De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. (part 4 of 4)
[756] Dat is, gij zult hem een zeker geleide geven, opdat hij met veiligheid naar huis terugkeere, voor het geval dat hij het niet geraden mocht oordeelen, het Mahomedanisme te omhelzen.
[757] Door deze woorden worden de geloovigen gewaarschuwd, geen te groot vertrouwen in hunne eigene verdiensten te stellen, terwijl zij ook dienen om de ongeloovigen af te schrikken; want indien de geloovige slechts misschien zal gered worden, waar kunnen de anderen dan op hopen (Al Beid‚wi).
[758] Deze veldslag had plaats in het 8e jaar der hedjira in de vallei van Honein, die, omstreeks drie mijlen van Mekka, nabij Tayef ligt.
[759] Daar de vallei zeer diep en door steile bergen omringd was, plaatste zich de vijand ter wederzijde in hinderlaag en viel hen in de bergpassen, in alle doorgangen en van achter de rotsen met groot voordeel aan (Ebn Ishak.)
[760] Het oorspronkelijke woord is Sakinat, hetwelk door de commentatoren in deze beteekenis wordt uitgelegd; maar het schijnt veeleer de goddelijke bescherming, tegenwoordigheid of Schechinah te beteekenen, die verschijnt om de Moslems bij te staan (Zie Hoofdstuk II, vers 249 en de noot.)
[761] Behalve dat een groot aantal proselieten bij dezen slag werden gewonnen, was Mahomet op hun verzoek zoo edelmoedig, dat hij de gevangenen, die niet minder dan zes duizend in getal waren, aan hunne vrienden terug gaf, terwijl hij aanbood, aan ieder zijner manschappen, die niet geneigd zou zijn zich van zijne gevangenen te ontdoen, eene vergoeding te betalen; zij stemden echter allen toe (Al Beid‚wi).
[762] Dit was in het negende jaar der hedjira. Tengevolge van dit verbod worden noch Christenen, noch Joden, noch de belijders van eenigen anderen godsdienst, tot op den huidigen dag in de nabijheid van Mekka toegelaten.
[763] Dat zijn zij, die geen vast en volkomen geloof in deze punten stellen. Anderen gelooven echter, dat het op degenen slaat, die in meer dan ÈÈn god gelooven, of de eeuwigheid der pijnigingen van de hel (Hoofdstuk II vers 74 en Hoofdstuk III vers 23), of de geneugten van het paradijs loochenen, zooals die in den Koran worden beschreven. Het blijkt echter uit de volgende woorden, dat hier hoofdzakelijk de Joden en Christenen worden bedoeld.
[764] Dit is, naar het oordeel van geachte uitleggers, de ware beteekenis der woorden an yadin, die letterlijk zouden moeten luiden: bij of uit de hand, en op verschillende wijzen worden uitgelegd. Sommigen veronderstellen, dat de bedoeling is, dat de schatting gereedelijk of door hunne eigene handen, en niet door die van anderen moet worden betaald; of wel, dat de schatting alleen van den rijke moet worden gevorderd, of van hen, die in staat zijn haar te betalen, en niet van den arme; of ook, dat het als eene gunst moet worden beschouwd, dat de Mahomedanen met zoo weinig tevreden zijn (Al Beid‚wi). Dat de Joden en Christenen, overeenkomstig deze wet, tegen betaling van schatting, moeten worden toegelaten tot het ontvangen van ondersteuning, kan niet betwijfeld worden. De Mahomedaansche geleerden verschillen echter ten aanzien der belijders van andere godsdiensten. Men zegt, dat Omar het eerste weigerde schatting van een MagiÎr aan te nemen, tot Abd'alrahm‚d Ebn Awf hem verzekerde, dat Mahomet zelf ondersteuning aan een MagiÎr verleend en bevolen had, dat de leeraren van dien godsdienst zouden worden begrepen onder het volk van het boek, of onder hen, wier godsdienst gegrond was op een boek, hetwelk zij veronderstellen van goddelijken oorsprong te zijn. Het is de meest algemeen aangenomen meening, dat alleen deze drie godsdiensten konden worden geduld, op voorwaarde, dat zij schatting zouden betalen: anderen voegen echter de SabeÔten daarbij. Aboe Hanifa veronderstelt, dat de volkeren van elken godsdienst mochten worden geduld, behalve de afgodendienende Arabieren. De laagste schatting, die van zulk een persoon kan worden gevorderd, wordt algemeen op een dinar gesteld, of op omstreeks f 6 per jaar. Hij kan echter gedwongen worden, meer te betalen, indien hij er niet in toestemt; en dit, zeggen zij, is zoowel op den arme als op den rijke toepasselijk. (Reland, de Jure Militari Mohammedanor., p. 17 en 50). Aboe Hanifa bepaalde echter, dat de rijke acht en veertig dirhems (waarvan twintig of soms vijfentwintig een dinar uitmaken) per jaar zou betalen; iemand in middelbare omstandigheden de helft dier som, en een arme man, die in staat is in zijn onderhoud te voorzien, een vierde daarvan: maar dat hij, die niet in staat is in zijn onderhoud te voorzien, niets zou betalen. (Al Beid‚wi).
[765] Deze ongerijmde beschuldiging tegen de Joden, trachten de uitleggers te ondersteunen, door te verhalen, dat hier wordt bedoeld op sommige oude, hetorodoxe Joden, of wel op sommige Joden van Medina die dit alleen beweerden, omdat, aangezien de wet gedurende de Babylonische gevangenschap geheel vergeten en verloren was, Ezra of Esdras weder in het leven werd terug geroepen, nadat hij gedurende honderd jaren dood was geweest (zie Hoofdstuk II vers 261); die haar op nieuw geheel aan de schrijvers uit zijn hoofd opzegde. Het volk was hierdoor zeer verwonderd, en verklaarde, dat hij dit niet zou hebben kunnen doen, indien hij niet de zoon van God ware. (Al Beid‚wi, Al Zamakshari, enz.)
[766] Zie Hoofdstuk III: vers 57 en de noot.
[767] Door het nemen van steekpenningen, zegt Al Beid‚wi, daarbij waarschijnlijk bedoelende, het geld dat zij aannemen, om dispensatie van Gods bevelen te verleenen, en door verzachting van straf te belooven.
[768] Volgens deze plaats is de toevoeging van eene maand aan ieder derde of tweede jaar, hetgeen de Arabieren van de Joden hadden geleerd, ten einde hunne maanjaren tot zonnejaren te maken, volkomen onwettig. Daardoor bepaalden zij den tijd van den pelgrimstocht en van de Ramad‚n-vasten op zekere getijden van het jaar, die beweeglijk moeten zijn. (Zie Prid., Life of Moh. p. 65, enz.)
[769] Zijnde de tafel die in den hemel wordt bewaard.
[770] Zie Hoofdstuk V: vers 59.
[771] Zijnde, dat Aboe Bekr alleen met hem was.
[772] Zijnde: Hetzij de ondernemingen aangenaam is of niet, of dat gij toereikende wapenen of leeftocht hebt of niet, of dat gij te paard of te voet zijt, enz. (Jong en oud, trekt op om te strijden, Savary).
[773] Daar Mahomet verscheidene zijner manschappen, op hun verzoek, er van ontsloeg, aan dezen tocht deel te nemen.
[774] Zijnde met de vrouwen en kinderen, en andere weerlooze personen.
[775] Zooals zij deden in den slag van Ohod. Zie Hoofdstuk III vers 49.
[776] Zijnde: Hetzij voor een duidelijk oordeel van den hemel of door hunne straf aan de ware geloovigen op te dragen.
[777] De uitleggers maken een onderscheid in het oorspronkelijk tusschen de twee woorden fakir en meskin: het eene, zeggen zij, beteekent iemand die geheel ontbloot is, zoowel van geld als van een middel van bestaan; het andere, iemand die wezenlijk in armoede verkeert, maar in staat is iets te winnen, om in zijn onderhoud te voorzien. De critici verschillen echter onderling ten opzichte van de beteekenis van elk dezer woorden.
[778] Dat is: Hij hoort alles wat wij zeggen.
[779] Aan niets geloof slaande wat u zou kunnen deren.
[780] Namelijk Sodom en Gomorrah en de andere steden die haar lot deelden, en thans Al Motokifat, of de omvergeworpene worden genoemd.
[781] Letterlijk: de tuinen van Eden. In het Hebreeuwsch beteekent het eene plaats van geneugte en in het Arabisch eene plaats die voor het weiden van kudden is ingericht (Savary).
[782] Mahomets verblijf te Medina was namelijk van groot voordeel voor die plaats.
[783] Gedurende de laatste ziekte van Abda'llah Ebn Obra, de huichelaar (die in het negende jaar der hedjira overleed) kwam zijn zoon, eveneens Abda'llah genaamd, tot Mahomet, en verzocht dezen, God vergiffenis voor hem vragen. Hij deed dit, waarop het eerste van dit vers werd geopenbaard. De profeet beschouwde dit echter niet als eene afwijzing, en zeide, dat hij zeventig malen voor hem zou bidden; daarop werd het laatste gedeelte van dit vers geopenbaard. Het verdient opmerking, dat de getallen 7 en 70 herhaalde malen door de Oostersche schrijvers worden gebruikt, niet zoozeer om een juist dan wel om een onbepaald, hetzij grooter of kleiner getal uit te drukken (Al Beid‚wi). Een aantal bewijzen hiervoor worden in de H. Schrift gevonden. Opmerkenswaardig is tevens de overeenkomst in de Hebreeuwsche taal van de woorden verzadigen en zeven, beiden Sb` genaamd, als ware het 't volkomene, het verzadigde getal: vergelijk Schillers Piccolominii 2de bedr. 1ste toon, en Vrijmetselaars Woordenboek (Amsterdam 1845, 3 deelen) art. Zeven.
[784] Noch door zijne begrafenis bij te wonen, noch door zijn grafstede te bezoeken.
[785] Gelijk reeds bij herhaling werd gezegd, wordt ieder hoofdstuk van den Koran eene Soera genaamd.
[786] Door hunne groote armoede, zooals de van Joheina, Mozeina en Banoe Odhra (Al Beid‚wi).
[787] De personen hier bedoeld, waren zeven man van de Ansars, die tot Mahomet kwamen, en vroegen, dat hij hun eenige gelapte laarzen en gezoolde schoenen zou geven, daar het hun onmogelijk was, in zulk een jaargetijde barrevoets te marcheeren. Hij antwoordde hun echter, dat hij hen niet kon helpen, waarop zij weenende vertrokken.
[788] En hen niet kastijden.
[789] Om hunne woeste levenswijze, de ruwheid hunner harten, door niet om te gaan met menschen van kennis, en de weinige gelegenheden die zij hebben onderricht te worden. (Al Beid‚wi).
[790] Of eene bijdrage door dwang gevorderd, waarvan hij de betaling op geenerlei wijze kan ontwijken.
[791] Hopende, dat eenigerhande tegenspoed eene geschikte gelegenheid zou mogen opleveren, om den last af te werpen.
[792] Zijnde in de nabuurschap van Medina. Dit waren de stammen van Joheina, Mozeina, Aslam, Ashja en Ghifar (Al Beid‚wi).
[793] Hetzij door hen aan openbare schande bloot te stellen en hen ter dood te brengen, of door eene dezer straffen en de marteling van het graf; of wel door hen aalmoezen tot boete af te eischen en lichamelijk te straffen. (Al Beid‚wi.)
[794] Zijnde die van Kob‚, eene plaats op twee mijlen afstands van Medina gelegen waar Mahomet gedurende zijne vlucht van Mekka vier dagen bleef, alvorens hij die stad binnentrok, en waar hij den grondslag legde van eene moskee (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Ebn Shonnah) die later door Banoe Amroe Ebn Awf werd volbouwd. Volgens eene daarvan verschillende overlevering echter, is de hier bedoelde moskee diegene, welke door Mahomet te Medina werd gesticht.
[795] Sommigen passen deze woorden toe op de berooving van hun oordeel en verstand, en anderen op de straf welke zij te wachten hebben, hetzij door den dood in deze wereld, door de pijniging des grafs, of de pijn der hel.
[796] Door als ongeloovigen te sterven. Overigens is het niet alleen wettig, maar zelfs loffelijk voor ongeloovigen te bidden, dat er hoop bestaat hen te bekeeren.
[797] Zijnde door te bidden, dat God zijn hart tot berouw moge neigen. Sommigen veronderstellen, dat dit eene belofte was aan Abraham door zijn vader gedaan, dat hij in God wilde gelooven. Deze woorden kunnen echter op twee wijzen worden opgevat.
[798] Door op te houden voor hem te bidden, na door ingeving verzekerd te zijn geworden, dat hij niet bekeerd was, of nadat hij werkelijk als ongeloovige was gestorven. Zie Hoofdstuk VI, vers 78 en volg.
[799] Zijnde door hen als zondaren te beschouwen of te straffen. Deze plaats werd geopenbaard om degenen te beschuldigen, die vÛÛr het was verboden, voor hunne vrienden hadden gebeden, welke als afgodendienaars gestorven waren; of wel om sommigen te verontschuldigen, die onwetend volgens de eerste Kebla hadden gebeden, wijn gedronken, enz.
[800] Drie Ansars, die Mahomet niet naar Taboec gevolgd waren.
[801] Dat is: indien sommigen van iederen stam of stad achtergelaten worden, zullen de achterblijvenden zich op de studie moeten toeleggen en eene juister kennis van de verschillende punten van hunnen godsdienst trachten te verkrijgen, ten einde in staat te zijn, degenen te onderwijzen, die door hunne aanhoudende deelneming aan de oorlogen, geen andere gelegenheid hebben om zich te onderrichten.
[802] Zijnde uwe bloedverwanten en naburen: deze verdienen namelijk uw medelijden en uwe zorg in de eerste plaats, en hunne bekeering moet in de voornaamste plaats bevorderd worden.
[803] Zijnde door verschillende wijzen van beproevingen; door ten oorlog opgeroepen en getuige gemaakt te worden van de wonderdadige bescherming, welke God den geloovigen schenkt.
[804] Deze profeet wordt aan het einde van dit hoofdstuk vermeld. Achter dien naam voegt Savary de woorden: Vrede zij met hem.
[805] En niet een der machtigsten van hen; de KoreÔshieten zeiden dan ook, dat het wonderlijk was, dat God geen andere gezant kon vinden, dan den ouderloozen pupil van Aboe Taleb. (Al Beid‚wi).
[806] Deze woorden werden geopenbaard tot wederlegging der dwaze meening van de afgodendienende bewoners van Mekka, die zich verbeeldden, dat hunne afgoden tusschenpersonen voor hen bij God waren.
[807] Hetzij de wederkeerige groete der zaligen, die van de engelen aan de zaligen.
[808] Dat is: in alle houdingen en op alle tijdstippen. Verg. Deut. XI : 19.
[809] Want zoo oud was Mahomet alvorens hij de zending van profeet aannam (Abulfed Vit. Moh. c 7), gedurende welken tijd zijne medeburgers wel wisten, dat hij er zich niet op had toegelegd iets te leeren, noch met geleerde mannen om te gaan; noch zich had geoefend in het samenstellen van gedichten of redevoeringen, waardoor hij kennis van de rethorica of sierlijkheid van taal zou hebben kunnen verkrijgen. Al Beid‚wi ziet daarin een duidelijk bewijs, dat hij in dit boek door niemand dan door God kon zijn onderwezen.
[810] Dit is: Dat hij aan hem gelijken of makkers in den hemel of op aarde heeft: daar hij niemand als zoodanig kent.
[811] Dat hunne denkbeeldige godheden vervloekt mogen zijn. (Savary).
[812] Dit wil zeggen: den waren godsdienst of het Islamisme, dat algemeen werd beleden, zooals sommigen zeggen, tot Abel werd vermoord, of, volgens anderen, tot de dagen van Noach. Sommigen veronderstellen, dat hier de eerste eeuwen na den zondvloed worden bedoeld, anderen den toestand van den godsdienst in ArabiÎ, van den tijd van Abraham tot dien van Amroe Ebn Lohai, den grooten invoerder van den afgodendienst in die streken.
[813] Zijnde het Paradijs.
[814] Want hunne belooning zal de verdienste hunner goede daden onmetelijk overtreffen. Al Ghazali veronderstelt, dat deze toegevoegde belooning in het visioen der gelukzaligen zal bestaan.
[815] Dat is: uwe afgoden, of de makkers welke gij aan God toevoegt.
[816] Maar inderdaad bidt gij slechts uwe eigene vleeschelijke lusten aan, en werdt gij niet door ons, maar door uwe eigene, bijgeloovige grillen tot afgoderij verleid. Men beweert dat God op den laatsten dag den afgoden de spraak zal ontnemen, en dat zij dit hunne aanbidders zullen verwijten, in plaats van voor hen tusschenbeiden te treden, gelijk zij hopen.
[817] Dit is: Er zijn eenigen van hen die inwendig wel overtuigd zijn van de waarheid uwer leer; ofschoon zij zoo snood zijn om die te bestrijden; en er zijn anderen van hen, die het door vooroordeel en gebrek aan nadenken niet gelooven.
[818] Want God berooft hen niet van hunne zinnen of hun verstand, maar zij bederven die, en maken er een slecht gebruik van.
[819] Hetzij in de wereld of in het graf.
[820] Indien de goddelijke wraak u onverwachts overvalt, hetzij bij dag of bij nacht, denkt gij dan dat die door de zondaren kan worden verhaast? (Savary).
[821] Sommigen vatten echter het werkwoord, dat hier met verbergen is vertaald, in een tegenovergestelden zin op, en dan moet het luiden: Zij zullen hun berouw openlijk verklaren.
[822] Zie Hoofdstuk VI, vers 40 en volg.
[823] Zie Hoofdstuk IV, vers 44 noot.
[824] Zijnde de goddelooze en oproerige taal der ongeloovigen.
[825] Zie Hoofdstuk VII, vers 57 enz.
[826] Daarom kunt gij niet verontschuldigen, door te zeggen, dat ik u lastig ben.
[827] Zooals: Hoed, Saleh, Abraham, Lot en Shoaib, aan die van Ad, Thamoed, Babel, Sodom en Midian.
[828] Zie Hoofdstuk VII, vers 101.
[829] Want toen hij in het eerst begon te prediken, geloofden slechts weinigen der jonge IsraÎlieten in hem; de andere luisterden niet naar hem, uit vrees voor den koning. Sommigen veronderstellen echter dat het voornaamwoord zijn op Pharao slaat, en dat deze zekere Egyptenaren waren, die, evenals zijne vrouw Asaia, Mozes geloofden. (Al Beid‚wi).
[830] Zoo verklaart Jallalo'ddin het oorspronkelijke woord Kebla, dat eigenlijk de plaats of de hemelstreek beteekent, waarheen men bij het verrichten van het gebed is gekeerd. Al Zamakshari veronderstelt dientengevolge, dat het hier den IsraÎlieten wordt bevolen hunne bedehuizen zÛÛ in te richten, dat zij zich in gebed met het aangezicht naar Mekka kunnen keeren, hetgeen, naar zijne veronderstelling, dat Kebla van Mozes was, zooals zij het die der Mahomedanen is. De eerstgenoemde uitlegger voegt er bij, dat Pharao den IsraÎlieten had verboden tot God te bidden, waardoor zij genoodzaakt waren, dien plicht in stilte in hunne huizen te vervullen.
[831] Het voornaamwoord staat hier in het meervoudig daar het op Mozes en A‰ron slaat, die voorafgaan. De uitleggers zeggen, dat, ten gevolge van dit gebed, al de schatten van Egypte in steenen werden veranderd. (Jallalo'ddin.)
[832] Of zooals Al Beid‚wi het vertolkt: wees volhardend en onwrikbaar in het prediken voor het volk. De Mahomedanen beweren, dat Mozes niet korter dan veertig jaren in Egypte bleef, voor hij het eerst zijne zending openbaarde. Dit is echter niet met de H. Schrift overeen te brengen.
[833] Men zegt, dat Pharao deze woorden bij zijn uiteinde dikwijls herhaalde, opdat hij verhoord mocht worden. Maar zijn berouw kwam te laat; want GabriÎl stopte spoedig zijn mond met slijk, uit vrees, dat hij genade mocht verkrijgen, terwijl hij hem tegelijkertijd verwijtingen deed, met de woorden die thans hier boven volgen.
[834] Daar sommigen der kinderen IsraÎls het betwijfelden, dat Pharao werkelijk verdronken was, deed GabriÎl, op Gods bevel, het naakte lichaam naar den oever drijven, opdat zij het zouden zien. (Exod. XIV : 30). Het woord dat hier met lichaam is vertolkt, beteekent ook een malienkolder: waardoor sommigen veronderstellen, dat hier bedoeld wordt, dat zijn lichaam, gewapend met een uit goud vervaardigden malienkolder, op het water dreef, waardoor zij wisten dat het Pharao was.
[835] Dat is nopens de waarheid der geschiedenissen, die hier worden verhaald. De uitleggers verschillen, of de persoon waarvan hier wordt gesproken, Mahomet zelf, dan wel zijn toehoorder is.
[836] Zijnde de inwoners van Ninweh, dat op of nabij de plaats stond, waar zich thans al Mawsil bevindt. Daar dit volk zich zelf, door afgoderij, in het verderf had gestort, werd Jonas, de zoon van Mattai (of Amittai, dat, volgens de veronderstelling der Mohammedanen de naam zijner moeder was), een IsraÎliet van den stam van Benjamin, door God gezonden, om voor hen te prediken en hem terecht te brengen. Toen hij het eerst begon, hen tot berouw te vermanen, behandelden zij hem zeer slecht, in plaats van naar hem te luisteren, zoodat hij genoodzaakt was de stad te verlaten, terwijl hij bij zijn vertrek dreigde dat zij binnen drie dagen, of volgens anderen, binnen veertig dagen zouden worden verdelgd (Jonas III : 4.) Maar toen de tijd naderde en zij den hemel met eene zwarte wolk bedekt zagen, die vuur uitschoot en de lucht met rook vervulde, en welke juist boven hunne stad hing werden zij door een onbeschrijfbaren schrik bevangen en vluchtten met hunne gezinnen en vee naar de velden. Zij hulden zich in zakken en verootmoedigden zich voor God, luid om vergiffenis roepende en onrecht berouw toonende over de door hen bedreven zonden. Daarop behaagde het Gode hun te vergeven, en woei het onweder over (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Abulfed. Zie Hoofdstuk XXI en XXVII).
[837] Zijnde tot dat zij naar den gewonen loop der natuur sterven.
[838] Het verhaal van dezen profeet komt in dit hoofdstuk voor, Savary's overzetting behelst, na dezen naam, de woorden: vrede zij met hem. Sommigen schrijven Hud.
[839] Of, zooals het wel eens wordt vertaald; wenden zij hunne harten niet af, enz.
[840] Deze plaats werd te voorschijn gebracht door de woorden der afgodendienaars, die tot elkander zeiden; als wij eens gordijnen nederlaten (zooals de vrouwen in het oosten doen, om zich voor het gezicht der mannen te verbergen, indien deze bij toeval in de kamer zijn), en ons in onze kleederen hullen en onze harten omsluieren, om onze kwaadwilligheid nopens Mahomet te verbergen, hoe zou hij dan de wetenschap verkrijgen?
[841] Door alle hoop op de goddelijke gunst ter zijde te werpen, door gebrek aan geduld en vertrouwen op God.
[842] Dit was het eerste aantal hoofdstukken, welke hij hen uitdaagde samen te stellen; doch daar zij niet in staat waren het te doen, maakte hij het hun gemakkelijker, daar hij hen uittartte, slechts een enkel hoofdstuk voort te brengen (Zie Hoofdstuk II: 21 en X: 39, enz.), dat met den Koran zoo wel in leer, als welsprekendheid zou zijn te vergelijken.
[843] Zijnde de Koran, of, zooals anderen veronderstellen, de engel GabriÎl.
[844] Dat daarvan getuigenis draagt.
[845] Zijnde de engelen en profeten, en ook hunne eigene ledematen.
[846] Want zij zullen, zoowel in dit als in het volgende leven, gestraft worden.
[847] Zijnde de geloovigen en de ongeloovigen.
[848] Zie Hoofdstuk VII, vers 57 enz.
[849] Door gebrek aan overweging en door den eersten indruk hunner verbeelding.
[850] Want dit verzochten zij hem te doen, daar deze armen menschen waren.
[851] Zie Hoofdstuk VI, vers 50.
[852] Daar hij een schip bouwde in eene midden in het land gelegen plaats, en zoo zeer van de zee verwijderd, en dat hij timmerman was geworden, nadat hij profeet was geweest. (Al Beid‚wi).
[853] Of, evenals het oorspronkelijke, letterlijk vertaald, zou luiden: kookt over. Deze oven bevond zich, zooals sommigen zeggen te C˚fa, op eene plek, waar thans eene moskee staat, of zooals anderen veeleer denken, in eene zekere plaats in IndiÎ, of wel te Ain warda in MesopotamiÎ (Al Beid‚wi). De overstrooming van dezen oven was voor Noach het teeken, dat de zondvloed nabij was (Jallalo'ddin enz.) Sommigen beweren dat het dezelfde oven was, die Eva gebruikte om haar brood in te bakken, zijnde van een anderen vorm dan diegene, welke door ons worden gebezigd, hebbende de opening in het bovenste gedeelte. Deze oven zou van patriarch op patriarch zijn overgegaan, tot zij aan Noach kwam. (Zie d'Herbelot, Bibl. Orient. Art. Noah). Het is opmerkelijk, dat Mahomet, naar alle waarschijnlijkheid deze omstandigheid aan de Perzische wijsbegeerte heeft ontleend, die veronderstelde, dat de eerste wateren van den zondvloed uit den oven van eene zekere oude vrouw, met name Zala Cufa zouden zijn gestroomd. (Zie Hyde, de Rel. Vet. Persar en Lord, account of the Relig. of the Persees, pag. 9.) Doch het woord tann¸r, dat hier met oven is vertaald, beteekent ook de oppervlakte der aarde, of een plaats waar wateren ontspringen of verzameld worden. Sommigen zijn dientengevolge van meening, dat op deze plaats slechts gedoeld wordt op de plek of de kloof waaruit de eerste wateren stroomden.
[854] Of zooals deze woorden mede kunnen worden vertolkt, gelijk dit, volgens sommige uitleggers, dan ook zou behooren te geschieden, twee paar, dat is twee mannetjes en twee wijfjes van iedere soort, waardoor zij voor een gedeelte overeenkomen met verschillende Joodsche en Christelijke schrijvers (Ebn Ezra, Justin, Martyr, enz.), die van de Hebreeuwsche uitdrukking "zeven en zeven," en "twee en twee", het mannetje en zijn wijfje (Gen. VII : 2) afleiden, dat er veertien paren van iedere reine en twee paren van iedere onreine soort in de ark gingen. Er bestaat eene overlevering, volgens welke God voor Noach alle diersoorten verzamelde, en dat, toen hij ze aanvatte, zijne rechterhand aanhoudend op de mannetjes en zijne linkerhand op de wijfjes nederviel. (Jallalo'ddin).
[855] Namelijk zijne vrouw en zijne zonen met hunne vrouwen.
[856] Dit was eene ongeloovige zoon van Noach (Yahya) Canaan genaamd (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi) of Yam (Ebn Shohnah). Anderen zeggen echter, dat hij niet de zoon van Noach was, maar de zoon van zijn zoon Cham, of de zoon van zijne vrouw, bij een anderen echtgenoot, dus zijn klein- of zijn stiefzoon. Anderen weder beweren, dat hij niet met hem verwant was, doch slechts in zijn huis werd opgevoed (Al Zamakhshari, d'Herbelot, Bibl. OriÎnt p. 676). De beste uitleggers voegen er bij, dat de vrouw van Noach, WaÔla genaamd, zijnde eene ongeloovige, mede in deze uitzondering was begrepen, en met haar zoon omkwam (Jallalo'ddin, Al Zamakhshari, Al Beid‚wi).
[857] Daar Noachs gezin reeds vroeger werd vermeld, veronderstelt men dat door deze woorden, de andere geloovigen worden bedoeld, welke zijne bekeerlingen waren, maar niet tot zijn gezin behoorden. Daaruit schijnt de algemeene heerschende meening der Mahomedanen, dat een grooter aantal personen dan acht in de ark werden gered, zijn oorsprong te hebben genomen. (Zie Hoofdstuk VII, vers 62 noot.)
[858] Zijnde zijne andere vrouw, die een ware geloovige was, zijne drie zonen, Sem, Cham en Japhet en hunne vrouwen, en tweeÎnzeventig andere personen. (Zie Hoofdstuk VII, vers 62 noot).
[859] Dat is: verzuim niet aan boord te gaan. Overeenkomstig eene andere lezing moeten de volgende woorden aldus worden vertaald: "Wie haar zal doen voortbewegen en stil liggen," als de gelegenheid dit vordert. De uitleggers verhalen, dat de ark zich voortbewoog of stil lag, al naar Noach dit verlangde, alleen door het uitspreken der woorden: "In den naam van God" (Al Beid‚wi, enz.) Men dient niet uit het oog te verliezen, dat de meer oordeelkundige uitleggers de afmetingen van de ark zoo opgeven, dat die overeenkomen met de door Mozes vermelde (Al Beid‚wi, enz.) niettegenstaande deze door anderen op overdreven wijze zijn vergroot (Yahya, Zie Marracc, in Alcor. p. 340, gelijk door sommige christelijke schrijvers (Origen. contr. Cels. lib. 4. Zie Kircher de Arca NoÎ c. 8) mede is geschied. Zij verhalen eveneens, dat Noach twee jaren gebruikte om de ark te bouwen, die van Indiaansch ahornhout was samengesteld (Al Beid‚wi) d'Herbelot p. 675 en Eutych, p. 34); dat zij in drie verdiepingen was afgedeeld, waarvan de onderste was bestemd voor de dieren, de middelste voor de mannen en vrouwen en de bovenste voor de vogels (Al Beid‚wi, Eutych. p. 34) en dat de mannen van de vrouwen waren afgescheiden door het lijk van Adam, dat door Noach in de ark was medegenomen (Yahya). Dit laatste is eene overlevering van de Christenen uit het Oosten (Jacob. Edessenus, apud Barcebham, de Parad. Pars. I, Cap. 14. Eutych, ubi sup. t. a. pl., etiam Eliezer pirke Cap. 23), van welke sommige beweren dat de huwelijksplicht was opgeheven gedurende den tijd dat Noach en zijn gezin in de ark waren (Ambros. de Noa et Arca Cop. 21) Cham wordt echter beschuldigd de onthouding niet in acht genomen te hebben, daar Cansan in de ark werd voortgebracht (Heidegger, Hist. Patriarch. VI, p. 409).
[860] De wateren stonden vijftien voet boven de bergen (Al Beid‚wi).
[861] Zie hierboven de noot op vers 42.
[862] Dit is een van de bergen, waardoor ArmeniÎ, ten zuiden, wordt gescheiden van MesopotamiÎ en het deel van AssyriÎ, dat door de Kurden wordt bewoond; vanwaar de bergen den naam van Cardu of Gardu hebben ontleend. De Grieken noemen dien GordyaeÓ, of geven er andere namen aan. (Zie Bochart, Phaleg lib. I, Cap. 3). De berg al J˚di welks naam eene verbastering schijnt te zijn, hoewel die steeds door de Arabieren in plaats van Jordi of Giordi wordt geschreven, wordt ook Thamanin genaamd (Georg. Num. p. 202), waarschijnlijk naar eene stad, die aan zijnen voet ligt (d'Herbelot Bibl. Orient., p. 404 en 676 en Agathiam, lib. XIV, p. 135), aldus genaamd naar het aantal personen, die in de ark werden gered, daar het woord thamanin, tachtig beteekent, terwijl men van deze plaats de streek, Diy‚r Rabiah kan overzien, nabij de steden Mawsel, Forda en Jazirat Ebn Omar, welke laatstgenoemde plaats, volgens de verzekering van een uitlegger, op slechts vier mijlen afstands van de plaats der ark ligt. Hij voegt er bij, dat daar van de overblijfsels van dat vaartuig door den Khalif Omar Ebn Abd'alaziz, dien hij verkeerdelijk Omar Ebn Khattab noemt, een Mahomedaansche tempel werd gebouwd (Benjamin, Itiner p. 61). De overlevering, waarbij het bevestigd wordt, dat de ark op deze bergen is gebleven moet zeer oud zijn, daar zij van de Chaldeeuwen afkomstig is (Berosus apud Joseph Antiq. lib. I. cap. 4). De Chaldeeuwsche paraphrasten ondersteunen deze meening (Onkelos et Jonathan in Gen. VIII, 4), welke lang te voren gevestigd was, vooral bij de Christenen in het Oosten (Eutych. Annal., p. 41). Ter bevestiging daarvan verhaalt men, dat de overblijfselen der ark op de Gordyaansche bergen zichtbaar waren. Berosus en Abydenius verklaren beide, dat er zulk een verhaal in hunnen tijd bestond (Berosus, apud Joseph t. a. pl. Abydenius, apud Euseb. Praep. Ev., lib. IX, cap. 4). De eerste doet opmerken, dat verscheidene inwoners het pek, der planken afschraapten, om het als eene zeldzaamheid te bewaren, en dit als een amulet bij zich droegen; de laatstgenoemde zegt, dat zij het vaartuig met verwonderlijk gevolg tegen verschillende ziekten aanwendden. Ook waren hier de reliquieÎn van de ark zichtbaar, in den tijd van Epiphanius, indien wij hem mogen gelooven (Epiph. Haeres 18), en men verhaalt, dat keizer Heraclius zich van de stad Thamanin op den berg al J˚di begaf waar hij de plaats van de ark zag (Elmacin, lib. I, cap. 1). Vroeger stond hier ook een groot klooster, het klooster van de ark genaamd, dat op een der bergen gebouwd was, waar de Nestorianen gewoon waren een feestdag te vieren, op de plek, waar zij veronderstelden, dat de ark bleef; maar in het jaar 776, na Chr., werd dit klooster, met de kerk, door een onweder vernield, terwijl er zich eene talrijke gemeente in bevond. (Zie Chronic. Dionysii Patriarch. Jacobitar. apud Asseman, Bibl. Orient., tome II. p. 113). Sedert dezen tijd, schijnt echter het geloof aan deze overlevering verminderd te zijn, en voor eene andere plaats gemaakt te hebben, die thans gevestigd is, en volgens welke de ark op den berg Mazis in ArmeniÎ bleef, die door de Turken Agdir dagh, de zware of de groote berg genoemd wordt en omstreeks twaalf mijlen ten zuidoosten van Erivan ligt (Al Beid‚wi).
[863] Overeenkomstig eene andere lezing, moet deze plaats vertolkt worden met de woorden: Want hij heeft onrechtvaardig gehandeld.
[864] De Mahommedanen zeggen, dat Noach in de ark ging op den 10den van Rajeb, en er op den 10den van al Moharam uitkwam, waarop dientengevolge een vastendag werd ingesteld. De geheele tijd van Noachs verblijf in de ark, bedroeg derhalve zes maanden (Al Beid‚wi, d'Herbelot. t. a. pl.)
[865] Dit is: het deel zijner nakomelingschap, dat het ware geloof mocht verlaten, en zich aan afgodendienarij overgeven.
[866] Zie Hoofdstuk VII, vers 63. Sommigen schrijven Hud.
[867] Daar de Aditen gedurende drie jaren vreeselijk door droogte werden geteisterd (zie Hoofdstuk VII, vers 63 en volgende).
[868] Door u kinderen te schenken daar ook de boezems hunner vrouwen, gedurende den tijd der droogte, evenals hunne landerijen, mede onvruchtbaar werden gemaakt (Al Beid‚wi).
[869] Of uitzinnigheid, daar zij u van uwe reden beroofden, om de onwaardige daden, die gij omtrent hen hebt bedreven.
[870] Dat is: hij oefent eene volstrekte macht daarover uit, naardien een schepsel op deze wijze vastgehouden, verondersteld wordt, tot de grootste onderwerping te zijn gebracht.
[871] Zie Hoofdst. VII, vs 71 enz. Sommigen schrijven Themud.
[872] Zijnde Woensdag, Donderdag en Vrijdag (Al Beid‚wi).
[873] Zijnde GabriÎl, MichaÎl, en IsrafÓl (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin Zie Gen. XVIII).
[874] Volgens Savary: toen hij zag, dat zij zijne hand niet aanraakten. Als de Oosterlingen iemand ontmoeten bewegen zij de hand naar de linkerzijde, nadat zij de gewone groet: "Vrede zij met u." hebben gedaan, en schudden elkander de hand. Als zij op zeer vertrouwelijken voet zijn, herhalen zij deze plichtpleging, en doen elkaar allerlei goede wenschen. Indien zij de personen niet kennen, die zij ontmoeten, maken zij hun slechts deze groete, en indien het een ongeloovige is, vergenoegen zij zich met hem alleen goeden dag te zeggen. Toen Abraham zag, dat de twee boden des hemels zijne hand niet aanraakten, leidde hij daaruit af, dat zij vreemdelingen waren, bij wie hij niet bekend was.
[875] Vermoedende dat zij slechte voornemens, nopens hem koesterden, daar zij niet met hem wilden eten.
[876] Al Beid‚wi schrijft, dat Sara toen negentig of negenennegentig jaar oud was, en Abraham honderdtwintig.
[877] Of de stam, waaruit voor de toekomst al de profeten moesten geboren worden. Misschien heeft de uitdrukking ook betrekking op het bouwen van den Caaba, door Abraham en IsmaÎl, welke dikwijls, bij uitnemendheid, het huis wordt genoemd.
[878] Door dat zij in de gedaante van schoone en jonge mannen verschenen, die de bewoners van Sodom in verzoeking moesten brengen, hen te misbruiken. (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[879] Dit is: dat hij zich zelven niet in staat achtte, hen voor de beleedigingen zijner medeburgers te behoeden.
[880] Volgens Savary: Is alle schaamte bij u uitgedoofd?
[881] Dit schijnt de ware zin van deze plaats te zijn; maar volgens eene andere lezing van den zelfklinker, wordt dit door sommigen vertaald. "Uitgezonderd uwe vrouw;" daar de bedoeling zou zijn, dat hier aan Lot wordt bevolen, zijn gezin mede te nemen, uitgenomen zijne vrouw.
[882] De oven, waarin zij werden gebakken, was, volgens de meening van sommigen, de hel.
[883] Dat is, zooals sommigen veronderstellen, met witte en roode strepen, of op bijzondere wijze gemerkt, ten einde die van gewone steenen te onderscheiden. De heerschende meening is echter, dat op iederen steen de naam geschreven was van den persoon, die daardoor werd gedood (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi). Het leger van Araha al Ashram werd mede door dezelfde soort steenen verdelgd.
[884] Dit is eene soort van bedreiging, tot andere zondaren gericht, en bijzonder tot de ongeloovigen van Mekka, die dezelfde straf verdienden, en haar terecht hadden te vreezen.
[885] Zie hoofdstuk VII, vers 83 enz.
[886] Daar zij zich verbeeldden, dat hun deze vrijheid was ontnomen, door zijn verbod van het gebruik van valsche maten en gewichten, of om hunne muntstukken in innerlijke waarde te verminderen, of die te vervalschen (Al Beid‚wi).
[887] Want Sodom en Gomorra waren op geen grooten afstand van u gelegen, en hare vernietiging is zooveel jaren nog niet geleden; zij verdienden het ook niet meer dan gij zelf, uithoofde zij niet snooder of halsstarriger waren.
[888] Het Arabische woord daif, zwak, beeteekent in het Hamyaritische dialect, ook blind. Sommigen veronderstellen, dat ShoaÔb dit was, en dat de Midianieten hem dit tegenwierpen, als een gebrek, waardoor hij minder geschikt was, om als profeet op te treden.
[889] Zie Hoofdstuk VI, vers 135 en de noot.
[890] Zie Hoofdstuk VII, vers 101 enz.
[891] Letterlijk: nedergemaaid; de volzin stelt verschillende beelden van het staan en maaien van het koren voor, welke ook dikwijls door de gewijde schrijvers werden gebruikt.
[892] Deze twee woorden beteekenen eigenlijk in het oorspronkelijke, de snelle in- en uitademing van een persoon, zooals dat dikwijls plaats heeft bij menschen, die in groote droefheid en angst verkeeren; gelijk ook bij het inhalen van den toon der stem van een ezel, als hij balkt.
[893] Dit moet niet zoo strikt worden opgevat, alsof de straf van den verdoemde een einde zou hebben, of dat de hemelen en de aarde eeuwig zoude blijven bestaan; daar deze uitdrukking, alleen bij wijze van beeld of vergelijking is gebruikt, en dus niet met iedere bijzonderheid der zaak zelve behoeft overeen te stemmen. Sommigen zijn echter van oordeel, dat hier worden bedoeld de toekomstige hemelen en aarde, waarin de tegenwoordige zullen veranderen. (Al Beid‚wi).
[894] Dat is: na zonsondergang, of voor het avondeten, op welken tijd de Mahomedanen hun vierde gebed uitspreken, dat zij Sal‚t al moghreb of het avondgebed noemen. (Al Beid‚wi).
[895] Door hen tot hunne eenige zaak te maken, hunne brooddronken begeerten en lusten te streelen, waarin zij hunne geheele gelukzaligheid stelden.
[896] Al Beid‚wi zegt, dat deze plaats de reden aantoont, waarom de volkeren in den ouden tijd werden verdelgd: zijnde om hun geweld en hunne onrechtvaardigheid, en wegens het volgen hunner eigene lusten, hunne afgoderij en hun ongeloof.
[897] Of, zooals de evengenoemde uitlegger beweert, alleen om hunne afgodendienarij, terwijl ze in andere opzichten de rechtvaardigheid niet uit het oog verloren.
[898] Zie Hoofdstuk VI, vers 135 en de noot.
[899] De KoreÔshieten wilden Mahomet verstrikken, op aanhitsing en aangevoerd door zekere Joodsche rabbijnen, en vroegen hem daartoe, hoe Jacobs gezin naar Egypte was gekomen, en dat hij hun de geschiedenis van Jozef met al hare omstandigheden zou vertellen. Daarop beweerde hij dit hoofdstuk, bevattende het verhaal van dien patriarch, van den hemel te hebben ontvangen (Al Beid‚wi). Men zegt echter, dat het door twee Mahomedaansche secten, takken van de Kharejieten--Ajaredieten en Maimoenianen genaamd--als valsch werd verworpen.
[900] Volgens Savary, zegt Al Beid‚wi, dat de Mahomedaan die dit hoofdstuk zal lezen, of het aan zijne vrienden of dienaren verklaart, een zachten dood zal hebben en genoegzame zielskracht om niemand te benijden.
[901] Of dit bijzondere hoofdstuk. Zooals reeds werd opgemerkt, beteekent het woord Koran niets meer dan eene lezing of voorlezing, en wordt het dikwijls gebruikt, niet alleen om het geheele boek, maar ook om een hoofdstuk of deel daarvan aan te duiden.
[902] Dat is: Zoo geheel onbekend met het verhaal waart gij dat het u nimmer in de gedachte kwam. Volgens Al Beid‚wi is dit een zeker argument, dat het uit den hemel aan Mahomet moet zijn geopenbaard.
[903] Want de uitleggers zeggen, dat Jacob, die van oordeel was, dat Jozefs droom zijne verheffing boven de overige leden van het gezin voorspelde, terecht begreep, dat de afgunst zijner broederen hen in verzoeking mocht brengen, hem eenig nadeel te berokkenen.
[904] Dat is van droomen, of, zooals anderen zeggen, van de diepe beteekenis der plaatsen van de schrift, en van alle moeilijkheden, hetzij betreffende den godsdienst of de gerechtigheid.
[905] Zijnde Benjamin, zijn broeder uit dezelfde moeder.
[906] Jozef en Benjamin genieten de grootste teederheid van Jacob, hoewel wij die meer dan zij verdienen. Hij beging eene groote onrechtvaardigheid omtrent ons. (Savary).
[907] Of: hij zal u zijne geheele liefde wijden, en gij zult zijne gunst alleen genieten.
[908] Zooals sommigen zeggen, was deze persoon Judah, de voorzichtigste en edelhartigste van hen allen, of, volgens anderen, Ruben, die door de Mahomedaansche schrijvers RubÓl wordt genaamd (Al Beid‚wi, Al Zamakshari). Deze beide meeningen worden gestaafd door het verhaal van Mozes, die ons vertelt, dat Ruben hun ried, Jozef niet te dooden, maar hem heimelijk in een put neder te laten, waaruit hij voornemens was hem te verlossen (Gen. XXX, VII, 21, 22) en dat Judah daarna, gedurende de afwezigheid van Ruben, hen overhaalde hem niet in den put te laten sterven, maar hem aan de IsmaÎlieten te verkoopen (Ibid 26, 27.)
[909] In sommige afschriften staat: Opdat wij ons zouden mogen vermaken, enz.
[910] De reden waarom Jacob dit dier vooral vreesde was, zooals de uitleggers zeggen: hetzij omdat het land vol wolven was, of wel omdat hij had gedroomd, dat hij Jozef door een dezer dieren zag verscheuren (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Al Zamakshari.)
[911] Volgens Savary: indien hij door een wild dier wordt aangevallen zijn wij talrijk, en wij willen ter zijner verdediging sterven.
[912] Dat is: Het zou een voorbeeld van uiterste zwakheid en dwaasheid van ons zijn, en wij zouden terecht om zijn verlies gegispt worden.
[913] Zooals sommigen zeggen, was deze een zekere put nabij Jeruzalem of niet ver van de rivier de Jordaan gelegen; anderen noemen dien echter de put van Egypte of Midian. De uitleggers verhalen ons, dat, toen Jacobs zonen Jozef naar het veld hadden medegenomen, zij hem zoo onbarmhartig mishandelden en sloegen, dat zij hem zouden gedood hebben, indien Judah, op zijne hulpkreten, niet de belofte had herinnerd, die zij hadden afgelegd, hem niet te zullen dooden, maar hem in den put neder te laten. Daarop lieten zij hem een klein eind neder, doch toen de wanden van den put hem terughielden, bonden zij hem, en ontnamen hem zijn onderkleed, met het doel, dit met bloed te verven, teneinde hunnen vader te bedriegen. Jozef smeekte overluid, dat men hem zijne kleederen zou teruggeven, maar te vergeefs: zijne broeders zeiden tot hem met een spottenden lach, dat de elf sterren en de zon en de maan hem konden kleeden en gezelschap houden. Daarna hadden zij hem tot op den bodem van den put nedergelaten. Doordien er echter water in den put was (hoewel de schrift het tegenovergestelde zegt), was hij verplicht, op een steen te klauteren, waarop hij weenende stond, toen de engel GabriÎl tot hem kwam met de openbaring, waarvan aanstonds in den tekst wordt gesproken (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Al Zamakshari).
[914] Jozef was toen slechts zeventien jaar oud. Al Beid‚wi doet opmerken, dat hij hier op Johannes den Dooper en Jezus gelijkt, die mede zeer vroeg met de goddelijke mededeeling werden begunstigd. De uitleggers beweren, dat GabriÎl hem tevens in den put kleedde, met een gewaad van zijde uit het paradijs. Zij voegen er bij, dat toen Abraham door Nimrod in het vuur werd geworpen (Zie Hoofdstuk XXI), hij ontbloot was, en dat GabriÎl dit kleed bracht en het hem omhing; en dat het van Abraham op Jacob kwam, die het opvouwde en in een amulet legde, dat hij om Jozefs hals hing, tot GabriÎl het er uittrok (Al Beid‚wi, Al Zamakshari.)
[915] Deze wedloopen dienden hun tot oefening, en de uitleggers nemen hier in het algemeen die soort van wedloopen aan, waarbij zij ook hunne vlugheid in het werpen van pijlen toonen, en welke nog in het Oosten gebruikelijk zijn.
[916] Jacob had reden dit te veronderstellen, dewijl, toen men hem het kleed bracht, hij bemerkte, dat hoewel het bebloed was, er echter geene scheuren in waren (Al Beid‚wi.)
[917] De uitleggers hier zijn zÛÛ nauwlettend, dat zij ons den naam van dien man opgeven, welke, zooals zij beweren Malec Ebn Dhor was, van den stam van Khozaab (Al Beid‚wi.)
[918] En Jozef, van de gelegenheid gebruik makende, greep de koord vast en werd door den man opgehaald.
[919] De oorspronkelijke woorden zijn: Ya boshra, waarvan het laatste door sommigen als den naam van den akker des waterputters wordt beschouwd, wien hij ter hulp riep. Die woorden zouden dan moeten luiden: O Boshra!
[920] De uitleggers zijn het niet eens, of het voornaamwoord zij betrekking heeft op Malec en zijne makkers of op de broeders van Jozef. Zij die de eerste meening omhelzen, zeggen, dat degenen die kwamen om water te halen, de wijze waarop zij aan hem waren gekomen, voor het overige gedeelte der karavaan verborgen, opdat zij hem voor zich zelven zouden kunnen behouden, voorgevende, dat zij hem van eenige personen hadden gekregen, om hem voor hen in Egypte te verkoopen. Zij die de laatstgemelde meening zijn toegedaan verhalen ons, dat Judah iederen dag, door Jozef in den put doorgebracht, hem levensmiddelen bracht, maar toen hij hem op den vierden dag niet meer vond, maakte hij zijne broeders er mede bekend, waarop zij zich allen tot de karavaan begaven, en Jozef als hun slaaf terug eischten, terwijl hij niet dorst ontdekken dat hij hun broeder was, uit vrees dat daaruit nieuw leed voor hem mocht voortvloeien, terwijl zij er eindelijk in toestemden, Jozef aan hen te verkoopen (Al Beid‚wi.)
[921] Namelijk: twintig of tweeÎntwintig dirhems, en die bovendien het volle gewicht niet hadden.
[922] Zijn naam was KitfÓr of ItfÓr (eene verbastering van Potiphar); hij was een man van hoog aanzien, daar hij onder-intendant der koninklijke schatkist was (Al Beid‚wi). De uitleggers beweren, dat Jozef op 17 jarigen ouderdom in zijnen dienst trad en 13 jaren bij hem leefde, en dat hij op 33 jarigen leeftijd tot den eersten minister werd verheven, en 120 jaren telde toen hij stierf. Zij die verhalen, dat Jozef tweemalen werd verkocht, verschillen onder elkander, nopens den prijs dien door de Egyptenaren voor hem werd betaald. Sommigen zeggen dat het 20 gouden dinars waren, een paar schoenen en twee witte kleederen, en anderen dat het eene groote som in zilver of goud was.
[923] Sommigen noemen haar RaÔl; maar de naam, waaronder zij het beste bekend staat, is die van Zoleikha.
[924] Daar KitfÓr geene kinderen had. Men zegt dat Jozef de genegenheid zijns meesters, zÛÛ spoedig door zijn voorkomen won, dat, naar KitfÓrs meening, die, gelijk men beweert, veel kennis van gelaatkunde bezat, zijne voorzichtigheid en andere goede eigenschappen daarin waren aangeduid.
[925] Zijnde KitfÓr. Volgens anderen wordt hier echter van God gesproken.
[926] Dat is: hij had niet ernstig nagedacht over de onreinheid der hoererij, en de groote zonde die daarin is gelegen. Sommigen veronderstellen echter, dat deze woorden op eene wonderbaarlijke stem of verschijning doelen, door God gezonden, om Jozef af te wenden van de uitvoering der misdadige gedachten, die zich van hem begonnen meester te maken. Zij zeggen namelijk, dat hij reeds zoo zeer door de schoonheid van zijne meesteres en haar verleidelijk gedrag in verzoeking was gebracht, dat hij op haren schoot zat, en juist begon zich te ontkleeden, toen eene stem hem riep, en hem smeekte, zich van haar te onthouden: maar hij sloeg geen acht op die vermaning, welke echter driemaal werd verhaald, tot eindelijk de engel GabriÎl, of, zooals anderen willen, de gedaante van zijn meester hem verscheen. Het meer algemeene gevoelen is echter, dat het de verschijning van zijn vader Jacob was, die op de toppen van zijne vingers beet, of, zooals sommigen zeggen, over zijne borst streek, waarop zijne onkuischheid door de toppen zijner vingers verdween (Al Beid‚wi, Al Zamakhshari, Jallalo'ddin, Yahya).
[927] Een harer neven, die toen nog een kind was, dat in die wieg lag.
[928] Deze vrouwen waren vijf in getal en de echtgenooten van evenveel van des konings hoofdbeambten, zijnde: zijn kamerheer, zijn schenker, zijn bakker, zijn gevangenbewaarder en zijn veehoeder. (Al Beid‚wi).
[929] De oude Latijnsche vertalers hebben, op eene vreemde wijze, de beteekenis van het oorspronkelijke woord abcarnaho misbruikt, hetgeen zij met menstruatae sunt vertolken, en daarna Mahomet bestraffen om het onwelvoegelijke der uitdrukking. Erpenius (In Not. ad Hist. Josephi) beweert, dat hier niet het minste spoor van zulk eene bedoeling in het woord is te vinden; maar hij dwaalt, daar het werkwoord cabara in de vierde vervoeging, zooals het hier is gebruikt, die beteekenis heeft, doch de bijvoeging van het voornaamwoord (gelijk hier is geschied, en dat misschien door de Latijnsche vertalers niet is opgemerkt,) werpt deze vertolking geheel omver.
[930] Door de groote verrassing die de buitengewone schoonheid van Jozef bij haar te weegbracht. Zoleikha voorzag deze verrassing, en gaf haar messen in de handen, opdat dit ongeval zou plaats hebben. Sommige schrijvers doen hierbij opmerken, dat in het Oosten bij gelieven de gewoonte is, dat zij de hevigheid van hunnen hartstocht bewijzen, door zich zelven te snijden, als een teeken dat zij hun bloed ten offer zouden willen brengen, om den persoon te dienen, die door hen wordt bemind.
[931] Dat is aan KitfÓr en zijne vrienden. Men zegt dat de reden van Jozefs gevangenschap daarin lag, dat zij hem voor schuldig hielden, niettegenstaande de bewijzen voor zijne onschuld gegeven. Anderen beweren, dat Zoleikha het begeerde, voorgevende, om haren man te bedriegen, dat zij verlangde dat Jozef aan haar gezicht zou worden onttrokken, tot zij door den tijd haren hartstocht zou kunnen overwinnen, maar dat haar wezenlijk plan was, hem tot medeplichtigheid te dwingen.
[932] Zijn opperste schenker en zijn opperste bakker, die beschuldigd waren, hem te hebben willen vermoorden.
[933] Namelijk de schenker.
[934] De bedoeling dezer plaats schijnt te zijn, hetzij dat Jozef, ten einde te toonen, dat hij van geene bovennatuurlijke of astrologische kunsten gebruik maakte, belooft hun hunne droomen dadelijk uit te leggen, nog voor zij een eenvoudig maal zouden gebruiken, of wel dat hij hier, als een proef van zijne ervarenheid, hun aanbiedt, hun vooruit te voorspellen, welke hoeveelheid levensmiddelen hun zou worden gebracht.
[935] Zie Hoofdstuk VII, vers 101 en de noot.
[936] Overeenkomstig de uitlegging van sommigen, die aannemen, dat het voornaamwoord hij betrekking heeft op Jozef, zou deze plaats aldus moeten luiden: Maar de duivel deed hem (d.i. Jozef) vergeten, zich tot zijnen Heer te wenden; en deed hem de goede diensten zijner medegevangenen voor zijne bevrijding vragen in plaats van op God alleen te vertrouwen, zooals vooral een profeet had behooren te doen. (Al Beid‚wi).
[937] Het oorspronkelijke woord beteekent een getal tusschen drie en negen of tien. Volgens het algemeene geloof zou Jozef zeven jaren in de gevangenis zijn verbleven; doch sommigen zeggen, dat hij niet minder dan twaalf jaren in gevangenschap doorbracht. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin)
[938] Zooals de Oostersche schrijvers in het algemeen aannemen, was deze vorst Rivan, de zoon van Al Walid, den Amalekiet, die door Jozef bekeerd werd tot de aanbidding van den waren God en in den leeftijd van dien profeet sterf. Sommigen beweren echter, dat de Pharao van Jozef en die van Mozes een en dezelfde persoon was, en dat hij 400 jaren leefde of liever regeerde (Al Beid‚wi).
[939] Ten einde het voor de kalander te behouden.
[940] Niettegenstaande hetgeen door sommige oude schrijvers nopens het tegendeel wordt beweerd (Plato, in Timaeo Pomp. Mela), regent het dikwijls des winters in het lagere gedeelte van Egypte en zelfs heeft men te AlexandriÎ sneeuw zien vallen, in strijd met de bepaalde verzekering van Seneca (Nat. Quaest., Lib, 4). In het opperste deel van Egypte, nabij de watervallen van den Nijl, regent het zeer zelden (Zie Greaves Descr. of the Pyramids, p. 74 enz., Ray, Collection of Travels. dl. II, p. 92.) Sommigen veronderstellen echter, dat met de hier besproken regens, diegene bedoeld worden, welke in EthiopiÎ zouden vallen, en den Nijl doen zwellen, hetgeen de groote oorzaak is van de vruchtbaarheid van Egypte; of wel de regens, die zouden nederkomen in de naburige plaatsen, welke gedurende denzelfden tijd zeer met hongersnood werden geteisterd.
[941] Het schijnt dat Jozef niet wenschte, de gevangenis te kunnen verlaten, dan nadat zijne onschuld algemeen en openbaar erkend was. De uitleggers doen opmerken, dat Jozef den boodschapper niet smeekte, den koning te bewegen, zelf naar de waarheid der zaak onderzoek te doen, maar dat hij hem onmiddellijk bad, den koning te vragen, hem de gunst te doen, met den meesten ernst een onderzoek in te stellen. Zij doen tevens opmerken, dat Jozef zorg droeg, zijne meesteres niet te noemen, uit eerbied en dankbaarheid voor de gunstbewijzen, welke hij van haar had ontvangen, tijdens hij zich in haar huis bevond (Al Beid‚wi, enz.)
[942] Mij door bedreigingen en door overredingen, trachtende aan te sporen, snoodheid met mijne meesteres te bedrijven.
[943] De koning vroeg haar af: Wat was de uitslag uwer verzoekingen van Jozef? Prins, hernam zij, zijn hart was bestand tegen boosheid. Savary.
[944] Volgens eene overlevering van Ebn Abbas, had Jozef de voorafgaande woorden nauwelijks uitgesproken, waarbij hij zijn onschuld volhield, of GabriÎl zeide tot hem: Wat! naamt gij het niet in overweging, bij haar te gaan liggen? Daarop bekende Jozef zijne zwakheid (Al Beid‚wi enz.)
[945] De uitleggers zeggen, dat Jozef buiten de gevangenis werd gebracht, nadat hij zich gewasschen en van kleederen verwisseld had. Hij werd daarop bij den koning binnengeleid, die hij in de Hebreeuwsche taal groette; en op des konings vraag, welke taal dit was, antwoordde hij: de taal mijner vaderen. Zij zeggen dat deze vorst niet minder dan zeventig talen verstond, in welke alle hij met Jozef sprak, die hem in dezelfde taal antwoordde. De koning was daarover zeer verwonderd, en verzocht hem zijn' droom te verhalen, hetgeen hij deed, terwijl hij de kleinste omstandigheden beschreef. De koning plaatste daarop Jozef naast hem op den troon en verhief hem tot zijn Wezir, of eersten minister. Sommigen zeggen, dat, toen zijn meester KitfÓr, omstreeks dienzelfden tijd stierf, hij hem niet alleen in zijne betrekking opvolgde, maar zelfs, op bevel des konings, de weduwe, zijne voormalige meesteres, huwde, welke hij bevond eene maagd te zijn, en die hem EphraÔm en Manassa baarde (Al Beid‚wi, Kitab Tafasir, enz.). Volgens deze overlevering is zij dezelfde vrouw welke door Mozes Asenath wordt genoemd. Dit veronderstelde huwelijk, hetwelk hunne liefde wettigde, heeft de Mahomedaansche godgeleerden waarschijnlijk aangemoedigd, van de liefde van Jozef en Zoleihka gebruik te maken, als een zinnebeeld der geestelijke liefde tusschen den Schepper en het schepsel, God en de ziel, evenals het hooglied van Salomo op hetzelfde mystieke onderwerp wordt toegepast. (Zie d'Herbelot, Bibl. OriÎnt, art. Jousouf).
[946] Het oorspronkelijke woord beteekent niet alleen geld, maar ook goederen, die geruild of tegen andere koopwaren in betaling gegeven zijn. Sommige uitleggers verhalen ons dan ook, dat zij niet in geld maar in schoenen en toebereide huiden betaalden (Al Beid‚wi).
