevoel van. Als de laatste paarlen niet reeds verkocht waren, dan moest de Nabateër... Maar wacht, zoo.... Wanneer kunt gij vertrekken, Hiram?"

"Voor over veer--veertien dagen in ge--geen geval," antwoordde deze. "Ik--ik ben nu eenmaal in dienst van den sta--ad--stadhouder en o--overmorgen zal in Ni--i--kou--juist--de groote pa--paardenma--markt zijn. Voor den jongen hee--heer zijn daar nieuwe he--engsten te koop, en onze veu--lens brrr...."

"Ik zal er morgen bij oom op aandringen, dat hij u vrij laat," zeide Paula. "Ja, ik werp mij aan zijne voeten..."

"Hij zal hem niet loslaten," viel de voedster haar in de rede. "De huismeester Sebek heeft hem vóor de audiëntie uit mijn naam alles gezegd en getracht om Hiram vrij te krijgen."

"En wat was het bescheid?"

"Vrouw Neforis noemde de tijding een nieuw dwaallicht en de meester stemde met haar in. Uw oom verbood Sebek daarna iets aan u te verklappen en liet mij weten, dat hij na de paardenmarkt Hiram misschien naar den Sinaï zou zenden. Heb dus geduld, mijn hartje! Wat beteekenen veertien dagen, op zijn langst drie weken, en dan....

"Maar zoolang kan ik het niet uithouden!" riep Paula. "De Nabateër, zegt gij, is hier, en bereid om te gaan?"

"Ja, meesteres!"

"Zoo nemen wij hem in dienst," zeide Paula vastbesloten.

De voedster, die de zaak blijkbaar reeds ernstig met haar landsman overlegd had, schudde treurig het hoofd en zeide: "Hij is ons te duur!" Vervolgens verklaarde zij, dat de man die zoo veel talen kende, reeds uitgenoodigd was eene karavaan naar Ktesiphon te geleiden. Dat gaf hem brood voor een geheel jaar. Hij was niet ongenegen de onderhandelingen met den koopman Hanno af te breken en geheel Petreïsch Arabië voor haar te doorzoeken, maar op voorwaarde dat hij tweeduizend drachmen ontving.

"Tweeduizend drachmen?" herhaalde Paula, terwijl zij blozende en terneergeslagen voor zich keek. Maar spoedig was zij zichzelve weer meester, zij hief het hoofd op en zeide verstoord: "Hoe, durven zij mij onthouden, wat mij toekomt? Weigert mijn oom mij, wat ik vorderen mag en moet, dan gebeure wat ik niet vermijden kan en mij om zijnentwil leed genoeg doen zal; dan geef ik mijne zaak in handen van de rechters."

"Van de rechters?" herhaalde de voedster lachende. "Om te klagen hebt gij een kurros [7] noodig, en uw oom is de uwe. Voorts eer zij een oordeel vellen, kan de bode reeds uit het verafgelegen Ktesiphon terug zijn."

De voedster smeekte haar nu nog eens om zich tot na den afloop der paardenmarkt stil te houden; maar zij staarde als verslagen naar den grond. Opeens verschrikte Perpetua en ook Hiram deed eene schrede achterwaarts, want onverwacht riep zij luide en jubelend uit: "Vader in den hemel, ik heb gevonden wat wij noodig hebben!"

"Hoe, mijn kind, wat?" vraagde de voedster met de hand op het hart.

Paula gaf haar geen uitsluitsel, maar wendde zich haastig tot den Syriër zeggende: "Is de eerste binnenhof weer vrij? Zijn de lieden uit elkander gegaan?"

Het antwoord luidde bevestigend. De vrije dienstknechten waren met Hiram tegelijk opgebroken. De heeren gingen nog wel zoo spoedig niet uiteen, maar hen kon men gemakkelijk voorbijkomen.

"Nu goed," sprak het meisje. "Gij, Hiram, gaat mij voor en wacht op mij bij het dienstpoortje. Ik haal van mijne kamer iets wat de vordering van den Nabateër wel tienvoudig kan dekken.--Zie mij niet zoo angstig aan, Betta! Hij krijgt de groote smaragd uit het halssieraad mijner moeder."

De voedster sloeg de handen ineen en riep op droevigen, waarschuwenden toon: "Kind, kind, dit heerlijke stuk, dit erfgoed der familie, deze steen, die afkomstig is van den heiligen keizer Theodosius, wilt gij dezen verkoopen, neen wegsmijten, niet om uw vader te redden maar--ja, mijn kind, zoo is het!--maar alleen omdat gij geen geduld hebt om twee ellendige weken te wachten?"

"Dat is hard, dat is onbillijk geoordeeld, Betta!" hernam het meisje op verwijtenden toon. "Het is om een maand te doen, en hoe alles hier van den bode afhangt, weten wij allen. Hebt gij vergeten hoe Hiram de geschiktheid juist van dezen man op den voorgrond stelde? En moet ik, die zooveel jonger ben, u dan herinneren aan de onzekerheid van een's menschen leven? Eén oogenblik beslist over leven en dood, en mijn vader is een oud man, die reeds vóor de belegering met vele litteekens bedekt was. Het kan hier gelden hem al of niet weer te zien."

"Ja, ja," antwoordde de oude vrouw op zachten toon, "misschien hebt gij gelijk, en als ik...."

Maar Paula sloot haar den mond met een kus en beval daarop den Syriër den steen van haar in ontvangst te nemen en morgenochtend zeer vroeg aan den jood Gamaliël, een rijk en redelijk man, te verkoopen, maar niet onder twaalfduizend drachmen. Als de goudsmid niet zooveel ineens betalen kon, mocht Hiram zich voor het oogenblik met de tweeduizend drachmen voor den bode tevreden stellen, om de rest later te ontvangen.

De Syriër ging haar voor, en toen zij na een lang afscheid van de voedster het vriendelijke vertrek verliet, had Hiram reeds aan haar eerste bevel voldaan, door haar aan het dienstpoortje te wachten.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Zooals Hiram wel vermoedde, zaten de hoogere beambten nog altijd met hunne vrienden bijeen, en ook de gids en de voornaamste begeleiders van den koopman Haschim. Rustem de Masdakiet, alsmede diens secretaris en tolk, hadden zich bij dit gezelschap aangesloten. De hier verzamelden waren, uitgenomen de joodsche goudsmid Gamaliël en de lieden uit het gevolg van den Arabier, allen christenen, en niet zonder eenigen tegenzin hadden dezen de muzelmannen--de jood was sedert jaren een welkom medelid van hun avondgezelschap--in hun kring opgenomen. Toch had men het gedaan, en zelfs met zekeren ijver, omdat de heer bevolen had hen goed te ontvangen en men met grond verwachten kon dat zij, die van zooverre waren gekomen, veel nieuws te vertellen hadden. Daarin had men zich echter bedrogen, want de tolk was zeer gesloten en de Masdakiet sprak het Egyptisch in het geheel niet en het Grieksch maar zeer slecht. Nadat men bij herhaling vruchteloos gepoogd had hen aan het spreken te krijgen, sloeg men verder geen acht meer op hen en liet men den secretaris van Orion aan het woord.

Deze man had reeds gisteren veel nieuws van het keizerlijk hof verteld, dat allen boeide; doch heden praatte hij uitvoeriger over de schitterende levenswijze van zijn jongen meester in Konstantinopel, wien hij derwaarts vergezelde. Hij beschreef de drie overwinningen, die hij met zijne eigene paarden in de renbaan had behaald; schilderde met levendige kleuren hoe deze zich bij een volksoploop, gevolgd door slechts vijf vrienden, te midden van honderden verwoede opstandelingen, een weg had gebaand uit het paleis naar de Sophia-kerk, en roemde verder de veroveringen die Orion had gemaakt bij de schoone vrouwen van de hoofdstad. "De koningin van allen," zeide hij met bijzondere zelfvoldoening, "was Heliodora, geene fluitspeelster of een meisje van dat slag, neen, eene rijke, voorname, deugdzame patricische vrouw, de weduwe van Flavianus, een neef van den senator Justinus, die aan de keizerlijke familie verwant is. Geheel Konstantinopel sloeg begeerig het oog op deze partij; zelfs de groote Gratianus had haar voor zich trachten te winnen, maar natuurlijk te vergeefs. In geheel Egypte, zelfs in Alexandrië is er geen paleis gelijk het hare. Dit stadhouderlijk verblijf--want de grootte doet er niet toe--is daarbij vergeleken maar eene boerenwoning, eene armzalige schuur. Bij eene volgende gelegenheid vertel ik u eens hoe het er uitziet in dit weelderig kabinetje. Dag en nacht stonden er slaven en vrijgelatenen voor de deur, die bloemen en vruchten, buitengewone geschenken en roerende gedichten op welriekende, rooskleurige zijde moesten overbrengen; doch hare gunst was niet te koopen, tot Orion haar leerde kennen. Gij zult het niet willen gelooven, maar sedert zij hem voor de eerste maal in de villa van Justinus ontmoet had, was zij haar hart kwijt. Zij was er geweest, hoor, zij was weg, zij was de zijne, zoo goed als die ring hier aan mijn vinger de mijne is!"

De ijdele man wees bij deze woorden zijne toehoorders op den gouden met een waarlijk kostbaren steen versierden ring, dien hij aan de mildheid van zijn jongen meester te danken had, en vervolgde in geestdrift: "Van nu aan zweefden de namen Orion en Heliodora op aller lippen, en hoe vaak heb ik de menschen niet in verrukking gezien over de schoonheid van dit goddelijk paar! In den circus, in het theater, bij spelevaarten op den Bosphorus, overal zag men ze samen, en in die akelige, bloedige dagen der snelle troonsverwisselingen leefden zij met elkander als in een paradijs. Vaak haalde hij haar in zijnen, zij hem in haren wagen af."

"Houdt zulk een wijf ook paarden?" vroeg de opperstalmeester op een toon van minachting.

"Wijf?" riep de secretaris. "Eene aanzienlijke dame! Alleen glanzende bruine paarden houdt zij, groote van Armenisch ras en kleine, vlugge dieren van het eiland Sardinië, die in een vierspan als opgejaagde vossen met den wagen daarheen jagen. Altijd droegen hare paarden rosetten en fladderende linten aan de gouden hoofdstellen, en ik verzeker u, haar voerman wist ze te mennen.--De geheele wereld dacht, onze meester en die schoone weduwe zullen een echtpaar worden, en dat er niets van gekomen is, ging die arme Heliodora--zij ziet er uit als eene heilige en is zacht als een katje--bitter aan het hart; want ik was bij het afscheid tegenwoordig, en het was om diep medelijden te krijgen, zooveel tranen als zij stortte. Maar zij kon niet boos zijn op haar afgod, dat weeke, teedere poesje; zij gaf hem tot aandenken dat zijdharig hondje, dat gij gezien hebt. Ik geef er u mijn woord op dat het een liefdepand was, want aan dat kleine beest hing haar hart als aan een eigen kind. Doch het afscheid is ook hem zwaar gevallen, zoo zwaar--maar ik ben geheimsecretaris, en het zou mij niet passen uit de school te klappen. Bij het laatst vaarwel drukte hij dat hondje aan het hart, en beloofde daarbij, dat hij haar wederkeerig een aandenken zou zenden, dat haar bewijzen zou op hoe hoogen prijs hij hare liefde stelde. Dat dit geen aalmoes zijn zal, daarop kan ieder die mijn meester kent wel een duren eed zweren.--Zeg eens, Gamaliël, is hij misschien reeds bij u geweest?"

De aangesprokene, dezelfde wien Hiram Paula's smaragd te koop moest aanbieden, was een rijk Alexandrijn, vroolijk van aard. Zoodra hij na den inval der Saracenen begrepen had, dat het niet geraden was in Alexandrië te blijven, terwijl ook het grootste deel zijner geloofsgenooten de havenstad ontvluchtte, had hij zich naar Memphis begeven, omdat hij daar op de bescherming van zijn machtigen begunstiger, den Mukaukas Georg, mocht rekenen. Hij schudde op die vraag ontkennend den grijzen kroeskop en blies een oogenblik later den secretaris in het oor: "Wij hebben wat hij noodig heeft. Als ge mij de koe brengt, krijgt gij het kalf, en zelfs een met twaalf pooten.--Tevreden?"

"Twaalf percent van de winst? Dat 's dus afgesproken!" antwoordde de secretaris even zacht en met een sluw lachje, ten teeken dat hij Gamaliël begreep, en toen een boekhouder hem wat later vroeg, waarom Orion de schoone geliefde, die toch ook een aanzienlijken naam droeg, niet als schoondochter mede naar huis had gebracht, antwoordde hij dat zij eene Griekin en natuurlijk de Melchietische geloofsbelijdenis toegedaan was. Die reden was afdoende voor de aanwezigen, en toen nu eenmaal het gesprek op het geloof was gekomen, ontspon zich, gelijk gewoonlijk op zulke gezellige avonden, een dispuut over dogmatische vragen. Daarbij waagde een kanselarijbeambte de meening uit te spreken, dat, wanneer het hier niet de zoon van den Mukaukas, bij wien van zoo iets geen sprake kon zijn, maar een eenvoudig Jacobietisch burger en zijne Melchietische geliefde gold, er toch wellicht een middenweg te vinden was geweest. Beiden hadden dan maar moeten besluiten, ofschoon hij voor zoo iets zou bedanken, de Monotheletische leer aan te nemen, waarvoor het keizerlijke hof en ook de gestorven patriarch Cyrus van Alexandrië warm hadden gestreden, welke leer rustte op het geloof, dat Christus wel twee naturen had, maar dat in beiden maar éene gemeenschappelijke wil woonde. Dit geloof splitste wel-is-waar de natuur van den Heiland, maar handhaafde toch de eenheid in een bepaald opzicht, waarop het toch voornamelijk aankwam. Zulk een kettersch voorstel werd natuurlijk door de hier verzamelde Jacobieten luide afgekeurd. Het verschil van meening kwam al duidelijker en scherper uit, en weldra werd uit de vreedzame gedachtenwisseling een onstuimige twist geboren, die met handtastelijkheden dreigde te eindigen.

Reeds onder het begin van dit gesprek was het Paula gelukt om onopgemerkt den hof over te steken. Zij wenkte Hiram zwijgend haar te volgen; deze trok behoedzaam zijne schoenen uit, die hij onder de steile trap voor het dienstpersoneel schoof, en stond eenige oogenblikken later in het vertrek van de jonkvrouw. Zij deed haastig hare kist open, nam daaruit het kostbaar met paarlen bezet halssieraad en gaf dit den Syriër, met het verzoek om den grooten smaragd, die in het midden hing, uit de gouden kas te lichten. De stevige handen van den vrijgelatene verrichtten dezen arbeid spoedig en gemakkelijk met behulp van een mes, en, terwijl hij den steen--die grooter was dan een walnoot en nu, uit het half geopende gouden omhulsel genomen waarin hij aan den keten had gehangen, vrij fonkelde en stralen schoot--in de hand woog, herhaalde Paula nog eens alles omtrent den verkoop, wat zij hem in tegenwoordigheid van de voedster gezegd had.

Zoodra de trouwe man zijne lieve meesteres verlaten had, maakte zij het zachte, maar toch dikke en lange haar los, en glimlachte daarbij vol blijde hoop; doch zij was nog niet begonnen zich te ontkleeden, toen er zacht werd aangeklopt. Zij verschrikte, snelde naar de deur, grendelde deze toe en vraagde, op het ergste voorbereid: "Wie is daar?"

"Hiram," luidde het zacht gefluisterde antwoord, en nadat zij de deur weder geopend had, vernam zij, dat de huispoort inmiddels gesloten was, en dat hij geen anderen weg kon vinden in het groote huis, waarin hij zelden iets te doen had.

Wat nu te beginnen? De Syriër kon niet wachten tot de poort weder geopend werd, want hij moest morgen vroeg zijn last volvoeren, en betrapte men hem en hield men hem maar een halven dag vast, dan nam de Nabateër den anderen dienst aan.

Spoedig was een besluit genomen; zij bond het haar weder op, sloeg een doek om haar hoofd en zeide: "Kom mede; de maan schijnt nog altijd, het zou gevaarlijk zijn eene lamp te gebruiken. Ik ga vooruit en gij moet vlak achter mij blijven. Als er niemand meer in de keuken is, kunnen wij ongezien in het viridarium [8] komen. Indien de beambten in den hof nog bijeen zijn, dan staat de groote hofdeur open, want velen hunner wonen toch in huis. In elk geval moet gij door de voorhal. Uit het viridarium kan men den weg daarheen wel niet missen. Maar wacht! vóor het tablinum [9] ligt de groote Beki, de booze hond van Hermonthis. Hij kent u niet, want hij komt nooit buiten's huis, maar mij volgt hij. Wanneer ik de hand omhoog hef, blijft gij wat achter. In tegenwoordigheid zijner meesters is hij rustig en onbekenden doet hij niets wanneer wij er bij zijn. Geen woord worde van nu aan gewisseld. Worden wij ontdekt, dan kom ik voor de waarheid uit, vindt men u alleen, dan kunt gij zeggen.... dan zegt gij, dat gij op Orion hebt gewacht, om heel vroeg met hem te spreken over de paardenmarkt in Nikou."

"Er we--werd me dezen middag nog een--een he--hengst aangeboden."

"Goed zoo; ge zijt dus in de voorhal gebleven, om met den heer te spreken, vóor hij zou uitgaan. Over enkele uren zal het reeds gaan schemeren. Maak nu ook voort."

Haastig en met zekeren tred daalde Paula de trap af. Bij de onderste trap nam Hiram zijne schoenen weder op en hield ze in de hand, om geen tijd te verliezen, terwijl hij zijne meesteres op den voet volgde. Zwijgend ging zij voort, tot zij in de tastbare duisternis aan de keuken kwamen. Hier keerde zij zich om en fluisterde den Syriër toe: "Is hier iemand, dan zeg ik dat ik gekomen ben om water te halen; is er niemand, dan kuch ik even en volgt ge mij. De deur blijft in elk geval open, zoodat ge hooren kunt wat er gebeurt. Als ik moet omkeeren, dan loopt ge mij haastig vooruit langs den weg dien wij gekomen zijn. In dat geval begeef ik mij naar mijne kamer en wacht gij daarvoor tot het dag wordt en men de dienstpoort weder opent. Als men u mocht vinden, laat dan aan mij over van uwe aanwezigheid de verklaring te geven. Ga nu wat meer achteruit en verberg u daar in dien hoek."

Dadelijk hierop opende zij met zachte hand de deur van de keuken. Daar deze met geen dak gedekt was, werd de ruimte door het licht der ondergaande maan en den glans der sterren beschenen. Zij bleek geheel ledig te zijn; er lag alleen eene kat op de bank bij den grooten haard en eenige vledermuizen fladderden met onhoorbaren vleugelslag in de groote ruimte heen en weer. Onder het braadspit gloeiden nog, als de oogen van loerende roofdieren, de glimmende kolen in de asch.

Paula kuchte zacht en zoodra zij Hirams schreden achter haar hoorde, zette zij met een van angst kloppend hart hare wandeling voort. Eerst ging zij eenige trappen op, dan door een donkeren gang, waarin de vledermuizen vlak langs haar hoofd scheerden, eindelijk moest de breede van boven opene eetzaal dwars worden overgestoken. Deze kwam uit in het viridarium, een vierkanten open hof, die langs de kanten geplaveid was, terwijl de middenruimte door sierplanten en een fontein werd ingenomen. Aan beide zijden verhief zich een vleugel van het stadhouderlijk paleis. Het was stil en verkwikkend in deze afgeslotene ruimte, overwelfd door den donkerblauwen hemel, die bezaaid was met millioenen sterren. De maan naderde reeds den bovenrand van de gegroefde lijst, die het dak van het gebouw kroonde. De groote bladplanten in het midden van het viridarium wierpen wonderbare, spookachtige schaduwen over de vochtige graszoden; het water van de fontein plaste luider dan overdag, doch het eentonig geluid, dat nu en dan door korte ongelijkmatige pauzen werd afgebroken, had iets geruststellends. Het marmer der zuilen glinsterde als heldere sneeuw, en dunne dampwolkjes, die van de vochtige zoden opstegen, dwaalden, door den zachten nachtwind bewogen, als geesten in lange golvende sleepgewaden in allerlei bochten zacht en statig heen en weer. Nachtvlinders wiegden zich rondom en boven de plantengroepen op en neer, en de geheele stille, verkwikkende ruimte was vervuld door den zoeten geur van de lotusbloemen in het marmeren bekken van de fontein, en van de bloesems der weelderige struikgewassen en der saprijke tropische planten die haar omgaven. Op een anderen tijd zou het een lust zijn geweest hier te toeven, rond te zien en zich over te geven aan de stille betoovering van den nacht, doch de ziel van Paula was thans voor dit heerlijk genot gesloten. De diepe stilte die haar omgaf deed het opgewonden twistgesprek in den hof, dat in afgebroken toongolven zijn weg hierheen vond, te bedenkelijker klinken, en met bange zorg merkte zij op dat hier niet alles in orde was, want vóor het tablinum, dat steeds door den hond of door een wachter bewaakt werd, kon haar scherpziend oog noch dier noch mensch bespeuren. En--neen, zij bedroog zich niet--de met brons beslagene deur ervan was open, en het maanlicht glinsterde tegen het blanke metaal van den eenen half aanstaanden vleugel.

Zij bleef staan en Hiram achter haar deed desgelijks. Beiden luisterden met zulk eene inspanning, dat de aderen hun op het voorhoofd zwollen, want uit het tablinum, dat zij met een dertig schreden bereiken konden, lieten zich enkele, niet goed te onderkennen, zachte geluiden vernemen, die geheel overstemd werden door den wilden strijd daarbuiten.

Er verliepen eenige lange, bange oogenblikken, tot de vleugel die aanstond, opeens werd geopend, en een man daaruit te voorschijn kwam. Het was Paula of haar het bloed in de aderen stolde, maar haar oog hield niet op scherp te turen, en toen zij duidelijk gezien had en vast overtuigd was, dat hij die den drempel van het tablinum overschreed Orion was en geen ander, vloog de groote ruige hond van Hermonthis haar voorbij, stak zijn neus in de lucht en schoot daarna onder woest geblaf op de beide wachtenden toe. Bevende en met de tanden op elkaar geklemd, maar altijd toch volkomen meesteres van zichzelve, liet zij hem komen, riep Beki bij zijn naam op zachten, liefkoozenden toon, en pakte, toen hij haar herkende en ophield te blaffen, het beest bij zijn harigen kop, om het achter de ooren te krauwen, dat het zoo gaarne had. Zij zelve en die haar vergezelde stonden achter een pilaar in de donkere schaduw. Orion werd hen dus niet gewaar, ook had het geblaf Paula's liefkoozend geroep overstemd. Toen de hond zweeg en kwispelstaartend bij haar bleef staan, floot hij hem en het waakzame gehoorzame dier ijlde zijn meester vroolijk te gemoet. "Ouwe, domme kattenjager!" riep hij het beest toe en duwde het daarna weder spelende van zich af. Daarop sloot hij de deur dicht en begaf zich naar de gebouwen, die op den hof uitkwamen.

"Om in zijne woning te komen moet hij langs dezen weg terugkeeren," zeide Paula tot haren geleider, terwijl zij weder vrij adem haalde. "Laten wij hier wachten. Maar nu ook geen oogenblik verloren! Vooruit tot aan de deur van het tablinum! De hond herkent mij nu van verre en zal niet dadelijk weder aanslaan."

Hierop liepen beiden haastig verder, en toen zij gekomen waren bij de deur, die achter breede posten in de donkere schaduw lag, vroeg Paula haren geleider: "Hebt gij den man die hieruit kwam herkend?"

"Onze heer Orion," luidde het antwoord. "Hij ke--keerde terug uit de sta--ad, toen ik u voor--voorging."

"Zoo?" vraagde zij schijnbaar onverschillig, staarde in den tuin, terwijl zij tegen het koele metalen beslag van de deur stond gedrongen, en begreep dat zij nu terug kon keeren. Maar ter rechter tijd dacht zij aan den hond. In elk geval moest zij den vrijgelatene den eenvoudigen weg beschrijven, dien hij van hier had in te slaan. Doch zoover kwam zij niet, want uit de ruimte die de voorhal van het viridarium scheidde hoorde men eerst de schelle stem eener vrouw en daarna de zwaardere van een man, en nauwelijks hadden beiden eenige woorden gewisseld of het woedend geblaf van den hond overstemde alles, en terstond daarop trof haar luisterend oor eerst het gillen en schreeuwen uit den mond eener vrouw en daarna een gedruisch als van een zwaar vallend voorwerp.

Wat was daar gebeurd? Het moest iets vreeselijks, iets afgrijselijks zijn, daar viel niet aan te twijfelen. Het vermoeden van Paula werd weldra bevestigd, want door de deur aan de zijde van de plaats waar de schrikkelijke gebeurtenis moest voorgevallen zijn, stormde Orion naar buiten en vloog met den hond achter zich over de graszoden van het viridarium, die als een heiligdom met zooveel zorg werden in orde gehouden, en ijlde naar den vleugel van het huis aan de Nijlzijde, waar zich zijne woning en die der familie bevond.

"Nu is het tijd," sprak Paula, en ging den Syriër snel voor.

Ademloos doorliep zij met haastigen tred de eerste ruimte en overschreed den drempel van het niet overdekte voorhuis, maar zij was nog niet in het midden gekomen, toen zij een schreeuw gaf, want voor haar lag in het schijnsel der maan een roerloos lichaam lang uitgestrekt op den harden marmeren vloer.

"Vlucht, Hiram, vlucht!" riep zij den vrijgelatene toe. "De deur staat maar aan, is open, ik zie het!"

Dit zeggende knielde zij bij de levenlooze neder, hief haar hoofd op, en zag--in het schoone, doodsbleeke gelaat van de waanzinnige Perzische slavin! Zij voelde hoe het bloed, dat door het zware, blonde haar van de ongelukkige heendrong, hare eigene hand bevochtigde, en eene rilling voer haar door de leden. Maar zij overwon alle gevoel van ontzetting en afkeer, en toen zij ook op den gescheurden peplos donkere vlekken bemerkte, trok zij dit kleed weg en zag in de schoone blanke borst van de ongelukkige de gapende wonden, die de gruwzame tanden van den woedenden hond in het teere vleesch hadden gebeten.

Paula's gemoed werd overmand door toorn, zoowel als door smart en medelijden. Hij, wien zij gisteren nog gehouden had voor een toonbeeld van mannelijke deugd, Orion, droeg de schuld van deze gruweldaad! Hij, van wiens stouten moed, die zichzelven niet verschoonde, zij zooveel had vernomen, hij was gevlucht als een lafaard, hij had het offer in den steek gelaten, dat hij tweemaal ten gronde had gericht. Doch er was hier wat anders te doen dan te klagen, zich boos te maken, zich af te vragen, hoe in de ziel van denzelfden mensch naast zooveel edels en schoons, zooveel wreedheid en boosaardigheid kon wonen. Hier moest raad geschaft worden, zij moest trachten te redden, want Mandanes boezem bewoog zich nog zacht onder hare bevende vingers.

De vrijgelatene had een te goed hart, dan dat hij Paula en de verwonde dadelijk zou hebben kunnen verlaten. Hij wierp de schoenen, die hij nog altijd in de hand had, op den grond, tilde de bewustelooze op en zette haar tegen een der zuilen van de gaanderij, die dezen voorhof omgaf. Eerst op herhaald bevel zijner meesteres ijlde hij naar buiten.

Paula keek hem na en zoodra zij de zware deur van het atrium hoorde dichtvallen, riep zij, zonder acht te geven op haar eigen bedenkelijken toestand, met zulk eene luide en gillende stem om hulp, dat het bij de nachtelijke stilte in alle richtingen van het huis weerklonk, zoodat weldra van hier en daar een slaaf, eene dienstmaagd, een beambte, een kok, een wachter kwamen toeschieten.

Het eerst van allen verscheen Orion, en wel zoo snel, dat hij zich op haar geroep reeds op weg moest hebben bevonden. Het lichte nachtgewaad dat hij droeg moest, dacht zij, den schandelijken belager zeker het aanzien geven, als had hij juist zijn bed verlaten. Was hij het werkelijk? Was deze man met die hoogroode kleur, met die starende oogen, dat verwarde haar, die heesche stem dezelfde lieveling der fortuin, wiens blijmoedig gelaat, wiens edele houding, wiens zonnige blik, wiens hartroerend gezang haar gemoed hadden betooverd? Wat beefden zijne handen, toen hij haar en de verwonde naderde, hoe gemaakt en verlegen klonk zijne vraag wat hier gebeurd was, en hoe schuw keek hij haar aan, toen hij verlangde te weten wat haar op dit late uur naar het voorhuis voerde. Zij bleef hem het antwoord schuldig. Toen echter spoedig daarop zijne moeder verscheen en op scherpen toon dezelfde vraag tot haar richtte, antwoordde zij, die nog nooit een leugen op de lippen had genomen, haastig en op stelligen toon: "Ik kon niet slapen. Het geblaf van den hond en de jammerkreten drongen mij naar beneden te gaan."

"Dat noem ik zijne ooren te spitsen!" zeide Neforis, ongeloovig de schouders ophalende. "In elk geval zou ik u raden in het vervolg bij dergelijke aanleidingen wat minder spoedig bij de hand te zijn. Sedert wanneer vertrouwt een meisje, als er moord wordt geroepen, op hare eigene kracht?"

"Gij hadt u ten minste wel mogen wapenen, schoone heldendochter!" voegde Orion erbij. Maar hij had die woorden nauwelijks geuit of hij gevoelde bitter berouw, want met welk een blik zag Paula hem aan! Het ergerde haar zich door hem, juist door hem en op dit oogenblik--het was voor de eerste maal--spottend, ja sarcastisch te hooren toespreken en op zulk eene wijze aan haren vader herinnerd te worden. Trotsch en op bijtenden toon gaf zij ten antwoord: "Het dragen van wapenen laat ik over aan krijgslieden en moordenaars!"

"Aan krijgslieden en moordenaars," herhaalde Orion, die deed alsof hij den zin dezer woorden niet verstond, met een gedwongen lach. Doch hij vervolgde op bitteren toon, begrijpende dat hij zich verweren moest: "Waarlijk, dat klinkt als kwam het uit den mond van een teergevoelig meisje! Maar ik bid u wat nader bij te komen en u gerust te stellen. Deze treurige wond hier aan den schouder van het arme ongelukkige schepseltje, dat mij, verzeker ik u, meer ter harte gaat dan u, heeft een viervoetige moordenaar haar toegebracht, die zijne wapenen van de natuur heeft. Ja, zoo is 't gebeurd! De ruige Beki houdt de wacht voor het tablinum. Hoe het arme schepsel hier gekomen is, weet ik niet, maar in elk geval heeft het beest haar geroken en toen aangevallen."

"Of ook niet," zeide opeens vrouw Neforis, terwijl zij een paar mansschoenen opnam, die naast de gewonde op den grond lagen.

Orion werd doodsbleek, nam zijne moeder het gevondene snel uit de handen, en zou die schoenen het liefst door het open dak weggeslingerd hebben. Hoe kwamen ze hier? Wien behoorden ze toe? Wie was dezen avond hier geweest? Voor hij zich naar het tablinum begaf, had hij de deur van het atrium gesloten, en later was hij teruggekeerd om haar voor de lieden die daar buiten waren te openen. Eerst na dit gedaan te hebben was hij door de waanzinnige overvallen, die hem reeds bij zijn eersten gang door het atrium moest hebben opgewacht, maar toen misschien niet den moed had gehad hem in den weg te treden. Toen zij daarna hem op het lijf was gevallen, had de hond haar op den grond gesleurd, eer hij het verhinderen kon. Ja, hij zou haar zeker dadelijk bijgesprongen en geholpen hebben, wanneer hij daardoor niet zijn binnendringen in het tablinum verraden had. Hij had tegenwoordigheid van geest genoeg gehad om naar zijne kamer te ijlen, zijn nachtgewaad aan te schieten en naar de plaats des onheils terug te keeren. Toen Paula begon te roepen, was hij reeds op weg naar de gewonde, en met welk een gevoel!

Zoo verward, zoo ontsteld, zoo diep ontevreden met zichzelven had hij zich nog nooit gevoeld, en heden, tegenover Paula, was het hem voor de eerste maal gebeurd, dat hij een medemensch niet in de oogen kon zien. En dan deze schoenen! De eigenaar ervan moest de waanzinnige begeleid hebben, en had deze hem het tablinum zien binnengaan en verried hij wat hij, Orion, daar gedaan had, hoe zou hij dan zijne ouders weder onder de oogen durven komen? Hij had niet anders in den zin gehad dan eene grap, en nu was het zoo bitteren ernst geworden! Doch het kostte wat het wilde, hij moest voorkomen dat zijn nachtelijke gang ontdekt werd. Liever opnieuw onrecht, zelfs het zwaarste, gepleegd, dan zijne eer te laten aantasten.--Maar wien behoorden dan toch die schoenen? Opeens hield hij ze in de hoogte en riep met luider stem tot de lieden, die waren toegesneld: "Behooren deze zoolen ook aan een van ulieden, aan den deurwachter misschien?"

Toen allen zwegen en de portier zijne vraag ontkennend beantwoordde, bleef hij nadenkend staan en ging voort met trotschen blik en op luchthartigen toon: "Dus heeft een inbreker, die hier overvallen is, ze laten staan. Ons huisstempel staat op het leder, ze zijn in onze werkplaats gemaakt, en zij rieken,--overtuig er u maar van, Sebek!--ze rieken naar den stal. Neem ze mede, man, morgen vroeg zullen we onderzoeken wie ons dit verdacht geschenk in het atrium heeft neergelegd. Gij zijt het eerst hier ter plaatse geweest, schoone Paula. Hebt gij geen man hier opgemerkt?"

"Ja," antwoordde zij, terwijl zij hem vijandig en uitdagend aanzag.

"En waar is hij heen gegaan?"

"Als een vluchtende lafaard liep hij dwars door het viridarium, en om haastiger weg te komen zelfs over de fraaie graszoden, en verdween daarginds in de woonvertrekken."

Orion beet zich bij deze woorden op de lippen en voelde een bitteren haat bij zich opkomen tegen dit raadsel in vrouwengestalte, in welks hand het scheen te liggen hem te vernietigen, welks oogen vlamden van nijd en den wil verrieden om hem te wonden. Wat voerde zij tegen hem in het schild? Hoe kon een mensch op aarde het wagen hem, die door groot en klein verwend was, zóo aan te zien? Want in hare blikken lag niet enkel weerzin, maar zelfs verachting. Wie ter wereld had het recht hem iets te verwijten, dat grond kon geven tot zulk een gevoel? Nooit, neen nooit was hij zoo vijandig bejegend en allerminst van de zijde van een meisje. Hij zou dat hooghartige, ongevoelige, onrechtvaardige schepsel, dat hem zulk eene onverdiende vernedering aandeed, nadat hij getoond had hoe zijn hart voor haar klopte; dat hem, den man die tallooze malen zijn moed had bewezen, thans dwong het te vreezen--hij zou het hebben willen verpletteren, en hij moest zich geweld aandoen om niet te vergeten dat zij eene vrouw was.--Wat had dit alles toch te beteekenen? Welk een demon dreef hier zijn duivelsch spel? Wat was er sedert een half uur in hem zoo veranderd, dat zijn geheele karakter hem als omgekeerd voorkwam, en men hem zóo durfde bejegenen?

Zijne moeder bemerkte dadelijk hoe de gelaatstrekken van haren lieveling veranderden, toen Paula verzekerde dat een man zich haastig begeven had naar de woonvertrekken. Zij verklaarde die woorden op hare wijze en riep ernstig bezorgd: "Een inbreker is den Nijlvleugel van het huis binnengedrongen, de kamer misschien waar uw vader slaapt? Barmhartige God, als hier eens weder een verraderlijk plan was gesmeed! Spoedig, Sebek, snel! Met gewapenden naar den rivierkant! Het geheele huis moet van boven tot beneden doorzocht worden! Misschien pakt ge den booswicht, die het grasperk heeft vertreden. Ge moet hem--hij mag niet ontkomen!"

De huismeester vloog weg, doch Paula beval den hovenier, die ook was toegeschoten, met kloppend hart, terwijl hare blikken wederom de oogen van den jongeling zochten, het voetspoor van den vluchteling, dat nog merkbaar moest zijn in de natte zoden, met den gevonden schoen te vergelijken.

Wederom kromp Orion van schrik ineen, en terwijl hij zich naar het viridarium begaf, zeide hij: "Dat is mijne zaak!" Toch schaamde hij zich voor zichzelven, en had hij een gevoel alsof hem de keel werd dichtgeschroefd. Hij beschouwde zich als een betrapten dief, als een bedrieger, als een ellendig wezen, en begon te begrijpen dat hij inderdaad niet meer was, die hij geweest was vóor dien noodlottigen gang naar het tablinum.

Paula zag hem na met een beklemd gemoed. Zou hij zoo diep gezonken zijn, om zijne bevinding te loochenen en te verklaren, dat de breede zool van den vrijgelatene paste in het spoor van zijn kleinen welgebouwden voet? Zij haatte hem, maar zij smeekte toch dat hij dit ten minste niet doen mocht, en toen hij terugkwam en verlegen verklaarde, dat hij niet zeker was van zijne zaak, daar de schoen niet juist in de platgetreden sporen scheen te passen, haalde zij weder ruimer adem en begaf zij zich met den arts, die juist verschenen was, naar de gewonde.

Eer vrouw Neforis haar volgde, trok deze Orion tot zich en vroeg hem bezorgd wat hem toch scheelde, daar hij er zoo bleek en ontdaan uitzag; waarop hij bedremmeld antwoordde: "Het ongeval van het arme meisje," en hij wees daarbij op Mandane, "gaat mij zoo aan het hart."

"Arm, teergevoelig hart! Evenals toen ge nog een knaap waart!" hernam de moeder om hem te troosten. Zij had tranen in zijne oogen zien glinsteren, deze golden echter niet het Perzische meisje, maar iets geheimzinnigs, waarvoor hijzelf geen naam kon vinden, dat hem in deze ure ontnomen was en waarvan het verlies hem onuitsprekelijk smartte.

Doch het gesprek tusschen moeder en zoon werd weldra afgebroken, want het eerste onheil van dezen nacht werd terstond door een ander gevolgd. De trouwe Perzische aanvoerder der karavaan, Rustem, de bloeiende jonge man met zijne schoone kloeke gestalte, werd als levenloos in den voorhof gedragen. Een woedende Jacobiet had hem, toen hij met eenige spottende opmerkingen aan den geloofsstrijd deelnam, met een stuk hout eene diepe, misschien doodelijke wond toegebracht. De arts wijdde dadelijk zijne zorgen aan den ongelukkige, en velen uit de met elkander fluisterende menigte, die zich door nieuwsgierigheid of uit begeerte om te helpen in het ruime atrium verdrongen, ijlden in allerlei richtingen, om de bevelen van den heelmeester uit te voeren.

Zoodra hij de wond van den Masdakiet onderzocht had, zeide hij barsch: "Een Egyptische slag, want hij is van achteren toegebracht.--Wat doen toch al die lieden hier? Weg, gij allen, die hier niets te maken hebt!--Allereerst hebben wij twee draagstoelen noodig. Vrouw Neforis wijze ons twee vertrekken, een voor dat arme lieve schepsel daar, en een voor dezen flinken knaap, met wien het echter spoedig gedaan zal zijn, als er geen wonder gebeurt."

"Aan de noordzijde van het viridarium," antwoordde Neforis, "zijn twee vertrekken ter uwer beschikking."

"Dáar niet!" hernam de arts. "Ik heb vertrekken noodig met frissche, vrije lucht, vertrekken die op den Nijl uitzien."

"Er zijn ook nog geschikte vertrekken op de verdieping voor de gasten, waar de nicht van mijn gemaal woont. Meermalen zijn zieken uit de familie daar verpleegd; maar zulke eenvoudige lieden--verstaat ge?"

"Neen, ik ben doof aan dat oor," zeide de arts.

"Nu ja, ik weet het wel," antwoordde Neforis met een lachje, "maar die vertrekken zijn werkelijk pas nieuw ingericht voor aanzienlijke gasten."

"Voornamere dan deze doodelijke zieken zijn er moeielijk te vinden," haastte Philippus zich te zeggen. "Zij staan dichter bij God en den hemel dan gij, tot uw voordeel geloof ik. Heidaar mannen! Draag deze kranken naar de verdieping voor de vreemdelingen."

NEGENDE HOOFDSTUK.

"Het is niet mogelijk, werkelijk niet mogelijk!" riep Orion opeens van zijne schrijftafel opstaande. Wat hij gedaan had beschouwde hij als een ongeluk, niet als eene schuld. Hij wist toch zelf niet, hoe hij tot alles gekomen was. Ja, er waren demonen, booze, nijdige demonen, en die moesten hem tot deze onzinnige daad gedreven hebben.

Gisteren avond, nadat de koop van het tapijt was gesloten, had hij op verzoek zijner moeder de weduwe Susanna naar huis gebracht. Daar had hij den broeder van haar overleden man, den rijken Chrysippus van Alexandrië, een vroolijk, levenslustig man aangetroffen, en toen het gesprek gekomen was op het tapijt en het voornemen van den Mukaukas, om het kunstwerk met al de heerlijke juweelen die het versierden aan de kerk te schenken, had die oude heer de handen in elkaar geslagen, in Orions afkeuring gedeeld en lachend uitgeroepen: "Ei wat, gij zijt de zoon, en u komt in elk geval een deel van de edelgesteenten toe! Niet waar, Katharina? Een diamantje of een opaaltje kan er toch voor het aardsch geluk van den jongen wel afvallen, wanneer de vader voor zijn hemelsch welzijn zorgt. Wees toch niet gek! De maag van de kerk is vol genoeg, en waarachtig u komt ook een hapje toe!" Bij die gelegenheid was er veel kostelijke wijn gedronken, en ten laatste had de oude heer, om wat beweging te nemen in de koele nachtlucht, Orion naar huis gebracht. Hij liet een draagstoel volgen, die hem terug moest brengen, en langs den geheelen weg had hij den jonkman aan het verstand gebracht, dat hij zijn vader moest bewegen toch niet den geheelen schat in den muil der kerk te werpen, maar ten minste eenige steenen voor een schooner doel aan hem over te laten. Hij had daarbij braaf gelachen; Orion had Chrysippus in zijn ziel gelijk gegeven en daarbij gedacht aan Heliodora, hare liefhebberij voor groote en fraaie edelsteenen, en aan het aandenken dat hij haar nog schuldig was. Evenwel lag het voor de hand dat vader noch moeder aan de kerk éen steen zouden onthouden, maar haar het geheele geschenk wilden wijden. Doch aan hem, den zoon, kwam inderdaad toch wel iets toe van dien overvloed, en een schooner geschenk als die groote smaragd liet zich niet denken. Ja, dien moest zij hebben en hoe blijde zou zij er mee zijn! Hem kwam reeds de hoofdgedachte in den zin voor de dichtregelen, waarmede hij haar dit geschenk wilde toezenden.

Hij droeg den sleutel bij zich van het tablinum, waar het tapijt lag, en toen hij bij zijne terugkomst de beambten nog rondom het vuur zag zitten, sloot hij de deur van het woonhuis af, waarbij hem eene zekere huivering overviel, die hij het laatst had gevoeld, toen hij met zijne broeders tegen het ouderlijk verbod de vruchtboomen had geplunderd. Bijna had hij zijn dwaas voornemen laten varen, en terwijl hem in het tablinum andermaal die innerlijke angst bekroop, stond hij reeds op het punt om terug te keeren, toen hij zich Chrysippus en diens aansporing weder herinnerde. Het zou eene daad van lafheid zijn geweest thans weg te loopen. Heliodora moest den grooten smaragd hebben met zijne verzen erbij, de rest mocht zijn vader naar welgevallen weggeven. Toen hij met zijn mes in de hand bij het tapijt lag geknield, had die akelige angst van zooeven hem voor de derdemaal overvallen, en als de groote smaragd hem niet bij den eersten greep in de hand was gevallen, zou hij de baal stellig weder opgerold en het tablinum onverrichter zake verlaten hebben. Doch de booze demon had hem geholpen, hem het juweel terstond in de hand gespeeld, en gezorgd dat twee messteken voldoende waren, om het uit het weefsel te lichten. Zoodra het edelgesteente hem in de hand was gerold en hij zijne zwaarte gevoeld had, was elke bezorgdheid van hem geweken en had hij enkel met welgevallen gedacht aan het gelukken van dezen kostelijken streek, dien hij morgen natuurlijk onder het zegel der geheimhouding aan den ouden Chrysippus wilde mededeelen.

Hoe geheel anders vertoonde zich nu, bij het nuchtere daglicht, deze zijne overijlde waanzinnige daad; hoe zwaar was hij thans daarvoor gestraft en welke gevolgen kon zij nog na zich sleepen? Zijn haat tegen Paula groeide meer en meer aan; zij had zeker alles bespied en zou zich niet ontzien, dat had zij gisteren avond getoond, hem te verraden. Zij had hem openlijk den oorlog verklaard, en met fonkelende oogen deed hij de gelofte, dat hij voor haar niet wijken zou. Hij kon zich daarbij echter niet verheelen, dat hij haar nooit schooner had gezien dan heden in de vroegte, toen zij dreigend met half loshangend haar tegenover hem gestaan had. "Wij moeten elkander liefhebben of haten," mompelde hij in zichzelven; "daartusschen ligt niets. Zij heeft het laatste gekozen. Goed! Tot hiertoe had ik alleen met mannen te strijden, maar ook dit koude, hooghartige, overmoedige meisje, dat elke uiting van vriendelijkheid afwijst, is geene tegenpartij om te versmaden. Het geldt hier mij te verweeren. Doet zij mij het ergste aan, dan heeft zij niets beters van mij te wachten.--Doch wie is de eigenaar van de schoenen geweest? Ik heb alles voorbereid om hem uit te vinden. Het is schande, ja meer dan schande, dat men zichzelven niet met opgeheven hoofd in den spiegel kan aanzien! Heliodora was een lief schepsel, een engel van goedheid. Zij heeft mij innig liefgehad, maar dat--dat--! Ook voor haar is dit offer te groot!"

Na deze woorden sloeg hij zich met de vuist tegen het voorhoofd en wierp zich op den divan neder. Hij begon zich vermoeid te gevoelen, want hij had in meer dan dertig uren geen oog gesloten en heden vroeg reeds allerlei in orde moeten brengen. Aan den huismeester Sebek en den commandant der Egyptische wacht was bevel gegeven den eigenaar der sandalen met behulp van de honden uit te vinden en te grijpen. Vervolgens had hij getracht den Arabischen koopman Haschim uit eigen beweging,--want zijn vader sliep gewoonlijk eerst tegen den morgen in, en had zijn slaapvertrek nog niet verlaten,--wat neer te zetten wegens de slechte bejegening Rustem, den aanvoerder der karavaan, onder zijn dak aangedaan, hoewel met weinig gevolg. Ten derde had de jonkman, die tegen de zwaarste lichamelijke en geestelijke inspanningen opgewassen was, zijn verlangen bevredigd om voor de schoone Heliodora te Konstantinopel eenige verzen te dichten. De gedachte die hem gisteren inviel, voor hij het tablinum betrad, had hij niet vergeten; het gelukte hem ook in zijne tegenwoordige stemming haar in een gedicht over te brengen, dat aldus luidde:

Gaarne verbindt zich gelijk met gelijk, zoo zegt steeds het volk, Hoe dan? Uw teeder gemoed siert zich met 't harde gesteent? Maar hij is edel en schoon, een steen van onschatbare waarde. Heerlijk trekt hij ons aan, zoo Heliodora ook gij, Neem gij dus den smaragd en weet dat schittrender vuurgloed Dan dit kleinood vervult, gloeit in de ziel van uw vriend.

Met vliegende stift waren deze regels neergeschreven, en daarbij had hem, hij wist zelf niet waarom, het gevoel bezield, dat elk woord een slag was in het aangezicht van Paula. Gisteren nacht was hij voornemens geweest den kostbaren steen, op eene waardige wijze in goud gevat, aan de schoone weduwe toe te zenden, maar heden zou het een dolzinnig waagstuk zijn geweest het kleinood te laten opmaken. Het moest onverwijld weggezonden worden, en hij had het haastig en met eigen hand tegelijk met de dichtregelen ingepakt en ter hand gesteld aan den chusaar, den dienaar van een paardenkooper te Konstantinopel, door wien zijn Pannonisch vierspan naar Memphis was overgebracht. Deze vertrouwde man, die in het geheel geen Egyptisch en zeer weinig Grieksch verstond, had hij zooeven zelf weggezonden en zich met een gevoel van voldoening naar huis begeven, toen diens paard in het stof van den weg naar Alexandrië verdwenen was. Van de havenstad staken herhaaldelijk schepen naar Konstantinopel in zee, en de chusaar had bevel ontvangen op het eerste het beste plaats te nemen. Hij had die verkeerde daad dus niet tevergeefs gedaan en toch zou hij, als hij haar ongedaan had kunnen maken, bereid zijn geweest een jaar van zijn leven prijs te geven.

"Onmogelijk" en "verwenscht" waren de woorden, waarvan hij zich bij het terugzien op den verloopen nacht en dezen morgen het meest bediende. Wat had hij zich bij dezen zonnegloed moeten haasten en jagen, en het gevoel, dat hij daarbij gedwongen was geweest alles in het geheim te doen, scheen hem, die tot hiertoe niets verricht had wat niet te rechtvaardigen zou zijn voor de oogen van rechtschapen mannen, zoo vernederend, dat het zweet hem van het gloeiend voorhoofd droop. Hij, Orion, moest als een dief voor ontdekking vreezen! Die gedachte was onuitstaanbaar, en hij vreesde werkelijk voor de eerste maal sedert hij de kinderschoenen ontwassen was.

Zijne geluksster, die hem in de hoofdstad zoo vriendelijk had beschenen, bleek hem in dit armzalig nest ontrouw geworden te zijn. Wat had die Perzische, met wie hij eens wat had geliefkoosd--en welke knaap van zijne jaren was er blind voor de schoonheid van aardige, jonge huisslavinnen--toch in hare krankzinnige hersens gehaald, dat zij hem als een woedend roofdier op het lijf was gevallen? Zij was een lieftallig kind geweest, en tot zijn leedwezen, ja tot zijne ergernis schandelijk verminkt geworden. Herstelde zij van het gebeurde, en dat hoopte hij hartelijk, dan was het natuurlijk zijne zaak voor haar te zorgen. Maar hoe? Als hij billijk was moest hij erkennen, dat zij alle recht had om hem te haten.--Maar die Damasceensche? Hij had haar niets dan vriendschap bewezen, en hoe duidelijk had zij hem toch hare vijandschap getoond. Hij zag haar daar voor zich staan met dat "moordenaar" op de bevende lippen. Dat woord had hem getroffen als een lanssteek. Welk eene hatelijke, nietswaardige, onrechtvaardige aanklacht lag er in dien uitroep! Zou hij zich dat ongestraft laten aanleunen?

Was zijzelve dan even schuldeloos als hoogmoedig en koud? Wat had haar bewogen bij nacht naar het viridarium te gaan? Want daar moest zij geweest zijn, vóor die ongelukkige hond Mandane had ter aarde geworpen. Van eene vertrouwelijke samenkomst met den eigenaar der door zijne moeder ontdekte schoenen, die aan een der lagere staldienaars toebehoorden, kon geen sprake zijn. De liefde, dit moest hij erkennen was hier bij uitzondering niet in het spel, doch toen hij tehuis kwam had hij een man over den hof zien loopen, die geleek op haren vrijgelatene, den paardrijder Hiram. Waarschijnlijk had zij met den stotteraar eene samenkomst gehad, om, om... hier was maar éen ding mogelijk.--Zij had plan om te vluchten uit zijn ouderlijk huis en daarbij had zij de hulp van een man noodig.

Dat haar het leven door zijne moeder juist niet aangenaam werd gemaakt, had hij reeds in de eerste uren na zijne terugkomst opgemerkt, en toch was zijn vader wellicht aan haar wensch te gemoet gekomen om een nieuw verblijf voor haar te zoeken. Maar waarom haastte zij zoo om weg te komen, waarom wilde zij vluchten? Op dat watertochtje en daarna bij den terugkeer naar huis had hij er op willen zweren, dat zij hem liefhad, en de herinnering aan die uren deed zijn gevoel voor haar weder zoo krachtig spreken, dat zij de gedachte aan de wraak die hij nemen, aan eene straf die hij haar toedienen wilde, geheel uitwischte. Daarop kwam de kleine Katharina hem voor den geest, die zijne moeder bestemd had voor zijne gade; en terwijl hij aan haar dacht glimlachte hij even. Hij had in den keizerlijken tuin te Konstantinopel een vreemden Indischen vogel gezien, klein van kop en lijf, maar met een verbazenden staart, schitterende van zilver en parelglans. Dat was een beeld van Katharina. Zijzelve was eenvoudig niets, maar als een staart sleepten haar achterna, uitgestrekte grondbezittingen en enorme kapitalen, en daarop alleen had zijne moeder het oog gericht. Maar had hij dan nog meer noodig dan hij reeds bezat? Hoe rijk moest zijn vader wel zijn, dat hij zulk eene verbazende som voor een offer aan de kerk kon uitgeven, even onverschillig als men een bedelaar een aalmoes schenkt!

Katharina en Paula! Ja, die kleine was een vroolijk aardig ding, maar de dochter van Thomas... Welk eene tooverkracht lag er in hare oogen, welk eene majesteit in haren gang, hoe--betooverend en welluidend kon hare stem, ja hare stem--in--

Bij deze gedachte sliep hij in, door de warmte en vermoeidheid overmand. In een droom zag hij Paula, rustende op een bed met rozen bestrooid; het was echter geen peluw maar een blauwe zacht bewogen waterstroom. Rondom haar ruischten wonderbare tonen, die het hart in verrukking brachten. Hij wilde haar naderen maar plotseling schoot een groote zwarte adelaar op haar neder, die hem met de breede vleugels in het aangezicht sloeg en, terwijl hij half verblind de handen voor zijne oogen bracht, de rozen van het rustbed der slapende wegpikte, gelijk een haan graan en gerstkorrels. Hij werd boos, wierp zich op den vogel en greep met de handen naar hem; doch zijn voet was als in den grond vastgegroeid, en hoe meer hij zich inspande om zich vrij te bewegen, des te krachtiger werd hij teruggehouden. Als een waanzinnige worstelde hij tegen de kracht die hem vasthield tot zij hem plotseling losliet. Hij voelde het nog toen hij tegelijkertijd ontwaakte en de oogen opende, terwijl het zweet langs zijne slapen gutste. Naast hem stond zijne moeder, die de handen op zijne voeten gelegd had om hem te wekken.

Zij zag er bleek en bezorgd uit en bad hem haar dadelijk te volgen naar zijn vader, die zeer ongerust was en verlangde hem te spreken; waarop zij hem haastig verliet. Terwijl hij vlug zijne haarlokken ordende en zich de schoenen liet aanbinden, verdroot het hem dat hij, nog geheel bevangen door zijn dwazen droom en maar half wakker, zijne moeder had laten gaan, zonder onderzoek te doen naar de omstandigheden, die zulk eene ongerustheid bij zijn vader hadden gewekt. Zouden zij betrekking hebben op hetgeen er in den afgeloopen nacht was gebeurd? Maar neen, als men hem in verdenking had gebracht, dan zou zijne moeder hem zeker hiervan onderricht en gewaarschuwd hebben. Het moest iets anders zijn. Misschien was de reusachtige aanvoerder van de karavaan des ouden koopmans aan zijne wonde gestorven, en zijn vader zou hem over den Nijl willen zenden naar den Arabischen regent van het Nijldal, om dezen vergiffenis te vragen voor het vermoorden van een muzelman, en dat wel in het stadhouderlijk paleis. Deze manslag kon inderdaad bedenkelijke gevolgen na zich sleepen. Doch misschien gold het ook gansch andere zaken.

