← De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. (part 3 of 4)

Part 3 of 4 · Unknown author · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #19786, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (4)

Continue:

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. (part 3 of 4)

1. Wee over hen, die de maat of het gewicht vervalschen! 2. Die, als zij van anderen koopen eene volle maat verlangen, 3. Maar die bedriegen als zij voor anderen meten of wegen. 4. Weten zij niet, dat zij eens zullen worden opgewekt 5. Op den grooten dag; 6. Den dag waarop de mensch voor den Heer van alle schepselen zal staan? Volstrekt niet. 7. Waarlijk, het register van de zondaren is zekerlijk in SidjÓn [2244]. 8. En wat zal u doen begrijpen, wat SidjÓn is? 9. Het is een duidelijk geschreven boek. 10. Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd. 11. Die den dag des oordeels als een valschheid loochenen! 12. Niemand loochent dien als eene valschheid, behalve de zondaar en de schuldige; 13. Die, als hun onze teekenen worden herinnerd, zeggen: Dit zijn fabelen van de ouden. 14. Volstrekt niet.--Maar hunne lusten hebben veeleer een sluier over hunne harten geworpen. 15. Volstrekt niet. Dien dag zullen zij van hunnen Heer zijn uitgesloten; 16. En zij zullen in de hel worden gezonden, om verbrand te worden. 17. Dan zullen de wachters der hel tot hen zeggen: Dit is, wat gij als een valschheid hebt geloochend. 18. Waarlijk, het register van de daden der rechtvaardigen is Illioen [2245]. 19. En wat zal u doen begrijpen wat Illioen is. 20. Het is een duidelijk geschreven boek. 21. Zij, die God naderen zijn getuigen daarvan. 22. Waarlijk, de rechtvaardigen zullen te midden van genoegens wonen. 23. Op zetels (uitgestrekt), zullen zij voorwerpen van genoegens aanschouwen. 24. Gij zult den glans der vreugde op hunne aangezichten zien. 25. Men zal hun zuiveren (keurigen) wijn te drinken geven, die gezegeld zal zijn. 26. Het zegel zal van muskus wezen. Laat dus hen die trachten deze gelukzaligheid te verkrijgen, streven haar te verdienen. 27. En het daarmede gemengde water zal van Tasnim zijn [2246]; 28. Eene fontein waarvan degenen zullen drinken, die de goddelijke tegenwoordigheid nabij komen. 29. Zij die zondig handelen, bespotten de ware geloovigen. 30. Als zij hen voorbij gaan, wenken zij elkander toe. 31. En als zij tot hun volk wederkeeren, komen zij terug, terwijl zij spottende gebaren maken. 32. En als zij hen zien, zeggen zij: Waarlijk, deze zijn verdoolde menschen. 33. Maar zij zijn niet gezonden om over hen te waken [2247], 34. Daarom zullen ware geloovigen eens de ongeloovigen bespotten; 35. Op zetels liggende, zullen zij op hen in de hel nederzien. 36. Zal den ongeloovigen niet vergolden worden hetgeen zij hebben gedaan?

VIER EN TACHTIGSTE HOOFDSTUK.

DE GEOPENDE HEMEL.

Geopenbaard te Mekka [2248].--25 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Als de hemel zal gespleten worden. 2. Als hij zijn Heer gehoorzamen, en diens bevelen uitvoeren zal: 3. Als de aarde zal worden uitgestrekt, 4. En datgene, wat er in is, uitgeworpen zal worden [2249], en zij ledig zal overblijven. 5. Als zij haren Heer gehoorzamen, en diens bevelen uitvoeren zal. 6. O mensch! indien gij oprecht arbeidt, arbeidt gij om uwen Heer te zien, en gij zult hem aanschouwen. 7. En degeen, wien hij zijn boek in de rechterhand zal hebben gegeven. 8. Zal zachtmoedig behandeld worden, 9. En zal tot zijn gezin met vreugde terugkeeren. 10. Maar hij wien men het boek zijner werken achter den rug zal geven [2250], 11. Zal de vernietiging over zich roepen; 12. Doch hij zal in de hel gezonden worden om verbrand te worden, 13. Omdat hij op aarde onbeschaamd te midden van zijn gezin zijne genoegens naleefde; 14. Waarlijk, hij dacht, dat hij nimmer tot God zou terugkeeren. 15. Ja, waarlijk, God zag alles, 16. Daarom zweer ik [2251] bij de roode kleur van den schijn van den zonsondergang. 17. En bij den nacht, en de dieren, welke hij doet verzamelen. 18. En bij de maan, als die vol is. 19. Gij zult zeker van graad tot graad overgaan.--20. Wat scheelt hun dus, dat zij niet in de opstanding gelooven? 21. En dat zij niet aanbidden, als hun de Koran wordt voorgelezen? 22. Ja, de ongeloovigen beschuldigen dien van bedrog, 23. Maar God kent de kwaadwilligheid wel, die zij in hunne borsten verborgen houden. 24. Kondig hun dus eene vreeselijke straf aan. 25. Behalve aan hen, die gelooven en goede werken doen; want voor hen is eene nimmer missende belooning gereed gemaakt.

VIJF EN TACHTIGSTE HOOFDSTUK.

DE HEMELTEEKENEN.

Geopenbaard te Mekka.--22 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ik zweer bij den hemel met teekenen [2252] versierd. 2. Bij den beloofden dag des oordeels. 3. Bij den getuige en de getuigenis [2253] 4. Gevloekt zijn de meesters van den kuil [2254]. 5. Met vuur waar onophoudelijk wordt bijgevoegd. 6. Toen zij daar in de rondte zaten. 7. En getuigen waren van hetgeen zij tegen de ware geloovigen deden. 8. En zij bedroefden hen om geene andere reden, dan omdat zij in den machtigen, den glorierijken God geloofden. 9. Aan wien het koninkrijk van hemel en aarde behoort, en die getuige van alle dingen is. 10. Waarlijk, voor hen, die de ware geloovigen van beiderlei kunne vervolgen, en daarna geen berouw betoonen, is de marteling der hel gereed gemaakt, en zij zullen de pijn der verbranding ondergaan. 11. Maar voor hen die gelooven, en datgene doen wat recht is, zijn tuinen bestemd, door welke rivieren stroomen. Dat zal een groote gelukzaligheid wezen. 12. Waarlijk, de wraak van uwen Heer is gestreng. 13. Hij schept en brengt (tot het leven) terug. 14. Hij is vergevensgezind en barmhartig; 15. De bezitter van den glansrijken troon; 16. Die datgene doet wat hem behaagt. 17. Kent gij het verhaal niet van de heirscharen. 18. Van Pharao [2255] en van Thamoed [2256]? 19. Nochtans houden de ongeloovigen niet op, de goddelijke openbaringen van valschheid te beschuldigen. 20. Maar God overvalt hen van achteren, en omsingelt hen, (zoodat zij niet kunnen ontvluchten). 21. Waarlijk, datgene, wat gij verwerpt is een glansrijke Koran. 22. Waarvan het oorspronkelijke op een tafel is geschreven, die in den hemel wordt bewaard.

ZES EN TACHTIGSTE HOOFDSTUK.

DE NACHTSTER.

Geopenbaard te Mekka.--17 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ik zweer bij den hemel en bij de ster, die des nachts verschijnt. 2. Maar wat zal u datgene doen verstaan, wat bij nacht verschijnt? 3. Het is de ster, die glansrijke stralen schiet. 4. Iedere ziel heeft een wachter, die over hem is aangesteld. 5. Laat de mensch dus overwegen van wat hij is geschapen. 6. Hij is geschapen van een droppel zaad. 7. Uit de lendenen en de borstbeenderen voortkomende [2257]. 8. Waarlijk, God is in staat hem in het leven terug te roepen. 9. Op den dag waarop alle verborgen denkbeelden en daden zullen worden onderzocht. 10. En hij zal de macht om zich te verdedigen, noch eenigen beschermer hebben. 11. Bij den hemel, die (regen) nedergiet. 12. En bij de aarde, die zich opent om planten en bronnen te doen voortspruiten. 13. Waarlijk, dit is een gesprek ter onderscheiding (tusschen het goede en het kwade); 14. Het is niet lichtvaardig samengesteld. 15. Waarlijk, de ongeloovigen spannen samen (om mijne plannen te verijdelen); 16. Maar ik zal samenspannen om hen te vernietigen. 17. Daarom, o profeet! wees geduldig met de ongeloovigen, en laat hen korten tijd met vrede.

ZEVEN EN TACHTIGSTE HOOFDSTUK.

DE VERHEVENSTE.

Geopenbaard te Mekka.--19 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Geloofd zij de naam van uwen Heer, den Verhevenste, 2. Die zijne schepselen geschapen en volmaakt gevormd heeft, 3. Die hen tot verschillende doeleinden heeft bestemd [2258] en hen richt om die te bereiken [2259]; 4. En die het voedsel voor het vee voortbrengt. 5. En het daarna in droge stoppels of donkerkleurig hooi verandert. 6. Wij zullen u in staat stellen, onze openbaringen te onthouden [2260], en gij zult geen deel daarvan vergeten, 7. Behalve wat Gode zal behagen [2261]; want hij kent datgene, wat openbaar en wat verborgen is. 8. Wij zullen u den lichtsten weg gemakkelijk maken [2262]. 9. Vermaan dus uw volk indien uwe vermaning hun voordeelig kan zijn. 10. Wie God vreest zal vermaand worden; 11. Maar de meest verdorven (zondaar) zal zich daarvan afwenden. 12. Die nedergeworpen worden zal, om in het groote hellevuur geroosterd te worden. 13. Waarin hij sterven noch leven zal. 14. Gelukzalig hij, die door het geloof gezuiverd is. 15. En die den naam van zijnen Heer herdenkt en bidt. 16. Maar gij verkiest het tegenwoordige leven, 17. Hoewel het volgende leven beter en duurzamer is. 18. Waarlijk, dit is in de oude boeken geschreven. 19. In de boeken van Abraham en Mozes.

ACHT EN TACHTIGSTE HOOFDSTUK.

DE OVERVALLENDE [2263].

Geopenbaard te Mekka.--26 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Heeft het nieuws van den overvallenden dag des oordeels u bereikt. 2. Die sommigen de aangezichten zal doen buigen? 3. Werkende en afgemat van vermoeienis. 4. Zullen zij in het gloeiende vuur geworpen worden, om geroosterd te worden. 5. Men zal hun uit eene kokende fontein geven te drinken. 6. Zij zullen geen voedsel hebben, dan droge doornen en distels (al Dari). 7. Dat voeden, noch den honger stillen zal. 8. Maar de aangezichten van anderen zullen op dien dag vroolijk zijn. 9. Voldaan over hetgeen zij vroeger zullen hebben verricht. 10. Zij zullen in een sierlijken tuin worden geplaatst. 11. Waar zij geene ijdele gesprekken zullen hooren. 12. Daar zal eene springende fontein wezen; 13. Daar zullen verheven zetels opgericht wezen. 14. En bekers zullen voor hen geplaatst zijn, 15. En kussens in orde gelegd, 16. En tapijten geheel uitgespreid. 17. Overwegen zij niet hoe de kameelen geschapen zijn 18. En hoe de hemel verheven is; 19. En hoe de bergen zijn bevestigd. 20. En hoe de aarde is uitgespreid? 21. Daarom, waarschuw uw volk, want gij zijt slechts een waarschuwer, 22. Eene onbepaalde macht is u niet over hen opgedragen. 23. Maar wie zich afwenden, en niet gelooven zal, 24. Dien zal God met de groote straf van het volgende leven straffen. 25. Waarlijk, tot ons zullen zij terugkeeren. 26. En dan is het mijne taak, hun rekenschap af te vragen.

NEGEN EN TACHTIGSTE HOOFDSTUK.

DE MORGENSCHEMERING.

Geopenbaard te Mekka [2264].--30 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ik zweer bij het aanbreken van den dag en de tien nachten [2265]; 2. Bij datgene wat dubbel, en dat wat enkel is [2266], 3. Bij den nacht als die aanbreekt. 4. Is dit niet een begrijpelijk samengestelde eed? 5. Hebt gij niet overwogen, hoe uw Heer met Ad heeft gehandeld. 6. Het volk van Irem, versierd met schoone gebouwen [2267], 7. Waarvan de wedergade nog niet in het land werd opgericht? 8. En met Thamoed, die in de rotsen der vallei huizen uithieuw. 9. En met Pharao, den uitvinder van de straf der staken [2268]. 10. Die zich onbeschaamd hadden gedragen. 11. En het verderf op de aarde vermeerderden? 12. Daarom stortte de Heer verschillende soorten van kastijdingen over hen uit; 13. Want, waarlijk, uw Heer is op een wachttoren, als hij de daden der menschen beschouwt. 14. Daarom als zijn Heer hem (door voorspoed) beproeft, en hem eert en goed voor hem is. 15. Zegt de mensch: Mijn Heer eert mij. 16. Maar als hij hem met rampen bezoekt, en hem zijne weldaden terughoudt, 17. Zegt hij: Mijn Heer versmaadt mij. 18. Volstrekt niet [2269], maar gij eert den wees niet. 19. Noch noodigt gij elkander uit, den arme te voeden. 20. Gij verzwelgt de erfenis der zwakken [2270] met eene blinde begeerigheid. 21. En gij bemint de rijkdommen op onbegrensde wijze. (Gij zult volstrekt niet zoo handelen). 22. Als de aarde tot stof zal vermorzeld worden; 23. Als uw Heer zal komen, en de engelen in gelederen geschaard zullen zijn; 24. Als de hel op dien dag naderbij gebracht zal worden: op dien dag zal de mensch zich zijne slechte daden herinneren; maar hoe zou die herinnering hem kunnen baten? 25. Hij zal zeggen: Gave God, dat ik vroeger gedurende mijn leeftijd goede daden had verricht! Op dien dag zal niemand zooals God kunnen straffen. 26. Noch iemand in staat zijn te binden zoo als God [2271]. 27. O gij, ziel die rust! 28. Keer, voldaan met uwe belooning, en voldaan met God, tot uwen Heer terug. 29. Treed bij het aantal mijner dienaren binnen. 30. En betreed mijn paradijs.

NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.

HET GRONDGEBIED.

Geopenbaard te Mekka.--20 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ik zweer bij dit grondgebied [2272], 2. En gij, o profeet! houd verblijf in dit grondgebied; 3. En bij den vader, en bij het kind [2273]; 4. Waarlijk, wij hebben den mensch in ellende geschapen. 5. Denkt hij, dat niemand sterker is dan hij [2274]. 6. Hij zegt: ik heb groote rijkdommen verteerd! 7. Denkt hij, dat hem niemand ziet. 8. Hebben wij hem niet twee oogen gegeven. 9. En eene tong en twee lippen. 10. En hebben wij hem niet de twee groote wegen, des goeds en des kwaads vertoond? 11. En nog is hij de helling niet afgedaald. 12. Wat zal u doen begrijpen wat de helling is? 13. Het is: den balling te bevrijden. 14. Of te voeden in de dagen van hongersnood. 15. Den wees, die ons verwant is. 16. Of den armen man, die op den grond ligt. 17 Wie dit doet en tot hen behoort die gelooven, en ieder ander volharding en mededoogen aanbevelen, 18. Dezen zullen de makkers der rechterhand wezen [2275]. 19. Maar zij, die omtrent onze teekenen ongeloovig zullen zijn, dezen zullen de makkers der linkerhand wezen. 20. Boven hen zal zich het vuur uitstrekken.

EEN EN NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.

DE ZON.

Geopenbaard te Mekka.--15 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ik zweer bij de zon en haren opgaanden glans, 2. Bij de maan, als zij deze volgt, 3. Bij den dag, als hij zijn glans vertoont, 4. Bij den nacht, als die alles met duisternis bedekt; 5. Bij den hemel en bij Hem, die dien heeft gebouwd, 6. Bij de aarde en bij Hem die haar uitspreidde, 7. Bij de ziel en bij Hem die haar volkomen vormde, 8. En haar het vermogen van onderscheiding ingaf, en de macht, tusschen zonde en godsvrucht te kiezen. 9. Hij die haar zuiver bewaart, is gelukkig: 10. Maar hij die haar heeft verdorven, is ellendig. 11. Thamoed beschuldigde hunnen profeet Saleh van bedrog, door de groote mate hunner zonden. 12. Toen de meest verdorvene [2276] onder hen werd gezonden, om den wijfjes-kameel te dooden. 13. En Gods gezant tot hen zeide: Laat Gods (wijfjes-) kameel met vrede en verhindert haar niet te drinken. 14. Maar zij beschuldigden hem van bedrog, en doodden het dier. Daarom verdelgde hun Heer hen, om hunne misdaad, en hij maakte hunne straf voor hen allen gelijk, 15. En hij vreest daarvan de gevolgen niet.

TWEE EN NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.

DE NACHT.

Geopenbaard te Mekka.--21 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ik zweer bij den nacht, als die alle dingen met duisternis bedekt. 2. Bij den dag als die met glans schittert; 3. Bij Hem, die het mannelijke en het vrouwelijke schepsel heeft geschapen. 4. Waarlijk, uwe pogingen hebben verschillende doeleinden. 5. Maar hem, die gehoorzaam is en God vreest, 6. En de waarheid van het geloof belijdt, dat het uitnemendst is. 7. Dien zullen wij den weg des geluks gemakkelijk maken. 8. Maar hem, die gierig zal wezen, en zich om niets dan deze wereld bekommert, 9. En de waarheid zal loochenen van datgene, wat het uitnemendst is. 10. Dien zulle wij den weg tot de ellende vergemakkelijken. 11. En zijne rijkdommen zullen hem niet baten, als hij, het onderst boven, in de hel zal vallen. 12. Waarlijk, ons behoort de leiding van den mensch. 13. Ons is het tegenwoordige en het volgende leven. 14. Daarom bedreig ik u met het vreeselijk brandend vuur. 15. Waarin niemand zal worden geworpen om verbrand te worden, behalve de meest verdorvenen. 16. Die niet geloofd en zich afgewend zullen hebben. 17. Maar hij die zich gestreng (voor afgoderij en weÍrspannigheid) in acht neemt, dien zullen wij ver van daar voeren: 18. Die zijn vermogen aan aalmoezen besteedt, om zich meer te zuiveren, 19. En niet opdat hem zijne weldaden zullen worden beloond. 20. Maar die zijn vermogen voor de zaak van zijn Heer, den Verhevenste besteedt. 21. En hierna zal hij gewis voldaan zijn met zijne belooning.

DRIE EN NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.

DE OCHTENDGLANS.

Geopenbaard te Mekka.--11 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ik zweer bij den glans van den ochtend [2277]. 2. En bij den nacht als die duister wordt. 3. Uw Heer heeft u niet vergeten, en haat u niet [2278]. 4. Waarlijk het volgende leven zal beter dan dit tegenwoordige leven voor u wezen. 5. Uw Heer zal u eene belooning geven, waarover gij wel voldaan zult zijn. 6. Vond hij u niet als een wees, en heeft hij geene zorg voor u gedragen? 7. En vond hij u niet dolende in dwaling, en heeft hij u niet de waarheid binnengeleid? 8. En vond hij u niet nooddruftig, en heeft hij u niet verrijkt? 9. Verdruk daarom den wees niet. 10. Noch verdrijf den bedelaar; 11. Maar verklaar Gods goedheid.

VIER EN NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.

HEBBEN WIJ NIET GEOPEND?

Gegeven te Mekka.--8 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Hebben wij uwe borst niet geopend [2279]. 2. En u van uwen last bevrijd [2280]. 3. Die uwe schouders nederdrukte? 4. Hebben wij uwen naam niet verheven? 5. Maar naast den tegenspoed is het geluk. 6. Waarlijk, naast den tegenspoed is het geluk. 7. Als gij uwe prediking zult geÎindigd hebben, arbeidt dan om God voor zijne gunsten te dienen. 8. En richt uwe smeekingen tot uwen Heer.

VIJF EN NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.

DE VIJG.

Gegeven te Mekka of Medina.--8 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ik zweer bij de vijgen den olijf [2281], 2. En bij den berg SinaÔ, 3. En bij dit grondgebied der zekerheid [2282]. 4. Waarlijk, wij hebben den mensch in den schoonsten vorm geschapen; 5. Daarna hebben wij hem tot den laagste der laagsten gemaakt [2283]. 6. Behalve degenen die gelooven en het goede doen; want deze zullen eene eindelooze belooning ontvangen. 7. Wat zal u dus hierna den dag des oordeels doen loochenen? 8. Is God niet de wijste rechter.

ZES EN NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.

HET GESTOLDE BLOED.

Geopenbaard te Mekka [2284].--19 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Lees in naam van uwen Heer, die alle dingen heeft geschapen. 2. Die den mensch van gestold bloed schiep [2285]. 3. Lees; want uw Heer is de weldadigste; 4. Die (den mensch) het gebruik van de pen leerde; 5. Die den mensch leerde, wat hij niet kende. 6. Waarlijk. Maar de mensch wordt weÍrspannig. 7. Omdat hij ziet, dat hij overvloedige rijkdommen heeft [2286]. 8. Waarlijk, tot uw Heer zal de terugkeer van alles zijn. 9. Wat denkt gij van hem, die verbiedt. 10. Onzen dienaar als hij bidt [2287]? 11. Wat denkt gij, indien hij de ware richting zou volgen. 12. Of vroomheid bevelen? 13. Wat denkt gij, indien hij de goddelijke openbaringen van valschheid beschuldigt, en zijn rug toewendt? 14. Weet hij niet, dat God het ziet? 15. Ja, waarlijk indien hij niet ophoudt, zullen wij hem bij de haren van zijn voorhoofd grijpen [2288], 16. Van zijn leugenachtig en zondig voorhoofd. 17. En laat hem zijn raad [2289] te zijner hulpe roepen. 18. Ook wij zullen de helsche wachten roepen, om hem in de hel te werpen. 19. Waarlijk, gehoorzaam hem niet, maar ga voort God te aanbidden, en tracht hem te naderen.

ZEVEN EN NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.

AL KADR [2290].

Geopenbaard te Mekka of te Medina.--5 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Waarlijk, wij hebben den Koran in den nacht van al Kadr nedergezonden. 2. En wat zal u doen begrijpen, hoe uitstekend de nacht van al Kadr is? 3. Beter dan duizend maanden. 4. In dien nacht dalen de engelen en de geest GabriÎls door Gods bevel neder, met Zijne besluiten omtrent alles [2291]. 5. Het is vrede, tot het rijzen van den dageraad.

ACHT EN NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.

HET DUIDELIJKE TEEKEN.

Geopenbaard te Mekka of te Medina.--8 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. De ongeloovigen onder hen, aan wie de schriften werden gegeven en onder de afgodendienaars wankelden niet, dan nadat het duidelijke teeken tot hen was gekomen; 2. Een zendeling van God, die hun zuivere boeken der openbaring voorlas, waarin rechtvaardige gesprekken zijn bevat. 3. Nimmer waren zij, aan welke de schriften werden gegeven, onder elkander verdeeld, dan nadat het duidelijke teeken tot hen was gekomen. 4. En in de schriften werd hun niets anders bevolen dan God te aanbidden, Hem den zuiveren godsdienst te wijden en vroom te zijn, en standvastig in het gebed te wezen en aalmoezen te geven; en dit is de ware godsdienst. 5. Waarlijk, zij die niet gelooven, onder hen die de schriften hebben ontvangen en onder de afgodendienaars, zullen in het vuur der hel geworpen worden, om daarin voor eeuwig te verblijven. Deze zijn de slechtste van alle schepselen, 6. Maar zij die gelooven en goede werken doen, dit zijn de beste van alle schepselen. 7. Hunne belooning met hunnen Heer bestaat in tuinen van eeuwig verblijf met rivieren doorsneden [2292]. Eeuwig zullen zij daarin verblijven. 8. God zal voldaan over hen wezen, en zij zullen voldaan zijn over Hem. Dit is gereed gemaakt voor hem, die zijn Heer vreest.

NEGEN EN NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.

DE AARDBEVING.

Geopenbaard te Mekka, of te Medina--8 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Als de aarde door een aardbeving [2293] zal geschud worden, 2. En de aarde haren last zal wegwerpen. 3. En de mensch zal zeggen: Wat schort haar? 4. Op dien dag zal zij hare tijdingen verklaren. 5. Volgens hetgeen uw Heer haar zal ingeven [2294]. 6. Op dien dag zullen de menschen in onderscheiden klassen voorwaarts gaan, om hunne werken te aanschouwen. 7. En wie slechts goed zal gedaan hebben, ter zwaarte van een atoom [2295], zal dat aanschouwen. 8. En wie slechts kwaad zal gedaan hebben ter zwaarte van een atoom, zal dat aanschouwen.

HONDERDSTE HOOFDSTUK.

DE OORLOGSPAARDEN.

Geopenbaard te Mekka of te Medina.--11 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ik zweer bij de oorlogspaarden, die snel en hoorbaar hijgend ten strijd draven. 2. En bij de oorlogspaarden die vuur slaan door het aanraken (der steenen met hunne hoeven); 3. Bij hen die plotseling en vroeg in den ochtend, een inval bij den vijand doen, 4. Daar het stof doen oprijzen, 5. En zich door het midden der vijandelijke troepen een weg banen [2296]; 6. Waarlijk, de mensch is ondankbaar jegens zijn Heer; 7. En hij is getuige daarvan; 8. En hij is ontembaar in zijne liefde voor het wereldsche goed. 9. Weet hij dan niet dat hetgene zich in de graven bevindt, weder zal oprijzen, 10. En dat hetgene zich in de borst der menschen bevindt, aan het licht gebracht zal worden, 11. En dat hun Heer volkomen onderricht omtrent hem zal zijn?

HONDERD EN EERSTE HOOFDSTUK.

DE SLAG.

Geopenbaard te Mekka.--8 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. De slag [2297]. Wat is de slag? 2. En wat zal u doen begrijpen, hoe vreeselijk de slag zal wezen? 3. Op dien dag zullen de menschen als kapellen verspreid zijn, 4. En de bergen zullen als gekamde wol van verschillende kleuren worden, die door den wind is voortgedreven; 5, Maar hij, wiens weegschaal met goede werken zal bezwaard wezen, zal een behagelijk leven leiden. 6. Doch hij wiens weegschaal licht zal zijn, diens woning zal de kuil der hel wezen [2298]. 7. Wat zal u doen begrijpen, hoe vreeselijk de kuil der hel is? 8. Het is een brandend vuur.

HONDERD EN TWEEDE HOOFDSTUK.

DE BEGEERTE OM ZICH TE VERRIJKEN.

Geopenbaard te Mekka of te Medina.--8 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. De naijverige begeerte, rijkdommen en kinderen te vermeerderen, houdt u bezig 2. Tot gij in het graf nederdaalt. 3. (Gij zult uwen tijd) volstrekt niet (aldus gebruiken); Hiernamaals zult gij uwe dwaasheid kennen. 4. Nogmaals, volstrekt niet: hiernamaals zult gij uwe dwaasheid kennen. 5. Volstrekt niet. Indien gij het gevolg hiervan met zekerheid kendet, zoudt gij niet aldus handelen. 6. Waarlijk, gij zult de hel zien. 7. Nogmaals; gij zult die zekerlijk met het oog der zekerheid zien. 8. Dan zult gij op dien dag ondervraagd worden, nopens de uitspanningen waarmede gij u in dit leven hebt vermaakt.

HONDERD EN DERDE HOOFDSTUK.

DE NAMIDDAG.

Geopenbaard te Mekka,--3 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ik zweer bij den namiddag [2299]. 2. Waarlijk, de mensch bewerkt zijn verderf. 3. Behalve zij die gelooven en doen wat rechtvaardig is, en wederkeerig de waarheid aanbevelen en elkander wederkeerig tot volharding aansporen.

HONDERD EN VIERDE HOOFDSTUK.

DE LASTERAAR.

Geopenbaard te Mekka--9 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Wee over iederen lasteraar en leugenaar [2300], 2. Die rijkdommen opstapelt, en deze voor de toekomst bewaart. 3. Hij denkt dat zijne rijkdommen hem onsterfelijk maken. 4. Volstrekt niet. Hij zal zekerlijk in Al-Hotama [2301] geworpen worden. 5. En wie zal u doen begrijpen wat Al-Hotama is? 6. Het is het aangestoken vuur van God, 7. Dat boven de harten zal opstijgen van hen (die er in geworpen zullen worden). 8. Waarlijk, het zal als een gewelfd dak wezen. 9. Dat, gesteund door groote kolommen, boven hen zal zijn.

HONDERD EN VIJFDE HOOFDSTUK.

DE OLIFANT. [2302]

Geopenbaard te Mekka.--5 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Hebt gij gezien, hoe uw Heer met de meesters van den olifant handelt? 2. Heeft hij hunne verraderlijke plannen niet doen strekken om hen in dwaling te leiden, 3. En troepen vogels (Ababils) tegen hen te zenden, 4. Die steenen van gebakken klei op hen nederwierpen, 5. En hen het aanzien gaven van de bladeren van het koren, dat door het vee was afgegeten?

HONDERD EN ZESDE HOOFDSTUK.

DE KOREœSHIETEN.

Geopenbaard te Mekka.--4 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ter vereeniging van den stam der KoreÔshieten [2303]; 2. Te hunner vereeniging, om de karavaan van kooplieden in den winter en den zomer weg te zenden! 3. Laten zij den Heer van dit huis dienen, die hen van voedsel tegen den honger voorziet. 4. En hen tegen vrees heeft verzekerd [2304].

HONDERD EN ZEVENDE HOOFDSTUK.

DE AALMOES.

Geopenbaard te Mekka of te Medina.--7 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Wat dunkt u van hem, die het toekomstige oordeel als eene valschheid loochent? 2. Het is degeen, die den wees verstoot [2305]. 3. En anderen niet aanspoort den arme te voeden. 4. Wee over hen, die bidden, 5. Maar die achteloos in hun gebed zijn; 6. Die de huichelaars spelen. 7. En (den behoeftige) de noodige aalmoes (gereedschappen) onthouden.

HONDERD EN ACHTSTE HOOFDSTUK.

AL KAUTHER.

Gegeven te Mekka [2306].--3 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Waarlijk, wij hebben u al Kauther [2307] gegeven. 2. Bid tot uwen Heer, en dood de slachtoffers [2308]. 3. Waarlijk, hij die u haat, zal kinderloos wezen [2309].

HONDERD EN NEGENDE HOOFDSTUK.

DE ONGELOOVIGEN.

Geopenbaard te Mekka.--6 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Zeg: O ongeloovigen [2310]! 2. Ik zal niet aanbidden wat gij aanbidt, 3. Noch zult gij aanbidden wat ik aanbid. 4. Ik aanbid geenzins wat gij aanbidt. 5. Gij aanbidt niet wat ik aanbid. 6. Gij hebt uw Godsdienst, en ik heb mijn godsdienst.

HONDERD EN TIENDE HOOFDSTUK.

DE HULP.

Geopenbaard te Mekka.--3 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Als de hulp van God zal komen en de overwinning [2311], 2. En gij het volk tot Gods eeredienst bij scharen zult zien binnengaan [2312]. Verkondig den lof van uwen Heer en vraag vergiffenis van hem; want hij is vergevensgezind.

HONDERD EN ELFDE HOOFDSTUK.

ABOE LAHAB.

Geopenbaard te Mekka--5 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. De handen van Aboe Lahab [2313] zullen ten verderve gaan, en hij zelf verdorven worden. 2. Zijne rijkdommen zullen hem van geen voordeel zijn, noch datgene wat hij heeft gewonnen. 3. Hij zal heengaan om in het vuur verbrand te worden. 4. Als ook zijne vrouw, die hout draagt [2314]. 5. Terwijl zij om haren hals eene koord van geweven vezelen van den palmboom heeft.

HONDERD EN TWAALFDE HOOFDSTUK.

GODS EENHEID [2315].

Geopenbaard te Mekka of te Medina--4 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Zeg: God is een eenig God. 2. De eeuwige God. 3. Hij baarde niet, en werd niet gebaard. 4. En niemand is Hem in eenig opzicht gelijk.

HONDERD EN DERTIENDE HOOFDSTUK. [2316]

DE DAGERAAD.

Geopenbaard te Mekka of te Medina--5 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Zeg: Ik zoek mijn toevlucht bij den Heer van den dageraad, 2. Opdat hij mij moge bevrijden van de boosheid der schepselen, welke hij heeft geschapen. 3. En van het kwaad des nachts, als die invalt. 4. En van het kwaad der vrouwen die op knoopen blazen [2317], 5. En van het kwaad van den benijder, als hij ons benijdt.

HONDERD EN VEERTIENDE HOOFDSTUK.

DE MENSCHEN.

Geopenbaard te Mekka of te Medina--6 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Zeg: Ik zoek mijne toevlucht bij den Heer der menschen, 2. Den Koning der menschen, 3. Den God der menschen; 4. Dat hij mij bevrijde van de boosheid van den luisteraar, die snoode gedachten inblaast en zich dan verborgen terugtrekt [2318]. 5. Die kwaade ingevingen der menschen aan de harten toefluistert. 6. Tegen de geniussen en de menschen.

EINDE VAN DEN KORAN.

V

ALGEMEEN REGISTER DER VOORNAAMSTE ONDERWERPEN. IN DEZEN KORAN BEHANDELDE, EN DE NOTEN DES BETREFFENDE.

De Romeinsche cijfers wijzen de Hoofdstukken aan; de Verzen zijn door Arabische cijfers aangewezen. N duidt de Noot aan.

A

Aalmoes (De) II, 211, 255, 265-269, 273-275; III, 86, 128; V, 15; IX, 60, 68, 99, n. 100; XXX, 38; LVII, 7, 10, 17; LVIII, 13, 14; LXIII, 10; LXIV, 16, 17.

Aalmoezen, zie Al Walid Ebn Okba. --Zie straf.

Aanbidders van het kalf, zie God.

Aanbidding, XXXII, bl. 445, n. --Der Arabieren van godheden naar hun inzien, Gods dochteren, IV, 117, n. --Der sterren, zie Sterren. --Van God, vooral 's Vrijdags, zie Mozes. --Zie Adam.

Aanbiddingsplaats, X, 87.

Aangezicht tot God wenden, II, 106, n. Zie wenden.

Aanleiding tot het maken van het gouden kalf, VII, 134, n.

Aanroeping van Gods naam bij het eten van dieren, enz. II, 168, n.

Aanslag op Mahomet, XIII, 14, n. --Zie KoreÔshieten.

Aanspreken (Voornaamwoord bij het), dikwijls gebruikt in den Koran, V, 15, n.

Aantal der vrouwen, IV, 3. --Zie Moslem.

Aanvangletters, II, 1, VII, 1.--XIII, 1.--XIX, 1. XXX, 1.

Aanvoerders der ongeloovigen, VII, 46.

Aardbeving XXII, 1, n. --Op den jongsten dag, XCIX, 1.

Aarde, aardbol, gevoelen der Mahomedanen, daaromtrent, XVI, 15, n. --In twee dagen geschapen, XLI, 8. --Hemel, enz. zijn in een bepaald tijdperk geschapen, XLVI, 2. --Zij zullen niet eeuwig bestaan, ald.

Aardsch paradijs, II, 33, n.

Abd' Alrahman, zoon van Aboe Bekr, diens gezegde tegen zijne ouders, XLVI, 16.

Abd' Allah Ebn Obba, XXIV, 34, n.

Abd' Allah Ebn Salam, XLVI, 3, n.

Abel en KaÔn, V, 30.

Aboe Bekr, XXIV, 22, n. --Die den Islam op zijn veertigste jaar beleed, XLVI, 14, n. --Zie Abd' Alrahman.

Aboe Jahl. LXXV, 31, n. XCVI 7, n. en 10, n. --Mahomets vijand, XXII, 8, n. Verstoot een wees, CVII, 2, n.

Aboe Kobeis, zie Abraham.

Aboe Lahab, Mahomets oom en vijand, CXI, 1. --Diens vrouw strooit des nachts doornen en distels op den weg des profeets, CXI, 4, n.

Abraha, Ethiopisch prins, zijne expeditie naar Mekka, CV, bl. 627, n.

Abraham, II, 120, 124-130, 134; III, 30; IV, 57, 161; VI, 162; IX, 71; XI, 72: XIV, bl. 282, n.; XV, 51; XVI, 121; XXIX, 15, 23 en volg; XXXVIII, 45; XLIII, 25; LIII, 38; LVII, 26; LX, 4; LXXXVII, 19. --Hij wordt tot Imam of priester der volken benoemd, II, 118, 119. --Wat hem met Nimrod gebeurde, 260. --Hij dient den eenigen God; hij is muzelman, III, 60. --Zijn verblijf te Mekka, 91. --Hij is Gods vriend, IV, 124. --Hij bidt slechts God aan, VI 74-84. --Hij tracht zijnen vader te bekeeren, IX, 115; XIX, 43. --Hij bidt voor zijn geslacht, XIV, 38-42. --Hij verbrijzelt de afgoden van zijn gezin, XXI, 59; XXXVII, 81 en volg. --Hij bestrijdt den afgodendienst van zijn gezin, XXVI, 69 en volg. --Hij wordt ten vure gedoemd, maar gered, XXI, 68, 69. --Hij bouwt het heilige huis te Mekka, XXII, 27. --Hij is gereed zijnen zoon te offeren, XXXVII, 101 en volg. --De engelen komen hem bezoeken, XI, 72 en volg. --Bestijgt den berg Aboe Kobeis, nabij Mekka, XXII, 28, n. --Hij wordt in het midden van den Kalkoven gebracht, XXI, 69, n. --Wil voor zijn vader vergiffenis vragen, LX, 4. --Zie Noach. --Zijn vader, zie Azer.

Abrahams beproeving, II, 118. --Gasten, LI, 24 en volg. --Gebed XIV, 38 en volg. --Gebed na den dood zijns vaders, XXVI, 86, n. --Huis, II, 119. --Of Noachs afstammelingen, VI, 84. --Offer van zijn zoon, zie Bevel. --Vlucht naar Harran en Palestina, XIX, 50, n. --Vraag omtrent de opwekking, II, 262, n.

Abtar, (kinderloos) zie Mahomet.

Achterblijvers, IX, 119. Zie Regen.

Ad, een Arabische stam, VI, 6, n.--XXIX, 39, n. --Of de Adieten, volk van ArabiÎ, dat door Gods toorn verslagen is, VII, 63; IX, 71; XI, 52; XXII, 43; XXV, 40; XXVI, 123 en volg XXIX, 37; XXXVIII, 11; XL, 32; XLVI, 20 en volg; L, 12; LI, 41; LIII, 51, LIV, 18; LXXXIX, 5. --Hunne stad door droogte geteisterd, XI, 54. zie Irem.

Adam, VII, 10. --Vader van het menschelijk geslacht, II, 28-35; III, 30-52; XVII, 63, 72; XIX, 59; XX, 114-120. --Ontvangt een bevel, VII, 18. --Hij ontvangt de aanbidding der engelen, XVIII, 48. --Vergeet het verbod, van de verboden vrucht te eten, XX, 114. --Zie straf.

Adams zonen, V, 30.

Adi Ebn Rabia, zie Aboe-Jahl.

Afdeeling der hel, zie Ha'wiyet.

Afdwalen van Gods voorschriften, V, 54, n.

Afgewikkelde rol, LII, 3.

Afgezanten van God, engelen, XXII, 74.

Afgod der oude Arabieren, zie El Lat. --Afgod, zie Djibt.

Afgoden, IV, 40, n. --V, 92, n. --VI, 74, 94, n., 137, n. --VII, 124. --XVI, 58, 77. --Door de Arabieren aangebeden, IV, 54.

Afgodendienaar, LIII, 35, n.

Afgodendienaars, VI, 22, n., 24. --XI, 7, n. --XIII, 31, n.

Afgodendienaars (De), die andere goden naast God stellen, II, 107 en volg.; XXV, 3; XXVIII, 62-74; LII, 34-49. --Zij zijn onrein, IX, 28. --Zekere gebruiken der veroordeelde afgodendienaars, VI, 137 en volg. --Men zal hunne voorspraak niet zijn bij God, IX, 114, 115. --Men moet hen allen bestrijden, IX, 36.

Afgodendienende Arabieren, II, 107, n.

Afgodendienst, XVI, 76.

Afgoderij (De) II, 187, 214, 220; VII, 193, 194; X, 19. --Zij zal nooit vergeven worden, IV, 51, 116; VI, 64, n., 82; X, 29, n.; XXII, 32.

Afgodsbeelden, II, 12, n.; VII, 69, n.

Afscheiding tusschen hel en paradijs, zie Al Araf.

Afsnijden van handen en voeten, VII, 121, n.

Afstammelingen van Al Sameri, XX, 97, n.

Afstammelingen, zie Abraham.

Afvalligheid, XVI, 108.

Afwending van eene vrouw, IV, 128.

Afzondering der verleiden, II, 161.

Afzonderlijke opsluiting van vrouwen, IV, 38.

Ahmed, een der namen van Mahomet, LXI, 6.

AiË, mirakel, II, 37, n.

Ailah, eene stad aan de Roode zee, VII, 163, n.

AÔsha, Mahomets vrouw, belasterd, XXIV, 11.

Ak Aldr, XCVII, bl. 623, n.

Akhnas Ebn Shoraik. zie Huichelarij.

Alahkaf, XLVI, bl. 526, n.

Al-‚kherat, II, 3, n.

Al Araf, VII, bl. 189, n. --Naam van een muur of afscheiding tusschen de hel en het paradijs, VII, 44, n. 46.

Al Arem, wallen of dammen, XXXIV, 15.

Al As Ebn Wayel, XIX, 80, n.

Al Beid‚wi, een der voornaamste commentarissen, van wien men onderscheiden verklaringen in dit werk vindt.

Alexander de Groote, zie Dhoe'l Karnein, XVIII, 82.

Al F‚tehat, I, bl. 69, n.

Al Forkan, een der namen van den Koran, XXV, bl. 393, n. 1.

Al Hakkat, een der namen van den dag des oordeels, LXIX, 1. n.

Al Hodeibiya, zie Mahomet.

Al Hotama, een der namen van de hel. CIV, 4, n.

Al Jessasa, dier, volgens de Mahomedanen, voor den dag des oordeels verschijnende, XXVII, 84, n.

Al K‚rir‚t, zie Al Hakkat.

Al Khedr, XVIII, 64, n., 70, n. --Zie Elias.

Allah XX, 7, 14. --En Ilah, onderscheid tusschen deze twee woorden XIX, 7, n.

Almasher, Alharem (berg), II, 194, n.

Al Motafiat, zie Pentapolis.

Al Nodar Ebn Al Hareth beweert dat de engelen Gods dochters zijn XXII, 3, n.

Al Nodar, zie Zingende.

Al-Ozza, zie El lat.

Al Rakim, berg, XVIII, 8.

Al Rass, bron, verschil van meening omtrent hare plaats, XXV, 40, n.

Al Sameri, XX, 87 en volg. --Zie afstammelingen. --Zie Samaritaan.

Als het God behaagt, XVIII, 23; LXVIII, 17 en volg.

Al Syil, engel, die der menschen daden nederschrijft, XXI, 104.

Al Walid Ebn Al Mogheira, een voornaam man onder de KoreÔshieten, LXXIV, 11, n, --Beteekenis van dien naam, 14, n.

Al Walid Ebn Okba haalt aalmoezen op, XLIX, 6, n.

Alwetendheid, zie God.

Al Zakkoem (boom), XVII, 62, n.; XXXVII, 60, n.

Al Zamakhshari, zie Al Beid‚wi.

Al Zehir, een berg, VII, 139, n.

Ammar Ebn Yasa, XVI, 108, n.

Amulet. Hoofdstukken van den Koran, bij wijze van amuletten gedragen, CXIII, geheel. --Zie Honderd.

Angaria, II, 159, n.

Ansars (De), IX, 101.

AntiochiÎ, zie Inwoners.

Antwoord aan de Joden, die zeiden, dat God op den zevenden dag van zijn werk rustte, L, 37. --der ongeloovigen aan Mahomet, VI, 105, n.

Apen en varkens (Zondaren door God veranderd in), V, 65, n.

Apen, zie Sabbathschenders.

Apostel, zie Profeet, Zendeling.

Arabieren, die de afgoden dienen, beschouwen de geboorte van eene dochter als een ongeluk, LXXXI, 9, n. --Hunne veronderstellingen omtrent waarzeggers en toovenaars, 24, n. --Gewoonte om de beelden hunner goden met honing en reukwater te bestrijken, XXII, 72, n. --Kweeken hunne taal met veel zorg, XXVI, 225, n. --Rekenen bij nachten en niet bij dagen, VII, 138. --Wijze, waarop zij van hunne vrouwen scheiden. XXXIII, 4, n. --Gaan de achterzijde der huizen in, II, 185. --Uit de woestijn zijn het hardnekkigst, IX, 98 en volg. --Zijn een bemiddelende natie van het menschelijk geslacht, II, 137. --VÛÛr Mahomet hebben zij geen anderen gezant gehad, XXVIII, 46. --Zij gaan niet ten strijde, XLVIII, 11. Zie Afgodendienenden. --Zie Ongeloovigen. --Zie onwetenden.

Arafat, een berg, II. 194.

Arkbewoners, zie Redding.

Ark, waarin de Godheid woont, II 249.

Armbanden, insigniÎn der koninklijke waardigheid, XLIII, 53, n.

Armen onder de ongeloovigen, VII, 47, n. --Kenteekenen daarvan, II, 274. --Willen Mahomets godsdienst omhelzen, VI, 52, n.

A‰ron, broeder van Mozes, IV, 161; VI, 84; VII, 138; X, 76; XIX, 29, n.; XX, 31, 73, 92; XXI, 49; XXIII, 47; XXV, 37; XXVI, 12; XXVIII, 34; XXXVII, 114.

Asaf, de kenner der schriften, XXVII, 40, n.

Asia, vrouw van Pharao, LXVI, 12, n.

Asram, XVIII, 81, n.

Atoom, IV, 44.

A¸oub, zie Job.

Avond en ochtend, voornaamste uren van het gebed, XX, 130, n.

Avondgebed der Mahomedanen, XI, 116, n.

Azer, naam door de Mahomedanen aan Abrahams Vader gegeven VI, 74, n.

B

Babel (De beide engelen van), Haroet en Maroet, II, 96.

Bahr, zee bij de Arabieren, niet alleen op zout water toegepast, maar ook op groote stroomen, XXXV, 13, n.

Balans door Noach, uit den hemel ontvangen, LVII, 25.

Balkis, koningin van Saba, XXVII, 23, n. --Haar troon, afd. --Zij ontvangt een brief van Salomo, 29. --Haar geschenk aan Salomo, 36 n. --Zij onderwerpt zich aan Salomo, 42, n. --Hare voeten en beenen waren met haren bedekt, 44, n.

Barmhartige (De), XXV, 60. --Schenkt liefde, XIX, 96. --Zie God.

Barmhartigheid. VIII, 68, n. --Van God, men moet daar nooit aan wanhopen, XXXIX, 54.

Barzakh, hek, XXIII, 102, n.; XXV, 55, n.

Bashirs verschillen met een Jood, XXIV, 49, n.

Becca of Mekka III 90, n.

Bedevaart Elhadjdj (Tijdstip van), II, 192, n., 193, n. --Zie CeremoniÎn. --Zie Koophandel.

Bedr (Veldslag van), III, II, 118-120; VIII, 5 en volg. --42, 43. --Zie Veldslag.

Bedrag van legaten, II, 176, n.

Bedriegelijk geluk der ongeloovigen, VII, 181, n.

Bedrieger (De) moet met zijn bedrog verschijnen, III, 155.

Bedriegers, zie Mozes en Mahomet. --Die valsche maten en gewichten bezigen, LXXXIII, 1 en volg.

Bedwelmende dranken, II, 216, n.

Beelden van engelen en profeten, XXXIV, 12, n.

Been-ontblooting, uitdrukking bij de Arabieren, om eene vreeselijke ramp aan te duiden. LXVIII, 42, n.

Begeerte XV, 88. --Een tuin te hebben, II, 268.

Begeerten, VII, 175.

Bekeering, II, 17, n.

Bekka, zie Mekka.

Belastering van deugdzame vrouwen, XXIV, 23.

Beleediging van zielen, IV, 67.

Beleefdheid (Voorschriften der), XXIV, 27-29, 57, 61-63; XXXI, 18; XXXIII, 53; LVIII, 12; LXIX, 2, 3.

Belooning, II, 138. Voor de gehoorzamen, XXXIII, 31, n.

Belooningen (De) der rechtvaardigen overtreffen de kastijdingen der verdoemden, VI, 161. --Der geloovigen, LVII, 12. Zie Gelukzaligen en Paradijs.

Bemiddelend volk, II, 137.

Benjamin, XII, 8, n.

Beproeving aan de rivier. II, 250.

Bergen (De) verdwijnen, XVIII, 45. --Wat zij zullen worden op den dag des oordeels, XX, 105 en volg. Zie Laatst oordeel.

Berg SinaÔ, VII, 170, --Zie Al Masher. --Zie Arafat. --Zie SinaÔ.

Berouw (Het), IV, 20-23. --Der ongeloovigen op den dag der verklaring van het boek, VII, 51.

Berouwhebbende, V, 43. --Zie vergiffenis.

Bescherming van God, IX, 26.

Beschuldiging der Joden van het vervalschen der gewijde schriften, II, 73, n.

Besnijden (Het), daarvan wordt in den Koran niet gesproken.

Bespotting, V, 63.

Bestemming, Ieder mensch heeft zijne bestemming. Zie Vogel. --Zie Boek.

Betreding der kamers door slaven, zie Uren.

Bevel aan Abraham zijn zoon te offeren, XXXVII, 101. --Oogenblik, waarop dit offer verhinderd werd, 103, n.

Bevelen van God. VI, 152; VII, 31; LX, 9 en volg. LXXIV, 2 en volg. --Zie Zedeleer.

Bevrijding, VI, 63.

Bewakers der schending van Gods Boek, V. 48, n.

Bewoners van Mekka gestraft, XXXIX, 52. --Van Sodom, XI, 79. --Hunne misdrijven, XXIX. 28.

Bezieling der dichters, zie Dichters.

Bezittingen dezer wereld, IV, 96. --Verteren 33.

Bezoek der heilige plaatsen, IX, 18.

Bidden tot God, IV, 1, n.

Biduur, zie Avond en Gebed.

Bileam vloekt Mozes en de kinderen IsraÎls, VII, 174, n.

Binnentreden, zie Groet.

Binnentrekken der IsraÎlieten van Jericho, II, 56, n.

Bloedprijs aan de familie van een verslagene, IV, 94.

Bloedvergieten, V, 35.

Bloedverwanten (De), vader en moeder; plichten hen betreffende, XVII, 24, 25; XXIX, 7; XXXI, 13; XLVI, 14 en volg.

Bloed, zie Verboden spijze.

Boek der besluiten, II, 41, n. --Zie Fatalismus, voorbeschikking Gods, Theodicea. --III, 139; XI, 8; XXXIV, 3. --Waarin de daden van elk mensch zijn opgeteekend. XVII, 73; XVIII, 47; LXXXIII, 7 en volg. LXXXIV, en volg. --Zie Daden. --Zie oorspronkelijk.

Boom, zie verboden.

Bondgenootschap tegen Mahomet, XIII, 35.

Boomen, enz. door menschen geplant, VI, 142, n.

Broeder, II, 173, n.

Broeders erfdeel eener kinderlooze zuster, IV, 175.

Bron, zie Al Rass. --Zie Selsebil.

Bruidschat, XXXIII, 48, n. --Voor geloovige vrouwen, LX, 10 en volg.

Bruidschatbepaling, IV, 28, n.

Buigen, II, 40.

Buit, VIII, bl. 211, n. --VIII, 1, 42; XLVIII, 19 en volg. LIX, 7.

Buren, zie Naburen.

Bij, wat God hem heeft geopenbaard, XVI, bl. 294, n.

Bijgeloof, II, 185. --VI, 138, n., 139, n. --XXXVII, 86 en volg.

Bijnaam van een Arabisch vorst, zie Tobba.

Bijstaan, IV, 140.

C

Caaba-tempel, VIII, 35, n.

Caaba, zie Ka'ba.

Cafoer, fontein in het paradijs, LXXVI, 5.

CaÔn, zie Kabil.

Caleb, V, 26, n.

Caroen, zie Karoen.

CeremonieÎn bij de bedevaart van Mekka, V, 2, n.

CheÔtan, II, 13, n.

Cherubijnen, XL, 7, n.

Christenen (De) die gelooven, zullen beloond worden, II, 59, 107, 129. --Zeggen Christus is Gods Zoon, IX, 30, 31. --Zij hebben de Schriften ook vervalscht, V, 18. --Zij zijn de Muzelmannen minder vijandig dan de IsraÎlieten en de afgoden dienaars, 85.

Christus, Gods Zoon, IX, 30, n., zie Jezus.

Coba', zie Tempel.

D

Daden (De) der menschen zijn bij God opgeteekend, IX, 122.

Dag der beslissing, XXXII, 29. --Des oordeels, XL, 34. --Zie Personen. --Zie Al Hakkat. --Der opstanding, VII, 57. --Van waarschuwing, XL, 15. --Waarin de engelen tot God opstijgen, en welke vijfduizend jaren duurt, LXX, 4. --Waarop God zijne vonnissen op een zondig volk nederzendt, XLI, 15, n.

Dagen waarin de aarde werd geschapen, XLI, 8, n.

David, IV, 161; V, 82; VI, 84; XXI, 78; XXVII, 15. --Vervaardigt maliÎnkolders, XXXIV, 10. --Zingt Gods lof, XXXIV, 10. --Was daarom met sterkte begaafd, XXXVIII, 16. --Zijn oordeel, XXXVIII, 20, n. --Verdeeling van diens tijd, 21, n. --Diens misdaad, 23, n. --Heeft maliÎnkolders uitgevonden, XXI, 80, n. --Wordt toegestaan Goliath te dooden, II, 252. --Ontvangt de Psalmen XVII, 57.

Davids erfgenaam, zie Salomo.

Deel der koe, II, 68.

Deuren, zie Hemeldeuren.

Dhafar, zie Zonen.

Dhoe'lkarnein, 82 en volg.

Dhu'lkefl, profeet, XXI, 85; XXXVIII, 48.

Dhu'lnun, bijnaam van Jonas, XXI, 87, n. --Zie verder Jonas.

Dichters, XXVI, bl. 400, n.

Diefstal, V, 42.

Dienaren afgevaardigd, XVII, 5.

Dienstboden, zie Huwelijk.

Dier der openbaring, zie Djessasa. --Verschijnende voor den dag des oordeels, zie Al Jessasa. --Zie openbaring.

Dichtzegeling der harten, II, 6; XXX, 59; XLII, 23; XLV, 22.

Djennet, zie Paradijs.

Djessasa, of het dier der openbaring, XXVII, 84, n.

Djibt, naam van een afgod, IV, 54, n.

Dochter (De geboorte van eene) wordt als een ongeluk beschouwd, XVI, 59-64 XLIII, 16. --Men begroef haar levend, LXXXI, 8.

Doeken waarmede de Oostersche vrouwen zich, bij het uitgaan, bedekken, XXXIII, 59.

Donder, XIII, bl. 276, 14.

Dood (De). XL, 11. --Zal den mensch overal bereiken, IV, 80. --Van een profeet, XXI, 14, n. --Zie verlangen.

Dooden van dieren, V, 4. --Voor eene rechtvaardige zaak, VI, 152.

Doodvonnis, zie Mozes.

Doop, II, 132.

Douni-'Llahi, zie Min.

Dranken, zie bedwelmende.

DrieÎenheid, leer der Christenen, IV, 169, n.; V, 77.

Drinken, II, 87. --Zie Eten.

Dronkenschap (De), IV, 46.

Dubbele en enkele dingen, beteekenis daarvan, LXXXIX, 2, n.

Duidelijk boek, VI, 59. --(De) uitgelegden, XLI, bl. 505, n.

Duivel (De). XVII, 29, 55 en volg, XXIV, 21; XXV, 31; XXXV, 6; XXXVI, 60 en volg.; XLVII, 27; LVIII, 11, 20; LIX, 16. --Zijne onverzoenlijke haat tegen den mensch, IV, 118; VII, 10 en volg. --Hij verleidt Adam, XX, 118. --Op den dag des oordeels zal hij blind verschijnen, 124. Zie verder Eblis. --Over wien hij wel en geen macht heeft, XVI, 100 en volg. --Zie Straf. --Zie Verschijnen.

Duivels (De), luisteren af, wat in den hemel gezegd wordt, XV, 17 en 18; XXXVII, 6 en volg, LXVII, 5; --op den dag des Oordeels, XIX, 69. --Zie Geniussen.

Duur der helsche marteling, doet de afgelegde levensbaan kort schijnen, XXIII, 115, n --Van de openbaring des Korans, XXV, 34, n. --Van het verblijf in de spelonk, XVIII, 24.

Dwalenden. I, 7.

Dwaling, III, 23. --Der ongeloovigen omtrent den barmhartige, XVII, 110, n.

E

Eblis, verklaring van dat woord, II, 32, n. --Of Satan, VII, 10; XV, 31 en volg. XVII, 63 en volg; XVIII, 48; XX, 115; XXVI, 95; XXXIV, 19; XXXVIII, 74. --Meening omtrent de SabbeÔsten, XXXIV, 19. n.

Echtgenooten en moeders, XXXIII, 4.

Echtscheiding, II, 230, n. --IV, 24; XXXIII, 48; LVIII, 4; LXV, 1 en volg, --zie Verstooting.

Edelmoedigheid (De) aanbevolen. II, 271.

Eden. IX, 73; XIII, 23; XVIII, 30; XXXV, 30; LXI, 12. --Zie ook Paradijs.

Edris (Profeet), XXI, 85; XIX, 56. --Diens verheffing, 58.

Eed der vrouwen, LX, 12. --Van overspeligen, XXIV, 6 en volg.

Eeden, V, 58, n., 91; LXVIII, 17, 18.

Eendracht verlangen, IV, 65.

Eenheid (De) van den godsdienst dagteekent van Abraham, II, 124 en volg. XLII, 11.

Eerste hoofdstuk, zie Fatihat.

Egypte. Zie Pharao, Mozes, Toovenaars.

Egyptenaren, zie Slagen.

Eigen volk bestrijden, IV, 92.

Einde der menschen, IV, 79.

Eindpaal, VI, 128.

Elath, zie Ailah.

El Djessasa, zie Al Jessasa.

Elfettah, die alles opent, 34, 25, n.

El-forkan, eigenlijk de verlossing, II, 50, n.

Elhadjdj, zie Bedevaart.

Elias, VI, 85. --Naar veronderstelling der Mahomedanen Al Khedr, XXXVII, 123, n.

Elisa (De profeet), VI, 86; XXXVIII, 48.

El-Lat, afgod der oude Arabieren, LIII, 19 en volg.

Engelen (De beide) van Babel, Haroet en Maroet, II, 96.

Engelen (De), II, 28, 156, 172, 206, 249; XXI, 26 en volg.; XXII, 74. --Zij zijn Gods boodschappers, en hebben verscheiden paren vleugels, XXXV, 1. --Zij dragen Gods troon, LXIX, 17. --Zij zijn den menschen tot voorspraak, XL, 7; XLII, 3. --Vier zullen ook vÛÛr den jongsten dag sterven, XXXIX, 68, n. --Zij worden soms der geloovigen ter hulp gezonden, III, 120; VIII, 9. --Zij aanbidden Adam. VII, 10; XVIII, 48; XX, 115; XXXVIII, 71. --Zij moeten niet aangebeden worden, III, 74. --Zij zullen de afgodendienaars verloochenen, XXXIV, 39 en volg. --Zij worden door de afgodendienaars voor Gods dochteren gehouden, XVI, 59; XVII, 42; XXXVII, 150; XLIII, 18; LIII, 28.--XXXV, bl. 468, n. --Het aantal hunner vleugels, 1, n. --Zij, die zich in orde scharen, XXXVII, 1. --Woorden door hen gesproken, 166, n. --Worden slechts bij voegzame gelegenheden nedergezonden, XV, 8. --Zij alleen zijn bewaarders der hel (negentien in getal), LXXIV, 30 en volg. --Ieder mensch strekken zij tot wachters, VI, 61; XIII, 12. --Over den dood, VI, 61; VII, 35; VIII, 52; XVI, 30, 34, 35; XXXII, 11; XLVII, 29. --Vragen rekenschap van der menschen gedrag, L, 16. --Over de straf, zie Malek. --Wederstrevende, XV, 28 en volg.; XVII, 63. --Gods gezanten, XXII, 74. --Dood daarvan, LXIX, 17, n. --Zie God. --Zie Haroet, Maroet en Malek.

Engel (De) GabriÎl, Heilige Geest, XVI, 104; LXVI, 4; LXXXI, 19. --Hij is de vijand der IsraÎlieten, II, 91, 92. --Hij is de boodschapper der openbaring, LIII, 5, 6;--II, 91 en 92. --Diens kennis van Goddelijke openbaring, XXVI, 193, n. --Verschijnt slechts aan Mahomet in zijn natuurlijken vorm, LIII, 6, n.

Engel in menschenvorm, VI, 9. --Zie Al Syil. --Zie Malek. --Zie MichaÎl.

Enoch, zie Edris.

Erfdeel van een kinderlooze, zie Zusters.

Erfenis, VIII, 73, n. --De zwakken, LXXXIX, 20.

Erfenissen, XXXIII, 6, n.

Erven van land door de kinderen IsraÎls, VII, 133.

Erving door een verwijderden bloedverwant, IV, 15. --Broeder of zuster van een man of vrouw, IV, 15.

Esdras, IX, 30. --Zie OzaÔr.

Eten, VII, 29, n. --Van vee, V, 1. --Van mannetjes of wijfjes der dieren, VI, 145.

EthiopiÎ, zie Vluchtelingen.

Evangelie (Het), III, 2, 43, 58; V, 50, 70, 110; VII, 156; IX, 112; XLVIII, 29; LVII, 27.

ExpeditiÎn van den profeet, XLVIII, 15, n.

Ezra, zie OzaÔr.

F

Fatihat, of het eerste Hoofdstuk van den Koran, bl. 69.

Fatalismus, III, 139; XIII, 30; XIV, 4; XLII, 6. --Zie Voorbeschikking.

Firdous, zie Paradijs.

Fontein, zie Cafoer. --Zie Tasnim.

Formule der scheiding, zie Scheiding.

Formulier het huldigen van een vorst, V, 10.

G

GabriÎl, zie Engel.

Gadeslaan, Ra'ina, IV, 49, n.

Gebed (Het) X, 89. --II, 109, 136 en volg. 239; IV, 46; V. 8; VII, 204; XI, 116; XVII, 80 en volg.; XXIX, 44; L, 39. --In den oorlog, IV, 102-104. --Verzen, die daartoe kunnen dienen, II, 286; III, 181-192. --Der Mahomedanen, IV, 103, n. --Der Joden, 286, n. --zie Namiddag.

Gebod aan de vrouwen, XXIV, 31. --Hare kleeding, ald.

Geboorte van eene dochter door de Arabieren als een ongeval beschouwd. XVI, 59, n.

Gedachte aan God, IV, 141.

Gedeelte der hel, zie Al Hotama.

Gedrag der vrouwen tijdens de afwezigheid harer mannen, IV, 38. --Omtrent de vrouwen van den profeet, XXXIII, 53.

Geest (De) is op Gods bevel geschapen, door het woord Kun, XVII, 87. --God bracht dien met zijn woord in Maria over, IV, 169. --Heiligheid of de Heilige Geest, II, 81. --Wat hij is, volgens den Koran, II, 254; XVI, 104. --Zie Heilige.

Geldstukken, zie Twist.

Geld terugnemen van vrouwen, IV, 24.

Geleide, IX, 6, n.

Geloof, XLIX, 14, n. --Aan afgoden, IV, 54. --Aan den jongsten dag, IX, 29. --Aan Gods teekens. VI, 118. --En goede werken, XIV, 28; XVI, 99; XVIII, 29. --En loochening van het boek den geloovigen gezonden, III, 65.

Geloofsgeschillen, zie Twisten.

Geloovigen, zie Mozes. --Zie Oorlogskamp.

Geloovigen, II, 269 en volg. III, 106. --V, 73, n. --XI, 31. --IX, 72; XXXII, 15 en volg.; XXXIII, 21, 36; XLIX, 14. --Bevrijden, IV, 94. --Dooden, IV, 94. --Moeten slechts voor de hunnen vriendschap koesteren, III, 124.

Geluk der ongeloovigen, zie Bedriegelijk.

Gelukspel, Al Meizer. II, 216.

Gelukzaligen (De), III, 103 en volg.; VII, 40-42; X, 26, 27; XI, 110; XV, 45 en volg.; XVIII, 107, 103; XXI, 101 en volg. XXII, 23, 24; XXV, 27; XXXI, 7, 8; XXXII, 15, 16; XXXV, 29 en volg.; XXXVI, 54 en volg.; XXXIX, 70, 73 en volg.; XLIV, 51 en volg.; XLVII, 8, 13, 16 en volg.; LII, 17 en volg.; LV, 46 en volg.; LXIX, 19 en volg.; LXXVI, 5 en volg.; LXXVII, 41 en volg.; LXXVIII, 31 en volg.; LXXXIII, 21 en volg.; LXXXVIII, 8 en volg.

Gelukzaligheid, zie Thojeba.

Gelijkenissen, vergelijkingen, die men in den Koran ontmoet, II, 16, 18 en volg. 166, 263, 266-268; III, 113; VII, 38; X, 25; XI, 26; XIII, 18; XIV, 20 en volg.; 29 en volg.; XVI, 76 en volg.; 94; XVIII (die der beide tuinen), 31-42; XXII, 72; XXIV, 34 (die van Gods licht), 35, 39 en volg.; XXX, 27; XXXIX, 30; LVII, 19; LIX, 21; LXIII, 4; LXVII, 22; LXVIII, 17 en volg.

Gember, zie Zendjebil.

Gemengde huwelijken, V, 7, n.

Geniussen (De), VI, 100, 128, 130; XVIII, 48; XLI, 24, 29; --Zij zijn van vuur geschapen, XV, 27; LV, 14. --Zij zijn aan de bevelen van Salomo onderworpen, XXVII, 39; XXXVIII, 36. --Zij luisteren naar den Koran en bewonderen dien, XLVI, 28 en volg. LXXII, 1 en volg. --Zij luisteren naar hetgeen in den hemel voorvalt, XV, 17 en 18; XXVI, 212. Zie verder Duivels.

Genius, zie Ifrit.

Genoegens genieten, V 70.

Genot, zie IJdel.

Gepaste taalvoering, IV, 10, n.

Geschenken aan het volk van Mozes, V, 23.

Geschiedenis, XXVIII, bl. 419, n.

Geschillen beslechten, V, 46. n.

Geschil voor God brengen, IV, 62.

Gesprek met de afgodendienaars, XVII, 56.

Getrouwheid aan de overeenkomsten, IX, 5.

Getuigenis, II, 282; IV, 134: V, 11.--V, 105.--LXXXV, 3. --Afleggen, VI, 19. --Van een lid van Potiphars gezin XII, 26.

Getuigen tegen Joden en Christenen op den dag der opstanding IV, 157.

Gevangenen te Bedr, VIII, 69.

Gezanten, VI, 61.--X, 75.--XI, 72.

Gezichtseinder, zie Zon.

Gierigaards (De), hunne straffen in de hel, IX, 34, 35; LVII, 24. --God bemint hen niet, IV, 40, 41.

Gierigheid (De) veroordeeld, XLVII, 40.

God met een groote G, beteekenis daarvan, XX, 7, n. --Straft hen, die niet naar Noachs prediking hebben geluisterd, LXXI, 11, n. --Heeft eene rustplaats voor u geschapen. VI, 98. --Eenig Allah, II, 256; XX, 7, 14. --Zijne namen, 99 in getal, VII, 179. --Hij heeft de schoonste namen, XVII, 110. --Eenige zijner namen, LIX, 23, 24. --Zijne alwetendheid, VI, 38, 59; LVIII, 2, 4, 7, 8, 12, 14. --Schepper VI, 95 en volg. --Heeft alles geschapen, zonder de minste vermoeienis te gevoelen, L, 37. --Zijne macht, II, 111, 159; VI, 95 en volg.; XVI, 10, 39 en volg: XXII, 62-65; XXIV, 43, 44; XXV, 47-53, 55 en volg.; XXVII, 61-66, 89, XXVIII, 70-75; XXX, 18 en volg; XXXI, 9; XXXV, 10-14; XXXVI, 33-44. XXXIX, 21, 22; L, 6 en volg.; LI, 47-60; LIII, 41 en volg; LIV, 49 en volg.; LVI, 57 en volg.; LVII, 1-6; LVIII, 6 en volg.; LIX, 21; LXVII, geheel; LXXIX, 27 en volg.; LXXXV, 12 en volg.; LXXXVI, 1-8. --Hij is het licht, XXIV, 25. --Alles tracht hem te verheerlijken, XIII, 14-16: XVII, 46; XXIV, 41. --Hij is volmaakt in zijne werken, LXVII. 3. --Hij zorgt voor iedereen, XXIX, 60 en volg. --Hij heeft in alles voorzien, XV, 19 en volg. --Hij schenkt zijne gaven aan wien Hij wil, XVII, 21-32. --Zijne woorden falen niet, XVIII, 109. --Zijne werken ten nutte van den mensch zijn ontelbaar, XXXI, 28 en volg. --Hij kan zich wreken, III, 3; V, 96; XIV, 48. --Hij heeft geene kinderen; dit te denken, zou eene godslastering zijn. II, 110; IV, 169; VI, 100, 101; XIX, 36; XXI, 26; XXXVII, 149; XXXIX, 6; LXXII, 3. --Hij is onveranderlijk in zijne geboden. XLVIII, 23. --Hij heeft alle wezens geschapen, opdat zij hem zullen aanbidden, LI, 56. --Hij vertoont zich aan niemand, wie het ook zij. VII, 139. --Hoe Hij tot den mensch spreekt, en zich aan hem openbaart, XLII, 50, 51. --Hij doet dwalen en richt ook wien hij wil XXXV, 9, XIV 4; XVI, 95. --Hij zelf doet de boozen dwalen, XIII, 30. --Zijne besluiten, XIV, 4, 32. --Hij had alle menschen denzelfden godsdienst kunnen doen belijden, V, 53; XVI, 95. --Hij zelf duldt de ongeloovigheid en de ongeloovigen, VI, 35. --Hij heeft een groot aantal geniussen en menschen voor de hel geschapen, VII, 178. --Hij zelf bewerkt, dat de grooten en de rijken van Mekka de meest schuldigen zijn, VI, 123, n. --Hij zelf heeft het verschil van stand en de dienstbaarheid onder de menschen gevestigd, XLIII, 31. --Het goede komt van Hem: het kwade komt van den mensch IV, 81. --Hij is de schepper van goede en slechte daden, XCI, 8. --Hij houdt den mensch door den mensch binnen de grenzen, II, 252; XXII, 41. Zie mensch en Theodicea. --De barmhartige, VI, 103. --Heeft koningen gegeven. V, 23. --Is eenig, IV, 169. --Is een voldoende beschermer, IV, 169. --Komen de schoonste namen toe, VII, 179. --Is alwetend, VI, 80. --Diens dagen, XLV, 13. --Gebiedt niet engelen of profeten als meesters te nemen, III, 74. --Zweert bij de vijg en den olijf, XCV, 1. --Neemt Maria met welgevallen aan, III, 32. --Brengt het leven uit den dood voort, III, 26; VI, 95. --Op bepaalde dagen gedenken, II, 199. --Zendt den slaap III, 148. --Kan, als het hem behaagt, de openbaringen uit Mahomets hart wisschen, XLII, 23, n. --Heeft nimmer tot een mensch het woord gericht, XLII, 50, n. --Behoeft den dienst van een schepsel niet, IV, 131. --Deelt niemand zijne geheimen mede, behalve den gezant, in wien hij behagen schept, LXXII, 27. --Zal den man eene vrouw doen vinden, IV, 129, n. --Op zichtbare wijze zien, IV, 152. --Vreezen. V, 4; VI, 68. --Aankleven, III, 98. --Wacht berouw af, II, 157, n. --Laat het oorlogsvuur blusschen, V, 69. --Zendt wind en regen, VII, 55. --Bemint de zondagen met. VII, 53. --Zendt manna en kwakkels neder, II, 54, VII, 160. --Zendt tegenspoed, VII, 128. --Kent uw geloof, IV, 22. --Maakt zijne geheimen niet bekend, III, 174. --Is de eeuwige, de verhevene, de machtige, II, 256. --Wil Jezus doen sterven, III, 48. --Zendt kleederen VII, 25. --Schenkt de roeden om de wonderen in Egypte en de woestijn te verrichten, VII, 83, n. --Spreekt met Mozes van aangezicht tot aangezicht, VII, 139.

Goddeloozen, het oordeel omtrent hen verdeeld, IV, 90.

Goddelijke gunst, III, 148, n. --Openbaring, zie GabriÎl. --Rechtvaardigheid, II, 286; IV, 107, n.; VI, 110, 111, 112, 115, 132, 161; VII, 28, 178, 179; XVI, 38, 39; XVIII, 64 en volg.; XXI, 36; XXIV 21, 23 en volg; XXXIII, 71 en volg.; XXXV, 19; XXXIX, 12; XLVI, 17; LIII, 33, 41 en volg. --Verlof, XXXIV, 22, n.

Godheden der afgodendienaars, men moet die niet beschimpen, VI, 108. --Zij zullen zelf de afgodendienaars verloochenen, XXV, 18 en volg. Zie Afgoden. Afgoderij.

Gods aangezicht te zien, II, 274. --Afgezanten. VI, 130, n. --Alwetendheid, L, 17, n. Antwoord aan Abraham, II, 262. Zie Abrahams vraag. --Besluiten, XXXII, 4, n. --Bestraffing, XVI, 28. --Bevel om zich bij het gebed met de schoonste kleederen te tooien, VIII, 29. --Boek, XXX 56, zie Bewakers.

Godsdienst, X, 20; XXXVIII, 6, n.

Godsdienst (De) kent geen dwang, II, 257.

Godsdienstgrenzen, V, 81. --Overschrijden, IV, 169.

Godsdienstoefening, bijna gestoord door eene aankomende karavaan, LXII, 11, n.

Godsdienstplichten, zie David.

Godsdienstvolmaking, V, 5.

Gods dochters, XVI, 59, zie Aanbidding. --Gebod, II, 103. --Genade in ongetrouwheid veranderd, XIV, 33. --Geschenken VII, 48. --Gezant, VII, 157; X, 2, n. --Giften aan David, II, 252. --Gunsten. XIV, 5. --Eenheid, XXI, 25; XXIII, 73, n.; XXX, 34; XLIII, 86; CXII, blz. 631. n.; zie Twist. --Handeling met trotsche en ondankbare menschen, VII, 97, n. --Handelwijze, VI, 131. --Hoede over de dieren, VI, 38, n. --Makkers, VI, 94. Zie Valsche goden. --Naam herdenken, V, 6. --Naam bij eten herdacht, VI, 118. --Onderricht, IV, 113. --Ondersteuning, III, 148; XIV, 18. --Oog overal, II, 109. --Schepping veranderen, IV, 118. --Straf, VI, 47. --Teekens, zie Geloof. --Troon, II, 256. --Verbod, VI, 152. --Vereering, III, 57. --Verontwaardiging zal over de aanbidders van het kalf komen, VII, 151. --Vloek over de leugenaars ingeroepen, III, 54. --Vonnissen, zie Dag. --Voorbeschikkingen, volzinnen, die billijken daaraan te gelooven, III, 148; VI, 35; XVI, 38, 39; XXXII, 13; XXXIII, 38; XXXV, 9; XXXVI, 6 en volg.; LIII, 33 en volg.; LVII, 22. --Voorschriften, zie Afdwaling. --Weg, II, 149. --Wet, XXXIII, 72, n. --Woord IV, 169. --Woord veranderd, XLVIII, 15. --Woorden kunnen door geen sterveling veranderd worden, VI, 115. --Zendelingen, VI, 124.

Godvreezendheid, II, 179.

Godvruchtige mannen, vijf in getal, die vÛÛr Noach hebben bestaan, LXXI, 22 en 23, n.

Goede daden gaan niet verloren, III, 193.

Goede dingen, V, 6.

Goede (Het) doen, bij het leven verdienstelijker dan bij den dood of uitersten wil, LXXIII, 20 n.

Goede handelingen, VI, 159.

Goederen (In bewaring gegeven), IV, 61; LXX, 32, 35.

Gog en Magog, volk zonder kleedingen of woningen, XIX, 89. Zie Yajoej en Majoej.

Goliath, zie Jalut.

Gouden (Het) kalf, II, 48, 51, 86, 87; IV, 152; VII, 146; XX, 90.

Gouden kalf, zie Aanleiding.

Gouden versierselen, XLIII, bl. 515 n. 32, 34.

Goudstukken teruggeven, III, 68.

Grensscheiding, zie Lotusboom.

Grenzen door God gesteld II, 183.

Grieken (De), XXX, bl. 435 n. --Zij worden door de Perzen overwonnen, 1. --Land waar die overwinning plaats vond, 2.

Groet, begroetingen, beleefdheid, IV, 88. --Bij het binnentreden der huizen, XXIV, 61.

Grondige kennis bezitten, IV, 160.

Grondgebied, XC, 1 en volg. --Der zekerheid, XCV, 3.

Grondslag, zie Rawasiya.

Grondzuilen des boeks, III, 5.

H

Habbib Al Najjar, diens martelaarschap, XXXVI, 19, n.

H‚bÓl (Abel), V, 30.