[947] De bedoeling kan hier zijn, tenzij de hoeveelheid koren, die zij thans brachten, niet toereikend was voor het onderhoud hunner familiÎn, zoodat het voor hen noodig was een tweede reis te aanvaarden, of wel, dat een kameellast meer of minder slechts eene kleinigheid voor den koning van Egypte ware. Sommigen veronderstellen dat dit de woorden van Jacob waren, waardoor gezegd wordt dat de reden te gering was, om hem er toe te brengen met zijn zoon te vertrekken.
[948] Men verhaalt dat Jozef zijne broeders tot een gastmaal uitnoodigde, waarbij hij hun beval twee aan twee te zitten. Daardoor was Benjamin, de elfde, genoodzaakt alleen te zitten, en in tranen uitbarstende, zeide hij: Indien mijn broeder Jozef in leven was, zoude hij met mij aanzitten. Daarop beval Jozef hem, aan dezelfde tafel met hem zelven plaats te nemen, en toen het maal geÎindigd was, gebood hij den anderen te vertrekken, met bevel, dat zij twee aan twee in eene woning zouden worden gehuisvest. Hij hield Benjamin echter in zijn eigen vertrek, waar deze den nacht doorbracht. Den volgenden dag vroeg Jozef hem, of hij hem als zijn broeder wilde aannemen, in de plaats van dengeen dien hij verloren had. Benjamin hernam daarop: Wie kan een' broeder vinden die u gelijk is? Evenwel zijt gij de zoon van Jacob en Rachel niet. Daarop ontdekte Jozef zich aan hem (Al Beid‚wi).
[949] Sommigen beweren dat dit eene inhoudsmaat was ter grootte van een Sa‚ (of omstreeks 4.5 Ned. kan), waarin zij gewoon waren koren te meten, of de dieren te drenken. Volgens anderen was het een gouden of zilveren drinkbeker.
[950] Zoowel door ons gedrag onder de uwen, als door het terugbrengen van ons geld, dat ons, zonder dat wij het wisten, werd teruggegeven.
[951] Dit was de wijze van strafoefening voor diefstal bij Jacob en zijn gezin gebruikelijk. Bij de Egyptenaren werd deze misdaad op eene andere wijze bestraft.
[952] Want hier werd de dief niet tot slavernij gebracht, maar hij werd gegeeseld en gedwongen, het dubbele terug te geven van hetgeen hij had gestolen. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[953] De oorzaak van deze verdenking was, naar men zegt, de volgende: Jozef werd namelijk door de zuster zijns vaders opgevoed, en zij werd zoo verzot op hem, dat, toen hij opgroeide, en Jacob het voornemen had, hem van haar weg te nemen, zij de volgende list uitdacht om hem te behouden. Daar zij een gordel bezat die eens aan Abraham had toebehoord, gordde zij dien het kind om. Daarop gaf zij voor, dien verloren te hebben en deed een nauwkeurig onderzoek daarnaar instellen. Eindelijk werd die bij Jozef gevonden en hij veroordeeld, overeenkomstig de bovenvermelde wet der familie haar als haar eigendom te worden overgeleverd. Sommigen zeggen echter dat Jozef wezenlijk had gestolen en wel een gouden afgodsbeeld, dat aan de moeder van zijn' vader toebehoorde, en dat hij dit vernietigde. Dit sprookje is waarschijnlijk ontleend aan het stelen der beelden van Laban door Rachel. Anderen verhalen wederom dat hij eens eene geit of eene hen stal, om die aan een' armen man te geven (Jallalo'ddin).
[954] Zijnde Ruben. Sommige beweren echter, dat hier van Simeon of Judah sprake is, en vertolken het in plaats van met: de oudste met: de voorzichtigste van hen.
[955] Dat is: de pupillen verloren door zijn aanhoudend weenen hunne zwartheid en werden parelkleurig gelijk bij zekere oogziekten geschiedt; hierdoor werd zijn gezicht veel verzwakt, of, zooals sommigen beweren, werd hij volkomen blind (Al Beid‚wi).
[956] Zijnde, dat Jozef nog in leven was; hetgeen hem, zooals sommigen verhalen, in een droom door den engel des doods werd verzekerd. Anderen veronderstellen echter, dat hij vertrouwde op de vervulling van Jozefs droom, die echter verijdeld zou zijn geworden, ware hij gestorven vÛÛr zijne broeders zich voor hem nederbogen (Al Beid‚wi).
[957] Daar hun geld gesnoeid en vervalscht was. Sommigen beweren echter dat zij geen geld brachten, maar goederen om die te ruilen, zooals wol en boter, of andere benoodigdheden van geringe waarde (Al Beid‚wi).
[958] De krenking welke zij Benjamin aandeden, was, dat zij hem van zijn broeder scheidden, waarna zij hem zoo zeer vernederden, dat hij slechts met de grootste onderdanigheid tot hen dorst spreken. Sommigen zeggen, dat deze woorden het gevolg waren van een brief zijns vaders, welke door Jozefs broeders werd overgegeven, en waarin de vrijlating van Benjamin werd verzocht, terwijl hij daarin zijne groote droefenis schetste, wegens het verlies van hem en van zijn broeder. De uitleggers doen opmerken, dat Jozef, ten einde het gedrag zijner broeders te zijnen opzichte te verontschuldigen, dit aan hunne ontwetenheid, en aan de drift der jeugd toeschreef (Al Beid‚wi).
[959] Zij zeggen dat deze vraag niet het gevolg was van een bloot vermoeden dat hij Jozef was, maar dat zij hem werkelijk hadden herkend, hetzij door zijn aangezicht en gedrag, hetzij door zijne voorste tanden, die hij bij het glimlachen vertoonde, of wel bij het afnemen zijner tiara, waardoor een witachtige vlek op zijn voorhoofd zichtbaar werd (Al Beid‚wi).
[960] De uitleggers veronderstellen, dat dit hetzelfde kleed was als datgene, waarmede GabriÎl hem in den put voorzag, hetwelk, oorspronkelijk uit het paradijs afkomstig, de geuren dier plaats had behouden, en dat het groote voordeel bezat, alle gebreken te genezen van den persoon die daarmede werd aangeraakt (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[961] Dit was de bovenvermelde reuk van het kleed, door den wind tot Jacob gevoerd, die zooals beweerd wordt, door hem werd waargenomen op een afstand van tachtig parasangs (Al Beid‚wi) of, zooals anderen willen, op eene verte van drie of acht dagreizen (Jallalo'ddin).
[962] Zijnde Judah, die, daar hij vroeger zijn vader bedroefd had, door hem het met bloed bevlekte kleed van Jozef te brengen, hem thans des te meer verblijdde, daar hij de overbrenger van dezen rok, en van het bericht van Jozefs voorspoed was (Al Beid‚wi).
[963] Zijnde zijn vader en Lea, de zuster zijner moeder, welke hij na Rachels dood als zijne moeder beschouwde, (Al Beid‚wi, zie Gen. XXXVII : 10). Al Beid‚wi: verhaalt, dat Jozef voertuigen en leeftocht voor zijnen vader en zijne bloedverwanten zond; en dat hij en de Koning van Egypte hen te gemoet trokken. Hij voegt er bij, dat het getal der kinderen IsraÎls die met hem Egypte binnentogen, twee en zeventig beliep, en dat, toen zij later door Mozes werden uitgeleid, hun aantal zesmaal honderdduizend-vijfhonderd zeventig man en meer was aangegroeid, behalve de ouden en kinderen.
[964] Men veronderstelt dat hier eene verplaatsing der woorden heeft plaats gehad, en dat hij zijn vader en zijne moeder deed zitten, nadat zij voor hem hadden nedergebogen, en niet vÛÛr dien tijd (Al Beid‚wi).
[965] De Mahomedaansche schrijvers houden het er voor, dat Jacob vier en twintig jaren in Egypte woonde, en dat hij bij zijnen dood bevel gaf, dat zijn lichaam in Palestina, bij zijn vader moest worden begraven, voor welks uitvoering Jozef zorg droeg. Hij keerde daarop naar Egypte terug, waar hij drie en twintig jaren later stierf. Zij voegen er bij, dat er nopens zijne begraving zulke groote geschillen tusschen de Egyptenaren rezen, dat die bijna tot feitelijkheden zouden zijn overgeslagen. Eindelijk echter kwamen zij overeen, zijn lijk in een marmeren doodkist te leggen, en die in den Nijl te doen zinken, uit bijgeloof dat dit zou bijdragen tot geregeld wassen der rivier, en waardoor zij in het vervolg van hongersnood zouden zijn gevrijwaard. Doch toen Mozes de IsraÎlieten uit Egypte voerde, vischte hij de doodkist op, en nam de beenderen van Jozef met zich naar Cana‰n, waar hij die bij zijne voorvaderen begroef (Al Beid‚wi).
[966] Mahomet beschuldigt, niet alleen de afgodendienende bewoners van Mekka, maar ook de Joden en Christenen van deze misdaad, zooals reeds bij de herhaling werd opgemerkt. (Zie onder anderen Hoofdstuk IX, vers 30).
[967] En niet onder de bewoners der woestijnen, dewijl de bewoners der steden meer weten en medelijdender zijn, terwijl de bewoners der woestijnen onwetender en hardvochtig zijn. (Al Beid‚wi).
[968] Dit woord komt hieronder in vers 4 voor.
[969] Of, volgens sommige afschriften, te Medina.
[970] De beteekenis dezer letters is onbekend. Onder de verschillende veronderstellende uitleggingen die daarvan worden gegeven, behoort ook eene, volgens welke dit zou moeten luiden: Ik ben de meest wijze en alwetende God.
[971] Zooals: zoet en zuur, zwart en wit, klein en groot, enz. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Savary vertolkt deze plaats aldus: Hij is het die de aarde uitspreidde, die de bergen verhief, die de rivieren vormde, die u verschillende soorten van vruchten gaf. Hij schiep die van het mannelijke en van het vrouwelijke geslacht.
[972] Daar sommige streken vruchtbaar en andere onvruchtbaar, sommige vlak en andere bergachtig, sommige geschikt voor graanbouw en andere voor boomen zijn, enz. (Al Beid‚wi).
[973] Indien gij u over hun ongeloof verwondert, wat moet dan uwe verrassing zijn, als gij hen hoort zeggen: Is het mogelijk dat de stof van ons lichaam tot een nieuw schepsel kan worden (Savary.)
[974] De hier vermelde kraag is een werktuig, eenigszins gelijk aan eene kaak, maar licht genoeg voor den schuldige om daarmede voort te gaan. Behalve het gat om het aan den nek te bevestigen, bezit het een ander door eene der handen, die daardoor aan den nek is vastgemaakt (Vide Chardin Voyde Perse, V. 2, p. 229.) Op deze wijze zullen de verdoemden, volgens de meening der Mahomedanen, op den dag des oordeels verschijnen (Zie Hoofdstuk V, vers 69). Sommigen vatten deze plaats figuurlijk op, naardien de ongeloovigen door de ketenen van dwaling en de hardnekkigheid worden gekluisterd (Al Beid‚wi).
[975] Door u uit te lokken en te tarten, om hunne onboetvaardigheid de goddelijke wraak op hen af te smeeken.
[976] Daar donder en bliksem de voorteekens van naderende regen zijn, die vooral in het Oosten als eene groote zegen wordt beschouwd.
[977] Of veroorzaakt, dat zij die dien hooren, hem loven. Sommige uitleggers zeggen dat hier met het woord "donder" de engel wordt bedoeld, die het bevel over de wolken voert en deze met gedraaide bladen van vuur voortdrijft (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[978] Deze plaats werd bij de volgende gelegenheid geopenbaard. Amer Ebn Al Tofail en Abrad Ebn Rabiah, de broeder van Labid gingen tot Mahomet om hem te dooden: Amer begon nopens de voornaamste punten zijner leer met hem te twisten, terwijl Abrad een omweg maakte en achter hem kwam, ten einde met hem zijn zwaard te treffen. Maar de profeet doorzag zijn plan en riep Gode hulp in, waarop Abrad onmiddellijk door den donder werd doodgeslagen, terwijl Amer met een pestbuil werd bezocht, waaraan hij, na korten tijd, en in een ellendigen toestand stierf. (Al Beid‚wi, Vide Golii, note in Adagia Arab. adject. ad Gram. Erpenii, p. 99.) Jallalo'ddin deelt echter een ander verhaal mede, volgens hetwelk Mahomet iemand had gezonden om zekeren man uit te noodigen, zijnen godsdienst te omhelzen. De man deed daarop de volgende vraag tot den zendeling. Wie is de apostel en wat is God? is hij van goud, van zilver of van koper: Daarop sloeg een donderslag zijn schedel af en doodde hem.
[979] De ongeloovigen en zelfs de duivels zijn gedwongen, zich voor hem te vernederen, doch tegen hunnen wil, als zij aan de straf worden overgeleverd.
[980] Dit is eene toespeling op de vermeerdering en vermindering der schaduwen, naar gelang van den stand der zon, zoodat, wanneer die het langst zijn, namelijk des ochtends en des avonds, zij, op den grond nedergebogen, in de houding der aanbidding schijnen.
[981] Door in al de profeten zonder uitzondering te gelooven, en daaraan de aanhoudende uitoefening hunner plichten, zoowel ten opzichte van God als van de menschen, te verbinden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Yahya).
[982] Eigenlijk de tuinen van Eden. (Zie hoofdst. IX, vers 73 en de noot).
[983] Dit zijn mirakelen, welke de KoreÔshieten van Mahomet eischten; zij vroegen hem voorts, dat hij door de macht van zijn Koran Úf de bergen van Mekka zou wegnemen, opdat zij uitmuntende tuinen in hunne plaats konden hebben, Úf dat hij den wind zou dwingen, hen met hunne koopwaren naar SyriÎ over te brengen, (overeenkomstig welke overlevering de woorden, hier: of de aarde gespleten vertaald zouden moeten luiden: of in een oogenblik over de aarde gereisd), of wel dat hij Kozai Ebn Kelab en andere hunner voorouders, uit den dood zou doen opstaan om voor hem te getuigen.
[984] Sommigen veronderstellen, dat deze woorden tot Mahomet werden gesproken, en dan moeten zij in den tweeden persoon worden vertaald: Gij zult niet ophouden, bij hunne woningen neder te zitten, enz. Zij zeggen namelijk, dat dit vers betrekking heeft op de afgodendienende bewoners van Mekka, die door eene reeks van tegenspoeden werden bezocht, om de mishandeling van hunnen profeet, en welke aanhoudend verontrust en geplaagd werden door zijn aanhangers, die dikwijls hunne karavanen plunderden en hun vee wegvoerden. Hij zelf bevond zich toen met zijn geheel leger nabij de stad, voor de expeditie Al Hodeibiya (Al Beid‚wi).
[985] Dat is: tot de dood en de dag des oordeels hen overvallen, of, overeenkomstig de uitlegging in de vorige noot gegeven, totdat Mekka worde ingenomen (Al Beid‚wi).
[986] Dat is: dat zij hen de makkers van God noemen, zonder in staat te zijn, eene reden op te geven, waarom zij verdienen aandeel te hebben in de eer en de aanbidding, welke de mensch hem verschuldigd is (Al Beid‚wi).
[987] Zijnde de eerste proselieten van het Mahomedanisme, die uit het Jodendom en het Christendom waren voortgesproten of de Joden en Christenen in het algemeen, die vergenoegd waren, dat de Koran zoo gelijkluidend met hunne eigene schriften was (Zie Hoofdstuk III, vers 198).
[988] Dit zijn zij die deelgenomen hadden aan een bondgenootschap, om Mahomet weerstand te bieden, zooals Caab Ebn al Ashraf en de Joden, die hem volgden, benevens Al Seyid al Najrani, al Akib, en verschillende andere Christenen, die de gedeelten van den Koran loochenden, waarin hunne vervalschte leerstellingen en overleveringen worden weersproken (Hoofdstuk III, vers 198).
[989] Zooals aan u. Deze plaats werd geopenbaard in antwoord op de verwijtingen, welke men Mahomet deed, over het groote getal zijner vrouwen. De Joden zeiden namelijk, dat, indien hij een echt profeet ware, zijne zorg en aandacht op iets anders zou zijn gevestigd dan op vrouwen en het voortbrengen van kinderen. (Jallalo'ddin, Yahya). Hierbij moet opgemerkt worden, dat het eene grondstelling der Joden is, dat niets meer strijdig met het profeetschap is dan de onbeteugelde begeerte des vleesches. (Zie Maimon. More Neb. 2e ged. c. 36, enz.)
[990] Letterlijk de moeder van het boek; waarmede de tafel wordt bedoeld, waarop al de geschrevene openbaringen zijn overgeschreven, welke van tijd tot tijd aan de menschen werden geschonken.
[991] Aan het einde van dit Hoofdstuk wordt die patriarch vermeld.
[992] Opdat zij deze openbaringen niet alleen volkomen en snel voor zich zelven zouden kunnen begrijpen, maar ook in staat zouden wezen, die aan anderen te vertolken en te verklaren. (Al Beid‚wi).
[993] Letterlijk: de dagen van God; hetgeen ook zou kunnen vertolkt worden met: de veldslagen van God (daar de Arabieren het woord dag gebruiken om een belangrijk gevecht aan te duiden, zooals de Italianen giornata en de Franschen journÈe), of zijne wondervolle daden, betoond in de verschillende gelukkige uitkomsten van vroegere natiÎn in hare oorlogen (Al Beid‚wi).
[994] Zie Hoofdstuk VII, vers 124, enz.
[995] Zie hetzelfde Hoofdstuk vers 63, enz.
[996] Zijnde diegene, welke onmiddellijk tegen God werden bedreven, en door gelooven of het omhelzen van den Islam dadelijk worden uitgewischt; maar niet de misdaden uit onrechtvaardigheid begaan, en verdrukkingen die tegen den mensch plaats hadden (Al Beid‚wi). want om aflaat van deze laatste zonden te erlangen, is, behalve gelooven, berouw en teruggave overeenkomstig des menschen vermogen noodig.
[997] De uitleggers verkeeren in het onzekere, of dit de profeten waren, die om ondersteuning tegen hunne vijanden baden, dan wel de ongeloovigen, die Gods beslissing tusschen hen zelven en de profeten inriepen; of beiden. Daarentegen beweren sommigen, dat dit vers in geen verband staat met het vorige, maar op de bewoners van Mekka slaat, die om regen baden gedurende eene groote droogte, met welke zij op het gebed van hunnen profeet werden gestraft, doch welken regen zij niet konden Verkrijgen (Al Beid‚wi.)
[998] Dat voort zal komen van de lijken der verdoemden, gemengd met etterachtige zelfstandigheden en bloed.
[999] Zijnde: de meer eenvoudigen en lageren zullen tot hunne leeraren en vorsten zeggen, die hen tot afgodendienarij verleidden en hen in hun hardnekkig ongeloof bevestigden, enz.
[1000] Dat is: Wij deden voor u dezelfde keus als voor ons; en indien God niet zou hebben toegelaten, dat wij in dwaling vervielen, zouden wij u niet hebben verleid.
[1001] Gisp mijne verzoekingen niet, maar gisp uw eigene dwaasheid, om mij te gelooven en te vertrouwen, terwijl ik mij openlijk uw onverzoenlijke vijand heb betoond.
[1002] Of: ik verklaar mij thans onschuldig aan de omstandigheid, dat gij mij boven God hebt gehoorzaamd en afgoden op mijne ingeving hebt aangebeden. Of wel zouden de woorden aldus vertaald kunnen worden: Ik geloofde vroeger niet aan het wezen waarmede gij mij hebt vereenigd; zoodoende zijne eerste ongehoorzaamheid te kennen gevende, waardoor hij weigerde Adam op Gods bevel te aanbidden (Al Beid‚wi).
[1003] Zie Hoofdstuk X, vers 10.
[1004] De uitleggers verschillen nopens hetgeen op deze plaats onder het goede woord en het slechte woord moet worden verstaan. Met het eerste schijnt de belijdenis van Gods eenheid, die uitnoodiging aan anderen tot den waren godsdienst, of de Koran zelf, en met het laatste, het aannemen van een veelgodendom, het verleiden van anderen tot afgodendienarij, of de hardnekkige tegenstand aan Gods profeten te worden bedoeld (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1005] Jallalo'ddin veronderstelt, dat met dit laatste het graf wordt bedoeld, in welke plaats de ware geloovigen, als zij door de beide engelen nopens hun geloof zullen worden ondervraagd naar behooren en zonder aarzeling zullen antwoorden, waartoe de ongeloovigen niet in staat zullen wezen.
[1006] Dat is: die zijne gunsten beantwoordden met ongehoorzaamheid en ongeloof, of zij wier ondankbaarheid God noodzaakte, hen van de zegeningen te berooven welke hij hun had geschonken, zooals hij ten opzichte der bewoners van Mekka deed, die, hoewel zij door God op het heilige grondgebied waren geplaatst, en hij hun de bewaring van den Caaba, en een overvloedigen voorraad van alle benoodigdheden en gemakken des levens geschonken, en hen door de zending van Mahomet vereerd had, ter vergelding voor al deze gunsten, hardnekkige ongeloovigen werden en zijne gezanten vervolgden. Zij werden daarvoor niet alleen met een hongersnood van zeven jaren gestraft, maar ook door het verlies en de schande, welke zij te Bedr ondergingen; zoodat zij, die vroeger door hunnen voorspoed vermaard waren, thans daarvan werden beroofd, en alleen door hun ongeloof in het oogloopend werden (Al Beid‚wi). Indien dit de bedoeling dezer plaats is, kan zij niet te Mekka zijn geopenbaard, zooals nopens het overige des hoofdstuks is aangenomen; sommigen veronderstellen dan ook, dat dit en het volgende vers te Medina werden geopenbaard.
[1007] Het hier en in de volgende verzen gebruikte woord is Sakhkara, hetgeen beteekent: met geweld tot eenen of anderen dienst dwingen (Zie Hoofdstuk II, vers 159, in de noot).
[1008] Zijnde het grondgebied van Mekka.
[1009] Naar het schijnt werd dit gebed niet voor zijne geheele nakomelingschap verhoord, en in het bijzonder niet voor de afstammelingen van IsmaÎl. Sommigen beweren echter dat deze laatsten geene afgoden aanbaden, maar alleen eene bijgeloovige vereering wijdden aan zekere steenen, die zij oprichtten en huldigden, als vertegenwoordigers van den Caaba. (Al Beid‚wi).
[1010] Dat is: door hen tot berouw te brengen. Jallalo'ddin veronderstelt echter, dat deze woorden door Abraham werden gesproken, alvorens hij wist, dat God aan de afgodendienaren geene vergiffenis wilde schenken.
[1011] Zijnde IsmaÎl en diens nakomelingschap. De Mahomedanen zeggen dat Hagar, zijne moeder, aan Sarah toebehoorende, die haar aan Abraham gaf, en dat Sarah, nadat Hagar hem IsmaÎl had gebaard, zÛÛ ijverzuchtig op haar werd, dat zij er bij haren man op aanhield, hen beiden weg te zenden (Gen. XXI). Daarop zond hij hen naar het grondgebied van Mekka, waar God de bron van Zemzem ter hunner hulpe deed ontspringen, tengevolge waarvan de Joramieten die meester der plaats waren, hun veroorloofden, onder hen te wonen (Al Beid‚wi).
[1012] Had hij gezegd: de harten der menschen, in den volstrekten zin dan zouden de Perzen en Romeinen hen mede als vrienden behandeld, en zoowel de Joden als de Christenen hunne pelgrimstochten naar Mekka afgelegd hebben (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1013] Dit gedeelte van het gebed werd verhoord, daar Mekka zÛÛ overvloedig is voorzien, dat de vruchten van lente, zomer en herfst er op denzelfden tijd worden gevonden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1014] Want hij wist door openbaring, dat sommigen hunner ongeloovigen zouden zijn.
[1015] Abraham richtte deze bede tot God, alvorens hij wist, dat zijne ouders de vijanden van God waren. (Zie Hoofdstuk IX vers 15.) Sommigen beweren, dat zijne moeder eene ware geloovige was, en lezen dit dus in het enkelvoudige: en mijn vader. Anderen beweren, dat Abraham onder zijne ouders hier, Adam en Eva verstaat (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi, enz.)
[1016] Dat is: dat gij niet van den dood proeven, maar eeuwig op deze wereld blijven zoudt, of, dat gij na den dood niet zoudt opstaan om geoordeeld te worden (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi, Al Zamakhshari, Yahya.)
[1017] Zijnde, die van de Adieten en Thamoedieten.
[1018] Niet alleen door de geschiedenissen van sommigen, die in den Koran voorkomen, maar ook door de van hen overgebleven monumenten (zooals die der Thamoedieten), en de overleveringen die onder u zijn overgebleven, nopens de vreeselijke straffen welke zij moesten ondergaan.
[1019] Volgens de veronderstelling der Mohammedanen zou dit op den jongsten dag geschieden. De aarde zou dan wit en effen worden, of zooals sommigen willen, van zilver en de hemelen van goud (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi, Al Zamakhshari, Yahya).
[1020] Al Hedjr is een grondgebied in de provincie Hejaz, tusschen Medina en SyriÎ, waar de stam van Thamoed woonde. Nabij het einde van het hoofdstuk wordt daarvan melding gemaakt.
[1021] Als zij het geluk en den voorspoed der ware geloovigen zullen zien, of als zij zullen sterven: of wel bij de opstanding.
[1022] Zijnde de openbaringen waaruit de Koran is samengesteld.
[1023] Als de goddelijke wijsheid het noodig zal oordeelen, van hun ambt gebruik te maken, zooals om zijne openbaringen aan de profeten over te brengen en om zijne straf aan de zondaren uit te voeren; maar niet om u te behagen door hunne verschijning en zichtbaren vorm, hetgeen, indien aan uw verzoek werd voldaan, slechts uwe verwarring vermeerderen en de goddelijke wraak des te spoediger over u brengen zou.
[1024] Zijnde de ongeloovige bewoners van Mekka zelven, of, volgens anderer meening, de engelen in zichtbare vormen.
[1025] De Mahomedanen gelooven namelijk, dat de duivels trachten tot de sterren op te stijgen, om de daden van de bewoners des hemels te onderzoeken, hunne gesprekken af te luisteren en hen in verzoeking te brengen. Zij beweren tevens dat deze booze geesten de vrijheid hadden, binnen al de hemelen te komen, tot de geboorte van Jezus, toen zij uit drie daarvan werden gesloten; maar dat bij de geboorte van Mahomet hun de andere vier werden ontzegd (Al Beid‚wi).
[1026] Zie hoofdstuk III vers 31, in de noot.
[1027] De Mahomedanen veronderstellen namelijk bij het verschieten eener ster, dat de engelen welke in de sterrebeelden wacht houden, deze op de duivels werpen die er te nabij komen.
[1028] Zijnde: uw gezin, bedienden en slaven, welke gij u verkeerdelijk voorstelt door u gevoed te worden, terwijl het God is, die zoowel voor u als voor hen zorgt (Al Beid‚wi), of, zooals sommigen denken, de dieren, voor welke de menschen geene zorg dragen (Jallalo'ddin).
[1029] Zijnde: alleen overblijvende, als alle schepselen dood of vernietigd zullen zijn.
[1030] Het is onzeker waarop deze woorden eigenlijk zinspelen. Sommigen denken dat daarmede de verschillende tijdstippen worden bedoeld, waarop de menschen in deze wereld komen, en die verlaten; anderen meenen, dat hier de voorwaarts rukkende en achteruitwijkende manschappen van Mahomet in den slag worden bedoeld. Een ander wederom beweert dat deze plaats werd geopenbaard, om het verschillend gedrag van Mahomets volgelingen, toen zij eene zeer schoone vrouw gedurende het gebed achter Mahomet zagen; sommigen hunner gingen vÛÛr haar uit de moskee, ten einde te vermijden, haar meer van nabij te zien; anderen bleven achter met het doel, haar te zien (Al Beid‚wi). Savary vertolkt deze plaats aldus: Wij kennen hen die voor u zijn gegaan, zoowel als hen die na u zullen komen.
[1031] Zie Hoofdstuk II, vers 28, noot.
[1032] Zie Hoofdstuk II, vers 28, noot en Hoofdstuk VII, vers 3.
[1033] Zijnde: alle haat en kwaden wil, die zij elkander gedurende hunnen leeftijd toedragen. (Zie Hoofdstuk VII, vers 41 noot); of gelijk sommigen het verkiezen uit te drukken, alle afgunst of nijd nopens de verschillende graden van eer en geluk, welke aan de gezegenden zullen worden geschonken, overeenkomstig hunne verdiensten.
[1034] Nimmer elkander den rug toekeerende (Jallalo'ddin), hetgeen als een teeken van verachting kan worden aangezien.
[1035] Zie Hoofdstuk XI, vers 72.
[1036] Hetgeen SyriÎ of Egypte was (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1037] Sommigen willen, dat deze woorden door de engelen tot Lot werden gericht; anderen door God tot Mahomet.
[1038] Tot wie ShoaÔb mede werd gezonden, evenals tot de bewoners van Midian. Abulfeda zegt, dat dit volk nabij Taboec woonde, en niet van denzelfden stam was als ShoaÔb. (Zie mede Geogr. Nub. p. 110).
[1039] Door hen, wegens hun ongeloof en hunne ongehoorzaamheid, door een heeten, verstikkenden wind te verdelgen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1040] Dat is de stam van Thamoed (Zie Hoofdstuk VII, vers 71).
[1041] Men zegt dat dit vers werd afgeschaft door dat van het zwaard.
[1042] Zijnde het eerste hoofdstuk van den Koran, hetwelk uit zooveel verzen bestaat. Sommigen zijn echter van meening, dat hier de zeven groote hoofdstukken van den Koran worden bedoeld.
[1043] Dat is: benijdt of begeert niet hunnen wereldschen voorspoed, nu gij in den Koran een zegen hebt ontvangen, in vergelijking waarvan al wat wij hun hebben geschonken, als van geene waarde kan worden geacht. Al Beid‚wi vermeldt eene overlevering, volgens welke Mahomet te Adhri‚t (eene stad in SyriÎ) zeven, zeer rijk beladen karavanen ontmoette, die aan eenige Joden van de stammen van Korledha en al Nadir toebehoorden. Zijne manschappen hadden grooten lust die te plunderen, zeggende, dat deze rijkdommen van groot nut konden zijn voor de voortplanting van Gods waar geloof. Maar de profeet deed hun door deze plaats opmerken, dat zij geene reden hadden, spijt te gevoelen, daar God hun zeven verzen had gegeven, die oneindig meer waarde hadden dan deze zeven karavanen (Al Beid‚wi).
[1044] Sommigen vertolken het oorspronkelijke woord met verhinderaars, die de lieden beletten binnen Mekka te komen om den tempel te bezoeken uit vrees dat zij besluiten mochten, den Islam te omhelzen, hetgeen, naar men zegt, door tien mannen werd bedreven, die allen te Bedr werden gedood. Anderen vertalen het woord met: die zich door een eed hebben verbonden, en veronderstellen, dat hier sommige Tamoedieten worden bedoeld, die zwoeren Saleb des nachts te dooden. Het is echter meer waarschijnlijk dat deze plaats betrekking heeft op de Joden en Christenen, die, volgens de meening der Mahomedanen, sommige gedeelten der schriften aannemen, en andere voorwerpen, en evenzoo sommige plaatsen van den Koran goed en andere afkeuren, overeenkomstig hunne vooroordeelen; of wel op de ongeloovige bewoners van Mekka waarvan sommige den Koran een goochelwerk noemden; anderen voorzeggende ontboezemingen, anderen oude sprookjes en wederom anderen eene dichterlijke samenstelling (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin.)
[1045] Men zegt, dat deze plaats werd geopenbaard tegen vijf KoreÔshietische edelen, wier namen waren: Al Walid Ebn al Mohheira, Al As Ebn Wayel, Oda Ebn Kais, al Aswad Ebn Abd Jagh˚th en Al Aswad Ebn al Mottalleb. Deze waren gezworen vijanden van Mahomet, die hem aanhoudend vervolgden en belachelijk maakten. Daarom kwam GabriÎl eindelijk en verhaalde hun, dat hem bevolen was Mahomet tegen hen bij te staan: en nadat de engel hun na elkander een teeken had gemaakt, ging al WalÓd voorbij eenige pijlen, waarvan een zich in zijn kleed vasthechtte. Uit trotschheid boog hij zich niet om dien uit te trekken, maar stapte voort waardoor de punt een ader van zijn hiel doorsneed en hij doodbloedde: al As werd door een doorn gedood, die door de zool van zijn voet drong en zijn been tot eene monsterachtige grootte deed opzwellen; Oda stierf aan vreeselijk en aanhoudend niezen; al Aswad Ebn Abd Yagh˚th stootte zijn hoofd tegen een doornigen boom en doodde zich zelven en al Aswad Ebn Al Motalleb werd met blindheid geslagen. (Al Beid‚wi).
[1046] Letterlijk: Hetgeen zeker is.
[1047] Dit insect wordt in vers 70 van dit hoofdstuk vermeld.
[1048] Behalve de drie laatste verzen.
[1049] De persoon, die hier wordt bedoeld, was Obra Ebn Khalf, die tot Mahomet kwam met een verrot been, en hem vroeg, of het God mogelijk was dat voorwerp het leven te hergeven.
[1050] Zijnde: huiden, wol en haar, die u tot kleeding dienen.
[1051] Letterlijk versch vleesch; waarmede visch wordt bedoeld, als zijnde, uit den aard, verscher en spoediger aan bederf onderhevig dan het vleesch van vogelen en andere dieren. Men veronderstelt, dat hier deze uitdrukking bij voorkeur is gebruikt, omdat het voortbrengen van zulk versch voedsel uit zout water een voorbeeld van Gods macht is (Al Beid‚wi).
[1052] Zooals parelen en koralen.
[1053] De Mahomedanen veronderstellen, dat de aarde, toen zij pas geschapen werd, week en effen en daarenboven even goed als de hemelbollen aan eene wentelende beweging onderworpen was. De engelen zouden daarop gevraagd hebben, wie in staat zou zijn, op een zoo waggelend lichaam te staan, waarop God de aarde den volgenden ochtend bevestigde door er bergen op te plaatsen.
[1054] Die hunne gidsen zijn; niet alleen op zee, maar ook op het land, als zij des nachts door de woestijnen reizen. De sterren, welke zij tot dit doel in het oog houden, zijn Ûf de pleiaden (zevengesternte), Ûf sommige der sterren nabij de pool.
[1055] Zijnde: Op welken tijd zij, of hunne aanbidders, zullen opgewekt worden, om aan het oordeel te worden onderworpen.
[1056] Sommigen vatten deze plaats figuurlijk op, en passen die op Gods verijdeling hunner zondige voornemens toe. Anderen veronderstellen, dat de woorden letterlijk moeten worden toegepast op den toren, dien Nimrod (van wie de Mahomedanen vertellen, dat hij de zoon van Gana‚n, de zoon van Nun, was en de neef van Cush en dus niet diens zoon) te Babel bouwde, welke hij tot een reusachtige hoogte optrok (volgens sommigen vijfduizend ellebogen), met het dwaze doel, daardoor den hemel te bereiken en zoo doende een oorlog met diens bewoners te ondernemen; maar God verijdelde dien aanslag, door den toren bij hevige wind en aardbeving geheel omver te werpen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin. Zie d'Herbel. Bibl. Orient. Art. Nimrod).
[1057] Zijnde: de profeten en de onderwijzers en leeraars van Gods eenheid, of de engelen.
[1058] Zie Hoofdstuk II, vers 257. Sommige schrijven Thahoet of Thaghoet.
[1059] Het is onzeker of het voornaamwoord zij betrekking heeft op de ongeloovigen of op de ware geloovigen. Worden hier de eerstgenoemden bedoeld, dan is de gevolgtrekking, dat zij begeerig zouden zijn, den gelukkigen toestand van de Mohajerin te bereiken, door hetzelfde geloof te belijden. Heeft het betrekking op de laatsten, dan wordt op de kennis daarvan aangedrongen, als eene beweegreden voor geduld en volharding (Al Beid‚wi).
[1060] Zie Hoofdstuk VII, de noot van vers 57, Hoofdstuk XII, vers 109 enz.
[1061] Letterlijk vertaald zou dit moeten luiden: Deze vermaning.
[1062] Zie Hoofdstuk XIII, de noot van vers 19.
[1063] Of: die zij niet kennen; zich in hunne dwaasheid verbeeldende, dat zij hen kunnen helpen, of er bij God op kunnen aandringen, voor hen tusschen beide te komen. De oude Arabieren hielden namelijk een zeker deel van de voortbrengselen hunner landen voor hunne afgodsbeelden achter, en onthielden zich, in hun bijgeloof, van het gebruik van zeker vee, ter eere van diezelfde afgoden. Zie Hoofdstuk V, vers 102 en VI, vers 139-146 benevens de noten.
[1064] Al Beid‚wi zegt, dat vooral de stammen van Khozaak en Kenana gewoon waren, de engelen de dochters van God te noemen.
[1065] Maar wel zonen. De geboorte van eene dochter werd namelijk als een soort van ongeval bij de Arabieren beschouwd, en waren zij dikwijls gewoon die kinderen te dooden, door hen levend te verbranden. Zie Hoofdstuk VI, vers 138 en Hoofdstuk LXXXI, vers 8.
[1066] Zijnde bewolkt door schrik en spijt.
[1067] Deze plaats veroordeelt de onoordeelkundige en godslasterlijke toeschrijving van hoedanigheden aan God, die zijner onwaardig zijn, hetgeen door de bewoners van Mekka geschiedde, en welke niet alleen de volkomenheden der godheid verminderden maar zelfs onteerend voor den mensch waren, daar zij in hunne opgeblazenheid de vereerender hoedanigheden zich zelven toeschreven.
[1068] Of: hij is heden hun (namelijk der KoreÔshieten) schuts enz.
[1069] Niet alleen wijn, die verboden is, maar ook geoorloofd voedsel, zooals dadels, druiven, eene soort van honig, die uit de dadels vloeit, en azijn. Sommigen hebben verondersteld, dat deze woorden het gematigd gebruik van wijn veroorloofden. De algemeen aangenomen meening beweert echter het tegendeel. (Zie Hoofdstuk II, vers 261, in de noot.)
[1070] Zijnde: De wegen langs welke, door Gods macht, de bittere bloemen, die in de maag der bij komen, tot honig worden, of de wijze van honig maken, welke hij haar bij instinct heeft gegeven, of wel de gereede weg naar huis van de afgelegen plaatsen, waarheen dat insect vliegt. (Al Beid‚wi).
[1071] Zijnde: honig, waarvan de kleur zeer verschillend is, veroorzaakt door de onderscheidene planten, waarmede zich de bijen voeden: sommige zijn namelijk wit, sommige geel, andere weder rood of wel zwart. (Al Beid‚wi).
[1072] Met deze woorden worden de afgodendienende bewoners van Mekka berispt, die geschapene wezens tot een deel der goddelijke eer konden toelaten, hoewel zij hunne slaven niet veroorloofden, met hen zelven te deelen, wat hun door God geschonken was (Al Beid‚wi).
[1073] Of: stel geene gelijkheid of vergelijkingen voor tusschen hem en zijne schepselen. Naar het schijnt gebruikten de bewoners van Mekka een argument ter verdediging hunner afgodendienarij, zijnde: dat het aanbidden van ondergeschikte godheden vereerend voor God was, evenals de eerbewijzen aan de dienaren van een vorst gebracht, den vorst zelven vereeren. (Al Beid‚wi).
[1074] De afgoden worden hier vergeleken bij een slaaf, die er zoo ver van verwijderd is iets te bezitten wat hem behoort, dat hij zelf in het bezit van een ander is, terwijl God een rijk en vrij mensch gelijk is, die overvloedig voor zijn gezin zorgt en ook anderen, welke in nood verkeeren, zoowel in het openbaar als in het geheim ondersteunt (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1075] Het afgodsbeeld is hier op nieuw voorgesteld onder het beeld van iemand, die, door het gebrekkige zijner zintuigen een nuttelooze last is voor den mensch, die hem onderhoudt, en God onder dat van een persoon, die volkomen in staat is, hetzij om eene nuttige onderneming te besturen, hetzij om die uit te voeren. Sommigen veronderstellen, dat deze vergelijking op een waren geloovige en een ongeloovige slaat.
[1076] Dat is: de opstanding van den dood.
[1077] Al Beid‚wi zegt, dat een uiterste, en wel het onuitstaanbaarste in ArabiÎ, hier voor beiden is gesteld. Jallalo'ddin veronderstelt echter, dat het woord "hitte" hier "koude" moet verstaan worden.
[1078] Belijdende dat God de bron van alle zegeningen is, welke zij genieten, terwijl zij hunne beden en dankzeggingen nochtans tot hunne afgoden richten, door wier tusschenkomst zij zich verbeelden, dat de zegeningen worden verkregen.
[1079] Door de onwetendheid of verdorvenheid Gods voorzienigheid geheel loochenende.
[1080] Letterlijk: hunne makkers.
[1081] Dit vers, hetgeen de aanleiding was tot de bekeering van Othman Ebn Matun, bevat, volgens de meening der uitleggers, alles wat de mensch verplicht is te doen of te vermijden, en is slechts eene voldoende ontleding van hetgeen in het voorafgaande vers werd gezegd. Onder de drie dingen, die hier worden bevolen, verstaan zij het geloof aan Gods eenheid, zonder daarom nog eenerzijds tot atheÔsme, of anderzijds tot polytheÔsme over te hellen, gehoorzaamheid aan Gods bevelen, en weldadigheid omtrent de noodlijdenden. Onder de drie verboden dingen verstaan zij: alle verdorven en vleeschelijke lusten, alle valsche leerstellingen en kettersche meeningen, en alle onrechtvaardigheid omtrent den mensch (Al Beid‚wi).
[1082] Door in zijnen waren godsdienst te volharden. Sommigen denken, dat hier voornamelijk de eed van getrouwheid wordt bedoeld, die Mahomet van zijne volgelingen ontving.
[1083] Sommigen veronderstellen, dat in deze plaats eene bepaalde vrouw wordt bedoeld, die, gelijk Penelope, de gewoonte had, des nachts het werk te vernietigen, dat zij des daags had verricht. Zij zeggen, dat haar naam was Reita Bint Saad Ebn Teym, van de stam der KoreÔshieten (Al Beid‚wi).
[1084] Dat is: wees niet geneigd, door beloften of giften der ongeloovigen van uwen godsdienst, of van uwe verbintenissen met uwen profeet afstand te doen. Want het schijnt, dat de KoreÔshieten, ten einde de arme Moslems er toe te verleiden, afvallig te worden, hun aanbiedingen deden, die wel niet aanzienlijk waren, maar toch zÛÛ, dat zij die der aanneming waardig konden achten (Al Beid‚wi).
[1085] Toen Mahomet eens in den Koran las, sprak hij eene vreeselijke godslastering uit, tot groote ergernis van hen, die tegenwoordig waren, zooals dit op eene andere plaats (in de noot op vers 51 van Hoofd XXII) zal worden medegedeeld. Ten einde zich te verontschuldigen, verzekerde hij hun, dat de duivel hem deze woorden in den mond had gelegd, en ten einde zulke gevallen in de toekomst te voorkomen, wordt hem hier vermaand, Gods bijstand in te roepen, alvorens dien plicht te vervullen (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi, Yahya enz).
[1086] Zijnde: GabriÎl. Zie Hoofdstuk II vers 81.
[1087] Dit was eene groote tegenwerping, welke de bewoners van Mekka omtrent de autoriteit van den Koran maakten; want toen Mahomet, als een bewijs voor den Goddelijken oorsprong, er bij bleef volharden, dat het een mensch, zoo geheel ongeleerd als hij zelf, geheel onmogelijk was, zulk een boek samen te stellen, hernamen zij: dat hem daartoe een of meer personen hunne hulp hadden verleend. De overleveringen verschillen echter nopens den persoon of de personen, die voornamelijk daarvan verdacht gehouden werden. Eene zegt dat het Jabar was, een Griek, de bediende van Amer Ebn al Hadrami, die goed kon lezen en schrijven (Al Zamakhshari, Al Beid‚wi, Yahya): een ander zegt, dat het twee slaven, Jabar en Yesar waren, die het ambacht van zwaardvegers te Mekka uitoefenden, en gewoon waren den Pentateuchus en het Evangelie te lezen, en Mahomet dikwijls onder hunne toehoorders telden, als hij langs dien weg kwam (Al Zamakhshari, Al Beid‚wi, Zie Prideaux. Life of Moh. p. 32). Een ander verhaalt ons, dat het zekere Aish of Yaish was, een knecht van al Haweiter Ebn Abd al Uzza, die een zekeren graad van kennis verworven en het Mahomedanisme omhelsd had (Al Zamakhshari, Al Beid‚wi). Een ander weder veronderstelt, dat het zekere Kais, een christen, wiens huis door Mahomet werd bezocht (Jallalo'ddin); nog een ander, dat het Addas was, een dienstknecht van Otha Ebn Rabia (Al Zamakhshari, Yahya), en een ander, dat het Salman, de PerziÎr was. Overeenkomstig sommige christelijke schrijvers (Ricardi Confut. Legis Saracenicae, c. 13. Joh. Andreas, de Confus. Sectae Mahometanae, c. 2. Zie ook Prid. Life of Moh, p. 33, 34), zou Abdallah Ebn Salam, een Jood, die zeer bevriend met Mahomet was (welke door den een, overeenkomstig den Hebreeuwschen tongval, Abdias Ben Salon en door een ander Abdala Celen, wordt genoemd) hem in het samenstellen zijner openbaringen geholpen hebben. Deze Jood wordt door Dr. Prideaux verward met Salman, den PerziÎr, die een geheel verschillend persoon was, zooals door schrijvers uit den lateren tijd (Gagnier not. in Abulf. Vit Moh. p. 74 en Sake, the Koran) is opgemerkt. Het is dus niet ongepast, met het oog op hetgeen later nopens Salman zal worden medegedeeld, hierbij een kort uittreksel te doen kennen van zijne levensgeschiedenis, zooals die door hem zelven wordt medegedeeld. Hij behoorde tot eene goede familie van Ispahan, die in zijn jeugdigen ouderdom den godsdienst van zijn land verliet om het Christendom te omhelzen. Toen hij in SyriÎ reisde, werd hem door zekeren monnik van AmuriÎ aangeraden, naar ArabiÎ te gaan, waar men, omstreeks dien tijd, de verschijning van een profeet verwachtte, die den godsdienst van Abraham zou bevestigen, en dien hij onder anderen ook zou kennen door het zegel der profecy tusschen zijne schouders. Salam deed die reis en ontmoette Mahomet te Koba, waar hij zich gedurende zijne vlucht naar Medina ophield. Hij bevond spoedig dat deze de persoon was dien hij zocht, en beleed den Islam (Ex Ebn Ishak. Zie Gagnier, not in Abulf. Vit. Moh. p. 74). Het algemeen gevoelen der christenen is echter, dat de voornaamste hulp, die Mahomet bij het samenstellen van zijn Koran genoot, van een Nestoriaanschen monnik was, Sergius genaamd, die verondersteld wordt dezelfde persoon te zijn als de monnik Boheira, met wien Mahomet op jongeren leeftijd eenigen omgang te Bosra had, waar die monnik zijn verblijf hield (Zie Prid. t. a. pl. 35, enz. Gagnier, t. a. pl. p. 10, 11. Marrac. De Alcor, p. 37). Om deze veronderstelling te staven, is eene plaats van een Arabisch schrijver aangevoerd (Al Masudi), die vermeldt, dat de naam van Boheira, in de werken der christenen Sergius is, doch dit is slechts eene veronderstelling, en een ander (Abul Hasan al Becra) verhaalt, dat zijn ware naam SaÔd, of Felix, was en zijn toenaam Boheira. Maar hoe het ook zij, indien Boheira en Sergius slechts een en dezelfde persoon waren, dient men te weten, dat men bij de Mahomedaansche schrijvers niet de minste aanduiding vindt, dat hij ooit zijn klooster verliet om naar ArabiÎ te gaan, zoo als door de christelijke schrijvers wordt beweerd; en zijne kennis met Mahomet te Bosra viel te vroeg in, om de meening te staven, dat hij hem bij het vervaardigen van den Koran zou hebben geholpen, hetgeen lang daarna geschiedde; doch het is mogelijk, dat Mahomet door zijne gesprekken met hem eenige kennis van het christendom en van de schriften hebbe verkregen, welke door hem bij den Koran zijn gebruikt. Uit het antwoord op deze plaats van den Koran gegeven, op de tegenwerping der ongeloovigen; zijnde, dat de persoon, die door hen verdacht wordt gehouden, de hand in den Koran te hebben gehad, eene vreemde taal sprak, en dus met geen schijn van mogelijkheid verondersteld kan worden bij het samenstellen van een stuk in de Arabische taal, en wel met zulk een groote sierlijkheid te hebben geholpen, is het duidelijk dat die persoon geen Arabier was. Het woord Ajami dat hier is gebruikt, beteekent eene vreemde of onbeschaafde taal in het algemeen; maar de Arabieren passen het meer bijzonder op het Perzisch toe; waaruit door sommigen de gevolgtrekking is gemaakt, dat Salman de bewuste persoon was. Indien het echter waar zij, dat hij niet tot Mahomet kwam dan na de Hedjira, zoo kan hij ook de hier bedoelde man niet zijn, of wel dan moet dit vers, in strijd met het algemeene gevoelen, te Medina zijn geopenbaard.
[1088] Deze vier laatste woorden werden bijgevoegd met het oog op het gebeurde met Ammar Ebn Yasa en sommige anderen, die, toen zij door de KoreÔshieten waren gegrepen en gemarteld, hun geloof uit vrees verlieten, hoewel hunne harten niet met hunne monden instemmen (Al Beid‚wi, Al Zamakhshari, Yahya). Het schijnt, dat Ammar de standvastigheid niet bezat van zijne ouders Yasar en Sommeya, die hetzelfde vonnis op denzelfden tijd met hunnen zoon ondergingen, maar die standvastig weigerden te herroepen, en beiden ter dood werden gebracht. De ongeloovigen bonden Sommeya tusschen twee kameelen, en, staken eens lans door hare schaamdeelen (Al Beid‚wi). Toen Mahomet het bericht werd gebracht, dat Ammar het geloof had verloochend, zeide hij, dat het niet kon zijn; want dat Ammar vol van het geloof was, van de kruin zijns hoofds tot de zool zijner voeten, daar het geloof met zijn vleesch en bloed vermengd en in hem verlichaamd was. Toen Ammar daarop zelf weenende tot den profeet kwam, veegde hij zijne oogen af en zeide: Wat was uwe misdaad, indien zij u dwongen? Maar hoewel het hier wordt gezegd, dat zij die alleen schijnbaar afvallig worden, om doop of marteling te ontgaan, op Gods vergiffenis mogen hopen, is het echter thans eenparig door de Mahomedaansche leeraars aangenomen, dat het verdienstelijker en aangenamer in de oogen van God is, met moed en standvastigheid in het ware geloof te volharden, en eerder den dood te ondergaan, dan, al zij het ook slechts met woorden van dat geloof afstand te doen. Ook ontbreken de martelaars in den ergeren zin des woords niet aan den Mohamedaanschen godsdienst, waarvan wij hieronder, behalve het hierboven medegedeelde, nog twee voorbeelden zullen geven. Het eene is van Khobair Ebn Ada, die verraderlijk aan de KoreÔshieten verkocht, en daarna door hen op eene afschuwelijke wijze ter dood gebracht werd, door verminking en door hem zijn vleesch stuksgewijze af te snijden. Toen hem te midden dezer martelingen gevraagd werd, of hij niet zou wenschen, dat Mahomet in zijne plaats ware, antwoordde hij: Ik zou niet willen wenschen bij mijn gezin, mijn vermogen en mijne kinderen te zijn, op voorwaarde, dat Mahomet, zij het ook slechts door een doorn, zou worden geprikt. (Ebn Sohohmah). Het ander voorbeeld is dat van een man, die door Moseilama bij de volgende gelegenheid werd ter dood gebracht. Die valsche profeet had namelijk twee van Mahomets volgelingen gegrepen. Hij vroeg aan een van hen, wat hij van Mahomet zeide: De man antwoordde daarop, dat deze Gods gezant was. En wat zegt gij van mij, voegde Moseilama er bij, waarop hij antwoordde: Gij zijt mede Gods gezant, waarop hij onmiddellijk in vrijheid werd gesteld. De andere persoon, die door Moseilama werd gegrepen, gaf hetzelfde antwoord op de eerste vraag, maar weigerde iets op de tweede te zeggen: hij werd daartoe drie verschillende malen aangemaand, maar gaf voor doof te zijn, en werd daarom gedood. Men verhaalt dat Mahomet, toen hem het gebeurde met deze mannen werd medegedeeld, zeide: De eerste hunner nam toevlucht tot Gods barmhartigheid, maar de laatste beleed de waarheid en zal daarvoor zijne belooning vinden (Al Beid‚wi).
[1089] Zooals Ammar deed. Sommigen, die het woord met verschillende zelfklinkers lezen, vertolken daardoor de laatste woorden met: "na de ware geloovigen te hebben vervolgd", en halen al Hadrami als voorbeeld aan, die een zijner dienstknechten dwong van het Mahomedanisme afstand te doen, maar daarna te gelijk met den dienstknecht hetzelfde geloof beleed en derhalve vluchtte (Al Beid‚wi).
[1090] Dat is: ieder mensch zal bezorgd zijn voor eigene zaligmaking, en zich niet met den toestand van een ander inlaten; maar uitroepende: mijne eigene ziel, mijne eigene ziel! (Al Beid‚wi).
[1091] Zie Hoofdstuk V, vers 1, 4-7, 95-98 enz.
[1092] Toestaande wat God heeft verboden, en zich bijgeloovig onthoudende van hetgeen hij heeft vergund. Zie Hoofdstuk VI, vers 139-148.
[1093] Zijnde in Hoofdstuk VII, vers 147 en volg.
[1094] Dit waren de Joden, aan welke door Mozes bevolen werd, den vrijdag (den dag die thans door de Mahomedanen als rustdag wordt beschouwd) te stemmen, om God te aanbidden. Zij weigerden het echter en kozen den Sabbatdag, omdat God op dien dag van zijn Scheppingsarbeid had gerust. Daarom werd hun bevolen, den dag dien zij hadden gekozen, op de meest strikte wijze in acht te nemen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1095] Men veronderstelt, dat deze plaats te Medina geopenbaard werd, bij gelegenheid dat Hamza, de oom van Mahomet, in den slag van Ohod werd gedood. De ongeloovigen schonden zijn lijk, door het de ingewanden uit het lijf te nemen, en zijne ooren en neus af te snijden, toen Mahomet het zag en zwoer, dat, indien God hem een goeden uitslag verleende, hij die gruwelen aan zeventig KoreÔshieten op gelijke wijze zou vergelden. Door deze plaats werd hem echter verboden uit te voeren, wat hij had gezworen, tengevolge waarvan hij zijnen eed krachteloos maakte (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Abu'lfeda beweert, dat het getal KoreÔshieten, waarop Mahomet gezworen had zich te zullen wreken, slechts dertig bedroeg (Abu'lf. Vit. Moh. p. 68); maar tevens moet men hier doen opmerken, dat de vertaler van dien schrijver die plaats aldus teruggeeft: God heeft mij geopenbaard, dat ik zal wedervergelden enz., inplaats van: Indien God nog eene overwinning over de KoreÔshieten verleent, zal ik weder vergelden, enz., hetgeen veroorzaakt werd, doordat hij Lah. adhharni in plaats van adhjerni heeft gelezen. God, wel verre van den profeet dit plan door openbaring in te geven, verbied hem uitddrukkelijk, het tot uitvoering te brengen.
[1096] De reden van dezen titel blijkt reeds uit de eerste woorden. Sommigen noemen dit Hoofdstuk de kinderen IsraÎls.
[1097] Sommigen zonderen daarvan acht verzen uit, te beginnen met vers 75.
[1098] Van waar hij door de zeven hemelen in Gods tegenwoordigheid werd overgevoerd, en van waar hij, den zelfden nacht, naar Mekka werd teruggebracht. Deze reis van Mahomet naar den hemel is zoo zeer bekend, dat wij de beschrijving daarvan gevoegelijk kortelijk kunnen behandelen. Wie echter daaromtrent nadere bijzonderheden, wenscht te vernemen, verwijzen wij naar Dr. Prideaux, life of Mohammed (p. 43, enz.) Morhan, Mohammedanism explained (vol. 2) en Abu'lfeda (Moham. Vit. cap. 19). De vertaler des laatsten heeft verschillende misslagen verbeterd, die in het verhaal van Dr. Prideaux en van andere schrijvers voorkomen. Mahomet zou namelijk door den engel GabriÎl door de hemelen zijn gevoerd op een lastdier, Borak genaamd, dat door de overlevering wordt voorgesteld als een gevleugeld schepsel, met een vrouwengelaat, het lichaam van een paard en een pauwenstaart. De Mahomedaansche godgeleerden twisten er echter over, of de nachtelijke reis van hunnen profeet, werkelijk door hem lichamelijk werd afgelegd, of dat het slechts een droom of een visioen was. Sommigen denken, dat de geheele gebeurtenis slechts een visioen was, en voeren daartoe eene opzettelijke overlevering van Moawiyah, een van Mehomets opvolgers, aan (Zie Vit. Moham cap. 18). Anderen veronderstellen, dat hij lichamelijk naar Jeruzalem, maar niet verder werd overgebracht, en dat hij daarna alleen geestelijk ten hemel voer. De aangenomene meening is echter, dat het geen visioen was, maar dat hij wezenlijk lichamelijk tot aan het einde zijner reis werd overgebracht en indien men hun onmogelijkheid daarvan tracht aan te toonen, gelooven zij, dat het voldoende is te antwoorden, dat het door den Almachtige gemakkelijk kan worden uitgevoerd (Al Beid‚wi).
[1099] De uitleggers beijveren zich het verband tusschen deze woorden en de vorige op te sporen. Sommigen vertalen het zooals hier boven is geschied, terwijl anderen weder dit aldus vertolken: Neem buiten mij niet tot uwe beschermers de nakomelingen van hen, enz.; daarmede sterfelijke menschen bedoelende.
[1100] Hunne eerste overtreding bestond in het verwerpen der beslissingen van de wet, het dooden van Jesaiah (Al Beid‚wi) en het gevangen nemen van Jeremiah (Jallalo'ddin); hunne tweede zonde was het dooden van Zacharias en Johannes den Dooper, en hun verzinnen dat Jezus dood was (Jallalo'ddin).
[1101] Deze waren Jalut of Goliath met zijne strijdmacht (Jallalo'ddin, Yahya), of Sennacherib, de AssyriÎr, of wel Nebuchadnezar, die door de Oostersche schrijvers Bakhtnasr werd genoemd (hetgeen echter alleen zijn voornaam was, zijnde zijn ware naam Gudars of Raham) de beheerder van Babylon onder Lohorasp, koning van PerziÎ (Al Zamakhsari, Al Beid‚wi), die Jeruzalem innam en den tempel verwoestte.
[1102] Door David toe te staan, Goliath te dooden, of door de wonderdadige nederlaag van het leger van Sennacherib, of door dat God in het hart van Bahman, den zoon van Isfandyar, toen hij zijn grootvader Lohorasp opvolgde, het denkbeeld legde, aan Kiresh of Cyrus, toen beheerder van Babylon te bevelen, de Joden uit hunne ballingschap te doen vertrekken, onder het geleide van DaniÎl; overeenkomstig hetwelk hij handelde, en zij hadden de overhand boven hen, die door Baktnasr in het land waren gelaten (Al Zamakhsari, Al Beid‚wi).
[1103] Sommige beweren, dat het hier bedoelde leger dat van Bakhunasr was Yahya, Jallalo'ddin), maar anderen zeggen, dat de Perzen de Joden ten tweeden male overwonnen door de wapenen van Gudarz (met wien zij Antiochus Epiphanes schijnen te bedoelen, een der opvolgers van Alexander te Babylon. Men verhaalt, dat de krijgsbevelhebber dezer expeditie, bij het binnenkomen van den tempel, op het groote altaar bloed zag opborrelen, en toen hij naar de reden daarvan vroeg, zeiden de Joden, dat dit bloed was van een offer, dat God niet had aangenomen. Hij hernam daarop, dat zij hem de waarheid niet hadden gezegd, en gaf bevel, dat duizend van hen op het altaar zouden worden gedood; maar toen het bloed niet ophield te vloeien, zeide hij hun dat indien zij de waarheid niet wilden bekennen, hij geen van hen zou sparen. Zij erkenden alsnu, dat het bloed van Johannes was, waarop de krijgsbevelhebber zeide: Zoo heeft uw Heer wraak op u genomen, en riep toen uit: "o Johannes! mijn Heer en uw Heer weet, wat uw volk voor uwe zaak is geschied, laat dus met Gods verlof uw bloed ophouden te vloeien, anders zal ik geen van hen laten leven", waarop het bloed onmiddellijk ophield te stroomen (Al Beid‚wi). Dit zijn de ophelderingen der uitleggers, waaruit hunne onbekendheid met de oude geschiedenis op voldoende wijze blijkt; doch misschien bedoelt Mahomet, in deze later voorkomende plaats, de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen.