Zoodra hij zijne kamer had verlaten, drukte hem de bijzonder zwoele lucht, die boven het huis broeide, en een pijnlijk gevoel als van schaamte greep hem aan, toen hij het viridarium doorliep en een blik wierp op het grasperk, waarin hij voor het aanlichten van den dag, dank zij de kwalijk gemeende waarschuwing van de Damasceensche, elk zijner voetsporen zorgvuldig had uitgewischt. Hoe laf, hoe gemeen was dat alles! Het hoogste goed: de eer, de achting voor zichzelven, het trotsche bewustzijn dat hij een brave kerel was, dat alles had hij op het spel gezet en prijsgegeven voor niets! Hij had zich in het aangezicht willen slaan of luide uitweenen als een kind, dat zijn mooiste speelgoed gebroken heeft. Maar wat hielp dat alles? Aan het gebeurde viel niets te veranderen, en hij had nu de oogen maar goed open te houden om, hoe diep ook gezonken in zijne eigene schatting, toch voor anderen nog te blijven die hij tot hiertoe geweest was.

In de door gebouwen omgevene opene ruimten was het gloeiend heet, geen mensch vertoonde zich, het huis was als uitgestorven; de bonte vlaggestokken en hekwerken, evenals de ter eere van zijne tehuiskomst opnieuw geverfde zuilen van de veranda, die nog altijd met guirlandes en kransen getooid waren, verbreidden een onaangenamen geur van smeltend lak, van drogend vernis en van verwelkte bloemen. De lucht trilde, al voelde men ook geen ademtocht; dit scheen wel veroorzaakt te worden door de brandende zonnestralen, die alles wat zij ontmoetten als pijlen troffen. De boven de planten en bloemen zwevende kapellen en insecten schenen Orion de vleugeltjes al trager te bewegen, en de fontein in het middenstuk van het viridarium zich langzamer en lager dan anders te verheffen. Alles rondom hem was heet, zwoel en beklemmend, en de zelfstandige jonge man die op de handen gedragen, sedert jaren het leven doorgevlogen was, beschermd door alle goede geesten en door geen hinderpalen gestuit, gevoelde zich thans belemmerd, beangstigd en als in de engte gedreven.

In de koelere fonteinzaal zijns vaders schepte hij weder vrijer adem, doch slechts voor een oogenblik; want weldra werd hij doodsbleek, en moest hij al zijne krachten verzamelen om zijn vader kalm en op gewone wijze een morgengroet te brengen. Daar lag voor den divan, waarop de stadhouder zich als gewoonlijk had neergevleid, het Perzische tapijt, en daarbij stonden zijne moeder en de Arabische koopman. De huismeester Sebek wachtte op den achtergrond in deemoedige, voor zijn ouden rug vrij pijnlijke houding de bevelen zijns meesters, die hem anders nooit lang in deze houding liet staan. Orion bemerkte het en gaf hem een wenk om zich op te richten.

Diepe ernst lag er heden in de zachte trekken van den Arabier, en uit zijne vriendelijke oogen sprak eene droeve bezorgdheid. Bij het binnentreden van den jongeling, dien hij reeds in de vroegte ter loops gesproken had, boog hij zich even. De stadhouder, die daar lag met eene vale kleur en bleeke lippen, opende de oogen ter nauwernood bij de begroeting van zijn zoon. Het was alsof er in het naaste vertrek een lijkbaar stond, terwijl de rouwdragenden hier waren saamgekomen.

Orion bemerkte op het half uitgerolde tapijt terstond de plek waar het hoofdsieraad, de groote smaragd ontbrak, die--iets wat niemand buiten hem weten kon--zich reeds op weg naar Konstantinopel bevond. Zijn diefstal was dus ontdekt. Hoe vreeselijk, hoe noodlottig kon deze gebeurtenis afloopen! "Moed, moed gehouden," zeide hij tot zichzelven. "Als ge maar uwe tegenwoordigheid van geest niet verliest! Wat is u een leven waard zonder eer? De oogen dus open en alles er aan gewaagd! Orion!"

Het gelukte hem spoedig geheel tot kalmte te komen en op een toon, die maar weinig verschilde van zijne gewone manier van spreken, zeide hij: "Wat ziet gij er allen bedrukt en verlegen uit! Het is een onheil dat de hond het arme meisje zoo jammerlijk gebeten heeft, en dat onze lieden zich zoo schandelijk hebben misdragen. Doch ik heb het u zoo straks reeds gezegd, waardige heer, de schuldigen zullen het aan lijf en leven boeten. Mijn vader laat het zeker aan u over hen naar goedvinden te straffen. Gelukkig is onze arts Philippus, niettegenstaande zijne jeugd, een tweede Hippokrates, dat verzeker ik u! Hij naait den prachtigen kerel, den aanvoerder van uwe karavaan meen ik, weder netjes aan elkaar, en wanneer er sprake is van eene schadevergoeding, dan zal mijn vader, dat weet gij, niet afdingen..."

"Ik bid u," dus viel de koopman hem in de rede, "om bij het onrecht, dat mij in dit huis is aangedaan, niet nog beleedigingen te voegen. Er is geen som te noemen, waarmede men mijn toorn over het vergoten bloed van een vriend--want dat was Rustem voor mij--een vrije en wakkere knaap, kan bezweren. Ik zal eischen dat de daders gestraft worden, want bloed eischt bloed. Zoo denken wij er over, en hoewel uwe leer het tegendeel gebiedt, gij handelt toch, zoover ik weet, niet anders dan wij. Aan uw arts gun ik alle eer, maar het doet mij leed, ja, het ergert mij te zien dat zulke dingen gebeuren in het huis van een man, aan wien de Kalief het wel en wee der Egyptische christenen heeft toevertrouwd. Gij, die u op uwe zachtmoedigheid beroemt, gij hebt een braven, zij het ook eenvoudigen man, in vollen vrede doodgeslagen, of waarschijnlijk voor zijn gansche leven ongelukkig gemaakt. Wat uwe eerlijkheid betreft, ze schijnt mij...."

"Wie waagt het haar aan te tasten?" vroeg Orion.

"Hij, jonge heer," antwoordde de koopman met de kalmte van een man op rijper jaren, "die de koopwaar gisteren door hem verkocht, heden beroofd ziet van haar kostelijkst sieraad."

"Men heeft heden nacht den grooten smaragd uit het tapijt gesneden," voegde vrouw Neforis ter verklaring erbij. "Gij vergezeldet gisteren avond de lieden die de baal wegdroegen, en liet haar onder uwe oogen in het tablinum leggen."

"In het kleed, waarin uwe eigene lieden het tapijt hebben gewikkeld," zeide Orion. "De oude, brave Sebek daar was erbij. Wie heeft de baal heden morgen vroeg van hare plaats genomen, hierheen gebracht en uitgerold?"

"Tot ons geluk kan ik verklaren," antwoordde de koopman, "uwe moeder in eigen persoon, die man daar, uw huismeester als ik mij niet vergis, en uwe eigene slaven."

"Waarom liet men het tapijt niet waar het was?" vraagde Orion, terwijl hij duidelijk de ontevredenheid liet blijken, die hem op dit oogenblik vervulde.

"Omdat ik," antwoordde de Arabier, "uw vader op goede gronden verzekerde, dat de schoonheid van dit edele kunstwerk en de kostbaarheid der steenen die het versieren, bij dag en in het zonlicht nog veel beter gewaardeerd kunnen worden dan bij het schijnsel van lampen."

"Uw vader verlangde dit pas verworven stuk nog eens te zien," vulde vrouw Neforis weder aan, "ook om den verkooper te vragen hoe men de juweelen het best uit het tapijt zou kunnen losmaken, zonder het weefsel zelf te bederven. Daarop ben ik met Sebek het tablinum binnengegaan."

"Maar ik heb den sleutel er van!" zeide Orion, terwijl hij in de borstplooien van zijn gewaad tastte.

"Dat hadden wij niet bedacht," vervolgde de vrouw des huizes. "Wij konden er, helaas! ook zonder sleutel in, want het tablinum, stond open."

"Ik heb het gisteren avond toch gesloten; gij zijt erbij geweest, Sebek!"

"Ik heb reeds aan mijne meesteres gezegd," antwoordde de huismeester, "dat ik mij zeer goed herinner het knippen van het stevige slot goed gehoord te hebben."

Orion haalde de schouders op, terwijl zijne moeder vervolgde: "Doch in den nacht moet de metalen deur met een looper of een ander instrument geopend zijn; want een gedeelte van het tapijt was uit het doek getrokken waarin het gewikkeld was, en toen wij nader onderzochten bleek, dat men den smaragd uit het weefsel had gereten."

"Dat is schandelijk!" riep Orion.

"Eene onwaardige daad!" voegde de stadhouder erbij, terwijl hij zich driftig van zijn leger oprichtte. Groote onrust en martelende angst hadden hem overvallen; want zijn Heer en Heiland, wien hij het kostelijk juweel had toegedacht, scheen hem voor te gering of te zondig te houden, om het uit zijne hand als een geschenk aan te nemen. Doch mogelijk wilde de satan hem beletten met zulk eene kostelijke gave den Allerhoogste te naderen. Menschelijke boosheid was in elk geval hier mede in het spel en daarom vervolgde hij streng en ernstig: "Men zal de zaak onderzoeken en in den naam van Jezus Christus, wien de steen reeds toebehoorde, zal ik niet rusten, voor ik den dader in handen heb."

"En in naam van Allah en de profeet," voegde de Arabier erbij, "zal ik u daarin bijstaan, al moest ik den veldheer Amr, die de vertegenwoordiger is van den verheven Kalief hier te lande, ter hulp roepen. Men heeft zich hier een woord laten ontvallen, dat ik niet vergeten kan of mag, en de toon waarop gij, jonge man, gesproken hebt, scheen uit dezelfde bron te wellen; de oude vos, zoo zeide men, heeft een onechten steen van verbazende grootte in het tapijt gezet en dien laten stelen, opdat zijn bedrog niet aan den dag zou komen als de goudsmid het juweel in het zonlicht onderzoekt. Dat was te veel. Ik ben een eerlijk man, geëerde gastheer, ik wil het hier wel bekennen, een rijk man bovendien, en wie aan mijn goeden naam, dien ik gedurende mijn gansche leven ongeschonden heb bewaard, in mijne oude dagen afbreuk zou willen doen, die zal tot zijne schade ondervinden, dat den ouden Haschim grooter en machtiger vrienden ter zijde staan dan u lief zullen zijn."

Onder het uitspreken van deze bedreiging waren de zachte oogen van den koopman vochtig geworden, want het griefde hem dat hij onrechtvaardig werd verdacht, en dat hij den Mukaukas, wien hij achting toedroeg en die zijn medelijden opwekte, zoo hard moest bejegenen. Uit den toon zijner woorden viel op te maken, dat hij inderdaad een machtig man was, die het uiterste op het spel zou zetten, en daarom haastte Orion zich met warmte te zeggen: "Wie heeft het gewaagd zoo gering over u te denken?"

"Tot mijn spijt uwe eigene moeder," antwoordde de muzelman bedroefd, waarbij hij op oostersche wijze treurig en ontevreden de schouders hoog ophaalde.

"Val er haar niet hard om," smeekte de Mukaukas. "God weet het, de vrouwen zijn zachtaardiger van gemoed dan wij, en toch zijn zij eerder geneigd kwaad te denken van hare medemenschen en de vijanden van haar geloof. Daarentegen zijn zij ook voor het goede sneller ontvankelijk; het haar eener vrouw is lang, maar haar verstand is kort, zegt het spreekwoord."

"Wat gij ons vrouwen al niet ten laste legt," hernam Neforis. "Scheld, scheld maar op mij, als u dit verlichten kan." Daarna ging zij voort, terwijl zij liefdevol het kussen voor haar man recht legde en hem opnieuw een wit pilletje toestak: "Heden zal ik mij ook het ergste laten welgevallen, want ik heb ongelijk. Ik heb u reeds vergeving gevraagd, waardige Haschim, en ik doe het andermaal, ik doe het van harte!"

Bij deze woorden naderde zij den Arabier en gaf hem de hand; doch deze nam haar slechts even aan om haar dadelijk weer los te laten, zeggende: "Het valt mij niet zwaar te vergeven, maar het zou mij niet mogelijk zijn onder u, en nergens ook maar een stofje op mijn reinen en onbevlekten naam te laten kleven. Ik zal, zonder mij aan iets of iemand te storen, deze zaak zonder verschooning onderzoeken. En nu nog eene vraag: Die hond, die voor het tablinum lag, is een waakzaam dier, dat van zich afbijt, niet waar?"

"Hoe hij bijten kan, heeft hij heden aan de arme Perzische slavin getoond, en zijne waakzaamheid is in het geheele huis bekend," zeide Orion.

"Maar ik," sprak vrouw Neforis, "bid u en zeker in ons aller naam, waardige heer, ons met uwe ervaring te helpen. Ik zelve... Wacht maar, wacht! Eene vrouw heeft ondanks haar lange haren en haar klein verstand menigmaal een gelukkigen inval. De inbreker, dat is zoo klaar als de dag, moet onder de huisgenooten schuilen, omdat de hond hem niet heeft aangevallen. Aan Paula, de dochter van Thomas, die de Perzische zoo wonderbaar snel ter hulp kwam, mag men niet denken...."

Hier viel haar gemaal haar in de rede en riep haar knorrig toe: "Dat meisje, vrouw, moet ge buiten spel houden!"

"Alsof ik haar voor eene spitsboeve hield!" antwoordde Neforis geraakt, terwijl zij de schouders ophaalde, waarop Orion zacht verwijtend uitriep: "Maar moeder, bedenk toch...."

Voor hij verder kon gaan vroeg de koopman: "Bedoelt gij de jonkvrouw, die mij gisteren zoo hard bejegende?--Nu dan, voor hare onschuld sta ik borg met mijn geheele vermogen. Dit schoone, hartstochtelijke meisje kan zulk eene oneerlijke daad niet bedreven hebben."

"Hartstochtelijk?" zeide Neforis lachend, "haar gemoed is koud en hard als de gestolen smaragd; dat hebben wij ondervonden."

"En toch," sprak Orion, "is zij tot eene laagheid niet in staat."

"Wat kunnen mannen zich toch warm maken voor een paar schoone oogen!" zeide de moeder. "Doch ik denk in de verte niet aan haar; ik had wat anders op het oog. Er werden gisteren bij de verwonde een paar mansschoenen gevonden. Hebt gij daarmede gedaan, Sebek, wat de heer Orion u bevolen heeft?"

"Terstond, vrouwe," antwoordde de huismeester, "en ik wacht reeds lang op den bevelhebber van de wacht, Psamtik...."

Hier werd hij gestoord, want de man van wien sprake was, die reeds sedert twintig jaren de huiswacht van den Mukaukas commandeerde, werd in de zaal gebracht en begon, nadat hij eenige voorloopige vragen beantwoord had, bericht te geven van zijne bevinding met zoo luide stem, dat het den stadhouder pijn deed en diens gemalin hem moest verzoeken wat zachter te spreken. De speur- en dashonden waren losgelaten, nadat men ze de zolen onder den neus had gehouden, en een paar beesten hadden spoedig den weg naar de dienstpoort gevonden, waar Hiram op Paula gewacht had. Vervolgens waren zij voor de trap blijven staan, hadden daar links en rechts gesnuffeld en waren eenige treden naar boven gesprongen.

"En die trap leidt naar Paula's kamer," merkte Neforis schouderophalend op.

"Maar de dassen waren op een valsch spoor," haastte de bevelhebber zich te zeggen. "Die giftige padden hadden nog onschuldige zielen in verdenking kunnen brengen. De blaffers vlogen weldra allen te zamen in den heerenstal naar onze edele rossen, en renden daar op en neer als de satan, als hij eene verdoemde ziel op de hielen zit. Den knaap van den vrijgelatene, die met de dochter van den grooten Thomas van Damascus hier gekomen is, had de bende spoedig overhoop geworpen, en in de woning van zijn vader ging het er eerst recht op los. Hemel en aarde wat een geblaf, een gejank, een gebrul! In elken ouden lap hebben zij de neuzen gestoken, en nu wisten wij waar het gat van den wijnzak was. Het doet mij leed voor den man; hij is een vervloekte stotteraar, maar als ruiter en paardenkenner komt hem alle eer toe. Aan Hiram behooren de zolen, zoowaar ik twee oogen in mijn hoofd heb. Doch wij hebben hem nog niet gevonden. Hij moet over den stroom zijn gegaan, want er werd een bootje gemist, en daar waar het gelegen had, begon het gehuil opnieuw. Als de ongeloovigen aan de overzijde hem niet in bescherming nemen, dan krijgen wij hem zeker te pakken!"

"Dan hebben wij den booswicht!" riep Orion, en hij haalde daarbij zoo diep adem, alsof hem een pak van het hart was genomen. Daarna ging hij voort op bevelenden toon, en zijne stem klonk daarbij zoo boos, dat de blos, die zooeven zijne wangen had gekleurd, bezwaarlijk een gevolg kon zijn van deze laatste goede tijding: "Indien hij twee uren na den middag niet terug is, dan zet gij hem na met al uwe manschappen en levert hem over. Mijn vader zal u een volmacht geven en dan zullen de Arabieren daarginds u bijstaan. Misschien is de dief reeds eerder in onze handen, en met hem de smaragd, wanneer het den schurk niet gelukt het juweel te verstoppen of te verkoopen." Daarop daalde zijne stem en vervolgde hij op meewarigen toon: "Jammer van den man! Wij hebben geen beter paardenkenner in den stal! Ziedaar moeder, uw woord weer bevestigd: om goed bediend te zijn, moet men spitsboeven koopen."

"Eigenlijk," merkte vrouw Neforis nadenkend op, "behoort Hiram in het geheel niet tot ons gezin. Hij is eene vrijgelatene van Thomas en kwam met zijne dochter hierheen. Ieder roemt zijne bruikbaarheid in den stal, en had deze inbraak niet plaats gehad, wij zouden hem levenslang gehouden hebben. Als het meisje zich in het hoofd had gezet ons te verlaten en hem mede te nemen, hadden wij hem niet kunnen terughouden. Gij moogt zeggen wat gij wilt, mij lasteren en smaden, ik bezit nu eenmaal niet wat gij verbeeldingskracht noemt en zie de dingen naakt zooals zij zijn; maar een zekeren samenhang tusschen het meisje en den dief moet er toch bestaan."

"Gij zult eindelijk over deze dwaasheden zwijgen," voer haar gemaal uit, en hij zou nog meer gezegd hebben, als niet op hetzelfde oogenblik de aandiener gehoor had gevraagd voor den joodschen juwelier Gamaliël. De man was gekomen om inlichting te geven omtrent den verloren edelsteen.

Op dit bericht werd Orion doodsbleek en keerde zich van den koopman af, terwijl de Israëliet binnentrad, die den vorigen avond met de beambten bij het vuur had gezeten. Onverwijld begon hij zijn bericht, en wel op den hem eigenen vroolijken toon. Hij was zoo rijk, dat hem het verlies dat hij stond te lijden niet schelen kon, en zoo eerlijk, dat hij zich verblijdde gestolen goed aan den rechtmatigen bezitter terug te kunnen geven. Heel vroeg in den morgen, zoo deelde hij mede, was de stalknecht Hiram bij hem geweest, om hem een wonderbaar grooten en schoonen smaragd te koop aan te bieden. De vrijgelatene had verzekerd, dat het juweel behoorde tot de nalatenschap van den beroemden Thomas, zijn vroegeren meester. Het had gezeten aan het hoofdstel van den hengst, waarop de held van Damascus het laatst had gereden, en zóo was het in zijn bezit gekomen. "Ik bood hem," ging de man voort, "wat mij billijk scheen, en gaf hem tweeduizend drachmen als voorschot; hij verzocht mij de rest voorloopig nog te bewaren. Ik ging op zijn voorstel in, maar weldra bereikte een verdacht geluid mijn oor. Daar joegen me de drijvers de speurhonden de stad in. God beware me, wat een gekef! Dat vee stelde zich aan als wilde het mijn arme huis aan stukken blaffen, gelijk de bazuinen, weet ge, de muren van Jericho omverbliezen. 'Wat brengt ge voor nieuws?' vroeg ik den heer hondendrijver, en ziedaar, mijne achterdocht was zoo echt geweest als de smaragd, en hier, heer stadhouder, breng ik het steentje, en wijl ieder zuigeling in Memphis reeds van de min hoort, als zij niet stom is, welk een rechtvaardig man de groote Mukaukas Georg is, zult gij mij wel teruggeven wat ik den stotterenden boef voorschoot. Gij maakt daarbij nog goede zaken, edele heer, want ik verlang voor de twee uren, gedurende welke het juweel mijn eigendom was, niet eens bewaargeld of interest."

"Hier met den steen!" riep opeens de Arabier, wien de schertsende toon van den jood begon te vervelen. Hij ontrukte hem den smaragd, woog hem in de hand, bracht hem dicht onder de oogen, hield hem daarna weder op een afstand, beklopte hem met een hamertje, dat hij uit zijne borstzak haalde, paste hem in de opene plek van het tapijt, en onderzocht den steen met scherpen, nu eens achterdochtigen dan weer bevredigenden blik.

Terwijl dit plaats had veranderde Orion herhaaldelijk van kleur en de zweetdroppels parelden hem thans op het schoone bleeke aangezicht. Was hier een wonder geschied? Hoe kon deze steen, die op weg was naar Alexandrië, in handen van den jood gekomen zijn? Of zou de chusaar het pakketje geopend en den inhoud aan Hiram en door dezen aan den juwelier verkocht hebben? Hij moest weten wat er van was en terwijl de Arabier den steen nog onderzocht, naderde hij den goudsmid en vroeg: "Hebt gij stellig en zeker--het geldt hier de gevangenis of de vrijheid--den steen van den Syrischen paardrijder Hiram gekocht en van geen ander? Ik bedoel: kent gij den man zoo goed, dat hier geen vergissing kan plaats hebben?"

"God zal me liefhebben!" antwoordde de jood, terwijl hij een stap terugtrad van Orion, die hem met fonkelende oogen aanstaarde. "Hoe kan de jonge heer er aan twijfelen! Uw geëerde vader kent mij sedert dertig jaren, en ik, ik zou den Damascener niet kennen? Wie anders in Memphis kan zoo goed stotteren? Heeft hij me niet met uwe razende hengsten de helft mijner kinderen bijna om het leven gebracht? Elk kind toch, zeg ik, heeft hij me half dood gemaakt van schrik. Springlevend zijn ze allen nog, God beware ze, maar gezonder zijn ze door dien paardrijder niet geworden, want de frissche lucht doet de kinderen goed, en uit vrees voor zijne gevaarlijke kunststukken, heeft mijne lieve Rebecca ze in de kamer gehouden, tot hij weer tehuis was."

"Alles goed!" zeide Orion, hem in de rede vallende, "op welk uur heeft hij u den smaragd aangeboden. Zeg het precies! Bezin u goed! Wanneer is het gebeurd? Gij zult het toch wel weten."

"Adonai, hoe zou ik?" antwoordde de jood. "Maar wacht, heer, misschien kan ik het toch zeggen. Bij deze hitte staan we op vóor de zon opgaat; dan wordt het morgengebed gedaan, de soep gegeten en..."

"Geen praatjes!" zeide Orion, ongeduldig.

Doch Gamaliël ging voort, zonder zich van de wijs te laten brengen. "Dan springt de kleine Ruth mij op den schoot en trekt me de witte haartjes uit, die me telkens aan den neus groeien, en juist toen het kind er mee bezig was en ik 'o weh' riep, had de zon de steenen bank bereikt, waarop dit gebeurd is."

"En wanneer bereiken de zonnestralen die bank?" vraagde Orion.

"Juist twee uren na zonsopgang," antwoordde de jood, "namelijk in dit jaargetij. Bewijs mij morgen vroeg de eer van bij mij te komen; het zal u zeker niet berouwen, want gij zult schoone waren, beeldschoone zelfs te zien krijgen--en kijk dan zelf naar de schaduw."

"Twee uren na zonsopgang," prevelde Orion zacht binnen 's monds, waarop hij met vernieuwde verbazing tot zichzelven zeide, dat hij wel vier uren later het pakje aan den chusaar had toevertrouwd. Aan de verklaring van den jood viel niet te twijfelen. Deze rijke, eerlijke en vroolijke man loog niet, derhalve kon het door hem verzondene en door Hiram verkochte kleinood in geen geval hetzelfde zijn. Maar hoe dan alles te verklaren? Het was om het verstand te verliezen! En dan niet te mogen spreken, terwijl reeds zijn zwijgen bedrog was, bedrog jegens vader en moeder! Wanneer de ongelukkige stotteraar slechts wist te ontkomen! Kreeg men hem in handen, dan--dan, genadige hemel! Maar neen, het was niet denkbaar. Vooruit dan, volgehouden! In het uiterste geval--de eer van honderd stalknechts kon toch op verre na niet opwegen tegen die van Orion alleen--dan moest de man, hoe ontzettend het ook was, dan moest hij prijsgegeven worden! Hij wilde en kon er altijd voor zorgen, dat hij weder vrij kwam en zijn leven gespaard bleef.

Intusschen was de koopman aan het einde van zijn onderzoek en toch niet tot volle zekerheid gekomen. Orion had hem gaarne afgeleid, want als de koopman allen twijfel varen liet en den teruggebrachten steen als den gestolene erkende, was er veel gewonnen, en daarom wendde hij zich weder tot hem met te zeggen: "Laat mij, bid ik u, den smaragd nog eens zien; het zal toch wel niet mogelijk zijn een tweeden te vinden, aan dezen geheel gelijk?"

"Dat zou ik niet durven verzekeren," antwoordde de Arabier ernstig. "Deze steen gelijkt dien uit het tapijt op een haar, doch hij heeft hier eene kleine verhevenheid, die ik bij den smaragd nooit heb opgemerkt. Ongetwijfeld werd hij nooit uit zijne omgeving losgemaakt, en misschien heeft dit kleine knobbeltje op het weefsel gelegen; en toch, toch--Zeg eens, goudsmid, gaf de dief u den smaragd geheel naakt, zonder eenig omhulsel?"

"Zoo naakt als Adam en Eva, voor zij den appel hadden gegeten," antwoordde de jood.

"Dat 's jammer, zeer jammer!" hernam de koopman. "Het komt mij voor als ware de steen in het tapijt ook een weinig langer geweest. In dit geval is het bijna dwaas en ondenkbaar dat er twijfel zou kunnen bestaan, en toch vraag ik mijzelven: Zou dit werkelijk de steen zijn, die in den bloemknop heeft gezeten?"

"Maar om 's hemels wil," riep Orion, "de dubbelganger van zulk een eenig juweel valt toch niet op hetzelfde oogenblik uit de lucht in hetzelfde huis neder! Verblijden we ons, dat het verloren schaap is wedergevonden. Ik zal het kleinood thans in de ijzeren kist sluiten, vader, en zoodra gij den roover beet hebt, moet ik geroepen worden, verstaat gij, Psamtik?"

Hierop groette hij zijne ouders met een wenk, bood den Arabier de hand en wel op eene wijze, die ieder goed moest doen en ook den ouden heer opnieuw voor hem innam, en verliet het vertrek.

De goede naam van den koopman was gered, doch de nauwgezette man gevoelde zich verontrust door den twijfel, dien hij maar niet onderdrukken kon. Toen hij van den Mukaukas afscheid wilde nemen, was deze zoo diep in zijn kussen gezonken en hield hij de oogen zoo vast gesloten, dat niemand weten kon of hij waakte of sliep, en zoo verliet de Arabier hem zonder groet, daar hij hem in het laatste geval niet wilde storen.

TIENDE HOOFDSTUK.

Paula had zich na de aandoeningen van den laatsten nacht met een kloppend hart op het rustbed geworpen. Zij kon den slaap maar niet vatten, en een paar uren na zonsopgang was zij opgestaan om de vensterluiken te sluiten. Daarbij had zij naar buiten gekeken en gezien hoe Hiram in een der booten van den Mukaukas was gesprongen en het lichte vaartuig van den oever had gestooten. Zij durfde roepen noch wenken, maar nadat de trouwe man midden op den stroom was gekomen, had hij omgekeken, het gezicht naar haar venster gewend, haar in het witte morgengewaad herkend, en den roeiriem hoog en sierlijk in de hoogte gehouden. Dat kon alleen beteekenen dat hij zijn last volvoerd en het kleinood verkocht had. Hij stak nu den Nijl over, om den Nabateër aan te werven.

Nadat zij de luiken gesloten en het vertrek duister gemaakt had, legde zij zich nog eens neder, en nu deed de jeugd hare rechten gelden; de zwaar vermoeide viel in een diepen slaap, die niet door droomen werd verontrust. Toen zij ontwaakte, terwijl het zweet haar op het voorhoofd parelde, was de zon nog maar weinig van de middaghoogte verwijderd, moest er nog slechts een uur verloopen voor het tijdstip van het ariston, het Grieksche ontbijt, dat gemeenschappelijk werd gebruikt, evenals de hoofdmaaltijd, die tegen den avond volgde. Zij was nog nooit daarbij gemist en haar uitblijven zou ditmaal opzien baren. Evenals in alle voorname Egyptische huizen, zoo ging het ook in dat van den Mukaukas meer Grieksch dan Egyptisch toe en dat niet enkel ten aanzien van de maaltijden, maar ook in vele andere dingen, inzonderheid de taal. Van den heer des huizes tot aan het jongste lid van de familie sprak men onder elkander Grieksch en alleen met de dienstboden Koptisch, de oude landtaal, waarin echter sedert lang talrijke Helleensche woorden en spreekwijzen waren overgenomen.

Het kleindochtertje van den stadhouder, de aardige tienjarige Maria, had gemakkelijker Grieksch dan Koptisch zonder fouten leeren spreken, maar bij Paula's komst had zij het nog zoover niet gebracht, dat zij de taal der Hellenen zuiver schrijven kon. Deze hield veel van kinderen, verlangde naar bezigheid en had daarom uit eigene beweging de taak op zich genomen om de kleine in deze kunst te onderrichten, over welken dienst hare familiebetrekkingen zich aanvankelijk schenen te verheugen. Doch zeer spoedig ontstond er tusschen vrouw Neforis en de nicht van haar gemaal de droevige verhouding, die zou blijven bestaan, en thans had de eerste aan die lessen een einde gemaakt en als grond voor deze beleedigende handelwijze aangevoerd, dat Paula haar discipeltje geheele stukken had gedicteerd uit een Grieksch gebedenboek van hare orthodoxe geloofsbelijdenis. Werkelijk was dit gebeurd, maar zonder eenige bijbedoeling, en de stukken door haar uitgekozen, behelsden enkel gedachten die ieder christen, onverschillig van welke geloofsbelijdenis, het hart konden verheffen.

De kleine was bij de machtspreuk harer grootmoeder in tranen uitgebarsten, en hoewel Paula het zeer ernstig opnam met de lesuren, had Maria de oudere vriendin hartelijk lief, met het dwepend gevoel van een halfvolwassen meisje--want dat was eene tienjarige in Egypte--hetwelk met al de hartstocht van haar gemoed zich hecht aan eene schoone jonkvrouw, die in elk opzicht hare meerdere is. En Paula's armen waren wijd geopend voor het kind, dat zonlicht bracht in de sombere, kille levenslucht, die haar in het huis van haar oom omgaf. Maar vrouw Neforis zag in de vurige liefde van het kind voor de Melchietische bloedverwante iets overdrevens, iets ongezonds, ja iets dat de geloofsovertuiging van het meisje in gevaar kon brengen, en het scheen haar toe als had Maria onder den invloed der Damasceensche het hart van haar afgewend, om dezen met meer teederheid aan te hangen. De bewijzen lagen voor de hand, dat dit geen bloot vermoeden was, want het kind, dat bijzonder gevoelig was op het punt van rechtvaardigheid, kon het niet verdragen dat hare vriendin werd miskend, teruggezet, zelfs vaak in het openbaar ongunstig en stellig valsch beoordeeld; weshalve Maria zich verplicht achtte zoo veel in haar vermogen was goed te maken, wat hare grootmoeder misdreef ten opzichte van eene huisgenoote, die in haar oog volmaakt was.

Neforis was nochtans niet de vrouw om zich deze houding van de kleine te laten welgevallen. Maria was hare kleindochter, de eenige dochter van haar overleden zoon, en niemand mocht zich plaatsen tusschen hen beiden. Zoo verbood zij het meisje, Paula zonder bepaalden last op hare kamer te bezoeken, en toen er eene Grieksche opvoedster voor het kind in dienst was genomen, ontving deze de bijzondere opdracht om hare kweekelinge zooveel mogelijk van de Damasceensche verwijderd te houden. Dit alles gaf echter voedsel aan den hartstocht van het kind, en hoewel de grootmoeder het telkens met teederheid tot zich trok en Maria van hare zijde ook niet uit het oog verloor wat zij aan deze verschuldigd was, toch wilde het tusschen beiden niet tot warme toegenegenheid komen; en daarvan was Paula zeker de schuld, zij het ook tegen haar zin, en alleen omdat zij hier woonde. Vrouw Neforis gaf de nicht van haar gemaal zoowel openlijk als door ontelbare bedekte toespelingen te voelen, dat zij de kleindochter van haar vervreemdde, en dus bleef Paula niet anders over dan het kind, waartoe zij zich zoozeer getrokken gevoelde, op een afstand te houden en het alleen in buitengewone gevallen de volheid harer liefde te doen gevoelen. Ten slotte had het leven haar zooveel verdriet opgeleverd, dat het haar niet meer mogelijk was zich als vroeger eenvoudig aan een onschuldig schepseltje over te geven, en kind met het kind te zijn. Maria bespeurde dit wel en schreef de verandering, die er bij Paula plaats had toe, aan het leed dat zij gevoelde over de harde behandeling van hare grootmoeder.

Voor etenstijd kon Maria het meest met hare vriendin alleen spreken, want dan lette niemand op haar en grootmoeder had haar nog nooit verboden de jonkvrouw aan tafel te noodigen. Een bezoek bij deze vriendin was voor het kind het grootste genot, reeds omdat het verboden was, maar niet minder omdat Paula zich op hare kamer geheel anders vertoonde dan onder de overige huisgenooten; omdat zij haar kussen kon en daarbij zeggen mocht hoe lief zij haar had. Daar vertelde het haar ook al wat oorbaar was van hetgeen zich in haar kleinen levenskring voordeed, doch haar de vertrouwde te maken van hare ongehoorzaamheid of van onschuldige kinderstreken, daarvan werd het levenslustige en soms overmoedige kind teruggehouden door de bewondering voor haar, die in hare oogen zooveel grooter, edeler en voornamer was dan alle andere menschen.

Juist was Paula met haar toilet gereed, toen Maria, die anders met eene vaart alsof ze een jongen was de vertrekken van hare grootmoeder binnenstormde, bescheiden aan de deur klopte. Zij vloog haar niet om den hals, gelijk zij bij de weduwe Susanna en haar speelziek dochtertje Katharina deed, maar zij kuste alleen haar blanken arm met innige teederheid en kleurde daarna tot over de ooren van geluk, toen Paula zich naar haar nederboog, haar een kusje gaf op lippen, haar en voorhoofd, en daarna hare vochtige, bloeiende wangen wat afdroogde. Zij nam daarop Maria's kopje vriendelijk tusschen de handen en zeide: "Wat ziet ge er uit wildzang!"

Het aardige, aanvallige gezicht van de kleine zag inderdaad vuurrood en hare oogen waren zoo gezwollen, alsof zij juist hard geweend had.

"Het is zoo vreeselijk heet," antwoordde Maria. "Eudoxia"--zoo heette hare Grieksche opvoedster--"zegt dat Egypte in den zomer een vurige oven is, eene hel op aarde. Zij is doodziek van de hitte, ligt daar als een visch op het zand, en het eenige goede daarvan is...."

"Dat zij u heeft laten loopen en u geen les heeft gegeven?"

Maria bevestigde dit door even met het hoofd te knikken, maar toen zij hierop geene terechtwijzing ontving, wendde zij het kopje opzij, en zag hare vriendin met groote schelmsche oogen ter sluiks in het aangezicht.

"En toch hebt gij gehuild, en erg ook! Zoo'n groot meisje!"

"Ik? Ik gehuild?"

"Ja zeker, gehuild! Ik kan het aan uwe oogen zien. Wat is er gebeurd?"

"Zult gij niet boos op mij zijn?"

"Stellig niet!"

"Nu dan. Eerst was het zoo prettig, zoo erg prettig, gij kunt het u ternauwernood voorstellen, en de hitte hinderde mij niets; maar toen die wilde jacht voorbij was wilde ik naar grootmoeder, en dat werd mij verboden. In de fonteinzaal, weet ge, daar had wat bijzonders plaats, en toen ze er allen weer uit waren, ben ik Orion in het tablinum achterna geslopen. Daar liggen zulke wondermooie dingen; en ik wilde hem een beetje aan het schrikken maken; wij hebben meermalen met elkander grappen gemaakt. Eerst merkte hij niets, maar toen hij zich nederboog over het tapijt, waaruit ze den edelsteen hebben gekaapt--ik geloof dat hij de juweelen telde in dat oude, versleten ding--vloog ik hem een-twee-drie op zijn rug dat hij er van schrikte, geweldig schrikte, dat verzeker ik u. Toen is hij tegen mij uitgevaren als een kemphaan, en... heeft hij mij een klap om de ooren gegeven, ik zeg u een... ach, het brandt mij daar nog--en het werd mij daarbij bont en blauw voor de oogen. Eerst was hij altijd zoo goed en vriendelijk tegen mij en ook tegen u, en daarom--hij is bovendien mijn oom--daarom mocht ik hem gaarne lijden. Maar een klap, een oorveeg, zooals de kok aan zijn jongen bij het braadspit geeft, daarvoor ben ik toch te groot, dat behoef ik me niet te laten welgevallen. Na mijn laatsten verjaardag moeten alle slaven en beambten mij als meesteres behandelen en voor mij buigen. En nu?.... Hier heeft hij mij geslagen... Hoe durfde hij?" En wederom barstte zij in tranen uit en ging snikkende voort: "Maar daarmede was het nog niet gedaan. Hij heeft mij in het donkere tablinum opgesloten en mij daar..."--de tranenvloed belette haar geregeld door te praten--"daar--daarin laten zitten! Het was er zoo akelig en ik zat er misschien nog, als ik geen stuk bladgoud had gevonden, en met mijn overgrootvader--het zilveren beeld, weet ge, van Menas--er duchtig op had los geslagen waarbij ik brand schreeuwde. Dat hoorde Sebek, die Orion haalde, en toen heeft hij mij vrijgelaten en mij op allerlei wijze geliefkoosd en gekust. Maar wat helpt mij dat, want grootvader zal boos zijn; ik heb in mijn angst zijn zaligen vader den neus bijna plat geslagen."

Paula had het kind nu eens ernstig dan weder lachend aangehoord; doch toen het zweeg wischte zij het nog eens de oogen af en zeide: "Uw oom is een man, waarmede gij niet moogt spelen als met uws gelijken. De herinnering, die gij van hem gekregen hebt, is in elk geval wel wat hard uitgevallen; maar Orion heeft getracht dat alles weer goed te maken. Doch gij hebt van een wilde jacht gesproken, wat was dat?"

Bij deze vraag helderden Maria's oogen plotseling weer op. In een ommezien was al het leed dat haar weervaren was en zelfs de platgeslagen neus van haar voorvader vergeten, en onder een vroolijk schaterlachen, dat uit het diepst harer ziel kwam, zeide zij: "Ja, dat hadt ge moeten zien! Daar zoudt ook gij plezier in gehad hebben. Zij hebben den deugniet willen vangen, die den smaragd uit het tapijt heeft getrokken. Hij had zijne schoenen verloren, die de honden onder den neus werden gebracht, en nu braken ze los! Eerst vlogen ze hier naar de trap, toen in den stal, daarna in de woning van den paardrijder; ik er altijd bij, altijd de dassen en de andere keffers achterna. Daarop hielden ze raad, en ten laatste ging het de poort uit de stad in. Ik mag den hof niet verlaten, maar--gij moet er niet boos om zijn--het was te plezierig. Ze renden de poort uit door het Hapistraatje, over de Taanchplaats en eindelijk naar de goudsmedenstraat, en daar stormde de geheele bende den winkel binnen van den jood Gamaliël, dien grappigen man. Terwijl hij met de anderen sprak, bracht zijne vrouw mij abrikozentaartjes, zoo lekker als ze bij ons niet zijn."

"En hebben zij den man, dien ze vervolgden, gekregen?" vroeg Paula, die onder het verhaal van het kind telkens van kleur verschoot.

"Dat weet ik niet," antwoordde Maria verlegen; "er was eigenlijk niemand, dien men achterna ging. De honden hielden de neuzen altijd naar den grond, en wij liepen ze achterna."

"Alleen om een ongelukkige te vangen, die met den diefstal niets te maken heeft. Denk eens na, Maria; de schoenen gaven de honden de lucht, en men liet ze los om den man te pakken, die ze gedragen heeft en nog door geen rechter verhoord is. Men heeft ze in de voorzaal gevonden; misschien liet hij ze daar toevallig liggen of bracht een ander ze daarheen. Verplaats u nu eens in den toestand van zulk een onschuldig mensch, een christen als wij, die men met jachthonden achterna zet als een roofdier. Is dat niet verschrikkelijk? Een goed mensch moest daarover niet lachen."

Paula zeide dit met zooveel ernst en nadruk, zoo medelijdend, en hare geheele houding deed zoo duidelijk blijken, hoe zeer het gebeurde haar verontrustte, dat het kind haar bezorgd aankeek, met betraande oogen naar haar toeliep en terwijl zij haar gelaat in haar kleed verborg, uitriep: "Ik wist niet dat zij een arm mensch achternazaten, en als u dat weder zoo verdrietig maakt, zou ik er niet bij hebben willen zijn! Maar is het dan waarlijk zoo erg? Gij zijt zoo dikwijls bedroefd, als wij anderen lachen." Daarbij zag zij met de groote vochtige oogen tot Paula op.

Deze drukte haar tegen zich aan, kuste haar hartelijk en zeide dan met weemoedige vriendelijkheid: "Hoe gaarne zou ik vroolijk willen zijn als gij! Maar ik heb te veel beleefd wat mij bedroefd maakt. Lach maar en verheug u naar hartelust, waarlijk ik gun het u wel; doch wat dien armen man aangaat, dien men achterna zette: ik vrees dat het mijns vaders vrijgelatene is, de trouwste en eerlijkste mensch ter wereld. Heeft men bij die vroolijke jachtpartij niemand uit den goudsmidswinkel meegepakt?"

Het kind schudde ontkennend het hoofd, vragende: "Zou het uw stotterende Hiram, den paardrijder zijn, dien zij vervolgen?"

"Ik vrees het."

"Ja, ja," zeide de kleine. "Wacht eens... het... Ach God, het zal u weer bedroeven, maar ik geloof.... ze zeiden de schoenen hadden--ik lette er niet zoo op--ze hadden... Men sprak altijd van een paardrijder, een vrijgelatene, een stotteraar."

"Dan hebben zij zeker een onschuldige nagezeten," zeide Paula met een zwaren zucht, terwijl zij zich weder aan hare kaptafel neerzette, om haar toilet te voltooien.

Terwijl hare handen zoo ijverig mogelijk in de weer waren, verzonk zij in gedachten; zij gaf het kind maar halve antwoorden, en liet het in haar open kist snuffelen. Maria haalde het van zijn sieraad beroofd kleinood er uit en deed het om haar hals.

Op dit oogenblik werd er aan de deur geklopt en Katharina, het dochtertje van de weduwe Susanna trad de kamer binnen. Het meisje, aan wie de gade van den Mukaukas haar volwassen zoon wilde uithuwen, reikte Paula nauwelijks tot aan de schouders, maar zij zag er keurig netjes uit; alles was in de puntjes, en zij had een frisch, vroolijk en allerliefst gezichtje. Als zij lachte zag men hare kleine, sneeuwwitte ver uit elkander staande tandjes glinsteren, en hare heldere oogjes keken zoo lustig rond, als hadden ze in de wereld niets dan blijmoedige dingen te zoeken of onschuldige grappen te verzinnen. Ook zij wilde Paula tot vriendin hebben, maar zij jaagde dit doel niet na met zooveel zelfverloochening en dweepte niet altijd met haar als Maria. Soms betoonde Katharina haar zulk eene hartstochtelijke teederheid, dat de oudere jonkvrouw haar intoomen moest; dan weder keerde zij deze met trotschen weerzin, boos en grommend den ruw toe, omdat zij meende door de Damasceensche koel bejegend of bij Maria achtergesteld te zijn. Het lag wel-is-waar in Paula's hand om aan dat "boos zijn" van het "kwikstaartje", dat gewoonlijk een grappigen bijsmaak had, door een goed woord of een kus een einde te maken, doch zonder zulk eene vriendelijke tusschenkomst zou Katharina in staat zijn geweest tot aan haar laatsten snik aan die boosheid toe te geven. Heden viel zij haar om den hals, en toen Paula op meer afgemeten toon dan anders verzocht, te wachten tot zij eerst haar toilet voltooid zou hebben, ging zij, zonder zich in het minst gevoelig te toonen, naar de kleine Maria toe en nam haar het halssieraad uit de handen, om dit zichzelve om te doen. Het keurig bewerkt en met paarlen bezet kleinood beviel haar bij uitstek, alleen de ledige kas, waaruit Hiram den smaragd met zijn mes had gelicht, bedierf den indruk van het geheel. Toch was het nog een vorstelijk sieraad, en nadat zij ook een grooten waaier van struisvederen uit de kist genomen had, vertoonde zij voor hare kleine vriendin met grappige en stijve bewegingen, hoe de keizerin en de prinsessen aan het hof buigen en hare onderdanen genadig groeten; hetgeen veel stof tot lachen gaf. Toen Paula gekleed was, en zij Katharina verzocht het halssieraad af te doen, bleef het ledige, door Hiram wat verbogen bladgoud aan het fijne kantwerk van haar bovenkleed hangen. Maria maakte den halsketen los, dien de Damasceensche daarna weder in de kist borg.

Terwijl Paula deze sloot vroeg zij Katharina, of zij Orion ook ontmoet had.

"Orion?" vraagde zij op een toon, als had niemand buiten haar het recht naar hem te vragen. "Wij kwamen samen de trap op; hij wilde naar de gewonden gaan kijken. Hebt gij hem wat te zeggen?"

Daarbij kreeg zij een kleur en keek Paula wantrouwend aan, die echter niets antwoordde dan "misschien," waarop zij liet volgen, terwijl zij het koordje met den sleutel van de kist om haar hals hing: "Komt meisjes, het is tijd om te ontbijten; ik ga heden niet mede naar beneden."

"Ach," zuchtte Maria teleurgesteld. "Grootvader is zeer ziek en grootmoeder blijft bij hem, en komt gij ook niet, dan--dan moet ik alleen met Eudoxia eten; want de wagen van Katharina staat te wachten, en zij rijdt dadelijk weder naar huis. Ach toe, kom! Doe het mij ten gevalle. Gij weet niet hoe knorrig die Eudoxia zijn kan, als het zoo heet is."

"Ga toch mede!" verzocht ook Katharina; "wat toch wilt ge langer hierboven doen? Tegen den avond kom ik zeker met mijn moedertje weer."

"Best," antwoordde Paula, "maar ik moet eerst naar de zieken."

"Mag ik mede?" vroeg het kwikstaartje, de jonkvrouw vleiend over den arm streelende.

Doch Maria klapte in de handen en riep: "Zij wil alleen naar Orion, want zij houdt zooveel van hem..."

Katharina sloot het kind haastig den mond, doch als Paula haar eenigszins gejaagd aan het verstand had gebracht, dat zij zeer ernstige dingen met Orion te bespreken had, keerde Katharina haar met eene haastige en trotsche beweging den rug toe en ging spijtig de trap af, terwijl Maria zich langs de leuning liet afglijden. Weinige dagen geleden zou het nauwelijks zestienjarige kwikstaartje haar zeer gaarne op dezelfde wijze gevolgd zijn.

Intusschen klopte Paula aan het eerste ziekenvertrek en betrad het daarna even zacht toen de pleegzuster, eene non uit het St. Katharina-klooster, de deur voor haar geopend had.

Orion dien zij zocht, was hier geweest, maar had zich juist weder verwijderd.

In het eerste vertrek lag de verwonde aanvoerder van de karavaan, in het tweede de waanzinnige. In eene aan het eerste vertrek grenzende zaal, die voor hooge gasten bestemd en daarom met vorstelijke pracht gemeubeld was, zaten twee mannen in druk gesprek, namelijk de Arabische koopman en de arts Philippus, een zeer groote, grof gebouwde jonge man van nauwelijks dertig jaren, wiens kleeding uit eene nette maar grove stof bestond, zonder eenig sieraad. Hij had een verstandig bleek gezicht, waarin twee zwarte goedige maar toch scherpe en levendige oogen glinsterden. Zijne stevige kaakbeenderen stonden te veel naar voren; het onderdeel van zijn aangezicht was klein, leelijk en als ingedrukt, terwijl zijn hoog en breed voorhoofd den kop van een denker vertoonde, en als een heerlijke koepel een niet zeer fraai en onaanzienlijk gebouw kroonde.

Deze man, die weinig aantrekkelijkheid bezat en toch door het sterk sprekend karakter van zijne uitwendige verschijning moeielijk, zelfs niet in een kring van personen van beteekenis, over het hoofd gezien kon worden, was juist in een levendig gesprek gewikkeld met den Arabier, die gedurende de kennismaking van deze twee dagen eene bijzondere belangstelling had opgevat voor zijn persoon, iets wat wederkeerig bij hem het geval scheen te zijn. Het laatst was thans Orion het onderwerp van hun gesprek geweest, en de heelmeester een onvermoeid arbeider, die niemand lijden mocht die werkeloos en alleen voor zijn genot leefde, had den jonkman, bij alle waardeering van zijn schitterenden aanleg en zijn welbesteeden leertijd, veel harder beoordeeld dan de oude heer. Den arts was elk menschelijk wezen heilig, en al wat een mensch naar lichaam of ziel dreigde te benadeelen, moest naar zijn oordeel weggenomen worden. Het was hem bekend welk eene ramp Orion over de ongelukkige Mandane had gebracht, hoe lichtvaardig deze had gespeeld met de harten van andere vrouwen, en dat maakte hem in zijne oogen tot een gevaarlijk en strafwaardig medelid der samenleving. Voor hem was het leven eene plichtsvervulling, en met arbeid verbonden, onverschillig welke, wanneer deze maar het algemeen ten goede kwam, voldeed men aan deze roeping. Doch de jonge heeren van het slag van Orion erkenden die verplichting niet alleen niet, maar gebruikten het leven geheel en onverdeeld tot lage, zelfzuchtige doeleinden. Voor den ouden muzelman daarentegen was het leven een droom, waarvan ieder het schoonste deel, de jeugd, met een ontvankelijk gemoed genieten moest, terwijl hij slechts had te zorgen bij het ontwaken, hetwelk met den dood begon, te kunnen hopen op de toelating tot het paradijs. Hoe weinig vermocht een mensch te doen tegen het ijzeren geweld van het noodlot! Ook door ingespannen arbeid kon dit niet bezworen worden, het kwam er maar op aan daar tegenover het juiste standpunt in te nemen en het waardig onder de oogen te zien. Orion's noodlot had zijne levensboot tot dusverre te licht belast; bij schoon weder bewoog zij zich in de richting, waarheen de wind haar dreef. Hijzelf had er voor gezorgd zijn vaartuig goed uit te rusten, en wanneer het lot het eens zwaar belaadde en tegen de klippen slingerde, dan eerst zou het blijken, wie en wat hij was; hij, Haschim, geloofde zeker, dat hij dan zijn karakter voortreffelijk zou toonen. Bij een schipbreuk blijkt wat een man waard is.

Hier viel de arts hem in de rede om te bewijzen, dat niet het noodlot den mensch beheerscht, maar de mensch zelf zijn levensschip stuurt, doch Paula keek in de zaal en maakte hierdoor aan het onderhoud een einde. De koopman boog eerbiedig, Philippus groette met achting, maar tevens met eenige terughouding, gelijk men het van een zelfstandig man als hij was verwachten kon. Sedert jaren was hij een dagelijksche gast in het stadhouderlijk verblijf, en hoewel hij Paula in den beginne weinig belangstelling had betoond, trok hij, sedert vrouw Neforis haar koel bejegende, hare partij, zoo vaak dit voegzaam geschieden kon. De gesprekken met hem, welker harde, scherpe toon haar aanvankelijk niet aanstond, en die haar vaak zoo in de engte hadden gedreven, dat zij het nauwelijks verdragen kon, waren haar echter sedert lang lief en tot eene behoefte geworden. Zij hielden haren geest wakker in een kring, die zich enkel bezighield met de kleine familieaangelegenheden der in verval gekomen stad, of met dogmatische strijdpunten; want de Mukaukas nam zelden deel aan het onderhoud der vrouwen.

De arts onderhield zich nooit met haar over dagelijksche voorvallen, maar sprak voor haar zijn oordeel uit over de meeningen van anderen, of over ernstige levensvragen en boeken, die zij beiden kenden, en wist zoo hare tegenspraak uit te lokken, waarop hij geéstig en scherp antwoordde. Langzamerhand had zij zich gewend aan zijne stoute denkbeelden en aan de openhartigheid waarmede hij, zonder zich aan iets te storen, de waarheid uitsprak, en het begaafde meisje verkoos thans het gesprek met hem boven elk ander onderhoud, daar zij erkend had dat in dezen denker, in dit vat vol van alle wetenschap eene ware kinderziel huisde, en dat hij daarbij eene mate van zelfverloochening bezat zonder wederga. Aan de gemalin van haar oom mishaagde alles wat zij deed, en zoo ook haar vertrouwelijken omgang met dezen man, wiens uitwendig voorkomen waarlijk niets aantrekkelijks had voor een jong meisje.--Eene aanzienlijke familie had een arts, om voor de gezondheid harer leden te zorgen of om hen te genezen, en het voegde den huisgenooten niet met hem als met iemand van denzelfden stand vertrouwelijke gesprekken te voeren. Zij verweet Paula, die zij vaak over haar trots berispte, dat zij zich tegenover Philippus op eene ongepaste manier vernederde, doch het meest verdroot haar, dat de Damasceensche op menig halfuur voor zich beslag legde, hetwelk Philippus anders zou hebben gewijd aan haar gemaal, wiens persoon en gezondheid voor haar boven alles gingen.

De Arabier, dien zij gisteren zoo had aangevallen, herkende haar terstond, en nadat de goede verstandhouding spoedig tusschen hen hersteld was en Paula had toegegeven, dat het verkeerd van haar was een enkel welgezind man voor het misdrijf van een geheel volk aansprakelijk te maken, en Haschim weder geantwoord had, dat een rechtgevoelend hart altijd het ware vindt, bracht zij het gesprek ook op haren vader, en de arts deelde den Arabier mede, dat zij altijd nog niet moede was den verlorene te zoeken.