Hafsa, twist tusschen haar en den profeet, LXVI, 1 n. --Zij maakt eene andere vrouw met een geheim bekend, haar door Mahomet medegedeeld, 3.

Halsband, XIII, 9.

Haman bouwt voor Pharao een toren, XXVI, 28; XXVIII, 38; XL, 38. --Volgens den Koran, minister van Pharao, XXVIII, 5; XXIX, 38; XL, 25, 38.

Hamyarieten, wier koningen den titel van Tobba hadden, XLIV, 36. n.

Handel (De), II, 194, n. --Gedurende den pelgrimstocht te Mekka, XXII, 29, n.

Haroet, engel van Babel, II, 96.

H‚wiyet, onderste afdeeling der hel, CI, 6.

Hazardspelen, II, 216; V, 92 en volg.

Hedjr (Het Land), XV, bl. 288, n.; 80.

Heer van het oosten en westen, LXX, 40.

Heester, zie Tamarissen.

Heiden, zie Onwetenden.

Heilige boeken. XIII, 39. --Zie Schrift.

Heilige geest, II, 81, 254; V, 109. --Zie Geest.

Heilige huis van Mekka, zie Ka'ba.

Heilige (Het) land of Palestina, V, 24.

Heilige maand, II, 214; IX, 5; --twaalf in getal, 36.

Heilige nachten, tien in getal, LXXXIX, 1.

Heilige oorlog (De), II, 186, n. 187, 212 en volg.; IV, 76; IX, 36, 38 en volg.; XLVII. bl. 530, n. 4 en volg., 33, 37; XLVIII, 25.

Hek, zie Barzakh.

Heilige tempel, V, 3; XLVIII, 25.

Hel (De), III, 10; IX, 35; XI, 120; XIII, 18; XV, 43, 44; XVIII, 100, 102, 106; XXXV, 33 en volg.; XXXVII, 53 en volg.; XXXIX, 71, 72; XL, 46, 49 en volg. 76; XLV, 9, 33; LV, 43, 44; LXXVIII 21 en volg.; LXXXIX, 24 en volg. --Zij heeft zeven deuren, XV, 44. --De bewaarders daarvan, XL, 52, 53; LXXIV, 30 en volg. --En hare straffen, IV, 59; VII, 36, 38, 39; XIV, 19, 20, 50, 51; XXXVII, 60 en volg.; XXXVIII, 57, 58; XXXIX, 48; XLI, 23, 24; XLVII, 17; L, 27; LXXIV, 26, 28, 29. --Zij is zoowel voor de menschen als voor de geniussen bestemd, VII. 36 en volg.; XI, 120. --God vraagt of zij vol is. L. --God kan er de verdoemden uitvoeren, XI, 119. --De straffen daarvan kunnen, volgens sommigen, evenmin als de zaligheid van het Paradijs eeuwig duren, XI, 179, n.

Hellevuur, zie Al Araf.

Helsche boom, zie Zakkoem.

Hemel (De) geschapen, XLI, 30.

Hemelen. Er zijn er zeven, LXVII, 3: LXXVIII, 12. --Of paden, zeven in getal, XXIII, 17, n.

Hemelteekenen, LXXXV, 11.

Hemelwaarts verheffen, VI, 125.

Hervorming en verbetering van den mensch, VII, 54, n., 83.

Hittaton, II, 55, n.

Hoed, Profeet, VII, 63; XI, bl. 235, n., 52; XXVI, 124 en volg.

Honderd dertiende Hoofdstuk als amulet gedragen, bl. 630, n.

Hond in de spelonk, XVIII, 17.

Hondsgesternte, zie Syrius.

Honein, zie Slag.

Honig, XVI, 71, n.

Hoofdafgoden der Arabieren, VII, 193, n.

Hoofdzonde, zie Zonde.

Hoofdstuk (Het) van de koe, II, bl. 39, n.

Hoogmoed, XVII, 39.

Hotama, een deel der hel, CIV, 4, 5 en volg.

Hout, waaruit door wrijving vuur ontstaat, XXXVI, 80; LVI 70, 71.

Hud, zie Hoed.

Huichelaars (De) II, 7 en volg; IV, 141 en volg; IX, 65-71, 74, 75 en volg., 102; LIX, 11 en volg; LXIII; geheel. --Hun gedrag te Medina, XXXIII, 9 en volg. --Hoe men hen moet behandelen, 47. --Hun lot hier namaals, LVII, 13 en volg.; XXXIII, 1.

Huichelarij van Akhnas Ebn ShoraÔk. II, 202.

Huis, zie Abraham.

Huisdieren dooden, V, 96.

Huldigen van een vorst, zie Formulier.

Hulpbehoevenden, IX, 60.

Huwelijk (Het) XXXIII, 48 en volg. --Gemengde, wettige en onwettige, II, 220; IV, 26-30; V, 7. --Der armen, XXIV, 33. --Binnen de verboden graden van bloedverwantschap, XXXIII, 37. --Met slavinnen, IV, 28 en 30.

Huwelijken welke de geloovigen verboden zijn. XXIV, 3.

Huwelijks aanzoek, II, 235.

Huwelijksgiften, IV, 3.

Huwelijk van dienstboden, XXIV, 32.

Huwen met vrije vrouwen, IV, 29. --Huwen van vrouwelijke weezen, IV, 126.

I

Ifrit, een genius, XXVII, 39.

Ilah, zie Allah.

Illioen, LXXXIII, 18, 19. --Beteekenis daarvan, 18, n.

Ilyasin, beteekenis daarvan, XXXVII, 130, n.

Imam, hoogste priester, gids in de gebeden, II, 118, n.

Imran, Imram, Amram, III bl. 108, n. 30, 31 en volg: LXVI, 12.

Ingetogenheid (De) LXX, 29 en volg.

Ingeving der ziel, V, 83.

Inlassching van een geheiligde maand tusschen de andere, IX, 37.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God, uitlegging daarvan. I, bl. 69, n.

Inrichting van de ark, XI, 42, zie Plaatsing.

InsigniÎn der koninklijke waardigheid, zie Armbanden.

Intrekking van verzen des Korans, II, 100; XVI, 103.

Inwoners van AntiochiÎ, XVIII, 76.

Irem, stad der Adieten, LXXXIX, 6.

Isaak, zie Izaak.

Islam (De) of zijne belijdenis, wat hij is, II, 122, 123, 127, 134; III, 78; XLIX, 14. --Onderscheid van dezen met het innerlijk geloof, XLIX, 14. Zie Aboe Bekr. --Zie MonotheÔsme.

IsmaÎl, II, 119, 121, 127, 130; VI, 86; XIV, 40. n., 41; XXXVIII, 48. --Standvastigheid en vastberadenheid, XIX, 55.

IsraÎl, XVII, 6; XIX, 59. --De stammen daarvan, II, 130, 134.

IsraÎlieten (De), II, 38 en volg.; 86, 87, 244. n. V. 74. 82; XVII, 102 en volg.; XX, 82 en volg.; XXXII, 23; XLIV. 29 en volg; XLV, 15 en volg. --Hunne overtredingen, XVII, 4. --Zij zijn boven de overige menschen verheven, II, 116, 117; LXII, 6 en volg. --Hoe God hen straft, XVII, 5 --Hoe God hen beloont, XVII, 6, 7. --Zij vragen een vorst II, 247 en volg. --Zij doorwaden de Roode zee, V, 23; XXVI, 63 en volg. --Hunne opperhoofden, V, 15. --Hunne verstoktheid V, 16. --Zij willen niet strijden tegen hunne vijanden, V, 26, 27. --Nemen bezit van Egyptes rijkdommen, XXVI, 59. --Zie Joden.

Izaak, II, 127, 130, 134; VI, 84; XI, 74; XIX, 50, XXI, 72; XXXVII, 112, 113.

J

Jacob zie Jakob.

Jafa, zie Mahomet.

Jacht (De) V, 95, 96, 97.

Jachtdieren, V, 6.

Jakob, II, 126, 127, 130, 134; III, 78; VI, 84; XI, 74: XII, 5, 6, 11, 13, 18, 38, 63 en volg.; 75, n., 83 en volg., 93 en volg., 102, n.; XIX, 50; XXXVIII, 45. --Beschuldigt zijne zonen van eigen belang, XII, 18. --Vreest de wolven, XII, 13.

Jaktin, eene pompoenplant, die over Jonas heengroeide, XXXVII, 146.

Jaland Ebn Karker, XVII, 78, n.

Jallalo'ddin, zie Al Beid‚wi.

Jalut of Goliath, II, 250-252.

Jaren des huwelijks, IV, 5.

Jericho, zie Binnentrekken.

Jezus, zoon van Maria, II, 81, 254, V, 50; 109 en volg.; XXIII, 52; LVII, 27; LXI, 6, 14. --Zijne geschiedenis, III, 39-52. --Hij is geen God, 73, n. --Hij is niet ter dood gebracht, IV, 156. --Hij is slechts een dienaar van God. V, 109 en volg.; XLIII, 63, 86. n. --Is rechtvaardig, VI, 85. --Zijne geboorte, XIX, 23, 24. --Zijne geloofsbelijdenis, XIX, 31 en volg., zie Messias. --Apostelen, XXXVI, 12. --Diens moeder, zie Maria. --En Maria verblijf voor hen bereid, XXII, 52. --Niet gekruisigd, IV, 156. --Door God tot zich opgenomen, V, 117. --Twist omtrent hem, XLIII, 65. --Verheffing, III, 48. --Zal tot de menschen spreken, III, 41.

Job, VI, 84; XXI, 83, 84; XXXVIII, 40, 41 en volg. --Zijn zoon, Dhu'lkefl, XXI, 85, n.

Joden (De) of tijdgenooten van Mahomet, II, 59-88; III, 57, n. 60 en volg.; IX, 30; XLIII, 15, n. --Kastijdingen, die hun verwachten, IV, 50; V, 69. --Hun gedrag, III, 184, 185; VII, 168. --Zij vervalschen de schriften, IV, 48. --Hun belangzucht, 56. --Zij zijn meer dan alle andere menschen aan het leven gehecht, II, 90. --Zij haten elkander, V, 69. --Wet van Wedervergelding bij hen, 49. --Zij hebben de Maagd Maria belasterd, IV, 155. --Zij noemen zich bondgenooten en vrienden van God, LXII, 6. --Zij zeggen OzaÔr is Gods zoon, IX, 30. --Hoe Mahomet uitspraak tusschen hen moet doen, V, 45-47. --En Christenen, II, 107, 114, 129. --Verwerpen Mahomet, XVII, 8, n. --Door de Perzen overwonnen, 7, n. --Hunne handen zullen geketend zijn, V, 69.

Johannes, VI, 85; XIX, 7 en volg. Zie Yahia.

Jonas, VI, 86.--X. bl. 235. n., 98; XXI, 87 en volg.; XXXVII, 139; LXVIII, 48. --Gebeden, terwijl hij zich in den walvisch bevond, XXXVII, 143 en volg. --Duur van zijn verblijf daarin, 145, n. --Zie Dhu'lnun.

Jondob Ebn Damra, IV, 101, n.

Jongste dag, zie Slag.

Jongste uur, teeken der nadering daarvan, XLIII, 61.

Josua, XVIII, 59. --Zie Caleb.

Jozef, XII, geheel; XL. 36.

Judah, XII, 10, n.

K

Kaaba, LII, 4. Zie Caaba.

Ka'ba of het heilige huis van Mekka, zijne bouworde, II, 119-121.

K‚bil of CaÔn, V, 30 en volg.

Kadr (Nacht van), XLIV, 2, 3; XCVII, geheel.

Kaf (Berg), L, 1, n.

KaÔn, zie Abel.

Kalf II, 48, 51.--XII, 146, 147, 148, 151. --Aanbidden, IV, 152.

Kameel (De heilige) der Thamoedieten, VII, 71, 75; XI, 67 68; XXVI, 155 en volg.; LIV, 27; XCI, 12. --In het oosten voornamelijk als voertuig gebruikt. XXIII, 22. n.

Kameelen, zinnebeelden van gehoorzaamheid aan God. XXII, 37.

Karoen, XXVIII, 76; XXIX, 38, 39, n.; XL, 23. --Karoens weerspannigheid tegen Mozes, XXVIII, 76, n. --Zijne schatten, aldaar.

Kauther, eene rivier in het paradijs, CVIII, 1.

Kebla, of richting, waarin men moet staan bij het gebed, II, 136. --Onherroepelijk vastgesteld, 138 en volg. --Zie Navolging.

Kedar Ebn Salef, de meest verdorvene, XCI, 12 en volg.

Kennis, II, 114, n.; --der schriften, zie Asaf. --Na de openbaring van den Koran, II, 114. --Van den Apostel, II, 141.

Ketels uit de bergen van Yaman gehouwen, XXXIV, 12.

Kha˚la wordt door haar man verstooten, LVIII, 1, n.

Khedr, XVIII, 64 en volg. Zie Al Khedr.

KhozaÔeten, XXI, 26, n.

Kiem van het kwaad, IV, 81.

Kinderen (De), XXXI, 31. --Mahomet verbiedt hen te vermoorden, XVII, 33. --Van God, XLIII, 14. --Dooden, VI, 138, 141. --Zie Pleegkinderen.

KitfÓr, zie Potiphar.

Klaagster, LVIII, bl. 565, n,

Klank van den trompet, XXVII, 89; XXXIX, 68. --Zie Trompet.

Klinkende gesprekken, VI, 112.

Kloosterleven (Het), LVII, 27.

Koe, II, bl. 70, n.; 63 en volg.

Koningin van Saba, zie Balkis.

Koninkrijk, LXVII, bl. 584, n.

Koophandel, tijdens de bedevaart geoorloofd, II, 194, n.

Koperen fontein, XXXIV, 11.

Koran (De) I, bl. 69, n. --VI, 90 en volg.; XI, 16; XVII, 47 en volg.; XIX, 97; XX, 112, 113; XXV, 32, 34; XXVII, 78, 79; XXVIII, 48, n., 85; XXIX, 46 en volg.; XXXVI, 69; XLV, 19; LXIX, 48 en volg.; LXXX, 11 en volg.; LXXXI, 27 en volg.; LXXXV, 21 en 22; LXXXVII, 6. --Hij is een goddelijk werk, IV, 84, XLVI, 3 en volg. --Hij wordt zorgvuldig in den hemel bewaard, XIII, 39; LXXXV, 21. --Hij is niet het werk der demons, XXVI, 210. --Hij is bij gedeelten geopenbaard, XVII, 107. --Geen menschelijk wezen zou zoo iets kunnen voortbrengen, II, 21, 22; X, 39; LII, 33, 34 en volg. --Hij is het schoonste woord dat er bestaat, XXXIX, 24, 28, 29. --Hij wordt door de geniussen bewonderd, XLVI, 28. --Wat de ongeloovigen er van zeggen, XXV, 5, 6. --Hij is slechts eene bevestiging der schriften, X, 38. --Sommige verzen er uit zijn afgeschaft of veranderd, II, 100; XVI, 103; VI, 110 n. --Nacht, waarin hij is nedergezonden, XLIV, 1 en volg. --Zie Al Forkan. --Zie verzen.

KoreÔshieten (De), CVI, 1. --Dringen bij Mahomet aan tot den godsdienst van zijne vaderen terug te keeren, XLV, 17, n. --Gelooven in Mahomet, XXVIII, 57, n. --Volgens een bericht worden zij door vrees weerhouden dit te belijden, aldaar --Hun antwoord aan arme Moslems, XXXVI, 47, n. --Hun gezegde aan Mahomet, XXXIX, 37, n. --Zijn Mahomet vijandig, XVII, 78, n. --Hunne nederlaag, aldaar. --Versmaden Mahomets volgelingen, XIX, 74, n. --Verstoord door de bekeering van Omar, XXXVIII, 5, n. --Hun aanslag op Mahomet, XXXVI, 9, n. --Hunne strijdkracht, XXXIII, 9, n. --Gelooven niet in de schrift, VI, 89. --Richten drie vragen tot Mahomet, XVIII, 23, n.

Kosai, een van Mahomets voorouders, VII, 190, n.

Koude, zie Zamharir.

Kroppen van vogels, zie Zielen.

Kruisigen, VII, 121.

Krijgsgevangenen, VIII, 68 en volg.

Krijgswonden, III, 134.

Kuil, meesters daarvan, LXXXV, 4.

Kuischheid aanbevolen, XXIV, 30 en volg.

Kun, verklaring van dit woord, XVII, 87, n. --Woord, waardoor God in staat is een millioen werelden voort te brengen, XXXI, 27, n.

Kwaad, zie Kiem.

Kwakkels, zie Manna. --Zie God.

Kwartels nedergezonden, II, 54. --Zie Kwakkels.

Kwetsen door vuur, II, 74.

L

Laatste dag, VI, 31.

Laatste oordeel, zie Uur.

Lamech, Noachs vader, VII, 57, n.

Landverhuizing, beteekenis van dat woord, LIX, bl. 568, n. en 2.

Laster (De) veroordeeld XLIX, 11.

Lasteraars van den profeet, CIV, 1, n. --Van de vrouwen des profeets, XXIV, 23, n.

Leenen aan God, V, 15; LVII, 11.

Leer der Christenen, zie DrieÎenheid.

Leer, zie Ware.

Legaten, IV, 12. --Zie Bedrag.

Leiding der menschen, VI, 158.

Letters, die zich aan het hoofd van een groot aantal hoofdstukken bevinden, en wier beteekenis onbekend, is II, III, VII, X, XI, XII, XIII, XIV, XV, XXVII, XXIX, XXX, XXXI, XXXII, XXXVI, XXXVIII, XL, XLI, XLII, XLIII, XLIV, XLV, XLVI, L, LXVIII. --Zie Aanvangletters.

Leugens verzinnen omtrent God, VI, 21.

Leven dezer wereld, LVII, 19.

Licht, XXIV, bl. 381, n. --Werpen, II, 16.

Listen, zie Vrouwenlisten.

Lokman, XXXI, bl. 441, n.; 11, 12, 13, n.

Loon van hem, die om de zaak van den godsdienst vlucht, XXIX, 56, n.

Losprijs, XLVII, 5.

Lot VI, 86, VII, 78 en volg. --Profeet XI, 73, 79-84; XXI, 71-75; XXII, 43; XXVI, 160 en volg.; XXVII, 55 en volg.; XXIX, 25 en volg.; XXXVII, 133; XXXVIII, 12, 13; LIV, 33 en volg. --Zijne broeders, L, 13.

Lots gezin zal gered worden, XV, 59. --Wordt gered, XXXVII, 134 --Vrouw VII, 8; XV, 6; XXXVII, 135.

Lotgevallen, zie Geschiedenis.

Lotusboom, grenspaal van het paradijs, LIII, 14.

Lijfwacht, zie Mahomet.

M

Maan gespleten; teeken van den jongsten dag, LIV, 1, n.

Maan, hare verblijfplaatsen, XXXVI, 39.

Maanden der Arabieren, Aantal daarvan, IX, 36, n.

Madian, eene stad in Hej‚z, Madianieten, VII, 83; IX, 71; XI 85, 98; XV, 78; XXII, 43; XXVI, 176; XXVIII, 21 en volg.; XXIX, 35; XXXVIII, 12; L, 13.

Madianieten, zie Madian.

MagiÎrs (De), XXII, 17.

Magog, zie Majoej.

Mahomedanen, hunne gewoonte bij het bidden, XLVIII, 29.

Mahomedanisme, IV, 49, n.; XVI, 111, n.

Mahomet of Mahomed, IV, 80 en volg.; LIII, 1-9.--XLVII, bl. 530, n. --Hij bekent een zondaar te zijn, 21. XXXII, 2. --Hij is een ongeletterd profeet, VII, 156, 158. --Hij is in de Schriften aangeduid, VII, 156. --Hij is door Mozes voorspeld, XLVI, 2. --Hij is door Jezus voorspeld LXI, 6. --Hij is het zegel der profeten, XXXIII, 40. --Hij ontvangt de openbaring door de bemiddeling van den engel GabriÎl, LIII, 4 en volg. --Hij heeft den engel GabriÎl duidelijk gezien, LIII, 7; LXXXI, 23. --Hij is het voorwerp van laster en spotternijen, IX, 61; XVI, 105; XXV, 5. --Hij is noch een dichter, noch een bezetene, noch een waarzegger, VII, 183-188; XXI, 3 en volg.; LXIX, 40 en volg.; LXXXI, 22. --Hij heeft droombeelden, XVI, 100, n. --Hij wordt bestraft, LXXX, 1-11. --Zijne godsdienstigheid, LXXIII, 20. --Openbaringen die hem persoonlijk zijn gedaan. XXXIII, 37; LXVII, 1. n. --Eenige gebeurtenissen gedurende zijn apostelschap, XLVIII, 24-27. --Zie Bedr, Honein, Taboek, AÔsha. Zijne nachtelijke reis. XVII, 1. --Eerbied dien men hem verschuldigd is, XLIX, 2-7; LVIII, 9-13. --Bekent de ware meening van eene plaats niet te begrijpen, LIV, 45, n. --Beklaagt zich bij God, omtrent het lange uitblijven der hemelsche openbaringen, XCIII, 3, n. --Zijn hart geopend in zijne kindsheid, of toen hij naar den hemel reisde, XCIV, 1. n. --Beklimt den berg Jafa, XXVI, 214, n. --Hij bezoekt heimelijk de huizen zijner volgelingen, 219, n. --Bij den dood van zijn zoon Abtar (kinderloos) genoemd. CVIII, 3, n. --Diens voorval met een blinde. LXXX, 2. --Draagt verschillende namen bij de Muzelmannen, LXI, 6, n. --Dwingt de KoreÔshieten, zich aan hem te onderwerpen, CX, 2, n. --En zijne volgelingen, XXXIX, 34, n. --Gods gezant, VI, 20, n.; VII, 157; XLVIII, 29. --Hij verdeelt den buit onder de Mohajerin, LIX, 8, n. --Laat een gracht graven, XXXIII, 9, n. --Maakt den bewoners van Mekka bekend dat hij vredelievende bedoelingen omtrent hen heeft, XLVIII, 18, n. --Hij schenkt genade aan tachtig ongeloovigen, 24, n. --Zijne bedoeling bij de expeditie van Al Hodeibeiya, 25, n. --Zijn droom te Medina, 27, n. --Neemt Jezus passie niet aan, XIX, 34, n. --Ontslaat verscheiden zijner manschappen, IX, 43, n. --Verdedigt zich tegen zijne vijanden, XXII, 41, n. --Verwacht de vergelding voor zijne prediking alleen van God, XXXIV, 46, n. --Wordt bevolen niet ongeduldig te zijn, XX, 113, n. --Zie Profeet. --Zijn aangenomen zoon, zie Zeid. --Zijne vrouw, zie AÔsha. --Zijn groot aantal vrouwen verweten, XIII, 38, n. --Spreekt eene godslastering uit, XVI, 100, n. --Diens voorouders, zie Kosai.

Mahomets bevel bij de droefheid van zijn gezin, XX, 132, n. --Beweldadigden, I, 6. --Edelmoedigheid omtrent gevangenen, IX, 27. --Familie, goede daad door deze verricht, LXXVI, 7, n. --Gebed, XVII, 82 en volg. --Gevoelen, omtrent het dooden van den Egyptenaar door Mozes, XXVIII, 14, n. --Gezegde omtrent de voortbrenging van een mirakel, VI, 109, n. --Keuzen zijner vrouwen, XXXIII, 6. --Lezing van den Koran, XXII, 51. --Lijfwacht, V, 71, n. --Manschappen roepen Gods ondersteuning in, VIII, 9. --Macht, VI, 57, n. --Offer, XXII, 33, n. --Oom Hamza gedood, XVI, 127, n. --Ouderdom toen hij de zending van profeet aannam X, 17. --Reis naar den hemel, XVII, 1, n., 57. --Terugkeer van de expeditie van Al Hodeibya, XLVIII, 1, n. --Verblijf te Medina, IX, 75, n. --Verbond met de lieden van den stam Koreidha, XXXIII, 26, n. --Zijne vrouwen vragen om rijkere kleeding, 28, n. --Vloek, XVII, 12, n. --Voorrechten omtrent vrouwen, XXXIII, 51. --Aantal vrouwen dat hij mocht nemen, 52, n. --Vroegste metgezellen, II, 12, n. --Vijanden, VI, 123, n. --Vijand, zie Aboe Jahl. --Godsdienst, zie Armen.

Majoej, XVIII, 93.

Makkers van de spelonk, XVIII, 8.

Malek Ebn Dhor, vermoedelijk de persoon die Jozef uit de put trok, XII, 19.

Malek, engel die bij de folteringen voorzit, XLIII, 77. --Volgens de Mahomedanen, engel die met het opzicht der hel is belast, XLIII, 77, n.

MaliÎnkolders, zie David.

Manna (De) en de kwakels, II, 54; VII, 160; XX, 82. --Zie God.

Manslag (De) IV, 94.

Marracci, zie Al Beid‚wi.

Maria of Mirjam, moeder van Jezus, III, 31, n., 37-42; IV, 169; V, 79; XIX, bl. 336, n.; 16 en volg.; XXI, 91. --Zij wordt door de IsraÎlieten belasterd, IV, 155, n. --Maakte nooit aanspraak moeder Gods te zijn, V, 79, n. --En haar zoon zijn aan dezelfde behoeften en gebreken als de overige menschen onderworpen, V, 79, n. --Zie God. --Zie Twist, Zie Zacharias.

Marias vlucht naar een palmboom, XIX, 23, n. --Broeder XIX, 29.

Maroet, booze engel, II, 96, zie Haroet.

Martelaren, XXXIII, 23, n., zie Zielen.

Maten en gewichten (Valsche) verboden, XI, 69, n.

Medina, VIII, bl. 211, n.--XXXIII, 13.--XLVII, bl. 530, n.--LVIII, bl. 565, n. --Zie Mekka. --Zie vlucht. --Zie Vluchtelingen. --Zie Yathreb.

Meester der trappen, waar langs de engelen ten hemel stijgen, LXX 3, n. --Des heelals, I 1, n.

Meesters van de kuil, LXXXV, 4.

Meisjes kunnen geen priesterlijken dienst verrichten, III, 31, n.

Mekka of Bekka, III, 90; VI, bl. 171, n.; VII, bl. 189, n.; XII, bl. 260, n.; XIII. bl. 276, n.; XVI, bl. 294; XVII, bl. 309, n.; XIX, bl. 336, n.; XXII, bl. 365, n.; XXVI, bl. 400, n.; XXVIII 419, n.; XXIX, bl. 429, n.; XXXIX, bl. 491, n.; XLII, bl. 510, n.; XLIII, bl. 515, n.; XLIV, bl. 520, n.; XLVIII, 24; LV bl. 555, n.; LVII, bl. 562, n.; LXI, bl. 574, n.; LXIV, bl. 578, n.; LXXIII, bl. 596, n.; LXXVI, bl. 601, n.; LXXXIV, bl. 612, n.; LXXXIX, bl. 617, n.; XCVI, bl. 622, n.; CVIII, bl. 622, n.; CVIII, bl. 629, n. --Zie Medina.

Mekka's bewoners willen een engel zien, VI, 111, n.

Menat, zie El-Lat.

Mensch (De), zijne schepping, II, 28, n.; VI, 98; XXII, 5; XXIII, 12 en volg.; XXXII, 6 en volg.; XXXVI, 77, 78; XL, 69; LXXX, 18 en volg.; LXXXVI, 6 en volg. --Zijn natuur, XVII, 12: XXI, 38; LXX, 19. --Hij is zwak geschapen. IV, 32. --Hij is geschapen van klei, X, 23 en volg.; XV, 26. --Hij is onstandvastig, XXII, 11. --Hij is ondankbaar, II, 28, n.; XVII, 69, 85; XXIX, 65; XXX 35; LVI, 61 en volg. --Hij is haastig van aard, XVII, 12.

Menschen (De) zijn allen uit een eenling gesproten, IV, I. --Zij belasten zich met de bewaring van het geloof, XXXIII, 72. --In het begin baden zij slechts ÈÈn God aan, X, 20. --Zij vormden slechts een enkel volk, II, 209. --In verzoeking brengen VI, 128, n.

Menschelijk geslacht (Het) heeft reeds vÛÛr de schepping God leeren gehoorzamen, VII, 171.

Merwa, berg bij Mekka, II, 153, zie Safa.

Messias (De) IV, 156, 170; V, 76 en volg. --God zou hem kunnen vernietigen als het diens wil was, V, 20.

Mestab, neef van Aboe Bekr, XXIV, 22, n.

Met den mantel bedekte, LXXIV, bl. 598, n.

MichaÎl (De engel), II, 92.

Middengebed, II, 239.

Midian, zie Madian.

Midianieten of Aleikaieten; straffen op hen nedergezonden, XXVI, 175 en volg.

Mier (De), XXVII, bl. 410, n., 18.

Mieren, zie Vallei.

Min (De), II, 233.

Min Douni-'illahi, beteekenis daarvan, II, 21, n.

Mina, een vallei, II, 199.

Minister van Pharao, zie Haman.

Minnelijke schikking tusschen een man en eene vrouw, IV, 127.

Mirakel, zie Mahomet.

Mirakelen, XIII, 30, n.

Miriam, zie Maria.

Misdaad, V, 35 --In het openbaar IV, 23. --Van twee personen, Sodomie of Pederastie, IV, 20, n. --Van vrouwen; overspel, IV, 19, n.

Misdaden, bestraffing daarvan, V, 37.

Moawiyah wil iemand in de spelonk zenden, XVIII, 17, n.

Moeder Gods, zie Maria.

Moedverlies van twee der heerscharen, III, 118.

Mohajerin (De), IX, 101; buitverdeeling, LIX, 8.

Mohammed, zie Mahomet.

Mohsinat, vrouwen van onberispelijk gedrag; straf van hare beschuldigers, XXIV, 4.

MonotheÔsme, zie Islam.

Moord, IV, 95; V, 35 en volg.

Moordaanslag op Mahomet, V, 14, n.

Moordenaar, zie Ontdekking.

Moslem, VI, 163, n. --Aantal vrouwen, die hij wettelijk kan huwen, XXXIII, 49. Zie Saad.

Moslems moeten in de openbare vergaderingen plaats maken voor den profeet en de meer aanzienlijken hunner makkers, LVIII, 12. --Woorden gericht tot hen, die zich bij den slag van Ohod omkeerden, LXI, 2, n. --Zie Saad, zie Zingende.

Motofikat. Zie Pentapolis.

Mozes, II, 48-58, 81, 86, 249; IV, 152; V, 23 en volg.; VI, 84, 91, 155; X, 76 en volg., 83; XI, 99; XVII, 103; XIX, 5; XXI, 49; XXII, 43; XXIII, 47; XXV, 37; XXIX, 38; XXXII, 23; XXXIII, 69; XXXVII, 114; XL, 24 en volg.; XLI, 45; LI, 38; LIII; 37; LXI, 5; LXXXVII, 19. --Hij verkrijgt water uit de rots, VII, 160. --Zijn onderhoud met Pharao, VII, 101; met God, 139; XXVI, 9 en volg.; XXVIII, 30 en volg.; --Hij verschijnt voor Pharao, XX, 60 en volg.; XXVII, 12. --Zijne geschiedenis, XX, 8 en volg.; 39 en volg. --Zijne opvoeding en avonturen, XXVIII, 2 en volg. --Hij gaat tot de samenvloeiing der beide zeeÎn, XVIII, 59, 60. --Zijne reis met zijn dienaar, XVIII, 60 en volg. --Zijne berisping van A‰ron, XX, 94; zie IsraÎlieten, Gouden kalf. --Hij is gezant en profeet, XIX, 52. --Door Pharao beschuldigd, XXVIII, 38. --Aan Mahomet als voorbeeld getoond, XX, 8, n. --Diens wedervaren met een brandend bosch, 10, n. --Zijne staf in eene slang veranderd, 18 en volg. Hij vat de slang bij de kinnebakken, 22, n. --Zijn spraakgebrek, ontstaan daarvan, 29, n. --Hij wordt door zijne moeder te vondeling gelegd, 39, n. --Zijne moeder wordt zijne zoogster, 41, n. --Hij doodt een Egyptenaar, 41, n. --Zijn broeder, 44. n. --Verdeeling der zee, 79. --Volk aanbidt den waren God gedurende de eerste twintig dagen van zijne afwezigheid, 87. --Hij keert bedroefd tot zijn volk terug, 88. --Belasterd, XXXIII, 69. --Beveelt de Joden 's vrijdags God te aanbidden, XVI, 25, n. --De eerste der ware geloovigen, VII, 140. --Drenkt schapen voor vrouwen, XXVIII, 24. --Zijn staf, 30 en volg. --En Mahomet, door de ongeloovigen, bedriegers genoemd, XXVIII, 48. --En Pharao, II, 47, n. --Licht bij zijne geboorte tusschen zijne oogen verschenen, XXVIII, 6, n. --Zijne schoonheid, 8. --Macht om teekens te toonen, XVII, 103. --Met zeventig mannen bestijgen den berg, VII, 154. --Ontvangt het bericht dat men omtrent zijn doodvonnis beraadslaagt, XXVIII, 19. --Prediking, XVIII, 59, n. --Verblijf in Egypte, voor hij zijne zending openbaarde, X, 89, n. --Verblijf onder de Egyptenaren, XXVI, 17. --Zijn behuwdvader, zie ShoaÔb. --Zijn broeder, zie A‰ron. --Zijn dood, XL, 27.

Muurbouw, XVIII, 96, n.

Muzelman, II, 122, n.

Muzelmannen (De), lofrede op hen, III, 106; XLVIII, 29.

MysteriÎn, II, 2.

N

Naam der hel, zie Al Hotama.

Naasten, ouders, plichten omtrent hen, XVII, 28.

Naburen, IV, 40, n.

Nacht, waarin, volgens de Mahomedanen, jaarlijks de gebeurtenissen voor het daarop volgende jaar worden geschikt, XLIV, 3, n.

Nachtgebed, zie Uur.

Nakomelingschap van Abrahams zonen, VII, 171.

Nalatenschap van ouders en bloedverwanten, IV, 8. --Voor een knaap, IV, 12. --Voor eene vrouw, IV, 12, n. --Voor den vader van een kinderlooze, IV, 12, n. --Voor de moeder van een kinderlooze, IV, 12. --Voor een vriend, IV, 37, n.

Nalatenschappen, IV, 8, 9, 12-16, 175.

Namen door afgodendienaars aan sommige kameelen en schapen gegeven, V, 102. --Van Mahomet, zie Mahomet.

Namiddag, CIII, 1, n,

Namiddag-gebed, V, 105.

Navolging der Kebla, II, 140, n.

Nederbuigingen na het avondgebed, L, 39.

Nederknielen, XLV, bl. 523, n., 27. --Voor God, III, 38.

Nederwerpen, II, 119.

Nederzending, zie Koran.

Nimrod, diens strijd met Abraham over God, II, 260.

Nimrods straf, XXI, 70, n.

Noach (Profeet), III, 30; IV, 161; VI, 84; VII, 57; IX, 71; X, 72; XI 27; XIV, 9; XVII, 3, 18; XXI, 76; XXII, 43; XXIII, 23 en volg.; XXV, 39; XXVI, 105; XXIX, 13; XXXVII, 73; XXXVIII, 11; XLII, 11; L, 12 en volg.; LI, 46; LIII, 53; LIV, 9; LVII, 26; LXXI, geheel. --Bespot, XI, 40. --Brengt zijn gezin en een paar dieren van iedere soort in de ark, XI, 42. --Verzoekt den Heer hem te wreken, LIV, 10. --Noachs bloedverwanten, LXXI, 29. --Diens huis, aldaar. --Ouderdom, toen hij gezonden werd om te prediken, XXIX, 13, n. --Overeenkomst met Abraham in het geloof en de handelingen, XXXVII, 81, n. --Vader, zie Lamech; Moeder, zie Shemkha. --Vrouw, zie WaÔla.

Noen, beteekenis daarvan, LXVIII, 1, n.

O

Obba Ebn Khalf, XIX, 67 n.; XXV, 29, n., 30, n. --Diens vraag over de opstanding, XVI, 4, n.

Ochtendgebed, zie Uur.

Ochtendglans, XCIII, 1, n.

Offeranden te Mekka, V, 2, n.

Offeringen, II, 192.

Offers, V, 2. Van Adams zonen, V, 30.

Offers, zie Salomo.

Okba Ebn Abi Moait, XXV, 29, n.

Oliphant, CV, bl. 627, n.

Olijfboom op den berg SinaÔ, XXIII, 20.

Omars bekeering, zie KoreÔshieten.

Omkooping der rechters, II, 184. --Zie Rechters.

Ommat, volk dat ÈÈn godsdienst belijdt, XLV, 27, n.

Ommeya Ebn Khalf, XVIII, 27, n.

Omvergeworpen steden, zijnde Sodom en Gomorrah, LXIX, 9. --Zie Pentapolis.

Omwending in de spelonk, XVIII, 17.

Omwikkelde profeet, LXXIII, 1.

Onbesneden harten beteekenis daarvan, II, 82, n.

Ondankbaarheid van den mensch, XLI, 49-51.

Onderlinge dooden, IV, 33.

Onderpanden, vertrouwde goederen, II, 283, n.

Onderscheiding, III, 2. --Van huichelaars, zie Openbaring.

Onderscheid tusschen de profeten, II, 285.

Ondervraging der dooden in het graf, VII, 35.

Onderwijs III, 158.

Onderzoek van het graf, VIII, 52, n.

Ondhorna, zie RaÔna.

Ongehoorzaamheid, II, 87. --Aan den profeet, III, 159, n.

Ongeletterde gezant (Mahomet), VII, 156.

Ongeloof, IV, 142.

Ongeloovige (Eblis), II, 32.

Ongeloovige Arabieren, II, 18, n.

Ongeloovigen (De), II, 166; V, 45, 75; VI, 20 en volg.; XVIII, 84, n.; XXXII, 30, 40 en volg; LXXIII, 11-13; LXXIV, 40 en volg; CIX, geheel: zie Afgodendienaars. --Zij betwijfelen het toekomstige leven, VI, 29 en volg.; XIX, 67. --Hun lot, III, 8, 112 en volg. --Hunne verstoktheid, VI, 109-111; XIII, 30 en volg.; --Hunne gevoelens omtrent de geloovigen, III, 114 en volg. --Zij hebben slechts meeningen, geene kennis, LIII, 29. --Hoe men hen moet behandelen, III, 187; VIII, 40; IX, 5 en volg.; XLVII, 4. --Zij die ongeloovig sterven, III, 85. --Zij die dien naam verdienen, V, 77. --Er blijft hun niets over, dan zich op te hangen, XXII, 15. --Hun uitroep omtrent Jezus, XLIII, 57, n. --Uitgedaagd tien, ja zelfs ÈÈn hoofdstuk des Korans samen te stellen, XI, 16. --Versperren Gods weg, VIII, 36. --Zie Huichelaars.

Ongeloovige vrouwen, LXVI, 10, n.

Ongelijkheid onder de menschen, XLIII, 31.

Ontdekking van een moordenaar, II, 63, n.

Ontheffing van zware lasten, VII, 156.

Onthouding van den oorlog, IV, 79. --Van goede dingen, V, 89, n.

Ontstaan van den afgodendienst onder Salomo's dak, XXXVIII, 33, n.

Ontvangenis, XIX, 22.

Ontwijders van den Sabbath, II, 61.

Onwetenden, VI, 35, 37. --Of Heidensche Arabieren, III, 19, n.

Onwetendheid, V, 55, n.

Onzichtbaarheid van den duivel, VII, 26, n.

Oogst, VI, 142.

Oom van Mahomet, zie Aboe Lahab.

Oor aan leugens leenen, V, 45.

Oordeel, IV, 63; VI, 153. Men spreekt het uit, volgens de heilige boeken van ieder volk, V, 48 en volg. --Het laatste. De teekenen die het zullen voorafgaan, en wat er zal gebeuren, XXII, 1 en volg.; XXIII, 103 en volg.; XXXVII, 19 en volg.; XXXIX, 67 en volg.; XLIV, 9 en volg.; L, 16 en volg.; LIV, 6 en volg.; LV, 35 en volg.; LXVIII, 42; LXIX, 13 en volg.; LXX, 8 en volg.; LXXVII, 7 en volg.; LXXX, 33; LXXXI, 1 en volg.; LXXXII, 1 en volg.; LXXXIV, 1 en volg.; LXXXVIII, geheel; XCIX, geheel; C, 9 en volg.; CI, 3 en volg. --Der menschen, XVII, 73 en volg. --Uitspreken, V, 100, n.

Ooren van het vee afsnijden, IV, 118.

Oorlog (De), IV, 103; VIII, 59 en volg.; IX, 123, 124; XLVII, 4, 5, 37; XLVIII, 16, 17. --Wie er van verschoond is, IX, 92; XLVIII, 17. --Tusschen twee muzelmansche volken, XLIX, 9. --Zie Onthouding.

Oorlogsbijdrage, IX, 92.

Oorlogskamp voor de geloovigen, III, 117.

Oorlogsvuur, zie God.

Oorlog voor Gods zaak, II, 186, n.

Oorspronkelijk boek, XLIII, 3.

Oostersche vrouwen bedekken het aangezicht, XIX, 17, n.

Oostersch spreekwoord, zie Spreekwoord.

Openbaring, II, 93, n. --(Ontvangst van een gedeelte daarvan), III, 22. --(De), VI, 91, 93; VIII, 65, n.; XLIII, 52. --(Het dier der), XXVII, 84. --Aan de bij, zie Bij. --Aan Jozef, XII, 15. --Des Korans, zie Duur. --Gods, II, 84. --In het boek, IV, 139. --Tot onderscheiding van huichelaars, XXIX, 1, n.

Openbaringen, II, 3. --Zie God.

Opening der spelonk, XVIII, 16.

Open weg, V, 52.

Opgevouwen zon, naam welken men in 't Arabisch een tulband geeft, LXXXI, 1, n.

Opheldering van plaatsen, V, 18.

Opperhoofd, zie Imam.

Oproeping der Joden om den Koran te ontvangen, II, 38, n. --Door den profeet, III, 147.

Opsluiting van vrouwen, zie Afzonderlijk.

Opstand, IX, 48.

Opstanding, XXXVI, 51, n. --(De) der dooden in den Koran duidelijk verklaard, II, 261-263; III, 102 en volg.; VII, 55; XIII 5; XVI, 40; XVII, 52, 100, 101; XIX, 69, n.; XXII, 5; XXIII, 37, 82; XXVII, 65 en volg.; XXX, 49; XXXII, 9 en volg.; XXXIV, 7, 8; XXXV, 10; XXXVI, 77 en volg.; XXXVII, 16 en volg.; XLI, 39; XLIII, 10; XLV, 24 en volg.; L, 3 en volg.; 14; LVI, 46 en volg.; LXIV, 7; LXXV 3, 4, 37-40; XCIX, geheel. --Zie Obba Ebn Khalf.

Opstandingsdag, V, 108.

Optooien bij het gebed, zie God.

Opwekking van dooden, II, 244, n.

Othman Ebn Matun, diens bekeering, XVI, 92. n.

Ouderdom van Sara en Abraham bij Izaaks geboorte, XI, 75, n. --Zie Zacharias.

Overspel, IV, 19, 30; XVII, 34; XXIV, 2-10; XXXIII, 30.

Overspeligen, zie Eed. --Zie Straf.

Overtreding der kinderen IsraÎls, XVII, 4.

Overvallende (De), een der namen van den jongsten dag, LXXXVIII, bl. 616, n.

Overweging, XLII, bl. 510, n.

Overwinning te Bedr, XXIII, 66, n.

OzaÔr, dezelfde als Ezra of Esdras; diens lotgevallen, II, 261, n.; IX, 30.

P

Paarden, III, 12.

Paradijs of tuin; verblijf der zaligen en zijne geneugten, II, 23; III, 13; IV, 60; X, 9; XIII, 22-24; XIX, 61-64; XXXV, 30; XXXVI, 55 en volg.; XXXVII, 39 en volg.; XXXVIII, 48 en volg.; XXXIX, 21; XLI, 30; XLIII, 70 en volg.; XLVII, 16 en volg.; LV, 46-78; LVI, 10-39; LVII, 21; LXXVI, 11-22.

Passie van Jezus door Mahomet verworpen, zie Mahomet.

Pelgrimstocht, IX, 3; XXII, bl. 365, n.

Pelgrimstocht naar Mekka, II, 153, 192, 193; III, 91; V, 2, 95, 96, 97; XXII, 35.

Pentapolis (De); de omvergeworpen steden (Al Motakifat), IX, 71, LIII, 54; LXIX, 9.

Pentateuchus, II, 85, n.

Personen welke op den dag des oordeels niet met schrik zullen worden getroffen, XXVII, 89.

Persoon die Jozef uit den put trok, zie Malek Ebn Dhor.

Pharao, II, 46; III, 9; VIII, 54; X, 76-92; XI, 99; XIV, 6; XVII, 103 en volg.; XX, 25 en volg.; XXVI, 9 en volg.; XXVII, 12; XXVIII, 2 en volg.; XXIX, 38. XXXVIII, 11 en volg.; XL, 25 en volg.; XLIII, 45 en volg.; XLIV, 16 en volg.; L, 12; LI, 38 en volg.; LIV, 41 en volg.; LXIX, 9 en volg.; LXXIII, 15 en volg.; LXXIX, 17 en volg.; LXXXV, 17, 18. --Hij wil den hemel bereiken, XL, 38 en volg. --Bezitter der staken, XXXVIII, 11. --Doet een hoogen toren bouwen, om den God van Mozes aan te vallen, VII, 133, n. --Door wilde dieren bewaakt, XL, 48, n. --Er was een geloovige in zijn gezin, XL, 29. --Zijne vrouw zie Asia.

Pharaos onrechtvaardige handeling, VII, 101. --Ontevredenheid over Mozes' antwoorden, XXVI, 26, n. --Hij eischte, door zijne onderdanen aangebeden te worden, 28. --Volk, III, 9. --Woorden bij zijn uiteinde, X, 90.

Plaats bij Gods troon, zie Illioen. --Der oproeping, L, 40.

Plaatsing der ark, XI, 46.

Plaatsen in de schrift voorbijgaan, V, 18.

Plagen, XLIII, 47, n. --Over de Egyptenaren, VII, 130.

Plant, zie Jaktin.

Pleegkinderen, het huwelijk daarvan, XXXIII, 4, 5, 37.

Plek waar Saleh en zij die in hem geloofden, vergaderden om te bidden, XXVII, 52. n.

Plichtbetrachting, VI, 135.

Plichten der mannen omtrent de vrouwen na de echtscheiding XXXIII, 48. --Jegens bloedverwanten, zie Bloedverwanten.

Poort biddende binnengaan, IV, 153.

Potiphar, XII, 21, n. --Diens vrouw, zie Zoleikha. --Wil Jozef tot zoon aannemen, XII, 21.

Prediker: woorden die hij gebruikt, II, 19, n.

Propheet Mahomet (De), zie Mahomet. --Zijne voorrechten en plichten der geloovigen jegens hem, XXIV, 63: XXXIII, 49 en volg.; XLVIII, 8, 9.

Profeet (De) bedriegt niet, III, 155. --Uit Mekka verdreven, IX, 40. --Hij ontvangt den buit eener expeditie naar Al Nadir, LIX, 6, n. --Zie Ahmed. Zie Dhu' Lkefl, Elisa en Elias. --Zie Edris, Hoed, Lot, Noach, ShoaÔb. --Zie Omwikkeld. --Zie Vermaningen.

Profeten en zendelingen of apostels, XIX, 42, n. --Wat zij zijn, XXI. 7 en volg. --Zij hebben alleen de openbaring van een eenigen God ontvangen, XXI, 25. --Er zijn van verschillende graden, II, 254; XVII, 57. --De geloovigen maken geen onderscheid tusschen hen, II, 285. --Men moet in hen gelooven, III, 74. --(De oude), XXXIII, 38 en volg. --(De valsche), VI, 93. --XXI, bl. 355, n. --Zie God. --Zie Onderscheid.

Psalmen (De), XVII, 57; XXI, 105.

Put, XII, 15. n.

R

Raad van Mekka's voornaamste bewoners, XCVI, 17, n.

Rabb, meester of heer, III, 74, n.

Rail, zie Zoleikha.

RaÔna, II, 98.

Rakin (Al), XVIII, 8.

Ramadan (De), maand, waarin de Koran werd geopenbaard II, 181.

Rass (Al), XXV, 40; L, 12.

Rawasiya, grondslag of basis, XXXI, 9, n.

Redding der Arkbewoners, VII, 62.

Regen (De); God zendt dien, XXX, 47. --De oude Arabieren waren van gevoelen, dat zij dien aan sommige sterren verschuldigd waren, XXV, 52, n. --Van steenen op de achterblijvers, VII, 82.

Rechter, zie Scheidsrechters.

Rechters omkoopen, IV, 159, n.

Rechten weg verlaten, V, 81.

Rechtschapen, III, 109.

Rechtvaardigen, IV, 52.

Reinheid, II, 232.

Reinigingen, zuiveringen, IV, 46. --Met zand, bij gebrek aan water, V, 8 en 9.

Reis der IsraÎlieten door de woestijn, V, 29, n. --Gedurende vier maanden, IX, 2. --Naar den hemel, zie Mahomet.

Reita Bint Saad Ebn Teijm, die des nachts haar dagwerk vernietigde, XVI, 94, n.

Reizen op zee, XVII, 68 en volg.

Reizigers (De) XVII, 28.

Rekeningen (Het opmaken daarvan), II, 198.

Ressoel, bode of profeet, II, 9, n.

Reuzen, V, 25.

Richting bij het gebed, XIX, 16, n. --Des lichaams bij het gebed, zie Kebla.

Rivier, zie Beproeving. --Zie Kauther.

Romeinen, zie Grieken.

Rondtrekken van de Caaba bij een pelgrimstocht, XXII, 30.

Roode zee, het verdrinken daarin, VII, 132.

Rook, XLIV, bl. 520, n. --Verschillende meeningen daaromtrent, 10, n.

Ruben, XII, 10 en volg., 80, n.

Rubil, zie Ruben.

Rug toekeeren, II, 138.

Rustplaats, zie God.

Rijkdommen; gebruik daarvan, V, 16, n. --Zie IsraÎlieten.

S

S, XXXVIII, 1, n.

Saba, land, XXVII, 22 en volg.; XXXIV, bl. 461, n. --De koningin van dat land, XXVII, 23.

Saad wordt, op aanraden van Aboe-Bekr, een Moslem, XXXI, 14, n.

Sabbath (Viering van den), II, 61, n.; VII, 163.

Sabbathschenders in apen en varkens veranderd, V, 82, n.

Sabbathschending IV, 50.

SabbeÔsten (De) die gelooven, zullen beloond worden, II, 59; V, 73; XXII, 17. --Zie Eblis.

Safa, een berg, II, 153.

Safiya Bint Hoyai, een der vrouwen van den profeet, XLIX, 11, n.

Sakhar, een demon, XXXVIII, 33, n.

Saleh, profeet, VII, 71; XI, 64; XXVI, 142 en volg.; XXVII, 46; LIV, 26 en volg. --Zie Plek.

Salomon, II, 96; VI, 84. --Zijn oordeel, zijne wijsheid en zijne macht, XXI, 78 en 79. --Gebiedt de geniussen en de winden, XXI, 81, 82; XXVII, 17 en volg.; XXXIV, 11; XXXVIII, 38, n. --Waarom dit geschiedde, XXXVIII, 30, n.

Salomo, Davids erfgenaam, XXVII, 16. --Hij vertrekt als pelgrim naar Mekka, 20, n.

Salomo's offer van paarden, XXXVIII, 30, n. --Zijn verlies van den troon, 33. --Paleis, XXVII, 44. --Zijn besluit de koningin van Saba tot vrouw te nemen, 45, n. --Rechtspraak, XXI, 79, n. --Dood, XXXIV, 13, n.

Samaritaan (De) (Al Sameri) maakt het gouden kalf voor de IsraÎlieten, XX, 87, n. 96.

Samenzwering der ongeloovigen, VIII, 30.

Sarim, XVIII, 81, n.

Satan, als schutspatroon kiezen, IV, 118. --Bereidt de daden, VI, 43. --(Gesteenigde), III, 31. --Zie Eblis. --Zie verleiding.

Satans bedrog, II, 271.

Saul, zie Thaloet.

Schaduw (De), XXV, 47.

Scharen, XXXIX, bl. 491, n.

Schatting, betaling daarvan, IX, 29.

Scheiding; formule uitgesproken door sommigen, welke het voornemen daartoe hebben. Aanmerking daarop, LVIII, 2, n. --Zoenprijs bij het niet houden dier gelofte, 4. --Tijdstip van het wegzenden der vrouwen, LXV, 1. --In den godsdienst, VI, 160.

Scheidsrechter, IV, 39.

Schending van het verbond, IV, 154.

Schepen, XVII, 68 en volg; XXXI, 30 volg.

Schepper, zie Engelen.

Schepping (De) der wereld, XVI, 67 en volg.; L, 37 en volg. --Verscheidenheid daarvan, XIII, 3, 4; XXXV, 25. --Der hemelen en der aarde, XLI, 8-11. --Hoe God den mensch heeft geschapen, XVI, 4. --Wat God voor den mensch heeft geschapen, XVI, 5 en volg. 81, 82, 83. --Des menschen, XX, 5; XCVI, 2, zie Mensch. --Der aarde, zie Dagen.

Scheren van baarden en hoofden der pelgrims, XXII, 30, n.

Schikking der gebeurtenissen, zie Nacht. --Van eene zaak, zie Minnelijk.

Schimpnamen, het is verboden die te geven, XLIX, 11.

Schrift, II, 123, n. --Verklaarders, zie Al Beid‚wi.

Schriften, zie Vervalsching.

Schriftvervalsching, zie Beschuldiging.

Schriften (De Heilige) door de Joden en de Christenen vervalscht, II, 73; V, 18. --De menschen der Heilige Schrift zijn Joden en Christenen, XXIX, 45; zij zijn allen niet even slecht, III, 109, 110.

Schudding des hemels, VII, 79.

Schulden, zie Schuldvorderingen.

Schuldenaars; hoe men die moet behandelen, II, 280.

Schuldvordering en Schulden, II, 282.

Schutspatroon, zie Satan.

Schijn, zie Ser‚b.

Selsebil, fontein of bron in het paradijs, LXXVI, 18.

Ser‚b, bedriegelijke schijn dikwijls, in het oosten, in zandige vlakten gezien, XXIV, 39, n.

Sheddab, doet tuinen aanleggen, die het denkbeeld van het paradijs moeten geven, LXXXIX, 6, n.

Shemkha, moeder van Noach, LXXI, 29, n.

ShoaÔb, profeet der Madianieten, behuwdvader van Mozes, VII, 83, n.; XI: 85 en volg.; XV, 78, n.; XXVI, 176 en volg; XXIX, 35 en volg.

Sidjin, LXXXIII, 7 en volg.

SinaÔ, berg, II, 60, 87; IV, 153; VII, 170; XX, 82; XXVIII, 44-46; LII, 1. Zie Berg.

Slaaf, zie Vrijmaking.

Slaan met een deel der koe, II, 68.

Slaap en ontwaken der spelonkbewoners, XVIII, 20.

Slag; een der namen van den jongsten dag, CI, 1 en volg.

Slag (De) van Honein, IX, 25.

Slachten van dieren, VI, 139.

Slachting te Bedr, XXIII, 72, n.

Slang, VII, 104, zie Straf.

Slaven, XXIV, 32, 33, zie Vrijmaking.

Slavinnen, IV, 3.

Slechte daden, II, 75.

Snappende vogels, die het leger van Abraha Ebn al Sabah verdelgen, CV, 3.

Sobhanahoe; beteekenis daarvan, II, 110, n.

Sodom door een wind vernield, XXIX, 39. --Zie Bewoners.

Soera, beteekenis daarvan, IX, 87, n.

Sohaib, zie ShoaÔb.

Soheib (Vlucht van), II, 203, n.

Spelen, V, 93.

Spelonk, XVIII, bl. 322, n. --Der zeven slapers, XVIII, 8.

Spelonkbewoners zenden iemand naar de stad, XVIII, 88. --Zie slaap.

Spin (De), XXIX, bl. 429, n. 40.

Spotters, XV, 95

Spreekwoord der Oosterlingen, VII, 38.

Spijzen, zie Verboden.

Stad, volgens sommigen, Jericho of Jeruzalem, II, 55, n. --In Hej‡z. Zie Madian. --Zie Ailah.

Stadhouder Gods, II, 28.

Stammen die weigerden Mahomet en zijne expeditie te volgen, XLVIII, 11, n.

Stam van Leith hield het voor ongeoorloofd dat de mensch alleen at, XXIV, 60, n. --Zie Ad. --Zie Thamoed.

Standbeelden en andere voorstellingen van levende wezens, V, 92.

Staven in slangen veranderd, VII, 114.

Steden verwoest IX, 71; XVIII, 58.

Steenregen in Sodom, XI, 84.

Stelen; straf daarvoor, V, 42.

Sterken (De) en de zwakken op den dag des oordeels, XXXIV, 30 en volg.

Ster, LIII, 1.

Sterren, XVI, 16. (Verschietende). Wat zij zijn, XV, 16 en volg.; XXXVII, 13, n.; LXVII, 5; LXXII, 8. --De aanbidding daarvan is verboden, XLI, 37.

Stokken tot het bouwen van kooien voor vee, LIV, 31.

Straf, II, 56; VI, 65; VII, 36. --Voor hen die vragen God te zien, IV, 152. --Der bestrijders van God en zijn Apostel, V, 37. --Der slang en des duivels, VII, 21, n. --Des moordenaars, XVII, 35, n. --Op den dag des oordeels, LII, 47, n. --Uitstel, VII, 14, n. --Van Adam en Eva, VII, 23 en volg. --Van afgodendienaars, LIII, 44, n. --Van een moordenaar, II, 173, n. --Van hen, die de aalmoezen niet stipt betalen, III, 176, n. --Van overspeligen XXIV, 2. --Van Pharaos volk, XL, 40 en volg. --Voor de ongeloovigen VIII, 12.

Straffen; niemand daartoe in staat gelijk God, LXXXIX, 26.

Straf der ongeloovigen, XVIII, 57, n.; XIX, 69, n. --Zie God.

Strijd over God, II, 133, zie Nimrod.

Strijden voor Gods zaak, IV, 76.

Strijdpunten beslist, III, 22.

Syrius, het hondsgesternte, LIII, 50, n.

T

Taal der vogels, XXVII, 16. --Jezus in den mond gelegd, 73, n.

Taalkweeking, zie Arabieren.

Taalvoering, zie Gepaste.

Taboek (Zending van), IX, 82 en volg.

Tafel, bl. 152, n., 112. --Gedekt van den hemel gekomen, V, 113, n.

Tafels, VII, 142, 149, 153.

Tagut; naam van elken afgod, II, 257 en volg; IV, 54, 78, zie Thagut.

Taghut, V 65.

Talk, een banaan, LVI, 28, n.

Taloet, zie Talut.

Talut of Saul, II, 248-250.

Tamarissen; een kleine heester, XXXIV, 15.

Tasnim; eene fontein in het paradijs, LXXXIII, 27 en 28.

Teeken, VI, 124. --Der nadering van den dag des oordeels, zie Jongste uur.

Tekst der schriften; het aannemen en verwerpen daarvan, V, 44.

Tempels, XXIV, 36, n.

Tempel van Cob‚, IX, 109, n. --Zie Caaba.

Terugkeer tot God, II, 151; VI, 38.

Testamenten, II, 176 en volg. V, 105 en volg. --Zie Vervalsching.

T. H. XX, bl. 344, n.

Thaghoet, zie Tagut.

Thagoet, zie Tagut.

Thagut, IV, 63, zie Taghut; XVI, 38.

Thaloet, zie Saul.

Thamoed, XXIX, 39. --Een Arabische stam, die tot den afgodendienst overging, VII, 71, n.

Thamoedieten (De) houden met hunne kameelen beurten in het water drinken, XXVI, 155. --Dringen op een mirakel aan, VII, 71, n. Zie verder Themoed en Themoedieten.

Thamud, zie Ad.

Themoed of Themoedieten, Arabische bevolking, IX, 71; XI, 64 en volg., 98; XIV, 9; XV, 80; XXII, 43; XXV, 40; XXVI, 141 en volg.; XXVII, 46; XXIX, 39; XXXVIII, 12; XL 32; XLI, 12 en volg.; L, 12; LIII, 52; LIV, 23; LXIX, 4 en volg.; LXXXV, 11; LXXXIX, 8.

Theodicea, LXXXIII, 4 en volg.

Thora (De) Pentateuchus, III, 2, 43, 58, 87; V, 47 en volg.; 70, 72, 110; VII, 156; IX, 112; XXVIII, 43 en volg.; XLVIII, 29; LXI, 6, LXII, 5.

Thojeba of de gelukzaligheid, XX, bl. 344, n.

Tobba, bijnaam van zekere Arabische vorsten, XLIV, 36; L, 13.

Tobbe, zie Hamyarieten.

Toekomstig leven, VI, 32; XLII, 19, zie Opstanding.

Toevluchtsoord, II, 119.

Toewa, zie Towa.

Tocht, IX, 93.

Toonbeelden van deugd, LXVI, II, 12.

Toorn (De), III, 128.

Toovenaars (De), VII, 109 en volg. --Van Egypte, X, 77 en volg.; XX, 53 en volg.; XXVI, 33 en volg.

Tooverij, V, 110; VI, 7.

Towa, vallei, waar God tot Mozes sprak, XX, 12; LXXIX, 16, zie God.

Troepen, vijandelijke C, 5.

Trompet (De) van het laatste oordeel, teeken van den jongsten dag, XXXIII, 103; XXXVI, 49, 51, 53; XXXVII, 19; LXIX, 13; LXXIX, 6, 7; LXXX, 33. --Zie Klank.

Tuchtiging van vrouwen, IV, 38.

Tuin, II, 33. --Bezitters daarvan om hunne hardvochtigheid gestraft, LXVIII, 17, n. --Of het Paradijs, zie Paradijs. Men vindt dit met beide namen bestempeld.

Tulband, zie Opgevouwen zon.

Twisten, geloofsgeschillen, XXIX, 45.

Twist nopens Jezus. IV, 156. --Omtrent Maria, III, 39. --Omtrent oude geldstukken, XVIII, 20, n. --Over Abraham, III, 58. --Van Christenen en Joden over de eenheid Gods, III, 101.

Twijfelaars, V, 47.

Twijfelachtige Mahomedanen, IX, 43 en volg.

Tijdelijke goederen dezer wereld, VII, 168.

Tijdingen, het is verboden valsche te verspreiden, IV, 85.

Tijdrekening der Arabieren, zie Arabieren.

Tijdstip en plaats van den dood der offeranden, XXII, 34. --Waarop Noach in de ark ging, XI, 50.

Tijdverloop in de spelonk, XVIII, 18.

Tijdverloop tusschen twee profeten, V, 22, n.

U

Uitdaging om een hoofdstuk des Korans samen te stellen, zie Ongeloovigen.

Uiteinde van den goede, XVIII, 31, n. --Van den zondaar, ald.

Uitlegging van het boek, VII, 50 en volg.

Uitroep van den man, die Jozef uit den put trok, XII, 19.

Uitspanning, XXI, 16 en volg.

Uren waarop de slaven zonder verlof de kamer niet betreden, XXIV, 57.

Uur van het middaggebed, XVII, 80. --Van het nachtgebed, aldaar. --Van het ochtendgebed, aldaar. --Of dag van het laatste oordeel is aan geen twijfel onderhevig, XVIII, 20; XLIII, 61, 66.

Uien, enz., bede tot God die te laten groeien, II, 58.

V

Vagevuur (Het), VII, 44, n.

Vallei van Honein, IX, 25. --Der mieren, XXVII, 18.

Valsche aantijging, IV, 112, 113. --Getuigenis, IV, 108, n. --Goden, II, 22, n. --Maten en gewichten, VII, 83. --Maten en gewichten, zie Bedriegers.

Valstrikken spannen, VI, 123.

Vasten (De), II, 179-183; V, 91.

Vastendagen, II, 180, 181, n. en 183, n.

Vee, VI, bl. 171, n.

Veldslag, zie Bedr.

Verandering van hemel en aarde, XIV, 49.

Verblijf, IX, 6. --In de hel, IV, 93.

Verbod omtrent het verblijf van belijders van eenen vreemden godsdienst in de nabijheid van Mekka, IX, 28, n. --Valsche maten, zie Maten. --Van drinken en spelen, II, 216. --Van het gebruik der waterputten van de Thamoedieten, VII, 75, n. --Van slechte dingen, VII, 156, n.

Verboden boom, VII, 18 en volg. --Huwelijken IV, 27. --Spijs aan de Joden, VI, 147. --Spijzen, het eten van vloeibaar bloed, VI, 146. --Spijzen, VI, 147; XVI, 116. --Spijzen, zie Voedsel. --Voedsel, V, 46. --Vrucht, zie Adam.

Verbond met de duivels, XXVI, 222, n. --Met de ongeloovigen, LX, 1 en volg. --Met de ongeloovigen aangegaan, IX, 4. --Men moet dit in acht nemen, XVI, 93 en volg.

Verbondenen XXXIII, bl. 448, n.

Verdediging van den zondaar, IV, 106.

Verdeelers, beteekenis van dat woord, XV, 90. n.

Verdeeling van den buit, VIII, 42. --Van hemel en aarde, XXI, 31, n.

Verderf II, 10, n.

Verdoemden (De), III, 80 en volg. 102; VI, 69; VII, 42 en volg; XI, 108; XXVIII, 28, 100 en volg.; XXI, 45 en volg.; XXII, 20 en volg.; XXV, 29 en volg.; XXXI, 5, 6; XXXIX, 17 en volg. 61; XLIV 43-50; LIV, 41 en volg.; LVI, 40 en volg.; LXIX, 25 en volg.; LXXVII, 15 en volg.; LXXXVIII, 1-7; LXXXIX, 22 en volg; XCVIII, 5; CIX, 1 en volg.

Verdoemenis, zie Vonnis.

Verdrukking der Joden, VII, 166.

Verdrijving uit het paradijs, II, 34.

Vereering der vrouwen, IV, 1.

Vergefelijke zonden, zie Zonden.

Vergelijken met insecten, II, 24.

Vergiffenis, V, 16. --Van een huichelaar, IX, 81, n. --Der berouwhebbenden, XXXIX, 54, n.

Verhindering van Abrahams offer, zie Bevel.

Verkwistenden, XVII, 29-31.

Verlangen naar den dood, III, 137.

Verleiding, VIII, 25, 39. --Van sommige dienaren door satan IV, 118.

Vermaningen des profeets, XXIV, 63, n.

Verminkten en zieken; het eten met dezen niet onteerend, gelijk de afgodendienende Arabieren geloofden, XXIV, 60.

Vermogen der weezen, IV, 2. --Der zwakken van zinnen, IV, 4.

Vermoorden, II, 79.

Vernielen door wind, zie Sodom.

Veronderstellingen (Sommige) zijne een zonde, XLIX, 12.

Veroordeelde spotternijen, XLIX, 11. --Laster, XLIX, 11.

Verontschuldiging bij den Heer, VII, 164.

Verruiling van vrouwen, IV, 24.

Vers (Het) van den troon, II, 256 n.

Verschietende sterren, zie Sterren.

Verschijnen van den duivel, VII, 15. --Voor God, rijkdom noch kinderen verzellen u daarbij, VI, 94, n.

Versierselen, bij het bezoeken van den Caaba, VII, 29, 30. --Zie Gouden.

Verstoktheid der afgodendienaars, XXXVI, 6 en volg.

Verstooting der vrouw. II, 226 en volg.; IV, 24, zie Echtscheiding.

Vertrouwde goederen, zie Onderpanden.

Vervalsching der Schriften door Joden en Christenen, III, 64, n. --Der Schriften, zie Christenen. --Van Testamenten, II, 177.

Vervloeking van de verbergers der duidelijke leer, II, 154.

Vervulling der wenschen, III, 145.

Verwaarloozing van Gods bevel, VII, 149.

Verwoeste steden, XLVI, 26.

Verwoesting van tempels, enz., XXII, 41.

Verzen van den Koran, II, 183, n.; XV, 87.

Vischvangst (De), V, 97.

Visioen, XIII, 45. --Der gelukzaligen, X, 27, n.

Vleesch, dat mannen en vrouwen mogen eten, VI, 140.

Vloeken eener natie, VII, 36.

Vlucht der uitgewekenen naar Medina, VIII, 26, n.

Vluchtelingen naar EthiopiÎ en Medina, IV, 99, n.

Voedsel, XVI, 69. --Der bewoners van Mekka bij hongersnood, XXIII, 77 n. --Door Joden of Christenen gereed gemaakt, V, 7, n. --Verboden en niet verboden spijzen, II, 168; V, 1, 4; VI, 118. --Voor hen, die niet in den Koran gelooven, LXXIII, 13. --Zie Verboden.

Voedsters huwen, IV, 27.

Voeren langs den rechten weg, IV, 174.

Voertuig, zie Kameel.

Vogel. Elk mensch heeft zijn vogel aan den hals bevestigd, dat wil zeggen elk mensch heeft zijne bestemming, XVII, 14.

Vogels door Jezus gemaakt, III, 43. n. --Zie Taal.

Volk dat ÈÈn godsdienst belijdt, zie Ommat. --Zonder kleedingen, zie Gog.

Volken, zie Yajoej.

Volmaakte vrouwen; aantal daarvan, LXVI, 12, n.

Vonnis der verdoemenis, door God bij den val van Adam uitgesproken, XXXVI, 6, n.

Voogd, II, 282.

Voorbeschikking Gods, IX, 122.

Voorschriften, V, 7. --Der zedeleer, II, 77, 147-150, 263, en volg.; XXIII, 98; XXXI, 13, 14; XLI, 34; XLII, 34 en volg.; XLVI, 14-16; XLIX, 10, 13; LVIII, 10 en volg.

Voorspoed der ongeloovigen, III, 196. --Van den mensch, XVII, 14, n.

Voorspraak, wie die verkrijgen zal, XIX, 90.

Voorzorgen nemen tegen den oorlog, IV, 73.

Vordering van den profeet, II, 102.

Vriendelijkheid, beter dan aalmoezen met onvriendelijkheid gegeven, II, 265.

Vrienden kiezen, V, 61; LX, 1.

Vriendschap, zie Geloovige.

Vroomheid, godvreezendheid, waarin die bestaat, II, 172. --Zij wordt aanbevolen, XXX, 29.

Vrouw, die geschorst is, IV, 128.

Vrouwen (De), IV, 1 en volg.; XXIV, 2, 6, 10 en volg., 26, 31, 59; LXV, 1 en volg.; LXVI, 1-5. --Zij zijn voor de mannen geschapen, XXX, 20. --Voorschriften, haar betreffende, II, 226 en volg. --Zij zijn den mannen ondergeschikt, II, 228; IV, 38. --Onvolmaakte wezens, XLIII, 17. --Voor wie zij zich kunnen toonen, XXXIII, 55. --Onaangenaamheden, waaraan zij zijn blootgesteld, II, 222. --Van het hof van Egypte, XII, 31. --Overspeelsters IV, 19. --Hoe men haar moet behandelen. IV, 23. --Haar, die men niet bemint, aldaar. --Zij moeten bij overtredingen gestraft worden, 38. --Geloovige en ongeloovige, LX, 10. --Haar, die de profeet kan huwen, XXXIII, 49 en volg. --Geloovige LXVI, 11, 12. --Hare eischen, XXXIII, 28, 29, II, 46, IV, bl. 129, n. --Van het paradijs, LVI, 34-37. --Van onberispelijk gedrag, zie Mohsinat. --Zie Aantal. --Zie vereering.

Vrouwenlisten, CXIII, 4,

Vruchten van het paradijs, II, 23.

Vrijdag, door Mahomet vooral bestemd voor Gods openbare vereering, LXII, 9, n.

Vrijmaking van een slaaf, XXIV, 33.

Vrijstelling; IX bl. 219, n. 1.

Vuur dat door wrijving wordt verkregen, XXXVI, 80; LVI, 70, 71. --Door wrijving ontstaan, zie Hout. --Ontsteken, II, 16. --Uit den hemel nedergedaald, V, 31, n. --Zie Wijze.

Vijand, II, 34. --Zie Zwarte.

W

Waarheid, V, 86. --Spreken omtrent God, VII, 168.

Waarschuwing, zie Dag.

Waarzeggerij is verboden, V, 92.

Wacht-engelen afgelost, XVII, 80, n.

WaÔla, vrouw van Noach, XI, 42, n.

Walid Ebn al Mogheira, een van Mahomets grootste tegenstanders, XC, 5, n.

Wallen of dammen, zie Al Arem.

Ware en valsche leer, II, 257. --Geloovige, XL, bl. 498, n.

Water, uitgebreid gebruik daarvan in het godsdienstige en gewone leven, XXV, 50, n. --Uitgieten, beteekenis daarvan, XI, 42, n.

Wedervergelding, zie Wet.

Wedervergeldingsrecht, II, 190.

Wedervergeldingswet, II, 175.

Wedloopen, XII, 17.

Weegschaal (De), XXI, 48; LVII, 25.

Weerspannigheid tegen Mozes, zie Karoen.

Weerwraak, zie Wedervergelding.

Weerzin van het opgelegde juk, II, 286.

Weezen II, 218; IV, 2 en volg. 126; VI, 153; XVII, 36. --Groeien op, IV, 6. --Zie vermogen. --(Vrouwelijke), zie Huwen.

Wegzenden der vrouwen, zie Scheiding.

Weigering, de ongeloovigen te beoorlogen, II, 191, n.

Welbewaarde tafel, wordt alleen door engelen aangeraakt, LXXX, 15, n.

Weldaden, VI, 44.

Welvoeglijkheid, XXIV; 57-59, zie Beleefdheid.

Wenden van het aangezicht, II, 136; IV, 50, zie Kebla.

Wet nopens godsdienst zedelijke plichten, VII, 142. --Van wedervergelding, II, 173; V, 48, 49; XXII, 59.

Wetverdraaiing, V, 45.

Wind XLVI, 94, n.

Winden (De) aan Salomo onderworpen, XXXVIII, 35.

Witte en zwarte aangezichten, III, 102 en volg.

Woeker (De), II, 276-278; XXX, 38.

Wonder, III, 11.

Woonplaats der Thamoedieten, VII, 72.

Woorden tot de apostelen gericht, XXIII, 53.

Wrok uit de harten genomen, VII, 41.

Wijn (De), II, 216; V, 92, 93. --Rivieren daarvan, XLVII, 16.

Wijze in het Oosten om vuur te verkrijgen, XXXVI, 80, n. --Van vergoeding van een ei, XXIII, 14, n. --Waarop de kameelen worden vastgebonden, XXII, 37, n.

Y, IJ

Yahia, volgens sommigen Jezus, III, 34. --Diens kuischheid, aldaar. Zie voorts Johannes.

Yahya, schriftverklaarder, zie Al Beid‚wi.

Yajoej, XVIII, 93, n. --Zie Gog en Magog.

Yathreb, oude naam van Medina, XXXIII, 13, n.

IJdel genot; III 196, n.

IJ, S, XXXVI, bl. 472, n.

IJzer, LVII, bl. 562, n. --IJzeren voorwerpen door Adam uit het paradijs medegebracht, LVII, 25, n.

Z

Zacharias, III, 32; VI, 85; XIX, 1; XXI, 89. --Komt in Marias kamer, III, 32. --Ouderdom, III, 36.

Zaken waarvan God alleen bewust is, XXXI, 34.

Zakkoem, XXXVII, 60-64; XLIV, 43-46; LVI, 52, 53. --Zie voorts Al Zakkoem.

Zamharir, groote koude, LXXVI, 13, n.

Zedeleer, zie Voorschriften.

Zee, zie Bahr.

ZeeÎn (De beide), XXV, 55; XXVII, 62; LV, 19; LXXXII, 3. --Van PerziÎ en Griekenland, XVIII, 60, n.

Zegel der profeten, zie Mahomet.

ZeÔd, aangenomen zoon van Mahomet, XXXIII, 37, n. --Ebn, Haretha, ZeÔds vader, aldaar.

Zelfmoord (De) verboden, IV, 33, n.

Zendeling, Apostel, zie Profeet.

Zendelingen, VII, 35,

Zenden van blijkbaar licht, IV, 174.

Zendjebil, gember, LXXVI, 17.

Zeven (De) slapers, XVIII, 8-13, 15 en volg. --Slapers, zie Spelonk.

Ziel, XXXIX, 43. --ten opzichte des doods L, 18. --Zie Dood.

Zielen van martelaars in kroppen van vogels, II, 149.

Zingende meisjes, door Al Hodar gekocht, om hen de Moslems wilden worden, van hunne bedoelingen af te brengen, XXXI, 5, n.

Zoenprijs, zie Scheiding.

Zoleikha, Potiphars vrouw, XII, 21, n.

Zon, punten van den gezichteinder, waar zij in den loop van het jaar opstijgt, XXXVII, 5.

Zondaren III, 123. --Zie Apen. --Zielen van hen, LXXIX, 2, n.

Zonden, VI, 120, 152; XIV, 11; XLVIII, 2. --(Hoofd en vergefelijke), LIII, 33. --Vergeven, IV, 51. --Vermijden, IV, 35.

Zondig gebruik van Gods namen, VII, 179. --Volk, zie Dag.

Zondvloed (De), LXIX, 11, zie Noach.

Zonen van Dhafar, IV, 113, n.

Zoogloon, uit te betalen aan de vrouw, van welke men scheidt, LXV, 6.

Zuivering, zie Reinigingen.

Zusters erfdeel van een kinderlooze; bestemming van het overige, IV, 165, n.

Zuster, zie Broeder.