[1104] En dienovereenkomstig geschiedde het; want daar de Joden wederom zoo zondig waren, dat zij Mahomet verwierpen, en tegen zijn leven samenzwoeren, leverde God hen in zijne handen over, terwijl hij den stam van Koreidha uitroeide, en de opperhoofden van die van Al Nadir doodde en de overige Joodsche stammen dwong, schatting te betalen. (Al Beid‚wi).
[1105] Uit onwetendheid het slechte voor goed houdende of door het uitspreken van zondige verwenschingen over hem en anderen, uit drift en ongeduld.
[1106] Of onoverdacht en de gevolgen niet berekenende van hetgeen hij vraagt. Men zegt dat de hier bedoelde persoon Adam is, die, toen de levensadem hem door de neusgaten was ingeblazen en zijn navel had bereikt, doch het onderste gedeelte van zijn lichaam nog slechts een stuk klei was, moest beproeven op te rijzen, maar daarbij een zwaren val deed. Anderen beweren echter, dat deze plaats bij de volgende gelegenheid werd geopenbaard: Mahomet gaf zekeren vluchteling aan zijne vrouw, Sawda int Zamaa, ter bewaring, die door het jammeren van dien man met medelijden voor hem vervuld, hem liet ontvluchten, waarop de profeet in de eerste opwelling zijner gramschap haar toewenschte, dat hare handen zouden mogen afvallen. Hij herstelde zich echter onmiddellijk en zeide overluid: O God! ik ben slechts een mensch, verander dus mijn vloek in eene zegening. (Jallalo'ddin).
[1107] Letterlijk "de vogel" welk woord hier is gebruikt om het geluk of den voorspoed van den mensch uit te drukken. De Arabieren zoowel als de Grieken en Romeinen, leiden uit de vlucht der vogelen voorteekenen af, die volgens hunne meening, geluk aanbrengen. Indien zij van de linker- naar de rechter zijde vliegen, maar het tegenovergestelde indien zij zich van de rechter- naar de linkerzijde begeven. Hetzelfde leiden zij er uit af, wanneer hen zekere dieren voorbijgaan.
[1108] Als een kraag, waarvan hij zich op geenerlei wijze kan ontdoen.
[1109] Dit is: dat zij hun onderhoud en hulp van u ontvangen.
[1110] Dit is: vriendschap, gehechtheid en hulp in tijd van nood.
[1111] Daar roekeloosheid en het verspillen van iemands bezitting in overdaad en weelde, eene zeer groote zonde is. De Arabieren waren vooral schuldig aan buitensporigheid in het dooden van kameelen, welke zij, meerendeels uit ijdelheid en praal, door het lot verdeelden. Dit wordt hun op deze plaats verboden, en hun bevolen, al wat zij zouden kunnen sparen, aan hunne arme bloedverwanten en andere hulpbehoevenden te schenken (Al Beid‚wi).
[1112] Dit is: indien uwe tegenwoordige omstandigheden u niet mochten toelaten, anderen te ondersteunen, stel dan uwe liefdadigheid uit, tot God u daartoe beter in staat stelt.
[1113] Dit is: wees niet gierig of verspillend maar bewandel den weg tusschen die twee uitersten; daarin bestaat de ware milddadigheid (Al Beid‚wi).
[1114] Zie Hoofdst. VI, vers 141 en 152 en Hoofdst. LXXXI, vers 8 en 9.
[1115] De misdaden waarvoor een mensch rechtens kan worden ter dood gebracht, zijn: afvalligheid, overspel en moord (Al Beid‚wi).
[1116] Zijnde: het staat in de verkiezing van den erfgenaam of van den naasten bloedverwant, Ûf den moordenaar het leven te benemen, Ûf, inplaats daarvan, eene boete aan te nemen (zie Hoofdstuk II, vers 173-175).
[1117] Sommigen passen het voornaamwoord hij op den gedooden persoon toe, om wiens dood te wreken deze wet werd gemaakt; sommigen op den erfgenaam, aan wien het recht wordt verleend, voldoening voor het bloed van zijn vriend te vragen (Yahya); en anderen op hem, die door den erfgenaam zal worden verslagen, indien hij zijn wraak te ver drijft (Zie Al Beid‚wi).
[1118] Zie Hoofdstuk IV, vers 2 en 5-12.
[1119] Of voordeeliger in het einde (Al Beid‚wi, Al Zamakshari).
[1120] Zijnde: ijdele en onzekere meening, waarvoor gij geene goede redenen hebt, om die voor waar, of zelfs voor waarschijnlijk te houden. Sommigen vertolken deze woorden: Beschuldig een ander niet van eene misdaad, waarvan gij geene kennis hebt. Deze veronderstellen, dat daarbij het afleggen van valsche getuigenis, of het verspreiden van, of wel het geloof hechten aan ijdele berichten omtrent anderen wordt verstaan (Al Beid‚wi, Al Zamakshari).
[1121] Zie Hoofdstuk XVI, vers 59.
[1122] Zijnde: dat zij naar alle waarschijnlijkheid met God zouden willen twisten omtrent de minderheid, en trachten hem te onttroonen, op dezelfde wijze als de vorsten met elkander op aarde handelen.
[1123] Niet toestaande, dat hunne goden met hem vereenigd worden noch hunne tusschenkomst bij hem afbiddende.
[1124] Al Beid‚wi zegt, dat de dooden op Gods oproeping dadelijk zullen verrijzen, en het stof van hunne hoofden schudden, onder den uitroep van: Geloofd zij gij, o God!
[1125] Zijnde: in uwe graven of in de wereld.
[1126] Deze woorden worden als een model aangewezen, door de Moslems te volgen in hunne gesprekken met de afgodendienaars, en waardoor hun wordt geleerd, zachte en twijfelachtige uitdrukkingen te bezigen, en hun niet onmiddellijk te verhalen, dat zij tot het hellevuur zijn gedoemd, hetgeen, behalve de laatdunkendheid die er in gelegen schijnt, de straf van anderen te willen bepalen, hen slechts tot onverzoenlijker vijanden zou maken (Al Beid‚wi).
[1127] Hetgeen eene grootere eer voor hem was dan zijn koninkrijk, en waarin Mahomet en zijn volk onder anderen door deze woorden worden voorspeld. Zie Marracci in Alc. p. 28 enz., Prid. Life of Moh. p. 122): De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten. Psalm XXXVII : 29. Al Beid‚wi).
[1128] Zijnde: de engelen en profeten, die evenzeer Gods dienaren zijn als gij zelf.
[1129] Zie Hoofdstuk VII, vers 71.
[1130] Het is algemeen aangenomen, dat Mahomets reis naar den hemel op deze plaats wordt bedoeld, hetgeen groote geschillen en twisten onder zijne volgelingen veroorzaakte, tot zij weder bevredigd werden door de getuigenis van Aboe Bekr waarbij de waarheid er van verklaard werd. (Zie Abulf. Vit. Moh. p. 89 en noot t. a. pl. Prideaux Life of Moh., p. 50). Het woord visioen, hier gebruikt, wordt door hen, die beweren dat deze reis niets meer dan een droom was, als eene duidelijke bevestiging hunner meening aangevoerd. Sommige veronderstellen echter, dat het visioen, op deze plaats bedoeld, niet de nachtelijke reis betreft, maar den droom, dien Mahomet te al Hodeibiya had, waarin hij zijne intrede te Mekka scheen te doen (zie Hoofdstuk XLVIII, vers 27), of wel een visioen, dat hij had betrekkelijk het gezin van Ommeya, hetwelk hij zijn sprookgestoelte zag beklimmen, en daarin als apen rondspringen, waarop hij zeide: Dit is hun deel in deze wereld, hetgeen zij door hunne belijdenis aan den Islam hebben verdiend. (Al Beid‚wi.) Maar indien een dezer laatste aanduidingen waarheid bevat, dat moet het vers te Medina zijn geopenbaard.
[1131] Die al Zakkum wordt genoemd en uit den bodem der hel opgroeit. (Zie Hoofdstuk XXXVII, vers 60-64.) Volgens Savary is de Zakkum een doornachtige boom, die in ArabiÎ groeit en waarvan de vrucht ongemeen bitter is. Volgens dienzelfden uitlegger was deze slechte hoedanigheid de ontwijfelbare reden, dat Mahomet hem in de hel plaatste.
[1132] Zie Hoofdstuk II, vers 32, en Hoofdstuk VII, vers 26, enz.
[1133] Zie Hoofdstuk X, vers 23 volg.
[1134] Sommigen passen dit toe op den profeet, welke aan ieder volk zal worden gezonden; anderen op de hoofden der secten; anderen op de verschillende godsdiensten die in de wereld worden beleden, anderen weder op de boeken, welke bij de opstanding van ieder mensch zullen worden gegeven en bevattende een register hunner goede en slechte daden. (Al Beid‚wi).
[1135] Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk een klein huidje in de kloof eener dadelpit, hetgeen gebruikelijk is om iets van weinig waarde uit te drukken.
[1136] Zijnde: Beiden van dit leven en van het volgende. Sommigen zien in het eerste de straf in het volgende leven en in het laatste de marteling van het graf (Al Beid‚wi).
[1137] De uitleggers verschillen zoowel nopens de plaats waar dit vers werd geopenbaard, als omtrent de aanleiding daartoe. Sommigen denken dat het te Mekka werd geopenbaard, en dat het betrekking heeft op de hevige vijandschap, welke de KoreÔshieten aan Mahomet toedroegen, en hunne rustelooze pogingen om hem Mekka te doen verlaten (Al Beid‚wi), hetgeen hij eindelijk verplicht was te doen. Maar daar de personen van welke hier wordt besproken, niet in hun ontwerp schijnen te zijn geslaagd, wordt door anderen verondersteld, dat het vers te Medina werd geopenbaard.
[1138] Dit werd vervuld, overeenkomstig de eerste der bovenvermelde uitleggingen, door de nederlaag der KoreÔshieten te Bedr en volgens de laatste door de groote slachting onder de Joden van Koreidha en al Nadir. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1139] Dit is: op den tijd van het middaggebed, als de zon van den meridiaan afwijkt, of zooals sommigen deze woorden vertalen: bij het ondergaan der zon; hetgeen de tijd voor het eerste avondgebed is.
[1140] De tijd van het laatste avondgebed.
[1141] Letterlijk zou dit moeten luiden: De lezing van den ochtend stond, waaruit door sommigen wordt verondersteld, dat de lezing van den Koran op dat tijdstip hier wordt bedoeld.
[1142] Zijnde: De wacht-engelen, die, volgens sommigen, op dien tijd worden afgelost, of wel de engelen met het maken van verandering van nacht in dag enz. belast. (Al Beid‚wi).
[1143] Overeenkomstig eene overlevering van Abn Horeira, is de eervolle plaats, welke hier bedoeld wordt, die van tusschenpersoon voor anderen (Al Beid‚wi).
[1144] Dit is: Geef, dat ik mijn graf in vrede moge binnengaan en bij de opstanding met eer en voldoening daaruit kome. In deze beteekenis is dit verzoek hetzelfde met dat van Bileam: Laat mij den dood van den rechtvaardige sterven en laat mijn uiterste gelijk aan het zijne wezen (Num. XXXI : 10). Daar echter de persoon tot wien hier gesproken wordt, algemeen verondersteld wordt Mahomet te zijn, zeggen de uitleggers, dat hem bevolen was, in deze woorden te bidden om een gelukkig vertrek van Mekka en een goede ontvangst te Medina, of om eene veilige schuilplaats in de spelonk, waar hij zich verborg, toen hij van Mekka vluchtte, of (hetgeen het meer algemeen oordeel is) om een zegevollen intocht te Mekka en een gelukkigen terugkeer te vinden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1145] Of de ziel van den mensch. Sommigen passen het toe op den engel GabriÎl of op de goddelijke openbaring (Al Beid‚wi).
[1146] Zijnde door het woord Kun, dat is: Wees! bestaande in eene onstoffelijke zelfstandigheid en niet voortgebracht zooals het lichaam. Maar volgens eene andere meening zou deze plaats aldus moeten worden verstaan: De geest van zoodanige dingen, waarvan uw Heer zich de kennis heeft voorbehouden. Men zegt namelijk dat de Joden den KoreÔshieten verzochten, Mahomet te vragen, de geschiedenis te verhalen van hen die in de spelonk sliepen (zie het volgende hoofdstuk) en van Dhoe'lkarnein (zie ald.) en hun eene beschrijving te geven van des menschen ziel, er bijvoegende, dat, indien hij toestemde op al de drie vragen te antwoorden, of op geene daarvan zou kunnen antwoorden, zij zeker zouden mogen zijn, dat hij geen profeet was; maar indien hij op eene of twee der vragen antwoord gaf en op de andere het stilzwijgen bewaarde; hij dan wezenlijk een profeet ware. Dien tengevolge verhaalde hij toen zij hem de vragen voorstelden, hun de twee geschiedenissen, maar erkende zijne onwetendheid nopens den oorsprong der menschelijke ziel. (Al Beid‚wi).
[1147] Daar al uwe kennis door de werking uwer zinnen wordt verkregen, hetgeen u zonder de hulp der goddelijke openbaring, in geestelijke bespiegelingen noodzakelijk moet doen falen. (Al Beid‚wi).
[1148] Zijnde de Koran doordien, zoowel uit de geschreven kopiÎn als uit het geheugen der menschen, weg te wisschen.
[1149] Zooals gij voorgeeft op uwe nachtelijke reis gedaan te hebben doch waarvan geen mensch getuige was.
[1150] Wat het leven of wat de opstanding betreft.
[1151] Dit is: tot zij uitgeput zouden zijn.
[1152] Deze waren: het veranderen van zijnen staf in eene slang, het wit en schijnend maken van zijn hand, het voortbrengen van sprinkhanen, ongedierte, kikvorschen en bloed, het splijten van de Roode zee, het slaan van water uit de rots en eindelijk het schudden van den berg SinaÔ boven de kinderen IsraÎls. In plaats van de drie laatsten rekenen sommigen de overstrooming van den Nijl, het verzengen van het koren, en de schaarschte van de aardvruchten (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Deze woorden worden echter door anderen vertolkt, niet met negen mirakelen, maar met negen bevelen, die Mozes aan zijn volk gaf, en die aan een Jood, welke hem daarom vroeg, door Mahomet zelven aldus werden opgeteld: Dat zij zich niet aan afgodendienarij zouden schuldig maken, noch stelen, noch overspel of moord plegen, noch tooverij bedrijven of woekeren, noch een onschuldig mensch beschuldigen om hem van het leven berooven, of eene zedige vrouw van hoererij, noch uit het leger deserteeren, waarbij hij, als een tiende bevel, het in achtnemen van den Sabbath voegde, hetgeen echter de IsraÎlieten in het bijzonder betreft; op welk antwoord, naar men zegt, de IsraÎliet de handen en voeten van den profeet kuste (Al Beid‚wi).
[1153] Letterlijk: op hunne kinnen.
[1154] Toen de ongeloovigen namelijk hoorden, dat Mahomet zeide: o God, en o Barmhartige! verbeeldden zij zich dat de Barmhartige de naam was van eene andere godheid dan God, en dat hij de aanbidding van twee goden leerde, waardoor deze plaats ontstond (Zie Hoofdstuk VII, vers 179).
[1155] Zijnde noch zoo luid, dat de ongeloovigen u kunnen beluisteren, en daaruit aanleiding kunnen hebben om te lasteren en te spotten, noch zoo zacht, dat het door de omstanders niet kunne worden gehoord. Sommigen veronderstellen, dat door het woord: gebed, op deze plaats het lezen van den Koran wordt bedoeld.
[1156] Dit hoofdstuk is aldus betiteld, omdat het melding maakt van de spelonk waarin zich de zeven slapers verborgen.
[1157] Sommigen zonderen vers 27 daarvan uit.
[1158] Dit waren zekere Christen jongelieden van eene goede familie te Ephesus, die, om de vervolging te ontgaan van den keizer Decius, welke door de Arabische schrijvers DecÔanus genoemd wordt, zich in eene spelonk verborgen, waar zij gedurende een groot aantal jaren sliepen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, enz.) Dit aprocryphe verhaal werd door Mahomet aan de christelijke overleveringen ontleend (Zie Greg. Turon, en Simeon Metaphrast.), maar werd door hem en zijne volgelingen met verschillende bijomstandigheden vermeerderd. (Zie d'Herbelot, Bibl. OriÎnt, p. 189). Zelfs Baronius (in zijne Martijrol. ad 27 Julii) noemt het verhaal apocryph, Marracci (Alkor. p. 425 en in Prodr. part. 4, p. 103) erkent dat het gedeeltelijk valsch of minstens twijfelachtig is, hoewel hij Hottinger een monster van goddeloosheid noemt en het schuim der ketters, dewijl hij het als een fabel beschouwt (Hotting. Hist. Orient. p. 40.)
[1159] De uitleggers verschillen onder elkander nopens de beteekenis van dit woord. Volgens sommigen kon het de naam zijn van den berg of de vallei, waarin zich de spelonk bevond. Sommigen beweren dat het de naam van den hond is, en anderen (die het naast bij de ware beteekenis schijnen te komen) beweren, dat het eene koperen plaat of steenen tafel was, nabij den ingang van de spelonk, waar op de namen der jonge lieden waren geschreven. Er zijn echter sommigen die aannemen, dat de makkers van Al Rakim andere personen zijn dan de zeven slapers: zij zeggen namelijk, dat de eerstgenoemden drie mannen waren, die door slecht weder in eene spelonk als schuilplaats werden gedreven, en daar werden ingesloten, door het nedervallen van een grooten steen, waardoor de opening van de spelonk werd gesloten, maar toen zij Gods barmhartigheid afsmeekten en ieder een verdienstelijk werk verhaalde, dat hem die, naar zij hoopten, waardig zou maken, werden zij op wonderdadige wijze bevrijd, doordat de rots in verschillende stukken werd vaneengespleten om hun den doortocht te verleenen (Al Beid‚wi, uit de overlevering van Nooman Ebn Bashir).
[1160] Want zij aanbidden den waren God, en afgoden daarenboven (Al Beid‚wi).
[1161] Opdat die hen niet zou hinderen, opende de spelonk zich naar het zuiden (Al Beid‚wi).
[1162] Zijnde in het middengedeelte daarvan, waar zij nog door de hitte der zon, noch door het geslotene van de spelonk werden gehinderd (Al Beid‚wi).
[1163] Omdat zij hunne oogen open hebben, of zich dikwijls van de eene zijde naar de andere wenden (Al Beid‚wi).
[1164] Uit vreeze, dat, door het lang liggen op den grond, hun vleesch zou worden verteerd (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin.)
[1165] Deze hond volgde hen, toen zij hem op hunne vlucht naar de spelonk voorbij gingen, en zij joegen hem weg. God deed hem daarop spreken en hij zeide: Ik bemin hen die God dierbaar zijn; ga dus slapen en ik zal u bewaken. Sommige echter zeggen, dat het een hond was, die aan een schaapherder toebehoorde, die hen achtervolgde en dat de hond dezen volgde. Deze meening wordt gestaafd door gelijk sommigen doen, calebohom, de meester van hunnen hond, in plaats van calbohom, hun hond te lezen (Al Beid‚wi Jallalo'ddin.) Jallalo'ddin voegt er bij, dat de hond zich als zijne meesters gedroeg, door zich slapende en wakende om te wenden. De Mahomedanen hebben grooten eerbied voor dezen hond en geven hem eene plaats in het paradijs met eenige andere geliefkoosde dieren terwijl zij eene soort van spreekwoord hebben, dat zij, sprekende van een gierig persoon, gebruiken, luidende: dat hij geen been aan den hond der zeven slapers zou toewerpen. Ook zegt men dat zij de bijgeloovige gewoonte hebben, zijn naam, die, naar zij veronderstellen, Katmir was (hoewel sommigen, gelijk hier boven is gezegd, denken dat hij, Al Rakim heette), op hunne brieven te schrijven, die naar verre oorden gezonden worden, of de zee moeten overgaan, als een waarborg, of eene soort van talisman, om het verlies van den brief te voorkomen (La Roque, Voyage de l'Arabir Heur, p. 74. Zie d'Herbel, t. a. pl.)
[1166] Door dat God hun vreeselijke gedaanten had gegeven, of wel om de groote uitgestrektheid hunner lichamen, of de afschuwelijkheid der plaats. Men verhaalt, dat de khalif Moawiyah, op eene expeditie welke hij tegen NatoliÎ ondernam, de spelonk der zeven slapere voorbij kwam, en volstrekt iemand daarin wilde zenden, niettegenstaande Ebn Abras hem het gevaar daarvan aantoonde, zeggende; dat reeds aan een beter mensch dan hij was (daarmede den profeet bedoelende) werd verboden er in te gaan; dit vers herhalende; doch de personen die er door den khalief werden in gezonden hadden nauwelijks de spelonk betreden, of zij werden door een brandenden wind dood geslagen (Al Beid‚wi).
[1167] Daar zij des ochtends in de spelonk kwamen en tot omstreeks den middag waakten, verbeeldden zij zich in het eerst dat zij een halven dag, of ten hoogste een en een halven dag hadden geslapen maar toen zij bevonden dat hunne nagels en hun haar zeer lang waren gegroeid, gebruikten zij deze woorden (Al Beid‚wi).
[1168] Naar de veronderstelling van sommige uitleggers was dit Tarnis.
[1169] Daar de lange slaap van deze jongelieden, en hun ontwaken na zoo vele jaren, eene voorstelling is van den staat van hen die sterven en daarna weder tot het leven worden opgewekt.
[1170] Zijnde nopens de opstanding. Sommigen zeggen namelijk dat alleen de zielen zouden opstaan; anderen dat zij met de lichamen zouden worden opgewekt, of wel, nopens de slapers, nadat zij werkelijk dood waren, daar de een zeide, dat zij dood waren, en de ander dat zij slechts sliepen; of wel nopens het oprichten van een gebouw over hen, hetgeen in de volgende woorden wordt vermeld; daar sommigen aanrieden aldaar een woonhuis te bouwen en anderen een tempel (Al Beid‚wi).
[1171] Toen de jongeling die naar de stad was gezonden, de gekochte levensmiddelen wilde betalen, was zijn geld zÛÛ oud (het was namelijk eene munt van Decianus), dat zij zich verbeeldden, dat hij een schat had gevonden. Zij brachten hem voor den vorst die een Christen was, welke, nadat hij zijn verhaal had gehoord, eenige personen met hem naar de spelonk zond, die de anderen zagen en met hen spraken; daarna vielen zij achterover in slaap en stierven. De vorst beval dat zij op dezelfde plaats zouden worden verbrand, en bouwde eene kapel over hen.
[1172] Dit was de meening van al Seyid en Jacobitisch Christen van Najran.
[1173] Hetgeen de meening was van sommige Christenen en bijzonder van een Nestoriaanschen prelaat.
[1174] En dit is de ware meening (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1175] Men zegt, dat, toen de KoreÔshieten, op aanhitsing der Joden, de drie bovenvermelde vragen aan Mahomet deden, hij hun verzocht den volgenden dag tot hem te komen. Hij beloofde hun dan te zullen antwoorden, maar voegde er niet bij: Indien het God behaagt. Daardoor had hij het verdriet, dat hij meer dan tien dagen moest wachten, alvorens hem eene openbaring omtrent deze onderwerpen werd verleend. De KoreÔshieten zegevierden daardoor, en verweten hem, op bittere wijze, dat hij een leugenaar was. Eindelijk bracht GabriÎl hem echter onderricht nopens hetgeen hij moest zeggen, nochtans met de waarschuwing, dat hij in het vervolg niet zoo onbeschaamd moest zijn (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). De Turken handelen strikt overeenkomstig dezen grondregel van hunnen profeet. Nimmer geven zij een stellig antwoord. Indien men hun vraagt: Komt gij? Gaat gij? Zult gij deze zaak volbrengen? dan eindigen zij hun antwoord immer met en cha Alla: Indien het God behaagt.
[1176] Zijnde: Geef hem de eer en vraag vergiffenis voor uwe zonden, indien gij vergeet te zeggen: Indien het God behaagt.
[1177] Jallalo'ddin veronderstelt dat de geheele tijdsruimte drie honderd zonnejaren was, en dat het ongelijke getal negen er bij gevoegd is om het geheel tot maanjaren te herleiden. Sommigen denken dat deze woorden er tusschen gevoegd zijn, als door de Christenen gesproken, die onder elkander nopens den tijd verschilden. Een zeide namelijk dat het drie honderd jaren was, en een ander drie honderd en negen jaren (Al Beid‚wi). De tijd tusschen de regeering van Decius en die van Theodosius den jonge, in welk tijdperk de slapers gezegd worden te zijn ontwaakt, pleit er tegen, dat zij volle twee honderd jaren zouden hebben geslapen. Maar Mahomet is eenigszins te verontschuldigen, naardien het getal door Simeon Metaphrastus t. a. pl. opgegeven, drie honderd twee en zeventig jaar beloopt.
[1178] Dit is eene ironische uitdrukking, waar in de dwaasheid en razernij wordt aangeduid van het beweren des menschen, die God wil onderrichten, (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1179] Waartoe de ongeloovigen u zouden willen overhalen (Al Beid‚wi Jallalo'ddin).
[1180] Dat is: Veracht de arme geloovigen niet om hunne armoede, en vereer de rijken niet om hunne welvaart en grootheid.
[1181] Men zegt dat de persoon, hier meer bijzonder bedoeld, Ommeya Ebn Khalf was, die begeerde dat Mahomet zijne nooddruftige volgelingen, uit eerbied door de KoreÔshieten, zou ontslaan (Zie Hoofdstuk IV, vers 52).
[1182] Letterlijk: van Eden (Zie Hoofdstuk IX, vers 73).
[1183] Deze schijnen echter slechts algemeene karakters te zijn, aangeduid om het verschillende uiteinde van den zondaar en den goede voor te stellen. Door sommigen wordt echter verondersteld, dat hier twee bepaalde personen worden bedoeld. Een zegt, dat zij twee IsraÎlieten en broeders waren, die een aanzienlijke som van hunnen vader hadden geÎrfd, welke zij met elkander deelden. Een van hen, die een ongeloovige was, kocht ruime velden en bezittingen voor zijn deel, terwijl de andere die een ware geloovige was daarvan tot vrome doeleinden gebruik maakte. Eindelijk werd echter de eerste tot armoede gebracht, terwijl de laatste voorspoedig was. Een ander is van meening dat het twee menschen van den stam van Makhzum waren, waarvan de een een ongeloovige, al Aswald Ebn Abd al Ashadd was genaamd en de andere Aboe Salma Ebn Abd Allah, de echtgenoot van Omm Salma (met welke de profeet na den dood van Abd Allah huwde,) die een waar geloovige was (Al Beid‚wi).
[1184] Terwijl hij zijn makker medenam uit pralerij en om hem te ergeren, door het gezicht zijner uitgebreide bezitting (Al Beid‚wi).
[1185] Zich eindelijk inbeeldende, dat zijn voorspoed niet zoozeer eene vrije gift van God was, als eene schuld voor zijn gedrag (Al Beid‚wi).
[1186] Zij zullen namelijk, aan den wortel afgescheurd, in de lucht oprijzen en tot atomen verdeeld worden. (Al Beid‚wi.)
[1187] Zie Hoofdstuk II, vers 32 en Hoofdstuk VII, vers 10 enz.
[1188] Van hier sommiger beweren, dat de geniussen eene soort van engelen zijn: anderen veronderstellen dat de duivel oorspronkelijk een genius was, en dat dit de aanleiding tot zijn opstand was. Zij noemen hem den vader der geniussen, welke hij na zijn val voortbracht (Jallalo'ddin). Het is tevens de vaste meening der Mahomedanen, dat de engelen zondenvrij zijn en zich niet voortplanten.
[1189] Zijnde tusschen de afgodendienaars en hunne valsche goden. Sommigen veronderstellen, dat hier de bedoeling slechts is, dat God hen tot geschil en verdeeldheid zal aanzetten.
[1190] Van hunnen nood te Bedhr (want de KoreÔshieten zijn de hier bedoelde ongeloovigen), of hunne straf bij de opstanding (Al Beid‚wi).
[1191] Dit zijn de steden der Adieten, Thamoedieten, Sodomieten, enz.
[1192] Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk de tijdruimte van achttien jaren en daar boven. Om deze lange plaats toe te lichten, verhalen de uitleggers het volgende: Zij zeggen, dat, toen Mozes eens voor het volk predikte, zij zijne kennis en welsprekendheid zoo zeer bewonderden, dat zij hem vroegen, of hij een man ter wereld kende, die wijzer was dan hij. Hij antwoordde daarop ontkennend, waarop God, na hem om zijne ijdelheid gelaakt te hebben (sommigen beweren echter dat Mozes die vraag uit eigen beweging aan God deed), hem in eene openbaring mededeelde, dat zijn dienaar al Khedr wijzer was dan hij. Op het verzoek van Mozes verhaalde hij hem dat hij dien persoon op zekere rots zou vinden, waar de twee zeeÎn elkander ontmoetten. Hij ried hem, visch in eene mand met zich te nemen, en dat daar, waar hij den visch zou missen, de plaats zou wezen. Dienovereenkomstig vertrok Mozes met zijn dienaar Josua om al Khedr op te zoeken, welke expeditie hier is beschreven (Al Beid‚wi, al Zamakhshari, al Bokhari, in Sonna enz.)
[1193] Zijnde die van PerziÎ en Griekenland. Sommigen beweren echter dat hier de ontmoeting van Mozes en al Khedr wordt bedoeld, als van twee zeeÎn van kennis (Al Beid‚wi, al Zamakhshari, al Bokhari, in Sonna, enz.).
[1194] Mozes vergat daaromtrent inlichtingen te winnen, en Josua om het hem te vertellen toen hij die miste. Men zegt, dat toen zij aan de rots kwamen, Mozes in slaap viel en de visch, die geroosterd was uit de mand in de zee sprong. Sommigen voegen er bij, dat Josua zich aan de fontein des levens afwiesch, waarvan een weinig water op de visch spatte, waardoor deze dadelijk weder levend werd (Al Beid‚wi, Al Zamakshari, enz.).
[1195] Het woord dat hier met "vrijelijk" is vertolkt, beteekent ook eene pijp, of een gewelfd kanaal voor den toevoer van water. Sommigen hebben daarom gemeend, dat het water der zee op wonderdadige wijze werd belet, het lichaam van den visch aan te raken, die als onder een gewelf door de zee ging (Al Beid‚wi, Al Zamakshari, enz.)
[1196] Volgens het algemeene gevoelen was deze persoon de profeet Al Khedr, dien de Mahomedanen gewoonlijk met Phineas, Elias en St. Joris verwarren, zeggende, dat zijne ziel door eene zielsverhuizing achtervolgens door alle drie ging. Sommigen zeggen echter, dat zijn ware naam Balya Ebn Malcan was, en dat hij leefde in den tijd van Afridun, een der oude koningen van PerziÎ; dat hij Dhoe'lkarnein voorafging en tot den tijd van Mozes leefde. Zij veronderstellen dat al Khedr, die de fontein des levens had opgespoord, daarvan dronk waardoor hij onsterfelijk werd, en dat hij dientengevolge dezen naam verkreeg, om zijne bloeiende en voortdurende jeugd (Al Beid‚wi, al Zamakshari, al Bokhari, in Sonna. Zie d'Herbelot, Bibl. OriÎnt. Art. Khedher, Septem castrens de Turcar, Moribus, Busbeq Epist. I. p. 93 enz. Hotting. Hist. OriÎnt p. 58 enz. 99 enz. 291 enz.).
[1197] Al Khedr nam namelijk eene bijl en sloeg twee der planken er uit (Al Beid‚wi).
[1198] Door zijn nek om te draaien, of zijn hoofd tegen een muur te slaan, of wel door hem neder te werpen en den strot af te snijden (Al Beid‚wi).
[1199] Deze stad was AntiochiÎ, of zooals sommigen eerder aannemen, Obollah nabij Basra, of wel Bajirwan in ArmeniÎ (Al Beid‚wi).
[1200] Alleen door dien met zijne hand te bestrijken: anderen zeggen echter dat hij dien omwierp en daarna herbouwde (Al Beid‚wi).
[1201] Dit waren tien broeders, waarvan vijf, om hunne jaren, geen werk meer konden verrichten (Al Beid‚wi).
[1202] Jaland Ebn Karkar, of Minwar Ebn Jaland al Azdi genaamd (Al Beid‚wi) die in Oman regeerde.
[1203] Men zegt, dat zij naderhand eene dochter hadden, die de vrouw en de moeder van een profeet was, en dat haar zoon een geheel volk bekeerde (Al Beid‚wi).
[1204] Hunne namen waren Asram en Sarim (Al Beid‚wi).
[1205] Of de dubbel-gehoornde. Het grootste deel der uitleggers (Al Beid‚wi, Al Zamakhshari, Jallalo'ddin, Yahya), veronderstellen, dat de hier bedoelde persoon Alexander de Groote was, of gelijk zij hem noemen, Iscander Al Roemi, koning van PerziÎ en Griekenland. De meeningen zijn echter zeer verdeeld, nopens de oorzaak van dezen bijnaam. Sommigen denken, dat hem die werd gegeven, omdat hij koning van het Oosten en van het Westen was, of omdat hij expeditiÎn naar beide de uiterste deelen der aarde had ondernomen, of wel, omdat hij twee hoorns op zijne diadeem had, of twee krullen van haar, gelijk hoorns op zijn voorhoofd, of, wat het waarschijnlijkste is tengevolge van zijn grooten heldenmoed. Onderscheidene moderne schrijvers, (Scaliger, de Emend. temp. L'Empereur, not. in Jachiad. Dan. VIII, 5 Gol. in Alfrag, p. 58, enz.), veronderstellen veeleer, dat deze bijnaam werd veroorzaakt, door dat hij op zijne munten en door zijne standbeelden met hoorn wordt voorgesteld, als de zoon van Jupiter Ammon, of wel omdat hij door den profeet DaniÎl bij een bok wordt vergeleken (Schickard, Tarikh Reg. Pers. p. 73). Hij wordt echter daar slechts met ÈÈn hoorn voorgesteld (Zie Dan. VIII). Er zijn nochtans sommige goede schrijvers, die gelooven dat de vorst, op deze plaats van den Koran bedoeld, niet Alexander de Griek was, maar een andere groote overwinnaar, die denzelfden naam en voornaam droeg en ouder dan hij was, daar hij in den tijd van Abraham leefde, en een der koningen van PerziÎ was, tot het eerste geslacht behoorende (Abulfeda, Khondemir, Tarikh Monthakhah, enz. Zie d'Herbel. Bibl. Orient. Art. Escander), of, zooals anderen veronderstellen, een koning van Saman, Asaab al Rayesh genaamd (overlever., Ebn Abbas, Zie Poc. Spec. p. 58). Allen komen nochtans daarin overeen, dat hij een waar geloovige was. Of hij echter al of niet een profeet was, maakt bij hen een geschilpunt uit.
[1206] Dit is: dat het hem zoo toescheen, toen hij aan den Oceaan kwam, en niets dan water zag (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1207] Een ongeloovig volk, dat zich met de huiden van wilde dieren kleedde, en van datgene leefde, wat de zee op het strand wierp (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1208] Zijnde dat gedeelte der bewoonde aarde waar de zon het eerste opkomt.
[1209] Die noch kleederen noch woningen bezaten, daar er in hunne landstreek geen gebouw te vinden was. Zij woonden in onderaardsche holen, waar zij zich voor de hitte der zon verscholen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Jallalo'ddin zegt, dat het de Zenj waren: een zwart volk dat zich ten zuidwesten van EthiopiÎ ophield. Zij schijnen de Troglodyten der ouden te zijn.
[1210] Waar tusschen Dhoe'lkarnein den straks te vermelden befaamden muur tegen de invallen van Gog en Magog bouwde. Deze bergen zijn gelegen in ArmeniÎ en Adherbijan, of, volgens anderen, veel meer noordwaarts, nabij de grenzen van Turkestan (Al Beid‚wi). d'Herbelot geeft in zijn werk het verhaal van eene reis naar dien muur, door iemand ondernomen, die door den khalif al Wathee werd uitgezonden om dien te gaan zien (Bibl. OriÎnt. art. JagÓouge).
[1211] Door het vreemde hunner spraak en hun traag begrip, waardoor zij genoodzaakt werden van een tolk gebruik te maken (Al Beid‚wi).
[1212] De Arabieren noemen hen Yajoej, en Majoej, en zeggen dat het twee volkeren of stammen waren, uit Japhet den zoon van Noach gesproten. Zooals anderen schrijven, was Gog een stam der Turken en Magog van die van Gilan. (Al Beid‚wi. Zie d'Herbelot, t. a. pl. de Geli en Gelae van Ptolemaeus en Strabo. Zie Gol. in Alfrag, p. 207). Men zegt dat dit barbaarsche volk gedurende de lente hunne invallen in de nabij gelegen streken deden en de aardvruchten verwoestten en wegvoerden, terwijl sommigen beweren dat zij menscheneters waren (Al Beid‚wi).
[1213] De uitleggers zeggen, dat de muur op de volgende wijze was gebouwd. Zij groeven tot zij water vonden, en na het fondament van steen en gesmolten koper te hebben gelegd, maakten zij den bovenbouw van groote stukken ijzer, waar tusschen zij hout en kolen legden, tot zij de hoogte der bergen bereikt hadden. Daarop staken zij den brand in de brandoffers en maakten, met behulp van groote blaasbalgen, het ijzer rood gloeiend en goten er gesmolten koper over, waardoor de leemten tusschen de stukken ijzer werden aangevuld en het geheele werk zoo stevig als eene rots werd. Sommigen verhalen, dat het geheel van steenen gebouwd was, door ijzeren krammen verbonden, waarop zij gesmolten koper goten, om ze te verbinden (Al Beid‚wi).
[1214] Dat is: als de tijd voor Gog en Magog zal komen om hunne gevangenschap te verlaten, hetgeen eenigen tijd voor de opstanding zal plaats hebben.
[1215] Deze woorden stellen Úf den geweldigen inval van Gog en Magog voor, Úf de verwarde verzameling van alle schepselen: zooals menschen, geniussen en redelooze dieren bij de opstanding.
[1216] Verschillende omstandigheden, die in dit hoofdstuk worden vermeld en op Maria betrekking hebben deden haren naam tot titel van deze Soera kiezen.
[1217] Behalve het vers van aanbidding.
[1218] Chaf: Ha, Ya, AÔn, Sad.
[1219] Want hij was de eerste die den naam van Johannes droeg of Yahya (zooals de Arabieren dien uitspreken). Deze meening schijnt veroorzaakt te zijn door eene verkeerde opvatting van de woorden van Johannes, dat niemand van de nabestaanden van Zacharias met dien naam werd genoemd (Lucas 1, 61); want anders was Johannes of, zooals het in het Hebreeuwsch wordt geschreven Jochanan een algemeene naam onder de IsraÎlieten en is het nog.
[1220] Deze plaats wordt door Savary aldus vertaald: Gij zult gedurende drie dagen stom zijn, hernam de engel.
[1221] Sommigen zeggen dat hij de volgende woorden op den grond schreef.
[1222] Ook beteekenen deze woorden de liefde tot het geven van aalmoezen.
[1223] Naar het oostelijk gedeelte van den tempel, of naar eene afzonderlijke kamer in het huis, welker opening naar het oosten gekeerd was, van waar, volgens Al Beid‚wi, de Christenen naar dat gedeelte gekeerd, hunne gebeden uitspreken. Er bestaat eene overlevering, volgens welke de maagd, toen zij tot de jaren van huwbaarheid was gekomen, gewoon was, als zij hare maandelijksche reiniging kreeg, haar vertrek in den tempel te verlaten, en zich naar het huis van Zacharias bij hare tante te begeven. Zoodra zij weder rein was, keerde zij tot den tempel terug. Op het tijdstip toen de engel haar bezocht, bevond zij zich, om eene gelijke reden, bij hare tante; zij zat en wiesch zich op eene opene plaats door een sluier bedekt om te voorkomen, dat men haar zag (Yahya, Al Beid‚wi). Anderen zijn omzichtiger en veronderstellen, dat zij zich verwijderd had om te bidden (Al Zamakshari).
[1224] In de vroegste oudheid reeds waren de vrouwen in het Oosten gewoon het aangezicht te bedekken. Thans verschijnen zij nimmer in het openbaar zonder gesluierd te zijn. Deze sluiers zijn van neteldoek en reiken tot de middel; er zijn twee kleine openingen in, opdat de vrouw kunne zien, waar zij zich bevindt. Twee oorzaken kunnen bijgedragen hebben, om onder de schoone sekse in het Oosten de gewoonte in te voeren, hare aangezichten te bedekken: ten eerste de overmatige hitte, waardoor de frischheid harer huid spoedig zou vernietigd zijn en, ten tweede, de bijzondere ijverzucht der mannen, die niet kunnen verdragen, dat zij gezien worden (Savary).
[1225] Want GabriÎl blies in de borst van haar hemd, welke hij met zijne vingers opende. (Yahya.) Zijn adem bereikte haren schoot en veroorzaakte de ontvangenis (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi.). De ouderdom der maagd Maria op het tijdstip harer ontvangenis was dertien, of, zooals anderen zeggen tien jaren, en zij bleef, overeenkomstig verschillende overleveringen zes, zeven, acht of negen maanden zwanger van hem. Sommigen zeggen echter dat het kind in zijne volle groote van negen maanden werd ontvangen, en dat zij binnen een uur daarna van hem werd verlost (Al Beid‚wi, Yahya).
[1226] Om hare verlossing te verbergen, verliet zij de stad des nachts en begaf zij zich naar zekeren berg.
[1227] De palmboom waarheen zij vluchtte, om daartegen in haren arbeid te leunen, was een verdorde stam, zonder top of bladeren; bovendien had dit des winters plaats. Desniettegenstaande voorzag die boom haar op wonderdadige wijze van vruchten ter harer verfrissching (Al Beid‚wi, Yahya al Zamakshari), zooals later wordt medegedeeld. Men heeft de opmerking gemaakt, dat het Mahomedaansche verhaal van Maria's verlossing zeer veel overeenkomst heeft met dat van Latona, zooals dit door de dichters wordt beschreven (Zie Sikh not., in Evang. Infant. pp. 9, 21 etc.), niet alleen doordat zij een palmboom aanvatte (Homer. Hymn. in Apoll. Callimach. Hymn. in Delum), hoewel sommigen zeggen dat Latona een olijfboom omvatte, of een olijf- en een palmboom, of wel twee laurierboomen, maar ook door het spreken der kinderen, hetgeen gelijk de fabel zegt, ook Apollo zou gedaan hebben terwijl hij zich nog in het lichaam zijner moeder bevond. (Callimach. t. a. pl., zie Hoofdst. III, vers 41).
[1228] Savary vertaalt deze plaats aldus: En zij riep uit: Gave God dat ik dood, vergeten en door de sterfelijken verlaten ware, alvorens ik had ontvangen.
[1229] Sommigen veronderstellen, dat dit het kind zelf was, maar anderen beweren dat het GabriÎl was, die eenigszins lager dan zij stond (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Volgens een andere lezing zou deze plaats aldus vertaald kunnen worden: En hij riep haar van onder haar. Sommigen passen het persoonlijk voornaamwoord haar op den palmboom toe.
[1230] En dienovereenkomstig was dit nauwelijks gezegd of de verdroogde stam herleefde, bracht groene bladeren voor en kreeg een top met rijpe vruchten beladen.
[1231] Letterlijk: uw oog.
[1232] Sommigen zeggen dat Maria werkelijk een broeder had A‰ron genaamd, die denzelfden vader maar een andere moeder had. Anderen veronderstellen dat hier Mozes' broeder bedoeld wordt, maar zeggen dat Maria vergelijkenderwijze zijne zuster wordt genoemd. Door anderen wordt beweerd, dat dit een ander persoon van denzelfden naam was, die tot hare tijdgenooten behoorde en om zijne goede of slechte hoedanigheden bekend was, en dat zij haar bij hem vergeleken, Ûf bij wijze van lof Ûf als een verwijt enz.
[1233] Bij Savary luidt dit aldus: Hij heeft kinderliefde in mijn hart geplant en mij van trotschheid, de gezellin van ellende, bevrijd.
[1234] Men zal uit Hoofdstuk III hebben gezien, dat Mahomet de passie van Jezus niet aannam. Dit vers nu heeft ten doel, Jezus als eenvoudig sterveling en profeet voor te stellen wiens leven ter beschikking staat van God, die alle wezens zal doen sterven, om hen later weder tot het leven op te wekken. Van daar dan ook, moet volgens Mahomet, Jezus, die in den hemel werd opgenomen, werkelijk voor den dag des laatsten oordeels sterven.
[1235] Door Savary wordt deze plaats aldus vertolkt: God kan geen zoon hebben. Geloofd zij zijn naam! Hij beveelt, en datgene wat niet bestaat, treedt op zijne stem in het leven.
[1236] Zijnde: door alleen te overleven, en alle schepselen dood en vernietigd zullen zijn. Zie Hoofdstuk XV, vers 23.
[1237] Zie Hoofdstuk VI, vers 74.
[1238] Door eerst door Harran en daarna naar Palestina te vluchten.
[1239] Letterlijk vertaald, zou dit moeten luiden: Wij verleenden hun eene verheven taal van waarheid.
[1240] Daar hij te dien opzichte wordt genoemd, en vooral om zijne vastberadenheid en standvastigheid, welke hij zijn vader had beloofd, toen deze Gods bevel ontving om hem te offeren (Al Beid‚wi), daar de Mahomedanen zeggen, dat het IsmaÎl en niet Iza‰k was die door God aan Abraham bevolen werd te offeren.
[1241] Of Henoch, de grootvader van Noach, die dien bijnaam om zijne groote kennis had. Hij werd namelijk door niet minder dan dertig boeken met goddelijke openbaringen begunstigd en was de eerste die met eene pen schreef en de sterre- en rekenkunde beoefende (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1242] Sommigen passen dit toe op de eer van de profetenzending en zijne gemeenzaamheid met God. Anderen echter veronderstellen, dat hier zijne opneming tot God wordt bedoeld. Zij zeggen namelijk, dat hij op den ouderdom van driehonderdvijftig jaren door God in den hemel werd opgenomen; nadat hij eerst gestorven en vervolgens weder tot het leven opgewekt was, en dat hij thans in een der zeven hemelen of in het paradijs leeft (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Abu'lfeda).
[1243] Zijnde woorden van vrede en troost, of de groeten der engelen. Zie Hoofdstuk X, vers 10 enz.
[1244] Hier spreekt GabriÎl tot Mahomet.
[1245] Dat is: die het recht op den naam van God hebben of verdienen.
[1246] Sommigen zeggen, dat hier een bijzonder persoon wordt bedoeld, namelijk Obba Ebn Khalf. Zie Hoofdstuk XVI vers 4 in de noot.
[1247] Men zegt namelijk, dat alle ongeloovigen op den dag des oordeels zullen verschijnen, geketend aan den duivel, die hen verleidde (Al Beid‚wi).
[1248] Hieruit blijkt het, zegt Al Beid‚wi, dat God sommigen der weerspannigen vergiffenis zal schenken. Maar misschien wordt hier bedoeld, het onderscheiden der ongeloovigen in verschillende klassen, om hun verschillende plaatsen en graden van pijniging aan te wijzen.
[1249] Zijnde: meer weerspanningen en verdorvenen en in het bijzonder de opperhoofden van secten, die eene dubbele straf zullen ondergaan voor hunne eigene misstappen en hunne verleiding van anderen.
[1250] De ware geloovigen zullen namelijk mede langs of door de hel moeten gaan; doch dan zal het vuur verminderd en de vlam uitgebluscht worden, om hun niet te schaden; maar de anderen zal het omringen. Sommigen veronderstellen echter, dat deze woorden slechts doelen op den overgang van de smalle brug die over de hel ligt (Al Beid‚wi).
[1251] Zijnde: van ons of van ulieden. Toen de KoreÔshieten niet in staat waren een boek, gelijk den Koran aan te wijzen, snoefden zij op hunne welvaart en hunnen adel. In dat opzicht stelden zij zich zelven zeer hoog en versmaadden de volgelingen van Mahomet.
[1252] Deze plaats werd geopenbaard met het oog op Al As Ebn Wayel. Deze was geld schuldig aan Khabbab. Toen de laatste om het verschuldigde vroeg, weigerde de schuldenaar te betalen, tenzij Khabbab Mahomet verloochende. Op dit voorstel werd door Khabbab geantwoord, dat hij dien profeet nimmer zou verloochenen; noch levend, noch dood, noch zelfs als hij op den jongsten dag zou worden opgewekt. Hierop hernam Al As: als gij weder zijt verrezen, kom tot mij; want dan zal ik overvloed van rijkdommen en kinderen hebben, en ik zal betalen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1253] Zijnde: Hij zal verplicht wezen, zijne geheele welvaart en zijne kinderen achter te laten als hij sterft.
[1254] Het woord van den oorspronkelijken tekst kan ook worden vertaald door steun, kracht, eer.
[1255] Zijnde: bij de opstanding, als de afgodendienaars hunne afgoden en de afgoden hunne aanbidders zullen verloochenen, en zij elkander wederkeerig zullen beschuldigen. Zie Hoofdstuk VI, vers 24 en Hoofdstuk X, vers 29 volg.
[1256] Of: het tegendeel; d.i. eene schande in plaats van eene eer.
[1257] Dat is: uitgenomen hij, welke eigenlijk geschikt zal zijn die gunst te ontvangen, door het belijden van den Islam. Volgens eene andere vertolking kan deze plaats ook aldus worden vertaald: Zij zullen de tusschenkomst van niemand verkrijgen, behalve de tusschenkomst van hen, enz. Of anders: Niemand zal in staat zijn voor anderen tusschen beide te treden, behalve zij, die een verbond (of verlof) van God zullen hebben ontvangen; dat is: hij die daartoe door geloof en het doen van goede werken, overeenkomstig Gods belofte, of die daartoe van God het bepaalde verlof zal hebben ontvangen (Al Beid‚wi. Zie Hoofdstuk II, vers 255).
[1258] Zijnde: de liefde van God en van al de bewoners des hemels. Sommigen veronderstellen, dat dit vers werd geopenbaard om de Moslems te troosten, die om hun geloof, te Mekka veracht en gehaat worden. Hierbij wordt hun beloofd, dat zij de liefde en de achting der menschen in korten tijd zullen winnen.
[1259] De beteekenis van deze letters, waarmede het eerste vers aanvangt, en die daarom voor den titel zijn genomen, is niet met zekerheid op te geven. Sommigen meenen echter, dat zij er staan in plaats van Ya rajol, zijnde: O mensch! deze vertolking welke, naar het schijnt niet gemakkelijk uit het Arabisch is te verklaren wordt in zekere overlevering van het Ethiopisch afgeleid (Moham. Ebn Abd al Baki, ex trad. Acreman, Ebdae Abi Sofian). Sommigen zien in de letters het woord Ta, d.i. Tred, er bij voegende, dat Mahomet in den nacht toen deze plaats werd geopenbaard, waakte en bad, en daarbij slechts op ÈÈn voet stond, zoodat hem hier werd bevolen, het zich gemakkelijk te maken en beide voeten op den grond te zetten. Anderen weder beweren, dat de eerste letter Tuba gelukzaligheid en de laatste Hawiyat beteekent, zijnde de onderste afdeeling der hel, Tah is ook een tusschenwerpsel waarbij stilte wordt bevolen, en zou daarom op deze plaats niet ongepast zijn.
[1260] Hetzij door hunne ijverige zorg voor de bekeering der ongeloovigen, of door zich te vermoeien met waken, en de uitoefening van andere godsdienstige plichten. Het schijnt namelijk, dat de KoreÔshieten de buitengewone vermoeienissen, welke hij in dit opzicht leed, als het gevolg aanvoerden van de omstandigheid, dat hij hunnen godsdienst had verlaten (Al Beid‚wi).
[1261] Wij doen hier eens voor altijd opmerken, dat het woord God met eene groote G telkens door ons is genomen voor het Arabische woord Allah, de eenige God, terwijl god, goedheid, voor het Arabische woord illah, zonder lidwoord is gekozen. Zie voorts Hoofdstuk VII, vers 179 en op verschillende andere plaatsen.
[1262] Het verhaal van de geschiedenis van Mozes, hetgeen hier het grootste deel van het hoofdstuk inneemt, werd aangewezen om Mahomet door zijn voorbeeld aan te moedigen, aan de roeping van profeet met vastheid des harten te voldoen, daar hij dan verzekerd kon zijn, dezelfde hulp van God te ontvangen. Men zegt namelijk, dat dit hoofdstuk een der eerst geopenbaarden was (Al Beid‚wi.)
[1263] De uitleggers zeggen, dat Mozes van Shoaib, of Jethro zijn schoonvader, verlof ontvangen hebbende om zijne moeder te bezoeken, met zijn gezin van Midian naar Egypte vertrok. Toen hij echter aan de vallei van Towa kwam, waarin de berg SinaÔ was gelegen, gevoelde zijne vrouw barensweÎn en werd gedurende een zeer duisteren en sneeuwachtigen nacht, van een zoon verlost. Ook was hij van zijnen weg afgedwaald, en zijn vee verstrooid, toen hij plotseling ter zijde van een berg een vuur zag, dat, toen hij naderbij kwam, in een groen bosch bleek te branden (Al Beid‚wi.)
[1264] Dit was een teeken van nederigheid en eerbied. Sommige beweren echter, dat er eenige onreinheid in de schoenen was, omdat die van de huid van een ongetemde ezel waren vervaardigd (Al Beid‚wi.)
[1265] Die eerst niet dikker dan de staf was, maar later tot eene buitengewone dikte opzwol (Al Beid‚wi.)
[1266] Toen Mozes zag, dat de slang zich met groote snelheid voortbewoog en steenen en boomen verzwolg, was hij verschrikt en ontvluchtte haar. Toen hij echter op deze woorden van God den moed herkreeg, had hij de onverschrokkenheid, de slang bij de kinnebakken te vatten (Al Beid‚wi.)
[1267] Want Mozes had een spraakgebrek, dat door het volgende geval werd veroorzaakt. Eens, toen hij nog een kind was, en Pharao hem in zijn armen hield, trok hij plotseling aan diens baard en plukte daaraan op zeer ruwe wijze. Pharao ontstak daardoor in zulk een hevigen toorn, dat hij beval, Mozes ter dood te doen brengen. Zijne vrouw Asia deed hem echter opmerken, dat hij slechts een kind was, dat geen onderscheid wist tusschen een brandende kool en een robijn; waarop Pharao beval, dat men daarvan de proef zou nemen. Daarop plaatste men een gloeiende kool en een robijn voor Mozes. Deze nam de kool en stak die in zijn mond, waardoor hij zich de tong verbrandde, en hierna schonk Pharao hem vergiffenis. Vergelijk Shalsh. Hakobb. p. 11.
[1268] Het Arabisch woord is Wezir, waarmede iemand wordt bedoeld, aan wien het opperbeheer der zaken onder een vorst is opgedragen.
[1269] De uitleggers zijn het niet eens over de wijze, waarop deze openbaring werd gedaan, hetzij door eene persoonlijke ingeving, door een droom, een profeet of een engel.
[1270] De uitleggers zeggen, dat zijne moeder dienovereenkomstig een kistje van papyrus maakte en dit met pek besmeerde, waarop zij er eenig katoen in legde. Daarop plaatste zij het kind er in en wierp het in de rivier, waarvan een tak in den tuin van Pharao uitliep. De stroom dreef het kistje van daar in een vischvijver, aan welks boord Pharao toen met zijne vrouw Asia zat, die eene dochter van Mozahem was. De koning beval, dat het kistje opgenomen en geopend zou worden. Men vond er een schoon kind in, waar Pharao behagen in schepte, zoodat hij beval, dat het zou worden opgevoed (Al Beid‚wi). Sommige schrijvers vermelden eene wonderdadige redding van Mozes, vÛÛr hij in het kistje werd gelegd. Zij verhalen namelijk, dat zijne moeder hem voor de beambten van Pharao in een oven had verborgen. Terwijl de moeder afwezig was, ontstak de zuster een groot vuur in den oven, om dien te stoken, niet wetende dat zich het kind aldaar bevond. Hij werd er echter later ongedeerd uitgenomen (Abu'lpeda enz.)
[1271] Dat is: ik gaf liefde voor u in de harten van hen die u zagen, en voornamelijk in het hart van Pharao.
[1272] De Mahomedanen beweren, dat men onderscheidene zoogsters bracht, maar dat het kind weigerde de borst van eene van haar te vatten, tot dat zijne zuster Mirjam, die gekomen was om tijding nopens hem te vernemen, haar zeide, dat zij eene zoogster zou zoeken en daarop zijne moeder bracht (Al Beid‚wi).
[1273] Mozes doodde namelijk een Egyptenaar bij de verdediging van een zwaar mishandelden IsraÎliet en ontkwam het gevaar daarvoor gestraft te worden, door naar Midian te vluchten, dat op een afstand van acht dagreizen van Mesr was gelegen (Al Beid‚wi).
[1274] Zijnde: Tien (Al Beid‚wi).
[1275] Daar A‰ron op dien tijd was gekomen om zijn broeder te ontmoeten, hetzij door eene goddelijke ingeving, hetzij dat hij kennis droeg van zijn voornemen om naar Egypte terug te keeren (Al Beid‚wi).
[1276] Zijnde: Geluk of ellende na den dood.
[1277] Hetwelk waarschijnlijk de eerste dag van het nieuwe jaar was.
[1278] Door te zeggen dat de mirakelen in zijn naam gedaan, de gevolgen van toovenarij zijn.
[1279] Zij bedekte de staven met kwikzilver, dat hen door de hitte der zon deed bewegen (Al Beid‚wi. Zie Hoofdstuk VII, vers 112).
[1280] Zie Hoofdstuk VII, vers 120.
[1281] Letterlijk de tuinen van Eden. Zie Hoofdstuk IX, vers 73.
[1282] De uitleggers voegen er bij, dat de zee in twaalf afzonderlijke paden verdeeld was, zijnde een voor iederen stam (Al Beid‚wi Abu'lfed, in Hist. R. EliÎz, Pirke).
[1283] Zie Hoofdstuk II, vers 44.
[1284] Door ondankbaarheid, buitensporigheid, of slecht gedrag.
[1285] Zij gingen gedurende de eerste twintig dagen van Mozes' afwezigheid voort, den waren God te aanbidden, welken tijd zij, door de nachten mede in rekening te brengen, als veertig dagen beschouwden. Zij beweerden diensvolgens, dat zij den vollen tijd ten einde gebracht hadden, dien Mozes hun had bevolen, waarna zij tot aanbidding van het gouden kalf vervielen (Al Beid‚wi.)
[1286] Dit was zijn eigen naam niet, maar hij werd aldus genoemd, omdat hij tot zekeren stam onder de IsraÎlieten behoorde, Samaritanen genaamd. (Daardoor doen de Mahomedanen op vreemdsoortige wijze hunne onkunde in de geschiedenis blijken). Sommigen zeggen echter, dat hij een proseliet was, maar een huichelaar en afkomstig van Kirman of eene andere nabijgelegen plaats. Zijn ware naam was Mozes of Moesa Ebn Dhafar (Al Beid‚wi.) Selden is van oordeel, dat deze persoon niemand anders was dan A‰ron zelf (die werkelijk de vervaardiger van het kalf was), en dat hij hier Al Sameri wordt genoemd, naar het Hebreeuwsche werkwoord Smr, bewaren (Selden, de Diis syris, Synt, 1. c 4), omdat hij gedurende de afwezigheid van zijn broeder op den berg, de bewaarder of beschermer der kinderen IsraÎls was, hetgeen eene zeer vernuftige veronderstelling is, die niet geheel onvereenigbaar met den tekst van den Koran kan worden genoemd.
[1287] Zijnde: nadat hij zijn verblijf van veertig dagen op den berg volbracht en de wet ontvangen had (Al Beid‚wi).
[1288] Zijnde: de wet, die eene gemakkelijke en zekere leiding bevat om u op den rechten weg te voeren.
[1289] Zie Hoofdstuk VII, noot van vers 146.