"Dat is veeleer mijne eenige levensroeping," zeide de jonkvrouw.

"Ten onrechte, zou ik meenen," merkte de arts op, doch de koopman weersprak hem, want er waren dingen, die een mensch te kostbaar zijn om ze prijs te geven, ook wanneer de hoop om ze weer te vinden zoo wankel en zwak werd als een verteerde stroohalm.

"Dat ondervind ook ik," hernam Paula, "en hoe kunt gij, Philippus, mij tegenspreken? Heb ik niet uit uw eigen mond gehoord, dat gij bij uwe kranken de hoop niet opgeeft, tot de dood er een einde aan maakt? Ik houd vast aan mijne verwachting, thans meer dan ooit, en ik gevoel dat dit goed is. Mijne laatste gedachte, mijn laatste sestersie wijd ik eraan om mijn vader te vinden, wat mijn oom en zijne vrouw er ook van zeggen, hoe zij mij ook tegenspreken."

"Maar eene jonkvrouw kan in dergelijke zaken bezwaarlijk de hulp van een man ontberen," zeide de koopman. "Ik kom veel in de wereld, spreek met allerlei vreemdelingen uit verre landen, en wilt gij mij de eer bewijzen, kies mij dan tot uw helper, en vergun mij bij het opsporen van den edelen verlorene uw bondgenoot te zijn."

"Dank, innigen dank!" antwoordde Paula, terwijl zij blijmoedig en met warmte de hand van den muzelman drukte. "Houd hem, dien ik verloren heb, waarheen gij ook trekt, in gedachtenis. Ik ben een arm verlaten meisje, maar als gij hem vindt..."

"Dan zult gij weten, dat er ook onder de muzelmannen zijn die...."

"Die gaarne barmhartigheid oefenen en verlatene vrouwen vriendelijk ter hulp komen," vulde Paula aan.

"En als Allah het zoo beschikt, met goed gevolg," ging de Arabier voort. "Zoodra ik eenig spoor vind, zult gij van mij hooren, thans moet ik echter aan gene zijde van den stroom naar den veldheer Amr. Ik ga getroost, want ik weet dat mijn arme, brave Rustem in goede handen is, vriend Philippus! Reeds dadelijk in Fostat zal het eerste onderzoek beginnen, verlaat u daarop, mijne dochter!"

"Dat doe ik," antwoordde Paula van blijdschap aangedaan. "Wanneer zien wij elkaar weer?"

"Morgen, op zijn allerlaatst overmorgen vroeg."

Hierop ging het meisje naar hem toe en fluisterde hem in het oor: "Wij hebben thans een spoor gevonden, heer, ja ik hoop, dat de bode reeds onderweg is. Hebt gij nog even tijd mij aan te hooren?"

"Eigenlijk moest ik reeds lang aan de overzijde van de rivier Zijn; heden dus niet, maar zoo ik hoop morgen." Daarop reikte de Arabier haar en den arts zijne hand en ging haastig heen.

Paula bleef in gedachten staan; toen viel haar in, dat de vervolgde Hiram zich aan de overzij bevond onder het bereik van de Arabische macht, en dat de koopman misschien zich voor hem in de bres kon stellen, wanneer zij hem openhartig alles mededeelde wat zij wist. Zij stelde bijzonder vertrouwen in den ouden heer, wiens goedige en deelnemende blik haar nog altijd voor oogen zweefde; en zonder verder op den arts te letten, liep zij ijlings naar de deur van het eerste ziekenvertrek. Daarnaast hing een crucifix, en de non lag daarvoor nedergeknield, om voor den ongeloovigen kranke te bidden en den goeden herder te smeeken zich ook te ontfermen over het schaap, dat niet tot zijne kudde behoorde.

De jonkvrouw waagde het niet de biddende te storen, die voor den smallen uitgang lag, en zoo verliepen er eenige oogenblikken, tot de arts hare groote onrust opmerkte, de zaal verliet, de non even op den schouder tikte en haar zacht, maar recht vriendelijk verzocht: "Eén oogenblik, lieve zuster! Uw vroom gebed wordt altijd gehoord, maar deze jonkvrouw heeft haast."

De non stond dadelijk op, ging ter zijde en zag Paula met een onvriendelijken blik na, toen deze haastig de trap afging.

Aan de hofpoort zocht het oog van de jonkvrouw den Arabier te vergeefs. Zij ondervroeg daarop een slaaf en vernam, dat het paard van den koopman hier lang had gewacht, dat hij zooeven de poort was doorgerend en zeker reeds op de schipbrug zou zijn, die Memphis met het eiland Roda en dit weder met het fort Babylon en het nieuw ontstaande Fostat verbond.

ELFDE HOOFDSTUK.

Vol onrust en ontevreden op zichzelve klom Paula de trap weder op. Was het de hitte van dezen dag, die haar zoo mat maakte en haar de tegenwoordigheid van geest deed verliezen, waarover zij anders beschikken kon? Zij begreep nu zelve niet waarom zij de gelegenheid om bij Haschim voor den trouwen dienaar te pleiten niet terstond had aangegrepen. Misschien had de koopman zich het lot van Hiram kunnen aantrekken. De slaaf aan de poort had haar gezegd, dat men hem nog niet in handen had gekregen; de tijd om iets voor hem te doen was dus nog niet gekomen. Zij wilde het doen, wilde de boosheid harer verwanten op zich laden, desnoods alles verraden wat zij in dien nacht gezien had, om den trouwen dienaar te redden. Dat was haar plicht, maar vóor zij het deed, vóor zij Orion zoo diep vernederde, wilde zij hem waarschuwen. De gedachte hem van zulk eene ergerlijke daad te moeten beschuldigen, kwelde haar niet minder dan de noodzakelijkheid om zichzelve leed te berokkenen. Zij haatte hem, maar zij had liever het schoonste kunstwerk aan stukken geslagen, dan hem gebrandmerkt, hem wiens schoon en innemend beeld nog altijd hare ziel vervulde.

In plaats van Maria aan het ontbijt op te zoeken of den afgematten oom aan te bieden eene partij met hem te schaken, begaf zij zich weder naar het ziekenvertrek. Eene ontmoeting met vrouw Neforis of met Orion zou haar pijnlijk aangedaan, zelfs geërgerd hebben. In lang had zij zich niet zoo vermoeid en afgemat gevoeld. Misschien zou een gesprek met den arts haar wat opwekken. Na de afwisselende aandoeningen van de laatste uren verlangde zij naar iets, wat het ook zijn mocht, dat haar kon opbeuren en over iets anders doen denken.

In het eerste ziekenvertrek vraagde de non haar koel wat zij verlangde en wie haar verlof had gegeven om aan de verpleging deel te nemen. De arts, die juist het verband om het hoofd van den Masdakiet opnieuw bevochtigd had, wendde zich daarop tot de kloosterzuster en bracht haar duidelijk aan het verstand, dat hij de jonkvrouw als helpster bij zich wilde hebben, en wel bij de behandeling van beide kranken. Daarop ging hij Paula voor in de zaal en zeide haar met eene zachte stem: "Voor het oogenblik is alles in orde. Zetten wij ons hier een poosje neer."

Zij nam nu plaats op den divan, hij op een zetel tegenover haar. Philippus begon het gesprek met te zeggen: "Gij hebt zoo straks den schoonen Orion gezocht, thans moet gij..."

"Wat?" vroeg zij ernstig. "Gij moogt het wel weten: de zoon des huizes staat mij niet nader dan zijne moeder. Met dat 'schoone Orion,' hebt gij iets willen zeggen, dat ik niet weder verlang te hooren. Ik moet hem echter nog heden over eene gewichtige aangelegenheid spreken."

"Wat geeft mij dan de vreugde, u hier weder te zien? Eerlijk gezegd, had ik niet op uwe terugkomst gehoopt."

"En waarom niet?"

"Vergun mij het antwoord schuldig te blijven. De menschen hooren niet gaarne onaangename dingen. Als iemand onzer een ander voor niet geheel gezond houdt...."

"Wanneer dat op mij slaan moet," zeide het meisje, "kan ik u verzekeren: het eenige wat mij in mijzelve nog bevalt is juist mijne gezondheid. Spreek maar uit wat gij op 't hart hebt. Zeg wat mij aangaat het ergste. Ik heb heden iets noodig wat mij opheft uit dezen toestand van verslapping, zelfs wanneer het mij boos maakt."

"Goed zoo," hernam Philippus; "doch ik begeef mij in een gevaarlijk vaarwater.--Om uwe gezondheid, of wat men gewoonlijk zoo noemt, kan elke visch u benijden; maar die hoogere gezondheid, die der ziel, daarop, vrees ik, kunt gij niet roemen."

"Dat begin is bedenkelijk," antwoordde het meisje. "Uit uw verwijt schijnt te volgen, dat ik u of iemand anders onrecht heb aangedaan."

"Was dat het geval maar!" zeide de arts. "Niets, niet het minste is mij uwerzijds bejegend. Ik ben die ik ben, denkt gij voor uzelve en wat geef ik om de anderen?"

"Het is de vraag wat gij onder die anderen verstaat."

"Niets minder dan allen, die u hier in huis, in deze stad, op deze wereld tegenwoordig omringen. Zij zijn voor u lucht en nog minder dan dit; want de lucht is een stof, wier kracht zeilen vult en schepen tegen den stroom opstuwt, welker afwisselende natuur op de gunstige of ongunstige gesteldheid van ons lichaam inwerkt...."

"Ik heb mijne wereld hierbinnen," hernam Paula, terwijl zij de hand op het hart legde.

"Zeer juist! De geheele schepping kan daar eene plaats vinden; want wat men gemeenlijk een menschenhart noemt, hoeveel kan dat niet omvatten! Hoe meer men meent dat het in zich bevatten kan, des te gewilliger neemt het alles op. Het is gevaarlijk het slot ervan te laten roesten, want als dat gebeurt en men wil het openen, dan helpt geen rukken en trekken meer. En dan... maar ik wil u niet kwetsen... gij hebt u gewend altijd op het verledene terug te zien...."

"Wat verblijdends ligt er dan vóor mij? Uwe berisping is hard en bovendien niet rechtvaardig. Hoe weet gij toch in welke richting ik zie?"

"Omdat ik u met het oog van een vriend heb gevolgd. Waarlijk Paula, gij hebt verleerd om u heen en vooruit te zien. Wat achter u ligt, wat voor u verloren ging, dat is de wereld waarin gij leeft. Ik heb u eens op een afgebrokkelden papyrusrol van mijn ouden pleegvader Horus Apollon een heidenschen demon getoond, die vooruit loopt, terwijl de kop hem zoo op den hals zit, dat het geheele gezicht en de oogen achterwaarts zien."

"Dat herinner ik mij zeer goed."

"Nu, gij gelijkt reeds lang op zulk een demon. Alles vloeit, zegt Herakleitos, en gij zijt gedwongen met den grooten stroom voort te zwemmen. Of wilt gij een ander beeld: gij moet op het pad des levens voorwaarts loopen naar het doel dat allen nastreven. Doch uw oog ziet daarbij achterwaarts, waar het zich vermeit in eene schoone, rijke ouderlijke woning, in de liefde en teederheid van zoovelen, en in een gelukkig maar helaas vervlogen bestaan. Daarbij treedt gij voorwaarts, en wat moet nu het gevolg zijn?"

"Dat ik struikel, denkt gij, en val...."

Het verwijt van den arts had Paula te dieper getroffen, naarmate zij zich minder verhelen kon, dat het veel waarheid bevatte. Zij was gekomen om zich wat te laten opbeuren, maar nu vergalde deze aanklacht zelfs haar blij gevoel van gezondheid. Waarom liet zij zich door dezen toch nog geenzins bedaagden man in het verhoor nemen als een schoolmeisje? Als dat zoo voort ging, dan zou hij moeten hooren... Doch nu volgde zijn antwoord; dat verfrischte haar weder en bevestigde haar in de overtuiging, dat hij voor haar een waarachtig welmeenend vriend was.

"Dat misschien niet," luidde zijn wederwoord, "omdat--omdat--nu ja, de voorzienigheid heeft u gezegend met de schoonste evenredigheid, en als de dochter van een held schrijdt gij met zelfbewustzijn voorwaarts. Vergeten we niet, dat ik van uwe ziel spreek, en deze handhaaft hare aangeborene fierheid onder zooveel dat klein en laag bij den grond is."

"Waarom moet ik dan vreezen achterwaarts te zien, wat mij zoo goed doet?" vroeg zij opgewekt, den arts opnieuw vertrouwelijk in het aangezicht ziende.

"Omdat gij op die manier anderen licht op den voet trapt! Dat doet pijn, zij worden boos op u, en zij leeren u, die inderdaad meer liefde gevoelt dan zij allen, knorrig te zijn!"

"Dat is niet zoo, want ik ben mij bewust zoolang ik leef geen mensch met opzet bedroefd of beleedigd te hebben."

"Dat weet ik, maar onbewust is het duizendmaal gebeurd."

"Dan zou het beste zijn, dat ik ze allen voor goed ontvluchtte."

"Neen, duizendmaal neen! Wie zich terugtrekt uit zijne omgeving en zich in de eenzaamheid opsluit, meent iets verdienstelijks te doen en zich te plaatsen boven een bestaan dat hij veracht. Denk er maar eens goed over na. De zelfzucht, de eigenliefde drijft hem in een grot of kluis; in elk geval bereikt hij niet wat hij voor zijn geluk houdt, en verzuimt hij de voornaamste plichten jegens de menschheid, of zeggen wij liever jegens de samenleving waartoe wij behooren. Zij is een groot lichaam en ieder mensch op zichzelven moet zich beschouwen als een deel ervan, moet trachten het te dienen en nuttig te zijn, en als het noodig blijkt zich bereid toonen daarvoor een offer te brengen. De zwaarste mogen niet te zwaar zijn. Maar wie zich terugtrekt, maar gij--neen, hoor mij, bid ik u, ten einde, want ik waag het misschien niet voor de tweede maal om mij aan het gevaar bloot te stellen u te vertoornen--gij wilt een lichaam op uzelve zijn. Wat Paula beleefd en bezeten heeft, dat houdt zij in de schatkamer harer herinneringen achter slot en grendel verborgen. Wat Paula is, dat meent zij juist te moeten zijn; en voor wie? Wederom alleen voor diezelfde Paula. Zij heeft groot leed ondervonden en daarvan leeft hare ziel; maar dat voedsel is verwerpelijk, is ongezond, is slecht."

Zij wilde opstaan, maar vol ijver en geheel overtuigd dat hij dit gesprek niet mocht laten afbreken, boog hij zich naar haar toe, raakte even haar arm aan, als wilde hij haar op den divan vasthouden en ging zonder zich van zijn stuk te laten brengen voort: "Gij voedt u met het oude leed. Heel goed! Honderdmaal heb ik gezien, dat de smart veredelen kan. Zij kan wakkere zielen in staat stellen om het lijden van anderen dieper te gevoelen, zij kan in hen het verlangen wekken, om het leed van anderen door blijmoedige zelfopoffering te lenigen. Wie smart en beproevingen bij ervaring kent, die geniet voorspoed en geluk met dubbele vreugde; de lijdende leert ook het geringste levensgenot te waardeeren. Maar gij? Reeds lang heb ik mij trachten aan te gorden, om het u te zeggen--gij trekt uit de smart geen voordeel, omdat gij haar in uzelve opsluit, als kostbare zaden, die men in een zilveren doos bij zich draagt. Men moet ze aan de aarde toevertrouwen, opdat ze ontkiemen en vruchten dragen. Doch ik wil niet berispen, ik verlang alleen te raden als uw trouwste en beste vriend. Leer u toch een lid te gevoelen van het lichaam, waaraan het lot u nu eenmaal heeft toegevoegd, het moge u bevallen of niet. Wees erop bedacht aan dat lichaam de diensten te bewijzen, waartoe uw aanleg u in staat stelt. Gij zult wel ontdekken in welk opzicht gij dat doen kunt; het zal u gelukken iets voor dat lichaam te zijn, en dan opent gij de doos en met verbazing en blijdschap zult gij waarnemen, dat de zaadkorrel, die gij in de aarde strooit, opschiet, dat hij bloeit en vruchten geeft, waaruit brood gemaakt kan worden of artsenij voor u en anderen! Laat dan, gelijk in den bijbel staat, de dooden hunne dooden begraven, en wijd aan de levenden de rijke krachten, de schoone gaven, die als het erfdeel van een aanzienlijken vader en eene edele moeder, ja, van eene eerbiedwaardige rij van voorvaderen op de waardige kleindochter zijn overgegaan. Dan zult gij wedervinden wat gij verloren hebt: de vreugde namelijk over een bestaan, dat wij mogen genieten, waarmede wij ons voordeel hebben te doen, omdat het ons eene verplichting oplegt, die wij maar eens in staat zijn te vervullen. De goede voorzienigheid heeft u boven duizenden met gaven toegerust om bemind te worden, en wanneer gij niet vergeet, dat gij haar daarvoor dank schuldig zijt, dan zullen de harten, die zeker niet aangetrokken worden door een boom, welke zich kunstmatig omgeeft met afwerende stekels of de twijgen laat hangen gelijk de treurwilgen aan den Nijl, zich voor u openen, en gij zult een nieuw leven beginnen, gelukkig voor uzelve en gelukkig voor anderen. Gij zult een doodsch en eenzaam bestaan, dat gij hier voortsleept tot niemands vreugde en allerminst tot uwe eigene, veranderen in een vruchtbaar leven, dat uzelve voldoening geeft, dat als het zonlicht geluk en zegen rondom zich verspreidt. Wanneer gij hier gekomen zijt om deze beklagenswaardige zieken te verplegen, dan hebt gij reeds de eerste schrede gezet op den nieuwen weg tot uw waarachtig geluk, dien ik u wijzen wil. Ik had u hier niet verwacht, maar ik ben u dankbaar dat gij gekomen zijt, omdat ik weet dat het binnentreden door deze deur u op den weg kan brengen tot eene nieuw ontwaakte levenslust, wanneer gij vastbesloten zijt dien weg te betreden. Dan zoudt gij, goddank, gered zijn!"

Na deze woorden stond de arts op, en terwijl hij de zweetparelen van zijn voorhoofd droogde, zag hij angstig naar Paula, die zwaar ademhaalde, en zoo ontsteld en besluiteloos, als hij haar nog nooit gezien had, op hare plaats was blijven zitten. Zij liet haar voorhoofd op hare hand rusten en staarde zwijgend in haar schoot, als worstelde zij tegen een gevoel van smart. De jonge man sloeg de armen over elkander als een arbeider, wiens handen verstijven in den kouden wintertijd, en zeide pijnlijk bewogen: "Ja, ik heb het uitgesproken en gevoel er geen berouw over dat het gebeurd is, maar wat ik vreesde, dat zie ik nu gebeuren. Ik zal de beste vreugde moeten verliezen, die mij verkwikte bij mijn dagelijkschen arbeid. Het is een schoon gebod: Plato lief te hebben, maar meer nog dan Plato de waarheid; doch wie het opvolgt moet er op voorbereid zijn, dat die waarheid de vrienden uit de onaangename nabijheid van den armen apostel der waarheid wegjaagt."

Dit hoorende rees Paula op, en gehoor gevende aan de inspraak van haar edel gemoed, stak zij den arts hartelijk de rechterhand toe. Hij greep haar met beide handen, drukte haar zoo stevig, dat het der jonkvrouw bijna pijn deed, en sprak met vochtige van blijdschap stralende oogen: "Dat had ik gehoopt; dat is goed, dat is edel! Mocht ik toch uw broeder zijn, voortreffelijk meisje! Komaan, zoo onder ééne verpleging, dan kan dat arme, waanzinnige, zwaar gewonde, schoone schepseltje daar onder de uwe genezen!"

"Ik kom," antwoordde zij met warmte, en daar lag iets gezonds, iets opwekkends in haar wezen, toen zij naar het ziekenvertrek toeliep. Doch halverwege veranderde de uitdrukking van haar gelaat, en na een oogenblik nadenken deed zij de vraag: "Aangenomen dat wij haar doen herstellen: waartoe zal dit goed voor haar zijn?"

"Daarvoor, dat zij ademt en het zonlicht mag genieten," antwoordde de arts, "dat zij u dankbaar kan zijn en eindelijk weder voor hare samenleving doen kan wat zij vermag, dat zij, alles saamgenomen,--dat zij leeft! Want te leven--mocht gij het met mij gevoelen en ervaren!--te leven is toch het hoogste."

Paula zag den man, die met zooveel geestdrift had gesproken, verbaasd in het leelijk aangezicht. Welk eene blijdschap straalde haar daaruit tegen! Niemand had op dit oogenblik durven beweren, dat het niet fraai was en alle aantrekkelijkheid ontbeerde. Hij geloofde aan hetgeen hij met zooveel warmte had gezegd, en toch was het in tegenspraak met de zienswijze, die hij nog gisteren was toegedaan en zoo vaak had verdedigd, dat namelijk het leven op zichzelf beschouwd een ellendig ding is voor ieder, die het niet krachtig weet aan te grijpen om er iets goeds van te maken. Op dit oogenblik was het voor hem werkelijk het hoogste.

De jonkvrouw ging hem voor en zijn oog hing aan haar als dat van den vromen pelgrim aan het heiligenbeeld, waarheen hij met doorwonde voeten ter bedevaart ging over berg en dal. Zij naderden thans het bed van de kranke. De non ging voor hem uit den weg en maakte hare eigene gevolgtrekkingen over de verandering in het voorkomen van den arts, en de zalige, kinderlijke blijdschap, waarmede hij Paula verklaarde waarin het gevaar voor de kranke lag, welk plan hij gemaakt had om het arme schepseltje te redden, hoe zij de compressen moest maken en de geneesmiddelen toedienen, en hoe noodig het was, zoolang de koorts aanhield, met de schijnvoorstellingen van de waanzinnige mede te gaan en te doen alsof het verstandige denkbeelden waren.

Ten laatste moest hij zich verwijderen om andere kranken te bezoeken. Paula bleef aan het hoofdeinde van het ziekbed zitten en keek de ongelukkige in het aangezicht. Wat was zij schoon! En deze roos had Orion als knaap gebroken en smadelijk vertreden! Dit meisje had zeker hetzelfde voor hem gevoeld als zij. En thans? Zou zij niets meer voor hem voelen dan haat, of zou haar hart zich, evenals haar eigen, ondanks toorn en minachting, toch niet geheel vrij hebben kunnen maken van de betoovering, waarin hij het eenmaal had gevangen? Doch wat was dit eene zwakke gevoeligheid! Zijne vijandin wilde en moest zij zijn!

En nu sloeg zij nadenkend een blik op dat ijdele, ledige leven, hetwelk zij sedert eenige jaren had geleid. De arts had waarlijk den vinger op den wond gelegd; ja, hij was eer te zacht dan te streng geweest. Zij wilde thans beginnen hare kracht nuttig te gebruiken; maar hoe, op welke wijze, hier onder deze menschen? Hoe straalde het gelaat van den armen Philippus van blijdschap, toen zij hem de hand had geboden, en hoe medeslepend was de stroom zijner woorden! "Hoe onjuist," dacht zij, "is toch de spreuk: het lichaam is de spiegel der ziel. Als dat opging moest Philippus er uitzien als Orion, en Orion als Philippus." Maar zou dan het hart van den eerste geheel verdorven zijn? Neen, dat was niet mogelijk, en alles in haar verzette zich tegen deze opvatting. Zij moest hem liefhebben of haten, hier was geen middenweg; maar beide gewaarwordingen worstelden en streden tegen elkander op pijnlijke wijze. De arts wilde een broeder voor haar zijn en bij de gedachte daaraan moest zij glimlachen. Zij zou misschien rustig en tevreden met hem, hare Betta en zijn ouden geleerden vriend en huisgenoot, van wien hij haar dikwijls verteld had, kunnen samenwonen, hem volgen bij zijne studiën, hem helpen bij zijn beroep en met hem vele wetenswaardige dingen bespreken. Zulk een leven, dat moest zij erkennen, zou duizendmaal te verkiezen zijn boven dat in de nabijheid van vrouw Neforis. Zij had een vriend in hem gevonden, en dat zij hem gaarne als zoodanig beschouwen wilde, daarin lag zeker de eerste vervulling zijner belofte, want het toonde dat haar hart nog altijd bereid was om zich voor dat van een ander vriendelijk te openen.

Te midden van al deze overwegingen vervulde haar nog altijd de bezorgdheid voor den bedreigden Hiram, en daarbij drukte haar loodzwaar de overweging dat, als het tusschen haar en Orion tot het uiterste kwam, het gedaan was met haar verblijf in het huis van den stadhouder. Hoe vaak had zij niets vuriger gewenscht dan deze omgeving te kunnen verlaten, maar heden zag zij er tegen op, want te scheiden van den oom sloot tevens in voor goed afscheid te nemen van diens zoon. Zij haatte hem, maar hem geheel uit het oog te verliezen, dat zou haar bitter zwaar vallen. Philippus te volgen om hem als eene zuster ter zijde te staan, dat scheen haar ondenkbaar en ten eene male verkeerd.

Onder al deze overwegingen luisterde zij naar de ademhaling der kranke en behandelde haar naar het voorschrift van den arts, wiens terugkomst zij met verlangen te gemoet zag. Doch in zijne plaats kwam de non bij het bed, legde de hand op het voorhoofd van het zieke meisje, voelde haar den pols en fluisterde haar vriendelijk toe, zonder op Paula acht te geven: "Goed zoo, mijn kind, maar slapen, altijd slapen! Hoe zij toch zoo rusten kan! Moge het zoo blijven! Het hoofd is koeler geworden; Philippus zou zeker zeggen: bijna geen koorts meer! God zij gedankt, het ergste gevaar is zeker voorbij."

"O, hoe verheugt mij dit!" zeide de jonkvrouw, en in die woorden lag zooveel oprechtheid en warmte, dat de non haar toeknikte en haar van nu aan de kranke gerust en gewillig overliet.

In lang had Paula zich niet zoo gelukkig gevoeld. Het kwam haar voor, alsof hare tegenwoordigheid eene goede uitwerking had op de kranke, als ware Mandane door hare korte verpleging reeds op den drempel van een nieuw leven gekomen. Paula, die zich nog kort geleden voor een door het noodlot vervolgd schepsel hield, herademde bij de gedachte, dat zij ook geluk kon aanbrengen. Vroolijk en met oprechte teederheid zag zij Mandane in het meer dan lieftallige gelaat, schikte het verband, dat wat verschoven was, zorgvuldig over de verminkte ooren en drukte zacht een kus op hare lange zijden wimpers. De Damasceensche begon aan de verstandige non meer en meer te bevallen, en toen het uur voor het gebed weder daar was, nam zij Paula, de wees in het vreemde huis, de Griekin die overeenkomstig Gods ondoorgrondelijk raadsbesluit buiten haar zaligmakend geloof was geboren, mede daarin op.

Eindelijk keerde Philippus terug, verheugde zich over het blijmoedige uitzicht van zijne nieuwe vriendin en bevestigde, dat Mandane onder hare behandeling het ergste gevaar te boven was gekomen, en haar toestand allen grond gaf om te verwachten, dat zij langzaam, zoo hij hoopte geheel zou herstellen.

Nadat Paula het compres ververscht had, waarbij hij haar met opzet de handen vrij liet, zeide hij opgewekt: "Wat hebt gij deze dingen spoedig aangeleerd! Ziedaar, het meisje slaapt alweer, de liefdezuster waakt en wij kunnen onze patiënte voor het oogenblik niet van dienst zijn, want eene zachte sluimering is voor haar beter dan eten of drinken. Bij ons beiden, ten minste bij mij, is het anders. Er moeten nog wel twee uren verloopen voor den grooten maaltijd, mijn ontbijt staat daarginds nog onaangeroerd, en met het uwe zal het wel niet anders gelegen zijn, wees dus mijn gast. Zij sturen altijd zooveel, dat men zes scheepssjouwers er mee verzadigen kan."

Dit voorstel was Paula niet onwelkom, want de honger had reeds lang bij haar aangeklopt. Aan de non werd opgedragen spoedig nog een paar borden te halen, aan bokalen was overigens geen gebrek, en zoo zaten de nieuwe vrienden weldra etende tegenover elkander, ieder aan zijn tafeltje. Hij sneed de eend voor en de gebradene kwartels, diende haar van de salade en de dampende artisjokken, die de non op verlangen van den kok, wiens eenig knaapje de arts had gered, mede boven gebracht had, wees op de kleine pasteitjes, de vruchten en koeken, die ook nog daar waren, vervulde de rol van schenker, en terwijl zij het zich goed lieten smaken, ontspon zich tusschen hen een levendig gesprek.

Paula vroeg heden voor het eerst naar de jeugd van Philippus, en hij begon met een tafereel op te hangen van zijn tegenwoordig leven, dat hij met den ouden wonderlijken Isis-dienaar en onderzoeker Horus Apollon deelde, schilderde zijn ingespannen arbeid overdag en zijne stille studiën des nachts, en wist dit alles zoo geestig op te sieren, dat zij vaak luide moest lachen. Maar weldra kreeg zijn verhaal eene weemoedige tint, toen hij haar mededeelde hoe vroeg hij vader en moeder had verloren, zoodat hij, zonder bloedverwanten, op eigen voeten moest staan met niet anders dan een armzalig geërfd kapitaaltje. Want zijn vader was een taalgeleerde geweest, die uit Athene naar Alexandrië was geroepen, en hij had zich gedwongen gezien zichzelven een weg door het leven te banen, dat er voor hem uitzag als een verwilderd bosch van papyrusriet en biezen. Ieder uur van zijn leven moest aan den arbeid worden besteed, en zulk een leelijke, lange Goliath als hij was, had niet zoo gemakkelijk beschermers gevonden, die hem voorthielpen. Aan de hoogescholen te Alexandrië, Athene en Caesarea had hij door onderricht te geven en door het bereiden van geneesmiddelen uit planten, die hij zelf had gezocht, zich in het leven trachten te houden met water in plaats van wijn, met brood en vruchten in plaats van kwartels en pasteien. Toch had hij menig goed vriend gevonden, maar zich eene vriendin te verwerven, dat ging niet gemakkelijk met een gezicht als het zijne.

"Zoo ben ik dan wel de eerste?" vroeg Paula, die oprechte achting gevoelde voor den man, die zich door zijne eigene kracht had opgewerkt tot de hooge plaats, welke hij sedert lang niet enkel te Memphis maar onder alle Egyptische heelmeesters innam.

Hij knikte toestemmend en met zulk een zalig lachje, dat het haar was als viel er een zonnestraal in hare ziel.

Hij bemerkte het terstond, hief zijn beker op en zeide tot haar met hoogroode wangen: "Wat anderen vroeg ten deel valt, heb ik eerst later verworven, maar daarvoor vind ik ook eene vriendin zonder weerga."

"Ik hoop althans dat zij nog niet zoo slecht is, als gij haar zooeven hebt geteekend. Als onzen vriendschapsbond maar niet een spoedig einde bedreigt!"

"Oho," riep de arts; "elke bloeddruppel in deze aderen..."

"Zoudt gij bereid zijn voor mij te plengen," vulde Paula aan met een pathetisch gebaar, dat zij den eersten speler in de tragedie op het theater te Damascus had afgezien. "Maar wees niet bezorgd, er is geen sprake van leven of dood. Hoogstens jagen ze mij uit dit huis en uit Memphis."

"U?" vroeg Philippus opeens met schrik. "Wie zou dat durven wagen?"

"Zij, voor wie ik zoo zonderling vreemd bleef, gelijk gij straks zoo treffend hebt geschilderd. En hebben zij hun zin gekregen, dan, mijn beste nieuwe vriend, zal het ons gaan als den geleerden Dionusios van Kurene."

"Van Kurene?"

"Ja! Ik heb dat verhaal van mijn vader. Toen deze Dionusios zijn zoon naar Athene op de hoogeschool zond, zette hij zich neder om een boek voor hem te schrijven over alles wat een student op de academie doen en laten moet. Hij wijdde zich aan dezen arbeid met allen ijver, en toen hij na vier jaren onder het laatste blad van de rol schreef: 'zoo is dan dit boek gelukkig ten einde,' keerde de jongeling, voor wiens studie dit werk een leiddraad moest zijn, als een volmaakt geleerde naar Kurene terug."

"En zoo hadden wij onze vriendschap gesloten...."

"En alles voor een vaster verbond in de toekomst voorbereid, om weldra uit elkander te gaan."

Plotseling sloeg Philippus met de vuist op het tafeltje, dat voor de rustbank stond, en riep: "Dat zal ik weten te beletten! Doch wilt ge mij in vertrouwen mededeelen, wat er tusschen u en die hier beneden weder heeft plaats gehad?"

"Gij zult het tijdig genoeg vernemen."

"En wie denkt, dat men u zonder komplimenten den stoel voor de deur kan zetten, en dat daarmee ook alles tusschen ons uit is, die zou zich kunnen vergissen!" hernam de arts, terwijl zijne oogen fonkelden van toorn. "Ik heb hier in huis ook een woordje mee te spreken, en zoo ver zijn wij nog lang niet, zoo ver zal het stellig niet komen. Gij moet hen verlaten, ja, dat moet gij, maar alleen vrijwillig en met opgerichten hoofde.."

Daar werd de deur van het eerste ziekenvertrek driftig geopend en een oogenblik later stond Orion op den drempel van de aangrenzende zaal, zag beiden, die zooeven hun maal geëindigd hadden, met groote bevreemding aan en zeide somber: "Ik zie dat ik u stoor."

"Volstrekt niet," antwoordde de arts. Doch de jongeling begreep dat het laf en te dezer plaatse weinig voegzaam zou zijn, indien hij aan een aanval van ijverzucht lucht gaf, en antwoordde lachend: "Ik wenschte dat het mij geoorloofd was geweest als derde aan dit sumposion deel te nemen!"

"Wij hadden aan elkander volkomen genoeg," antwoordde de arts.

"Hij zou van de zaligheid zeker zijn, die aan alle leerstukken van de kerk zoo gemakkelijk gelooven kon als aan deze bewering," zeide Orion, lachend. "Ik ben anders geen spelbreker, geëerde vrienden, maar ditmaal, het doet mij oprecht leed, moet ik toch een rustverstoorder zijn. Het betreft," en nu gevoelde hij zich weder in staat den schertsenden toon te laten varen, die zoo slecht te rijmen was met zijne stemming--"het betreft eene zeer gewichtige zaak. Het geldt niemand minder dan uw vrijgelatene, mijne schoone jonkvrouw."

"Is Hiram terug?" vroeg Paula, en zij gevoelde daarbij dat zij bleek werd.

"Zij hebben hem opgebracht," hernam Orion. "Mijn vader heeft de rechters terstond doen samenroepen. De gerechtigheid heeft bij ons vlugge beenen, het doet mij leed voor den man, doch ik kan niet verhinderen dat het recht zijn loop heeft. Ik moet u verzoeken bij het verhoor tegenwoordig te zijn als men u roept."

"Men zal de volle waarheid vernemen," antwoordde Paula op vasten strengen toon.

"Natuurlijk," hernam Orion. Daarop wendde hij zich tot den arts. "U, voortreffelijke arts, zou ik willen verzoeken mijne verwante en mij een oogenblik alleen te laten. Ik heb haar een raad te geven, die haar zeker voordeelig kan zijn."

Philippus zag zijne vriendin vragend aan, zij antwoordde echter luide en beslist: "Ik heb met u geene geheimen, wat ik vernemen moet, mag ook deze hooren."

Orion haalde de schouders op en deed als wilde hij heengaan; doch voor den drempel keerde hij zich om en zeide gejaagd, vol werkelijke bezorgdheid: "Wanneer gij mij niet hooren wilt om uwentwil, zoo doe het, hoe kwalijk ge mij ook gezind zijt, omdat ik u smeek mij deze gunst niet te ontzeggen. Hier staat het leven van een mensch op het spel en het geluk, de zielsrust van een ander.--Zeg niet neen, ik vraag niets onbillijks, Philippus! Vervul mijn wensch en laat ons eenige oogenblikken alleen."

Andermaal vroegen de oogen van den arts aan de jonkvrouw wat te doen, en ditmaal antwoordde zij: "Ga!" waarop haar vriend zich dadelijk verwijderde.

Terstond daarop sloot Orion de deur en zeide, terwijl zijne borst hijgde: "Wat heb ik u toch gedaan, Paula, dat ge mij sedert gisteren vliedt als een melaatsche, dat gij het er op toelegt mij in het verderf te storten?"

"Ik wil mij voor het leven van een trouw dienaar in de bres stellen, meer niets," antwoordde zij gelaten.

"Op het gevaar af mij ongelukkig te maken?" vroeg Orion bitter.

"Ja, op dit gevaar af, als gij den vloekwaardigen moed hebt uwe eigene schuld op de schouders te laden van dezen eerlijken man."

"Gij hebt mij in den afgeloopen nacht bespied!"

"Alleen het toeval heeft gewild, dat ik u uit het tablinum..."

"Ik onderzoek thans niet wat u zoo laat daarheen voerde," zeide de jongeling haar in de rede vallende. "Want het stuit mij tegen de borst van u iets anders dan het beste, het reinste te gelooven. Maar gij? Wat hebt gij anders van mij ondervonden dan vriendschap, ja--het zou dwaasheid zijn hier iets te verbergen--dan wat een minnaar zijne geliefde....."

"Zijne geliefde?" viel Paula verstoord in. "Een minnaar, durft gij te zeggen, gij die hand en hart aan eene andere hadt geschonken, gij...."

"Wie heeft u dat gezegd?" vroeg Orion verslagen.

"Uwe eigene moeder."

"Dat! dat is het dus!" riep de jongeling, terwijl hij de handen krampachtig in elkander wrong. "Nu eerst versta ik, begrijp ik.... Maar wacht... Als het dat is wat u aandrijft om mij te haten, mij te vervolgen, dan moet gij mij liefhebben, dan hebt gij mij lief, meisje, en dan, gij fiere, eenige jonkvrouw..."

Bij deze woorden had hij de hand naar haar uitgestoken, maar zij stiet hem terug en sprak met bevende stem: "Vergis u niet! Ik behoor niet tot de zwakke lammeren, voor wie gij uwe gaven en voorrechten misbruikt hebt, en die zich beijverden u de handen te kussen. Ik ben de dochter van Thomas, en de bruidegom van een ander die mij op den weg ter bruiloft nog zou willen omarmen, die zal tot zijne schade ondervinden dat er vrouwen zijn, die zijne waanzinnige wenschen afwijzen en den smaad haar toegedacht weten te straffen. Ga nu tot uwe rechters! Gij valsche aanklager, noemt mijn Hiram; maar ik noem u, u, den zoon van dit huis den dief. Laten wij zien wien zij gelooven zullen!"

"Mij!" hernam Orion en zijne oogen begonnen een niet minder toornigen en verterenden gloed te vertoonen dan de hare. "Mij, den zoon van den Mukaukas! O, dat gij geene vrouw waart! Ik zou u op de knieën willen werpen en dwingen mij om vergeving te vragen. Hoe durft gij het wagen op een man, wiens wandel tot dusver zoo vlekkeloos rein was als uw blank gewaad, met den vinger te wijzen, alsof hij een nietswaardige was? Ja, ik ben in het tablinum gegaan, ik heb den smaragd uit het tapijt gerukt, maar het is in eene overmoedige luim geschied en in de overtuiging dat het goed mijns vaders ook het mijne is. Daarna heb ik den steen weggeslingerd, om aan de zonderlinge liefhebberij van een vluchtigen inval te voldoen. Vervloekt zij de ure waarin het geschied is, niet om de daad zelve, maar om de gevolgen, die zij na zich sleepen kan door uw waanzinnigen haat. IJverzucht, kleingeestige onwaardige ijverzucht is het die hem deed ontstaan! En tegen wien is hij gericht?"

"Tegen niemand, ook niet tegen uwe bruid Katharina," zeide Paula met gedwongene kalmte. "Wat zijt gij nog voor mij, dat ik, om u eene deemoediging te besparen, het leven van den braafsten man op het spel zou zetten? Het blijft daarbij: de rechters mogen beslissen."

"Neen, dat zullen zij niet!" herhaalde Orion met kracht, "ten minste niet in uw zin! Wees gewaarschuwd, pas op dat gij mij niet tot het uiterste drijft! Nog zie ik in u de vrouw die ik liefhad, nog bied ik mij aan om te doen wat in mijn vermogen is, om ook voor u alles ten beste te keeren..."

"Voor mij? Ben ook ik dan bestemd uw schuld mede te dragen?"

"Hebt gij zoo straks beneden het geblaf der honden vernomen?"

"Ik hoorde honden keffen."

"Welnu, de vrijgelatene is opgebracht, de jachthonden hebben hem door hun reuk gevonden en werden toen in huis en in de nabijheid van het tablinum gebracht, de honden zijn niet van den drempel geweken, en de lieden hebben daar later op den wit marmeren dorpel aan het rechter einde, de sporen van eens mans voet in het stof ontdekt. Die voet was op eene bijzondere wijze gevormd; in plaats van vijf teenen waren er maar drie te herkennen. Uw Hiram werd binnen gebracht en bij hem werden evenveel teenen gevonden als op het marmer, niet minder en niet meer. In den stal uws vaders heeft eene hengst hem vroeger op den voet getrapt en de arts hem twee zijner teenen moeten wegnemen; dat heeft men met moeite uit den stotteraar gekregen. Aan de andere zijde van den dorpel was een kleiner spoor; de honden mochten er weinig acht op geven, ik heb het opgemerkt en stellig uitgemaakt--hoe, behoeft gij niet te weten--dat gij het geweest zijt, die daar hebt gestaan. Hij, die geen recht heeft ons huis te betreden, is in dezen nacht ons tablinum, onze schatkamer binnengedrongen. Verplaats u in het gemoed van de rechters! Hoe zwaar kan wel tegenover zulke daadzaken het enkele woord van eene jonkvrouw wegen, van wie ieder weet dat zij het met mijne moeder alles behalve eens is, en die alles op het spel moet zetten om haar dienaar te redden."

"Dit alles doet er niets toe," zeide Paula. "Maar Hiram heeft den steen niet gestolen. Gij zelf weet het al te goed wie het gedaan heeft. De smaragd, dien hij verkocht, was mijn eigendom, en al gelijken die beide steenen zoo op elkander, dat zelfs de verkooper....."

"Ja, ja, hij kon ze niet onderscheiden. Booze demonen zijn bij dit alles in het spel, duivelsche, helsche geesten. Mijn verstand zou er bij stilstaan, als het leven niet zoo vol van wonderen was. Gijzelve zijt wel het grootste wonder! Hebt gij den Syriër gelast den smaragd te koop te bieden, om met het geld uit dit huis te vluchten?--Gij zwijgt? Dus heb ik het geraden. Wat geeft gij om mijn vader! Mijne moeder hebt gij niet lief, en den zoon--Paula, Paula, misschien doet gij hem toch onrecht!--Gij haat hem, het is u een lust hem te benadeelen."

"Noch u, noch niemand anders wil ik kwaad doen," antwoordde het meisje, "en uw vermoeden is valsch. Uw vader ontzegt mij de hulpmiddelen om den mijnen te zoeken...."

"En gij hebt u geld willen verschaffen, om verder onderzoek te doen naar den sedert lang gestorvene. Zelfs mijne moeder stemt toe, dat gij de waarheid liefhebt. Heeft zij gelijk en schept gij er waarlijk geen behagen in mij in het verderf te storten, hoor dan naar mij, volg mijn raad, vervul mijne bede! Ik vraag niet te veel."

"Spreek dan!"

"Weet gij wat de eer voor een man beteekent? Behoef ik u te zeggen dat ik een verloren, een geschandvlekt man ben, wanneer ik om deze daad van de meest hersenlooze lichtzinnigheid door de rechters van mijn eigen huis word veroordeeld? Het kan mijn vader het leven kosten, als hij verneemt dat het 'schuldig' over mij wordt uitgesproken, en ik--ik--wat er van mij worden zal als dat geschieden moet, dat kan ik niet indenken.... Ik.... God, God, behoed mij voor waanzin! Maar bedaard, bedaard, de tijd dringt.... Hoe anders staat het met uw dienaar; hij schijnt reeds nu bereid de schuld op zich te nemen, want hoe men hem ook ondervraagt, hij bewaart het stilzwijgen. Doe hetzelfde, en leggen de rechters bijzonderen nadruk op het onderhoud, dat gij dien nacht met den Syriër hebt gehad--de honden hebben zijn spoor gevonden op uwe trap--spreek dan het vermoeden uit, dat de trouwe man zich van den smaragd kan hebben meester gemaakt, ten einde aan uw verlangen te voldoen tot het doen van verdere nasporingen naar uw vader, zijn geliefden meester. Kunt gij besluiten dit zware offer te brengen--helaas, dat ik het vragen moet!--dan zweer ik u bij alles wat mij heilig is, bij uzelve en bij het hoofd mijns vaders, dat ik Hiram uiterlijk binnen drie dagen, ongeslagen en ongefolterd, met een vorstelijk geschenk uit de gevangenis ontsla, en dat ikzelf hem den weg zal banen om te vluchten waarheen hij wil, of als gij dit begeert, om verder te zoeken naar uw overleden vader.--Zwijg dus, houd u gelaten op den achtergrond, dat is alles wat ik verlang, en dat ik woord zal houden, daaraan ten minste, niet waar, daaraan twijfelt gij niet?"

Diep bewogen had zij hem aangehoord. Zij had medelijden, innig medelijden met hem, zooals hij daar smeekend en door gewetenswroeging gemarteld voor haar stond, als een misdadiger die nog maar altijd niet begrijpen kon dat hij het was, en die bouwde op het vertrouwen, dat hij gisteren nog gerechtigd was van iedereen te vorderen. Hij stond daar voor haar als een schoone, trotsche boom, waarin de bliksem was geslagen en die nu waggelend en met gespleten stam bij een volgend onweder ter aarde moet vallen, als de hovenier hem niet stut. Het liefst zou zij alles wat haar door hem aangedaan was vergeten en zijne hand vriendelijk gegrepen hebben om hem te troosten, maar haar diep gekrenkte trots deed haar de koele ontwijkende houding bewaren, die zij tot hiertoe tegenover hem had kunnen aannemen. Aarzelend en met afgemeten woorden stemde zij toe te zullen zwijgen, zoolang hij woord hield. Niet zoozeer om zijn maar om zijns vaders wil was zij bereid zich tot medeplichtige te maken. Doch daarmede was alles tusschen hen uit, en zij zou de ure zegenen, die haar voor eeuwig van hem en de zijnen zou scheiden.

Dit laatste gedeelte van haar antwoord klonk bijzonder hard en afwijzend, en zij moest op zulk een toon spreken om niet te verraden hoe diep zijn ongeluk en het ondergaan van den zonneschijn in zijn persoon, die ook een wijle haar gemoed zoo zalig had verwarmd, haar aangreep; doch voor hem was het of in die woorden, waaruit ergerlijke minachting en vijandige gezindheid schenen te spreken, een ijskoude wind hem tegenwoei. Hij had moeite om zichzelven meester te blijven, ten einde niet andermaal zich te laten medesleepen tot een heftigen uitval. Het deed hem bijna leed haar zijn geheim toevertrouwd, haar om genade gebeden, aan de zaak niet haar loop gelaten en haar, als het tot een uiterste was gekomen, met zich in het verderf gesleurd te hebben. Liever wilde hij eer en rust prijsgeven, dan zich andermaal te verootmoedigen voor deze vijandin zonder erbarmen, met zulk een ijskoud hart. Op dit oogenblik haatte hij haar werkelijk, en hij wenschte wel met haar een tweegevecht te kunnen aangaan, om haar trots te breken en de verwonnene om genade smeekende aan zijne voeten te zien. Terwijl het bloed hem naar het aangezicht steeg, bracht hij met moeite ten laatste deze woorden uit: "Van u te scheiden, van u, is voor ons allen het beste. Houd u gereed, weldra zullen de rechters u roepen."

"Goed," luidde het antwoord, "ik zwijg, en gij zorgt voor de redding van den Syriër; ik heb uw woord!"

"En zoolang gij het uwe getrouw blijft, zal ik het houden; anders," luidde het van zijne van woede trillende lippen, "anders strijd tot met het staal!"

"Tot met het staal!" herhaalde zij met fonkelende oogen. "Nog eens zeg ik u, ik heb bewijzen dat de smaragd, dien men bij Hiram heeft gevonden, aan mij behoort; bij alle heiligen, die heb ik!"

"Des te beter voor u," hernam hij op somberen toon, "wee over ons beiden, als gij mij dwingt te vergeten dat gij eene vrouw zijt!" Daarop verliet hij met haastige schreden de zaal.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Met gebalde vuisten en kwaadaardigen blik daalde Orion de trap af. Het was hem of zijn hart zou bersten. Wat had hij gedaan, en wat was er van hem geworden! Zoo durfde eene vrouw hem bejegenen, eene vrouw, die hij zijne liefde had gewijd, de schoonste en edelste der vrouwen, de hoogmoedigste, wraakzuchtigste en hatelijkste tegelijk! Hij had eens ergens gelezen: "Wie eene laagheid heeft begaan, waarvan ook een ander weet, die draagt het doodsoordeel van zijne zielsrust in de plooien van zijn gewaad." Hij gevoelde het gewicht van dit oordeel, en de andere die mede alles wist was Paula, was zij van wie hij bovenal gewenscht had dat zij tot hem mocht opzien! Gisteren hield hij het nog voor de grootste zaligheid op aarde haar te omarmen, haar de zijne te mogen noemen; thans kende hij maar één wensch, haar te vernederen, haar te straffen. Helaas, dat hem de handen gebonden waren, dat hij als een veroordeelde van hare genade afhing! Hij kon niet onder woorden brengen hoe onverdragelijk hem deze gedachte was. Maar zij zou hem leeren kennen! Als een blanke zwaan was hij tot nu toe het leven doorgegaan; als deze noodlottige ure, als deze vrouw hem tot een gier maakte, was het niet zijne, was het hare schuld! Weldra zou blijken wie de sterkste was van hen beiden. Hij moest haar straffen op eene wijze zooals men eene vrouw slechts tuchtigen kan, al moest hij ook langs den weg der misdaad en der ellende zijn doel bereiken. Hij vreesde niet dat de arts hare genegenheid had gewonnen, want hij voelde met onbetwistbare zekerheid dat, hoe zij hem hare vijandschap ook deed gevoelen, haar hart hem en hem alleen behoorde. "De gouden munt der liefde," zeide hij tot zichzelven, "heeft twee zijden: teeder verlangen en bitteren haat; thans toont zij mij deze laatste zijde, maar hoe verschillend ook het beeld en het schrift van de munt mogen zijn, wanneer men haar laat klinken geeft zij toch maar éen toon, en die toon ligt ook in hare beleedigende taal."

Aan de familietafel verontschuldigde hij Paula en at zelf zeer weinig, want de rechters waren sedert lang vergaderd en wachtten op hem.

Reeds aan de voorvaderen van den Mukaukas, machtige gouwvorsten, was het recht verleend over leven en dood, en zij hadden zich daarvan zeker al bediend onder de Psamtikiden, aan wier heerschappij de Pers Cambyses zulk een gruwzaam einde had gemaakt. Als eerwaardige symbolen van dit recht prijkten thans nog uraeusslangen, adders wier beten den snelsten dood ten gevolge hebben, en de drakendooder St. George boven de paleizen van den Mukaukas te Memphis en te Lucopolis in Boven-Egypte. Op beide plaatsen stond het aan het hoofd der familie vrij, nadat Justinianus en het laatst keizer Heraclius die oude bevoegdheid opnieuw bevestigd hadden, om aan de onderhoorigen des huizes en de inwoners van het district, waarover hij gesteld was, eigenmachtig de doodstraf te doen voltrekken. De ridder St. George was tusschen de oude slangen geplaatst, om het heidensch symbool door een christelijk te vervangen. Vroeger had de ridder het hoofd van een sperwer, dat wil zeggen van den god Horus gedragen, die om zijn vader te wreken den boozen Seth Typhon had verslagen, doch reeds een paar honderd jaren geleden was de heidensche krokodillendooder in den christelijken overwinnaar van den draak veranderd geworden.

De Arabieren hadden na de verovering des lands de oude instellingen en rechten en zoo ook die van den Mukaukas gehandhaafd. Het gerechtshof, dat in zaken betreffende het huispersoneel werd saamgeroepen, bestond uit de hoogere privaatbeambten van het stadhouderlijk huis. Het ambt van opperrechter bekleedde de Mukaukas zelf en zijn volwassen zoon was zijn natuurlijke plaatsvervanger. Gedurende Orions afwezigheid had het hoofd van de rentmeesters, Nilus, een verstandig en bezadigd Egyptenaar, de plaats van zijn lijdenden meester vaak vervuld, maar heden was aan Orion opgedragen het voorzittersgestoelte in te nemen en het onderzoek te leiden.

De zoon van den stadhouder haastte zich uit de eetzaal naar het slaapvertrek zijns vaders te gaan, en vroeg hem om zijn ring als teeken der volmacht, die hij op hem had overgedragen. De Mukaukas liet zich dezen gewillig van den vinger halen, en drukte den jongeling op het hart, dat zonder toegevendheid en gestreng moest worden gevonnisd. Hij was anders tot zachtheid geneigd, doch op een inbraak in zijn huis stond de dood, en in dit geval was het om der wille van den Arabischen koopman geraden geen vergiffenis te schenken. Orion, indachtig aan zijne overeenkomst met Paula, verzocht nu zijn vader hem de handen geheel vrij te laten. De oude muzelman was een rechtvaardig heer, die onder zekere omstandigheden ook een zacht vonnis zou billijken. Bovendien was de misdadiger eigenlijk geen huisgenoot, maar hij stond in dienst bij eene bloedverwante. De Mukaukas prees het verstandig inzicht van zijn zoon. Als hij zich maar wat beter gevoelde, zou hij gaarne de zitting willen bijwonen, ten einde hem voor de eerste maal een ernstigen plicht te zien vervullen, die zijne geboorte en zijn stand waardig was. Orion kuste zijn vader met warmte en weemoedige ontroering de hand, want ieder woord van waardeering uit den mond van dezen geliefden man deed hem innerlijk goed, doch hij beschouwde het als eene ramp, dat hij zijn rechtersloopbaan, waarvan hij den ernst en de heiligheid gevoelde, aldus--aldus beginnen moest.

Zachtmoediger gestemd, in gedachten verzonken en overwegende hoe Hiram te redden en Paula's naam liefst geheel buiten de zaak te houden zou zijn, begaf hij zich naar de gerechtszaal, en vond vóor den ingang de voedster Perpetua in een levendig gesprek met den rentmeester Nilus. De oude vrouw was radeloos. Door haar arbeid aan de weefgetouwen had zij tot zooeven niets van al het gebeurde vernomen, en zij bezwoer thans de onschuld van den ongelukkigen Hiram. De steen, dien hij verkocht had, was het eigendom geweest van hare meesteres, en daarvoor ontbrak het goddank niet aan bewijzen, want de kas van den smaragd lag goed bewaard in de kist van hare meesteres. Gelukkig was het nog mogelijk geweest haar even te spreken, maar dat men haar, de dochter van Thomas, als ieder burger- of slavenkind voor het gerecht wilde dagen, dat was ongehoord, dat was schandelijk!