Zwakken der aarde, IV, 99.

Zwakke (De) zal vergiffenis worden geschonken, IV, 100.

Zwarte lever, bij de Arabieren teeken van een vijand XX, 102, n.

Zij die beproefd is, LX, bl. 571, n.

VI

KORT OVERZICHT VAN DE GESCHIEDENIS DER TURKEN, VOORNAMELIJK IN HUNNE VERHOUDING TOT HET OVERIGE EUROPA. [2319]

I. Inleiding.

Toen Mohammed in 632 stierf, was zijn geboorteland voor zijn godsdienst gewonnen. Juist honderd jaar later streden de Arabieren bij Poitiers in Frankrijk; daar werd de uitbreiding van den Islam in West-Europa tot staan gebracht. Het rijk, waarover de kaliefen, opvolgers van Mohammed, regeerden en waarvan Bagdad in het midden der achtste eeuw de hoofdstad werd, strekte zich toen uit van den Indus tot den Atlantischen Oceaan en omvatte ArabiÎ, SyriÎ, ArmeniÎ tot den Kaukasus, PerziÎ, een deel van Turkestan, Egypte, de Noordkust van Afrika, Spanje en het eiland Cyprus. Dit kalifaat met zijn zonderlingen vorm, met de zoo verschillende natiÎn, die er toe behoorden, bleef niet lang ÈÈn staatkundig geheel. Binnenlandsche twisten leidden tot verbrokkeling: in de tiende eeuw staan zelfstandig naast de kaliefen van Bagdad die van Cairo en Cordova. Geen van drieÎn kon toen meer op groote, inwendige kracht bogen.

In het kalifaat van Bagdad maken we kennis met de Turken. Deze worden gerekend tot een groep van volkeren, die men gezamenlijk het oeralo-altaÔsche (tusschen Oeral en AltaÔ wonende) ras noemt en waaronder misschien evenals onder de Indo-EuropeÎrs verwantschap bestaan heeft, zonder dat dit tot nog toe even duidelijk als bij de Indo-EuropeÎrs is aangetoond geworden. Hebben de zoogenaamde oeralo-altaÔsche volkeren een zelfden oorsprong, dan is in elk geval het onderling verschil nog veel grooter geworden dan bij de Indo-EuropeÎrs: wie zou nu tusschen Tataren, Mongolen, Kirgiezen, Mantsjoe's, Jakoeten, Toengoezen aan den ÈÈnen kant, Hongaren, Finnen, Lappen aan den anderen kant verwantschap gaan zoeken, zonder de oudere geschiedenis dier volkeren te kennen?

De oudste ons bekende woonplaats der Turken is Turkestan, zoowel het nu tot Russisch-Azie behoorende land van dien naam als het tot China behoorende Oost-Turkestan. Daar signaleerden hen in de vijfde eeuw na Christus de Chineezen als Tou-kioue, terwijl in het Byzantijnsche of Grieksche rijk in dezelfde eeuw de naam Tourkoi genoemd wordt. Het militaire gevoel was bij hen zeer sterk ontwikkeld. Zij waren in de eerste plaats soldaten, trekkende, waarheen de fortuin hen voerde, levende, als het mogelijk was, op vaste plaatsen, maar die ook gemakkelijk verlatende, als een sterkere kwam, die hen er uitdreef. Het soldatenleven ontwikkelde bij hen een buitengewoon sterk plichtsgevoel met een levendigen zin voor discipline en hiÎrarchie. "Een Turk te paard kent zijn vader niet," "Als men 't huis uws vaders aanvalt, valt mede aan", zijn bekende Turksche gezegden uit dien ouden tijd.

Voor een dergelijk volk moest de Islam met zijne martiale eigenschappen veel aantrekkelijks hebben. Met overpeinzingen over de waarde van een of ander godsdienstig stelsel hebben de Turken, weinig bespiegelend aangelegd als zij zijn, zich nooit druk gemaakt. Evenals het vroeger tot hen gekomen Boeddhisme en het Nestoriaansch Christendom aanhang onder hen gevonden hadden, zoo ook de Islam, toen die hun land in de zevende eeuw bereikte.

De Islam opende hun nieuwe wegen om zich uit te breiden. Tot nog toe hadden zij zich meest naar het Westen verplaatst. Nu stond voor hen ook de weg naar het Zuidwesten, naar Iran, open, waar het Nieuw-Perziche rijk der Sassaniden, begunstigd door de natuurlijke grensgesteldheid tot hen, aan de komst van den Islam had kunnen tegenhouden. In grooten getale maakten zij daarna weldra hunne opwachting in het Kalifaat van Bagdad en traden in dienst der Abassiden, het toenmalige kaliefengeslacht. Met hun optreden in Voor-AziÎ beginnen nieuwe veroveringen der Mohammedanen; het laatste overblijfsel van het Byzantijnsche rijk in AziÎ, Klein-AziÎ of Roem (= land der Romeinen), werd door de Turken veroverd. Maar door hen begint ook de verbrokkeling van het Kalifaat van Bagdad in een aantal kleine staatjes onder verschillende dynastieÎn, die den kalief slechts in naam als hun meester erkennen. Meer direct wordt de kalief bedreigd door de ook al uit Turken bestaande lijfwacht, wier hoofd, de emir-al-omra, hem op den duur gaat overheerschen. Het culminatiepunt in die ontwikkeling wordt bereikt, wanneer kalief Kalem in het midden der elfde eeuw den wegens zijn godsdienstijver bekenden Togroel-Beg, het hoofd der Seldsjoeksche [2320] Turken, naar Bagdad roept en proclameert tot sultan van het Oosten en Westen: deze krijgt dus de wereldlijke macht, de kalief behoudt alleen de geestelijke.

De sultan of, zooals men hem meestal noemde, de atabÍk, die te Mosoel resideerde, kon op den duur evenmin als de kalief een krachtig centraal gezag handhaven. Onder hem waren verschillende sultans, leenvorsten eigenlijk, die zich van den atabÍk feitelijk losmaakten, zoodat de verbrokkeling, reeds onder de kaliefen ontstaan, bleef voortduren. Het belangrijkste der zoo ontstaande rijkjes vond men in Klein-Azie, met Iconium en later Nicaea, dus vlak in de buurt van Constantinopel, als hoofdstad. In denzelfden tijd kregen andere Turksche stammen veel invloed in het kalifaat van CaÔro, waartoe een groot deel van SyriÎ behoorde, en ook hier begon nu een dergelijke verbrokkeling.

Zoo was de toestand, toen vooral in de twaalfde eeuw de kruistochten plaats hadden. Die merkwaardige beweging, voortgekomen uit een hooggespannen godsdienstig gevoel bij de volken van West-Europa, dat die volken heeft doen samenwerken tot ÈÈn doel, zooals later zelden meer voorgekomen is, scheen voor een oogenblik in den toestand in het Oosten groote veranderingen te zullen aanbrengen. Het Byzantijnsche rijk werd tijdelijk ontlast van de bedreiging uit het Oosten; het kreeg zelfs een deel van Klein-AziÎ, door de kruisvaarders veroverd, terug. Langs de Oostkust der Middellandsche Zee, in het oude land van PhoeniciÎrs en IsraÎlieten, werden de Mohammedanen teruggedreven en verschillende kleine Christelijke staten vormden zich daar, in naam vereenigd onder het koninkrijk Jeruzalem. Maar het was voor de Christenen een blijdschap van korten duur. De Turken, onderling verdeeld, toen de Christenen kwamen, vereenigden zich en vonden verschillende voortreffelijke leiders, waaronder een eerste plaats inneemt Salah-ed-Din, uit den stam der Koerden, wiens vader groote macht had weten te verkrijgen in Egypte en die zelf aan het kalifaat van CaÔro feitelijk een einde gemaakt had en behalve heerscher over Egypte ook heerscher over geheel SyriÎ en MesopotamiÎ geworden was. Tegenover die eenheid aan de zijde der Mohammedanen stond weldra een verdeelde Christenwereld in het Oosten, die tegen de aanvallen van Salah-ed-Din en zijne voorgangers niet bestand bleek. De ÈÈne Christelijke staat vÛÛr, de andere na verdween, de meeste reeds in de tweede helft der twaalfde eeuw. Onder moeilijke omstandigheden bleven enkele plaatsen tot het einde der dertiende eeuw in handen van een naam-koning van Jeruzalem; het eiland Cyprus, ook door de kruisvaarders veroverd, zelfs tot 1489, toen het aan VenetiÎ kwam.

Reeds lang vÛÛr het einde der dertiende eeuw had het groote rijk van Salah-ed-Din zijne voornaamste rol uitgespeeld. Zijne opvolgers behielden op den duur alleen Egypte en een deel van SyriÎ. In het Oosten hadden ook zij te lijden gehad van de beweging der Mongolen. Als afzonderlijke natie beginnen dezen van zich te doen spreken in de elfde en twaalfde eeuw. Onder hun grooten aanvoerder Temoedsjin, die den titel van Dzjengis-Khan aannam, hadden zij China veroverd en zich daarop naar het Westen gekeerd, ook daar alles neerwerpende, wat hun tegenstand wilde bieden. Na Temoedsjin's dood drongen ze door in Europa, kwamen door Rusland in Hongarije, Polen, Boheme, SileziÎ, MoraviÎ, IllyriÎ, maar keerden toen terug, onoverwonnen. Alleen Rusland bleef langen tijd onderworpen aan het rijk van Kiptschak, ook wel het rijk der Gouden Horde genoemd, ÈÈn der Mongoolsche rijken, die sedert de dertiende eeuw in AziÎ bestonden. Voor-AziÎ heeft den minsten last van hen gehad. Wel werd PerziÎ veroverd, wel maakte Hoelagoe, broeder van den keizer van China, een einde aan het kalifaat van Bagdad door deze stad in te nemen en den laatsten kalief te vermoorden (1258), maar noch in het Westen van SyriÎ noch in Klein-Azie vestigden zij hunne macht.

Door al de veranderingen, die in de twaalfde en dertiende eeuw plaats vonden, was het rijk der Seldsjoeksche Turken verdwenen behalve in een deel van Klein-Azie. Daar vinden we in het begin der veertiende eeuw nog een Seldsjoeksch rijk, verdeeld in tien emiraten, die sedert 1307 allen geheel zelfstandig waren. EÈn van die tien vereischt in het bijzonder onze aandacht, want daar heerschte toen Osman, naar wien de door hem geregeerde stam de Osmanli of Osmanen heet. Zijn grootvader SuleÔman, zoo luidt de overlevering, kwam uit Khorassan met een groot aantal Turken naar het Westen getogen, maar verdronk in de Eufraat. Zijn dood deed zijne volgelingen uiteengaan. Twee zoons met een vierhonderd families trokken naar Klein-Azie. Daar dichtbij komende, aanschouwden ze in de verte een veldslag. Zij besloten de zwakste partij te hulp te komen en bezorgden daardoor dezen de overwinning. De verslagenen waren Mongolen, de overwinnaars Seldsjoeken. Dier sultan Ala-ed-Din gaf uit dankbaarheid aan Erthogroel, den zoon van SuleÔman, en de zijnen woonplaatsen in het Noorden van Klein-AziÎ. Erthogroel's zoon was Osman, die, evenals de andere emirs, in 1307 zelfstandig vorst werd van zijn rijkje, Sultan-Oeni geheeten. Hij was de eerste der Osmanen, die tot den Islam overging; zijne onderdanen volgden hem hierin even trouw als in den krijg.

Het bescheiden gebied van het Osmanische rijk werd spoedig vergroot, want de Osmanen waren strijdvaardig en in hunne buurt lagen de overblijfselen van de Grieksche macht in Klein-AziÎ, voornamelijk enkele steden als Nicaea, Broessa, Nicomedia, Philadelphia en verschillende sterke kasteelen. De Seldsjoeken, sedert lang sedentair, hadden hunne krijgersgewoonten afgelegd; hun Islam verdroeg zich met het Grieksche Christendom. Met den Islam der Osmanen was dit niet het geval. Spoedig begonnen hunne aanvallen eerst op de Grieksche bezittingen in Klein-AziÎ, toen op het Grieksche rijk in Europa zelf.

Hoe was toen de toestand hiervan? Het is noodig ons dien duidelijk voor te stellen om te kunnen begrijpen, hoe de aanvallen der Turken betrekkelijk zonder veel moeite slaagden. Er is geen rijk, dat na de groote volksverhuizing in West-Europa meer te lijden gehad heeft van allerlei volkeren dan het Grieksche, dat letterlijk van alle kanten bestormd geworden is: door de Mohammedanen in AziÎ en Afrika, door verschillende Slavische en Oeralo-AltaÔsche volkeren in Europa. In AziÎ en Afrika verloor het, zooals we reeds opmerkten, bijna alle grondgebied. Enkele van de invallen doende volkeren vestigden zich in het Noorden van het rijk in Europa: zoo de Boelgaren, van Oeralo-AltaÔschen oorsprong, maar op den duur geslavoniseerd, ten Zuid-Oosten van de Donau, in het Noorden van MacedoniÎ en ThraciÎ, vanwaar ze soms zelfs Constantinopel bedreigden; zoo verschillende Slavische stammen. Dezen verspreidden zich, soms met, soms tegen den wil des keizers, zoo wat door alle deelen van het Balkan-schiereiland; men vindt ze in ThraciÎ, MacedoniÎ, Epirus, ThessaliÎ en zelfs hier en daar in Midden-Griekenland en in den Peloponnesus, maar in compacte massa vooral in het Noord-Westen. De Slaven daar vormden een uitlooper van de Slavische opmarsch naar de Elbe, die een gevolg van de groote verhuizing van Germaansche stammen naar het Westen was. Verschillende streken, sedert door Slavische volksstammen bewoond, als KroatiÎ, SlavoniÎ, KarinthiÎ, de Krain, Stiermarken, werden van het Grieksche rijk losgerukt en maakten later deel uit van Oostenrijk of Hongarije, het laatste bewoond door een volk van Oeralo-AltaÔschen oorsprong, dat zich in de negende eeuw in de Donau-vlakte had neergezet. Zuidelijker, waar zich vooral ServiÎrs vestigden in 't tegenwoordige BosniÎ, Herzegowina, Montenegro, ServiÎ, bleef de Grieksche heerschappij eenigermate bestaan, wanneer ten minste de keizers krachtig waren. Zoo was het ook bij de Boelgaren, die in de tiende eeuw geheel zelfstandig waren, totdat ze in het begin der elfde ten tijde van de krachtige keizers uit het Macedonische geslacht weÍr werden bedwongen.

Al die nieuwe volkeren in het Balkan-schiereiland werden weldra Christenen en wel meest allen bekeerd van Constantinopel uit. Zij behoorden dus na de scheiding van de Katholieke kerk in een Grieksche en een Roomsche tot de eerste, evenals hunne Slavische stamgenooten in Oost-Europa, de Russen, terwijl daarentegen andere Slaven als de Polen, de Czechen, de in Hongarije en Oostenrijk wonende Slaven en ook een minderheid van ServiÎrs tot de Roomsch-Katholieke kerk behoorden. Grieksch-Katholiek was ook een volk van twijfelachtige afkomst, de Walachen, die zich tegenwoordig meestal Roemenen noemen. Het is onnoodig hier in te gaan op de vraag, of de Roemenen werkelijk afstammen van in de dagen van keizer Trajanus in de Romeinsche provincie DaciÎ (Oostelijk Hongarije) geplante Romeinsche kolonisten dan wel of zij een volk van Slavischen oorsprong zijn, dat een in hoofdzaak Romaansche taal aangenomen heeft. Dit volk vinden we in de twaalfde eeuw behalve op hunne oude woonplaatsen, namelijk vooral in Zevenburgen, ook in de zoogenoemde Donauvorstendommen MoldaviÎ en Walachije (het tegenwoordige koninkrijk RoemeniÎ) en verder verspreid door bijna het geheele Grieksche rijk: van Boelgarije tot in den Peloponnesus komen hunne nederzettingen voor evenals die der Slaven.

Het laat zich alleen denken, welk een schrikbarende veranderingen al deze vestigingen van vreemde volken in het Balkanschiereiland onder de daar wonende bevolking van Hellenen en gehelleniseerden hebben teweeggebracht. Toch blijft het Grieksche rijk te midden dezer stormen in zijn kern, d.w.z. het oude Griekenland met AlbaniÎ, MacedoniÎ en ThraciÎ, bestaan. Dit is niet een gevolg van krachtige keizersregeeringen, want die waren te tellen, maar van het feit, dat er in den kern van het rijk een beschaving was, het Hellenisme genoemd, sterk genoeg om vele schokken te verdragen en ook om de zich verspreid vestigende Slaven en Roemenen in zich op te nemen. Daarentegen behielden de volkeren, die zich in het Noorden in compacte massa vestigden, hunne nationaliteit, al waren ze niet altijd staatkundig van de Grieksche keizers onafhankelijk.

De doodsteek voor het Grieksche rijk kwam niet uit het Oosten en ook niet uit het Noorden, vanwaar het steeds het meest bedreigd geworden was, maar uit het Westen. Zuid- Oost- en West-Europa stonden sedert lang op staatkundig en op godsdienstig gebied tegenover elkander: de Duitsche keizers maakten, als de gelegenheid zich voordeed, aanspraak op het vroegere Oost-Romeinsche rijk en de Grieksche keizers hadden hunne aanspraken op het Westen niet geheel vergeten; de pausen te Rome wilden niets liever dan hereeniging der Grieksche met de Roomsche kerk. Dit waren de oorzaken, dat de zoogenaamde Latijnsche kruistocht zich tegen Constantinopel richtte; de aanleiding was, dat de handelsbelangen van VenetiÎ, toen de groote handelsmogendheid in het Oostelijk bekken der Middellandsche Zee, bij een revolutie te Constantinopel, op een schromelijke wijze benadeeld waren. In 1204 namen kruisvaarders Constantinopel in en het Grieksche rijk maakte plaats voor een Latijnsch keizerrijk.

Dit nieuwe rijk is voortdurend krachteloos geweest. Vooral VenetiÎ had er veel invloed: het bewerkte een verdeeling van het Zuidelijk Balkanschiereiland in een aantal leenstaatjes, in naam afhankelijk van den Latijnschen keizer, in werkelijkheid veelal van de stad van St. Marcus. Zelf annexeerde deze een deel van de kuststreek aan Adriatische en Ionische Zee, de Ionische eilanden, Creta en verschillende eilanden in de AegeÔsche Zee. Zoo werd VenetiÎ ook een politieke macht van groote beteekenis in het Oosten. De verdeeldheid werd te grooter, omdat hier en daar een overblijfsel van Grieksche macht bleef bestaan; zoo handhaafde zich in Epirus een bastaard uit het laatste keizersgeslacht der Angeli; in Trebizonde, aan de Zuidkust der Zwarte Zee, hield zich een lid van het voorlaatste keizersgeslacht, dat der Comnenen, staande, met den weidschen titel van keizer, terwijl in Nicaea Theodorus Lascaris zich ook een miniatuur-keizerrijk stichtte.

De lijdensgeschiedenis van het Latijnsche rijk, vol van inwendige twisten over godsdienstige en politieke vraagstukken, vol van strijd tegen Walachen en Boelgaren, tegen het keizerrijk Nicaea en den despoot van Epirus, eindigde in 1261. Theodorus Lascaris en zijne opvolgers in Nicaea hadden door een handige diplomatie en een flinke krijgvoering hunne positie veel weten te versterken: zij hadden een goede verstandhouding onderhouden met de Seldsjoeksche Turken--de Osmanen waren er toen nog niet--en zich aan die zijde rust verschaft; stap voor stap verwierven ze eenige steunpunten voor hunne macht in Europa, en nadat een paleisrevolutie in 1259 het geslacht van Lascaris vervangen had door dat der Paleologen, wist ÈÈn der veldheeren van MichaÎl VIII, den eersten keizer uit het nieuwe geslacht, twee jaar later Constantinopel bij verrassing te heroveren.

Er was weÍr een Grieksch rijk, maar de kracht bleef er uit. De verdeeldheid in den ouden kern kon niet meer worden opgeheven. De heerschappij der Paleologen heeft zich nooit verder uitgestrekt dan over het vroegere keizerrijk Nicaea, over Constantinopel, ThraciÎ, MacedoniÎ, een deel van ThessaliÎ en van den Peloponnesus, enkele eilanden in de AegeÔsche en de Ionische Zee. Verder was er een wanhopig groot aantal kleine staatjes: Epirus, waartoe ook het Westelijk deel van Midden-Griekenland behoorde, onder de Angeli, en sedert het begin der 14e eeuw onder vorsten uit andere geslachten; een hertogdom Athene, overblijfsel uit den tijd van het Latijnsche rijk, omvattende het Oostelijk deel van Midden-Griekenland; een hertogdom Achaie, omvattende een groot deel van den Peloponnesus; de Venetiaansche bezittingen, waarvan verschillende als leenstaten door aanzienlijke Venetiaansche geslachten geregeerd werden; enkele geheel autonome steden als Pellena en Tritaea in den Peloponnesus; de bezittingen van de Johanniter ridderorde, bepaaldelijk het eiland Rhodus. In het Noorden waren de daar wonende volken nu geheel onafhankelijk: Montenegro reeds sedert het midden der elfde eeuw; ServiÎ sedert de tweede helft der twaalfde, terwijl toen ook in BosniÎ zelfstandige vorsten voorkwamen; evenzoo de Boelgaren en Walachen, in het begin der dertiende eeuw een tijdlang vereenigd onder den bekenden czaar Johannitza, maar na diens dood elk op zich zelf staande: Walachije en MoldaviÎ vormden toen afzonderlijke vorstendommen onder voÔvodes, maar MoldaviÎ was dikwijls afhankelijk van Hongarije en had veel te lijden van zijn Noordelijke buren, de Polen. Aan de kust van de Adriatische Zee vinden we behalve het Venetiaansche gebied nog enkele zelfstandige steden als Ragusa, terwijl de koningen van Napels regeeren over Durazzo en het eiland Corfu. Herinneren we ons verder het nog steeds voortbestaande keizerrijk Trebizonde, vermelden we het in Zuid-Oostelijk Klein-AziÎ sedert het optreden der Muzelmannen ontstane Christelijke koninkrijk ArmeniÎ en de bezittingen van Genua, de groote mededingster van VenetiÎ op handelsgebied, vooral aan de zee van Azof, dan hebben we een overzicht van den politieken toestand der streken, waarin de Osmanen gaan optreden.

In het Balkan-schiereiland heerschte dus een zeldzame anarchie. Wie zou aan het land zijn staatkundige eenheid teruggeven? In het midden der veertiende eeuw kon men dit in Europa zelf verwachten van ServiÎrs en Boelgaren, toen nauw verbonden tijdens den Servischen koning Stephanus Doughan, die zijne heerschappij zelfs over het grootste deel van MacedoniÎ uitgebreid had, daardoor het Grieksche keizerrijk als met een wig in twee deelen scheidend, en tevens over bijna alle westelijke provinciÎn van het keizerrijk behalve over den Peloponnesus, [2321] die ook stellig gestreefd heeft naar een Servisch rijk over heel den Balkan. Maar hij stierf in 1355, en met hem viel zijn rijk in stukken uiteen. En in dienzelfden tijd verschenen de Osmanen in Europa.

II. De Opkomst en Bloei der Turksche macht in Europa.

Van Sultan-Oeni uit breidde zich de macht der Osmanen langzaam, maar zeker uit over het Grieksche deel van Klein-AziÎ. Langzaam, want hun aantal, hoewel spoedig vergroot door verschillende vechtlievende elementen uit de Seldsjoeken, uit de Mongolen en zelfs uit de Grieken, bleef voorloopig gering. Toch volgden de veroveringen elkander regelmatig op: na een aantal kleinere Grieksche kasteelen werd in 1317 Broessa genomen door Osman's zoon Ourkhan; toen kwamen Nicomedia (1326), Nicaea (1330) aan de beurt onder de regeering van Ourkhan zelf, die tevens Broessa tot zijn hoofdstad maakte. Groote gematigdheid kenteekende het optreden der Osmanen in den beginne: de Grieksche bevolking van de veroverde steden kreeg vrijen aftocht met haar hebben en houden; velen maakten van deze vergunning geen gebruik, maar namen den Islam aan.

Chalcedon (Skoetari) en Philadelphia bleven nu de eenige bezittingen der Grieken in Klein-AziÎ. VÛÛrdat deze genomen werden, staken de Osmanen reeds naar Europa over. Dit werd te beter mogelijk, doordat onder hen een staand leger georganiseerd was door Ala-ed-Din, den eersten Turkschen vizier, den broeder van Ourkhan. Het was een leger gedeeltelijk bestaande uit wat men zou kunnen noemen leensoldaten, zij namelijk, die tegen verplichting van militairen dienst land ten gebruike kregen, en gedeeltelijk uit huurlingen. Onder de infanterie was spoedig het meest beroemde corps dat der Janitsaren (Yeni-Cheri, nieuwe troepen), gevormd uit van onderworpen Christenen afgenomen jonge kinderen, jaarlijks ongeveer duizend, die in den Islam opgevoed werden en van hun jeugd af op de wijze der Spartanen geheel voor den krijgsdienst gehard; de inrichting, eigenlijk een schepping van Kara-Khalil-Tcherendeli, een oom van Ourkhan, berustte op de uitspraak van den Koran, dat alle kinderen bij hunne geboorte neiging tot den Islam vertoonen; het corps kreeg groote privileges, hooge soldij, terwijl dapperheid in hooge mate beloond werd. Onder de ruiterij namen de Sipahi een eerste plaats in. Naast deze en andere geregelde troepen stonden verschillende ongeregelde, lichtbewapende, met wie een gevecht gewoonlijk begonnen werd. Dit vaste, geoefende leger gaf den Turken een grooten voorsprong boven de legers van welk land van Europa dan ook, waarmede ze eerst te kampen zouden krijgen; nergens vond men in het midden der veertiende eeuw een dergelijke instelling.

De Turksche geschiedschrijvers verklaren het oversteken van de Osmanen over den Bosporus uit een droom van SuleÔman, gouverneur van Nicaea, ÈÈn der zonen van Ourkhan. Een ander verhaal zegt, dat keizer Johannes †VI SuleÔman te hulp riep in binnenlandsche moeilijkheden, zooals die in den laatsten tijd van het bestaan van het Grieksche rijk meermalen voorkwamen. SuleÔman bezette op zijn tocht naar Europa in 1353 het kasteel Tsympe bij Gallipoli en drie jaar later Gallipoli zelf, toen de muren van die stad ten gevolge van een aardbeving ingestort waren: dit was goddelijke voorbeschikking, verklaarden de Osmanen aan den protesteerenden Johannes†VI, en zij behielden de stad. Nu volgden de veroveringen in ThraciÎ elkander snel op. Moerad†I, zoon en opvolger van Ourkhan (Ü 1359), nam de belangrijke stad Adrianopel (1361) en vestigde daar den hoofdzetel van zijne macht in Europa (1365).

De machtsontwikkeling der Osmanen wekte naijver zoowel bij de Oostelijke als bij de Noordelijke naburen. De eersten, de Seldsjoeken, waren het minst te duchten; Moerad heeft in een eersten oorlog tegen hen een paar der Seldsjoeksche rijkjes veroverd (1388). Gevaarlijker was het verzet, dat uit het Noorden kwam, vooral van de ServiÎrs en Bulgaren, die zich bedreigd achtten. Verder reeds werkte de Turkenvrees: de pausen, uit wier politiek het hervatten van de kruistochtbeweging nooit geheel geschrapt was, gingen trachten een kruistocht tegen de Muzelmannen in Europa te organiseeren. Het eerst deed dit paus Urbanus†V, maar in het Westen bestond voor de zaak nog geen genoegzame belangstelling. Het waren voorloopig alleen de onmiddellijk bedreigden, die zich ernstig inspanden de Turken uit Europa te verjagen. Verbindingen werden daartoe aangeknoopt door de Hongaren onder hun koning Lodewijk den Grooten, de ServiÎrs onder Voukachine en Ougliecha, twee broeders, die regeerden in het onder Stephanus Doughan veroverde deel van MacedoniÎ, de BosniÎrs onder hun ban Tvertko, de Boelgaren onder hun czaar Sischman, de Walachen onder hun voÔvode Mircea. Nog vÛÛrdat alle bondgenooten hunne troepen gezonden hadden, overviel een bevelhebber van Moerad†I een voornamelijk uit ServiÎrs bestaand leger bij Tschirmen [2322] aan de rivier de Maritza en behaalde een glansrijke overwinning. MacedoniÎ werd leenplichtig aan de Turken; de zoon van Voukachine, Marko Kralievitch, een nationale held der ServiÎrs, werd vasal van den sultan.

Daarmede was de oorlog niet uit. Dan weer op grootere, dan weer op kleinere schaal werd het vechten eigenlijk steeds voortgezet. De Turken veroverden in 1382 Sofia in Boelgarije, dat toen schatplichtig werd, Monastir en andere plaatsen in MacedoniÎ. En toen Moerad†I moest oorlogen tegen de Seldsjoeken (zie boven), toen verbonden zich opnieuw de ServiÎrs, nu vooral die uit het eigenlijke ServiÎ onder hun czaar Lazarus, met Boelgaren en BosniÎrs en Walachen en Hongaren en Polen. In haast kwam Moerad†I uit Klein-AziÎ terug en ontmoette een leger der verbondenen bij Kossowo (1389). Miloch, een ServiÎr van hooge geboorte, doodde Moerad†I na den slag, maar de overwinning bleef aan de Turken. Een groot aantal gevangenen, waaronder Lazarus, werden onthoofd: hij en Miloch en Kossowo bleven nationale herinneringen voor de ServiÎrs.

Het begon er voor Constantinopel bedenkelijk uit te zien. Keizer Johannes†V betaalde sedert 1372, nadat hij een vruchtelooze reis naar Rome ondernomen had om daar steun te zoeken, schatting aan de Turken; spoedig daarna werd hij verplicht hun militairen steun te verleenen en ÈÈn van zijne zoons als gijzelaar te stellen. Daardoor kreeg reeds Moerad†I grooten invloed op de regeering te Constantinopel en, toen Johannes†V in twist geraakte met zijn oudsten zoon Andronicus, hing het van het partij kiezen van Moerad af, wie de baas was. Na Kossowo kwam Bayezid†I, bijgenaamd de Bliksem, en van hem had Constantinopel niet minder te vreezen dan van zijn vader.

Het is ondoenlijk al de Turksche sultans, die tot nog toe de revue hebben gepasseerd, scherp in beeld te brengen. Allen maken den indruk van groote krijgslieden met zin voor militaire organisatie. Hoe meer vijanden overwonnen en gedood werden, hoe grooter lof. Daarnaast hebben zij een zekeren ijver voor den Islam, zonder dat dit hen tot fanatisme voert; soms komt een treffende, edelmoedige trek te voorschijn, een medelijdende opwelling van den sterkere als overwinnaar tegenover den overwonnene, soms treft daartegenover een groote wreedheid. De laatste zien ze het eerst duidelijk bij Bayezid†I, die na den slag van Kossowo een aantal dappere vijanden liet afmaken,--en tegelijkertijd zijn jongeren broeder Jacoeb, niet, omdat Jacoeb hem tegengewerkt had, maar alleen, omdat er kans op zou kunnen zijn, dat hij een mededinger naar den troon werd. Het was de eerste broedermoord in het huis van Osman, later meermalen toegepast, verdedigd zelfs met een beroep op den Koran, die zegt, dat de opstand erger zou zijn dan de terdoodbrenging.

Bayezid†I, hoewel wreed en in het bezit van andere bij despoten zoo dikwijls voorkomende eigenschappen als grilligheid, laatdunkendheid, verslaafdheid aan de ergste ondeugden, was een dapper krijgsman en een uitstekend aanvoerder als zijne voorgangers. Hij was de machtigste heerscher op het Balkan-schiereiland. Na Kossowo was ServiÎ evenals Walachije schatplichtig; Boelgarije, waar Sischman een dubbelzinnige rol gespeeld had, werd geheel onderworpen en onder Turksch bestuur gebracht. Te Constantinopel nam Bayezid's invloed toe: Manuel, de tweede zoon van Johannes†V, gijzelaar in Turksche handen, moest voor Bayezid Philadelphia innemen en hij deed het! Aan Johannes†V werd verboden Constantinopel te versterken. En toen Manuel†II in 1391 zijn vader opgevolgd was, begon Bayezid er ernstig over te denken Constantinopel te veroveren; reeds in 1391 viel Chalcedon en daarmede de laatste bezitting der Grieken in Klein-AziÎ.

De omstandigheden hebben hem niet veroorloofd zijn plan te voltooien. De Turkenvrees was nu verder ingeslagen dan alleen bij de onmiddellijk bedreigden. Reeds hadden de Turken een inval gedaan in BosniÎ, reeds hadden ze, voorloopig zonder succes, Hongarije aangevallen (1391). Dit laatste land had zich, tot zijne schade, tot nog toe weinig om de Turken bekommerd. De koning uit het huis van Anjou, Lodewijk de Groote, die tegelijk over Napels en Polen regeerde, had zich meer met de Italiaansche zaken ingelaten.

Zijn schoonzoon en opvolger in Hongarije, Sigismund, later (sedert 1410) tevens keizer van Duitschland, wendde zich na den inval der Turken in 1391 met een gezantschap en brieven tot de vorsten in West-Europa om hulp. Zijn bede werd door den paus, die opnieuw tot een kruistocht aanspoorde, gesteund. Er rustte nu zegen op deze vereende pogingen. Uit Frankrijk, de Bourgondische landen, Duitschland, Engeland en ItaliÎ kwamen groote scharen ridders en huurlingen opdagen. Bijna heel het Westen hielp mede; alleen de koningen, te veel bezig gehouden in eigen land, bleven thuis. Ook Polen, Walachen, ridders van Rhodus boden steun. Jan Zonder Vrees, zoon van den Bourgondischen hertog, leidde de Westerlingen; koning Sigismund die van Oost- en Midden-Europa. Coalitie-legers als dit heeft Europa in lateren tijd, vooral tegen Lodewijk†XIV en tegen Napoleon, meermalen in het veld gebracht en altijd waren het dezelfde gebreken, die hen aankleefden; gemis aan eenheid van leiding, slechte samenwerking van heterogene bestanddeelen. Bij de kruisvaarders van 1396 bestaan die gebreken in de hoogste mate: een eenigszins voldoende organisatie ontbrak hun. Het kruisleger trok langs den Donau naar Nicopolis in het Noorden van Boelgarije; Bayezid, die bezig was met het beleg van Constantinopel, hief dit op en trok Noordwaarts. De beide legers schijnen ongeveer even groot geweest te zijn, maar de Turken, gesteund door een Servisch hulpleger onder Stephanus, den zoon van Lazarus, stonden onder ÈÈn leiding. Bij de Christenen kon men 't zelfs over de te vormen slagorde niet dan met veel moeite eens worden. De Westersche ridders openden den slag van Nicopolis (Sept. 1396) met een charge tegen het Turksche leger; de groote doodsverachting, waarmede deze uitgevoerd werd, kon de voortreffelijke opstelling der Turksche troepen niet breken. Van alle kanten ingesloten, terwijl de rest van het kruisleger voor een groot deel op de vlucht sloeg en de Hongaren onder Sigismund door Stephanus' ServiÎrs werden verslagen, moesten de ridders, voorzoover niet omgekomen, zich overgeven. Alleen de zeer aanzienlijken werden gespaard, zooals Jan Zonder Vrees, voor wien een hoog losgeld betaald werd. Tienduizend gevangenen zouden gedood zijn, de Turken ook niet minder dan twintigduizend man verloren hebben.

WeÍr kwam nu Constantinopel aan de beurt, terwijl de Turken plundertochten ondernamen tot in Hongarije en zich voor het eerst ook bewogen naar Zuid-Griekenland, waar geen der kleinere potentaten hen kon tegenhouden. VÛÛrdat Bayezid hier zijn doel geheel bereikt had, kwam opnieuw eene afleiding, nu niet uit het Westen, waar keizer Manuel †II weer tevergeefs hulp was gaan zoeken, maar, ongevraagd door den keizer, uit het Oosten. Bayezid had in Klein-AziÎ een einde gemaakt aan al de Seldsjoeksche rijkjes, het laatst aan dat van Kastamoeni (in de buurt van Sinope) in 1393. Daardoor kreeg hij in het Oosten de Mongolen tot naburen en onder dezen was juist in de veertiende eeuw nieuwe veroveringslust gebracht door Timoer.

Het onmetelijk rijk van Temoedsjin (zie hiervÛÛr, blz. 689) was spoedig na zijn dood verbrokkeld. Wel was de keizer van China nog in naam de suzerein van de khans van het rijk van Kiptschak, van PerziÎ en van een Midden-Aziatisch rijk, bekend als Transoxiane, feitelijk waren deze zelfstandig en de kloof was te grooter, omdat de keizers Boeddhisten, de khans en de meeste hunner onderdanen Muzelmannen geworden waren. Timoer [2323], geboortig uit een aanzienlijk Turksch geslacht van Transoxiane, vond met zijne schitterende talenten als staats- en krijgsman volop gelegenheid zich te doen gelden in de velerlei twisten tusschen den khan en de naar onafhankelijkheid strevende Mongoolsche aanzienlijken. De khan, die in het Noorden van zijn rijk, in SiberiÎ, resideerde, benoemde Timoer weldra tot gouverneur van het eigenlijke Transoxiane, het land ten oosten van het Aral-meer. Strijd tusschen een zelfstandig man als Timoer en den khan bleef niet uit en na het overwinnen van groote moeilijkheden werd Timoer onafhankelijk vorst van Transoxiane, daarbij vooral steunende op de Muzelmansche geestelijke orden, makende van zijn rijk een soort theocratie. Dan beginnen de veroveringen naar het Westen. Timoer voert zijne heerscharen van zijne hoofdstad Samarkand uit naar het rijk van Kiptschak en vernietigt dit, een feit van beteekenis, omdat daardoor Rusland's opkomst mogelijk wordt; het rijk leefde voort in brokstukken, waarvan het Tataren-rijk in en om de Krim het meest bekend werd. Ook in PerziÎ tot Bagdad toe, in Voor-IndiÎ zelfs, deed Timoer zijne macht gevoelen. Evenmin als andere groote Aziatische veroveraars was hij een organisator: zijn rijk hing heel losjes samen, het was voorbestemd na zijn dood uiteen te vallen. Had Timoer de kaliefwaardigheid verkregen, die de Muzelmansche priesters hem zeker toegedacht hebben, misschien zou er meer vastheid in zijn rijk gekomen zijn. Of Timoer zelf het kalifaat heeft willen herstellen? In elk geval heeft hij getracht zijne macht te vestigen in SyriÎ, de toegangspoort tot ArabiÎ. Dit bracht hem in botsing met Bayezid, dien anderen Islam-verbreider. Grensmoeilijkheden leidden tot de uitbarsting. In 1402 drong Timoer in Klein-AziÎ door. Met een overmacht, die moeilijk te taxeeren valt, behaalde hij een overwinning op Bayezid bij Angora; deze werd gevangen genomen, goed behandeld [2324], maar hij stierf spoedig in zijne vernedering. Gelukkig voor het Osmanische rijk overleefde Timoer hem niet lang; na zijne overwinning bij Angora naar Samarkand teruggekeerd, raakte hij in oorlog met China en tijdens dien krijg vond hij zijn einde (1405). Geen even machtige persoonlijkheid verving hem. Zijn rijk bleef na hem niet bestaan, en wat belangrijker is, sedert dient schijnt het groote expansievermogen, dat de Aziatische volkeren tot nog toe meermalen getoond hadden, uitgeput.

Het Osmanische rijk doorleefde na Angora een crisis [2325]. In Klein-AziÎ herstelden zich verschillende der Seldsjoeksche emirs; op het Balkan-schiereiland verslapte overal de Turksche invloed: de leenplichtige staten maakten zich geheel vrij. Het ergste was de oneenigheid onder Bayezid's zoons, die zich beiden de heerschappij wilden verzekeren en zich tegen elkander lieten gebruiken door keizer Manuel†II, die door de omstandigheden krachtiger scheen. Toch werd de Osmanische macht niet reddeloos geslagen. Geen der Balkan-machten wist op een afdoende wijze van de gelegenheid te profiteeren; allen zorgden alleen voor zich. Toen nu Mohammed†I, ÈÈn der zoons van Bayezid†I, zijn broeder ter zijde had geschoven en alleen sultan geworden was, toen kon hij onmiddellijk opnieuw gaan opbouwen. En zijn zoon Moerad†II, die hem reeds in 1421 opvolgde, had slechts dit opbouwingswerk voort te zetten en te voltooien. Hij deed het op voortreffelijke wijze, want hij was een even krachtig heerscher als de meeste zijner voorouders; hij was tevens ÈÈn der sympathiekste sultans, die het huis van Osman heeft voortgebracht: zonder den in dit huis bijna hereditairen trek van wreedheid bezat hij een eenigszins wijsgeerigen, mystieken aanleg.

Reeds twee jaren na de regeeringsaanvaarding voelde hij zich sterk genoeg, om Constantinopel te gaan belegeren. Volgens een Christelijke voorstelling bracht de verschijning van een vrouw op de muren, die op de Moeder Gods geleek, de Turken zÛÛ in verwarring, dat zij het beleg opbraken. De meer prozaÔsche oorzaak zoekt het aftrekken van Moerad†II in een opstand in Klein-AziÎ. In elk geval was de druk der Turken te Constantinopel spoedig zÛÛ groot, dat keizer Johannes†VIII, zoon en opvolger van Manuel†II, een zeer zwak man, er weer in moest toestemmen schatting te betalen, en toen Johannes†VIII in 1448 stierf, bewerkte Moerad de opvolging van Constantijn†IX Dragazes, broeder van den vorigen keizer.

Zoo was de Turksche macht spoedig hersteld, want ook overal in het Balkan-schiereiland deed haar invloed zich reeds weÍr gevoelen, toen in het Noorden een vorst optrad, die het Turkengevaar ernstig wilde bekampen. Dit was in Hongarije, waar koning Sigismund, die van de ongelegenheid der Turken ook geen profijt had weten te trekken, in 1437 gestorven was. Na een korte regeering van Sigismund's schoonzoon Albrecht†II kozen de Magyaren Wladislaus†V, tevens koning van Polen, tot hun vorst. Onder hem was Johannes Hunyadi, afkomstig uit Zevenburgen, de eigenlijke Hongaarsche rijksbestuurder. Hij bleek tegen de Turken opgewassen, versloeg hen in 1442 en 1443 eenige malen, bracht Moerad†II zelf een nederlaag toe aan de Morawa, dicht bij Nisj, in ServiÎ, trok daarop in den winter den Balkan over en dwong de Turken bij een wapenstilstand voor tien jaar, gesloten te Szegedin in Hongarije, ServiÎ en Walachije geheel vrij te verklaren. Moerad besloot daarna de regeering over te dragen aan zijn veertienjarigen zoon en Mohammed†II en trok zich terug in een klooster in Klein-AziÎ. Lang bleef hij hier niet, want Hunyadi, geraden door een pauselijk legaat in zijn legerplaats om ook Boelgarije te bevrijden, verbrak den wapenstilstand. Moerad toog weÍr op het strijdpad en nu won hij. Bij Warna leed Hunyadi een geduchte nederlaag, waarin de legaat en vele aanzienlijken omkwamen (1444). Geen beter fortuin bekroonde een nieuwe poging van Hunyadi, vier jaar later; weÍr drong hij in ServiÎ door, maar Moerad†II versloeg hem opnieuw bij Kossowo op den Turken reeds bekend vechtterrein. Het gevolg van die nederlagen was de herstelling van de Turksche suzereiniteit in ServiÎ, waar toen Brankowitsch, zoon van Stephanus Lazarewitsch regeerde. Aan de ServiÎrs was dit niet geheel onwelgevallig; de Hongaren, die Walachije tot vazalstaat gemaakt hadden, bedreigden evengoed hunne onafhankelijkheid als de Turken en ze bedreigden bovendien hun Grieksch-Katholicisme, willende hen onder Rome terugbrengen, terwijl de Turken hun godsdienst ongemoeid lieten.

Overigens was Moerad†II geen veroveraar. Na Warna ging hij onmiddellijk naar zijn klooster terug, maar in 1445 kwam hij nogmaals in de wereld te voorschijn, opnieuw de regeering aanvaardende om een opstand der Janitsaren, de toen reeds machtige soldateska, die meer soldij wilden, maar nu nog bedwongen konden worden. Nu bleef Moerad de regeering voeren tot zijn dood in 1451 toe. De laatste jaren waren vol van een hevigen strijd met een nieuwen, geduchten vijand: de Albaneezen. Zij waren ten tijde van Moerad†I onderworpen geweest, maar na de dÈb‚cle van Angora vrijgeworden en ze hadden een aanvoerder van buitengewone bekwaamheden gevonden in Scander-beg, zoon van een vroegeren hoofdman Johan Castriotes. Begunstigd door de voor een defensieve strijdvoering prachtige natuurlijke gesteldheid van AlbaniÎ, kon Scander-beg, die, omdat hij in Turkschen dienst geweest was, de Turksche vechtwijze kende, zich in zijne bergen verdedigen, zelfs, toen Moerad†II hem in eigen persoon kwam bestrijden.

Moerad's opvolger was de reeds genoemde Mohammed†II, een heel ander man dan zijn vader, meer gelijkende op grootvader Bayezid, zeer wreed, van zeer slechte zeden, maar ook al weÍr in het bezit van uitstekende veldheers- en staatsmans-eigenschappen. Met hem begint een nieuw tijdperk van uitbreiding voor het Turksche rijk. Onmiddellijk viel hij Constantinopel aan. De stad kreeg van geen enkele zijde hulp. Onderlinge haat van Grieksch- en Roomsch-Katholieken was de voornaamste oorzaak, dat het Westen neutraal bleef. Meermalen, we zagen het reeds, hadden Grieksche keizers hulp in het Westen gezocht, maar de eisch van fusie der beide kerken was een onoverkomelijke hinderpaal gebleven. En om andere dan godsdienstige belangen stelde geen der Europeesche mogendheden genoeg belang in het Balkan-schiereiland, om voor het bedreigde Byzantium in de bres te springen. Alleen VenetiÎ en Genua verleenden eenigen steun. Al was Constantinopel dan ook een groote stad--het telde bijna 200.000 inwoners, voor dien tijd een zeer groot aantal--al was het zeer sterk gelegen, aan zich zelf overgelaten moest het verloren gaan. Het verdedigingsleger telde niet meer dan 8000 man, menschen uit allerlei natiÎn; Mohammed†II zou niet minder dan 200.000 man voor het beleg hebben aangevoerd en bovendien bracht hij een groote vloot bijeen om de Dardanellen en den Bosporus af te sluiten. Het beleg duurde van 6 April--29 Mei 1453. Op dezen dag had een algemeene bestorming plaats, die de verdedigers, hoe dapper ook strijdende, hoe zeer ook aangespoord door den flinken keizer Constantijn, niet konden doorstaan. De stad werd verdoopt tot Stamboel, eigenlijk Islamboel, d.i. hoofdstad van den Islam. De Aya Sophia, de beroemde basiliek van Justinianus, werd direct tot moskee gewijd. Tegenover de overwonnenen handelde Mohammed hard: een aantal der Christenen werden gedood, de stad zelf geplunderd en bij die gelegenheid heel wat verwoest van oude monumenten, voorzoover deze de plundering door de kruisvaarders van 1204 hadden overleefd.

Zoo kregen de Turken een hoofdstad, door haar ligging tusschen AziÎ en Europa aangewezen om het middelpunt te zijn van een rijk, dat zich over een deel van die beide werelddeelen uitstrekte. Voortaan waren de Turken de heerschende klasse in Constantinopel, maar na de plundering en de wanorde der eerste dagen konden de Christenen er ongemolesteerd blijven wonen met behoud van hunnen godsdienst. De geheele organisatie van de Grieksche kerk bleef onveranderd bestaan, De eerste patriarch na de verovering werd door Mohammed met veel onderscheiding behandeld en met dezelfde ceremoniÎn gewijd als in den vroegeren tijd gewoonte geweest was. Toch is de Grieksche kerk in verval geraakt, toen latere sultans de patriarchen met minder eerbied behandelden, het patriarchaat gingen verkoopen aan den meestbiedende zonder op geschiktheid te letten. Toen hield het patriarchaat op een band te zijn voor de Grieksch-Katholieken op het Balkanschiereiland.

Mohammed rustte niet lang op zijn eerste lauweren. Hij onderwierp ServiÎ geheel en de bevolking schikte zich nog al gemakkelijk in haar lot, vooral, nadat Brankowitsch gestorven was (1456). Alleen Belgrado, verdedigd door Hunyadi, die hier den smaad van zijn vorige nederlagen uitwischte, en den Franciscaner monnik Johannis Capistrano, die met een handjevol kruisvaarders toonde, wat echte geloofsijver vermag, kon niet genomen worden. Wel werden niet lang daarna BosniÎ (1464) en Herzegowina (1467) tot Turksche provinciÎn gemaakt en ook maakte Mohammed voorgoed een einde aan het bestaan der Zuidelijke staatjes zooals het hertogdom Athene, waardoor nu ook in Midden-Griekenland en Morea de Turksche heerschappij gevestigd werd (1456-1460). Slechts VenetiÎ behield enkele steden als Koron, Pylos en Nauplia. Ernstige tegenstand werd hier niet ondervonden. In AlbaniÎ kreeg Mohammed†II eerst eenigen invloed na den dood van Scander-beg in 1467. Aan de Noord-Oost grens herstelde hij de oude verhouding: Walachije betaalde sedert 1462 opnieuw schatting. Daarentegen bleven Hongarije en evenzoo MoldaviÎ nog buiten de Turksche machtsfeer. Aan de verovering van Hongarije kon onder de regeering van koning Matthias Corvinus, zoon van Hunyadi, niet gedacht worden. Matthias was de laatste krachtige vorst, die over Hongarije alleen geregeerd heeft; hij hield de Turken buiten zijn grondgebied, maar aanvallend tegen hen optreden, steun verleenen aan Grieksch-Katholieken deed hij nooit.

De beide Italiaansche zeemogendheden bleken ook niet bestand tegen de compacte Turkenmacht. Genua verloor zijne bezittingen aan de Zee van Azof en Mohammed†II dwong de Tataren in die buurt zijne suzereiniteit te erkennen. VenetiÎ werd van een krachtigen beschermer beroofd door den dood van Skander-beg, waarna het meer bloot stond aan een inval in het aan de stad zelf grenzend gebied. Toen in 1470 een Turksch leger zich aan de Oostkust van de Adriatische Zee vertoonde, sloot de lagunenstad vrede, waarbij het enkele eilanden in de AegeÔsche Zee, o.a. Lemnos en Euboea (Negropont), benevens enkele plaatsen in AlbaniÎ, o.a. CroÔa, moest afstaan; dan betaalde het een oorlogsvergoeding en voortaan een jaarlijksche schatting; dat was een dure prijs voor enkele handelsvoordeelen, die het wist te bedingen [2326]. Ook in de Ionische Zee drong de Turksche macht door: het eiland Zante werd door Mohammed bezet en aan den anderen kant der Adriatische Zee de stad Otranto (1480). Rome zelfs moest zich nu bedreigd achten. Slechts ÈÈne macht in het Oostelijk deel der Middellandsche Zee weerstond Mohammed's aanval: dat waren de ridders der orde van St. Jan, die in 1480 op schitterende wijze hun eiland Rhodus tegen de Turken verdedigden.

Zoo was ÈÈn der laatste ondernemingen van Mohammed†II een mislukking, want in het volgende jaar stierf hij. Geen sultan had den Turkschen naam zÛÛ gevreesd gemaakt als hij, die bij zijn dood ÈÈn der machtigste, zoo niet de machtigste vorst van Europa was. Op buitengewone wijze hadden de omstandigheden hem begunstigd; noch in Europa noch in AziÎ een macht, die hem ernstig in zijne plannen had kunnen dwarsboomen. Persoonlijke dapperheid alleen had Belgrado en Rhodus als twee Christelijke bolwerken in het Oosten doen blijven bestaan. In Klein-AziÎ waren de Seldsjoeksche emiraten opnieuw en nu voorgoed verdwenen, het laatst dat van KaramaniÎ, ÈÈnmaal het machtigste (1471). De Eufraat was aan zijn bovenloop een Turksche grensrivier geworden.

Weer was Bayezid†II, zoon en opvolger van Mohammed†II, van andere geaardheid dan zijn vader; ook hij deed meer aan zijn grootvader denken. Beoefening van kunst en wetenschap was zijn geliefkoosde bezigheid. Aan veroveringen maken dacht hij niet. Daarom is zijne regeering over het algemeen een tijd van rust. Alleen de vrede met VenetiÎ werd voor korten tijd verbroken en de meeste bezittingen, die deze stad op het Balkanschiereiland nog over had, gingen nu verloren. Het steunpunt voor een verdere uitbreiding in ItaliÎ, Otranto, daarentegen werd niet lang na den dood van Mohammed†II ontruimd. Viel Bayezid†II niet aan, hij behoefde evenmin af te weren, want Europa liet hem met rust. Er zijn in het einde der vijftiende eeuw nog wel steeds plannen in overweging, vooral bij de Fransche koningen, om de Turken uit Europa te verdrijven, maar de vele verwikkelingen, waarmede de meeste Westersche vorsten in eigen land en onderling, vooral in hun strijd om de heerschappij in ItaliÎ, te kampen hadden, deden die plannen altijd verschuiven. Hadden de Franschen zich kunnen vestigen in Zuid-ItaliÎ, zooals men tijdens koning Karel†VIII een tijdlang kon denken, misschien was er dan iets van gekomen. Nu liet men een schoone gelegenheid ongebruikt voorbijgaan: een gelukkig toeval had een broeder van Bayezid†II, gewoonlijk prins Djem genoemd, die in het begin van Bayezid's regeering tegen dezen in opstand gekomen was, in handen van paus Alexander†VI gespeeld; hem had men kunnen uitspelen tegen Bayezid, maar ook dit werd door de onderlinge oneenigheid verhinderd en prins Djem vond op ongelukkige wijze den dood onder voor den paus zeer bezwarende omstandigheden.

Het is begrijpelijk, dat Bayezid†II geen man naar het hart der door veel oorlog en door veel buit verwende soldaten was. Vooral de Janitsaren, steeds meer aanmatigend, toonden hunne ontevredenheid en nu wilde het ongeluk, dat Bayezid tevens in onmin raakte met zijne eigen zoons, vooral met den derden, Selim. De Janitsaren kozen onmiddellijk voor dezen partij, drongen in 1512 het paleis van den sultan binnen en dwongen hem af te treden. Zoo stelden zij een antecedent voor een bedenkelijke inmenging der militaire macht in de aangelegenheden van het Turkenrijk.

Selim†I, een buitengewoon wreed mensch, regeerde slechts acht jaar (1512-1520), maar dit korte tijdperk is zeer rijk aan aanwinsten in grondgebied, echter buiten Europa. De beide Mohammedaansche rijken, die in AziÎ aan Selim's rijk grensden, hadden het meest van hem te lijden. PerziÎ, na Timoer weer zelfstandig, eerst onder Turcomansche dynastieÎn, sedert het begin der zestiende eeuw onder een nieuwe dynastie, afstammende van een Sheikh-familie, die behoorde tot de orde der «oufi en daarom meest de «oufi-dynastie genoemd, raakte met Selim in oorlog wegens grensmoeilijkheden en wegens steun, door den shah IsmaÎl aan Turksche opstandelingen bewezen. Het was tevens een godsdienstoorlog, want de Perzen waren sjiÔtische Muzelmannen, de Turken Soenitische. PerziÎ werd niet geheel onderworpen, maar verloor in het Noord-Westen AzerbaÔdjan en in het Westen een deel van MesopotamiÎ met o.a. de stad Mosoel. In denzelfden tijd onderwierp Selim ook het onafhankelijke GeorgiÎ en Koerdistan, waardoor de Kaukasus de Noordgrens van zijn rijk werd. Het zal in het vervolg van dit korte overzicht onmogelijk zijn telkens terug te komen op de veelvuldige oorlogen van PerziÎ en Turkije. Het moet genoeg zijn er de aandacht op te vestigen, dat de grens in het Noord-Westen op den duur bleef, zooals zij vÛÛr Selim was, d.w.z. AzerbaÔdjan kwam aan PerziÎ terug, terwijl GeorgiÎ en Koerdistan altijd heel losjes met het Turksche rijk verbonden bleven, evenals b.v. AlbaniÎ in de zestiende eeuw nog was. Alleen MesopotamiÎ bleef Turksch. SuleÔman, Selim's opvolger, nam daar nog Bagdad, dat alleen in het begin der zeventiende eeuw bij een krachtige herleving van PerziÎ onder shah Abbas den Grooten voor een korten tijd weÍr in Perzische handen geweest is.

Het andere Mohammedaansche grensrijk was Egypte, waarmede SyriÎ vereenigd was; hier heerschten sedert het einde der dertiende eeuw de Mamelukken [2327], vroeger in dienst genomen door Egyptische sultans, maar die dezen op den duur overvleugeld hadden. Ook de oorlog met dit land kwam voort uit grensmoeilijkheden. Zonder veel moeite veroverde Selim SyriÎ, maar in Egypte bood sultan Touman-BaÔ een heftigen tegenstand (1517), die niet dan met groote moeite overwonnen werd. En nu gebeurde er in Cairo iets zeer opmerkelijks: daar leefde nog verborgen, in armoede, een man, die den naam van kalief droeg en die heette af te stammen van de Abassiden; van hem kocht Selim de waardigheid van kalief en daarbij den standaard en den mantel van Mohammed, symbolen van het kalifaat. Nu konden Selim en zijne opvolgers, die van khan (vorst van een stam in AziÎ) tot emir (een tot den Islam bekeerde vorst, hoofd der geloovigen), sultan (koning), padishah (koning der koningen, keizer) geklommen waren, zich nu ook als opvolgers van Mohammed beschouwen en zich een soort geestelijke oppermacht over alle Mohammedanen aanmatigen. De kaliefwaardigheid bracht natuurlijk aanspraken mede op ArabiÎ, in de eerste plaats op Mekka en Medina, waarover Selim†I dan ook reeds zijne heerschappij uitgebreid heeft. De Arabische kustplaatsen, als b.v. Aden en Mascate, werden pas door SuleÔman onderworpen; Yemen eerst na SuleÔman, onder diens opvolger Selim†II. Daarmede was de uiterste grens van de macht der Turken in AziÎ bereikt. Afgezien van de kleine veroveringen van SuleÔman en Selim†II, heeft dus Selim†I in AziÎ en Afrika ongeveer alles veroverd, wat in vroegere dagen tot het Oost-Romeinsche rijk van Justinianus behoord had; alleen de Noord-kust van Afrika ontbrak er nog aan.

In Europa hadden de veroveringen na Mohammed†II zoo goed als stilgestaan. Maar nu kwam na Selim†I alweÍr een sultan van groote kracht, SuleÔman I, dien zijne onderdanen den Wetgever hebben genoemd en de Westerlingen den Prachtlievende. SuleÔman is een krijgs- en staatsman van buitengewone bekwaamheden, nog hooger ontwikkeld op dit gebied dan velen zijner voorgangers waren; wreedheid heeft hij niet getoond, op enkele uitzonderingen na. Dat ze in hem was, heeft hij bewezen, toen hij zijn zeer begaafden zoon Moestafa liet worgen (1553), om te voldoen aan een wensch van zijn lievelingsvrouw Roxelane, en toen hij, om diezelfde vrouw te plezieren, zijn grootvizier Ibrahim, die eerst veel invloed had, uit den weg liet ruimen (1536). Die invloed van Roxelane, misschien een Russische, toont, dat er onder SuleÔman een verandering intreedt, die op den duur zeer slechte gevolgen gehad heeft: de harem van den sultan blijft niet meer buiten het politieke leven.

Voor het uitwendige is SuleÔman's lange regeering (1520-1566) de schitterendste onder die van alle Turksche sultans, vooral om den invloed, dien hij uitoefende tot in West-Europeesche aangelegenheden toe. De verhouding van de Turken tot Europa wordt onder hem van anderen aard. Er is geen sprake meer van hunne uitdrijving uit Europa. Terwijl alle krachten van de aangrenzende landen noodig en nog niet eens voldoende zijn om verdere uitbreiding van het Turksche rijk te voorkomen, verandert ÈÈn der Europeesche staten geheel van politiek ten opzichte van Turkije: Frankrijk, nog pas dreigende om als bestrijder op te treden, gaat met den sultan verbindingen aanknoopen. Dit was een gevolg van den grooten strijd tusschen de beide in de eerste helft der zestiende eeuw in West-Europa bestaande en elkander bekampende grootmachten: Karel†V, regeerende over Spanje, groote stukken van ItaliÎ, de Oostenrijksche erflanden, de Nederlandsche gewesten, tevens keizer van Duitschland, en Frans †I, koning van Frankrijk, beiden strevende naar de opperheerschappij in Europa. Karel†V beschikte over de grootste hulpbronnen, overtrof Frans in bekwaamheid. Het einde van den strijd was niet twijfelachtig en begrijpelijk de reden, waarom Frans de derde grootmacht in Europa voor zich trachtte te winnen.

SuleÔman begon zijne vele ondernemingen met de beide plaatsen, waarvoor Mohamed†II het hoofd gestooten had. Belgrado werd reeds in 1521 genomen. Hongarije, na den dood van Matthias Corvinus door binnenlandsche twisten verscheurd, kon dit niet verhinderen. Een jaar later viel Rhodus. De expeditie tegen dit eiland, in den laatsten regeeringstijd van Selim†I met groote zorg voorbereid, kostte meer inspanning. Het beleg van de ridders, die in hun sterke vesting zich heldhaftig verdedigden, duurde ruim een half jaar. Op voorwaarde van vrijen aftocht gaven de grootmeester en de zijnen zich in December 1522 over. Een paar jaar later kregen zij Malta van Karel†V en vormden daar een nieuw bolwerk tegen Turksche uitbreiding naar het Westen.

Deze beide veroveringen waren slechts voorpostengevechten. Een grootsche onderneming kwam in 1526 [2328]: een inval in Hongarije. Het was het jaar na den slag van Pavia, waar Frans†I door Karel†V een geduchte nederlaag was toegebracht; de Fransche koning was gevangen genomen en te Madrid tot een zeer nadeeligen vrede gedwongen. Haast onnoodig is het te zeggen, dat hij dien vrede onmiddellijk na zijne invrijheidstelling verbrak. Op zijn aansporen nu, heet het, heeft SuleÔman den oorlog tegen het huis Habsburg aangebonden. Maar zou die oorlog anders zijn uitgebleven? Nu Belgrado ingenomen was, lokte de vruchtbare Hongaarsche laagvlakte als van zelf tot verovering uit, en te meer moest SuleÔman de verovering wenschen, omdat de macht van de Habsburgers dreigde zich ook hier te vestigen.

In Hongarije regeerde de jonge koning Lodewijk†II. Zijn vader, een zoon van een Poolsch koning uit het geslacht der Jagellonen, was na Corvinus' dood tot koning van Hongarije gekozen, en regeerde eveneens over Bohemen, MoraviÎ en Silezie. De slimme politiek van keizer Maximilaan†I, grootvader van Karel†V, had dezen tak der Jagellonen-dynastie op dubbele wijze aan de Habsburgers vermaagschapt: Lodewijk†II was gehuwd met Maximiliaan's kleindochter, Lodewijk's zuster met Maximiliaan's tweeden kleinzoon Ferdinand, den lateren keizer. Habsburgsche invloed was dus in Hongarije zoo goed als gewaarborgd.

Hiertegen nu trad SuleÔman op, hetzij dan geheel uit eigen beweging, hetzij op vreemde aansporing. Het Hongaarsche leger bleek volstrekt niet tegen hem opgewassen. Peterwardein was de eerste belangrijke verovering der Turken op Hongaarsch grondgebied. De beslissende slag had plaats bij Mohacz, waar Lodewijk†II sneuvelde en de Hongaren totaal verslagen werden. Nadat de "Hongaarsche natie" hier haar "graf" gevonden had, viel de hoofdstad van het rijk, Boeda, zonder slag of stoot in handen der Turken en spoedig daarna ook het aan de overzijde van den Donau gelegen Pest. Inwendige verdeeldheid onder de moeilijk te beheerschen Magyaarsche magnaten had de verovering gemakkelijk gemaakt--en vergemakkelijkte eveneens de verdere beheersching van het land. Twee pretendenten dongen naar de kroon, beiden vonden aanhang: Johan Zapolya, voÔvode van Zevenburgen, werd door de bevolking als koning erkend in Zevenburgen en Oostelijk Hongarije; Ferdinand, de Habsburger, door den rijksdag, vergaderd te Presburg, de hoofdstad van dat deel van Hongarije, dat nu Oostenrijksch werd. Beide partijen trachtten door SuleÔman erkend te worden: Zapolya won het; hij werd vorst onder Turksche suzereiniteit.

De gezanten van Ferdinand kregen van SuleÔman tot antwoord, dat hun meester zich op zijn bezoek moest voorbereiden. Inderdaad zette de sultan den oorlog voort en in 1529 rukte hij op tot voor Weenen. Zouden de Turken zich vestigen in Midden-Europa? Terwijl Weenen deerlijk in het nauw raakte, verbreidde zich in de Westelijke wereld een groote onrust. EÈn oogenblik kon men onderlinge vijandschap vergeten: Luther spoorde zijne geloofsgenooten aan nu de Katholieken te hulp te snellen; Frans†I, stellig ook onder invloed van den Turkschen intocht in Oostenrijk, sloot te Kamerijk vrede met Karel†V en verbrak dus zijne verbindingen met SuleÔman. Deze vond voor de poorten van Weenen een hardnekkigen tegenstand: alle beschietingen waren vruchteloos, alle bestormingen werden afgeslagen door een klein garnizoen onder den graaf van Salm, dapper gesteund door de burgers Toen de winter begon te naderen, toen de Janitsaren ongeduldig begonnen te worden, besloot SuleÔman het beleg op te breken (Oct. 1529); misschien is ook het vooruitzicht geheel West-Europa tegenover zich te zullen zien van invloed op dit besluit geweest. De oorlog werd nog gedurende vier jaar voortgezet zonder belangrijke krijgsverrichtingen. Op een tweeden tocht in Hongarije (1532) werden weinig resultaten behaald. In 1533 sloten Ferdinand en SuleÔman voor het eerst een verdrag. Ferdinand behield het Westelijk deel van Hongarije, maar moest een jaarlijksche schatting betalen aan Turkije. Karel†V, steeds volop beziggehouden in het Westen, legde zich hierbij neer.

Lang duurde echter de rust niet. De Turken trachtten in dezen tijd ook hunne macht te vestigen aan de Noordkust van Afrika, daardoor het Westelijk bekken van de Middellandsche zee aanhoudend bedreigende. Dit was vooral het werk van Chair-ed-Din, Barbarossa bijgenaamd. Hij behoorde tot een familie van zeeroovers, in dien tijd een welig tierend ras. Zijn broeder had Algiers veroverd en dit was na diens dood door Barbarossa zelf onder de souvereiniteit van den sultan geplaatst. Chair-ed-Din werd weldra opperbevelhebber der Turksche vloot en hij veroverde in 1534 Tunis. Hiertegen nu ondernam Karel†V zijn eersten tocht naar de Noordkust van Afrika; Tunis werd door hem heroverd (1535). Daardoor werd de oorlog algemeen. Frans†I sloot een offensieve en defensieve alliantie met SuleÔman, die toen te Bagdad was, gewikkeld in een oorlog tegen PerziÎ. Deze alliantie is ook van beteekenis wegens de aan Frankrijk verleende voorrechten in het Turksche rijk; overal zouden de Franschen tegen een minimum invoerrecht handel mogen drijven; bovendien kregen zij de bescherming van de heilige plaatsen in Palestina. Dit zijn de zoogenoemde capitulatiÎn, dikwijls hernieuwd en op den duur een bron van moeilijkheden.

De oorlog, die in 1536 opnieuw begon, werd vooral ter zee gevoerd. Reeds sedert de dagen van Mohammed†II hadden de Turken een vloot bezeten, waarmede achtereenvolgens verschillende eilanden in de AegeÔsche Zee genomen waren. Nu, onder Chair-ed-Din, werd die vloot geducht, werd ze meer dan bestand tegen de Venetiaansche, zelfs met een admiraal als Andreas Doria aan het hoofd. VenetiÎ was verbonden met Karel†V en het is vooral deze stad geweest, die verloor. Toen het in 1539 onder bemiddeling van Frankrijk vrede sloot met SuleÔman, moest het weÍr eenige plaatsen aan de Adriatische Zee en al de bezittingen, die het nog had in den Peloponesus en in de AegeÔsche Zee, op een paar na, afstaan. Frans†I zelf had reeds eerder den oorlog gestaakt en den wapenstilstand van Nizza gesloten (1538): hij behandelde dus zijn bondgenoot niet al te nauwgezet. Deze toonde er niet den minsten wrok over. Toen in 1541 de wapenstilstand verbroken werd, kwam het tusschen de bondgenooten tot directe samenwerking. Een Fransch en een Turksch eskader vereenigden zich om verschillende steden van Savoye te veroveren, waarvan de hertog met Karel†V verbonden was: onder meer hebben zij de stad Nizza in bezit genomen. Voor noodige herstellingen werden haven en stad van Toulon door den Franschen koning ter beschikking van de Turksche vloot gesteld.

Ondertusschen oorloogde men ook opnieuw in Hongarije. Zapolya was in 1539 gestorven. Zijne verhouding tot Ferdinand van Oostenrijk was goed geweest; Zapolya had aan Ferdinand de opvolging in zijn deel van Hongarije toegezegd. Daarvan was echter SuleÔman niet gediend. In 1541 ondernam hij opnieuw een tocht naar Hongarije en nu bezette hij Boeda en Pest voor zichzelf: hij maakte er Turksche steden van en een groot deel van Hongarije werd een Turksche provincie. Zevenburgen en een klein deel van Hongarije, het banaat van Temesvar, kwamen aan Zapolya's zoon Sigismund, toen nog minderjarig. Van het deel, dat Ferdinand had, werden enkele steden veroverd: Gran en Stuhlweissenburg (1543), Visegrad (1544). De algemeene oorlog eindigde in dit laatste jaar, zonder dat ergens groote resultaten waren behaald. Frans†I, die behalve Turkije nog verschillende andere Europeesche machten tegen Karel†V in beweging gebracht had, moest opnieuw het onderspit delven bij den vrede van CrÈpy. Drie jaar later sloot SuleÔman een nieuw verdrag met het huis Habsburg, in hoofdzaak een bevestiging van het vroegere. Bovendien was nu ook MoldaviÎ schatplichtig aan Turkije geworden (sedert 1546) [2329].

In de oorlogen van Karel†V en diens opvolger Philips†II met Hendrik†II, den opvolger van Frans†I, die steeds om dezelfde reden voortgezet werden, is SuleÔman weÍr de bondgenoot van den Franschen koning. Maar groote veroveringen heeft hij niet meer kunnen maken. Tegen de wereldmacht der Habsburgers, die onder Karel †V steeds versterkt was, kon hij op den duur niet op. Het kostte moeite het veroverde te behouden, want de Hongaren verdroegen niet dan zeer onwillig het Turksche gezag. Zevenburgen zelfs kwam ten gunste van Ferdinand in opstand. Die beweging werd bedwongen, het Turksche gezag overal in Hongarije hersteld, maar daarbij bleef het. Evenmin werkte het gezamenlijk optreden van de Turksche en Fransche vloten veel meer uit. Alleen nam de Turksche vloot onder Dragut, den broeder en opvolger van Chair-ed-Din, in 1551 Tripoli [2330]. Nadat Hendrik†II buiten Turkije om den wapenstilstand van Vaucelles sloot (1556), toonde SuleÔman voor het eerst zijn ongenoegen aan Frankrijk. Beider samenwerking was minder hartelijk, toen Hendrik†II weldra den oorlog tegen Philips†II hervatte, die in 1559 met den vrede van C‚teau-CambrÈsis eindigde. Daarmede werd de goede verstandhouding tusschen den "zeer Christelijken" koning en het hoofd der Mohammedaansche wereld afgebroken. Frankrijk ging een halve eeuw van godsdienstoorlogen tegemoet; de strijd in het groot tegen het huis Habsburg rustte in dien tijd. Echter bleven de Franschen in het bezit hunner capitulatiÎn, waarmede ze een bevoorrechte plaats in den Oosterschen handel innamen tot in de zeventiende eeuw toe. Die handel was echter (het is misschien niet overbodig dit op te merken) niet meer van zulk een beteekenis voor de geheele wereld als vÛÛr de ontdekking van den zeeweg naar IndiÎ in het einde der vijftiende eeuw.

SuleÔman zette na 1559 den oorlog voort, maar noch in Hongarije noch in de Middellandsche Zee met het vroegere animo. Met Ferdinand†I, nu keizer, sloot hij in 1562 voor de derde maal een overeenkomst op de oude voorwaarden. Met Karel V als koning van Spanje had SuleÔman nooit vrede gesloten. Evenmin deed hij dit met Philips†II, die evenals zijn vader gold als de verdediger bij uitstek van het Katholicisme, de onverzoenlijke tegenstander van den Islam. De meest bekende gebeurtenis uit het laatste deel van dien oorlog is het beleg van Malta (1565), dat SuleÔman aan de orde van St. Jan, gesteund door Spanje, wilde ontnemen. De poging mislukte en evenzoo was SuleÔman's laatste expeditie in Hongarije vruchteloos. De vrede hier was reeds na vier jaar om aanhoudende grensmoeilijkheden verbroken. SuleÔman viel opnieuw in Hongarije, sloeg het beleg voor Sziget, dat dapper verdedigd werd door Zriny, bij wien Hongaarsch patriottisme den noodigen invloed oefende. Tijdens het beleg stierf SuleÔman, een en zeventig jaar oud (1566).

Onder hem heeft het Turksche rijk het toppunt van zijne macht bereikt. Enkele kleinere veroveringen, die later genoemd zullen worden, zijn daarna nog gemaakt, maar vergeleken bij de vroegere komen ze haast niet in aanmerking. Vanwaar die stilstand, hier gelijkstaande met achteruitgang? Niet om de meerdere kracht der andere Europeesche staten alleen, want, ofschoon die werkelijk op den duur zich deed gelden, was er toch bij de vele onderlinge oorlogen, vooral in de zeventiende eeuw, gelegenheid genoeg geweest daarvan gebruik te maken. De achteruitgang hangt nauw samen met inwendige veranderingen in het Turksche rijk zelf en is daarom eerst voor den buitenstaander onzichtbaar. Die veranderingen dienen we in de eerste plaats kort na te gaan.

III. De Achteruitgang der Turksche macht in Europa.

In het Turksche rijk is de padishah alleenheerscher, gebonden alleen aan het gezag van den koran en andere godsdienstige wetboeken. De Osmanen en andere Muzelmannen hebben in het geheel geen aandeel in de regeering. De padishah wordt daarin bijgestaan door verschillende ambtenaren, die hij vroeger meestal nam uit zijne slaven, buitgemaakte Christenen, evenals de Janitsaren in den Islam opgevoed. Zoo deed zich het merkwaardige verschijnsel voor, dat het Turksche rijk zijne voornaamste steunpilaren vond buiten de eigenlijke natie om. Nimmer werd onder SuleÔman het eerste ambt, dat van grootvizier, bekleed door ÈÈn der Osmanen; de meest bekende, Ibrahim, wiens einde reeds vermeld is, was een Albanees. Zoo was het ook met de andere ambten, als die van aga (troepenaanvoerder), oulema (wetsuitlegger), beg (hoofd van een sandjak, een provincie van het rijk), reÔs-effendi (minister van buitenlandsche zaken, ondergeschikt evenals de drie andere vizieren aan den groot-vizier), mufti of cheikh-ul-islam (opperste wetsuitlegger) en verschillende andere. Slaaf te zijn van den Turkschen sultan was dus zoo onvoordeelig niet; voor een avontuurlijken geest was er iets aanlokkelijks in. "Velen," zegt Ranke, "verlieten met opzet hun vaderland om onder deze slaven hun geluk te beproeven." Voor de Osmanen zelf kan deze bevoorrechting van menschen, die door hen eenmaal overwonnen geworden waren, niet anders dan een harde pil om te slikken zijn geweest; dat we van verzet van hunne zijde niets bemerken, moet een gevolg zijn van het groote gezag der achtereenvolgende sultans. Wel duurde het niet lang, of de Turksche onderdanen zelf gingen pogingen doen om onder de bevoorrechten, b.v. in het corps der Janitsaren, te worden opgenomen. Onderling stonden de Osmanen op staatkundig gebied volkomen gelijk; bij hen geen geprivilegieerde standen: voor allen dezelfde verplichtingen, dezelfde rechten.