[1290] In deze woorden wordt A‰ron door Mozes berispt, zijnen ijver niet ondersteund te hebben, door de wapenen tegen de afgodendienaars op te vatten, of dat hij hem niet op den berg was komen opzoeken om hem met hunne weÍrspannigheid bekend te maken.
[1291] Zijnde: indien ik de wapenen tegen de aanbidders van het kalf had opgevat, zoudt gij zeggen, dat ik een opstand had veroorzaakt, of indien ik tot u ware gekomen, zoudt gij mij gegispt hebben wegens het verlaten van mijn post, en dat ik uwe terugkomst niet had afgewacht, om te herstellen wat er verkeerds bedreven was.
[1292] Zijnde: dat de gezant, die hun van God werd gezonden, een zuivere geest was, en dat zijne voetstappen leven gaven aan alles wat zij aanraakten; daar deze geest niemand anders was dan de engel GabriÎl, op het paard des levens gezeten. Daarom maakte ik gebruik van het stof van zijn voet, om het gegoten kalf te geven. Men beweert ook dat Al Sameri den engel kende, daar die hem gered en zorg voor hem gedragen had, toen hij, een kind, door zijne moeder, uit vrees voor Pharao te vondeling gelegd was (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1293] Zie Hoofdstuk II vers 48.
[1294] Opdat gij hen niet met eene brandende koorts zoudt aansteken; want dit was het gevolg, als iemand hem aanraakte, terwijl hetzelfde geschiedde met de personen welke hij aanraakte. Daarom was hij verplicht, alle verkeer met anderen te vermijden en werd hij mede door hen geschuwd, behalve hij als een wild dier in de woestijn ronddwaalde (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Van hier wordt de gevolgtrekking gemaakt, dat een stam der Samaritaansche Joden die gezegd wordt een zeker eiland in de Roode zee te bewonen, de afstammelingen zijn van dezen Al Sameri, omdat het nog heden hun bijzonder onderscheidingsteeken is, dat zij dezelfde woorden gebruiken als zij iemand ontmoeten, namelijk La mesas, zijnde: Raak mij niet aan (Zie Geogr. Nub. p. 45).
[1295] Of, zooals deze plaats mede kan worden vertaald: wij zullen doen afvijlen. De hierboven gebruikte uitdrukking is echter de meer gebruikelijke.
[1296] Zie Hoofdstuk VI, vers 31.
[1297] Dit is namelijk bij de Arabieren een teeken van een vijand, of van een persoon van wien zij afkeerig zijn. Door dus te zeggen dat iemand eene zwarte lever (hoewel sommige Westersche volken hunnen afkeer te kennen geven door de uitdrukking "eene witte lever") roodachtige knevels en grijze oogen heeft, wordt eene omschrijving gegeven van een vijand en voornamelijk van een Griek welke natie den Arabieren het vijandigste was en gewoonlijk haren en oogen van die kleuren had (Al Beid‚wi, Jawhari, in Lex.). Het oorspronkelijke woord zorkan (van azrak) beteekent echter ook personen die een gebrekkig gezicht of blauwe oogen hebben of aan de staar lijden.
[1298] Zijnde in de wereld of in het graf.
[1299] Of: Behalve aan hem, enz. Zie Hoofdstuk XIX, vers 99.
[1300] De oorspronkelijke uitdrukking beteekent eigenlijk de nederigheid en verslagen blikken van gevangenen in de tegenwoordigheid van hunnen overwinnaar.
[1301] Hier wordt aan Mahomet bevolen, niet ongeduldig te zijn, wanneer er eenig oponthoud plaats heeft in het overbrengen der goddelijke openbaringen door GabriÎl, of om die niet te snel den engel na te zeggen, door hem in te halen, alvorens hij de geheele plaats geÎindigd hebbe. Sommigen veronderstellen echter, dat het verbod betrekking heeft op de openbaarmaking van een vers, alvorens hem dit volkomen zou zijn verklaard (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1302] De omstandigheid, dat Adam het goddelijke bevel zoo spoedig vergat, heeft sommige Arabische Etymologen het woord Imsan, (mensch) van nassiya (vergeten) afleiden en heeft mede het volgende spreekwoord doen ontstaan: Awwalo nasin awwalo'nnasi, d.i. de eerste vergeetachtige persoon was de eerste der menschen, zinspelende op den gelijken klank der woorden.
[1303] Zie Hoofdstuk II, vers 32 enz. en Hoofdstuk VII, vers 10 enz.
[1304] Zie Hoofdstuk VII, vers 21 volg.
[1305] Zie Hoofdstuk II.
[1306] De sporen hunner verdelging ziende; zooals van de stammen van Ad en Thamoed.
[1307] Zijnde: des avonds en des ochtends, als de voornaamste uren van het gebed. Sommigen veronderstellen echter, dat met deze woorden het middaggebed wordt bedoeld; daar op dat tijdstip de eerste helft van den dag eindigt en de tweede helft begint (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1308] Dat is: Misgun of begeer hunne pracht en hunnen voorspoed in deze wereld niet. Zie Hoofdstuk XV, vers 88.
[1309] Zijnde: de belooning in het volgende leven voor u weggelegd of het geschenk der profetie, en de openbaring waarmede God u heeft begunstigd.
[1310] Men zegt dat als Mahomets gezin in droefheid verkeerde, hij gewoon was hun te bevelen, het gebed uit te spreken en dit vers te verhalen (Al Beid‚wi).
[1311] Dit hoofdstuk draagt dezen titel, omdat daarin sommige bijzonderheden nopens verschillende oude profeten worden medegedeeld. Zamakshari zegt, dat hij, die dit hoofdstuk zal lezen, genadig zal worden geoordeeld op den dag der opstanding. De profeten, die in den Koran zijn vermeld, zullen hunne handen naar hem uitstrekken en hem groeten.
[1312] Zijnde: nopens den tegenwoordigen toestand, bij wijze van raadplegen, of dat gij onderzocht wordt nopens uwe daden, opdat gij de belooning daarvoor zoudt ontvangen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Al Zamakhshari).
[1313] Men verhaalt, dat een profeet tot de bewoners van zekere steden in Yaman werd gezonden; maar in plaats van naar zijne vermaningen te luisteren, doodden zij hem. Daarop leverde God hen aan de handen van Nebuchadnezar over, die hen met het zwaard strafte. Op dat zelfde tijdstip riep eene stem van den hemel: Wraak voor het bloed der profeten! Daarop gevoelden zij berouw en gebruikten de woorden van deze plaats.
[1314] Maar tot het toonen van onze kracht en wijsheid aan hen die verstand hebben, opdat zij de wonderen der schepping ernstig zouden gadeslaan en hunne daden doen strekken tot bereiking van het toekomstige geluk; tevens de ijdele praal en voorbijgaande genoegens van deze wereld verachtende.
[1315] Wij zouden ons behagen hebben gezocht in onze eigene volmaaktheden of in de geestelijke wezens, die in onze onmiddellijke nabijheid zijn, en niet in het optrekken van stoffelijke gebouwen met geschilderde daken en schoone vloeren, hetgeen de uitspanning der menschen is. Sommigen zijn van oordeel, dat het oorspronkelijke woord, hier met vermaken vertaald, op deze plaats eene vrouw of een kind beteekent, en dit gezegde in het bijzonder tegen de Christenen is gericht (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Al Zamakshari).
[1316] Dit is: De geheele schepping zou noodzakelijk in verwarring geraken en omgekeerd worden, door het wedijveren van zulke machtige tegenstanders.
[1317] Dit is: de standvastige leer van al de geheiligde boeken, niet alleen van den Koran, maar ook van dezulke, die in vroegere tijdperken werden geopenbaard, en welke allen de wijzen van de groote en fundamenteele waarheid van Gods eenheid dragen.
[1318] Deze plaats werd met betrekking tot de KhozaÔten geopenbaard die de engelen voor de dochters van God hielden. Savary vertaalt die aldus: De ongeloovigen hebben gezegd: God heeft een zoon door gemeenschap met engelen. Deze godslastering zij verre van hem. De engelen zijn zijne geÎerde dienaren.
[1319] Zijnde: dat zij zich gedragen als dienaren, die hunnen plicht kennen.
[1320] Dat is: Zij waren ÈÈn samenhangende klomp, tot wij die scheidden, en de hemel in zeven hemelen en de aarde in verschillende afdeelingen verdeelden. Wij onderscheidden de verschillende kringen van den eenen en de verschillende klimaten van de andere, enz. Sommigen verkiezen deze woorden aldus te vertolken: De hemelen en de aarde werden gesloten en wij openden die; daardoor zeggende, dat er uit den hemel geen regen viel, noch dat de aarde planten voortbracht tot God zijne macht liet gelden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1321] Zie Hoofdstuk XVI, vers 15.
[1322] Deze plaats werd geopenbaard toen de ongeloovigen zeiden: Wij verwachten Mahomet te zien sterven, zooals de overige menschen.
[1323] Zijne eenheid loochenende, of zijn gezant en de schriften, die tot hun onderricht werden gegeven, en voornamelijk den Koran verwerpende.
[1324] Als zijnde haastig en onoverlegd. Zie Hoofdstuk XVII, vers 12.
[1325] Zie Hoofdstuk VI, vers 74; Hoofdstuk XIX, vers 43, en Hoofdstuk II, vers 260.
[1326] Abraham nam de gelegenheid waar, dit te doen, terwijl de Chaldeeuwen in de velden verspreid waren en een groot feest vierden. Sommigen zeggen, dat hij zich in den tempel wist te verbergen. Toen hij zijn plan had uitgevoerd, ten einde hen duidelijker te overtuigen van hunne domheid, de beelden te aanbidden, hing hij de bijl, waarmede hij de afgoden had omgehouwen en nedergeworpen, om den hals van den oppersten god, door sommige schrijvers Baal genoemd, alsof hij de bedrijver van het geheele ongeval ware geweest (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin enz. Zie ook Hyde, de Rel. vet. Pers c. 2). Dit verhaal, hetwelk hoewel het valsch is, toch niet slecht gevonden kan worden genoemd, is door Mahomet aan de IsraÎlieten ontleend, die het met eene kleine wijziging verhalen, daar zij zeggen dat Abraham dit in den winkel van zijn vader, gedurende zijne afwezigheid volvoerde. Toen Terach terugkeerde en naar de oorzaak van de wanorde vroeg, verhaalde zijn zoon hem dat de afgodsbeelden getwist hadden en handgemeen waren geworden om eene offerande van fijn meel, dat hun door eene oude vrouw was gebracht. De vader gevoelende, dat hij de onmogelijkheid niet kon aantoonen van hetgeen door Abraham werd beweerd, zonder de machteloosheid zijner goden te erkennen, barstte in eene vreeselijke woede uit en bracht hem aan Nimrod, opdat hij voor zijne onbeschaamdheid voorbeeldig zou worden gestraft (R. Gedal in Shalshl. Hakkabe p. 8 en Maimon Yad hachazaka c.l. de idol).
[1327] De uitleggers verhalen dat op Nimrods bevel eene groote ruimte te Cutha ingesloten en met een groote hoeveelheid hout opgevuld werd en dat, toen het in brand gestoken werd, het zoo hevig brandde dat niemand het dorst naderen. Daarop bonden zij Abraham en plaatsten hem in een werktuig (zooals sommigen veronderstellen door den duivel uitgevonden) en stieten hem in het midden des vuurs, waar hij door den engel GabriÎl werd beschermd, die te zijner hulp werd gezonden, zoodat het vuur alleen de koorden verbrandde, waarmede hij gebonden was (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Zij voegen er bij, dat het vuur op wonderbaarlijke wijze zijne hitte voor Abraham had verloren en een liefelijken geur verkreeg, en dat de brandstapel in een fraai open veld veranderde. Voor de andere woedde het vuur echter zoo vreeselijk, dat, overeenkomstig sommige schrijvers, omstreeks twee duizend afgodendienaars daardoor werden verteerd (Zie het Apocryphe Evangelie van Barnabas Hoofdstuk 28). Deze fabel mag echter op vrij hoogen ouderdom bogen, en is niet alleen door de IsraÎlieten maar ook door verschillende Oostersche Christenen aangenomen. De vijfentwintigste van de tweede Canun of January, is dan ook in den Syrischen kalender aangeteekend, ter herdenking van den dag, dat Abraham in het vuur werd geworpen. (Zie Hyde de Rel. Pers. p. 73). De IsraÎlieten maken mede melding van eenige andere vervolgingen, waaraan Abraham om zijnen godsdienst was blootgesteld, en voornamelijk van eene tienjarige gevangenisstraf. (R. Eliez. Pirke c. 26 enz; Maim. More. Nev. lib. III, c. 29) Sommigen zeggen dat hij door Nimrod werd gekerkerd (Glossa Talmud in Gemar Bava Bathra 91. 1) en anderen door zijn vader Terach (in Hagada).
[1328] Sommigen zeggen, dat Nimrod op het zien dezer wonderdadige bevrijding uit zijn paleis, uitriep dat hij den God van Abraham een offer wilde brengen, en dat hij dientengevolge vierduizend koeien offerde (Al Beid‚wi). Maar hij verviel spoedig weder in zijn vorig ongeloof, en bouwde een toren om naar den hemel op te stijgen ten einde den God van Abraham te zien; dit gebouw werd echter omvergeworpen (zie Hoofdstuk XVI, vers 28). Daarna wilde hij, door middel van eene door vier reusachtige vogels ten hemel gedragen kast ten hemel varen, maar nadat hij gedurende eenigen tijd in de lucht had gezweefd, viel hij met zulk een kracht op een berg neder, dat hij dien deed schudden. Nimrod alsnu teleurgesteld in zijn voornemen, om God den oorlog aan te doen, keerde zijne wapenen tegen Abraham, die, daar hij een groot vorst was, zijne strijdkracht verzamelde om zich te verdedigen. Maar God verdeelde Nimrods onderdanen en verwarde hunne taal, waardoor hij hem van het grootste gedeelte van zijn volk beroofde, terwijl hij hen die hem getrouw bleven, door zwermen van muggen bezocht, die hen bijna allen verdelgden. Eene dezer muggen kroop door het oor of het neusgat van Nimrod en drong tot in een der vliezen van zijne hersenen door, waar zij iederen dag grooter werd en hem zulk eene ondragelijk pijn veroorzaakte, dat hij genoodzaakt was zijn hoofd met een hamer te doen slaan, om zich eenige verlichting te verschaffen, welke marteling hij vierhonderd jaren doorstond, daar God met een zijner kleinste schepselen hem wilde straffen, die zich onbeschaamd beroemde, de heer van het heelal te zijn (d'Herbelot, Bibl. OriÎnt. Art. Nemrod Hyde t. a. p.) Een Syrische kalender plaatst den dood van Nimrod alsof het tijdstip daarvan bekend ware, op den 8sten Thomoez, of Juli (Hyde ibid. p. 79.)
[1329] Zijnde: Palestina.
[1330] Zie Hoofdstuk II, vers 123.
[1331] Zie Hoofdstuk VII, vers 78 enz. en Hoofdstuk XI, vers 83.
[1332] Gedurende de afwezigheid van hunnen herder, waren eenige schapen des nachts in het veld (volgens anderen in den wijngaard) van een ander doorgedrongen en hadden het koren opgegeten. Daaruit ontstond een twist. Toen de zaak voor David en Salomo werd gebracht zeide de eerste dat de eigenaar van het land de schapen zou behouden tot vergoeding van de schade welke hij had geleden; maar Salomo, die toen elf jaren oud was, oordeelde dat het rechtvaardiger nopens den eigenaar van het veld zou wezen, indien hij alleen de opbrengst van de schapen nam; namelijk hunne melk, hunne lammeren en hunne wol, tot de schaapherder, door zijn eigen arbeid, en op zijne eigen kosten het land in den goeden toestand had teruggebracht waarin het was, toen de schapen er op kwamen, waarna de schapen aan hunnen meester zouden worden teruggegeven. En David zelf bekende, dat dit oordeel beter dan het zijne was (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1333] Volgens eene overlevering zou David het allereerst de maliÎnkolders hebben uitgevonden, ter vervanging van de kurassen van metalen platen. Men zegt dat het ijzer in zijne handen lenig en rekbaar werd als was.
[1334] Die zijn troon met wonderbaarlijken spoed overbracht. Sommigen zeggen dat die wind hard of zacht was, naar gelang Salomo dat begeerde.
[1335] Zijnde: Palestina.
[1336] Zooals het bouwen van steden en paleizen, het halen van zeldzame kunstvoorwerpen uit vreemde plaatsen en dergelijke.
[1337] De Mahomedaansche schrijvers verhalen dat Job tot het geslacht van Ezau behoorde en met een talrijk gezin, benevens overvloedige rijkdommen, was gezegend, maar dat God hem beproefde, door hem alles en daarbij zelfs zijne kinderen te ontnemen. Des niettegenstaande ging hij voort God te dienen en hem niet minder dankbaar dan gewoonlijk te zijn. Daarop werd hij door eene afzichtelijke ziekte getroffen, waardoor zijn lichaam vol wormen was. Deze ziekte was zoo akelig, dat hij op een mesthoop lag en niemand het kon uithouden hem te naderen. Zijne vrouw (die door sommigen gezegd wordt de dochter van EphraÔm, Jozefs zoon, en door anderen Makhir, de dochter van Manasse te zijn) verpleegde hem echter met groot geduld, en ondersteunde hem met hetgeen zij door haren arbeid verdiende. Eens verscheen haar nochtans de duivel, die haar den vroegeren voorspoed herinnerde, en haar daarna beloofde, dat, indien zij hem wilde aanbidden, hij alles zou teruggeven wat zij verloren had. Zij vroeg daarop de toestemming van haren echtgenoot, die zoo boos om dat voorstel werd, dat hij zwoer zijne vrouw honderd slagen te zullen geven als hij hersteld zou zijn. Nadat Job het op deze plaats vermelde gebed had uitgesproken, zond God GabriÎl, die Job bij de hand nam en hem deed opstaan. Op hetzelfde oogenblik ontsprong er eene fontein aan zijn voet, waardoor, nadat Job er van gedronken had, al de wormen van zijn lichaam vielen; en toen hij zich vervolgens met dat water wiesch, herkreeg hij zijne vroegere welvaart en schoonheid. Daarna gaf God hem alles dubbel terug, terwijl zijne vrouw weder jong en schoon werd en hem zesentwintig zonen baarde. Job werd, om zijn eed te vervullen, door God geleid, waardoor hij haar een slag met een palmtak gaf, waaraan zich honderd bladeren bevonden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Abulfeda enz. Zie d'Herbel. Bibl. Orient Art Aioub). Sommigen zeggen, teneinde de groote rijkdommen uit te drukken, welke aan Job na zijn lijden werden geschonken dat hij twee dorschvloeren bezat: een voor tarwe en de andere voor gerst, en dat God twee wolken zond, die goud op den eenen en zilver op den anderen deden regenen, tot zij overliepen (Jallalo'ddin). De overleveringen verschillen nopens den duur van Jobs martelingen: de eene zegt dat het achttien jaren was, een andere dertien, een andere drie en een andere juist zeven jaren, zeven maanden en zeven dagen.
[1338] Zie Hoofdstuk XIX, vers 52 en 57.
[1339] Het is onzeker wie deze profeet was. Een uitlegger wil, dat het Elias, Jesaia of Zacharias was. (Al Beid‚wi). Een ander veronderstelt dat het de zoon van Job was en dat deze in SyriÎ woonde; maar door sommigen wordt bijgevoegd, dat hij een zeer boos mensch was, maar later berouwvol stierf, waarna deze woorden op wonderdadige wijze boven zijne deur werden geschreven: Thans is God genadig omtrent Dhu'lkefl geweest (Abulfeda).
[1340] Dit is de bijnaam van Jonas, welke hem werd gegeven, omdat hij door den visch was verzwolgen. (Zie Hoofdstuk X, vers 68.)
[1341] Zijnde uit den buik van den visch.
[1342] Zijnde de maagd Maria.
[1343] Zijnde de zelfde, die door al de profeten en al de heilige mannen en vrouwen, zonder eenig verschil of eenige verandering in den grondslag, werd beleden.
[1344] Zijnde: Tot de opstanding, welke nadering door den inval van deze barbaren zal worden aangekondigd.
[1345] Op deze plaats staat in sommige afschriften in plaats van hadabin zijnde een verheven gedeelte der aarde, jadathin hetgeen een graf beteekent. Indien wij nu de laatstgenoemde lezing volgen, dan moet het voornaamwoord zij niet op Gog en Magog maar op de menschen in het algemeen worden toegepast.
[1346] Om hunne verbazing en de ondragelijke martelingen, die zij zullen doorstaan, of, zooals anderen het uitdrukken: Zij zullen daarin niets hooren, wat hun de minste verlichting kunne verschaffen.
[1347] Wiens bezigheid bestaat in het op eene rol nederschrijven der daden, welke ieder mensch gedurende zijn leven verricht. Na zijn dood rolt hij die op. Sommigen beweren, dat hier een van Mahomets schrijvers wordt bedoeld, en anderen beschouwen het woord sijil of sidjill, zooals het mede wordt geschreven, als den naam van een boek of eene geschreven rol, en vertolken deze plaats dienovereenkomstig: zooals eene geschreven rol wordt opgerold (Al Beid‚wi Jallalo'ddin enz).
[1348] Deze woorden zijn ontleend aan Psalm XXXVII : 29.
[1349] De vermelding van sommige plechtigheden bij den pelgrimstocht naar Mekka in dit hoofdstuk, zijn oorzaak van dezen titel.
[1350] Sommigen (Jallalo'ddin) zonderen hier van twee verzen (11 en 12) uit. En anderen (Al Beid‚wi) zes verzen (20-25).
[1351] Of de aardbeving, die, naar het zeggen van sommigen, plaats zal hebben even voor de zon uit het Westen oprijst, zijnde een teeken van de spoedige nadering van den dag des oordeels.
[1352] Moedermelk.
[1353] Deze plaats werd geopenbaard met het oog op al Nodar Ebn al Hareth, die volhield, dat de engelen de dochters van God waren, en dat de Koran een bundel oude fabels was, terwijl hij de opstanding loochende (Al Beid‚wi).
[1354] Zie Hoofdstuk XCVI, vers 2.
[1355] Men zegt, dat de hier bedoelde persoon Aboe Jahl was (Jallalo'ddin) zijnde een voornaam man onder de KoreÔshieten, en een der meest hardnekkige vijanden van Mahomet en zijnen godsdienst. Zijn ware naam was Amboe Ebn Hesram, van het gezin van Makhzoem. Hij had den bijnaam van Aboe'lhocm, zijnde de vader der wijsheid, die later werd veranderd in dien van Aboe Jahl, of de vader der dwaasheid. Hij werd in den slag van Bedr gedood (zie Hoofdstuk VIII, vers 49).
[1356] Deze uitdrukking ziet op iemand die aan den vleugel van een leger geposteerd, zijn plaats behoudt, als hij ziet dat de overwinning naar zijne zijde overslaat, maar wijkt, als de vijand voordeel schijnt te betalen.
[1357] Of: Laat hem een touw aan het dak van zijn huis vastmaken en zich ophangen, dat is: laat zijne boosheid en wrok zulk een hoogte bereiken, dat hij op het punt staat, tot de wanhopigste uitersten te worden aangedreven, en dat hij zie, of hij met al zijne pogingen in staat zal zijn de goddelijke hulp te onderscheppen (Al Beid‚wi).
[1358] Zijne macht belijdende en zijn opperbevel gehoorzamende.
[1359] Zijnde: de ware geloovigen en de ongeloovigen.
[1360] Zijnde: De belijdenis van Gods eenheid, of deze woorden, welke zij bij hun binnentreden in het paradijs zullen gebruiken: Geloofd zij God, die zijne belofte aan ons heeft vervuld (Al Beid‚wi).
[1361] Zijnde: Als eene plaats van godsdienstige aanbidding. God toonde hem de plek waarop hij stond, benevens het model van het oude gebouw, dat bij den zondvloed in den hemel werd opgenomen.
[1362] Men verhaalt, dat Abraham, gehoorzamend aan het hem gegeven bevel, den berg Aboe Kobeis nabij Mekka besteeg en van daar uitriep: "O menschen! volbrengt den pelgrimstocht naar het huis van uwen Heer," en dat God zijne stem deed hooren aan hen, die zich, van het Oosten naar het Westen, in de lendenen hunner vaders en in den schoot hunner moeders bevonden, en van welke hij vooruit wist, dat zij den pelgrimstocht zouden volbrengen. Sommigen zeggen echter, dat deze woorden tot Mahomet werden gericht, ten einde hem te bevelen, den pelgrimstocht van afscheid te volbrengen (Al Beid‚wi). Is dit zoo, dan moet deze plaats te Medina zijn geopenbaard.
[1363] Zijnde het tijdelijke voordeel van den grooten handel, die gedurende den pelgrimstocht, te Mekka werd gedreven, en het geestelijk voordeel uit het volbrengen van een zoo verdienstelijk werk voortvloeiende.
[1364] Namelijk de tien eerste dagen van Dhoe'lhajja of tiende dag derzelfde maand, op welke zij de offeranden toonden, en de drie volgende dagen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1365] Door hunne hoofden te scheren, en andere gedeelten hunner lichamen, en hunne baarden en nagels in de vallei van Mina te snijden, hetgeen den pelgrims niet veroorloofd is te doen, van het tijdstip dat zij Mohrims worden, en zich plechtig aan het volbrengen van den pelgrimstocht hebben gewijd, tot zij de plechtigheden geÎindigd en hunne offers gedood hebben. (Jallalo'ddin. Zie Hoofdstuk V, vers 97 en Bobov de Peregr. Meccana, p. 15, enz).
[1366] Door de volvoering der goede werken, waarvoor zij de gelofte gedurende hunnen pelgrimstocht hebben afgelegd. Sommigen passen deze woorden alleen toe op de volvoering der vereischte plechtigheden.
[1367] Zijnde: de Caaba, dat, volgens de bewering der Mahomedanen, het eerste gebouw was, hetgeen voor de vereering van God werd opgetrokken en aangewezen (Zie Hoofdstuk III, vers 90). Het rondtrekken om deze bedeplaats is eene voorname ceremonie bij de pelgrimage en wordt dikwijls herhaald; hier schijnt echter meer bijzonder te worden bedoeld, de laatste maal dat zij dit doen, en waardoor zij afscheid van den tempel nemen.
[1368] Door in acht te nemen wat hij heeft bevolen en vermijdende wat verboden is, of, hetgeen de woorden mede beteekenen; wie eeren zal wat God geheiligd, of geboden heeft niet te ontheiligen, zoo als de tempel en het grondgebied van Mekka, de geheiligde maanden, enz.
[1369] Hetzij door verkeerde en goddelooze dingen nopens de Godheid mede te deelen, of door valsche getuigenis tegen den naaste af te leggen.
[1370] Omdat hij die tot afgodendienarij vervalt, van de hoogte des geloofs tot de diepte des ongeloofs zinkt, terwijl zijne gedachten door zondige lusten worden afgetrokken, en hij door den duivel in de meest uitzinnige dwalingen wordt gejaagd, (Al Beid‚wi).
[1371] Door eene goede en kostbare offerande te kiezen ter eere van hem voor wien zij bestemd is. Zij zeggen dat Mahomet eens honderd vette kameelen offerde, waaronder een die aan Aboe Jahl had behoord, welk dier een gouden ring in zijn neus had, en dat Omar een edelen kameel offerde, voor welken men hem driehonderd dinaars had geboden (Al Beid‚wi). Het oorspronkelijke kan ook meer algemeen worden vertaald: Zij die de voorgeschreven gebruiken van den pelgrimstocht in acht nemen, enz. Het schijnt echter dat op deze plaats meer bepaald de offers bedoeld worden.
[1372] Jallalo'ddin vat deze plaats, in een beperkten zin, van de vroegere volkeren op, die ware geloovigen zijn geweest, aan welke God een offerande gebood en eene bepaalde plaats en bijzondere ceremoniÎn voor offering voorschreef.
[1373] Dat is, zooals sommigen deze woorden uitleggen: staande op drie pooten, terwijl de vierde gebonden is, zijnde de wijze waarop de kameelen worden vastgebonden, om het verlaten van de hun aangewezen plaats te beletten. Sommige afschriften lezen in plaats van Sawaffa: Sawaffena, van het werkwoord savana, dat eigenlijk de houding van een paard beteekent als het op drie pooten staat terwijl alleen de rand van den vierden den grond raakt.
[1374] Of, zooals de woorden mede kunnen worden vertolkt: Aan hem die op zedige en nederige wijze vraagt, en aan hem die het verlangt maar niet durft vragen.
[1375] Dit was de eerste plaats van den Koran, waarbij het Mahomet en zijne volgelingen werd veroorloofd, zich met kracht tegen hunne vijanden te verdedigen. Zij werd korten tijd vÛÛr de vlucht naar Medina geopenbaard, tot welken tijd de profeet zijne Moslems vermaande, de hun aangedane beleedigingen met geduld te verdragen, hetgeen tevens bovendien op zeventig verschillende plaatsen van den Koran wordt bevolen (Al Beid‚wi, enz.)
[1376] Dat is: De openbare uitoefening van eenigen godsdienst, hetzij die waar of valsch is, wordt alleen door macht ondersteund. Mahomet wilde daardoor tevens aantoonen, dat de ware godsdienst op dezelfde wijze moest gehandhaafd worden.
[1377] Zie 2 Petrus, III, 8.
[1378] De aanleiding tot deze plaats wordt aldus verhaald. Mahomet las eens het LIIIe Hoofdstuk van den Koran. Toen hij tot de lezing van vers 19 en 20 was genaderd, legde de duivel hem de volgende woorden in den mond, welke hij door onachtzaamheid uitsprak, of zooals sommigen verhalen, omdat hij toen half slapend was (Yahya), zijnde: Dit zijn de verhevenste en schoonste juffers op wier tusschenkomst gehoopt wordt. De KoreÔshieten, die nabij Mahomet zaten, verheugden zich zeer over hetgeen zij hadden gehoord, en toen hij het hoofdstuk had geÎindigd, voegden zij zich bij hem en zijne volgelingen om het gebed uit te spreken. De profeet werd echter door den engel GabriÎl bekend gemaakt met de oorzaak van hunne inschikkelijkheid, en met hetgeen hij had bedreven. Hij was diep aangedaan om zijne vergissing, tot dit vers ter zijner vertroosting werd geopenbaard (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Yahya, enz. Zie ook Hoofdstuk XVI, vers 103.) Al Beid‚wi verhaalt echter, dat de meer ontwikkelde en nauwgezette personen het voormelde verhaal loochenen, en daar het werkwoord, hier met leest vertaald, ook beteekent iets wenschen, zoo leggen zij de plaats uit als bedoelende de ingevingen van den duivel, naardien deze dienen om de geneigdheden van deze heilige personen op een slechten weg te brengen, of om hunne gemoederen te brengen tot het vormen van ijdele wenschen en begeerten.
[1379] Of: een dag die kinderloos maakt, waardoor een groot verlies in den oorlog wordt bedoeld, zooals de nederlaag welke de ongeloovigen te Beda leden. Sommigen veronderstellen, dat hier de opstanding wordt bedoeld.
[1380] En hij zal geene strengere wraak nemen dan het feit verdient.
[1381] Door het trachten van den aanvaller, om zich weÍrwraak op den benadeelden persoon te verschaffen, en te pogen, hem op nieuw geweld aan te doen. Deze plaats schijnt betrekking te hebben op de wraak die de Moslems op de ongeloovigen zouden nemen, voor de onrechtvaardige vervolging welke zij hun aandeden.
[1382] Hetgeen hij op den jongsten dag zal doen.
[1383] De uitleggers zeggen, dat de Arabieren gewoon waren, de beelden hunner goden met een of ander welriekend mengsel en met honig te bestrijken. De laatste werd door de vliegen opgegeten, hoewel de deuren van den tempel zorgvuldig waren gesloten terwijl de diertjes door de ramen of spleten binnendrongen.
[1384] Die de overbrengers der goddelijke openbaringen aan de profeten zijn, maar geen voorwerp van vereering behooren te wezen.
[1385] Zijnde het lichaam der moeder.
[1386] Zijnde: Een volkomen mensch voortbrengende, die uit ziel en lichaam is samengesteld. Aboe Hanifa steunt op deze plaats om te beweren, dat hij, die zich van een ei meester maakt, welk ei bij hem wordt uitgebroed, gehouden is, een ei terug te geven, en geene kip, aangezien het eene andere schepping, een andere vorm is.
[1387] Zie Hoofdstuk VI, vers 93.
[1388] Letterlijk: zeven paden, waarmede de hemelen worden bedoeld, aangezien zij overeenkomstig sommige uitleggers, de paden der engelen en hemelsche lichamen zijn, hoewel het oorspronkelijke woord ook voorwerpen beteekent, die gevouwen of als verdiepingen boven elkander geplaatst zijn, zooals de Mahomedanen zich voorstellen dat de hemelen zijn.
[1389] Zijnde de olijfboom. De tuinen nabij dezen berg gelegen zijn nog bekend om de uitmuntende vruchtboomen van allerlei soort, die daar groeien (Zie Voyages de Thevenot, liv. 2, chap. 9).
[1390] Het dier, meer bijzonder op deze plaats bedoeld is de kameel, die in het Oosten hoofdzakelijk als voertuig wordt gebezigd. De Arabieren noemen dit dier het landschip, waarmede zij hunne zandzeeÎn, de woestijnen, doortrekken.
[1391] Zie Hoofdstuk XI, vers 42 enz.
[1392] Zijnde de stam Ad of van Thamoed.
[1393] Zijnde de profeet Hud of Saleh.
[1394] Savary vertaalt dit aldus: De kreet van den engel des verderfs werd gehoord, en de ongeloovigen werden verdelgd als verwelkte knoppen.
[1395] Zooals de Sodomieten, Midianieten, enz.
[1396] De uitleggers willen dat de hier bedoelde plaats Jeruzalem, Damaskus, Ramlah, Palestina of Egypte zij (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Misschien ook wordt op deze plaats de rots bedoeld, waarop de maagd Maria zich, overeenkomstig de Mahomedaansche overlevering begaf om verlost te worden (Zie Hoofdstuk XIX, vers 16).
[1397] Deze woorden zijn tot de apostelen in het algemeen gericht aan welke het geoorloofd was, van alle voedsel te eten, dat zuiver en gezond was en welke hun werden toegesproken op het tijdstip hunner zending. Sommigen zijn echter van meening, dat zij bijzonder zijn gericht tot Maria en Jezus of alleen tot den laatste. Mahomet trachtte waarschijnlijk op deze plaats de onthouding te veroordeelen, welke door de monniken der Christenen wordt in acht genomen (Al Beid‚wi).
[1398] Zie Hoofdstuk XXI, vers 92.
[1399] Zijnde: Tot zij gedood zullen worden, of een natuurlijken dood sterven.
[1400] Hiermede wordt de overwinning te Bedr bedoeld, waarbij verscheidene der voornaamste KoreÔshieten het leven verloren, of de hongersnood, waardoor de bewoners van Mekka werden getroffen, op het gebed van den profeet, dat aldus luidde; "O God! zet uwen voet met sterkte op Modar (een voorzaat der KoreÔshieten), en geeft hun jaren, gelijk de jaren van Jozef" waarop zulk eene groote schaarschte volgde, dat zij genoodzaakt waren zich met honden, krengen en verbrande beenderen te voeden (Al Beid‚wi).
[1401] Savary vertaalt dit aldus: Zij die in onwetendheid omtrent zijne leer verkeeren. Zij die in hunne blindheid blijven, tot het uur waarop de machtigste hunner, onze wraak gevoelende, met groot misbaar zullen uitroepen, enz.
[1402] Dat is; indien er meer dan ÈÈn God zou hebben bestaan, zooals de afgodendienaars dat gelooven (Zie Hoofdstuk XXI vers 22), of indien de leer door Mahomet verkondigd, overeenkomstig hunne neigingen ware geweest, enz.
[1403] Zijnde: De hongersnood. Men zegt dat de bewoners van Mekka gedwongen waren, hunne toevlucht tot ilhiz te nemen om zich er mede te voeden. Dit is eene soort ellendig voedsel uit bloed en kemelshaar bestaande, hetgeen door de Arabieren in tijden van schaarschte wordt genuttigd. Abos Sofia kwam tot Mahomet en zeide: Ik bezweer u bij God en de betrekking die tusschen ons bestaat, zeg mij, of gij denkt tot eene genade voor alle schepselen te zijn gezonden, aangezien gij de ouderen door het zwaard en de kinderen door honger hebt gedood? (Al Beid‚wi).
[1404] Namelijk de slachting te Bedr.
[1405] Zijnde: Hongersnood, die verschrikkelijker is dan de rampen van den oorlog (Al Beid‚wi). Overeenkomstig die uitleggingen moet deze plaats te Medina zijn geopenbaard, tenzij het in een profetischen zin worde opgevat.
[1406] Door het vormen eener afzonderlijke schepping en van een koninkrijk, verschillende van zijn schepping en zijn koninkrijk.
[1407] Zie Hoofdstuk XVII, vers 58, en volg.
[1408] Dat is: door beleediging te vergeven en deze door goed te vergelden, welke les echter gewijzigd wordt, door de voorwaarde, dat de ware godsdienst door zulk eene mildheid en grootmoedigheid niet worde benadeeld (Al Beid‚wi).
[1409] Om mij te bekampen, of, zooals het mede kan worden vertaald: Opdat zij mij niet deren.
[1410] Of, hetgeen mede door deze woorden wordt gezegd: In de wereld welke ik verlaten heb; dat is gedurende den verderen duur van het leven dat mij zal worden geschonken en waarvan ik ben afgesneden (Al Beid‚wi).
[1411] Het oorspronkelijk woord barzakh hier met hek vertaald, beteekent in de eerste plaats eene afdeeling of tusschenruimte, waardoor eene zaak van eene andere wordt afgescheiden. Het wordt echter door de Arabieren niet altijd in denzelfden en ook somtijds in een duisteren zin gebruikt. Zij schijnen in het algemeen daarmede datgene uit te drukken, waartoe de Grieken het woord Hades gebruikten; dan eens het woord voor de plaats der dooden aanwendende, dan weder voor den tijd dien zij in dien staat doorbrachten en dan weder voor den staat zelven. Hunne critici hebben uitgemaakt, dat het de tusschentijd of ruimte is, tusschen deze wereld en de volgende, of tusschen den dood en de opstanding. Ieder persoon, die sterft, wordt gezegd in al barzakh over te gaan, of, zooals de Grieken het uitdrukken katab`hnai e`ic . Zie Pocock, not. in Port. Mosis, p. 248, etc. Sommige uitleggers vatten deze plaats zÛÛ op, als bedoelden de woorden door ons met achter hen vertaald, integendeel voor hen (daar hier in het oorspronkelijke een dier woorden staat waarvan er verscheidene in de Arabische taal zijn, die namelijk twee geheel tegenovergestelde beteekenissen hebben) daar zij al barzakh als een toekomstige ruimte beschouwen, die vÛÛr en niet achter hen ligt.
[1412] Niet in staat zijnde, door hunne vermaningen invloed op u te hebben, door de verachting waarmede gij hen beschouwt.
[1413] Zoo kort zal hun de tijd toeschijnen, in vergelijking met den eeuwigen duur hunner marteling, of omdat de tijd dien zij in de wereld doorleefden, de tijd was van hunne vreugde en hun genoegen. Het is namelijk bij de Arabieren gebruikelijk, datgene wat hun aangenaam is als van korten duur en datgene wat hun onaangenaam is als van langen duur te beschrijven.
[1414] Dat is: de engelen die rekening houden van den duur van der menschen leven en van hunne werken, of een ander, die tijd mocht hebben om op te tellen, en niet wij, die door onze smarten van onze gedachten en aandacht worden afgetrokken.
[1415] Deze titel is ontleend aan vers 35 van dit hoofdstuk.
[1416] Deze wet moet worden opgevat als geene betrekking te hebben op gehuwden die geene slaven zijn, daar overspel in zulk een geval, overeenkomstig de Sonna, met steeniging moet worden gestraft (Zie Hoofdstuk IV, vers 19 en 28).
[1417] Zijnde: Wordt niet door medelijden bewogen, hetzij om de schuldigen te vergeven, of om hunne straf te verzachten. Mahomet stond zoozeer de strikte en onpartijdige toepassing der wetten voor, dat men mededeelt, dat hij eens zou gezegd hebben: Indien Fatima, de dochter van Mahomet steelt, laat haar dan de hand afkappen (Al Beid‚wi).
[1418] Dat is: laat de straf in het openbaar volvoeren en niet heimelijk, omdat de schande zwaarder weegt dan de pijn en meer geschikt is om den misdadiger te bekeeren. Sommigen zeggen dat daarbij minstens drie personen moeten tegenwoordig zijn, anderen stellen twee of wel dat ÈÈn toereikend is. (Al Beid‚wi).
[1419] De voorgaande plaats werd geopenbaard voor de geringere en armere M‚hojerins of uitgewekenen, die de bijzitten der ongeloovigen trachtten te huwen, welke in den oorlog waren gevangen genomen, om de winst die uit de prostitutie dezer vrouwen voortsproot. Sommigen meenen dat dit verbod speciaal zij en alleen de bovengemelde M‚hojerins betreft, terwijl anderen van oordeel zijn, dat het meer algemeen is. Men neemt echter aan dat het afgeschaft is door de woorden die later volgen, luidende: Huw de onverbonden vrouwen enz., naardien ook ontuchtige vrouwen in die uitdrukking zijn begrepen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Sommigen veronderstellen echter, dat niet het huwelijk maar de onwettige omgang van zulke vrouwen op deze plaats wordt verboden.
[1420] Het Arabische woord mohsinat beteekent eigenlijk vrouwen van onberispelijk gedrag, maar om de daarna vermelde straf op den lasteraar toe te passen, wordt het mede vereischt, dat zij vrije vrouwen van rijpen leeftijd, volkomen in het bezit van hare verstandelijke vermogens en van den Mahomedaanschen godsdienst zijn. Hoewel het genoemde woord tot het vrouwelijk geslacht behoort, worden ook mannen verondersteld in deze wet te zijn begrepen. Aboe Hanifa was van oordeel, dat de lasteraar in het openbaar moest worden gegeeseld evenals hij die zich aan hoereeren had schuldig gemaakt; maar algemeen wordt deze meening bestreden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1421] Zie Hoofdstuk IV, vers 9.
[1422] Voor het geval dat beiden zweren, ontlast de eed des mans hem van de beschuldiging van en de straf op laster, terwijl de eed der vrouw haar vrijmaakt van de beschuldiging van en de straf tegen overspel; maar hoewel de vrouw hare onschuld bezweert, wordt het huwelijk krachteloos of door den rechter ontbonden verklaard, omdat het onmogelijk is dat zij met elkander zouden kunnen voortleven, nadat zij tot deze uitersten zijn gekomen.
[1423] Tot beter begrip dezer plaats is het noodig, het volgende verhaal mede te deelen. Toen Mahomet in het zesde jaar der hedjira eene expeditie tegen den stam van Mostalek ondernam, nam hij zijne vrouw AÔsha met zich om hem te vergezellen. Op hunnen terugtocht toen zij niet ver van Medina waren, trok het leger des nachts verder. AÔsha steeg onderweg van haren kameel af en verwijderde zich eenige oogenblikken. Hare lieden geloofden dat zij reeds in hare reistent was gegaan, zetten die op den kameel en leidden het dier voort, waarop de geheele karavaan haar weg vervolgde. AÔsha, zich verlaten ziende, bleef op dezelfde plaats waar zij was afgestegen, wachtende of er iemand zou komen om haar af te halen, en sliep eindelijk in. Korten tijd daarna kwam een jongmensch, Safwan Ebnal Moattei daar voorbij. Toen hij iemand op den grond zag liggen slapen, naderde hij en ziende dat het eene vrouw was wekte hij haar, door deze woorden twee maal zachtkens uit te spreken: Wij behooren aan God en tot hem moeten wij wederkeeren. Daarop bedekte AÔsha zich met haren sluier en hij bood haar zijn kameel aan. AÔsha nam zijn aanbod aan. Op deze wijze bereikte zij den anderen dag de karavaan weder. Toen de afwezigheid van AÔsha en haar terugkeer met Safwan bekend waren, werd zij door sommigen van overspel beschuldigd. Mahomet, niet wetende wat hij moest denken, bevond zich in eene groote verslagenheid en het was eerst na verloop van een maand dat hij verklaarde, de waarheid te kennen, tengevolge eener openbaring die geheel ten voordeele zijner vrouw was, terwijl hij de beschuldiging voor onwaar verklaarde (Al Bokhari in Sonna, Al Beid‚wi, Jallalo'ddin enz. Zie ook Abu'lf. Vit Moh. p. 82 etc. Gagnier Vie de Moh. lib. 4 c 7, en ook blz. 47 van dit werk).
[1424] De personen in het uitstrooien van dit schandelijk gerucht betrokken, waren: Abd'allah Ebn Obba, (die er de ontwerper van was en het uit haat tegen Mahomet tot het uiterste dreef), Zeid Ebn Ref‚a, Hassan Ebn Thabet, Mestab Ebn Otahtha, een achterkleinzoon van Abd'almotalleb en Hamna Bint Jahash. Ieder van hen ontving een tachtigtal slagen, overeenkomstig de wet in dit hoofdstuk vervat. Abd'allah werd alleen uitgezonderd, daar hij een mensch van groot aanzien was (Abu'lfeda. Vit. Moham., p. 83). Er wordt tevens gezegd, dat Hassan en Mestab blind werden en dat laatstgenoemde tevens het gebruik van beide zijne handen verloor (Al Beid‚wi).
[1425] Zijnde: Abd'allah Ebn Obba die de genade niet genoot, een waar geloovige te worden, maar als een ongeloovige stierf.
[1426] Deze plaats werd geopenbaard met het oog op Aboe Bekr, die gezworen had, dat hij in het vervolg niets aan Mestab zou schenken, ofschoon deze de zoon van zijn moeders zuster en een arme Mah‚jer of uitgewekene was, en wel uithoofde hij medegewerkt had, zijne dochter AÔsha te belasteren. Toen Mahomet hem echter dit vers had voorgelezen, kwam hij tot andere gedachten en ging hij voort, het jaargeld aan Mestab uit te betalen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1427] Hoewel de woorden algemeen schijnen te zijn, schijnen zij echter voornamelijk betrekking te hebben op hen, die de vrouwen des profeets zouden mogen lasteren. Overeenkomstig een gezegde van Ebn Abbas, zou uit een onderzoek van al de bedreigingen, in den geheelen Koran vervat, blijken, dat er geene zoo streng zijn als die bij de valsche beschuldiging van AÔsha uitgesproken, waarom hij van meening is, dat zelfs berouw de lasteraars niet van nut is (Al Beid‚wi).
[1428] Dan op toelating aan te dringen of aan de deur te wachten.
[1429] Zijnde: Die niet de bijzondere woning van een gezin uitmaken, zooals openbare herbergen, winkels, hutten, enz.
[1430] Zooals: hare kleederen, juweelen en hare toiletbenoodigdheden; meer bijzonder echter zulke deelen van haar lichaam, welke niet gezien mogen worden.
[1431] Sommigen meenen, dat hier hare bovenkleederen worden bedoeld, en anderen hare handen en aangezichten. Men houdt het er echter algemeen voor, dat eene vrije vrouw zelfs deze deelen niet mag ontdekken, behalve aan de hierna uitgezonderde personen, of bij sommige onvermijdelijke gelegenheden, zooals: bij het afleggen van getuigenis in het openbaar, het inwinnen van raad eens artsen, of het nemen van geneesmiddelen, enz.
[1432] En zorg te dragen, het hoofd, den hals en de borst te bedekken. Zooals wij reeds hebben vermeld, gaan de Turksche vrouwen nimmer uit, zonder gesluierd te zijn. In Egypte hullen de vrouwen zich in een langen mantel van zwarte zijde, die het geheele lichaam bedekt; aan de voeten dragen zij muilen van zeer dun, geel leder. Lange broeken en japonnen die tot op den grond nederhangen, verhinderen dat men hare beenen ziet; maar daar zij geene kousen dragen, verbiedt haar Mahomet, de voeten op zoodanige wijze te bewegen, dat daardoor de bekoorlijkheden worden ontdekt, welke verborgen moeten blijven. In het openbaar zijn zij altijd op de zedigste wijzen gekleed, maar in hare eigen huizen leggen zij al die overtollige gewaden af, en kleeden zich zeer luchtig.
[1433] Voor welke zij zich opschikken, en die alleen het voorrecht hebben haar geheel lichaam te mogen zien.
[1434] Deze nauwe betrekkingen zijn mede uitgezonderd, dewijl zij niet kunnen vermijden, deze personen dikwijls te zien en van deze geen groot gevaar te duchten is. Het is hun daarom veroorloofd te zien, wat bij eene zoo vertrouwelijke samenkomst niet kan worden verborgen (Al Beid‚wi), maar geen ander deel van haar lichaam; voornamelijk alles wat zich tusschen den navel en de knieÎn bevindt (Jallalo'ddin). Daar de ooms hier niet bijzonder zijn vermeld, bestaat er twijfel, of zij al dan niet mogen worden toegelaten om hunne nichten te zien. Sommigen zijn van meening, dat zij onder de rubriek broeders zijn begrepen; maar anderen oordeelen, dat zij niet in deze uitzondering zijn vervat, en geven daarvoor als reden op, dat zij de personen van hunne nichten niet aan hunne zonen zouden kunnen beschrijven (Al Beid‚wi).
[1435] Dat is: Voor zooverre zij tot den Mahomedaanschen godsdienst behooren. Het wordt namelijk door sommigen, voor eene vrouw die eene ware geloovige is, ongeoorloofd, of ten minste onwelvoegelijk geacht, zich voor iemand te ontdekken die eene ongeloovige is, omdat deze zich er bezwaarlijk van zou kunnen onthouden, haar aan de mannen te beschrijven: anderen veronderstellen echter, dat hier alle vrouwen in het algemeen zijn uitgezonderd; want, omtrent deze bijzonderheid verschillen de godgeleerden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1436] Slaven van beiderlei kunne zijn in deze uitzondering begrepen, en ook, zooals sommigen meenen, huiselijke dienstboden, die geene slaven zijn, evenals die van eene andere natie.
[1437] Of die geene begeerte hebben van haar te genieten, zooals afgeleefde oude mannen en misvormden, of personen, welke de menschen als tafelschuimers volgen, om hunne overgebleven levensmiddelen, en te verachtelijk zijn, om den hartstocht eener vrouw of de ijverzucht van den man op te wekken. Of gesneden onder deze algemeene aanduiding zijn begrepen, is een geschilpunt tusschen de geleerden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Yahya, enz.)
[1438] Door de ringen te schudden welke de vrouwen in het Oosten boven hare enkels dragen, en die gewoonlijk van goud of zilver zijn (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Yahya). De trotschheid waarmede de Joodsche vrouwen in den ouden tijd deze versierselen van hunnen voet deden klinken, is, behalve nog verscheiden andere dingen van dien aard, door den profeet Jesajah sterk gegispt (Jes. III; 16, 18).
[1439] Zij die niet gehuwd zijn van beide geslachten, hetzij ze te voren al of niet getrouwd waren.
[1440] Van beiderlei kunne.
[1441] Waarbij de meester zich verplicht, zijn slaaf in vrijheid te stellen, op de ontvangst van eene zekere som gelds, welke de slaaf aanneemt te betalen.
[1442] Zijnde: Indien gij hebt gevonden dat zij geloovig zijn, en reden hebt om te mogen aannemen, dat zij hunne verbintenis zullen nakomen.
[1443] Hetzij door hun iets van uwe eigen bezittingen te schenken of hun een deel van hunnen losprijs kwijt te schelden. Sommigen veronderstellen dat deze woorden niet slechts tot de meesters zijn gericht, maar tot alle Moslems in het algemeen, door hen aan te bevelen, degenen te ondersteunen die hunne vrijheid ontvangen en hunnen losprijs betaald hebben, hetzij uit hunne eigene middelen, of door hen toe te laten, een deel van de openbare aalmoezen te genieten (Al Beid‚wi).
[1444] Het schijnt dat Abd'allah Ebn Obba zes slavinnen bezat, op welke hij eene zekere belasting had gelegd, welke hij haar dwong door prostitutie te verdienen. Eene dier vrouwen beklaagde zich bij Mahomet, hetgeen de openbaring dezer plaats veroorzaakte (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1445] Zijnde: Het verhaal van de valsche beschuldiging van AÔsha, hetwelk op dat van Jozef en van Maria gelijkt (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1446] Maar van eene nog betere soort. Sommigen denken dat de bedoeling is, dat de boom noch in de oostelijke gedeelten noch in de westelijke, maar in het midden der wereld groeit; namelijk in SyriÎ, waar de beste olijven voorkomen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1447] Of een licht, welks glans verdubbeld is door de bovenvermelde omstandigheden. De uitleggers verklaren deze allegorieÎn en iedere bijzonderheid er van met groote scherpzinnigheid. Zij zeggen daarbij dat het hier beschreven licht dat van den Koran, of Gods verlichtende genade in het hart van den mensch is, en geven nog verschillende andere verklaringen.
[1448] Het verband dezer woorden is niet zeer duidelijk. Sommigen veronderstellen dat zij met de voorafgaande moeten worden verbonden, en dat de vergelijking nauwkeurig en juist is, naardien deze doelt op de lampen der moskeÎn, welke grooter zijn dan die in particuliere woningen. Sommigen achten deze woorden veeleer met de volgende woorden: verkondigen de menschen enz. in verband te staan. Anderen zijn wederom van oordeel, dat het de onvoltooide aanvang van eenen volzin is, en dat de woorden als: Looft God, of iets dergelijks moeten worden opgevat. De huizen welke hier echter worden bedoeld, zijn diegene, welke bijzonder voor de godsvereering zijn bestemd, of meer bijzonder de drie voornaamste tempels: van Mekka, Medina en Jeruzalem (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1449] Het Arabische woord Ser‚b beteekent; de bedriegelijke schijn, welke in het Oosten dikwijls in zandige vlakten tegen den middag wordt gezien, en welke gelijkt op eene groote watervlakte die in beweging is; hetwelk door de terugkaatsing van de zonnestralen wordt veroorzaakt. Het verschijnsel lokt dikwijls dorstige reizigers van hunnen weg af, maar bedriegt hen als zij naderbij komen, daar het voorwaarts gaat (want het schijnt altijd op denzelfden afstand te blijven), of geheel verdwijnt. (Vide Q. Curt. de rebus Alex. lib. VII, et Gol. en in Alfrag. p. 111. I. et in Adag. Arab. ad calcem Gram. Erp. p. 93).
[1450] Dat is: Hij ontsnapt Gods aandacht of wraak niet.
[1451] Deze verklaring, welke reeds op eene andere plaats is vermeld (Hoofdstuk XXI, vers 31) niet geheel juist zijnde, hebben de uitleggers verondersteld, dat hier met "water" het woord "zaad" wordt bedoeld of wel dat hier het water is vermeld als de hoofdoorzaak van den groei der dieren en als een aanzienlijk en noodzakelijk bestanddeel hunner lichamen.
[1452] Deze plaats werd geopenbaard om Bashir den huichelaar die, een verschil met een Jood hebbende, zich tot Caab Ebn al Ashraf begaf, terwijl de Jood Mahomets beslissing inriep (Zie Hoofdstuk IV, vers 63 en de noot), of, zooals anderen verhalen, werd dit vers geopenbaard om Mogheira Ebn Wayel, die weigerde een geschil, dat hij met Ali had, aan de beslissing van den profeet te onderwerpen (Al Beid‚wi).
[1453] Zijnde: Zooals hij met de IsraÎlieten ten aanzien der Kana‰nieten deed.
[1454] Aangezien er zekere tijdstippen van den dag zijn, waarop het voor een dienstbode, noch voor een kind gepast is, zonder verlof binnen te komen.
[1455] Zijnde: de tijd dat de menschen opstaan en zich voor den dag aankleeden.
[1456] Dat is: als gij des middags uwe opperkleederen aflegt om te slapen hetgeen een gewoon gebruik in het Oosten en in alle heete luchtstreken is.
[1457] Als gij u ontkleedt om u te bed te begeven. Al Beid‚wi voegt er een vierde tijdstip bij, waarop verlof om binnen te komen moet worden gevraagd: namelijk, des nachts; maar dit vloeit uit de omstandigheid zelve voort.
[1458] Zie vers 31 van dit hoofdstuk.
[1459] Zijnde: Waar zich uwe vrouwen of gezinnen bevinden, of in de huizen van uwe zonen, welke gij als de uwe moogt aanzien. Deze plaats werd geopenbaard, om sommige bezwaren of bijgeloovige denkbeelden bij de Arabieren gedurende den tijd van Mahomet, op te heffen. Sommigen van dezen meenden namelijk, dat het eten met verminkte of zieke personen hen onteerde: anderen meenden, dat zij niet in het huis van een ander mochten eten, al waren zij nog zoo na met hen verbonden, of al was hun, gedurende de afwezigheid des meesters, de sleutel van en de zorg over het huis toevertrouwd, en zij daarvan konden afleiden, dat het geoorloofd was; anderen vermeden, hoewel daartoe uitgenoodigd, met hunne vrienden te eten, uit vreeze dat zij lastig zouden zijn (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin.). De geheele plaats schijnt slechts eene verklaring te zijn, dat die dingen waaromtrent men zwarigheid maakte geheel onschuldig zijn, hoewel de uitleggers zeggen, dat het nu is afgeschaft, en dat het alleen betrekking heeft op de oude Arabieren, die gedurende de kindsheid van het Mahomedanisme leefden.
[1460] Zooals de stam van Leith het voor ongeoorloofd hield, dat een mensch alleen at, en sommigen der Ansars, die als zij een gast hadden, niet anders dan in zijn gezelschap aten. Zoo waren er ook anderen, die weigerden met iemand te eten, uit eene bijgeloovige voorzorg, om niet ontreinigd te worden, of uit dierlijke vraatzucht (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin.)
[1461] Letterlijk u zelven; dat is, overeenkomstig Al Beid‚wi, de bewoners van het huis waarmede gij, door de banden des bloeds, en door het gemeene verbond van den godsdienst zijt verbonden. En indien er niemand in het huis is, zegt Jallalo'ddin, groet dan u zelven, en zeg: Vrede zij over ons, en over de rechtvaardige dienaren van God; want de engelen zullen uwen groet beantwoorden.
[1462] Zooals bij openbare gebeden, of een plechtig feest, of in den raad, of bij eene militaire onderneming.
[1463] Omdat zulk een vertrek, ofschoon met verlof en met eene redelijke verschooning, eene soort van schending is van de nauwkeurige vervulling van hunnen plicht; naardien zij hunne tijdelijke zaken boven den vooruitgang van den waren godsdienst verkiezen (Al Beid‚wi.).
[1464] Deze woorden worden op verschillende wijzen uitgelegd. Zoo kan de bedoeling wezen. Behandel de vermaningen van den profeet niet lichtvaardig, zooals gij zoudt doen met die van een persoon welke gelijk met u staat, door deze niet te gehoorzamen, of door er van af te wijken, of in zijne tegenwoordigheid te komen, zonder eerst verlof te hebben verkregen. Of de bedoeling kan deze zijn: Denk niet, dat wanneer de profeet God in het gebed aanroept, het met hem evenals met u gaat, als gij een verzoek tot een hooger geplaatste richt, die somtijds uw verzoek toestaat, maar het dikwijls afwijst. Of ook wel: Roep den profeet niet toe, zooals gij dat elkander doet; te weten bij den naam, of vertrouwelijk en met eene luide stem; maar maak van eene of andere eerbiedige benaming gebruik, zooals: O profeet van God! of: O gezant van God! en spreek op eene onderdanige en zedige wijze.
[1465] Al Forkan, of de onderscheiding, is een der namen van den Koran.
[1466] Zijnde de hemelsche lichamen, of de afgodsbeelden en de werken van des menschen handen.
[1467] Zie Hoofdstuk XVI, vers 105.
[1468] Zijnde aan dezelfde natuurlijke behoeften en gebreken onderworpen. De bewoners van Mekka waren met Mahomet, zijne omstandigheden en levenswijze te goed bekend, om hunne oude vertrouwelijkheid in den eerbied te veranderen, dien zij aan den gezant van God schuldig waren; want geen profeet wordt in zijn land geÎerd. Sommigen lezen hier: op de markt.
[1469] Door gelegenheid te geven tot afgunst, nijd en kwaadaardigheid: zooals, bij voorbeeld, de armen, geringen en zieken, als zij hunnen eigenen toestand vergelijken met dien van den rijke, edele en welvarende en door het volk aan hetwelke profeten waren gezonden, door die profeten te beproeven (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1470] Zijnde bij hunnen dood of bij de opstanding.