Opeens stoorde Orion barsch dit onderhoud; hij gelastte den ouden deurwachter haar onverwijld te brengen naar het magazijn naast het tablinum, waar de voor het gebruik des huizes bestemde geweven stoffen bewaard werden, en haar daar tot nader order goed te bewaken. De toon waarop hij dit bevel gaf was zoo meesterachtig, dat zelfs de voedster niet tegensprak; ook de rentmeester gehoorzaamde zwijgend zijn gebod, om zich weder bij de rechters te voegen. Nilus kwam verbaasd en angstig in de rechtzaal terug. Zóo had hij den zoon zijns meesters nog nooit gezien. Bij de mededeeling van de voedster waren hem de aderen op zijn jeugdig nog ongerimpeld voorhoofd sterk gezwollen, hadden zijne neusvleugels zich snel en krampachtig bewogen, was de welluidende klank uit zijne stem verdwenen en hadden zijne oogen dreigend gefonkeld.

Nu was Orion alleen en hij knarste op de tanden van boosheid. Ondanks de gegeven belofte had Paula hem verraden, en hoe verachtelijk was de vrouwenlist, waarmede zij dit gedaan had. Voortreffelijk! Voor de rechters kon zij nu zwijgen, gerust zwijgen tot aan het einde der zitting; de voedster, haar spreekbuis, had aan Nilus, den ernstigsten en scherpzinnigsten man in het geheele college, de bewijzen toevertrouwd, die voor haar en tegen hem getuigden. Ongehoord, schandelijk! Een smadelijk, bij uitstek nijdig verraad! Maar nog had zij haar doel niet bereikt, nog had hij de handen vrij, om deze boozen aanval met een tegenstoot af te weren. Welke deze zijn moest, dat was hem reeds bij de mededeeling van de voedster duidelijk geworden, maar zijn geweten, zijne aangeboren neiging, de langdurige gewoonte om zich te houden binnen de perken van wat recht, goed en betamelijk is, dat alles verzette zich daartegen. Niet alleen had hijzelf nooit eene laaghartige gemeene daad begaan, maar het had zijne ergernis opgewekt, zoo vaak hij het had gezien van anderen; en het eenige wat hij ondernemen kon om Paula's verraad onschadelijk te maken, het was--hij kon het niet loochenen--het was wel ongehoord en stout, maar niet minder verachtelijk en schandelijk. Doch hij wilde en mocht in dezen strijd niet onderliggen. De tijd drong, hij kon onmogelijk lang wikken en wegen, en plotseling ontwaakte in hem een kwaadaardige, woeste strijdlust, en gevoelde hij zich als in de dagen van de wedrennen in den circus, wanneer hij zijn vierspan aanzette om de anderen vooruit te komen. Vooruit dan, vooruit, al moest het voertuig in splinters slaan, al moesten de paarden er bij neervallen en de raderen van zijn wagen de strijdgenooten in het zand van de arena verbrijzelen!

Met een paar haastige schreden bereikte hij het kamertje van den deurwachter, een wakker man, die sedert veertig jaren dit ambt bekleedde. Vroeger was hij smid geweest en thans gebruikte men hem om kleine herstellingen te doen aan het gewone huisraad. Orion was als kind een aardige knaap, die ieders hart wist te stelen, en dus ook de lieveling van dezen man geweest. Vaak had hij zich in diens kamertje opgehouden en hem de kunstgrepen van zijn handwerk afgezien. Met een bijzonderen aanleg voor werktuigkunde begaafd, had hij zich een leerzaam scholier van den oude betoond en het zoover gebracht, dat hij zijne ouders op hunne geboortedagen, die in Egypte bijzonder feestelijk gevierd en door het geven en ontvangen van geschenken opgeluisterd werden, met sierlijke kastjes en banden voor gebedenboeken kon verrassen, die hij met eigen hand gesneden en van sloten voorzien had. Hij kon alle instrumenten hanteeren en koos thans fluks de zoodanigen uit, die hij meende noodig te hebben. Op de vensterbank van het kamertje stond een bloemruiker, dien hij gisteren avond voor Paula bestelde, maar op dezen schrikkelijken dag vergeten had te halen. Met dezen in de hand en de instrumenten in de borstplooien van zijn gewaad snelde hij naar de trap.

"Voorwaarts, altijd voorwaarts!" riep hij zichzelven toe, toen hij Paula's kamer binnendrong, de deur grendelde, en zich op de knieën neerliet bij hare kist, na de bloemen uit de handen te hebben gelegd. Als hij ontdekt werd, dan heette het dat hij naar hare kamer was gegaan om dezen ruiker te brengen.

"Voorwaarts, steeds voorwaarts!" dacht hij altijd, terwijl hij de scharnieren losschroefde, waarmede het deksel aan de kist was verbonden. Zijne handen beefden, zijne ademhaling versnelde, maar het werk vorderde toch. Op deze manier moest het hem gelukken, want het kunstslot van de kist liet zich niet openen zonder het te vernielen. Daar lichtte hij het deksel en--als ondersteunden hem vriendelijke machten--bij den eersten greep in de kist hield hij de halsketen met de ledige kas in de hand. Het hulsel van bladgoud hing aan het kunstig gewerkt halssieraad; dit los te haken en bij zich te steken was het werk van een oogenblik.

Maar nu ging het niet meer, al riep hij zich het "voorwaarts" nog zoo luide toe. Dat was een diefstal, daarmede ontroofde hij iets aan haar, die hij, als zij maar gewild had, bereidwillig met alles zou hebben overladen, waarmede het lot hem zoo overrijk gezegend had. "Neen, dat, dat..."

Daar schoot hem plotseling eene zonderlinge gedachte door het hoofd, eene gedachte die hem, te midden van den vreeselijken ernst van deze ure een glimlach om de lippen plooide. Zonder verwijl voerde hij haar uit; hij greep diep in zijn onderkleed en haalde een edelsteen te voorschijn, die aan eene gouden keten op zijne borst hing. Dit kleinood, het meesterwerk van een groot Grieksch steensnijder uit den heidenschen tijd, was hem vereerd door zijn besten vriend in Konstantinopel, als tegengeschenk voor een vierspan, dat dezen bijzonder beviel, en de steen bezat inderdaad hooger waarde dan een half dozijn edele paarden. Als in een roes, half waanzinnig, volgde Orion dien ontstuimigen drang van zijn gemoed, en het verheugde hem dat hij een kostbaar stuk bij de hand had om in de plaats van het armzalig bladgoud te hangen. Met een paar handgrepen was alles in orde, maar het weder aanschroeven van de scharnieren vorderde meer tijd, want zijne vingers beefden sterk, en hoe nader het oogenblik kwam, waarop hij Paula zijne overmacht wilde laten voelen, des te sneller klopte zijn hart, des te moeielijker viel het hem zijn geest tot kalme overweging te dwingen.

Nadat hij de deur ontgrendeld had, moest hij weder als een dief de lange gang van de verdieping der gasten bespieden. Dit verhoogde zijne opgewondenheid tot verbittering tegen de wereld en het noodlot, en het meest tegen haar, die hem tot zulk eene smadelijke zelfvernedering dwong. De renner hield de teugels en den prikkel in de hand. Voorwaarts nu, voorwaarts! Evenals toen hij nog een jongen was, vloog hij de trappen af, telkens een drietal treden overspringende, en toen hij in de voorzaal de Grieksche opvoedster Eudoxia aantrof, die hare wilde kweekelinge Maria juist in huis trok, wierp Orion haar den bloemruiker toe, dien hij weder had meegebracht, en ijlde, zonder acht te geven op de smachtende blikken waarmede de bedaagde jonkvrouw hare dankzegging begeleidde, naar het kluisje van den deurwachter terug, waar hij zich haastig ontdeed van alle gereedschappen.

Weinige oogenblikken later betrad hij de rechtzaal. De rentmeester Nilus wees op den hooger geplaatsten opperrechterszetel van zijn vader, maar eene sterke huivering weerhield hem dit eerwaardig gestoelte te bezetten. Met gloeiend hoofd en somberen blik, zoodat alle aanwezigen hem verbaasd en schuw aanzagen, opende hij met driftig uitgestoote woorden deze zitting. Nauw wist hijzelf wat hij sprak, en hij hoorde zijne eigene toespraak niet duidelijker dan het geruisch der zee uit de verte. Toch gelukte het hem klaar uiteen te zetten wat er gebeurd was, hij toonde den rechters den geroofden steen, dien men den dief afhandig had gemaakt, berichtte op welke wijze men dezen weder in bezit had gekregen, verklaarde den vrijgelatene van de dochter van Thomas schuldig aan inbraak, en beval hem tot zijne verantwoording aan te voeren wat hij vermocht.

Doch de aangeklaagde wist er slechts met moeite stotterende uit te brengen, dat hij onschuldig was. Het was zijne zaak niet zichzelven te verdedigen, maar misschien zou zijne meesteres iets tot zijne rechtvaardiging in het midden willen brengen.

Daarop streek Orion zijne verwarde haren uit het aangezicht, wierp het verhitte hoofd trotsch in den nek en zeide, zich tot de rechters keerende: "Zij is eene aanzienlijke jonkvrouw, eene verwante van ons huis, het is betamelijk haar buiten deze treurige zaak te houden. Hare voedster heeft Nilus bovendien medegedeeld, wat misschien in staat is om dezen ongelukkige te redden. Wij willen niets daarvan onopgemerkt laten, maar gij, die minder goed met de verhoudingen tusschen de verschillende personen bekend zijt, moet dit wel in het oog houden, om niet op een dwaalspoor te geraken. Zij is aan den beschuldigde gehecht, en hem en Perpetua schat zij hoog als het eenige wat haar uit het ouderlijk huis is overgebleven. Verder moet het mij en u niet verwonderen, wanneer eene edele vrouw als zij het waagt de schuld van een ander op zich te nemen, en zichzelve in een twijfelachtig licht te plaatsen, om een dienaar te redden, die altijd trouw en eerlijk is geweest. De voedster is bij de hand, zullen wij haar roepen, of heeft zij u Nilus alles toevertrouwd, wat hare meesteres ten gunste van den vrijgelatene aanvoerde?"

"Perpetua heeft mij, en ten deele ook u eene geloofwaardige mededeeling gedaan," antwoordde de rentmeester, "maar ik vermag haar toch niet zoo juist weer te geven als zijzelve, en ik dacht daarom dat het goed zou zijn de vrouw te laten voorkomen."

"Men brenge haar voor," beval Orion, terwijl hij over de hoofden der rechters somber en ongenaakbaar in de ruimte staarde.

Na een langdurig en pijnlijk zwijgen in de zaal verscheen de oude vrouw. Overtuigd van het goed recht harer zaak, trad zij onbeschroomd binnen, zag eerst den ongelukkigen Hiram niet zeer vriendelijk aan, omdat hij zoo lang gezwegen had, en vertelde daarop dat Paula, om zich het noodige geld ter opsporing van haren vader te verschaffen, door den vrijgelatene een kostbaren smaragd uit hare halsketen had laten nemen, en hoe door het verkoopen van dit kleinood haar landsman helaas in verdenking was gekomen.

Deze verklaring van de voedster scheen het meerendeel der rechters gunstig voor den aangeklaagde te stemmen, doch Orion liet hun geen tijd om onder elkander van gedachten te wisselen, want nauwelijks had Perpetua haar verhaal geëindigd, of Orion greep den smaragd, die voor hem op tafel lag, en zeide driftig en verstoord: "Dus zou een steen, die zijn verkooper zelf, een der grootste kenners van juweelen, verklaard heeft eenig in zijne soort te zijn en dezelfde die in het tapijt heeft gezeten, opeens als door een wonder der natuur een dubbelganger gevonden hebben? Booze geesten drijven ook heden ten dage nog hun spel met de menschen, doch het is bezwaarlijk te gelooven dat zij dit doen in dit christelijk huis. Gij weet wat het woord 'bakersprookjes' in onze taal beteekent, en wat de voedster daar in het midden heeft gebracht moet blijkbaar daartoe gerekend worden. Dat mag men den jood Apelles doen gelooven, zooals de Romein Horatius zeide, maar zijn geloofsgenoot Gamaliël"--waarbij hij zich tot den juwelier wendde, die op de bank der getuigen zat,--"zeker niet, en nog minder mij, die dit weefsel doorzie. De dochter van den edelen Thomas heeft zich vernederd om met behulp van deze kunstenares in het weven dit sprookje op het getouw te zetten en voor ons te ontrollen, ten einde ons rechters op een dwaalspoor te brengen en haren trouwen dienaar te redden van gevangenisstraf, dwangarbeid of den dood. Zoo zit de zaak in elkaar. Dwaal ik, vrouw, of blijft gij volharden bij uwe bewering?"

De voedster, die gemeend had in Orion een verdediger te vinden voor hare meesteres, had zijne woorden gevolgd met klimmende verbazing. Uit zijne oogen fonkelden haar nu eens spot, dan groote verbolgenheid tegen, doch terwijl bij dezen onverwachten uitval de tranen haar in de oogen waren geschoten, bewaarde zij toch hare tegenwoordigheid van geest en verzekerde, dat zij evenals altijd zoo ook thans de waarheid had gezegd. De kas waarin de smaragd harer meesteres had gezeten, zou dit ten overvloede kunnen bewijzen.

Hierop haalde Orion de schouders op, beval de voedster hare meesteres te roepen, wier persoonlijke tegenwoordigheid thans onvermijdelijk was geworden, en zeide tot den rentmeester: "Geleid haar, Nilus! Een dienaar brenge de kist hierheen, opdat deze door de eigenares zelve voor onze oogen geopend worde, vóor een ander de hand aan den inhoud kan slaan. Ik zou niet geschikt zijn voor deze boodschap, want niemand in dit Jakobietische huis, ik vrees zelfs niemand onder u, heeft genade gevonden in de oogen van deze schoone Melchietin. Mij is zij helaas bijzonder kwalijk gezind, en zoo moet ik aan anderen elken maatregel overlaten, die tot misverstand zou kunnen leiden. Breng haar hierheen, Nilus, natuurlijk met al de onderscheiding, die aan eene jonkvrouw van hooge geboorte toekomt."

Zoodra de afgezondenen zich verwijderd hadden, doorliep Orion de rechtzaal met haastige, rustelooze schreden. Maar eens bleef hij voor de rechters staan, zeggende: "Ook zelfs wanneer de kas van den smaragd gevonden wordt, hoe verklaren wij dan de aanwezigheid van twee, ik zeg twee steenen, elk eenig in zijne soort? Het is om zijn geduld te verliezen! Een teergevoelig meisje waagt het eene ernstige rechtbank op een dwaalspoor te brengen, ten gunste, ten gunste van...." Hij ging niet verder, maar stampte driftig met den voet op den grond en zette daarna stilzwijgend zijne wandeling voort.

"Hij is nog een nieuweling," dachten de rechters, die zijne groote gejaagdheid opmerkten, "anders zou hij zich de dwaze poging om een aangeklaagde schoon te wasschen niet zoo aantrekken, en zich door zoo iets niet uit zijn humeur laten brengen."

Het verschijnen van Paula maakte eindelijk aan dat op- en neerloopen van Orion een einde. Hij ontving haar met eene afgemetene buiging en verzocht haar plaats te nemen. Vervolgens noodigde hij Nilus uit haar mede te deelen wat uit het onderzoek en de behandeling van de zaak tot hiertoe was gebleken, en te vragen wat haar naar zijne meening en die der overige rechters had kunnen bewegen den gestolen smaragd voor den hare te verklaren. Hij zou het zooveel mogelijk aan anderen overlaten haar te verhooren, want zij wist maar al te goed in welke verhouding zij tot elkander stonden. Voor dat hij de rechtzaal binnenkwam, had zij hare verklaring van den diefstal door Perpetua aan den rentmeester Nilus laten mededeelen; hij--en hier verhief hij zijne stem--zou het passender gevonden hebben, en meer overeenkomstig de verwantschap die er tusschen hen bestond, wanneer zij hemzelven, Orion, had toevertrouwd, wat zij dacht ten gunste van den vrijgelatene te doen; dan zou het hem mogelijk zijn geweest haar te waarschuwen. Dit wegcijferen van zijn persoon bij hare handelingen moest hij beschouwen als een nieuw bewijs van haar afkeer, en de gevolgen ervan zou zij aan zichzelve te wijten hebben; want nu moest het rechtsgeding onverbiddelijk zijn loop hebben.

De toornige gloed zijner oogen verried haar wat zij van hem te wachten, en dat hij den kamp met haar aangenomen had. Zij hield zich overtuigd, volgens zijne opvatting de kort te voren gegeven belofte verbroken te hebben; doch zij had Perpetua geenszins opgedragen zich in deze aangelegenheid te mengen, zij had de voedster integendeel verzocht haar in het uiterste geval zelve de bewijzen te laten aanvoeren. Orion moest in den waan verkeeren, dat hem harerzijds een onrecht was aangedaan; maar zou hij daarom zichzelven zooverre kunnen vergeten, dat hij zijne bedreiging uitvoerde en een onschuldige, om alle verdenking van zich af te wenden, te gronde richtte, waarbij hij haar als valsche getuige zou brandmerken? Ja, ook voor dit uiterste schrikte hij niet terug! Zijn vlammend oog, zijne heftige gebaren, het geweldig hijgen van zijne borst, dit alles sprak het duidelijk genoeg uit. De strijd moest dus worden aanvaard. Liever ware zij op dit oogenblik gestorven, dan dat zij het zou hebben willen wagen hem door een woord van verontschuldiging zachter te stemmen. Zij voelde hoe zijn gemoed kookte, en zou zich aan zijne voeten hebben willen nederwerpen, om hem te smeeken toch tot bedaren te komen, ten einde zich te hoeden voor eene nieuwe misdaad; doch zij bewaarde hare trotsche waardigheid, en de blik waarmede zij den zijnen beantwoordde was niet minder toornig en uitdagend dan die van hem. Als twee jonge adelaars, die strijdlustig de veeren opsteken, de vleugels verder uitspreiden en de halzen rekken, stonden zij daar tegenover elkander, zij zeker van hare overwinning, in het bewustzijn van de rechtvaardigheid harer zaak, doch meer beangst voor hem dan voor zichzelven, hij bijna blind voor het eigen gevaar, maar als een gladiator, die in de arena tegenover zijn doodvijand staat, meer bedacht om dezen te vellen, dan om eigen lijf en leven te beschermen.

Terwijl de rentmeester haar mededeelde wat zij ten deele reeds wist, en daarop de verdenking herhaalde, dat zij zich had laten verleiden tot het geven van een valsch getuigenis om haar dienaar, die misschien uit liefde voor zijn verdwenen meester de inbraak had gewaagd, het leven te redden, zag zij meer naar Orion dan naar den redenaar. Deze laatste wees ten slotte op de kist, die tegelijk met Paula uit hare kamer in de zaal was gebracht, en gaf haar te kennen, dat de gezamenlijke rechters bereid waren alles aan te hooren en te onderzoeken, wat zij tot hare verdediging in het midden zou brengen.

Orions gejaagdheid bereikte thans haar toppunt. Hij voelde dat hij doodsbleek werd en kon niet meer geregeld denken. De rechters, de aangeklaagde, zijne vijandin, alles wat binnen de wanden van de groote rechtzaal besloten was, lag daar voor hem als in grauwe kronkelende nevels gehuld. Al wat hij zag scheen hem als met helder smaragdgroen gekleurd. Het haar, de aangezichten, de gestalten der aanwezigen, alles schemerde en glinsterde in dien groenachtigen glans. Toen Paula echter trotsch en met vasten tred naar de kist toeliep, een kleinen sleutel uit haar gewaad haalde, dezen aan een beambte overhandigde en daarna als eenig antwoord op de mededeeling van Nilus, ja, als ware dit reeds te veel van haar gevergd, met koele hoogheid zeide: "Open de kist!," toen zag hij weder dat glanzig bruine haar, den vurigen gloed harer blauwe oogen, de afwisselende bleekheid en blos harer wangen, het heldere gewaad, dat hare heerlijke gestalte in fraaie plooien omsloot, en haar zegepralenden glimlach. Hoe schoon, hoe begeerlijk was deze vrouw! Weldra zou zij onderliggen in den strijd met hem, maar deze overwinning zou hem te staan komen op het verlies van haar, en met haar van alles wat er reins en goeds zijner voorvaderen waardig in hem was. Eene stem in zijn binnenste riep het hem toe, maar hij bracht haar tot zwijgen met de voorwaartskreet van den agitator. Ja, vooruit tot het doel bereikt was, altijd voort over puin en steenen, door bloed en stof, tot zij den trotschen nek buigt, tot zij overwonnen en gebroken om genade smeekt.

Daar sprong het deksel van de kist open. Paula bukte zich, ze haalde de halsketen te voorschijn en vertoonde die aan de rechters, zij hield de beide einden ver uit elkander, en... Wat was dat voor een akelige, hartverscheurende kreet van vertwijfeling! Zelfs Orion zou gewenscht hebben zoo iets nooit meer te hooren.--Daar wierp zij het halssieraad voor de rechters op tafel en met den uitroep: "Schandelijk, laaghartig!" trad zij terug en greep zich aan de trouwe Betta vast; want hare knieën begonnen te knikken en zij gevoelde dat zij op het punt stond in elkaar te zijgen. Orion vloog naar haar toe om haar te ondersteunen, maar zij stootte hem terug, en daarbij trof hem een blik zoo vol smart, toorn en verachting, dat hij roerloos voor haar bleef staan en de hand op zijn hart drukte.--En deze laaghartige daad, die twee menschenkinderen zoo diep zou grieven, had hij met een glimlach begonnen! Deze vertooning, die een doodsoordeel bevatte, tot welk een ontzettend einde kon zij leiden?

Paula was intusschen zonder verder eenig geluid te geven op een zetel neergezonken, en ook hij zag zwijgend voor zich tot in de rij der aanwezige rechters een luid gelach opging en de oude Psamtik, de bevelhebber van de hoofdwacht, die sedert geruimen tijd in de rechtbank zitting had, uitriep: "Bij mijn ziel een kostelijke steen! Dat is de heidensche liefdegod Eros, dien zijn gevleugeld schatje Psyche in het aangezicht ziet. Hebt gij dien mooien roman van Apulejus niet gelezen, 'de gouden ezel' geheeten? Dit stukje komt daarin voor. Heilige Lukas, wat is dat fijn gesneden! De edele jonkvrouw heeft zeker den verkeerden halsketen gegrepen. He, Gamaliël, waar moet aan dat ding"--en hij wees hierbij op den gesneden steen--"dat groene duivenei gezeten hebben?"

"Nergens," antwoordde de jood. "De edele jonkvrouw...."

Doch Orion legde dien getuige barsch het zwijgen op, waarna de rentmeester Nilus den steen in handen nam en dien opmerkzaam van alle zijden bekeek. Daarop ging de ernstige, rechtvaardige man, op wiens bijstand Paula zeker gerekend had, naar haar toe, haalde medelijdend de schouders op, en vroeg of er zich in de kist ook nog eene andere halsketen kon bevinden, met zulk eene gouden kas als waarvan zij gesproken had.

Eene rilling voer haar door de leden, want het scheen wel dat hier een wonder was geschied. Maar neen, bij dezen slag die haar werd toegebracht waren geen hoogere machten in het spel. Orion meende dat zij hare belofte om hem te verschoonen en te zwijgen gebroken had, en dit was nu zijne wraak. Hoe en langs welken weg hij haar volvoerd had, dat was haar een raadsel. Welk een slag! Ja, ze had getroffen! Zou zij zich dien laten welgevallen as een geduldig kind? Neen, duizendmaal neen! Opeens herkreeg zij hare veerkracht, de haat staalde haar zwakken wil, en gelijk hij zich in den geest verplaatst had te midden van de wedrennen in de arena, zoo verbeeldde zij zich aan het schaakbord gezeten te zijn; en het was haar als streed zij met hem om te winnen, niet als met zijn vader om bloemen, kleine geschenken of de eer van het spel alleen, maar om een geheel anderen inzet, om dood of leven.

Alles wilde zij er aan wagen om hem te overwinnen, en toch, neen--wat er ook van komen mocht--niet alles. Liever wilde zij de nederlaag lijden, dan hem overtuigen van diefstal, dan te verraden, wat zij in het viridarium had bespied. Zij had beloofd dat te zullen verzwijgen en den zoon te bewaren voor dezen smaad, dat zou het loon zijn dat zij den vader betaalde voor zijne goedheid. Hoe heerlijk, hoe groot had Orions beeld voor hare ziel gestaan! Met deze schandvlek wilde zij hem noch voor zichzelve noch voor de wereld bezoedelen. Maar in geen enkel ander opzicht mocht zij hem ontzien, en zij moest alles doen om hem de zegepraal te betwisten en Hiram te redden. Elk wapen was geoorloofd, alleen dit verraad wilde en mocht zij niet tegen hem plegen. Hij moest gevoelen dat zij edeler gezind was dan hij, dat zij in de moeielijkste omstandigheden des levens trouw bleef aan haar woord. Haar besluit was genomen, en zij begon dieper adem te halen, er kwam weer leven in haar oog, ofschoon het nog een wijle duurde, eer zij het rechte woord vond om den strijd te beginnen.

Orion zag welk een bangen strijd zij voerde, hij gevoelde dat zij zich tot weerstand wapende, en had haar willen aanmoedigen om den eersten uitval te doen. Nog geen woord van verbazing of verontwaardiging, nog geen enkel verwijt was over hare lippen gekomen. Wat voerde zij in het schild, waarover peinsde zij? Hoe verrassender en gevaarlijker de uitval bleek te zijn, des te beter; hoe moediger zij zich verweerde, des te verder zou bij hem de pijnlijke gedachte op den achtergrond treden, dat hij strijd voerde tegen eene vrouw. Ook helden hadden roem gedragen op overwinningen over Amazonen behaald.

Eindelijk stond zij op en ging naar Hiram toe. Men had hem aan den schandpaal gebonden en toen een smeekende blik uit zijne trouwe oogen haar trof werd haar tong ontboeid, was zij zich opeens bewust, dat zij zich niet enkel te verweren maar ook een ernstigen plicht te vervullen had. Nadat zij met enkele haastige schreden de tafel genaderd was, waarom de rechters in een halven cirkel gezeten waren, legde zij de linkerhand ten steun op het tafelvlak, en zeide, terwijl zij de rechter omhoog hief: "Gij zijt het offer van een afschuwelijk bedrog, en iemand heeft aan mij een schurkachtigen streek begaan om mij in het verderf te storten! Ziet die man daar aan den schandpaal er uit als een roover? Geen heer heeft ooit trouwer, eerlijker dienaar kunnen vrijlaten, en de dank dien Hiram daarvoor aan mijn vader verschuldigd is, heeft hij op zijn dochter overgedragen, daar hij uit liefde tot mij eigen huis, vrouw en kind verliet, om mij, de wees, naar den vreemde te volgen. Verlangt gij echter de waarheid te hooren, niets dan de waarheid en deze ten volle..."

"Spreek!" riep Orion haar toe. Maar zij ging voort, zich tot Nilus en de overige rechters wendende, terwijl zij hem met voordacht over het hoofd zag. "Uw hoofd, de zoon van den Mukaukas, weet dat ik in plaats van beschuldigde eene aanklaagster zou kunnen worden, als ik wilde. Maar ik versmaad dit middel uit liefde voor zijn vader en omdat ik edeler denk dan hij. Hij zal mij wel begrijpen! Wat dezen smaragd aangaat, de vrijgelatene Hiram heeft hem gisteren avond voor mijne oogen met zijn mes uit het gouden hulsel gelicht; doch behalve wij, hebben, gode zij dank, ook nog anderen de kas zien hangen aan de keten, waartoe hij behoorde. Heden middag bevond zij zich nog op de plaats waar het eene misdadige hand later gelukt is dezen gesneden steen te bevestigen. Ik heb die, dat bezweer ik u bij Christus' wonden, zooeven voor het eerst gezien. Het is een kostbaar stuk. Alleen een rijk man, de rijkste onder u allen, schenkt zulk een schat weg, onverschillig met welk doel, laten wij zeggen: om een vijand in het verderf te storten. Gamaliël," en daarbij wendde zij zich tot den juwelier, "hoe Gamaliël, schat gij den onyx?"

De Israëliet liet zich den steen nog eens overhandigen, draaide dien in alle richtingen en zeide ten laatste meesmuilende: "Ja, schoone jonkvrouw, wanneer mijne zwarte broeihen zulke eieren legde, zou ik het kippetje enkel met koeken van Arsinoë en vette oesters van Kanopus voederen. Dat ding is een landgoed waard, en al ben ik geen rijk man, ik betaal daarvoor ieder oogenblik twee groote talenten, al moest ik ze borgen."

Deze verklaringen misten hare krachtige uitwerking op de rechters niet. Doch Orion haastte zich te zeggen: "De wonderen vermenigvuldigen zich op dezen merkwaardigen dag. De edelmoedigheid, tot een ijdelen klank geworden, schijnt onder ons weer te ontwaken. Een verkwistende demon maakt uit een waardeloos stukje bladgoud een kostbaren onyx. Mag men vragen, jonkvrouw, wie die kas aan uw keten heeft gezien?"

Zij geraakte in verzoeking om ook het laatste ontzag voor zijn persoon te laten varen en antwoordde met bevende stem: "Waarschijnlijk uw medehelpers, of gijzelf; want gij, gij alleen hebt reden..."

Doch hij liet haar niet verder spreken, maar sneed haar de woorden af, door te zeggen: "Dat is te veel! O dat gij een man waart! Thans heb ik gezien hoever uwe edelmoedigheid gaat! Ook de haat, de bitterste vijandschap...."

"Zij zouden het recht hebben u geheel te vernietigen!" riep zij diep verontwaardigd. "En wanneer ik u van deze afschuwelijke misdaad betichtte...."

"Dan zoudt gij een misdaad begaan tegen mij, tegen uzelve en tegen dit huis," hernam hij dreigend. "Neem u in acht meisje! Kan uwe verblinding zoover gaan, dat gij mij, mijzelven als getuige oproept, opdat ik het sprookje, dat gij ons opdischt.."

"O neen, neen; dan zou ik nog iets edels van u moeten kunnen verwachten," sprak zij, hem luid in de rede vallende. "Ik heb geheel andere getuigen: Maria, de kleindochter van den Mukaukas Georg."

Haar oog zocht bij die woorden het zijne, maar hij zeide: "Dat kind, welks hartje u toebehoort, en dat u volgt als een schoothondje!"

"En buiten haar nog Katharina, de dochter van de weduwe Susanna," haastte zij zich er bij te voegen, met blozende wangen en zeker van hare overwinning. "Zij is althans geen kind meer maar eene jonkvrouw, dat weet gij! Doch," en nu keerde zij zich weder tot de rechters, "van u vorder ik, dat gij uw ambt waardig zult vervullen, door mij recht te laten wedervaren en de beide getuigen te doen voorkomen om haar te hooren."

Terstond antwoordde Orion, terwijl hij alle moeite deed om bedaard te blijven: "De grootouders mogen beslissen of men het weekhartige kind aan de verzoeking mag blootstellen door eene verklaring voor de rechters, zij moge dan luiden hoe zij wil, hare afgodisch beminde vriendin te redden. Haar leeftijd ontneemt overigens aan hare getuigenis alle waarde, en het stuit mij ook tegen de borst een kind van dit huis in deze pijnlijke zaak te mengen. Daarentegen is het de plicht van het gerechtshof de jonkvrouw Katharina voor te laten komen; en ikzelf bied mij aan haar te gaan roepen."

Paulas' poging om hem weder in de rede te vallen wees hij ten stelligste af, men zou haar later in tegenwoordigheid der getuige geduldig aanhooren. De onyx was misschien afkomstig uit het huis haars vaders. Opnieuw werd Paula door rechtvaardige toorn overmeesterd en buiten zichzelve riep zij: "Neen, duizendmaal neen! Een ellendige booswicht, een uwer helpers, ik herhaal het, is mijne kamer binnengedrongen en heeft, terwijl ik bij de kranke vertoefde, het slot van mijne kist verbroken of met een valschen sleutel geopend."

"Dat kan onderzocht worden," zeide Orion, en hij was blijkbaar zeker van zijne zaak, toen hij beval de kist op tafel te zetten en een der rechters verzocht als zaakkundige zijn oordeel uit te spreken.

Paula kende den man zeer goed. Hij behoorde tot de aanzienlijkste beambten des huizes en was de eerste werktuigkundige van den Mukaukas, wiens taak het was maten en gewichten, wateruurwerken en andere instrumenten te onderzoeken en te herstellen. Deze kundige man ging dadelijk over tot het onderzoek van het slot, dat hij in de beste orde bevond en van eene bijzondere samenstelling bleek te zijn, ook de kunstig vervaardigde sleutel had door geen looper vervangen kunnen worden, terwijl Paula moest toegeven de kist heden middag gesloten en den sleutel sedert dien tijd om haar hals gedragen te hebben.

Orion hoorde deze verklaring schouderophalend aan en beval toen, vóór hij Katharina ging roepen, Paula en de voedster, van elkaar gescheiden, in aangrenzende vertrekken te brengen. Om in deze zaak tot klaarheid te komen, was een eerste vereischte verdere afspraken tusschen haar onmogelijk te maken. Zoodra de deur achter de vrouwen gesloten was, ijlde hij naar den tuin, waar hij Katharina hoopte te vinden.

De rechters zagen hem na, terwijl ieder het zijne dacht. Zij stonden hier voor raadselen, die moeielijk waren op te lossen. Niemand achtte zich gerechtigd om te twijfelen aan de goede gezindheid van den zoon huns rechtvaardigen meesters, dien zij eerden als een hoogbegaafd en grootmoedig jonkman. Zijn strijd met Paula had hen pijnlijk aangedaan en ieder vroeg zich af hoe het gekomen was, dat het dezen lieveling der vrouwen niet scheen gelukt te zijn andere gevoelens, dan die van haat te wekken bij eene der schoonste van haar geslacht. De groote vijandschap tegen Orion, die zij niet verheelde, benadeelde hare zaak in de oogen der rechters, die maar al te goed wisten op welk een gespannen voet zij stond met vrouw Neforis. Het was meer dan vermetel van haar den zoon van den Mukaukas te beschuldigen de kist te hebben opengebroken; haat alleen had haar deze aanklacht op de lippen kunnen leggen. Toch lag er iets in haar wezen dat pleitte voor de deugdelijkheid van hare verklaringen, en als Katharina werkelijk kon betuigen de kas van den smaragd aan het halssieraad gezien te hebben, dan bleef er niets anders over dan het rechtsgeding van eene andere zijde aan te vangen en onderzoek te doen naar een anderen huisdief. Maar wie zou zulk een kostbaar stuk als dezen gesneden steen voor iets zonder waarde hebben weggesmeten? Neen, dat was ondenkbaar en de werktuigkundige Ammonius had gelijk toen hij beweerde, dat eene door haat bezielde vrouw tot alles in staat is, ook tot wat ongelooflijk schijnt.

Intusschen was het volmaakt donker geworden en de gloeiend heete dag door een heerlijken, lauwen avond vervangen. De Mukaukas had zijn vertrek nog altijd niet verlaten, terwijl zijne gemalin benevens de weduwe Susanna en hare dochter, de kleine Maria en hare opvoedster in de opene gaanderij aan de zijde van den tuin en den Nijl een luchtje schepten en praatten. De vrouwen hadden hare hoofden omhuld met kanten sluiers, deels tegen de muggen, die van de rivierzijde, door het licht aangetrokken, bij zwermen kwamen toevliegen, deels tegen de dampen, die uit de Nijlvlakte opstegen. Zij wilden zich juist verkwikken met de zooeven gebrachte koele vruchtensappen, toen Orion verscheen.

"Hoe is het afgeloopen?" riep zijne moeder hem bezorgd toe; want uit zijne verwarde haren en zijne hoogroode kleur maakte zij op, dat in de zitting niet alles glad van stapel was geloopen.

"Ongehoorde dingen zijn er gebeurd," was zijn antwoord. "Paula vecht als eene leeuwin voor den vrijgelatene haars vaders...."

"Om ons te krenken en in verlegenheid te brengen," hernam Neforis.

"Neen, neen, moeder," ging Orion met gejaagdheid voort. "Maar zij heeft een hoofd van ijzer, zij is eene vrouw die niets ontziet als het geldt haar wil door te zetten, en daarbij gaat zij met eene slimheid te werk, waardig den grootsten advocaat dien ik ooit op het tribunaal van de hoofdstad eene netelige zaak heb hooren bepleiten. Daar komt bij dat hare voorname houding en hare goddelijke schoonheid de hoofden van onze arme hofbeambten op hol brengen. Het is zeker braaf en edel zooveel ijver aan den dag te leggen voor een dienaar, doch dat alles kan haar niet helpen, want de bewijzen die tegen haren stotterenden vriend voor de hand liggen zijn volkomen overtuigend, en wanneer hare laatste bewering ontzenuwd is, zal de zaak beslist zijn. Zij geeft voor het kind en ook u, aanvallige Katharina, een halssieraad getoond te hebben."

"Getoond?" riep het kwikstaartje. "Ze heeft ons dat afgenomen, niet waar Maria?"

"Maar wij hadden den keten zonder haar verlof weggenomen," antwoordde de kleine.

"En verlangt zij," vroeg vrouw Neforis verstoord, "dat onze meisjes voor de rechtbank worden gebracht, om getuigenis af te leggen voor hare hoogheid?"

"Dat verlangt zij," bevestigde Orion. "Maar Maria's uitspraak geldt niet bij de rechters...."

"En ook al ware het anders," hernam zijne moeder; "het kind mag in geen geval in deze nietswaardige zaak betrokken worden."

"Omdat ik voor Paula spreken zou!" riep Maria, terwijl zij driftig van haar zetel opsprong.

"Gij zult uw mond houden!" riep de grootmoeder haar toe.

"En wat Katharina betreft," zeide de weduwe, "het komt niet bij mij op, haar voor al die heeren ten toon te stellen."

"Heeren!" zeide het meisje. "Mannen zijn het, kleine beambten en dergelijken meer. Ze kunnen lang op mij wachten!"

"Maar gij zult toch aan hun verlangen moeten voldoen, trotsch meisje," zeide Orion lachende, "want gij zijt goddank geen kind meer, en het staat der rechtbank vrij ieder volwassene als getuige voor de tafel te roepen. U zal niets geschieden, want gij staat onder mijne bescherming. Kom ga gerust met mij mede! Men moet in het leven alles leeren kennen. Hier helpt geen tegenstreven. Overigens behoeft gij slechts te zeggen wat gij gezien hebt en geleid ik u, als gij het mij vergunt, weder zorgvuldig aan dezen arm naar uwe moeder terug. Gij moet mij reeds heden uw kleinood toevertrouwen, vrouw Susanna, en de eerwaardige getuige zal u daarna zeggen, wat er verder met mij gebeuren zal."

Katharina begreep de beteekenis van die laatste geheimzinnige woorden, en het verheugde haar met den schoonen zoon van den stadhouder, den eersten man voor wien haar klein hartje klopte, alleen te mogen zijn; zij sprong dus vroolijk op, doch Maria klemde zich hartstochtelijk aan haar arm vast en verlangde zoo onstuimig en hardnekkig om meegenomen te worden, ten einde voor Paula te kunnen spreken, dat de opvoedster en vrouw Neforis haar slechts met moeite dwingen konden gehoorzaam te zijn en het paartje alleen te laten trekken.

Beide moeders zagen hen met voldoening na en de gemalin van den stadhouder fluisterde de weduwe toe: "Heden voor het gerecht, en zeer spoedig, zoo God wil, voor het altaar in de kerk."

Om in de gerechtzaal te komen kon men of door het huis gaan, of buiten om loopen. Gaf men de voorkeur aan den laatsten weg, dan moest men allereerst door den tuin, en Orion koos dezen. In tegenwoordigheid van de vrouwen had hij zich geweld aangedaan, om de onrust die hem vervulde meester te blijven, en nu voelde hij hoe de strijd, dien hij had aangebonden en waaruit hij zich niet meer terugtrekken kon noch wilde, hem al verder en verder dreef en hem dwong het jonge schepseltje, dat nu--de teerling rolde al--zijne vrouw moest worden, op den schandelijken weg mede te sleepen, dien hij was opgegaan. Toen hij zijne moeder beloofd had niet morgen maar overmorgen om Katharina's hand te zullen vragen, had hij gehoopt in dat tijdperk van uitstel hem toegestaan haar te kunnen bewijzen, dat de kleine toch niet de rechte vrouw voor hem was; en nu--welk een spot van het noodlot!--zag hij zich gedwongen, in alle opzichten juist het tegendeel te doen van datgene waartoe zijne neiging hem dreef. De vrouw die hij liefhad, ja nog altijd liefhad, hij bestreed haar als eene doodvijandin, en het meisje dat hem geheel onverschillig was, haar moest hij zijne hand reiken. Het was om krankzinnig te worden, maar het moest gebeuren, en met een herhaald "voorwaarts" besloot hij tot het schandelijk waagstuk, om het onervaren meisje aan zijn arm, zoo aan zich te verbinden, dat zij bereid was om zijnentwil onrecht te plegen. Zijn hart klopte of het springen moest, doch het was niet mogelijk langer te dralen of terug te treden; het gold, overwinnaar te blijven; dus voorwaarts, altijd voorwaarts!

Zoodra zij buiten het licht der lantaarnen in de schaduw waren gekomen greep hij, blijde dat de duisternis zijne trekken onzichtbaar maakte, de tengere rechterhand van de naast hem wandelende kleine met beide handen en drukte zijne lippen op hare teedere vingertoppen.

"Maar, Orion," zeide zij schuchter, doch liet hem begaan.

"Ik vorder wat mij rechtmatig toekomt, gij zonneschijn mijner ziel!" zeide hij op vleienden toon, "wanneer uw hartje zoo hevig klopt als het mijne, dan kunnen de moeders daarginds het hooren."

"Ja het klopt al," zeide zij gelukkig, terwijl zij het krullekopje opzij hield.

"Maar het mijne doet het toch sterker," antwoordde hij met een zucht, terwijl hij haar handje tegen zijne borst drukte. Hij kon het gerust wagen want het krampachtig kloppen van zijn hart dreigde hem te doen stikken.

Maar zij antwoordde blij te moe: "Ja, waarlijk, dat bonst..."

"Zij mogen het daar ginds ook vernemen," antwoordde hij met een gedwongen lachje. "Of uw moedertje niet reeds lang in onze harten gekeken heeft?"

"Natuurlijk," antwoordde zij zacht. "Zoo vroolijk als sedert uwe terugkomst heb ik haar zelden gezien."

"En gij, kleine tooveres?"

"Ik? Natuurlijk ben ik ook vroolijk geweest; zij waren het allen. En uwe ouders..."

"Neen, neen, Katharina! Ik wil weten wat gijzelve bij mijne terugkomst gevoeld hebt."

"Ach kom, hoe kan men zoo iets beschrijven?"

"Zou dat niet kunnen?" vroeg hij, haar arm vaster in den zijnen drukkende. Hij moest haar winnen, en zijne dichterlijke verbeeldingskracht hielp hem, om wat hij nooit gevoeld had met gloeiende verven te schilderen. Hij liet haar zoete liefde-woordjes hooren en zij geloofde hem gaarne. Op zijn wenk ging zij vertrouwelijk zitten op een houten bank in de oude laan, die naar de noordzijde van het huis leidde. Aan verschillende heesters bloeiden daar heerlijke bloemen, die de lucht vervulden met een zoeten, bedwelmenden geur. De maneschijn drong door de dichte kronen der sykomoren en deed flikkerende strepen en kringen van licht spelen over het loof, op de stammen der boomen en den donkeren grond. Het loofdak boven hunne hoofden had de hitte van den dag teruggehouden, zoodat de lucht nog altijd zwoel en drukkend was. Het was op deze plaats dat hij haar voor het eerst zijn eenig bruidje noemde en haar hartje in ketenen sloeg. In elk zijner gloeiende woorden trilde de onstuimige, bange gejaagdheid, die zijne ziel martelde, zoodat zij klonken als waren ze innig en oprecht gemeend.

De bloemengeur bedwelmde daarbij haar jong en onervaren gemoed en gewillig bood zij hem hare lippen tot een kus. Innig gelukkig gevoelde zij hier de eerste zaligheid eener jeugdige liefde die wederliefde vindt, levenslang zou zij met hem verbonden willen zijn. Doch reeds na eenige oogenblikken sprong hij op, verlangende aan de teedere minnekoozerij een einde te maken, die ook hem begon te betooveren en zeide luid en driftig: "O dat verwenschte rechtsgeding! Maar dat is het lot van den man! Zijn plicht roept en hij moet midden uit alle vreugde van het paradijs naar de aarde terugkeeren. Geef mij uw arm, gij mijne eenige, mijn alles!"

Katharina gehoorzaamde en liet zich als in een roes van blijdschap over het onverwacht geluk, dat haar wedervoer, door hem meetroonen. Zij hoorde echter vreemd op, toen hij haar zeide: "Na deze hemelsche zaligheid moeten wij aan de nuchterste van alle zaken denken. Hoe afkeerig ben ik van datgene waarom het nu te doen is; hoe geweldig stuit het mij tegen de borst. Gaarne zou ik voor Paula een vriend, een trouw beschermer zijn, in plaats van haar tegenstander!"

Bij deze woorden gevoelde hij hoe de linkerarm van het meisje op den zijnen zich onrustig bewoog, en dit was hem een prikkel om verder te gaan op den weg der misdaad. Katharina zelve wees hem de richting aan, die hij volgen moest om zijn doel te bereiken, en terwijl hij voortging om haar ijverzucht te doen ontvlammen terwijl hij Paulas schoon en edel voorkomen prees, verontschuldigde hij zich voor zijn geweten met deze drogreden, dat hij als bruidegom gerechtigd was zijne bruid te dwingen zijn geluk en zijne eer te redden. Toch had hij bij elk vleiend woord het gevoel als vernederde hij zichzelven, als beging hij daarmede tegen Paula een nieuw onrecht. Het viel hem maar al te gemakkelijk haar lof te verkondigen.

Doch terwijl hij dit deed met toenemende warmte, tikte zij hem op den arm en zeide half schertsend, half op ernstig verdrietigen toon: "O deze godin! Ben ik, of is zij uwe geliefde? Pas op dat ge mij niet jaloersch maakt, hoort ge!"

"Klein gekkinnetje!" antwoordde hij vroolijk, en om haar gerust te stellen liet hij erop volgen: "Zij is als de koele maan, en gij zijt de lichtende, verwarmende zon. Ja, Paula! wij willen haar overlaten aan een der Olympische goden of aan een aartsengel, maar ik zing den lof van mijn klein levenslustig meisje, dat met mij het leven genieten zal en al zijne vreugde."

"Ja, dat willen wij!" juichte zij, meenende den horizont harer toekomst in het glansrijkste zonlicht te aanschouwen.

"Goede hemel," dus brak hij als verrast dit onderhoud af. "Het licht schijnt al in die rampzalige rechtzaal. O de liefde, de liefde! Door hare betoovering hebben wij het doel van onzen gang vergeten. Zeg nu eens, schatje, weet gij nog precies hoe het halssieraad er uitzag, waarmede gij en Maria heden middag gespeeld hebt?"

"Het was zeer kunstig bewerkt, alleen hing in het midden een leelijk verbogen stuk bladgoud."

"Gij zijt ook eene kenster van kunstwerken! Hebt gij dan den keurig gesneden steen over het hoofd gezien, die in deze onaanzienlijke kas besloten was?"

"Neen, waarlijk niet!"

"Ja toch, klein wijsneusje!"

"Neen, mijn lieve!" en toen zij dit uitsprak, sloeg zij de oogen vroolijk op, als ware haar een waagstuk gelukt. "Wat gesneden steenen zijn weet ik zeer goed. Vader heeft eene groote verzameling ervan nagelaten, en moeder zegt dat zij volgens het testament mijn toekomstigen man zullen toebehooren."

"Dan zal ik u, mijn heerlijk juweel, in eene lijst van louter onyxen kunnen zetten."

"Neen, neen," antwoordde zij vroolijk, "geef mij later maar een kastje, want ik ben zulk een vluchtig ding. Doch het mag niet anders zijn, neen niet anders dan uw hart!"

"Deze goudsmidsarbeid is al verricht! Maar nu in ernst, kindjelief, wat aan Paulas halsketting hing was een onyx, en gij, kleine keurster van juweelen, hebt den steen slechts van achteren bezien; dáar heeft hij een rug zooals gij beschrijft, een eenvoudig hulsel van bladgoud!"

"Maar Orion!"

"Hebt ge mij lief, hartediefje, weerspreek mij dan niet verder. Later zal ik u altijd naar uw oordeel vragen, maar in dit geval kan mij uwe dwaling in groote moeielijkheden brengen en mij dwingen aan Paula toe te geven en haar tot mijne bondgenoote te maken.--Hier zijn wij er, maar blijven wij nog een oogenblik staan! En nu nog over dien steen. Ziet gij: wij kunnen beiden dwalen, ik zoowel als gij, maar ik geloof zeker gelijk te hebben, en wanneer gij in dit geval iets anders verklaart dan ik heb gedaan, dan sta ik als een leugenaar voor de rechters. Wij zijn nu toch bruid en bruidegom, dus één, geheel één, en wat een onzer treft of verheft, dat vereert of verlaagt tegelijk de andere. Zegt gij, die mij liefhebt en van wie de lieden al mompelen, dat gij eerlang als meesteres in dit paleis gebieden zult, iets anders dan ik, zoo zullen zij het zeker gelooven. Zie, gij zijt zoo door en door goed, maar nog te jong en te rein om alle eischen te begrijpen eener almachtige liefde, die alles gelooft en verdraagt. Als gij in dit geval niet gaarne aan mijn verlangen gehoor geeft, dan hebt gij mij zeker niet lief, zooals gij mij zoudt moeten liefhebben. En is het dan zoo iets moeilijks wat ik van u vraag? Ik wensch van u niet anders, dan dat gij voor de rechters zult verklaren, dat gij heden middag Paulas halsketting gezien hebt, en dat daaraan een gesneden steen hing, een onyx met Amor en Psyche. Verder niets!"

"Moet ik dat getuigen voor al die rechters?" vroeg Katharina met een bedenkelijk gezicht.

"Dat moet gij doen, vriendelijke engel!" hernam Orion teeder. "Zoudt gij het aardig vinden, als eene bruid hare geliefde de eerste bede knorrig weigerde, omdat zij er eenig bezwaar tegen heeft of meent alleen gelijk te hebben? Neen, neen, als er maar een vonkje liefde voor mij in uw hartje gloort, als gij mij niet dwingen wilt Paula te verzoeken, dat zij genade met mij zal hebben..."

"Maar waarom is het dan toch te doen? Wie kan er zooveel waarde aan hechten of een gesneden steen of een eenvoudig stuk bladgoud..."

"Dat zal u later alles omstandig verklaard worden," voegde hij haar haastig toe.

"Toe, doe het nu dadelijk..."

"Dat gaat niet; wij hebben het geduld der rechters reeds veel te lang op de proef gesteld. Er is geen oogenblik te verliezen!"

"Nu goed dan, maar ik zal van verlegenheid en schaamte bezwijken, wanneer ik voor de rechters een getuigenis afleg..."

"Dat waar is," zoo drong hij verder aan, "en waarmede gij mij toonen kunt, hoezeer ge mij liefhebt."

"Wat is dat verschrikkelijk!" zeide zij angstig. "Bind mij ten minste den sluier vast om het aangezicht. Al die gebaarde mannen..."

"Als de struisvogel," zeide Orion met een glimlach, terwijl hij aan haar verlangen voldeed. "Indien gij er werkelijk anders over denkt dan uw... hoe hebt gij daareven ook gezegd? Herhaal het nog eens!"

"Uw liefste!" zeide zij blozende en innig, terwijl zij Orion hielp haar den sluier dubbel voor het gezicht te binden, en zij weerde hem niet af, toen hij haar in het oor fluisterde: "Laat eens zien of een kus ook door zulk eene vermomming nog goed smaakt!--Kom nu, in weinige oogenblikken is alles gedaan."

Na deze woorden leidde hij haar snel het voorportaal van de rechtzaal binnen en verzocht haar een oogenblik te wachten. Aan de rechters deelde hij haastig mede, dat vrouw Susanna hem haar dochtertje slechts had toevertrouwd onder voorwaarde, dat hij haar onverwijld bij hare moeder zou terugbrengen, nadat zij hare verklaring als getuige had afgelegd. Vervolgens liet hij Paula roepen en noodigde haar uit zich neer te zetten.

Katharina was met loome schreden en een beklemd hart het voorportaal van de rechtzaal binnengegaan. Zij had zich menigmaal door kleine omwegen uit de verlegenheid weten te redden om eene berisping te ontgaan, maar zij had nog nooit ernstig gelogen, en nu begon alles in haar zich te verzetten tegen het voornemen om iets te verklaren wat stellig onwaar was. Maar kon het dan slecht zijn wat Orion, de edelste van alle mannen, de afgod van de gansche stad, zoo dringend van haar begeerde? Maakte de liefde, volgens zijne opvatting, het haar niet tot plicht om alles te doen, wat hem voor nadeel en schade kon bewaren? Wel-is-waar kwam dit haar niet geheel billijk voor, maar misschien begreep zij het nog niet genoeg, omdat zij zoo jong en onervaren was. Het beangstigde haar ook dat haar geliefde, wanneer zij tegen zijn wil handelde, gedwongen zou zijn met Paula een verbond aan te gaan. Aan zelfbewustzijn ontbrak het haar niet, en zij zeide tot zichzelve, dat zij voor geen meisje in Memphis behoefde onder te doen, alleen die schoone, trotsche, groote Damasceensche stond, dit gevoelde zij, verre boven haar, en zij kon niet vergeten hoe eergisteren, toen Paula met haren bruidegom in den tuin op en neder wandelde, de overste van Memphis had uitgeroepen: "Welk een buitengewoon mooi paar!" Vaak had zij gedacht, dat er geen schooner, minzamer, lieftalliger schepsel op aarde leefde dan de dochter van Thomas, en kon zij hunkeren naar een blik, een vriendelijk woord van haar. Maar sedert dat zeggen van den stadsoverste was zekere verbittering tegen Paula in hare ziel ontwaakt, die daarna van verschillende zijden rijkelijk voedsel had gekregen. Paula bejegende haar altijd als een kind, niet als een volwassen meisje, dat zij toch was. Waarom had zij heden middag haren bruidegom, want zoo mocht zij Orion thans noemen, willen opzoeken en haar van hem afhouden? En wat was de reden dat Orion, terwijl hij de bekentenis aflegde dat hij haar liefhad, telkens meer dan met warmte, met geestdrift van die jonkvrouw had gesproken? Neen voor deze verleidster moest zij op hare hoede zijn, en wanneer men sprak van een groot geluk dat haar weervaren was, Paula zou het haar zeker niet gunnen, want Katharina voelde en wist, dat deze haren geliefde met alles behalve onverschillige oogen aanzag. Zij bezat op de wereld geene andere vijandin dan Paula en van deze mededingster had hare liefde alles te vreezen. Opeens vroeg zij zich af, of het bladgoud dat zij gezien had toch niet een gesneden steen zou hebben kunnen zijn. Zij had immers de halsketen maar een oogenblik opmerkzaam bekeken? En waarom zou zij scherper hebben gezien dan de groote wonderschoone oogen van Orion?