Anders was het voor de Christenen in het Turksche rijk gesteld. Vervolging om hun geloof hadden zij niet te duchten, maar toch waren ze de minderen: behalve de belastingen, die alle inwoners van het rijk betaalden, moesten zij een afzonderlijk hoofdgeld opbrengen en ten allen tijde was het voor hen een moeilijk ding om tegenover een geloovige in Allah recht te krijgen. Dit en de jaarlijks voorkomende kinderenroof plus het gevoel van verloren vrijheid maakten hunne positie weinig benijdenswaardig, maar, laten we bij de beoordeeling daarvan niet vergeten, dat de anarchie, die het Grieksche rijk gedurende zoo langen tijd gekenmerkt had, den Griekschen Christenen reeds heel wat had leeren doorstaan. Dit mag ÈÈn van de redenen zijn, waarom we van Christen-opstanden voorloopig niet hooren; een andere was, dat de knapenschatting vele der beste krachten uit het Christenvolk wegnam, en een derde, de voornaamste, dat de Turksche heerschappij tot in het midden der zestiende eeuw zeer krachtig was en gemakkelijk alle opstanden zou hebben kunnen bedwingen. Het behoeft geen verwondering te wekken, dat er vele Grieksche Christenen van godsdienst veranderden: de rol van vervolgde te spelen, al was het martelaarschap hier niet al te zwaar, is voor velen ondraaglijk. In den eersten tijd na de verovering had de bekeering tot den Islam niet dan op bescheiden schaal plaats: het waren toen vooral grootgrondbezitters, die, meer blootgesteld dan andere minder bedeelden aan hebzucht der overwinnaars en daarom bevreesd voor het verlies hunner goederen, veiligheid zochten door Allah te gaan aanroepen. Later, toen het patriarchaat in verval geraakte en vaste leiding in de Grieksche kerk ontbrak, kreeg de Islam veel meer bekeerlingen; vooral in de zeventiende eeuw is dit het geval geweest, toen heele volksstammen als de Albaneezen, de Slavische Pomaken in den Rhodopus en ook velen in ServiÎ, in Griekenland en zelfs op de eilanden, bepaaldelijk op Euboea en Creta, de Grieksche kerk den rug toekeerden. Wat er toen van de oude bevolking van het Balkan-schiereiland over bleef, was niet veel: boeren op het platteland, zoowel in het eigenlijke Griekenland als in de Slavische landen, die over het algemeen een zeer sober bestaan leidden: kooplieden, vooral op de eilanden, wier toestand beter was, die soms kans hadden heel rijk te worden, nu ze ter zee als onderdanen van den padishah beter beschermd werden dan vroeger als onderdanen van den keizer; eindelijk de Phanarioten te Constantinopel, wonende in de wijk Phanar, oude aanzienlijke families, uit wier midden de drogman en in lateren tijd ook de bestuurders van de Donauvorstendommen genomen werden.

In een staat als dien der Turken, waarin het ÈÈne deel der onderdanen beneden het andere staat, terwijl beide deelen beheerscht worden door den vorst met zijne omgeving, die weÍr uit het eerste deel is samengesteld, komt bijzonder veel aan op de persoonlijkheid van den oppersten leider. Tot SuleÔman was deze op een enkele uitzondering na voortreffelijk geschikt geweest om die leiding te geven: krachtig om zijn aanzien hoog te houden, oorlogszuchtig om de soldateska werk te verschaffen. Na SuleÔman's dood werd dit anders. De zoon van Roxelane, die nu sultan werd, Selim†II, was volkomen ongeschikt om te regeeren en hetzelfde oordeel moet uitgesproken worden over de meeste der volgende sultans. Het was, alsof het noodlot Osman's stam met de vermoording van den eerstgeborene van SuleÔman (zie hiervÛÛr, blz. 685) niet geveld, maar toch ontworteld had; het laatste was voor het Turksche rijk misschien erger dan het eerste geweest zou zijn. Hadden SuleÔman en zijne voorgangers zelf de regeering gevoerd, zelf het leger aangevoerd, met de meeste latere sultans was dit niet meer het geval: zij werden opgevoed in den harem, te midden van vrouwen en eunuchen, en brachten bijna hun geheele leven in het paleis door, zonder voor hunne waardigheid op eenigszins voldoende wijze te worden voorbereid; de gewoonte, dat sultanszoons vÛÛr de regeeringsaanvaarding een provincie bestuurden om te leeren regeeren, stierf uit.

Onder die omstandigheden moest de invloed van de omgeving van den sultan groot worden. Wat we het eerst duidelijk zien bij Roxelane's macht over SuleÔman in enkele gevallen, wordt nu voor de geheele regeering regel. Deze heerschappij van gunstelingen, hetzij van een lievelingsvrouw, hetzij van de ÈÈn of andere cÙterie, die het recht verstonden op hun manier, die veeleischend waren voor zich en hunne vrienden en alleen om eigen belangen zich bekommerden, was, evenals overal waar ze voorkomt, ook voor het Turksche rijk hoogst verderfelijk. Het zijn Turksche schrijvers zelf, die van de zeventiende eeuw af daarop gewezen hebben. Om aller begeerten te voldoen was geld, steeds meer geld noodig en de druk op de onderdanen, in de eerste plaats op de Christelijke, begon daardoor zeer zwaar te worden. Met geld deed men in den harem alles; de beste ambten waren voor de meestbiedenden; op geschiktheid, op verdiensten werd minder gelet. Slechts een enkelen keer werd de invloed van de omgeving van den sultan na SuleÔman onderbroken; dat was, wanneer min of meer toevallig een krachtig grootvizier optrad, die den sultan wist te beheerschen en den harem zijn staatkundig karakter te ontnemen. We zullen daarvan in het vervolg enkele voorbeelden zien, maar het blijft uitzondering.

Raakt de hoogste macht in het rijk in verval, hetzelfde gebeurt met de militaire macht. De Janitsaren, reeds lang een moeilijk te regeeren corps met al te veel voorrechten, begonnen in de zestiende eeuw van aard te veranderen. De ongehuwde staat, waarin zij in den eersten tijd verkeerd hadden, was reeds onder SuleÔman afgeschaft; later, waarschijnlijk bij de troonsbestijging van Selim †II, hebben zij gedaan weten te krijgen, dat hunne zoons in hunne gelederen konden worden opgenomen. Daarnaast kregen niet lang daarna Osmanen zelf toegang tot het corps, waarvan de groote voorrechten aanlokten, zonder dat zij de opvoeding van de vroegere Janitsaren ontvingen. Deze verandering had ten gevolge, dat de knapenschatting onder de Christenen in de eerste helft der zeventiende eeuw ophield, maar ook, dat het bij uitstek krijgshaftig karakter van het corps op den duur verloren ging. De Janitsaren zaten liever thuis, genietende van hunne hooge soldij en andere voorrechten, dan dat ze ten strijde togen. Evenzoo waren de leensoldaten van aard veranderd; de meeste leenen, timarli geheeten, werden vergeven aan gunstelingen en niet meer aan krijgslieden van beroep. Het ruitercorps der sipahi, dat uit dergelijke leensoldaten bestond, moest dus voortaan bezoldigd worden evenals de Janitsaren. Ook hunne vechthoedanigheden werden spoedig minder; vooral hunne paarden, ÈÈnmaal de groote roem van het Turksche leger, namen in voortreffelijkheid sterk af.

In den oorlog, het zou spoedig blijken, kon men op een dergelijk leger niet meer zoo vertrouwen als vroeger. Daarentegen deed het zich meer gelden in binnenlandsche aangelegenheden, wat mogelijk was, nu het opperste gezag doorgaans zoo weinig kracht bezat. Wanneer een sultan niet regeerde naar de wenschen zijner militairen, wanneer hij dier belangen op de ÈÈn of andere wijze schond, dan kwamen zij meermalen in verzet en daarmede begonnen de in het Turksche rijk evenals in alle militaire despotische staten zoo dikwijls voorkomende paleisrevolutiÎn, waarvan we het eerste voorbeeld reeds gezien hebben ten tijde van Bayezid†II.

De inwendige veranderingen in de opperste laag van den Turkschen staat hadden natuurlijk gevolgen in de andere lagen. Het duidelijkst is dit zichtbaar in de onderste, die der Christenen. Met het ophouden der knapenschatting moest de Christelijke bevolking sterker worden; het merg werd niet meer uit den boom gehaald. Weldra kwamen teekenen van verzet tegen den steeds zwaarderen druk der Turken; al begon nog lang geen volksopstand, in de Slavische landen zwierven de heiduken, in de Grieksche de klephten rond, allen verarmde boeren, die als roovers en dieven in hun onderhoud voorzagen, en de streken, waar ze woonden, onveilig maakten, terwijl de Turken niet bij machte waren daartegen met groote kracht op te treden.

Weinig merkt men ook nu van de eigenlijke Osmanen, behalve voorzoover zij zich in het leger doen gelden. Maar moet ook de kracht van dit volk niet bijster verminderd zijn? Waar waren die mannen, met wie de eerste sultans hunne wonderen verricht hadden? Zouden zij de regeering van een Selim†II en zijne opvolgers geduld hebben? Het valt moeilijk te gelooven.

Naar buiten blijft het Turksche rijk ook na SuleÔman nog langen tijd geducht schijnen. Van uitwendigen achteruitgang was in de eerstvolgende eeuw nog geen sprake; dit kwam ongetwijfeld vooral daarvandaan, dat geen der Europeesche mogendheden van het midden der zestiende tot het midden der volgende eeuw sterk genoeg was of niet al te zeer door andere aangelegenheden beziggehouden werd om tegen de Turken op te treden. Noch Rusland noch Oostenrijk, die er het eerst voor in aanmerking zouden komen, waren daartoe in staat; Spanje, dat zoo lang aan de spits gestaan had in den strijd tegen den Islam, had elders de handen vol werk. Bovendien gaven de Turken zelf niet zooveel reden tot vrees meer, nu hunne groote veroveringsoorlogen uit waren en daarom bestond er ook geene dringende noodzakelijkheid om hen te bestrijden. Godsdienstige motieven werkten daartoe sedert lang niet meer in voldoende mate. Zoo werden de Turken voorloopig niet verontrust en juist daardoor moeten de boven beschreven veranderingen des te gemakkelijker haar beslag gekregen hebben; was er een prikkel geweest tot verbetering door een bedreiging van buiten, misschien zou de inwendige achteruitgang niet zÛÛver gegaan zijn, als nu in de op SuleÔman volgende eeuw het geval geweest is.

Selim†II, de eerste der "rois fainÈants", heeft slechts acht jaar geregeerd. Onder hem worden nog een paar veroveringen gemaakt, die het werk waren van de dienaren uit de dagen van zijn vader, vooral van den groot-vizier Mehemet Sokoli, die het opperste gezag wist te handhaven, totdat hij onder Selim's opvolger Moerad†III vermoord werd. Yemen werd onderworpen, zooals reeds is opgemerkt (hiervÛÛr blz. 685) en een oorlog werd gevoerd tegen VenetiÎ. Die republiek was in voortdurende wrijving met de Porte [2331]; overal grensden de bezittingen aan elkander, telkens kwamen moeilijkheden over rooverijen voor. Vooral de eilanden Cyprus en Creta waren voor de Turken een begeerenswaardig bezit tot afronding van hun gebied in de Middellandsche Zee. Om die eilanden begon dan eigenlijk ook de oorlog, waartoe een nietig voorwendsel spoedig gevonden was. In 1571 werd Cyprus veroverd, maar daarna kwam er hulp voor VenetiÎ. Paus Pius†V, de ridders van St. Jan, verschillende kleinere Italiaansche staten en bovenal Philips†II zonden versterkingen. Daardoor kwam een groote vloot bijeen onder leiding van don Juan van Oostenrijk, een onechten zoon van Karel†V. Zij ontmoette de Turksche in de golf van Patras, niet ver van Lepanto af, en behaalde daar de overwinning. De Turksche heerschappij ter zee werd voor een tijdlang gebroken en aan een aanval op Creta konden de Turken voorloopig niet meer denken. Echter hadden ook de "kruisvaarders" zooveel geleden, dat zij van hunne overwinnning geen gebruik konden maken, en Philips†II, de voornaamste der bondgenooten, kreeg nu juist in de Nederlandsche gewesten meer dan genoeg te doen; hij heeft verder tegen Turkije geen oorlog gevoerd en in 1580 is voor het eerst tusschen Spanje en de Porte een sedert meermalen opnieuw bevestigde wapenstilstand gesloten. Reeds zeven jaar vroeger had VenetiÎ onder bemiddeling van Frankrijk vrede gesloten, Cyprus aan Turkije afstaande en opnieuw veel geld betalende (1573).

Voor geruimen tijd was dit de laatste, eenigszins fortuinlijke oorlog, dien Turkije voerde. In het laatste decennium der zestiende eeuw werd de vrede, door Selim†II in 1569 met Oostenrijk gesloten, voor het eerst weÍr verbroken. Dit was een gevolg van grensmoeilijkheden; geen van beide partijen bedoelde groote veroveringen te maken. Toch werd de toestand voor de Turken een oogenblik bedenkelijk. Zevenburgen, toen geregeerd door Sigismund Bathory, zoon van Stephanus, die na het uitsterven van het geslacht Zapolya de waardigheid van voÔvode gekregen had, verbond zich met Oostenrijk: Sigismund beloofde de survivance aan den toenmaligen keizer Rudolf†II. Gevaarlijker nog was de toestand in Walachije, waar Michiel de Dappere, de door de Porte benoemde vorst, een opstand verwekte en, gebruik makende van den oorlog, Walachije geheel vrij maakte; ook hij verbond zich met Rudolf†II, maar hij was een lastig bondgenoot, want, dapper krijgsman en veelbeteekenend staatsman, beoogde hij de vereeniging van alle Roemenen in ÈÈn rijk; daartoe diende de verovering van Zevenburgen en MoldaviÎ, in naam alleen ondernomen om ze aan de Turksche heerschappij te onttrekken. Zijn vroege dood in 1601 heeft zijne plannen niet tot uitvoering doen komen; anders zou de geschiedenis van Zuid-Oost-Europa wellicht een geheel ander beloop hebben gehad.

De Turken dan verloren voor een oogenblik hun macht in Zevenburgen en in de Donauvorstendommen; daarenboven hield hun leger in Hongarije zich niet dan met de uiterste inspanning staande tegenover de keizerlijken. Onder die omstandigheden besloot de sultan zelf te velde te gaan. Het was Mohammed†III, zoon en opvolger van Moerad †III, die in 1574 zijn vader Selim†II opgevolgd was. Mohammed †III toonde eenige meerdere kracht dan zijne beide voorgangers; zijne tegenwoordigheid werkte gunstig op het leger, zoodat hij in 1596 een belangrijke overwinning op de keizerlijken behaalde bij Keresztes (Kotaj) bij de Theiss. Voordeelen daarvan kon hij niet plukken. In de volgende jaren duurde de strijd voort, zonder dat ÈÈn van beide partijen beslissende stappen kon doen. Uitgevochten sloten zij in 1606 den vrede van Sitvatorok (bij Komorn). Turkije kreeg een oorlogsschatting in eens, maar moest afstand doen van de jaarlijksche schatting, die Oostenrijk toen bijna een eeuw betaald had; het moest Stephanus Bockskay, opvolger van Sigismund Bathory, die zich onder de suzereiniteit van Oostenrijk geplaatst had en veel had bijgedragen tot de overwinning der keizerlijken, als voÔvode van Zevenburgen erkennen, dat dus van dezen tijd af aan den Turkschen invloed begint te ontsnappen. In MoldaviÎ en Walachije werd de oude toestand hersteld. Verloor dus de Porte nog geen grondgebied bij dezen vrede, zij raakte ongetwijfeld iets van haar prestige kwijt; zij had het duidelijke bewijs geleverd niet bij machte te zijn zich verder Noord-Westwaarts uit te breiden. Oostenrijk bleek genoeg krachten te hebben, om Turkije voortaan tegen te houden.

Wogen deze beide landen tegen elkander op in het begin der zeventiende eeuw, ook in het Noorden zagen de Turken geen kans tot uitbreiding meer. Daar woonden de Kozakken, in naam onderworpen aan den koning van Polen, tevens groothertog van Lithauen, maar aan dezen evenmin gehoorzaam als de in naam aan Turkije onderworpen Tataren van de Krim. Kozakken en Tataren en hunne plundertochten waren een voortdurende steen des aanstoots voor Polen en de Porte. Herhaaldelijk kwam het daardoor in de zeventiende eeuw tot een uitbarsting, maar op den duur bleef de toestand aan de grens geheel dezelfde.

Er is in de uitwendige geschiedenis van Turkije in de eerste helft der zeventiende eeuw verder niets, dat in bijzondere mate de aandacht trekt. In de inwendige zien we steeds duidelijker de bovenbeschreven veranderingen aan den dag treden. De zoon van Mohammed†III, Ahmed†I (1604-1617), onder wien de vrede van Sitvatorok gesloten was, is bekend, omdat hij zijn broeder Moestafa, die trouwens idioot was, niet liet vermoorden bij zijne troonsbestijging; van dien tijd af raakt dan ook de gewoonte van broedermoord in onbruik. Overigens is er in de persoonlijkheid van Ahmed geene doortastendheid; ook hij leeft in het paleis, toont een enkele maal neiging om veel te doen, maar het blijft bij zeggen. Zijn opvolger, de idiote Moestafa, werd na een korten tijd afgezet en toen kwam Osman†II, zoon van Ahmed†I, die krachtiger was, zelf een krijgstocht tegen de Polen ondernam en ook verbeteringen wilde aanbrengen in den toestand, maar juist daarom kwamen Janitsaren en Sipahi in opstand, vreezende voor hun bestaan: ze namen Osman†II gevangen en lieten hem vermoorden (1622). Dit was de eerste sultansmoord, die bewees, hoe ver de invloed van de militaire macht kon gaan. Weer liet men den idioten Moestafa gedurende vijftien maanden voor sultan spelen, terwijl inderdaad het leger regeerde. Dit veranderde onder Moerad†IV, een tweeden zoon van Ahmed †I, die in 1623 zijn oom opvolgde, maar eerst op 20-jarigen leeftijd in 1632 zelf de regeering aanvaardde. Hij was een zeer krachtig, maar tevens buitengemeen streng en wreed mensch, eigenschappen trouwens, die hem te pas kwamen en die het hem mogelijk maakten de orde te herstellen. Het was van korten duur. Moerad†IV stierf reeds in 1640 en zijn jongste broeder Ibrahim†I was van geheel ander maaksel: hoogst zinnelijk en daardoor meer dan iemand van den harem afhankelijk, verder wreed, maar die wreedheid niet als zijn broeder ten dienste van het rijk, maar ten dienste van zijne omgeving aanwendende. Hij liet verschillende verdienstelijke mannen, hem overgebleven uit de dagen van zijn voorganger, o.a. den grootvizier Kara-Moestafa, die zich in een oorlog tegen de Perzen, tijdens Moerad†IV gevoerd, onderscheiden had, ombrengen, alleen omdat men er hem in den harem toe overhaalde.

Toch begon juist onder Ibrahim†I een nieuwe oorlog met VenetiÎ, waarvan nu Creta de inzet was. Het was vooral de begeerte naar buit, die den sultan een voorwendsel tot oorlog deed zoeken--en gemakkelijk liet vinden. Het grootste deel van het eiland met ÈÈn der twee vestingen, Kanea, vielen zonder veel moeite in de handen der Turken (1645), maar de tweede vesting, Candia, bood een hardnekkigen tegenstand. In plaats van buit te krijgen moest Ibrahim steeds meer versterkingen sturen en ondertusschen vielen de Venetianen in den Peloponesus, terwijl hunne oorlogsschepen den Turkschen handel veel kwaad deden. Turkije scheen niet eens meer bestand tegen de stad van St. Marcus! Dit had een uitbarsting in Constantinopel ten gevolge tegen den machteloozen Ibrahim. Ook nu stonden de militairen aan het hoofd der samenzwering, waaraan zelfs Ibrahim's moeder Koezem, een vrouw van zeer veel invloed, meedeed. Ibrahim werd onttroond en iets later vermoord (1648). Zijn zevenjarig zoontje Mohammed†IV werd sultan; Koezem regeerde feitelijk voor hem.

Mohammed†IV en zijne naaste opvolgers SuleÔman†II (1687-1691), en Ahmed†II (1691--1695), alle drie zoons van Ibrahim waren niet afschuwwekkend als hun vader, maar voor het voeren der regeering deugden ze evenmin als hij. Toch kwam er in de tweede helft der zeventiende eeuw een herleving in het Turksche rijk, teweeggebracht door een reeks van groot-vizieren uit het geslacht Kˆprili. Het is de verdienste van Tarkhane, de moeder van Mohammed†IV, die na Koezem den meesten invloed had, dat zij in 1656 een krachtig man uit Klein-AziÎ groot-vizier maakte, en nog meer die van Mohammed†IV zelf, dat hij dien groot-vizier liet begaan, zooals b.v. Lodewijk†XIII van Frankrijk Richelieu. De familie, waartoe Mohammed Kˆprili behoorde, stamde uit AlbaniÎ en was vandaar geÎmigreerd naar Klein-AziÎ, zich vestigende in het plaatsje Kˆpri, dat zijn naam aan het geslacht gaf. Mohammed Kˆprili was een zeventiger, toen hij het eerste ambt in het Turksche rijk met zoo goed als onbeperkte volmacht aanvaardde. Hij was "geen geleerd man"; zelfs de kunst van schrijven verstond hij niet, maar hij had een helder inzicht in de nooden van zijn vaderland en hij beschikte over een reusachtige energie. Zonder aanzien des persoons handelende, onverbiddelijk uit den weg ruimende wie zijn bevelen niet gehoorzaamden, gelukte het hem inderdaad orde in de chaos te brengen. "Niet luisteren naar de vrouwen van den harem; zorgen altijd van geld voorzien te zijn, al is het dan ook met verdrukking der onderdanen; het leger steeds in beweging laten blijven, omdat daarvan de gehoorzaamheid afhangt," dit waren de eenvoudige raadgevingen, die Kˆprili, toen hij na vijf jaar stierf, zijn sultan op het hart zou gedrukt hebben (Ranke). ZÛÛ groot was zijn invloed geworden, dat zijn zoon Ahmed hem als groot-vizier opvolgde, een feit, nog nooit in de Turksche geschiedenis voorgekomen. Ahmed had een goede opvoeding genoten, was krachtig en streng als de vader, maar behoefde diens wreedheid niet meer in dezelfde mate toe te passen. Ook hij wist de gunst van den sultan te behouden en bleef daardoor niet minder dan vijftien jaar in zijn ambt werkzaam.

Kˆprili I en Kˆprili II hebben aan het Turksche rijk iets van zijn uiterlijken glans hergeven, maar het terugbrengen tot wat het ÈÈnmaal geweest was, konden ook zij niet. Al was de bemoeiing van den harem met staatszaken voorloopig uit, al werd de discipline in het leger hersteld, het leger werd daarom niet weer, wat het geweest was, en de sultan en zijne omgeving bleven dezelfde. Om het met andere woorden te zeggen: de staatkundige en maatschappelijke toestanden in het rijk konden ook de Kˆprili niet veranderen; hun persoonlijkheid overheerschte tijdelijk de verhoudingen, maar, wanneer zij wegvielen, kon ieder oogenblik de anarchie van de dagen van Ibrahim weer intreden. En zelfs met de Kˆprili, wat was het Turksche rijk vergeleken bij vroeger! Alleen tegen VenetiÎ kon, zooals ons weldra zal blijken, de oorlog nu met meer succes gevoerd worden, maar in een nieuwen oorlog tegen Oostenrijk konden de Turken nu evenmin voordeelen behalen als in het begin der zeventiende eeuw. Gedeeltelijk was dit ook een gevolg van buiten Turkije ontstane veranderingen. Terwijl de Turken in vroegeren tijd alle andere mogendheden in bewapening en legerinrichting ver vooruit waren, was dit nu anders geworden. Groote verbeteringen waren successievelijk in de legers en de strategie der Europeesche legers aangebracht, vooral door veldheeren als Maurits van Oranje, Gustaaf Adolf en Wallenstein; alleen de Turken gingen niet met hun tijd mede: hun verdedigingsmiddelen bleven in hoofdzaak op dezelfde wijze ingericht, hun taktiek ging niet vooruit, de hoedanigheid hunner soldaten werd slechter. En er was meer, waarop we moeten letten, nu we de verhouding der Turken tot het overige Europa in de tweede helft der zeventiende eeuw gaan beschouwen. Ten gevolge van de geweldige oorlogen in de eerste helft dier eeuw was er een groote verandering ingetreden in de verhouding der voornaamste Europeesche mogendheden onderling. De macht van het huis Habsburg, vooral die in Spanje, was sterk achteruitgegaan; Frankrijk's invloed was in hooge mate toegenomen, Frankrijk begon nu de groote mogendheid bij uitstek te worden en koning Lodewijk†XIV wenschte niets liever dan zijne monarchie nog uit te breiden. Strijd tusschen hem en het huis Habsburg was daarom opnieuw te verwachten, maar den steun van Turkije had Frankrijk nu niet meer noodig, zooals in de dagen van Frans†I. Bovendien, Lodewijk†XIV, religieus aangelegd, poseerde gaarne als beschermer van het Katholicisme en de Porte had daarom, als zij in moeilijkheden kwam, van hem niets te hopen; evenmin had Frankrijk van haar iets te vreezen, want een verbond van het huis Habsburg met de Turken tegen hem was gewoonweg ondenkbaar.

Men schreef 1661, toen twisten over Zevenburgen Turkije en Oostenrijk opnieuw in een oorlog wikkelden. De voÔvode George†II Rackoczy had zich vijandig tegen de Turken gedragen, die daarom zijne afzetting eischten en hun eisch weldra gewapenderhand ondersteunden. George†II kwam in den daaruit voortkomenden strijd om, maar Oostenrijk trad tegen een te grooten invloed van Turkije in Zevenburgen op. Kˆprili†II, die in dien tijd groot-vizier werd, bracht een groot leger op de been, dat plunderend als in vroegere dagen, zich over geheel Hongarije vertoonde. Het leger van keizer Leopold†I onder graaf Raymund van Montecuculi, hoewel veel beter geordend en beter geleid, was tegen de overmacht niet bestand. Oostenrijk zelf werd bedreigd. Toen bleek de invloed der veranderde omstandigheden. Lodewijk†XIV bood op ridderlijke wijze den keizer belangeloos een hulpcorps aan, dat na eenige aarzeling aangenomen werd. En nu keerde de kans. Het Oostenrijksche leger, versterkt met de Fransche troepen, de best geoefende van hun tijd, behaalde, hoewel sterk in de minderheid--men spreekt van 25.000 man tegen 240.000 Turken!--een schitterende overwinning bij het klooster St. Gotthard in Oostenrijksch Hongarije, dicht bij de grens van Stiermarken (1664). Op de Turken had die slag een grooten invloed. Ruim een week later reeds sloten ze opnieuw vrede te Vasvar (Eisenburg). De basis was in hoofdzaak het verdrag van Sitvatorok. VoÔvode van Zevenburgen werd een weinig beteekenend man, Apafy geheeten, die beide partijen wel wilden, juist om zijne zwakheid. Nog was Turkije er goed afgekomen, maar opnieuw had zijn prestige een zwaren slag gekregen. Oostenrijk, ongaarne steunende op Fransche hulp, had van de overwinning nog geen gebruik durven maken; de aanhoudende moeilijkheden, die Leopold†I toen in Hongarije had met de altijd weerbarstige magnaten, gaven hem trouwens tegenover de Porte de handen niet geheel vrij.

De schande van den Oostenrijkschen oorlog werd in den Venetiaanschen eenigermate uitgewischt. Had VenetiÎ vÛÛr het optreden van Kˆprili I enkele veroveringen kunnen maken, o.a. de eilanden Tenedos, Samothrake en Lemnos, met Kˆprili keerde de kans. De eilanden werden hernomen, de Dardanellen en de zeÎen beter beveiligd--en ten slotte onder Kˆprili †II ook de vesting Candia genomen (1669). Ook daarheen had Lodewijk†XIV een klein hulpcorps gezonden op verzoek van VenetiÎ, maar dit was niet voldoende geweest om de vesting te behouden. En van elders was geene hulp gekomen, ofschoon VenetiÎ ze ver genoeg gezocht had, tot zelfs in de Republiek der Vereenigde Nederlanden en in Engeland. Beiden hadden vele goede woorden gegeven, maar tot daden waren ze niet gekomen. Dit is gemakkelijk te verklaren: beide landen hadden groote handelsbelangen in het Oostelijk bekken der Middellandsche Zee. Engeland had reeds in 1580, Nederland in 1612 een voordelig handelsverdrag met de Porte gesloten; gingen ze VenetiÎ steunen, dan stelden zij hunne kooplieden bloot aan den onwil van den grooten heer van Stamboel. Nergens blijkt duidelijker het verschil tusschen een politiek als die van Lodewijk†XIV, die eerst zijn godsdienstbelang en zijn eer en dan de handelsbelangen zijner onderdanen behartigde, en die der zeemogendheden, bij wie de laatste belangen verre boven aan stonden. Wat de zaak voor dezen te moeilijker maakte, was hun onderlinge handelsnaijver: al had ÈÈn van beiden ernstige neiging gehad om VenetiÎ te steunen, zij zou het toch zonder de ander niet gedaan hebben uit vrees, dat dan die ander een meer bevoorrechte positie op handelsgebied zou kunnen erlangen. En gemeenschappelijk optreden voor zoover verwijderde belangen, al was de Christenheid er mede gemoeid, was onmogelijk te verkrijgen, zelfs niet, waar het een voor hen zoo gewichtige kwestie gold als het bestrijden van den zeeroof in de Middellandsche Zee. Meermalen is het door ÈÈn der landen voorgesteld, meermalen is het besproken om aan de praktijken der bewoners van Algiers en andere Noord-Afrikaansche kuststeden gezamenlijk een einde te maken, maar nimmer kon men het er over eens worden, hoe te handelen; men trad liever ieder op eigen houtje op om zoo mogelijk alleen een verdrag met ÈÈn of meer dier steden te sluiten en daarvan dan ook alleen de voordeelen te genieten. Dit is de oorzaak, dat er niets afdoends gebeurde om dien ergerlijken toestand te doen ophouden. Hoe dan een gezamenlijk optreden ten gunste van VenetiÎ te verwachten!

Twee jaar na de inname van Candia eindigde de oorlog met VenetiÎ, een nieuwe vrede werd gesloten en gedurende eenigen tijd heerschte er alom in Zuid-Oost-Europa rust. Kˆprili†II werd in 1676 als groot-vizier opgevolgd door een ander lid derzelfde familie, n.l. Kara Moestafa, schoonzoon van Kˆprili I; hij was een buitengewoon hebzuchtig man en de onderdanen, vooral in de schatplichtige landen, hadden daarvan veel te lijden; hij beschikte niet over de kracht van zijne voorgangers en zijn aanzien was dan ook niet zoo groot. Onder hem kwam het alweer tot oorlog met Oostenrijk. Leopold†I had te strijden tegen den opstand van Tˆkˆli in Hongarije en deze kreeg steun van Turkije. Het is opmerkelijk, dat Tˆkˆli ook gesteund werd door Lodewijk†XIV, die ook hier het huis Habsburg afbreuk trachtte te doen. Indirect hebben Turken en Franschen dus hier samengewerkt. Of Lodewijk†XIV ook direct de Turken heeft gesteund met officieren en ingenieurs, of hij hen heeft aangemoedigd Oostenrijk aan te vallen, een oogenblik dus de politiek van Frans†I hervattende, is een niet geheel uitgemaakte zaak. Heeft de verstandhouding bestaan, dan is ze door Lodewijk†XIV in elk geval spoedig verbroken, want ook in den nu volgenden oorlog heeft hij Leopold†I steun tegen de Turken aangeboden, maar Leopold†I weigerde nu dien aan te nemen.

Kara Moestafa bedoelde, toen de oorlog in 1681 eenmaal was uitgebroken, bepaaldelijk veroveringen te maken. Voor Oostenrijk lieten de kansen zich eerst slecht aanzien. Voor een aanzienlijk deel beziggehouden in het Westen door Lodewijk†XIV, die toen juist in vollen vredestijd Straatsburg en Luxemburg bedreigde, kon het Oostenrijksche leger in Hongarije lang niet tegen de Turken, die bovendien gesteund werden door Tˆkˆli en zijn naaste aanhangers, op. En zoo drongen de Turken voor de tweede maal door tot voor Weenen; in 1683 werd de stad opnieuw door hen belegerd, Leopold†I en zijn hof vluchtten naar Beieren. Evenals in 1529 ondervond het garnizoen onder Stahremberg krachtige ondersteuning van de burgerij, maar de toestand werd toch veel ernstiger dan toen: de verdedigingswerken der stad lieten veel te wenschen over; er kwam spoedig gebrek aan allerlei benoodigdheden. Had Kara Moestafa beter doorgetast, had hij een laatsten stormloop gewaagd, de stad zou misschien verloren geweest zijn; maar hij talmde, hij hoopte de bevolking tot een capitulatie te brengen om de meeste voordeelen voor zich zelf te kunnen bedingen en de buit niet grootendeels te moeten overlaten aan de Janitsaren. Zoo kon juist bijtijds redding opdagen. Lodewijk†XIV, die Straatsburg had ingenomen, hief het beleg van Luxemburg voorloopig op en herstelde daardoor de rust in het Westen. Het keizerlijk leger onder hertog Karel van Lotharingen, daardoor vrijgeworden, haastte zich naar Oostenrijk en kreeg steun van den Poolschen koning Johan Sobiesky, die, vooral op aanraden van den paus, den keizer te hulp kwam. Vereenigd vielen hertog Karel en koning Johan de Turken aan bij den Kahlenberg en opnieuw zegevierde de moderne taktiek over de verouderde strijdwijze. In wanorde vluchtte het Turksche leger. Kara Moestafa werd op bevel van den sultan te Belgrado onthoofd en daarmede eindigde de heerschappij der eerste drie Kˆprili.

De invloed van de omgeving van den sultan werd tijdelijk opnieuw overheerschend. Verschillende groot-vizieren volgden elkander binnen korten tijd op en, terwijl wanorde in het rijk de overhand kreeg, tastten nu de Oostenrijkers na hunne nieuwe overwinning beter door dan na de eerste in 1664. Met Lodewijk†XIV, die na den terugtocht der Turken ook Luxemburg genomen had, werd voor twintig jaar een wapenstilstand gesloten; met Polen, VenetiÎ, Malta en den paus een alliantie om verder met de Turken af te rekenen. En nu volgde overwinning op overwinning: Gran, Vysegrad, Pest, Boeda en de meeste Hongaarsche steden werden van 1684-1688 ingenomen, een samengeraapt Turksch leger bij Mohacz, het bekende slagveld, uit elkander gejaagd. In 1686 was geheel Hongarije van de Turken bevrijd en Leopold†I door den Hongaarschen rijksdag erkend als erfelijk koning; Apafy van Zevenburgen erkende hem als zijn eenigen leenheer en ook in Zevenburgen werd zoo de Oostenrijksche heerschappij voorgoed gevestigd. Reeds bedreigden de keizerlijken ServiÎ, waarvan Belgrado in 1688 in hunne handen gevallen was, en tegelijkertijd hadden de Venetianen ongeveer den geheelen Peloponesus en een deel van Midden-Griekenland, o.a. de steden Athene [2332] en Corinthe veroverd; alleen Athene konden de Turken hernemen.

Het was een fortuin voor de Porte, dat in 1688 een nieuwe oorlog in het Westen uitbrak, de negenjarige geheeten, een deel van den strijd van het huis Habsburg, nu gesteund door de beide zeemogendheden van West-Europa, beiden onder de leiding van Willem†III van Oranje, tegen Lodewijk†XIV. Een groot deel der Oostenrijksche troepen kon nu niet meer tegen Turkije gebruikt worden. Bovendien trad in 1689 opnieuw een krachtig groot-vizier op, Moestafa-ZadÈ, een broeder van Kˆprili†II. Het werd tijd, want de macht der militairen was weÍr zÛÛ groot geworden, dat ze in 1687 sultan Mohammed†IV, die bijna veertig jaar geregeerd had, afzetten en zijn broeder SuleÔman II (hiervoor, blz. 697) op den troon verhieven. De nieuwe Kˆprili bracht geestkracht aan en krachtiger deden met hem de Turken zich weÍr gelden. De Peloponesus, die zelf van Venetiaansche heerschappij ook niet gediend was, ontving een Turksch bevrijdingsleger met vreugde en werkelijk werden de Venetianen weÍr uit een groot deel van den Peloponesus verdreven. Maar tegen de Oostenrijkers was ook de nieuwe Kˆprili niet gelukkig. Zijn leger werd in den slag van Salankemen verslagen, hij zelf sneuvelde (1691). Daarna traineerde de oorlog gedurende eenige jaren. Noch de Oostenrijkers noch de Turken voelden lust tot den aanval over te gaan. Het bleef bij kleine gevechten. Ook de aanwezigheid bij het leger van sultan Moestafa†II, den zoon van Mohammed†IV, in 1695 gevolgd op zijn oom Ahmed†II--die iets van de krijgshaftigheid der vroegere sultans bezat en dan ook zelf te velde trok--kon niet veel aan den toestand veranderen; hij behaalde eenige kleine voordeelen.

In 1697 maakte de vrede van Rijswijk een einde aan den negenjarigen oorlog en Oostenrijk, dat nu bovendien een uitstekend veldheer had in Eugenius van Savoye, kreeg geheel de handen vrij tegenover Turkije. De slag bij Zenta (1697) bewees den Turken, wat ze nu te wachten hadden. Hun leger werd daar totaal verslagen, de groot-vizier en de andere vizieren, een aantal begs, de belangrijkste aanvoerders, 20,000 Turken gedood; de sultan zelf was met moeite ontkomen, zijn zegel en eenige vrouwen van den harem waren in 's vijands handen gevallen. De suprematie der Oostenrijkers kon nu niet meer betwijfeld worden. Weer was 't een Kˆprili, Houssein-Amoedja-ZadÈ, een neef van Kˆprili†I, die als groot-vizier aangezocht werd en redding bracht. Hij maakte toebereidselen voor een nieuwen veldtocht, maar tevens voor een vrede, want hij zag de noodzakelijkheid daarvan in. Reeds meermalen was er van vrede gesproken. Engeland en Nederland hadden er voor gewerkt, ten einde Oostenrijk geheel beschikbaar te maken voor den strijd tegen Frankrijk; om dezelfde reden had Lodewijk†XIV de Porte aangespoord den oorlog voort te zetten. Na Zenta wonnen het de zeemogendheden, die nog steeds hetzelfde belang bij vrede hadden, omdat opnieuw een groote oorlog om de Spaansche successie opdoemde. Onder hare bemiddeling werd de vrede van Garlowitz gesloten (1699) [2333], eigenlijk een wapenstilstand voor vijf en twintig jaar, die de Porte zware opofferingen kostte. Zij moest afstand doen van Hongarije, behalve het banaat van Temesvar, en van haar suzereiniteit over Zevenburgen; de grens tusschen Oostenrijk en Turkije werd gevormd door Donau, Oena, Sau en Drau. Zoo werden nu de beide deelen van Hongarije onder het huis Habsburg vereenigd en Zevenburgen werd na den dood van Apafy eveneens daarbij geannexeerd. Een groot aantal ServiÎrs vestigden zich in het Zuiden van Hongarije om de Turksche heerschappij te ontloopen. Leopold†I liet ze daar gaarne toe Ën om de verdediging der grenzen Ën om ze zoo noodig tegen oproerige Magyaren te gebruiken. Ook Polen kreeg bij den vrede van Carlowitz voordeelen: PodoliÎ en de West-Oekraine, in den tijd van Kˆprili II door de Turken veroverd [2334], moesten nu terugegeven worden. VenetiÎ behield den Peloponesus (de landengte van Corinthe niet) en een deel van DalmatiÎ.

Verder moeten we nog Rusland gedenken, dat ook--en nu voor het eerst--een ernstig aandeel aan den strijd tegen Turkije genomen had. Vroegere oorlogen tusschen deze beide landen, die, vooral om de Tataren, in de zeventiende eeuw nog al eens voorkwamen, waren van weinig beteekenis en hadden geene groote verandering aan de grens teweeggebracht. Na zware barensweeÎn was er onder de volksstammen van Oost-Europa een rijk gesticht, dat MoscoviÎ en later Rusland heette. Het groeide zijne naburen, de Polen, waarmede het gedurig oorloogde, in de zeventiende eeuw boven het hoofd, evenals zijne Zuidelijke buren, de Tataren. Onder czarin Sophie, dochter van den bekenden czaar Alexis uit het huis Romanow, had Rusland zich voor het eerst met de groote politiek bemoeid: het had zich aangesloten bij de alliantie van 1683 tegen Turkije, maar zonder veel gewicht in de schaal te leggen. De bondgenooten bekommerden zich te Carlowitz weinig om de Russische belangen en Peter†I, die sedert 1689 zijne zuster Sophie als czaar verving, sloot daarom zoo spoedig mogelijk alleen vrede; hij behield Azov, dat hij in 1697 genomen had en daarmede een belangrijken toegang tot de Zwarte Zee. Het volgend jaar reeds zond Peter tot grooten schrik van den sultan een schip door de Zwarte Zee naar Constantinopel en met dat schip een gezant, die den vrede bevestigde en tevens opheffing kreeg van de schatting, die Rusland nog steeds verschuldigd was aan de Tataren van de Krim. Dit was de eerste overwinning van Rusland, dat ook om zijn Grieksch-Katholieken godsdienst weldra de allerhevigste vijand van Turkije zou worden.

In het begin der achttiende eeuw vertoonde Turkije reeds dat beeld van uitputting en krachteloosheid, dat het sedert meestal is blijven dragen. Geen verbeteringen, want de nieuwe Kˆprili was reeds in 1702 afgezet en spoedig daarna gestorven en sultan Moestafa†II, die in 1703 van den troon verwijderd werd, werd opgevolgd door zijn broeder Ahmed†III (1703-1730), een zeer ergerlijke figuur, evenals Ibrahim geweest was. Natuurlijk werd onder zulk een regeering ook geen poging gedaan, om het te Carlowitz verlorene te herwinnen, ofschoon de Spaansche-successie-oorlog en de groote Noordsche oorlog, die geheel Europa bezighielden, en niet het minst de heftige opstand onder Frans †II Rakoczy in Hongarije, dien Oostenrijk niet dan met veel moeite kon bedwingen, gelegenheid genoeg daartoe boden. Alleen aan den grooten Noordschen oorlog, waarin vooral Rusland Zweden's overwicht aan de Oostzee trachtte te breken, nam Turkije door toevallige omstandigheden een aandeel, maar op welk een wijze! Karel†XII, de Zweedsche koning, was, na op zijn tocht naar Rusland bij Pultawa verslagen te zijn, gevlucht naar Turkije, waar hij te Bender verblijf hield. Zijne pogingen om de Porte te bewegen hem te steunen waren echter vruchteloos, evenals die van den Franschen gezant--nu hij tijdens den Spaanschen successieoorlog in zware moeilijkheden geraakte, versmaadde Lodewijk†XIV de Turksche hulp niet!--om de Porte tegen Oostenrijk op te zetten. Het gelukte daarentegen wel aan den Russischen gezant van de Porte een bevel te verkrijgen om Karel†XII uit Bender te verdrijven, maar dit bevel is niet nageleefd. Dat ten slotte de kans geheel ten gunste van Karel†XII keerde, was een gevolg van de overmoedige houding, door Peter†I tegenover Turkije aangenomen. In de uiterste deelen van het Turksche rijk, bepaaldelijk in de Donauvorstendommen, begon zich een neiging tot afscheiding te vertoonen, nu het rijk zoo zwak bleek. De hospodars van Walachije en MoldaviÎ beiden stelden zich met Peter†I in verbinding en deze beloofde hun niets minder dan onafhankelijkheid onder zijn suzereiniteit. Ook van uit Griekenland en ServiÎ bereikten hem blijken van sympathie voor een opstand.

Zoo kwam het, dat voor den eersten keer een Russische czaar als hoofd van de Grieksche kerk optrad ter bescherming van zijne geloofsgenooten in het Balkanschiereiland. Peter trok de Proeth over, maar van den van zoo vele zijden beloofden steun kwam niets. De groot-vizier Baltadji-Mehemet--opvolger van een vijfden Kˆprili, Nauman geheeten, die echter slechts twee maanden zijn ambt waarnam en toen werd afgezet, omdat hij tot het laatst den oorlog tegen Rusland trachtte te voorkomen (1710)--bracht een leger van Turken en Tataren bijeen en met zijne overmacht sloot hij Peter niet ver van de Proeth in (1711). Toen gebeurde het wonderbaarlijke feit, dat Catharina, toen nog Peter's maÓtresse, later zijne vrouw en ten slotte zijne opvolgster, naar de Turksche legerplaats trok en het Russische leger redde door Mehemet te bewegen vrede te sluiten. Peter†I moest Azov teruggeven, terwijl enkele Russische vestingen, daar in de buurt opgericht, zooals Taganrog, gesloopt zouden worden; voor den Zweed bedong de Turk geenerlei voordeelen. De Donauvorstendommen werden van nu af iets meer aan Turkije onderworpen, doordat de Porte er niet meer een inboorling, maar een Phanarioot uit Constantantinopel tot hospodar benoemde. Het schijnt, dat Mehemet uit vrees voor de roerigheid in heel het Balkanschiereiland en bovendien, omdat hij niet veel op zijn leger vertrouwde, zich zoo gemakkelijk tot vrede liet verbidden door de geschenken, die Catharina hem bracht. Nog eenige jaren na dit verdrag van de Proeth bleef Karel†XII in Bender en later in Demotica, maar evenmin als vroeger heeft hij iets van de Porte gedaan kunnen krijgen; zelfs het niet onmiddellijk teruggeven van Azov bleef zonder invloed. Men weet, dat Karel ten slotte door Duitschland naar Zweden teruggekeerd en daar spoedig gesneuveld is.

Evenals de oorlog met Rusland vooral een gevolg geweest was van de bemoeiing van Peter†I met de binnenlandsche aangelegenheden van Turkije, zoo ontstond in 1714 een nieuwe oorlog met VenetiÎ, omdat de Venetianen steun hadden verleend aan Montenegro. Dit kleine vorstendom was nooit anders dan zeer losjes aan Turkije verbonden geweest; het wilde nu trachten geheel onafhankelijk te worden en vorst Danilo, die zich ook in verbinding had gesteld met Peter†I, was tijdens diens oorlog met de Porte ook tegen deze in verzet gekomen; hij had beter zijn woord gehouden dan zoovele anderen, die ook hulp hadden beloofd, maar thuis waren gebleven. Na het verdrag van de Proeth vielen de Turken Danilo met hun geheele macht op het lijf; de Montenegrijnen verdedigden zich dapper in hunne bergen, vroegen en kregen tevens hulp van VenetiÎ. Maar tegen dezen, evenals Turkije, hard achteruitgaanden staat alleen waren de Turken nog wel opgewassen. De flinke groot-vizier Damad-Ali veroverde, wat VenetiÎ in den Peloponesus bezat, en bedreigde de Ionische eilanden. Ondertusschen was de Spaansche successie na een hevigen oorlog geregeld, de vrede in het Westen hersteld en nu koos Oostenrijk, dat geen herleving der Turksche macht wilde dulden, onmiddellijk de partij van VenetiÎ. Eugenius van Savoye bracht den Turken nogmaals een verpletterende nederlaag toe, nu bij Peterwardein (1716): het volgende jaar nam hij Belgrado en een deel van ServiÎ. Was het niet om nieuwe verwikkelingen in het Westen geweest, veroorzaakt door het optreden van den Spaanschen minister Alberoni, Turkije zou nog meer gekortwiekt zijn: nu had Oostenrijk vrede noodig om Spanje's uitbreidingsplannen te kunnen tegengaan, en het sloot dien te Passarowitz (1718), behoudende het banaat van Temesvar, Belgrado met een deel van ServiÎ en klein-Walachije, n.l. het land tusschen Donau en Oltoe. VenetiÎ, ook in den vrede begrepen, verloor den Peloponesus, maar behield enkele plaatsen aan de Adriatische Zee. Het is de laatste vrede geweest, gesloten tusschen de eens zoo machtige republiek en Turkije; VenetiÎ speelde in de achttiende eeuw geen rol van beteekenis meer in de algemeen Europeesche politiek en nog vÛÛr het einde dier eeuw had Napoleon Bonaparte aan haar bestaan een einde gemaakt (1797). Montenegro, voor een korten tijd gedurende den oorlog onderworpen door Kˆprili-Nauman, toen pacha van BosniÎ, wist toch na den oorlog evenals vroeger zijne onafhankelijkheid zoo goed als geheel te handhaven.

In de laatste helft der zeventiende en in het begin der achttiende eeuw had Turkije het meest te lijden van Oostenrijk. In het verdere gedeelte der achttiende eeuw werd dit anders: Oostenrijk bleef meestal vijandig, maar de ergste vijand werd Rusland, door Peter†I den weg opgestuurd, die er een Europeesche mogendheid van moest maken, weldra, vooral sedert Catharina†II czarin werd, beschouwd als ÈÈn der groote Europeesche mogendheden. Voor Turkije werd Rusland, nu het zich kon doen gelden, gevaarlijker dan Oostenrijk, dat toen nog meer gaf om zijne positie in ItaliÎ en in Duitschland dan om uitbreiding op het Balkan-schiereiland. Rusland daarentegen had geen directe belangen in West-Europa en de uitbreiding over Noord-AziÎ, die ook in de achttiende eeuw begon, eischte gedurende langen tijd niet vele krachten. Gelukkig voor Turkije waren er twee andere landen, waaraan Rusland ook zijne aandacht moest wijden: Zweden, diep vernederd bij den vrede van Nyst‰dt, dat zich daarna een enkele maal trachtte op te richten, en Polen, een inwendig zeer zwak rijk, dat voor een veroveringslustig land tot uitbreiding als vanzelf uitlokte. Deze beide landen, maar vooral Polen, zijn in de achttiende eeuw voor Turkije's strijd met Rusland een welkome afleiding geweest, evenals de Westersche aangelegenheden dat waren geweest en ook nog bleven voor den strijd met Oostenrijk.

Het voornaamste punt van wrijving tusschen Rusland en de Porte was in de dagen van Peter†I en ook daarna de uitbreiding van het eerste land naar de Zwarte Zee. Czaar Peter had vÛÛr zijn dood (1725) geen gelegenheid gevonden zich van den Proeth-vrede te ontdoen. Wel had nog verschillende malen een oorlog tusschen hem en de Porte gedreigd, maar dat was een gevolg van moeilijkheden op de grens van PerziÎ. Gebruik makende van de groote wanorde, die in dezen tijd in PerziÎ bestond, trachtten de beide landen in en om den Kaukasus naar veroveringen in die streken, waar de Turken reeds meermalen met de Perzen gestreden hadden (zie hiervÛÛr, blz. 684) en waar Rusland van Astrakhan uit nu voor het eerst optrad. Dit leidde tot herhaalde botsingen, maar de Fransche gezant te Constantinopel, waar Frankrijk na den dood van Lodewijk†XIV meer invloed kreeg, bemiddelde tot tweemaal toe een vrede (1721 en 1724). Na Peter's dood (1725) was Rusland door binnenlandsche moeilijkheden minder agressief tegenover PerziÎ en Turkije kon ongestoord zijne veroveringen voortzetten. Maar dit duurde niet lang, want nadat de krachtige Nadir, een Turcoman, in 1736 shah van PerziÎ geworden was en hij de rust hersteld had, moest de Porte weldra al hare veroveringen teruggeven en Rusland deed dit uit eigen beweging, een betere gelegenheid afwachtende. Turkije had zwakheid, Rusland slimheid getoond.

De uitbreiding naar de Zwarte Zee kwam op het tapijt, zoodra keizerin Anna (sedert 1730), een nicht van Peter†I, die de regeering geheel naar diens voorbeeld voerde, daartoe de handen vrij kreeg, d.w.z. onmiddellijk nadat de Poolsche successie-oorlog, waarin voor het eerst buitenlandsche mogendheden met geweld over de Poolsche koningskeuze beslist hadden, geÎindigd was. Vereenigd hadden de beide grootste vijanden van Turkije hun candidaat op den Poolschen troon gebracht, vereenigd traden nu Rusland en Oostenrijk tegen de Porte op. Grensmoeilijkheden verschaften als zoo dikwijls een gereede aanleiding den oorlog te beginnen (1736). De Russen namen Azov, drongen de Krim binnen: de Oostenrijkers vielen in ServiÎ en kwamen vandaar in Boelgarije. Turkije scheen tot niets in staat. Sultan Ahmed†III was in 1730 afgezet en vervangen door Mahmoed†I, een zoon van Moestafa†II, maar bij die troonsverandering had het rijk geen baat gevonden. Toen gebeurde voor het eerst, wat sedert de Turken herhaaldelijk voor geheelen ondergang behoed heeft: er kwam steun voor hen en wel van Frankrijk, dat ook in den Poolschen oorlog tegenover Oostenrijk en Rusland gestaan had en nu ook hier de macht van deze beide mogendheden niet te groot wilde laten worden. Het trad ten gunste van Turkije op, nog wel niet openlijk met de wapenen, maar toch door de diplomatie en door het zenden van officieren om het Turksche leger bij te staan. Villeneuve, de uiterst handige gezant van Frankrijk te Constantinopel, kreeg een grooten invloed op den sultan; door zijn toedoen werd een krachtig man groot-vizier, en deze, Yeghen-Mohammed geheeten, wist, door het aanwakkeren van een godsdienstig fanatisme, de Turksche troepen tot actie te brengen.

Dat deed de kans ten deele keeren. Het Oostenrijksche leger, door keizer Karel†VI verwaarloosd, had juist zijn aanvoerder, prins Eugenius, verloren (1736) en bleek nu veel van zijn eens voortreffelijke eigenschappen ingeboet te hebben; het was plotseling tegen de Turken niet meer bestand. Van de Russen was in het Balkan-schiereiland weinig hulp te verwachten: zij hadden een langen weg af te leggen om er te komen en die weg was moeilijk, want het steppenland van Zuid-Rusland was nog zeer weinig ontwikkeld. Wel had een leger onder M¸nich Otsjakov en Kinburn aan den mond van den Djnepr genomen, wel avanceerde dit leger in 1737 tot de Boeg, maar nog in hetzelfde jaar moest het wegens ontberingen terug en eerst twee jaar later kon het opnieuw aanvallend te werk gaan. Ondertusschen werden de Oostenrijkers teruggedreven door de Turken en deze sloegen in 1739 het beleg voor Belgrado. De stad was sterk, kon zich lang verdedigen, maar Karel†VI, geheel onder den invloed van den schrik van het oogenblik, liet zich door bemiddeling van Villeneuve overhalen tot een voor hem zeer nadeeligen vrede, waarbij Turkije Belgrado met het deel van ServiÎ en klein-Walachije, die het te Passarowitz had afgestaan, terugkreeg. Verlaten door zijn bondgenoot, sloot ook Rusland, ofschoon M¸nich nu de Proeth overgetrokken was en daar een schitterende overwinning behaald had, vrede: het gaf zijne veroveringen terug; alleen Azov bleef Russisch, maar werd ontmanteld (1739).

Een tijd van rust voor Turkije volgde, toen de meeste Europeesche mogendheden beziggehouden werden door den Oostenrijkschen successie-oorlog en den zevenjarigen oorlog; ook Rusland, dat bovendien Zweden te bestrijden kreeg, werd hierin betrokken. Turkije sukkelde voort: evenmin als Mahmoed†I deed zijn broeder Osman†III (1754-1757) iets tot verbetering. Alleen enkele legerhervormingen, begonnen onder Franschen invloed, werden voltooid, vooral onder Moestafa†III, een zoon van Ahmed†III, door den groot-vizier Raghib-Pacha. Maar de geest van het leger veranderde daarmede op den duur niet veel. De Janitsaren en de Sipahi, nog altijd de kern van het leger, behielden al hunne voorrechten, werden steeds meer aanmatigend, terwijl hunne vechtwaarde verminderde.... en niemand durfde hen in hun bestaan aantasten.

Uiterst moeilijke jaren beleefde Turkije in het laatste deel der achttiende eeuw, na 1763. De zevenjarige oorlog was in dat jaar ten einde gekomen en onmiddellijk kwam de Poolsche kwestie weer aan de beurt. Het was opnieuw de successie, die Polen in moeilijkheden bracht. Nu geen oorlog, want Frankrijk was te uitgeput door de verliezen, die het pas geleden had, om zich tegen Rusland, dat gesteund werd door Pruisen, te verzetten, maar eenvoudig een wilsoplegging van de machtige keizerin Catharina: haar candidaat werd met geweld koning gemaakt, haar gezant oefende sedert een soort dictatuur te Warschau uit. De Porte had den stijgenden invloed van Rusland in Polen steeds met leede oogen aangezien: bij den Proeth-vrede had zij Rusland de verplichting opgelegd zich met de Poolsche zaken niet meer in te laten, maar die bepaling was een doode letter gebleven en in het vredesverdrag van 1739 was ze niet weer opgenomen. Sultan Moestafa†III voelde zich echter in hooge mate verontrust door het feit, dat Rusland nu te Warschau de wet voorschreef, en toen naar aanleiding vooral van kerkelijke moeilijkheden een burgeroorlog in Polen uitbrak en Rusland ÈÈn der partijen ondersteunde, nam de Porte een dreigende houding aan, te eerder, omdat ze wist, dat Rusland de steeds tot oproer geneigde Roemenen opstookte. Frankrijk, zelf onmachtig iets voor Polen te doen, stookte dit vuurtje handig aan. Toevallig werd de Turksche grens door Russische troepen geschonden en dit werd onmiddellijk door de Porte als aanleiding gebruikt om Rusland den eisch te stellen zijne troepen uit Polen terug te trekken.

Het scheen, of Turkije zijn oude kracht voelde herleven, maar het fiere ultimatum was niet in overeenstemming met den volgenden krijg (1768). Rusland bleek in staat Turkije te overwinnen en tegelijk Polen te blijven beheerschen. Was het ideaal van Catharina†II om zich een protectoraat over beide landen te verschaffen nabij, kon men zich afvragen. Zoowel de Krim als de Donauvorstendommen werden door Russische troepen veroverd. Een Russische vloot zeilde uit de Oostzee om het Westen naar de Middellandsche en--het was hare eerste actie van groote beteekenis--vernietigde de Turksche bij Tschesme op de kust van Klein-AziÎ (1770). Heel anders dan na Lepanto hebben de Turken nu en eigenlijk nooit meer kans gezien een eenigszins krachtige vloot bijeen te brengen. De Russische vloot beheerschte gedurende eenigen tijd de AegeÔsche Zee, maar hare kwaliteit was ook niet van dien aard, dat ze het kon wagen Constantinopel aan te tasten of andere veroveringen te maken. Ook den Grieken, die, door Rusland aangemoedigd, in opstand gekomen waren, kon zij geen hulp bieden. Deze eerste verheffing der Hellenen had dan ook weinig succes; zonder veel moeite kon de sultan haar bedwingen, vooral met behulp zijner als Muzelmannen zeer trouwe onderdanen, de Albaneezen, die daarbij schandelijke wreedheden begingen en ten slotte door de Turken zelf gedwongen moesten worden Hellas te ontruimen [2335]. Belangrijker was, wat het Russische leger verrichtte. Het trok in 1773 den Donau over, behaalde in Boelgarije aanmerkelijke voordeelen en sloot het leger van den groot-vizier Mouezzin-ZadÈ--ÈÈn der zeven groot-vizieren, die elkander tijdens dezen oorlog zijn opgevolgd!--te Sjoemla in. Maar weÍr naakte redding voor Turkije, opnieuw een gevolg van het optreden van andere mogendheden.

Oostenrijk aanschouwde met grooten onwil de Russische uitbreiding, vooral aan den Donau, wier monding in Russische handen dreigde te geraken; Pruisen werd ontevreden op zijne bondgenoote, Catharina†II, die allen invloed in Polen voor zich wilde. Beide landen toonden neiging zich tegen Rusland te verzetten. Oostenrijk begon door een verbond met den ouden vijand te sluiten: tegen een subsidie zou het Turkije steunen (1771). Dit verdrag kwam niet tot uitvoering, want de Pruisische koning, Frederik†II, bewerkte een andere oplossing om een algemeenen oorlog te voorkomen. Meester van den toestand, omdat de partij, waarbij hij zich aansloot, de sterkste zou zijn, stelde hij voor, dat Rusland, Oostenrijk en Pruisen ieder een deel van Polen zouden nemen en dat Rusland met Turkije op schappelijke voorwaarden vrede zou sluiten. Catharina†II, ofschoon zij ongaarne wilde deelen, moest wel toestemmen; Maria Theresia, de Oostenrijksche vorstin, deed hetzelfde--en de eerste Poolsche deeling had plaats (1773). De vrede met Turkije werd gesloten te Koetsjoek-Kainardsji: Rusland kreeg enkele vestingen bij en aan de Zwarte Zee als Kertsj en Jenikale; verder gebiedsuitbreiding tusschen Dnjepr en Boeg, o.a. Kinburn, en in den Kaukasus, waar ook aanhoudend strijd gevoerd was, groot- en klein-Kabarde. Maar daarnaast stonden een groot aantal indirecte voordeelen voor Rusland: de Tataren van de Krim werden geheel van Turkije onafhankelijk verklaard; ten opzichte van de Donau-vorstendommen kreeg Rusland het recht om voor hunne belangen bij de Porte op te komen en daarmede dus een schoone gelegenheid zich met de binnenlandsche aangelegenheden van Turkije te bemoeien, wat ook het geval was met de bepaling, dat den Grieksch-Katholieken godsdienst geen geweld zou worden aangedaan; dan werd den Russen nu ook vrijheid verleend om handel te drijven in alle Turksche havens en toegang tot de Heilige Plaatsen te Jeruzalem (1774).

De afloop van deze geschiedenis, die voor de Porte nog betrekkelijk boven verwachting moet geweest zijn, had voor haar nog ÈÈn onaangenaam gevolg: Oostenrijk liet zich betalen voor den steun, dien het aan Turkije beloofd had. Het eischte de Boekowina, een deel dus der Roemeensche landen, en Turkije was onmachtig dien eisch te weigeren. Sedert 1775 is de Boekowina Oostenrijksch gebied, even eerlijk verkregen als de deelen van Polen, die de drie mogendheden van dit land hadden afgenomen.

De omstandigheden hadden Turkije gered voor grootere verliezen in den oorlog met Rusland, maar weldra werden die omstandigheden ongunstiger. Toen Maria Theresia in 1870 stierf, werd haar zoon Jozef†II, die reeds de keizerlijke waardigheid van Duitschland droeg, alleen baas in de Oostenrijksche landen en in vele opzichten veranderde daarmede de Oostenrijksche politiek. Niet het minst tegenover Turkije. Had zijne moeder zich tegen de veroveringsplannen van Catharina†II in het Balkanschiereiland verzet, hij begunstigde die plannen, mits hem zelf ook een deel van den buit zou toevallen. En hierover werd tusschen de Russische keizerin en den Oostenrijkschen vorst eensgezindheid verkregen. Het zoogenoemde Grieksche plan werd opgemaakt (1784) en dit beoogde een verdeeling van het Turksche rijk: de Turken zouden uit Europa verdreven worden; in het Balkan-schiereiland zouden verschillende autonome staatjes worden gesticht; Rusland en Oostenrijk zouden hunne grenzen uitbreiden.

Het eerste gevolg van deze verstandhouding tusschen de beide vorsten was, dat Rusland, gebruik makende van de oneenigheid tusschen verschillende pretendenten naar het Khanaat van de Krim, zich van dit schiereiland meester maakte (1783), waardoor het een prachtige positie aan de Zwarte Zee verwierf. Turkije had veel lust zich te verzetten, maar kon niet. Niemand wilde het bijspringen: Engeland en Frankrijk hadden pas een zware worsteling achter den rug in den Amerikaanschen vrijheidsoorlog. Het eerste bekommerde zich nog niet veel om politieke belangen in Zuid-Oost-Europa. Het tweede, hoewel niet oneervol uit den strijd gekomen, was te uitgeput. Zoo moest de Porte bij het verdrag van Constantinopel (1784) de Krim aan Rusland laten.

Spoedig kwamen ernstiger zaken. Catharina†II nam een zeer uitdagende houding tegenover Turkije aan, vooral op een reis, die ze naar het door Potemkin, haren meest bekenden gunsteling, tot meer ontwikkeling gebrachte Zuid-Rusland ondernam. Toen werd het voor de Porte te erg. Sultan Abdoel-Hamid, broeder en opvolger van Moestafa†III (sedert 1773), ofschoon volkomen onoorlogszuchtig, begon den krijg (1787), omdat hij niet anders kon. Oostenrijk voldeed aan zijne verpichtingen als bondgenoot van Rusland en verklaarde den oorlog aan Turkije (1788). Het eerste oorlogsjaar was voor de Turken niet al te ongelukkig. Hun leger had ten minste eenigermate geprofiteerd van de ingevoerde hervormingen, die het meer op een Europeesch leger deden gelijken, en maakte daardoor wat beter figuur onder de leiding van den groot-vizier Joessoef. De bondgenooten, vooral Oostenrijk, hadden op de grootere activiteit der Turken niet gerekend. Het Oostenrijksche leger werd uit ServiÎ gedreven, het Turksche drong in Hongarije binnen zonder echter een grooten slag te kunnen slaan. Ondertusschen hadden de Russen onder den beroemden veldheer Souvorov na een lang en moeilijk beleg Otsjakov genomen, maar dit was ook hun eenig voordeel in 1788. Het volgende jaar traden de bondgenooten met meer kracht op en toen moesten de Turken overal terug. Aan de Oostenrijkers verloren zij Belgrado, Semendria, Passarowitz; de Russen kwamen naar de Donauvorstendommen en namen, gesteund door de Oostenrijkers, Boekarest.

Maar nu de kansen slecht begonnen te staan, nu kwam--het wordt haast vervelend om het te zeggen--alweer steun van buiten. Pruisen en Engeland waren dezen keer de redders. Pruisen, verontrust over de samenwerking van Rusland en Oostenrijk, had zich, ook om andere redenen, bij Engeland aangesloten. Indirect verzetten zich deze beide landen overal tegen de Russisch-Oostenrijksche politiek en zoo kwamen zij er toe ook de Porte te steunen, Engeland nu voor het eerst, hoewel nog aarzelend, de rol in Zuid-Oost-Europa op zich nemende, die het in de negentiende eeuw met meer bewustheid gespeeld heeft. De eerste zet op dit diplomatieke schaakbord was, dat Engeland en Pruisen Zweden tegen Rusland opstookten. Daarvoor was niet veel noodig. Koning Gustaaf†III, die zijn land uit een toestand van anarchie, waarin het evenals Polen dreigde te gronde te gaan, had gered, wilde niets liever dan een oorlog tegen Rusland, die hij meende, dat nationaal zou kunnen zijn. Veel afleiding verschafte dit Turkije niet, want Rusland had slechts een klein deel zijner krachten tegen Zweden noodig en Gustaaf†III, weldra inziende, hoe weinig hij vermocht, tevens begeerig aandeel te nemen in het bestrijden der pas begonnen Fransche revolutie, sloot reeds in 1790 vrede. Maar andere en betere afleiding was er ook. Een opstand brak uit in Hongarije en tegelijk in BelgiÎ, beide gericht tegen het binnenlandsche regeeringsbeleid van den vorst, die daardoor in eigen land de handen vol werk kreeg. Het was een ernstige crisis, waarin Oostenrijk toen verkeerde--en te midden daarvan (Febr. 1790) stierf Jozef†II. Zijn broeder en opvolger, Leopold†II, brak in bijna elk opzicht met zijne politiek, onder anderen door zoo spoedig mogelijk vrede te sluiten met Turkije. Dit geschiedde ook onder invloed van de steeds dreigender houding van Pruisen, dat zich in 1790 openlijk met de Porte en zelfs met Polen verbond, en--van de Fransche revolutie, met hare voor het oude Europa wonderbaarlijke verrassingen, die begrijpelijkerwijze de aandacht der mogendheden begonnen te trekken. Het was een schamele winst, waarmede Leopold†II zich bij den vrede van Sistowa (1797) met Turkije tevredenstelde; de stad Oud-Orsowa, van beteekenis wegens de nabijheid der IJzeren Poort, en eenig grondgebied aan de Oena, een zijrivier van de Sau.

Rusland zette alleen den oorlog voort en behaalde in 1790 en 1791 nog verschillende voordeelen, maar in het begin van het volgende jaar sloot het ook vrede en alweÍr op voor Turkije niet bijzonder bezwarende voorwaarden. Het waren ditmaal de Poolsche zaken, die de aandacht van Catharina†II eischten, want in Polen was na 1773 een nationale beweging ontstaan, die den inwendigen toestand geheel dreigde te veranderen: dit moest verhinderd worden, meende de Russische vorstin, en vooral was zij van die opinie, toen de Polen een constitutie maakten, waarin een groot aantal misbruiken opgeruimd werden. Turkije profiteerde er bij; bij den vrede van Jassy verloor het alleen Otsjakov en het land tusschen Boeg en Dnjestr, terwijl Rusland al de overige veroveringen teruggaf en ook geen andere indirecte voordeelen bedong, behalve die in de opnieuw bevestigde vroegere verdragen neergelegd waren (1792).

We komen aan den tijd der Fransche revolutie en aan den man, die haar heeft weten te beheerschen, Napoleon. Geheel Europa in rep en roer. Overal diepingrijpende staatkundige en maatschappelijke veranderingen. Maar Turkije blijft er buiten; alleen de loop der omstandigheden brengt het soms eventjes in den maalstroom, die toen Europa meesleurde. Inwendig heeft het van de lessen der revolutie, die in vele landen een gezonder politiek leven deden ontstaan, gansch geen nut getrokken. En toch was er een sultan, Selim†III (1789-1807), zoon van Moestafa†III, die energieker was dan al zijn voorgangers in de achttiende eeuw en die ook wel aan hervormingen dacht, maar alleen aan die op militair gebied. Hij wilde van het oude Turksche leger, dat, zooals we zagen, reeds gedeeltelijk hervormd was, een geheel nieuw leger maken, waarin de oude corpsen zouden worden opgelost. Toen hij, gesteund door Fransche officieren, dit plan ernstig aanvatte, gebeurde, wat te verwachten was: een hevig oproer van de oude corpsen, bang voor hunne voorrechten, ontstond en Selim†III werd afgezet (1807). Een zoon van Abdoel-Hamid, Moestafa†IV, werd sultan gemaakt en regeerde op de oude wijze voort. Maar nu bleek, dat de hervormingsgezinden talrijker waren dan vroeger. Nadat Moestafa ruim een jaar geregeerd had, ontstond een tegenrevolutie onder leiding van Moestafa den BaraÔktar, d.i. den Standaarddrager, die Selim†III weÍr op den troon wilde plaatsen. Maar Selim werd tijdens het oproer vermoord door Moestafa†IV, die echter toch afgezet werd. En nu werd Mahmoed†II sultan, broeder van Moestafa, door zijn neef Selim†III geheel voor diens hervormingen gewonnen. Ook hij wilde die ten uitvoer leggen, maar een derde oproer (1809), nu weÍr van de Janitsaren en de hunnen, noodzaakte hem zijne plannen tot een meer geschikten tijd uit te stellen.

Het is niet de schuld van Turkije geweest, dat Napoleon dit land tamelijk wel ongemoeid gelaten heeft [2336]; het was de schuld van de voortdurende oorlogen, die de groote man elders te voeren had. Was zijn ideaal om een tocht naar AziÎ te ondernemen, waartoe het plan meermalen opgeworpen is, tot uitvoering gekomen, ongetwijfeld zou Turkije er slecht bij gevaren zijn. Hoe weinig hij zich om de Porte bekommerde, bleek reeds in het begin van zijn loopbaan, toen hij zijn tocht naar Egypte, dat een deel van het Turksche rijk heette te zijn, ondernam. En wel terecht ontzag hij de regeering van den sultan niet. Alleen de Mamelukken boden hem tegenstand, toen hij te AlexandriÎ geland was en naar Cairo oprukte (1798); van hun souverein kregen zij niet den minsten steun. Engelsche invloed te Constantinopel was noodig om den sultan tot een oorlogsverklaring aan Frankrijk te brengen; het was een Engelsche vloot, die de Fransche op de Egyptische kust, bij Aboekir, vernietigde en die er later het meest toe bijdroeg om St. Jean d'Acre, door Napoleon op zijn tocht naar SyriÎ belegerd, te verdedigen. Op Engelsche schepen werd een Turksch leger naar Egypte gebracht, maar dit leger vermocht niets; het werd onmiddellijk na de landing door Napoleon uit elkander gejaagd. En toen Napoleon in 1799 naar Frankrijk teruggekeerd was, zijne troepen in Egypte achterlatende, brachten de Engelschen er het meest toe bij, om de Franschen twee jaar later te dwingen Egypte te ontruimen.

Nadat deze kwestie aldus uit den weg geruimd was en de vrede tusschen Frankrijk en de Porte geteekend (1802), zag de Turksche regeering er volstrekt geen bezwaar in met Napoleon in zeer vriendelijke verstandhouding te leven. Zoolang Napoleon Rusland als vijand tegenover zich had, behandelde hij de Porte met alle consideratie. Daardoor werd de Fransche invloed te Constantinopel tijdelijk zeer groot en verdrong er dien van Engeland te gemakkelijker, omdat dit laatste land in den strijd tegen Napoleon met Rusland verbonden was. Rusland met czaar Alexander†I aan het hoofd begon in 1806 opnieuw een oorlog tegen Turkije. Dat was een gevolg van besprekingen tusschen de Russische en Oostenrijksche regeeringen over een nieuwe smaldeeling van het Turksche rijk, waarop ook Oostenrijk, door Napoleon het meest van alle mogendheden gehavend, zeer gesteld was. Toch tastte keizer Frans †I niet door, toen Alexander den aanval deed, vooral met het doel om de Donauvorstendommen te veroveren; wel begunstigde Engeland, begeerig Rusland als bondgenoot te behouden, Rusland's eischen te Constantinopel. Zoo waren ook in Zuid-Oost-Europa de verhoudingen door vrees voor Napoleon omgekeerd! Een Engelsche vloot forceerde de Dardanellen, bedreigde Constantinopel. De Franschen droegen veel tot de verdediging bij: SÈbastiani, de Fransche gezant, gesteund door de te Constantinopel aanwezige landgenooten, hielp krachtig om de stad in staat van tegenweer te brengen. De Engelsche admiraal Duckworth ondernam echter den aanval niet en de Russen, die in 1806 de Donauvorstendommen reeds zoo goed als geheel hadden bezet, moesten nog in datzelfde jaar terug om Pruisen, dat met Napoleon in oorlog geraakt was, te steunen.

Het einde van dien oorlog, de vrede van Tilsit, had ook voor Turkije belangrijke gevolgen. Te Tilsit hadden Alexander†I en Napoleon een nauw verbond gesloten, om samen, de ÈÈn in Oost-, de ander in West-Europa, te heerschen. De vriendschappelijke gezindheid van Napoleon voor Turkije was uit, want wie Rusland tot bondgenoot had, moest Turkije als vijand beschouwen; nu groeide weer de Engelsche invloed bij de Porte. Gevaarlijke plannen voor Turkije werden tusschen de nieuwe bondgenooten besproken; het ging weer om de verdrijving der Turken uit Europa, om de verdeeling van het Balkan-schiereiland. Maar er was ÈÈn bezwaar, dat onoverkomelijk bleek: Napoleon wilde Constantinopel en de Dardanellen niet aan Alexander beloven en dit twistpunt werd op den duur ÈÈn der oorzaken van de verwijdering tusschen de beide keizers. De kwestie werd vooral besproken op het congres van Erfurt (1808), maar men kwam niet verder dan dat Napoleon, hoewel tegen zijn zin, maar beziggehouden door andere aangelegenheden en daarom niet kunnende weigeren, er in toestemde, dat de Donauvorstendommen Russisch zouden worden. Eerst trachtte Napoleon de Porte te bewegen ze bij minnelijke schikking aan Rusland af te staan, maar dit mislukte. Opnieuw bezette Rusland nu de landen der Roemenen, en voor het eerst kwam een Russisch leger den Donau over, waarna in Boelgarije enkele veroveringen gemaakt werden. Geen mogendheid kwam Turkije te hulp: wel sloot het een verbond met Engeland, maar werkelijken steun kreeg het ook van dit land, dat de handen vol had in den altijd voortdurenden oorlog met Napoleon, niet. Het was Napoleon zelf, die ditmaal de Turken uit den nood redde. Zijn tocht naar Rusland in 1812 dwong Alexander †I al zijne troepen naar het Noorden te trekken en vrede te zoeken met Turkije. Ditmaal werd die, onder begunstiging van Engeland, gesloten te Boekarest (1812); het land tusschen Dnjestr en Proeth, BessarabiÎ, kwam aan Rusland; GeorgiÎ en MingreliÎ in den Kaukasus, nooit anders dan losjes verbonden aan Turkije, werden nu geheel buiten Turkschen invloed geplaatst en geraakten tengevolge daarvan spoedig onder den Russischen.

Het einde van den Napoleontischen tijd kwam in 1815. Wat zou de nieuwe aera voor Turkije brengen? Er is in de negentiende eeuw in de verhouding van het overige Europa tot de Porte dit verschil op te merken, dat meerdere mogendheden in de lotgevallen van het Turksche rijk belang gingen stellen. Was het in de zeventiende eeuw vooral Oostenrijk, in de achttiende Oostenrijk en Rusland, waarmede Turkije te maken had, nu had ook Engeland zijne aandacht leeren wijden aan wat er op politiek gebied in Zuid-Oost-Europa voorviel en natuurlijk bleef Frankrijk er naar streven zijn invloed te Constantinopel uit te oefenen, zooals het reeds zoo dikwijls gedaan had. Met die belangstelling van alle groote mogendheden--alleen Pruisen bekommerde zich om die aangelegenheden toen weinig; het liep als trouw bondgenoot van Oostenrijk geheel aan den leiband van den Oostenrijkschen kanselier Von Metternich--kreeg de Turksche kwestie een geheel ander aanzien. Een kwestie noemde men het nu en met recht, want, al waren allen het er over eens, dat gegeven de innerlijke zwakheid van de Sultansregeering, de toestand op het Balkan-schiereiland op den duur niet zÛÛ kon blijven als hij was, over de wijze, waarop veranderingen waren aan te brengen, bestond grootelijks verschil van opinie. Iedere stap, die ÈÈn der mogendheden tegenover de Porte deed, werd door de anderen met de grootste opmerkzaamheid en argwaan gevolgd. Vooral Rusland voer daar slecht bij. Het was duidelijk, dat het slechts op een geschikte gelegenheid wachtte, om een grooten slag te slaan, maar dit werd nu veel moeilijker dan in de achttiende eeuw, want Engeland, dat in AziÎ de groote tegenstander van het Czarenrijk geworden was, zou dit niet meer dulden. ZÛÛ teer was de zaak reeds, dat men haar op het Weener Congres, waar Napoleon's politieke erfenis geregeld werd, onaangeroerd liet.