[1471] Want op den dag der opstanding zullen de zaken op dat tijdstip zijn afgeloopen, en de gelukzaligen zullen hunnen middag in het paradijs en de verdoemden in de hel doorbrengen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1472] Zijnde: Zij zullen vaneen scheiden en ruimte maken voor de wolken, die met de engelen zullen nederdalen, de boeken dragen, waarin de daden van ieder mensch zijn vermeld.
[1473] Door sommigen wordt verondersteld, dat deze woorden bijzonder betrekking hebben op Okba Ebn Abi Moait, die gewoon was veelal in Mahomets gezelschap te zijn. Eens noodigde hij hem tot een bezoek uit: de profeet weigerde van zijn vleesch te proeven, tenzij hij den Islam omhelsde, hetgeen hij dientengevolge deed. Spoedig daarna ontmoette Okba zijn vertrouwden vriend Obba Ebn Khalf. Deze berispte hem, omdat hij van godsdienst was veranderd, doch Okba verzekerde dat dit niet zoo was, maar dat hij alleen de belijdenis van het Islamismus had afgelegd om Mahomet er toe te brengen, met hem te eten, daar hij zich schaamde hem zonder eten uit zijn huis te laten gaan. Obba zeide echter dat hij niet voldaan zou wezen, zoo lang hij Mahomet niet had opgezocht, hem zijn voet op den nek gezet en hem in het gezicht gespuwd zou hebben, hetgeen Okba, om zijn vriend niet te verliezen, op de openbare vergaderplaats deed, waar hij Mahomet vond zitten. De profeet zeide hem daarop, dat hij hem het hoofd zou afsnijden, zoodra hij hem buiten Mekka mocht ontmoeten. En hij hield zijn woord; want toen Okba later in den veldslag van Bedr werd gevangen genomen, werd zijn hoofd, op Mahomets bevel, door Ali afgeslagen. Wat Obba betreft, hij ontving eene wonde van des profeten eigen hand in den slag van Opod, tengevolge waarvan hij bij zijn terugkeer te Mekka overleed (Al Beid‚wi. Zie Gagnier, Vie de Moham. vol. I. p. 362).
[1474] Overeenkomstig de voorafgaande noot was dit Obba Ebn Khalf.
[1475] Zooals, volgens de meening der Mahomedanen, de Pentateuchus, de psalmen en het Evangelie, terwijl het drieÎntwintig jaren duurde alvorens de Koran in zijn geheel werd geopenbaard.
[1476] Zoowel om u moed en standvastigheid in te boezemen, als om uw geheugen en uw verstand te versterken. Want, zeggen de uitleggers, de profeet ontving van tijd tot tijd de goddelijke leidingen hoe hij zich gedragen en bij een of andere dringende gelegenheid spreken moest, waarbij de herhaalde bezoeken van den engel GabriÎl hem grootelijks in al die moeielijkheden aanmoedigden en ondersteunden. Bovendien was de openbaring van den Koran bij gedeelten eene groote en voor hem een noodzakelijke hulp, om dien te begrijpen en te onthouden, hetgeen voor hem geheel onmogelijk ware geweest, het met eenige nauwkeurigheid te doen, indien die in eens ware geopenbaard. Zij voegen er bij, dat het geval van Mahomet geheel verschillend was van dat van Mozes, David en Jezus, die allen lezen en schrijven konden, terwijl hij geheel ongeletterd, was (Al Beid‚wi, enz.)
[1477] De uitleggers zijn er mede verlegen, waar zij al Rass zullen plaatsen. Volgens een hunner was het de naam van eenen bron (hetgeen ook de beteekenis van het woord is) nabij Midian, waar sommige afgodendienaars hunne woningen hadden gevestigd en waarheen de profeet Shoaib werd gezonden, om voor hen te prediken; doch daar zij niet in hem geloofden, viel de bron in en zij en hunne huizen werden verzwolgen. Een ander veronderstelt, dat het eene stad in Yamama was, waar eenige overgeblevenen van de Thamoediten woonden, aan welken mede een profeet werd gezonden; doch zij doodden hem en werden daarop geheel verdelgd. Een ander meent, dat het eene bron nabij AntiochiÎ was, waar Habib al Najjar, wiens graf daar nog te zien is en dikwijls door de Mahomedanen wordt bezocht [Zie Hoofdstuk XXXVI] werd gemarteld (Zie Abul'f, Geog. Vit. Saladine p. 86). Een vierde ziet in al Rass eene bron in Hadramaut, in welker nabijheid eenige afgodendienende Thamoediten woonden, wier profeet Handha of Khantala Ebn Safwan was. Dit volk werd het eerst verontrust door zekere reusachtige vogels Anka genaamd, die in den berg boven hen waren genesteld en hunne kinderen wegvoerden, als zij een prooi begeerden; maar zij bekreunden zich zoo weinig over deze ramp, dat, toen de profeet een oordeel over die dieren afsmeekte, zij hem doodden, waarna zij allen verdelgd werden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1478] Zijnde Sodom. De KoreÔshieten trokken namelijk gedurende de reizen welke zij, voor handelszaken, naar SyriÎ deden, dikwijls de plaats voorbij, waar die stad eens had gestaan.
[1479] Zijnde: Verwacht gij zulk een van afgoderij en ongeloof te zullen kunnen terughouden?
[1480] Zie Hoofdstuk VII, vers 55.
[1481] Eigenlijk zuiverend water, welke bijnaam waarschijnlijk betrekking heeft op de reinigende eigenschap dier vloeistof, welke van zulk uitgebreid gebruik is, zoowel in het godsdienstige als in het gewone leven.
[1482] Dat is aan de zulken, die in de dorre woestijnen leven, en verplicht zijn regenwater te drinken, hetgeen de bewoners van steden, en van plaatsen, welke van bronwater zijn voorzien, niet noodig hebben.
[1483] Of uit ongeloof. De oude Arabieren waren namelijk gewoon te denken, dat zij den regen niet aan God maar aan een invloed van sommige bijzondere sterren te danken hadden.
[1484] Om hen afzonderlijk te houden en te voorkomen dat zij zich met elkander vermengen. Het oorspronkelijke woord is parzakh, hetgeen reeds vroeger Hoofdstuk XXIII noot van vers 102 werd uitgelegd.
[1485] Waarmede de oorspronkelijke klei werd vermengd, of van zaad. (Zie Hoofdstuk XXIV, vers 44.).
[1486] Door zich met hem, in zijne weerspannigheid, in zijn ongeloof te vereenigen. Sommigen meenen dat op deze plaats vooral Aboe Jahl wordt bedoeld. De woorden kunnen ook aldus worden vertaald: De ongeloovige is verachtelijk voor de oogen van zijn Heer.
[1487] Trachtende hem te naderen, door den godsdienst te omhelzen, welke door mij, zijn profeet, wordt geleerd, hetgeen de beste belooning is, welke ik van u voor mijn arbeid verwacht (Al Beid‚wi). Deze plaats kan echter nog anders worden opgevat, en wel aldus: Dat Mahomet niemand iets zal geven dan aan hem, die vrijwillig en volgaarne zal bijdragen tot den vooruitgang van Gods waren eeredienst.
[1488] Zie Hoofdstuk XVII, vers 110.
[1489] Zijnde de zon.
[1490] Zie Hoofdstuk XVII, vers 28.
[1491] Hunne vroegere weerspannigheid uitwisschende, door hun berouw en hun geloof, en hunne gehoorzaamheid bevestigende en uitbreidende (Al Beid‚wi).
[1492] Dit hoofdstuk draagt dezen naam, omdat aan het einde daarvan de Arabische dichters scherp worden gegispt.
[1493] Sommigen zonderen hiervan de laatste verzen uit, en zeggen dat die te Medina werden geopenbaard.
[1494] Ta. Sin. Mim. Zie Hoofdstuk II, vers 1, in de noot.
[1495] Zie Hoofdstuk XX, vers 26, volg.
[1496] Namelijk dat hij een Egyptenaar had gedood (Zie Hoofdstuk XXVIII, vers 14 en 15).
[1497] Dit woord staat in het oorspronkelijke in het enkelvoudig, waarvoor de uitleggers verschillende redenen opgeven.
[1498] Men zegt dat Mozes dertig jaren onder de Egyptenaren woonde en zich vervolgens naar Midian begaf, waar hij zes jaren bleef. Daarna keerde hij naar Egypte terug en besteedde dertig jaren in pogingen hen te bekeeren: na het verdrinken van Pharao zou hij nog vijftig jaren hebben geleefd (Al Beid‚wi.).
[1499] Door den Egyptenaar zonder voordracht te dooden.
[1500] Het schijnt dat Pharao veronderstelde dat Mozes slechts onbedachte antwoorden op zijne vraag had gegeven omtrent hetgeen hij wenschte nopens den persoon en den waren aard van God te kennen, wiens boodschapper Mozes voorgaf te zijn, terwijl hij slechts van zijn werken sprak. En aangezien dit antwoord den Koning zoo weinig voldeed, wordt hij door sommigen verondersteld een Dhariet te zijn geweest, of iemand die in de eeuwigheid van het voortbestaan der wereld gelooft (Al Beid‚wi.).
[1501] Van deze en eene gelijksoortige uitdrukking in het XXVIIIe Hoofdstuk (vers 38) wordt afgeleid, dat Pharao van zijne onderdanen eischte, dat zij hem zouden aanbidden, als een hulde aan zijne oppermacht verbonden.
[1502] Al Beid‚wi zegt, dat dit eene vreeselijker bedreiging was dan indien hij zou gezegd hebben: Ik zal u gevangen nemen; daaruit toch moest het Mozes blijken, dat hij in gezelschap zou wezen met de boosdoeners, die door den tyran, volgens zijn gewoonte, in een diepe onderaardsche gevangenis werden geworpen, waar zij bleven tot zij stierven.
[1503] Maar hij heeft de diepste geheimen voor zich behouden. (Al Beid‚wi).
[1504] Zie Hoofdstuk VII, vers 117-23, enz.
[1505] Van hier wordt door sommigen verondersteld, dat de IsraÎlieten, na de vernietiging van Pharao en zijne heerscharen naar Egypte terugkeerden, en van de rijkdommen van dat land bezit namen (Jallalo'ddin, Yahya.). Anderen zijn echter van oordeel, dat de bedoeling slechts deze is, dat God hun dezelfde bezittingen en woningen in eene andere plaats gaf, (Al Zamakshari. Zie voorts Hoofdstuk VII, vers 133).
[1506] Letterlijk: Schenk mij eene taal van waarheid; dat is een hooge lof. In Hoofdstuk XIX, vers 51 wordt dezelfde uitdrukking gebruikt.
[1507] Door hem tot berouw te neigen en hem het ware geloof te doen ontvangen. Sommigen veronderstellen, dat Abraham dit gebed na den dood van zijn vader uitsprak, denkende dat hij misschien inwendig een waar geloovige kon zijn geweest, die echter zijne bekeering uit vrees voor Nimrod verborg, en dat het hem verboden was vroeger voor hem te bidden (Zie Hoofdstuk IX, vers 115 en Hoofdstuk XIV, vers 42).
[1508] Zie Hoofdstuk XXI, vers 98.
[1509] Zijnde: Hetzij dat zij het geloof door mij gepredikt, uit de oprechtheid huns harten, hetzij met het oog op eenig wereldlijk voordeel hebben omhelsd.
[1510] Zie Hoofdstuk XI, vers 29 en 31.
[1511] Of om de voorbijgangers te bespotten, die zich naar de sterren richten, en geene behoefte aan dergelijke gebouwen hebben? (Al Beid‚wi).
[1512] Zonder genade doodende en andere lichamelijke straffen opleggende, en veel meer tot de voldoening uwer drift, dan tot boete voor hen die daaraan worden onderworpen (Al Beid‚wi).
[1513] De woorden hier tusschen [†] geplaatst zijn in de vertolking van Savary weggelaten.
[1514] Of, zooals het oorspronkelijke woord mede kan worden vertaald: kunst en vindingrijkheid in uw werk toonende.
[1515] Dat is: zij waren gewoon het water beurtelings te gebruiken. De kameel dronk een dag, en de Thamoediten wachtten tot den anderen; want als die kameel dronk, waren de bronnen of beken voor dien dag geledigd (Zie Hoofdstuk VII, vers 71).
[1516] Zie Hoofdstuk XV, vers 78. Daar Shoaib niet de broeder van die volken wordt genoemd, hetgeen de gelijkvormigheid van deze plaats met de vorige zou hebben bewaard, wordt door sommigen gemeend, dat zij geene Midianieten maar van een anderen stam waren. Wij zien echter dat de profeet hen van dezelfde misdaden beschuldigt als die van Midian (Zie Hoofdstuk VII vers 83, volg). Savary vertaalt de woorden: "De bewoners van het woud" met "de bewoners van Aleika".
[1517] God bezocht hen eerst gedurende zeven dagen met zulk eene ondragelijke hitte, dat al hunne wateren opdroogden: daarna bracht hij eene wolk over hen, onder welker schaduw zij toevlucht zochten, waarna zij allen door vuur en een brandenden wind werden verdelgd, die daaruit nederkwamen. (Al Beid‚wi).
[1518] Zijnde GabriÎl, die met de goddelijke geheimen en openbaringen bekend is.
[1519] De ongeloovigen tartten Mahomet aanhoudend, eene duidelijke en wonderbaarlijke verdelging over hen te brengen; zooals een regenbui van steenen, enz.
[1520] Zie Hoofdstuk XV, vers 16 en 17.
[1521] De uitleggers veronderstellen dat hetzelfde bevel eigenlijk reeds in hoofdstuk LXXIV is vervat, dat, wat den tijd betreft, aan dit voorafging. Men zegt dat Mahomet op het ontvangen der voor ons liggende plaats, onmiddellijk den berg Jafa beklom, en daarna verscheiden gezinnen, een voor een, bij zich riep. Toen zij allen verzameld waren, vroeg hij hun, of, indien hij hun vertelde dat de berg een kleineren berg zou voortbrengen, zij hem zouden gelooven, waarop zij bevestigend antwoordden. Daarop zeide hij: Waarlijk, ik ben tot u gezonden, om u voor eene ernstige kastijding te waarschuwen (Al Beid‚wi).
[1522] Zijnde: Die u ziet, wanneer gij opstaat om te waken, en den nacht in godsdienstige verrichtingen doorbrengt, en die uwe angstige zorg gadeslaat, voor de juiste vervulling der plichten van de Moslems. Men zegt dat in den nacht, waarin het voorschrift van het waken werd afgeschaft, Mahomet heimelijk van het eene huis naar het andere ging, om te zien hoe zijne volgelingen hunnen tijd doorbrachten, en dat hij hen zoo zeer met het lezen van den Koran en met het herhalen hunner gebeden bezig vond, dat hunne huizen, door het brommende geluid dat zij veroorzaakten, even zoo vele horsel- of paardenvliegennesten schenen te zijn (Al Beid‚wi). Sommige uitleggers veronderstellen echter, dat door het gedrag van den profeet, op deze plaats de verschillende houdingen worden bedoeld, welke hij gewoon was aan te nemen, terwijl hij aan het hoofd zijner volgelingen trad zooals: staan, buigen, nederknielen en zitten (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1523] Na zich verdedigd te hebben tegen de beschuldiging, dat hij met de duivels in verband zou zijn, door de tegenstrijdigheid tusschen zijne leer en hunne plannen en hunne overmacht, een zooveel omvattend boek, als den Koran, samen te stellen, gaat de profeet over tot het aantoonen, dat de personen die het meest geneigd zijn tot het onderhouden van betrekkingen met deze booze geesten, leugenaars en lasteraars zijn; namelijk zijne vijanden en tegenstanders.
[1524] Zijnde: zij worden geleerd door de geheime ingeving van den duivel, en ontvangen hunne ijdele en onsamenhangende ingevingen als waarheid.
[1525] Ten allen tijde hebben de Arabieren hunne taal met veel zorg gekweekt, de poÎzie bemind en de dichters geÎerd. Te Okadh, had ieder jaar, buiten de wekelijksche kermissen eene jaarmarkt plaats, die eene maand duurde. Daar, te midden der handelszaken, kwamen de dichters van alle punten van ArabiÎ bij elkander. Zij zeiden hunne gedichten (Karidah) op, bezongen hunne daden en lotgevallen, en wedijverden in het behandelen van zulke onderwerpen. Dat was eene poÎtisch tournooi, waarbij de talrijke toehoorders, zoowel stedelingen als Beduinen, de rechters waren. Aan den waardigste werd de belooning toegekend, zijne gedichten in den hooggeschatten tempel--den Caaba--in gulden letteren opgehangen te zien. Van daar worden de zeven gedichten, die voor Mahomet in zwang waren, modhahhabat (verguld) en moallakat (opgehangen) genoemd. Vooral muntten de Arabieren der woestijn in de poÎzie uit; onder de tenten bleef de taal immer zuiverder en correcter bewaard. Dikwijls legde eene BeduÔnsche moeder eene pijnlijke straf op aan haar kind, dat zich aan eene fout tegen de taalkunde had schuldig gemaakt. Mahomet was aan de stoutheid zijner dichterlijke taal een groot deel van den bijval schuldig, waarmede zijn streven werd bekroond. Hij heeft zelfs zijne volgelingen aangeraden, de werken der Arabische dichters te raadplegen, en daarin de uitlegging der duistere uitdrukkingen of woorden van den Koran op te zoeken. Waaraan is het dan toe te schrijven, dat de profeet die befaamde jaarmarkt van Okadh opgeheven, en het anathema over de dichters uitgesproken heeft? Ziehier de reden. De Arabieren der woestijn in het algemeen, en daaronder de dichters, hadden weinig neiging voor den nieuwen eeredienst: zij waren aan de genoegens van het nomadenleven gehecht en aan de moeielijkheden daarvan gewoon; zij waren onafhankelijk, onwillig een juk, welk dan ook, te dragen; dapper, edelmoedig, maar trotsch en wraakzuchtig, altijd een vijand nazettende, om eene beleediging te wreken; of op de hielen eener schoonheid van de woestijn; gestreng en wild als Schanfara, de vermaken van het vroolijke leven beminnende als AmrolkaÔs; zorgeloos omtrent het toekomstige leven, twijfelaars en Epicuristen, en behoorden dus niet tot de eersten die den nieuwen profeet volgden. De dichters trachtten die gewoonten van het nomadenleven te bestendigen. Mahomet zag in dat negatieve en vernietigende instinct een grooten hinderpaal voor de vestiging zijner zedelijke en godsdienstige leer, en hij veroordeelt hen daarom. Voegt men hierbij, dat de satirieke geest van eenige hunne pijlen op den nieuwen profeet had doen richten, dan zal men zich niet verwonderen over het oordeel dat hij over hen uitbrengt. Eenige geschiedschrijvers beschuldigen AmrolkaÔs, satyren tegen Mahomet te hebben geschreven, welke laatste, op zijne beurt, een dichter Lebid, een nieuwen bekeerling, zou opgedragen hebben, daarop te antwoorden. De heer de Slane, die de gedichten van AmrolkaÔs heeft uitgegeven, bestrijdt deze meening; dat AmrolkaÔs en Lebid betreft, is het echter niettemin waar, dat Mahomet eenige gedienstige dichters te zijner beschikking had, en de verzen 227 en 228 zinspelen daarop. De dichters waren Lebid Ebn Rabia, Abda'llah Ebn Rawaha, Hassan Ebn Thabet en de twee Caabs. Eens zeide hij tot Caab Ebn Malec: Bestrijd hen (de dichters) met uwe satyren; want ik bezweer het u bij hem die mijne ziel in zijne handen houdt, de satyren verwonden meer dan de pijlen.
[1526] Daar hunne werken zoo onverdacht zijn als de daden van een bezeten mensch. Het meerendeel der oude dichtstukken was namelijk vol ijdele voorstellingen, zooals fabelachtige verhalen en beschrijvingen, minnedichten, vleierijen, buitensporige aanprijzingen hunner beschermers, evenzeer als buitensporige verwijtingen aan hunne vijanden, uitdagingen tot slechte daden, ijdele snorkerijen, en dergelijken (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1527] Deze uitzondering betreft de dichters in de voorlaatste noot opgenoemd, en welke den Islam omhelsden.
[1528] De titel van dit Hoofdstuk is ontleend aan vers 18. Behalve verscheiden vreemde dingen die in deze soera voorkomen, vindt men namelijk in dat vers eene wonderlijke geschiedenis van de mier. De aanvangletters zijn: Ta Sad.
[1529] Door hen, in hunne bedorven geaardheden en neigingen, zich behagelijk en aangenaam te doen gevoelen.
[1530] Zie Hoofdstuk XX, vers 9, volg.
[1531] Sommige zijn van oordeel, dat God, door de voorafgaande, en de engelen door de laatste woorden worden bedoeld (Yahya). Anderen denken, dat deze plaats het oog heeft op Mozes en de engelen, of op alle personen in die heilige vlakte en in haren omtrek aanwezig (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[1532] Deze uitzondering was bestemd om de voorafgaande bewoordingen te verklaren, die te algemeen schenen te zijn; want verscheiden der profeten begingen, voor hun hunne zending werd opgedragen, zonden, hoezeer die ook niet van belang waren, weshalve zij reden hadden Gods gramschap te duchten, maar hier wordt hun verzekerd dat hunne later gevolgde verdiensten hem op zijne vergiffenis aanspraak geeft. Men veronderstelt dat hier in het voorbijgaan op het onvoorbedacht dooden van den Egyptenaar door Mozes wordt gedoeld (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[1533] Zie Hoofdstuk XVII, vers 103.
[1534] Hij erfde niet alleen zijn koninkrijk, maar ook de zending van profeet. Hij werd boven zijne andere zonen verkozen, die niet minder dan negentien in getal waren (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[1535] Dat is: De bedoeling hunner verschillende stemmen, hoewel die niet gearticuleerd zijn. De uitleggers geven een aantal voorbeelden op van Salomos uitleggingen (Zie Marracc. nol. in loc. p. 511).
[1536] Deze vallei schijnt aldus genoemd te zijn naar het groot aantal mieren dat zich daar bevindt. Sommigen plaatsen haar in SyriÎ, anderen in Tayef (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1537] De Arabische geschiedschrijvers verhalen, dat Salomo, nadat hij den tempel van Jeruzalem had voleindigd, als pelgrim naar Mekka trok, van waar hij, na er zoo lang gebleven te zijn als hem behaagde, naar Yaman reisde. Hij verliet Mekka des ochtends en kwam des middags te Sanaa aan, en groot genoegen in deze plaats vindende, bleef hij daar. Hij verlangde echter water om zich te reinigen, en zocht daartoe onder de vogelen naar den kievit, door de Arabieren Al Hudbud genaamd, wiens taak het was dit te vinden; want men beweert, dat die vogel slim of scherpziende genoeg was, om het water onder den grond te ontdekken, hetgeen de duivels gewoon waren te putten, nadat hij de plaats had aangeduid door met zijnen bek te graven. De genoemde geschiedschrijvers voegen er bij, dat deze vogel dan opvloog, en nadat hij een van zijne gelijke zag, die nederdaalde, deed hij het mede, en daar hem door den ander eene beschrijving der stad van Saba was gegeven, van waar hij juist was teruggekomen, gingen zij beiden te zamen, om die plaats te zien en keerden spoedig terug, nadat Salomo de vraag had gedaan, welke het nu volgende te weeg bracht.
[1538] Door hem zijne vederen uit te plukken en hem in de zon te zetten, ten einde door de insecten gekweld te worden, of wel door hem in eene kooi op te sluiten.
[1539] Deze koningin wordt door de Arabieren Balkis genaamd. Sommigen maken haar tot de dochter van al Hodbad Ebn Sharhabil (zie Pocock Spec, p, 59), en anderen van Sharahil Ebn Malec (Al Beid‚wi, enz. Zie d'Herbel., Bibl. OriÎnt, p. 182), maar allen komen zij daarin overeen, dat zij eene afstammeling van Yakab Ebn Kahtan was. Zij is de tweeÎntwintigste op de lijst der koningen van Yaman door Dr. Pocock. (t. a. pl.). In Hoofdstuk XXXIV is mede van Saba sprake.
[1540] Die, volgens het zeggen der uitleggers, van goud en zilver vervaardigd en met eene kroon van edelgesteenten bedekt was. Zij verschillen echter nopens zijne afmeting; de een maakt dien tachtig ellebogen lang, veertig breed en dertig hoog, terwijl sommigen zeggen dat elke afmeting tachtig ellebogen bedroeg, en anderen weder dertig ellebogen.
[1541] Jallalo'ddin zegt dat de koningin door haar leger was omringd, toen de kievit den brief in haren boezem wierp; maar Al Beid‚wi veronderstelt, dat zij in een vertrek van haar paleis was, waarvan de deuren gesloten waren, en dat de vogel door het venster binnenvloog. De laatste voegt er bij, dat Salomo den brief met muskus parfumeerde, en met zijn zegel dichtsloot.
[1542] Of: Kom tot mij en onderwerp u aan de goddelijke leiding, en belijd den waren godsdienst welken ik predik.
[1543] Dat is: Hetzij gij de bevelen van Salomo gehoorzamen, of ons bevelen geven wilt om hem tegenstand te bieden.
[1544] De geschenken dragende, die, naar zij zeggen, in vijfhonderd jonge slaven van elke kunne bestonden, allen gelijk gekleed; vijfhonderd baren goud, eene kroon met edelgesteenten versierd, benevens eene groote hoeveelheid muskus, amber, en andere dingen van waarde (Jallalo'ddin). Sommigen voegen er bij, dat Balhis, ten einde te beproeven of Salomo al of niet een profeet was, de knapen als meisjes, en de meisjes als knapen deed kleeden, en hem in een juweelkistje een parel zond die niet doorboord was, en een onyx die doorboord was met een krom gat: en dat Salomo de knapen van de meisjes onderscheidde, door de verschillende wijze, waarop zij water haalden. Hij beval daarop aan een worm den parel te doorboren en aan een anderen een draad door den onyx te rijgen (Al Beid‚wi). Zij verhalen ons ook, dat Salomo, door den kievit bericht van deze zending ontvangen hebbende, even voor zij zich op weg begaven, bevel gaf, een groote vierkante ruimte door een muur te omringen, gebouwd van gouden en zilveren steenen, waarin hij zijne strijdkrachten en gevolg rangschikte om haar te ontvangen (Jallalo'ddin).
[1545] Volgens Savary: Behoudt uwe geschenken.
[1546] Dit was een Ifrit, of een der zondige en weerspannige geniussen en zijn naam was, volgens Al Beid‚wi, Dhacwan of Sakhr. Deze naam wordt voor elken boozen geest gebezigd.
[1547] Zijnde: van uwen rechterstoel. Salomo was namelijk gewoon, iederen dag tot des middags als rechter te zitten (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin.).
[1548] Deze persoon wordt algemeen verondersteld Asaf, de zoon van Barachia geweest te zijn, Salomo's wezir (of vizar) die den grooten of onuitsprekelijken naam van God kende, door het uitspreken van welken hij deze wondervolle daad volvoerde (Jallalo'ddin). Sommigen veronderstellen echter dat het Al Khedr was, of GabriÎl of een andere engel, en anderen, dat het Salomo zelf was (Al Beid‚wi).
[1549] Het oorspronkelijke zou letterlijk vertaald, moeten luiden: Alvorens gij op eenig voorwerp kunt nederzien en uw oog daarvan kunt afnemen. Er wordt gezegd, dat Salomo op Azafs begeerte naar den hemel opzag, en alvorens hij zijne oogen nedersloeg, legde de troon den weg onder den grond af en verscheen voor hem.
[1550] Want, na den terugkeer van haren afgezant, besloot zij te gaan en zich aan dien vorst te onderwerpen; maar alvorens zij vertrok beveiligde zij, gelijk zij meende, haren troon, door dien in een sterk kasteel op te sluiten, en eene wacht er voor te plaatsen om het te verdedigen, waarop zij met een groot leger vertrok (Jallalo'ddin).
[1551] Het is onzeker, of dit de woorden van Balkis zijn, waarbij zij hare overtuiging beleed, teweeggebracht door de wonderen welke zij reeds had gezien, of van Salomo en zijn volk, Gods gunst erkennende, door hen, vÛÛr haar, tot den waren godsdienst te roepen.
[1552] Of, gelijk sommigen het begrijpen, den hof voor het paleis, waarvan Salomo den aanleg vÛÛr de aankomst van Balkis had bevolen. De grond of het plaveisel was van doorzichtig glas, dat over stroomend water was gelegd, waarin visschen zwommen. Aan den rand van dat plaveisel was de koninklijke troon geplaatst, waarop Salomo zat om de koningin te ontvangen (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[1553] Sommige Arabische schrijvers verhalen, dat Salomo onderricht was, dat de voeten en beenen van Balkis met haar bedekt waren, zooals die van een ezel, waarvan hij alsnu gelegenheid had zich met eigen oogen te overtuigen.
[1554] Daar de koningin van Saba door deze woorden den Islam beleden, en van den afgodendienst afstand gedaan had, kwam Salomo op de gedachte, haar tot vrouw te nemen; maar hij kon er niet toe besluiten, dan nadat de duivels, door een daartoe strekkend middel het haar van hare beenen hadden weggenomen (Jallalo'ddin). Sommigen (Al Beid‚wi) echter willen, dat zij niet Salomo maar een vorst van den stam van Hamdan huwde.
[1555] Nopens de leer door Saleh gepredikt; naardien een deel in hem geloofde, en het andere hem als een bedrieger beschouwde.
[1556] Zijnde: Waarom dringt gij op de goddelijke wraak aan, waarmede gij bedreigd wordt en trotseert die, in plaats van haar door berouw te voorkomen?
[1557] Zie Hoofdstuk VII, vers 123, waar de Egyptenaren Mozes op de zelfde wijze als de oorzaak hunner rampen beschuldigen.
[1558] Men zegt dat Saleh, en zij die in hem geloofden, gewoonlijk op eene zekere enge plek tusschen de bergen vergaderden om te bidden, waarop de ongeloovigen zeiden: Hij denkt binnen drie dagen een einde aan ons te maken (Zie Hoofdstuk VII, vers 96 noot), maar wij; zullen hem voorkomen. Daarop begaf een deel van hen zich onmiddellijk naar de bovenvermelde engte, denkende hun plan te kunnen uitvoeren. Zij werden echter verschrikkelijk teleurgesteld; want in plaats dat zij den profeet grepen, werden zij zelven gevat, daar hun de terugtocht werd afgesneden door een rotsklomp, die aan den uitgang der engten nederviel, zoodat zij op eene ellendige wijze hun einde vonden.
[1559] Zie Hoofdstuk VII, vers 82 en Hoofdstuk XI, vers 84.
[1560] Zie Hoofdstuk XXV, vers 55. Hier is niet het woord barzakh, maar een van gelijke strekking gebruikt.
[1561] Letterlijk: Hij die door tegenspoed wordt aangedreven, Gods hulp in te roepen.
[1562] Zie Hoofdstuk VII, vers 55 en Hoofdstuk XXV, vers 50.
[1563] De Mahomedanen noemen dit dier, welke verschijning een teeken van de nadering van den dag des oordeels zal zijn, al Jessasa of el Djessassa (de spion). De uitleggers geven bijzonderheden nopens de grootte en den vorm van het dier op, welke zij tot Mahomet, Ali of ook wel tot Abou HoreÔra, den gezel van den profeet doen opklimmen. Zoo moet het monster zestig ellebogen lang wezen; een stierenkop, varkensoogen, olifantsooren, hertshoornen, den hals van een struisvogel, de borst van een ram, de pooten van een kameel hebben; men zou het in zijnen loop niet kunnen inhalen noch aan zijne vervolging ontkomen. Het zou, volgens de overlevering, uit eene der groote moskeen voortkomen. Dit monster draagt den staf van Mozes en het zegel van Salomo: overal op zijn doortocht zal het de menschen, met den een of met het ander merken. Zij die met den staf van Mozes zullen worden aangeraakt, zullen een van witheid schitterend aangezicht hebben: dit zijn de goeden. Zij, wien het zegel zal worden opgedrukt, zullen een zwart aangezicht hebben; dit zijn de verdoemden.
[1564] Of, volgens eene andere lezing: dat hen zal verwonden.
[1565] Sommigen zeggen, dat de personen van deze algemeene verwarring uitgezonderd, zullen zijn: de engelen GabriÎl, MichaÎl, Israfil en IsraÎl (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi). Anderen veronderstellen, dat het de maagden van het paradijs zijn en de engelen die deze plaats bewaken en Gods troon bewaren (Dezelfde). Anderen willen dat het de martelaren zijn (Ebn Abbas).
[1566] Dat is: tegen de vrees der verdoemenis, en de andere rampen, die de zondaren zullen verontrusten, maar niet tegen den algemeenen schrik of de verwarring, in de vorige noot vermeld.
[1567] Zijnde: De voordeelen door de ware geloovigen op de ongeloovigen behaald, en, vooral de overwinning te Bedr.
[1568] De titel van dit hoofdstuk is ontleend aan vers 26, waar Mozes gezegd wordt de geschiedenis van zijne lotgevallen aan Shoaib te hebben verhaald. Voor de aanvangletters zie Hoofdstuk XXVI, vers 1, noot.
[1569] Sommigen zonderen hiervan vers 25 uit.
[1570] Zijnde: Úf in gedeelten, opdat zij beter zijne bevelen zouden kunnen vernemen en de diensten verrichten, welke hij van hen eischte, Úf in tegenover elkander staande partijen, teneinde te voorkomen, dat zij iets tegen hem zouden ondernemen, om zich van zijne tirannie te verlossen.
[1571] Namelijk de IsraÎlieten.
[1572] Zie Hoofdstuk XXVI, vers 59.
[1573] Deze naam is aan Pharaos eersten minister gegeven, van waar algemeen de gevolgtrekking wordt gemaakt, dat Mahomet hier Haman op het oog heeft den gunsteling van Ahasveros, koning van PerziÎ, en die onbetwistbaar vele jaren na Mozes leefde, in plaats van een tijdgenoot diens profeet te zijn. Maar hoe klaarblijkelijk deze dwaling ons moge schijnen, zou het toch zeer moeielijk, zoo niet onmogelijk zijn, een Mahomedaan daarvan te overtuigen, daar twee personen denzelfden naam kunnen dragen (Zie Reland, de Rel. Moham. p. 217.).
[1574] Men verhaalt dat de vroedvrouw, die de Hebreeuwsche vrouw verloste, verschrikt werd door een licht, dat bij Mozes' geboorte tusschen zijne oogen verscheen. Zij kreeg eene buitengewone gehechtheid voor het kind, en ontdekte het niet aan de beambten, zoodat zijne moeder hem in haar huis hield en hem drie maanden voedde, waarna het haar onmogelijk was, hem langer te bewaren, daar de koning toen bevelen gaf, de opsporingen nauwkeuriger te doen plaats hebben (Al Beid‚wi, zie de noten op Hoofdstuk XX, vers 39).
[1575] Deze plotselinge gehechtheid of bewondering werd in hen veroorzaakt Úf door zijne ongewone schoonheid, Úf door licht dat op zijn voorhoofd scheen, Úf omdat, toen zij den korf openden, zij bevonden, dat hij op zijn duim zoog, die hem van melk voorzag. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1576] Zie Hoofdstuk XX, vers 41.
[1577] Zijnde: Des middags; tegen welken tijd het in die streken de gewoonte is, dat men een slaapje doet, of, zooals anderen veronderstellen, meer tegen den avond.
[1578] Zijnde de een, een IsraÎliet, van zijn eigen godsdienst en zijn eigen volk, en de andere een afgodendienende Egyptenaar.
[1579] Mahomet neemt aan, dat Mozes den Egyptenaar onrechtvaardig doodde, maar om het te verontschuldigen, vooronderstelt hij dat hij hem sloeg zonder de bedoeling te hebben hem te dooden.
[1580] Sommigen veronderstellen dat deze woorden door den IsraÎliet werden gezegd, die omdat Mozes hem had berispt, zich verbeeldde, dat hij gekomen was om hem te slaan; en anderen door den Egyptenaar, die wist of verdenking had, dat Mozes den vorigen dag zijn landgenoot had doen omkomen.
[1581] Deze persoon, zegt de overlevering, was een Egyptenaar en de zoon van Pharaos oom, maar een waar geloovige, die, wetende dat de koning onderricht was van hetgeen Mozes had bedreven, en bepaald had, dat hij ter dood zou gebracht worden, hem onmiddellijk daarvan kennis gaf, om zich door de vlucht te kunnen redden.
[1582] Door een steen van een bijzonder groot gewicht weg te rollen, die door de schaapherders op den mond der bron was gelegd, en niet minder dan zeven (anderen noemen een nog grooter getal) mannen, vereischte om verplaatst te worden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Interd. Yahya).
[1583] Toen de vader aan het meisje vroeg, hoe zij Mozes die getuigenis kon geven, verhaalde zij hem, dat hij den bovenvermelden grooten steen zonder eenige hulp had verplaatst, en dat hij haar niet aangezien, maar zijn hoofd nedergebogen had gehouden, tot hij hare boodschap had gehoord, en dat hij had verlangd, dat zij achter hem zou loopen, daar de wind hare kleederen eenigszins in wanorde bracht, waardoor een gedeelte harer beenen werd ontbloot, (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Interd. Yahya).
[1584] Zijnde den langsten termijn, van tien jaren. De Mahomedanen zeggen, dat Mozes van Shoaib den staf der profeten ontving (die in een myrtentak uit het paradijs bestond, en van Adam tot op hem was gekomen), ten einde de wilde dieren van zijne schapen af te houden, en dat dit de staf was, waarmede hij al de wonderen in Egypte volvoerde.
[1585] Zie Hoofdstuk XX, vers 8.
[1586] Letterlijk: uw vleugel: deze uitdrukking zinspeelt op de beweging der vogelen die hunne vleugels uitslaan om weg te vliegen, wanneer zij verschrikt zijn, en die weder samenvouwen, al zij zich zeker achten.
[1587] Zie Hoofdstuk XXVI, vers 28.
[1588] Men zegt dat Haman, na de steenen en andere materialen te hebben gereed gemaakt, niet minder dan vijftig duizend man, behalve de arbeiders, voor het gebouw gebruikte, dat zij tot zulk eene reusachtige hoogte optrokken, dat de werkman er niet langer op kon staan. Pharao beklom daarop dien toren en wierp eene speer naar den hemel, die met bloed bevlekt terugviel, waarop hij godlasterend snoefde, dat hij den God van Mozes had gedood. Maar bij zonsondergang zond God den engel GabriÎl, die met eene streek van zijn vleugel den toren omverwierp, waarvan een gedeelte op het leger des konings viel en een millioen menschen doodde (Al Zamakhshari.)
[1589] Dat is tot de Arabieren; tot welke nog geen profeet gezonden was; ten minste niet na IsmaÎl.
[1590] Zijnde de Pentateuchus en de Koran. Sommige afschriften lezen hier: twee bedriegers: Mozes en Mahomet, bedoelende.
[1591] Omdat zij niet alleen in hunne eigene schriften, maar ook aan den Koran hebben geloofd.
[1592] Zie Hoofdstuk XXV, vers 64, noot.
[1593] Deze tegenwerping werd door al Hareth Ebn Othman Ebn Nawfal Ebn Abd Menaf gemaakt, die tot Mahomet kwam en hem vertelde, dat de KoreÔshieten geloofden, dat hij de waarheid predikte, maar vreesden, dat indien zij de Arabieren tot hunne vijanden maakten, door hunnen godsdienst te verlaten, zij ook genoodzaakt zouden zijn Mekka te verlaten, daar zij slechts een handvol personen uitmaakten in vergelijking van de geheele natie (Al Beid‚wi).
[1594] Door hun het geheiligde grondgebied van Mekka tot woonplaats te geven; eene plaats door God beschermd en door den mensch vereerd.
[1595] Dat is: voor een dag of slechts eenige uren, terwijl de reizigers zich daar ophouden, om uit te rusten en zich te verfrisschen, of, zoo als het oorspronkelijke mede kan beteekenen: tenzij door eenige inwoners, daar eenige dier oude steden en woonplaatsen zeer vervallen en andere schaars bewoond zijn.
[1596] Daar niemand werd overgelaten om daarvan na hen te genieten.
[1597] Zie Hoofdstuk X, vers 29.
[1598] Letterlijk: De rekenschap daarvan zal duister voor hen wezen; want de verwarring, waaraan zij dan onderhevig zijn, zal hen verstompt en ongeschikt maken om antwoord te geven.
[1599] Zijnde de profeet, die aan ieder volk zal zijn gezonden.
[1600] De uitleggers zeggen, dat Karoen de zoon van Yeshar (of Izhar) was, de oom van Mozes, en maken hem tot denzelfden als den Korah der schriften. Deze persoon wordt door hen voorgesteld, als de schoonste der IsraÎlieten, die hen zoozeer in rijkdom overtrof, dat de rijkdom overtrof, dat de rijkdommen van Karoen tot een spreekwoord werden. De Mahomedanen verhalen, dat hij een groot paleis bouwde met goud bedekt, welks deuren van massief goud waren. Zij voegen er bij, dat hij door zijne reusachtige rijkdommen zoo onbeschaamd werd, dat hij een opstand tegen Mozes beraamde. Sommigen beweren echter, dat de aanleiding zijner weerspannigheid in zijne onwilligheid lag om aalmoezen te geven, gelijk Mozes had bevolen. Eens toen Mozes tot het volk predikte en, onder andere wetten welke hij openbaarde, ook zeide, dat overspeligen zouden worden gesteenigd, vroeg Karoen hem, wat er zou gebeuren, indien hij aan dezelfde misdaad werd schuldig bevonden? Mozes antwoordde, dat hij dan dezelfde straf zou ondergaan. Daarop bracht Karoen eene ontuchtige vrouw voor den dag, welke hij gehuurd had om te zweren, dat Mozes haar had beslapen, waarvan hij hem in het openbaar beschuldigde. Mozes bezwoer daarop de vrouw de waarheid te zeggen, waardoor zij van haar voornemen terugkwam en beleed, dat zij door Karoen was omgekocht om hem valsch te beschuldigen. Daarop deed God aan Mozes weten, die zich bij hem over het gebeurde had beklaagd, dat hij van de aarde zou vragen wat hem behaagde, en dat die hem zou gehoorzamen, waarop hij zeide: O aarde! verzwelg hem! De aarde opende zich nu onmiddellijk onder Karoen en zijne bondgenooten, en verzwolg hen met zijn paleis en al zijne rijkdommen (Abu'lfeda, Jallalo'ddin, Al Beid‚wi, enz.).
[1601] Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk een getal personen van tien tot veertig. Sommigen beweren, dat deze sleutels zeventig man vereischten. Abu'lfeda zegt dat men veertig muilezels gebruikte, om die te vervoeren.
[1602] Deze plaats komt overeen met Luc. XVI : 9.
[1603] Men zegt, dat hij op een witten muilezel reed, die met gouden tuig was versierd; dat hij in purper was gekleed, en door vier duizend wel gewapende en rijk gekleede mannen gevolgd werd.
[1604] Sommigen zeggen, dat dit vers aan Mahomet werd geopenbaard, toen hij op zijne vlucht van Mekka naar Medina te Johfa aankwam, ten einde hem gerust te stellen en zijne klachten te stillen.
[1605] In vers 40 wordt van dit insect melding gemaakt.
[1606] Sommigen beweren, dat de verzen 1-10 te Medina werden geopenbaard en het overige gedeelte van het Hoofdstuk te Mekka; anderen weder gelooven het tegenovergestelde.
[1607] Zie Hoofdstuk II, vers 1, noot.
[1608] Deze plaats gispt het ongeduld van sommige der volgelingen van den profeet, veroorzaakt door de ongemakken, welke zij doorstonden in de verdediging van hunnen godsdienst en de verliezen die zij van de ongeloovigen leden, door hun aan te toonen, dat zulke rampen noodzakelijk waren om den oprechten persoon van den huichelaar, den standvastige van den twijfelende te onderscheiden. Sommigen veronderstellen, dat deze plaats werd veroorzaakt door den dood van Mahja, den slaaf van Omar, welke in den slag van Bedr door een pijl gedood, en door zijne vrouw en nabestaanden diep betreurd werd (Al Beid‚wi).
[1609] Zijnde: de schuld aan de verleiding van anderen, die gevoegd zal worden bij de schuld hunner eigene weerspannigheid, zonder de schuld dergenen te verminderen, die door hen zijn verleid.
[1610] Dit is waar, indien men het geheele leven van Noach rekent; en volgens het beweren van Abu'lfeda, werd hij in zijn tweehonderdvijftigste jaar gezonden om te prediken en leefde hij in het geheel negenhonderdvijftig jaren: de tekst schijnt echter alleen te spreken van de jaren, welke hij doorbracht met vÛÛr den zondvloed te prediken, daar de uitleggers veronderstellen, dat hij veel langer heeft geleefd. Sommigen zeggen, dat de geheele lengte van zijn leven duizend en vijftig jaren was; dat hem op veertigjarigen ouderdom zijne zending werd opgedragen, en dat hij zestig jaren na den zondvloed leefde (Al Beid‚wi, Al Zamakshari). Anderen geven verschillende getallen op, en ÈÈn vooral beweert, dat Noach bijna zestienhonderd jaren leefde (Caab, op Yahya). Al Beid‚wi zegt, dat deze omstandigheid werd vermeld, om Mahomet te verzekeren dat God, die Noach zoovele jaren tegen weerspannigheid en de aanslagen der antidiluviaansche ongeloovigen had ondersteund, niet zou nalaten, hem tegen alle pogingen van de afgodendienende bewoners van Mekka en hunne partijgangers te verdedigen.
[1611] De ark.
[1612] Zie Psalm CXXXIX : 7, enz.
[1613] Zie Hoofdstuk XXI, vers 71.
[1614] Sommigen veronderstellen, dat de bewoners van Sodom de voorbijgangers plunderden en doodden; anderen dat zij hunne lichamen misbruikten.
[1615] Daar hunne bijeenkomsten tooneelen van onkuischheid en ongebondenheid waren.
[1616] Zie Hoofdstuk XI, vers 72.
[1617] Zie ibid, vers 77.
[1618] Zijnde het verhaal harer vernietiging, door de gewone overlevering gemeld, of wel hare bouwvallen, of andere sporen van dit vonnis. Er wordt beweerd, dat verscheidene der steenen die op deze steden uit den hemel nedervielen, nog te zien zijn, en dat de grond waar zij stonden, verbrand en zwartachtig schijnt.
[1619] Zie Hoofdstuk VII, vers 89.
[1620] Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk een wind, die het zand en de kleine steentjes voor zich uitdrijft, en waarmede de storm, of de regenbui van steenen, schijnt te worden bedoeld, die Sodom en Gomorrah vernielde.
[1621] Hetgeen het einde van Ad en Thamoed was.
[1622] Zooals met Karoen geschiedde.
[1623] Zooals de ongeloovigen ten tijde van Noach en Pharao met zijn leger.
[1624] Zijnde: zonder hevige taal en drift. Dit vers wordt algemeen verondersteld, door dat van het zwaard te zijn afgeschaft; maar sommigen denken, dat het alleen betrekking heeft op degenen, die met de Moslems in bondgenootschap zijn.
[1625] Zie Hoofdstuk VI, vers 57.
[1626] Dat is: Indien gij mij niet in de eene stad of op de eene plaats kunt aanbidden, vlucht dan naar eene andere, waar gij den waren godsdienst in zekerheid kunt belijden; want de aarde is ruim genoeg, en gij zult gemakkelijk toevluchtsoorden vinden. Men zegt dat Mahomet heeft verklaard, dat, wie om de zaak van den godsdienst vlucht al zij het ook, dat hij ÈÈne span aflegt, het paradijs verdient, en de makker van Abraham en de zijnen zal wezen (Al Beid‚wi).
[1627] En weet dus wie een goed en wie een slecht gebruik zijner rijkdommen zal maken.
[1628] Het oorspronkelijke woord is al Rum, waarmede hier de latere Grieken, of de onderdanen van het Konstantinopelsche rijk worden bedoeld. De Arabieren geven echter denzelfden naam aan de Romeinen en andere Europeanen.
[1629] Sommigen zonderen hiervan vers 17 uit.
[1630] Zie Hoofdstuk II, vers 1, noot.
[1631] De vervulling van de profetie vervat in deze plaats, die bij de Mahomedanen zeer beroemd is, wordt door hunne godgeleerden beschouwd als een overtuigend bewijs, dat de Koran werkelijk van den hemel nederkwam. Het zal daarom dan ook niet ondienstig zijn hierbij langer dan gewoonlijk stil te staan. Deze plaats wordt gezegd geopenbaard te zijn bij gelegenheid eener groote overwinning, door de Perzen op de Grieken behaald. Toen het bericht daarvan te Mekka aankwam werden de ongeloovigen uitermate overmoedig, en begonnen Mahomet en zijne volgelingen te mishandelen, zich verbeeldende, dat dit voordeel, behaald door de Perzen, die, gelijk zij zelven, afgodendienaars waren, en verondersteld werden geene schriften te bezitten, op de Christenen, die, evengoed als Mahomet beweerden ÈÈn God te aanbidden en goddelijke schriften te bezitten, een begin was van hunne eigene, toekomstige overwinningen op den profeet en zijne volgelingen. Om deze ijdele hoop te keer te gaan, wordt hier in den tekst voorzegd, dat, hoe onwaarschijnlijk het ook moge zijn, de kans in eenige jaren zou verkeeren en de overwonnen Grieken op wonderdadige wijze over de Perzen zouden zegepralen. Dat deze profetie juist vervuld werd, vergeten de uitleggers niet te doen opmerken; doch zij komen niet geheel overeen in de verhalen welke zij van hare vervulling geven, daar het aantal jaren tusschen de twee voorvallen niet juist is uitgemaakt. Sommigen plaatsen de overwinning, door de Perzen behaald in het vijfde jaar voor de Hedjira, en hunne nederlaag door de Grieken in het tweede jaar daarna, toen de slag van Bedr plaats had (Jallalo'ddin, enz.) Anderen plaatsen het eerste wapenfeit in het derde of vierde jaar voor de hedjira en het laatste in het einde van het zesde of in het begin van het zevende jaar daarna, toen de expeditie naar al HodaÔbiÔah werd ondernomen (Al Zamakhshari, Al Beid‚wi.) Het tijdstip van de overwinning door de Grieken behaald, in het eerstgenoemde dezer verhalen opgegeven, is in tegenspraak met eene geschiedenis, welke door de uitleggers wordt verhaald van eene weddenschap door Aboe Bekr met Obba Ebn Khalf aangegaan, die zijne voorspelling bespottelijk maakte. Aboe Bekr verwedde eerst tien jonge kameelen, dat de Perzen binnen drie jaren eene nederlaag zouden lijden. Toen hij nu Mahomet verhaalde wat hij had gedaan, zeide de profeet hem, dat het woord bed, waarvan in deze plaats wordt gebruik gemaakt, geen bepaald getal jaren beteekent, maar een zeker getal van drie tot negen (eenigen veronderstellen dat het tiende jaar mede daaronder is begrepen), en ried hem dus aan, den tijd te verlengen, en de weddenschap grooter te maken, hetgeen hij dientengevolge aan Obba voorstelde. Zij besloten daarop, dat de bepaalde tijd negen jaren en de inzet der weddenschap honderd kameelen zou wezen. Alvorens deze tijd was verloopen, stierf Obba aan eene wonde, welke hij te Ohod had ontvangen, in het derde jaar der hedjira (Zie Hoofdstuk XXVI, vers 29, in de noot). Maar toen de gebeurtenissen daarna toonden, dat Aboe Bekr had gewonnen, ontving hij de kameelen van de erfgenamen van Obba en bracht die in zegepraal naar Mahomet (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin enz.). De geschiedenis leert ons dat de overwinningen van Khosroe Parvis, of den Edelmoedigen (590-628) koning van PerziÎ, die een vreeselijken oorlog tegen het Grieksche rijk onderhield, om den dood van Maurits, zijn schoonvader te wreken, die door Phocas was gedood, zeer groot waren en elkander in eene onafgebroken reeks van tweeÎntwintig jaren opvolgden. Vooral in het jaar 615 na Christus, tegen het begin van het zesde jaar voor de hedjira, maakten de Perzen, die in het voorafgaande jaar SyriÎ hadden verwonnen, zich meester van Palestina en namen Jeruzalem in. Dit schijnt het groote voordeel te zijn op de Grieken behaald, als het best overeenkomende met de uitdrukkingen hier gebruikt, en het meeste geschikt, de Arabieren door de nabijheid van het tooneel des voorvals te verontrusten. Op dien tijd was er bovendien zoo weinig waarschijnlijkheid, dat de Grieken in staat zouden wezen, hunne verliezen te herwinnen, en veel minder de Perzen nadeel toe te brengen, dat de wapenen der laatstgenoemden nog meer en aanzienlijker vorderingen maakten, en zij eindelijk zelfs het beleg voor Konstantinopel sloegen. Maar in het jaar 625 waarin het vierde jaar van de hedjira begon, omstreeks tien jaren na de inneming van Jeruzalem behaalden de Grieken, toen dit het allerminst werd verwacht, eene belangrijke overwinning op de Perzen en dwongen hen, niet alleen het grondgebied des rijks te verlaten, door den krijg in hun eigen vaderland over te brengen, maar dreven hen tot het uiterste punt en plunderden de groote stad al Madayen. Heraclius mocht zich van toen af in eene aanhoudende reeks van voordeelen verblijden, tot de aftreding en den dood van Kosroe. Overigens verwijzen wij naar de historieschrijvers en chronologen. (Zie Asseman, Bibl. Orient. t. 3 part 1, p. 411 enz. en Boulainy. Vie de Moham, p. 333, enz.)
[1632] Sommige uitleggers veronderstellen, dat het hier bedoelde land, ArabiÎ of wel dat der Grieken is, en plaatsen het tooneel van dit voorval op de grenzen van ArabiÎ en SyriÎ, nabij Bostra en Adhradt (Yahya, Al Beid‚wi). Anderen gelooven dat hier het land van PerziÎ wordt bedoeld, en plaatsen het voorval in MesopotamiÎ, op de grenzen van dat koninkrijk (Mojahed op Zamakhsh.), maar Ebn Abbas denkt met meer waarschijnlijkheid, dat het Palestina was.
[1633] Om naar water en mineralen te graven en den grond te beploegen, ten einde daarop te zaaien enz.
[1634] Zie Hoofdstuk III, vers 27.
[1635] Dat is: als wij van hem spreken, moeten wij gebruik maken van de edelste en heerlijkste uitdrukkingen, welke wij slechts in staat zijn uit te denken.
[1636] Zie Hoofdstuk XVI, vers 77.
[1637] Zijnde de onveranderlijke natuurwet, waarop alles berust; welke de mensch van nature geneigd is op te volgen, en welke iedereen, als het meest geschikt voor een redelijk wezen, zou willen omhelzen.
[1638] Dat is: hebben wij ooit, hetzij, door den mond van een of anderen profeet, of door eene geschreven openbaring, de aanbidding van meer dan ÈÈn god bevolen of aangemoedigd.
[1639] En zoeken Gods gunst niet ten gepasten tijde door berouw te herwinnen.
[1640] Of door omkooping. Het woord bevat alle afpersing of ongeoorloofde winst.
[1641] Zijnde: ongeluk en openbare ramp, zooals: honger, pest, droogte, schipbreuken enz., of dwaalbegrippen, of eene algememene verdorvenheid van zeden enz.
[1642] Zijnde in de wereld of in hunne graven. Zie Hoofdstuk XXIII, vers 115.
[1643] Dat is overeenkomstig zijne voorkennis en zijn besluit in de bewaarde tafels; overeenkomstig hetgeen in den Koran is gezegd, waar de staat des doods door deze woorden is uitgedrukt (Hoofdstuk XXIII, vers 102). Achter hen zal een hek (of slagboom) zijn, tot den dag der opstanding (Al Beid‚wi).
[1644] Dit Hoofdstuk is aldus genoemd naar den persoon, die in het 11e vers wordt vermeld.
[1645] Sommigen zonderen hiervan echter het 3e vers uit, en anderen de drie verzen 26-28.
[1646] Zijnde ijdele en dwaze fabels. Men zegt, dat deze plaats werd geopenbaard met het oog op al Nodar Ebn al Hareth, die, den roman van Rostam en Isfandiyar uit PerziÎ hebbende medegebracht, tot welk land die beide helden behoorden, dezen in de vergadering der KoreÔshieten zong; daarbij de macht en heerlijkheid der oude Perzische koningin hoogelijk roemende, en hunnen verhalen de voorkeur gevende, boven die van Ad en Thamoed, David en Salomo en de overige, welke in den Koran worden medegedeeld. Sommigen zeggen, dat al Nodar zingende meisjes kocht en die aan degenen deed brengen, welke neiging hadden Moslems te worden, ten einde hen door gezangen en verhalen van hunne bedoelingen af te brengen (Al Beid‚wi.).
[1647] Zie Hoofdstuk XVI, vers 15. Een geleerd schrijver (Gol in Append. ad Erpinii Gram. p. 187) zegt, in zijne aanteekeningen op deze plaats, dat het woord rawasiya, hetgeen door de uitleggers in het algemeen als onbewegelijke bergen wordt wedergegeven, (eigenlijk het Hebreeuwsch woord m/ekvnm/">mkvnyh zijnde) grondslagen of basis beteekent. Genoemde schrijver is dientengevolge van oordeel, dat de Koran hier de plaats uit de Psalmen heeft overgenomen, luidende: Hij legde de grondslagen der aarde, opdat die in eeuwigheid niet zou wankelen (Psalm CIV : 5). Dit is het eenige bewijs niet, dat men zou kunnen geven, dat Mahomedaansche godgeleerden niet altijd de beste vertolkers hunner schriften zijn.
[1648] De Arabische schrijvers zeggen, dat Lokman de zoon was van Ba¸ra, de zoon of kleinzoon van een zuster of tante van Job en dat hij eenige eeuwen, tot den tijd van David leefde, met wien hij in Palestina verkeerde. Volgens de beschrijving welke zij van dezen persoon geven, moet hij zeer misvormd zijn geweest. Zij zeggen namelijk, dat hij een zwarte huid had (vanwaar sommigen hem voor een EthiopiÎr houden), met dikke lippen en gespleten voeten. Daarentegen ontving hij van God wijsheid en welsprekendheid in een hoogen graad, welke hem, volgens sommigen, in een visioen werden gegeven, waarbij hij de wijsheid boven de gave der profetie verkoos, welke hem beide werden aangeboden. Algemeen houden hem de Mahomedanen daardoor niet voor een profeet maar alleen voor een wijs man. Wat zijn stand betreft, zeggen zij, dat hij een slaaf was, maar dat hij zijne vrijheid bij de volgende gelegenheid verkreeg: Zijn meester gaf hem eens eene bittere meloen te eten, en hij betoonde daarbij zooveel gehoorzaamheid dat hij de vrucht geheel opat, waarop de meester zich zeer verwonderde en hem vroeg: Hoe hij zulk eene vrucht kon eten? Hij antwoordde daarop, dat het geen wonder was, dat hij eens eene bittere vrucht aannam uit dezelfde hand, van welke hij zoovele gunsten had ontvangen. (Al Zamakhsh, Al Beid‚wi, enz. Zie d'Herbel, Bibl. Orient, p 516 en Marracc, in Alc. p. 547). De uitleggers vermelden verschillende snedige antwoorden, die door Lokman zouden zijn gegeven, en welke, gevoegd bij de boven vermelde omstandigheden, zoo zeer overeenkomen met hetgeen Maximus Planudes van Esopus heeft geschreven, dat daarom, en ook door de fabelen, welke door de Oosterlingen aan Lokman worden toegeschreven, de laatste algemeen is aangenomen de Esopus der Grieken te zijn geweest. Desniettegenstaande is Sale van oordeel, dat Planudes een groot deel van zijn leven van Esopus aan de overleveringen heeft ontleend, welke hij in het Oosten nopens Lokman ontmoette, daaruit afleidende, dat zij ÈÈn persoon vormden, omdat zij beiden slaven waren en verondersteld worden, de schrijvers te zijn van de fabelen, welke onder hunne verschillende namen doorgaan, en veel op elkander gelijken. Het is toch reeds voorlang door geleerden opgemerkt, dat het grootste deel van dit verhaal van den monnik Planuder, een samengeflanste roman is, welke door geen bewijs der oude schrijvers wordt gestaafd (Zie vie d'Esope par M. de Meziriac Bayle, Dict. Historique, Art Esope Rem. B.).
[1649] De plaats vers 13 en 14 maken geen deel uit van den raad van Lokman aan zijn zoon, maar zijn er, bij wijze van tusschenzin, aan toegevoegd, als zeer passend en geschikt om hier te worden herhaald, ten einde het verfoeielijke der afgoderij aan te toonen. Die woorden zijn (behalve eenige bijvoegingen) in Hoofdstuk XXIX, vers 7 te vinden en werden oorspronkelijk geopenbaard wegens Saad Ebn Abi Wakkas, Wiens moeder hem weder van den Islam wilde terugbrengen.