Zeker, hij had gelijk, gelijk zooals altijd. De meeste gesneden steenen hadden eene ovale gedaante, en ovaal was ook dat ding waaromtrent zij getuigen moest. Het was van Orion niet te denken, dat hij iets leugenachtigs van haar verlangen zou. In elk geval was het de plicht zijner bruid om hem voor schande te behoeden en te verhinderen, dat hij een verbond zou sluiten met die schoone sirene. Zij wist wat zij te zeggen had en reeds wilde zij een gedeelte van den sluier losmaken, om Paula recht goed in het aangezicht te zien, toen Orion terugkeerde om haar naar de rechtzaal te voeren.

Tot zijne vreugde, ja tot zijne verbazing sprak Katharina hier zonder aarzelen uit, dat er heden middag een gesneden steen in Paulas halssieraad had gehangen, en toen men haar den onyx toonde en vroeg of zij zich dezen herinnerde, antwoordde zij kalm: "Deze kan het geweest zijn of ook niet; ik herinner mij alleen nog de ovale gouden achterzijde. Voor het overige liet deze jonkvrouw haar kleinood maar enkele oogenblikken in mijne handen."

Toen de rentmeester Nilus haar uitnoodigde, om de voorstelling van Amor en Psyche nader te bekijken en haar geheugen te scherpen, antwoordde zij ontwijkend: "Ik mag zulke heidensche voorstellingen niet; wij Jacobietische meisjes dragen andere sieraden."

Daar rees Paula op, en trad met een blik vol streng verwijt haar te gemoet, en nu verblijdde de kleine Katharina zich, dat zij op het denkbeeld was gekomen om zich het hoofd te bedekken met een dubbelen sluier. Maar de groote verlegenheid waarin zij gebracht werd door den scherpen blik der Damasceensche, duurde slechts kort, want toen deze haar waarschuwend toeriep: "Gij legt nadruk op uwe getuigenis, maar gij hebt niet minder dan ik der waarheid de eere te geven. Bedenk wat er van uwe uitspraak afhangt; dat bezweer ik u, kind," viel de kleine hare tegenpartij in de rede en zeide verstoord, met hartstochtelijke gejaagdheid: "Ik ben geen kind meer, ook niet voor u, en vóor ik spreek bedenk ik mij, zooals mij dat geleerd werd!"

Daarop wierp zij het kopje trotsch in den nek en herhaalde nog eens stellig: "Deze onyx heeft in het midden van de keten gehangen."

"Gij schandelijke leugenaartser!" riep de voedster, zichzelve niet meer meester, haar in het aangezicht.

Katharina verschrikte hevig en zag om, als had haar een adder gebeten naar haar die het gewaagd had haar zoo gruwelijk en onbeschaamd te beleedigen. Hulpeloos, terwijl zij op het punt was in tranen uit te barsten, keek haar oog naar bijstand rond, en zij behoefde niet lang op een wreker te wachten, want Orion gaf dadelijk bevel Perpetua wegens hare valsche verklaring naar de gevangenis te brengen, de Damasceensche te ontslaan, omdat zij niet had gezworen en alleen uit goede bedoeling een ongelooflijk verhaal had verdicht, en de kist weder naar hare kamer te dragen.

Daar trad de jonkvrouw nog eens voor de tafel, maakte den onyx van de keten los, wierp dien den jood Gamaliël toe, die hem opving, en zeide: "Dien schenk ik u, man! Misschien koopt de schurk, die hem aan mijn keten heeft gehangen, u dien weer af. Mijne grootmoeder heeft dit halssieraad van den heiligen keizer Theodosius ontvangen, en eer ik het verder door het geschenk van een ellendeling laat bezoedelen, werp ik zelve het in den Nijl. Op u arme, bedrogene rechters ben ik niet toornig, doch ik beklaag u! Mijn Hiram"--en hier wees zij op den vrijgelatene--"is een eerlijk man, dien ik met dankbare liefde gedenken zal tot in den dood; maar deze onrechtvaardige zoon van een rechtvaardigen vader, die daar...." Dit roepende wees zij op Orion; doch de jongeling ontnam haar het woord door haar toe te duwen: "Genoeg!"

Zij trachtte al hare krachten te verzamelen en zeide: "Ik zal doen wat gij verlangt, want uw geweten zal u honderdmaal herhalen, wat ik verzwijg. En nu nog een woord!" Daarop ging zij naar hem toe en fluisterde hem in het oor: "Ik heb de overwinning op mijzelve behaald, om het scherpste wapen tegen u ongebruikt te laten, overeenkomstig mijn gegeven woord. Wanneer gij niet de ellendigste zijt van alle ellendigen, gedenk dan het uwe en red Hiram!"

Een zwijgend hoofdknikken was zijn antwoord. Zij bleef op den drempel nog even staan en zeide tot Katharina: "U, kind, want meer zijt gij nog niet, u zal de zoon van den Mukaukas voor den dienst hem bewezen met onbeschrijfelijke smarten beloonen."

Met deze woorden verliet zij de zaal, besteeg met wankelende schreden de trap, en toen zij weder naast de legerstede van de arme waanzinnige neerzat, schonk de goede God haar den lenigenden balsem van te kunnen weenen. Haar vriend, de arts, vond haar weenende en stoorde haar niet, tot zij zelve hem bij haar riep en hem toevertrouwde, wat haar op dezen moeielijken dag overkomen was.

Orion en Katharina hadden hunne blijmoedige stemming verloren en begaven zich ernstig naar de zuilengaanderij terug. Toen zij onderweg bij hem op verklaring aandrong, waarom hij haar verleid had dit getuigenis af te leggen, troostte hij haar met een uitstel tot morgen. Zij vonden vrouw Susanna alleen, want zijne moeder was bij haar gemaal geroepen, wiens lijden was verergerd, en had de kleine Maria medegenomen. Nadat hij de weduwe begroet en haar met Katharina naar den wagen geleid had, keerde hij naar de rechtzaal terug.

Daar gekomen zette hij den rechters de geheele toedracht der zaak en alles wat tegen den vrijgelatene getuigde nog eens in een kort bestek uiteen. Daarop werd het oordeel geveld. De trouwe Hiram werd ter dood veroordeeld. Alleen de stem van den rentmeester Nilus had er zich tegen verklaard. Orion beval de voltrekking van het vonnis op te schorten en keerde niet weder in huis terug. Hij liet zijn wildsten hengst zadelen en reed geheel alleen de woestijn in. Hij had overwonnen, maar het was als ware hij bij die wedstrijd in het slijk geraakt en moest hij daarin stikken.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Wat de arts door Paula vernomen had van de gebeurtenissen in den afgeloopen dag, van Orions houding en het einde van het rechtsgeding, wekte in de hoogste mate zijne verontwaardiging, en zonder tegenspraak billijkte hij het besluit van het meisje om dit schandelijk rooversnest, dit huis van boosheid en bedrog, van bloode rechters en valsche getuigen te verlaten.

Het kwam nog niet tot een rustig gesprek tusschen hun beiden, want in het ziekenvertrek had Philippus weldra de handen vol. De Masdakiet Rustem, die tot dusverre bewusteloos had gelegen, was ingevolge een nieuw medicament uit zijne verdooving ontwaakt en verlangde onstuimig naar zijn meester Haschim. Toen deze niet verscheen en men hem zeide, dat hij eerst morgen verwacht kon worden, richtte de reus zich in zijne kussens op, hield de gespierde armen strak achterwaarts op de kanten van het bed, keek met verbijsterden blik links en rechts en schudde den grooten kop, waarvan men de haarlokken had weggesneden, als een getergde leeuw. Daarbij riep hij den arts met zijne ver klinkende borststem smadelijke woorden in zijne moedertaal toe, die niemand der aanwezigen verstond, en terwijl Philippus het verband opnieuw vruchteloos op de diepe wonde trachtte te bevestigen, liet Rustem plotseling de handen van het bed los, sloeg zijne armen om het lichaam van den arts en trachtte in zijne razernij, met het schuim op de lippen, hem neder te trekken. Brullende als een roofdier trok hij zijn tegenpartij heen en weer, maar ook thans verloor Philippus geen oogenblik zijne tegenwoordigheid van geest, doch beval de non twee stevige slaven te halen.

Terwijl deze wegsnelde was Paula getuige van eene vreeselijke worsteling, want de arts had de polsen van den reus met zijne handen omkneld, en met eene kracht, die men wel den grooten, grof gebouwden, maar bezwaarlijk den eenigermate gebogen man van studie zou hebben toegeschreven, hield hij de handen van den Pers van zijne heupen verwijderd, wrong daarna zijne vingers tusschen die van Rustem, dwong hem in zijn kussen terug te zinken, zette de knie op zijne bronzen legerstede en bracht hem zóo onder zijne macht, dat de gewonde zich niet weder vermocht op te richten. Toch spande Rustem nog alle krachten in om zich van zijn tegenstander te bevrijden, maar deze was nu sterker dan hij, want het bloedverlies en de koorts hadden den aanvoerder der karavaan verzwakt.

Paula zag deze worsteling van de verstandige sterkte tegen de dierlijke kracht van een razenden reus bevend en met luid kloppend hart aan. Zij kon den vriend niet helpen, maar aan het hoofdeinde van het bed staande, volgde zij elk zijner bewegingen, en zag hoe hij den kolossalen man, voor wien haar oom uit kinderachtige vrees gesidderd had, gekluisterd hield. Zij moest zijne mannelijke schoonheid bewonderen, want zijne oogen straalden thans met vurigen glans, en het korte onderdeel van zijn aangezicht scheen langer te worden bij de geweldige inspanning waartoe hij zich dwong, en bracht dat gedeelte in harmonie met het groote voorhoofd en het overige van zijn gelaat. Innerlijk beefde zij voor hem, en zij meende in hem, wien zij vroeger alleen geacht had om zijn groot verstand, iets groots, iets van een held te zien.

Eenige oogenblikken had de strijd geduurd, toen Philippus gevoelde dat de armen van den Pers verslapten, en nu riep hij Paula toe hem een doek, een koord of wat ook te brengen, om den razende te binden. Haastig en zich volkomen bewust van hetgeen haar te doen stond, ging zij naar het aangrenzend vertrek, greep haar hoofddoek, trok den zijden gordel van haar gewaad, ijlde met beiden naar de kampplaats terug, en hielp den arts met mannenmoed de handen van den waanzinnige binden. Elk woord, iedere terechtwijzing van den vriend verstond zij, en toen de slaven, die de non geroepen had, de ziekenkamer binnentraden, vonden zij Rustem met vastgebonden handen terug en hadden niet anders te doen dan te verhinderen, dat hij uit bed sprong of zich op zijde wierp. Philippus naar adem hijgende schreef nu de slaven voor hoe zich verder te gedragen, en toen hij daarna naar de artsenijkast ging en Paula opmerkte hoe zijne blauwroode, gezwollen vingers daarbij trilden, nam zij de fleschjes eruit waarop hij wees, mengde het geneesmiddel naar zijn voorschrift en ontzag zich niet het met hulp der slaven den woesten man tusschen de met geweld geopende tanden te gieten. De weldadige druppels brachten den kranke in weinige oogenblikken tot rust, en weldra kon de arts met eigene hand onder bijstand van de ervarene non de wond van den karavaan-aanvoerder reinigen en verbinden.

Intusschen was ook de waanzinnige door het gebrul van den Pers wakker geworden en vroeg angstig of de hond, de booze hond er weder was. Doch zij liet zich dadelijk door Paula neerzetten en beantwoordde de vragen, die deze tot haar richtte, zoo verstandig en bedaard, dat hare verpleegster den arts erbij riep, en deze Paula's hoop deelde, dat er in den zielstoestand van de waanzinnige een gewichtige ommekeer zou kunnen plaats hebben.

Paula deed opmerken hoe Mandane weemoedige doch vriendelijke woorden uitte, waarop de arts zeide: "Op het ziekbed leert men de menschen kennen. Dit wilde meisje, dat den zoon des huizes misschien met een moorddadig plan op het lijf viel, toont thans haar waren, zachten aard. Wat den jongen man hiernaast aangaat, dat is een stevige, maar ook een brave kerel, daarop geef ik mijne tien vingers ten pand."

"Wat geeft u dat vertrouwen?"

"Zelfs in de koorts heeft hij niet eene enkele maal gekrabd of gebeten, maar zich geweerd als een ordentelijk jongmensch... Mijn dank nu voor uwe hulp; indien gij hem dat koord niet om den handen hadt geslagen, zou het spel misschien anders afgeloopen zijn."

"Zeker niet," antwoordde Paula op stelligen toon. "Want gij zijt sterk, Philippus! Men zou bang voor u kunnen worden."

"Gij?" lachte de arts. "Ge behoeft nu niet bang meer te zijn; toevallig hebt gij gezien dat uw beschermer niet zwak is! Puuh! Een weinig rust zou nu goed doen!"

Zij reikte hem daarop haar eigen doek toe, en terwijl hij daarvan dankbaar gebruik maakte om zich het voorhoofd af te drogen, en met moeite de begeerte onderdrukte om dien aan zijne lippen te brengen zeide hij welgemoed: "Met zulk eene helpster moet alles gelukken. Sterk zijn is geen verdienste, ieder kan het blijven die met gezond bloed en stevige spieren ter wereld komt, de ledematen, gelijk ik als knaap en jongeling heb gedaan, flink oefent en zijn vaderlijk erfdeel niet doorbrengt met slecht te leven. Nochtans voel ik die worsteling nog in mijne armen; maar in de zaal is nog heerlijke wijn, twee of drie bekers zouden mij wel goed doen."

Vervolgens begaven zij zich naar de aangrenzende zaal, waar de meeste lampen reeds uitgedoofd waren. Paula schonk het druivensap voor hem in en bood hem den beker aan, dien bij met volle teugen ledigde. Het was hem echter niet vergund ook den tweeden beker op haar welzijn uit te drinken, want nauwelijks had hij dien aan de lippen gebracht, toen er gerucht ontstond in de kamer van den Masdakiet en vrouw Neforis verscheen.

De zorgzame gemalin van den Mukaukas was niet geweken van het rustbed van haar gemaal, en zelfs het gebrul van den Pers had haar niet bewogen haar post te verlaten; toen zij echter van de slaven had vernomen, wat daar boven te doen was geweest, en dat Paula nog altijd met den arts bij de kranken vertoefde was zij, zoodra haar gemaal haar missen kon, naar de verdieping der gasten gegaan om Philippus te spreken, de Damasceensche onder het oog te brengen wat betamelijk was, en om onderzoek te doen naar het vreemd gedruisch, dat het anders op dit uur zoo doodstille huis scheen te vervullen. Het kwam uit de ziekenkamers, en werd mede veroorzaakt door den terugkeerenden Orion en den rentmeester Nilus, wien deze bij zich ontboden had, niettegenstaande de nacht reeds den morgen naderde. De gemalin van den stadhouder meende, in verband met dezen akeligen dag, die bovendien als een onheilaanbrengenden in den kalender stond aangeteekend, dat gevaren dreigden van alle zijden; daarom was zij vergezeld van den wachthebbenden dienaar haars gemaals, en met een klein reliquiënkastje in de hand, waaraan zij de kracht toeschreef om booze geesten te bezweren, de trap opgegaan.

Haastig en zacht trad zij de krankenvertrekken binnen en onderwierp daar allereerst, bezorgd en niet op haar gemak, gelijk ieder die gedurende den nacht in zijne rust gestoord wordt, de non aan een streng verhoor. Daarna kwam zij in de zaal, waar Philippus juist zijne vriendin een tweeden beker toedronk, terwijl Paula met halfverwarde haren en ongegord gewaad tegenover hem stond. Dat alles was zedenkwetsend, dat wilde zij in haar huis niet dulden, zij beval dus de nicht van haar gemaal kort en goed zich ter ruste te begeven. Na alles wat men haar heden, neen gisteren reeds had kwijtgescholden, zeide zij, zou het haar beter voegen in hare kamer in stilte over zichzelve na te denken, ten einde de leugengeesten die haar beheerschten te bannen en haren Heiland om vergiffenis te bidden, dan hier voor ziekenverpleegster te spelen en het drinkgelag met een jongen man voort te zetten, dat zij, zooals de non zoo even had medegedeeld, reeds in de middag had aangevangen.

Paula hoorde haar zwijgend aan, doch haar gelaat verschoot meermalen van kleur: toen echter Neforis met den vinger op de deur wees, zeide zij met al den trots, waarover zij beschikken kon, wanneer zij zag dat men haar onwaardig verdacht: "Uwe bedoeling is gemakkelijk te doorzien. Ik zou u geen antwoord waardig achten, indien gij niet de gade waart van den man, dien ik, voor gij hem tegen mij hadt ingenomen, gaarne mijn gastheer en beschermer noemde, die bovendien mijn bloedverwant is. Evenals altijd zoo verdenkt gij mij ook nu van kwaad. Indien gij mij de deur wijst van deze heilige plaats, van dit ziekenvertrek, dan verjaagt gij mij tegelijk uit uw huis, dat gij en uw zoon--het moet mij eens van het hart--mij thans tot een hel gemaakt hebben."

"Ik, ik, en waarmede... Neen, dat, dat is..." riep de matrone naar adem hijgende, de beide handen kruiselings slaande over haar onstuimig bewogen borst, terwijl haar vaal gezicht met een gloeiend rood werd overtogen en hare oogen van toorn fonkelden. "Dat is.... duizendmaal, ja duizendmaal te veel, hoort gij? En ik, ik verwaardig u nog met een antwoord! Wij hebben u van de straat opgeraapt en u als eene dochter behandeld, onzinnige uitgaven voor u betaald, en nu..."

Deze woorden waren meer tot den arts gericht dan tot het meisje. Paula nam echter de uitdaging aan en antwoordde op een toon van diepe minachting: "En thans verklaar ik u bepaald als jonkvrouw die mondig ben en over mijzelve vrij kan beschikken, dat ik morgen vroeg met alles wat mijn eigendom is dit huis verlaat, al moest ik ook gaan bedelen, dit huis waarin men mij smadelijk beleedigd, mij en mijn trouwen dienaar valsch veroordeeld heeft, terwijl men op het punt staat hem gruwelijk te vermoorden."

"En waar men u...." duwde Neforis met krijschende stem het meisje toe, dat hare kalmte bewaarde, "waar men u veel te zachtmoedig voor het lot van den roover, dien gij ons huis hebt binnengesmokkeld, bewaard heeft! Om een inbreker te redden hebt gij--het is ongehoord!--hebt gij het gewaagd den zoon van uw weldoener als een onrechtvaardig rechter..."

"Dat is hij!" riep Paula toornig. "En nog meer! Dat kind dat gij zelve voor hem tot vrouw bestemd hebt, heeft hij verleid, schandelijk verleid om een valsch getuigenis af te leggen. Nog meer, nog veel meer zou ik kunnen zeggen, als mij in uw persoon de moeder niet heilig was, en als uw echtgenoot aan mij niet verdiend had dat ik hem spaarde."

"Hem sparen, sparen!" herhaalde Neforis op honenden toon. "Gij zoudt ons sparen! De aangeklaagde ontvangt genade en verschoont, verschoont zijn rechter! Maar gij zult gedwongen worden, ja gedwongen te spreken. En wat gij, misdadige, van dat valsch getuigenis gezegd hebt..."

"Dat zal uwe eigene kleindochter," sprak de arts, haar in de rede vallende, "wanneer gij u niet weet in te toomen, edele vrouw, voor de geheele wereld bevestigen moeten."

Neforis begon opeens krampachtig te lachen en ging voort, buiten zichzelve van woede: "Zoo staan dus de zaken! Het heiligen ziekenvertrek wordt tot een tempel van Bachus en Venus gemaakt; en alsof dit vergrijp op zichzelf niet reeds ergerlijk genoeg was, sluit gij een verbond, om een geacht huis en zijne hoofden met smaad en schande te overladen!" Daarop zette zij de linkerhand met het reliquiënkastje op de heup en zeide driftig: "Zoo zult gij dan uw zin hebben. Ga, waarheen gij wilt! Wanneer ik u, ondankbaar en boosaardig schepsel, na morgen middag nog in het stadhouderlijk paleis vind, dan laat ik u door de manschappen van de wacht op straat zetten. Want ik--ik wil mijn arm gefolterd hart eindelijk eens luchten--ik haat u, ik heb een afkeer van u, uwe tegenwoordigheid alleen ergert me en brengt ongeluk over mij en ons allen;--bovendien ik heb de smaragden die wij bezitten te lief..."

Met dit allergrievendst woord, dat zij tegen de inspraak van haar beter gevoel had uitgestooten, scheen zij hare ziel van een centenaarsgewicht bevrijd te hebben, want zij haalde diep adem en op veel zachter en bedaarder toon wendde zij zich tot den arts met te zeggen: "Maar wat u betreft, Philippus, mijn man heeft u noodig; gij weet wat wij u aanbieden en kent de mildheid van Georg. Misschien komt gij tot betere gedachten en zult gij leeren inzien..."

"Ik?" viel de heelmeester met een waardigen glimlach haar in de rede. "Kent gij mij waarlijk zoo slecht, vrouw Neforis? Aan uw man, dat geef ik toe, ben ik gehecht, en als hij mij noodig heeft zal hij mij wel laten halen. Ongeroepen overschrijd ik echter dezen drempel niet meer, waar men het recht met voeten treedt, de weerlooze onschuld beschimpt en tot vertwijfeling brengt.--Ja, zie mij maar verbaasd aan! Uw zoon heeft den rechterstoel van zijn vader ontwijd en het bloed van den onschuldigen Hiram komt over zijn hoofd. Ga maar voort uwe smaragden te koesteren; Paula zal ze niet aanroeren; zij draagt het hart te hoog om u den naam te noemen van hem, voor wien gij wel zoudt doen ze in den diepsten kelder weg te sluiten. Wat ik daareven uit uw mond heb gehoord, verscheurt elken band, dien de tijd tusschen ons knoopte. Ik verlang van mijne vrienden niet, of laat ik liever zeggen van hen, die mijne naaste bekenden zijn, dat zij rijk zijn, dat zij zich toeschietelijk of voorkomend betoonen, dat zij gaven van geest of lichaam bezitten; maar wij moeten op één gemeenschappelijken bodem staan, namelijk dien eener waardige gezindheid. Zulk eene gezindheid is u niet aangeboren, of ge hebt haar verloren, en ik wil, ik moet van dit oogenblik een vreemde voor u zijn. Ik wensch u niet weder te zien, tenzij bij uw echtgenoot, als hij mijne hulp verlangt."

Deze laatste woorden werden met zulk eene waardigheid, zoo onherroepelijk uitgesproken, dat Neforis verschrikte en geheel hare tegenwoordigheid van geest verloor. Als eene der verachting prijsgegeven onwaardige had de man haar behandeld, op wiens stand zij uit de hoogte neerzag, dien zij echter altijd voor een der braafste, openhartigste en reinste menschen had gehouden, een man van eer, dien haar gemaal niet missen kon, wijl hij zijne pijnen wist te verzachten en hem af te houden van het overmatig gebruik van zijn verdoovingsmiddel. Wijd en zijd in den omtrek was hij de eenige arts van groote bekwaamheid. Ook deze nuttige helper, die het leven van de kleine Maria en van zoo vele dienaars behouden had, dreigde haar ontroofd te worden door die gehate Damasceensche, en zij, die vast overtuigd was een brave, degelijke echtgenoote en moeder te zijn, zij stond daar nu, door dezen boozen geest van haar huis gemaakt tot een verachtelijk wezen, voor hetwelk een braaf mensch uit den weg moet gaan.

Dat was te veel, en door toorn, ergernis en oprechte bekommering gekweld, zeide zij op klagenden toon en met betraande oogen: "Maar wat beteekent dit alles nu? Gij die mij kent, die mij hebt gezien in mijn dagelijksch leven en werken, gij keert mij in mijn eigen huis den rug toe en wijst mij met den vinger na? Ben ik dan mijn gansche leven niet eene trouwe gade geweest, die haar man jarenlang verpleegd, zijn ziekbed niet verlaten en aan niets gedacht heeft dan om zijn leed te verzachten? Als eene kluizenares heb ik mij bij hem opgesloten uit louter plichtgevoel en trouwe liefde, terwijl andere vrouwen, die het minder gemakkelijk kunnen doen, goeden sier maken en feesten bezoeken. En waar werden de slaven rijkelijker onderhouden en menigvuldiger vrij gelaten dan bij ons? Waar was de bedelaar zoo zeker zijn aalmoes te krijgen dan in ons huis, iets wat ik, ik alleen uit vroomheid aanhoud? En nu zou ik plotseling om der wille van dit ondankbaar liefdeloos schepsel niet meer waard zijn dat mij de zon beschijnt, en een braaf man als gij zegt mij in een ommezien de vriendschap op, omdat, omdat,--hoe noemdet gij het--omdat mij het verstand ontbreekt, of hoe hebt gij dat ding genoemd, dat men hebben moet om u..."

"Het heet de gezindheid," hielp haar de arts, die medelijden kreeg met de beangstigde vrouw, in wie hij inderdaad veel goeds had opgemerkt. "Is dit woord u werkelijk geheel vreemd, vrouw Neforis? Zulk eene gezindheid is zeker iets aangeborens, maar met een vasten wil kan men eene van minder hoogen aanleg veredelen, terwijl zwakheid van karakter waar het eigene gebreken geldt eene van nature goede gezindheid kan bederven. En als mij mijn voorgevoel niet bedriegt, dan zullen op den jongsten dag niet de daden worden geoordeeld, maar de gezindheid. Hoe zou het mij vrij staan u te berispen? Het is mij geoorloofd u te beklagen, want ik bespeur bij u eene zielekrankheid, die niet ongelijk is aan den kanker hij het lichaam...."

"Ook dat nog!" zeide Neforis.

"Deze krankheid," vervolgde de arts, zonder zich van zijn stuk te laten brengen, "de haat namelijk, daarvoor moest eene vrome christin zich weten te behoeden! Als een dief in den nacht is hij in uw hart gedrongen, heeft overal ingevreten, uw bloed bedorven, u verleid om ten opzichte van deze door een zoo zwaar ongeluk getroffene wees te handelen als iemand die een blinde steenen en balken in zijn weg werpt, om hem te doen vallen. Hecht gij, gelijk het schijnt, inderdaad een weinig aan mijne meening, bid dan Paula, vóór zij dit huis verlaat, om vergeving voor den haat, waarmede gij haar jaren lang leed hebt berokkend, waarbij gij zoo even nog die eene ongehoorde beleediging heb gevoegd, waaraan gij zelve niet gelooven kunt."

Thans keerde Paula, die tot hiertoe de toespraak van den arts gevolgd had, het gelaat naar vrouw Neforis, maakte de handen los, die zij in den schoot gevouwen hield, om, hoewel zij vast besloten bleef de woning van den stadhouder te verlaten, de rechterhand te geven aan de gemalin van haar oom, wanneer deze de hare wilde toesteken.

De vrouw des stadhouders voerde intusschen in haar binnenste een zwaren strijd. Zij erkende Paula vaak onvriendelijk behandeld te hebben; dat er omtrent den diefstal van den smaragd nog altijd een pijnlijke onzekerheid bestond, had zij vóor haar bezoek in het ziekenvertrek met weerzin ervaren; zij wist haar gemaal een grooten dienst te kunnen doen, wanneer zij de Damasceensche bewoog te blijven; den arts wilde zij maar al te gaarne voor haar huis behouden. Maar hoe diep was zij, was haar zoon zoo even nog door dit hoogmoedig schepsel beleedigd! Zou zij zich voor haar, die zoo veel jonger was, vernederen en haar de hand reiken; zou zij in...

Daar klonk het zilveren bekken, waarin haar gemaal een kogel wierp, wanneer hij haar noodig had. Zij zag in hare verbeelding zijn bleek en lijdend gelaat, zij hoorde hem vragen naar zijne speelgenoote aan het schaakbord, zij bespeurde zijn weemoedigen, verwijtenden blik, als het morgen zou heeten: zij, Neforis, had zijne nicht, de dochter van den edelen Thomas, uit het huis gejaagd; en zij volgde de neiging, die opeens bij haar opkwam, door met het reliquiënkastje in de linker- en de uitgestrekte rechterhand naar Paula toe te gaan en op zachten toon te zeggen: "Geef mij dan de hand, meisje! Menigmaal had ik anders jegens u kunnen zijn, maar waarom hebt ook gij nooit, zelfs in het minste niet naar mijne liefde gevraagd? God is mijn getuige, dat ik aanvankelijk genegen was u als eene dochter te beschouwen, maar gij--maar spreken wij daar niet over! Thans doet het mij leed, dat ik u... wanneer ik u smart heb aangedaan."

Reeds bij de eerste woorden had Paula hare hand in die van de matrone gelegd. De hare was koud als marmer, die van de stadhoudersvrouw was heet en klam, en het was als voelden beide handen tegelijk denzelfden afkeer van elkander als hunne harten, tengevolge waarvan zij slechts een oogenblik in elkaar bleven. Toen Paula de hare terugtrok, bewaarde zij beter hare kalmte dan de oudere vrouw, en zeide bedaard maar met gloeiende wangen: "Zoo willen wij dan beproeven om zonder toorn van elkander te scheiden, en ik dank u dat ge mij dit mogelijk hebt gemaakt. Morgen vroeg zal het mij, hoop ik, vergund zijn van oom, die mij lief is, en van de kleine Maria afscheid te nemen."

"Maar gij behoeft thans niet meer heen te gaan, ik bid u veeleer dringend te blijven," zeide de stadhoudersvrouw met aandrang. "Georg laat u niet gaan; gij weet toch hoe hij aan u gehecht is."

"Vaak was hij als een vader voor mij," hernam Paula, en nu werd ook haar oog vochtig. "Daarom had ik het gaarne bij hem uitgehouden tot het einde. Toch blijft het zoo, dat ik heenga."

"En wanneer uw oom zijne bede bij de mijne voegt?"

"Dan zal het toch tevergeefs zijn."

Vrouw Neforis greep nog eens de hand van de jonkvrouw, en deed in oprechtheid al haar best om haar tot andere gedachten te brengen, doch Paula bleef onvermurwbaar en volhardde in haar besluit, om reeds morgen het stadhouderlijk paleis te verlaten.

"Doch waar vindt gij zoo dadelijk een geschikt verblijf," zeide Neforis, "een tehuis, dat voegt aan uw stand?"

"Dat zal mijne zaak zijn," zeide de arts. "Geloof mij, edele vrouw, voor alle partijen is het beter, dat Paula eene andere woning betrekt. Alleen dit wensch ik, dat zij te bewegen zal zijn althans voorloopig te Memphis te blijven."

"Bij ons," zeide daarop Neforis, "alleen bij ons is haar natuurlijk tehuis. Misschien verandert God uw hart om uws ooms wil, en dan beginnen wij allen te zamen een nieuw, gelukkig leven."

Paula schudde als antwoord met het hoofd, maar Neforis zag het niet meer; want ten derdemale hoorde zij de metalen roepstem en haar plicht gebood die te volgen.

Zoodra zij de kamer verlaten had, haalde Paula diep adem en zeide: "O God, o God! hoe zwaar is mij dit gevallen! Haar niet in het aangezicht te verwijten met welke misdaden haar gewetenlooze zoon.... Neen, neen, daartoe had niets mij kunnen bewegen; doch ik kan u niet zeggen hoe het zien alleen van deze vrouw mij ontroert, en hoe mijn hart zich verlicht gevoelt, sedert ik de brug heb afgebroken, die mij met dit huis, met Memphis verbindt."

"Met Memphis?" vroeg de arts.

"Ja," antwoordde Paula opgewekt. "Ik wil weg, ver van hier, uit de nabijheid van deze vrouw en haar zoon. Waarheen? Of naar Syrië terug, of naar Griekenland, het is mij onverschillig welke weg mij van hier voert."

"En ik, uw vriend?" vroeg Philippus weder.

"De herinnering aan u neem ik mede in mijn dankbaar hart."

De arts glimlachte als gebeurde er iets, wat hij wel verwacht had; na een oogenblik te hebben nagedacht zeide hij: "En waar en hoe zal de Nabateër u vinden, wanneer hij in den kluizenaar van den Sinaï werkelijk uw vader erkent?"

Deze vraag verraste en verschrikte Paula, en Philippus spande al zijne krachten in om haar te overtuigen van de noodzakelijkheid om in de pyramidenstad te blijven. Allereerst moest de voedster bevrijd worden en daarbij kon de arts haar zijne hulp beloven. Bij alles wat hij verder in het midden bracht, nam hij met zooveel overleg de omstandigheden in aanmerking, waarmede hier rekening moest gehouden worden, alsmede de feiten die voor de hand lagen of zich konden voordoen, dat zij zich verwonderen moest over de heldere inzichten en den practischen zin van een man, met wien zij gewoonlijk over andere dan wereldsche zaken gesproken had. Om der wille van haar vader en van Perpetua, doch ook in de verwachting van verder zich te kunnen verblijden in den omgang met dezen man, willigde zij in ten minste vooreerst te Memphis te blijven en haar intrek te nemen in het huis van een vriend en geloofsgenoot van den arts, dien zij reeds lang uit zijne gesprekken kende, ten einde daar den verderen loop der dingen af te wachten. De vurigste wensch van haar hart was Orion te ontwijken en hem nooit, neen nooit, weder te zien. Elke plaats dacht haar goed waar zij niet behoefde te vreezen hem te ontmoeten. Zij haatte hem, doch zij wist dat haar hart niet tot rust kon komen, zoolang een samentreffen mogelijk was. Zij wilde zich ook losmaken van het onweerstaanbaar verlangen, dat telkens en telkens weder met wonderbare kracht in haar opwelde, om zijne verdere lotgevallen te volgen. Daarom en daarom alleen begeerde zij weg, zeer ver weg te gaan, en daarom voldeed haar nauwelijks de verzekering van den arts, dat haar nieuwe gastheer elk bezoeker van haar verwijderd zou weten te houden, dien zijzelve niet wenschte te ontvangen. Het zou zijne zaak zijn, dus besloot Philippus, haar voor indringers te beveiligen, wanneer zij hem liet roepen.

Toen beiden van elkander scheidden steeg de zon achter de bergen in het oosten op, en bij het afscheid zeide Paula: "Zoo zal dan morgen voor mij een nieuw leven beginnen, waarvan ik mij kan voorstellen dat het met uwe hulp vriendelijker zal zijn dan hetgeen achter mij ligt."

"Voor mij," antwoordde de arts bewogen, "is dat nieuwe leven reeds gisteren aangevangen."

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

In den voormiddag van den volgenden dag zat de kleine Maria op een laag rieten stoeltje onder dezelfde sykomoren, die gisteren het jonge en korte liefdesgeluk van het kwikstaartje hadden overschaduwd. Naast haar had de opvoedster Eudoxia plaats genomen, onder wier opzicht zij uit een Griekschen catechismus de tien geboden moest afschrijven. De leerares was door de toenemende hitte en den bloemengeur rondom zich ingedommeld en hare leerlinge liet de schrijfstift rusten. Met bekreten oogen staarde zij op de schelpen, die over het pad gestrooid lagen, en gebruikte hare lange liniaal eerst om er in te woelen, vervolgens om de woorden "Paula" en "Paula Maria's geliefde" met groote beginletters erin te griffelen. Een kapelletje alleen, dat de bewegingen van het stokje volgde, bracht nu en dan een vriendelijken trek op haar gezichtje, waarvan de droeve geest der bekommernis gelukkig de vroolijkheid nog niet geheel had kunnen verjagen. Toch deed het hartje haar pijn. Even stil als in hare omgeving was het in den geheelen tuin en ook in huis; want vóor zonsopgang was de toestand van grootvader veel ernstiger geworden, en elk gedruisch moest uit zijne nabijheid worden geweerd.

Maria dacht juist aan den armen kranke, hoe zwaar hij lijden moest en hoezeer het ook hem pijn zou doen van Paula te scheiden, toen zij in de laan Katharina zag aankomen. De zestienjarige deed heden haar bijnaam van kwikstaartje weinig eer aan, want hare kleine voetjes sleepten door het schelpzand; haar kopje hing van vermoeidheid voorover, en als een der duizende kleine insecten, die zich in de zonnige morgenlucht wiegden, haar te nabij kwam, sloeg zij knorrig naar het beestje met haar waaier.

Toen zij bij Maria was gekomen riep zij haar het gewone "Verblijd u!" toe, doch de kleine beantwoordde dezen groet met een onwillig hoofdknikje, keerde haar vervolgens den rug toe en ging voort met in de schelpen te schrijven.

Katharina lette echter nog niet op deze koele ontvangst, maar ging voort op deelnemenden toon: "Het moet met uw armen grootvader niet best gesteld zijn."

Maria haalde de schouders op.

"Men zegt zelfs dat hij zeer bedenkelijk ziek is; ik heb Philippus zelf gesproken."

"Zoo?" zeide Maria, zonder de oudere vriendin aan te zien, terwijl zij hare bezigheid voortzette.

"Orion is bij hem," ging Katharina voort. "En Paula, wil zij het stadhouderlijk paleis werkelijk verlaten?"

Het meisje knikte zwijgend met het hoofd, terwijl er opnieuw tranen in hare oogen welden. Het kwikstaartje merkte nu op, dat de kleine er treurig uitzag en haar met opzet niet te woord stond. Op een ander tijdstip zou zij zich dit weinig hebben aangetrokken, maar heden hinderde haar dat zwijgen, ja het werd haar te benauwend, en daarom plaatste zij zich tegenover Maria, die de liniaal rusteloos heen en weer bewoog, en zeide luid en gekrenkt: "Het schijnt wel dat ik sedert gisteren in ongenade ben gevallen. Nu dat moet gij weten, maar zulk eene onfatsoenlijke bejegening, dat zeg ik u, laat ik mij niet welgevallen."

De opvoedster, die wakker was geworden door de schelle stem van Katharina, had de laatste woorden verstaan, en terwijl zij eene waardige houding aannam, vroeg zij op strengen toon: "Hoe heeft men zich jegens lieve gasten te gedragen, Maria?"

"Die zie ik hier niet," antwoordde het kind, spijtig de lip optrekkende.

"Maar ik wel," zeide de opvoedster. "Gij gedraagt u als het dochtertje van een barbaar, niet als een Helleensch opgevoed meisje. Katharina is geen kind meer, al verwaardigt zij zich menigmaal om met u te spelen. Kom, ga dadelijk tot haar en vraag haar vergiffenis voor dit onbetaamlijk woord."

"Ik?" vroeg het kind, en in die vraag lag zeer duidelijk opgesloten, dat zij aan dit bevel niet dacht te voldoen. Daarna sprong zij op en zeide met fonkelende oogen: "Wij zijn geene Griekinnen, gij noch ik, en als gij het nog eens hooren wilt: Zij is, neen zij is niet meer mijne lieve gast, mijne vriendin; neen, wij hebben niets, volstrekt niets meer met elkaar te maken!"

"Zijt ge gek geworden?" riep Eudoxia, en haar lang gezicht kreeg eene dreigende uitdrukking, terwijl zij ondanks de toenemende warmte van den dag uit haar diepen zetel oprees en zich gereed maakte naar hare leerling toe te gaan, ten einde haar met geweld te dwingen vergeving te vragen. Doch Maria was vlugger dan de bejaarde Griekin en vloog gezwind als eene gazel de laan af naar den stroom.

Eudoxia beproefde haar te volgen, doch de hitte verlamde weldra hare schreden; toen zij uitgeput en hijgend bleef staan, zag zij hoe Katharina, die nu opeens weder het oude kwikstaartje was geworden, haar voorbij vloog en het kind met eene snelheid volgde, dat zij ervan huiverde.

Maria merkte spoedig op dat zij alleen door Katharina gevolgd werd, matigde haar loop en wachtte in de schaduw de verstooten vriendin af.

Weldra stond Katharina met vuurroode wangen tegenover haar, greep hare beide handjes en zeide boos: "Wat hebt gij daarginds gezegd? Gij... Gij... Wist ik niet wat eigenzinnig wijsneusje ge zijt, dan zou ik in staat zijn..."

"Dan zoudt gij in staat zijn mij valsch te beschuldigen! Maar nu zult ge me loslaten, of ik bijt u!" En toen Katharina op deze bedreiging hare handjes losliet, ging zij nog heftiger voort: "O, o, ik ken u sedert gisteren! En als ge het nog eens hooren wilt: ik bedank voor zulk eene vriendin! Gij moest u schamen en diep in den grond zinken voor de zonde die gij begaan hebt. Ik ben pas tien jaren maar eer ik zoo iets deed, liet ik mij liever in dat heete hok opsluiten met de arme Perpetua, liet ik liever mij dood maken, gelijk gij van plan zijt--foei, 't is schande!--het den armen eerlijken ruiter Hiram te laten doen!"

Katharina's blozende wangen verbleekten bij deze woorden en daar zij niets hiertegen inbrengen kon, wierp zij het hoofdje in den nek en antwoordde zoo trotsch en bedaard als zij maar kon: "Wat weet zulk een kind van dingen, waarover zelfs groote menschen zich het hoofd breken?"

"Groote menschen!" lachte Maria, die nauwelijks drie vingerbreedten kleiner was dan hare tegenpartij. "Groei eerst flink uit de kluiten en noem u dan groot! Over twee jaren komt gij juist tot aan mijne oogen."

Nu steeg het driftige Egyptische meisje het bloed naar het hoofd, en zij gaf het kind met de vlakke hand een klap in het gezicht. Maria bleef als verstijfd voor haar staan, en nadat zij enkele oogenblikken zonder eenig geluid te geven de oogen naar den grond had geslagen, keerde zij Katharina den rug toe, en ging zwijgende naar de schaduwrijke laan terug.

Katharina volgde haar met betraande oogen. Zij gevoelde dat Maria het recht had af te keuren wat zij gisteren gedaan had, want zijzelve had er niet van kunnen slapen en was meer en meer tot de overtuiging gekomen, dat zij slecht, ja onvergeeflijk gehandeld had. Thans had zij zich weder aan iets onverantwoordelijks schuldig gemaakt. Zij gevoelde dat zij het kind verdriet had gedaan en dat deed haar oprecht leed. Als eene dienstmaagd volgde zij Maria zwijgende op een afstand. Gaarne had zij haar bij haar kleedje teruggehouden, haar goede woordjes gegeven, haar zelfs om vergeving gebeden, en toen zij de plaats naderde, waar de opvoedster zich weder als het ongelukkige slachtoffer van de Egyptische hitte in den gemakkelijken stoel had neergevlijd, riep zij Maria bij haar naam.

Het kind weigerde haar aan te hooren, waarop zij haar de hand op de schouder legde en op deemoedigen, ja, smeekenden toon zeide: "Vergeef me dat ik mijzelve zoover heb vergeten; maar wat kan ik er tegen doen dat ik klein ben. Gij weet het, wanneer iemand daarmee den spot drijft..."

"Dan wordt gij boos en slaat," antwoordde het meisje en liep weder door. "Gisteren had ik misschien nog om zoo'n oorveeg gelachen, want het is de eerste niet geweest, of misschien had ik er een teruggegeven; maar heden--het was mij zoo even," en hier voer haar onwillekeurig eene rilling door de leden, "zoo even was het mij alsof de leelijke hand van eene zwarte slavin mij over het gezicht was gegaan. Gij zijt ook niet meer die gij geweest zijt; gij zet uwe voeten heel anders neer en ziet er--dat verzeker ik u--in het geheel niet zoo netjes en vroolijk meer uit als vroeger. Ik weet ook waarom: Gij hebt gisteren avond eene groote zonde begaan."

"Maar lieve schatje," zeide de andere op smeekenden toon, "gij moet niet zoo hard zijn. Wellicht heb ik voor de rechters niet alles gezegd wat ik wist, doch Orion, die mij zoo liefheeft, en wiens vrouwtje ik toch worden zal..."

"Hij heeft u tot die zonde verleid," hernam de kleine. "Ja, ook hij is goed en vroolijk en vriendelijk geweest tot gisteren, maar sedert... O die ongelukkige dag!"

Hier viel de opvoedster Eudoxia haar in de rede, om haar met een vloed van verwijten te overladen en haar eindelijk te bevelen weder aan haar werk te gaan. Het kind deed zonder tegenspraak wat haar gezegd werd, doch het had nauwelijks het wastafeltje voor zich gelegd of Katharina was weer aan hare zijde en fluisterde haar in het oor, dat Orion zeker gezegd had wat hij voor waarheid hield, en dat zij werkelijk in twijfel had verkeerd of een gesneden steen met een gouden rug, dan wel een ledig stuk bladgoud aan Paulas keten had gehangen.

Opeens keerde Maria zich naar haar toe, zag haar flink in de oogen en zeide, om niet door Eudoxia verstaan te worden in hare Egyptische moedertaal, waarvan de Griekin het beneden zich had geacht ook maar een enkel woord te leeren: "Een armzalig aan den rand omgebogen stuk bladgoud heeft aan de keten gehangen, dat ten overvloede nog aan uw kleed bleef haken. Ik zie het nog voor mij! En als gij voor de rechters hebt gezegd, dat het een onyx is geweest, dan hebt gij gelogen. Daar zie maar, dat zijn de wetten die de goede God zelf op den heiligen berg Sinaï heeft gegeven, hier staat het geschreven: 'Gij zult geen valsche getuigenis geven tegen uw naaste', en wie dat gebod overtreedt, heeft de presbyter mij geleerd, die maakt zich aan eene doodzonde schuldig, waarvoor geen vergeving is op aarde noch in den hemel, dan alleen door zware boete en door de bijzondere genade van onzen Verlosser. Zoo staat er geschreven, en hebt gij werkelijk voor de rechters kunnen verklaren wat valsch is en onwaar, en wat anderen in het verderf moet storten?"

De jeugdige aangeklaagde, in verwarring gebracht, keek bedremmeld naar den grond en zeide aarzelende: "Orion heeft het zoo stellig en zeker beweerd en dan--ik weet zelve niet hoe het zoo gekomen is--maar ik werd zoo boos op haar, zoo... Ik zou haar hebben kunnen vermoorden!"

"Wie?" vroeg Maria verbaasd.

"Dat weet gij wel, Paula!"

"Haar?" vroeg Maria, en wederom welden er tranen in hare groote oogen. "Hoe is het mogelijk! Hebt gij haar niet even lief gehad als ik? Hebt gij niet menigmaal als eene klis aan haar gehangen?"

"Ja, dat heb ik. Doch voor de rechters was zij zoo afgrijselijk trotsch, en dan... Maar dat alles kunt gij, geloof mij, Maria!.. kunt gij wezenlijk en waarlijk nog niet verstaan..."

"Niet?" vroeg het kind, de armen over elkander kruisende. "Voor hoe onnoozel ziet ge mij dan wel aan? Gij zijt op Orion verzot,--en hij is ook een man zooals er weinigen zijn--verliefd tot over de ooren, en daar Paula er naast u als eene koningin uitziet en veel grooter en schooner is dan gij, en Orion--ja, ik heb het wel opgemerkt--tot gisteren duizendmaal meer werk maakte van haar dan van u, zijt gij ijverzuchtig en nijdig op haar geworden. O, ik weet alles! Ik weet ook dat alle vrouwen verliefd op hem worden, dat zij Mandane om zijnentwil de ooren hebben afgesneden, en dat zijn schatje in Konstantinopel hem dat witte hondje gegeven heeft. De slavinnen vertellen mij alles wat zij weten en wat ik maar hooren wil. Gij hebt wel reden om op Paula jaloersch te zijn, want als zij het erop aan wilde leggen, lieve God, hoe spoedig zou Orion u zelfs niet meer aanzien! Zij is het schoonste, verstandigste, beste meisje op de geheele aarde, en waarom zou zij niet trotsch zijn? Het valsche getuigenis dat gij gegeven hebt, zal den armen Hiram het leven kosten. De goede Heiland moge het u eens vergeven! Dat is uwe zaak en dat gaat mij niet aan, maar dat Paula om uwentwil het huis verlaat, dat ik haar nooit, nooit weder zal zien, ik geloof niet dat ik u dit ooit vergeven kan, doch ik wil er God om bidden."

Hierop barstte zij uit in snikken en tranen; de opvoedster stond reeds op, om aan dat gebabbel, waarvan zij geen woord verstond en dat haar daarom hinderde en verontrustte, een eind te maken, toen het kwikstaartje zich voor het kind op de knieën wierp, het met beide armen omvatte en evenzeer onder een vloed van tranen uitriep: "Maria, lieve Marietje, [10] vergeef mij. O als gij wist wat ik al heb uitgestaan voor ik hier kwam. Vergeef mij, Maria, wees weder goed op mij, Marietje! Zeker, zeker, gij zijt veel beter dan ik. Goede Heiland, waartoe ben ik gisteren avond gekomen, en dat door hem, door hem dien ieder mensch liefhebben moet, door Orion alleen! Geloof mij, ik weet nog niet eens waarom hij mij tot deze zonde verleid heeft. Maar ik moet beproeven niet meer goed op hem te zijn, hem geheel te vergeten, hoewel, hoewel... Denk eens, dat hij mij zijn bruidje heeft genoemd; maar nu hij mij zoo bedrogen heeft, mag ik het nu nog wagen zijne vrouw te worden? Het heeft mij den geheelen nacht geen rust gelaten. Ik heb hem lief, gij weet niet hoe innig, maar ik kan toch zijne vrouw niet worden; ik ga liever in een klooster, of werp mij in den Nijl, en dat alles wil ik nog heden aan mijne moeder zeggen."

De Griekin had het meisje verbaasd aangekeken en het was inderdaad een vreemd gezicht deze jonkvrouw voor dit kind geknield te zien. Zij luisterde naar den tintelenden stroom van voor haar onverstaanbare woorden en overwoog hoe zij hare kweekelinge, desnoods met hulp van hare grootmoeder, ertoe brengen zou, om fatsoenlijke Grieksche vormen aan te nemen. Daar kwam Paula de laan in. De slaven, die haar met enkele kisten en pakken op een groote berrie gevolgd waren, liepen door naar den Nijl, waar de boot gereed lag, die haar naar het nieuwe verblijf zou overbrengen.

Zwijgend en onopgemerkt liet zij de oogen een tijdlang rusten op dat roerend tafereel der beide meisjes, van welke de eene de andere omkneld hield, en ving de laatste woorden op van dat lieftallig jonge schepseltje, hetwelk haar zooveel leed had berokkend. Zij vermoedde alleen wat hier voorgevallen was doch het stuitte haar tegen de borst langer te luisteren en daarom riep zij Maria. Toen deze opvloog en met onverdeelde, onstuimige teederheid haar om den hals vloog, bedekte zij haar kopje en haar aangezicht met kusjes. Daarna maakte zij zich los uit de omarming van het kind en zeide zacht met betraande oogen: "Vaarwel mijne lieveling! Over weinige oogenblikken behoor ik niet meer tot de uwen, en een ander, een vreemd huis zal mij opnemen. Blijf mij liefhebben en vergeet mij niet; weet dat gij op aarde geen trouwer vriendin hebt dan mij."

De tranen rolden Maria opnieuw langs de wangen en het kind bezwoer haar niet te gaan, haar niet te verlaten. Doch Paula sloeg deze bede af, geroerd en verbaasd, dat zij aan deze plaats, waar zij zoo weinig liefde had gezaaid, toch zooveel warme liefde had geoogst. Vervolgens reikte zij de opvoedster de hand tot afscheid en toen zij zich tot Katharina wendde, om ook haar, de moordenares van haar geluk, vaarwel te zeggen, hoe zwaar het haar ook viel, zonk het kwikstaartje, badende in tranen van berouw, aan hare voeten, bedekte hare knieën en handen met kussen en bekende dat zij schuldig was aan de grootste misdaad. Maar Paula liet haar niet uitspreken, kuste haar op het voorhoofd en zeide, dat zij begreep hoe zij tot deze zonde gekomen was, en evenals Maria zou trachten haar te vergeven.

Bij de met vele roeiers bemande boot van den stadhouder, waarheen de meisjes haar vergezelden, vond zij Orion. Hij had dezen morgen tweemaal tevergeefs getracht gehoor bij haar te vinden en zag er bleek en ontdaan uit. Met een heerlijken bloemruiker in de hand groette hij Maria en zijn bruidje vluchtig, en merkte niet eens op dat Katharina zwijgend en aarzelend wedergroette. Daarop naderde hij Paula, deelde haar in stilte mede dat Hiram gered was, en bezwoer haar, zoo zij voor zichzelve op vergeving harer zonden hoopte, hem slechts enkele oogenblikken gehoor te geven. Toen zij echter met een stilzwijgend schouderophalen dit verzoek weigerde en naar de boot ging, strekte hij zijne hand uit om haar te helpen; doch met opzet wendde zij haar blik terzijde en reikte den arts hare rechterhand.

Orion sprong haar in de boot na en fluisterde haar met bevende stem in het oor: "Een ellendige, een ongelukkige smeekt u om genade. Gisteren was ik waanzinnig. Ik heb u lief, ja ik heb u lief, meisje, hoe--dat zult ondervinden!"

"Genoeg!" riep zij luide, hem belettende verder te gaan, rechtop staande in de waggelende boot.

Philippus steunde haar terwijl zij zich nederzette, doch Orion legde den ruiker in haar schoot en zeide, zoodat allen het hooren konden: "Uw vertrek zal mijn vader zeer smartelijk aandoen. Hij is zoo ziek, dat wij u niet mochten toestaan van hem afscheid te nemen. Hebt gij hem nog iets te zeggen...."

"Dan kies ik mij een anderen bode," zeide zij met straffen blik.

"En als hij vraagt naar de oorzaak van uw plotseling vertrek?"

"Dan zullen uwe moeder en Philippus hem het antwoord geven."

"Maar hij was uw voogd, en ik weet, uw vermogen..."

"Is bij hem veilig bewaard."

"En bevestigt zich wat de arts vreest?"

"Dan eisch ik het op door mijn nieuwen kurios."

"Gij zult het ook zonder dezen ontvangen. Weet gij dan niet van erbarmen, van vergeving?"

Tot antwoord wierp zij den ruiker, dien hij haar gegeven had, in het water, waarop Orion aan land sprong, hij woelde, zonder op de aanwezigen te letten, met de hand door het haar, en drukte die daarna tegen zijn gloeiend voorhoofd.

De boot stak van wal, de roeiers haalden de riemen krachtig aan. Orion staarde haar na en zijn boezem zwoegde onder diepe ademhalingen, tot eene kleine hand de zijne greep en Maria's teedere kinderstem hem toeriep: "Wees bedaard, oom! Ik weet wel wat u kwelt."

"Wat weet gij?" vroeg hij norsch.

"Gij hebt er berouw van dat gij en Katharina gisteren avond tegen haar en den ongelukkigen Hiram..."

"Dwaasheid!" riep hij op heftigen toon. "Waar is Katharina?"

"Ik moest u zeggen, dat zij u heden niet zien kon. Zij heeft u zoo lief, maar, weet gij, zij gevoelt zoo bitter berouw."

"Dat kan zij zich besparen," voer de jonkman uit. "Als er een schuld te boeten is, zoo rust dit op mij, en dat martelt mij dood. Maar dat alles... haal mij de satan, wat gaat dit een kind aan! Maak dat ge weg komt! Eudoxia breng het meisje bij haar werk!"

Daarop nam hij het kopje van de kleine tusschen zijne handen, kuste haar met onstuimige teederheid op het voorhoofd, en gaf haar daarop aan de opvoedster over, die bereidwillig de kleine met zich voorttrok.