Maar er is nog een ander groot verschil tusschen de achttiende en de negentiende eeuw ten opzichte van Turkije. Hadden Rusland of Oostenrijk of beide mogendheden samen in de achttiende eeuw in ÈÈn hunner oorlogen tegenover de Turken kunnen doortasten, waren ze niet steeds door min of meer toevallige omstandigheden daarvan afgeleid geworden, zij zouden waarschijnlijk zonder veel moeite hunne heerschappij over de in het Balkan-schiereiland wonende Christelijke volken voor de Turksche in de plaats hebben kunnen stellen. Nu het echter zoo lang duurde en toch de zwakheid der Turken aanhoudend duidelijker werd, kregen die volken gelegenheid de vraag van geheele onafhankelijkheid voor zich te overwegen en het bewustzijn, dat geheel vrij te worden voor hen in de toekomst lag, kwam vooral op, toen door de Fransche revolutie overal het woord vrijheid weerklank vond. Ook Rusland had die neiging aangewakkerd, met een bijbedoeling: het zou het protectoraat over de "vrije volken" krijgen, maar--het zou weldra blijken--die volken bedoelden het anders.

We vermeldden reeds, dat het optreden der Russen tegenover Turkije in de achttiende eeuw enkele nationale bewegingen deed ontstaan: zoo vooral onder de Roemenen, wier toestand echter ten slotte in hoofdzaak dezelfde was gebleven; alleen had Rusland bij een afzonderlijk verdrag van 1802 gedaan weten te krijgen, dat de hospodars voor den vasten tijd van zeven jaar zouden worden benoemd en dat niet ieder oogenblik nieuwe zouden optreden, terwijl Rusland een zeker toezicht op het bestuur kreeg. Een eerste opstand, die voorloopig succes had, kwam voor onder de Boelgaren (1798), merkwaardig genoeg onder leiding van een Slavischen Muzelman Pashvan-Oghloe, dapper krijgsman en uitstekend aanvoerder, dien de Porte niet heeft kunnen overwinnen. Maar na zijn dood in 1807 werden de Boelgaren onderworpen; voor hen was de tijd nog niet gekomen.

Ernstiger was de opstand van de ServiÎrs in 1804, want deze was zuiver nationaal. Vooral de geweldenarijen der Janitsaren te Belgrado waren de aanleiding. Zelfs vele Turken deden eerst uit weerzin tegen die aanmatigende krijgslieden aan den opstand mede. Maar, toen de Janitsaren uit Belgrado verjaagd waren en de ServiÎrs bemerkten, wat ze vermochten, toen keerden ze zich tegen alle Turken en vormden zich een eigen regeering. EÈn hunner leiders, Kara Georges--evenals de andere leiders behoorende tot een soort Servischen landadel, iets aanzienlijker van stand dan de meeste Servische landbouwers--kwam aan het hoofd; een skoeptchina, volksvergadering, stond hem ter zijde. ServiÎ dacht zich al vrij, maar toen Alexander†I, onder wiens bescherming het zich geplaatst had, na den vrede van Boekarest, waarbij hij voor ServiÎ amnestie en eigen bestuur had bedongen, zijne troepen uit het Balkanschiereiland teruggetrokken had, kwam het Turksche leger onder Koerchid-pacha. Kara-Georges moest vluchten, ServiÎ zich onderwerpen (1813). De ServiÎrs echter, die nu eenmaal de vrijheid gevoeld hadden, kwamen reeds het volgende jaar opnieuw in verzet. Nu werd Miloch Obrenovitch, een ander landedelman, de leider en de strijd eindigde met eenig succes: in 1814 stond de Porte aan de ServiÎrs eenige voorrechten toe, waardoor ze in geringe mate invloed op het bestuur van hun land kregen. Maar de toezegging, door den sultan bij den vrede van Boekarest gedaan, was nog lang niet vervuld.

Roemenen, Boelgaren, ServiÎrs begonnen--was het wonder, dat het ook onder de Grieken gistte? Min of meer in het geheim werkende genootschappen, als de hetairie der "philikoi", onder bescherming van Alexander†I in Rusland gevestigd, als de Philomuzen, die in de studie der Grieksche oudheid een uitnemend agitatie-middel vonden, bewerkten hen sedert lang. De opstand begon in 1821. De laatste stoot er toe werd gegeven door de in 1820 en 1821 in alle Zuid-Europeesche landen uitbrekende revolutiÎn, gericht tegen de na Napoleon's val ingetreden reactie op staatkundig gebied. Die beweging liep in Spanje en de Italiaansche staten op niets uit, want de heilige alliantie, een werktuig in Metternich's hand, kwam voor het behoud der bestaande regeeringen op. Hoe zou het in Griekenland gaan? Het was een veeg teeken, dat Alexander†I, die den Grieken vroeger vele bewijzen van sympathie gegeven had, juist in dezen tijd geheel onder Metternich's invloed geraakte en de liberale gezindheid, die hij wel eens placht te toonen, geheel had afgelegd. De schadelijke gevolgen daarvan ondervond Alexander Ypsilanti, zoon van een vroegeren Griekschen hospodar van Walachije, die uit Turkije had moeten vluchten en aan het Russische hof opgenomen was, evenals verschillende andere Grieksche ballingen. Hij was het hoofd der hetairie en hij begon den opstand door van uit Rusland met een kleine schaar een inval te doen in de Donauvorstendommen. Maar hij kreeg er niet den minsten steun, want de Roemenen waren verbitterd op de Russen Ën om het wegnemen van BessarabiÎ Ën om den zwaren druk, tijdens de Russische bezetting in de Donauvorstendommen uitgeoefend. Ypsilanti moest vluchten, werd in Hongarije gevangen genomen en in Oostenrijk als oproerling opgesloten, zonder dat Alexander†I een vinger voor hem uitstak.

Toch hebben zijn inval en een door hem uitgevaardigde proclamatie den opstand in Griekenland zelf doen uitbreken en eerst met groot succes. De Turken werden juist elders beziggehouden: een handig man, pacha Ali van Janina of ook wel Ali van Tebelen genoemd naar zijne geboorteplaats, had zich in AlbaniÎ een zeer groote autoriteit weten te verschaffen en gedroeg zich zoo goed als onafhankelijk van den sultan en juist, toen deze daaraan een einde wilde maken en Turksche troepen in AlbaniÎ vochten, begonnen de Grieken hun opstand. Reeds in 1822 kon te Epidauros een nationale vergadering bijeenkomen, waar de Grieken hun land vrij verklaarden en een republikeinschen staatsvorm aannamen. Daarna begonnen echter de moeilijkheden pas: hevige twisten, burgeroorlog zelfs tusschen de door hun handel meer met Europa in betrekking staande en daardoor meer geciviliseerde kooplieden, die vooral op de eilanden en in enkele steden op het vasteland woonden, geleid door Mavrocordato, en het ruwe landvolk, de klephten, die uit den band sloegen en weinig wilden weten van een geregelden toestand op Europeeschen voet. En onmiddellijk na het onderwerpen van Ali van Janina kwam het Turksche leger onder Koerchid-pacha. Wel mislukte diens eerste aanval om den opstand te dempen (1823), maar toen daagde een ernstiger vijand op: Mehemet-Ali. Deze avonturier, geboortig uit een plaatsje in de buurt van Saloniki, had het vertrouwen van den sultan gewonnen en was door dezen erkend als onderkoning van Egypte (1805), waar hij, vooral na het vernietigen van de Mamelukken (1811), een groote macht kreeg en spoedig de allures aannam van een geheel zelfstandig vorst te zijn. Hij had een degelijke krijgsmacht gevormd, naar Fransch voorbeeld ingericht, en hij trachtte langs allerlei wegen Egypte tot bloei te brengen. Tot hem nu wendde Mahmoed†II zich om steun tegen de Grieken, evenals hij vroeger gedaan had bij een opstand van een godsdienstige secte, de Ouahabiten in ArabiÎ, die ook werkelijk door Mehemet's zoon Ibrahim bedwongen was. Tegen belofte van afstand van Creta, terwijl zijn zoon gouverneur van den Peloponesus zou moeten worden, voldeed Mehemet aan het verzoek van zijn suzerein. Hij zelf onderwierp Creta, waar de Grieksche bevolking ook de Turksche heerschappij afgeworpen had, en Ibrahim trok naar den Peloponesus, waar hij weldra aan den opstand zoo goed als geheel een einde maakte (1825). Vereenigd met Rechid-pacha, den nieuwen bevelhebber van het Turksche leger, die in het Noorden den opstand grooten deels gedempt had, ondernam hij het beroemde beleg van Missolonghi, dat na een heldhaftige verdediging in 1826 viel en op een gruwelijke wijze uitgemoord werd. Ook Athene werd ingenomen....de Turken schenen geheel Griekenland weÍr te zullen overmeesteren.

Nu trad echter een verandering in de politiek der Europeesche mogendheden in, die voor de Porte noodlottig werd. Tot nog toe had Metternich, ofschoon niemand lust voelde de opstandelingen te helpen bestrijden, officieele ondersteuning van hen weten te voorkomen. Maar in 1825 stierf Alexander†I en zijn opvolger Nicolaas†I stond volstrekt niet onder de betoovering van de heilige alliantie. Onmiddellijk dwong hij Turkije bij het verdrag van Akkerman (1826) tot bevestiging van den vrede van Boekarest, die in enkele opzichten, b.v. in de bepaling aangaande ServiÎ, onuitgevoerd gebleven was. Weldra trad hij ook ten gunste van de Grieken op, daarbij gesteund door Engeland, waar zeer veel sympathie voor het Hellenisme was en waar de regeering onder leiding van Canning de voordeelen inzag, politiek en commercieel, die Engeland zich door partij te kiezen voor de Grieken zou kunnen verwerven, en ook door Frankrijk. Het was vooral een gevolg van de philhellenistische beweging (die door alle landen van Europa ging, een dichter als Byron naar het oorlogsveld dreef en die in Frankrijk buitengewoon sterk was), dat de reactionnaire regeering van koning Karel†X een opstand ging begunstigen; de ergerlijke wreedheden, door de Turken in de opwelling van hun fanatisme bedreven, zooals het ophangen van den patriarch te Constantinopel zonder vorm van proces en de uitmoording van de bevolking van het eiland Chios en van Missolonghi hebben die beweging zeer in de hand gewerkt. De drie mogendheden dan verbonden zich (1827), om Turkije tot een wapenstilstand te brengen. De Porte was niet van zins hiernaar te luisteren. Een geallieerde vloot trad toen met geweld op in de baai van Navarino en vernietigde daar zonder veel moeite de Turksch-Egyptische zeemacht. Toen was het pleit spoedig geheel ten gunste van de Grieken beslist. Ofschoon in Engeland na Canning's dood een meer reactionnair ministerie optrad, dat het optreden van den Engelschen admiraal bij Navarino feitelijk desavoueerde, tastten Rusland en Frankrijk door en de Porte kreeg van geen kant steun; ook niet van Oostenrijk, dat haar daarop had doen hopen. Fransche troepen verdreven de Turken uit den Peloponesus, vanwaar Ibrahim zich teruggetrokken had; een Russisch leger onder Diebitsj trok over den Balkan en bezette Adrianopel (1829). Dit had een ontzettenden invloed te Constantinopel: Hannibal ante portas! en, al verkeerde het leger van Diebitsj in buitengewoon slechten staat, de sultan gaf zich onmiddellijk gewonnen. De vrede van Adrianopel bracht Griekenland zijne vrijheid op den grondslag van een door de mogendheden te Londen opgesteld protocol. De grenzen werden in het Noord-Oosten de golf van Volo, in het Noord-Westen de Aspropotamo; de Cycladen en Euboea behoorden er bij. Niet geheel oud-Griekenland werd dus vrij; vooral het ontbreken van ThessaliÎ en het eiland Creta wekte veel teleurstelling. Door toedoen van de mogendheden werd Griekenland in 1832 een koninkrijk onder Otto, zoon van koning Lodewijk van Beieren; de grens werd toen in het Noord-Westen uitgebreid tot de golf van Arta. De binnenlandsche toestand liet er van den beginne af veel te wenschen over; de verwachtingen op een renaissance van het geestelijk leven werden deerlijk teleurgesteld. Kon het anders na een geschiedenis, als die het oude van het nieuwe Hellas scheidde?

Voor Turkije had het einde van dezen oorlog meerdere onaangename gevolgen. Rusland eischte bij den vrede van Adrianopel een belangrijke schadeloosstelling in geld en afstand van de eilanden in de Donau-monding plus verschillende plaatsen in AziÎ, waaronder Anapa en Poti in Trans-KaukasiÎ. De vervulling van de belofte ten opzichte van ServiÎ kon nu onmogelijk langer worden uitgesteld en in 1830 kreeg dit land zijne autonomie en zijn eigen leger; Turkije hield alleen suzereine rechten en kreeg een jaarlijksche schatting, Turksche troepen bleven in Belgrado. Miloch Obrenovitch, na den opstand van 1814 steeds het hoofd der ServiÎrs, werd hun eerste vorst. Verder werden de Donauvorstendommen meer onafhankelijk van Turkije. Uit eigen beweging had de Porte hun als belooning voor het niet opstaan tijdens den inval van Ypsilanti landgenooten tot hospodars gegeven (1822). Bij het verdrag van Akkerman eischte Nicolaas†I ontruiming der beide landen door de Turksche troepen, zooals de Porte dit vroeger beloofd had, en bevestiging van zijn officieelen invloed. Te Adrianopel bedong hij geheele autonomie; voortaan zouden ook de Donauvorstendommen alleen schatting aan den sultan betalen, maar--ze bleven voorloopig door Russische troepen bezet en die maakten het er even bont als vroeger de Turksche. Krachtig diplomatiek optreden van Oostenrijk en Engeland was noodig om de Russen in 1834 te noodzaken hunne troepen terug te trekken. Toen pas konden de Roemenen van hunne autonomie genieten en weldra ontstond hun streven naar geheele onafhankelijkheid zoowel van Turkije als van Rusland. En nog een deel van Turkije rukte zich los: het eiland Samos, dat aan den Griekschen opstand meegedaan had, maar weÍr onderworpen was, werd door toedoen van de mogendheden ook een autonoom staatje met dergelijke verplichtingen als ServiÎ en de Donauvorstendommen (1832).

Daarbij kwam weldra de twist met Mehemet-Ali, ook al een indirect gevolg van den Griekschen vrijheidsoorlog. De onderkoning van Egypte eischte, nu de Peloponesus voor hem verloren gegaan was, SyriÎ als schadeloosstelling. Mahmoed†II weigerde. Ibrahim rukte op met het Egyptische leger, nam SyriÎ in bezit, trok naar Klein-AziÎ en versloeg Rechid-pacha bij Konieh. WeÍr naderde een vijand de poorten der Turksche hoofdstad, maar ook de Russen kwamen weer, nu als vrienden van den sultan, wien Nicolaas zijn steun aangeboden had, niet geheel belangeloos natuurlijk, maar uit vrees, dat Mehemet heerscher te Stamboel worden zou. Wat zou er met een frissche kracht aan het hoofd van het Turkenrijk niet kunnen gebeuren! Russische troepen bezetten Constantinopel en Skoetari en daarvoor deinsde Ibrahim terug. Toch kreeg Mehemet bij het verdrag van Koetajeh SyriÎ (1832); de mogendheden, vooral Frankrijk, hadden dit te zijnen gunste bewerkt. En Rusland? Bij het verdrag van Oenkiar-Skelessi sloot het met de Porte een of- en defensief verbond: Rusland zou den sultan, als 't noodig was, altijd te hulp moeten komen; Turkije zou, ingeval Rusland aangevallen werd, alleen maar de Dardanellen behoeven te sluiten; deze zonderlinge overeenkomst werd aangegaan voor den tijd van acht jaar. Het behoeft geen betoog, dat Turkije hiermede feitelijk geheel van Rusland afhankelijk werd, maar evenmin, dat de andere mogendheden er zich niet bij neerlegden.

De gelegenheid om het verdrag op de proef te stellen, deed zich spoedig voor. De sultan en zijn Egyptische vasal kregen in 1839 opnieuw ruzie. De aanleiding was nu, dat Mehemet, die bovenal sympathie voor Frankrijk had, weigerde een handelsverdrag tusschen Turkije en Engeland met voor dit land zeer gunstige voorwaarden ten uitvoer te leggen. Opnieuw overwon Ibrahim, nu bij Nezib, in SyriÎ, waar de Turken onder Hafiz een zeer ernstige nederlaag leden. Wat nu? Zou Rusland opnieuw den sultan te hulp komen? Ja, maar niet alleen; dat duldden de andere mogendheden, vooral Engeland, niet. Allen gingen zich met de zaak bemoeien en wel ten gunste van de Porte; het Fransche volk alleen toonde groote sympathie voor Mehemet-Ali, maar de regeering weigerde de wapenen voor hem op te nemen. Verbonden stelden de vier mogendheden: Rusland, Engeland, Oostenrijk en Pruisen--Frankrijk was met opzet buiten deze quadruple-alliantie gelaten--aan Mehemet-Ali den eisch SyriÎ te ontruimen, om hem te straffen voor zijn optreden tegen den sultan; Egypte zou hij dan als erfelijk leen mogen behouden. Mehemet aarzelde, wat hem nog het bezit van Acre en omstreken, die hem eerst gelaten zouden worden, kostte. Toen, bevreesd voor het behoud van Egypte, dat Engeland hem liefst meteen ook ontnomen zou hebben, gaf hij toe (1841) en daarmede was zijn verdere rol uitgespeeld. Voor Rusland was de afloop niet zoo voordeelig als in 1832. Het verdrag van Oenkiar-Skelessi, waarvan de termijn in 1840 verstreken was, werd niet hernieuwd en verviel dus. Daarentegen moest het toestemmen in een overeenkomst met de andere groote mogendheden, het verdrag der Dardanellen geheeten, waarbij deze doorvaart tot neutraal gebied verklaard werd. Dit was een eerste stap tot een officieele garantie van de integriteit van het Turksche rijk, een keerzijde van het verdrag van Oenkiar-Skelessi. Voor Nicolaas†I een groote teleurstelling, hem berokkend vooral door den Engelschen minister Palmerston.

Welk een droevig figuur maakte onder dit alles de Porte! Zij leefde alleen nog bij de gratie der mogendheden of liever ten gevolge van dier onderlinge verdeeldheid. Toch was eindelijk de lang begeerde hervorming op militair gebied doorgevoerd geworden. Sultan Mahmoed †II was er in 1826 in geslaagd het Janitsaren-corps te vernietigen; dit was wel een oorzaak van zwakheid te meer geweest in het laatste deel van den Griekschen oorlog, maar op den duur kon nu toch het leger een nieuwe inrichting krijgen. Andere bezwaren maakten, dat dit voor den algemeen toestand weinig hielp. Hoe zou men een flink leger kunnen onderhouden, waar de noodige gelden om het te betalen en van het noodige te voorzien ontbraken? De financiÎn waren door lang wanbeheer geheel in verwarring. Er was niet de minste contrÙle, er ontbrak een budget. Belastingpachters en gouverneurs der provinciÎn zorgden er wel voor, dat er van de opbrengsten heel weinig in de schatkist kwam. Geldgebrek begon het chronische euvel te worden van de eens zoo rijke sultans. En ondertusschen nam in alle deelen van het rijk, vooral waar Christenen woonden, de ontevredenheid met den dag toe. Slechte rechtsbedeeling, afpersingen en andere geweldenarijen werden te onverdraaglijker, nu er ook voor de nog onderworpenen kans op bevrijding bestond. Toch zag het gros der eigenlijke Turken de teekenen des tijds niet. Een onbegrijpelijk phlegmatiek volk! Het rijk barstte aan alle kanten om hen heen en toch bewogen zij zich niet om op verandering van koers aan te dringen. Wel grooter woede tegen de Christenen, die ze als hun doodvijanden gingen beschouwen en waartegen ze zich steeds meer onmenschelijkheden veroorloofden, natuurlijk met het gevolg, dat hun reputatie in Europa heel slecht werd, een bedenkelijk feit, nu juist meer en meer belangstellenden den gang van zaken in hun rijk volgden.

Enkelen slechts waren er, die begrepen, dat grondige hervormingen in de geheele regeering alleen baat zouden kunnen brengen. Onder die enkelen was Rechid-pacha, groot-vizier van sultan Abdoel-Medjid, zoon van Mahmoed†II (deze was vlak na den slag bij Nezib gestorven). Hij wist zijn heer tot een besluit over te halen, dat bekend is onder den naam van Tanzimat [2337] en inderdaad groote verbeteringen in zich sloot: een rechtvaardig bestuur voor en bescherming van alle onderdanen; betere regeling van belastingheffing en militaire verplichtingen; openbaarheid van de rechtspraak. Een reeks van schoone beloften, maar de uitvoering bleef grootendeels achterwege, want de tegenstand van de belanghebbenden bij het behoud van den ouden toestand was zÛÛ krachtig; dat de zwakke Abdoel-Medjid in 1841 een anderen groot-vizier nam, Riza-pacha, die van harte met de oud-Turken, zooals de conservatieven op den duur genoemd worden, sympathiseerde. Eerst in latere jaren heeft Rechid-pacha, toen hij nogmaals groot-vizier werd (1846-1852), ten minste in enkele opzichten eenige verbetering aangebracht. Voor het leger kwam conscriptie in plaats van gedwongen dienstneming. Aan het onderwijs werd meer zorg besteed. Op belastinggebied werd aan de willekeur der pachters paal en perk gesteld. Maar wat zal een enkeling, met hoe goeden geest bezield, tegen een algemeen slechten geest?

Toch waren de partiÎele hervormingen van Rechid-pacha voldoende om de onrust op te wekken van keizer Nicolaas†I, die evenmin een opleving van Turkije wenschte als vroeger Catharina†II die van Polen. Bovendien bleek het Turksche leger werkelijk betere hoedanigheden te verkrijgen en in staat om verdere opstanden te bedwingen. Zoo reeds in 1848, toen als gevolg van de Februari-revolutie in Frankrijk een oproer in de Donauvorstendommen uitbrak, die zich geheel onafhankelijk wilden maken; dit oproer werd door Rusland en Turkije samen gedempt: de Donauvorstendommen verloren toen weer hun in 1829 verkregen recht om zelf hospodars te kiezen; Rusland en Turkije zouden dit voortaan samen voor hen doen. Maar vooral duidelijk werd de hoogere vechtwaarde der Turksche troepen, toen ze in 1849 en 1851 gebruikt werden onder leiding van een energiek aanvoerder Omer-pacha om opstanden in BosniÎ en Boelgarije, waarschijnlijk door aanstoken van Rusland uitgebroken, te dempen, wat uitstekend en zonder vele wreedheden gelukte. Ook in deze streken scheen daarna de invoering van enkele hervormingen overeenkomstig de Tanzimat een betere toekomst te voorspellen. Het plan van Nicolaas†I om de Turken uit Europa te verdrijven, reeds lang bestaande en waarvoor hij, om de Engelsche regeering te winnen, in 1844 een vruchtelooze reis naar Engeland ondernomen had, heeft ongetwijfeld ten gevolge daarvan een vasteren vorm aangenomen. Nogmaals had hij in 1853 de Engelsche regeering doen polsen over een oplossing van het Turksche vraagstuk, maar weer had deze geweigerd hem te helpen den "zieken man" uit den weg te ruimen.

Daarop tastte Nicolaas, die na de gebeurtenissen van 1848, toen hij den Oostenrijkschen keizer had geholpen bij het bedwingen van een opstand in Hongarije, van Oostenrijk en dus ook van Pruisen niets te vreezen meende te hebben, alleen door. Hij zocht een voorwendsel tot oorlog en daartoe diende de zending van een buitengewoon gezant Mentsjikoff. Er hing sedert 1851 te Constantinopel een kwestie over de bescherming en het bezit der Heilige Plaatsen te Jeruzalem: kwam deze toe aan de Roomsch-Katholieken, beschermd door Frankrijk, of aan de Grieksch-Katholieken, beschermd door Rusland? Napoleon†III, toen nog president, weldra keizer van Frankrijk, had de kwestie opgerakeld om het aloude aanzien van de Fransche natie in het Oosten te herstellen, waar sedert het midden der achttiende eeuw enkele, sedert het begin der negentiende bijna alle heiligdommen door Grieksch-Katholieken bezet waren, wat tot herhaaldelijke moeilijkheden, tot gevechten zelfs, leidde. Hierdoor kwamen Rusland en Frankrijk, Nicolaas†I en Napoleon †III, toch geen beste vrienden, omdat de eerste den laatsten als een product der revolutie lang niet welgezind was, te Constantinopel in een scherp conflict. Mentsjikoff zette aan de Russische eischen kracht bij en vroeg tevens--dit laatste in het geheim--de bescherming over alle Grieksche Christenen in het Turksche rijk door Rusland. En nu volgde een ingewikkeld diplomatiek spel, waarin Stratford Canning, ambassadeur van Engeland bij de Porte en een man van grooten invloed, Mentsjikoff op uiterst handige wijze noodzaakte er voor uit te komen, waarom het hem vooral te doen was. De Turksche regeering, zich sterk wetende door den steun van Frankrijk en Engeland, wees den eisch aangaande het beschermingsrecht van de Grieksch-Katholieken onverbiddelijk af en Mentsjikoff, voor wien juist deze eisch, waardoor Rusland ten allen tijde een recht van inmenging in de Turksche zaken zou krijgen, de hoofdzaak was, wilde zich met niets minder dan volledige inwilliging al zijner eischen tevreden stellen. Hij nam na korten tijd afscheid en onmiddellijk daarna bezetten Russische troepen voor de zooveelste maal de Donauvorstendommen. Toen sloten Engeland en Frankrijk te Constantinopel een verbond met de Porte, waarbij zij beiden de integriteit van het Turksche rijk waarborgden, belovende het desnoods met de wapenen te zullen verdedigen, terwijl de sultan zich verplichtte tot het aanbrengen van afdoende hervormingen om den toestand der Christenen te verbeteren. Nog waren de onderhandelingen om een oorlog te voorkomen niet geheel afgebroken, toen een uitbarsting van fanatisme te Constantinopel den sultan dwong een oorlogsverklaring tegen Rusland uit te vaardigen (October 1853). Engeland en Frankrijk deden hun verbond gestand: ook zij verklaarden den oorlog en verplichtten zich tegenover elkander om geen vrede te sluiten dan gezamenlijk. Oostenrijk en Pruisen bleven buiten den oorlog, maar kozen om begrijpelijke redenen toch partij voor Engeland en Frankrijk: bij een overeenkomst te Weenen verklaarden zij zich solidair met de voorwaarden, door Engeland en Frankrijk met de Porte opgesteld. Actief nam later het kleine koninkrijk SardiniÎ deel aan den oorlog met de nevenbedoeling zich Napoleon's gunst te verwerven.

De oorlogsoperatiÎn begonnen in 1854, toen de Russen, bedreigd door de aanrukkende Turksche, Engelsche en Fransche troepen en bevreesd voor de inmenging van een op de grenzen samengetrokken Oostenrijksch leger, de Donauvorstendommen ontruimden; de Oostenrijkers bezetten die voorloopig als zoogenoemd neutrale partij. Gevochten was er zoo goed als in het geheel niet. Dit gebeurde eerst, toen de verbondenen besloten hun aanval te doen in de Zwarte Zee, beter geschikt voor oorlogsdoeleinden dan de Oostzee. In de Krim--de oorlog heet daarom de Krimoorlog--werd de groote tragedie uit dezen strijd afgespeeld. Het ligt buiten het bestek van dit overzicht om te vertellen van de heldhaftige verdediging van Sebastopol door de Russen of van het gruwzame lijden van de troepen der bondgenooten; eerst na een beleg van een jaar moest de stad zich overgeven en toen waren alle partijen vrijwel uitgevochten (1855). De inneming van Kars door de Russen vergemakkelijkte het sluiten van den vrede, waarover reeds lang onderhandeld werd. Dit gebeurde op een congres te Parijs (1856). Alle daar vertegenwoordigde mogendheden, d.w.z. de vijf groote en SardiniÎ, garandeerden de integriteit van het Turksche rijk: "elke handeling, die deze onschendbaarheid in gevaar zou brengen, zou beschouwd worden als een kwestie van Europeesch belang"; moeilijkheden tusschen ÈÈn der mogendheden en de Porte zouden, alvorens men naar de wapenen greep, onderworpen worden aan de bemiddeling der andere. De Dardanellenovereenkomst werd bevestigd en daarbij de bepaling gemaakt, dat Rusland noch Turkije oorlogsschepen of arsenalen in de Zwarte Zee zouden mogen onderhouden. Deze beide artikelen waren de belangrijkste; zij bevatten de volkomen overwinning van de Engelsche politiek in Zuid-Oost-Europa op de Russische. Verandering van grondgebied kwam er weinig: in AziÎ gaf Rusland zijne veroveringen terug; een deel van BessarabiÎ, ten Noorden van den Donaumond, werd bij MoldaviÎ gevoegd. Dit en Walachije werden ontslagen van Russisch-Turksche inmenging; zij kregen opnieuw geheele autonomie met erkenning van de suzereiniteit van de Porte.

De "zieke man" was gered van den ÈÈnen hardvochtigen dokter, die er een eind aan had willen maken. De andere doktoren, die zijn dood niet wenschten, gaven hem tevens heel welwillend de middelen aan de hand om den weg der beterschap op te gaan. Die middelen waren vervat in een door de Turksche regeering op aandrang der mogendheden uitgevaardigd besluit van Februari 1856. Het ging veel verder dan de Tanzimat van 1832. Volkomen staatsrechtelijke gelijkstelling van Christenen en Mohammedanen: genen kregen dus toegang tot alle ambten en de afzonderlijke belasting voor hen werd afgeschaft. Daarnaast een reeks hervormingen. Was het besluit uitgevoerd, een geheel andere toestand zou in het Turkenrijk ontstaan zijn, maar de afwijking van een sedert eeuwen gevolgde binnenlandsche staatkunde, berustende op den Koran, die de Mohammedanen tot een bevoorrechte klasse maakte, ging te ver. De Turken wilden er niet van weten, de Christenen, in het geheel niet belust op het dienen in een leger van den sultan, evenmin. Hoe zouden ook die twee klassen van bevolking, die altijd van elkander afgezonderd geleefd hadden, nu in eens burgers van een zelfden staat kunnen worden! Zoo bleef feitelijk de afscheiding voortduren en de Christenen bleven hun hoofdgeld betalen, hoewel onder een anderen naam en in een anderen vorm, n.l. als afkoopsprijs van militaire verplichtingen. Ook van de andere toegezegde hervormingen kwam weinig in. De beide mannen, die er hun best voor hebben gedaan, Fuad-pacha en Ali-pacha, die beide de Porte vertegenwoordigd hadden op het congres van Parijs, vonden weinig steun bij den sultan Abdoel-Asiz, die in 1861 zijn broeder Abdoel-Medjid opvolgde. Het was meest lapwerk, wat er gebeurde. Op financieel gebied gelukte het Fuad-pacha een grootboek van de nationale schuld te doen instellen en een Ottomansche bank op te richten. Maar het crediet van Turkije was zÛÛ laag, dat het 8 ‡ 12% moest betalen om geld te leenen! Ali-pacha bracht eenige Christenen in den staatsraad, zorgde voor een betere opleiding van ambtenaren, maar o! het gaf alles zoo bitter weinig. Hoe kon het anders met een padishah, die in een oogenblik van zelfinkeer besloot zijn geheelen harem op te heffen, wat een ontzettende bezuiniging gaf, maar wat later er weer een had van negen honderd vrouwen en drie duizend bedienden! En toen Fuad-pacha (1869) en Ali-pacha (1871) gestorven waren, toen triumfeerden de Oud-Turken over de heele linie. Hoe zonderling het moge schijnen, de mogendheden bleven toezien, zelfs toen een door hen ingestelde enquÍte van 1867 volop bewees, dat 1856 grootendeels vergeten was.

Maar wat moesten ze doen? De Turken er gezamenlijk uitjagen, maar wie dan in Contantinopel? Ze zaten in een impasse even goed als de Turken en de Christenen in hunne onderlinge verhouding. De eenig mogelijke verdere afwikkeling van het Balkan-vraagstuk lag in het steeds meer emancipeeren van de Christelijke bevolking. In die richting wilde Rusland werken, toen het na de enquÍte van 1867 den raad gaf de verschillende volkeren zooveel mogelijk autonoom te maken. Ofschoon de mogendheden een dergelijken leiddraad voor een algemeene politiek niet hebben aangenomen, is het Turksche rijk in Europa toch werkelijk in de tweede helft der negentiende eeuw in dien geest meer en meer verzwakt geworden. Rusland, natuurlijk met de bedoeling zich op deze wijze den meesten invloed te verzekeren, is daarbij min of meer openlijk de groote drijfkracht geweest en voorloopig ondersteunde ook Napeleon†III, voor wien het nationaliteitsbegrip een magische aantrekkelijkheid had, na den Krimoorlog deze politiek.

Montenegro heeft daarvan het eerst de goede gevolgen ondervonden. Het was voor de Porte, gegeven de roerigheid onder de Christenen van BosniÎ en Herzegowina, die ook onafhankelijkheidsneigingen vertoonden, van het grootste belang dit land meer te onderwerpen dan tot nog toe het geval geweest was. Het bedwingen van den opstand der BosniÎrs in 1851, die van uit Montenegro gesteund geworden was, gaf hiertoe een eerste aanleiding. De verandering van het in den vorm theocratisch bestuur, dat door een vorst-bisschop, vladika geheeten, werd uitgeoefend, in een wereldlijke regeering zonder toestemming van den sultan, die zich wel degelijk als suzerein beschouwde, deed de maat overloopen (1852). Met groote overmacht viel Omer-pacha het vorstendom aan, maar hij slaagde niet en Oostenrijksche pressie bewoog den sultan weldra de vijandelijkheden te staken, zonder dat zijn doel bereikt was. Na den Krimoorlog deden de Turken een nieuwe poging, maar nu leden zij een ernstige nederlaag bij Grahovo (1858), hun toegebracht door Mirko, broeder van den vorst Danilo. Het gevolg was, dat op aandrang van Napoleon†III een Europeesche commissie werd aangewezen, om de grenzen tusschen Montenegro en Turkije vast te stellen; daarmede werd dus feitelijk het kleine vorstendom geheel onafhankelijk. Nieuwe moeilijkheden kwamen, toen in 1861 Herzegowina, aangemoedigd door het succes der Montenegrijnen, in opstand geraakte. Weer konden de Montenegrijnen, ofschoon Mirko--Danilo was in 1860 vermoord--, die voor zijn zoon Nicolaas het regentschap voerde, de neutraliteit wilde bewaren, het niet nalaten de stamgenooten te ondersteunen. Nu was de uitslag bedenkelijk: Omer-pacha trok het vorstendom binnen en Mirko werd overwonnen; Montenegro moest toestemmen in enkele voorwaarden, waardoor de Turken het land voor militaire operatiÎn tot hunne beschikking kregen. Het was te danken aan het optreden van Frankrijk en Rusland, dat de sultan deze voorwaarden spoedig introk (1863). Herzegowina werd weer geheel onderworpen.

Werd Herzegowina geheel bedwongen, ServiÎ ontwikkelde zich rustig en verwierf ongemerkt een steeds grootere mate van vrijheid, vooral, nadat een eerste tijdvak van binnenlandsche onrust, gevolg van het autocratisch optreden van Miloch en van naijver tusschen zijn geslacht en dat van Kara-Georges, voorbij was. Miloch, van 1839-1858 verdreven, kwam na de afzetting van Alexander, den kleinzoon van Kara-Georges, als vorst in ServiÎ terug. Zijn zoon MichaÎl volgde hem in 1860 op volgens het erfelijkheidsbeginsel, dat het vorige jaar zonder toestemming van den sultan door de skoeptchina aangenomen was. Hij bewerkte, ook weer gesteund door Rusland en Frankrijk, de ontruiming van de citadellen in ServiÎ, die nog door Turksche troepen bezet waren. Na MichaÎls vermoording in 1869 en zijne opvolging door zijn neef Milan erkende de Porte de erfelijkheid van het koningschap in het huis Obrenovitch. Een Servische constitutie (1869) werd opgesteld, zonder dat men zich om des sultans toestemming bekommerde. Feitelijk was ServiÎ dus onafhankelijk en zoo was het ook met de Donauvorstendommen, waartusschen bovendien een samensmelting tot stand gebracht werd. Sedert 1859 hadden ze ÈÈn hospodar, sedert 1862 was Boekarest de hoofdstad. Het was ook Fransche en Russische invloed, die dezen gang van zaken in de hand werkte. Binnenlandsche moeilijkheden, die er tusschen de aanzienlijke geslachten meermalen ontstonden, trachtte men te bezweren door van RoemeniÎ--zoo heette de nieuwe staat--een koninkrijk te maken met een buitenlander, Karel van Hohenzollern, lid van de Katholieke tak van dit vorstenhuis, aan het hoofd (1866), die, gebonden aan een constitutie, de regeering zou voeren.

De rustige rust, die van 1862-1875 uiterlijk in het Turksche rijk heerschte--onderbroken alleen door een opstand op Kreta in 1866, dat aansluiting bij Griekenland wenschte, maar zijn wensch niet vervuld zag--, werd in 1875 op een heftige wijze verstoord. Het scheen, of de nog onderworpen Christenen nu allen tegelijk besloten hadden zich vrij te maken. BosniÎ en Herzegowina begonnen: hun bedoeling was aansluiting te bewerken bij de ServiÎrs, immers hunne stamgenooten. Boelgarije werd toen ook onrustig. Onmiddellijk bemoeiden de mogendheden zich met de zaak; vooral deden dit de drie keizers, die van Rusland, Oostenrijk en Duitschland, sedert 1871 door een entente met elkander verbonden. Frankrijk was nog niet hersteld van de hevige slagen, die het in den Fransch-Duitschen oorlog [2338] gekregen had, en kon daarom weinig invloed doen gelden; Engeland nam eerst een afwachtende houding aan. De drie keizers stuurden aan op hervormingen; zij wilden den opstand daardoor beÎindigen, bepaaldelijk, Oostenrijk, dat zeer ongaarne een groot Servisch rijk op zijne Zuidgrens zag ontstaan. De sultan gaf vele goede woorden; er werd onderhandeld over de beste middelen. Toen veranderde plotseling de toestand door de vermoording van den Duitschen en den Franschen consul te Saloniki, een uiting van fanatisme van de Turksche bevolking, en tegelijkertijd hadden ongehoorde wreedheden plaats in Boelgarije. Dit was het werk van Aziatische onderdanen van den sultan, door dezen losgelaten om aan het verzet onder de Boelgaren een einde te maken. "In enkele dagen gingen negen en zeventig dorpen in de vlammen op, vijftienduizend menschen minstens werden gedood, tachtigduizend waren dakloos" (1876).

Het geduld van de ServiÎrs en de Montenegrijnen, van den beginne af brandend van verlangen om de opstandelingen in BosniÎ en Herzegowina te hulp te komen, maar nog tegengehouden door de mogendheden, was uitgeput; zij begonnen den oorlog tegen Turkije (1876). Te meer werden zij daartoe aangespoord, omdat te Constantinopel de Oud-Turksche partij geheel de overhand kreeg: Abdoel-Asiz, beschuldigd van teveel deferentie aan de opstandelingen, werd afgezet; Moerad†V, een zoon van Abdoel-Medjid, in zijne plaats gesteld en, toen deze nog niet genoeg reactionnair gezind bleek, moest ook hij na twee maanden plaats maken voor zijn broeder Abdoel-Hamid†II, van wien de hervormingspartij niets te verwachten had. De Oud-Turken durfden te beter, omdat de ServiÎrs niet bestand bleken tegen het Turksche leger onder Osman-pacha, die geheel ServiÎ dreigde te veroveren. Van de mogendheden, meenden zij, was toch niets te vreezen, maar nu hadden zij buiten den waard gerekend. Ook in Europa hadden de tijdingen van de moorden in Boelgarije haren invloed niet gemist. De Russische keizer Alexander †II was van dat oogenblik af besloten de zaak krachtig aan te vatten, maar hij verliet niet onmiddellijk den weg der diplomatie: zijn leger was niet gereed en liefst wilde hij zich van de welwillendheid der andere mogendheden verzekeren om een herhaling van den Krimoorlog te voorkomen. Daarom stelde hij het samenroepen van een conferentie te Constantinopel voor. Te Londen bestond niet zoo veel eensgezindheid om de Porte tegen Rusland in bescherming te nemen als vroeger: Gladstone, de leider der Whigs, gunde "den grooten moordenaar" te Stamboel niets goeds, maar DisraÎli, toen aan het bewind, was fel Russophoob en had zich daarom onthouden van onderteekening van een door de andere mogendheden te Berlijn opgesteld memorandum aan de Porte, waarin op krachtige wijze op hervormingen aangedrongen werd. Alleen onder invloed van de publieke opinie in Engeland had hij ten slotte in de conferentie van Constantinopel toegestemd, waar in de eerste plaats een wapenstilstand in den oorlog met ServiÎ zou worden geÎischt en verder natuurlijk hervormingen. Onnoodig te zeggen, dat Ridhat-pacha, de leider der Oud-Turken, van die eischen niet gediend was en dat de conferentie mislukte, maar tegelijk speelde de Turksche regeering een prachtig comediespel; een zeer vrijzinnige constitutie werd uitgevaardigd, op denzelfden grondslag gebouwd als het hervormingsbesluit van 1856--uit eigen beweging hervormingen dus!--en tegelijk kwam een vergadering van 240 ambtenaren bijeen, die ÈÈnparig de voorstellen der mogendheden verwierpen, een sanctie dus van het Turksche volk op het besluit van den sultan! Het ergerlijkste was, dat er onder de mogendheden waren, die de nieuwe beloften van den sultan voor goede munt wilden aannemen. Engeland vooral bleef nog weerbarstig om Rusland zijn gang te laten gaan. Maar toen een voortzetting der onderhandelingen de Porte, natuurlijk aangemoedigd door Engeland's handelwijze, tot geen toegeeflijkheid in eenig opzicht vermocht te bewegen, toen een bijeengeroepen Turksche volksvertegenwoordiging tot de voortzetting van den oorlog met Montenegro--ServiÎ had reeds vrede moeten sluiten--besloot, tastte Rusland door en verklaarde in het voorjaar van 1877 den oorlog. Het was verzekerd van de goede gezindheid van Oostenrijk, waarmede het was overeengekomen, dat het Oostenrijksche leger BosniÎ en Herzegowina zou bezetten. Ook van Duitschland was niets te vreezen: Bismarck, die overigens wegens een langzaam opkomende toenadering van Frankrijk en Rusland dit land gaarne in Zuid-Oost-Europa in moeilijkheden wilde zien, had zijne bekende verklaring over de waarde van de beenderen van een Pruisischen grenadier juist afgelegd; naar zijne meening had Duitschland nog geen onmiddellijke belangen in het Turksche rijk.

Met geestdrift begon het Russische volk den oorlog: het was immers een bevrijdingsoorlog van de Slavische broeders van het Turksche juk; reeds lang hadden de opstandelingen steun uit Rusland ontvangen door middel van een daar bestaand genootschap, dat ten doel had alle Slaven in het Balkanschiereiland vrij te maken. RoemeniÎ sloot zich bij Rusland aan, niet geheel uit vrijen wil, want men wist bij ondervinding, wat het doortrekken van een Russisch leger beteekende, maar omdat het niet anders kon. Zonder groote inspanning kwamen de Russen, aangevoerd door groothertog Nicolaas, over den Donau en weldra bezette Gourko, ÈÈn der onderbevelhebbers, den Sjibka-pas in den Balkan. Toen werd hun voortgang gestuit. Osman-pacha, opperbevelhebber der Turksche troepen, ÈÈn der weinige beroemde aanvoerders uit de Turksche geschiedenis van de laatste eeuwen, bezette door een gewaagde, maar uitstekend geleide beweging Plewna in den rug den Russen. Tevergeefs bestormden dezen zijne zeer sterke positie; zij moesten overgaan tot een formeele belegering en even dapper als de Russen te Sebastopol gedaan hadden, gedroegen zich de Turken, nu zij de belegerden waren. Eerst nadat groote Russische versterkingen aangekomen en een reeks van zware gevechten rondom Plewna geleverd waren, nadat een Turksch ontzettingsleger teruggeslagen was en Osman, die aan alles gebrek kreeg, tevergeefs een wanhopige poging gedaan had om zich door de Russen heen te slaan, moesten de Turksche troepen capituleeren (Dec. 1877), maar de eer van het Turksch leger was gered, voor het eerst sedert heel langen tijd. Nu trokken de Russen den Balkan over, namen Sofia, Adrianopel (Januari 1878), terwijl een ander leger onder Melikoff verschillende veroveringen in ArmeniÎ gemaakt had. De Porte, nu ook weÍr in oorlog met ServiÎ, dat opnieuw naar de wapenen gegrepen had, en bedreigd door Montenegro, haastte zich onderhandelingen aan te knoopen, die den laatsten Januari leidden tot de preliminairen en ruim een maand later tot den vrede van San Stefano: geheele onafhankelijkheid van ServiÎ, Montenegro en RoemeniÎ; uitbreiding van gebied voor de beide eersten; ruil van een deel van BessarabiÎ, dat aan Rusland terugkwam, tegen de Dobroedsja voor RoemeniÎ; autonomie van Boelgarije, d.w.z. 't eigenlijke Boelgarije met Oost-RoemeliÎ en een deel van MacedoniÎ, met behoud van de suzereiniteit van den sultan, en autonomie van BosniÎ en Herzegowina; hervormingen voor de nog Turksch blijvende Christelijke bevolking; een oorlogsschatting en afstand van eilanden in de Donaumonding met grondgebied in AziÎ, o.a. de stad Kars, voor Rusland. Zoo waren de zeer zware voorwaarden, die aan Turkije opgelegd werden; zoo was de groote triumf, die Alexander†II behaalde.

Maar de andere mogendheden, vooral Engeland en Oostenrijk, zagen dit schouwspel met grooten tegenzin aan. De gebeurtenissen waren na Plewna zoo gauw afgeloopen, dat zij, vÛÛr het tot onderhandelingen gekomen was, geen gelegenheid hadden gekregen er zich mede te bemoeien. Zoodra de preliminairen hun bekend waren, zond Engeland, brutaal, zijn vloot tot in de onmiddellijke nabijheid van Constantinopel en na het sluiten van den vrede eischte het herziening der voorwaarden. Het werd gesteund door Oostenrijk, dat nu van Engeland de belofte wist te verkrijgen van BosniÎ en Herzegowina te mogen bezetten. Rusland vond nergens steun, was door den zwaren oorlog uitgeput en durfde dus een worsteling tegen Engeland en Oostenrijk niet aan. Daarom stemde Alexander†II toe in een congres te Berlijn, waar Duitschland zijne "goede diensten" aanbood om de partijen tot elkander te brengen. In hoofdzaak waren Engeland en Rusland het reeds eens geworden vÛÛr de opening van het congres, dat daardoor precies in ÈÈn maand kon afloopen. Groot-Boelgarije verdween: alleen het eigenlijke Boelgarije ten Noorden van den Balkan werd geheel autonoom onder een door de Boelgaren te verkiezen vorst; de provincie Oost-RoemeliÎ kreeg eigen administratie, maar de gouverneur zou door de Porte benoemd worden; MacedoniÎ bleef geheel Turksch; Montenegro en ServiÎ kregen minder uitbreiding dan hun eerst was toegestaan; Montenegro kreeg Antivari met de kuststreek, daarbij behoorende; ServiÎ alleen het district van Nisj en Pirot. Het lot van BosniÎ en Herzegowina werd geheel veranderd: zij bleven in naam Turksch, maar Oostenrijk zou ze "occupeeren" en besturen; om ze te beter te kunnen beheerschen, kreeg Oostenrijk bovendien het recht van militaire bezetting in het district Novi-Bazar, waardoor het ServiÎ en Montenegro van elkander zou scheiden, BosniÎ en Herzegowina ook aan den Oostkant insluiten en een positie innemen, vanwaar het vooral in den Balkan zeer gemakkelijk zich kon doen gelden. Voor Roemenie werd de bittere pil van den afstand van het deel van BessarabiÎ eenigszins verzacht, doordat het de eilanden in de Donaumonding kreeg, die dus niet aan Rusland kwamen, terwijl de Russische aanwinst in AziÎ besnoeid werd. Engeland kreeg voor zijne hulp aan Turkije het eiland Cyprus en dus een bevestiging van zijn invloed in de Middellandsche Zee, van te meer beteekenis wegens het Suez-kanaal. Die invloed was het ook vooral geweest, die Engeland zoo krachtig had doen protesteeren tegen een groot-Boelgarije, dat naar alle berekening aan Rusland zeer vriendschappelijk gezind geweest zou zijn. Onnoodig te zeggen, dat de sultan opnieuw tot verbeteringen aangespoord werd!

Het verdrag van Berlijn is ÈÈn van de zonderlingste producten, die de diplomatie heeft voortgebracht, en alleen te verklaren als compromis van velerlei belangen in de buitengewone omstandigheden, waarin het gesloten werd. Alle mogendheden, die iets hadden in te brengen, waren tegen Rusland; ook Bismarck had zich meer anti- dan pro-Russisch getoond en Frankrijk had geen gewicht in de schaal gelegd. Zoo kon het gebeuren, dat mogendheden, die niet aan den oorlog deelgenomen hadden, met groote voordeelen gingen strijken, terwijl Rusland er tamelijk bekaaid afkwam. Ook voor de toekomst was dit van beteekenis: Oostenrijk, dat tusschen 1859 en 1866 zijn invloed in ItaliÎ en Duitschland verloren had kreeg een bevoorrechte positie in het Balkan-schiereiland en kon hopen daar op den duur nog meer schadeloosstelling te verwerven voor de verliezen in het Westen. Rusland daarentegen, dat RoemeniÎ diep gegriefd had, dat groot-Boelgarije had opgeofferd, zag zijn invloed weinig toenemen. Het was de verwezenlijking van zijn ideaal: een uitgang naar het Zuiden, weinig dichterbij gekomen. De Turksche kwestie was nog lang niet opgelost, al was men weer eenige schreden nader aan de geheele verbrokkeling van het rijk in zelfstandige staten. Ook na 1878 is de ontwikkeling die richting blijven volgen. De moeilijkheden bewogen zich vooral om Boelgarije, Griekenland en MacedoniÎ.

Met het laatste land hebben we ons na zijne vrijwording niet behoeven bezig te houden; ten gevolge van inwendige zwakheid, gevolg van voortdurende partijtwisten, deed het zich bij de herhaalde crises in het Balkan-vraagstuk ternauwernood gelden. Koning Otto werd in 1862 gedwongen afstand van den troon te doen en in het volgende jaar werd George, een Deensche prins, broeder van de gemalin van den Engelschen koning Eduard†VII, zijn opvolger; bij die gelegenheid stond Engeland aan het koninkrijk de Jonische eilanden af, waarover het sedert den Napoleontischen tijd het protectoraat uitoefende. Daarna werd de toestand langzamerhand eenigszins verbeterd. Ofschoon Griekenland uit gebrek aan geld en een behoorlijk leger ook in den oorlog van 1877 geen rol had kunnen spelen, wist het toch van de verwikkelingen gebruik te maken, om van de mogendheden gedaan te krijgen, dat deze in het Berlijnsche verdrag een bepaling opnamen, om de Porte aan te sporen zich met Griekenland te verstaan over een verbetering der grenzen, waartoe zij tevens hunne goede diensten aanboden. Toen Turkije weinig lust vertoonde, aan Griekenland's wenschen tegemoet te komen, begon hier een sterk patriottische agitatie en een oorlog dreigde. Op aansporen van de mogendheden, vooral van Frankrijk en Engeland, gaf Turkije toe en Griekenland kreeg iets, hoewel niet alles, wat het wilde: de grens werd in het Noord-Oosten van ThessaliÎ tot aan de Zuidelijke helling van den Pindus en den Olympus verlegd; Griekenland werd bovendien verrijkt met een deel van Epirus (1881). Daarna werd vooral Kreta de inzet van nieuwe verwikkelingen met de Porte. Dit eiland had herhaaldelijk getracht zich van de Turksche heerschappij te ontslaan; het mislukte steeds, maar de altijd beloofde hervormingen van de Porte bleven ook na 1878 grootendeels onvervuld. Het was ten gevolge van de twisten van Christenen en Mohammedanen voortdurend onrustig op het eiland, niettegenstaande ook de mogendheden zich meermalen met de zaak bemoeiden en in 1896 den sultan zelfs dwongen er in toe te stemmen, dat hunne consuls te Kanea toezicht op de regeering zouden uitoefenen. Griekenland had dit spel met het grootste ongeduld gevolgd en werd alleen onder pressie van de mogendheden in den band gehouden. Eindelijk, in 1897, barstte de bom, doordat de Grieksche regeering, gedwongen door de publieke opinie in het eigen land, een troepenafdeeling naar Kreta zond, om het eiland te annexeeren. Maar in den toen volgenden oorlog bleek het Grieksche leger volstrekt niet in staat tegen de Turken te vechten. Natuurlijk hielden de mogendheden ook nu hare diplomatieke handen niet thuis en daaraan had Griekenland het te danken, dat het bij den nog in 1897 te Constantinopel gesloten vrede er afkwam met den afstand van slechts een klein deel van het in 1881 in ThessaliÎ verkregen gebied en het betalen van een oorlogschatting. Bovendien--dit eischten de mogendheden voor zich--zou een internationale commissie te Athene contrÙle krijgen op de Grieksche financiÎn. Kreta kreeg ten slotte toch zijne bevrijding: in 1898 bewerkten de mogendheden (behalve Oostenrijk en Duitschland, die zich er buiten hielden), dat ook dit eiland autonoom zou worden onder het bestuur van prins George, zoon van den Griekschen koning, als hooge-commissaris namens de mogendheden. Ook hier bleef alleen de Turksche suzereiniteit bestaan. De pogingen van Grieksche zijde, om deze te doen opheffen, bleven eerst zonder resultaat. Wel droeg het bestuur van prins George, dat de orde wist te herstellen, voor het eiland goede vruchten.

Boelgarije, het tweede land, dat na 1878 aan de mogendheden en aan de Porte moeilijkheden te over bezorgd heeft, kreeg in 1879 den door het Sobranje gekozen Alexander van Battenberg, een neef van de Russische keizerin, tot vorst. Hij was de candidaat van Rusland geweest, dat door hem den grooten invloed, dien het zich door de gebeurtenissen van 1877 verworven had, hoopte te behouden. Maar het tegendeel was het geval. Er ontstond een streven, om zich van Rusland's overwicht vrij te maken, en Alexander van Battenberg bevorderde dit streven, waarom hij Rusland's gunst verloor. Dit ondervond hij, toen in 1885 de Oost-RoemeliÎrs, natuurlijk niet tevreden met den hun vanwege de Porte gezonden gouverneur, in opstand geraakten te Philippopel en Alexander als vorst erkenden, waardoor feitelijk toch de vereeniging van Boelgarije en Oost-RoemeniÎ tot stand kwam. Hiertegen verzette zich in de eerste plaats koning Milan van ServiÎ [2339], die door de uitbreiding van Boelgarije het Balkan-evenwicht verstoord achtte. ServiÎ en Boelgarije begonnen een oorlog, waarin Alexander van Battenberg glansrijk overwon. Het tusschenbeiden komen van Oostenrijk, dat ServiÎ hulp dreigde te verleenen, redde dit laatste land. Echter baatte zijne overwinning vorst Alexander niet: ofschoon de andere mogendheden en ook de sultan geen overwegend bezwaar tegen Alexander's regeering over Oost-RoemeliÎ, hoewel dan in kwaliteit van gouverneur, maakten, weigerde Rusland hardnekkig er in toe te stemmen; het wilde zich houden aan het verdrag van Berlijn! Die houding van Rusland had zijn terugslag in de binnenlandsche aangelegenheden van het vorstendom. Een militaire samenzwering werd gesmeed en vorst Alexander buiten zijn vorstendom gevoerd, maar hij keerde terug en vond bij de niet-Russische partij aanhang genoeg om zich staande te houden. Toen trachtte hij zich met keizer Alexander†III te verzoenen, maar deze was onvermurwbaar; hij verklaarde zich van elke bemoeiÔng met Boelgarije te zullen onthouden, zoolang Battenberg er vorst bleef. Deze deed daarna vrijwillig afstand van den troon (1886). Maar Rusland profiteerde er niet bij, want de anti-Russische partij kwam aan het roer met Stamboelow als president van een regentschap en deze helderziende, maar heerschzuchtige staatsman was een verklaard vijand van den Russischen invloed: hij wilde Boelgarije geheel zelfstandig maken. Een nieuwen vorst vond men na eenig zoeken in den Duitschen prins Ferdinand van Saksen-Coburg (1887). Dit was geschied geheel buiten de mogendheden en den sultan om. De meesten dezer verzetten zich niet tegen het fait accompli; de sultan liet een zwak protest hooren. Rusland alleen begon een dreigende houding aan te nemen, maar de voor vorst Ferdinand en de Boelgaarsche regeering zeer gunstige houding van Oostenrijk, dat altijd den Russischen invloed op den Balkan tegenging, weerhield Alexander†III van feitelijke inmenging. Het heeft echter nog jaren geduurd, vÛÛrdat Rusland den nieuwen staat van zaken erkend heeft. Dit is eerst mogelijk geworden na de vermoording van Stamboelow, die in 1895 als slachtoffer van zijne heerschzucht viel. De toenadering had plaats onder keizer Nicolaas†II, die in 1896 als peet van Ferdinand's zoon Boris, opgevoed in de Grieksch-Katholieke kerk, optrad. Dat was de officieele verzoening en spoedig daarna werd Ferdinand in zijne dubbele kwaliteit als vorst van Boelgarije en gouverneur-generaal van RoemeliÎ door de Porte en door alle mogendheden erkend.

Nu Oost-RoemeliÎ feitelijk met Boelgarije vereenigd was, sprak het van zelf, dat ook bij de MacedoniÎrs de wensch naar bevrijding te sterker werd. Het uitblijven van de noodige hervormingen heeft ook hun een gereede aanleiding verschaft om op te staan, maar de kwestie werd hier bijzonder moeilijk. MacedoniÎ heeft een zeer gemengde bevolking; er is geen sprake van ÈÈn volk, dat naar vrijheid streeft, men heeft hier rekening te houden met verscheidene nationaliteiten: Boelgaren, Grieken en ServiÎrs, waarbij dan nog een groot aantal Turken komen. Wat moest er met MacedoniÎ gebeuren, als het van het Turksche gezag bevrijd werd? Moest het een zelfstandige staat vormen? Maar daarvÛÛr was het niet genoeg ÈÈn natie. Moest het Boelgaarsch worden? Maar dit wilden de Grieken en de ServiÎrs niet. MacedoniÎ werd het terrein, waar de rivaliteit der Balkan-staten onderling, die alle groote begeerten hadden in herinnering aan vroegere idealen, zich openbaarde. De Porte maakte er van gebruik hen tegen elkander uit te spelen door er dan de ÈÈn en dan de ander voordeelen, bep. op kerkelijk gebied, te verleenen. De MacedoniÎrs trachtten tevergeefs een eigen bestaan als staat te verwerven. Hunne organisatie hiertoe werd door Turkije vernietigd. Toen kwam het tot meerdere opstanden en veel strijd, waarin tevens de Balkanvolkeren feitelijk elkander bevochten. In 1903 werd de crisis zeer acuut. De steun, dien de opstandelingen ontvingen uit Boelgarije, scheen een oorlog tusschen dit land en Turkije ten gevolge te zullen hebben. Toen kon men hooren, dat Griekenland neiging toonde Turkije te gaan ondersteunen tegen de Bulgaren, natuurlijk niet uit pure liefde voor de Porte! Het kwam echter niet tot openlijken oorlog. De mogendheden gaven duidelijk genoeg te kennen, dat zij niet van zins waren zich met geweld in dit wespennest te steken. Zij, bep. Oostenrijk en Rusland, ditmaal broederlijk samengaand, sloegen den reeds zoo vaak gebruikten weg in en boden den sultan een programma van hervormingen aan, welke stap ondersteund werd door de andere mogendheden. De Porte nam dit programma aan, Boelgarije stelde er zich voorloopig tevreden mede en ging afzonderlijk met den sultan een overeenkomst aan over het terugbrengen van groote aantallen Macedonische vluchtelingen uit Boelgarije naar hun land. Er werd o.a. een gendarmerie onder een Europeesch officier en onder toezicht der mogendheden ingesteld tot handhaving der orde. Men hoopte op een dergelijken toestand als op Kreta, maar kwam hier bedrogen uit. De onderlinge bestrijding der Balkan-volkeren in MacedoniÎ duurde voort, werd eigenlijk al erger. En de mogendheden lieten het verder begaan evenals Turkije. Men zou zoo denken, dat deze zaak Turkije buitengewoon ter harte moest gaan, want, verloor het op de een of andere manier MacedoniÎ, dan bleef van het gebied in Europa maar heel weinig over en bovendien werd dit gebied dan in twee niet aan elkander grenzende helften verdeeld! De gelijkenis werd al grooter met den omvang, dien het Grieksche rijk in den laatsten tijd van zijn bestaan had. Een bedenkelijk verschijnsel, maar dat de regeering van Abdoel-Hamid niet tot flink ingrijpen bracht. Het is uiterst merkwaardig, hoe lijdelijk deze sultan zag gebeuren, wat er om hem heen voorviel. Zeker, hij was, zegt men, een meester in de kunst der diplomatie, hij wist van de oneenigheden der groote mogendheden en der Balkanstaten een handig gebruik te maken. Maar hiermede redde hij zijn land niet. Hij hield zich krampachtig vast aan het absolutistisch rÈgime, dat hij van meet af had begunstigd. Onder zijne regeering had de hervormingspartij niets te verwachten. De geest, die een oogenblik gevaren was in het bestuur ten tijde van Fuad-pacha en Ali-pacha, vervloog geheel. De op hervormingen beluste partij deed zich wel eenigszins krachtiger gelden, maar werd op de geniepigste wijze vervuld. Meer en meer deed Abdoel-Hamid zich kennen als een argwanend en listig despoot, die van zijne onderdanen sterk vervreemdde. Het is voor ons, Westerlingen, haast onbegrijpelijk, dat men den man zoo lang heeft laten begaan. Het Turksche volk is wel zeer apatisch en het stelt de persoon van zijn heerscher wel bizonder hoog!

De teekenen der tijden waren overigens zoo duidelijk. Niet alleen in Europa, ook daar buiten brokkelde het rijk af of dreigde dit te doen. Van het gebied in Afrika en AziÎ was in den loop der negentiende eeuw heel wat afgevallen. Algiers werd een Fransche kolonie (1838), Tunis nam een Fransch protectoraat aan (1881). Dit verlies is wel zoo heel groot niet, omdat die beide landen evenals Tripoli zich nooit veel om het gezag van den sultan bekommerd hadden. Maar anders was ÈÈnmaal het geval in Egypte en ook dit land, dat reeds onder Mehemet-Ali een groote mate van zelfstandigheid gekregen had, ontsnapte, sedert Engeland in binnenlandsche ongeregeldheden een aanleiding vond het te bezetten (1822), geheel aan de Turksche heerschappij. De Engelsche "occupatie" heette tijdelijk, een Europeesche commissie kreeg toezicht op het financieel beheer, maar niemand heeft verwacht, dat Engeland met zijn voortdurend aanwassende belangen in Egypte en in geheel Afrika het Nijldal ooit weÍr zou ontruimen. In AziÎ heeft Rusland de Turken in het Kaukasusgebied en in ArmeniÎ een heel eind teruggedreven, maar elders staat de Turksche heerschappij in AziÎ nog uiterlijk ongeschonden. Zal dit nog lang duren? Er is ÈÈne kwestie, de Armenische, die in Klein-AziÎ voortdurend de rust bedreigt. Op schandelijke wijze zijn de Roomsch-Katholieke ArmeniÎrs meermalen, v.n. in 1894-1896, door de Turken mishandeld; de tooneelen, die in Boelgarije zoo sterk de aandacht van geheel Europa trokken, werden hier herhaaldelijk vertoond; duizenden ArmeniÎrs werden door CircassiÎrs en Koerden vermoord. Herhaaldelijk werd de Porte aangespoord deze gruwzame vervolging te staken. Te Berlijn was in 1878 ook deze kwestie ter sprake gebracht en Turkije legde heel gewillig beloften tot verbetering af. Het bleek echter spoedig, dat, wilde men iets bereiken, ook hier een andere weg zou moeten worden ingeslagen. De groote moeilijkheid was: welke? Van hun naasten beschermer, Rusland, waren de ArmeniÎrs, als Roomsch-Katholieken, bitter weinig gediend; de ondervinding, door die ArmeniÎrs opgedaan, die onderdanen zijn geworden van den Russischen keizer, schijnt weinig bemoedigend. Dan maar Amerikaansch, denken de ArmeniÎrs, die, ook bewerkt door Amerikaansche zendelingen, eenige jaren geleden werkelijk neiging vertoonden de Amerikaansche nationaliteit aan te nemen. Het sprak van zelf, dat de Porte dit trachtte tegen te werken, en dien ten gevolge ontstonden zelfs enkele malen kleine verwikkelingen tusschen de groote Republiek aan de overzijde van den Oceaan en Turkije; in 1904 vertoonde een Amerikaansch eskader, in naam om een schuldeischerskwestie, zooals verschillende mogendheden die bij de slecht van geld voorziene Porte meermalen hebben, de vlag van de Republiek in de haven van Smyrna. Verdere gevolgen heeft dit echter niet gehad. Maar evenmin hebben de Europeesche mogendheden deze aangelegenheid definitief kunnen regelen.

In het begin der 20ste eeuw wordt het beeld van den "zieken man" al meer geaccentueerd. Overal verval, overal ontbinding. In den Balkan zelf lieten zich enkele stemmen hooren, dat de Balkan-staten van Christelijken huize zich moesten aaneensluiten, om aan het lijden een einde te maken. Rusland begon zich na de zware nederlaag, die het in den oorlog met Japan van 1904-1905 in Oost-AziÎ geleden had, ten gevolge waarvan het zich wat uit de Aziatische Zaken terugtrok, opnieuw, in sterkere mate dan het na 1878 gedaan had, met den Balkan te bemoeien, natuurlijk niet in voor Turkije gunstigen zin. Op een beschermen bij een ernstige crisis kon de sultan niet meer zooals vroeger hopen. Dit was een gevolg van de veranderde Europeesche politieke verhoudingen. Deze hadden na het uiteenvallen van den driekeizersbond, gevolg van de anti-Russische houding van Duitschland en Oostenrijk beide op het congres van Berlijn, geleid tot de vorming van een drievoudig verbond van de twee laatstgenoemde landen en ItaliÎ eenerzijds en het tweevoudig verbond van Rusland en Frankrijk anderzijds, terwijl Engeland zich, uit vrees voor het vooral in economisch opzicht steeds sterker wordende Duitschland, bij de twee laatste mogendheden aansloot (de entente). Het haast noodzakelijk gevolg van deze Engelsch-Fransch-Russische entente was, dat verwacht mocht worden, dat Turkije door Engeland niet meer beschermd zou worden. Wel bleef voor Oostenrijk-Hongarije alle reden bestaan voor het behoud van den status quo te ijveren, terwijl Duitschland, niet alleen als bondgenoot van dit land, maar ook om de belangen, die het zelf in het Oosten begon te krijgen, neiging vertoonde den Sultan de hand boven het hoofd te houden. Keizer Wilhelm†II wijdde door zijne reis naar Zuid-Oost-Europa en SyriÎ in 1900, een op zich zelf eenig verschijnsel, deze politiek als het ware in. De concessie voor den belangrijken spoorweg door Klein-AziÎ naar Bagdad aan een Duitsch syndicaat werd er stellig door bevorderd. Deze en andere economische voordeelen, aan Duitschers in Klein-AziÎ verleend, werkten ook weÍr de zich overal openbarende tegenstelling van Duitschland en Engeland in de hand. Toch mocht niet met zekerheid verwacht worden, dat Turkije aan Oostenrijk en Duitschland zoo goede helpers zou hebben, als het in den Krimoorlog aan Engeland en Frankrijk gehad had. Het blijkt volstrekt niet, dat Abdoel-Hamid†II zich van de veranderde omstandigheden iets aantrok en daarnaar zijne maatregelen nam. Trouwens, ten opzichte van den Balkan deden de geschillen tusschen de beide groepen van Europeesche mogendheden zich eerst niet zoo heel sterk gevoelen. In MacedoniÎ, op Kreta werkten ze zelfs taliter qualiter samen.

Evenmin als ten opzichte van Turkije manifesteerde zich in den aanvang der 20ste eeuw duidelijk een verschillende politiek der beide groepen van mogendheden ten opzichte van de overige Balkan-staten. Wel waren Oostenrijk en ServiÎ op den duur van elkander vervreemd, v.n. onder de regeering van koning Peter uit het geslacht der Karageorges, dat n· den moord op den laatsten der Obrenowitch, koning Alexander, en diens gemalin, koningin Draga (1903), opnieuw aan de regeering gekomen was. ServiÎ en Rusland, dat van ouds in Montenegro een trouwen bondgenoot had, naderden daarentegen tot elkander. In het eerste land ontstond de hoop, dat de ServiÎrs in BosniÎ en Herzegowina nog eenmaal van Oostenrijk bevrijd zouden worden; een groot-Servisch rijk zou misschien met Russische hulp kunnen ontstaan. Voor Oostenrijk beteekende dit een groot gevaar, want een groot-Servisch rijk, dat zich wellicht tot de Adriatische Zee zou gaan uitbreiden, zou het in het Zuiden op zeer ernstige wijze bedreigen. RoemeniÎ was na 1878 vrij sterk tegen Rusland ingenomen en had met Oostenrijk een verbond gesloten. Van Bulgarije mocht men, nu ServiÎ den Russischen kant opging, verwachten, dat het zich eer bij Oostenrijk zou aansluiten. Ook dit alles ging buiten de Turksche regeering om, die--om MacedoniÎ--Bulgarije misschien het allerslechtst gezind was, zonder dat het daarom op vriendschappelijken voet met de andere staten stond.

"Drijvend" mag men het Turksche rijk in Europa, als een schip zonder zeilen of riemen en roer noemen. EÈn duw, ÈÈn groote crisis--en het ware gedaan geweest. Maar daarvÛÛr kwam een revolutie in het rijk zelf, waarvan men ook nu nog niet kan zeggen, of zij het dreigend gevaar voor ondergang heeft voorkomen. Hebben de Jong-Turken--want hun opstand van 1908 bedoelen wij--de kracht gevonden het verval te beÎindigen? De zeer gecompliceerde geschiedenis na 1908 tot nu geeft nog geen recht deze vraag ontkennend of bevestigend te beantwoorden. Wij vertellen deze geschiedenis, blijvend binnen ons korte bestek, het best is een aanhangsel, het aan de toekomst overlatend te beslissen, of dit aanhangsel nog moet worden ingelascht bij ons lange hoofdstuk over het verval van het Turksche rijk dan wel of het het begin moet worden van een nieuw hoofdstuk, waaraan pas later een titel gegeven kan worden.

AANHANGSEL.

Van de Jong-Turken maakten wij in ons verhaal nog slechts terloops melding. Zij vormden vÛÛr 1908 geen kracht van beteekenis in het rijk. Velen der hervormingsgezinden, die vooral vÛÛr 1878 van zich hadden doen hooren, waren onder het rÈgime van Abdoel-Hamid gedwongen het land te verlaten. Zij leefden als ballingen in de Westersche wereld, vooral te Parijs, en maakten in ruime mate kennis met Westersche wetenschap en Westersche cultuur. De denkende koppen onder hen beraamden programma's van hervormingen. Zij dweepten niet als de vroegere Jong-Turken met het West-Europeesche parlementaire systeem, oordeelende, dat die voor een zeer gecompliceerden staat als den Turkschen minder zou deugen. Zij voelden het meest voor een Republiek, maar aanvaardden de constitutioneele monarchie als overgangssysteem, als eerste stadium voor den nieuwen tijd. Hoofdzaak was: aan de absolute regeering van Abdoel-Hamid een einde te maken. Het duurde vrij lang, voordat het Turksche volk, zoo phlegmathiek van aard, zelfs deze regeering moede werd. De Jong-Turken zochten hun aanhang vooral in het leger en langzamerhand kreeg de propaganda van het door hen gestichte comitÈ voor Unie en Vooruitgang hier invloed, bepaaldelijk onder de troepen, die in MacedoniÎ waren bijeengetrokken. Moeilijkheden van den sultan met de Albaneezen gaven toen in 1908 het sein tot het uitbreken van een militairen opstand onder dezen.

In Juli van dit jaar proclameerden het pas genoemde comitÈ en eenige Jong-Turkschen officieren in MacedoniÎ het herstel van de constitutie van 1878. Van AlbaniÎ uit werd hierop bij den sultan aangedrongen. Abdoel-Hamid, bevreesd voor een opmarsch der troepen naar Constantinopel, voorkwam het gevaar door toe te geven: Op den 24sten Juli decreteerde hij zelf, dat de constitutie hersteld was. Een volksvertegenwoordiging werd meteen samengeroepen. Nu werd het een uitbundige vreugde in den Balkan, voor zoover nog onder Turksch bewind. Men meende, dat een geheel nieuw vooruitzicht zich opende en dat de Macedonische en andere kwesties van zelf zouden verdwijnen. Christenen en Mohammedanen waren gelijk. Hun algeheele verbroedering was aanstaande. Het verleden kon vergeten worden....

Te midden van den jubel deden zich twee onaangename tonen hooren. In October verklaarde keizer Frans Jozef, dat hij BosniÎ en Herzegowina annexeerde en dus de tijdelijke occupatie in een definitieve veranderde, terwijl hij het Sandsjak van Novi-Bazar aan Turkije teruggaf. Ongeveer tegelijkertijd proclameerde vorst Ferdinand van Boelgarije zich tot tsaar van dit land en Oost-RoemeliÎ beide: hij ontdeed zich dus van de Turksche suzereiniteit. Feitelijk veranderde dit niet veel aan den bestaanden toestand. Er was eigenlijk niemand, die nog verwachtte, dat Oostenrijk-Hongarije de geoccupeerde gewesten ooit vrijwillig zou teruggeven of dat vorst Ferdinand Oost-RoemeliÎ zou ontruimen. De nieuwe staatsrechtelijke toestand in Turkije, die ook voor de nog slechts in naam Turksch heetende gebieden gevolgen zou kunnen hebben, had voor Oostenrijk en Boelgarije, die hier niet zonder onderling overleg gehandeld hadden, de gelegenheid geschapen, om den vorm van het bezit te wijzigen. Het meeste verzet tegen deze formeel-rechtelijk niet te billijken handelingen kwam van de zijde der entente-mogendheden, v.n. van Engeland en Rusland, terwijl in ServiÎ een zeer scherpe beweging tegen de annexatie ontstond. Ook ItaliÎ, waar de publieke opinie Oostenrijk gemeenlijk weinig goed gezind was, toonde er zich allerminst mede ingenomen; de regeering, ofschoon vasthoudend aan het drievoudig verbond, deed het voor Oostenrijk minder aangename voorstel een Europeesche conferentie samen te roepen, om de zaken op den Balkan opnieuw te regelen. In dezen tegenstand openbaarde zich eigenlijk de Europeesche verhoudingen: de gebeurtenissen op den Balkan gaven er slechts de aanleiding toe, dat de beide Europeesche staten-groepen elkander haast in de haren vlogen. Duitschland schaarde zich zonder voorbehoud aan de zijde van zijn bondgenoot. Een groote Europeesche oorlog heeft toen zeer ernstig gedreigd. Het schijnt, dat vooral Rusland, dat zich militair nog niet voldoende hersteld had, niet met kracht heeft durven doortasten. Tot vermindering van de spanning, die sedert October 1908 in Europa heerschte, droeg veel bij, dat Oostenrijk-Hongarije er in slaagde Turkije te bewegen zich in het fait accompli te schikken. Hier was de beweging tegen de annexatie lang niet zoo heftig geweest als in de landen der entente, en in ServiÎ. De regeering had geprotesteerd en er was een boycotbeweging in enkele Turksche havens ontstaan. Ernstigeren vorm had het conflict niet aangenomen. En Abdoel-Hamid bleek spoedig bereid voor de betrekkelijk aanzienlijke schadeloosstelling van 2-1/2 millioen Turksche ponden zijne souvereine rechten--rechten, die alleen nog in naam bestonden!--af te staan; hij bedong bij de voor hem lang niet onvoordeelige overeenkomst van Februari 1909 nog bovendien, dat zijne geestelijke rechten als khalief over de Mohammedanen in de beide gewesten, ten deele althans, bewaard bleven en dat Oostenrijk de toezegging deed er toe te zullen medewerken, dat de nog altijd bestaande capitulatiÎn der vreemde mogendheden zouden opgeheven worden. Kort daarna erkende de sultan bij een overeenkomst met Boelgarije ook den nieuwen stand van zaken hier. Zij was mogelijk geworden, doordat Rusland aanbood de 5 millioen Turksche ponden, die het nog van Turkije te eischen had als rest van de oorlogsschatting van 1878, aan dit land kwijt te schelden, terwijl Boelgarije zich verplichtte 3 millioen dergelijke ponden aan Rusland te betalen. Ook hier deed de sultan geen onvoordeelige zaken. Een afzonderlijke regeling werd getroffen over de belangen der Mohammedanen in Boelgarije. Na deze schikkingen luwde de storm in Europa. Het laatst moest ServiÎ zich gewonnen geven. Oostenrijk eischte van dit land toen de uitdrukkelijke belofte, dat het zich bij de annexatie neerlegde. Maar de goede verhouding keerde niet terug; de tegenstellingen waren hier en elders in Europa door deze gebeurtenissen veeleer verscherpt.