[1650] De persoon hier eigenlijk bedoeld, was Aboe Bekr, door wiens aanraden Saad een Moslem werd.
[1651] De Arabieren vergelijken namelijk eene luide en onaangename stem bij het balken van dat dier.
[1652] Zijnde: alle soorten van zegeningen, die zoowel den geest als het lichaam betreffen.
[1653] Men zegt dat deze plaats werd geopenbaard ter beantwoording van de Joden, die volhielden, dat alle kennis in de wet was bevat (Al Beid‚wi).
[1654] Daar God in staat is een millioen werelden voort te brengen door het enkele woord Kun, zijnde: Wees! en de dooden allen te doen verrijzen door het enkele woord Kum, d.i. Rijst op!
[1655] Zijnde de duivel.
[1656] Op deze plaats worden vijf zaken opgeteld, welke God alleen kent; zijnde; de tijd van den dag des oordeels, de tijd van den regen, of hetgeen zich in den schoot vormt, tot het mannelijke of het vrouwelijke geslacht behoort, enz., wat morgen zal geschieden en waar iemand zal sterven. Dit noemen de Arabieren, overeenkomstig eene overlevering van hunnen profeet, de vijf sleutels van verborgen kennis. Men zegt dat deze plaats door Al Hareth Ebn Amroe werd veroorzaakt, die aan Mahomet vragen van dien aard voorstelde. Omtrent de laatste bijzonderheden geeft Al Beid‚wi het volgende verhaal: De engel des doods ging eens in een zichtbaren vorm Salomo voorbij. De engel zag iemand aan, die bij hem zat, waarop deze vroeg, wie hij was. Salomo herkende hem als den engel des doods, waarop de man zeide: Hij schijnt mij te verlangen; beveel dus den wind mij van hier naar IndiÎ over te brengen. Toen dit volvoerd was zeide de engel tot Salomo: Ik zag dien man zoo ernstig aan, uit verwondering, omdat mij bevolen was zijne ziel uit IndiÎ te halen, en ik hem hier met u in Palestina vond.
[1657] De titel is aan vers 15 ontleend, waar gezegd wordt dat de geloovigen in aanbidding nedervallen.
[1658] Zie Hoofdstuk XXVIII, vers 46.
[1659] Zie Hoofdstuk LXX, vers 4, noot. Sommige leggen de hier voorkomende plaats niet uit, als had die betrekking op de opstanding, maar veronderstellen, dat de woorden hier het nemen en uitvoeren van Gods besluiten beschrijven welke van den hemel op aarde worden nedergezonden en tot hem terugkeeren (of opklimmen, zooals het werkwoord eigenlijk beteekent), nadat zij tot uitvoering zijn gebracht. Zij stellen deze voor, als het ware met zijn voorkennis uitgevoerd in den tijd van ÈÈn dag met God, maar met den mensch in duizend jaren. Anderen denken dat deze tijdruimte de tijd is, dien de engelen welke de goddelijke besluiten overvoeren en deze na hunne uitvoering terugbrengen, noodig hebben om af te dalen en weder op te stijgen, aangezien de afstand van den hemel tot de aarde eene reis van vijfhonderd jaren vordert, terwijl anderen van meening zijn, dat de engelen in eens de besluiten voor de volgende duizend jaren brengen, na verloop waarvan zij terugkeeren om nieuwe bevelen af te halen enz. (Al Beid‚wi).
[1660] Zijnde: zaad.
[1661] Zie Hoofdstuk VII, vers 34 en Hoofdstuk XI, vers 120.
[1662] Zelfs niet een van de engelen, die het naast bij Gods troon komen, noch een der profeten, welke door hem zijn gezonden (Al Beid‚wi).
[1663] De bewoners van Mekka komen namelijk dikwijls voorbij de plaatsen, waar de Adieten, Thamoedieten, Midianieten, Sodomieten enz. eens woonden.
[1664] Dat is op den dag des oordeels: sommigen veronderstellen echter, dat de hier bedoelde dag die van de overwinning te Bedr is, of wel die van de inneming van Mekka, waarbij verscheidene van hen, die gebannen waren, onmiddellijk werden gedood.
[1665] Een deel van dit Hoofdstuk werd geopenbaard bij gelegenheid van den oorlog der gracht, die in het vijfde jaar der hedjira voorviel, toen Medina gedurende meer dan twintig dagen door de verbonden strijdmachten van verschillende Joodsche stammen en van de bewoners van Mekka, Najd en Tehama werd belegerd, op de aanhitsing der Joden van den stam van Nadhir, welke een jaar te voren door Mahomet uit hunne woonplaatsen, nabij Medina, waren verdreven geworden (Zie Abu'lfeda, Vit. Moh. p. 73 en Gagnier, Vie de Mohamm. lib. 4. c. l.).
[1666] Men verhaalt dat Aboe Sofian, Acrema Ebn Abi Jahl en Abu'l A'war al Salami eens een vriendschappelijk onderhoud met Mahomet hadden, waarbij ook Abdallah Ebn Obba, Moatteb Ebn Kosheir en Jadd Ebn Kais tegenwoordig waren, waarin de eerstgenoemden den profeet voorstelden dat, indien hij zou willen ophouden, tegen de aanbidding van hunne goden te prediken en hij die als bemiddelaars zou willen erkennen, zij hem en zijn Heer geene verdere moeilijkheden zouden veroorzaken; waarop deze woorden werden geopenbaard (Al Beid‚wi).
[1667] Deze plaats werd geopenbaard, om twee gewoonten der oude Arabieren af te schaffen. De eerste daarvan was de wijze, waarop zij zich van hunne vrouwen lieten scheiden, als zij geene lust hadden, haar uit hun huis te laten vertrekken of te laten huwen; en dit deed de man, door tot de vrouw te zeggen: "Gij zijt mij voortaan als de rug mijner moeder", na het uitspreken van welke woorden hij afstand van haar bed had gedaan en haar in alle opzichten als zijne moeder beschouwde. Zij werd dan tot al zijne nabestaanden zoo verwant, als ware zij werkelijk zijne moeder. De andere gewoonte bestond daarin, dat zij hunne aangenomen zoons even zoo aan zich verwant beschouwden als hunne werkelijke zonen, waardoor dezelfde hinderpalen tegen het huwelijk uit die veronderstelde betrekking voortvloeiden, betreffende de verboden verbindingen, gelijk dit met een echten zoon het geval is. Mahomet had eene bijzondere reden dit laatste af te schaffen, daar hij de vrouw huwde, welke van zijnen bevrijden slaaf ZeÔd was gescheiden, die mede zijn aangenomen zoon was, waarop wij later nader zullen terugkomen. Door de verklaring, die tot inleiding van deze plaats strekt, dat God, geen mensch twee harten heeft gegeven, wordt bedoeld, dat een man niet dezelfde gehechtheid voor veronderstelde bloedverwanten, en voor aangenomen kinderen kan hebben als voor degenen, die dit werkelijk zijn. Men verhaalt dat de Arabieren gewoon zijn, van een voorzichtig en scherpzinnig mensch te zeggen, dat hij twee harten heeft: vanwaar zekere Abn Mamkr, of, zoo als anderen zeggen, Jemil Ebn Asad El Fihri, den bijnaam had van Dhoe'lkalbein, of de man met twee harten (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1668] Door onwetendheid of vergissing, of dat gij in den verleden tijd hebt gedwaald.
[1669] Hun niets bevelende dan wat in hun belang en voordeel was, en meer bezorgd voor hun tegenwoordig en toekomstig geluk zijnde dan zij zelven; waarom hij hun dierbaar moet wezen, en hunne grootste liefde en hunnen grootsten eerbied verdient.
[1670] Doch de geestelijke betrekking tusschen Mahomet en zijn volk, in de voorafgaande woorden verklaard, levert geen hinderpaal op, die hem had kunnen beletten, zulke vrouwen tot de zijne te kiezen als hij geschikt achtte. De uitleggers zijn echter van oordeel, dat het hier verboden wordt eene zijner vrouwen te huwen.
[1671] Deze woorden, die, behalve het laatste gedeelte van het oordeel, ook in het VIIIe Hoofdstuk voorkomen, schaffen de wet nopens de erfenissen af, welke in hetzelfde Hoofdstuk is afgekondigd, waardoor Mohajerun en Ansars elkanders erfgenamen werden, met uitsluiting van hunne nadere verwanten, die ongeloovigen waren (Zie Hoofdstuk VIII, vers 73.)
[1672] Zijnde: In de bewaarde tafel of den Koran, of, zooals anderen veronderstellen, in den Pentateuchus.
[1673] Waardoor zij op zich namen, hunne verschillende lastgevingen te volvoeren en beloofden den godsdienst te prediken, welke hun door God was bevolen.
[1674] Zijnde: Dat hij op den dag der opstanding aan de profeten zal vragen op welke wijze zij zijne verschillende lastgevingen hebben volvoerd, en hoe zij door hun volk werden ontvangen; of, hetgeen de woorden mede kunnen beteekenen, dat hij hen, die in hem geloofden, nopens hun geloof onderzoeken en hen dienovereenkomstig beloonen zal.
[1675] Dit waren de strijdkrachten van de KoreÔshieten en den stam van Ghatfan, die, verbonden met de Joden van al Nadhir en Koreidha, ten getale van twaalf duizend man, Medina belegerden, in de expeditie welke de oorlog van de gracht is genaamd.
[1676] Op de nadering des vijands beval Mahomet naar den raad van Salman, den PerziÎr, dat er eene diepe gracht of retranchement rondom Medina zou worden gegraven, tot meerdere zekerheid der stad, terwijl hij met drie duizend man uittrok, om die te verdedigen. Aan beide zijden bleef men bijna eene maand in de kampen, zonder eenige andere vijandelijkheid te plegen, dan het afschieten van pijlen en het slingeren van steenen, tot God in een winternacht een doordringend kouden Oostenwind zond, die de ledematen der verbondenen verstijfde, hun het stof in het aangezicht joeg, hunne vuren uitbluschte, hunne tenten omwierp en hunne paarden in wanorde bracht, terwijl de engelen op denzelfden tijd Allah-acbar rondom hun kamp uitriepen, waarop Toleiha Ebn Khowailed, de Asadiet, overluid zeide: Mahomet wil u met toovenarijen aan vallen, zorgt dus door de vlucht voor uwe veiligheid. Dientengevolge braken eerst de KoreÔshieten en daarna de Chatfanieten het beleg op, en keerden naar huis. Men verhaalt dat Mahomet, op het hooren van het aftrekken zijner vijanden, zeide: Ik heb door den oostenwind eene overwinning behaald, en Ad is door den westenwind omgekomen (Al Beid‚wi, Abu'lf, Vit. Moh. p. 77 enz.)
[1677] Zijnde Aws Ebn Keidhi en zijne aanhangers.
[1678] Dit was de oude en eigenlijke naam van Medina, of van het grondgebied waarop die plaats stond. Sommigen meenen dat die stad aldus werd genaamd naar haren stichter Yathreb, den zoon van Kabiya, den zoon van Mahlayel, den zoon van Aram, den zoon van Sem, den zoon van Noach. Anderen verhalen echter dat die stad door de Amalekieten werd gebouwd (Ahmed Ebn Yoesof).
[1679] Namelijk in de stad, of: in hunne afvalligheid en weerspannigheid, daar de Moslems zeker ten laatste zullen slagen.
[1680] Hetzij door in kleinen getale tot het leger op te komen, of door slechts korten tijd bij hen te blijven en daarna met eene gewaande verontschuldiging terug te keeren; of door zich ziek te houden, wanneer de tijd tot handelen gekomen was.
[1681] Door spaarzaam te zijn in hunnen bijstand, hetzij wat hunnen persoon of wat hunne beurs betreft, of begeerig naar den buit zijnde.
[1682] Om daardoor afwezig en niet verplicht te zijn ten strijde te trekken.
[1683] Namelijk: dat wij niet moesten verwachten het paradijs binnen te gaan zonder aan sommige beproevingen en moeielijkheden onderworpen te zijn geweest, zie Hoofdstuk II, vers 209, III, vers 147, XXIX, vers 1 enz. Er is eene overlevering, dat Mahomet werkelijk deze expeditie der verbondenen en den uitslag daarvan eenigen tijd te voren voorspelde. (Al Beid‚wi).
[1684] Door den profeet standvastig bij te staan en den vijanden van den waren godsdienst dapper het hoofd te bieden, overeenkomstig hunne verbintenis.
[1685] Of, zooals de woorden mede kunnen worden vertaald: hebben hunne gelofte vervuld, of hunne schuld aan de natuur betaald, door als martelaren in den slag te vallen, evenals Hamza, Mahomets oom, Marab Ebn Omair en Ans Ebn Al Nadr (Al Beid‚wi), die in den slag van Ohod werden gedood. De martelaren in den oorlog der gracht, bedroegen zes, daaronder begrepen Saad Eba Moadh, die omstreeks eene maand daarna aan zijne wonde overleed (Abu'lf. Vit. Moh. p. 79).
[1686] Zooals Othman en Telha (Al beid‚wi).
[1687] Dit waren de lieden van den stam van Koreidha, die, hoewel zij met Mahomet een verbond hadden gesloten, op de onophoudelijke aansporingen van Caab Ebn Asad, een voornaam man onder hen, in dezen oorlog van de gracht, op verraderlijke wijze tot zijne vijanden overliepen en daarvoor gestreng werden gestraft. Den volgenden ochtend namelijk, nadat de verbonden strijdkrachten hunne legers hadden opgebroken, keerde Mahomet met zijne manschappen naar Medina terug en legden zij hunne wapenen neder, waarop zij zich na de door hen uitgestane vermoeienis verkwikten. GabriÎl kwam daarop tot den profeet en vroeg hem, waarom hij zijn volk had toegestaan de wapenen neder te leggen, terwijl de engelen de hunne nog niet hadden afgelegd. Hij beval hem onmiddellijk tegen de Koradhieten op te trekken, hem verzekerende, dat hij zelf den weg zou banen, Mahomet gehoorzaamde het goddelijke bevel en liet in het openbaar afkondigen, dat iedereen dien namiddag zou bidden om de overwinning op de zonen van Koreidha. Hij trok daarop onmiddellijk tot de expeditie op, en toen hij de forteres der Koradhieten had bereikt, belegerde hij hen gedurende vijfentwintig dagen. Na verloop van dien tijd, capituleerde het volk, daar zij in groote verwarring en ellende verkeerden; en zich niet aan de genade van Mahomet durvende vertrouwen, gaven zij zich eindelijk aan de edelmoedigheid van Saad Ebn Moadh over (Zie Hoofdstuk VIII, vers 39) hopende dat hij, die een vorst was van den stam van Aws--hunne oude vrienden en bondgenooten--eenig mededoogen met hen zouden hebben; maar zij werden bedrogen; want Saad, ten hoogste verbolgen omdat zij het verbond hadden geschonden, had God gebeden, dat hij hem niet zou laten sterven aan de wonde welke hij in de gracht had ontvangen, zonder dat hij wraak op de Koradhieten had zien uitoefenen; weshalve hij bepaalde, dat de mannen met het zwaard gedood, de vrouwen en kinderen in slavernij gevoerd en hunne goederen onder de Moslems verdeeld zouden worden. Zoodra Mahomet deze uitspraak hoorde, riep hij uit, dat Saad het vonnis van God had uitgesproken, en dientengevolge werd die straf uitgevoerd. Het getal der gedoode mannen beliep zeshonderd, of, zooals anderen zeggen, zevenhonderd of daaromtrent, waaronder zich Hoyai Ebn Akhtab, een groote vijand van Mahomet, en Caab Ebn Asad bevond, die de hoofdoorzaak van het opstaan van hunnen stam waren geweest, Saad wiens wonde reeds gesloten was, doch weder openging, stierf korten tijd daarna (Al Beid‚wi, Abu'lf. Vit. Moh. p. 77 enz. Zie voorts Gagnier. Vie de Moh. liv. 4, c. 3.)
[1688] Waardoor sommigen veronderstellen, dat hier PerziÎ en Griekenland worden bedoeld; anderen Khaibar, en weder anderen, al het land dat tot den dag des oordeels door de Moslems mocht worden veroverd (Al Beid‚wi).
[1689] Deze plaats werd geopenbaard, omdat dat de vrouwen van Mahomet hem om rijkere kleederen en eene buitengewone toelage voor hare verteringen hadden gevraagd. Zoodra hij dit verzoek ontving, gaf hij haar de vrije keuze, hetzij om bij hem te blijven of van hem gescheiden te worden. Hij begon met AÔsha, die "God en zijn apostel" koos waarop de overige haar voorbeeld volgden. De profeet bedankte haar alle, en vers 52 van dit Hoofdstuk werd geopenbaard. Vanhier is door sommigen de gevolgtrekking gemaakt, dat de vrouw welke men de vrije keuze had gelaten, en die verkoos bij haren man te blijven, niet zou worden, gescheiden. Anderen zijn echter van eene tegenovergestelde meening (Al Beid‚wi).
[1690] Want de misdaad (overspel) zou grooter en onvergefelijk voor haar zijn, om de hoogere plaats welke zij innemen, en de genade die zij van God hebben ontvangen. Vandaar komt ook het bevel, dat de straf van een vrij persoon het dubbele van die van een slaaf zal wezen (zie Hoofdstuk IV, vers 30), en dat profeten strenger om hunne fouten berispt worden dan andere menschen (Al Beid‚wi).
[1691] Zijnde eens voor hare gehoorzaamheid, en daarna nog eens voor hare huwelijkstrouw jegens den profeet, en lofwaardig gedrag omtrent hem.
[1692] Dat is: de oude tijd van afgodendienst. Sommigen veronderstellen, dat hier de tijden voor den zondvloed of den tijd van Abraham bedoeld wordt, toen de vrouwen zich met al hare sieraden opschikten, en dan op straat gingen om zich aan de mannen te vertoonen (Al Beid‚wi).
[1693] Zijnde ZeÔd Ebn Haretha, aan wien God reeds vroeger de genade schonk, een Moslem te worden.
[1694] Door hem zijne vrijheid te schenken en hem voor uwen zoon aan te nemen, enz. ZeÔd was van den stam van Calb, een tak der KhodaÔeten afstammende van Hamyar, den zoon van Saba. Hij werd in zijne kindsheid door eene bende vrijbuiters geroofd en door Mahomet gekocht, of, zooals anderen zeggen, door zijne vrouw Khadidjah, voor zij hem huwde. Toen Haretha eenige jaren later hoorde waar zijn zoon was, ondernam hij eene reis naar Mekka, en bood een aanzienlijken prijs als losgeld, waarop Mahomet zeide: Laat ZeÔd hier komen, en indien hij verkiest met u te gaan, kunt gij hem zonder losgeld nemen; maar indien hij bij mij wil blijven, waarom zou ik hem dan niet behouden? ZeÔd kwam en verklaarde, dat hij bij zijn meester wilde blijven, die hem als zijn eenigen zoon behandelde. Nauwelijks had Mahomet dit gehoord, of hij nam ZeÔd bij de hand en leidde hem naar den zwarten steen van den Caaba, waar hij hem in het openbaar als zijn zoon aannam, en hem tot zijn erfgenaam maakte, waarin de vader toestemde en zeer voldaan naar huis terugkeerde. Van dien tijd werd ZeÔd de zoon van Mahomet genoemd, tot de openbaring van den Islam, (Al Jannabi zie Gagnier Vie de Moh. liv. V. 4, c, 3.). Later deed Mahomet hem eene vrouw huwen ZeÔneb (of Zenobia) genaamd. Eenige jaren daarna ging Mahomet tot ZeÔd. Hij vond hem niet en zag alleen zijne vrouw, wier schoonheid hem zoozeer trof, dat hij uitriep: Geloofd zij God, die de harten der menschen naar zijn welbehagen keert! Toen ZeÔd weder te huis kwam berichtte zijne vrouw hem het bezoek van Mahomet, zonder de zeer beteekenisvolle kreet van den profeet te vergeten. ZeÔd begreep dat hij zijne vrouw aan zijn weldoener moest opofferen, en haastte zich diententengevolge haar te verstooten. Mahomet trachtte echter, hetzij oprecht, hetzij slechts schijnbaar en uit vrees voor schandaal, ZeÔd van dit voornemen af te brengen. Daarop verscheen vers 37, dat den hartstocht van den profeet wettigt, en hetgeen hem en de geloovigen veroorlooft, de vrouwen te huwen, welke door hunne aangenomene zonen zijn verstooten. Hij huwde haar in het laatste gedeelte van het 5e jaar der hedjira (Al Beid‚wi, Al Jannabi enz.) De muzelmannen doen opmerken, dat ZeÔd de enige der tijdgenooten van Mahomet is, die in den Koran wordt genoemd. Men dient echter Aboe Lahab niet te vergeten, die in Hoofdstuk CXI wordt genoemd.
[1695] Daar deze gewaande betrekking, zooals reeds werd opgemaakt bij de oude Arabieren een hinderpaal opleverde voor het huwelijk binnen de verboden graden van bloedverwantschap gelijk wij reeds in de noot van vers 37 hierboven hebben doen opmerken op dezelfde wijze, alsof die bloedverwantschap werkelijk bestond. Daardoor veroorzaakte het huwelijk van Mahomet en ZeÔneb, de vrouw van zijn aangenomen zoon, een groot schandaal onder zijne volgelingen, dat nog vermeerderd werd door de ijveraars en ook door de Joden, die van zulke huwelijken afschuw hadden; maar de gewoonte wordt hier onredelijk verklaard en voor het vervolg afgeschaft.
[1696] De Mahomedanen beschouwen Mahomet als het zegel der profeten. Khatem Elnabiin. Zij zeggen, dat hij kwam om de zending te bevestigen van hen, die hem waren voorafgegaan, en dat hij geen opvolger heeft gehad (Savary).
[1697] Dat is: gij zijt niet verplicht haar eenigen tijd te behouden voor gij haar ontslaat, zooals het geval is met haar met welke het huwelijk is voltrokken. (Zie Hoofdstuk II, vers 231).
[1698] Zijnde: Indien haar geen bruidschat (of weduwgeld) is toegezegd; want indien haar een bruidschat is toegezegd, is de man, overeenkomstig de Sonna, verplicht, de vrouw de helft van den toegezegden bruidschat en een geschenk daarenboven te geven (Al Beid‚wi, Al Jannabi, enz.). Dit wordt thans nog opgevat als van zulke vrouwen, met welke het huwelijk niet is voltrokken.
[1699] Het wordt daarom gezegd, dat de vrouwelijke slaven die hij mocht koopen, niet in deze vergunning zijn begrepen.
[1700] Zonder een bruidschat te vragen. Overeenkomstig eene overlevering van Ebn Abbas, huwde de profeet echter geene vrouw zonder haar een bruidschat toe te kennen. De uitleggers zijn het niet eens omtrent de vrouw, welke in het bijzonder op deze plaats wordt bedoeld.
[1701] Want geen Moslem kan wettelijk meer dan vier vrouwen huwen, hetzij het vrije vrouwen of slavinnen mochten wezen, terwijl Mahomet, door de voorafgaande woorden, vrijheid verkreeg, zooveel te nemen als hij verkoos, doch met sommige beperkingen.
[1702] Door deze plaats werden nog eenige andere voorrechten aan Mahomet toegekend; want andere mannen zijn verplicht zich gelijkelijk omtrent hunne vrouwen te gedragen (Zie Hoofdstuk IV, vers 3 enz.) voor het geval dat zij meer dan eene bezitten, vooral wat de plichten van het huwelijksbed betreft, waartoe ieder op hare beurt werd geroepen en welk recht reeds in de vroegste eeuwen werd erkend (zie Gen. XXX : 14 enz.). Ook konden zij eene vrouw, welke zij ten derden male van zich had laten scheiden niet weder terug nemen, dan nadat zij weder met een ander getrouwd en van dezen gescheiden was (zie Hoofdstuk II, vers 230). Daarentegen was den profeet volkomen vrijheid gelaten, zoowel in dit als in andere opzichten, met haar te handelen als hij geschikt mocht oordeelen.
[1703] De uitleggers verschillen nopens de juiste meening dezer woorden. Sommigen gelooven, dat het daardoor aan Mahomet werd verboden, meer vrouwen dan negen te nemen, welk getal hij toen bezat, en hetgeen verondersteld wordt zijne grens te zijn geweest, daar anderen er slechts vier bezaten. Sommigen zeggen, dat hij na dit verbod, geene vrouwen in de plaats mocht nemen van haar, welke hij door den dood of door echtscheiding verloor. Anderen weder zijn van meening, dat het hem van dien tijd alleen werd verbonden een andere vrouw te huwen, dan eene der vier soorten in de voorafgaande plaats (v. 49). vermeld. Nog anderen (gelijk Abu'l Kasem Hebatallah enz.) gelooven, dat dit vers is afgeschaft door de twee voorafgaande verzen of een daarvan, als voor deze geopenbaard, doch eerst na deze voorgelezen (Al Zamakshari, Al Beid‚wi, Jallalo'ddin enz.).
[1704] Dat is: laat er eene gordijn tusschen u opgehangen zijn, of laat haar gesluierd wezen, terwijl gij met haar spreekt. Het doel van het eerste voorschrift was, om zich te vrijwaren van de onbeschaamdheid van lastige bezoekers; het doel van het tweede was, om eene te gemeenzame betrekking of vertrouwelijkheid tusschen zijne vrouwen en zijne volgelingen te voorkomen, werd, naar men zegt, in het leven geroepen, door dat de hand van een zijner volgelingen bij toeval die van AÔsha aanraakte, hetgeen den profeet eenigszins verstoorde (Al Beid‚wi).
[1705] Zijnde Ûf haar, van welke hij zich gedurende zijn leven zal laten scheiden, Ûf na zijn dood zijne weduwen. Dit is een ander voorrecht den profeeet bijzonder eigen.
[1706] Zie Hoofdstuk XXIV, vers 31.
[1707] Deze woorden zijn tot de vrouwen van den profeet gericht.
[1708] Vanhier vermelden de Mahomedanen zelden zijn naam, zonder er bij te voegen: Op wien Gods zegen zij en vrede, of dergelijke woorden.
[1709] Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk groote doeken, gewoonlijk van wit linnen, waarmede de vrouwen in het Oosten, als zij uitgaan, zich van het hoofd tot de voeten bedekken.
[1710] De uitleggers komen niet overeen welke deze lastering geweest zij. Sommigen zeggen, dat Mozes gewoon was zich afzonderlijk te wasschen, weshalve eenige slechtgezinden uitstrooiden, dat hij eene breuk had (of, zeggen anderen, dat hij melaatsch of een hermaphrodiet was), en daarom het schuwde, zich met hen te wasschen. Maar God zuiverde hem van deze lastering, door den steen, waarop hij zijne kleederen had nedergelegd, met dezen naar het kamp te doen loopen, waar Mozes die naakt volgde. Op deze wijze zagen de IsraÎlieten de volkomen valschheid van het gerucht. Anderen veronderstellen, dat hier de beschuldiging van Karoen tegen Mozes wordt bedoeld. (Hoofdstuk XXVIII, vers 76), of wel de verdenking van A‰rons moord, die op Mozes werd geworpen, omdat hij bij hem was toen hij op den berg Hor stierf. Hij werd echter omtrent dit laatste gerechtvaardigd, doordat de engelen het lijk brachten en het openbaar tentoonstelden, of, zooals sommigen zeggen, door de verklaring van A‰ron zelven, die tot dat doel ten leven werd opgewekt (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[1711] Sommige afschriften hebben abda in plaats van inda, tengevolge waarvan deze woorden zouden moeten vertolkt worden: En hij was een doorluchtig dienaar van God.
[1712] Door geloof wordt hier verstaan; geheele gehoorzaamheid aan Gods wet, die voorgesteld wordt als van zooveel belang (want eeuwige gelukzaligheid of ellende hangt geheel van hare nakoming of verwaarloozing af), en als zoo moeielijk in hare nakoming, dat, indien God hetzelfde op die voorwaarden aan de grootere deelen van de schepping zou voorstellen en zij verstand genoeg bezaten om het symbool te begrijpen, zij het zouden weigeren en geen plicht op zich zouden durven nemen, waarvan het niet vervullen door een zoo verschrikkelijken uitslag wordt gevolgd. Er wordt gezegd, dat de mensch het toch ondernam, niettegenstaande zijne zwakheid, en de gebreken hem van nature eigen. Sommigen beweren, dat dit voorstel niet hypothetisch is, maar werkelijk aan de hemelen, de aarde en de bergen werd gedaan, welke bij hunne eerste schepping met rede waren begaafd, en dat God hun zeide, dat hij eene wet had gemaakt en het paradijs had geschapen ter belooning van hen, die daaraan gehoorzaamden, en de hel tot straf van den ongehoorzame, waarop zij antwoordden, dat zij er mede tevreden waren, genoodzaakt te worden, de diensten te vervullen, waarvoor zij werden geschapen, maar dat zij niet zouden willen ondernemen de goddelijke wet op die voorwaarden te vervullen, en dus noch belooning noch straf verlangden. De verhalers van deze vertelling voegen er bij, dat, toen Adam werd geschapen, hem hetzelfde aanbod werd gedaan en hij het aannam (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi). De uitleggers geven echter andere uitleggingen van deze plaats.
[1713] Onrechtvaardig omtrent zich zelven, door het niet vervullen zijner verbintenissen en het gehoorzamen der wet, welke hij had aangenomen; en dwaas, daar het gevolg zijner ongehoorzaamheid en achteloosheid niet te overwegen is.
[1714] Van het volk van Saba wordt melding gemaakt in het 14e vers.
[1715] Zooals: de regen, verborgen schatten, dooden, enz.
[1716] Zooals: dieren, planten, metalen, bronwater, enz.
[1717] Zooals: de engelen, de schriften, Gods besluiten, regen, bliksem en donder, enz.
[1718] Zooals: de engelen, daden van menschen, dampen, rook enz. (Al Beid‚wi).
[1719] Zie Hoofdstuk XXI. vers 79.
[1720] Zie ibid. vers 80.
[1721] Zie Hoofdstuk XXI, vers 81.
[1722] Zij zeggen dat deze fontein te Yaman was en drie dagen in de maand vloeide (Al Beid‚wi Jallalo'ddin).
[1723] Sommigen veronderstellen dat dit beelden van de engelen en profeten waren, en dat het maken daarvan toen niet was verboden; en anderen, dat het niet zulke beelden waren, welke door de wet werden verboden. Sommigen zeggen, dat deze geesten hem twee leeuwen maakten, die aan den voet van zijn troon, en twee arenden die daar boven werden geplaatst, en dat als hij den troon beklom, de leeuwen hunne klauwen uitstrekten, en dat, wanneer hij nederzat, de arenden hem met hunne vleugels overschaduwden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1724] Zijnde zoo reusachtig groot, dat een duizendtal menschen te gelijk uit ieder daarvan zou hebben kunnen eten.
[1725] Deze ketels zeggen zij, waren uit de bergen van Yaman gehouwen en zoo reusachtig, dat zij niet vervoerd konden worden, en het volk met een aantal treden daarnaar opklom (Jallalo'ddin).
[1726] Ten einde deze plaats te verklaren, verhalen de uitleggers, dat David, die de grondslagen van den tempel van Jeruzalem had gelegd, welke in plaats van den tabernakel van Mozes zou worden opgericht, toen hij stierf, de voltooiing daarvan aan zijn zoon Salomo overliet, die de geniussen bij dien arbeid gebruikte. VÛÛr het gebouw geheel voleindigd was, voelde Salomo zijn einde naderen, weshalve hij God bad, dat zijn dood voor de geniussen mocht verborgen blijven, tot zij den arbeid voleindigd zouden hebben. God beval daarom, dat Salomo zou sterven, als hij stond te bidden, leunende op zijn staf, die het lijk gedurende een vol jaar in dien stand hield. De geniussen veronderstelden, dat hij levend was, en vervolgden hunnen arbeid gedurende dat tijdsverloop. Na het einde dier tijdruimte was de tempel voltooid, en een worm, die in den staf gekropen was, doorknaagde dezen waardoor het lichaam op den grond viel en de dood des konings ontdekt werd (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Misschien dat deze fabel dat de tempel door geniussen en niet door menschen is gebouwd, zijn oorsprong heeft genomen in hetgeen daarvan in de H. Schrift wordt vermeld; namelijk dat het huis van steen werd gebouwd, welke gereed gemaakt was, vÛÛr die daarheen werd gebracht, zoodat, terwijl het werd gebouwd er noch hamer, noch bijl, noch eenig gereedschap in werd gehoord. (I Koningen VI : 7).
[1727] Zijnde: dat zij niet in slaafsche onderwerping aan het bevel van Salomo gebleven, noch met het werk van den tempel zouden zijn voortgegaan.
[1728] Saba was de zoon van Yashhab, den zoon van Yarab, den zoon van Khatan, wiens nakomelingen in Yaman woonden in de stad Mareb, ook Saba genaamd, en op omstreeks drie dagreizen van Sanaa gelegen. Wie iets naders wil weten omtrent dit gedeelte van gelukkig ArabiÎ en de taal welke men er spreekt, leze eene reeks artikelen van den Heer Fresnel, voorkomende in het Journal Asiatique.
[1729] Dat is: twee streken lands, waarvan de eene aan deze en de andere aan gene zijde hunner stad ligt, welke met boomen beplant en tot tuinen gevormd zijn, die zoo dicht aan elkander liggen, dat iedere streek een doorloopende tuin scheen te wezen; of het kan zijn, dat ieder huis ter wederzijde een tuin had (Al Beid‚wi).
[1730] De uitleggers geven verschillende beteekenissen van het woord al Arem op, die schier niet der moeite waard zijn, vermeld te worden. De meest eigenlijke beteekenis is die van wallen of dammen, ten einde het water te keeren of te bevatten, en is hier gebruikt voor den verbazenden wal of het gebouw, dat de uitgestrekte vergaarkom boven de stad Saba vormde, en dat, wegens, de groote goddeloosheid, trotschheid en onbeschaamdheid der bewoners, des nachts door een hevigen vloed werd doorgebroken, en eene vreeselijke verwoesting aanrichtte. Al Beid‚wi veronderstelt, dat deze wal het werk der koningin Balkis was, en dat het bovengenoemde ongeval plaats had na Chr. geboorte. Hierin schijnt hij zich echter, volgens de meening van Sale, te hebben bedrogen. Volgens de onderzoeking echter van de Sacy, zou men het in de tweede eeuw na Chr. kunnen plaatsen. Overigens verwijzen wij nog naar l'Histoire des Arabes van Caussin de Perceval 3 vols, 1849.
[1731] Een kleine heester, die geene vruchten draagt, en op zilte en onvruchtbare gronden wast (Tamarix of Tamariscus).
[1732] Zijnde de steden van SyriÎ.
[1733] Want de nabijwonende volkeren verwonderden zich terecht over de spoedige en onvoorziene omwenteling in de zaken van dit eens zoo bloeiende volk, van waar het tot een spreekwoord is geworden, als men eene geheele verstrooiing wil aanduiden, dat zij verdwenen en verstrooid werden als Saba (Al Beid‚wi. Zie Gol. note in Alfrag., p. 87).
[1734] Hetzij zijne meening omtrent de SabbeÔsten, toen hij hen tot trotschheid en ondankbaarheid zag overhellen en hen hunne lusten zag bevredigen, of wel de meening welke hij van alle menschen had bij den val van Adam, of bij diens schepping, toen hij de engelen hoorde zeggen: Wilt gij iemand op de aarde plaatsen die kwaad bedrijven en bloed vergieten zal? (Zie Hoofdstuk II, vers 28 en volgende verzen, Hoofdstuk VII, vers 10 en volgende en Hoofdstuk XV, vers 33 en volgende).
[1735] Die van de algemeene vernietiging werden gered.
[1736] Zie Hoofdstuk XIX, vers 90.
[1737] Zijnde van de harten der tusschenpersonen en van hen, voor wie God hun zal veroorloven tusschen beiden te treden, door het verlof dat hij hun dan zal verleenen; want geen engel of profeet zal op den jongsten dag zonder het goddelijk verlof mogen spreken.
[1738] Het woord hier in het oorspronkelijke gebruikt, is elfettah, eigenlijk, die alles opent, alle moeielijkheden oplost en alle verschillen vereffent.
[1739] Men zegt dat den ongeloovigen bewoners van Mekka, toen zij de Joden en Christenen omtrent Mahomets zending ondervroegen, werd verzekerd, dat deze Ën in het Oude Testament Ën in het Evangelie als de profeet beschreven was, die komen moest; waarop zij angstig werden en de hier vermelde woorden uitten (Al Beid‚wi).
[1740] Zie Hoofdstuk XIV, vers 24, noot.
[1741] Zie Hoofdstuk X, vers 55 noot.
[1742] Zijnde: dat gij bedaard en oprechtelijk u, in het aangezicht van God, zonder hartstocht of vooroordeel, bezig houdt, over mij en mijne eischen na te denken en te oordeelen. De reden waarom hun bevolen wordt, hetzij alleen na te denken, of op zijn hoogst, twee aan twee is, dat in het algemeen in grootere verzamelingen, geraas, hartstocht en vooroordeel heerschen, waardoor de menschen niet die onbevangenheid van oordeel hebben, welke zij in afzondering bezitten (Al Beid‚wi).
[1743] Nadat Mahomet in de voorafgaande woorden geantwoord heeft op de beschuldiging van uitzinnigheid of ijdele geestdrijverij, tracht hij door deze zich te zuiveren van de verdenking, eenig wereldlijk uitzicht of belang te beoogen, verklarende, dat hij geene betaling of ondersteuning van hen verlangt, voor de uitvoering van zijnen last, maar dat hij zijne vergelding alleen van God verwacht.
[1744] Savary vertaalt dit: Behoudt uwe giften.
[1745] Zie Hoofdstuk XXV, vers 59.
[1746] Zijnde: Bij hunnen dood, op den dag des oordeels, of bij den slag van Bedr (Al Beid‚wi).
[1747] Dat is: van de buitenzijde der aarde tot aan hare binnenzijde, of van Gods rechtbank tot het hellevuur of van de vlakte van Bedr tot den put, waarin de lijken der gedooden werden geworpen (Al Beid‚wi).
[1748] Dat is: als zij in de andere wereld zijn, terwijl het geloof in deze wereld zal worden ontvangen.
[1749] Beide woorden komen in het eerste vers voor: Zamakhshari zegt: dat hij die het hoofdstuk der engelen zal lezen, eens de acht poorten van het paradijs voor zich zal zien openen en binnen zal gaan, door diegene, welke hem zal behagen.
[1750] Dat is: Sommige engelen hebben een grooter en sommige een kleiner aantal vleugels, overeenkomstig de verschillende bevelen welke zij uitvoeren; daar de woorden niet zijn opgegeven om het bijzondere getal uit te drukken. GabriÎl wordt gezegd aan Mahomet, in den nacht dat deze zijne reis naar den hemel maakte, met niet minder dan zes honderd vleugelen te zijn verschenen (Al Beid‚wi).
[1751] Zooals de KoreÔshieten nopens Mahomet deden.
[1752] Zie Hoofdstuk XXII, vers 5.
[1753] Het woord bahr, zee, wordt bij de Arabieren niet alleen op de zoute wateren toegepast, maar ook op groote stroomen, zooals de Nijl, de Tiger enz.
[1754] Zijnde de twee collectieve lichamen van zout en versch water. Zie Hoofdstuk XXV, vers 55.
[1755] Zie Hoofdstuk XVI, vers 14.
[1756] Zooals paarlen en koraal.
[1757] Deze plaats drukt het groote onderscheid uit, tusschen een waar geloovige en een ongeloovige, tusschen waarheid en waan en tusschen toekomstige belooning en straf.
[1758] Zijnde: zij die hardnekkig in hun ongeloof volharden, en bij de dooden worden vergeleken.
[1759] Zooals de boeken aan Abraham en aan de andere profeten voor Mozes gegeven.
[1760] Zijnde het Oude Testament, of het Evangelie.
[1761] Dat is: van verschillende soorten. Zie Hoofdstuk XVI, vers 13.
[1762] Zijnde: meer of minder krachtig van toon (Al Beid‚wi). Bij Savary volgt: de raaf is zwart.
[1763] Door niet in praktijk te brengen, wat hem in den Koran is geleerd en bevolen.
[1764] Dit is: die het wel meent en zijn plicht voor het grootste gedeelte, maar niet volkomen vervult.
[1765] Mahomet.
[1766] De beteekenis dezer letters Ya. Sin, is onbekend. Sommigen beweren echter, op grond eener overlevering van Ebn Abbas, dat zij hier staan, in plaats van Ya isan, zijnde: O mensch! Dit hoofdstuk, wordt gezegd, verscheidene andere titels te hebben, welke het van Mahomet zelven zou hebben ontvangen, en vooral dien van het hart van den Koran. De Mahomedanen lezen dit bij stervende personen, en wel in hunne laatste oogenblikken (Zie Bobov. De visit. aegrot. p. 17).
[1767] Zijnde het vonnis der verdoemenis, dat door God, bij den val van Adam, tegen het meerendeel der geniussen en menschen, werd uitgesproken (Zie Hoofdstuk VII, vers 12: hoofdstuk XI, vers 120 enz.)
[1768] Of halsbanden, zooals die beschreven zijn in Hoofdstuk XIII vers 6.
[1769] Men zegt dat toen de KoreÔshieten, tengevolge van een besluit dat zij hadden genomen, een uitgezocht aantal mannen zonden, om Mahomets huis te bezetten en hem te dooden, de profeet, Ali op zijn bed deed liggen om de moordenaars te misleiden, naar buiten ging en eene handvol stof op hen wierp, onder het herhalen der negen eerste verzen van dit Hoofdstuk die hier eindigen. Zij werden daarop met blindheid geslagen, zoodat zij hem niet konden zien.
[1770] Zooals hun goed of slecht voorbeeld, leer, enz.
[1771] Om deze plaats te verklaren, geven de uitleggers het volgende verhaal: Het volk van AntiochiÎ was uit afgodendienaars samengesteld, weshalve Jezus twee zijner leerlingen daarheen zond om er te prediken. Toen zij de stad naderden, vonden zij Habib, bijgenaamd al Najjar, of de timmerman, die schapen weidde en dien zij met hunne boodschap bekend maakten. Hij vroeg hun daarop, welk bewijs zij voor hunne waarachtigheid hadden, tengevolge waarvan zij verhaalden, dat zij de zieken, de blinden en de melaatschen konden genezen; en om de waarheid te bewijzen van hetgeen zij zeiden, legden zij hunne handen op een hem toebehoorend kind, dat ziek was, en gaven het onmiddellijk de gezondheid terug. Habib was door dit wonder overtuigd en geloofde, waarna zij de stad binnentrokken en de vereering van den waren God predikten, terwijl zij een groot aantal menschen van verschillende gebreken genazen. Eindelijk kwam de zaak echter ter oore van den vorst, die bevel gaf hen gevangen te nemen, daar zij getracht hadden het volk te misleiden. Toen Jezus dit hoorde, zond hij een ander zijner leerlingen, die algemeen verondersteld wordt Simon of Petrus te zijn geweest, en die, naar AntiochiÎ komende en een ijverig afgodendienaar schijnende te zijn, spoedig in de gunst der bewoners en van hunnen vorst wist te dringen, en eindelijk de gelegenheid te baat nam, zijn verlangen te kennen te geven, dat de vorst bevel zou geven, de beide personen, die, naar hij vernomen had, wegens het verspreiden van nieuwe meeningen in de gevangenis waren geworpen, voor hem te brengen om ondervraagd te worden, welk verzoek werd toegestaan. Nadat Petrus hen vooraf in het geheim had gewaarschuwd, niet te doen blijken dat zij hem kenden, vroeg hij hun, wie hen had gezonden, waarop zij antwoordden: God, die alle dingen heeft geschapen, en geen metgezel heeft. Hij vroeg hun daarop om een overtuigend bewijs voor hunne zending, waarop zij een blinden man het gezicht teruggaven, en eenige andere wonderen verrichtten. Petrus scheen daarmede niet tevreden, omdat volgens sommigen, ook hij diezelfde wonderen kon verrichten, maar hij verklaarde, dat, indien hun God hen in staat kon stellen de dooden op te wekken, hij hen zou gelooven. De apostelen namen deze voorwaarde aan, waarop een jongeling werd gebracht, die reeds sedert zeven dagen dood was en op hunne gebeden weder levend werd. Daarop verklaarde Petrus zich overtuigd: hij liep weg, vernietigde de afgodsbeelden; een groot aantal des volks volgde hem, en omhelsde het ware geloof, maar zij die niet geloofden, werden verdelgd door den kreet van den engel GabriÎl (Al Zamakshari, Al Beid‚wi, enz.). Zie Maracc. in Alc. p. 580.
[1772] Zijnde: Indien u eenig overkomt, zal dit het gevolg zijn van uw eigen weerspannigheid en ongeloof.
[1773] Dit was Habbib Al Najjar, wiens martelaarschap hier wordt beschreven. Zijn graf is nog te zien nabij AntiochiÎ, en wordt veel door de Mahomedanen bezocht (Zie Schultens, Indic. Geogr. ad calcem. Vitae Saladini, voce Antiochia).
[1774] Zie Hoofdstuk XXIX, vers 18, noot.
[1775] Dat is: zij haast zich haren dagelijkschen loop af te leggen, terwijl het ondergaan der zon op het ter ruste gaan van een reiziger gelijkt.
[1776] Dit zijn achtentwintig constellatiÎn, door eene van welke de maan iederen nacht heengaat, en welke van daar woningen of huizen van de maan genoemd worden.
[1777] Savary vertaalt dit aldus: "Wij hebben de phasen der maan aangewezen en het oogenblik waarop zij opgehangen schijnt als de trossen van den dadelboom". Hij voegt er tevens bij, dat de dadelboom twee of drie groote trossen voortbrengt, die van zijn top uitwassen en nederhangen. Sale zegt bij deze plaats: Want als een palmtak oud wordt, krimpt hij, en wordt gekronkeld en geel, waardoor de verschijning van de nieuwe maan niet onaardig wordt voorgesteld.
[1778] Sommigen veronderstellen, dat hier de redding van Noach en zijne makkers in de ark wordt bedoeld.
[1779] Zooals kameelen, die de landschepen zijn; ook de lichtere schepen en booten.
[1780] De straf van deze wereld en van de volgende.
[1781] Toen de arme Moslems aan de rijkere KoreÔshieten aalmoezen vroegen, zeiden zij, dat, indien God voor hen kon zorgen en het niet deed, dit een bewijs was, dat zij zijne gunst niet zoozeer verdienden als zij zelven; terwijl nochtans God sommigen behoeftig doet zijn, om de rijken te beproeven en hun gelegenheid te geven, weldadigheid uit te oefenen.
[1782] Zie de noten van Hoofdstuk XXXIX.
[1783] Want zij zullen gedurende de tijdruimte tusschen dit herhaalde trompetgeschal slapen en geene pijn gevoelen (Jallalo'ddin).
[1784] Dit is: Zij verdienen aldus te worden behandeld om hun ongeloof en hunne ongehoorzaamheid; maar wij verdragen hen uit genade en verleenen hun uitstel.
[1785] Dit strekt tot antwoord aan de ongeloovigen, die beweerden, dat de Koran slechts een dichterlijk samenstelsel was.
[1786] Zijnde: Zij die met verstand zijn begaafd; daar de dommen en zorgeloozen met dooden gelijk staan.
[1787] Zie Hoofdstuk XVI, vers 4, noot.
[1788] De gewone wijze in het oosten om vuur te verkrijgen, bestaat daarin, dat men twee stukken hout tegen elkander strijkt, waarvan een gewoonlijk is van den boom Markh, en het andere van dien, Affar genaamd. Daaruit komt het vuur voort, hoewel het hout groen en vochtig is. (Zie Hyde de Reb vet. Pers. c. 25 p. 333 etc).
[1789] Sommigen verstaan door deze woorden, de zielen der menschen die zich in gehoorzaamheid aan Gods wetten onderwerpen, en zich wegspoeden van alle ongeloof en zonden, of de zielen van hen, die zich in slagorde stellen, ten einde voor den waren godsdienst te strijden, en hunne paarden aanzetten om op de ongeloovigen aan te vallen enz. (Al Beid‚wi).
[1790] Daar het oorspronkelijke woord in het meervoud staat, wordt het verondersteld de verschillende punten van den gezichtseinder te teekenen, van waar de zon in den loop van het jaar opstijgt, en die driehonderd zestig in getal zijn (gelijk aan het getal dagen van het oude, burgerlijke jaar) en hebbende evenveel overeenkomende punten, waar zij gedurende die tijdruimte achtervolgens ondergaat (Al Beid‚wi, Yahya). Maracci veronderstelt, zonder daarvoor eenigen grond aan te voeren, dat deze uitlegging is gebouwd op de dwaling van onderscheiden werelden (Marracc. in Alc. p. 589).
[1791] Zie Hoofdstuk XV, vers 18.
[1792] Zie Hoofdstuk XV, vers 47, noot.
[1793] Dit moge den Europeanen een zonderlinge vergelijking schijnen; maar de oosterlingen denken, dat niets zoozeer der kleur van eene fijne vrouwenhuid nabijkomt, als die van een struisei, als het geheel zuiver is gebleven.
[1794] Er is een doornachtige boom die zoo genaamd wordt en in Tehama bloeit. Deze draagt vruchten op den amandel gelijkende, maar zeer bitter. Daarom heeft men dezen naam aan den helschen boom gegeven.
[1795] De ongeloovigen begrijpen namelijk niet, hoe er een boom in de hel zou kunnen groeien, waar zelfs de steenen als brandstof dienen.
[1796] Of van slangen, afzichtelijk voor het oog. Het oorspronkelijke woord heeft beide beteekenissen.
[1797] Sommigen veronderstellen, dat het bovenvermelde onthaal de verwelkoming der verdoemden zal wezen, alvorens zij die plaats binnengaan; en anderen, dat hun van tijd tot tijd zal worden toegestaan uit de hel te komen, om hunne brandende vloeistof te drinken.
[1798] Want Noach en hij kwamen in de hoofdpunten overeen zoowel wat geloof, als wat handelen betreft: doch de tijdruimte tusschen hen beiden bedroeg niet minder dan 2640 jaren (Al Beid‚wi).
[1799] Hij deed alsof hij dit uit den aanblik der hemelen kon opmaken; daar het volk zeer tot het bijgeloof der sterrenwichelarij overhelde, en gebruikte het tot zijne verontschuldiging, dat hij afwezig zou zijn bij hun feest, waartoe zij hem hadden uitgenoodigd.
[1800] Vreezende, dat hij eene aanstekende ongesteldheid had (Al Beid‚wi).
[1801] Zie Hoofdstuk XXI, vers 70 enz.
[1802] Zijnde: werwaarts bij mij heeft bevolen.
[1803] Hij was toen dertien jaar oud (Al Beid‚wi).
[1804] De uitleggers zeggen, dat Abraham het bevel, om zijn zoon te offeren, in een visioen ontving, dat hij, in den achtsten nacht van de maand Dhoe'lhaja zag. Ten einde hem echter te verzekeren, dat die niet van den duivel afkomstig was, hetgeen hij geneigd was te gelooven, werd hetzelfde visioen, den volgenden nacht herhaald, waardoor hij wist dat het van God kwam. Den volgenden nacht zag hij het ten derdenmale; alsnu besloot hij er aan te gehoorzamen en zijn zoon te offeren. Vanhier denken sommigen dat de 8e, 9e en 10e dagen van Dhoelhaja, Yawin atterwiija, yawm arafat, yawm alnehr genoemd worden, zijnde de dag van het visioen, de dag der kennis, en de dag der offerande. Het meest algemeene denkbeeld onder de Mahomedanen is echter, dat de zoon, die Abraham werd geofferd, niet Iza‰k, maar IsmaÎl was, daar IsmaÎl op dat tijdstip zijn eenige zoon was; want de belofte van Iza‰ks geboorte wordt lager vermeld, als, in tijd, op deze gebeurtenis volgende. Zij voeren ook de verklaring van hunnen profeet aan, die volgens het verhaal gezegd zou hebben: Ik ben de zoon der beiden, die als offerande werden aangeboden; daarmede zijn grooten voorvader en zijn eigen vader Abd'allah bedoelende, Abdelmottalib had namelijk beloofd, dat, indien God hem zou veroorloven de bron Zemzem op te sporen en te openen, en hem tien zonen zou geven, hij een daarvan zou willen offeren. Toen dus in beide opzichten aan zijn verlangen was voldaan, lootte hij tusschen zijne zonen, en daar het lot op Abd'allah viel, kocht hij hem los door honderd kameelen te offeren, hetgeen volgens de Sonna, de prijs was voor het bloed van een mensch (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin. Al Zamakshari). Zie bl. 7.
[1805] De uitleggers voegen er bij, dat Abraham reeds zoo ver gekomen was, dat hij op het punt stond, het mes met al zijne kracht door den strot van den jongeling te stooten, maar dat hij op wonderdadige wijze werd verhinderd hem te deren (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1806] De Mahomedanen veronderstellen algemeen, dat deze profeet dezelfde was, als Al Khedr en verwarren hen met Phineas (Zie Hoofdstuk XVIII, vers 64, noot) en somtijds met Edris of Enoch. Sommigen zeggen, dat hij de zoon was van Yasin en nauw verwant met A‰ron, terwijl anderen veronderstellen, dat hij een geheel verschillend persoon was. Hij werd tot de bewoners van Baalbec in SyriÎ, het Heliopolis der Grieken gezonden, ten einde hen af te brengen van hunne vereering van hunnen afgod Baal of de zon, wiens naam een deel van dien der stad uitmaakt, die oulings Becc werd genoemd (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[1807] De uitleggers weten niet recht wat zij van dit woord zullen maken. Sommigen meenen, dat dit het meervoud van Elias is, of, zooals de Arabieren het schrijven, Ilyas, en dat daarmede zoowel de profeet of zijne volgelingen worden bedoeld, als zij die hem gelijken. Anderen scheiden het woord, en lezen El Yasin, zijnde: Het gezin van Yasin, de vader van Elias, overeenkomstig hetgeen in de vorige noot wordt vermeld; anderen weder zijn van oordeel, dat er Mahomet of de Koran, of eenig ander boek der schriften mede bedoeld wordt. De meest waarschijnlijke veronderstelling is echter, dat Ilyas en Ilyasin dezelfde namen zijn, of denzelfden persoon beteekenen, zooals SinaÔ en Sinin denzelfden berg aanduiden; aangezien hier de laatste lettergreep slechts aan het woord is toegevoegd, om de cadans bij het slot van het vers te behouden.
[1808] Zie Hoofdstuk VII, vers 82 en Hoofdstuk XI, vers 83.
[1809] Zie Hoofdstuk X, vers 98.
[1810] Zie Hoofdstuk XXI, vers 87.
[1811] Zijnde: Hij werd door het lot aangewezen.
[1812] Deze woorden schijnen vooral betrekking te hebben op de gebeden van Jonas, terwijl hij zich in den buik van den walvisch bevond (Zie Hoofdstuk XXI, vers 87).
[1813] Door hetgeen hij had doorstaan, werd zijn lichaam gelijk aan dat van een pasgeboren kind (Al Beid‚wi). Men zegt dat de visch, na Jonas verzwolgen te hebben, met den kop boven water, achter het schip zwom, opdat de profeet zou kunnen ademhalen. Deze ging voort God te loven, tot de visch aan land kwam en hem uitbraakte. De meeningen der Mahomedaansche schrijvers, nopens den tijd dien Jonas in den buik van den visch doorbracht, verschillen zeer veel. Sommige veronderstellen dat het een deel van een dag was, andere drie, zeven, twintig, en sommige zelfs veertig dagen (Al Beid‚wi).
[1814] Het oorspronkelijke woord (Jaktin) beteekent eene plant, die zich over den grond uitspreidt, die geen opstaanden stengel heeft om haar te ondersteunen, en bijzonder eene pompoen. Sommigen veronderstellen echter dat de plant van Jonas een vijgenboom was, of anderen de kleine boom of struik Mauz (Al Beid‚wi) genaamd, die zeer groote bladeren en uitmuntende vruchten voortbrengt (Zie J. Leon. Descr. Afric. lib. 9 Gab. Sionit de Urb. OriÎnt, ad calcem. Geogr. Nub. p. 32 en Hottinger. Hist. OriÎnt. p. 78 etc.)
[1815] Zie Hoofdstuk XVI, vers 59.
[1816] Dat is: de engelen, die mede onder den naam van geniussen zijn begrepen, zijnde eene soort van hen. Sommigen zeggen, dat de ongeloovigen zoo ver gingen, te verklaren dat God en de duivels broeders waren (Al Beid‚wi).
[1817] Deze woorden worden verondersteld door de engelen te worden gesproken, waarbij zij de vereering, hun door de afgodendienaars toegebracht, afwijzen en verklaren, dat zij ieder hunne taak en standplaats hebben, hun door God aangewezen, wiens bevelen zij ten alle tijde bereid zijn uit te voeren, en wiens lof zij aanhoudend zingen. Er zijn echter sommige uitleggers, die denken, dat dit de woorden van Mahomet en diens volgelingen zijn, daar de bedoeling zou wezen, dat ieder van hen eene voor hen bestemde plaats in het paradijs heeft, en dat zij de engelen zijn, die zich voor God in orde scharen, ten einde hem te vereeren en te aanbidden, en die zijn lof verkondigen, door ieder valsch denkbeeld te verwerpen, dat de waardigheid der goddelijke wijsheid en kracht zou kunnen verminderen.
[1818] De beteekenis van deze letter (Sad) is onbekend. Sommigen gissen dat die voor Sidk, zijnde waarheid, staat, of voor Sadaka (xdyq, xdqt) zijnde: hij (namelijk Mahomet) spreekt de waarheid. Anderen geven verschillende veronderstellingen op, die daarin overeenkomen, dat zij alle even onzeker zijn.
[1819] De KoreÔshieten waren namelijk zeer verstoord door de bekeering van Omar. De voornaamste hunner begaven zich daarop gezamenlijk naar Aboe Taleb, ten einde zich bij hem over de handelingen van zijn neef Mahomet te beklagen. Daar zij echter door de argumenten van den profeet in verwarring en tot stilzwijgen gebracht werden, verlieten zij de vergadering en moedigden elkander in hunne weerspannigheid aan (Al Beid‚wi).
[1820] Namelijk ons van hunne vereering af te trekken.
[1821] Zijnde in den godsdienst, welken wij van onze vaderen ontvingen, of in den godsdienst van Jezus, den laatsten voor de zending van Mahomet, en waarin de drieÎenheid voorkomt (Al Beid‚wi).
[1822] Savary vertaalt dit: Pharao door zijne lievelingen omringd. Overigens zegt Jallalo'ddin, tot opheldering van deze plaats, waarbij wij de vertaling van Sale hebben gevolgd, dat Pharao de gewoonte had, degenen, welke hij wilde straffen, met de handen en voeten aan vier in den grond geplaatste staken te doen bevestigen en hen zoo te martelen. Sommigen verklaren de woorden, die ook door "de heer of de meester der staken" kunnen worden vertaald, figuurlijk, als beeld van het hechte bestaan van Pharaos koninkrijk, dewijl de Arabieren hunne tenten door middel van staken bevestigen (Al Beid‚wi); doch zij kunnen ook de weerspannigheid en hardvochtigheid van dien vorst bedoelen.
[1823] Zie Hoofdstuk XV, vers 78.
[1824] De uitleggers veronderstellen, dat hier de geschiktheid bedoeld wordt om de vaak herhaalde uitoefening der godsdienstplichten vol te houden. Zij zeggen, dat David gewoon was, om den anderen dag te vasten, en de helft van den nacht in gebeden door te brengen.
[1825] Zie Hoofdstuk XXI, vers 79.
[1826] Dit waren twee engelen, die in de gedaante van menschen tot David kwamen, om zijn oordeel te vragen over den gewaanden en hierboven medegedeelden twist. Het is slechts de parabel van Nathan en David (2 Sam. XII) met eene kleine wijziging.
[1827] Omdat zij plotseling tot hem kwamen, op een dag van afzondering, toen de deuren bewaakt waren en niemand toegelaten werd, ten einde zijne godsdienstige overpeinzingen niet te storen. Zij zeggen namelijk, dat David zijn tijd geregeld verdeelde, een dag afzonderlijk met het dienen van God doorbrengende, een anderen om bij zijn volk recht te spreken, een anderen dag om voor hen te prediken en een anderen dag aan zijne eigen zaken besteedde (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1828] De misdaad waaraan David zich schuldig maakte, was het nemen der vrouw van Uriah, terwijl hij beval, dat men haar man aan het hoofd van den slag zou plaatsen, opdat hij gedood mocht worden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Sommigen veronderstellen, dat dit verhaal medegedeeld werd, om als een waarschuwing voor Mahomet te dienen, die naar het schijnt neiging had om te begeeren, wat een ander toebehoorde.