Zoodra Orion zag dat hij alleen was, leunde hij zich tegen een boom en begon te stenen als een gewond wild. Zijn hart deed hem pijn of het moest bersten. "Weg, weg!" riep hij. "Verspeeld, verloren, het beste wat ik had op aarde!" Hij legde zijne handen tegen den boom en drukte zijn voorhoofd erop tot het hem pijn deed. Hij wist geen raad van smart en gramschap tegen zichzelven. Het was hem of hij in dronkenschap zijn eigen huis in brand had gestoken. Hoe dat alles had kunnen gebeuren, hij wist het zelf niet meer. Na zijn nachtelijken rit had hij den rentmeester Nilus laten wekken en hem opgedragen Hiram heimelijk los te laten. Maar eerst door het zien van zijn door een beroerte getroffen vader, was hij geheel tot bezinning gekomen. De ontzettende ernst van den dood had hem aan die legerstede vlak in het aangezicht gezien, en het was hem geweest als kon hij den geliefden man niet uit het leven zien scheiden, voor hij zich met Paula verzoend, voor hij vergiffenis ontvangen had van haar, die zijn vader zoo lief was, voor hij haar bij diens sponde had gebracht om zijn zegen af te smeeken over haar en zichzelven.

Tweemalen was hij uit het ziekenvertrek naar hare kamer gesneld, om haar te laten verzoeken hem gehoor te verleenen, maar vruchteloos; en hoe ontzettend was nu dit afscheid geweest! Hard, onverbiddelijk, gruwzaam had zij hem bejegend, en wanneer hij zich hare houding, haar wezen voor den geest bracht, zooals die waren voor deze breuk, moest hij erkennen dat er in hare handelwijze iets onnatuurlijks was. Deze onmenschelijke hardheid, neen niet het hart had haar voorgeschreven aan de schoone vrouw, wier genegenheid hij had bezeten en die nu zijne bloemen in het water had geslingerd; veeleer was het volgens een welberekend plan, dat zij hem dus haar toorn had doen gevoelen. Waarom had zij, de door en door gekrenkte, niet aan de rechters verraden, dat zij hem had betrapt, toen hij den smaragd roofde? Nog was niet alles verloren en vrijer ademhalende ging hij naar huis terug, waar de plicht en de zorg voor zijn vader hem riepen. Daar dreef zijn ruiker op den stroom. "De haat heeft hem weggeworpen," dacht hij, "doch voor hij verdwijnt in zee zullen er zich nog vele bloemen in openen, die nog knoppen waren toen zij ze wegwierp. Een ander dan mij kan zij niet liefhebben, dat voel, dat weet ik. Sedert wij voor het eerst elkander in de oogen zagen, was het lot voor ons beider harten beslist. Wat zij in mij haat is mijne waanzinnige misdaad, wat haar allereerst van mij vervreemdde was haar billijke toorn, omdat ik Katharina het hof maakte. Maar die misdaad is een droom in mijn leven geweest, die niet zal terugkeeren; en wat Katharina aangaat--eens heb ik ten opzichte van haar gezondigd, maar ik wil daarmede niet voortgaan mijn heele leven lang. Ik heb straffeloos zooveel met de liefde kunnen spelen, dat ik eindelijk haar macht te gering schatte. Lachende gaf ik mijne liefde prijs voor den wensch mijner moeder, en daaruit, daaruit alleen zijn al die schrikkelijke dingen voortgekomen. Maar neen, neen, alles is nog niet verloren! Paula zal mij hooren, en wanneer zij ziet wat er in mijn gemoed omgaat, wanneer ik haar alles beleden heb, het goede zoowel als het kwade, wanneer zij eens weet dat mijn hart op een dwaalspoor is geweest en nu tot haar wederkeert, die mij geleerd heeft, dat de liefde geen scherts is, maar diepe ernst, die den ganschen mensch beheerscht, dan zal alles--alles een anderen keer nemen."

Bij deze gedachte verhelderde zich zijn gelaat, waarop eene edele verrukking stond te lezen, en voortgaande dacht hij verder: "Mag ik haar de mijne noemen, dan weet ik dat alles zich in mij zal ontwikkelen wat ik groots van mijne voorvaderen heb geërfd. Toen moeder mij straks aan vaders ziekbed riep, zeide zij: 'Kom Orion, het leven wordt ernstig voor mij en u en ons huis, vader....' Ja, ernstig wordt het, wat ook de uitkomst zij van deze dingen. Paula te winnen, haar te verzoenen, haar tot mij weder te brengen, aan hare zijde groote daden te verrichten mijner waardig, dat is een levensdoel zooals ik het noodig heb. Met haar, ja zeker, éen met haar kan ik het bereiken, zonder haar of met het gulden speelgoed Katharina zou de ouderdom mij niets brengen dan oververzadiging, ontnuchtering en teleurstelling, of om het bij zijn christelijken naam te noemen: bitter berouw. Gelijk Anteos nieuwe kracht won, zoo vaak hij de moeder aarde aanraakte, ja, vader, zoo voel ik mijn vermogen aangroeien, als ik maar aan haar denk. Paula is het heil, de eer, de andere het verderf, de vernietiging mijner toekomst. Arme lieve vader, gij zult, gij moet dezen slag overleven, om alles vervuld te zien, wat gij van uw zoon zoo blijmoedig hebt verwacht. Paula is u altijd lief geweest, misschien zult gij het zijn die haar verzoent en tot mij brengt, en hoe dierbaar zal zij u worden en, zoo God wil, ook mijne moeder, wanneer gij haar aan mijne zijde ziet arbeiden als sieraad van dit huis, deze stad, dit land, als eene koningin en als zegenverspreidende schutsengel van uw zoon!"

Opgewekt en gedragen door deze gedachten had hij het viridarium bereikt. Daar wachtte de huismeester Sebek zijn jongen meester en zeide zacht: "De heer slaapt nog, zooals de arts voorspeld heeft, maar zijn gelaat... Ach, of Philippus toch weder terug ware!"

"Hebt gij den wagen met den harddraver naar het Caeciliaklooster gezonden?" vroeg Orion haastig, en toen Sebek een toestemmend antwoord gaf en in het huis verdween, zonk de jonge man, door smart overmand, naast eene zuil waaraan een crucifix hing op de knieën en verhief hart en handen tot een innig gebed.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

De arts had Paula haar nieuwe verblijf binnengeleid en haar spoedig bekend gemaakt met hen, die haar voortaan beschermen en haar een aangenaam leven bereiden zouden. Slechts weinige oogenblikken was het hem vergund zich aan haar en hare huisgenooten te wijden, want nauwelijks had hij haar in de met bloemen rijk versierde ruime vertrekken gevoerd, die haar tot verblijf waren aangewezen, toen twee boden tegelijk werden aangemeld, die verlangden hem te spreken. Zij wist hoe bedenkelijk de toestand van haar oom was, en met het dreigend verlies van dezen man voor oogen werd haar eerst recht duidelijk wat zij in hem bezeten had. Hare eerste gezellin was dus de smart, die door het behagelijke van de nieuwe, luchtige, schoone woning des te scherper uitkwam.

Van de boden was de éen een jonge Arabier, die van de overzijde des Nijls kwam en aan Philippus een brief van den koopman Haschim overhandigde. De oude heer deelde hem daarin mede, dat hij tengevolge van een zwaren val van zijn oudsten zoon zich gedwongen zag terstond naar Dschidda aan de Roode zee op te breken. Hij bad Philippus verder te zorgen voor zijn gewonden karavaan-aanvoerder, die hem na aan het hart lag, en dezen, wanneer hij dat goedkeurde, uit het stadhouderlijk paleis te laten vertrekken, om hem op eene stillere plaats geheel te doen herstellen. De zaak van de edele dochter van Thomas zou hij niet uit het oog verliezen. Een buidel met goudstukken overladen begeleidde dit schrijven.

De tweede bode moest Philippus onverwijld op den wagen met den harddraver naar den ernstig zieken Mukaukas terugbrengen. Onverwijld gaf hij aan deze roepstem gehoor en het vlugge dier, dat door den menner niet ontzien werd, bracht hem snel naar het paleis. Een enkele blik op den lijder deed hem zien dat het begin van het einde was gekomen, doch getrouw aan zijn beginsel om de hoop nooit op te geven, eer het hart van den lijder ophield te kloppen, richtte hij, zonder acht te geven op Orion, die aan het hoofdeinde van het bed op zijne knieën lag, de bewustelooze wat op, wenkte de in het verplegen van zieken zeer bedrevene diakones, legde nieuwe compressen op het voorhoofd en in den nek van den door eene beroerte getroffen man, en deed hem eene aderlating.

Met moeite sloeg de Mukaukas de zware oogleden op, keek angstig in alle richtingen, en toen hij zijn zoon, die geknield bleef liggen, zijne in tranen badende gade en den arts herkend had, stamelde hij onduidelijk en dof, want zijne half verlamde tong weigerde hem den dienst: "Twee pilletjes, Philippus!"

De arts voldeed zonder tegenspraak aan deze bede van den stervende, die nu de oogen weder sloot, doch om ze weldra opnieuw te openen en met dezelfde inspanning als zoo even en tegelijk met hetzelfde helder bewustzijn te stamelen: "Het loopt ten einde! De zegen der kerk... De bisschop, Orion!"

De jonge man verliet terstond het vertrek om den prelaat, die reeds met twee diakenen, een exorcist en een misdienaar voor het dragen van het noodige kerkgereedschap, in het viridarium wachtte, bij den kranke te brengen. Deze liet zich kalm en gelaten het laatste avondmaal toedienen, zag en hoorde naar den exorcist, die met handbewegingen en vrome spreuken den duivel bande en de booze geesten uitdreef. Doch hij was niet meer bij machte den wijn en het volgens Jacobietisch gebruik daarmede vermengde brood door te slikken. Orion deed het in zijne plaats, en daarbij prevelde de stervende met een glimlach: "U bid ik allen zegen toe, mijn jongen! De Heer, zoo schijnt het, weigert mij zijn kostbaar bloed, en toch--toch--laat ik het nog eens beproeven."

Ditmaal gelukte het hem wat wijn en eenige broodkruimels door te krijgen. De bisschop Plotinos, een zachtmoedig grijsaard met een schoon, eerwaardig uiterlijk, troostte hem nu en vroeg hem of hij boetvaardig stierf in het vaste geloof in de genade van zijn Heer en Heiland, of hij berouw had over zijne zonden en zijn vijanden vergaf.

De kranke deed zijn best om even met het hoofd te knikken en te stamelen: "Ook de Melchieten, die mijne kinderen vermoord hebben, ook het hoofd onzer kerk, den patriarch, die liefst door mij liet volbrengen, wat hijzelf te gevaarlijk achtte. Dat... dat... Maar Plotinos--gij eerwaardig en wijs dienaar des Heeren--antwoord mij naar uwe beste overtuiging: Mag ik ook op mijn sterfbed nog gelooven, dat het geen misdaad is geweest, toen ik vrede sloot met de Arabieren, die de Grieken verdreven; mag ik de Melchieten ook in deze ure nog houden voor belijders van een ander geloof?"

De grijze prelaat, wiens rug nog niet door ouderdom was gekromd, richtte zich op in al zijne lengte, en zijne zachte trekken namen eene hoog ernstige uitdrukking aan toen hij zeide: "Gij kent de woorden, die op de Synode van Ephesus gesproken zijn en die in de borst van elken recht geaarden Jacobiet als in marmer en metaal gegrift moeten staan. Mogen zij, die Christus verdeelen,--en dat doen de Melchieten--met het zwaard door midden gedeeld, mogen zij in stukken gehouwen, mogen zij levend verbrand worden! Zulk een vloek heeft nog geen hoofd der kerk over de muzelmannen, de aanbidders van den eenigen God uitgesproken!"

De lijder haalde nu diep adem, doch spoedig daarop zeide hij fluisterend: "Toch hebben de patriarch Benjamin en Johannes van Nikou mijne ziel beangst gemaakt. Ook gij, Plotinos, draagt den kromstaf en ik wil u wel bekennen: uwe ambtsbroeders, de herders der Jacobietische kudde, hebben mij ontelbare dagen en nachten in vrees en wroeging doen doorleven, zoodat ik er bijna toe kwam hen te vloeken. Maar voor het nacht werd verlichtte de Heer mijne ziel en ik vergaf hen; en daarom bid ik hen door u om hunne vergeving en hun zegen..--De kerk heeft in deze laatste jaren niet dan met weerzin de deur voor mij geopend, maar welke knecht kan boos zijn op zijn meester, van wien hij alle genade verwacht! Zoo hoor mij dan. Als een getrouw en geloovig dienaar der kerk sluit ik de oogen, en om dit te bewijzen wil ik haar naar vermogen begiftigen, wil ik haar versieren met rijke, kostbare gaven, wil ik... Doch ik... ik kan niet verder. Spreek gij in mijne plaats, Orion. Gij weet het... de edelgesteenten... het tapijt..."

De zoon deed den bisschop nu opening van de rijke schenking van onschatbare juweelen, die zijn vader aan de kerk had toegedacht. De stervende wenschte voor de grafkapel van zijne voorvaderen in de Doodenstad ingezegend en daarna in de Johanneskerk te Alexandrië naast zijn vader begraven te worden. Voor de gebeden, die voor hem gedaan zouden worden, had hij in zijn testament eene afzonderlijke som bepaald. De geestelijken vernamen dit alles met welgevallen, verleenden hem geheele absolutie, zonder eenig voorbehoud, zegenden hem toen met bijzondere warmte en verlieten daarna het vertrek.

Philippus haalde vrijer adem, toen de geestelijken vertrokken waren, vernieuwde meermalen de compressen, terwijl de stervende langen tijd zwijgend en met gesloten oogen bleef liggen. Daarna wreef hij ze, en alsof de levensgeest weder ontwaakte, hief hij het hoofd met behulp van den arts een weinig omhoog, sloeg de oogleden weder op en zeide: "Haal den ring van mijn vinger, Orion, en draag dien met eere. Waar is de kleine Maria? Waar is Paula? Ook van hen verlang ik afscheid te nemen."

De jonkman en zijne moeder zagen elkander verlegen aan, doch de laatste bezon zich spoedig en zeide: "Wij hebben Maria reeds laten halen; maar Paula,--gij weet dat zij zich bij ons niet tehuis gevoelde--en sedert het gebeurde van gisteren..."

"Nu?" vroeg de kranke.

"Heeft zij ons huis overhaast verlaten, en--dit moogt gij erbij weten--is in vrede van mij gescheiden. Doch zij is nog in Memphis en heeft zeer liefderijk over u gesproken, en u willen zien en nog vele groeten aan u opgedragen. En wanneer gij erop gesteld zijt haar te zien..."

De kranke beproefde met het hoofd te knikken, doch tevergeefs, hij stond er ook niet op haar te laten roepen, doch een diepe weemoed verspreidde zich langzaam over zijne trekken, en zacht ruischte het van zijne lippen: "De dochter van Thomas! Edeler en schooner dan allen!"

"Edeler en schooner dan allen!" herhaalde Orion luid met eene zware stem, die trilde van oprechte aandoening, waarop hij den arts en de diakones verzocht hem eenige oogenblikken alleen te laten met zijne ouders.

Zoodra de vreemden zich verwijderd hadden, zeide de jonkman zacht en met geestdrift aan het oor van den kranke. "Gij hebt het rechte woord gesproken, vader, zij is beter en edeler, zij is schooner en denkt verhevener dan iedere andere jonkvrouw. Ik heb haar lief en wil niets onbeproefd laten om haar hart te winnen.--God, God! Goede hemel! Dat verheugt u, dat vindt gij goed, vader? Liefste beste vader, ik kan het u aanzien!"

"Ja, ja, ja," stamelde de kranke; hij richtte zijne geelachtige oogen, waarin zich groote bloedaderen vertoonden, naar boven, en prevelde verder met groote inspanning: "Zegen, mijn zegen, over u en Paula...! Dat moet gij haar herhalen. Had zij den ouden man iets vroeger haar vertrouwen geschonken, dan zou de vrijgelatene in ons huis geen dief zijn geworden.--Eene brave ziel; wat heeft zij voor den armen man gestreden! Ik wil alles later nog eens uitvoeriger hooren, als mijne krachten het toelaten. Waarom is zij nu niet hier?"

"Zij had u zoo gaarne vaarwel gezegd," antwoordde Neforis, "maar gij sliept...."

"Had dat gaan dan zoo'n haast?" vroeg haar gemaal met een bitteren lach. "Is misschien ook vrees voor den smaragd hier in het spel? Maar hoe kon ik boos op haar zijn? Hiram heeft zeker zonder haar voorkennis gehandeld, niet waar? Nu, ik wist het! Ach dat schoon, lieftallig gezicht! Dat nog eens weer te mogen zien! De troost mijner oogen, mijn tegenpartij aan het schaakbord! Trouw hart! Hoe hing het aan den vader, voor wien het alles wilde opofferen! Maar gij, gij, mijne oude... Doch thans geen verwijt! Gij, moeder, gij mijne Neforis... dank, duizendmaal dank voor zooveel liefde en goedheid. Welke geheimzinnige tooverbanden knoopt toch zulk eene christelijke echt! Merk het op, Orion! En gij, moeder--het beangstigt mij--doe gij het meisje niet weder smart aan. Zeg--het maakt mijn einde licht--zeg, dat gij den bond zegent: Paula, Orion, wij beiden, beiden... Ik durfde het vroeger niet... Wat kunnen wij beiden beters wenschen?"

De matrone vouwde de handen samen en zeide snikkende: "Alles, alles wat gij maar wenscht. Maar vader, maar Orion, ons geloof en--lieve Heiland!--die arme kleine Katharina!"

"Katharina?" herhaalde de stervende, en een medelijdende glimlach zweefde over zijne slappe lippen. "Onze jongen en dat kwik... kwik... Gij weet, wat ik bedoel."

Daarop verhelderden zich zijne oogen, en zacht, maar zoo opgewekt, als was de dood nog verre, zeide hij: "Georg, de zoon van den Mukaukas heet ik, ik ben de groote Mukaukas; en ons geslacht: krachtige mannen zijn het, trotsch van aard, allen, allen; mijn vader, mijn oom, onze gestorven zonen en hier onze Orion--enkel palmen en eiken! En nu zulk eene dwerg, zulk een niets dan een rijsje aan den ouden, grooten, heerlijken stam! Wat daaruit geboren wordt, o--o--beklagenswaardige schepseltjes! Maar Paula--die ceder van den Libanon--Paula, zij verjongt dat oude, groote geslacht."

"Maar het geloof, het geloof!" zeide Neforis met een zucht. "En gij, Orion, weet gij dan, hoe zij over u denkt?"

"Ja, en neen; zwijg daarover in deze ure," smeekte de diep bewogen jongeling. "O, vader, als ik weet dat uw zegen...."

"Het geloof, het geloof," haastte de Mukaukas zich te zeggen met gebrokene stem.

"Ik bewaar het mijne!" zeide Orion, terwijl hij de hand zijns vaders aan zijne lippen bracht. "Denk u en stel u het voor, hoe Paula en ik dit huis bewonen, en hoe een nieuw geslacht daarin opwast, den grooten Mukaukas en zijne vaderen waardig!"

"Ik zie het, ik zie het," stamelde de kranke, waarop hij als levenloos in zijn kussen achterover zonk.

Onverwijld werd de arts geroepen en tegelijk met dezen kwam de kleine Maria weenende de kamer binnen. De vernieuwde pogingen van den arts om het leven te wekken bleven niet zonder gevolg; de stervende opende nogmaals de oogen en zeide meer verstaanbaar en krachtiger dan te voren: "Het riekt hier naar muskus--dat is de geur, die den doodsengel voorafgaat."

Daarna bleef hij lang zwijgend en roerloos liggen. Zijne oogen waren gesloten, maar zijn gerimpeld voorhoofd bewees, dat hij met inspanning nadacht. Eindelijk haalde hij weder dieper adem en sprak nauw verstaanbaar: "Zoo was het, zoo is het: De Griek heeft de mijnen willekeurig als honden, als slaven behandeld; ook de muzelman is een vreemdeling, maar hij handelt rechtvaardig. Aan wat gebeurd is, kan ik niets veranderen, maar het is goed, goed zooals het geloopen is!"

Hij herhaalde dat "goed" nog eenige malen, waarop eene huivering hem overviel en hij klaagde: "Mijne voeten zijn zoo koud, maar laat het blijven, ik houd van de koelte."

De arts en de diakones maakten zich terstond gereed om hout te verhitten, ten einde zijne voeten te verwarmen. De kranke zag hen dankbaar na en vervolgde: "Bij de kerk, in Gods huis, heb ik vaak de heerlijkste verkoeling gevonden, en thans maakt zij mij door hare vergeving het sterven gemakkelijk. Gij, mijn zoon, blijf haar trouw. Een lid van ons huis mag geen afvallige worden. Het nieuwe geloof--met eene onbegrijpelijke macht onderwerpt het rijk aan rijk--eer- en winzucht drijft het duizenden in de armen. Maar wij, wij blijven Jezus Christus trouw en wij zijn geen verraders! Had ik, ik de Mukaukas, willen doen wat de Kalief van mij verlangde, dan zou ik als een vorst, met purper bekleed in zijn naam dit land regeeren. Hoevelen zijn er tot de muzelmannen overgeloopen! De verzoeking zal ook tot u komen, en hun geloof bezit veel wat de groote menigte aantrekt. Zij stellen zich een paradijs voor met onuitsprekelijk bekoorlijke genietingen, maar, nietwaar mijn zoon, wij zien elkander in onzen hemel weder?"

"Ja, ja, ja, vader!" riep de jonkman. "Ik blijf christen, ik sta vast en trouw..."

"Genoeg, het is goed!" viel de kranke hem in de rede. Hij wilde er met opzet niet aan herinnerd worden, dat zijn zoon eene Melchietin tot vrouw begeerde en vervolgde haastig: "Paula... Maar niets meer daarover... Het geloof... Blijf het uwe trouw... Anders... Overigens, mijn kind, zoek uw eigen weg; gij zijt... wandelt op den rechten, en omdat, juist omdat ik dit weet sterf ik zoo gerust. Voor uw tijdelijk welzijn heb ik rijkelijk gezorgd. Een goed echtgenoot en liefhebbend vader--nietwaar mijn Heiland! nietwaar Neforis?--ben ik geweest. En wat mijn beste, zekerste troost is--vele, vele jaren lang heb ik recht gesproken in dit land en niet eene enkele maal--gij mijn schild en trooster, gij zijt mijn getuige!--was ik--o, dat doet goed!--was ik willens en wetens een onrechtvaardig rechter. De arme en de rijke, de machtige en de hulpelooze weduwe, ze waren voor mij allen gelijk. Wie zou gewaagd hebben..."

Hier hield hij op, en terwijl zijne oogen onbestemd door het vertrek dwaalden, ontmoetten zij de kleine Maria, die tegenover Orion aan de andere zijde van het hoofdeinde voor het sterfbed op de knieën was gezonken. De man, die gereed stond van de aarde te scheiden en juist de slotsom opmaakte van een langdurig werkzaam leven, hield opeens zijne gedachten in, en zoodra het kind zag, dat hij zich tevergeefs inspande om het stramme hoofd naar haar toe te keeren wierp zij zich met hartstochtelijke, smartelijke opgewondenheid op den stervende, kuste hem zonder vrees voor den starenden blik zijner oogen en de verandering van kleur op zijn bemind gelaat, zijn mond en zijne wangen en zeide: "Grootvader, lieve grootvadertje, verlaat ons toch niet, o ik bid u, blijf bij ons!"

Om zijne droge lippen scheen een glimlach te spelen, en al de teederheid, die hem over dit jonge lieflijke rozenknopje vervulde, wilde hij in zijne woorden leggen; doch hij kon slechts klankloos stamelen: "Maria, mijn lieveling! Om uwentwil zou ik nog gaarne lang leven, zeer lang; maar die andere wereld... ik sta, sta op den drempel, het afscheid... ik moet afscheid nemen."

"Neen, neen, ik wil bidden, o zoo innig bidden, tot gij beter wordt," riep het kind.

"Neen," was zijn antwoord. "De Heiland heeft mijne hand reeds gegrepen. Vaarwel, nog eens vaarwel! Hebt gij uwe Paula... hebt gij haar--ik zie haar niet--hebt gij haar niet medegebracht, hartje? Zij... is zij knorrig van ons weggeloopen? Als zij maar wist... Uwe Paula heeft ons toch onrecht gedaan."

Het meisje, vervuld van de schrikkelijke dingen, waartegen haar oprecht gemoed in verzet kwam, die haar den vorigen avond, den ganschen nacht en den geheelen morgen geen oogenblik rust hadden gelaten, bracht haar kopje dicht bij het hoofd van den ouden, besten, meest geliefden vriend. Jarenlang was hij haar tot een vader geweest, en nu zou hij sterven, haar voor altijd verlaten! Maar zij kon hem niet zien heengaan met een verkeerd oordeel over de vriendin, aan wie zij gehecht was met al de liefde van een warm kinderhart, en daarom riep zij hem met eene gedempte stem, maar toch met aandrang in het oor: "Dit eene, grootvader, moet gij nog weten, vóor de Heiland u in zijne hemelsche zaligheid opneemt. Paula heeft de waarheid gezegd, en nooit, ook niet ter wille van haren Hiram gelogen. Een stukje bladgoud, geen gesneden steen, hing er gisteren middag aan haar halssieraad. Wat Orion ook zegt, ik heb het gezien en mij niet vergist, zoowaar ik u en mijn armen vader daarboven hoop weer te zien. En Katharina, zij is zoo straks ook tot inkeer gekomen en heeft mij beleden, dat zij een groote zonde begaan en een valsch getuigenis voor de rechters afgelegd heeft, om den zin te doen van haar lieven Orion. Ik weet niet, wat Hiram haar heeft aangedaan, maar op het getuigenis van Katharina hebben de rechters hem ter dood veroordeeld, en Paula--dit moet gij weten--heeft met den diefstal van den smaragd niets, volstrekt niets uit te staan."

Orion was veroordeeld in zijne geknielde houding elk woord, dat die kleine met zooveel vuur den vader influisterde, te hooren, en ieder woord trof zijn hart als een dolksteek. Herhaaldelijk had hij de handen over het bed willen slaan en haar voor de oogen zijns vaders op den grond willen werpen, doch bij de smart en de verrassing, die hem gansch en al verlamden vond hij zelfs de kracht niet haar met een enkel woord in de rede te vallen. Het gesprokene was geuit; als verpletterd klemde hij zich vast aan den rand van het bed, en toen zijn vader zich tot hem wendde en rochelend met moeite vroeg: "Zoo heeft het gerecht, ons eigen gerechtshof een valsch oordeel geveld?" knikte hij verslagen met het hoofd.

Hierop stamelde de stervende nog onduidelijker en zonder samenhang de vraag: "Steen.... uit het tapijt.... Gij... misschien.... Hebt gij... hebt gij, gij zelf den smaragd.... Ik kan niet...."

Orion hielp zijn vader, die tevergeefs worstelde om het onzalige woord uit te spreken en antwoordde deemoedig en zacht, want hij had liever met den heengaande willen sterven dan hem in deze ure voor te liegen: "Ik, vader, heb den steen weggenomen, maar zoo waarachtig als ik u en mijne moeder liefheb, de eerste lichtvaardige daad mijns levens, die zulke ontzettende gevolgen na zich moest slepen, zal...."

"Ook de laatste zijn," had hij er willen bijvoegen, maar reeds toen hem dat "ik heb den steen weggenomen" over de lippen was gekomen, begon de stervende over zijn gansche lichaam te beven, er kwam eene akelige verandering in den blik zijner oogen en nog voor de zoon zijne gelofte had afgelegd, richtte de ongelukkige vader zich met eene buitengewone krachtsinspanning op, en riep den bleeken, luid snikkenden en naar adem hijgenden jonkman toe, zoo haastig als zijne zware, bijna verlamde tong het toeliet, met een gorgelende van toorn bevende stem: "Gij! Gij! De smaad van het oude, smettelooze gerechtshof! Gij! Weg van hier! De laatste kleinzoon van Menas een roover, een onrechtvaardig rechter, een vervalscher van een getuigenis! Kon ik u nog met deze handen.... Gij... Gij.... Weg van mij, knaap!"

Na deze onstuimige uitbarsting zonk Georg, de zachtmoedige en rechtvaardige Mukaukas, achterover in zijn kussen; zijne bloederige oogen staarden ongesloten in de ruimte; de geopende mond scheen telkens en telkens weder al zachter en zachter dat "knaap" te herhalen; de gezwollen handen trokken zich krampachtig samen in het dunne dek, dat over hem gespreid lag; een vreemd, schel geluid kwam over zijne bleeke lippen; de laatste krachten begaven hem en het ontzielde lichaam van den waardigen stadhouder zonk aan Orions zijde ineen, als een gevelde palmboom.

Als razend, met verwilderde haren en vuurroode oogen richtte Orion zich op, schudde het lijk als wilde hij het dwingen te herleven, om zijne gelofte te vernieuwen, de tranen van zijn berouw te zien, hem te vergeven en de verschrikkelijke woorden terug te nemen, waarmede hij scheidende hem, den veelgeliefden, verwenden zoon, had verstooten.

Onder deze wilde uitingen van zijne vertwijfeling keerde de arts terug, wierp een blik op het verwrongen gelaat van den afgestorvene, legde zijne hand op de plaats van het hart en zeide, terwijl hij de kleine Maria van de legerstede wegtroonde, ernstig en weemoedig: "Deze brave en rechtvaardige man heeft opgehouden onder de levenden te wandelen."

Orion slaakte een bangen kreet en stootte Maria van zich af, die hem genaderd was, omdat zij, hoe jong ook, gevoelde, dat zij onbedacht het schrikkelijkst oordeel over haar oom had gebracht, en dat het nu haar plicht was hem liefde te bewijzen. Daarop liep het kind naar hare grootmoeder, maar ook deze duwde haar opzij, en viel bij den vertwijfelden zoon op de knieën om met hem te weenen en den ontroostbaren, van wien zij nog weinige oogenblikken geleden de beste troost voor zichzelve had verwacht, met warme woorden op te beuren. Doch de moederlijke toespraak scheen geen weerklank te vinden in zijn gebroken gemoed.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

De arts had toen hij Paula verliet haar gezegd, dat de Mukaukas elk oogenblik kon sterven, maar het was ook mogelijk, dat hij nog weken lang met den dood zou worstelen. Dat uitzicht scheen haar te troosten, want de gedachte dat de eenige ware vriend, dien zij in Memphis had bezeten, voor zij Philippus nader had leeren kennen, voor altijd zou heengaan, zonder hare rechtvaardiging te hebben gehoord, kwam haar onverdragelijk voor. Het was allesbehalve waarschijnlijk dat men in de omgeving van vrouw Neforis, met uitzondering van de kleindochter, haar in liefde zou gedenken, en zij verlangde er ook niet naar; maar de achting, die zij zich ook in het stadhouderlijk verblijf verworven had, wilde zij niet verliezen. Indien het den vriend gelukte de dagen van haar oom nog te verlengen, dan kon zij, wanneer de ware toedracht der zaak openlijk te zijner kennis werd gebracht, zijne oude vriendelijke gezindheid en zijn goedgunstig oordeel herwinnen.

Zij beschouwde haar tegenwoordig verblijf als eene plaats van overgang, een wachtstation op den woestijntocht van haar eenzaam bestaan, en wat zij geleerd had onder hare Memphietische verwanten, daarvan wilde zij hier partij trekken. De hoop was thans meesteres in haar hart over smart en teleurstelling. Alleen de nabijheid van Orion hing als eene dreigende hagelwolk boven het bloeiende graanveld van haren innerlijken vrede, en toch was er niets, behalve de noodzakelijkheid van den bode hier af te wachten, dat haar vaster aan Memphis verbond, dan de mogelijkheid van ten minste uit de verte den verderen loop zijns levens te kunnen volgen. Wat zij voor hem gevoelde--zij zelve noemde het diepen afkeer--maakte, al wilde zij dit zichzelve ook niet toegeven, een wezenlijk deel uit van haar innerlijk leven.

Haar nieuwe gastheer had haar als eene lieve huisgenoote opgenomen en het schenen wel geen arme lieden te zijn; hun huis was zeer ruim en zij het ook wat ouderwets en zonder opschik, toch gemakkelijk en met fijnen kunstzin ingericht. Zij was er door verrast dat de tuin zoo keurig onderhouden werd; een gebochelden tuinman en eenige kinderen had zij er druk in zien werken. Het bleken zonderlinge helpers te zijn, want evenals hun scheefgegroeide meester, bezaten ze allen een of ander lichamelijk gebrek.

Het stuk grond, dat reikte tot aan de langs den Nijloever aangelegde straat voor voetgangers, wagens en sleepers van Nijlschepen, was smal en grensde aan weerszijden aan grootere eigendommen, en niet ver van de plaats waar het den stroom naderde, begon de schipbrug, die Memphis met het eiland Roda verbond. Aan de rechterzijde van deze bezitting lag het haar welbekende schoone huis, een paleis mocht men het wel noemen, van de weduwe Susanna; aan de linkerzijde een wijd uitgestrekt bosch, waarin slanke palmen, sykomoren met breede bladerenkronen en dicht opeen gegroeide blauwgroene tamarisken hunne schaduwen verspreidden. Tusschen deze vereeniging van prachtig opgeschoten planten en oude boomen lag een langwerpig geel, met een torentje gekroond gebouw verscholen, dat haar evenzeer niet onbekend was; want men had er ten huize van den stadhouder dikwijls over gesproken, en zij was hier reeds eenige malen geweest in het gezelschap van Perpetua. Dit was het Cæcilia-klooster, dat de laatste nonnen van haar orthodox geloof herbergde, die in Memphis nog geduld werden. Terwijl alle andere zusters van hare geloofsbelijdenis sedert lang uit de stad waren verdreven, mochten zij in hare oude woonstede blijven, niet alleen omdat men haar waardeerde als goede ziekenverpleegsters, een voorrecht waarop ook andere Melchietische orden konden roemen, maar veelmeer, omdat de verarmde stad de rijke belasting niet wilde missen, die zij jaarlijks betaalden. Die belasting vertegenwoordigde de renten van een aanzienlijk kapitaal, hetwelk een der voorvaderen van den Mukaukas aan het klooster had vermaakt, en wel met deze voorzichtige door Theodosius II met zijn keizerlijk zegel bekrachtigde bepaling, dat deze stichting, zoodra het klooster zou worden opgeheven, tegelijk met de landerijen en wat daarop gebouwd was--die het coenobium insgelijks aan de vrijgevigheid van den stichter te danken had--aan den regeerenden christelijken keizer in eigendom zouden overgaan.

De overleden Mukaukas, had, niettegenstaande zijne stellige afkeer van al wat Melchietisch was, zich wel gewacht om de nuttige nonnen iets in den weg te leggen en hare groote bezittingen aan zijne verarmde vaderstad te onttrekken, ten einde ze den rijken muzelman in handen te spelen. De oorkonde, waarop de zusters haar recht grondden, was deugdelijk, en de rechtsgeleerde en verstandige stadhouder had haar niet enkel onaangetast gelaten, al was hij in de laatste jaren ook meer beangst geworden voor zijn eigen persoon, maar was zelfs zonder vrees voor wien dan ook, bepaald en onbewimpeld tegen het machtig opperhoofd der Jacobietische kerk voor hare rechtsgeldigheid in de bres gesprongen. Natuurlijk billijkte de Senaat van de vroegere hoofdstad Memphis zijne beslissing en duldde niet alleen de zusters die tot een ander geloof behoorden, maar verleende haar ook menigmaal bijstand.

De Jacobietische geestelijkheid van de stad zag deze instelling door de vingers en richtte alleen omstreeks paschen haar oog naar het klooster, want op den voorafgaanden Zaterdag moesten de nonnen, overeenkomstig eene voor het monophusietisch schisma gemaakte bepaling, geborduurde priestergewaden, wijn van de voortreffelijkste wijnbergen bij Kochome in de nabijheid van de trappen-pyramide, en eene aanzienlijke hoeveelheid bloemen en gebak aan de Christus-kerk opbrengen. Zoo bleef het oude vrouwenklooster bestaan, en ofschoon geheel Egypte thans alleen Jacobietisch of Mohammedaansch was, en menige oude zuster in het laatste jaar het tijdelijke met het eeuwige verwisseld had, vroeg toch niemand er naar hoe het kwam, dat het aantal nonnen altijd op dezelfde hoogte bleef, totdat de Jacobietische aartsbisschop Benjamin in plaats van den Melchiet Cyrus den patriarchalen zetel innam. Dezen kerkvorst waren de kettersche vrouwen in Memphis, de havikken in de duiventil, zooals hij ze noemde, een gruwel, en hij meende de oude schenkingsoorkonde zoo te kunnen uitleggen, dat, aangezien er geen zuiver christelijk keizer meer was, terwijl het woord "christelijk" uitdrukkelijk in de oorkonde stond, het klooster bij zijne opheffing aan het eenig christelijk opperhoofd, dat het land thans bezat, dat wilde zeggen aan hem en zijne kerk moest vervallen. De kwade gezindheid van den patriarch tegen den Mukaukas was door den tegenstand, die hij in dit opzicht bij dezen had gevonden, tot openbare vijandschap geworden.

Uit dit klooster vernam Paula thans een welluidend klaaggezang. Was de waardige abdis der nonnen gestorven? Neen, dit treurlied moest betrekking hebben op een ander sterfgeval, want door de vensters van hare hoekkamer, die op den Nijl uitzagen, vernam zij van de straat, de schipbrug en uit eenige booten op den stroom de vreemde, schrille klaagtonen van Egyptische vrouwen. Geen Jacobietisch bewoner van Memphis zou het gewaagd hebben om bij den dood eener Melchietische op zulk eene wijze aan zijne droefheid lucht te geven, en toen het aantal klagenden bleek toe te nemen, huiverde zij bij de gedachte, dat haar oom en vriend de vriendelijke, vermoeide oogen had gesloten. Diep bewogen en met betraande oogen bemerkte zij, hoe oprecht de dood van dezen rechtschapen man door al zijne medeburgers werd betreurd. Ja, hem alleen en geen ander Egyptenaar kon deze groote en levendige droefheid gelden. Weeklagende vrouwen op straat bestreken zich de borst en het voorhoofd met het Nijlslib van den oever; mannen bleven bij groepen staan en sloegen zich met hartstochtelijke gebaren voor het hoofd en op de borst. Op de schipbrug hield de een den ander staande, en ook van daar drongen weemoedige klaagtonen haar in de ooren.

Eindelijk verscheen Philippus om te bevestigen wat zij wel vreesde. De dood van den stadhouder had hem niet minder getroffen dan haar, en hij moest Paula thans alles mededeelen wat hij wist van de laatste ure van den afgestorvene.

"Bij al dezen jammer," dus besloot de arts, "heb ik toch iets goeds opgemerkt. Wie zou er gaarne dwalen? En toch verheugt ons niets zoozeer dan het inzicht van zich in een mensch en zijne gezindheid tot zijn nadeel bedrogen te hebben. Deze Orion, die zich zelven zoo vergeten en zich zoo jegens u bezondigd heeft, is toch geen verloren mensch."

"Niet?" vroeg Paula haastig. "Zoo heeft hij dan ook u misleid?"

"Misleid?" vroeg de arts. "Dat zou niet licht gebeuren. Ik heb helaas aan vele, zeer vele sterfbedden gestaan; want in den regel roept men mij eerst, wanneer de dood den kranke reeds met den vinger wenkt. Duizende bedroefden heb ik op zulke plaatsen des lijdens aangetroffen, en ik verzeker u, dat zijn de beste scholen, de beste akademiën voor iedereen, die het binnenste van zijne medemenschen wenscht te leeren kennen. Hier en op de markt, waar 't om het mijn en dijn te doen is, ziet men onder ons mannen, die vaak wat edel en groot in ons is even zorgvuldig voor de wereld verbergen als anderen het gemeene en onbeduidende, ziet men, zeg ik, den mensch in zijn open gemoed. Na vele stervenden te hebben gezien en anderen die rouw over hen dragen, zou ik, al ben ik geen Menander of Lucianus, eene breede rij van menschenbeelden kunnen teekenen, die zoo waarachtig zijn als hadden zij hun binnenste buiten gekeerd."

"Dat stervenden zich voordoen gelijk zij zijn," hernam Paula, "dat neem ik gaarne aan. Zij hebben zich niet meer voor anderen te ontzien; maar de rouwdragenden? Reeds het fatsoen vordert van hen, dat zij zich verslagen toonen en tranen storten."

"Ja, aan de sterfbedden heerscht droefheid," vervolgde de arts, "maar het doodenvertrek is als eene kerk. De dood wijdt het en wie hem in het aangezicht ziet, die laat vaak het masker vallen, waarmede hij anders zijne medemenschen bedriegt. Dan ziet men aangezichten die ons doen huiveren, maar ook andere, die wij niet kunnen beschouwen zonder dat ze ons opnieuw met achting vervullen voor dat ellendig geslacht, waartoe we ons anders moeten rekenen."

"En voor zulk eene troostrijke figuur houdt gij Orion, den roover, den vervalscher der getuigen, den onrechtvaardigen rechter?" vroeg Paula, die van verbazing zich niet kon inhouden.

"Wel zie nu eens!" zeide de arts lachend. "Net als alle andere vrouwen! Een goochelkunstje, en in een oogwenk is purper wat zoo even nog rozenrood was! Neen, tot zulk kleurverwisselingen heeft de zoon van den Mukaukas het nog niet gebracht, maar--en dit stel ik reeds hoog--hij heeft nog een hart dat voelt en voor indrukken vatbaar is. Het is voor mij boven allen twijfel verheven, dat hij met warme, ja hartstochtelijke liefde aan zijn vader gehecht was, ofschoon ik anders grond genoeg heb om het ergste van hem te denken. Zoolang ik tegenwoordig kon zijn bij dit sterven, was ik er getuige van, dat vader en zoon in vriendschap, ja teeder van elkander afscheid namen, en toen het arme hart van den braven, ouden man stilstond, vond ik Orion in een toestand weder, zooals wij die verwachten kunnen van geliefden, die verloren wat hun het dierbaarst op aarde was."

"Comediespel!" riep Paula, haar vriend in de rede vallende.

"Voor zulk een spel, lieve vriendin, ontbrak het aan toeschouwers. Zulke aandoeningen dringt een Orion zich niet op voor zijne moeder en de kleine Maria."

"Maar hij is een dichter, en nog wel een hoogbegaafde. Hij zingt bij de lier heerlijke liederen, die hijzelf heeft gemaakt. Zijn geoefende, levendige geest verplaatst hem gemakkelijk in die stemming. Maar zijne ziel is verdorven, als eene spons met water zoo is hij verzadigd met goddeloosheid. Hij is een vat met schoone gaven, maar al wat er goeds en groots in hem was heeft hij verloren, alles!"

Het verontwaardigde meisje had deze woorden haastig uitgesproken. De toorn had hare wangen doen kleuren en zij meende den arts tot hare zienswijze te hebben overgehaald. Doch deze schudde ernstig het hoofd en zeide: "Uwe rechtmatige boosheid voert u te ver. Hoe vaak hebt gij mij over mijn scherp oordeel en mijn twijfel berispt? Doch nu verzoek ik u mij te veroorloven u te doen deelen in eene ervaring, waartegen gij waarschijnlijk eergisteren nog niets zoudt hebben ingebracht. Ik heb booswichten van allerlei slag ontmoet. Denk maar eens hoeveel moorden door vergiftiging ik had te onderzoeken!"

"Homeros noemde reeds Egypte het gifland," zeide Paula, "en het is onbegrijpelijk dat het christendom hierin nog niets veranderd heeft. Meer boosheid, bedrog, haat en wangunst dan hier, heeft zelfs de wijze Kosmas, die de geheele wereld doorreisde, nergens aangetroffen."

"Gij ziet nu in welk eene goede school mijne ervaringen over het booze in den mensch gerijpt zijn," zeide de arts lachend, "en zij leeren mij dat er geen misdadiger, zondaar of booswicht is, hoe verhard en verdorven, hoe gruwelijk en gewetenloos hij ook zijn mag, in wien nog niet eene of andere goede eigenschap is overgebleven. Herinnert gij u nog die afschuwelijke gifmengster Nechebt, die hare beide broeders en haar eigen vader om het leven bracht? Het is nog pas drie weken geleden gebeurd. En datzelfde beest in menschelijke gedaante heeft voor haar ontaarden zoon, die in het keizerlijke leger diende, honger en dorst geleden, zoodat zij bijna was omgekomen; zij is eindelijk eene gifmengster geworden, niet om haar eigen jammerlijken toestand te verbeteren, maar om den schandelijken jongen middelen te verschaffen voor nieuwe zwelgerijen. Ontelbare voorbeelden van dien aard zou ik kunnen aanvoeren, doch ik wil u alleen nog iets vertellen van een der bloeddorstigste en wreedaardigste roovers, die ontelbare malen aan de veiligheidsbeambten wist te ontkomen, tot hij hun eindelijk in handen viel. En waardoor? Omdat hij gehoord had dat zijn oud moedertje zwaar ziek was, en het verlangen hem te machtig was geworden om het rimpelige wijfje nog eens weer te zien, haar nog eens te kussen, gelijk toen hij een kind was.--Nu, zoo heeft Orion, voor hoe verdorven wij hem anders ook houden mogen, in elk geval eene eigenschap, die wij moeten erkennen: eene teedere liefde voor zijn vader en zijne moeder. Uwe spons verzadigt zich niet geheel met hetgeen gij goddeloosheid noemt: daar blijven altijd nog poriën open, die weerstand bieden. En als bij hem, gelijk bij anderen, het hart hiertoe behoort, dan zeg ik vol hoop met den Romein Horatius: 'Nil desperandum!' het zou onrecht zijn, indien wij hem geheel wilden opgeven."

Paula wist op deze verzekering geen antwoord te geven, ja de gedachte kwam bij haar op dat Orion, als hij niet gelogen had, alleen ter wille van zijne moeder, het kwikstaartje had gevrijd, met haar beeld in zijn hart. Juist begon de arts, die het gesprek liever op een ander onderwerp wilde brengen, weder te spreken over de laatste levensuren van Mukaukas, toen eene der mismaakte dienstmeisjes eene vrouw kwam aanmelden, die de dochter van Thomas verlangde te spreken. Weinige oogenblikken later lag het meisje aan de borst van hare oude, trouwe vriendin, de voedster, en deze juichte zoo vroolijk en lachte en weende zoo hartelijk uit louter blijdschap, als ware haar geen kwaad overkomen, terwijl Paula, de jongere, wie het gebeurde zielsleed had gedaan, de gedachte daaraan niet van zich kon zetten.

Perpetua begreep haar en duidde haar die kalmte niet euvel, ofschoon zij zelve als dronken was van vreugde. Zij was, zoo vertelde zij, in hare heete gevangenis goed verzorgd, en een half uur geleden had de jonge heer, Orion zelf, de deur voor haar geopend. Hij was zeer genadig geweest, terwijl hij er bleek en ontdaan uitzag. De overmoedige jonge man was geheel verouderd, zijne bekreten oogen hadden haar, Perpetua, tot tranen geroerd. Wat Orion Paula en haarzelve gisteren had aangedaan, dat mocht God hem vergeven. Zeker was hij door booze geesten bezeten, want hij was zichzelf niet; maar hij bezat een vriendelijk goed hart, en ofschoon hij zich ook voor de rechters hard en onrechtvaardig jegens den armen Hiram had betoond, zoo had hij toch heden vroeg alles weder goed gemaakt. Hij had dezen niet alleen uit zijne gevangenis doen ontslaan, maar hem, zooals zij van den rentmeester Nilus had vernomen, met zijn jongen, twee paarden en rijke geschenken naar Damascus gezonden. Wie zelf verlangt dat zijn naaste hem vergeven zal, die mocht ook dezen jonkman gaarne vergeven. De groote Augustinus was in zijne jeugd zeker geen toonbeeld van deugd geweest en toch een licht der kerk geworden, en zoo zou de zoon van den Mukaukas ook wel in de voetstappen zijns vaders treden. Hij was zeker een goed en schoon jonkman, die ieder stof tot vreugde kon geven. Heden had hij zich zoo ernstig en plechtig gedragen als een bisschop, en misschien wandelde hij reeds op beter wegen. Wat Paula er van zeggen mocht: hijzelf had haar naar den wagen zijner moeder gebracht, en den menner bevolen haar hierheen te rijden. Haar boeltje zou morgen aan haar afgegeven en onder hare eigene oogen ingepakt en weggezonden worden. De rentmeester Nilus was met haar medegekomen, om eene boodschap aan Paula over te brengen. Hij was eerst naar het Caecilia-klooster gegaan.

Paula verzocht haar hem vandaar te gaan halen, en zoodra Perpetua het vertrek verlaten had, zeide zij tot den arts: "Gij hebt reeds iemand gevonden, die het met u eens is. Wat zijn de menschen toch veranderlijk. Gisteren avond vond mijne kloeke Betta geen afgrond der hel diep genoeg voor onzen vijand; en nu! Ja, het is vleiend door zulk een heerschap in eigen persoon naar den wagen gebracht te worden; en hoe ras heeft mijn oudje al haar leed vergeten, hoe rustig en tevreden is zij, nu haar genadig verlof werd gegeven om de nette zaakjes, waaraan zij zoo gehecht is, eigenhandig in te pakken. Gij hebt mij eens gezegd dat de Jacobieten van den heidenschen god Osiris een heiligen Orion hebben gemaakt, en zoo ziet mijne Betta reeds in den zoon van den Mukaukas een toekomstigen Augustinus. Ik zie reeds hoe zij hem tot haar schutspatroon maakt, en mij, als wij eerst weer in Syrië zijn, smeekt om met haar eene bedevaart naar hem te doen."

"En misschien doet gij het haar ten gevalle," zeide de arts, die sedert zijn hart in liefde voor haar ontbrand was, Paula heden voor het eerst niet zoo gestemd vond, als een man meent te mogen verwachten van de vrouw die hij aanbidt. Tot hiertoe had hij niets in haar opgemerkt, van haar gehoord of ondervonden, wat niet waardig en edel was, maar hare laatste woorden waren op heftigen, bitteren, sarcastischen toon geuit, en berisping en bespotting, die niet ten doel hadden te verbeteren maar te krenken, waren naar zijne overtuiging een edel vrouwelijk wezen onwaardig. Dat honend gelach, waarmede zij hare woorden besloot, had hem maar al te duidelijk geopenbaard, welk eene breede klove er gaapte tusschen hare en zijne inzichten. Hij was, dat kon hij zich niet ontveinzen, soms groffer, en niet zoo fijn ontwikkeld als Paula, en hij spotte meer dan goed was. Tot hiertoe had juist deze zijne gewoonte haar mishaagd, en dat had hem aangemoedigd, dat was geheel overeenkomstig het ideaal, hetwelk hij zich gevormd had van de vrouw naar zijn hart. En nu verviel zij tot eene spotternij, die haar niet schertsend over de lippen kwam, maar hartstochtelijk opwelde uit haar innig verstoord gemoed, en deze opmerking deed den menschenkenner leed en maakte hem tegelijk bezorgd.

Paula kon het hem aanzien, dat hij hare laatste woorden afkeurde, en gevoelde dat die volzin: 'misschien doet gij het haar ten gevalle', eene diepere beteekenis had. De mannen, dacht zij, worden boos, wanneer zij hunne zienswijze zeer duidelijk hebben uitgesproken en wij vrouwen het wagen er onverwijld eene andere tegenover te stellen. Daar zij den vriend, aan wien zij zooveel goeds te danken had, voor geen prijs wilde krenken, zeide zij vriendelijk: "Ik wil de bedoeling van uwe zonderlinge profetie niet nasporen. Goddank is door uwe vriendelijke en verstandige tusschenkomst thans elke band tusschen mij en den zoon van mijn armen oom afgesneden. Spreken wij daarom over wat anders; wij hebben ons reeds te veel met hem beziggehouden!"

"Zoo denk ook ik er over," zeide de arts. "Overigens verzoek ik u mijn 'misschien' te vergeten. Ik ben een man van het tegenwoordige en geen profeet, maar dat zie ik toch aankomen, dat Orion alle pogingen in het werk zal stellen, om--het koste wat het wil--"

"Welnu?"

"Om eene toenadering te bewerken, uwe vergeving te verwerven, uw hart te treffen, u...."

"Dat hij het beproeve!" sprak Paula, terwijl zij de rechterhand dreigend ophief.

"En wanneer hij, de in ieder opzicht zoo veel begaafde, weder geheel tot zichzelven komt, en als een gelouterd man, die zich de achting van alle weldenkenden weet te verwerven...."

"Dan toch zal ik nooit vergeven wat hij misdreven en mij aangedaan heeft. Meent gij, dat ik uw gesprek met Neforis nu reeds vergeten ben? Gij verlangt van uwe vrienden niets anders dan eene wakkere gezindheid, die aan de uwe beantwoordt, en wat anders dan juist die gezindheid heeft mij van Orion vervreemd? Ontelbaren hebben hunne handelwijze veranderd, maar ook--antwoord mij oprecht--ook hetgeen wij onder 'gezindheid' verstaan?"

"Ook deze," antwoordde haar de arts met diepen ernst, "ook deze kan veranderen. Of wilt gij u aan de zijde van den koopman en zijne muzelmansche geloofsgenooten scharen, die den mensch beschouwen als een speelbal van het blinde noodlot? Wat ons, volgens de opvatting onzer godgeleerden tot iets voorbestemd, dat is het kwade, hetwelk wij mede ter wereld brengen; de inwendige wedergeboorte, zooals zij het noemen, kan het onschadelijk maken en ten goede leiden. Maar aan wien gelukt het midden in het gewoel van de wereld, in den zin waarin de kerk het bedoelt, zichzelven te dooden, als levend te sterven en als nieuw mensch weder op te staan? Het gewaad van een boeteling past niet voor een Orion; doch er zijn voor hem andere mogelijkheden om het pad terug te vinden, dat hij verlaten heeft. Het lot heeft zijn verwenden lieveling tot heden zooveel vreugde geschonken, dat hij te midden van zooveel genot en stof tot dankbaarheid geen tijd vond om over het leven na te denken. Thans toont het hem zijn ernst en verlangt van hem dat hij zich bezinnen zal, en als hij een vriend vindt die hem toeroept, wat mijn vader mij reeds in een brief leerde, dien hij zijn eenigen kleinen jongen naliet, en hij genegen is dien te hooren, dan houd ik hem voor gered."

"En hoe luidt dat woord, die raad?" vroeg Paula in spanning.

"In het kort aldus: Het leven is geen maaltijd, die de voorzienigheid ons voorzet om er van te genieten, maar een dienst dien zij ons te vervullen geeft met onze beste krachten. Ieder onderzoeke zijn aard en zijne gaven, en hoe beter het hem gelukt die aan te wenden tot heil en zegen van de maatschappij, waarvan hij als lid ter wereld kwam, des te meer zal hij zich innerlijk gelukkig gevoelen, des te zekerder zal hij eene heerlijke zielsrust verwerven, des te minder vrees zal de dood hem aanjagen. In het bewustzijn van ook zaden voor de toekomst te hebben uitgestrooid, sluit hij als een trouw huismeester aan den avond van elken dag en aan het einde van de laatste hem verleende levensure de oogen. Ziet Orion dat in, is hij bereid zich niet te onttrekken aan de verplichting die zijn bestaan hem oplegt, wijdt hij daaraan met oprechten ernst al zijne krachten, dan kan er een dag komen, waarop ik zelf met waardeering, ja met bewondering tot hem zal opzien. De schipbreuk, waarvan de Arabier sprak, is gekomen. Zien wij toe hoe hij zich uit de golven redt en na de stranding gedraagt."