Deze voor het enthusiasme, door de Jong-Turksche revolutie veroorzaakt, minder aangename, maar niet te veel storende geluiden werden spoedig door erger gevolgd. Abdoel-Hamid maakte van de zwarigheden gebruik, om zich aan den invloed van de Jong-Turken te onttrekken. Spoedig na de overeenkomsten met Oostenrijk en Boelgarije waagde hij een staatsgreep; hij wist zich van den steun der Oud-Turken zeker en hoopte op dien van de Liberale Unie, die zich in hare hervormingsneigingen vrij sterk van het onder de Jong-Turken overheerschende comitÈ van Unie en Vooruitgang onderscheidde. In April 1909 werd het parlementsgebouw te Constantinopel door soldaten bezet en het ministerie, toen grootendeels uit voorstanders van het comitÈ bestaande, geheel gewijzigd. Maar onmiddellijk rukte nu het Macedonische leger, dus het leger van de Jong-Turken, naar Constantinopel op en het deed dit onder opperbevel van Mahmoed-Sjefket-pasja in de beste orde. Straatgevechten in de hoofdstad liepen ten voordeele van dit leger af. Nu kwam een nationale vergadering--als hoedanig zich de volksvertegenwoordiging geconstitueerd had--te Constantinopel bijeen. Zij zette Abdoel-Hamid af en proclameerde een jongeren broeder van dezen als Mohammed†V tot diens opvolger. Den gevallen Sultan werd een woonplaats te Saloniki aangewezen; hij behield zijn leven en zijne vrouwen, maar zijn rijkdom werd hem afgenomen. Onder den nieuwen sultan begon de regeering van het comitÈ zelf.

Nu mocht men verwachten, dat de in Juli 1908 verkondigde idealen hare verwezenlijking nabij waren. Maar juist het omgekeerde gebeurde. Wel bleef de constitutie gehandhaafd, maar in allen deele uitgevoerd werd zij niet. En tusschen de Christenen en de Jong-Turksche regeering werd de verhouding spoedig heel slecht. Dit is buiten kijf de schuld der laatste. In de praktijk toonde zich deze zeer chauvinistisch-Turksch. Niet om gelijkstelling bleek het haar te doen, maar om gelijkmaking, om assimilatie van de verschillende deelen aan de Turksche norm. Afschaffing van alle bijzondere rechten, den onderdeelen in verschillende mate toegekend, en sterke centralisatie van de regeering werden de leus. Het moge waar zijn, dat de Jong-Turken hiermede de verwezenlijking van zekere moreele idealen hoopten mogelijk te maken, zij lieten zich, om hun doel te bereiken, van geen middelen, hoe slecht en onpractisch ook, afschrikken en toonden daarbij weinig staatkundig talent. Zij deden, zooals dwepers veelal doen, en men is geneigd hen met eenige zachtheid te beoordeelen, juist omdat ze dwepers waren en omdat ze voor zulk een geweldig zware taak stonden: de bereddering van Abdoel-Hamid's nalatenschap!

Wat al plannen hebben zij geÎntameerd! Ze wilden de Turken in de niet meer onder Turksch bewind staande landen, in en buiten Europa, naar Turkije overbrengen, daarmede de Turksche bevolking versterken en over de Christelijke den baas worden. Ze wilden de scholen overal naar ÈÈn model, een Turksch model natuurlijk, inrichten. Tot Ottomanen zouden alle onderdanen van den Turkschen staat gemaakt worden,--naar ÈÈn uniform model. En dat in een staat, waar juist de grootst mogelijke verscheidenheid van taal, godsdienst, gewoonten bestond! Verzet, dat natuurlijk niet uit kon blijven en ook waarlijk niet uitbleef, zou met geweld worden bedwongen. Ontwapening van de deelen, waar verzet gepleegd werd, was hiertoe een eerste schrede. Nu verdween de geest van verbroedering van 1908 zeer snel. Niet alleen in de Christelijke streken van den Balkan, ook in de door Mohammedanen bewoonde werd het roerig, tot in SyriÎ toe, waar juist de Arabieren in den beginne den Jong-Turken zeer goed gezind geweest waren, maar--van de centralisatie waren ook zij volstrekt niet gediend. Evenmin als de Albaneezen, ze mochten dan den Islam of het Christendom aanhangen, die juist op hunne groote mate van zelfstandigheid prat waren geweest. Van 1909-1911 kwam het onder hen van opstand tot opstand. In MacedoniÎ begonnen de gevechten opnieuw; de toestand van vÛÛr 1908 keerde terug. De regeering toonde zich ontegenzeggelijk krachtiger dan die van Abdoel-Hamid. In 1911 behaalde ze niet onbelangrijke voordeelen in AlbaniÎ en in MacedoniÎ schenen de benden het nu tegen de Turksche troepen te moeten afleggen. De laatsten hadden het misschien nog verder kunnen brengen, ware de kracht van het leger, doordat vele officieren te veel aan politiek deden, waardoor de tucht verslapte, niet ten deele ondermijnd. Ook het opnemen van de Christenen in het leger, gevolg van den nieuwen toestand, had op den samenhang een nadeeligen invloed. Het is moeilijk te zeggen, wat het einde van deze ontwikkeling zou geweest zijn, indien deze in volle vrijheid, zonder belemmering van buiten af, had plaats gegrepen. Maar dit was niet het geval.

In September 1911 ondernam ItaliÎ een expeditie naar Tripoli. De stad werd vrij gemakkelijk bezet. In het binnenland boden de Arabieren, door een klein aantal Turken versterkt, hevigen tegenstand. Het zou niet anders gegaan zijn, ware Abdoel-Hamid nog aan de regeering geweest. Maar nu kregen de Jong-Turken de schande der nederlaag te dragen en dit verhoogde hun aanzien niet. Men mocht hun met eenig recht verwijten, dat zij zeer weinig gedaan had, om de in diep verval verkeerende marine op te beuren, zij had in drie jaar toch niet genoeg kunnen doen, om ItaliÎ ter zee te weerstaan--en dit zou het eenige middel geweest zijn, om Tripoli te behouden. Terwijl de strijd in Libye nog voortduurde, sloot de Turksche regeering met ItaliÎ te Lausanne vrede (October 1912): zij stond Tripoli af, waar de sultan dergelijke rechten behield als in BosniÎ en Herzegowina; zij verplichtte zich de Turksche troepen uit Libye terug te roepen; tot zoo lang zou ItaliÎ eenige eilanden in de AegeÔsche Zee (waaronder Rhodos), die het tijdens den oorlog bezet had, behouden. Zeer onvoordeelig was dit einde; geen geld zelfs was tot afkoop bedongen! Turkije had den afloop verhaast, omdat het wist, dat veel grooter gevaar dreigde.

Het optreden der Jong-Turken en het gevaar voor een mogelijke versterking van den Turkschen staat had de Christelijke staten op den Balkan tot elkander gebracht. Het plan tot hunne onderlinge aaneensluiting was reeds lang van enkele zijden bepleit. Het leek ook zoo aannemelijk en zoo eenvoudig: de Christenen samen, om den Turk te verdrijven! In werkelijkheid waren de moeilijkheden even groot als die een aaneensluiting van de groote mogendheden in Europa tot hetzelfde doel sedert de 18e eeuw in den weg hadden gestaan; wat moest er gebeuren met het land, dat men den Turken zou ontnemen? Met MacedoniÎ, waarop Bulgarije, ServiÎ en Griekenland alle drie aasden. Met AlbaniÎ, dat ServiÎ, Montenegro en Griekenland al even zeer begeerden. Met Constantinopel! En natuurlijk zouden de groote mogendheden de definitieve regeling niet buiten zich om laten geschieden. Rusland had de hoop op Constantinopel niet definitief opgegeven. Oostenrijk en ItaliÎ wenschten geen sterken staat aan de Adriatische Zee. Hierin stemden de belangen dezer beide, anders meer en meer divergeerende landen overeen. In het laatste stadium der Turksche kwestie in Europa zouden al deze belangen stellig tot hun recht trachten te komen. Het was onmogelijk ze alle vooraf met elkander te verzoenen. De aaneensluiting van Bulgarije, ServiÎ, Montenegro en Griekenland in 1912, die men gewoon is den Balkanbond te noemen, was slechts een bescheiden poging, om althans enkele onderlinge geschilpunten uit den weg te ruimen en zoo het gezamenlijk optreden mogelijk te maken.

De wijze, waarop, en de omstandigheden, waaronder de zoogenaamde Balkanbond tot stand kwam, zijn niet in alle bijzonderheden bekend. Zeker is, dat de besprekingen tusschen de voornaamste Balkan-staatslieden, vooral op aansporen van den Griekschen minister Venizelos, in den loop van 1910 begonnen en dat eerst in het voorjaar van 1912 een Servisch-Boelgaarsch verdrag, weldra gevolgd door een Grieksch-Boelgaarsch verdrag, gesloten werd en dat iets later ook militaire afspraken tot stand kwamen. De staatkundige toestand, zooals deze er na een eventueele overwinning op de Turken zou moeten uitzien, werd echter volstrekt niet precies vastgesteld. Boelgarije en ServiÎ werden het over de verdeeling van MacedoniÎ vrij wel eens; over een betwist gedeelte zou de keizer van Rusland later uitspraak moeten doen. Maar Boelgarije en Griekenland hadden omtrent het deel van MacedoniÎ, dat aan het laatste land zou komen, niets positiefs omschreven: de groote kwestie, wie hunner Saloniki zou krijgen, bleef open! De verdragen, voor zoover ze bekend geworden zijn, droegen een defensief karakter; maar uit den aard der zaak werd een optreden tegen Turkije er door voorbereid.

Een kleine aanleiding was voldoende, om dit uit te lokken. Een nieuwe opstand in AlbaniÎ in 1912, nu met meer succes ondernomen dan de vorige--de Albaneezen dwongen de Turksche regeering, een ietwat gematigder regeering, die onder den indruk van den ernst der gebeurtenissen juist opgetreden was, hun een ruimer mate van autonomie toe te staan, die zich zelfs over een deel van MacedoniÎ zou uitstrekken--, deed de spanning op den Balkan zeer toenemen. Toen toonden de groote mogendheden, v.n. Oostenrijk, neiging zich met de zaken te gaan bemoeien, om den dreigenden storm te bezweren. Zij verklaarden geen veranderingen in den status quo te zullen dulden--, zooals ze vroeger meermalen gedaan hadden. Juist ÈÈn dag later verklaarde Montenegro, als wilde het met deze verklaring openlijk den spot drijven, aan Turkije den oorlog (9 October). Het uitdagend optreden van den kleinsten onder hen sleepte weldra de anderen mede. Deze eischten nu van Turkije autonomie voor alle Europeesche provinciÎn van het Turksche rijk, waarbij de grenzen naar de ethnographische toestanden zouden getrokken worden. Turkije antwoordde met een oorlogsverklaring aan ServiÎ en Boelgarije, waarna Griekenland onmiddellijk de zijde van dezen koos.

Over het algemeen verwachtte men, dat de Turken hunne tegenstanders gemakkelijk zouden overwinnen. Het Jong-Turksche leger had immers in 1908 zulke duidelijk sprekende proeven van bekwaamheid afgelegd! Maar de verwachting werd in geenen deele vervuld. Het leger bleek dapper genoeg, maar volstrekt niet berekend op de sterke krachtsinspanning, die er nu van geÎischt werd. Het was niet voorzien van voldoende uitrusting en bij lange na niet voldoende georganiseerd. De Balkan-staten voerden den oorlog ieder voor zich; zij ondernamen geen gemeenschappelijke actie. De Boelgaren, wier hoofdmacht in ThraciÎ viel, kregen met het voornaamste leger der Turken te maken. Zij versloegen dat achtereenvolgens bij Kirk-Kilisse, Loele-Boergas en Tsjorloe, maar stieten, zelf door verliezen en ziekte verzwakt, het hoofd voor de linie van Tsjataldza, terwijl ze ook Adrianopel eerst niet konden veroveren. Onderwijl veroverden de ServiÎrs na hunne overwinningen bij Koemanovo en Monastir een zeer groot deel van MacedoniÎ; zij ondernamen bovendien een expeditie naar het Westen, die zelfs leidde tot de bezetting van Durazzo in AlbaniÎ aan de Adriatische Zee. De Grieken stelden zich in het bezit van Epirus en Zuidelijk-MacedoniÎ met Saloniki, waar ook een Bulgaarsch legertje binnentrok. De Montenegrijnen behaalden voordeelen aan de grenzen van hun land, maar het gelukte hun niet Skoetari te nemen, evenmin als de Grieken er in slaagden Janina te bezetten. Ter zee hield de Grieksche vloot de Turksche zonder veel moeite in bedwang; dien ten gevolge kon nu Kreta zich, zonder bezwaar, met Griekenland vereenigen, welk voorbeeld Samos en verschillende andere eilanden in de AegeÔsche Zee volgden. Het standhouden bij Tsjataldzja, te Adrianopel, Skoetari en Janina behoedde de Turken voor geheele verdrijving uit Europa, waarop de Boelgaren, onder den indruk hunner grootsche successen in het begin van den oorlog, stellig gehoopt hadden. Na twee maanden oorlogvoeren stemden Boelgarije, ServiÎ en Montenegro er in toe een wapenstilstand te sluiten; alleen Griekenland weigerde hierin te treden. Vredesonderhandelingen, waaraan dit laatste land wel meedeed, werden aangeknoopt te Londen.

Hier had Turkije weinig in te brengen. Het kon er alleen naar streven de zeer zware eischen, door den Balkanbond gesteld, eenigszins te doen matigen. Van de groote mogendheden mocht het op geen steun hoegenaamd rekenen. Zij hadden hare verklaring van vÛÛr den oorlog al spoedig ingetrokken, begrijpende, dat er na den loop, dien de oorlog nam, aan een handhaving van den ouden toestand niet te denken viel. Wel bleek spoedig, dat ze zich zouden laten gelden bij de verdeeling van den buit. Oostenrijk-Hongarije en ItaliÎ gaven zonder omwegen te kennen, dat ze niet zouden dulden, dat ServiÎ zich aan de Adriatische Zee nestelde. Het eerste land zag de groote uitbreiding van ServiÎ in Zuidelijke richting ook zeer ongaarne, maar moest zich hierin wel schikken. Evenzoo verzetten de beide, pas genoemde landen er zich tegen, dat Walona in Zuid-AlbaniÎ aan Griekenland kwam. Zij stelden voor de stichting van een zelfstandig vorstendom in AlbaniÎ en wisten dat met steun der andere groote mogendheden door te zetten. Een gezanten-conferentie te Londen zou de grenzen van het nieuwe vorstendom regelen. Overigens trachtten de mogendheden tusschen de Balkan-partijen te bemiddelen. Zij wisten te bewerken, dat enkele der moeilijkste aangelegenheden, zooals de regeling van de kwestie over de eilanden in de AegeÔsche Zee, voor een later te nemen beslissing uit de onderhandelingen geÎcarteerd werden. In Januari 1913 nam toen de Turksche regeering de voorwaarden der tegenpartij in hoofdzaak aan: afstand van al het verloren gebied, met inbegrip van het nog niet ingenomen Adrianopel, op den afstand waarvan Boelgarije met alle kracht aangedrongen had.

Het aannemen van deze voorwaarden kostte de toenmalige Turksche regeering haar bestaan. De heftige Jong-Turken maakten revolutie te Constantinopel en kwamen opnieuw aan het bewind. Zij verklaarden den pas gesloten vrede niet te willen aanvaarden. Zoo begon de oorlog opnieuw, maar de Jong-Turken brachten geen ommekeer te hunnen gunste teweeg. Zelfs gingen nu Adrianopel, Janina, eindelijk ook Skoetari verloren. De nieuwe regeering mocht van geluk spreken, dat zij ten slotte vrede kon sluiten in hoofdzaak op dezelfde voorwaarden als door hare voorgangster waren goedgekeurd. Bij den in Mei 1913 te Londen gesloten vrede verloor Turkije al zijn Europeesch gebied behalve het deel van ThraciÎ ten Zuiden van de lijn Enos-Midia; dus Constantinopel met het achterland dezer stad, juist genoeg om Bosporus en Dardanellen te blijven beheerschen en daardoor een rol van beteekenis in de Europeesche zaken te kunnen spelen. Het zou een oorlogsschatting hebben te betalen, maar alleen als vergoeding van het aandeel in de Turksche schuld, dat de bondgenooten zouden moeten overnemen; in bizonderheden zou ook deze aangelegenheid eerst later geregeld worden onder toezicht der groote mogendheden. De gezanten-conferentie te Londen had inmiddels de grenzen van AlbaniÎ vastgesteld. De ServiÎrs moesten het zich getroosten Durazzo te ontruimen en de Montenegrijnen trokken zich uit Skoetari terug, dit laatste echter pas na een op aandringen van Oostenrijk ondernomen vlootdemonstratie van de mogendheden in de Adriatische Zee.

Hun overigen buit mochten de vier Balkan-Staten behouden. Over de verdeeling werden ze het niet gemakkelijk eens. Zelfs kwam het tot een onderlingen oorlog van Boelgarije met de drie andere ten gevolge van de naar aanleiding hiervan ontstane moeilijkheden. Boelgarije wilde behouden, wat het in ThraciÎ en MacedoniÎ zelf veroverd had, maar bovendien het deel van MacedoniÎ krijgen, dat aan het land volgens het verdrag met ServiÎ toegezegd was. Maar ServiÎ wilde dit laatste niet geheel afstaan, omdat Boelgarije in ThraciÎ zÛÛ uitgebreid werd. Dan wenschte Boelgarije eigenlijk ook nog Saloniki..... Het overvroeg hier stellig; het wilde met de uitkomsten van den oorlog geen rekening houden. En in plaats van te wachten op den afloop van diplomatieke onderhandelingen, in plaats van de door keizer Nicolaas†II aangeboden arbitrage te aanvaarden, viel het in Juni zijn vroegeren bondgenooten plotseling op het lijf. Maar nu bleek het zijn krachten verre overschat te hebben, te meer, omdat het met RoemeniÎ ook nog te maken kreeg, dat, optredend voor het vestigen van een evenwicht op den Balkan, zich aan de zijde van Boelgarije's vijanden schaarde. Binnen twee weken was het aan alle kanten schaakmat gezet. De Grieken verdreven het Boelgaarsche garnizoen uit Saloniki. De ServiÎrs namen nog meer van MacedoniÎ in bezit. De RoemeniÎrs stelden zich in het bezit van SilistriÎ in het Boelgaarsche deel van de Dobroedsja ten zuiden van den Donaumond. Ja, de Turken namen de gelegenheid waar, om Adrianopel met een groot deel van ThraciÎ te hernemen. Tsaar Ferdinand riep de bemiddeling van den Oostenrijkschen keizer in, die hem den raad gaf zich tot den Roemeenschen koning te wenden. Het kwam tot onderhandelingen te Boekarest, waar Boelgarije even weerloos stond als Turkije een jaar vroeger te Londen. Bij den vrede had het de voorwaarden der bondgenooten te aanvaarden. Het verloor aan RoemeniÎ de pas genoemde streken, zoodat dit land nu den geheelen Donau-mond in bezit kreeg. Het moest aan ServiÎ en Griekenland het grootste deel van MacedoniÎ laten; het laatste behield niet alleen Saloniki, maar bovendien nog Kawalla, de tweede havenstad; Bulgarije moest tevreden zijn met Dede-Agatsj. Bovendien stond het bij den afzonderlijken vrede met Turkije nog Adrianopel af; de grens werd een goed stuk in Noordelijke richting verlegd.

Een doos van Pandora bleek de Balkankwestie voor de zooveelste maal geweest te zijn. Wat zal zij nog verder voor wonderen baren?

De regeling der bij den vrede van Londen aan de groote mogendheden opgedragen kwesties was nog niet afgeloopen, toen in 1914 de groote wereldoorlog uitbarstte. Ieder weet, dat de aanleiding op den Balkan lag: de moord van het Oostenrijksche kroonprinselijk paar te Sarajewo in Juni, door Oostenrijk aan de kuiperijen der groot-Servische propaganda geweten; de zware eischen, toen door Oostenrijk aan ServiÎ gesteld! Maar de oorzaak heeft men te zoeken in de tegengestelde belangen der beide groepen van mogendheden in Europa; anders dan in 1908 werd nu de uitbarsting niet voorkomen. ItaliÎ alleen hield er zich eerst buiten, maar schaarde zich ten slotte aan de zijde der entente, zijn oude bondgenooten dus verlatende.

De invloed dezer gebeurtenissen liet zich op den Balkan van meet af in sterke mate gevoelen. Turkije koos al spoedig de partij van Duitschland en Oostenrijk, waarvan het voor zijne toekomst het minst te vreezen had en tot welke het sedert jaren meer en meer was genaderd. Het feit, dat Engeland in het begin van den oorlog weigerde twee voor Turkije in Engeland gebouwde en haast voltooide oorlogsschepen uit te leveren--het lijfde ze bij de eigen marine in--, terwijl Duitschland twee zijner kruisers, die uit de Middellandsche Zee naar Constantinopel den wijk genomen hadden, aan de Turksche regeering aanbood, accentueerde direct deze verhouding. Ongeveer een jaar later volgde Boelgarije Turkije's voorbeeld: het hoopte zoo te herwinnen, wat het in 1913 had moeten opgeven. Dientengevolge werd het Balkan-schiereiland een der belangrijkste onderdeelen van het algemeene oorlogsterrein. De expeditie der entente tegen de Dardanellen en de tijdelijke bezetting van een deel van Gallipoli; de verovering van ServiÎ door de centralen (zoo noemt men de Duitschers en Oostenrijkers vrij algemeen), na de aansluiting van Boelgarije wel te verstaan; de opening dientengevolge van een directen weg van Berlijn naar Constantinopel en verder; het zijn alle gebeurtenissen van wereldhistorisch belang, waarvan de definitieve uitwerking nog altijd niet is te voorspellen.

Zullen de Jong-Turken nu in de nieuwe omstandigheden den verderen val der Turksche macht in Europa weten te voorkomen? Aan krachtig verweer met hulp van de Duitschers, die het Turksche leger reeds vroeger ten deele gereorganiseerd hadden, hebben zij het niet laten ontbreken. Behouden de Turken Constantinopel, zij blijven een factor van groote beteekenis in het toekomstige Europa.

PLAATSING DER KAARTJES.

1. Zuid-Oost-Europa in ±1350 tegenover blz. 666

2. De Uitbreiding van het Turksche Rijk tegenover blz. 674

3. De Achteruitgang van het Turksche Rijk tegenover blz. 690

AANTEEKENINGEN

[1] Iederen keer derhalve dat men de woorden vindt; Mahomet heeft gezegd, of de waarheidlievendste van alle menschen heeft gezegd, is er geene sprake van een gezegde uit den Koran, maar van Mahomets woorden, welke door de overlevering bewaard zijn.

[2] Muzelman of, naar der Oosterlingen spreekwijze Moslemim, in het Arabisch een belijder van den Islam of van het ware geloof, welke naam door Mahomet (eigenlijk Mohammed) reeds vroeg aan zijne leer is gegeven. Van dit woord hebben de Europezen Muzelman gevormd.

[3] Opmerkelijk is het dat Arabier met het woord `db">`rb (avond, het westen) en Saraceen met zrh (schijnen, het oosten) in verband staat, en dus het eene Westerling en het andere Oosterling zou beteekenen.

[4] Gen. XXXVII, Rigter. VI, VIII, Jes. XXI, Ezech. XXVII.

[5] De Arabische woordenboekschrijvers zijn het niet eens ten aanzien der beteekenis van het woord KoreÔsh. Er bestaan ten minste zes verschillende verklaringen van dien naam, welke alle meer of min gewrongen zijn. Naar den spraakkunstigen vorm te oordeelen is KoreÔch het verkleinwoord van karch, dat een zeer vraatzuchtige vischsoort beteekent, die andere visschen verslindt. Aanvankelijk is het dus niet anders dan een spot- of bijnaam geweest, die in het vervolg van tijd de naam is geworden van een geheel, uit Fihr-KoreÔch of KoreÔsh voortgesproten geslacht.

Wat overigens deze afleiding schijnt te bevestigen, is, dat de reeds in het O. Test. voorkomende naam Korach, in de overlevering als type van inhalige vrekkigheid is bewaard gebleven. Dat woord schijnt mede in verband te staan met hetgeen de knapen Elisah nariepen Kerach, omdat hij hun, als waterscheppers, het brood uit den mond nam, door (2 Kon II : 23) het water zoet te maken, hoewel de meeste en daaronder de bewerkers van den Staten-bijbel "kaalkop" vertalen.

[6] De naam Mahomet wijkt eenigszins van de werkelijke Arabische spelling af. Men behoorde Mohammed (de verheerlijkte) te zeggen. De Turken spreken het woord Mehemet uit, als zij van een levend persoon spreken die den naam Mohammed draagt. Het gebruik der andere volken is integendeel, zich van den vorm Mahommed te bedienen, als er van levende Arabieren gesproken wordt, dien denzelfden naam dragen.

[7] Caussin de Perceval Histoire des Arabes (D. I. bl. 268-283) die dat vraagpunt op uitvoerige wijze heeft onderzocht, bepaalt Mahomets geboorte op 29 Augustus 570.

[8] Deze ziekte kan de vallende ziekte geweest zijn. Inderdaad gelooft de mindere man in het Oosten, dat zij, die met vallende ziekte behept zijn, door den duivel bezeten worden.

[9] Men wil dat Waraka een gedeelte van het Evangelie in het Arabisch zou hebben vertaald.

[10] Deze woorden bevinden zich in het begin van Hoofdstuk XCVI. De woorden die nu volgen hebben geenerlei betrekking op de eerste openbaring.

[11] De twee andere personen die in den Koran genoemd worden, Aboe-Djahl en Aboe-Lahab, waren hardnekkige vijanden van den nieuwen eeredienst.

[12] De Arabieren, die de afgoderij toegedaan waren, erkenden ook wel den God (Allah), maar baden terzelfder tijde ook andere godheden aan.

[13] Er was te Mekka een christen goudsmid Djebr, dien Mahomet dikwijls zou hebben bezocht.

[14] Er was te Mekka vooral een KoreÔshiet, Madhr genaamd, die veel gereisd had, en dikwijls vergelijkingen tusschen Mahomets predikingen en de historische verhalen der Perzen maakte, welke zeer ten nadeele der eerste uitvielen.

[15] Zie hoofdstuk XVII, 87.

[16] Aboe-Talib beschermde zijnen neef uithoofde der banden van bloedverwantschap; want hij was afgodendienaar, en bekeerde zich eerst op zijn doodbed tot den Islam; ja zelfs wordt er aan zijne bekeering getwijfeld. Onder de Muzelmannen draagt Khadidja den naam van Ommoel-moemenin, moeder der geloovigen.

[17] Mahomet, die onderricht was, dat men een complot tegen zijn leven gesmeed had, verliet zijne woning door eene achterdeur en liet zijnen neef Ali in zijn bed stijgen.

[18] Hoe klein en nietig die bijzonderheden en andere, soortgelijke ook mogen schijnen, hebben wij gemeend, die in deze schets te moeten opnemen, daar zij, om zoo te zeggen, de Muzelmansche Mythologie vormen, en ook omdat zij bij de Mahomedaansche volken zijn overgegaan. Intusschen wordt het oorspronkelijke der vinding vernietigd door hetgeen de Bijbel verhaalt van hetgeen met David in de grot is gebeurd, toen hij door Saul werd vervolgd. Ook daar toch was de ingang der grot door een webbe oversponnen. Medrash.

[19] Dit was Heraclius I, geb. 575, gest. 641.

[20] Antar of Antara was een beroemd Arabisch opperhoofd en een van de zeven bekroonde prijsdichters, wier bekroonde gedichten, met goud en zijde gestikt, aan de poort van den Caaba werden bevestigd en daarom Moallaka (de opgehangene) genoemd worden. Antars gedicht is door Wilmet (1816) te Leiden uitgegeven.

[21] Hier is op te merken, dat de Muzelmansche vorsten hunne brieven aan niet-Muzelmansche vorsten met dien vorm van heilwensen beginnen.

[22] Dit denkbeeld had hij van het O.T. overgenomen. Zie 1 Sam. XII : 3.

[23] Volgens anderen drie dinars.

[24] Het ware noodeloos, hier de bewijsgronden te onderzoeken, welke door de Chiiten worden aangevoerd ten voordeele van Ali, schoonzoon van Mahomet, welke bewijsgronden uit onderscheiden gedeelten van den Koran en uit de overlevering getrokken zijn. Al die bewijsgronden worden in het breede vermeld in een overzicht van het leerstelsel der Chiiten, getiteld: Hakkoel-Yakin (de zekere waarheid), een Perzisch werk, in 1696 door Mohammed-bakir, zoon van Mohammed Taki, geschreven en te Ispahan gedrukt.

[25] Deze verklaring van het woord Ommi wordt gegeven in het Perzische werk, getiteld: Hakkoel-Yakin.

[26] Eenige van de wonderwerken, welke door Mahomet zouden zijn verricht, of van de wonderdadige eigenschappen, welke hij zoude hebben bezeten, laten wij hier volgen:

Eens heeft hij, ten aanzien van een ieder, de maan in tweeÎn gespouwen; op zijn verzoek heeft God de zon achteruit doen gaan (vergel. 2 Kon. XX : 9-11), ten einde Ali het namiddaggebed zou kunnen verrichten, dat door hem verzuimd was, uithoofde de profeet op zijne knieÎn was ingeslapen, en Ali hem niet wilde wekken; elken keer dat de profeet naast een ander ging, scheen het altijd alsof Mahomet, ofschoon hij eene middelbare lengte had, een hoofd langer was dan degeen die naast hem ging; zijn gezicht schitterde altijd van licht (vergel. Ex. XXXIV : 29) en als hij zijne vingers voor zijn aangezicht hield, dan schitterden zij, door den glans dien zij aan zijn aangezicht ontleenden, als fakkels; men heeft Mahomet dikwijls door steenen, boomen en planten hooren begroeten en dezen zich voor hem zien buigen; dieren, zooals gazellen, wolven en hagedissen spraken tot Mahomet en een geheel gebraden geitebok richtte evenzeer het woord tot hem; hij had volstrekte macht over de duivelen of booze geesten, die hem vreesden en aan zijne zending geloofden. Hij heeft blinden het gezicht hergeven, zieken genezen en zelfs dooden opgewekt (zoowel Oude als N. Test.); op zekeren dag heeft hij voor Ali en zijn gezin, die honger hadden, een geheel gedekte tafel uit den hemel doen nederdalen; hij heeft voorzegd, dat zijn nageslacht, uit Fatima gesproten, het slachtoffer van onrechtvaardigheden en vervolgingen zoude zijn, en dat de Omejjaden duizend maanden zouden regeeren, hetgeen juist zoo uitgekomen is, enz. Men zie ook de noot op Hoofdst. XVII, 1 over Mahomets wonderdadige reize naar de hemelen.

[27] Koran LXVI, 1-6. Waarschijnlijk behoort daartoe ook XXXIII, 27 en 28, in welke plaats Mahomet aan zijne vrouwen den voorslag eener echtscheiding doet, ingeval zij de praal van deze wereld boven het loon hier namaals verkozen.

[28] Koran XXIV, 4, 5, 11-20. Waar de echtgenoot zelf als aanklager optreedt heeft er (naar het Oude Testament Num. Hoofdst. V) een reinigingseed plaats. Koran XXIV, 6-10.

[29] Ontwijfelbaar is het, dat enkele gedeelten door zijne secretarissen opgeteekend zijn geworden. Ook schijnt hij groote zorg te hebben besteed, dat zijne openbaringen recht duidelijk en leesbaar zouden worden opgeteekend. Zoo luidt eene overlevering, dat hij tot Mu awia die later ook een zijner secretarissen was, zou gezegd hebben: trek de b recht, verdeel de s ter dege, enz. Deze overlevering geeft een nieuw bewijs, dat Mahomet, ten minste in lateren tijd, de schriftkarakters kende, indien hij ook misschien zelf niet in staat was vlug te schrijven.

[30] Het zou ook mogelijk wezen dat Aboe-Bekr deze en eenige andere verzen, welke over Mahomets dood handelen, en die nergens in den samenhang passen, verdicht hebbe, en dat Mahomet inderdaad, ten minste in de laatste jaren, de geloovigen, ten aanzien zijner sterfelijkheid in twijfel hebbe willen laten. In dit geval zouden dan natuurlijk al de gezegden onecht zijn, die op zijnen dood zinspelen; in dit moeten ze ook wezen, anders had Omar niet het tegendeel kunnen verdedigen. Deze verdenking van Aboe-Bekr wordt overigens ook gedeeld door De Scay, dien gewis niemand van zucht voor hypothesen kan beschuldigen. Wel is waar, men kan Omar verontschuldigen, door aan te nemen, dat hij, in de eerste ontsteltenis, dit Koranvers zich niet herinnerde; indien nu, zelfs nadat Aboe Bekr het had opgezegd, niettemin Aboe Hoereira, de beste kenner des Korans, verklaart, dat het hun allen toegeschenen was, als hadden zij nooit iets van dat vers gehoord, en wij ook in den Koran nog eenige andere vinden, welke Mahomets sterfelijkheid uitdrukten, dan moet men, ten minste indien men eenigen kritischen geest bezit, het waarschijnlijk achten, dat er latere bijvoegingen hebben plaats gehad. Die plaatsen in den Koran zijn III 144 en 186, XXIX 57, XXI 35 en 36 en XXXIX 31.

[31] Hoofdstuk IV vs. 97.

[32] Hoofdstuk II vs. 100 dat, volgens de beste, door Djalalein aangevoerde leeswijze, aldus luidt: "Wij herroepen geen vers of brengen er geen tot vergetelheid, zonder het door een beter of gelijksoortig te vervangen."

[33] De betrekking van Othmans arbeid tot dien van Aboe Bekr is overigens nog niet nauwkeurig bepaald. Het blijft twijfelachtig, of Aboe Bekr meer gedaan hebbe dan de oorkonden verzamelen, en of niet Othman het eerst voorkomene afschriften van deze hebbe doen maken en tot een geheel smelten. De geleerde QuatremËre, een uitstekend Oostersche letterkundige, zegt dan ook, naar Moedjmil Attawarich, dat de khalif Othman, derde opvolger van Mahomet, met onvermoeibare vlijt zich bezig heeft gehouden, om de verspreide en onsamenhangende gedeelten van den Koran tot ÈÈn lichaam te doen brengen. In de geschiedenis van Bekri (een handschrift op de bibliotheek te Gotha) leest men: Othman was de eerste die den Koran van alle verschillende lezingen zuiverde en hem deed afschrijven, gelijk hij zich op de hemelsche plaat bevindt.

[34] Met de woorden: "de eerste zeven uitgaven" worden de tekstverschillen bedoeld, die door Aboe Bekr opgenomen zijn, ter onderscheiding van de zeven latere uitgaven der verschillende geleerde scholen, die slechts afwijkingen in toonteekens en letters van elkaar vertoonen.

[35] Het exemplaar waarin Othman las, op het oogenblik dat hij werd vermoord, zoude naar Antartos gekomen en de zeer met bloed bevlekte bladen, zouden in de moskee van Cordova bewaard geworden zijn. Ook in Egypte geloofde men in het bezit te zijn eens Korans van Othmans hand, en evenzeer in Marokko en Tiberias. Het laatstgenoemde exemplaar zoude, ten tijde der kruistochten, naar Damascus gebracht zijn.

[36] Een door Ali geschreven Koran zoude eerst in het jaar 755 der Hedjirah (1377) in Mesdjed Ali verbrand geworden zijn. Te Fostat bewaarde men nog langen tijd een' Koran van de hand des khalifs Abd Alaziz. Hij had zÛÛ veel zorg besteed om het afschrift vrij van alle feilen te houden, dat hij een' ieder die daarin eene fout zoude ontdekken, een' kameel en dertig dinars beloofde. Inderdaad vond men er slechts eene enkele letter in verplaatst. Ook is er langen tijd een afschrift des Korans van Chalid Ibn Aboel Hajadh, een tijdgenoot van Ali, en zijn, ook onderscheidene van den wreeden Hadjadj bewaard gebleven.

[37] Hoofdst. LXXV v. 16-20 XX v. 113 en ook Hoofdst. LXXXVII v. 6 en 7.

[38] Hoofdst. VI v. 67.

[39] Hoofdst. XI v. 15 vergel. ook v. 114 en Hoofdst. XXVIII v. 85-87, X v. 93, 94 en 108.

[40] Hoofdst. XIII v. 34.

[41] Hoofdst. XVI v. 100.

[42] Zie Mahomets leven bl. 36.

[43] Zie Mahomets leven bl. 21.

[44] Vers 5 is mogelijk later bijgevoegd. Volgens dit hoofdstuk worden ook degenen het paradijs deelachtig, die God vreezen, hem aanbidden en aan den oordeelsdag gelooven; milddadig jegens behoeftigen zijn, uitspattingen vermijden, getuigenis der waarheid afleggen en het gegeven woord trouw vervullen.

[45] Hoofdst. XVI v. 105; XXV 6, 7 en XLIV v. 13.

[46] De 23 eerste verzen behooren wellicht nog tot de oudste.

[47] Vergel. Hoofdst. XIII: v. 8 en 29, en XXIX: v. 50.

[48] Is dit vers werkelijk van Mahomet, dan kan het evenzeer slaan op de reis van Mekka naar Medina, welke hij, om niet achterhaald te worden, des nachts deed.

[49] Zie Hoofdstuk X v. 93 en Hoofdstuk XXVI v. 196; vergelijk ook Hoofdstuk XXVIII v. 52 en 53, XXIX v. 46, Hoofdstuk XLVI v. 11 en LXXXVII vs. 18 en 19.

[50] v. 168 ook Hoofdstuk V v. 4, waar nog nader opgegeven is wat men onder aas hebbe te verstaan.

[51] Hoofdstuk VI v. 146 en XVI v. 115.

[52] v. 109 en 136. Over de wijze waarop de aalmoezen moeten worden gegeven, v. 265, enz.

[53] v. 222.

[54] v. 176.

[55] v. 282.

[56] v. 276.

[57] v. 227, enz.

[58] v. 220.

[59] v. 173.

[60] Vers 27 en volgende.

[61] v. 1-24, 33, 34, 126-129 en 175.

[62] v. 33

[63] v. 94.

[64] v. 45 en volgende, 118, 152, 166, 169 en 170.

[65] v. 36 en 37.

[66] v. 56.

[67] v. 134.

[68] v. 9.

[69] v. 91.

[70] v. 105-107.

[71] v. 92-93.

[72] v. 79.

[73] Zie Brief aan de Romeinen 13 v. 1-7.

[74] Ketters.

[75] Soera II v. 191.

[76] Dezelfde Soera vs. 239 en 240. Hoofdstuk IV vs. 102-104.

[77] Hoofdstuk LXII vs. 10.

[78] Soera 73, het laatste vers.

[79] Eerste brief, V vs. 7.

[80] X vs. 108, XXVII vs. 94, XVII vs. 16, XXXIX vs. 42, XVII vs. 19 en 20, XVIII vs. 28, 53, XXXIX vs. 55-60, XLI vs. 16, 17.

[81] II, vs. 36, 37. Zie ook VII, vs, 11-19, XXXVIII vs. 72-85, en vooral XX vs. 114-124. Wij willen deze leer van de zonde en der verlossing welke met die van Pelagius zeer nauw verwant is, in geenen deele boven die der orthodoxe kerk verheffen; maar hoe moeilijk deze laatste is, bewijst reeds de omstandigheid, dat zij van Augustinus tot op onzen tijd, zeer dikwijls, zelfs door de meest geloovige theologen, aangevallen en gewijzigd werd.

[82] Zie Exodus IV vs. 21 Jos. XI vs. 20. Rom. XI vs. 8-10. I vs. 28, IX vs. 17.

[83] Koran V vs. 18, XIII vs. 30, 31, XLVII vs. 18, XVIII vs. 53, XVI vs. 38.

[84] Makrizi bij de Sacy, Religion des Druzes I. Introduction p. IX-XII.

[85] Zie Muradgea, d'Ohsson, schildering van het Ottoman rijk; vertaling van Beck, I bldz. 99-101.

[86] Zie XVIII vs. 110, XXI vs. 94, XXII vs. 14, 23, en 49, V vs. 12, LXXIX vs. 38-41. LXXIV vs. 42-47, LXIX vs. 21-34, enz.

[87] Zie Marraccius, bladz. 837.

[88] Aangezien de Arabieren een zuiver maanjaar hebben, valt natuurlijk de Ramadhan afwisselend in alle jaartijden.

[89] Koran of cour'an is lezing. Al is het voorzetsel de; boek, of boek bij uitnemendheid. Men noemt den Koran ook wel el kit‚b het boek; kitub-oullah, Gods boek, kelimet-oullah, Gods woord; el tenzil, het boek van boven nedergedaald; el dhikr waarschuwing; el forkan onderscheiding (tusschen het niet verbodene en het verbodene, het goede en het slechte); el mos'haf (wetboek bij uitnemendheid).

[90] Dit eerste hoofdstuk wordt al F‚tehat, of Fatihat el kitab, genoemd; hoofdstuk waarmede het boek geopend wordt. Men noemt het ook sab'ol messani, de zeven herhaalde (verzen); want de Muzelmannen spreken het meer uit dan de andere gebeden, en schrijven er de wonderbaarlijkste deugden aan toe. Zij betitelen het met verschillende grootsche namen als: het hoofdstuk des gebeds, des lofs, van dank, enz. Zij beschouwen het als den zakelijken inhoud van den geheelen Koran, en verhalen het dikwijls in hunne aandachtsoefeningen, zoowel in het openbaar als in hunne afzondering; even als de R.C. Christenen het Onze Vader.

[91] Dit staat boven ieder hoofdstuk van den Koran, behalve boven het negende. De Mahomedanen spreken het uit als zij een dier slachten, bij het begin van hun gebed en bij alle belangrijke handelingen. Het is bij hen wat het teeken des kruises bij de R.C. Christenen is. Hoewel de hierboven gegeven vertaling het verschil tusschen de beide Arabische woorden niet genoeg aanduidt is die echter de meest gebruikelijke.

[92] De oorspronkelijke woorden luiden, letterlijk vertaald: Heer der werelden, hoewel ‚lamina hier en in de andere hoofdstukken van den Koran eigenlijk de drie soorten van redelijke schepselen beteekent; zijnde: menschen, geniÎn en engelen. Savary vertaalt het: "Vorst der werelden."

[93] De profeten en de godsgezanten die Mahomet vooraf gingen.

[94] Hiermede worden de Joden en Christenen bedoeld, voor zij van hunne primitieve instellingen afweken, maar niet de tegenwoordige belijders van den laatstgenoemden godsdienst die van de ware leer van Jezus zijn afgeweken en in een doolhof van dwaling verward zijn (Jallalo'ddin, Al Beiddawi, enz.).

[95] Dit hoofdstuk werd de Koe genoemd, omdat daarin, onder anderen, van de roode koe sprake is, die Mozes den kinderen IsraÎls gebood te slachten.

[96] Een groot deel der hoofdstukken van den Koran dragen als titel, of in het eerste vers, eenige afzonderlijk staande letters. Naar de Mahomedanen gelooven, zijn het de bijzondere teekenen van den Koran, die vele diepe geheimen verbergen; welker ware beteekenis nog aan geen sterveling is geopenbaard, behalve aan hunnen profeet. Eenigen zeggen, dat het beteekent Allah latif magid: God is genadig en moet verheerlijkt worden; of Ana bi mihi, aan mij en van mij, of Ana Allah ‰lan, ik ben de wijste God. Anderen weder zeggen, dat Amur li Much is eene verkorting van Amur li Mahomet (zeide mij Mahomet), en dat het door den schrijver van Mahomet er bijgevoegd zou zijn.

[97] Eigenlijk beteekent dit de zaken die afwezig, op een grooten afstand, of onzichtbaar zijn, zoo als: het paradijs, de hel, de opstanding en al wat op het punt van godsdienst, bovenzinnelijk is.

[98] De Muzelmannen gelooven dat God niet alleen geschreven openbaringen heeft gegeven aan Mozes, David, Jezus en Mahomet, maar ook aan vele anderen profeten (zie Reland, de Relig. Mohan, bladz. 34 en Dissert. de Samaritanis, pag. 34. enz.) maar zij herkennen geen die, den Koran voorafgegaan zijnde, thans voorhanden zijn, uitgenomen den Pentateuchus van Mozes, de psalmen van David en het evangelie van Jezus, welke, naar zij nog zeggen, voor Mahomets tijd door de Joden en Christenen bedorven en vervalscht zijn, waarom zij dan ook onze tegenwoordige afschriften daarvan voor onecht verklaren.

[99] Het oorspronkelijk woord al-‚kherat beteekent eigenlijk het laatste gedeelte eener zaak, en overdrachtelijk het toekomstige leven, de laatste of toekomstige toestand na den dood, en is het tegenovergestelde van aldonya, deze wereld, en aloula het tegenwoordige leven. Het hebreeuwsche woord 'hryt">'Hryt (acharith), van denzelfden stam, wordt door Mozes in die beteekenis gebruikt, en is met de woorden: laatste einde vertaald (Numeri XXIV : 20, Deuter. VIII : 16).

[100] Overal in den Koran, bedoelt Mahomet met de menschen wier harten door ziekte zijn aangedaan, de huichelaars, of de menschen van een twijfelachtig en wankelend geloof. Hier en elders volgt hij dikwijls de andere gewijde schrijvers na, met God de bekeering der boozen te doen voorkomen, door op den geest van deze te werken.

[101] Wij hebben het arabische woord ressoel, bode, afwisselend door profeet, gezant of bode vertaald.

[102] Letterlijk vertaald zou dit moeten luiden: Verderft toch niet op de aarde: waaronder door sommigen misdaden, als: roof, geweld, ongebondenheid en afgodendienst, door anderen de verbreiding eener valsche leer en het bederven van de grondbeginselen des volks wordt verstaan. Om het contrast des te beter te doen uitkomen tusschen dezen zin en die waarmede het vers wordt besloten, zou men dit laatste moeten vertalen met de woorden: Verre van dat; wij verbeteren, of, gelijk anderen dit doen, met de woorden wij zijn hervormers, die door leer en voorbeeld ware vroomheid bevorderen.

[103] De eerste metgezellen en volgelingen van Mahomet (Jallalo'ddin).

[104] Letterlijk vertaald zou dit moeten luiden: met hunne duivelen. Het arabische woord cheÔtan, satan wordt niet alleen gebruikt voor satan of duivel: hier doelt het op de joodsche en christelijke geestelijke. Mahomet maakt hier gebruik van het recht, dat de ijveraars voor de meeste godsdiensten zich toeÎigenen, om de belijders van andere godsdiensten te smaden.

[105] Hier vergelijkt Mahomet hen, die niet in hem gelooven, bij dengeen, die een vuur tracht te ontsteken, doch die zijne oogen sluit; opdat hij het niet zie, zoodra het opvlamt en licht geeft.

[106] De tekst schijnt hier onvolmaakt te zijn, en aangevuld te moeten, worden met de woorden: hij wendt zich af, hij sluit zijne oogen of iets dergelijks.

[107] De uitleggers geven aan deze woorden de beteekenis van: zij zullen zich niet bekeeren.

[108] Hier vergelijkt Mahomet de ongeloovige Arabieren bij menschen, die in een vreeselijken storm zijn. Om de schoonheid van deze vergelijking te begrijpen, moet men weten; dat de mahomedaansche leeraren zeggen, dat het onweder een afbeelding of beeld van den Koran zelf is; de donder beteekent de bedreigingen die in dat boek voorkomen, het weÍrlicht de beloften en de duisternis de mysteriÎn. De angst voor de bedreigingen doen hen hunne ooren dicht stoppen; als de beloften hun worden voorgelezen, wachten zij met genoegen: maar wanneer er iets geschiedt, dat geheimzinnig of moeielijk te gelooven is, staan zij stil, en willen zich niet er aan onderwerpen, geleid te worden.

[109] Als een prediker in de moskee, of een Arabisch redenaar het volk aanspreekt, gebruikt hij de woorden: o Menschen, d.i. o, gij, die naar mij luistert. Op dezelfde wijze worden die woorden in den Koran niet gericht tot alle menschen, tot de stervelingen, maar tot de bewoners van Mekka of van Medina, voor welke Mahomet predikte. Al het gesprokene van Mahomet, zijne leerstellingen, enz. bezitten het eigenaardige, dat zij van een actuÎle en beperkte toepassing op de volkeren van ArabiÎ zijn, zonder zich over de andere volkeren, kortom over de geheele menschheid uit te strekken. De uitleggers doen echter opmerken, dat de woorden: "o Menschen!" meer bijzonder op de bewoners van Mekka zijn toegepast, terwijl de bewoners van Medina met de woorden: o geloovigen, o gij, die gelooft, worden aangesproken. De bewoners der stad van Mahomet volhardden nog in den afgodsdienst, toen de bewoners van Medina, reeds den nieuwen profeet hadden aangenomen.

[110] Volgens sommigen: uwe valsche goden of afgoden. Gewoonlijk worden echter de woorden min douni-'illahi vertaald met: behalve God. Mahomet beschuldigt de Arabieren niet, uitsluitend en volstrekte goden te aanbidden maar onder Gods leer, die van andere godheden te mengen. Even zoo stemden de helden der klassieke oudheid er gaarne in toe, den God der Christenen en zijn Zoon onder de godheden van den Olympus te plaatsen, maar niet om hun veelgodendom geheel op te offeren. Dit spruit uit verschillende plaatsen van den Koran voort, waar de afgodendienaars geacht worden de werking van het Opwezen te erkennen.

[111] D.i. de steenen afgodsbeelden.

[112] Sommige uitleggers (o.a. Jallalo'ddin) komen met die verklaring overeen, veronderstellende, dat de vruchten van het paradijs, hoewel van verschillende grootte, nochtans in kleur en uiterlijk aanzien overeen komen.

[113] De Arabieren verweten Mahomet, onder de ernstige leeringen beelden uit platte zakken te mengen; Mahomet verdedigt zich hier tegen dit verwijt.

[114] Betreffende de schepping van Adam, hier bedoeld, hebben de Mahomedanen verschillende bijzondere overleveringen. Zij zeggen dat de engelen GabriÎl, MichaÎl en Israfil, de eene na den andere, door God werden gezonden, om, voor dat doel, zeven handen aarde van verschillende diepten en kleuren te halen (voor de verschillende menschenrassen volgens Al Termedi, naar eene overlevering van Abu Musa al Ashasi), maar de aarde voor de gevolgen vreezende, en begeerende, dat zij God hare vrees zoude voorstellen, dat het schepsel hetwelk God had geboden te vormen, tegen Hem zou opstaan en Zijne vervloeking op haar zou nederzenden, keerden de engelen terug, zonder Gods bevel te volbrengen, waarop Hij AzraÔl met denzelfden last nederzond, die de opdracht zonder wroeging volbracht: weshalve God dien engel opdroeg, de zielen van de lichamen te scheiden. Hij werd daarom de engel des doods genoemd. De aarde die hij had genomen, was in ArabiÎ gehaald, op eene plaats tusschen Mekka en TaÔf, waar zij, na eerst door de engelen gekneed te zijn, door God zelf tot een menschelijken vorm werd gebracht, en gedurende veertig dagen, of, zoo als andere zeggen, een aantal jaren, daar werd gelaten om te drogen (vergelijk den Koran 45e hoofdstuk). In dien tusschentijd werd deze dikwijls door de engelen bezocht, en door Eblis, later duivel, toen een der engelen, die het dichtst bij Gods tegenwoordigheid zijn geplaatst als de anderen. Deze echter, niet tevreden dit te zien, schopte den vorm met den voet, tot hij geluid gaf, en wetende dat God dit schepsel had bestemd om zijn beheerscher te zijn, nam hij een geheim besluit, het nimmer als zoodanig te erkennen. Hierna bezielde God de kleivorm, en beschonk hem met eene verstandelijke ziel: en toen hij hem in het paradijs had geplaatst vormde hij Eva uit zijne linkerzijde. (Khond Amir, Jallalo'ddin Comment, in Coran, enz. d'Herbelot. Biblioth. Orient bladz. 55).

[115] Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk nedervallen, tot het voorhoofd den grond rake, dat de nederigste houding bij bewondering is, en hetgeen men, strikt genomen, alleen aan God zou verplicht zijn; maar somtijds wordt het in plaats daarvan gebruikt, om de burgerlijke achting of hulde uit te drukken, welke men schepselen bewijst (Jallalo'ddin).

[116] Dit feit van den val des duivels heeft eenige overeenkomst met eene meening, die onder de Christenen reeds velen heeft bezig gehouden (Irenaeus, Lact, Greg. Nyssen, enz.) zijnde, dat eenige van de engelen, onderricht van Gods voornemen, om den mensch naar zijn beeld te vormen, en de menschelijke natuur tot waardigheid te verheffen, door die Christus te doen toeÎigenen, dachten, dat hunne glorie daardoor zou worden verduisterd; derhalve het geluk van den mensch benijdden, en dus opstonden. Ook moet men wel opletten, dat in het vorige vers Mahomet zelf spreekt, of de woorden van den engel GabriÎl herhaalt. In dit vers wordt God zelf geacht te spreken. Deze plotselinge verandering van persoon komt ieder oogenblik in den Koran voor, niet alleen in de verschillende verzen, maar zelfs in dezelfde zinsnede. Daardoor zal de lezer kunnen oordeelen over de wanorde, die door deze verandering in de volzinnen wordt veroorzaakt.

[117] Blijkens hetgeen thans volgt, plaatst Mahomet dezen tuin, of dat paradijs, niet op de aarde, maar in den zevenden hemel (Zie Marracc. in Alc. bladz. 24).

[118] Omtrent dezen boom, of de verboden vrucht, is de meening der Mohamedanen even als die der Christenen verschillend. Sommigen zeggen, dat het een korenaar was; anderen willen, dat het een vijgenboom zou zijn geweest, en anderen weder een wijnstok (zie Marracc. in Alc. bladz. 22). Het verhaal van den val wordt zonder verdere omstandigheden in het begin van het 7e hoofdstuk verhaald.

[119] De Mahomedanen zeggen, dat, toen Adam en Eva uit het paradijs werden gedreven, de eerste viel op het eiland Ceylon of Serendib, en de tweede nabij Djiddah, (de haven van Mekka) in ArabiÎ, en dat Adam, na eene scheiding van 200 jaar, om zijn berouw, door den engel naar eenen berg nabij Mekka werd geleid, waar hij zijne vrouw vond en bekende; welke berg thans den naam van Arafat draagt, en dat hij naderhand met haar naar Ceylon terugkeerde waar zij de voortplanting van hun geslacht vervolgden. Het is niet onbelangrijk, hier eene andere overlevering te vermelden, betreffende de reusachtige gestalte onzer stamouders. Hun profeet, zeggen de Mohamedanen, heeft bevestigd, dat Adam zoo lang was als een hooge palmboom (Yahya); doch dit is naar evenredigheid te groot, indien het afdruksel op den top eens bergs, op het eiland Ceylon, dat van zijnen voet is, en te klein, indien Eva van zulk eene vreeselijke grootte was, als gezegd wordt, dat, als haar hoofd op eene rots nabij Mekka lag, hare knieÎn zich op twee andere in de vallei zouden hebben bevonden, die op twee geweerschoten afstands van elkander verwijderd liggen. Deze berg thans Pico de Adam, en bij de Arabische schrijvers Rah‚n genaamd, is iets meer dan twee man hoog (Zie Moncony, Voyage, 1e gedeelte, bladz. 372 enz. en Knox, Account of Ceylon). Anderen (Anciennes relations des Indes, bladz. 3) zeggen daarentegen, dat hij zeventig cubitussen hoog is, en dat, wanneer Adam een voet hier zette, hij met den anderen in de zee stond.

[120] D.i. menschen en Duivelen.

[121] Het Arabische woord aiÈ heeft in den Koran verschillende beteekenissen, omdat het niet alleen een teeken is, maar vooral een teeken van openbaring des hemels en bijgevolg ook mirakel, wonder, enz. uitdrukt. Bovendien wordt het ook voor een vers van den Koran gebruikt, aangezien ieder dier verzen als Gods woord geacht, en voor een mirakel en een waarschuwing gehouden wordt. De zin is echter gemakkelijk uit den samenhang op te maken.

[122] De Joden worden hier opgeroepen den Koran te ontvangen, tot vergelijking en bevestiging van den Pentateuchus, vooral met eerbiediging van Gods eenheid en de zending van Mahomet (Yahya). Het wordt hun tevens verboden, de plaatsen in hunne wet te verheelen, welke voor die waarheden getuigen, of die te verminken, door het openbaar maken van valsche afschriften van den Pentateuchus, voor hetwelk de schrijvers slechts karig werden betaald, (Jallalo'ddin).

[123] De uitleggers voegen er bij: het muzelmansche gebed, de muzelmansche aalmoes.

[124] Het boek, in den volstrekten zin, beteekent: elk geopenbaard boek, de Schriften; tot de Joden sprekende, de Pentateuchus; tot de Christenen: het Nieuwe Testament; het wordt ook op den Koran toegepast. Wij willen te dien opzichte nog doen opmerken, dat Mahomet in zijne predicatiÎn de afgodendienaars of onwetenden onderscheidt van hen, die, op welk tijdstip ook, gewijde boeken hebben ontvangen. Deze laatsten worden gezin van het boek, lieden der schriften genaamd.

[125] Deze volzin wordt telkenmale letterlijk teruggevonden, als er sprake is van de vervolgingen, die de IsraÎlieten in Egypte ondergingen. Men zou bijna zeggen, dat Mahomet dit wilde doen uitkomen. Indien men zich herinnert, dat de afgodendienende Arabieren de geboorte eener dochter als een groot ongeluk beschouwden, moet men toegeven, dat men geen ongunstiger licht op een heidenschen en ongeloovigen vorst (waarvan Pharao de type is) kon werpen, dan aanhoudend te wijzen op deze soort van voorkeur, aan de dochters boven de zoons gegeven.

[126] Zie het meer bijzondere verhaal van Mozes en Pharao in de hoofdstukken 7, 20, enz.

[127] De persoon die dit kalf omverwierp was, naar de Mahomedanen zeggen, niet A‰ron, maar Al-SamËri, een der voorname mannen onder de kinderen IsraÎls, en van wien eenige afstammelingen, naar men beweert, nog een eiland van dien naam in de golf van ArabiÎ zouden bewonen (Geogr. Nubiens, bladz. 47). Al-SamËri ging verder, en nam eenig stof van de voetstappen van het paard van den engel GabriÎl, die aan het hoofd van het volk reed, en wierp het in den bek van het kalf, dat onmiddellijk begon te loeien en levend werd (Koran, zevende hoofdstuk); zÛÛ sterk was de kracht van dit stof (Jallalo'ddin; zie d'Herbelot, Bibl. Orient, bladz. 650).

[128] De onderscheiding: el-forkan (eigenlijk de verlossing) wordt hier op den Pentateuchus toegepast, gelijk, op andere plaatsen, op den Koran. Dit woord beteekent elk geopenbaard boek, voor zooverre dit het veroorloofde van het verbodene onderscheidt. Men kan zeggen, dat in ieder goddelijk boek, het gedeelte, hetwelk de gebruiken, de spijzen, enz. behandelt, el forkan (onderscheiding) heet, evenals het dogmatische al-houda (richting).

[129] De Oostersche schrijvers zeggen, dat deze kwartels van eene bijzondere soort waren, die nergens anders dan in Yemen werden gevonden, vanwaar zij door een zuidewind in grooten getale naar het kamp der IsraÎlieten in de woestijn werden gevoerd (Koran, 7e hoofdstuk). De Arabieren noemen deze vogels salw‡, dat hetzelfde beteekent als het Hebreeuwsche woord salwin. Deze hebben, naar zij zeggen, geene beenen, maar worden geheel gegeten (zie d'Herbelot, Bibl. OriÎnt., bladz. 477).

[130] Eenige uitleggers veronderstellen dat het Jericho is, anderen Jeruzalem.

[131] Het Arabische woord is Hittaton, waaruit sommigen de beteekenis afleiden van de betuiging der eenheid Gods, zoo dikwijls door de Mahomedanen gebruikt. La il‡ha illa'llaho. Er is geen God buiten God.

[132] Men gelooft dat in dit vers sprake is van het binnentrekken der IsraÎlieten in de stad Jericho. In plaats van het woord hittaton of hettat, (aflaat, genade) zoo als hun dit bevolen was, zouden de Joden dit door het woord habatb (korrel of gerstkorrel) fishairat hebben vervangen, en zich als plunderaars gedragen hebben. Het is overbodig de aandacht te vestigen op de anachronisme, door den schrijver van den Koran, of liever zijne uitleggers begaan, door den dood van Mozes te mengen in de gebeurtenissen sedert zijnen dood voorgevallen, zoo als het innemen van Jericho.

[133] Eene pestziekte, die omstreeks 70,000 hunner heeft gedood (Jallalo'ddin).

[134] Numeri XI, 5, enz. Volgens sommigen erwten.

[135] Deze plaats, even als vers 59 van het zes en twintigste hoofdstuk, waarin de IsraÎlieten geacht worden naar Egypte terug te keeren, is een dier anachronismen, waarvan de Koran wemelt, en die de groote onwetendheid van den Arabischen profeet duidelijk aantoonen.

[136] Uit deze woorden, welke in het vijfde hoofdstuk worden herhaald, hebben verschillende schrijvers (Selden, de Jure Nat. et Gentium sec. Hebr. 1. 6 c. 12. Angel, a.s. Joseph. Gazophy1ac. Persic. p. 365. Nic. Cusanus, in Cribatione Alcorani, 1. 3, c, 2. enz.) verkeerdelijk afgeleid, dat de Mahomedanen het als de leer van hunnen profeet hielden, dat ieder mensch door zijn eigen godsdienst zou behouden zijn, mits hij oprecht ware en een goed leven leidde. Het is waar, dat velen hunner geleerden toestemmen, dat dit de zin dezer woorden is, (Chardin, Voyages, 2e deel, bladz. 326, 331) maar zij voegen er bij, dat de hier toegestane vrijheid spoedig werd herroepen, omdat deze plaats door verschillende andere in den Koran is afgeschaft, welke uitdrukkelijk verklaren, dat niemand zalig zal zijn, die niet tot het Mahomedaansche geloof behoort. Vooral blijkt dit uit de woorden in het derde hoofdstuk, vers 79. Hoewel anderen van oordeel zijn, dat deze plaats niet afgeschaft is, maar die op eene andere wijze verklaren, zeggen zij, dat de bedoeling is, dat niemand, hetzij hij Jood, Christen of SabeÔst is, van de zaligheid uitgesloten zal zijn, mits hij zijn verkeerden godsdienst verlate en Muzelman worde, hetgeen, naar zij zeggen, wordt aangeduid door de woorden: Indien zij slechts aan God en aan den jongsten dag gelooven en weldoen, zullen zij door hunnen Heer beloond worden.

[137] Naar de overlevering der Mahomedanen, zouden de IsraÎlieten hardnekkig geweigerd hebben, de wet te ontvangen, en zou God, om hen te verschrikken, den berg SinaÔ van zijne wortelen losgescheurd en boven hun hoofd gehouden hebben.

[138] De legende, waarop deze plaats betrekking heeft, is de volgende: in de dagen van David, woonden verschillende IsraÎlieten in de stad Ailah of Elath, aan den Roode zee, waar de visschen gewoon waren op den avond van den sabbath in grooten getale aan den oever te komen: zij bleven daar gedurende den sabbath, om hen te verleiden, en den daarop volgenden nacht keerden zij naar de zee terug. Na eenigen tijd verwaarloosden eenige inwoners Gods bevel, en vingen visch gedurende den sabbath; zij groeven later kanalen naar zee, opdat de visschen zouden kunnen binnenkomen, en voorzagen die van sluizen, die zij gedurende den sabbath schutteden, om den terugkeer der visschen naar de zee te beletten. Het overige gedeelde van de inwoners, die den sabbath streng vierden, gebruikte overreding en kracht om deze goddeloosheid tegen te gaan, maar zonder gevolg: de zondaren vermeerderden slechts en werden hardnekkiger, waarop David de sabbathschenders vloekte en God hen in apen veranderde. Men zegt, dat iemand, die naar zijn vriend ging zien, welke onder hen was, hem in de gedaante van een aap vond, wild met zijne oogen rondwarende, en toen vroeg of hij niet een zulk was. De aap maakte een teeken met zijn hoofd, dat hij dit was, waarop de andere tot hem zeide: Heb ik u niet geraden af te laten, waarop de aap schreide. De Mahomedanen voegen er bij, dat dit ongelukkige volk drie dagen in dien staat bleef, daarna verstrooid, (Abul'feda) en door een storm in de zee gedreven werd.

[139] De Joden hadden Mozes gevraagd, een moordenaar te ontdekken. Hoe daartoe te geraken? Mozes gebood eene koe te slachten, hetwelk oppervlakkig in geen verband stond met den moord. Zie hier hoe deze overlevering luidt: Een zeker man liet bij zijnen dood aan zijnen zoon, toen nog een kind, een koekalf na, hetwelk in de woestijn rondzwierf, tot het op zekeren ouderdom was gekomen, toen de moeder den zoon verhaalde, dat de vaars hem toebehoorde, en hem bad haar te gaan halen en voor drie goudstukken te verkoopen. Toen de jongeling met zijne vaars op de markt kwam, hield hem een engel staande, die in een gedaante van een mensch was en bood hem zes goudstukken voor het dier, doch hij wilde het geld niet aannemen, zonder de toestemming zijner moeder te hebben gevraagd. Toen hij die had verkregen, keerde hij naar de markt terug, en ontmoette den engel, die hem thans het dubbele voor het dier bood, mits hij daarvan niets aan zijne moeder zeide; maar de jongeling sloeg het aanbod af, ging heen en maakte zijne moeder met dit aanbod bekend. De vrouw bespeurde dat het een engel was, bad haren zoon terug te keeren en hem te vragen, wat men met het kalf moest doen; waarop de engel den jongeling vertelde, dat binnen korten tijd de kinderen IsraÎls het dier tot elken prijs zouden willen koopen. Spoedig hierna geschiedde het dat een IsraÎliet, Hammiel genaamd, door een zijner verwanten was gedood, die om ontdekking te voorkomen, het lijk naar eene plaats had vervoerd, welke aanmerkelijk was verwijderd van de plaats waar de moord was geschied. De vrienden van den verslagene beschuldigden verschillende andere personen bij Mozes van den moord; maar de beschuldigden loochenden de daad, en daar er geen bewijs was om hen te overtuigen, gebood God eene koe, met die en die bijzondere kenteekenen, te dooden, maar aangezien er geene andere was, welke aan de beschrijving voldeed, dan het kalf van den wees, waren zij verplicht het dier te koopen voor zooveel geld als de eigenaar verlangde: volgens sommigen was dat voor het gewicht van het dier aan goud, en volgens anderen tien maal zooveel. Toen het dier geofferd was, en het lijk van den man, volgens het goddelijke gebod, met een gedeelte er van gestreken was, herleefde het: de man stond op, noemde den persoon die hem had gedood, waarop hij dadelijk weder dood nederviel. (Abul'feda). De geheele geschiedenis schijnt te zijn ontleend aan die van de roode vaars welke volgens het gebod der wet, door de Joden moest worden gedood, en waarvan de asch moest worden bewaard, om degenen te reinigen die een dood lichaam hadden aangeraakt (Num. XIX), en aan dat van de vaars, welke geslacht moest worden tot boete van een moordenaar, van wiens daad men niet zeker was (Deuteron. XXI, 1-9).

[140] Om den buitengemeenen prijs dien zij genoodzaakt waren voor de vaars te betalen.

[141] Zijnde haar tong, of het eind van haren staart.

[142] Volgens eenigen te strijken.

[143] Hier beschuldigt Mahomet de Joden weder, de afschriften der gewijde boeken te veranderen, met het doel om er alle plaatsen uit te verwijderen, waarin de zending van den Arabischen profeet werd voorspeld.

[144] Volgens een der schrijvers (Jallalo'ddin) is dit veertig; aangezien het getal der dagen waarop hunne voorvaderen het gouden kalf dienden, veertig was, na welken tijd naar zijn zeggen, hunne straf ophoudt.

[145] In dit geval verstaan de uitleggers in het algemeen, onder slechte daden, veelgodendom of afgodendienarij, welke zonde, behalve wanneer men haar in dit leven berouwt, naar de meening der Mahomedanen onvergeefelijk is, en door eeuwige verdoemenis wordt gestraft. Alle andere zonden zullen, naar hunne meening, na verloop van tijd vergeven worden. Daarom is dit, naar hunne meening eene onvergeefbare goddeloosheid, welke in het N.T. de zonde tegen den Heiligen Geest wordt genoemd.

[146] Deze plaats werd geopenbaard bij gelegenheid dat er herhaalde twisten waren gerezen tusschen de Joden van de stammen van Koreidha, en die van Al-Aws, Al-Nadhir en Al-Khasraj, welke zoo hoog liepen, dat zij naar de wapens grepen, elkanders woonplaatsen vernielden en elka‚r uit de huizen joegen: maar wanneer er een gevangen genomen werd, maakten zij hem weder vrij. Toen men hun vroeg, waarom zij op deze wijze handelden, zeiden zij: Dat hunne wet hun gebood de gevangenen de vrijheid te hergeven, maar dat zij vochten uit vrees, dat hunne oversten gering geschat zouden worden (Jallalo'ddin).

[147] Men verbeelde zich niet dat Mahomet hier den heiligen geest naar christelijke begrippen bedoelt. De uitleggers zeggen: die heilige geest was de engel GabriÎl, welke Jezus volgde en hem steeds vergezelde (Jallalo'ddin).

[148] Het is bijna overbodig te zeggen, dat dit beteekent: Onze harten zijn verstokt, onvatbaar voor de rede.

[149] De Koran.

[150] De Pentateuchus.

[151] Zie Exodus XXXII, 20, Deuteron. IX, 21.

[152] Mahomet maakt hier gevolgtrekkingen uit de ongehoorzaamheid hunner voorvaderen, die het kalf aanbaden, op denzelfden tijd dat zij voorgaven in de wet van Mozes te gelooven, en dat het geloof der Joden in dien tijd ijdel en huichelachtig was, daar zij hem verwierpen, die daarin werd gezegd een bedrieger te zijn (Jallalo'ddin).

[153] De uitleggers zeggen, dat de Joden vroegen, welke engel het was die Mahomet de goddelijke openbaringen bracht, en toen men zeide dat dit GabriÎl was, antwoordden zij, dat die hun vijand was en de boodschapper van toorn en straf, maar indien het MichaÎl ware geweest, zouden zij in hem hebben geloofd, omdat die engel hun vriend was, en de boodschapper van vrede en overvloed. Zij zeggen dat bij die gelegenheid deze plaats werd geopenbaard (Jallalo'ddin, Al-Zamakh, Yahya). Dat MichaÎl inderdaad voor den beschermenden of ondersteunenden engel der Joden gold, weten wij uit de schrift (Dan. XII, 1), terwijl het schijnt dat GabriÎl, gelijk de Perzianen van hem zeggen, als de engel van openbaringen werd aangezien, die dikwijls met zendingen van dien aard werd afgezonden (Dan. VIII, 16 en IX, 21 Lucas 1; 19 26), om welke reden het waarschijnlijk is, dat Mahomet voorgaf, dat deze de engel was van wien hij den Koran ontving.

[154] Zijnde de openbaringen van dit boek.

[155] Nadat de duivelen Salomo, met Gods verlof, zonder gevolg in verzoeking hadden gebracht, maakten zij van een listig bedrog gebruik om zijnen naam te besmetten. Daarom schreven zij verschillende tooverboeken, verborgen deze onder den troon van dien vorst en vertelden de voornaamste lieden na zijnen dood, dat, indien men wilde weten op welke wijze Salomo zijne onbeperkte macht over menschen, geesten en de winden had verkregen, men slechts onder zijnen troon behoefde te zoeken. Toen men dit deed, vond men, de opgenoemde boeken, die goddelooze bijgeloovigheden bevatten. De beschaafde lieden weigerden de booze kunsten te leeren, die daarin waren bevat, maar het lagere gedeelte des volks deed het, en de priesters maakten dit schandelijk verhaal van Salomo bekend, hetwelk gezag onder de Joden verkreeg tot God, gelijk de Mahomedanen zeggen, dien koning door den mond van hunnen profeet zuiverde, met de verklaring, dat Salomo geen afgodendienaar was (Yahya, Jallalo'ddin).

[156] Sommigen zeggen slechts dat dit twee toovenaars of engelen waren, door God tot de menschen gezonden om hun de tooverkunst te leeren en hen in verzoeking te brengen (Jallalo'ddin). Anderen vertellen eene langere fabel, t.w. dat de engelen hunne verrassing over de goddeloosheid der zonen van Adam kenbaar maakten, nadat reeds profeten, met goddelijke opdrachten tot hen waren gezonden; waarop God verzocht, twee uit hun midden te kiezen, om als rechters op de aarde gezonden te worden. Hierop kozen zij Haroet en Maroet, die hunnen last gedurende eenigen tijd met oprechtheid uitvoerden, tot Zohara of de planeet Venus nederdaalde en voor hen verscheen in de gedaante eener schoone vrouw, die een klacht tegen haren echtgenoot inbracht (hoewel anderen zeggen dat het eene werkelijke vrouw was). Zoodra zij haar zagen, werden zij bekoord en trachtten haar te verleiden, maar zij steeg ten hemel, waar de engelen mede terugkeerden; doch deze werden daar niet meer toegelaten. Door de tusschenkomst van zekeren vromen man werd hun de keuze vergund, of zij in dit, of wel in het volgende leven wilden gestraft zijn, waarop zij het tegenwoordige kozen. Zij ondergaan thans hunne straf daarvoor te Babel, waar zij tot den jongsten dag zullen blijven. Zij voegen er bij, dat indien iemand de tooverkunst wil leeren, hij tot hen moet gaan om hunne stem te hooren, hoewel men hen niet kan zien (Yahya, enz.). Dit verhaal is door Mahomet geheel ontleend aan de Perziaansche magie, die vermeldt dat twee oproerige engelen van dezelfde namen, thans op het grondgebied van Babel ieder bij hunnen voet, met hunne hoofden naar beneden (Hyde, cap. 12) hangen.

[157] Deze twee Arabische woorden hebben beide dezelfde beteekenis, zijnde: Zie op ons, en duiden eene wijze van groeten aan. Mahomet heeft eene grooten tegenzin van het eerste, omdat de Joden het dikwijls als eene bespotting gebruikten. Naar het schijnt doelen de uitleggers daarmede op het Hebr. woord dz`">rv` hetwelk beteekent slecht of ongelukkig zijn.

[158] Namelijk om God te zien.

[159] Woordelijk vertaald zou dit luiden: tot God met zijn bevel, of met zijne zaak komt; want het woord amr, hetwelk order of bevel beteekent, wordt ook dikwijls in den zin van ding, zaak, gebeurtenis enz. gebruikt. De zaak van God is een duidelijke gebeurtenis, een daad der voorziening, die het aanzien der dingen verandert.

[160] Dat is: Aan de eenheid van God gelooft (Jallalo'ddin). De voorafgaande woorden luiden oorspronkelijk: hij die moeslim (muzelman) zal worden. Dit woord beteekent: aan Gods wil onderworpen zijn; die zich geheel aan God heeft overgegeven. In het voorbijgaan doen wij opmerken, dat de Mahomedanen onderscheid maken tusschen moeslim en moemin (geloovige). Het eerste heeft betrekking tot de uiterlijke uitoefening, tot de godsdienstige daden door Mahomet ingesteld; het andere gaat op het levendige en oprechte geloof. De Perzianen (de Chiiten) willen b.v. in hunnen haat tegen de Turken (Sunniten) wel erkennen, dat zij moeslimin (muzelmannen) zijn, maar den naam van moeminin (ware geloovigen) willen zij hun natuurlijk niet toekennen.

[161] Hiermede bedoelt Mahomet de afgodendienende Arabieren, die tot dien tijd geenerlei openbaring, geen gewijd boek hadden ontvangen, terwijl de Joden en Christenen de schriften bezaten.

[162] Dit vers wordt weÍrsproken door vers 139 van ditzelfde hoofdstuk. De tempel van Ka'ba in Mekka is bepaald aangeduid als de zijde, waarheen de muzelmannen zich bij hun gebed moeten keeren.

[163] Telkenmale als Mahomet de woorden aanhaalt: God heeft een zoon, kinderen, dochters enz., waarmede hij het geloof der Christenen en afgodendienende Arabieren bedoelt, voegt hij er het woord sobhanahoe, door zijne glorie, bij; dat is: die lastering zij verre van zijne glorie.

[164] Dat is: na de openbaring van den Koran.