[1829] Door te veroorloven dat de onrechtvaardigheid ongestraft en de rechtvaardige onbeloond bleef.
[1830] Salomo had uit de veroverde steden Damascus en Nisibis een groot aantal paarden medegebracht; anderen zeggen, dat het paarden waren die David op de Amalekieten buit gemaakt en aan zijn zoon als erfenis nagelaten had; anderen weder, dat deze paarden uit de golven der zee waren voortgekomen en vleugels hadden. Toen men deze duizend paarden voor Salomo voerde, beschouwde hij die zoo lang, dat hij het uur des gebeds vergat; maar toen hij dit bemerkte, liet hij de dieren grootendeels ombrengen als offeranden, terwijl hij een honderdtal der schoonste behield. Om hem voor dit verlies te troosten, onderwierp God hem de winden (Al Beid‚wi, al Zamakshari, Yahya).
[1831] Nadat Salomo Sidon veroverd en den koning dier stad gedood had, nam hij zijne dochter als bijzit. Zij kreeg verlof het standbeeld haars vaders in hare vertrekken te mogen plaatsen; zij en hare dienstmaagden aanbaden dit en brachten zoodoende den afgodendienst onder het dak van Salomo, waaraan deze, door het vernielen der beelden een einde maakte. God wilde hem echter voor die zwakheid straffen. Salomo had de gewoonte, telkens als hij naar het bad ging, zijn ring het zinnebeeld der macht, en den talisman, door welken hij over de geniussen heerschte, in handen van eene zijner vrouwen te laten. Een demon gelukte het, zich, door het aannemen van Salomo's gedaante, er meester van te maken en zich op den troon te plaatsen. Salomo die, zoodoende, van zijnen rang was beroofd, verloor het koninkrijk en was verplicht op aarde rond te dwalen, tot de ring, die door den boozen geest in zee was geworpen, door een visscher opgehaald en aan Salomo teruggegeven was, waardoor hij zijne macht herwon (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Abu'Lfeda.).
[1832] Sommigen veronderstellen, dat deze woorden betrekking hebben op de geniussen, en dat Salomo daardoor wordt gemachtigd, naar zijn welbehagen, sommige van hen in vrijheid te stellen of in ketens te klinken.
[1833] Zie Hoofdstuk XXI, vers 83.
[1834] Het oorspronkelijke drukt niet uit, waaruit deze handvol bestond. Een verklaarder veronderstelt, dat het slechts eene handvol droog gras of biezen was; een ander, dat het de tak van een palmboom zou zijn geweest.
Zie de noten van vers 83, Hoofdstuk XXI.
[1835] De uitleggers komen niet overeen, omtrent het misdrijf door de vrouw van Job begaan, weshalve zij deze kastijding kon verdienen. Reeds vroeger hebben wij daarover gesproken. (Zie Hoofdstuk XXI de noot van vers 83.) Sommigen denken, dat het slechts was, omdat zij bij eene boodschap te lang uitbleef.
[1836] Want hij had gezworen, haar na zijn herstel, honderd slagen te zullen geven.
[1837] Zie Hoofdstuk VI, vers 86.
[1838] Zie Hoofdstuk XXI, vers 85. Al Beid‚wi spreekt hier van eene andere overlevering nopens dezen profeet, zijnde, dat hij een honderdtal IsraÎlieten onderhield en verzorgde, die tot hem vluchtten, na aan eene zekere slachting te zijn ontkomen, voor welke daad hem waarschijnlijk den naam van Dhoe'lkefl werd gegeven, daar de oorspronkelijke beteekenis van werkwoord cafola beteekent: iemand te onderhouden of zorg voor hem te dragen. Indien men op deze overlevering eene veronderstelling zou mogen bouwen, zegt Sale, dan zou ik mij verbeelden, dat de bedoelde persoon Obadiah de gouverneur van Ashabs huis was (Zie I Koningen XVII : 4.)
[1839] Zijnde, omstreeks dertig of drieÎndertig.
[1840] Namelijk de engelen.
[1841] Zie Hoofdstuk II, vers 32.
[1842] Zie Hoofdstuk VII, vers 17 en Hoofdstuk XV, vers 43.
[1843] Deze titel is ontleend aan vers 71.
[1844] Behalve vers 54 (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[1845] Zie Hoofdstuk VI, vers 145.
[1846] Zie Hoofdstuk XXII, vers 5.
[1847] Zijnde, de buik, de ingewanden en de vliezen, die de vrucht omsluiten.
[1848] Of: zij die goed doen, zullen goed zelfs in deze wereld ontvangen.
[1849] Laat dus hij, die zijnen godsdienst niet in zekerheid kan uitoefenen op de plaats, waar hij verblijf houdt, of geboren is, naar eene plaats van vrijheid en veiligheid ontvluchten (Al Beid‚wi)
[1850] Zijnde de eerste der KoreÔshieten, die den waren godsdienst belijdt; ook de leider, of het hoofd der Moslems.
[1851] Want zijne handen zullen aan zijn nek vastgeketend wezen, en hij zal niet in staat zijn iets anders te doen dan zijn aangezicht aan het vuur bloot te stellen (Al Beid‚wi).
[1852] Zijnde geen tegenspraak, gebrek of twijfel.
[1853] Deze plaats stelt de onzekerheid van den afgodendienaar voor, die door het dienen van verschillende meesters afgetrokken wordt, en de voldoening des gemoeds, die den aanbidder van den eenigen waren God wacht. (Al Beid‚wi).
[1854] Zijnde Mahomet en zijne volgelingen. Sommigen veronderstellen, dat door de hierna volgende woorden, bijzonder Aboe Bekr wordt bedoeld, dewijl hij de waarachtigheid van den profeet betuigde, wat zijne reis naar den hemel betreft.
[1855] De KoreÔshieten waren gewoon aan Mahomet te zeggen, dat zij vreesden, dat hunne goden hem eenig nadeel toebrengen, of hem van het gebruik zijner ledematen, of van zijne rede berooven zouden, omdat hij oneerbiedig van hen sprak.
[1856] Volgens deze plaats zijn de zielen van hen die slapen, bij God; Hij ontvangt die, en zendt die dan eens terug en behoudt die dan weder, naar gelang de bepaalde tijd al of niet is afgeloopen. Het gebruik van het woord teveffa, in deze plaats, ondersteunt, wat wij in de noot van Hoofdstuk III, vers 48 hebben gezegd. Wij doen bij deze gelegenheid opmerken, dat het woord en fous (meervoudig van nafs, ziel g.k.S.">rpS), persoon of individu beteekent en onderscheiden moet worden van rouh, (rvH) ziel, geeft, hoewel de rouh (meervoudig erwah) ook sterven beteekent, en dat de engelen mede moeten sterven, om daarna te worden opgewekt.
[1857] Hun niet veroorlovende in hunne lichamen terug te keeren.
[1858] Zijnde: In hunne lichamen als zij ontwaken (Al Beid‚wi).
[1859] Want niemand kan of durft zich vermeten, tusschen beiden te treden, tenzij met zijn verlof.
[1860] Of door mijne eigene wijsheid.
[1861] Zooals Karoen vooral deed (zie Hoofdstuk XXVIII, vers 76).
[1862] Zooals dienovereenkomstig geschiedde; want zij werden met een hevigen hongersnood van zeven jaren gestraft, terwijl zij de dappersten hunner krijgshelden in den slag van Bedr verloren (Al Beid‚wi).
[1863] Aan hen, die oprecht berouw beloven en zijne eenheid beleiden; want de zonden der afgodendienaars zullen niet vergeven worden, zie Hoofdstuk II vers 75 noot.
[1864] Al Beid‚wi zegt: De eerste maal. Hij veronderstelt dus, dat er slechts twee malen zal worden geblazen (gelijk er ook slechts twee keeren uitdrukkelijk in den Koran zijn vermeld), terwijl anderen veronderstellen, dat het driemaal zal geschieden. Volgens Yahya en anderen, zal de tijdruimte tusschen deze twee trompetgeschallen, veertig dagen wezen, anderen gelooven echter, dat dit vele jaren zal bedragen.
[1865] Sommigen zijn van meening, dat de engelen GabriÎl, MichaÎl, Israfil en de engel des doods IsraÔl, niet in datzelfde oogenblik maar later zullen sterven, opdat het woord van God, volgens hetwelk alle wezens zullen moeten sterven, verwezenlijkt worde. Daarna zullen allen herrijzen.
[1866] Zie Hoofdstuk VII, vers 23 en Hoofdstuk XI, vers 115. Het schijnt, alsof, door deze woorden, de verdoemden hunne vernietiging aan Gods besluit van voorbeschikking wijten.
[1867] Dit is eene metaphorische uitdrukking, die de volkomene zekerheid en den overvloed voorstelt, welke door de gelukzaligen in het paradijs zal worden genoten.
[1868] Deze titel is ontleend aan de vermelding in vers 29.
[1869] Door handel te drijven SyriÎ en Yemen. Zie Hoofdstuk III, vers 196, noot.
[1870] Dit zijn de Cherubijnen, de hoogste klasse van engelen, die het dichtst in Gods tegenwoordigheid naderen (Al Beid‚wi).
[1871] Daar gij ons eerst in een toestand des doods, of ontdaan van leven en gevoel hebt geschapen, daarna leven aan het onbezielde lichaam hebt gegeven (Zie Hoofdstuk II, vers 26), ons vervolgens een natuurlijken dood hebt doen sterven, en ons hierna bij de opstanding hebt doen verrijzen. Sommigen zien in den eersten dood een natuurlijken dood, en in den tweeden, dien in het graf, nadat het lichaam daar tot het leven zal zijn opgewekt, ten einde ondervraagd te worden, en veronderstellen, dientengevolge, dat de dubbele herleving, die van het graf en die bij de opstanding is (Al Beid‚wi Jallalo'ddin).
[1872] Als de Schepper en zijne schepselen (Zie Hoofdstuk VI, vers 19) de bewoners van hemel en aarde, de valsche godheden en hare aanbidders, de verdrukker en de verdrukte, de arbeider en zijne werken elkander zullen ontmoeten (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1873] Zie nopens dezen persoon Hoofdstuk XXVIII, vers 76 noot.
[1874] Dat is: Houdt aan het vroeger genomen besluit vast, en voert het in de toekomst stipter uit (Zie Hoofdstuk VII, vers 124).
[1875] Want zij rieden hem, Mozes niet te dooden, opdat men niet zou denken dat hij niet in staat ware, hem door kracht van redenen weerstand te bieden (Al Beid‚wi).
[1876] Door het veroorzaken van botsingen en het te werk stellen van verleidingen, ten einde zijn nieuwen godsdienst in te voeren.
[1877] Dit schijnt dezelfde persoon te zijn, die in Hoofdstuk XXVIII vers 19 wordt vermeld.
[1878] Zie de rede van GamaliÎl tot het Joodsche Sanhedrin, toen de apostelen voor hen werden gebracht (Hand. V. vers 38, 39).
[1879] Zijnde de dag des oordeels, waarop de bewoners van het paradijs en van de hel met elkander een gesprek zullen houden, als de laatsten om hulp zullen roepen, en de verleiders en de verleiden elkander wederkeerig de schuld zullen toeschrijven (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1880] Zie Hoofdstuk XXVIII, vers 38.
[1881] Sommigen zijn van meening, dat hier meer bijzonder worden bedoeld, zij die door Pharao werden gezonden om den waren geloovige, zijn bloedverwant, te vatten. Zij verhalen ons namelijk, dat de genoemde geloovige naar een berg vluchtte, waar zij hem biddende vonden, door wilde dieren bewaakt, die zich rondom hem in orde schaarden, en dat zijne vervolgers daarop in grooten angst tot den vorst terugkeerden, die hen ter dood bracht, omdat zij zijn bevel niet hadden uitgevoerd (Al Beid‚wi).
[1882] Sommigen stellen deze woorden voor, als betrekking hebbende op de voorafgaande straf, welke zij gedoemd zijn te ondergaan, overeenkomstig eene overlevering van Ebn Masoed, die ons mede deelt, dat hunne zielen zich in de kroppen van meerlen bevinden, die tot den dag des oordeels iederen ochtend en avond aan het hellevuur worden blootgesteld (Al Beid‚wi).
[1883] Zie Hoofdstuk LXXIV, vers 31.
[1884] Door te onachtzaam en te zorgeloos te zijn, in het voortplanten van den waren godsdienst, uit vrees voor de ongeloovigen. (Al Beid‚wi).
[1885] Zie Hoofdstuk XVII, vers 15.
[1886] Ziende, dat een afgodsbeeld niets in de wereld is (Al Beid‚wi).
[1887] Zie Hoofdstuk XVI, vers 5.
[1888] Vooringenomen zijnde met hunne eigene dwaalbegrippen, en de onderrichtingen van den profeet verwerpende.
[1889] Sommigen betitelen dit hoofdstuk "de vereering of aanbidding," aangezien daarin den ongeloovigen wordt bevolen, hunne vereering van afgoden te laten varen en God te aanbidden. Daar echter Hoofdstuk XXXII denzelfden titel draagt, wordt de naam, dien wij boven dit hoofdstuk hebben geplaatst, algemeen gebruikt om het van de eerstvermelde Soera te onderscheiden.
[1890] Zie Hoofdstuk XI, vers 1.
[1891] Zijnde de twee eerste dagen der week (Jallalo'ddin).
[1892] Zie Hoofdstuk XVI, vers 15.
[1893] Dat is: de twee dagen, er onder begrepen, waarin de aarde werd geschapen.
[1894] Voor allen in evenredigheid tot hunne behoeften, en naar dit voor hun verbruik wordt vereischt.
[1895] Of duisternis. Al Zamakshari zegt, dat deze rook uit de wateren, onder den troon van God kwam (welke troon een der dingen was, die vÛÛr de hemelen en aarde werden geschapen), en boven het water opsteeg. Hij voegt er bij, dat, toen het water opgedroogd was, de aarde daaruit werd gevormd, en de hemelen uit den opgestegen rook.
[1896] Zie Hoofdstuk XV, vers 8.
[1897] Dat is: aan iedere zijde hen aanhoudend overredende en bij hen aandringende, zoowel door vroegere voorbeelden aan te halen, als door op toekomstige belooningen en straffen te wijzen.
[1898] Men zegt, dat deze wind van Woensdag tot en met Woensdag aanhield, zijnde de laatste in het eind der maand Shawal; en dat dus Woensdag de dag is, waarop God zijne vonnissen op een zondig volk nederzendt (Al Beid‚wi).
[1899] Zie Hoofdst. VII, vers 83 enz.
[1900] Zijnde: Gij verbergt uwe misdaden voor de menschen, weinig denkende, dat uwe eigen ledematen, waarvoor gij die niet kunt verbergen, als getuigen tegen u zullen opstaan.
[1901] Zijnde diegenen van elke soort, welke ons in de armen der zonde geworpen en te gronde gericht hebben. Sommige veronderstellen, dat de twee hier meer bijzonder bedoelden, Eblis en CaÔn zijn; de twee bedrijvers van ontrouw en moord (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1902] Hetzij terwijl zij nog op aarde leven, om hunne gemoederen tot het goede te bewegen, ten einde hen voor verzoekingen te behoeden en hen te troosten, of bij het vuur des doods, om hen in hunne laatste oogenblikken te ondersteunen, of als bij de opstanding, uit graven verrijzen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1903] Dat is: het zal op geenerlei wijze verijdeld, noch tegengegaan kunnen worden, in welk opzicht het ook zij.
[1904] Zie Hoofdstuk XVI, vers 105.
[1905] Zijnde: zoover af, dat zij de stem van hem, die om hen roepen, niet hooren of verstaan.
[1906] Want zij zullen, bij de opstanding, hunne afgoden, niet willen erkennen.
[1907] Deze titel is ontleend aan vers 36, waarin den geloovigen, onder andere dingen, wordt bevolen, hunne zaken te overwegen en elkander te raadplegen, ten einde op de beste wijze te handelen. In plaats van dit woord, worden echter, door sommigen, de vijf enkele letters geplaatst, waarmede het hoofdstuk begint.
[1908] Jallalo'ddin zondert hiervan de verzen 22-24 uit.
[1909] Zijnde de nieuwere Joden en Christenen.
[1910] De ware beteekenis niet verstaande, of de eerste leerstellingen daarvan niet geloovende.
[1911] Hier arbeidende, om hiernamaals eene belooning te verwerven want hetgeen in deze wereld gezaaid wordt, zal in het volgende leven gemaaid worden.
[1912] De bedoeling dezer woorden is eenigszins duister. Sommigen zijn van oordeel, dat zij eene afkeuring uitdrukken van de leugens, door de ongeloovigen aan den profeet toegeschreven, daar niemand aan eene zoo snoode daad schuldig zou kunnen zijn, dan een, wiens hart dichtgesloten was en die zijn Heer niet kende; alsof hij had gezegd: God behoede dat gij zoo ledig van genade zijt, of zoo weinig begrip van uwen plicht hebben zoudt! Anderen denken dat de beteekenis is, dat God al de openbaringen, welke aan Mahomet genadiglijk werden verleend, in eens uit zijn hart zou kunnen wisschen, en weder anderen, dat God zijn hart met geduld zou versterken, tegen de beleedigingen der ongeloovigen (Al Beid‚wi).
[1913] De middelen gebruikende, welke God voor hunne eigene verdediging in hunne handen heeft gelegd. Dit is er bijgevoegd, om de hier gegeven beschrijving te volmaken. Dapperheid en onverschrokkenheid zijn toch niet onbestaanbaar met goedertierenheid (Al Beid‚wi). De regel is: Parcere subjectis et debellare superbos.
[1914] Zie Hoofdstuk V, vers 49 enz.
[1915] God heeft nimmer tot een mensch het woord gericht. Mahomet zegt echter op verschillende plaatsen van den Koran, dat God werkelijk het woord tot Mozes heeft gericht. Mozes heeft echter God niet kunnen zien, en het was bij de Hebreeuwen een algemeen aangenomen geloof, en waarschijnlijk bij al de Semitische volkeren, dat God zich nimmer aan een mensch liet zien, zonder dat deze dadelijk stierf. De mystieken, eene philosophische secte uit den schoot van den Islam ontsproten, beweren dat de aanhoudende overdenkingen van het geestelijke leven, den mensch tot zulk een staat van volmaaktheid zou kunnen verheffen, dat hij in zijne verrukking God spreekt en ziet. Al hun streven is dus daarheen gericht, om, door de kracht der goddelijke liefde en het onderdrukken der individualiteit, den sluier op te heffen die hen van Gods geest scheidt. Vandaar dat de woorden "den sluier opheffen", in de taal der Oosterlingen de waarde verkregen heeft, van den hoogsten graad van vertrouwelijkheid. Overigens zijn zij die wel gelooven aan de nachtelijke reis van Mahomet, (Zie Hoofdstuk XVII, vers 1 in de noot) verdeeld, nopens de wijze waarop Mahomet God heeft aanschouwd. Sommigen zeggen, dat hij hem met de oogen van zijn hoofd, d.i. stoffelijk heeft gezien, anderen dat het met de oogen van zijn hart, d.i. door een innerlijk gezicht van den geest plaats had.
[1916] Of zooals de woorden mede kunnen worden vertaald: zoo hebben wij den geest GabriÎl, met eene openbaring, tot u gezonden.
[1917] Zie vers 34.
[1918] Sommigen zonderen hiervan vers 44 uit.
[1919] Zijnde, de bewaarde tafel, die het oorspronkelijke van al de schriften in het algemeen bevat.
[1920] Zie Hoofdstuk XVI, vers 60.
[1921] Zijnde aan een der voornaamste bewoners van Mekka of van Tayef; zooals Al Walid Ebn Al Mogheira, of Orwa Ebn Masoed den Thakefiet (Al Beid‚wi.).
[1922] Door deze uitdrukking wordt vooral het ambt van profeet bedoeld.
[1923] Zie Hoofdstuk XIX, vers 74.
[1924] Dat is: vraag hun, die dezelfde godsdiensten belijden, welke deze onderwezen en hunne geleerden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, enz.).
[1925] Zijnde de plagen, welke zij achtereenvolgens ondergingen, en die hunne geheele vernietiging in de Roode Zee voorafgingen.
[1926] Te weten de Nijl en zijne vertakkingen.
[1927] Zie Hoofdstuk XX, vers 29 noot.
[1928] Zulke armbanden waren eenige van de insigniÎn der koninklijke waardigheid; want als de Egyptenaren iemand tot de vorstelijke waardigheid verhieven, omhingen zij hem met een gouden kraag of keten (Gen. XLI : 42) en hechtten gouden armbanden om zijne polsen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin.).
[1929] Deze plaats wordt algemeen verondersteld, geopenbaard te zijn bij gelegenheid van eene tegenwerping, door zekeren Ebn al Zabari gemaakt, tegen de woorden in Hoofdstuk XXII, vers 98, waarbij allen in het algemeen, die naast God als godheden werden aangebeden, ter helle gedoemd zijn, en waarop de ongeloovigen uitriepen: Wij zijn verheugd, dat onze goden met Jezus zullen wezen; want ook hij is als God aangebeden (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi.). Sommigen zijn echter van meening, dat het zou kunnen geopenbaard zijn, in antwoord aan sommige afgodendienaars, die zeiden, dat de Christenen, welke de schriften ontvingen Jezus aanbaden, geloovende, dat hij de zoon van God was, terwijl de engelen die eer meer waardig zijn dan hij.
[1930] Want eenigen tijd voor de opstanding, zal Jezus, volgens de Mahomedanen, nabij Damascus op aarde afdalen, of, zooals sommigen zeggen, nabij eene rots in het heilige land, Afik genaamd, met eene lans in de hand, waarmede hij den anti-Christ zal dooden, dien hij te Ludd of Lydda, eene kleine plaats, niet ver van Joppa, zal ontmoeten. Zij voegen er bij, dat hij te Jeruzalem zal aankomen, tegen den tijd van het ochtendgebed, en dat hij zich op de wijze der Mahomedanen tot God zal richten. Hij zal het kruis afbreken en de kerken der Christenen vernietingen, onder welke hij eene algemeene slachting zal aanrichten, diegenen echter daarvan uitzonderend, die den Islam belijden.
[1931] Dit kan toegepast worden Ûf op de Joden ten tijde van Jezus, die zijne leer niet wilden omhelzen, Ûf op de Christenen van dien tijd, die in verschillende meeningen nopens hem vervielen; daar sommigen hem als God verheffen, anderen tot Gods zoon, en weder anderen tot een der personen van de drieÎenheid, enz. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Savary past het op de Christenen toe.
[1932] Dit wordt door de Mahomedanen verondersteld, de naam te zijn van den voornaamsten engel, die met het opzicht der hel is belast.
[1933] Sommigen veronderstellen, dat het antwoord eerst duizend jaren daarna zal worden gegeven.
[1934] Zijnde de bewakende engelen.
[1935] Dat is de leer van Gods eenheid. De uitzondering omvat Jezus, Esra en de engelen, die als tusschenpersonen beschouwd zullen worden hoewel zij als goden werden aangebeden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1936] Zie Hoofdstuk XXV, vers 64.
[1937] Dit woord is ontleend aan vers 9.
[1938] Sommigen zonderen hiervan vers 14 uit.
[1939] Deze nacht wordt algemeen verondersteld, tusschen den 23sten en 24sten van Ramadan te zijn. Zie Hoofdstuk 97 en de noten aldaar.
[1940] Want de Mahomedanen denken dat jaarlijks in dien nacht, al de gebeurtenissen voor het daarop volgende jaar worden geschikt en vastgesteld, wat leven, dood en andere zaken dezer wereld betreft (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi). Sommigen veronderstellen echter, dat deze woorden alleen betrekking hebben op den bijzonderen nacht, waarin de Koran, bevattende al de goddelijke besluiten, met betrekking tot godsdienst en zedekunde, werd nedergezonden (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[1941] De uitleggers verschillen in hunne verklaring van deze plaats. Sommigen denken, dat hier sprake is van een rook, die de lucht scheen te vervullen, gedurende den hongersnood, waarmede de bewoners van Mekka in den tijd van Mahomet werden geteisterd (Zie Hoofdstuk XXIII, vers 66 noot), en waardoor de lucht zoo dik was, dat zij elkander wel konden hooren maar niet zien (Al Zamakshari, Al Beid‚wi, Yahya, Jallalo'ddin). Overeenkomstig eene overlevering van Abi, is de hier bedoelde rook echter diegene, welke een voorteeken van den dag des oordeels is, en de geheele ruimte van het Oosten, gedurende veertig dagen, zal vullen. Zij zeggen, dat deze rook de ongeloovigen zal bedwelmen, en door hunne natuurlijke openingen zal binnen dringen, terwijl de ware geloovigen slechts weinig last er van zullen hebben (Al Zamakshari, Al Beid‚wi).
[1942] Zie Hoofdstuk XVI, vers 105.
[1943] Sommigen passen dit op de slachting te Bedr, en anderen op den dag des oordeels toe.
[1944] Zijnde: Laat de kinderen IsraÎls met ons gaan, om God te vereeren.
[1945] Of dat gij mij noch door woord, noch door daad beleedigt (Al Beid‚wi).
[1946] Zonder mij weerstand te bieden, of mij eenige beleediging aan te doen, welke ik niet aan u heb verdiend.
[1947] Zie Hoofdstuk XXVI, vers 57.
[1948] Dat is: niemand beklaagde hunne vernietiging.
[1949] Zijnde de Hamyarieten, wier koningen den titel van Tobba hadden. De uitleggers verhalen, dat de hier bedoelde Tobba zeer machtig was en Samorcande bouwde, of, zooals anderen zeggen, die stad vernietigde, en dat hij een waar geloovige was; doch zijne onderdanen waren ongeloovigen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Deze vorst schijnt Aboe Carb Asaad te zijn geweest, die omstreeks zevenhonderd jaar vÛÛr Mahomet leefde, en den Joodschen godsdienst omhelsde, welken hij het eerste in Yemen invoerde. Hij werd daarom waarschijnlijk door zijn eigen volk gedood (Al Jannabi. Zie poc. Spec. p. 60).
[1950] Zie Hoofdstuk XXI, vers 61, en Hoofdstuk XXXVIII, vers 26.
[1951] Zie Hoofdstuk XXXVII, vers 60 en de noot. Jallalo'ddin veronderstelt, dat deze plaats in het bijzonder tegen Aboe J‚hl werd geopenbaard.
[1952] Deze naam is ontleend aan vers 27.
[1953] Door de dagen van God, worden, op deze plaats, de gelukkige uitkomsten bedoeld van zijn volk, in de veldslagen met de ongeloovigen (zie Hoofdstuk XIV, vers 5 noot). Men zegt, dat deze plaats werd geopenbaard met het oog op Omar, die, gesmaad door iemand van den stam van Ghifar, het voornemen opvatte, zich met geweld te wreken. Sommigen zijn van oordeel, dat dit vers, door dat van den oorlog afgeschaft is (Al Beid‚wi).
[1954] Dat is, van de voornaamste KoreÔshieten, die er bij Mahomet op aandrongen, tot den godsdienst van zijne voorvaderen terug te keeren.
[1955] Het oorspronkelijke woord ommat, beteekent eigenlijk een volk, dat denzelfden godsdienst belijdt.
[1956] Alahkaf of al Ahkaf is het meervoudig van Hekf, en beteekent zand, dat verstrooid en verwaaid ligt. Vandaar heeft men dien naam gegeven aan een stuk gronds in de provincie Hadramaut, waar de Adieten woonden. Behalve op verscheiden andere plaatsen in den Koran, wordt daarvan melding gemaakt in dit Hoofdstuk (vers 20).
[1957] Zie Hoofdstuk XXI, vers 16; Hoofdstuk XXXVIII, vers 26 enz.
[1958] En die slechts eene zekere tijdruimte, maar niet eeuwig zullen bestaan.
[1959] Zijnde eenig deel van de openbaringen in den Koran.
[1960] Dat is: Ik leer geene grondstellingen, die verschillen van hetgeen de vroegere gezanten of profeten hebben gepredikt, en ik ben niet in staat te doen, wat zij niet konden; vooral wat betreft het toonen der teekenen, welke iedereen gepast zal achten te vragen (Al Beid‚wi).
[1961] Deze getuige wordt algemeen verondersteld, de Jood Abd'allah Ebn Salem te zijn geweest, die verklaarde, dat Mahomet de profeet was wiens komst door Mozes was voorspeld. Sommigen veronderstellen echter, dat de hier bedoelde getuige Mozes zelf was (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1962] Sommigen meenen, dat deze woorden door de Joden werden gesproken, toen Abd'allah den Islam beleed, of, overeenkomstig anderen, door de KoreÔshieten, daar de eerste volgelingen van Mahomet voor het meerendeel arme en laaggeplaatste lieden waren, of wel, door de stammen van Amer, Ghatfan en Asad, bij de bekeering van die van Joheinah Mozeinah, Aslam en Ghifar (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1963] Men zegt dat deze woorden werden geopenbaard met betrekking tot Aboe Bekr, die den Islam op zijn veertigste jaar beleed, zijnde twee jaren na de zending van Mahomet, terwijl hij de eenige persoon was, zoowel onder de Mohajerin als de Ansars, wiens vader en moeder mede bekeerd werden. Zijn zoon Abd'alrahman en zijn kleinzoon Aboe Atik omhelsden eveneens dat geloof (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, enz.).
[1964] Deze woorden schijnen eene algemeene beteekenis te hebben. Zij worden echter gezegd in het bijzonder, met betrekking tot Abd'alrahman, den zoon van Aboe Bekr te zijn geopenbaard, die deze uitdrukkingen tegen zijn vader en moeder gebruikte, alvorens hij den Islam beleed (Al Beid‚wi).
[1965] Tenzij zij hunne zonde door berouw en door het omhelzen van het ware geloof uitwisschen, zooals Abd'alrahman deed.
[1966] Zijnde de profeet Hoed.
[1967] Zooals dienovereenkomstig geschiedde; want deze verpestende en hevige wind doodde, zonder onderscheid van sekse, ouderdom of stand, al diegenen, welke niet in de leer van Hoed geloofden, en verwoestte hunne bezittingen geheel (Zie Hoofdstuk VII, vers 70).
[1968] Zooals de nederzettingen van de Thamoedieten, Midianieten en de steden van Sodom en Gomorrah, enz.
[1969] Overeenkomstig het oordeel van verscheiden uitleggers, waren deze geniussen van Nisibin of van Yemen, of wel van Niniveh, en zeven of negen in getal. Zij hoorden Mahomet, gedurende zijn verblijf te al Tayef, des nachts, of na het morgengebed in de vallei van Nakhiah den Koran lezen en geloofden in hem (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1970] Vanhier veronderstellen de uitleggers, dat deze geniussen, alvorens zij zich tot het Mahomedanisme bekeerden, tot den Joodschen godsdienst behoorden.
[1971] Sommigen noemen dit hoofdstuk "Oorlog", omdat daarin bevolen wordt, een hevigen krijg tegen de vijanden van het Mahomedaansche geloof te voeren.
[1972] Sommigen veronderstellen, dat dit geheele hoofdstuk te Mekka werd geopenbaard.
[1973] Hanifieten oordeelen, dat deze wet is afgeschaft, of in het bijzonder op den oorlog van Bedr betrekking heeft, daar de hier bevolen gestrengheid noodig was, bij het ontstaan van het Mahomedanismus (zie Hoofdstuk VIII, vers 69 en noot), daar zij dat bevel te wreed vinden, om in den bloei van dien godsdienst te worden toegepast. Bij de Perzianen en sommige andere secten, wordt dat bevel echter nog in zijne volle kracht bewaard; want volgens hunne meening moeten alle volwassen mannen, welke in den slag gevangen zijn gemaakt, gedood worden, tenzij het Mahomedaansche geloof door hen worde omhelsd. Zij die na den slag in handen der Moslems vallen, worden niet gedood, maar mogen in vrijheid gesteld worden, hetzij kosteloos, hetzij tegen betaling van een zekeren losprijs; of kunnen ook wel tegen Mahomedaansche gevangenen uitgewisseld, of tot slavernij gedoemd worden, al naar gelang dit den Iman of vorst behaagt. (Al Beid‚wi, Zie Reland. Dissert. de Jure Militairi Mohammedanor. p. 32).
[1974] Sommige afschriften hebben koetilu, in plaats van katilu, volgens welke eerste lezing het hier zou moeten luiden: die gedood zijn of gemarteld worden, enz.
[1975] Zijnde de geleerden van Mahomets volgelingen, zooals Ebn Masoed en Ebn Abbas (Jallalo'ddin).
[1976] Of, zooals deze woorden mede kunnen worden vertaald: En hij zal hen voor hunne vroomheid beloonen.
[1977] Zooals de zending van Mahomet, het splijten van de maan, en de rook, in Hoofdstuk XLIV, vers 9 vermeld.
[1978] Hoewel Mahomet, hier en elders, zelf bekent een zondaar te zijn, beweren verscheiden Mahomedaansche godgeleerden, dat hij geheel rein van zonde was. Zij veronderstellen dientengevolge, dat hem hier wordt bevolen vergiffenis te vragen, niet omdat hij die behoefde maar om een voorbeeld aan zijne volgelingen te geven. Daarom was hij gewoon van zich zelven te zeggen (ten minste indien de overlevering waarheid bevat): Ik vraag God iederen dag honderdmaal vergiffenis (Jallalo'ddin).
[1979] Zooals: huichelarij, onbeschaamdheid, of onstandvastigheid in hun geloof.
[1980] Of, zooals de woorden mede kunnen worden vertaald: Indien gij u zoudt hebben afgewend, en van uw geloof afvallig waart geworden.
[1981] Zijnde: hetgeen gij van ons begeert, door te huis te blijven en niet met Mahomet ten oorlog te trekken, en door geheime samenspanning tegen hem (Al Beid‚wi).
[1982] Deze woorden veronderstelt men, op het onderzoek des grafs betrekking te hebben.
[1983] Dit waren de stammen van Koreidha en al Nadir of zij die het leger der KoreÔshieten te Bedr van leeftocht voorzagen (Al Beid‚wi). Zie Hoofdstuk VIII, vers 36.
[1984] Wat betreft den weerstand en den tegenzin omtrent het voortplanten des geloofs. Men veronderstelt algemeen, dat hier op de Perzianen wordt gedoeld. Anderen zijn echter van meening, dat Mahomet hier de Ansars of de engelen op het oog heeft.
[1985] Deze overwinning, waaraan dit hoofdstuk zijnen naam ontleent, was, overeenkomstig de meest algemeene uitlegging, die, waarbij de stad Mekka werd ingenomen. Men zegt dat deze plaats werd geopenbaard, bij Mahomets terugkeer van de expeditie van al Hodeibiya. Zij bevat eene belofte of eene voorzegging van deze bijzonder glansrijke overwinning, die nog geene twee jaren later plaats had. Overeenkomstig den profetischen stijl, is hier de verledene voor den toekomenden tijd gebruikt (Al Zamakhshari, Al Beid‚wi, enz.). Desniettegenstaande zijn er sommigen, die veronderstellen, dat het hier bedoelde voordeel, de stichting des vredes van al Hodeibiya was, welke hier eene overwinning wordt genoemd, dewijl de bewoners van Mekka den vrede wenschten, en daar een wapenstilstand met Mahomet sloten; zij verbraken dien echter, waardoor de inneming van Mekka werd veroorzaakt. Anderen gelooven, dat hier de verovering van Khaibar of de overwinning op de Grieken te Moeto, enz., wordt bedoeld.
[1986] Zijnde: Alles wat gij gedaan hebt, en hetgeen verschooning verdient: of uwe zonden, zoowel diegene, welke gij in den tijd uwer onwetendheid, als later hebt bedreven.
[1987] Dit wil zeggen: God moge eene gelegenheid schenken, om de vergiffenis te verdienen, door den afgodendienst uit te roeien, zijnen waren godsdienst te verheffen en de zwakken uit de handen der goddeloozen te verlossen, enz.
[1988] Het oorspronkelijke woord beteekent, het openlijk erkennen of inhuldigen van een vorst, door hem onderwerping en getrouwheid te zweren.
[1989] Dat is: hij ziet van boven neder, en is getuige van de plechtigheid, waarin gij blijken geeft van uw geloof aan zijn gezant; en hij zal u daarvoor beloonen (Jallalo'ddin). Deze uitdrukking doelt op de wijze, waarop bij die gelegenheden de gelofte wordt afgelegd.
[1990] Dit waren de stammen van Aslam, Joheinah, Mozeinah en Ghifar, die, nadat zij vermaand waren, Mahomet en de expeditie van al Hodeibiya te volgen, nochtans achterbleven. Zij verontschuldigden zich, door te zeggen, dat zij door hunne afwezigheid te veel te lijden zouden hebben, en van het weinige dat zij bezaten, beroofd zouden worden; want deze stammen behoorden tot de minvermogende Arabieren terwijl zij werkelijk standvastigheid in hun geloof betoonden en moed om den KoreÔshieten weerstand te bieden (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[1991] Zijnde: In de expeditie van Khaibar. De profeet keerde in het zesde jaar der hedjira, in Dhoell'hajja van al Hodeibiya terug, en bleef gedurende het overige gedeelte dier maand en het begin van Moharram te Medina. Daarna trok hij tegen de Joden van Khaibar op, doch alleen met hen, die hem naar al Hodeibiya hadden gevolgd. Nadat hij zich van de plaats met al de kasteelen en sterkten op dat grondgebied gelegen, had meester gemaakt (Zie Abulf. Vit. Moh. p. 87, etc.), vergaderde hij een grooten buit, dien hij verdeelde tusschen hen, welke bij den slag tegenwoordig waren, zonder iemand anders daarvan te doen genieten (Al Beid‚wi).
[1992] Hetgeen zijne belofte was aan hen, die den profeet naar al Hodeibiya volgden; namelijk, dat hij hun schadeloosstelling zou geven, voor het missen der plundering van Mekka in dien tijd, door hen die van Khaibar daarvoor in de plaats te geven. Sommigen denken, dat het hier bedoelde woord de plaats in het negende hoofdstuk is, luidende: "Gij zult niet met mij vertrekken," enz. welke echter werd geopenbaard, lang nadat Khaibar was ingenomen, en wel bij gelegenheid van de expeditie van Taboec (Al Beid‚wi).
[1993] Toen Mahomet te al Hodeibiya aankwam, zond hij Jawwas Ebn Omeyya, den KhozaÔet, om den bewoners van Mekka bekend te maken, dat hij met eene vredelievende bedoeling was gekomen, en wel om den tempel te bezoeken; maar zij, die volgens sommigen, wantrouwen koesterden, weigerden hem toe te laten. De profeet zond daarop Othman Ebn Affan, dien zij gevangen namen, terwijl het gerucht liep, dat zij hem gedood hadden, waarop Mahomet zijne manschappen om zich verzamelde. Zij zwoeren toen den eed van getrouwheid tot den dood gedurende welke plechtigheid hij onder een boom zat.
[1994] Namelijk de overwinning te Khaibar, of, zooals sommigen eerder aannemen, de inneming van Mekka enz.
[1995] Zijnde de handen der bewoners van Khaibar, of van hunne opvolgers, van de stammen van Arad en Ghalfan, of van de bewoners van Mekka, door het sluiten van den vrede van al Hodeibiya (Al Beid‚wi).
[1996] Jallalo'ddin verhaalt, dat tachtig ongeloovigen, in het geheim, in Mahomets kamp te al Hodeibiya kwamen, met het doel, sommigen zijner manschappen te verrassen. Zij werden echter gegrepen en voor den profeet gebracht die hun genade schonk en tevens beval, dat zij in vrijheid zouden gesteld worden. Deze edelmoedige daad was oorzaak van den wapenstilstand door de KoreÔshieten met Mahomet gesloten; want daarop zonden zij Sohail Ebn Amroe en nog eenige personen, om over den vrede te onderhandelen. Al Beid‚wi legt deze plaats met een ander verhaal uit. Hij zegt namelijk, dat Acrema Ebn Abi Jahl van Mekka, aan het hoofd van vijfhonderd man, naar al Hodeibiya optrok, en dat Khalid Ebn Al Walid door Mahomet tegen hem met eene legerafdeeling werd afgezonden, die de ongeloovigen tot het binnenste gedeelte van Mekka terug dreef, en daarna, uit eerbied voor de stad, aftrok.
[1997] Mahomets bedoeling bij de expeditie van al Hodeibiya was namelijk alleen, om den tempel van Mekka op vreedzame wijze te bezoeken, en een offer in het dal van Mina te brengen, overeenkomstig den aangenomen ritus. Hij voerde tot dat doel dieren met zich; maar de KoreÔshieten veroorloofden hem noch den tempel binnen te gaan, noch zich naar Mina te begeven.
[1998] Zijnde de Mahomedaansche geloofsbelijdenis of de Bismillah, en de woorden: Mahomet, Gods gezant, welke door de ongeloovigen werden verworpen.
[1999] Of den droom dien Mahomet te Medina had, alvorens hij naar al Hodeibiya trok. Hij droomde toen, dat hij en zijne makkers de stad Mekka veilig binnen trokken, met geschoren hoofden en afgesneden haren. Deze droom, die door den profeet aan zijne volgelingen werd medegedeeld, veroorzaakte groote vreugde onder hen, en zij veronderstelden, dat het visioen nog in het zelfde jaar zou worden vervuld. Toen zij echter bemerkten, dat de wapenstilstand gesloten was, die hunne verwachting nopens dat tijdstip verijdelde, waren zij diep getroffen. Daarop werd, ter hunner vertroosting, deze plaats geopenbaard, die het visioen bevestigde, dat echter eerst een jaar later zou worden vervuld, toen Mahomet het bezoek aflegde, onderscheiden door de bijvoeging van al Kada of voltooiing, omdat hij op dien tijd het bezoek van het vorige jaar voltooide, toen de KoreÔshieten hem niet veroorloofden Mekka binnen te gaan. Hij was toen genoodzaakt te al Hodeibiya zijne slachtoffers te dooden, en zich te scheren (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin. Zie Abu'lf. Vit. Moh. p. 84, 87).
[2000] Zijnde, dat sommigen geschoren waren, terwijl anderen alleen afgesneden haren hadden.
[2001] Zijnde de inneming van Khaibar.
[2002] Hoewel de Mahomedanen zich bij hunne gebeden van tapijten of matten bedienen, is het echter de gewoonte, den harden en blooten grond met het voorhoofd aan te raken. Dikwijls dragen zij ronde of vierkante steentjes bij zich, waarop zij met hunne hoofden steunen, als zij zich ter aarde werpen.
[2003] Dat is: waag het niet, uwe eigene beslissing in eenige zaak te nemen, alvorens gij het oordeel van God en zijn gezant ontvangen hebt.
[2004] Men zegt, dat deze plaats op de navolgende gebeurtenis berust: Al Walid Ebn Okba werd door Mahomet gezonden, om de aalmoezen bij den stam van al Mostalek op te halen. Toen hij hen in grooten getale tot zich zag komen, vatte hij argwaan en vreesde voor boos opzet, wegens de vroegere vijandschap tusschen hem en hen, gedurende den tijd der onwetendheid. Hij keerde onmiddellijk terug, en verhaalde den profeet, dat zij weigerden hunne aalmoezen te geven en getracht hadden hem te dooden. Mahomet wilde hen daarop met geweld tot hunnen plicht terugbrengen. Toen hij echter Khaled Ebn Al Walid tot hen zond, bevond deze, dat zijn voorganger hun onrecht had aangedaan, en dat zij even gehoorzaam als vroeger waren (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[2005] Men zegt, dat dit vers werd geopenbaard, met het oog op Safiya Bint Hoyal, eene der vrouwen van den profeet. Deze kwam namelijk tot haren echtgenoot, en klaagde, dat de vrouwen tot haar zeiden: O, gij Jodin! de dochter van een jood en van eene jodin, waarop hij haar antwoordde: Kunt gij dan niet antwoorden: A‰ron is mijn vader, Mozes mijn oom en Mahomet mijn echtgenoot?
[2006] Dat is: gij zijt geen ware geloovigen, maar slechts uiterlijke belijders van den waren godsdienst.
[2007] Het onderscheid dat door de Mahomedanen tusschen het geloof en het Islamisme wordt gemaakt, is, dat het eerste het innerlijk geloof, en het andere, het uiterlijke teeken van dat geloof door godsdienstige daden is.
[2008] Dit beteekent: Beroemt gij u hem te bedriegen, door te zeggen, dat gij ware geloovigen zijt?
[2009] De verplichting ligt namelijk niet aan Gods zijde, maar aan de uwe, omdat hij u zoozeer heeft begunstigd dat hij u tot het ware geloof leidt, indien gij oprechte geloovigen zijt.
[2010] Sommigen beweren, dat deze letter bestemd is om den berg Kaf uit te drukken, die, in de verbeelding van een aantal oostersche schrijvers, de geheele wereld omringt. (Zie d'Herbel. Bibl. OriÎnt. Art. Caf.), Anderen zeggen, dat deze letter Kada al amr beteekent, zijnde: de zaak is besloten; namelijk de kastijding der ongeloovigen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Zie overigens Hoofdstuk II, vers I, noot.
[2011] Niet wetende wat zij met zekerheid van den Koran moeten erkennen; daar zij het dan eens een dichtstuk, dan weder een tooverstuk noemen en dan weder een goddelijk werk, enz.
[2012] Zie Hoofdstuk XVI, vers 15 en Hoofdstuk XXXI, vers 9.
[2013] Zie Hoofdstuk XXV, vers 40.
[2014] Zie Hoofdstuk XLIV, vers 36.
[2015] De bedoeling dezer plaats is de verkondiging van Gods alwetendheid. Hij behoeft de onderrichtingen niet van de wachtengelen, doch hij heeft het in zijne wijsheid geschikt geoordeeld, hun dat ambt op te dragen; want indien zij zoo nauwlettend zijn, dat zij ieder woord nederschrijven, dat over de lippen van den mensch komt, hoe zouden wij dan kunnen hopen de aandacht van hem te ontgaan, die onze meest verborgen gedachten kent! De Mahomedanen bezitten eene overlevering, volgens welke de engel, die de goede daden des menschen opteekent, het bevel voert over dengeen, die de slechte daden nederschrijft, en dat, wanneer een mensch een goede daad verricht, de engel aan de rechterhand, die tien malen nederschrijft. Bedrijft hij eene slechte daad, dan zegt die engel tot dien van de linkerhand: Wacht nog zeven uren, eer gij haar nederschrijft; misschien bidt hij of vraagt hij vergiffenis (Al Beid‚wi).
[2016] Zijnde de duivel, die aan hem is vastgeketend.
[2017] Dit zal het antwoord wezen van den duivel, die door den zondaar als zijn verleider zal worden aangeklaagd; want de duivel heeft geene macht over een mensch, om hem te noodzaken kwaad te doen, dan alleen door hem datgene in te geven, wat met zijne verdorvene neiging strookt (Zie Hoofdstuk XIV, vers 26 en volg.).
[2018] Zijnde: Zijn er nog meer tot deze plaats gedoemd, of wordt mijne ruimte vergroot, om hen te ontvangen?
[2019] Dit werd geopenbaard ter beantwoording der Joden, die zeiden, dat God op den zevenden dag van zijn werk rustte, en zich op zijn troon, nederzette, als iemand die vermoeid is (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[2020] Dit zijn de twee nederbuigingen na het avondgebed, die niet noodzakelijk of voorgeschreven, maar naar willekeur geschieden en overbodig zijn. Men kan die dus naar verkiezing verrichten of achterwege laten.
[2021] Dat is: van eene plaats, van waar ieder schepsel de oproeping gelijkelijk hoore. Deze plaats wordt geacht de berg van den tempel van Jeruzalem te zijn, die door sommigen wordt verondersteld, nader bij den hemel te liggen, dan eenig ander deel der aarde. Van daar zal de trompet van Israfil klinken, terwijl GabriÎl het volgende zal afkondigen: O, gij verrotte beenderen, verscheurd vleesch en verspreide haren! God heeft bevolen, dat gij zult verzameld worden om geoordeeld te worden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[2022] Of: bij de vrouwen, die kinderen baren of verspreiden, enz.
[2023] Of: bij de vrouwen, die een last in haren schoot dragen; of: bij de winden, die den regen dragen, enz.
[2024] Of: bij de winden, die snel door de lucht trekken; of: bij de sterren, die zich ijlings in haren loop bewegen, enz.
[2025] Of: bij de winden, die den regen verdeelen, enz.
[2026] Zijnde de paden of loopbanen der sterren; of de dunne en uitgespreide wolken, die zich als paden aan den hemel voordoen.
[2027] Nopens Mahomet of den Koran, of de opstanding en den dag des oordeels, door verschillend en onsamenhangend daarvan te spreken.
[2028] Daar zij het grootste gedeelte in gebeden en godsdienstig overpeinzingen doorbrengen.
[2029] Zijnde: Uw voedsel komt van boven; van daar, waar het veranderen der jaargetijden en de regen uitgaat; en uwe toekomstige belooning is dus daar; d.i. in het paradijs, dat boven de zeven hemelen is gelegen.
[2030] Dat is: Zonder eenigen twijfel of de minste achterhoudendheid zooals gij elkander eene waarheid verzekert.
[2031] Zie Hoofdstuk XI, vers 72 en Hoofdstuk XV, vers 51.
[2032] Sommigen zeggen, dat GabriÎl, die een dezer vreemdelingen was, ten einde Abrahams vrees weg te nemen, het kalf met zijne vleugels aanraakte, waarna het onmiddellijk opstond, en naar zijne moeder liep; waarop Abraham hen als de gezanten van God erkende (Al Beid‚wi).
[2033] Zie Hoofdstuk VII, vers 76, enz.
[2034] Zijnde: voor drie dagen. Zie Hoofdstuk XI, vers 68.
[2035] Want dit ongeval viel des daags voor.
[2036] Zooals bij voorbeeld: het mannetje en het wijfje, den hemel en de aarde, de zon en de maan, licht en duisternis, dalen en bergen, winter en zomer, zoet en bitter enz. (Jallalo'ddin).
[2037] Het hier bedoelde boek is, volgens een vrij algemeen aangenomen geloof, Úf het boek of register waarin de daden van alle menschen opgeteekend staan, Úf de bewaarde tafelen, die Gods besluiten behelzen Úf wel het boek wet, dat door God werd geschreven, terwijl Momes het krassen der pen hoorde, Úf ook wel de Koran (Al Zamakshari, Al Beid‚wi).
[2038] Zijnde: de Caaba, die zoo veelvuldig door de pelgrims wordt bezocht, of zooals sommigen eerder aannemen, het oorspronkelijke model van het huis in den hemel dat al Dorah genoemd, en door de engelen bezocht en omringd wordt, zooals het andere door de menschen.
[2039] Zijnde: ieder mensch wordt door God omtrent zijn gedrag als onderpand bewaard; indien hij wel handelt, lost hij dit in, terwijl hij het verbeurt, door slecht te handelen.
[2040] Dit is de woordelijke vertaling van eene Arabische uitdrukking luidende: "Laat ons gerust op den eersten tegenspoed wachten om ons daarop te wreken."
[2041] Want hoewel zij dit met hunne tongen belijden, loochenen zij het, door hunnen tegenstand, om hem te vereeren, gelijk hij dat verdient.
[2042] Zie Hoofdstuk XVI, vers 59, enz.
[2043] Zie Hoofdstuk XVIII, vers 36, enz.
[2044] Dit was eene der straffen welke de afgodendienende bewoners van Mekka hem tartten, op hen te doen nederdalen; en dan nog, zegt de tekst, indien zij een deel des hemels op zich zouden zien nedervallen, zouden zij het niet gelooven, dan nadat zij daardoor verpletterd werden (Al Beid‚wi).
[2045] Zijnde: Op den eersten klank der trompet.
[2046] Dat is: behalve de straf, waartoe zij, op den dag des oordeels zullen gedoemd worden, zullen zij vooraf door rampen in dit leven worden gekastijd, zooals de slachting te Bedr, en den zevenjarigen hongersnood, en ook na hunnen dood, door het onderzoek des grafs (Al Beid‚wi).
[2047] Sommigen veronderstellen, dat hier de sterren in het algemeen, en anderen, het zevengesternte in het bijzonder wordt bedoeld.
[2048] Namelijk den engel GabriÎl.
[2049] In zijn natuurlijken vorm, waarin God hem schiep, en in het oostelijk gedeelte des hemels. Men zegt, dat deze engel aan geen der profeten in zijn eigenlijken vorm verscheen, behalve aan Mahomet, en wel slechts tweemalen; zijnde eens, toen hij de eerste openbaring van den Koran ontving, en daarna weder, toen hij zijne nachtelijke reis naar den hemel ondernam, zooals vervolgens in den tekst wordt vermeld.
[2050] In een menschelijken vorm.
[2051] Maar hij zag het werkelijk.
[2052] Zijnde de boom, die tot grenspaal van het paradijs dient.
[2053] Deze woorden schijnen te beteekenen, dat alles wat onder dezen boom is, elke beschrijving en alle cijfers te bovengaat. Sommigen veronderstellen, dat hier de geheele engelenschaar wordt bedoeld, die God daaronder vereeren, (Al Beid‚wi) en anderen, de vogels, die op de takken zitten (Jallalo'ddin).
[2054] Door zoo wel de wonderen der stoffelijke, als van de geestelijke wereld te aanschouwen (Al Beid‚wi).
[2055] Dit waren drie afgoden der oude Arabieren. Wat de godslastering betreft, die, volgens sommigen, eens door Mahomet onbedachtzaam werd uitgesproken, toen hij deze plaats voorlas, zie Hoofdstuk XXII, vers 51, noot.
[2056] Zie Hoofdstuk XVI, vers 59.
[2057] Zijnde: zal hij God zijn wil voorschrijven, en dengeen die hem behaagt, tot zijne tusschenpersonen of tot zijn profeet benoemen, of zal hij een godsdienst naar zijn eigen zin kiezen, en de voorwaarden stellen, waarop hij de belooning van dit en het volgende leven zal kunnen verwerven (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[2058] Deze plaats wordt gezegd, geopenbaard te zijn met het oog op al Walid Ebn al Mogheira, die eens, den profeet volgende, door een afgodendienaar werd gesmaad, omdat hij den godsdienst der KoreÔshieten verliet, en aanleiding tot schandaal gaf. Hij antwoordde daarop, dat hetgeen hij deed, uit vrees voor de goddelijke wraak geschiedde. De afgodendienaar bood daarop aan, voor een zekere som, de schuld der afvalligheid op zich te zullen nemen. Nadat de koop gesloten was, keerde al Walid tot de afgodendienarij terug, en betaalde den man een deel der overeengekomen som. Later echter, bij nadere overweging, achtte hij dit te veel, en hield het overige gedeelte terug (Al Beid‚wi).
[2059] Dat is: Is hij verzekerd, dat het den persoon met wien hij de bovenvermelde overeenkomst sloot, zal toegestaan worden, hier namaals in zijne plaats te lijden (Al Beid‚wi).
[2060] Syrius, of het groote hondsgesternte, werd door sommige der oude Arabieren aangebeden (Hyd. not. in Ulug. Beig. Tab. stell fix p. 53)
[2061] Zijnde: Sodom en de andere steden, welke zij in haren val medesleepte (Zie Hoofdstuk XI, vers 9).
[2062] Het woord, maan, dat zich in het eerste vers bevindt, strekt tot titel voor deze Soera. In dit eerste vers wordt van de komst van het uur, d.i. van den dag des oordeels gesproken. Onder de teekenen, die dit vreeselijke oogenblik zullen voorafgaan, is dat van het splijten der maan. Sommige uitleggers willen echter in de woorden "de maan is gespleten" eene toespeling zien op het mirakel door Mahomet verricht, waarbij hij de maan met zijn vinger in tweeÎn spleet.
[2063] Dat is, als de engel Israfil de menschen tot het oordeel zal oproepen.
[2064] Noach deed dit verzoek niet, dan nadat hij herhaalde malen gewelddadig door zijn volk was bejegend; want men verhaalt, dat een hunner hem aanviel en bijna verworgde, waarna hij, tot zich zelven gekomen, uitriep: O Heer! vergeef het hun want zij weten niet, wat zij doen (Al Beid‚wi).
[2065] Zijnde: Op een Woensdag. Zie Hoofdstuk XLI, vers 15, in de noot.
[2066] Of een kouden wind.
[2067] Men verhaalt, dat zij eene toevlucht in de rotskloven en holen zochten, terwijl zij elkander vasthielden, doch de wind blies hen met hevigheid weg, en wierp hen als lijken neder (Al Beid‚wi).
[2068] Deze is, volgens den Koran, de naam van den profeet, die tot de Thamoedieten werd gezonden.
[2069] Zie Hoofdstuk VII, vers 71, enz.
[2070] Dat is tusschen de Thamoedieten en de kameel. Zie Hoofdstuk XXVI, vers 155.
[2071] Namelijk Kodar Ebn Salef, die geen Arabier was, maar een vreemdeling, die onder de Thamoedieten woonde. Zie Hoofdstuk VII, vers 71 noot.
[2072] Deze woorden beteekenen of de droge takken, waarmede men in het Oosten kooien of schuilplaatsen bouwt, om het vee tegen wind en koude te beveiligen, of de stoppels en de andere stoffen, waarmede men, gedurende den winter, het vee in de kooien voedt.
[2073] Zoodat hun oogholten opzwollen, en met de overige deelen van het aangezicht gelijk werden. Dit wordt gezegd door middel van eene streek des vleugels van den engel GabriÎl geschied te zijn. Zie Hoofdstuk XI, vers 79 en volg.
[2074] Waaronder zij gebukt zullen gaan, tot zij hunne volle straf in de hel ontvangen.
[2075] Deze profetie werd vervuld door de overwinning te Bedr op de KoreÔshieten behaald. Eene overlevering van Omar verhaalt, dat toen deze plaats was geopenbaard, Mahomet zelf bekende, de ware meening daarvan niet te begrijpen; maar op den dag van den slag te Bedr, toen hij zijn maliÎnkolder aandeed, herhaalde hij deze woorden.
[2076] Zijnde: Kun, dat is: Wees. Deze plaats kan ook aldus worden wedergegeven: De uitvoering van ons voornemen, is slechts eene eenvoudige daad, die in een oogenblik wordt ten uitvoer gebracht. Sommigen veronderstellen, dat dit op den dag des oordeels betrekking heeft.
[2077] De meeste uitleggers twijfelen, of dit Hoofdstuk te Mekka of te Medina werd geopenbaard, of gedeeltelijk op de eene en gedeeltelijk op de andere plaats.
[2078] Deze woorden zijn gericht tot de twee soorten van redelijke wezens, namelijk tot de menschen en tot de geniussen. Dit vers is door het geheele Hoofdstuk niet minder dan een en dertig malen herhaald of tusschengevoegd. Marracci gist, dat dit in navolging van David is geschied. Zie Psalm CXXXVI.
[2079] De oorspronkelijke woorden beteekenen de verschillende punten van den horizont of gezichteinder, waarop de zon in den zomer- en winterstilstand op- en ondergaat. Zie Hoofdstuk XXXVII, vers 5, noot.
[2080] Zie Hoofdstuk XXV, vers 55.
[2081] De laatste volzin van dit vers zou letterlijk moeten luiden: Hij is iederen dag in een anderen toestand. Deze woorden beteekenen, volgens de uitleggers, dat God zich beurtelings met de uitvoering zijner besluiten, den dood en het leven der schepselen, de vernedering van de eenen en de verheffing van de anderen bezig houdt. Bij de Muzelmansche mystieken hebben zij eene andere beteekenis. Volgens dezen is de bedoeling, dat de eenige en ondeelbare God, die onveranderlijk in zijn wezen is, wat zijne hoedanigheden betreft, veelvoudig is, en ieder oogenblik afwisselt, hetgeen hij tot in het oneindige voortzet. Hij brengt de schepping voort, en doet die verdwijnen; hij vertoont en verbergt zich.
[2082] Ten einde van Gods macht te vlieden, en zijn besluit te ontvluchten.
[2083] Want hunne misdaden zullen te erkennen zijn, aan hunne verschillende werken zooals verder in den tekst volgt.
[2084] Zie Hoofdstuk XXXVII, vers 65.
[2085] Zijnde: een afgescheiden paradijs voor de menschen en een ander voor de geniussen, of, zooals sommigen denken, twee tuinen voor iederen persoon; de eene als eene belooning voor zijne werken, en de andere als eene vrije en buitengewone gift, enz.