"Zien wij toe," herhaalde Paula, "en laten wij wenschen dat hij een raadsman zal vinden! Toen ik u daar hoorde spreken kwam de gedachte bij mij op als rustte op mij de verplichting.... Maar neen, neen! Hij zelf heeft door zijn roekeloos gedrag alle aanspraak op medelijden verloren, die ik na zulk een schrikkelijken slag ook voor een vijand zou mogen gevoelen. Hij, hij kan en zal niets voor mij zijn tot het einde der dagen. U ben ik dankbaar, dat deze vreedzame haven zich voor mij geopend heeft, help mij om al het vijandige te verbannen, dat zou kunnen naderen om de rust in dit toevluchtsoord te verstoren. Waagt Orion het, met welk doel dan ook, zich toegang te verschaffen tot dit huis of het binnen te sluipen, dan verlaat ik mij op u, mijn vriend en redder!"

Bij deze woorden bood zij Philippus de hand, en terwijl hij de hare greep vloeide hem het bloed weder sneller door de aderen, en zeide hij blijmoedig: "Mijne kracht en mijn hart behooren u. Beschik daarover, en wanneer uwe ziel de vurige liefde van een trouw en eenvoudig man..."

"Niet verder, neen, neen, Philippus!" sprak Paula, hem met angstige opgewondenheid in de rede vallende. "Laat ons als vrienden, als broeder en zuster innig aan elkander verbonden blijven."

"Als broeder en zuster?" herhaalde hij dof en met een weemoedig lachje. "O ja, ook de vriendschap is schoon. Doch--laat mij uitspreken--ik had van liefde gedroomd, hier, hier binnen voelde ik de branding van den golfslag der hartstochten, en ik voel haar nog.... Maar man, man...." en hier drukte hij de vuist tegen zijn voorhoofd--"hebt gij dwaas dan uw spiegelbeeld vergeten, weet gij niet meer dat gij een leelijke, grove gezel zijt, dat voor u de prachtige bloem, waarnaar gij streeft...."

Bij dien heftigen uitval van vertwijfeling ging Paula eenige schreden terug, maar dadelijk liep zij haar vriend weer tegemoet, en terwijl zij moedig zijne hand greep, zeide zij met warmte: "Niet zoo, Philippus, mijne lieve, trouwe, eenige vriend. De prachtige bloem die gij verlangt, noch ik, noch iemand kan u haar schenken. Ik bezit haar niet meer, want toen zij zich eens hier binnen had ontplooid, zijn er voeten gekomen die haar roekeloos vertraden. Smaad niet dat spiegelbeeld, noem u zelven geen grove gezel. Zooals gij zijt, zoo kan ook de beste, de schoonste trotsch zijn op uwe liefde. Ben ik niet reeds trotsch en zal ik het niet blijven op uwe vriendschap?"

"Vriendschap, vriendschap!" herhaalde hij heftig, zijne hand uit de hare rukkend. "Dit brandende, smachtende hart dorst naar gansch andere gevoelens! O vrouw, vrouw! Ik ken de ellendeling, die de bloem der bloemen in uw hart heeft vertreden, en ik dwaas ben zijn lofredenaar, zijn verdediger en--het koste wat het wil--zal het blijven, zoolang gij... Misschien schiet die prachtige bloem nieuwe wortels in den bodem van den haat, en ik, ongelukkige, die haar begoot, kan toezien."

Paula vatte nog eens beide handen van den arts en zeide in diepe smartelijke zielsangst: "Ik bid, ik bezweer u, ga zoo niet voort, hoe kan ik zonder mijzelve in gevaar te brengen van de grenzen der betamelijkheid te overschrijden, die het zedelijk gevoel eener jonkvrouw gebiedt te eerbiedigen; en hoe kan ik hier onder uwe bescherming in dagelijksche gemeenschap met u rustig leven, wanneer gij de grenzen niet ontziet, die eene trouwe, oprechte vriendschap afbakenen? Ik ben een verlaten meisje, en zou vertwijfelen en mijzelven prijsgeven, wanneer het geloof mij niet beschutte, dat ik mij op mijzelve verlaten kan. Vergenoeg u met hetgeen ik u thans kan aanbieden, en God zal u er voor beloonen! Laten wij beiden de achting waardig blijven, die wij, den hemel zij dank, met goed recht voor elkander gevoelen."

De arts boog zich bewogen tot haar neder, drukte, zichzelven bijna niet meester, de lippen op hare blanke en krachtige hand, terwijl Perpetua juist met den rentmeester de kamer binnen kwam.

De eerlijke beambte, een eenvoudig man, van middelbare grootte en nog niet oud, met een bleek, fijn, verstandig gelaat, waarin de zorgen, de zware arbeid en de last der verantwoordelijkheid diepe sporen hadden gegroefd, sloeg haastig een scherpen blik op beiden en legde daarna eene belangrijke som in goudstukken voor Paula neder. Zijn jonge meester zond dit geld overeenkomstig den wil van zijn overleden vader, om in de eerste behoeften te voorzien; het overige of grootste gedeelte van haar vermogen zou haar tegelijk met de afrekening uitbetaald worden, na de begrafenis van den Mukaukas. Wat het bedrag harer bezitting aanging, dit kon Nilus reeds nu ongeveer opgeven, en het bleek dat dit zoo groot was, dat Paula hare ooren niet gelooven kon. Zij zag zich nu gevrijwaard voor alle verdere zorgen, ja, zij was zoo welgesteld, dat zij in staat geweest zou zijn om in overdaad te leven.

De arts was getuige geweest van dit onderhoud, en het had zijn hart angstig doen kloppen. De gedachte had hem zoo gelukkig gemaakt, dat hij voor de arme wees Paula alles zou zijn en hij haar voor uitwendig gebrek zou hebben kunnen bewaren. Hij was bereid geweest alles op zich te nemen, om de Damasceensche een behoorlijk onderkomen te verschaffen en haar te voorzien van alles wat zij noodig kon hebben, en nu bleek het dat zijne beschermeling niet alleen voornamer, maar ook rijker was dan hij. Het was hem als had Orions bode hem van eene schoone levensvreugde beroofd; en nadat hij haar gebracht had bij haar wakkeren ouden gastheer en de zijnen, verliet hij met gebogen hoofd het huis van Rufinus. Toen de tijd kwam om zich ter ruste te begeven, mocht Perpetua hare lieve meesteres weder helpen ontkleeden. Doch Paula kon den slaap niet vatten, en toen zij den volgenden morgen zich bij hare nieuwe vrienden voegde, moest zij erkennen dat zoo ergens hier de plaats was, waar zij den verloren vrede terug kon vinden, dat zij echter nog veel zou hebben te worstelen en een langen weg moeten afleggen, voor zij dien bereiken kon.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Ter zelfder tijd als zij was Orion naar zijne vertrekken teruggekeerd. Naast aan de zijnen grensde de slaapkamer van de kleine Maria, die hij niet had wedergezien, sedert hij de plaats verliet, waar zijn vader gestorven was. Hij wist dat zij daar lag met de koorts, maar hij kon het niet over zich verkrijgen naar haar te vragen. Kwam de gedachte aan haar bij hem op, dan balde hij onwillekeurig de vuisten. Hij was getroffen tot in het diepst zijner ziel, buiten zichzelven en als tot twijfeling gebracht. Geene andere gedachten beheerschten hem dan deze dat hij de ongelukkigste was van alle menschen, dat de vloek zijns vaders hem had getroffen, dat het gebeurde met niets was goed te maken, dat eene ruwe, onafweerbare macht den trouwsten van zijn vrienden hem tot vijand had gemaakt en zóo van zijne zijde had weggescheurd, dat er geen mogelijkheid bestond hem nog te verzoenen, hem tot woorden van vergiffenis, tot een vriendelijken blik te bewegen. In zulk een stemming liep hij met versnelde schreden het groote vertrek op en neder, wierp zich nu eens van den divan op den grond en drukte dan weder zijn gloeiend aangezicht in het zachte kussen. Soms gelukte het hem te bidden, doch telkens hield hij weder op, want er was immers geen macht in hemel of op aarde, die dit gebroken oog weder kon openen, dit verstijfde hart weder kon doen kloppen, deze verlamde tong kon doen spreken, om hem, den verstootene dat te verleenen, waarnaar zijn ziel smachtte, zonder hetwelk hij meende te moeten bezwijken namelijk: vergiffenis van zijn vader, vergiffenis, vergiffenis!

Soms sloeg hij zich als een waanzinnige met de vuist tegen de borst en het voorhoofd, en slaakte daarbij kreten van angst, verwenschingen en bittere klachten. Omstreeks middernacht--er waren eerst twaalf uren verloopen sedert die vreeselijke gebeurtenis had plaats gegrepen, en toch kwam het hem voor als waren het even zoovele dagen geweest--wierp hij zich in het donkere rouwgewaad, dat hij van woede en vertwijfeling zich half van het lijf had gescheurd, op den divan neder en brak in zulk een luid snikken los, dat hijzelf er in de stilte van den nacht van schrikte, en aangegrepen door medelijden met en afkeer van zijn eigen grievend leed zich met het gelaat naar den wand keerde, om zijne oogen te onttrekken aan het volle reine maanlicht, dat hem enkel dingen toonde die hij niet zien wilde en die hem kwelden.

Eindelijk werd die zielemarteling hem ondragelijk. Zijn gemoed werd gepijnigd en als vaneen gereten, en de gedachte kwam bij hem op om zijn scherpste zwaard te grijpen, zich als een razende Ajax of een Cato daarin te storten en zoo aan deze duldelooze overweldigende pijniging een einde te maken. Opeens rees hij overeind, want de deur--het was geen zinsbedrog, geene begoocheling--de deur van zijn vertrek werd zacht geopend en eene witte, spookachtige gedaante bewoog zich met zachte onhoorbare schreden naar hem toe. Eene kille huivering voer door de leden van den anders zoo moedigen man, doch weldra herkende hij in die nachtelijke bezoekster de kleine Maria.

Zonder eenig geluid te geven naderde zij in het heldere maanlicht, maar barsch riep hij haar toe: "Wat moet dat? Wat wilt gij?"

Het kind verschrikte, bleef angstig staan, strekte de handen smeekend naar hem uit en stamelde daarbij schuchter: "Ik hoorde u steeds klagen. Arme, arme Orion! En ik ben het, die u dit alles heb aangedaan. Ik kon niet langer in bed blijven, ik--ja ik moest...."

Hier werd zij zoo bedroefd, dat zij niet verder kon gaan; doch Orion riep haar toe: "Nu, het is goed! Ga naar uwe kamer terug en slapen, ik wil trachten wat zachter te klagen."

Deze laatste woorden klonken wat minder hard, want hij bespeurde dat het kind, hoewel zelf ziek, hem op bloote voeten en in haar nachthemd, rillende van kou, aandoening en droefheid, had opgezocht. Maria bleef echter staan, schudde het hoofd en antwoordde, altijd nog zacht weenende: "Neen, neen, ik blijf hier en ga niet weg, nu ik weet dat gij... Ach God, vergeven kunt gij mij wel niet, maar ik moet het toch zeggen, ik moet..."

Daarop vloog zij, eene ingeving van het oogenblik volgende, recht naar hem toe, sloeg hare armen om zijn hals, drukte haar hoofd tegen het zijne en toen hij haar niet afweerde, kuste zij zijne wangen en zijn voorhoofd.

Er had een vreemde verandering bij hem plaats; hij wist niet wat er met hem gebeurde, maar het was hem als werd er iets in zijn binnenste week gemaakt en opgelost, en het waren niet enkel de heete tranen van het kind, het waren ook zijne eigene, die zijne oogen en zijn aangezicht bevochtigden.

Zoo verliepen er eenige oogenblikken van diepe stilte; eindelijk maakte hij de armen der kleine van zijn hals los en zeide: "Wat gloeien uwe handen en wangen, arm kind! Gij hebt de koorts; de koele nachtlucht stroomt binnen, en gij zult door dezen onzin nog verkouden worden."

Met moeite was hij zijne tranen meester geworden, en terwijl hij deze woorden uitbracht, sloeg hij het zwarte overkleed, dat hij afgeworpen had, zorgzaam over haar heen en zeide daarna vriendelijk: "Wees nu bedaard, ook ik zal trachten mijzelven te beheerschen. Gij hebt het zeker niet kwaad bedoeld en ik zal het u niet verwijten. Ga nu heen! Ge kunt zonder gevaar voor de trekking door de voorzaal gaan.--Nu, gaat ge?"

"Neen, neen," antwoordde zij ernstig. "Gij moet mij laten uitspreken, anders kan ik niet slapen. Ziet ge, ik heb er in 't geheel niet aan gedacht dat ik u leed zou doen, zulk een vreeselijk, zulk een schrikkelijk leed; neen zeker niet! Ik ben boos op u geweest, omdat gij--maar toen, ach, lieve Heiland! toen heb ik waarlijk in het geheel niet aan u, maar enkel aan die arme Paula gedacht. Gij weet niet half hoe goed zij is, en grootvader had haar zoo lief voor gij terugkwaamt, en daar lag hij en zou haast sterven, en ik wist dat hij Paula voor een dievegge, voor eene leugenaarster hield. Dat ik hem in zulk een dwaling, zulk eene ongerechtigheid de oogen zou zien sluiten, dat vond ik toen zoo afschuwelijk, zoo onverdragelijk, niet alleen om grootvader maar ook om Paula, dat ik--ach Orion, de barmhartige Heiland is mijn getuige--dat ik... En al had ik het moeten besterven ik kon toen niet anders; ik zou bezweken zijn als ik gezwegen had!"

"Misschien is het ook goed geweest dat gij gesproken hebt," zeide de jonkman, terwijl hij diep adem haalde. "Ziet gij, meisje; de arme broeder van uw gestorven vader is een verloren mensch en aan hem is niet veel gelegen; maar Paula, die duizendmaal beter is dan ik, aan haar is ten minste recht gedaan, en daar ik haar liefheb, meer dan gij u in uw klein hartje kunt voorstellen, wil ik gaarne weer goed op je zijn en je nog liever hebben dan vroeger. Dat is nu geen groote, geen edelmoedige daad, want ik heb liefde noodig, veel liefde, om het leven dragelijk te vinden. Ik dwaas heb de beste liefde verspeeld, en ik kan de uwe, arm, braaf kind, ik kan de uwe niet missen! Zoo, daar hebt ge mijne hand, geef mij ook nog een kus, en ga dan naar bed om te slapen."

Doch Maria wilde altijd nog maar niet gehoorzamen; zij dankte hem met warmte en vroeg daarna met heldere oogen: "Dus is het waar? Gij hebt Paula zoo lief?" Doch hier hield zij eensklaps op en zeide: "En de kleine Katharina..."

"Spreek daar niet over, kind," zeide hij met een zucht, "en neem er een les uit voor uzelve. Zie, in eene noodlottige ure heb ik lichtvaardig iets gedaan wat niet goed is, en om dat te verbergen, moest ik er wederom kwaad aan toevoegen, totdat de ongerechtigheden tot een berg waren opgestapeld, op mij neervielen en mij verpletterden. Thans ben ik de ongelukkigste der menschen, en ik zou wellicht de gelukkigste kunnen zijn. Door mijne eigene lichtzinnigheid, mijne eigene zwakheid en schuld heb ik mijn geheele leven bedorven, heb ik ook Paula verloren, die mij liever is dan alle menschen op aarde te zamen genomen. Ja, Maria, als zij de mijne was geworden, uw arme oom had een benijdenswaardig jonkman, een degelijk mensch, een groot man kunnen worden, die wat uitricht in de wereld; maar zoo? Weg is weg! Ga ter rust mijn kind, eerst als gij ouder zijt zult gij dit alles verstaan!"

"O ik versta het nu reeds, ja nu en veel beter misschien dan gij denkt," riep de tienjarige hem toe. "En wanneer gij Paula inderdaad zoo liefhebt, waarom zou zij uwe liefde niet beantwoorden? Gij zijt zoo schoon, gij kunt zooveel, ieder mag u gaarne lijden, en Paula zal wel weer goed op u worden, wanneer gij maar.... Zult gij niet boos op mij zijn als ik het u zeg?"

"Spreek maar gekkinnetje!"

"Zij kan u niets meer verwijten wanneer zij weet, hoe vreeselijk gij lijdt om harentwil en dat gij zoo innig goed zijt en maar eene enkele maal iets gedaan hebt--dat weet ge! Voor gij terugkwaamt heeft grootvader wel honderdmaal gezegd, hoeveel vreugde gij hem zijn leven lang bereid hebt, en nu, nu.. Gij zijt mijn oom en ik ben maar een dom schepseltje, maar ik weet toch dat het met u gaat als den verloren zoon uit den bijbel. Grootvader en gij zijt toornig van elkander gegaan."

"Hij heeft mij gevloekt," riep Orion op doffen toon.

"Neen, neen! Mij is geen van zijne woorden ontgaan. Alleen uw daad heeft hij veroordeeld met schrikkelijke woorden en u van zijn sterfbed weggejaagd."

"Welk onderscheid ligt daarin: vervloekt of verstooten?"

"O, een zeer groot onderscheid! Hij had reden om boos op u te zijn, maar de verloren zoon in den bijbel werd daarna de meest geliefde van zijn vader, zoodat hij een kalf voor hem liet slachten en hem alles vergaf, en zoo zal dan grootvader u ook in den hemel vergeven, wanneer gij weder zoo goed wordt als gij vroeger waart jegens hem en ons allen. En Paula zal u evenzeer vergeven; ik ken haar--gij zult het wel zien..... Katharina had u ook wel lief, maar zij.... Lieve God, zij is haast nog even kinderachtig als ik, en wanneer gij maar altijd vriendelijk tegen haar zijt, en zij wat moois van u ten geschenke ontvangt, zal zij zich wel troosten. Voor haar valsche getuigenis heeft zij toch zeker wel wat straf verdiend, doch uwe straf komt zeker niet in vergelijking met de hare."

De woorden uit den mond van een onschuldig kind vielen in den van smart doorploegden akker van 's jonkmans ziel als zaadkorrels, en waren als morgendauw voor zijn gemoed. Toen Maria reeds lang weder was ingeslapen dacht hij er nog altijd over na.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

De inzegening van het lijk van den Mukaukas Georg had den daarop volgenden dag plaats gehad. Sedert de geestelijkheid de voormalige heidensche balseming verboden had en in den tijd der Antonijnen ook de lijkenverbranding had opgehouden, moesten de gestorvenen spoedig na het overlijden ter aarde besteld worden; alleen de aanzienlijken werden een weinig gebalsemd en in kerken of kapellen bijgezet, waaraan zij schenkingen hadden gedaan. Overeenkomstig zijn uitersten wil moest het lijk van den Mukaukas Georg naar Alexandrië gebracht en aldaar in de kerk van den heiligen Johannes naast dat van zijn vader worden bijgezet, doch de duif die den brief had overgebracht, waarin den patriarch werd kennis gegeven van den dood des stadhouders, was teruggekomen met het bevel, dat er bezwaren bestonden om aan deze begeerte van den overledene te voldoen, en dat men zijn lijk voorloopig in het familiegraf te Memphis moest bijzetten.

Sedert menschenheugenis was daar zulk eene lijkstatie niet gezien. Zelfs de muzelmansche gouverneur van het land, de groote veldheer Amr, was met zijne voornaamste legeraanvoerders en burgerlijke beambten van genen oever van den Nijl overgekomen, om den hooggeschatten en rechtvaardigen stadhouder de laatste eer te bewijzen. Hunne gespierde bruine gestalten en schoone karakteristieke aangezichten, hunne gouden met edelsteenen bezette helmen en pantserhemden, afkomstig uit den krijgsbuit na den vernielenden strijd tegen het Perzische rijk en Syrië, hunne prachtige, kostbaar opgetuigde paarden en het gebiedende en trotsche van hunne houding hadden op de menigte een diepen indruk teweeggebracht. Statig en langzaam waren zij verschenen, om zich daarna te verwijderen als een onweerswolk door den stormwind voortgezweept. Van het kerkhof waren zij langs de Nijlstraat en vervolgens over de schipbrug teruggedraafd, zoodat de grond onder hen dreunde. Uit de witte stofwolken, die hen omgaven, kwamen oogverblindende, flikkerende bliksems te voorschijn, zoo vaak de zonnestralen hun gouden wapenrusting troffen. Ja, aan deze ruiters, van welken ieder wel een vorst geleek, kon het niet zwaar zijn gevallen de machtigste rijken der wereld te vernietigen.

Mannen zoowel als vrouwen, allen hadden deze ruiterij met zeker ontzag bewonderd en wel het meest de heldengestalte en het schoone, bruine, mannelijke gelaat van den veldheer Amr en den zoon van den afgestorvene, die op bevel van den Arabier van af het stadhouderlijk paleis aan zijne zijde reed, in een donker rouwgewaad op een gitzwarten, vurigen hengst. De schoone jongeling en de kloeke, krachtvolle man vormden een paar, waarvan de vrouwen ongaarne de oogen afwendden, want beiden deden in edele houding niet voor elkaar onder, beiden vertoonden dezelfde krachtige lichaamsbouw, beiden waren even geschikt om hunne vurige paarden in bedwang te houden, beiden schenen tot heerschen geboren. Op menig Memphiet maakte dat op een langen, prachtigen hals rustende hoofd van den beroemden overwinnaar in zoo vele veldslagen, zijn fijnbesneden gelaat met den adelaarsneus en de zwarte, fonkelende oogen een dieper indruk dan de meer gelijkmatige gelaatstrekken en dat schoone licht krullende haar van den stadhouderszoon, den laatsten spruit van het oudste en edelste geslacht in geheel Egypte.

Vast en gebiedend keek de Arabier recht voor zich uit en ook de blik van den jonkman dwaalde niet ter zijde af, alleen zag hij enkele malen om, ten einde de deelnemende menigte te overzien. Toen hij ook Paula ontdekte onder de vrouwen, die het lijk volgden, overtoog een glans van vreugde zijn bleek gelaat, en zijne wangen bloosden even. Het vooruit staren deed hem het voorhoofd rimpelen en gaf aan zijne trekken eene onheilspellende uitdrukking, zoodat menig Memphiet zacht tot zijn buurman zeide: "Uit dezen vroolijken, levenslustigen jongen heer zal zeker een streng gebieder groeien."

Wat hem hinderde was zijn begeleider zoo min als der menigte ontgaan. Hij alleen wist dat de patriarch het overbrengen van het stoffelijk overschot zijns vader naar Alexandrië verboden had; doch iedereen merkte op, dat bij deze buitengewone begrafenis het grootste gedeelte van de geestelijkheid van Memphis werd gemist. Alleen de bisschop Plotinos liep met den geleerden en moedigen presbyter Johannes en eenige koorknapen, die het crucifix droegen, psalm zingende vóor de door zes vurige paarden getrokken slede, waarop de kostbare sarcophaag naar oud gebruik naar het kerkhof werd gevoerd. Daar aangekomen stegen allen van hunne paarden, en knapen op bloote voeten in dienst van de Arabieren waren aanstonds bij de hand om de paarden te houden. De bisschop sprak aan het graf een warm woord van waardeering, waarna het magere en weinig plechtige gezang der koorknapen een armelijk figuur maakte. Doch nauwelijks was dit geëindigd of de menigte viel met duizenden stemmen in, en hief een klaagzang aan, die zoo luid en indrukwekkend over het kerkhof klonk, als nog nimmer op deze plaats was gehoord. De overige ceremoniën werden, daar de hiertoe noodige geestelijken niet verschenen waren, spoedig en onvolledig volbracht.

De veldheer Amr, wiens valkenoog niets ontging, merkte dadelijk op wat hier ontbrak, en riep Orion zoo luid en openlijk toe, dat het rondom gehoord kon worden: "De doode moet hier boeten voor hetgeen de levende als verstandig man ten beste voor zijn land hand aan hand met ons muzelmannen gedaan heeft."

"Op bevel van den patriarch," antwoordde Orion met bevende stem, terwijl de aderen op zijn voorhoofd van toorn hoog opzwollen. "Maar bij de ziel van mijn vader," en bij deze woorden balde hij de vuist, "als er een rechtvaardig God is, zal het Benjamin niet gelukken voor den braafsten aller braven de hemelpoort te sluiten."

"Wij dragen den sleutel tot den ingang van onzen hemel in onzen eigen gordel," antwoordde de veldheer, terwijl hij met zelfvoldoening lachend op zijne hooggewelfde borst sloeg en de jonkman met welgevallen aanzag. "Kom Zaterdag bij mij, jonge vriend, ik wil met u spreken! Tegen zonsondergang wacht ik u aan de overzijde in mijn huis. Als ik tegen donker nog niet terug ben, wil dan op mij wachten."

Daarbij greep Amr de manen van zijn hengst, waarbij Orion zich gereed maakte om hem te helpen, doch de vijftigjarige veldheer voorkwam hem, zwaaide zich behendig als een jongeling in het zadel en gaf daarmede aan de zijnen het teeken om op te breken.

Paula, die met vrouw Neforis het allernaast bij het open familiegraf had gestaan, was geen woord ontgaan van het kort gesprek tusschen beide mannen. Zooals hij daar gestaan had, doodsbleek, in kostbare, maar eenvoudige, lang afhangende rouwkleederen gehuld, door een heiligen mannelijken toorn aangegrepen, was het onmogelijk geweest niet te erkennen, dat de laatste dagen een verbazenden invloed hadden gehad op den afgedwaalden jonkman. Nadat Paula de bleeke, verslagene stadhoudersweduwe, die met droge oogen alles had aangezien, naar haren wagen had gebracht, en daarna met Perpetua alleen naar huis was gegaan, had haar het beeld van den schoonen, verontwaardigden jonkman, die den gespierden arm met die stevig gebalde vuist in de hoogte hief, steeds voor oogen gestaan. Het was haar niet ontgaan dat hij haar, die tegenover hem stond aan de geopende groeve, had opgemerkt, en het was haar gelukt zijn blik te ontwijken; maar haar zwak hart klopte daarbij zoo hevig, dat zij het nog voelde in hare borst, en het was haar niet gelukt geheel en onverdeeld aan de geliefde afgestorvene te denken.

Orion had tot dusverre noch haar vreedzaam verblijf opgezocht, noch ook een bode gezonden om haar te brengen wat haar toekwam; en zij vond dit natuurlijk, want niemand behoefde haar te zeggen wat er in deze dagen van hem gevorderd werd. Doch was zij vóor de begrafenis vast besloten geweest zijn bezoek af te wijzen, en had zij aan de voedster reeds volmacht gegeven haar goed uit zijne hand in ontvangst te nemen, zoo scheen haar zulk eene houding na de teraardebestelling van haar oom niet voegzaam meer; ja, bij de gedachte aan den ontslapene achtte zij het haar plicht Orion niet te weren, wanneer hij haar om vergeving kwam vragen. Ook nog iets anders was zij haar oom schuldig. Zij wilde het zijn, die zijn zoon in de geest van Philippus er op wees, dat het leven als een plicht, als een dienst moest worden opgevat. Opende hij zijn hart voor deze vermaning, dan... neen, ook dan moest alles uit zijn tusschen hen, uit als het vuur van een uitgebrande houtmijt, als de zeepbel die in de wind berst, als de toon die weggestorven is--uit, geheel uit. En de vermaning die zij hem, tot wien zij eens had opgezien, wilde geven? Wie gaf haar het recht hem dezen toe te dienen? Zag hij er niet uit als een man, die zijn leven uit eigen kracht weet te leiden en te besturen?--Haar hart dorstte naar hem, alles wat in haar was verlangde hem weder te zien, zijn stem weder te hooren, en deze begeerte, dit heimwee noemde zij plicht en bracht zij in verband met den dank, dien zij den afgestorvene verschuldigd was. Geheel door deze overwegingen en twijfelingen beheerscht, hoorde zij nauwelijks wat de spraakzame Perpetua zeide, die naast haar liep.

De oude vrouw had volstrekt geen vrede met zulk eene begrafenis; want hoe geheel anders was het hier toegegaan dan gewoonlijk te Memphis geschiedde bij eene teraardebestelling! Er waren geen priesters bij geweest; terwijl anders de nabestaanden, gelijk overal gebruikelijk was, het stoffelijk overschot te voet volgden, had men hier een lijkstoet te paard, ruiters in rouwgewaad, en daaronder de zoon van den overledene! Een krekelgegons van kwajongens aan de groeve van zulk een doode, en dan dat onbetamelijk geschreeuw uit duizend kelen van de volksmenigte, waarvan haar trommelvlies bijna gesprongen was! Doch dit kon men de Memphieten nog vergeven, want het was geschied ter eere van den afgestorvene! Deze gedachte trof zelfs haar fijngevoelig hart en deed tranen in haar oogen wellen, maar het wekte ook haar wrevel op; want zij had geringer lieden met meer plechtigheid en met waardiger ceremoniën zien begraven, dan de groote, goede Mukaukas Georg, die zulk eene belangrijke schenking aan de kerk had gedaan. Ja, die Jakobieten! Zoo ondankbaar konden zij alleen handelen, zulk een wandaad kon alleen hun kettersch hoofd begaan! In het Caecilia-klooster wist ieder, van de abdis tot de jongste novice, dat de patriarch den bisschop door een brief per postduif verboden had zijne geestelijkheid aan de plechtigheid te doen deelnemen. De brave Plotinos was zeer verstoord over dit bevel, doch daar hij niet bij machte was zich hiertegen te verzetten, had hij den lijkstoet althans persoonlijk vergezeld en den presbyter Johannes niet verboden hem te volgen. De jonge heer Orion had er overigens niet uitgezien, als ware hij voornemens zulk eene beleediging van zijn vader ongestraft te laten. Doch wiens arm was zoo lang, dat die reikte aan den stoel van den patriarch? Tenzij... Doch dat was onmogelijk; bij de gedachte alleen voer haar een rilling door de leden. Maar toch... Hoe genadig had die groote veldheer van gene zijde met hem gesproken! Hemelsche vader, als hij maar niet als zoovele gewetenlooze Egyptenaars het heilige geloof afzwoer en de zondige leer van den Arabischen leugenprofeet aannam! Het was voor slechte mannen wel verlokkend een half dozijn vrouwen in huis te mogen nemen, zonder zich te bezondigen. Een heer als Orion kon ze wel onderhouden, want de abdis had gezegd, dat de groote Mukaukas door de geheele wereld wel voor een zeer rijk man was gehouden, maar dat het opperhoofd van de stad zelfs ongerust was over den ongehoord grooten omvang van zijne nalatenschap. Ja, ja, Gods wegen waren ondoorgrondelijk! Waarom begroef hij den een onder een gouden regen, terwijl hij aan duizenden armen te weinig gaf om hun honger te stillen?

Deze ontboezemingen namen een einde, toen de vrouwen te huis waren, en hier eerst kwam Paula's gemoed tot rust. Het moest uit zijn met den hartstocht, hetzij deze haat of liefde heette, die haar nog altijd wilde beheerschen; dan eerst zou zij de vrijheid en het stille geluk in het schoone verblijf, dat zij aan de zorg van den arts te danken had, recht genieten kunnen, wanneer alle betrekking tot Orion had opgehouden en de laatste band verscheurd was, die haar aan het stadhouderlijk paleis verbond. Kon zij meer begeeren dan het tegenwoordige haar aanbood? Zij was werkelijk eene vreedzame haven binnengeloopen, waar het haar aan niets ontbrak wat zij voor zich begeeren kon, na hetgeen Philippus haar zoo ernstig op het hart had gedrukt. Hier waren goede menschen, die haar begrepen, hier vond zij allerlei bezigheden, die voor hare krachten berekend waren en beantwoordden aan hare neigingen, en bovendien ruimschoots gelegenheid om liefde te betoonen en wederliefde te ontvangen. Voorts lag in de nabijheid het klooster, dat zij door eene schaduwrijke laan in weinige schreden bereiken kon, en waar zij onder hare eigene geloofsgenooten evenals in hare kindsheid dagelijks de godsdienstoefening kon bijwonen. Sedert lang verlangde zij naar zulke spijze voor haar gemoed, en hoe overvloedig wist de abdis, eene voorname patricische weduwe uit Konstantinopel, die hare ouders gekend had, haar die te geven! Hoe gaarne vertelde die levendige oude vrouw van de goedheid en vorstelijke schoonheid der jonggestorvene, waaraan zij het leven te danken had! Zij kon haar bedrukt gemoed ontlasten voor deze gevoelvolle matrone, die haar behandelde als eene dierbare dochter, op hoogen leeftijd haar geschonken.

En hare huisgenooten! Wat waren dat innig goede, merkwaardige en in hun soort veelbeteekenende menschen! Zij had er nooit van gedroomd, dat er hier op aarde nog zulke zonderlinge en tegelijk beminnelijke schepsels gevonden werden. Daar was vooreerst de oude Rufinus, het hoofd des huizes, een krachtige grijsaard met de frischheid der jeugd, die er met zijne lange sneeuwwitte, zijden hoofd- en baardharen uitzag half als de apostel Johannes in zijn ouderdom, en half als een in den krijgsdienst vergrijsd legeraanvoeder. Hoe beminnelijk was hij, hoe kinderlijk goed van hart, ondanks den barschen toon, die hij soms kon aannemen! Wanneer hij in zijn verkeer met mannen tot den strijd werd geprikkeld, toonde hij zich vroolijk en ondeugend, als zijne inzichten in tegenspraak waren met de hunne. Tevredener ziel, openhartiger gemoed had zij nog niet leeren kennen, en zij gevoelde wel hoe het juist dezen man verontrusten en kwellen moest, ten minste in éen opzicht dagelijks iets anders te moeten schijnen dan hij was. Ook hij behoorde tot hare kerk, liet zijne vrouw en dochter deelnemen aan de godsdienstoefening in het Caecilia-klooster, en moest toch den schijn aannemen van een Koptisch Christen te zijn, en het daarom voor lief nemen op zekere feestdagen met de zijnen de kerk der Jacobieten te bezoeken, wier leelijke eeredienst hem zeer tegen de borst stuitte.

Het vermogen van Rufinus was voldoende om hem en de zijnen in staat te stellen fatsoenlijk te leven; toch werkte hij op zijne manier van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Daar echter zijne bezigheden niet alleen niets inbrachten maar eischen deden aan zijne kas, begreep ieder dat hij een bemiddeld man moest zijn; en deze omstandigheid zou hem vervolging, verjaging en waarschijnlijk verbeurdverklaring zijner goederen op den hals gehaald hebben, als een der verspieders van den patriarch in hem een Melchiet herkend had. Hij moest dus voorzichtig zijn, en als de oude man maar een kooper voor zijn huis en tuin had kunnen vinden in eene stad, waar men tienmaal meer leegstaande dan bewoonde huizen zag, dan zou hij reeds lang zijn opgebroken, om voor zich en de zijnen een nieuw verblijf te zoeken. De arts Philippus had den vriend, wiens bekwaamheid en rijpe ervaring hij zeer waardeerde, uitgenoodigd naar Memphis te komen; hij toonde ook trouw zijn omgang op prijs te stellen, en beide mannen steunden elkander bij den arbeid.

De meeste oude lieden, die wat driftig zijn van aard maar wat minder snel van begrip, bedienen zich van stopwoorden, bij wijze van remschoen of rustpunt voor hunne gedachten. Zoo bediende Rufinus zich bij voorkeur van twee volzinnen, waarvan de eene luidde: "Zoo waar de mensch de maatstaf is aller dingen!" en de andere--met betrekking tot zijn huis--: "zoo waar ik van die rommelzoo verlost wilde zijn!" Maar 'die rommelzoo' bestond uit een goed gebouwd, zeer ruim woonhuis met een tuin, die alleen reeds wegens zijne ligging vlak aan den stroom in vroeger tijd zeer duur verkocht was. Hijzelf had trouwens, kort voor den inval der Arabieren in Egypte, huis en tuin voor een spotprijs overgenomen en nog wel--zoo spoedig veranderden de tijden--van een Jacobietisch christen, dien de toenmalige Melchietische patriarch Cyrus tot eene overhaaste vlucht had gedwongen, omdat het hem gelukt was de orthodoxe slaven in zijn dienst tot zijn geloof te bekeeren.

De gade van Rufinus, een teer, zwak vrouwtje met een smal eenigzins ingevallen gelaat, dat vroeger zeer aantrekkelijk en aanvallig geweest moest zijn, had wel voor zijne dochter kunnen doorgaan, en zij was ook werkelijk twintig jaren jonger dan hij. Men kon het haar aanzien, dat zij zeer veel beproevingen in het leven had gehad, maar dat zij ze geduldig gedragen en er haar voordeel mede gedaan had. De grootste zorgen en angsten had haar rustelooze echtvriend haar bereid, hoewel zij al hare krachten inspande om hem het leven aangenaam te maken. Zij wist elke hinderpaal, iedere ongeriefelijkheid voor hem uit den weg te ruimen, en met een buitengewoon instinct te gissen wat hem nuttig en aangenaam kon zijn of vreugde kon verschaffen. De arts beweerde dat de voorovergebogene houding van haar hoofd en de zoekende blik van hare levendige, zwarte oogen een gevolg ervan waren, dat zij altijd uitkeek naar den stroohalm, die Rufinus in gevaar kon brengen er zijn vereelten wandelaarsvoet aan te stooten.

Hare dochter Pulcheria werd, kortheidshalve, gewoonlijk Pul genoemd, wanneer de oude man niet den voorkeur gaf aan den titel van "het arme kind". In de verhouding van Rufinus tot zijne dochter lag iets medelijdends, want zelden zag hij haar aan zonder zich af te vragen, wat er van dat lieve wezentje wel worden moest, wanneer hij, die zooveel ouder was, de oogen sluiten en zijne Johanna hem zeker spoedig volgen zou; en Pulcheria, die hare moeder zoo voor haar vader zag zorgen, dat haar zelve niets voor hem te doen overbleef, beschouwde zich als het meest overbodige schepsel op aarde, dat ten allen tijde bereid was voor hare ouders, voor de abdis, voor haar geloof, voor den arts en thans ook voor Paula, ofschoon zij haar eerst sedert twee dagen kende, het leven op te offeren. Toch was zij een aardig, flink opgewassen meisje, met groote, schoone, opene oogen, waarin iets dweepends lag, terwijl hare prachtige, rossig blonde haren bijna haars gelijken niet hadden in Egypte. Haar vader was sedert lang bekend met haar wensch om in het Caecilia-klooster als novice en toekomstige krankenverpleegster te worden opgenomen, en hoewel hijzelf uit innerlijken drang zijn gansche leven aan zulk eene roeping wijdde, had hij haar verzoek reeds meer dan eenmaal bepaald afgewezen; want hij zou weldra verzameld worden tot zijne vaderen, en dan had moeder, zoolang zij hem overleefde, iemand anders noodig, om liefderijk te verplegen. Thans verlangde Pul echter minder dan vroeger om den sluier aan te nemen, want zij had in Paula iemand gevonden, in wier tegenwoordigheid zij zich recht klein moest gevoelen, tegen wie hare ziel, die naar het hoogste streefde en verlangde, zonder nijd, geheel bevredigd en in verrukking kon opzien. Bovendien waren er sedert eergisteren in haar eigen huis twee kranken opgenomen, die zeer verpleging behoefden, namelijk Rustem, de gewonde Masdakiet, en de Perzische slavin. Vrouw Neforis, die sedert de ontzettende ure, waarin haar gemaal den laatsten adem had uitgeblazen, als verpletterd was, zich uit het dagelijksch leven geheel had teruggetrokken en aan niets anders dacht dan aan den afgestorvene, had de verdere behandeling van de beide zieken buiten haar huis volgaarne aan den arts overgelaten.

Op denzelfden avond, dat Paula hier haar intrek had genomen, had de arts met zijne vrienden onderhandeld over de opname der nieuwe gasten. Toen Philippus begon te spreken over de vergoeding, die voor deze gastvrijheid betaald zou worden, had de oude Rufinus vol vuur geantwoord: "Zij zijn mij allen welkom. Als zij wonden hebben, zullen wij ze dwingen toe te groeien, is hun hoofd verdraaid, dan schroeven wij het weer recht, ziet het er donker uit in hunne zielen, dan zullen wij daarin een licht ontsteken. Als die schoone Damasceensche het bij ons voor lief wil nemen, mag zij met haar oudje hier blijven, zoolang het haar en ons behaagt. Wij hebben haar van harte welkom geheeten, maar daarom hoort ge, moet ons het vaarwel zeggen evengoed vrijstaan als haar. Men weet nooit wat men aan zulke voorname lui heeft, en zoo waar ik van deze rommelzoo verlost wilde zijn, zou het mij op een goeden dag wel eens in den zin kunnen komen, dit nest aan de uilen en jakhalzen over te laten en mijn wandelstaf op te nemen. Gij kent mij. Met die schadevergoeding zijn wij spoedig klaar. Daar achter de kranken een volle buidel hangt en de gezonde tienmaal meer bezit dan zij noodig heeft, mogen zij betalen. Bepaal gij het bedrag, maar maak het schappelijk--dat meen ik ernstig--voor de vrouwen. Gij weet waarvoor ik de mammon noodig heb, en het is ook goed als Johanna de zilverstukken voor de huishouding niet zoo angstvallig behoeft om te draaien. Waarschijnlijk zal de Damasceensche het aangenamer bij ons vinden, als zij het hare bijdraagt voor eten en drinken. Het is ook niet betamelijk dat de dochter van Thomas bij trekvogels als wij zijn iederen avond naar bed gaat met een: 'ik ben u zeer verplicht'. Als ieder het zijne inbrengt, dan staan wij op den voet van geven en ontvangen, en wanneer de een den ander een bijzonder bewijs van hartelijkheid geeft, dan behoeft dit niet onder 'dank je', ''t is u gegund' en zoo meer begraven te worden; het behoudt zijn waarde, en ieder geniet er van."

"Amen," had de arts geantwoord, en Paula was recht gelukkig geweest over de schikkingen van haar vriend.

Reeds den volgenden dag had zij zich een lid van dit huis gevoeld, waar zij toch uur aan uur dingen zag, die hare bevreemding moesten wekken.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

Toen Paula na de begrafenis met Rufinus en de zijnen--de voedster was er niet toe te brengen met hare meesteres aan dezelfde tafel te eten--den maaltijd gebruikt had, ging zij met den ouden man en Pul in den tuin wandelen. De zon daalde reeds ter westerkim, doch hare laatste lichtstralen deden de kleuren der bloemen en den glans der metaalachtige bladeren der zuidelijke planten, voor zoover de zonnehitte en de droogte ze niet had doen verdorren, bijzonder goed uitkomen. Een bonte bultos en een ezel brachten het scheprad in beweging, waardoor het frissche water uit den Nijl werd uitgestort in een grooten waterbak, waaruit het weder werd overgebracht in kleine kanalen, die de verschillende perken bevochtigden. Dit werk vereischte thans zeer veel moeite, want de stroom was tot zulk een laag peil gedaald, dat het zelfs in den tijd van den laagsten waterstand bezorgdheid moest wekken. De verschillende ruigharige vogels, die met staafjes aan hunne pooten of droevig hangende koppen in kooien zaten, die aan hooge masten vrij in de lucht zweefden, om veilig te zijn voor de klauwen van katten en andere roofdieren, maakten zich gereed om te gaan slapen, en Rufinus sprak tot elk diertje een vriendelijk woordje, of floot het met de lippen een opwekkend wijsje toe. Aromatische geuren en echt landelijke stilte omzweefden den tuin, alles, zelfs de rug van den waterscheppenden neger en het wit en geel gevlekte vel van het rund glinsterden met een lichten goudglans, en door het schaduwrijke boschje van het Caecilia-klooster ruischte het reine gezang van het nonnenkoor.

Pul luisterde er aandachtig naar, terwijl zij het hoofd naar dien kant richtte en de armen over de borst kruiste; haar vader wees Paula op haar en zeide zacht: "Daarheen trekt haar hart. Zij mag altijd haar God voor oogen hebben, dat toch ligt in den aard der vrouw, doch hier onder ons moet de leuze zijn: uit liefde voor den Allerhoogste alles te zijn voor den naaste op aarde! Zou de rechtvaardige Vader in den hemel wel verlangen, dat te zijner eer de broeder den broeder, en in ons geval, het kind zijne ouders vergat?"

"Zeker niet," antwoordde Paula. "Wat mij betreft, ik werd alleen door de hoop op het wedervinden van mijn vader teruggehouden om den sluier aan te nemen, en evenals uwe Pulcheria heb ook ik vaak met verlangen gedacht aan den vrede des kloosters. Zie eens hoe vroom en in heilige verrukking uwe dochter daar staat! Welk een lieflijk en roerend gezicht! In mijn hart zag het er zoo donker en woest uit, doch hier onder u komt er helderheid, en zoo ergens dan vind ik hier weder wat ik daarginds verloor. Gelukkig kind! Is het niet, zooals zij daar staat in het avondlicht, als straalde die vrome zin die haar vervult van haar uit? Vreesde ik niet haar te storen en achtte ik mijzelve daartoe waardig, hoe gaarne vereenigde ik dan mijn gebed met het hare."

"Ongetwijfeld bekleedt gij daarin toch eene plaats," zeide de oude man, lachend. "Op dit oogenblik draagt hare heilige Caecilia zeer zeker uwe gelaatstrekken. Laten wij het haar vragen en gij zult het zien."

"Neen, laat haar!" bad zij blozende en trok Rufinus met zich voort naar eene andere zijde van den tuin.

Weldra waren zij gekomen bij de plaats, waar eene hooge heg van doornstruiken het grondgebied van Rufinus scheidde van dat der weduwe Susanna. Hier spitste de oude heer zijne ooren en zeide knorrig: "Zoo waar ik deze rommelzoo kwijt wilde zijn, daar snijden ze weer in mijne heg. Reeds gisteren avond heb ik een der slaven van hiernaast betrapt, terwijl hij bezig was in mijn struikgewas, maar ik kon dien zwarten rekel door de doornen niet pakken. Het zal een kijkgat moeten worden voor nieuwsgierigen en spionnen, want de patriarch weet zich ook van vrouwvolk te bedienen. Maar ik zal ze! Loop, bid ik u, voort, alsof gij niets gehoord en gezien hadt, inmiddels haal ik de zweep."

De oude man liep nu op een drafje weg en Paula wilde hem volgen; doch nauwelijks was hij verdwenen of zij werd door eene opening in de heg aangeroepen met eene hooge, vrouwelijke stem, en zoodra zij omkeek, vertoonde zich in de gisteren door eene manshand met geweld uit elkaar gerukte struiken een aardig meisjeskopje, als een portret door een groene krans omlijst. Ondanks de schemering herkende Paula dat gezichtje, en toen Katharina het krullekopje verder naar voren drong en haar smeekend toeriep: "Mag ik bij u komen en wilt gij mij hooren?" werd haar dit vriendelijk toegestaan.

Daarop wrong zich het kwikstaartje, zonder acht te geven op de hulpvaardige hand die Paula haar toestak, zoo behendig door de opening, dat men wel zien kon, het nog niet lang geleden moest zijn, zij bij het spelen met Maria geleerd had, zulke hindernissen te boven te komen. In een oogwenk stond zij weer op hare voetjes en breidde de armen uit om de jonkvrouw te omhelzen; doch zij liet ze dadelijk weer besluiteloos zinken en deed een paar schreden achterwaarts.

Paula zag hare verlegenheid; zij ging het meisje tegemoet, kuste haar op het voorhoofd en zeide op vroolijken toon: "Inbreekster! Waarom komt gij niet door de geopende deur? Daar komt mijn gastheer reeds met de Nijlpaardenzweep aan! Halt, wakkere Rufinus, halt; de bres die men in uwe bloeiende heg heeft gemaakt, bedreigt niet u maar mij met een aanval. Hier ziet gij de vijandelijke macht en het zou mij zeer verwonderen als gij uwe gebuur daarin niet zoudt herkennen?"

"Herkennen?" vroeg de oude heer, wiens toorn spoedig bezworen was. "Kennen wij elkaar, jonkvrouwtje, ja of neen? Het is eene openhartige vraag."

"Wel zeker!" zeide Katharina. "Van den muggentoren heb ik u honderdmaal gezien."

"Daarbij zult gij minder plezier gehad hebben dan ik, oude man, wanneer ik het geluk had u te ontmoeten. Een jaar zoowat geleden zijn wij het meest met elkander in aanraking gekomen. Ik had toen het genot u in mijn grooten perzikenboom te vinden, die zich heden nog verstout tot over uw tuin te groeien."

"Ik was toen nog een kind," hernam Katharina lachende, die zich zeer goed herinnerde hoe de oude heer met zijn mooi wit hoofd, waarnaar zij altijd met welgevallen keek, haar in zijn boom betrapt en haar met eene vriendelijke buiging toegeroepen had, dat zij het zich goed moest laten smaken.

"Een kind," herhaalde Rufinus. "Maar thans zijn wij jonkvrouw geworden en wagen we ons niet meer zoo hoog maar kruipen bescheiden door 's buurmans heg."

"Eigenlijk zijt gij elkaar dus vreemd?" vroeg Paula met verbazing. "Hebt gij ook Pulcheria nooit ontmoet, Katharina?"

"Of ik Pul ontmoet heb?" vroeg de andere. "O, ik zou haar zoo gaarne hebben toegesproken. Want men moet van haar houden, reeds op het gezicht. Ontelbare malen was ik op het punt, maar mijne moeder..."

"Nu, wat heeft uwe moeder tegen de buren?" vroeg Rufinus. "Wij zijn rustige lieden, zou ik meenen, die niemand iets in den weg leggen.

"Neen, neen, God beware! Maar, ziet ge, moeder heeft nu eenmaal hare eigene inzichten; gij zijt toch vreemdelingen, en daar men ulieden zoo zelden in de kerk ziet..."

"Daarom," hernam Rufinus lachend, "houdt zij ons natuurlijk voor goddelooze menschen. Zeg haar nu dat zij dwaalt, en als de dochter van Thomas uwe vriendin is en gij wilt haar bezoeken--maar fatsoenlijk door de deur en niet door de heg, want die wordt morgen dichtgevlochten--dan zult gij bevinden, dat wij veel te doen, veel te verplegen hebben: enkel arme creaturen met menschenhuid of met vel en veeren, zooals het uitkomt. Men dient toch ook den Heere God, wanneer men zijne schepselen, die Hij allen lief heeft, op zijne wijze het leven gemakkelijk maakt. Zeg dat aan uwe moeder, jonkvrouw kwikstaart, en kom dan maar dikwijls terug."

"Dank u vriendelijk! Maar oude heer, mag ik u eens vragen; hoe zijt gij die leelijke bijnaam te weten gekomen? Ik heb er een hekel aan."

"Van denzelfden," antwoordde Rufinus, "die u in het oor geblazen heeft dat mijne Pulcheria 'Pul' heet." Hierop maakte hij eene buiging en liet de meisjes alleen.

"Een beste oude heer," zeide Katharina. "O, ik weet precies hoe hij zijne dagen doorbrengt. En zijne aardige vrouw en die Pul, ik ken ze allen! Hoe dikwijls heb ik ze van daarginds beluisterd; ik zal u de plaats eens wijzen. Wij kunnen den geheelen tuin overzien, alleen niet wat nabij het klooster, aan gene zijde van het huis of daar achter die boomen gebeurt. Mijne moeder, ach, gij kent haar, als zij eens niet hebben wil.... Maar die Pul, weet ge, zou eene goede vriendin voor mij zijn."

"Zeer zeker," antwoordde Paula. "Een meisje van uw leeftijd moet grooter speelnooten kiezen dan de kleine Maria."

"O, van haar moogt gij niets zeggen!" zeide het kwikstaartje met warmte. "Wel is zij pas tien jaren oud, maar menig grooter meisje is lang niet zoo verstandig en rechtvaardig als zij; dat heb ik in deze laatste moeielijke dagen ondervonden."

"Maar, arm kind," zuchtte Paula, met de hand over Katharina's lokken strijkende.

Opeens en als vanzelf gaf Katharina in een smartelijk snikken aan haar gemoed lucht. Zij trachtte dit met alle geweld te onderdrukken, terwijl Paula haar hartelijk toesprak, maar het wilde haar niet gelukken. Het had haar zoo hevig aangegrepen, dat zij geen woord kon uitbrengen, totdat Paula haar bij eene rustbank bracht onder eene breedgetakte sykomore, haar met zacht geweld dwong zich naast haar neer te zetten, haar aan de borst drukte als een ziek kind en haar moed en vertrouwen insprak.

Talrijke vogels gingen in het dichte loofwerk boven hen ter ruste; uilen en vleermuizen begonnen hun nachtelijken rooftocht; het firmament tooide zich met gouden en zilveren sterren; uit het westelijk gedeelte der stad hoorde men het geblaf der jakhalzen, die in vervallen huizen een onderkomen hadden gevonden, en nu op buit uitgingen; de vochtige dauw begon in de lauwe avondlucht, zich neer te zetten op de bladeren, het gras en de bloemen; de bloesems der boomen geurden sterker dan overdag, en Paula gevoelde dat het tijd werd om eene beschutting te zoeken voor de dampen, die uit den ondiepen stroom opstegen. Doch zij wachtte geduldig tot de kleine alles in hare ziel had overgestort wat haar neerdrukte, waarover zij berouw gevoelde, wat ze meende niet meer goed te kunnen maken, en vervolgens wat haar was weervaren, wat dreigde haar hart te zullen breken, en wat zij nu toch onderdrukken en zich geheel uit het hoofd zetten wilde. Zij vertelde Paula, hoe Orion haar gevrijd had, hoe zij hem liefhad, hoe de jaloezie jegens haar heur arme hart had gemarteld, en hoe zij zich had laten verleiden om voor de rechters zulk een valsche getuigenis af te leggen. Vervolgens deelde zij Paula nog mede hoe Maria haar het eerst den afgrond had getoond, die voor hare voeten gaapte.

Op den namiddag na den dood van den Mukaukas was zij met hare moeder naar het stadhouderlijk paleis gegaan, om met de vrienden te treuren. Zij had eerst naar Maria gevraagd, maar was niet bij haar toegelaten, omdat zij nog met de koorts te bed lag. Daarop had zij in het koele vertrek willen gaan, waar zij de stem harer moeder hoorde. Naar den toon te oordeelen was deze niet droevig gestemd, maar hevig opgewonden en toornig, zoodat zij het minder passend had geoordeeld de kamer binnen te gaan, waarom zij zich naar de opene zuilengaanderij aan de Nijlzijde had begeven. Voor geen prijs verlangde zij een ontmoeting met Orion, waarvoor zij zeer bevreesd was. Zoodra zij echter naar buiten kwam, waar het nog helder was, had zij hem daar gevonden. Maar hoe? Hij zat daar geheel in zichzelven verdiept, in een zwart rouwgewaad, en met het hoofd voorovergebogen in zijne handen. Hij had hare komst in de gaanderij niet opgemerkt, maar zij had diep medelijden met hem gevoeld; want hoewel het nog heet was, beefde hij over al zijn leden, en scheen er telkens eene huivering door zijn gansche lichaam te gaan. Toen had zij hem bij den naam geroepen om hem te troosten, waarop hij van schrik was ineengekrompen en opgesprongen. Hij had zijn verwilderde haren uit het aangezicht gestreken en zag er zoo bleek, zoo vol vertwijfeling uit, dat zij weder bang voor hem geworden was en voor niets ter wereld de vertroostende woorden zou hebben willen uitspreken, die zij reeds bedacht had. Zoo hadden zij een tijdlang geen woord tot elkander gesproken, eindelijk had hij als met geweld al zijne krachten verzameld, was hij langzaam en met een plechtige waardigheid, zooals niemand zeker te voren bij hem had opgemerkt naar haar toegekomen, had zijne hand op haar schouder gelegd, haar een poos aangestaard met zijne rood bekreten oogen en daarna met een diepen zucht de woorden geuit: "Rampzalig kind!"