[165] God beproefde Abraham hoofdzakelijk door hem te gebieden zijnen geboortegrond te verlaten en zijn zoon op te offeren. De uitleggers veronderstellen echter, dat de hier besproken beproeving alleen betrekking heeft op sommige ceremoniÎn: zooals de besnijding, pelgrimstocht naar den Ka'ba, verschillende reinigingsplechtigheden, en dergelijke (Jallalo'ddin).

[166] Dit woord is oorspronkelijk Imam, welke titel door de Mahomedanen aan hunne priesters wordt gegeven, die de gebeden in hunne moskeÎn aanvangen, en waarna de geheele gemeente volgt.

[167] Dit is de tempel van Caaba of Ka'ba (in Mekka) welke gewoonlijk het huis wordt genoemd. Omtrent de heiligheid van dit gebouw en andere bijzonderheden, zie de inleiding tot dit werk.

[168] Hier wordt eigenlijk het binnenste gedeelte van den Ka'batempel bedoeld, waar de Mahomedanen een indruk van Abrahams voet in een steen meenen te zien.

[169] Hieronder moet men eene bepaalde daad van vroomheid verstaan die daarin is gelegen, dat men gedurende uren, en zelfs dagen lang, zittend of geknield in eene moskee blijft.

[170] Zie hierboven de noot van vers 106. Door Abraham het woord muzelman in den mond te leggen, wil Mahomet zijne godsdienst aan den oorspronkelijken godsdienst, of die van Abraham vasthechten, welke, volgens hem, te gelijk de natuurlijke godsdienst van den mensch is. De overlevering legt aan Mahomet deze woorden in den mond: "Ieder mensch wordt als muzelman geboren: zijne ouders maken hem tot Jood, Christen of Vuuraanbidder."

[171] Dit is de Koran.

[172] Onder doop verstaan de uitleggers: den godsdienst en de besnijdenis, die God bij de schepping der menschen instelde, en waarvan de teekenen in den mensch bestaan, evenals de sporen van het water op de kleederen van den gedoopte. Waarschijnlijk heeft Mahomet dit woord aan de Christenen, of liever aan de Joden ontleend, bij welke het bad en de indompeling nog heden ten dage bestaan. Het Arab. woord sebgha beteekent dan ook doop of eigenlijk indompeling.

[173] Deze woorden werden, volgens de uitleggers, geopenbaard, omdat de Joden volhielden, dat zij de schriften het eerst hadden ontvangen; dat hunne tora (Pentateuchus), of leer, ouder was, en dat geen profeet onder de Arabieren zou kunnen opstaan, en indien dus Mahomet een profeet was, hij uit hun volk moest zijn voortgekomen.

[174] In den beginne werd door Mahomet en zijne volgelingen geene bijzondere richting in acht genomen, in het wenden van hun aangezicht naar eene of andere plaats of wereldstreek bij het gebed, daar zij zeiden, dat dit volkomen onverschillig was. Later, toen de profeet naar Medina vluchtte, zeide hij hun, dat zij zich naar den tempel van Jeruzalem moesten richten (waarschijnlijk om zich bij de Joden bemind te maken, bij wie dat gebruik toen, evenals thans nog, bestond), hetgeen zij gedurende zes of zeven maanden als gebod in acht namen. Maar hetzij omdat hem dit bij de Joden weinig baatte, hetzij hij, op de andere zijde, wanhoopte, de afgodendienende Arabieren tot zich te voeren, welke hunnen eerbied voor den tempel van Mekka niet konden vergeten, althans hij gebood, dat men in het vervolg bij het gebed naar den laatstgenoemde zou gekeerd zijn. Deze verandering werd gemaakt in het tweede jaar van Hedjira (zie Abulf. Vit. Moham blz. 54), en veroorzaakte dat velen van hem afvallig werden, die gebelgd waren over zijne onstandvastigheid. (Jallalo'ddin). Kebla is de gezichts-richting.

[175] Volgens de uitleggers beteekent dit, dat de Arabieren een rechtvaardig en goed volk zijn: dat zij zich aan geene buitensporigheden der andere volkeren schuldig maken, die bij hen zijn getemperd door eene aangeboren bedaardheid. Deze uitleggingen klinken niet zeer voldoende.

[176] Dat is: Zij die tot het Jodendom terug keerden.

[177] Dat wil zeggen: Zij die, vÛÛr definitieve instelling van de Kebla van Mekka, zich bij hun gebed naar de zijde van Jeruzalem wendden, zullen daarom toch hunne belooning in den Hemel ontvangen.

[178] De Joden en de Christenen, welke elkanders Kebla niet volgen.

[179] Dit is, dat zij in den grond van de waarheid zijner zending overtuigd zijn.

[180] Deze uitdrukking, die dikwijls in den Koran wordt gebruikt, beteekent: overal den oorlog tegen de ongeloovigen ondernomen, tot voortplanting van het geloof van Mahomet.

[181] De zielen van martelaars (gelijk zij geacht worden te zijn, welke in gevechten met ongeloovigen worden gedood) zegt Jallalo'ddin, zijn in de kroppen van groene vogels, die in het paradijs overal mogen vliegen waar het hun behaagt, en zich met de vruchten mogen voeden, die zich aldaar bevinden.

[182] De Mahomedanen houden zich strikt aan dit bevel. Telkenmale dat hun een groot ongeluk overkomt, roepen zij met kalmte en vastberadenheid deze woorden uit.

[183] Safa en Merwa zijn twee bergen nabij Mekka, waar van oudsher twee afgodsbeelden stonden, welke de afgodendienende Arabieren gewoon waren te aanbidden en eer te bewijzen. Jallalo'ddin zegt dat deze plaats werd geopenbaard, omdat de volgelingen van Mahomet er een gemoedsbezwaar uit maakten, rondom deze bergen te gaan, gelijk de afgodendienaars deden. Maar de ware reden, waarom hij dit overblijfsel van het oude bijgeloof toeliet, schijnt veeleer gelegen te zijn, in de moeilijkheid die Mahomet er in zag, het te verbieden. Daarom zegt Mahomet, dat de bergen gedenkteekenen van God zijn.

[184] Dit zijn de engelen, de geloovigen en alle zaken in het algemeen (Jallalo'ddin). Yahya meent echter, dat het de vloeken zijn die over de boozen worden uitgesproken, als zij het uitschreeuwen, onder de straf van het graf, door allen die hen hooren; dat is door alle schepselen, de menschen en geesten uitgezonderd.

[185] Of gelijk Jallalo'ddin het uitdrukt: God zal hun berouw afwachten.

[186] Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk: die genoodzaakt of gedwongen zijn, persoonlijke diensten zonder loon te verrichten, welke soort van diensten dikwijls door de Oostersche vorsten van hunne onderdanen gevorderd, en door de Grieksche en Latijnsche schrijvers Angaria genoemd wordt. De schrift vermeld dikwijls deze soort van dwang of macht. (Matth. XXVII, 32, enz.)

[187] Dit is: als de uitventers van logens, of de hoofden van nieuwe secten, op den jongsten dag hunne leerlingen zullen verzaken en zich de handen zullen wasschen, alsof zij niet medeplichtig waren aan hun bijgeloof.

[188] Om deze reden zeggen de Mahomedanen altijd, als zij een dier slachten om zich daarmede te voeden Bismi'llah, of in den naam van God. Is dit verzuimd, dan achten zij het eten daarvan niet geoorloofd.

[189] Daar de Koran in het algemeen zeer kort is in zijne wettelijke bepalingen, moet dit niet te strikt worden opgevat; want overeenkomstig de Sonna (de overlevering) wordt een man mede ter dood gebracht als de moordenaar eener vrouw. Men moest ook acht geven op het verschil van godsdienst, zoodat een Mahomedaan, al ware het een slaaf, niet voor een ongeloovige werd ter dood gebracht, al ware deze een vrij persoon. De burgerlijke magistraten zijn echter niet altijd verplicht ingevolge deze laatste uitlegging van de sonna te handelen.

[190] Door broeder moet men hier een ander man, een Arabier, maar vooral een geloovige verstaan.

[191] De gewoonte in de Mahomedaansche landen, vooral in PerziÎ (zie Chardin, Voyage de Perse, IIe Deel, bladz. 299 enz.) is, dat de moordenaar in hunne handen worden gesteld om ter dood gebracht te worden, of dat zij eene geldelijke voldoening verlangen.

[192] Dit is, dat de vrees der wedervergelding de menschen terughoudt en hem van een moord verwijdert.

[193] Dit beteekent, dat het legaat der derde gedeelte van het vermogen des testamenteurs niet mocht overschrijden, noch gegeven mocht worden aan iemand die het niet noodig had. Maar dit bevel wordt weÍrsproken door de wet op de erfenissen.

[194] Woordelijk vertaald zou dit moeten luiden: zijne misdaad valt terug op hen die het verminken; dit is, dat men den testateur geen verwijt zou kunnen doen omtrent ongunstige beschikkingen welke men hem toeschrijft, maar wel aan hem die deze bij de overbrenging verminkt heeft.

[195] De verklaarders verschillen zeer vaak omtrent den zin dezer plaats, daar zij het voor zeer onwaarschijnlijk houden dat het een volk geheel vrij zou zijn gelaten, al of niet te vasten, door het op deze wijze te bepalen. Jallalo'ddin veronderstelt daarom, dat dit alleen vergund is aan hen die niet in staat zijn te vasten, hetzij door ouderdom, hetzij door gevaarlijke ziekten; maar later zegt hij, dat het in den aanvang van het Mahomedanismus, vrijgelaten was, te kiezen; of zij wilden vasten of een armen man voeden, welke vrijheid spoedig daarna weder werd teruggenomen. Deze plaats is dan ook in tegenspraak met diegene, welke luidt: Daarom laat hem welke in die maand tegenwoordig is, dezelfde maand vasten. Hij voegt er echter hij, dat in deze afschaffing de vrouwen niet zijn begrepen die een kind hebben, of zij die zogen, opdat daardoor het kind niet zou lijden.

[196] Overeenkomstig de gewone hoeveelheid, die een man per dag verbruikt en de gewoonte der plaat (Jallalo'ddin).

[197] Dat is: Te huis, en niet op eene vreemde plaats, waar de vasten niet gehouden kunnen worden, of op reis.

[198] In het begin van het Mahomedanisme sliepen zij niet bij hunne vrouwen gedurende de vasten, noch aten of dronken na den avond maaltijd. Maar beide zaken worden door deze plaats weder geoorloofd. (Jallalo'ddin).

[199] De grenzen die God heeft gesteld: dit beteekent de grenzen of de perken, waarmede God zijne wetten heeft omringd. Vandaar wordt het woord grens (in het Arabisch hadd, meervoudig hodoed) als voorschrift der wet gebruikt. Deze uitdrukking herinnert aan die van sepes legis, welke op de wetten van Mozes is toegepast.

[200] De verzen van den Koran.

[201] Hiermede worden de hazardspelen, de weddenschappen en de geschenken bedoeld, waarmede men de rechters omkoopt.

[202] Toen de Arabieren van den pelgrimstocht van Mekka terug kwamen, achtten zij zich geheiligd. In plaats dus van den gewonen ingang hunner woning binnen te gaan, dien zij als ongewijd beschouwden, maakten zij daartoe eene opening aan de andere zijde hunner woning. Hier wordt dit gebruik door Mahomet veroordeeld.

[203] Met deze uitdrukking wordt bedoeld, den oorlog voor Gods zaak te voeren. De bevelen in de verzen 186 tot 190 zijn gelegenheidsbeschikkingen, die betrekking hebben op de afgodendienaars van Mekka, zooals uit verschillende uitdrukkingen blijkt. Op dat tijdstip was Mahomet nog geen meester van Mekka, en zijne stelling noopte hem slechts verdedigenderwijze te handelen, zoodat daar de aanvallende strijd volstrekt verboden is. Men moet daaruit echter niet afleiden, dat deze bevelen in staat zijn, het geloof en de getrouwheid der Muzelmannen te ketenen. De woorden: doodt hen overal waar gij hen zult vinden, en verjaagt hen van waar zij u hebben verjaagd, even als: tot dat elke geloofsbelijdenis die van den eenigen God zij, laten zulk eene leemte, dat het niet te verwonderen is, dat de Islamieten zich soms vrij achtten omtrent de verbintenissen met de volkeren van een ander geloof aangegaan, als hunne krachten, of de gunstige omstandigheden, hun veroorloofden, de landen te heroveren, die hunne heerschappij hadden afgeschud.

[204] Dat is: indien gij aangevallen wordt gedurende eene der heiligmaanden, of op geheiligde plaatsen, is het u veroorloofd, vergelding te nemen in die zelfde maanden en op die zelfde plaatsen.

[205] Dit beteekent: Werkt niet mede tot uw eigen verderf, door uwe medewerking te weigeren in de oorlogen tegen ongeloovigen, en gedoogt daardoor niet dat deze krachtig worden.

[206] De bedevaart elhadjdj moet in de drie maanden chewwal, dhoehl-kade en dhoel-kidjdjeh verricht worden, en om die mede te maken, moet men zich met een bedevaartgangersmantel kleeden, zich van de jacht en de vrouwen onthouden, zich het hoofd niet scheren, enz. Dit scheren was een teeken, dat ze hunne geloften vervuld en al de ceremoniÎn van den pelgrimstocht hadden gevierd. Het bezoek aan den tempel elomra eischt deze plechtigheden niet.

[207] Dat is drie dagen vasten, of zes arme lieden voeden.

[208] Zie de noot 3 op deze bladz.

[209] Naar het gevoelen van de uitleggers beteekenen deze woorden: Het is u veroorloofd, de vermeerdering van uwe bezitting door den koophandel te beproeven, zelfs gedurende den tijd dat gij als bedevaartgangers te Mekka komt. De afgodendienende Arabieren, die mede den pelgrimstocht naar Mekka volbrachten, dreven handel op de nabij gelegen markten van Okadh, Medjionna, enz. Sedert de komst van Mahomet onthielden de Muzelmannen zich gedurende den pelgrimstocht van den handel, vreezende dat zij daardoor zouden zondigen. Mahomet veroorloofde het, om velen hunner niet van hun eenig middel van bestaan te berooven.

[210] Een berg nabij Mekka, aldus genaamd omdat Mahomet hier zijne vrouw aantrof en haar na eene lange scheiding bekende (zie noot op vers 34 van de 2e soera). Anderen zeggen, dat GabriÎl, nadat hij Abraham met al de heilige ceremoniÎn had bekend gemaakt, naar dien berg kwam. Mahomet vroeg, of hij de ceremoniÎn kende, die hij hem had getoond, waarop Abraham bevestigend antwoordde; sinds dien tijd wordt die berg aldus genoemd (Al Hasan).

[211] Al Masher al haram. Omtrent dien berg wordt ook gezegd, dat, toen Mahomet zich eens daarop had begeven om te bidden, zijn gezicht met stralen werd omgeven. (Jallalo'ddin.) Bobovius noemt hem Forkh (de Peregr. Meccana, bladz. 15) hoewel de ware naam Kazah schijnt te zijn. De verandering in eerstgenoemden naam moet alleen aan verschil van punctuatie der Arabische letters worden toegeschreven.

[212] Want hij zal alle schepselen in een halven dag richten. (Jallalo'ddin.)

[213] De eigenlijke woorden zijn: Herinnert u God. Deze woorden kunnen nu eens in een algemeenen zin opgenomen worden, dan weder, in dien van: Herinnert den naam van God, bidt God, doet godvruchtige daden. De samenhang moet den zin bepalen.

[214] De hier bedoelde persoon is Akhnas Ebn ShoraÔk, die zwoer in Mahomet te gelooven, en voorgaf een zijner vrienden te zijn. Maar God openbaarde hier den profeet der huichelarij en goddeloosheid van dien persoon.

[215] De persoon die hier bedoeld wordt, is zekere Soheib, die, door de afgodendienaars van Mekka vervolgd, naar Medina vluchtte om Mahomet op te zoeken, terwijl hij al zijne bezittingen in handen zijner vervolgers liet.

[216] Onder dien naam zijn alle soorten van sterke en bedwelmende dranken begrepen.

[217] Het oorspronkelijke woord al Meiser beteekent eigenlijk een bijzonder spel, dat met pijlen wordt gespeeld, en hetwelk bij de heidensche Arabieren veel in gebruik was. Maar door gelukspel moeten hier verstaan worden alle spelen, welke ook, die aan kans of toeval (hazard) onderworpen zijn, zooals dobbelsteenen, kaarten, enz.

[218] Door deze woorden veronderstellen sommigen, dat alleen het buitensporig drinken en dikwijls spelen verboden is (Jallalo'ddin en Al Zamakhshari). Zij denken mede, dat het matig gebruik van wijn veroorloofd is door vers 69 van de 16e soera. De meer algemeene meening is, dat zoowel het drinken van wijn of andere sterke dranken, in welke hoeveelheid ook, als het spelen van een of ander kansspel, volstrekt verboden is.

[219] Dat is: indien gij een sterken afkeer van uwe vrouw hebt, is het beter u van haar te scheiden dan God te lasteren, door haar slecht te behandelen en onrechtvaardig te zijn.

[220] Eigenlijk zuiverder en reiner.

[221] Zijnde gedurende die vier maanden en tien dagen.

[222] Een der uitleggers (Yahya) verklaart dit uit eene overlevering van Mahomet, wien men vroeg, welk gebed het middengebed was, waarop hij antwoordde: Het avondgebed door den profeet Salomo ingesteld. Een ander (Jallalo'ddin) geeft daaraan een meer ruime beteekenis en veronderstelt, dat dit ÈÈn der gebeden is, zonder bepaald op te geven welk.

[223] Dit waren, volgens de uitleggers die het minste rekenen 3,000, en volgens hen die het hoogst telden 70,000 Joden, die, Úf om de pest, Úf om de deelname aan den oorlog tegen de ongeloovigen te ontvluchten, hun land hadden verlaten. Om hen te straffen, deed God hen sterven. Toen de profeet EzechiÎl hen later in eene vallei zag liggen, waar zij reeds tot verrotting waren overgegaan, begon hij te schreien en wekte hen op, nadat God hem had gezegd, dat hij hun het leven wilde teruggeven. Zij leefden nog een aantal jaren, maar zij behielden de kleur en reuk van lijken gedurende hun geheele leven, en hunne kleederen werden zwart als pek, hetwelk nog in hunne nakomelingschap plaats had (Jallalo'ddin, Yahya, Abulfeda, enz.) Dit verhaal schijnt aan EzechiÎl (XXXVII : 1-10) te zijn ontleend.

[224] Saul.

[225] Volgens sommigen werd deze ark uit den hemel aan Adam gezonden, en kwam zij later tot de IsraÎlieten, die er groot vertrouwen in stelden, en haar steeds aan het hoofd van hun leger voerden, tot zij door de Amalekieten werd genomen. Zij bevatte de schoenen en den staf van Mozes, den mijter van A‰ron, eene vaas met manna gevuld en de brokstukken van de twee wettafelen.

[226] Het getal dergenen die uit hunne handen dronken was omstreeks 313 (Jallalo'ddin). Het schijnt dat Mahomet hier Saul met Gidion verwart, die ten gevolge van Gods bevel alleen hen mede ten strijde tegen de Midianieten voerde, die water uit hunne handen lepten en wier getal 300 bedroeg. (Rigteren VII).

[227] Goliath.

[228] Het boek der psalmen. Mahomet erkent slechts vier goddelijke boeken, als: de Pentateuchus, de Psalmen, het Evangelie en de Koran. De andere boeken aan de profeten gezonden, zijn, volgens hem, verloren gegaan.

[229] Zie de noot op Soera II, v. 81.

[230] Die regelen worden terecht door de Mahomedanen bewonderd, welke deze in hunne gebeden opzeggen. Sommigen van hen dragen een agaat of ander edelgesteente bij zich, waarop deze plaats is gegraveerd. Zij noemen het Troonvers.

[231] Door dit woord (Arab. coris) wordt de troon der rechtvaardigheid, de rechterstoel Gods verstaan; Al'Arch is de troon der goddelijke majesteit, en daarboven geplaatst.

[232] Deze plaats doelt op de eerste volgers van Mahomet, die hunne kinderen, welke afgodendienaars of Joden waren, wilde dwingen het Mahomedanisme te omhelzen.

[233] Dit is eigenlijk de naam van elken afgod, maar vooral van de twee afgodsbeelden All‚t en al Uzza der bewoners van Mekka. Het is ook de duivel of een verleider.

[234] Nimrod.

[235] De persoon hier bedoeld, was OzaÔr, Ezra of Esdras, die, toen hij op een ezel door de ruÔnen van Jeruzalem reed, nadat die stad door de Chaldeeuwen was verwoest, het betwijfelde, dat God die stad weder zou kunnen opbouwen; waarop God hem deed sterven. Hij bleef 100 jaren in dien toestand. Na verloop van dien tijd riep God hem in het leven terug, en hij vond een mandje onbedorven vijgen en een kruikje met onverschaalden wijn bij zich, die niet in het minst bedorven was; maar zijn ezel was dood; slechts de beenderen bewogen zich, en deze rezen op en werden met vleesch bedekt. Het geraamte werd weder een levende ezel en begon onmiddellijk te balken. Dit verhaal schijnt zijn oorsprong te hebben in Nehemia II : 12 enz.

[236] Men zegt dat Abraham deze vraag zou hebben gedaan, ten gevolge van eene twijfeling, door een satan in menschelijken vorm in hem gebracht, met de vraag: hoe het mogelijk was, dat de verschillende deelen van het lichaam eens mans, dat op het strand der zee lag en gedeeltelijk door de wilde dieren, de vogels en de visschen was verscheurd, op den dag der opstanding te zamen zouden kunnen gebracht worden (d'Herbelot, blz. 13).

[237] Volgens de uitleggers waren deze vogelen: een arend (of volgens anderen eene duif), een pauw, eene raaf en een haan. Dit schijnt ontleend te zijn aan het offer van Abraham, door Mozes verhaald. (Gen. XV : 9).

[238] Dat is; Hetzij door den persoon verwijtingen te doen, dien gij hebt geholpen, of zijn armoede tot zijn nadeel bekend te maken.

[239] Deze tuin is een zinnebeeld van aalmoezen, die uit huichelarij worden gegeven, of met verwijtingen verzeld: deze zullen verloren gaan en den gever hier namaals niet van dienst zijn (Jallalo'ddin).

[240] Dat is: Satan raadt u af, edelmoedig te zijn, door u de armoede te doen vreezen die het gevolg uwer onbekrompenheid zou zijn.

[241] Dat is: om eene belooning hier namaals, en niet om een wereldsch loon.

[242] Dat is: aan hunne nederige houding en versleten kleederen.

[243] Dat is: Doe geheel afstand van hetgeen uwe schuldenaars u als intrest schuldig zijn.

[244] Hij, die zijne zaken waarneemt; hetzij zijn vader, erfgenaam, voogd of tolk.

[245] Deze plaats is in tegenspraak met vers 254 van deze soera, even als met den zin van verschillende verzen der 19e soera.

[246] Hiermede worden, gelijk de uitleggers zeggen, de Joden bedoeld en de verschillende bevelen hun gegeven.

[247] Zie hierna de noot van vers 30.

[248] Zie de noot van het 1e vers, vorige soera.

[249] De onderscheiding is een der titels van den Koran, omdat die leert, het goede van het kwade, het geoorloofde van het ongeoorloofde te onderscheiden.

[250] Men onderscheide hier wel de beteekenis der woorden: grondzuilen (of moeder) des boeks, hier in den zin van grondslag gebruikt, van die des anderen, wordende het eene op het eerste hoofdstuk van den Koran, het tweede op den prototype van den Koran toegepast, die in den Hemel bewaard en ook het duidelijke boek genoemd wordt.

[251] Het woord ahl, dat gewoonlijk door huisgezin wordt vertaald, beteekent, in meer algemeenen zin gebruikt, volk, aanhangers van, of lieden van.

[252] Het teeken of mirakel, hier bedoeld, was de overwinning, in het tweede jaar der Hedjira, door Mahomet behaald op de heidensche bewoners van Mekka, die door Aboe Sofian werden aangevoerd, en welke in de vallei Bedr plaats had, die gelegen is nabij de zee tusschen Mekka en Medina. Mahomets strijdkrachten bestonden slechts uit 319 man, terwijl het leger van den vijand bijna 1000 man sterk was. Niettegenstaande dit verschil, noodzaakte hij hen te vluchten, nadat hij zeventig der voornaamste KoreÔshieten gedood en verscheidene gevangen gemaakt had, met een verlies van slechts veertien man van zijn eigen volk. (Elmacin, Hottinger, Hist. OriÎnt. Ab¸lfed, Vit. Moham, enz.). Dit was de eerste overwinning die door den profeet werd behaald, en hoewel het geene zeer belangrijke gebeurtenis moge schijnen, toch was het een groot voordeel voor hem en voor de grondvesting van al zijn volgende macht en geluk. Daarom is deze gebeurtenis beroemd in de Arabische geschiedenis en meer dan eens in den Koran vermeld. (Zie lager in deze soera en de soeras 8 en 32) en als een gevolg van de goddelijke hulp aangehaald. Het genoemde mirakel bestaat naar men zegt uit drie zaken: 1∫. Mahomet nam op order van GabriÎl, eene handvol zand en wierp het, tijdens den aanval, naar den vijand, zeggende: Mogen hunne aangezichten beschaamd worden, waarop zij onmiddellijk vluchtten. Maar hoewel de profeet zelf waarschijnlijk met het zand wierp, wordt toch in den Koran (8e Soera voorste ged.) gezegd, dat God daarmede zou hebben geworpen; dat is, door tusschenkomst van zijnen engel. 2∫. De Mahomedanen rekenden de ongeloovigen twee maal sterker te zijn dan zij, hetwelk hen zeer ontmoedigde, en 3∫. God zond eerst duizend engelen te hunner hulp en daarna drie duizend engelen, aangevoerd door GabriÎl, die op zijn paard HaÔz˚m was gezeten; en volgens den Koran (8e Soera) werd dit alles door de hemelsche helpers uitgevoerd, hoewel de Mahomedanen zich verbeeldden het zelven te doen, en dus op hetzelfde oogenblik dapper vochten

[253] Eigenlijk gemerkte paarden, zijnde de edele paarden, die men met zorg bewaart en van het naamcijfer des bezitters voorziet.

[254] Hiermede worden de heidensche Arabieren bedoeld, die geene kennis der schriften hebben (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi). Het Arabische woord is hier echter niet datgene waarvan de Koran zich gewoonlijk bedient, waar hij over afgodendienaars spreekt. Het is het woord ommin, lieden van het volk. Het woord ommi (enkelvoudig) ongeletterde, wordt echter ook op Mahomet toegepast.

[255] De Joden.

[256] Deze plaats werd geopenbaard bij gelegenheid dat Mahomet twist had met eenige Joden, hetgeen door de uitleggers op verschillende wijze wordt verhaald. Al Beid‚wi zegt, dat, toen Mahomet eens in eene synagoge ging, NaÔm Ebn Amroe en Al Hareth Ebn Zeid hem vroegen, van welken godsdienst hij was. Hij antwoordde: van Abrahams godsdienst. Zij hernamen, Abraham was een jood, maar op Mahomets voorstel, dat de Pentateuchus het geschil zou beslechten, wilden zij op geenerlei wijze daarin toestemmen. Jallalo'ddin verhaalt, dat twee Joden overspel hadden bedreven, waarop Mahomet hen veroordeelde om ingevolge de wet van Mozes, gesteenigd te worden. De Joden weigerden dit uit te voeren, zeggende, dat er geen dergelijk verbod in den Pentateuchus was, maar toen Mahomet dat boek tot getuige riep, werd die wet er in gevonden. Daarna werden de misdadigers gesteenigd. Het is zeer opmerkelijk, dat deze wet van Mozes betreffende het steenigen van overspeligen in het Nieuwe Testament (Joh. VIII : 5) is vermeld hoewel sommigen de echtheid dier geheele plaats betwisten, doch nu is het noch in de Hebreeuwsche of Samaritaansche Pentateuchus, noch in de Septuaginta te vinden, daar er slechts wordt gezegd, dat die ter dood gebracht zullen worden (Lev. XX : 10. Zie ook Whistons, Essay towards restoring the true Text of the Old Testament, bladz. 99 en 100). Op deze bijzonderheid wordt door de Mahomedanen aanhoudend gewezen als een bewijs van de verminking der wet van Mozes door de Joden. Het is mede opmerkelijk, dat er eens een vers in den Koran bestond, waarin geboden werd de overspeligen te steenigen, en dat de uitleggers zeiden, dat de woorden slechts waren afgeschaft, hoewel de zin of wet van kracht bleef.

[257] Zie de tweede Soera, vers 74.

[258] Imran, Amran of Imram is volgens de Mahomedaansche overlevering, den naam van twee verschillende personen. De een was de vader van Mozes en A‰ron, en de ander was de vader van Maria (Al Zamakhshari, Al Beid‚wi) welke bij sommige christen-schrijvers Joachim wordt genoemd. De uitleggers veronderstellen, dat de eerste, of eigenlijk dat beide op deze plaats bedoeld worden, hoewel men aanneemt, dat de persoon op de volgende plaats bedoeld, laatstgenoemde was, die behalve Maria, de moeder van Jezus, ook een zoon had, welke A‰ron werd genaamd (Koran 19e soera) en eene zuster Ish‡ of Elisabeth, die met Zacharias huwde en de moeder was van Johannes den Dooper; weshalve deze profeet en Jezus gewoonlijk door de Mahomedanen De twee zonen der tante, of de neven worden genoemd. Hier verwart de Koran Maria de moeder van Jezus met Maria of Mirjam, de zuster van Mozes en A‰ron, hoewel het uit andere plaatsen van den Koran duidelijk blijkt dat Mahomet wel degelijk wist, dat Mozes verscheidene eeuwen voor Christus leefde.

[259] De persoon Imram, hier bedoeld, was de vader van Maria; de naam zijner vrouw was Hannah of Anna, de dochter van Fakudh.

[260] Dit is: dat een meisje geene priesterlijke diensten kon verrichten, evenals een knaap.

[261] Deze uitdrukking staat in verband met eene overlevering, dat Abraham, toen de duivel hem beproefde, God niet te gehoorzamen, door zijn' zoon niet te offeren, den boozen geest verdreef, door met steenen naar hem te werpen. Tot aandenken dezer gebeurtenis werpen de Mahomedanen, bij den pelgrimstocht naar Mekka, in de vallei van Mina een aantal steenen, met zekere ceremoniÎn naar den duivel.

[262] Ofschoon het kind geen jongen was, bood heur moeder haar toch den priesters aan, die met het opzicht in den tempel belast waren, als eene aan God gewijde. Nadat zij haar hadden ontvangen, werd zij aan de zorg van Zacharias toevertrouwd, die haar een vertrek in den tempel bouwde en haar van het noodige voorzag. (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi, enz.)

[263] De uitleggers zeggen, dat niemand in Maria's vertrek mocht komen behalve Zacharias, en dat hij zeven deuren achter haar sloot. Desniettegenstaande vond hij haar in den winter van zomervruchten en in den zomer van wintervruchten voorzien.

[264] Dat is Jezus, die volgens een der uitleggers (Al Beid‚wi), zoo werd genoemd, omdat hij, door bevel van God, zonder vader ontvangen was.

[265] Het oorspronkelijke beteekent iemand, die zich niet alleen aan de vrouwen, maar ook aan alle andere genoegens en begeerten zal onttrekken.

[266] Zacharias was toen negenennegentig jaar oud, en zijne vrouw negenentachtig. (Al Beid‚wi). Vergelijk de voorzegging aan Abraham (Gen. XVII : 17).

[267] Zijn aangezicht ter aarde doen bukken en de knie buigen, geschiedt bij het gebed der Muzelmannen. Mahomet schijnt deze uitdrukking hier opzettelijk te bezigen, om zijne leer vast te hechten aan die der rechtvaardigen van het Oude Testament.

[268] Toen Maria voor het eerst in den tempel werd gebracht, twistten zij onder elkander, omdat zij de dochter van een hunner opperhoofden was, wie met hare opvoeding zou belast worden. Zacharias stond er op, dat hij de voorkeur zou hebben, dewijl hij met hare tante getrouwd was, maar de anderen stemden daarin niet toe. Zij kwamen toen overeen, dat het lot tusschen hen zou beslissen, waarop zevenentwintig naar de rivier de Jordaan gingen en hunne roeden er in wierpen, waarop zij eenige plaatsen der wet hadden geschreven; alle zonken zij, behalve die van Zacharias, die op het water dreef. Daarop werd hem de zorg over het kind toevertrouwd. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, enz.)

[269] Behalve het verhaal hiervan gegeven door de Koran (19e soera), geeft een Mahomedaansch schrijver (die echter niet veel gezag heeft) twee verhalen; een, dat Jezus sprak, terwijl hij nog in het lichaam zijner moeder besloten was, om haren neef Joseph te bestraffen, over de onrechtvaardige verdenking, die hij van haar voedde (Sikii, notas in Evang. Infant, pag. 5) en een ander sprookje, dat hij aan denzelfden persoon een antwoord zou hebben gegeven, kort nadat hij geboren was. Want Joseph, die door Zacharias was uitgezonden, om Maria op te zoeken, welke de stad bij nacht had verlaten, om hare bevalling te verbergen, begon haar te onderhouden toen hij haar had gevonden; maar ze gaf geen antwoord, waarop het kind zeide: Verheug u, o Jozef! en wees tevreden; want God heeft mij voortgebracht uit de duisternis van het moederlijf, voor het licht der wereld, en ik zal tot de kinderen IsraÎls gaan en hen noodigen tot gehoorzaamheid aan God (Al Kessai). Dit schijnt geheel ontleend te zijn aan de vele fabelachtige overleveringen der oostersche Christenen, waarvan eene tot ons is gekomen in het aprocryphe evangelie van de kindsheid van Christus, waar wij vinden, dat Jezus sprak, tijdens hij nog in zijne wieg lag, en tot zijne moeder zeide: Waarlijk ik ben Jezus, de zoon van God, wiens woord gij hebt voorgebracht, zooals de engel GabriÎl u heeft verklaard: en mijn vader heeft mij gezonden om de wereld te redden.

[270] Sommigen zeggen dat het eene vledermuis was (Jallalo'ddin); maar anderen veronderstellen, dat Jezus vele vogels van verschillende soorten maakte. Deze omstandigheid is mede ontleend aan de volgende fabelachtige overlevering, welke in het bovengenoemde apocryphe evangelie is te vinden. Toen Jezus zeven jaar oud was, speelde hij met eenige kinderen van zijnen ouderdom; zij maakten uit klei verschillende vormen van vogels en andere dieren, om zich te vermaken en ieder gaf zijn eigen werk de voorkeur. Jezus vertelde hun, dat hij die wilde doen loopen en springen, hetwelk zij op zijn bevel ook deden. Hij maakte ook vele figuren van menschen en andere vogels, die weg vlogen, of op zijne handen bleven staan, al naar hij het hun beval en ook aten en dronken, als hij hun spijs en drank aanbood. De kinderen vertelden dit aan hunne ouders, die hun verboden, nimmer meer met Jezus te spelen, dien zij voor een toovenaar hielden. (Evang. Infant. pag. 111 enz.).

[271] Jallalo'ddin vermeldt drie personen, welke Christus in het leven terug bracht, en die onderscheiden jaren daarna nog leefden en kinderen hadden, zijnde: Lazarus, de zoon der weduwe, en de dochter van den herbergier (waarschijnlijk van het opperhoofd der synagoge). Hij voegt er bij, dat hij ook Sem, den zoon van Noach, heeft opgewekt, die, zoo als een ander (Al Thalabi) schrijft, dacht, dat hij ten oordeel werd geroepen, en met een half grijs hoofd uit zijn graf kwam, ofschoon de menschen in zijne dagen niet grijs werden. Daarna stierf hij onmiddellijk weder.

[272] Hier staat in den tekst: inni motewafika. Dit woord wordt gebruikt in de beteekenis van den dood te doen ondergaan, sprekende van God, die de menschen oproept en tot zich ontvangt, bij het einde van hun leven. De uitleggers, door deze plaats, welke in tegenspraak is met de meening dat Jezus niet gestorven is, maar dat God een ander in zijne plaats stelde, in verlegenheid gebracht, denken dat dit woord, hoewel het eerste in den tekst geplaatst, echter, wat den zin betreft, de andere in deze orde moet volgen: Ik zal u tot mij opheffen, en aan het einde zal ik u geheel als de andere menschen doen sterven. Eenige verklaarders gelooven, dat Jezus werkelijk gestorven is voor zijne hemelvaart, en wel gedurende drie uren, en dat hij niet is gekruisigd. Overigens wordt deze plaats op verschillende wijze verklaard.

[273] Enige Mahomedanen zeggen, dat dit door tusschenkomst van GabriÎl geschiedde; maar anderen zijn van meening, dat een sterke dwarrelwind hem van den berg Oljvet opnam (Althalabi, zie ook 2 Koningen II : 1 en 11).

[274] Namelijk omtrent Jezus.

[275] Om deze plaats te verklaren, wordt door de uitleggers het volgende verhaald: Verschillende Christenen kwamen met hunnen bisschop, Abn Hareth genaamd, tot Mahomet, als afgezanten van de bewoners van Najran of Nedjran (land van ArabiÎ), en vingen aan met hem te twisten over godsdienst en de geschiedenis van Jezus. Zij stemden er eindelijk in toe, de genoemde zaak den volgenden ochtend te behandelen, als een korte weg om te beslissen, wie van hen in het ongelijk was. Mahomet bracht zijne dochter Fatima, zijn schoonzoon Ali en zijn beide kleinzonen Hassan en Hoessein mede, en hij verzocht de Christenen te wachten, tot hij zou hebben gebeden. Maar toen zij hem zagen knielen, ontbrak hun de moed, en dorsten zij het niet wagen, hem te vloeken, maar onderwierpen zich aan hem (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi). Deze plaats wordt mobaheleh genoemd en is van groot gewicht bij alle Muzelmannen, maar meer bijzonder bij de Chiiten (volgelingen van Ali), omdat Mahomet, die Fatima, Ali, Hassan en Hoessein had medegebracht, de woorden gebruikt: onze zielen en de uwe, hetgeen ten bewijze strekt voor de innige verbinding en ondeelbaarheid van Mahomet en zijn gezin.

[276] Behalve van andere afgodische daden beschuldigt Mahomet de Joden en Christenen, dat zij een al te blind geloof schenken aan hunne priesters en monniken, welke zich de macht hebben toegeÎigend, uit te maken, welke zaken wettig en welke onwettig zijn, en van het volgen van Gods wetten te ontslaan.

[277] Hier worden de Joden en Christenen andermaal beschuldigd, de schriften te hebben vervalscht en de profetiÎn omtrent Mahomet te hebben verduisterd.

[278] De uitleggers zeggen, om deze plaats te verklaren, dat Caab Ebn Al Ashraf en Malec Ebn Al Seif (twee Joden van Medina), hunne gezellen roepen, toen de Kebla was veranderd, te doen alsof zij geloofden, dat die door God was gegeven, door des ochtends te bidden naar den Caaba gewend, en dat zij des avonds, zooals gewoonlijk, naar Jeruzalem gekeerd, zouden bidden, opdat de volgelingen van Mahomet, die zich verbeeldden, dat de Joden betere rechters dan zij op dit punt waren, hun voorbeeld zouden volgen. Anderen zeggen echter, dat het zekere Joodsche priesters of khaibar waren, die sommigen van hun volk bevalen, des ochtends voor te geven, dat zij den Mahomedaanschen godsdienst hadden omhelsd, maar aan het einde van den dag te zeggen, dat zij hunne boeken der schrift nagezien en hunne rabijnen geraadpleegd hadden, doch dat zij niet konden vinden, dat Mahomet de persoon was, in de wet beschreven en bedoeld; door welke list zij hoopten, twijfel in de harten der Mahomedanen te doen ontstaan (Al Beid‚wi).

[279] In het Arabisch staat voor het woord talent: kintar, dat duizend dinars of goudstukken waard was. Als een voorbeeld van deze plaats halen de uitleggers Abd'allah Ebn Sal‚m aan, een jood, die zeer bevriend was met Mahomet (Prideaux, Life of Moham, pag. 33), aan wien een der KoreÔshieten 1200 oncen goud leende, welke hij zeer stipt op den bepaalden tijd betaalde (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).

[280] Mahomet spreekt hier van de Christenen, die, volgens hem, aan Jezus, zoon van Maria en eenvoudig sterveling, eene taal in den mond leggen, welke hij, als profeet en oprecht vereerder van God, nimmer heeft kunnen voeren. Al Beld‚wi voegt er bij, dat twee Christenen, Abn R‚fË al Koradhi en Al Seynd al Najr‚ni, aanboden, Mahomet als hunnen God te erkennen en hem te aanbidden, waarop hij geantwoord had: God verbiedt, dat wij iemand naast hem zouden vereeren.

[281] Dat is: hen te aanbidden en rabb (meester, heer) te noemen, hetwelk men slechts aan God schuldig is.

[282] Becca of Mekka. Mahomet ontving deze plaats toen de Joden zeiden, dat hunne Kebla, of de tempel van Jeruzalem, ouder was dan die der Mahomedanen, of de Caaba.

[283] Letterlijk: Houdt vast aan de koord van God, d.i. verzekert u zelven, door den Islam aan te nemen, welke hier figuurlijk wordt uitgedrukt door "koord," omdat het een zeker middel is, hen te redden, die anders eenen godsdienst belijden, waardoor zij hiernamaals verloren zouden zijn, daar het vasthouden aan een touw het voorbehoedmiddel is tegen het vallen in een put of andere plaats. Men zegt dat Mahomet, om de zelfde reden, den Koran Habl Allah al matiu noemt, d.i. de zekere koord van God (Al Beid‚wi).

[284] Als de Joden en Christenen, die omtrent de eenheid van God enz. twistten.

[285] Zoo als Abd'allah Ebn Sal‚m en zijne metgezellen (Al Beid‚wi) en diegenen van de stammen Al Ans en Al Khazraj welke het mahomedanisme hebben omhelsd.

[286] Die namelijk welke het islamismus hebben aangenomen.

[287] Dat is, tot eenen anderen godsdienst.

[288] Dit was de slag van Ohod, een berg op vier mijlen ten Noorden van Medina. De KoreÔshieten hadden namelijk, om hun verlies bij Bedr (zie het begin van deze soera) te wreken, in het volgende jaar, zijnde het derde der Hedjira, een leger van 3000 man te zamen getrokken, waaronder 200 paarden en 200 man, die met maliÎnkolders waren gewapend. Deze strijdkrachten werden aangevoerd door Aboe Sofi‚n en maakten te Dhu'lholeifa, een dorp op zes mijlen afstands van Medina halt. Mahomet, wiens leger veel minder talrijk was dan dat zijner vijanden, had eerst besloten, hen in de stad af te wachten, maar later volgde hij den raad van sommigen zijner makkers en rukte tegen hen op, aan het hoofd van 1000 man (sommigen zeggen hij had 1050 man, anderen 900, waarvan 100 met maliÎnkolders waren voorzien, maar hij had slechts ÈÈn paard, behalve het zijne, in het geheele leger). Met deze strijdkrachten vormde hij een kamp in een dorp bij Ohod, welken berg hij in den rug verlangde te hebben, om het voordeel, zijne manschappen tegen omsingeling te behoeden, waartoe hij nog 50 boogschutters in de achterhoede plaatste, met streng bevel, hunne posten niet te verlaten. Toen het gevecht begon, was het voordeel eerst aan Mahomets zijde, maar later verloor hij den slag door de schuld zijner boogschutters, die de gelederen verlieten om te plunderen, en zoodoende toelieten, dat de paarden der vijanden de Mahomedanen omsingelden en hen in de achterhoede aanvielen. Mahomet had daarbij echter zijn leven verloren, daar zijn leger door eene hagelbui van steenen aangevallen, en door twee pijlen in het aangezicht gewond werd, waardoor hij, toen men die uittrok, twee zijner voorste tanden verloor. Van de Moslems waren 90 man gedood, waaronder Hamzoe, de oom van Mahomet en van de ongeloovigen 22 (Abulfeda). Deze plaats moest dienen om den slechten uitslag van dit gevecht te verontschuldigen, en den nedergeslagen moed zijner volgelingen weder op te wekken.

[289] Dit waren sommigen van de gezinnen van Banoe Salma van den stam van Al Khagraj en Banoel, Nareth van den stam van Al Aws, die de beide vleugels van Mahomets leger vormden.

[290] Deze plaats werd geopenbaard, toen Mahomet gewond werd in den slag van Ohod en uitriep: Hoe zal het volk kunnen zegepralen, dat het aangezicht van zijnen profeet met bloed heeft bevlekt, terwijl hij hen tot hunnen God riep: De persoon die hem wondde was Otha de zoon van Abboe Wakk‚s (Al Beid‚wi).

[291] Toen zij te Bedr werden geslagen. Het is opmerkelijk, dat het getal der Mahomedanen die bij Ohod werden gedood gelijk is aan dat der afgodendienaars die de Bedr vielen. Dit was zoo door God bevolen, om eene elders op te geven reden (VIIIe Soera).

[292] Deze plaats heeft betrekking op vele van Mahomets volgelingen, die niet te Bedr tegenwoordig waren geweest, en welke de gelegenheid wenschten te hebben, in een ander gevecht dezelfde eer te genieten als zij die als martelaren in den slag vielen, maar ontmoedigd werden, toen zij het grooter getal afgodendienaars in den slag van Ohod lagen.

[293] Ten einde de klachten van zijn volk om hunne nederlaag des te krachtiger te stillen, stelt Mahomet het zÛÛ voor, als ware de levenstijd van iederen mensch vooraf bij God bepaald, en dat zij, die in den slag vielen, hunnen dood niet zouden hebben ontgaan, indien zij te huis waren gebleven, terwijl zij nu het glorierijke voordeel genoten, als martelaars voor het geloof te vallen.

[294] Dat is: de overwinning en den buit.

[295] Zeggende: komt hier tot mij, o dienaren van God! Ik ben Gods gezant. Hij, die terugkeert, zal in het paradijs komen. Maar niettegenstaande al zijne pogingen om zijne lieden te verzamelen, kon hij niet meer dan dertig van hen daartoe brengen.

[296] Na het gevecht werden zij, die in den slag pal bleven staan, terwijl zij in het veld lagen, door een aangenamen slaap verkwikt, zoodat hun de zwaarden uit de handen vielen; maar zij, die zich slecht hadden gedragen, werden verontrust, en hunne harten verbeeldden zich, dat zij aan het verderf waren overgegeven (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).

[297] Dat is: Is hier eenige schijn van goed gevolg, of van de goddelijke gunst en ondersteuning die ons is toegezegd? (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).

[298] Indien God ons ondersteunt, volgens zijne belofte, of, zooals anderen die woorden teruggeven, indien wij den raad van Aballah Eboe Obba Soll˚l hadden gevolgd, en in de stad Medina waren gebleven, hadden onze makkers het leven niet verloren (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).

[299] Volgens het zeggen van sommigen in deze plaats geopenbaard bij de verdeeling van den geplunderden buit te Bedr, toen sommigen der soldaten Mahomet verdacht hielden, zich in het geheim van een zijden dekkleed, dat zeer prachtig was, en hetwelk vermist werd te hebben meester gemaakt (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Anderen veronderstellen, dat de boogschutters, die oorzaak waren van den slag van Ohod, hunne gelederen verlieten, omdat zij zich verbeeldden, dat Mahomet geen deel aan den buit zou geven, naardien hij eens, zoo als verhaald wordt, een deel vooruit zond, en in denzelfden tijd den vijand aanviel, waarvan hij den ruimen buit onder degenen verdeelde, die met hem in het gevecht waren, en niets gaf aan het korps, dat wegens plichtsvervulling afwezig was.

[300] Volgens eene overlevering van Mahomet, zal hij, die in deze wereld zijn naaste zal hebben bedrogen, op den dag der opstanding verschijnen, met de voorwerpen op den schouder welke hij door bedrog heeft verkregen, en bedekt met schande.

[301] Zijnde: de Sonna (Al Beid‚wi).

[302] Het was het gevolg van uwe ongehoorzaamheid aan de bevelen van den profeet, en door dat gij uw post verliet om te plunderen.

[303] Deze plaats werd geopenbaard voor de oproerige en ongehoorzame Mahomedanen, die tot Mahomet hadden gezegd, dat, indien hij een ware profeet was, hij gemakkelijk de wezenlijk geloovigen van de huichelaars kon onderscheiden (Al Beid‚wi).

[304] Men zegt dat Mahomet heeft verklaard, dat degeen die zijne wettelijke bijdrage aan aalmoezen niet stipt betaalde, op den dag der opstanding, eene slang om zijn hals gedraaid zal hebben.

[305] Mahomet met den Koran.

[306] Zoo als sommigen verhalen, werden deze woorden in den Koran gevoegd, omdat Omm Salma, een der vrouwen van den profeet, hem verhaalde wat zij had opgemerkt, dat God dikwijls melding maakt van de mannen die hunne woonplaatsen verlaten voor de zaak van het geloof, maar van de vrouwen niet gewaagt (Al Beid‚wi).

[307] De oorspronkelijke uitdrukking beteekent eigenlijk: goeden uitslag in de zaken van het leven, bijzonder in den handel. Men zegt dat deze plaats werd geopenbaard, omdat velen van Mahomets volgelingen den voorspoed der afgodendienaars opmerkten en benijdden, en hun leedwezen uitdrukten, dat die vijanden van God in zulke vreugde en overvloed leefden, terwijl zij zelven van honger en vermoeidheid stierven (Al Beid‚wi).

[308] Om den korten duur.

[309] Dit hoofdstuk werd met dien naam bestempeld, omdat het hoofdzakelijk over zaken handelt met vrouwen in verband staande, zooals huwelijken, echtscheidingen, enz.

[310] De Arabieren hadden namelijk de gewoonte, bij het vragen van iets, te zeggen: "In Gods naam, doe of zeg mij iets."

[311] Letterlijk vertaald, zou dit moeten zijn: de ingewanden.

[312] Dat wil zeggen: neem niet wat gij van waarde onder hunne goederen vindt, voor uw gebruik, door daarvoor iets van mindere waarde in de plaats te geven.

[313] De uitleggers vatten deze plaats verschillend op. De ware beteekenis schijnt de hier opgegevene te zijn.

[314] Oorspronkelijk staat hier: Wat uwe rechterhanden hebben verworven, zijnde de bepaalde uitdrukking, om een slaaf, die men voor geld heeft gekocht, of een door den krijg verworvene aan te duiden. Uit dit vers blijkt voorts, dat slavinnen geen zoo grooten bruidschat, of zooveel van onderhoud als vrije vrouwen kostten, waardoor de man onderscheidene der eerste, even gemakkelijk als eene der laatste kon bezitten.

[315] Het is noodig hier te doen opmerken (en deze opmerking geldt voor alle gelijkluidende plaatsen in den Koran), dat het woord sadoeka, dat gewoonlijk met bruidschat wordt vertaald, het geld is, of de voorwerpen van waarde, die de man aan de ouders der vrouw schenkt welke hij huwt. Het is dus niet de vrouw die haren man iets aanbrengt, maar de man geeft haar een bruidschat.

[316] Met dit woord worden de minderjarige weezen bedoeld, die in staat zouden zijn een slecht gebruik van hunne erfenis te maken en haar te verspillen.

[317] Dat is: onderzoekt of zij goed bekend zijn met de grondbeginselen van den godsdienst, en draagt voldoende zorg voor het waarnemen hunner zaken. Onder deze uitdrukking is tevens de plicht van den voogd begrepen, om zijne pupillen te onderrichten.

[318] Of den ouderdom van rijpheid, die algemeen op vijftien jaren is bepaald; eene beslissing die door eene overlevering van Mahomet wordt gestaafd. Aboe Hanofah houdt echter den achttienjarigen ouderdom voor den geschikten (Al Beid‚wi).

[319] Zoodat zij spoedig den ouderdom zullen bereikt hebben, om alles te ontvangen wat hun toekomt.

[320] Dat is: niet meer dan eene voldoende belooning voor de moeite, door hunne opvoeding veroorzaakt.

[321] Dit voorschrift werd gegeven, om eene bij de afgodendienende Arabieren bestaande gewoonte af te schaffen, volgens welke vrouwen noch kinderen eenig deel van de erfenis van hunnen echtgenoot of vader mochten ontvangen, op grond dat alleen zij mochten erven, die in staat waren ten oorlog te gaan (Al Beid‚wi).

[322] Zijnde: Houdt immer het lot uwer eigene kinderen voor oogen, terwijl gij u met kinderen bezighoudt, die door anderen zijn achtergelaten; en handelt zooals gij zoudt willen dat men met de uwen handelde.

[323] Dit is de algemeene regel, welke bij de verdeeling der nalatenschap van den overledene moet worden gevolgd, gelijk men uit de daarna opgegevene gevallen zal zien.

[324] Of: indien er twee en niet meer zijn zullen zij hetzelfde deel ontvangen.

[325] En het overblijvende derde gedeelte, of de overblijvende helft der nalatenschap, waarover hier niet uitdrukkelijk wordt beschikt, of wel, indien de overledene vader noch zoon achterlaat, vervalt aan de openbare schatkist. Sommigen over deze plaats van den Koran sprekende, zeggen verkeerdelijk, dat, indien er een zoon en eene eenige dochter achterblijft, ieder hunner de helft ontvangt. Wel kan de dochter de eene helft ontvangen, doch alleen in het geval dat er geen zoon achterblijft; want in gevolge van bovenstaand voorschrift, kan zij slechts een derde ontvangen, indien er een zoon achterblijft.

[326] En zijn vader bijgevolg de twee anderen derden (Al Beid‚wi).

[327] Op deze en volgende plaatsen worden hoofdzakelijk met het woord legaten, diegene bedoeld, welke tot vrome doeleinden zijn bestemd, daar het geene gewoonte bij de Mahomedanen is, dat een persoon aan niemand anders dan aan zijn gezin en naaste betrekkingen zijn vermogen achterlaat.

[328] Dit dient bij contract, of op eene andere, bijzondere wijze bepaald te zijn.

[329] Hier, en in het volgende geval, ontvangen de broeder en de zuster gelijke deelen, hetgeen eene uitzondering op den algemeenen regel is, volgens welken de mannelijke erfgenaam het dubbele van de vrouwelijke ontvangt. Hiervoor wordt als reden opgegeven, de kleinheid der deelen die zulk een nauwkeurigheid in de verdeeling niet toelaat. In andere gevallen echter wordt de regel, zoowel omtrent broeder en zuster als nopens andere betrekkingen, volgehouden.

[330] Hiermede wordt zoowel hoereeren als overspel bedoeld. Het woord nica, vrouwen, heeft hier niet strikt de beteekenis van echtgenooten: het woord, dat men gewoonlijk gebruikt om overspel aan te duiden, is zina. In het begin der invoering van het Islamismus, werd de schuldige vrouw ingemetseld; eene straf, die echter niet bij den Koran was bepaald. Men heeft dit later, voor eene ongehuwde vrouw, door zweepslagen en verbanning vervangen. Wat het overspel betreft, zoo is de overlevering, die de steeniging vorderde, door de bepalingen van den Koran (Soera XXIV, vers 2-10) vernietigd.

[331] Men gelooft dat hiermede sodomie of pederastie wordt bedoeld. Oorspronkelijk zegt de Koran: Doe hun kwaad of schade, waaruit eenigen opmaken, dat men hen alleen in het openbaar berispen (Jallalo'ddin, Yahya, Aboe'l, Kasem Heba Tallah, Al Beid‚wi), of hen met de pantoffels om het hoofd slaan moet (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi), hetgeen in het Oosten als eene groote beleediging geldt, terwijl anderen (Al Beid‚wi) zeggen, dat zij gegeeseld moeten worden.

[332] Zooals ongehoorzaamheid, ongemanierdheid en dergelijke (Al Beid‚wi.)

[333] Dat is: indien gij van een vrouw scheidt om eene andere vrouw te huwen, ontneem dan der vrouw, welke gij verlaat, de huwelijksgift van honderd dinars niet, welke zij van u heeft ontvangen.

[334] Zie Soera II, v. 229, 231, 238, 242.

[335] Woordelijk: uwe moeders die u hebben gezoogd. Een der uitleggers zegt bij deze plaats: God heeft het zogen zoo zeer met het moederschap vereenzelvigd, dat hij de min moeder noemde.

[336] Men mocht niet raken aan hetgeen reeds was geschied, en zoodoende der wet eene terugwerkende kracht geven.

[337] Volgens deze plaats is het niet geoorloofd, eene vrije vrouw te huwen, die reeds gehuwd is, hetzij zij al of niet tot den Mahomedaanschen godsdienst behoort, behalve wanneer zij door echtscheiding wettig van haren man mocht zijn gescheiden; maar het is wettig degene te huwen, die slavinnen of in den oorlog genomen zijn, nadat zij de bijzondere zuiveringen zullen hebben ondergaan, niettegenstaande hare echtgenooten mochten leven. Volgens de beslissing van Aboe Hanifah is het nog onwettig, zulke vrouwen te huwen, wier echtgenooten gevangen genomen zijn, of, op dat tijdstip, zich tegelijk met haar in slavernij bevinden.

[338] Dat is: Bepaal haar heuren bruidschat.

[339] Het Arabische woord monsanat beteekent eigenlijk bewaarde vrouwen; zijnde de vrouwen die onder de macht van een man staan en zeer ingetogen in hare manieren zijn; vrouwen van goeden huize, vrije vrouwen (Al Beid‚wi).

[340] Volgens sommigen beteekent dit: Wees tevreden met de verklaring van haar welke gij huwt, zonder heure overtuiging geweld aan te willen doen.

[341] Zijnde alle uit Adam en hetzelfde geloof voortgekomen. (Al Beid‚wi).

[342] De reden hiervan is, dat zij verondersteld worden, geene zoo goede opvoeding te hebben genoten. Daarom ontvangt eene slavin in zulk een geval vijftig slagen en wordt zij voor een half jaar gebannen; zij wordt echter niet gesteenigd, daar dit eene straf is, die niet voor de helft kan worden opgelegd. (Al Beid‚wi).

[343] Dat is: gebruikt het niet voor dingen door God verboden, zoo als woeker, enz. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin); maar gij moogt het goed van anderen door arbeid, handel, enz. wettig bezitten.

[344] Letterlijk; Doodt uwe zielen niet, dat is, zegt Jallalo'ddin: door doodelijke zonden, of zulke misdaden te bedrijven, waardoor zij eeuwig zullen vernietigd worden. Anderen zijn echter van meening, dat zelfmoord, gelijk de ongeloovige Indianen deden en nog doen, ter eere hunner afgodsbeelden, of ook eenigen waren geloovigen het leven te benemen, door deze plaats wordt verboden (Al Beid‚wi). Intusschen schijnt het begin van het vers aan te duiden, dat hier niet alleen van zelfmoord sprake kan zijn.

[345] Al Beid‚wi berekent, op grond eener overlevering van Mahomet, dat deze zonden zeven in getal zijn, en wel: afgodendienst, moord, valsche beschuldiging van eerbare vrouwen van overspel, het vermogen van weezen verspillen, woeker, desertie bij een godsdienstigen tocht en ongehoorzaamheid jegens ouders.

[346] Dit voorschrift is overeenkomstig een oude gewoonte der Arabieren, volgens welke, indien twee personen innige vriendschap of een bondgenootschap hebben aangegaan, die overlevende vriend een zesde deel van des overledenen nalatenschap ontvangt. Dit werd echter volgens Jallalo'ddin en Zamakhshari, afgeschaft, ten minste wat de ongeloovigen betreft. Ook kan deze plaats zÛÛ worden opgevat, als ware daar slechts sprake van een bijzondere verbintenis, volgens welke de overlevende een zeker deel der bezittingen van den eerst stervende ontvangt. (Al Beid‚wi).

[347] Zoowel door de bezittingen harer echtgenooten voor verlies en verwoesting te behouden, als zich zelve voor alle onkuischheid. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).

[348] Dat is: Bant haar van uw bed.

[349] Op deze plaats wordt het den Mahomedanen duidelijk geboden, hunne vrouwen te tuchtigen, in geval van halsstarrige ongehoorzaamheid, maar op geene hevige of gevaarlijke wijze (Al Beid‚wi.)

[350] Dat is: Laat de magistraten eerst twee scheidsrechters zenden: een van iedere zijde, om het verschil uit te maken, en zoo mogelijk de kwade gevolgen eener openlijke breuk te voorkomen.

[351] Afgoden.

[352] Die tot uw eigen volk, of uw eigen geloof behoort.

[353] Dit heeft zoowel betrekking op de belooning, welke men wegens goede daden heeft verdiend, als op de strenge straf voor begane zonden. Integendeel zal hij eerstgenoemden in het toekomstige leven ver boven hunne verdiensten beloonen. Het Arabische woord aharra, hetwelk eigenlijk eene soort van kleine mieren is, doch hier door het woord atoom werd vertaald, wordt gebruikt om iets aan te duiden dat bijzonder klein is.

[354] Deze wijze van reiniging wordt teimemoem genoemd.

[355] Ra'ina. Zie omtrent dit woord soera II. vers 98.

[356] Dit is: dat er slechts een zeer klein getal Joden zijn, die het Mahomedanisme hebben omhelsd.

[357] Zie soera II, vers 61.

[358] Dit is de letterlijke vertaling van den tekst. Deze plaats wordt echter op twee wijzen verklaard: den verdoemden zal den hals worden omgedraaid, zoodat wat van voren was van achteren zal komen; of wel de gelaatstrekken, de mond, de neus zullen uitgewischt en geÎffend worden, zooals het achtergedeelte van het hoofd is.

[359] Woordelijk: Hij zal vergeven wat dezerzijds is. Dat is: de zonde der afgodendienst is de grootste der zeven hoofdzonden.

[360] Dat is: De Joden en Christenen, die zich zelven de kinderen Gods en zijn bemind volk noemen. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).

[361] Hier staat oorspronkelijk: in Jibt (of Djibt) en Thagut. Eerstgenoemd woord wordt verondersteld de eigennaam van een afgod te zijn geweest; het schijnt echter veeleer de meer algemeene naam van een of andere valsche godheid te zijn. Van laatstgenoemd woord gaven wij reeds eene uitlegging. Zie soera II vers 259.

[362] Dat is: Raadpleegt den Koran, die Gods woord is.

[363] Dat is: Voor de rechtbanken van ongeloovigen. Deze plaats is haar ontstaan aan de volgende opmerkenswaardige gebeurtenis verschuldigd. Zekere Jood had twist met een goddeloozen Mahomedaan, welke laatste de beslissing van Coab abn el Ashraf, een voornaam Jood, en de eerste die van Mahomet inriep. Ten laatste kwamen zij echter overeen, de zaak alleen aan den profeet te onderwerpen, die haar ter gunste van den Jood uitwees: de Mahomedaan weigerde in deze beslissing te berusten, en achtte het noodig de zaak door Omar, later Kalif, op nieuw te doen onderzoeken. Toen zij tot hem kwamen, verhaalde de jood hem, dat Mahomet de zaak reeds te zijner gunste had beslist, maar dat de Mahomedaan zich niet aan die uitspraak wilde onderwerpen. Toen nu de Mahomedaan bekende, dat dit de waarheid was, verzocht Omar hun, even te wachten, en nadat hij zijn zwaard had getrokken, sloeg hij den halsstarrigen Mahomedaan het hoofd af, uitroepende: Dit is de belooning voor hem, die weigert zich aan de uitspraak van God en zijnen gezant te onderwerpen. Door deze daad verkreeg Omar den bijnaam van Al Far˚k, hetgeen niet alleen doelt op de scheiding van des schelms hoofd van zijn lichaam, maar ook daarop dat hij leugen en waarheid van elkander wist te onderscheiden. (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi, d'Herbelot. Bibl. Orient, p. 688 en Ockley, Hist. of the Sarac., p. 365.) Daarom schijnt dan ook de naam van Thagut hier aan Coab abn el Ashraf te zijn gegeven. Zie soera II, vers 259.

[364] Dit was namelijk de verontschuldiging der vrienden van den Mahomedaan, dien Omar had gedood, toen zij voldoening voor diens bloed kwamen vragen. (Al Beid‚wi).

[365] Door goddeloos te handelen, en de uitspraak van ongeloovigen in te roepen.

[366] Dat is: Weest waakzaam, en voorziet u zelven van wapenen en benoodigdheden.

[367] Daar geen mensch het slagveld mocht verlaten, dan nadat hij als martelaar was gevallen, of eenig voordeel voor de zaak had behaald (Al Beid‚wi).

[368] Woordelijk trekt uwe handen terug, d.i. raakt geenerlei arbeid aan.

[369] Dat is: Den natuurlijken dood.

[370] Op deze wijze werd door velen, die niet tot Mahomets volgelingen behoorden, aan hem de duurte der levensmiddelen toegeschreven, toen hij naar Medina ging, hetgeen gemakkelijk kan worden uitgelegd, door de talrijkheid der personen, die tot zijn gevolg behoorden.

[371] Men moet deze woorden niet opvatten, als waren zij in tegenspraak met de voorafgaande: dat alles van God komt; daar het kwaad dat over de menschen komt, hoewel door God bevolen, nochtans het gevolg van hunne eigene slechte daden is.

[372] Dat is: indien God zijnen gezant niet met den Koran had gezonden, om u in uwen tongval te onderrichten, zoudt gij in uwe afgodendienst zijn voortgegaan, en tot verderf gedoemd zijn; diegenen alleen uitgezonderd, welke door Gods gunst en hun buitengewoon begrip, ware denkbeelden der godheid zouden hebben, zooals bij voorbeeld: Zaid Ebn Amroe Ebn Nofail (zie Millium, de Mohammedanismo ante Moh. h. 311), en Waraka Ebn Nawfal, die, vÛÛr de zending van Mahomet, de afgoden verlieten en slechts ÈÈn God erkenden (Al Beid‚wi).

[373] Dit heeft betrekking op hen, die Mahomet verlof vroegen, van Medina naar elders te gaan wonen, en die dagelijks voortgingen, tot zij afgodendienaars ontmoetten. Het oordeel der Muzelmannen was verdeeld, daar zij niet wisten, of zij die menschen als huichelaars en ongeloovigen moesten aanzien, dan wel als geloovigen, die het toeval te midden der ongeloovigen had geworpen.

[374] Dit zijn, naar men zegt, de leden van den stam Modlaj, die tot Mahomet toetraden, maar niet gedwongen wilden zijn, hem in den oorlog bij te staan.

[375] Dat is: bij ongeluk en zonder opzet. Deze plaats werd geopenbaard om het geval van Ayash Ebn Abi Rabia te beslissen, de broeder van moeders zijde van Aboe Jahl, die eens Hareth Ebn ZeÔd doodde, toen hij hem op den weg ontmoette, niet wetende, dat hij het Mahomedanisme, had omhelsd (Al Beid‚wi).

[376] Deze bloedprijs moet verdeeld worden ingevolge de wet der erfenissen, in het begin van dit hoofdstuk voorkomende (Al Beid‚wi).

[377] En er zal geen bloedprijs worden betaald; omdat in dit geval zijne bloedverwanten, als ongeloovigen en in verklaarden krijg met de Moslems zijnde, geen recht hebben om te erven wat hij heeft nagelaten.

[378] Dat is: tot hij berouw gevoelt. Anderen echter meenen dat hier van geen eeuwige verdoemenis sprake is (daar, volgens de algemeene leer der Mahomedanen, niemand die tot dat geloof behoort, eeuwig in de hel zal blijven), maar alleen gedurende langen tijd (Al Beid‚wi).

[379] Het gebeurde zeer dikwijls, dat de Mahomedanen, op hunne tochten, menschen ontmoetten, die zij niet kenden, en welke zij doodden. De aanvallers zeiden, om zich te verdedigen, dat het ongeloovigen waren; terwijl zij hen slechts als ongeloovigen behandelden, om hen te berooven.

[380] Hiermede worden de Arabieren bedoeld, die, na den Islam te Mekka te hebben omhelsd, niet uittrokken, uithoofde dit moest geschieden om de betrekkingen met de afgodendienaars af te breken, maar deze betrekkingen veeleer onderhielden. Volgens anderen zijn zij de zwakken, omdat zij niet in staat zouden zijn te vluchten, en gedwongen zijn de ongeloovigen in den oorlog te volgen. De engelen, waarvan hier wordt gesproken, zijn de twee engelen, die de dooden in hunne graven bezoeken.

[381] Zoo als zij deden, die naar EthiopiÎ en Medina vluchtten.

[382] Volgens Al Beid‚wi werd deze plaats geopenbaard tengevolge van het gebeurde met Jondob Ebn Dampa. Deze persoon werd op zijne vlucht ziek, en dientengevolge door zijne zonen op een rustbed gedragen; maar voor hij te Medina aankwam, voelde hij zijn einde naderen. Hij sloeg met zijn rechterhand op zijne linker en stierf, na vooraf plechtig zijn geloof aan God en diens gezant te hebben betuigd.

[383] Het Mahomedaansche gebed bestaat in kniebuigingen, rika en aanbiddingen, soedjoed, die daarin gelegen zijn, dat men het aangezicht ter aarde buigt.

[384] Tima Abn Obeirak, een zoon van Dhafar, en een van Mahomets makkers, stal een maliÎnkolder van zijnen buurman Kit‚da Ebn al Noman, verborg dien in eene mand met meel en verkocht dit bij een jood, Zeid Ebn al Samin genaamd. Daar men Tima verdacht hield, vroeg men hem om den maliÎnkolder, maar hij ontkende er iets van te weten, men volgde echter het spoor van het meel, dat door eene opening der mand was gevallen, welk spoor naar het huis van Zeid leidde: daar vond men het gestolene en beschuldigde hem van den diefstal: Zeid bracht echter onderscheidene getuigen, die verklaarden dat hij den kolder van Tima had gekocht; de zonen van Dhafar kwamen daarop tot Mahomet, en verlangden, dat hij zijn makker tegen de beschuldiging verdedigen en Zeid veroordeelen zou. Daar hij nu eenigszins gedwongen was daaraan toe te geven, werd deze plaats geopenbaard, waarin zijn onbezonnen voornemen gelaakt en hem geboden werd, niet te diens nadeele en volgens zijne neiging, maar volgens den aard der zaak te oordeelen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Yahya).

[385] Al Beid‚wi voegt er, als een voorbeeld van de goddelijke rechtvaardigheid, bij, dat Tima na het bovenvermelde feit, naar Mekka vlood, weder den afgodendienst omhelsde, en daar onder den muur van een huis doorgroef, met het doel om te stelen. De muur stortte echter in en doodde hem.

[386] Dat is: als zij in het geheim middelen aanwenden, door valsche getuigenis, of op andere wijze, om hunne misdaden op onschuldige personen te werpen.

[387] Hier wordt op de zonen van Dhafar gedoeld.

[388] Door u te onderrichten in de kennis van het goed en het kwaad en de lessen der rechtvaardigheid.

[389] De Arabieren aanbaden Allat, al Uzza en Menat, die zij voor dochters van God hielden.

[390] Of, zoo als het letterlijk luidt: een gedeelte, bestemd of voorbestemd om door mij verleid te worden.

[391] Hetwelk door de oude afgodendienende Arabieren uit bijgeloof werd gedaan. De noten der vijfde Soera vermelden meer omtrent deze gewoonte.

[392] Hetzij door die te verlammen, of tot doeleinden aan te wenden, waartoe zij niet door God bestemd is. Al Beid‚wi veronderstelt, dat de tekst hier niet alleen doelt op de bijgeloovige gewoonte van de ooren en andere gedeelten van het vee af te snijden, maar ook op de castratie van slaven, het merken hunner lichamen met figuren, die geprikt en daarna met weede of indigo werden ingewreven, gelijk de Arabieren deden en nog doen, het scherpen hunner tanden, door die af te vijlen, zoo ook sodomie en de onnatuurlijke driften tusschen vrouwen, het aanbidden der zon, maan en andere natuurlichamen enz.

[393] Dat is: door Gods dienst te verlaten en de werken des duivels te verrichten.

[394] Deze woorden kunnen ook in toestemmenden zin worden opgevat, daar de zin van den tekst hier zeer twijfelachtig is door het woordje an, dat vooral in den Koran, zoowel in toestemmenden als ontkennenden zin wordt gebezigd. Men kan dus hier even goed zeggen, wie gij niet geeft... en die gij weigert te huwen, als: aan wie gij niet geeft... en die gij wilt huwen.

[395] Door der vrouw een deel van haren bruidschat te geven, of andere verplichtingen omtrent haar te voldoen.

[396] Dit beteekent: daar gij van haar niet even als van eene gehuwde vrouw kunt genieten, moet gij sommige maatregelen van rechtvaardigheid omtrent haar in acht nemen; want indien een man niet geheel in staat is aan zijne plichten te voldoen, moet hij die echter daarom niet geheel verwaarloozen (Al Beid‚wi.)

[397] Of gelijk een, die nooit een echtgenoot had, noch gescheiden is, en de vrijheid heeft een ander te huwen.

[398] Dat is: hij zal den man en vrouw doen vinden, die hem beter behaagt, en aan de vrouw een' anderen man, die het verlies zal vergoeden van hem, die haar heeft verstooten.

[399] Daar hij den dienst van geen schepsel behoeft.

[400] Zie de zesde Soera.

[401] Dat is: hebben wij u niet bijgestaan? Geef ons dus een deel van den buit (Al Beid‚wi).

[402] Dat wil zeggen: met de tong en niet met het hart.

[403] Hinkende tusschen twee gedachten, en noch van de Moslems, noch van de ongeloovigen standvastige vrienden zijnde.

[404] Dit verhaal schijnt een toevoegsel te zijn tot hetgeen Mozes van de zeventig oudsten zegt, die met hem, A‰ron, Nadab en Abihu den berg bestegen en den God van IsraÎl zagen. Exodus XXIV : 9, 10, 11.

[405] Zie de 2e Soera, vers 48.

[406] Zie ibid, v. 51.

[407] Zie ibid, v. 60.

[408] Zie ibid, v. 55.

[409] Jallalo'ddin leidt uit dit woord af, dat aan het einde van dezen volzin de woorden: daarom hebben wij hen gevloekt, of iets dergelijks ontbreekt.

[410] Door haar van ontucht te beschuldigen.

[411] Zie de 3e Soera vers 48 en de bijgevoegde noten.

[412] Sommigen houden namelijk vol, dat hij inderdaad en te recht werd gekruisigd: anderen beweren, dat hij niet Jezus was, maar een ander, wiens aangezicht op het zijne geleek, terwijl de overige deelen van zijn lichaam zoo zeer verschilden, dat zij het bedrog volkomen bewezen. Sommigen zeggen, dat hij in den hemel werd opgenomen, en anderen, dat zijn menschelijk gedeelte alleen heeft geleden en zijne goddelijkheid naar den hemel opsteeg. (Al Beid‚wi).

[413] Volgens een overlevering van Hej‚j, strijken de engelen, als een Jood sterft, hem over den rug en het aangezicht, terwijl zij tot hem zeggen: o, gij vijand van God! Jezus was als een profeet tot u gezonden, en gij geloofdet niet in hem, waarop hij zou antwoorden: Thans geloof ik van hem dat hij de man Gods is; en tot den stervenden Christen zeggen zij: Jezus was als een profeet tot u gezonden, en gij hebt hem toegedicht God, of de zoon van God te zijn: waarna hij gelooven zal, dat die slechts de dienaar van God en zijn apostel is, en dat derhalve de onderstelling, dat Jezus een zoon van God of zelf een God zij, zonde tegen den eenigen God is, terwijl ieder voor zijn dood aan Mahomet zal gelooven.

[414] Dat is: tegen de Joden, die hem geheel verwerpen, en tegen de Christenen, die hem God en den zoon van God noemen (Al Beid‚wi).

[415] In geschenken, tot het omkoopen der rechters of andere slechte gebruiken.

[416] Zoo als Abdallah Ebn Sal‚m en zijne makkers (Al Beid‚wi).

[417] Hetzij door Jezus geheel te verwerpen en te loochenen, zooals de Joden doen, hetzij door hem tot de gelijkheid met God te verheffen, zooals de Christenen (Al Beid‚wi.)

[418] Namelijk God, Jezus en Maria (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin Yahya). De Oostersche schrijvers maken melding van eene Christelijke secte, die gelooft, dat de drieÎenheid uit deze is samengesteld (Elmacim, p. 227, Eutych, p. 120), maar men meent, dat deze ketterij reeds sedert lang is verdwenen (Ahmed Ebn Abd'al Halim). Deze plaats is echter eveneens tegen de drieÎenheid gemunt, zooals die volgens de leer der orthodoxe Christenen bestaat, welke, zooals Al Beid‚wi zegt, er aan gelooven, dat de Godheid uit drie personen bestaat; de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Door den Vader verstaat men namelijk Gods wezen, door den Zoon, zijne kennis en door den Heiligen Geest, zijn leven.

[419] Volgens Savary aldus: Wel verre van een' zoon te hebben, regeert hij alleen den hemel en de aarde. Hij is zichzelven toereikend.

[420] Dat is Mahomet en zijn' Koran.

[421] Zijnde tot den Islamitischen godsdienst in deze wereld, en tot het het paradijs in de toekomstige.

[422] De andere helft wordt in de openbare schatkist gestort.

[423] Dat is: hij zal hare geheele bezetting erven.

[424] Deze titel is ontleend aan de tafel, welke aan het einde van dit hoofdstuk gezegd wordt, uit den hemel aan Jezus te zijn gezonden. Het wordt ook soms het hoofdstuk der verbintenissen ('choed) genaamd, welk laatste woord in het eerste vers voorkomt.

[425] Zoo als: Kameelen, ossen en schapen, als ook wilde koeien, antilopen enz. (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi), maar geene varkens, noch datgene, wat gedurende de bedevaart is gejaagd.

[426] De ceremoniÎn die bij de bedevaart naar Mekka gebruikelijk zijn.