[2086] Van welke sommigen bekend zullen zijn, en gelijk de vruchten der aarde, terwijl andere van nieuwe en onbekende soorten zullen wezen; of vruchten, zoowel groen als rijp.
[2087] Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk eene ramp, die zekerlijk, en wel plotseling en met geweld zal plaats hebben. Hier beteekent het daarom de dag des oordeels.
[2088] Dit zijn de zaligen en de verdoemden. Deze zijn hier aldus onderscheiden, omdat boeken, waarin hunne daden zijn opgeschreven, in de rechterhand der eersten, en in de linkerhand der laatsten zullen worden gegeven (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi). Ook beteekenen de woorden, hier met rechter- en linkerhand vertaald, mede geluk en ellende.
[2089] Zijnde: er zullen meer leiders zijn, die anderen in geloof en goede werken zijn voorafgegaan, onder de volgelingen der onderscheiden profeten van Adam tot Mahomet, dan onder de volgelingen van Mahomet zelven (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[2090] Zie Hoofdstuk XV, vers 47, noot.
[2091] Het oorspronkelijke woord Talh is niet alleen de naam van den banaan, maar ook van een zeer hoogen doornachtigen boom, die een groot getal aangenaam riekende bloemen draagt (Zie J. Leon, Descript. Africae lib. 9), en de Acacia schijnt te wezen.
[2092] Dat in kanalen geleid worden, en wel op die plaatsen en op zulk eene wijze, als ieder dat zal verlangen.
[2093] Hebbende hij haar opzettelijk van fijnere stoffen geschapen, dan de vrouwen van deze wereld, terwijl zij aan geen der ongemakken zijn onderworpen, dier sekse eigen.
[2094] En hoe dikwijls ook de mannen tot haar ingaan, zullen zij immer bevinden, dat zij maagden zijn.
[2095] Men heeft reeds hier boven (vers 13 en 14) gezien, dat de uitverkorenen in grooter getal bij de ouderen, dan bij de nieuweren zullen zijn. Deze verzen zijn in tegenspraak met vers 38 en 39. Al Beid‚wi denkt echter, dat er hier geen tegenspraak is, aangezien het groote getal, de meerderheid van eene der beide troepen volstrekt niet uitsluit.
[2096] Zie Hoofdstuk XXXVI, vers 80, noot.
[2097] Om den menschen de opstanding te herinneren (Hoofdstuk XXXVI vers 80), waarop de voortbrenging van vuur in sommige opzichten gelijkt, of van het vuur der hel (Al Beid‚wi).
[2098] Of: Laat niemand die aanraken, enz. Niet alleen de zuiverheid des lichaams wordt namelijk van hem vereischt, die met den verplichten eerbied van dit boek wenscht gebruik te maken, en daardoor hoopt te stichten, maar ook de zuiverheid der ziel. Daarom worden deze woorden gewoonlijk op den omslag geschreven.
[2099] De meening dezer duistere plaats is als volgt: Indien gij niet gedwongen zijt op den jongsten dag rekenschap van uwe daden te geven, zooals gij door uwe loochening van de opstanding schijnt te gelooven, doe dan de ziel van den stervenden persoon in zijn lichaam terugkeeren; want gij kunt dit even gemakkelijk doen, als gij den dag des oordeels kunt vermijden (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[2100] Zijnde de leiders, of de eerste leermeesters van het geloof.
[2101] Dit woord komt in vers 25 van dit Hoofdstuk voor.
[2102] Het is namelijk, volgens eenigen, onzeker, op welk der beide plaatsen dit Hoofdstuk werd geopenbaard.
[2103] Dit is: gij zijt door de sterkste bewijzen en beweegredenen verplicht in hem te gelooven.
[2104] Aangezien later geene zoo groote behoefte meer aan beiden bestond. De Mahomedaansche godsdienst was door die groote overwinning hecht gevestigd.
[2105] Een licht zal hen namelijk op den rechten weg naar het paradijs leiden, terwijl het andere uit het boek zal voortkomen, waarin hunne daden zijn vermeld, en dat zij in hunne rechterhanden zullen houden.
[2106] Zijnde eene wet der gerechtigheid. Sommigen denken, dat de engel GabriÎl werkelijk eene balans aan Noach uit den hemel bracht, waarvan hem geboden was, het gebruik bij zijn volk in te voeren.
[2107] Dit is: Wij leerden hem, hoe het uit de mijnen moet worden opgegraven. Al Zamakhshari voegt er bij, dat Adam gezegd wordt, vijf ijzeren dingen uit het paradijs te hebben medegebracht, zijnde: een aanbeeld, eene tang, twee hamers, (een grooten en een kleinen), en eene naald.
[2108] Dat is oprecht en hartelijk.
[2109] De Muzelmannen zeggen dikwijls: La rahbaniÔeta fil-islami. Geen kloosterleven in den Islam.
[2110] Deze woorden zijn hier tot de Joden en Christenen gericht; zij gelden nochtans de laatsten alleen.
[2111] Of zij die een geschil of rechtsgeding begint.
[2112] Sommigen zijn van meening, dat de eerste tien verzen van dit Hoofdstuk te Mekka en de overigen te Medina werden geopenbaard (Al Beid‚wi).
[2113] Dit was Khal¸a, de dochter van Thalaba, de vrouw van A˘s Ebn es-Samat, die door haren man met deze woorden werd verstooten: "Dat uw rug voortaan voor mij zij, zoo als de rug mijner moeder," zijnde de formule, waaruit eene eeuwige scheiding voortvloeide en na het uitspreken van welke men de verstooten vrouw niet meer kon terugnemen. Zij kwam daarop tot Mahomet, en vroeg hem, of het haar niet geoorloofd zou zijn, bij haren man te blijven, die, niettegenstaande hij haar had verstooten, haar echter niet dwong het huis te verlaten. Mahomet antwoordde, dat de bovenvermelde formule eene volkomene scheiding moest ten gevolge hebben, waarop de wanhopige vrouw (want zij bezat eenige jonge kinderen) zich verwijderde, en zich in hare gebeden, bij God over haar lot beklaagde. Mahomet kwam op zijne beslissing terug, en, steunende op de openbaring, in de verzen 1 en 2 vervat, veroorloofde hij de verstooten vrouwen terug te nemen, zelfs na het uitspreken der meergemelde formule, mits een offer brengende of een liefdewerk verrichtende, om voor de schending van den eed te boeten.
[2114] En daarom moet geene vrouw in denzelfden graad van verbod worden geplaatst, behalve diegene, welke door God met hem vereenigd zijn, zooals de zoogster, en de vrouwen van den profeet (Al Beid‚wi, zie Hoofdstuk IV, vers 26 volgg. en Hoofdstuk XXXIII vers 53).
[2115] Welke slaaf, overeenkomstig het meest algemeene gevoelen, een waar geloovige moet zijn, zooals voor de boete wegens manslag is bepaald (zie Hoofdstuk VI, vers 94).
[2116] Het schijnt, dat zij gewoon waren in plaats van: Al sal‚m aleika (vrede zij over u) te zeggen, Al s‚m aleika (ongeluk over u).
[2117] Op deze plaats wordt den Moslems bevolen, in de openbare vergaderingen plaats te maken voor den profeet en de meer aanzienlijken zijner makkers, en niet op hem toe te dringen, zooals zij gewoon waren te doen, om dichter bij hem te zijn, en zijne woorden beter te hooren.
[2118] Volgens sommigen de Joden (zie Hoofdstuk I, vers 6).
[2119] Daar zij huichelaars zijn, en tusschen de twee partijen wankelen.
[2120] Zijnde: Zij hebben den Islam plechtig beleden, dien zij in hunne harten niet geloofden.
[2121] Het oorspronkelijke woord beteekent het verlaten of verhuizen van de geboorteplaats of woning, om elders te gaan wonen, hetzij uit vrijen wil, hetzij door verdrijving.
[2122] Het hier bedoelde volk waren de Joden van den stam van Al Nadir, die te Medina woonden, en die, toen Mahomet van Mekka daarheen vluchtte, hem beloofden onzijdig te blijven, tusschen hem en zijne tegenpartij, waartoe zij een verdrag met hem sloten. Toen hij den slag van Bedr had gewonnen, beleden zij, dat hij de profeet was, in de wet beschreven; maar na zijne nederlaag te Ohod veranderden zij van gevoelen. Caab Ebn al Ashraf vormde een verbond met Aboe Sofian, dat zij beiden bezwoeren. Mahomet rukte daarop in het vierde jaar der hedjira tegen al Nadir op, en belegerde hunne vesting. Na zes dagen capituleerden zij, en werd het hun vergund te vertrekken, op voorwaarde, dat zij de plaats geheel zouden ontruimen. Volgens sommigen, begaven zij zich daarop naar SyriÎ, volgens anderen naar Khaibar en Hira (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin. Zie Abulf. vit. Moh. cap. 35). Dit was de eerste landverhuizing. De tweede viel eenige jaren later voor, gedurende de regeering van Omar, toen deze khalif degenen verbande, die te Khairbar hadden gewoond, en hen dwong ArabiÎ te verlaten (Idem Interpp.).
[2123] Daar zij zooveel verwoestten als zij konden, om het voordeel der Moslems zooveel mogelijk te verminderen, aan datgene wat zij verplicht waren achter te laten.
[2124] Het is opmerkelijk, dat in deze expeditie de buit niet werd verdeeld, overeenkomstig de daartoe in den Koran gegeven wet, (Hoofdstuk VIII, vers 42) maar aan den profeet werd gegeven, terwijl er bij verklaard werd, dat die geheel te zijner beschikking was. De reden hiervan was, omdat de plaats zonder behulp van paarden werd genomen, hetgeen, van toen af, eene vaste wet bleef (Zie Abulf. vit. Moh. p. 91).
[2125] De woonplaats van al Nadir was namelijk zoo dicht nabij Medina dat de Moslems allen te voet daarheen gingen, de profeet zelf uitgezonderd (Al Beid‚wi).
[2126] Daarom verdeelde Mahomet dezen buit alleen onder de Mohajerin, of zij die van Mekka waren gevlucht. Hij gaf daarvan niets aan de Ansars, of die van Medina, behalve aan drie van hen, welke in behoeftige omstandigheden verkeerden (Al Beid‚wi).
[2127] De bedoelde personen schijnen zij te wezen, die Mekka ontvluchtten, nadat Mahomet in sterkte toegenomen, en zijn godsdienst aanzienlijke vorderingen gemaakt had.
[2128] En het geschiedde dienovereenkomstig: Ebn Obba en zijne bondgenooten schreven namelijk met dat doel aan de Nadirieten; maar zij vervulden nimmer hunne belofte (Al Beid‚wi).
[2129] Dit is: voor het volgende leven, hetgeen morgen kan worden genoemd, zooals het tegenwoordige leven heden.
[2130] Zie Hoofdstuk VII, vers 179 noot.
[2131] Dit Hoofdstuk draagt dezen titel, omdat het bepaalt, dat de vrouwen die wegloopen en van de ongeloovigen tot de Moslems overgaan, onderzocht moeten worden ten aanzien van hare oprechtheid in de belijdenis van haar geloof.
[2132] Dit vers is vooral gericht tegen den Muzelman Hateb Ebn Abi Baltaa, die, wetende, dat er een expeditie tegen Mekka werd gereed gemaakt, de KoreÔshieten daarvan onderrichtte. Mahomet onderschepte zijn brief, en deed hem bittere verwijtingen, waarop Hateb antwoordde dat zijn doel geenszins was, de onderneming te doen mislukken, die overigens, als door God besloten, onfeilbaar moest wezen, maar dat hij van de afgodendienaren eenige verschooning had wenschen te verkrijgen voor zijn gezin, hetwelk hij te Mekka had achtergelaten. Mahomet nam de verontschuldiging van Hateb aan, maar haastte zich de bovenvermelde openbaring mede te deelen.
[2133] Het hier gebruikte werkwoord beteekent ook het tegenovergestelde, en zou dus ook kunnen vertaald worden: en hun in het openbaar vriendschap betoont, enz.
[2134] Omdat zijn vader afgodendienaar was. Zie Hoofdstuk IX, vers 115.
[2135] En dienovereenkomstig geschiedde het bij de inneming van Mekka, toen Aboe Sofian en anderen der KoreÔshieten, die op dat tijdstip hevige vijanden der Moslems waren, hetzelfde geloof omhelsden en hunne vrienden en broeders werden. Sommigen veronderstellen, dat hier het huwelijk van Mahomet met Omm Habiba, de dochter van Aboe Sofian wordt bedoeld, hetwelk een jaar te voren werd voltrokken (Zie Gagnier, not. in Abulf Vit. Moham. p. 91).
[2136] Want overeenkomstig de bepaling van het vredesverdrag van al Hodeibiya, moest elke der partijen teruggeven, wat in hare handen viel, en aan de tegenpartij toebehoorde. Dientengevolge werd op deze plaats, te gelijker tijd, dat den Moslems verboden werd, de gehuwde vrouwen terug te geven, die van de ongeloovigen zouden overloopen, hun ook bevolen, haren bruidschat, bij wijze van schadeloosstelling uit te keeren.
[2137] Want hetgeen aan hare vroegere echtgenooten wordt teruggeven, moet niet als weduwgift beschouwd worden.
[2138] Zie Hoofdstuk LXXXI, vers 8.
[2139] Dit vers bevat datgene, wat de Mahomedanen "den eed der vrouwen" noemen. De mannen zwoeren vÛÛr de Hedjira (vlucht van Mekka) denzelfden eed, vÛÛr dat Mahomet er de verplichting had bijgevoegd, hem in den oorlog tegen de afgodendienaren bij te staan. Deze eed had, evenals het aangaan van iedere verbintenis, bij de Arabieren plaats, door het geven der hand aan hem, omtrent wien men zich verbond. Na Mahomet werd de khalif op dezelfde wijze door een handslag gehuldigd.
[2140] Of, zooals sommigen eerder denken, te Medina. De uitlegging in de volgende noot bevestigt deze meening.
[2141] De uitleggers veronderstellen algemeen, dat deze woorden tot de Moslems zijn gericht, die, niettegenstaande zij zich plechtig hadden verbonden, hunne bezittingen en hun leven ter verdediging van hun geloof op te offeren, zich bij den slag van Ohod omkeerden (zie Hoofdstuk III, vers 11 en volg). Misschien ook moeten deze woorden op alle huichelaars worden toegepast, wier daden in tegenspraak met hunne woorden zijn.
[2142] Mahomet draagt bij de Muzelmannen verschillende namen, en wel ongeveer honderd, waartoe ook Ahmed behoort, afgeleid van het Grieksche Periclytos, de glorierijke, evenals Mahomet. De Mahomedanen beweren, dat Jezus de komst van Mahomet (Ahmed, Periclytos) heeft voorzegd (zie Johannes XVI : 7), en dat Peracletos, hetgeen op de nederdaling van den Heiligen Geest wordt toegepast, slechts een verbastering is van Periclytos, hetgeen door de Christenen, ter kwader trouw is uitgedacht.
[2143] Zie Hoofdstuk III, vers 45.
[2144] Hetzij door hem te verwerpen, hetzij door hem voor God of voor den zoon van God te houden (Jallalo'ddin).
[2145] Omdat zij de profetiÎn, in de wet bevat en die voor Mahomet getuigen, evenmin begrijpen, als de ezel de boeken, welke hij draagt.
[2146] Zijnde: Smeekt God, dat hij u van deze verdorvene wereld in een staat van ongestoorde zegening overbrenge.
[2147] Zie Hoofdstuk II, vers 89.
[2148] Dat is des vrijdags, die door Mahomet meer bijzonder werd bestemd voor de openbare vereering van God, en daarom Yaum al joma, d.i. de dag der vergadering of bijeenkomst werd genoemd.
[2149] Men verhaalt, dat eens des vrijdags, toen Mahomet predikte, eene karavaan, overeenkomstig de gewoonte, met slaande trom aankwam. Toen de verzamelde menigte dit hoorde, verlieten allen de moskee, om de karavaan op te zoeken, terwijl slechts twaalf hunner achterbleven (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[2150] Lang en dik, maar zonder kennis of verstand.
[2151] Deze en de voorgaande woorden, werden door Ebn Obba tot een bewoner van Medina gezegd, die, bij zekeren krijgstocht, met een Arabier, in de woestijn, om water twistte, daarbij eene wonde met een stok aan het hoofd ontving en zich daarover bij Mahomet beklaagde (Al Beid‚wi).
[2152] De uitleggers zijn het met elkander niet eens, of dit hoofdstuk te Mekka, dan wel te Medina werd geopenbaard, of gedeeltelijk op de eene plaats en gedeeltelijk op de andere.
[2153] Naardien de zaligen de verdoemden te leur zullen stellen door de plaatsen in te nemen, welke deze in het paradijs zouden gehad hebben, indien zij ware geloovigen zouden zijn geweest, en omgekeerd (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Yahya).
[2154] Want deze zijn in staat den man van zijnen plicht af te leiden vooral in tijden van tegenspoed (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Yahya), terwijl een gehuwd man voor de dingen dezer wereld zorgt, doet de ongehuwde dit voor de dingen, die den Heer toebehooren (zie Cor. VII : 25, enz.).
[2155] Overwegende, dat de hinderpalen, die zij u in den weg leggen uit hare liefde tot u voortvloeien, enz.
[2156] Dat is: als zij, na den tijd harer echtscheiding hare regels driemaal gehad zullen hebben, indien zij niet bewijzen, zwanger te zijn, of, indien zij dit laatste bewijzen, als zij verlost zullen zijn (zie Hoofdstuk II, vers 228). Al Beid‚wi veronderstelt, dat den echtgenooten hier wordt bevolen, van hunne vrouwen te scheiden, terwijl zij rein zijn, en zegt, dat deze plaats werd geopenbaard tegen Ebn Omar, die zich van zijne vrouw liet scheiden, toen zij hare regels had, waardoor hij verplicht werd, haar weder terug te nemen. Volgens Savary heeft een Muzelman, zoodra hij den eed heeft gedaan dat hij van zijne vrouw wil scheiden, geene gemeenschap meer met haar. Bij het hooren van dien eed, omsluiert zij zich het hoofd, zondert zich in haar vertrek af en laat haren man niet meer toe. Zijn de vier maanden, als verzoeningstermijn gesteld, verloopen, dan zijn de huwelijksbanden verbroken, en de vrouw herkrijgt hare vrijheid. Bij haar vertrek ontvangt zij dan den bruidschat of de weduwgift in het huwelijkscontract bepaald. De dochters blijven bij de moeder, de zonen bij den vader.
[2157] Zie Hoofdstuk II, vers 232.
[2158] Dat minstens toereikend moet zijn, om haar gedurende den zoogtijd te kleeden en te onderhouden (zie Hoofdstuk II, vers 233).
[2159] En doordringt en bezielt hen allen met onbeperkte kracht.
[2160] Het eerste vers van dit Hoofdstuk werd bij de volgende gelegenheid geopenbaard. Gelijk men weet, had Mahomet onderscheidene vrouwen te gelijk, bij welke hij beurtelings den nacht doorbracht. Eens bracht hij een nacht, die aan Hafsa toekwam, met Maria de Copte door, die hem door Mokawkas, gouverneur van Egypte, was gezonden. Dit gedrag belgde Hafsa zeer, die hem daarover zulke scherpe verwijtingen deed, dat de profeet, om haar tot bedaren te brengen, beloofde, geheel en al met Maria te breken. De openbaring in dit vers bevat, heeft ten doel, Mahomet van zijnen eed te ontheffen, dien hij onbedacht had gedaan; vooral nadat God door de voorafgaande openbaringen, den mannen eene groote speelruimte in hunne betrekkingen met hunne vrouwen had gelaten. Sale waarschuwt vooral tegen de verkeerde vertaling van deze plaats door Dr. Prideaux.
[2161] Hafsa verhaalde de gebeurtenis aan AÔsha, eene andere vrouw van Mahomet, met welke zij in eene zeer vriendschappelijke betrekking stond. Mahomet verweet Hafsa, het geheim niet bewaard te hebben, nopens hetgeen er gebeurd was, en het aan AÔsha verhaald te hebben. Hafsa was verwonderd te hooren, dat zij verraden was, en vroeg den profeet, wie hem daarvan had onderricht, waarop Mahomet antwoordde, dat dit God zelf was. Hij had het door het gedrag van AÔsha omtrent hem gemerkt.
[2162] Deze plaats is tegen Hafsa en AÔsha gericht.
[2163] Zie Hoofdstuk LXXIV, vers 30.
[2164] Deze woorden zullen op den jongsten dag tot de ongeloovigen worden gesproken.
[2165] Zie Hoofdstuk XXIV, vers 35, en LVII, vers 5, 7, 12 en 18.
[2166] Deze waren namelijk beide ongeloovige vrouwen, hare mannen door hare huichelarij bedrogen. De vrouw van Noach trachtte het volk te overtuigen, dat haar man bezeten was, en de vrouw van Lot spande samen met de mannen van Sodom, en had de gewoonte hun er bericht van te geven, als er vreemdelingen bij Lot den nacht kwamen doorbrengen. Daartoe gaf zij een teeken: des daags door rook, en des nachts door vuur (Jallalo'ddin, al Zamakhshari).
[2167] Want zij vonden beide een ongelukkig einde in deze wereld en zullen in de toekomende tot eeuwige ellende gedoemd zijn. Op dezelfde wijze zouden de ongeloovigen uit den tijd van Mahomet, geene verzachting van straf kunnen verwachten, op grond van de verwantschap, waarin zij tot hem, en tot de overige ware geloovigen stonden.
[2168] Zie Hoofdstuk XIX, vers 17, enz.
[2169] Bij gelegenheid der eervolle melding, die hier van deze twee vrouwen wordt gemaakt, verhalen de uitleggers een gezegde van hunnen profeet: dat onder de mannen velen zijn geweest, die volmaakt waren, maar dat niet meer dan vier van de andere sekse, de volmaaktheid hadden bereikt, te weten: Asia, de vrouw van Pharao, Maria, de dochter van Imram, Khaddah, de dochter van Khowaileid (de eerste vrouw van den profeet) en Fatima, de dochter van Mahomet.
[2170] Dit Hoofdstuk wordt door sommigen ook de Redding of de Bevrijding genoemd, aangezien het, volgens hun zeggen, hem die het leest, van de marteling des grafs redt.
[2171] Zie Hoofdstuk XV, vers 17.
[2172] Zie Hoofdstuk LVI, (vers 140 en de volg.).
[2173] De uitleggers passen deze vergelijking op den ongeloovige en den waren geloovige toe.
[2174] Deze letter wordt door sommigen tot titel van dit hoofdstuk gekozen, maar de beteekenis is vrij onzeker. Zij die veronderstellen, dat die letter het woord Noen beduidt, zijn het niet eens, omtrent hare beteekenis op deze plaats, aangezien dit woord niet alleen de naam is van de letter N in het Arabisch, maar ook van een inktkoker en een visch, terwijl verder van schrijven, eene pen, en een visch wordt gesproken. Anderen weder hebben er iets anders op gevonden en zijn van meening, dat deze letter hier staat voor de tafel van Gods besluiten of voor de rivieren in het paradijs, enz. (Al Zamakhshari, Al Beid‚wi, Yahya).
[2175] Dit hebt gij getoond door het geduld en de onderwerping, waarmede gij de slechtheden en beleedigingen van uw volk hebt verdragen, welke grooter waren dan die, aan een der profeten vÛÛr u aangedaan (Al Beid‚wi).
[2176] Zijnde: Indien gij hen ongehinderd wilt laten in hunne afgodendienarij en andere zondige handelingen, zullen zij ophouden met u te vernederen en te vervolgen.
[2177] Door hen met een vreeselijken hongersnood te teisteren, zie Hoofdstuk XXIII, vers 79.
[2178] Een vroom man bezat een tuin met palmboomen beplant. Hij had de gewoonte de armen van zijne plaats te onderrichten van den dag, waarop hij de dadels zou afsnijden. Al de vruchten, die niet op het kleed vielen, dat onder den boom was uitgespreid, en ook de dadels, die door den wind werden afgeworpen, of door het mes werden verschoond, waren voor de armen. Na zijn dood beslisten zijne zonen, die minder weldadig dan hun vader waren, op zekeren dag, de armen niet meer van den dadeloogst te onderrichten, en de vruchten vroeg in den ochtend af te snijden. Maar des nachts verwoestte een onweder den tuin, en er bleef geen spoor meer van over (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[2179] Dezelfde uitdrukking wordt in Hoofdstuk LVI, vers 66 gebruikt.
[2180] Deze uitdrukking wordt in het Arabisch gebruikt, om eene strenge en vreeselijke ramp aan te duiden. Zoo zegt men: de oorlog heeft het been ontbloot, als men de woede van den slag wil te kennen geven.
[2181] Daar de tijd der aanneming zal verstreken wezen.
[2182] Zie Hoofdstuk IV, vers 38.
[2183] Dat is: wees niet ongeduldig en eigenzinnig, zooals Jonas was. Zie Hoofdstuk XXI, vers 87.
[2184] Het oorspronkelijke woord al Hakkat, is een der namen van den dag des oordeels.
[2185] In het Arabisch al K‚rir‡t of de treffende, mede een der namen van den jongsten dag.
[2186] Zie Hoofdstuk LIV, vers 20.
[2187] Zijnde Sodom en Gomorrah. Zie Hoofdstuk IX, vers 71 noot.
[2188] Deze woorden schijnen op den dood der engelen te doelen. Bij de verwoesting van hunne woning, zullende zij dan als doode lichamen naast de bouwvallen daarvan liggen.
[2189] Zijnde: Vervoer er hem mede, opdat hij niet in staat zij oproer te verwekken.
[2190] Ik wil niet zweren. Zie Hoofdstuk LVI, vers 74.
[2191] Langs welke de gebeden en de rechtvaardige daden ten hemel opstijgen; of waar langs de engelen opstijgen, om de goddelijke bevelen te ontvangen, of langs welke de geloovigen tot het paradijs opstijgen. Sommigen zien hierin de verschillende rangen van engelen, of van de hemelen, die trapsgewijze boven elkander verrijzen.
[2192] De plaats is hier woordelijk vertaald. Sale voegt er "ook de geest van GabriÎl" tusschen, en meent tevens, ten einde deze plaats met Hoofdstuk XXXII, vers 4 te verbinden, dat daar de opstijging van de aarde bedoeld wordt, terwijl hier van eene opstijging van den laagsten graad der schepping zou worden gesproken. Kasimirski bestrijdt deze meening, welke hij geheel willekeurig noemt, en die slechts moet strekken, om deze beide plaatsen, waarvan eene van vijftig duizend jaren, en de andere van duizend jaren spreekt, niet met elkander in tegenspraak te doen zijn. Overigens zijn de uitleggers het volstrekt niet eens of hier door Mahomet op den dag des oordeels, wordt gedoeld, of wel op de dagen gedurende welke de zielen zullen moeten wachten, wat volgens eenigen niet meer dan een halve dag is.
[2193] Zie Hoofdstuk XVII, vers 12.
[2194] Zijnde van morsig zaad, dat in geene betrekking staat tot, of geene gelijkenis met heilige wezens heeft; daarom is het noodig voor hem, die hoopt een bewoner van het paradijs te worden, zich zelven in het geloof en de geestelijke deugden te volmaken, om zich voor die plaats geschikt te maken (Al Bed‚wi).
[2195] Of "Ik zweer niet." Savary geeft aan deze lezing de voorkeur en ook Kasimirski (Zie Hoofdstuk LVI, vers 74). De oorspronkelijke woorden staan in het meervoud, en beteekenen de verschillende punten van den gezichteinder, waar de zon in den loop des jaars op- en ondergaat (Zie Hoofdstuk XXXVII, vers 5 noot).
[2196] Zijnde uwe zonden in het verledene, die uitgewischt zijn, door de belijdenis van het ware geloof.
[2197] Er wordt gezegd, dat Noach, gedurende langen tijd, te vergeefs voor hen had gepredikt, en dat God daarna den hemel gedurende veertig jaren dichtsloot en hunne vrouwen onvruchtbaar maakte (Al Zamakshari).
[2198] Dat is volgens de meening der uitleggers: door verschillende graden of veranderingen, van den oorspronkelijken vorm, tot gij volmaakte menschen werdt (zie Hoofdstuk XXII, vers 5, en Hoofdstuk XXIII, vers 12 en volg).
[2199] Dit waren vijf godvruchtige mannen, die vÛÛr Noach hadden geleefd. De eerbied, welke men voor hunne nagedachtenis had, ontaardde later bij de Ante-Diluvianen, en vervolgens bij de Arabieren in afgoderij.
[2200] Sommige uitleggers zeggen, dat Noach dit gebed niet uitsprak, dan nadat hij zijn volk gedurende 950 jaren beproefd, en toen bevonden had, dat zij onverbeterlijk waren.
[2201] Zijn vader Lamech en zijne moeder Shemka, de dochter van Enoch, die ware geloovigen waren.
[2202] De uitleggers komen niet overeen omtrent hetgeen deze plaats betreft: sommigen zeggen dat hier het woonhuis van Noach bedoeld wordt, anderen de tempel, dien hij voor de vereering van God gebouwd had, of wel de ark.
[2203] Zie Hoofdstuk XLVI, vers 28 noot. Wij hebben reeds gezegd, dat, volgens het geloof der Arabieren, de geniussen eene soort van middenras vormden tusschen de menschen en de engelen. Op het gezag dezer plaats, en steunende op de omstandigheid, dat Mahomet deze geniussen niet had gezien, maar dat hunne aanwezigheid hem door God werd geopenbaard, gelooven de uitleggers dat de geniussen de zielen der menschen zijn, waardoor het woord geniussen synoniem met geesten zou zijn. Deze uitlegging komt echter kwalijk overeen met de andere plaatsen van den Koran, en met de meening, dat de geniussen op dezelfde wijze als de andere schepselen worden voortgebracht.
[2204] Zijnde Eblis, of de weerspannige geniussen.
[2205] Zie Hoofdstuk XV, vers 16 en volg.
[2206] Zijnde: Wij zullen hun een overvloed van goede dingen schenken.
[2207] Zijnde: Mahomet.
[2208] Men wil met deze woorden Mahomet bedoeld hebben, hetgeen in tegenspraak zou wezen met verschillende plaatsen van den Koran, waar de Arabische profeet nederig erkent, dat hij onbekend is met de verborgene dingen. De beste verklaring, welke men van de verzen 27 en 28 geeft, is, dat God zijne geheimen aan niemand mededeelt, en als hij, dengene zijner gezanten (hetzij engel of profeet) welke het hem heeft behaagd uit te kiezen, zijne bevelen geeft, hij dien overal volgt, om te zien of hij zich daarvan kwijt.
[2209] Sommigen willen dat het laatste vers te Medina geopenbaard zij.
[2210] Toen deze openbaring aan Mahomet werd gebracht, was hij in zijne kleederen gewikkeld, naardien hij verschrikt was door de verschijning van GabriÎl, of zooals sommigen zeggen, lag hij gerust te slapen, of volgens anderen, had hij zich in een gedeelte van een wijden mantel gewikkeld, of een dekkleed, met welk ander deel AÔsha zich had bedekt om te slapen (Al Zamakhshari, Al Beid‚wi).
[2211] Want de nacht is het best geschikt voor overpeinzing en gebed, alsmede om Gods woord duidelijk en met aandacht te lezen, door het afwezig zijn van alle gedruisch en ieder voorwerp, dat de aandacht zou kunnen afleiden.
[2212] Zooals: doornen en distels, de vrucht van den helschen boom, al Zakkoem, en het bedorven vocht, dat uit de lichamen der verdoemden vloeit.
[2213] Zijnde: Het goede, dat gij gedurende uwen leeftijd zult doen, zal verdienstelijker wezen in de oogen van God, dan hetgeen gij tot den dood uitstellen, en bij uitersten wil bevelen zult (Al Beid‚wi).
[2214] Het woord, dat als titel voor dit hoofdstuk dient, beteekent bijna hetzelfde als datgene, wat voor den titel van het voorgaande is gebruikt. Deze twee hoofdstukken worden als de eerste der openbaring beschouwd. Volgens de overlevering zou Mahomet het volgende hebben verhaald: "Eens op een dag bevond ik mij te Hera, waar ik een stem hoorde, die mij riep. Ik keek rechts en links, maar ik zag niemand: ik wendde mijne oogen omhoog en zag den engel GabriÎl, op den troon tusschen hemel en aarde. Ik werd bang, trad bij Khadidja, mijne vrouw, binnen, en zeide tot haar: Omhul mij met mijnen mantel. Daarop daalde de engel op nieuw neder en riep mij toe: 'O gij, die met uwen mantel zijt omwikkeld.'"
[2215] Men gelooft algemeen, dat de hier bedoelde persoon Al Walid Ebn al Mogheira was (Al Zamakshshari, Al Beid‚wi, Jallalo'ddin), een voornaam man onder de KoreÔshieten.
[2216] Door zijne komst tot macht en waardigheid te vergemakkelijken, die zoo aanzienlijk waren, dat hij Rih‚na Konreisch werd bijgenaamd, zijnde "de liefelijke geur der KoreÔshieten" en al Walid, zijnde "de eenige of onvergelijkelijke" (Al Beid‚wi).
[2217] Dit is: Al zijne schepsels: en bijzonder het aantal en de kracht der helwachters.
[2218] Zie Hoofdstuk LII, vers 21.
[2219] Woordelijk: Datgene wat zeker is.
[2220] Of: ik zal niet zweren (Zie Hoofdstuk LVI, vers 74).
[2221] Of het goede dat hij heeft verricht, en datgene wat hij ongedaan, heeft gelaten, enz.
[2222] Zijnde: En als hij zijne beenen te zamen zal uitstrekken, zooals bij lijden het geval is. De woorden kunnen ook worden vertaald: En als eene bedroeving met eene andere bedroeving zal worden vereenigd.
[2223] Sommigen veronderstellen, dat hier bijzonder Aboe Jahl en anderen zekere Adi Ebn Rabia wordt bedoeld.
[2224] Het is eenigszins twijfelachtig of dit Hoofdstuk te Mekka, dan wel te Medina werd geopenbaard.
[2225] Opdat hij in staat zou wezen, de wetten en leidingen te ontvangen, die hem door God tot gids zijn gegeven (Al Beid‚wi) en de belooning of de straf te verdienen, door die wetten enz. na te komen of te verwaarloozen.
[2226] Dit is de naam van een fontein in het paradijs, aldus genaamd door zijne overeenkomst in geur en witheid met kamfer (hetgeen dat woord mede beteekent). Sommigen vatten het woord anders op, en gelooven dat de wijn van het paradijs met kamfer zal vermengd worden, wegens zijne aangename koelheid en geur (Al Beid‚wi).
[2227] Volgens de uitleggers hebben de verzen 7 en 8 betrekking op Ali en zijne familie. Hassan en Hossein, zoons van Ali, waren ziek geworden, waarop Ali en Fatima, zijne vrouw, de gelofte deden, gedurende drie dagen te zullen vasten, indien de kinderen genazen. Maar Ali had reeds sedert den eersten dag niets om er brood van te maken, daar de Muzelmannen op een vastendag, evenals bij de IsraÎlieten, eerst na zonsondergang voedsel genieten. Hij leende daarop meel bij een Jood en Fatima bakte er vijf brooden van. Hierop komt een arme die iets te eten vraagt: men geeft hem de vijf brooden, en het gezin brengt den nacht door zonder iets te nuttigen. Den volgenden dag wordt het op nieuw bereide brood aan een wees, en den derden dag aan een balling gegeven. De engel GabriÎl komt nu aan Mahomet op deze plaats geluk wenschen, met de goede daad door zijne familie verricht.
[2228] Daar zij beider licht niet noodig hebben (zie Openb. XXI, 23). Het woord Zamharir hier met "maan" vertaald, beteekent eigenlijk eene groote koude. Sommigen meenen daardoor, dat de beteekenis dezer plaats is, dat in het paradijs geene groote koude of hitte zal worden gevoeld.
[2229] Het woord beteekent gember, hetwelk de Arabieren gaarne met het water mengen dat zij drinken. Het water van deze fontein wordt dientengevolge verondersteld, den smaak van die specerij te hebben (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[2230] Zijnde de dag des oordeels.
[2231] Zie Hoofdstuk XVI, vers 15, en XXXI, vers 9.
[2232] Dit is de engel des doods en zijne helpers, die de zielen der zondaren op ruwe en vreeselijke wijze uit de binnenste deelen huns lichaams zullen nemen, zooals een mensch een voorwerp van den bodem der zee opvischt. De zielen der rechtvaardigen zullen zij echter op voorzichtige en zachte wijze van hunne lippen afnemen, zooals een mensch met ÈÈn haal een emmer water put (Al Beid‚wi).
[2233] Zie Hoofdstuk XX, vers 12.
[2234] Eens was Mahomet in gesprek met eenige voorname KoreÔshieten welke hij wilde bekeeren, toen een blinde, Abdallah Ebn Omm Mactum genaamd, tot hem kwam, en hem over een godsdienstig punt wilde ondervragen. Mahomet, teleurgesteld door deze stoornis, fronste de wenkbrauwen en wendde hem den rug toe. Hierover wordt hij in dit Hoofdstuk gelaakt. Sedert dien tijd betoonde Mahomet altijd veel eerbied voor Ebn Omm Mactum en zeide: de man is mij welkom, om wien ik door mijn Heer gegispt werd. Twee malen benoemde hij hem tot bestuurder van Medina (Zamakhshari).
[2235] Zijnde overgeschreven van de welbewaarde tafel, die alleen door de engelen wordt aangeraakt. Sommigen verstaan daardoor de boeken der profeten, waarmede de Koran in de hoofdzaak zou overeenkomen (Zamakhsari).
[2236] Ditzelfde woord wordt in het Arabisch gebruikt als men van den tulband spreekt. Men moet zich dus de zon als een kegel voorstellen, van eene buigbare stof gemaakt. Hetzelfde woord beteekent ook het loshaken en nederwerpen van een voorwerp; deze beteekenis zou misschien natuurlijker wezen.
[2237] De afgodendienende Arabieren beschouwen namelijk de geboorte der dochters als een ongeluk, en ontdeden zich dikwijls van deze, door haar levend te verbranden. Zie Hoofdstuk XVI, vers 61.
[2238] Of afgestroopt van hunne plaats, zooals de huid van een kameel. Mabracci is van meening, dat deze plaats betrekking heeft op diegene der psalmen (Psalm CIV, 2), waar, overeenkomstig de lezingen der Septuaginta en Vulgata, gezegd wordt, dat God den hemel als eene huid heeft uitgestrekt.
[2239] Zie Hoofdstuk LVI, vers 74.
[2240] Zijnde GabriÎl.
[2241] Zie Hoofdstuk LIII, vers 7.
[2242] Die de gesprekken der engelen heeft afgeluisterd. Dit vers is een antwoord op eene lastering der ongeloovigen, die zeiden, dat de Koran slechts een tooverstuk was. De Arabieren veronderstellen namelijk dat de waarzegger of toovenaar zijne denkbeelden ontvangt van de booze geesten, die steeds zooveel mogelijk van de bewoners des hemels trachten te vernemen.
[2243] Zie Hoofdstuk L, vers 16.
[2244] SidjÓn is een boek, waarin de daden der menschen zijn opgeschreven. SidjÓn of Sedjin is ook een mesthoop onder de zevende aarde het verblijf van Eblis, waar het boek bewaard wordt.
[2245] Dit is het meervoud van het voorgaande woord, dat behalve de reeds gegevene beteekenis, volgens sommigen ook nog eene verheven plaats nabij Gods troon zou beteekenen, voor het verblijf der gelukzaligen bestemd.
[2246] Tasnim is de naam van eene fontein in het Paradijs, aldus genaamd, als zijnde in de hoogste afdeelingen geplaatst.
[2247] Zijnde: Het is den geloovigen door God niet bevolen, den ongeloovigen rekenschap te vragen, of hunne daden te beoordeelen.
[2248] Sommigen zijn van meening dat deze soera te Medina werd geopenbaard.
[2249] Zooals de schatten, die in hare ingewanden zijn verborgen, en de lijken, die in de graven liggen.
[2250] Dit is: in zijne linkerhand; want bij de zondaars zal die hand achter op den rug gebonden zijn, en hunne rechterhand aan hunnen nek.
[2251] Zie Hoofdstuk LVI, vers 74.
[2252] Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk torens, waardoor sommigen veronderstellen, dat het werkelijk torens zijn (Yahya), waarin de engelen verondersteld worden wacht te houden (zie Hoofdstuk XV, vers 16 en Hoofdstuk LXXII, vers 8), terwijl anderen het voor de sterren der eerste grootte houden. Het meerendeel der uitleggers ziet echter in deze uitdrukkingen de twaalf teekens van den dierenriem, (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi, Yahya).
[2253] Men verschilt omtrent de beteekenis dezer woorden: sommigen meenen, dat met den getuige Mahomet, en met de getuigenis of veeleer, volgens de taalkundige beteekenis van het woord, de zaak waaromtrent men getuigenis aflegt, het geloof wordt bedoeld. Anderen passen deze woorden op zekere wachten toe, die getuigen zijn van de daden der menschen.
[2254] Dit waren de uitvoerders van de vervolging der inwoners van Najr‚n door Dhoe Norvas, koning van Yemen, die den Joodschen godsdienst beleed. Deze hadden namelijk het Christendom omhelsd, waarop de tyran bevel gaf, dat allen die geen afstand van hun geloof wilden doen, in een put zouden geworpen worden, die met vuur gevuld was, en waardoor zij tot asch werden verteerd (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi, Yahya. Zie Poc. Spec. p. 62. Ecchellens, Hist. Arab. part. I c. 10; en Prid. Life of Mohammed p. 61). Anderen verhalen het echter op andere wijze. (Zie d'Herbelot, Bibl. Orient. Art. Abou Navas).
[2255] Zie Hoofdstuk VII, vers 101 en volg.
[2256] Zie Hoofdstuk VII, vers 71 en volg.
[2257] Zijnde uit de lendenen van den man en de borstbeenderen der vrouw (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[2258] Door hunne verschillende soorten, eigenschappen, levensloop, enz. te bepalen (Al Beid‚wi).
[2259] Niet alleen het redelijk schepsel, door de rede en door de openbaring te leiden, maar ook de redelooze wezens door instinct, enz. (Al Beid‚wi).
[2260] Zie Hoofdstuk LXXV, vers 16.
[2261] Zijnde: behalve de openbaringen, waarvan God de afschaffing en het uitwisschen uit het geheugen noodig acht. Zie Hoofdstuk II, vers 100 en Hoofdstuk LXXV, vers 17.
[2262] Om de openbaring te onthouden, u door GabriÎl medegedeeld.
[2263] Dit is een der namen van den jongsten dag.
[2264] Sommigen zijn van meening, dat dit hoofdstuk te Medina werd geopenbaard.
[2265] Zijnde: de tien heilige nachten der maand Dhoelhajja.
[2266] Deze woorden worden op verschillende wijzen uitgelegd. Sommigen verstaan daardoor alle dingen, anderen alle wezens (die gezegd worden bij paren geschapen te zijn. Zie Hoofdstuk LI, vers 49) en den schepper die eenig is, enz. (Al Zamakhshari).
[2267] Een der koningen van dit volk, Sheddad, een der zonen van Ad, had van het paradijs en zijne genietingen gehoord. Hij kwam daardoor op het denkbeeld, paleizen in zijn land te bouwen, en tuinen aan te leggen, die door hunne pracht en hunne schoonheid een denkbeeld van het paradijs zouden geven. De Oostersche schrijvers en dichters vergelijken schoone plaatsen en fraaie paleizen, dikwijls met de tuinen van Irem. Men zegt dat deze tuinen en gebouwen verwoest werden door een kreet uit den hemel, wegens de misdaden van de volkeren van dat land.
[2268] Zie Hoofdstuk XXXVIII, vers 11.
[2269] Want wereldsche voor- of tegenspoed is geen zeker kenteeken van de gunst of ontevredenheid van God.
[2270] Door niet toe te staan, dat vrouwen of jonge kinderen eenig deel hebben aan de erfenis van hunne echtgenooten of hunne ouders. (Zie Hoofdstuk IV, vers 12 en volg.).
[2271] Niemand zal in staat zijn zoo te straffen en te binden, gelijk als God de zondaren zal straffen en binden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[2272] Het heilige grondgebied.
[2273] Sommigen vatten deze woorden in den algemeenen zin op, anderen van Adam, Abraham of hunne nakomelingschap, en van Mahomet in het bijzonder (Al Beid‚wi).
[2274] Sommigen meenen, dat hier op Walid Ebn El Mogheira gezinspeeld wordt, die een der grootste tegenstanders van Mahomet was: anderen gelooven, dat hier sprake is van zekeren Aboel Ashadd Ebn El Calda, die eene herculische kracht bezat.
[2275] Zie Hoofdstuk LVI, vers 8.
[2276] Kedar Ebn Salef. (Zie Hoofdstuk VII, vers 75 en Hoofdstuk IV, vers 27).
[2277] Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk het meest verlichte deel van den dag, als de zon het sterkste schijnt; drie of vier uren nadat zij is opgegaan, en ook den dag in het algemeen.
[2278] Men zegt, dat dit vers aan Mahomet werd geopenbaard, toen hij zich bij God beklaagde, wegens het lange uitblijven der hemelsche openbaring, terwijl de afgodendienaars hem met vragen overstelpten, en zijn stilzwijgen te zijnen nadeele uitlegden.
[2279] Door die geschikt en wijder te maken om de waarheid, wijsheid en profetie te ontvangen, of, door u voor onheil en onwetendheid te bewaren? Deze plaats wordt geacht, betrekking te hebben op het openen van Mahomets hart in zijne kindsheid, of toen hij naar den hemel reisde. Bij eene dier beide gelegenheden zou namelijk de engel GabriÎl, den zwarten droppel of het zaad der erfzonde er uitgenomen, en het gewasschen en gezuiverd hebben, waarna hij het met wijsheid en geloof vulde (Al Beid‚wi, Yahya. Zie Abulf, vit. Moh. p. 9. en 33; Prid. Life of Moh. p. 105, enz.).
[2280] Zijnde: van uwe zonden vÛÛr uwe zending bedreven, of van uwe onwetendheid en de ongerustheid van uw gemoed.
[2281] De uitleggers zeggen, dat God bij deze twee vruchten zweert, om haar uitgebreid gebruik en uitnemende hoedanigheden. Sommigen veronderstelden echter, dat hier niet deze vruchten worden bedoeld, maar twee bergen in het Heilige Land, waarop zij in overvloed groeien, of wel de tempels van Damascus en Jeruzalem (Al Zamakhshari, Yahya, Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[2282] Het grondgebied van Mekka.
[2283] Zijnde: Wij schiepen den mensch naar eene volmaakte evenredigheid van lichaam, en groote volmaaktheid des geestes; nochtans hebben wij hem gedoemd, om, in geval van ongehoorzaamheid, een bewoner der hel te zijn.
[2284] Deze eerste vijf verzen van dit hoofdstuk worden algemeen voor de eerste plaats gehouden, welke van den Koran werd geopenbaard, terwijl Mahomet eenzaam en in gepeins verzonken op den berg Harra was. Sommigen echter zeggen dit van Soera LXXIV.
[2285] Zie Hoofdstuk XXII, vers 5.
[2286] De uitleggers komen daarin overeen, dat het overige gedeelte van dit hoofdstuk tegen Aboe Jahl, Mahomets grootsten tegenstander, werd geopenbaard.
[2287] Aboe Jahl dreigde namelijk, dat indien hij Mahomet gedurende het gebed mocht betrappen, hij zijn voet op diens nek zou plaatsen. Toen hij echter kwam en hem in die houding zag, wendde hij zich plotseling verschrikt af. Men vroeg hem wat daarvan de reden was, en hij antwoordde, dat er een kuil met vuur tusschen en Mahomet geplaatst was, en eene vreeselijke verzameling van manschappen, om dezen te verdedigen (Al Beid‚wi.)
[2288] Zie Hoofdstuk XI, vers 59 noot.
[2289] Zijnde de raad of vergadering der voornaamste bewoners van Mekka, waarvan verreweg het grootste gedeelte partijgangers van Aboe Jahl waren.
[2290] Kadr beteekent macht en eer of waardigheid, en ook de goddelijke of onverwrikbare besluiten. Men zou deze plaats met Hoofdstuk XLIV vers 2 en 3 kunnen vergelijken. Het is in den nacht van al Kadr, welken men gelooft, die van den 23sten of 24sten van de maand Ramadhan te zijn, dat de Koran in zijn geheel aan Mahomet werd geopenbaard. In dien nacht worden de aangelegenheden des heelals vastgesteld, en voor het geheele jaar besloten.
[2291] Zie Hoofdstuk XLIV vers 3.
[2292] Zie hoofdstuk IX, vers 73, noot.
[2293] Deze aardbeving zal bij den eersten of, zooals anderen zeggen, bij den tweeden klank der trompet plaats hebben (Al Zamakhshari, Al Beid‚wi).
[2294] Zijnde: zij zal alle schepselen omtrent de oorzaak harer schudding onderrichten, en hare schatten en hare dooden uitwerpen.
[2295] Zie hoofdstuk IV, vers 44, noot.
[2296] Sommigen willen, dat dit geen paarden zijn, maar de kameelen, die in den slag van Bedr werden gebruikt (Yahya, ex trad. Ali Ebn Abi Taleb).
[2297] Dit is een der namen van den jongsten dag.
[2298] Het oorspronkelijke woord el‚wiyet, is de naam van de onderste afdeeling der hel, en beteekent waarschijnlijk een diepe put of wel een afgrond.
[2299] Of den tijd waarop de zon zijn ondergang nadert, zijnde een der vijf voor het gebed bepaalde tijdstippen. Het oorspronkelijke woord beteekent ook de eeuw of den tijd in het algemeen.
[2300] Deze plaats wordt gezegd tegen Al Akhnas Ebn Shoreik of al Walid Ebn al Mogheira, of wel tegen Ommeyya Ebn Khalf geopenbaard te zijn, die allen van lastering, vooral opzichtens den profeet, beschuldigd werden (Al Zamakhshari, Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[2301] Al-Hotama is een der namen van de hel of van eene harer afdeelingen, aldus genaamd, omdat zij alles in stukken breekt, wat daarin geworpen wordt.
[2302] Dit hoofdstuk heeft betrekking op de volgende omstandigheid: Abraha Ebn al Sarah, bijgenaamd al Ashram (met den gespleten neus), koning of onderkoning van Yemen, een EthiopiÎr van den Christelijken Godsdienst, had te Sanaa een prachtige kerk gebouwd, en dwong de Arabieren daarheen in bedevaart te gaan, in plaats van naar den Caaba-tempel. De KoreÔshieten zonden daarop een man van den stam van Kenanah des nachts naar de kerk welke hij op schandelijke wijze ontheiligde. Abraha ondernam daarop een expeditie naar den Caaba-tempel, ten einde die te verwoesten. Volgens de overlevering verloor Abraha zijn geheel leger, dat door de vogels (ababils) werd aangevallen, die doodelijke pijlen op hen schoten. Toen men Mekka in het gezicht had, knielde de witte olifant, waarop Abraha reed, neder, als een teeken van vereering. Abraha ontving den naam van den meester, of van den man met den olifant; zijn leger, dat van de mannen van den olifant, terwijl het jaar der expeditie, dat van den olifant werd genoemd. C. Sprengel (Gesch. der Medizin) is van meening, dat de genoemde vogels, niet anders waren dan pestbuilen en pokken. Von Hammer (Gem‰ldesaal I. 24), beroept zich op eene der levensbeschrijvingen van Mahomet, volgens welke de pokken zich juist in het jaar van den olifant in ArabiÎ voor het eerst zouden hebben vertoond.
[2303] Sommigen brengen deze woorden met de volgende in verband, en veronderstellen dat het aldus moet luiden: Laat hen den Heer van dit huis dienen, voor de vereeniging, enz. Anderen brengen de woorden met het voorafgaande hoofdstuk in verband, en leiden daaruit af, dat God het leger van Abraha aldus verdelgde, ter vereeniging der KoreÔshieten, enz.
[2304] Door hen van Abraha en zijn leger te verlossen, of door het grondgebied van Mekka tot eene plaats van zekerheid te maken.
[2305] Volgens sommigen is de hier bedoelde persoon Aboe Jahl, die een wees verstootte, wiens beschermer hij was, en die naakt tot hem kwam, om hem eenigen bijstand van zijn eigen geld te verzoeken. Anderen zeggen, dat Aboe Sofian of Walid Ebn al Mogheira was.
[2306] Sommigen denken echter, dat het te Medina werd geopenbaard.
[2307] Dit is de naam van eene rivier in het paradijs.
[2308] Die bij den pelgrimstocht in de vallei van al Mina moeten geslacht worden.
[2309] Deze woorden werden geopenbaard tegen As Ebn Wayel, die bij den dood van den zoon van Mahomet, al Kasem, den profeet Abtar (kinderloos) noemde (Jallalo'ddin).
[2310] Men zegt, dat sommigen der KoreÔshieten eens aan Mahomet voorstelden, dat, indien hij hunne goden gedurende een jaar zou willen aanbidden, zij zijnen God gedurende dezelfde tijdruimte zouden vereeren, waarop dit hoofdstuk werd geopenbaard (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[2311] Zijnde: als God u over uwe vijanden zal doen heerschen en gij de stad Mekka zult innemen.
[2312] Hetgeen in het negende jaar der Hedjira voorviel, toen Mahomet, nadat hij zich van Mekka had meester gemaakt, de KoreÔshieten dwong, zich aan hem te onderwerpen, waarop de overige Arabieren in grooten getale tot hem kwamen, en den Islam beleden.
[2313] Aboe Lahab was de oom van Mahomet en tegelijkertijd een zijner onverzoenlijkste vijanden. Sommige uitleggers doen opmerken, dat de handen, de fortuin of de bezittingen beteekenen.
[2314] Voor het vuur der hel. Omm Djemil, de vrouw van Aboe Lahab stookte namelijk den haat aan, dien haar echtgenoot Mahomet toedroeg. Men zegt zelfs dat zij des nachts doornen en distels op den weg van den profeet strooide (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[2315] Dit hoofdstuk wordt door de Arabieren bijzonder vereerd. Volgens eene overlevering zou Mahomet gezegd hebben, dat het met een derde gedeelte van den geheelen Koran gelijk stond.
[2316] Dit Hoofdstuk en het volgende, worden elmoeawidhetani genoemd of de twee beveiligende hoofdstukken, omdat zij met de woorden ik zoek mijne toevlucht beginnen. Zij worden daarom als amuletten gedragen. Dit Hoofdstuk beveiligt tegen de ongelukken des lichaams, en het andere voor de gevaren der ziel.
[2317] Sommige uitleggers gelooven, dat men onder dezen naam de vrouwen in het algemeen moet verstaan, die door hare listen de plannen en besluiten der mannen verwarren. Anderen gelooven, dat hier de Joodsche toovenaressen worden bedoeld, die knoopen maakten en daarop bliezen, om iemand te betooveren. Men zegt dat Mahomet door een Jood werd betooverd, die elf knoopen in een koord had gemaakt, welke hij in een put ophing. De engel GabriÎl openbaarde daarop niet alleen het geheim der betoovering, maar ook de beide hoofdstukken. Elken keer dat hij deze hoofdstukken las, ging een der knoopen uit elkander, en Mahomet genas.
[2318] Zijnde de duivel, die zich terugtrekt als een mensch God noemt, of toevlucht tot zijne bescherming neemt.
[2319] Dit overzicht is een omwerking van het voor den tweeden druk van deze Nederlandsche uitgave van den koran bewerkte overzicht door Mr. F. A. de Graaff, oud-leeraar in de geschiedenis aan de H.B. School te Haarlem. Het is samengesteld, niet naar de bronnen zelf, maar met gebruikmaking der belangrijkste algemeene werken over de Turksche geschiedenis. Daaronder zijn vooral te noemen:
J. von Hammer, Geschichte des Osmanischen Reiches (Pest, 1827-1835, 10 deelen).
J. W. Zinkeisen, Geschichte des Osmanischen Reiches in Europa, (in de Geschichte der europ‰ischen Staaten, herausgegeben von A. H. L. Heeren und F. A. Ukert, Hamburg, Perthes 1840-1863, 7 deelen).
N. Jorga, Geschichte des osmanischen Reiches (Gotha, Perthes, 1911; 4 deelen).
Voor een beknopt overzicht zijn aan te bevelen:
H. de la JonquiËre, Histoire de l'Empire ottoman (collection Duruy), 1881.
Stanley Lane-Poole, Turkey (in: the Story of the Nations, T. Fisher Unwin, London, G. P. Putnam's sons, New-York, 1888).
Voor de 16e en 17e eeuw is van groot belang:
Leopold von Ranke, die Osmanen und die Spanische monarchie im 16 und 17 Jahrhundert (in: s‰mmtliche Werke, band 35 en 36, Leipzig, 1877).
[2320] Aldus genoemd naar een vroegeren aanvoerder Seldsjoek; zij woonden in de buurt van Bokhara.
[2321] Op kaart no. 1, Zuid-Oost-Europa in ± 1350, vindt men dit rijk aangegeven. Men lette er op, dat dit kaartje den toestand geeft in ± 1350; in het jaar 1350 zelf was de toestand op papier anders, omdat toen juist een vrede gesloten werd, waarbij Doughan een groot deel van zijne veroveringen aan den keizer moest afstaan, maar die vrede is door Doughan niet erkend en niet ten uitvoer gelegd.
[2322] Sedert heet die plaats Sirf-Sindughi, d.i. nederlaag der ServiÎrs.
[2323] In West-Europeesche talen verbasterd tot Tamerlan, van het Perzische Timoer-Lenk, d.i. de hinkende Timoer; hij hinkte vanwege een wonde, die hij in zijn jeugd door een pijl gekregen had.
[2324] De opsluiting in een ijzeren kooi en dergelijke verhalen zijn legenden.
[2325] Op kaart n∞. 2, de uitbreiding van het Turksche rijk (1353-1671), is het verschil tusschen vÛÛr en na 1402 duidelijk gemaakt.
[2326] De verschillende phasen van den strijd tusschen Turkije en VenetiÎ zijn om het overzicht van het geheel niet te belemmeren op kaart no. 2 niet aangegeven, voorzoover de kust van DalmatiÎ en AlbaniÎ betreft.
[2327] Het woord beteekent: slaven; het zijn menschen uit den Kaukasus afkomstig.
[2328] In hetzelfde jaar erkende de republiek Ragusa de souvereiniteit van den Turkschen sultan.
[2329] In dit jaar stierf het oude Moldavische vorstenhuis uit. Sedert dien deed zich de invloed van Turkije er op dezelfde wijze gelden als in Walachije: de boÔaren kozen telkens een nieuwen vorst (hospodar), dien de sultan bevestigde. Schatplichtig was MoldaviÎ reeds sedert 1513 en in 1538 had SuleÔman in het kustgebied een Turksche provincie gesticht.
[2330] Tunis is in 1569 door de Turken op de Spanjaarden heroverd; het kasteel bij Tunis eerst in 1573.
[2331] Dit is eigenlijk het paleis van den groot-vizier, gelegen buiten de poort van het paleis, dat de sultans te Stamboel vroeger bewoonden; nu de groot-vizier van zooveel beteekenis werd, gaf men aan de geheele Turksche regeering dikwijls den naam van zijn paleis.
[2332] Bij deze gelegenheid is het Parthenon, door de Turken als kruitmagazijn gebruikt, grootendeels vernield.
[2333] Zie hiervoor kaart no. 3, waarop aangegeven is, wat Turkije achtereenvolgens verloren heeft tot in onzen tijd toe.
[2334] Omdat deze landen zoo kort in Turksche handen geweest zijn, zijn ze op de kaart niet als Turksch gebied aangewezen.
[2335] Dit gebeurde pas in 1779.
[2336] De inbezitneming van de republiek Ragusa, die nog altijd de suzereiniteit der Porte heette te erkennen, ofschoon ze sedert 1718 geen schatting meer betaalde, door Napoleon (1806) ging geheel buiten Turkije om. Na Napoleon's val kwam Ragusa aan Oostenrijk.
[2337] D.i. algemeene hervorming.
[2338] Van de beslommeringen, die deze oorlog in Europa bracht, heeft Rusland gebruik gemaakt om de bepaling over de Zwarte Zee, opgenomen in het verdrag van Parijs, in zoo verre te doen opheffen, dat het nu wel arsenalen en oorlogsschepen in die zee mag onderhouden, maar de Dardanellen blijven voor alle oorlogsschepen gesloten. Daartoe is een conferentie te Londen bijeengekomen (1850).
[2339] De vorsten van ServiÎ en RoemeniÎ hadden, nu hunne landen geheel onafhankelijk geworden waren, den koningstitel aangenomen.