Dat klonk haar nog in de ooren, hij was van het hoofd tot de voeten geheel anders geweest dan vroeger, alsof hij haar vreemd was. Ook zijn stem klonk zonderling, veel dieper dan anders, toen hij op vasten, kalmen toon had gezegd: "Kind, kind, wellicht heb ik velen in mijn leven onbedacht leed gedaan, doch gij, gij hebt zeker het ergste van mij ondervonden, want ik heb u, onschuldige, trouwe ziel, tot mijn medeschuldige gemaakt. De groote zonde die wij begaan hebben, komt alleen voor mijne rekening, en om harentwil ben ik gekastijd, is mij een straf opgelegd, voor honderden, voor duizenden te zwaar om te dragen!"

"Daarop," zoo ging Katharina voort, "bedekte hij zijn gelaat weder met beide handen, wierp hij zich op de rustbank, steunde en zuchtte. Weldra sprong hij andermaal op en riep zoo hartstochtelijk en luid, als moest ik het van angst en medelijden besterven: 'Vergeef mij, als gij kunt, vergeef mij gansch en al! Dat moet gij doen! Ik kan niet zonder die vergiffenis!'--Ik wilde toen naar hem toesnellen, hem omarmen en alles vergeven, want ik had zoo zielsmedelijden met zijne bittere smart; doch hij wees mij zonder hardheid of ruwheid maar ernstig terug en zeide, dat het uit was met liefde en verloving tusschen ons. Ik was jong, en het zou mij wel gelukken hem te vergeten, hij wilde een trouw vriend blijven voor mij en mijne moeder; en hoe zwaarder het zijn mocht wat wij van hem verlangden, met des te meer vreugde zou hij ons dienen.

"Ik wilde hem antwoorden, maar haastig hield hij mij tegen om op ernstigen, stelligen toon te vervolgen; 'Hoe zeer gij ook verdient bemind te worden, ik kan u niet liefhebben zooals gij het waardig zijt; want--het is mijn plicht u dit te zeggen--want ik heb eene andere groote liefde in 't hart, mijne eerste en mijne laatste, en al heb ik ook eens in mijn leven mij als een onwaardige gedragen, ik wil dit niet andermaal doen. Liever wil ik uw toorn op mij laden en u en mijzelven in deze ure pijn doen, dan dit onrecht nog langer voort te zetten en u en die andere te bedriegen!'

"Toen kon ik mij niet langer inhouden en diep ontroerd vroeg ik: Paula? Doch hij bleef mij het antwoord schuldig, boog naar mij over, raakte mijn voorhoofd aan met zijne lippen, zooals zijn vader mij menigmaal gekust had, en liep toen snel den tuin in.

"Daarop kwam mijne moeder, rood als een papaver en hijgende naar mij toe, greep zwijgend mijn hand, trok mij achter haar in den wagen en zeide daar, buiten zichzelve van boosheid--de toorn belette haar zelfs te weenen--welk een smaad, welk eene ongehoorde behandeling, hoe zal ik den moed hebben om u, onschuldig offerlam, te vertellen....?

"En zoo zou zij zijn voortgegaan; ik liet haar echter niet uitspreken, maar zeide terstond dat ik alles wist, waarbij het mij gelukte volmaakt kalm te blijven. Te huis gekomen doorleefden wij pijnlijke uren, en toen gisteren na de opening van het testament Nilus tot ons kwam en mij het fraaie gouden doosje met de turkooizen en paarlen overhandigde, dat mij altijd zoo had aangetrokken en daarbij vertelde dat de goede Mukaukas Georg het in zijn uitersten wil met eigen hand bestemd had voor mij, zijne vroolijke kleine Katharina, stond moeder erop, hoezeer ik ook bedelde en smeekte, dat ik het niet aannemen maar vrouw Neforis terugzenden zou. Ik kom natuurlijk niet meer in het stadhouderlijk paleis; ja, mijne moeder spreekt ervan Memphis te willen verlaten, om zich te Konstantinopel te vestigen of in eene andere stad waar christenen heerschappij voeren. Ons goed en keurig ingericht huis moet dan zeker weggeschonken worden, maar onze heerlijk aangelegde uitgestrekte tuin zou men aan boeren kunnen verkoopen, zegt moeder. Met het schoone paleis van Memnon is het anderhalf jaar geleden ook zoo gegaan. Van den hof hebben zij een korenveld gemaakt, en de prachtige benedenzalen met dat mozaïek en het beeldwerk zijn thans smerige koe- en schaapstallen geworden, en in de vertrekken van Hathor en Dorothea worden nu zwijnen gemest. Lieve God, die beide meisjes zijn mijne beste vriendinnen geweest. Met Maria mag ik niet meer verkeeren; moeder geeft geen mensch een vriendelijk woord, ook mij ternauwernood, en mijne oude voedster is zoo doof als een kwartel.

"Ben ik niet een arm, verlaten schepsel? En als gij, gij mij nu ook terugwijst, wie is er dan in Memphis met wie ik vertrouwelijk spreken kan? Maar, niet waar, zoo hard zult gij niet zijn? Lang zal het ook niet duren want mijne moeder meent het ernstig met het heengaan. Gij zijt ook ouder en zooveel ernstiger en verstandiger dan ik..."

"Ik wil heel goed voor u zijn, mijn kind; maar tracht u bij Pulcheria aan te sluiten!"

"Zeer gaarne! Doch mijn moeder! Ik zou wel met mijzelve tevreden zijn, wanneer niet... Gij hebt gehoord hoe Orion toen in de laan tot mij gesproken heeft. Hij moet mij toch wel hebben mogen lijden! Wat gaf hij mij toen aardige, teedere namen! Ach God, zoo kan toch geen mensch jegens een ander zijn, als hij niet van hem weten wil. Hij is zelf zoo rijk, mijn vermogen alleen kan hem toch niet aangelokt hebben. En ziet hij er zoo uit, alsof hij zich een meisje door zijne moeder klakkeloos zou laten opdringen? Hij is goed voor mij geweest, altijd geloof ik, maar later heeft hij gedacht aan de hooge plaats, die hij toch moest innemen, en mij daarvoor te klein, te kinderachtig geoordeeld. Ach, wat heeft die ongelukkige kleinheid mij al tranen gekost! Het kwikstaartje ben ik, en dat zal ik blijven; uwe oude gastheer heeft mij ook al zoo genoemd, en wanneer een heer als Orion zich een statiger vrouw wenscht, dan kan ik hem dit niet euvel duiden. Die andere, die hij meent meer te kunnen liefhebben dan mij is zeker groot, schoon, van vorstelijke gestalte als gij, en dikwijls heb ik het mijzelve gezegd, dat zijne toekomstige gemalin er moest uitzien als gij. Tusschen hem en mij is nu alles voorbij en ik wil het gelaten dragen, maar ik moet daarbij kunnen denken dat hij mij toch hij zijn terugkeer aanvallig en innemend heeft gevonden en in zijn binnenste toch iets voor mij gevoeld heeft. Zoo is het, ja zoo is het ook geweest! Doch toen heeft hij die andere gezien en met haar kon ik mij niet meten. Zij was geheel en al de vrouw die hij behoefde, en die andere, Paula, zijt gij, ja gij, zeer zeker, eene inwendige stem zegt het mij. Ziet gij, ge moogt mij gelooven, dat doet mij wel leed, maar het kan mij ook verblijden. Ieder ander meisje, waaraan hij de hand reikt, zou ik kunnen haten, maar wanneer gij die andere zijt, en gij zijne vrouw wordt..."

"Dwaasheid," zeide Paula opeens op vasten toon. "Bedenk eens wel, heeft Orion, toen hij u tot meineed verleidde, getoond mijn vriend te zijn, of wel mijn bitterste, onverzoenlijkste vijand?"

"Ja, toen voor de rechters ongetwijfeld!" antwoordde de kleine, nadenkend het hoofdje latende zinken. Doch weldra richtte zij het weer op, keek Paula vast en met fonkelende oogen in het aangezicht en sprak ronduit zonder aarzelen: "En gij? Ondanks alles wat gij zegt is hij zoo schoon, zoo verstandig, zoo mannelijk, dat het bijna niet anders kan of: gij hebt hem lief!"

Daarop liet Paula den arm los, waarmede zij Katharina hield omvat en antwoordde openhartig: "Tot heden, bij de begrafenis, heb ik hem gehaat en verafschuwd, maar bij het graf zijns vaders is hij mij toegeschenen een ander mensch te zijn geworden, en het viel mij gemakkelijk hem hierbinnen in stilte te vergeven."

"Derhalve hebt gij hem niet lief?" vroeg Katharina, terwijl zij met hare kleine vingers stevig den gevulden arm van de jonkvrouw greep.

Paula voelde hoe ijzig koud hare hand was en verschrikte.

De maan was sedert lang opgegaan, de sterren begonnen hooger en hooger te stijgen en met een kort "kom!" stond zij op en zeide: "Het zal wel geen uur van middernacht meer zijn; uwe moeder zal bezorgd over u worden."

"Een uur voor middernacht!" herhaalde de kleine verschrikt. "Goede God, wal zal moeder knorren. Zij zit zeker nog evenals elken avond met bisschop Plotinos aan het schaakspel. Vaarwel dan voor heden! Door de heg ben ik het spoedigst te huis!"

"Neen," zeide Paula bepaald, haar terughoudende; "gij zijt geen kind meer, gij zijt eene jonkvrouw, en moet dat voelen en toonen. In plaats van door de doornen te sluipen, gaat gij door de deur naar huis. Ik geleid u met Rufinus en verklaar daar aan uwe moeder..."

"Neen, neen!" riep Katharina haastig en angstig. "Zij is even boos op u als op de anderen en heeft mij nog juist gisteren verboden..."

"Mij op te zoeken?" vroeg Paula. "Zij gelooft..."

"Om uwentwil heeft Orion... Ja, het liefst gaf zij u de schuld van alles. Maar nu ik met u gesproken heb... Ziet gij het licht daar? Dat komt uit haar woonvertrek." En voor Paula het beletten kon liep zij naar de heg en schoof behendig als eene wezel door de opening in de doornstruiken.

Paula zag de kleine met gemengde aandoeningen na, en ging toen spoedig naar huis en ter ruste. Het verhaal van Katharina weerde geruimen tijd den slaap van hare sponde, en het vermoeden, ja de zekerheid bijna dat zij het was, die eene "groote liefde" in het hart van Orion had gewekt, liet haar geruimen tijd geen rust. En als zij het werkelijk was? Ja, dan lag het in hare hand wraak te nemen op den misdadiger en hem alle smarten te laten doorworstelen, die hij hare arme ziel had doen lijden. Doch wie van beiden zou zulk eene straf dieper wonden slaan, hem of haar? Opende de mededeeling van de kleine ook niet voor haarzelve en haar smachtend gemoed eene wereld van zaligheid? Maar neen, neen! Zich door dezelfde hand, die haar zoo erbarmelijk had geslagen, ten hemel te laten heffen, zou zelfvernedering zijn, ontrouw jegens haarzelve.

Te midden van deze afwisselende gevoelens en gedachten overmande haar de slaap, en in den vroegen morgenstond had zij een droom, waaraan zij den ganschen dag met bange huivering bleef denken. Orion was haar tegemoet gereden, bleek als de dood, in donker rouwgewaad, stapvoets op zijn donker zwarten hengst, had haar die geen kracht had om te ontvluchten, zonder haar aan te zien of iets te vragen, als een kind in de hoogte getild, en vóor zich op den rug van het paard gezet. Zij had al hare krachten ingespannen om zich los te maken en weder op den grond te komen, maar hij had haar met beide armen als tusschen ijzeren klemmen vastgehouden en haar verzet gebroken. Al moest het haar het leven kosten, zij wilde zich aan deze omarming ontworstelen, maar hoe heftiger zij zich weerde, des te vaster en dichter trok de stomme, onbarmhartige ruiter haar tot zich. Voor hen stuwde de stroom zijne rimpelende wateren voort; Orion scheen dien niet op te merken en stuurde, zonder zijne lippen te bewegen, den hengst gelaten naar den oever. Radeloos van angst en ontzetting smeekte zij hem om den gang van het ros eene andere richting te geven, maar hij luisterde niet naar haar en dreef het dier kalm midden in den vloed. Toen klom haar angst tot het uiterste en terwijl het paard haar dieper en dieper in het water drong, sloeg zij de armen vrijwillig om den hals van den ruiter. Daarop week de doodskleur van zijn aangezicht, zijne wangen kleurden, zijne lippen zochten en vonden de hare; en zij gevoelde te midden van den gruwzaamsten doodsangst een bedwelmend genot, zooals zij nog nooit had ondervonden. Zij had zoo eeuwig in het verderf willen rijden, en het ging inderdaad al dieper en dieper in het water; zij gevoelde hoe het zijne en hare borst bereikte, maar zij stoorde er zich niet aan. Zij hadden nog geen woord gewisseld, maar opeens werd zij gedwongen het stilzwijgen te verbreken, en als moest het zoo zijn vroeg zij hem: "Ben ik die andere?" Daar braken van alle zijden de golven tegen hen los, het paard werd in een maalstroom getrokken, die met het dier, haar en Orion in de rondte draaide; een gierende windvlaag floot door de lucht, en terstond daarop riepen de schuimende golven, de bruisende maalstroom, de huilende orkaan, alles, alles rondom hen als uit éen mond een luid, alles overstemmend en verdoovend: "gij!" Alleen Orion bleef stom, en toen een draaikolk het ros greep en naar beneden trok, sleurde een golf haar van zijne borst, en zij zonk, zonk al dieper en stak hem smachtend de armen toe.

Op dit oogenblik ontwaakte zij, terwijl het angstzweet haar op het voorhoofd parelde, en hare voedster, die haar uit dezen angstigen droom gewekt had zeide hoofdschuddend tot haar: "Kind, kind, wat was dat? Gij hebt voortdurend, eerst in grooten angst en daarna teeder--ja geloof mij, teeder--den naam van Orion uitgesproken."

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

In de zindelijke vertrekken, die de vrouw van Rufinus had ingericht voor hare kranke gasten, heerschte op den middag de vreedzaamste rust. Door de zware groene gordijnen, die het zonlicht tegen hielden, drong een zachte schemering naar binnen en de verpleegsters hadden kort geleden den morgenmaaltijd gebruikt. Paula goot nieuwe druppels op het verband van den Masdakiet en Pul was in het aangrenzend vertrek met Mandane bezig, die zich stil, verstandig en zonder eenig spoor van waanzin aan de voorschriften van den arts onderwierp.

Paula verkeerde nog altijd onder den indruk van den afgeloopen nacht. Zulk een onrust had zich van haar meester gemaakt, dat zij geheel tegen haar gewoonte niet lang stil kon zitten, en als Pul bij haar kwam, om haar dit of dat te vertellen, luisterde zij zoo verstrooid en onverschillig toe, dat het bescheiden meisje uit vrees van haar te storen, zich terugtrok bij hare kranke en dus geduldig wachtte tot haar nieuwe afgod haar riep.

Thomas' dochter had inderdaad wel reden om zich eenigszins beangst te maken, want heden zou Orion, wanneer zij zich niet in alles bedroog, zich bij haar aanmelden, teneinde haar vermogen over te brengen, en terwijl zij gisteren op den terugweg van het kerkhof tot de overtuiging was gekomen, dat zij hem afwijzen moest en wilde, zoo had de groote ontroering, die het gevolg was van Katharina's verhaal en van haren droom, haar te meer in die overtuiging bevestigd. Hare voedster wachtte beneden op Orion en wel met de opdracht hem niet bij haar maar bij Rufinus te brengen, die volgaarne op zich had genomen als haar gevolmachtigde het geld, dat zij verwachtte, in ontvangst te nemen. Want de arts had Paula niet verzwegen, dat hij zijn vriend in het algemeen bekend had gemaakt met de omstandigheden, die haar hadden doen besluiten het paleis van den stadhouder te verlaten, en hem Orion doen kennen als een man, dien zij niet zonder grond ontweek.

Tegen de tweede ure na den middag klom Paula's onrust zoo zeer, dat zij nu en dan het ziekenvertrek, dat op den tuin uitzag, verliet om uit de vensters van de voorzaal een blik te werpen in de Nijlstraat; want hij kon evengoed van daar als van de andere zijde komen. Over de bewaring van hare bezitting dacht zij niet, maar de vraag kwam bij haar op, of zij niet te kort deed aan haar plicht, wanneer zij zich onttrok aan de aandoeningen, die met het persoonlijk ontvangen van den zoon haars ooms gepaard moesten gaan. Niemand was in staat haar in dit geval te raden, ook Perpetua niet, want zelfs eene moeder zou in deze aangelegenheid haar moeielijk hebben kunnen begrijpen. Zij herkende zichzelve ternauwernood, want tot dusverre had zij ook in de moeielijkste omstandigheden zonder lang overleg en alleen geleid door een innerlijke stem, die haar nooit bedroog, terstond geweten wat zij doen en laten moest, wat in een gegeven geval recht of onrecht was. Doch heden was zij in haar eigen oog gelijk een schommelend riet, een door den wind her- en derwaarts gedreven blad, en zoo vaak zij de tanden op elkaar klemde en de handen samenkneep om rustig na te denken, om kalm het "voor" en "tegen" te overwegen, dwaalden hare gedachten toch weder af. De herinnering aan haar droom, het beeld van Orion, zooals zij hem aan het graf zijns vaders had gezien, Katharina's verhaal van "die andere", en de vreeselijke straf die hij zou geleden hebben en zeker ook werkelijk geleden had, dat alles doorkruiste hare gedachten als vogelzwermen op den Nijl, wier vlucht haar vaak was als een fladderend gordijn tusschen haar oog en wat het zocht aan genen oever van den stroom.

In de derde namiddagure--zij was weder tot de kranken teruggekeerd--meende zij hoefslagen in den tuin te hooren en ijlde opnieuw naar het venster. Haar hart klopte niet heviger toen de hond van Hermonthis in dien rampzaligen nacht op haar en Hiram was toegevlogen, dan op dit oogenblik, daar zij het naderen van een ruiter vernam, wiens gedaante niet zichtbaar was door het struikgewas van den tuin. Dat moest Orion zijn; maar waarom sprong hij niet uit het zadel? Neen, hij was het niet, want zijne hooge gestalte zou zeker boven het niet al te hooge loof hebben uitgestoken. De vrienden van haar gastheer kende zij nog niet, misschien was het een van hen. Thans keerde het paard en sloeg het den weg in, die tot den hoofdingang leidde. Daar ging haar gastheer den aangekomene tegemoet en nu herkende zij niet Orion maar zijn kleinen schrijver, die zich uit het zadel liet glijden van een haar goed bekend muildier, de teugels aan een knaap toewierp, den oude heer iets overhandigde, zich op eene rustbank neervlijde en daar geeuwend zijne beenen lang uitstrekte. Terstond hierop zag zij Rufinus naar huis teruggaan.

Had Orion deze bode opgedragen haar over te brengen wat haar toekwam? Zij vond in deze manier van handelen iets beleedigends en het bloed vloog haar naar het hoofd. Doch hier was wel geen sprake van het overhandigen van haar vermogen, want haar gastheer droeg niets zwaars maar iets kleins in de hand, het geleek wel, ja waarlijk het was een rol. Daar kwam hij reeds de smalle trap op, en dadelijk vloog zij hem in het portaal tegemoet en bloosde daarbij over zichzelve, als deed ze onrecht.

De oude heer merkte het op en zeide, terwijl hij haar den briefrol overhandigde: "Gij behoeft niet bang te zijn, gij heldendochter! De jonge heer is niet zelf gekomen; hij schijnt het verkieslijker te vinden schriftelijk met u te onderhandelen, en zoo is het zeker voor beide partijen het best."

Paula knikte toestemmend, nam de rol in ontvangst, en keerde hem den rug toe, terwijl zij het koord uit het waszegel trok, want zij gevoelde dat zij bleek werd en dat hare vingers beefden.

"De bode wacht op antwoord," zeide Rufinus, voor zij begon te lezen. "Beneden sta ik elk oogenblik tot uw dienst gereed." Daarop verliet hij haar.

Paula ging in de ziekenkamer terug, en begon, leunende tegen de gordijnen voor de vensteropening, in de hoogste spanning te lezen:

"Orion, de zoon van den in God ontslapen Mukaukas Georg, brengt zijn groet aan zijne nicht, de dochter van den edelen Thomas van Damascus.

"Menige brief aan u, die voor dezen geschreven werd, heb ik vernietigd." Paula haalde ongeloovig de schouders op en las dan verder: "Moge het mij in dit schrijven beter gelukken u te zeggen wat mij voor uw heil en het mijne onvermijdelijk schijnt. Ik wil verzoeken en raden te gelijk."

"Hij mij raden?" lispelde het meisje, terwijl zij de lip optrok en verder las: "Moge het aandenken aan den man, die u als een dochter liefhad, en op zijn sterfbed niets vuriger gewenscht zou hebben dan u--ofschoon hij afkeerig was van uw geloof--als dochter, als gemalin van zijn zoon te kunnen zegenen; moge de herinnering aan dezen rechtvaardige uw verbolgen en verontwaardigd gemoed tot bedaren brengen, opdat deze woorden van den armste der armen,--want dat ben ik thans Paula!--door u niet ongelezen blijven. Sta mij dit laatste toe, wat ik van u verzoek, ja om der wille mijns vaders vorder."

"Vorder?" herhaalde de jonkvrouw, en hare wangen gloeiden, er sprak onwil uit den opslag harer oogen, en hare beide handen grepen reeds de einden van het blad, als wilde zij het verscheuren. Doch de volgende woorden; "Vrees niet," hielden haar terug van deze overijlde daad. Zij streek het papyrus blad recht en las met toenemende opgewondenheid verder:

"Vrees niet, dat ik u naderen zal als een minnaar, als de man voor wien er maar éene op aarde zijn kan om lief te hebben en geene andere. En dat die eenige juist zij moest zijn, die ik zoo onuitsprekelijk zwaar beleedigd heb, tegen wie ik verwoeder, onbarmhartiger en met ergerlijker wapenen gestreden heb dan tegen een vijand onder mijn eigen geslacht!"

"Geene andere," prevelde de jonkvrouw in zichzelve, streek weder met de hand over haar voorhoofd, en rondom hare lippen speelde een trek van bevredigden trots toen zij verder las: "Ik zal u liefhebben, zoolang een ademtocht deze arme ongelukkige borst beweegt."

Wederom geraakte het papyrusblad in gevaar, doch het bleef ook ditmaal ongeschonden en Paula's trekken namen eene stille, vriendelijke uitdrukking aan, terwijl zij Orions duidelijk schrift verder las: "Doch ik ben mij bewust door eigene schuld alle aanspraak verbeurd te hebben op uwe achting, ja op uwe goede gezindheid jegens mij, en als de eeuwige liefde geen wonder wrocht in uw hart, het hoogste aardsch geluk voor altijd verspeeld te hebben. Gij zijt aan mij gewroken, want alleen om uwentwil--hoort gij het?--om uwentwil heeft mijn innig geliefde, stervende vader in maar al te zeer gerechtvaardigden toorn over den ellendige, die den rechterstoel zijns vaders had geschandvlekt, den zegen, dien hij reeds in al zijne volheid over mijn berouwvol hoofd had uitgesproken, in vloek veranderd."

Bij deze woorden verbleekte Paula. Dat was het dus waarover hij tot Katharina had gesproken, wat hem naar het uiterlijk, misschien ook innerlijk zoo wonderbaar veranderd had. En dit, ja dit droeg de stempel der waarheid, dit kon niet gelogen zijn, en om harentwil had de vloek van den vader het hoofd van den eigen zoon getroffen! Hoe was dit zoo gebeurd? Had de arts het niet opgemerkt of het voor haar verzwegen om het geheim van een ander te eerbiedigen? Arme, arme jonkman! Ja, zij moest hem spreken! Zij kon geene rustige ure hebben voor zij wist hoe haar oom, die teeder liefhebbende vader.... Maar verder, spoedig verder:

"Alleen zooals ik ben, als een gebroken man, te jong om mijzelven geheel op te geven en daarom vast besloten alles aan te wenden wat mij aan wilskracht, aan geest en achting voor mij zelven nog van mijne voorvaderen overgebleven is, ten einde mij haar waardig te maken, verschijn ik voor u en smeek u mij een kort gehoor te schenken! Geen woord, geen blik zal u verraden, wat in mij woelt en dreigt mij ten gronde te richten.

"Wat nu volgt moogt gij niet ongelezen laten, want het handelt over zaken, die voor u van hoog belang zijn. Allereerst zal u worden ter hand gesteld wat de overledene van uw erfdeel gered en door zijne vaderlijke voorzorg vermeerderd heeft. Het zal in deze moeielijke tijden niet gemakkelijk zijn dit kapitaal zeker en goed te beleggen. Bedenk, dat evenals de Arabieren gevolgd zijn op de Byzantijnen, zoo kunnen de eersten weder plaats maken voor de laatsten. Ook de ten onder gebrachte Perzen, de Avaren of andere volken, wier namen zelfs tot nu toe in de geschiedenis niet bekend waren, kunnen de opvolgers zijn van onze tegenwoordige beheerschers, die een tiental jaren geleden voor een handvol woelige kameelrijders, karavaan-aanvoerders en armzalige woestijnbewoners werden aangezien. De plaatsing van uw vermogen zou zoo moeilijk niet zijn, wanneer wij het, zooals vroeger hier de gewoonte was, aan Alexandrijnsche groothandelaars toevertrouwden. Maar in die stad valt het eene groote huis na het andere en men heeft daar volstrekt geen zekerheid meer. Uwe bezittingen weg te bergen of in den grond te begraven, gelijk de meeste Egyptenaars doen in deze moeielijke tijden, is voor u niet geraden om dezelfde reden, die ons belet het als rentegevend op bouwland te doen inschrijven in het kadaster; want gij moet er ten allen tijde over kunnen beschikken, daar het gebeuren kan dat gij verlangt met de uwen zoo spoedig mogelijk Egypte te verlaten. Dit alles zijn zaken waarin eene vrouw niet is ingewijd. Ik stel u derhalve voor deze aangelegenheid aan ons mannen over te laten, den arts Philippus, uw gastheer Rufinus, die geroemd wordt als een eerlijk oud man en onzen ervaren en stipten rentmeester Nilus, dien gij kent als een onomkoopbaar rechter.

"Ik stel u voor de behandeling van deze zaak morgen ten huize van Rufinus te doen plaats hebben. Gij kunt er naar verkiezing al of niet bij tegenwoordig zijn. Wanneer wij mannen het eens zijn, dan verzoek, dan smeek ik u mij zonder getuigen gehoor te willen schenken. Ons onderhoud zal in weinige oogenblikken zijn afgeloopen, en daarbij zal maar over eene zaak gesproken worden, een ruil, waarbij aan u iets wat gij verloren hebt en waaraan gij gehecht zijt wordt teruggegeven, om daarvoor zoo ik hoop uwe volle achting of althans een verzoenend woord terug te ontvangen. Dat heb ik noodig, Paula, geloof mij, ik heb het noodig als lucht om te leven, als het mij gelukken zal het werk door te zetten, dat ik aan mijzelven heb begonnen. Geef den bode, als gij over u hebt kunnen verkrijgen dezen brief geheel te lezen, een eenvoudig 'ja' als antwoord mede, om mij te verlossen uit eene kwellende onzekerheid. Volgt dit niet, wat God verhoede voor ons beiden, dan brengt Nilus u heden nog wat u toekomt. Hebt gij van deze regels kennis genomen, dan verschijn ik morgen twee uren voor den middag, om met den rentmeester aan de samenkomst deel te nemen, waarvan ik gesproken heb. God beware u en geve uwe trotsche, edele ziel zachtmoedig te zijn!"

Paula haalde diep adem, liet de hand, waarin zij dit veelbeteekend schrijven hield, zinken, en bleef langen tijd in ernstig nadenken verdiept bij de vensterbank staan. Eindelijk riep zij Pulcheria, verzocht haar om een poos op hare kranken te willen letten, en toen deze haar daarop met hare heldere oogen dwepend aanzag en vol deelneming vroeg, waarom zij zoo bleek was, kuste zij haar op mond en oogen en zeide vriendelijk: "Goed, gelukkig kind!" Daarna begaf zij zich naar hare vertrekken aan de andere zijde van de trap, en herlas den brief andermaal.

Ja dat was hij, dat was weder de oude Orion, zooals zij hem gekend had van het oogenblik zijner terugkomst tot dien onvergetelijken watertocht op den Nijl. Maar hij was een dichter en de natuur zelve had het hem zoo gemakkelijk gemaakt, om onvoorbereide gemoederen te verleiden in hem te gelooven. Doch neen! Deze volzinnen waren oprecht gemeend. Philippus kende de menschen en Orion had een hart, ja een warm hart! Met een vloek, door een geliefden vader met een brekend oog hem in het aangezicht geslingerd, kon zelfs de meest verharde booswicht niet spelen. En toen zij dat gedeelte van den brief herlas, waarin hij uitsprak, dat hetgeen hij als onrechtvaardig rechter tegen haar misdaan had, den zegen van den stervende in een vloek had verkeerd, overviel haar eene kille huivering en moest zij bekennen, dat de verhouding tusschen hen was omgekeerd, dat hem namelijk door haar een zwaarder en ondragelijker lijden was aangedaan dan haar door hem. Zijn bleek gelaat, zooals zij het op het kerkhof gezien had, kwam haar weer levendig voor den geest, en als hij op dit oogenblik voor haar gestaan had, dan zou zij naar hem zijn toegevlogen, hem vol deelneming de hand toegestoken en hem verzekerd hebben, dat het nameloos wee, hetwelk door haar over hem gekomen was, het diepste medelijden bij haar wekte.

Heden morgen had de Masdakiet op haar vraag, of hij den hemel reeds gebeden had hem spoedig te doen genezen, geantwoord: "De Perzen bidden nooit om een enkel goed, maar altijd om het goede, want buiten de hemelsche goden weet niemand wat den stervelingen dienstig is." Wat was dat wijs. Zou hier niet het schrikkelijkste wat een zoon treffen kan, de vloek zijns vaders, hem tot zegen kunnen zijn? Zeker was het deze vloek die hem tot inkeer gebracht had, en hem den weg had doen inslaan, dien hij thans bewandelde. Zij zag hem op dien goeden weg, zij wilde aan zijne bekeering gelooven en deed het ook. In zijn brief verklaarde hij dat hij haar lief had, vroeg hij zelfs om hare hand. Gisteren zou dit haar toorn hebben doen ontvlammen, heden vergaf zij hem gaarne, want den ongelukkige, den man die door haar toedoen zulk een grievend leed had ondervonden, kon zij ook het ergste vergeven. Haar hart klopte thans blijde in de hoop hem weder te zien, ja het kwam haar voor als ware die gevierde, terugkeerende jonkman, tot wien zij zich zoo onweerstaanbaar getrokken gevoelde, door zijne zonde, zijne boete en zijn lijden gewassen en eerst nu tot vollen mannelijken ernst gerijpt. En welk eene heerlijke taak, dezen zoeker naar den rechten weg bij te staan, om dat te worden wat hij zich voorgenomen had te zullen zijn.

Voor de verstandige wijze, waarop hij zich haar uiterlijk welzijn aantrok, verdiende hij gewis haar dank. Wat zou hij wel bedoeld hebben met den ruil, dien hij haar voorsloeg? Die "groote liefde" waarover hij tot Katharina had gesproken, was overal tusschen de regels van den brief te lezen, en iedere vrouw vergeeft elken man, al ware hij een zondaar en een verachtelijk mensch tegelijk, de vermetelheid haar lief te hebben. Mocht hij toch met geheel zijn hart aan haar hangen! Het hare, ja, dat was niet te loochenen, gevoelde zich geweldig tot hem getrokken. Maar wat haar drong wilde zij geen liefde noemen, het mocht alleen eene heilige begeerte zijn, om hem het hoogste levensdoel te wijzen en hem daartoe blijmoedig den weg te banen. Den bleeken zwarten ruiter, die haar in den droom omarmd had, wilde zij niet met zich naar de diepte trekken, neen, zij wilde hem vroolijk dragen naar de hoogste hoogte, die een sterk en edel man bereiken kan.

Zoo dacht zij en bloosde daarbij. Spoedig was haar besluit genomen, zij opende hare kist, haalde paryrusbladen, schrijfgereedschap en cachet voor den dag, zette zich aan een kleine lezenaar, die Rufinus voor haar bij het venster geplaatst had, ten einde aan hem te schrijven. In haar ontwaakte een onweerstaanbaar, een brandend verlangen naar hem, doch zij spande al hare krachten in om dit te beheerschen, en voelde daarbij dat het haar onmogelijk zou zijn de rechte woorden te vinden als zij hem schreef. Zoodra zij de bladen weer in de kist legde en haar oog op het zegel viel, trof iets bijzonders hare aandacht; op den ouden haar zoo welbekenden ring haars vaders viel haar de tusschen twee gekruiste zwaarden zwevende ster op, misschien het Orionsgesternte, dat omgeven was door het Grieksche randschrift: "Voor de deugd hebben de onsterfelijke goden het zweet gezet", dat wilde zeggen: wie een deugdzaam mensch wil worden, mag zweet noch moeite ontzien.

Met een tevreden lachje sloot zij het deksel van de kist, want in die spreuk bij de ster lag zeker een goed voorteeken. Tevens nam zij zich voor, Orion over dit devies, hetwelk een harer voorvaderen aan den ouden Hesiodos ontleend had, te spreken. Vervolgens snelde zij de trap af, ging Rufinus, zijne vrouw en den arts in den tuin voorbij, wekte den reeds lang vast ingeslapen schrijver en droeg hem op zijn meester het 'ja' over te brengen, waarop hij wachtte. Doch vóór de bode het muildier besteeg, verzocht zij hem nog een oogenblik te toeven en ging naar de mannen terug, want zij was op de gedachte gekomen, dat zij in haar ijver vergeten had met hen over Orions voorslag te spreken. Beiden kwam het voor de beraadslaging vastgestelde uur gelegen.

Terwijl Philippus den schrijver mededeelde, dat men zijn heer morgen hier wachten zou, zag de oude man de jonkvrouw met onverholen blijdschap in het aangezicht en zeide: "Wij hadden gevreesd, dat de berichten uit het stadhouderlijk paleis uwe goede stemming zouden bederven, maar goddank, gij ziet er uit als kwaamt gij zoo pas uit een verfrisschend bad.--Wat denkt gij ervan Johanna? Een twintig jaren geleden zou zulk eene huisgenoote u jaloersch hebben gemaakt: of is er in uwe duivenziel geen plaats voor zulk eene afschuwelijke aandoening?"

"Loop heen!" antwoordde de matrone lachende. "Alsof ik al die mooie meisjes gezien had, die gij vagebond in de wijde wereld, ver van ons hebt nagekeken!"

"Neen oudje, doch zoo waar de mensch de maatstaf aller dingen is, hoe ver eene plaats ik mij ook denk, eene godin als deze heb ik nergens aangetroffen."

"En ik zeker niet in mijn slakkenhuis leventje," zeide vrouw Johanna toestemmend, terwijl zij de heldere oogen met innig welgevallen op Paula sloeg.

EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Aan den avond van dezen dag zat Rufinus met de zijnen en zijn vriend Philippus in den tuin. Ook Paula was bij hen en liet van tijd tot tijd haar hand op de goudgele zijden haren rusten van Pulcheria, die zich aan hare voeten had neergezet met het hoofd tegen haar knie geleund. Het was volle maan en zoo helder in den tuin, dat allen elkander duidelijk konden zien, en het voorstel van Rufinus om hier de maansverduistering af te wachten, die één uur voor middernacht zou plaats hebben, vond onverdeelden bijval, omdat de lucht zoo aangenaam was.

Het gesprek der mannen liep over het te verwachten verschijnsel aan den hemel. Zij hadden er over geklaagd, dat de kerk, nog altijd toegevende aan het bijgeloof der menigte, in zulke natuurverschijnselen kwade voorteekenen zag en God ook heden avond door een bedestond zou trachten te bewegen het onheil af te wenden. Rufinus noemde het eene lastering van den Allerhoogste, verschijnselen, die uit eeuwige wetten volgden en zich vooruit berekenen lieten, tegelijk uit te geven voor dreigende vingers van het goddelijk wezen, alsof de noodzakelijkheid van de bestraffing der menschen gelijken tred zou houden met den loop van zon en maan. Ditmaal zouden de bisschop en de geheele geestelijkheid van de plaats de processie voorafgaan en daardoor eene zoo eenvoudige gebeurtenis in de gemoederen der menigte opschroeven tot eene beteekenis, die zij niet hebben kon.

"En wanneer de kleine komeet, die mijn oude pleegvader reeds in de vorige week ontdekt heeft, verder zoo toeneemt," voegde de arts erbij, "en zijn staart zich over een gedeelte van den hemel uitbreidt, dan zal de angst haar toppunt bereiken, en zie ik nog gebeuren dat de lieden zich aanstellen als bezetenen."

"Een komeet voorspelt toch oorlog, hitte, pest en hongersnood," zeide Pulcheria uit volle overtuiging.

"Dat heb ik ook altijd geloofd," voegde Paula erbij.

"Geheel ten onrechte," antwoordde de arts. "Ontelbare bewijzen zijn hiertegen aan te voeren, en het is ergerlijk dat men de menigte in dit bijgeloof versterkt, het jaagt hun angst en schrik aan; en wilt gij wel gelooven dat uit zulk eene verontrusting der gemoederen, vooral in dezen tijd van lagen waterstand, wanneer er toch reeds meer zieken zijn dan anders, de eene krankheid na de andere geboren wordt? Wij zullen de handen vol krijgen, waarde Rufinus!"

"Ik ben tot uw dienst," antwoordde de oude, "doch ik had liever dat die knaap daar met zijn staart, als hij toch kwaad moest stichten, de lieden armen en beenen brak, dan dat hij hunne hersenen verdraaide."

"Welk een wensch!" zeide Paula. "Menigmaal zegt gij dingen en zie ik andere in uwe omgeving gebeuren, waarvan ik het rechte begrip niet heb. Gij hebt mij reeds gisteren beloofd..."

"U te verklaren waarom ik zoovele creaturen Gods, die met verdraaide en gebroken ledenmaten de last des levens dragen, rondom mij verzamel."

"Juist!" antwoordde Paula. "Er is wel geen grooter bewijs van barmhartigheid te geven, dan dat men zulke ongelukkigen het leven dragelijk maakt."

"Maar daarom, denkt gij," zoo viel de bewegelijke grijsaard haar in de rede, "uit zulk eene edele oorzaak alleen zal de oude zonderling zijn stokpaardje wel niet berijden, en daaraan hebt gij gelijk. Van kindsbeen heb ik bijzonder veel opgehad met het beenderstelsel van menschen en dieren, en evenals een verzamelaar van herten- en gazellengeweien, wanneer hij allerlei soorten van horens bezit, er zich met bijzonderen ijver op toelegt om vreemde en ziekelijk vergroeide horens te verzamelen, zoo stel ik er eene eer in, allerlei vergroeiingen en verminkingen van dierlijke en menschelijke beenderen te leeren kennen."

"En ze weer recht te maken," voegde de arts erbij. "Van zijne jeugd af heeft hij zich aan dezen hartstocht overgegeven."

"En ze is toegenomen sedert ikzelf eens mijn been gebroken en ondervonden heb, wat men daarbij gevoelt," zeide de oude man, dit toestemmende. "Met behulp van mijn studiegenoot die daar staat ben ik van een dilettant een wezenlijk wondarts geworden, en nog wel een die Aesculapius dient voor eigene rekening. Overigens heb ik nog bijbedoelingen, die er mij toe brachten zulk eene vreemde omgeving te kiezen. Een mismaakte slaaf bijvoorbeeld is goedkoop, en dan zijn er zekere waarnemingen, die mij een onschatbaar genoegen verschaffen. Doch dat is niet voor u, meisje!"

"O, zeker!" zeide Paula. "Evengoed als ik Philippus versta als hij mij iets op het gebied der natuurwetenschap uiteenzet..."

"Halt," hernam Rufinus lachend, "onze vriend zal zich wel wachten u dat te verklaren! Hij acht het eene dwaasheid, en geeft alleen dit eene toe, dat een heelmeester en waarnemer als ik ben zich geen beter, gewilliger en onderhoudender huisgenooten kan denken dan mijne kreupelen."

"Zij zijn u zeker dankbaar," merkte Paula op.

"Dankbaar?" vroeg de oude heer. "Dat komt wel eens voor, maar erkentelijkheid is geen rente waarop een verstandig man rekent. Gij weet nu genoeg, reeds om der wille van Philippus willen wij de rest laten rusten."

"Neen, neen," bad Paula, en toen zij den grijsaard de handen toestak, zeide hij vroolijk: "Wie zou u iets kunnen weigeren! Ik zal het kort maken, doch gij moet mij opmerkzaam volgen. Nu dan: de mensch is de maatstaf aller dingen! Hebt gij dit begrepen?"

"Wel zeker! Gij zegt het telkens. De voorwerpen, bedoelt gij, zijn zooals zij ons toeschijnen."

"Ons, zegt gij, omdat wij, gij, ik en wij allen hier gezond zijn naar lichaam en geest. Die voorwerpen, Gods eigen werk, moeten wij zooals ze zijn onvoorwaardelijk als gezond en normaal beschouwen. Wij moeten dus in de eerste plaats verlangen dat de mensch, die een maatstaf van al het geschapene zal zijn, zelf normaal en gezond is. Of kan een kastenmaker met eene kromme of scheeve liniaal rechte planken pasklaar maken?"

"Zeker niet!"

"Dan zult gij ook begrijpen, hoe bij mij de vraag kon opkomen: Meet de zieke, mismaakte, wanstaltige mensch de dingen ook met een anderen maatstaf dan wij gezonde menschen? Zou het niet een dankbaar onderwerp zijn om na te sporen welk een onderscheid er bestaat tusschen zijne meetingen en de onze?"

"En hebben die onderzoekingen bij uwe kreupelen tot een resultaat geleid?"

"Tot vele en groote," verzekerde de oude; doch de arts belette hem verder te gaan door luide "Oho!" te roepen, en te verzekeren dat zijn vriend veel te snel gereed was om uit enkele verschijnselen wetten af te leiden. Velen zijner waarnemingen hadden ongetwijfeld zeker belang....

Hier viel Rufinus hem weer in de rede en het gesprek zou in een strijd ontaard zijn, als Paula zich niet in den redetwist had gemengd en haren opgewonden gastheer had verzocht om ten minste een zijner resultaten mede te deelen.

"Ik heb bevonden," antwoordde deze, zeker van zijn zaak, terwijl hij zijn langen zwaren baard met zekere deftigheid uitstreek, "dat zij niet alleen verstandig zijn, daar zij reeds vroeg de rede scherpen, om door geestelijke gaven te vergoeden wat zij aan lichamelijke missen. Zij zijn in den regel geestig, gelijk de fabeldichter Aesopus en de Egyptische God Besa, die, zooals Horus, de oude vriend van Philippus, aan wien wij al onze Egyptische wijsheid te danken hebben, ons mededeelde onder de heidenen de god was van de grappen, den scherts, de kwinkslagen en bovendien van het vrouwentoilet. Dit getuigt van de fijne opmerkingsgaven der ouden, want de gebochelde, wiens lichaam krom gegroeid is, meet de dingen ook met een krommen maatstaf. Met behulp van zijn verstand leert hij meestal evenzoo meten als de meeste menschen, waaronder hij leeft, dat wil zeggen recht; doch op zekere tijden, wanneer hij aan zijne natuurlijke neiging toegeeft, maakt hij het rechte krom en het kromme recht, en zoo ontstaat de scherts, die toch in niets anders bestaat dan in eene scheeve opvatting en voorstelling der dingen. Knoop maar eens een onderhoud aan met mijn gebochelden tuinman Gibbus, of let eens op hem. Wanneer hij zich 's avonds bij onze lieden neerzet lachen ze al, zoodra hij den mond maar opent. Zijne natuur dwingt hem enkel in paradoxen te spreken. Weet gij wat dat is?"

"Zeker!" antwoordde Paula.

"En gij, Pul?"

"Neen, vader."

"Gij zijt ook te recht van lijf en leden, ook wat uwe eenvoudige ziel betreft, om voor zoo iets een zin te hebben. Luister dan! Een paradox zou bijvoorbeeld zijn, als ik den bisschop bij de processie van heden wilde toeroepen: 'Gij zijt goddeloos uit louter vroomheid,' of wanneer ik mij bij de dochter van Thomas, met het oog op de vleierijen, welke zij zoo straks van uwe moeder en uit mijn mond vernam, verontschuldigde met te zeggen: 'onze wierook was bitter van louter zoetigheid.' Deze paradoxen zijn, als men ze op den keper bekijkt, waarheden in verbogen vorm, en daarom gaan ze den gebochelden het best af. Vat ge?"

"Ja zeker," antwoordde Paula.

"En gij, Pul?"

"Ik weet het niet recht, het zou mij beter bevallen als men eenvoudig zeide: Wij hadden haar niet zooveel vleiende dingen moeten zeggen, want dat kan een meisje hinderen."

"Bravo, mijn recht kind!" zeide de oude lachend. "Doch daar staat de tuinman. Heidaar, mijn wakkere Gibbus! Stelt je eens voor dat ge iemand zulke grove vleierijen hadt gezegd, dat hij in plaats van zich te verblijden zich hierover ergerde, hoe zoudt ge u uitdrukken, wanneer ge mij dat wildet mededeelen?"

De hovenier, een klein, dik man met een verbazenden hoogen rug doch met een verstandig en goed gevormd gelaat, bedacht zich een oogenblik en antwoordde toen: "Daar heb ik ezel hem rozen willen laten ruiken en hem distels onder den neus geduwd."

"Voortreffelijk!" riep Paula, en toen Gibbus schaterlachend wegliep, zeide de arts: "Men zou dien man om zijn bochel kunnen benijden, maar--niet waar jonkvrouw Paula?--wij kennen ook lieden die recht opgegroeid zijn en toch als het er op aankomt allerlei verdraaide voorstellingen tot hunne beschikking hebben."

Gelukkig ontsloeg Rufinus Paula van het antwoord, door haar op zijn geschrift over de verkrommingen der ziel en des lichaams te wijzen, en daarna met warmte voort te gaan: "Ik roep u allen tot getuigen of die lamme Baste--een harer beenen is veel korter dan het andere, en wij hebben het met moeite zoover gebracht dat het haar draagt--haar meten der dingen niet beperkt tot het laagste, tot de oppervlakte der aarde? Zij moet altijd naar den grond kijken, wil zij niet struikelen. En wat is daarvan het gevolg? zij kan u nooit zeggen wat aan een boom hangt en zoowat drie weken geleden heb ik haar bij helderen hemel en afnemende maan, en nadat zij avond aan avond tot laat met de andere lieden in de open lucht had gezeten--het was omstreeks den middag--gevraagd, of de maan gisteren aan den hemel had gestaan, en zij is mij het antwoord schuldig gebleven. Ja, ik heb opgemerkt dat zij redelijk groote mannen, die zij drie- en viermalen gezien heeft, moeielijk weder herkent. Evenals haar been zoo is ook haar maatstaf der dingen te kort uitgevallen; heb ik gelijk of niet?"

"In dit geval hebt gij gelijk," antwoordde de arts; "toch ken ik gebrekkigen..."

Wederom ontstond er strijd tusschen de vrienden, doch Pulcheria maakte er ditmaal een einde aan door met groote warmte uit te roepen: "Die Baste is het beste en goedhartigste schepsel in het geheele huis!"

"Omdat zij ook in haar binnenste ziet," antwoordde Rufinus. "Zij kent zichzelve, en daar zij weet hoe pijnlijk de smart is, behandelt zij anderen met verschooning. Weet gij nog, Philippus, hoe wij na de ontleedkundige voordracht, die wij in Caesarea te zamen gehoord hadden, redetwistten..."

"Heel goed," viel de arts in, "en het leven heeft sedert mijne inzichten van toen slechts bevestigd. Er is geen nadeeliger en logenachtiger spreuk dan die Latijnsche: 'Mens sana in corpore sano', wanneer men haar altijd als gewoonlijk overzet: 'Alleen in een gezond lichaam kan eene gezonde ziel wonen'. Als wensch laat ik dit woord gelden; ja menigmaal kwam ik in verzoeking om ook deze nog bedenkelijk te vinden. Want juist in kranke lichamen heb ik vaak eene sterkte van ziel gevonden, eene hoopvolle en ook voor het geringste dankbare stemming, eene fijnheid van gevoel, eene verstandige zelfbetrachting en eene onvoorwaardelijke overgave aan het hoogere, als ik bij gezonden niet heb weergevonden. Het lichaam is wel de woning der ziel, en evenals er in hutten en paleizen goeden en kwaden, wijzen en dommen worden gevonden, en men in stulpen dikwijls meer goedhartigheid aantreft als in de prachtige huizen der grooten, zoo vindt men edele zielen in leelijke en schoone, gezonde in kranke lichamen, en in de laatsten misschien menigvuldiger dan in de eersten. Maar met zulke onjuiste spreuken, die de een den ander nazegt, moet men behoedzaam omgaan, want zij kunnen hen kwetsen, die bovendien het in dit leven al zwaar genoeg te verantwoorden hebben. Naar mijne opvatting denkt een gebochelde even recht als een athleet; of meent gij dat, al brengt eene moeder in een hol zoo gedraaid als een slakkenhuisje kinderen groot, zij daarom niet rechtop naar den hemel kunnen groeien, zooals toch met den mensch plaats heeft?"

"Deze vergelijking gaat mank!" zeide de oude heer met geestdrift, "en moet recht gebogen worden. Willen wij niet in openbare tegenspraak met elkander komen..."

"Gij zult vrede houden!" riep opeens vrouw Johanna haar man toe, en voor deze nog een woord kon zeggen, vroeg Paula rondweg en op den man af: "Hoe oud zijt gij, waardige gastheer?"

"De tweede dag van mijn zeventigste jaar werd daardoor gewijd, dat gij toen ons huis juist voor de eerste maal hebt betreden," antwoordde Rufinus, deftig buigende.

Doch zijne vrouw stak dreigende den vinger tegen hem op en zeide: "hebt gij ook misschien een geheime bochel, manlief? Zoo'n fraai gedraaid antwoord..."

"Hij ziet zijne kreupelen de kunst af," schertste Paula. "Maar nu komt gij aan de beurt, vriend Philippus. Uwe redeneering was die van een bedaagden wijze, en heeft mij--om der wille van Rufinus zeg ik niet 'overtuigd', maar 'meegesleept'. Ik ben u eerbied schuldig, en toch zou ik willen weten hoeveel jaren gij...."

"Ik zal weldra mijn een-en-dertigste intreden," zeide de arts, nog voor zij haar vraag voleindigd had.

"Dat is een eerlijk antwoord," zeide vrouw Johanna, lachende. "Op uw leeftijd klemt men zich gaarne aan het twintigste jaar vast."

"Waarom?" vroeg Pulcheria.

"Ach, daarom," antwoordde de moeder. "Er zijn meisjes die een dertiger voor ouder aanzien dan hem lief is."

"Domme schepsels," hernam Pul. "Zij zullen bezwaarlijk een jonkman vinden, die beminnelijker is dan onze vader, en wanneer Philippus, ja gij Philippus, tien of twintig jaren ouder waart dan negen-en-twintig, meent gij dat dit u minder verstandig en goed kon maken?"

"En minder leelijk in geen geval," voegde de arts erbij.

Daarop zeide Pulcheria knorrig, als hadden die woorden haar gekrenkt: "Gij zijt in het geheel niet leelijk! Wie u daarvoor uitgeeft, heeft in het geheel geene oogen! Gij zeidet het ook alleen om te hooren, dat gij een deftig man zijt."

Terwijl het gevoelige meisje aldus den vriend tegen zichzelve verdedigde, streek Paula haar over de gouden haren en zeide tot den arts: "Pulcheria's vader heeft gelijk. Zij weet de menschen met den waren maatstaf te meten. Vergeet dit niet, Philippus! Verder... Houd mij de vraag ten goede, maar moet het niet mijne verwondering wekken, dat een een-en-dertiger en een zeventiger te gelijkertijd de hoogeschool hebben bezocht?--Het duurt nog lang eer de maan, die zoo helder en blank daar voorttrekt, verduisterd wordt. Ook gij Rufinus zijt zulk een wereldreiziger geweest, en wanneer gij mij een groot genoegen wilt doen, dan vertelt gij ons iets uit uw leven, en hoe gij hier te Memphis gekomen zijt."

"Zijn levensloop?" zeide vrouw Johanna. "Wanneer hij ons die vertellen wil van het begin tot het einde met alle bijzonderheden, dan verloopt de geheele nacht en wordt morgen ons ontbijt nog koud. Hij heeft een leven gehad als dat van den avontuurlijken Odusseus. Doch verhaal een en ander, man! Gij weet, wij luisteren met het grootste genot."

"Mij roept mijn plicht," zeide de arts, en nadat hij van de anderen vriendelijk afscheid genomen en Paula meer afgemeten dan in de laatste dagen vaarwel gezegd had, begon Rufinus aldus:

"Ik ben in Alexandrië geboren, in een tijd toen handel en nijverheid er nog bloeiden. Mijn vader was een wapensmid en in zijne werkplaats arbeidden wel tweehonderd slaven en vrijen. Hij had veel van het beste erts noodig en dat ontving hij gewoonlijk uit Brittannië over Massilia. Eens geleidde hijzelf het schip van zijn handelsvriend naar het verre eiland, en daar leerde hij mijne moeder kennen. Haar goudblond haar, dat onze Pul geërfd heeft, moet hem bekoord hebben, en daar de schoone vreemdeling--want mijn vader was een man zooals er weinigen meer zijn--haar goed beviel, werd zij om zijnentwil christin en volgde hem bereidwillig. Zij hebben er beiden nooit berouw over gehad, want ofschoon zij eene stille vrouw was, die het Grieksch tot aan hare laatste ure sprak als eene vreemde, zeide de oude man toch vaak, dat zij zijn beste raadgeefster was. Daarbij bezat zij zulk een gevoelig gemoed, dat zij geen schepsel kon zien lijden, en hoe ijverig zij ook aan den haard en aan den weefstoel dagelijks bezig en op haar plaats was, zoo kon zij toch geen hoen, geen gans, geen varken zien slachten. Haar hart--moet ik zeggen 'helaas' of 'goddank'?--heb ik geërfd. Ik had nog twee oudere broeders, die mijn vader moesten helpen en later de zaak zouden voortzetten. Toen ik tien jaren oud was, moest ik een beroep kiezen. Mijne moeder had gaarne een geestelijke van mij gemaakt, en ik zou het met vreugde geworden zijn, maar mijn vader stemde hierin niet toe, en daar wij een oom hadden die rhetor was en met zijn ambt veel geld verdiende, leende mijn vader het oor aan zijn voorslag, om mij voor dit beroep op te leiden. Zoo ging ik dan van den eenen leermeester tot den anderen en kwam in de school goed vooruit.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us