[427] De offerande, waarvan hier sprake is, is het schaap, dat naar Mekka wordt vervoerd, om daar geofferd te worden, welks nek men gewoonlijk met slingers, kransen of andere versierselen omhangt, ten einde het als eene heilige zaak te beschouwen.

[428] In de expeditie van Al Hodeibiya.

[429] Bij de afgodendienende Arabieren was het gebruik, bij het dooden van eenigerhande dier, dat tot voedsel moest strekken, het om zoo te zeggen, aan hunne afgoden toe te wijden, door het uitspreken der woorden: In den naam van Allat of Al Uzza (zie Soera II).

[430] Of door een dier, dat voor de jacht is afgericht. (Al Beid‚wi).

[431] Dat is: behalve dat gij nog tijdig genoeg komt om leven in het dier te vinden, en het den hals af te snijden.

[432] Dit woord beteekent ook zekere soort steenen, die door de afgodendienende Arabieren werden gebruikt tot opstapeling nabij hunne huizen, en waarvoor zij uit bijgeloof dieren doodden, ter eere hunner goden. (Al Beid‚wi.)

[433] De afgodendienende Arabieren hadden de gewoonte, een gedooden kameel onder elkander te verdeelen, door het lot te trekken, wien dit of dat gedeelte zou te beurt vallen; dit geschiedde met pijlen zonder ijzer of vederen, die, ten getale van zeven, in den tempel van Caaba werden bewaard. Met betrekking tot de woorden "heden," of "op dezen dag" wordt beweerd, dat deze plaats Vrijdag-ochtend werd geopenbaard, zijnde de dag, waarop de bedevaartgangers den berg Arafat bezochten, den laatsten keer, dat Mahomet den tempel van Mekka bezocht. Deze pelgrimstocht wordt daarom de bedevaart des afscheids genoemd (Al Beid‚wi). Zie Prid. Life of Moham., p. 99.

[434] Daarom zeggen de uitleggers, dat na dien tijd geen positief of negatief voorschrift werd gegeven. Zie Abulfed Vit. Moham., p. 131.

[435] Daar ik u een waren en volmaakten godsdienst heb gegeven; of door de verovering van Mekka en de vernietiging van den afgodendienst.

[436] Het woord taiibat, dat hier in het oorspronkelijke staat heeft eene even algemeene beteekenis als het woord goed. Men moet hier echter door goed verstaan datgene, wat zuiver en niet schadelijk voor de gezondheid is.

[437] Hetzij viervoetige dieren of vogels.

[438] Zoowel als gij het wild een hond, valk of ander dier achterna zendt, als indien gij het doodt.

[439] Zijnde door Joden of Christenen gedood, of gereed gemaakt.

[440] Dit zijn de gemengde huwelijken tusschen Muzelmannen en Joodsche en Christen vrouwen; de vrouwen der afgodendienaars zijn van dit verlof uitgesloten.

[441] Deze voorschriften, die aan de mannen werden gegeven, zijn bijna in dezelfde uitdrukkingen vervat als die, welke de vrouwen betreffen. Zie hoofdstuk IV, vers 29. Het woord khidn, meervoudig akhdan, hier in den tekst gebruikt, beteekent geliefde en ook bijzit.

[442] Deze reiniging met zand, bij gebrek aan water, wordt teiemmoem genaamd (Zie soera IV, vers 46.)

[443] Deze woorden maken het formulier uit, dat bij de inhuldiging van een vorst wordt uitgesproken, en Mahomet bedoelt hier den eed van getrouwheid, dien zijne volgelingen hem te Al Akaba hadden gedaan. Zie Albulfed, Vit. Moham, p. 43.

[444] Deze plaats moet betrekking hebben op een moordaanslag op den persoon van Mahomet. Hiervan bestaan verschillende lezingen. Volgens eene zou een Arabier, toen Mahomet eens zijne wapens afgelegd en die aan een boom opgehangen had, terwijl zijn gevolg zich op eenigen afstand van hem bevond, zich op hem geworpen hebben en, terwijl hij een bloote sabel boven zijn hoofd hield, gezegd hebben: "Wie belet mij u te dooden?"--"Dat is God," hernam Mahomet; hierop ontnam de engel GabriÎl de sabel aan den Arabier. Mahomet, greep de sabel en vroeg den Arabier op zijne beurt; "Wie belet mij, u te dooden?"--"Niemand," hernam de Arabier; en hij omhelsde den Islam.

[445] Hier spreekt God. Gelijk wij bij herhaling hebben opgemerkt, heeft de verwisseling van de voornaamwoorden wij en hij te dikwijls in den Koran plaats, dan dat het mogelijk zou zijn, dit telkens, wanneer het plaats heeft, te doen opmerken.

[446] Door voor den heiligen oorlog geschenken te geven. Volgens Savary: Besteedt uwe rijkdommen voor de verdediging van den heiligen godsdienst.

[447] Dat is: Indien zij berouw gevoelen en gelooven, of zich er aan onderwerpen, schatting te betalen. Sommigen echter zijn van meening, dat deze woorden door het vers van het zwaard zijn afgeschaft. (Al Beid‚wi).

[448] Zooals het vers betreffende het steenigen van overspeligen (Hoofdstuk III, vers 22, noot), de beschrijving van Mahomet, en de profetie van Christus nopens dezen onder den naam van Ahmed (Al Beid‚wi).

[449] Dat is: Zulke, wier herstelling niet noodig was.

[450] Het Arabische woord al Fatra beteekent het tijdsverloop tusschen twee profeten, gedurende hetwelk geen nieuwe openbaring of kwijtschelding werd gegeven, zooals de tijd, die tusschen Mozes en Jezus verliep, of tusschen Jezus en Mahomet, op het einde van welke laatste tijdruimte Mahomet gezonden werd.

[451] Dit werd vervuld, Úf door dat God hun een koninkrijk gaf, en eene lange opvolging van vorsten, Úf door dat hij hem tot koningen of meesters over hen zelven maakte, door hen van de Egyptische slavernij te verlossen.

[452] Daar hij de Roode Zee voor u scheidde en u, door middel van eene wolk, leidde en u ook met kwakkels en manna voedde (Al Beid‚wi).

[453] De grootste dezer reuzen, was volgens de uitleggers Og, de zoon van Anak, nopens wiens reusachtige houding, zijne ontkoming aan den vloed en de wijze waarop hij door Mozes werd gedood, de Mahomedanen verschillende fabels verhalen. Zie Marracc., in Alcor. p. 231 enz., d'Herbel. Bibl. OriÎnt, p. 336.

[454] Namelijk Caleb en Josua.

[455] De uitleggers beweren, dat de IsraÎlieten, terwijl zij in de woestijn reisden, binnen een cirkel van omstreeks achttien, of volgens het zeggen van sommigen, van zevenentwintig mijlen werden gehouden, waardoor zij, hoewel van den ochtend tot den avond reizende, zich den volgenden dag telkens op de plaats bevonden vanwaar zij waren uitgegaan. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).

[456] Zijnde KaÔn en Abel, welke door de Mahomedanen K‚bil en H‚bÓl genoemd worden.

[457] De oorzaak van het brengen van dit offer, wordt volgens de gewoonlijke overlevering van het Oosten aldus verhaald (zie Abu'lfarag., p. 6 en 7, Eutych, annol. p. 15 en 16 en d'Herbelot, Bibl. OriÎnt. Art. Cabil): Ieder van hen beiden was met een tweelingzuster geboren, en toen zij opgegroeid waren, beval Adam, door Gods ingeving, aan KaÔn, Abels tweelingzuster te huwen, aan Abel beval hij hetzelfde ten opzichte van KaÔns tweelingzuster. KaÔn weigerde dit echter op te volgen, daar zijne eigene zuster de schoonste was. Adam beval hun daarop hunne offeranden aan God te brengen en daarbij de beslissing van het geschil aan God over te laten. (Al Beid‚wi). De uitleggers zeggen, dat KaÔns offerande een gaaf was van het slechtste koren dat hij bezat, terwijl die van Abel in een vet lam het beste van zijne kudde bestond.

[458] Namelijk van Abel, waarvan God de aanneming op een zichtbare wijze deed plaats hebben. Hij deed namelijk vuur uit den hemel nederdalen, waardoor het werd verteerd, zonder dat het offer van KaÔn werd aangeraakt. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).

[459] Om Abels geduld te verheffen. Al Beid‚wi verhaalt, dat hij de sterkste der twee was, en dus gemakkelijk zijn broeder had kunnen overmeesteren.

[460] Zooals afgodendienarij, of roof op den openbaren weg. (Al Beid‚wi).

[461] Daar hij het gebod zal hebben geschonden, waarbij het vergieten van bloed wordt verboden.

[462] De schriftgeleerden zijn het niet eens omtrent de toepassing van deze straffen. De uitleggers veronderstellen echter, dat zij die alleen moord hebben gepleegd, op de gewone wijze ter dood moeten gebracht worden; zij die moord of roof te gelijk plegen, zouden gekruisigd worden: hun die rooven, zonder daarbij moord te plegen, zou de rechterhand en de linkervoet afgesneden worden; zij die personen aanvallen en hun vrees aanjagen, zouden moeten gebannen worden. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Ook is het twijfelachtig, of zij, die gekruisigd moeten worden, levend aan het kruis genageld, of na hunnen dood die straf moeten ondergaan, of wel aan het kruis moeten opgehangen worden tot zij sterven. (Al Beid‚wi).

[463] Volgens de Sonna (de overlevering), kan deze straf niet worden opgelegd, dan wanneer de waarde van het gestolene vier dinars (f 24) bedraagt. Voor de eerste misdaad moet de veroordeelde de rechterhand verliezen, die aan den pols wordt afgesneden; bij herhaling wordt de linkervoet aan den enkel afgesneden; bij de tweede herhaling zijne linkerhand; bij de derde herhaling zijn rechtervoet; en indien hij voortgaat misdaden te begaan, zal hij, naar het oordeel des rechters gegeeseld worden. (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi). Deze wet is niet meer bij de Turken in gebruik. Het toedienen van stokslagen is de gewone straf voor diefstal. Roovers worden dikwijls onthoofd. Deze misdaad is echter zeldzaam in Turksche steden, maar de slechte staat der politie veroorzaakt, dat zij soms op groote wegen, en vooral in de woestijnen, voorvalt. Thans mag in de Turksche staten geen doodvonnis worden voltrokken, zonder door den sultan bekrachtigd te zijn.

[464] Dit wil zeggen: dat God hem daarna er niet meer voor zal straffen; maar zijn berouw belet hier echter de uitvoering der wet niet, noch ontheft hem van restitutie. Al Sh‚feÔ beweert echter, dat hij niet zal gestraft worden, indien de beleedigde partij hem vergeeft, alvorens hij voor den magistraatpersoon verschijnt. (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi.)

[465] Dat is: die de eerste gelegenheid aangrijpen om het masker af te werpen en zich bij de ongeloovigen aansluiten.

[466] Zijnde de huichelachtige Mahomedanen.

[467] Deze woorden zijn voor twee uitleggingen vatbaar. Volgens sommigen doelen zij op de leugens en verdraaiingen van de rabbijnen of de christelijke geestelijken, die de geboden van Mahomet verwerpen; volgens anderen, dat zij alleen naar Mahomet kwamen luisteren om hem te bespieden en hunne makkers mede te deelen wat hij had gezegd, en hem als een leugenaar voor te stellen (Al Beid‚wi.)

[468] Zie Hoofdstuk IV, vers 48.

[469] Dat is: indien Mahomet u den tekst der schrift geeft, zooals wij u dien geven, neemt dien aan: zoo niet verwerpt dien.

[470] Sommigen zeggen, dat dit betrekking heeft op het gebruik van verboden vleeschsoorten: anderen op woeker en omkooping (Al Beid‚wi). Het Arabische woord, hier door eten vertaald, geeft tot beide beteekenissen evenveel aanleiding. Het Hebreeuwsch nSr (verwant met bijten) is elke rente.

[471] Dat is: kies zelf, of gij hunne geschillen al of niet wilt beslechten. Vandaar was Al Sh‚feÔ van meening dat een rechter niet verplicht was, in geschillen tusschen Joden en Christenen uitspraak te doen. Indien echter een hunner, of beiden schatplichtigen waren, of onder de bescherming der Mahomedanen stonden, waren zij daartoe verplicht, en behoefden zij om dit vers zich niet te bekreunen. Aboe Hanifa meent echter, dat de magistraten verplicht zouden zijn, alle zaken te richten, die hun worden onderworpen. (Al Beid‚wi.)

[472] Maar zij dobberen in twijfel en gelooven niet.

[473] Dat is: waakzaam, om er schending van te voorkomen.

[474] Het oorspronkelijke woord is: ziel.

[475] Zie Exod. XXI : 24, enz.

[476] Deze plaats is voor nog eene uitlegging vatbaar; te weten: hij die aalmoezen geeft, na iemand gewond te hebben, zal vergeving zijner zonden verkrijgen.

[477] Het woord, hier door open weg vertaald, is eigenlijk het pad, dat naar de drinkplaats leidt. Figuurlijk wordt dit woord voor de gedragslijn volgens de wet gebruikt.

[478] Of weigeren, door den Koran gericht te worden.

[479] De onwetendheid, eldjahiliieh, wordt bij de Arabieren altijd gebruikt om het tijdperk van den afgodendienst aan te duiden. Deze plaats beteekent: Achten zij het beter, volgens de woeste wetten der afgodendienaars, dan door de goddelijke wet geoordeeld te worden?

[480] Deze woorden werden tot de Mahomedanen of wel tot Joden gericht, naardien de huichelaars hunne eeden aan beiden hebben gezworen. (Al Beid‚wi).

[481] Het Arabische woord weli beteekent: vriend patroon, beschermer, bondgenoot, heilige (vriend van God).

[482] Deze woorden werden ingevoegd, bij gelegenheid dat een zeker Christen, die, toen hij den Muadhdhin of roeper, tot het gebed hoorde oproepen, en dit gedeelte van de gebruikelijke formule herhaalde: Ik geloof dat Mahomet de apostel van God is, luid zeide: Moge God den leugenaar verbranden; maar eenige nachten later geraakte zijn huis door de onvoorzichtigheid van een bediende in brand, waarbij hij zelf en zijn gezin in de vlammen omkwamen. (Al Beid‚wi).

[483] De eersten waren de Joden van Ailah, die den Sabbath schonden (Zie Hoofdstuk II, vers 61), en de laatsten zij, die niet geloofden aan het mirakel van de tafel, welke aan Jezus uit den hemel, werd nedergezonden.

[484] Zie Hoofdstuk II, vers 247.

[485] Dat is: Zij zullen met gebrek en gierigheid gestraft worden. Deze woorden doelen, volgens de meening van sommigen, ook op de wijze waarop de goddeloozen op den jongsten dag zullen verschijnen, namelijk met hunne rechterhanden aan hunnen nek gekluisterd, hetgeen de eigenlijke beteekenis van het Arabisch woord is.

[486] Namelijk de Koran.

[487] Dat is: Zij zullen zoowel de genoegens des hemels als die der aarde genieten.

[488] Alvorens dit vers werd geopenbaard, onderhield Mahomet eene lijfwacht van gewapenden voor zijne zekerheid: toen hij echter deze verzekering van Gods bescherming ontving, dankte hij die dadelijk af. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin.)

[489] Zie de noot van Hoofdstuk II, vers 59.

[490] Zie Hoofdstuk II, vers 59.

[491] Door hunne oogen en ooren voor overtuiging en de bevelen der wet te sluiten, zooals toen zij het kalf aanbaden.

[492] Zie Hoofdstuk IV, vers 170.

[493] Die nimmer aanspraak er op maakte, van goddelijken aard, of de moeder Gods te zijn. (Jallalo'ddin).

[494] Daar zij verplicht waren, hun leven op dezelfde wijze door te brengen, en aan dezelfde behoeften en gebreken als de overige menschen onderworpen en dientengevolge van geen' goddelijken oorsprong waren. (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).

[495] Zie Hoofdstuk IV, vers 169. Hier zijn deze woorden echter uitsluitend tot de Christenen gericht.

[496] Dat is: van de geestelijken en voorgangers, die dwalen, door aan Christus goddelijkheid toe te kennen, alvorens Mahomet werd gezonden. (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).

[497] Zie hiervoren de noot 3 op blz. 162.

[498] David had de Sabbatschenders in apen veranderd, Hoofdstuk II. vers 61; Jezus veranderde de boozen onder IsraÎl in varkens.

[499] Zie Hoofdstuk II vers 89.

[500] De personen die op deze plaats rechtstreeks worden bedoeld, zijn: Ûf Ashama, koning van EthiopiÎ, en verschillende bisschoppen en priesters, die, tot dat doel vergaderd, Jaafar Ebn Taleb hoorden, en die bij de eerste vlucht naar deze plaats vlood, en de 29e en 30e en later de 18e en 19e Hoofdstukken van den Koran las, op het hooren waarvan de koning en de overige aanwezenden in tranen uitbarstten en bekenden, dat het met de waarheid overeenkomstig was; vooral de vorst zelf werd een proseliet van het Mahomedanisme (Al Beid‚wi, Al Thalabi, Albufed. Vit. Moh., pag. 35 enz., Marracc, Prodr. ad Refut, Alcor. pars. I pag. 45), of dertig, doch gelijk anderen zeggen zeventig personen, die door dien zelfden koning van EthiopiÎ als afgezanten tot Mahomet waren gezonden, aan welken de profeet zelf het 36e hoofdstuk voorlas, waarop zij begonnen te weenen, zeggende: Hoezeer gelijkt dat op hetgeen door Jezus werd geopenbaard! en zich dadelijk als Moslems bekenden. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, ook Marrace, t. a. pl.)

[501] Deze woorden geopenbaard, toen sommigen van Mahomets volgelingen, goed dachten te doen, door voortdurend te vasten en te waken, en door zich van vrouwen, het eten van vleesch, het slapen op een bed en andere geoorloofde genoegens des levens te onthouden, in navolging van sommige Christenen; doch de profeet keurde dit af, zeggende: dat hij geene monniken in zijnen Godsdienst verlangde te hebben. (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).

[502] Zie Hoofdstuk II, vers 224.

[503] (Aboe HanÓfa zegt, dat dit drie dagen te zamen is). Dit wordt echter in het gebruik niet gevolgd, daar het nergens bepaald in den Koran, noch in de Sonna wordt bevolen.

[504] Hiermede worden alle bedwelmende dranken en kansspelen bedoeld. Zie Hoofdstuk II, vers 216.

[505] Al Beid‚wi en sommige andere uitleggers zeggen, dat hier van afgoden wordt gesproken, anderen beweren echter, en met meer waarschijnlijkheid, dat hier de gesneden menschenbeelden worden bedoeld, waarmede de afgodendienende Arabieren schaak spelen, zijnde kleine figuren van menschen, olifanten, paarden en drommedarissen.

[506] De uitleggers trachten de tautologie van deze plaats te verontschuldigen, door de veronderstelling, dat de drievoudige vermelding van vreezen en gelooven betrekking heeft op de drie toestanden van den tijd, namelijk het verledene, het tegenwoordige en het toekomstige of op den drievoudigen plicht van den mensch, omtrent God, zich zelven en zijn naaste. (Al Beid‚wi). Volgens anderen weder heeft deze herhaling plaats gehad, omdat Mahomet duidelijk wilde aantoonen, dat de ware vroomheid niet in het onthouden van zekere spijzen ligt.

[507] Hiermede wordt bedoeld, dat hij een offer in den tempel van Mekka zal brengen, hetgeen daar gedood en onder de armen verdeeld zal worden, of wel een of ander huis- of tam dier, van gelijke waarde als datgene wat hij zal hebben gedood; zooals b.v. een schaap ter vergoeding van een antilope, een duif voor een patrijs enz. En over deze waarde moeten twee voorzichtige personen oordeelen. Indien de overtreder niet in staat was dit te doen, rustte de verplichting op hem eene zekere hoeveelheid voedsel aan een of meer arme lieden te geven, of een evenredig aantal dagen te vasten.

[508] Dit, zegt Jallalo'ddin, is toepasbaar op alle visschen die in de zee leven, en niet op diegene, welke zoowel in de zee als op het land leven; zooals: krabben, enz. De Turken die tot de Hanifieten behooren, eten deze soort van visschen nimmer, maar de secte van Malec Ebn Ans, en misschien eenige anderen, zien daarin geen godsdienstig bezwaar.

[509] Want het oordeel over zaken moet niet met het oog op hare schaarschte of menigvuldigheid, maar naar heure wezenlijke goede of slechte hoedanigheden worden uitgesproken, (Al Beid‚wi).

[510] Dit waren de namen door de afgodendienende Arabieren aan sommige kameelen of schapen gegeven, die in eenige gevallen van de gewone diensten waren bevrijd. Zij waren van een of ander kenteeken voorzien, gelijk gespleten ooren, enz. opdat zij herkend konden worden. Dit deden zij ter eere hunner goden. Deze bijgeloovige gewoonte wordt hier verklaard, geen bevel van God te zijn en als een verzinsel van dwazen gekenschetst.

[511] Zij die deze woorden zoodanig uitleggen, dat daarmede personen van eenen anderen godsdienst worden bedoeld, zeggen, dat dit afgeschaft is, en dat de getuigenis van zulk een' niet tegen een Moslem kan gelden. (Al Beid‚wi).

[512] Voor het geval dat er eenige twijfel bestond, werden de getuigen van het gezelschap afgezonderd, opdat zij niet verleid mochten worden: dit duurde voort, tot zij hunne verklaring hadden afgelegd, hetgeen zij gewoonlijk deden als het namiddaggebed was uitgesproken; daar dit het oogenblik was, dat het volk zich in het openbaar verzamelde, of, gelijk sommigen beweren, de beschermengelen dan iedereen bijstonden, zoodat er vier engelen tegen hen konden getuigen, indien zij valsche verklaringen aflegden. Er zijn echter anderen die veronderstellen, dat zij na het uur van ieder gebed mochten verhoord worden, indien daarbij een genoegzaam aantal menschen verzameld was. (Al Beid‚wi).

[513] Dat is op den dag der opstanding.

[514] Zie Hoofdstuk II, vers 81, in de noot.

[515] Zie Hoofdstuk III, vers 41.

[516] Zie ald., vers 43.

[517] Zie ald., vers 48.

[518] Zie Hoofdstuk III, vers 41-43.

[519] De uitleggers verhalen dit wonder op de volgende wijze: Nadat Jezus dit, op verzoek zijner volgelingen, van God had gevraagd, daalde voor hunne oogen dadelijk een roode tafel tusschen twee wolken neder: zij werd voor hem geplaatst. Vervolgens stond Jezus op en bad, na de reiniging te hebben verricht, waarop hij het kleed weg nam, dat de tafel bedekte, zeggende: "In den naam van God, die het best van voedsel voorziet." Omtrent de spijzen die zich op de tafel bevonden, zijn de uitleggers het oneens. De meest verspreide overlevering zegt echter, dat er, zoodra het kleed van de tafel was weggenomen, een geheel gereed gemaakte visch met groente, brood, olijven enz. verscheen. Zij voegen er, behalve verdere bijzonderheden, nog bij, dat Jezus, op verzoek der apostelen, een ander wonder voor hen verrichtte, door den visch weder in den oorspronkelijken vorm terug te brengen en weder levend te maken, waarna hij hem in den toebereidenden toestand herstelde; Eenduizenddriehonderd mannen en vrouwen, die allen met lichaamsgebreken bezocht, of arm waren, aten van deze spijzen en werden verzadigd, terwijl de visch geheel bleef, zooals hij oorspronkelijk was. Daarop rees de tafel voor aller oog, weder ten hemel, en ieder die van dit voedsel had genoten, was van zijne gebreken en ongelukken bevrijd. De tafel daalde daarop nog gedurende veertig dagen, tegen etenstijd neder en bleef op den grond staan, tot de zon daalde, waarop zij weder door de wolken werd opgenomen. Sommige Mahomedaansche schrijvers zeggen, dat deze tafel niet werkelijk nederdaalde, maar achtten 't eene parabel; de meesten meenen echter, dat de woorden van den Koran juist het tegenovergestelde te kennen geven. Eene andere overlevering zegt, dat verscheiden menschen in zwijnen werden veranderd, omdat zij niet aan dit wonder geloofden, en het aan tooverij toeschreven, of, zooals anderen beweren, omdat zij sommige levensmiddelen van de tafel stalen. (Al Beid‚wi, Al Thalabi.)

[520] Zie Hoofdstuk III, vers 48, nopens de reden waarom hier de woorden: "gij hebt mij tot u opgenomen", in plaats van: "gij hebt mij doen sterven", zijn geplaatst. Zie ook Hoofdstuk XXXIX, vers 43, noot.

[521] Dit hoofdstuk is aldus betiteld, omdat daarin worden behandeld sommige bijgeloovige gewoonten der bewoners van Mekka, die op het vee betrekking hebben.

[522] Behalve zes, of, volgens anderen, drie verzen.

[523]

[524] Mahomet schijnt hier de oude en sterke stammen van Ad en Thamud te bedoelen.

[525] Of zinsbedrog.

[526] Gelijk GabriÎl gewoonlijk aan Mahomet verscheen, die, hoewel een profeet, niet in staat was, zijn gezicht te verdragen, als hij in zijn gewonen vorm verscheen; zoodat anderen dit des te minder zouden kunnen doen.

[527] Deze plaats werd geopenbaard, toen de KoreÔshieten Mahomet verhaalden, dat zij de Joden en Christenen nopens hem hadden ondervraagd, en dat die hun hadden verzekerd, dat zij geene melding of beschrijving van hem in hunne schriften vonden. Daarom, zeiden zij: wie legt de getuigenis voor u af, dat gij Gods gezant zijt? (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin.)

[528] Dat is: zij weten zeer goed dat Mahomet Gods gezant is. Zie Hoofdstuk II, vers 141.

[529] Zeggende dat de engelen dochters van God zijn, en tusschenpersonen voor ons bij hem, enz.

[530] Zijnde: Uwe afgoden en valsche goden.

[531] Dat is: Hunne ingebeelde goden bewijzen niets te zijn, en verdwijnen als ijdele droombeelden en hersenschimmen.

[532] Om gericht te worden.

[533] De laatste dag wordt hier het uur genoemd, zooals in 1 Johannes vers 25 enz., en de voorafgaande uitdrukking: verschijning voor God op dien dag, kan mede aangenomen worden dat te beteekenen. 1 Thess. IV : 17.

[534] Op deze plaats wordt Mahomet gelaakt, dat hij geen geduld tegenover de halsstarrigheid zijner landgenooten plaatste over zijne ongepaste begeerte, om te verwezenlijken wat God niet besloten had; te weten de bekeering en redding van alle menschen. (Al Beid‚wi.)

[535] Daar zij onbekend waren met Gods almacht, en met het gevolg van hetgeen zij vroegen; hetgeen tot hunne volslagen vernietiging kon voeren.

[536] Daar zij evenzeer onder Gods hoede zijn als het menschelijk geslacht.

[537] Dat is: in de bewaarde tafel, waarop alle goddelijke besluiten zijn opgeschreven, en alle zaken die in de wereld gebeuren (zoowel de kleinste als de meest uitgebreide), nauwkeurig worden opgeschreven. Reeds vroeger is, in den loop van dit werk, hierover bij herhaling gesproken.

[538] Want, volgens het Mahomedaansche geloof, zullen alle schepselen op den dag des laatsten oordeels voor God verschijnen, om rekenschap van hunne daden af te leggen.

[539] Dat is: satan heeft hunne daden verbloemd, of: satan heeft hunne daden geschikt zooals het hem behaagde.

[540] Dat is; wij gaven hun allerlei overvloed, ten einde, nadat zij niet door hunne droefenis werden geleerd, hun voorspoed een valstrik voor hen zou worden, en zij zich zelven spoediger tot vernietiging zouden brengen.

[541] Dat is, volgens Al Beid‚wi: Ûf zonder eenige voorafgaande aankondiging, Ûf na het geven van eene waarschuwing.

[542] Sommigen zeggen, dat de opperhoofden van Mekka alle armen uit hunne stad verdreven; hun zeggende tot Mahomet te gaan. Zij deden dit en boden aan, zijnen godsdienst te omhelzen; doch hij maakte eenige zwarigheid, hen te ontvangen, daar hij vreesde, dat de nood en geene oprechte overtuiging de drijfveer was (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin); waarna deze plaats werd geopenbaard.

[543] Deze plaats moet tot antwoord strekken op de uitdagingen der ongeloovigen, die tot Mahomet zeiden, indien hij een waar profeet was, een stortregen van steenen of een andere wonderdadige straf van den hemel af te bidden, om hen te vernietigen. (Al Beid‚wi).

[544] Zie hiervoren vers 38, noot.

[545] Woordelijk zou dit moeten luiden: onze gezanten, nemen ieder uwer op; ontvangen zijn adem, zijne ziel. Die engel heet Irafil.

[546] De lezing van een ander afschrift van den Koran is in den derden persoon. Indien hij ons bevrijdt, enz.

[547] Door tot uwe vroegere afgodendienarij terug te keeren.

[548] Door stormen des hemels; zooals bij de ongeloovigen van Noach en Loth, en het leger van Abraha, den heer van den olifant. (Al Beid‚wi).

[549] Zooals bij Pharao en zijn leger, en bij Korach, of (gelijk de Mahomedanen hem noemen) Karun. (Al Beid‚wi.)

[550] De Muzelmannen maakten de opmerking, dat, indien men zich telkenmale van de ongeloovigen moest verwijderen als zij den nieuwen godsdienst bespotten, men nergens een enkel oogenblik zou kunnen blijven. Mahomet vulde daarop het voorschrift van het vorige vers met deze plaats aan.

[551] Dit is de naam dien de Mahomedanen aan Abrahams vader gaven en die in de H. Schrift Terah wordt genaamd, hoewel sommigen hunner schrijvers beweren, dat Azer de zoon was van Terah (TarÓkh Montakhab, bij d'Herbel. Bibl. OriÎnt. p. 12) en d'Herbelot zegt, dat de Arabieren hen in hunne geslachtslijsten steeds als verschillende personen beschouwen, maar dat, aangezien Abraham, volgens Mozes, de zoon van Terah was, door Europeesche schrijvers verondersteld wordt, dat Terah dezelfde is als de Azer der Arabieren.

[552] Dat Azer of Terah een afgodendienaar was, wordt algemeen toegegeven; ook kan het niet worden geloochend, daar in de Schrift opzettelijk wordt gezegd, dat hij vreemde goden diende (Josua XXIV, 2, 14). De Oostersche schrijvers nemen eenparig aan, dat hij een beeldhouwer was en afgodsbeelden vervaardigde; en hij wordt als de eerste voorgesteld, die beelden van klei maakte; alleen schilderijen waren vÛÛr hem in gebruik (Epiphan, Adv. Haer. lib. 1, p. 7, 8), en men veronderstelt, dat die als afgoden werden aangebeden. Men zegt echter dat zijn bedrijf eerbiedwaardig (Zie Hyde, de Rel. Vet. Persar, p. 63) en hij een groot man en zeer bevriend met Nimrod, zijn schoonvader was (d'Herbel), daar hij afgodsbeelden voor hem maakte en in zijne kunst uitmuntte.

[553] Dat is: Ik ben niet verschrikt door uwe valsche goden, die mij niet kunnen deren, uitgenomen wanneer God het veroorlooft, of wanneer het hem behaagt mij te bedroeven.

[554] De uitleggers verklaren hier het woord onrechtvaardig door afgodendienarij, of openbaar verzet tegen God.

[555] Sommigen passen het woord "zijne" op Abraham toe, als de persoon waarvan op deze plaats voornamelijk wordt gesproken; sommigen op Noach; daar Jonas en Loth, gelijk zij zeggen, niet van Abrahams zaad waren; anderen veronderstellen, dat de personen in dit en het volgende vers bedoeld, als de afstammelingen van Abraham moeten worden beschouwd en die in het naastvolgende vers als de afstammelingen van Noach. (Al Beid‚wi.)

[556] De Mahomedanen zeggen, dat hij tot het geslacht van Ezau behoorde. Zie Hoofdstuk XXI en XXXVIII.

[557] Zie Hoofdstuk XXXVII.

[558] Zie Hoofdstuk X, XXI en XXXVII.

[559] Zie Hoofdstuk VII enz.

[560] Dit zijn de KoreÔshieten. (Al Beid‚wi).

[561] Volgens Jallalo'ddins oordeel is dit vers en ook de beide volgende te Medina geopenbaard.

[562] Door te zeggen, dat, behalve in de tien geboden, God aan Mozes vrijheid heeft gegeven, de openbaringen naar zijne keuze in te kleeden.

[563] Daar sommige Arabieren, naar het schijnt, voorgaven, dat indien het hun behaagde, zij een boek konden schrijven, hetwelk in hoedanigheid niet onder den Koran zou staan. Anderen zeggen, dat dit betrekking zou hebben op eenige valsche profeten, die in Mahomets tijd leefden; zoo als MoÁaÔlama, El Aswad en anderen.

[564] Dat is: zonder uw rijkdom, uwe kinderen of uwe vrienden, waarop gij u in uwen leeftijd zoo zeer hebt verlaten.

[565] Of valsche goden.

[566] Betreffende de tusschenkomst uwer afgoden, of het niet gelooven aan toekomstige belooningen en straffen.

[567] Zie Hoofdstuk III, vers 26.

[568] Namelijk: in de lendenen uwer vaderen en de ingewanden uwer moeders. (Al Beid‚wi).

[569] Dit beteekent de soort van redelijke, onzichtbare wezens, hetzij engelen of duivels, of de tusschensoort, gewoonlijk geniussen genaamd. Eenige der uitleggers verstaan hier engelen, welke door de afgodendienende Arabieren vereerd werden; anderen duivels, hoofdzakelijk omdat, volgens het stelsel der magiÎrs, de duivel als een soort schepper en als het beginsel van alle kwaad aangezien werd, terwijl God als de oorzaak van al het goede werd beschouwd. (Al Beid‚wi.)

[570] Of, letterlijk vertaald, de onbegrijpelijke (Al Beid‚wi.)

[571] Dat is: gij werdt hieromtrent door de Joden en Christenen onderricht, en hebt ons alleen stuksgewijze verhaald, wat gij van hen hebt geleerd. Dit werd Mahomet door de ongeloovigen tegengeworpen, daar zij het voor hem onmogelijk hielden, helder en duidelijk over onderwerpen van zoo verheven aard te spreken, zonder goed bekend te zijn met de leeren en de heilige schriften dier godsdiensten.

[572] Hier tracht Mahomet zijne onmacht tot voortbrenging van een mirakel te verontschuldigen, door te verklaren, dat God het niet geschikt achtte, aan hunne begeerten te voldoen, en ofschoon hij het wel had willen doen, het toch te vergeefs zou zijn geweest; en daar zij niet door den Koran waren overtuigd, zouden zij ook door het grootste mirakel niet overtuigd worden. Vergelijk Lucas XVI : 31. De laatste woorden van het vers beteekenen eigenlijk: Ach, hoe gaarne zou ik u, geloovigen, willen doen begrijpen, dat zij, de ongeloovigen, er niet aan gelooven.

[573] Namelijk aan den Koran.

[574] De bewoners van Mekka eischten namelijk dat Mahomet hun een engel zou toonen, die voor hun oog uit den hemel zou nederdalen, of dat hij hunne overleden vaderen zou opwekken, opdat zij met hen zouden kunnen spreken, of dat hij God en zijne engelen zou overhalen, hun in een lichamelijken toestand te verschijnen.

[575] IJdele woorden, welker schijn verleidt en in dwaling brengt.

[576] Sommigen zeggen, dat dit betrekking heeft op de onverwrikbaarheid van Gods besluiten, anderen op zijne bijzondere belofte, dat hij den Koran voor de verdraaiingen en vervalschingen zou bewaren, die, volgens hen, in den Pentateuchus en het Evangelie hebben plaats gehad (Soera XV) en anderen weder op den onschendbaren duur der Mahomedaansche wet, die volgens hen, tot aan het einde der wereld zal voortduren.

[577] Zie Hoofdstuk II, vers 168 en Hoofdstuk V, vers 4.

[578] Dat is: gij moogt van elk dier eten, dat onder het aanroepen van Gods naam is geslacht; waarvan natuurlijk doode dieren, varkensvleesch enz. zijn uitgesloten.

[579] Dat is: de openlijke en verborgen zonde.

[580] Op dezelfde wijze als wij in Mekka hebben gedaan.

[581] Dit vers is toepasselijk op de grooten, en de rijke lieden van Mekka, die Mahomet het meest vijandig waren: zij namen de zwakken des volks tegen hem in.

[582] Dat is: eenigerhande vers of plaats van den Koran.

[583] Dit waren de woorden der KoreÔshieten, die beweerden, dat er onder hen personen waren, meer waardig Gods zendeling te zijn dan Mahomet.

[584] Evenals bij vele oude Arabische dichters wordt hier, volgens sommigen, het verontruste hart bij een vogel vergeleken, die de vleugels beweegt. Volgens anderen wordt hier eene onmogelijkheid bedoeld.

[585] Duivels.

[586] Door hen in verzoeking te brengen, of tot zonde te verleiden.

[587] Zijnde de dag der opstanding, waaraan wij op de vorige wereld niet hebben geloofd.

[588] De Mohamedanen gelooven, dat God afgezanten zond, zoowel om geniussen als om menschen te bekeeren. Deze zouden altijd van het menschenras zijn geweest.

[589] Dit is: dat God, alvorens eene stad te straffen, zendelingen stuurde om haar te waarschuwen.

[590] Dit is: Gij kunt voortgaan in uw verzet tegen God en in uw boos opzet jegens mij, en in uw ongeloof volharden; doch ik zal volharden uwe beleedigingen met geduld te verdragen en de openbaringen mede te deelen, die God mij heeft bevolen (Al Beid‚wi).

[591] Dat is: onze afgoden. In deze beteekenis wordt dit woord meermalen op deze plaats gebruikt.

[592] Dit vers heeft betrekking op eenige godsdienstige gebruiken der afgoden dienende Arabieren; zooals de verdeeling der gronden, der vruchten en der oogsten in twee deelen, waarvan een voor de hoogste godheid, en het andere voor de ondergeschikte godheden, was bestemd, die door de afgodsbeelden werden voorgesteld. Het deel van God diende om de armen en de reizigers te voeden, dat der afgoden werd voor de offeranden en tot de bezoldiging der priesters gebruikt. Indien een vrucht afviel van het deel voor God bestemd, gaf men het aan de afgoden; doch men handelde niet zoo in het tegenovergestelde geval; want God, zeiden de afgodendienaars, is rijk, en kan alles ontberen. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin.)

[593] Hetzij door de onmenschelijke gewoonte, die bij de Arabieren van Kendah of andere stammen bestond, om hunne dochters levend te verbranden, zoodra zij ter wereld kwamen, indien zij vreesden haar niet te kunnen onderhouden (Zie Hoofdstuk LXXXI), of wel door die aan hunne afgoden te offeren.

[594] Door den godsdienst, dien IsmaÎl zijnen nakomelingen heeft doen erven, met afschuwelijk bijgeloof te besmetten (Al Beid‚wi).

[595] Die zij, in hun bijgeloof, in sommige bijzondere gevallen van zulke diensten verschoonden. (Hoofdstuk V).

[596] Zie Hoofdstuk V.

[597] Want indien zulke dieren hunne jongen werpen, mogen zoowel de vrouwen als de mannen daarvan eten.

[598] Daar zij geen duidelijk begrip van Gods Voorzienigheid hebben.

[599] Zie deze Soera, de laatste noot van vers 137.

[600] Of, zooals sommigen deze woorden vertalen: hetzij boomen of planten, die door den arbeid der menschen geplant zijn hetzij die van nature in de woestijnen en op de bergen groeien.

[601] Dat is: geef daarvan aalmoezen aan de armen; en deze aalmoezen waren, zooals Al Beid‚wi opmerkte, wat zij gewoon waren te geven vÛÛr de Zac‚t werd ingesteld, hetgeen geschiedde vÛÛr Mahomet Mekka verliet, waar dit vers werd geopenbaard. Sommigen zijn echter eene andere meening toegedaan, en zeggen om diezelfde reden, dat dit vers te Medina werd geopenbaard.

[602] Dat is: Geef daarvan niet zooveel aan aalmoezen weg, dat daardoor uwe eigene gezinnen in nood worden gebracht; want weldadigheid begint met zich zelven.

[603] Op deze plaats tracht Mahomet de Arabieren van hunne bijgeloovige dwaasheid te overtuigen, in het verbieden, hetzij de mannetjes, hetzij de wijfjes of de jongen van deze vier soorten te eten. (Al Beid‚wi).

[604] Dat is: vloeibaar bloed, in tegenstelling van lever en milt door de Arabieren verondersteld ook bloed, doch niet vloeibaar, te zijn en welke zij geoorloofd achten. (Al Beid‚wi).

[605] Zie Leviticus VII : 23 en III : 16.

[606] Zijnde het vet van den stuit of den staart der schapen, die in het Oosten zeer zwaar zijn, naardien eene kleine tien of twaalf pond en sommigen zelfs zestig pond wegen.

[607] Dit vers en de twee volgende worden door Jallalo'ddin verondersteld te Medina geopenbaard te zijn.

[608] Het oorspronkelijke woord beteekent bijzonder ontucht en gierigheid.

[609] Zoo als moord, afvalligheid of overspel. (Al Beid‚wi.)

[610] Door de snelheid van ons begrip, de klaarheid van ons verstand en onze gemakkelijkheid, wetenschappen aan te leeren; zooals blijkt uit onze geschiedenis, dichtkunde en welsprekendheid; desniettegenstaande zijn wij een ongeletterd volk. (Al Beid‚wi).

[611] Want geloof in het volgende leven zal geen voordeel aanbrengen voor hen, die in dit leven niet hebben geloofd, noch in dit leven geloofd zonder goede daden.

[612] Dat is: wie in een gedeelte daarvan gelooven, en een ander deel daarvan niet gelooven, of die daarin secten vormen. Men zegt, dat Mahomet heeft verklaard, dat de Joden in eenenzeventig secten waren verdeeld, en de Christenen in tweeÎnzeventig, en dat zijne eigene volgelingen in drieÎnzeventig secten gesplitst waren, en dat allen verdoemd zouden worden, bebalve ÈÈne van ieder. (Al Beid‚wi.)

[613] Zie Hoofdstuk VI; vers 14.

[614] Al Ara is de afscheiding tusschen het paradijs en de hel; zoo als in dit hoofdstuk wordt verklaard.

[615] Misschien met uitzondering van vijf of acht verzen.

[616] Volgens sommigen kent alleen God de beteekenis van deze letters. Anderen meenen echter, dat daarmede worden aangeduid de woorden: Allah, GabriÎl, Mahomet, vrede zij met hen. Zie Soera I, vers 2 in de noot.

[617] Zie Hoofdstuk II: vers 32.

[618] Uit hoofde er niet bijzonder bepaald is, tot welken tijd de straf voor den duivel is uitgesteld, zeggen de uitleggers, dat zijn verzoek niet geheel werd toegestaan, maar dat hij, evenals andere schepselen op het tweede trompetgeschal zal sterven. (Al Beid‚wi, en d'Herbelot, Bibl. OriÎnt, art. Eblis).

[619] De boven- en onderzijde zijn weggelaten, om, zooals de uitleggers zeggen, aan te duiden, dat de macht van den duivel beperkt is. (Al Beid‚wi).

[620] Het Mohamedaansche evangelie van Barnabas zegt, dat de straf die God over de slang uitsprak, omdat hij den duivel in het paradijs had gebracht, daarin bestond (zie Hoofdstuk II: vers 34 en de noot), dat zij niet alleen uit het paradijs verdreven, maar dat hare voeten door den engel MichaÎl, met Gods zwaard afgehouwen zouden worden, en dat de duivel zelf, omdat hij onze voorouders onrein had gemaakt, veroordeeld werd hunne uitwerpselen en die van hunne nakomelingschap te eten.

[621] Die zij te voren niet hadden opgemerkt.

[622] Naar men beweert, zouden dit vijgebladeren zijn geweest (zie Hoofdstuk II: 33 en de noot).

[623] Niet alleen geschikte grondstoffen, maar ook vindingrijkheid des verstands en vlugheid van hand, om daarvan gebruik te maken (zie Hoofdstuk II: vers in de noten op vers 22-33).

[624] Door de fijnheid hunner lichamen en hunne kleurloosheid. (Jallalo'ddin).

[625] Deze plaats werd geopenbaard om eene onwelvoegelijke gewoonte der afgodendienende Arabieren te wraken, welke de gewoonte hadden, den Caaba naakt te omringen; daar kleederen, gelijk zij zeiden, de teekens van hunne ongehoorzaamheid aan God waren (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi). De sonna beveelt, dat indien iemand gaat bidden, hij zijne goede kleederen moet aantrekken, uit eerbied voor de goddelijke majesteit, voor welke hij zal verschijnen. Maar ofschoon de Mahomedanen het onvoegzaam achten, eensdeels om op eene slordige wijze in Gods tegenwoordigheid te verschijnen, zoo gelooven zij anderdeels, dat men in geene te rijke of prachtige kleederen voor hem moet komen, en bijzonder niet in kleederen met goud of zilver versierd, omdat men dan den schijn van trotschheid zou hebben.

[626] Daar de boozen, die eveneens van de zegeningen van dit leven genieten, geen deel zullen hebben in de geneugten van het volgende.

[627] Zijnde de engel des doods en zijne helpers.

[628] Dat is: het volk, welks voorbeeld hen tot afgodendienarij en andere boosheden heeft gebracht.

[629] De eenen, omdat zij zich niet alleen verdierven, maar ook de aanleiding waren van het verderf der overigen, en de anderen, om hun eigen ongeloof en hunne navolging van een slecht voorbeeld. (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).

[630] Dat is: als hunne zielen na den dood ten hemel zullen stijgen; maar zij zullen op een mesthoop onder de zevende aarde worden geworpen (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).

[631] Deze uitdrukking is zeer gewoon in het oosten en wordt er als spreekwoord gebezigd: vergelijk Matth. XIX vers 24.

[632] Zoodat, indien er verschillen of vijandschap tusschen hen gedurende hunnen leeftijd mochten hebben bestaan, die thans vergeten en door liefde en vriendschap vervangen zullen zijn.

[633] Al Araf is volgens Mahomet, de naam van een muur of afscheiding tusschen de hel en het paradijs.

[634] Uit deze omstandigheid schijnt men te mogen afleiden, dat de meening de meest waarschijnlijke is, volgens welke dit tusschengedeelte eene soort van vagevuur is voor hen, die hoewel zij niet verdienen in de hel te worden gezonden, geene toereikende aanspraak hebben om de onmiddellijke toelating tot het paradijs te erlangen, en hier eenigen tijd in verzoeking gebracht zullen worden, door hen de gelukzaligheid dier plaats te doen aanschouwen.

[635] Zijnde de aanvoerders en drijvers der ongeloovigen. (Al Beid‚wi.)

[636] Dit waren de minder aanzienlijken en armen onder de geloovigen, welke deze gedurende hunnen leeftijd, als Gods gunst onwaardig, verachtten.

[637] Deze woorden zijn in het bijzonder gericht tot de arme en verachte geloovigen, waarvan in de vorige noot wordt gesproken.

[638] Zijnde van de andere vloeistoffen of vruchten van het paradijs.

[639] Dat is: het vervullen der daarin vervatte beloften en bedreigingen.

[640] Hoofdstuk VI, vers 24, noot.

[641] Die zich gedurende het gebed aanmatigend gedragen, of met eene schreeuwende stem, of met eene menigte woorden en ijdele herhalingen bidden. (Al Beid‚wi).

[642] Zijnde, nadat God zijne profeten gezonden en zijne wetten geopenbaard heeft, tot hervorming en verbetering van den mensch.

[643] Of die uitspreidt over eene groote uitgestrektheid lands. Sommige afschriften hebben hier in plaats van noshram, goede tijdingen, boshram daar het opsteken van den wind, onder zulke omstandigheden de voorlooper van regen is.

[644] Of een droog en verdord land.

[645] Noach, de zoon van Lamech, was, volgens de Mahomedaansche schrijvers, een der zes voornaamste profeten, doch hij had geene geschreven openbaringen, welke hem werden overgeleverd (Zie Reland de Relig. Moh., p. 34). Hij was tevens de eerste die na zijn overgrootvader Edris of Enoch verscheen. Dat Noach het goede onder de booze ante-deluvianen predikte, wordt door de schrift bevestigd (2 Petr. II : 5). De Oostersche Christenen zeggen, dat, toen God aan Noach beval de ark te bouwen, hij hem tevens den weg wees om een houten werktuig te vervaardigen, gelijk aan datgene, waarvan nog heden ten dage, in het Oosten in plaats van klokken gebruik wordt gemaakt, om het volk naar de kerk op te roepen, en dat in het Arabisch N‚k˚s en in het nieuwe Grieksch Semandra wordt genoemd. Noach moest dit werktuig gebruiken om daarop driemaal per dag te slaan, ten einde de werklieden bij elkander te roepen, terwijl 't hem gelegenheid zou geven, zijn volk dagelijks te waarschuwen, voor het dreigende gevaar van den zondvloed, die hen zekerlijk zou verdelgen, indien zij geen berouw gevoelden (Eufych, Ann. p. 37.)

[646] Uit deze woorden en andere plaatsen van den Koran, waar van Noachs prediking wordt gesproken, blijkt het, dat, volgens de meening van Mahomet, eene voorname zonde der ante-diluvianen afgodendienst was (Zie Hoofdstuk XI.)

[647] Hetzij de dag der opstanding, hetzij die waarop de zondvloed begon.

[648] Zijnde zij, die hem geloofden en met hem in dat vaartuig gingen. Hoewel er eene overlevering bij de Mahomedanen bestaat, die gezegd wordt van den profeet zelven ontvangen te zijn, en volgens welke, evenals in de Heilige Schrift gezegd wordt, niet meer dan acht personen door de ark werden gered, wordt dat getal echter door sommigen van hen verschillend opgegeven. Eenigen stellen zes, tien, twaalf, achtenzeventig en tachtig van beiderlei kunne (Al Zamakhshari, Jallalo'ddin, Ebn Shohnah), en daaronder Jorham, die, volgens sommigen, de bewaarder der Arabische taal was. Zie Pocock. Orat. praefix. Carm. Tograi.

[649] Ad was een oude en machtige Arabische stam van afgodendienaren. (Abulfeda.)

[650] Deze wordt gezegd dezelfde persoon als Heber te zijn.

[651] Dat is, nopens de afgodsbeelden en uitgedachte voorwerpen van uwe aanbidding, aan welke gij, in de boosheid uws harten, de namen, eigenschappen en eer geeft, die alleen den waren God toekomen.

[652] Thamoed was een andere Arabische stam, die tot den afgodendienst overging.

[653] De Thamoedieten drongen op een mirakel aan, en sloegen Saleh voor, met hen naar hun feest te gaan, waar zij hunne goden en hij de zijne aanroepen zou, onder de belofte, de godheid te volgen, die antwoord gaf. Maar nadat zij hunne afgodsbeelden gedurende eenigen tijd, zonder eenigen uitslag, hadden aangeroepen, wees Jonda Ebn Amroe, hun vorst, op eene alleenstaande rots, en verzocht Saleh daaruit een wijfjeskameel met een jong te doen voortkomen, terwijl hij zich plechtig verbond, indien Saleh dit deed, te zullen gelooven; zijn volk beloofde hetzelfde. Het gevraagde wonder had daarop plaats.

[654] De stam van Thamoed woonde eerst in den omtrek van de Adieten, doch daar hun getal toenam, verhuisden zij naar het grondgebied van Hejr wegens de bergen; hier hieuwen zij zich woningen in de rotsen, die nog ten huidigen dage bestaan.

[655] Gelijk hevige en herhaalde donderslagen, die volgens sommigen niets anders waren, dan de stem van den engel GabriÎl, die hunne harten verscheurde. (Abulfeda, Al Beid‚wi.)

[656] Toen Mahomet in de expeditie van Tab˚c, die hij in het negende jaar der hedjira tegen de Grieken ondernam, door Hejr trok, waar deze oude stam had gewoond, verbood hij zijn leger, niettegenstaande het door honger en dorst werd geteisterd, hier eenig water te putten, terwijl hij hun beval, indien zij van dat water hadden gedronken, het uit te spuwen, of, indien zij daarmede meel hadden gekneed, dit aan hunne kameelen te geven, (Abulfeda. Vit. Moh. p. 124) en nadat hij zijn gezicht in zijne kleederen had gehuld, gaf hij zijn' muilezel de sporen, uitroepende: Betreedt het huis van deze snoode menschen niet, maar ween veeleer, anders zou u kunnen gebeuren wat hun overkwam; nadat hij dit had gezegd, rende hij in vollen galop en met omsluierd aangezicht voort, tot hij de vallei was doorgetrokken. (Al Bokhari.)

[657] Zie Hoofdstuk XI, omtrent nadere bijzonderheden van Loth.

[658] Zijnde Loth en zij die in hem geloofden.

[659] Zie Hoofdstuk XI.

[660] Zie hetzelfde Hoofdstuk.

[661] Madian of Midian, was eene stad in Hej‚z, en de woonplaats van de afstammelingen van Midian, de zoon Abraham uit Ketura (Gen. XXV : 2), die, naar het schijnt, zich later met de IsmaÎlieten vereenigde. Deze stad lag aan de Roode Zee en is ontwijfelbaar dezelfde als Modiana; wat daarvan in Mahomets tijd was overgebleven, werd in de opvolgende oorlogen (Zie Golii, not. in Alfrag. p. 143) verwoest, en verkeert in onzen tijd in een treurigen toestand. Het volk in den omtrek beweert de put te bezitten, waaraan Mozes de kudden van Jethro drenkte. (Abulfeda, Desc. Arab. p. 42. Geogr. Nub. p. 109.)

[662] Sommige Mahomedaansche schrijvers maken dezen tot den zoon van Mikail, den zoon van Yashjar, den zoon van Madian (Al Beid‚wi, Tarikh Montakhab). In het algemeen veronderstellen zij tevens, dat hij dezelfde persoon was als de schoonvader van Mozes, die in de Heilige Schrift Reuel of Raguel en Jethro wordt genaamd Exod. II : 18, III : 1.

[663] Hij zou zijn schoonzoon de wonderdoende roede hebben geschonken (Al Beid‚wi, Zie ook Shalshel. Hakhab, p. 12), waarmede deze de verschillende wonderen in Egypte en de woestijn verrichtte, en waardoor hij tevens uitstekenden raad en onderricht gaf (Exod. XXVII: 13 enz.); weshalve hij den bijnaam van KhatÓb Al Anbiy‚, of prediker der profeten verkreeg (Zie d'Herbelot, Bibl. OriÎnt. Art. ShoaÔb.)

[664] Een der groote misdaden waaraan de Midianiten schuldig waren, was het gebruik van verschillende maten en gewichten, en wel groote en kleine, waarvan de eerste bij in-, de andere tot den verkoop dienden. (Zie d'Herbelot, t. a. pl. Al Beid‚wi, Deut. XXV : 13, 14.)

[665] Zie hiervoren bladz. 195 vers 54 en de noot.

[666] Hierdoor wordt figuurlijk de wijze uitgedrukt, hoe God met trotsche en ondankbare menschen handelt, door hen te vergunnen, de maat hunner onrechtvaardigheid vol te meten, zonder hen door kastijding en droefenis tot besef van hunnen toestand te brengen, tot zij, op het oogenblik, dat zij dit het minst verwachten, geheel verloren zijn. (Al Beid‚wi.)

[667] Door niet daarin te gelooven.

[668] De Arabische schrijvers vermelden vele fabelen van deze slang. Zoo verhalen deze, dat zij behaard en van zulk eene uitgestrekte grootte was, dat, als zij den muil opende, hare kaken 80 elleboogslengten van elkander waren verwijderd en als zij met hare onderkaak op den grond lag, het bovenste kakebeen tot aan den top van het paleis reikte. Zij voegen er tevens bij, dat Pharao daarop Mozes bij God bezwoer, die hem had gezonden, de slang weg te nemen, en beloofde, niet alleen in hem te gelooven, maar tevens de IsraÎlieten te laten vertrekken; doch toen Mozes gedaan had, wat Pharao verlangde, trok hij zijn woord terug, en behandelde hen even slecht als vroeger. (Al Beid‚wi.)

[669] De Arabieren noemen verschillende dier toovenaars, behalve hunnen opperpriester Simeon.

[670] De uitleggers voegen er bij, dat toen de slang al de staven en koorden had verslonden, zij zich onmiddellijk tot de toeschouwers wendde, en hun zooveel schrik aanjoeg, dat zij vluchten, en een aantal hunner in het gedrang werden gedood. Daarna nam Mozes de slang op en zij werd weder een staf als te voren. De toovenaars verklaarden daarop, dat het geene tooverij kon zijn, daar in zulk een geval hunne staven en koorden niet zouden zijn verdwenen. (Al Beid‚wi.)

[671] Dat is: uwe rechter hand en uwen linker voet.

[672] Sommigen zeggen, dat Pharao de eerste uitvinder dezer straf was.

[673] Zijnde de sterren of andere afgoden.

[674] Door wiens wil en besluit zij zoozeer werden bedroefd, als eene straf voor hunne boosheid.

[675] Daar er in de MozaÔsche wet van geene dergelijke overstrooming sprake is, zoo veronderstellen sommigen, dat deze plaag eene pestziekte of eenige andere besmettelijke ziekte was. (Al Beid‚wi.) Het woord Toefan, dat op deze plaats wordt gebruikt, en in het algemeen met overstrooming wordt vertaald, kan ook, meer algemeen, verwoesting of sterfte beteekenen.

[676] Deze gebeurtenis wordt in de Xe en XXe Hoofdstukken meer bijzonder besproken.

[677] Dat is het land van SyriÎ, waartoe de Oostersche aardrijkskundigen Palestina rekenen te behooren, en waarin, volgens de uitleggers de kinderen IsraÎl, de koningen van Egypte en de Amalekieten opvolgden. (Al Beid‚wi.)

[678] Vooral den hoogen toren, dien Pharao had doen bouwen, om den God van Mozes te kunnen aanvallen. (Zie hoofdstuk XXVIII en Hoofdstuk XL.)

[679] Men zegt dat hunne afgodsbeelden nabootsingen van ossen waren, die het eerste aanleiding gaven tot het maken van het gouden kalf. (Al Beid‚wi).

[680] De Arabieren rekenen bij nachten, zooals wij bij dagen. Deze gewoonte komt ontwijfelbaar uit de bijzondere hitte van hun klimaat voort. Als de zon ondergaat, verlaten zij de tenten en genieten de koelte en den meest verrukkelijken hemel. De nacht is dan ook in groote mate voor hen wat de dag voor ons is. Hunne dichters bezingen ook nooit de bekoorlijkheden van een schoonen dag, maar de woorden Leili! Leili! O nacht, o nacht! worden in al hunne liederen herhaald. (Savary.)

[681] Zonder de bemiddeling van een ander, en van aangezicht tot aangezicht, zooals hij met de engelen sprak (Al Beid‚wi). Zie d'Herbel. Bibl. OriÎnt p. 650.

[682] Deze berg wordt door de Arabieren al Zehir (Heb. hr S`yr) genoemd.

[683] Sommige uitleggers beweren, dat God den berg leven gaf en het vermogen om te zien.

[684] Deze woorden moeten niet in hunne strikte beteekenis worden opgevat. Zie in Hoofdstuk VI. vers 14 eene dergelijke uitdrukking.

[685] Volgens sommigen waren deze tafels zeven in getal, volgens anderen tien. Naar het gevoelen van andere uitleggers waren zij uit eene soort Lotusboom gesneden, die in het Paradijs Al Sedra werd genaamd. Anderen wederom zeggen, dat zij van chrysoliten, smaragden, robijnen, of van gewonen steen waren (Al Beid‚wi); ieder van tien of twaalf ellebogen lengte. Ook veronderstellen zij dat deze niet alleen de tien geboden vertoonden, maar dat de geheele wet daarop was geschreven.

[686] Dat is eene volkomen wet, bevattende alle noodige onderrichtingen, zoowel nopens godsdienstige en zedelijke plichten, als omtrent het eigenlijk beheer.

[687] Dat is, volgens de opvatting van sommigen, samengesteld uit vleesch en bloed, of, volgens anderen, een eenvoudig lichaam, of eene metaalmassa, zonder ziel (Al Beid‚wi). Zie ook Hoofdstuk XX en de noot op Hoofdstuk II, vers 48.

[688] Zie de beide genoemde Hoofdstukken en de noot op het laatste Hoofdstuk.

[689] Zooals hunne gouden en zilveren ringen en armbanden (Al Beid‚wi).

[690] Door zijne voorschriften te verwaarloozen, en door u zijne wraak over den hals te halen.

[691] Die allen verbroken en in den hemel opgenomen werden, uitgenomen eene enkele; deze bevatte, zooals zij zeggen, de bedreigingen en gerechtelijke bevelen, en werd later in de ark nedergelegd. (Al Beid‚wi, Zie d'Herbelot p. 649.)

[692] Zie Hoofdstuk II, vers 48-57.

[693] Of de stukken van het overgeblevene.

[694] Volgens Savary werden zij door eene aardbeving verzwolgen. Zie ook nopens deze plaats Hoofdstuk II, t. a. pl. en Hoofdstuk IV, vers 152.

[695] Dat is Mahomet.

[696] Zie Hoofdstuk III, vers 44.

[697] Zooals het eten van bloed en varkensvleesch, het nemen van woeker, enz.

[698] Zie Hoofdstuk II, vers 286.

[699] Dat is: aan alle menschen in het algemeen, en niet aan een bijzonder volk, zooals de vroegere profeten werden gezonden.

[700] Zie Hoofdstuk II, vers 57.

[701] Zie Hoofdstuk II, vers 54.

[702] Zie omtrent de uitlegging van deze plaats Hoofdstuk II, vers 55.

[703] Deze stad was Ailah of Elath, aan de Roode Zee. Sommigen veronderstellen echter, dat het Median was, en anderen Tiberias. Zie voorts Hoofdstuk II, vers 61, in de noot.

[704] Dat wij onzen plicht hebben gedaan, door hen van hunne snoodheid terug te houden.

[705] Zie Hoofdstuk II, vers 61 in de noot.

[706] Door steekpenningen aan te nemen, om een vonnis te verdraaien en voor de vervalsching van afschriften van den Pentateuchus, enz. (Al Beid‚wi).

[707] Vooral door uit te strooien, dat God hunne verdorvenheid zonder oprecht berouw en boetedoening zou vergeven.

[708] Zie Hoofdstuk II, vers 60, in de noot.

[709] De uitleggers verhalen, dat God over Adams rug streek, en uit zijne lendenen zijne geheele nakomelingschap voortbracht, het eene geslacht na het andere; dat deze menschen verzameld werden in de gedaante van kleine, met verstand begaafde mieren, en dat zij, na hunne afhankelijkheid van God te hebben betuigd, op nieuw in de lendenen van hunnen aartsvader terugkeerden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Yahya. Zie ook d'Herbelot. Bibl. OriÎnt, p. 54). Uit deze verdichting blijkt, dat de leer van het voortbestaan den Mahomedanen niet onbekend is, en dat er eene kleine overeenkomst is tusschen dit en de nieuwere theorie van de generatie ex animalculus in semine maritum.

[710] Sommigen achten dit Bileam, den zoon van BÈor, wel bekend, ten minste met een gedeelte van de schrift, daar hij zelfs met eenige openbaringen van God was begunstigd. Dezen werd door zijn volk verzocht, Mozes en de kinderen IsraÎls te vloeken. Eerst weigerde hij dit, zeggende: Hoe kan ik hen vloeken, die door de engelen worden ondersteund? Maar later werd hij door giften overgehaald, en nauwelijks had hij het gedaan, of hij stak zijn tong uit, als een hond, en deze hing op zijne borst neder. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Al Zamakhshari. Zie ook d'Herbelot. Bibl. OriÎnt. Art. Balaam.)

[711] Door het loon der onrechtvaardigheid te beminnen en gretig, als belooning, op dwaling azende. 2 Petrus II : 5, Richteren II.

[712] Door het uitdrukken van zijne attributen. Marracci telt er negen en negentig op, die bij de Arabieren in gebruik zijn (In Alc. p. 414.)

[713] Zooals Walid Ebn al Mogheira deed, die op het hooren dat Mahomet aan God den titel van Al Rahman, of de genadige gaf, luid begon te lachen en zeide, dat hij niemand van dien naam kende (Marracc. Vit. Moh. p. 19), of, zooals de afgoden dienende bewoners van Mekka deden, die de namen hunner afgoden van die van den waren God afleidden, zooals b.v. All‡t, van Allah, Al Uzza, van Al Aziz, de machtige en Manat van Al Mannan, vol van goedheid (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin.)

[714] Door hen te vleien met voorspoed in dit leven en hun toe te staan, in eene onverstoorbare zekerheid te zondigen, tot zij bevinden, dat zij onverwachts ten gronde zijn gericht. (Al Beid‚wi)

[715] Al Beid‚wi zegt, dat de Koran op deze plaats Kosai, een van Mahomets voorouders, en zijne vrouw bedoelt, die God om kroost smeekten, en die den vier zonen, welke hem werden verleend, de namen Abd Menaf, Abd Shains, Abd ul Uzza en Abd al Dar gaven, naar de namen der vier voornaamste afgoden der KoreÔshieten. De genoemde uitlegger veronderstelt ook, dat de volgende woorden op hunne afgodendienende nakomelingen moeten worden toegepast.

[716] Als zijnde aan het volstrekte bevel van God onderworpen. De hoofd-afgoden der Arabieren waren: de zon, de maan en de sterren.

[717] Dit hoofdstuk werd in het leven geroepen door de hoogloopende twisten, die veroorzaakt werden door de verdeeling van den buit in den slag van Bedr behaald (zie Hoofdstuk III, vers 11, in de noot), en welke twisten waren ontstaan tusschen de jongelieden, die gestreden hadden en alles wilden hebben, en de oude lieden die niet gestreden hadden en een deel verlangden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Mahomet deelde den buit in gelijke deelen onder hen, na aftrek van een vijfde deel voor het lager te melden doel.

[718] Behalve zeven verzen (30-36), die, volgens sommigen, te Mekka werden geopenbaard.

[719] Dat is: nopens hunnen goeden uitslag tegenover Aboe Juhl en de KoreÔshieten; des niettegenstaande had God beloofd hen te zullen aanmoedigen.

[720] De reden van dit terugtrekken was hunne weinige talrijkheid, in vergelijking met den vijand; zij waren namelijk alleen te voet, en hadden slechts twee paarden bij zich, terwijl de KoreÔshieten honderd paarden bezaten (Al Beid‚wi, en Abulfed. Vit. Moh. p. 56).

[721] Dat is, hetzij de karavaan, hetzij de hulpbenden van Mekka. Marracci verwart al ir en al nafir, dat de karavaan en het korps hulpbenden beteekent, en ziet ze aan voor twee familienamen van KoreÔshieten, welke nooit bekend waren en door hem Airenses en Naphirenses genaamd worden (Marracci in Alc. p. 297.)

[722] Dat is: de karavaan, die slechts veertig paarden bezat, terwijl de tegenpartij sterk en goed voorzien was.

[723] Alsof hij had gezegd: Uw gezicht diende alleen om den buit van de karavaan prijs te maken en om gevaar te vermijden; maar God bepaalde de uitroeiing zijner tegenstanders, om zijnen godsdienst te verheerlijken.

[724] Toen Mahomets manschappen zagen, dat zij den strijd niet konden vermijden, bevalen zij zich in Gods ondersteuning aan, terwijl hun profeet met grooten ernst bad, voortdurend uitroepende: O God! vervul wat gij mij hebt beloofd. O God! indien dit gedeelte mocht worden afgesneden, zult gij op aarde niet meer aangebeden worden. (Al Beid‚wi, Abulfed, Vit. Moh. p. 38.)

[725] Zie Hoofdstuk III, vers 145.

[726] Dit is de opzettelijk bepaalde straf voor de vijanden van den Mahomedaanschen godsdienst. De Moslim pasten die echter niet toe op de personen welke zij te Bedr gevangen namen, waarover zij in dit Hoofdstuk berispt worden.

[727] Zie Hoofdstuk III, vers II, in de noot.

[728] Zie de zoo even aangeduide plaats.

[729] Daar hij niet alleen de meest verborgen dingen van zijn hart kent, maar zelfs de voornemens des menschen beheerscht, en hem hetzij tot geloof hetzij tot ongeloof geneigd maakt.

[730] Het oorspronkelijke woord beteekent eene aanstekende misdaad, die een groot getal menschen omvat. De uitleggers zijn omtrent de ware beteekenis dezer plaats verdeeld.

[731] Zijnde te Mekka. De hier aangesproken personen zijn de Mohajerin of uitgewekenen, die van toen af naar Medina vluchtten.

[732] Door hunne samenzwering aan Mahomet te openbaren, en hem wonderbaarlijk bijstaande om hen te ontmaskeren en hem te doen ontsnappen; en door hen later tot den slag van Bedr te brengen.

[733] Zie Hoofdstuk VI, vers 25.

[734] Bij de expeditie van Al Hodeibiya.

[735] Men zegt dat zij gewoon waren, naakt om een Caaba-tempel te gaan (Zie Hoofdstuk VII, vers 29, in de noot), zoowel mannen als vrouwen, terwijl zij door hunne vingers floten en in hunne handen klapten. Volgens anderen maakten zij dit gedruisch met het doel, Mahomet te storen, als deze bad, terwijl zij voorgaven mede te bidden. (Al Beid‚wi.)

[736] De personen die voornamelijk op deze plaats worden bedoeld waren twaalf KoreÔshieten, die ieder elken dag tien kameelen schonken, om die te dooden tot leeftocht voor hun leger in de expeditie van Bedr.

[737] Overeenkomstig deze bepaling, is een vijfde deel van den buit bestemd voor de bijzondere, hier vermelde doeleinden, en de vier andere deelen om gelijkelijk verdeeld te worden onder hen, die bij de verovering tegenwoordig waren. Omtrent het doeleinde van het eerste vijfde, verschillen de Mahomedaansche geleerden.

[738] Om de grootere talrijkheid van den vijand, en de tegenspoeden waaraan gij onderworpen waart.

[739] Met welk visioen Mahomet zijne volgelingen bekend maakte, om hem aan te moedigen.

[740] Of gij den vijand aantasten, of vlieden zoudt.

[741] Door hen aan te zetten, den profeet wederstand te bieden.

[742] Sommigen vatten deze plaats figuurlijk op en passen die op de bijzondere ingevingen van den duivel toe, of op de verijdeling zijner voornemens en der hoop, waarmede hij de afgodendienaars heeft vervuld.

[743] Door hen zoowel tot zulk een groot waagstuk aan te zetten, eene dergelijke groote schaar menschen met zoo weinigen aan te tasten.

[744] Deze plaats wordt algemeen op de engelen toegepast, die de ongeloovigen te Bedr doodden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin.) Sommigen gelooven echter, dat de woorden doelen op het onderzoek van het graf, hetwelk, volgens het geloof der Mahomedanen, iedereen na den dood moet ondergaan, en hetgeen zeer vreeselijk voor den ongeloovige zal zijn.

[745] Sommige afschriften geven dit in den derden persoon, aldus: Laten de ongeloovigen niet denken, enz.

[746] Volgens de meening van sommigen, werd deze plaats geopenbaard in eene vlakte, al Beida genaamd, tusschen Mekka en Medina, gedurende de expeditie van Bedr, en volgens anderen in het zesde jaar van des profeets zending, bij gelegenheid dat Omar het Mahomedanisme omhelsde.

[747] Zie Lev. XXVI : 8; Josua XXIII : 10.

[748] Aangezien men gestreng moet handelen, als de omstandigheden dit vereischen; doch barmhartigheid is verkieslijker, wanneer die veilig wordt uitgeoefend.

[749] Onder de zeventig gevangenen, die door de Moslems in dezen slag werden prijs gemaakt, behoorden Al Abbas, een van de ooms van Mahomet, en Okail, de zoon van Aboe Taleb en broeder van Ali; toen zij voor Mahomet werden gebracht, vroeg hij zijne volgelingen, hem te raden, wat hij met hen moest doen. Aboe Bekr was er voor, hen tegen betaling van losgeld vrij te laten; zeggende, dat zij naaste bloedverwanten van den profeet waren, en dat God hen misschien na hun berouw zou vergeven; maar Omar was er voor hunne hoofden af te slaan, daar zij bepaalde beschermers van het ongeloof waren. Mahomet nam de laatstgenoemden raad niet aan, maar deed opmerken, dat Aboe Bekr op Abraham geleek, die voor misdadigers tusschenbeide trad, en dat Omar op Noach geleek, die voor de geheele uitroeiing der zondige menschen van de eerste wereld bad. Daarop besloot men, het losgeld van hen en hunne medegevangenen aan te nemen. Spoedig daarop ging Omar in de tent van den profeet, waar hij dezen en Aboe Bekr weenende vond. Toen hij hun naar de oorzaak hunner tranen vroeg, zeide Mahomet, dat dit vers was geopenbaard, waarin hunne handelingen, omtrent de gevangenen, werden veroordeeld; dat zij daarvoor ter nauwernood de goddelijke wraak waren ontkomen, en dat, indien God het niet had laten voorbijgaan, zij zekerlijk allen waren verdelgd, uitgenomen alleen Omar en Saad Ebn Moadh, welke laatste mede had aangeraden de gevangenen ter dood te brengen. (Zie Hoofdstuk XXXIII.) Deze misdaad bleef echter niet geheel ongestraft, daar de Moslems in den slag van Ohod juist zeventig man verloren, zijnde gelijk aan het getal gevangenen, te Bedr prijs gemaakt (zie Hoofdstuk III, vers 134, in de noot), hetgeen aldus door God was bevolen.

[750] Door u het overeengekomen losgeld niet te betalen.

[751] En zullen bijgevolg de een des anderen bezittingen erven, boven hunne eigenlijke bloedverwanten. De Arabieren zeggen, dat dit gedurende eenigen tijd in praktijk werd gebracht, en dat de Mohajerin en Ansars gerechtigd geacht werden, van elkander te erven, met uitsluiting der andere bloedverwanten van den overledene, tot deze plaats werd afgeschaft door den tweeden volzin van vers 76 van dit Hoofdstuk.

[752] De reden waarom dit Hoofdstuk dezen naam draagt, blijkt uit het laatste vers. Sommigen geven het een anderen titel en voornamelijk dien van hetgeen onmiddellijk daarna wordt vermeld. Het is opmerkelijk, dat alleen dit Hoofdstuk den gewonen aanhef van: In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God niet heeft. Volgens sommigen is deze weglating daaraan toe te schrijven, dat deze woorden eene belofte van zekerheid geven, die later in dit Hoofdstuk wordt teruggenomen, na verloop van een bepaalden tijd, dientengevolge hebben het sommigen 't Hoofdstuk van straf genoemd. Anderen zeggen, dat Mahomet, die spoedig overleed, nadat hij dit Hoofdstuk had ontvangen, niet heeft opgegeven waar het zou worden geplaatst, en ook niets omtrent de plaatsing van de Bismillah in den aanvang, zooals bij de andere Hoofdstukken was geschied. Daar nu het onderwerp van dit Hoofdstuk veel gelijkenis heeft met dat van het vorige, waren zijne gezellen het niet eens; sommigen hunner zeiden, dat beide Hoofdstukken slechts ÈÈn uitmaakten, en dat zij te zamen het 7e der zeven groote Hoofdstukken vormden, terwijl anderen beweerden, dat het twee onderscheiden Hoofdstukken waren; waarom, ten einde het geschil uit den weg te ruimen, zij eene ruimte tusschen beiden lieten, doch de onderscheiding der Bismillah niet daarbij voegde (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Yahya enz.) Het is aangenomen, dat dit Hoofdstuk het laatst geopenbaard is en, zooals Mahomet verklaarde, het eenige dat op eens werd geopenbaard, behalve het 110e. Sommigen willen dat de beide laatste verzen van dit Hoofdstuk te Mekka werden geopenbaard.

[753] Deze maanden waren Shawal, Dhoe'lkaada, Dhoe'lhajja en Moharram. Het Hoofdstuk zelf werd in eerstgenoemde maand geopenbaard. Anderen echter rekenen, dat dit op den 10den van Doe'thajja te Mekka plaats had, en doen die tijdruimte op den 10den van de vorige Rabi eindigen. (Al Beid‚wi).

[754] De afkondiging van dit Hoofdstuk was door Mahomet aan Ali opgedragen, die met dat doel, op den kameel met gespleten ooren van den profeet, van Medina naar Mekka rende, en op den bovenvermelden dag zich voor de geheele vergadering te al Akaba plaatste, en verhaalde, dat hij de boodschapper aan hen van Godsgezant was. Zij vroegen hem vervolgens, wat zijne boodschap was: hij las hun twintig of dertig verzen uit het Hoofdstuk voor en zeide toen: Mij is bevolen u met vier dingen bekend te maken: 1. Dat, na verloop van dit jaar, geen afgodendienaar den tempel van Mekka zal naderen. 2. Dat geen mensch zich in het vervolg verstoute den Caaba naakt te betreden. (Zie Hoofdstuk VII, vers 29). 3. Dat alleen de ware geloovigen binnen het Paradijs zullen komen; en 4. Dat het openbare geloof moet bewaard worden. (Al Beid‚wi, Zie Abulfed. Vit. Moh. pag. 127, enz.)

[755] Zoodat niettegenstaande Mahomet ieder verbond afwijst, met hen die hem hebben bedrogen, hij zich echter bereid verklaart, zijne verbintenissen na te komen omtrent hen die hem getrouw waren.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us